topic

Over veiligheid, justitie en defensie

938

plenaire vragen

38

voorstellen

meeste contributies

De overbevolking van de gevangenissen
De onenigheid in de regering en het plan van de premier betreffende het koninklijke genaderecht
De door u voorgestelde langetermijnoplossing voor de overbevolking van de gevangenissen
De impasse in de regering met betrekking tot de aanpak van de overbevolking van de gevangenissen
De aanpak van de overbevolking van de gevangenissen en het verlenen van gratie
Politieke verdeeldheid en oplossingen voor gevangenisoverbevolking en gratieverlening

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie), Bart De Wever (Eerste minister)

op 29 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De oppositie bekritiseert minister Annelies Verlinden scherp voor het falende beleid rond extreme overbevolking in Belgische gevangenissen (13.600 gedetineerden op 11.100 plaatsen, waaronder 600 grondslapers), met beschuldigingen van onmacht, gebrek aan concrete actie en "schandalige onmenselijke omstandigheden" die veiligheid en re-integratie ondermijnen. Khalil Aouasti (PS) en Barbara Pas (VB) wijzen op mislukte noodwetten, geblokkeerde voorstellen (zoals collectieve gratie via De Wever of terugzending van 5.500 niet-Belgen) en wederzijdse regeringsverwijten, terwijl Verlinden benadrukt structurele plannen (extra capaciteit, zorg voor geïnterneerden) maar geen korte-termijnoplossing biedt voor de crisis. Critici zoals Stefaan Van Hecke (Groen) en Sandro Di Nunzio (Anders.) hekelen de "onwil, onkunde en media-gedreven ruzie" binnen de regering en eisen dringende maatregelen, terwijl Verlinden respect voor rechterlijke straffen en samenwerking bepleit, maar geen tastbaar resultaat voorlegt sinds juli 2025. Oppositie en vakbonden dreigen met escalatie, met verwijzingen naar "potentiële doden" en "middeleeuwse toestanden".

Khalil Aouasti:

Monsieur le président, madame la ministre, chers collègues, on dénombre environ 11 000 places dans nos prisons, mais seules 9 000 répondent véritablement aux normes. Nous comptons aujourd'hui 13 400 détenus. En intégrant les 3 200 condamnés qui ne se trouvent toujours pas dans nos prisons, cela représente une surpopulation réelle de 2 400 personnes et une surpopulation carcérale potentielle de 5 600 personnes, 5 600 détenus.

Madame la ministre, la situation est insupportable. C'est du jamais vu et d'une totale indignité! Les acteurs de terrain, les agents pénitentiaires, les experts, l'opposition parlementaire vous implorent chaque semaine d'agir. Et vous, que faites-vous? L'été dernier, vous avez fait voter une supposée "loi d'urgence", qui constitue un échec manifeste. Depuis, vous avez organisé sept kerns visant à traiter de la question de la surpopulation carcérale, mais pour quel résultat? Quelques préfabriqués en projet, l'évocation de prisons à l'étranger et des promesses pour 2035… Pour le reste, rien! Pas une seule avancée! Pire que tout, avec une collègue, vous n'hésitez pas à étaler dans la presse votre impuissance, votre incapacité à faire face à la plus grande crise pénitentiaire de l'Histoire de ce pays.

Derrière ces chiffres, madame la ministre, ce sont des agents pénitentiaires à bout de souffle. Ce sont des détenus qui dorment à même le sol et qui vivent à plusieurs dans neuf mètres carrés, sans intimité, dans une promiscuité totale, sans accès suffisant aux soins de santé. Ce sont des personnes atteintes de troubles mentaux que l'on ne soigne pas dans des annexes psychiatriques. Ce sont des détenus qui ressortent brisés, et donc plus dangereux. Cette situation exige une ministre à la hauteur.

Madame la ministre, il est encore temps d'éviter une nouveau dossier I-Police. Qu'entendez-vous faire?

Barbara Pas:

De regering-De Wever heeft nog steeds geen deftig plan om de aanpak van de overbevolking in de gevangenissen tegen te gaan.

Mevrouw de minister, uw plan bestaat erin om criminelen een korting van tien maanden te geven op een celstraf van vijf jaar. Wie vijf jaar celstraf opgelegd krijgt, moet in dit land toch al behoorlijk wat mispeuteren. Over dat plan geraakt de regering het niet eens.

De premier heeft nu zelf een plan. U hebt dat plan in de media al afgeschoten, waarna u vandaag in de media verkondigt dat de discussie niet in de media moet worden gevoerd.

Collega’s van de N-VA, ik had de premier vandaag hier graag over zijn plan ondervraagd maar hij weigert dat. Ik begrijp dat. Het plan van De Wever rekent op de hulp van zijn ondertussen boezemvriend, Zijne Majesteit. Hij vraagt de Sire deze keer niet om honderd dagen, maar wil wel dat de Koning gratie verleent aan 1.300 veroordeelde criminelen van de meer dan 3.000 criminelen die momenteel zonder enig toezicht thuis zitten te wachten op de uitvoering van hun straf.

Genaderecht komt neer op een kwijtschelding. Dat is geen omzetting in enkelbandjes, maar dat is blijkbaar wel de bedoeling. Ik had hem graag dus gevraagd of hij kwijtschelding dan wel enkelbandjes bedoelt.

Ik had hem ook graag gevraagd hoe de kwijtschelding van gevangenisstraffen, al dan niet met enkelbandjes, voor veroordeelde criminelen die nog niet in de gevangenis zitten, kan helpen om de huidige 545 grondslapers weg te werken.

Mevrouw de minister, u hebt al duidelijk aangegeven dat dat niet het geval is. Ik had graag gehad dat De Wever mij kwam uitleggen wat dan wel de oplossing is, maar hij durft niet.

Mevrouw de minister, mijn vraag aan u is heel eenvoudig. Hoe zal de regering de overbevolking in de Belgische gevangenissen op korte termijn wel eindelijk aanpakken?

Sandro Di Nunzio:

Mevrouw de minister, we hoorden hier al een aantal cijfers. Ik heb ook die van de beleidsnota erbij genomen. Afgerond zijn er inderdaad 11.100 plaatsen in onze gevangenissen. Er zitten vandaag ongeveer 13.600 gedetineerden in de gevangenissen, van wie 600 grondslapers zijn. Dat wil zeggen dat er 2.500 mensen te veel in de gevangenissen zitten. Daarnaast zijn er nog 3.000 wachtenden die er niet in geraken. U zult het met mij eens zijn dat dit een regelrechte schande is voor ons als land, voor onze justitie en voor onze strafuitvoering.

De belangrijkste vraag die ik u wil stellen, is wat u daar het afgelopen jaar eigenlijk al aan gedaan hebt. Wat hebt u al ondernomen om dat probleem effectief aan te pakken? Het afgelopen jaar is de druk immers alleen maar toegenomen. De vorige regering heeft bijvoorbeeld wel actie ondernomen en een aantal maatregelen genomen. Ik verwijs bijvoorbeeld naar de 1.400 extra plaatsen die gecreëerd werden, de 70 extra personeelsleden die ingeschakeld werden en het kader dat werd gecreëerd voor de plaatsing van extra containers, goed voor meer dan 1.000 plaatsen. Ook de terugstuurakkoorden, onder andere met Marokko, werden toen door de vorige regering afgesloten, maar worden veel te weinig uitgevoerd. Daarom vraag ik wat u effectief hebt gedaan.

We lezen dat u 1 miljard euro hebt gevraagd. Hoeveel van dat budget zal daadwerkelijk naar extra capaciteit gaan? We vernemen ook dat een aantal collega's binnen de regering in het verleden voorstellen hebben gedaan die bij voorbaat afketst of blokkeert. Uw noodwet heeft, zoals we u gewaarschuwd hadden, geen enkel effect gehad.

Mijn vraag aan u is zeer eenvoudig. Wat hebt u gedaan en wat zult u op de langere termijn doen? Hoe zult u de situatie aanpakken en ombuigen? Zoals mijn collega van het Vlaams Belang zei, circuleert er een voorstel om gratie te verlenen. Is dat de langetermijnvisie waarvoor u staat, waarmee u de tendens zult keren en de overbevolking zult oplossen?

Stefaan Van Hecke:

Mevrouw de minister, hoe lang duurt het nog vóór u en de regering eindelijk iets zullen doen aan de overbevolking in de gevangenissen? Of moeten er eerst doden vallen vooraleer de regering in actie schiet?

Het geduld is op bij iedereen, bij het personeel en de vakbonden, bij mensenrechtenorganisaties, bij de CTRG-commissies, bij de gouverneurs en de burgemeesters, maar ook in het Parlement. Blijkbaar is het geduld ook op in de regering en zelfs bij de Koning, die de regering gisteren een nooit geziene bolwassing heeft gegeven, overigens met goedkeuring van de regering zelf.

De situatie in onze gevangenissen is explosief en onmenselijk met een overbevolking van meer dan 2.500 gedetineerden. Er zijn bijna 600 grondslapers, waarvan sommige soms naast de wc-pot slapen. We mogen niet vergeten dat het nog altijd om mensen gaat. Wie denkt dat gedetineerden beter uit de gevangenis komen als we hen eerst maanden of jaren op een onmenselijke en vernederende manier opsluiten, heeft het fout.

Wat doet de regering? Mekaar met de vinger wijzen, veto's stellen, andere dossiers blokkeren en ruziemaken, maar oplossingen komen er niet. De wederzijdse verwijten zijn stevig, als we de media mogen geloven. Mevrouw de minister, uw collega-ministers uiten heel zware kritiek op u, maar omgekeerd wijst u andere ministers met de vinger. U zegt bijvoorbeeld dat minister Vandenbroucke niets zou doen voor de aanpak van de geïnterneerden. De sfeer in de regering is dus allesbehalve optimaal.

Mevrouw de minister, op u rust een loodzware verantwoordelijkheid. Als een oplossing uitblijft, toont u uw onmacht als minister van Justitie. Wanneer komt er een oplossing? Vindt u echt dat minister Vandenbroucke niets heeft gedaan aan die problematiek?

Steven Matheï:

Mevrouw de minister, de problematiek van de overbevolking is bekend: er is een tekort van 2.000 plaatsen in de gevangenissen en er zijn bijna 600 grondslapers. Dat is uiteraard problematisch voor de veiligheid van de gevangenen zelf, de cipiers en de andere personeelsleden. Het zet bovendien het principe van re-integratie, re-integratie die het vervolg van de gevangenisstraf moet zijn, op de helling. Het gezegde gaat dat, als men mensen in een gevangenis als beesten behandelt, ze er ook als beesten uitkomen. Dat is net wat we niet willen.

Er moeten dus oplossingen komen. Er circuleren verschillende voorstellen, waaronder een van eerste minister Bart De Wever om over te gaan tot een soort van collectieve gratie. Daarbij zouden 1.300 personen hun door een rechter opgelegde effectieve gevangenisstraf niet moeten uitzitten, maar een enkelband krijgen. Daar heeft cd&v toch wel wat vragen bij. Hoe legt men het uit aan de rechters die iemand tot een gevangenisstraf veroordelen, dat de veroordeelde zijn of haar straf niet moet uitvoeren? Hoe legt men het uit aan slachtoffers dat daders uiteindelijk niet naar de gevangenis moeten?

Bovendien rijst de vraag of de collectieve genade, zelfs als daar voorwaarden aan zijn verbonden en de gevangenisstraf in een straf met enkelband wordt omgezet, de juridische toets zou doorstaan. Helpt zo’n maatregel trouwens het probleem van de grondslapers oplossen? Hoeveel grondslapers zullen er door de collectieve genademaatregel minder zijn? Nul, geen enkele.

Mevrouw de minister, we moeten dus op zoek naar andere oplossingen, naar oplossingen zoals u die op tafel hebt gelegd, oplossingen die effectief en duurzaam zijn. Mevrouw de minister, welke oplossingen ziet u om het probleem aan te pakken?

Annelies Verlinden:

Beste collega’s, voorbij het geblaas en gespin, ook van anonieme bronnen in de pers, wil ik hier graag de precieze toedracht geven van de lopende gesprekken in de regering over de overbevolking in onze gevangenissen.

Als iemand hier voorhoudt dat ik een echte en duurzame oplossing voor de schrijnende situatie van de overbevolking en de grondslapers zou tegenhouden of niet bereid zou zijn tot een compromis, dan vergist die zich. Reeds sinds november heb ik verschillende voorstellen op de regeringstafel gelegd naar aanleiding van de sterke stijging van het aantal gedetineerden in onze gevangenissen, niet het minst van degenen die op een matras moeten slapen. Het gaat om een reeks maatregelen die er samen voor kunnen zorgen dat de druk in onze gevangenissen echt wordt verlicht. De teksten zijn wat Justitie betreft al geruime tijd klaar.

Collega’s, er zijn dus oplossingen. Die vragen wel de moed en de wil om het probleem doortastend aan te pakken. Een voorstel waarbij een uitzonderingsmaatregel wordt genomen en waarbij een enkelband wordt toegekend aan enkele honderden mensen die vandaag niet in onze gevangenissen zitten, is geen oplossing voor de grondslapers in onze gevangenissen vandaag. Dat zou immers niets veranderen aan de situatie van de grondslapers en niets aan de dagelijkse onveiligheid waarin de penitentiaire beambten hun taken moeten uitvoeren. Bovendien geef ik er de voorkeur aan om maximaal de door de rechters uitgesproken straffen te respecteren en te werken binnen de context van de strafuitvoeringsmodaliteiten en organisatorische maatregelen om de overbevolking aan te pakken.

Het gaat mij dus niet om het grote gelijk, beste collega’s. Het gaat mij wel om de aanpak van de straffeloosheid en om de veiligheid en de menswaardigheid in onze gevangenissen. Daarom blijven we aandringen op maatregelen die wel soelaas bieden. De directeurs, de penitentiaire beambten en alle partners van het gevangeniswezen rekenen op ons. Zij hebben terecht recht op perspectief op korte termijn. We mogen hen dus niet wegsturen met pseudo-oplossingen. Ik sta en blijf resoluut aan hun zijde staan en blijf werken aan een resultaat dat hen echt vooruit kan helpen.

Daarom roep ik vandaag opnieuw iedereen op om samen een impactvolle en daadkrachtige oplossing mogelijk te maken. Dat moeten we inderdaad samen doen. Ik kan daar trouwens heel helder over zijn: ik heb niemand verhinderd om aan de slag te gaan met zijn of haar bevoegdheden en op het terrein alle mogelijke maatregelen te nemen die een impact op de overbevolking kunnen hebben.

Je tiens dès lors à rappeler à chacun que le gouvernement a déjà approuvé, le 18 juillet dernier, un plan global visant à lutter contre la surpopulation. Ce plan prévoit une augmentation de la capacité carcérale, avec des infrastructures de soins supplémentaires pour les internés, ainsi qu’une approche plus efficace du retour des condamnés en séjour illégal et le renforcement des services chargés des transfèrements internationaux. Les grandes lignes sont tracées et je ne doute pas que mes collègues et moi-même resterons déterminés à les mettre en œuvre.

Nous ne pouvons pas nous contenter de mesures en deçà de cette ambition.

Collega’s, ik hoef er niemand van te overtuigen dat het probleem complex is. We lopen een marathon om op middellange en op lange termijn extra capaciteit te creëren om de overbevolking aan te pakken. We moeten vandaag echter ook een sprint trekken om de onveiligheid en de onmenselijkheid in de gevangenissen weg te werken, niet omdat het makkelijk is, niet omdat we meedingen naar een schoonheidsprijs, maar wel omdat het absoluut noodzakelijk is.

Het is om die reden dat ik in de voorbije maanden concrete en berekende voorstellen met impact heb voorgelegd. De gesprekken daarover zijn lopende in de regering. Daarbij zijn twee principes belangrijk: ten eerste, de oplossingen moeten structureel en doortastend zijn en, ten tweede, de door rechters uitgesproken straffen moeten maximaal gerespecteerd worden.

Met dat doel voor ogen ben ik ervan overtuigd dat niets ons in de arizonaregering in de weg staat tot een akkoord te komen. De veiligheid van onze samenleving, de rechtszekerheid, de strijd tegen straffeloosheid en het streven naar menswaardige detentieomstandigheden, die onze rechtstaat van ons vraagt, zijn me uitermate dierbaar.

Khalil Aouasti:

Madame la ministre, je vous ai entendue, je vous ai écoutée, mais je n’ai reçu aucune réponse. Votre réponse consiste à dire que, le 18 juillet, vous avez fait voter des textes. Le 18 juillet, nous comptions 12 900 détenus dans nos prisons. Aujourd’hui, 29 janvier 2026, nous en comptons 13 626. Autrement dit, entre le 18 juillet et aujourd’hui, votre plan de lutte contre la surpopulation carcérale a lamentablement échoué. Alors, madame la ministre, j’entends des appels à tout le monde – voilà donc ce qu'on peut appeler une majorité de cohésion – à vous soutenir, après sept kern, avec 13 600 détenus, avec de l'indignité, avec la reconnaissance, de votre propre aveu, de la présence de personnes avec des troubles mentaux ou de grande précarité. Madame la ministre, je vais vous dire une seule chose: il n’y a pas un problème que l’inaction finisse par résoudre. Et j’ai bien peur, en réalité, que cet adage s’applique à votre gouvernement.

Barbara Pas:

Deze regering heeft duidelijk geen plan. Ze focust graag op het buitenland, maar de eerste prioriteit zou de veiligheid van de burgers in België zelf moeten zijn. Veroordeelde criminelen vrij laten rondlopen ondergraaft de veiligheid van burgers. Daarmee lacht men de slachtoffers vierkant uit. Zo'n 70 % van de gedetineerden recidiveert. U bent de mening toegedaan dat de straffen van de rechters gerespecteerd moeten worden, maar u wilt zelf wel strafkorting geven. De Wever wil zelfs dat 1.300 veroordeelde criminelen hun gevangenisstraf niet eens moeten uitzitten. Dat valt niet uit te leggen. Weet u wat u moet doen? U moet 5.500 niet-Belgische gedetineerden terugsturen en het genaderecht afschaffen. Dat is een praktijk die volledig achterhaald is en alleen nog thuishoort bij middeleeuwse koningen en Romeinse keizers.

Sandro Di Nunzio:

Mevrouw de minister, ik denk dat de Anders.-fractie de eerste is om te erkennen dat dit een complex probleem is dat niet eenvoudig op te lossen valt. Uw antwoorden stellen ons echter niet gerust. Zoals altijd brengt u in uw gekende stijl zeer verbindende, warme boodschappen en legt u allerlei plannen op tafel. De realiteit is echter dat u het afgelopen jaar niets hebt gerealiseerd, u hebt niets gedaan en dat typeert u. Ik vraag me oprecht af wat u als minister klaarkrijgt, want er beweegt niets. Wanneer u zegt een dossier in handen te nemen, blijft het liggen en gebeurt er absoluut niets mee. U hebt nog enkele jaren om te tonen dat het anders kan. Ik geloof er niet meer in, maar u hebt nog een aantal jaren om te tonen dat dit geen verloren legislatuur voor Justitie hoeft te zijn. Communiceer dus geen plannen in de media, maar ga samenzitten met uw collega-ministers en zorg ervoor dat er actie wordt ondernomen op het terrein.

Stefaan Van Hecke:

Mevrouw de minister, ik heb goed geluisterd naar uw antwoord. Ik vraag mij af of dat antwoord namens de regering was of namens uzelf. Ik twijfel. U verwijst naar collega’s in de regering als oorzaak van de blokkering maar dat is al te gemakkelijk. U draagt als minister van Justitie immers in de eerste plaats een verpletterende verantwoordelijkheid. Het is echter ook een collectieve verantwoordelijkheid van de hele regering.

Ik stel alleen vast dat er vandaag geen oplossingen zijn. Is dat onmacht, onkunde of onwil? Ik vrees dat het een mix van de drie is. De toestand is echter vooral schandalig. Collega’s, wij hebben eerder al voorgesteld om een koninklijk commissaris tegen de overbevolking aan te stellen. De regering kan het niet oplossen. De minister kan het niet oplossen. Geef het dan uit handen. Dat is nog het enige wat rest. Doe echter vooral iets.

Steven Matheï:

Mevrouw de minister, ik dank u voor de antwoorden. Het is inderdaad een heel complexe situatie. Ik ben blij dat de heer Di Nunzio dat ook erkent. Mijnheer Di Nunzio, het zou u echter sieren, mocht u erkennen dat de situatie mede is gecreëerd door de twee vorige ministers van Justitie. Wat de oplossingen betreft, wij moeten inderdaad een duurzame oplossing vinden om het aantal grondslapers naar beneden te halen en vooral om de toestand in de gevangenissen te verbeteren. Mevrouw de minister, er zijn heel wat mogelijkheden, zoals u hebt aangehaald, onder andere bijkomende capaciteit, waaraan u dag in dag uit werkt. Daarvoor hebt u ook de steun nodig van de andere regeringsleden. Wij hopen dat u die steun vindt en dat wij op die manier vooruitgang kunnen boeken in het dossier.

Het gebruik van het logo van de FOD Justitie/ Gelijke Kansen door gesubsidieerde organisaties

Gesteld aan

Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Alexander Van Hoecke (Vlaams Belang) bekritiseert dat federale subsidies – anders dan in Vlaanderen – niet verplicht zichtbaar zijn via een logo, wat transparantie over belastinggeld ondermijnt, en stelt een verplichte vermelding voor, met name voor organisaties zoals Hand in Hand tegen racisme. Minister Rob Beenders (FOD Justitie) benadrukt dat transparantie al is geregeld via koninklijke besluiten (o.a. vermelding via equal.be of andere middelen), maar wijst een logo-verplichting af en bekritiseert Van Hoecke’s selectieve focus op polemische thema’s. Van Hoecke houdt vol dat de huidige regels onvoldoende zichtbaarheid bieden en eist expliciete communicatie, vergelijkbaar met EU- en Vlaamse praktijken. Beenders houdt stand dat projectgebonden transparantie voldoende is en ontkent dat subsidies hele organisaties dekken.

Alexander Van Hoecke:

Mijnheer de minister, ik heb vandaag een vraag, maar eigenlijk ook een voorstel. Organisaties die subsidies ontvangen van de Vlaamse overheid zijn verplicht om dat kenbaar te maken. In hun communicatie moeten zij op hun website, in publicaties en in algemene communicatie gebruikmaken van het logo van de Vlaamse overheid als ze van diezelfde Vlaamse overheid subsidies ontvangen. Er bestaat ook een internationaal subsidielogo, dat wordt gebruikt in communicatie ten aanzien van een buitenlands publiek.

Die werkwijze zorgt minstens voor iets meer transparantie over de besteding van publieke middelen, van belastinggeld. Ze maakt voor iemand die met zo’n organisatie in aanraking komt ook meteen zichtbaar of die organisatie al dan niet met belastinggeld wordt gesubsidieerd.

Op federaal, op Belgisch niveau, bestaat die verplichting vandaag niet. Bovendien ontvangen heel wat organisaties in het kader van diversiteit, interculturaliteit en gelijkheid van kansen rijkelijk subsidies van zowel de Vlaamse als de federale overheid. Op de website van die organisaties is enkel het logo van de Vlaamse overheid te zien, waardoor we ervan uitgaan dat er alleen belastinggeld van de Vlaamse regering naartoe is gestroomd. Dat is echter niet de realiteit.

Mijnheer de minister, kunt u bevestigen dat er vandaag op federaal niveau geen enkele algemene verplichting bestaat voor gesubsidieerde organisaties om het logo van de betrokken FOD of van de federale overheid te gebruiken in hun communicatie?

Ten tweede, en dat is eigenlijk mijn voorstel, deelt u de mening dat de invoering van een dergelijke verplichting wenselijk zou zijn vanuit het oogpunt van transparantie?

Tot slot, bent u bereid om alvast vanaf vandaag voor organisaties die subsidies ontvangen in het kader van diversiteit, interculturaliteit en gelijke kansen een dergelijke verplichting in te voeren bij de toekenning van subsidies? Bent u vervolgens ook bereid om alle organisaties die vandaag subsidies ontvangen te verplichten het logo van de FOD Justitie te gebruiken? Dat is heel belangrijk, maar wordt wel eens wordt vergeten. Het budget voor die subsidies komt immers uit de begroting van het noodlijdende Justitie, meer bepaald van de dienst Gelijke Kansen.

Rob Beenders:

Mijnheer Van Hoecke, ik kan u bevestigen dat er geen enkele verplichting bestaat, opgenomen in een wet of in een uitvoeringsbesluit, die organisaties die federale subsidies ontvangen ertoe verplicht om systematisch het logo van de federale overheid of van de betrokken FOD op hun communicatiemiddelen te plaatsen. In principe worden de voorwaarden inzake de zichtbaarheid van overheidssteun per geval vastgelegd. In de subsidiebesluiten of in de overeenkomsten die met begunstigden worden gesloten, kunt u al die details nalezen.

Voor subsidies voor gelijke kansen is er wel een bepaling die expliciet erin voorziet dat de federale steun vermeld moet worden via het gebruik van het logo equal.be. Die steun mag echter ook andere vormen aannemen. In het kader van de financieringen die ik toeken, zijn de begunstigden onderworpen aan specifieke verplichtingen die worden vastgesteld in het koninklijk besluit dat elke subsidie regelt. Zo geldt onder meer de verplichting om het publiek te informeren over de financiële steun die in het kader van de subsidie werd ontvangen, in elke communicatie of publicatie.

Die verplichting kan worden nagekomen door het gebruik van een logo of via elk ander middel dat een passende zichtbaarheid waarborgt, waardoor verenigingen een zekere vrijheid behouden. Soortgelijke bepalingen zijn ook vastgelegd in verschillende recente koninklijke besluiten betreffende de structurele financiering van organisaties die actief zijn op het gebied van gelijke kansen, de ondersteuning van LGBTI+-personen en de bestrijding van racisme.

Aangezien die vereiste al geldt voor de subsidies die ik toeken via de dienst Gelijke Kansen van de FOD Justitie en omdat zij bijdraagt tot transparantie en zichtbaarheid van de publieke steun, zie ik geen noodzaak om op mijn niveau nog een extra verplichting in te voeren. Ik ben van oordeel dat de transparantie waarin we voorzien inzake subsidies, gewaarborgd is.

Waar het om gaat, is dat u het belangrijk vindt dat mensen weten dat overheidsgeld gegeven wordt aan organisaties. Ik heb echter uw website bekeken en u vermeldt evenmin dat die wordt gefinancierd met federaal geld. Als u die transparantie wilt doortrekken, moet u dat consequent doen, niet alleen in thema's waar u een polemiek rond wilt voeren. Uw partijdotaties worden ook gebruikt om een website te financieren, nochtans heb ik op uw website nergens het logo van de federale overheid gezien. Misschien is het, als u dat zo belangrijk vindt, aangewezen om ook daar aan transparantie te werken. Ik heb dat alleszins gedaan via mijn koninklijke besluiten in de subsidies die ik toeken.

Alexander Van Hoecke:

Mijnheer de minister, om een antwoord te geven op de vraag die u mij stelt: ja, ik vind het heel belangrijk dat er transparant wordt omgesprongen met belastinggeld.

Laat mij die situatie toch nog eens heel kort schetsen. Er worden zowel op federaal als op Vlaams niveau subsidies uitgedeeld aan organisaties die aan politiek doen. Dat is zo. Een voorbeeld is de vzw Hand in Hand tegen racisme. Dat is een organisatie die tips uitdeelt over hoe men een sinterklaasfeest moet verpesten en die trajecten uitwerkt om alle delen van onze samenleving te dekoloniseren. Die organisatie ontvangt belastinggeld van de Vlaamse overheid. De Vlaamse overheid zegt dat wat die organisatie doet heel goed is en wil dat ondersteunen met belastinggeld, maar de Vlaamse overheid zegt daar wel bij – en dat is toch het minste wat men kan doen – dat de organisatie met een logo op de website duidelijk kenbaar moet maken dat ze belastinggeld ontvangt.

De federale overheid geeft ook belastinggeld aan dezelfde organisatie, vzw Hand in Hand tegen racisme. Zij zegt eveneens dat wat die organisatie doet goed is en dat zij dat volledig ondersteunt, maar de federale overheid legt niet op dat dat moet worden meegedeeld. Dat hoeft niet duidelijk te worden gemaakt en niet zo transparant mogelijk op de website worden vermeld, naast het logo van de Vlaamse overheid, dat men ook federaal belastinggeld ontvangt.

Zelfs de Europese Unie vermeldt dat trouwens. Elk project van de Europese Unie geeft duidelijk aan dat het wordt gesponsord met belastinggeld van de Europese belastingbetaler. Het is toch te zot voor woorden dat we zo’n simpele verplichting niet zouden kunnen invoeren.

Begrijp mij niet verkeerd, in een ideale wereld krijgen organisaties zoals Hand in Hand tegen racisme wat mij betreft geen cent belastinggeld. Als u er toch voor kiest om hen te subsidiëren, dan lijkt het mij het minste wat u kunt doen om daar transparant over te communiceren en duidelijk te maken aan mensen die met zo’n organisatie in aanraking komen dat zij ook van u belastinggeld ontvangen.

Rob Beenders:

Mijnheer Van Hoecke, het is niet mijn gewoonte om nog te reageren na een repliek, maar ik heb wel heel duidelijk geantwoord dat er een koninklijk besluit bestaat volgens hetwelk die transparantie moet worden gegarandeerd. U vindt dat dat alleen kan met een logo. Daarover verschillen we van mening. Het feit dat een organisatie transparant moet zijn over het ontvangen van middelen lijkt mij evident, en dat heb ik ook bevestigd.

Het verschil bestaat erin dat transparantie voor u alleen betekent dat een logo zichtbaar is. Daarover verschillen we van mening. U hebt uiteraard zo dadelijk het laatste woord, maar u kunt mij niet in de mond leggen dat ik niet vind dat er transparantie moet zijn wanneer er middelen worden toegekend.

Los daarvan wil ik duiden dat wanneer er middelen naar een organisatie gaan, daaraan volgens de subsidiereglementen voorwaarden en ook projecten aan gekoppeld zijn. Daarnaast kan een organisatie ook aanbevelingen uitschrijven – u noemt het sinterklaasfeest als voorbeeld – met eigen middelen. Wat ik verkeerd vind, maar wat het Vlaams Belang dikwijls doet, is om de gehele werking van een organisatie geheel toe te schrijven als zijnde ondersteund door subsidie. Wij steunen projecten en programma’s. Een organisatie behoudt daarnaast de vrijheid om andere zaken te doen, bijvoorbeeld aanbevelingen formuleren, op basis van eigen middelen.

Het is dus niet correct te stellen dat de dingen die een organisatie doet geheel afhangen van overheidsmiddelen en dat de overheid die organisatie daardoor ook volledig steunt. Wij kennen subsidies toe op basis van projecten. Over die projecten moeten de betrokken organisaties transparantie bieden. Voor het overige kan een organisatie nog heel wat andere activiteiten ontwikkelen.

Het subsidiereglement vormt voor ons de basis en garandeert transparantie.

Voorzitter:

Mijnheer Van Hoecke, de volksvertegenwoordiger heeft altijd het laatste woord.

Alexander Van Hoecke:

Mijnheer de voorzitter, sta mij toe eerst aan te geven dat ik het aangenaam vind dat de minister nog kan reageren. Dat is in de commissie voor Justitie, die ik meestal bijwoon, niet het geval. Daar blijft het meestal bij een afgelezen antwoord. Mijnheer de minister, ik wil ingaan op de bestaansmiddelen van een organisatie. U gaat mij niet vertellen dat een organisatie als vzw Hand in Hand tegen racisme veel middelen haalt uit andere bronnen dan overheidssubsidies. U stelt dat ik er bepaalde projecten uitkies. Welnu, ik raad u aan om eens naar die website te surfen. Die hele organisatie draait rond die projecten en net dat wordt door de federale overheid gesubsidieerd. Wat ik aanklaag en wat ik eigenlijk constructief voorstel, is om heel duidelijk te maken, voor iedereen die naar de website van een dergelijke vereniging surft, te kunnen zien dat bepaalde projecten worden gesubsidieerd met federaal belastinggeld. Ik daag u uit om naar die website te surfen en mij te tonen waar heel duidelijk staat dat die organisaties federale subsidies ontvangen, zonder dat bezoekers moet beginnen grasduinen op de website. Dat is immers niet de bedoeling. Wel zie ik meteen het logo van de Vlaamse overheid, dus dat is transparant en duidelijk. Ik onthoud dat u problemen hebt met duidelijke transparantie. Mijn voorstel is heel constructief. Als het van mij afhangt, krijgen dergelijke organisaties geen cent subsidies. Als u dan toch beslist om hen subsidies te geven, is het minste wat u kunt doen, daarover transparant communiceren. Dat is volgens mij in het voordeel van iedereen.

De manosphere en het Nationaal Actieplan
De evaluatie van het Nationaal Actieplan ter bestrijding van gendergerelateerd geweld (stavaza)
De evaluatie van het NAP 2021-2025
De opmaak van het nieuwe actieplan in de strijd tegen gendergerelateerd geweld (stavaza)
Het plan tegen gendergerelateerd geweld en de Stop Feminicidewet
Evaluatie en opmaak Nationaal Actieplan tegen gendergerelateerd geweld

Gesteld aan

Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Parlementsleden bekritiseren de ontoereikende aanpak van gendergerelateerd geweld, met name digitale misogynie, de manosfeer en technologisch gefaciliteerd geweld (zoals AI-gemanipuleerde beelden en online intimidatie), die volgens Almaci en Yigit leiden tot psychologische schade, normalisering van geweld en een gevoel van machteloosheid bij slachtoffers door gebrek aan handhaving. Minister Beenders bevestigt dat het huidige NAP (2021–2025) voor 72% is uitgevoerd en kondigt een nieuw actieplan aan—met aandacht voor digitale geweldsvormen, samenwerking met deelstaten en een studie naar masculinistisch discours—maar Schlitz en Désir benadrukken dat snelle, gecoördineerde actie en duidelijke budgettaire toezeggingen ontbreken, terwijl Yigit wijst op bezuinigingen bij Justitie die de opvang van slachtoffers en daderbehandeling hypothekeren. Almaci pleit voor strengere wetgeving (o.a. aanpassing art. 150 Grondwet) en effectievere vervolging, omdat huidige regelgeving zoals de Digital Services Act onvoldoende grijpt.

Meyrem Almaci:

Mijnheer de minister, het NAP 2021–2025 vormt sinds de vorige legislatuur het beleidskader voor de uitvoering van het verdrag van Istanbul in België. Intussen is er heel veel gebeurd, jammer genoeg niet altijd ten goede. We stellen namelijk nieuwe fenomenen in de samenleving vast die bijkomende risico's kunnen inhouden voor de strijd tegen gendergerelateerd geweld. Herinner u de discussie over de manosfeer en er zijn Grok en de Red pillnetwerken, om nog maar te zwijgen van de vaststelling dat mannelijkheidsnormen aan populariteit winnen, of de serie Adolescence .

Het is duidelijk dat een structurele aanpak nodig is. Heel wat rechtenorganisaties, zoals vrouwenrechtenorganisaties, benadrukken het belang van een aanpak van technologisch gefaciliteerd geweld, waarbij dat soort onderliggende normenpatronen die dominantie over vrouwen en geweld tegen vrouwen propageren, alsmaar weeldiger tieren. Het digitale geweld waarmee vrouwen worden geconfronteerd, veroorzaakt zware psychologische schade en heeft de bedoeling hun positie in de samenleving te ondergraven. Bovendien blijkt dat geweld ook een overfloweffect te hebben in de echte wereld. Het onlinedomein beïnvloedt ook alles wat er offline gebeurt. Het werkt door in het dagelijks leven en vergroot de onveiligheid van vrouwen.

Hoe ver staat het met de voorbereidingen voor het NAP?

Zal het nieuwe actieplan digitale fenomenen zoals onlinemisogynie en de manosfeer aanpakken? Welke pistes worden onderzocht om technologisch gefaciliteerd geweld te bestrijden?

In welke mate zullen de aanbevelingen van het Nationale Platform van het Maatschappelijk Middenveld worden geïntegreerd, in het bijzonder met betrekking tot artikel 150 van de Grondwet, zodat geschreven seksistische boodschappen inclusief onlineboodschappen niet de facto straffeloos blijven?

Plant u nieuwe indicatoren rond technologisch gefaciliteerd geweld, onlinemisogynie of mogelijke vormen van radicalisering in de manosfeer?

Was er al overleg met gemeenschappen en gewesten over preventie, onderwijs en mediawijsheid voor het nieuwe actieplan?

Worden federale veiligheids- en cyberdiensten betrokken bij de voorbereiding van het nieuwe NAP, gelet op de toenemende digitale dimensie van gendergerelateerd geweld?

Ik rond af met een anekdote van dichtbij. Onlangs werd een vriendin van mij geconfronteerd met de seksualisering van een foto van haar dochter door een vader van een klasgenoot met behulp van een app. Dergelijke problematische feiten stellen niet alleen heel veel ouders, maar ook jonge meisjes, jonge vrouwen en jongeren tout court voor ernstige uitdagingen. Ook mijn zonen moesten ervaren hoe anderen met dat soort apps leuk aan de slag gaan en hun vragen hoe ze daarmee om moeten gaan.

Als het antwoord telkens is dat men een klacht moet neerleggen bij de politie en men vervolgens merkt dat daar niets mee gebeurt, omdat het geweld nu eenmaal op basis is van een app of een online-instrument, dan is het resultaat een gevoel van machteloosheid, terwijl de problematiek intussen alsmaar ernstiger wordt. Ik verontschuldig mij alvast ik de spreektijd even overschreden heb, maar het probleem is werkelijk overal.

Ayse Yigit:

Minister, ongeveer één op de drie vrouwen krijgt in haar leven te maken met geweld en het probleem nam de voorbije jaren wereldwijd toe. Ook in ons land worden vrouwen en meisjes nog dagelijks geconfronteerd met verschillende vormen van gendergerelateerd geweld. Al te vaak blijven slachtoffers daarbij in de kou staan.

Het Nationaal Actieplan ter bestrijding van gendergerelateerd geweld is in dat verband een cruciaal beleidsinstrument. Dat actieplan liep vorig jaar af en de eindevaluatie wordt momenteel opgemaakt. Verschillende middenveldorganisaties en gespecialiseerde instellingen hebben herhaaldelijk gewaarschuwd dat zowel de ambities als de geplande budgetten onvoldoende zijn om de vooropgestelde doelstellingen daadwerkelijk te realiseren. De oproep tot meer investeringen en meer daadkracht klonk nog luid en duidelijk tijdens de betoging van het platform Mirabal op 23 november in Brussel.

Kunt u kort een stand van zaken geven van de uitvoering van het nationaal actieplan? Welke acties en doelstellingen werden al gerealiseerd en welke zijn in uitvoering? Werd het actieplan 2021-2025 al geëvalueerd? Zo ja, wat zijn de voornaamste conclusies en aanbevelingen? Kunt u de nodige documenten aan het Parlement bezorgen?

Werd ook het schaduwverslag van het Nationaal Platform van het maatschappelijk middenveld geraadpleegd, zoals verplicht volgens het Verdrag van Istanbul? Kan dat verslag gedeeld worden met het Parlement?

Hoe ver staat het met de voorbereidingen voor het nieuwe nationaal actieplan? Wanneer wordt dat verwacht en op welke manier zullen de verschillende overheden en het middenveld erbij betrokken worden?

Zal het toekomstige actieplan maatregelen versterken, dan wel extra maatregelen opleggen gelet op de aanhoudende problematiek van gendergerelateerd geweld? Welke budgettaire middelen worden er vrijgemaakt voor de ontwikkeling en de uitvoering?

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, je vous interrogeais déjà sur l’évaluation du plan d’action national contre les violences de genre en octobre dernier, pour savoir d’une part où en était l’évaluation et d’autre part où en est le prochain plan national, parce que les enjeux sont évidemment encore d’actualité.

Vous me répondiez en octobre que l'évaluation du plan d'action 2021-2025 est en cours et qu'elle serait achevée d'ici la fin de l'année – l'année 2025 donc – que l'évaluation définitive serait présentée au Parlement fédéral et discutée avec la plateforme au cours d'une table ronde prévue début 2026, qu'en parallèle la plateforme réalise sa propre évaluation du plan d'action national et qu'à partir de ces éléments, elle rédigera son rapport et proposera des recommandations; et que, concernant le prochain plan d'action, le groupe interdépartemental avait récemment validé une méthodologie et un calendrier et que les travaux pour l'élaboration du prochain plan d'action débuteront au début de l'année prochaine – c'est-à-dire, a priori , maintenant.

Mes questions sont les suivantes. Où en est l'évaluation du plan? A-t-elle bien été réalisée et a-t-elle abouti en fin d'année? Quand la présentation sera-t-elle réalisée au Parlement? Où en sont les travaux pour la réalisation du futur plan? Avez-vous déjà une idée des priorités pour le prochain plan national, au regard des enjeux actuels? Je vous remercie.

Caroline Désir:

Monsieur le ministre, sous la précédente législature, des avancées ont été réalisées en matière de lutte contre les violences liées au genre, notamment avec l'adoption du plan d'action national contre les violences en 2021 et le vote en juin 2024 de la loi Stop Féminicides. Déjà, lors de nos échanges sur votre note d'orientation, vous aviez annoncé votre volonté d'élaborer un nouveau plan, précédé d'une évaluation du plan existant et d'une consultation des parties prenantes.

Monsieur le ministre, pourriez-vous m'indiquer quels travaux ont-ils déjà été menés dans le cadre de l'élaboration du nouveau plan d'action national contre les violences? Quand celui-ci devrait-il être finalisé?

Le GREVIO avait exprimé des inquiétudes quant à la lisibilité des moyens financiers consacrés aux politiques de lutte contre les violences faites aux femmes. Quelles mesures entendez-vous mettre en place pour améliorer la transparence et la lisibilité de ces moyens?

Quel budget ce gouvernement prévoit-il de consacrer à la lutte contre les violences liées au genre dans le cadre du prochain plan d'action?

Enfin, concernant la loi visant à lutter contre les féminicides, le comité scientifique chargé d'analyser les féminicides et les meurtres fondés sur le genre a été installé il y a quelques semaines. Il s'est réuni pour la première fois le 21 novembre dernier. Quel était l'ordre du jour de cette réunion? Comment s'organiseront les travaux de ce comité? Le secteur associatif et la société civile pourront-ils contribuer aux travaux de ce comité? Je vous remercie.

Rob Beenders:

Het verhaal van mevrouw Almaci toont aan hoe actueel en geen ver-van-mijn-bedshow de problematiek wel is.

Het probleem stopt niet aan de Belgische grens; het is ook een Europees issue. Het is tijd voor actie en niet alleen voor plannen. We zetten zeer sterk in op resultaat. Op korte termijn moeten stappen worden gezet. Europa is zeker wanneer het gaat over gendergerelateerd geweld online, een partner om duidelijke lijnen voor eigenaars van platformen, die daarin een zeer grote verantwoordelijkheid dragen, te zetten. Ik heb afgelopen week ook nog overleg gepleegd met Commissaris Lahbib. Een aanpak stopt niet bij de contouren van het nationaal actieplan, maar moet verder gaan.

C’est pour cela que la lutte contre la violence liée au genre exige une approche constante et cohérente, raison pour laquelle la collaboration avec la commissaire Lahbib est essentielle car les solutions sont également à construire au niveau européen.

Le plan d’action national de lutte contre les violences basées sur le genre est un instrument essentiel, vous l’avez dit, pour coordonner les efforts de tous les acteurs concernés, et ce à tous les niveaux politiques.

Het vorige actieplan, dat in werking trad in november 2021, liep af in december 2025. Het leverde vooral belangrijke resultaten op het vlak van preventie, bescherming en ondersteuning van slachtoffers, vervolging, asiel en migratie en het internationale beleid. Bij de tussentijdse evaluatie in 2023 was al meer dan 72% van de maatregelen in uitvoering, onder andere omdat de vorige regering omtrent dat onderwerp belangrijke stappen heeft gezet.

L’évaluation finale est actuellement réalisée par l’Institut pour l’égalité des femmes et des hommes, en collaboration avec le groupe interdépartemental qui réunit des représentants des cabinets et des administrations fédérales ainsi que des entités fédérées. Le rapport final est en cours de finalisation et de validation. Il sera transmis aux parlements concernés dans les mois à venir. Le rapport final est tourné vers l’avenir et formule des recommandations pour le prochain plan d’action national.

Je peux toutefois déjà indiquer qu’il ressort de cette évaluation que le plan d’action national s’avère être un outil de cadre de référence indispensable pour coordonner les efforts de l’ensemble des acteurs impliqués dans la lutte contre la violence basée sur le genre.

Gendergerelateerd geweld blijft een hardnekkig maatschappelijk probleem. Het komende jaar zal ik daarom samen met mijn collega-ministers, ondersteund door het instituut, werk maken van een nieuw, concreet en vooral ambitieus actieplan. We nemen de lessen uit het huidige evaluatiedocument mee, alsook alle aanbevelingen van het Nationaal Platform van het maatschappelijk middenveld. Ook de recente aanbevelingen van GREVIO in het kader van de uitvoering van het Verdrag van Istanbul zullen een inspiratiebron vormen.

Les discussions concernant le contenu de ce nouveau plan débuteront dans les prochains mois.

En ce qui concerne les budgets, il appartient bien sûr à chaque ministre concerné de prévoir les moyens nécessaires pour les actions relevant de ses compétences. Cela explique pourquoi il est parfois difficile d’établir un aperçu global. Des efforts ont déjà été réalisés pour améliorer la visibilité des montants consacrés à la prévention et à la lutte contre les violences basées sur le genre à tous les niveaux de pouvoir, notamment à travers la comptabilisation des budgets alloués aux différentes mesures du plan.

Bien qu’il soit complexe, cet exercice participe à une meilleure transparence et à une plus grande lisibilité des financements consacrés à la lutte contre les violences basées sur le genre.

Onze samenleving evolueert snel. Door die snelle evolutie zien wij ook dat er alsmaar meer nieuwe vormen van geweld zichtbaarder worden. Digitale technologie speelt daarin een cruciale rol. Ook de opkomst van schadelijke mannelijkheidsnormen en de zogenaamde manosfeer dragen bij tot gendergerelateerde vormen van geweld. Die ontwikkelingen zijn bijzonder zorgwekkend en verdienen onze volle aandacht.

Gendergerelateerd geweld moet ook in de digitale wereld worden bestreden en vereist meer dan ooit een geïntegreerde en gecoördineerde aanpak. Het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen zal daarom op mijn vraag een onderzoek opstarten naar de verspreiding van masculinistisch discours op sociale media in België. Die studie zal analyseren wat de impact is van het masculinistische discours en de manosfeer op jonge mannen en tieners in het bijzonder in België en voorstellen van concrete acties om dat tegen te gaan, formuleren.

In het kader van het nieuwe nationaal actieplan zullen wij vooral aandacht besteden aan technologie die wordt misbruikt om anderen te controleren, te manipuleren en te kwetsen.

Om gendergerelateerd geweld in al zijn verschijningsvormen te voorkomen en te bestrijden, is coördinatie met de deelstaten alsook met de ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken noodzakelijk. Zij maken momenteel allemaal deel uit van de interdepartementale groep die onder meer tot taak heeft het nieuwe nationaal actieplan op te stellen. Het nationaal actieplan vormt het kader voor de samenwerking rond dat thema over de verschillende bevoegdheidsniveaus heen.

Madame Désir, concernant le comité scientifique pour l’analyse des féminicides et des homicides fondés sur le genre, celui-ci a débuté ses travaux à la fin de l’année dernière.

Il s’agit d’un comité indépendant composé de membres du Conseil supérieur de la Justice, du Collège des procureurs généraux, de la police locale et fédérale ainsi que de l’Institut pour l’égalité des femmes et des hommes. Dans le cadre de ses activités, le comité peut inviter des témoins et des experts. Pour toute question concernant son fonctionnement, je vous invite à prendre contact avec l’Institut National de Criminalistique et de Criminologie, qui assure la présidence de ce comité.

Meyrem Almaci:

Dank u wel, mijnheer de minister, voor uw toelichting. Ik ben blij dat 70 % van de maatregelen uit de vorige legislatuur al in uitvoering is. Dank ook voor de verwijzing naar het goede werk dat onder meer door mevrouw Schlitz in de vorige regering is opgestart. We moeten nu vooral doorzetten en actualiseren. Daarin volg ik u.

Het is goed dat er een onderzoek komt door het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen. Ik worstel wel wat met begrippen als manosfeer en toxische mannelijkheid, omdat ook mannen en jongens hier slachtoffer van zijn. Het hele alfa-betaverhaal, voor wie dat volgt, waarbij een dominante man ook de zogenoemde betamannetjes moet onderdrukken, zorgt ervoor dat iedereen verliest in zo’n samenleving. Het woord wansmakelijk is daarbij nog een understatement.

Naast dat onderzoek denk ik dat we ook ernstig met elkaar moeten spreken over artikel 150 van de Grondwet. Onlineboodschappen zijn niet zoals e-mails of persartikelen. Er is online een hele wereld op zich. Vorige week zijn daarover al bijzonder harde debatten gevoerd, in het kader van de strijd tegen racisme en discriminatie. De schaal waarop het fenomeen zich vandaag manifesteert, internationaal en ook bij ons, leidt overal tot grote debatten, niet alleen in Europa maar ook in de Verenigde Staten.

We moeten bekijken hoe we omgaan met zeer gerichte boodschappen die neerkomen op een normalisering van geweld tegen iedereen die geen alfamannetje is. We moeten nagaan hoe we ons instrumentarium aanpassen aan de tijd waarin we leven. Er is meer nodig dat de vigerende Digital Services Act, die gewoon apps doet verwijderen. De wetgeving moet meer tanden krijgen en degelijke vervolging toelaten. Vandaag staan mensen erbij en kijken ernaar. Ook ik ervaar dat als ouder en zie het in mijn omgeving, zelfs bij zeer flagrante gevallen. Men staat machteloos. We kunnen nog veel onderzoek doen, maar het is die actie, waar we elkaar moeten vinden. Laat dat mijn pleidooi zijn voor vandaag.

Ayse Yigit:

Minister, bedankt voor uw toelichting. Ik kijk uit naar de evaluatie van het actieplan en naar de uitvoerige debatten over de lessen die we daaruit trekken.

De aanpak van gendergerelateerd geweld is inderdaad gelaagd. Het actieplan is het instrument bij uitstek om coherentie te brengen doorheen alle beleidsdomeinen en niveaus. U begrijpt onze bezorgdheid omtrent de vraag of de regering de nodige budgetten op tafel zal leggen om de grote uitdagingen aan te pakken. Veel van de nodige middelen vallen bijvoorbeeld onder Justitie, zoals de behandeling van daders en de steun voor en de bescherming van slachtoffers. Uw collega-minister van Justitie Verlinden vindt echter nauwelijks steun voor de nodige budgetten voor haar departement. We blijven dus bezorgd en daarom zullen we het dossier van nabij volgen. We zullen ook schriftelijk duiding vragen over de budgetten ter zake bij de beleidsdomeinen van uw collega’s.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, je vous remercie de vos réponses. Nous nous situons un peu hors des délais qui avaient été annoncés en octobre. Je n'ai, par ailleurs, aucun doute sur la qualité du travail d'évaluation qui sera réalisé par l'Institut et qui est encore en cours de réalisation, ni sur la collaboration essentielle avec la société civile. Il est évident que cela demande du temps. Je n'ai pas non plus de doutes quant à la pertinence des recommandations qui ressortiront de l'évaluation. C'est évidemment un très bon socle pour l'accomplissement du prochain plan.

À côté de son travail de qualité, l'Institut aura besoin, pour l'accomplissement de son prochain plan, de volontés politiques et d'une force que vous incarnez. Il importe de rassembler tous les ministres concernés par les violences de genre. Nous voyons à quel point, notamment sur le plan numérique, elles continuent de s'enraciner dans les évolutions sociétales. Voici encore quelques semaines, les victimes de l'incendie du bar de la station suisse ont été déshabillées par l'intelligence artificielle. Je pense aussi à d'autres formes de violences sexistes que nous souhaiterions voir révolues, mais qui se perpétuent, à l'instar de ce groupe WhatsApp de la STIB dans lequel des conducteurs s'amusaient à classer le physique de leurs collègues. Ce sont des faits inacceptables qui requièrent une coordination politique entre les différents niveaux de pouvoir, mais également entre les différentes compétences. Vous êtes la personne apte à coordonner ce travail.

Monsieur le ministre, il n'y a plus de temps à perdre pour élaborer un plan d'action ambitieux qui puisse voir rapidement le jour sous cette législature en vue d'un travail coordonné. Je vous remercie.

Caroline Désir:

Merci, monsieur le ministre, pour votre réponse détaillée. Je pense que celle-ci traduit une volonté politique bien réelle dans votre chef de poursuivre cet ambitieux travail de fond entamé sous la précédente législature, notamment par Mme Schlitz. Il va sans dire que l'enjeu est immense, que ce soit en matière de violences faites aux femmes ou de féminicides. On voit effectivement que de nouvelles formes de violences genrées continuent à se développer et nécessitent des réponses sans cesse réinventées, ainsi qu'une coordination optimale entre les différents niveaux de pouvoir. Dès lors, nous nous réjouissons qu’arrive cette étape de finalisation, d'évaluation et bientôt de validation du rapport final. De même, nous nous réjouissons que ce rapport soit bientôt transmis au Parlement pour que nous puissions continuer à faire vivre ces enjeux dans cet hémicycle. Vous avez compris que nous sommes quelques-unes à vous suivre de près sur ces questions et nous continuerons évidemment à le faire. Merci aussi d'avoir répondu à la question de la lisibilité et de la transparence des financements qui avaient été soulevées par le GREVIO. Reste évidemment à savoir si votre gouvernement, monsieur le ministre, traduira ces ambitions politiques en une véritable priorité budgétaire. Nous serons bien attentifs à cela aussi. Je vous remercie.

Homofoob en transfoob geweld in de openbare ruimte

Gesteld door

lijst: PS Caroline Désir

Gesteld aan

Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Caroline Désir wijst op de toename van gewelddadige homo- en transfobe agressies (o.a. groepsgeweld, valse afspraken via datingsapps) en bekritiseert dat Brusselse parketten deze niet systematisch vervolgen, wat volgens haar impuniteit in de hand werkt. Ze vraagt concrete maatregelen en een tijdlijn voor het nieuwe interfederale LGBTQI+-actieplan (met focus op trans- en intersekse rechten), dat het vorige plan (2022-2024) moet opvolgen. Minister Rob Beenders noemt de geweldfeiten "onaanvaardbaar" maar verwijst voor vervolging naar justitie; federale inspanningen richten zich op slachtofferopvang en haatmisdaadregistratie. Hij bevestigt dat het nieuwe plan mei 2026 gelanceerd moet worden, na overleg met gemeenschappen en middenveld, maar geeft nog geen concrete maatregelen. Désir bekritiseert het gebrek aan urgente actie en benadrukt dat angst en onveiligheid bij LGBTQIA+-personen onaanvaardbaar zijn, met name door justitiële tekortkomingen die volgens Unia de escalatie van geweld verergeren.

Caroline Désir:

Monsieur le ministre, le 21 novembre dernier, une personne non binaire a été victime d’une agression homophobe et transphobe d’une extrême violence dans la station de métro bruxelloise Beekkant. Cette terrible histoire est loin d’être un cas isolé.

Les associations LGBTQIA+ rappellent que les violences verbales, psychologiques et physiques persistent dans l’espace public et que certaines infractions à caractère homophobe ou transphobe ne sont plus systématiquement poursuivies par le parquet de Bruxelles, ce qui crée inévitablement un sentiment d’impunité.

Monsieur le ministre, sur les 136 dossiers liés à l’orientation sexuelle clôturés l’an dernier par Unia, plus d’un tiers impliquaient des agressions physiques avec coups et blessures ainsi que de graves cas de harcèlement. Ces agressions ont généralement été perpétrées par des hommes jeunes, parfois en groupe, principalement contre d’autres hommes, comme le constatent Unia et l’Institut pour l’égalité des femmes et des hommes. Les deux organismes pointaient également une augmentation manifeste des guet-apens via des applications de rencontre.

Quelles initiatives entendez-vous prendre pour garantir que les agressions homophobes et transphobes soient systématiquement qualifiées et poursuivies comme telles par les parquets, afin de protéger les droits fondamentaux des victimes? Vous aviez indiqué vouloir évaluer le plan d’action pour une Belgique LGBTQI+ friendly , adopté en mai 2022, et préparer un nouveau plan d’action interfédéral qui devrait accorder une attention particulière aux droits des personnes trans et intersexuées. Un calendrier est-il prévu concernant l’élaboration de ce futur plan et les concertations avec la société civile et les entités fédérées? Quelles mesures concrètes envisagez-vous dans ce cadre?

Voorzitster: Ayse Yigit.

Présidente: Ayse Yigit.

Rob Beenders:

Madame Désir, les faits évoqués sont inacceptables, et la lutte contre les violences visant les personnes LGBTI+ est une responsabilité collective. S'agissant des poursuites, je vous renvoie vers les autorités judiciaires compétentes.

Cela étant, le gouvernement fédéral a la responsabilité, dans le cadre de ses compétences, de renforcer la prise en charge des victimes et l'identification des faits à caractère haineux et d'envoyer un message clair contre l'impunité. Ces enjeux seront pris en compte dans les travaux préparatoires du futur plan d'action interfédéral. Le plan fédéral précédent s'est en effet clôturé en 2024 et, dans la continuité, le gouvernement fédéral a réaffirmé son engagement à promouvoir l'égalité des droits des personnes LGBTI+, en reconnaissant la nécessité d'une mobilisation de tous les niveaux de pouvoir.

Le coup d'envoi a été donné en octobre 2025, lors de la première réunion de la Conférence interministérielle Égalité des chances. Les gouvernements qui s'y étaient réunis ont affirmé leur souhait de faire du plan d'action interfédéral LGBTI+ une priorité. Les négociations sont maintenant en cours, l'ambition étant de lancer le plan en mai 2026. Le niveau fédéral apportera une contribution à ce plan. À ce stade, des mesures sont en cours d'élaboration, avec une consultation du milieu associatif et des administrations concernées.

Caroline Désir:

Merci pour votre réponse, monsieur le ministre. J'interpellerai peut-être également la ministre de la Justice à ce sujet. Je trouve important que l'on puisse envoyer un signal fort, notamment à la communauté LGBT. De plus en plus de personnes, qu'elles soient homosexuelles, trans, etc., craignent encore de se balader en rue dans certaines villes et communes de notre pays. Cette réalité est inacceptable et des faits aussi graves ne peuvent rester sans suite sur le plan judiciaire, au risque d'envoyer aux personnes concernées un signal terrible en termes de protection et de capacité à vivre en toute sécurité. Je continuerai à suivre cette question avec attention, notamment parce que, lors de notre audition d'Unia, celui-ci nous avait alertés très spécifiquement quant à la recrudescence des cas de violences graves envers la communauté LGBT.

De afwezigheid van cijfers over de zorgcentra na seksueel geweld

Gesteld aan

Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Nathalie Muylle benadrukt het belang van gedetailleerde cijfers over slachtoffers in zorgcentra na seksueel geweld (leeftijd, aanmeldroute, regio-impact) om de hulpverlening te optimaliseren, maar kritiseert dat de overgang naar Healthdata.be (via Sciensano → RIZIV) nog steeds onbetrouwbare, handmatige data oplevert, wat de uitbouw van nieuwe centra (aangekondigd door Vandenbroucke) bemoeilijkt. Rob Beenders erkent de technische en GDPR-problemen, bevestigt dat de oplossing vertraagd is (eind Q1 2026 verwacht) maar stelt dat structurele financiering en stapsgewijze aanpak (met betrokkenheid van Volksgezondheid) hoop bieden; hij vindt het spijtig maar prioriteit geeft aan een werkend systeem vanaf 2025, ondanks mogelijke menselijke fouten in tussentijdse cijfers. Muylle toont begrip voor de vertraging maar hamert op nodige actie, wijzend op schokkende leeftijdsverschillen (2–82 jaar) en te weinig spontane aanmeldingen (meest via politie), en belooft opvolging via schriftelijke vragen in 2024. Kernpunt: Data-chaos ondermijnt evidence-based beleid, terwijl politieke urgentie (Muylle) en technisch optimisme (Beenders) botsen over de tijdlijn en betrouwbaarheid van rapportage.

Nathalie Muylle:

Mijnheer de minister, het dossier van de zorgcentra na seksueel geweld ligt mij na aan het hart. Veel mensen, moeders en vaders, werden er al goed geholpen. In de periode 2019-2020 kon ik, na collega Sleurs, uitbreiden naar één zorgcentrum per provincie. Ik blijf opvolgen wat daar gebeurt. Ik heb ook goede contacten met de centra. Ik werd door mevrouw Schlitz en mevrouw Leroy ook heel goed op de hoogte gehouden van de cijfers en de stappen die ter zake werden gezet.

Toen ik vorig jaar bij u de cijfers opvroeg, was ik eigenlijk een beetje verrast door uw antwoord. U zei dat er problemen waren. Wegens de overgang van Sciensano naar Healthdata.be, kon u immers slechts ruwe cijfers geven. U kon geen correcte cijfers geven over het aantal slachtoffers, of het om mannen of vrouwen ging, via welke weg men er terechtkwam, via de politie, rechtstreeks of via derden, of men het slachtoffer kende. Dergelijke zaken zijn belangrijk om te weten, zeker met het oog op de nieuwe centra die minister Vandenbroucke heeft aangekondigd.

Het is belangrijk dat we op basis van de wetenschappelijke cijfers weten wie het doelpubliek is, hoe we hen kunnen helpen, hoe we de hulp kunnen verfijnen. Hoe zit het in de provincies? Waar komen ze vandaan? Wat is de impact van een centrum in de regio? Al die gegevens kunnen bijdragen aan de verdere uitbouw.

Mijnheer de minister, wat is de stand van zaken? De centra zijn ondertussen ook van het instituut naar het RIZIV gegaan. Hoe is die overgang verlopen? Hoe staat het ondertussen met de data en de rapportage? Zijn de technische problemen opgelost? Kunnen we daarmee verder?

Op basis van de gegevens kunnen we in de nieuwe centra immers ook betere zorg aanbieden. Dat blijft toch de ultieme doelstelling van die centra.

Rob Beenders:

Mevrouw Muylle, doe vooral zo verder en blijf dat dossier op de agenda plaatsen. We zijn hele mooie zaken aan het doen rond de zorgcentra. Het feit dat ze nu gestructureerd gefinancierd worden, toont aan dat het een blijver is. U hebt daar inderdaad heel veel verdienste aan.

Van belang is dat de cijfers in de zorgcentra op een goede manier kunnen worden opgevolgd. Er werd met de allerbeste intenties overgeschakeld op een systeem dat de werklast en werkdruk moeten wegnemen en dubbele rapporteringen moet vermijden. U hebt gevraagd hoe het komt dat er problemen zijn met Healthdata.be en of die ondertussen al opgelost zijn. Het antwoord is: bijna. Bij elk overleg tussen alle organisaties is er iemand aanwezig van het kabinet van de minister van Volksgezondheid en wordt gezocht naar oplossingen om de problemen een voor een technisch aan te pakken. We verwachten dat de cijfers voor elk centrum beschikbaar zullen zijn tegen het einde van het eerste trimester van 2026. Dat betekent dat we er bijna zijn. De overgang naar de nieuwe versie van het registratiesysteem verloopt blijkbaar heel moeilijk. Ik bespaar u alle technische details. Ik betreur het en vind het jammer dat het op die manier is gebeurd, maar het is nu eenmaal zo. Daardoor werden de cijfers gedurende een hele tijd handmatig bijgehouden. We moeten die bijgevolg met de nodige voorzichtigheid interpreteren.

Ik heb opdracht gegeven om in te zetten op de cijfers van 2025, zodat we daarmee verder aan de slag kunnen en voor elk zorgcentrum een gedetailleerd overzicht hebben van de cijfers van vorig jaar. Ik kan echter niet ontkennen dat er misschien menselijke fouten zitten in die cijfers, maar dan is dat maar zo. Het is volgens mij veel belangrijker is om nu aan een oplossing te werken. Aangezien alle problemen een voor een worden aangepakt, ben ik ervan overtuigd dat we binnen een of twee maanden echt van start zullen kunnen gaan met een registratiesysteem dat voor iedereen goed is. Dan heeft men immers de problemen rond GDPR aangepakt, maar ook ervoor gezorgd dat er geen dubbel werk wordt gedaan. Dan kunnen we starten, weliswaar met vertraging, maar ik ben heel hoopvol omdat het traject van de afgelopen maanden bezorgdheden heeft weggenomen. Nog een paar maanden, en dan kunnen we heel goed rapporteren.

Nathalie Muylle:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Het is inderdaad spijtig dat we geen correct, volledig beeld hebben van de nieuwe centra, alhoewel zij intern rapporteren. Ik heb daar echter alle begrip voor. Ik zal dat blijven opvolgen en zal wellicht in april of mei een schriftelijke vraag indienen. We kunnen er dan op terugkomen in de commissie om evoluties in de cijfergegevens te bespreken. In onze eigen centrum varieert de leeftijd tussen 2 en 82 jaar. Dat is heel choquerend. Van waar komen de patiënten? Daarin zie ik enorme verschillen. Veel mensen vinden de weg aangestuurd via de politie, nog te weinig aanmeldingen gebeuren spontaan. We kunnen daaruit lessen trekken en verdere stappen zetten, maar ik kom daar zeker nog op terug. De voorzitster : Vraag nr. 56011999C van de heer Van Rooy vervalt aangezien hij afwezig is.

De gevolgen van de poging tot overname van Proximus door Xavier Niel
De rol van een parlementslid in contacten tussen NJJ Capital en de Belgische Staat inzake Proximus
De gerechtelijke vervolging van een bestuurder van Proximus
De Proximus-overnamepoging door Xavier Niel, politieke en gerechtelijke aspecten

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen), Vanessa Matz (Minster van Modernisering van de overheid, Overheidsbedrijven, Ambtenarenzaken, Gebouwenbeheer van de Staat, Digitalisering en Wetenschapsbeleid)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Jan Jambon (SFPIM) stelt dat Xavier Niel’s poging tot overname van Proximus geen structurele impact had op de beurswaarde, aangezien er nooit een formeel bod kwam, en benadrukt dat diens 6%-belang (sinds 2023) geen bestuurlijke dreiging vormt zolang de SFPIM (53,5% aandeelhouder) de strategische controle behoudt. Hij erkent wel dat transparantielekken – zoals de late melding van het justitieel onderzoek naar administrateur Franck-Philippe Georgin (betrokken bij het "Casino"-schandaal) – aantonen dat voorafgaande integriteitschecks voor bestuurders moeten worden aangescherpt, zonder de presomptie van onschuld te schenden. François De Smet bekritiseert dat Georgin ondanks lopende strafzaken (risico op gevangenisstraf en boetes) toch benoemd werd, wat wijst op falende waarborgmechanismen, terwijl Anthony Dufrane waarschuwt voor Niel’s potentiële blokkerende minderheidspositie en de soevereiniteitsrisico’s voor België. Jambon belooft strengere monitoring, maar stelt dat de huidige governance-kaders voldoende zijn.

Anthony Dufrane:

Monsieur le ministre, la tentative d'acquisition de Proximus par Xavier Niel a suscité des interrogations sur la valorisation boursière de l'entreprise et sur les risques financiers pour l'État, actionnaire majoritaire via la Société Fédérale de Participations et d'Investissement (SFPIM). Les critiques formulées à l'encontre de la gestion précédente de Proximus, ainsi que les propositions de restructuration avancées par Xavier Niel, ont mis en évidence les défis auxquels l'entreprise est confrontée. Le rejet de cette offre, bien que justifié par des considérations stratégiques, pourrait avoir des conséquences sur la perception des investisseurs et sur la capacité de Proximus à se financer à des conditions avantageuses.

De plus, la présence continue de Xavier Niel dans le capital de Proximus, via son holding Saxo Holding, soulève des questions sur les intentions futures de l'investisseur français et sur les risques de déstabilisation de l'actionnariat. Il est donc crucial d'évaluer l'impact de cette affaire sur la valorisation de Proximus et sur les intérêts financiers de l'État.

Monsieur le ministre, comment analysez-vous l'impact de la tentative d'acquisition de Xavier Niel? Comment le gouvernement évalue-t-il les risques financiers liés à la présence de Xavier Niel dans le capital de Proximus, et quelles garanties ont-elles été mises en place pour protéger les intérêts de l'État actionnaire? Pour conclure, quels mécanismes de suivi ont-ils été instaurés pour surveiller l'évolution de la participation de Xavier Niel dans Proximus et anticiper d'éventuelles nouvelles tentatives d'influence sur la gouvernance de l'entreprise?

Voorzitter:

De heer Coenegrachts laat zich verontschuldigen.

François De Smet:

Monsieur le ministre, ma question était initialement adressée à votre collègue Vanessa Matz, la ministre en charge des Participations, mais apparemment c'est vous le ministre compétent pour tout ce qui concerne Proximus.

Des informations de presse récentes révèlent que M. Franck-Philippe Georgin, administrateur de Proximus, fait l'objet de poursuites judiciaires en France dans le cadre de l'affaire dite "Casino", avec des réquisitions de peine de prison avec sursis et des amendes conséquentes. Il apparaît à cet égard que ni la SFPIM, ni le gouvernement n'ont été informés en temps utile de cette situation, alors même que l'intéressé aurait signé un document affirmant ne faire l'objet d'aucune procédure susceptible de compromettre l'exercice de son mandat. Selon les mêmes sources, la communication de cette information n'a eu lieu qu'à la fin du mois de septembre auprès du président du conseil d'administration de Proximus, et seulement début novembre auprès de la SFPIM et du gouvernement.

Monsieur le ministre, confirmez-vous que le gouvernement, votre cabinet et la société d'investissement n'ont été informés de la situation judiciaire de M. Georgin qu'au début du mois de novembre?

Considérez-vous que les obligations de transparence et de diligence incombant aux administrateurs d'une entreprise publique ont été respectées en l’occurrence?

Quelles mesures le gouvernement entend-il prendre à l'égard de cet administrateur, en particulier dans l'attente du jugement prévu le 29 janvier 2026, c'est-à-dire demain?

De manière plus générale, le gouvernement entend-il renforcer les mécanismes de vérification préalable et continue liés à l'honorabilité et à l'indépendance des administrateurs représentant ou proposés par l'État dans les entreprises publiques?

Jan Jambon:

Monsieur De Smet, je voudrais d'abord rappeler que je ne suis pas le ministre de Proximus. Je suis le ministre responsable pour la SFPIM, qui a, certes, un rôle à jouer auprès de Proximus.

La tentative de prise de contrôle de Proximus par Xavier Niel a été relayée dans la presse, mais elle n'a donné lieu à aucune offre publique formelle, ni à un processus structuré. En conséquence, il est difficile d'isoler un effet direct et quantifiable sur la valorisation boursière de l'entreprise. Le cours de Proximus est influencé par un ensemble de facteurs structurels et conjoncturels, parmi lesquels les résultats financiers et la guidance de l'entreprise, la pression concurrentielle sur les marchés fixes et mobiles, le niveau élevé des investissements (CapEx), la stratégie internationale, en particulier via Proximus Global, et l'anticipation du marché quant aux réformes de gouvernance ou à la politique de dividendes.

Dans ce contexte, l'annonce de l'intérêt de Xavier Niel a pu avoir un effet marginal ou temporaire, mais aucune revalorisation structurelle du cours n'a été observée. A l'inverse, une offre publique d'achat assortie d'une prime significative aurait pu générer un impact visible à court terme. Or, aucune offre de ce type n'a été soumise. On peut donc raisonnablement en conclure que si un effet sur la valorisation a existé, il a été limité, temporaire et probablement déjà estompé.

La SFPIM prend son rôle d'actionnaire majoritaire au sérieux. En concertation avec le gouvernement, elle veille à défendre les intérêts stratégiques de l'État dans Proximus, notamment en pesant sur les orientations du groupe via les administrateurs représentant l'actionnaire public.

Xavier Niel détient environ 6 % du capital de Proximus depuis novembre 2023. En l'état, cette participation ne confère pas de droit de gouvernance particulier et ne permet pas de revendiquer un siège au conseil d'administration en vertu des statuts de Proximus et des bonnes pratiques en matière de gouvernance d'entreprise. La présence d'un actionnaire minoritaire actif et vocal n'est pas inhabituelle dans des sociétés cotées à participation publique.

Cela ne constitue pas un risque en soi tant que les équilibres de gouvernance sont respectés. Afin de protéger les intérêts de l'État actionnaire, le cadre d'action existant permet un suivi étroit des décisions stratégiques du groupe et de leur alignement avec les objectifs de politique publique.

Cela étant, la meilleure protection pour une entreprise face à des pressions ou dérives externes reste sa capacité de créer durablement de la valeur en ayant une vision stratégique claire, en assurant une communication transparente avec les marchés et en délivrant de manière cohérente ses promesses opérationnelles et financières. Une gouvernance solide et une exécution crédible renforcent la confiance des investisseurs, stabilisent l'actionnariat et limitent les risques de déstabilisation.

Comme pour tout actionnaire significatif, la participation de Xavier Niel dans Proximus est publique et soumise aux obligations de transparence prévues par la loi, notamment la déclaration des franchissements de seuil. Par ailleurs, en vertu de l'article 11 des statuts de Proximus et de la loi du 2 mai 2007, tout actionnaire franchissant certains seuils – on parle de 3 %, 5 % et 7,5 % – doit en informer Proximus et l’Autorité des services et marchés financiers (FSMA). Aucun signalement formel de projet de renforcement de la participation n'a été adressé depuis la dernière déclaration publique de novembre 2023.

Enfin, le fait que la SFPIM conserve une majorité du capital (53,51 %) constitue une assurance forte contre toute tentative de contrôle non concertée. La stratégie de l'actionnaire majoritaire reste guidée par l'intérêt de long terme de l'entreprise et des citoyens, dans un esprit de neutralité et de responsabilité.

Aucune décision n'a été prise à ce sujet, de sorte que la SFPIM et l'État belge n'entendent en aucune façon porter atteinte à la présomption d'innocence. Je souhaite donc examiner les moyens de renforcer les mécanismes de vérification préalable et contenus liés à l'honorabilité et à l'indépendance des administrateurs représentés ou proposés par l'État dans les entreprises publiques ou à participation publique majoritaire, même si plusieurs précautions avaient déjà été prises.

Il faut également reconnaître qu’il existe une zone grise entre ce qui relève de l'obligation légale de transparence et ce qui relève de la sphère privée.

Ik wil daar nog aan toevoegen dat de regering nadrukkelijk geen uitspraken doet over schuld of onschuld, zolang een gerechtelijk onderzoek loopt. Tegelijk blijft ze waakzaam over de integriteit en de reputatie van ondernemingen. Proximus beschikt over een kader rond corporate governance conform de desbetreffende Belgische code over interne compliance- en integriteitsmechanismen en een raad van bestuur die waakt over de reputatie en de belangen van de onderneming. De situatie wordt nauwgezet opgevolgd, zonder vooruit te lopen op de uitkomst van een eventueel gerechtelijk proces.

Anthony Dufrane:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre analyse et pour votre réponse. Il est compréhensible que les parts de Proximus soient achetées par des investisseurs. Néanmoins, le cas de Niel pourrait être problématique si ce dernier tentait de s'approprier l'entreprise ou s'il possédait une minorité de blocage.

Je vous remercie de rester attentif et de continuer à mettre en place des mécanismes protégeant la souveraineté de l'entreprise au travers des parts de la SFPIM. Je vous remercie également pour les éléments que vous avez évoqués concernant le travail que vous opérerez dans le but de renforcer le contrôle et la transparence à l'avenir.

François De Smet:

Monsieur le ministre, je vous remercie. "Dont acte" sur le suivi qu'en feront le conseil d'administration et éventuellement le gouvernement en vue des décisions judiciaires, lesquelles ne devraient d'ailleurs pas tarder. Il n'en reste pas moins qu'il y a un trou dans la raquette, puisque ce M. Georgin a tout de même réussi à être nommé administrateur alors que les poursuites judiciaires qui sont en cours à son encontre ne sont pas une simple affaire privée. M. Georgin risque une peine de prison avec sursis et d'importantes amendes; il s'agit d'un gros dossier. Cela signifie que, malgré toutes les précautions prises, on n'arrive pas à trouver des personnes qui soient dénuées de tout soupçon. J'entends toutefois ce que vous dites concernant la présomption d'innocence et, en effet, peut-être l'affaire se dégonflera-t-elle dans les prochains jours.

Boilerroomfraude

Gesteld door

lijst: MR Anthony Dufrane

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Anthony Dufrane vraagt aan minister Jan Jambon hoe België boiler room-fraude (agressieve oplichting via valse beleggingsaanbiedingen) bestrijdt, met name de detectiemethodes, internationale samenwerking en slachtoffercompensatie. Jambon benadrukt dat de FSMA via onderzoek, waarschuwingen (138 frauduleuze sites in H1 2025) en blokkades (samen met justitie en het Belgian Anti-Phishing Shield) optreedt, maar herstelt van fondsen afhangt van strafrechtelijke procedures (verwijzend naar Justitie). Hij wijst op IOSCO/ESMA-lobby bij techplatforms (Meta, Google e.a.) voor betere fraudedetectie en meldt 1.289 signaleringen (H1 2025), waarvan 60% met financieel verlies—wat hij ziet als teken dat preventiecampagnes werken. Dufrane prijst de inspanningen maar blijft kritisch over slachtofferbescherming en kondigt navraag bij Justitie aan.

Anthony Dufrane:

Monsieur le ministre, j’ai entendu votre réponse à ma question. Elle était "nickel"!

Monsieur le ministre, la FSMA a récemment mis en garde contre les activités de sociétés de type "boiler rooms", qui opèrent de manière irrégulière en Belgique. Ces sociétés contactent des consommateurs pour leur proposer d'investir dans des actions ou d'autres produits financiers, avant de leur rendre impossible le retrait de leurs fonds.

Malgré une apparence professionnelle, ces entités ne sont pas agréées et les produits proposés sont souvent fictifs ou sans valeur réelle. Cette forme de fraude repose sur des techniques de manipulation psychologique et financière, avec des promesses de rendements rapides suivies de demandes d'investissements supplémentaires. Les victimes se retrouvent souvent dans l'impossibilité de récupérer leur argent, ce qui soulève des questions sur l'efficacité des mécanismes de protection et de régularisation en Belgique.

Mes questions, monsieur le ministre, sont: Quelles méthodes sont utilisées par les autorités belges pour identifier et traquer les sociétés de type "boiler rooms" opérant en Belgique? Comment la collaboration avec la FSMA et les autres régulateurs européens permet-elle de renforcer la détection de ces fraudes? Quel est le sort des fonds investis par les victimes belges dans ces sociétés frauduleuses et quelles procédures de régularisation ou de récupération sont envisagées pour limiter les pertes financières subies par les particuliers et les entreprises? Avez-vous des chiffres concernant le nombre d'entreprises et de particuliers ciblés? Envisagez-vous de renforcer la communication et la sensibilisation du public aux risques liés aux "boiler rooms", notamment en ciblant les particuliers et les petites entreprises, qui semblent particulièrement vulnérables à ces pratiques frauduleuses? Quelles mesures supplémentaires votre administration compte-t-il mettre en œuvre pour prévenir ces fraudes, notamment en améliorant la transparence sur les sociétés agréées et en facilitant l'accès du public aux informations sur les mises en garde de la FSMA?

Jan Jambon:

Monsieur Dufrane, la fraude de type "boiler room" est une forme de fraude à l’investissement qui consiste à contacter des investisseurs potentiels afin de leur proposer l’achat d’actions ou d’autres produits financiers.

Les escrocs soumettent le consommateur à une très forte pression, le poussant à verser toujours plus d’argent, d’où l’appellation anglaise de "boiler room". Au final, le consommateur ne récupère jamais les montants investis. Comme vous le mentionnez, la FSMA met régulièrement le public en garde contre de telles pratiques et, plus généralement, contre les activités de sociétés agissant de manière irrégulière sur le territoire belge.

Dans son cadre légal et réglementaire, la FSMA dispose de pouvoirs d’investigation lui permettant de traquer les différentes formes de fraude à l’investissement. Toutefois, ces fraudes se développant rapidement et à l’échelle mondiale, les combattre efficacement ne peut s’envisager sans une coopération internationale forte et sans l’aide des fournisseurs des plateformes utilisées par les fraudeurs.

Dans ce contexte, la FSMA a soutenu une initiative récente de l’Organisation internationale des commissions de valeurs (IOSCO), présidée depuis 2022 par le président de la FSMA. Cette organisation a lancé un appel aux fournisseurs de plateformes, moteurs de recherche internet, réseaux sociaux et fournisseurs d’applications afin qu’ils suivent cinq mesures visant notamment à mieux détecter les fraudes à l’investissement, à supprimer les contenus liés à ces fraudes et à établir des canaux de communication directs avec les régulateurs financiers et les autorités gouvernementales.

Dans le prolongement de cette initiative, l’Autorité européenne des marchés financiers (ESMA), dont la FSMA est membre, a adressé une lettre aux grandes plateformes actives dans l’Union européenne, à savoir X, Meta, TikTok, Alphabet, Telegram, Snap, Amazon, Apple, Reddit et Google, afin de les encourager à prendre des mesures proactives dans la lutte contre la fraude en ligne.

Lorsque la FSMA publie un avertissement concernant un site web frauduleux, elle transmet également le dossier aux autorités judiciaires et demande systématiquement au parquet de bloquer l’accès du public à ce site. Des accords pratiques ont été conclus à cet effet avec la section Ecofin du parquet du procureur du Roi de Bruxelles.

Au cours du premier semestre 2025, la FSMA a ainsi mis en garde contre 138 sites web frauduleux dont elle a demandé le blocage aux autorités judiciaires. En outre, depuis avril 2025, la FSMA est partenaire de confiance du Centre pour la Cybersécurité Belgique (CCB). Celui-ci a développé le Belgian Anti-Phishing Shield (BAPS), un système permettant de rediriger les citoyens qui tentent d’accéder à un site web douteux vers une page d’avertissement.

Depuis lors, et à titre indicatif, 121 noms de domaines frauduleux différents ont été introduits par la FSMA et 11 590 adresses IP individuelles ont été redirigées vers une page d'avertissement au lieu d'un site web frauduleux.

En ce qui concerne le sort des fonds investis et les procédures de régularisation ou de récupération que vous évoquez, il s'agit ici de dommages résultant d'infractions pénales, dont la poursuite éventuelle et la réparation sur le plan civil relèvent de la compétence des cours et tribunaux. Je vous renvoie donc à ce sujet vers ma collègue, la ministre de la Justice.

En ce qui concerne le nombre d'entreprises et de particuliers ciblés, au cours du premier semestre 2025, la FSMA a reçu 1 289 signalements de consommateurs concernant des fraudes à l'investissement et d'autres offres irrégulières de services et produits financiers, contre 1 332 signalements au cours du premier semestre 2024. Un peu moins de 60 % de ces signalements étaient des plaintes de consommateurs ayant perdu de l'argent à la suite d'une fraude à l'investissement ou d'une escroquerie au faux crédit. Ce nombre important de signalements peut être interprété comme un indicateur positif de l'efficacité des campagnes de prévention, en ce qu’elles incitent davantage les citoyens à reconnaître les risques et à alerter les autorités avant qu'un préjudice financier ne survienne.

Au vu de ces chiffres, la sensibilisation, la prévention et l'éducation des consommateurs de produits financiers sont d'une importance capitale.

Anthony Dufrane:

Merci, monsieur le ministre, pour votre réponse détaillée. La FSMA doit jouer un rôle dans la protection des investisseurs face à la fraude des "boiler rooms". Je vous remercie donc d'avoir relevé l'initiative de l'IOSCO en lien avec ces grandes plateformes. Je ne doute pas que vous agirez pour limiter la présence de ces opérateurs frauduleux et que des solutions seront trouvées pour les personnes et les entreprises lésées. Comme vous le suggérez, j'interrogerai Mme la ministre de la Justice sur le sujet.

De bescherming van onze burgers in het licht van de digitalisering van de bankdiensten

Gesteld aan

Vanessa Matz (Minster van Modernisering van de overheid, Overheidsbedrijven, Ambtenarenzaken, Gebouwenbeheer van de Staat, Digitalisering en Wetenschapsbeleid)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sarah Schlitz bekritiseert dat Belgische banken door digitalisering en sluiting van fysieke kantoren klanten dwingen naar online diensten zonder lagere kosten of betere service, terwijl ze verplicht zijn een rekening te hebben. Ze noemt het bankgedrag—zoals het opzettelijk clusteren van geldautomaten in Liège, waardoor hele wijken zonder blijven—"schandalig" en wijt dit aan politiek falen om banken te verplichten tot maatschappelijke verantwoordelijkheid. Minister Jan Jambon stelt dat banken als commerciële ondernemingen vrije strategiekeuzes hebben binnen de wet, maar benadrukt overheidsinitiatieven zoals afspraken over transparantie van spaarrekeningen en spreiding van geldautomaten (waarvan de evaluatie loopt). Hij wijst direct ingrijpen af, maar erkent dat de overheid kan bemiddelen waar nodige aanpassingen binnen haar bevoegdheid vallen.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, la numérisation des services bancaires en Belgique ces dernières années a entraîné de grands changements dans l’accessibilité et l’efficacité des banques au service des citoyens. Objectif: réduire les coûts et augmenter les profits des banques.

Parmi ces changements, on retrouve la diminution du nombre d’agences bancaires accessibles physiquement. Les banques ferment de plus en plus les agences physiques, et forcent les citoyens à faire toutes leurs démarches sur internet. Pourtant, beaucoup ont besoin d'avoir un contact humain avec leur banque.

Les Belges subissent ces changements sans aucune contrepartie. On pourrait s’attendre à ce que la fermeture des agences engendre une diminution des coûts d’opération des banques et donc une diminution des frais à charge des citoyens, ou alors que de nouveaux services leur soient offerts, mais rien. Les banques changent, les Belges subissent et les intérêts continuent de stagner.

Monsieur le ministre, quelles actions allez-vous entreprendre pour que les banques implantées en Belgique prennent en compte les réalités et besoins des Belges dans leurs décisions stratégiques?

Jan Jambon:

Madame Schlitz, il convient de rappeler que les banques, comme toutes les entreprises commerciales, sont libres de déterminer dans le respect du cadre réglementaire applicable leurs stratégies et politiques commerciales, en ce compris les dimensions sociétales qu'elles souhaitent prendre en compte dans ce cadre. Il ne m'appartient pas, comme ministre des Finances, de me substituer aux organes de gestion des banques.

Chaque citoyen est libre de choisir la banque avec laquelle il souhaite nouer ou poursuivre une relation de clientèle. Ceci étant, cela n'empêche nullement le gouvernement de prendre des initiatives lorsque, dans les domaines qui relèvent de ses compétences, il constate que des interventions sont souhaitables ou nécessaires. Ainsi, il est arrivé que le gouvernement négocie et conclue avec le secteur bancaire un protocole visant à simplifier et augmenter la transparence en matière de compte d'épargne réglementé.

De même, dans le cadre de la volonté de garantir à tous les citoyens un accès satisfaisant aux espèces, un protocole a été conclu entre les parties prenantes fixant le nombre et la répartition des distributeurs automatiques de billets sur notre territoire. L'évaluation de ce réseau est d'ailleurs en cours, en concertation avec mon collègue le ministre de l'Économie.

Le secteur public a l'obligation de servir tous les citoyens via les canaux numériques, ou analogiques si les gens le demandent. Une banque est une institution commerciale, et c'est à elle de définir sa politique commerciale. Je ne veux et ne peux pas y intervenir.

Sarah Schlitz:

Merci pour votre réponse. Les banques ne sont pas des entreprises comme les autres, étant donné que les citoyens sont aujourd'hui contraints d'avoir un compte en banque. On ne peut pas vivre en Belgique sans compte en banque. Vous avez besoin, dans votre vie, de pouvoir retirer de l'argent pour pouvoir payer certaines choses et donc faire fonctionner l'économie. On ne peut vraiment pas dire que les banques soient des entreprises comme les autres qui font ce qu'elles veulent.

C'est un choix politique de ne pas vouloir davantage contraindre les banques à leurs responsabilités sociétales. On voit bien le protocole que vous évoquiez sur la disponibilité et l'accessibilité des distributeurs de billets. L'attitude des banques dans ce dossier est scandaleuse. D'abord, elles ont refusé pendant des années d'entrer en négociation et d’installer des distributeurs aux endroits utiles. Maintenant qu'il existe un plan de répartition, que font-elles? Dans ma ville, à Liège, elles se sont amusées à concentrer tous les distributeurs au même endroit. Ainsi, il continue à y avoir des zones blanches, des quartiers entiers sans aucun distributeur, et des endroits où on en trouve dix. Est-ce vraiment l'esprit de l'accord qui avait été passé? Les banques sont-elles vraiment des acteurs de bonne volonté, alors que les citoyens sont obligés de passer par elles?

Aujourd'hui, oui, il appartient au politique de remettre les banques face à leurs responsabilités dans leurs contacts avec la population et dans les services qu'elles rendent à la population, mais il choisit de ne pas le faire.

Voorzitter:

La question n° 56010531C de M. Xavier Dubois est postposée.

De strijd tegen fiscale fraude en de (over)schatting van de opbrengsten

Gesteld aan

Vincent Van Peteghem (Minister van Begroting)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Alexia Bertrand vraagt kritisch hoe de 13 miljoen euro nettokosten voor fraudebestrijding objectief zijn berekend, gezien de verwachte 472 miljoen euro opbrengst, en hoe tekorten worden opgevangen als de inkomsten uitblijven. Jan Jambon verwijst naar het regeerakkoord en de FOD Financiën’s inschatting, gebaseerd op versterkte controles (o.a. Biosafety, BV-tool, Argus) en een schatting van de zwarte economie (17,4% of 108 mjd), waar de doelstelling 0,43% van bedraagt. Bertrand belooft het dossier verder te volgen.

Alexia Bertrand:

De strijd tegen fiscale fraude is soms een slotpost in een begroting. U schrijft daarvoor 13 miljoen euro nettokosten in tegenover een wel gigantische netto-opbrengst van 472 miljoen euro tegen 2029. Op welke objectieve parameters is dat specifieke bedrag gebaseerd?

In welke mechanismen voorziet u om het gat te dichten, indien de extra inkomsten uit controles zich niet materialiseren?

Jan Jambon:

Mevrouw Bertrand, in het federaal regeerakkoord worden ettelijke pagina’s gewijd aan fraudebestrijding. Al die maatregelen worden momenteel geïmplementeerd en moeten voor mij zo snel mogelijk operationeel zijn.

De budgettaire inschatting werd gemaakt door de FOD Financiën. Verschillende projecten maken daar deel van uit. Het gaat om een inschatting van hogere ontvangsten door onder andere versterkte compliance , bijvoorbeeld voor Biosafety, het stroomlijnen van controles via de BV-tool en een hogere inningsratio door het project Argus en First Recovery.

Zoals reeds eerder in de commissie werd vermeld, heeft professor Friedrich Schneider in 2000 een model ontwikkeld om de zwarte economie te ramen. Voor 2024 was die economie voor België goed voor 17,4 %, zijnde 108 miljard euro. Het bedrag dat wij inschrijven, komt neer op 0,43 % van dat bedrag.

Alexia Bertrand:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. Ik zal het dossier blijven opvolgen.

Het jaarverslag van de Veiligheid van de Staat
Het Intelligence Report van de Veiligheid van de Staat
Veiligheidsrapporten en intelligenceverslagen van de Staat

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De VSSE-rapporten 2024/2025 signaleren een escalerende dreigingsdriehoek: (1) jihadistisch terrorisme (met 1/3 minderjarige verdachten, jongste 12 jaar, en IS-oproepen tot aanslagen op joden/christenen), (2) hybride dreigingen (Russische "wegwerpagenten", spionage, desinformatie) en (3) extreemlinks geweld (vandalisme via legitieme betogingen, doxing van agenten). Minister Verlinden benadrukt versterkte samenwerking (VSSE, OCAD, parketten), technologische investeringen en sensibilisering, maar bevestigt geen concrete grote sabotagegevallen yet; Van Hoecke (N-VA) bekritiseert het ontbreken van structurele afstemming met Vlaanderen over jeugddelinquentie en eist verstrenging van het jeugdrecht en betere opvolging van radicaliserende minderjarigen. Een motie van aanbeveling vraagt om meer middelen, betere informatie-uitwisseling en bescherming van doelwitten.

Alexander Van Hoecke:

Mevrouw de minister, de Veiligheid van de Staat (VSSE) waarschuwt in haar jaarrapport opnieuw voor een aantal bedreigingen. De eerste, gekende dreiging uit Rusland is al sinds de start van de oorlog in Oekraïne toegenomen. In dat verband duikt in het rapport het begrip 'wegwerpagenten' op, zijnde individuen die voor buitenlandse mogendheden werken en worden betaald om specifieke sabotageopdrachten uit te voeren, een soort van freelance sabotage. De VSSE wijst erop dat ons land toe nu toe van grote sabotageacties gespaard is gebleven, maar waarschuwt dat de opdrachten voor wegwerpagenten mogelijk in escalerende lijn gaan.

Het tweede onderdeel is weinig verrassend. De VSSE wijst erop dat het links-extremisme in 2025 is toegenomen. Dat mag niemand verbazen wetende hoe vorig jaar verschillende betogingen werden aangewend door extreemlinkse organisaties zoals Secours Rouge en Antifa om vandalisme en geweld te organiseren. De betogingen waren meestal zeer legitiem, maar extreemlinkse organisaties wendden ze aan om zoveel mogelijk schade aan te richten. Op Telegramkanalen wisselen die organisaties tips uit om onder de radar te blijven en suggesties om wat te doen als men wordt gearresteerd. Wat vooral heel gevaarlijk is en wat ik in de plenaire vergadering ook al heb gezegd, is dat locaties worden gedeeld van politieagenten. Rekening houdend met het standpunt van die organisaties over iedereen die een functie uitoefent om de openbare orde te garanderen, is dat levensgevaarlijk.

Het derde onderdeel is het belangrijkste, ook volgens de VSSE. Het betreft de jihadistische dreiging, die bijzonder verontrustend blijft. De VSSE benadrukt dat die terreurdreiging allesbehalve verdwenen is. Dat zou iedereen ten volle moeten beseffen. Net zoals vorig jaar waarschuwt ze in het bijzonder voor lone actors en kleine terreurcellen. Terreurverdachten worden alsmaar jonger, wat zeer verontrustend is. Maar liefst een derde van de dossiers betreft minderjarigen. De jongste verdachten zijn amper 12 jaar oud. Het conflict in Gaza en onlinepropaganda daarover voeden dat fenomeen. Dat is duidelijk te zien in de cijfers.

Ook niet onbelangrijk, en hier in het land wat onderbelicht gebleven: in december heeft IS nog een oproep in haar magazine gelanceerd om in België aanslagen tegen joden en christenen te plegen.

Mevrouw de minister, ik heb hierover de volgende vragen.

Ten eerste, wat is uw visie op het verontrustende rapport van de Veiligheid van de Staat?

Ten tweede, volgens de Veiligheid van de Staat is België tot nu toe van grote sabotageacties gespaard gebleven. Zijn er beperktere sabotageacties bij de Veiligheid van de Staat gekend? Zo ja, om hoeveel gevallen gaat het en kunt u daarbij wat meer context geven? Ik begrijp uiteraard dat u geen details kunt geven, maar het is wel belangrijk om te weten hoe groot het probleem is.

Ten derde, werden er personen in verdenking gesteld naar aanleiding van zulke sabotageacties in opdracht van een buitenlandse mogendheid? Zo ja, hoeveel en omwille van welke feiten?

Ten vierde, wat onderneemt u in samenspraak met uw collega’s in de regering om de opmars van extreemlinks geweld tegen te gaan?

Ten vijfde, zijn er naar aanleiding van de oproep van IS in december specifieke dreigingen naar voren gekomen? Kunt u dat toelichten?

Ten zesde, hoe verloopt de uitwisseling van gegevens tussen het federaal parket en de lokale parketten in dossiers met minderjarige terreurverdachten? Zijn er bepaalde knelpunten die moeten worden weggewerkt? Hoe zult u daaraan tegemoetkomen?

Ten zevende, gelet op het feit dat een derde van de terreurverdachten minderjarig is, lijkt het aangewezen – zelfs noodzakelijk – dat u overleg met uw Vlaamse collega Zuhal Demir pleegt. Er dringt zich ook een verstrenging van het jeugddelinquentierecht op. Hebt u sinds uw aantreden al overleg met uw collega in de Vlaamse regering gepleegd? Zo ja, wanneer? Wat werd er toen besproken of beslist? Zo neen, zult u nog een overleg inplannen?

Sophie De Wit:

Mijnheer de voorzitter, ik verwijs naar mijn ingediende vraag.

Naar aanleiding van mijn mondelinge vraag in deze commissie vorig jaar over het Intelligence Rapport van de Veiligheid van de Staat (VSSE) voor het jaar 2024 waarbij u inging op hybride dreigingen, radicalisering bij minderjarigen, buitenlandse inmenging, de beschikbare capaciteit en internationale samenwerking, wens ik vandaag voort te bouwen op uw toenmalige antwoorden in het licht van het recentste Intelligence Report van de VSSE voor het jaar 2025.

Het Intelligence Report 2025 van de VSSE, dat recent bekend werd gemaakt, schetst opnieuw een bijzonder zorgwekkend en complex dreigingsbeeld voor België. Het rapport wijst op een verdere toename van hybride dreigingen door buitenlandse staten, waaronder spionage, inmenging, cyberaanvallen en desinformatiecampagnes, maar ook op aanhoudende risico’s inzake terrorisme, radicalisering bij minderjarigen, extremisme en de staatsondermijnende impact van georganiseerde criminaliteit.

Ik heb volgende vragen:

Wat is uw reactie op het nieuwe zorgwekkende rapport van de VSSE?

Welke concrete justitiële maatregelen zijn sinds uw antwoorden van vorig jaar, gebaseerd op het toenmalige Intelligence Report, effectief genomen om hybride dreigingen beter te detecteren en op te volgen en welke bijkomende aanpassingen acht u noodzakelijk in het licht van het recentste rapport?

Welke concrete stappen zijn sinds uw antwoorden van vorig jaar, gebaseerd op het toenmalige Intelligence Report, binnen Justitie reeds genomen om de ketenaanpak inzake radicalisering bij minderjarigen te versterken?

Welke opvolging is binnen Justitie sinds het Intelligence Rapport 2024 gegeven aan de vaststellingen over buitenlandse inmenging en op welke punten verschilt de aanpak vandaag van die ten tijde van het vorige Intelligence Report?

Welke bijkomende aanwervingen of capaciteitsversterkingen binnen de Veiligheid van de Staat werden in de loop van 2025 gerealiseerd?

Annelies Verlinden:

Collega’s, sta mij toe eerst te verwijzen naar mijn tussenkomst in de plenaire zitting van 15 januari, waarbij ik ook al antwoordde op gelijkaardige vragen. Ik licht graag aansluitend nog het volgende toe. In het jaarverslag van de Veiligheid van de Staat wordt teruggeblikt op de dreigingen van het afgelopen jaar 2025 en worden ook de uitdagingen voor de toekomst belicht. De geopolitieke context vertaalt zich in hybride dreigingen, gaande van spionage tot cyberoperaties. Onze diensten volgen die dreigingen op de voet en delen informatie waar nodig en waar mogelijk, om zo te kunnen anticiperen op potentiële incidenten. Zoals geduid in het verslag, is de terroristische dreiging niet verdwenen, zoals helaas ook nog bleek uit de recente aanslag in Bondi Beach in Australië. De conflicten in het Midden-Oosten blijven daarbij een voedingsbodem voor radicalisering. Waakzaamheid blijft dus geboden en onze inlichtingen- en veiligheidsdiensten spelen kort op de bal. De strijd tegen extremisme in al zijn vormen is een prioriteit, waarbij de diensten ook actie ondernemen om elke aantasting van de vrijheid van meningsuiting in het politieke debat te voorkomen. Ik geloof er wel degelijk in dat die strijd een taak is van de hele samenleving, waarbij iedereen waakzaam en weerbaar moet zijn, omdat we allemaal deel uitmaken van de veiligheidsketen.

Verder blijkt uit het verslag dat de polarisatie van de samenleving extremistische bewegingen, zowel linkse als rechtse, versterkt. Ten slotte vormt de georganiseerde misdaad een steeds grotere veiligheidsuitdaging. Criminele organisaties zetten steeds vaker minderjarigen in en proberen de samenleving te destabiliseren door corruptie, intimidatie van ambtenaren of door in legale structuren te infiltreren. De Veiligheid van de Staat zet extra in op partnerschappen, aangezien dreigingen in kaart kunnen worden gebracht en beheerst dankzij informatie-uitwisseling en gezamenlijke analyse. Voor onze veiligheid is het cruciaal dat we onze inlichtingen- en veiligheidsdiensten blijven versterken. Zoals ik vorige week tijdens de plenaire zitting onderstreepte, heb ik geïnvesteerd in de technologische capaciteit van de VSSE en zal ik binnenkort een wetsontwerp indienen om ook haar juridische arsenaal uit te breiden. We moeten immers alles inzetten om dreigingen voor te zijn.

Wat betreft maatregelen om hybride dreigingen te detecteren, kan ik enerzijds melden dat we beschikken over het coördinatieplatform van het Coördinatiecomité voor Inlichtingen en Veiligheid om de bewustmaking inzake hybride dreigingen te vergroten en de algemene weerbaarheid te versterken. Dat platform wordt voorgezeten door het Nationaal Crisiscentrum (NCCN). Anderzijds is het belangrijk te weten dat hybride dreigingen erg divers zijn. Voor elk relevant domein bestaan er al meerdere operationele, thematische en interdepartementale structuren, of zijn die verder in uitbouw.

Zo zijn er initiatieven rond onder meer desinformatie, maritieme veiligheid, spionage, inmenging, sabotage en andere fenomenen. Wat sabotage betreft, heeft de VSSE tot heden geen grote sabotageacties op Belgisch grondgebied vastgesteld, zoals vermeld in het jaarverslag. Er zijn dan ook geen dossiers bij het federaal parket waarin personen in verdenking zijn gesteld met betrekking tot sabotageacties uitgevoerd door buitenlandse mogendheden.

Wat uw vragen over extreemlinks geweld betreft, geldt dat het gemeenschappelijk platform van de ADIV en de VSSE voor de strijd tegen extremisme en terrorisme gebruikmaakt van de term linksextremisme om het fenomeen extreemlinks geweld te beschrijven. In het kader van hun bevoegdheden informeert dat platform over de activiteiten van personen of groeperingen die een mogelijke dreiging vormen. Deze personen en groeperingen vormen ook het onderwerp van regelmatig overleg binnen de bestaande structuren van de Strategie T.E.R. en zijn hernomen in de Gemeenschappelijke Gegevensbank (GGB) T.E.R., indien ze aan de criteria van de wet beantwoorden.

Het radicaliseringsproces, zeker bij jongeren, speelt zich voor een groot deel online af. Sensibilisering is daarom een belangrijk aandachtspunt. Zo heeft het OCAD onder meer inzake gewelddadig nihilisme sensibiliseringsinitiatieven opgestart bij de partners, met het oog op het waarschuwen en informeren over deze ideologie. Daarnaast heeft het OCAD ingezet op het sensibiliseren van partners uit de jeugdsector, onder meer door deel te nemen aan een nieuwe omzendbrief van de Franse Gemeenschap over polarisatie en radicalisering in het schoolmilieu.

Het Agentschap Opgroeien is ook een partner van de GGB T.E.R. en wisselt daarom informatie uit met betrekking tot de minderjarigen die daarin zijn opgenomen. In dit kader heeft het OCAD een protocol afgesloten met het Vlaams Agentschap om zijn dreigingsevaluaties te kunnen voeden voor de minderjarigen die in de GGB T.E.R. zijn opgenomen. De uitwisseling van gegevens tussen het federaal parket en de lokale parketten in dossiers met minderjarige terreurverdachten verloopt via de JIC-JDC-procedure (Joint Intelligence Centre-Joint Decision Centre).

Die procedure verplicht alle partnerdiensten om bijeen te komen op basis van alle nieuwe informatie over terrorisme, ongeacht of die betrekking heeft op een meerderjarige of een minderjarige. De uitwisseling van informatie tussen de lokale parketten en het federaal parket verloopt volledig en snel. Naast de veiligheidsopvolging is het, wanneer het om minderjarigen gaat, essentieel om ook in te zetten op preventie en om partners zoals zorgverleners in de geestelijke gezondheidszorg te betrekken bij de aanpak, zoals beschreven in de Strategie T.E.R., waaronder hun deelname aan de LIVC-R.

Overigens kan worden vastgesteld dat er sprake is van een zekere stabilisatie, zowel wat betreft het aantal dreigingsmeldingen afkomstig van minderjarigen als het aantal minderjarigen opgenomen in de GGB T.E.R.

De dreiging van IS, die in het nummer 526 van Al-Naba van 18 december expliciet tegen België werd geuit, werd later door andere kanalen van IS overgenomen. Dat heeft uiteraard geleid tot een verhoogde waakzaamheid van het platform ten aanzien van mogelijke acties van IS-sympathisanten tegen ons land. Tot heden zijn geen specifieke dreigingen in verband met deze publicatie vastgesteld.

Tot slot, wat betreft de laatste twee vragen van mevrouw De Wit, in 2025 bleef het personeelskader van de VSSE stabiel net onder de 1.000 personeelsleden, na de grote aanwervingsgolf die in 2021 werd ingezet. Er werden in 2025 uiteraard wel nieuwe aanwervingen gedaan, onder meer heel gespecialiseerde profielen voor de Nationale Veiligheidsoverheid.

De nieuwe strafbaarstellingen rond spionage en inmenging hebben de manier van samenwerking met politie en parket meer operationeel en gericht gemaakt. Naast de strafbaarstellingen zet de VSSE ook blijvend in op bewustwordingscampagnes bij potentiële doelgroepen van spionage en inmenging, zowel bij het Belgisch doelpubliek, als ook bij de Europese instellingen in ons land. De VSSE doet dus alles wat kan en mogelijk is om dreigingen zo goed mogelijk op te volgen en informatie te delen met de relevante partnerdiensten.

Alexander Van Hoecke:

Mevrouw de minister, ik denk dat het voor iedereen duidelijk moet zijn dat het niet één zwaard van Damocles is dat boven ons hoofd hangt, maar wel meerdere. We hebben de jihadistische dreiging en een steeds agressiever wordende dreiging van buitenlandse mogendheden.

Wat mij nog het meest blijft verontrusten, is die jihadistische dreiging, vooral omdat we daar een verontrustende evolutie zien met die minderjarigen. Er is bijvoorbeeld een jonge verdachte van amper 12 jaar en een derde van de terrorismedossiers gaat over minderjarigen. Dat is echt een heel groot probleem.

Ik heb in uw antwoord niets gehoord over de verdere opvolging met de Vlaamse regering, met de deelstaten, maar u mag mij gerust verbeteren als ik mij vergis. Dat is immers een heel belangrijke bevoegdheid. Als een op drie terrorismedossiers betrekking heeft op minderjarigen, dan moet daar echt op worden gefocust, want dat zijn geen uitzonderingen. Wat doen we in de praktijk met een twaalfjarige terreurverdachte? Hoe wordt die opgevolgd?

Ik wil erop aandringen dat u met de Vlaamse regering en met uw collega's in gesprek gaat en zoekt naar een aanpak die zo overkoepelend mogelijk is. Ik wil u ook vragen om waakzaam te blijven, want we kunnen wel doen alsof die jihadistische dreiging verdwenen is, maar dat is absoluut niet het geval. De Veiligheid van de Staat blijft jaar na jaar op diezelfde nagel kloppen. Dat is terecht, want dat is een enorme bedreiging.

Ik hoop dat u die bedreiging ook steeds in het achterhoofd houdt en dat u, samen met andere collega’s in de regering en de deelstaten, bekijkt wat we kunnen ondernemen om het jeugddelinquentierecht eventueel aan te passen, zodat we ons kunnen wapenen tegen het feit dat vandaag al een op de drie terreurdossiers minderjarigen betreft. Als we bovendien zien welke propaganda er allemaal online wordt verspreid en hoe die propaganda minderjarigen viseert, denk ik dat dat cijfer in de toekomst nog zou kunnen stijgen.

Sophie De Wit:

Ik bedank de minister voor haar antwoord.

Moties

Motions

Voorzitter:

Tot besluit van deze bespreking werden volgende moties ingediend. En conclusion de cette discussion, les motions suivantes ont été déposées. Een motie van aanbeveling werd ingediend door de heer Alexander Van Hoecke en luidt als volgt: "De Kamer, gehoord de interpellatie van heer Alexander Van Hoecke en het antwoord van de minister van Justitie, belast met de Noordzee, - gelet op het recentste jaarrapport van de Veiligheid van de Staat, waarin wordt gewezen op een toegenomen dreiging door buitenlandse inmenging, extremistisch geweld en jihadistisch terrorisme; - gelet op de vaststelling dat België tot op heden gespaard bleef van grootschalige sabotage, maar dat de Veiligheid van de Staat expliciet waarschuwt voor een escalatie van opdrachten aan zogeheten "wegwerpagenten"; - gelet op de vaststelling dat links-extremistische organisaties manifestaties en protestacties aanwenden voor het organiseren van vandalisme en geweld, en daarbij gebruikmaken van digitale kanalen om politiediensten te omzeilen; - gelet op de aanhoudend ernstige jihadistische dreiging, met een zorgwekkende toename van minderjarige terreurverdachten en een groeiend fenomeen van lone actors ; - gelet op de expliciete oproepen van lslamitische Staat om in België aanslagen te plegen tegen joodse en christelijke doelwitten; - overwegende dat de bescherming van de nationale veiligheid en de openbare orde tot de kerntaken van de federale overheid behoort; - overwegende dat buitenlandse inmenging, sabotage en spionage een directe bedreiging vormen voor de soevereiniteit, infrastructuur en veiligheid van ons land; - overwegende dat elke vorm van extremistisch geweld, ongeacht de ideologische oorsprong, met dezelfde vastberadenheid moet worden bestreden; - overwegende dat de aanwezigheid van minderjarigen in terreurdossiers wijst op ernstige structurele problemen inzake radicalisering, opvolging en repressie; - overwegende dat een efficiënte aanpak van terrorisme en extremisme een nauwe samenwerking vereist tussen federale en deelstatelijke overheden, Justitie, veiligheidsdiensten en parketten; vraagt de regering - om de opsporing, opvolging en vervolging van sabotage in opdracht van buitenlandse mogendheden te intensiveren en daarbij de beschikbare middelen voor de veiligheidsdiensten structureel te versterken; - om, in overleg met Justitie en het federaal parket, de informatie-uitwisseling met lokale parketten in terreurdossiers met minderjarigen te evalueren en te verbeteren, en eventuele knelpunten structureel weg te werken; - om dringend overleg te plegen met de Vlaamse regering over het jeugddelinquentierecht, met het oog op een verstrenging en actualisering ervan voor zware feiten zoals terrorisme en deelname aan terroristische activiteiten; - om specifieke beschermingsmaatregelen te nemen voor potentieel geviseerde gemeenschappen en infrastructuur, in het bijzonder naar aanleiding van expliciete dreigingsoproepen door terroristische organisaties. " Une motion de recommandation a été déposée par M. Alexander Van Hoecke et est libellée comme suit: " La Chambre, ayant entendu l'interpellation de M. Alexander Van Hoecke et la réponse de la ministre de la Justice, chargée de la Mer du Nord, - compte tenu du dernier rapport de la Sûreté de l'État, dans lequel celle-ci fait état d'une menace accrue en matière d'ingérence étrangère, de violences extrémistes et de terrorisme djihadiste; - compte tenu de la constatation que la Belgique a été jusqu'à présent épargnée par des actes de sabotage de grande ampleur, mais que la Sûreté de l'État met explicitement en garde contre une escalade dans les missions confiées à des agents "jetables"; - compte tenu de la constatation que des organisations d'extrême gauche profitent de manifestations et d'actions de protestation pour se livrer à des actes de vandalisme et de violence, en utilisant pour ce faire des canaux numériques visant à contourner les dispositifs policiers; - compte tenu de la menace djihadiste grave et persistante qui s'accompagne d'une augmentation inquiétante du nombre d'individus mineurs suspectés de terrorisme et d'une croissance de l'importance du phénomène des acteurs isolés; - compte tenu des appels explicites de l'État islamique à commettre des attentats contre des cibles juives et chrétiennes en Belgique; - considérant que la protection de la sécurité nationale et de l'ordre public font partie des missions de base de l'État fédéral; - considérant que les actes d'ingérence étrangère, de sabotage et d'espionnage constituent une menace directe de la souveraineté, des infrastructures et de la sécurité de notre pays; - considérant que toute forme de violence extrémiste, quelle que soit son origine idéologique, doit être combattue avec une même détermination; - considérant que la présence de mineurs dans des dossiers de terrorisme est un indice de problèmes structurels graves en matière de radicalisation, de suivi et de répression; - considérant qu'une lutte efficace contre le terrorisme et l'extrémisme requiert une collaboration étroite entre les autorités fédérales et les entités fédérées, la justice, les services de sécurité et les parquets; demande au gouvernement - d'intensifier la recherche et le suivi des actes de sabotage réalisés pour le compte de puissances étrangères ainsi que les poursuites engagées dans ce cadre, tout en renforçant structurellement les moyens mis à la disposition des services de sécurité; - d'évaluer et d'améliorer l'échange d'informations avec les parquets locaux dans les dossiers de terrorisme impliquant des mineurs, en concertation avec la Justice et le parquet fédéral, et d'éliminer structurellement les obstacles éventuels; - de se concerter d'urgence avec le gouvernement flamand au sujet du droit applicable en matière de délinquance juvénile, en vue de le durcir et de l'actualiser pour les faits graves tels que le terrorisme et la participation à des activités terroristes; - de prendre des mesures spécifiques de protection à l'égard des communautés et des infrastructures potentiellement visées, en particulier à la suite de menaces explicites exprimées par des organisations terroristes. " Een eenvoudige motie werd ingediend door de heer Steven Matheï. Une motion pure et simple a été déposée par M. Steven Matheï. Over de moties zal later worden gestemd. De bespreking is gesloten. Le vote sur les motions aura lieu ultérieurement. La discussion est close.

Het gebrekkige functioneren van JustCase
JustCase
Het falende JustCase-systeem en de geseinde criminelen
Het gebrekkige functioneren van JustCase
De impact van het falende JustCase-systeem op de politiewerking
De problemen met JustCase
De tekortkomingen en impact van het JustCase-systeem

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie), Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Parlementsleden bekritiseren unaniem het 40 miljoen euro kostende JustCase-systeem, dat sinds november 2025 kritieke fouten vertoont: verdwenen dossiers, niet-doorgegeven contactverboden aan slachtoffers, en miscommunicatie met politie over geseinde criminelen. Magistratuur (o.a. College van procureurs-generaal) en rechtbankvoorzitters waarschuwen voor "reële risico's op ongelukken" (bv. foutieve vrijlating door onvolledige dossiers) en noemen het systeem "gevaarlijk voor rechtszekerheid en publieke veiligheid", ondanks minister Annelies Verlindens verzekering dat "dagelijks duizenden dossiers wel verwerkt worden" en kinderziektes "ernstig maar beheersbaar" zijn. Verlinden erkent structurele tekortkomingen (o.a. datamigratie, notificaties) en kondigt noodmaatregelen aan: parallelle communicatiekanalen voor kritieke info, crisismanagers, dagelijkse updates en multidisciplinaire werkgroepen, maar ontkent extra kosten (EU-financiering dekt stabilisatie). Kritici (Dillen, Ribaudo, Van Vaerenbergh) eisen transparantie, concrete timing en garanties, wijzen op eerdere waarschuwingen van justitieactoren (genegeerd voor lancering) en vergelijken JustCase met mislukte digitaliseringsprojecten (bv. I-Police). Dillen: "Het systeem werkt niet – de vraag is niet of er iets misgaat, maar wanneer."

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, op 12 november 2025 deed u een bijzonder triomfalistische aankondiging over JustCase. U zei: "Zo verbeteren we niet alleen de kwaliteit van de dagelijkse werking, maar ook de veiligheid van de juridische procedures." Niet dus. Criminelen staan geseind, maar de politie weet het niet. Stalkers krijgen een contactverbod, maar het slachtoffer wordt niet geïnformeerd. Dossiers en pv’s verdwijnen. Het is blijkbaar dagelijkse kost.

Dat JustCase een puinhoop is, wordt ook bevestigd door de magistratuur. De voorzitter van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg in Brussel stelt: "De vrees dat er ongelukken gaan gebeuren is reëel. Dat iemand per vergissing vrijgelaten wordt omdat het dossier niet volledig is of omdat een termijn of procedure niet is nageleefd, de vraag is niet of het gaat gebeuren, de vraag is wanneer."

Ook het College van procureurs-generaal is kritisch: “Het systeem onder de huidige vorm houdt grote risico’s in waarvoor we vooraf gewaarschuwd hebben en veroorzaakt bovendien grote moeilijkheden bij de opvolging van in vrijheid gestelde veroordeelden. Magistraten en medewerkers op het terrein die ermee moeten werken, stellen alles in het werk om hun taak correct te blijven uitvoeren, vaak met extra inspanningen en een verhoogde werklast."

Mevrouw de minister, gezien de talrijke, door verschillende actoren binnen Justitie geuite, vernietigende kritiek, kan het niet anders dan dat u al geruime tijd op de hoogte bent van het niet naar behoren functioneren van het 40 miljoen euro kostende project JustCase.

Ik heb daarover een aantal vragen. Eén, u stelde dat u de signalen ernstig zou nemen, maar wat hebt u in concreto reeds ondernomen om tegemoet te komen aan de talrijke kritieken die door de actoren binnen Justitie worden geformuleerd over het bijzonder gebrekkig functioneren van JustCase?

Twee, welke stappen zult u met hoogdringendheid en vanaf nu ondernemen om ervoor te zorgen dat zich geen drama’s voordoen door het niet functioneren van dat computersysteem?

Drie, de problemen zijn talrijk en naar alle waarschijnlijkheid niet oplosbaar op korte termijn. Zijn er alternatieve systemen of werkmethoden die de actoren binnen Justitie in de tussentijd moeten toepassen in afwachting van het herstel van het computersysteem? Zo niet, hoe kunt u garanderen dat zich geen ongevallen zullen voordoen?

Vier, binnen welke termijn kan een oplossing worden gevonden? Hoe hoog schat u de kosten en werd dat al gebudgetteerd?

Julien Ribaudo:

Madame la ministre, plusieurs témoignages font état de difficultés importantes dans l’utilisation du système JustCase, mis en service en novembre dernier dans le cadre de la numérisation de la Justice.

De nombreux agents doivent recourir à des procédures parallèles pour sécuriser leur travail, témoignant d’un manque de confiance dans la fiabilité du système. Ces difficultés soulèvent des risques non négligeables pour la sécurité juridique et la protection des personnes, certains acteurs craignant des erreurs dans le suivi ou la libération de personnes.

Ces constats interviennent alors que JustCase représente un investissement public d’environ 40 millions d’euros.

Dans ce contexte, Madame la ministre, je souhaite vous poser les questions suivantes:

Quels sont, à ce jour, les dysfonctionnements formellement identifiés par vos services et signalés par les utilisateurs?

Quelles mesures correctrices concrètes ont été mises en œuvre ou sont en cours pour garantir la fiabilité et la sécurité du système?

Disposez-vous d’un calendrier précis pour la stabilisation complète de JustCase et la suppression progressive des procédures parallèles utilisées par précaution?

Tant que ces canaux parallèles restent nécessaires, quelles garanties assurent la conservation, la traçabilité et l’intégration ultérieure de toutes les pièces et décisions, afin de garantir des dossiers complets?

Quels enseignements tirez-vous de ces difficultés, au regard des travaux antérieurs de la Cour des comptes, pour éviter que des problèmes similaires se reproduisent?

Par ailleurs, le déploiement de JustCase soulevait des inquiétudes au sein de la magistrature, notamment en matière de souveraineté numérique, dépendance technologique et protection des données, en raison du rôle central joué par Microsoft. Vous indiquiez alors que « le risque zéro n’existe pas, mais qu’il est identifié et surveillé ». Comment ce risque est-il concrètement monitoré aujourd’hui?

Kristien Van Vaerenbergh:

Ik verwijs naar mijn ingediende vraag.

Uit recente mediaberichtgeving blijkt dat het digitale dossierbeheersysteem JustCase, waarvoor intussen een investering van om en bij de 40 miljoen euro werd voorzien, ernstige structurele tekortkomingen vertoont. Essentiële gerechtelijke informatie zoals voorwaarden bij vrijlating, contact- en straatverboden en vonnissen blijkt niet systematisch beschikbaar of verdwijnt zelfs volledig uit het systeem.

Nochtans werd JustCase door de minister zelf voorgesteld als een instrument dat de kwaliteit van de justitiële werking moest verbeteren en vooral de veiligheid van procedures en van burgers moest versterken. Vandaag getuigen magistraten, griffiers, gevangenisdirecteurs en justitieassistenten echter dat zij noodgedwongen werken met parallelle informele communicatiekanalen, wat niet alleen inefficiënt is maar ook fundamentele vragen oproept over verantwoordelijkheid en rechtszekerheid.

In dat verband heb ik volgende vragen:

Hoe beoordeelt u vandaag de betrouwbaarheid van JustCase voor het beheer van kritieke gerechtelijke informatie, in het bijzonder wanneer die informatie rechtstreeks verband houdt met publieke veiligheid en slachtofferbescherming?

Acht u het aanvaardbaar dat de correcte opvolging van voorwaarden, verbodsbepalingen en signaleringen momenteel in belangrijke mate afhankelijk is van manuele controles en individuele waakzaamheid van medewerkers op het terrein? Zo neen, welke structurele ingrepen zijn noodzakelijk?

Kan u aangeven of er reeds concrete gevallen zijn vastgesteld waarbij JustCase-fouten hebben geleid tot een foutieve beslissing inzake vrijlating, toezicht of voorwaarden, en hoe deze gevallen zijn opgevolgd?

Welke kwaliteitscontroles, risicoanalyses of audits werden uitgevoerd sinds de ingebruikname van JustCase, en welke conclusies heeft de minister daaruit getrokken?

Hoe verantwoordt de minister de reeds gemaakte en geplande uitgaven voor JustCase in het licht van de huidige werking, en wordt overwogen om verdere investeringen afhankelijk te maken van aantoonbare verbeteringen in betrouwbaarheid en veiligheid?

Welke concrete timing en garanties kan de minister geven dat JustCase op korte termijn effectief functioneert als een betrouwbaar en veilig kernsysteem, zonder dat medewerkers verplicht blijven te werken met parallelle noodoplossingen?

Pierre Jadoul:

Le système informatique "JustCase", lancé en novembre dernier dans le cadre de la numérisation de la Justice, rencontre déjà de nombreux problèmes si l’on en croit les acteurs de terrain.

Ce nouvel outil avait pour ambition de moderniser la gestion des dossiers judiciaires, de permettre de traiter les documents plus rapidement, et de rendre les procédures juridiques plus efficaces et plus fluides.

Cependant, plusieurs sources, dont notamment le Collège des procureurs généraux, pointent des ratés : criminels signalés sans que la police soit informée, dossiers et procès-verbaux qui disparaissent, victimes non prévenues concernant leur dossier…

Madame la ministre

- Vous avez annoncé dans la presse prendre le problème au sérieux et suivre de près la situation. Pouvez-vous aujourd’hui nous éclairer sur la situation précise liée à JustCase? Quels problèmes sont rencontrés par les utilisateurs? Á quoi sont dus ces problèmes?

- Que faites-vous, avec le SPF Justice, pour améliorer la situation et éviter ces ratés? Quelles mesures concrètes envisagez-vous de prendre?

- Pouvez-vous par ailleurs dresser un état des priorités et des échéances dans le cadre de la numérisation de la Justice?

Annelies Verlinden:

Collega’s, uiteraard nemen we de signalen over JustCase zeer ernstig. De veiligheid van de burgers en de correcte werking van ons gerechtssysteem staan altijd voorop.

Laat me eerst enkele cruciale nuances aanbrengen bij de berichtgeving. JustCase is inderdaad sinds november operationeel, omdat werd aangegeven dat het noodzakelijk was om over te gaan tot de lancering van de tool. Het systeem wordt dagelijks gebruikt door meer dan 5.000 medewerkers in strafuitvoeringsrechtbanken, parketten, justitiehuizen en gevangenissen. Het systeem vervangt tientallen verouderde applicaties die technisch end of life waren en niet langer voldeden aan moderne eisen. Het is een belangrijke stap in de digitalisering van Justitie, waaraan ook de komende maanden nog hard verder moet worden gewerkt, zoals eerder aangekondigd.

De lancering kent inderdaad te veel kinderziektes en dat ondanks het feit dat de eindgebruikers van bij de aanvang betrokken werden en hun vertegenwoordigers de lancering van JustCase hebben goedgekeurd en ook ondanks mijn vragen of na herhaald uitstel alles onder controle was, conform de vooropgestelde doelstellingen.

De technische moeilijkheden werden bij de aanvang van het project in 2022 klaarblijkelijk onderschat, met name de datamigratie en het notificatiesysteem, alsook de complexiteit van de overgang van papier en oude systemen naar een moderne, datagedreven werking.

Het systeem werkt en duizenden dossiers worden dagelijks verwerkt, maar de technische kinderziektes zijn ernstiger dan verwacht. De nieuwe datagedreven aanpak maakt ook fouten en inconsistenties zichtbaar die vroeger mogelijk verborgen bleven. Dat is frustrerend tijdens de overgang, maar op termijn essentieel voor de betrouwbaarheid en de rechtszekerheid van de systemen.

Dan kom ik tot de specifieke vraag rond de seiningen en de politie. JustCase heeft geen link met de Algemene Nationale Gegevensbank van de politie. Seiningen verlopen via I+Belgium, net zoals voor de komst van JustCase.

We werken concreet aan de volgende oplossingen.

Ten eerste, we volgen de dagelijkse vergaderingen met betrekking tot de veiligheidskritieke problemen op.

Ten tweede worden parallelle communicatiekanalen voor kritieke informatie, zoals mandateringen en slachtofferinformatie, voorzien tot het systeem volledig stabiel is.

Ten derde is er intensieve onsitehulp en zijn er dagelijks technische updates.

Ten vierde zijn er multidisciplinaire werkgroepen rond datakwaliteit, gebruiksvriendelijkheid en businessanalyse.

Ten slotte is intussen ook een crisismanager op het project gezet om de verschillende problemen en de communicatie nog beter te stroomlijnen en te prioriteren, in samenspraak met de voorzitters van de colleges en de FOD Justitie, die allemaal nauw betrokken zijn.

La semaine dernière, j'ai à nouveau convoqué le SPF Justice, le Collège des cours et tribunaux et le Collège du ministère public pour une réunion d'urgence afin de convenir de mesures concrètes, de clarifier les responsabilités et de formaliser les solutions alternatives internes en matière de sécurité.

Monsieur Ribaudo, concernant la question sur les risques Microsoft, je renvoie à ma réponse antérieure à ce sujet.

En ce qui concerne le calendrier et les coûts, nous travaillons dans le cadre d'un prix contractuel fixé pour le résultat, une obligation de résultat financée par des fonds européens FRR. Il n'y a pas de coût supplémentaire, la stabilisation se fait par phase et nous prévoyons d'autres améliorations significatives dans les semaines à venir.

Tot slot wil ik zeker de magistraten, griffiers, justitieassistenten, gevangenispersoneel en onze centrale diensten bedanken voor hun harde werk en inzet om fouten te voorkomen en het systeem verder te verbeteren. Hun inzet is cruciaal en wordt gewaardeerd. De digitalisering van Justitie is geen luxe, maar een noodzaak. Terugkeren naar oude systemen is geen optie. Die zijn technisch op het einde van hun levensduur gekomen en de data zijn gemigreerd. Er zijn bepaalde keuzes gemaakt in het verleden met instemming van de rechterlijke orde. We moeten nu doorgaan, maar met volledige aandacht voor de veiligheid en voor de mensen die ermee werken.

Monsieur Jadoul, en ce qui concerne votre dernière question, je vous renvoie à ma réponse à la question écrite n° 613 de Mme Van Vaerenbergh

Marijke Dillen:

Dank u voor uw antwoord, mevrouw de minister. We weten allemaal dat dit systeem het verouderde systeem vervangt en dat er kinderziektes zijn. Ik wil een zeker begrip opbrengen voor het feit dat er kleine kinderziektes zijn, maar het gaat hier over zeer ernstige problemen, zoals blijkt uit de waarschuwingen van onder meer het College van procureurs-generaal en de voorzitter van de Nederlandstalige rechtbank in Brussel. Het is bijzonder verontrustend dat men zegt dat de vrees voor ongelukken reëel is. De vraag is niet of het zal gebeuren, maar wanneer. We mogen daarop toch niet wachten.

Ik dring er dan ook op aan, mevrouw de minister, dat met hoogdringendheid de nodige inspanningen worden geleverd om het systeem volledig foutvrij te maken. U zegt dat het systeem werkt, maar het systeem werkt niet, mevrouw de minister. De risico’s zijn veel te groot. Ik hoop dan ook dat er nooit iets zal mislopen als gevolg van de slechte werking van dat digitale systeem.

Julien Ribaudo:

Merci, madame la ministre, pour votre réponse.

On ne remet pas en cause l’idée de moderniser les infrastructures numériques de la justice, mais, comme on le lit dans la presse, la question n’est pas de savoir s’il y aura des accidents, mais quand. On parle de criminels signalés sans que la police soit informée ou d’interdictions de contact non communiquées aux victimes. C’est la réalité de terrain avec JustCase.

Nous comprenons qu'un projet d’une telle ampleur puisse connaître des ratés à son lancement mais, en l’occurrence, les conséquences dépassent la technique. Ce sont les travailleurs de la justice qui doivent compenser. Ce sont les justiciables qui risquent de subir des erreurs, et c’est l’État de droit qui est fragilisé.

Vous indiquez dans la presse qu’il faudra mieux impliquer les acteurs sur le terrain – vous le soulignez encore aujourd’hui dans votre réponse –, mais c’est effectivement le strict minimum. Nous avons pu lire dans la presse que les acteurs avaient déjà formulé des remarques avant même le lancement de JustCase, qu’elles n’avaient pas été prises en considération et que rien n’avait changé.

JustCase n’est malheureusement pas un accident isolé. D’autres projets de numérisation ont déjà échoué, avec des dizaines, voire des centaines de millions d’euros qui ont été dépensés et des citoyens qui ont dû payer la facture. Il y a un an jour pour jour, nous faisions l’audition, en cette même commission, sur le rapport de la Cour des comptes sur les grands projets de numérisation de la justice. Alors oui, l’outil peut être encore amélioré, mais aujourd’hui nous craignons vraiment qu’il ne soit pas correctement pris en main et qu’il ne réponde jamais aux besoins du terrain, comme on le voit dans d’autres dossiers tels que I-Police ou JustSign.

Madame la ministre, ce gouvernement ne peut pas continuer à dire qu’il n’y a pas d’argent et que tout le monde doit faire diète et se serrer la ceinture, et en même temps jeter des millions d’euros par la fenêtre pour des projets qui sont mal pilotés. Nous demandons une transparence totale, un suivi rigoureux et des garanties pour que la justice ait enfin des outils fiables. Nous reviendrons sur ce dossier.

Kristien Van Vaerenbergh:

Ik dank u, mevrouw de minister, voor uw antwoord. De digitalisering van Justitie verloopt inderdaad moeilijk. Dat blijkt opnieuw uit de problemen die bij dit project opduiken.

De technische kinderziekten waren groter dan aanvankelijk voorzien. Ik hoop in ieder geval dat dit snel en op een structurele manier kan worden opgelost, want het gaat om een bijzonder belangrijk project. Het houdt ook veel gevaren in. Ik hoop dat het parallelle systeem dat intussen is ontwikkeld om een extra controle uit te voeren, goed functioneert en dat er geen ongelukken zullen gebeuren. We volgen het verder op.

Pierre Jadoul:

Madame la ministre, je vous remercie pour vos réponses. Je suis assez satisfait que vous ayez pris certaines initiatives et je vous en remercie. L'ampleur de la difficulté me semble avoir été prise en considération. Il est toujours facile de dire "il n'y a qu'à", comme certains qui se sont exprimés en ce sens. Nous savons que les gros projets informatiques sont difficiles à piloter. Au sein de la justice, ce n'est pas le premier à présenter des difficultés. Cela dit, je n'avais personnellement pas été entièrement convaincu par le rapport qui nous avait été présenté par la Cour des comptes voici un an. C'est toutefois un point d'attention majeur. Il est clair que l'évolution vers la numérisation de la justice doit se poursuivre efficacement. Espérons que les ratés dans la mise en œuvre seront les moins nombreux et préjudiciables possible. En tout cas, dans votre réponse, j'ai entendu que les difficultés apparues étaient prises en charge et je vous en remercie.

De agressie tegen cipiers en personeelsleden in de Brugse gevangenis
De gewelddadige incidenten in de gevangenis van Brugge
Gewelddadige incidenten en agressie in de Brugse gevangenis

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Annelies Verlinden bevestigt dat het ernstige agressie-incident in de overbevolkte Brugse gevangenis (waarbij vier cipiers zwaar gewond raakten) volgens protocol werd afgehandeld, met directe opvang en tuchtmaatregelen tegen de dader, maar benadrukt dat agressie een structureel probleem is—verergerd door overbevolking en psychische problemen bij gedetineerden—dat ze aanpakt via een "geweldloze cultuur"-project (inclusief agressiebeheersing, gespecialiseerde cellen en psychologische ondersteuning). Annick Lambrecht en Marijke Dillen (parlementsleden) bekritiseren scherp dat de maatregelen ontoereikend zijn: ze wijzen op systeemfalend leiderschap (traag optreden, minimalisering van incidenten), gebrek aan steun voor cipiers (uitstroom, lage waardering) en eisen concrete verharding, zoals het schrappen van vervroegde invrijheidstelling voor agressieve gedetineerden en strengere sancties. Dillen stelt dat de minister geen antwoord gaf op haar voorstellen, terwijl Lambrecht dringend betere werkomstandigheden eist om veiligheid te herstellen.

Annick Lambrecht:

Mevrouw de minister, de directeur-generaal van het gevangeniswezen, mevrouw Steenbergen, bracht onlangs naar aanleiding van een incident een bezoek aan de Brugse gevangenis om met de cipiers te praten. De topvrouw trekt aan de alarmbel na het zoveelste incident in de overbevolkte Brugse gevangenis.

De concrete aanleiding was een incident op de woensdag voorafgaand aan haar bezoek, waarbij vier cipiers naar het ziekenhuis moesten na extreem agressief gedrag van een gedetineerde. Het gaat onder andere om een gekneusde oogkas, om een whiplash en nog veel meer.

De directeur-generaal begreep hun verzuchtingen, maar wees erop dat het probleem niet bij de plaatselijke directie ligt, maar wel bij de federale overheid. De directeur-generaal benadrukte dat de nationale politiek een grote verantwoordelijkheid draagt vanwege de overbevolking, die heel wat agressie met zich meebrengt. Ze stelde ook dat ze dat reeds heeft aangekaart in een open brief.

De directeur-generaal sprak met de directie en het personeel en loofde opnieuw de inzet van het personeel onder die omstandigheden. Ze zei ook dat ze vreest dat daar eens een dode zal vallen.

Mevrouw de minister, zijn er problemen met de interne communicatie ten aanzien van u?

Is het agressieprobleem ten aanzien van cipiers of personeel een algemeen probleem, of speelt dat enkel in de gevangenis van Brugge?

Kreeg u in het verleden al meldingen over agressie tegen cipiers en personeel in de gevangenis van Brugge of in andere gevangenissen?

Welke aandacht besteedt u aan de agressie tegen het personeel en aan het algemeen welzijn van het personeel in de gevangenissen?

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, in de gevangenis van Brugge heeft een bijzonder ernstig incident plaatsgevonden door een agressieve gedetineerde tijdens zijn overbrenging naar de strafcel. Verschillende cipiers werden ernstig verwond en moesten naar het ziekenhuis worden gebracht. Eén van hen heeft meerdere verwondingen opgelopen, onder meer een hersenschudding, een whiplash, een gekneusde oogkas, gekneusde armen en een ontsteking in de oogkas, met werkonbekwaamheid tot gevolg.

Die incidenten zijn absoluut onaanvaardbaar. Cipiers moeten door de gedetineerden met respect worden behandeld. Iedere vorm van fysieke en/of verbale agressie moet heel streng worden gesanctioneerd. Dergelijke feiten hebben immers een blijvende impact en mogen niet worden geminimaliseerd.

Helaas blijkt dat de directie niet kordaat handelt en niet resoluut de kant van de cipiers kiest. Zo werd bijvoorbeeld beslist om alle maatregelen uit te stellen tot na de bezoekmomenten en de educatieve activiteiten. Pas de volgende dag werd een nachtregime ingevoerd. Dat is geen duidelijk signaal aan de gedetineerden om te stellen dat iedere vorm van agressie onaanvaardbaar is.

Mevrouw de minister, kunt u wat meer toelichting over die schandalige feiten geven? Hoe is het inmiddels gesteld met de gezondheidstoestand van de betrokken cipiers? Volgens berichten blijkt dat dat zoveelste geval van zware agressie door de directie werd geminimaliseerd. Aanvankelijk werd blijkbaar zelfs betwijfeld of dat als een kritiek incident kon worden beschouwd. Het werk neerleggen was niet toegestaan. Waarom werd er niet onmiddellijk kordaat opgetreden, als blijk van respect voor de cipiers, die iedere dag opnieuw moeten werken in zeer moeilijke omstandigheden?

Welk gevolg werd aan dat incident gegeven tegenover de betrokken, agressieve gedetineerde?

Het personeel in de gevangenis van Brugge staat onder permanente spanning, niet alleen door de agressie en incidenten of door de overbevolking, maar ook door het gevoel dat ze niet worden gesteund. Zult u een initiatief nemen om daarin verandering te brengen? De vakbonden vragen om andere maatregelen, die wel een impact hebben. Ze zeggen dat ze al jaren voorstellen doen om de zaken anders aan te pakken. Zij vragen bijvoorbeeld om de vervroegde invrijheidstelling te laten wegvallen voor wie niet met de handen van het personeel kan blijven. Dat zal de gedetineerden misschien twee keer laten nadenken voor ze tot geweld overgaan, waarmee ik de vakbonden citeer. Bent u bereid om initiatieven te nemen om strengere maatregelen uit te werken voor gedetineerden die zich schuldig maken aan agressie tegenover cipiers?

Annelies Verlinden:

Mevrouw Lambrecht, mevrouw Dillen, sinds mijn aantreden, bijna een jaar geleden, onderhouden mijn kabinet en ikzelf een intensief en open contact met zowel de gevangenisdirecteurs en de vakbonden als met de directeur-generaal over de problemen die zich voordoen binnen het gevangeniswezen en over mogelijke pistes om die aan te pakken.

Het incident in Brugge werd absoluut niet geminimaliseerd. De toepasselijke richtlijnen en bepalingen moeten daarbij altijd worden gevolgd, zowel op het vlak van tuchtrechtelijke inbreuken, zoals agressie, als op het vlak van werkonderbrekingen in het geval van ernstige gebeurtenissen op de werkplek.

De standaardprocedure na een kritiek incident werd in elk geval gevolgd in Brugge. Die procedure heeft tot doel de ernst van het incident in te schatten, de situatie te bevriezen en ook de slachtoffers de nodige opvang te geven. Het personeel van de betrokken afdeling werd dezelfde avond gezien voor een debriefing en de volledige personeelsgroep werd via mail geïnformeerd.

Daarnaast is het de bedoeling dat nadat het incident de avond zelf met de nodige zorg werd afgesloten, het werk wordt hervat. Dat gebeurde de volgende ochtend. Op die manier kan voor de overige niet-betrokken gedetineerden het regime worden hervat, ook in het belang van de dynamische veiligheid, zodat de spanning niet oploopt. Voor de betrokken gedetineerden geldt dan de weg van de interne tucht- en/of veiligheidsmaatregelen en het neerleggen van een klacht bij een misdrijf.

Wat betreft de gezondheidstoestand van de betrokken personeelsleden, kan ik u meedelen dat vier personeelsleden arbeidsongeschikt waren, twee tot en met 8 februari, één tot en met 28 februari en één personeelslid heeft het werk al hervat op 26 januari.

De vaststelling dat er agressie plaatsvindt ten aanzien van gevangenispersoneel is helaas niet nieuw en beperkt zich ook niet tot de gevangenis in Brugge. Niet elk incident is echter toe te schrijven aan de overbevolking. Net zoals in de vrije samenleving vertoont een belangrijk aandeel van de gedetineerden symptomen van psychisch disfunctioneren en vertaalt zich dat soms ook in agressie-incidenten, al valt uiteraard niet te ontkennen dat de overbevolking ook frequent een rol speelt bij agressie.

Het beleid inzake agressiemanagement is sedert enige tijd gebaseerd op twee pijlers, meer bepaald in het kader van een project rond geweldloze cultuur. De doelstelling van dat project is te komen tot een veiliger werk- en leefomgeving door enerzijds in te zetten op het institutionele niveau en anderzijds door het aanbieden van agressiebeheersing en begeleiding voor gedetineerden.

In het kader van het globaal psychosociaal preventieplan is ten aanzien van het personeel onder meer voorzien in psychologische hulp aan medewerkers die te maken hadden met incidenten op het werk. Verder werkt de Directie Integrale Veiligheid aan een project inzake de beheersbaarheid van de meest agressieve gedetineerden. We beogen gedetineerden met een potentieel risico tot het stellen van gewelddadig gedrag te identificeren en hen een specifiek detentietraject aan te bieden dat in het teken staat van het beheersbaar maken van de gestelde agressie, door begeleiding op maat.

Er zal tevens worden voorzien in enkele aangepaste beveiligde cellen als ultimum remedium voor het waarborgen van de veiligheid van zowel het personeel als de gedetineerden. In dat kader wordt ook opgeleid personeel voorzien, waaronder penitentiair bewakingsassistenten en zorgpersoneel, alsook psychiatrische bijstand voor de inrichtingen waar het project zal worden uitgerold.

Annick Lambrecht:

Mevrouw de minister, u gaf een zeer formeel antwoord met een overzicht van de bestaande procedures, maar het blijft een feit dat de omstandigheden in de Brugse gevangenis een broeihard zijn en geweld uitlokken. Men komt vaak slechter uit de gevangenis dan men erin gaat. Men wordt agressief door de overbevolking. De cipiers staan onder druk, want men vindt niet genoeg cipiers. Degenen die er zijn, moeten veel meer werk doen dan wat voor hen mogelijk is. Overigens worden de cipiers zeer laag gewaardeerd. Ik vraag me af hoe daaraan kan worden gewerkt. Zeer veel personeel stroomt uit. Dan zijn er nog de verhalen over ernstige agressie. U spreekt betrokkenen, want de directeur-generaal is bij u geweest, maar hij loopt zelfs naar de pers. Men ziet het helemaal niet meer zitten.

Als ik nu aan de personeelsleden moet zeggen dat er procedures bestaan om snel op te treden als iets gebeurt en dat van de vier aangevallen cipiers er één toch al terug aan het werk is, denk ik niet dat zij daarmee gediend zullen zijn.

Het grote kader – dat weet u zelf ook en ik beweer niet dat er geen inspanningen gebeuren – moet een verbetering van de leef- en werkomstandigheden in die Brugse gevangenis zijn, niet alleen voor degenen die er zogezegd wonen, de gevangenen, maar zeker ook voor degenen die er werken. Die agressie ten aanzien van cipiers, die zo’n moeilijke taak op zich nemen, is immers onaanvaardbaar. Dat mag echt niet meer gebeuren. Mensen voelen zich niet meer veilig op de werkplaats, en dat kan niet de bedoeling zijn. Het feit dat men naar de pers loopt en zich richt tot parlementsleden met de vraag om bij u nog eens de urgentie aan te kaarten om personeelsleden te beschermen tegen agressie van gevangenen, zegt alles.

Ik reken erop dat u een tand bij zult zetten om de mensen zich veilig te laten voelen in de Brugse gevangenis.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, u zegt dat de feiten niet zijn geminimaliseerd, maar dat komt niet overeen met het gevoel dat de cipiers op dat ogenblik hadden. U zegt ook dat er een procedure bestaat om de ernst in te schatten. In dat zeer specifieke geval moesten vier cipiers naar het ziekenhuis worden overgebracht, van wie er drie tot op heden nog steeds arbeidsongeschikt zijn. Dat is dus zonder enige twijfel een heel ernstig incident. Agressie tegen het personeel is inderdaad niet nieuw. Er zijn echter dringend maatregelen nodig. Ik besef dat agressiegevallen niet volledig kunnen worden uitgesloten, want dat kan in de gewone samenleving ook niet, maar er moet minstens een poging worden ondernomen om agressiegevallen te verminderen. Ik heb u geen antwoord horen geven op mijn voorstel om de vervroegde invrijheidsstelling onmogelijk te maken voor wie zich schuldig heeft gemaakt aan agressie, van welke aard dan ook en ongeacht de ernst, tegen cipiers en gevangenispersoneel. Er moeten veel strengere maatregelen komen. Ik heb ook geen antwoord gekregen op de vraag welk gevolg is gegeven ten aanzien van de agressieve gedetineerde. Ik hoop en neem aan dat in elk geval een klacht is ingediend. Ik ga ervan uit dat het parket daaraan gevolg zal geven en dat die man zeer zwaar zal worden aangepakt, want die feiten zijn absoluut onaanvaardbaar. Cipiers verdienen respect. Dat hebben wij in de commissie voor Justitie al herhaaldelijk gesteld. Naar aanleiding van de beleidsnota zullen we daar nog op terugkomen, maar ik denk dat u ook prioritair werk moet maken van de verbetering van hun statuut in meest ruime betekenis van het woord.

De evolutie van de veiligheidssituatie in Syrië en de impact ervan op de FTF's
De ontsnapping van IS-gevangenen in Syrië
De veiligheidsontwikkelingen in Syrië en gevolgen voor FTF's en IS-ontsnappingen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de veiligheidsrisico’s van ontsnapte IS-strijders uit Syrië, met name de 11 Belgische gedetineerden (10 mannen, 8 vrouwen + 9 kinderen) en hun opvolging door de Veiligheid van de Staat (VSSE) en OCAM. Minister Verlinden bevestigt dat geen Belgische IS’ers ontsnapt zijn, maar waarschuwt voor de chaotische situatie na Koerdische machtsverlies en mogelijke overdrachten naar Irak; ze benadrukt internationale samenwerking en dreigingsmonitoring via de TER-strategie. De Maegd (kritisch) wijst op het humanitaire en veiligheidsrisico door 10.000 gedetineerde IS’ers uit 40 landen en eist transparantie over de verdwenen negende Belgische vrouw uit kamp Al-Hol. Van Hoecke (beschuldigend) eist een absoluut terugkeerverbod voor IS-sympathisanten zoals Besime Car (ex-IS-politieagente) en bekritiseert dat het regeerakkoord hierin te vaag is; hij noemt terugkeer "onaanvaardbaar" en hekelt gebrek aan politieke consensus hierover.

Michel De Maegd:

Madame la ministre, comme j'ai déjà eu l'occasion de le dire en séance plénière voici deux semaines, la situation au Nord-Est de la Syrie est extrêmement inquiétante. Pour citer un seul exemple, le drapeau de Daech flotte à nouveau sur la ville très symbolique de Kobané, laquelle avait été reprise par les forces kurdes à Daech voici dix ans. Des affrontements armés d'ampleur ont eu lieu, des exactions inacceptables se sont déroulées, entraînant, sinon un retrait, du moins l'affaiblissement de forces démocratiques syriennes jusqu'à présent chargées de la gestion de centres de détention d'anciens membres de l'organisation terroriste Daech. Des informations font désormais état d'évasions ou de fuites de certains détenus, sans que des chiffres définitifs puissent être fournis.

Ces faits ravivent des inquiétudes majeures quant au sort des combattants terroristes étrangers qui y sont détenus, au nombre de 10 000 et en provenance de 40 pays différents. Parmi eux figurent des individus issus de Belgique, sans nécessairement en avoir la nationalité, mais qui sont venus de notre pays et dont la prise en charge et le suivi constituent un enjeu direct de sécurité nationale, mais aussi de justice et de respect de l' É tat de droit.

Dans ce contexte particulièrement préoccupant, madame la ministre, j'aimerais vous poser les questions suivantes. Disposez-vous, à ce stade, d'informations confirmées ou actualisées concernant le nombre de ressortissants venus de Belgique susceptibles d'être encore détenus en Syrie? L'OCAM parle de douze hommes et de neuf femmes – huit dans le camp de Al-Roj, une dans celui Al-Hol qui a été ouvert par les forces syriennes. Quelles sont les voies de coopération judiciaire et sécuritaire internationale actuellement mobilisées par la Belgique afin d'obtenir des informations fiables sur la localisation et le contrôle effectif de ces personnes? Comment la Belgique entend-elle garantir que la lutte contre l'impunité des crimes terroristes demeure pleinement effective, y compris dans l'hypothèse d'une dispersion, d'une fuite ou d'une remise en circulation de combattants précédemment détenus dans cette région?

Alexander Van Hoecke:

Ik verwijs naar de schriftelijke voorbereiding van mijn vraag.

Volgens de Syrische regering zijn bij gevechten in het noordoosten van Syrië ongeveer 120 leden van de terreurgroep Islamitische Staat ontsnapt uit een gevangenis. Regeringstroepen hebben in de stad Al-Shaddadah, in de provincie Al-Hasakah, gezocht naar de voortvluchtigen en intussen 80 personen gearresteerd, zegt het Syrische ministerie van Binnenlandse Zaken.

Ook het Syrische Observatorium voor de Mensenrechten meldde dat een “groot aantal" IS-leden was ontsnapt. Volgens de Koerdische militiegroep de Syrische Democratische Strijdkrachten (SDF) gaat het om veel meer, namelijk ongeveer 1.500 IS-strijders die uit de gevangenis zijn ontsnapt.

Volgens SDF hebben bondgenoten van de regering in Damascus meerdere gevangenissen in het noordoosten aangevallen waar IS-leden zijn ondergebracht, ondanks een staakt-het-vuren dat zondag was afgekondigd. De SDF-troepen hebben daardoor geen controle meer.

De Koerdische milities controleerden tot nu toe de gevangenissen, maar volgens het akkoord van zondag moest de SDF de gevangenen overdragen aan de Syrische regering. De vrees bestaat dat IS van de chaotische situatie gebruik zal maken om aan terrein te winnen.

Dergelijke ontsnappingen vormen een bijzonder groot risico, niet alleen voor Europa, maar ook voor België.

Kan de minister toelichting geven in welke mate de veiligheidsdiensten deze dreiging opvolgen?

Heeft de minister kennis van Belgische IS-strijders die zouden ontsnapt zijn? Hoeveel Belgische IS-strijders bevinden zich in deze kampen? Op welke manier worden deze opgevolgd?

Bestaat er een protocol dat in werking treedt wanneer er Belgische IS-strijders zouden zijn ontsnapt? Hoe ziet dit protocol eruit? Hoe wordt onze samenleving tegen deze potentiële dreiging beschermd door onze veiligheidsdiensten?

Vrijdag komt in Brussel nog een zaak voor van Besime Car, die met haar kinderen vastzit in al-Roj. Wat is de positie van het OM en kan de minister verzekeren dat deze regering nooit zal toestaan dat personen die naar het buitenland trokken om zich aan te sluiten bij IS of een andere terroristische organisatie kunnen terugkeren?

Annelies Verlinden:

Dans le cadre de leurs compétences légales, la Sûreté de l’ É tat (VSSE) et l’Organe de coordination pour l’analyse de la menace (OCAM) assurent un suivi de la situation des combattants terroristes étrangers de nationalité belge, y compris ceux qui se trouvent dans les centres de détention, les prisons et les camps dans le Nord-Est de la Syrie.

De VSSE werkt daarvoor nauw samen met de Belgische partners, evenals met internationale partners. In het kader van de strategie TER zijn meerderjarige, aan België gelinkte FTF’ers opgenomen in de GGB TER en worden ze opgevolgd door de local task forces die bevoegd zijn voor hun voormalige woonplaats. Minderjarigen die betrokken zijn, worden eveneens meegenomen in het kader van de opvolging van hun ouders. Het OCAD werkt de dreigingsevaluatie van die personen bij op basis van de beschikbare en bevestigde informatie van de partnerdiensten in de strategie TER.

Volgens de informatie waarover de VSSE op 27 januari 2026 beschikte, zouden elf aan België gelinkte mannelijke FTF’ers in een gevangenis in het noordoosten van Syrië hebben verbleven. Dat cijfer is sinds vorige week gewijzigd, omdat er sterke aanwijzingen zijn dat een mannelijke Belgische FTF’er zeer recent werd overgebracht naar een gevangenis in Irak. Dat kadert in de bredere overbrenging van IS-gedetineerden uit gevangenissen in het noordoosten van Syrië naar gevangenissen in Irak, zoals ook aangekondigd door de Amerikaanse autoriteiten.

In kampen in dezelfde regio zouden nog acht aan België gelinkte vrouwelijke FTF’ers en negen kinderen verblijven.

Selon les informations dont nous disposons actuellement, aucun combattant terroriste étranger lié à la Belgique ne s'est évadé de prison. Les services de renseignements et de sécurité continuent de suivre le développement de cette situation et cela en concertation avec leurs partenaires nationaux et internationaux. Pour conclure, il ne m'appartient pas d'entrer dans les détails des dossiers individuels.

Michel De Maegd:

Merci, madame la ministre, pour votre réponse. Je vois que les chiffres ont été actualisés depuis la semaine dernière, puisqu'on parle maintenant d'un transfert masculin vers l'Irak et de huit femmes, alors que jusqu'à présent, c'étaient neuf femmes venues de Belgique: huit au camp de Al-Roj et une au camp d' Al-Hol, qui a été ouvert. Donc, c'est important, évidemment, de garder la vigilance et de savoir ce que cette femme qui était dans le camp d'Al-hol, la neuvième, est devenue. Ce qui se joue aujourd'hui en Syrie est une tragédie humaine sans nom. Cela constitue aussi un enjeu direct de sécurité pour nos concitoyens en Belgique.

Là-bas, des civils paient une nouvelle fois le prix fort: exactions, massacres, déplacements forcés, insécurité permanente. Cette dégradation dramatique a donc aussi des conséquences préoccupantes chez nous. Des terroristes aguerris sont désormais susceptibles de se retrouver en liberté, sans contrôle clair, sans suivi, sans cadre judiciaire. La lutte contre le terrorisme ne s'arrête donc pas aux frontières. La justice non plus.

Il est impératif de savoir où se trouvent ces individus, quel est leur statut, comment empêcher qu'ils disparaissent dans la nature. Je rappelle le chiffre global de 10 000 combattants de Daech qui seraient venus de 40 pays différents et qui seraient actuellement emprisonnés dans la région.

Protéger les civils syriens et protéger les Belges vont de pair. L'OCAM l'a affirmé il y a encore quelques jours à peine. Je vous remercie donc pour votre extrême vigilance dans ce dossier.

Alexander Van Hoecke:

Ik dank u, mevrouw de minister, voor de update.

U hebt niet geantwoord op mijn vraag over Besime Car, die met haar vier kinderen vastzit in al-Roj. Zij moest als politieagente voor IS toezicht houden op de naleving van de zeden en maakte zich daarbij schuldig aan verschillende mensenrechtenschendingen. De zaak van die vrouw kwam afgelopen vrijdag voor in Brussel. Ik had gevraagd wat de positie van het openbaar ministerie was en of u nogmaals kon verzekeren dat de regering nooit zal toestaan dat personen die naar het buitenland trokken om zich aan te sluiten bij IS of een andere terroristische organisatie, terug kunnen keren. In het regeerakkoord houdt men daar een slag om de arm. Daarom had ik die garantie graag van u gekregen.

Eigenlijk zouden we ons allemaal geen zorgen meer mogen maken over IS-terroristen. We zouden er toch van mogen uitgaan dat terroristen die onze samenleving op de meest letterlijke manier de oorlog verklaarden, nooit meer kunnen terugkeren. Ik was dan ook enigszins verbaasd over het feit dat sommigen in het debat van vorige week volhielden om dergelijke individuen terug te halen. Ik begrijp dat oprecht niet; ik kan er echt niet bij dat er geen consensus over bestaat, over de partijgrenzen heen, dat iemand die naar Syrië of Irak is getrokken om zich daar schuldig te maken aan de meest gruwelijke en walgelijke mensenrechtenschendingen ooit, en die letterlijk afstand neemt van onze samenleving en onze samenleving de oorlog verklaart, nooit nog terug mag keren.

Ik zal mijn laatste vraag opnieuw schriftelijk indienen en ik zal het antwoord dat u hebt gegeven, nader analyseren.

Voorzitter:

La question n° 56012750C de M. Van Rooy est reportée à sa demande. La question n° 56012762C de M. Dufrane est transformée en question écrite.

De verwijlinteresten op de facturen van beëdigd vertalers en tolken
De door Justitie verschuldigde verwijlinteresten
Verwijlintresten bij facturen van beëdigde vertalers, tolken en Justitie

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Alexander Van Hoecke bekritiseert dat Justitie vanaf 1 februari automatisch verwijlinteresten zal inhouden op het budget van DG’s bij laattijdige betalingen, wat de financiële crisis binnen Justitie (28,5 miljoen aan openstaande facturen in 2025) verder verergert en vraagt om opheldering over achterstallige interessen, budgettaire impact per DG en maatregelen om vertragingen tegen te gaan. Annelies Verlinden bevestigt dat het systeem enkel geldt voor btw-plichtigen, start op 1 februari (tegen eerdere berichten in), en schat de jaarlijkse kost op €4,3 miljoen (waarvan 4% voor tolken/vertalers), maar benadrukt dat gecontesteerde facturen (o.a. bpost) meegenomen zijn en dat DG’s financieel verantwoordelijk worden voor eigen vertragingen via budgetinhoudingen. Van Hoecke betwijfelt de realiteit van de raming (te laag vs. openstaande schuldenberg), vraagt om actuele cijfers over onbetaalde facturen en waarschuwt dat beleid zonder financiële analyse onuitvoerbaar is, terwijl Verlinden verwijst naar schriftelijke opvolging voor gedetailleerde data.

Alexander Van Hoecke:

Vanaf 1 februari zullen verwijlinteresten die door Justitie verschuldigd zijn, automatisch worden berekend en uitbetaald. Wanneer de betalingstermijn voor een factuur wordt overschreden, zullen die verwijlinteresten automatisch worden ingehouden van het werkingsbudget van de betrokken directie-generaal. De budgettaire impact daarvan valt niet te onderschatten. We weten allemaal hoeveel onbetaalde en achterstallige facturen Justitie heeft.

Ten eerste, wat met de verwijlinteresten die tot op heden, vandaag nog, verschuldigd zijn maar nog niet zijn uitbetaald? Vallen die ook onder dat systeem? Ten tweede, is er een raming gemaakt van de verwachte budgettaire impact per directie-generaal? Ten derde, wat gaat u ondernemen om de verwijlinteresten die door Justitie moeten worden uitbetaald tot een absoluut minimum te herleiden? We weten allemaal dat Justitie met enorme financiële problemen kampt en dat er een groot gebrek aan budget is. Als die verwijlinteresten automatisch worden ingehouden, dreigt de put alleen maar groter en dramatischer te worden.

Annelies Verlinden:

Dank u wel, collega. In tegenstelling tot wat door een beroepsvereniging van vertalers-tolken werd gecommuniceerd, gaat de automatische berekening van de verwijlinteresten pas in vanaf 1 februari.

De verwijlinteresten tellen alleen voor btw-plichtige ondernemingen, zowel onderworpen aan de Belgische als aan de buitenlandse btw, en voor zelfstandigen. Wat de exacte datum van de berekening betreft, geldt dat het startpunt van de betalingstermijn de datum is van het elektronisch indienen van de factuur in Peppol. Volgens de geldende wetgeving op de gerechtskosten mag de factuur pas worden ingediend vanaf het moment dat het dossier de goedkeuring kreeg van het taxatiebureau.

De betalingstermijn bedraagt 30 dagen voor btw-plichtige ondernemingen en zelfstandigen. Momenteel worden de verwijlinteresten alleen betaald op vraag van de leveranciers. Er zijn al verwijlinteresten uitbetaald en sommige zijn nog in behandeling. De automatische uitbetaling vindt plaats vanaf 1 februari.

De verwachte impact op het budget van de gerechtskosten bedraagt 4.300.000 euro. Voor het deel gerechtskosten dat betrekking heeft op de gerechtsexperten en tolken-vertalers gaat het om ongeveer 4 %. Die raming is voorzichtig en nogal hoog, in die mate dat ook gecontesteerde facturen erin zijn meegenomen, zoals bijvoorbeeld een grote betwisting met bpost. Voor gerechtskosten gelinkt aan overheidsopdrachten, zoals de aankoop van speekseltesten, de vernietiging van drugslaboratoria en lachgascontainers, worden de verwijlinteresten geraamd op 300.000 euro.

Er is een raming gemaakt op basis van de betalingen van 2024, waarbij de verwijlinteresten, zoals de forfaitaire vergoeding van 40 euro, zijn toegepast.

Elke directie is via het directiecomité geïnformeerd over de wijze van afhandeling en betaling van facturen. Toch moeten we vaststellen dat er vertragingen zijn opgetreden in het proces. Daarom zijn verbeteringen onderzocht om de termijnen te respecteren en vertragingen te vermijden. Om deze kracht bij te zetten, worden de verwijlinteresten geïmputeerd op de werkingsmiddelen van elke administratie, in verhouding tot de betrokken facturen.

Mijnheer Van Hoecke, met betrekking tot het cijfermatige aspect van uw vragen, zou ik u willen verzoeken een schriftelijke vraag in te dienen.

Alexander Van Hoecke:

Ik zal zeker een schriftelijke vraag indienen over het cijfermatige, want zoals ik eerder aangaf, weten we allemaal dat Justitie veel facturen niet betaald krijgt. Vorig jaar heb ik die cijfers opgevraagd en ik heb ondertussen ook een vervolgvraag ingediend, waarop ik nog geen antwoord heb ontvangen. Begin 2025 ging het om 28,5 miljoen euro, bijna 30 miljoen euro aan facturen die nog openstonden en al lang betaald hadden moeten zijn. U spreekt hier nu over 4,3 miljoen euro als voorzichtige raming van de budgettaire impact. Dat lijkt me een enorm probleem. Ik weet niet of die raming voor het hele jaar geldt en of dat bedrag meteen automatisch zal worden uitbetaald. Dat is absoluut geen klein detail. Het is nieuws dat niet echt wijdverspreid is, maar het vormt wel een echt probleem. Veel DG’s hebben vandaag al een zeer krap budget, en als daar dan ook nog automatisch verwijlinteresten op worden ingehouden, wordt het probleem alleen maar groter. Ik ben heel benieuwd naar de cijfers, want dit kan een aanzienlijke impact hebben. Ook wil ik weten of het aantal onbetaalde facturen dit jaar nog is toegenomen. We moeten de financiële impact hiervan absoluut weten. U komt binnenkort met uw beleidsnota. Beleidsplannen die worden gepresenteerd zonder financiële impactanalyse en zonder te weten hoeveel geld er over is, zijn moeilijk uitvoerbaar. We zullen dit van dichtbij blijven opvolgen en ik zal de overige cijfers nog schriftelijk opvragen.

De overeenkomst met Cambodja over de overplaatsing van gevangenen

Gesteld door

lijst: VB Marijke Dillen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Annelies Verlinden bevestigt de ondertekening (23/01) van een bilateraal gevangenenoverplaatsingsverdrag met Cambodja, waarmee één Belg in Cambodja en één Cambodjaan in België hun straf in hun herkomstland kunnen uitzitten na ratificatie (parlementaire instemming vereist) en 30 dagen na uitwisseling van ratificatiedocumenten. Beide landen behouden volledige discretie om overplaatsingen te weigeren, zonder motivatieplicht. Volgens Verlinden loopt er onderhandelingsvoorbereiding met Egypte en Tunesië, terwijl Marijke Dillen (parlementslid) vraagt om versnelling en transparantie over weigeringscriteria. Verlinden benadrukt diplomatieke urgentie om de Belgische gedetineerde in Cambodja snel te repatriëren.

Marijke Dillen:

Ik verwijs naar mijn schriftelijke voorbereiding.

Een heel aantal landgenoten belanden elk jaar in een gevangenis in het buitenland. Ze moeten dan vaak de steun van familie en vrienden ontberen en krijgen niet de noodzakelijke begeleiding voor een succesvolle herintegratie in de samenleving zodra hun straf is uitgezeten. Met dit doel voor ogen levert de FOD Buitenlandse Zaken uitgebreide diplomatieke inspanningen om te komen tot bilaterale overeenkomsten over de overplaatsing van gevangenen. Hierbij wordt er nauw samengewerkt met FOD Justitie. Recent werd er een verdrag ondertekend met Cambodja over de overplaatsing van veroordeelden. Belgische gevangenen in Cambodja en Cambodjaanse gevangenen in dit land zullen zo met instemming van de twee betrokken staten hun straf kunnen uitzitten in hun land van herkomst.

Kan de minister meer toelichting geven betreffende dit verdrag met Cambodja?

Hoeveel landgenoten verblijven er momenteel in een gevangenis in Cambodja en hoeveel Cambodjanen hier in een gevangenis in dit land?

Wanneer zal dit verdrag ook effectief operationeel worden?

Er is voorzien dat gevangenen hun straf kunnen uitzitten in het land van herkomst “met instemming van de twee betrokken staten". Zijn er uitzonderingsmodaliteiten voorzien waarbij één van beide staten de toestemming kan weigeren? Graag toelichting.

Zijn er nog onderhandelingen lopende met andere landen waarbij Justitie betrokken wordt? Graag een gedetailleerde toelichting.

Annelies Verlinden:

Dank u wel, mevrouw Dillen. Op 23 januari werd in Phnom Penh een verdrag inzake de overbrenging van veroordeelde personen tussen Cambodja en België ondertekend. Dat verdrag maakt het mogelijk dat Belgen die in Cambodja in detentie verblijven hun veroordeling in België kunnen uitzitten en dat Cambodjanen die in België gedetineerd zijn hun veroordeling in Cambodja kunnen uitzitten. Ik heb persoonlijke contacten gelegd tot op het niveau van de premier van Cambodja om dat akkoord te realiseren.

Het lot van onze onderdanen die in het buitenland in detentie verblijven, laat ons niet onberoerd. Momenteel is er één Belg in Cambodja gedetineerd. Daarnaast is er één Cambodjaan in België gedetineerd.

Het verdrag moet eerst door beide landen worden geratificeerd. In België moet daarvoor de parlementaire instemmingsprocedure worden doorlopen, zodat het verdrag deel uitmaakt van de Belgische rechtsorde. Het verdrag treedt internationaal in werking 30 dagen na de uitwisseling van de instrumenten van ratificatie.

We proberen dat uiteraard met maximale spoed te doen om onze landgenoot in de Cambodjaanse cel zo snel mogelijk te kunnen overbrengen naar ons land. De instemming van beide landen is een voorwaarde voor de overbrenging van een veroordeelde persoon. Elke partij kan vrij beslissen of zij instemt met de overbrenging of niet.

Er is geen verplichting om een weigering te motiveren of om bepaalde weigeringsgronden in te roepen. Indien niet wordt ingestemd met de overbrenging, moet de andere partij daarvan op de hoogte worden gebracht.

Momenteel zijn er contacten met Egypte en Tunesië met het oog op het opstarten van onderhandelingen met die landen over een verdrag inzake de overbrenging van veroordeelde personen.

Marijke Dillen:

Dank u voor uw antwoord, mevrouw de minister.

Het aangekondigde plan om 300 extra plaatsen in gevangenissen te creëren via modulaire units

Gesteld door

lijst: VB Marijke Dillen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Marijke Dillen bekritiseert dat minister Verlinden herhaaldelijk 300 modulaire gevangenisplaatsen aankondigt (in Paifve, Hasselt, Brugge, Leuven en FPC’s Antwerpen/Gent) zonder concrete planning, terwijl een vorig raamcontract voor 1100 plaatsen (waarvan 600 voor detentie) nog steeds niet volledig is uitgevoerd – ze eist leverdata, een realistisch uitvoeringsplan en garanties voor voldoende personeel. Verlinden ontkent vertraging en stelt dat haar nieuwe plan (goedgekeurd na haar aantreden) prioriteit geeft aan haalbaarheidsstudies en nutsaanpassingen voordat units worden geplaatst, om operationele risico’s te vermijden; ze benadrukt dat extra middelen voor personeel zijn vrijgemaakt en versnelde aanwervingsprocedures lopen, maar weigert een "gedetailleerd plan" omdat "een plan nog geen realisatie is". Dillen twijfelt aan de consistentie van de ministeriële communicatie (naar aanleiding van tegenstrijdige mediaberichten) en stelt haar vraag uit voor nader onderzoek, terwijl Verlinden verwijt dat haar fractie het onderwerp dubbel agendeert. De kernkwestie blijft onopgelost: wanneer en hoe de belofte van 1100 extra plaatsen (waarvan nu slechts 300 concreet zijn) daadwerkelijk wordt gerealiseerd, inclusief personeels- en infrastructuurvoorwaarden.

Marijke Dillen:

Mijnheer de voorzitter, ik verwijs naar de schriftelijke voorbereiding van mijn vraag.

Het voorbije weekend kondigde de minister samen met de minister bevoegd voor de Regie der gebouwen opnieuw in de media een plan aan om 300 extra plaatsen te creëren in de gevangenissen door het plaatsen van modulaire units. Zo zouden er in de gevangenis van Paifve (Luik) 150 plaatsen komen en in die van Hasselt, Brugge en Leuven telkens 50. Ook worden er in het FPC van Antwerpen 90 plaatsen en van Gent 30 extra plaatsen gecreëerd.

Dit is geen nieuw plan. De vorige regering had al een raamcontract goedgekeurd voor de aankoop van modulaire units, goed voor 1100 extra plaatsen waarvan 600 specifiek in de detentiehuizen en niet zoals ten onrechte het voorbije weekend in de media werd gesuggereerd allemaal bestemd voor de detentiehuizen. Nu wordt aangekondigd om naast de gevangenissen ook in de FPC's bijkomende capaciteit te creëren via deze modulaire units.

Aankondigingen in de media lijken mooi. Maar er dienen eindelijk concrete realisaties te komen teneinde de druk op de gevangenissen door de overbevolking eindelijk te verlichten.

Kan de minister toelichting geven wanneer deze modulaire units worden geleverd en in de hogervermelde gevangenissen en FPC's effectief zullen worden geplaatst? Graag een gedetailleerd en (eindelijk !) realistisch plan waaruit de concrete realisatie blijkt.

Welke initiatieven zijn er genomen om ervoor te zorgen dat er ook voldoende ondersteunend personeel zal worden aangeworven en andere ondersteunende maatregelen zijn genomen om ervoor te zorgen dat na de plaatsing de modulaire units ook daadwerkelijk in gebruik kunnen worden genomen? Graag een gedetailleerd overzicht.

Het door de vorige regering goedgekeurde raamcontract voorzag 1100 extra plaatsen via de aankoop van modulaire units. Nu wordt er aangekondigd dat er 300 extra plaatsen zullen komen dankzij deze units. Wanneer zullen de andere 800 extra plaatsen dankzij de aankoop van modulaire units worden gerealiseerd en in welke gevangenissen, detentiehuizen en FPC's?

Annelies Verlinden:

Mevrouw Dillen, het komt mij voor dat u in uw vraag een en ander door elkaar haalt. Het plan dat voorligt, is er een dat ik al heel snel na mijn aantreden samen met collega-minister Matz op de regeringstafel heb gelegd en dat ook de goedkeuring van de regering heeft verkregen. Het betreft daarbij de inrichting van bijkomende plaatsen op de sites van bestaande gevangenissen en FPC’s.

Het klopt dat voor de uitvoering van het plan een beroep wordt gedaan op een bestaand raamcontract dat de optie tot modulaire unitbouw biedt voor de hele federale overheid. Van dat contract was en is ook nog altijd een deel voorbestemd voor de inrichting van nieuwe detentiehuizen over het hele land. Die opdracht wordt onverminderd voortgezet. Uw derde vraag is dus zonder voorwerp.

Overigens kan een dergelijke unitbouw niet zomaar om het even waar worden gerealiseerd. Er werd een eerste analyse van onze sites uitgevoerd door de Regie der Gebouwen en de betrokken aannemer. Vervolgens worden haalbaarheidsstudies uitgevoerd om de concrete en haalbare inplanting van de units per site vast te leggen en de nutsvoorzieningen en eventuele aanpassingswerken te identificeren die nodig zijn om over te gaan tot de plaatsing. Desgevallend zijn ook aanpassingen nodig aan de units om tegemoet te komen aan het doel waarvoor ze nu zullen worden ingezet. Daarbij wordt tegemoetgekomen aan de vereisten volgens het behoefteprogramma verbonden aan de bijkomende plaatsen op die sites.

De diensten gaan niet halfslachtig te werk, maar met de ernst en de spoed die de acute situatie van de overbevolking van ons allemaal vereist. Daar lichtzinnig mee omspringen, zou niet wijs zijn en mogelijk nefaste gevolgen hebben voor de dagelijkse werking van de instellingen waar de units worden geplaatst.

Ook over uw tweede vraag kan ik duidelijk zijn. Uit de behoefteprogramma’s blijken telkens de concrete operationele vereisten en personeelsbehoeften. De plaatsing van bijkomende infrastructuur heeft uiteraard enkel zin, als dat gepaard gaat met voldoende personeel en werkingsmiddelen. De regering heeft op mijn vraag bijkomende middelen vrijgemaakt voor de aanwerving van personeel en de operationalisering van bijkomende detentiecapaciteit.

Met het oog op de snelle indiensttreding van extra personeel zullen we, opnieuw in samenwerking met collega Matz de beschikbare federale rekruteringscapaciteit zo veel mogelijk prioritair voor het penitentiair ambt inzetten. Ook wordt gewerkt aan de verruiming van de toegang tot de aanwervingsprocedures. Parallel daaraan wordt samen met de FOD BOSA ingezet op de optimalisering van de selectie- en aanwervingsprocedures voor het penitentiair ambt. Kortom, we doen er alles aan om op korte termijn snel extra kwaliteitsvol personeel aan te werven.

U vraagt een gedetailleerd plan. Uit een plan blijkt natuurlijk nog niet of en hoe een en ander wordt gerealiseerd; zo werkt dat ook niet. Een plan is namelijk een doordachte aanpak om een bepaald doel te bereiken en wij hebben dat doel heel duidelijk voor ogen. Wij werken sinds mijn aantreden met mijn diensten dag en nacht aan dat plan, mocht u daaraan twijfelen. Ik ben hen ook bijzonder dankbaar en doe hier graag nogmaals een oproep aan alle betrokkenen om mee de schouders te zetten onder de uitvoering van het plan in het belang van justitie en van de veiligheid van onze hele samenleving.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, ik dank u voor het antwoord op mijn vraag, die gebaseerd was op het grote dubbelinterview van uzelf en van uw collega Matz. Ik het gedetailleerd en grondig onderzoeken.

Voorzitter:

Aan de orde is vraag nr. 56012919C van mevrouw Dillen.

Marijke Dillen:

Mijnheer de voorzitter, aangezien mediaberichten de inhoud van mijn vraag tegenspreken, vraag ik om ze uit te stellen tot een volgende vergadering.

Annelies Verlinden:

Uw fractie heeft een vraag over het onderwerp voor de plenaire vergadering van morgen ingediend.

Marijke Dillen:

Dat kan. Dat staat mijn onderzoek naar het verschil in informatie die publiek bekend was ten tijde van de indiening van mijn vraag, en de informatie in de mediaberichten van vandaag, niet in de weg.

Annelies Verlinden:

Dat snap ik, maar ik begrijp niet goed dat er morgen een vraag in plenum zal worden gesteld, terwijl er hier een vraag over dat onderwerp aan de orde is.

Marijke Dillen:

Ik ga daar niet op in, want ik heb die vraag ook nog niet gelezen. Die vraag zal dan waarschijnlijk over iets anders gaan dan het plan waarover ik het heb.

Voorzitter:

Vraag nr. 56012919C van mevrouw Dillen wordt dus op haar verzoek uitgesteld.

Digitale stalking bij partnergeweld

Gesteld door

lijst: Vooruit Funda Oru

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Funda Oru wijst op structurele onderrapportering van digitale stalking en partnergeweld, met cijfers die slechts het "topje van de ijsberg" tonen, en bekritiseert dat systematisch onderzoek naar digitale stalking bij partnergeweldklachten ontbreekt, terwijl slachtoffers melden dat stalking vaak escaleert na een eerste melding. Minister Annelies Verlinden antwoordt dat het College van procureurs-generaal met rondzendbrief COL13/2025 nieuwe richtlijnen heeft ingevoerd voor uniforme registratie, snelle bewijsveiligstelling en specifieke aandacht voor digitale belaging (inclusief spyware) in partnergeweldcontexten, gericht op betere afhandeling en slachtofferbegeleiding. Oru erkent de inspanningen en prijst de rol van speurders in concrete zaken zoals die van "Wendy", maar benadrukt dat sensibilisering en implementatie cruciaal zijn om de maatregelen effectief te maken.

Funda Oru:

Mevrouw de minister, recent werd duidelijk dat ook in ons land de sadistische groep 764 online aanwezig is en dat er sprake is van zware onderrapportering. Een gelijkaardig patroon zien we vandaag ook bij digitaal partnergeweld. In België werden in 2024 bijna 30.000 feiten van stalking geregistreerd, maar onderzoek toont aan dat de werkelijke omvang veel groter is. Bijna één op de vier vrouwen geeft aan ooit gestalkt te zijn. Ook daaromtrent wijzen de beschikbare cijfers erop dat wat zichtbaar is waarschijnlijk slechts het topje van de ijsberg vormt.

Stalking en intimidatie verlopen vandaag vaker via digitale middelen en blijven daardoor onzichtbaar of onherkenbaar. Vandaag lazen we in de krant ook het schrijnende verhaal van Wendy, een vrouw van 42 jaar, die vier jaar lang door haar eigen partner werd gestalkt. De dader ging bijzonder berekenend te werk en was moeilijk te identificeren, maar kon uiteindelijk dankzij de speurders toch worden opgespoord en veroordeeld. Het verhaal illustreert vooral dat digitale stalking zich vaak binnen relaties afspeelt en jarenlang onder de radar kan blijven.

Digitale stalking laat weinig klassieke sporen na en wordt niet automatisch in dossiers inzake partnergeweld opgenomen.

Mevrouw de minister, waarom wordt bij klachten over partnergeweld niet systematisch onderzocht of er sprake is van digitale stalking?

Slachtoffers geven aan dat stalking vaak voortduurt of zelfs escaleert na een eerste melding bij politie of justitie. Welke concrete maatregelen neemt u om digitale stalking binnen partnerrelaties sneller te stoppen en slachtoffers te beschermen, zodra justitie op de hoogte is?

Annelies Verlinden:

Mevrouw Oru, het College van procureurs-generaal heeft onlangs rondzendbrief COL13/2025, betreffende de bestrijding van alle vormen van geweld tegen personen, verspreid. Die rondzendbrief is bedoeld als hulpmiddel en sensibiliseert de leden van de politiediensten en de magistraten van het openbaar ministerie over de problematiek van cybergeweld tegen personen. Er staan ook richtlijnen en een aantal praktische tools in die kunnen bijdragen tot de correcte afhandeling van alle dossiers op dat vlak. De rondzendbrief beoogt ook een uniforme registratie van die feiten te waarborgen en een adequate opvang en begeleiding van slachtoffers te garanderen.

Er wordt bijzondere aandacht besteed aan het offline halen van problematische inhoud en aan de vrijwaring van bewijselementen, wat een zeer snelle reactie vergt om de door het slachtoffer geleden schade in te dijken en te vermijden dat de inhoud verder wordt verspreid.

De rondzendbrief bevat daartoe precieze richtlijnen voor zowel de magistratuur als de politie. Een hoofdstuk van die rondzendbrief is specifiek gewijd aan cybercriminaliteit in een context van partnergeweld. De nadruk wordt met name gelegd op belaging, ofwel het zonder toestemming observeren van een persoon of van een van zijn elektronische apparaten, al dan niet met behulp van spyware.

Voor het overige wordt verwezen naar COL13/2025 en naar andere rondzendbrieven inzake partnergeweld die het College van procureurs-generaal heeft verspreid.

Funda Oru:

Mevrouw de minister, bedankt om dat thema ter harte te nemen. Ik ben zelf ook benieuwd naar die rondzendbrief. Het is heel goed dat de feiten geregistreerd worden en dat er begeleiding is voor de slachtoffers. In het geval van Wendy is het dankzij de speurders die de klachten en de meldingen van de voorbije jaren ernstig hadden genomen, dat de dader werd opgespoord. Dat verdient zeker erkenning. Ik ben dus heel blij dat daarop concreet wordt ingezet via een rondzendbrief om iedereen te sensibiliseren dat daar werk van wordt gemaakt.

Het sociaal akkoord voor het gevangenispersoneel

Gesteld door

lijst: N-VA Sophie De Wit

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Annelies Verlinden bevestigde dat op 9 januari een sociaal akkoord werd bereikt met de vakbonden over het gevangenispersoneel, gebaseerd op vijf pijlers: werving, opleiding, veiligheid, welzijn en verloning – gefinancierd via IDP-middelen en uit te rollen tussen 2026 en 2029. Concreet omvat het versnelde aanwervingsprocedures, betere bescherming tegen agressie, versterkte opleidingen, welzijnssteun en een competitief loonpakket om de aantrekkelijkheid van het beroep te verhogen, met eerste stappen (zoals loonregels) al in uitvoering. Sophie De Wit toonde zich tevreden met het bereikte akkoord.

Sophie De Wit:

Mevrouw de minister, op 7 januari stelde ik u een vraag en u verklaarde toen dat het overleg met de sociale partners over het sociaal akkoord voor het gevangenispersoneel op vrijdag 9 januari zou worden voortgezet en mogelijk zou worden afgesloten. U zei toen ook dat er al een concreet sociaal plan was voorgelegd aan de vakbonden, dat was afgetoetst met de achterban en dat focust op vijf pijlers: werving en selectie, opleiding, veiligheid, welzijn en het weddepakket.

De datum van 9 januari is inmiddels verstreken, mevrouw de minister. Vandaag vraag ik u graag naar de stand van zaken.

Werd het sociaal akkoord op 9 januari effectief gesloten? Werd er een formeel akkoord bereikt met de sociale partners? Zo ja, welke maatregelen zijn per pijler definitief vastgelegd en welke budgettaire middelen zijn er voorzien? Vanaf wanneer worden de maatregelen concreet uitgerold?

Indien het akkoord nog niet of slechts gedeeltelijk werd afgesloten, welke elementen liggen dan vandaag nog open en welke timing hanteert u voor een definitieve aanvulling? Ik dank u.

Annelies Verlinden:

Collega De Wit, ik kan u inderdaad met genoegen meedelen dat het sociaal overleg met de sociale partners op 9 januari heeft geleid tot een akkoord over het sociaal plan voor het gevangenispersoneel.

Het sociaal plan bevat een reeks concrete actiepunten waarvoor de overheid zich engageert om deze binnen het afgesproken tijdskader uit te voeren. De uitvoering van deze acties wordt gefinancierd met IDP-middelen die aan Justitie ter beschikking zijn gesteld.

In dit actieplan zijn maatregelen opgenomen om de functie van penitentiair bewakingsassistent financieel aantrekkelijker te maken. Daarnaast is het plan aangevuld met bijkomende acties om de selectie en rekrutering te bevorderen, de opleiding van het personeel te garanderen en de veiligheid en het welzijn van het personeel te waarborgen. Ook deze maatregelen fungeren als belangrijke hefbomen om de aantrekkelijkheid van het beroep te verhogen en de werkomstandigheden van het gevangenispersoneel duurzaam te verbeteren.

De focus van het plan ligt op het aanpakken van vijf centrale uitdagingen. Ten eerste werving en selectie: de uitwerking van snellere en efficiëntere procedures om kandidaten aan te trekken op een bijzonder krappe arbeidsmarkt.

Ten tweede opleiding: de versterking van vorming en bijscholing met het oog op personeelsbehoud en doorgroeimogelijkheden.

Ten derde veiligheid: bijkomende maatregelen om het personeel beter te beschermen tegen agressie en geweld in de werkomgeving.

Ten vierde welzijn: initiatieven die medewerkers ondersteunen die geconfronteerd worden met zware of belastende werkomstandigheden.

Ten vijfde verloning: de uitbouw van een competitief weddepakket dat aansluit bij dat van andere veiligheidsberoepen.

De acties binnen deze vijf pijlers – werving en selectie, opleiding, veiligheid, welzijn en verloning – zullen gefaseerd worden uitgerold tussen eind 2026 en 2029.

De administratie is inmiddels gestart met de uitvoering van de eerste dossiers, waaronder de nodige reglementaire aanpassingen in het kader van het luik verloning. Daarnaast wordt voorzien in een structurele monitoring van de uitvoering en opvolging van het actieplan.

Sophie De Wit:

Ik ben blij dat er een akkoord is en dank u voor uw antwoord.

De 14 % zelfstandigen onder de armoedegrens en de aanpassingen van de beschermingsmechanismen
Het armoederisico bij zelfstandigen
Het grotere armoederisico bij zelfstandigen
Het armoederisico voor zelfstandigen
Armoederisico en beschermingsmechanismen bij zelfstandigen

Gesteld aan

Eléonore Simonet (Minister van Middenstand, Zelfstandigen en KMO’s)

op 27 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de kwetsbaarheid van zelfstandigen in België, ondanks een algemene daling van armoede (van 15% naar 11,5% tussen 2019-2024). Volgens het SPF Sécurité Sociale loopt 14% van de zelfstandigen armoederisico – tegenover 2,8% bij werknemers – en kan 21% onverwachte uitgaven niet opvangen, hoewel slechts 1-1,5% ernstige materiële deprivatie ervaart door privébuffers (spaargeld, bedrijfsvermogen). Minister Lanjri benadrukt dat de sociale bescherming (overbruggingsrecht, ziekte-uitkeringen, pensioenherzieningen) het armoederisico al met 36% reduceert, maar kondigt versterkte preventieve maatregelen aan: 15 weken moederschapsverlof (vanaf 2026), ouderschapsverlof, en hogere ziekte-uitkeringen. Kritiek van Vanrobaeys (sp.a): zelfstandigen dragen te weinig bij aan solidariteit (geplafonneerde bijdragen, fiscale optimalisaties) en dreigen het systeem onbetaalbaar te maken, terwijl Lanjri en Lanjri (cd&v) pleiten voor meer rechten mits passende bijdragen (bv. harmonisering met werknemersstelsel). Hoofdconclusie: Er is consensus over nodige versterking van de sociale zekerheid voor zelfstandigen (met focus op starters, vrouwen en kleine ondernemingen), maar meningsverschil over hoe die te financieren – via hogere bijdragen (Vanrobaeys) of efficiënter ciblage (Lanjri).

Anne Pirson:

Madame la ministre, le nouveau rapport du SPF Sécurité sociale dresse un tableau globalement très positif pour la Belgique. Entre 2019 et 2024, le risque de pauvreté est passé de 15 % à 11,5 %, soit environ 350 000 personnes sorties de la pauvreté, plaçant notre pays au deuxième rang européen, juste derrière la Tchéquie.

Le rapport montre aussi que cette amélioration ne résulte pas d’un dérapage des dépenses, mais d’un meilleur ciblage des politiques sociales: revalorisation des revenus d’intégration, allocations de chômage et de maladie, pensions minimales. Le résultat est que seulement 4 % des travailleurs sont pauvres, un chiffre deux fois inférieur à la moyenne européenne, et que la pauvreté des pensionnés a reculé à 11 %.

Toutefois, derrière ces progrès, le rapport pointe une faiblesse structurelle importante: la vulnérabilité des travailleurs indépendants. Selon le SPF, 14 % des indépendants vivent sous le seuil de pauvreté, De plus, près d’un sur cinq ne peut pas faire face à une dépense imprévue de 1 300 euros, un indicateur central de privation matérielle. Les starters, les petites structures et les secteurs à faibles marges sont les plus exposés. Pourtant, ces indépendants constituent un moteur essentiel de notre économie. Leur fragilité constitue un frein direct à l’investissement, à la croissance et même à la stabilité de notre tissu entrepreneurial.

Dans ce contexte, madame la ministre, comment évaluez-vous l’efficacité actuelle des mécanismes fédéraux de protection sociale des indépendants – droit passerelle, indemnités d’incapacité – à la lumière des données du SPF montrant qu’environ 21 % d’entre eux restent en situation de privation matérielle? Envisagez-vous de renforcer ou d’adapter ces dispositifs, en particulier pour les starters et les indépendants aux revenus irréguliers, afin de réduire durablement la vulnérabilité financière qui touche encore 14 % d’entre eux ?

Anja Vanrobaeys:

Mevrouw de minister, uit een recente studie over armoede bij zelfstandigen van de FOD Sociale Zekerheid leren we dat, terwijl onze sociale bescherming wel en buffer biedt, zelfstandigen een aanzienlijk hoger risico op inkomensarmoede lopen, ook al ervaren zij vaak minder ernstige sociale en materiële deprivatie ervan. Het armoederisico bij werknemers bedraagt 2,8 %, tegenover 14,2 % bij zelfstandigen.

Sociale bescherming blijkt cruciaal. In de laagste inkomensgroep ontvangt een op de vijf zelfstandigen inkomensondersteuning. Tijdens de coronacrisis liep dat op tot 70 %. Zonder sociale bescherming zou het armoederisico in 2020 dubbel zo hoog zijn geweest.

Gender en gezinstypen spelen een rol. Vrouwelijke zelfstandigen keren zichzelf een lager inkomen uit, hebben een groter armoederisico en vallen dan een stukje terug op het inkomen van hun partner of op aanvullende uitkeringen. Dat wijst voor een stuk op kwetsbaarheid en economische afhankelijkheid.

Ook opvallend is de kloof tussen gemeten inkomensarmoederisico en effectieve armoede-ervaring. Het armoederisico schommelt tussen 10 en 16 %, terwijl slechts 1,4 % van de zelfstandigen ernstige sociale en materiële deprivatie ervaart. Zo kan 10,6 % van de zelfstandigen zich geen week vakantie permitteren. Bij werknemers ligt dat percentage hoger, namelijk op 13 %. Dat toont voor mij aan dat zelfstandigen voor een deel terugvallen op privébuffers, zoals spaargeld, eigendom en hun private middelen door de verwevenheid van het privéleven en de zaak. Experts waarschuwen dat die buffers beperkt zijn en dat het snel vervallen in acute armoede daarmee niet voorkomen kan worden.

Hoe interpreteert u de kloof tussen het inkomensarmoederisico en de ervaring, die anders is bij zelfstandigen?

Acht u de armoedemonitoring voldoende om verborgen en uitgestelde armoede tijdig te detecteren?

Voorts kreeg ik graag cijfers over de opname van het overbruggingsrecht, dat in 2023 is hervormd.

Bent u bereid om de solidariteit in het stelsel en het sociaal statuut van de zelfstandigen te versterken, zodat ondersteuning nog beter preventief kan worden ingezet en niet pas volgt wanneer de buffers zijn opgesoupeerd?

Nahima Lanjri:

Mevrouw de minister, zoals de collega’s al hebben aangehaald, is vorige week in de media een studie verschenen van de FOD Sociale Zekerheid die wees op het probleem van armoede bij zelfstandigen. Daaruit is gebleken dat een aanzienlijke groep zelfstandigen te maken heeft met armoede of een risico op armoede. Als men echter kijkt naar effectieve of reële armoede, blijkt dat zij gelukkig iets beter scoren.

In de studie wordt ook een vergelijking gemaakt tussen armoede bij werknemers en armoede bij zelfstandigen. Die vergelijking is op zich minder relevant, want elke persoon in armoede, of het nu een zelfstandige, een werknemer of iemand anders is, is er een te veel.

Het is wel belangrijk om op te merken dat zelfstandigen zelf aangeven dat de sociale zekerheid ook voor hen enorm belangrijk is. Dat brengt ons bij een aantal zaken die we daadwerkelijk moeten aanpakken. Uiteraard moet armoede worden bestreden, maar daarnaast moeten we ervoor zorgen dat de stelsels voor werknemers, zelfstandigen en ambtenaren, waartussen vandaag nog vaak verschillen bestaan, meer naar elkaar toegroeien en dat verder wordt ingezet op harmonisering.

Een van de domeinen waarop dat zeker moet gebeuren, is het verlofstelsel in het kader van de combinatie van werk en gezin. Zeker voor zelfstandigen, die vandaag slechts twaalf weken moederschapsrust hebben, is verdere harmonisering belangrijk. Dat voorstel hebben we trouwens ook opgenomen in het voorstel van familiekrediet dat cd&v heeft gelanceerd. We willen dat zelfstandigen evenveel verlof krijgen voor de opvoeding van hun kind. Op die manier kunnen we zelfstandigen, in het bijzonder zelfstandige vrouwen, een stuk vooruithelpen. Ik ben dan ook blij dat u in uw kmo-plan alvast de intentie uitspreekt om de vijftien weken moederschapsrust vanaf volgend jaar door te voeren voor zelfstandigen. Ik zal daar zo dadelijk nog een concrete vraag over stellen.

Tot slot stel ik vast dat UNIZO in haar rapport aangeeft dat België een sterke consumentenbescherming kent, maar dat het hoog tijd is om ook te evolueren naar een vorm van producentenbescherming, zodat ondernemers, zij die produceren in ons land, voldoende worden beschermd en niet wachten tot het niet meer gaat. Vaak wachten zij immers veel te lang om met ziekteverlof te gaan.

Mevrouw de minister, hoe staat het met de plannen inzake de vijftien weken moederschapsrust die u hebt aangekondigd in uw kmo-plan en wanneer denkt u daarmee naar het Parlement te kunnen komen?

Welke concrete maatregelen kan de regering nog nemen om de armoede bij zelfstandigen te bestrijden?

Kunt u toelichten waarin het verschil precies zit tussen armoede bij zelfstandigen en armoede bij andere doelgroepen? Zijn er bij de zelfstandigen specifieke groepen die meer dan andere met armoede worden geconfronteerd?

Tot slot, bent u bereid om in te gaan op de suggesties en voorstellen van UNIZO om te werken aan een sterkere sociale bescherming van zelfstandigen?

Eléonore Simonet:

Madame la présidente, chères collègues, je vous remercie pour vos questions qui s’appuient sur l’étude récente du SPF Sécurité sociale et qui mettent en lumière une réalité complexe du vécu des travailleurs indépendants.

En ce qui concerne la lecture des chiffres et l’interprétation du risque de pauvreté chez les indépendants, il est tout d’abord essentiel de rappeler que la mesure de la pauvreté dépend fortement de l’indicateur utilisé. Le risque de pauvreté monétaire et la privation matérielle et sociale sévère ne mesurent pas la même réalité.

S’agissant de la privation matérielle, il convient d’être précis. Le fait qu’environ 21 % des indépendants déclarent ne pas pouvoir faire face à une dépense imprévue ne signifie pas qu’ils se trouvent en situation de privation matérielle sévère. Selon Statbel et Eurostat, la part des indépendants confrontés à une privation matérielle et sociale sévère se situe plutôt entre 1 et 1,5 %, un taux inférieur à celui observé chez les travailleurs salariés.

Afin de répondre à la question de Mme Pirson et de Mme Vanrobaeys relative aux causes de cette différence entre un risque élevé de pauvreté monétaire et une faible pauvreté vécue, plusieurs facteurs, largement documentés dans la littérature internationale et repris dans l’étude du SPF Sécurité sociale, peuvent être soulignés.

Premièrement, les revenus des indépendants sont plus volatils que ceux des salariés. Ils ne perçoivent pas de salaire mensuel stable et leur chiffre d’affaires fluctue en fonction de la conjoncture, des marchés ou des cycles économiques.

Deuxièmement, les mécanismes fiscaux et sociaux jouent un rôle important. Les cotisations sociales sont provisoires et ne sont recalculées que deux à trois ans plus tard, lorsque le revenu réel est connu, ce qui peut temporairement fausser l’image du revenu disponible.

Troisièmement, il existe chez les indépendants une imbrication plus forte entre la sphère privée et la sphère professionnelle. Certains utilisent des actifs de l’entreprise à des fins privées, tandis que d’autres mobilisent des moyens personnels pour soutenir leur activité. Cette réalité complique une lecture strictement monétaire du niveau de vie. C’est précisément pour cette raison que l’étude du SPF Sécurité sociale a intégré, à juste titre, l’indicateur européen de privation matérielle et sociale sévère, qui mesure la capacité réelle à faire face aux dépenses essentielles.

L’ensemble de ces éléments démontre que les chiffres issus de l’étude du SPF Sécurité sociale doivent être interprétés avec nuance. Les faibles niveaux de privation matérielle nuancent le risque moyen élevé de pauvreté monétaire chez les indépendants. Cela montre qu'il est nécessaire de combiner différents indicateurs afin d'obtenir une image aussi fidèle que possible du niveau de vie, en particulier pour un groupe aussi hétérogène que celui des travailleurs indépendants.

Il convient toutefois de rester vigilant. En effet, les statistiques de pauvreté présentent toujours un certain décalage temporel puisqu'elles tiennent compte du revenu et du niveau de vie de l'ensemble du ménage. C'est pourquoi les données administratives liées aux prestations sociales constituent des signaux d'alerte importants pour détecter plus rapidement des situations de fragilité, en particulier lorsque les revenus restent durablement instables.

De lopende analyses bij de FOD Sociale Zekerheid bevestigen de doorslaggevende rol van de sociale bescherming bij het verminderen van het armoederisico bij zelfstandigen. Zo verminderen de sociale overdrachten, exclusief pensioenen, het armoederisico met 26,9 %. Wanneer ook de pensioenen in aanmerking worden genomen, daalt dat risico zelfs met 36,4 %. Zonder deze mechanismen zou het armoederisico bij zelfstandigen dus aanzienlijk hoger liggen.

De voorbije jaren werd de sociale bescherming van zelfstandigen geleidelijk versterkt, met inachtneming van hun specifieke situatie. Ik wens in het bijzonder te wijzen op de versterking van het overbruggingsrecht, zowel wat betreft de dekking als het toepassingsgebied, de afschaffing van de correctiecoëfficiënt voor de berekening van de pensioenen, die heeft geleid tot een aanzienlijke verbetering van de wettelijke pensioenen van zelfstandigen, en de afschaffing van de wachttijd bij ziekteperiodes van meer dan een week enzovoort.

Naar aanleiding van de vraag van mevrouw Vanrobaeys over het gebruik van het overbruggingsrecht heb ik het RSVZ bevraagd. Sinds de hervorming van het overbruggingsrecht, die op 1 januari 2023 in werking is getreden, hebben 3.062 zelfstandigen van minstens één uitkering kunnen genieten.

De gegevens van het RSVZ geven de volgende opsplitsing aan: 1.801 zelfstandigen hebben hun activiteit stopgezet naar aanleiding van een faillissement, voor een totaalbedrag van ongeveer 24 miljoen euro; 528 zelfstandigen hebben hun activiteit stopgezet wegens onvoldoende inkomsten, voor een bedrag van ongeveer 8 miljoen euro; 453 zelfstandigen hebben genoten van het overbruggingsrecht na een gedwongen onderbreking als gevolg van een beslissing van een derde of van een economische gebeurtenis, voor een bedrag van 5,5 miljoen euro.

Ik kan u gedetailleerde tabellen bezorgen met een opsplitsing naar geslacht en activiteitensector. Het RSVZ beschikt evenwel niet over informatie met betrekking tot een eventuele cumulatie met andere uitkeringen of met een beroepsactiviteit.

De vrijstelling van sociale bijdragen vormt eveneens een belangrijk instrument voor zelfstandigen in moeilijkheden. In 2023 hebben 5.052 zelfstandigen een vrijstelling genoten voor een bedrag van 20,4 miljoen euro. In 2024 ging het om 4.567 zelfstandigen voor 21,7 miljoen euro en in 2025 om 3.359 zelfstandigen voor 15,5 miljoen euro. Deze gegevens zijn opgesplitst naar geslacht, maar een sectorale opsplitsing is momenteel niet beschikbaar.

Daarnaast kunnen zelfstandigen die met financiële moeilijkheden worden geconfronteerd ook een beroep doen op een afbetalingsplan, een vermindering van de voorlopige bijdrage of een kwijtschelding van verhogingen bij laattijdige betaling. Deze maatregelen hebben hun nut bewezen, met name tijdens recente crisissen zoals de covidpandemie en de energiecrisis.

Les travailleurs indépendants sont par nature résilients et autonomes. Mais cette autonomie ne peut devenir un angle mort de notre protection sociale. C'est précisément – vous l'avez rappelé et je vous en remercie – la philosophie de mon plan PME qui vise à renforcer le filet de sécurité sociale de manière plus préventive, et non uniquement lorsque toutes les réserves ont été épuisées. Concrètement, cela se traduit notamment par la prolongation du congé de maternité à 15 semaines, l'introduction progressive d'un congé parental pour les travailleurs indépendants afin de réduire l'écart avec les salariés et les fonctionnaires en matière de droits familiaux, mais aussi la volonté de simplifier les procédures et de réduire le non-recours aux droits, notamment via l'automatisation de la transmission des certificats médicaux et de l'assimilation en cas d'incapacité de travail. Ces mesures sont en cours de préparation et seront soumises au gouvernement et au Parlement dès que les travaux préparatoires auront été finalisés.

Mevrouw Lanjri, voor de verlenging van het moederschapsverlof is er vanaf 2026 een budget voorzien. De ontwerpteksten moeten echter nog worden voorgelegd aan de verschillende adviesorganen.

Daarnaast zullen kwetsbare zelfstandigen tijdens de huidige legislatuur het voorwerp uitmaken van transversale initiatieven, met name in het kader van de welzijnsenveloppe die bestemd is voor de meest kwetsbare groepen en wordt ontwikkeld in samenwerking met mijn collega, de heer Vandenbroucke. In dat kader heb ik voorgesteld om de ziekte-uitkeringen voor zelfstandigen te verhogen, teneinde ze beter af te stemmen op de minima die gelden voor werknemers.

Enfin, mesdames, je partage l'analyse selon laquelle il est essentiel de permettre aux indépendants de demander de l'aide plus tôt, sans attendre que la situation devienne critique. Cela implique non seulement des instruments financiers adaptés, mais aussi un meilleur accompagnement, une information claire et une sensibilisation accrue, tant pour les indépendants eux-mêmes, en particulier les starters et les petites structures, que pour les acteurs avec lesquels ils sont en contact direct – caisses d'assurance sociale, curateurs, CPAS et créanciers.

Renforcer la solidarité au sein du statut social des indépendants, c'est donc mieux prévenir, mieux accompagner et mieux cibler, afin d'éviter que des difficultés temporaires ne se transforment en situation de pauvreté durable.

Ik dank u voor uw belangrijke vragen.

Anne Pirson:

Merci pour vos réponses, madame la ministre, et notamment pour les précisions apportées quant aux différents indicateurs de mesure de la pauvreté.

Pour Les Engagés, le ciblage a réellement fait ses preuves. L’enjeu n’est pas de dépenser plus demain, mais de mieux adapter nos mécanismes de protection sociale à la réalité spécifique des indépendants pour qu’ils soient en mesure d’entreprendre et ce, sans basculer dans la précarité au moindre choc.

Nous vous savons très sensible au sort des indépendants et nous serons attentifs aux suites concrètes que vous donnerez à ce chantier essentiel.

Anja Vanrobaeys:

Mevrouw de minister, mijn dank voor de interessante cijfers en uw nuancering. In een welvaartsstaat zoals België moeten we steeds alles in het werk stellen om armoede te bestrijden, ongeacht het zelfstandigen of mensen in een ander statuut betreft. Mensen moeten op een goede manier kunnen leven en bijdragen aan onze samenleving.

U hebt gezegd dat men solidariteit kan versterken door middel van meer preventie. We moeten echter ook eerlijk durven te zijn. De sociale bescherming voor zelfstandigen is reeds uitgebreid, maar mijns inziens staat daar te weinig solidariteit van de zelfstandigen zelf tegenover. Ook de OESO heeft dat opgemerkt en geeft aan dat onze financiering in de problemen zal komen. Dat blijkt ook uit de cijfers over de alternatieve financiering.

De sterkste schouders dragen vandaag nog steeds te weinig bij. Zelfstandigen halen de meeste voordelen uit fiscale optimalisaties en door geplafonneerde bijdragen. Die cijfers tonen aan dat door de uitbreiding van de sociale bescherming het armoederisico aanzienlijk daalt. Om armoede te bestrijden, is er in dat statuut meer solidariteit nodig, met bijdragen volgens de draagkracht. Ik zie dat niet als een aanval op ondernemerschap, maar als een keuze voor een eerlijk en toekomstgericht sociaal systeem voor zelfstandigen. Bovendien zijn zelfstandigen zelf vragende partij voor rechten, zoals de moederschapsbescherming, het ouderschapsverlof en de uitbreiding van het rouwverlof voor zelfstandigen. Ook zelfstandigen moeten in de huidige samenleving de tijd hebben werk en gezin te combineren.

Nahima Lanjri:

Mevrouw de minister, dank voor uw antwoord. U hebt aangehaald dat de zelfstandigen zelf zeggen dat we een goede sociale zekerheid en een goede sociale bescherming hebben. Dankzij die sociale bescherming wordt het armoederisico gelukkig getemperd en verminderd. Bij gepensioneerden gaat het zelfs om 36 % minder. Zonder die bescherming zou dus meer dan een derde van de mensen in armoede terechtkomen.

Er zijn in het verleden inderdaad al veel maatregelen genomen, maar het blijft belangrijk om te bekijken waar de hiaten zitten en waarop we verder bouwen. Ik denk dat we dat binnenkort, wanneer we uw kmo-plan in het Parlement bespreken, grondig kunnen doen. Het is goed om het te hebben over hoe we de sociale bescherming nog verder kunnen verbeteren, onder meer met voorstellen die vanuit de sector zelf komen, zoals die van UNIZO.

Uiteraard sluit ik mij aan bij de woorden van collega Anja Vanrobaeys dat sociale zekerheid ook solidariteit betekent, namelijk solidariteit tussen mensen die ziek zijn en mensen die kunnen werken, en tussen mensen met een hoger inkomen en mensen met een lager inkomen. Die solidariteit moet ingebakken zijn, zowel over de stelsels heen als bij de zelfstandigen zelf. Het is dus zeker goed om te bekijken hoe we meer rechten kunnen voorzien, maar dat moet gepaard gaan met voldoende bijdragen, zodat we die goede sociale zekerheid ook op lange termijn kunnen blijven betalen.

Al jarenlang ben ik pleitbezorger van een goede combinatie van werk en gezin, ook voor zelfstandigen. Collega Vanrobaeys heeft terecht aangestipt dat ook het rouwverlof via een wetsvoorstel werd ingevoerd, waardoor we ervoor gezorgd hebben dat het voor iedereen bestaat. Inzake moederschapsrust heb ik altijd gepleit dat die er voor iedereen moet zijn, ook voor zelfstandigen, maar daartegenover moeten ook bijdragen staan.

De regering heeft, onder meer na aandringen van cd&v, extra middelen voorzien voor iedereen. Belangrijk is dat er in 2026 al geld is voor één week extra geboorteverlof voor iedereen, ook voor zelfstandigen. Ik hoop dat u daar nu al de schouders onder zet. Vorige donderdag heb ik u gevraagd om alvast aan die extra week te werken. Het familiekrediet, waarvoor we een uitgebreid voorstel hebben uitgewerkt, met onder meer ouderschapsverlof en tijdskrediet, ook voor zelfstandigen en voor alle mensen, is complexer en zal meer tijd vergen. Dat kunnen we dan uitrollen vanaf de zomer. Nu moet er dringend worden ingezet op die extra week. In uw kmo-plan is ook een budget ingeschreven om een en ander voor zelfstandigen verder te harmoniseren, weliswaar pas vanaf 2027. Nu is er wel al geld voorzien voor die extra week voor ambtenaren, werknemers en zelfstandigen. Laten we daarvan een prioriteit maken. Ik zal mijn schouders daar onder zetten om dat mee te realiseren.

Anja Vanrobaeys:

(…)

Een nieuwe campagne over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen

Gesteld aan

David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)

op 27 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Jeroen Van Lysebettens bekritiseert dat de overheid ondanks slechte evaluaties (63% kent de term gewasbeschermingsmiddelen niet, 67% zag geen vorige campagne) en negatief advies van NGO’s (BBL, Velt) toch een gelijkaardige sensibiliseringscampagne lanceert, met twijfel over effectiviteit en budgetgebruik. Hij vraagt naar alternatieve maatregelen, vooral voor de landbouw (94% van het gebruik) en bekritiseert het ontbreken van "positieve" stappen na eerdere afwijzing van glyfosaatbeperkingen. Minister Clarinval verdedigt de term gewasbeschermingsmiddelen (wettelijk verplicht, neutraal vs. "pesticiden") en stelt dat de campagne – ondanks lage zichtbaarheid – herwerkt is met focus op herbiciden en alternatieven, zonder extra budget (kosten door distributeurs). Hij wijst op verbeterde tools (Fytoweb, doseringsassistent) en schuift professioneel gebruik (glyfosaat) door naar gewesten. Van Lysebettens repliceert dat Clarinval zelf termen door elkaar gebruikt en herhaalt zijn kritiek: campagnes met voorspelbaar beperkt effect moeten stoppen en beter afgestemd worden op terreinervaringen (NAPAN-adviesraad).

Jeroen Van Lysebettens:

Ik verwijs naar de schriftelijke voorbereiding van mijn vraag.

Geachte minister,

Volgens een recente IPSOS-enquête blijkt dat 63% van de Belgen het woord "gewasbeschermingsmiddelen​" niet kent. 67% van respondenten heeft bovendien nooit campagneposters die het gebruik hiervan moeten sensibiliseren opgemerkt.

Desondanks, en tegen de aanbevelingen van middenveldorganisaties zoals BBL en Velt in, heeft men dit jaar opnieuw een campagne uitgedokterd waar de term 'gewasbeschermingsmiddelen' de kern van de campagne vormt.

Ik heb hier de volgende vragen over:

Gezien de grote onwetendheid over het de term 'gewasbeschermingsmiddelen'; gezien de grote onzichtbaarheid van de vorige campagne; en gezien de negatieve adviezen van de NGO's in de NAPAN-adviesraad, in welke mate werd rekening gehouden met de evaluatie van vorige campagnes, feedback, en lessons-learnt?

Waarom werd er alsnog gekozen voor een nieuwe gelijkaardige campagne? Hoe schat u de effectiviteit ervan in, gezien ook de negatieve adviezen?

Hoeveel budget werd voorzien voor deze nieuwe campagne?

Welke andere maatregelen zal u nemen om het stijgend gebruik van schadelijke gewasbechermingsmiddelen meer te sensibiliseren?

Deze campagne focust op particulieren, terwijl 94% van het gebruik (in 2019) door de landbouwsector zelf was. In uw antwoord op mijn eerder vraag over glyfosaat stelde u dat u geen extra negatieve beperkende maatregelen zou nemen, ook in afwachting van een eventuele Europese herevaluatie. Hoe zit het echter met meer positieve maatregelen? Hoe zal u ook de professionele sector sensibiliseren, bijvoorbeeld de fruitteelt en akkerbouwbedrijven? Welke budgetten trekt u hiervoor uit?

David Clarinval:

De term gewasbeschermingsmiddelen is de term die wordt gehanteerd om verwarring met biocides te vermijden, terwijl de term pesticide een negatieve connotatie heeft. De wetgeving legt ons uitdrukkelijk op om te waken over een evenwichtige communicatie. Omdat dat evenwicht delicaat is, raadplegen wij alle betrokken partijen, ook milieu-ngo's, voor we beslissen om de ene of de andere terminologie te gebruiken.

In tegenstelling tot de vorige campagne hebben we gekozen voor de term gewasbeschermingsmiddelen, waarbij we expliciet preciseren dat het hoofdzakelijk om herbiciden gaat. Een enquête van 2024 afgenomen bij Belgische hobbytuinders, toonde bovendien aan dat slechts weinig mensen de affiches van de huidige campagne daadwerkelijk opmerkten. Zij bevestigde eveneens dat de in 2019 vastgestelde tekortkomingen blijven bestaan, met name een ontoereikende beheersing van de risico's, verbonden aan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen of een gebrekkige kennis over de alternatieven. Daarom bleef de boodschap behouden, maar werd zij aantrekkelijker gemaakt.

De enquête die voor 2029 is gepland, zal toelaten om de impact ervan te evalueren. Er werd geen specifiek budget voor de campagne gepland, afgezien van de tijd die door de overheid en de betrokken partijen aan de voorbereiding van de campagne is besteed. De kosten voor het drukken en ophangen van de posters worden ten laste van de distributeurs genomen.

De campagne wil het tuinieren zonder gewasbeschermingsmiddelen aanmoedigen en de aandacht vestigen op het potentieel gevaar, zowel voor het leefmilieu als voor de gebruikers van huisgemaakte pesticiden.

De communicatie wordt versterkt door de herziening van de informatiesite fytoweb, die een zoekfunctie bevat voor gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico en de middelen die zijn toegelaten voor de biologische landbouw. De nakende ontwikkeling van een virtuele assistent voor het berekenen van de toe te passen doseringen zou moeten toelaten om de problematiek, waarmee onze medeburgers nog te vaak worden geconfronteerd, aan te pakken.

Wat ten slotte de maatregelen betreft met betrekking tot het gebruik van glyfosaat door professionele gebruikers, nodig ik u uit uw vraag ter zake te richten aan de gewestelijke overheden.

Jeroen Van Lysebettens:

Dank u wel, mijnheer de minister, voor het antwoord. Ik maak één vaststelling. In uw antwoord gebruikt u zelf gewasbeschermingsmiddel en pesticiden door elkaar, terwijl u uw antwoord begon met te zeggen dat men toch de correcte termen moet gebruiken. Ik denk dat men toch zelf ook een beetje aandachtig moet zijn. U geeft aan dat er campagnes van start zijn gedaan en we weten dat die weinig effect hebben. Dat was natuurlijk net mijn kritiek. De vorige campagnes werden negatief geëvalueerd, de NAPAN-adviesraad heeft zeer negatief commentaar gegeven en toch zet men publieke middelen in om die campagnes te blijven voeren. Ik kan u alleen maar oproepen om in de toekomst nauwgezetter te luisteren naar de adviezen van de sector en de NAPAN-adviesraad, zodat we de kennis en de communicatie-ervaring van de organisaties en verenigingen die betrokken zijn op het terrein, kunnen valoriseren en niet nodeloos campagnes starten waarvan we op voorhand weten dat de impact zeer beperkt zal zijn. De voorzitster : De vragen nr. 56012162C, nr. 56012322C en nr. 56012625C van mezelf worden omgezet in een schriftelijke vraag.

De controles op de voedselveiligheid in het kader van het Mercosur-vrijhandelsakkoord
Het Mercosur-vrijhandelsakkoord en het FAVV
Het EU-Mercosur-akkoord
Voedselveiligheidscontroles en het EU-Mercosur-vrijhandelsakkoord

Gesteld aan

David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)

op 27 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Katleen Bury bekritiseert dat het Mercosur-akkoord – ondanks beloftes over strikte Europese normen – extra controlekosten voor landbouwers en invoerders met zich meebrengt, terwijl het FAVV-budget met 24% krimpt tegen 2029, wat de haalbaarheid van strengere importcontroles ondermijnt. Minister Clarinval bevestigt dat retributies (betaald door invoeroperators) en EU-audits in Mercosur-landen de kosten moeten dekken, maar ontwijkt concrete garanties dat Belgische landbouwers niet indirect opdraaien voor de controles; hij belooft wel meer focus op importcontroles ten koste van binnenlandse checks. Bury blijft ontevreden: ze betwijfelt of de financiering en capaciteit voldoende zijn en eist duidelijke waarborgen dat de sector niet extra belast wordt, maar krijgt geen helder antwoord op de kernvraag wie de rekening betaalt.

Katleen Bury:

Mijnheer de minister, in een overleg tussen uw kabinet, het FAVV en Agrofront werd opnieuw benadrukt dat het Mercosur-vrijhandelsakkoord absoluut geen afbreuk zal doen aan de voedselveiligheid. U verwees daarbij naar strikte Europese normen, intensieve controles en de bereidheid van het FAVV om zijn inspectiecapaciteit aan te passen bij toenemende invoer.

Dat klinkt allemaal geruststellend op papier, maar de landbouwers en de voedseloperatoren weten maar al te goed dat de controles van het FAVV niet gratis zijn. Integendeel, zij betalen deze controles grotendeels zelf via retributies en bijdragen, boven op een al zware administratieve en financiële last. Bovendien, zoals u zojuist stelde, worden die geruststellende verklaringen in een ander daglicht geplaatst omdat het FAVV tegen 2029 maar liefst 24 % van zijn budget zal inleveren.

Ik heb daarover een aantal vragen.

Wie zal concreet instaan voor de financiering van de bijkomende controles die nodig zijn bij een mogelijke toename van de invoer uit Mercosur-landen? Worden deze kosten gedragen door de Europese Unie, door de federale overheid of doorgerekend aan de invoerende operatoren?

Hoe rijmt u de belofte van strengere en intensievere importcontroles in het kader van Mercosur met een budgettaire afbouw van bijna een kwart bij het FAVV? Concreet, waar zal het agentschap de middelen en het personeel vandaan halen?

Kunt u bevestigen wie de bijkomende kosten van verhoogde importcontroles zal dragen?

Hoe garandeert u dat er op het vlak van controlekosten en handhaving geen structurele ongelijkheid ontstaat tussen onze binnenlandse producenten, die streng en betalend gecontroleerd worden, en de buitenlandse producenten die toegang krijgen tot onze markt? Kunt u bevestigen dat Belgische en Europese landbouwers niet indirect zullen opdraaien voor de controlekosten van ingevoerde producten die voortvloeien uit dit handelsakkoord?

Deelt u de bezorgdheid dat indien de schaarse middelen van het FAVV verschuiven naar importcontroles, dit onvermijdelijk zal gebeuren ten koste van andere controles?

Tot slot, mijnheer de minister, hoe garandeert u dat dit beleid niet leidt tot een dubbele ongelijkheid, waarbij onze landbouwers enerzijds streng en betalend gecontroleerd worden, terwijl anderzijds de controlecapaciteit structureel wordt uitgehold juist op het moment dat de invoer uit derde landen toeneemt?

Dank voor uw antwoorden.

Voorzitter:

U hebt uw twee vragen samen gesteld. Dat is goed.

De heer Prévot is vertrokken, dus we luisteren naar de minister voor het antwoord.

David Clarinval:

Mevrouw Bury, naar aanleiding van de vragen en legitieme bezorgdheden van de landbouworganisaties over het Mercosur-akkoord heb ik inderdaad, in samenwerking met het FAVV, alle partners van Agrofront uitgenodigd voor een vergadering op vrijdag 16 januari 2026.

Tijdens deze open en transparante gesprekken kwamen verschillende essentiële aspecten aan bod, waaronder de controles op de producten, de mechanismen die in derde landen stroomopwaarts zijn ingevoerd en de impact voor onze landbouwers. Net als voor alle andere federale overheidsdiensten zijn er zoals u weet vanaf 2026 budgettaire beperkingen voorzien bij het FAVV. Ik heb daar meerdere vragen over gekregen, waarop ik dadelijk zal antwoorden.

In deze context zal een toename van de import bijzondere waakzaamheid vergen van alle lidstaten.

Het FAVV hanteert, zoals altijd, een risicogebaseerde benadering in zijn controles, zoals de Europese regelgeving dat oplegt. Het vrije verkeer van goederen binnen de Unie impliceert een geharmoniseerde aanpak. Het FAVV blijft al zijn opdrachten volop uitvoeren om een hoog niveau van voedselveiligheid te garanderen op basis van risicoanalyse, zowel voor Belgische als voor geïmporteerde producten. Deze benadering maakt ook een gerichte optimalisering van de inzet van arbeidskrachten mogelijk.

De financiering van het FAVV steunt op verschillende pijlers, waarvan de belangrijkste de heffingen, de retributies en de dotaties van de federale Staat zijn. In tegenstelling tot de jaarlijkse forfaitaire heffingen die onze landbouwers betalen, worden retributies geïnd voor specifieke prestaties die het FAVV levert op aanvraag van een operator. Dat omvat met name controles op producten die via onze havens en luchthavens worden geïmporteerd. Zo dekken de retributies de kosten die inherent zijn aan de prestaties die het FAVV uitvoert voor opdrachten op aanvraag en waarborgen ze zo zijn essentiële opdracht van controle op de voedselketen.

Tot slot, zoals aan de vertegenwoordiger van de landbouwsector herinnerd werd, voert de Europese Commissie audits uit, of financiert die, in derde landen, waaronder uiteraard de Mercosur-landen die producten naar de EU exporteren of wensen te exporteren.

Europees Commissaris Várhelyi heeft bovendien zijn voornemen kenbaar gemaakt om in een versterking te voorzien van enerzijds het aantal audits in derde landen en van anderzijds het communautaire controlesysteem voor geïmporteerde producten op de plaatsen van import in de Unie.

België zal deze visie actief ondersteunen.

Ik wil hieraan toevoegen dat we gisteren tijdens Agrifish een vergadering hebben gehad met de heer Várhelyi, waarin hij zei dat Europa meer controle wil organiseren tegen andere landen van buiten Europa. Ik heb gezegd dat ik binnen mijn bevoegdheid ook meer controle wil tegen andere landen van buiten Europa en minder tegen de primaire sector.

Katleen Bury:

U geeft eigenlijk aan wat onze bezorgdheden zijn. U had het ook over de aankomende budgettaire beperkingen voor het FAVV en de extra waakzaamheid bij import die nodig is. Over hoe dat concreet allemaal zal worden waargemaakt, krijg ik echter niet echt een antwoord. Met betrekking tot de financiering spreekt u over de retributies. Er is al een groot deel dat van de deelstaten en van de federale staat komt. Slechts een klein deeltje komt van de landbouwers. Over de retributies zegt u dat de operatoren indirect de factuur krijgen, dat stelt u wel. Wie nu waarvoor zal moeten opdraaien bij al die controles, dat blijft echter zeer onduidelijk. Mijn hoofdvraag was hoe u kunt garanderen dat de Belgische landbouwers niet opnieuw gaan betalen voor controles die voortvloeien uit internationale handelsakkoorden. Daarop krijg ik gewoon geen antwoord. Dat is echter de hamvraag waarmee iedereen zit, in een sector die het nu al zeer zwaar heeft. Ik blijf daar dus op mijn honger.

De bescherming van het statuut van mantelzorger

Gesteld door

lijst: PS Caroline Désir

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 22 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Caroline Désir bekritiseert dat aidants proches sinds 22 dagen uitgesloten worden van werkloosheidsuitkeringen en noemt het dubbelspel van MR/Les Engagés schandalig, ondanks herhaalde waarschuwingen van organisaties zoals de Ligue des familles. Ze eist een directe, concrete oplossing (opschorting van de uitsluiting) en wijst op het ontbreken van vertrouwen in de regering, hoewel ze minister Vandenbroucke’s inzet erkent. Vandenbroucke bevestigt dat het dossier onder minister Clarinval (Emploi) valt, maar benadrukt samenwerkingsbereidheid en noemt mogelijke verbeteringen zoals flexibelere zorgverlofregels, psychologische ondersteuning en aandacht voor jonge mantelzorgers, zonder acute maatregelen te beloven. Désir herhaalt dat langetermijnplannen (beter statut, zorgplaatsen) onvoldoende zijn en dringt aan op onmiddellijke opschorting van de uitsluiting, met een ingediend voorstel als eerste stap.

Caroline Désir:

Monsieur le ministre, nous sommes le 22 janvier, et cela fait maintenant 22 jours que certains parents aidants proches sont exclus du chômage. Nous savons que leur nombre ne va faire qu'augmenter à partir du 1 er mars prochain. Imaginez-vous un instant l'angoisse et la détresse de ces familles qui vivent déjà de telles difficultés au quotidien?

Je vais vous le dire simplement, on en a marre ici du double discours du MR et des Engagés. Ils s’inquiètent beaucoup, il faudrait un meilleur statut pour ces personnes, ils ne savaient pas… Ils jouent maintenant la carte de l'empathie. Mais, dans les faits, que voit-on? L'annonce du dépôt d'une résolution d'un côté, un courrier aux ministres régionaux de l'autre, des pistes de réflexion, un ping-pong entre les ministres soi-disant compétents.

En réalité, ce qu'on voit, c'est beaucoup d'agitation et rien que de l'agitation. Et c'est honteux parce que, depuis des mois, les associations d'aidants proches alertent le ministre Clarinval. La Ligue des familles lui a écrit, a publié une étude. Nous-mêmes, nous l'avons interrogé en commission; vous étiez là, chers collègues, et vous n'avez rien fait.

L'Arizona n'a rien fait pour les aidants proches au chômage. Les exclusions ont maintenant commencé, et elles vont s'amplifier dans les mois prochains. Alors, oui, les aidants proches ont besoin d'une solution globale avec un vrai statut. Mais là, tout de suite, ils ont besoin d'une solution d'urgence, concrète, qui leur évite la catastrophe.

Monsieur le ministre, nous ne faisons plus confiance à grand monde dans ce gouvernement, mais vous êtes le ministre des Affaires sociales et on connaît votre force de travail et de persuasion. On vous reproche beaucoup de choses, mais vous ne connaissez pas le double discours.

Dites-nous ce qui est vraiment sur la table pour toutes ces personnes qui consacrent leur quotidien aux soins de leurs proches.

Frank Vandenbroucke:

Madame, comme vous l'avez dit, ceci relève de la compétence de mon collègue, le ministre de l'Emploi, mais, comme il n'est pas ici, je vais vous répondre.

J'ai aussi suivi les interpellations de la semaine passée concernant les conséquences de la réforme du chômage sur les aidants proches. Le ministre Clarinval a proposé plusieurs pistes de réflexion pour renforcer le soutien à ces personnes. J'attends ces initiatives et je suis bien évidemment prêt à collaborer avec lui, parce que les aidants proches jouent effectivement un rôle important dans le soutien à leurs proches et qu’ils méritent une reconnaissance constante.

Je crois qu'il est important que les aidants proches puissent mieux concilier soins et travail. Au niveau fédéral, le congé pour aidants proches est prévu à cet effet, mais une plus grande flexibilité pour les salariés comme pour les indépendants pourrait être envisagée.

Il est également essentiel de veiller au bien-être des aidants proches. Il existe aujourd'hui une offre importante de soins psychologiques de première ligne dont l'utilisation peut encore être étendue.

Enfin, je veux porter une attention particulière aux jeunes aidants, souvent sous-estimés, qui combinent études et soins à un proche. Nous devrons offrir à ces jeunes l'attention et l'accompagnement appropriés.

Voici quelques réflexions personnelles mais, comme je l'ai dit, j'attends les initiatives annoncées par M. Clarinval et je suis prêt à collaborer avec lui.

Caroline Désir:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse. Tous ces parents, qui ont témoigné ces derniers jours et dont vous avez lu les témoignages, se fichent pas mal des tergiversations de votre gouvernement. Ce qu'ils veulent, c'est une solution rapide et ils l'ont demandée très clairement. On peut effectivement convenir qu'à moyen terme, le chômage n'est pas la meilleure des solutions pour ces aidants proches. Il leur faudrait bien sûr un statut plus protecteur, plus adapté à leur situation, ainsi que des places en nombre suffisant dans les structures de soins et d'accueil. Mais cela, monsieur le ministre, c'est du moyen terme, et on compte d'ailleurs bien y travailler. D'ici là, l'urgence pour ces aidants proches, c'est qu'on suspende l'exclusion du chômage les concernant. C'est par là qu'il faut commencer et, pour ce faire, nous avons déposé un texte.

De veiligheid in onze stations
De politieaanwezigheid in het station Luik-Guillemins
Veiligheid en politieaanwezigheid in stations

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 22 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Maaike De Vreese bekritiseert dat Securail-agenten en spoorwegpolitie (met bezettingsgraden onder 50% in Vlaanderen) onvoldoende beschermd zijn tegen escalerend geweld—inclusief wapenaanvallen—en eist concrete uitvoering van regeerakkoordmaatregelen, zoals een duidelijke taakverdeling tussen veiligheidsdiensten. Sophie Thémont beschuldigt de regering van bewuste onderfinanciering (o.a. sluiting opvangstructuren, Plan Grand Froid) die sociale nood in stations (bv. Luik-Guillemins) verergert, en noemt de veiligheidsinvesteringen (camera’s, politie-inzet) onvoldoende en neerwaarts gericht op personeelsrechten. Namens minister Quintin belooft Eléonore Simonet versterkt veiligheidscontinuüm (realtime cameratoegang voor lokale politie, 20 extra agenten in Brussel-Zuid, bodycams, betere juridische samenwerking) en gerichte acties (bv. drugscriminaliteit via TECOV-platform), maar De Vreese en Thémont ontkennen de effectiviteit: de eerste wijst op structurele onderbezetting en gebrek aan mandaat voor Securail, de tweede noemt het beleid "volkomen losgekoppeld van de realiteit" en eist budtaire herstelmaatregelen.

Maaike De Vreese:

Mevrouw de minister, ik sta hier vandaag om de stem te vertolken van alle mensen die in onze treinen en stations instaan voor de veiligheid van de treinreizigers. De veiligheidsagenten van Securail trekken niet voor de eerste keer aan de alarmbel. Deze dienst werd opgericht aan het begin van deze eeuw, maar is in 2025 niet meer aangepast aan de dagelijkse realiteit. De veiligheidsagenten worden immers steeds vaker geconfronteerd met verbale en fysieke agressie. Ze worden zelfs aangevallen met wapens en messen.

Kort na mijn verkiezing als Kamerlid benaderde een veiligheidsagent mij en hij vertrouwde me toe dat hij zich helemaal niet meer veilig voelde. Hij doet zijn job met hart en ziel, maar hij vraagt zich af of hij zijn job nog verder wil doen en of het nog verantwoord is ten opzichte van zijn gezin, aangezien hij vreest dat het vroeg of laat uit de hand zal lopen.

Ook de spoorwegpolitie slaakt een noodkreet, want zij zijn volledig onderbemand, zeker in Vlaanderen. De bezettingsgraad in Brussel bedraagt 110 %, in Wallonië 70 % à 80 % en in Vlaanderen nog geen 50 %. Zowel Securail als de spoorwegpolitie slaken een noodkreet. Minister, het regeerakkoord bevat heel wat maatregelen met betrekking tot deze problematiek. U bent daarmee bezig, maar op basis van wat ik hoor, kan ik alleen maar vaststellen dat dit nog niet doorwerkt op het terrein.

Op welke manier zult u ervoor zorgen dat de maatregelen die deze federale regering voorziet ook voelbaar zijn op het terrein?

Sophie Thémont:

Madame la ministre, nos gares sont un miroir de la société et sont des lieux publics en première ligne face à la politique d’exclusion et antisociale de votre gouvernement. Les coupes dans les services publics tels que la SNCB font mal. Les voyageurs et le personnel des chemins de fer sont inquiets parce que, depuis plusieurs mois, le sentiment d’insécurité en gare de Liège-Guillemins est bien présent, notamment à cause d’une situation psychosociale complexe, avec des personnes en grande détresse sociale et psychologique. Cette situation demande une réponse globale sur le plan sécuritaire et policier, mais pas seulement. Il faut aussi venir en aide à ces personnes.

La situation à Liège n’est qu’un exemple parmi tant d’autres. La fermeture par votre gouvernement de structures d’accueil et la suppression des financements fédéraux au Plan grand froid aggravent encore le problème et laissent une nouvelle fois les bourgmestres, la police locale et le secteur associatif assumer les devoirs du fédéral.

Malgré des interventions ponctuelles, le constat est celui-là. Malgré vos promesses et vos investissements dans des caméras, le gouvernement n’investit pas assez dans la police des chemins de fer (SPC) et préfère s’attaquer au statut du personnel ferroviaire et à ses conditions de travail. La situation chez Securail est catastrophique.

Dans ce contexte lourd, madame la ministre, quelles sont vos réponses quant à la situation en gare de Liège, mais aussi plus globalement en province de Liège, où je suis bourgmestre, et sur l’ensemble du territoire?

Des mesures particulières ont-elles été envisagées ou mises en œuvre par la SPC en collaboration avec Securail afin de renforcer la présence policière ou d’améliorer la coordination avec les autorités locales et les autres acteurs concernés, en ce compris dans une prise en charge psychosociale des personnes? Quelles pistes complémentaires sont-elles envisagées pour assurer un cadre sécurisant et apaisé?

Eléonore Simonet:

Mevrouw De Vreese, madame Thémont, ik wil u eerst namens minister Quintin bedanken voor uw vragen. Hij heeft mij verzocht u zijn antwoord te bezorgen.

Veiligheid op en rond onze stations is een absolute prioriteit. Agressie en geweld tegen reizigers, treinpersoneel, Securail-agenten en andere veiligheidsmedewerkers zijn totaal onaanvaardbaar. Dat tolereren we niet en daar zullen we consequent en kordaat tegen optreden. Onze stations zijn cruciale toegangspoorten tot ons land. Met de regering stellen we één duidelijke prioriteit, iedereen moet zich veilig voelen op het perron, in de trein en in de volledige stationsomgeving. Securail staat in voor de veiligheid van reizigers, personeel en klanten via preventieve patrouilles en zowel statische als mobiele bewaking in stations, treinen en NMBS-gebouwen. Met meer dan 30.000 interventies per jaar is hun rol essentieel.

Daarom wil minister Quintin inzetten op een echt veiligheidscontinuüm tussen de spoorwegpolitie, Securail en de lokale politiediensten. In dat kader werden in 2025 de camerabeelden van de NMBS in realtime toegankelijker gemaakt voor de lokale politiezones. Teneinde de veiligheid van treinreizigers, veiligheidspersoneel en politie in en rond het station Brussel-Zuid te garanderen, worden bijkomend 20 agenten ingezet. In 2026 blijft minister Quintin werken aan een sterke coördinatie van het integrale veiligheidsbeleid voor vervoer- en spoorweginfrastructuur en dat in nauwe samenwerking met de minister van Mobiliteit. Wij werken aan juridische instrumenten om de operationele samenwerking tussen politie en Securail beter te structureren. Om Securail-agenten beter te beschermen tegen agressie en geweld versterken we de uitrusting van de veiligheidsdiensten. Wij willen het gebruik van bodycams veralgemenen voor veiligheidsmedewerkers en treinbegeleiders vooral op kwetsbare lijnen. Met die maatregelen versterken wij de aanwezigheid, verhogen wij de zichtbaarheid en kunnen wij sneller en gerichter ingrijpen.

Madame Thémont, la police des chemins de fer est régulièrement engagée en soutien de Securail, tandis que la police fédérale participe à des opérations coordonnées et visibles dans les zones sensibles, notamment autour de la gare de Liège ‑ Guillemins, afin de lutter contre la criminalit é et le sentiment d ’ ins é curit é . Ces actions compl è tent efficacement le travail de Securail, en particulier lorsque des comp é tences de police administrative ou judiciaire sont requises.

Par ailleurs, la police fédérale mène une lutte ciblée contre les réseaux de trafic de stupéfiants à Liège, y compris dans le périmètre de la gare, notamment via la plateforme TECOV qui facilite l’échange d’informations et la coordination d’actions conjointes sous la direction de la direction de coordination et d'appui (DCA) de Liège.

Enfin, depuis 2025, les opérations "Full Integrated Police Action" (FIPA) Grandes Villes, lancées par le ministre Quintin, renforcent cette approche en ciblant la criminalité violente liée aux stupéfiants ainsi que les phénomènes générateurs d’insécurité.

Naturellement, si vous avez des questions statistiques plus précises, le ministre vous renvoie vers des questions écrites, auxquelles il réservera bien sûr la meilleure attention.

Maaike De Vreese:

Eén ploeg is er in Brugge, die de veiligheid van de stations moet bewaken in heel West-Vlaanderen. Die ploeg wordt dan nog eens opgeroepen naar de andere kant van Vlaanderen, om daar incidenten op te lossen. En dan zijn er de mensen van Securail, veiligheidsagenten die hun werk doen, maar men kan niet verwachten dat veiligheidsagenten, die in de eerste lijn staan, zonder mandaat en zonder middelen, dezelfde job doen als de politie. Daarom is het zo belangrijk de spoorwegpolitie te versterken en ook zeer duidelijk in een taakverdeling te voorzien

De rondzendbrief moet gewijzigd worden, mevrouw de minister, om in een zeer duidelijke taakverdeling te voorzien tussen de lokale politie, de spoorwegpolitie en Securail. Ik meen echt dat we dat die mensen verschuldigd zijn, die dag in, dag uit hun leven op het spel zetten om onze veiligheid te bewaken.

Sophie Thémont:

Madame la ministre, je ne vais pas vous dire merci parce que je ne pense pas avoir reçu de réponses à mes différentes interrogations. Vous dites que, pour vous, la sécurité est une priorité absolue, que des moyens sont mis en place et qu'en plus, ils sont efficaces. Franchement, je crois que vous êtes complètement déconnectée de la réalité. Je vous invite d'ailleurs, avec le ministre Quintin, à venir voir la gare des Guillemins. Vous coupez systématiquement dans les différents budgets, dans les budgets sociaux, dans les services publics, notamment avec les fermetures de guichets. Vous avez un bilan catastrophique. Vous savez également que la police des chemins de fer manque de moyens. Ce sont encore une fois les autorités locales et les zones de police qui doivent pallier le manque d’accomplissement des missions du fédéral, sans en avoir les effectifs et encore moins les budgets. Cette situation devient insoutenable.

De betrekkingen met de VS, het standpunt van de premier en de bijeenkomst van de Europese Raad
De trans-Atlantische relaties en het Mercosur-handelsakkoord
Het Forum in Davos en het rapport van Oxfam over de concentratie van rijkdom in de wereld
Het Forum in Davos en de Groenlandkwestie
De industriecrisis en de Antwerpse haven
De trans-Atlantische relaties
Het Forum in Davos en de Groenlandkwestie
De trans-Atlantische relaties
De stand van zaken met betrekking tot de trans-Atlantische relaties
Groenland en de trans-Atlantische relaties
Het Forum in Davos en het standpunt van Trump over Groenland
De geopolitieke situatie rond Groenland
Internationale betrekkingen, handel en geopolitieke ontwikkelingen

Gesteld aan

Bart De Wever (Eerste minister), Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 22 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om Europa’s reactie op de agressieve Amerikaanse houding onder Trump, met name de dreiging rond Groenland, handelsoorlogen en de ondermijning van Europese soevereiniteit. Kritiek komt van links (PTB, Ecolo-Groen) en rechts (N-VA, MR): Dermagne (PS) noemt de regering hypocriet door harde woorden in Davos niet om te zetten in daden (bv. annuleren F-35-aankoop), Hedebouw (PTB) bekritiseert het "twee maten, twee gewichten"-beleid (Groenland vs. Congo/Palestina), terwijl De Smet (Les Engagés) en Bouchez (MR) juist strategische Europese autonomie eisen via defensie-investeringen en handelsakkoorden (bv. Mercosur). De premier (Bart De Wever) benadrukt dat Europa’s waardigheid "niet te koop" is, maar stelt concrete stappen (bv. Europese kapitaalmarkt, defensie-samenwerking) voorop, zonder de F-35-deal of NAVO-band te breken. Sceptici (bv. Mertens, Almaci) wijzen op gebrek aan mandaat voor deals zoals die met Rutte-Trump en eisen onmiddellijke symbolische actie (F-35-schrapping).

Pierre-Yves Dermagne:

Monsieur le premier ministre, monsieur le vice-premier ministre: "Reculez, nous irons jusqu'au bout!", "Nous frôlons le point de rupture!", "Un contre tous, tous contre un!". Monsieur le premier ministre, ces mots ne sont pas les miens, de même qu'ils n'ont pas été générés par l'intelligence artificielle. Ces mots, ce sont les vôtres. Ces dernières heures, ils témoignent d'un changement de ton manifeste à l'égard du président américain Donald Trump et de son administration. Vous semblez, monsieur le premier ministre, avoir soudainement trouvé les mots que nous attendions ici depuis des semaines. En tout cas, nous étions nombreux à attendre une expression telle que celle-là. Ce sont des mots forts, presque courageux s'ils avaient été prononcés plus tôt, comme si, enfin, la menace de Trump et de son administration vous sautaient aux yeux après des décennies d'atlantisme béat. Ces mots, nous ne les avions jamais entendus de la part de votre gouvernement au sein de ce Parlement. Pourtant, cela fait longtemps que les lignes rouges ont été franchies par Trump et son administration: Venezuela, Ukraine, Groenland, et j'en passe.

Cependant, monsieur le premier ministre, ces mots vont-ils résonner jusque dans ces murs ou bien vous êtes-vous laissé griser par l'air des Alpes suisses? Surtout, monsieur le premier ministre, vont-ils enfin se traduire en actes gouvernementaux? Vont-ils être partagés par l'ensemble de l'Arizona? Prenons votre parti: le ministre de la Défense, atlantiste béat et meilleur ambassadeur de l'industrie de la défense américaine, va-t-il enfin accepter de remettre en cause l'achat de nouveaux F-35? Quid de votre groupe au Parlement européen, qui a voté contre la suspension de l'accord commercial extorqué par les É tats-Unis à la faiblesse des dirigeants européens? En quelques mots, allez-vous passer de la parole aux actes? Quelle sera la position de votre gouvernement?

Alexia Bertrand:

Mijnheer de eerste minister, in Davos was er deze week veel volk, veel contacten, veel speeches, goede, minder goede en slechte. Denk aan die spreker die met drie uur vertraging is aangekomen, maar nog net op tijd om 72 minuten over zichzelf te spreken en Groenland met IJsland te verwarren. Er was ook een spreker die zeer sterk sprak over de nieuwe internationale orde en over interne hervormingen. Het had u kunnen zijn, mijnheer de premier, maar ik heb het nu over Mark Carney, de Canadese premier, die intussen thuis de meerwaardebelasting heeft afgeschaft en de taksen heeft verlaagd om investeringen aan te trekken.

Dan was er uw speech. Sterk, ik meen het. " We have to wake up ,” zei u terecht. " If you back down now, you lose your dignity ." Wie zich als een vod laat behandelen, zal ook als een vod behandeld worden. U hebt gelijk. “ We need new alliances ." Net daarom, mijnheer de premier, is Mercosur zo belangrijk. En ja, " maybe Europe at different speeds ". Ik wil er één zin aan toevoegen: " The proof of the pudding is in the eating ."

Mijnheer de premier, internationaal klinkt u sterk en duidelijk, maar thuis lijkt het soms moeilijker om iedereen mee te krijgen. Dat hebben we gisteren nog gezien. Drie van uw coalitiepartners hebben in het Europees Parlement Mercosur doorgestuurd naar het Europees Hof. Het resultaat is twee jaar vertraging. Ze hebben export, jobs en nieuwe partners geblokkeerd. Uw Duitse collega, bondskanselier Merz, heeft deze ochtend zeer klare taal gesproken. Het is genoeg geweest. Duitsland past Mercosur voorlopig toe.

Mijn vraag is heel eenvoudig, mijnheer de premier. Zal België doen zoals Duitsland? Zult u Mercosur voorlopig toepassen, ja of nee?

Sarah Schlitz:

Monsieur le premier ministre, j’espère que votre déplacement à Davos s’est bien passé et que vous avez pu profiter du voyage en avion pour examiner en profondeur le rapport d’Oxfam sur les inégalités. Les conclusions sont vertigineuses et, chaque année, elles dépassent l’entendement. Que découvre-t-on cette année? Une accumulation de richesses jamais vue auparavant. Entre 2020 et 2025, la richesse des milliardaires a doublé alors que la moitié de l’humanité vit aujourd’hui dans la pauvreté.

Le rapport contient également des éléments concernant la Belgique, qui devraient vous intéresser. On y découvre notamment l’apparition de six nouveaux milliardaires dans notre pays. Nous comptons aujourd’hui dix-sept milliardaires qui possèdent à eux seuls une richesse équivalente à celle de l’ensemble des Wallons réunis.

Ces grandes fortunes ne se contentent pas d’accumuler des produits de luxe ou de s’adonner à des loisirs dispendieux qui détruisent la planète. Aujourd’hui, elles ne se cachent même plus d’essayer de déstabiliser des régimes et des États qui ne les intéressent pas ou qui les dérangent.

S’agit-il de tous les milliardaires? Non, "not all milliardaires", il est vrai. Cette année, une surprise est venue de Davos. Je ne parle pas des lunettes du président Macron, mais bien de la tribune de 400 milliardaires et millionnaires qui appellent les chefs d’État réunis à Davos à faire davantage contribuer leurs semblables et à instaurer un système de taxation plus juste.

Monsieur le premier ministre, allez-vous, comme vous l’avez fait dans d’autres dossiers, tenir tête à ces milliardaires, prendre la tête d’un front pour aller jusqu’au bout, comme vous l’avez déclaré, afin que chacun contribue à l’effort que vous demandez à l’ensemble des Belges, ou allez-vous céder au lobby des multinationales américaines et les exonérer de l’impôt minimum?

Raoul Hedebouw:

Monsieur le premier ministre de Belgique, enfin, l'élite européenne, les partis traditionnels belges sont en train de lever le voile de naïveté profonde qu'il y avait par rapport à l'impérialisme américain depuis des années.

Depuis des années, le PTB dit que l'impérialisme américain est le principal danger au niveau de la planète sur le plan des guerres et de l’économie. De nombreuses polémiques sont intervenues: "Non, au PTB, vous êtes naïfs, vous êtes campés, etc." Regardez ce qui se passe! Regardez ce qui se passe devant nos yeux! L'impérialisme américain est effectivement un danger.

Et je vais vous dire pourquoi nous avons une bonne boussole pour analyser la géopolitique? Pour deux raisons.

D'une part, en tant que parti marxiste, nous analysons clairement les contradictions économiques. D'ailleurs, hier, vous avez cité Gramsci; vous avez même cité Lénine. C'est la bonne direction, monsieur le premier ministre! Ce sont les bonnes clés d'analyse. Nous analysons qu'aujourd'hui, une puissance impérialiste, menacée dans son déclin économique, va essayer de compenser son retard économique sur la Chine et d'autres pays par la puissance militaire. Voilà le danger de l'impérialisme américain aujourd'hui.

D'autre part, le PTB a raison parce qu'il met les lunettes des pays du Sud. Vous avez raison d'appeler aujourd'hui à la défense de la souveraineté nationale du Groenland. Vous avez raison! Mais, si nous appelons l'Europe à défendre la souveraineté nationale du Groenland, pourquoi ne le faisons-nous pas pour le peuple congolais? Pourquoi ne le faisons-nous pas pour le peuple cubain? Pourquoi ne le faisons-nous pas pour le peuple vénézuélien? Pourquoi ne le faisons-nous pas pour les peuples africains, d'Amérique latine et d'Asie? Pourquoi ne le faisons-nous pas pour le peuple iranien? Pourquoi, collègues, ne le faisons-nous pas pour le peuple palestinien? Pourquoi ce deux poids deux mesures? Telle est la question qui nous est posée!

Au PTB, nous écoutons évidemment tous ces pays du Sud qui vivent déjà sous la dictature et le joug de l'impérialisme américain depuis des dizaines d'années et qui en ont marre de cet ordre mondial. J'espère, collègues, que l'Europe va se réveiller! (…)

Voorzitter:

Dat brengt ons naadloos bij collega Mertens.

Peter Mertens:

Mijnheer de premier, ik heb maar één vraag: met welk mandaat heeft Mark Rutte onderhandeld over Groenland?

De NAVO is uiteraard geen vastgoedbedrijf dat hier en daar stukken land kan verkopen. Het komt uiteindelijk de mensen in Groenland zelf toe om te beslissen over de toekomst van Groenland. De NAVO heeft geen enkele bevoegdheid, hoe dan ook, om maar iets te onderhandelen over Groenland.

Ik lees dat er gezegd wordt dat Rutte en Trump niet hebben gesproken over kwesties inzake soevereiniteit. Nochtans, alles wat naar buiten komt, zegt het tegendeel.

Ten eerste, de VS zouden militaire basissen krijgen als autonoom grondgebied van de Verenigde Staten, naar het model van de Britse basissen op Cyprus. Vanaf die basissen vertrekken trouwens dagelijks vliegtuigen naar Gaza. Amerikaans grondgebied!

Ten tweede, de VS zouden ook inspraakrecht krijgen bij alle investeringen in Groenland, en zelfs een vetorecht om bepaalde investeringen tegen te gaan.

Ten derde, het zou ook om mineralen gaan. Trump zei zelf na de deal dat hij er niet veel over wilde zeggen, maar het ging in ieder geval over veiligheid en over mineralen, en hij noemde het "een fantastische deal voor ons". Trump geeft dus zelf toe dat het ook over de toegang tot mineralen gaat.

Kortom, militaire basissen, investeringsveto’s en toegang tot mineralen. Trump hoeft maar een klein beetje te blaffen, een beetje te dreigen met economische tarieven en sancties tegen de Europese Unie, en de Europese Unie gaat plat op de buik.

U hebt gisteren terecht gesproken over de waardigheid van de Europese Unie, maar waar in die deal, waarover Mark Rutte onderhandelde met Donald Trump, zit de waardigheid van de Europese Unie?

Daarom heb ik maar één vraag: met welk mandaat is Mark Rutte daar eigenlijk gaan onderhandelen met Trump? Was dat een mandaat van de Europese Unie? Zo ja, waar staat dat mandaat op papier? Waar zijn de grenzen van dat mandaat? (…)

Oskar Seuntjens:

Mijnheer de voorzitter, collega’s, moeten wij nu opgelucht zijn? Moeten wij opgelucht zijn, nu Trump verklaart dat hij geen geweld wil gebruiken tegen Groenland? Moeten wij opgelucht zijn, nu Trump verklaart dat hij geen extra tarieven meer wil toepassen? Moeten wij opgelucht zijn, nu Trump verklaart dat België geen doelwit is? Het antwoord is natuurlijk neen.

Er was ooit een minister van Buitenlandse Zaken die opmerkte dat diplomatie met Trump hetzelfde is als de film 50 First Dates . Dat is het verhaal van een man die verliefd wordt op een vrouw met kortetermijngeheugenverlies. Elke dag opnieuw moet hij zijn best doen om haar te overtuigen dat hij de juiste is. Met Trump is dat net hetzelfde. Wij weten nooit waar wij de volgende dag staan.

Dat zorgt ervoor dat de Verenigde Staten geen betrouwbare bondgenoot zijn en dat Trump een gevaar is voor onze economie en voor onze koopkracht. Dat gevaar is na gisteren niet verdwenen. De onzekerheid waarin hij ons meesleept, heeft immers gevolgen voor onze economie door minder investeringen, minder consumptie en hogere tarieven. Dat mogen en kunnen Europa en België niet aanvaarden. Onze welvaart mag niet afhangen van het humeur van Donald Trump.

Net daarom is het heel belangrijk dat Europa met één stem spreekt, dat wij samenwerken en dat wij werken aan onze veiligheid, onze economie en onze democratie. Daarom is die top vanavond zo belangrijk.

Mijnheer de premier, mijnheer de minister, er werd gisteren gesproken met Trump. Wat nog belangrijker is, is de hiernavolgende vraag. Wat zal er vanavond worden aangegeven op de Europese top?

François De Smet:

Monsieur le premier ministre, je vous dis très sincèrement bravo. Enfin, une prise de parole claire et forte de rupture avec Donald Trump et l’intimidation insupportable qu’il impose aux Européens! Franchement, il était temps. Entre votre ministre des Affaires étrangères et son chèvrechoutisme plus ou moins engagé, entre votre ministre de la Défense qui fait le groupie sur les réseaux sociaux avec des drapeaux américains, et votre président du MR, qui a des étoiles dans les yeux lorsqu’il lit le plan de sécurité nationale de M. Trump, qu’il aurait pu écrire lui-même, je vous le rappelle, il était grand temps que l’Arizona se dote d’un cap clair. Ce cap clair, c’est qu’en 1949, nous avons décidé de rejoindre une alliance de pays libres et non un pacte de Varsovie dominé par une superpuissance. Ce cap, je vous invite vraiment à le tenir.

Il ne faut pas être naïf une minute sur la soi-disant volte-face de M. Trump sur le Groenland, hier. C’est le problème quand on est dans une relation toxique avec un pervers narcissique: dès qu’il arrête de frapper, dès qu’il arrête de menacer, on croit qu’il faut être soulagé. Non, pas du tout. Le rapport de force ne fait que commencer. J’ai une question importante à ce sujet.

Vous êtes le chef d’un gouvernement, vous êtes le chef de la diplomatie d’un État membre de l’OTAN. Le secrétaire général de l’OTAN nous annonce un accord-cadre. Avez-vous été consulté? Avez-vous donné un mandat? Par hasard, savez-vous ce qu’il y a dans cet accord-cadre? Sinon, cela pose problème.

J’ai également une demande. Je crois que nous serons tous d’accord sur ce point. Le fond du problème est l’indépendance de l’Europe, son indépendance en matière de défense, d’industrie et d’énergie. Ma demande est toujours la même depuis un an, depuis l’arrivée de votre gouvernement. Renoncez au contrat visant à acheter 11 F-35 supplémentaires. Vous devez le faire, il n’y a pas d’autre solution. Même un vassal heureux ne peut pas payer un milliard d’euros pour entretenir sa cage. Vous devez renoncer à cette commande.

Els Van Hoof:

Mijnheer de premier, velen van ons hebben gisteren naar de toespraak van president Trump in Davos geluisterd. Wij hebben allen gevoeld hoe de vrieskou in Groenland of Davos in het niets verdwijnt bij Trumps kille dreigementen. De oude wereldorde is dood en begraven. Nostalgie is geen strategie meer, of we dat nu willen of niet. De Canadese premier verwoordde dat ook zeer duidelijk in zijn schitterende toespraak. Voor cd&v zijn er drie lessen te trekken.

Ten eerste zijn de VS geen betrouwbare bondgenoot meer. Europa mag zich niet langer overleveren aan de grillen van een pestkop of monster. Internationaal recht en soevereiniteit moeten primeren op het recht van de sterkste.

Ten tweede moet Europa zijn tanden laten zien. Door de Europese eensgezindheid van de lidstaten, maar ook door het feit dat heel wat tegenmaatregelen werden geopperd, hebben de VS eindelijk begrepen dat Europa belangrijk is voor hun economie.

Ten derde staat Europa misschien alleen, maar totaal niet geïsoleerd. We moeten werken aan onze Europese defensiesamenwerking. We moeten minder afhankelijk worden van onbetrouwbare partners. Tegelijkertijd moeten we ook allianties uitbouwen met andere democratieën, zoals Canada, Australië en Japan. Er zijn veel mogelijkheden en daar moeten we gebruik van maken om te evolueren naar een nieuwe wereldorde.

Ik heb vandaag nog een belangrijke vraag over de Europese top. Het blijft belangrijk dat we Europese tegenmaatregelen voorbereiden, want een voorbereide Europese Unie is er twee waard. Die maatregelen kunnen dan worden ingezet wanneer dat noodzakelijk is.

Georges-Louis Bouchez:

Monsieur le premier ministre, monsieur le ministre des Affaires étrangères, nous pouvons réellement constater que lorsque l’émotion gouverne, c’est la bêtise qui règne. Nous avons vu le débat public passer d’une naïveté en puissance à une agressivité sans puissance.

Aujourd’hui, l’heure n’est certainement pas à la lâcheté, mais elle n’est pas davantage à la bravade. Nous devons apporter une réponse intelligente face à la situation mondiale. Cette réponse intelligente passe uniquement par la souveraineté européenne.

Certains vous ont parlé de mettre les lunettes du Sud. Pour ma part, je vais simplement mettre les lunettes de l’Europe, de l’Occident, des démocraties libérales. Si aujourd’hui nous achetons des F ‑ 35, c ’ est parce qu ’ il n ’ existe aucun avion europ é en aussi performant. Nous devons le construire.

Si aujourd’hui nous achetons autant à la Chine, c’est parce que des logiques "bobo" nous ont conduits à détruire notre industrie. Si aujourd’hui nous devons commercer avec des pays arabes ou avec la Russie, c’est parce que nous avons fait croire aux gens que des moulins à vent allaient nous garantir notre sécurité énergétique.

Aujourd’hui, il ne sert à rien de parler de Trump car ce n’est pas lui qui a porté atteinte à la souveraineté européenne. Ce sont les choix d’une série de partis politiques de cette Assemblée, au cours des 30 dernières années, qui nous ont affaiblis.

Nous devons retrouver de la force. Nous devons retrouver de la puissance. Pour cela, nous devons également savoir où se situent nos intérêts. Et oui, monsieur Hedebouw, nos intérêts sont au sein de l’OTAN. En 2029, M. Trump ne sera plus là mais vos amis chinois et russes continueront à constituer des menaces durables pour l’Union européenne, pour les démocraties libérales et pour l’Occident. Nous devons donc nous mettre clairement en marche!

Benoît Lutgen:

Monsieur le premier ministre, j'entends que vous dites "Résiste et mords!" C'est ce que vous avez fait, et je vous en félicite, avec le ministre des Affaires étrangères à vos côtés.

Cela ne date pas d'hier, puisque depuis plusieurs mois, vous avez fait preuve de fermeté et vous avez mis en avant la puissance du droit international. La crédibilité, la force internationale de notre pays s'est renforcée, que ce soit lorsqu'il a fallu résister dans le dossier des avoirs russes gelés ou lors des prises de position concernant Gaza.

Cette fermeté, vous l'avez à nouveau exprimée dès l'annonce des premières menaces douanières et du chantage de Donald Trump concernant sa volonté d'annexer le Groenland.

Nous ne pouvons, mesdames, messieurs, accepter que la loi du plus fort l'emporte sur le droit des plus faibles. Les alliances ne peuvent se limiter à un tas de transactions. Nos libérateurs d'hier, alliés de l'Europe depuis des décennies, seraient-ils devenus nos adversaires? Pire, en voulant annexer un territoire européen – eh oui, on touche à la souveraineté européenne, monsieur Bouchez – veulent-ils devenir nos ennemis? Voilà la question que nous devons nous poser.

Le recul de Donald Trump face à la riposte de l'Europe ne peut que nous réjouir. Croire qu'il en restera là serait faire preuve de grande naïveté. Résister et mordre, comme vous l'avez dit, nous pouvons le faire, mais de façon structurée. Nous devons préparer, au travers d'actions fortes, comme cela a été dit par ma collègue, dans le cadre de transactions structurées entre les États-Unis et l'Europe, toute une série d'éléments pour pouvoir riposter le cas échéant.

Monsieur le premier ministre, est-il vrai que le Danemark a accepté de céder quelques petites parties du territoire de l'Alaska aux USA, comme l'a rapporté le New York Times ? Quel était le mandat donné à M. Rutte?

La Maison-Blanche, par ailleurs, annonçait que la Belgique avait rejoint le Conseil de la paix. Pouvez-vous nous confirmer que c'est simplement une fake news de plus? Je vous remercie.

Meyrem Almaci:

Mijnheer de eerste minister, de oude wereldorde is dood. Zelfs na de bocht van Trump gisteren in Davos is die oude wereldorde dood. Het is lelijk zaken doen met hem en zijn vazallen. Al lijkt de militaire dreiging voor Groenland vandaag verdwenen, wie weet wat zijn driftbui van morgen zal brengen.

De naïviteit van veel westerse leiders, inclusief in deze regering, is nu hopelijk echt weg. Hopelijk heeft Theo begrepen dat hij niet zo aan het handje van daddy moet lopen en hebben sommige regeringsleiders begrepen dat plezierreisjes naar Qatar misschien toch niet het beste idee zijn.

Onze bondgenoten bevinden zich elders. In Canada, dat een heldere tussenweg heeft getoond, en bij de Amerikaanse burgers die zich vandaag verzetten tegen ICE, tegen de dreigementen, tegen Powell en tegen de kortzichtige economische en buitenlandse politiek van Trump. Nog nooit vond een president in de VS zo weinig steun bij de eigen bevolking. De Californische gouverneur heeft nagels met koppen geslagen toen hij de westerse leiders pathetisch noemde.

Naar aanleiding van de handelsheffingen vroeg ik u op 3 april 2025 in het halfrond om de antidwangmaatregelen op de Europese tafel te leggen. U hebt dat weggewuifd.

De vraag is nu hoe ons land en hoe u zich vanavond zult opstellen, verder in de feiten. Zult u maximaal tegengewicht bieden, met zo weinig mogelijk nadelen voor onze bevolking en onze bedrijven?. Wanneer zult u de internationale orde ondubbelzinnig verdedigen, of het nu gaat om Netanyahu die in ons land landt, om het veroordelen van de inval in Venezuela of om de Vredesraad?

We hebben meer hefbomen dan we denken en er is er een die we op korte termijn kunnen inzetten, met name die extra F-35's. Annuleer die aankoop. Die aankoop is waanzin. De annulering daarvan is een quick win die Trump en de zijnen raakt waar het pijn doet. Dat is een taal die hij begrijpt. Na een jaar van vergoelijken en sussen (…)

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de premier, mijnheer de minister, deze week bracht een geopolitieke rollercoaster. Op maandag wilde hij een land binnenvallen. Op dinsdag wilde hij het kopen. Op woensdag wilde hij het terugpakken, omdat het ooit van hen was. Woensdagavond sprak u met de Amerikaanse president en hopla er is hoop, er is een oplossing in de maak. Chapeau, niemand doet het u na.

Alle gekheid op een stokje. De bezorgdheid van de Groenlanders en de Denen moet bijzonder groot geweest zijn. De bezorgdheid van ons allen was ook zeer groot. U hebt terecht een rode lijn getrokken, want een volk is niet te koop. De Denen zijn niet te koop, de Groenlanders niet en Europa al zeker niet.

Europa mag op het internationale toneel absoluut meer smoel krijgen. Daarover zijn we het helemaal eens. We moeten het internationale recht en de internationale verdragen respecteren en er vooral voor pleiten dat die gerespecteerd worden en blijven.

Maar, even belangrijk is de NAVO-alliantie, die ons al decennialang stabiliteit in de regio biedt. Ook daar moeten we een loyale partner zijn. Ook daar moeten we samen opkomen voor de rechten, de soevereiniteit en de territorialiteit van de volkeren en van onze Europese regio. Dat moeten we overal doen en met alle middelen die we hebben.

Mijnheer de premier, mijnheer de vicepremier, wat is onze rol? Hoe ziet u de optimale rol voor ons land in die allianties, binnen Europa en binnen de NAVO, om nu samen met de Denen en de Amerikanen het traject naar nieuwe stabiliteit uit te stippelen?

Bart De Wever:

Même en quinze minutes, on peut dire beaucoup, monsieur le président! Je dispose de la moitié du temps que Trump m'a accordé, chers collègues. Je pense que cela sera suffisant pour vous.

Merci pour vos questions. Je vais y répondre conjointement avec le ministre des Affaires étrangères, car certaines d'entre elles relèvent spécifiquement de ses compétences.

Ces derniers jours en Suisse, j'ai eu de nombreux contacts avec plusieurs dirigeants d'entreprise de premier plan, issus de grandes sociétés internationales, ainsi qu'avec des responsables politiques du monde entier. Cela ne vous surprendra pas: une certaine tension flottait dans l'air en Suisse. La menace renouvelée d'une guerre commerciale et la crainte d'une rupture au sein de l'Alliance atlantique suscitaient une grande inquiétude.

Het is volstrekt onaanvaardbaar dat het staatshoofd van een bondgenoot de soevereiniteit van een andere bondgenoot bedreigt. Denemarken en het Groenlandse volk hebben het onvervreemdbare recht op hun territoriale soevereiniteit. Zij en alleen zij hebben daarover finaal een mandaat te geven.

De boodschap die ik in Davos heb gegeven, was dan ook duidelijk. De Verenigde Staten zijn veruit de allersterksten in de NAVO, maar onze waardigheid is niet te koop. Wij zijn geen slaven.

De Arctische veiligheid belangt ons allemaal aan, maar de voorgestelde oplossing zal binnen de NAVO worden beoordeeld en binnen de NAVO worden uitgevoerd.

Heureusement, hier et aujourd'hui, il est apparu clairement que, pour l’instant, tant la menace militaire que les restrictions commerciales envisagées ont finalement été écartées. Cela constitue un point positif. Personne n’a à gagner d’une nouvelle guerre commerciale, ni l’Europe, ni les États-Unis. Les droits de douane conduisent toujours au même résultat: la destruction de la prospérité pour toutes les parties concernées. Nous avons donc pour l’instant échappé à une véritable catastrophe. Il est impératif de tirer des leçons de ce qu’il s’est produit.

Dans un monde idéal, les liens entre l’Europe et les États-Unis resteront étroits à l’avenir et nous continuerons, ensemble, dans un esprit de bonne entente, à bâtir la prospérité et la paix pour nos peuples liés par l’histoire. C’est en tout cas ce que je veux. Mais nous ne vivons pas dans le monde tel que nous le souhaitons, nous vivons dans le monde tel qu’il est réellement. La leçon est que nous, les Européens, devons être prêts à affronter des épisodes de tempête. Nous devons réapprendre à nous débrouiller seuls. Redresser la tête. Nous devons avoir une réponse prête lorsque nous sommes soumis à des pressions de la part de grandes puissances, d’où qu’elles viennent.

Canada’s eerste minister en intussen goede vriend Mark Carney gaf daarover inderdaad een zeer treffende toespraak. Het viel mij op dat hij daarin verwees naar de Melische dialoog van Thucydides, net zoals ik dat in New York deed: de sterken doen wat ze kunnen, de zwakken ondergaan wat ze moeten. Dat is niet de wereld die wij willen. De lidstaten van Europa zijn vandaag op zichzelf echter niet opgewassen tegen de druk van grootmachten die wel in die richting willen gaan. We staan echter niet alleen. Daarover wil ik het vanavond in de Europese Raad hebben. Niet over Trump, maar daarover. Over het feit dat we samen een te duchten handelsblok zijn en dat we die troef moeten durven uitspelen.

We hebben een eengemaakte markt, maar het is hoog tijd om die eengemaakte markt nu eindelijk af te werken. Het is tijd voor een eengemaakte kapitaalmarkt, zodat grotere volumes aan investeringen kunnen worden gegenereerd en bedrijven op ons continent kunnen blijven groeien, in plaats van noodgedwongen te verhuizen naar de andere kant van de Atlantische Oceaan. We weten dat de Europese Unie op dat vlak traag en complex is. Daarom moet functionele integratie mogelijk zijn. Landen met dezelfde strategische economische belangen moeten sneller en dieper kunnen integreren.

Het is hoog tijd dat we militair opnieuw ferm op eigen benen gaan staan, leunend op een efficiënte en Europese defensie-industrie. Dat zal echter niet van vandaag op morgen gebeuren. Daar moeten we realistisch in zijn. We moeten er wel zo snel mogelijk naartoe evolueren.

Het is tijd om werk te maken van een gediversifieerde waaier aan strategische partnerschappen, gebaseerd op wederzijds respect en gestuurd op maximale vrijhandel. Dat kan inderdaad met middle powers zoals Canada, het Verenigd Koninkrijk en Australië. Wat mij betreft zeer graag ook met Zuid-Amerika en met India, zoals commissievoorzitter von der Leyen dat in Davos aankondigde. Europa heeft het potentieel om een baken van stabiliteit, respect en welvaart te zijn. Onze honorering van gemaakte afspraken en onze voorspelbaarheid zouden van ons de meest aantrekkelijke partner ter wereld moeten maken. Onze buren willen graag lid worden van de Europese Unie. Dan moeten we echter wel dringend ons huiswerk maken, niet louter voor acute problemen op korte termijn, crisis na crisis na crisis. We moeten structureel werken. Innovatie, productiviteit en competitiviteit moeten centraal staan in alles wat we doen. Daarom maken we met onze regering in ons land alvast werk van lagere brutoloonkosten, een verlaging van de energiekosten voor de industrie, een stevig pakket aan maatregelen voor administratieve vereenvoudiging en structureel overleg met bedrijven en stakeholders onder de vlag van MAKE 2030. We proberen ook Europa in diezelfde richting te duwen.

In die geest ben ik volgende week maandag in Hamburg voor de North Sea Summit. Op 11 februari vindt daarom ook voor de derde keer de European Industry Summit plaats in de Antwerpse handelsbeurs. Op 12 februari komt op mijn vraag een informele Europese Raad in Alden Biesen bij elkaar met slechts één agendapunt: de Europese competitiviteit. Wij moeten dit momentum grijpen om welvaartcreatie opnieuw centraal te stellen en om weerbaar te worden. Dat is de hoofdboodschap die ik heb meegenomen uit al mijn contacten in Davos en dat is ook de boodschap die ik straks zal meegeven aan mijn Europese collega's.

De nood aan Europese daadkracht was de voorbije decennia nooit zo groot als vandaag. Het is nu aan ons om op het appel te zijn. Ik dank u.

Maxime Prévot:

Beste Kamerleden, de top van Davos bleek niet zonder verrassingen. De premier heeft het al gezegd, terwijl we oorspronkelijk dachten dat de oorlog in Oekraïne de gesprekken zou domineren, waren het uiteindelijk de verbale escalatie en de dreigementen van president Trump over Groenland die de aandacht trokken.

We waren aangekomen met een gevoel van urgentie. We vertrekken met de indruk dat er mogelijk een akkoord in de maak is en dat de druk, althans tijdelijk, afneemt, zowel op militair als op handelsvlak. Het is nog te vroeg om in detail te reageren op een akkoord waarvan de contouren nog niet bekend zijn. De Denen en de Groenlanders zullen het als eersten moeten bestuderen, gevolgd door alle NAVO-bondgenoten en de lidstaten van de EU.

Mais une chose est déjà certaine, cette séquence nous enseigne beaucoup.

Première leçon face à la brutalité – parfois – et à l’imprévisibilité – souvent – du président américain, notre ligne doit être immuable: garder la tête froide et resserrer les rangs. Sur la forme de nos messages, contrairement à ce que certains ont envie de croire ou de fantasmer, répondre sur le même ton ne mène nulle part. Monter dans l’invective, frôler l’insulte, c’est alimenter l’escalade. Les Européens doivent rester unis, cohérents et fermes. Être ferme ne signifie pas devoir crier fort. Nous devons opposer l’ordre au chaos de manière inlassable.

Deuxième leçon: garder son sang-froid ne signifie ni faiblesse ni concession. Sur le fond, les messages doivent être très clairs. Ils le sont, et ils ont été répétés à Davos et bien avant, y compris dans cette enceinte et dans la presse internationale, par mes soins. Le Groenland n’est ni à prendre, ni à vendre. C’est une ligne rouge et cela a été répété. Notre solidarité est totale à l’égard du Danemark, comme le sera aussi notre prise de responsabilité en matière d’accroissement de la sécurité de la région arctique. Le ministre de la défense s’y emploie.

De boodschap inzake Groenland moeten de Europeanen met één stem uitdragen: als u volhardt, zullen wij reageren; als u een handelsoorlog wilt, zullen wij u op gelijke voet behandelen.

Het bijeenroepen van een vergadering van de Europese Raad vanavond heeft reeds een duidelijk signaal gegeven van onze gedeelde bezorgdheden en van het urgentiegevoel dat ons drijft.

Die boodschap lijkt president Trump te hebben begrepen, aangezien hij gisteren aankondigde af te zien van zijn dreiging met tariefverhogingen voor bepaalde bondgenoten.

Ik herhaal nogmaals dat wij eensgezindheid en vastberadenheid moeten tonen.

Troisième leçon: ne nous laissons pas bercer par l'apparente accalmie. La pression retombe aujourd'hui, sans qu'il soit exclu que ce soit pour mieux revenir demain sur le Groenland, sur l'Ukraine ou sur un autre sujet. L'imprévisibilité va demeurer. Les tensions et menaces entre alliés ont atteint un tel sommet qu'il en restera des traces durables dans notre façon de penser et d'agir.

Plus fondamentalement, cette parenthèse de calme ne résout en rien nos propres vulnérabilités. Dans le fond, l'enjeu n'est pas de réagir à chaque soubresaut en provenance de Washington, de Moscou ou d'ailleurs, même si nous y sommes bien contraints, mais de regarder en face nos propres responsabilités et, comme l'a souligné le premier ministre, de préparer davantage notre palette d'outils de réaction pour ne pas entreprendre, quelque peu groggys, un processus quand nous nous situons au pic des tensions.

Je vous le disais ici la semaine dernière, chers collègues: l'Union européenne est forte quand elle est unie, et seulement quand elle est unie. Sans cette unité, elle ne pourra pas être un acteur géopolitique majeur. C'est aussi l'un des principaux défis pour l'Union européenne, un défi qui risque de devenir existentiel si nous ne prenons pas davantage la mesure de la nécessité de notre cohésion et que nous succombions aux tentations de relations plus bilatérales et hors du droit. La superpuissance américaine ne peut pas avoir comme pendant la superdépendance européenne.

Onze absolute prioriteit moet het versterken van de Unie zijn, niet de vluchtige verontwaardiging.

De premier en ikzelf zijn ervan overtuigd dat we moeten investeren in onze strategische autonomie, in de sleutelsectoren die onze veiligheid en onze welvaart bepalen. We moeten investeren in onze afschrikkingscapaciteiten. We moeten investeren in onze veerkracht. Alleen zo zullen we ophouden kwetsbaar te zijn voor de onvoorspelbaarheid van de wereld en voor de chantage, die sommigen niet schuwen.

De schijnbare ontspanning van de voorbije uren mag onze vastberadenheid op dat vlak geenszins ondermijnen. We kunnen het ons niet langer permitteren om die boodschap te negeren.

Quant à votre question connexe, madame Schlitz, sans en diminuer l'importance, le rapport d'Oxfam, publié voici quelques jours, rappelle l'importance de rester attentif aux difficultés vécues par une partie de la population.

Qu'un fossé se creuse dans la plupart des pays du monde entre les plus riches et les moins riches, c'est une réalité. Que des disparités subsistent aussi en Belgique, c'est aussi une réalité. Nous devons y accorder une réelle attention et ce gouvernement continue à œuvrer pour que ces inégalités ne se creusent pas davantage.

Quant à la question de la participation prétendue de la Belgique au Board of Peace, monsieur Lutgen, tel qu'erronément annoncé par la Maison-Blanche, nous confondant peut-être avec le Belarus, je confirme officiellement que les modalités de gouvernance et de statut ainsi que la tentation de substitution à l'ordre international multilatéral régi par les Nations Unies s'éloignent effectivement de nos standards et ne nous permettraient pas de souscrire à l'initiative en l'état actuel des choses, encore moins en ayant convié à ce Board of Peace des personnalités comme M. Poutine.

Pierre-Yves Dermagne:

Monsieur le premier ministre, ce que je craignais est malheureusement arrivé. Après vos propos virils, engagés, presque courageux, tenus il y a quelques heures à Davos, nous entendons ici les manifestations d’un double discours, d’une divergence de vues, de la part de ceux qui pensent que l’incident est clos et que, s’il ne l’est pas immédiatement après le départ de M. Trump de la présidence en 2029 – du moins s’il daigne quitter la Maison ‑ Blanche –, il y aura, selon eux, un retour au business as usual .

Je n’y crois pas. Nous sommes ici face à un changement majeur de doctrine internationale des États ‑ Unis, à un changement majeur dans la relation entre les É tats ‑ Unis et le reste du monde, et singuli è rement vis ‑ à ‑ vis des pays de l ’ Union europ é enne.

À ceux qui pensent que ce n’est qu’un mauvais moment à passer, à ceux qui pensent qu’il fera à nouveau beau demain, je dis que c’est de la candeur, une candeur qui confine à la connerie. Ce serait vraiment de la connerie de s’inscrire dans cette voie ‑ l à .

À ceux qui disent aussi que la faiblesse des Européens est due à la lubie de quelques "écolos bobos", à certains penseurs divers et variés, à des rêveurs, je rappelle qu'elle est avant due aux chantres de l'ultralibéralisme, à ceux qui affirmaient qu’il fallait aller produire à bas coût, dans des conditions inacceptables, pour vendre ici au même prix et engranger des marges importantes.

Il faut joindre les actes à la parole, et notamment soutenir l’industrie européenne, soutenir la réindustrialisation, et donc faire un (…)

Alexia Bertrand:

Mijnheer de premier, Davos is belangrijk en ik denk dat sommige partijen dat voor de eerste keer beseffen. Internationale woorden zijn ook belangrijk, maar wat uiteindelijk telt, is wat we híer doen. U hebt een unieke kans om uw woorden in daden om te zetten. U hebt gezegd: " We need new alliances. That is what Mercosur is all about ." Dat betekent nieuwe partnerschappen. Dat is heel belangrijk voor onze bedrijven. Dat is geen detail, het gaat over exports en jobs, maar uw coalitiepartners saboteren en blokkeren dat.

U hebt leiderschap nodig om hen te overtuigen en u krijgt daarvoor vanavond een unieke kans op de Europese Top. Volg Duitsland. Ik hoop dat u deze avond aan uw Europese partners zult aankondigen dat wij, net zoals Duitsland, Mercosur voorlopig zullen toepassen. Dat is de boodschap.

Inzake de eengemaakte kapitaalmarkt hebt u helemaal gelijk wanneer u zegt dat wij die echt nodig hebben, maar volg dan Mark Carney. Stop met de belastingen, stop met al die taksen. Mark Carney heeft de meerwaardebelasting net afgeschaft, maar wat doet deze regering? U verdubbelt de effectentaks voor de beleggers, u voert een bankentaks in, u verhoogt de roerende voorheffing met 20 % en u voert een meerwaardetaks in. Stop met al die taksen en stimuleer investeringen.

Sarah Schlitz:

Merci pour vos réponses.

Ce rapport n’est en effet pas anodin. Ce débat est tentaculaire, mais ce rapport, qui est publié chaque année à dessein juste avant le sommet de Davos, est essentiel en termes de lecture de l’état du monde et des rapports de force, mais également des dangers en termes de déstabilisation de nos démocraties et de l’État de droit. Aujourd'hui, on ne peut pas continuer à laisser ces grandes fortunes tenter de déstabiliser nos démocraties et ici en particulier les démocraties européennes. Ils ne se cachent même plus, ils le disent: ils vont continuer à essayer d’influencer les élections démocratiques en Europe, à travers le rachat de médias et de réseaux sociaux. Eh bien, oui, il est temps de les arrêter.

La semaine dernière, nous avons eu des auditions au sujet de votre taxation des plus-values. Les experts ont émis des critiques très fortes sur cette taxation, qui passerait à côté de ses objectifs. Prenez les choses en main, intégrez les recommandations des experts et faites en sorte que cette taxation touche réellement sa cible. Ne restons plus l’exception européenne qui refuse d’aller chercher cet argent là où il est. Faites en sorte de renforcer cette taxe en adoptant par exemple l’amendement que nous avons déposé, qui permettrait d’aller chercher 1,5 milliard chaque année pour le budget de l’État.

Raoul Hedebouw:

Messieurs les ministres, merci pour vos réponses.

Y a-t-il effectivement eu une étude approfondie de ce document de sécurité stratégique américain? Avez-vous lu ce document que M. Boucher aurait pu écrire lui-même?

Que dit-il? D’une part, il y est confirmé, noir sur blanc, le rétablissement de la doctrine Monroe, c’est-à-dire un projet néocolonial pour l’ensemble du continent latino-américain. D’autre part, il y est écrit, noir sur blanc, que l’objectif est la destruction de l’Union européenne.

Pourtant, ici, certains ministres continuent de dire que tout ira bien, que cela va passer, qu’il était simplement moins fâché aujourd’hui. Voyez-vous l’enjeu stratégique qui se joue actuellement? L’impérialisme américain l’affirme explicitement. Son objectif est la destruction de l’ordre existant, et nous continuons à regarder comme si de rien n’était.

Ce que Trump et l’impérialisme américain font aujourd’hui avec le Groenland, ils le font depuis des décennies avec les pays du Sud. Sept cents bases militaires à travers le monde, des interventions militaires répétées, le dollar comme monnaie dominante qui conditionne les économies mondiales, une banque centrale américaine dotée d’un pouvoir antidémocratique considérable. C’est cet ordre mondial qui est en train de s’effondrer sous nos yeux.

La question, monsieur le premier ministre, est donc de savoir quelle Union européenne nous voulons construire. Une autonomie européenne n’a de sens que si elle ne consiste pas à suivre aveuglément les États-Unis dans leurs interventions et dans cet ordre mondial néo-impérialiste. Cette voie n’est pas tenable.

Il faut au contraire tendre la main aux pays du Sud et construire une véritable Union européenne en symbiose avec les peuples du monde, mais pas (…).

Peter Mertens:

Oké, over Groenland zijn er twee lezingen. De ene lezing zegt dat we content zijn omdat de Verenigde Staten van geweld hebben afgezien. Dat zou komen omdat de Europese Unie wakker is geworden en heel sterk is. Dat is een lezing die ik absoluut niet begrijp en ook niet zie.

De andere lezing is dat het niet aan Ursula von der Leyen ligt dat er geen geweld is gebruikt. Het ligt ook niet aan koning Filip en dat gesprek van een kwartier dat er geen geweld zal worden gebruikt. Het ligt zelfs niet aan de Europese Raad. Het ligt aan de deal die Mark Rutte heeft gesloten met Trump.

Men zegt hier dat Groenland niet wordt uitverkocht. Die deal verkoopt Groenland echter onder onze ogen uit aan de Verenigde Staten. Het gaat over grondgebied dat aan Trump wordt gegeven. Het gaat over mineralen die aan Trump worden gegeven. Het gaat over controle die aan Trump wordt gegeven. Zelfs investeringsveto’s worden in die deal toegekend.

Mijn vraag was eenvoudig, maar u hebt er niet op geantwoord. Welk mandaat heeft Mark Rutte gekregen van de Europese Unie? Mark Rutte is nergens verkozen. Integendeel, hij is gebuisd in Nederland. Hij heeft Nederland achtergelaten in een chaos. Vervolgens heeft hij een job gekregen bij de NAVO. Nergens is hij verkozen. Welk mandaat heeft hij van de Europese Unie gekregen om stukken Groenland te verpatsen? Hij heeft geen mandaat gekregen. Voor onze ogen verkopen we stukken Europa uit. We spreken hier grote taal, maar terzelfder tijd zijn we Europa aan het uitverkopen aan de Verenigde Staten.

Oskar Seuntjens:

Premier, u zei dat onze waardigheid niet te koop is. Ik meen dat het goed is dat u dat zegt. In een wereld die op zijn kop lijkt te staan, snakken mensen naar een duidelijk signaal, naar een Europa dat een vuist maakt en niet achteruit deinst. Een vuist maakt tegen mensen die het niet echt menen met democratie, die het niet echt menen met mensenrechten.

Daar moeten we vooral niet hypocriet over zijn. Vandaag staan wij 1.000 % achter de Groenlanders. En tegelijkertijd verzetten we ons ook tegen andere autocraten. Tegen Poetin, die Oekraïne is binnengevallen, zoals u terecht zei, mijnheer de minister. Dat mogen we niet vergeten. Tegen Netanyahu die de Palestijnen onderdrukt. Tegen de Chinezen, die de Oeigoeren in opvoedingskampen steken.

Consequent moeten we, keer op keer, onze normen en waarden uitdragen. Consequent. Dat is onze sterkte. Dat is hoe we het verschil kunnen maken.

François De Smet:

Messieurs les ministres, merci pour vos réponses.

Premier, vous parlez encore d’un monde idéal, avec une pointe de regret que je comprends. Moi aussi, je suis une forme d’atlantiste frustré. Mais le premier Trump aussi, nous pensions que ce serait une parenthèse. Vous l’avez vous-même dit à Davos: le retournement des États-Unis ne date pas des présidences Trump. Il est structurel. Il est stratégique.

Dans ce monde rempli d’imprévisible – monsieur le ministre, j’ai beaucoup aimé que vous ameniez cette notion, parce qu’elle est très vraie – il y a une seule certitude: c’est que nous sommes dans un monde d’empires en résurgence, et que nous sommes trop faibles pour l’instant.

Nous, politiques, faisons en général de bons programmes. Nous nous disons que tout est prévisible et, en fait, nous passons une grande partie de notre temps à combattre la force de l’imprévisible.

La seule manière de combattre ici l’imprévisible, c’est de devenir plus forts – en effet, premier, vous avez raison –, de multiplier des partenariats avec d’autres pays: avec le Canada, avec l’Australie, avec l’Inde, etc.

Cela laisse aussi penser que, entre nous, le nationalisme comme force politique en Europe n’a pas beaucoup d’avenir, paraît daté. Il n’est pas exclu, premier, que d’ici 2029, vous soyez devenu complètement fédéraliste. C’est tout le mal que je vous souhaite.

Els Van Hoof:

Ik ben blij met uw sterke antwoorden want een voorbereide Europese Unie is er twee waard.

Het is een goede zaak dat werd afgezien van een handelsoorlog of militair geweld. Niettemin is waakzaamheid geboden want er zijn diepe wonden geslagen in de trans-Atlantische relaties. Dat moeten wij onder ogen durven zien. Ze helen niet in één nacht.

Ik ben blij dat zowel de premier als de minister zich hebben aangesloten bij de punten die voor cd&v belangrijk zijn. Europa moet zijn tanden laten zien voor het behoud van zijn waarden. Wij moeten steunen op betrouwbare bondgenoten, onze strategische autonomie uitwerken en allianties aangaan met nieuwe democratieën.

Als wij de voorbije week één zaak duidelijk hebben kunnen merken, dan is het wel dat, als wij een internationale wereldorde willen die niet gebaseerd is op dreigementen maar op internationaal recht, wij daar zelf aan moeten werken. Wij mogen ons niet uit elkaar laten spelen want dat is de strategie waarop Poetin speelt, waarop Xi speelt en waaraan Trump op zijn manier ook meewerkt. Wij moeten vooruitgaan met eensgezindheid, vastberadenheid en daadkracht.

Dat begint vanavond op de Europese top. Ik hoop dan ook dat op die top Europese tegenmaatregelen worden voorbereid die kunnen worden ingezet wanneer nodig.

Georges-Louis Bouchez:

Henry Kissinger, dans les années 1970, disait déjà: "Les États-Unis n’ont ni alliés, ni ennemis, juste des intérêts." Certains viennent de découvrir aujourd'hui comment fonctionnait la politique internationale. En fait, aujourd'hui, c'est un peu plus rapide. C'est certainement beaucoup plus brutal. Cela a certainement des conséquences beaucoup plus fortes, mais il n'y a rien de neuf. Il faut arrêter de regarder le monde tel qu'on voudrait qu'il soit. On doit le regarder tel qu'il est. D'ailleurs, le premier ministre parle d'élargir nos alliés. C'est la raison pour laquelle nous devons signer des accords de libre-échange. C'est la raison pour laquelle nous devrions d'ailleurs signer un accord de libre-échange avec l'Afrique, parce qu'il y a là un enjeu essentiel pour les générations futures.

Mais je voudrais aussi prendre l'opposition à témoin. Vous effectuez presque aujourd'hui des danses de la pluie en espérant l'autonomie et la force de l'Europe. Mais pourquoi ne soutenez-vous pas alors nos réinvestissements dans la défense? C'est un passage obligé pour l'autonomie européenne. Pourquoi nous avez-vous bloqués quand nous avons voulu prolonger le nucléaire sous le précédent gouvernement? C'était essentiel pour l'autonomie énergétique. Allez-vous nous suivre si nous voulons supprimer des réglementations afin de permettre à l'industrie de s'installer? Allez-vous nous suivre pour baisser les impôts pour relancer la compétitivité? Allez-vous nous suivre dans des choix politiques courageux qui permettront enfin d'atteindre ce que nous aurions dû atteindre depuis longtemps: la souveraineté européenne?

Benoît Lutgen:

Monsieur le premier ministre, monsieur le vice-premier ministre, je vous remercie.

Je suis heureux d'apprendre que la Maison-Blanche a confondu la Biélorussie avec la Belgique et je suis désolé d'avoir confondu l'Alaska et le Groenland dans mon intervention.

Je ne sais pas lequel de vous deux résiste et mord le plus. Toujours est-il que personne ne pourra contester ici que la voix de la Belgique est plus forte sur le plan européen et international qu'elle ne l'était voici un, deux ou trois ans, ou même plus loin dans le temps. Pour ma part, c'est une bonne surprise.

Au travers des deux interventions, oui, il est possible d'exprimer fermement et sans s'agiter les intérêts économiques de la Belgique et de l'Union européenne, en rappelant que le droit international constitue une boussole absolue – comme vous l'avez démontré dans de nombreux dossiers et à l'occasion de plusieurs enjeux.

De même, vous rappelez que notre autonomie stratégique est essentielle et qu'il convient d'y travailler à l'échelle européenne. Vous avez, du reste, engagé le gouvernement sur cette voie: autonomie de la défense, autonomie énergétique, autonomie au plan de la santé et de l'alimentation. À ce dernier titre, la production agricole européenne doit être soutenue pour que nous ne soyons pas dépendants demain. Nous sommes déjà suffisamment dépendants pour ne pas le devenir encore davantage.

C'est sur cette voie de la fermeté, en suivant la stratégie qu'applique votre gouvernement, que la Belgique, aujourd'hui plus forte, se renforcera encore et que l'Union européenne, dans son unité, fera résonner la voix de celles et ceux qui se tiennent du côté du droit international.

Meyrem Almaci:

Mijnheer de premier, u zegt dat onze waardigheid niet te koop is. Hoe geloofwaardig is dat als u 1,5 miljard euro uitgeeft aan elf extra F-35’s? Met mooie woorden en retoriek gaan we het niet halen. Alleen uw daden tellen. Annuleer die aankoop van die extra F-35’s. Put your money where your mouth is . Dat is ook wat Trump doet. Hij onderneemt actie. Er zit methode in zijn waanzin. Die waanzin is te lezen in zijn nationale veiligheidsstrategie, waarin hij zegt dat hij het verzet tegen Europa zal leiden. Die waanzin wordt gedreven door het eigenbelang van een klein clubje superrijken dat de democratie wil vervangen door dwang en daar nog lof voor eist ook. Hij is daar zelf een voorbeeld van, of het nu gaat om olie, mineralen, vaarroutes, schimmige crypto- of techplatformen, ook in Europa. In die waanzin moeten we met een koel hoofd alternatieven uitwerken en vastberaden neen durven zeggen. Het enige instrument dat u vandaag op korte termijn zo concreet kunt inzetten, gebruikt u niet. Als u ongebonden, autonoom en met rechte rug uw waardigheid wilt behouden, dan doet u ook po dat vlak wat mogelijk is. Het is ongelooflijk dat u zelfs op dat vlak vandaag niet thuis geeft.

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de eerste minister, mijnheer de minister, zelfs in dergelijke crisissen schuwt men de grote en ook heel vaak loze woorden niet. Ik heb de woorden respect, loyauteit en waardigheid vaak gehoord, maar dat zijn geen losse zinnetjes of vage begrippen. Het is een engagement, een attitude.

Een sterk Europa heeft inderdaad respect voor internationaal recht en soevereiniteit. Een sterk Europa heeft loyauteit voor nieuwe en oude allianties en voor elkaar. Een sterk Europa heeft een smoel en zal aan de onderhandelingstafel aanwezig zijn wanneer het gaat om vrede voor Oekraïne. Een sterk Europa geeft ons de identiteit die we nodig hebben om er te staan in de wereld, om aan handel te doen en om onze volgende generaties te beschermen.

Dat is wat sterk leiderschap met zich meebrengt en daar kan ik absoluut op u tweeën en op de arizonaregering rekenen, waarvoor dank.

Voorzitter:

Dank u, mevrouw Depoorter, en alle sprekers en de twee ministers. Mijnheer Hedebouw , de heer Bouchez heeft uw naam genoemd, maar niet op een wijze die aanleiding geeft tot een persoonlijk feit.

De ontsnapping van IS-strijders

Gesteld aan

Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 22 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Jeroen Bergers waarschuwt dat de ontsnapping van minstens 120 IS-terroristen uit Koerdische gevangenissen in Syrië – waaronder geradicaliseerde Belgen zoals Hamsa Nmili – een direct gevaar vormt voor België en eist dat de minister alles doet om hun terugkeer te blokkeren, inclusief intrekking van nationaliteit. Minister Prévot bevestigt dat België geen Syriëstrijders repatrieert (19 Belgen zitten nog in kampen), benadrukt dat de situatie "stabiel" is dankzij Koerdische/Syrische controle, en wijst op Amerikaanse plannen om 7.000 gevangenen naar Irak over te brengen. Bergers bekritiseert linkse partijen die repatriëring verdedigen met het argument van betere opvolging, wijzend op het falende toezicht op teruggekeerde Noura Firoud, en dringt aan op verscherpte wetgeving om nationaliteitsverlies definitief te maken. Prévot bevestigt nauwe monitoring maar vermijdt concrete toezeggingen over Bergers' wetsvoorstel voor "dichtmetselen" van repatriëring.

Jeroen Bergers:

Mijnheer de minister, het is onze plicht om de samenleving tegen nieuwe aanslagen van IS te beschermen. Daarom baart de situatie in Syrië mij heel veel zorgen, want de Koerden bewaakten daar gevangenissen waarin 33.000 mannen en vrouwen van IS voor ons werden bewaakt. De Koerden zijn echter aan het instorten door de aanvallen van het Syrische regime. In die chaos zijn al minstens 120 IS-terroristen ontsnapt.

Tussen de IS-terroristen die in de gevangenissen werden bewaakt, zitten er jammer genoeg ook heel veel die vanuit ons land zijn vertrokken, ook vanuit mijn stad Vilvoorde, onder andere Hamsa Nmili en Caner Cankurtaran. Dat zijn geen doetjes, mijnheer de minister. Dat zijn mensen die hier tientallen jongeren hebben geronseld en hun geesten met hun extremistische ideeën hebben vergiftigd, om daarna zelf voor IS te gaan vechten en zelf aanslagen te plegen. Die tikkende tijdbommen moeten niet terugkomen. Wie onze samenleving verwerpt, wie de wapens tegen onze samenleving opneemt, heeft in onze sociale welvaartsstaat geen plaats meer.

Mijnheer de minister, mijn vraag is heel simpel. Zult u er alles aan doen wat mogelijk is om te vermijden dat die terroristen kunnen terugkomen? Zult u er alles aan doen wat mogelijk is om ervoor te zorgen dat de situatie daar stabiliseert?

Maxime Prévot:

Mijnheer Bergers, de Belgische en Europese steun voor de transitie in Syrië gaat samen met een heel nauwe opvolging van de situatie, die echter zeer problematisch blijft. Dat blijkt vooral uit de hervattingen van de vijandelijkheden in het noordoosten.

Wij veroordelen alle geweld, in het bijzonder tegen de Koerdische minderheid. De transitie in Syrië moet vreedzaam en inclusief zijn en de rechten van alle Syriërs respecteren.

Als gevolg van de gevechten zijn sommige gevangenen ontsnapt. De informatie moet nog worden gecontroleerd, maar een groot deel van hen is al teruggevonden. Het kamp al-Hol en de gevangenis van al-Shaddadi staan al onder controle van Damascus. Het kamp al-Hol blijft in de handen van de Syrian Defence Forces. De situatie is voorlopig stabiel.

Hetzelfde geldt voor de gevangenis van al-Shaddadi. Er zitten nog 19 Belgen in de kampen, waaronder 9 mannen. Het regeerakkoord bepaalt dat in het belang van onze nationale veiligheid, terroristische strijders niet naar ons land kunnen terugkeren.

We volgen de situatie op de voet, in samenwerking met onze veiligheidsdiensten. De VS hebben gisteren aangekondigd dat ze tot 7.000 gevangenen naar veilige detentiecentra in Irak willen overbrengen. We staan in nauw contact met hen in het kader van de internationale coalitie tegen Daesh.

Jeroen Bergers:

Mijnheer de minister, ik dank u om te bevestigen dat we niet zullen meewerken aan de repatriëring van Syriëstrijders. Het is te hopen dat het in het noordoosten, waar de Koerden nog controle hebben, rustig blijft.

Ik wil graag reageren op veel linkse partijen die zeggen dat we hen net wel moeten terughalen omdat ze hier beter worden opgevolgd. Dat riedeltje spoort niet met de realiteit. Noura Firoud, een Vilvoordse Syriëstrijder, werd in het verleden teruggehaald. Zij heeft hier nog geen vijf maanden onder elektronisch toezicht gestaan en wordt hier niet opgevolgd.

Volgende week stemmen we hier over een wetsontwerp dat de deur sluit en het mogelijk maakt om de nationaliteit van terroristen af te nemen. Die deur moet echter niet alleen dicht, ze moet dichtgemetseld en gebarricadeerd worden. Daarom heb ik samen met collega Koen Metsu een wetsvoorstel geschreven, dat klaar ligt. Het zou fundamenteel onverantwoord zijn om dat in deze tijden niet goed te keuren.

Voorzitter:

Daarmee kan ik de vragenronde afsluiten.

Extreem gewelddadige en sadistische online chatgroepen die jongeren viseren
764 en andere sadistische chatgroepen
Sadistische online chatgroepen gericht op jongeren

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 21 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Verlinden bevestigt dat nihilistisch extremisme (waaronder sadistische chatgroepen zoals 764 en No Lives Matter) in België bekend is bij veiligheidsdiensten en als ideologisch extremisme met potentieel terroristisch karakter wordt opgevolgd, met drie lopende dossiers en actieve internationale samenwerking (OCAD, Europol). Ze benadrukt preventie via de Strategie T.E.R. en aankomende afstemming tussen diensten (DJSOC, FCCU), maar bevestigt geen Belgische zelfmoordgevallen gelinkt aan deze groepen. Oru en Van Hoecke (parlementsleden) bekritiseeren de onderrapportering en dringen aan op versterkte bewustmaking voor kwetsbare jongeren, ouders en scholen, plus betere regionale preventiecoördinatie, ondanks de "geruststellende" opvolging. Van Hoecke waarschuwt dat de verspreiding van deze groepen – die macht en vernedering als drijfveer hebben – onvermijdelijk lijkt, gegeven de buitenlandse voorbeelden (bv. vijf Nederlandse zelfmoordpogingen).

Funda Oru:

Mevrouw de minister, Child Focus signaleerde heel recent het bestaan van extreem gewelddadige online netwerken die jongeren manipuleren, intimideren en aanzetten tot zelfverwonding of erger. Wat dat bijzonder zorgwekkend maakt, is waar dat gebeurt: niet in de krochten van het darkweb, maar op plaatsen waar kinderen elke dag aanwezig zijn, zoals TikTok en online games zoals Roblox. Extra alarmerend is dat het vaak niet om geld draait, maar om macht, vernedering en het systematisch breken van kwetsbare jongeren.

Child Focus en Europol waarschuwen beide dat we waarschijnlijk maar een deel van het probleem zien. Veel gevallen blijven onder de radar en het fenomeen stopt duidelijk niet aan onze landsgrenzen.

Is uw departement op de hoogte van het bestaan en de activiteiten van die extreem gewelddadige online chatgroepen in België, en werden daarover al dossiers geopend door politiediensten of het parket? Wordt het fenomeen momenteel opgevolgd vanuit het oogpunt van radicalisering, extremisme of georganiseerde criminaliteit, zoals door Child Focus wordt gesuggereerd?

Welke concrete maatregelen worden genomen om jongeren beter te beschermen tegen dergelijke online netwerken, zowel preventief als repressief? Hoe verloopt de samenwerking tussen de federale diensten, Child Focus, het parket en internationale partners, zoals Europol, bij de opsporing en vervolging van de daders?

Bent u bereid om bijkomende initiatieven te nemen op het vlak van bewustmaking, vroegdetectie en meldingsbereidheid bij jongeren, ouders en scholen, gelet op de grote schaamte en onderrapportering die met dat fenomeen gepaard gaan?

Alexander Van Hoecke:

Mevrouw de minister, Child Focus trekt inderdaad aan de alarmbel over sadistische chatgroepen die online open en bloot circuleren. Het gaat om chatgroepen waarin jongeren onder druk worden gezet en elkaar aansporen om vaak heel extreme vormen van geweld te plegen en daar ook beelden van te verspreiden. Dat is waar dat netwerk in essentie op draait. In sommige gevallen gaat het om zelfverminking, dus niet om beelden van geweld tegen anderen, maar om geweld dat men zichzelf aandoet. Er zijn gevallen bekend van slachtoffers die zichzelf moeten verminken of seksueel geweld op zichzelf moeten plegen.

Die chatgroepen zijn gelinkt aan 764. Dat is een beruchte chatgroep waarin wordt opgeroepen tot extreme en steeds extremere vormen van geweld en tot de verspreiding van beelden daarvan. Dat fenomeen kan heel snel volledig ontsporen. Dat blijkt ook wanneer we de landsgrens oversteken, want in Nederland deden de afgelopen twee jaar vijf meisjes een zelfmoordpoging onder invloed van die chatgroepen. Dat zijn alleen de gevallen waarvan we officieel weten dat ze gelinkt zijn aan die chatgroepen.

Eerder sprak Europol in zijn jaarrapport al een waarschuwing uit. Het is niet de eerste keer dat dit fenomeen naar boven komt bij onlinegroepen die zichzelf vaak omschrijven als de No Lives Matter-beweging of de COM, een verwijzing naar de community.

In een vorig antwoord op vragen die ik u stelde in de commissie voor Justitie hebt u gezegd dat tijdens internationale vergaderingen collega’s uit het buitenland wezen op de problematiek van netwerken zoals 764 en vergelijkbare groeperingen. U hebt ook gesteld dat er, wat de opsporing en monitoring van dergelijke onlinegroepen betreft, al informatie werd uitgewisseld met internationale partners.

Mevrouw de minister, op welke manier heeft het fenomeen zich in de tussentijd verder ontwikkeld in ons land, en welke evoluties zien we daar?

Zijn er ook in ons land zelfmoordpogingen geweest die werden aangestuurd vanuit dergelijke chatgroepen, zoals in Nederland, en zo ja, om hoeveel gevallen ging het?

Hoe verloopt die informatie-uitwisseling met internationale partners waarnaar u verwees, en zijn er op dat vlak bepaalde knelpunten?

Tot slot, werden er al personen vervolgd naar aanleiding van activiteiten in die chatgroepen?

Annelies Verlinden:

Mevrouw Oru, mijnheer Van Hoecke, nihilistisch extremisme is een transnationaal fenomeen waarvan de exacte grootte moeilijk kan worden ingeschat. Het OCAD ziet het fenomeen als ideologisch geïnspireerd extremisme en stelt dat het in sommige gevallen ook potentieel terroristisch van aard kan zijn.

Binnen het Belgisch veiligheidslandschap is het fenomeen bekend en baart het de nodige zorgen. Het parket en zowel de inlichtingen- als veiligheidsdiensten zijn op de hoogte en volgen de situatie actief op. Er zijn minstens drie dossiers lopende.

Er wordt sterk ingezet op sensibilisering in het kader van de Strategie T.E.R. In dat kader, waarbij alle beleidsniveaus betrokken zijn, ligt een grote verantwoordelijkheid bij preventie. Dat gebeurt op regionaal vlak. Momenteel zijn al enkele entiteiten opgenomen in de GGB T.E.R. in verband met dat fenomeen. Binnenkort zal DJSOC ook intern samenzitten met de betrokken diensten inzake terrorisme, cyber, child abuse en de FCCU, IT en ERU, om na te denken over een gestructureerde aanpak.

De veiligheidsdiensten die betrokken zijn bij de opvolging van dat fenomeen wisselen op regelmatige basis informatie uit, ook op internationaal niveau. Entiteiten kunnen besproken worden op veiligheidsgerichte opvolgingsplatformen, zoals de JIC/JDC of op LTF-niveau, en binnen sociopreventieve platformen, zoals de LIVC-R. Dat laatste platform verdient bijzondere aandacht, aangezien het vaak, maar niet uitsluitend, gaat om relatief jonge daders, onder wie minderjarigen.

In België heeft men vooralsnog geen slachtoffers van aanzet tot zelfdoding kunnen linken aan het fenomeen van nihilistisch extremisme.

Funda Oru:

Mevrouw de minister, bedankt voor uw antwoord. Het is enigszins geruststellend dat de problematiek op de agenda staat en dat de veiligheidsdiensten het opvolgen, maar het is geen randfenomeen meer. Dat is zeer zorgwekkend.

Aangezien Child Focus en Europol aangeven dat er sprake is van onderrapportering, is het belangrijk dat we dat niet loslaten. Ik heb er echter alle vertrouwen in dat het verder wordt opgevolgd om onze kinderen te beschermen in de digitale wereld.

Alexander Van Hoecke:

Mevrouw de minister, dank u wel voor uw antwoord. De sadistische chatgroepen trekken vooral kwetsbare jongeren aan. Dat zullen we waarschijnlijk vaststellen in zowel het daderprofiel als bij de slachtoffers. Vooral kwetsbare jongeren trappen in die val. Het is zeer positief dat er nog geen linken zijn vastgesteld met zelfmoorden in ons land. We moeten daar wel waakzaam voor blijven. De kans dat het fenomeen zich niet verder verspreidt, is redelijk klein, zeker als we naar het buitenland kijken. U hebt ook preventie op regionaal vlak aangehaald. Preventie is inderdaad een regionale bevoegdheid, maar ik wil u vragen om daarover zeker ook met de ministers in de Vlaamse regering en de andere deelstaten te spreken en ervoor te zorgen dat maximaal op preventie wordt ingezet. Het is heel belangrijk dat kwetsbare jongeren weten in welke val ze kunnen lopen en wat de mogelijke gevolgen zijn van die verschrikkelijke sadistische chatgroepen die online overal circuleren.

De in Noord-Macedonië gedetineerde Belg
De overbrenging van Lars De Smet
De detentie van Lars De Smet in Noord-Macedonië
De zaak van Lars De Smet in Noord-Macedonië

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 21 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Parlementsleden Van Hoecke (Vlaams Belang) en Di Nunzio bekritiseren dat de Belgische gevangene Lars De Smet al vier jaar in "structureel onmenselijke" Noord-Macedonische gevangenissen zit, met ernstige medische en psychologische problemen, terwijl de familie klaagt over gebrek aan actie en pingpong tussen Justitie en Buitenlandse Zaken. Minister Verlinden (Justitie) bevestigt dat Noord-Macedonië in augustus 2023 een goedgekeurde overbrenging plots weigerde (zonder motivatie) en benadrukt dat beide ministeries het dossier opvolgen, maar geen concrete vooruitgang boeken—wat de parlementsleden "onacceptabel" noemen. Zij eisen dringende diplomatieke druk, betere communicatie met de familie en een hernieuwde overbrengingspoging, terwijl Verlinden belooft het dossier "van nabij" te blijven volgen.

Alexander Van Hoecke:

Mevrouw de minister, Lars De Smet is een jongeman uit Aalst die al vier jaar in de cel zit in Noord-Macedonië. De lokale rechtbanken hebben hem veroordeeld tot een celstraf van zes jaar. Hij zit sinds mei 2022 opgesloten. Hij werd opgesloten in twee Macedonische gevangenissen, volgens de informatie die ons bereikte. De Raad van Europa heeft die gevangenissen herhaaldelijk omschreven als structureel onmenselijk met ernstige tekortkomingen op het vlak van veiligheid, medische zorgverlening en basisrechten.

De Belgische Staat is sinds 2022 formeel op de hoogte van de ernstige medische en psychologische problemen waar Lars mee kampt. Roland, de vader van Lars, trekt al de hele tijd aan de alarmbel. Om het in zijn woorden te zeggen: Lars is uitgeput, ziek en volledig op zichzelf aangewezen.

Verschillende collega's die vandaag in deze commissie aanwezig zijn, hebben vorige week de minister van Buitenlandse Zaken over de kwestie ondervraagd. Ik had zelf voor de kerstvakantie een schriftelijke vraag ingediend, maar gezien de tijdsdruk en de ernst van het dossier leek het mij beter die vragen ook meteen mondeling aan u te richten vandaag.

De minister van Buitenlandse Zaken stelde vorige week dat de situatie vanuit de Belgische ambassade nauw wordt opgevolgd, maar verwees voor alle vragen wat de overlevering van Lars naar België betreft naar u, in uw hoedanigheid van minister van Justitie. Hij stelde ook dat de diensten van de minister van Buitenlandse Zaken in regelmatig contact staan met de diensten van Justitie over deze zaak en dat u bevoegd bent voor de uitvoering van het overbrengingsverdrag van de Raad van Europa. Vandaar heb ik voor u vandaag de volgende vragen, mevrouw de minister.

Ten eerste, hoe gebeurde de opvolging vanuit Justitie bij de Noord-Macedonische autoriteiten de afgelopen jaren? Kunt u daar wat meer context over geven?

Ten tweede, hoeveel bezoeken, gesprekken of interventies vonden er vanuit Justitie daadwerkelijk plaats?

Ten derde, welke opvolging werd gegeven aan de signalen van procedurefouten of mogelijke problemen met detentieomstandigheden?

Ten vierde, hebt u zelf al rechtstreeks face to face overleg gepleegd met de minister van Buitenlandse Zaken over deze kwestie? Hebt u dit dossier ook al formeel onder de aandacht gebracht bij uw Noord-Macedonische ambtgenoot of bij de ambassadeur in Brussel? Zo ja, wanneer en wat was de reactie? Zo niet, waarom niet en wanneer zal dat gebeuren?

Tot slot vallen België en Noord-Macedonië allebei onder het verdrag van de Raad van Europa inzake de overbrenging van gevonniste personen. Hoe staat het met de uitvoering van dat verdrag in deze casus? Welke stappen zijn er ondertussen gezet? Welke moeilijkheden hebt u daarbij zien opduiken? Hoe zal dit verder worden opgevolgd en wat zult u ondernemen om schot in de zaak te krijgen?

Sandro Di Nunzio:

Mevrouw de minister, de collega van het Vlaams Belang heeft de context al volledig geschetst. Ik zal dat niet opnieuw doen. Ook wij hebben alarmerende signalen ontvangen vanwege de familie van Lars De Smet over de situatie waarin hij zich bevindt, zowel op het vlak van voeding en ondervoeding als wat betreft de fysieke mishandelingen die hij in Noord-Macedonië ondergaat. Wanneer een landgenoot van ons in het buitenland opgesloten zit en er gevreesd moet worden voor zijn veiligheid en gezondheid, lijkt het mij gerechtvaardigd dat wij daar in het Parlement vragen over stellen.

In eerste instantie verwijs ik naar wat eerder aan de minister van Buitenlandse Zaken is voorgelegd. Minister Prévot heeft toen geantwoord dat vanuit zijn diensten alle mogelijke stappen genomen zouden zijn, onder meer wat consulaire bijstand betreft. Wij horen echter van de familie dat zij dat tegenspreekt en het gevoel heeft dat niet alles wordt gedaan wat nodig is om de levensomstandigheden van Lars te verbeteren. Dat wordt dus in twijfel getrokken.

In tweede instantie heeft de minister van Buitenlandse Zaken expliciet verwezen naar Justitie en naar uw diensten. De collega van het Vlaams Belang heeft het al gezegd, specifiek wat de overbrengingsprocedure betreft, die onder de bevoegdheid van Justitie valt. Ik kan meegeven, en ik heb dat ook in mijn vraagstelling omschreven, dat de familie zich van het kastje naar de muur gestuurd voelt, waarbij Justitie en Buitenlandse Zaken naar elkaar verwijzen. Volgens Justitie zou het gaan om een administratieve afhandeling die door Buitenlandse Zaken kan gebeuren, terwijl volgens Buitenlandse Zaken de angel van het probleem bij Justitie zit.

De vraag is nochtans duidelijk. Hopelijk kunnen beide instanties, samen met u en uw collega van Buitenlandse Zaken, aan hetzelfde zeel trekken, zodat de levensomstandigheden van Lars verbeteren en hij ook effectief, en niet slechts mogelijk, naar ons land wordt overgebracht.

Ik verwijs daarom naar wat ik schriftelijk heb ingediend en de deelvragen die daarin zijn opgenomen. Ik vraag u om toe te lichten waar de knoop precies zit op het vlak van Justitie en hoe de afstemming verloopt met uw collega van Buitenlandse Zaken. Ik dank u.

Voorzitter:

Mevrouw Lambrecht is niet aanwezig.

Annelies Verlinden:

Dank u wel, collega’s. Vooraleer ik inga op de diverse vragen, wil ik duidelijk aangeven dat ik mij het lot van elke onderdaan in een buitenlandse gevangenis zeker aantrek. Wij hebben vaak contact met de familie, zowel via de betrokken diensten als via het kabinet, over dossiers om na te gaan hoe we, waar nodig en mogelijk, een doorbraak kunnen realiseren.

Daarbij moet uiteraard rekening worden gehouden met de verdragsrechtelijke basis en moeten de procedures worden gerespecteerd, zodat de situatie en vooral de juridische positie van de betrokkenen niet verder worden bemoeilijkt. Dergelijke demarches hebben in het verleden al meermaals geleid tot betere detentieomstandigheden of een beter toekomstperspectief. Dat is ook precies de reden waarom we dat blijven doen.

Mijn kabinet en ook het kabinet van de minister van Buitenlandse Zaken blijven, zoals u net zei, regelmatig in contact over het dossier van de heer De Smet. Wij worden ook rechtstreeks gecontacteerd door de familie. Het dossier wordt uiteraard nauw opgevolgd, in contact met de autoriteiten van Noord-Macedonië. U weet dat ik niet in detail kan ingaan op individuele dossiers, maar ik schets u wel de algemene stand van zaken.

De vraag over consulaire bijstand ter plaatse behoort tot de bevoegdheid van de FOD Buitenlandse Zaken, waarvoor collega Prévot bevoegd is. Sinds oktober 2023, toen de situatie van de heer De Smet in Noord-Macedonië door zijn vader werd aangemeld bij de FOD Justitie, volgt Justitie dit dossier actief op. De Centrale Autoriteit van de FOD Justitie staat in rechtstreeks contact met de minister van Justitie van Noord-Macedonië en met de rechtbank van Skopje die de veroordeling heeft uitgesproken.

Noord-Macedonië is partij bij het Verdrag van de Raad van Europa van 21 maart 1983 inzake de overbrenging van gevonniste personen. Dat vormt de wettelijke verdragsbasis voor dit individuele overbrengingsdossier. Nadat Noord-Macedonië instemming had gegeven met de overbrenging heeft de Centrale Autoriteit Internationale Samenwerking in Strafzaken van de FOD Justitie aan de federale politie de opdracht gegeven om de overbrenging van Lars De Smet te organiseren. Die zou op 9 september van vorig jaar worden uitgevoerd. Op 7 augustus hebben de Noord-Macedonische autoriteiten echter laten weten niet langer in te stemmen met de overbrenging. Dat is een soevereine beslissing van de Noord-Macedonische autoriteiten, zoals die ons is meegedeeld.

Ik kan niet inschatten wanneer Noord-Macedonië zijn beslissing over de tussenstaatse overbrenging zal heroverwegen, maar de diensten en het kabinet blijven dit dossier van nabij opvolgen, in de hoop daar zo snel mogelijk duidelijkheid over te krijgen.

Alexander Van Hoecke:

Dank u voor uw antwoord, mevrouw de minister.

Ik onthoud dat u via de diensten van Justitie en het kabinet in contact staat met de familie van Lars. Wat mij vooral zorgen baart, is dat Noord-Macedonië op een bepaald moment heeft meegedeeld niet langer akkoord te gaan met de overbrenging, zonder dat daar een gemotiveerde reden voor werd gegeven, en dat er nadien geen enkele vooruitgang meer is geboekt. Dan lijkt het mij dat het initiatief aan onze kant moet liggen. Het moet vanuit België komen dat er druk wordt gezet en dat er een duidelijk signaal wordt gegeven aan de Noord-Macedonische autoriteiten: wij laten dit niet los, wij zijn Lars niet vergeten. Hij zit daar nog steeds in de cel. Wij willen minstens een duidelijke verklaring en zekerheid dat de detentieomstandigheden aanvaardbaar zijn. Zo niet, dan willen wij dat Lars wordt overgebracht.

Ik reken erop dat u samen met de minister van Buitenlandse Zaken hierop keihard blijft inzetten. Ik hoop oprecht dat u dat zult doen. Ik hoop eveneens dat u regelmatig contact blijft opnemen met de autoriteiten in Noord-Macedonië, telkens opnieuw de stand van zaken opvraagt en blijft aandringen op een akkoord over die overbrenging. Wij blijven dit alleszins opvolgen, want zolang Lars daar vastzit in mensonterende omstandigheden, kunnen wij dat absoluut niet aanvaarden. Wij zullen dit blijven opvolgen tot Lars terug in België is. Dank u wel.

Sandro Di Nunzio:

Dank u, mevrouw de minister, voor uw antwoorden, en in het bijzonder voor de opheldering rond de eerder geplande overbrenging die uiteindelijk niet is doorgegaan. Dat was inderdaad een van de vragen die wij hadden gesteld.

Wat ik vooral onthoud, zijn twee zaken. Wanneer ik de signalen van de familie hoor, met wie u en uw diensten in contact staan, is er toch minstens de perceptie, al dan niet terecht, dat niet altijd tijdige en voldoende duidelijke informatie wordt verstrekt. Ik wil daarom in mijn repliek een warme oproep doen om daar zeker de nodige aandacht aan te besteden.

Ik meen ook te weten dat u er altijd naar streeft prioriteit te geven aan mensen die in moeilijkheden verkeren, die slachtoffer zijn of zich slachtoffer voelen. Volgens mij is het hier echt noodzakelijk, gelet op wat de familie aangeeft, om daar volop in te investeren, uiteraard ook in overleg met de diensten van de minister van Buitenlandse Zaken, zodat voor iedereen duidelijk is waar men aan toe is.

Wat mij vooral zorgen baart in uw antwoord, en ik begrijp dat u niet in detail kunt treden, is dat ik geen enkel spoor zie van een doorbraak, noch wat betreft een verbetering van de levensomstandigheden, noch in het kader van de overbrenging. Dat is op zich zorgwekkend. Ik zeg uiteraard niet dat u daar persoonlijk iets aan kunt doen, maar de vraag stelt zich wel of de familie enige hoop kan koesteren op verbetering. Dat horen wij vandaag niet.

Ik vermoed dus dat dit iets is dat we goed moeten blijven opvolgen. Informeer de familie correct en tijdig, en dan zullen we zien wat het verdere verloop is. Ik hoop dat Lars op betere omstandigheden mag rekenen en, in een ideale wereld, dat u binnenkort met de boodschap kunt komen dat hij effectief naar België wordt overgebracht.

Wij zullen dit blijven opvolgen. Ik dank u.

Voorzitter:

Aan de orde zijn de samengevoegde interpellatie en vraag, nrs. 56000218I en 56012705C, van de heer Van Hoecke en mevrouw De Wit.

Alexander Van Hoecke:

Mijnheer de voorzitter, aangezien collega De Wit vandaag niet aanwezig kan zijn, wil ik dit punt graag laten uitstellen, uit collegialiteit.

Voorzitter:

We zullen dit punt uitstellen.

De gevangenis van Bergen

Gesteld door

lijst: PS Marie Meunier

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 21 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Marie Meunier bekritiseert de catastrofale omstandigheden in de gevangenis van Bergen (rats, brandveiligheidsrisico’s, 30 gedetineerden op matrassen) en wijst op herhaalde waarschuwingen zonder resultaat, terwijl de burgemeester dreigt met sluiting wegens veiligheidsrisico’s. Minister Annelies Verlinden bevestigt de ontvangst van de oproep (overleg op 6 februari) en erkent het structurele probleem van overbevolking in alle gevangenissen, maar biedt geen directe oplossing—alleen langetermijnplannen (bv. nieuwe capaciteitsvisie) en noodmaatregelen om de huidige situatie "draaglijk" te houden, zonder transfers die andere gevangenissen overbelasten. Meunier betwist de effectiviteit van Verlindens aanpak, noemt het dramatisch dat er na jaren nog steeds geen concrete uitweg is, en kondigt verdere politieke druk aan. Verlinden benadrukt wel steun voor het gevangenispersoneel maar blijft vaag over acute acties.

Marie Meunier:

Madame la ministre, la question n’est plus de savoir si la situation à la prison de Mons est problématique; elle est unanimement reconnue comme catastrophique. Nous vous avons interrogée à plusieurs reprises sous cette législature sur l’état de l’établissement et sur l’absence de travaux à la hauteur des enjeux. Force est de constater, à ce stade, qu’en dépit de ces alertes répétées, la situation ne cesse de s’aggraver.

Aujourd’hui, les faits sont accablants: présence massive de punaises de lit et de rats, dont la propagation devient presque impossible à endiguer; pannes d’électricité récurrentes; manque d’eau chaude; morceaux de plafonds qui s’effondrent; 30 détenus dormant au sol sur des paillasses et un rapport des pompiers qualifié d’alarmant, qui indique que l’établissement ne répond plus de manière satisfaisante aux normes incendie.

Face à cette situation, le bourgmestre de Mons a pris ses responsabilités. Après que certains de ses arrêtés ont été contestés pour des raisons de procédure, il a annoncé cette semaine vous avoir officiellement convoquée pour une audition, avec pour objectif de prendre un nouvel arrêté. Il n’exclut plus, si rien ne bouge, de devoir aller jusqu’à la fermeture de la prison pour des raisons de sécurité publique. Bien que le projet de nouvelle prison avance – comme nous avons eu l'occasion de le saluer ici ou auprès de votre collègue en charge de la Régie des Bâtiments –, cela ne se concrétisera pas avant six ou sept ans. Vu la situation, on ne peut plus attendre.

Madame la ministre, avez-vous bien reçu la convocation officielle du bourgmestre de Mons pour une audition et pouvez-vous préciser quand celle-ci aura lieu? Quelles mesures concrètes comptez-vous prendre à court terme pour éviter que le bourgmestre ne soit contraint de prendre un nouvel arrêté, voire un arrêté de fermeture de la prison? Si, malgré tout, une telle décision devait tomber, quelle serait la réaction du gouvernement fédéral? Où les détenus seraient-ils transférés?​

Annelies Verlinden:

Madame Meunier, il n'est pas nécessaire de me convaincre du fait que la surpopulation dans les prisons constitue un problème grave, tout comme les conditions difficiles dans lesquelles le personnel doit travailler et les détenus doivent séjourner. La même constatation s'impose quant à l'état dans lequel nous avons trouvé certains bâtiments au début de la législature. Je considère d'ailleurs avoir attiré l'attention sur cette réalité à plus d'une reprise au cours des derniers mois.

Le courrier du bourgmestre a été bien reçu et un représentant de l'administration sera présent lors d'une réunion de concertation le 6 février.

La surpopulation carcérale est un problème complexe qui ne peut être résolu au niveau d'une seule prison, car toutes les prisons du pays sont confrontées à cette problématique. Il n'existe pas de solution toute faite pour la prison de Mons, qui n'ait pas d'impact négatif sur les autres prisons surpeuplées et où les détenus dorment à même le sol.

J'ai déposé sur la table du gouvernement différentes propositions visant à poursuivre la prise en charge de cette problématique. À ce stade, un accord n'a pas encore été trouvé et je continue bien évidemment à m'y consacrer sans relâche.

Comme mentionné précédemment, le simple transfert de Mons vers d'autres prisons ne constitue pas une solution au problème global et entraînerait l'ensemble du système pénitentiaire dans une crise encore plus profonde. Nous devons être en mesure de réduire la surpopulation dans son ensemble et à court terme, au moins, de faire en sorte que les détenus ne dorment plus par terre.

Entre-temps, j'ai donné instruction à l'administration, en étroite collaboration avec la Régie des Bâtiments et ma collègue compétente, la ministre Vanessa Matz, avec laquelle la coopération est excellente, de prendre les mesures nécessaires afin de maintenir la capacité existante, y compris à Mons, dans le cadre des budgets qui ont été dégagés à cet effet. Par ailleurs, un travail est mené en urgence pour l'élaboration d'une vision renouvelée à long terme de la capacité pénitentiaire, dans laquelle la prison de Mons devra également être pleinement intégrée.

Je saisis une nouvelle fois l'occasion pour réaffirmer avec la plus grande fermeté mon soutien indéfectible et ma profonde reconnaissance à l'ensemble du personnel pénitentiaire et à tous les acteurs concernés, dont l'engagement quotidien, souvent dans des conditions extrêmement difficiles, mérite le plus grand respect.

Marie Meunier:

Merci, madame la ministre, pour votre réponse. Je prends note de la date du 6 février. En revanche, je reste inquiète quant à l'absence de solutions à court terme. Vous avez l'air effectivement pleinement engagée, de vouloir en discuter avec vos collègues, mais dans les faits il n'y a pas de solution face à cette situation alarmante. Si le bourgmestre ferme cette prison demain, il n'y aura de solution ni pour les détenus, ni pour le personnel pénitentiaire. Je trouve cela dramatique. Des signaux d'alerte ont été envoyés à de nombreuses reprises et je trouve cela dommageable que, le 21 janvier 2026, nous n'ayons toujours aucune solution face à cette problématique, qui concerne Mons, mais les autres prisons aussi, comme vous l'avez dit. Vous comprendrez que je suis assez peu convaincue de la réponse que vous m'avez donnée. Je reviendrai avec des questions complémentaires dans les mois qui viennent.

De aanpak van verkeerscriminaliteit

Gesteld door

lijst: N-VA Wouter Raskin

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 21 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Annelies Verlinden bevestigt dat recidive in het verkeer een structureel probleem is dat de verkeersveiligheid ondermijnt, en wijst op evidencebased maatregelen zoals de recidivemonitor (NICC) en gerichte handhaving, maar ontwijkt concrete vragen over de veelplegersdatabank (stand van zaken, samenwerkingsakkoorden, wettelijk kader) – een regeerakkoordbelofte waar Wouter Raskin haar kritisch op afrekent omdat ze "geen enkel antwoord" geeft, ondanks haar regie. Verlinden noemt inbeslagname van voertuigen een onderzoekswaardige piste, maar stelt dat strengere rechters (zoals in Aalst) niet wetenschappelijk bewezen effectief zijn. Raskin bekritiseert haar gebrek aan urgentie en kondigt herhaalde controle aan op de databankrealisatie.

Wouter Raskin:

Mevrouw de minister, zaterdag stond in De Morgen een bijzonder interessant interview met twee politierechters. Zij bevestigen wat we al langer weten: recidive in het verkeer is geen marginaal fenomeen. Ze schatten dat een derde tot de helft van de mensen die voor hen verschijnen, eerder al voor zware overtredingen zijn veroordeeld.

Daarnaast lijkt ook rijden tijdens een rijverbod bijna een evidentie te zijn geworden. Dat wisten we deels al op basis van cijfers uit de Mercuriusdatabank. De Oost-Vlaamse politierechtbanken schatten dat maar liefst 20 % van de rechtszaken mensen betreft die achter het stuur worden betrapt terwijl hun rijbewijs is ingetrokken. Dan gaat het alleen over de gevallen die toevallig tegen de lamp lopen, aangezien de pakkans erg laag is.

Ik heb daarover een aantal vragen. Deelt u de analyse van de politierechters dat recidive in het verkeer een ernstig probleem is? Welke maatregelen acht u het meest geschikt om dat aan te pakken?

De regering heeft zich in het regeerakkoord voorgenomen om recidivisten van zware feiten streng aan te pakken, onder meer door een centrale databank te ontwikkelen om veelplegers te identificeren en hen op basis daarvan eventueel automatisch te dagvaarden wanneer zij binnen een bepaalde termijn een aantal overtredingen hebben begaan. Kunt u toelichten wat de stand van zaken is van die veelplegersdatabank? Ik denk concreet aan de totstandkoming van een samenwerkingsakkoord met de gewesten en aan de oprichting van een entiteit die de betrokken actoren verenigt en instaat voor het beheer van die databank, en de voorbereiding van een wettelijk kader.

Een opmerkelijke vaststelling in Aalst zou zijn dat er een correlatie lijkt te bestaan tussen een strenge politierechter en een afname van het aantal dodelijke ongevallen. Hoe kijkt u daarnaar? Bestaat een dergelijke correlatie en is dat ooit onderzocht in ons land of elders?

Tot slot pleiten de politierechters in het interview voor een uitbreiding van de mogelijkheid voor rechters om over te gaan tot inbeslagname of verbeurdverklaring van een voertuig. Zij stellen dat zware overtreders vaak niet met hun eigen wagen rijden. Mijn vraag aan u is of dit een piste is die het onderzoeken waard is en welke bezwaren u eventueel ziet tegen dat voorstel.

Annelies Verlinden:

Collega Raskin, recidive in het verkeer vormt een ernstig maatschappelijk probleem dat ook blijvend onze aandacht vereist. Het gaat niet alleen om de overtredingen op zich, maar om een hardnekkig gedragspatroon dat de verkeersveiligheid structureel ondermijnt. Een effectief beleid steunt op een evidencebased benadering waarbij dataverzameling, monitoring en wetenschappelijk onderzoek centraal staan. Naast de veelplegersdatabank is ook de verdere uitrol van de recidivemonitor van het NICC een belangrijk instrument om recidive beter in kaart te brengen. Ook de handhaving gebeurt steeds datagerichter, met aandacht voor risicolocaties, risicoprofielen en -tijdstippen. Daarnaast richten we ons op een snellere en striktere handhaving met bijzondere focus op zware recidivisten, betere identificatie van de werkelijke bestuurder en een geïntegreerde veelplegersdatabank en impactanalyse binnen de strafrechtketen om zo overbelasting te vermijden. Ook binnen de rechtbanken wordt gewerkt aan sensibilisering en gedragsverandering bij recidivisten,

onder meer via gerichte themazittingen.

De beoordeling van verkeersinbreuken behoort tot de exclusieve bevoegdheid van de rechterlijke macht. Rechters oordelen onafhankelijk en op basis van de concrete omstandigheden in elk dossier. Dat kan ertoe leiden dat strafmaten tussen rechtsgebieden verschillen, maar dat is inherent aan het feit dat rechtspraak altijd een individuele beoordeling blijft. Het is belangrijk dat het algemeen kader helder, coherent en proportioneel is, zodat rechters binnen dat kader hun onafhankelijke appreciatie kunnen maken. Tot heden is geen onderzoek bekend dat de correlatie tussen een strengere rechter en de afwezigheid van dodelijke ongevallen bevestigt. De passage in het artikel waarnaar u verwijst, betreft een persoonlijke indruk en zijn ons inziens dus geen empirisch onderbouwde vaststellingen. Binnen een evidencebased beleid is het aangewezen dat dergelijke hypothesen worden getoetst via degelijk wetenschappelijk onderzoek, zodat eventuele beleidsconclusies op objectieve en betrouwbare gegevens kunnen worden gebaseerd.

De vraag naar een mogelijke uitbreiding van de mogelijkheden tot inbeslagname of verbeurdverklaring van voertuigen past binnen de bredere ambitie om onze aanpak verder te versterken en kan dus ook worden onderzocht.

Wouter Raskin:

Mevrouw de minister, dank om de vaststelling te delen dat recidive een groot probleem is. U noemt het een structurele ondermijning van de verkeersveiligheid. U hebt daar honderd procent gelijk in: het zijn net die profielen die het sterkst vertegenwoordigd zijn in de statistieken en die verantwoordelijk zijn voor heel wat ellende op de weg. Ik hoor u ook een aantal ideeën opsommen om daarop in te grijpen. Dat is op zich allemaal goed en wel. Mijn tweede vraag, die heel concreet ging over de veelplegersdatabank, een concrete ambitie die is neergeschreven in het regeerakkoord, beantwoordt u echter niet. Ik heb daarover drie concrete vragen gesteld, namelijk over de totstandkoming van een protocol, het samenwerkingsakkoord met de gewesten. Ik heb daar niets over gehoord. Ik heb u gevraagd naar de stand van zaken van de oprichting van een entiteit die de betrokken actoren moet verenigen en die ook die databank zal moeten beheren. Ik heb u ook gevraagd naar de voorbereiding van een wettelijk kader. Drie keer heb ik geen enkel antwoord gekregen. Dat kan ik veel minder appreciëren, mevrouw de minister, omdat de aanpak van recidive een belangrijke ambitie is die we samen in het regeerakkoord hebben neergeschreven. Dat de oprichting van een veelplegersdatabank vandaag technisch mogelijk is, maar geen wandeling door het park, staat vast. Dat vraagt inzet, expertise en ook tijd. Het is dus nodig om daar tijdig aan te werken. Ik merk dat daar nog niet aan gewerkt is, ofschoon, zo laat minister Crucke mij weten, de regie voor de veelplegersdatabank bij u zit. Bij wijze van afronding, mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, verwijs ik naar bladzijde 104 van het regeerakkoord, waar wordt gesproken over verkeerscriminelen, recidivisten, gedragsverandering bij die mensen en de oprichting van een veelplegersdatabank. Ik zal u daar vanaf heden zeer, zeer regelmatig over blijven ondervragen.

De IS-gevangenen in Oost-Syrië

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 21 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Paul Van Tigchelt vraagt zich bezorgd af hoe de VSSE, Veiligheid van de Staat en OCAD de groeiende dreiging inschatten van mogelijke ontsnappingen van Belgische IS-gevangenen in Noordoost-Syrië, nu de Koerdische SDF onder druk staat en de controle over detentiecentra dreigt over te gaan naar het Syrische regime—wat volgens hem een "chaotische overgang" riskeert die terroristen kansen biedt. Minister Annelies Verlinden bevestigt dat er geen Belgische FTF’ers ontsnapt zijn volgens huidige inlichtingen, maar erkent dat de situatie "snel verandert en onduidelijk" blijft; zij herhaalt het regeringsstandpunt om Syriëstrijders ter plaatse te houden en wijst op toezeggingen van het Syrische regime om IS te bestrijden. Van Tigchelt bekritiseert impliciet het regeringsbeleid als risicovol voor de Belgische veiligheid en dringt aan op alertheid en een snelle reactie van de Nationale Veiligheidsraad bij nieuwe dreigingsinformatie.

Paul Van Tigchelt:

Mevrouw de minister, we weten dat de Koerden, meer bepaald de Syrische Democratische Strijdkrachten, al jaren verantwoordelijk zijn voor de bewaking van duizenden IS-gevangenen, waaronder ook Belgen, in dat gebied. We zijn zelf niet ter plaatse, maar als we de nationale en internationale pers mogen geloven, staat die strijdkracht, die SDF, onder druk.

Gelet op het feit dat die Koerden verantwoordelijk zijn voor de gevangenen, groeit opnieuw, dat is niet de eerste keer de voorbije jaren, de onrust over het lot van duizenden IS-gevangenen in het gebied. Het is de nachtmerrie van vele veiligheidsdiensten dat IS-gevangenen met een zekere ideologie in de natuur zouden verdwijnen.

Mevrouw de minister, hoe beoordelen onze veiligheidsdiensten dat, meer bepaald de diensten die mede onder uw verantwoordelijkheid vallen, de VSSE, de Veiligheid van de Staat en het OCAD? Hebt u weet van Belgische FTF'ers die al aan de controle zouden zijn ontsnapt? Hoe evalueert u deze evolutie in het licht van het regeringsstandpunt van deze regering, namelijk om alle FTF'ers ginds te laten? Hoe beoordeelt u dat in het belang van onze veiligheid?

Annelies Verlinden:

In het kader van hun wettelijke bevoegdheden volgen inderdaad de VSSE en het OCAD de Belgische foreign terrorist fighters op, waaronder de Belgische FTF’ers die, op basis van de beschikbare informatie, vermeend in detentie verblijven in centrale kampen of gevangenissen in het noordoosten van Syrië. De situatie op het Syrische terrein verandert snel en is niet altijd duidelijk. De detentiecentra waar de Belgische FTF’ers verblijven, waren tot voor kort in elk geval nog onder controle van de Syrian Democratic Forces.

Indien het nieuwe Syrische regime de controle overneemt van deze detentiecentra, betekent dat niet automatisch dat de Europese FTF’ers zullen worden vrijgelaten. Het nieuwe Syrische regime engageert zich, net zoals de coalitie tegen IS, om de strijd aan te gaan tegen deze terroristische groepering. We zullen die toezegging uiteraard van nabij opvolgen.

Volgens de informatie waarover de VSSE op dit moment beschikt, zijn tot op heden geen Belgische FTF’ers ontsnapt uit de detentiecentra. De veiligheids- en inlichtingendiensten volgen dat verder op. Het blijft het standpunt van de regering dat we alles doen om te verhinderen dat Syriëstrijders zouden terugkeren naar ons land.

Paul Van Tigchelt:

Dank u wel, mevrouw de minister. De ongerustheid zit vooral in die chaotische periode wanneer de controle overgaat van de Koerden naar het Syrische regime. Dat brengt immers altijd chaos en onzekerheid met zich mee. Van die chaos zouden bepaalde gevangenen gebruik kunnen maken. Dat vraagt om alertheid en een zekere mate van ongerustheid. Ik hoop dat dit inderdaad goed wordt opgevolgd en dat, indien er een advies is van onze inlichtingen- en veiligheidsdiensten, de Nationale Veiligheidsraad zich daarover goed zal beraden. Het is uiteindelijk onze veiligheid die mogelijk op het spel staat.

De bescherming van de consumenten tegen stijgende prijzen en hogere belastingen

Gesteld aan

Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)

op 21 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Annik Van den Bosch bekritiseert de stijgende levensduurte (4% duurdere boodschappen, btw-verhoging op basisdiensten zoals afhaalmaaltijden) en vraagt waarom de regering consumenten extra belast in plaats van winsten van supermarkten aan te pakken. Minister Rob Beenders verdedigt de koopkrachtmaatregelen (zoals de sjoemelkorting op energie en indexering) en stelt dat deze de stijgende prijzen compenseren, maar Van den Bosch betwist dit: ze wijst op netto verlies door tegelijkertijd belastingen te verhogen en noemt het beleid onbetrouwbaar. Beide partijen beschuldigen elkaar van selectieve argumentatie.

Annik Van den Bosch:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, Testaankoop heeft vastgesteld dat de winkelkar in 2025 opnieuw duurder is geworden, met een stijging van bijna 4 euro per 100 euro. Voor veel gezinnen betekent dat een merkbare toename van de uitgaven. Huishoudens met een beperkt budget ervaren die prijsstijgingen wekelijks bij het afrekenen.

Ik concretiseer even. Een kilo biefstuk kost vandaag bijvoorbeeld 4,50 euro meer dan vorig jaar. Een pak gemalen koffie van 500 gram is met 1 euro in prijs gestegen. Een reep chocolade van 100 gram kost 0,30 euro meer. Het betreft producten die bij veel gezinnen regelmatig in de winkelkar liggen.

Daarnaast heeft de regering beslist om vanaf 1 maart 2026 het btw-tarief op afhaalmaaltijden, hotelovernachtingen, festivaltickets en sportevenementen te verhogen met 6 cent per euro. Concreet betekent dit dat een afhaalpizza van 15 euro ongeveer 1 euro duurder wordt en dat een festivalticket van 50 euro 3 euro duurder wordt. Ook een weekendverblijf in een hotel wordt duurder. Voor veel mensen gaat het daarbij om uitgaven voor ontspanning en gezinsactiviteiten. De maatregelen verhogen de kosten voor consumenten en hebben een grote impact op huishoudens die al moeite hebben om hun uitgaven te beheersen.

De prijsstijgingen komen boven op eerdere verhogingen. Over een periode van 2 jaar betalen gezinnen 29 euro extra per 100 euro aan boodschappen. De prijs van spaghetti is met meer dan 5 euro per kilo gestegen en die van diepvriesfrieten eveneens met 5 euro per kilo. Tegelijkertijd blijven de winstmarges van supermarkten en grote bedrijven grotendeels onveranderd. Dat roept vragen op bij consumenten die hun uitgaven nauwgezet moeten plannen.

Mijnheer de minister, u bent bevoegd voor consumentenbescherming, daarom wens ik u het volgende te vragen.

Hoe rijmt u die btw-verhoging met uw opdracht om consumenten te beschermen in een periode waarin de prijzen van basisproducten blijven stijgen?

Wat zult u concreet doen om ervoor te zorgen dat de winkelkar betaalbaar blijft voor iedereen en niet alleen voor wie het zich kan permitteren?

Waarom kiest deze regering ervoor om de belastingdruk te verhogen op consumptie- en basisdiensten in plaats van in te grijpen op de winsten en marges van grote spelers in de distributiesector?

Rob Beenders:

Ik begrijp uw vraag. Het is jammer dat u daarbij ook niet de maatregelen hebt vermeld die we eveneens hebben goedgekeurd en die net de koopkracht versterken, want dat zou uw vraag natuurlijk evenwichtiger maken.

Ik denk bijvoorbeeld aan de sjoemelkorting rond energie, die voor drie miljoen gezinnen 500 euro per jaar zal uitsparen, wat werd bevestigd door de CREG. Ik denk ook aan het informeren van mensen wanneer zij een contract hebben dat maandelijks stilzwijgend wordt verlengd en dat zij kunnen stopzetten, zodat zij niet nog een jaar langer blijven betalen. Er worden dus heel wat maatregelen getroffen die dicht bij de consument staan en die een directe impact kunnen hebben op de koopkracht.

Ik ben het ook eens met uw vraag om de winkelkar maximaal te beschermen. Ik heb daarin als bevoegd minister voor Consumentenbescherming inderdaad een verantwoordelijkheid. Ik ben het daarmee volledig eens. Ik zeg dus exact hetzelfde als wat u wilt bereiken.

Daarom is de index ook cruciaal. De index is het antwoord op de prijsstijgingen en op de duurder wordende winkelkar. Ik ben ervan overtuigd dat de burger ook heel goed begrijpt dat de index beschermd blijft en dat de maatregelen die we daarvoor hebben getroffen, net het beste antwoord zijn voor die winkelkar.

In combinatie met alle andere maatregelen die we hebben genomen, gaat het om veel meer dan een paar euro’s. Als ik bijvoorbeeld naar energie kijk, dan gaat het om honderden euro’s per jaar. Dat is wat effectief impact heeft.

Ik wil dat debat intellectueel eerlijk voeren. Als de prijs van de winkelkar stijgt, hebben we de index, maar daarnaast zijn er nog zoveel andere maatregelen die we kunnen nemen om de consumenten te beschermen en om ervoor te zorgen dat zij niet elke week of elke maand moeten betalen voor iets wat zij eigenlijk niet moeten betalen. Het is de combinatie van al die maatregelen die ervoor zorgt dat we de koopkracht van de consumenten blijven versterken. Dat is mijn strijd en die zal ik ook blijven voeren. Dat is misschien ook het verschil tussen in de regering zitten en er geen deel van uitmaken.

Het is heel gemakkelijk om een eenzijdige vraag te stellen, omdat de steak duurder wordt. Het is intellectueel veel eerlijker om ook de maatregelen te benoemen die de koopkracht wel versterken. Dat is ook mijn rol.

Annik Van den Bosch:

Zo’n antwoord had ik natuurlijk verwacht. U spreekt over de index, maar daaraan wordt nu wel gemorreld, dus hoever zal dat nog gaan? Heel veel vertrouwen hebben we daar niet meer in. Over de andere maatregelen die worden genomen om de koopkracht van de mensen te beschermen, zegt u dat die honderden euro’s zullen opleveren. Daartussen zullen ongetwijfeld goede maatregelen zitten, maar er worden ook taksen verhoogd die de andere maatregelen tenietdoen. Wat schiet er nog over als men de mensen langs de ene kant 100 euro geeft, maar hun langs de andere kant 150 euro afneemt? Ik vraag me af waar die bescherming dan zit. Ook daarin hebben we niet veel vertrouwen.

De consumentenbescherming in de fitnesssector

Gesteld aan

Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)

op 21 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Jeroen Soete (parlementslid) wijst op groeiende klachten over fitnessabonnementen die niet kunnen worden stopgezet of gepauzeerd bij medische overmacht (bv. blessures), ondanks een bestaande maar niet-verplichte gedragscode in de sector, en pleit voor wettelijke verankering van dit recht én pro rata-terugbetaling. Minister Rob Beenders bevestigt dat juridisch geen sprake is van overmacht (betalingsplicht blijft bestaan), maar erkent dat medische stopzetting redelijk zou moeten zijn en belooft overleg met de sector; hij wijst wel op bestaande consumentenbescherming (bv. verbod op onevenwichtige bedingen en transparantieregels bij stilzwijgende verlenging). Soete onderschrijft de noodzaak van sectoroverleg, maar stelt dat wettelijke maatregelen onvermijdelijk zijn als vrijwillige afspraken falen. Beenders deelt dit voorbehoudelijk standpunt, maar wil eerst de praktijk evalueren.

Jeroen Soete:

Mijnheer de minister, fitness is een booming business. Op basis van de beschikbare cijfers van de afgelopen jaren is de fitnesssector een van de snelst groeiende sportsectoren in België. Ondertussen zijn er meer dan 1.300 fitnessclubs in ons land en sluiten jaarlijks duizenden Belgen een langdurig abonnement af bij een fitnessclub. Dat juichen we uiteraard toe, ook in het kader van de algemene volksgezondheid.

Tegelijk stellen we echter op het vlak van consumentenrechten vast dat een aantal zaken voor verbetering vatbaar is. Zo zien we bijvoorbeeld dat sommige clubs een blessure weigeren als geldige reden voor een stopzetting of een pauzering van het abonnement. De consument blijft daardoor betalen voor zijn fitnessabonnement, terwijl hij niet kan gaan sporten. Wanneer die blessure langer aansleept dan de periode vermeld op het doktersattest, wordt bovendien onnodig veel druk gelegd op de huisartsen, omdat systematisch een nieuw doktersbriefje moet worden voorgelegd.

Mijnheer de minister, bent u bereid om het recht op een definitieve stopzetting of pauzering van een fitnessovereenkomst om medische redenen wettelijk te verankeren? Ik weet dat dit momenteel is opgenomen in de gedragscode van de fitnesssector, maar we zien dat heel wat fitnessclubs niet zijn aangesloten bij die gedragscode.

Hoe staat u tegenover een verplichting tot een pro rata terugbetaling van reeds betaalde bedragen wanneer een consument zijn contract door medische overmacht moet beëindigen?

Rob Beenders:

Mijnheer Soete, in de maand januari is dat een thema dat elk jaar opnieuw opduikt. Fitnesscentra spelen in op goede voornemens en meer sporten. Veel mensen beginnen vol moed aan een fitnesskuur, die meestal twaalf maanden duurt, omdat een fitnessabonnement doorgaans voor een jaar moet worden afgesloten. Dan ontstaan er vaak problemen wanneer zich medische problemen voordoen waardoor sporten, al dan niet tijdelijk of definitief, niet meer mogelijk is. Vervolgens ontstaat discussie over de vraag of de overeenkomst kan worden opgeschort of beëindigd.

Gelukkig zijn er heel wat fitnesscentra die dat op een flexibele manier oplossen. Wanneer het om een tijdelijke situatie gaat, wordt het abonnement bijvoorbeeld bevroren en met een maand verlengd.

Er zijn echter ook mensen die niet langer naar de fitness kunnen, omdat zich een medisch probleem voordoet waardoor fitnessen niet meer mag of kan. Dan ontstaat een andere discussie, want dan is de vraag of het fitnessabonnement definitief kan worden stopgezet en of ook de betaling kan worden beëindigd, hoewel het contract nog een bepaalde tijd loopt.

Op dit moment zijn medische redenen die het voor een consument onmogelijk maken om nog te fitnessen, geen overmacht in de zin van het algemeen verbintenissenrecht. Dat betekent dus dat het contract in principe niet wordt stopgezet. Overmacht kan alleen worden ingeroepen wanneer de uitvoering van de eigen contractuele verbintenissen onmogelijk wordt gemaakt. In het geval van een fitnessabonnement blijft de betalingsverplichting desgevallend uitvoerbaar, ook al kan de consument er niet meer van gebruikmaken. Juridisch is er dan ook geen sprake van overmacht.

Dat neemt niet weg dat er andere regels zijn waaraan fitnesscentra zich moeten onderwerpen, vooral op het vlak van consumentenbescherming en meer bepaald de regels inzake onrechtmatige bedingen. Het Wetboek van economisch recht bepaalt dat onrechtmatige bedingen verboden en zelfs nietig zijn. Een onrechtmatig beding wordt gedefinieerd als elk beding dat een kennelijk onevenwicht schept tussen de rechten en de plichten van de partijen, ten nadele van de consument. Bovendien bevat het Wetboek van economisch recht een lijst van bedingen die in elk geval als onrechtmatig worden beschouwd.

In de praktijk werken veel fitnesscentra trouwens met overeenkomsten van bepaalde duur met een beding van stilzwijgende verlenging. In dat geval legt het Wetboek van economisch recht bepaalde transparantievereisten op. Na die stilzwijgende verlenging kan de consument bovendien op elk ogenblik kosteloos opzeggen, met inachtneming van een opzegtermijn die maximaal twee maanden mag bedragen.

Ik wijs ook op wetgeving die ik in de ministerraad al heb laten goedkeuren, waarbij een verplichting wordt ingevoerd voor ondernemingen om consumenten actief te informeren over een nakende stilzwijgende verlenging van een overeenkomst. Op die manier is de consument voldoende geïnformeerd om een abonnement tijdig stop te zetten.

De huidige wetgeving voorziet niet expliciet in een recht op definitieve stopzetting of tijdelijke opschorting van een fitnessabonnement om medische redenen. De gedragscode waarnaar u verwijst, bestaat wel, maar het is niet duidelijk of iedereen hem naleeft en of hij daadwerkelijk wordt toegepast in het belang van een voldoende bescherming, gelet op de huidige marktpraktijken.

Er blijft dus een grijze zone bestaan. Puur wettelijk gezien is een medische reden geen grond om een fitnessabonnement stop te zetten, terwijl de gedragscode een flexibele omgang met dergelijke situaties vooropstelt. Vandaag is het echter niet duidelijk of alle spelers zich daaraan houden, aangezien nog regelmatig signalen worden ontvangen dat abonnementen niet worden stopgezet om medische redenen.

Daarom zal ik sowieso opnieuw in overleg met de sector om te bekijken of we daarin nog stappen kunnen zetten. Als dat nodig is, zal ik daar verder in gaan. Ik vind wel dat wanneer een arts beslist dat iemand om medische redenen niet meer kan fitnessen, dat effectief een reden moet zijn om het abonnement stop te zetten. Vanuit dat principe zal ik het debat voeren met de sector.

Jeroen Soete:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Het klopt inderdaad dat er al een belangrijke stap vooruit is gezet door de verplichting om binnenkort actief te informeren over de aanstaande, niet langer stilzwijgende, verlenging van het contract. Dat geldt niet alleen voor krantenabonnementen en Netflixabonnementen, maar ook voor fitnessabonnementen. Ik vermoed dat er in januari heel wat mensen bijkomen die pas in februari van het jaar daarop beseffen dat er opnieuw een fitnessabonnement voor een jaar loopt. Dat is dus sowieso al een goede zaak. Wat de grond van mijn vraag over de stopzetting betreft, heb ik uw standpunt goed gehoord. U bent voorstander van het expliciet erkennen van medische overmacht als grond om het contract stop te zetten of te pauzeren. Ik begrijp dat u eerst in overleg treedt met de sector. We moeten in eerste instantie bekijken hoe dat in de praktijk wordt toegepast, zeker bij het groot aantal fitnessclubs dat niet is aangesloten bij de gedragscode. Aansluiting bij de gedragscode kan al een deel van de oplossing zijn. Als we vaststellen dat dat geen zoden aan de dijk brengt, zullen we verder moeten gaan en bekijken hoe we via wetgeving bepaalde zaken kunnen afdwingen.

De juridische omkadering van mysteryboxautomaten en de bescherming van de consument

Gesteld aan

Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)

op 21 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Serge Hiligsmann vraagt zich af of Crazy Box-automaten (waarin consumenten voor 10–50 euro onbekende "mysterieboxen" kopen met beloftes van "100% winst" en hoogwaardige producten) juridisch als gokspelen kwalificeren, gegeven de teleurstellende inhoud (goedkope prullen, geen lokale producten) en misleidende marketing, wat volgens lokale media en consumenten leiden tot onevenredige waarde versus prijs. Hij bekritiseert ook het milieu-onvriendelijke karakter (massaconsumptie, import via Amazon) en vraagt of de praktijk strookt met consumentenbescherming (transparantie, eerlijke handelspraktijken). Minister Rob Beenders ontwijkt een oordeel over de gokkwalificatie (dit ligt bij de Commissie voor Kansspelen en rechtbanken), maar benadrukt dat bedrijven verplicht zijn tot duidelijke voorinformatie (bv. onzekerheid over inhoud), geen misleiding (bv. valse claims over "luxe" of "lokaal"), prijstransparantie en garantie bij non-conforme producten. Hij stelt dat onwaarachtige marketing een oneerlijke handelspraktijk is. Hiligsmann belooft kritisch toezicht op de uitrol van deze automaten, die volgens hem risico’s vormen voor consumentenrechten en duurzaamheid.

Serge Hiligsmann:

Monsieur le ministre, récemment, un nouveau type de distributeur automatique de cadeaux mystères ( vending machine ) est apparu dans ma région, où il suscite un engouement important. Selon la presse locale, le dispositif Crazy box aurait écoulé près de 800 boîtes en une dizaine de jours seulement, attirant des consommateurs ayant parfois parcouru plusieurs dizaines de kilomètres et nécessitant un réapprovisionnement de la machine jusqu’à quatre fois par jour le week-end.

Le concept repose sur l’achat, pour un montant compris entre 10 et 50 euros, d’une boîte dont le contenu n’est pas connu à l’avance, contrairement aux distributeurs de produits agroalimentaires et autres. La communication de l’entreprise exploitante présente ce système comme "100 % gagnant", promettant des produits dits haut de gamme ou locaux. Avec un peu de chance, le consommateur pourrait remporter des lots de valeur élevée, tels qu’un iPhone, un aspirateur haut de gamme ou d’autres biens onéreux, et ainsi réaliser une plus-value par rapport au prix payé. À l’inverse, les acheteurs moins chanceux reçoivent des objets de faible valeur, souvent assimilables à de simples bibelots.

Or, les premiers retours documentés par la presse et relayés sur les réseaux sociaux sont largement négatifs. Un test réalisé par une rédaction locale fait état de contenus décevants: jouets en plastique, vêtements en polyester, accessoires usuels et objets promotionnels, sans présence de produits locaux ou artisanaux, contrairement aux promesses initiales. De nombreux consommateurs dénoncent également un écart significatif entre le prix payé et la valeur réelle des articles reçus.

Il apparaît par ailleurs, selon les déclarations mêmes du gestionnaire, que la majorité des produits distribués proviennent actuellement de grandes plateformes de commerce en ligne, notamment Amazon. Ce type de dispositif semble dès lors encourager la surconsommation ainsi que l’achat d’objets à faible durabilité, souvent importés et donc potentiellement préjudiciables tant sur le plan environnemental que sociétal.

Monsieur le ministre, ce type de dispositif peut-il être juridiquement assimilé à un jeu de hasard au sens de la législation belge? Le cas échéant, sa présence dans l’espace public est-elle compatible avec l’interdiction de la promotion des jeux de hasard dans la rue en Belgique? La commercialisation de boîtes dont la valeur et la nature du contenu sont incertaines respecte-t-elle les obligations légales en matière de protection des consommateurs, notamment en ce qui concerne le devoir d’information, la transparence et le respect des pratiques commerciales loyales?

Rob Beenders:

Monsieur Hiligsmann, je vous remercie pour votre question.

Un jeu est qualifié de jeu de hasard lorsqu’il comporte une mise, un élément de hasard et la possibilité d’un gain ou d’une perte. Il est toutefois entendu que l’appréciation finale de cette qualification relève, le cas échéant, de la Commission des jeux de hasard (CJH) et/ou des juridictions compétentes. Je ne me prononcerai donc pas sur le caractère licite ou non de ce type de pratiques.

S’agissant de la protection des consommateurs, je peux toutefois rappeler les principales obligations légales qu’une entreprise doit respecter. Tout d’abord, toute entreprise est soumise à une obligation d’information précontractuelle portant notamment sur son identité, les principales caractéristiques du produit, le prix total du produit toutes taxes comprises, les modalités de paiement, les conditions de vente. Une entreprise qui vend une boîte mystère doit donc indiquer clairement les conditions applicables à cette vente et préciser, par exemple, l’absence de certitude quant au contenu de la boîte.

Ensuite, toute entreprise doit respecter l’interdiction des pratiques commerciales déloyales. L’entreprise qui vend une boîte mystère ne peut pas induire le consommateur en erreur ni le tromper, notamment quant au contenu potentiel de la boîte. Elle ne peut donc pas affirmer que les colis contiennent des biens haut de gamme ou des produits locaux si cette information n’est pas conforme à la réalité.

Par ailleurs, l’entreprise doit respecter les dispositions relatives à l’indication des prix.

Enfin, si cette pratique est qualifiée de vente entre un vendeur professionnel et un consommateur, le bien acheté est couvert par la garantie légale conformément aux règles du droit civil. En cas de défaut de conformité, le consommateur peut réclamer la réparation ou le remplacement du bien sans frais et dans un délai raisonnable. Si cela n’est pas possible, il peut demander la résolution du contrat ou une réduction du prix.

Serge Hiligsmann:

Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses et pour les compléments apportés. Nous resterons très attentifs aux développements liés à ces informations, ainsi qu’aux obligations qui s’imposent aux fournisseurs de ce type de boîtes, et plus largement à ce système de distributeurs qui commence à être mis en place, notamment dans notre région, et qui pourrait être étendu à d’autres régions.

De clausule voor de defensie-uitgaven en de toekomst van de begrotingstrajecten

Gesteld aan

Vincent Van Peteghem (Minister van Begroting)

op 21 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Alexia Bertrand bekritiseert dat minister Van Peteghem geen concrete exitstrategie heeft voor de tijdelijke defensie-ontsnappingsclausule (tot 2028) en vreest dat België zonder plan de Europese begrotingsregels zal schenden, met risico’s voor het begrotingsbeleid. Ze stelt dat zijn antwoorden ontwijkend zijn en dat er geen zicht is op structurele defensiemaatregelen of het beloofde defensiefonds na 2029, ondanks eerdere toezeggingen van 20 miljard euro aan inspanningen. Van Peteghem verdedigt dat de regering 9,2 miljard euro uittrekt tot 2029 om de uitgavennorm te halen en claimt dat de huidige inspanningen volstaan, maar Bertrand betwist dit cijfer en wijst op een begrotingstekort boven 5% dat extra maatregelen vereist. De discussie blijft onopgelost, met wederzijds wantrouwen over de haalbaarheid van de plannen.

Alexia Bertrand:

Mijnheer de minister, u maakt vandaag gebruik van de nationale ontsnappingsclausule voor defensie-uitgaven, wat tijdelijk budgettaire flexibiliteit toelaat tot 2028, als ik het goed heb. Die clausule is per definitie tijdelijk en zal op een bepaald moment aflopen. Het is onduidelijk hoe de regering zich voorbereidt op de terugkeer naar een strikter begrotingskader. Ik moet eerlijk toegeven dat ik het nog niet doorheb. Ik heb nog geen strategie gezien voor na de afloop van die flexibiliteitsclausule. Zonder duidelijke exitstrategie dreigen we niet te voldoen aan de Europese begrotingsregels, wat een risico vormt voor het begrotingsbeleid.

Wat gebeurt er concreet met het netto-uitgaventraject en het begrotingspad zodra de defensiegerelateerde ontsnappingsclausule afloopt? Welke maatregelen zijn voorzien om die overgang op te vangen?

Vincent Van Peteghem:

Hoe de Europese Commissie technisch te werk zal gaan bij het aflopen van de ontsnappingsclausule in 2029, moet nog nader verduidelijkt worden. In elk geval bereidt deze regering zich voor op het aflopen van de ontsnappingsclausule door een significante inspanning te leveren om te voldoen aan de uitgavennorm, ook wanneer er geen flexibiliteit meer aan de lidstaten zou worden gegeven. Ook in de jaren dat de impact van een door het Monitoringcomité geprojecteerde overschrijding van de netto-uitgavennorm gecompenseerd zou worden door de flexibiliteit van de ontsnappingsclausule, wordt een bijkomende inspanning geleverd om onze overheidsfinanciën op orde te krijgen.

Alexia Bertrand:

Dank u wel, mijnheer de minister. Dat was opnieuw een zeer mooi non-antwoord. Die beslissing zal worden genomen tegen het einde van…

Vincent Van Peteghem:

(…)

Alexia Bertrand:

Dat betekent dus dat u pas in 2029, op het moment van de verkiezingen, een beslissing zult nemen.

Vincent Van Peteghem:

(…)

Alexia Bertrand:

Ik heb nog niet gelezen welke maatregelen u voor 2029 hebt genomen om een structurele inspanning voor defensie te doen. Dat zullen wij wel in de begrotingstabellen lezen, maar u ging een defensiefonds oprichten. Dat heb ik ook niet gezien. Er is daarvoor nog niets voorzien. Kunt u dat opnieuw verduidelijken? Welke maatregelen zijn er vanaf 2029 voor defensie?

Vincent Van Peteghem:

We hebben een meerjarenbegroting opgesteld die een inspanning van samen 9,2 miljard euro tegen 2029 omvat en die ervoor zorgt dat de uitgavennorm die we in 2029 moeten halen, wordt bereikt. U vraagt mij of die uitgavennormen, die flexibiliteit die er vandaag bestaat, er zijn en wat we zullen doen als die aflopen. Mijn antwoord daarop is dat we met de inspanningen die we nu leveren – uiteraard zullen we jaar na jaar moeten controleren of die inspanningen effectief worden omgezet en of de opbrengsten, de kosten en de noodzakelijke besparingen gehaald kunnen worden – in 2029 zullen voldoen aan de vastgelegde uitgavennorm.

Alexia Bertrand:

Het gaat echter niet meer om 9,2 miljard euro, mijnheer de minister, dus ik vrees dat u…

Vincent Van Peteghem:

(…)

Alexia Bertrand:

Ja, oké. Ik hoor het. Wij zullen dat moeten controleren, maar ik hoor dat u er rekening mee hebt gehouden. Ik zal dat ook goed bekijken, want ik kom niet tot de totale inspanning van meer dan 20 miljard euro die u aan het begin van de legislatuur hebt aangekondigd. We zullen zien waar u uiteindelijk terechtkomt. Volgens de voorspellingen zitten we immers nog boven de 5 %. Zonder die ontsnappingsclausule zal zeker een bijkomende inspanning nodig zijn. Ik hoor dat dat inbegrepen is in uw 9,2 miljard euro, maar het zal geen 9,2 miljard zijn. We zullen dat opnieuw bespreken bij het indienen van de begroting in de komende weken.

De eerbiediging van de rechtsstaat in landen waar onze gedetineerden hun straf zouden uitzitten

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 20 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Volgens Xavier Dubois ontbreken recente, openbare Cedoca-rapporten over detentieomstandigheden in Kosovo en Albanië, terwijl minister Anneleen Van Bossuyt in oktober 2023 claimde dat zulke (positieve) rapporten bestonden; hij wijst op ernstige tekortkomingen (geweld, omkoping, slechte omstandigheden) in de wel gepubliceerde rapporten van januari 2025 en eist inzage in de actuele versies, desnoods onder strikte voorwaarden. Van Bossuyt bevestigt dat de negen rapporten (waaronder Kosovo/Albanië) wel degelijk bestaan, maar weigert publicatie tot na "verkennende gesprekken" met betrokken landen, belovend ze eerst intern (inclusief Dubois’ partij) te bespreken. Dubois betwijfelt de haalbaarheid van de plannen voor buitenlandse gevangenissen zolang er geen bewijs is van "duidelijke verbeteringen" en dringt aan op spoedoverleg met de commissie. De voorzitter sluit af zonder verdere toezeggingen.

Xavier Dubois:

Madame la ministre, à la suite de votre visite en compagnie de la ministre Verlinden au Kosovo et en Albanie au mois d'octobre dernier, vous aviez mis en avant la faisabilité d'un élément de l'accord de gouvernement relativement à la construction ou à la location de prisons dans l'un de ces pays pour y envoyer les détenus en séjour illégal sur notre territoire. L'accord de gouvernement prévoit que cette possibilité ne soit envisagée que si et seulement si des garanties sont offertes quant à des conditions de détention décentes et humaines et que les pays concernés respectent leurs obligations en matière de droit international. Il est également prévu que ces garanties soient validées par le Conseil d'État et sur la base d'un avis favorable du Cedoca.

En octobre, vous aviez évoqué que celui-ci avait justement rendu un tel avis relativement aux conditions de détention dans ces deux pays. Au moyen d'une question écrite j'avais demandé à pouvoir prendre connaissance du rapport. Vous m'aviez répondu qu'il était disponible sur le site du Commissariat général aux réfugiés et aux apatrides (CGRA). Après avoir consulté ledit site, j'ai constaté qu'aucun rapport récent du Cedoca n'y figurait.

Madame la ministre, ces rapports existent-ils? Si oui, sont-ils favorables? Pouvez-vous nous les transmettre? C'est en effet la moindre des choses qu'en tant que députés, nous puissions recevoir ces informations. Si ce n'est pas le cas, pourquoi ces rapports ne peuvent-ils pas être rendus publics? Enfin, s'ils n'existent pas, pouvez-vous confirmer vos propos du mois d'octobre? ​

Anneleen Van Bossuyt:

Monsieur Dubois, à notre demande, le Cedoca, le département de recherche du CGRA, a établi au total neuf rapports concernant neuf pays différents. Étant donné que nous entamerons prochainement des discussions exploratoires avec certains pays, je reporte la publication de ces rapports à une date ultérieure. Dès qu'un pays deviendra réellement concret, le rapport du Cedoca sera d'abord discuté au sein du gouvernement, où votre parti est également représenté.

Xavier Dubois:

Merci pour votre réponse qui m’étonne quelque peu. Si les rapports existent, nous devrions pouvoir y avoir accès. S’ils ne peuvent pas être rendus publics, nous pourrions y accéder selon des modalités sécurisées, comme nous en avons l’habitude pour quantité d'autres thématiques. Au-delà de cela, parmi les rapports qui existent et qui sont rendus publics, ce qu’on lit dans les derniers qui concernent le Kosovo et l'Albanie et datent de janvier 2025 ne rassure pas. On parle de violences sur les détenus, de conditions physiques inacceptables ainsi que de liens avec les milieux du crime organisé. Toute une série de choses ne sont pas positives du tout dans ces rapports de 2025.

Il faudrait qu'il y ait eu une nette amélioration concernant ces éléments, par rapport à ces analyses du Cedoca de l'époque, pour que l'on considère pouvoir avancer dans une collaboration potentielle avec ces deux pays. Voilà donc ma demande: pouvoir accéder à ces documents les plus récents. S'il faut le faire dans des conditions spécifiques d'accès, je pense qu'on peut l'organiser. J'espère, bien sûr, qu'on tiendra compte d'une évolution potentiellement positive pour pouvoir continuer à collaborer avec ces pays. Sinon, je pense qu'il faudra suspendre les avancées concernant ces deux pays en particulier.

Je demande qu'on puisse organiser une consultation de ces documents avec les services de la commission. Merci d'avance.

Voorzitter:

On prend acte de votre demande. Je ne peux pas intervenir dans ce dossier.

De toekomst van de tijdelijke bescherming voor Oekraïners
Het tijdelijke beschermingsstatuut voor Oekraïners
Duurzaamheid van tijdelijke bescherming voor Oekraïense vluchtelingen

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 20 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Matti Vandemaele (Groen) vraagt kritisch naar capaciteitsproblemen bij DVZ (ontkend door minister Van Bossuyt: registratie verloopt binnen de dag) en toegang tot noodopvang (10-13% van Oekraïners geeft opvangnodig aan; verzadiging voor alleenstaande mannen). Van Bossuyt bevestigt voldoende noodopvang (155 plaatsen) maar wijst op vertragingen in doorstroom naar regio’s (Vlaanderen loopt vooruit) en medische opvangtekorten. Ze kondigt Europese coördinatie voor transitie naar andere statuten (bv. onbeperkt verblijf na 5 jaar) en vrijwillige terugkeer aan, maar concrete plannen ontbreken nog. Maaike De Vreese (N-VA) bekritiseert Groen voor "morele lesjes" en benadrukt Vlaamse inzet voor opvang, terwijl Vandemaele reageert met beschuldiging van hypocrisie (focus op straatkinderen, verwijzend naar Brusselse nalatigheid). Kernpunt blijft onzekerheid over post-2027-statuut en nood aan structurele oplossingen voor langdurig verblijvende Oekraïners.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de voorzitter, ik verwijs naar de tekst van mijn vraag zoals ingediend.

Ons land vangt al vier jaar Oekraïense vluchtelingen op. Volgens de meest recent cijfers op de website van de DVZ werden tussen januari en november 2025 nog 8.157 attesten van tijdelijke bescherming afgeleverd. Er bereiken zijn signalen dat de DVZ over onvoldoende registratiecapaciteit zou beschikken voor deze doelgroep. Zo zouden sommige Oekraïners bij de eerste aanmelding een uitnodiging krijgen voor een nieuwe afspraak tot bijna twee weken later. Bovendien zou er bij een eerste aanmelding niet altijd opvang voorzien zijn voor Oekraïners met een opvangnood.

Het statuut van tijdelijke bescherming werd voorlopig verlengd tot 4 maart 2027. Wat daarna zal gebeuren, blijft onzeker. Indien dit statuut niet opnieuw wordt verlengd, is het belangrijk om tijdig werk te maken van overgangsmaatregelen. Een deel van de Oekraïners zal na de oorlog terugkeren, maar een ander deel heeft intussen in België een duurzaam leven opgebouwd. We moeten vermijden dat deze mensen na de oorlog in een situatie van rechtsonzekerheid of zelfs onwettig verblijf terechtkomen. Mijn vragen zijn:

Klopt het dat de DVZ over onvoldoende registratiecapaciteit beschikt voor personen met tijdelijke bescherming? Welke maatregelen zal u nemen om de registratiecapaciteit te verhogen?

Welk aandeel van de Oekraïners geeft bij de registratie aan opvang nodig te hebben?

Is er momenteel voldoende noodopvang voor Oekraïners beschikbaar in afwachting van de doorstroom naar de regio's?

Hoe verloopt de doorstroming naar de regionale opvangplaatsen? Hoe lang verblijven Oekraïners gemiddeld in noodopvangstructuren?

Welke maatregelen neemt u om de toegang tot noodopvang te verbeteren?

Hoe kijkt u naar het verblijfsstatuut van Oekraïners na maart 2027?

Kunnen Oekraïners die vijf jaar in het land verblijven in aanmerking komen voor een onbeperkt verblijfsrecht?

Ziet u mogelijkheden voor de overgang naar een ander verblijfsstatuut na maart 2027?

Bent u van plan om samen met de andere Europese migratieministers te werken aan overgangsmaatregelen?

Maaike De Vreese:

Mevrouw de minister, eind februari 2022 startte de oorlog in Oekraïne. Vervolgens hebben we gezien dat er miljoenen mensen op de vlucht zijn geslagen. Bijna 7 miljoen mensen zijn op de vlucht in Europa, maar er zijn ook 3,7 miljoen mensen ontheemd in het land zelf.

In ons land hebben ongeveer 9.963 Oekraïners tijdelijke bescherming hebben gekregen; ik bekeek het daarnet nog even. Voor die mensen, collega Vandemaele, heeft Vlaanderen inderdaad opvang voorzien. Het mag toch wel duidelijk zijn dat, ook onder de Zweedse regering, de N-VA ervoor heeft gezorgd dat mensen opvang kregen, bed, bad, brood. Nu opnieuw, terwijl de verantwoordelijkheid door de vivaldiregering volledig werd doorgeschoven naar het Vlaams niveau, heeft Vlaanderen zijn verantwoordelijkheid opgenomen, met de N-VA, om voor al die mensen opvang te voorzien. Dan moet het inderdaad een zeer pijnlijke conclusie zijn voor u dat uw partij, die altijd morele lesjes spelt aan anderen, daar niet in slaagt en dat wij, die die morele lesjes naast ons neerleggen, er wel in slagen, met de minister op kop, die haar verantwoordelijkheid opneemt om alle mensen bed, bad en brood te geven.

Het verblijfstatuut van die tijdelijk ontheemden wordt verlengd tot maart 2027. Hoelang de oorlog zal duren, weten we natuurlijk niet.

Mevrouw de minister, kunt u meer toelichting geven bij de registraties van het aantal Oekraïners hier? Welke trend tekent zich af en welke verwachtingen zijn er? Hoe gebeurt momenteel de opvang en de doorverwijzing naar de deelstaten? Hoe verloopt de samenwerking?

Wat het statuut betreft, de statuten werden gestart in 2022 en in 2027 zijn we vijf jaar verder. Na vijf jaar kan men onbeperkt verblijf aanvragen. Geldt dat bijvoorbeeld ook voor die tijdelijk ontheemden of is er voor hen een andere procedure voorzien?

Anneleen Van Bossuyt:

Mijnheer Vandemaele, mevrouw De Vreese, voor alle duidelijkheid, het registratiecentrum beschikt momenteel over voldoende capaciteit om alle binnenkomende aanvragen binnen de dag te verwerken, in tegenstelling tot wat u in uw vraag suggereert, mijnheer Vandemaele.

Sinds de fusie van de cel tijdelijke bescherming met het registratiecentrum internationale bescherming op 1 augustus 2025 heeft gemiddeld 13,2 % van de verzoekers om tijdelijke bescherming aangegeven nood te hebben aan opvang. Sinds november zien we daarvan een lichte daling naar 10 %. Er zijn momenteel twee noodopvangcentra, het centrum Ariane, met een capaciteit van 130 plaatsen, en het centrum Marie Curie, met een capaciteit van 25 plaatsen. Op dit moment zijn er nog voldoende plaatsen in die centra om personen met tijdelijke bescherming op te vangen, al merken we wel dat de beschikbare plaatsen voor alleenstaande mannen verzadigd zijn.

Het aantal overplaatsingen naar de deelstaten ligt systematisch lager dan het aantal nieuwkomers. Sinds half januari is er echter een geleidelijke heropleving van de overplaatsingen in Vlaanderen. Met dit tempo hopen we meer plaatsen vrij te maken in de noodopvangcentra en zo beter tegemoet te komen aan de behoeften van de aanvragers van tijdelijke bescherming. Ik kan hier alleen maar onderstrepen wat mevrouw De Vreese net zei, namelijk dat de samenwerking met de deelstaten, en zeker met Vlaanderen, zeer vlot verloopt. Wanneer wij op federaal niveau signalen opvangen of vaststellen waar het eventueel fout loopt, bekijken we in overleg met Vlaanderen hoe we dat kunnen opvangen.

In het opvangcentrum Ariane worden we momenteel geconfronteerd met het probleem dat voor bepaalde personen met specifieke medische noden geen aangepaste plaats wordt aangeboden door de deelstaten. Ik heb recent een schrijven gericht aan mijn collega-ministers om hen op die situatie te wijzen en om ook voor die personen, van wie een deel al meer dan een jaar in dat centrum verblijft, een verblijfsoplossing te vinden.

Wat betreft hun bescherming en de overgang naar een eventueel ander statuut werken we samen met de administratie verschillende scenario’s uit. We streven ernaar om personen met een tijdelijk beschermingsstatuut tijdig en correct te informeren. De overgang naar andere bestaande statuten is nu al mogelijk, bijvoorbeeld een gecombineerde vergunning of een studentenverblijf, op voorwaarde uiteraard dat de personen aan de vereiste voorwaarden voldoen. Daarover zullen we ook met de regio’s overleggen.

Daarnaast streven we naar een Europees gecoördineerde aanpak, waarbij wordt ingezet op transitie naar andere statuten en op een door de Europese Unie gecoördineerde vrijwillige terugkeer. Rond terugkeer werkte de Commissie aanbevelingen uit. Wat de transitie naar andere statuten betreft, kijken we ook naar mogelijke nationale praktijken in andere lidstaten. Tot slot moet worden onderstreept dat het Europees uitgangspunt voor een duurzame transitie erin bestaat om steeds nauw met Oekraïne samen te werken.

Matti Vandemaele:

Ik dank u voor het antwoord, mevrouw de minister. U zegt dat er in het registratiecentrum eigenlijk geen capaciteitsprobleem is. Ik ben blij om dat te horen. Ik hoor dat er af en toe wel dagen zijn waarop het niet lukt, maar ik ben gerust bereid om u te geloven.

We mogen ook onze kop niet in het zand steken als het gaat over de alternatieve verblijfstatuten, maar dat doet u ook niet. Een deel van die mensen zal hier blijven hangen, wat er in Oekraïne ook gebeurt. Ik denk dat het goed is om te bekijken welke statuten we daarvoor kunnen uitwerken of in welke statuten we die mensen kunnen onderbrengen, zodat de integratie maximaal kan gebeuren. Ik denk niet dat we elkaar van iets anders moeten proberen te overtuigen.

Dan kom ik nog even terug op wat mevrouw De Vreese zei. Uw tristesse is bij momenten besmettelijk en mevrouw De Vreese heeft er ook last van. Het gaat over de morele lesjes. U mag alle zonden van Israël op mij schuiven, zeker die van Vivaldi, maar voor mij gaat het over de kinderen op straat. U mag lelijke dingen zeggen over mij, maar ik zal dat blijven aankaarten. Welke morele les ik daaromtrent te krijgen heb, zie ik niet in. Het gaat mij erom dat er kinderen en gezinnen op straat slapen. Ik vind het mijn plicht als parlementslid om dat hier aan te kaarten. Ik zal dat doen tot de laatste dag dat ik hier zit. U mag dat wegzetten als morele lesjes, mevrouw De Vreese, so be it , maar leer ermee leven, want het zal gebeuren tot de laatste dag dat ik hier zit. Beter nog, in plaats van ermee te leren leven, los het gewoon op.

Voorzitter:

We gaan wel proberen om binnen het thema van de vraag te blijven, want anders wordt het een vreemd verslag.

Maaike De Vreese:

Mevrouw de minister, we moeten ons voorbereiden op wat er zal gebeuren na 4 maart 2027. We moeten dat ook op de agenda van de Europese Unie plaatsen en dat zeker blijven opvolgen. We hebben vanuit het Vlaamse niveau gevraagd hoe de inburgering nu verder moet worden aangepakt en hoe men die mensen kan tewerkstellen. Behalve de acute noodopvang zijn er nog een aantal andere vraagstukken. Door een verandering van statuut worden er andere voorwaarden gesteld aan het verblijf hier. We moeten daar goed over nadenken voor we mensen een onbeperkt verblijf toekennen. Mensen die hier al waren, hebben die termijn van vijf jaar misschien al bereikt. We moeten nagaan op welke manier er nog een stimulans onder kan worden gezet. Gelukkig hoefden er geen kinderen of Oekraïners op straat te slapen. Dat was een hele opgave. Ook in situaties die onder andere aspecten van uw bevoegdheid vallen, hoefden er geen mensen op straat te slapen. Het is in dat opzicht heel hypocriet van Groen, dat deel uitmaakt van de Brusselse regering, om niet te verwijzen naar de PS-burgemeesters. De problematiek in de winteropvang in Brussel bestaat al jaar en dag, maar toch wordt niets gedaan om te vermijden dat kinderen, gezinnen en bedelaars in Brussel 's winters op straat staan. Er gebeurt ook niets op het vlak van de controle inzake al dan niet illegaal verblijf op het grondgebied en de opvolging van dossiers. Dat is schuldig verzuim en we zullen dat blijven benadrukken.

De dalende trend in het aantal asielaanvragen
De daling van de beschermingsgraad
Afname van asielaanvragen en beschermingsgraad

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 20 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Minister Van Bossuyt claimt een trendbreuk in de asielinstroom dankzij haar crisisbeleid (o.a. opvangstop voor personen met EU-bescherming, -81% in die groep), met een daling van 28% (sep-dec 2024 vs. 2025), maar erkent dat externe factoren (bv. Syrië) meespelen. Di Nunzio (Anders) bekritiseert dat de Belgische daling (13%) achterblijft bij Europa (25%) en dat de zesde plaats in absolute cijfers geen echte verbetering toont, terwijl hij twijfelt aan de toeschrijving van de daling aan beleid zonder diepgaande analyse. De Vreese vraagt om verduidelijking over de gedaalde beschermingsgraad (van ~50% naar 24%) en toekomstprognoses, terwijl Van Bossuyt benadrukt dat verdere maatregelen nodig zijn om de instroom verder te reduceren. De discussie draait om beleidsclaims vs. externe invloeden en de effectiviteit van de genomen maatregelen.

Voorzitter:

De eerste spreker is mijnheer Di Nunzio van de fractie Anders.

Sandro Di Nunzio:

Dank u wel, voorzitter. Ik ben blij dat het er al direct goed in zit. Ik zie er niet anders uit, maar ik voel me wel een beetje anders. Wat een goede receptie niet met een mens kan doen.

Wij hebben samen gezien dat in 2025 het aantal asielaanvragen in ons land met 5.000 is verminderd. Dat is richting een kleine 35.000 asielaanvragen, wat op zich een goede zaak is als cijfer. Dat valt niet te ontkennen. Daarbij moeten we ook twee zaken vaststellen. Ten eerste is er een sterke terugval geweest van het aantal Syrische asielaanvragen. Dat zijn er ongeveer 4.000 minder, waarbij we vermoeden dat dat vooral door een externe factor is, zoals de veranderde situatie na Assad. Wij durven aan te nemen dat er minstens een belangrijke externe impact aan de basis ligt van die terugval. Ten tweede valt op dat er in de Europese Unie een daling is van bijna 25 %, terwijl het in België slechts 13 % is. In Duitsland bedraagt de daling ongeveer 50 %. Met die daling van 13 % staan we nog altijd op de zesde plaats qua absolute cijfers van asielaanvragen.

Ik heb enkele vragen. U had op uw website geplaatst, mevrouw de minister, dat de jaarcijfers uw koerswijziging ook bevestigen, dat uw beleid wordt bevestigd en dat het dus een trendbreuk is. Is dat effectief een trendbreuk? Tonen die cijfers dat aan? In welke mate is die daling het gevolg van uw beleid?

U spreekt over een daling van bijna een derde sinds uw crisisbeleid, dat is de fameuze 38 %. Het was 28 %, excuseer. Over welke termijn gaat het precies? Hoe berekent u dat exact? Hoe koppelt u dat concreet aan uw gevoerde beleid?

Maar belangrijker, wij staan nog altijd op de zesde plaats. Wij dalen een stuk minder dan in Europa. Wat zult u ondernemen om ervoor te zorgen dat wij die zesde plaats verlaten?

Maaike De Vreese:

Terwijl de cijfers inderdaad Europees bleven dalen, merkten we dat de cijfers hier onder Vivaldi nog altijd bleven stijgen. Het is pas nu dat de cijfers opnieuw onder 35.000 duiken. Dat is geleden sinds 2021.

Het gebeurde na de crisismaatregelen die deze regering genomen heeft. Het is dus is wel degelijk een trendbreuk.

Maar wat viel me ook op? Niet enkel het aantal asielzoekers is gedaald, ook de beschermingsgraad is enorm gedaald. De erkenningsgraad is nu gemiddeld 29 %, terwijl in 2024 nog bijna de helft van de asielzoekers erkend werden.

Kunt u daar toelichting over geven? Wat is de reden van de dalende beschermingsgraad?

Hebt u ook de cijfers voor december? Welke tendens ziet u in de beschermingsgraad? Blijft dezelfde trend aanhouden of niet?

Vorig jaar werd een prognose gemaakt van de instroom voor 2025. De diensten zeiden toen dat u moest opletten, omdat er 50.000 asielaanvragen zouden komen, ondanks de crisismaatregelen die u genomen hebt. Wordt er ook een prognose gemaakt voor 2026? Kunt u die ons meedelen?

Anneleen Van Bossuyt:

Mijnheer Di Nunzio, mevrouw De Vreese, het tegengaan van de asielinstroom en het indijken van de exploderende cijfers was en is absoluut de bedoeling van mij en van de regering. Ik heb dat vorige week in de plenaire vergadering nog duidelijk herhaald.

Ik herinner er ook graag aan dat ik een crisis heb geërfd van de vorige regering, met aan het roer uw partij, mijnheer Di Nunzio, en dat zal niet anders worden. De voorspelling aan het begin van de legislatuur liep op tot maar liefst 50.000 aanvragen bij ongewijzigd beleid.

Sinds het ingaan van de crisismaatregelen in augustus zijn de asielaanvragen gedaald met 28 %. Uiteraard surfen wij mee op de dalende Europese trend, maar die trend was er ook al onder Vivaldi. In 2024 zagen wij onder Vivaldi dat de Europese trend een daling van 12 % van het aantal asielaanvragen vertoonde, terwijl in België de aanvragen toen met 12 % stegen. Sinds de crisismaatregelen doen wij het zelfs beter dan het Europees gemiddelde.

Het is uiteraard niet mogelijk om exact te kwantificeren hoeveel van de 5.000 asielaanvragen toe te schrijven zijn aan gewijzigde situaties, bijvoorbeeld in Syrië, en hoeveel aan specifieke beleidsmaatregelen. Dat de daling echter toe te schrijven is aan nationaal beleid, is heel duidelijk. De belangrijkste maatregel die op korte termijn effect heeft op het aantal asielaanvragen, is het beperken van de opvang voor personen die al bescherming genieten in een andere lidstaat. Dat was een van de twee crisismaatregelen: mensen die al bescherming hebben in een andere lidstaat worden hier niet meer opgevangen. Ik kan zeggen dat de instroom van deze verzoekers gedaald is met 81 %. Die is dus zo goed als stilgevallen. Het is duidelijk dat een daling van 81 % in deze doelgroep in zeer grote mate heeft bijgedragen aan de algemene daling van het aantal asielaanvragen.

Wat de daling van 28 % betreft, mijnheer Di Nunzio, hierbij wordt het aantal verzoeken in een bepaalde periode in 2025 vergeleken met het aantal verzoeken in dezelfde periode in 2024. Specifiek gaat het over de periode van september tot december, omdat toen de crisismaatregelen in werking waren getreden.

Is die daling voldoende? Nee. We komen van ver. We hebben al veel gedaan, maar we gaan vooral nog veel doen. Ik ben het ermee eens dat de cijfers nog veel meer naar beneden moeten en daarom komen we binnenkort met een volgend pakket maatregelen.

Mevrouw De Vreese, u vroeg of de cijfers voor december met betrekking tot de beschermingsgraad al beschikbaar zijn. De beschermingsgraad bedroeg in december 23,9 %, wat opnieuw duidelijk de dalende trend aantoont. De beschermingsgraad is het aantal dossiers waarvoor het CGVS de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus verleende ten opzichte van het totaal aantal dossiers waarin een eindbeslissing werd genomen, de intrekkingen en de opheffingen. Voorspellingen daarover zijn moeilijk, gelet op de grote inspanningen die mijn diensten blijven leveren om de historische achterstand weg te werken.

Sandro Di Nunzio:

Mevrouw de minister, u hebt het al een aantal keer gedaan, niet alleen vandaag maar ook in het verleden, maar het blijft opvallend dat u steeds uithaalt naar Vivaldi en naar het feit dat iemand van mijn partij, die toen nog anders heette, daarover de leiding had.

Ik heb nochtans een zeer inhoudelijke vraag gesteld en ik heb dat intellectueel correct gedaan. Ik doe in mijn vraag gewoon een vaststelling. U bent nu een jaar bezig en schrijft een aantal cijfers toe aan uw beleid. Ik stel daarover gewoon inhoudelijk vragen. Toch haalt u telkens uit naar die vorige vivaldiregering en naar het beleid dat daar werd gevoerd.

Het volgende vind ik ook bijzonder. Er stond toen een staatssecretaris van cd&v aan het roer, een partij die vandaag opnieuw met u bestuurt. Ik vind het jammer dat die uithaal er blijkbaar telkens bij hoort. Ik hoop dat dit niet tot 2029 zal blijven duren.

Dan kom ik aan de inhoud van mijn kritische vraag. U presenteert een trendbreuk, maar ik zie vooral twee elementen. Ten eerste is de daling in België een stuk lager dan in de rest van Europa. In Europa is er een globale daling van 25 %, terwijl dat in België slechts 13 % is. We blijven op de zesde plaats staan. Ik laat mij zelfs influisteren dat het relatief bekeken om de derde plaats zou gaan. Op dat vlak is er geen verandering en dus ook geen duidelijke trendbreuk.

Ten tweede valt de daling met 5.000 die u aanhaalt, vooral samen met de afname van de Syrische instroom. De toekomst zal moeten uitwijzen in welke mate dit louter een externe factor is dan wel of er toch ook elementen van uw beleid in meespelen. Ik wil u daar het voordeel van de twijfel geven.

Met betrekking tot de beschermingsgraad, de samenstelling van de instroom, de verandering daarvan, kan een belangrijke invloed hebben. Ook daar vraag ik u gewoon om intellectuele eerlijkheid aan de dag te leggen en niet meteen een aantal cijfers toe te schrijven aan uw beleid, dat een grondige koerswijziging of verandering zou inhouden. Ik stel gewoon vast dat u dat zeer snel doet. We moeten daar vraagtekens bij plaatsen. Ik meen dat pas op langere termijn, na een grondige analyse, kan worden vastgesteld of het effectief beleidsmaatregelen waren die daartoe leidden.

Dat is eigenlijk mijn punt, los van Vivaldi. Dat is mijn punt van kritiek in de vraagstelling hier vandaag.

Maaike De Vreese:

Minister, mij valt alvast één ding op, iets wat helemaal niet “anders” is. De mensen van Anders of Open Vld negeren natuurlijk de volledige verantwoordelijkheid voor de rol die ze in het verleden gespeeld hebben, ook hier. De verantwoordelijkheid hebben ze op dat moment niet genomen en ook nu niet. Op dat vlak is Anders helemaal niet anders dan wat het vroeger was, Open Vld dat zich verstopte achter verantwoordelijkheden. Ik ben eigenlijk vooral geïnteresseerd in de reden van de daling van de beschermingsgraad. Waarom zien we zo’n groot verschil, 50 % ongeveer in 2024 en een beschermingsgraad van 25 % in november 2025? Natuurlijk houdt iedereen ervan dat er een bepaalde prognose, een voorspelling, wordt gemaakt, om te zien hoe het zal evolueren in de toekomst, maar misschien is het te vroeg in het jaar om die op dit moment al te maken.

De terugkeer van gedetineerden in illegaal verblijf en de impact op strafeinde en detentiecapaciteit
De illegale gedetineerden en de gevangeniscapaciteit in het buitenland
De terugkeer van criminelen zonder verblijfrechts vanuit de gevangenis
Terugkeer en verblijfsstatus van gedetineerden en impact op detentiecapaciteit

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 20 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de overbevolking in Belgische gevangenissen door 4.000 gedetineerden in illegaal verblijf (30% van de populatie) en de tegenstrijdige verantwoordelijkheden tussen minister Van Bossuyt (Asiel & Migratie) en Verlinden (Justitie). Van Bossuyt benadrukt een stijging van 25% in verwijderingen (146/maand in 2025, waarvan 897 voor strafeinde), dankzij 40 extra VTE’s en betere samenwerking met Marokko, maar Van Belleghem (N-VA) en Demon bekritiseren het "zwartepieten" tussen beide ministers en noemen het een "collectief regeringsfalen" (citaat Verlinden). De Vreese (N-VA) pleit voor versnelde interstatelijke overbrengingen (Justitie-bevoegdheid) en creativiteit, zoals strafuitzitting in herkomstlanden, terwijl Van Bossuyt concrete samenwerkingspistes opsomt (visumkoppeling, extra escorteurs, gesloten centra), maar Van Belleghem wijst op tegenstrijdigheden (bv. weigering N-VA-voorstel om zakgeld illegalen af te schaffen). Kernpunt: structurele oplossingen ontbreken ondanks cijferverbetering.

Franky Demon:

Mevrouw de minister, afgelopen week communiceerde u dat de terugkeer van gedetineerden in illegaal verblijf in 2025 met een kwart is gestegen ten opzichte van 2024. Het gemiddeld aantal maandelijkse verwijderingen is gestegen tot 146. Gelet op de overbevolking van onze gevangenissen kunnen we die beweging uiteraard enkel toejuichen.

Tegelijkertijd stellen we vast dat het aantal illegale vreemdelingen in de gevangenissen niet daalt en ongeveer 30 % van de gevangenispopulatie blijft uitmaken. We moeten daarom vermijden om ons blind te staren op louter het aantal verwijderingen. Het is interessant om te weten in welke fase van hun detentie die illegale vreemdelingen zaten toen ze werden verwijderd. Wanneer het voornamelijk om mensen aan het einde van hun straf gaat, heeft dat uiteraard geen impact voor het gevangeniswezen.

Daarnaast vernemen we dat de periode tussen het besluit tot verwijdering en de overbrenging naar een gesloten centrum of de effectieve terugkeer vaak veel tijd in beslag neemt, waardoor die capaciteit in de gevangenissen bezet blijft.

U gaf zelf aan dat de huidige cijfers nog niet volstaan en dat u bijkomende maatregelen wilt nemen om de terugkeer verder op te voeren.

Welke bijkomende maatregelen wilt u in 2026 nemen om de terugkeer vanuit detentie verder te verhogen? Wat is de stand van zaken van die bijkomende maatregelen? Hebt u een doelstelling voor het aantal bijkomende verwijderingen dat u gemiddeld maandelijks wilt realiseren?

Hoeveel gedetineerden in illegaal verblijf werden verwijderd? Hoeveel van die verwijderingen hadden betrekking op illegale gedetineerden die het einde van hun straf nog niet hadden bereikt en dus verwijderd werden voor strafeinde? Hoeveel van die verwijderingen hadden betrekking op gedetineerden die aan het strafeinde waren en hun straf in België volledig uitzaten?

Hoeveel detentiedagen zijn er in 2024 en 2025 in de gevangenissen effectief uitgespaard door de verwijderingen van gedetineerden in illegaal verblijf?

Francesca Van Belleghem:

Mevrouw de minister, op 16 januari noemde uw collega of beter uw concullega Verlinden de problematiek van de overbevolking in de Belgische gevangenissen een collectief falen van deze regering. In De Morgen had ze het over onvoldoende wil bij andere regeringsleden om dat snel op te lossen. Uw concullega verwees daarbij ook naar u, door te herhalen dat er in de Belgische gevangenissen meer dan 4.000 illegalen zitten en dat het u, de minister van Asiel en Migratie, toekomt om hen terug te sturen.

Van de mogelijke gevangeniscapaciteit in het buitenland mogen we volgens Annelies Verlinden ook geen magische oplossing verwachten. Ik citeer: “Het is een creatieve aanpak, maar het duurt te lang om dat voor elkaar te krijgen en het is niet goedkoop.” Verder zei ze ook: “Die mensen hebben natuurlijk ook bezoekrecht, maar je kunt de familie niet telkens naar Kosovo sturen.” Bovendien zou er in Kosovo niet eens een gevangenis leegstaan. Op dit moment is de collega-minister in de Balkan, ik denk zelfs in Kosovo. Misschien heeft dat er ook iets mee te maken. Kunt u dat verduidelijken?

Mevrouw de minister, ik wil vooral weten of u zich aangesproken voelt door de woorden van mevrouw Verlinden als ze zegt dat het om een collectief falen van deze regering gaat en dat er onvoldoende wil is bij andere regeringsleden. Bent u dat ander regeringslid, of wie bedoelt zij met andere regeringsleden?

Een dag eerder pakte uzelf uit met het bericht dat de terugkeer van illegale criminelen vanuit de gevangenis met 25 % is gestegen. Dat is een stap in de goede richting, maar gelet op de absolute cijfers is er natuurlijk nog een lange weg te gaan, ook rekening houdend met de uitspraken van collega Verlinden. Welke bijkomende maatregelen gaat u nemen om die terugkeer op te krikken? Deelt u de scepsis van uw collega met betrekking tot de buitenlandse gevangeniscapaciteit dat het geen magische oplossing is?

Wat is ondertussen de concrete stand van zaken in de zoektocht naar buitenlandse gevangeniscapaciteit? Tegen wanneer mogen we eindelijk resultaat verwachten?

Maaike De Vreese:

Ik verwijs naar de tekst van mijn vraag zoals ingediend.

Onlangs maakte u de cijfers bekend omtrent de terugkeer van illegale criminelen uit de gevangenis. Terwijl er gemiddeld 105 verwijderingen per maand vanuit detentie gebeurden in 2024, steeg dit sinds september 2025 met gemiddeld 146 verwijderingen per maand. Dat betekent een stijging van ongeveer 25 procent ten opzichte van 2024 en het beste cijfer in de afgelopen 7 jaar. Dankzij ons gevoerde beleid en het harde werk van de Dienst Vreemdelingenzaken, zorgen we voor een kantelpunt in deze terugkeercijfers.

De top 3 nationaliteiten van illegale gedetineerden zijn Marokko, Algerije en Nederland. Terwijl uitzettingen vaak moeizaam verlopen wegens samenwerking met het land van herkomst, blijkt de samenwerking met Marokko op dit moment goed te verlopen.

Een effectief en kordaat terugkeer is het sluitstuk van een goed asiel- en migratiebeleid, in bijzonder vanuit detentie. Wegens de overbevolking kunnen onze gevangenissen criminelen zonder verblijfsrecht missen als kiespijn. Zij hebben geen plaats in onze gevangenissen en moeten in eerste instantie hun straf uitzitten in het land van herkomst.

Daarom stel ik deze vragen:

Kunt u toelichting geven over de terugkeer van illegale criminelen uit de gevangenis? Wat zijn de meeste voorkomende nationaliteiten die werden teruggestuurd? Kunt u de verhouding schetsen tussen EU-onderdanen en derdelanders? Kunt u toelichting geven over de samenwerking met Marokko en de terugkeercijfers met dat land?

Kunt u een overzicht geven van de personen en meest voorkomende nationaliteiten die hun straf uitzitten in het land van herkomst? Kunt u een overzicht geven over de interstatelijke overbrengingen? Hoe zit daar de evolutie? Bent u betrokken bij de onderhandelingen mbt akkoorden om de interstatelijke overbrengingen vlotter te laten verlopen? Hoe is de samenwerking met justitie en de Minister van Justitie?

Kunt u duiding geven over de andere initiatieven om de terugkeer uit detentie op te schalen? Waar ziet u nog marge? Kunt u een overzicht inzake de vooruitgang van de terugname-akkoorden met landen van herkomst (“Voor-wat-hoort-wat-aanpak")?

Anneleen Van Bossuyt:

Mijnheer Demon, mevrouw Van Belleghem, mevrouw De Vreese, voor alle duidelijkheid, personen in detentie met een andere nationaliteit terugsturen naar hun land van herkomst om daar hun straf verder uit te zetten, dus die tussenstaatse overbrengingen, is een procedure die valt onder de verantwoordelijkheid van de minister van Justitie. Mevrouw De Vreese merkt terecht op dat inzetten op die procedure de meeste detentiedagen zal uitsparen en dus ook het grootste effect hebben op de overbevolking. Voor de concrete cijfers nodig ik u uit om die vraag te stellen aan collega Verlinden.

Ik geef graag mee dat van de 4.000 personen in illegaal verblijf in onze gevangenissen bijna een derde in voorhechtenis zit. Daar kan de Dienst Vreemdelingenzaken niet tegen optreden. De Dienst Vreemdelingenzaken kan vreemdelingen in illegaal verblijf pas van het grondgebied verwijderen nadat ze hun straf hebben uitgezeten en dus vrijgesteld worden door Justitie. Daarin is vorig jaar sterk geïnvesteerd en dat heeft zijn vruchten afgeworpen. Vorig jaar werden, volgens de cijfers van de DVZ, 1.575 personen zonder recht op verblijf verwijderd na het verlaten van de gevangenis. Dat waren er 678 na strafeinde en 897 v óó r strafeinde, en vooral, dat waren er 314 meer dan in 2024. Het is meteen een doelstelling van de regering die al tot uitvoering komt.

De top drie van nationaliteiten betreft, zoals mevrouw De Vreese al heeft aangegeven, Marokko, Algerije en Nederland.

Zoals u allen weet, hanteert de regering een whole-of-governmentaanpak in de betrekkingen met derde landen. Dat omvat onder andere economische samenwerking, maar ook het visumbeleid dat gekoppeld wordt aan de bereidwilligheid van het land in kwestie om hun onderdanen over te nemen. Die aanpak werpt tot nu toe zijn vruchten af en zal worden verdergezet.

De dienst die de gedetineerden zonder recht op verblijf opvolgt, werd versterkt. In totaal versterken we de terugkeerdiensten met 40 extra vte's. Vorige week heb ik de terugkeerdiensten van de DVZ overigens bezocht. Die mensen verrichten fantastisch werk. Ze hebben trouwens ook een heel interessant spel gemaakt om aan bijvoorbeeld politiemensen toe te lichten hoe ingewikkeld de terugkeer is. Het is niet opgelost door ze allemaal gewoon op het vliegtuig te zetten. Er zijn veel verschillende stappen te zetten. Het spel illustreert welke hinderpalen er allemaal kunnen opduiken.

De terugkeerdiensten zijn met 40 extra vte’s versterkt, vooral met de bedoeling om meer gedetineerden en overlastplegers in illegaal verblijf te verwijderen van het grondgebied. We trachten ook om extra capaciteit te creëren voor de verwijderingen.

Het is onmogelijk uitspraken te doen over de toekomst, maar laat het duidelijk zijn dat we hier sterk op blijven inzetten, want criminele illegalen horen niet thuis in ons land.

Het zoeken naar buitenlandse gevangeniscapaciteit doe ik samen met de bevoegde minister, de minister van Justitie. U weet dat we al een missie naar Kosovo en naar Albanië achter de rug hebben. Daar alles nog in een onderhandelingsfase zit, kan ik er geen verdere informatie over geven.

De vraag naar het aantal uitgespaarde detentiedagen kan ik niet beantwoorden, aangezien dat niet onder mijn bevoegdheid valt.

Franky Demon:

Mevrouw de minister, bedankt voor uw antwoord. Akkoord, u werkt samen met de minister van Justitie, mevrouw Verlinden. U verwijst daarnaar. In uw verdere antwoord, dertig seconden later, zei u ook: in overeenstemming met het regeerakkoord hebben we whole-of-governmentaanpak ondertekend. Ik meen dus dat die whole-of-governmentaanpak ook inzake terugkeer afgesproken is en integraal samen bekeken moet worden. Mijn persoonlijke mening is dat het geen zin heeft om naar elkaar te wijzen. Ik heb minister Verlinden daar ook al over gesproken. Ik meen dat ze de samenwerking zoekt en dat het belangrijk is, voor u en voor mevrouw Verlinden, om samen die bereidheid vast te pakken, opdat u zo sneller mensen uit de gevangenis zult kunnen krijgen.

Francesca Van Belleghem:

Sta mij toe enigszins verbaasd te zijn. De gevangenissen zitten vol illegalen, met name 4.000. Vorige week vroeg u mij of ik een spel had gespeeld met de Dienst Vreemdelingenzaken. U en minister Verlinden spelen op dit moment echter een spel. U speelt een rondje zwartepieten of een rondje roetpieten. Hoe moet ik dat noemen? Nu is het niet langer het moment om spelletjes te spelen. Er slapen heel veel gevangenen op de grond. De gevangenissen puilen uit van de illegalen.

Annelies Verlinden noemde dat een collectief falen met onvoldoende wil bij andere regeringsleden. Het is de Dienst Vreemdelingenzaken en dus u, de minister van Asiel en Migratie, die moet samenwerken met minister Verlinden. Ik kan haar woorden dus niet anders interpreteren dan dat u dat andere regeringslid bent dat weigert samen te werken. Ik zie niet in wie zij anders kan bedoelen.

U antwoordt nu op mijn vraag dat het probleem niet bij u ligt maar bij minister Verlinden. Het zijn de tussenstaatse overbrengingen die slecht verlopen. Dat is allemaal goed mogelijk maar het gebeurt dus opnieuw. Mevrouw Verlinden verwijst namelijk naar u, waarop u naar Verlinden verwijst en er op het einde van de rit niets verandert. De illegalen blijven dus in de gevangenissen zitten.

De whole-of-government approach , waarnaar ook de heer Demon verwees, begint bij de regeringsleden zelf. De regeringsleden moeten zelf samenwerken. U knikt nu. Dat wil dan weer zeggen dat het mevrouw Verlinden is die niet met u samenwerkt. Vervolgens zal mevrouw Verlinden opperen dat het mevrouw Van Bossuyt is die niet met haar samenwerkt. Kunnen jullie eigenlijk wel door één deur?

Maaike De Vreese:

Dat is nu eenmaal de bestaande bevoegdheidsverdeling, met administraties die verantwoordelijk zijn voor bepaalde bevoegdheden. Iedereen heeft zijn bevoegdheden. De tussenstaatse overbrengingen en het uitzitten van de straf in het land van herkomst, vallen onder de bevoegdheid van Justitie. Op dat departement is daar ook een aparte dienst voor.

Mevrouw de minister, ik geef de andere vraagstellers gelijk dat het geen zin heeft om deze of gene met de vinger te wijzen. Het is een en-enverhaal. Eerst en vooral moet u uw bevoegdheid volledig uitvoeren, namelijk zoveel mogelijk mensen in illegaal verblijf die in onze gevangenissen zitten en het einde van hun straf hebben bereikt, repatriëren naar het land van herkomst. Wij moeten, ten tweede, veel vroeger in dat proces proberen in te grijpen. Dat betekent dat die mensen hun straf uitzitten in het land van herkomst. Daarom vroeg ik u ook naar de nationaliteiten. Als ik daarbij Marokko en Algerije maar ook Nederland in de top zie staan, dan begrijp ik niet goed waarom bijvoorbeeld alvast Nederland of andere lidstaten van de Europese Unie hun eigen onderdanen niet terugnemen om hun straf daar uit te laten zitten. Dat lijkt me iets dat u samen met minister Verlinden in detail moet bekijken, om te zien of we daar geen quick win kunnen vinden om dat op te krikken.

Ten derde, we moeten heel inventief zijn en, zoals in het regeerakkoord staat, ook buiten de Europese Unie bekijken met welke landen we kunnen samenwerken om mensen in illegaal verblijf daar hun straf te laten uitzitten. Dat zijn mensen die hier geen familie hebben, dus die moet niet overgevlogen worden. Dat kan geen excuus zijn om die piste niet verder te onderzoeken.

Blijf op alle mogelijke pistes inzetten, want onze cipiers lijden daaronder. In Brugge werden er net nog eens vier cipiers aangevallen. We moeten die problematiek samen aanpakken, ook voor de mensen die daar tewerkgesteld zijn. Ik wens u daarvoor alle succes.

Anneleen Van Bossuyt:

Ik heb geantwoord op de vragen die mij werden gesteld en ik heb op geen enkel moment met de vinger gewezen.

Mevrouw Van Belleghem, wat betreft die whole-of-government approach , u zegt dat er blijkbaar niets wordt gedaan. Ik heb vorige week heel expliciet gezegd dat we voor die problematiek met de hele regering samenwerken, specifiek wat betreft de terugkeer van illegale gedetineerden. Wat hebben we al gedaan? Samen met minister Prévot hebben we die terugnameakkoorden geregeld en bekijken we op welke manier we dat kunnen koppelen aan bijvoorbeeld het visumbeleid. We hebben eind oktober een akkoord gesloten met Marokko.

Met minister Quintin stellen we een plan op specifiek wat betreft de escorteurs. We zijn immers afhankelijk van escorteurs voor die terugkeervluchten. Tegen eind dit jaar zullen we 72 extra escorteurs hebben. Met minister Crucke zal ik met de luchtvaartmaatschappijen praten om na te gaan of zij bijvoorbeeld meerdere personen per vlucht willen toelaten. Met minister Verlinden bekijken we de terugkeercoaches in de gevangenissen, ook voor die buitenlandse gevangeniscapaciteit. Met minister Matz en de Regie der Gebouwen bekijken we hoe we naar een verdubbeling van de capaciteit in de gesloten centra kunnen gaan.

Beweren dat er niet samengewerkt wordt binnen de regering vind ik toch heel bijzonder. Ik heb hier net een hele lijst opgesomd van de zaken waarin we heel concreet samenwerken.

Francesca Van Belleghem:

Ik zeg gewoon dat u en minister Verlinden aan het zwartepieten zijn. Minister Verlinden zegt dat er onvoldoende wil is bij andere regeringsleden om dit snel op te lossen. In uw antwoord verwijst u ook weer naar minister Verlinden. Ik zeg gewoon dat u allebei naar elkaar verwijst, wat aangeeft dat de samenwerking moeilijk verloopt.

Ik ondersteun de whole-of-government approach , maar dat zou moeten betekenen dat op elk departement alles in het werk wordt gesteld om illegalen terug te sturen naar het land van herkomst. Alles, maar dan ook alles.

U knikt, maar vorige week heeft de N-VA ons wetsvoorstel om het zakgeld van illegalen af te nemen weggestemd. Dat is nochtans ook een manier om illegaal verblijf minder aantrekkelijk te maken. Dat is ook weer slechts een klein onderdeel en geen wonderoplossing. Alle aspecten zouden betrokken moeten worden. Ook het Vlaams niveau zou trouwens moeten worden betrokken bij de whole-of-government -aanpak, bijvoorbeeld om de huurovereenkomsten voor illegalen onmogelijk te maken. Dat staat al lang in het regeerakkoord, maar is nog nooit uitgevoerd. Dat is een whole-of-government -benadering, op alle aspecten werken.

Voorzitter:

U mag nog repliceren op het antwoord van de minister, mevrouw De Vreese.

Maaike De Vreese:

Het is duidelijk dat er inderdaad samenwerking nodig is op alle niveaus, mevrouw de minister. De administraties moeten samenwerken en wekelijks overleg hebben, niet enkel als het gaat over de gevangenissen, maar bijvoorbeeld ook over de forensische penitentiaire en psychiatrische instellingen. Dat zijn immers heel dure plaatsen en ook daar zitten soms mensen van andere nationaliteiten. Door die mensen hun sanctie elders te laten uitzitten, kan er weer doorstroming ontstaan. Het gaat over grote aantallen en zeer moeilijke dossiers. Ik heb dergelijke dossiers vroeger zelf behandeld, maar wellicht kan uw kabinet zich hier eens over buigen. Iedere mogelijke inspanning helpt immers.

Gynaecologisch en obstetrisch geweld en seksueel en seksistisch geweld in de zorg

Gesteld door

lijst: PS Caroline Désir

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 20 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Caroline Désir bekritiseert het ontbreken van structurele oplossingen voor gynécologische en obstetrische geweldpleging (VGO) in België, waaronder gebrekkige meldmechanismen en onvoldoende ondersteuning voor kwetsbare groepen (bv. raciale minderheden, transpersonen). Volgens haar zijn centrale meldpunten, sancties en preventiecampagnes dringend nodig. Minister Frank Vandenbroucke wijst op lopende initiatieven, zoals een interfederaal werkgroep (onder IEFH) dat definities en prioritaire maatregelen voor VGO uitwerkt, en bestaande meldkanalen (bv. patiëntenbemiddeling, Orde der Artsen, CPVS). Hij benadrukt gratis trainingen (via Operation Alerte) voor zorgverleners over consent en trauma, maar erkent gebrek aan cijfers en concrete sensibiliseringscampagnes. Désir noemt de plannen "hoopvol maar ontoereikend" en dringt aan op versnelling, met name voor data-verzameling en tangibele actie, nu het probleem breed bekend is. Vandenbroucke belooft verdere stappen na ontvangst van de werkgroepaanbevelingen.

Caroline Désir:

Monsieur le ministre, les récentes révélations en Flandre concernant des violences gynécologiques et obstétricales (VGO) ont mis en lumière des violences graves, mais aussi des failles structurelles dans notre système de santé. Plus de 250 plaintes ont été déposées, révélant l'absence de mécanismes institutionnels adaptés pour détecter, sanctionner et prévenir ces violences.

Aujourd'hui, aucune structure ne permet en effet de signaler de manière sûre, centralisée et réellement efficace les violences basées sur le genre – y compris celles qui surviennent en contexte de soins. Les victimes de violences gynécologiques et obstétricales et de violences sexistes et sexuelles (VSS) se heurtent à de nombreux obstacles pour signaler les faits: sidération, dissociation, peur de ne pas être crues, crainte de revivre des situations traumatisantes ou de subir des représailles.

Ces difficultés sont encore plus grandes pour les personnes racisées, trans, en situation de handicap ou ne parlant pas le français. On ne peut pas se contenter de leur demander de porter plainte tant que le reste ne suit pas. Elles doivent pouvoir être entendues et accompagnées et doivent savoir que leur démarche pourra conduire à de réelles améliorations: sanctions proportionnées, soutien effectif et intégration des bonnes pratiques dans la formation et sur le terrain.

Monsieur le ministre, disposez-vous de chiffres concernant les VGO et les VSS dans notre pays? À qui les victimes doivent-elles s'adresser aujourd'hui pour dénoncer ce types de violences? Quelles suites peuvent-elles être données à ces dénonciations? Quel accompagnement est-il prévu pour les victimes?

La mise en place d'un point d'accès unique, indépendant et clairement identifié, où toutes les victimes de VGO et de VSS en santé puissent être accueillies sans crainte, informées, accompagnées et orientées selon leurs besoins spécifiques, est-elle envisagée? Des campagnes de sensibilisation et d'information sont-elles prévues?

Frank Vandenbroucke:

Madame Désir, le sujet des violences gynécologiques et obstétricales est préoccupant. Heureusement, nous agissons dans ce domaine depuis quelques années. En effet, le plan d’action national 2021-2025 prévoyait déjà la constitution d’un groupe interfédéral chargé d’étudier le suivi des recommandations des professionnels en matière de VGO.

Ce groupe de travail a été supervisé par l’Institut pour l’égalité des femmes et des hommes (IEFH). Il était composé de représentants des départements de la Santé et de l’ é galité des chances du fédéral et des entités fédérées, des associations professionnelles, des représentants des associations de patients et de la société civile, ainsi que d’experts en santé mentale en lien avec les soins gynécologiques et obstétricaux.

Les recommandations élaborées dans le cadre de ce groupe s’appuient également sur le rapport d’information du Sénat, paru le 2 février 2024, sur le droit à l’autodétermination corporelle et la lutte contre les violences obstétricales. Par ailleurs, ces recommandations tiennent compte des publications et recommandations internationales parues sur le sujet, notamment celles de l’Organisation mondiale de la Santé (OMS), du Conseil de l’Europe et des Nations Unies.

Le groupe de travail s’est réuni afin d’élaborer une définition commune des VGO, ainsi que de déterminer les mesures prioritaires pour les prévenir. Ce document est finalisé et nous sera soumis sous peu.

À l’heure actuelle, nous ne disposons malheureusement pas de chiffres sur le nombre de femmes ayant été victimes de VGO. Des pistes pour une collecte des données seront certainement proposées par le groupe de travail interfédéral.

Concernant les femmes ayant subi des violences sexistes et sexuelles, nous disposons des chiffres enregistrés par les Centre de Prise en charge des Violences Sexuelles (CPVS), mais ils ne sont pas spécifiques aux VSS dans le cadre des soins de santé.

En ce qui concerne les recours en cas de VGO ou de VSS, les victimes peuvent s’adresser aux services de médiation des patients, soit dans les hôpitaux, soit directement au service de médiation des patients du SPF Santé publique. Une plainte contre un médecin peut également être introduite directement auprès de l’Ordre des médecins et de la Commission fédérale de contrôle. Dans un CPVS, il est possible de porter plainte auprès de la police, qui tient une permanence sur place ou se déplace à sa demande. En cas de violences sexistes, il est également possible d’introduire une plainte ou un signalement via Unia.

Afin de prévenir les violences, de mieux les identifier et de mieux les prendre en charge, il est important de former le personnel soignant. À cette fin, j’ai financé un vaste programme d’outils et d’e-learning dans le cadre du projet Opération Alerte. Tous ces outils et l’e-learning sont gratuits et peuvent être consultés sur le site "www.operationalerte.be". Les thématiques abordées portent notamment sur la communication respectueuse, le consentement, le droit des patients et la santé sexuelle, les soins sensibles à la diversité, à l’interculturalité, aux personnes présentant un handicap, aux traumas, etc.

Dans l’immédiat, j’attends de recevoir le document rédigé par le groupe de travail interfédéral afin de discuter avec les entités fédérées des actions à mettre en place dans le cadre de cette problématique. Actuellement, aucune campagne de sensibilisation ou d’information n’a encore été envisagée.

Caroline Désir:

Merci beaucoup, monsieur le ministre, pour votre réponse. J’entends des éléments rassurants, car il y a des perspectives. Nous attendrons donc les recommandations de ce groupe de travail afin de pouvoir aller plus loin. Comme vous le soulignez, à juste titre, cela fait déjà plusieurs années que la question des violences gynécologiques et obstétricales et gynécologiques est sur la table. Il est temps d’avancer, de pouvoir mesurer ce qui se passe et de disposer de chiffres. Vous nous avez donné quelques pistes, notamment pour permettre aux patientes victimes de porter plainte. Vous menez des actions en matière de prévention des violences et cela va dans le bon sens. Il est toutefois nécessaire d’enclencher la deuxième vitesse, car il s’agit aujourd’hui d’un phénomène suffisamment relayé pour que nous nous en préoccupions concrètement.

De begeleiding door verenigingen van drugsgebruikers in de gevangenis

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 20 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

François De Smet bekritiseert de chronische financiële onzekerheid rond SPF-gesubsidieerde drugsbegeleidingsprojecten in gevangenissen, waar wisselende budgetperiodes (4-11-7 maanden) volgens hem leiden tot dreigende ontslagen en ondermijning van de kwaliteit, ondanks regeringstoezeggingen voor versterking. Minister Vandenbroucke bevestigt de prioriteit van het project (vastgelegd in het regeerakkoord) en verklaart dat de gefaseerde subsidies (11 maanden ipv 12) een gevolg zijn van budgettaire beperkingen en loonindexatie, maar garandeert ononderbroken financiering via meerdere scenario’s om de kernactiviteiten te behouden. Beide benadrukken unaniem het essentiële werk van de betrokken medewerkers, terwijl De Smet tevrede is met de ministeriële toezeggingen om onderbrekingen te voorkomen.

François De Smet:

Monsieur le ministre, je me permets de revenir sur ce dossier en commission car ma question n° 56005248C, qui avait été transformée en question écrite, a été publiée dans les documents parlementaires, mais sans réponse.

J’avais en effet été interpellé par une association qui est notamment financée par le SPF Santé publique pour développer un projet d’accompagnement des personnes usagères de drogues en prison sur la base d’un financement du SPF Santé publique.

Ce financement repose sur un arrêté royal renouvelé chaque année – autour de l’été – pour les projets "Drogues et détention" et "Drugs.Lab". Or, ces projets sont précarisés car il a été demandé à l’association de faire des propositions d’activités et de budget sur 4 mois, puis sur 11 mois, puis à nouveau sur 4 mois et de se projeter sur une nouvelle période de 7 mois en fin d’année 2025 – à partir du 1 er novembre et du 1 er décembre –, alors qu’habituellement ces propositions se font sur 12 mois.

Ainsi , il existe une grande incertitude sur la période de 7 mois qui doit suivre puisqu’elle est tributaire du budget, la période qui est censée être couverte pour l’année à venir couvre seulement 11 mois de projet et non 12. Cette incertitude n’est pas sans conséquences puisqu’elle fragilise la situation du personnel affecté à ces projets , dont l’efficacité et la qualité de suivi sont indubitables, personnel dont l’association est l’employeur et qui pourrait être contrainte de notifier des licenciements. Il me paraît que le gouvernement a affiché sa volonté de renforcer les programmes d’aide aux personnes usagères de drogues en détention.

En conséquence, monsieur le ministre, pouvez-vous me faire savoir si vous avez été alerté par vos services de cette situation rencontrée par les associations qui dispensent un programme d’aide aux personnes toxicomanes en prison? Dans l’affirmative, pouvez-vous confirmer que ces projets pourront être pérennisés dans les temps impartis afin de ne pas impacter le personnel des associations porteuses desdits projets?

Frank Vandenbroucke:

Monsieur De Smet, le projet-pilote auquel vous vous référez revêt une importance toute particulière à mes yeux. À ce titre, il est expressément inscrit dans l'accord de gouvernement. Je suis pleinement conscient des difficultés de financement auxquelles se heurtent les asbl qui portent ce projet avec engagement et professionnalisme. Le SPF Santé publique m'a confirmé que toutes les démarches nécessaires étaient entreprises afin de permettre à ces asbl de poursuivre leurs missions.

Comme vous le savez, les administrations fédérales sont soumises à un cadre budgétaire strict, imposant une gestion prudente et rigoureuse des ressources disponibles. Cette contrainte a conduit à la rédaction de plusieurs arrêtés royaux de financement dans le but explicite d'éviter toute interruption dans les subsides octroyés. Le SPF Santé publique est tenu de suivre toutes les procédures administratives et ne peut y déroger. Par mesure de précaution, l'administration a élaboré plusieurs scénarios de financement, invitant les asbl concernées à soumettre trois plannings budgétaires distincts, tout en veillant scrupuleusement à ne pas altérer les objectifs fondamentaux du projet-pilote. Ce dernier est actuellement financé sur la base de subsides annuels tels qu'inscrits au budget de l' É tat.

Afin de garantir l'indexation des salaires et compte tenu des enveloppes budgétaires allouées, il n'a pas été possible de prolonger le projet sur une période de 12 mois, comme cela avait été le cas les années précédentes. Le financement a donc été réparti sur une période de 11 mois, en concertation directe avec les asbl , de manière à leur assurer les moyens nécessaires à la couverture de l'ensemble de leurs dépenses.

Je tiens à exprimer ma profonde reconnaissance à tous les acteurs de terrain qui, dans les établissements pénitentiaires concernés, accomplissent un travail remarquable. Je souhaite les assurer de ma volonté politique de maintenir ces projets.

François De Smet:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse. Nous partageons, je crois, ce sentiment d'urgence et d'importance de ce projet que je trouve, moi aussi, essentiel. Je vous remercie d'avoir pris les dispositions pour que les mesures de financement puissent continuer sans interruption et je me joins à vos propos sur le soutien au personnel qui fait, chaque jour, dans ce milieu difficile, un travail remarquable. La présidente : La question n° 56011798C de Mme Irina De Knop. J’en arrive aux points suivants. M. Jeroen Van Lysebettens et Mme Natalie Eggermont sont absents.

De doelstelling van de arizonaregering in de strijd tegen belastingfraude

Gesteld door

lijst: PS Hugues Bayet

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 15 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Hugues Bayet bekritiseert minister Jambon en diens regering omdat ze fraude sociale zwaarder bestraffen dan fraude fiscale (€30 mjd/jaar), wat hij een "twee maten en gewichten"-beleid noemt, en verwijt hen het ontmantelen van gespecialiseerde politiediensten onder vorige legislaturen, terwijl eerdere regeringen (bv. Di Rupo) wel €1,8 mjd terugbrachten. Volgens Bayet belast de regering onevenredig werkers, gepensioneerden en de middenklasse, terwijl fraudeurs en paradijsficus-gebruikers worden ontzien – een "schandaal" dat 80% van de Belgen verwerpt. Jambon werpt tegen dat zijn regering concreet optreedt (datamining, 377 extra agenten, een nieuw SRFF en fiscaal parket), en benadrukt dat fraude fiscale "de legitimiteit van het systeem ondermijnt", maar Bayet ontkent deze vooruitgang als "cijfergoochelarij" en eist meer middelen en daadkracht tegen belastingontduiking, die hij als structurele bescherming van rijken afschildert.

Hugues Bayet:

Monsieur le ministre, hier matin, en buvant mon café, j'ai failli m'étrangler quand j'ai découvert les propos de votre collègue Clarinval. Pour lui, la fraude sociale est bien plus grave que la fraude fiscale. Nous savions que votre gouvernement n'était pas bon en maths, mais nous en recevons aujourd'hui une nouvelle preuve puisqu'il vaut mieux se battre pour récupérer quelques centaines de millions plutôt que les 30 milliards d'euros que coûte annuellement la fraude fiscale à la Belgique.

Monsieur le ministre, soyons très clairs, il faut évidemment lutter contre toutes les formes de fraude. Nous ne vous avons pas attendu, ne vous en déplaise. En effet, sous la précédente législature, grâce au travail du collègue Dermagne, nous avions obtenu de bien meilleurs résultats que les vôtres. Avec vous, c'est un peu comme s'il existait une bonne et une mauvaise fraudes. Le dumping social dans le secteur de la construction, par exemple, que le ministre Clarinval connaît bien, c'est non. Et il a raison. En revanche, le dumping fiscal qui consiste à planquer son pognon dans les banques, c'est quelque chose qui passe. Pourquoi donc? Or vous savez que 80 % des Belges veulent qu'on aille rechercher plus d'argent dans leurs poches. Tout le monde sait qu'investir dans la lutte contre la fraude fiscale rapporte. La preuve la plus concrète, qui va encore vous faire mal, en a été apportée par le gouvernement Di Rupo qui, avec les collègues de Vooruit, a ramené 1,8 milliard d'euros. Or, quand vous êtes au pouvoir, il ne se passe rien. Sous la Suédoise, avec Charles Michel, vous avez démantelé la branche de la police spécialisée dans la lutte contre fraude fiscale. Vous, monsieur le ministre – personne d'autre! Sous l'Arizona, vous avez décidé de ne pas dédicacer un ministère à la lutte contre la fraude fiscale.

Pour ma part, franchement, je me tracasse et je voudrais savoir, monsieur le ministre, ce que vous pensez des déclarations de votre collègue. Ne trouvez-vous pas qu'il s'agit d'un signal inacceptable, surtout quand, dans le même temps, votre gouvernement et vous en tant que ministre des Finances, vous assommez les retraités, les travailleurs et les classes moyennes de taxes diverses et variées? Du reste, je n'aurai même pas assez des deux minutes qui me sont imparties pour citer toutes les taxes que vous imposez aux citoyens depuis moins d'un an. C'est franchement scandaleux, monsieur le ministre.

Jan Jambon:

Cher collègue, vous exprimez ici une critique virulente. Permettez-moi de clarifier immédiatement un point. En moins d'un an, ce gouvernement a accompli davantage en matière de lutte contre la fraude que ce que certains gouvernements précédents ont réalisé en plusieurs années. Je tiens également à répéter ce point essentiel, que vous pouvez trouver dans l'accord de gouvernement: la fraude fiscale sape la légitimité de l'ensemble de notre système et touche en premier lieu toutes celles et ceux qui paient correctement leurs impôts. Demander des efforts à la population sans, dans le même temps, s'attaquer aux excès et aux abus, serait profondément injuste. Nous sommes d'accord.

Permettez-moi de vous donner un aperçu de ce que nous avons déjà entrepris au cours de cette année. La disposition anti-abus relative aux comptes-titres a été adaptée. Le recours au datamining a été rendu possible afin de détecter la fraude de manière plus ciblée et plus efficace. Cela nous a pris du temps en commission, mais c'est réglé. Nous mettons en place un Service de recherche fiscale et financière (SRFF) – vous avez raison, ce n'est pas un ministère – capable de détecter rapidement les flux financiers criminels et de les saisir. Un parquet financier est en cours de création – pas un ministère – et 377 recrutements supplémentaires sont prévus dans la lutte contre la fraude. Les douanes sont renforcées de manière structurelle et je travaille à des mesures législatives complémentaires afin de renforcer encore ce cadre.

Cher collègue, il ne s'agit pas d'effets d'annonce. Ce sont des faits, des actes, des décisions concrètes qui sont mises en œuvre dès à présent. Prenez-en bonne note: ce renforcement sera maintenu tout au long de la législature!

Hugues Bayet:

Monsieur le ministre, j'émettrai deux remarques. Premièrement, je confirme que vous êtes nul en maths. Vous dites que vous faites mieux que nous. Nous y reviendrons en commission avec des chiffres et nous verrons alors que ce gouvernement a des difficultés avec les mathématiques. Deuxièmement, sans surprise, vous confirmez les propos de votre collègue. Dès lors, pendant quelques années encore, les travailleurs, les retraités, la classe moyenne devront payer parce que vous voulez protéger les milliardaires et surtout les fraudeurs fiscaux. Cela ne va pas, monsieur le ministre. Vous ne pouvez pas prôner ce deux poids deux mesures en matière de lutte contre la fraude car cela gangrène la société. Vous devez, au contraire, renforcer les services de l'État, que ce soit en termes de moyens humains ou de moyens technologiques, tout comme vous devez traquer les entreprises qui exploitent les travailleurs, tout comme vous devez poursuivre les contribuables qui planquent leur argent dans les paradis fiscaux. Vous le savez, vous avez une immense responsabilité envers la majorité des Belges. Alors, agissez! Ramenez à la maison tout le pognon planqué!

Het verslag van de VSSE, de georganiseerde misdaad en de radicalisering van minderjarigen
De inmenging, het geweld en het extremisme waarvan sprake in het jaarverslag van de VSSE
Veiligheidsdreigingen, extremisme en georganiseerde criminaliteit in VSSE-jaarverslag

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken), Bart De Wever (Eerste minister)

op 15 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

François De Smet (Vooruit) wijst in het VSSE-rapport op twee acute bedreigingen: de toenemende dreiging tegen magistraten door georganiseerde misdaad (met tijdelijke opvang in safe houses) en de radicalisering van extreem jonge minderjarigen (gemiddeld 12-22 jaar, inclusief nihilistisch-extremistische gaming-rekrutering). Hij vraagt om concrete beschermingsmaatregelen voor zowel justitie als kwetsbare jongeren. Georges-Louis Bouchez (MR) bekritiseert dat linkse partijen violent extremisme van extreemlinks (zoals intimidatie van politieke tegenstanders) en islamistische radicalisering (o.a. via de Moslimbroederschap) bagatelliseren, terwijl de VSSE deze als reële dreigingen bevestigt; hij pleit voor verscherpt strafrecht en een commissie voor een gecoördineerde veiligheidsstrategie, maar ontwijkt volgens De Smet de extreemrechtse dreiging – die het rapport wel als prioriteit noemt. Minister Verlinden (CD&V) bevestigt de multidimensionale dreigingen (georganiseerde misdaad, extremisme in alle vormen, buitenlandse inmenging) en kondigt wetswijzigingen aan voor betere renseignementtools, met focus op bescherming van magistraten en minderjarigen, maar benadrukt dat samenlevingsbrede waakzaamheid essentieel is. De Smet bekritiseert Bouchez’ voorstel om associaties te ontbinden als "illiberaal", terwijl Bouchez eist dat extreemlinks gelijk wordt behandeld als andere extremismen en een parlementaire commissie vraagt voor een geïntegreerd veiligheidsbeleid.

François De Smet:

Madame la ministre, le rapport annuel de la Sûreté de l’État (VSSE) est sorti. J’invite vraiment tous les collègues à le lire, car il dresse un portrait particulièrement précieux des menaces qui pèsent sur notre pays. Parmi celles-ci, deux phénomènes me paraissent particulièrement intéressants, inédits et nouveaux en termes de dangerosité.

Le premier concerne la menace qui pèse sur les magistrats en raison du crime organisé. Nous savons malheureusement que, notamment à cause du trafic de stupéfiants via le port d’Anvers avec Bruxelles comme réseau de distribution et les fusillades, les magistrats sont désormais en première ligne. Ils sont, nous dit le rapport, couramment exposés à la violence. Ils doivent parfois être temporairement placés dans des safe houses . Il existe une menace constante à leur égard. Ils sont sous protection policière de manière exceptionnelle, un phénomène encore qualifié d’impensable il y a quelques années.

Le second point, qui me paraît tout aussi troublant, concerne le très jeune âge des individus impliqués dans des menaces extrémistes ou terroristes, quelles qu’elles soient. Un tiers des personnes appréhendées et impliquées dans des dossiers de violences terroristes en 2025 étaient mineures. Les chiffres sont alarmants. L’âge médian des individus impliqués dans des dossiers de terrorisme djihadiste est de 22 ans, et le plus jeune n’a que 12 ans. Pour l’extrême droite, l’âge médian tombe à 18 ans, avec une forte présence de la sous-culture accélérationniste. À l’extrême droite encore, on observe pour la première fois, de manière structurelle, une forme d’extrémisme nihiliste ciblant des enfants vulnérables sur les plateformes de gaming afin de les inciter à la violence, à l’automutilation, voire au suicide.

Madame la ministre, comment allez ‑ vous r é agir face à ces deux menaces qui me paraissent à la fois sp é cifiques, nouvelles et particuli è rement p é rilleuses? Comment comptez ‑ vous assurer la s é curit é des magistrats et des policiers face au crime organis é , ainsi que celle de nos enfants, de plus en plus jeunes à pouvoir tomber dans toute forme d ’ extr é misme, de gauche, de droite ou religieux?

Georges-Louis Bouchez:

Madame la ministre, ce rapport de la Sûreté de l'État est effectivement assez interpellant sur le volume de menaces qui pèsent sur notre pays.

Il y a bien évidemment des menaces sur le plan international, venant de deux pays – la Chine et la Russie – qui semblent d’ailleurs tenir à cœur à certaines formations politiques présentes dans cet hémicycle, et également des menaces intérieures, dont celle de l’extrême gauche.

Il est extrêmement intéressant, puisqu’on considérait que c'était les lubies du Mouvement Réformateur, de voir un rapport de la Sûreté de l'État indiquer très clairement que nier la violence de l’extrême gauche serait, je cite, "passer à côté d’une tendance et d’un phénomène". Cette violence vise à intimider, par exemple, des opposants politiques. Tiens, tiens, je crois que l’actualité en témoigne assez régulièrement! Cela doit nous interpeller.

Une autre menace intérieure, c’est celle de l’islamisme radical. C’est celle des Frères musulmans. Là aussi, on a considéré que ma formation politique était dans le pur fantasme. Nous voyons aujourd'hui que la Sûreté de l'État le confirme, avec une donnée extrêmement inquiétante: c’est la jeunesse d’une série de personnes radicalisées qui constitue aujourd'hui une menace pour notre pays.

Tout cela prouve que la mesure du ministre Bernard Quintin, qui vise à dissoudre des associations dangereuses et radicales, est tout à fait fondée, comme l’a d'ailleurs confirmé le Conseil d'État, puisque, sur le principe, elle a été acceptée d’un point de vue juridique.

Madame la ministre, quelles suites comptez-vous donner à ce rapport et quelles mesures comptez-vous prendre, avec un regard, en particulier, sur la protection de la jeunesse et le droit pénal? Le droit pénal doit-il évoluer, selon vous, compte tenu de jeunes qui, aujourd'hui, sont dans des situations de radicalité bien différentes de celles que nous avons pu connaître?

Annelies Verlinden:

Messieurs les députés, le rapport annuel de la VSSE permet en effet de jeter un regard rétrospectif sur les menaces auxquelles les services et la société ont été confrontés durant l'année écoulée, mais il lui permet également de se tourner vers les défis qui l'attendent dans les prochains mois.

Le contexte géopolitique international, comme les conflits que vous avez mentionnés, exerce en effet un impact direct sur notre sécurité intérieure et se traduit par un large éventail de menaces hybrides allant de l'espionnage et l'ingérence aux opérations cyber et à la désinformation. Il est donc rassurant que le rapport de la VSSE démontre que nos services de renseignement suivent ces menaces de près et agissent de manière proactive, entre autres, en partageant ces informations avec les services de sécurité, telle la police, pour anticiper des conflits et autres incidents.

En parallèle, la menace terroriste perdure. L' État islamique et al-Qaïda n'appartiennent pas au passé. L'attaque du 14 décembre de l'année dernière à Bondi Beach, en Australie, en offre un nouvel exemple tragique. Les conflits qui persistent au Moyen Orient restent un terreau fertile pour la radicalisation. La rhétorique employée peut inciter des individus à commettre des actes violents également dans notre pays. Nous ne le tolèrerons pas.

Outre ces menaces, la lutte contre l'extrémisme sous toutes ses formes – de gauche, de droite et islamiste – constitue une priorité pour nos services. Je condamne fermement tout acte extrémiste qui vise la liberté d'expression et le débat politique. Je me félicite que nos services agissent pour contrer cette menace. Cependant, ils ne peuvent pas accomplir ce travail seuls. En effet, cette tâche incombe à la société dans son ensemble. Nous devons tous rester vigilants et montrer de la résilience envers cet assaut contre la liberté d'expression. La menace extrémiste émanant des Frères musulmans, qui se caractérise notamment par une volonté d'influencer clandestinement la politique gouvernementale concernant l'islam, reste d'actualité. Par ailleurs, le monde actuel, de plus en plus polarisé, constitue un terreau fertile pour alimenter et renforcer les mouvements extrémistes, qu'ils soient de gauche ou de droite. Propagande, intimidation ou encore appels à la violence sont des méthodes utilisées tant par les extrémistes de gauche que par ceux de droite, qu'il convient de combattre avec tous les moyens dont nous disposons.

Enfin, comme vous le dites, le crime organisé représente un enjeu sécuritaire toujours plus important. Les organisations criminelles recourent en effet de plus en plus à des mineurs, notamment dans le trafic de drogue, et tentent de déstabiliser l'État par la corruption, l'intimidation de fonctionnaires et de magistrats ou encore l'infiltration de structures légales.

C'est pourquoi la Sûreté de l'État continue de miser pleinement sur les partenariats nationaux, en particulier avec le service militaire de renseignement, mais aussi sur les partenariats internationaux. Seul un échange intensif d'informations et une analyse conjointe permettront d'identifier les menaces à temps et de les gérer efficacement.

Notre sécurité est en jeu. Il est donc essentiel de continuer à renforcer nos services de sécurité, et particulièrement nos services de renseignement, pour lutter efficacement contre l'extrémisme, la criminalité organisée et les ingérences étrangères. C'est précisément la raison pour laquelle j'ai décidé, l'an dernier, d'investir considérablement dans les capacités technologiques de la VSSE et que je déposerai prochainement un projet de loi visant à étoffer l'arsenal juridique de nos services de renseignement, certainement par rapport à la sécurité des magistrats, des mineurs et des enfants. Il faut donner tous les outils nécessaires à nos services de renseignement.

François De Smet:

Madame la ministre, je vous remercie.

C'est très intéressant de prendre, d'un côté, le rapport et, de l'autre, ce que notre collègue M. Bouchez en dit. Quand vous lisez le rapport, vous constatez très clairement qu'il classe les menaces par niveau de dangerosité. Ce rapport dit que le plus dangereux, c'est l'extrémisme religieux suivi de l'extrême droite et, ensuite, de l'extrême gauche, dangereuse à cause de l'intimidation ou du trouble à l'ordre public. Mais les deux premières menaces sont les plus dangereuses à cause de leur impact terroriste.

Monsieur Bouchez, je trouve dommage que vous ne parliez jamais de l'extrême droite parce qu'on attend aussi le MR à ce sujet. J'ai connu un MR qui était le premier des remparts contre l'extrême droite, non pas en recyclant d'anciens candidats, mais en contrant leurs actions et leurs discours.

Bien sûr qu'il faut lutter contre tous les extrémistes et contre ces associations de manière générale, mais pas en les dissolvant. Il n'y a rien de moins libéral, monsieur Bouchez, que de dissoudre des associations.

Georges-Louis Bouchez:

Je suis presque ému de la défense de l'extrême gauche par M. De Smet, mais cela ne doit pas m'étonner, vu ses fréquentations à Bruxelles. La réalité, c'est que nous n'avons pas besoin de rappeler l'extrême droite, parce que nous sommes sûrs de nos valeurs. Ce que je constate, en revanche, c'est que, dans cet hémicycle, on a tant de mal à condamner la violence de l'extrême gauche qu'il est heureux que nous soyons là pour mettre sur un pied d'égalité l'extrême gauche, l'extrême droite et le radicalisme religieux comme autant de menaces identiques pour notre pays. Pour le reste, madame la ministre, je vous remercie pour votre réponse. Je dois avouer que vous êtes courageuse, parce qu'en réalité, vous répondez seule à des menaces qui sont multiples et qui concernent également vos collègues. C'est la raison pour laquelle le Mouvement Réformateur demandera l'organisation d'une commission spéciale afin de développer une stratégie de sécurité commune entre les différents départements, que ce soit à l'international, de votre côté, à l'Intérieur, mais aussi avec le premier ministre.

De consumenten- en gegevensbescherming op e-commerceplatformen

Gesteld door

lijst: N-VA Lieve Truyman

Gesteld aan

Vanessa Matz (Minster van Modernisering van de overheid, Overheidsbedrijven, Ambtenarenzaken, Gebouwenbeheer van de Staat, Digitalisering en Wetenschapsbeleid)

op 14 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Lieve Truyman (CD&V) bekritiseert het onevenwichtige speelveld tussen fysieke winkels en e-commerceplatformen, vraagt om strengere digitale consumentenbescherming (met name bij niet-EU-platforms), betere handhaving van privacy- en IE-rechten (o.a. bij Temu), en concrete tools voor kmo’s via de aangekondigde taskforce. Minister Matz (Digitalisering) benadrukt dat EU-regels (zoals DSA) en bestaande klachtkanalen (GBA, DPO) voldoende bescherming bieden, verwijst IE-kwesties door naar Economie, en bevestigt een nieuwe kmo-tool (naast Check & Change) voor duurzame e-commerce, gecoördineerd door BIPT. Truyman uit bezorgdheid over datalekken en fraude (bv. Temu) en dringt aan op proactief toezicht door BIPT in plaats van reactieve klachtenafhandeling, met name tijdens aanstaand overleg met sectorfederaties. Kernpunt: Spanningsveld tussen bestaande EU-regels (volgens Matz afdoende) en roep om strengere handhaving (Truyman eist actie tegen platforms die regels ontwijken).

Lieve Truyman:

Mevrouw de voorzitster, mevrouw de minister, mijn vraag gaat specifiek over e-commerce. Dat is inderdaad een essentieel onderdeel van onze economie. Dat staat buiten kijf. E-commerce biedt immers heel veel kansen aan onze ondernemingen en ook aan onze consumenten.

De digitale platformen maken handel efficiënter en grensoverschrijdend, maar roepen tegelijkertijd vragen op over het gelijke speelveld tussen fysieke winkels en onlinespelers. Fysieke handelaars opereren binnen een duidelijk regelgevend kader, terwijl het toezicht op grote, vaak grensoverschrijdende e-commerceplatformen veel complexer is.

Daarom heb ik een aantal vragen voor u, specifiek binnen uw bevoegdheid Digitalisering.

Hoe wordt er in de digitale context over gewaakt dat consumenten die online aankopen doen, een gelijke bescherming genieten als in fysieke winkels, zowel bij aankopen via Europese als via niet-Europese webshops?

Welke garanties bestaan er vandaag voor de correcte verwerking van persoonsgegevens van Belgische consumenten op e-commerceplatformen?

Welke digitale tools kunt u aanreiken om de controle en handhaving te versterken?

Belgische makers en ondernemingen melden frequent inbreuken op auteurs- en intellectuele eigendomsrechten op bepaalde e-commerceplatformen. Welke initiatieven kunt u als minister van Digitalisering nemen om de onlinebescherming van die rechten te versterken? Welke verantwoordelijkheid legt u daarbij bij de platformen zelf?

We hebben onlangs kennis kunnen nemen van het kmo-plan. Daarin lezen we in maatregel 43 dat er een taskforce rond e-commerce zal worden opgericht, waarbij u als minister van Digitalisering ook betrokken bent. Welke concrete oplossingen en standpunten brengt u vanuit uw bevoegdheid aan binnen de taskforce?

Bij maatregel 44 van datzelfde kmo-plan zal de regering de kmo’s sensibiliseren rond e-commerce en een onlinetool aanreiken voor de opstart en de ontwikkeling van elektronische handel. Is die tool een aanvulling op de recent gelanceerde Check & Change van Comeos en UNIZO of wordt een nieuwe tool gelanceerd?

Dat zijn alvast heel veel vragen.

Vanessa Matz:

Mevrouw Truyman, consumenten genieten online evenveel bescherming als in de winkel. Dat geldt ook voor niet-Europese platformen die in België actief zijn. Bij een vermoeden van misbruik bij de verwerking van persoonsgegevens kan een klacht worden ingediend bij het platform via de DPO (Data Protection Officer) en, in tweede instantie, bij de Gegevensbeschermingsautoriteit (GBA).

Voor de intellectuele eigendomsrechten verwijs ik u door naar de minister van Economie. Binnen de taskforce die u vermeldt, worden twee prioritaire pijlers naar voren geschoven: ten eerste de uitvoering van de Digital Services Act (DSA), met het Belgisch Instituut voor Postdiensten en Telecommunicatie (BIPT) als coördinator digitale diensten en ten tweede een slimmere en duurzamere last mile .

Maatregel 44 van het kmo-plan is een onlinetool die ter beschikking zal worden gesteld om kmo's te helpen het elektronisch handelsverkeer op te starten en verder te ontwikkelen. Meer gedetailleerde informatie daarover kunt u krijgen bij de minister van Kmo’s en de minister van Economie.

De Check & Change-tool waarnaar u verwijst, is al operationeel. Die werd ontwikkeld door UNIZO, Comeos en Becom, met steun van de federale overheid, om handelaars in staat te stellen de prestaties van onlinewinkels op het vlak van duurzaamheid in kaart te brengen en te verbeteren. De sensibiliseringstool sluit perfect aan bij onze ambitie om de kwaliteit van de Belgische e-commerce te verzekeren en te valoriseren en het verzenden van pakketten duurzamer te maken.

Lieve Truyman:

Dank u voor uw antwoord. Ik heb begrepen dat u deze week opnieuw samenzit met bnode en de handelsfederaties. Ik wil u nog mijn bezorgdheid meegeven met betrekking tot het beschermen van de gegevens, zowel van handelaars als van consumenten. We weten immers dat het platform Temu niet zo nauw omspringt met het beschermen van gegevens en eigendomsrechten. In het overleg dat u binnenkort opnieuw met hen zult hebben, kunt u vragen dat het BIPT toeziet op dat nieuwe platform, zodat zowel de handelaars als de consumenten die ervan gebruik zullen maken, gerust kunnen zijn, zodat men bij een vermoeden van fraude of misbruik niet telkens de klachtenportals moet gaan contacteren. We moeten er zelf eerst voor zorgen dat we de poorten sluiten. Ik geef u die bezorgdheid nog mee voor het komende overleg. De voorzitster : Vraag nr. 56012158C van Sam Van Rooy en vraag nr. 56012392C van Funda Oru vervallen. Vraag nr. 56012356C van Marie Meunier wordt in een schriftelijke vraag omgezet. Daarmee sluit ik de vergadering. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 15.04 uur. La réunion publique de commission est levée à 15 h 04.

De veiligheid in het Justitiepaleis en de inspecties en vereiste maatregelen

Gesteld aan

David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)

op 14 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Anne Pirson wijst op zware, aanhoudende tekortkomingen in het Justitiepaleis van Brussel (brandveiligheid, hygiëne, infrastructuur), ondanks 10-jarige waarschuwingen, en bekritiseert het ontbreken van dwingende maatregelen door de overheid. Minister Clarinval bevestigt inspecties en waarschuwingen (2021–2023) maar beroept zich op geheimhouding (onderzoek, Code pénal social) en wijst naar de verantwoordelijkheid van werkgevers voor uitvoering van actieplannen, zonder concrete dwangmiddelen te aankondigen. Pirson (Les Engagés) bekritiseert het vertrouwen in "vrijwillige regulering" als ontoereikend bij levensbedreigende risico’s en eist verplichte sancties, strenge opvolging en interministeriële coördinatie. Clarinval benadrukt dagelijkse controles door de inspectiedienst, maar vermijdt toezeggingen over verplichtende stappen.

Anne Pirson:

Monsieur le ministre, les constats dressés concernant le complexe cellulaire du Palais de Justice de Bruxelles soulèvent de graves questions en matière de bien-être au travail. Selon l'auditorat du travail, certaines conditions de travail des agents de la Direction de la Sécurisation (DAB) ne respectent pas la réglementation, notamment en raison de problèmes d'hygiène, de sécurité incendie, d'infiltrations et d'infrastructures dégradées. Les pompiers ont relevé des manquements particulièrement préoccupants, tels qu'une absence quasi totale de compartimentage coupe-feu, des issues de secours verrouillées, une détection incendie déficiente et une accumulation de matériaux inflammables.

Plusieurs de ces mesures avaient déjà été exigées il y a plus de dix ans. L'auditorat du travail n'a, à ce stade, pas fait usage des mesures coercitives prévues par le Code pénal social et privilégie une régularisation volontaire. Il demande toutefois que le plan d'action existant soit accéléré et complété.

Monsieur le ministre, le Contrôle du bien-être est-il saisi? Quelles inspections ont-elles été menées récemment et quelles sont les constatations officielles de vos services? Êtes-vous également en contact étroit avec votre homologue du gouvernement, le ministre Beenders, afin d'assurer un suivi cohérent et coordonné? Compte tenu de la gravité des manquements constatés, vos services envisagent-ils d'imposer des mesures contraignantes, notamment en matière de sécurité incendie? Comment comptez-vous garantir que l'ensemble des obligations légales du code du bien-être au travail soit pleinement respecté, tant pour les agents de la DAB que pour l'ensemble des personnels concernés?

David Clarinval:

Madame la députée, la Direction régionale de Bruxelles ‑ Capitale de l ’ Inspection du travail – Direction g é n é rale Contr ô le du bien ‑ ê tre au travail – a en effet é t é saisie par une apostille de l ’ auditeur du travail à Bruxelles, dat é e du 29 novembre 2025, concernant la s é curit é du travail au Palais de Justice de Bruxelles. Compte tenu du secret de l ’ enqu ê te judiciaire, tel que pr é vu à l ’ article 54, troisième alinéa du Code p é nal social, aucune information ne peut ê tre fournie sur le contenu de ce dossier.

Le Palais de Justice de Bruxelles a fait l’objet de plusieurs inspections menées par le service d’inspection susmentionné ces dernières années. Par exemple, en juin 2021, un chantier de construction sur le site du Palais de Justice a été inspecté, à la suite de quoi un avertissement écrit a été envoyé en application des dispositions de l’article 21, premier alinéa du Code pénal social. En novembre 2021, une inspection a été effectuée dans le service DAB Cours et tribunaux de la police fédérale situé au Palais de Justice de Bruxelles, après quoi un avertissement écrit a été envoyé et un plan d’action a été reçu. Compte tenu du secret de l’enquête administrative, tel que prévu à l’article 58/1 du Code pénal social, aucune information ne peut non plus être fournie sur le contenu de ce dossier. En novembre 2022, une visite d’inspection a été effectuée en présence de l’auditeur du travail qui a pris en charge le dossier. En septembre 2023, une visite d’inspection a eu lieu concernant la coupole du palais, toujours en présence de l’auditeur du travail. Pour être complet, je voudrais ajouter que le bâtiment situé place Poelaert a également fait l’objet d’une inspection en juin 2023, ce qui a donné lieu à un avertissement écrit.

En ce qui concerne la coordination avec le ministre Beenders, il va de soi que nous ne discutons pas de dossiers spécifiques. Il appartient en effet aux services d’inspection et aux auditorats du travail de mener leurs missions en toute indépendance. Quant à la sécurité sur le chantier, nous y accordons une attention particulière dans notre plan stratégique et dans notre plan d’action de lutte contre la fraude sociale.

S’agissant de votre deuxième question, étant donné que le dossier est en cours de traitement chez l’auditeur du travail, l’inspection doit, en application du Code d’instruction criminelle, se conformer strictement aux instructions données par l’auditeur du travail concernant le suivi ultérieur.

Pour ce qui est de votre troisième question, il incombe désormais aux employeurs concernés de poursuivre la mise en œuvre des mesures de prévention incluses dans les plans d’action. Pour en assurer le contrôle, nous disposons des vérifications effectuées par notre service d’inspection Contrôle du bien ‑ê tre au travail, qui veille au respect des différentes prescriptions légales. Ce service d'inspection du SPF Emploi effectue des contrôles quotidiens, soit sur mandat de l'auditorat, soit lors de visites spontanées sur les chantiers.

Anne Pirson:

Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses. Les constats évoqués ne relèvent pas de simples dysfonctionnements techniques, mais de manquements graves et persistants aux règles de sécurité et de bien-être au travail. Lorsque des exigences formulées depuis plus de dix ans ne sont toujours pas respectées, la question n'est plus celle de l'intention, mais celle de l'effectivité de l'action publique. Sachez que pour Les Engagés, la priorité est vraiment la sécurité des agents. Le recours à la seule régularisation volontaire ne peut être une solution durable quand des risques d'incendie et des atteintes à l'intégrité physique sont avérés. Nous attendons donc non plus de nouvelles inspections multiples, mais un suivi rigoureux, contraignant si nécessaire, et une coordination claire avec les autres ministres concernés pour que le code du bien-être au travail soit appliqué pleinement et sans exception. Il nous semble que la sécurité au travail n'est pas optionnelle ou négociable. Elle doit être garantie, ici comme ailleurs.

De re-integratie van vrouwelijke slachtoffers van geweld op de arbeidsmarkt

Gesteld aan

David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)

op 14 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sarah Schlitz bekritiseert dat het beloofde "pack nouveau départ" – een integrale steunmaatregel (financieel, juridisch, psychologisch en arbeidsgerelateerd) voor slachtoffers van partnergeweld – ondanks politiek akkoord in april 2024 nog steeds niet operationeel is, en dringt aan op concrete uitvoering en timing. Minister Clarinval wijst zijn beperkte bevoegdheid (werkgelegenheid is regionaal) en verwijst naar collega Beenders voor het nationale actieplan, zonder eigen maatregelen te beloven. Schlitz waarschuwt dat de tijdsbeperking op werkloosheidsuitkeringen kwetsbare samenwonenden verder in economische afhankelijkheid drijft, wat hun vlucht uit geweldsituaties bemoeilijkt, en eist dringende oplossingen in plaats van "sancties".

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, lorsqu’une femme est victime de violences conjugales, les obstacles à son départ et à sa reconstruction sont souvent multiples et profondément imbriqués. Outre la violence elle ‑ m ê me, la d é pendance financi è re, l ’ emprise exerc é e par le conjoint ou encore les entraves directes ou indirectes à l ’ acc è s à un emploi constituent des freins majeurs à l ’ autonomie et à la s é curit é de ces femmes.

Aujourd’hui, le "pack nouveau départ" a précisément été conçu pour lever ces différents freins. Ce dispositif public vise à offrir un soutien global aux victimes: aide financière d’urgence, accompagnement socio ‑ juridique gratuit, vingt s é ances psychologiques, dispositifs d ’ adresses prot é g é es, ainsi que des mesures de protection sp é cifiques sur le lieu de travail ou dans la recherche d ’ emploi.

Un accord avait été conclu en avril 2024 au sein de la Conférence interministérielle (CIM) Droits des femmes et avait reçu l’appui public de plusieurs partis et membres des différents gouvernements de l’époque. Pourtant, ce dispositif n’a toujours pas été opérationnalisé.

Monsieur le ministre, au regard de l’urgence de la situation et des engagements pris, pouvez ‑ vous pr é ciser quelles mesures votre gouvernement entend mettre en œ uvre afin de soutenir concr è tement les femmes victimes de violences conjugales dans leur d é marche d ’é mancipation é conomique? Par ailleurs, pouvez ‑ vous indiquer selon quel calendrier et quelles modalit é s le pack nouveau départ sera rendu pleinement op é rationnel, afin que les engagements politiques se traduisent enfin en mesures effectives pour protéger les victimes et leur offrir une autonomie financière? Je vous remercie pour vos réponses.

David Clarinval:

Monsieur le président, il est essentiel que les femmes victimes de violences puissent se reconstruire et retrouver leur pleine autonomie. L’emploi constitue un levier important dans le processus d’émancipation des femmes victimes de violences, notamment de violences conjugales. En effet, la dépendance économique est souvent un outil de contrôle utilisé par l’auteur des violences.

Mes compétences ministérielles sont cependant très limitées sur cette question. De fait, l’accompagnement et la formation des demandeurs d’emploi, ainsi que la politique relative à des groupes cibles spécifiques sur le marché du travail, relèvent de la compétence des régions et des communautés.

Je me permets également de vous renvoyer à mon collègue, le ministre Beenders, qui travaille sur un nouveau plan d’action national de lutte contre les violences basées sur le genre. Il sera le mieux placé pour répondre sur cette matière, notamment quant au pack que vous avez évoqué, qui relève de sa compétence.

Sarah Schlitz:

Merci pour votre réponse. Ce qui est intéressant dans la démarche des associations ayant soumis aux différents gouvernements le projet de pack nouveau départ, c'est qu'il part de situations concrètes vécues sur le terrain, notamment observées dans les refuges pour femmes victimes de violences ou auprès des associations qui les soutiennent. Il s'agit d'un outil clé sur porte, peu coûteux, mais susceptible de produire des résultats très concrets et de dénouer des situations de violences parfois inextricables. Aujourd'hui, ce qui m'inquiète fortement, c'est que la limitation des allocations de chômage dans le temps va également pénaliser des cohabitantes qui ne percevront plus d'allocation et qui n'auront pas droit à un revenu au niveau du CPAS. Nous savons qu'elles ne rempliront pas les conditions pour accéder à un revenu et qu'elles se retrouveront dès lors dans une situation de dépendance encore plus forte vis-à-vis d'un conjoint. Or nous savons à quel point l'accès, ou non, à des ressources économiques détermine l'ampleur et le développement des violences au sein du couple, ainsi que l'incapacité de la victime à pouvoir s'en extirper. J'attire donc réellement votre attention sur ces situations spécifiques. Aujourd'hui, ces personnes ont besoin que l'on leur tende la main. Elles n'ont pas besoin de sanctions.

De Amerikaanse aanval op Venezuela
De dreigende taal van de VS richting Groenland
De eerbiediging van de soevereiniteit van Groenland
De houding van België over de Amerikaanse inval in Venezuela
De situatie in Venezuela en de veiligheid van de Belgische onderdanen
De situatie in Venezuela en de verschillende machtsclaims
De arrestatie van president Maduro
De Europese positie m.b.t. Groenland
De stavaza na de diplomatieke gesprekken in de VS en het onderhoud met Secretary of State Rubio
De ontvoering van de Venezolaanse president door de Verenigde Staten
De diplomatieke gevolgen en de Europese coördinatie in het licht van de trans-Atlantische spanningen
De politieke situatie omtrent Groenland
De spanningen in Venezuela
Groenland en de Amerikaanse uitspraken
Groenland
Venezuela
De dreigende taal van Trump richting Groenland
De agressie van de VS tegen Venezuela
Het onderhoud met minister Marco Rubio
De onduidelijke positie van België ten opzichte van de VS-inval in Venezuela
De Amerikaanse dreigementen over Groenland
Internationale spanningen rond Venezuela en Groenland: diplomatie, soevereiniteit en machtsconflicten

Gesteld aan

Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 14 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de schendingen van het internationaal recht door de VS (annexatieplannen voor Groenland en de ontvoering van Maduro in Venezuela) en Europa’s zwakke, versnipperde reactie. België/minister Prévot veroordeelt de VS-acties in principe (VN-Handvest als "boussole"), maar weigert een expliciete veroordeling en benadrukt diplomatieke "dialoog" met Washington, ondanks kritiek op Trumps "recht van de sterkste"-benadering. Kritiekpunten: Europa’s gebrek aan strategische autonomie (militair, energiek, technologisch) en eendracht (blokkades door Hongarije, verdeeldheid over sancties) ondermijnen zijn geloofwaardigheid. Prévot pleit voor een sterker Europa met eigen defensie- en industriële capaciteit, maar relativeert dit door de economische afhankelijkheid van de VS (115.000 Belgische jobs, €65 mjd handel). Oppositie (o.a. Lambrecht, Boukili, Almaci) bekritiseert scherp: - Selectieve toepassing internationaal recht: VS-acties (Groenland, Venezuela) worden getolereerd, terwijl gelijksoortige daden door Rusland/China wel worden veroordeeld ("twee maten"). - Europa’s zwakte: Gebrek aan snelle, uniforme sancties (vs. VS/Rusland) en afhankelijkheid van de VS maken het tot een "papieren tijger". - Trumps motieven: Ontvoering Maduro draait om olie (Trump noemde "pétrole" 20x), Groenland om strategische grondstoffen—geen "democratische bevrijding". - Veroordeling ontbreekt: Prévot herhaalt VN-regels maar vermijdt woorden als "condamnation" (Mutyebele: "U zegt ‘gangster’ over Maduro, maar zwijgt over Trumps kidnapping"). Concrete spanningen: - Groenland: Denemarken versterkt militaire aanwezigheid; VS dreigt met geweld maar ontkent "annexatieplannen" (Prévot: "Neem Trump serieus, niet letterlijk"). - Venezuela: EU zoekt dialoog met de facto regime (Rodríguez) en oppositie (González), maar blokkeert op erkenning legitieme leiding. Humanitaire crisis (7,9 mln noodhulp) en olie-exploitatie door VS blijven onopgelost. - NAVO-crisis: Sommigen (De Smet) waarschuwen: "VS-overname Groenland = einde NAVO"—Prévot ontwijkt dit scenario. Oplossingsrichtingen (maar weinig concrete stappen): - Europese "autonomie": Versneld investeren in defensie (vs. VS-afhankelijkheid), energietransitie, en technologische soevereiniteit (AI, 4% EU-aandeel). - "Coalitie van willigen": Voorstanders (Di Nunzio) pleiten voor snelheidsverschillen in EU-beleid om blokkades (Hongarije) te omzeilen. - Economische druk: VS als handelspartner (€65 mjd) beperkt EU-ruimte, maar sancties tegen VS worden niet overwogen. Kern: Europa faalt in krachtig optreden door interne verdeeldheid en VS-afhankelijkheid, terwijl Prévot diplomatie boven conflict stelt—wat critici zien als appeasement. Normatieve tweespalt: VS-handelen is onwettig, maar pragmatisme wint het van principes.

Annick Lambrecht:

Mijnheer de minister, de recente acties en verklaringen van de Verenigde Staten werpen een schaduw over de internationale regels.

Enerzijds is er de situatie rond Groenland, dat door het Witte Huis formeel als een nationale veiligheidsprioriteit wordt beschouwd. De Amerikaanse regering stelt dat Groenland eigenlijk een deel van de Verenigde Staten moet worden. Een ambitie die kracht wordt bijgezet door te dreigen met – indien nodig – het gebruik van geweld. Hoewel de Deense premier benadrukt dat Groenland aan de Groenlanders behoort, blijft de druk vanuit Washington zeer groot.

Anderzijds zijn we getuige geweest van een escalatie in Venezuela, waar de Verenigde Staten een illegale aanval hebben uitgevoerd en president Maduro en zijn vrouw hebben ontvoerd. Laat ons wel wezen, een dictator minder, waar ook ter wereld, is goed nieuws, maar internationale regels moeten wel worden gerespecteerd. Ook hier was er een schending van het internationaal recht.

Deze acties dreigen een zeer gevaarlijk precedent te scheppen voor andere grootmachten, die dan kunnen denken dat zij op dezelfde manier kunnen handelen, zoals China en Rusland in Oekraïne.

Mijnheer de minister, ik heb de volgende vragen.

Ten eerste, bent u van mening dat Europa over een degelijke strategie beschikt om weerstand te bieden aan de Amerikaanse druk op Groenland en aan schendingen van het internationaal recht in Latijns-Amerika?

Ten tweede, wat doet België concreet om bij te dragen aan de ontwikkeling van een Europese strategie, en echt rode lijnen te trekken en ons te distantiëren van dergelijke eenzijdige acties?

Ten derde, hoe schat u de huidige reacties van uw Europese collega’s in? Zijn die naar uw mening krachtig genoeg om de Europese autonomie te waarborgen?

Ten vierde, wat is het standpunt van België over het voorstel van generaal Brieger om een symbolische Europese militaire aanwezigheid in Groenland te gaan vestigen?

Ten vijfde, hoe kijkt u aan tegen de rechtsgang die Maduro en zijn vrouw in de Verenigde Staten te wachten staat? Denkt u dat het proces eerlijk zal verlopen?

Ten zesde, wat zijn de concrete contouren van ons buitenlands beleid tegen straffeloosheid en hoe past u dat toe op de huidige Amerikaanse acties?

Ten zevende, wat zal Europa doen om de vreedzame oppositie in Venezuela te steunen en een terugkeer naar vrije en eerlijke verkiezingen mogelijk te maken?

De voorzitster : De heer De Smet is niet aanwezig. De heer Lacroix evenmin. Het woord is aan de heer Di Nunzio. U hebt vier minuten.

Sandro Di Nunzio:

Dank u wel, voorzitster. Ook mijn beste wensen voor u, mijnheer de minister, en voor alle collega’s hier, nu we elkaar voor het eerst zien.

Nicolas Maduro heeft de verkiezingen verloren in 2004 en is sindsdien toch aan de macht gebleven als dictator. Het lijdt geen enkele twijfel dat hij zich moet verantwoorden voor zijn misdaden. Ik denk dat we het daar allemaal over eens zijn.

Vrede en gerechtigheid binnen Venezuela en voor de Venezolanen kan je echter niet afdwingen met militaire macht. De Amerikaanse militaire coup, die dat effectief heeft beoogd, ondergraaft het internationaal recht en de wereldorde. Door de acties die zijn ondernomen, heeft men daar een ernstige schok aan gegeven.

Laat mij zeer duidelijk zijn. Ondanks de euforie die hier en daar leeft binnen het Venezolaanse volk, betekent mijn kritiek niet dat ik zou vinden dat dat volk geen recht heeft op democratie, maar het heeft ook het recht om geen buitenlandse inmenging te ondergaan en om niet onderworpen te zijn aan machtspolitiek.

Nog verontrustender was nadien de aankondiging van president Trump dat Amerikaanse oliebedrijven Venezuela zullen exploiteren, terwijl het olie-embargo gewoon blijft gelden. Even verontrustend zijn de druk en dreigementen jegens Colombia en andere landen. Trump spreekt zich ook uit over Mexico. Het zijn woorden en daden van een Amerikaanse president waar we bijna niet meer van opkijken. Het feit dat dit ons niet meer verrast, moet ons zeer ongerust maken, want we zijn in een wereld verzeild waarin geen sprake meer is van een multilaterale orde, maar van het recht van de sterkste. Ik pleit ervoor dat verandering in Venezuela van binnenuit moet komen, niet door extern ingrijpen.

Ik zie dat mijn tijd verder loopt, dus ga ik meteen over naar Groenland. Ik heb de subvraag ook overgemaakt. In verband met Groenland hebt u in de plenaire zitting van 8 januari gezegd dat u de veiligheidsbekommernissen van de Verenigde Staten kunt begrijpen en dat achter sommige uitspraken legitieme bezorgdheden schuilgaan. Tegelijk hebt u terecht gesteld dat het onaanvaardbaar is om de territorialiteit van een bevriend land en een NAVO-bondgenoot in vraag te stellen. Groenland is NAVO-gebied en de Verenigde Staten hebben akkoorden met Denemarken die hen nu al toelaten om militaire bases te gebruiken en er militairen te stationeren. Het zijn echter de Verenigde Staten zelf die in het verleden hebben beslist om hun militaire aanwezigheid daar af te bouwen.

Als de VS het recht hebben om daar militair aanwezig te zijn en men die aanwezigheid destijds zelf heeft afgebouwd, waarom stelt u dan dat u de bekommernissen van de Amerikanen begrijpt en legitiem vindt? Binnen de bestaande akkoorden, vooral binnen het NAVO-bondgenootschap, kunnen de VS immers afspreken wat noodzakelijk is om in de eigen veiligheid te voorzien, als men dat als een probleem beschouwt. Waarom vindt u die bekommernissen legitiem, terwijl men binnen het huidige bondgenootschap eigenlijk al over voldoende middelen beschikt om daarmee aan de slag te gaan?

Ellen Samyn:

Mevrouw de voorzitster, mijnheer de minister, de situatie in Venezuela is de voorbije weken sterk geëvolueerd en roept belangrijke vragen op inzake politieke legitimiteit, veiligheid, internationale rechtsorde en consulaire bescherming. Na een Amerikaanse militaire operatie werd president Maduro uit het land weggehaald. De Verenigde Staten geven aan tijdelijk bestuurlijke verantwoordelijkheid op te nemen in afwachting van een zogenaamd correcte en veilige machtsoverdracht.

Tegelijk heeft het Venezolaanse Hooggerechtshof Delcy Rodriguez presidentiële bevoegdheden toegekend, terwijl de oppositie stelt dat Edmundo Gonzalez de rechtmatige winnaar is van de presidentsverkiezingen van 2024 en diens onmiddellijke aanstelling vraagt. Daarnaast verklaart het Venezolaanse regime dat honderden politieke gevangenen zouden zijn vrijgelaten, terwijl mensenrechtenorganisaties aangeven dat het aantal bevestigde vrijlatingen voorlopig aanzienlijk lager ligt en dat alle transparantie ontbreekt.

In dezelfde context gaf Venezuela te kennen opnieuw werk te willen maken van een dialoog met de Europese Unie.

Mijnheer de minister, hoe schat België vandaag de situatie in Venezuela concreet in? Is er overleg geweest met uw Europese collega-ministers en bestaat er al een gezamenlijke Europese lijn, zeker nu Caracas opnieuw toenadering zoekt tot de Europese Unie?

U had sinds de Amerikaanse operatie contacten met de Verenigde Staten. Welke garanties werden er gegeven over de aard, de duur en de grenzen van het Amerikaanse optreden?

Dan heb ik een aantal vragen over de Belgen ter plaatse. Hoeveel Belgische onderdanen bevinden zich volgens de recentste cijfers nog in Venezuela? Hoe wordt hun veiligheid vandaag gegarandeerd? Bestaat er een concreet evacuatieplan, eventueel samen met andere EU-landen? Is dat plan al voorbereid of geactiveerd?

Dan kom ik bij de consulaire bijstand. Aangezien België zijn ambassadewerking vanuit Bogota organiseert, wordt er actief samengewerkt met andere EU-ambassades voor gezamenlijke consulaire hulp?

Dan heb ik ook een aantal vragen over de machtsvraag. Hoe positioneert dit land zich tegenover de verschillende machtsaanspraken? Wordt Gonzalez door België beschouwd als de legitieme winnaar van de verkiezingen van 2024? Zal België Rodriguez erkennen als het momenteel de facto gezag en zo ja, op basis van welke criteria? Met wie hebben onze diplomatieke en consulaire diensten vandaag concreet contact? Is dat met de structuren van Rodriguez, met de oppositie of met de tijdelijke Amerikaanse administratie?

Dan heb ik vragen met betrekking tot sancties. Overweegt België gerichte sancties tegen personen die een democratische overgang blokkeren of mensenrechten blijven schenden?

Ten slotte, hoe kijkt u in het algemeen aan tegen een overgangsbestuur, in afwachting van nieuwe verkiezingen? Onder welke voorwaarden acht u zo’n scenario aanvaardbaar binnen het internationaal recht en het zelfbeschikkingsrecht van het Venezolaanse volk?

Bijkomend, heeft België zicht op de impact op Belgische bedrijven en contracten in Venezuela, bijvoorbeeld in energie, logistiek of dienstverlening? Worden die bedrijven actief begeleid?

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, Groenland, NAVO-bondgenoot, deel van een lidstaat van de Europese Unie, een autonoom gebied binnen het koninkrijk Denemarken, met een kleine bevolking en een strategische ligging, wordt nu toch wel heel sterk onder vuur genomen, spreekwoordelijk dan. Het zijn vrij bange tijden voor de bevolking daar, want ze staan zowaar te koop. Het is bijzonder dat een bondgenoot een deel van een land en een bevolking zegt te willen kopen.

Er zijn scherpe discussies over soevereiniteit, over de arctische gebieden, over de samenwerking tussen Europa en de Noord-Amerikaanse partners en over hoe wij daarmee moeten omgaan.

Mijnheer de minister, ik had graag van u vernomen hoe u deze ontwikkelingen beoordeelt. Hoe ziet u dit in het kader van de soevereiniteit van de Groenlanders en van onze trans-Atlantische samenwerking?

Dit is een pijnlijke situatie, waarbij wij het ook over de veiligheid van de Europese Unie moeten hebben. Ik hoorde vanochtend nog een uitspraak van de Amerikaanse president over annexatie: "Het kan in onze visie niet anders dat er een annexatie plaatsvindt". Dat zijn toch uitspraken waarover wij moeten nadenken en waarop wij een antwoord moeten geven. Dat is ook wat Europa zegt.

Ik heb gisteren Teresa Ribeira gehoord, die een heel duidelijk signaal van de Europese Unie vraagt. Ik had graag van u vernomen hoe u daar tegenaan kijkt. Hoe zult u hiermee omgaan? Hoeveel onderdanen van ons land zijn er trouwens in Groenland aanwezig? Zijn daar Belgen aanwezig of niet? Staat u achter de uitspraak dat, wanneer een NAVO-lidstaat wordt aangevallen, wij allemaal mee in het bad moeten gaan?

Een tweede deel van het actualiteitsdebat gaat over Venezuela.

Het feit dat president Maduro in gevangenschap is gebracht en dat er hoop is voor de vele Venezolanen die het land hebben verlaten omwille van dit toch wel zeer bijzondere regime, is niet evenredig met het feit dat het internationaal recht hier echt wel geschonden is.

Mijnheer de minister, hoe interpreteert u het internationaalrechtelijke kader in dezen? Hoe gaat u daarmee om? Hebt u al contact met de Belgische ambassadeur opgenomen, die op dit moment in Bogota is? Worden er bijkomende consulaire of veiligheidsmaatregelen genomen voor de mensen van ons land die in Venezuela aanwezig zijn?

De stabiliteit van de hele regio is uiteraard heel belangrijk. Colombia is een buurland. Er zijn gesprekken geweest tussen de Amerikaanse president en president Petro, maar hoe schat u de politieke situatie en de veiligheidssituatie in Venezuela in?

Belangrijk ook, hoe is de relatie vandaag met de verkozen oppositieleiders, met de heer Gonzalez, met mevrouw Maria Corina Machado? Zijn er contacten vanuit ons land met de oppositie, zoals die ook in het Witte Huis zullen plaatsvinden, zoals we lezen in de pers? Zult u ter zake stappen ondernemen?

Lydia Mutyebele Ngoi:

Monsieur le ministre, la nouvelle année s'est ouverte par une intervention impérialiste qu'on a cru, à tort, ne plus être de notre temps. C'est celle de l'Amérique qui a enlevé sans base légale, sans mandat, le président d'un État souverain, à savoir le Venezuela. Ce monsieur a été enlevé avec sa femme.

Cette opération s'est faite sur la base d'accusations d'un réseau de narcotrafic géré par le président Maduro, à contre-courant de l'avis de tous les spécialistes. Outre la nature franchement grossière de telles accusations, l'illégalité d'un acte assimilable à une déclaration de guerre ne peut être accueillie avec une telle passivité. Croire que cette opération s'est faite dans l'optique de soulager la population du Venezuela – qui est victime de la politique autoritaire et violente de son président – serait faire preuve d'un optimisme naïf. Le président Trump n'a pas tenté de cacher ses réelles motivations car, pendant la conférence de presse, il a prononcé au moins vingt fois le mot "pétrole". Il veut contrôler les larges ressources pétrolières de cet État.

Monsieur le ministre, la Colombie a déjà été menacée de subir le même sort. Le Groenland aussi, et les autres grandes puissances n'en demandaient pas tant. Si la loi du plus fort est de retour, les plus faibles n'ont qu'à bien se tenir. Tel est le message qu'on nous fait passer.

Condamnez-vous les É tats-Unis et leur président pour l'enlèvement illégal et sans mandat du président Maduro? Qu'avez-vous dit à vos interlocuteurs américains sur le sujet?

Comment justifiez-vous votre politique basée sur le droit international quand une violation de ce même droit est accueillie – non pas par votre silence – mais par une absence de condamnation ferme et claire, selon moi, des États-Unis? Pensez-vous que cette action et la faiblesse de nos réactions pourront mener à de pareilles opérations de la part d'autres États ou des États-Unis eux-mêmes, comme au Groenland, en Colombie, à Taïwan ou ailleurs?

Michel De Maegd:

Monsieur le ministre, lors du débat en plénière la semaine dernière, vous avez rappelé que la Belgique fonde sa sécurité et sa prospérité sur le respect d'un ordre international fondé sur des règles et que ce principe n'est pas optionnel. Vous avez souligné que, quelles que soient les appréciations portées sur certains régimes, les méthodes employées ne peuvent être cautionnées lorsqu'elles violent le droit international, la souveraineté des États ou l'intégrité territoriale.

Vous avez également souligné que la relation transatlantique reste stratégique, mais qu'elle doit s'inscrire dans un dialogue exigeant, respectueux du multilatéralisme, de la souveraineté des États et de l'intégrité territoriale. Ces dernières semaines, l'actualité internationale a toutefois mis en lumière une multiplication de prises de position et d'initiatives unilatérales de la part des États-Unis, tant en matière de sécurité que de politique étrangère, suscitant bien entendu des interrogations croissantes quant à la solidité et la prévisibilité du cadre transatlantique. Dans ce contexte, la nécessité d'une parole européenne plus cohérente et d'une capacité d'action autonome apparaît de plus en plus pressante.

Dans le prolongement de ce débat, j'aimerais vous poser les questions suivantes. Tout d'abord, la Belgique entend-elle prendre des initiatives concrètes afin d'inscrire explicitement la question du respect de la souveraineté et de l'intégrité territoriale à l'agenda des instances européennes face à ces remises en cause actuelles de l'ordre juridique international? Ensuite, quels instruments diplomatiques et politiques concrets la Belgique et l'Union européenne pourraient-elles privilégier pour renforcer un dialogue transatlantique à la fois franc et exigeant, en particulier en cas de nouvelles initiatives unilatérales susceptibles de fragiliser encore le cadre multilatéral et le droit international?

Els Van Hoof:

Mijnheer de minister, vanuit Washington blijven er weinig geruststellende signalen over Groenland komen. Tijdens de plenaire vergadering zei u duidelijk dat de territoriale integriteit en soevereiniteit van Groenland en Denemarken moeten worden gerespecteerd. Dat stond ook in het statement van 6 januari van verschillende Europese leiders. Afgelopen weekend zei president Trump echter opnieuw dat de VS Groenland in hun bezit moeten krijgen, desnoods op een moeilijke manier.

Dat vraagt een gecoördineerd antwoord van de Europese Unie. Sommige analisten pleiten er alvast voor om een Europees sanctiepakket voor te bereiden. In de NAVO pleiten verschillende lidstaten dan weer voor een gezamenlijke missie op Groenland, zodat de strategische positie kan worden gewaarborgd zonder escalatie tussen de NAVO-bondgenoten. Onze minister van Defensie sloot zich daarbij aan en secretaris-generaal Rutte verklaarde dat stappen zich opdringen. De vraag is wat er zal gebeuren.

De premier van Groenland gaf gisteren aan dat het Denemarken verkiest boven de VS en Denemarken heeft ondertussen aangekondigd militaire troepen naar Groenland te zullen sturen. In het Witte Huis vindt er vandaag een ontmoeting plaats tussen de ministers van Buitenland van Denemarken, Groenland en de VS en ook vicepresident Vance zou zich daarbij aansluiten.

Op welke manier is ons land betrokken bij de gesprekken over een gezamenlijk Europees antwoord? In welke richting gaan de Amerikaanse dreigementen ten opzichte van Groenland? Welke maatregelen liggen er concreet op tafel?

Wat Venezuela betreft, voorlopig is er geen sprake van een regimewissel. Met uitzondering van Maduro en zijn echtgenote zitten alle oudgedienden nog in het zadel. De nieuwe autoriteiten lieten intussen wel al enkele politieke gevangenen vrij, naar eigen zeggen als teken van vrede. Verschillende leden van de oppositie roepen op tot nieuwe verkiezingen en president Trump lijkt vooral te focussen op het controleren van de Venezolaanse olie. Wij hadden ook niets anders verwacht.

Een grote groep EU-lidstaten verklaarde in een statement van 4 januari in contact te staan met de VS om een dialoog tussen alle partijen te faciliteren, met het oog op een onderhandelde, democratische, inclusieve en vreedzame oplossing voor de crisis. Die dialoog zou worden geleid door de Venezolanen, wat heel belangrijk is. De Venezolaanse autoriteiten hebben intussen aangekondigd klaar te zijn voor een nieuwe agenda met de Europese Unie en om te evolueren naar een fase van productieve betrekkingen.

Vandaag vraagt de humanitaire situatie in Venezuela om bijkomende aandacht. Volgens OCHA, waarover ik het daarnet al had, hebben op dit moment 7,9 miljoen Venezolanen dringend nood aan bijstand. Welk standpunt neemt ons land concreet in met betrekking tot de toekomst van Venezuela? U zei in de plenaire vergadering duidelijk dat het internationaal recht voorop staat, wat heel belangrijk is.

Hoe beoordeelt ons land de legitimiteit van de nieuwe machthebbers in Venezuela? Kunt u een update geven over de contacten tussen de Europese Unie en Venezuela en tussen de Europese Unie en de VS over Venezuela? Is de EU vandaag op enige wijze betrokken? Hoe zullen wij de humanitaire noden lenigen?

Nabil Boukili:

S'agissant du Venezuela, nous avons vu que les É tats-Unis ont agi comme des bandits. En l'occurrence, l'impérialisme américain ne se cache plus, et même s'assume. Nous avons assisté à l'enlèvement du président d'un É tat souverain en plein jour, en violation de tout principe du droit international. Les É tats-Unis ne se cachent pas. M. Trump est honnête en disant que cette agression contre le Venezuela n'est pas motivée par la lutte contre le narcotrafic – les rapports des Nations Unies minimisent, du reste, la participation de ce pays à cette activité –, puisqu'il indique clairement qu'il vise le pétrole et qu'il cherche à défendre les intérêts stratégiques américains. Toutefois, il le fait en violant le droit international. La Charte des Nations Unies interdit la menace ou l'emploi de la force contre l'intégrité territoriale d'un É tat membre. Point! Il n'y a pas de "mais" qui justifierait cette violation du droit international, même par les grandes puissances.

Jusqu'à présent, votre réponse a manqué de logique, monsieur le ministre, puisque vous dites que le principe du droit international est "notre boussole comme Belgique", mais vous n'avez pas condamné l'initiative américaine. Dès lors, condamnez-vous l'agression américaine contre le Venezuela? Celle-ci ne tombe pas du ciel. Elle s'inscrit dans une stratégie américaine que le président Trump a clairement exprimée dans son plan de sécurité national. De plus, ce dernier a menacé d'attaquer d'autres É tats: la Colombie, le Mexique, Cuba, ainsi que le Groenland. Peut-être apprendrons-nous dans les semaines à venir que la reine du Danemark est également une "trafiquante", une "criminelle" ou qu'elle est "responsable de telle ou telle violation" afin que soit justifiée une invasion ou une agression contre le Groenland.

Nous savons très bien que ces actions servent l'intérêt d'un impérialisme américain de plus en plus agressif parce qu'il se retrouve dans une situation internationale telle que les É tats-Unis sont en perte de vitesse, puisque leur hégémonie recule à l'échelle mondiale, notamment face à des concurrents du Sud global et à ceux du BRICS. Ils ne parviennent plus à maintenir la domination qu'ils imposaient auparavant par la menace ou par la négociation dans des coulisses obscures et recourent désormais à la force pour se maintenir comme puissance dominante.

Au vu de cette stratégie, où se situe l'Union européenne? Que fait-elle? Que fait la Belgique? Allons-nous rester spectateurs de ces violations commises par l'impérialisme américain? Ou bien allons-nous agir conformément aux valeurs que nous sommes censés défendre? Le problème de la Belgique et de l'Union européenne est qu'elles ne sont plus crédibles sur la scène internationale. Comment pouvons-nous prétendre que nous défendons les valeurs, le droit international, le respect des souverainetés étatiques alors que nous n'adoptons aucune position claire de condamnation de la politique agressive américaine?

Monsieur le ministre, je réitère donc mes questions.

Condamnez-vous l'agression contre le Venezuela ainsi que l'enlèvement de son président, chef d'un É tat souverain?

Condamnez-vous les menaces américaines contre le Groenland et d'autres É tats, notamment Cuba et la Colombie? Allez-vous agir conformément aux valeurs que vous êtes censé défendre comme ministre belge des Affaires étrangères?

François De Smet:

Des déclarations récentes émanant de responsables politiques américains, faisant suite à l’offensive à l’égard du Venezuela, évoquent de manière insistante la possibilité d’un contrôle accru, voire d’une mainmise des États-Unis sur le Groenland, territoire autonome relevant du Royaume du Danemark.

Le Groenland constitue non seulement une partie intégrante du Royaume danois, État membre de l’Union européenne, mais également un territoire situé au cœur de l’aire euro-atlantique, dont la sécurité relève des équilibres stratégiques existants, notamment dans le cadre de l’OTAN.

Dans ce contexte, voici mes questions :

Le Gouvernement belge a-t-il pris connaissance officielle de ces déclarations américaines et quelle en est son analyse politique, diplomatique et stratégique ?

La Belgique a-t-elle échangé avec les autorités danoises, bilatéralement ou dans un cadre multilatéral (Union européenne, OTAN), afin d’évaluer les implications de telles déclarations pour la souveraineté danoise et la sécurité européenne ?

Le Gouvernement considère-t-il qu’une tentative de prise de contrôle unilatérale du Groenland par un État allié constituerait une situation susceptible de justifier des consultations au titre de l’article 4 du Traité de l’Atlantique Nord, qui prévoit une concertation lorsque l’intégrité territoriale, l’indépendance politique ou la sécurité d’un allié est menacée ?

Quelle serait, dans un tel scénario, la position que la Belgique défendrait au sein du Conseil de l’Atlantique Nord et des instances européennes compétentes ?

Plus largement, le Gouvernement estime-t-il nécessaire de renforcer une position européenne commune face à des déclarations ou initiatives susceptibles de remettre en cause la souveraineté territoriale d’États membres de l’Union européenne, y compris lorsqu’elles émanent d’alliés stratégiques ?

Britt Huybrechts:

Mijnheer de minister, recent verklaarde Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Marco Rubio dat president Trump Groenland niet wil aanvallen, maar kopen. Die uitspraak heeft internationaal voor onrust gezorgd, aangezien Groenland een autonoom deel is van het koninkrijk Denemarken en dus ook Europees grondgebied is. Tegelijk had u recent een ontmoeting met minister Rubio die door u werd omschreven als een belangrijk moment in de Belgisch-Amerikaanse relaties.

Niet alleen in dat dossier, maar ook in de kwesties migratie, islam, multiculturalisme en nationale identiteit staat minister Rubio bekend om zijn uitgesproken standpunten, die scherp afwijken van uw visie daarover. We stellen vast dat hij expliciet de nationale veiligheidsstrategie van president Trump onderschrijft, radicaal islamisme als een imminente dreiging voor het Westen ziet en massamigratie zelfs disruptief noemt voor onze gedeelde waarden en normen. Ik vond het bijgevolg bijzonder dat u met hem samen bent gekomen. We hebben vandaag dan ook een aantal vragen over die ontmoeting.

Hoe beoordeelt u vanuit Belgisch en Europees standpunt de uitspraken van de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken over het kopen van Groenland? Welke implicaties ziet u voor het respect voor territoriale soevereiniteit, iets wat het Vlaams Belang zeer belangrijk vindt?

Hebt u tijdens het onderhoud ook uw visie op migratie, het samenlevingsmodel en culturele cohesie duidelijk kenbaar gemaakt aan minister Rubio? Hoe verhoudt die visie zich tot zijn standpunten?

Hebt u naast het gesprek met minister Rubio ook al contact gehad met de Amerikaanse ambassadeur hier in België, de heer Bill White? Zo ja, wat waren de relevante conclusies van dat gesprek?

Ik dank u alvast voor uw antwoorden.

Meyrem Almaci:

Mijnheer de minister, daarnet zijn er beste wensen geuit, maar uw eerste twee weken van januari zijn door president Trump in ieder geval niet heel erg warm ingezet.

Het jaar kondigt zich op geopolitiek vlak in ieder geval niet stabieler aan dan 2025. Het is eerder een verderzetting van het principe van het recht van de sterkste, tegenwoordig ook aangevuld met een concept als my own morality , zoals de president van de Verenigde Staten zei, de man die is veroordeeld voor verschillende feiten in eigen land. Dat is niet echt geruststellend. Ik moet zeggen, ik ben ook steeds minder en minder gerustgesteld door het feit dat vanuit heel wat internationale westerse landen de reacties op deze president, die zijn eigen moraliteit vooruit schuift, toch op zijn minst dubieus of verschillend zijn.

Vorige week hebben we effectief het debat gevoerd in de plenaire vergadering. Ik ben het met u eens dat het chavisme een verschrikkelijk systeem was, waarbij Venezolanen werden vermoord, buitenspel gezet en verkiezingsuitslagen werden genegeerd. Maar zelfs het chavisme staat niet boven het internationaal recht. Dat betekent niet dat u zomaar als land een ander land kunt binnenvallen, bombardementen kunt uitvoeren op onschuldige burgers en een staatshoofd kunt ontvoeren, zelfs al zit het daar illegitiem. Er zit er bijvoorbeeld ook eentje in Noord-Korea waar ik me zorgen over maak. Er zit er eentje in Israël waar dan blijkbaar wel koffie mee kan worden gedronken in het Witte Huis. Er zitten er op heel veel plaatsen in deze wereld. De vraag is natuurlijk waar het begint en waar het eindigt. Dit hellend vlak is bijzonder problematisch.

We hebben gezien waar het naartoe leidt toen het over Groenland begon te gaan. Dan rijst de vraag hoe wij ons opstellen tegenover deze schending van het internationaal recht. Ik heb u vorige week in de plenaire vergadering gehoord. U was zeer voorzichtig over het feit dat het recht in dit geval niet gerespecteerd is, maar er kwam geen veroordeling.

Daarom stel ik de vraag: zal deze federale regering wat er gebeurd is in Venezuela uitdrukkelijk veroordelen als flagrante schending van dat internationaal recht? Als we niet aan een zeel trekken en zeggen dat het internationaal recht het ijkpunt is op basis waarvan we met elkaar omgaan, dan wordt dat hellend vlak alleen maar groter, bijvoorbeeld vanuit China richting Taiwan of vanuit Rusland richting de Baltische Staten.

Mijn vraag is hoe u die streep zult trekken. Zult u daar duidelijk in zijn? Zult u maatregelen nemen, samen met de Europese Unie? Zo zijn er al de uitspraken van president Macron over Groenland. Zullen er maatregelen worden genomen om in eerste instantie te garanderen dat de Venezolanen worden geholpen op humanitair vlak, en zullen ze het recht hebben om zelf te kunnen beschikken over hun oliereserves en te bepalen hoe die worden uitgebaat?

Hoe gaat u om met de nieuwe realiteit rond Groenland, waarvan u zegt dat het misschien soms abrupt overkomt, maar waarachter legitieme bekommernissen zitten? Is dit dan de manier waarop we met legitieme bekommernissen zullen omgaan?

Hoe staat u tegenover die verschillende Europese pistes die momenteel op tafel liggen? Wat zijn de afspraken die gemaakt zijn, ook met de minister van Defensie, over de diplomatieke contacten met de ambassadeurs? Heeft minister Francken die voor zijn rekening genomen omdat u toen in het buitenland was? Was dat eenmalig? Is dat de bedoeling op langere termijn? Hebt u bijvoorbeeld ook contact buiten de Europese Unie gehad om te zien wat de steun is voor de Groenlandse zaak?

Wat is onze definitieve positionering daar eigenlijk, zeker als ik zie wat Spanje doet, wat Frankrijk doet, wat men vanuit verschillende hoeken in Europa doet. Wat is uw positie ten gronde?

Al die ontwikkelingen van een president die het recht van de sterkste en zijn eigen morele uitgangspunten als basis neemt in plaats van het internationaal recht, wat betekent dat voor onze verhouding met de VS, bijvoorbeeld op het vlak van Belgische legeraankopen?

De voorzitster : Bedankt, mevrouw Almaci.

Dat was de laatste ingediende vraag. Wensen er nog andere collega’s tussen te komen in het kader van dit actuadebat? (Nee)

Dan is het woord aan de minister.

Maxime Prévot:

Bedankt, mevrouw de voorzitster.

Allereerst maak ik graag mijn beste wensen over aan iedereen. Gelukkig Nieuwjaar!

Certains collègues ont réitéré leurs questions. J’imagine qu’ils ne seront donc pas surpris que je puisse à certains égards réitérer aussi mes réponses.

Comme je l’expliquais la semaine dernière en séance plénière, nous vivons une période de pressions sans précédent sur l’ordre international, un ordre international fondé sur des règles. Cela nous rappelle une réalité simple, mais brutale: notre conviction, en tant qu’Européens, que le monde doit fonctionner selon des règles applicables à tous, est loin d’être unanimement partagée.

Het toeval van mijn bezoek aan Washington, onmiddellijk na de Amerikaanse interventie in Venezuela en de verklaringen van president Trump over Groenland, heeft deze realiteit op zeer concrete wijze geïllustreerd.

J’ai eu l’occasion de rencontrer le secrétaire d'État Marco Rubio, le secrétaire d'État adjoint Christopher Landau, le secrétaire au Commerce Howard Lutnick, le représentant spécial pour le Commerce Jamieson Greer, le sous-secrétaire à la Défense chargé de la stratégie Elbridge Colby, ainsi que le conseiller adjoint à la Sécurité nationale Andy Baker.

Avec chacun d’eux, j’ai privilégié le dialogue direct; comme d’ailleurs avec d’autres illustres personnalités de think tanks qui sont très actives sur les relatons transatlantiques.

Les échanges francs que nous avons eus sont infiniment plus utiles, plus éclairants et plus responsables que des joutes par tweets interposés. Le dialogue diplomatique, même empreint de convivialité, n’exclut certainement ni la fermeté, ni la clarté. Il les rend au contraire plus efficaces.

De conclusie is helder, wij delen grotendeels dezelfde bekommernissen en staan voor dezelfde mondiale uitdagingen, zoals de strijd tegen drugshandel, klimaatverandering, migratiestromen, het beheersen van wereldwijde conflicten, terrorisme of radicalisering en het belang van buitenlandse betrekkingen. We hanteren soms wel radicaal verschillende perspectieven bij het formuleren van de antwoorden daarop.

Wat Venezuela betreft, heb ik duidelijk gezegd dat niemand het vertrek van Nicolas Maduro zal betreuren. Hij genoot geen enkele legitimiteit bij België of bij de andere lidstaten van de Europese Unie. Het beleid van zijn regering heeft geleid tot de vlucht van 8 miljoen Venezolanen en het regime heeft zich schuldig gemaakt en blijft zich schuldig maken aan acties die de democratie en de rechtsstaat ondermijnen.

Or comme j’ai déjà pu le préciser, et cela à plusieurs reprises, dire cela ne signifie en rien cautionner les moyens utilisés pour déloger ce dictateur.

Pour un pays comme le nôtre, un pays, au vu de sa taille, dont la sécurité et la prospérité reposent sur l’existence même d’un système de règles protégeant les plus petits des tentations prédatrices des plus grands, le respect de ce système de droit international n’est pas un luxe; c’est une condition d’existence.

Het Handvest van de Verenigde Naties is overal van toepassing. België hanteert geen twee maten en twee gewichten. Leden van de VN-Veiligheidsraad hebben in dat opzicht een bijzondere verantwoordelijkheid.

J’ai fait passer ce message sans la moindre ambiguïté auprès de mes interlocuteurs américains. Il n’y a donc eu ni silence, ni encore moins de complaisance de la part de la Belgique, ni même de l’Europe, qui s’est exprimée par le biais d’une déclaration à 26 – seule la Hongrie manquait – et qui continue de suivre, avec une attention toute particulière, la situation.

Chacun a évidemment son rôle. Des députés peuvent vouloir que nous criions tout le temps, partout, que nous criions peut ‑ ê tre plus fort que les autres, qualifiant de faiblesse ce qui ne fragiliserait pas les tympans de nos interlocuteurs. Mon r ô le est diff é rent. La diplomatie, c’est le contraire de l’excès ou de la caricature.

Je rappelle en outre que la sécurité de nos compatriotes au Venezuela demeure une priorité absolue. Nous dénombrons 212 Belges inscrits au Venezuela, faisant partie de centaines de milliers de citoyens européens présents dans le pays.

À ce stade, aucun Belge, ni résident ni voyageur, n’a sollicité de l’assistance. Nos partenaires européens ne signalent pas de difficultés avec leurs propres ressortissants.

Het huidige reisadvies raadt alle reizen naar Venezuela ten stelligste af. De situatie is ernstig, maar niet chaotisch. We spreken vandaag van een geopolitieke crisis, eerder dan van een consulaire.

De nouvelles opérations américaines ou des tensions internes au Venezuela ne pouvant être exclues à court et moyen terme, nous continuons de suivre la situation de près, notamment via notre ambassade à Bogota, ainsi que par nos services compétents à Bruxelles et au travers de l’Union européenne. Cela sera indubitablement discuté lors de la prochaine réunion du Conseil européen des ministres des Affaires étrangères. Cependant, à ce stade, aucune intervention spécifique sur place ne semble envisagée par les partenaires européens.

Je souligne, enfin, qu’à la suite de l’arrestation de Nicolas Maduro par les autorités américaines, les juridictions vénézuéliennes ont invoqué une situation "d'absence forcée", conduisant la vice ‑ pr é sidente, Mme Delcy Rodr i guez, à assumer l ’ exercice du pouvoir à titre int é rimaire. La Belgique prend acte de cette r é alit é de fait.

La priorité demeure l’ouverture d’un processus vénézuélien crédible et inclusif, permettant rapidement des élections libres, transparentes et placées sous observation internationale.

België en de EU blijven volledig solidair met het Venezolaanse volk in zijn democratische aspiraties en de uitoefening van zijn mensenrechten. Het respecteren van de wil van het Venezolaanse volk blijft de enige weg naar het herstel van de democratie.

Mevrouw Depoorter, persoonlijk heb ik tot nu toe geen specifiek contact gehad met de oppositie.

Over Groenland ben ik ook tegenover mijn Amerikaanse gesprekspartners duidelijk geweest. We begrijpen de veiligheidsbezorgdheden van de Verenigde Staten met betrekking tot de Arctische regio, onder meer de nabijheid van Rusland en de aanzienlijke activiteit van onderzeeërs in het gebied.

Het is echter onaanvaardbaar, on-aan-vaard-baar, de territoriale integriteit van bevriende bondgenoten ter discussie te stellen, terwijl de NAVO en de bestaande veiligheidsakkoorden met Denemarken reeds het passende kader bieden voor een nauwe en doeltreffende samenwerking. De bestaande overeenkomsten stellen het Amerikaanse leger bovendien al in staat om aanwezig te zijn, en die overeenkomsten zijn nog altijd van kracht. Vandaag de dag is er nog maar één actieve Amerikaanse militaire basis ter plaatse. Die teksten kunnen dus de basis vormen voor een nieuwe discussie tussen de Verenigde Staten, Groenland en Denemarken.

Laat mij dit zonder enige ambiguïteit herhalen: Groenland is geen onderhandelbaar territorium, noch een invloedsfeer die opnieuw kan worden verdeeld. Het valt onder een duidelijk juridisch kader, gebaseerd op de soevereiniteit van het Koninkrijk Denemarken en op het recht van het Groenlandse volk op zelfbeschikking.

Que la motivation soit sécuritaire ou économique, peu importe: aucun de ces deux motifs ne peut justifier la moindre atteinte au moindre kilomètre carré de l’intégrité et de la souveraineté des Groenlandais et des Danois.

Des contacts que j’ai pu avoir, il apparaît que la perspective d’une prise du territoire par une quelconque opération armée ne soit pas envisagée, chacun mesurant la déflagration que cela pourrait générer au niveau des relations internationales et singulièrement au sein de l’OTAN. Un interlocuteur que j’ai rencontré à Washington m’a indiqué qu’il était toujours utile de prendre au sérieux ce que le président américain évoque, sans pour autant devoir le prendre au pied de la lettre.

La Belgique s’est donc exprimée de manière ferme, comme l’ont d’ailleurs fait les autorités danoises, l’ensemble des collègues européens ainsi que nos alliés dans le cadre de l’OTAN. J’ai d’ailleurs veillé à maintenir, en parallèle de mes rencontres à Washington, un contact permanent avec mon homologue danois et avec la haute représentante de l’Union européenne – Mme Kaja Kallas –, tandis que mes équipes ont également tenu informée Mme l’ambassadrice du Danemark, ici auprès de la Belgique. Ce dialogue quotidien, très étroit, a été particulièrement apprécié, ayant eu le bénéfice d’être le premier ministre européen des Affaires étrangères reçu en audience à Washington au moment même où ces discussions étaient particulièrement aiguës.

Il ne vous aura pas échappé, chers collègues, qu’une rencontre est prévue aujourd’hui même entre le Danemark, le Groenland et les États ‑ Unis. Nous suivrons évidemment de près les discussions, et surtout leurs conclusions. Nous resterons solidaires de nos amis danois et veillerons à ce que les Européens continuent à s’exprimer de manière ferme, tant au niveau de l’Union européenne qu’au niveau de l’OTAN.

Toch zou het naïef zijn om de evidentie te ontkennen.

Les États-Unis possèdent les moyens d'imposer leur vision du monde, tandis que trop souvent les Européens s'émeuvent depuis le balcon et peinent à décider.

Il s'agit d'ailleurs d'un problème majeur. Je m'en suis encore récemment ouvert auprès d'autorités européennes. Cette incapacité est la nôtre et elle a connu une illustration flagrante l'an dernier à travers le dossier de Gaza, à savoir l'incapacité européenne de prendre des décisions fortes, et surtout des décisions rapides.

Cette difficulté à décider, et plus encore à décider de manière unie sur la scène internationale, contribue – j'ai peine à devoir le reconnaître mais c'est la réalité – à affaiblir la portée de la voix de l'Union européenne. C'est aussi un élément qui peut parfois nous décrédibiliser aux yeux des États-Unis, lassés de nous entendre donner des leçons.

Dit ondermijnt ook onze geloofwaardigheid bij tal van internationale partners, die onze zorgen delen, maar tegenover wie de EU moeite heeft om zich als een geloofwaardig alternatief te profileren.

Ne soyons toutefois pas trop sévères avec l'Europe. Pour de nombreux pays dans le monde, elle reste, nous restons, le partenaire le plus fiable, offrant de la prévisibilité et de la sécurité. Ce constat, que je pense lucide, doit néanmoins nous inciter à retrousser nos manches et à investir plus que jamais dans une Europe forte, résiliente, souveraine et autonome. Une Europe capable d'assumer sa propre sécurité et de défendre ses intérêts. L'ordre international fondé sur des règles n'est pas acquis. Il doit être expliqué, rappelé et défendu avec constance et fermeté, y compris à l'égard de nos partenaires les plus proches.

Il est urgent de nous donner collectivement les moyens d'y parvenir en développant notre autonomie stratégique, ou devrais-je dire nos autonomies stratégiques.

Il s'agit de notre autonomie militaire, trop longtemps sous-traitée aux États-Unis, même si nous devons balayer devant notre porte. Rappelons-nous que, ces dernières décennies, nous avions tendance à considérer qu'il était mal que les pouvoirs publics investissent dans le secteur de la défense, que ce n'était pas une priorité et que les banques devaient même, en vertu de leurs obligations morales, ne pas prêter à certaines industries de la défense. Nous sommes bien loin du monde d'aujourd'hui.

Au-delà de notre autonomie militaire, l'Europe doit également développer son autonomie technologique. Les États-Unis et la Chine donnent aujourd'hui le tempo au niveau mondial et européen. Si l'on prend l'exemple du développement de l'intelligence artificielle, la part de l'Europe s'élève à 4 %.

Notre autonomie énergétique doit aussi être renforcée, elle qui a été trop longtemps concédée à la Russie ou au Moyen-Orient.

Nous devons consolider l'OTAN et, en son sein, un pilier européen fort est indispensable.

Tegelijkertijd ben ik ervan overtuigd dat onze relatie met de Verenigde Staten strategisch is en zal blijven. We moeten in dit partnerschap blijven investeren. Dat doen we via open en kritische uitwisselingen, waarbij we onze standpunten met vastberadenheid verdedigen.

Une économie ouverte comme la nôtre, dont 85 % du PIB dépend des échanges internationaux, ne peut se permettre le luxe du repli, ni de tourner le dos à celui qui représente notre quatrième partenaire commercial et le premier investisseur hors Union européenne dans notre pays, source de plus de 115 000 emplois en Belgique et de 65 milliards d'euros d'échanges commerciaux par an.

Notre monde est devenu plus transactionnel, c'est un fait. À nous de concilier davantage diplomatie économique et diplomatie politique, sans travestir notre ADN et la défense inoxydable d'un ordre mondial basé sur des règles et le respect du droit, principal bouclier pour défendre la sécurité et la prospérité de notre population.

Annick Lambrecht:

Mijnheer de minister, u hebt vorige week tijdens de plenaire vergadering al enige duiding gegeven over Venezuela. Europeanen volgen de regels, maar de VS vegen de voeten daaraan. U veroordeelt dat, maar nog niet luid genoeg. We moeten nog een tandje bijsteken en mogen Trumps demarches niet langer tolereren. We nemen veel van zijn uitspraken en intenties niet au sérieux, maar hij doet wel wat hij zegt. Als hij overmorgen Groenland binnenvalt, zullen we ook zeggen dat we niet hadden verwacht dat hij dat ook werkelijk zou doen.

U verwoordt mooi dat Europa veel sterker moet staan en eenduidiger moet spreken, maar dat discours hanteren we al maanden. Het is tijd voor actie, mijnheer Prévot. Europa mag zich niet langer laten gijzelen door één land, door één lidstaat. Laten we een koe een koe noemen, we moeten onderzoeken of Hongarije eruit gezet kan worden. Het blokkeert ons immers volledig, terwijl wij staan voor een sterke internationale handel en internationale verbanden, altijd met respect voor internationale regels.

Mijnheer de minister, uit uw antwoord concludeer ik dat u in Europa nog veel harder en duidelijker op tafel zult moeten kloppen, dan dat u tot op heden hebt gedaan, en dat u verder het debat moet aangaan. Eén lidstaat mag de rest van Europa niet verhinderen om veel strenger op te treden tegen mensen als Trump, die wel veel, maar niet alles te zeggen hebben. Europa vormt een zeer sterk economisch blok, dat veel meer in de weegschaal kan leggen. Ook op het vlak van defensie en veiligheid moeten we een grote tand bijsteken. Men is daarmee bezig, maar het kan allemaal nog veel sneller. Dan kan Europa de VS zeggen dat Groenland wel degelijk beveiligd is.

François De Smet:

Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses certes exhaustives.

Je reste toutefois, comme en plénière, un peu sur ma faim, car cela ne répond pas à une question: que ferons-nous si, malgré vos informations et vos intuitions, les États-Unis prennent d'une manière ou d'une autre possession du Groenland? Vous avez dit que d'après vos contacts, une opération armée n'est pas envisageable. Vous vous risquez même à nous dire qu'il ne faut pas toujours prendre Donald Trump au pied de la lettre.

Il me semble que depuis quelques années, cette administration américaine nous montre qu'il faut prendre le président Trump au pied de la lettre. Il n'y a pas, chez cet homme, de surmoi, de filtre. C'est tout le problème: ce qui rend unique cette administration américaine, ce n'est pas son impérialisme. Car, entre nous, que les grandes puissances, en ce compris les États-Unis, aient des visées impérialistes, faisant tomber des régimes en Amérique du Sud ou ailleurs, c'est presque commun. Par contre, ce qui est nouveau, c'est la franchise, c'est d'admettre ouvertement de se moquer de l'excuse démocratique, d'enlever le président vénézuélien pour des raisons économiques et des visées pétrolières. Ce qui s'est passé au Venezuela, c'est du racket, et la menace sur le Groenland est une tentative de racket, l'un servant à l'autre. C'est comme dans une cour de récréation: regardez ce que je viens de faire et prenez-moi au sérieux lorsque que je dis ce que j'entends faire pour la suite.

C'est pour cette raison que, même si j'apprécie en grande partie votre ton, je pense que nous pourrions aller plus loin et plus fort. Nous devrions dire, comme la première ministre du Danemark: si les États-Unis décident de s'emparer du Groenland, ce sera la fin de l'Alliance. Même si je suis moi-même atlantiste, je ne vois pas comment de facto , si une telle chose arrivait, l'Alliance ne s'effondrerait pas. Il faut donc maintenir la pression. Même si vous êtes très content d'avoir été le premier ministre des Affaires étrangères à avoir été reçu par l'administration américaine, dire que notre relation avec les Américains ne changera pas quoiqu'il arrive, ce n'est à mon sens pas un bon signal. Je suis désolé, si M. Trump continue à nous traiter de la sorte, il faudra hélas que notre relation avec les États-Unis change.

Sandro Di Nunzio:

Dank u wel, mijnheer de minister, voor uw antwoorden.

Op zich was het wel te verwachten dat u op een slappe koord danst en moet opletten met wat u zegt, zeker ten aanzien van de Amerikaanse president. Ik heb u gehoord wanneer u sprak over de Venezolanen en over Groenland, waarvan u zei dat het onaanvaardbaar is. U hebt het een aantal keren herhaald.

Als ik de analyse maak over de VS en over de Amerikaanse president, ben ik het met u eens. We moeten blijven investeren in de Verenigde Staten als een partner, als een bondgenoot. De grote uitdaging is inderdaad dat die president en die administratie een houding aannemen die voor ons land en voor Europa zeer moeilijk is om te beheren, want eigenlijk is het een houding die we eerder toemeten aan landen zoals Rusland en China: de wereld opdelen in invloedssferen en daarnaar handelen.

De reden waarom ik optimistischer ben over de VS dan over Rusland en China, is dat de VS vooralsnog een democratisch land zijn, met democratische verkiezingen, waar mensen nog de vrijheid van meningsuiting hebben, hoewel dat soms ook onder druk staat, als je ziet hoe Trump tekeergaat tegen bepaalde opposanten.

Dus er is nog hoop, ook als we de beelden zien passeren van Jerome Powell. Ik moet zeggen, het is toch te gek voor woorden om dat te moeten zien, dat iemand zich daartegen moet verweren, gewoon omdat wellicht de interesten niet worden verlaagd. Dus er is hoop en ik begrijp dat wij de VS op een bepaalde manier, en zeker deze president, ook wel omzichtig moeten behandelen.

Maar wat we wel moeten doen is als land – en zeker binnen Europa, u hebt het gezegd – ervoor zorgen dat wij als Europa sterker en eendrachtiger optreden. Wat mijn fractie betreft kunnen we daarin bij wijze van spreken niet ver genoeg gaan. We moeten Europa verder integreren, meer met één stem spreken, desnoods in twee snelheden opereren met de landen die daar wel toe bereid zijn. Maar het moment is hier voor Europa om daarin verder te hervormen en sneller te gaan dan ooit tevoren.

Ik hoor het u graag zeggen – afsluitend, want ik ben over de tijd aan het gaan – dat Europa nog altijd een zeer zware economische macht is in de wereld en dat we die macht moeten gebruiken. Dat is de belangrijkste leverage die we vandaag hebben. In die zin vind ik het jammer – we zullen het er straks over hebben – dat wij als land er niet in slagen om Mercosur te steunen. Maar we hebben nog die economische leverage. Dus, alstublieft, laat ons die gebruiken in dialoog. De VS zijn een partnerland en nog steeds een bondgenoot, maar laat uw stem duidelijker horen in Europa en in de wereld.

Ellen Samyn:

Mijnheer de minister, dank u voor uw antwoorden.

Ik wil nog een aantal elementen kort duiden en enkele aandachtspunten meegeven.

Ten eerste is het duidelijk dat de situatie in Venezuela al jaren catastrofaal is. Los van recente gebeurtenissen mogen we niet vergeten dat het land onder het bewind van Nicolas Maduro is afgegleden in een diepe humanitaire, economische en democratische crisis, met miljoenen vluchtelingen tot gevolg en ernstige mensenrechtenschendingen die uitgebreid zijn gedocumenteerd door internationale organisaties.

Tegelijk lijkt het mij belangrijk om vast te houden aan een principieel uitgangspunt. Hoe problematisch een regime ook is, de toekomst van Venezuela moet in de eerste plaats door het Venezolaanse volk zelf worden bepaald. Internationale druk of inmenging kan hoogstens faciliterend zijn, maar mag geen substituut worden voor interne legitimiteit en volkssoevereiniteit. Dat is een evenwichtsoefening die we kritisch moeten blijven opvolgen.

Wat de internationale context betreft, stel ik vast dat de geopolitieke realiteit steeds complexer en multipolair wordt. Dat vraagt om nuchterheid en realisme in het buitenlands beleid. Europa beschikt vandaag over beperkte hefbomen in Latijns-Amerika, zoals u zelf ook aangaf, en zal dus keuzes moeten maken die gebaseerd zijn op belangen, stabiliteit en haalbaarheid, eerder dan op louter symboliek. Het is belangrijk dat België en de Europese Unie zich daarvan bewust zijn.

Tot slot wil ik benadrukken dat deze ontwikkelingen ook voor ons relevant blijven, onder meer op het vlak van migratiestromen, regionale stabiliteit, georganiseerde criminaliteit en internationale veiligheid. Het lijkt mij dan ook essentieel dat België de situatie in Venezuela verder nauwgezet blijft opvolgen, in overleg met Europese partners, met aandacht voor zowel mensenrechten als geopolitieke realiteit.

Kathleen Depoorter:

Bedankt, mijnheer de minister. Soevereiniteit en internationaal recht moeten altijd de leidraad zijn van ons buitenlands beleid. Ik denk dat u het daarmee eens bent.

Wat de situatie in Venezuela betreft, is Maduro weg, maar het chavismo blijft. Dat is dus wel een probleem. Een transitie naar democratie is waar het Venezolaanse volk om vraagt en waar het ook recht op heeft. Het is dan ook belangrijk dat we als Europa sterk, verenigd, waardig en autonoom onze stem gebruiken.

U gaf al aan dat het ontzettend belangrijk is dat we verenigd blijven. We moeten sterk zijn op militair vlak, op energetisch vlak, op economisch vlak, technologisch vlak en op het vlak van innovatie, waar we op zich al een sterke speler in zijn. Die positie moeten we ook behouden. Dat kunnen we alleen wanneer we ook de relatie met de Verenigde Staten goed houden, aangezien ze een belangrijke handelspartner zijn.

Het komt er dus op aan een evenwicht te vinden tussen onze diplomatieke waarden en onze verdragen, die we blijven verdedigen en waar we achter blijven staan, en het internationaal recht, waar we achter blijven staan, en tegelijk een modus vivendi te vinden met de Amerikaanse administratie.

De Nobelprijs, mijnheer de minister, is niet iets om weg te geven. De Nobelprijs voor de Vrede is ook niet iets om te delen, vind ik, en zeker niet iets om te claimen. María Corina Machado heeft de Nobelprijs gekregen van het Nobelprijscomité, omdat zij de stem van de Venezolanen heeft vertaald en verkondigd. Het is dan ook belangrijk dat we in de transitie, in het proces naar een democratische transitie, met de oppositie spreken en die oppositie ook een kans geven om zich te herpositioneren.

Wat Groenland betreft, mijnheer de minister, zou een aanval op Groenland volgens mij het einde betekenen van het NAVO-bondgenootschap. Daarvoor moeten we dus zeer alert zijn.

Lydia Mutyebele Ngoi:

Monsieur le ministre, je suis à la fois satisfaite, mais en même temps pas vraiment, car vous n'avez pas répondu à ma question principale. Je ne vous demande pas de crier. Moi-même je ne crie jamais, car cela ne sert à rien. Ce que je vous demandais, c'était de dire que vous condamniez l'enlèvement de M. Maduro et de sa femme par M. Trump. Vous ne l'avez pas dit. Vous nous avez énoncé les règles du droit international, vous avez fait part de vos convictions, mais ce qui m'étonne, c'est que vous avez repris certains éléments de langage de l'administration américaine.

À la RTBF, vous avez qualifié M. Maduro de "gangster", en insinuant qu'il fait partie d'un gang. Si c'est le cas, enlevons alors tous les chefs d'État qui ne nous plaisent plus. Je demanderai alors à M. Trump d'enlever M. Kagame, M. Netanyahu, M. Poutine. Cela me ferait vraiment plaisir, ces personnes se comportant, elles aussi, comme des gangsters. Je remarque que nous invoquons la boussole du droit international à la demande.

La boîte de Pandore a aujourd'hui été ouverte par M. Trump, qui met à exécution ses désirs d'expansion et de domination, peu importe l'impact que cela aura sur le monde. Il a également été clair sur son dégoût à l'égard de l'Union européenne et sur le fait qu'il nous méprisait.

Monsieur le ministre, on ne peut pas continuer à croire éternellement que les États-Unis sont toujours les alliés d'autrefois. M. Trump a amorcé un changement qui pourrait être durable et il est temps d'en prendre conscience. Peut-être faut-il éviter de prendre des photos avec le secrétaire d'État américain le lendemain d'un enlèvement aussi scandaleux. Il serait temps de croire en notre propre force, en notre propre indépendance et en nos valeurs, et de tenir bon. Vous avez dit que l'Europe et nous-mêmes devons faire preuve de courage. Je vous invite à faire preuve de courage ici, comme vous le faites dans d'autres dossiers.

Michel De Maegd:

Monsieur le ministre, merci pour cette réponse nuancée.

Que l'on parle du Groenland, du Venezuela ou d'ailleurs, vous confirmez une ligne qui me paraît essentielle aujourd'hui. Notre pays doit être lucide, fidèle à ses principes, mais également pleinement conscient des équilibres fragiles à préserver dans un monde marqué par le retour brutal des rapports de forces. Défendre le droit international, la souveraineté des États et le multilatéralisme est plus que jamais une nécessité et une responsabilité absolue.

Nous devons urgemment transformer nos valeurs en actions collectives, nous devons construire des positions communes, en particulier au niveau européen, lorsque le cadre international est bousculé et que les règles sont mises à mal. Notre pays a toujours tiré sa force de son rôle de facilitateur, capable de faire dialoguer des partenaires aux intérêts souvent divergents sans jamais renoncer à l'essentiel. Ce rôle est aujourd'hui plus nécessaire que jamais, mais j'insiste sur l'urgence pour l'Union européenne à réinventer, notamment, son autonomie industrielle, technologique, énergétique et de défense très rapidement tout en gardant – je vous rejoins – la tête froide face aux attitudes disruptives de Donald Trump – c'est un euphémisme. Alliés aux États-Unis, mais jamais aliénés.

Enfin, un dernier mot pour rappeler à ma collègue du Parti Socialiste que, en diplomatie, le fait d'immortaliser des rencontres se pratique depuis la nuit des temps, également avec tous les ministres socialistes.

Maxime Prévot:

Madame la présidente, je voudrais avoir la possibilité de reprendre la parole après les répliques.

Els Van Hoof:

Bedankt voor uw antwoord, mijnheer de minister.

Om de wereld niet in chaos te storten en niet vervreemd te raken van onze bondgenoten – in het Frans klinkt dat als: ne pas être aliénés de nos alliés – zijn realpolitik en een zeker pragmatisme nodig. Toch moeten we ook trouw blijven aan onze principes.

U vermeldde duidelijk het VN-Handvest. We mogen geen twee maten en twee gewichten hanteren. Daarom moeten we ondubbelzinnig veroordelen wat er in Venezuela is gebeurd. Dat geldt ook voor Groenland. Dit kan niet, het is een aanfluiting van de soevereiniteit en van het VN-Handvest. Zulke daden moeten we ondubbelzinnig blijven veroordelen. Dat moet het antwoord zijn van België, maar ook van de Europese Unie.

Ten tweede, Europa is wél economisch sterk. We zijn een sterke partner op het vlak van democratie, rechtsstaat en mensenrechten. Maar zoals u terecht zegt, hebben we twee zwakheden. We zijn niet sterk genoeg in snelle en vereende uitspraken en ook onze strategische autonomie moet verder worden uitgebouwd. Het is belangrijk om die twee aspecten te versterken.

Dat neemt niet weg dat we niet chanteerbaar mogen worden voor de Verenigde Staten, die zich soms opstelt als een partner die het internationaal recht niet respecteert. Dat mogen we niet aanvaarden. Doen we dat wel, dan worden we chanteerbaar.

Voor de cd&v-fractie is het duidelijk, het internationaal recht vormt de basis en de Europese Unie moet werken aan haar zwaktes op economisch, militair en industrieel vlak, zonder chantabel te worden voor de Verenigde Staten.

Nabil Boukili:

Monsieur le ministre, je suis à la fois déçu et inquiet car votre réponse démontre la manipulation du droit international et son utilisation à géométrie variable. En l'occurrence, il y a une violation du droit international que vous êtes incapable de condamner du fait qu'il s'agit des États-Unis. S'il s'agissait d'autres puissances, d'autres forces, vous seriez le premier à le faire. Mais parce que ce sont les Américains, vous êtes incapable de le condamner. C'est grave; cela démontre la soumission de l'Europe, la Belgique y compris, à l'impérialisme américain. On est incapable d'agir en dehors de l'accord de l'Oncle Sam.

Ce n'est pas juste que vous ne condamnez pas, plus grave encore, vous allez plus loin en disant que nous partageons les mêmes inquiétudes et, parfois, les mêmes défis. Que partageons-nous avec l'impérialisme américain? La violation du droit international? Le soutien au génocide contre les Palestiniens, où ce sont les Américains qui arment le génocide? Le fait de s'accaparer le Groenland? M. Trump a dit clairement que, d'une manière ou d'une autre, il prendrait le Groenland. Est-ce là ce que nous partageons avec les Américains? Est-ce conforme à nos valeurs? Est-ce vers cela que l'Europe doit aller, monsieur le ministre?

Aujourd'hui, vous êtes dans une attitude de soumission à la politique étrangère américaine, alors que les États-Unis représentent actuellement la plus grande menace pour la paix dans le monde. Ils menacent l'ensemble des pays dans le monde, leur paix et leur souveraineté.

Et, si nous voulons sortir de cette situation, au lieu de nous coucher devant les Américains, nous devons nous tourner vers le reste du monde, avoir notre indépendance dans nos relations internationales et agir dans ce sens, dans le multilatéralisme, la coopération avec les autres peuples, le dialogue, la diplomatie plutôt que dans la politique du plus fort et dans la force de l'impérialisme américain. Ce n'est que de cette manière que nous pourrons nous en sortir, monsieur le ministre. Mais, aujourd'hui, avec votre position et la position des États européens, nous allons droit dans le mur.

Britt Huybrechts:

Mijnheer de minister, u stelt terecht dat Groenland niet te koop is en dat territoriale integriteit en volkssoevereiniteit moeten worden gerespecteerd. Dat is een duidelijk en correct standpunt. Het is de eerste keer dat u zo sterk volkssoevereiniteit hebt verdedigd. U wordt nog een echte nationalist. Misschien worden we het ooit nog eens met elkaar.

Mevrouw Lambrecht, u vraagt naar opties om de blokkeringen, bijvoorbeeld door Hongarije, tegen te houden. Hoe ondemocratisch is dat idee eigenlijk? Is de stem van de Hongaren plotseling minder waard? Het is net door zulke blokkeringen dat we het Eurocleardrama hebben vermeden. Dat mechanisme heeft volgens mij al meerdere keren zijn nut bewezen.

Meyrem Almaci:

It’s not easy being a diplomat these days . Ik benijd uw positie op dit moment niet, mijnheer de minister. Europa had perfect heel snel kunnen reageren. België had samen met de andere Europese landen de rug kunnen rechten en zeggen dat de gebeurtenissen in Venezuela volstrekt in strijd zijn met het internationaal recht. Het chavisme is niet weg, dus ze hadden die daad moeten veroordelen.

Tot op vandaag doet u dat echter niet. Uiteraard handelt Europa op die manier in versnipperde slagorde. Dat had diplomatiek het sterkste signaal kunnen zijn van een economisch machtsblok in de wereld, waar Trump een broertje aan dood heeft, omdat wij meer goederen uitvoeren naar de VS dan de VS naar ons. We hadden die kracht kunnen gebruiken, maar we hebben ons uit elkaar laten spelen.

Ik weet niet of u het opiniestuk van Hendrik Vos, professor aan de UGent, hebt gelezen. Hij schrijft dat er over president Nicolas Maduro veel te zeggen valt, weinig goeds, maar dat het onthutsend is dat Europese leiders nauwelijks durven op te merken dat het Amerikaanse optreden flagrant fout is. Ik ben het met hem eens.

De gevolgen daarvan zijn duidelijk. Het was een testcase voor Groenland. Nu kijkt Trump opnieuw hoever hij kan gaan. Elke keer onderschatten we hem en ook nu doet u dat. U verklaart dat het wellicht niet zo ver zal komen en dat u met mensen uit zijn administratie hebt gesproken. Die illusie mogen we in 2026 wel begraven.

We hebben dus nood aan een coherent Europa dat zijn gewicht gebruikt en consequent is in de verdediging van het internationaal recht. Naar dat Europa kijken ontzettend veel Amerikanen. Amper 17 % van de Amerikanen steunt de verklaringen van Trump over Groenland. Er is een massale afkeer van zijn economisch beleid. Kijk ook naar wat er gebeurt met Jerome Powell.

Europa heeft de Amerikaanse burgers aan zijn kant om een vuist te maken en consequent te zijn. Dat begint ook binnen deze regering, waar er blijkbaar veel diplomatie nodig is om het evidente te kunnen uitspreken, namelijk een veroordeling van de gebeurtenissen, het rechten van de rug en de VS duidelijk maken dat het genoeg geweest is en dat hun strategische gevechtjes om allerlei grondstoffen overal ter wereld de wereld niet veiliger maken, integendeel.

Maxime Prévot:

Je suis conscient qu'en reprenant la parole, je cours de le risque de lancer un nouveau tour, mais c'est le principe. Je pourrais me contenter de passer à la question suivante, mais je trouve que le débat que nous venons d'avoir est intéressant et illustratif des réflexions à mener, pour peu que nous l'élargissions un peu pour quitter les seules questions du Venezuela et du Groenland. Ce sont peut-être des propos que nous aurions pu partager dans quelques semaines, lorsque nous analyserons la note de politique générale. Mais à mon sens, l'esprit est mûr dans l'échange que nous venons d'avoir.

Vous me dites régulièrement d'ouvrir les yeux et de ne pas être naïf sur le fait que le monde a changé. Je peux vous assurer que, depuis un an que je suis à la tête du département des Affaires étrangères, je n'ai pas manqué d'occasions de mesurer que le monde avait changé, et mes diplomates en sont bien conscients. Mais si le monde a changé, je vous invite aussi parfois – et je dis ceci avec beaucoup d'humilité – à changer vous-même le regard au travers duquel vous lisez ce monde.

Bien sûr que l'attitude des États-Unis me préoccupe et m'inquiète, bien sûr qu'elle n'est pas acceptable dans une série de dossiers. J'ai dit que nous avions, comme tous les pays et grandes puissances du monde, des défis communs, que j'ai cités, notamment le trafic de drogue, le terrorisme, etc. Je ne tomberai pas dans les propos plus restrictifs auxquels m'a invité M. Boukili en mettant en exergue des dossiers sur lesquels nous avons des divergences avec les États-Unis, bien entendu. De même, Mme Mutyebele Ngoi, j'ai dit que nous restions alliés, j'ai n'ai pas dit que c'étaient les mêmes alliés. C'est là votre vocabulaire. Je suis conscient que les États-Unis restent des alliés mais qu'ils ont changé. C'est le sentiment qu'ont les Européens.

Les Américains, eux, ont le sentiment que c'est l'Europe qui a changé, considérant que celle-ci – de leur point de vue, je ne le défends pas – se montre trop permissive face aux questions migratoires, qu'elle ne résiste pas assez à l'influence de certains courants religieux, etc. De leur point de vue, c'est nous qui avons changé. Je pense que le monde a globalement changé. Et, si je suis préoccupé par ce qui se passe outre-Atlantique, je pense que nous devrions collectivement et peut-être bien davantage nous préoccuper de ce qui se passe en Europe. Car la superpuissance américaine n'a d'égale que l'affaiblissement européen.

En ja, we hebben nood aan een coherent Europa, mevrouw Almaci. Dat is 100 % waar.

Vous appelez souvent l'Europe à la barre, en disant: "Monsieur le ministre, il faut que l'Europe réagisse plus fortement. Il faut qu'elle mette le holà, qu'elle prenne des mesures, qu'elle annonce les rétorsions; et la Belgique doit être dans le même mouvement."

L'Europe est forte quand elle est unie. C'est d’ailleurs parce que les Américains l'ont bien compris qu'ils préfèrent régulièrement avoir des démarches bilatérales plutôt que des démarches avec les institutions européennes.

Ce qui me préoccupe aujourd'hui, moi, Européen convaincu depuis mon premier souffle, c'est de constater depuis un an que l'Europe se divise de plus en plus.

Vous dites, madame Almaci, que l'Europe aurait pu réagir vite, fortement, en condamnant ceci, en dénonçant cela. Il a fallu plus de 48 heures – j'ai le bénéfice d'être dans le groupe WhatsApp ou Signal de mes collègues – pour obtenir un statement à 26, et dont chacun des mots a dû être pesé ou soupesé, et où vous ne trouvez pas, d'ailleurs, le mot "condamnation".

Pourquoi est-ce que je dis cela? Parce qu'on peut tous – moi aussi – rêver de cette Europe forte qui réagit rapidement, promptement, fermement. Mais aujourd'hui, force est de constater, avec lucidité autant qu'avec regret, que cette Europe unie sur les dossiers internationaux peine à exister.

Ce n'est pas pour rien que nous sommes en train de plaider pour être associés à la table des négociations sur le dossier ukrainien, un peu en deuxième ligne. Ce n'est pas pour rien que vous m'avez, et de mon point de vue, souvent à raison, interpellé sur la réaction européenne par rapport à Gaza, qui faisait défaut, et que nous n'avons pas été en capacité d'avoir une voix européenne forte sur le sujet. Le plan de paix a dès lors davantage été rédigé à Washington qu'à Bruxelles.

L’Europe n'est pas unie sur le volet international, parce que les 27 pays n'ont pas le même point de vue. Certains sont plus proches de Moscou que d'autres. Certains ont une affiliation historique très forte avec Washington.

N'oublions pas, chers collègues, que certains pays européens sont indépendants depuis seulement l'après-chute du mur de Berlin, depuis 30 ou 35 ans. Ils doivent souvent cela à l'intervention des Américains, et leur reconstruction aussi à l'intervention de ceux-ci. Ils n'ont donc pas nécessairement la même posture que la nôtre, ce qui rend plus compliqué encore la capacité de fédérer les points de vue à 27.

Je tiens à le partager pour que cela serve de sursaut afin de travailler aussi au renforcement de l'Union européenne, et non uniquement à la dénonciation de ce qui se pratique ailleurs. En effet, c'est entre nos mains que réside notre capacité à peser et à être cette fameuse puissance économique – comme nous le sommes à 27 –, qui ne signifie cependant pas que nous soyons toujours une puissance diplomatique, parce que l'unanimité est souvent requise pour les questions de politique étrangère.

Je sais que nous allons encore connaître des moments dans l'actualité internationale qui nous heurteront. On entendra: "L'Europe doit faire ceci, mais ne le fait pas! Vous devez plaider ceci, mais vous ne le faites pas!" Si, si, je plaide fermement, vocalement, mais je plaide dans une assemblée qui, aujourd'hui, est moins unie qu'elle ne l'était antérieurement. C'est pourquoi je déplore, comme vous, l'incapacité pour l'Union européenne de peser sur la scène internationale autant qu'elle serait théoriquement apte à le faire. Ne voyez aucune résignation dans mon propos, mais bien une invitation à la lucidité afin que nous travaillions tous ensemble à la lecture du monde à la lumière de cette réalité.

Il est évident que les partenariats avec les autres pôles géopolitiques sont plus que jamais indispensables et essentiels. Au demeurant, quand une nation prend des initiatives contraires à nos intérêts, à nos valeurs et à notre ADN, j'entends souvent des députés plaider pour que nous envoyions des signaux clairs, que nous rompions nos relations internationales, que nous renvoyions des ambassadeurs, etc. Si chaque fois qu'un événement qui nous déplaît se produisait, nous devions renvoyer un ambassadeur, l'avantage est que nous n'aurions plus beaucoup de sujets à traiter en commission des Relations extérieures! Or la vocation même de la diplomatie est, surtout et avant tout, d'essayer de garantir le maintien d'un dialogue avec celles et ceux qui nous sont peut-être le moins proches. Il est certain que nous devons continuer à entretenir de bonnes relations avec celles et ceux qui sont plus alignés sur nos positions, mais ce n'est peut-être pas à leur égard que l'effort diplomatique doit être le plus intense. Je rappelle que, dans ces pays, nous avons aussi des entreprises et des compatriotes. L'absence de relations diplomatiques rendrait d'autant plus difficile la possibilité de leur apporter l'aide et l'assistance dont ils ont besoin. Je le dis parce que j'entends souvent: "Mais enfin! Pourquoi n'avez-vous pas renvoyé tel ambassadeur?"

Le monde est complexe. Notre travail collectif, à moi comme ministre et à vous comme membres vigilants de la politique étrangère de notre royaume, consiste à apporter une lecture plus fine des relations internationales, sans travestir notre ADN ni renoncer à nos valeurs, mais en étant conscients du contexte dans lequel ils doivent s'exprimer et se déployer au sein de cette Union européenne qui ne parvient pas toujours à le faire à la hauteur de ce que nous souhaiterions collectivement.

Ne me tenez pas rigueur d'avoir eu envie de partager cette réflexion avec vous.

Nabil Boukili:

Monsieur le ministre, je vous remercie d'avoir pris la balle au bond pour approfondir ce débat intéressant et je me réjouis déjà des futures discussions que nous aurons dans le cadre de la note de politique générale.

Vous avez abordé des points importants et je vous rejoins quand vous parlez de l'importance de la diplomatie. Ce n'est en effet que par la diplomatie que nous pouvons en grande partie trouver des solutions communes dans un monde multipolaire qui évolue et qui, vous l'avez dit, a évolué et a, d'une certaine manière, basculé.

Ces lunettes-là, mon groupe les a déjà mises depuis un moment. On a déjà averti sur certains événements internationaux actuels ainsi que sur l'agressivité de l'impérialisme américain qui est aujourd'hui en déclin économiquement. Celui-ci se fait dépasser par d'autres forces, notamment les forces du BRICS, mais veut maintenir sa domination coûte que coûte, quitte à violer toutes les règles internationales. Mais l'Europe, elle, n'a pas encore changé de lunettes. Elle continue à voir le monde avec ses vieilles lunettes et, pour cette raison, nous sommes en retard. Si, aujourd'hui, l'Europe n'est pas unie sur certaines questions, c'est notamment parce qu'elle n'a pas changé de lunettes. Elle reste dans cette logique du maintien de la domination de l'Occident sur le reste du monde, un reste du monde qui n'accepte plus cette logique-là voulant s'émanciper et avoir sa souveraineté et son mot à dire. Or, on ne s'est pas encore adapté à cette nouvelle situation et on ne l'accepte pas encore.

Quand vous dites que l'Europe est divisée, cela dépend des dossiers. L'Europe est unifiée. Quand il a fallu voter les 19 paquets de sanctions contre la Russie, toute l'Europe a voté. Quand il a fallu voter les sanctions contre l'Iran, toute l'Europe était unifiée. Mais, lorsqu'il s'agit de sanctionner Israël, un État génocidaire, dont le chef d'État a un mandat d'arrêt contre lui, là, l'Europe n'est pas unifiée. Pourquoi? Parce que l'Union européenne est le premier partenaire économique d'Israël et que ce sont des alliés.

Aujourd'hui, il faudrait que l'Europe se remette en question et change de lunettes car on continue à prendre des positions politiques en fonction de nos intérêts et au détriment des intérêts des autres.

Tant qu'on ne se met pas dans une logique de coexistence avec les autres, de sécurité collective et d'intérêts communs, on continuera à aller dans le mur. C'est cela qu'il faut changer. Je suis tout à fait d'accord avec vous, monsieur le ministre, et je me réjouis de nos débats futurs à ce sujet.

Meyrem Almaci:

Mijnheer de minister, al hetgeen u zegt, kunt u perfect toepassen op de Belgische regering en daarmee hebt u haarfijn de zwakte van de regering aangegeven, namelijk dat er geen coherente en consequente positie is. Nochtans, als er één zaak is waarover Europa verenigd zou moeten zijn, dan is het wel het respect voor het internationaal recht en als er een zaak is waarvan ik hoopte dat ook de Belgische regering verenigd zou zijn, dan was het wel het respect voor het internationaal recht. Zodra men naar gelang van het dossier van tonaliteit en houding wisselt, zullen landen elders in de wereld die minder democratisch zijn, die hypocrisie duiden en zich afvragen waarom er voor het ene land direct een veroordeling komt en voor het andere land niet. Dat is natuurlijk dodelijk voor het vertrouwen. Vandaar dus die vraag.

Ik heb ook gehoord wat een aantal collega's uit de zaal, vaak niet ver van mij, regeringsleiders en voorzitters zeggen over de Verenigde Staten met president Trump en over Venezuela en wat kan en mag. In het ene geval is het allemaal niet zo erg. In het andere geval roept men moord en brand. Kijken we maar even naar de daden van de regering na haar communicatie met betrekking tot sancties tegen Israël. Dat is nefast voor het vertrouwen.

Als 17 % van de bevolking van de Verenigde Staten min of meer kan volgen dat Groenland strategisch belangrijk is, dan wil dat zeggen dat een immens deel van de bevolking hoopt dat Europa een vuist maakt en consequent is en dat men ook naar België kijkt om het voortouw te nemen.

De agressiviteit en de brutaliteit van Trump zijn eigenlijk een immens teken van zwakte. Hij wil Groenland, omdat als hij zelf de grondstoffen niet kan ontginnen, een ander dat ook niet mag. Als hij zelf de wateren niet kan controleren, dan wil hij dat een ander dat ook niet kan. Waarom valt hij Venezuela aan? In wiens handen komt de 20 % aan olie? Waarom voert hij handelsheffingen voor Europa in en willen de techoligarchen deregulering? Dat is, omdat ze die markt nodig hebben, maar het tegelijkertijd heel moeilijk hebben met het feit dat die autonome beslissingen neemt.

Een wereld die op die manier het recht van de sterkste toelaat en niet langer gebaseerd is op afspraken en vertrouwen, is een gefragmenteerde, onveilige wereld. Net daarom is het belangrijk dat we consequent zijn in Europa, te beginnen in eigen land, en dat we daar een rode lijn trekken.

Sandro Di Nunzio:

Mijnheer de minister, dank u wel voor uw overwegingen en voor uw interessante analyse. Ik moet het zeggen dat ik het heel vaak eens ben met uw analyse. U hebt gezegd dat we een andere bril moeten opzetten om naar de wereld te kijken. U hebt al verschillende maanden ervaring in de commissie hier, ik iets minder. U klaagt aan dat bepaalde collega’s dat niet doen. Welnu, ik ben het volmondig met u eens dat we van de gelegenheid gebruik moeten maken, de nieuwe situatie moeten aangrijpen om de zaken anders aan te pakken. Never waste a good crisis . Ik durf te stellen dat we op het vlak van diplomatie en internationaal recht in a permanent state of crisis zijn en ook nog zullen zijn in de komende jaren. Laten we dus maar hopen dat in de drie jaar waarin Trump nog president is, de crisis niet zal escaleren in een totale ramp. Van de crisis moeten we gebruikmaken, met de Europese Unie. Wanneer u uw beleidsnota ter bespreking legt, hoop ik dat u met die nieuwe bril ook naar Europa zult kijken en dat vooraan in uw beleidsnota zal staan op welke manier ons land zal proberen Europa meer te unificeren, opdat het meer met één stem zou spreken en opdat we, in de mate dat er geen aanpassingen mogelijk zijn aan de basisverdragen, met een soort coalition of the willing in een hogere versnelling daadkrachtiger zullen kunnen samenwerken met andere Europese landen op tal van vlakken waar het nodig is in deze nieuwe wereld. Ook al heeft collega Almaci het gras voor mijn voeten weggemaaid, ik sta erop om nog het volgende op te merken. Vous avez dit que l'Europe est forte quand elle est unie. C'est la même chose pour la Belgique, "l'union fait la force". Nous en reparlerons à propos du Mercosur, qui est un bon exemple. Nous n'arrivons pas à nous mettre d'accord sur le fait que cet accord est bon pour la Belgique, qui est un pays qui exporte beaucoup. Als het niet werkt in België, zal het ook in Europa, met al die verschillende landen, zeer moeilijk worden. Vandaar inderdaad mijn pleidooi voor een betere samenwerking, desnoods met bepaalde landen aan een hogere snelheid.

Het vredesakkoord tussen Rusland en Oekraïne
Het vredesplan van Oekraïne
De Coalition of the Willing
De Belgische verbintenissen in het kader van de veiligheidsgaranties voor Oekraïne
De vrede in Oekraïne
Internationale vredesinitiatieven en veiligheidsgaranties voor Oekraïne

Gesteld aan

Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 14 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om Europa’s marginale politieke rol in de Oekraïne-vredesonderhandelingen, ondanks zijn financiële steun (o.a. 90 miljard euro) en defensie-inzet via de Coalition of the Willing. Minister Prévot bekritiseert dat de EU "enkel betaler, geen speler" is en pleit voor een sterkere Europese stem, terwijl de VS en Oekraïne het 20-puntenplan (omstreden door territoriale kwesties zoals Donbas) bilateraal uitwerken; Ruslands gebrek aan vredeswil wordt breed betwijfeld, gezien de aanhoudende aanvallen op Oekraïense infrastructuur. Kritiekpunten zijn de afwezigheid van EU-unanimiteit (o.a. door Hongaarse blokkades), de afhankelijkheid van de VS (wiens betrouwbaarheid wordt bevraagd, bv. door Trump’s Groenland-beleid), en de nood aan een geïntegreerde Europese defensie om gelijke onderhandelingsmacht te verkrijgen. België bevestigt deelname aan de multinationale troepenmacht en militaire steun, maar Oekraïnes soevereiniteit in vredesbeslissingen blijft centraal, met druk op Rusland als enige realistische hefboom.

Britt Huybrechts:

De gesprekken tussen de Verenigde Staten en Oekraïne van december over een mogelijk vredeskader maken één zaak bijzonder duidelijk: de Europese Unie zit niet aan tafel. Die onderhandelingen verlopen in essentie bilateraal tussen Washington en Kiev, terwijl Europese leiders pas achteraf reageren met verklaringen van steun. Dat is des te opvallender omdat diezelfde Europese Unie recent nog heeft ingestemd met een nieuwe Europese lening van 90 miljard euro voor Oekraïne, waarvoor ook België financieel mee instaat. Europa draagt dus wel degelijk de budgettaire en financiële verantwoordelijkheid, maar lijkt politiek volledig afwezig wanneer het gaat over de inhoud, de voorwaarden en de strategische contouren van een mogelijke vredesregeling.

Ik heb hierover nog verschillende vragen, maar daarvoor verwijs ik naar de schriftelijke versie. Voor het overige vraag ik u om mij te verontschuldigen, want ik moet zo snel mogelijk door naar een andere vergadering. Ik zal uw antwoord met veel interesse digitaal beluisteren. Ik zal daarover zeker opnieuw een vraag indienen. Alvast bedankt voor uw antwoord.

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, mijn vraag dateert van een tijdje geleden en betreft het twintigpuntenplan dat is bekendgemaakt en waar Oekraïne in mee zou gaan. Dat plan is in overleg met de Verenigde Staten uitgewerkt. Europa is ondertussen, zoals u daarnet ook al zei, een gesprekspartner geworden, maar we zijn er nog niet. We weten nog niet hoe Rusland reageert op dat twintigpuntenplan en in hoeverre we echt kunnen overgaan tot daadwerkelijke vredesgesprekken.

Ik had dus graag van u vernomen wat de stand van zaken is. Kunt u bevestigen in welke mate de Europese lidstaten en ons land betrokken zijn geweest bij de bespreking van dat vredeskader? Er is ook een vergadering geweest in het kader van de Coalition of the Willing voor de wederopbouw. Wat is daar de stand van zaken?

Hoe beoordeelt u de inhoud en de haalbaarheid van het twintigpuntenplan, in het bijzonder wat betreft de nog openstaande territoriale kwesties?

Welke rol ziet u verder weggelegd voor Europa en voor ons land in het diplomatieke traject op weg naar een duurzame vrede?

Annick Lambrecht:

Mijnheer de minister, op 6 januari bereikten Europese bondgenoten, verenigd in de zogenoemde Coalition of the Willing, met 35 landen een akkoord over een multinationale troepenmacht in Oekraïne. Van zodra er een geloofwaardig staakt-het-vuren zou zijn, moet die de veiligheid van Oekraïne garanderen en Rusland weerhouden en afschrikken om de gevechten te hervatten. Daarbij is het belangrijk dat ook de VS zwart op wit toezegden voor de veiligheid van Oekraïne garant te willen staan.

Ik heb daarover de volgende vragen.

Ten eerste was president Trump zelf niet aanwezig op die top. Hij was bezig met heel de toestand in Venezuela. Wat zegt dat over het engagement van de Amerikanen? Kunnen we het woord van de VS geloven en erop vertrouwen, wanneer zij ook andere internationale afspraken niet nakomen en bijvoorbeeld nu bezig zijn in Groenland?

Ten tweede kan het gezamenlijke Europese leger alleen worden ingezet wanneer er effectief een staakt-het-vurenakkoord is. Amerikanen geven aan dat ze nog steeds vasthouden aan dat twintigpuntenplan. Eerder werd al duidelijk dat dit onaanvaardbaar is voor Oekraïne. Wat doet Europa om de stem van Oekraïne hier luider te laten klinken?

Ten derde zijn Europese landen bereid om boots on the ground te zetten, waaronder ook ons land, België. Dat is een zeer grote stap in ons engagement tegenover Oekraïne om hun een veilige toekomst te geven. Is dit ook een stap richting meer Europese integratie van onze defensie?

De laatste vragen gingen over defensie. Ik verwijs daarvoor naar de schriftelijke vragen.

Michel De Maegd:

L'agression russe en Ukraine s'est poursuivie durant ces dernières semaines, sans répit pour les populations directement visées et lourdement éprouvées par les bombardements russes. Les coupures d'électricité se multiplient car l'agresseur cherche à faire plier la nation ukrainienne en visant son infrastructure énergétique en plein hiver. Dans ce contexte, les nations démocratiques d'Europe et d'ailleurs ont annoncé la poursuite de leur soutien, mardi dernier, à Paris, à travers la conclusion d'un accord de la Coalition des volontaires. Cet accord formalise des garanties de sécurité robustes pour l'Ukraine, y compris des engagements qui seraient activés dès l'entrée en vigueur d'un cessez-le-feu. Cet accord prévoit notamment la mise en place d'un mécanisme de surveillance et de vérification de ce cessez-le-feu, dirigé par les États-Unis, avec la participation européenne, ou encore une force multinationale destinée à soutenir la reconstitution des capacités de défense ukrainiennes et à renforcer la dissuasion en complément d'un soutien militaire prolongé. Le premier ministre a par ailleurs confirmé que la Belgique prendrait part à cette initiative. Je m'en réjouis, bien sûr, et aimerais, au nom de mon groupe, obtenir quelques précisions.

Tout d'abord, quelle est votre analyse quant à la portée politique de ces garanties de sécurité, récemment formalisées à Paris, notamment eu égard au rôle de l'Union européenne dans le processus de paix? Qu'en est-il de la cohérence de ces engagements avec nos obligations en matière de droit international?

Ensuite, disposez-vous d'éléments concrets concernant la contribution belge à ce dispositif, même si j'entends bien que le département de la Défense est plus à même de répondre à cette question? Doit-on voir dans cet engagement commun au sein de l'Union le signe d'une avancée vers une plus grande intégration européenne de la Défense, notamment en matière de planification, de coordination et d'interopérabilité des capacités?

Enfin, de quelle manière la Belgique veillera-t-elle à ce que ces garanties de sécurité s'inscrivent dans une stratégie globale, visant non seulement à prévenir une reprise du conflit mais aussi à créer les conditions d'une paix juste, durable et fondée sur le droit international, et à assurer une reconstruction soutenue du tissu économique, institutionnel et social en Ukraine?

Els Van Hoof:

Ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

Mijnheer de minister,

Op 6 januari sloot de zogenaamde coalition of the willing in Parijs een akkoord over een multinationale troepenmacht voor Oekraïne, die er zou komen nadat een geloofwaardig staakt-het-vuren is vastgelegd. Ook zouden de Verenigde Staten garanties beiden om de vrede in Oekraïne te helpen bewaren en de premier verklaarde reeds dat ons land bereid is marine, luchtmacht en militairen ter beschikking te stellen.

De Amerikaanse vertegenwoordigers Witkoff en Kushner verklaarden op de persconferentie na afloop van de top dat zij achter het zogenaamde 20-puntenplan blijven staan dat door de VS en Oekraïne eind december was overeengekomen. Over een aantal kwesties, met name de controle over de kerncentrale van Zaporizja en de status van de Donbas, zou echter nog geen overeenstemming zijn met Oekraïne.

Op het terrein is er echter weinig te merken van een nakend staakt-het-vuren: in de dagen en nachten na het akkoord van de coalition of the willing bleef Rusland de Oekraïense energie-infrastructuur bombarderen, zelfs met hypersonische ballistische missiles. Honderdduizenden Oekraïners zaten daardoor zonder stroom in de koude winterdagen.

Ik heb voor u de volgende vragen:

Zal dit akkoord van de coalition of the willing de vredesgesprekken tussen Oekraïne en Rusland in een stroomversnelling brengen? Op welke manier is de EU betrokken bij deze vredesgesprekken? Welke rol kan de EU spelen hierin?

Kwam vrede in Oekraïne ter sprake tijdens de ontmoeting die u vorige week had met uw Amerikaanse homoloog? Welk standpunt verdedigde u en welke reactie kreeg u concreet?

Hoe geloofwaardig acht u de Amerikaanse belofte om een zogenaamde backstop te voorzien in Oekraïne aan Europese troepen, als Trump tegelijkertijd de druk over de annexatie van Groenland opvoert?

De voorzitster : Als er geen andere leden zijn die wensen aan te sluiten in dit debat, geef ik graag het woord aan de minister.

Maxime Prévot:

Dank u, mevrouw de voorzitster.

Beste Kamerleden, de veiligheid van Oekraïne en die van de Europese Unie zijn intrinsiek met elkaar verbonden. Financiële steun aan Oekraïne betekent dan ook een investering in de veiligheid van Europa.

Het klopt dat de EU als organisatie niet rechtstreeks betrokken is bij de gesprekken over een mogelijk vredesakkoord tussen Oekraïne en Rusland. Europa, in de bredere zin van het woord, speelt echter wel degelijk een belangrijke rol in het vredesproces. De grote landen zoals Frankrijk, Duitsland en Italië, en ook het Verenigd Koninkrijk, ondersteunen in overleg met andere Europese landen Oekraïne via advies en contacten op hoog niveau met de Trump-administratie. Ook andere EU-lidstaten zoals Finland nemen hun verantwoordelijkheid in die zin. Het VS-plan werd intussen in overleg tussen Oekraïne en Europa teruggebracht tot een twintigpuntenplan dat het Amerikaanse voorstel in belangrijke mate insluit en bijstelt.

Ikzelf heb eerder deze maand de Verenigde Staten bezocht en heb uitvoerig onze visie op de contouren van een mogelijk vredesakkoord kunnen uitleggen.

J'ai pu insister sur l'importance que l'Union européenne soit autour de la table et pas à côté, et qu'elle soit une partie prenante sérieuse à tout accord de paix si nous voulons qu'il soit durable. We have to be a player and not only a payer .

Dans le cadre de la Coalition des volontaires, composée de plus de 30 pays, principalement européens, des plans concrets ont été élaborés afin de garantir la sécurité de l'Ukraine lorsqu'un cessez-le-feu ou un accord de paix sera conclu. Le 6 janvier, notre premier ministre a participé à un sommet de cette Coalition à Paris. À cette occasion, la France et le Royaume-Uni ont signé, au nom de la Coalition, une déclaration d'intention concernant les garanties de sécurité avec l'Ukraine.

Het goede nieuws is ook dat de Verenigde Staten zich bij deze gelegenheid er krachtig toe hebben verbonden Oekraïne veiligheidsgaranties te bieden, wat zowel waardevol als onmisbaar is.

Il a été convenu, entre autres, qu'en cas de cessation crédible des hostilités, une force multinationale de réassurance sera déployée en Ukraine. Notre pays a également l'intention d'y participer avec des capacités maritimes et aériennes.

La Belgique contribuera aussi à la régénération des troupes ukrainiennes par la formation. Je laisse évidemment au ministre de la Défense le soin de vous en dire davantage le moment venu. Il est par ailleurs prévu que les Alliés prennent des engagements contraignants afin de soutenir l'Ukraine en cas de nouvelle attaque russe. En outre, la coopération en matière de défense avec l'Ukraine sera approfondie et le soutien aux forces armées ukrainiennes se poursuivra.

En ce qui concerne la question d'une défense européenne plus intégrée, je renvoie à mes autres réponses et je rappelle que je suis favorable à une Europe forte, résiliente, souveraine et autonome, capable, comme je l'ai indiqué il y a quelques minutes, d'assumer sa propre sécurité et de défendre ses intérêts.

Il apparaît d'ailleurs de plus en plus clairement que l'Ukraine, au regard de son expérience et de ses capacités d'innovation militaire, forcées par le destin, a le potentiel pour devenir un acteur clé de la défense européenne. Nous aurions tout intérêt à renforcer notre coopération, y compris dans le cadre du programme SAFE, avec l'industrie de défense ukrainienne, dont certains domaines d'expertise sont parfois supérieurs aux nôtres, notamment en ce qui concerne la capacité prioritaire liée aux drones et aux systèmes anti-drones.

In het toetredingsproces tot de Europese Unie wordt voortgewerkt aan de technische voorbereidingen en voert Oekraïne diepgaande hervormingen door met het oog op toekomstig lidmaatschap.

Het is u bekend dat er jammer genoeg geen unanimiteit meer is onder de EU-lidstaten over een aantal aspecten van de Europese aanpak van de Russische agressieoorlog. Sommige beslissingen over steun aan Oekraïne kunnen daarom op dit moment niet in EU-kader worden genomen.

Het EU-sanctiebeleid ten aanzien van Rusland, dat het voor Moskou steeds moeilijker maakt om de oorlog te blijven bekostigen en zodoende een impact heeft op de Russische afweging om al dan niet aan de onderhandelingstafel te komen, wordt wel volgehouden. Voorstellen voor een twintigste sanctiepakket worden momenteel voorbereid door de Europese Commissie.

Het resultaat van al het voorgaande is dat Oekraïne in staat blijft om zich te verdedigen tegen de Russische agressie, Rusland steeds meer onder druk komt te staan en Oekraïne kan onderhandelen vanuit een sterkere positie. De Verenigde Staten hebben ook een beter begrip van de Oekraïense en Europese belangen en erkennen dat Europa betrokken moet zijn bij beslissingen over de Europese veiligheid.

Het blijft aan Oekraïne om te beslissen welk vredesakkoord aanvaardbaar is. Het territoriaal vraagstuk maakt daarvan deel uit. Oekraïne heeft zich oprecht compromisbereid getoond, maar uit de houding van Moskou van de voorbije maanden leid ik af dat Rusland niet oprecht geïnteresseerd is in vrede en enkel reageert op druk.

De komende tijd zie ik de rol van Europa in het vredesproces dan ook als volgt. De steun voor Oekraïne op alle vlakken blijft. De druk op Rusland wordt volgehouden en verhoogd. De outreach naar de Verenigde Staten wordt versterkt. Dat alles gebeurt in EU-kader indien het kan en op ad-hocbasis met gelijkgezinde partners wanneer het moet. België is en blijft daarin een betrouwbare partner.

Nous avons contribué à soutenir l'Ukraine depuis le premier jour, tant financièrement que militairement. Il n'est d'ailleurs pas exclu que nous prenions prochainement un engagement complémentaire dans le programme PURL (Priority Ukraine Requirements Lists).

Nous sommes également satisfaits d'avoir pu œuvrer à l'obtention d'un résultat unanime le mois dernier, lors du dernier Conseil européen, afin de débloquer les 90 milliards d'euros requis, au niveau européen bien entendu, pour répondre aux besoins de l'Ukraine en matière d'effort de guerre ainsi que pour ses besoins civils et administratifs pour les années 2026 et 2027.

De voorzitster : Mevrouw Huybrechts is niet meer aanwezig.

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, u sprak het zinnetje: we weten niet in hoeverre Moskou echt in vrede geïnteresseerd is. Dat zinnetje baart ons allemaal zorgen, daarom kunnen we best anticiperen. Het is heel belangrijk dat Europa mee heeft nagedacht over dat twintigpuntenplan. We stellen ook vast dat Oekraïne tot compromissen bereid is. Wij moeten met alle Europese lidstaten achter Oekraïne blijven staan, op diplomatiek vlak zowel als met betrekking tot de beslissing voor de lening van 90 miljard euro.

We moeten één entiteit vormen en heel duidelijk aangeven dat we de vrede in Oekraïne willen bereiken en heel wat opofferingen willen doen. De Europese bijstelling is essentieel geweest. Het feit dat we aan tafel zitten of zouden blijven zitten, is ook nog altijd essentieel.

U zei het ook: we willen en moeten naar een duurzame vrede gaan. Dat gebeurt aan onze grenzen, op ons continent. Het garanderen van de Europese stem en de veiligheid in Europa is een missie en een engagement dat we allemaal kunnen en moeten blijven volhouden. In dat gezamenlijk engagement moeten we blijven volharden.

De minister van Defensie geeft ook aan te willen blijven ondersteunen en voor die duurzame vrede te willen blijven gaan.

Het is inderdaad ook belangrijk dat we in de coalition of the willing een garantie hebben dat de Amerikaanse bondgenoten de verbintenis mee aangaan en de veiligheidsgaranties bijstaan.

Wij blijven pleiten voor verdere dialoog en verdere stappen naar vrede.

Annick Lambrecht:

Mijnheer de minister, de EU is, zoals u nog eens hebt benadrukt, niet rechtstreeks betrokken bij het vredesakkoord en eigenlijk is dat een regelrechte schande. Tussen de lijnen hoor ik dat u zich daar ook fel aan ergert. "We willen een speler zijn en niet enkel een betaler." U gebruikt daarmee een mooie zin.

Ik denk dat die vernedering door de VS een constante is. De VS laten ons als EU wel betalen, maar als het erop aankomt om echt aan tafel te zitten, niet gewoon wat meedraaien op een bepaald niveau, maar daadwerkelijk meebeslissen, laten de VS dat niet toe. We moeten op tafel blijven kloppen, zoals we ook al in het voorgaande debat hebben gezegd. Economisch zijn we een zeer zwaar blok en hebben we wel degelijk iets in de weegschaal te leggen. Het eerste punt is dus dat we aan die tafel moeten geraken.

U hebt benadrukt dat er een meer geïntegreerde defensie moet komen. Dat is een debat voor een andere commissie, maar ik denk dat bijna iedereen het daarover eens is. Dat is nodig, omdat het ook onze sérieux tegenover de VS kan versterken. Nu, moeten we eerlijk toegeven, lachen de VS met ons.

Dat brengt me bij een punt dat ook in het eerste actuadebat aal aan bod kwam, met name unanimiteit. U hebt het hier ook over gehad. Dat we geen unaniem standpunt kunnen innemen, doet ons de das om. Dat blijkt in het debat over Venezuela en in het debat over Groenland, en nu opnieuw.

Ik herhaal, ook al is dat in strijd met mijn collega’s van het Vlaams Belang, dat ik vind dat één land niet alleen de lusten kan hebben, zonder ook eens de lasten te dragen. Ik heb het dan over Hongarije. Ik vraag u om binnen Europa harder op te treden tegen die blokkering door één land tegen het feit dat we nochtans een sterk blok zouden kunnen zijn. Dat lijkt nu misschien onrealistisch, maar veel van wat Trump ooit zei, was ook onrealistisch. Waarom zouden we er niet in slagen om dat ene land te sanctioneren, dat nooit wil meewerken en er telkens voor zorgt dat de EU niet vooruit geraakt?

Michel De Maegd:

Monsieur le ministre, merci pour votre réponse.

Je le rappelle systématiquement, nous parlons ici d'un conflit qui a lieu à nos portes. En termes de distance, c'est comme si cela se passait dans le sud de l'Espagne, à quelques centaines de kilomètres de chez nous. Ce conflit porte sur des enjeux très concrets pour notre sécurité et il était primordial, aux yeux de mon groupe Les Engagés, que cet accord soit conclu.

Il s'agit d'un signal politique fort, qui montre que l'Europe ne se résigne pas, qu'elle refuse l'usure du temps et qu'elle comprend que la paix ne peut être réelle que si elle est protégée et fondée sur les principes du droit international. Mais cet accord nous oblige aussi à rester clairs sur un point fondamental. Comme nous le répétons depuis maintenant presque quatre ans, aucune paix ne peut être négociée au détriment de l'Ukraine et sans l'Ukraine. La voix ukrainienne doit rester centrale et respectée.

Cet accord doit nous pousser à assumer un choix stratégique, celui d'une Europe qui cesse d'être seulement un espace économique ou diplomatique pour devenir un véritable acteur de sécurité, capable de protéger ses valeurs et ses partenaires, ce que d'autres dossiers débattus aujourd'hui nous démontrent également. Je pense que la Belgique, par son histoire, son attachement au multilatéralisme et au droit international, a un rôle essentiel à jouer dans cette dynamique, en aidant à fédérer, structurer et donner du sens à l'action collective européenne. Bien entendu, monsieur le ministre, je sais que vous en êtes parfaitement conscient et que nous pouvons compter sur vous.

Els Van Hoof:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord.

U hebt het inderdaad heel duidelijk gezegd, de vrede in Oekraïne betekent ook vrede en veiligheid voor de Europese Unie. Net daarom zetten we daar zo sterk op in.

Ik moet eerlijk zeggen dat ik blij verrast was toen het twintigpuntenplan werd aanvaard, met inbegrip van de backstop van de Verenigde Staten. Zoals u zelf ook aangeeft, lijkt Rusland echter weinig bereid tot compromis. Meteen daarna, in de dagen en nachten na het akkoord, bleef Rusland de energie-infrastructuur aanvallen, met als gevolg dat vandaag honderdduizenden Oekraïners zonder stroom zitten in de koude winterdagen. Dat is niet erg veelbelovend voor potentiële vredesonderhandelingen.

We kunnen dus alleen blijven doen wat we altijd hebben gedaan. We moeten ook doorzetten, niet alleen met de Europese Unie, maar vooral met de coalition of the willing . Dat is immers ook een belangrijk blok waarop we moeten rekenen. We moeten Oekraïne blijven steunen, druk blijven zetten op Rusland en die outreach naar de Verenigde Staten blijven doen om hen bij de les te houden. Dat is vandaag de enige oplossing die we hebben, in de hoop dat Rusland door die druk ooit zal bijdraaien. Hoop doet leven. Er sterven vandaag immers nog steeds te veel Oekraïners.

Sandro Di Nunzio:

Mevrouw de voorzitster, ik had geen vraag ingediend, maar aangezien dit een actualiteitsdebat is, wil ik toch even aansluiten. Dit is uiteraard een illustratief punt, dat ook aansluit bij het vorige debat. Ik wil graag herhalen dat de EU in tijden van nood en crisis in principe altijd de weg van integratie toont. Dat werd ook al deels aangetoond door onze eigen eerste minister. Waar het jaren geleden ondenkbaar zou zijn geweest dat iemand als Bart De Wever, die toch lid is van een Vlaams-nationalistische partij, zou pleiten voor een gedeelde lening van 90 miljard euro door bijna alle Europese landen, zien we vandaag iets wat bijna als een federale oplossing kan worden beschouwd. Mijnheer de minister, ik zou dus zeggen, bouw daarop verder en probeer op die weg verder te gaan naar meer integratie en zorg er uiteraard voor dat we inzake dat conflict mee aan tafel blijven zitten.

De escalatie van protesten in Iran met dodelijk geweld
De groeiende straatprotesten in Iran
De protesten in Iran
De repressie van het binnenlandse politieke protest door het Iraanse regime
De aanhoudende protesten in Iran
De toestand in Iran
De situatie in Iran
Iran
De situatie in Iran
De ernstige mensenrechtenschendingen in Iran
De gewelddadige onderdrukking van de Iraanse bevolking
De aanhoudende protesten en repressie in Iran met mensenrechtenschendingen

Gesteld aan

Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 14 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Tijdens een emotioneel parlementair debat over de brutale onderdrukking van massaprotesten in Iran – met volgens mensenrechtenorganisaties duizenden doden, tienduizenden arrestaties en systematisch geweld tegen demonstranten – eisen parlementsleden dringende EU-sancties, diplomatieke druk en steun aan het Iraanse volk. Minister De Maegd (BZ) bevestigt dat België de repressie "ondubbelzinnig" veroordeelt, de Iraanse ambassadeur op het matje riep en pleit voor verdergaande EU-sancties (bestaande maatregelen raken 344 entiteiten/373 individuen), maar benadrukt dat diplomatieke kanalen open moeten blijven om gevangenen zoals Ahmadreza Djalali (Belgisch ereburger) te kunnen volgen. Kritische stemmen (o.a. Vlaams Belang, N-VA, Les Engagés) eisen hardere actie: uitzetting van Iraanse diplomaten, terreurlabel voor de Revolutionaire Garde (IRGC), en onmiddellijke, zwaardere sancties om het regime te "breken". Darya Safai (met familie in Iran) en Sam Van Rooy (PVV) bepleiten militaire steun (VS/Israël) en regime change, terwijl anderen (o.a. Groen, PTB) waarschuwen voor westerse inmenging (verwijzend naar mislukte interventies in Irak/Libië) en pleiten voor gerichte sancties zonder burgerlijden te verergeren. Kernpunt: België/EU moeten balans vinden tussen druk op het regime en bescherming van burgers, met urgentie nu executies en internetblackouts de crisis escaleren.

Ellen Samyn:

Mevrouw de voorzitster, mijnheer de minister, collega’s, wat zich vandaag in Iran afspeelt, tart elke verbeelding. Volgens cijfers van mensenrechtenorganisaties zijn inmiddels meer dan 2.400 mensen gedood en werden ruim 18.000 Iraniërs opgepakt, louter omdat zij hun stem durfden te verheffen tegen het fundamentalistische beleid van de ayatollahs. Het werkelijke aantal slachtoffers kennen we niet, net omdat dit extremistische regime het internet heeft afgesloten en systematisch probeert de waarheid in de kiem te smoren.

Wat ons wel bereikt, is ronduit huiveringwekkend: beelden van lijkzakken op straat, ziekenhuizen die overspoeld worden met doden en zwaargewonden, artsen die getuigen van gerichte schoten op jonge, zeer jonge demonstranten, in het hoofd, het hart en de ogen. Dit zijn geen ordehandhavingsoperaties, dit is brute en pure repressie. Dat mag helaas niet verbazen. Het Iraanse islamitische theocratische regime heeft een bijzonder grimmig palmares wanneer het gaat over democratie en mensenrechten.

Mijnheer de minister, u had maandag een onderhoud met de Iraanse ambassadeur. Wat was de concrete inhoud van dat gesprek? Hebt u het massale geweld tegen burgers ondubbelzinnig veroordeeld en expliciet geëist dat deze repressie stopt?

Hoe beoordeelt België vandaag de morele en humanitaire ernst van wat zich in Iran afspeelt, zeker nu de vrees reëel is dat het uiteindelijke dodental in de duizenden kan lopen? Er circuleren zelfs cijfers die spreken over 10.000 dodelijke slachtoffers.

Er bestaat bovendien de vrees dat het regime manifestanten na schijnprocessen zal executeren, een gekende praktijk van dit terreurregime om een afschrikeffect te creëren onder betogers. Hebt u binnen de EU overleg gepleegd om de druk op het Iraanse regime verder op te voeren, onder meer via een uitbreiding van de sancties, ook ten aanzien van landen en entiteiten die dit regime blijven ondersteunen of er zaken mee doen?

Beschikt u over bijkomende informatie over politieke gevangenen, meer bepaald over de situatie van Ahmadreza Djalali en andere westerse en/of politieke gevangenen met een dubbele nationaliteit?

Ten slotte, wat kan en zal België concreet doen om het moedige Iraanse volk, dat ondanks angst, geweld en censuur blijft opstaan, niet in de steek te laten?

Sam Van Rooy:

Minister, ambtsgenoten, terwijl vrijheidslievende Iraanse demonstranten alweer, voor de zoveelste keer, massaal worden afgeslacht door het moorddadige terroristische islamitische regime, hebben mijn partner en ik al zes dagen geen contact meer met onze familie in Teheran, de hoofdstad.

Al in de zevende eeuw is Iran, meteen na de stichting van de islam, voor het eerst met geweld veroverd, onderworpen en geïslamiseerd door jihadistische legers van Arabische moslims. Iran is een prachtig Perzisch land en volk, met een imposante geschiedenis en beschaving en met een enorm potentieel.

Met dank aan het Westen werd het land echter opnieuw geïslamiseerd in 1979, tijdens de verschrikkelijke islamitische revolutie. Al meer dan 45 jaar wordt Iran bezet door de islam. Dat is pas een bezetting. Al meer dan 45 jaar wordt het Iraanse volk gegijzeld, onderdrukt en geterroriseerd door de islamitische wet en de jihad. Dat gebeurt in de praktijk door de moorddadige ayatollahs, mollahs en de IRG, de Iraanse Revolutionaire Garde, die al lang op de terreurlijst had moeten staan. Het jihadistische regime van Iran is een van de grootste sponsors van terrorisme ter wereld, ten koste van het Iraanse volk.

Voor wie het nog altijd niet begrepen heeft: het islamitische regime van Iran is de sjiitische versie van Islamitische Staat. Toch krijgt het voortdurend noodlijdende Iraanse volk maar een fractie van de aandacht en de verontwaardiging die er is voor de Palestijnse kwestie, die nota bene een van de oorzaken is van het lijden van het Iraanse volk.

Terwijl Iraniërs smeken om de hulp van Israël en de VS, zien zelfhatende westerlingen een groter kwaad in president Trump en premier Netanyahu dan in de ayatollahs en de IRG. Waar zitten al die overijverige beleidsmakers nu? Waar zijn al die acties, demonstraties, campusbezettingen, BV-poseurs en rode lijnen nu?

Minister, in enkele dagen tijd werden mogelijk al 12.000 Iraanse demonstranten afgeslacht en dat aantal loopt nog op. Ik wil van u dus woorden en daden, minister, die daar recht aan doen.

Annick Lambrecht:

Mijnheer de minister, sinds de oudejaarsperiode zijn de grootste protesten in Iran sinds 2022 bezig. Wat eigenlijk begon als een economisch protest tegen koopkrachtverlies en inflatie is inmiddels uitgegroeid tot een nationaal protest op heel grote schaal tegen het gevestigde theocratische regime van de ayatollahs. Handelaars, verkopers, universiteitsstudenten en families protesteren over heel het land en riskeren hierbij hun leven. Ze scanderen leuzen als "dood aan de dictator" en "kom op voor je rechten". Nogmaals, op gevaar van hun leven.

Het Iraanse regime probeert de protestanten tegen te houden en te intimideren op alle mogelijke manieren. Met geweld, want er zijn al heel wat doden gevallen. De cijfers die we vernemen schommelen rond de 800, maar ik hoor ook duizenden. We kunnen het niet inschatten, want men heeft ook het internet afgesloten er is veel intimidatie. We weten wel dat er doden vallen en dat het er zeer erg aan toegaat.

Mijnheer de minister, ik heb de volgende vragen.

Ten eerste, hoe schat u de evolutie van deze bijzondere situatie in? Is dit een revolutie die eindelijk het criminele Iraanse regime zal doen vallen?

Ten tweede, de koopkrachtcrisis is onder andere het gevolg van de aanhoudende Europese en Amerikaanse sancties. Hoe beoordeelt u de effectiviteit van deze sancties? Wordt het juiste doel, namelijk het omverwerpen van het regime, daardoor bereikt?

Ten derde, terwijl de reactie van het Iraanse regime in de eerste dagen minder hard was, zijn er nu al honderden tot duizenden doden gevallen. Op welke manier kan de Europese druk toenemen om dat bloedvergieten te doen stoppen?

Ten vierde, vindt u de EU-strategie van dit moment de juiste?

Ten slotte, wat doen België en de EU om de democratische oppositie in Iran zo goed mogelijk te steunen en te helpen?

François De Smet:

Monsieur le ministre, depuis plusieurs semaines à présent, l'Iran connaît une vague importante de protestation populaire, que l'on peut désormais qualifier de révolte. Une révolte initialement déclenchée par une crise économique profonde – inflation élevée, effondrement du rial, hausse des prix – mais qui s’étendent désormais, comme par le passé, à des revendications politiques.

Selon les médias internationaux et les ONG, l'insurrection touche désormais toutes les provinces, toutes les classes sociales du pays et, surtout, est très durement réprimée. On compte désormais des milliers de morts, des milliers de blessés, des exécutions et de très nombreuses arrestations arbitraires ainsi que des violations persistantes des libertés fondamentales.

Alors, ce n'est pas le premier vent de révolte qui souffle dans ce grand pays de 92 millions d'habitants, mais ces révoltes s'intensifient à chaque fois. Et, comme beaucoup ici, nous espérons quelque part que cette fois sera la bonne. Nous espérons que, demain, cet Iran théocratique et dictatorial pourra céder la place à une démocratie laïque et libre, à un pays qui arrêtera de terroriser les femmes en les forçant à se voiler, qui cessera de persécuter les opposants et, plus accessoirement, qui cessera aussi d'intimider un certain nombre de pays, dont la Belgique, en prenant en otage des ressortissants.

Je pense que, comme l'Europe, nous avons un rôle à jouer. Des voix au sein de l'Union européenne ont appelé à la libération immédiate des personnes pacifiquement détenues.

Monsieur le ministre, quelle est la position du gouvernement belge face à cette répression? Renforcerons-nous au niveau européen et multilatéral notre soutien aux manifestants pacifiques, à la société civile iranienne et aux opposants démocratiques au régime? Plaiderons-nous pour le renforcement des sanctions contre ce régime? Enfin, soutenez-vous le placement des Gardiens de la révolution parmi les organisations terroristes?

Darya Safai:

Mijnheer de minister, we hebben het vandaag over Iran en u weet dat ik al voor de zesde dag op rij geen nieuws heb van mijn familie. Het is enorm zwaar voor mij om daarover te spreken, maar ik zie het als mijn plicht.

Het lijkt alsof de kinderen in een vuilniszak werden gestopt en de ouders moeten de rits openmaken om hun kinderen te kunnen identificeren. Die kinderen werden zomaar op straat vermoord. Er werden tot nog toe een dertigtal kinderen van ongeveer 15 jaar vermoord met oorlogswapens. Ik zie in elk gezicht het gezicht van mijn eigen kind.

Ik heb geen nieuws van mijn familie en ik maak mij zorgen over hen, maar het gaat over veel meer dan dat. Het gaat over de hele geschiedenis. De mensen komen op straat en eisen hun vrijheid en hun land terug. Er zijn geen verkiezingen georganiseerd en de mensen worden vermoord. Telkens opnieuw komen ze op straat en telkens opnieuw worden ze koelbloedig neergeslagen en wij kijken soms de andere kant uit.

Ik heb het niet alleen over ons. Het is heel zwaar voor mij om te zien dat het alweer gebeurt zonder dat we iets kunnen doen voor hen. Twaalfduizend mensen zijn gewoon op straat vermoord en vandaag beginnen de executies.

Om welke reden worden mensen geëxecuteerd? Ik kan u foto's laten zien, de een na de andere. Ik weet niet meer wat we kunnen betekenen voor die mensen.

Ik ben hier niet om u te overtuigen. Ik ben dankbaar. Ik weet dat u mij en het Iraanse volk steunt, maar we moeten bekijken of we iets kunnen doen om dit te stoppen. Daarom ben ik blij dat Europa steeds meer zijn stem laat horen. Wij moeten dat blijven doen en ik ben blij dat de wereld toont dat de Iraniërs er niet alleen voor staan.

Ik ben ook blij dat president Trump zegt dat we moeten ingrijpen als dat zo verder gaat. Dat is ook een goede zaak. Dat is geen inmenging, maar wel het beschermen van die mensen. We moeten dat doen en ik hoop dat we veel meer kunnen doen. Ik ben blij en dankbaar dat Europa meer van zich laat horen.

Mijnheer de minister, hoe ziet u dat evolueren? Wat denkt u dat wij kunnen betekenen voor de Iraniërs? Ik vraag u zelfs niet waarover u het had met de Iraanse ambassadeur, want wij erkennen hem niet. De ambassadeur is geen vertegenwoordiger van het Iraanse volk en u weet dat. De Iraniërs hebben hun eigen vlag gehangen aan de ambassades. Wat zal die man zeggen? Dat de mensen schuldig zijn en dat ze hen daarvoor hebben vermoord. Het interesseert mij niet wat hij heeft gezegd.

Ik weet niet meer wat we moeten doen, behalve die mensen de deur wijzen en zeggen dat we daarover niet met elkaar kunnen praten. Wat kunnen we doen om die executies en dat moorddadige regime tegen te houden en het Iraanse volk te bevrijden?

De voorzitster : Mevrouw Safai, ik wil u mijn medeleven betuigen met uw familie.

Michel De Maegd:

Mevrouw de voorzitster, het is heel moeilijk om het woord te nemen na het betoog van collega Safai.

Ik wil u in naam van Les Engagés onze sympathie betuigen in deze pijnlijke omstandigheden.

Monsieur le ministre, l'Iran est traversé par une vague de protestations d'une ampleur exceptionnelle. On l'entend, ce mouvement, d'une crise économique profonde, s'est rapidement transformé en une contestation politique plus large, portée par une population qui réclame la dignité, la liberté et un avenir. La réponse des autorités iraniennes est d'une brutalité extrême et croissante. Les informations émanant d'organisations internationales et d'ONG font état d'un usage systématique de la force létale, d'arrestations massives, de restrictions sévères de l'accès à internet et d'atteintes répétées aux libertés fondamentales.

Le bilan humain est déjà effroyable et la situation évolue d'heure en heure. Plus de 2 500 personnes, selon les ONG, auraient été tuées depuis le début du mouvement, parmi lesquelles des manifestants, des civils et des enfants. Ces derniers jours, un nouveau seuil semble avoir été franchi. Les autorités iraniennes ont annoncé leur intention de procéder à des arrestations et des exécutions de manifestants. Une première exécution a été confirmée, celle d'Erfan Soltani, âgé de 26 ans, condamné à mort pour sa participation aux manifestations. Dans le même temps, la tension internationale s'accroît, puisque les États-Unis avertissent qu'ils réagiraient de manière très forte en cas de poursuite des exécutions. La situation devient donc dramatique sur le plan humain, mais aussi dangereuse sur le plan régional et international.

Monsieur le ministre, quelle est l'analyse actualisée de la Belgique quant à la situation sur place, notamment face à l'escalade de la répression? La Belgique entend-elle plaider activement au niveau européen pour une réponse ferme, coordonnée, crédible, visant à faire pression sur les autorités iraniennes, tout en veillant bien sûr à ne pas pénaliser davantage une population déjà lourdement éprouvée?

Une réflexion est-elle en cours au sein de l'Union pour adapter sa stratégie vis-à-vis de l'Iran? Des discussions sont-elles en cours concernant de nouvelles sanctions ciblées à l'encontre des responsables iraniens impliqués dans cette répression, les arrestations arbitraires et les exécutions annoncées?

Enfin, au regard de l'appel lancé par la Belgique et plusieurs États membres à leurs ressortissants de quitter l'Iran, quelles mesures concrètes sont-elles mises en place pour assurer leur sécurité et leur assistance, notamment en cas de détention arbitraire ou de fermeture des voies de sortie du pays?

Lydia Mutyebele Ngoi:

Madame la présidente, je voudrais tout d'abord adresser toute ma solidarité à ma collègue Darya Safai dans les moments difficiles qu'elle traverse. Je sais ce que c'est de ne pas avoir de nouvelles de sa famille habitant des zones de conflit compliquées.

Monsieur le ministre, après Massa Amini, après les morts de ce premier mouvement de libération mené par des femmes courageuses, voici que nous assistons encore à un nouveau mouvement de libération qui est réprimé violemment par le régime iranien. Les chiffres sont glaçants: selon certaines ONG de défense des droits humains, le nombre de morts s'élèverait à 2 000 personnes. Des femmes, des jeunes, des étudiants, abattus simplement parce qu'ils réclament leurs droits. Et pour étouffer la vérité, le régime iranien a imposé des coupures massives d'internet, plongeant des millions de personnes dans le silence numérique. Parmi ces victimes de la répression figure un nom qui nous concerne directement: le professeur Ahmadreza Djalali, citoyen d'honneur belge, détenu depuis près de dix ans, menacé d'exécution, déplacé récemment vers un lieu inconnu. Sa situation est dramatique et des alertes ont été données, il y a quelques semaines, pour éviter la mise en scène de son exécution après l'apparition de soi-disant aveux télévisés. Le premier ministre a souligné dans la presse que ces "courageux Iraniens" méritent "notre soutien total", tout en rappelant que "les faire taire par la violence est inacceptable".

Monsieur le ministre, quelle position notre pays défendra-t-il au sein de l'Union européenne et des Nations Unies pour exiger l'arrêt immédiat des massacres, la fin des coupures d'internet et la libération des prisonniers politiques?

Quelle position adoptez-vous vis-à-vis d'un mouvement d'ampleur qui tend à un changement de régime? Quelle analyse faites-vous des risques d'escalade avec une potentielle intervention américaine? Pensez-vous qu'un renversement de régime par l'extérieur pourra améliorer le sort des Iraniens?

Soutiendrez-vous des sanctions ciblées contre les responsables de cette répression sanglante? Si oui, lesquelles et, surtout, dans quel délai?

Comment mobilisez-vous nos services diplomatiques et consulaires pour aider les Belges, mais également les Iraniennes et Iraniens qui soutiennent nos services ou qui ont de la famille en Belgique?

Enfin, quelles démarches concrètes engagez-vous pour obtenir la libération du professeur Djalali, avant qu'il ne soit trop tard?

Els Van Hoof:

Ik sluit me aan in dit debat.

Het is moedig dat de Iraanse bevolking opkomt voor democratie. Het moet inderdaad hartverscheurend zijn niet te weten hoe je familie er vandaag aan toe is.

Het is duidelijk dat de Iraanse bevolking de theocratie, de repressie en het wanbestuur meer dan moe is. Het regime reageert echter met zware repressie. Volgens mensenrechtenorganisaties zouden er 2000 doden zijn, 18.000 mensen zouden zijn opgepakt; dat zijn hallucinante cijfers. Het is dan ook goed dat u heel sterk hebt gereageerd, ook na een ontmoeting met de Iraanse ambassadeur, door te zeggen dat alle geweld buiten proportie is, dat men de eisen van de bevolking inderdaad serieus moet nemen, en dat er Europese maatregelen moeten worden genomen, zoveel is duidelijk.

Ondertussen heeft ook Kaja Kallas aangekondigd dat er nieuwe sancties zouden kunnen komen ten aanzien van individuen die verantwoordelijk zijn voor het geweld. Ook president Trump zegt dat er hulp onderweg is, dat inderdaad Amerikaanse burgers worden opgeroepen om Iran te verlaten en dat er ook maatregelen zullen volgen als er mensen worden opgehangen. Dit is zeer ernstig.

De vraag is inderdaad wat de Europese reactie zal zijn. Hoe zullen die sancties er concreet uitzien? Heeft België al een aantal voorstellen gedaan? Hoe zullen wij er inderdaad voor zorgen dat we die democratische oppositie in Iran en het Iraanse middenveld en de mensen ondersteunen? Welke concrete maatregelen kunnen we daarvoor nemen?

Nabil Boukili:

Madame la présidente, je voudrais à mon tour exprimer toute ma solidarité et tout mon soutien au peuple iranien, et notamment à ma collègue ici présente, Daria Safai ainsi qu'à sa famille, victimes de la violence exprimée par le gouvernement iranien.

Monsieur le ministre, dans de nombreuses villes, des manifestants iraniens continuent à descendre dans la rue. Les manifestations ont d'abord commencé pour protester contre la hausse du coût de la vie. Le gouvernement iranien a ensuite coupé internet, ce qui fait craindre une répression vraiment très dure. Des images diffusées notamment par la télévision iranienne montrent de nombreux sacs mortuaires alignés. Ces images font froid dans le dos.

Mais en même temps, les mobilisations de ces dernières années, comme celles qui ont eu lieu en 2022 après la mort de la jeune Mahsa Amini, ont prouvé que les mobilisations sociales peuvent aboutir à des résultats et faire bouger les choses en Iran.

Les manifestants expriment une énorme frustration. Cette frustration a commencé fin décembre à cause de l'effondrement de la monnaie iranienne vis-à-vis du dollar, catastrophique pour le pouvoir d'achat, et des tentatives de réformes du gouvernement touchant à certains droits acquis.

Les critiques sur la gestion économique du gouvernement et de la corruption sont nombreuses. Cet effondrement a aussi un lien avec les sanctions qui sont prises contre l'Iran et qui ont été renforcées l'année dernière. Ces sanctions ont frappé de plein fouet l'économie iranienne, avec une inflation de plus de 40 %, une perte de pouvoir d'achat et des difficultés à trouver des médicaments. C'est le peuple iranien qui en paye le prix. Les attaques contre le peuple iranien à travers ces sanctions ont aggravé la situation.

Si, comme en 2017 et en 2019, les revendications étaient d'abord économiques, sur cette colère socio-économique s'est rapidement greffée une profonde frustration politique contre la répression. De nombreux Iraniens veulent avoir davantage leur mot à dire dans les affaires du pays. Les mouvements de protestation sont hétérogènes. Il y a d'abord des mouvements syndicaux, puis des mouvements de jeunesse et des citoyens de tous bords qui, courageusement, exigent un avenir plus viable.

Monsieur le ministre, j'aimerais savoir quelle est votre position par rapport à la situation en Iran. Que pensez-vous notamment des menaces d'intervention américaine?

Plusieurs associations et organisations internationales mettent également le doigt sur le rôle des sanctions dans les difficultés économiques que connaît actuellement le peuple iranien. Êtes-vous d'accord avec la demande de lever ces sanctions économiques en soutien au peuple iranien?

Meyrem Almaci:

Het zijn inderdaad bange dagen voor het Iraanse volk, mijnheer de minister, collega’s. Hun moed om tegen dit regime in opstand te komen, kan niet anders dan onze volledige steun verdienen. In die zin begrijp ik ook de angst die heel wat Belgen met familie in Iran ervaren, ook die van mevrouw Safai, van mensen die in onzekerheid leven.

In 2009, 2017, 2018, 2019, 2022, 2025 en begin 2026 kwam de burgerbevolking in opstand tegen een dictatoriaal regime. Ze roept om hervormingen. Het antwoord van het regime was telkens opnieuw hetzelfde: een dodelijk hard optreden, met de executies die nu plaatsvinden, het afsluiten van het internet enzovoort.

Het geschatte aantal doden loopt opnieuw in de duizenden en de opstand wordt met extreem veel geweld onderdrukt. Toch blijven de Iraanse burgers telkens opnieuw dezelfde boodschap uitdragen: er is nood aan een democratisch regime.

Onder meer de Verenigde Staten hebben zich intussen laten horen en vragen om via militair ingrijpen eventueel bij te dragen aan de val van dit dictatoriale regime en een regimewissel te orkestreren. Een korte blik op de geschiedenis doet ons echter de vraag stellen of dat de beste manier is om tot een transitie te komen.

Vandaag staan ook Europa en België voor de vraag op welke manier we het geweld kunnen stoppen, de mensenrechten van de Iraanse bevolking garanderen en een machtswissel op gang brengen op een vreedzame manier.

Mijn vraag is dus eenvoudig. Welke dringende acties kunnen wij als land, samen met Europa, nemen om een einde te maken aan die golf van geweld en repressie en aan dit dictatoriale regime? Hoe kunnen wij de diplomatieke druk opvoeren en hoe kunnen wij het Iraanse middenveld en de mensenrechtenverdedigers in het land beter ondersteunen, met inachtneming van de vele mensen die vandaag in de gevangenis zitten, onder wie de heer Djalali?

Sandro Di Nunzio:

Ook namens mijn fractie betuig ik alle sympathie en medeleven aan collega Safai vanwege de onzekerheid waarin zij verkeert over haar familieleden en kennissen.

Mijnheer de minister, wat zich vandaag in Iran afspeelt, is niets minder dan staatsgeweld. Het is hier al meerdere keren aangehaald: al weken protesteren Iraniërs tegen een autoritair theocratisch regime dat elke vorm van tegenspraak met brute repressie de kop indrukt. Volgens mensenrechtenorganisaties zijn daarbij inmiddels meer dan 650 betogers gedood. We horen ook hogere cijfers. Bovendien heeft het regime het internet volledig afgesloten. Mijnheer de minister, collega’s, dat is een doelbewuste daad van repressie, een poging om geweld te verbergen, informatie te blokkeren en burgers collectief het zwijgen op te leggen.

Intussen hebt u de ambassadeur van Iran op het matje geroepen. U verklaarde zelf dat het erop lijkt dat de Iraanse autoriteiten hoogstwaarschijnlijk buitensporig geweld gebruiken bij het neerslaan van de protesten. U gaf ook aan uw diensten te hebben gevraagd extra waakzaam te zijn en dat onze ambassade in Teheran de situatie nauwgezet opvolgt.

Ik heb enkele concrete vragen voor u, mijnheer de minister.

Ten eerste, wanneer u spreekt over buitensporig geweld, neem ik aan dat u erkent dat er sprake is van ernstige en systematische mensenrechtenschendingen door het Iraanse regime.

Ten tweede, welke concrete acties volgen uit die verhoogde waakzaamheid van uw diensten en van de ambassade in Teheran, behalve het intensiever monitoren van de situatie? Zult u binnen de Europese Unie ook actief en proactief pleiten voor bijkomende, verregaande en gerichte sancties tegen de verantwoordelijken van het Iraanse regime?

Tot slot, zal ons land zich ondubbelzinnig scharen achter initiatieven van de hoge vertegenwoordiger, Kaja Kallas, om nieuwe sancties op tafel te leggen? Indien dat het geval is – en dat hopen we natuurlijk – verneem ik graag welke rode lijnen ons land hierbij hanteert. Ik dank u.

Maxime Prévot:

Chers collègues, la situation tragique qui est actuellement vécue en Iran commande bien entendu que je commence à présenter mes éléments de réponse en témoignant d'abord de ma solidarité à l'égard du peuple iranien, et singulièrement de celles et ceux qui ont été victimes de la répression organisée par le régime d'État. Bien entendu, cette solidarité s'étend à toutes les familles qui sont encore dans l'incertitude et le doute, y compris notre collègue Mme Safai. Madame, bien entendu, nous pouvons imaginer les douloureux moments qui sont actuellement vécus et nous vous souhaitons évidemment le courage nécessaire pour affronter cette période.

Chers collègues, la position de notre gouvernement vis-à-vis de la République islamique d'Iran a toujours été très claire. Nous dénonçons les violations des droits humains, au rang desquels on trouve évidemment les droits des femmes, et nous soutenons l'appel à la démocratie du peuple iranien.

Mevrouw Samyn, de huidige situatie is meer dan zorgwekkend. Hoewel het gezien de aanhoudende internetblokkade sinds donderdag moeilijk is de circulerende informatie en cijfers te bevestigen, wordt duidelijk dat het regime sinds vrijdagavond is overgegaan tot een uiterst gewelddadige en zelfs dodelijke repressie van de protesten. De cijfers die circuleren spreken over duizenden doden. Vanuit meerdere ziekenhuizen komt het bericht dat zij overweldigd zijn door het aantal doden en gewonden dat werd binnengebracht.

J'ai demandé à mes services une vigilance totale. Notre ambassade à Téhéran en particulier est sur le qui-vive. La coupure d'internet depuis jeudi perturbe évidemment aussi son travail, mais elle demeure tout de même en contact permanent avec nos partenaires pour cerner au mieux ce qu'il se passe. Il y a actuellement environ 250 Belges en Iran, que nous tenons informés et à qui nous prodiguons des conseils. Monsieur De Maegd, je me suis exprimé clairement et publiquement il y a déjà 10 jours pour dire que les manifestations des Iraniens pour leurs droits étaient légitimes et surtout que l'usage illégal de la violence ne saurait en aucun cas être toléré.

Ce lundi, j'ai fait convoquer l'ambassadeur d'Iran en Belgique pour lui exprimer ma ferme condamnation de toutes les violences commises par le régime, des détentions arbitraires, des intimidations, de la coupure d'internet et de toutes ces mesures visant à réprimer un mouvement pacifique, appelant à la démocratie, exprimant l'aspiration légitime des Iraniennes et des Iraniens à une vie meilleure. J'ai publiquement exigé des autorités iraniennes qu'elles respectent leurs obligations internationales, qu'elles s'abstiennent strictement de tout usage disproportionné de la force et qu'elles entendent les revendications pacifiques des Iraniens. L'ayatollah Khamenei a lui-même reconnu la légitimité des frustrations économiques.

Mevrouw Van Hoof, mevrouw Mutyebele, er is coördinatie met mijn Europese collega’s teneinde onze inspanningen te bundelen. De EU heeft zich uitgesproken om het geweld te veroordelen en roept de Iraanse autoriteiten op om de rechten en legitieme eisen van vreedzame demonstranten te respecteren. De EU heeft reeds talrijke sancties opgelegd aan het Iraanse regime, die België heeft gesteund of mee gesponsord. Momenteel staan 344 entiteiten en 373 individuen onder sancties.

En 2022, suite aux violences ayant suivi la mort de Mahsa Amini, l'Union européenne avait pris contre l'Iran des sanctions supplémentaires sous le régime des droits humains.

Mevrouw Almaci, mijnheer Di Nunzio, mevrouw Safai, collega's, België is bereid om verdere Europese sancties te bespreken en te nemen. Mijn diensten zijn hiermee op EU-niveau bezig. Het is duidelijk dat er op de komende bijeenkomst van de Raad van ministers van Buitenlandse Zaken, over enkele dagen, nieuwe voorstellen op tafel zullen liggen. De Europese reactie moet krachtig zijn, dat is duidelijk.

Mevrouw Safai, president Trump heeft de voorbije dagen gemengde signalen gestuurd. De Verenigde Staten steunen in elk geval, zoals België, de legitieme vragen van de Iraanse bevolking om meer rechten.

Comme dans le cas de l'Ukraine, de Gaza et du Venezuela, monsieur Boukili, la Belgique insiste pour que tous les États agissent dans le strict respect du droit international.

Mijnheer Van Rooy, we moeten consequent zijn. Ons buitenlands beleid is gebaseerd op respect voor het internationaal recht. Daarom steunt ons land al geruime tijd de fundamentele aspiratie van het Iraanse volk naar mensenrechten en democratie en dat zullen we blijven doen. Het is echter het Iraanse volk, niet België, dat moet kunnen kiezen wie zij willen of niet om hun eigen land te leiden. Zelfs binnen de oppositie lopen de meningen tot heden uiteen.

Madame Samyn, madame Mutyebele Ngoi, nos positions divergent de celles de l'actuel régime iranien sur de très nombreux sujets. Nous maintenons toutefois les canaux diplomatiques ouverts. C'est notamment grâce à cet engagement critique que nous avons pu prendre régulièrement des nouvelles du professeur Djalali, entre autres. Je vous en ai donné régulièrement dans cette commission. Couper tous les liens diplomatiques est souvent une rhétorique facile mais c'est oublier qu'on se prive alors aussitôt de tous les canaux de collecte d'informations, de suivi et d'assistance de nos compatriotes, mais aussi d'une voix de dialogue pour faire évoluer des positions, y compris et surtout quand nous les trouvons inadmissibles.

Monsieur De Smet, la stratégie belge et européenne a donc été de maintenir la porte ouverte au dialogue tout en réagissant fermement aux politiques décidées par le régime iranien quand c'était nécessaire, via des sanctions, notamment pour préserver les droits humains.

Deze sancties hebben ook een economische impact gehad, mevrouw Lambrecht, mijnheer Boukili. De moeilijke situatie waarover Iraniërs vandaag op straat klagen, is echter het gevolg van de politieke keuzes van het huidige regime. Het is tegen de keuzes van dit regime dat de Iraanse straat in opstand komt. België volgt de zich ontwikkelende situatie op de voet.

Nous resterons évidemment mobilisés pour garantir les droits des Iraniens.

Quant à l’accord de gouvernement, monsieur De Smet, il est on ne peut plus clair quant à la position de ce gouvernement s’agissant de l’inscription des Gardiens de la révolution sur la liste des groupes terroristes de l’Union européenne.

Ellen Samyn:

Dank u wel voor uw antwoord, mijnheer de minister.

Vandaag kijken we naar een regime dat niet alleen protesten bloedig onderdrukt, verantwoordelijk is voor tienduizenden gewonden en duizenden doden, maar ook systematisch probeert de waarheid te doden door het internet af te sluiten en elke vorm van informatie te blokkeren. Dat alleen al zegt veel over de omvang van wat er werkelijk gebeurt.

Diplomatieke gesprekken zijn noodzakelijk, maar ze mogen geen ritueel zonder gevolg worden. Wanneer jonge mensen worden doodgeschoten omdat zij vrijheid eisen, volstaat bezorgdheid niet meer. Dan is duidelijke internationale druk nodig. Desnoods moet België het voorbeeld geven. U kent mijn standpunt en dat van mijn partij, het Vlaams Belang: het Iraanse diplomatiek personeel moet worden uitgewezen en de terreurambassade van Iran in België moet desnoods worden gesloten.

Ik hoop dat u woord houdt, mijnheer de minister, en dat België binnen Europa blijft aandringen op een aanpak die verder gaat dan woorden: het handhaven van sancties, het benoemen van verantwoordelijkheden en het doorprikken van elke vorm van normalisering van dit regime.

Het Iraanse volk toont vandaag een moed die wij ons amper kunnen voorstellen. Het minste wat wij kunnen doen, is ervoor zorgen dat hun stem niet verdwijnt in stilte en dat zij weten dat wij hen niet zullen vergeten.

Ik besluit, collega’s, met mijn steun te betuigen aan mijn goede collega’s Darya en Sam, in deze voor hen onwezenlijke omstandigheden.

Sam Van Rooy:

Minister, ambtsgenoten, de meeste Iraniërs willen helemaal geen islamitisch regime. Terwijl wij hier debatteren, riskeren talloze moedige Iraniërs weer maar eens hun leven door op straat te gaan tegen de islamisering van hun land en beschaving. "Dood aan dictator Khamenei" en "Javid Shah", dat weerklinkt door de straten. Veel Iraniërs scanderen de naam van Reza Pahlavi. Zij snakken naar hulp van buitenaf.

Deze Iraniërs strijden niet alleen tegen de moorddadige en terroristische ayatollahs en de IRGC, maar ook tegen Hamas en Hezbollah, kortom, tegen de islamitische jihad die ook ons bedreigt. Zij verdienen dus niet alleen verbale steun, maar ook broodnodige hulp, militaire actie die de Verenigde Staten en Israël hopelijk snel zullen geven. Operation Rising Lion en Midnight Hammer waren subliem en krachtig, maar helaas niet genoeg. Het islamitische regime, belichaamd door de ayatollahs en de IRGC, dient te worden geëlimineerd. Dat is de enige taal die zij begrijpen.

Dit gezegd zijnde, laten opeenvolgende Belgische regeringen zich al decennia misleiden en manipuleren door zulke moslimfundamentalisten. Ook van deze tandeloze, laffe regering – zo blijkt ook vandaag weer – zal het helaas niet komen. In plaats van man en paard – of moet ik zeggen man en baard – te noemen, blijft het bij de typische politiek correcte dogma’s, wars van de weerbarstige realiteit op het terrein.

In plaats van de Iraanse ambassade te sluiten en iedereen die verbonden is met dit vijandige jihadistische regime het land uit te gooien, blijft het bij wat praatjes die helemaal geen indruk maken op deze meedogenloze jihadisten. De geschiedenis zal hier hard over oordelen. Lang leve Iran, Payandeh Iran!

Annick Lambrecht:

Mijnheer de minister, u gebruikt het woord 'tragisch'. Het is inderdaad heel tragisch, met duizenden doden. Het standpunt van de regering is de mensenrechten te verdedigen, maar het Iraanse regime is sinds vrijdag uiterst gewelddadig. Er moet een tandje worden bijgestoken. Ik hoor dat u de Iraanse ambassadeur hebt ontvangen. Dat moet ook, maar aan wiens kant staat hij? Helpt ons dat iets? Dat is niet duidelijk.

De EU heeft het geweld veroordeeld en roept Iran op om de democratische rechten van de mensen te respecteren. U somde de sancties op die al werden genomen, maar u zei ook dat u en België voor meer sancties op Europees vlak zijn. Dat is nodig, want dat is de enige manier om mee te helpen om het Iraanse regime op de knieën te krijgen.

U zegt dat de sancties die al werden genomen een economische impact hebben gehad. Dat kan wel zijn, maar er moet niet enkel een economische impact zijn, de sancties moeten het huidige regime doen vallen. Dat moet het uiteindelijke doel zijn en daarvoor krijgt u onze steun. U zegt dat u binnen enkele dagen zult samenzitten met de EU over zwaardere sancties. Ik wil u vragen om daar niet mee te wachten, om veel sneller een apart overleg te hebben met de EU en dringend over te gaan tot zwaardere sancties die het regime wel voelt en die het kunnen doen vallen.

Ik wil besluiten met mijn steun te betuigen aan onze goede collega, mevrouw Safai, maar ook aan het Iraanse volk voor de moed die zij tonen om met gevaar voor hun eigen leven en dat van hun families toch op straat te komen. Wij zijn met hen. Er moet dringend iets worden gedaan om hen te helpen.

Darya Safai:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Collega's, bedankt voor jullie steun. Echt waar, ik apprecieer dat enorm en dat betekent veel voor mij.

Ook ben ik blij dat ik hoor dat u gewoon de mensen van Iran steunt. Het is ook heel belangrijk dat wij vanaf nu stilaan de democratische wil van de Iraanse bevolking beginnen te respecteren, met name regime change . Zij vragen niet meer. Hervorming, zij vragen niet meer. Verbetering, zij vragen gewoon om zich van deze monsters te kunnen vrijmaken.

Wij moeten dat erkennen, maar hoe kunnen wij dat doen? U zegt dat wij in België niet over de toekomst van de mensen in Iran kunnen beslissen. Negentig procent van de mensen zeggen dat zij dit regime niet meer willen. Wij kunnen wel zeggen dat wij dit regime niet meer erkennen. Dat is iets dat wij wel kunnen doen. Legitimiteit aan deze monsters geven, is absoluut verboden. Zij hebben in vier dagen tijd 12.000 mensen vermoord. Zij mogen geen legitimiteit meer krijgen. Zo simpel is het. Wij kunnen beginnen met de eisen van de Iraanse bevolking te legitimeren en te erkennen. Zij willen regime change . Daarna kunnen zij zelf beslissen wat ze willen. Dat kunnen wij niet in hun plaats doen.

Het is belangrijk dat wij weten dat de sancties effectief zijn, maar misschien zijn ze toch niet zo effectief als zou moeten. Wij kunnen misschien niet veel meer doen, maar als op vier dagen tijd 12.000 mensen worden vermoord, verwacht ik dat u de diplomatieke relaties bevriest of op een lager niveau zet, in de plaats van weeral legitimiteit aan een monster te geven, dat ons gewoon met bloedige handen de handen komt schudden. Dat is pijnlijk.

De IRGC op de terreurlijst zetten is een duidelijke signaal. Ik heb dat altijd gevraagd. Hadden wij dat eerder gedaan, dan waren ze misschien niet opnieuw met zoveel zelfvertrouwen zo veel mensen beginnen te vermoorden.

Wij moeten veel doen, nu. Dit is niet alleen hun strijd. Ik ben zo blij dat de collega's mij steunen. We zijn bijna unaniem. Hun strijd is een strijd tegen het islamisme, voor een betere toekomst voor de regio. Ik heb het al lang gezegd, wij kunnen, de Iraniërs kunnen, een ander Midden-Oosten schetsen, dat vreedzaam is, dat een bondgenoot is. Daar zijn zij mee bezig. Alle steun en alle hulp voor hen is welkom. Bedankt dat jullie dat ook willen doen.

Michel De Maegd:

Merci, monsieur le ministre, pour votre réponse.

Vous nous l'avez malheureusement confirmé, ces derniers jours, un seuil extrêmement grave a été franchi, avec des milliers de morts, des exécutions sommaires. Cela marque une escalade tout simplement insupportable de la répression. Il y a donc plus qu'urgence à tout faire pour essayer d'empêcher que cela se poursuive. Il est donc essentiel que la Belgique, avec ses partenaires européens, porte une voix forte, profondément humaine, comme vous le faites d'ailleurs ici, qui condamne bien sûr avec force ces mises à mort et la répression, qui soutienne concrètement la société civile iranienne et qui rappelle que la violence d'État ne pourra jamais éteindre une aspiration légitime à la liberté et à la dignité.

Nous devons, je pense, aussi agir de manière responsable pour éviter toute escalade régionale, dont les premières victimes seront de toute façon les populations civiles.

Vous l'avez évoqué avec précision, les sanctions sont bien entendu une clé. Leur réévaluation au niveau européen est probablement très urgente.

Merci, monsieur le ministre, de faire tout ce qui est en votre pouvoir pour également aider nos 250 ressortissants qui sont coincés sur place en ce moment.

Lydia Mutyebele Ngoi:

Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses.

Il y a trop de morts et les Iraniens aspirent à la liberté et à vivre dignement. Ce pays est tellement riche par son histoire, par sa culture et il ne pourra vivre indéfiniment sous la tyrannie du régime des mollahs. Mais le peuple iranien ne pourra pas atteindre ses objectifs si une guerre extérieure vient à lui, par exemple si les États-Unis mettent leurs menaces à exécution. Et si l'Iran et l'ensemble de la région souhaitent la paix et la prospérité, il est plus que temps de continuer à œuvrer à la coopération et à enterrer la hache de guerre, la haine et les menaces.

Les Iraniens doivent être les seuls maîtres de leur avenir et personne d'autre. Un changement de régime est évidemment souhaitable pour les Iraniens et les Iraniennes, mais nous devons nous mobiliser pour que cela ne se fasse pas au prix de leur vie ou de leur avenir.

Els Van Hoof:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord.

In onze commissie voor Buitenlandse Betrekkingen hebben we de voorbije jaren het vreselijke gezicht van die schurkenstaat op verschillende manieren gezien: negen jaar gevangenschap van Djalali, de ontvoering van Olivier Vandecasteele, het doden van Mahsa Amini, de aanslag van Assadi en nu opnieuw de dodelijke repressie van het regime tegen de legitieme vragen en demonstraties van de Iraanse bevolking.

We moeten inderdaad méér tonen dan solidariteit. Een reactie moet krachtig zijn, zowel vanuit België als vanuit de Europese Unie. Sancties helpen. Dat is ook de reden waarom de Iraanse bevolking op straat is gekomen. De Iraniërs worden economisch gewurgd en nu ook fysiek gewurgd. Sancties moeten op die manier wel werken. Ik denk dan ook dat we binnen de Europese Unie op de meest krachtige manier moeten oproepen om meer sancties toe te passen.

Daarnaast zijn er legitieme vragen over de manier waarop we de diplomatieke kanalen openhouden. Misschien is daar inderdaad enige vorm van moderatie mogelijk, zonder daarbij informatie of bijstand voor onze Belgische bevolking ter plaatse of voor de noodlijdende Iraanse bevolking te verliezen. Een krachtig signaal is nodig om zowel het regime te sanctioneren als de democratische krachten in Iran te ondersteunen.

Nabil Boukili:

Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses.

Je réitère ici le soutien au peuple iranien dans sa lutte pour sa liberté, pour ses droits, face à une répression violente et acharnée du gouvernement iranien. Comme tous les peuples, le peuple iranien a droit à sa liberté, à sa souveraineté. C'est aussi pour garantir cette souveraineté qu'il faut protéger le peuple iranien de toute ingérence étrangère pour d'autres intérêts que ses droits.

Les menaces proférées par M. Trump concernant une possible intervention en Iran sont dangereuses, d'abord pour le peuple iranien, mais aussi pour la stabilité de la région. Nous avons assez d'expérience – l'Afghanistan, la Libye, l'Irak, etc. – pour ne pas répéter les mêmes erreurs. Aujourd'hui, nous devons au peuple iranien de nous positionner clairement sur ce risque d'ingérence et d'invasion, mais nous devons aussi lui apporter tout le soutien et toute l'aide nécessaires dans sa lutte contre un régime autoritaire, qui mène une répression sans précédent. Je réitère tout le soutien et notre solidarité avec le peuple iranien.

Meyrem Almaci:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

Het Iraanse volk is al sinds 1953 de speelbal van allerlei geopolitieke spelletjes. In 1953 werd de toen democratisch verkozen regering omvergegooid door een coup van de CIA, die de sjah aan de macht heeft gebracht wegens de olievoorraden. Klinkt dat bekend?

Daarna kwam het regime van de sjah, die dictatoriaal heeft geregeerd tot 1979. Duizenden politieke gevangenen werden gemarteld en vermoord. Klinkt dat bekend?

Vervolgens was er de revolutie van 1979, die uiteindelijk het huidige theocratisch regime aan de macht heeft gebracht, dat vandaag hetzelfde doet. Nog altijd wordt diezelfde bevolking haar democratisch recht om zichzelf te besturen op de meest brutale en mensenrechten schendende manier onderdrukt. Steeds opnieuw is de bevolking de speelbal in de hele cyclus.

Het komt ons toe om te kijken hoe we die cyclus kunnen doorbreken. Dat gebeurt niet door heel forse avonturen en niet door zelf in te grijpen met zware woorden. In de regio hebben we immers al gezien dat dat niet altijd tot het succes heeft geleid dat we wilden. Dat kan wel door nu na te denken over hoe we het vacuüm dat dreigt te ontstaan, kunnen ombuigen naar een democratisch nieuw bestel en een ander regime, dat gebaseerd is op de wil van het volk dat in Iran zelf leeft.

Op korte termijn moeten we ervoor zorgen dat het geweld stopt en dat het middenveld, de mensenrechten en de mensenrechtenorganisaties worden geholpen, zodat het recht op protest op een democratische manier kan leiden tot een recht op een democratisch regime.

Sandro Di Nunzio:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Het spreekt voor zich dat ik enorm veel bewondering heb voor alle mensen in Iran die op straat komen en opkomen voor hun rechten. Ze streven democratische rechten na, die we in ons land en in Europa als vanzelfsprekend beginnen te beschouwen, soms zelfs te vanzelfsprekend. Wanneer we soms het gevoel hebben dat we hier en daar wat opschuiven en onze rechten op bepaalde momenten te grabbel gooien, dan moeten we dergelijke strijdvaardige bewegingen in gedachten houden. Het is ongelooflijk belangrijk dat we ons bewust zijn van wat voor ons hier gewoon is, terwijl dat voor mensen in Iran totaal niet gewoon is, integendeel. In die zin is het uiteraard zeer goed dat u nieuwe en meer verregaande sancties wilt uitvaardigen. Ik heb begrepen dat de Foreign Affairs Council pas over twee weken samenkomt. Mijn vraag of oproep is om daar dringend werk van te maken. Ik hoop dat het geen twee weken hoeft te duren, want van president Trump horen we “ help is on the way ”, bij wijze van spreken, as he pleases , vanaf het moment dat hij eraan denkt. Wij moeten door een lastige Europese mallemolen gaan, maar ik hoop dat u daar vaart mee kunt maken en sneller kunt schakelen, want het regime kent maar één taal, en dat is de taal van de harde sancties. Ik hoop dat u met ons land het voortouw zult nemen, zodat we niet op de achtergrond blijven. De Europese Unie moet snel en eendrachtig handelen. L'union fait la force . De voorzitster : De heer De Smet wenst niet meer te reageren.

De detentie van Lars De Smet
De consulaire bijstand aan een Belgische gevangene in Noord-Macedonië
De detentie van Lars De Smet
De detentie en consulaire bijstand aan een Belgische gevangene in Noord-Macedonië

Gesteld aan

Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 14 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Parlementsleden bekritiseren de onmenselijke detentieomstandigheden van Belg Lars De Smet in Noord-Macedonië (o.a. mishandeling, medische verwaarlozing, gebrek aan voedsel), bevestigd door de Raad van Europa, en dringen aan op snelle overbrenging naar België om zijn straf hier uit te zitten. Volgens hen blokkeert Noord-Macedonië een reeds goedgekeurde transfer (2025) zonder duidelijke reden, terwijl de familie radeloos is en gebrek aan coördinatie tussen Buitenlandse Zaken (Prévot) en Justitie (Verlinden) signaleert – beide ministers verwijzen naar elkaars bevoegdheid. Minister Prévot (BZ) bevestigt vijf consulaire bezoeken in vier jaar, financiële steun en diplomatieke druk voor betere omstandigheden, maar wijst voor de geblokkeerde overbrenging naar Justitie, dat het Verdrag van Straatsburg moet uitvoeren. Hij belooft samenwerking met Verlinden, maar parlementsleden noemen de inspanningen onvoldoende (te weinig bezoeken, trage actie) en eisen concrete stappen om de patstelling te doorbreken en de familie duidelijkheid te bieden.

Sandro Di Nunzio:

Mevrouw de voorzitster, ik wens deze vraag mondeling te stellen.

Mijnheer de minister, wanneer een Belgische burger in het buitenland wordt vastgehouden, mag België op zijn minst verwachten dat die detentie veilig en menswaardig verloopt.

Lars De Smet uit Aalst zit al drie jaar vast in Noord-Macedonië. Volgens zijn familie krijgt hij daar onvoldoende voedsel, wordt hij fysiek mishandeld en verblijft hij in onmenselijke omstandigheden.

Ik begrijp dat het vonnis in Noord-Macedonië juridisch definitief is en dat België een buitenlandse rechtsmacht moet respecteren. Dat spreekt voor zich met de scheiding der machten en het respect voor de soevereiniteit van andere staten.

Mijn vragen ter zake voor u zijn niettemin de volgende.

Ten eerste, welke concrete consulaire en diplomatieke demarches hebben uw diensten tot vandaag ondernomen bij de Noord-Macedonische autoriteiten naar aanleiding van de detentieomstandigheden van Lars?

Ten tweede, heeft België formeel aangedrongen op verbeterde detentieomstandigheden, wat toch ook al een belangrijke stap in de goede richting zou zijn? Indien ja, welke garanties en antwoorden hebt u daarop ontvangen?

Ten derde, is België bereid om bij de autoriteiten van Noord-Macedonië te pleiten voor een overbrenging van Lars naar België, zodat hij zijn straf dichter bij huis kan uitzitten?

Ik heb ook begrepen dat in 2025 initieel al een concrete datum voor overbrenging was goedgekeurd, maar dat de datum nadien, met naar ik mij laat vertellen weinig motivering, niet werd uitgevoerd.

Ten vierde, welke juridische stappen of diplomatieke obstakels staan vandaag een dergelijke transfer, dus van Lars naar ons land, nog in de weg? Wat kan België concreet doen om diee te helpen wegwerken? Welke stappen bent u dus bereid te zetten?

Mijn vraag is ondertussen al enigszins gedateerd. Van de familie heb ik ondertussen vernomen dat er mogelijk een rol te spelen is op het vlak van Justitie. In die zin zou ik ook durven vragen en aandringen dat u in overleg gaat met uw collega om Lars zo snel mogelijk verbeterde detentieomstandigheden te laten krijgen en hem, in het beste geval uiteraard, zo snel mogelijk naar ons land te kunnen laten overbrengen.

Ellen Samyn:

Mevrouw de voorzitster, ik wens mijn vraag mondeling te stellen.

Mijnheer de minister, de heer De Smet verblijft inmiddels bijna vier jaar in detentie in Noord-Macedonië, meer bepaald in de gevangenis van Idrizovo. Niet de schuldvraag staat hier centraal, maar wel de consulaire en diplomatieke verantwoordelijkheid van België ten aanzien van een eigen onderdaan. De detentieomstandigheden in die gevangenis werden door het Europees Comité ter Preventie van Foltering van de Raad van Europa herhaaldelijk omschreven als structureel onmenselijk, met ernstige tekorten op het vlak van veiligheid, medische zorg en basisrechten. Daarnaast is België sinds 2022 formeel op de hoogte van ernstige medische en psychologische problemen bij de heer De Smet, waarvoor volgens Belgische en universitaire medische expertises behandeling in België noodzakelijk is.

Naar verluidt werd een overbrenging naar België op basis van het Verdrag van Straatsburg inzake de overbrenging van gevonniste personen administratief volledig opgestart, door België aanvaard en zelfs vastgelegd op een concrete datum, maar nadien eenzijdig geblokkeerd door de Noord-Macedonische autoriteiten.

Mijnheer de minister, kunt u gedetailleerd toelichten welke consulaire bijstand de voorbije jaren aan de heer De Smet werd verleend? Hoeveel bezoeken, gesprekken of interventies vonden effectief plaats? Welke opvolging werd gegeven aan de signalen over mogelijke procedurefouten of problemen met de detentieomstandigheden?

Volgt de FOD Buitenlandse Zaken het dossier actief op bij de Noord-Macedonische autoriteiten? Uit communicatie blijkt dat Buitenlandse Zaken en Justitie het dossier samen opvolgen en verder bekijken welke stappen mogelijk zijn ten aanzien van de Noord-Macedonische autoriteiten. Wat is daarvan de stand van zaken? Hebt u of hebben uw diensten recent overleg gehad met uw collega of de diensten van uw collega van Justitie over het dossier? Werd het dossier formeel onder de aandacht gebracht van uw Noord-Macedonische ambtgenoot of van de Noord-Macedonische ambassadeur in Brussel?

Zoals uit de communicatie blijkt, beschikt België over een overbrengingsakkoord voor gedetineerden met Noord-Macedonië. Waarom blokkeert de Noord-Macedonische autoriteit de overbrenging van de heer De Smet? Wat kunt u daaraan doen?

Annick Lambrecht:

Mijnheer de minister, ik zal niet alles herhalen, maar de heer De Smet is gedetineerd in Noord-Macedonië in onmenselijke omstandigheden. Dat zeg niet enkel ik, dat zegt ook de Raad van Europa, toch niet de eerste de beste instelling. Er zijn meldingen van ernstige medische verwaarlozing en een gebrek aan adequate zorg.

Veel familieleden van de heer De Smet hebben ons gecontacteerd om te vragen dat we de druk opvoeren om de heer De Smet naar huis te krijgen, niet om thuis te zitten, maar om zijn straf in België uit te zitten. Dat is een noodkreet.

Ik ga onmiddellijk over tot mijn vragen. De eerste vind ik de belangrijkste. Als minister van Buitenlandse Zaken dient u zorg te dragen voor landgenoten in nood in het buitenland. In die hoedanigheid wil ik van u vernemen of u daarover al contact hebt gehad met minister Verlinden, dan wel of het nodig is dat we de vraag ook aan haar stellen.

Bent u het met me eens dat de inhumane situatie van de heer De Smet ons en u ertoe verplicht om onmiddellijk te handelen?

Welke hulp hebt u de familie en misschien ook de heer De Smet al geboden?

Kunt u een engagement aangaan om de familie duidelijkheid te verschaffen, en alle nodige diplomatieke middelen van België aanwenden om die situatie zo snel mogelijk te beëindigen?

Maxime Prévot:

Beste parlementsleden, dank u voor uw vragen over die Belgische gevangene in het buitenland.

Mijn diensten, zowel het hoofdbestuur, onze ambassade in Sofia bevoegd voor Noord-Macedonië, als onze ereconsul in Skopje, volgen de situatie van de heer De Smet nauw op sinds zijn arrestatie enkele jaren geleden. Onze collega's doen wat binnen hun bevoegdheden en mogelijkheden ligt om bijstand te verlenen aan onze landgenoot.

In het kader van de consulaire bijstand, mijnheer Di Nunzio, werden door mijn departement de volgende acties ondernomen: contact met en informeren van de familie in België, ter beschikking stellen van een lijst van advocaten, tussenkomsten bij de lokale overheid om de gerechtelijke procedure te verduidelijken, meer in het bijzonder het systeem van pro-Deoadvocaat.

De consul in Sofia en de ereconsul met basis te Skopje hebben vijf consulaire bezoeken gebracht en hebben met de directeur van de gevangenis gesproken over de detentieomstandigheden en hebben verbeteringen gevraagd. Door tussenkomst van het consulaat ontvangt de heer De Smet een financiële bijstand in de vorm van terugbetaalbare voorschotten. Die interventie heeft ervoor gezorgd dat de heer De Smet warme kleding, dekens en geneesmiddelen ontvangt.

Aangezien het om een individueel dossier gaat, kan ik hier geen verdere details over geven.

Mijn diensten staan regelmatig in contact met de diensten van de minister van Justitie over die zaak.

De blokkeringen die zich op dit ogenblik in de zaak voordoen, situeren zich op het niveau van de overbrengingsprocedure. België en Noord-Macedonië zijn beide partijen bij het Verdrag van de Raad van Europa inzake de overbrenging van gevonniste personen. De Federale Overheidsdienst Justitie is bevoegd voor de uitvoering van dat verdrag. Uw vragen betreffende overbrenging dient u daarom te richten aan de minister van Justitie.

Sandro Di Nunzio:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord en voor het feit u en uw diensten alle inspanningen leveren die noodzakelijk zijn en die mogelijk zijn.

Ik had de vraag al enige tijd geleden ingediend en heb intussen de informatie gekregen dat ook de FOD Justitie en de diensten van de minister van Justitie erbij betrokken zijn. We vernemen echter uit de omgeving van de familie dat men het gevoel heeft van het kastje naar de muur te worden gestuurd, aangezien Justitie op zijn beurt verwijst naar Buitenlandse Zaken. Uit die feedback blijkt toch dat er wat schort aan de afstemming tussen de diensten. Ik neem aan dat u daar niet persoonlijk mee bezig bent, maar op dienstniveau kan er toch wel wat verbeterd worden. Ik zal de vraag daarom ook stellen aan de minister van Justitie.

Ik roep u op om in gesprek te gaan met uw collega, de minister van Justitie, zodat de familie minstens weet dat u overeenkomt met uw collega en met één stem spreekt voor ons land en dat uw diensten er alles aan doen om het blokkeringspunt, volgens u gelegen bij het overleveringsverdrag, op te lossen. Als ik de berichten mag geloven, is men radeloos en weet men niet meer wat men moet doen of kan verwachten om Lars gunstige detentieomstandigheden te bieden en hem naar huis te krijgen.

Ik hoop dat dat een prioritair dossier blijft, waaraan u samen met minister Verlinden alle aandacht zult blijven besteden.

Ellen Samyn:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Mijn goede collega, Alexander Van Hoecke, zal de minister van Justitie ondervragen, maar hij heeft daar tot op heden de kans nog niet toe gehad.

Ik hoor dat Buitenlandse Zaken de situatie van nabij opvolgt. Sta mij echter toe om vijf consulaire bezoeken in vier jaar tijd weinig te vinden. Niet enkel de detentieomstandigheden zijn niet goed voor de heer De Smet, maar ook zijn medische situatie. Ik hoop dat erover wordt gewaakt dat hij ook de juiste medicatie kan krijgen en dat er een goede medische en adequate opvolging ter plaatse is.

Die situatie is natuurlijk niet alleen voor de heer De Smet onmenselijk, maar ook voor zijn familie, die momenteel al 1.350 dagen, om exact te zijn, in onzekerheid leeft.

We zullen zeker niet nalaten om ook uw collega van Justitie te bevragen. Wij hopen dat u samen met de minister van Justitie verder blijft nagaan welke bijkomende stappen mogelijk en aangewezen zijn ten aanzien van de Noord-Macedonische autoriteiten.

Annick Lambrecht:

Mijnheer de minister, dank voor het antwoord. De grootste gruwel die een ouder kan meemaken, is een kind dat in het buitenland in mensonwaardige omstandigheden wordt vastgehouden. Men wordt van het kastje naar de muur gestuurd. Dan vindt men een paar parlementsleden die daarover toch nog een keer een vraag willen stellen. Ik vraag begrip van uw kant voor het feit wij dat doen. We zijn het die familie verschuldigd. Er zijn nog dergelijke zaken in België. De uitwisselingen om de straf uit te zitten in het land waar men vandaan komt, zouden toch veel vlotter mogen verlopen. Ik treed mijn collega bij dat vijf consulaire bezoeken sinds 2022 zeer weinig zijn. Dat zijn bezoeken die de persoon ter plaatse moed zouden kunnen geven, maar ook de ouders een hart onder de riem zouden kunnen steken. Ik weet niet op basis waarvan men beslist over het aantal consulaire bezoeken, maar ik denk niet dat er heel veel mensen in Noord-Macedonië vastzitten. Dat aantal bezoeken zou toch wat meer kunnen zijn. Ik hoopte dat ik de vraag niet meer aan minister Verlinden hoefde te stellen, maar ik heb begrepen dat we dat wel nog moeten doen. Bij minister Verlinden zullen wij verwijzen naar de goede wil die wij in deze comissievergadering van u hebben gehoord. Ik hoop dat het met twee mensen van goede wil een beetje vooruitgaat. De voorzitster : De vragen nrs. 56011582C en 56011585C van de heer Boukili vervallen, aangezien hij niet aanwezig is. De vragen nrs. 56011597C en 56011599C van mevrouw Van Riet zijn uitgesteld.

De administratieve rompslomp voor het politiepersoneel

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 14 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Victoria Vandeberg signale dat politieagenten gefrustreerd raken door een groeiende administratieve last en het gebrek aan zichtbaar gevolg van hun werk in de strafrechtelijke keten, wat hun motivatie en operationele inzet ondermijnt. Minister Annelies Verlinden wijst op structurele verbeteringen sinds 2015, zoals het Research Management (REM) en het digitale tool Itinera 2 (realtime dossierspoor tussen politie en justitie), die dubbel werk moeten verminderen en transparantie vergroten – met een aanstaande circulaire om dit verder te verankeren. Vandeberg betwijfelt of deze maatregelen voldoende zullen aansluiten bij de ervaren klachten van agenten, maar wacht de uitvoering af. Het hoofdpunt blijft de spanning tussen politie-ervaringen (overbelasting, zinloosheid) en justitiële stelselhervormingen (efficiëntie, digitalisering).

Victoria Vandeberg:

Madame la Ministre,

Lors de nos récents échanges avec plusieurs collèges communaux et zones de police, un constat revient de manière insistante et préoccupante : le sentiment croissant, parmi les policiers, de travailler sous une charge administrative toujours plus lourde… pour des résultats perçus comme trop faibles.

Beaucoup nous indiquent consacrer une part croissante de leur temps à des tâches administratives, au détriment du travail opérationnel. Beaucoup s’interrogent sur le suivi judiciaire réel de leurs dossiers et ont parfois l’impression que leur travail ne sert à rien. Cette impression que leurs efforts n’aboutissent pas ou ne sont pas pris en compte génère frustration, perte de sens et un découragement préoccupant, avec des conséquences directes sur la motivation des équipes et, plus largement, sur l’efficacité de la chaîne pénale.

Madame la Ministre, dès lors :

Comment votre département évalue-t-il aujourd’hui l’articulation entre police et justice, en particulier en ce qui concerne le traitement judiciaire des dossiers transmis par les services de police et la perception d’un manque de suivi

Quelles mesures envisagez-vous pour améliorer la visibilité et la transparence du suivi judiciaire des dossiers, afin que les policiers puissent percevoir l’impact concret de leur travail sur la chaîne pénale ?

Dans le cadre strict des compétences de la Justice, des simplifications procédurales ou adaptations organisationnelles sont-elles à l’étude pour alléger la charge administrative liée au volet judiciaire et permettre aux policiers de consacrer davantage de temps à leurs missions opérationnelles ?

Merci​

Annelies Verlinden:

Collègue Vandeberg, l'articulation entre la police et la justice, en particulier en ce qui concerne le traitement judiciaire des dossiers, me semble évoluer favorablement, et ce, depuis 2015 déjà. En effet, cette année s'est caractérisée par le lancement d'un management de la recherche (REM) auprès de la police fédérale judiciaire, et ensuite par la justice. Plus récemment, la police locale a rejoint la démarche.

Le 14 octobre 2024, une directive visant la rationalisation des processus de travail opérationnels et administratifs liés aux missions de la police judiciaire a aussi été adoptée. Ces dernières années, de nombreux investissements ont été effectués dans le cadre du développement du management de la recherche. Ce REM envisage justement la cohérence entre les investissements de la police, d'un côté, et les efforts et les besoins de la justice, de l'autre.

Au début de l'année passée, un outil, Itinera 2, a été approuvé et adopté par la justice à cette fin. Cet outil permet d'échanger en temps réel entre les services de la police et de la justice. Cet échange offre une vue exacte et transparente de l'état des dossiers au sein de la justice et des résultats de la poursuite. L'utilisation de cet outil et l'élargissement du management de la recherche font l'objet d'une circulaire du Collège des procureurs généraux, qui sera finalisée dans les semaines à venir. Le processus décrit a – et aura encore plus – l'effet d'optimiser le travail de recherche, d'éviter du travail double ou inutile et d'orienter les efforts en fonction des besoins et du traitement envisagé des dossiers.

Victoria Vandeberg:

Je vous remercie pour votre réponse et j'espère évidemment que cela pourra répondre aux besoins et aux questionnements des policiers, qui ont l'impression que leur travail opérationnel passe au second plan à cause de cette surcharge administrative au niveau de la justice. J'attendrai les résultats et la suite avec impatience.

De overbrenging van buitenlandse gedetineerden

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 14 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

François De Smet bekritiseert dat coalitiepartners – met name een partij die 26 jaar onafgebroken aan de macht is – populistisch de hoge aandeel buitenlandse gedetineerden (40%) als simpele oplossing voor overbevolking presenteren, terwijl expulsie vaak onmogelijk is (o.a. door preventieve hechtenis) en transfèrements al 20 jaar falen (gemiddeld slechts 60 per jaar). Hij vraagt concrete cijfers (2023-2024) over terugzendingen naar topnationaliteiten (Marokko, Albanië, Roemenië) en hoe Verlinden de weigering van herkomstlanden (o.a. door gebrek aan familiebanden) zal doorbreken via het protocollaire dwangmechanisme van 1997. Verlinden wijst voor gedetailleerde cijfers naar een schriftelijke vraag, maar meldt een recent akkoord met Marokko (3 transfèrements in 2024, doel: significante stijging) en benadrukt dat bilaterale afspraken (met o.a. Albanië, Congo) dwangtransfers toelaten, maar afhankelijk zijn van goedkeuring door de partnerlanden – waarvoor ze verwijst naar eerdere parlementaire antwoorden.

François De Smet:

Madame la ministre, j’entends régulièrement certains de vos partenaires de coalition, en particulier celui qui est présent au gouvernement fédéral sans discontinuer depuis 26 ans, se plaindre de la proportion importante d'étrangers parmi les détenus dans nos prisons.

Si cela correspond certes à une réalité statistique réelle, plus de 40 % des détenus n'étant pas belges, j'avoue ne pas aimer la petite musique qui accompagne en général ce constat et qui vise à suggérer qu’il suffirait d’expulser toutes ces personnes pour régler instantanément le problème de la surpopulation. Si c'était si simple, ce serait probablement fait depuis longtemps, d'autant plus que le parti qui s'en plaint le plus est celui qui est au pouvoir depuis le plus longtemps. Moi, je crois que ce n'est pas si simple et qu'il y a là une forme de populisme et de paresse intellectuelle qui élude le fait, d'une part, qu’il y a une grande partie d’étrangers en détention préventive (impossibles à expulser avant d'être jugés) et, d'autre part, que cela fait depuis 20 ans qu'on a un vrai problème de transfèrement des détenus condamnés. C’est sur ce point que je vous interroge.

Les données indiquent que le nombre moyen de transfèrements sortants n’a pas dépassé 60 par an entre 2013 et 2023. Le SPF Justice identifie l'accord systématique de l'État destinataire comme une "pierre d’achoppement" majeure, car la majorité des États refusent les transfèrements non volontaires, faute d'attaches familiales ou de garanties de réinsertion du détenu.

Madame la ministre, quels sont les chiffres précis pour les années 2023 et 2024 concernant les renvois effectifs de détenus condamnés vers les pays du "top 10" des nationalités représentées, notamment le Maroc, l'Albanie et la Roumanie? La balance des transfèrements est-elle toujours défavorable à la Belgique, avec un nombre de transfèrements entrants (de l'étranger vers la Belgique) supérieur aux transfèrements sortants, comme le soulignait la Cour des comptes? Quelles mesures concrètes comptez-vous prendre pour inciter les pays d'origine à accepter leurs ressortissants condamnés, en particulier via le protocole additionnel de 1997 qui permet théoriquement le transfert sans consentement pour les personnes devant être expulsées?

Annelies Verlinden:

Monsieur le député, je vous invite à formuler par écrit vos deux premières questions portant sur des données chiffrées, étant donné qu'il n'est pas possible de présenter oralement un tableau couvrant plusieurs pays et plusieurs années. En ce qui concerne votre question relative aux actions à venir visant à augmenter le nombre de transferts vers l'étranger, je peux vous dire qu'un accord a été conclu avec le Maroc et que notre ambition conjointe est d'augmenter le nombre de transferts. Ce lundi, j'ai eu une réunion constructive avec mon homologue marocain à ce sujet et un plan d'action a été signé pour concrétiser cette ambition. Il n'y a quasiment pas eu de transferts ces dernières années, mais je constate que nous avons pu réaliser trois transferts vers le Maroc au cours des derniers mois, le but étant d'augmenter ce nombre de façon significative dans les mois qui viennent. Je tiens à vous informer qu'une minorité d'États tiers a adhéré au protocole additionnel de 1997 et que des accords bilatéraux existent entre la Belgique et le Maroc, l'Albanie, la République démocratique du Congo et le Kosovo. Bien que ces accords bilatéraux avec ces quatre derniers pays prévoient la possibilité d'effectuer des transferts sans consentement, encore faut-il que les États concernés marquent leur accord avec ces transferts. Pour les autres mesures concrètes, je vous renvoie à ma réponse à la question orale n° 56011851C de Mme Dillen, que vous trouverez dans le compte rendu de la commission du 7 janvier 2025.

Het wegwerken van de beperkingen door luchtvaartmaatschappijen voor de terugkeer van gedetineerden

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 14 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Alexander Van Hoecke vraagt om opheldering over het plan om beperkingen van luchtvaartmaatschappijen op overbrengingen van gedetineerden door Justitie weg te werken, met een deadline van 15 december 2025, en of dit al besproken is in de taskforce overbevolking gevangenissen. Annelies Verlinden bevestigt dat het plan deel uitmaakt van de whole-of-governmentaanpak om terugkeer van gedetineerden zonder verblijfsrecht efficiënter te maken, maar stelt dat de uitvoering nog loopt en dat luchtvaartmaatschappijen nu nog terugvluchten beperken of politiebegeleiding bemoeilijken. Ze benadrukt dat overleg met deze maatschappijen essentieel is om het aantal overbrengingen te verhogen, met een aankomende vergadering om concrete stappen uit te werken.

Alexander Van Hoecke:

In de begrotingsnotificaties, die ik even heb doorgenomen, staat te lezen dat aan de minister van Mobiliteit wordt gevraagd om, in het kader van het whole-of-governmentprincipe uit het regeerakkoord en het actieplan 'Terugkeer van gedetineerden', een plan uit te werken met het oog op het zoveel mogelijk wegwerken van de beperkingen door luchtvaartmaatschappijen die een impact hebben op het aantal overbrengingen door Justitie. Dat zou zijn gebeurd in samenspraak met de minister van Justitie, met uzelf en met de minister van Asiel en Migratie. De opgegeven deadline hiervoor was 15 december 2025. Volgens de begrotingsnotificaties zou het plan ook worden besproken binnen de taskforce 'Overbevolking gevangenissen'. Ik heb daarover een aantal vragen.

Kan u een meer algemene toelichting geven bij deze passage en bij de inhoud van dat plan? Werd de deadline van 15 december volledig gehaald voor de finalisering van het plan? Is dat plan ondertussen ook al besproken binnen de taskforce overbevolking gevangenissen en wat leverde die bespreking concreet op?

Welke beperkingen, die een impact hebben op het aantal overbrengingen, zullen concreet worden weggewerkt met dat plan? Welk tijdschema werd daarvoor vooropgesteld en hoe zal dat in de praktijk worden uitgewerkt?

Welke beperkingen door luchtvaartmaatschappijen bestaan er vandaag nog steeds die niet onder de reikwijdte van dat plan vallen en hoe zal dit verder worden opgevolgd?

Annelies Verlinden:

Collega, de passage waar u naar verwijst kadert inderdaad binnen de whole-of-governmentbenadering uit het regeerakkoord en het actieplan 'Terugkeer'. Dat betekent dat alle betrokken partners structureel samenwerken om de terugkeer van personen zonder verblijfsrecht efficiënter te organiseren en om de overbrengingen te faciliteren. De contouren van het actieplan en de algemene doelstellingen liggen vast, terwijl de uitvoering continu wordt opgevolgd via overlegstructuren en bilaterale contacten tussen de betrokken administraties en beleidscellen. Waar nodig wordt steeds bijgestuurd. Samen met mijn collega, de minister van Asiel en Migratie, is het onze prioriteit om zoveel mogelijk gedetineerden zonder verblijfsrecht van het grondgebied te verwijderen en het aantal overbrengingen te verhogen. Het plan waar u naar verwijst kadert volledig binnen die doelstelling, aangezien ook de luchtvaartmaatschappijen daarbij een belangrijke rol spelen. Voor dat aspect is ook mijn collega, de minister van Mobiliteit, bevoegd. In de praktijk beperken sommige luchtvaartmaatschappijen immers het aantal terugvluchten per week of bemoeilijken zij het werk van de politie die belast is met de begeleiding van gedetineerden. Het doel is om met die luchtvaartmaatschappijen in overleg te gaan om het aantal terugkeerders, uitwijzingen van illegale gedetineerden en overbrengingen aanzienlijk te verhogen. Deze week staat nog een verdere vergadering gepland met de bevoegde beleidscellen en diensten, met het oog op het uitwerken van een concreet plan in dat kader.

De inzet van privébewaking en cipiers zonder diploma in de gevangenissen

Gesteld door

lijst: VB Marijke Dillen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 14 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Marijke Dillen (CD&V) bekritiseert minister Verlinden’s plan om private bewakers in te zetten voor "contactloze" gevangenistaken (toegangscontrole, perifere bewaking) als tijdelijke oplossing voor het cipierstekort (418 FTE) en de overvolle gevangenissen. De vakbonden verwerpen dit, wijzend op juridische risico’s (wettelijk kader ontbreekt) en praktische gevaren (veiligheidsprocedures, toegang tot gevoelige zones), en eisen structurele verbeteringen (statuut, loon) in plaats van "halve maatregelen". Verlinden verdedigt het voorstel als pragmatisch en beperkt (max. 10% van het personeelsbestand), benadrukt strikte wettelijke controle (wet 2017) en belooft bijkomende wetgeving indien nodig, maar Dillen betwist de vergelijking met justitiepaleizen en steunt de vakbonden, die prioriteit geven aan betere arbeidsvoorwaarden boven privatisering. Verlinden bevestigt wel onderhandelingen over het statuut, maar concrete plannen ontbreken.

Marijke Dillen:

Ik verwijs naar de schriftelijke voorbereiding van mijn vraag.

De gevangenissen in dit land zitten niet alleen overvol, het Gevangeniswezen wordt ook al jarenlang geplaagd door een tekort aan zogenaamde penitentiair beambten. Volgens vakbondslieden is momenteel sprake van een tekort van maar liefst 418 cipiers.

Om hieraan tegemoet te komen overweegt de minister de inzet van private veiligheidsfirma's in de gevangenissen. Die privébewakers zouden dan de “contactloze bewakingsopdrachten" en “onthaalfuncties" in de gevangenissen uitvoeren.

De cipiersvakbonden verzetten zich tegen het plan. Volgens hen zijn er niet alleen juridische, maar ook praktische bezwaren. “Om sommige van die zogenaamde contactloze bewakingsopdrachten uit te voeren, moet je naar ruimtes diep in de gevangenis. Om dat allemaal veilig te laten verlopen én om daar te geraken, moet je ook alle veiligheidsprocedures goed kennen. En wat met de onthaalfuncties? Willen we dat privébewakers elke dag zien wie er in en uit de gevangenis gaat?"

Daarnaast zou de minister bekijken of voor sommige jobs in de gevangenis van de diplomavereisten kan worden afgeweken, dan wel of er bijkomende kandidaten kunnen worden gevonden voor een job door de functie toegankelijk te maken voor burgers van andere EU-lidstaten.

De vakbonden reageren kritisch: “Verlinden zou beter het statuut én de aantrekkelijkheid van de job van cipier fors verbeteren, in plaats van veel heil te verwachten van deze halve maatregelen."

Naast een aantal praktische bezwaren zouden er volgens de vakbonden ook juridische bezwaren zijn tegen inzet van de privébewakers in de gevangenissen. Heeft de minister reeds onderzocht of de inzet van privébewakers in de gevangenissen juridisch haalbaar is?

Wat is de reactie op de praktische bezwaren die door de vakbonden werden geformuleerd?

Daar waar uw voorganger heel veel beloftes maakte en niet nakwam bent u veeleer de minister van “onderzoeken". Hebt u een idee wanneer dit onderzoek zal leiden tot resultaten? En wanneer wenst u deze resultaten te implementeren in de gevangenissen?

Zou het niet efficiënter en beter zijn om eindelijk werk maken van een beter statuut voor de cipiers? Welke maatregelen gaat ze daartoe ondernemen? Wanneer mogen we desbetreffend eindelijk resultaten verwachten?

Annelies Verlinden:

Collega Dillen, de administratie onderzoekt deze piste in lijn met het regeerakkoord. Die werd eind 2025 ook met de vakbonden besproken. De bezwaren die door de vakbonden naar voren werden geschoven, worden momenteel onderzocht en er wordt nagegaan of en hoe die verholpen kunnen worden. Dit is geen vrijblijvende studieoefening, want de opening van onder meer de nieuwe gevangenis in Antwerpen, waar we de private bewaking zouden kunnen inzetten, heeft een duidelijke doelstelling en een timing die gekoppeld is aan de geplande opening van de gevangenis en dus het rekruteren van voldoende personeel.

De uitbesteding van bepaalde taken aan een bewakingsonderneming vormt een pragmatische en tijdelijke maatregel die erop gericht is de geplande opening van de gevangenis mogelijk te maken, veiligheidsrisico’s zoals ontsnappingen of incidenten te voorkomen en veilige arbeidsomstandigheden voor het personeel binnen de instelling te waarborgen.

De uitbesteding is uitsluitend gericht op taken zonder contact met gedetineerden, zoals toegangscontrole en perifere bewaking. In totaal gaat het over maximaal 10 % van het kader dat door private bewakingsagenten kan worden ingevuld. De kerntaken van detentie, toezicht op gedetineerden en uitvoering van straffen, blijven dus volledig in handen van de overheid. Daarover bestaat geen twijfel.

Private bewakingsagenten vallen in elk geval onder de strikte toepassing van de wet van 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid. Dit wettelijk kader legt strenge voorwaarden op inzake vergunningen, persoonlijke vereisten, opleiding en discretieplicht. Bewakingsondernemingen moeten bovendien beschikken over een voorafgaande machtiging van de minister van Binnenlandse Zaken die om de vijf jaar moet worden vernieuwd, wat een hoog niveau van controle en veiligheid waarborgt. Indien bijkomende wetgevende initiatieven nodig zijn om de inzet van private bewakingsfirma’s mogelijk te maken, zullen die ook in de loop van de komende maanden aan het Parlement worden voorgelegd.

Ik heb uiteraard begrip voor de vragen en bezorgdheden van de vakbonden. Het is een nieuw initiatief en het is logisch dat het personeel zich afvraagt hoe dit concreet zal verlopen. Net daarom wordt in het bestek heel duidelijk vastgelegd welke taken wel en niet worden uitbesteed, hoe de operationele samenwerking verloopt en hoe veiligheid en kennis van procedures worden gegarandeerd. We hebben bovendien al ervaring met private partners binnen justitie, onder meer in justitiepaleizen. Die samenwerking verloopt in de praktijk correct en gecontroleerd en dat neemt niet weg dat dit traject verder in overleg met het personeel zal worden uitgewerkt. Laat mij ook duidelijk zijn: het inzetten van private bewaking staat niet op zichzelf. U verwijst terecht naar de nood aan een aantrekkelijker statuut voor penitentiaire beambten en ook daar zet ik bijzonder hard op in.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, u werpt op dat privépartners ook al elders bij Justitie worden ingezet, bijvoorbeeld in de justitiepaleizen. Ik neem aan dat u het hebt over de toegangscontroles in de justitiepaleizen waar al een scanstraat is. Dat mag men echter niet vergelijken met de functie van cipier, van penitentiaire beambte. U zegt dat er al overleg is gepleegd met de vakbonden. Ik kan alleen maar vaststellen dat de vakbonden onmiddellijk negatief hebben gereageerd en zich verzetten tegen uw plan op grond van juridische en praktische bezwaren. Ik kan hen alleen maar steunen in hun pleidooi om hun statuut aantrekkelijker te maken en te verbeteren in plaats van dat u dergelijke maatregelen neemt.

De fraude ten nadele van het RIZIV

Gesteld door

lijst: MR Anthony Dufrane

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 13 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Anthony Dufrane wijst op systematische zwaktes in INAMI-controles na fraudezaken (bv. fictieve facturatie door een Vlaamse verpleegster en apotheker), bekritiseert trage gerechtelijke afhandeling en vraagt om strengere maatregelen, waaronder beperking van handmatige facturatie. Minister Frank Vandenbroucke meldt 4,3 miljoen euro fraude in 2025 (een "minderheid maar belangrijk deel" van onterechte declaraties) en presenteert een vijfjarig antifraudeplan (2026-2030) met 28 INAMI-acties, betere datadeling, snellere samenwerking tussen instanties en technologische tools (bv. verplichte MyCareNet-checks voor apothekers). Dufrane prijsde plan als "efficiëntieverhogend" maar benadrukte dat lange procedures blijvend risico vormen. Vandenbroucke benadrukt preventie en synergie tussen controlediensten, zonder concrete termijnen voor versnelling te noemen.

Anthony Dufrane:

Monsieur le ministre, les récentes affaires de fraudes à l'INAMI, comme celles impliquant l'infirmière et un pharmacien flamand, révèlent des failles dans le système de contrôle actuel. La situation est telle qu'il est relativement aisé d'entrer des rapports frauduleux dans le but d'obtenir des remboursements pour des soins non-prestés.

Malgré des mécanismes de détection et des enquêtes menées depuis plusieurs années, certains fraudeurs parviennent à contourner les dispositifs et à prolonger leurs pratiques illégales, causant des préjudices financiers importants et sapant la confiance dans notre système de santé.

Ces cas soulignent la nécessité de renforcer les procédures de contrôle, d'accélérer les enquêtes, et d'adopter des mesures plus dissuasives pour protéger les finances publiques et la qualité des soins.

Mes questions, monsieur le ministre, sont:

Quelles sont les raisons principales expliquant le délai entre la détection des anomalies et l'aboutissement des procédures judiciaires ou administratives?

Comment comptez-vous réduire ces délais pour éviter que des fraudeurs ne puissent poursuivre leurs agissements pendant des années?

Quels sont les angles morts identifiés dans les mécanismes de contrôle actuels, notamment en ce qui concerne les facturations manuelles (comme celles exploitées par le pharmacien condamné) ou les prestations fictives? Envisagez-vous de supprimer ou de mieux encadrer les exceptions techniques (comme l'encodage manuel) qui peuvent être détournées à des fins frauduleuses?

Quelle est l'ampleur réelle des fraudes à l'INAMI en 2025, et comment ces chiffres évoluent-ils par rapport aux années précédentes?

Quelles sont les mesures concrètes prévues dans le plan antifraude en cours de finalisation?

Comment comptez-vous améliorer la collaboration entre l'INAMI, les mutuelles, l'auditorat du travail, et le parquet pour accélérer le traitement des dossiers et le recouvrement des montants détournés?

Des outils technologiques supplémentaires (comme l'intelligence artificielle pour analyser les données de facturation) sont-ils envisagés pour renforcer la détection des anomalies?

Frank Vandenbroucke:

Monsieur Dufrane, ma réponse comprend de nombreux graphiques.

Pour l'année 2025, un montant de fraude de 4,3 millions d'euros a été constaté par le Service d'évaluation et de contrôle médicaux (SECM) de l'INAMI. Il s'agit uniquement de la partie fraude et non de la détection d'autres prestations indûment facturées. Vous pouvez observer dans un graphique que je peux vous procurer, l'évolution ces dernières années de la part de la fraude par rapport à l'ensemble des infractions constatées. Cette part fluctue d'année en année. En 2024 et 2025, il s'agit d'une part minoritaire, mais quand même importante.

Entre-temps, le nouveau plan d'action en matière de contrôle des soins de santé a été finalisé et approuvé le 22 décembre 2025 par le Conseil général de l'INAMI ainsi que par le gouvernement. Il couvre une période de cinq ans, de 2026 à 2030 inclus. Ce plan d'action définit des priorités claires ainsi que des actions communes concrètes. Il met l'accent sur un partage des données plus efficace, l'évitement des doubles emplois, un accès plus rapide aux informations de facturation correctes et un renforcement de la coopération sur le terrain. Nous construisons ainsi un cadre de contrôle qui ne se limite pas à lutter contre la fraude, mais qui agit également de manière préventive et offre aux prestataires de soins et aux patients une meilleure clarté quant aux règles et aux attentes.

Les actions dans ce plan sont réparties par domaine de compétences. Pour l'INAMI, les organismes assureurs et l'Agence Intermutualiste (AIM), le plan comprend 28 actions auxquelles s'ajoute le nouveau dispositif VARAK. La Commission fédérale de contrôle VARAK est chargée de la mise en œuvre de six actions, tandis que l'AFMPS en assure huit. En outre, neuf actions conjointes visent à renforcer la synergie entre les différents services d'inspection.

Voici quelques exemples concernant les pharmaciens. Premier exemple, l'action 26: pour éviter de rembourser des médicaments alors que le patient ne répond pas aux conditions et que le prescripteur indique néanmoins la condition sur la prescription – par exemple, le médecin indique "trajet de soins: insuffisance rénale" –, on demande au pharmacien de vérifier le statut du patient dans MyCareNet MemberData .

Anthony Dufrane:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses, et je remercie d'avance votre cabinet pour les graphiques qu'il me transmettra. En effet, les procédures peuvent s’avérer longues et complexes lorsque les contrôles doivent être opérés par l’INAMI. Au regard de l’annonce de votre plan de lutte contre la fraude et de vos initiatives législatives, je ne peux que vous féliciter. Je ne doute pas non plus que les simplifications qui seront mises en place afin de rendre l’Institut plus efficace permettront de combattre à l’avenir les abus qui grèvent les dépenses de l’État. Un grand merci encore pour vos réponses, monsieur le ministre. La présidente : Les questions n ° s 56011503C et 56011504C de Mme Irina De Knop sont reportées.

Herhaalde incidenten met substanties op treinsporen en de mogelijke veiligheidsrisico’s

Gesteld door

lijst: CD&V Tine Gielis

Gesteld aan

Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)

op 13 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Tine Gielis vraagt om opheldering over herhaalde olieachtige besmetting op Antwerpense spoorwegen, die leidde tot grote hinder, en of sabotage (naast accidenten) mogelijk is, gelet op recente drone-incidenten bij kritieke infrastructuur. Minister Crucke bevestigt dat de analyse van stalen nog loopt—geen piste wordt uitgesloten—en wijst op bestaande veiligheidsmaatregelen (verhoogde inspecties, drones voor detectie) en structurele monitoring, maar kan nog geen oorzaak of opzet bevestigen. Gielis uit zorgen over het ontbrekende definitieve onderzoek, maar waardeert de genomen preventieve en reactieve stappen; ze eist wel nadere informatie zodra de resultaten bekend zijn. Drones voor systematische detectie zijn in testfase, maar afhankelijk van regelgevende toelatingen.

Tine Gielis:

Mijnheer de minister, in de voorbije maanden werd op verschillende tijdstippen in en rond het spoornetwerk van Antwerpen een vettige, olieachtige substantie vastgesteld. Het ging om een gladde filmlaag die zich op de rails had vastgezet. er werden stalen genomen door Infrabel, om te zien hoe de materie is samengesteld, maar ook hoe die daar was terechtgekomen.

Het incident heeft zich herhaaldelijk voorgedaan, wat tot langdurige en grootschalige hinder heeft geleid, waarbij er ter plaatse manueel met ontvetters en hogedrukstoom moest worden gereinigd. Dat heeft op het netwerk geleid tot heel wat omleidingen, vertragingen en geschrapte treinen.

Mijnheer de minister; ik heb hierover een aantal vragen. Ten eerste, kunt u toelichten wat de materie juist inhield? Wat zijn de resultaten van de stalen die door Infrabel werden genomen en hoe zijn die op het spoornetwerk terechtgekomen?

Ten tweede, ziet u deze incidenten als louter accidenteel, aangezien het zich toch wel herhaaldelijk op verschillende tijdstippen heeft voorgedaan? Denkt u dat er ook kwaad opzet of sabotage in het spel zou kunnen zijn?

Ten derde, zijn er bijkomende veiligheidsinspecties of maatregelen voor bijkomende monitoring afgesproken of opgestart om zulke incidenten in de toekomst te vermijden?

Ten vierde, dit is misschien een worstcasescenario, maar ik denk dat we niet naïef mogen zijn. Met het zicht op de recente drone-incidenten rond de strategische infrastructuur, werd er met de NMBS of Infrabel besproken of er specifieke voorzorgs- of beveiligingsmaatregelen moeten worden genomen om soortgelijke risico's voor het spoorverkeer te beperken? Wordt hieraan een systematische detectie gekoppeld of ervaart u dit eerder als accidenteel?

Jean-Luc Crucke:

Geachte collega, de laboratoriumresultaten van de twee recente stalen zijn juist binnen. Deze moeten echter nog grondig geanalyseerd worden, om na te gaan of er overeenkomsten bestaan tussen beide substanties. Op dit moment wordt geen enkele piste uitgesloten. Het kan gaan om twee toevallige gebeurtenissen in dezelfde regio, om een mogelijk spoor van smeervet afkomstig van treinstellen of om kwaad opzet.

In functie van de verdere analyse hopen we gelijkaardige elementen te identificeren die een verband kunnen verduidelijken en potentiële oorzaken kunnen helpen uitsluiten. Voorlopig kunnen we echter geen definitieve uitspraak doen.

Infrabel hecht bovendien groot belang aan veiligheid en aan de bescherming van zijn kritieke infrastructuur, materieel en informatie. Er zijn reeds diverse maatregelen van kracht, zoals de verhoogde inspectie van spoor, wissels en bovenleidingen en de permanente paraatheid van interventieteams, om snel te kunnen reageren bij incidenten. Deze bestaande veiligheidskaders, samen met initiatieven inzake cyberveiligheid en continue monitoring, illustreren dat Infrabel structurele maatregelen treft om intrusies en risico's voor gevoelige infrastructuur te beperken.

Infrabel experimenteert momenteel met het gebruik van drones om een veiligheidskader uit te werken. Deze drones kunnen instaan voor een geautomatiseerd detectiesysteem dat dergelijke fenomenen opspoort. Infrabel vraagt de nodige vluchttoelatingen aan bij het DGLV en rolt stapsgewijs deze capaciteit uit, rekening houdend met de geldende luchtvaartreglementering.

Tine Gielis:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. Het doet mij plezier en geeft mij wat vertrouwen te horen dat er een heel gamma aan maatregelen bestaat om de veiligheid te kunnen garanderen en dat er zowel preventief als reactief wordt gewerkt.

Het baart mij echter wel zorgen dat er nog verder onderzoek moet worden gedaan naar de substanties en de oorzaak van hun aanwezigheid op het spoornetwerk. Misschien kunt u ons daarover op de hoogte houden. Als de resultaten gekend zijn, dan wil ik daarover zeker worden geïnformeerd, om alle bezorgdheden daaromtrent te kunnen wegnemen.

Voorzitter:

Vraag nr. 56011607C van mevrouw Meunier is omgezet in een schriftelijke vraag.

De veiligheid op Brussels Airport

Gesteld door

lijst: PTB Farah Jacquet

Gesteld aan

Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)

op 13 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Farah Jacquet vraagt om opheldering over het nieuwe 5G-communicatiesysteem op Brussels Airport, ontwikkeld na de aanslagen van 2016, met nadruk op testen door een onafhankelijke instantie, de volledige vervanging van het oude systeem en veiligheidsgaranties (o.a. bij brand. Minister Jean-Luc Crucke bevestigt dat het systeem sinds lente 2025 operationeel is, maar nog parallel loopt met het oude systeem en dat aanpassingen lopen; op termijn moet al het aéroportpersoneel het gebruiken, maar kritische details blijven om veiligheidsredenen vaag. Jacquet bekritiseert impliciet dat het systeem nog niet waterdicht getest (o.a. door een officiële instantie) en alomvattend is, en benadrukt dat halve maatregelen bij luchthavenveiligheid onaanvaardbaar zijn.

Farah Jacquet:

M. le Ministre, à la suite des attentats du 22 mars 2016, une commission d’enquête a été mise en place au parlement fédéral.

De nombreuses recommandations ont alors été formulées. Un aspect important concerne bien sûr la sûreté et la sécurité à l’aéroport, un aéroport qui compte des milliers d’employés et de passagers, ainsi que du personnel qui donne le meilleur de lui-même afin de garantir que les passagers puissent prendre leur avion en toute sécurité.

Les attentats ont mis en évidence le caractère absolument crucial d’une communication efficace entre les différents services présents sur le terrain. L’importance d’un système de communication commun à l’ensemble des services opérationnels faisait partie de ces recommandations.

Depuis peu, un nouveau système semble avoir été développé par le gestionnaire de l’aéroport pour l’ensemble des services opérationnels internes à l’aéroport de Bruxelles.

M. le ministre, serait-il possible de fournir des explications concernant l’utilisation de ce système? Est-il en phase de test? Quand estimez-vous qu’il sera définitivement mis en place? Va-t-il complètement remplacer l’ancien système?

Pouvez-vous confirmer, comme le demande l’ensemble de la communauté aéroportuaire, qu’un test sera effectué avant la mise en place définitive de ce nouveau système par un organisme indépendant, et ce tant en ce qui concerne la conformité que la couverture du système? Sera-t-il également testé en cas d’incendie?

Si ce test a déjà eu lieu, quels en sont les résultats? Le système fonctionne-t-il de manière fluide?

Pouvez-vous nous donner un bref aperçu des problèmes que ce système présente encore?

Quels services utiliseront ce nouveau système? Existe-t-il encore des entreprises qui utilisent d’autres systèmes de communication?

Jean-Luc Crucke:

Chère collègue, tout d'abord, pour des raisons de sécurité, je voudrais préciser qu'une certaine réserve dans mes réponses doit être de mise. J'ai néanmoins interrogé l'exploitant de l'aéroport pour pouvoir répondre à cette question. Voici ce qui m'a été communiqué.

Au printemps 2025, Brussels Airport Company a déployé un système de télécommunication radio-vidéo via des appareils mobiles 5G sur le réseau privé 5G de BAC. Cela peut être utilisé pour toutes sortes de communications. Le système a été testé avant sa mise en service par les différents services opérationnels de l'aéroport.

À l'heure actuelle, des travaux sont encore en cours pour corriger certaines lacunes. Je vous informe que les anciens et nouveaux systèmes sont encore utilisés en parallèle. L'intention est de passer complètement au nouveau système.

À long terme, l'intention est que tous les services opérationnels de Brussels Airport Company, ainsi que tous les prestataires de services et autres partenaires commerciaux, communiquent sur le nouveau système.

Farah Jacquet:

Merci, monsieur le ministre, pour les différentes informations données. Je les analyserai de plus près et je n'hésiterai pas à revenir vers vous si cela est nécessaire. Pour nous, ce nouveau système doit être probant et efficace parce que cela signifie avoir une large couverture, être utilisé par l'ensemble des services de l'aéroport et être, bien sûr, testé et approuvé par un organisme officiel indépendant. On parle ici de sécurité au sein de l'aéroport, donc pas question d'avoir un dispositif brouillon.

De tiende verjaardag van de aanslagen op de luchthaven van Zaventem

Gesteld aan

Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)

op 13 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Britt Huybrechts vraagt naar de juridische en operationele verantwoordelijkheid, crisisbestendigheid, compatibiliteit met externe hulpdiensten, taalgebruik en kosten van het nieuwe 5G-communicatiesysteem op Brussels Airport, ontwikkeld na de aanslagen van 2016, en hoe de parlementaire aanbevelingen worden opgevolgd. Jean-Luc Crucke bevestigt dat Brussels Airport Company in 2025 een redundant 5G-systeem voor interne diensten uitrolt, los van het ASTRID-netwerk (voor externe hulpdiensten), maar ontwijkt vragen over verantwoordelijkheid, taal, kosten en toezicht, verwijzend naar de minister van Binnenlandse Zaken voor veiligheidsgerelateerde details. Geen concrete antwoorden op monitoring, crisisbestendigheid of licentiekosten.

Britt Huybrechts:

Ik verwijs naar de ingediende vraag.

In maart is het tien jaar geleden dat ons land werd getroffen door de terroristische aanslagen van 22 maart 2016. Die tragische gebeurtenissen hebben pijnlijk duidelijk gemaakt hoe essentieel veiligheid, coördinatie en communicatie zijn, in het bijzonder op kritieke infrastructuur zoals onze nationale luchthaven.

Naar aanleiding van die aanslagen werd in het federaal Parlement een onderzoekscommissie opgericht, die tal van aanbevelingen formuleerde. Een van de kernpunten daarbij was de nood aan een efficiënte, betrouwbare en gedeelde communicatie tussen alle operationele diensten die actief zijn op de luchthaven.

In het kader van recente contacten die ik had met vertegenwoordigers van de luchthaven, werd gewezen op de ontwikkeling van een nieuw communicatiesysteem voor de interne operationele diensten op Brussels Airport.

​Wie is juridisch en operationeel eindverantwoordelijk voor dit nieuwe communicatiesysteem: de luchthavenbeheerder, een private partner, of de federale overheid? Welke federale instanties zijn betrokken bij de goedkeuring en het toezicht op dit systeem (bv. FOD Mobiliteit, FOD Binnenlandse Zaken, Veiligheid van de Staat, politie)?

Op welke manier wordt vandaag de opvolging van de aanbevelingen van de parlementaire onderzoekscommissie van 2016 concreet gemonitord en geëvalueerd?

Is het systeem ontworpen om te functioneren bij zware incidenten zoals een terroristische aanval, grootschalige evacuatie of langdurige stroomuitval? Beschikt het systeem over redundantie en back-upkanalen indien het primaire communicatiesysteem faalt? Kan het systeem gelijktijdig worden gebruikt door meerdere diensten zonder capaciteitsverlies in crisissituaties?

Is het systeem compatibel met de communicatiesystemen van federale politie, luchthavenpolitie, brandweer, medische hulpdiensten en Defensie? Kunnen externe hulpdiensten die niet permanent op de luchthaven aanwezig zijn het systeem onmiddellijk gebruiken bij een noodsituatie?

In welke taal wordt er gecommuniceerd in dit systeem, gezien het meertalige karakter van de luchthaven, maar ondanks het feit dat de luchthaven in Vlaanderen ligt?

Wat is de totale kostprijs van de ontwikkeling, implementatie en het onderhoud van dit systeem? Werden hiervoor externe consultants of private technologiebedrijven ingeschakeld, en zo ja, via welke aanbestedingsprocedure? Zijn er structurele onderhouds- of licentiekosten verbonden aan dit systeem op lange termijn?

Jean-Luc Crucke:

Mevrouw Huybrechts, de informatie over de reistijden is informatie waarvan Brussel Airport Company om veiligheidsredenen geen details publiek wenst te delen.

In het voorjaar van 2025 heeft Brussel Airport Company een systeem uitgerold voor radio-, video- en telecommunicatie via 5G-mobiele toestellen op het privé-5G-netwerk van Brussels Airport Company voor alle operationele diensten, serviceproviders en commerciële partners. Het systeem werd opgezet als een redundant en robuust systeem. Doordat het een eigen luchthavensysteem is, wordt bovendien vermeden dat overbelasting van de algemene gebruikerssystemen de hulpverlening zou verstoren.

Voor de communicatie met de verschillende externe hulpdiensten wordt gebruikgemaakt van het ASTRID-netwerk, waarmee alle betrokken diensten vertrouwd zijn.

Het systeem vervangt het bestaande communicatiesysteem en heeft dus geen enkele invloed op de bestaande afspraken rond het taalgebruik op de luchthaven of binnen de verschillende gebruikersgroepen.

De communicatie tussen de veiligheidsdiensten valt onder de bevoegdheid van de minister van Binnenlandse Zaken. Ik verzoek u dan ook om uw vragen in verband met dit onderwerp aan hem te stellen.

Voorzitter:

Mevrouw Huybrechts heeft geen repliek.

Het actieplan voor de terugkeer van gedetineerden

Gesteld door

lijst: VB Frank Troosters

Gesteld aan

Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)

op 13 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Frank Troosters vraagt minister Crucke om toelichting bij het plan om luchtvaartbeperkingen voor gedetineerden- en asielterugkeer (deadline 15/12/2025) weg te werken, inclusief kosten, timing en impact. Crucke wijst verantwoordelijkheid grotendeels af, verwijzend naar de ministers van Asiel en Justitie, en stelt dat concrete antwoorden pas na de eerste coördinatievergadering (eind januari) mogelijk zijn. Troosters bekritiseert dit scherp: ondanks de deadline is er nog geen voortgang, en hij concludeert dat "we eigenlijk nog nergens staan". Crucke bevestigt impliciet dat het dossier vertraagd en onduidelijk beheerd wordt.

Frank Troosters:

Ik verwijs naar de ingediende vraag.

Verwijzend naar de notificaties Begroting 2026-2029 die we recent mochten ontvangen werd de minister van Mobiliteit gevraagd om, in het kader van het Whole of Government principe in het regeerakkoord en het Actieplan Terugkeer Gedetineerden, in samenwerking met de minister van Asiel en Migratie en de minister van Justitie een plan uit te werken met het oog op het zoveel mogelijk wegwerken van de beperkingen door luchtvaartmaatschappijen die een impact hebben op het aantal

overbrengingen door Justitie en het aantal terugkeer door Asiel en migratie. Dit plan moest gefinaliseerd worden tegen 15/12/2025 en moest worden besproken binnen de Taskforce Overbevolking gevangenissen inzake de terugkeer van gedetineerden.

Kan de minister bovenvermeld plan toelichten? Wat is de stand van zaken? Welke zijn de bestaande beperkingen die nog dienen weggewerkt te worden? Welke maatregelen zijn er al genomen of zullen genomen worden om de bestaande beperkingen weg te werken? Wat zal de timing zijn? Wat zal de kostprijs zijn? Wie zal deze kosten dragen? Zal er een verdeelsleutel worden toegepast tussen de betrokken beleidsdepartementen? Welke zal dat zijn? Wat zal de invloed zijn op het aantal georganiseerde terugkeer, op korte (2026) en op lange (2026-2029) termijn?

Wat was de inhoud van de besprekingen binnen de Taskforce Overbevolking gevangenissen? Welke feedback ontving de minister van hen?

Jean-Luc Crucke:

In het kader van het principe whole of government , vastgelegd in het regeerakkoord, een van de actieplannen betreffende de justitiële overbrenging van gedetineerden, werd mij gevraagd om in samenwerking met de minister van Asiel en Migratie en de minister van Justitie een plan uit te werken om de door luchtvaartmaatschappijen opgelegde beperkingen zoveel mogelijk te verminderen. Die beperkingen hebben immers een rechtstreekse impact op zowel het aantal overbrengingen uitgevoerd door Justitie als op het aantal terugkeerders beheerd door Asiel en Migratie.

De belangrijkste bevoegdheid om vragen te beantwoorden over de inhoud, de voortgang, de te nemen maatregelen, de kalender, de kosten en de verwachte impact van dat plan ligt echter bij de minister van Asiel en Migratie. Bovendien is de eerste coördinatievergadering over het opstellen van dit plan gepland voor eind januari. Het is daarom nog te vroeg om concrete informatie te verstrekken over de bestaande beperkingen, de geplande maatregelen, de kosten daarvan, de verdeling over de betrokken departementen of de verwachte impact op het aantal terugkeerders, zowel op korte als op lange termijn. Aangezien zij niet vertegenwoordigd zijn in de taskforce overbevolking in de gevangenis, lijkt het gepaster dat vragen over de inhoud van de bespreking en de daarbinnen gegeven feedback rechtstreeks worden gericht aan de bevoegde minister, namelijk de minister van Justitie.

Frank Troosters:

Dank u wel, mijnheer de minister. Ik ben enigszins verbaasd over uw antwoorden. In de notificatie staat dat er naar u wordt gekeken om een gecoördineerde aanpak uit te werken, een plan op te stellen. Dat plan moest volgens de notificatie gefinaliseerd zijn tegen 15 december 2025. We zijn inmiddels bijna een maand verder en ik hoor dat we eigenlijk pas eind januari een eerste coördinerende vergadering zullen hebben. Er wordt verwezen naar andere beleidsdomeinen. Samengevat, we staan op dit moment eigenlijk nog nergens.

Het digitaliseringsproject i-Police
Het project i-Police
De verbreking van een miljoenencontract voor een digitaliseringsproject bij de politie
Het i-Policedossier
De stopzetting van het i-Policeproject
De Focus-app
Het i-Policeproject
De stopzetting van i-Police
De i-Policepilootprojecten
Het opzeggen van het contract met Sopra Steria inzake i-Police
Stopzetting en gevolgen van het i-Police digitaliseringsproject bij de politie

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 13 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Het i-Police-debat draait om het mislukte digitaliseringsproject (299 miljoen budget, 75 miljoen verspild) dat minister Quintin stopzette na systeemfalen, slechte governance, onrealistische budgetten (bv. fictieve personeelskredieten) en contractuele misbruiken (automatische facturatie door Sopra Steria, nutteloze licenties voor 24 miljoen). Kritiek richt zich op voorgangers Jambon (cd&v) en Verlinden (geen actie ondanks waarschuwingen, o.a. Deloitte-audit 2023) en vermoedens van doofpotcultuur (agenten mochten geen PV’s opstellen, rapporten verdwenen). Quintin bevestigt juridische stappen om geld terug te vorderen, kiest voor kleinschalige, modulaire digitalisering (bv. Focus-app, ANPR-camera’s) en belooft transparantie (parlement krijgt toegang tot rapporten, mits juridische beperkingen), maar ontwijkt politieke schuldvragen. Oppositie eist hoorzittingen (Jambon/Verlinden), Rekenhof-audit en duidelijke alternatieven voor de achterstand in politiedigitalisering.

Voorzitter:

Uiteraard kunnen de andere commissieleden zich aansluiten bij dit actualiteitsdebat.

François De Smet:

Monsieur le ministre, quelle incroyable gabegie que ce projet i-Police, dont des détails supplémentaires viennent d'être divulgués aujourd'hui même dans la presse! Nous parlons donc d'un projet qui engloutit 75 millions d'euros de fonds publics sur les 299 millions prévus. Cette hémorragie est, vous en conviendrez, très difficile à faire admettre en ces temps où votre gouvernement demande de gros efforts à la population. L'enquête révèle que ce fiasco n'est pas seulement dû à une incapacité technique, mais bien à une faillite systémique de gouvernance et de contrôle.

Dressons-en le bilan: un financement fantaisiste; un budget prévisionnel qui reposait sur des hypothèses irréalistes – notamment une enveloppe de 80 millions d'euros provenant d'une prétendue sous-utilisation de crédits de personnel, qui s'est avérée inexistante –; des clauses contractuelles complètement déséquilibrées, puisque le contrat permettait à Sopra Steria de facturer automatiquement un quarante-huitième de 80 % du montant de chaque projet entrepris, quel que soit l'état d'avancement véritable des travaux; des achats inconsidérés (entre fin 2021 et l'été 2024, la police a dépensé 24 millions d'euros en licences technologiques, dont 6 millions pour un logiciel canadien jugé totalement inutile et inadapté, après coup); une perte de maîtrise technique (le rapport confidentiel du commissaire général É ric Snoeck indique que le prestataire ne maîtrisait même pas le fonctionnement de la Banque Nationale Générale, contraignant ainsi la police à reprendre elle-même ce projet crucial). Et puis, comme souvent au fédéral, on note une dépendance excessive aux consultants. L'enquête pointe en effet une dépendance malsaine envers des consultants externes, soulevant dès lors des soupçons de conflit d'intérêts.

Monsieur le ministre, s'agissant de la responsabilité financière, comment le gouvernement fédéral précédent a-t-il pu valider un plan de financement reposant sur 80 millions d'euros de crédits de personnel fantôme? Confirmez-vous l'existence de clauses contractuelles de facturation automatique? Pour le gaspillage des licences, quelle est la valeur résiduelle des 24 millions d'euros de licences achetées? Le commissaire général É ric Snoeck aurait alerté le gouvernement en septembre 2024 du caractère triplement confidentiel des rapports. S'agissant de conflits d'intérêts, quelles sont les conclusions définitives de l'analyse interne portant sur le rôle du chef de projet? Enfin, pour la récupération des fonds, au-delà du refus de payer les factures pendantes d'avril à juillet 2024, quelle est la somme exacte que vous pouvez, que nous pouvons espérer récupérer au moyen d'actions en justice pour inexécution ou faute grave du prestataire?

Ridouane Chahid:

Monsieur le ministre, 75 millions d’euros partis en fumée, cinq années de chantier pour aucun outil opérationnel et un fiasco aux conséquences dramatiques. Si je reprends les propos de votre cabinet dans le journal Le Soir d'aujourd'hui vous parlez d’une "hémorragie à stopper". La question que nous sommes toutes et tous en droit de nous poser est la suivante: qui est responsable de ce fiasco? Qui en porte la responsabilité? Est ‑ ce M. Jambon   ? Est ‑ ce Mme Verlinden   ? Ces questions sont l é gitimes, et nous avons droit à des réponses.

Dans votre note de politique générale 2025, vous évoquez une évaluation, et non un abandon. Je rappelle que ce projet avait été lancé par Jan Jambon il y a maintenant presque dix ans. Fin décembre – cadeau de Noël oblige –, vous avez annoncé la fin de ce projet.

Dans cette interview, vous êtes d’ailleurs sans ambiguïté: vous justifiez cet abandon par de graves lacunes dans l’exécution du marché public et par des résultats largement en deçà de vos attentes, ou plutôt de celles du gouvernement. Nous sommes donc face à un constat d’échec, avec 75 millions d’euros perdus sur les 300 millions initialement prévus.

Monsieur le ministre, d'autres questions me taraudent: quel lien peut ‑ on é tablir entre ce projet et le projet Focus? Quel a é t é le r ô le de la zone de police d ’ Anvers dans ce projet Focus? Qui en a assur é la gestion? Qui en a tir é les b é n é fices? Pouvez ‑ vous faire le point sur la mani è re dont s ’ est d é roul é e cette é valuation et sur ce qui vous a pr é cis é ment conduit à abandonner ce projet, au ‑ del à de l ’ aspect budg é taire? À défaut de ce projet, quelles sont les autres solutions informatiques envisagées pour répondre aux besoins opérationnels de la police fédérale et de la police intégrée de manière générale?

Par ailleurs, monsieur le président, je vous annonce d’ores et déjà que, quelle que soit la réponse du ministre, mon groupe demandera que M. Jan Jambon et Mme Verlinden soient auditionnés devant cette commission afin que nous obtenions des réponses à nos questions.

Brent Meuleman:

Mijnheer de minister, in de pers werd uitvoerig bericht over het feit dat België een miljoenencontract voor het belangrijke digitaliseringsproject bij de politie i-Police heeft verbroken. Het project moest bijdragen tot de modernisering van onze politiediensten, onder meer door efficiëntere gegevensverwerking, betere informatie-uitwisseling en een vermindering van administratieve lasten voor de politiemensen op het terrein. Helaas is daar heel weinig, om niet te zeggen niets, van in huis gekomen.

Dat een dergelijk strategisch en kostelijk IT-project voortijdig stopgezet wordt; roept natuurlijk heel veel vragen op. In een context waarin politiediensten net kampen met personeelstekorten en toenemende veiligheidsuitdagingen, op een moment dat van iedereen inspanningen gevraagd worden omdat de financiële toestand van ons land ons daartoe dwingt, is dat bijzonder problematisch. Ik heb daarom enkele vragen voor u, mijnheer de minister.

Kunt u toelichten waarom werd beslist om dit contract te verbreken en welke concrete tekortkomingen of problemen aan de basis lagen van die beslissing?

Op welk moment in het traject werd vastgesteld dat het project niet langer houdbaar was en welke waarschuwingen of evaluaties zijn hieraan voorafgegaan?

Wat is er fout gelopen? Hoe is het zo kunnen escaleren?

Hebt u ter zake contact gehad met de voormalige ministers van Binnenlandse Zaken? Waren de problemen toen ook al bekend? Zitten jullie op dezelfde lijn?

Wat zijn de totale financiële kosten die reeds werden gemaakt voor dit project, inclusief eventuele schadevergoedingen, verbrekingsvergoedingen of verloren investeringen?

Werden er binnen de federale administratie of bij de politiediensten verantwoordelijkheden vastgesteld inzake projectopvolging, governance of controle en zo ja, welke lessen worden hieruit getrokken?

Welke impact heeft het stopzetten van dit project op de werking van de federale en lokale politiediensten, op de lopende digitaliseringsinitiatieven en op de werkdruk van politiemensen op het terrein?

Tot slot, bestaat er een plan B of een alternatief traject om de noodzakelijke digitalisering alsnog te realiseren? Binnen welke termijn verwacht u concrete resultaten?

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, ik heb drie maanden geleden een schriftelijke vraag gesteld over i-Police. Na drie maanden wacht ik nog altijd op een antwoord. Ik heb die vraag gesteld omdat ik uiteraard geïnformeerd ben over wat daar is gebeurd. Er zijn duizenden uren aan consultancy gefactureerd zonder dat daar ook maar één prestatie tegenover stond. De grendels die in het contract stonden, zijn op vraag van de politie verwijderd. Die grendels moesten ervoor zorgen dat het contract bij niet-oplevering in een vroeg stadium al zou worden getemporiseerd.

Enerzijds lees ik dat het om een bedrag van 78 miljoen euro gaat. Anderzijds lees ik vanmiddag bij de heer Verschaede in W16 dat we misschien wel 200 miljoen euro kwijt zijn. U hebt eerder in de commissie beloofd dat het Parlement inzage zou krijgen zodra het rapport beschikbaar zou zijn.

Mijn eerste vraag is dus of we daadwerkelijk inzage krijgen. Voor mij is dat niet nodig, maar ik vraag het voor een vriend. Dit is het auditrapport van 11 februari 2024 die toenmalig minister van Binnenlandse Zaken Verlinden kreeg van de commissaris-generaal. Hoe zullen wij dat rapport officieel ontvangen? Ik denk dat de collega’s daarin geïnteresseerd zijn.

Mijn tweede vraag is of het nu om 78 miljoen euro gaat, dan wel om 200 miljoen euro.

Ten derde, klopt het dat er agenten hebben gezegd dat zij een proces-verbaal zouden opmaken over wat er is gebeurd? Die agenten zouden, volgens onze informatie, een verbod hebben gekregen om een proces-verbaal op te maken over de zaken die verkeerd liepen bij i-Police. Verschillende getuigen bevestigen dat.

Mijn volgende vraag is wat de nieuwe aanpak is. Hoe zult u dat nu oplossen? U hebt gezegd dat u het project stillegt, maar hoe zult u het vervolgens oplossen?

Een andere vraag is hoe we het bedrag dat te veel werd betaald, zullen terugkrijgen. Wij zijn als belastingbetalers gewoon opgelicht. Als men wordt opgelicht, zeker wanneer de politie wordt opgelicht, moet men toch de ambitie hebben om dat geld te recupereren.

Mijn laatste vraag is dan ook wie hiervoor verantwoordelijk is. Bent u dat als minister? Of is dit volledig toe te schrijven aan mevrouw Verlinden, met opnieuw een dossier waarin zij haar werk niet heeft gedaan?

Catherine Delcourt:

Monsieur le ministre, vous avez récemment décidé de résilier le marché public relatif au projet i-Police, ce vaste programme de numérisation intégrée de la police fédérale, lancé en 2017 et doté d’un budget de 299 millions d’euros. À ce jour, 75 millions d’euros ont déjà été déboursés, alors que les résultats attendus ne se sont pas matérialisés.

Selon les informations communiquées par votre cabinet et par la police fédérale, cette décision fait suite à une évaluation approfondie du marché public, prévue explicitement dans votre note de politique générale d’avril 2025 et menée dès votre entrée en fonction. Cette évaluation aurait mis en évidence de graves lacunes dans l’exécution du marché, des livraisons non conformes et l’incapacité du prestataire à mener à bien plusieurs sous-projets, dont certains avaient déjà été suspendus dès le mois de mai.

Je rappelle qu’un rapport de Deloitte, datant de 2023, avait déjà pointé des défaillances importantes dans la gouvernance, le pilotage et l’exécution du projet i-Police. Or, malgré ces signaux d’alerte clairs, aucune réaction structurelle ni décision corrective majeure ne semble avoir été prise à l’époque par votre prédécesseur, ce qui est vraiment regrettable.

Monsieur le ministre, pouvez-vous préciser les principales lacunes et les manquements constatés? Quelles démarches ont-elles été engagées afin de récupérer tout ou partie des 75 millions d’euros déjà déboursés? Quel montant estimez-vous pouvoir récupérer et selon quel calendrier? Quelle sera l’affectation du solde des crédits initialement prévus pour le programme i-Police et encore disponibles? Ces moyens seront-ils intégralement réalloués à la modernisation numérique de la police? Pouvez-vous détailler la nouvelle approche que vous entendez adopter en matière de numérisation? Quels sont les projets déjà opérationnels ou en cours, et quel est l’agenda précis pour leur déploiement et leur évaluation? Enfin, quelles garanties concrètes pouvez-vous apporter pour éviter que des alertes précoces, comme celles formulées en 2023, ne restent à l’avenir sans suite?

Xavier Dubois:

Monsieur le ministre, i-Police se voulait la pierre angulaire de la transformation numérique de la police. Finalement, c’est un véritable fiasco. Je pense que l’ensemble des éléments qui sont sortis encore aujourd’hui dans la presse permet de l’attester. L’objectif était d’améliorer l’efficacité du travail de la police, des enquêtes et des interventions. Le budget était estimé à l’époque à 300 millions d’euros.

Déjà en 2023, comme certains collègues l’ont évoqué, un premier rapport de Deloitte mettait en avant de graves difficultés, des retards importants, des dépassements budgétaires déjà attestés à l’époque, ainsi que des problèmes de gouvernance, relayés par la presse.

À la suite d’une évaluation commandée par vos services, vous avez décidé de mettre un terme à ce projet. Mes questions font suite aux questions écrites posées par ma collègue Mme Ramlot.

Quels sont les impacts réels de la résiliation du contrat conclu avec Sopra Steria, tant en matière de coûts que de logiciels ou prestations déjà réalisés? Vous avez évoqué la possibilité de récupérer une partie des 75 millions d’euros déjà dépensés, mais comment et selon quel calendrier? Il serait utile, à mon sens, que le Parlement puisse disposer officiellement du rapport d'évaluation pour pouvoir en prendre connaissance de manière complète.

Les questions sur le passé et sur les responsabilités dans ce dossier sont importantes, mais qu'en est-il, surtout, de l'avenir. Quelle est la suite? Le plus important est peut-être ce que l'on va faire pour assurer la transformation numérique de la police. Ce projet a fait perdre beaucoup de temps et d'efficacité à nos services de police. Il est donc temps de proposer une solution alternative.

J'ai également une autre question, portant sur l'application Focus, également mise en avant par M. Chahid. L’application Focus, développée initialement par la zone de police d’Anvers, est une application visiblement efficace puisqu'elle est aussi utilisée dans ma zone de police. Elle permet aux agents d’accéder rapidement et de manière sécurisée à des informations opérationnelles essentielles qui permettent d'accélérer les opérations sur le terrain. Il apparaît toutefois que cette application serait liée au périmètre de i-Police. La question des conséquences pour l'application Focus de la résiliation du contrat i-Police se pose donc.

Pouvez-vous préciser combien de zones de police ont aujourd'hui recours à l'application Focus? La résiliation du contrat i-Police aura-t-elle un impact sur l'application Focus? Pouvez-vous nous rassurer à cet égard? Pouvez-vous par ailleurs nous fournir les informations budgétaires sur les moyens mobilisés par l'État, tant en matière de développement qu'en matière de maintenance et d'exploitation, pour l'application Focus développée par la zone de police d'Anvers?

Maaike De Vreese:

Mijnheer de minister, digitale transformaties lopen bij de overheid zelden van een leien dakje. Wat we bij de federale politie en i-Police hebben gezien, tart echter alle verbeelding. De voorbije jaren werd heel veel geïnvesteerd in de informatiehuishouding van de politie, maar de verwachte resultaten bleven uit. i-Police is het schoolvoorbeeld van een mislukte digitalisering. Het geïnvesteerde geld is gewoon in rook opgegaan. Dat lijk valt niet meer te reanimeren. Dat is geen nieuw verhaal, het is het verhaal dat ik op 17 juni 2025 in de commissie heb gebracht. Ik heb u toen een tienpuntenplan voorgesteld. Dat onderdeel ging over digitalisering.

Mijnheer de minister, voor de kerstvakantie, op 17 december 2025, stelde ik u opnieuw een vraag over het project i-Police, omdat onze partij al zeer lang veel vragen stelt bij dat project en de vele miljoenen euro's – en elk miljoen is er een te veel – die aan dat project zijn verspild. Toen antwoordde u dat u nog even zou evalueren. De week nadien hebt u gecommuniceerd dat u het project had stopgezet. Het is jammer dat we toen van u niet hebben vernomen dat het project na twee evaluaties eigenlijk ten dode was opgeschreven en dat u het inderdaad moest stopzetten.

Ik heb onlangs, net zoals u, veel nieuwjaarsrecepties bijgewoond, waarop bleek dat veel ingewijden met dit soort van dossiers verveeld zitten, omdat ze de geloofwaardigheid van de politie opnieuw onderuithalen. Ze spraken de hoop uit dat eindelijk een volgende stap naar de toekomst kan worden gezet. De digitalisering van de politiediensten is immers cruciaal. Het is essentieel dat de mensen op het terrein kunnen rekenen op een performant systeem dat hun gemakkelijk alle informatie geeft die zij nodig hebben.

Ik heb zelf op het terrein gestaan. Ook bij ons, bij de Dienst Vreemdelingenzaken, was informatie op het terrein zeer moeilijk toegankelijk en enkel telefonisch verkrijgbaar. Dat is absoluut niet meer van deze tijd. Daarom is het belangrijk om op de juiste projecten in te zetten. In Antwerpen heeft men met het project Focus bewezen dat het wel degelijk kan. Het is dus niet onmogelijk, maar het moet op de juiste manier worden aangepakt, met de juiste partners.

Daarom heb ik heel wat vragen voor u ingediend. Het is belangrijk dat wij nu eindelijk correcte cijfers van u krijgen en dat u die nog eens bevestigt, want in de pers lezen we telkens verschillende bedragen.

Ik vraag u daarom ook om ons opnieuw een duidelijke tijdslijn te geven, zodat helder wordt wat wanneer is beslist en hoe u binnen uw bevoegdheid bent opgetreden.

U hebt aangegeven dat u dit project nu definitief stopzet. Hoe kijkt u naar de toekomst van dit soort digitaliseringsprojecten? Dat lijkt ons het belangrijkste punt. We moeten uiteraard ook naar het verleden kijken, onder meer met betrekking tot de dading of wat er eventueel nog volgt. Dat is eveneens een expliciete vraag van mijn kant.

Hoe zal het verdere verloop eruitzien? Daarnaast is het van belang hoe we dit voortaan op een correcte manier aanpakken voor de mensen op het terrein. Voor ons had het project sneller mogen worden stopgezet. Ik herhaal dat er twee evaluaties zijn geweest.

Ook tijdens de vorige legislatuur is hierover heel wat informatie opgevraagd. Ik maakte daar toen geen deel uit van het federale Parlement, maar ook vanuit onze fractie zijn destijds verschillende vragen gesteld.

Verder had ik u vragen gesteld over de verschillende lopende pilootprojecten. Ik zou graag ook daarop een antwoord krijgen, aangezien ik die punten expliciet in een tweede vraag heb aangekaart.

Tot slot verwijs ik, mijnheer de voorzitter, naar de twee ingediende vragen met het verzoek die aan het verslag van deze commissie toe te voegen.

Kan u meedelen op welke tijdstippen Sopra Steria in gebreke werd gesteld en het contract verbroken? Kan u ook meedelen op welke gronden die stappen werden ondernomen? Werd er een schadevergoeding geëist en dewelke? Hoe ziet u het verdere verloop?

Kan u opsommen waarvoor en wanneer er hoeveel werd uitbetaald aan de firma? Hoe werden die uitgaven geëvalueerd? Welke opdracht kreeg de externe programmamanager? Waarom liep dat niet goed af? Hoeveel werd er daarvoor betaald? Kan u verklaren hoe dit project nog tweeënhalf jaar werd voortgezet terwijl de resultaten uitbleven? Hoe verliep de begeleiding door de stuurgroep al die tijd? Waarom moest het project I-Police het afgelopen jaar nogmaals worden geëvalueerd?

Kan u de historiek van die pilootprojecten concreet toelichten? Vanaf wanneer werd duidelijk dat die geen concrete resultaten zouden opleveren? En waarom?

Kan u bevestigen dat de data van de ANG nooit werden gemigreerd? En dat die nog steeds op het oude mainframe draait? Waarvoor we jaarlijks 13 miljoen euro uitgeven? Komt er een nieuwe ANG tegen 2027? Wat is het plan op dat vlak?

Hoe zag de volledige implementatiekalender voor 2024 en de volgende jaren er uit? Net als de financiële kalender? Kan u toelichten wat er in 2024 en 2025 is gebeurd? Hoe verklaart u dat er nooit resultaten zijn geboekt?

Paul Van Tigchelt:

Monsieur le ministre, merci pour votre présence ici. Ik heb er alle vertrouwen in dat u zo volledig en transparant mogelijk zult antwoorden op deze belangrijke vragen. We zullen nu al moeten nadenken over een vervolg op deze vergadering, want uw antwoorden zullen ongetwijfeld nieuwe vragen oproepen en ook al die vragen zullen beantwoord moeten worden. Het afgevoerde digitaliseringsproject van de politie heeft zeer veel belastinggeld gekost en daarom moet duidelijkheid worden verschaft over wie in het verleden waarvoor verantwoordelijk was, ongeacht of dat de politie of de politiek betreft.

Sommige collega's stonden al stil bij het bedrag van 75,8 miljoen euro voor dat project, maar volgens sommige bronnen gaat het om veel meer en ik ben geneigd om eerder die bronnen te geloven, want ik vermoed dat de totaalprijs veel meer dan die 76 miljoen euro bedraagt.

Dat project betreft onze veiligheid. De politie klaagt over een personeelstekort, maar net door een performante digitalisering kan voor meer blauw op straat worden zorgen. Een politieagent besteedt tegenwoordig gemiddeld een derde van zijn of haar tijd achter een bureau, terwijl i-Police juist als doel had om politieambtenaren van achter hun bureau op straat te krijgen.

Naast onze veiligheid gaat over geld van de belastingbetaler. De mislukte digitaliseringsprojecten van Justitie uit het verleden, zoals Mammoet, Cheops en Phenix, verdwijnen bij wijze van spreken in het niet in vergelijking met de bedragen die aan i-Police zijn besteed.

Ik wens nogmaals te beklemtonen dat de problemen met i-Police nu niet plots uit de lucht komen vallen. Zowel de federale als de lokale politie hebben in de eerste plaats al vele alarmsignalen gegeven en kritiek geuit.

Voorzitter:

Mijnheer Van Tigchelt, wilt u afronden?

Paul Van Tigchelt:

Dit is te belangrijk.

De vraag is ook welke gevolgen werden gegeven aan de audit van Deloitte van april 2023, die ook niet zonder reden werd besteld. Het is ook veel te kort door de bocht om er een tegenstelling tussen de federale politie en de politiezone Antwerpen, de PZA, van te maken. Het is immers een feit dat het digitaliseringsproject van de PZA wel degelijk resultaten opleverde. We mogen dit dus niet herleiden tot een discussie tussen de federale politie en de politiezone Antwerpen.

Mijnheer de minister, tot slot wil ik u oprecht feliciteren met uw beslissing. Politiek bedrijven betekent soms met de neus in de wind gaan staan en dat doet u met deze beslissing.

Ik denk dat u een moedige keuze hebt gemaakt. U zult in ieder geval uitleggen hoe u daartoe bent gekomen.

Mijnheer de voorzitter, ik houd mijn vragen kort.

Mijnheer de minister, hoeveel heeft het project i-Police tot nu toe precies gekost?

Voorzitter:

Mijnheer Van Tigchelt, ik stel voor dat u bij een volgende gelegenheid een interpellatie indient, want dan hebt u meer spreektijd. Ik moet de spreektijd van elk lid respecteren. Als elk lid zijn spreektijd zomaar zou verdubbelen, dan kunnen we vandaag slechts één actualiteitsdebat houden. Ik verzoek u om u, zoals uw collega’s, te houden aan de reglementair vastgelegde spreektijden. Mag ik u vragen af te ronden?

Paul Van Tigchelt:

Mijnheer de minister, hoe hebt u bij uw aantreden het dossier ontvangen van uw voorganger? Wat is er gebeurd met de alarmsignalen? Wat zult u ondernemen om volledige duidelijkheid te krijgen in het dossier? Tot slot, wat moet de belastingbetaler volgens u denken van het dossier?

Mijnheer de voorzitter, mijn excuses, maar met mij hebt u niet te veel last in deze commissie. Het voorliggende dossier is echter te belangrijk.

Voorzitter:

In dat geval had u een interpellatie moeten indienen om meer spreektijd te krijgen.

Zijn er collega’s die willen aansluiten bij de vraagstelling?

Greet Daems:

Mijnheer de minister, we horen hier vaak dat er geen middelen beschikbaar zijn, maar in dit dossier stel ik vast dat er miljoenen euro’s door ramen en deuren zijn weggegooid. Het gaat om een monstercontract voor i-Police ter waarde van 299 miljoen euro, waarvan pas na vijf jaar blijkt dat het niets oplevert. Dat moet worden opgehelderd.

De burgers zijn bovendien tweemaal het slachtoffer van dat bijzonder pijnlijke fiasco. In de eerste plaats zijn zij degenen die uiteindelijk de rekening zullen betalen. Daarnaast had i-Police het politiewerk moeten vergemakkelijken om de samenleving en dus de burger beter te beschermen.

Ik hoor hier partijen die terecht verontwaardigd zijn over het feit dat geld niet correct is besteed. Sommigen liggen echter zelf mee aan de basis daarvan. Het was immers de heer Jambon die het project destijds lanceerde. Mevrouw Verlinden zette het project voort zonder zich erom te bekommeren of het wel werkte en zonder de nodige middelen te voorzien om het te laten functioneren. Dat roept heel wat vragen op.

Mijnheer de minister, kunt u ons inzage geven in de evaluatie die u hebt laten uitvoeren over i-Police? Hoe schat u de kans in om het uitgegeven geld terug te vorderen bij de Franse consultant? Hoe wilt u de verloren tijd op het vlak van digitalisering bij de politie inhalen?

Los van de antwoorden die u zo dadelijk zult geven, wil ik benadrukken dat het voor ons noodzakelijk is dat he Rekenhof een audit uitvoert en dat er hoorzittingen worden georganiseerd in de Kamer. Dit mag zich immers niet opnieuw voordoen. Er mogen geen miljoenen meer worden uitgegeven aan buitenlandse consultants. Digitalisering is noodzakelijk, maar dan wel in publieke handen, transparant en ten dienste van de mensen.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, in dit actuadebat wens ik eveneens aan te sluiten bij de vraagstellers. Met uitzondering van cd&v denk ik dat elke fractie het woord heeft gevraagd.

Van het totale budget van 299 miljoen euro werd reeds 75,8 miljoen euro betaald aan de Franse IT-ontwikkelaar Sopra Steria, maar dus zonder resultaat.

Mijnheer de minister, welke concrete gevolgen heeft dat voor de huidige en de toekomstige operationele werking van de federale politie? Kunt u verduidelijken hoe we die uitgekeerde miljoenen euro's zullen terugvorderen? De belangrijkste vraag is misschien wel wie de politieke verantwoordelijkheid draagt voor dat falend projectbeheer.

U hebt intussen aangekondigd om meer in te zetten op kleinschalige, modulaire projecten en interne IT-diensten. Welke garanties kunt u geven dat die nieuwe aanpak wel resultaten zal opleveren? Hoe zult u het tijdspad, het budget en de verantwoordelijkheidsstructuur voor die nieuwe projecten vastleggen? Hoe kan het Parlement dat nieuw project transparant opvolgen?

Bernard Quintin:

Mesdames et messieurs les députés, permettez-moi tout d’abord de présenter mes meilleurs vœux à celles et ceux d'entre vous à qui je n’aurais pas encore eu l’occasion de le faire.

Comme vous le savez toutes et tous, l’objectif d’i-Police était de mettre en place une solution informatique via un programme global et une obligation de résultats. Ce projet – cela a été rappelé par certains d’entre vous – a été préparé en 2017 et signé en 2021.

La société à laquelle le contrat a été attribué avait pour rôle et responsabilité d’intégrer les différents éléments de cette solution, tant sur le plan du logiciel que sur le plan du projet, afin de former un ensemble fonctionnel. Il est constaté qu’après toutes ces années, aucune partie opérationnelle de la solution n’est disponible.

Ik kan mij maar moeilijk uitspreken over de disfuncties die in het programma werden vastgesteld voorafgaand aan mijn aantreden of verantwoordelijkheden die al dan niet hadden moeten worden opgenomen. Ik weet uiteraard dat er audits door Deloitte en door mijn voorganger werden georganiseerd. De audit door Deloitte werd overigens reeds toegelicht en besproken in de Kamer.

Aangespoord door de gemengde signalen die over het programma naar buiten kwamen, heb ik bij mijn aantreden onmiddellijk aan mijn kabinet gevraagd om dit dossier op te nemen en de in het regeerakkoord beschreven grondige evaluatie te laten uitvoeren. Evalueren betekent echter niet dat het programma helemaal stopgezet kan worden. Er werd gekozen om vier projecten te laten voortlopen, terwijl de kernelementen van het programma geëvalueerd werden.

De module FOCUS, de toepassing voor de lokale politie op het terrein, maakte geen deel uit van de overheidsopdracht, maar er was wel een integratie voorzien.

Pour répondre à votre question précise, monsieur Dubois, Focus est utilisé par toutes les zones de police et tous les services de la police fédérale.

Andere kernelementen zijn de datamigratie van de ANG, die in elk geval moet gebeuren; het ontwikkelen van een casemanagementsysteem voor de dienst Internationale Betrekkingen, waarvoor een Europese verplichting geldt, het ter beschikking stellen van een aantal softwarelicenties. Dat zijn de vier projecten. De overige krachtlijnen van het contract zijn in april bevroren, terwijl de evaluatie werd aangevat.

Le résultat est décevant – ce sera le British understatement de ce début d’année.

Les éléments essentiels de la solution promise par le fournisseur ne répondent pas aux fonctionnalités requises et nécessaires. De plus, l’entreprise n’a pas assumé son rôle de prestataire de services performant et orienté vers les résultats. Des mises en demeure formelles ont été envoyées en août et en octobre 2025. Les réponses du contractant n’ont pas convaincu que le programme puisse encore être poursuivi. En conséquence, il a été nécessaire de résoudre le marché public. J’ai décidé d’arrêter l’hémorragie.

Comme cela a été dit par à peu près tous les intervenants, l’argent public ne sort pas d’ailleurs que de la poche des contribuables, dont je fais partie – modestement, depuis mes 18 ans. La bonne gouvernance, ce ne sont pas seulement des paroles, ce sont aussi des actes. Je pense pouvoir prétentieusement dire que depuis 11 mois, des actes de bonne gouvernance, j’en pose.

Het gevolg van de verbreking van de overheidsopdracht is dat alle projecten in het kader van i-Police zijn stopgezet.

Eind 2025 bedroeg de totale facturatie 480,4 miljoen euro, waarvan 75,8 miljoen euro al vereffend is. Het verschil tussen de geplaatste bestellingen en het gefactureerde bedrag, dus de niet-gerealiseerde bestellingen, bedraagt 63,9 miljoen euro.

Je ne préjugerai pas de l'issue de la procédure de résolution. Compte tenu des montants en jeu, tant la police que l'entreprise ont sollicité des avis juridiques. Je m'abstiendrai donc de tout commentaire susceptible d'influencer défavorablement cette procédure, pour ce qui concerne l'État bien sûr. Celle-ci est en cours. Le prestataire de service a bien entendu le droit de formuler une réponse dans le cadre de cette résolution.

Cependant, je m'engage à vous communiquer tous les documents susceptibles d'être partagés dès que cela sera possible. Permettez-moi au préalable de solliciter un avis juridique à ce sujet.

L'évaluation récente est un document qui a servi de base à la décision interne. Elle n'a jamais été communiquée au prestataire de service et porte sur les éléments essentiels du projet, sans couvrir l'ensemble des dispositions contractuelles.

Dans tous les cas, une obligation de confidentialité s'applique aux marchés publics, à savoir l'article 24 de l'accord cadre. Cet article impose des restrictions quant à la manière dont les informations confidentielles relatives à la mise en œuvre du projet peuvent être communiquées. Ces documents pourront être transmis au Parlement via les procédures appropriées, garantissant à la fois le respect du caractère confidentiel des informations et l'exercice du contrôle parlementaire.

De dienstverlener heeft nog niet gereageerd.

De noden aan digitalisering en automatisering blijven bestaan. Mijn visie daarop is duidelijk: ontwikkeling door verschillende incubatoren in de organisatie, dicht bij de noden van het terrein, realistisch en modulair. De data moeten daarbij centraal beheerd worden, volgens de regels van de kunst. De eventuele budgettaire ruimte die daardoor ontstaat, kan volgens de Inspectie van Financiën desgevallend gebruikt worden voor andere projecten die de functionaliteiten dienen.

Je tiens à souligner que l'arrêt d'i-Police ne signifie en aucun cas la fin de la transformation numérique de la police. Au contraire, j'impose à la police fédérale d'adopter une nouvelle approche basée sur des projets à plus petite échelle et modulaires, mais qui répondent directement aux besoins de terrain et sont développés par des services disposant de l'expertise nécessaire.

Parmi les avancées déjà engrangées sur base de cette nouvelle méthode de travail que j'ai initiée, citons par exemple l'outil PoliceSearch, qui permet désormais d'accéder de manière centralisée à tous les procès-verbaux en Belgique. Jusqu'il y a moins de trois mois d'ici, ça n'était pas possible. Ça l'est maintenant.

Toutes les caméras ANPR du pays sont progressivement connectées à un système central – Focus – doté d'outils d'analyse avancée, ce qui augmentera considérablement l'efficacité des opérations sur le terrain. Cela permet par exemple de rechercher des véhicules volés ou suspects, d'être alerté immédiatement lorsqu'un véhicule recherché est repéré, ou encore de reconstituer l'itinéraire ou le comportement d'un véhicule impliqué dans une infraction ou une affaire de criminalité organisée.

Les zones de police ont obtenu l'accès aux caméras de la SNCB. En outre, un système similaire est en cours d’élaboration pour les caméras de la STIB. Cette logique de cocréation entre les unités spécialisées de la police fédérale, les zones de police locale et les services informatiques internes de la police se construira autour d'incubateurs dédiés. L'ambition est de travailler de manière progressive sur des bases saines avec des projets maîtrisés, une gouvernance renforcée et des résultats concrets, mesurables et vérifiables, au service direct de l'action policière.

Cette approche permet d'obtenir des résultats plus rapides, de mieux répondre aux besoins réels sur le terrain et de créer une plus grande valeur ajoutée directe pour la sécurité de nos concitoyens. Elle sera d'ailleurs consacrée juridiquement. Dans le cadre d'un autre projet de loi, un article spécifique a été introduit afin de donner une base légale à ce mode de développement conjoint entre la police fédérale et, notamment, les zones de police locale.

Il va de soi que, le cas échéant, cet amendement de la loi sur la police intégrée vous sera soumis le plus rapidement possible.

Nu kom ik tot de nog niet beantwoorde vragen van de commissieleden.

De historiek van de pilootprojecten, waarnaar is gevraagd, laat zich niet binnen dit tijdsbestek samenvatten. Ook het volledig implementatiekader voor 2024 en wat er dat jaar effectief is gebeurd, zijn onderwerpen die te ruim gaan voor deze vragensessie.

Ik kan over de migratie van de ANG melden dat enkel het ANG-verkeer, dus een fractie van het geheel, is gerealiseerd. De ANG draait nog steeds op een mainframe-infrastructuur. Het is de bedoeling om de uitfasering nog steeds te realiseren.

En ce qui concerne les mises en demeure dans le cadre de l’exécution du marché public, de nombreux échanges d’informations formels et informels ont eu lieu. Les mises en demeure formelles ont été envoyées en août et en octobre 2025. Celles-ci ont été rédigées conformément aux dispositions légales en vigueur. Le 20 décembre 2025, le contrat a été résolu.

Dans ce courrier, le remboursement d’une partie substantielle des factures déjà acquittées a été demandé, à l’exception notamment des paiements relatifs à des licences effectivement utilisées, ainsi que le paiement d’une indemnisation complémentaire pour les préjudices subis par la police du fait des manquements du fournisseur.

Wat de kosten betreft, aan het consortium werd 75,8 miljoen euro betaald. Voor diensten werd in totaal 43,4 miljoen euro betaald over de vijf jaren, namelijk 2,1 miljoen in 2021, 7,6 miljoen in 2022, 19,5 miljoen in 2023, 13 miljoen in 2024 en 1,1 miljoen in 2025. Voor de softwarelicenties werd aan het consortium een totaalbedrag van 31 miljoen euro betaald in de periode 2021-2025. Per jaar bedroegen de betalingen respectievelijk 17 miljoen in 2021, 8,9 miljoen in 2022, 1,9 miljoen in 2023, 2,4 miljoen in 2024 en 0,7 miljoen in 2025.

De opdracht van de externe programmamanager is gedetailleerd beschreven in de opdrachtdocumenten van het contract. Er was regelmatig overleg met de inter-programmamanager van i-Police. Dat maakt deel uit van een van de projecten, P1. Dat was een project tegen een vaste prijs.

Concernant la raison pour laquelle le programme s’est poursuivi pendant deux ans et demi après l’audit de 2023, il m’a été communiqué que, vu que le programme i ‑ Police é tait vaste et complexe, il é tait n é cessaire de le g é rer en partenariat. Au cours de la phase de mise en œuvre, les grands concepts devaient être précisés, développés plus en profondeur et adaptés par le consortium aux besoins spécifiques de la police belge.

À la fin de l’année 2023, lorsqu’il est apparu clairement que les deux projets pilotes n’enregistraient pas de progrès suffisants, le fournisseur a été fermement rappelé à ses engagements afin d’aboutir aux résultats attendus. Par ailleurs, une hiérarchisation claire d’un nombre restreint de projets prioritaires a été mise en place afin de permettre au fournisseur de se concentrer pleinement sur l’obtention de résultats concrets.

Le commissaire général a ensuite nommé un gestionnaire de crise et remplacé le responsable du programme i ‑ Police de l ’é poque. Le groupe de pilotage mis en place dans le cadre de l ’ ex é cution du march é public a é t é port é au niveau du Comité de Coordination de la Police Intégrée (CC GPI).

Afin d ’ accro î tre la faisabilit é du march é public i ‑ Police et d ’ en r é duire la complexit é , la police int é gr é e a pris diff é rentes mesures entre d é cembre 2023 et 2024. Comme déjà indiqué, la principale mesure a consisté à réduire la portée du programme i ‑ Police à quatre priorit é s, dans l ’ espoir d ’ y obtenir des r é sultats.

Lorsque j ’ ai pris mes fonctions de ministre de la S é curit é et de l'Int é rieur au d é but de l ’ ann é e 2025, le programme se trouvait encore à ce stade, sans qu ’ aucun signal clair ne se d é gage. C ’ est la raison pour laquelle, conform é ment à l ’ accord de gouvernement, j ’ ai d é cid é de proc é der à une é valuation approfondie afin d ’ en objectiver une fois pour toutes l ’ utilité. C’est pour cette raison que, toujours conformément à l’accord de gouvernement, j’ai mené cette évaluation, laquelle a abouti au résultat communiqué à la fin de l’année.

Nu kom ik tot de vragen over de audit van Deloitte. Binnen het commissariaat-generaal werd in uitvoering van die audit, naast de wijzigingen binnen het programma die ik zonet heb vermeld, een digital transformation office (DTO) opgericht. Daarbij zijn een aantal sleutelfuncties ingevuld, zoals die van chief intelligence officer en chief technology officer , om de strategische bakens inzake intelligence en IT uit te zetten.

De oprichting van het DTO was een noodzakelijke eerste stap om de digitale transformatie strategisch te verankeren binnen de federale politie. Zeer recent werd de oude ICT-dienst van de politie, de DRI, samengebracht met het DTO, precies om synergie te creëren en de aansturing te versterken. In dat kader werd uiteindelijk beslist om de functie van directeur DRI niet afzonderlijk in te vullen, aangezien die samenvoeging leidde tot de oprichting van een nieuwe geïntegreerde dienst.

Pour Focus, toutes les zones de police et les services de police fédéraux ont la possibilité d'utiliser les modules mis à disposition par FOCUS@GPI. Toutes les zones de police locale utilisent Focus, mais n'en utilisent pas spécialement toutes les fonctionnalités. L'appréciation est laissée aux chefs de corps.

Les unités fédérales opérationnelles utilisent également Focus, comme la direction administrative de la protection des personnes, la police de la route, les polices aéronautique et navale, etc. J’en profite pour ajouter que Focus fonctionne très bien avec ANPR et c'est une logique fonctionnelle. Vous avez la centralisation des images par ANPR et l'accès à ces images par Focus. Maintenant, avec la combinaison de ISLP – donc de PoliceSearch qui permet d'avoir accès à tous les procès-verbaux de toutes les zones en temps réel –, je peux vous dire que cela fait une véritable différence sur le terrain. Terrain sur lequel je suis assez régulièrement pour justement constater que ça marche bien et que ça apporte des vraies avancées. J’y reviendrai éventuellement dans ma conclusion.

De politiezone Antwerpen, de PZA, neemt de rol van productieorganisatie op zich, terwijl de DRI die van beheerorganisatie vervult. Concreet betekent dit dat de DRI instaat voor het beheer van het platform en onder meer de kosten draagt die verband houden met de infrastructuur, het onderhoud van het netwerk, de beveiliging, de integratie met externe bronnen en andere technische componenten die noodzakelijk zijn voor de werking ervan. De politiezone Antwerpen wordt voornamelijk vergoed voor de ontwikkeling van nieuwe toepassingen of de evolutie van bestaande toepassingen, alsook voor het onderhoud ervan. Het gaat om een concreet en structureel model van cocreatie waarbij de federale politie en de lokale politie gezamenlijk verantwoordelijkheid dragen.

Mesdames et messieurs les députés, pour conclure ce premier débat d’actualité de l’année, dont je subodore par ailleurs qu’il ne sera pas le dernier que nous aurons sur le sujet, je souhaite vous assurer, pour autant que de besoin, de ma pleine et entière volonté de m’inscrire dans la lignée de l’accord de gouvernement. Celui-ci entend mener les réformes nécessaires pour notre pays et pour nos concitoyens, singulièrement en matière de sécurité, au moyen d’une utilisation responsable, mais surtout efficace dans la pratique, des deniers publics, qui ne sont jamais que l’impôt de nos concitoyens. Pour celles et ceux qui ont suivi, ils savent depuis quel âge, moi-même, je le paie. Il n’y a pas d’examen à la fin.

Notre police continuera bel et bien à faire le grand pas vers le 21 e siècle, celui du numérique. Cela ne se fera plus uniquement par des chantiers pharaoniques, dont les écueils possibles ont malheureusement été illustrés par i-Police, mais bien par des avancées portées par le terrain, pour le terrain et sur le terrain, avec pour objectif constant de renforcer l’efficacité opérationnelle de nos services de sécurité au bénéfice de tous nos concitoyens.

C’est à cela que je me suis engagé devant vous depuis un an et c’est ce qui continuera à m’animer dans la gestion de mes dossiers.

Ridouane Chahid:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour cette réponse assez complète qui est en fait la base qui nous permettra d'auditionner les ministres qui ont été politiquement responsables de la police fédérale ces deux dernières législatures.

Dans votre réponse, vous pointez clairement le fait que, politiquement, la police fédérale n'a pas été entendue parce qu'elle a alerté les responsables politiques. L'article du journal Le Soir d'aujourd'hui indique d'ailleurs à cet égard qu'à trois reprises, des courriers ont été envoyés pour dire "attention, on va dans le mur". Personne n'a voulu entendre.

Votre réponse, monsieur le ministre, est assez claire et limpide et je vous remercie de votre honnêteté et de la transparence dont vous faites preuve. Ce que nous attendons aujourd'hui du gouvernement, c'est une transparence dans le cadre de ce dossier. Qu'avons-nous fait avec ces 75 millions d'euros? Qui a-t-on payé? On ne le sait toujours pas. Il nous faut le détail de ces factures.

Vous évoquez le projet Focus, disant qu'il fonctionne super bien. Oui, mais qui a payé le projet Focus? Le fédéral! Pour qui? Pour la zone de police d'Anvers qui fait payer les autres zones de police pour des prestations supplémentaires. La vérité, c'est qu'aujourd'hui, la zone de police d'Anvers se sucre sur les autres zones de police du royaume. Telle est la réalité! Pourquoi? Qui le lui a demandé? Voilà les réponses qu'on attend de la part du gouvernement et des ministres précédents.

Quel est l'avenir de la police fédérale? Au mois de mars, on apprend que 30 voitures neuves de la police fédérale attendent sur un parking parce que le marché public n'a pas été fait comme il fallait. Au mois d'octobre, vous remettiez en question le marché sur les uniformes. Au mois de décembre, vous arrêtiez le projet de digitalisation. Quel est l'avenir de la police fédérale? Telle est la vraie question aujourd'hui, monsieur le ministre.

Brent Meuleman:

Mijnheer de minister, dat er in deze tijden, waarin er van iedereen een inspanning wordt gevraagd omdat de financiële situatie van ons land ons daartoe dwingt, op zo'n manier gemorst wordt met overheidsgeld, is compleet onaanvaardbaar. Dat ondermijnt het vertrouwen in de politiek helemaal. Miljoenen aan belastinggeld zijn uitgegeven en het resultaat is niks.

Het i-Policecontract werd door uw voorgangers Jambon en Verlinden voorgesteld als een noodzakelijke modernisering van onze politiediensten. Ik vind het dan ook bijzonder jammer, maar ook veelzeggend dat de collega's van cd&v vandaag niet deelnemen aan het actualiteitsdebat. Dat is niet geheel verrassend, want wat blijkt vandaag? Het project faalt, het contract wordt stopgezet en dat heeft ons miljoenen gekost, geld dat had kunnen worden geïnvesteerd in de koopkracht van en de zorg voor de mensen.

Ik hoop dat hieruit lessen getrokken worden voor de toekomst, zodat onze politiemensen binnenkort ook echt volledig digitaal kunnen werken, met een deftig programma. Dat mag niet zomaar op de lange baan geschoven worden, dus wij rekenen erop dat u uw verantwoordelijkheid neemt en kijkt naar een oplossing, niet het minst voor onze politiemensen die elke dag keihard werken en onze ondersteuning daarin absoluut verdienen. Zet trouwens ook maar eens uw tanden in het bedrijf dat vrolijk heeft gefactureerd, maar nada heeft gepresteerd.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, elke dag opnieuw geven vele agenten het beste van zichzelf. Daarvoor hebben ze goed materieel nodig hebben, maar dat krijgen ze niet.

Het is goed dat u hebt ingegrepen. Ik ben daar heel blij mee, maar ik blijf op mijn honger. Ik wacht al drie weken op antwoorden, ook over dit dossier. U moest mij antwoorden tegen 30 december, maar die antwoorden zijn natuurlijk problematisch. Er zullen nog veel meer lijken uit de kast vallen als er eerlijk geantwoord wordt op die vragen.

Waarom is hier niemand van cd&v aanwezig? Dat is toch duidelijk. Dit is alweer een dossier dat mevrouw Verlinden met veel plezier in de doofpot wil stoppen en daar houden. Collega's, ik hoor hier vandaag de verontwaardiging en ik hoop dat als er hoorzittingen zouden worden georganiseerd, mevrouw Verlinden van de meerderheid zal mogen komen, dat wij haar echt vragen zullen kunnen stellen. Ik kan zwart op wit bewijzen dat zij op de hoogte was en niets gedaan heeft.

Ik heb sommige collega's horen zeggen dat de politie en de minister op de hoogte waren en dat de politietop niets heeft gedaan. Ze hebben wél iets gedaan. Ze hebben bijvoorbeeld agenten die processen-verbaal wilden opstellen over wat er verkeerd liep, verboden om dat te doen. Dat is toch niet niets? Men heeft agenten die bij het dossier betrokken waren, overgeplaatst naar andere eenheden, hen met ziekteverlof gestuurd, gewoon omdat men het potje gedekt wilde houden.

Dat is wat de topfiguren van de federale politie hebben gedaan.

Mijn vragen blijven dus overeind. Hoe gaan we degenen die gefoefeld hebben straffen? Hoe zullen we in gesprek gaan met de top van de federale politie, die dit opnieuw in de doofpot wilde stoppen, om ervoor te zorgen dat zoiets niet opnieuw gebeurt? Hoeveel van dat soort rapporten liggen er nog in de lade van de heer Snoeck? Het is hier schandaal na schandaal. Elke twee of drie maanden komen we naar hier met een nieuw schandaal bij de federale politie. Hoeveel schandaaltjes heeft de heer Snoeck nog in zijn kast liggen?

Catherine Delcourt:

Monsieur le ministre, je me réjouis avant tout de votre volonté de ne pas abandonner l'objectif de modernisation numérique de la police – qui, comme vous l'avez souligné, est très important – mais de le repenser sur des bases de co-construction saine et ancrée dans la réalité de terrain, sans monopole tentaculaire. Je souhaite également vous remercier pour la clarté de votre réponse et la transparence avec laquelle vous avez abordé ce dossier. Il est important de rappeler que vous avez hérité d'un projet profondément défaillant, lancé en 2017, dont les problèmes de gouvernance, de pilotage et d'exécution avaient déjà été clairement identifiés en 2023. Malheureusement, les signaux d'alerte n'ont pas été suivis d'effet à l'époque, ce qui nous conduit à la situation actuelle.

Soulignons également le fait que vous n'avez pas éludé le problème. Au contraire, vous avez agi rapidement, conformément à l'engagement que vous aviez pris dans votre note de politique générale, en lançant, dès votre entrée en fonction, une évaluation approfondie de ce marché public. Il a fallu prendre le temps d'examiner les résultats et les conséquences juridiques. Vous l'avez fait en onze mois, alors que le dossier traîne depuis des années. On ne peut tout de même pas vous blâmer d'avoir procédé de la sorte. La décision de résilier ce contrat n'était pas une décision facile, mais elle était courageuse, responsable et nécessaire: continuer à injecter des fonds public dans un projet structurellement défaillant aurait été une faute. Vous avez fait le choix de la responsabilité, afin de garantir que l'argent public serve à une modernisation numérique réelle et effective de la police.

Xavier Dubois:

Merci, monsieur le ministre, pour l’ensemble de vos réponses. Je fais le point par rapport à mes différentes questions. Concernant les impacts, vous avez indiqué que tous les projets i-Police sont stoppés. Dans votre réponse, vous avez toutefois évoqué des paiements de licences. Existe-t-il des licences qui ont été payées et qui seront encore renouvelées, ou s’agit-il de licences du passé qui doivent être acquittées une fois pour toutes? La question se pose, car s’il existe des licences impliquant des engagements futurs pour des projets ou des programmes qui ne fonctionnent pas, il faut absolument mettre fin également à cet élément-là.

S’agissant de la procédure de résiliation, vous avez indiqué qu’elle est en cours et qu’il est difficile d’en dire davantage à ce stade, ce que je peux comprendre au vu des enjeux et des règles applicables aux marchés publics. Vous avez toutefois précisé que toute la lumière serait faite à l’avenir. Nous y serons attentifs et attendrons ces informations avec intérêt.

En ce qui concerne le rapport d’évaluation, vous vous êtes engagé à nous le communiquer. Je suppose que nous y aurons accès via une procédure particulière, comme c’est de plus en plus souvent le cas pour un nombre croissant de rapports que nous devons consulter. Il s’agit en tout cas d’un élément important pour pouvoir se forger une image correcte de la situation.

J’en viens à Focus. Vous avez indiqué que cet outil est utilisé par toutes les zones de police et qu’il n’est pas remis en question dans le cadre de la résiliation du projet i-Police. Cela peut être rassurant pour les zones de police. J’ai moi-même eu l’occasion de voir Focus fonctionner et cela semble très efficace sur le terrain.

En revanche, vous n’avez pas répondu à la question des montants investis par la police fédérale, montants qui auraient, a priori , été versés à la zone de police d’Anvers. Je me joins à ce titre aux questions de mon collègue Chahid, notamment sur le fonctionnement de ce système de collaboration avec la zone de police d’Anvers. D’une part, la police fédérale paie, et d’autre part, les zones de police paient également. Il est absolument nécessaire de faire toute la clarté sur cette collaboration pour le passé. J’entends qu’il existe des collaborations actuelles et à venir, mais il convient aussi de nous expliquer clairement comment cette collaboration avec la zone de police d’Anvers fonctionne.

Enfin, pour conclure, vous avez évoqué la poursuite de la transformation numérique avec une approche différente, plus modeste et plus modulaire. C’est une évolution positive. Il serait toutefois nécessaire de disposer également d’un calendrier précis et de budgets clairement définis, car des décisions doivent désormais être prises rapidement. Il faut remettre de l’ordre et le faire sans tarder.

J’espère en tout cas pouvoir compter sur vous pour atteindre cet objectif indispensable à l’efficacité de nos services. Je vous remercie.

Maaike De Vreese:

Collega’s verwezen hier naar de Zweedse regering en naar de heer Jan Jambon, die toen minister was van Binnenlandse Zaken. Collega’s, het doel is duidelijk, namelijk die verdere digitalisering. Daar is iedereen het over eens. Dat is wat Jan inderdaad heeft vastgezet. De volledige uitvoering is echter gestart in 2021, onder toenmalig minister van Binnenlandse Zaken mevrouw Verlinden.

Minister Quintin neemt nu de beslissing om dat stop te zetten. Dat had inderdaad toen al kunnen gebeuren. Er zijn evaluaties geweest. Wij zaten toen in de oppositie. Wij hebben ons daar ook heel grote vragen bij gesteld. Tijdens de onderhandelingen hebben wij stop gezegd, wij hebben gezegd dat die digitalisering moest worden bijgestuurd. Het volledige project rond i-Police heeft voor ons geen nut. Dat was ons onderhandelingsuitgangspunt. Dat is geen groot geheim.

Minister, u zet het eindelijk stop. U had het daarnet over miljoenen en miljoenen. Eindelijk, zal de burger zeggen. De politiemensen op het terrein kijken vooral uit naar wat er nu in de toekomst komt, waarmee ze aan de slag kunnen.

Voor ons is het prioritair, minister, dat u inderdaad die migratie van de ANG uitvoert, want die moet in 2027 zeker rond zijn. Nu betalen we nog 13 miljoen om die oude databaas draaiende te houden, maar dat is een lapmiddeltje waarbij we eigenlijk weer met het mes op de keel zitten om die migratie erdoor te krijgen. Ik wens u daar alvast veel succes mee.

Ik vind ook dat wij vanuit het Parlement duidelijk het signaal moeten geven, samen met de collega’s van Arizona, dat er in budgettaire krappe tijden op een zeer performante en transparante manier moet worden omgegaan met de beperkte middelen die er zijn. Over volgende projecten die u zult opstarten, zullen wij vragen wat u daarmee precies wilt bereiken en hoeveel middelen daar tegenover staan.

Paul Van Tigchelt:

Mijnheer de minister, ik dank u voor het antwoord. U hebt niet weggekeken van de problemen. U hebt uw verantwoordelijkheid genomen. U bent nu behoedzaam in uw antwoorden, wat ik uiteraard snap. Er zijn nog juridische procedures in het vooruitzicht, in het licht van het opgezegde contract. Bovendien is het niet aan u om hier vandaag verantwoordelijkheden of verantwoordelijken te duiden. Wij moeten onze rol spelen, dat weet u. U apprecieert dat ook. Wij moeten dat scherp doen, omdat het gaat om veel geld van de belastingbetaler, dat uiteindelijk niks heeft opgeleverd. Wat mevrouw De Vreese heeft gezegd klopt, de principiële beslissing om het project i-Police te ontwikkelen is door de Zweedse regering genomen, door de minister van Binnenlandse Zaken in 2017. De uitrol daarvan is onder de vorige minister van Binnenlandse Zaken gebeurd. Mijnheer de minister, ik weet dat de persoon die i-Police op dat kabinet opvolgde van de DRI kwam. De DRI is de dienst bij de federale politie die voor het project i-Police verantwoordelijk was. Hij keerde er nadien ook terug als directeur ad interim. Die persoon op het kabinet was met andere woorden schatplichtig aan de federale politie. Hoe kan men dan kritische opvolging verwachten? Het lijkt erop – ik wik mijn woorden, mijnheer de voorzitter, zoals altijd – dat de vorige minister alle alarmsignalen, namelijk de audit van Deloitte, de interne nota van Eric Snoeck en de interne alarmsignalen van de federale politie, in de kast heeft gelegd, dezelfde kast waarin ook het dossier van Aalter is terechtgekomen, collega Vandemaele. Cd&v is hier afwezig. Dat is pijnlijk. Misschien zijn ze die dossiers in de kast aan het bekijken. Tot slot wil ik mij nog richten tot collega Chahid, wiens tussenkomst ik uiteraard apprecieer. De app FOCUS is ontwikkeld in tempore non suspecto door de PZA, op eigen kosten, en nadien aan de hele geïntegreerde politie ter beschikking gesteld. Daarvoor is een vergoeding gevraagd. Ik sluit af, mijnheer de voorzitter. Dat moet van u, want anders wordt u boos op mij. Het laatste woord is hierover echter nog niet gezegd. Neen, dit is het begin van de discussie. Ik ben blij dat u de stenen voor de toekomst legt. Dat is minstens zo belangrijk. Wij moeten er ook voor zorgen dat er antwoorden over het verleden worden gegeven. Er zijn hier vragen over hoorzittingen gesteld. Het lijkt mij een elementair begin dat we inderdaad hoorzittingen organiseren, mijnheer de voorzitter. Er is ook gesuggereerd om het Rekenhof met een audit te belasten. Ook dat lijkt mij niet meer dan logisch, in het licht van de gigantische hoeveelheid geld van de belastingbetaler die hieraan verspild is. U kunt op ons rekenen om dit verder mee uit te spitten, mijnheer de minister.

De brandveiligheid in nachtclubs
De brand in Crans-Montana en het Belgische brandpreventiebeleid
De brandveiligheid in openbare ruimtes en de beperkingen van het huidige wettelijke kader
Brandpreventie naar aanleiding van het drama in Zwitserland
De naleving van de brandveiligheidsnormen in bars en discotheken
Brandpreventie
Brandveiligheid en preventiebeleid in openbare uitgaansgelegenheden

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 13 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Na de brand in Crans-Montana (Zwitserland) drongen parlementariërs aan op strengere federale brandveiligheidsnormen voor publiek toegankelijke locaties, maar minister Quintin (Binnenlandse Zaken) benadrukte dat zijn bevoegdheid beperkt is tot basisnormen voor gebouwconstructie – specifieke regels (bv. pyrotechniek, materiaalveiligheid) vallen onder gewesten en gemeenten, die via lokale politieverordeningen handhaven. Kritiekpunten: lokale verschillen in veiligheid (afhankelijk van zone/gemeente), gebrek aan dwingende handhavingsbevoegdheid voor brandweer (enkel adviserend, burgemeesters beslissen), en structureel onderinvestering in preventie ten opzichte van repressie. Meuleman (CD&V) en Thiébaut (MR) pleitten voor verplichte federale minimumnormen en versterkte controles, vooral bij tijdelijke evenementen (bv. horeca die discotheek wordt), terwijl Quintin wees op bestaande bevoegdheden van burgemeesters (art. 133/135 Gemeentewet) en appelleerde aan "gezond verstand" naast regelgeving. Suggesties: circulaire naar burgemeesters (herinneren aan verantwoordelijkheden bij tijdelijke activiteiten), uitwisseling beste praktijken tussen hulpverleningszones, en meer middelen voor preventie – zonder nieuwe wetgeving. Delcourt (Ecolo) en Daems (N-VA) benadrukten de nood aan concrete preventiemaatregelen en betere samenwerking tussen overheden.

Brent Meuleman:

Mijnheer de minister, de tragische brand in de discotheek in het Zwitserse Crans-Montana confronteert ons opnieuw met een ongemakkelijke waarheid: ook in België kan een dergelijk drama zich vandaag voordoen. Dat ligt niet aan een gebrek aan expertise bij onze brandweer, maar aan structurele gaten in ons veiligheidsbeleid. Omdat uniforme federale minimumnormen ontbreken, hangt het veiligheidsniveau nu volledig af van de locatie en het lokale beleid.

We zien dat onze hulpverleningszones naar best vermogen eigen reglementen opstellen, maar vaak zonder slagkracht. De brandweer wordt nog steeds niet systematisch verplicht betrokken bij vergunningsprocedures en hun rol blijft beperkt tot de adviserende bevoegdheid. Zelfs wanneer onze experts grote risico's vaststellen ontbreekt het hen aan een mandaat om corrigerend op te treden.

Bovendien is er een fundamentele scheeftrekking in onze middelen, want we bereiden ons steeds beter voor op wat we moeten doen als het fout gaat, maar we investeren structureel te weinig in het voorkomen dat het fout gaat. Als we daadwerkelijk lessen willen trekken uit tragedies zoals die in Crans-Montana, dan hebben we een eenduidig federaal kader nodig, een versterkte rol voor de brandweer en een structurele investering in preventie.

Vandaar mijn vragen voor u, mijnheer de minister.

Bent u bereid om werk te maken van een federaal kader met dwingende minimumnormen voor brandveiligheid bij publiek toegankelijke inrichtingen en evenementen? Hoe zult u de juridische positie en de handhavingsbevoegdheid van de brandweer versterken, zodat zij niet enkel kan adviseren, maar ook effectief kan controleren en optreden? Ten slotte, zal er extra aandacht zijn voor de structurele financiering van de preventieve taken binnen de hulpverleningszones, zodat de focus verschuift van louter symptoombestrijding naar effectief preventiebeleid?

Ik dank u alvast voor uw antwoorden.

Voorzitter:

M. Cornillie est absent.

Catherine Delcourt:

Monsieur le ministre, l’incendie tragique survenu à Crans ‑ Montana relance le d é bat sur la s é curit é incendie dans les lieux accueillant du public. Nous sommes tous concern é s, en Belgique comme ailleurs. Nos enfants, nos proches, et nous ‑ m ê mes pouvons ê tre victimes d ’ un tel drame.

Cela nous confronte à une v é rit é d é rangeante: ce n ’ est pas le manque d ’ expertise de nos services d ’ incendie qui est en cause, mais bien des lacunes plus structurelles dans notre politique de s é curit é . Cela nous interroge sur les exigences imposées aux exploitants d’établissements de nuit, notamment en ce qui concerne l’usage de flammes nues, d’éléments pyrotechniques, ainsi que la réaction au feu des matériaux de plafond, d’isolation ou de décoration, qui jouent un rôle déterminant dans la propagation rapide des incendies, en particulier dans des lieux fermés où la densité de public est élevée.

En l’absence de normes fédérales uniformes et contraignantes, le niveau de sécurité dépend aujourd’hui largement des réglementations locales. En outre, les services d’incendie ne sont toujours pas systématiquement impliqués dans les procédures d’octroi de permis, et leur rôle reste limité à une compétence purement consultative. Même lorsque nos experts identifient des risques majeurs, ils ne disposent pas du mandat nécessaire pour intervenir de manière corrective.

Monsieur le ministre, envisagez ‑ vous d ’ actualiser les r è gles applicables aux é tablissements de nuit concernant l ’ usage des flammes nues, des bougies ou des é l é ments pyrotechniques? Ê tes ‑ vous dispos é à renforcer les exigences minimales en mati è re d ’ ignifugation et de r é action au feu des mat é riaux de plafond, d ’ isolation et de d é coration dans les é tablissements accueillant du public? Comptez ‑ vous œ uvrer à l ’é laboration d ’ un cadre f é d é ral fixant des normes minimales contraignantes en mati è re de s é curit é incendie, afin de garantir une approche coh é rente sur l ’ ensemble du territoire et d ’é viter une d é pendance excessive aux autorisations et contr ô les locaux?

Éric Thiébaut:

Monsieur le ministre, l'incendie survenu dans un bar à Crans-Montana en Suisse, qui a coûté la vie à 40 personnes et fait d'innombrables blessés, essentiellement des jeunes qui fêtaient le Nouvel An, est encore dans toutes les mémoires. Je tiens à saluer la solidarité dont notre pays a fait preuve en accueillant plusieurs victimes dans ses hôpitaux.

Ce drame profondément choquant nous a marqués et doit aussi nous inviter à avoir une réflexion sur la sécurité, notamment dans les bars et les discothèques.

En Belgique, nos pompiers jouent un rôle essentiel en matière de prévention. Si le cadre normatif en matière de prévention incendie est relativement complet, ce sont son application et son contrôle qui peuvent s'avérer plus délicats. C'est notamment le cas lorsque de nombreux établissements horeca décident d'adopter ponctuellement un mode discothèque. C'était le cas du bar en Suisse. À l'occasion d'événements spécifiques, ils attirent ainsi un public plus nombreux que celui habituellement autorisé. Comme le soulignent de nombreux experts en sécurité incendie, le principal défi réside alors moins dans l'existence des règles que dans le suivi effectif de leur respect, en particulier lorsqu'il s'agit d'événements organisés sans autorisation préalable ou présentant des modifications temporaires de l'aménagement des lieux. Les réactions récentes de certains établissements horeca qui ont décidé de renoncer à l'usage de feux de Bengale ou d'éléments pyrotechniques à la suite du drame suisse témoignent d'une prise de conscience, mais aussi d'un vide ou d'une ambiguïté réglementaire persistante.

Monsieur le ministre, comment s'organisent aujourd'hui les contrôles en matière de sécurité incendie dans les bars et discothèques, en particulier lors d'événements ponctuels organisés dans des établissements horeca? Une adaptation ou une révision de la loi-cadre relative aux normes de prévention incendie est-elle envisagée, notamment concernant l'usage de bougies, de feux de Bengale ou de dispositifs similaires dans des lieux fermés ouverts au public? Enfin, quel est le rôle exact de l'autorité fédérale en matière de sécurité incendie, tant pour l’édiction de normes que pour le contrôle de leur application en articulation avec d'autres niveaux de pouvoir?

Xavier Dubois:

Monsieur le ministre, le drame de Crans-Montana est une véritable horreur. Je tiens d’ailleurs à marquer mon soutien aux familles et aux proches des victimes, mais aussi, comme mon collègue l’a fait, à saluer toute la solidarité dont la Belgique a fait part, ainsi que l’intervention des différents services fédéraux et locaux, et des hôpitaux. Il convient de souligner cette intervention importante.

Cela nous amène forcément à nous interroger sur ce qui s’est passé sur place, sur les mesures qui ont été mises en œuvre ou non, et cela nous interpelle aussi sur notre situation en Belgique. Il est tout à fait normal que nous nous posions ces questions et que nous vous interrogions sur ce dossier, afin de déterminer ce qu’il y a lieu de faire ou non chez nous.

On le sait, on met souvent en avant la qualité d’expertise de nos services de secours. Pour que tout fonctionne, il faut cependant une coordination parfaite entre les différents niveaux de pouvoir et entre les différents acteurs. En Belgique, vu la complexité de notre organisation institutionnelle et des services publics, cette concertation est encore plus complexe. Il faut donc s’assurer que le mécanisme soit le plus efficace possible.

Par ailleurs, les pratiques évoluent dans certains établissements, comme plusieurs collègues l’ont également évoqué, surtout lorsqu’il s’agit de festivités parfois temporaires, avec l’utilisation de flammes nues, d’effets pyrotechniques ou de certains matériaux décoratifs. Ces éléments peuvent entraîner des risques différents, parfois distincts de ceux initialement prévus dans les établissements concernés. À cet égard, il est indispensable d’être davantage vigilants. C’est dans ce contexte que je viens de déposer, avec mon collègue Benoît Lutgen, une proposition de loi visant à limiter la vente des feux d’artifice aux professionnels. Il s’agit, à mon sens, de mesures importantes à prendre.

Dans ce cadre, monsieur le ministre, mes questions sont assez simples. Quels sont les éléments qui vous sont venus à l’esprit quant à ce qu’il y aurait lieu de faire en Belgique afin de garantir une sécurité maximale? Ne faudrait-il pas revoir le cadre légal concernant l’usage des bougies, des feux de Bengale et autres dispositifs pyrotechniques dans des établissements fermés accueillant de nombreuses personnes?

Il y a également toute la question des contrôles périodiques en matière de sécurité incendie et de la responsabilité réelle des pouvoirs locaux. Je pense qu’il est absolument nécessaire de clarifier ces aspects.

Je suis bourgmestre d’une commune moyenne. Je me pose évidemment la question de savoir si, de mon côté, j’ai fait tout ce que je devais faire pour assurer la sécurité de l’ensemble de nos salles, qu’elles soient communales ou autres, et je vous avoue qu’il n’est pas simple d’avoir cette certitude. Il est donc nécessaire que nous soyons aussi assistés en la matière, afin de disposer de cette assurance indispensable.

Greet Daems:

Mijnheer de minister, ik zou willen starten met mijn medeleven te betuigen aan de nabestaanden van de slachtoffers van de brand in Crans-Montana. Het is een regelrecht drama.

We hebben allemaal de vreselijke beelden gezien van wat zich in Zwitserland heeft afgespeeld. Iedereen vraagt zich daarbij af hoe dat kon gebeuren.

De eerste informatie wijst op ernstige tekortkomingen. Brandveiligheidsnormen werden niet nageleefd. Er werd bespaard op cruciale veiligheidsmaatregelen, maar ook het toezicht schoot tekort. Dat zou ons aan het denken moeten zetten ,want ook bij ons kunnen er blinde vlekken zijn.

Mijnheer de minister, ziet u in die tragedie aanleiding om het Belgisch brandveiligheidsbeleid opnieuw te evalueren?

Hoe staat het met de preventiecapaciteit van onze hulpdiensten? Is er voldoende personeel, opleiding en materiaal om tijdig te reageren op gelijkaardige situaties?

Wordt er naar uw oordeel genoeg geïnvesteerd in preventie?

Bernard Quintin:

Mesdames et messieurs les députés, avant de répondre à l'ensemble de vos questions, je vais, comme vous l'avez fait, exprimer mes plus sincères condoléances à toutes les victimes du drame survenu en Suisse, à Crans-Montana, et à leurs proches, en particulier aux trois victimes belges: une jeune femme décédée et deux personnes blessées. Mes pensées vont à toutes celles et tous ceux qui ont été touchés par cet événement tragique.

L'incendie du 1 er janvier 1976 du café-dancing "6-9" à La Louvière est à l'origine du cadre juridique actuel. À la suite de cet incendie, le ministre de l'Intérieur a constaté que l'autorité publique ne pouvait pas imposer à l'échelle nationale des prescriptions de sécurité incendie dans ce type d'établissements de divertissement. À cette époque, seules les communes disposaient de la compétence permettant de rendre obligatoires des prescriptions de sécurité incendie au moyen de règlements de police. C'est pourquoi, dans une première circulaire du 20 avril 1972 relative aux mesures de prévention contre l'incendie, le ministre de l'Intérieur de l'époque a demandé aux communes d'édicter des prescriptions minimales de sécurité reprises dans cette circulaire pour ce type de bâtiment.

La loi du 30 juillet 1979 relative à la prévention des incendies et des explosions ainsi qu'à l'assurance obligatoire de la responsabilité civile dans de tels cas devait créer un cadre légal conférant au ministre de l'Intérieur la compétence d'édicter des prescriptions de sécurité incendie uniformes et applicables sur l'ensemble du territoire pour les établissements accessibles au public. La réforme de l'État et plusieurs arrêts de la Cour constitutionnelle ont toutefois modifié ces projets. La Cour constitutionnelle a jugé dans plusieurs arrêts que: "La politique en matière de sécurité, et plus particulièrement la protection contre l'incendie, n'est plus restée une compétence purement nationale".

Dit beleid vertoont immers, wegens de eigen kenmerken van de personen die hierin verblijven, specifieke aspecten.

De nationale overheid is bevoegd om basisnormen uit te vaardigen, dat wil zeggen normen die gemeen zijn aan de categorie van de constructie, zonder dat daarbij in acht wordt genomen welke de bestemming ervan is. De gemeenschappen en gewesten zijn bevoegd tot het regelen van de specifieke veiligheidsaspecten, met name door de nationale basisnormen aan te passen en aan te vullen, zonder die aan te tasten. De gemeenschappen en gewesten zijn verder bevoegd om alle normen inzake veiligheid, met inbegrip van de nationale normen, toe te passen in het kader van hun erkennings- en subsidieringsbeleid. De voormelde wet van 30 juli 1979 is aangepast aan die arresten.

Als minister van Binnenlandse Zaken ben ik dus enkel bevoegd om algemeen geldende basisnormen inzake brandveiligheid uit te vaardigen, zonder rekening te houden met de bestemming van het gebouw. Deze basisnormen zijn vastgelegd in het koninklijk besluit van 7 juli 1994 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen, dat uitsluitend voorschriften met betrekking tot de constructie van die gebouwen bevat.

Hoewel het oorspronkelijk de bedoeling was van de wet van 30 juli 1979 om uniforme brandveiligheidsvoorschriften voor bijvoorbeeld uitgangsgelegenheden te kunnen uitvaardigen, behoort die bevoegdheid om specifieke voorschriften uit te vaardigen intussen tot de gewesten. De gemeenten hebben hun historische bevoegdheid behouden om lokaal geldende brandveiligheidsvoorschriften uit te vaardigen.

Concrètement, chaque commune dispose d’un règlement de police communale comportant des prescriptions de sécurité incendie pour les établissements de divertissement ou, plus généralement, pour les établissements accessibles au public.

Il s’agit de règlements de police locaux qui constituent la principale source de prescriptions pour les établissements de divertissement, car ils instaurent souvent une obligation d’autorisation ou de déclaration à partir de 50 personnes, alors que les prescriptions régionales ne s’appliquent parfois qu’à partir de capacités plus importantes, par exemple 150 personnes en Région wallonne ou 200 mètres carrés en Région de Bruxelles-Capitale. Le contenu de ces prescriptions figurant dans les règlements de police est souvent élaboré par les services d’incendie. À cette fin, les zones de secours développent généralement un texte modèle uniforme qui est demandé à toutes les communes de la zone de secours d’intégrer dans leurs règlements de police.

Il en résulte que des prescriptions uniformes s’appliquent en général au sein d’une même zone de secours, mais que celles-ci peuvent toutefois différer d’une zone de secours à l’autre. Il vous apparaîtra donc que je ne peux pas édicter un cadre légal comportant des prescriptions spécifiques pour les établissements de divertissement, la Cour constitutionnelle ayant jugé qu’il s’agit d’une compétence des régions.

De lokale overheid beschikt tegenwoordig al over tal van mogelijkheden om de brandveiligheid in publiek toegankelijke inrichtingen te handhaven. Dat gaat dus veel verder dan louter adviseren, zoals in een vraagstelling wordt gesuggereerd. Er zijn talrijke voorbeelden van situaties waarin een burgemeester een discotheek of een andere publiek toegankelijke inrichting heeft gesloten omdat de brandveiligheid onvoldoende was gegarandeerd. Die bevoegdheid ligt bij de burgemeester en niet bij de brandweer. De hulpverleningszone zal op vraag van de burgemeester een controle uitvoeren en de burgemeester daarbij ook adviseren. De artikelen 133 en 135 van de nieuwe Gemeentewet geven aan de gemeente en de burgemeester de mogelijkheid om op te treden wanneer de openbare veiligheid in gevaar is. Dat geldt dus ook wanneer de brandveiligheid in een publiek toegankelijke inrichting niet is gewaarborgd en ook bij de ontstentenis van duidelijke voorschriften. Zelfs wanneer er geen gemeentelijke politieverordening bestaat, kan de burgemeester nog altijd een brandonveilig gebouw sluiten. Aangezien nagenoeg elke gemeente over een politieverordening beschikt met brandveiligheidsvoorschriften voor publiek toegankelijke inrichtingen, is het duidelijk waaraan de uitbater zich moet houden en wordt willekeur vermeden.

Ces règlements de police fournissent également à la zone de secours des leviers importants pour effectuer les contrôles de manière cohérente et uniforme. Les zones de secours ne disposent pas elles-mêmes de compétences en matière de constatation des infractions et de répression et n’effectuent des contrôles qu’à la demande du bourgmestre ou de ses services communaux.

Il s’agit d’un choix délibéré, posé à la demande des services d’incendie et que je souhaite maintenir.

Bien que la lutte contre les incendies demeure une mission indispensable, la prévention des incendies dans les établissements ouverts au public est souvent encore plus importante. Un incendie tel que celui de Crans-Montana entraîne en effet des dommages irréparables en raison de la perte de nombreuses vies humaines et laisse également de profondes cicatrices, tant au sens littéral, avec de graves blessures nécessitant une longue convalescence, qu’au sens figuré, car une communauté locale, et bien au-delà encore, est durablement marquée. La prévention des incendies constitue une responsabilité sociétale. L’importance d’une collaboration étroite avec les communes et les bourgmestres, ainsi qu’avec les exploitants de ces établissements de divertissement, pourra également y être soulignée.

Je voudrais ajouter, comme j’ai déjà eu l’occasion de le dire publiquement, qu’il faut légiférer, à quelque niveau que ce soit, là où cela s’avère nécessaire. Je pense toutefois qu’il est parfois bon de faire appel aussi au bon sens. Lorsqu’on voit les images de Crans-Montana, et sans me prononcer sur l’enquête en cours, l’utilisation de feux de Bengale dans un endroit à plafond bas avec de la mousse pose question. On peut réglementer autant que l’on veut, mais à un moment donné, le bon sens aurait dû conduire à éviter que cela se produise.

Je sais que ce n’est pas forcément ici que je devrais le dire, quoique je considère que c’est aussi ici qu’il faut le dire. Vous légiférez, je fais appliquer la loi, mais il est essentiel de pouvoir faire appel également au bon sens. Tout ne peut pas être réglé par la loi, tout ne peut pas être réglé par les services d’incendie ou, le cas échéant, par les services de police. Tout doit en tout cas être mis en œuvre pour éviter que ce genre de drame ne se produise.

Brent Meuleman:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Ik blijf toch een beetje op mijn honger zitten met betrekking tot de vraag die ik stelde over de handhavingsbevoegdheid van de brandweer, aangezien die vandaag eigenlijk niet bestaat. Ik stel vast dat ik niet de enige burgemeester ben die daarover vragen stelt. Het is natuurlijk jammer dat er een drama nodig is om ons met de neus op de feiten te drukken en ons dat te laten beseffen. Er bestaat echter wel degelijk een vraag naar meer handhavingsbevoegdheid voor de brandweer, zodat de brandweer effectief kan controleren en kan optreden. Op dat vlak blijft uw antwoord voor mij te beperkt. Ik wil die vraag daarom nogmaals kracht bijzetten en hoop dat u daar alsnog werk van wilt maken.

Catherine Delcourt:

Monsieur le ministre, merci pour vos réponses.

Quelle prise de conscience douloureuse! On a parfois le sentiment que le mot prévention est un mot bienséant et un peu creux. On voit à quel point il compte dans sa mise en œuvre réelle. Merci d'avoir rappelé qui était compétent et à quel niveau pour légiférer, ainsi que d'avoir fait aussi appel au bon sens de chacun.

Je sais que vous avez une vision de la sécurité qui va au-delà de la sécurité policière et que vous êtes très, très attentif à la sécurité civile. Je vous engage à doter les zones de secours des compétences requises, à augmenter leur marge de manœuvre en matière de prévention et évidemment à les doter de moyens de réaction qui permettent de faire face en cas de situation aussi désastreuse que celle vécue par les jeunes de Crans-Montana, qui me laisse toujours une émotion palpable quand je l'évoque. Merci, monsieur le ministre.

Éric Thiébaut:

Merci, monsieur le ministre. Je pense également que le drame qui s'est passé en Suisse rappelle aussi à tous les bourgmestres qu'ils ont une énorme responsabilité en matière de prévention incendie.

Dans ma zone de secours, la zone que je préside, il y a chaque année 4 000 rapports de prévention incendie. Quatre-mille par an. Nous avons donc des préventionnistes qui sont en général des ingénieurs, des architectes. Et cela demande quand même un savoir-faire, cela demande des moyens pour faire à chaque fois tous ces rapports de prévention.

Normalement, un bourgmestre doit donc, chaque fois qu'il a sur le territoire de sa commune un établissement où on accueille du public, envoyer le préventionniste, le service incendie, recevoir un rapport et donner son accord sur la base du rapport des pompiers.

Il y a une dizaine de jours, j'ai fait fermer un ensemble d'appartements parce que les conditions de sécurité incendie étaient catastrophiques. Et donc là, il faut pouvoir prendre ses responsabilités, prendre un arrêté.

Je pense toutefois que, davantage que de modifier une législation, il faut certainement sensibiliser les autorités à ce qu’il s'est passé. Surtout, le fait déterminant, qui a été mis en avant, c'est que c'est un bar qui a ponctuellement été transformé en discothèque. Il n'était pas équipé, en termes de prévention incendie, pour accueillir une discothèque.

Je pense qu'il faudrait à tout le moins sensibiliser les bourgmestres par une circulaire. Vous dites que cela ne relève pas de votre compétence, mais je pense que cela ne pourrait pas faire de mal d'envoyer une circulaire aux bourgmestres, leur rappelant que, quand il y a des événements ponctuels, il faut quand même veiller à la sécurité incendie.

Par exemple, quand on monte un chapiteau, normalement, les pompiers doivent passer, vérifier si le chapiteau est bien monté et si toutes les normes de sécurité sont bien respectées, à chaque montage de chapiteau.

Je pense qu'un petit rappel à la prudence serait peut-être utile pour tous nos bourgmestres.

Xavier Dubois:

Monsieur le ministre, merci pour vos réponses. Vous avez rappelé la répartition des compétences. Il est clair que le niveau local, et en particulier les bourgmestres, comme le collègue Thiébaut l'a rappelé, a une responsabilité très importante en la matière.

Les services des zones de secours établissent de nombreux rapports de prévention. Ces rapports sont souvent établis au moment de la création d'un nouveau bâtiment. Il peut se passer beaucoup de choses par la suite. Comme on l'a vu, des manifestations peuvent s’y dérouler qui ne sont peut-être pas prévues initialement dans le cadre du bâtiment tel qu'il a été visité, examiné, évalué par les services de prévention.

C'est là que, je pense, il y a une faille potentielle. Comment s'assurer que ce qui est dit au début est respecté et respecté dans la durée? Comme nous le mettons en avant, la responsabilité est potentiellement aussi au niveau des bourgmestres. C'est en ce sens que j'évoquais le fait de se sentir parfois un peu démuni face à cet objectif de garantir la sécurité incendie de manière pérenne.

Dans ce cadre, l'objectif n'est effectivement pas de légiférer, de changer la loi. Mais je pense que vous pouvez avoir aussi un rôle à jouer. En tant que bourgmestre, nous avons ce règlement établi par la zone de secours. Il y a une homogénéité au niveau des zones de secours. C'est très bien.

Nous ne disposons toutefois pas, dans chaque commune, d'un spécialiste interne qui pourrait analyser ces éléments. Je pense toutefois qu'il pourrait être intéressant de réunir les différentes zones de secours et de les consulter dans le but de définir des meilleures pratiques en matière de contrôle. Je pense que vous avez la possibilité de le faire, de poser ces questions-là et, peut-être, de transmettre ces meilleures pratiques aux différentes communes. Vous pouvez également, comme l'a dit notre collègue M. Thiébaut, rappeler aux bourgmestres leurs obligations en matière de sensibilisation et de formation. Il s'agit aussi de parvenir à sensibiliser les exploitants de ces différents établissements.

Je pense donc qu'une initiative pourrait être prise au niveau fédéral pour informer, sensibiliser et partager les meilleures pratiques, de manière à ce que nous nous sentions mieux armés pour assurer ensemble cette mission essentielle qu'est la sécurité de notre population.

Voorzitter:

Vraag nr. 56011709C van de heer Bergers wordt omgezet in een schriftelijke vraag.

De oproep van Islamitische Staat tot het plegen van aanslagen in België
De beveiliging van de Joodse gemeenschap in Antwerpen
De dreigende oproep van Islamitische Staat om aanslagen te plegen in ons land
Veiligheidsdreigingen en terrorismebestrijding in België

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 13 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sam Van Rooy bekritiseert dat België ondanks de IS-oproep tot aanslagen door moslimvluchtelingen op kerken, synagogen en feesten het dreigingsniveau niet verhoogt (blijft op 3) en eist zichtbare, zwaarbewapende politie bij Joodse instellingen, zoals in Frankrijk/Nederland. Hij noemt de eerdere aankondiging om federale agenten uit de Antwerpse Joodse wijk terug te trekken "schandalig" en beschuldigt de regering van "weerzinwekkende politieke koehandel" met veiligheid, wat paniek zaait. Minister Quintin weerlegt dat er "geen concrete dreiging" is voor niveau 4, benadrukt dat niveau 3 al zware maatregelen inhoudt, en ontkent slechte communicatie over de Antwerpse beveiliging. Van Rooy herhaalt zijn bewering dat "islamisering" de terreurdreiging verergert, wijkt in naar "islamitische hellholes" en eist een "minister tegen islamisering", anders dreigt België volgens hem "Midden-Oostense toestanden".

Voorzitter:

M. De Smet n'est pas présent pour poser sa question.

Sam Van Rooy:

Mijnheer de minister, naar aanleiding van de jihadistische aanslag in Sydney roept terreurgroep Islamitische Staat op tot meer aanslagen in het Westen. Daarbij vermelden die moslimterroristen specifiek moslimvluchtelingen in België, die worden opgeroepen om feesten, synagogen en kerken aan te vallen.

Naar wij vernamen, zou het terreurdreigingsniveau evenwel op niveau 3 blijven. Dat is nog altijd ernstig maar het niveau zou dus niet worden verhoogd. Graag kreeg ik enige toelichting daarbij.

Waarom is er na een dergelijke jihadistische oproep geen verhoging van het terreurdreigingsniveau? Worden of werden er extra veiligheidsmaatregelen getroffen aan feesten, synagogen en kerken? Worden moslimvluchtelingen extra gescreend en in de gaten gehouden? Tot slot, waarom wordt volgens u door Islamitische Staat specifiek ons land, België, genoemd?

Mijn tweede vraag sluit daar uiteraard bij aan. Tijdens de plenaire vergadering van 18 december 2025 verklaarde u dat de bewaking voor de Joodse wijk in Antwerpen – ik citeer – "gehandhaafd blijft, of dat nu gebeurt door de Antwerpse of de federale politie". Dat antwoord kwam er na uw toch wel schandalige communicatie dat u de aanwezigheid van de federale agenten die in Antwerpen mee instaan voor de broodnodige beveiliging van de Joodse wijk vanaf 1 januari 2025 zou intrekken. U communiceerde dat nota bene vlak na de moorddadige antisemitische jihadistische aanslag in Sydney. Dat is compleet waanzinnig.

Ondertussen heb ik ook begrepen dat het eigenlijk om een politiek spel gaat tussen coalitiepartners, waarbij behalve de MR en de N-VA ook cd&v is betrokken. Het is weerzinwekkend dat de veiligheid van de Joodse gemeenschap, nota bene bij het begin van Chanoeka, als pasmunt wordt gebruikt voor politieke koehandel.

Dat gezegd zijnde, hoe zit het nu eigenlijk? Wie staat nu precies in voor de beveiliging van de Joodse wijk in Antwerpen en voor hoelang? Graag kreeg ik dus toelichting bij de beslissing die werd genomen of zal worden genomen. Ik herhaal dat die communicatie echt schandalig was.

Veel Joodse mensen waren daardoor in paniek, dat kan ik u wel zeggen.

Ten tweede, mijnheer de minister, ik zal dat hier blijven vragen, ik doe dat ook in Antwerpen uiteraard, waarom wordt er niet voor gezorgd dat aan elke synagoge en aan elke joodse school, instelling en evenement, zichtbare, zwaarbewapende politie staat? Zeker op momenten dat er veel mensen bij elkaar komen. Dat is hier nog altijd niet het geval. Ik zie dat niet alleen met mijn eigen ogen, ik krijg dat ook te horen van joodse mensen die daarover bezorgd zijn. Dat soort zwaarbewapende politiebeveiliging zien we wel in onze buurlanden. Gaat u kijken aan de joodse scholen en synagogen in Nederland en Frankrijk, daar staan, zeker op momenten dat er veel volk is, zichtbaar zwaarbewapende politieagenten. Hier niet. Men zou toch denken, zeker na die moorddadige antisemitische jihadaanslagen in Manchester en in Sydney, en dus na de oproep van Islamitische Staat aan moslimvluchtelingen om hier aanslagen te plegen op kerken en synagogen, dat dit geen overbodige luxe is, mijnheer de minister? Nogmaals, zichtbare, zwaarbewapende politieagenten aan elke synagoge en joodse school, dat is wat we nodig hebben in dit land en in Antwerpen.

Tot slot, daarop aansluitend, vraag ik u wat nu eigenlijk de stand van zaken is met betrekking tot de inzet van militairen voor zulke bewakingsopdrachten. Zoals ik daarnet al aanhaalde, heb ik begrepen dat daarover binnen de regering onenigheid bestaat; vandaar dus die schandalige communicatie van u een aantal weken geleden over het terugtrekken van die federale agenten.

Dank u alvast voor uw antwoorden.

Bernard Quintin:

Mijnheer Van Rooy, dreigingsniveau 3 is het op een na hoogste niveau. De keren dat er in ons land voor een plaats niveau 4 werd toegekend, werd er een soort lockdown ingesteld, met drastische veiligheidsmaatregelen die het vrij verkeer van personen ernstig beperken.

Dat mag alleen het geval zijn wanneer er concrete informatie over een imminente dreiging tegen een bepaalde plaats of persoon is. Over het bestaand veiligheidsdispositief worden geen details gecommuniceerd. Dat IS specifiek ons land noemt, is opmerkelijk en zorgwekkend, maar het is niet de eerste keer dat België op deze manier wordt geviseerd. Er is echter geen sprake van een concrete dreiging, dus we zullen geen zwaar bewapende agenten of militairen voor elk huis in België zetten.

Er bestaan verschillende fora om informatie uit te wisselen, in het bijzonder het OCAD, dat ervoor moet zorgen dat we een goed zicht krijgen op terroristische dreigingen en op de uitdagingen. Zoals gezegd, het is niet de eerste keer dat de Islamistische Staat ons land aanduidt na aanvallen in andere landen.

Voor het overige, mijnheer Van Rooy, ik heb niet gecommuniceerd over de beveiliging van de Joodse gemeenschap in Antwerpen of elders. U hebt dat misschien slecht gelezen of gehoord.

Sam Van Rooy:

Mijnheer de minister, door de islamisering is de terreurdreiging in dit land permanent hoog en ernstig. Door de islamisering roept de Islamitische Staat moslimvluchtelingen in dit land op om jihadistische aanslagen te plegen op evenementen, kerken en synagogen. Door de islamisering verworden hele wijken in dit land tot islamitische hellholes waar jonge moslims op oudjaar een straatjihad voeren. Door de islamisering wordt dit land steeds onveiliger voor niet en ex-moslims. Toch wil deze regering niet de islamisering bestrijden, maar wel de islamofobie. Weet u wat dit land dringend nodig heeft? Een minister ter bestrijding van de islamisering van onze samenleving. Zo niet, dan is het een kwestie van tijd voor wij hier ook verworden tot het Midden-Oosten en tot we hier ook Iraanse toestanden zullen kennen.

De rellen in Molenbeek
De huisarresten tijdens de Africa Cup
De nieuwe rellen na een wedstrijd in het kader van de Africa Cup
Het politieoptreden bij voetbalgerelateerde rellen in het kader van de Africa Cup
Voetbalrellen en politieoptreden tijdens sportevenementen

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 13 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Parlementsleden Depoortere, Bergers en De Vreese bekritiseren het herhaaldelijke geweld door groepen jongeren van Marokkaanse afkomst na Afrika Cup-wedstrijden, met brandstichting, aanvallen op politie en straatvernielingen, en wijten dit aan straffeloosheid, gebrek aan repressie en falende burgemeesters (met name in Brussel/Molenbeek). Zij eisen strengere preventie (uitbreiding huisarrest, betere coördinatie), hardere strafvervolging (snellere gerechtelijke afhandeling, inzet less-lethal weapons) en politieke verantwoordelijkheid, met kritiek op minister Quintin die volgens hen te veel verwijst naar lokale bevoegdheden en onvoldoende ingrijpt. Minister Quintin benadrukt dat ordehandhaving bij burgemeesters ligt, maar bevestigt versterkte politie-inzet (o.a. gold commander-structuur) en onderzoeken naar daders (inclusief de man met een Kalasjnikov), hoewel arrestaties moeilijk zijn door mobiele groepen. Hij wijst strafrechtelijke vervolging door naar Justitie en preventie naar gemeenten, maar erkent dat huisarrest juridisch beperkt is. Oppositie blijft ontevreden: ze noemen het antwoord onvoldoende, dringen aan op nultolerantie, samenwerking met Justitie en consequenter optreden, met kritiek op "linkse burgemeesters" die maatregelen zouden blokkeren.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, ik heb u vorige week donderdag tijdens de plenaire vergadering een actuele vraag gesteld naar aanleiding van de rellen op oudejaarsavond. Toen heb ik in de marge al vermeld dat er ook rellen waren en nog zouden volgen naar aanleiding van de Afrika Cup, niet in het minst omwille van de wedstrijden die Marokko daarin afwerkt.

Een dag later – op vrijdag 9 januari 2026 – was het al zover. Voor de tweede keer deden zich ernstige ordeverstoringen voor na afloop van een voetbalwedstrijd van Marokko in het kader van de Afrika Cup. Op videobeelden die op sociale media circuleren, is duidelijk te zien hoe groepen jongeren van Marokkaanse origine straatmeubilair vernielen, verkeersborden en elektrische steps gebruiken om wegversperringen op te werpen en vuurwerk afschieten in de richting van de ordediensten. De oproerpolitie moest worden ingezet om de situatie opnieuw onder controle te krijgen.

Spijtig genoeg, mijnheer de minister – en ik heb dat vorige week ook al gezegd – gaat het hier niet om geïsoleerde incidenten. In deze rellen en bij deze relschoppers is een duidelijke systematiek merkbaar. Zolang het beleid niet durft te benoemen dat het telkens opnieuw om dezelfde relschoppers van allochtone afkomst gaat, blijft dit probleem bestaan.

Ik weet dat u vorige week in uw antwoord hebt gesteld dat nationaliteit en afkomst er niet toe doen. U kunt echter niet ontkennen dat het telkens dezelfde allochtone relschoppers zijn die de straten in Brussel en niet alleen in Brussel – daar hebben we het eerder al over gehad – keer op keer in vuur en vlam zetten. Dat mag in dit geval letterlijk worden genomen.

Ik zal mijn vragen dan ook blijven herhalen, mijnheer de minister. Niet alleen vraag ik wat de evaluatie achteraf is van al deze rellen en van het optreden tegenover de relschoppers, ik geef ook onmiddellijk toe dat u daarin geen exclusieve verantwoordelijkheid draagt. Het gaat om een gedeelde verantwoordelijkheid met de minister van Justitie.

Zij moet instaan voor een passende strafmaat en voor de effectieve bestraffing van de relschoppers.

Mijn eerste vraag, mijnheer de minister, betreft dan ook de evaluatie van deze twee ernstige vormen van rellen in Brussel, meer bepaald naar aanleiding van de Marokkaanse voetbalwedstrijden in het kader van de Afrika Cup. Hoeveel personen zijn geïdentificeerd en gearresteerd en hoeveel van hen worden effectief voor de rechter gebracht? Aangezien dit probleem niet uit de lucht komt vallen, stel ik mij de vraag of momenteel wel voldoende wordt geïnvesteerd in preventieve maatregelen om dergelijke rellen te voorkomen. Ik besef dat dit geen eenvoudige opdracht is, maar het kan niet de bedoeling zijn dat we na elke voetbalwedstrijd, na elk oudejaarsfeest of telkens wanneer de zon schijnt en recreatieparken opnieuw openen, opnieuw dezelfde vragen moeten stellen. Dat is vervelend voor u en evenzeer voor mij.

Het verdient de voorkeur dat dergelijke situaties vooraf worden aangepakt en vermeden. Dat vergt echter wel dat daar de nodige maatregelen tegenover worden gesteld, mijnheer de minister. Daarbij gaat het niet uitsluitend om preventieve maatregelen. U verwees vorige week vooral naar de rol van de burgemeesters, die over een uitgebreid arsenaal beschikken om dergelijke rellen te voorkomen, tot en met huisarresten. In Antwerpen hebben we evenwel vastgesteld dat die maatregel niet het beoogde effect heeft gehad. Integendeel, er waren evenveel, zo niet meer, relschoppers dan het jaar voordien. Dat roept de vraag op of dit wel het meest effectieve middel is.

Daarnaast blijf ik benadrukken dat repressie noodzakelijk is. We moeten niet alleen de problemen benoemen, maar ook de daders. De relschoppers moeten effectief worden gestraft, ieder binnen zijn of haar verantwoordelijkheid. Vooral onze politiediensten moeten de politieke en materiële rugdekking krijgen die nodig is om streng op te treden tegen dergelijke feiten.

Ik hoop dat u vandaag uw visie hierop nader wilt toelichten.

Jeroen Bergers:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, in de eerste plaats mijn beste wensen voor het nieuwe jaar, ondanks het feit dat mijn vraag niet de plezierigste is om als eerste vraag in het nieuwe jaar aan u te stellen.

Voetbal zou, net als het nieuwe jaar, een feest moeten zijn. Sinds de start van de Africa Cup in Marokko is het echter in verschillende Brusselse wijken bijzonder onrustig en dan druk ik mij nog zeer voorzichtig uit. De beelden die op sociale media circuleren, tonen onder meer brandstichting, het afschieten van vuurpijlen, vandalisme aan straatmeubilair en aanvallen op politieagenten, die nochtans wel in grote aantallen aanwezig waren, wat alvast goed is. Verder circuleren er zelfs beelden van een persoon op een motorfiets die ostentatief een wapen draagt, dat blijkt een kalasjnikov te zijn. In de pers wordt bovendien gemeld dat uit voorzorg verschillende bussen van De Lijn een omleiding volgen tijdens matchen van de Africa Cup.

Die feiten leiden tot grote maatschappelijke verontwaardiging. En terecht, de burger is dat beu. Bij elk excuus veranderen onze straten in terreinen waar de relschoppers vrolijk onze Staat en alles waar onze samenleving voor staat afbreken.

De Africa Cup loopt nog tot zondag 18 januari. Marokko geldt nog steeds als kandidaat voor de eindoverwinning. Ik gun dat sportief aan die voetbalploeg, maar los van het eindresultaat leeft de vrees dat zowel bij verlies als bij winst opnieuw rellen zullen plaatsvinden. Onze fractie hoopt dat verdere incidenten zoveel mogelijk kunnen worden beperkt en dat er maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat dit niet meer gebeurt. In dat kader is het belangrijk om de preventieve maatregelen te versterken. Het lijkt aangewezen te onderzoeken of het bestaande kader rond het huisarrest kan worden verbreed.

Neemt u bijkomende preventieve maatregelen rond die risicomatchen, die deze matchen op de Africa Cup jammer genoeg zijn in ons land? Acht u het wenselijk het kader rond huisarrest te verruimen zodat dit makkelijker toepasbaar is? Lijkt het u wenselijk dit uit te breiden en het niet alleen bij de burgemeesters te laten, aangezien sommige burgemeesters, zoals bekend en dat lokt ook veel verontwaardiging uit, weigeren hun verantwoordelijkheid te nemen?

Werden in dit dossier reeds bestuurlijke maatregelen opgelegd en zo ja, welke? Is de persoon die met dat wapen paradeerde in Brussel geïdentificeerd en zijn daar maatregelen rond genomen?

Maaike De Vreese:

De situatie is al duidelijk geschetst. We hebben dit ook al tijdens de plenaire vergadering besproken. Morgen worden de twee wedstrijden van de halve finales van de Afrika Cup gespeeld, waaronder de match Marokko-Nigeria om 21.00 u., waarna u opnieuw paraat moet staan om te controleren of er in Brussel daarna rellen plaatsvinden. Het is toch ongelooflijk dat we paraat moeten staan naar aanleiding van een voetbalmatch. Helaas is voetbal een van de sporten waarbij regelmatig rellen ontstaan, vaak met aanzienlijk geweld tegenover onze politiediensten. Daarom moeten we streng optreden en ook daadwerkelijk straffen. De straffeloosheid moet dringend worden aangepakt.

Mijnheer de minister, zult u hierover ook overleggen met minister Verlinden? Uit de cijfers die mijn collega Kristien Van Vaerenbergh heeft opgevraagd, blijkt dat in veel gevallen jaren na de feiten nog geen straffen werden uitgesproken. Zolang die straffeloosheid blijft bestaan, heerst er een klimaat waarin daders geneigd zijn door te gaan. Ook de zogenaamde usual suspects, die onze politiediensten goed kennen, blijven op deze manier actief.

Hoe verloopt de federale coördinatie met de lokale diensten in aanloop naar zo’n risicovolle internationale voetbalwedstrijd? Volstaat die coördinatie of moet er een versnelling hoger geschakeld worden? Hoe evalueert u de effectiviteit van zowel preventieve maatregelen, zoals huisarrest, als repressieve maatregelen? Wij pleiten bijvoorbeeld ook voor hardere optredens tegen de daders door de politie gebruik te laten maken van less than lethal weapons .

Overweegt u de inzet van andere preventieve maatregelen? Welke richtlijnen werden aan de politiediensten meegegeven? Krijgen zij de opdracht om relschoppers te arresteren? Het begint immers met arresteren en identificeren, waarna ook straffen kunnen volgen, zeker gelet op het feit dat er steeds meer minderjarigen onder de relschoppers zijn. Hoe wordt de verantwoordelijkheid van de ouders aangepakt?

Welke aanvullende richtlijnen of ondersteuning zal aan de Brusselse zones en betrokken overheden worden gegeven naar aanleiding van die voetbalwedstrijden morgen om herhaling van ordeverstoring te voorkomen? Met andere woorden, staat de federale politie paraat?

Bernard Quintin:

Mijnheer Depoortere, wat betreft uw vraag die werd ingediend op 30 december, de politiediensten zijn uiteraard tussengekomen om de openbare orde te herstellen. Dat gebeurt steeds in functie van de situatie ter plaatse. De tussenkomsten waren erop gericht de incidenten te beëindigen, de brandweer toe te laten veilig in te grijpen en verdere escalatie te voorkomen.

Door de politiediensten werden onder meer de volgende feiten vastgesteld: het aansteken van branden met afval op de openbare weg, het afsteken van vuurwerk, onder meer in de richting van voertuigen en politiediensten, gevaarlijk rijgedrag in de onmiddellijke omgeving en agressief gedrag ten aanzien van de ordediensten. Er werden processen-verbaal opgesteld voor opzettelijke brandstichting bij nacht zonder gewonden en feiten waarbij een persoon te zien was met een oorlogswapen op beelden die via sociale media werden verspreid. Tot op heden werden er geen personen formeel geïdentificeerd in het kader van deze feiten, maar het onderzoek is nog volop aan de gang. Een persoon werd bestuurlijk aangehouden wegens verstoring van de openbare orde. Er werden nog geen gerechtelijke aanhoudingen verricht, maar zoals u weet, ben ik hiervoor niet bevoegd. Ik kreeg ten slotte van de diensten ook de feedback dat er wel degelijk een specifiek dispositief voorzien was. Gelet op de omvang van de overlast werden verder onmiddellijk versterking gevraagd, bovenop de voorziene personeelsinzet.

Wat betreft de meer algemene vragen, het komt mij als minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken niet toe maatregelen te nemen ter handhaving van de openbare orde in Molenbeek of andere Brusselse gemeenten. Deze bevoegdheid berust exclusief bij de respectieve burgemeesters, die alle maatregelen kunnen nemen die noodzakelijk geacht worden voor de ordehandhaving. Enkel wanneer de verstoring van de openbare orde zich uitstrekt over het grondgebied van meerdere gemeenten of politiezones kan ik in subsidiaire orde de bevoegdheden van de burgemeester uitoefenen. Dit is hier niet het geval. Het uitbreiden van het bestaand wettelijk kader met betrekking tot huisarrest is volgens mij nog niet aan de orde, aangezien de burgemeester al over een verregaande bevoegdheid beschikt die hem toelaat huisarrest op te leggen, met dien verstande dat dat legitiem en proportioneel moet zijn. Huisarrest is een vrijheidsbeperkende maatregel die niet verder mag gaan dan nodig om de verstoring van de openbare orde te doen ophouden.

Ook de hogere overheid die op grond van artikel 11 van de wet op het politieambt de bevoegdheden van de burgemeester zou uitoefenen, beschikt over die mogelijkheden. Ik beschik momenteel niet over informatie of in dit kader bestuurlijke maatregelen werden opgelegd. Zoals ik heb gezegd, behoort dat tot de autonome beslissingsbevoegdheid van de burgemeester.

Voor de coördinatie op het terrein in het kader van de Africa Cup of Nations werd sinds het einde van de groepsfase een coördinatiestructuur van het type ' gold commander ' ingevoerd. De coördinatie wordt daarbij verzekerd door de politie van Brussel-Hoofdstad Elsene, die instaat voor de organisatie van de aanvragen tot versterking aan de federale politie en voor de terbeschikkingstelling ervan aan de silver commanders die op het terrein actief zijn binnen hun politiezone. Dit dispositief werd in ruime mate ingezet om de openbare orde te herstellen en te handhaven tijdens de laatste wedstrijden.

Preventie behoort, zoals u weet, tot de gemeentelijke bevoegdheden. In dat kader en met het oog op de komende halve finale tussen Marokko en Nigeria die op 14 januari gepland staat, zullen de gemeentelijke diensten het sociopreventieve dispositief ontplooien in overleg met de politiediensten van de gemeente Sint-Jans-Molenbeek.

Met betrekking tot de incidenten die zich op 9 januari hebben voorgedaan, heeft de politiezone zowel ontradende als reactieve dispositieven ingezet met het oog op de handhaving en het herstel van de openbare orde. Die dispositieven werden aangepast en de capaciteiten werden versterkt, rekening houdend met de vastgestelde gebeurtenissen. De congestie van bepaalde verkeersassen heeft echter de verplaatsingen van de interventieteams belemmerd en kon de snelheid van bepaalde tussenkomsten beïnvloeden. Niettemin werden, rekening houdend met de evolutie van de situatie, de nodige personeelsmiddelen voor de handhaving en het herstel van de openbare orde gemobiliseerd en dienovereenkomstig ingezet.

Aangezien het gaat om kleine, zeer mobiele groepen die zich verplaatsen in een verkeersdrukke stedelijke omgeving, zijn arrestaties soms moeilijk uit te voeren. Voor de politiezone Brussel-West werden op 9 januari 2026 vijf bestuurlijke en twee gerechtelijke arrestaties verricht.

Mevrouw De Vreese, u bent misschien een wat grotere voetballiefhebber dan uw collega's, maar voor vragen over de vervolgingen die worden ingesteld tegen zij voor wie voetbal slechts een voorwendsel is om vernielingen aan te richten, verwijs ik u en uw collega's naar de minister van Justitie.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, het beperkte aantal arrestaties en gerechtelijke vervolgingen creëren in de ogen van de bevolking een perceptie van straffeloosheid. Als u dit niet snel rechtzet, zal die situatie alleen maar escaleren De daders voelen zich immers ongenaakbaar en dat zal als een boemerang in uw gezicht terugkeren, want de bevolking pikt dit niet langer.

Voorts verwijst u opnieuw naar het arsenaal van maatregelen dat burgemeesters moeten nemen. In dit opzicht hoop ik dat de eenmaking van de Brusselse politiezones er snel komt. Dat zal een grote stap voorwaarts zijn, maar het zal uiteraard niet alles oplossen. Als we merken dat zij in gebreke blijven, dan is het uw taak om in te grijpen om de openbare orde te herstellen en vooral om de straffeloosheid weg te nemen. Dat is inderdaad een gedeelde verantwoordelijkheid met minister Verlinden. Benoem het probleem en stel iedereen voor zijn en haar verantwoordelijkheid, ook de minister van Justitie. Laat de schade vergoeden, want dat is een belangrijk element in het verhaal.

Ik ben niet tegen huisarresten, maar ze moeten wel gecontroleerd worden. Is dat haalbaar? Hoeveel huisarresten moeten we opleggen en wie zal ze controleren? Er circuleert een goed idee om het kindergeld af te nemen van ouders die hun kinderen niet in het gareel houden bij dergelijke rellen, maar dat behoort tot een ander bevoegdheidsniveau.

Jeroen Bergers:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

Ik denk inderdaad dat de bevolking het meer dan beu is dat elk excuus schijnbaar goed genoeg is om rel te schoppen, dat er te weinig aan gedaan wordt en dat men dat niet onder controle krijgt. Wat dat betreft, wil ik hier toch een lans voor breken om de preventieve maatregelen uit te breiden. Daarnaast zijn er nog andere maatregelen nodig, maar daarover zal mijn collega het hebben.

Het probleem is dat sommige burgemeesters, voornamelijk in Brussel en die van Molenbeek is er een van, die bevoegd zijn om dergelijke maatregelen te nemen, pertinent weigeren dat te doen en dus enige verantwoordelijkheid te nemen, zodat de orde kan worden gehandhaafd. Het lijkt mij in dat geval toch niet verkeerd dat er extra maatregelen worden genomen door het hogere niveau.

Het lijkt me ook de moeite waard om voor beleidsniveaus die wel preventieve maatregelen willen nemen, zoals het huisarrest, het wettelijk kader uit te breiden en een en ander explicieter te regelen, zodat het eenvoudiger wordt om zo'n maatregel te nemen. Er zijn momenteel namelijk nog te veel drempels.

Overigens verwerp ik uw vaststelling dat de maatregel van het huisarrest geen effect in Antwerpen heeft gehad,. Dat zal daar zeker en vast wel effect hebben gesorteerd, maar 17 huisarresten zijn natuurlijk te weinig om alle relschoppers aan te pakken. Dat is het probleem. Er zouden meer huisarresten moeten zijn. Dat is de wens van de ploeg aldaar, maar er zijn juridische beperkingen. Twee jaar geleden hebben alle linkse partijen die tegen het huisarrest waren, een held gebruikt om naar de rechtbank te stappen tegen die huisarresten. Die held zit momenteel permanent in de gevangenis voor al wat hij nog heeft uitgespookt. Als die persoon toen geen huisarrest had gekregen, zou hij ongetwijfeld ook mee rel hebben geschopt. In die zin lijkt het mij dus nuttig om het kader uit te breiden.

Maaike De Vreese:

Mijnheer de minister, de lokale besturen hebben in deze een cruciale verantwoordelijkheid. Sommige burgemeesters hebben wel degelijk maatregelen genomen, maar andere burgemeesters, zeker die met een PS-signatuur in Brussel, hebben dat helemaal niet gedaan. Als u dat ziet aankomen, maar niet voldoende maatregelen neemt, dan is dat volgens mij schuldig verzuim. Het probleem is natuurlijk veel groter dan dat. Het is een groot en puur maatschappelijk probleem. In de wijken waar er telkenmale rellen uitbreken, moeten we kiezen voor nultolerantie, zodat we dat onder controle kunnen krijgen. Dat is inderdaad niet enkel een taak voor u als minister van Binnenlandse Zaken, maar ook een taak voor onder andere de minister van Justitie. U wijst ons door naar de minister van Justitie, maar ik had liever van u gehoord dat u samen met de minister van Justitie zou overleggen en dat grote probleem beter zou aanpakken. Waarom is bijvoorbeeld de nationale veiligheidsraad in aanloop naar oudejaarsavond niet een keer samengekomen om alle spelers rond de tafel te brengen, een vraag die ik ook al in plenaire vergadering heb gesteld? Telkenmale opnieuw zien we de situatie uit de hand lopen. U kunt de zaken verder in handen nemen. Ik ben voetbalsupporter en u ook. Wij, supporters, steunen alvast iedere maatregel die het voetbal bevordert. Als iemand de sport in een negatief daglicht stelt, vinden wij dat zeer jammer. Dus, voor ons part mag u de relschoppers zeer hard aanpakken.

Het vandalisme en het geweld tijdens de nieuwjaarsnacht in heel Vlaanderen
De incidenten in Antwerpen en Brussel tijdens de nieuwjaarsnacht
De rellen tijdens de oudejaarsnacht
Het geweld tijdens de oudejaarsnacht
Nieuwjaarsrellen en geweld in Vlaamse steden

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 13 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de escalerende oudejaarsrellen in België, die niet langer beperkt blijven tot grootsteden maar ook kleinere gemeenten treffen, met geweld tegen hulpdiensten (politie, brandweer, ambulances) als centraal probleem. Minister Quintin benadrukt dat het geweld dit jaar in Brussel afnam (minder aanhoudingen en brandstichtingen dan 2024), dankzij betere coördinatie en preventie, maar erkent dat elk incident "er één te veel" is; hij wijst op strafrechtelijke opvolging en versterkte samenwerking tussen lokale, regionale en federale overheden. Volgens hem gaat het om crimineel gedrag, niet om afkomst, hoewel 75% van de verdachten Belgische nationaliteit heeft (met name in Antwerpen). Depoortere (kritisch) bestrijdt die visie: hij stelt dat allochtone afkomst wel degelijk een rol speelt, bekritiseert het gebrek aan daadkracht ("zes jaar nultolerantie-retoriek zonder resultaat") en eist harder optreden (betere bewapening politie, strengere straffen, aanpak minderjarige relschoppers via jeugdsanctierecht). Meuleman (constructief) ondersteunt de minister en benadrukt dat een ketenaanpak (samenwerking alle bestuursniveaus) essentieel is, zonder partijdige schuldtoewijzing. De kernvragen blijven: Hoe voorkom je normalisering van het geweld? en Waarom falen bestaande maatregelen om recidive tegen te gaan?

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, ik zal niet herhalen wat ik vorige week tijdens het korte debat in de plenaire vergadering zei. Ik wil wel even de nadruk leggen op het feit dat rellen tijdens oudejaarsnachten niet langer uitsluitend een fenomeen van grootsteden zijn. Er zijn niet alleen rellen in Brussel, Antwerpen of Gent, zoals vroeger het geval was, maar ook in alsmaar meer gemeenten en kleinere steden, denk maar aan Harelbeke en Erpe-Mere.

Er speelt daar eenzelfde problematiek en we mogen daar niet blind voor zijn: het gaat om voornamelijk allochtone relschoppers die lak hebben aan normen, waarden en regels. In Harelbeke trekt de burgemeester aan de noodrem en vraagt om hulp, want hij kan de problemen met zijn kleine korps niet langer aan. Hij vreest dat de situatie zal escaleren in de toekomst. Mijnheer de minister, ik herhaal zijn woorden en richt mij tot u. Ik vraag u om in te grijpen, waar dat kan, en om de nodige ondersteuning te geven aan de politiezones en burgemeesters om de relschoppers onder bedwang te krijgen.

U antwoordde vorige week dat men denkt aan het huisarrest als maatregel. Vandaag verneem ik dat u niet onmiddellijk de wetgeving zult uitbreiden. Misschien kunt u daar wat meer uitleg bij geven.

Voorzitter:

M. De Smet n'est pas présent.

Brent Meuleman:

Mijnheer de minister, tijdens de voorbije oudejaarsnacht vonden er in verschillende Belgische steden ernstige geweldincidenten plaats. Onder meer in Antwerpen en Brussel, maar ook op andere plaatsen, werden hulpdiensten belaagd, voertuigen in brand gestoken en politiemensen en hulpverleners aangevallen met vuurwerk en andere projectielen. Dergelijke feiten zijn geen geïsoleerde uitzonderingen meer, maar lijken zich jaar na jaar te herhalen en zelfs te intensifiëren. Dat is compleet onaanvaardbaar en ontoelaatbaar. Die gebeurtenissen ondermijnen niet alleen het veiligheidsgevoel van burgers, maar vormen ook een onaanvaardbare bedreiging voor de fysieke integriteit van onze politiemensen, brandweerlieden en ambulanciers, die net instaan voor onze veiligheid.

Ondanks eerdere aankondigingen van verscherpte maatregelen, preventiecampagnes en verhoogde politie-inzet blijft de vraag in welke mate het veiligheidsbeleid daadwerkelijk grip krijgt op de problematiek.

Kunt u een overzicht geven van de geregistreerde geweldincidenten tijdens oudejaarsnacht, opgesplitst per stad of politiezone, en dat in vergelijking met voorgaande jaren? Die cijfers mogen uiteraard ook schriftelijk worden bezorgd.

Hoeveel politiemensen en andere hulpverleners geraakten hierbij betrokken en/of gewond? Hoe beoordeelt u de ernst van de evolutie van het geweld tegen hulpdiensten?

Welke federale veiligheidsmaatregelen waren specifiek van kracht tijdens oudejaarsnacht en acht u die achteraf bekeken voldoende en adequaat? Werden vooraf risicoanalyses gemaakt voor bepaalde wijken of steden? Zo ja, waarom hebben die kennelijk niet kunnen voorkomen dat het opnieuw tot zware incidenten is gekomen?

Hoeveel verdachten werden gearresteerd in het kader van de feiten? Hoe ver staat het met de gerechtelijke opvolging? Wordt systematisch ingezet op snelle en zichtbare vervolging?

Overweegt u bijkomende en strengere maatregelen, zoals een verstrenging van het vuurwerkbeleid, zwaardere straffen voor geweld tegen hulpdiensten of een uitbreiding van bestuurlijke of gerechtelijke instrumenten?

Ten slotte, hoe zult u vermijden dat dergelijke geweldplegingen normaliseren en uitgroeien tot een terugkerend patroon, waarbij het gezag van de Staat en de veiligheid van hulpverleners verder wordt uitgehold?

Voorzitter:

Mme Delcourt n'est pas présente.

Bernard Quintin:

Met uw toestemming zal ik in het Nederlands en het Frans antwoorden, omdat het op die manier voorbereid is.

Chers collègues, je vous remercie pour vos questions. Comme cela a été dit, la nuit du nouvel an 2025-2026 a une nouvelle fois été marquée à Bruxelles, à Anvers et dans d'autres villes par des violences graves et inacceptables.

Sur la base des données actuellement disponibles, 101 personnes ont été arrêtées à Anvers, dont 60 mineurs, et 97 arrestations administratives ont été effectuées à Bruxelles, dont 80 concernaient également des mineurs.

À Anvers, 18 procès-verbaux ont été dressés pour des faits de vandalisme impliquant des bâtiments, des véhicules et du mobilier urbain ainsi que des dommages à des véhicules de police. Environ 30 incidents visant des services publics ont été enregistrés, dont 21 contre la police, 5 contre les pompiers et 3 contre des ambulances. À Bruxelles, 14 faits de violence contre les services publics ont été constatés et 3 policiers ont été légèrement blessés.

Je veux le dire et le répéter ici sans ambiguïté, les actes de violence visant les forces de l'ordre et les services de secours doivent être punis avec une sévérité absolue par la justice. Celles et ceux qui sont chargés de protéger la population doivent être protégés et non visés.

Elk feit van geweld tegen politieambtenaren, brandweerleden of ambulanciers wordt systematisch geregistreerd en opgevolgd via een gestructureerde aanpak, overeenkomstig de geldende richtlijnen en omzendbrieven die in overleg met het College van procureurs-generaal worden uitgewerkt, met als doel een coherente en doeltreffende behandeling van deze dossiers te waarborgen.

Wat het profiel van de aangehouden personen betreft, tonen de eerst beschikbare operationele gegevens aan, met name in Antwerpen, dat de overgrote meerderheid van de verdachten lokale inwoners zijn en dat ongeveer drie kwart van hen de Belgische nationaliteit heeft. Deze elementen bevestigen dat het probleem geen kwestie is van nationaliteit, maar van gewelddadig en crimineel gedrag, dat met de grootste vastberadenheid moet worden aangepakt, ongeacht de oorsprong of het statuut van de daders.

Ik wens evenwel te benadrukken dat de balans, met name in Brussel, minder zwaar is dan in de voorgaande jaren. In 2024 vonden bijna 150 administratieve aanhoudingen plaats, wat aanzienlijk meer is dan dit jaar. Daarnaast werden er viermaal minder voertuigen in brand gestoken. In het algemeen en op basis van wat de actoren op het terrein mij de hele nacht hebben meegedeeld in het Brusselse controlecentrum, waar ik op de 31ste bewust aanwezig ben gebleven, werden de incidenten beduidend beter onder controle gehouden dan in de afgelopen jaren.

Laat er evenwel geen misverstand over bestaan. Elk incident is er één te veel.

Je salue l’excellent travail de l’ensemble des services de sécurité, la préparation et la coordination efficaces ainsi que le travail de prévention qui avait été mené en amont. À cet égard, j’avais écrit aux bourgmestres du pays, y compris de la Région de Bruxelles-Capitale, afin d’attirer leur attention sur le niveau de risque élevé et sur la nécessité de prendre, dans le cadre de leurs compétences de police administrative, toutes les mesures appropriées pour prévenir des troubles à l’ordre public, notamment en matière de rassemblements, de circulation, de feux d’artifice et de protection des services de secours. Cette concertation visait à garantir une préparation coordonnée et l’utilisation maximale des outils dont disposent les autorités locales.

Sur le terrain, des dispositifs spécifiques ont été mis en œuvre, comme à Anvers, où des entraînements conjoints entre la police, les pompiers et les services médicaux ont été organisés en amont et où un poste de commandement multidisciplinaire a permis, durant la nuit, d’assurer une évaluation en temps réel des risques et, si nécessaire, l’accompagnement policier des interventions de secours. La protection des services de secours est pour moi une priorité absolue. À cette fin, une circulaire ministérielle du 24 octobre 2025 a renforcé les mesures de prévention, l’obligation d’enregistrer toute agression, l’accompagnement des victimes et le suivi juridique des pompiers et ambulanciers confrontés à la violence. Ces cadres seront pleinement mobilisés et, le cas échéant, renforcés à la lumière des évaluations en cours.

Mesdames et messieurs les députés, personne ne peut prétendre faire disparaître totalement ce type de violence du jour au lendemain. C’est pourquoi une analyse approfondie des événements est en cours avec les autorités locales, les zones de police, les services de secours et, bien entendu, la police fédérale et mes propres services.

Cette analyse vise à identifier ce qui a fonctionné, ce qui doit être corrigé et comment mieux prévenir, encadrer et sécuriser les prochaines échéances à risque. La gestion de ce type de situation repose sur une articulation claire entre le niveau fédéral, qui fixe le cadre et met à disposition les capacités policières, le niveau régional, qui peut adopter des mesures spécifiques en matière d’ordre public et de mobilité, comme cela a été le cas à Bruxelles à l’occasion du nouvel an – je rappellerai la limitation de l’utilisation des trottinettes pendant la journée précédant le réveillon et le réveillon lui-même – et le niveau local qui exerce la police administrative et adapte les mesures aux réalités du terrain. C’est dans ce cadre de responsabilité partagée que le gouvernement continuera à agir pour éviter que de tels débordements ne deviennent un phénomène récurrent.

Ik bevestig dat er een goede coördinatie was. Ik heb dat, als ik me niet vergis, donderdag al gezegd. Ter plaatse heb ik met alle diensten gesproken. De eerste analyse wees uit dat er minder incidenten waren, dankzij meer mensen op het terrein, betere coördinatie en grotere reactiviteit. Ik ben er zeker van dat we een gedegen evaluatie zullen krijgen van alle diensten op alle niveaus, zodat we tegen het einde van het jaar, maar ook bij toekomstige evenementen, de juiste beslissingen nemen om nog effectiever op te treden en het aantal incidenten verder te verminderen.

Ortwin Depoortere:

Ik dank u, mijnheer de minister, voor uw bijkomende antwoorden. Zonder het debat van vorige week te willen herhalen, maar ik hoor steeds dezelfde woorden: nultolerantie, onaanvaardbaar... Ik hoor die woorden al meer dan zes jaar in dit Parlement van verschillende ministers en regeringsleden. In de praktijk zien we echter weinig verbetering. Het aantal incidenten dit jaar ligt misschien iets lager, maar het probleem groeit nog steeds. Het speelt niet alleen in Brussel, zoals ik in mijn vraag aangaf, maar ook in steeds meer andere gemeenten.

Ten tweede, neem de bevolking niet voor idioten, mijnheer de minister. Het feit dat iemand de Belgische nationaliteit heeft, betekent niet dat de dader niet van allochtone afkomst is. Stop daarom met het riedeltje dat afkomst er niet toe doet, in werkelijkheid heeft alles met afkomst te maken.

Ten derde is er de verantwoordelijkheid van alle betrokkenen. De politie moet, naar mijn oordeel, beter uitgerust en bewapend worden om die relschoppers tegen te gaan en effectief op te pakken. De orde moet meer worden hersteld, men moet meer relschoppers durven te arresteren en voor het gerecht te brengen. Dat is de verantwoordelijkheid van Justitie. De straffen voor geweld tegen hulp- en politiediensten zijn mogelijk verhoogd, maar als ze niet worden uitgevoerd, leidt dat tot straffeloosheid.

Daarnaast is er de verantwoordelijkheid van lokale bestuurders en van de gemeenschappen. Het aantal minderjarigen onder de relschoppers neemt toe. De gemeenschappen zijn verantwoordelijk voor het jeugdsanctierecht en moeten zorgen voor een harde aanpak van die minderjarige relschoppers. Dat is, mijnheer de minister en mevrouw De Vreese, in tweede instantie ook de verantwoordelijkheid van de Vlaamse regering, waarvan uw partij deel uitmaakt.

Brent Meuleman:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

Ik wil u toch ook steunen, want ik weet maar al te goed dat u geen toverstaf hebt waarmee u ervoor kunt zorgen dat er morgen geen geweldsfeiten meer zijn. We zouden elkaar hier allerlei verwijten naar het hoofd kunnen slingeren, maar het is een ketenaanpak. Iedereen moet daarin zijn verantwoordelijkheid nemen en iedereen heeft daarin een aandeel.

Als minister voor Binnenlandse Zaken en Veiligheid kunt u daarin een regierol opnemen en u doet dat ook. U moet in de driver's seat zitten en ervoor zorgen dat de dalende trend die u beschrijft met betrekking tot de geweldsfeiten in Brussel, die dit jaar gelukkig al minder talrijk waren dan vorig jaar, zich voortzet en dat iedereen zich daarvoor blijft inzetten.

Zoals ik al zei, is niemand daar alleen voor verantwoordelijk en het is niet met stoere oneliners dat men het probleem oplost. Mijnheer de voorzitter, uw partijgenoot, die toevallig ook burgemeester is in Ninove, heeft vorige week ook in zijn gemeente een geval van zinloos geweld meegemaakt. Ik heb dat helaas ook al in mijn gemeente meegemaakt. Geen enkele gemeente is daar vrij van, of men nu links, rechts, van boven, van onder, geel of groen is. Dat zijn helaas feiten die zich jammer genoeg voordoen in onze samenleving en het is aan ons allen samen om ervoor te zorgen dat we dat aantal hopelijk ooit tot nul kunnen herleiden. U zult daarvoor in Vooruit altijd een partner vinden, mijnheer de minister.

Voorzitter:

Vraag nr. 56012080C van de heer Vandemaele wordt omgezet in een schriftelijke vraag. Vraag nr. 56011375C van de heer Cornillie wordt op zijn verzoek uitgesteld.

Verdwenen wapens
Verdwenen politiewapens
Verdwenen wapens bij politie en instanties

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 13 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Parlementsleden Vandemaele, De Vreese en Depoortere bekritiseren het slechte wapenbeheer bij de federale politie, waar onder meer een FN SCAR-gevechtswapen, oefenwapens, munitie en radio’s verdwenen uit meerdere depots, soms al sinds maart 2023 zonder directe openbaarmaking. Vandemaele suggereert interne diefstal door agenten met "malafide bedoelingen", wijst op een cultuur van doofpotoperaties (vergelijkbaar met de jaren ’80) en bekritiseert dat minister Quintin geen volledige lijst van verdwenen wapens geeft, slechts verwijzend naar één incident en algemene procedures (zoals PV’s, inspecties en camerabewaking in één depot). De Vreese benadrukt het risico op misbruik door georganiseerde criminaliteit en vraagt om structurele oplossingen, terwijl Depoortere twijfelt aan de effectiviteit van bestaande registratiesystemen. Minister Quintin bevestigt onderzoeken, strengere toegangscontroles (badges, codes) en een actieplan naar aanleiding van een AIG-rapport, maar ontwijkt concrete cijfers over omvang en locaties van verdwijningen, wat Vandemaele als "onacceptabel geheimzinnig" bestempelt. De Vreese relativeert de "algemene beschuldigingen" aan het adres van de politie, maar eist transparantie over aanbevelingen; Depoortere pleit voor vertrouwen in leidinggevenden, mits versterkte interne controles.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, tijdens de kerstvakantie verscheen in de krant een bericht over de verdwijning van een elitewapen, met name een FN SCAR, samen met drie laders, negentig stuks munitie en een draagtas, bij de federale politie. Die verdwijning dateert blijkbaar al van begin vorig jaar, maar is pas recent publiek bekend geraakt. Zoals vaak gebeurt, heb ik daarover contact opgenomen met enkele politiemensen. Daaruit bleek dat er bij de federale politie nog andere wapens verdwenen zijn. Men kon mij daarover evenwel geen exhaustieve lijst bezorgen. Ik hoop dat u die straks wel kunt geven.

Wat mij in het bijzonder verontrust, is de verdwijning van tien oefenwapens. Het gaat om oefenwapens die in verschillende depots verdwenen zijn. Telkens zou daarvan een proces-verbaal zijn opgesteld. De vraag is dan uiteraard wat er met dergelijke wapens gebeurt wanneer ze verdwijnen. Men kan dat proberen te minimaliseren, bijvoorbeeld door te suggereren dat iemand zo’n wapen zou gebruiken om een verjaardagsfeestje op te luisteren met een spelletje politie en bandiet. Dat lijkt mij weinig geloofwaardig. Een oefenwapen geeft immers dezelfde terugslag als een gewoon wapen. Voor een elfjarig kind is dat geen speelgoed. De conclusie is dan ook dat enkel een politieagent in functie ermee kan trainen, of iemand met minder goede bedoelingen. Voor zover mij bekend, zijn er bij geen van de verdwijningen van die oefenwapens sporen van braak vastgesteld. Dat zou kunnen impliceren dat de wapens door agenten zelf zijn meegenomen.

In de krant las ik ook dat men bij de verdwijning van een echt oorlogswapen dacht dat het mogelijk ergens verkeerd was opgeborgen. Dat soort verklaringen komt bijzonder vreemd over. Dat brengt mij tot mijn vragen.

Welke oefenwapens, andere wapens en hoeveel munitie zijn de afgelopen maanden verdwenen? Welke stappen worden ondernomen om die wapens terug te vinden? Hoe is het mogelijk dat dit kan gebeuren? Bestaat er geen sluitend registratiesysteem waarbij wordt genoteerd wie een wapen uit de kast neemt en wanneer het opnieuw wordt teruggeplaatst? Dat lijkt mij nochtans logisch. Tot slot, welke maatregelen zult u nemen om de vermiste wapens op te sporen?

Ik kijk uit naar uw antwoorden.

Maaike De Vreese:

Mijnheer de minister, het was inderdaad een bericht dat door heel veel mensen is gelezen, omdat het ook een bizar verhaal is. Het gaat immers om een zwaar wapen. Het wapen, een FN Scar, is samen met munitie en toebehoren plots verdwenen. Het is spoorloos, al sinds maart 2025. Maanden later wordt dat nieuws dan plots publiek. In dat geval behoort het tot de taak van het Parlement om u te vragen hoe de wapenkast wordt beheerd, hoe de opvolging gebeurt en of er interne controle is van de wapens binnen de politiediensten.

Het werd daarnet kleurrijk verteld, maar wij mogen inderdaad veronderstellen dat iemand zijn handtekening plaatst op een lijst wanneer hij of zij een dergelijk wapen in zijn of haar bezit krijgt en dat het daarna opnieuw achter slot en grendel verdwijnt. Tegelijk circuleren er ook berichten vanop het terrein dat het niet om een alleenstaand geval zou gaan en dat dergelijke zaken nog gebeuren. Klopt dat? Hoe zwaar moeten wij daaraan tillen?

Ik meen dat wij daaraan zwaar moeten tillen want het gaat over vuurwapens die zelfs tegen de eigen diensten kunnen worden gebruikt. Wij hadden het daarnet over rellen en relschoppers die vuurwerk en dergelijke gebruiken, maar de georganiseerde criminaliteit die echte vuurwapens gebruikt, kan absoluut niet de bedoeling zijn. Onze politie- en veiligheidsdiensten worden ook geconfronteerd met zware criminaliteit en gewapend geweld. De zaak is dus bijzonder zorgwekkend.

Is dat dus iets wat gebeurt? Wat is de voorbije jaren gebeurd? Welke vaststellingen zijn gedaan? Wat zijn de oorzaken? Gaat het om diefstal, verlies of administratieve fouten? Het kan immers ook zijn dat iets verkeerd wordt gemeld. Is er een digitaal registratiesysteem? Ik weet dat eigenlijk zelf niet.

Op welk niveau zijn verantwoordelijkheden vastgesteld? Welke procedures zijn er vandaag voorhanden om het ontbreken van een wapen of munitie tijdig te detecteren en ook aan te geven? Hoe verklaart u dat het verlies van wapens pas maanden later werd vastgesteld?

Zijn er zaken die u wilt aanpakken? Zijn er concrete organisatorische of technische maatregelen die door u of door de politiediensten zelf zullen worden getroffen om het probleem structureel aan te pakken?

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, de situatie is reeds geschetst. We moeten ons vooral vragen stellen over het wapenbeheer binnen de federale politie. Hoe wordt daar eigenlijk mee omgegaan? Wordt dat zorgvuldig gedaan? Bestaat er een sluitend registratiesysteem? Blijkbaar bestaat dat niet, anders zouden we vandaag deze vragen niet moeten stellen.

Mijnheer de minister, hoever staat het met het onderzoek naar dat incident, dat in de pers is verschenen? Veel belangrijker nog is de vraag hoe we dat in de toekomst zullen voorkomen. Zal daarvan werk worden gemaakt? Zijn er bijkomende, sluitende richtlijnen nodig om het wapenbeheer binnen de federale politie correcter te laten verlopen, vooral om de garantie te kunnen bieden aan de bevolking dat onze politie zeer zorgvuldig omspringt met het geboden wapenarsenaal, dat tot hun beschikking staat? Ik hoop dat u daarop wat licht kunt werpen.

Bernard Quintin:

Mijnheer Vandemaele, mevrouw De Vreese, mijnheer Depoortere, de omzendbrief GPI 62ter betreffende de bewapening van de geïntegreerde politie voorziet, ten eerste, in maatregelen voor de beveiliging van de opslag van de bewapening en, ten tweede, in een procedure voor de melding van elke diefstal, elk verlies en elke beschadiging van de bewapening. Elk incident wordt bovendien vastgelegd in de vereiste proces-verbalen en maakt automatisch het voorwerp uit van een administratief onderzoek.

Bij de vaststelling van de afwezigheid van het wapen waarnaar u verwijst, zijn onmiddellijk volgende maatregelen genomen. Er werd zonder uitstel een proces-verbaal opgesteld en een intern onderzoek gestart. De resultaten van het onderzoek werden gebundeld in een syntheserapport dat werd overgemaakt aan de bevoegde directeur-generaal van de federale politie en aan de Algemene Inspectie van de Federale Politie en van de Lokale Politie, de AIG. Daarnaast werd een fysieke controle uitgevoerd van alle wapenkoffers voor collectieve wapens in alle opslagplaatsen die door de betrokken eenheden worden gebruikt. De bestaande regels inzake registratie, inspectie en controle van de bewapening werden daarbij opnieuw expliciet en strikt onder de aandacht gebracht. Tegelijk werden dringende bijkomende veiligheidsmaatregelen genomen, onder meer met betrekking tot badging , toegangsprocedures, codes en de installatie van camerabewaking in de betrokken wapenkamer.

Tot slot heeft de betrokken directie een actieplan uitgewerkt om de aanbevelingen van de AIG strikt op te volgen en om de beveiliging en het beheer van alle wapenkamers verder te versterken.

De federale politie bevestigt mij dat zij, in overeenstemming met de geldende richtlijnen, alle noodzakelijke maatregelen neemt om elk verlies van politiebewapening te voorkomen en om bij incidenten onmiddellijk gepast en doeltreffend op te treden. Ook zal er intern verder gecontroleerd worden op een correct beheer van de wapens. Dat is het minste dat ik van mijn politiediensten kan vragen.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, er zijn politieradio's, handvuurwapens, munitie en oefenwapens verdwenen bij onze federale politie. Dat gebeurde in verschillende depots, dus niet alleen hier in Brussel. Aangezien in verschillende kazernes wapens zijn verdwenen, heb ik u gevraagd om te bevestigen wat er verdwenen is, maar u geeft mij daarop gewoon geen antwoord. U blijft het hebben over dat ene incident, terwijl u evengoed als ik weet dat er meerdere incidenten zijn en dat daarover processen-verbaal zijn opgesteld. U wilt ons dus eigenlijk geen antwoord geven, of u krijgt geen antwoord van de federale politie. Beide zijn even problematisch, want ofwel weet u het niet, en dan is er een echt probleem, ofwel wil de federale politie het u niet zeggen, en dan is er ook een probleem.

Het kan toch niet dat we ons terug zoals begin de jaren '80 moeten voelen, toen er regelmatig wapens verdwenen uit depots van de toenmalige rijkswacht, thans de federale politie? Dat kan toch niet? Ik kan alleen maar vaststellen dat dit probleem in de doofpot wordt gestopt. Er wordt iets aan de pers gegeven, waarna de belangstelling hopelijk weer afneemt. Dat stramien hanteert de federale politie telkens opnieuw. Het gaat om een groot probleem, maar opnieuw krijgen de parlementsleden geen antwoord.

Wat ik wel weet, is dat het Correspo-onderzoek dat men zou voeren naar radicaliserende politieagenten, werd stilgelegd. Wie steelt die wapens uit de kazerne? Dat gebeurt toch door agenten met malafide ambities, dat zijn geen agenten die te goeder trouw werken. Ik heb al honderd keer gezegd dat 99 % van de agenten in ons land fantastische mensen zijn die geweldig werk leveren en elke dag instaan voor de veiligheid van onze inwoners, maar er is een deel dat zijn werk niet te goeder trouw doet. Laatstgenoemd deel zorgt ervoor dat het goede deel, het overgrote deel, een slechte naam krijgt. Laatstgenoemde agenten stelen wapens en opnieuw steekt de federale politie de kop in het zand. Ik stel hier als parlementslid vragen over iets dat toch bijzonder onrustwekkend is, namelijk dat handvuurwapens, oefenwapens, munitie en radio's verdwenen zijn bij onze federale politie, maar ik krijg daar gewoon geen antwoord op.

Met alle respect, maar dat acht ik bijzonder problematisch. In andere dossiers, zoals i-Police, kunt u verwijzen naar uw voorgangster; dat is uw goed recht en u kunt er in dat geval mee wegkomen. In deze situatie echter bent u verantwoordelijk. U moet ingrijpen bij de top van de federale politie, want dat soort zaken kan niet meer gebeuren.

Ik stel u dan ook opnieuw de vraag wat er precies verdwenen is. Dat moet u toch weten. Waarom wilt u ons geen antwoord geven op de vraag welke wapens en welke munitie verdwenen zijn bij de federale politie?

Hoe u zult voorkomen dat dat niet meer gebeurt? U antwoordt dat er één camera is geplaatst in een depot, maar ik weet dat uit meerdere depots oefenwapens en andere wapens verdwenen zijn. Niet uit één, niet uit twee, niet uit drie en niet uit vier, maar uit nog meer verschillende locaties van de federale politie. De plaatsing van één camera in het wapendepot te Brussel lost helemaal niets op.

Mijnheer de minister, geef ons de informatie waar wij recht op hebben. Wat is er verdwenen? Wat zult u daaraan doen? Het is onaanvaardbaar om het hoofd in het zand te steken, naast de kop van Snoeck en co, want dat is werkelijk problematisch.

Maaike De Vreese:

Mijnheer de minister, ik heb geluisterd naar wat u hebt toegelicht. Onmiddellijk is er een proces-verbaal opgesteld en een administratief onderzoek opgestart, met als resultaat een volledig syntheserapport. Ook de Algemene Inspectie is daarbij betrokken. Alle inspectiediensten die daarvoor in aanmerking komen, zijn ingeschakeld. Er zijn aanbevelingen geformuleerd en die aanbevelingen worden uitgevoerd. Ik ben benieuwd welke aanbevelingen dat precies zijn.

Ik merk op dat daarmee een procedure werd gevolgd die telkens wordt gevolgd wanneer zaken verdwijnen of worden gestolen. Daarnaast is een zeer duidelijke omzendbrief opnieuw onder de aandacht gebracht van onze politiediensten.

Collega Vandemaele, het volgende moet mij van het hart. U stelt telkens dat 99 % van de mensen binnen de politie bonafide handelt en dat het over dat ene procent gaat. Tegelijkertijd sleurt u wel telkens de volledige politie door het slijk. U creëert steeds weer een soort van schandaalsfeer. Van verschillende mensen die bij de politie werken, van alle rangen, heb ik gehoord dat zij erkennen dat er zaken fout lopen, maar dat die ook worden opgepikt. Wanneer zij moeten komen getuigen, zullen zij dat ook doen. Als zaken beter kunnen worden aangepakt, zal men dat opnemen, ook samen met de minister. Het is onze taak als parlementslid om daarover vragen te stellen. De teneur van uw betoog is alsof de volledige federale politie rot is en bewust wegkijkt wanneer wapens verloren gaan of worden gestolen, alsof er sprake is van een doofpotoperatie. Als dat werkelijk het geval zou zijn, dan kunnen we als land de boeken sluiten.

Matti Vandemaele:

De minister geeft geen antwoord!

Maaike De Vreese:

De minister heeft heel wat vragen beantwoord. Ik stel voor dat we voor meer inhoudelijke informatie schriftelijke vragen indienen, met name over de proportie.

Voorzitter:

Mijnheer Vandemaele, ik maan u aan tot rust.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, ik begrijp zowel het standpunt van de heer Vandemaele als dat van mevrouw De Vreese.

De heer Vandemaele heeft duidelijk gesteld dat 99 % van de politiemensen het werk op een zeer goede manier doet. Het gaat over de 1 % die dat blijkbaar niet doet. Ik begrijp echter ook het standpunt van mevrouw De Vreese, die stelt dat er een sfeer wordt gecreëerd alsof er niets anders meer gebeurt dan malafide zaken. Dat is natuurlijk niet waar.

Mijnheer de minister, om juiste conclusies te kunnen trekken, moeten we een volledig beeld krijgen van wat er fout loopt bij het wapenbeheer. Als u dat vandaag niet kunt geven in antwoord op een mondelinge vraag, dan zullen wij dat blijven opvolgen via schriftelijke vragen.

Het bestaan van omzendbrieven en richtlijnen betekent niet dat er plots geen malafide zaken meer kunnen gebeuren. Laten we ons daarvan zeer bewust zijn. Ik hoop vooral dat er voldoende interne controlemechanismen zijn om dergelijke fouten in de toekomst zoveel mogelijk te voorkomen.

Ik reken daarvoor op de leidinggevenden binnen de federale politie. Op dat punt geef ik mevrouw De Vreese volledig gelijk. Als wij geen vertrouwen meer kunnen hebben in de leidinggevenden van de federale politie, dan kunnen we inderdaad beter de boeken sluiten. We moeten een zekere mate van vertrouwen behouden in de federale politie, die moet instaan voor een juiste controle en registratie. Uiteraard moeten wij als parlementslid ook ons werk kunnen doen.

Voorzitter:

Les questions n° 56012114C et n° 56012124C de M. Hervé Cornillie sont reportées. La question n° 56012170C de M. Patrick Prévot est sans objet.

De toestand van de verkeerspost van de federale wegpolitie in Zelzate
De staat van het gebouw van de federale wegpolitie in Zelzate
De infrastructuur van de federale wegpolitie in Zelzate

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 13 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De verkeerspost Zelzate van de federale wegpolitie kampt met ernstige bouwkundige problemen (waterinsijpeling, verouderde infrastructuur) die volgens Ortwin Depoortere en Brent Meuleman de veiligheid, hygiëne en werkomstandigheden aantasten, ondanks meldingen sinds 2019 en beperkte herstellingen (o.a. dakdeel in 2022). Minister Quintin bevestigt dat structurele oplossingen pas na 2026 gepland zijn (inclusief mogelijke nieuwbouw met integratie van het vredegerecht), wat Depoortere bekritiseert als "onvoorstelbaar traag" en een gebrek aan respect voor politiediensten; hij eist snellere actie en voldoende middelen voor alle 121 politielocaties. Meuleman vraagt bovendien om concrete plannen voor laadpalen (voor niet-bestaande elektrische dienstvoertuigen) en de impact op personeel, maar krijgt geen direct antwoord op alle punten.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, ik ontving recent beelden die werden opgenomen in de verkeerspost Zelzate van de federale wegpolitie. Daarop is te zien hoe er water binnensijpelt in de gebouwen, met zichtbare schade aan plafonds en infrastructuur. Dat wijst op ernstige bouwkundige problemen en gebreken.

Niet enkel in die post rijzen er dergelijke problemen. Dat is nagenoeg in alle gebouwen van onze federale politiediensten het geval. Het gaat meestal om verouderde kazernes, die niet meer beantwoorden aan de noden van een moderne politiedienst en te kampen krijgen met de gevolgen van achterstallig onderhoud.

Mijnheer de minister, werd u op de hoogte gesteld van de problemen in de verkeerspost Zelzate? Welke meldingen of inspectieverslagen bestaan hierover? Zult u de nodige maatregelen nemen, onmiddellijk en structureel om de verkeerspost te renoveren of te herstellen? Kunt u mij een overzicht bezorgen?

Mijn stem begeeft het, dus ik zal het hierbij houden.

Brent Meuleman:

Mijnheer de voorzitter, ik zou bijna denken dat u er emotioneel van wordt als het over Zelzate gaat. Als burgervader van de parel van het noorden ben ik uiteraard blij dat er samen met mij nog collega's bezorgd zijn over de infrastructuur op ons grondgebied.

Mijnheer de minister, bepaalde weersomstandigheden leggen structurele gebreken aan gebouwen of delen ervan die in slechte staat verkeren, nog duidelijker bloot. Dat is na de voorbije winterprik ook het geval voor het gebouw van de federale wegpolitie in Zelzate.

Bent u op de hoogte van de problemen met het gebouw van de federale wegpolitie in Zelzate? Welke gebreken vertoont het gebouw en welk remediëringsplan staat daartegenover? Recent werden er zonnepanelen geplaatst. Voorziet men verdere structurele aanpassings- of verbouwingswerken aan dat gebouw? Ook een deel van het dak werd vernieuwd, maar er blijft een probleem van waterinsijpeling bestaan. Hoe groot is dat probleem? Welke remediëring staat daartegenover en op welke termijn? Welke impact heeft de toestand op de dagelijkse werking en op het personeel? Ooit waren er plannen voor een nieuwbouw op die locatie. Zijn die plannen definitief opgeborgen of is er nog hoop op een nieuwbouw?

Ik heb nog enkele bijkomende vragen. Er zou sprake zijn van de installatie van laadpalen voor elektrische voertuigen. Kunt u mij dat bevestigen? Hoeveel elektrische voertuigen heeft men op die post in gebruik? Ik verneem immers dat er geen zouden zijn. Zal die laadinfrastructuur ook kunnen gebruikt worden door het personeel voor het laden van eigen voertuigen?

Bernard Quintin:

Op 17 januari 2019 bracht de FOD WASO een inspectiebezoek aan de verkeerspost in Zelzate. Tijdens die inspectie werden meerdere tekortkomingen met betrekking tot de staat van de infrastructuur vastgesteld. Zo werd waterinfiltratie opgemerkt in het plafond van de kantine, de doucheruimte, de wapenopslagruimte en de hoofdingang. De vaststellingen wijzen op structurele problemen die de veiligheid, hygiëne en arbeidsomstandigheden van het personeel kunnen beïnvloeden. Naar aanleiding van de bevindingen werd een uitgebreid actieplan opgesteld en vervolgens ter kennisgeving aan de FOD WASO bezorgd.

Het gebouw waarin de wegpolitie van Zelzate is ondergebracht, werd gebouwd in 1974 en wordt sinds 2004 door de diensten van de wegpolitie gebruikt. Wanneer er een defect, storing of afwijking in de infrastructuur wordt vastgesteld, brengt de juridische verantwoordelijke van de verkeerspost systematisch de dienst Infrastructuur van de coördinatie- en steundirectie, de CSD, op de hoogte.

Er zijn verschillende technische herstellingen doorheen de jaren doorgevoerd, hetzij door de federale politie in eigen beheer of via een private instantie of vanuit de Regie der Gebouwen. In 2022 werd opnieuw een deel van het dak boven de garage hersteld. Hierdoor zijn de meeste waterlekken verholpen, maar momenteel is er nog steeds insijpelend water in de garage en het onthaal bij zeer hevig regenwater.

De diensten hebben contact opgenomen met de Regie der Gebouwen om de verontrustende toestand van de infrastructuur te melden. In 2022 werd besloten dat het project pas na 2026 zou worden gepland, binnen het kader van het meerjarige investeringsplan, met de integratie van de vrederechter op de betrokken locatie. Daarnaast werd besloten om over te gaan tot de aankoop van het aangrenzende terrein. Bovendien werd de regie belast met een onderzoek naar ontwikkelingsmodaliteiten en coördinatie van de functies van de federale politie en justitie.

De federale politie, verspreid over 121 locaties, heeft een gestructureerd en regelmatig geactualiseerd infrastructuurmasterplan opgesteld, dat een duidelijk overzicht biedt en de prioriteiten rangschikt. De Regie der Gebouwen en mijn kabinet zullen een strategisch overleg organiseren, in samenwerking met de federale politie.

Daarnaast kan ik u meegeven dat ik aan de toezichtsminister van de regie heb gevraagd om een nieuwe werkmethodiek voor de jaarlijkse projecten in te voeren, zodat overleg wordt verzekerd en de verzoeken van de federale politie volledig worden meegenomen.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, uiteraard ligt de grootste verantwoordelijkheid bij de Regie der Gebouwen en bij de toezichtsminister, zoals u zo mooi zei. Het is wel onvoorstelbaar dat er in 2019 vaststellingen werden gedaan, alle problemen, die we vandaag nog kennen, in het inspectieverslag werden geregistreerd en doorgegeven, zowel intern als extern, en dat men moest wachten tot 2022, vooraleer zeer voorzichtig het dak werd hersteld, wellicht om de grootste noden te lenigen. Nu zijn we weer drie jaar later en u antwoordt mij dat na 2026 misschien en na overleg met de toezichtsminister in het masterplan dat eraan komt, iets structureels en ten gronde zal gebeuren. Dat kan er bij mij niet in. Een overheid die respect heeft voor haar politiediensten, moet er ook voor zorgen dat die politiediensten op een goede manier worden gehuisvest.

Ik hoop dat er veel sneller op de bal zal worden gespeeld en dat men niet blijft talmen met die grootste noden. U spreekt van 121 sites in totaal. Dat is enorm veel. Ik hoop dat daarvoor de nodige middelen zullen worden uitgetrokken en vooral dat de problemen op korte termijn worden opgelost. Onze politiediensten verdienen dat.

Brent Meuleman:

Mijnheer de minister, voor een goed begrip, u zei dat het vredegerecht zal verhuizen naar de gebouwen van de federale wegpolitie. Is dat gepland voor dit jaar? Dat was mij niet helemaal duidelijk. Na 2026?

Bernard Quintin:

Na 2026. (…)

Brent Meuleman:

Op een aantal vragen heb ik nog geen antwoord gekregen. Die zou ik graag nog schriftelijk ontvangen.

Reclame voor junkfood en de bescherming van de consumenten, in het bijzonder de jongeren

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 8 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Jean-François Gatelier vraagt kritisch om een concrete balans van het Belgian Food Advertising Code (2026), dat volgens gezondheidsactoren te zwak is (vage criteria, te veel uitzonderingen, falende zelfregulering), en dringt aan op dwingende maatregelen tegen agressief marketing van ongezonde voeding aan kinderen, zoals verplichte Nutri-Score in reclame. Minister Vandenbroucke erkent het probleem – slechte eetgewoonten bij kinderen hebben levenslange gevolgen – en wijst op lopende overleggen met de sector (bv. beperking energiedrankjes voor minderjarigen, minder prijspromoties), maar stelt dat objectieve evaluatie van de zelfregulering eerst moet plaatsvinden, met regulerende stappen als noodzakelijk. Gatelier bekritiseert het gebrek aan urgentie, wijst op het VK-voorbeel (algeheel reclameverbod voor junkfood voor 21u) en kondigt een wetsvoorstel aan om kinderen en burgers actief te beschermen, met de stelling dat preventiebeleid onvermijdelijk is om stijgende gezondheidskosten te beteugelen. Vandenbroucke blijft coöperatief (samenwerking met sector), maar laat de deur open voor wettelijke maatregelen als vrijwillige afspraken falen.

Jean-François Gatelier:

Monsieur le ministre, en mai dernier, je vous interrogeais suite à l’annonce des acteurs de l’alimentation et leur engagement à appliquer des règles plus strictes en matière de publicité à destination des enfants et des jeunes pour les aliments et les boissons ne répondant pas à des critères nutritionnels spécifiques. Le secteur estimait alors assumer sa responsabilité et évoquait un pas en avant important, tandis que les acteurs de la santé se montraient très critiques face à cette initiative: critères insuffisamment stricts pour juger si un aliment est sain ou non, trop nombreuses exceptions, systèmes d’autorégulation insatisfaisants.

Vous m’aviez alors répondu que l’alimentation saine constituait un enjeu fondamental et que le marketing actuel représentait un vrai problème. Vous aviez précisé que les avancées du nouveau Code étaient insuffisantes et que vous alliez voir avec la Fédération de l’industrie alimentaire belge (Fevia) comment faire avancer les choses.

En octobre dernier, vous avez rencontré les acteurs concernés, qui ont pris des engagements pour mieux informer les consommateurs et renforcer les actions de nudging afin de faire du choix le plus sain le choix le plus simple.

Monsieur le ministre, le Belgian Food Advertising Code est entré en vigueur ce 1 er janvier 2026. C’est l’occasion de faire le bilan de la situation. La concertation menée avec l’industrie alimentaire a-t-elle débouché sur des résultats concrets? En réponse à des questions écrites, vous avez évoqué la volonté de renforcer l’utilisation généralisée du Nutri-Score et la possibilité de le rendre obligatoire dans la publicité. Au-delà de ces bonnes intentions, que nous soutenons, quand seront mises en œuvre des mesures concrètes et efficaces pour mettre fin à l’exposition des consommateurs – en particulier nos enfants et nos jeunes – à un marketing agressif pour des produits néfastes pour la santé?

Frank Vandenbroucke:

Je crois que cette problématique de la consommation de produits malsains doit être prise vraiment très au sérieux. Les recherches montrent que les mauvaises habitudes alimentaires acquises durant l’enfance tendent à se maintenir tout au long de la vie et de nombreuses études confirment également que le marketing alimentaire influence fortement les comportements d’achat et la consommation des enfants. Le fait que le Conseil Supérieur de la Santé a recommandé d’interdire le marketing des produits alimentaires malsains dans les lieux fréquentés par les enfants est dès lors très important.

Conformément à cet avis, je me suis réjoui que le secteur lui-même ait pris l’initiative de limiter la publicité autour des écoles avec le nouveau Belgian Food Advertising Code. Je suis en concertation avec le secteur afin d’examiner comment ce code d’autorégulation peut être évalué de manière objective. En parallèle, je suis également en concertation avec le secteur pour discuter de différentes mesures possibles, d’abord dans un esprit coopératif, comme par exemple la limitation de la vente de boissons énergisantes aux mineurs, la réduction des promotions de prix sur les produits malsains, le renforcement du Nutri-Pact et le déploiement de davantage de caisses saines. Je crois, comme vous, que le Nutri-Pact est un outil clé et qu’il faut tenter de l’universaliser. J’en discute actuellement avec le secteur. Si nécessaire, il faudra saisir le gouvernement et la majorité pour envisager une initiative réglementaire en la matière.

Jean-François Gatelier:

Merci pour votre réponse, monsieur le ministre. Pour votre information, mais vous le savez sans doute déjà, le gouvernement britannique a légiféré depuis ce 5 janvier pour interdire la publicité pour la malbouffe à la télévision avant 21 h et interdire les publications payantes de la malbouffe sur internet. C’est une belle avancée. J’attends également de mon gouvernement qu’il puisse légiférer en ce sens car, je le rappelle, la médecine soigne mais la politique protège. En tout cas, avec mon groupe, je compte déposer prochainement un projet – j'ai entendu votre invitation à le faire – afin que la Chambre puisse légiférer, car je pense qu’il est important de protéger nos jeunes, nos enfants, mais aussi l’ensemble des citoyens contre cette malbouffe dont nous savons qu’elle entraîne des problèmes de santé importants. Nous ne pouvons pas à la fois critiquer l’explosion des dépenses de santé publique et ne pas mener une politique dynamique et responsable en matière de prévention et de lutte contre la malbouffe.

Het verbod op radicale organisaties en het advies van de Raad van State

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 8 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Paul Van Tigchelt steunt het opvolgen van extremistische groeperingen via de OCAD-lijst, maar bekritiseert het regeringsvoorstel om groeperingen te verbieden als een gevaarlijk hellend vlak en inbreuk op pers-, menings- en verenigingsvrijheid, gesteund door kritiek van de Raad van State. Minister Bernard Quintin verdedigt het voorstel als grondwettelijk en noodzakelijk voor nationale veiligheid, met tijdelijke administratieve verboden gebaseerd op inlichtingenrapporten en recht op beroep bij de Raad van State, maar benadrukt dat meningen of vreedzaam protest nooit worden verboden. Van Tigchelt herhaalt zijn wantrouwen in politieke discretie en roept Quintin op zijn liberale principes hoog te houden, zonder dat de regering arbitrair groeperingen kan verbieden. Quintin bevestigt de prioriteit van veiligheid binnen een open democratie, met gerichte maatregelen tegen bewezen bedreigingen.

Paul Van Tigchelt:

Monsieur le ministre, mes meilleurs vœux pour vous et vos proches.

U wilt extremistische groeperingen aanpakken. Dat is een strijd die we samen voeren. Er is in onze samenleving geen plaats voor geweld en extremisme. Op de OCAD-lijst, die we in volle terreurcrisis ontwikkelden, hebben we staatsgevaarlijke personen geplaatst. U hebt aangekondigd ook groeperingen op die lijst te willen zetten om ze beter te kunnen opvolgen en aanpakken. Dat is een goede evolutie.

Tot daar echter het goede nieuws. U ging verder en kwam ook met een wetsontwerp om dergelijke groeperingen te verbieden. Hiermee - daarvoor heb ik u van bij het begin gewaarschuwd - begeeft u zich op een gevaarlijk hellend vlak. U legt de bevoegdheid om die groeperingen te verbieden immers bij een politiek orgaan, zijnde de regering, de ministerraad, die op basis van onduidelijke criteria een duim omhoog of omlaag moet geven. Hoeveel vertrouwen ik ook in u persoonlijk heb, mijnheer de minister, wie zit er morgen aan de knoppen?

Ook de Raad van State was heel kritisch in zijn advies van 31 december 2025. Ik heb het genoegen gehad om dat advies van 113 bladzijden te mogen lezen. De Raad waarschuwt uitdrukkelijk voor een inperking van de vrijheid van meningsuiting en van de persvrijheid en ook voor een onwettelijke inbreuk op de vrijheid van vereniging.

Mijnheer de minister, ik ben blij dat u hebt aangegeven het ontwerp te zullen aanpassen. U neemt de kritiek ter harte en dat siert u als liberaal. Ik verneem graag concreet hoeveel groeperingen er intussen op die OCAD-lijst staan en wat u concreet zult doen om tegemoet te komen aan de fundamentele kritieken op uw wetsontwerp.

Bernard Quintin:

Mijnheer Van Tigchelt, ook mijn beste wensen aan u en aan iedereen. Zoals u weet, heeft de regering de duidelijke ambitie om onze democratie en onze burgers te beschermen.

De Raad van State speelt een cruciale rol in de rechtsstaat. Als minister verwelkom en respecteer ik het grondig advies dat werd uitgebracht, zoals ik altijd heb gezegd en gedaan. De Raad van State zegt dat een definitieve ontbinding van organisaties met rechtspersoonlijkheid een zaak is voor de justitie. Die beslissing zou sneller moeten worden genomen dan vandaag. Dat laatste voeg ik eraan toe. Het advies bevestigt dat het mechanisme in het wetsontwerp dat ik verdedig in overeenstemming is met de Grondwet en met de fundamentele vrijheden van onze burgers.

Concreet zal er snel kunnen worden ingegrepen door de activiteiten van organisaties die een ernstig, actueel en bewezen bedreiging vormen voor de nationale veiligheid voor een bepaalde periode te verbieden. De procedure zal duidelijk, objectief en met respect voor de rechtsstaat zijn. Elke beslissing om een administratief verbod op te leggen, zal uitsluitend worden genomen op basis van de rapporten van de inlichtingendiensten en kan steeds worden aangevochten bij de Raad van State.

De regering zal nooit verenigingen verbieden omwille van hun mening, noch burgers het recht ontzeggen om vreedzaam te betogen. Ik heb dat al gezegd en ik bevestig dat nogmaals. België is een vrij land en een open democratie, maar wij zullen nooit maar dan ook nooit verenigingen op ons grondgebied dulden die een bedreiging vormen voor onze samenleving, onze waarden en onze nationale veiligheid en die bovendien in het buitenland verboden zijn.

Dat is de kern van de liberale democratie waarvoor wij staan, want het waarborgen van de orde en veiligheid op ons grondgebied is de eerste opdracht van de politieke macht en van de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken en u kunt daarvoor op mij rekenen.

Paul Van Tigchelt:

Mijnheer de minister, dank u voor uw antwoorden. Ze zijn wat mij betreft duidelijk een stap in de goede richting. U weet dat ik veel vertrouwen heb in u. We zullen dit nauwlettend opvolgen, dat weet u. Op 25 september hebben we daarover ook gediscussieerd in de plenaire vergadering. Toen heb ik al gewaarschuwd voor de gevaren van dit wetsontwerp. Ik heb toen bovendien verwezen naar de slagzin van uw partij: fier d’être liberal . Ik heb u toen gevraagd dat ook te tonen. Ik vraag u om dat verder te tonen, want – en daar gaat het om – wij willen niet leven in een samenleving waarin het de regering is – deze of een volgende – die bepaalt welke groepering kan bestaan en welke niet. Daarvoor rekenen we op u. Dank u wel, mijnheer de minister.

De aanhoudende vreemdelingenrellen
Het geweld tegen de politie en de hulpdiensten tijdens de oudejaarsnacht
Geweld en rellen tegen overheidsdiensten tijdens onrustige periodes

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 8 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Ortwin Depoortere en Maaike De Vreese bekritiseren de recidiverende rellen op oudejaarsavond (brandstichting, geweld tegen hulpdiensten) door jonge allochtone relschoppers (inclusief kinderen van 10-12) en wijzen op structurele straffeloosheid ondanks "nultolerantie"-retoriek. Depoortere bewerkt dat de multiculturele samenleving mislukt is en pleit voor hardere repressie (opsluiting, schadevergoeding), terwijl De Vreese betere coördinatie (politiefusie Brussel, less lethal weapons voor agenten) en snellere strafvervolging eist. Minister Quintin veroordeelt het geweld, benadrukt verbeterde coördinatie (meer arrestaties in 2023) en preventieve maatregelen (huisarrest, cameranetwerk), maar erkent het zorgenwekkende aandeel minderjarigen en roept op tot strengere justitiële afhandeling—zonder expliciet in te gaan op de culturele of systeemkritiek van de oppositie.

Ortwin Depoortere:

Ik heb even nagekeken, mijnheer de minister, hoeveel keer ik hier nu al gestaan heb om rellen op oudejaarsavond aan te klagen. Sinds ik hier verkozen ben in 2019, heb ik al meer dan tien keer een escalatie van geweld in onze grootsteden moeten aanklagen.

De feiten van dit jaar zijn al even erg. Ik som ze even op. In Brussel werd er massaal brand gesticht, werden de politie en hulpdiensten brutaal aangevallen, raakten meerdere agenten gewond en werd een ambulancier in elkaar geslagen. In totaal ging het om maar liefst 684 politie-interventies.

In Antwerpen waren er, zoals gewoonlijk, vuurpijlen en molotovcocktails, maar zelfs bommen die zo zwaar waren dat DOVO moest tussenkomen. Onder de daders zaten 10- en 11-jarigen. De jammerlijke resultaten waren 101 arrestaties. Van die 101 gearresteerden, moeten er echter welgeteld 3 voor de rechter verschijnen.

Het blijft echter niet alleen bij Brussel en Antwerpen. Er waren immers gelijkaardige taferelen in Gent, in Harelbeke, een dorp in West-Vlaanderen, in Erpe-Mere en in steeds meer kleinere gemeenten en steden, mijnheer Ronse. Dat gebeurt niet alleen met Nieuwjaar, maar ook wanneer de Afrika Cup wordt gespeeld. Als Marokko een voetbalwedstrijd wint, zijn er namelijk rellen, maar als Marokko verliest, zijn er ook rellen.

Ik zie maar twee rode lijnen in het hele discours. Ten eerste zijn we het ondertussen allemaal eens over het daderprofiel. Het gaat in hoofdzaak om jonge, allochtone relschoppers. Ten tweede blijven de antwoorden die ik steeds opnieuw krijg van de opeenvolgende regeringen en ministers dezelfde: nultolerantie. Dat blijft echter bij woorden, want we zien het niet in daden. Er wordt gesproken over overlegmomenten en knuffelmomenten. Ik hoop, mijnheer de minister, dat u dit jaar uit een ander vaatje zult tappen.

Maaike De Vreese:

Mijnheer de minister, ik stond hier inderdaad ook voor de vakantie om te vragen welke voorbereidingen u zou treffen. Collega's, ik hoop dat ik hier over vijf jaar niet opnieuw sta met hetzelfde riedeltje. Ik hoop dat niet alleen, ik weet het ook. Ik weet dat er deze keer wel heel veel voorbereidingen zijn getroffen. Wij zijn er echter absoluut nog niet.

Wij hebben immers opnieuw de hallucinante beelden gezien. Dat zijn beelden waaraan wij nooit gewend mogen raken. Het zijn taferelen die wij ook moeten durven benoemen. Ze worden ook steeds meer benoemd door heel veel rolmodellen. Een deel allochtone jongeren zet telkens opnieuw de boel op stelten. Ze hebben nul respect voor onze samenleving, voor onze waarden en normen. Ze hebben nul respect voor onze ordediensten, voor onze politie en voor onze brandweer. Voor die groep moeten wij dus ook nultolerantie hanteren. Op dit moment is dat de enige taal die die jongeren nog begrijpen.

Mijnheer de minister, ik maak mij grote zorgen want wij zien de leeftijd ook telkens dalen. Het gaat niet alleen om jongeren. Het gaat ook om kinderen van 11 en 12 jaar. Dat zien wij ook in andere criminaliteitsvormen, bijvoorbeeld bij de drugscriminaliteit. Wij vragen ons dan ook af waar die ouders zijn en waar zij staan met hun ouderlijke verantwoordelijkheid.

De Gold Commander is een goede stap die de zaak in handen heeft genomen in Brussel. Nog veel beter zou natuurlijk de fusie van de politiezones in Brussel zijn. U weet net als ik dat de Gold Commander zelf heeft aangegeven dat hij op een positieve manier wil meewerken aan de fusie, als ze er komt. Dat moet ook het punt voor u zijn de komende maanden om daarvan eindelijk echt werk te maken. Dat zou een echte doorbraak zijn.

Ik had nog veel meer op mijn papier staan, maar ik wil u enkel nog het volgende vragen. Hoe zult u de rellen voorbereiden? Welke lessen hebt u geleerd?

Voorzitter:

De tijdsklok is onverbiddelijk.

Mijnheer de minister, u hebt vier minuten spreektijd.

Bernard Quintin:

Mevrouw De Vreese, mijnheer Depoortere, tijdens de voorbije weken zijn onze politiediensten inderdaad meerdere keren moeten tussenkomen om incidenten en opstootjes te beëindigen. Dat was het geval naar aanleiding van de jaarwisseling, maar ook in de context van sportevenementen in het buitenland. Laat mij duidelijk zijn, ik veroordeel die rellen en dat geweld ondubbelzinnig. Voor die relschoppers mogen we geen enkel excuus zoeken en zeker niet in de uitslag van een voetbalwedstrijd, mijnheer Depoortere.

De geïdentificeerde daders moeten door Justitie met de grootste strengheid worden bestraft, zeker wanneer het gaat om geweld tegen orde- en hulpdiensten, die helaas opnieuw het doelwit waren. Alle beschikbare elementen zullen worden overgemaakt aan de bevoegde autoriteiten, met het oog op de identificatie van de verantwoordelijken en de vergoeding van de slachtoffers. Het door mij versterkte cameranetwerk zal daarbij helpen. Ik pleit er bovendien voor dat die relschoppers bij toekomstige feestelijke evenementen onder huisarrest worden geplaatst. Wie de regels van de openbare ruimte niet respecteert, heeft daar geen plaats. Burgemeesters kunnen dat doen en moeten dat ook doen.

Op 31 januari was ik aanwezig in het commandocentrum van de politie, maar ook op het terrein, samen met de veiligheids- en hulpdiensten. Op basis van wat mij ter plaatse werd meegedeeld en op basis van de incidentencijfers blijkt dat de situatie in Brussel duidelijk beter onder controle was dan in de voorgaande jaren, omdat we, mevrouw De Vreese, lessen hebben getrokken uit het verleden. Er waren meer mensen op het terrein, een betere coördinatie en snellere interventies. Zoals steeds is de politie opgetreden wanneer dat noodzakelijk was. Er werden 63 personen administratief aangehouden. Daarnaast werden, volgens het parket, 72 personen gerechtelijk gearresteerd. Van hen werden 60 personen ter beschikking gesteld van het parket, onder wie 31 meerderjarigen en 29 minderjarigen. In Antwerpen werden 92 personen administratief aangehouden, onder wie 56 minderjarigen. Daarnaast werden 9 personen gerechtelijk gearresteerd.

Het hoge aandeel minderjarigen onder de relschoppers is bijzonder zorgwekkend en roept ernstige vragen op over hoe zulke jonge mensen tot extreem gewelddadig gedrag kunnen komen. We zijn allemaal jong geweest, sommigen onder ons misschien iets langer dan anderen. Ik kijk niet naar u, mijnheer Depoortere. Zulke daden zouden nooit in ons zijn opgekomen, althans dat hoop ik. Het gaat hier om zware feiten: brandstichting en geweld tegen politie, brandweer en ambulanciers. De incidenten waren niet beperkt tot Brussel en Antwerpen, maar deden zich ook voor in Gent en andere steden en gemeenten. In aanloop naar de jaarwisseling heb ik de lokale overheden opnieuw gewezen op het ruime instrumentarium waarover zij beschikken, waaronder vuurwerkverboden, huisarrest en andere preventieve maatregelen. Iedereen moet daarbij zijn verantwoordelijkheid nemen.

Midden december hebben mijn diensten samen met de betrokken partners overleg gepleegd om een gecoördineerde aanpak tijdens de jaarwisseling te verzekeren. Mijn diensten evalueren het afgelopen oudejaar om ons in de toekomst nog beter voor te bereiden. Ik wil alle betrokken diensten, zowel federale als lokale, danken voor hun inzet en professionele samenwerking. Tot slot wil ik duidelijk zijn: geweld en rellen zijn onaanvaardbaar, ongeacht wie de daders zijn. Hun afkomst of nationaliteit is hier niet van tel. Wat telt, is dat relschoppers consequent en kordaat worden aangepakt. Daarvoor reken ik op Justitie.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, ik trek andere conclusies. Ten eerste, de multiculturele samenleving is compleet mislukt. Het jarenlange linkse gepamper heeft ervoor gezorgd dat vierde- en vijfdegeneratieallochtonen zich openlijk tegen onze maatschappij met haar normen en waarden afzetten en steeds gewelddadiger worden.

Ten tweede, het dreigt ook het failliet van onze rechtsstaat te worden. De straffeloosheid is totaal. Wie wetten niet afdwingt, heeft geen gezag meer.

Mijnheer de minister, ik wil dat u heldere en duidelijke taal spreekt. Preventie heeft gefaald. Het is tijd voor repressie. Sluit die herrieschoppers op. Laat ze betalen voor de schade. Wie zich gedraagt als een vijand van onze samenleving, moet ook zo worden aangepakt.

Maaike De Vreese:

Minister, daders moeten gevat, geïdentificeerd, maar ook gestraft worden. Dat gebeurt op dit moment onvoldoende. Er is inderdaad niet alleen een gevoel van straffeloosheid, maar het straffen laat ook veel te lang op zich wachten. Collega Van Vaerenbergh heeft de cijfers opgevraagd. Die wijzen er echt wel op dat we daar met een probleem zitten waarop een antwoord moet komen. Voorts moet onze politie zich ook kunnen verdedigen. We zien dat die mensen door daders met vuurwerk worden aangevallen. We zien ook dat ze zich nog altijd niet op een gedegen manier kunnen verdedigen. Defensie heeft less lethal weapons aangekocht. U weet dat ik al een jaar vraag om ervoor te zorgen dat ook de politie zich op een gedegen manier kan verdedigen, mijnheer de minister. Hier zijn drie partijen bij betrokken: Binnenlandse Zaken, Justitie en in de toekomst misschien ook Defensie. Zet die alstublieft samen. Ik hoor op het terrein dat zij vragende partij zijn om de Nationale Veiligheidsraad meer te laten samenkomen. Dat is mijn vraag voor u. Overweegt u dat? Ik zou dat wel doen.

De dreigende taal van de Trump-administratie tegen Groenland
De dreigende taal van de VS richting Groenland
Groenland en de inachtneming van het internationale recht
De uitspraken van president Trump over Groenland
De ambities van de Verenigde Staten ten aanzien van Groenland
De uitspraken van president Trump over Groenland
Groenland, Venezuela en het internationale recht en de impact op de Belgische defensiepolitiek
Onze militaire afhankelijkheid van de VS in het licht v.d. illegale inval in Venezuela door Trump
De inval in Venezuela, de dreigende taal richting Groenland en de impact op de NAVO
Amerikaanse geopolitieke ambities, dreigende taal en internationale rechtskwesties rond Groenland en Venezuela

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 7 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Tijdens een actualiteitsdebat in het Belgische parlement bekritiseren oppositie en regeringsleden unaniem de Amerikaanse dreiging met annexatie van Groenland (Deens autonoom gebied, NAVO-lid), na de controversiële militaire operatie in Venezuela door de Trump-administratie. Sprekers als Lasseaux, De Smet en Lacroix (oppositie) noemen Trumps uitspraken een "imperialistische schending van internationaal recht" en een directe bedreiging voor de NAVO-eenheid, terwijl ze België en de EU oproepen tot sterke diplomatieke en economische sancties en het activeren van NAVO-artikel 4 (consultatie bij bedreiging). Denemarken en Groenland verwerpen de Amerikaanse claims eenduidig, maar België ondertekende – in tegenstelling tot Frankrijk, Duitsland en het VK – initieel geen gezamenlijke verklaring ter ondersteuning, wat kritiek uitlokt. Minister Francken (Defensie, N-VA) bevestigt dat de internationale rechtsregels "overschreden" zijn (Venezuela/Groenland) maar benadrukt Belgiës afhankelijkheid van de VS voor veiligheid, vooral door jarenlange onderinvestering in defensie. Hij pleit voor diplomatieke dialoog en waarschuwt dat Europa te zwak is om zonder Amerikaanse steun te opereren, ondanks de noodzaak aan "strategische autonomie". Critici (o.a. Van Hecke, Schlitz) werpen hem hypocrisie voor: zij wijzen op zijn eerdere bagatellisering van het internationaal recht ("voer voor juristen") en de F-35-aankoop – die Denemarken niet beschermde tegen Amerikaanse druk. Francken repliceert dat retweets geen instemming zijn en dat Europese eenheid en defensie-investeringen prioriteit moeten zijn, maar ontkent niet de crisis binnen de NAVO. Kernpunt: België balanst tussen loyaliteit aan de VS en verdediging van het internationaal recht, terwijl de groeiende VS-EU-spanningen (energie, grondstoffen, Groenland) de NAVO-samenhang bedreigen – met Rusland en China als winnaars van deze verdeeldheid.

Voorzitter:

Ik wil ten persoonlijken titel alle collega's, de minister en alle medewerkers voor en achter de schermen het allerbeste wensen voor 2026.

We gaan meteen stevig van start met een actualiteitsdebat, waarin een aantal onderwerpen en vragen gegroepeerd zijn omdat ze ietwat over hetzelfde gaan, ook al is er heel veel te zeggen over elk thema afzonderlijk, zijnde Groenland, Venezuela en het internationaal recht .

Stéphane Lasseaux:

Chers collègues, meilleurs vœux à chacune et chacun. En ce début d'année, n'oublions certainement pas les bons principes, afin que tout le monde puisse se sentir encore mieux dans cette belle année, du moins nous l'espérons.

Monsieur le ministre, après la réussite de l'opération militaire au Venezuela, l'administration du président Donald Trump semble croire que tout est possible et que ses désirs vont se réaliser, quelle que soit la position du reste de la communauté internationale. Ainsi, le président Trump et certains membres de l'administration américaine ont rappelé leurs intentions de prendre le contrôle du Groenland, en invoquant des raisons de sécurité nationale et la soi-disant incapacité du Danemark à assurer la protection de ce territoire. Or il s'agit d'un territoire du royaume du Danemark, membre de l’OTAN.

La souveraineté du Danemark est une question qui sera réglée par les Danois avec les Groenlandais, comme l’a rappelé le premier ministre danois. Le premier ministre démocratiquement élu du Groenland a également exprimé son rejet de cette volonté d’annexion, reflétant la position de sa population.

Ces menaces doivent être prises au sérieux. Lors de la conférence de presse du samedi 3 janvier, le secrétaire d’État Marco Rubio a souligné que les paroles du président actuel des États-Unis n’étaient pas des propos en l’air. Des analystes internationaux, que nous ne pouvons soupçonner d’anti-américanisme, comme Bruno Tertrais ou Ian Bremmer, ont également souligné le sérieux de la situation. Les dernières déclarations du président ne sont pas rassurantes, puisque des opérations militaires sont même envisagées, alors que le Danemark privilégie clairement une voie beaucoup plus diplomatique. Les dirigeants des États scandinaves ont exprimé leur pleine solidarité avec le Danemark. La Belgique n’a pas encore réagi à ce jour.

Monsieur le ministre, avez-vous déjà eu l’occasion d’aborder ces menaces de l’administration Trump lors de réunions ou de contacts avec vos homologues européens, en particulier danois? Dans vos échanges avec des représentants des États-Unis, avez-vous pu faire part du caractère inacceptable de ces menaces? Comptez-vous le faire à l’avenir? Ne serait-il pas nécessaire de commencer à planifier sérieusement les réponses diplomatiques, économiques et éventuellement militaires en cas d’action américaine contre la souveraineté du Danemark et donc du Groenland?

François De Smet:

Monsieur le président, chers collègues, meilleurs vœux à vous. Monsieur le ministre, meilleurs vœux à vous également, dans le cadre de vos compétences en cette année nouvelle qui commence très fort au regard de l'actualité internationale. On peut penser ce qu'on veut du président Maduro, que personne ici, ou presque, ne défendra, mais son enlèvement constitue un événement historique qui accélère la reconfiguration de l'ordre mondial.

Bien entendu, le non-respect du droit international par les États-Unis , par les Occidentaux, par les grandes puissances en général n'est pas neuf. En revanche, la nouveauté est apportée par la démarche d'intimidation extrêmement forte, ainsi que par le message envoyé à tout le monde, y compris à nous, les alliés, consistant à dire: "Soyez désormais nos vassaux, même si vous êtes nos alliés européens. Vous voyez que nous n'avons aucun scrupule ni aucun état d'âme dans nos actions." C'est la raison pour laquelle – et je voudrais également parler du Groenland – il faut prendre extrêmement au sérieux les déclarations de plus en plus musclées souhaitant une mainmise des États-Unis sur le Groenland, territoire autonome relevant du royaume du Danemark. Je sais qu'il n'est pas compris comme tel dans l'Union européenne, puisque c'est un territoire autonome, mais, tout de même, il appartient au Danemark et est couvert par la protection de l'OTAN. Je relève en passant que, s'il y a bien un pays européen pro-américain et atlantiste, c'est le Danemark, lequel a même acheté des F-35. Or nous constatons que cela ne lui a pas servi du tout à rester dans les bonnes grâces de l'administration Trump. Par conséquent, acheter américain en vue de forger un lien atlantique – je le dis au passage – n'est pas nécessairement utile ni susceptible d'être récompensé.

Nous devons donc nous montrer plus fermes. Pour l'instant, je suis assez contrit par la relative faiblesse des soutiens européens, et belge en particulier, dans cette question du Groenland et du Danemark.

Monsieur le ministre, avez-vous déjà échangé à ce sujet avec les autorités danoises, bilatéralement ou au sein de l'OTAN? Considérez-vous que ce qui est en train de se passer ne nécessiterait pas la saisine de l'article 4 de l'OTAN? Tout le monde parle de l'article 5, mais l'article 4 permet simplement une concertation lorsque l'intégrité nationale ou l'indépendance politique d'un membre est remise en cause. Dans une telle situation, quelle position notre pays défendra-t-il au Conseil de l'Atlantique Nord et au sein des instances européennes compétentes?

Christophe Lacroix:

Monsieur le président, monsieur le ministre, chers collègues, je vous présente également mes meilleurs vœux de bonne santé et vous souhaite surtout beaucoup de courage et de courage politique. Il en faudra face à une situation qui, de jour en jour, devient de plus en plus sombre et prend des accents sans cesse plus impérialistes et fascisants de la part du régime de Donald Trump, de son gouvernement, de ses affidés, de celles et ceux qui considèrent que les territoires, à partir du moment où ils recèlent des minerais rares, des denrées importantes et des ressources pétrolières, méritent l'invasion, le kidnapping d'un président certes peu agréable – c'est le moins qu'on puisse dire – et peu légitime. La fin ne justifie cependant pas les moyens.

Nous sommes en train de vivre une rupture totale entre le monde d'aujourd'hui, du multilatéralisme et de la paix et un retour avec le monde d'avant la Société des Nations, à la Première Guerre mondiale. Ce qui est encore plus sidérant mais ne me surprend pas, car il suffisait de lire la note stratégique de Donald Trump pour ne pas être étonné, c'est qu'aujourd'hui, très clairement, le président Trump mais également d'autres que lui menacent directement et de manière très concrète le Groenland, à savoir un allié, le Danemark, en disant qu'il va être temps que cela se produise. Et, dans quelques jours, pour ne pas dire quelques heures, Donald Trump annoncera une décision en la matière.

C'est véritablement une menace que les fondateurs de l'OTAN n'avaient même jamais imaginée, qu'un membre de l'OTAN puisse être potentiellement un ennemi. Qu'arriverait-il si effectivement des soldats européens et des soldats danois notamment présents sur le territoire du Groenland se faisaient attaquer par des soldats américains? Bien que l'imagination n'ait pas de limites, il ne s'agit pas ici d'imagination mais de points très concrets.

La première ministre danoise a été obligée de demander aux États-Unis de cesser leurs menaces contre un allié historique. Le premier ministre groenlandais a, lui aussi, fermement regretté ces menaces, appelant à mettre fin aux pressions et aux fantasmes d'annexion.

Monsieur le ministre, au sein de l'Union européenne et de l'OTAN, la Belgique a-t-elle dénoncé, de manière ferme, la volonté expansionniste de Donald Trump au détriment du Groenland et des frontières européennes? Quelles initiatives sont-elles prises par notre pays pour rappeler la primauté du droit international, quel que soit le pays et quelles que soient les circonstances, assurer la sécurité de notre continent et condamner toute tentative d'acquisition ou d'ingérence étrangère dans ce territoire?

Darya Safai:

Mijnheer de minister, de Amerikaanse president Donald Trump liet bij zijn aantreden weten dat de VS bijzondere interesse heeft in Groenland, dat deel uitmaakt van Denemarken. De redenen die hiervoor worden aangehaald zijn onder andere dat de ligging aan de Noordpool interessanter wordt, aangezien de ijsmassa aan het afnemen is en dus meer levensvatbaar is voor commercieel en militair zeeverkeer. Daarnaast wordt ook aangehaald dat het grondgebied van Groenland nog niet commercieel werd geëxploiteerd voor grondstoffen en dat dit, gelet op de geopolitieke situatie, een cruciale factor zou zijn voor de strategische autonomie van de VS.

Afgelopen week verklaarde de Amerikaanse president dat er op heel korte termijn over Groenland zou worden gesproken. Zowel de Deense als de Groenlandse regering lieten al verstaan dat van een annexatie van het gebied door de VS geen sprake kan zijn en dat dit de facto het einde van de NAVO betekent.

Mijn vragen voor de minister zijn de volgende. Hoe reageert u op de uitspraken van de Amerikaanse president? Welke motivering zit er volgens u bij het herhaaldelijk aandringen van de VS om controle over Groenland te krijgen?

Er wordt van uitgegaan dat het gebied Groenland, dat tot Denemarken behoort, dus ook wordt gedekt onder het NAVO-verdrag. Aangezien de VS lid is van de NAVO, is het geboden om bij een incursie op te treden. Hoe verschilt deze garantie van deze die de VS nu wil beogen?

Er zijn al verschillende Amerikaanse basissen op Groenland. Die werden opgericht tijdens de Koude Oorlog, maar zouden kunnen worden uitgebreid. Hoe past dit in het voornemen van de VS om de controle over het gebied te behouden?

Via verschillende media vernemen wij dat de militaire activiteiten van de Volksrepubliek China en de Russische Federatie nabij Groenland zijn verhoogd. Hebt u daar meer informatie over? Dank u.

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de minister, collega's, mijn beste wensen voor het nieuwe jaar. Ik denk dat het opnieuw een geopolitiek gevoelig en woelig jaar zal worden. Wij zullen in deze commissie wel degelijk ons werk hebben.

Het eerste actuadebat is een beetje een potpourri geworden. Heel wat onderwerpen zijn aan elkaar gekoppeld, terwijl over elk onderwerp apart wel een en ander te vertellen is. De premier zei gisteren in Terzake dat we moesten stoppen met prevelen over het internationaal recht. Ik ga dat niet doen. Ik vind het internationaal recht een hoeksteen van onze samenleving, van onze westerse democratie. We zijn een stichtend lid van Europa. We zijn van het eerste uur bij de Verenigde Naties. Ook in zeer woelige geopolitieke tijden moet men spelregels hebben. Die spelregels worden zeer driest met de voeten getreden, niet het minst door een van onze bondgenoten.

Ik schrik er niet van dat de president van de Verenigde Staten die spelregels niet respecteert. Er valt heel wat te zeggen over zijn aanpak in Venezuela. Ik denk dat niemand, of toch bijna niemand, een traan zal laten over het vertrek van Maduro, maar de manier waarop is een schending van het internationaal recht. Dat mag gezegd worden, dat moet gezegd worden, zeker door Europa, zeker door ons. Als wij het al niet meer doen, dan zullen er binnenkort geen spelregels meer zijn.

Waarover ik het vooral wil hebben, is Groenland. Dat de president van de Verenigde Staten zijn goesting doet in Venezuela is één zaak, maar dat hij over Groenland, lid van de NAVO, deel van Denemarken, zeer gratuit zegt dat hij dat graag wil innemen of overkopen van Denemarken of troepen wil plaatsen, is schrijnend. Dat doet men niet met partnerlanden. Dat doet men niet met bondgenoten.

Ik heb gisteren een sterke en goede verklaring van een aantal landen gelezen: Frankrijk, Duitsland, Italië, Polen, het Verenigd Koninkrijk, Spanje en Denemarken. Wij moeten onze voet zetten. In het internationaal recht is territoriale integriteit en soevereiniteit één van de hoekstenen. Dat moet worden gerespecteerd. Dat was een sterk statement. België stond daar niet bij.

Mijnheer de minister, hoe kijkt u naar dat statement? Hoe kijkt u naar de uitspraken van president Trump over Groenland? Zijn wij niet gevraagd om mee te ondertekenen? Wat is de reden dat ons land of onze Belgische regering dat niet mee heeft ondertekend?

Stefaan Van Hecke:

Collega’s, mijnheer de minister, ik wens u allen het allerbeste voor het nieuwe jaar en vooral een vredevol 2026, mijnheer de minister.

Er is al heel wat gezegd. Wat opvalt, is dat er binnen de regering verschillende reacties zijn gekomen naar aanleiding van wat er in Venezuela is gebeurd. Als er echter één duidelijke lijn was, dan is het dat u, mijnheer de minister, maar ook uw fractieleider, de heer Ronse, en ook de heer Bouchez in wezen allemaal dezelfde positie innamen: het internationaal recht lijkt eigenlijk niet van tel te zijn.

Dat de heer Ronse als fractieleider enthousiast is, is geen verrassing. Hij is altijd enthousiast over alles wat de regering doet en over alles wat de Verenigde Staten doen. Dat verbaast dus niet. Het loutere feit dat het om een communistische dictator gaat – die we even hard verfoeien als iedereen hier – is blijkbaar voldoende om het internationaal recht even opzij te schuiven.

Mijnheer de minister, ook in uw communicatie, onder meer via uw tweets, probeert u dat goed te praten. Of het om een inbreuk op het internationaal recht gaat, zou volgens u voer zijn voor juristen. Voer voor juristen, voer voor debat. Nochtans zijn alle nationale en internationale experten eenduidig: wat er is gebeurd, is een manifeste inbreuk op het internationaal recht. Dat is geen voer voor juristen, alle juristen zijn het daarover eens.

Wat zult u dan zeggen als president Trump hetzelfde doet in Colombia? Voer voor juristen, voer voor debat? Wat zult u zeggen als president Trump hetzelfde doet en Groenland binnenvalt? Voer voor juristen, voer voor debat? Wat zult u zeggen als China Taiwan binnenvalt? Voer voor juristen, voer voor debat? Dat is een heel gevaarlijke lijn die u als minister volgt, een slippery slope . Van een minister en van een regering mogen we nochtans een ondubbelzinnige reactie verwachten, met respect voor het internationaal recht. Ik heb dan ook een aantal zeer concrete vragen, waarvan er al vele zijn gesteld.

Hoe zal België dit binnen de NAVO aankaarten? Hoe zal ons land zich verhouden tot de aanspraken op Groenland? Er is inderdaad een verklaring van een aantal staatshoofden die België niet heeft ondertekend, maar die nadien wel via een tweet werd bevestigd. Kunt u wat meer duidelijkheid geven over het Belgische standpunt? Ik kijk uit naar uw antwoord. Dank u wel.

Sarah Schlitz:

Monsieur le président, monsieur le ministre, chers collègues, je vous présente également mes meilleurs vœux pour l'année 2026.

Monsieur le ministre, le 4 janvier, le président Trump a menacé le Groenland et le Danemark, déclarant que les é tats-Unis avaient besoin du Groenland pour leur sécurité nationale. Ces propos interviennent après l'attaque illégale menée par les É tats-Unis contre le Venezuela qui a mené à l'enlèvement du président Maduro et de son épouse.

Le Groenland est l'un des trois pays constitutifs du Royaume du Danemark. La première ministre danoise, Mme Frederiksen, a déclaré que ces menaces doivent être prises au sérieux et qu'une attaque américaine contre le territoire d'un allié de l'OTAN signifierait la fin de l'Alliance. Elle compte sur le soutien des alliés européens pour garantir l'intégrité territoriale du Danemark et du Groenland. Le premier ministre groenlandais a également rejeté fermement ces menaces, rappelant qu'il appartient aux Groenlandais de décider de leur avenir.

Hier, une déclaration commune de la France, de l'Allemagne, de l'Italie, de la Pologne, de l'Espagne, du Royaume-Uni et du Danemark a été publiée, explicitant le positionnement de ces pays et appelant les É tats-Unis à respecter la souveraineté de ce territoire. La Belgique ne s'y est pas jointe jusqu'à présent.

L'attaque américaine contre le Venezuela démontre que l'administration Trump ne respecte plus le droit international. Soyons clairs, nous refusons toute complaisance envers le régime autoritaire, corrompu et antiécologique de Maduro, mais cela ne signifie en rien qu'un autre État le destitue par la violence. Le recours à la force armée est interdit, hors mandat du Conseil de sécurité des Nations Unies ou légitime défense. L'absence de condamnation du gouvernement belge est, à ce titre, consternante.

Monsieur le ministre, ne soyons pas naïfs, l'attaque au Venezuela, ce n'est pas la libération de son peuple. Il ne s'agit pas du respect de l'État de droit ou de la mise en place d'États démocratiques à travers le monde. On sait qu'ici se joue une course à l'accaparement des matières premières et des énergies fossiles. Le président Trump l'a lui-même déclaré en disant que cette attaque était motivée par un meilleur accès au pétrole vénézuélien pour les compagnies américaines. C'est clair, limpide comme de l'eau de roche. Précisons que le Groenland abrite également d'importants gisements de terres rares, de cuivre et de lithium.

Monsieur le ministre, le gouvernement condamne-t-il l'invasion récente du Venezuela et les menaces des États-Unis envers le Groenland et le Danemark?

Considérez-vous que l'intervention militaire américaine constitue une violation de l'article 2, § 4 de la charte des Nations Unies? Si oui, quelles conséquences juridiques et politiques en tirez-vous dans les relations bilatérales Belgique-États-Unis? Dans la négative, sur quelle base juridique précise cette intervention est-elle selon vous justifiée?

La Belgique est-elle prête à respecter ses obligations de défense collective si le Groenland faisait l'objet d'une agression militaire, y compris de la part d'un allié?

Le Danemark a-t-il déjà pris contact avec la Belgique en vue d'une éventuelle activation de l'article 5 de l'OTAN ou de l'article 42, § 7 du traité sur l'Union européenne?

Le gouvernement pourrait-il soutenir l'établissement d'une présence militaire européenne permanente au Groenland en accord avec le Danemark comme mesure de dissuasion et de prévention? Dans la négative, comment justifiez-vous ce refus face à une menace crédible sur un territoire européen stratégique?

Enfin, à la lumière de cette intervention américaine unilatérale, votre gouvernement maintient-il toujours que l'achat des F-35 garantit l'autonomie stratégique et la sécurité de la Belgique? Une réévaluation de cette dépendance militaire vis-à-vis des é tats-Unis est-elle envisagée?

Axel Weydts:

Beste collega’s en mijnheer de minister, mijn beste wensen voor 2026.

Na alle gebeurtenissen in de voorbije dagen lijkt het alsof we al enkele maanden ver zijn in 2026, terwijl het nieuwe jaar nog maar zeven dagen oud is. Het lijkt alsof de geopolitiek opnieuw op losse schroeven staat en dat de wereldorde weer een zware deuk heeft gekregen. De uitspraken van president Trump over Groenland, die ik voor alle duidelijkheid niet goedkeur, zijn niet echt een verrassing. Wie goed heeft opgelet bij de briefing van de CHOD, de chef Defensie, tijdens de hoorzitting enkele weken geleden, zal zich het gedeelte over het Arctisch gebied in zijn geopolitieke analyse wellicht nog herinneren. Het Noordpoolgebied wordt door de klimaatverandering weldra een zeer interessante regio voor de wereldhandel. De verdediging van die mogelijk nieuwe handelsroutes is daarbij dan ook belangrijk. De uitspraken van president Trump moeten dus gekaderd worden in de toenemende interesse van China, Rusland en de Verenigde Staten in het Arctisch gebied. De claim van de Verenigde Staten op Groenland is onterecht en moet ons zorgen baren.

Gisteren werd het akkoord van de coalition of the willing gesloten om een reassurance force te installeren in Oekraïne zodra daar een wapenstilstand wordt bereikt en vrede komt. Een belangrijk en cruciaal element daarbij zijn de veiligheidsgaranties van de Verenigde Staten en de zogenaamde backstop. Hoe kunnen wij, Europeanen, nog vertrouwen hebben in de president van de Verenigde Staten, die aanspraak maakt op de soevereiniteit van Groenland, dus op de soevereiniteit van het koninkrijk Denemarken? Hoe kunnen wij nog vertrouwen hebben in die backstop voor een reassurance force in Oekraïne, wanneer die NAVO-partner dreigt om eventueel zelfs manu militari een andere NAVO-partner te annexeren? Dat zijn zaken die de Vooruitfractie bijzonder verontrusten.

Mijnheer de minister, hoe leest u de verklaringen van president Trump met betrekking tot de annexatie of poging tot inlijving van Groenland? Hoe kunnen wij, met een dergelijke president aan het roer in de Verenigde Staten, nog vertrouwen op die NAVO-partner om die zo belangrijke veiligheidsgaranties voor Oekraïne daadwerkelijk op het terrein waar te maken?

Voorzitter:

De collega's Van den Heuvel en Van Rooy wensen aan te sluiten in dit actualiteitsdebat.

Koen Van den Heuvel:

Mijnheer de voorzitter, het jaar is inderdaad nog maar pas begonnen en we wandelen al van de ene geopolitieke spanning naar de andere, van Venezuela naar Groenland. Het zijn allemaal uitingen van het zogenaamd imperiale denken, van het denken in invloedsferen, dat is heel duidelijk.

Laten wij nu even focussen op Groenland, want de dreigementen zijn onaanvaardbaar. In het begin, ongeveer een jaar geleden, dachten we misschien dat het wel zou koelen zonder blazen, maar de feiten van de laatste dagen tonen iets anders aan. Er worden adviseurs aangeduid. Er wordt een team samengesteld. Er wordt een speciale vertegenwoordiger aangeduid. Wat aanvankelijk plagerijen leken, wordt nu omgevormd tot effectieve dreigementen. Het is dus bittere ernst.

Het is heel bedreigend voor de geloofwaardigheid en de hechtheid van het NAVO-bondgenootschap wanneer de daddy van dat bondgenootschap een lidstaat afdreigt en een groot deel wil inpikken. Er zijn daarvoor redenen, namelijk het arctische belang, maar die zijn onvoldoende. Als een bondgenootschap hecht, geloofwaardig en sterk is ten aanzien van de buitenwereld, dan doet men dat niet. Dat ondermijnt echt de geloofwaardigheid van het bondgenootschap.

Mijnheer de minister, ik ben dan ook van mening dat ons land een straffe veroordeling moet uitspreken. Wij hebben gisteren gereageerd, vermits een straffe veroordeling door de Belgische regering aanvankelijk uitbleef, terwijl andere Europese landen dat wel deden. De premier heeft dat ‘s avond rechtgezet, maar wij zouden toch graag zien dat België op dat vlak mee in de spits van het peloton rijdt en zich niet pas achteraf aansluit.

Ten tweede is er de band met Oekraïne. De Verenigde Staten uiten een zeker voluntarisme, maar de vraag is wat daarmee samenhangt en hoe geloofwaardig dat nog is. We hebben de Verenigde Staten nodig. Wordt er een ruil in het vooruitzicht gesteld? Hoe geloofwaardig is dat alles?

Ten derde, in lijn met wat de voorbije weken en maanden in deze commissie al door verschillende leden is benadrukt, wil ik een oproep doen om nu echt werk te maken van een sterke Europese pijler. In een context van imperiaal denken is het absoluut nodig dat we evolueren naar een sterk Europees antwoord en dat we daarover duidelijke afspraken maken. Dat betekent ook dat, zeker bij de dominante Europese landen, eng nationalistische reflexen achterwege moeten blijven. Als middelgroot land binnen Europa kan België, zoals de voorbije decennia al is gebleken, misschien mee de lead nemen om een straf Europees antwoord te formuleren.

Sam Van Rooy:

Mijnheer de voorzitter, ik wil, ten eerste, ook van mijn kant iedereen hier aanwezig het beste wensen, misschien niet zozeer op politiek vlak, maar zeker op persoonlijk vlak.

Met chirurgische precisie en via een bijzonder knappe en zeer complexe militaire operatie heeft de Verenigde Staten gelukkig de criminele linkse tiran Maduro gearresteerd. Het gevolg daarvan is dat het moegetergde Venezolaanse volk of wat daarvan nog is overgebleven, uitbundig juicht.

Het kan niet genoeg worden herhaald. Maduro was niet de president van Venezuela, maar een maffiose linkse dictator die Venezuela heeft leeggeroofd en omgevormd tot een terreurbasis voor de jihadisten van Hezbollah en Iran. Via migratie, criminaliteit en jihadistische terreur voerde Maduro oorlog tegen de Verenigde Staten, tegen het Westen en ook tegen ons.

Maduro en zijn entourage bezetten Venezuela. Zij kunnen de begrippen soevereiniteit en internationaal recht, die hier opnieuw lustig worden rondgestrooid, niet eens spellen. Meer nog, zij zijn de grootste vijanden ervan. Maduro is een zoveelste dominosteentje dat valt. Dat hoop ik althans. Misschien vieren wij mede daardoor binnenkort de val van het nog criminelere en terroristische islamitische regime van Iran. In dat geval zal het trotse Perzische volk uitbundig juichen. Met andere woorden, hold your horses .

Wees dus kritisch zoals wij. Toon echter ook eens enthousiasme en dankbaarheid voor een leider als Trump, die met al zijn gebreken de westerse beschaving verdedigt. Mijnheer Francken, misschien durft u dat wel te doen. Trump doet dat, in tegenstelling tot de vele softe en laffe leiders in West-Europa, die het continent elke dag verder laten islamiseren en onze beschaving vernietigen.

Theo Francken:

Goedemorgen collega’s. Mijn beste wensen voor een goed jaar.

We hebben het vorige jaar op mijn kabinet kunnen afsluiten met een drink, oppositie en meerderheid samen. Ik meen dat dit een leuk moment was, een goed moment ook om kennis te maken met mijn directeurs, om wat met elkaar te praten en om het jaar te overschouwen.

Het nieuwe jaar is er aangekomen met een storm. Dat had ik niet echt verwacht. Ik ben een paar dagen in de Ardennen geweest, voor wat gezinsrust, zoals velen onder jullie. Dat mag wel eens, meen ik. Toen ik terugkwam, stond alles op zijn kop. Dat is een voorbode van wat nog zal komen, want zoals een aantal collega’s al zei, is er wel nog wat op komst, meen ik.

Je présente mes meilleurs vœux à tous les députés, aux collaborateurs, aux collaborateurs de la Chambre et aux journalistes. J'espère que nous pourrons travailler correctement ensemble, comme nous l'avons fait l'année passée.

Het is een heel interessant debat. Ik zie ook heel wat nieuwe gezichten. Er is geen vergadering van de commissie voor Buitenlandse Betrekkingen omdat onze minister momenteel in het buitenland verblijft, namelijk in de Verenigde Staten. Hij heeft daar de afgelopen dagen heel wat afspraken gehad. Hij zal morgen terug zijn voor de plenaire vergadering. Er zal dan ook zeker een debat plaatsvinden over de internationale situatie tijdens die plenaire vergadering met de minister van Buitenlandse Zaken en met de eerste minister, die gisteren de vergadering in Parijs heeft bijgewoond.

Ik ben echter geen minister van Buitenlandse Zaken. Ik begrijp dat een aantal collega’s toch een vraag wilde indienen om bepaalde zaken te kunnen vragen. Dat begrijp ik ook. Ik ben namelijk iemand die de eerste macht, het Parlement, zeer hoog acht. In die zin ben ik zeker ter beschikking, maar ik ben geen minister van Buitenlandse Zaken. De officiële positie en dergelijke worden uiteraard wel door de minister van Buitenlandse Zaken geformuleerd. Ik heb wel een aantal zaken gehoord waarop ik wel wil antwoorden.

De recente uitspraken van de Amerikaanse president over Groenland nopen tot ernst en precisie in dit debat, omdat ze raken aan de fundamenten van onze veiligheidsarchitectuur en aan de trans-Atlantische relatie.

Laat mij vooraf zeer duidelijk zijn over mijn rol. Het bepalen en communiceren van het Belgisch buitenlands beleid behoort tot de prerogatieven van de minister van Buitenlandse Zaken en van de eerste minister. Als minister van Defensie beperk ik mij tot het uitvoeren van het defensiebeleid van deze regering. Voor de officiële positie van de federale regering in deze kwestie moet u hen dus bevragen. Zij zijn morgen, als ik mij niet vergis, ter beschikking van de Kamer voor vragen. Dat zal ongetwijfeld een zeer interessant debat worden. Daar twijfel ik niet aan.

Chers collègues, le Groenland n'est pas un détail sur la carte du monde. Il est stratégiquement situé le long des principales routes maritimes internationales qui vont devenir encore plus importantes à l'avenir. Ce territoire joue non seulement un rôle clé dans l'accès à l'Arctique mais possède aussi des matières premières importantes, ce qui explique pourquoi les grandes puissances, comme les États-Unis, la Chine et la Russie, suivent cette région avec un intérêt croissant.

Het strategische belang van Groenland is manifest. De politieke en bondgenootschappelijke consequenties van bepaalde uitspraken situeren zich echter op een ander niveau.

Samen met u stel ik vast dat we na 30 jaar van onderinvestering in hard power , gecombineerd met een te eenzijdige focus op soft power , wakker worden in een wereld die opnieuw openlijk wordt bepaald door macht en militaire capaciteiten, een wereld waarin onze visie op en geloof in de internationale rechtsorde niet door iedereen wordt gedeeld. We dreigen daarmee af te glijden naar een wereld die Thucydides in de Melische dialoog schetste en waarnaar de eerste minister verwees in zijn speech voor de Verenigde Naties in september: "De sterken doen wat ze willen, de zwakken ondergaan wat ze moeten". Wie vandaag met onvoldoende hard power aan de onderhandelingstafel verschijnt, blijft met lege handen achter.

Cette constatation n'est pas agréable à entendre, mais c'est la réalité. Elle résulte de 30 ans de sous-investissement structurel dans la Défense. Aujourd'hui, nous dépendons fortement des États-Unis pour la dissuasion et pour la lutte contre la Russie en Ukraine, tout comme nous dépendons également largement de la présence militaire américaine et de ses capacités pour notre propre sécurité.

Er moet mij toch iets van het hart. Als er iets op mijn lever ligt, dan moet dat eraf. Ik begrijp dat een aantal leden voor een eerste keer of een van de eerste keren aanwezig zijn in de commissie voor Defensie. Alle respect daarvoor, iedereen is hier altijd welkom. Wat mij stoort, is steeds weer kritiek op bepaalde zaken. Men praat over het internationaal recht als het hoogste principe, wat het ook is, zonder daaraan echter de consequentie te koppelen dat men ook hard power nodig heeft. Speak softly and carry a big stick . Vaak zijn dat dan dezelfde partijen die ervoor gezorgd hebben dat wij ons defensieapparaat, dat bij uitstek de veruitwendiging van die hard power is, tientallen jaren hebben verwaarloosd en kapot bespaard, tot op de grond. Dat is toch een beetje hypocriet.

Ik ben nog geen jaar minister van Defensie, en ik moet elke week kritiek horen op president Trump. We don't like the guy, he's not a good guy . Ik moet kritiek horen op de Amerikanen, horen dat we geen F-35's mogen kopen, en nog meer van dat, maar als het over de coalition of the willing gaat, dan klinkt de vraag dat we toch geen troepen zullen sturen zonder een Amerikaanse backstop? We zorgen er toch wel voor dat onze troepen veilig zijn? We gaan er toch wel voor zorgen dat we nog met de Amerikanen in zee kunnen, want we hebben hen nodig.

Waarom hebben we hen nodig? Omdat we zelf te zwak zijn. Waarom zijn we te zwak? Omdat men in elk begrotingsdebat Defensie kapot bespaard heeft. Er moet nog 500 miljoen gevonden worden. Waar zullen we dat halen? Bij Defensie. De Landmacht, dat hebben we niet meer nodig. Hebben we al die machten eigenlijk nog wel nodig? Misschien moeten we de Marine wel afstoten, en luchtverdediging kopen is ook al een idioot idee. Dat zijn allemaal woorden van eerste ministers en van regeringspartijen die mij steeds opnieuw de les spellen en zeggen dat president Trump toch een evil guy is, dat we geen F-35's moeten kopen, dat de Amerikanen niet meer te vertrouwen zijn. Ik kreeg zelfs al parlementaire vragen ingediend of we al troepen naar Groenland hadden gestuurd.

Een beetje intellectuele eerlijkheid en consequentie zouden niet misstaan. In welke positie hebben we onszelf gemanoeuvreerd? In welke positie heeft het zwak Europees leiderschap, het Belgisch leiderschap van de laatste decennia, ons geplaatst? In een positie waarin we bij een overgang naar hard power inderdaad daddy tegen de baas in Washington moeten zeggen. Help us out, daddy . Dat is pijnlijk. Dat is niet leuk, toch?

Wat kunnen we daaraan doen? Waar zijn onze inlichtingcapaciteiten? Waar zijn onze capaciteiten op het vlak van refueling ? Waar zijn onze capaciteiten om op lange termijn kinetisch te gaan? Onze munitiestocks zijn om te huilen. Hoe komt dat? Er was geen geld om munitie te kopen.

Daarom vraag ik, alsjeblieft, een beetje consequentie. We zijn niet mee met moderne oorlogsvoering. Waarom niet? We mochten geen drones kopen. Drones, bewapenen, neen, dat mochten we zeker niet doen. Dat was onethisch. Welnu, kijk waar we nu staan! Kijk vooral eens in de spiegel, in de plaats van mij hier te bevragen vanuit de commissie voor Buitenlandse Zaken. Hoe komt het dat wij amper nog hard power hebben? Dat is overigens niet alleen in België het geval. Veel Europese landen staan nu echt met de broek op de enkels. Als men dan in Amerika een baas krijgt die men niet leuk vindt, dan wordt het wel extreem pijnlijk, heel extreem pijnlijk. Alsjeblieft mensen, alsjeblieft.

Voor onze eigen veiligheid zijn wij in belangrijke mate afhankelijk van Amerikaanse militaire aanwezigheid en capaciteiten. De komende jaren investeren wij volop om onze strategische autonomie te vergroten, maar dat is een werk van lange adem. Wij kunnen niet op enkele jaren rechttrekken wat decennialang werd verwaarloosd. We moeten ons daarvan bewust zijn, vooraleer we allerlei verklaringen afleggen die onze eigen veiligheidspositie alleen maar verzwakt. Denk toch ook eens aan uw eigen Europees veiligheidsbelang, zou ik zeggen. Het is heel leuk om iedereen elke dag te schofferen, maar denk misschien ook eens aan de consequenties daarvan.

Tegelijk is het belangrijk om vast te stellen dat de Verenigde Staten ook vandaag hun engagement ten aanzien van Oekraïense en Europese veiligheid blijven bevestigen. Zo hebben de Amerikanen gisteren in Parijs, tijdens de vergadering van de coalition of the willing voor Oekraïne, aangegeven dat ze bereid zijn veiligheidsgaranties te geven na een staakt-het-vuren of na een vredesakkoord, hopelijk zo snel mogelijk. Daarbij werd expliciet benadrukt dat de Verenigde Staten betrokken blijven bij het streven naar vrede, in nauwe samenwerking met hun Europese partners en NAVO-bondgenoten. Zoals daar werd gesteld: "We doen er alles aan om te blijven samenwerken met onze Europese collega’s en we willen er alles aan doen om vrede te bereiken. Er is veel vooruitgang geboekt. We hebben ook territoriale kwesties besproken en dat zullen we blijven doen."

Net daarom, collega’s, blijft het bestendigen van de trans-Atlantische band essentieel, in het bijzonder in het kader van de versterking van onze eigen defensiecapaciteiten, de agressieoorlog van Rusland tegen Oekraïne en de nucleaire afschrikking. In dat verband is het ook relevant te wijzen op het feit dat de Verenigde Staten in hun National Defense Authorization Act voor 2026 uitdrukkelijk het behoud bevestigen van een stabiele force posture in Europa – heel belangrijk –, met minstens 76.000 Amerikaanse militairen, en van een Amerikaanse generaal in de rol van Saceur.

Dat is ook iets wat collega Weydts heeft gezegd in het debat over de Amerikaanse veiligheidsstrategie net voor de vakantie. Dat was een heel interessant debat toen die vrijdagnamiddag.

Europa moet daarom kalm blijven, maar wel heel duidelijk maken – en dat heb ik hier ook gehoord van heel veel collega’s – dat territoriale integriteit en bondgenootschappelijke loyaliteit geen onderhandelbare concepten zijn. Daarin kan ik heel duidelijk zijn: dat is non-negotiable .

Tegelijk moeten we versneld werken aan een sterker Europa binnen de NAVO, zodat onze veiligheid minder afhankelijk wordt van politieke schommelingen elders.

Ces dernières heures, j’ai été en contact avec l’ambassadeur américain auprès de notre pays et l’ambassadeur américain auprès de l’OTAN, et je leur ai expliqué nos préoccupations.

Gisteren heb ik dus contact opgenomen met de Amerikaanse ambassadeur in België, de heer Bill White, die gisteren trouwens te gast was in De Afspraak . Misschien hebt u dat gezien, zo niet kunt u het herbekijken. Deze ochtend heb ik ook contact gehad met de Amerikaanse ambassadeur bij de NAVO, Matthew Whitaker. Ik ben een Atlantisch denker. In het regeerakkoord staat ook heel duidelijk dat de NAVO voor ons de hoeksteen is en blijft van onze collectieve verdediging. Daarom is het belangrijk dat we met elkaar praten en bepaalde zaken durven aan te kaarten.

Ik begrijp de bezorgdheden die u hier uit met betrekking tot Groenland en de integriteit van NAVO-bondgenoot Denemarken.

Ce pays est l'un des plus loyaux envers les États-Unis et l’atlantisme.

Denemarken had na Amerika het hoogste aantal dode militairen in Afghanistan. Het koopt de F-35 en zoveel andere Amerikaanse wapensystemen. Het is dus bijzonder pijnlijk dat net zij nu vol in het vizier van de Verenigde Staten komen.

Ik snap bepaalde strategische overwegingen maar ik meen dat het goed zou zijn dat er in de komende uren en dagen vergaderd wordt over de belangrijkste elementen in dit debat door de belangrijkste protagonisten. Dan hebben we het over Groenland, Denemarken en de Verenigde Staten. Ik meen dat dit moet worden uitgepraat op een volwassen manier. Niemand heeft baat bij een food fight binnen de NAVO. De enigen die daarbij winnen, zijn onze vijanden. Laten we daar heel duidelijk over zijn.

Onze premier heeft dat gisteren in Parijs ook heel duidelijk gezegd. Niemand heeft baat bij dat we elkaar de duvel aandoen, elkaar afjakkeren, elkaar uitschelden of dat we tegen elkaar opbieden. Dat lijkt me bijzonder onverstandig. Dat heb ik heel duidelijk gemaakt. Het is belangrijk dat hier een oplossing gevonden wordt, dat we rustig blijven en de zaken uitpraten, zoals bondgenoten dat doen, zoals we dat al meer dan 70 jaar doen. We hebben al eerder crisissen gehad. Dit is uiteraard zo’n crisis, maar dit zullen we ook wel uitpraten.

Het is natuurlijk allemaal niet gemakkelijk. Iedereen heeft zijn belangen, zijn strategische visie, zijn bezorgdheden en zijn eigen kiezers. Dat begrijp ik allemaal, maar de mondiale situatie is bijzonder ernstig. Het is dus best dat we eendrachtig blijven. Daar ben ik echt van overtuigd. Dit is nog maar het begin van het jaar. Er zal nog veel gebeuren dit jaar.

Die boodschap is goed overgekomen. Ik ben ervan overtuigd dat er in de komende dagen heel wat initiatieven zullen komen, voor of achter de schermen, om hier uit te geraken. Dat is mijn hoop en ik meen dat het zal lukken.

Tot slot, er is op dit moment geen enkele vraag gekomen, niet via de NAVO, niet via de Europese Unie en niet bilateraal van Denemarken, om Belgische troepen naar Groenland te sturen.

Dat is gevraagd. Ik geef daar dus een antwoord op. Als minister van Defensie kan ik bevestigen dat er geen vraag is om troepen naar Groenland te sturen. Op dit moment hebben we nog geen vraag gekregen, niet van de EU, niet van Denemarken en niet van de NAVO. Ik geef maar antwoord op de vragen die ik krijg.

Collega’s, er is nog een laatste punt dat ik wil aanhalen. Er werd gesteld dat ik niet zou willen zeggen dat de internationale rechtsregels zijn geschonden. Ik word daarbij slecht geparafraseerd, wat ik betreur. Ik begrijp dat dit in een politiek discours soms dankbaar wordt gebruikt, maar men moet wel de volledige context lezen, dus ook de paragraaf erboven.

Ik weet, mijnheer Van Hecke, dat u er doorgaans naar streeft intellectueel correct en eerlijk te zijn. Dat duurt immers het altijd het langst. We weten dat allebei, want we zitten hier beiden al een hele tijd. Ik heb mijn tekst herlezen en wil het duidelijk stellen. Vanuit internationaalrechtelijk oogpunt zijn de regels overschreden, daarover bestaat voor mij geen twijfel. Ik heb wel gezegd dat bepaalde zaken voer zijn voor juristen. U weet hoe dat gaat met zulke discussies. Die belanden in de Veiligheidsraad van de VN, waarin de ene A zegt en de andere B, met vaak eindeloze discussies tot gevolg.

Wanneer men stelt dat er geen enkele jurist ter wereld bestaat die die internationaalrechtelijke interpretatie betwist, dan is dat niet correct. De juristen van het Amerikaanse Department of State betwisten die interpretatie. U kunt daar heel hard mee lachen, maar er zijn juristen van een groot en machtig land, die alle mogelijke argumenten afwegen om die zaak inhoudelijk te betwisten. Uw bewering dat niemand dat betwist, klopt dus niet. In de Verenigde Naties wordt namelijk vrijwel alles betwist. Er zijn zelfs juristen die ontkennen dat de Russische invasie van Oekraïne een schending vormt van de internationale rechtsregels. Dat zijn de juristen van het Kremlin. Ik wil daarmee aangeven dat dit een eeuwige discussie is.

Wanneer u mij dus vraagt of ik van oordeel ben dat de internationale rechtsregels zijn overschreden, dan antwoord ik zonder aarzeling bevestigend. Daarover ben ik niet dubbelzinnig. Ik heb ook goed begrepen wat onze premier daarover heeft gezegd. Zijn boodschap was volgens mij dat we vooral naar onszelf moeten kijken en dat Europa eindelijk lessen moet trekken uit de verschuiving naar hard power . We zijn daar laat mee. In de politiek mag men nooit zeggen dat het te laat is, omdat dat hopeloosheid en moedeloosheid uitstraalt, terwijl mensen behoefte hebben aan hoop. Men kan dus niet stellen dat het te laat is, maar ik moet wel erkennen dat we laat zijn, zelfs zeer laat, ook wat de heropbouw van onze defensie betreft.

Als ik zie welke prijzen vandaag moeten worden betaald voor wapensystemen, dan is dat bijzonder pijnlijk. Als we tien jaar geleden waren begonnen, hadden we veel goedkoper kunnen aankopen. Vandaag wil iedereen kopen en dat drijft de prijzen op door de marktomstandigheden van vraag en aanbod. Dat is spijtig. In de commissie voor Legeraankopen en -verkopen moet ik nu dossiers over legeraankopen voorleggen waarvan men terecht zegt dat ze bijzonder duur zijn. Hadden we die aankopen tien jaar geleden gedaan, dan had ons dat slechts de helft gekost. Dat hebben we echter niet gedaan.

Mijnheer Van Hecke en collega's, wij moeten focussen en ik denk dat dat ook de boodschap is die verschillende regeringsleden hebben proberen te geven. Er is Venezuela, maar dat is een zaak voor Buitenlandse Zaken, niet voor Defensie. Er is geen vraag om troepen naar Venezuela te sturen. Ik heb daar als minister van Defensie eigenlijk helemaal niets over te zeggen. U vraagt naar persoonlijke mening daarover wegens mijn post. Ik heb mijn mening daar gezegd, laat dat helder zijn, maar richt u voor het overige tot de heer Prévot. Ik hoop dat hij morgen op het vliegtuig goed kan uitslapen, want het zal hevig worden. Het is niet aan mij om daar uitspraken over te doen.

Stéphane Lasseaux:

Monsieur le ministre, merci pour vos réponses et vos éclaircissements. Je partage votre analyse. Vous avez raison, il y a une crise au sein de l'OTAN. Il ne faut pas le nier. Mais je confirme aussi que pour moi, et je l'ai mentionné dernièrement, nous avons été depuis bien trop longtemps les passagers clandestins de notre défense.

Toutefois, faut-il le signaler? Je vous redemande, monsieur le ministre, de rencontrer vos homologues européens afin de pouvoir se coordonner.

Faut-il également le rappeler? Il est nécessaire, certainement, d’informer les États-Unis qu'il y aura des conséquences aux actions qu'ils sont en train de mener. Ces conséquences seront certainement diplomatiques, économiques voire autres.

Mais aussi, chers collègues, si nous agissons dans ce sens en opposition aux États-Unis, il y aura aussi des risques de conséquences négatives pour la Belgique – conséquences diplomatiques, conséquences économiques et budgétaires, des conséquences sécuritaires, des conséquences sociales et peut-être des conséquences militaires.

Nous devrons l'assumer auprès de notre population. Nous sommes prêts à le faire. C'est une interrogation. Je réinsiste, sommes-nous réellement prêts à le faire?

François De Smet:

Monsieur le ministre, je vous remercie de vos réponses.

L'intégrité territoriale des membres n'est pas négociable. Vous le dites très bien, mais nous ne devons pas sous-estimer ce qui se passe. Nous allons parler aux Américains. D'accord. Cependant, quelle est notre marge de manœuvre pour discuter avec des gens qui tiennent des propos si radicaux? Si ce qui intéressait les Américains, c'étaient des garanties de défense, honnêtement, ils les ont déjà: une de leurs bases est installée au Groenland, avec lequel ils ont conclu des accords de défense, tout comme avec le Danemark au sein de l'OTAN. Donc, ne nous trompons pas. Nous n'avons pas affaire uniquement à des gens qui veulent davantage de sécurité, mais affaire à une perspective impérialiste d'envie de gains territoriaux. Ils pensent que, comme ils sont très forts, il suffira de le répéter haut et fort pour que cela ait lieu. Raison pour laquelle nous devons, non pas envoyer des troupes au Groenland, mais hausser le ton de la même manière. Nous devons être pleinement solidaires de nos alliés danois et rappeler, comme vous l'avez fait, que l'intégrité territoriale des membres doit être préservée et que cet épisode vaut une question de crise au sein de l'OTAN.

Pour le reste, même si nous ne sommes pas d'accord à propos des F-35, votre diagnostic est exact. En effet, nous payons des années de désinvestissement. Nous, Européens, prônons des valeurs fortes – celles du droit international –, que nous devons conserver. Il n'y a quasiment que nous, pour l'instant, qui les déclarons fortement parce que nous nous trouvons au milieu d'empires en résurgence: la Chine, les É tats-Unis, la Russie. Toutefois, il nous manque la force. Nous sommes un empire doté de valeurs, un empire de consommateurs, mais un empire dénué de force. C'est pourquoi nous avons raison d'investir au maximum dans notre défense, comme nous le faisons. Nous pourrions nous passer de dépendances technologiques pour le F-35, mais je reconnais honnêtement que, pour le reste, vous faites chaque fois votre possible pour investir européen. Vous achetez des munitions et des chars. Par ailleurs, il faut développer une industrie et une technologie de défense européenne. De même, accessoirement, il importe de nous rendre indépendants sur d'autres plans qui ne vous concernent pas directement, à savoir la politique énergétique et industrielle. C'est la seule manière de nous en sortir demain.

Christophe Lacroix:

Monsieur le ministre, merci pour vos réponses. Un élément m'a rassuré, vous avez été clair sur la souveraineté du Groenland. Le Groenland appartient aux Groenlandais, appartient au Danemark, et donc aux Danois de manière plus large. C'est incontesté et incontestable. Nous avons d'ailleurs introduit une proposition de résolution visant au respect du principe de souveraineté du Groenland en commission des Relations extérieures. Nous espérons que ce dossier sera à l'ordre du jour de cette commission la semaine prochaine.

Je suis beaucoup moins d'accord avec vous quand vous prétendez que nous sommes moins forts aujourd'hui et que, dès lors, nous devrions presque nous soumettre aux diktats du président Trump, de son administration et de son gouvernement. Nous ne sommes pas moins forts. L'Union européenne, si elle se rassemble autour d'une volonté commune, dispose d'un arsenal militaire comparable et supérieur à celui de la Russie. C'est sur le plan de la puissance nucléaire que nous avons du retard. Sans la France et sans le Royaume-Uni, effectivement, nous sommes en difficulté.

Au sujet du retard de la Belgique, convenez avec moi, avec l'honnêteté intellectuelle qui est la vôtre, que votre prédécesseur N-VA, M. Vandeput, n'a pas fait du bien à l'armée et à la Défense. Les économies de 1,7 milliard ont été opérées sous le ministre Vandeput. En 2015 et en 2016, dans les tableaux budgétaires que je suis allé rechercher, il n'y avait aucun crédit d'engagement pour l'achat de munitions. J'eusse espéré que ce soit vous qui eûtes été ministre à l'époque. Certainement, nous aurions agi différemment.

Enfin, il faut véritablement ouvrir les yeux face à Donald Trump, mais aussi face au vice-président Vance, à Rubio et à toute sa clique. En effet, c'est une clique d'impérialistes, de souverainistes, qui n'ont qu'une volonté – et c'est écrit dans la stratégie nationale américaine –, celle d'affaiblir l'Union européenne et saper la démocratie européenne.

Je terminerai en vous disant à quel point cette Amérique-là n'est plus notre alliée. Elle n'est plus notre alliée pour défendre la démocratie, les valeurs européennes et les valeurs de droits humains. Selon les informations de Der Spiegel , qui n'est quand même pas un tabloïd mais un journal très sérieux allemand, il y a une influence et des menaces du gouvernement américain aujourd'hui sur les juges en France qui vont revoir en appel le jugement de Mme Le Pen. Car l'objectif de Donald Trump et de son gouvernement est effectivement de soutenir financièrement, mais également par des ingérences politiques anormales, des régimes ou des dirigeants d'extrême droite dans l'Union européenne pour mettre à bas l'idéal européen et les valeurs fondamentales qui ont construit le projet européen; mais qui le maintiendront coûte que coûte, quoi qu'en pense Trump et quoi qu'il puisse faire à son égard.

Axel Weydts:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ik onthoud een aantal elementen uit uw lang en goed antwoord.

Ten eerste, het is goed dat op het hoogste niveau wordt gepraat. Het is heel belangrijk dat de kwestie wordt uitgepraat en niet leidt tot een openlijk conflict binnen de NAVO. Dat kunnen wij immers missen als kiespijn. Immers, indien de kwestie zou uitmonden in een daadwerkelijk conflict binnen de NAVO, dan zal slechts één persoon de champagne ontkurken op het nieuwe jaar, namelijk Poetin in het Kremlin.

Dat is ook het probleem. Poetin is de vijand. Daarover bestaat geen twijfel. Indien Poetin uiteindelijk de enige zou zijn die garen spint uit een verdeelde NAVO, dan ben ik niet overtuigd of hij door Trump wel als een grote vijand zal worden beschouwd. Wat wij de voorbije maanden onder de regering-Trump hebben gezien, wijst immers op grote toenaderingen tot Poetin. Er liggen bovendien plannen op tafel die grotendeels tegemoetkomen aan de wensen van Poetin. Ik ben er dan ook niet gerust in dat de regering van de Verenigde Staten Poetin en Rusland daadwerkelijk als de grote bedreiging beschouwt. Die nuance lijkt mij belangrijk om te maken.

U hebt vandaag bijna letterlijk de Belgische leuze ‘Eendracht maakt macht’ gehuldigd, wat ik niet van u had verwacht. Die leuze geldt niet alleen voor ons land, maar evenzeer voor de NAVO. Het is dan ook van groot belang dat de NAVO met één stem blijft spreken.

Collega’s, waarom is die backstop zo belangrijk en zo cruciaal? Waarom ben ik zo ongerust over het mogelijk afnemende vertrouwen in de regering-Trump? Die backstop is essentieel omdat Europa vandaag op eigen kracht nog niet sterk genoeg staat. Dat is de realiteit. Men kan het tegendeel proberen te beweren, maar op het vlak van strategische enablers staan wij nergens. Dat geldt vooral voor de intelcapaciteit. De inlichtingen die wij vandaag van de Verenigde Staten ontvangen en waarop wij vandaag een beroep doen om onze operaties veilig te kunnen leiden, zijn cruciaal. Die capaciteit hebben wij op Europees niveau niet.

Het is dan ook heel terecht dat wij opnieuw bouwen aan onze eigen defensie, niet alleen in België maar in heel Europa. Wij moeten bouwen aan een Europese defensiepijler binnen de NAVO, zodat wij op eigen benen kunnen staan en voldoende sterk worden. Ik volg u ook volledig wanneer u stelt dat wij zodoende een stok achter de deur hebben, aangezien wij er met praten alleen niet zullen komen in de huidige tijden en in een wereld waarin autocraten aan de macht zijn.

Het is dan ook goed dat de huidige regering met Vooruit eindelijk opnieuw investeert in onze defensie en werk maakt van de hard power die wij helaas nodig zullen hebben.

Darya Safai:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord, ook voor de nodige nuances die u aanbrengt. Uiteindelijk moeten we beseffen dat we moeten blijven werken binnen ons bondgenootschap en dat Amerika onze grootste bondgenoot is. Met elkaar ruzie maken of elkaar schofferen, helpt ons geen meter verder.

Het is belangrijk om de discussie met elkaar te voeren, zeker met het oog op de komende NAVO-top. Dat is een belangrijk onderwerp dat op de agenda moet staan. Collega’s die denken dat we nu veel te zeggen zouden hebben, vergissen zich echter, aangezien we jarenlang te weinig hebben geïnvesteerd in onze defensie. Deze regering doet daar eindelijk iets aan. We investeren nu verder en we zullen dat de komende jaren nog veel meer moeten doen.

Collega’s, we leven niet in een leegte. We moeten beseffen dat we zonder Amerika nog zwakker zullen staan. Als iemand die in Iran geboren en opgegroeid is, zag ik dat al jaren geleden aankomen. In de commissie voor Landsverdediging moesten we met de N-VA echter blijven vechten, zelfs om onze drones te bewapenen. De vorige regering en de minister die we toen hadden, hebben beslist om onze drones niet te bewapenen. Dat zijn de feiten en dat zijn de resultaten van de beslissingen in de vorige regering, dus u kunt nu niet vragen waarom we hier niet klaar voor zijn.

Mijnheer de minister, ik wens u heel veel succes voor de komende jaren. Dank u wel.

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de minister, dank u voor uw antwoord. Ik wil een aantal zaken zeggen.

Ten eerste, u zegt dat u voor een aantal vragen bij de minister van Buitenlandse Zaken moet zijn en u vindt het wat vreemd dat hier collega’s van de commissie voor Buitenlandse Betrekkingen of van andere commissies aanwezig zijn. U kunt daar echter niet verbaasd over zijn, aangezien u elke dag of elke week op Twitter, Facebook en Instagram uw mening geeft over buitenlandse aangelegenheden. Dan is het niet zo bijzonder dat hier vragen worden gesteld over thema’s van Buitenlandse Zaken.

U hebt een aantal antwoorden gegeven over uw eigen uitspraken. Dank daarvoor. U was gedetailleerd over uw standpunten. Het is echter niet zo bijzonder dat hier collega’s van de commissie voor Buitenlandse Betrekkingen aanwezig zijn als u daarover wekelijks beschouwingen geeft. Dat is uw goed recht en dat mag. Ik vind dat ook leuk om te lezen. Als u elke week beschouwingen geeft over Buitenlandse Zaken, is het niet verbazingwekkend dat daar hier vragen over komen.

Ten tweede – misschien het punt dat mij het meest stoort, mijnheer de minister – u fulmineert over het verleden. Het was allemaal te traag en te laat en de vorige regeringen hebben ons in de miserie gebracht. Van de laatste tien jaar, de periode van 2015 tot 2025, zaten we echter ongeveer vijf à zes jaar met een minister van Defensie van de N-VA. Ook uw partij maakte toen deel uit van de regering.

Ik vind ook dat we moeten opschalen, dat we sterker moeten investeren en dat we een sterkere defensie nodig hebben. Zoals veel Europese landen maken we de laatste twee jaar inderdaad een inhaalbeweging. Er zijn heel wat linkse partijen in de oppositie. Ik behoor daar niet toe, voor alle duidelijkheid. Ik ben geen lid van een linkse partij, maar er zijn ook heel wat linkse regeringsleiders in andere Europese landen die diezelfde inhaalbeweging maken. Alles zomaar afschuiven op het verleden, op de linkse oppositie of op linkse partijen en hen als naïef wegzetten, is dus niet correct, mijnheer de minister. Dat is niet correct. De laatste tien jaar zat uw partij vijf jaar op de stoel van de minister van Defensie.

Ten derde, ik ben het met u eens dat we zowel hard power als soft power nodig hebben. We hebben hard power nodig, maar ook soft power . Ik ben heel blij dat u zegt dat territoriale integriteit non-negotiable is. Het is zeer goed dat u het belang daarvan hier onderschrijft. Als reactie op de eerste minister stel ik dat palaveren over territoriale soevereiniteit en internationaal recht wél belangrijk is. Wij moeten daarover spreken, want als wij dat al niet meer doen, wie dan wel? Het is een totale chaos op het wereldtoneel. Daarom zijn er spelregels nodig.

Het internationaal recht zijn de spelregels in een periode van chaos. We moeten dat blijven zeggen en dat is minstens even belangrijk als hard power . Soft power is minstens even belangrijk als hard power . U hebt mijn steun voor het versterken van onze defensie, maar we mogen soft power , diplomatie en het naleven van internationale rechtsregels absoluut niet vergeten.

Stefaan Van Hecke:

Mijnheer de minister, u was duidelijk over twee zaken. Ten eerste apprecieer ik dat u met betrekking tot Groenland initiatief hebt genomen en een duidelijke lijn trekt. Ten tweede stel ik het op prijs dat u hebt gezegd dat u vindt dat de internationale rechtsregels zijn geschonden in Venezuela, hoewel u bij aanvang verklaarde geen uitspraken over het internationale aspect te zullen doen en dat overlaat aan minister Prévot en premier De Wever. Nochtans tweet u steeds over allerlei internationaalrechtelijke aspecten en geopolitieke situaties.

Ik verwacht van een minister ook duidelijke uitspraken daarover. U gaat zelfs verder dan de eerste minister. De eerste minister zei in Terzake gisteren dat men zich vragen kan stellen bij de werkwijze. U was duidelijker en scherper dan de eerste minister, waarvoor mijn felicitaties. Uw uitspraak was echter een ingeving van het moment, waarbij het buikgevoel de voorbereide tekst terzijde liet. Collega’s, respect voor het internationaal recht is geen keuze à la carte. Ik verafschuw de stelling dat internationale rechtsregels naargelang de situatie meer of minder belangrijk zijn. Een regering, een minister of een land moet erkennen dat internationale regels leidend zijn in politiek en reacties en moet consequent zijn in de toepassing daarvan.

Dat is hetgeen ik verwacht van de regering, want anders geeft u verkeerde signalen. Als u soft bent en begrip toont voor een actie van - laten we zeggen - een verlicht despoot in het Witte Huis en als u die kerel groen licht geeft, dan interpreteert hij dat als dat hij verder kan gaan. Waarom zou hij dan niet hetzelfde doen in Groenland, in Colombia en in Mexico? Er moet een duidelijke lijn worden getrokken en in uw antwoord doet u dat ook.

Ik wil nog even terugkomen op de tweet. Ik heb uw tweet nog eens goed gelezen en die is voor interpretatie vatbaar. U hebt echter ook nog iets anders gedaan, u hebt ook een bepaalde tweet geretweet. In die tweet stond: “Venezolaanse oppositieleider en recente winnares van de Nobelprijs is het oneens met alle hysterische roepers met hun internationaal recht.” Dat hebt u geretweet. Als ik iets retweet, is dat meestal iets waar ik achter sta. Deze retweet kan worden geïnterpreteerd alsof u het internationaal recht ook maar hysterisch gedoe vindt. U hebt dat daarnet rechtgezet, maar misschien moet u dan ook uw retweet verwijderen of voortaan twee keer nadenken voor u iets retweet. Dat zou een stuk duidelijker zijn.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses.

En complément de la réplique de mon collègue Van Hecke, je soulignerai que vous avez en effet été clair sur certains aspects. Par contre, je suis étonnée par les propos de certains collègues qui continuent de marteler à quel point les États ‑ Unis sont et restent notre meilleur alli é .   Aujourd ’ hui, continuer à penser que le salut de la Belgique et de l ’ Europe passe par cette Alliance est de l’aveuglement complet au regard de ce qui est en train de se passer. La situation actuelle est tr è s claire: nous constatons un non ‑ respect du droit international et de la territorialit é du Groenland, et donc de l ’ Union europ é enne.   Nous devons agir en conséquence.

L’enjeu en matière d’autonomie, en particulier d’autonomie énergétique, est évidemment énorme. Et c’est précisément l’un des enjeux des prochaines années: parvenir à être davantage résilients et autonomes, tant au niveau européen qu'au niveau belge, en la matière.

Plus spécifiquement, même si nous ne serons jamais d’accord sur la question des F ‑ 35, il est é vident qu ’ il ne s ’ agit pas d ’ une bonne option d ’ en racheter pour 1,6 milliard d ’ euros d ’ argent public – l ’ argent des citoyens belges – pour un r é sultat tel que celui qui se produit aujourd ’ hui et qui se reproduira sans doute à l ’ avenir. Comme vous le disiez, le Danemark a achet é des F ‑ 35; nous voyons bien la situation dans laquelle il se trouve et la fa ç on dont le pr é sident Trump le traite.

Monsieur le ministre, si vous voulez flatter l’ego de Trump, offrez ‑ lui un Manneken-Pis plaqu é or, mais ne lui offrez pas, sur un plateau d ’ argent, 1,6 milliard d ’ euros d ’ argent public pour des avions qui ne garantissent en rien notre s é curit é ni notre autonomie! Ce dont nous avons besoin, c ’ est d ’ une d é fense europ é enne et d ’ une coordination au niveau des achats; aujourd’hui, entre les différents pays européens, c’est la zizanie concernant les différentes sortes de chars, de tanks et d’avions. Par ailleurs, il faut ê tre ferme. En effet, dans un monde où prévaut la loi du plus fort, c’est en faisant preuve de fermeté et en traçant des lignes rouges très claires que nous parviendrons à nous faire respecter, et non en nous mettant à plat ventre.

Koen Van den Heuvel:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Ik heb veel zaken gehoord waarmee ik volledig akkoord ga, onder meer over de loyaliteit en de geloofwaardigheid van het bondgenootschap, die niet onder druk mogen komen. Groenland is non-negotiable . Het lijkt mij heel belangrijk dat we binnen Europa evolueren van soft power naar hard power. Ik denk dat er volledige eensgezindheid bestaat over het uitbouwen van een sterke Europese pijler. Hoe we dat zullen doen, is wel een bijzonder belangrijke vraag. U maakt graag een analyse van het verleden. Ik denk dat we een collectieve verantwoordelijkheid dragen. We hebben allemaal deel van de regering uitgemaakt. Als men de cijfers bekijkt, ik doe dat voor de eerste en de enige keer, dan ziet men dat de regering die het minst aan Defensie heeft besteed in bbp-cijfers de Zweedse coalitie was. Laten we dus stoppen met die analyse van het verleden te blijven maken. Het is een collectieve verantwoordelijkheid, die misschien voor de ene wat meer doorweegt dan voor de andere, maar we moeten vooral vooruitkijken.

De vraag is hoe we Europa sterker kunnen maken. Investeringen zijn daarbij absoluut noodzakelijk, daarin hebt u voor honderd procent gelijk. We hebben echter al vaker besproken dat investeringen efficiënt moeten gebeuren, zodat we dat narratief ook bij onze bevolking warm kunnen houden. Dat betekent dat we meer moeten samenwerken en onder de dominantie van de grotere Europese landen moeten uitkomen. We moeten evolueren naar harmonisering van normen, maar daar kunnen we op een ander moment op ingaan. Ik ben het volledig eens om met de nodige investeringen te evolueren naar hard power binnen Europa.

Een tweede punt betreft Oekraïne. U zei tevreden te zijn met de garanties die gisteravond zijn uitgesproken. Daar blijf ik mij toch wat ongemakkelijk bij voelen. Wat zijn die garanties waard met al die spanningen in het bondgenootschap? Ik denk dat we daar absoluut waakzaam moeten blijven. De vraag blijft openstaan of er op een bepaald moment een ruil zal plaatsvinden.

Een derde punt dat ik nog wil aanhalen, betreft Amerika. De Trumpadministratie is misschien minder NAVO-loyaal, maar we hebben ook gezien dat er in het Congres, zowel bij de Democraten als bij de Republikeinen, een grote flank bestaat met een andere mening over Europa en over het belang van het Atlantisch bondgenootschap dan die enge Trumpadministratie. Ik vraag mij af in welke mate we met die flank sterkere contacten kunnen onderhouden om die mee te versterken. Dat hangt voor een stuk uiteraard samen met onze geloofwaardigheid om meer te investeren in Defensie. Meer investeringen bieden hen extra argumenten om af te stappen van dat eng imperiaal denken van de Trumpadministratie.

Niet iedereen in Amerika zit op dezelfde golflengte. Europa dient daarin een rol te spelen en te tonen dat het zijn verantwoordelijkheid wil opnemen.

Sam Van Rooy:

Minister Francken, bedankt. U bent één van de weinige ministers in deze regering naar wie ik met interesse kan luisteren. Daarom ben ik hier ook aanwezig.

Dit gezegd zijnde, iedereen, behalve extreem links, is blij met de val van de criminele linkse tiran, Maduro, maar niet met de manier waarop. Hoe het dan wel had moeten gebeuren, weet men natuurlijk niet. Dat kan men natuurlijk niet zeggen.

Er moet me in dit debat toch nog iets van het hart. Al het gejammer dat we ook hier weer horen over internationaal recht, laat vooral zien hoe losgezongen van de realiteit veel politici geraakt zijn. Ik zou het echt ook graag anders zien, geloof me, dames en heren, maar het internationaal recht was eigenlijk niet meer dan een comfortabele illusie die enkele decennia heeft kunnen standhouden. Het heeft nooit werkelijk bestaan. Nu is de wereld inderdaad teruggevallen in haar natuurlijke toestand van machtspolitiek van grootmachten.

Wetten – dat zou u toch allemaal moeten weten – bestaan alleen bij de gratie van de onderwerping aan een hogere autoriteit die de wetten met geweld kan afdwingen. Zo’n hogere mondiale autoriteit bestaat niet. Zelfs als men de VN als dusdanig wil beschouwen, beschikt die organisatie helemaal niet over de macht om internationaal recht af te dwingen, behalve misschien tegenover kleine, zwakke landen. Toen de VS Irak binnenvielen, keek de VN machteloos toe. Toen Rusland Oekraïne binnenviel, deed de VN niets. Als China morgen Taiwan binnenvalt, zal de VN niets doen. Dat weten we. Als men een wet niet kan handhaven, beste politici, is ze de facto geen wet. Dan bestaat ze niet.

Het is dus in ons belang dat we zo sterk mogelijk zijn en dat onze tegenstanders zo zwak mogelijk zijn. President Trump is in dat opzicht een realist en een pragmaticus. Hij doorziet de fictie waaraan andere zogenaamde leiders in Europa zich blijven vastklampen. Een goede leider bevordert de nationale belangen van zijn land. Als meer Westerse leiders dat zouden doen zoals Trump het doet, zou onze beschaving in Europa er vandaag veel beter voorstaan.

Voorzitter:

Ik begrijp dat de minister ook nog iets wil inbrengen.

Theo Francken:

Collega's, sta me toe om nog heel kort te reageren. Op zich is het interessant dat we met elkaar spreken, en het is waar, ik spreek mij uit over veel dingen en dat heb ik altijd gedaan, het is soms ook sterker dan mezelf. Ik probeer dat op een genuanceerde manier te doen, en daarom is dit ook zo’n interessante commissie, waar op den duur iedereen naartoe komt. Dat is heel fijn. Welkom. U hoeft zich vooral niet onwelkom voelen omdat u hier maar één keer komt. Trouwens, ik hoop dat Staf Aerts zo snel mogelijk beter is en een beter jaar tegemoetgaat, en dat we hem ook veel kunnen zien. Wat hij meemaakt is natuurlijk niet fijn. Tinne heeft hier vaak gezeten; u helpt elkaar en de solidariteit is heel groot binnen uw fractie. Ik hoop echt dat hij zo snel mogelijk terug is. Laat dat ook heel duidelijk zijn: ik hoop dat Staf zo snel mogelijk geneest zodat we opnieuw met hem kunnen discussiëren en van gedachten wisselen.

Een paar dingen. Retweets are not endorsements . Bij deze is dat dan ook officieel genotuleerd. Sommigen zetten dat erbij, doe dat nu eenmaal niet, ik ga het er niet bij zetten, maar bij deze is het gezegd in de officiële zitting.

Het meest interessante dat ik toch wel gehoord heb, is wat Koen Van den Heuvel heeft gezegd over het belang van voldoende contacten met die parlementsleden. Dat vind ik ook. Daarvoor heb je onder andere het NAVO-Parlement. Ik weet dat niet iedereen daar lid van kan zijn en dat dat beperkt is, maar er zijn ook andere mogelijkheden. Er is de IPU. Er zijn andere mogelijkheden om in nauw contact te komen met Amerikaanse parlementsleden van het Congres en de Senaat. Vooral het Congres is belangrijk, maar ook de Senaat. Die zijn wat minder bereikbaar omdat ze heel drukbezet zijn, maar het Congres heeft veel leden.

Die vriendschapsbanden smeden en met elkaar praten is belangrijk, ik kan het maar voldoende herhalen. Elkaar afsnauwen, daar hebben we niets aan. Er zijn opnieuw heel wat forse uitspraken gedaan, en dat is goed voor de achterban; ik snap die filmpjes, die draaien dan goed. Maar wat hebben we daaraan als Westen? Wat levert ons dat op? Ik denk dat het ons verderaf brengt van ons doel. Ik denk dat dat ons in de problemen kan brengen.

Als men mij dan vraagt naar die veiligheidsgaranties en welke garanties dat zijn … Wel, hoe meer u in de hand bijt die u voor een stuk voedt, hoe meer waarschijnlijk het is dat men zal zeggen: zoek het zelf maar uit in Europa, trek uw plan. Dat is voor een stuk ook een selffulfilling prophecy .

Blijf dus met elkaar praten. Het NAVO-Parlement is een heel belangrijk instrument, maar ook de IPU en de Verenigde Staten. Maak een reis met de commissie. Vraag een ontmoeting met de commissie voor Defensie van het Congres. Nodig hen uit; ze zijn zo vaak in Brussel. Met het NAVO-Parlement zijn ze in februari een week hier, nodig hen dus uit. Het is in de krokusvakantie. Ik weet dat iedereen dan graag gaat skiën, maar de wereld staat in brand. Nodig hen uit en praat met hen. Leer elkaar kennen. Wissel kaartjes uit. Heb contact. U kunt ook eens bellen naar Washington; ik doe dat al jaren: eens bellen en vragen wat er juist aan de hand is, omdat ik bepaalde dingen in de krant lees.

Dat is dus een eigen keuze. U kunt zeggen dat u dat principieel niet doet, dat is geen probleem, maar er zijn wel voldoende mensen in de commissie die dat wel degelijk zouden willen.

Ik blijf ervan overtuigd dat men op een rationele manier kan overtuigen. U hebt al kunnen vaststellen dat de president weliswaar machtig is in de Verenigde Staten, maar niet oppermachtig. Het Congres heeft al een aantal keren de koers bepaald. Bij ons zegt men soms dat de parlementsleden enkel maar op een stemknopje moeten drukken en maar moeten luisteren. Dat is in het Belgisch Parlement ook niet waar, ik ga niet akkoord met die stelling. Voor de Verenigde Staten geldt dat dat absoluut niet het geval is. Dit is dus een oproep. Meer kan ik op dat vlak niet zeggen.

We kunnen eindeloze discussies voeren over de F-35's, de vier jaar ministerschap van de heer Vandeput en de investeringen. Ik zal dat een volgende keer met veel plezier doen, maar als we dat nu zouden doen, zouden er veel replieken komen en zitten we hier nog een uur, terwijl er ook nog vragen moeten worden beantwoord. Dan zou ik binnen twee maanden de vraag krijgen waarom er een achterstand van 90 vragen is en waarom ik nooit kom. We bewaren die discussie dus voor een volgende keer. Ik ben het niet eens met wat hier werd gezegd, maar dat weet u wel.

Voorzitter:

Mijnheer de minister, ik dank u voor deze toevoeging.

Het aantal gezamenlijke militaire oefeningen die elk jaar gehouden worden

Gesteld door

lijst: MR Anthony Dufrane

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 7 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Theo Francken bevestigt dat België jaarlijks een tiental grote multinationale militaire oefeningen organiseert of bijwoont, vooral in het buitenland (bv. Precise Response in Canada, Griffin Strike in Duitsland), met gemiddeld 5–10 NATO-landen om interoperabiliteit en kennisuitwisseling te versterken, met focus op strategische partners zoals Frankrijk, Duitsland en Nederland. Anthony Dufrane benadrukt het belang van transparantie over Belgische inzet (aantallen, budgetten, betrokken eenheden) en vraagt om versterkte voorbereiding op nieuwe dreigingen (cyber, hybride oorlogvoering), maar toont zich tevreden met de huidige internationale samenwerking en trainingsfrequentie. Francken wijst op specialisatie per eenheid (bv. Special Operations Regiment in Litouwen) en logistieke voordelen van buitenlandse oefenterreinen, zonder concrete budgetcijfers of plannen voor uitbreiding te noemen. Dufrane stelt kritisch dat meer soldaten getraind moeten worden voor diverse conflictscenario’s, maar erkent de waarde van de huidige NATO-samenwerking.

Anthony Dufrane:

Monsieur le ministre, les exercices militaires conjoint​​​s, comme l'opération Yellow Guardian dernièrement organisée dans les provinces de Luxembourg et de Liège, jouent un rôle clé dans le renforcement de l'interopérabilité des forces alliées et la préparation aux opérations de l'OTAN.

Cet exercice, qui a récemment rassemblé plus de 800 militaires et 200 véhicules issus de six nations (Belgique, France, Luxembourg, Pays-Bas, Allemagne, République tchèque), illustre l'importance de ces entraînements pour la cohésion et l'efficacité des unités internationales.

Les données sur le nombre total d'exercices de ce type organisés chaque année, leur répartition entre le territoire belge et l'étranger ainsi que le niveau de participation des bataillons belges aux opérations conjointes de l'OTAN sont peu mises en avant, principalement pour des raisons de sécurité et de secret défense. Néanmoins, il serait pertinent de communiquer des informations à caractère non sensible, afin d'évaluer l'engagement de la Belgique dans la coopération militaire internationale et l'adéquation des ressources allouées à ces entraînements.

Monsieur le ministre, combien d'exercices militaires conjoints similaires à Yellow Guardian sont organisés chaque année avec la participation de la Belgique? Quelle est leur répartition entre le territoire belge et l'étranger? Combien de pays membres de l'OTAN participent en moyenne à ces exercices et quels sont les principaux objectifs stratégiques poursuivis? Quels bataillons ou unités belges sont le plus souvent impliqués dans ces exercices? Pourquoi certains bataillons sont-ils plus régulièrement mobilisés? Quels sont les budgets et les ressources humaines alloués à l'organisation et à la participation belge à ces exercices? Enfin, monsieur le ministre, envisagez-vous de renforcer la fréquence ou l'ampleur des exercices conjoints, notamment pour préparer les unités belges aux défis émergents (cyberdéfense, guerre hybride, etc.)? Quelles collaborations supplémentaires sont prévues à cet effet?

Theo Francken:

Merci monsieur Dufrane. Pour l'ensemble de la force terrestre, une dizaine d'activités d'entraînement de cette ampleur sont organisées chaque année, en plus de l'entraînement fonctionnel régulier. Les exercices multinationaux sont majoritairement organisés à l'étranger dans des camps d'entraînement plus vastes.

Pour 2026, la force terrestre participera entre autres à Precise Response au Canada pour la capacité génie, Griffin Strike en Allemagne pour l'artillerie et Flaming Sword en Lituanie pour le Special Operations Regiment.

Chaque capacité dispose d'opportunités d'entraînement à l'étranger avec plusieurs nations de l'OTAN. Ces exercices sont bien souvent multinationaux afin que la communauté, dans une niche parfois spécifique, soit la plus large possible.

Généralement, ces exercices comptent 5 à 10 nations OTAN, le but étant de pouvoir échanger sur les bonnes pratiques de chaque nation, faire profiter des expériences de chacun, découvrir aussi d'autres matériels et surtout renforcer l'interopérabilité des forces alliées.

L'idée est de participer à ces rendez-vous majeurs avec nos partenaires stratégiques directs, avec qui nous sommes amenés à nous déployer régulièrement en opérations: la France, l'Allemagne, les Pays-Bas et le Luxembourg.

Anthony Dufrane:

Merci monsieur le ministre pour tous les chiffres apportés et les explications. Au vu de l'évolution actuelle des relations internationales, même au sein de l'OTAN, je suis rassuré de savoir que nos troupes se forment et se préparent à toutes les éventualités. Il est primordial que le plus grand nombre possible de soldats soient formés aux différents scénarii.

De herstelpensioenen voor de slachtoffers van daden van terrorisme
De toepassing van de wet van 18 juli 2017 voor slachtoffers van terreurdaden
Slachtoffercompensatie bij terreurdaden

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen), Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 7 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

François De Smet en Caroline Désir bekritiseren dat het Service fédéral des Pensions (SFP) slachtoffers van de aanslagen van 22 maart 2016 illegaal benadeelt door hun terrorisme-vergoedingspensioen drastisch te verlagen (van €1.730 naar €23,64) en terugvorderingen te eisen zonder fraude – in strijd met de wet van 2017 die dit expliciet verbiedt. Ze wijzen op systematische misbruiken: aftrek van nog niet definitieve verzekeringsprovisies, willekeurige schorsingen zonder ministerieel akkoord, en discriminatie bij kinderpensioenen (minderjarigen uitgesloten, meerderjarigen wel). Minister Theo Francken ontkent schendingen en verdedigt de toepassing van het subsidiariteitsbeginsel (art. 6): pensioenen worden wettelijk verlaagd bij andere inkomsten (zoals verzekeringsuitkeringen), zonder retroactieve terugvordering behalve bij fraude. Hij erkent wel dat de uitvoering verbetering behoeft en belooft een aanpassingstekst, maar handhaaft de huidige kinderregeling (gebaseerd op gezinssituatie, niet leeftijd). De oppositie betwijfelt zijn stelling dat er "geen probleem" is, maar verwacht dringend wetswijzigingen in overleg met slachtofferorganisaties.

François De Smet:

Monsieur le ministre, cette question avait été adressée à votre collègue, M. Jambon, mais apparemment c'est vous le ministre compétent.

La presse s'est fait l'écho d'un courrier reçu par un couple, victime des attentats de Bruxelles du 22 mars 2016, émanant du Service fédéral des Pensions (SFP), lequel versait jusqu'à présent au mari, 1 730,26 euros au titre de pension de dédommagement aux victimes d'actes de terrorisme, montant désormais – je cite – "adapté par une modification de vos droits" à un montant ridicule de 23,64 euros.

Ceci amène les associations d'aide aux victimes telles que Life for Brussels à mettre en évidence une forme de dysfonctionnement manifeste. L'association rappelle que la pension de dédommagement qui a été conçue en 2017 comme un soutien immédiat et inconditionnel pour permettre aux victimes de terrorisme de se reconstruire, se trouve aujourd'hui détournée de sa finalité. Malgré un cadre légal clair excluant strictement toute récupération d'un dû hors fraude, l'erreur administrative ne pouvant jamais créer ni justifier une dette, le SFP expose désormais des victimes déjà fragilisées au risque inacceptable d'un endettement rétroactif en violation directe de la volonté explicite du législateur. Il se livre à une pratique nouvelle et pourtant apparemment, selon nous, illégale telle que la déduction des provisions non consolidées et en cours de procédure. Cela alors même que les dossiers ne sont pas clôturés et qu'aucune indemnisation définitive n'a été versée.

Monsieur le ministre, avez-vous pris connaissance de cette information? Dans l'affirmative, quelle est votre analyse de la situation? Le retranchement d'un montant pareil peut-il se justifier? Confirmez-vous l'analyse de Life for Brussels? Entendez-vous prendre les mesures ad hoc afin de mettre fin à ces pratiques discriminatoires et discrétionnaires du Service fédéral des Pensions?

Voorzitter:

Collega De Smet, de minister antwoordt op zaken waarvoor hij bevoegd is.

Caroline Désir:

Monsieur le ministre, suite aux attentats du 22 mars 2016, le législateur a en effet voté la loi du 18 juillet 2017 qui repose sur trois volets: l'octroi d'un statut de solidarité nationale aux victimes d'actes de terrorisme, l'instauration d'une pension de dédommagement pour les victimes directes et leurs ayants droit et le remboursement des soins médicaux aux victimes.

Moi aussi, je voudrais vous interroger aujourd'hui sur l'exécution de cette loi parce que huit ans plus tard, nous sommes, nous aussi, tout comme mon collègue François De Smet, alertés par une association de victimes qui évoque une série de dérives illégales dans l'application de cette loi. Selon ce qui nous revient, le Service fédéral des Pensions réclame des sommes indûment versées en cas d'erreur administrative alors que l'article 23 de la loi de 2017 stipule clairement que la récupération est impossible en l'absence de fraude ou fausse déclaration du bénéficiaire.

Toujours selon cette association de victimes, le SFP a également fait déduire illégalement les provisions d'assurance des pensions. Cette pratique, contraire aux garanties données par l' É tat, coupe en réalité la seule source de soutien financier stable des victimes. Le caractère résiduaire ne peut légalement intervenir qu'au moment de l'indemnisation définitive. Ici, le SFP modifie ou suspend les pensions sans décision ministérielle préalable.

À côté de ces pratiques contraires à la loi et qui menacent la stabilité financière des victimes, les associations déplorent également des iniquités visant le statut des enfants. Selon elles, l'interprétation actuelle de la notion d'enfant à charge est profondément inéquitable: elle exclut totalement du soutien les enfants mineurs (notamment en présence d'un conjoint survivant), tandis que d'autres enfants majeurs peuvent bénéficier d'une pension à vie. Selon Life for Brussels, ce fait aboutit à des situations absurdes et s'apparente à une forme de loterie familiale.

Monsieur le ministre, comment réagissez-vous, vous et le SFP, aux témoignages de récupération illégale de dettes, de déduction illégale de provision d'assurance et de non-exécution des décisions ministérielles? Comment remédier à la situation? Est-il possible de supprimer la notion d'enfant à charge de la loi de 2017? Entendez-vous recourir à une intervention législative ou exécutive pour mettre fin aux pratiques dénoncées et ainsi garantir le respect de la loi de 2017?

Theo Francken:

Monsieur De Smet, madame Désir, la loi du 18 juillet 2017 prévoit une aide rapide aux victimes, mais maintient le principe de subsidiarité. La pension de dédommagement constitue un droit résiduaire. La loi ne prévoit aucune distinction entre les montants provisoires et définitifs versés par les assurances. Si le montant de la pension de dédommagement diminue, c'est exclusivement justifié par l'application du principe de subsidiarité, conformément à l'article 6 de la loi. La pension de dédommagement est toujours réduite sur la base de ce que le bénéficiaire a perçu des assurances et, le cas échéant, sur la base d'autres rentes qui doivent être déduites en vertu de la loi. En outre, la réduction de la pension de dédommagement est effectuée sans rétroactivité, sauf en cas de fraude. Il n'y a donc aucune dette ni aucune somme récupérée avec effet rétroactif, sauf en cas de fraude. Le SFP me confirme qu'il n'existe donc aucune pratique discriminatoire ou discrétionnaire dans le cadre de l'application de la loi du 18 juillet 2017. Je souhaite néanmoins trouver des pistes pour faciliter et sécuriser l'exécution de l'article 6 de la loi. Une proposition de texte concrète est en cours d'élaboration.

En ce qui concerne la notion d'enfant à charge, la nécessité d'une modification de la législation en vigueur n'est pas d'application, puisque nous souhaitons suivre la logique instaurée par la loi du 18 juillet 2017, elle-même fondée sur celle du 15 mars 1954 et qui prend en compte la cellule familiale de la victime décédée plutôt que la filiation.

François De Smet:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse claire. On comprend que la situation des demandeurs ne va pas évoluer tout de suite, parce que la loi stricto sensu serait respectée. Mais vous dites en même temps que vous allez plancher sur une adaptation via un texte. Comme les associations représentant les victimes, nous attendrons ce texte avec impatience. Je vous remercie de prendre cette dimension en compte.

Caroline Désir:

J'irai dans le même sens que mon collègue. Votre réponse est un peu étonnante, monsieur le ministre. Vous dites qu'il n'y a pas de problème d'application de la loi, mais vous allez la modifier. Vous sentez donc qu'il y a un problème pour les victimes. J'espère que ces modifications législatives interviendront rapidement et, surtout, que vous êtes en contact avec ces associations pour faire évoluer la situation de ces victimes. Je vous remercie.

De nationale veiligheidsstrategie van de Verenigde Staten

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 7 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Koen Van den Heuvel beweert dat de VS via de veiligheidsnota de EU politiek willen destabiliseren door extremistische partijen te steunen en vraagt zich af of dit standpunt breed gedragen wordt in de VS of enkel door Trump. Theo Francken benadrukt dat de VS ondanks verschuivende prioriteiten (focus op Amerika, Donroe-doctrine) een essentiële bondgenoot blijven voor Europa’s defensie en Oekraïne-steun, maar erkent dat Europa dringend zijn eigen capaciteiten moet versterken om minder afhankelijk te worden. Hij stelt dat België de trans-Atlantische band en EU-NAVO-complementariteit blijft nastreven, zonder de Amerikaanse inbreng in Oekraïne of nucleaire afschrikking in vraag te stellen. De kritische noot over Amerikaanse inmenging blijft onweersproken, maar Francken wijst op de noodzaak van Europese strategische autonomie zonder de NAVO los te laten.

Koen Van den Heuvel:

Vanmorgen werd dit onderwerp al even aangeraakt, mijnheer de minister. In de veiligheidsnota staat ook een duidelijke strategie om de Europese Unie een beetje uit elkaar te spelen. Men kan daarin ook duidelijk lezen, men moet daarvoor echt niet van kwade wil zijn, dat er een zekere politieke inmengingsambitie is van de Verenigde Staten in de Europese landen, naar de interne politieke situatie, met een duidelijke ondersteuning van extremistische partijen. Dat is een nieuw feit binnen dat NATO-bondgenootschap. Hoe staat u daar tegenover, mijnheer de minister?

Daarnet, naar aanleiding van de situatie in Groenland, hebben we de loyaliteit binnen het bondgenootschap al uitgebreid kunnen bespreken. Ik denk dat uw standpunt nauw bij ons standpunt aansluit. Er staat ook een punt in over Oekraïne. Dat werd gisterenavond weer wat tegengesproken, met garanties die duidelijk zijn uitgesproken. In die strategie lezen we geen uitbreiding van de alliantie, wat dan toch weer vragen over Oekraïne opwerpt. Ik wijs er ook even op dat mijn vraag zes weken geleden werd ingediend.

Mijn laatste vraag of deze nota alleen door de Trumpadministratie wordt gedragen of dat het een breder draagvlak in Amerika heeft, is daarnet ook al aan bod gekomen. U bent daarop ingegaan, waarvoor dank. Dit is voor mij een belangrijk aandachtspunt. Ik hoor dat dit ook bij u in die mate speelt. Ik sluit mij aan bij het standpunt om daarvoor ook vanuit Europa inspanningen te doen.

Dat waren nog een aantal bedenkingen, mijnheer de minister.

Theo Francken:

Voorzitter, om 12.00 uur moet ik wel vertrekken.

Mijnheer Van den Heuvel, de Belgische Defensie positioneert zich op een constructieve manier ten aanzien van de VS, die ondank alles een strategische bondgenoot blijven voor Europa en voor België. Het bestendigen van de trans-Atlantische band blijft essentieel, bijzonder in het licht van de versterking van onze defensiecapaciteiten, de agressieoorlog van Rusland tegen Oekraïne en de nucleaire afschrikking. Ook in de National Defense Authorization Act van 2026 bevestigden de Verenigde Staten het behoud van een stabiele force posture in Europa, met minstens 76.000 militairen en met een Amerikaanse generaal in de rol van SACEUR.

De Verenigde Staten blijven een cruciale rol spelen in de steun aan Oekraïne, onder andere als bemiddelaar in de vredesonderhandelingen en bij het verlenen van veiligheidsgaranties voor een post-conflict-Oekraïne. Ook op materieel vlak blijft hun bijdrage onmisbaar, onder meer via de PEARL en via uitgebreide inlichtingrenondersteuning. Verder heeft België, los van de Amerikaanse positie, zich op lange termijn geëngageerd Oekraïne te ondersteunen via het bilateraal Belgisch-Oekraïens veiligheidsakkoord van mei 2024. Dit engagement blijft ongewijzigd.

De Europese Unie moet een pijler van stabiliteit en samenwerking blijven. België ziet de versterking van de Europese defensiecapaciteiten complementair aan de NAVO, wat ook aansluit bij de Amerikaanse verwachtingen inzake een grote Europese verantwoordelijkheid voor de beveiliging van ons eigen continent. We moeten ons er rekenschap van geven dat de houding van de VS tegenover Europa en de EU fundamenteel gewijzigd is. De Agent Pivot, die onder Obama ingezet werd, is nu totaal, en met de Donroe-doctrine komt er nu ook een focus op het Amerikaanse continent bij.

We zullen onze capaciteiten in Europa zelf moeten opbouwen en versterken, los van wat de VS aan het doen zijn en hoe ze het geopolitiek aanpakken. De realiteit is wat ze is. Voor een militair stand-alonescenario is Europa op dit moment niet klaar. Daarover ging eigenlijk het hele debat daarjuist, collega Van den Heuvel. Heel veel elementen komen terug. Voor de aspecten die verband houden met de bevoegdheid van Buitenlandse Zaken nodig ik u uit uw vraag aan collega Maxime Prévot te stellen.

Voorzitter:

Die vraag is op suggestie van uw kabinet apart gehouden. De heer Van den Heuvel geeft geen repliek.

Het uitstel van de opening van een detentiehuis in Antwerpen

Gesteld door

lijst: VB Marijke Dillen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 7 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Marijke Dillen bekritiseert de herhaalde uitstel (van 2023 naar 2027) van het detentiehuis in Antwerpen, wijzend op vermeende juridische geschillen, ontbrekende werkzaamheden en onbestelde modulaire units, en vraagt om zekerheden gelet op de afhankelijkheid van het nog niet finaliserde RUP Ringpark Zuid. Minister Annelies Verlinden ontkent juridische conflicten, maar bevestigt vertraging door complexe onderhandelingen met AG Vespa en de stad over terreinafbakening en ruimtelijke inpassing; ze benadrukt dat de doelstelling (eind 2026/begin 2027) haalbaar blijft mits parallelle voorbereiding, hoewel Justitie geen controle heeft over de RUP-timing. Dillen nuanceert haar eerdere bewering over geschillen na Verlindens ontkenning, maar dringt aan op actieve opvolging van het RUP-proces om de deadline te halen. Verlinden herhaalt dat constructieve gesprekken en procedurele stappen (zoals Inspectie-akkoord voor modulaire units) versneld worden, maar zonder harde garanties door externe afhankelijkheden.

Marijke Dillen:

Mevrouw de voorzitster, ik wens iedereen een gezond en gelukkig nieuw jaar.

Mevrouw de minister, de opening van een detentiehuis in Antwerpen is opnieuw uitgesteld. Dat detentiehuis was al aangekondigd in 2023, maar de opening ervan wordt nu uitgesteld tot minstens 2027 volgens de berichten. Hoewel de opening eind 2024 gepland was, is er op de site van Digipolis nog altijd niets gebeurd. De werkzaamheden zijn blijkbaar nog niet gestart. De vertraging is het gevolg van een juridisch geschil.

Daarnaast moet dit detentiehuis passen in het project Ringpark Zuid, dat nog volop in ontwikkeling is. Dat kan voor nog meer vertraging zorgen. Kunt u hierover wat meer toelichting geven?

Wat is de stand van zaken van de gesprekken en onderhandelingen met AG Vespa? Het project moet worden ingepast in het ruimtelijk uitvoeringsplan (RUP) Ringpark Zuid, dat nog in ontwikkeling is en de nodige tijd vergt. Welke zekerheid kunt u geven dat er tegen 2027 een detentiehuis zal worden geopend, gelet op het feit dat dit afhankelijk is van het finaliseren van dat RUP?

Het finaliseren van een dergelijk RUP vraagt, zoals u beter weet dan ik, behoorlijk wat tijd en bevindt zich, volgens de informatie waarover ik beschik, momenteel nog in de voorbereidingsfase.

Tot slot zal het detentiehuis worden gebouwd met modulaire units, maar die zouden nog altijd niet besteld zijn. Wat is daarvan de oorzaak? Blijkbaar is er ook daarbij sprake van een juridisch geschil. Kunt u daarover meer toelichting geven? Er zouden nog onduidelijkheden zijn die moeten worden weggewerkt. Over welke onduidelijkheden gaat het dan en wanneer zullen de modulaire units daadwerkelijk worden besteld, rekening houdend met het gegeven dat het na die bestelling nog anderhalf jaar duurt vooraleer het detentiehuis zou kunnen opengaan?

Annelies Verlinden:

Dank u wel, collega Dillen.

Er is vandaag geen sprake van een geschil tussen de FOD Justitie, de Regie der Gebouwen, de stad Antwerpen of AG Vespa. De uitrol van het aanbestedingsdossier van de modulaire unitbouw kende wel een zekere vertraging en de gesprekken met AG Vespa en de stad Antwerpen hebben meer tijd gevraagd dan voorzien. Meerdere intensieve overlegmomenten waren immers nodig om het exacte terrein zorgvuldig af te bakenen en ook het detentiehuis kwalitatief in te passen in de bredere ontwikkeling van de volledige site. Dat is uiteraard erg belangrijk voor het welslagen van het project.

De afstemming betrof zowel de stedenbouwkundige voorwaarden als de ruimtelijke inbedding in het toekomstige projectgebied. De gesprekken met AG Vespa verlopen constructief en bevinden zich ook in een eindfase. U zegt ook terecht dat het detentiehuis inderdaad moet worden ingepast in het RUP Ringpark Zuid, dat nog niet finaal is goedgekeurd en er is ook vandaag geen absolute zekerheid over de timing voor de vastlegging van dat RUP. Justitie heeft daar vanzelfsprekend ook geen vat op.

Toch blijft de doelstelling om het detentiehuis tegen eind 2026 of begin 2027 te openen, waarbij alle elementen die nu al kunnen worden voorbereid, parallel worden uitgewerkt.

De bestelling van de modulaire units gebeurt finaal per site en moet telkens individueel aan de Inspectie van Financiën worden voorgelegd. Dat is een normale procedure binnen het modulaire bouwprogramma. Wat dat betreft, zijn er dus ook geen juridische onduidelijkheden of een juridisch geschil.

De Regie der Gebouwen streeft ernaar om de nodige voorbereidingen zo snel mogelijk te kunnen finaliseren. Daarna kan de bestelling van de modulaire units worden geplaatst. De aannemer is daarvan op de hoogte en heeft alle nodige voorbereidingen al getroffen om de site zo snel mogelijk te kunnen ontwikkelen zodra de formele toewijzing er is.

Uiteraard blijven mijn diensten en ikzelf ons engageren om het vervolgtraject zo efficiënt mogelijk te laten verlopen, met respect voor de procedures die moeten worden gevolgd en uiteraard ook in nauwe samenwerking met de Regie en alle betrokken partners.

Marijke Dillen:

Dank u, mevrouw de minister, voor uw antwoord. Dan is de verspreide informatie over die juridische geschillen fout. Ik ben blij te horen dat de gesprekken met de stad Antwerpen en AG Vespa op een constructieve wijze plaatsvinden. Ik begrijp natuurlijk dat dat soms meer tijd vraagt dan aanvankelijk gepland. Ik begrijp ook dat Justitie geen vat heeft op de timing van het RUP, maar dan is het natuurlijk toch wel belangrijk om met de regelmaat van de klok erop aan te dringen om daar vooruitgang te boeken, indien u tegen eind 2026, of minstens tegen begin 2027, erin wilt slagen om dat detentiehuis te openen.

De aangekondigde extra middelen voor Justitie en de impact ervan
De financiering van Justitie
De besteding van de toegekende bijkomende middelen
Financiering en besteding van extra middelen voor Justitie

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 7 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Annelies Verlinden verdedigt het 1 miljard euro extra voor Justitie (waaronder 600 miljoen eenmalig voor detentie-infrastructuur en 200 miljoen structureel voor overbevolking), maar kritiek van De Wit, Ribaudo en Dillen benadrukt dat dit onvoldoende is voor structurele problemen zoals tekorten aan tolken, magistraten, bewakers (300 vacatures + 10% absenteïsme) en openstaande facturen. Verlinden schetst prioriteiten: fraudebestrijding (7,2 miljoen), financieel parket (6,4 miljoen/jaar), 50 miljoen recurrent voor gevangeniscapaciteit (modulaire units, detentiehuizen) en 21 miljoen voor extra personeel, maar erkent dat verdere middelen nodig zijn voor digitalisering, veiligheid en personeelsuitbreiding. Critici (Dillen, Ribaudo) wijzen op België’s lage justitiebudget (0,22% BBP) en eisen een concreet, controleerbaar plan met structurele oplossingen, terwijl Verlinden belooft de beleidsnota (februari) te gebruiken voor gedetailleerde verdeling op basis van terreinbehoeften. De toon blijft sceptisch: volgens oppositie is het bedrag symbolisch en moet Justitie minstens gelijkwaardig aan defensie worden gefinancierd.

Sophie De Wit:

Mevrouw de minister, het is al herhaaldelijk aan bod gekomen en ik denk dat het ook nog aan bod zal komen bij de bespreking van de beleidsnota. Ik vind het echter zinvol om vandaag al enige duidelijkheid te scheppen en heb daarom de gelegenheid genomen hierover een vraag te stellen.

Naar aanleiding van het begrotingsakkoord dat ondertussen al enkele weken geleden werd gesloten, hebt u laten weten dat u 1 miljard euro extra voor Justitie hebt binnengehaald, waaronder 600 miljoen euro eenmalige infrastructuurmiddelen voor broodnodige detentiecapaciteit en 200 miljoen euro structureel voor de aanpak van de overbevolking, zoals ook uit de tabellen blijkt.

Ik hoef u niet toe te lichten dat die injectie uiteraard welkom is. Of dat voldoende zal zijn, zal de tijd uitwijzen, want de uitdagingen bij Justitie zijn zeer groot, niet alleen in de gevangenissen, maar ook bij de magistratuur, tolken, deskundigen en dergelijke. Er liggen nog heel wat werven open, waaronder het verhaal van de detentiehuizen. Daar is daarnet al een vraag over gesteld: van de 15 aangekondigde detentiehuizen zijn er slechts 2 gerealiseerd. Olen is daar recent bijgekomen. De ambities gingen echter verder dan wat de uitvoering vandaag laat zien, vandaar, mevrouw de minister, wil ik graag wat toelichting krijgen over de huidige extra middelen voor Justitie en de impact daarvan.

Kunt u de communicatie over het miljard euro concreter toelichten? Zal dat voldoende zijn of is het een startpunt om aan de noden te voldoen? Kunt u verduidelijken hoe u binnen deze bijkomende middelen concrete prioriteiten zult bepalen en hoe dit zich zal vertalen in duidelijke keuzes en acties op het terrein? Kunt u toelichten hoe u binnen dit pakket de tekorten voor tolken, vertalers en deskundigen zult opvangen? Die facturen staan immers ook nog altijd open.

Ik verwacht dat we uw beleidsnota in februari zullen ontvangen, maar we zullen dan ook nood hebben aan een duidelijk en controleerbaar cijferplan voor Justitie.

Wat betekent dit pakket voor de aanpak van de overbevolking en de uitrol van de detentiehuizen? Hoe zult u ervoor zorgen dat extra plaatsen kunnen worden gecreëerd om de nood op het terrein te verlichten? Ik dank u alvast voor uw antwoord.

Julien Ribaudo:

Madame la ministre, le gouvernement Arizona a annoncé un financement supplémentaire d’un milliard d’euros pour la Justice. Cette annonce a suscité de nombreuses attentes dans un secteur confronté à des difficultés structurelles majeures, tant au niveau de l’ordre judiciaire que de l’exécution des peines. Toutefois, à ce stade, la ventilation concrète de ces moyens reste particulièrement floue.

Dès lors, pouvez-vous préciser de manière détaillée comment ce milliard d’euros sera réparti? Plus concrètement, quels montants seront affectés respectivement au renforcement de la magistrature et de l’ordre judiciaire, aux greffes et au personnel administratif, aux établissements pénitentiaires et à l’exécution des peines, ainsi qu’aux infrastructures et à la digitalisation? Quels engagements précis pouvez-vous prendre en matière de renforcement du personnel, notamment en ce qui concerne le nombre de magistrats, de greffiers et d’autres fonctions essentielles au bon fonctionnement de la Justice? Pouvez-vous également préciser comment, dans ce cadre budgétaire, vous entendez combler les déficits structurels persistants concernant les interprètes, traducteurs, experts judiciaires et services de remorquage, pour lesquels des retards de paiement subsistent encore aujourd’hui?

Je vous remercie.

Marijke Dillen:

Naar aanleiding van het bereiken van een begrotingsakkoord maakte de minister op heel triomfantelijke wijze wereldkundig dat ze het 1 miljard euro extra investeringen dat ze had geëist ook zou gekregen hebben. Dit triomfalisme is niet echt gepast in een week waarin de gevangeniscrisis nog eens dramatische vormen heeft aangenomen, zo konden we terecht lezen in de media. Uit de besprekingen is gebleken dat 600 miljoen euro zou worden besteed aan eenmalige infrastructuurwerken om de detentiecapaciteit aan te pakken en 200 miljoen euro voor de aanpak van de overbevolking.

Helaas dienen we vast te stellen dat dit extra budget absoluut onvoldoende is om alle andere dringende noden binnen Justitie weg te werken. Denken we bijvoorbeeld aan de talrijke noden binnen de magistratuur, de problemen wat de digitalisering betreft, het betalen van alle openstaande facturen van dienstverleners aan Justitie zoals vertalers, tolken, slotenmakers, takelbedrijven, enz. om enkele voorbeelden te noemen.

In de media dit weekend konden we lezen: “De minister gooide de voorbije maanden haar handen in de lucht. Ze stond machteloos want ze kreeg zogezegd niet de steun van haar collega's in de regering. Die steun heeft ze nu wel. De tijd van zuchten, zagen, klagen en paraderen is nu écht wel voorbij, het is hoogtijd dat deze minister overgaat tot daden."

Kan de minister mij concreet toelichten op welke wijze het toegekende extra budget voor Justitie concreet zal worden ingevuld? Waar zullen de prioriteiten liggen?

Deze toegekende bijkomende middelen zijn absoluut onvoldoende om een antwoord te bieden op alle andere en ook dringende noden binnen Justitie. Ook deze dienen eindelijk een antwoord te krijgen. Op welke zal de minister hier een structureel uitgewerkt plan uitrollen, dit uiteraard gekoppeld aan de nodige budgetten? Wanneer gaat de minister eindelijk met een concreet en grondig plan van aanpak komen?

Annelies Verlinden:

De werkzaamheden rond de middelen die we bijkomend hebben verkregen en de verdeling daarvan zijn volop aan de gang. Dat gebeurt uiteraard in overleg met partners en, in sommige gevallen, door partners zoals het College van de hoven en rechtbanken te vragen zelf met voorstellen te komen voor de concrete verdeling van die middelen, bijvoorbeeld met betrekking tot aanwervingen of personeelsmiddelen. Het is immers nodig rekening te houden met de noden van de verschillende actoren op het terrein en op basis daarvan prioriteiten vast te leggen. Zo komen de voorbereidingen van de budgettaire besprekingen tot stand, evenals de latere verdeling van de middelen.

Ik wil u alvast enkele hoofdlijnen en elementen meegeven. Zoals u zegt, collega De Wit, zullen we die in het kader van de bespreking van de beleidsnota in commissie later verder in detail kunnen doornemen.

In eerste instantie zullen we met de verkregen middelen de fiscale en sociale fraudebestrijding versterken. Daarvoor wordt 7,2 miljoen euro aan bijkomende middelen voorzien, waarmee we de buitgerichte aanpak van de georganiseerde criminaliteit beter kunnen ondersteunen. Doorheen de volledige strafrechtketen zullen we bijkomende financiële expertise kunnen inzetten om het verdienmodel van criminelen te doorbreken. Zoals u weet, wordt ook een financieel parket opgericht binnen het federaal parket. Voor de realisatie daarvan is jaarlijks een bedrag van 6,4 miljoen euro voorzien.

Je souhaite également rappeler que, dans le cadre du plan d'impulsion, des mesures immédiates ont déjà été prévues afin d'apporter un allègement perceptible au niveau local, dont la provision interdépartementale de 21 millions d'euros qui a été dégagée pour le renforcement du personnel, répartie comme suit: 12 millions pour les cours et tribunaux, 8 millions pour le ministère public et 1 million pour la Cour de cassation.

Voor de aanpak van de overbevolking in de gevangenissen is aan Justitie voor 2026 en de volgende jaren een budgettaire enveloppe toegekend van 50 miljoen euro, recurrent. De enveloppe van 25 miljoen op de IDP-overbevolking voor Justitie die werd toegekend bij het Paasakkoord werd besteed aan uitgaven voor het langer openhouden van bepaalde oudere gevangenissen en voor andere volume-effecten van de overbevolking.

Met de nieuwe recurrente enveloppe zullen we de noodzakelijke bestaande capaciteit langer kunnen openhouden, een aantal detentie- en transitiehuizen kunnen realiseren en de modulaire units kunnen inrichten. Het is duidelijk dat we voor de toekomst moeten blijven zoeken naar bijkomende middelen om ook de investeringen in gebouwen, de recurrente personeelsmiddelen voor bewaking en beveiliging, de werkingskosten voor meer voeding en gezondheidszorg en de hogere energiekosten te financieren.

In het kader van de overbevolking werd er overigens ook een budget van 5 miljoen euro voorzien voor de FOD Volksgezondheid en 5 miljoen voor Asiel en Migratie om de doorstroming van de geïnterneerden naar aangepaste zorginstellingen en de terugkeer van veroordeelden zonder recht op verblijf te bevorderen. Beide initiatieven zijn immers nodig om de hoge druk op het gevangeniswezen te verlagen.

Collega De Wit, zoals u zei, wordt er ook in een interdepartementale provisie voorzien ter financiering van de infrastructuur om de overbevolking in de gevangenissen tegen te gaan en dat ten belope van 600 miljoen euro. Die bijkomende middelen zullen worden gebruikt voor de investeringskosten en de werkings- en exploitatiekosten van de detentie-infrastructuur, alsook voor het onderhoud, de veiligheid en de bouw en het onderhoud van gerechtsgebouwen.

Het is evident dat een zeer nauwe samenwerking met de Regie der Gebouwen, die eveneens over voldoende middelen en personeel zal dienen te beschikken, noodzakelijk zal zijn, aangezien de Regie in de lead is voor de realisatie van die projecten. Ook om de talrijke initiatieven uit het regeerakkoord in de praktijk gestalte te geven, zijn bijkomende middelen nodig. Ik denk bijvoorbeeld aan de bescherming van onze magistraten, de extra beveiligde cellen en het inzetten op digitalisering om efficiëntiewinsten binnen Justitie mogelijk te maken.

We hebben een aantal prioriteiten opgelijst, zodat we bijvoorbeeld ook de partners, experts, vertalers en tolken, maar ook de pro-Deovergoedingen, tijdig zouden kunnen betalen en daar niet veel te laat mee komen, zoals in het verleden het geval was. Dankzij de realisatie van efficiëntiewinsten binnen Justitie is in bijkomende middelen voorzien waarmee dat justitiebeleid kan worden gerealiseerd. Zo wordt er bijvoorbeeld budget vrijgemaakt voor de versterking van de Commissie voor Financiële Hulp aan Slachtoffers en wordt de subsidie voor Child Focus wettelijk verankerd.

Zoals ik daarnet al zei, worden er ook middelen besteed aan de verderzetting van de digitalisering en de belangrijke projecten die Justitie in de toekomst efficiënter en meer digitaal moeten maken, aan de versterking van de rechterlijke orde, niet alleen van de magistratuur zelf, maar ook van alle medewerkers om de hele keten te kunnen versterken en aan het inzetten op meer veiligheid in de gevangenissen.

De precieze verdeling zal uiteraard worden afgestemd op de prioriteiten, zoals bepaald in de beleidsnota die we binnen enkele weken zullen bespreken. De uitdagingen binnen Justitie zijn groot en we zullen met de beschikbare middelen aan de slag moeten gaan. Het doel is ook om Justitie sterker en efficiënter te maken, onder meer door de aanwijzingen van het terrein. Het terrein, de magistratuur en de medewerkers van de FOD en van het gevangeniswezen kunnen goed aangeven waar de grootste noden liggen en welke als eerste moeten worden aangepakt.

Sophie De Wit:

Mevrouw de minister, dank u voor uw antwoord. Ik zal de cijfers toch nog eens goed nalezen. U zei daarstraks dat u wilde zorgen voor enkele lichtpuntjes voor Justitie. Ik hoop dat u er een aantal zult kunnen behalen met deze budgetten, ook al ben ik er me van bewust dat de uitdaging groot zal zijn.

Ik kijk alleszins uit naar de bespreking van de beleidsnota om dan ter zake meer toelichting te krijgen.

Julien Ribaudo:

Madame la ministre, je vous remercie pour votre réponse.

Je vais prendre le temps de la relire, car elle contenait beaucoup de chiffres et je n’ai pas pu tout suivre. Mais, effectivement, les défis pour la justice sont énormes. Un article du Standaard rapportait ce matin qu’il manquait 300 agents pénitentiaires et que 10 % étaient absents. C’est énorme! Avec 0,22 % du PIB consacré à la Justice, nous sommes toujours en queue de peloton. Le budget d’un milliard devrait normalement nous faire remonter, mais pas de beaucoup.

Dès lors, nous attendrons les discussions d’orientation et les arbitrages budgétaires pour voir où ce milliard sera alloué.

Marijke Dillen:

Ik dank u, mevrouw de minister, voor uw antwoord. Ook ik zal de moeite nemen om dat antwoord nogmaals grondig te bekijken en alle cijfers te controleren. U hebt eigenlijk een opsomming gegeven van de talrijke noden binnen Justitie: de gevangenissen, het kraken van het verdienmodel, het fiscaal parket, de versterking van de rechterlijke orde, digitalisering enzovoort. U hebt een zeer ambitieus plan gepresenteerd waarvan wij waarschijnlijk het overgrote deel kunnen steunen. Uw uitdagingen zijn groot, maar ik blijf benadrukken dat de toegekende bijkomende middelen, beter gezegd de middelen die u hebt gekregen, absoluut onvoldoende zijn om een antwoord te bieden op alle andere en ook dringende noden binnen Justitie. Ik ben zeer benieuwd, mevrouw de minister, welke prioritaire klemtonen u zult leggen binnen al de ambities die u zojuist hebt gepresenteerd. Om af te sluiten, mevrouw de minister, zal ik blijven herhalen dat wat mogelijk is voor buitenlandse veiligheid, zeker ook voor binnenlandse veiligheid mogelijk moet zijn. Eigenlijk verdient u meer dan één miljard extra.

Vrijspraak wegens het niet overbrengen van een beklaagde die vervolgd werd voor mensenhandel
Het structurele probleem van de overbrenging van gedetineerden
De onontvankelijkheid van de strafvordering wegens de niet-overbrenging van een beklaagde
Problemen rond overbrenging van gedetineerden en gevolgen voor strafvordering

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 7 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Parlementsleden bekritiseren structurele tekortkomingen in het gevangenistransport door de Direction de sécurisation (DAB), wat leidt tot procesverval, vrijspraken (o.a. mensenhandel, diefstal) en schending van het recht op een eerlijk proces voor zowel verdachten als slachtoffers. Concrete gevallen (Bruges, Gent, Brussel) tonen herhaalde mislukte overbrengingen (tot 5x), vooral vanuit gevangenis Haren, door capaciteitstekort, logistieke falen en communicatieproblemen—volgens minister Verlinden verergerd door overbevolking en prioriteringsfouten in de DAB-matrix. Verlinden belooft structurele oplossingen (240 nieuwe agenten/jaar, digitale processen, videohoorzittingen, extra celwagens) en noodmaatregelen zoals betere afstemming met rechtbanken, maar parlementsleden betwijfelen de urgentie: Van Hecke stelt voor verdachten een dag vooraf over te plaatsen, Van Hoecke eist onmiddellijke interventie in Haren en cijfers over mislukte transporten, die ontbreken. Kritiek blijft dat kortetermijnactie uitblijft, terwijl langetermijnplannen (minder detentie, transitiehuizen) de acute crisis niet oplossen.

Victoria Vandeberg:

Madame la ministre, il y a quelques semaines, la presse a rapporté une décision judiciaire particulièrement préoccupante. À Bruges, un prévenu poursuivi pour trafic d'êtres humains a été acquitté après trois absences consécutives à son procès, faute d'avoir pu être transféré depuis la prison de Haren.

En approfondissant mes recherches, j'ai constaté que cette situation n'était pas isolée. Parmi d'autres cas documentés, on peut citer celui du 31 octobre 2024, où le tribunal de première instance francophone de Bruxelles a déclaré des poursuites irrecevables à l'encontre d'un détenu, jamais extrait malgré les demandes répétées du ministère public; son avocat ayant plaidé l'atteinte au procès équitable. Un avocat pénaliste consulté m'a également confirmé que ces situations se produisent régulièrement: absence de traducteur, extraction manquée, documents arrivant trop tard, autant de défaillances logistiques qui sont souvent liées à un manque de moyens, qui créent des failles exploitables par la défense et qui peuvent mener à des acquittements purement procéduraux et techniques.

Ces cas montrent qu'il ne s'agit plus d'exceptions, mais de problèmes récurrents dans la chaîne pénale. Même si les transferts relèvent formellement de la Direction de sécurisation de la police fédérale, ce sont bien les juridictions, et donc votre département, qui en subissent les conséquences: audiences impossibles à tenir, procès reportés, décisions annulées, voire acquittements dans des dossiers graves.

Au-delà du prévenu, ce sont évidemment des victimes qui voient leurs droits bafoués également. Un procès qui ne peut se tenir porte atteinte à leur droit à la vérité et à une justice effective, mais c'est également une atteinte au droit fondamental du prévenu à un procès équitable.

Madame la ministre, quelle évaluation avez-vous menée quant à l'impact de ces manquements répétés sur le fonctionnement de la justice ainsi que sur le respect du droit des victimes et du droit au procès équitable des prévenus? Quelles mesures concrètes et structurelles seront prises pour garantir durablement la comparution effective des détenus et éviter que d'autres dossiers pénaux ne s'effondrent pour des raisons logistiques et organisationnelles? Je vous remercie d'avance pour votre réponse, que je n'aurai peut-être pas la chance de suivre en direct, mais que je regarderai par la suite.

Stefaan Van Hecke:

Mevrouw de minister, enkele weken geleden hebben we de problematiek inderdaad al besproken naar aanleiding van de vrijlating van een verdachte, omdat hij tot drie keer toe vanuit de gevangenis niet werd overgebracht naar de rechtbank om zijn rechtszaak bij te wonen. De inkt van het commissieverslag was nog niet droog of er verscheen opnieuw een persbericht, dit keer van de rechtbank in Gent. Een man die van diefstal werd verdacht, moest worden vrijgelaten omdat hij vijf keer niet kon worden overgebracht van de gevangenis naar de rechtbank.

De rechtbank spreekt van een structureel probleem dat voor veel vertragingen zorgt en waarvoor geen oplossing in het vooruitzicht is. Er moet snel een oplossing worden gezocht, want dit draagt bij tot een groot aantal mensen in voorhechtenis in onze overvolle gevangenissen. Bovendien zorgt dit voor vertragingen bij de rechtbanken, waar de achterstand ook al oploopt. Ook het recht op een eerlijk proces komt in het gedrang. Met andere woorden, heel wat problemen gaan gepaard met deze problematiek.

Ik heb een aantal zeer concrete vragen. Ten eerste, hoe verklaart u dat verdachten tot wel vijf keer toe niet naar de rechtbank worden overgebracht? Is er een structureel personeelstekort bij de Directie beveiliging (DAB)?

Ten tweede, hoeveel rechtszaken werden het afgelopen jaar verstoord, verlaat of uitgesteld door het niet uitvoeren van gevangenistransporten? Kunt u cijfers bezorgen per maand en per arrondissement en hoe groot is het probleem in cijfers?

Ten derde, welke concrete maatregelen zijn in voorbereiding of al genomen om de structurele personeelstekorten bij de DAB aan te pakken? In welke budgetten en rekruteringsinspanningen is daarvoor voorzien?

Ten vierde, welke noodmaatregelen kunnen vandaag worden genomen om deze problematiek te stoppen?

Ten vijfde, tegen wanneer verwacht u dat er geen rechtszaken meer worden uitgesteld omwille van het niet overbrengen van een verdachte uit de gevangenis?

Alexander Van Hoecke:

Mevrouw de minister, een maand geleden bespraken we in deze commissie inderdaad al een soortgelijk geval. Er is opnieuw een strafzaak onontvankelijk verklaard omdat een beklaagde maar liefst vijf keer werd opgeroepen om voor de rechtbank te verschijnen, maar dat telkens niet lukte doordat hij niet vanuit de gevangenis kon worden overgebracht.

De eerste keer dat die beklaagde voor de correctionele rechtbank in Gent had moeten verschijnen, kreeg de rechtbank te horen dat hij niet kon worden overgebracht vanuit de gevangenis van Haren wegens een capaciteitstekort. De tweede keer werd zelfs helemaal geen reden opgegeven. De derde, vierde en vijfde keer werd opnieuw verwezen naar een capaciteitstekort. Vervolgens verklaarde de Gentse rechtbank de zaak onontvankelijk, omdat het niet lukte de overbrenging ordentelijk te laten verlopen.

Het is de tweede keer in zeer korte tijd dat dit zich voordoet. Eind november werd een verdachte van mensensmokkel vrijgesproken, omdat hij tot drie keer toe niet kon worden overgebracht van de gevangenis naar de rechtbank. Dit keer kon de beklaagde vijf keer niet worden overgebracht. Ook in dit geval gaat het om een beklaagde die in voorhechtenis zat in de gevangenis van Haren.

Daarom heb ik de hiernavolgende vragen.

Ten eerste, heeft het parket ondertussen beroep aangetekend tegen het vonnis?

Ten tweede, in de Commissie voor Justitie van 2 december 2025 gaf u aan dat u in overleg met de minister van Binnenlandse Zaken gerichte initiatieven zou nemen, zodat de DAB haar opdrachten inzake transfers kan blijven vervullen. Kunt u een overzicht geven van de concrete initiatieven die reeds werden getroffen en van de initiatieven die nog zijn gepland?

Ten derde, u verklaarde ook dat u regelmatig overlegt met de bevoegde autoriteiten van de DAB. Hebt u naar aanleiding van de voorvallen in Brugge en Gent samengezeten met de DAB? Indien ja, wat was de reactie van de DAB zelf? Welke concrete problemen schuift zij zelf naar voren? Welke oplossingen kunt u haar aanreiken?

Ten vierde, het gaat in twee gevallen om een overbrenging vanuit de gevangenis van Haren. Doen die problemen zich specifiek voor bij transporten vanuit de gevangenis van Haren of rijst het probleem ook in andere gevangenissen?

Ten slotte, beschikt u over cijfers over het aantal keer dat een overbrenging vanuit een gevangenis in 2025 niet heeft kunnen plaatsvinden?

Annelies Verlinden:

Chers collègues, je vous remercie.

Pour la collègue Vandeberg, qui n'est plus parmi nous, je tiens à souligner que ces questions ont déjà été abordées en commission le 2 décembre et ont fait l'objet d'une réponse. Je renvoie dès lors, pour la totalité des questions, au compte rendu de la commission de la Justice du 2 décembre 2025.

Voor de collega’s Van Hecke en Van Hoecke herhaal ik dat de DAB prioriteiten voor overdrachten vastlegt aan de hand van een beslissingsmatrix. In het huidige geval werd de overdracht van de verdachte als prioritair aangemerkt, maar door de huidige bezettingsgraad in de Belgische detentie-inrichtingen werden andere overdrachtsopdrachten als nog meer prioritair beoordeeld. Daardoor kon de overdracht wegens beperkte capaciteit niet worden uitgevoerd.

Het is juist dat het expliciete verzoek van de rechtbank beter had kunnen worden meegewogen, hetgeen had kunnen leiden tot het toekennen van absolute noodzaak aan de overdracht. Ik denk dat er zich een probleem van communicatie- en informatiebeheer heeft voorgedaan. Er worden in overleg met de minister van Binnenlandse Zaken maatregelen genomen om dergelijke incidenten in de toekomst te voorkomen. Eind december is er nog een overleg geweest tussen vertegenwoordigers van de hoven en rechtbanken en de verantwoordelijken van de DAB binnen de fedpol, om de problematiek te bespreken en samen tot oplossingen te komen.

Collega Van Hoecke, er zijn al verschillende initiatieven genomen of ze lopen nog om het personeelstekort bij de DAB aan te pakken en om de uitvoering van overplaatsingen van gedetineerden te optimaliseren. Het gaat, bijvoorbeeld, om de herplaatsing van personeel van de nucleaire sites naar de eenheden van hoven en rechtbanken, de voortzetting van het actieplan dat de jaarlijkse aanwerving van 240 nieuwe veiligheidsagenten mogelijk maakt, de harmonisatie en optimalisatie van operationele processen, de aanschaf van nieuwe celwagens met grotere capaciteit en de operationalisering van de MFO-1 door de invoering van een versterkingssysteem binnen de fedpol ter ondersteuning van de DAB. De optimale en efficiënte uitvoering van de aan de DAB toevertrouwde opdrachten vereist ook een goede samenwerking en een sterk partnerschap met de belangrijkste stakeholders en belanghebbenden, met name de gerechtelijke autoriteiten, de gevangenisadministratie en de bevoegde autoriteiten.

De informatiestroom tussen de verschillende belanghebbenden wordt permanent verbeterd om de snelheid en efficiëntie van verwerking en uitvoering te verhogen. In dat verband worden initiatieven genomen om processen te digitaliseren en het risico van opeenvolgende niet-uitgevoerde overbrengingen tot een minimum te beperken. Er lopen verschillende opdrachten op dat vlak, zoals de ontwikkeling van een systeem voor videoconferenties voor verhoren of medische consultatie op afstand, naast de ambities van de regering om de overbevolking in gevangenissen te verminderen, detentiecentra en transitiehuizen op te richten en de uitzetting van gedetineerden die illegaal in het land verblijven.

De gevangenis van Haren levert vrij specifieke problemen op voor de DAB-agenten. Aangezien het om een penitentiair complex gaat en niet om een traditionele gevangenis, kunnen gedetineerden zich gemakkelijker verplaatsen. Daardoor is het bijna onmogelijk om een gedetineerde op te halen als hij zich niet op de afgesproken plaats en tijd voor zijn overbrenging meldt. Bovendien zijn veel overbrengingen vanuit Haren bestemd voor gerechtsgebouwen buiten het gerechtelijk arrondissement Brussel, wat meer politiecapaciteit vereist. We moeten dus absoluut inzetten op videohoorzittingen, zodat het aantal noodzakelijke verplaatsingen kan worden verminderd.

Stefaan Van Hecke:

Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord.

U geeft een overzicht van de initiatieven die de laatste weken zijn genomen. Ik kan begrijpen dat de personeelsproblemen niet van vandaag op morgen opgelost zullen zijn, maar als een gedetineerde tot vijf keer toe niet kan verschijnen op een rechtbank, dan is dat een groot probleem. Als de rechtbank het dan nog uitdrukkelijk vraagt en men geraakt niet hoger op de prioriteitenlijst, dan krijgt men zo'n uitspraken. Ik betreur dat. Dat toont aan dat er heel grote problemen zijn.

Ik begrijp dat de problemen zich misschien eerder voordoen bij overbrengingen vanuit Haren. Dat was ook de vorige keer het geval. Dat moet dan toch bekeken worden. U verwijst naar het feit dat gedetineerden zich gemakkelijker kunnen verplaatsen op het grote domein, dat we destijds hebben bezocht. Dat valt toch ook te regelen? Men haalt gedetineerden meestal heel vroeg 's ochtends op en niet op een moment dat deze gaan wandelen zijn. Er moet toch eens samen met de directie van Haren worden bekeken hoe dat beter kan worden georganiseerd.

Zoals ik de vorige keer al suggereerde, waarom kan de overbrenging van een gedetineerde vanuit Haren naar een zitting in Brugge of Gent niet op een ander tijdstip gebeuren, bijvoorbeeld de ochtend ervoor? De overbevolking is heel groot, ook in Gent, Brugge en andere gevangenissen, maar als dat maar voor een nacht is, dan kan dat misschien een oplossing zijn, zodat de rechtszaak kan doorgaan. Dat zal waarschijnlijk ook wel voor andere problemen zorgen, maar zo kan het in elk geval niet verder.

Alexander Van Hoecke:

Op korte tijd werd twee keer een crimineel vrijgesproken omdat hij niet van zijn cel naar de rechtbank kan worden gebracht om zijn eigen rechtszaak bij te wonen. Dat zou absolute prioriteit moeten krijgen. Ik begrijp dat u niet alles op vijf minuten kunt oplossen. De zaken waarnaar u verwijst, zijn echter alleen zaken op de lange termijn. Er is overleg gepleegd, er zullen 240 nieuwe agenten worden aangeworven en er komen nieuwe stelwagens. Dit is echter een probleem dat onmiddellijk in de kiem gesmoord moet worden. Dit zou nooit mogen gebeuren, ongeacht de omstandigheden. Als het probleem zich inderdaad voordoet in de gevangenis van Haren en voornamelijk daar – de twee gevallen hadden immers allebei betrekking op een overbrenging vanuit die gevangenis – dan lijkt het me belangrijk dat u naar daar gaat om te horen wat de problemen zijn om daarna op korte termijn in te grijpen, opdat dit absoluut nooit meer gebeurt. U hebt op een aantal vragen niet geantwoord. Kunt u bevestigen dat het parket wel degelijk in beroep is gegaan tegen die beslissing? Het kan zijn dat ik dat gemist heb, maar volgens mij hebt u niet op mijn vraag daarover geantwoord. Mijn vraag met betrekking tot de incidentie van het aantal mislukte overbrengingen hebt u volgens mij ook niet beantwoord. Die cijfers zal ik dan nog schriftelijk opvragen.

De hacking van privébeveiligingscamera's met een internetverbinding in Zuid-Korea

Gesteld door

lijst: MR Anthony Dufrane

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 7 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Anthony Dufrane waarschuwt voor grootschalig hacken van Zuid-Koreaanse IP-camera’s (120.000+), waar privébeelden via zwakke wachtwoorden (bv. 1234) op porno- en darkwebsites belanden, met risico op Belgische slachtoffers. Hij vraagt of minister Annelies Verlinden klachten kent, samenwerkt met Zuid-Korea of de Computer Crime Unit, en hoe publieke bewakingscamera’s beveiligd zijn. Verlinden ontkent Belgische dossiers of contact met Zuid-Korea, benadrukt dat gebruikers zelf basisbeveiliging (wachtwoordwijziging) moeten toepassen, en wijst lokale politie aan voor klachten. Dufrane noemt het risico voor België reëel en pleit voor preventieve protocollen.

Anthony Dufrane:

Madame la Ministre,

La justice sud-coréenne a découvert que plus de 120 000 caméras numériques avaient été piratées par des hackers. Ces derniers ont réussi à hacker une série de caméras connectées chez des utilisateurs privés. Elles sont installées en tant que bayphone, pet-camera ou encore comme caméras de surveillances dans des salles d'attente de cabinet gynécologique ou dans des salles de sport.

Les images étaient obtenues en repérant ces caméras sur des sites légaux les recensant et en testent des séries de mots de passe « classique » comme 1234 ou admin. Sur base des caméras ainsi piratées, ils diffusaient les images privées sur des sites à vocation pornographique, des sites web classique de streaming, ou encore le DarkWeb. La police coréenne conseille de mettre à jour ces caméras ainsi que de remplacer les mots de passe d'origine.

Enfin, la firme de sécurité informatique italienne Yarix a identifié un site – portail de diffusion de caméras piratées dont les flux étaient issus d'Allemagne, de France ou encore d'Ukraine. Le risque de voir des images volées originaires de Belgique est élevé et ne peut être écarté.

Mes questions, Madame la Ministre, sont :

Avez-vous eu des plaintes signalées concernant le piratage de caméras connectées en Belgique ?

Comptez-vous poursuivre les auteurs des faits, si le piratage de caméras belges est avéré ?

Avez-vous eu des contacts avec les autorités coréennes concernant les flux piratés par les hackers ?

Travaillez-vous avec la Police Fédérale, et la Computer Crime Unit, concernant les piratages visant à voler des images privées de citoyens ?

Quid des caméras utilisées pour la surveillance de l'espace public ?

Annelies Verlinden:

Cher collègue, nous n’avons connaissance d’aucun dossier en cours en Belgique, que ce soit auprès de la Federal Computer Crime Unit ou du ministère public. Aucun contact n’a donc été établi avec les autorités coréennes.

La problématique des caméras peer-to-peer insuffisamment sécurisées et accessibles en ligne est bien connue. Un minimum de sécurité numérique est attendu de la part des utilisateurs, notamment en modifiant les mots de passe par défaut. En règle générale, ce type de plaintes relève de la police locale.

Anthony Dufrane:

Je remercie la ministre pour sa réponse et ses clarifications. Bien que la problématique ne vise pas notre territoire, elle pourrait, par extension, également nous affecter. Il est donc pertinent de se renseigner aussi sur les protocoles à suivre dans les cas de piratages semblables. De voorzitster : Vraag nr. 56011442C van mevrouw Marie Meunier vervalt.

De veiligheidsmaatregelen tijdens de nieuwjaarsnacht
De vervolging van de oudejaarsrelschoppers
De aanpak van de oudejaarsrellen in Antwerpen
De huisarresten en de aanpak van de jonge daders van de nieuwjaarsrellen
De stavaza met betrekking tot de vervolgingen na de rellen van oudejaar in Brussel
De uitbarstingen van geweld en vandalisme tijdens de oudejaarsnacht
Het geweld tijdens de oudejaarsnacht in Mechelen
Aanpak en gevolgen van oudjaarsgeweld en rellen in België

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 7 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Parlementsleden bekritiseeren de jaarlijkse escalatie van geweld tijdens oudjaar (vandalisme, aanvallen op hulpdiensten met vuurwerk/molotovcocktails) en betwijfelen de effectiviteit van justitie en preventie, ondanks herhaalde beloftes van een "kordate aanpak". Van Vaerenbergh (CD&V) en Dillen (VB) vragen om snellere vervolging via snelrecht en strengere straffen, wijzend op lage gerechtelijke arrestaties (bv. 3 op 100 aanhoudingen in Antwerpen) en herhaalde straffeloosheid—zoals in Mechelen, waar daders van een poging tot brandstichting (met filmpje als "trofee") nog vrij rondlopen. Minister Verlinden (Justitie) bevestigt 72 gerechtelijke aanhoudingen in Brussel (31 meerderjarigen, 29 minderjarigen), met 11 snelrechtzittingen in maart en twee minderjarigen geplaatst in een instelling, maar erkent dat veel dossiers nog lopen of geseponeerd werden. Kritiekpunten: VB en N-VA (Van Rooy, Van Hoecke) beschuldigen de overheid van structureel falen, koppelen het geweld expliciet aan "straatjihad door moslimjongeren" en eisen uitwijzing van families naast zware boetes, terwijl Van Vaerenbergh de nadruk legt op samenwerking met lokale overheden en verruimde huisarrestbevoegdheden. Conclusie: Justitie handelt traag en fragmentarisch (slechts 3 veroordelingen uit 2023 in Brussel), terwijl parlementsleden eisen dat de "nultolerantie"-belofte uit het regeerakkoord daadwerkelijk wordt uitgevoerd—met meetbare resultaten in 2025.

Kristien Van Vaerenbergh:

Geachte mevrouw de minister,

De jaarwisseling is traditioneel een van de meest woelige momenten van het jaar, waarbij politie- en hulpdiensten in verschillende steden en gemeenten onder verhoogde druk komen te staan. Elk jaar opnieuw worden zij geconfronteerd met incidenten waarbij vuurwerk, vandalisme en geweld tegen hulpverleners de veiligheid van burgers én van de diensten zelf in het gedrang brengen.

Het is van essentieel belang dat deze diensten hun taken in veilige omstandigheden kunnen uitvoeren en dat geweld tegen politie, brandweer en medische hulpverleners kordaat wordt aangepakt. Tegelijk is een duidelijke preventieve en gerechtelijke aanpak noodzakelijk om herhaling van dergelijke feiten te voorkomen en het signaal te geven dat geweld tijdens de jaarwisseling niet wordt getolereerd.

Daarom heb ik volgende concrete vragen:

Welke veiligheidsmaatregelen en richtlijnen voorziet u om de veiligheid tijdens de nieuwjaarsnacht te waarborgen?

Op welke manier ondersteunt de federale overheid de lokale politiezones en hulpdiensten bij de organisatie en coördinatie van de veiligheidsaanpak tijdens deze nacht?

Welke maatregelen worden genomen om politie- en hulpverleners specifiek te beschermen tegen geweld, onder meer bij interventies waarbij vuurwerk of andere gevaarlijke voorwerpen worden gebruikt?

Hoe wordt de snelle gerechtelijke opvolging verzekerd van feiten van geweld, vandalisme of weerspannigheid tegen hulpdiensten tijdens de nieuwjaarsnacht?

Mevrouw de minister,

We zagen het allemaal: oudjaarsavond is in Brussel opnieuw bijzonder onstuimig verlopen. Wat voor de meeste mensen een feestelijke overgang naar het nieuwe jaar moest zijn, mondde voor politie en hulpdiensten uit in een gevaarlijke nacht. Politievoertuigen, ambulances en brandweerwagens werden geviseerd met vuurwerk en andere projectielen. Er was sprake van vernielingen aan openbaar vervoer en straatmeubilair, en de politie moest meermaals tussenkomen om de situatie onder controle te houden.

Volgens de eerste balans werden een zestigtal personen opgepakt in Brussel, vooral jongeren, onder wie ook minderjarigen. Dat roept opnieuw vragen op over de gerechtelijke opvolging van dit soort feiten, en meer bepaald over de toepassing van de snelrechtprocedure.

Bij eerdere dergelijke incidenten hebt u zelf meermaals benadrukt dat Justitie werk zou maken van een snelle en kordate aanpak, zeker wanneer het gaat om geweld tegen politie en hulpdiensten. Tegen die achtergrond heb ik volgende concrete vragen:

Hoeveel personen werden tijdens de afgelopen oudjaarsnacht in Brussel bestuurlijk en gerechtelijk aangehouden?

En hoeveel van hen zijn minderjarig?

Hoeveel van deze opgepakte personen zullen effectief gerechtelijk vervolgd worden?

In hoeveel van deze dossiers werd of wordt de snelrechtprocedure toegepast? Zo niet: om welke redenen wordt daarvan afgeweken?

Hoeveel van de opgepakte relschoppers zijn intussen opnieuw vrijgelaten? Op basis van welke motieven gebeurde dat?

Op welke termijn mogen we in Brussel concrete veroordelingen verwachten, met name voor de meest ernstige feiten van geweld tegen politie en hulpdiensten?

Mevrouw de minister,

In antwoord op een vraag van vorig jaar over de vervolging van relschoppers tijdens de oudjaarsnacht in Brussel deelde u cijfers mee over het aantal bestuurlijke en gerechtelijke aanhoudingen, het aantal opgestelde processen-verbaal en het aantal geïdentificeerde verdachten. U gaf daarbij aan dat op dat moment nog niet alle gegevens beschikbaar waren over de effectieve vervolgingen en veroordelingen.

Recente berichtgeving wijst er evenwel op dat, ondanks herhaalde rellen tijdens opeenvolgende oudjaarsnachten, het vaak onduidelijk blijft welke gerechtelijke gevolgen hier uiteindelijk aan worden gekoppeld.

Om een duidelijk beeld te krijgen van de effectieve afhandeling van de feiten die tijdens de oudjaarsnacht van vorig jaar in Brussel werden gepleegd, had ik u graag volgende vragen gesteld:

Hoeveel personen werden naar aanleiding van de oudjaarsrellen van vorig jaar in Brussel uiteindelijk gerechtelijk vervolgd?

Hoeveel van deze dossiers hebben geleid tot een veroordeling? Kan u hierbij een onderscheid maken tussen meerderjarigen en minderjarigen?

Kan u ook een vergelijking opstellen qua aantallen in vergelijking met de cijfers van het jaar daarvoor?

Welke straffen werden in deze dossiers uitgesproken (gevangenisstraf, werkstraf, geldboete, probatie, jeugdbeschermingsmaatregelen)?

In hoeveel dossiers werd de snelrechtprocedure toegepast? Hoeveel daarvan resulteerden in een effectieve veroordeling?

Hoeveel dossiers werden geseponeerd, en om welke redenen?

Welke bijkomende maatregelen acht u noodzakelijk om te vermijden dat de structurele achterstand binnen Justitie blijft wegen op een snelle en effectieve strafrechtelijke opvolging? Hoe wil u voorkomen dat de ambities uit het regeerakkoord inzake een kordate aanpak van misdrijven en nultolerantie bij bestraffing in de praktijk een 'dode letter' blijven?

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, het wordt een triestige traditie op oudejaarsavond in Antwerpen. In plaats van de jaarwisseling vreedzaam te vieren, leek Antwerpen opnieuw, voor het zoveelste jaar op rij, gedurende uren op een slagveld. Het was een zeer woelige nacht met ernstige ordenverstoringen, brandstichtingen, ontploffingen, vandalisme, het vernielen van straatmeubilair en van openbare en private eigendommen. Hulpverleners en ordehandhavers werden ernstig bedreigd, aangevallen en bekogeld met stenen. Ook brandweerwagens en ziekenwagens werden aangevallen met vuurwerkpijlen en andere projectielen.

Meer dan 100 personen werden aangehouden, vooral jongeren en ook minderjarigen. Dat is bijzonder verontrustend. Een kordate en snelle aanpak is absoluut noodzakelijk, want ondanks eerdere beloften van een kordate aanpak blijft deze onaanvaardbare problematiek jaar na jaar toenemen, wat een zwaar gevaar betekent voor de veiligheid van hulpverleners, ordehandhavers en van de brave burgers. Voor het Vlaams Belang is het onaanvaardbaar dat politie en hulpdiensten, die instaan voor onze veiligheid, systematisch het mikpunt worden van geweld, terwijl daders vaak kunnen rekenen op straffeloosheid of een milde bestraffing.

Hoeveel personen werden er op oudejaarsavond in Antwerpen bestuurlijk aangehouden? Hoeveel personen werden gerechtelijk aangehouden? Hoeveel van deze personen waren minderjarig? Hoeveel dossiers werden effectief overgemaakt aan het parket en hoeveel dossiers met betrekking tot minderjarigen werden overgemaakt aan de jeugdrechtbank?

De toepassing van snelrecht is bij dit soort zinloos geweld absoluut noodzakelijk. Werd er in concrete dossiers een gerechtelijke vervolging opgestart? Zo ja, in hoeveel en wat waren de uitspraken? Zo nee, waarom niet? Zal er werk gemaakt worden van een snelle vervolging? Hoe verantwoordt u dat dergelijke rellen jaar na jaar terugkomen en zelfs toenemen, ondanks eerdere beloftes van een strenge aanpak? Zult u een initiatief nemen om in samenspraak met politie en parket veel strengere richtlijnen uit te vaardigen voor de snelle en strengere vervolging van geweld tegen hulpdiensten en ordehandhavers? Welke bijkomende initiatieven zult u nemen om een duidelijk signaal te geven dat dergelijk geweld onaanvaardbaar is en in onze samenleving niet wordt getolereerd?

Sam Van Rooy:

Mevrouw de minister, ik woon zelf in Antwerpen, ik ben er geboren en getogen. Ik volg het debat hierover in de gemeenteraad al heel wat jaren, telkens voor en na oudjaar. Ik moet vaststellen dat het geringe aantal huisarresten dat dit jaar in Antwerpen door de burgemeester werd opgelegd, in combinatie met een lakse, softe aanpak, ertoe heeft geleid dat tijdens nieuwjaarsnacht opnieuw diverse straten en wijken zijn verworden tot een oorlogszone.

Dat zijn overigens niet mijn woorden; zo wordt het effectief omschreven door mensen binnen de ordediensten en door buurtbewoners, die dit elk jaar opnieuw moeten meemaken. Dit veroorzaakt veel overlast, frustratie en schade, wat de belastingbetaler ook dit jaar weer heel veel geld kost. Deze straatjihad was in Antwerpen dit jaar zelfs nog erger dan vorig jaar en misschien zelfs nog erger dan in Brussel.

Het lijkt er sterk op, minister, dat de wettelijke modaliteiten om een potentiële geweldpleger – en die zijn na al die jaren zo goed als allemaal bekend – huisarrest te geven onvoldoende ruim zijn. Misschien heeft de burgemeester die huisarresten ook te lichtzinnig toegepast, maar ik denk dat de wettelijke modaliteiten zelf niet ruim genoeg zijn. Daardoor bleven de meeste jongeren die op nieuwjaarsnacht de boel op stelten zetten buitenschot. Brave burgers werden dus opnieuw geterroriseerd op wat toch een feestelijke nacht zou moeten zijn.

Minister, graag ontving ik uw reactie hierop. Is het ook uw inschatting dat er in Antwerpen te weinig huisarresten werden opgelegd? Wilt u in dat verband overwegen om de wetgeving te bekijken met het oog op een verruiming, zodat burgemeesters volgende keer veel meer huisarresten kunnen opleggen? Tot slot, welke andere wetgeving heeft de burgemeester ter beschikking om dit soort straatgeweld tijdens de jaarwisseling te voorkomen? Dank u wel.

Alexander Van Hoecke:

Mevrouw de minister, zoals men had voorspeld en we in deze commissie ook al uitdrukkelijk hadden aangehaald, werd oudejaarsavond opnieuw gekenmerkt door uitbarstingen van vandalisme en geweld. Groepen jongeren staken voertuigen in brand, schoten vuurwerk af richting woningen, pleegden vandalisme en viseerden, zoals we dat keer op keer vaststellen bij dergelijke rellen, de hulpdiensten. Veelzeggend is dat de politie de straten waar werd geblust, altijd moest afsluiten om te vermijden dat de hulpdiensten in een hinderlaag zouden lopen.

In nagenoeg elke stad in het land vonden incidenten plaats. Er wordt vaak gesproken over de grootsteden of de centrumsteden, maar letterlijk in elke stad werden incidenten gemeld, bijna altijd volgens hetzelfde patroon. In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest werden 344 interventies geregistreerd. Het Openbaar Ministerie communiceerde op 2 januari dat er in Brussel 72 gerechtelijke arrestaties plaatsvonden tijdens de nacht van 31 december. Van die personen werden er 60 ter beschikking gesteld van het parket op 1 en 2 januari. Het ging om 31 meerderjarigen en 29 minderjarigen.

In mijn eigen provincie Oost-Vlaanderen moest de politie tussenbeide komen in alle centrumsteden voor vernielingen, vechtpartijen en vuurwerkbezit. In Gent werd de politie ook aangevallen met vuurwerkprojectielen, iets wat we elders eveneens herhaaldelijk zagen.

Ten eerste, hoeveel personen werden in heel het land bestuurlijk aangehouden en hoeveel gerechtelijk?

Ten tweede, in hoeveel gevallen ging het daarbij om minderjarigen?

Ten derde, hoeveel personen beschikten niet over de Belgische nationaliteit?

Ten vierde, in hoeveel gevallen ging het om personen die ook vorig jaar al in aanraking kwamen met de ordediensten tijdens oudjaar?

Ten vijfde, gebeurden er achteraf nog identificaties op basis van camerabeelden of op andere manieren en hoeveel verdachten werden achteraf alsnog geïdentificeerd?

Ten zesde, hoeveel personen werden daadwerkelijk ter beschikking gesteld van het parket?

Ten zevende, bij hoeveel personen werd de snelrechtprocedure toegepast?

Heeft Justitie ten slotte specifieke maatregelen getroffen ter voorbereiding op deze, jammer genoeg, voorspelbare uitbarstingen van geweld?

Marijke Dillen:

Het geweld op oudejaarsavond wordt jaar na jaar erger. Ook de stad Mechelen is dit jaar niet ontsnapt aan het escalerende en zelfs levensgevaarlijk geweld door jonge criminelen. Een zestal jonge criminelen hebben zwaar vuurwerk laten ontploffen aan het raam bij Lorenzo die lag te slapen en zijn grootmoeder in de Mahatma Ghandistraat en gooide daarna een molotovcocktail door het venster naar binnen. Ze gooiden van deze feiten een filmpje online alsof ze trots zijn op hun daden. Dat hier geen slachtoffers zijn gevallen is werkelijk een geluk. De moeder van Lorenzo heeft verklaard: “We weten wie het zijn en ze wonen op nog geen 200 meter hiervandaan". Dit zijn bijzonder ernstige feiten: een poging tot zware brandstichting met verzwarende omstandigheden, meer bepaald in een bewoond huis en bij nacht waar zware straffen op staan.

Maar ook dit zwaar geval van geweld in Mechelen was geen alleenstaand geval. Ook op verschillende andere plaatsen in de stad was het bijzonder onrustig.

Deze feiten kaderen in een zorgwekkende trend van toenemend geweld en straffeloosheid bij jonge criminelen, waarbij steeds vaker extreem gevaarlijke middelen worden ingezet en waarbij het gezag van politie en overheid openlijk wordt uitgedaagd.

Deze waanzin moet stoppen. De daders mogen niet ongestraft blijven.

Is de minister op de hoogte van de feiten bij Lorenzo en zijn grootmoeder in Mechelen, en welke informatie kan zij geven over de betrokken daders en het lopende onderzoek? Ik begrijp dat dit een delicaat dossier betreft maar stilzwijgen is niet langer een optie. Zijn hier minderjarigen bij betrokken en zo ja, welke maatregelen werden er bij hoogdringendheid tegen hen genomen?

Kan de minister meer toelichting geven betreffende de andere gevallen van geweld en agressie tegen de politie en hulpverleners in Mechelen? Hoeveel personen werden er op oudejaarsavond in Mechelen bestuurlijk aangehouden en hoeveel gerechtelijk? Hoeveel van deze personen waren er minderjarig? Hoeveel dossiers werden er effectief overgemaakt aan het Parket en wat de minderjarigen betreft aan de Jeugdrechter?

De toepassing van snelrecht is bij dit soort van zinloos geweld absoluut noodzakelijk. Werd er reeds in concrete dossiers een gerechtelijke vervolging opgestart? Zo ja, in hoeveel en wat waren de uitspraken? Zo neen, waarom niet en zal er werk gemaakt worden van een snelle vervolging .

Annelies Verlinden:

Geachte Kamerleden, uiteraard wil ik het geweld tijdens de oudejaarsnacht, dat we ook de afgelopen jaren helaas te vaak en te bruut hebben gezien, opnieuw ten strengste veroordelen. In het bijzonder geweld tegen de orde- en hulpdiensten kunnen en mogen we nooit aanvaarden. We moeten blijven zoeken naar de juiste en afdoende kordate antwoorden.

Ik ben ook blij dat verschillende stemmen uit het maatschappelijk middenveld hebben gewezen op de eigen verantwoordelijkheid van de betrokkenen en de ouders van de vaak zeer jonge relschoppers. Samenleven kan immers enkel ordentelijk verlopen als iedereen rechten en plichten naar waarde schat en respecteert. Het is ook goed dat niet alleen beleidsmakers, maar ook stemmen uit het maatschappelijk middenveld daar in het maatschappelijk debat op wijzen.

Wat betreft de specifieke vragen over de veiligheidsmaatregelen van de hulp- en veiligheidsdiensten tijdens de nieuwjaarsnacht, wil ik aangeven dat die tot de bevoegdheden van de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken behoren. Ik zal hier toelichting geven bij het gerechtelijk luik.

In Brussel werden tijdens de oudejaarsnacht 72 gerechtelijke aanhoudingen uitgevoerd, waarvan 60 personen ter beschikking werden gesteld van het parket in Brussel. Van hen waren er 31 meerderjarig en 29 minderjarig.

Voor de goede en snelle uitvoering en opvolging daarvan had de procureur van Brussel acht magistraten op het terrein en van wacht voorzien voor oudejaar. Voor de twaalf verdachten die na hun gerechtelijke aanhouding opnieuw in vrijheid werden gesteld, beschikken we nog niet over verdere informatie en kunnen we die dus nog niet verstrekken. Elf meerderjarige verdachten zullen in maart verschijnen voor de correctionele rechtbank tijdens een zitting snelrecht. Naar vier meerderjarige verdachten wordt momenteel een gerechtelijk onderzoek gevoerd en er werd voor hen een aanhoudingsmandaat gevorderd bij de onderzoeksrechter. Aan een aantal meerderjarige verdachten werd een minnelijke schikking voorgelegd.

Voor zestien minderjarige verdachten werd de jeugdrechter gevat. Aangezien zij worden verdacht van zware feiten, zullen ze naderhand voor de jeugdrechtbank worden vervolgd. Twee minderjarige verdachten werden intussen al geplaatst in een gemeenschapsinstelling. De andere minderjarige verdachten van minder zware feiten werden allen verhoord door een magistraat in het bijzijn van hun ouders. Het parket zal wat hen betreft een streng vervolgingsbeleid voeren, uiteraard ook rekening houdend met de evolutie van die jongeren.

In Antwerpen gebeurden die nacht drie gerechtelijke arrestaties, die telkens minderjarigen betroffen. Eén gerechtelijk dossier was rechtstreeks gelinkt aan de nachtelijke onlusten. De minderjarige verdachte werd gearresteerd en voorgeleid bij de jeugdrechter, die de betrokkene naar GI De Kempen stuurde voor een periode van twee weken, met aansluitend voorwaarden.

In de andere gevallen betrof het telkens minderjarigen die hun gerechtelijk huisarrest niet naleefden. De politie van Antwerpen onderzoekt nog meerdere gerechtelijke feiten die zich voordeden tijdens oudejaarsnacht.

Mevrouw Dillen, inzake uw specifieke vraag over Mechelen zijn de feiten ten nadele van Lorenzo, zoals u aangaf, en zijn grootmoeder het voorwerp van een gerechtelijk onderzoek bij de onderzoeksrechter in Mechelen. De rechter werd gevorderd voor feiten van opzettelijke brandstichting. Aan dat gerechtelijk onderzoek werden eveneens twee brandstichtingen toegevoegd, één van een kledingcontainer en één van een deelvoertuig. Daarnaast werden drie meerderjarige verdachten gearresteerd voor weerspannigheid.

Mevrouw Van Vaerenbergh, wat betreft de vragen over de vorige jaren, kan ik u meegeven dat de feiten van vorig jaar tijdens oudejaarsnacht in Brussel een aantal gerechtelijke gevolgen hebben gekregen. In totaal worden zes meerderjarige verdachten vervolgd voor de correctionele rechtbank en loopt er tegen zes anderen een gerechtelijk onderzoek. Daarnaast voert het parket een onderzoek naar vijf meerderjarige verdachten.

Wat betreft de oudejaarsnacht van 2023, zijn er nog twee dossiers hangende. Drie dossiers hebben tot een veroordeling geleid. Eén persoon kreeg vijftien maanden gevangenisstraf, een tweede één jaar en een derde werd veroordeeld tot een autonome werkstraf van 160 uur. In drie dossiers betaalden de verdachten een minnelijke schikking en vier dossiers werden geseponeerd. In vier andere dossiers loopt het gerechtelijk onderzoek bij het parket nog.

Als minister van Justitie blijft het voor mij een prioriteit om in voldoende zware straffen te voorzien voor bepaalde misdrijven wanneer ze worden gepleegd ten aanzien van personen die een maatschappelijke functie vervullen. De keuze in het nieuw Strafwetboek om daarvoor strafverzwaringen te voorzien, weerspiegelt dan ook de ambitie om de bescherming te versterken van personen die in de uitoefening van essentiële taken voor het functioneren van de samenleving aan bijzondere risico's worden blootgesteld. Die verzwaringen maken deel uit van een kordaat beleid ten aanzien van geweld gericht tegen die groepen van personen.

Kristien Van Vaerenbergh:

Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord en voor de cijfers die u ons vandaag meegeeft.

Zoals u zegt, die rellen en het geweld ten aanzien van de hulpdiensten moeten we altijd veroordelen. De ouderlijke en de eigen verantwoordelijkheid moeten daarbij erkend worden. U had het over 72 gerechtelijke aanhoudingen. Dat zijn er heel wat meer dan vorig jaar, dus ik ben tevreden dat ook op het vlak van Justitie actie is ondernomen. Ik hoop dat die daders snel en kordaat zullen worden bestraft.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, bedankt voor uw antwoord. Wat Antwerpen betreft heb ik goed begrepen dat van de honderd personen die werden aangehouden, althans volgens de verklaringen van de woordvoerder van de politie, slechts drie personen gerechtelijk zijn gearresteerd. Van die drie werd één ter beschikking van een jeugdrechter gesteld. Die minderjarige heeft blijkbaar twee weken in GI De Kempen doorgebracht en is nu vrij onder voorwaarden. Dat is hetgeen ik uit uw antwoord heb mogen begrijpen.

Mevrouw de minister, honderd aangehoudenen voor dergelijke zeer zware feiten waarbij van Antwerpen een slagveld is gemaakt, en slechts drie gerechtelijke arrestaties, dat kan er bij mij niet in en dat roept bij mij, bij de gehele Antwerpse bevolking en naar ik vermoed bij alle burgers in Vlaanderen vragen op. U geeft aan dat de politie nog een aantal andere dossiers onderzoekt. Ik zal de kwestie op korte termijn agenderen om een nieuwe stand van zaken op te vragen. Het is van groot belang dat er veel kordater en sneller wordt opgetreden tegen dat soort van wat ik zeer zware criminaliteit noem.

Wat het geval in Mechelen betreft, mag iedereen en mogen uiteraard in de eerste plaats de betrokkenen opgelucht zijn dat het niet erger is afgelopen. Het gaat daar immers om een poging tot zware brandstichting met verzwarende omstandigheden in een bewoond huis, gepleegd bij nacht. Op een dergelijk misdrijf staan zeer zware straffen. Ik heb begrepen – verbeter mij als ik het fout heb – dat in het specifieke dossier van de jongen en zijn grootmoeder nog niemand is gevat, ondanks het feit dat de moeder van de jongeman in de media heeft verklaard dat ze weten wie de daders zijn en dat ze op nog geen 200 meter afstand wonen. Ik hoop dat de politie en het gerecht hun uiterste best doen om te zorgen dat de betrokkenen, en ik durf hier echt van krapuul te spreken, zeer snel worden gevat.

Sam Van Rooy:

Mevrouw de minister, we waarschuwen er elk jaar voor en toch is het elk jaar opnieuw prijs. Moslimjongeren, tegenwoordig zelfs kinderen, terroriseren op oudjaar Antwerpen en steeds meer andere steden. Ze creëren elk jaar opnieuw een oorlogszone en elk jaar opnieuw draait de belastingbetaler ervoor op.

U, de overheid, zal dat nooit oplossen als u niet onder ogen ziet wat dat is en waar dat vandaan komt. Dat is straatjihad van jonge moslims die onze samenleving haten en willen kapotmaken. Hoe meer een wijk is geïslamiseerd, hoe gevaarlijker, hoe onleefbaarder het daar wordt.

Daar past maar één remedie tegen. Laat hen alle schade vergoeden, door de ouders als de daders minderjarig zijn, geef ze een astronomische boete erbovenop en zet het hele gezin het land uit.

Alexander Van Hoecke:

Wat er op oudejaarsavond opnieuw is gebeurd, zoals in de afgelopen tien jaar, is gepland en georganiseerd. Dat toont één zaak aan, namelijk dat we met een enorm probleem kampen. Dat moet voor iedereen duidelijk zijn. Het gaat om hele groepen jongeren met een migratieachtergrond en het ergste is misschien nog wel dat het vaak gaat over de tweede-, derde- of zelfs vierdegeneratiemigranten. Dat zijn mensen van wie wij zouden moeten verwachten dat zij helemaal ingeburgerd zijn. Er zou geen enkel verschil mogen zijn tussen die groepen migrantenjongeren en Vlamingen. Net die groepen zetten zich volledig af en keren zich tegen onze samenleving. Ze lokken onze hulpdiensten in een hinderlaag. Ze richten vuurwerk op huizen. Zij maken gebruik van elke mogelijke aanleiding om amok te maken. Dat gebeurt immers niet alleen op oudejaarsavond, want ze grijpen hun kans ook bij voetbalmatchen en andere evenementen. Dat is geen uit de hand gelopen kattenkwaad, maar het compleet verwerpen van onze samenleving en de waarden waarvoor wij staan. Die jongeren lokken de hulpdiensten in een hinderlaag. De politie moet de straten waar geblust wordt, vaak aan woningen, afzetten omdat er anders een reële kans bestaat dat de hulpdiensten, de brandweerdiensten, de verplegers in een hinderlaag worden gelokt. Met die gasten kunnen wij in onze samenleving werkelijk niets aanvangen. Het is keer op keer hetzelfde. Ik heb het vorig jaar ook gezegd. Ik vind het zo ongelooflijk tragisch dat wij hier volgend jaar opnieuw zullen zitten. Volgend jaar zullen wij die gebeurtenissen opnieuw veroordelen en zeggen hoe verschrikkelijk het is. Ik garandeer u dat wij hier volgend jaar opnieuw zitten. Het probleem zal alleen maar erger worden. Het zal opnieuw bij veroordelen blijven, want er gebeurt ondertussen niets om dat echt in de kiem te smoren.

De erbarmelijke toestand van het justitiepaleis in Brugge
Het overleg met de Regie der Gebouwen n.a.v. schimmel in het Brugse gerechtsgebouw
Renovatie en onderhoud van het Brugse gerechtsgebouw

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 7 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Volgens Marijke Dillen en Annick Lambrecht verkeert het Justitiepaleis in Brugge al 20+ jaar in onleefbare toestand (schimmel, vocht, geurhinder) door jarenlange verwaarlozing door de Regie der Gebouwen en vorige ministers, wat leidde tot een gedwongen ontruiming van afdelingen. Minister Verlinden bevestigt de structurele problemen (buitenschil, daken, betonrot) en kondigt 16 miljoen euro aan renovatiekosten aan, met 3,6 miljoen voor de eerste fase, maar erkent dat onderfinanciering en uitstel in het verleden de crisis verergerden. Dillen en Lambrecht kritiseren scherp het falend beheer door de Regie en eisen strikte opvolging om herhaling te voorkomen, terwijl Verlinden samenwerking met collega Matz en extra budgetten belooft voor landelijke verbetering.

Marijke Dillen:

Ik verwijs naar de ingediende vraag.

Het Justitiepaleis van Brugge verkeert al jaren in een erbarmelijke toestand. Een hardnekkige schimmelplaag, opstijgend vocht, ernstige geurhinder, het zijn maar enkele voorbeelden. De eerste klachten dateren al van 2000 maar er werden blijkbaar alleen maar enkele kleine ingrepen uitgevoerd.

Omdat de situatie werkelijk onhoudbaar is geworden hebben de vakbonden een klacht ingediend bij de arbeidsinspectie.

De nieuwe hoofdgriffier bij de Rechtbank van Eerste Aanleg West-Vlaanderen heeft nu ingegrepen. Een volledige afdeling werd nu ontruimd en het personeel is tijdelijk verhuisd naar een andere plaats in het gebouw.

Kan de minister hierover meer toelichting geven?

Hoeveel klachten zijn er sinds 2000 ingediend en welk concreet gevolg werd er hieraan gegeven ?

Waarom hebben de minister en haar voorgangers bevoegd voor de Regie der Gebouwen de situatie laten aanmodderen en geen werken laten uitvoeren om deze ernstige problematiek structureel aan te pakken om er zo voor te zorgen dat het personeel op een veilige en gezonde wijze kan werken?

Wanneer gaat deze onaanvaardbare toestand eindelijk worden weggewerkt? Zal de minister hiervoor de nodige budgetten vrijmaken?

Annick Lambrecht:

Mevrouw de minister, in Brugge zijn er grote problemen met het gerechtsgebouw. Een groot deel van dat gebouw is zelfs leeggemaakt. De reden is een schimmelplaag, die het gevolg zou zijn van het jarenlang negeren van groeiende vochtproblemen. Regenwater valt naar beneden op de binnenmuren, grondvocht stijgt in andere muren, vloeren en muren staan vol schimmel, het personeel beschikt over bijna geen enkele kast zonder vocht en schimmel. Een groot deel van het personeel is zelfs verhuisd naar andere lokalen, die ook onaangepast zijn.

Na de jeugdrechtbank werd ook het onderzoeksgerecht leeggehaald. Blijkbaar krijgt het personeel geen gehoor want het wendt zich met de moed der wanhoop tot de pers. Niet alleen Justitie en de Regie der Gebouwen maar ook de Arbeidsinspectie zouden op de hoogte zijn van dit probleem. Er wordt gezegd dat de situatie in andere gerechtsgebouwen in het land niet anders zou zijn, namelijk verwaarlozing.

Dat brengt mij bij mijn vragen. Ten eerste, hoe wordt het onderhoud van de gerechtsgebouwen aangepakt?

Ten tweede, is de situatie in Brugge uniek of is het niet anders in andere gerechtsgebouwen?

Ten derde, bent u als minister of is uw administratie op de hoogte van het probleem met het gerechtsgebouw in Brugge?

Ten vierde, welke stappen zijn ondertussen gezet om de situatie te verbeteren?

Ten vijfde, is er contact of overleg tussen Justitie en de Regie der Gebouwen? Ik diende bij de Regie der Gebouwen overigens dezelfde vraag in.

Ten zesde, wat ben u van plan te ondernemen, mevrouw de minister, om ervoor te zorgen dat het gerechtsgebouw in Brugge opnieuw volledig in gezonde omstandigheden kan worden gebruikt?

Annelies Verlinden:

Collega's, sinds februari van vorig jaar heb ik mij kunnen vergewissen van de staat van de gebouwen in het hele land. Ik heb onmiddellijk gewezen op de absolute nood aan structurele middelen en maatregelen om de toestand te verbeteren en om het hoofd te kunnen bieden aan de jarenlange onderfinanciering.

Dit geldt zeker ook voor het gerechtsgebouw in Brugge. Het gebouw dateert van begin jaren ‘80 en heeft onder meer nood aan een buitenschilrenovatie. Het gebouw kampt met waterinsijpeling en daaruit voortvloeiende schade. De daken, het schrijnwerk en de buitenzonwering moeten worden vernieuwd en het betonrot moet worden aangepakt. De uit te voeren werken zijn structureel van aard. De diensten van de FOD Justitie staan hierover in nauw contact met de Regie, die als eigenaar van het gebouw de werken moet uitvoeren. De renovatiekosten worden geraamd op minstens 16 miljoen euro. De zone die nu werd ontruimd, bevindt zich in dat deel waar de noden het grootst zijn en dat daarom deel uitmaakt van de eerste fase van de buitenschilrenovatie. De kostprijs van deze eerste fase wordt geraamd op 3,6 miljoen euro.

De problematiek is inderdaad al bekend van voor deze legislatuur. De renovatie van de buitenschil is opgenomen in het meerjarig investeringsplan bij de Regie, maar werd in het verleden vooruitgeschoven in de tijd door gebrek aan middelen en personeel, zoals dat ook voor nogal wat andere gebouwen het geval was. Met de bijkomende middelen die de regering op mijn vraag heeft vrijgemaakt, zal op verschillende plaatsen vooruitgang kunnen worden geboekt. Ik werk daarvoor samen met mijn collega Matz, bevoegd voor het gebouwenbeheer van de overheid. We volgen dit uiteraard ook op met onze betrokken diensten.

Tegelijkertijd blijven de noden erg groot. Om die reden heb ik, in lijn met het regeerakkoord, ook de opdracht gegeven om een rationalisatie- en verbeteringstraject voor het gebouwenpark uit te werken. Die oefening loopt, terwijl intussen op verschillende plaatsen verbeteringswerken worden uitgevoerd.

Met de bijkomende middelen uit de IDP Veiligheid komt er ook een extra budgettaire injectie voor de FOD Justitie voor het dagelijkse onderhoud en de veiligheid. Met het hefboomplan, dat we voor de zomer in overleg met de RO opstelden, werd al een nieuwe reeks investeringen mogelijk gemaakt, waaronder het opzetten van een scan lane voor het gerechtsgebouw in Brugge.

Door deze gerichte en aanhoudende inspanningen bouwen we verder aan beter onderhouden, toegankelijke en veilige gerechtsgebouwen, zodat justitie in goede omstandigheden kan functioneren, ten voordele van alle rechtszoekenden, maar ook van alle medewerkers van justitie, die ik hierbij nogmaals wil bedanken voor hun niet-aflatende inzet.

Marijke Dillen:

Dank u wel, mevrouw de minister, voor uw antwoord.

Het is inderdaad een problematiek die al jaren aansleept. We kunnen u dat niet verwijten, mevrouw de minister, want daarvoor bent u nog niet lang genoeg bevoegd voor deze materie. Uw voorgangers die bevoegd waren voor Justitie en de Regie der Gebouwen, hebben in dit dossier wel laten aanmodderen. Ze hebben nooit werken laten uitvoeren om deze ernstige problematiek ten gronde aan te pakken.

De situatie is duidelijk onhoudbaar geworden. Dankzij de nieuwe hoofdgriffier bij de rechtbank in West-Vlaanderen wordt er nu ingegrepen. In het belang van de veiligheid van zowel het personeel als alle bezoekers die daar aanwezig moeten zijn, wordt die afdeling volledig ontruimd.

Ik hoop dan ook dat dit probleem zeer snel structureel wordt aangepakt.

Annick Lambrecht:

Dank u wel, mevrouw de minister, voor uw verhelderend antwoord met toch enkele lichtpunten voor het personeel, dat momenteel in zeer ongezonde en eigenlijk onwaardige omstandigheden zijn werk moet uitvoeren. Ik heb begrepen dat er in een eerste fase 3,6 miljoen euro wordt vrijgemaakt en dat er ook extra middelen zullen zijn voor de dagelijkse werking. Daar situeert zich ook een belangrijk probleem, want jarenlang werden de dagelijkse werken niet uitgevoerd, waardoor zich een opeenstapeling heeft voorgedaan van kortetermijnproblemen die hadden kunnen worden opgelost, maar zijn blijven liggen en zijn uitgegroeid tot grote problemen op lange termijn, zoals de schimmelproblematiek waarmee men nu geconfronteerd wordt. Mevrouw de minister, u hebt budgetten vrijgemaakt en de cijfers daarvan in tabellen gegoten. Ik wil u echter vragen te zorgen voor een zeer nauwgezette opvolging door uw kabinet van de uitvoering van de werken door het andere departement, namelijk de Regie der Gebouwen, die de werken moet uitvoeren en ze al zeer lang in de tabellen heeft geplaatst, maar nooit de moeite heeft gedaan om ze daadwerkelijk uit te voeren. Mevrouw de minister, het succes zal zeker ook op uw departement afstralen. Ik vraag u met aandrang om in zeer nauw overleg te blijven met de Regie der Gebouwen, zodat die niet opnieuw verklaart de werken te zullen uitvoeren, maar het personeel toch verder laat werken in omstandigheden die het werken in 2026 totaal onwaardig zijn. Mevrouw de minister, ik zal uw antwoord meenemen naar Brugge, mijn thuisstad. Ik hoop dat de betrokkenen daardoor een beetje meer hoop krijgen dan ze tot nu toe hadden.

De stand van zaken van het aangekondigde sociaal akkoord voor het gevangenispersoneel

Gesteld door

lijst: N-VA Sophie De Wit

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 7 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sophie De Wit wijst op structurele problemen in gevangenissen (personeelstekort, hoge werkdruk, ziekteverzuim) en vraagt om concrete stappen richting het sociaal akkoord (beloofd voor 1 januari 2026), met twijfel over de haalbaarheid. Minister Annelies Verlinden meldt dat er een concreet plan (werving, opleiding, veiligheid, welzijn, loon) op tafel ligt, nu bij vakbonden in overleg, met afronding gepland op 9 januari; ze benadrukt dat de maatregelen "het verschil moeten maken". De Wit reageert kritisch-sceptisch en stelt de afronding op 9 januari als cruciale test.

Sophie De Wit:

Ik verwijs naar mijn ingediende vraag.

Het is algemeen bekend dat het gevangenispersoneel vandaag werkt in bijzonder moeilijke omstandigheden. Het personeelstekort is structureel, de werkdruk hoog en het ziekteverzuim aanzienlijk.

In de beleidsnota Justitie 2024-2025 staat hierover op pagina 26 te lezen:

“Het gevangenispersoneel werkt in bijzonder moeilijke omstandigheden, maar is wel de sleutel tot een geslaagde reclassering en re-integratie. Om de werkomstandigheden van het gevangenispersoneel te verbeteren, sluiten we tegen 1 januari 2026 een sociaal akkoord dat erop gericht is het beroep aantrekkelijker te maken, het gebrek aan gevangenispersoneel aan te pakken, de aanwervingsprocedures te optimaliseren, het absenteïsme terug te dringen en de medewerkers beter op te leiden.”

Tegelijk zagen we de voorbije maanden sociale acties en duidelijke noodsignalen vanuit zowel de vakbonden als de gevangenisdirecties en werd vanaf 1 december een regeling inzake minimale dienstverlening ingevoerd, wat de ernst van de personeelssituatie alleen maar onderstreept.

Ik heb volgende vragen voor u:

In welke fase bevinden de onderhandelingen zich vandaag en welke concrete maatregelen liggen daarbij momenteel effectief op tafel?

Acht u het realistisch en haalbaar dat dit sociaal akkoord effectief tegen 1 januari 2026 wordt afgesloten? Welke verdere stappen voorziet u indien deze deadline niet wordt gehaald?

Annelies Verlinden:

Dank u wel, collega De Wit. De onderhandelingen in het kader van het sociaal akkoord, zoals vooropgesteld in de beleidsnota, zijn de afgelopen maanden intensief gevoerd. Tijdens het laatste overleg, op 17 december, is een concreet sociaal plan aan de vakbonden voorgesteld. Dat plan wordt nu bij de achterban afgetoetst. Op vrijdag 9 januari, overmorgen, wordt het overleg voortgezet en wat mij betreft ook afgesloten.

De focus van het actieplan ligt op het voorstellen van maatregelen in het kader van de volgende vijf uitdagingen. Ten eerste, de werving en selectie, om betere en snellere procedures voor kandidaten op een krappe arbeidsmarkt mogelijk te maken. Ten tweede, de opleiding. Het gaat over extra vorming, met het oog op personeelsbehoud en doorgroeimogelijkheden. Ten derde, de veiligheid, om extra maatregelen te kunnen nemen die het personeel beter beschermen tegen agressie van gedetineerden. Ten vierde, het welzijn, met initiatieven voor medewerkers die bijkomende begeleiding wensen in moeilijke werkomstandigheden. Ten slotte ten vijfde, een competitief weddepakket voor het personeel, in lijn met dat van andere veiligheidsberoepen.

Wat uw vraag inzake de haalbaarheid betreft, doen we er alles aan om een zo volledig mogelijk sociaal plan voor te stellen dat maatregelen omvat op de voormelde vijf grote domeinen. We zijn ervan overtuigd dat we maatregelen voorstellen die het verschil maken voor ons personeel en voor onze organisatie. Dat is belangrijk, want de bekommernissen die het personeel naar voren heeft geschoven zijn precies die zaken waaraan we willen werken om de aantrekkelijkheid van het beroep te kunnen verhogen.

Sophie De Wit:

Dank u wel voor uw antwoord, mevrouw de minister. Ik denk dat dit belangrijke onderhandelingen zijn. Ik zal 9 januari afwachten en dan kom ik hier zeker nog op terug. We zullen zien wat u op 9 januari inderdaad kunt afsluiten. U zegt dat u het dan wilt rondkrijgen. We hebben dus nog even geduld. Dank u wel.

De coördinatie van de gerechtelijke diensten

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 7 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Kristien Van Vaerenbergh wijst op de kwetsbaarheid van Halle-Vilvoorde voor georganiseerde drugscriminaliteit, gevoed door demografie, logistieke knooppunten en grensoverschrijdende netwerken, en vraagt om structurele versterking van samenwerking en middelen tussen federale, lokale en gerechtelijke diensten. Minister Annelies Verlinden bevestigt dat de huidige capaciteit van de federale politie in Halle-Vilvoorde onvoldoende is afgestemd op de snelle bevolkingsgroei en toename van internationale criminaliteit, maar kondigt 130 extra financiële onderzoekers aan—deels voor lokale FGP’s—om de slagkracht te vergroten. Van Vaerenbergh utiliseert Verlindens erkenning dat personeel en kaders achterlopen op de criminologische realiteit, met de hoop dat toekomstige middentoewijzing hier prioriteit aan geeft. De kritiek blijft dat coördinatie en resources structureel tekortschieten, ondanks bestaande samenwerkingsverbanden.

Kristien Van Vaerenbergh:

Ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn ingediende vraag.

Naar aanleiding van de recente grootschalige gerechtelijke actie waarbij meer dan 300 kg cocaïne, wapens en cash geld in beslag werden genomen en 11 personen werden gearresteerd, blijkt opnieuw hoe criminele organisaties opereren over verschillende gerechtelijke arrondissementen en politiezones heen. Opvallend is dat, hoewel het onderzoek werd geleid vanuit West-Vlaanderen, meerdere huiszoekingen plaatsvonden in onder meer Vilvoorde en Wezembeek-Oppem, binnen het arrondissement Halle-Vilvoorde, en dat ook de Federale Gerechtelijke Politie Halle-Vilvoorde expliciet bij de actie betrokken was.

Gelet op de demografische en sociaal-stedelijke kenmerken van Halle-Vilvoorde — waaronder een jonge, diverse en sterk verstedelijkte bevolking, de nabijheid van Brussel en de rol van de regio als logistieke draaischijf — vormt dit arrondissement een bijzonder kwetsbare schakel in de strijd tegen georganiseerde en grensoverschrijdende drugcriminaliteit.

Hoe evalueert u, in het licht van dit dossier, het belang van een blijvend sterke en structureel gecoördineerde samenwerking tussen federale gerechtelijke diensten, lokale politiezones en gerechtelijke arrondissementen, in het bijzonder met betrekking tot Halle-Vilvoorde?

Acht u de huidige middelen, personeelsinzet en informatie-uitwisseling binnen en rond Halle-Vilvoorde voldoende aangepast aan de demografische realiteit en de toenemende druk van internationale criminele netwerken?

Overweegt u bijkomende of structurele maatregelen om de betrokkenheid en slagkracht van de gerechtelijke en politiediensten in deze regio verder te versterken?

Annelies Verlinden:

In veel van de dossiers die worden behandeld door de FGP worden huiszoekingen uitgevoerd in verschillende arrondissementen. Telkens verleent de FGP van het arrondissement waar de huiszoekingen plaatsvinden daarbij steun. Die samenwerking is noodzakelijk om de nodige capaciteit ter beschikking te hebben, maar het is ook van belang voor het vaststellen van nieuwe inbreuken en bevordert de informatiedoorstroming.

Door de centrale ligging van het arrondissement Halle-Vilvoorde wordt de FGP van dat arrondissement vaak geconfronteerd met dergelijke steunaanvragen. Ook in huidig dossier bleek opnieuw dat een groot deel van de inbeslagnames in dat arrondissement plaatsvond, wat wijst op een belangrijke aanwezigheid van criminele organisaties op het grondgebied. Naast coördinatie binnen de federale politie wordt in het arrondissement Halle-Vilvoorde ook optimaal gebruikgemaakt van de middelen die aanwezig zijn bij de lokale politie. Binnen Halle-Vilvoorde bestaan samenwerkingsverbanden en associaties tussen de verschillende politiezones die elkaar bijstand kunnen verlenen.

Wat de beschikbare middelen, personeelsinzet en informatie-uitwisseling betreft, moet worden vastgesteld dat de huidige capaciteit van de federale gerechtelijke politie, vastgelegd bij de oprichting van het gesplitste arrondissement, sindsdien niet is meegegroeid met de demografische en criminologische realiteit. De bevolking van het arrondissement groeit sneller dan het nationaal gemiddelde, waardoor de werkdruk voor de politiediensten structureel toeneemt. Tegelijk is sprake van een duidelijke intensivering van de activiteiten van internationale criminele netwerken in en rond Halle-Vilvoorde, onder meer door de aanwezigheid van de nationale luchthaven en de grote concentratie van logistieke en financiële structuren in de regio.

De regering heeft beslist 130 extra financiële onderzoekers aan te werven voor de federale politie. Die gespecialiseerde capaciteit zal worden toegewezen aan de centrale diensten CDBC en CDGEFID, maar ook aan de gedecentraliseerde FGP's. Die versterking is essentieel om de strijd tegen georganiseerde criminaliteit en witwaspraktijken doeltreffender te kunnen voeren.

Kristien Van Vaerenbergh:

Ik dank u, mevrouw de minister, voor uw antwoord. Ik ben tevreden dat u de problematiek van het arrondissement Halle-Vilvoorde erkent en aangeeft dat bij het personeelsbestand en de kaders geen rekening is gehouden met de demografische realiteit en de evolutie op het vlak van criminaliteit in ons arrondissement. Ik hoop dat er bij de toewijzing van middelen ook rekening wordt gehouden met die nieuwe realiteit daar. De voorzitster : Vraag nr. 56011738C van mevrouw Vandeberg wordt uitgesteld. Vraag nr. 56011774C van de heer Raskin vervalt, aangezien hij niet aanwezig is.

Het uitblijven v.e. toezichthouder voor gerechtelijke autoriteiten (verwerking van persoonsgegevens)

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 7 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Aurore Tourneur bekritiseert dat België de EU-richtlijn 2016/680 (privacytoezicht op politie/justitie) nog steeds niet volledig omzet: ondanks vier bestaande toezichthouders ontbreekt een specifieke autoriteit voor justitiële data, terwijl een recente wet (art. 458ter Sv.) juist extra toezicht vereist door uitschakeling van burgerrechten (toegang/rectificatie/wissing). Minister Verlinden bevestigt dat een ontwerptekst voor zo’n onafhankelijke autoriteit – opgesteld met justitiële actoren zoals Cassatie en procureurs – eind 2026 in het parlement moet liggen, na indiening in 1e semester 2024 (door haar werkgroep). Tourneur benadrukt als mening dat snelle implementatie cruciaal is om fundamentele databeschermingsrechten van burgers te waarborgen.

Aurore Tourneur:

Madame la ministre, la Directive (UE) 2016/680 encadre le traitement des données à caractère personnel par la police et par les autorités judiciaires. Elle impose à chaque État membre de prévoir une autorité de contrôle indépendante pour surveiller l'application de ces règles et protéger les droits des citoyens.

Or, la loi du 28 mars 2024 portant dispositions en matière de digitalisation de la justice et dispositions diverses Ibis n'a opéré qu'une transposition partielle de cette directive.

À l'heure actuelle, malgré les quatre autorités de contrôle déjà en activité (l'APD, le COC, le Comité P et le Comité R), il n'existe toujours pas d'autorité de contrôle spécifique pour les autorités judiciaires.

Votre prédécesseur avait expliqué, dans le cadre de l'exposé des motifs de cette loi (p. 16), que la création de l'autorité de contrôle pour les autorités judiciaires ferait l'objet d'une loi distincte ultérieure.

A ce jour, cette loi n'existe toujours pas.

Le vote récent de la proposition de loi relative à la concertation de cas (article 458ter du Code pénal) en Commission Justice rappelle la nécessité de disposer d'une autorité de contrôle fonctionnelle pour les autorités judiciaires. Cette proposition de loi étend notamment le champ d'application de l'article 90quindecies du Code d'instruction criminelle à certaines données partagées dans le cadre d'une concertation de cas. Cet article exclut pour le justiciable les droits d'accès, de rectification et d'effacement de ces données. Cette exclusion nécessite, en contrepartie, la mise en place d'une autorité de contrôle indépendante.

Dès lors, madame la ministre, pouvez-vous nous indiquer si vous travaillez à l'élaboration d'un texte prévoyant une autorité de contrôle spécifique pour les autorités judiciaires? Le cas échéant, où en est ce processus? Les acteurs concernés ont-ils déjà été consultés? Quel est votre calendrier précis pour le dépôt de ce texte au Parlement?

Annelies Verlinden:

Madame Tourneur, la directive européenne 2016/680 encadre le traitement des données à caractère personnel par la police et par les autorités judiciaires. Elle impose à chaque État membre de prévoir une autorité de contrôle indépendante pour surveiller l’application de ces règles et pour protéger les droits des citoyens.

Afin de transposer cette directive, un groupe de travail incluant les autorités judiciaires, et notamment la Cour de cassation, ainsi que le Collège des cours et tribunaux et le Collège des procureurs généraux, a été mis sur pied. Un projet de texte mettant en place une autorité de contrôle indépendante pour le traitement des données judiciaires par les autorités judiciaires dans le cadre de leurs missions judiciaires devrait m’être soumis dans le courant du premier semestre de cette année. Mon intention est dès lors de déposer un projet de loi au Parlement avant la fin de l’année 2026.

Aurore Tourneur:

Madame la ministre, merci pour vos précisions. Je suivrai l’avancement de ce dossier et l’arrivée du futur projet de loi avec beaucoup d’intérêt. Il me semble que la mise en place de cette autorité de contrôle est en effet une étape importante pour garantir le respect des droits des justiciables en matière de données à caractère personnel.

Het tekort aan cipiers en ondersteunend personeel

Gesteld door

lijst: VB Marijke Dillen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 7 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Marijke Dillen wijst op acute overbevolking in gevangenissen en recordvacatures voor cipiers (370 in Vlaanderen/Brussel), wat de opening van nieuwe gevangenissen—zoals Antwerpen—dreigt te vertragen door personeelstekort (200 cipiers nodig) en stijgend absenteïsme (10%) door werkdruk en "mensonwaardige omstandigheden". Ze vraagt om concrete oplossingen, versnelde selectie en budget voor betere werkomstandigheden. Minister Annelies Verlinden erkent het structurele wervingsprobleem (o.a. door arbeidsmarktkrapte) en somt maatregelen op: mediacampagnes, versnelde selectie (zonder kwaliteitsverlies), 30 extra recruiters, EU-burgers aantrekken en private beveiliging inzetten, plus een sociaal plan met vakbonden voor beter welzijn en statuut. Ze verhoogt het employerbranding-budget met €500.000. Dillen bekritiseert dat ondanks aanwervingen de tekorten blijven en eist uitbreiding van de Brusselpremie naar alle gevangenissen, plus snel verbeterd statuut om het beroep aantrekkelijker te maken, met nadruk op Antwerpen als knelpunt.

Marijke Dillen:

De problematiek van de overbevolking in de gevangenissen blijft maar aanslepen. Extra plaatsen creëren is dus de boodschap. Maar wanneer bijkomende capaciteit kan worden gecreëerd is het uiteraard ook belangrijk om voldoende cipiers en ondersteunend personeel zoals onderhoudstechnici en keukenpersoneel te vinden. Helaas is dit een groot knelpunt. Het aantal vacatures voor cipiers is in één jaar tijd verdrievoudigd en zit op een recordhoogte. De Vlaamse en Brusselse gevangenissen hadden einde november ongeveer 370 vacatures voor cipiers openstaan. Het doel om ongeveer 7500 voltijds equivalenten te vinden voor het ganse land kan onmogelijk worden gehaald. Bij de bestaande gevangenissen is er een tekort van 300 voltijdse cipiers. Het vinden van voldoende personeel is dan ook een zeer grote uitdaging.

Uit berichten blijkt dat de opening van nieuwe gevangenissen in het gedrang dreigt te komen door een gebrek aan voldoende cipiers en ondersteunend personeel. Zo bijvoorbeeld wat de nieuwe gevangenis van Antwerpen betreft waar nog 200 cipiers en andere personeelsleden worden gezocht. Maar deze problematiek stelt zich ook voor de opening van nieuwe aangekondigde detentiehuizen.

Ook is er een stijging van het absenteïsme met meer dan 10%, o.m. als gevolg van de enorme werkdruk en de mensonwaardige werkomstandigheden.

Kan de minister hierover meer toelichting geven? Wat zal de weerslag van deze ernstige problematiek zijn voor de opening van de gevangenis van Antwerpen en voor de opening van aangekondigde detentiehuizen? Kloppen de berichten dat de opening van nieuwe gevangenissen in het gedrang dreigt te komen door een tekort aan cipiers?

Welke initiatieven heeft de minister genomen om ervoor te zorgen dat er voldoende cipiers en ondersteunende medewerkers zijn voor de nieuwe capaciteitsprojecten? Graag een concreet overzicht per project. Wordt er gewerkt met versnelde selectieprocedures? Zo ja, op welke wijze? Zo neen, waarom niet?

Kan de minister toelichting geven betreffende de lopende grote rekruteringscampagnes die aangekondigd zijn?

Kan de minister mij mededelen welke initiatieven er genomen zijn om te zorgen voor veilige en correcte werkomstandigheden in de gevangenissen die geconfronteerd worden met een overbevolking in het algemeen en de problematiek van de grondslapers in het bijzonder? Worden er hiervoor bijkomende budgetten voorzien?

Annelies Verlinden:

Mevrouw Dillen, de problematiek van de krapte op de arbeidsmarkt is een alom bekend probleem, vooral in de regio Antwerpen. Dat probleem manifesteert zich in verschillende sectoren, zowel publiek als privé.

De administratie heeft de voorbije jaren tal van initiatieven genomen om de functies binnen haar diensten beter te positioneren op de arbeidsmarkt. Zo werd geïnvesteerd in een betere employerbranding via mediacampagnes, met inbegrip van sociale media, via aanwezigheid op jobbeurzen, door het organiseren van bezoekmomenten aan onder meer gevangenissen enzovoort. Deze investeringen worden uiteraard verdergezet. Deze legislatuur wil ik het budget voor employerbranding met 500.000 euro verhogen.

In overleg met de FOD BOSA werden ook inspanningen geleverd om de selectieprocedures te optimaliseren, vooral wat de doorlooptijd betreft. Daarbij moet een blijvend evenwicht worden gevonden tussen enerzijds snel aanwerven om geen kandidaten en laureaten te verliezen en anderzijds de kwaliteit van de aanwervingen hooghouden. Het mag immers niet zo zijn dat de druk om snel bijkomend personeel aan te werven ertoe leidt dat de filters die moeten garanderen dat de juiste mensen worden aangeworven, niet meer functioneren.

Al deze initiatieven hebben hun vruchten afgeworpen, maar de inspanningen moeten worden volgehouden en voortgezet. Ze hebben er immers nog niet voor kunnen zorgen dat de voorziene personeelskaders duurzaam ingevuld worden en blijven. Daarom blijven we in gesprek gaan met de minister van Ambtenarenzaken en de FOD BOSA om de aanwervingsprocedure verder te versterken.

Daarnaast onderzoeken we niet alleen op welke manier private veiligheidsfirma’s kunnen worden ingezet voor de contactluwe bewakingsopdrachten, maar ook of we de functie toegankelijk kunnen maken voor burgers van andere EU-lidstaten en of we in bepaalde situaties kunnen afwijken van de diplomavereisten vanwege de krapte op de arbeidsmarkt. Daarbij zullen we uiteraard steeds oog hebben voor de kwaliteit van de profielen die we voor onze gevangenissen willen aanwerven.

De komende maanden zullen we onze personeelsdienst versterken met 30 recruiters, die decentraal zullen kunnen worden ingezet om de selectie op een efficiënte manier te organiseren en beter te kunnen samenwerken met onder meer de VDAB en lokale initiatieven. In samenwerking met de minister van Ambtenarenzaken wordt ook onderzocht hoe we een beroep kunnen doen op federale recruiters voor onze prioritaire aanwervingen.

U merkt terecht op dat ook andere omkaderende maatregelen een impact kunnen hebben op de wervingsattractiviteit. In deze legislatuur zullen maatregelen worden genomen om het welzijn, de opleiding en de veiligheid van onze gevangenismedewerkers te verbeteren. Die maatregelen worden momenteel besproken met de vakbonden, zoals ik daarnet al toelichtte, in het kader van het sociaal plan, dat zowel de werkomstandigheden als de aantrekkelijkheid van de functies moet verbeteren.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, werken aan een versnelde selectieprocedure is natuurlijk belangrijk. U stelt ook terecht dat er voldoende aandacht moet worden besteed aan de kwaliteit van de profielen. Het betreft immers een functie waarbij moet worden gewaarborgd dat ze het juiste profiel hebben, aangezien de mensen in een gevangenis gaan werken. Vandaag verschenen nog artikelen in de media waaruit blijkt dat er meer penitentiaire beambten werden aangenomen, maar dat de tekorten nog steeds zeer groot blijven. Er zijn knelpunten, zeker in Antwerpen. Daar moet dan ook heel aandachtig aan worden gewerkt, want het kan niet - zoals uit berichten is gebleken - dat de opening van nieuwe gevangenissen, zeer specifiek in Antwerpen, in het gedrang zou komen door een gebrek aan voldoende personeel. Dat geldt overigens ook voor de aangekondigde nieuwe detentiehuizen. Ik wens u dan ook veel succes bij de selectieprocedures en de aanwervingen. Ik hoop dat veel mensen aangetrokken worden tot dit beroep. Het is dan echter ook belangrijk om te zorgen voor een beter statuut voor de penitentiaire beambten. Ik blijf benadrukken dat de Brusselpremie eigenlijk niet alleen voor Haren van toepassing mag zijn, deze zou voor alle gevangenissen van toepassing moeten zijn. Er zijn nog andere maatregelen die kunnen worden genomen om het statuut te verbeteren. Ik ben benieuwd naar wat uit het sociaal plan naar voren zal komen, maar hieraan moet zeker meer aandacht worden besteed.

De maatregelen tegen de overbevolking van de gevangenissen
De negatieve beslissing van de ministerraad van 23 december 2025 i.v.m. de gevangenissen
De overbevolking van de gevangenissen en de onmacht van de regering om maatregelen te nemen
Gevangenisoverbevolking en falend beleid

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 7 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Marijke Dillen en Stefaan Van Hecke bekritiseren de chronische overbevolking in gevangenissen (20% boven capaciteit, 500+ grondslapers) en de mensonwaardige omstandigheden, die agressie en personeelstekorten verergeren. Dillen bekritiseert het voorgestelde plan voor vervroegde vrijlating (o.a. 1 jaar eerder) als "straffeloosheid" en eist strengere terugkeer van vreemdelingen; Van Hecke pleit voor elektronisch toezicht en een structureel debat over alternatieven zoals detentiehuizen. Minister Verlinden bevestigt de crisis, wijst op noodmaatregelen (600+ vervroegde invrijheidsstellingen, 800+ elektronische enkelbanden) en een expertcommissie voor langetermijnoplossingen, maar erkent dat de regering nog geen akkoord bereikte over verdere stappen. Dillen verwerpt strafkorting als "maatschappelijk onaanvaardbaar".

Marijke Dillen:

3.200 veroordeelde criminelen mogen vrij blijven rondlopen omdat dit land er maar niet in slaagt voldoende capaciteit te voorzien in de gevangenissen. De problematiek van de overbevolking in de gevangenissen blijft maar aanslepen. Er zijn momenteel 20% gedetineerden meer dan de capaciteit toelaat. Ook het aantal grondslapers blijft maar toenemen. Dit leidt tot spanningen en stress, lokt agressie uit zowel naar het personeel toe als tussen gedetineerden onderling.

Het is algemeen bekend dat de Directeur-Generaal van het Gevangeniswezen Mathilde Steenbergen vandaag een pleidooi houdt voor een aanzienlijke strafkorting. Toch merkwaardig dat de Directeur-Generaal die nu dagelijks aan de alarmbel trekt de kabinetschef was van de vorige ministers van Justitie op wiens initiatief de korte gevangenisstraffen moesten uitgevoerd worden op een ogenblik dat ook toen de overbevolking aanzienlijk was.

Opnieuw zijn er berichten dat de minister sommige criminelen een jaar vroeger uit de cel wil halen. M.a.w. bepaalde gedetineerden zouden een jaar voor het einde van de straf in aanmerking komen voor vervroegde vrijlating.

Ik blijf herhalen: deze aankondigingen veroorzaken maatschappelijke beroering. Een quasi automatische vervroegde vrijlating is een zeer ingrijpende en potentieel gevaarlijke oplossing. In plaats van een kordaat en geloofwaardig Justitiebeleid wordt er gekozen voor een toenemende straffeloosheid.

Kan de minister eindelijk duidelijkheid geven betreffende de aangekondigde plannen om de overbevolking aan te pakken? Op welke gedetineerden zal dit van toepassing zijn? Is er ter zake eensgezindheid binnen de regering om deze problematiek aan te pakken?

Waarom blijft de minister kiezen voor symptoombestrijding terwijl er eigenlijk een grondig uitgewerkt plan van aanpak moet worden uitgewerkt met o.a. extra capaciteit en een versnelde terugkeer van criminele vreemdelingen en illegalen bijvoorbeeld, om te waken over een daadwerkelijke uitvoering van uitgesproken straffen? Gaat de minister hier eindelijk werk van maken?

Hoe kan de minister uitleggen dat de burgers in het algemeen en de slachtoffers in het bijzonder nog vertrouwen hebben in het Justitiebeleid wanneer uitgesproken straffen niet systematisch worden uitgevoerd? Hoe garandeert de minister de veiligheid van de bevolking en van de slachtoffers? Hoe verhoudt deze maatregel zich tot het principe van rechtszekerheid en het vertrouwen van de burger in de strafuitvoering?

De laatste ministerraad van 23 december 2025 is uiteen gegaan zonder een akkoord over de gevangenissen. 3200 veroordeelde criminelen mogen vrij blijven rondlopen omdat dit land er maar niet in slaagt voldoende capaciteit te voorzien in de gevangenissen en de problematiek van de overbevolking in de gevangenissen blijft maar aanslepen. Er zijn momenteel 20% gedetineerden meer dan de capaciteit toelaat. Ook het aantal grondslapers blijft maar toenemen. Dit leidt tot spanningen en stress, lokt agressie uit zowel naar het personeel toe als tussen gedetineerden onderling.

Een oplossing is ver weg. Deze laatste Ministerraad heeft blijkbaar geen akkoord bereikt over de door de minister voorgestelde oplossingen voor de overbevolking. De minister mag dan wel verklaren: “De urgentie is groot, ik blijf aandringen op een akkoord." Maar zonder resultaat.

In een persmededeling heeft de minister verklaard dat “omwille van het groot aantal grondslapers er bij urgentie een oplossing nodig is. Daarom dringen maatregelen zich op die op korte termijn het verschil kunnen maken". Welke maatregelen werden er voorgelegd? Graag gedetailleerde toelichting.

Welke argumenten ten gronde heeft de minister aangewend om een oplossing voor te stellen waarbij het aantal grondslapers duurzaam wordt weggewerkt, de wachtlijst van 3200 veroordeelden wordt weggewerkt en tegelijkertijd er wordt gezorgd voor veiligere werkomstandigheden voor het penitentiair personeel?

Welke aandacht werd er hierbij besteed voor een bijkomende ondersteuning van het penitentiair personeel? Kan de minister hierover een gedetailleerde toelichting geven? Wordt er hiervoor ook een bijkomend budget voorzien?

Kan de minister meer toelichting geven betreffende de argumenten van de Ministerraad om het voorgelegde voorstel niet te ondersteunen?

De minister vindt samenwerking met de minister van Asiel en Migratie en Volksgezondheid noodzakelijk in dit dossier. Welke voorstellen werden er voorgelegd aan deze Ministerraad om deze samenwerking kracht bij te zetten? Wat is het standpunt van de betrokken ministers? Graag gedetailleerde toelichting.

Stefaan Van Hecke:

De structurele overbevolking in onze gevangenissen neemt onhoudbare proporties aan . Ondanks de noodwet en beloften blijft de situatie niet alleen ongewijzigd, maar verslechtert zij zichtbaar.

Begin januari luidde de commissie van Toezicht van de Gevangenis van Gent opnieuw de alarmbel. In een brief wordt gesproken over een dramatische en mensonwaardige situatie, met een capaciteitsoverschrijding van meer dan 200 procent op de mannenafdeling en 130 procent bij de vrouwen. Gedetineerden verblijven vaak met drie personen in cellen van minder dan negen vierkante meter en zitten tot 23 uur per dag opgesloten. Tegelijk is er een ernstig personeelstekort en verblijven er meer dan 200 geïnterneerden zonder dat de nodige zorg kan worden gegarandeerd.

Ook elders nemen de noodsignalen toe. De gouverneur van Antwerpen riep recent expliciet op tot een ruimer gebruik van elektronisch toezicht. Vanuit de sector en de toezichtsorganen klinkt bovendien steeds luider de vraag om quota of een maximumcapaciteit wettelijk vast te leggen, om te vermijden dat gevangenissen systematisch boven hun draagkracht blijven functioneren.

De gevangenisomgeving is een mensonterende en vernederende omgeving. Kunnen we op deze manier verwachten dat mensen na hun straf een betere versie van zichzelf zijn geworden?

Ondertussen slaagt de regering er niet in om tot maatregelen te komen die de overbevolking kunnen terugdringen.

Tegen die achtergrond wens ik u de volgende vragen te stellen:

Hoe beoordeelt u de recente noodkreten uit de sector(o.a. van de commissie van Toezicht van de Gentse gevangenis), en erkent u dat de huidige situatie structureel mensonwaardig is en verder achteruitgaat?

Welke concrete en onmiddellijke maatregelen zult u nemen om de overbevolking in zwaar getroffen gevangenissen effectief terug te dringen op korte termijn?

In welke mate bent u bereid het gebruik van elektronisch toezicht en andere vrijheidsbeperkende alternatieven systematisch uit te breiden, zoals gevraagd door onder meer de gouverneur van Antwerpen? Bent u hierover in overleg met uw Vlaamse collega?

De regering slaagt er niet in om een akkoord te bereiken over nieuwe maatregelen om de overbevolking effectief aan te pakken. Wat is de stand van zaken ? Welke pistes heeft u op tafel gelegd.

Annelies Verlinden:

Collega's, ik vertel u uiteraard niets schokkends als ik zeg dat het gevangeniswezen in crisis verkeert. In bijna alle gevangenissen samen slapen momenteel in totaal nog steeds meer dan 500 gedetineerden op een matras op de grond. De cijfers zijn de voorbije twee weken weliswaar ietwat gedaald, maar dat is allicht toe te schrijven aan het seizoenseffect van de kerstvakantie.

Een dergelijk groot aantal grondslapers, samen met een overbevolking van 2.000 personen, is vanuit menselijk, operationeel en juridisch oogpunt volstrekt onverdedigbaar, zowel voor de gedetineerden als voor het personeel dat in deze omstandigheden moet werken. Net voor kerst was ik in de gevangenis in Antwerpen en vanochtend was ik in de gevangenis van Oudenaarde en de nieuwe gevangenis van Dendermonde. De situatie is overal schrijnend en problematisch. Ik begrijp dus maar al te goed de noodkreten op het terrein en van de Commissie van Toezicht.

Mijnheer Van Hecke, ik lees aandachtig de boodschappen van de verschillende actoren over de problematiek, ga waar mogelijk op bezoek en spreek vrijwel elke dag met mensen op het terrein. Het is mijn vaste overtuiging als politicus en als mens dat we deze omstandigheden zo snel mogelijk moeten verbeteren, zonder daarbij uiteraard afbreuk te doen aan de veiligheid van onze samenleving en zonder het principe van een correcte bestraffing te ondermijnen. Veiligheid, rechtvaardigheid en menselijkheid horen elkaar niet uit te sluiten, maar kunnen elkaar versterken.

De problematiek van de overbevolking is een oud zeer dat al decennia teruggaat. Een magische oplossing bestaat helaas niet, temeer daar het probleem rechtstreeks voortvloeit uit een aantal fenomenen en problemen in onze maatschappij op het vlak van preventie, integratie en welzijn. Vele van mijn voorgangers hebben naar een oplossing gezocht, maar dat ik vorig jaar het gevangeniswezen in crisis heb aangetroffen, betekent dat ook die voorgangers die oplossing niet hebben gevonden.

Ik ben er daarom van overtuigd dat er zich een diepgaand debat opdringt inzake de strafrechtketen en de vrijheidsberoving in ons bestraffingsarsenaal. Om die reden hebben we vorige zomer dan ook een commissie overbevolking opgericht, zodat een multidisciplinaire groep van experts en magistraten zich kan buigen over alle aspecten van deze vraagstelling en aanbevelingen kan formuleren die duurzaam en toekomstgericht zijn. Een duidelijk routeplan voor de toekomst verhindert immers dat we, zoals nu, crisis na crisis branden moeten blussen.

Dat neemt echter niet weg dat we er vandaag al alles aan doen om de problematiek van de detentieomstandigheden urgent op te lossen. We werken dus op de korte, middellange en lange termijn. In het globaal plan om de overbevolking structureel aan te pakken, dat op 18 juli door de ministerraad werd goedgekeurd, worden maatregelen voorzien op het vlak van penitentiaire capaciteitsuitbreiding, de bevordering van een snellere en vlottere terugkeer van veroordeelden zonder verblijfsrecht, waarbij ook wordt ingezet op het gebruik van de beschikbare capaciteit in de gesloten centra, de wederafstemming van de werkprocessen en de verhoging van de escortecapaciteit, de versterking van de dienst bevoegd voor de tussenstaatse overbrenging en de creatie van bijkomende plaatsen voor geïnterneerden in zorginstellingen door de minister van Volksgezondheid.

Daarnaast werden door ons ook voorstellen geformuleerd met betrekking tot de wijze van uitvoering van de vrijheidsberovende straf. De grote toename van de detentiepopulatie is toe te schrijven aan de uitvoering van de straffen tot en met drie jaar. De noodwet die op 4 augustus in werking is getreden, heeft ontegensprekelijk een effect gehad. Er gingen overeenkomstig de noodwet meer dan 600 veroordeelden voor welbepaalde straffen in vervroegde invrijheidsstelling, met de nodige veiligheidsgaranties, omwille van de overbevolking. Meer dan 1.000 gedetineerden zijn overeenkomstig de voorwaarden in strafonderbreking gegaan. Aan meer dan 800 veroordeelden voor straffen tot drie jaar werd een elektronisch toezicht toegekend en aan 178 een VI.

Ondanks die noodmaatregelen stellen we vast dat dit effect tenietgedaan wordt door, zoals gezegd, de uitvoering van de straffen tot en met drie jaar, de stopzetting van de in de vorige legislatuur besliste onwettige noodmaatregelen, waaronder de VPV-regeling en de opschorting van de tenuitvoerlegging van bepaalde straffen tot 3 jaar.

De situatie in onze gevangenissen is onhoudbaar. Daarnaast is er een stock van ongeveer 3.200 gedetineerden die nog niet uitgenodigd zijn om naar de gevangenis te gaan.

Daarom was ik al meerdere weken geleden genoodzaakt de regering een bijkomend pakket van noodmaatregelen voor te stellen om het urgente probleem van de grondslapers zo snel als mogelijk aan te pakken. De gesprekken over bijkomende maatregelen zijn evenwel nog lopende. Dit is natuurlijk een complex dossier.

Om deze gesprekken alle kansen op slagen te geven, vooral in het belang van het penitentiair personeel, is het niet opportuun vandaag in veel details te treden over de concrete inhoud van het pakket. Ik kan alvast zeggen dat het een evenwichtig pakket aan maatregelen is, dat op verschillende fronten inzet, dus ook op bijkomende capaciteit voor gedetineerden, maar ook voor geïnterneerden, en op de terugkeer van mensen zonder wettig verblijf.

Marijke Dillen:

Dank u, mevrouw de minister. Dit is een probleem dat al jaren, al decennia, aansleept. Ook het probleem van de grondslapers blijft maar toenemen, wat natuurlijk leidt tot spanningen, tot stress en tot agressie, zowel tussen de gedetineerden als tussen gedetineerden en het personeel.

Mevrouw de minister, ik was zondag in de gevangenis van Antwerpen, in een andere hoedanigheid weliswaar. Ik heb daar met verschillende cipiers kunnen spreken. Er waren op dat ogenblik zeer veel grondslapers. Die mensen slapen dus op de grond, met veel te weinig dekens. Het is ijskoud in die cellen. Dat is een beschaafd land als het onze absoluut onwaardig. Daar moet dringen een antwoord op worden geboden, mevrouw de minister.

Er moet gewerkt worden aan maatregelen op korte, middellange en lange termijn om de capaciteitsuitbreiding te realiseren. Als er eens versterkt gewerkt zou worden aan het terugsturen van illegalen en van gedetineerden die niet over onze nationaliteit beschikken, komt er behoorlijk wat capaciteit vrij. Men moet daar kordater in zijn. Weigeren de landen van herkomst hun gedetineerden terug te nemen, dan moet ons land dat koppelen aan maatregelen op het vlak van bijvoorbeeld ontwikkelingssamenwerking. Pak die ontwikkelingssamenwerking gewoon af. Er moeten ook maatregelen komen op het vlak van handelsakkoorden. Het zijn maar twee voorbeelden.

Tot slot, mevrouw de minister, hebben we allemaal kunnen lezen dat in de ministerraad op dinsdag 23 december 2025 geen akkoord werd bereikt over de door u voorgestelde oplossingen. Ik wil niet aandringen en ik kan er begrip voor opbrengen dat u hier vandaag geen toelichting geeft over het totale pakket, zolang er geen definitieve beslissing is, om de rust te vrijwaren.

Wat mij echter mateloos stoort, mevrouw de minister, is het feit dat de directeur van het Gevangeniswezen al wekenlang een pleidooi houdt voor een aanzienlijke strafkorting. Dat is toch heel merkwaardig, aangezien die directeur-generaal die vandaag aan de alarmbel trekt, onder de vorige twee ministers van Justitie kabinetschef was, op wiens initiatief korte gevangenisstraffen effectief moesten worden uitgevoerd.

Ik denk, mevrouw de minister, dat u het aan de bevolking niet kan verkopen dat er opnieuw een strafkorting komt. Er wordt over gesproken om minstens een aantal criminelen een jaar vroeger vrij te laten. Welnu, mevrouw de minister, dat zorgt voor maatschappelijke beroering. Daar is absoluut geen maatschappelijk draagvlak voor. Dat beantwoordt niet aan een kordaat en geloofwaardig justitiebeleid. U zult met andere maatregelen moeten komen.

Stefaan Van Hecke:

Dank u wel, mevrouw de minister, voor uw antwoorden. Vanuit verschillende hoeken wordt inderdaad gevraagd om in te grijpen. Daarbij gaat het ook over de gouverneurs, die zich de afgelopen week in het debat hebben gemengd, over de commissies van toezicht en over de burgemeesters van de steden waar die gevangenissen zich bevinden. Zij zijn aangesproken en zullen misschien opnieuw maatregelen nemen, zoals ze dat in het verleden al hebben gedaan, wat ook tot hun wettelijke mogelijkheden behoort.

U pleit voor een diepgaand debat. Ik ben het daarmee eens. Dat debat voeren we permanent en we weten allemaal waar de problemen zitten. Iedereen is het erover eens dat er moet worden ingezet op de geïnterneerden. Er wordt ook veel gesproken over personen zonder verblijfsrecht. Er zijn echter nog een aantal andere problemen waar weinig aandacht voor is en die blijkbaar moeilijk liggen.

Wat doen we bijvoorbeeld met het grote aantal personen in voorlopige hechtenis? Moeten we ook daar niet proberen in te grijpen, hoe moeilijk dat ook is? We hebben het ook al eerder gehad over het feit dat veel gedetineerden meer dan 50 % van hun straf uitzitten. Sommigen vragen zich af of er wel een draagvlak zou zijn voor een maatregel waarbij mensen een jaar voor het einde van hun straf worden vrijgelaten. Veel mensen denken nog altijd dat iedereen automatisch na een derde van de straf vrijkomt, wat zou betekenen dat iemand die zes jaar kreeg, na twee jaar wordt vrijgelaten. Dat is niet zo. Toch denken veel mensen dat. Eén jaar vroeger vrijkomen betekent voor iemand met een straf van tien jaar dat die persoon negen jaar effectief in detentie blijft, terwijl die persoon in theorie ook al na een derde van de straf zou kunnen vrijkomen, op voorwaarde dat aan alle voorwaarden is voldaan. Het komt er dus op aan dergelijke maatregelen goed te kaderen en goed uit te leggen. We mogen geen enkele piste op voorhand uitsluiten.

Mevrouw de minister, het gaat inderdaad ook over korte straffen. Er was een heel breed draagvlak in het Parlement om ook die korte straffen uit te voeren of een vorm van uitvoering te geven. Dat niet doen is niet conform de rechtsstaat. Op een bepaald moment moet men misschien wel vaststellen dat er niet genoeg capaciteit is en dat er even moet worden getemporiseerd. Dat betekent niet dat men de straffen niet moet uitvoeren, want ik ben er principieel voorstander van dat een straf wordt uitgevoerd. Op een bepaald moment moet men echter even temporiseren.

Tevens moeten we verder inzetten op detentiehuizen. We weten allemaal hoe moeilijk het lokaal op het terrein is om daarin stappen vooruit te zetten. Dat ligt niet aan u en evenmin aan de vorige ministers. De budgetten waren er en de gedrevenheid was er. Iedereen weet dat dit goede oplossingen zijn, maar op het terrein blijkt dit geen evidente opdracht.

Mevrouw de minister, het is belangrijk dat de regering op korte termijn tot akkoorden kan komen. Er zijn niet alleen maatregelen op lange termijn nodig, maar zeker en vast ook op korte termijn, om de druk van de ketel te halen. We zullen dit van heel nabij blijven opvolgen.

De voorzitster : We komen aan de interpellaties nrs. 56000202I en 5600203I van mevrouw Dillen.

Marijke Dillen:

Mevrouw de voorzitster, ik was niet op de hoogte dat mijn interpellaties aan de agenda waren toegevoegd. Is het oké om ze uit te stellen tot volgende week? De voorzitster : Dat is genoteerd.

De branden in verschillende gevangenissen

Gesteld door

lijst: VB Marijke Dillen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 7 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Volgens Marijke Dillen roept een reeks dodelijke en opzettelijke celbranden (Antwerpen, Hasselt, Dendermonde, eind 2025) vragen op over veiligheid, oorzaken (psychische problemen, suïcidepogingen) en structurele tekorten (overbevolking, personeelstekort, infrastructuur), met de vraag of er sprake is van een stijgende trend. Minister Verlinden bevestigt dat opzettelijke brandstichting (Antwerpen, Dendermonde) en onderzochte incidenten (Hasselt) de veiligheid ondermijnen, prijst het professioneel crisisbeheer door personeel, maar erkent dat overbevolking (2.500 gedetineerden te veel) evacuaties bemoeilijkt en risico’s verergert. Ze wijst op preventieve maatregelen (risicomonitoring, brandweertraining, blusmiddelenaudit) en een nationale controle van noodplannen, maar ontkent geen verband met systeemdruk. Verlinden stelt dat suïcidepogingen altijd voorkwamen, maar de huidige overbevolking de weerbaarheid verzwakt—geen toeval, volgens haar, maar rechtstreeks gevolg van capaciteitstekorten. Dillen blijft kritisch op trends en opvolging.

Marijke Dillen:

Ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

​ De laatste week van 2025 hebben er in verschillende Vlaamse gevangenissen branden plaatsgevonden in de cellen van gedetineerden. Dit brengt niet alleen de veiligheid van het penitentiair personeel maar ook van de gedetineerden ernstig in gevaar. In de gevangenis van Antwerpen heeft een psychisch gestoorde gedetineerde de matras in zijn cel in brand gestoken met ernstige rookontwikkeling tot gevolg waardoor meer dan 100 gedetineerden dienden te worden geëvacueerd. Ook in de gevangenis van Dendermonde is er brand uitgebroken in een cel waarbij zowel een gedetineerde als een personeelslid gewond zijn geraakt. Erger nog was het in de gevangenis van Hasselt waarbij na een brand in zijn cel de betrokken gedetineerde is overleden en 2 personeelsleden uit voorzorg naar het ziekenhuis werden gebracht.

Kan de minister meer toelichting geven betreffende de concrete omstandigheden en de oorzaken van de verschillende branden? Gaat het telkens om opzettelijke brandstichting door een gedetineerde? Welke initiatieven werden er genomen om de veiligheid van het penitentiair personeel en de gedetineerden te waarborgen?

Ziet de minister een verband met de problematiek van de overbevolking, van het tekort aan penitentiair personeel of van de gebrekkige infrastructuur?

Gaat de minister initiatieven nemen om structurele en preventieve maatregelen uit te werken om herhaling van dergelijke gevaarlijke situaties te voorkomen?

Kan de minister cijfers geven van gelijkaardige incidenten in andere gevangenissen in dit land? Is er sprake van een stijgende trend?

Annelies Verlinden:

De incidenten waarnaar u verwijst, zijn uiteraard ernstig en ingrijpend. Ze raken rechtstreeks aan de veiligheid van het penitentiair personeel en ook aan die van de gedetineerden. Ik wil daarom duidelijk stellen dat elk dergelijk incident grondig wordt onderzocht en dat de bescherming van iedereen binnen onze gevangenissen de absolute prioriteit blijft.

Wat de concrete omstandigheden betreft, kan ik u het volgende meegeven. In Antwerpen ging het om een opzettelijke brandstichting door de gedetineerde zelf. Betrokkene gaf aan dat dit kaderde in een suïcidepoging. De man kampt met psychische problemen en verbleef om die reden ook alleen op een verblijfsruimte. Er waren geen voorgaande, gekende incidenten van brandstichting. Voor de gevangenis van Hasselt werd door het parket een onderzoek geopend naar de omstandigheden. De oorzaak van de brand wordt nog onderzocht, waardoor ik daarover geen definitieve conclusies kan trekken. In Nieuw Dendermonde bekeek ik vanochtend nog de cel waar de brand is uitgebroken. Die was het gevolg van een opzettelijke brandstichting. Het dossier bevindt zich momenteel bij de onderzoeksrechter. Ook hier kan ik, gelet op het lopende onderzoek, niet vooruitlopen op de conclusies.

Wat ik wel kan en wil benadrukken, is dat alle incidenten correct, professioneel en volgens de geldende procedures werden beheerd door het penitentiair personeel. De snelle en adequate reactie van de medewerkers heeft erger kunnen voorkomen en dat verdient erkenning. Zoals we vandaag nog hebben kunnen zien in Nieuw Dendermonde heeft dit duidelijk een zeer grote impact.

Los van de individuele oorzaken moeten we ook durven kijken naar de structurele context. Het is een realiteit dat overbevolking het beheer van noodsituaties aanzienlijk bemoeilijkt. Evacuaties nemen meer tijd in beslag wanneer cellen en afdelingen overvol zijn. Ook de veilige verzamelplaatsen zoals voorzien in de nood- en interventieplannen zijn niet ontworpen voor extreme overbezetting. Net daarom werd in december voorbereidend werk opgestart voor een nationale controle van die plannen. Het risico bestaat immers dat noodplannen hun realistische uitvoerbaarheid verliezen wanneer de afwijkingen door de overbevolking te groot worden.

Verder lopen er verschillende initiatieven op preventief en structureel niveau om gevaarlijke situaties te voorkomen en goed te blijven beheersen. De recent opgerichte cel Risk binnen de directie Integrale Veiligheid volgt gedetineerden op die een risico vormen op brandstichting en monitort daarnaast alle gekende risicoprofielen met het oog op het voorkomen van agressie, ontvluchtingen en andere collectieve risico’s. Verder worden op preventief niveau meer beschermingsmiddelen voorzien voor de interne brandweerteams binnen de penitentiaire inrichtingen. Een hernieuwde cursus brandinterventie wordt uitgewerkt door de academie. Daarnaast is er momenteel een audit gaande naar de conformiteit en inzetbaarheid van de draagbare blusapparatuur binnen de penitentiaire inrichtingen. Naar inschatting kan die audit half 2026 worden afgerond.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord. Wij zullen Hasselt en Dendermonde blijven opvolgen.

Ik heb echter nog een vraag. Zijn die drie incidenten op een dergelijke korte periode toeval of is er effectief een stijgende trend in de gevangenissen merkbaar?

Annelies Verlinden:

Wij kunnen niet stellen dat het om toeval gaat als de druk op de gevangenissen zo extreem hoog is. Er is meer bevolking. Er zitten 2.500 gedetineerden te veel in onze gevangenissen. De weerbaarheid neemt dan ook af en de kwetsbaarheid neemt toe. Dat is de reden. Suïcidepogingen in de gevangenissen zijn echter van alle tijden.

De vasthoudingen door de justitie in het kader van de binnenkomstcontroles

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 7 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Alexander Van Hoecke vraagt om concrete cijfers en redenen over personen vastgehouden door Justitie na binnenkomstcontroles, gebaseerd op een eerdere vage mededeling van minister Van Bossuyt (108 personen, waarvan 23 vastgezet voor verwijdering). Minister Verlinden wijst de vraag af als "te vaag", omdat vasthoudingsredenen (verdachte, getuige, slachtoffer, veroordeling) te divers zijn voor een algemene rapportage. Van Hoecke bekritiseert dit als een cirkelredenering: het antwoord is vaag omdat de oorspronkelijke gegevens van Van Bossuyt onvolledig waren, en kondigt een herziene schriftelijke vraag aan. Geen feiten of cijfers werden verstrekt.

Alexander Van Hoecke:

Ik verwijs naar de tekst van mijn vraag zoals ingediend.

Minister van Asiel en Migratie Anneleen Van Bossuyt stelde dat sinds de start van de zogenaamde binnenkomstcontroles tot en met 10 december 2025 een aantal beslissingen werden genomen door de Dienst Vreemdelingenzaken met betrekking tot 108 personen.

52 personen kregen het bevel om het grondgebied te verlaten, bij 9 personen werd het bevel herbevestigd, 23 personen werden vastgehouden met het oog op verwijdering, voor 18 personen werd door de Dienst Vreemdelingenzaken geen maatregel genomen omdat er een recht op verblijf of lopende procedure was en 3 personen waren minderjarig.

Volgens de minister werd voor de overige personen geen beslissing genomen “of ze werden vastgehouden door Justitie".

Hoeveel personen werden sinds de start van de binnenkomstcontroles vastgehouden door Justitie?

Welke redenen gaven aanleiding tot die beslissing?

Kan u meer informatie verschaffen met betrekking tot de nationaliteit van de betrokken personen?

Hoeveel van de vastgehouden personen zijn ondertussen opnieuw in vrijheid gesteld en wat waren de redenen voor deze invrijheidstelling?

Op welke manier worden deze personen indien ze in vrijheid worden gesteld verder opgevolgd?

Annelies Verlinden:

Mijnheer Van Hoecke, uw vraagstelling heeft een groot abstract karakter en is daardoor nogal vaag. Er zijn immers tal van redenen waarom een persoon wordt gesignaleerd en mogelijk wordt vastgehouden bij binnenkomst op het nationaal grondgebied. Dat kan bijvoorbeeld omdat die persoon moet worden ondervraagd als verdachte, of omdat die persoon getuige of slachtoffer is, of omdat die persoon is veroordeeld. Zonder verdere specificatie is het voor onze diensten niet mogelijk om die cijfers te verstrekken.

Alexander Van Hoecke:

Mevrouw de minister, als de vraagstelling vaag is, dan is het antwoord van de minister van Asiel en Migratie vaag, want ik heb enkel het antwoord van de minister van Asiel en Migratie op een vraag van mijn collega als aanleiding gebruikt. De minister verwijst naar een aantal personen die na die binnenkomstcontroles worden vastgehouden door Justitie. Ik wilde daarom vernemen wat dat betekent en of u die vaagheid ongedaan kunt maken. Blijkbaar kunt u dat niet concretiseren. Daarom zal ik de vraag opnieuw indienen als schriftelijke vraag, waarbij ik naga of ik ze nog kan specificeren. Ik herhaal echter dat mijn vraagstelling vaag is omdat het antwoord van de minister van Asiel en Migratie vaag is.

Het aanhoudende geweld tegen het spoorpersoneel

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 7 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Alexander Van Hoecke bekritiseert het structurele geweld tegen NMBS-personeel (gemiddeld 6 incidenten per dag, verbaal/fysiek) en vraagt om nultolerantie, snelrecht en concrete maatregelen na een zware aanval op een conducteur (hersenschudding, werkonbekwaam). Minister Annelies Verlinden (Justitie) benadrukt dat geweld tegen maatschappelijke functies "onaanvaardbaar" is, belooft geen seponering meer door het OM en zwaardere straffen, en werkt aan betere bewijslast en technologische oplossingen, maar verwijst voor operationele maatregelen door naar collega-ministers (Veiligheid/Mobiliteit). Van Hoecke betwijfelt de effectiviteit van eerdere beloftes en eist systematische vervolging om zowel personeel te beschermen als daders af te schrikken, met de stelling dat "elke zaak moet worden uitgevoerd" om het signaal kracht bij te zetten.

Alexander Van Hoecke:

Op woensdag 3 december werd een conducteur het slachtoffer van ernstige fysieke agressie. Het voorval deed zich voor op een trein tussen Sint-Niklaas en Lokeren. Een treinreiziger die geen geldig vervoersbewijs had, sloeg de conducteur en bezorgde hem een hersenschudding. De man liep ook ernstige letsels op aan hoofd en keel. Door de mentale impact is de conducteur bovendien werkonbekwaam. Mevrouw de minister, u weet dat het helaas niet de eerste keer is dat een dergelijk afschuwelijk incident zich voordoet. De NMBS wijst er zelf op dat haar personeel voortdurend het slachtoffer wordt van geweld. Gelukkig slaagde men erin, nadat de politie was verwittigd, de dader meteen te vatten. De NMBS bevestigt, zoals daarnet gezegd, dat het om het zoveelste geval van fysieke agressie tegen een medewerker gaat. De woordvoerder van de NMBS stelt dat gemiddeld zes keer per dag een treinbegeleider wordt belaagd, zowel verbaal als fysiek. Ze pleit voor een zichtbare aanwezigheid van de politie en van de eigen veiligheidsmensen van Securail, evenals voor een strengere aanpak door Justitie.

Ik heb daarover de volgende vragen.

Ten eerste, welke maatregelen zult u als minister van Justitie nemen om het dagelijkse geweld tegen treinbegeleiders aan te pakken?

Ten tweede, wanneer kunnen de eerste resultaten worden verwacht en wat is uw plan van aanpak?

Ten derde, hoeveel mensen en middelen zullen daarvoor worden voorzien?

Ten vierde, is het niet dringend tijd om een echte nultolerantie te hanteren tegenover die vormen van criminaliteit en ervoor te zorgen dat de daders via snelrecht worden berecht? Graag uw visie daarover en een toelichting bij wat u zult ondernemen om dat ook effectief te realiseren.

Annelies Verlinden:

Collega, voor uw eerste drie vragen verwijs ik u door naar mijn collega van Veiligheid en Binnenlandse Zaken en naar mijn collega van Mobiliteit.

Met betrekking tot uw laatste vraag, ik herhaal met stelligheid – zoals ik daarstraks ook al zei – dat geweld en bedreigingen tegen personen met een maatschappelijke functie, onder wie het treinpersoneel, totaal onaanvaardbaar zijn. In de kadernota met betrekking tot integrale veiligheid, die momenteel wordt uitgewerkt, vormt de bescherming van personen met een maatschappelijke functie een duidelijke prioriteit. Justitie voorziet al in zwaardere straffen voor geweld tegen NMBS-personeel. Het OM treedt daarbij maximaal op, zeker wanneer er sprake is van letsels, en zorgt ervoor dat dergelijke feiten niet langer om opportuniteitsredenen worden geseponeerd. Mensen met een maatschappelijke functie moeten hun werk steeds veilig kunnen uitvoeren, met de volle steun van de overheid.

Ik werk in de regering samen met mijn collega’s om nog doeltreffender en kordater op te treden. Dat doen we door de capaciteit van bevoegd spoorwegpersoneel te versterken, zodat de pakkans stijgt, en door middelen efficiënter in te zetten om de bewijslast te verbeteren. Daarnaast onderzoeken we hoe innovatieve technologieën kunnen bijdragen aan een hogere veiligheid voor het personeel.

Alexander Van Hoecke:

Mevrouw de minister, ik woon zelf in Lokeren en naar aanleiding van dat voorval had ik een gesprek met een conducteur, die bevestigde wat ook door de NMBS wordt aangegeven. Zij wachten eigenlijk elk dag op een nieuw voorval, hetzij bij collega’s, hetzij bij henzelf. Meestal gaat het dan om verbale agressie, trouwens om heel zware verbale agressie. Regelmatig is er echter ook sprake van fysieke agressie. Het voorval van 3 december is slechts het zoveelste voorbeeld. Ik onthoud uit uw antwoord dat het openbaar ministerie niet langer om opportuniteitsredenen zal seponeren en dat al die gevallen daadwerkelijk zullen worden vervolgd. We zullen dat zeker blijven opvolgen, want daar knelt het schoentje. Het is enorm belangrijk dat justitie heel duidelijk het signaal geeft dat geweld tegen conducteurs en tegen spoorwegpersoneel niet door de beugel kan, hoe klein of onbenullig dat voor sommige daders ook mag lijken. Het kan absoluut niet door de beugel. Er moet elke keer worden overgegaan tot vervolging, want dat is de enige manier om ten eerste een duidelijk signaal te geven aan het spoorpersoneel dat zij ondersteuning krijgen en dat justitie achter hen staat en ten tweede een heel duidelijk signaal aan de daders te geven dat we ons hierbij nooit zullen neerleggen, dat we keer op keer zullen vervolgen en dat zij hun straf nooit zullen ontlopen.

De nieuwe lijst van veilige landen

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 7 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Francesca Van Belleghem bekritiseert dat België, ondanks eerdere toezeggingen om de lijst van veilige landen uit te breiden, slechts Marokko toevoegde (volgens de EU-lijst) maar Bangladesh, Colombia, Egypte en Tunesië wegliet, en India en Moldavië schrapte – waardoor de lijst korter werd in plaats van uitgebreid. Anneleen Van Bossuyt verklaart dat Bangladesh, Colombia en Egypte niet werden opgenomen wegens te lage asielinstroom (geen CGVS-advies), en dat India en Moldavië werden geschrapt omdat het Hof van Justitie eist dat heel een land veilig moet zijn – wat niet geldt voor Kasjmir (India) en Transnistrië (Moldavië); vanaf juni kan het Migratiepact gedeeltelijke veiligheid toelaten. Tunesië wacht op EU-beslissing, Marokko werd wel toegevoegd om asielprocedures te versnellen.

Francesca Van Belleghem:

Meer dan twee maanden geleden heb ik u al ondervraagd over de lijst van veilige landen die jaarlijks bij koninklijk besluit wordt vastgesteld. Ik wees er toen ook op dat de meeste landen die op de lijst van veilige landen van de Europese Commissie staan, die de Europese Commissie eerder dit jaar voorstelde, niet op onze eigen lijst van veilige landen staan. Het gaat om Bangladesh, Colombia, Egypte, Marokko – waarover ik straks nog iets te zeggen heb – en Tunesië. Uw antwoord was toen dat we zouden bekijken of de huidige lijst kon worden uitgebreid.

Het woord ‘uitbreiden’ is hier belangrijk, omdat u bij die gelegenheid ook stelde dat u het voorstel van de Europese Commissie als leidraad zou gebruiken voor de uitwerking op nationaal niveau. Intussen is die nieuwe lijst van veilige landen er. Er zijn daarbij een aantal opvallende zaken. Er is slechts één niet-Europees land dat op de Europese lijst staat, en dat is Marokko. U hebt Marokko aan onze eigen lijst van veilige landen toegevoegd, maar andere niet-Europese landen die op de Europese lijst staan, zoals Bangladesh, Colombia, Egypte en Tunesië, ontbreken op onze nationale lijst. Bovendien hebt u India geschrapt. Het eindresultaat, en dat is heel belangrijk, is dat de lijst van veilige landen niet uitgebreid is, zoals u toen beweerde, maar zelfs korter is dan voordien. Er staan nu maar zeven landen op in plaats van acht.

Waarom hebt u Bangladesh, Colombia, Egypte, India en Tunesië niet meer in die lijst opgenomen? Waarom werd India geschrapt? Dezelfde vraag geldt voor Moldavië, dat vorig jaar nog op de lijst van veilige landen stond en nu niet meer. U bent daar onlangs op ontradingsmissie geweest. Moldavië is kandidaat-lidstaat van de Europese Unie. Het lijkt mij nochtans een voorwaarde om lid te worden van de Europese Unie dat een land als veilig wordt beschouwd.

Anneleen Van Bossuyt:

Mevrouw Van Belleghem, voor de landen Bangladesh, Colombia en Egypte werd geen advies gegeven door het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen wegens de zeer beperkte instroom vanuit die landen in België. Alleen landen waarvoor het advies van het CGVS wordt ingewonnen, kunnen worden opgenomen op de lijst. Dat is de reden waarom die drie landen niet op de lijst stonden.

In tegenstelling tot vorige jaren staan India en Moldavië inderdaad niet op de lijst van veilige landen. Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat een land volledig veilig moet zijn en dat dit moet gelden voor alle regio’s van dat land. Hoewel de situatie in Moldavië en India in het algemeen als veilig kan worden beschouwd, zijn er in beide landen regio’s waarvoor de omstandigheden nog niet als veilig kunnen worden beschouwd. Voor Moldavië gaat het om Transnistrië en voor India om Kasjmir. Daarom kunnen die landen volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie niet in hun geheel als veilig worden beschouwd.

Het is wel zo dat in het Migratiepact, dat in juni in werking zal treden, tegemoetgekomen wordt aan de gevolgen van die rechtspraak. Vanaf de inwerkingtreding van het pact kunnen landen wel als gedeeltelijk veilig worden verklaard, met uitsluiting van bepaalde regio’s. Vanaf dan is dat dus mogelijk.

Voor Tunesië werd beslist om de uitkomst van de lijst van veilige landen op Europees niveau af te wachten. Tegelijkertijd werd beslist om Marokko al als veilig land te kwalificeren. Het is de eerste keer dat Marokko als veilig land wordt beschouwd. Daarmee beogen we de asielaanvragen uit Marokko sneller en efficiënter te behandelen.

Francesca Van Belleghem:

Ik dank u voor uw antwoord.

De onthouding van België in de JBZ-Raad over het concept 'veilige landen'

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 7 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Volgens Sandro Di Nunzio (oppositie) verzwakt België zijn onderhandelingspositie in de EU door zich te onthouden bij het mandaat voor veilige herkomstlanden en het veilig derde land-concept, wat hij wijt aan gebrek aan eensgezindheid binnen de regering—ondanks beloftes over een streng migratiebeleid. Minister Van Bossuyt bevestigt de onthouding (door coalitiedwang) maar benadrukt dat de EU-lijst toch wordt aangenomen en toegepast, en dat België wel instemt met het akkoord over veilig derde land; ze wijst op stijgende verwijderingscijfers (+25%) als bewijs van krachtdadig beleid. Di Nunzio bekritiseert dat de "gedroomde coalitie" (met spiegelmeerderheden) toch geen eenheid toont, en betreurt dat er bij het mandaat geen onderhandelruimte meer was over de landenlijst—wat de minister bevestigt. Van Bossuyt’s defensieve toon (eensgezindheid wel bereikt bij nationale terugkeermaatregelen) contrasteert met Di Nunzio’s aanklacht over gebroken regeerakkoord-beloftes.

Sandro Di Nunzio:

Tijdens de Raad van Justitie en Binnenlandse Zaken in december hebben de lidstaten een onderhandelingsmandaat vastgelegd voor nieuwe maatregelen rond de terugkeer en over twee dossiers die de toepassing van veiligelandenconcepten in het asielbeleid moeten versterken. Het gaat enerzijds om de hervorming van het concept van veilig derde land en anderzijds om de gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst.

Een sterker terugkeerbeleid is een van de prioriteiten van uw beleid en van deze regering. Er is ook sterk mee uitgepakt dat dit in deze regering grondig aangepakt zou worden. Toch verneem ik in de wandelgangen dat België zich bij de stemming over deze dossiers in de Raad onthouden zou hebben. Dat kan naar mijn oordeel de Belgische onderhandelingspositie in Europa op dat punt verzwakken.

Mijn vragen aan u zijn dan ook de volgende. Kunt u bevestigen of België zich in de Raad onthouden heeft? Zo ja, waarom is dat gebeurd? Klopt het dat die onthouding het gevolg was van een gebrek aan eensgezindheid binnen de federale regering? Hoe rijmt u, als dat het geval is, die onthouding met uw beleidsplannen inzake terugkeer? Wat is vandaag het Belgische onderhandelingsmandaat voor de verdere Europese onderhandelingen? Hoe zult u vermijden dat België door interne verdeeldheid opnieuw zonder duidelijk standpunt en dus met minder invloed aan de Europese tafel verschijnt?

Anneleen Van Bossuyt:

Mijnheer Di Nunzio, het klopt dat ons land zich heeft onthouden bij het voorstel van onderhandelingsmandaat inzake de Europese lijst van veilige landen van herkomst. Dat mandaat vormde de basis voor verdere triloogonderhandelingen. Het ging dus nog maar om het onderhandelingsmandaat, dat de basis vormde voor de verdere triloogonderhandelingen met het Europees Parlement.

Die triloogonderhandelingen zijn intussen afgerond, namelijk op 18 december, waardoor het voorstel binnenkort formeel binnen de Raad en het Europees Parlement zal worden aangenomen. U weet dat er voor de bepaling van Europese standpunten eensgezindheid moet bestaan tussen alle coalitiepartners. Zelfs indien ik als bevoegde minister volledig achter een voorstel sta, moeten we ons onthouden als niet alle coalitiepartners het daarmee eens zijn.

De reden voor de onthouding had te maken met het feit dat niet alle coalitiepartners het eens waren over de aanwezigheid van alle landen op die lijst. De onthouding doet allesbehalve afbreuk aan mijn ambitie en die van de hele regering om een kordaat asiel- en migratiebeleid te voeren. Wat de Europese dossiers betreft, wil ik er alleszins op wijzen dat de lijst van veilige landen van herkomst, ondanks onze onthouding, zoals ik daarnet zei, aangenomen werd en binnenkort van toepassing zal zijn. Dat betekent ook dat we de Europese lijst van veilige landen van herkomst integraal zullen toepassen.

Daarnaast werd intussen ook over een ander Europees voorstel, namelijk de uitbreiding van het concept van veilig derde land, na triloogonderhandelingen op 18 december een akkoord bereikt tussen de Raad en het Europees Parlement. Dat voorstel zal binnenkort eveneens formeel worden aangenomen. België zal daarbij voorstemmen.

Op nationaal vlak zal ik de komende tijd ook met enkele belangrijke wetsontwerpen rond terugkeer naar de Kamer komen, waaronder het wetsontwerp over de woonstbetreding en het levenslang inreisverbod. Het gaat om krachtdadige beleidswijzigingen waarover er eensgezindheid bestaat binnen de regering.

Onze ambitie blijft dus ongewijzigd en dat vertaalt zich al in dalende instroomcijfers en ook in een stevige verhoging van het aantal verwijderingen van criminelen naar het land van herkomst, een stijging van 25 % ondertussen trouwens. Dat is een stevige trendbreuk met de vorige regering, waarin volgens mij uw partij zat, die misschien zelfs de eerste minister leverde.

Sandro Di Nunzio:

Dank voor uw antwoorden, mevrouw de minister Wat mij natuurlijk opvalt bij die onthouding, is dat dit voor een deel vergelijkbaar is met Mercosur. Ik hoor u graag zeggen dat u daar een andere visie over hebt, maar ik herinner mij dat bij de voorstelling van het regeerakkoord migratie effectief een belangrijk thema was en dat het strengste migratiebeleid zou worden gevoerd. Ik vind het dan ook jammer te moeten vaststellen dat de eensgezindheid daarvoor ontbreekt. Ik heb het, toen het over Mercosur ging, ook met de eerste minister daarover gehad. Er is nu toch die gedroomde coalitie, met spiegelcoalities in Wallonië en in Vlaanderen. Dan zou men toch verwachten dat er zowel binnen de regering als in de verschillende deelstaten een zekere eensgezindheid gevonden kan worden en dat u met uw partij, die toch de grootste Vlaamse partij is, dat ook kunt bewerkstelligen. U zei het zelf, het gaat om een onderhandelingsmandaat. U sprak over de landen die erop stonden. Dan vraag ik mij af of er nog ruimte was voor onderhandelingen over de landen die al dan niet op die lijst zouden terechtkomen, of is dat niet het geval? Ik zie u knikken van nee. Ik kan het alleen maar betreuren dat er binnen een regering die voor zo’n streng migratiebeleid staat geen eensgezindheid bestaat om daar volmondig mee akkoord te gaan. Wij vinden dat jammer. Dank u wel.

De sluiting van opvangplaatsen bij Defensie en de impact op Fedasil
De sluiting van opvangplaatsen bij Defensie en de impact op Fedasil
Opvangplaatsensluitingen bij Defensie en gevolgen voor Fedasil

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 7 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Achraf El Yakhloufi bekritiseert het voornemen om 4.000 Defensie-opvangplaatsen (waaronder Ieper eind 2024) te sluiten, omdat dit volgens hem Fedasil kwetsbaar maakt voor toekomstige asielcrises door het wegvallen van buffercapaciteit, ondanks de huidige dalende instroom. Minister Van Bossuyt bevestigt dat al 870 plaatsen (Jabbeke/Berlaar) gesloten zijn en dat Defensie en Fedasil overleggen over gefaseerde afbouw, maar geen definitieve beslissing is genomen over de resterende 3.130 plaatsen; ze stelt dat de huidige situatie "doenbaar" is door hogere uitstroom. Maaike De Vreese (N-VA) ondersteunt de sluitingen als logisch gevolg van Defensie’s hernieuwde militaire prioriteiten en vraagt transparantie over het kwartierplan, terwijl beide parlementsleden waarschuwen voor geopolitieke risico’s in 2026 en eisen dat lokaal bestuur en opvangnetwerk niet voor verrassingen komen te staan.

Achraf El Yakhloufi:

Mevrouw de minister, iedereen begrijpt dat noodmaatregelen niet eeuwig kunnen blijven bestaan, maar iedereen begrijpt ook iets anders, iets heel intuïtief, namelijk dat men geen dak afbreekt zolang het regent. De aankondiging dat alle opvangplaatsen binnen Defensie zouden worden gesloten, roept bij mij dan ook heel veel vragen op, niet omdat Defensie geen andere kerntaken heeft, maar omdat deze beslissing directe gevolgen heeft voor Fedasil, voor het opvangnetwerk en voor de mensen die vandaag al op de wachtlijst staan en op wie een verandering een enorme impact heeft.

Vanochtend las ik dat de beslissing is genomen om Ieper eind dit jaar te sluiten. U weet dat asiel geen rechte lijn is. De instroom schommelt, ook al voeren we een duidelijk beleid, dat stilaan – u weet dat ik constructief kritisch ben – effect heeft. Eén geopolitieke crisis, één wijziging in de buurlanden en die druk kan echter opnieuw snel toenemen. Net daarom zijn bufferplaatsen geen luxe, maar wel een kwestie van gezond verstand. Ze zorgen ervoor dat we niet bij elke schommeling opnieuw in een crisis belanden. Wie capaciteit afbouwt, moet er zeker van zijn dat hij die morgen niet opnieuw nodig heeft.

Daarom wil ik graag duidelijkheid van u, niet alleen over hoeveel plaatsen er sluiten, maar vooral over hoe u vermijdt dat Fedasil opnieuw voor voldongen feiten komt te staan en we binnen enkele maanden opnieuw noodgrepen moeten toepassen.

Voor het overige verwijs ik naar de schriftelijke voorbereiding van mijn vraag.

Mevrouw de minister,

Recent werd aangekondigd dat de minister van Defensie alle opvangplaatsen binnen Defensie wil sluiten. Deze beslissing heeft directe gevolgen voor Fedasil en het bredere opvangnetwerk.

Kan u verduidelijken hoeveel opvangplaatsen binnen Defensie momenteel nog operationeel zijn en binnen welke termijn deze zullen worden gesloten?

In welke mate werd Fedasil betrokken bij deze beslissing en welke beleidsruimte heeft Fedasil nog om de gevolgen van deze afbouw op te vangen?

Welke alternatieven worden voorzien om het wegvallen van deze opvangplaatsen te compenseren, en hoe wordt vermeden dat Fedasil voor voldongen feiten komt te staan?

Ik dank u voor uw antwoord.

Maaike De Vreese:

Mevrouw de minister, we staan voor zeer grote geopolitieke uitdagingen. Defensie moet in het licht van deze uitdagingen de militaire kwartieren kunnen gebruiken voor datgene waarvoor ze bedoeld zijn. Die kazernes waren bedoeld als een noodoplossing. De N-VA heeft steeds gepleit voor een daling van de instroom. Dat moet ervoor zorgen dat we defensie opnieuw kunnen opbouwen en weerbaar maken. Als minister staat u dus voor grote uitdagingen. Er wordt inderdaad een daling van de instroom waargenomen, maar die daling is nog niet van die aard dat u geen enkele opvangplaats meer nodig hebt.

In de voorbije jaren werden al defensiesites ingezet als tijdelijke oplossing. De site in Berlaar sloot. De site Ieper zal eind dit jaar sluiten. De site Westakkers in Sint-Niklaas zal eind 2028 sluiten. Deze twee steden hebben heel wat gedaan op het vlak van asielopvang met twee grote opvangcentra op hun domein. Het is niet meer dan normaal dat die tijdelijke noodoplossingen daar worden stopgezet. Minister Franken, die volop bezig is met zijn ruimer kwartierplan, bevestigde dit vanochtend.

Welke impact heeft dat op uw departement? Hoeveel opvangplaatsen zijn er op die defensiesites en hoeveel daarvan zullen er sluiten? Op welke manier wordt dat afgestemd met minister Franken, zodat er geen problemen ontstaan rond de opvangcapaciteit?

Anneleen Van Bossuyt:

Mijnheer El Yakhloufi, mevrouw De Vreese, momenteel heeft Fedasil ongeveer 4.000 plaatsen op sites van Defensie. In het najaar van 2025 heeft Fedasil al 270 plaatsen in Jabbeke en 600 plaatsen in Berlaar gesloten, omdat de uitstroom de voorbije maanden hoger lag dan de instroom. De heringebruikname van de sites door Defensie kadert in hun algemeen kwartierplan. Dit plan zal spoedig worden voorgelegd aan de ministerraad. Er is nog geen sprake van een formele beslissing hieromtrent.

De operationele diensten van Fedasil en van Defensie staan periodiek met elkaar in contact over de door Fedasil gebruikte infrastructuur. Er vond ook overleg plaats tussen mijn beleidscel en die van de minister van Defensie om de toekomst van de asielcentra op hun domeinen te bespreken. Dit overleg blijft plaatsvinden om op eventuele sluitingen te anticiperen en die te organiseren, zodat het regeerakkoord voor beide beleidsdomeinen kan worden uitgevoerd.

Achraf El Yakhloufi:

Zei u nu dat het beheersbaar is en dat u naar alternatieven kijkt?

Anneleen Van Bossuyt:

Ik heb gezegd dat er momenteel 4.000 plaatsen zijn op de sites van Defensie. Daarvan zijn er sinds vorig jaar al 270 in gebruik. Er zijn er nu ook 600 weg in Berlaar. Dat is dus een flink aantal.

Dankzij ons beleid is de uitstroom uit de opvang momenteel hoger dan de instroom. Momenteel is het dus doenbaar. Defensie en mijn diensten staan echter continu in contact om te bekijken hoe we in de toekomst, op basis van hun kwartierplan, kunnen anticiperen en organiseren als er bijkomende plaatsen zouden verdwijnen.

Achraf El Yakhloufi:

Er is over de rest nog geen beslissing genomen? Over al die andere van de 4.000 plaatsen? Oké.

Mevrouw de minister, ik wil u bedanken voor uw antwoord. Ik denk dat het heel belangrijk is dat we dat goed blijven volgen, ook binnen het kwartierplan dat hier wordt aangekaart.

Nogmaals, we hebben in het verleden al meegemaakt dat we dachten dat het in orde was en dat we konden afbouwen. Dat is natuurlijk wat we allemaal willen. Veel kranten en voorspellers – ik wil niet beweren dat dat allemaal waarheid is, maar toch – geven echter aan dat 2026 een zeer druk geopolitiek jaar zal worden, waarin veel zal gebeuren.

Ikzelf ben niet snel bang, voor alle duidelijkheid, maar er is veel aan de hand. De Verenigde Staten kondigen ook aan dat ze nog meer zullen doen. Ik wil gewoon het nuchtere, Vlaamse boerenverstand hier even gebruiken. Ik wil u en de minister van Defensie dan ook vragen om zeker waakzaam te zijn en naar de toekomst te kijken.

Maaike De Vreese:

Ik zal nog wat West-Vlaams boerenverstand toevoegen.

Ik denk dat heel wat mensen terecht zeer benieuwd zijn naar hoe dat kwartierplan eruit zal zien. Onze diensten, de DVZ, Fedasil, maar ook natuurlijk Defensie en onze militairen moeten dringend weten hoe dat kwartierplan eruitziet, waar zij infrastructuur moeten voorzien en dergelijke meer.

Ook alle inwoners van onze steden en gemeenten en onze lokale besturen hebben het recht te weten waar ze aan toe zijn. We weten immers dat zij al heel lang zeggen dat de opvang voor hen heel zwaar is. Zij zien ook graag een militaire kazerne terugkomen. Er zijn eveneens heel wat steden en gemeenten die andere plannen hebben met de sites van Defensie die eventueel vrijkomen. We zullen dit dus zeker blijvend opvolgen.

Voorzitter:

Ik geef even mee aan de collega’s dat we werken tot 17.00 uur. We zijn gekomen aan een reeks vragen van de heer El Yakhloufi. Hij zou ze aan een recordtempo moeten stellen opdat we ook de vragen van mevrouw van Belleghem en die van mevrouw Schlitz nog kunnen behandelen.

De veiligheid van kinderen en het welzijn van het personeel in de opvangcentra

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 7 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Achraf El Yakhloufi waarschuwt op basis van het Odisee-onderzoek (Fournier) dat structurele overbezetting, gebrek aan privacy, personeelstekort en onveilige infrastructuur in opvangcentra leiden tot geweld, trauma’s bij kinderen en burn-outs bij medewerkers—terwijl plannen voor afbouw en besparingen (Fedasil/LOI’s) de crisis verergeren. Hij eist concrete maatregelen om veiligheid te garanderen en bekritiseert dat kinderen nu "nevenschade" zijn van een falend systeem. Minister Van Bossuyt erkent de problemen (o.a. lange verblijfsduren, druk door crisisopvang) maar ontkent structureel falen: ze wijst op bestaande protocollen, prioritaire opvang voor kinderen, een komend actieplan en investeringen in personeel/psychologische ondersteuning, zonder kwaliteitsnormen aan te tasten. Besparingen zijn volgens haar instroombeheer, niet kwaliteitsverlaging. El Yakhloufi blijft kritisch: protocollen volstaan niet als de terreinrealiteit (o.a. gebrek aan privacy/personeel) onveiligheid in stand houdt, en dringt aan op politieke durf—kinderen mogen geen slachtoffer worden van bezuinigingen, ook niet tijdens transitie.

Achraf El Yakhloufi:

Laten we beginnen bij iets waar iedereen het over eens is, kinderen horen veilig te zijn. Zo simpel is dat. Als de overheid kinderen niet kan beschermen in de opvang, faalt het systeem op het meest basale niveau. Het onderzoek van professor Katja Fournier van de Odisee Hogeschool, gebaseerd op vijf jaar terreinwerk in Belgische opvangcentra en gesprekken met honderden gezinnen, kinderen en medewerkers, leidt tot een bijzonder verontrustende conclusie. Die conclusie is hard om te lezen, niet omdat ze verrassend is, maar omdat ze bevestigt wat veel mensen al lang signaleren: overbezetting, te weinig privacy, gedeelde sanitaire voorzieningen die niet eens degelijk kunnen worden afgesloten, te weinig begeleiding en te weinig mensen op de vloer. Dat leidt onvermijdelijk tot spanningen, geweld en grensoverschrijdend gedrag. Niet omdat mensen slecht zijn, maar omdat kwetsbare groepen veel te lang in een context worden geplaatst die hen kwetsbaar maakt. Ik keur dat gedrag niet goed, integendeel.

Wij moeten ervoor zorgen dat zulke situaties kunnen worden vermeden. Tegelijk horen we spreken over plannen over afbouw en besparingen. We mogen discussiëren over aantallen, maar besparingen kunnen zeker niet ten koste gaan van veiligheid en menselijkheid. Dat zijn geen besparingsposten.

Mijn kernvraag is dan ook eenvoudig. Wat verandert u concreet, zodat kinderen niet langer mee moeten draaien in een systeem dat hen niet beschermt en zodat personeel niet opbrandt in een onmogelijke job?

Voor de verdere toelichting verwijs ik naar mijn schriftelijke voorbereiding.

Recent verscheen een uitgebreid onderzoek van professor Katja Fournier (Odisee Hogeschool), gebaseerd op vijf jaar terreinwerk in Belgische opvangcentra en gesprekken met honderden gezinnen, kinderen en medewerkers. De conclusies zijn bijzonder verontrustend.

Het onderzoek stelt vast dat de veiligheid van kinderen in opvangcentra vandaag niet kan worden gegarandeerd, noch op emotioneel, noch op fysiek of seksueel vlak. Er wordt melding gemaakt van intrafamiliaal geweld, vechtpartijen, pestgedrag en seksueel grensoverschrijdend gedrag. Een derde van de bewoners in opvangcentra zijn kinderen, waarvan twee derde jonger dan twaalf jaar, en zij verblijven gemiddeld achttien maanden in deze context. Dat is een zeer lange periode in een kinderleven.

Daarnaast wijst het onderzoek op structurele problemen zoals gebrek aan privacy, overbezetting, gedeeld sanitair dat niet veilig kan worden afgesloten, onvoldoende psychologische begeleiding en een schrijnend tekort aan personeel. Die omstandigheden leiden niet alleen tot verergering van trauma’s bij bewoners, maar ook tot secundaire traumatisering en burn-outs bij medewerkers. Medewerkers getuigen over situaties waarin zij ernstige incidenten probeerden te voorkomen, maar zelf onvoldoende ondersteuning kregen.

Tegen deze achtergrond maakt het mij bijzonder bezorgd dat er plannen circuleren om het aantal opvangplaatsen verder af te bouwen en dat er gesproken wordt over aanzienlijke besparingen bij Fedasil en de lokale opvanginitiatieven, terwijl net de kwaliteit en veiligheid van de opvang onder druk staan.

Daarom heb ik volgende vragen voor u, mevrouw de minister:

Hoe beoordeelt u de conclusies van dit onderzoek, in het bijzonder de vaststelling dat de veiligheid van kinderen in opvangcentra vandaag niet kan worden gegarandeerd?

Welke concrete maatregelen neemt of plant u om de bescherming van kinderen in opvangcentra te versterken, zowel op vlak van infrastructuur, privacy als begeleiding?

Hoe zorgt u ervoor dat opvangcentra voldoende personeel, psychologische ondersteuning en externe controle hebben om grensoverschrijdend gedrag en geweld preventief aan te pakken?

Hoe verhoudt de geplande afbouw van opvangplaatsen en de aangekondigde besparingen bij Fedasil en de LOI’s zich tot de nood aan meer kwalitatieve, veilige en kleinschalige opvang?

Bent u bereid om, op basis van deze bevindingen, het huidige opvangbeleid en de financiering ervan te herevalueren, met bijzondere aandacht voor kinderen en het welzijn van het personeel?

Anneleen Van Bossuyt:

Mijnheer El Yakhloufi, ik neem de veiligheid en het welzijn van kinderen in de opvang zeer ernstig. Elk signaal van onveiligheid of grensoverschrijdend gedrag wordt opgevolgd en leidt waar nodig tot een interventie.

Het onderzoek waarnaar u verwijst, toont terecht aan hoe overbezetting, lange verblijfsduren en noodopvang tijdens de opvangcrisis een zware druk hebben gelegd op kinderen en op medewerkers. Die analyse neem ik ter harte. Ik onderschrijf echter niet de conclusie dat de veiligheid van kinderen vandaag structureel niet kan worden gegarandeerd.

Er bestaan duidelijke procedures inzake kinderbescherming, meldingsplicht en samenwerking met jeugdhulp en Justitie, die ook effectief worden toegepast. Om de bescherming van kinderen te versterken, worden gezinnen met kinderen en niet-begeleide minderjarige vreemdelingen prioritair opgevangen op aangepaste plaatsen. Er wordt ingezet op meer privacy en betere infrastructuur, onder meer door de afbouw van tijdelijke crisisopvang. Preventie- en opvolgingsprotocollen worden verder versterkt en momenteel wordt een actieplan rond kinderen in de opvang gefinaliseerd, dat binnenkort wordt uitgerold. Wat personeel en begeleiding betreft, investeren we in bijkomende ondersteuning van teams, opleiding en psychologische begeleiding in samenwerking met externe partners, met blijvende externe controle en inspectie.

De geplande afbouw van opvangplaatsen en de bijbehorende financiering kaderen binnen de crisismaatregelen, die sinds augustus van kracht zijn en tot doel hebben de instroom te beheersen en zo de druk op het opvangnetwerk te verlagen. Deze maatregelen hebben geen impact op de geldende kwaliteits- en infrastructuurnormen, die onverkort van toepassing blijven. Er zijn drie pijlers essentieel in het beleid: de instroom verlagen, de uitstroom verhogen en zo een meer humane opvang bieden aan de mensen die het echt nodig hebben.

Het opvangbeleid en de financiering worden continu geëvalueerd, met bijzondere aandacht voor de bescherming van kinderen en werkbare omstandigheden voor het personeel.

Achraf El Yakhloufi:

Mevrouw de minister, in het regeerakkoord, dat we samen tot stand hebben gebracht en waarin veel elementen voorkomen waaromtrent we water in de wijn hebben moeten doen, zijn we het eens over het belang van de bescherming van het kind. Dat is een gigantische prioriteit. Ook voor Vooruit is de bescherming van het kind, in welke situatie dan ook, van essentieel belang. Ik ben dan ook blij met uw positieve analyse van het onderzoek, natuurlijk niet helemaal, want het zou politiek onverstandig zijn om het helemaal eens te zijn. Over het structurele aspect was u het niet helemaal eens. Ik ben deels gerustgesteld, maar, nogmaals, ik denk dat we dat rapport zeker moeten opvolgen. U zegt ook dat u de prioriteit bij minderjarigen blijft leggen. Er zijn toch enkele fundamentele bezorgdheden. We horen vaak dat richtlijnen, protocollen en monitoren bestaan. Het probleem vandaag ligt niet alleen in gebrekkige procedures, maar is soms de realiteit op het terrein, die lastig is. U hebt gelijk om de instroom te doen dalen en de uitstroom te doen stijgen, waarvoor ook de regering duidelijk heeft gekozen. Dat moet op een humane en correcte manier gebeuren, zodat we de betrokkenen kunnen beschermen. Als de veiligheid van kinderen niet kan worden gegarandeerd, dan volstaat het niet om te zeggen dat we het opvolgen, maar dan moeten we echt keuzes maken. Dat is heel belangrijk en dat doet deze regering ook. Ook in de tussentijd moeten we dat blijven garanderen. Er zijn meer begeleiding, meer privacy en meer personeel nodig en er mogen minder mensen te lang in dezelfde opvangcontext blijven zitten. Dus mijn punt blijft heel duidelijk: kinderen mogen geen nevenschade ondervinden van een overbelast systeem. Dat vraagt niet alleen beheer, maar dat vraagt ook politieke durf.

Het advies van de Raad van State over de fusie van de politiezones

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 18 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

François De Smet kritiseert de geplande fusie van de zes Brusselse politiezones als een onnodige, chaotische ("brol") en ondergefundeerde hervorming die democratische controle uitholt (o.a. door afschaffing van de politieraad) en de complexiteit vergroot zonder extra middelen (83 miljoen tekort/jaar), terwijl de beloofde herziening van de norme KUL (financieringsmechanisme) uitblijft. Minister Bernard Quintin verdedigt de fusie als noodzakelijk voor efficiëntere veiligheid, wijzend op grensoverschrijdende criminaliteit (bv. drugshandel, schietpartijen) en belooft de hervorming tegen 2027 door te voeren, ondanks kritiek op het ontwerp – waar het Conseil d’État weliswaar aanpassingen maar geen principiële bezwaren tegen had. De Smet kaatst terug dat één grote zone geen garantie is voor betere veiligheid (cf. Antwerpen) en dringt aan bij coalitiepartner Les Engagés om de koppeling tussen de KUL-norm en de fusie niet los te laten, anders verliest de operatie elk nut. De kern van het conflict draait om centralisatie vs. lokale autonomie en het ontbreken van concrete middelen bij een ingrijpende structuurwijziging.

François De Smet:

Monsieur le ministre, c’est bientôt Noël et vous avez reçu en cadeau l’avis provisoire du Conseil d’État sur votre réforme de fusion des zones de police. Cet avis confirme ce que Brulocalis, les bourgmestres et moi-même pensons depuis le début de cette réforme dogmatique et inutile. Comme nous sommes deux Bruxellois, employons le mot qui convient: il s’agit plus que jamais d’un brol.

Brol d’abord sur la mécanique décisionnelle, jugée illisible. Même le Conseil d’État a du mal à comprendre ce que vous essayez de faire. Nous ne comprenons plus rien entre la durée variable de la présidence du collège de police, le nombre de réunions annuelles, l’articulation des rôles entre le chef de corps et le bureau du collège.

Brol encore sur le manque flagrant de contrôle démocratique – c'est plus sérieux. La suppression du conseil de police va concentrer trop de compétences au niveau du collège de police, notamment en ce qui concerne la discussion du budget de la zone. En réduisant le rôle du conseil communal à une simple prise d’acte, vous réduisez l’ensemble du contrôle et du débat démocratique.

Enfin, brol intégral sur les moyens, qui ne seront pas au rendez-vous, jugés largement insuffisants. C’était déjà le cas dans l’avis de Brulocalis, qui a estimé que le sous-financement structurel des six zones s’élève à 83 millions d’euros par an. Pendant ce temps-là, nous n’avons plus de nouvelles de la réforme de la norme KUL, qui était pourtant conditionnée, notamment par Les Engagés et par les pouvoirs locaux, à l’adoption de votre réforme.

Bref, tout le monde est en train de se rendre compte de ce que nous répétons depuis le début: cette réforme – qui je le rappelle, n’était demandée par aucun acteur de terrain – est pensée davantage pour satisfaire une obsession institutionnelle – la fusion à tout prix – que pour répondre aux besoins des acteurs de terrain.

Monsieur le ministre, n’est-il pas temps d’arrêter les frais avec cette fusion, qui ressemble de plus en plus à la mise sur pied d’une gigantesque usine à gaz administrative? Notre sécurité n’a pas besoin de davantage de complexité et d’embûches. Augmentez les moyens, augmentez le nombre de policiers et arrêtez, s’il vous plaît, la machine à créer du brol.

Bernard Quintin:

Monsieur De Smet, la fusion des zones de police bruxelloises est essentielle pour notre capitale. L'actualité sécuritaire nous en prouve chaque jour la nécessité. Il suffit de lire dans la presse de ce matin encore les déclarations des agents de la Brigade anti-agression de Bruxelles. Je cite: "Les dealers n'ont pas de frontières, les incidents de tirs non plus". Cela les oblige à sortir de leur zone pour intervenir. Je pourrais également mentionner le cri du cœur du bourgmestre de Saint-Gilles, qui appelle de ses vœux à plus de solidarité. Il est donc vital de disposer d'une force d'intervention unique à l'échelle de la capitale, libérée des frontières factices qui limitent actuellement trop souvent l'action des forces de l'ordre. Et je ne perds donc pas une minute, vous m'en excuserez. Je ne savais pas qu'il fallait s'excuser d'être efficace.

Le travail entre cabinets a repris à la suite de l'avis reçu de la part du Conseil d'État. Cet avis portait sur le texte adopté en première lecture et dont le texte, rediscuté actuellement entre partenaires, intègre les remarques, comme c'est la tradition. Ce n'est pas à un représentant chevronné comme vous que je vais l'apprendre. Ce sont des remarques qui, contrairement à ce que j'ai pu lire dans certains médias, ne remettent pas en cause – et c'est crucial – les principes structurants du texte, en premier lieu le principe même de la fusion. Mais comme le dit si bien l'expression: "Qui veut noyer son chien l'accuse de la rage". Si je reprends votre propre expression, je pense que le brol, c'est la situation actuelle qui montre ses limites pour la sécurité de toutes les Bruxelloises et tous les Bruxellois, dont je suis par ailleurs.

Monsieur De Smet, je réaffirme ma volonté d'aboutir à la fusion des six zones de police bruxelloises durant l'année 2027 avec un seul objectif: renforcer la sécurité des habitants de Bruxelles et de tous ceux qui y travaillent ou la visitent.

François De Smet:

Monsieur le ministre, je ne pensais pas que vous alliez invoquer la situation sécuritaire de Bruxelles alors que la presse nous apprend en effet que la première année de l'Arizona a été la pire année pour Bruxelles avec 96 fusillades. Franchement, si une zone unique était le remède à cela, la zone unique d'Anvers serait la plus tranquille du pays. Ce n'est pas le cas. Je me tourne vers Les Engagés, parce que la renégociation de la norme KUL était liée à la fusion des zones de police. En effet, la presse vous prête l'intention d'avancer très vite et de faire avancer le dossier en kern. Chers Engagés, je sais que vous êtes toujours encore un peu prisonniers dans cette coalition, mais vous pouvez cligner des yeux éventuellement. Allez-vous continuer à lier la révision de la norme KUL à l'aboutissement de cette fusion demain? Nous verrons et j'espère que vous tiendrez parole sinon cette fusion n'aura vraiment aucun sens.

De politie-interventies in Matonge

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 18 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Rajae Maouane kaart aan dat herhaalde, gewelddadige politie-invallen in Matonge (met massale inzet, vernielingen en angstzaaierij) disproportioneel zijn en mogelijk een bewuste strategie vormen om het cultureel rijke, maar onder immodruk staande quartier te ontvolken via stigmatisering—een klassiek gentrificatiepatroon. Minister Quintin benadrukt dat de acties (o.l.v. het parket) gericht zijn op fraude en illegaal werk, wijst racisme af maar verdedigt de hardhandige aanpak als noodzakelijk, zonder de verhouding middel-doel te rechtvaardigen. Maouane blijft vragen of politieke wil achter de repressie zit en waarschuwt voor verdere verjaging, terwijl Quintin juridische noodzaak vooropstelt maar geen structureel antwoord geeft op de gentrificatievrees. De kloof blijft: veiligheidsretoriek vs. ervaren systematische uitholling van een volkse buurt.

Rajae Maouane:

"Ils sont venus en masse. Il y a eu une cascade de police, ils ont cassé nos portes, saccagé nos salons, arrêté des gens. Moi je suis en ordre, j'ai mes papiers, mais mon salon a été cassé." Monsieur le ministre, voici le témoignage parmi tant d'autres d'une commerçante à Matonge.

Depuis le mois de novembre, le quartier de Matonge subit des descentes de police répétées, manifestement violentes et disproportionnées. La galerie de Matonge est le cœur d'un quartier historique né dans les années 1950, un quartier vivant, populaire, riche de ses cultures, un quartier emblématique de Bruxelles et de sa diversité – pour celles et ceux qui ne connaissent pas Bruxelles. Mais depuis de longs mois, le paysage de Matonge n'est plus le même et ses habitants et ses commerces subissent les conséquences d'une politique de contrôle intensive.

En novembre, une première descente a mobilisé plus de 200 agents – 200 agents! –, accompagnés de la brigade canine, une démonstration de force, pour au final seulement 25 constats. Depuis, les contrôles se multiplient, parfois au quotidien, des commerces sont saccagés, des travailleurs et des travailleuses sont brutalisés, des clients sont effrayés. En fin de compte, ce sont les habitants qui vivent dans la peur, la peur de travailler, la peur d'ouvrir leurs commerces, la peur d'être là, tout simplement.

Monsieur le ministre, ces méthodes ne semblent pas proportionnées, elles ne créent pas de sécurité; au contraire, elles produisent de l'instabilité, de l'angoisse et de la défiance. Je me pose une question: derrière cette "surprésence" policière, y a-t-il une volonté d'effacer Matonge, un quartier situé entre les zones européennes et le quartier Louise, soumis à une forte pression immobilière? On connaît cette mécanique de gentrification: on stigmatise, on multiplie les contrôles, on vide et puis on revalorise.

Monsieur le ministre, comment les discussions en amont de ces interventions entre la zone de police, le parquet et la police fédérale se sont-elles déroulées? Un dialogue a-t-il été instauré avec les commerçants et les habitants? Enfin, pouvez-vous me garantir qu'il n'y a aucune volonté politique d'appauvrir, de vider ou de faire disparaître la richesse culturelle du quartier de Matonge?

Bernard Quintin:

Madame Maouane, sur la base des informations qui m'ont été transmises par la zone de police PolBru, l'action intégrée qui a eu lieu le 20 novembre dernier a été ordonnée par M. le procureur du Roi. Elle fut menée conjointement par l'auditorat du travail et le parquet de Bruxelles en collaboration avec des inspecteurs de l'ONSS, de l'ONEM, de l'Inspection régionale de l'emploi, des SPF Finances, É conomie et Santé publique. L'Office des É trangers a également été mobilisé dans le cadre des contrôles portant sur les titres de séjour.

Un bilan provisoire, dressé après l'opération fait état de: 14 procès-verbaux pour infractions DIMONA (travail non déclaré), 6 pour des irrégularités liées au travail à temps plein, ainsi que 5 pour emploi de personnes sans titre de séjour. Sur place, plusieurs commerces ont en effet été placés sous scellés, dont 7 sur ordre du substitut de l'auditeur du travail, présent durant l'opération. Alors, moi, je suis historien et ministre; pas mathématicien. Donc, je ne fais pas de calculs entre l'engagement des forces et le nombre de procès-verbaux ou de personnes arrêtées. L'objectif est de mener des opérations.

Cela dit, madame Maouane, j'entends que vous dénoncez un biais raciste dans l'intervention de la police. Sachez que, si au cours d'une intervention policière, des actes de racisme étaient avérés, ils devraient être sanctionnés avec la plus grande sévérité. Vous savez que vous me trouverez toujours du côté de la probité et de la loi. Mais pas d'excuses! Les actions FIPA et BELFI contre le blanchiment d'argent ainsi que tout autre type d'opération destinée à renforcer la sécurité, le cas échéant, sur ordre du procureur du Roi, continueront à être menées là où elles le doivent, c'est-à-dire là où les informations et les renseignements de l'ensemble des services concernés signalent qu'elles sont le plus utiles, indépendamment de toute autre considération.

Rajae Maouane:

Monsieur le ministre, je vous remercie de votre réponse, ainsi que pour votre engagement de lutter avec force contre le racisme systémique et institutionnel au sein de la police. Je l'ai bien entendu et ne manquerai pas de revenir. Merci, en tout cas, de lutter contre ce phénomène. Nous y serons attentifs. Pour ma part, je tenais à souligner un climat de peur et de répression dans un quartier qui est très aimé des Bruxelloises et des Bruxellois. Certains commerçants et commerçantes ont peur aujourd'hui. Il est donc normal que des contrôles soient effectués et que des procès-verbaux soient dressés. Mais ma question est de savoir si, derrière cette démonstration de force, ne se dissimule pas une volonté de stigmatiser un quartier et de faire partir une population pour en installer une autre. Ce n'est pas uniquement à l'échelle fédérale, vous en conviendrez. La majorité locale a aussi son mot à dire. Des questions doivent donc se poser. Pour moi, la question est: quelle est la prochaine étape? Va-t-on encore accepter que des quartiers continuent à se gentrifier?

Het gesprek met vertegenwoordigers van de Joodse gemeenschap over veiligheid
Het opvoeren van de strijd tegen antisemitisme in België
Bestrijding van antisemitisme en veiligheid van de Joodse gemeenschap

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 18 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de toenemende antisemitische aanslagen (o.a. Bondi Beach, Joods Museum Brussel) en internationaal terrorisme gericht tegen joden, met vragen over veiligheidsmaatregelen en politieke verantwoordelijkheid. Minister Quintin bevestigt dat de beveiliging van joodse sites onverkort blijft, ondanks geruchten over terugdringing, en benadrukt dat militaire ondersteuning voor Antwerpen nog wacht op regeringsakkoord, terwijl hij miscommunicatie afkeurt die onrust zaait. Freilich en Bacquelaine dringen aan op structurele coördinatie (o.a. een interfederaal antisemitisme-coördinator) en internationale samenwerking, met lokaal leiderschap tegen haat. De kernboodschap: veiligheid is niet onderhandelbaar, maar vereist snelle actie, transparantie en eenheid op alle bestuursniveaus.

Michael Freilich:

Mijnheer de minister, de schutter laadde zijn geweer en begon lukraak te schieten op joodse burgers. Er vielen doden en gewonden. Neen, ik heb het niet over de aanslag een paar dagen geleden in Bondi Beach, maar over de aanval enkele jaren geleden op het Joods museum van België, niet ver hiervandaan. Ik had evengoed kunnen spreken over de aanval op de Tree of Life synagoge in Pittsburgh in 2018 en, dichterbij huis, over de moordende raids op synagogen in Halle (Duitsland) of Manchester (Verenigd Koninkrijk) in oktober, enkele weken geleden.

We hebben vernomen dat de daders van de aanslag in Bondi Beach training kregen van Islamitische Staat. Met andere woorden, de aanslag overstijgt het lokale niveau, het betreft hier internationaal terrorisme. Ook al maakt de joodse gemeenschap slechts 0,2 % uit van de totale Europese bevolking, toch is zij nog altijd een slachtoffer in dit land, in Europa en in de wereld.

Collega's, in de vorige eeuw werd mijn grootvader geviseerd en gedeporteerd om wie hij is. Vandaag worden zijn achterkleinkinderen nog steeds geviseerd om wie ze zijn. Mijnheer de minister, u sprak vandaag met leden van de joodse gemeenschap die zich zorgen maken over het eventueel terugdringen van een aantal maatregelen. Kunt u ons meedelen hoe dat gesprek is verlopen en of u hen hebt kunnen geruststellen?

Daniel Bacquelaine:

Monsieur le ministre, nous avons été émus, choqués, révoltés par l'attentat antisémite perpétré par des terroristes islamistes à Bondi lors de la Fête des lumières. Fêter la lumière est un engagement à combattre l'obscurantisme. Pour les islamistes, la lumière est intolérable, puisqu'ils sont englués dans cet obscurantisme. Fêter la lumière, c'est aussi un engagement à la vigilance, pour être toujours les premiers à défendre les droits et les libertés de toutes les communautés.

Monsieur le ministre, j'ai eu l'occasion de rencontrer le maire de Waverley Council, Will Nemesh, en novembre dernier au séminaire international des maires contre l'antisémitisme, à l'invitation de Anne Hidalgo à l'hôtel de ville de Paris. Je l'ai assuré de notre soutien et de notre solidarité.

Partout, nous assistons à la montée de l'antisémitisme, avec des violences physiques, des intimidations, des injures sur les réseaux sociaux. Cela n'arrête pas, monsieur le ministre! Je connais votre engagement contre l'antisémitisme. Il est nécessaire d'identifier, de surveiller, d'empêcher des individus de nuire à la communauté juive. Quelles sont les instructions données aux services de sécurité en la matière? Comment traquer l'antisémitisme? Quels sont vos liens avec la communauté juive de Belgique, aujourd'hui, pour la rassurer et la protéger?

Voorzitter:

Mijnheer de minister, u krijgt vier minuten tijd.

Bernard Quintin:

Mijnheer de voorzitter, geachte leden, de veiligheid van alle burgers verzekeren, is mijn kerntaak en mijn hoofdverantwoordelijkheid, mijn job, 24 op 7. Dat geldt zeker ook voor de joodse gemeenschap, die sinds de aanslag van 7 oktober 2023 bijzonder geviseerd wordt, des te meer sinds de laffe antisemitische aanslag in Sydney, die ik hier nog eens krachtig wil veroordelen.

La protection des sites liés à la communauté juive sera bel et bien maintenue selon les mêmes standards qu'actuellement, qu'elle soit assurée par la police locale ou par la police fédérale, que ce soit à Anvers ou partout ailleurs en Belgique. C'est clair, c'est net, c'est dit! Elle ne sera évidemment jamais interrompue. Et si cela ne dépendait que de moi, nous pourrions encore la renforcer. Je vais y revenir.

Ik wil heel transparant zijn. Er zijn wel degelijk contacten geweest met de lokale politie van Antwerpen en met de lokale autoriteit.

Mais ces contacts portaient sur l'organisation du dispositif, justement pour en assurer le mieux possible l'efficacité, la continuité et la pérennité dans l'intérêt de tous.

Ik betreur dus oprecht de gedeeltelijke en eenzijdige communicatie via televisie en radio van de afgelopen dagen.

La diffusion de ces informations partielles et partiales n'a fait que causer davantage d'inquiétude au sein de la communauté juive d'Anvers et d'ailleurs.

Mesdames et messieurs les députés, comme vous le savez, afin de mobiliser nos militaires en soutien à nos policiers, nous avons déposé à la table du gouvernement deux protocoles d'accord avec mon collègue de la Défense, Theo Francken.

Een daarvan heeft specifiek betrekking op Antwerpen en wil expliciet de belangen en de veiligheid van de joodse gemeenschap sterker beschermen. Een akkoord laat op zich wachten. Ik betreur dat.

J'espère que cette mesure ô combien cruciale pour la sécurité de toutes et tous pourra aboutir dans les heures à venir. Chacune et chacun doit prendre ses responsabilités, comme vous l’avez dit, monsieur Bacquelaine, pour assurer que la lumière ne soit jamais mise en danger.

Mijnheer Freilich, voor u, voor mij en voor ons allemaal staat één zaak vast. Met de veiligheid van onze burgers mogen er nooit politieke spelletjes gespeeld.

Vanmiddag heb ik op mijn kabinet de vertegenwoordigers van de joodse gemeenschap ontvangen en aandachtig naar hun bezorgdheden geluisterd.

Cette rencontre s’inscrit dans un dialogue constructif et effectif que nous menons avec eux depuis le début de mon mandat.

Ik heb hun verzekerd dat niet wordt geraakt aan de beveiliging van de joodse belangen en van de joodse gemeenschap of van de bevolking in het algemeen.

Ik roep daarom iedereen op tot sereniteit.

C’est ce que l’on doit pouvoir attendre de tout responsable politique.

Je vous remercie.

Michael Freilich:

Afgelopen zondag was de premier in Antwerpen voor het joods chanoekafeest. In zijn speech verklaarde hij: "Laat er geen enkel misverstand over bestaan: we zullen de volle verantwoordelijkheid opnemen om te waken over de veiligheid van u, van uw kinderen, van uw kleinkinderen hier in deze stad en in dit land."

Mijnheer de minister, ik ben dan ook bijzonder opgelucht met uw aankondiging dat de federale eenheden toch in Antwerpen zullen blijven. In u zie ik dan ook een sterke partner in de strijd tegen racisme, antisemitisme en intolerantie. Ik wil u daarvoor oprecht danken, niet alleen in eigen naam en in naam van mijn fractie, maar bovenal namens alle Antwerpenaren die zich ongerust voelden de voorbije dagen en die vandaag opnieuw opgelucht kunnen ademhalen.

Daniel Bacquelaine:

Monsieur le ministre, merci pour votre engagement ferme. Puis-je vous demander de rappeler à votre collègue, M. Beenders, que j’ai interpellé il y a un mois ici, de respecter de l’accord de gouvernement quant à la désignation d’un coordinateur interfédéral de lutte contre l’antisémitisme? Cela me semble important. Cette lutte contre l’antisémitisme doit se faire à tous les niveaux. Il faut la coordonner, et désigner une personnalité forte qui incarne cette lutte – c’est absolument indispensable aujourd'hui – et qui le fasse en toute indépendance. Je lance un appel aujourd'hui à mes collègues élus locaux pour qu’ils rejoignent le mouvement international des maires contre l’antisémitisme, qui se tient en congrès chaque année, parce que la lutte contre l’antisémitisme doit être menée à tous les niveaux, également au niveau de nos collectivités locales, par l’éducation et l’émancipation. Merci de votre attention.

Het aanhoudende geweld in en om asielcentra

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 18 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Francesca Van Belleghem (Vlaams Belang) wijst op de oververtegenwoordiging van vreemdelingen in zeden- en geweldsdelicten (1 op 4 verdachten, frequente mesincidenten in asielcentra) en kritiseert het gebrek aan harde strafmaatregelen, zoals symbolische posters en transfers als "fopstraffen". Minister Anneleen Van Bossuyt benadrukt dat geweld strikt wordt bestraft (uitzetting uit opvang, samenwerking met politie/justitie) en dat incidenten dalen, maar erkent dat preventie en veiligheid centraal staan—menselijkheid en handhaving gaan hand in hand. Van Belleghem herhaalt haar migratiekritische standpunt als reden voor haar VB-lidmaatschap, gekoppeld aan persoonlijke ervaringen met intimidatie door vreemdelingen.

Francesca Van Belleghem:

Mevrouw de minister, feministen van links noemen conservatieven vrouwenhaters. De pijnlijke realiteit is echter dat die voorvechters van vrouwenrechten al jarenlang, en nog steeds, mensen importeren die geen respect hebben voor vrouwenrechten. Een op de vier verdachten van zedenfeiten is een vreemdeling. Dat is een forse oververtegenwoordiging in verhouding tot hun aandeel in de bevolking. Het is verschrikkelijk, maar ik kan niet anders dan verwijzen naar de verschrikkelijke verkrachting die gisteren in Kortrijk heeft plaatsgevonden en die werd gepleegd door een Rwandees. Het gaat bovendien niet alleen om zedenfeiten. Om de negen dagen wordt in een asielcentrum een mes getrokken. Elke maand zijn er honderd zware geweldsincidenten, waaronder vechtpartijen, steekpartijen, vandalisme en bedreigingen.

Mevrouw de minister, u bent politiek verantwoordelijk voor dat geweld. Wie geweld pleegt, krijgt vandaag een fopstrafje: een transfer naar een ander asielcentrum of een uitsluiting uit de opvang. Die maatregel bestond al voordat u minister werd. U besefte dat een fopstrafje alleen onvoldoende was en kwam daarom met een fopposter. (Mevrouw Francesca Van Belleghem toont een poster.) Op die poster staat dat geweld, messen en steekwapens niet zijn toegestaan in asielcentra.

Mevrouw de minister, denkt u werkelijk dat dat soort belachelijke posters zal leiden tot een daling van het aantal geweldincidenten door asielzoekers?

Anneleen Van Bossuyt:

Mijnheer de voorzitter, mevrouw Van Belleghem, laat mij meteen heel duidelijk zijn: geweld in opvangcentra, zowel tegenover personeelsleden als tegenover medebewoners, evenals geweld ten aanzien van de buurt die mensen opvangt, keur ik ten stelligste af. Onze opvang is bedoeld voor mensen die bescherming zoeken en respect voor de lokale gemeenschap die hen opvangt, is daarbij essentieel. Wie zich niet aan die regels houdt en onze gastvrijheid misbruikt, heeft geen plaats in onze opvang, noch in ons land.

Fedasil treedt bij incidenten met geweld consequent en kordaat op. Bij fysieke agressie wordt er steevast voor gezorgd dat de dader het opvangnetwerk verlaat. Daarmee wordt niet alleen de veiligheid van andere bewoners en van het personeel beschermd, maar wordt ook een duidelijk signaal gegeven dat geweld nooit wordt getolereerd. Bij agressie worden ook de andere asielinstanties betrokken, zodat ook zij de nodige stappen kunnen ondernemen in het licht van de lopende procedure van de betrokkene. Daarnaast wordt er natuurlijk ook nauw samengewerkt met de politie en met het gerecht.

Tegelijkertijd wordt er sterk ingezet op preventie en opvolging. U vindt dat misschien allemaal belachelijk, maar er worden wel degelijk zaken gedaan. De samenwerking met lokale besturen en politiezones wordt versterkt. U duidt nu één aspect aan, maar er gebeuren verschillende zaken. Zo is er ook informatie-uitwisseling met de politie en met justitie.

Mevrouw Van Belleghem, ondanks de hoge druk op het opvangnetwerk zien we dalende cijfers – u kunt het opzoeken - van het aantal incidenten. Laat mij duidelijk zijn, elk incident is er uiteraard een te veel, maar ik wil er toch op wijzen dat incidenten eerder de uitzondering zijn dan de regel.

Ik benadruk graag dat menselijkheid en veiligheid absoluut hand in hand gaan. Een menselijk opvangbeleid kan alleen bestaan als het ook een veilig opvangbeleid is.

Francesca Van Belleghem:

Weet u waarom, minister, ik me bij het Vlaams Belang heb aangesloten? De reden is niet dat ik uit een Vlaams nest kom of dat mijn ouders Vlaams Belangers waren, integendeel. De reden is dat ik in mijn studententijd in Kortrijk en Leuven bijna elke avond werd nagefloten, aangesproken of lastiggevallen. Ik hoef er geen tekening bij te maken, mevrouw de minister, het ging niet om Jan, Pol of Piet. Vreemdelingen zijn fors oververtegenwoordigd in zedenfeiten: een op vier. Om de negen dagen is er een mesincident in de asielcentra. Het Vlaams Belang is de enige partij die dat luidop durft te zeggen. Daarom ben ik lid van het Vlaams Belang.

Het Omnibus VII-pakket over de voedselveiligheid

Gesteld door

lijst: PS Patrick Prévot

Gesteld aan

David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)

op 17 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Patrick Prévot bekritiseert dat de EU via Omnibus VII een verzwakking van pesticidenregulering plant, waaronder levenslange toelatingen zonder herbeoordeling, het negeren van onafhankelijk wetenschappelijk bewijs en verlengde "gratieperiodes" na verboden, wat volgens 114 milieugroepen in Le Monde onaanvaardbaar is. Minister David Clarinval ontkent dat sprake is van deregulering, wijst op het ontbreken van een definitief voorstel en benadrukt dat de EFSA strikt toeziet, maar deelt wel zorgen over onbeperkte toelatingen; hij wil wel versnelling voor biopesticiden en belooft een kritische analyse tijdens de onderhandelingen. Prévot blijft skeptisch over de gelekte plannen maar hoopt dat Clarinval zijn invloed zal gebruiken om verzwakking van de regels te blokkeren. België’s exacte rol in de voorbereiding blijft onduidelijk.

Patrick Prévot:

Monsieur le ministre, depuis les dernières élections, on observe, au niveau des institutions européennes, un recul sur les questions sociales et environnementales. On l'a vu avec l'Omnibus I et le recul sur le devoir de vigilance des entreprises. On l'a vu avec l'Omnibus numérique et le recul sur la protection des données personnelles. Et on le voit aujourd'hui en matière de pesticides.

D'aucuns annoncent pour le 16 décembre prochain la publication d'une proposition Omnibus VII sur la sécurité des aliments. En réalité son contenu a fuité… et il est alarmant. Sous couvert de simplification administrative, la Commission veut déréguler les pesticides. Parmi les mesures envisagées, on trouve:

La suppression du réexamen systématique et périodique (tous les 10 ou 15 ans) des autorisations de mise sur le marché pour la très grande majorité des pesticides. Concrètement, si cette mesure était adoptée, des centaines de pesticides chimiques bénéficieraient d'une autorisation à vie, et il sera très difficile de prendre en compte les nouvelles données scientifiques démontrant leur dangerosité.

La suppression de l'obligation pour les États membres de prendre en compte les dernières données scientifiques indépendantes dans les autorisations nationales des produits phytosanitaires.

L'extension des "périodes de grâce" à trois ans pour l'utilisation après une interdiction.

Le 1 er décembre dernier, 114 organisations de protection de l'environnement ont publié une tribune dans le journal Le Monde, demandant le retrait immédiat par la Commission de sa proposition Omnibus VII.

Mes questions sont les suivantes:

La Belgique a-t-elle contribué à l'Omnibus sur la sécurité des aliments, dans le cadre du processus de consultation préalable? Si oui comment?

Comment réagissez-vous au contenu de l'Omnibus VII et à la carte blanche des 114 organisations de protection de l'environnement qui demandent son retrait immédiat?

Le gouvernement fédéral compte-t-il s'opposer au projet de dérégulation des pesticides, avec pour objectif la santé publique et la protection de l'environnement?

David Clarinval:

Monsieur le député, il est difficile de répondre à vos questions sans connaître le texte définitif qui sera publié par la Commission européenne. À ma connaissance, celui-ci est encore en pleine discussion et de nombreux détails importants peuvent encore évoluer. De plus, la proposition doit encore être approuvée via la procédure régulière, ce qui peut entraîner de nouvelles modifications.

D'après les contacts entre mon administration et la Commission européenne, il est clair pour moi qu'elle n'a absolument pas l'intention de déréguler les produits phytopharmaceutiques. Au contraire, la Commission européenne, en collaboration avec l'Autorité européenne de sécurité des aliments (EFSA), prend ses responsabilités très au sérieux et assure un encadrement extrêmement strict en matière de produits phytopharmaceutiques. Jusqu'à présent, les États membres n'ont toutefois pas été associés à l'élaboration de cette législation omnibus. Il me paraît dès lors prématuré de réagir à ce stade sur la version publiée hier. L'administration doit maintenant réaliser une analyse approfondie de la proposition. Des discussions auront ensuite lieu pour affiner celle-ci. Je peux déjà vous dire que je partage la préoccupation concernant les autorisations de substances actives à durée illimitée. Mais d'une autre côté, je soutiens le développement de mesures susceptibles de libérer des capacités afin d'accélérer la mise sur le marché de biopesticides. Il conviendra toutefois d'évaluer ces propositions en détail, en identifiant clairement leurs avantages et leurs inconvénients.

Lors de la discussion de la proposition et de la mise en œuvre concrète de la législation, je veillerai à ce que les produits phytopharmaceutiques fassent l'objet d'une évaluation approfondie. Comme toujours, je collaborerai de manière constructive et pragmatique à la poursuite des travaux de la Commission, avec pour objectif l'amélioration du cadre législatif européen pour les produits phytopharmaceutiques.

Patrick Prévot:

Je vous l'accorde, monsieur le ministre, nous ne connaissons effectivement pas encore pleinement le contenu du texte. Néanmoins, les contours et la philosophie de celui-ci ont fuité et sont de nature à nous inquiéter. Je retiens une chose de vos contacts avec la Commission, c'est qu'il n'y aurait pas d'intention de déréguler les produits phytopharmaceutiques, ce qui est évidement un élément essentiel. J'ai entendu aussi votre philosophie et le constat que vous partagez partiellement. J'espère donc que vous pourrez peser de tout votre poids pour qu'aucune régulation de produits phytopharmaceutiques n'intervienne, car ce serait très dommageable.

De stand van zaken met betrekking tot het CORESPO-onderzoek
De niet-publieke CORESPO-deelrapporten en de methodologische bezorgdheden
Het CORESPO-rapport
Het CORESPO-rapport inzake corruptie
Corruptie bij de politiediensten en het CORESPO-rapport
Het CORESPO-rapport
Het CORESPO-rapport over corruptie bij de federale gerechtelijke politie
Het uitgelekte CORESPO-rapport over corruptie bij de federale gerechtelijke politie
Het interne rapport van de federale politie over inmenging en corruptie
Meldingen in de doofpot en schendingen van de integriteit bij de gerechtelijke politie
Een intern rapport over corruptie en inmenging
Het CORESPO-onderzoek naar corruptie en integriteitsschendingen bij politie en gerechtelijke diensten

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 17 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om het omstreden CORESPO-rapport over corruptie binnen de federale politie, waarbij kritiek wordt geuit op de initiële afwijzing ervan door de politietop en minister Quintin (methodologische tekortkomingen, niet-representatief). Onder druk van medialekken en parlementsleden keert Quintin zijn positie: hij belooft nu inzage in het rapport, een onafhankelijk onderzoek naar systemische corruptierisico’s (naast een audit van de methodologie) en bescherming voor klokkenluiders. Kernpunten: Parlementsleden (o.a. Vandemaele, Ecolo-Groen) beschuldigen de politietop van doofpotcultuur en eisen transparantie, terwijl anderen (o.a. N-VA, MR) de integriteit van de meeste agenten benadrukken maar wel structurele verbeteringen vragen, zoals verplichte loopbaanscreenings en betere opvolging van meldingen. Quintin ontkent verdoezelpogingen maar erkent dat elke corruptie onaanvaardbaar is—zijn focus ligt op een wetenschappelijk onderbouwd onderzoek om het vertrouwen in de politie te herstellen.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, het was me wat bij de federale politie, de afgelopen dagen. Eerst was er de ambitie om dat rapport achter te houden. De federale politie en uzelf hadden niet veel zin om dat met ons te delen. Toen afgelopen weekend duidelijk werd dat het deksel toch van de beerput ging, veranderden jullie van tactiek. U zei onlangs in de commissie dat het rapport niet representatief en van een bedenkelijke kwaliteit is. Ook de personeelsleden van de federale politie kregen afgelopen maandag een mailbericht in die zin: “Er is een gebrek aan solide wetenschappelijkheid en methodologische grondslagen.” De titel van dat bericht sprak boekdelen: “Ons dagelijks werk voortzetten.” Dat was de ambitie bij de federale politie: niet omzien en voortwerken.

Vandaag lees en hoor ik in de media dat u voor de derde keer een bocht neemt. Derde keer, goede keer, denk ik dan. U zegt dat er een onafhankelijk onderzoek komt naar systemische problemen inzake corruptie bij de federale politie. Het is goed dat er zo’n rapport komt. We moeten inderdaad bekijken of de systemen voldoende robuust zijn om zowel een goede detectie als een goede interne afhandeling te garanderen. Als ik de vele tientallen mails bekijk die ik de afgelopen dagen ontvangen heb van federale politiemensen, dan denk ik dat die systemen zeker voor verbetering vatbaar zijn.

U zegt dat er een groter onderzoek moet komen. Wij hebben gisteren een schrijven gericht aan de voorzitter van de Kamer om het Comité P een onderzoek te laten uitvoeren naar het probleem van corruptie bij de politie. Het Comité P kent de materie ook goed, dus dat leek ons een goed idee.

In ieder geval vind ik het belangrijk om nogmaals te zeggen dat de meeste agenten te goeder trouw en helemaal niet corrupt zijn. Door de manier waarop de leiding van de federale politie met dat rapport omgaat, komen ook al de integere agenten in een slecht daglicht te staan. De top van de federale politie lijkt echter niet geneigd om iets te doen. De kwestie is belangrijk voor ons als burgers, voor de politieagenten zelf en voor de politie als organisatie.

Tot slot blijf ik nog met een brandende vraag zitten. Wie is de politicus die vermeld wordt in dat rapport? Weet u over wie het gaat? Het betreft immers zware aantijgingen tegenover een politicus en om die reden is het van het allergrootste belang dat wij weten over wie het gaat. Welke gevolgen hebben de betrokken agenten ondervonden? Als agenten gestraft zijn omdat ze dat geweigerd hebben, hebben we het recht om dat te weten.

U zit op het goede spoor, maar we moeten de omerta bij de federale politie op dat punt kunnen doorbreken.

Voorzitter:

Collega’s, ik zal strenger moeten toezien op het respecteren van de spreektijd, want anders zullen we heel weinig vragen kunnen behandelen vandaag. Iedereen krijgt twee minuten spreektijd in de eerste ronde.

Maaike De Vreese:

Mijnheer de minister, eerst en vooral wil ik benadrukken dat er bij de federale politie, bij welke dienst dan ook, bijzonder veel mensen dag en nacht werken om in onze veiligheid te voorzien. We zijn die mensen daarvoor enorm dankbaar.

We worden nu voor de tweede keer geconfronteerd met artikels in de pers, waarop wij ons als parlementsleden moeten baseren. We hebben geen inzage in het CORESPO-rapport, dat verslag uitbrengt over een bevraging naar corruptie.

Wanneer we vaststellen dat 1.244 personen aan die bevraging hebben deelgenomen, blijkt daaruit wel degelijk een vorm van vertrouwen, namelijk het vertrouwen om die enquête in te vullen. Dat is een element dat positief moet worden benaderd. Hier staat immers het imago van onze federale politie op het spel. Dat imago acht ik van groot belang. Ik weet dat u die mening deelt. Dat veronderstelt uiteraard onberispelijk gedrag. Politieambtenaren hebben immers een voorbeeldfunctie, moeten integer handelen en moeten een volledig anticorruptieplan hebben klaarliggen.

Het traject is destijds door de commissaris-generaal zelf opgestart. We zijn dan ook bijzonder benieuwd naar de bevindingen, naar de maatregelen die in dat rapport worden voorgesteld en naar de manier waarop men daarmee intern aan de slag gaat.

Het is belangrijk dat aanbevelingen en maatregelen niet alleen worden uitgesproken, maar ook daadwerkelijk worden opgevolgd. Daarnaast vind ik het essentieel dat personeelsleden die wantoestanden signaleren of wijzen op mogelijke corruptie, daarvoor terechtkunnen bij meldpunten en dat die meldingen ook effectief worden opgevolgd. De terugkoppeling over die opvolging kan wellicht worden verbeterd, aangezien blijkt dat er binnen de politie een zekere onvrede leeft.

We betreuren dan ook dat we tot op heden geen inzage hebben gekregen in dat rapport, al vernemen we dat die inzage alsnog zal worden verleend. Het is voor ons eveneens belangrijk om een zicht te krijgen op de andere rapporten. Er zou ook een rapport volgen over een traject inzake extremisme. Zal dat rapport nog worden bezorgd? Hoe staat het met de andere rapporten die in het vooruitzicht zijn gesteld?

U sprak in de media ook over een externe audit. U weet dat we daarvoor al geruime tijd vragende partij zijn. Wie zal die audit uitvoeren en wanneer wordt die opgestart? Wanneer mogen we de resultaten verwachten?

Welke maatregelen zullen worden genomen om corruptie daadwerkelijk aan te pakken? Dat lijkt mij namelijk de kern van de zaak.

Ik begrijp niet goed waarom de methodologie nu in vraag wordt gesteld. Ik zal u uitleggen waarom. Normaal gezien legt men in het begin van een traject de methodologie vast. Vooraleer men aan de slag gaat, controleert men of die methodologie op punt staat. Er zijn immers heel wat mensen en middelen mee gemoeid om een dergeljk verslag te schrijven. Dat is ook de bedoeling. Daarom moet men de methodologie op voorhand in vraag stellen, zodat men tot een betrouwbaar resultaat komt.

Ik zie dat er heel wat respondenten zijn. Volgens wat ik verneem uit de pers, staat er ook heel wat informatie in dat rapport staat. We kunnen dat rapport inhoudelijk niet zomaar volledig naast ons neerleggen. Ik ben benieuwd naar hoe die methodologie eruitziet. Ik wil ook transparantie in dat dossier.

Ik begrijp ook niet goed waarom het rapport, als het er al sinds juni is, niet door de commissaris-generaal werd toegelicht.

Mijnheer de minister, daarom vragen wij inzage in dat rapport. Wij willen ook de commissaris-generaal zelf over dat rapport kunnen ondervragen, om te zien welk gevolg intern aan dat verslag wordt gegeven en hoe de commissaris-generaal met de extra aanbevelingen die er nog komen zal omgaan, om de corruptie binnen de politiediensten tegen te gaan, zonder al een voorafname over de interne bedrijfscultuur te doen.

Zo veel mensen hebben dat ingevuld. Dat bewijst dat zij toch een bepaald vertrouwen hadden om dat in te vullen. Ik vind dat we de federale politie niet volledig in een slecht daglicht mogen stellen, want dat doet de mensen die dagelijks goed werk leveren onrecht aan.

Voorzitter:

Mevrouw De Vreese, ook u hebt de spreektijd wat overschreden.

Catherine Delcourt:

Monsieur le ministre, la presse a récemment relayé l'existence d'un rapport interne, provisoire, du service intégrité de la police fédérale, qui est fondé sur un sondage réalisé auprès d'environ 1 170 collaborateurs de la police judiciaire fédérale. Ce document, dont la méthodologie est aujourd'hui contestée, fait état de préoccupations qui sont exprimées par une partie des répondants concernant des tentatives d'influence, des pressions illicites et des comportements contraires à l'éthique, tant internes qu'externes à l'institution policière. Il est vrai que ceci a de quoi inquiéter.

Je souhaite ici relever vos premières réactions à ce sujet, qui ne laissent aucun doute sur le fait que la valeur intégrité est au cœur de vos préoccupations – elle est au cœur des miennes également – et sur votre volonté de transparence en la matière, et plus spécifiquement au regard du rapport CORESPO. Cette démarche CORESPO a été entamée en 2023, alors que Mme Verlinden était ministre de l'Intérieur. Vous héritez ici d'un rapport qui ne pouvait être validé en l'état en raison de faiblesses méthodologiques majeures, notamment en termes de représentativité, de rigueur scientifique et de confusion entre perceptions et faits établis.

Je tiens encore à ajouter que l'enquête menée se rapporte au passé et ne fait pas état d'une photographie de la situation à l'instant T. Il importe également de le dire. Dans ce contexte, je souhaiterais obtenir de votre part plusieurs éclaircissements.

Pouvez-vous rappeler quelles sont les préoccupations méthodologiques spécifiques, et préciser l'état exact d'avancement de la révision méthodologique du rapport?

Quel est le calendrier envisagé pour que nous puissions disposer des résultats? En effet, avant de procéder à des auditions sur le sujet, notre commission doit disposer de ces éléments. L'un ou l'autre collègue de Groen semble s'être procuré le projet de rapport d'une manière que je qualifierais d'irrégulière. Les autres membres de la commission n'en disposent pas.

On peut se poser la question de l'intégrité à la fois de ceux qui ont fourni le rapport et de ceux qui l'ont exploité. Quel est leur but? Affaiblir la confiance des citoyens envers les forces de l'ordre? Nourrir des thèses complotistes ? Il me semble difficile de les croire préoccupés et animés par la valeur intégrité au vu de la méthode utilisée.

En attendant ces résultats, quelles mesures de suivi des risques de corruption ou d'ingérence sont actuellement appliquées au sein de la police judiciaire fédérale, au-delà des dispositifs déjà existants?

Franky Demon:

(…) of ongeoorloofde inmenging in lopende dossiers. De incidenten nemen uiteenlopende vormen aan, zoals het doorspelen van informatie aan criminelen, rechters die vragen om boetes van hun kinderen te laten verdwijnen, en volgens wat ik hoor zelfs een politicus die wenst tussen te komen in een onderzoek.

Dat baart ons allen zorgen, te meer omdat uit het onderzoek eveneens blijkt dat de interne opvolging van meldingen over dat soort incidenten in het algemeen bijzonder tekortschiet.

De federale politie reageerde zeer snel, vind ik, door te stellen dat het rapport methodologisch zou tekortschieten, dat de resultaten niet representatief zijn en dat de getuigenissen moeilijk te verifiëren zijn. Ik was wat geschrokken dat u in uw eerste communicatie in die redenering meeging. Naar ik verneem, neemt u nu toch een bocht en zegt u dat de methodologie misschien niet 100 % correct was, maar dat een onafhankelijk onderzoek zal worden opgestart.

Mijnheer de minister, wat zal er veranderen aan de onderzoekstechnieken? Indien dezelfde resultaten naar boven komen, moeten we ze na dat onderzoek dan wél geloven en zult u dan wel sneller handelen?

Laat mij helder zijn: wij staan op de barricaden voor het respect voor politiemensen en voor het werk dat ze dagelijks doen, want ze vechten voor hun leven. Net omdat dat respect zo groot is, vind ik dat de rotte appels uit het korps moeten worden gehaald.

Ik heb heel wat vragen ingediend, maar gelet op mijn spreektijd zal ik die niet mondeling toelichten. Mijn hoofdvraag luidt of u bij een nieuw onderzoek strikt zult toezien op de onafhankelijkheid ervan, zodat we absoluut zeker zijn dat we wezenlijke stappen vooruit kunnen zetten.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, dit komt niet uit de lucht vallen. Enkele weken geleden hebben we in onze commissie voor Binnenlandse Zaken al hoorzittingen gehouden met de commissaris-generaal over de integriteit bij de federale politie. Ik had gehoopt dat wij tegen vandaag al inzage zouden hebben gehad in het rapport. De reden dat we dit vandaag opnieuw bespreken, is net omdat wij dat rapport niet hebben ontvangen, met uitzondering van één kamerlid, dat blijkbaar goede contacten onderhoudt met iemand van de federale politie. Ik wens in de eerste plaats inzage in dat rapport, want alle vragen die hier gesteld worden over de methodologie en de ernst van de situatie, vereisen eerst inzage in het rapport, voordat we verder kunnen discussiëren over wat nog nodig is.

Ten tweede, ik weiger mee te doen aan een soort van heksenjacht tegen onze politie. In mijn ogen voert de overgrote meerderheid van onze politieleden, zowel lokaal als federaal, het werk zeer integer uit, soms onder zeer moeilijke omstandigheden. Dat wil niet zeggen dat de rotte appel niet moet worden verwijderd, want dat is net het punt: één rotte appel kan de hele fruitmand bederven en daarvoor moeten inderdaad maatregelen worden genomen.

Er bestaan zeer veel controleorganen, zoals het Comité P, waarnaar de heer Vandemaele naar verwees, de algemene inspectie en er zijn ook interne controles. Om die reden willen we de commissaris-generaal horen in deze commissie. Wij willen vernemen wat zijn bevindingen zijn en welke maatregelen hij tegenover die corruptieschandalen wenst te nemen.

Mijnheer de minister, ik ben zeer blij dat u inmiddels ons voorstel van enkele weken geleden hebt overgenomen om de federale politie extern te laten doorlichten. Een interne doorlichting kan gewoonweg niet slagen – dat stond in de sterren geschreven – omdat men dan rechter en partij tegelijk is. Een externe doorlichting kan veel verhelpen en zorgt voor een zekere objectiviteit. Ik hoop dat u dat vandaag met zoveel woorden kunt herhalen.

Xavier Dubois:

Monsieur le ministre, je ne vais pas revenir sur tout ce qui a déjà été dit par mes collègues, mais ce qui est certain, c'est que ce rapport, en tout cas les extraits ou les éléments qui sont sortis dans la presse, met en avant des éléments préoccupants. Ces éléments ternissent l'image de la police, et c'est un dommage qui est difficilement réversible. En effet, c'est très compliqué à expliquer à la population, malgré toutes les mesures que l'on peut mettre en place. C'est aussi compliqué de revenir en arrière, et l'image de la police sera ternie par ce rapport.

Il est important de s'interroger sur sa méthodologie. Beaucoup de questions ont été posées depuis ce week-end à ce sujet. Vous aussi l'avez mise en avant. Est-ce qu'on parle de faits, de sentiments, de perceptions? Cela pose beaucoup de questions. Certains ont évoqué des faits ou des perceptions qui se seraient déroulés pendant toute leur carrière, donc par le passé. Cela pose une réelle question sur l'interprétation des résultats et sur l'utilisation que l'on peut en faire par la suite.

Hier, nous avons discuté de la possibilité d'organiser des auditions au sujet de ce rapport. J'ai demandé à pouvoir disposer de ce rapport. Il sera nécessaire de définir les modalités concrètes pour pouvoir en disposer, et qu'on puisse se faire une image concrète de ce qu'il dit, de ce qu'il raconte. Je souhaitais également vous entendre et, aujourd'hui, vous êtes devant nous pour répondre à nos premières questions.

Quel est l'état de ce rapport? Est-il validé, doit-il encore l'être? Y a-t-il encore une étape en la matière?

Quelle suite y sera donnée? Vous avez évoqué ce matin le lancement d'un audit externe. Qui va réaliser cet audit, dans quel timing sera-t-il réalisé, quels seront les moyens qui seront consacrés pour pouvoir le réaliser dans les temps?

Enfin, qu'en est-il du projet de loi de screening régulier tout au long de la carrière des policiers? Actuellement, ce screening n'existe qu'en début de carrière, et je pense que c'est important de pouvoir assurer ce suivi tout au long de la carrière des policiers.

Julien Ribaudo:

Monsieur le ministre, je vous ai lu dans la presse ce matin et, comme vous, nous pensons que les citoyens et les citoyennes doivent pouvoir compter sur une police intègre en tout temps et en tout lieu. Comme vous, nous croyons qu’il faut tendre vers un risque zéro en matière de corruption. Je prends donc acte positivement de votre volonté, annoncée ce matin dans la presse, de lancer une enquête indépendante, approfondie, scientifique et à court terme.

Cependant, là où nous divergeons, c’est lorsque vous affirmez: "Je n’accepterai jamais que l’image de la police soit ternie". En réalité, cette phrase pourrait laisser entendre que ceux qui ont tiré la sonnette d’alarme chercheraient à nuire à la police, que ce rapport viserait à ternir son image, alors que c’est tout l’inverse. Les agents intègres demandent que la lumière soit faite, et il s’agit ici de la grande majorité des policiers.

Nous ne pouvons ignorer que le rapport CORESPO a été complété jusqu’au bout par plus de 1 200 agents, soit 27 % des effectifs à l’époque, ce qui est loin d’être marginal. Ce que nous avons lu dans la presse ce week-end n’a rien d’une fiction: il est question d’informations sensibles transmises à des criminels, de pressions politiques ou judiciaires pour stopper une enquête, de rencontres douteuses avec d’anciens détenus ainsi que de lanceurs d’alerte rétrogradés, intimidés ou même poussés vers la sortie. Tout cela constituerait des dysfonctionnements graves.

La question centrale n’est donc pas l’image de la police, mais bien la lutte contre la corruption, la protection des agents qui dénoncent des pratiques illégitimes et la lutte contre le crime organisé, y compris lorsqu’il infiltre nos institutions. Si nous n’agissons pas, qui protégera ceux qui nous protègent? Et comment garantir – comme vous l’avez mentionné dans la presse – que les citoyens et les citoyennes peuvent compter sur la police en tout temps et en tout lieu?

Dès lors, monsieur le ministre, pouvez-vous nous fournir le rapport ou demander à ce qu’il soit communiqué? Que comptez-vous faire concrètement des recommandations déjà formulées dans le rapport CORESPO? Entendez-vous faire la lumière sur tous les cas qui y sont cités? Enfin, vous avez évoqué une enquête à court terme. Quels en seraient le calendrier, les étapes et les garanties d’indépendance?

François De Smet:

Monsieur le ministre, je tiens tout d’abord à souligner l’importance de l’existence d’un service intégrité au sein de la police et à saluer la production d’un tel rapport. Cela démontre qu’il existe un véritable contrôle interne et une prise de conscience face aux phénomènes de corruption. À titre de comparaison, au Parlement fédéral, il m’est difficile d’obtenir ne serait-ce qu’une modification du Règlement visant à instaurer la transparence sur les voyages des parlementaires. Dans ce contexte, tout "thermomètre" est précieux!

Le problème, c'est que les humbles mortels que nous sommes n'ont pas accès à ce rapport. Par conséquent, tout ce que nous savons émane de la presse et ce qu'elle nous en dit, c'est qu'il s'agit d'un sondage concernant 1 776 collaborateurs de la police judiciaire. Vous avez évoqué un souci de méthode et d'échantillonnage. Personnellement, je trouve que 1 800 personnes représentent un échantillon non négligeable. Même si l’on peut discuter de la méthodologie employée, il n’en demeure pas moins que nous connaissons la puissance financière et la capacité de corruption des adversaires auxquels nous faisons face, en particulier le narcotrafic

C’est pourquoi j’estime qu’il faut prendre très au sérieux le contenu de ce rapport, tant en matière d’éthique que de perméabilité aux influences extérieures. Lorsqu'on y lit effectivement que près d'un tiers des policiers interrogés déclarent avoir déjà décelé des éléments de corruption au sein de leur organisation, que 36 % des sondés ont déclaré avoir reçu des demandes inappropriées, que 30 % ont constaté une ingérence illicite, etc., cela ne peut être considéré comme anecdotique.

Que les choses soient claires! Je n'ai aucun doute sur l'intégrité de l'écrasante majorité de nos agents. Mais justement, et notamment pour ces pommes qui ne sont pas pourries, il faut d'urgence clarifier le statut de ce rapport, et surtout, la véracité des allégations qu'il contient. Nous avons tous entendu votre annonce d'une enquête indépendante. Très bien! Mais quelle place entendez-vous donner au Comité P dans ce processus, dont c’est a priori la mission première, même si son intervention ne sera pas suffisante?

Monsieur le ministre, compte tenu du fait que ce document soulève des questions fondamentales sur l'intégrité et la démocratie, seriez-vous d'accord de le transmettre le plus rapidement possible aux membres de la Chambre? Quelles suites judiciaires précises ont-elles été données à ce jour? Le rapport d'audit sur la méthodologie a-t-il aussi pour objectif de vérifier si des cas de corruption ou d'illégalité ont été transmis aux autorités judiciaires? É tant donné que la police fédérale a indiqué que 10 dossiers disciplinaires ont été ouverts depuis 2020, dont quatre ont conduit à des sanctions, les 10 dossiers concernent-ils spécifiquement les cas soulevés dans le cadre de l'enquête CORESPO sur la corruption?

Rajae Maouane:

Monsieur le ministre, tant vous que moi le disons souvent: pour que la police soit respectée, elle doit être respectable. Les révélations de ce rapport interne CORESPO, élaboré avec la participation d'un nombre significatif d'agents fédéraux, confirme qu'il y a des problèmes très graves au sein de la police fédérale. On parle de trafic d'influence, de transmission de dossiers à des proches, de pressions politiques sur des enquêtes. Ces constats très inquiétants mettent en danger l'intégrité de nos services et les fondements de notre État de droit. Il y a même un témoignage anonyme qui évoque l'ingérence d'une personnalité politique liée à un club de football local, qui chercherait à faire stopper une enquête. Même si nous avons tous très envie de savoir qui c'est, nous n'allons pas jouer aux devinettes avec vous, monsieur le ministre.

Pire encore, de nombreux policiers dénoncent le manque de suivi des signalements et la stigmatisation des lanceurs d'alerte. Il s'agit d'une atteinte directe à l'indépendance de la police, qui est un pilier fondamental de l'État de droit. Si ces faits sont avérés, monsieur le ministre, ce ne sont pas seulement des dysfonctionnements internes, mais un déni du principe de justice.

Face à ces éléments, mon collègue M. Vandemaele a demandé au nom de notre groupe l'organisation d'auditions parlementaires pour pouvoir vous entendre, mais aussi entendre les hauts responsables de la police fédérale. Vous avez contesté la méthodologie du rapport et avez refusé de le transmettre au Parlement, tout en indiquant que vous en aviez tiré des enseignements. Je m'interroge sur un tel refus, surtout quand on voit que ces allégations sont très graves et que nous sommes face à un enjeu de taille pour la démocratie. Il nous faut agir avec la plus grande transparence.

Monsieur le ministre, pouvez-vous nous expliquer précisément les raisons de votre refus quant à la transmission de ce rapport, alors que vous affirmez en avoir tiré des enseignements opérationnels et que la gravité des faits justifie le contrôle démocratique parlementaire? Pourquoi vous opposez-vous à la tenue d'auditions parlementaires demandées par mon collègue?

Pouvez-vous nous garantir qu'aucune pression politique n'a été exercée sur la police judiciaire dans les faits évoqués? Dans le cas contraire, quelles mesures concrètes comptez-vous prendre pour en identifier les auteurs et les sanctionner?

Seriez-vous prêt à soutenir un audit externe indépendant, voire la mise en place d'une commission d'enquête parlementaire pour faire toute la lumière sur ces pratiques?

Éric Thiébaut:

Monsieur le ministre, comme la plupart d'entre nous et des citoyens qui suivent l'actualité, j'ai évidemment été interpellé par ce que j'ai lu dans la presse. La corruption dans les services de police est quelque chose de totalement inacceptable, à plus forte raison dans les services qui touchent à la sécurité des citoyens. À l'instar d'autres intervenants, je n'ai toujours pas pu consulter ce rapport, mais un collègue en détient un exemplaire. Par conséquent, je présume que cela ne posera pas de problèmes que nous le recevions tous. À partir du moment où un collègue possède ce document et que des extraits sont publiés dans la presse, a priori, en prendre connaissance ne devrait plus poser de difficultés.

Les faits relatés sont catastrophiques pour la police. Tout comme mon collègue De Smet, j'estime rassurant qu'un service Intégrité existe au sein de nos services de police. La question à se poser est pourquoi un parfum de scandale se diffuse-t-il dans la presse, alors qu'un rapport a été préparé et que l'enquête en question est une initiative prise par les services. Rien ne dit, jusqu'à preuve du contraire, qu'on voulait dissimuler ce rapport. On nous dit simplement qu'il n'était pas encore achevé. Dès lors, j'aimerais savoir s'il y a eu une volonté quelconque de dissimuler des choses ou si, tout simplement, le rapport n'était pas encore prêt à être diffusé. La publication de ces informations témoigne-t-elle d'une volonté de nuire à la police? Des éléments en interne ne cherchent-ils pas à nuire à la structure policière fédérale? C'est une question que je me pose.

Ce matin, une journaliste m'a appelé au sujet de la présente réunion. Une de ses questions m'a interloqué: "Monsieur le député, avez-vous encore confiance en notre police, étant donné que nous avons recueilli trois témoignages négatifs?" Non, mais vous imaginez! Vous pouvez donc concevoir l'effet produit par cet article.

Finalement, face à tout soupçon de corruption, nous disposons d’un instrument institutionnel: le Comité P, placé directement sous l’autorité du Parlement. Il me paraît donc souhaitable de le saisir afin de vérifier s’il existe déjà des enquêtes en cours concernant le contenu de ce rapport, et d’évaluer si le Comité P doit se voir confier une mission supplémentaire.

Par ailleurs, vous êtes le premier policier du Royaume. Maintenant, la balle est dans votre camp. Il vous appartient de redresser l'image de la police et de faire toute la clarté sur cette affaire.

Brent Meuleman:

Mijnheer de minister, ik wil om te beginnen mijn steun uitspreken voor de politiemensen. Ik zie dagelijks op het terrein welke bergen werk zij verzetten, met welke inzet ze aan de slag gaan en met hoeveel sérieux en integriteit ze elke dag hun taken uitvoeren. Daarom wil ik mijn expliciete steun en waardering uitspreken voor al die plichtsbewuste agenten die dagelijks instaan voor ieders veiligheid. Zij zijn de norm, zij zijn de standaard, dat wil ik uitdrukkelijk benadrukken.

De uitzonderingen bestaan helaas ook, en die realiteit maakt mij bijzonder verontwaardigd en zelfs kwaad. Er is hier al meermaals verwezen naar het CORESPO-rapport. Uit die bevraging bij 1.200 leden blijkt dat bijna een op de drie respondenten tijdens zijn loopbaan getuige is geweest van onrechtmatige inmenging in dossiers. De aard van die getuigenissen is bijzonder ernstig. Het gaat verder dan louter externe druk.

Wat mij nog het meest zorgen baart, is de geschetste cultuur van straffeloosheid en stilzwijgen. Er zouden leidinggevenden zijn die de instructie geven om een oogje dicht te knijpen, terwijl meldingen van integere agenten vaak zonder gevolg blijven. Dat creëert de perceptie dat integriteitsschendingen worden getolereerd, wat me bijzonder verontwaardigt.

Daarbovenop komen nog de signalen van beïnvloeding en inmenging. Die signalen moeten we zeer ernstig nemen, mijnheer de minister. Hoewel de federale politie kritiek uit op de methodologie, stellen experts dat de omvang en aard van de meldingen onmiskenbaar wijzen op een structureel probleem.

Hebt u het rapport gelezen en bent u het eens met de analyse van de experts? Zult u het rapport overhandigen aan de leden van deze commissie of ervoor zorgen dat we inzage krijgen in dat rapport? Hoe verklaart u dat een derde van de agenten die intern misbruik melden, ontevreden zijn over de opvolging daarvan? Wat wilt u daaraan doen?

Ik wil ook mijn laatste vraag stellen, omdat die bijzonder belangrijk is. Het vertrouwen is kwetsbaar, mijnheer de minister. Eerdere hoorzittingen hebben dat hier al aangetoond. Acht u de organisatie zelfredzaam genoeg om het tij te keren? Welke visie hebt u daarop?

Bernard Quintin:

Je remercie l'ensemble des participants à ce débat d'actualité pour leurs nombreuses questions, qui démontrent à quel point la corruption est un fléau qu'il faut endiguer, y compris et singulièrement au sein de la police et de la police fédérale. Elle n'y a pas sa place, et sous mon empire, elle ne l'aura jamais.

Corruptie is een plaag die moet worden ingedamd, ook bij de federale politie. Laat ik duidelijk zijn: er is hoegenaamd geen plaats voor corruptie bij de politie.

Comme l'a déjà fait le commissaire général lors des auditions qui se sont tenues ici en juin et en septembre, il convient d'emblée d'apporter à nouveau certaines précisions quant à ce dossier CORESPO.

Tout d'abord, que signifie ce terme et que vise-t-il? CORESPO signifie Corporate Responsability of Police et vise, dans le cadre de la politique d'intégrité élargie de la police en général, à déterminer des indicateurs de risque et non des constats au sens juridique ou disciplinaire.

Ce processus a été intégré en interne de la police en 2022 sous le mandat de ma prédécesseure, la ministre de l'Intérieur de l'époque, et dont, je le rappelle, le fonctionnement de la police judiciaire fédérale dépend aussi, dans sa fonction actuelle de ministre de la Justice.

Un rapport CORESPO vise à cartographier les zones de risques éthiques potentiels et non à réaliser un audit de comportement ou une évaluation du bien-être au sens classique ni une déclaration ou plainte individuelle.

Pour cette dernière, il existe d'autres canaux et procédures spécifiques. J'y reviendrai tout à l'heure. Il existe plusieurs enquêtes CORESPO, au sujet desquelles de nombreuses questions parlementaires, tant écrites qu'orales, m'ont été adressées. Il s'agit de CORESPO Respect DGJ, CORESPO Corruption DGJ et plus récemment, CORESPO Respect DGA.

Il importe de rappeler le contexte global de lancement de ces enquêtes qui était les suites de l'affaire Sky ECC. La police n'a pas attendu. Elle s'est emparée directement de problématiques qui pouvaient survenir sur les lieux de pouvoir de notre société pour réaliser un diagnostic complet sur les risques existant au sein de sa propre organisation, ce qui pourrait inspirer d'autres secteurs. Cela me permet de remettre les choses dans le bon ordre, dossier par dossier.

Je m'excuse déjà auprès du président, car je dépasserai probablement les cinq minutes qui me sont allouées!

En ce qui concerne CORESPO Respect DGJ, le questionnaire a été adressé au personnel de la police judiciaire en mars 2023. Il portait sur des expériences concrètes ou perçues concernant des remarques des migrants, des conflits, des discriminations, des comportements inappropriés, de la charge de travail, etc.

Het eindrapport met betrekking tot respect van DGJ werd op 9 april 2025 aan de vakorganisaties voorgesteld. Op basis van dat rapport werd bij DGJ een concreet actieplan uitgewerkt, dat op 18 juni 2025 aan de vakorganisaties werd voorgelegd en een positief advies kreeg van twee vakorganisaties. Het actieplan steunt op concrete acht pijlers: ontwikkeling van een cultuur van respect, nultolerantie voor ongepast gedrag, erkenning van medewerkers, rechtvaardigheid en onpartijdigheid, onboarding en integratie, conflictbeheer, competentie en opleidingstrajecten, ethisch leiderschap en preventie van stress.

De implementatie van het actieplan verloopt gefaseerd, met in het derde kwartaal van 2025 communicatie en sensibilisering. Tussen oktober 2025 en juni 2026 worden structurele acties geïmplementeerd. Vanaf 2026 volgt dan opvolging en bijsturing via trimestriële monitoring. Volgens die planning zullen eerste conclusies kunnen worden getrokken over de uitvoering van het plan. Ik verwacht uiteraard van de federale politie dat zij mij de resultaten zo snel mogelijk voorlegt, met de vereiste ernst en nauwkeurigheid.

Misschien moeten we daarin een teken zien. Een positieve kant van de zaak is wellicht dat we leven in een tijdperk waarin men niet langer terugdeinst om gedragingen die het welzijn op het werk aantasten, aan te klagen.

II a beaucoup été question, ces derniers jours dans l'actualité, de méthodologie et, surtout, de l'efficacité de cette dernière quant à la collecte de données. De toute évidence, cette méthodologie a fonctionné pour le rapport CORESPO Respect DGJ, ce qui en a permis l'exportation et l'exploitation avec le plan d'action que je viens de mentionner.

Force est de constater que, selon la police, il n'en a pas été de même avec CORESPO Corruption DGJ.

Ik herinner eraan dat ik op 19 november jongstleden aanwezig was in de commissievergadering om mondelinge vragen te beantwoorden. De heer Matti Vandemaele had mij laten weten dat hij niet zou kunnen blijven om zijn mondelinge vraag over CORESPO te stellen. Zoals gebruikelijk in een dergelijke situatie heb ik hem daarom schriftelijk het antwoord bezorgd dat ik hem mondeling zou hebben gegeven. Velen onder u hebben mij nadien de vraag gesteld of ik al dan niet over het rapport beschikte. Zoals ik straks opnieuw zal toelichten, heb ik niets te verbergen. De federale politie heeft mijn kabinet het niet-goedgekeurde ontwerprapport in het kader van de voorbereiding van een antwoord op dezelfde mondelinge vraag van volksvertegenwoordiger Vandemaele bezorgd.

Les mots ont un sens! Et c'est dans cette réponse, jusqu'ici non publiée sur aucun canal officiel de la Chambre, que j'ai précisé qu'à l'heure actuelle, et bien évidemment selon la police fédérale, les conclusions de ce rapport ne sont ni exportables ni exploitables. Je le répète donc, selon la police fédérale, à l'heure actuelle, les conclusions de ce rapport ne sont ni exportables ni exploitables.

Par conclusions "exportables", on entend qu'au moyen d'un questionnaire en ligne, des données brutes sont collectées et c'est l'interprétation de cette collecte qui permet de dégager des tendances et des résultats concrets. Par "exploitables", on entend la traduction de ces résultats au travers d'un plan d'action, dont acte à la suite du rapport CORESPO Respect DGJ. Mais il aurait fallu pour cela qu'il en fût autant pour le rapport CORESPO Corruption DGJ, à savoir une quantité suffisante de données exportables et exploitables, ce qui n'a, selon la police, pas été le cas.

En matière de chiffres, j'aimerais en clarifier certains. Selon les informations qui m'ont été transmises par la police fédérale, il ressort que sur environ 4 500 membres du personnel de la direction générale judiciaire, 3 670 ont été consultés et un peu plus de 1 200 ont répondu à l'enquête complète, soit un tiers.

Sur ce tiers du personnel de la DGJ qui a été consulté, environ 30 %, selon la police, ont constaté au cours de l'ensemble de leur carrière, des comportements à risque en matière de corruption. Je me permets d'insister sur "l'ensemble de la carrière"! Les cas évoqués ne concernaient donc pas uniquement l'expérience des agents de la DGJ, mais tout leur parcours professionnel au sein de la police fédérale ou locale, le cas échéant.

Mijnheer Vandemaele, u verklaarde op de VRT het volgende. Ik citeer: "Het gaat natuurlijk niet over het feit dat een op drie corrupt zou zijn. Het gaat erover dat een op drie zegt: ik heb het gezien." Dames en heren volksvertegenwoordigers, het klopt niet dat 30 % van ons volledige politiekorps corrupt zou zijn, zoals sommigen – ik spreek niet van leden hier – hebben laten uitschijnen.

Voorts merkt u het volgende op: "Ik denk wel dat de federale politie een existentiële crisis aan het doormaken is. Men probeert dat opnieuw in de doofpot te stoppen." Dat zijn onterechte en goedkope beschuldigingen. Ik pik ze niet. Laat dat duidelijk zijn.

Notre police, je vous le rappelle, compte 50 000 membres. L’immense majorité de ces agentes et agents accomplissent leur travail quotidien avec une probité totale et un sens du devoir admirable, comme vous l’avez toutes et tous d’ailleurs souligné dans vos interventions et vos questions.

Celles et ceux qui colportent des données inexactes viennent donc un peu plus cultiver le désamour entre ceux qui nous protègent et ceux qu’ils protègent, parfois au péril de leur vie.

Cela étant dit, c’est le manque de données suffisamment exploitables qui a conduit la police fédérale à ne pas valider définitivement l’enquête. C’est précisément pour cette raison qu’elle a déjà annoncé le lancement, dans les plus brefs délais, d’un audit sur la méthodologie qu'elle a utilisée, comme le commissaire général l’avait d’ailleurs annoncé ici en septembre. Les résultats de cet audit sont attendus début 2026.

In antwoord op uw vraag om het rapport ter beschikking te stellen, kan ik het volgende meedelen. Ik heb er geen probleem mee dat het rapport wordt gedeeld. Ik heb niets te verbergen. Mijnheer de voorzitter, ik stel dus voor dat u de praktische afspraken voor de terbeschikkingstelling van het rapport samen met de federale politie bekijkt.

Je souhaite cependant sortir de ce débat sur la méthodologie et les chiffres, car je veux ici être très clair, comme j’ai déjà eu l’occasion de l’être ce matin. Chaque cas de corruption au sein de la police fédérale est un cas de trop. Cette enquête CORESPO sur la corruption et les problèmes méthodologiques qu’elle a rencontrés ne signifient en rien que la lutte contre la corruption doit être abandonnée, bien au contraire.

Ik wil nogmaals beklemtonen dat er voor elk geval dat aanleiding kan geven tot tuchtprocedures, reeds specifieke interne procedures bij de politie bestaan. Ik kan u bovendien meedelen dat er, naast externe meldkanalen, zoals het comité P, in mei 2025 onder mijn mandaat ook een nieuw intern meldkanaal werd gelanceerd door de federale politie. Ik maak van de gelegenheid gebruik om eraan te herinneren dat elke politiepersoon en elke ambtenaar verplicht is feiten van corruptie te melden, zodra hij of zij daarvan kennis krijgt, overeenkomstig artikel 29 van het Wetboek van strafvordering.

Je peux vous confirmer, selon les informations dont je dispose de la police, qu'aucun cas n'a été à ce jour signalé via cette nouvelle procédure et que l'existence même de ce canal a été rappelée ce lundi dans une communication au personnel. Mais je tiens également à signaler que depuis 2019 dix dossiers disciplinaires ont concerné des cas liés à des faits de corruption. Quant aux éventuelles poursuites pénales, celles-ci relèvent, comme vous le savez, du pouvoir judiciaire et je n'ai pas à me prononcer là-dessus. Je vous invite à interroger la ministre compétente à ce propos.

Mesdames et messieurs les députés, comme vous pourrez le relire tant au sein de mon exposé d'orientation politique qu'au sein de ma note de politique générale, j'ai fait de l'intégrité de la police un élément central de mon action en insistant quotidiennement auprès de celle-ci. Chaque cas doit être traité avec un sérieux total et je m'y emploie depuis 11 mois, en me basant sur la situation dont j'ai hérité.

J'ai déjà exprimé à moult reprises ma volonté d'une police respectueuse, respectable et respectée. Cette ambition de lutter contre la corruption est partagée par la police fédérale et traduite de manière concrète dans le plan pluriannuel Intégrité ainsi que dans son plan stratégique et, comme cela a été rappelé, par le simple fait qu'il existe une cellule Intégrité au sein de la police fédérale. Ces plans servent de fil conducteur à l'ensemble de la police intégrée pour faire vivre les valeurs de respect, d'exemplarité et de professionnalisme dans toutes les fonctions. Ce travail est mené au quotidien au sein de la DGJ, tant par le biais des initiatives existantes que par celui de nouvelles initiatives à venir.

Onder mijn impuls zullen we ook werkzaamheden opstarten die tot doel hebben een permanente screening van de personeelsleden gedurende hun volledige loopbaan uit te voeren.

Hoe dan ook begrijp ik dat de in de pers gepubliceerde getuigenissen sommige leden van de assemblee, net als het brede publiek en uiteraard ook mijzelf, beroerden. Het onderzoek was een positief initiatief. Het doel ervan was en blijft lovenswaardig, maar de praktische uitvoering ervan schoot tekort op het vlak van de methodologie, waardoor het meer vragen dan antwoorden opriep.

Mesdames et messieurs les députés, je n'accepterai jamais que l'image de notre police soit ternie – non en cachant les faits, mais en faisant la lumière. C'est pourquoi, à côté de l'audit sur la méthodologie CORESPO que le commissaire général a entrepris, je lui ai donné instruction d'ouvrir une enquête indépendante, exhaustive et scientifique visant à déceler les risques systémiques en rapport avec la corruption que peut encourir la DGJ. Je voudrais insister sur ce point. L'objectif de cette enquête doit être de découvrir les problèmes systémiques. Dans cette commission, il a été question de résilience. C'est pourquoi je pense qu'il importe aussi d'en parler au sein de la police. Il ne s'agit pas ici de mener une enquête sur des cas particuliers de corruption. Cela appartient aux structures disciplinaires et, surtout, judiciaires. Chacun doit accomplir son travail. À ce titre, je rappelle que tout fonctionnaire, singulièrement un fonctionnaire de police, est tenu de respecter l'article 29 du Code pénal: s'il a connaissance de faits délictueux ou criminels, il est tenu par la loi, qu'il est censé faire respecter, de les dénoncer. Il s'agit donc, en l'occurrence, de disposer d'une étude qui protège la police contre les risques systémiques de corruption.

Comme vous l'avez dit, la corruption existe dans notre société. Ne faisons pas semblant de la découvrir à travers quelques articles de presse, s'il vous plaît. Nous avons des enquêteurs, en particulier à la DGJ, qui sont évidemment, encore plus que d'autres, de possibles victimes de cette corruption. Donc, il faut les protéger. C'est ce que je veux faire et c'est la raison pour laquelle je veux recourir à la bonne méthodologie. Je ne veux pas qu'on ternisse l'image de la police avec des à-peu-près, d'où qu'ils viennent. Je suis très clair sur ce point.

Cette enquête indépendante devra être menée dans les plus bref délais. Sur la base des résultats qu'elle produira, nous prendrons des mesures supplémentaires avec la ministre de la Justice, afin de tendre vers un risque zéro en matière de corruption. Après vous avoir entendus, je pense pouvoir dire que c'est une volonté que nous partageons tous ici.

J'ajouterai encore un petit mot au sujet du Comité P. Oui, il a évidemment un rôle à jouer. Toutefois, sans chercher à en diminuer les mérites, je ne suis pas certain qu'il ait la capacité, même physique, de mener cette enquête sur les risques systémiques. De toute façon, il ne m'appartient pas de le dire. En effet, vous le savez mieux que moi: c'est vous, le Parlement, qui pouvez l'activer.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de voorzitter, ik vermoed dat we iets meer spreektijd krijgen, aangezien de minister ook langer heeft gesproken.

Voorzitter:

Die discussie zullen we niet voeren. Ik bepaal wie aan het woord komt, maar de spreektijden zijn reglementair vastgelegd voor parlementsleden. Zij krijgen 2 minuten voor het stellen van hun vraag en 2 minuten voor hun repliek. Uiteraard kan ik het antwoord van de minister moeilijk beperken, want dan zou u kwaad zijn, omdat u geen antwoord krijgt. Mijnheer Vandemaele, u hebt 2 minuten.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, ik ben blij dat u toch een bochtje maakt. Ik blijf evenwel benieuwd wie het onafhankelijk onderzoek zal uitvoeren, want dat is me niet zo duidelijk.

Ik maak me oprecht zorgen over de top van de federale politie. Ik laat me vertellen dat iemand uit de beleidscel van de commissaris-generaal boven de dienst Integriteit is geplaatst om te controleren dat er niets meer naar buiten komt dat niet in orde is. Dat hoor ik zeggen.

Ik hoor ook dat het rapport in juni klaar was en intern eveneens in juni werd verspreid. Wie beweert dat het om een voorlopig rapport gaat, verkondigt dus onwaarheden. Het onderzoek zal dat evenwel duidelijk maken.

Voor mij is het bijzonder belangrijk dat de mensen die aan het rapport hebben meegewerkt, worden beschermd. Ook mensen die in het rapport aangeven dat ze zijn gestraft, omdat ze corruptie hebben gemeld, moeten echt worden beschermd. Er moeten op individueel niveau acties volgen om recht te zetten wat daar fout is gelopen. Ook wie heeft meegewerkt aan het rapport, moet worden beschermd, want ik heb de indruk dat de politietop niet in de juiste richting meegaat.

Dat we het rapport zelf zullen ontvangen, stemt me tevreden. Tot nu toe hebben we slechts een rapport ontvangen; we moeten de twee of drie rapporten die klaar zijn, krijgen, inclusief de bijlagen. Dat gaat immers telkens over 100 tot 150 pagina’s extra informatie, die zeer nuttig is om te lezen. Ik hoop dus dat u daarvoor eveneens uw steun kunt uitspreken.

Ik rond af. U probeert mij in de hoek te duwen van degenen die de politie zouden willen beschadigen. Dat pik ik niet en ik zal u uitleggen waarom. Ik word door zeer veel politieagenten aangesproken, allemaal integere mensen die zeggen dat de aanpak van corruptie voor hen uiterst belangrijk is en dat, als er in hun organisatie 1, 2 of 3 % politieagenten niet loyaal is aan de missie en wel corrupt is, dan schaadt die minderheid het imago van de hele politie. Ik kom dus op voor de agenten die hun werk naar behoren doen.

Maaike De Vreese:

Mijnheer de minister, in eerste instantie ben ik blij dat wij inzage krijgen in het rapport. Ik verneem dat er ook veel bijlagen zijn. Het is logisch dat we ook die bijlagen kunnen inkijken, ook al weet ik niet welke informatie ze precies bevatten.

Comité P moet zijn rol kunnen spelen. In de begeleidingscommissie moeten we dat bespreken. Als mensen de moed bij elkaar rapen om corruptie waarbij eventueel leidinggevenden betrokken zijn, te melden, dan moeten ze dat kunnen doen via een goede procedure, onderbouwd met de nodige bescherming, zodat ze zich veilig voelen. Dat moeten we bekijken. Ik lees dat het rapport ook veel kwalitatieve informatie bevat.

Ik ga ermee akkoord dat men de methodologie toetst, maar tegelijk mag men het kind niet met het badwater weggooien. Het rapport bevat veel informatie. Moeten we het rapport dan helemaal overdoen? Mensen die gewoon zijn dat soort van onderzoeken te verrichten en dergelijke bevragingen uit te voeren, hebben er uren werk aan besteed. Het is dus belangrijk om het geleverde werk te bekijken en in zijn context te plaatsen. Wellicht bezorgt u ons daarover binnenkort meer informatie.

Agenten mogen geen schrik hebben om zaken te melden. Niet alleen opvolging en feedback zijn nodig, maar ook communicatie door bijvoorbeeld een commissaris-generaal die op de hoogte is van een rapport.

De informatie is onmiddellijk n de pers verschenen en de schade is moeilijk te herstellen, maar een externe audit moet een en ander in zijn context plaatsen. Mijnheer de minister, wij hebben geen tijdschema gekregen van de externe audit. Hopelijk kunt u ons daar snel uitsluitsel over geven.

Catherine Delcourt:

Merci pour vos clarifications, monsieur le ministre.

Votre mise au point était nécessaire. Les policiers exercent un métier exigeant. Il n'y a pas de doute qu'ils le fassent d'une manière intègre, honnête, irréprochable. Ils sont dignes de notre confiance à quelques exceptions près. Il faut, pour ces exceptions, traiter fermement le mal à la racine, systématiquement. La lutte contre la corruption à tous les niveaux au sein de la police doit être une priorité. Les signalements doivent être suivis de faits. Vous y travaillez sans relâche, il ne peut en être autrement.

J'ai bien compris que cette polémique est née de deux documents dont le collègue Ecolo-Groen Vandemaele fut le seul à disposer. La réponse que vous lui avez fournie en mains propres et le rapport obtenu par on ne sait quel canal parallèle sont pour moi une drôle de conception de la démocratie parlementaire et de la notion d'intégrité. La méthode pose question, surtout au vu du sujet traité ici. Je vous remercie d'accepter de mettre le dossier à notre disposition. Néanmoins, la méthodologie utilisée présente en effet des limites. Ce sont dès lors des conclusions issues d'un projet de rapport qui n'est pas exploitable en l'état, et qui ont été tirées à la hâte avant d'être rendues publiques. C'est inacceptable. L'image de la police ne peut pas être ternie de cette façon, sur la base de méthodes de travail que je qualifierais de douteuses. C'est pourquoi je salue votre initiative de lancer, à court terme, une enquête indépendante, approfondie et scientifique. Je vous soutiens, monsieur le ministre, je soutiens notre police et attends les résultats avec beaucoup d'intérêt.

Franky Demon:

Mijnheer de minister, voor mij is het belangrijk dat het betreffende onderzoek vanuit het onafhankelijke CG van de federale politie gestart is. Wij, u en de ministerraad moeten dat stuk dan ook van op een afstand en volledig objectief bekijken.

Het betreft een initiatief van de federale politie en het is aan ons om dat met de nodige afstand correct te interpreteren. Ik voel mij dus niet degene die nu moet beschermen of degene die nu moet veroordelen. Het is aan ons, maar ook aan u en aan alle ministers, om het rapport dat er nu ligt, evenals een volgend rapport, van op afstand te bekijken. Het is uiteindelijk de top van de federale politie zelf, die het rapport besteld heeft Wij moeten daar als politici niet bang van zijn; wij moeten het durven te interpreteren.

Ik ben wel zeer tevreden met uw verklaring dat u nauwlettend zult waken over de verdere uitrol van de permanente veiligheidsscreening gedurende de loopbaan van politiemedewerkers. Dat moeten we scherp in de gaten houden. U krijgt daarvoor mijn complimenten en mijn volledige steun.

Ten slotte, al bijna een jaar geleden vroegen wij hoe ver het stond met de tuchtwet voor de politie. Dat aspect zit ook deels in het onderzoek vervat. Wanneer we straks onder andere de beleidsplannen bespreken, moeten we wel duidelijkheid hebben over de timing ter zake.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, ten eerste hebt u zich persoonlijk tot mij en tot de commissie gericht met de vraag om het rapport op te vragen. Dat is gisteren gebeurd. Naar aanleiding van de regeling van de werkzaamheden en de organisatie van eventuele hoorzittingen in onze commissie heb ik gisteren al een brief gericht aan de commissaris-generaal om het rapport effectief ter beschikking te stellen van het Parlement en van de leden van de commissie.

Ten tweede klopt u zich nogal op de borst met het nieuwe orgaan dat u in juni bij de federale politie hebt opgericht, namelijk het interne meldkanaal. Ik wil u daarover toch even met de neus op de feiten drukken. Ik geef u even mee wat ACV Politie, de vakorganisatie waarnaar u zelf verwijst, daarover zegt.

Verwijzend naar het rapport zegt de organisatie: "Deze cijfers bewijzen niet dat de werkvloer verrot is, maar dat onze mensen alert zijn. Het echte probleem is dat hun meldingen te vaak sterven in een bureaulade, om negatieve publiciteit te vermijden. Zo gaven drie op de tien deelnemers aan dat ze ontevreden zijn over de opvolging van meldingen.”

Dat is hetgeen ik bedoelde met mijn stelling dat men bij een interne evaluatie soms op muren botst. Die muren moeten dringend worden afgebroken. Daarom ben ik zeer verheugd dat u ons voorstel van enkele maanden geleden hebt overgenomen en nu eindelijk een onafhankelijk onderzoek hebt bevolen.

U doet uw werk en het Parlement moet zijn werk doen. Ik ben er dan ook zeker van dat we de kwestie in onze commissie nader zullen bespreken, via hoorzittingen. Ik hoop ook op volledige transparantie van u en van de commissaris-generaal in het dossier. Het moet immers inderdaad de bedoeling zijn – dat is ongetwijfeld eenieders doel hier – om een integere en betrouwbare politie op de been te brengen. Ik dank u alvast daarvoor.

Xavier Dubois:

Merci d'avoir rappelé l'historique du dossier. Il est important de rappeler qu'il s'agit d'un rapport interne du service Intégrité, ce qui prouve la maturité de l'organisation. Je ne suis pas sûr que ce soit le cas de tous les services publics, qui peuvent aussi être concernés par des risques de corruption.

Vous avez rappelé que l'enquête vise à identifier des risques qui sont basés sur des perceptions, et non pas des faits. Vous avez précisé que cette enquête porte sur des perceptions tout le long de la carrière des agents qui ont répondu, ce qui permet de remettre en perspective les résultats mis en avant. La police affirme que les résultats ne sont pas directement exploitables.

Tout le monde est d'accord sur le fait qu'il faut agir. La police fédérale le fait, avec un audit interne sur la méthodologie. Vous le faites également, avec cet objectif d'enquête indépendante, scientifique, systémique, sur la problématique de la corruption. Nous avions demandé quels en seraient le moment, le timing, la méthodologie, et n'avons pas encore reçu de réponses à ce sujet. Il serait important de les avoir rapidement pour savoir à quel planning nous devrons faire face. Nous serons attentifs aux résultats de cette enquête.

Merci d'avoir confirmé que ce rapport sera transmis. Il est important que nous puissions l'avoir rapidement. La transparence est, à ce sujet, nécessaire et évidente.

Concernant le projet de loi sur le screening , j'entends qu'il est au programme. Je pense qu'il faut avancer rapidement à ce sujet. Nous avons déposé une proposition de loi en ce sens et ce serait une très bonne chose que vous vous en inspiriez. Il faut agir, et vite. Il faut lutter contre la corruption, c'est une évidence. Et il faut rétablir la confiance dans notre police.

Julien Ribaudo:

Monsieur le ministre, vous avez parlé de votre empire, et je ne vous savais pas empereur. Plus sérieusement, la corruption n'a pas sa place dans la police ni dans notre société et, je le répète, nous n'avons aucun doute sur l'intégrité de la majorité des membres de la police fédérale.

Je vous remercie d'avoir accepté de partager avec nous le rapport et les annexes. On parle beaucoup de méthodologie, un peu comme pour noyer le poisson, mais rappelons les faits: ce rapport a été réalisé par le service Intégrité au sein de la police fédérale et a été complété par 23 % du personnel, donc presque un tiers, ce qui n'est pas marginal. Vous n'avez pas communiqué de calendrier précis pour l'audit, de sorte que je plaide pour qu'il soit réalisé au plus vite, afin que cela ne ralentisse pas le travail sur le contenu même du rapport. En effet, ce rapport nous offre une occasion unique de faire la clarté sur d'éventuels cas de corruption, de lutter contre les dysfonctionnements internes et, surtout, de protéger les agents qui dénoncent des pratiques potentiellement illégitimes. Je répète que nous avons confiance dans l'intégrité de la grande majorité des policiers.

Enfin, vous n'avez pas apporté de réponses claires sur le calendrier de l'enquête, sur les problèmes systémiques et sur les garanties d'indépendance. Nous continuerons donc à vous interroger sur le sujet car la corruption, vous l'avez dit, n'a pas sa place dans nos institutions.

François De Smet:

Merci monsieur le ministre pour vos réponses. Je note que nous recevrons le rapport et vous en remercie. Pour éviter tout flottement, je crois qu'il sera important de préciser les modalités, mais nous verrons cela avec la commission.

Deuxièmement, il subsiste un petit mystère. La police n'a pas validé le rapport parce que les données ne paraissaient ni exploitables ni exportables, vous avez d'ailleurs insisté sur ce point. Mais qu'a-t-il donc manqué pour rendre ce rapport exportable et exploitable? Pourquoi le travail n'a-t-il pas, au fond, été achevé? Nous nous retrouvons avec un rapport qui n'est pas abouti, et c'est sans doute ce côté inabouti qui a fait en sorte que ce rapport finisse par fuiter, parce que certaines personnes en interne ont dû considérer que cela n'allait pas. Dès lors, qu'aurait-il fallu en plus pour que ce rapport soit exploitable et exportable?

Enfin, vous avez répondu sur le comité P. Il ne lui appartient sans doute pas de mener des procédures systémiques, de sorte qu'il est logique que vous ayez confié cette mission au commissaire général. Par contre, le comité P peut mener des enquêtes individuelles. Dès lors, la moindre des choses serait qu'il reçoive le rapport, même avec toutes les réserves méthodologiques d'usage, afin de vérifier les faits qui y sont mentionnés. Certes, le comité P dépend de nous, le Parlement. Le plus simple serait que le commissaire général ou vous-même lui envoie le rapport directement. Sinon, nous voulons nous en charger une fois que vous nous l'aurez transmis. In fine, il faudrait qu'il puisse juger sur pièces si certaines allégations méritent d'être investiguées plus avant.

Rajae Maouane:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses. J'aimerais saluer votre ouverture sur la nécessité de partager les données, les enquêtes et les rapports. Je me joins au questionnement que vient d’exprimer M. De Smet. Effectivement, que manque-t-il pour que ce rapport soit "exploitable"? De la même manière, l’audit devrait être réalisé le plus rapidement possible afin que nous disposions d’un maximum d’informations.

Pour nous, il est essentiel de protéger les lanceurs d’alerte. Nous avons eu trop d’exemples où ces derniers ont été sanctionnés par la suite. Vous serez d’accord pour dire que la lutte contre la corruption ne doit pas se limiter aux citoyens et citoyennes, mais concerner aussi celles et ceux qui sont censés nous protéger. Nous ne pouvons pas continuer à fermer les yeux sur des pratiques qui sapent la confiance que les citoyens placent dans leurs institutions, et en particulier dans la police, surtout au vu des dernières actualités en matière de bavures policières. La confiance envers la police s’effrite.

Il est de la responsabilité de l’État et de votre ministère de garantir que nos forces de l’ordre soient irréprochables. Comme je l’ai dit, pour que la police soit respectée, elle doit être respectable. Il est donc inconcevable qu’un agent de police national soit confronté à des conditions de travail aussi précaires, avec des salaires indignes, contraint parfois de cumuler avec des flexi-jobs pour boucler la fin du mois. Ces situations sont compliquées, ont un impact direct sur l’efficacité, la qualité et l’éthique professionnelle de nos agents de police.

Lorsque nous aurons une police bien formée, protégée contre la corruption et correctement rémunérée, alors peut-être pourra-t-elle retrouver la confiance des citoyens et des citoyennes et se montrer irréprochable dans l’exercice de sa mission. Nous continuerons, évidemment, à suivre le dossier avec la plus grand attention.

Éric Thiébaut:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour tous ces éclaircissements. Je suis rassuré d’apprendre que nous allons pouvoir consulter et obtenir ce rapport. Il nous appartiendra de l’analyser en profondeur et, comme d’autres collègues l’ont souligné, de vérifier s’il contient des éléments qui méritent d’interpeller le comité P, par rapport à la gravité potentielle des faits qui y seraient dénoncés. C’est effectivement notre rôle, puisque le comité P dépend du Parlement. Vous avez également évoqué un audit relatif à la méthodologie. Il serait intéressant qu’il soit réalisé rapidement, s'il doit avoir lieu. Je me réjouis également d'apprendre votre volonté d'organiser un screening régulier. Cela fut décidé pour nos militaires sous la précédente législature par la ministre de la Défense, que je connais très bien. Toutefois, ce ne fut pas entrepris pour nos policiers, alors que des propositions avaient été soumises en ce sens. Vous reprenez cette même idée. Par conséquent, nous la soutiendrons. Enfin, dans le contexte actuel, il importe de réaffirmer notre totale confiance dans l'intégrité de nos policiers, lesquels accomplissent un métier particulièrement difficile.

Militairen op straat
Militairen op straat
Militairen op straat in Brussel
Militairen in openbare ruimtes in België

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 17 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Quintin bevestigt plannen om militairen in te zetten voor patrouilles in Brussel (metrostations, treinstations) en Antwerpen (drugsbestrijding, joodse sites), samen met politie, maar benadrukt dat dit geen afbreuk doet aan het politiewerk – integendeel, het moet capaciteit vrijmaken. Hij erkent dat de reserve (vrijwillige dienstplichtigen) nog niet operationeel is (eerste groep pas in 2027) en dat het Defensie-codex (juridisch kader) nog in voorbereiding is, zonder concrete timing. Thiébaut (kritisch) stelt dat het inzetten van militairen een symptoombestrijding is van structureel politietekort en waarschuwt dat vrijwilligers geen serieus alternatief zijn voor getrainde agenten. Ribaudo (afwijzend) bekritiseert de "militarisering van de openbare ruimte" als gevaarlijk en ineffectief, pleit voor meer investeringen in politie, justitie en preventie, en uit zorgen over onervaren, gewapende jongeren in straten. De syndicale betrokkenheid blijft onduidelijk, en de financiële/budgettairen impact op de politie wordt niet concreet beantwoord.

Voorzitter:

De heer Vander Elst laat zich verontschuldigen.

Éric Thiébaut:

Monsieur le ministre, à plusieurs reprises déjà, j'ai interrogé le gouvernement sur sa volonté de déployer des militaires en rue et autour d'entités critiques en lieu et place de la police fédérale dont c'est la mission pour laquelle les policiers ont la formation et le cadre légal.

En septembre 2025, le ministre de la Défense a indiqué à mon collègue Christophe Lacroix que ce déploiement serait conditionné à l'adoption d'un codex et que cet envoi de militaires était également tributaire de la constitution d'une réserve territoriale. Y seraient envoyés notamment les jeunes ayant reçu votre courrier en vue de faire un service militaire volontaire. Les 500 premiers candidats seraient formés en septembre de l'année prochaine et ne seraient déployés qu'au début de 2027, comme cela figure dans le compte rendu de la commission.

Durant les auditions des syndicats policiers en commission de l'Intérieur, des critiques ont été formulées.

Monsieur le ministre, pouvez-vous faire le point précis des travaux autour de votre codex au sein du gouvernement et sur votre position en la matière? Souhaitez-vous toujours autoriser des missions actives des militaires dans ce cadre? Quelle sera la place de la police dans ce cadre et ne risque-t-on pas, une nouvelle fois, un report de charge vers les zones concernées?

Selon quelle échéance ce déploiement dans les rues aurait lieu et de quelles rues parle-t-on? Le port d'Anvers, principale porte d'entrée de la drogue en Europe, est-il concerné?

Quelles seraient les conséquences humaines, matérielles et budgétaires pour la police fédérale de ce déploiement? Pouvez-vous m'indiquer où les agents de la Direction de la Sécurisation (DAB), précédemment chargés de la surveillance des sites nucléaires, ont été redéployés?

Selon quelle concertation avec les syndicats policiers ce protocole a-t-il été négocié? Pouvez-vous me donner l'agenda précis des négociations avec les représentants des policiers? Des réunions ont-elles déjà eu lieu?

Enfin, confirmez-vous, oui ou non, que les jeunes du service militaire volontaire pourraient être déployés dans le cadre de ces missions dans les rues, une fois le codex adopté?

Julien Ribaudo:

Monsieur le ministre, en septembre dernier, vous annonciez qu'un déploiement de militaires aurait lieu dans les rues de Bruxelles avant la fin de l'année, afin de soutenir la police dans la lutte contre la criminalité. Nous sommes à la mi-décembre et ce déploiement n'a toujours pas eu lieu. Je rappelle ici clairement que notre groupe reste opposé à une telle mesure.

Le sentiment d'insécurité ressenti par les habitants et les habitantes est réel et doit être entendu, mais y répondre nécessite des solutions structurelles: renforcer la police de proximité, le travail de quartier, la justice et la prévention, plutôt que de militariser l'espace public. En commission de la Défense, votre collègue le ministre Francken a indiqué qu'aucun accord n'existait aujourd'hui au sein du gouvernement. Selon lui, un déploiement ne serait possible qu'à partir d'avril au plus tôt, après l'entrée en vigueur du nouveau Code de la Défense encore soumis au Conseil d'État et au Parlement.

Cela soulève plusieurs questions. Tout d'abord, où en sont les discussions au sein du gouvernement? Des décisions ont-elles déjà été prises?

Depuis des mois, les syndicats, les experts de terrain et les chercheurs alertent sur les risques juridiques et pratiques d'un retour des militaires dans l'espace public. Comment comptez-vous répondre à ces préoccupations?

Vous êtes-vous concerté avec les organisations syndicales? Quelles conclusions en tirez-vous?

Concrètement, quelles seront les tâches de ces militaires? Selon quelles modalités exerceront-ils ces tâches et avec quel pouvoir?

Enfin, les jeunes engagés dans le service militaire volontaire seraient-ils, oui ou non, concernés par ce déploiement?

Bernard Quintin:

Messieurs Thiébaut et Ribaudo, comme vous le savez, mon parti et moi-même avons exprimé à la fin de l'été notre volonté de déployer un contingent de militaires aux côtés des policiers. Je répète que cela ne consiste en rien en un désaveu du travail de la police. Franchement, si quelqu'un pense encore aujourd'hui que je n'ai pas confiance et que je ne soutiens pas la police, je ne sais vraiment pas ce que je dois faire.

Il ne s'agit donc pas d'un désaveu mais d'une volonté de soutenir le travail de la police dans la protection de nos concitoyens. À cet égard, un travail commun a été réalisé avec mon collègue, le ministre de la Défense, M. Francken.

Des protocoles sont prêts depuis des semaines pour déployer plusieurs dizaines de militaires à Bruxelles, mais également à Anvers, dans le cadre de patrouilles mixtes armée-police et de la sécurisation de dispositifs policiers.

Spécifiquement à Bruxelles, le protocole prévoit à ce stade leur déploiement en priorité dans les gares ferroviaires et les stations de métro, afin d'appuyer visiblement la police des chemins de fer et pour des FIPA ( Full Integrated Police Action) auprès des centres névralgiques du trafic de drogue et de la criminalité.

À Bruxelles et à Anvers, un deuxième protocole prévoit un déploiement en soutien de la police pour la sécurisation des sites liés à la communauté juive, hautement nécessaire, comme l'a montré l'actualité récente, ce qui libérerait par effet domino également de la capacité policière, ce qui est aussi l'objectif.

Monsieur Thiébaut, je ne peux pas répondre de manière précise à toutes vos questions, mais si vous les transmettez par écrit, je le ferai. L'objectif du remplacement des policiers, singulièrement de la DAB dans les sites nucléaires, par des militaires est de les récupérer pour faire le travail de la DAB, qui est actuellement fait, en général, par d'autres policiers fédéraux des corps d'intervention.

Ces mesures, qui font l'objet d'un accord entre les deux ministres directement concernés, doivent encore être validées par l'ensemble du gouvernement, mais nous continuerons évidemment à pousser pour cette mesure. Nous pensons qu'elle est absolument nécessaire.

Pour ce qui concerne le codex de la défense, il y a en effet, dans l'accord de gouvernement, la demande de travailler à ce nouveau cadre juridique pour les interventions de l'armée. Les discussions sur le contenu n'ont pas encore commencé au sein du gouvernement. Mon collègue le ministre de la Défense travaille à la préparation de ce codex et des discussions au sein du gouvernement. Si vous voulez plus de précisions par rapport à ce qu'il pourrait s’y trouver et au timing, je vous invite à l'interroger. Il est trop tôt pour se prononcer à ce sujet. Si nécessaire, nous aborderons les préoccupations de la police intégrée à cet égard lors des discussions.

Concernant le déploiement sur les sites nucléaires, j'ai déjà répondu, mais singulièrement, les agents de la DAB sont principalement réorientés vers des missions auprès des cours et tribunaux. Cela a permis, comme je le disais, par le même effet domino, de libérer de la capacité policière pour d'autres tâches.

Le protocole dont j'ai parlé auparavant ne contient pas d'éléments qui concernent directement les syndicats de police. Par ailleurs, il appartient à la Défense de décider qui elle juge apte à remplir des missions qui sont définies dans le cadre légal envisagé. Vu mon passé d'historien, je sais gérer une ligne du temps. Il va de soi que la réserve ne sera pas employée dans un premier temps, parce que nous souhaitons disposer de militaires aussi rapidement que possible. Si cela n'avait tenu qu'à moi, ils seraient déjà en rue. La réserve n'existant pas pour le moment, elle ne peut être activée dans ce cadre.

Sont-ce les jeunes de la réserve qui devront être activés? Honnêtement, je ne peux pas encore le dire. Nous pourrions même espérer que, le temps que la réserve se constitue, la situation se soit suffisamment améliorée pour éviter de devoir maintenir des militaires en rue. Malheureusement, les chiffres démontrent qu'il n'en sera peut-être pas ainsi.

Éric Thiébaut:

Monsieur le ministre, je vous remercie.

D'abord, j'aimerais apporter une précision. Vous affirmez qu'on retire les policiers de la DAB des centrales nucléaires pour qu'ils accomplissent leur vrai travail. Cela dit, vous savez que, lorsque la DAB fut créée à l'époque où le ministre Jambon était en charge de l'Intérieur, je pense que la surveillance des centrales faisait partie de ses missions. Sans contester l'utilité de recourir à ces militaires, le problème est qu'ils vont combler un manque. En vérité, et vous le savez bien, vous revendiquez des moyens supplémentaires en vue d'engager les policiers manquants. Or ces moyens ne vous sont pas accordés. Vous manquez donc de policiers sur le terrain. Puis, vous demandez qu'ils accomplissent le travail des militaires. C'est un gros souci dans ce gouvernement.

Par ailleurs, cette rumeur persistante selon laquelle les jeunes qui ont été invités à faire leur service militaire à titre volontaire seraient envoyés dans les rues pour remplacer les policiers ne constitue pas une piste sérieuse. C'est même quelque chose qui, à mon sens, devrait être balayé d'un revers de la main. Il faudrait donc réaffirmer que cela ne peut pas se faire.

Julien Ribaudo:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses. Si j'ai bien compris, il n'y a toujours pas de timing clair. Je regrette que vous n'ayez pas infirmé le fait que des jeunes qui vont faire un service militaire volontaire ne seraient pas déployés dans les rues. Vous n'avez pas dit non. Cela veut donc dire que la possibilité pourrait exister. C'est malheureux. Cela veut donc dire que pour les gros problèmes que connaissent nos villes, Bruxelles singulièrement, on va envoyer des jeunes sans aucune expérience dans les rues. Vous n'avez dit ni oui ni non. Donc, je considère que ce n'est ni l'un ni l'autre, mais que la potentialité existe. Et ça, c'est grave, monsieur le ministre! Notre police est à bout de souffle parce qu'elle est sous-financée et qu'il manque des cadres. C'est également le cas pour notre armée. Et là, on va arriver avec une solution qui n'en est pas une, avec potentiellement des jeunes qui seront lourdement armés dans nos rues. Si on veut répondre au problème de l'insécurité – et il faut le faire – dans nos villes, il faut des solutions structurelles. Il faut renforcer la police de proximité, le travail de quartier, la justice et la prévention, et ne pas militariser l'espace public.

De aanpak van de steeds gewelddadiger wordende activisten van Code Rood en co.
Extreemlinkse relschoppers en het terroriseren van onze samenleving
De financiering van Code Rood
Extreemlinkse groeperingen, geweld en maatschappelijke ontwrichting

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 17 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Sam Van Rooy (N-VA) en Ortwin Depoortere (Vlaams Belang) bekritiseren dat gewelddadige extreemlinkse groepen zoals Code Rood en CCC openlijk sabotage en geweld propageren, zich onaantastbaar wanen en mogelijk overheidsubsidies ontvangen, terwijl minister Quintin (MR) bevestigt dat 18 personen op de extremismenradar staan en een wetsvoorstel voor verboden in voorbereiding is (advies Raad van State afwachten). Van Rooy en Depoortere beschuldigen de regering van een "laks, soft beleid" en eisen hardere repressie, terwijl Bergers (N-VA) vraagt om transparantie over financieringsstromen—waarop Quintin antwoordt dat bevoegdheden bij Justitie en andere overheden liggen, maar ontkent subsidies vanuit zijn departement. Depoortere stelt dat extreemlinks geweld systematisch wordt onderschat ten opzichte van extreemrechts.

Sam Van Rooy:

Minister, u hebt ongetwijfeld gelezen dat in Gazet van Antwerpen een uitgebreid interview is verschenen met een aantal activisten die in geuren en kleuren vertellen dat ze steeds gewelddadiger worden in hun acties voor het klimaat, voor vluchtelingen, tegen ongelijkheid en tegen een vermeende genocide. Er is ook sprake van een hogere activiteitsgraad van dit soort tuig door het conflict in het Midden-Oosten. Ik las het volgende bijzonder verontrustende in dat interview: "Het geweld dat wij gebruiken verbleekt bij wat de Staat op zijn kerfstok heeft." Er wordt onder meer verwezen naar het in de kou laten slapen van 1.000 mensen en het faciliteren van een genocide in Gaza. Dat is volgens deze figuren duizendmaal erger. Een nog opmerkelijker citaat is het volgende: " Wat ik u vertel is goed voor een paar jaar gevangenisstraf, zegt een van die activisten aan de journalist." Zij verklaren openlijk hoe zij de politie proberen te verschalken, bijvoorbeeld door zich onherkenbaar te maken met een zonnebril, pet of mondmasker en door geen identiteitskaart op zak te hebben enzovoort. U kent deze organisaties ongetwijfeld: Code Rood, Secours Rouge en Classe Contre Classe. Zij plannen hun illegale acties in Brussel, Gent, Antwerpen of Namen. Ze voorzien bovendien juridische bijstand voor arrestanten en zijn dus steeds beter georganiseerd. Een expert ter zake, Paul Ponsaers, stelt vast dat het terroristische CCC terugkeert in dit soort moderne extreemlinkse bewegingen en spreekt in dat verband van een explosieve cocktail.

Minister, worden deze activisten, die zich blijkbaar onaantastbaar wanen en gewoon interviews geven, opgespoord en opgepakt? Staan zij ten minste op de radar van onze veiligheidsdiensten? Hoever staat het met de identificatie en arrestatie van dit soort gewelddadige extreemlinkse activisten, die de intentie hebben te ontwrichten, schade te veroorzaken, te intimideren en angst te zaaien, en die dat ook niet onder stoelen of banken steken? Hoe zult u voorkomen dat zij nog verdere schade en levensgevaarlijke situaties in ons land veroorzaken. Zal er eindelijk werk worden gemaakt van het verbieden van dit soort tot geweld aanzettende organisaties? We wachten daar al geruime tijd op.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, ik heb daar niet zoveel aan toe te voegen. De heer Van Rooy heeft de context geschetst en die is zorgwekkend. Dat zeg ik niet alleen, dat zegt de heer Van Rooy niet alleen, dat zegt ook het OCAD. Het OCAD bevestigt dat een vijftiental individuen op de radar staat wegens links-extremistische radicalisering. De politiediensten geven aan dat deze groepen beter georganiseerd zijn dan vaak wordt aangenomen.

Mijnheer de minister, u hebt enkele maanden geleden aangekondigd dat u zult komen met een wetgevend initiatief om dergelijke organisaties aan banden te leggen. Laat mij duidelijk zijn, ik ben een zeer grote voorstander van de vrijheid van meningsuiting. Het laatste middel dat men in een democratie mag gebruiken is het verbieden van verenigingen en organisaties.

Mijnheer de minister, mijnheer Van Rooy, u weet dat onze partij in 2004 - toen was ik al lid van het Vlaams Blok - voor de rechtbank is gesleept en daadwerkelijk werd verboden. Dat was een zwarte dag voor de democratie in ons land, als u het mij vraagt.

Dergelijke organisaties zeggen echter openlijk in interviews dat zij sabotage, materiële schade en overheidsgebouwen doelbewust viseren en dat geweld noodzakelijk is om impact te hebben. Dan is er een rode lijn overschreden. Die rode lijn mag u in deze letterlijk nemen.

De wetgeving is duidelijk, wie geweld pleegt, is strafbaar. Als een organisatie zich collectief schuldig maakt aan geweld, dan moet die organisatie aangepakt worden.

Mijnheer de minister, ik vraag u in deze vooral naar de timing van uw wetgevend initiatief. Misschien kunt u al een tip van de sluier oplichten van wat er concreet in uw wetsontwerp wordt bedoeld.

Jeroen Bergers:

De Vlaamse regering besliste onlangs in te grijpen op de subsidies van organisaties die worden gelinkt aan Code Rood. Kort na die aankondiging heeft Code Rood alle zuster- en partnerorganisaties van zijn website verwijderd, maar dat is niet erg, ik had ze al genoteerd. Die reactie zegt veel over de transparantie van Code Rood en over de bredere financiële structuren rond het criminele netwerk.

Collega Ducarme van de MR stelde hier eerder al voor om een onderzoekscommissie op te richten naar de financiering van extremistische bewegingen in ons land. U kondigde dan weer een rapport aan over de financiering van extremistische bewegingen in ons land. Hoe staat het met dat onderzoek naar de financieringsstromen van organisaties die in verband worden gebracht met radicale of extremistische acties, inclusief de geldstromen naar die verenigingen vanuit de federale overheid, maar evengoed vanuit andere overheden in dit land?

Ontvangen de betrokken zusterorganisaties van Code Rood nog subsidies van de federale, regionale of lokale overheden? Zo ja, via welke kanalen en onder welke voorwaarden loopt die financiering van de zusterorganisaties van Code Rood? Hoe zult u ervoor zorgen dat extremistische bewegingen die hun digitale sporen proberen uit te wissen of hun financieringsnetwerk proberen te verbergen, niet ontsnappen aan controle op hun publieke financiering?

Bernard Quintin:

Om operationele redenen en veiligheidsredenen zal ik geen gedetailleerde informatie verstrekken over de inzet van specifieke methoden, noch over de concrete resultaten daarvan. Ik kan wel meegeven dat er een geïntegreerde aanpak, inclusief een risicoanalyse, wordt toegepast om te vermijden dat overheidsgebouwen, zoals dat van de Dienst Vreemdelingenzaken, opnieuw het doelwit worden van gecoördineerde aanvallen. In samenwerking met de lokale administratieve overheden en het Nationaal Crisiscentrum (NCCN) zullen bij verwachte incidenten de gepaste politie- en beschermingsmaatregelen worden genomen.

De grote sociale, geopolitieke en economische thema's vormen inderdaad belangrijke mobilisatieassen voor linkse en extreemlinkse collectieven.

Het OCAD heeft er de aandacht op gevestigd dat er sprake is van radicalisering bij bepaalde linkse activisten en dat de radicalisering wordt benut door extreemlinkse kringen, wat dit jaar duidelijk is gebleken.

In het jaarverslag van het OCAD van vorig jaar staat dat 18 personen in de gemeenschappelijke gegevensbank terrorisme, extremisme en radicalisering als linksextremist worden opgenomen. Ik heb een voorontwerp naar de ministerraad gebracht om gevaarlijke radicale organisaties te verbieden. Ik wacht op het advies van de Raad van State. In elk geval zal er geen verbod worden afgekondigd, zonder dat de veiligheidsdiensten daartoe nuttige elementen aanleveren.

Mijnheer Bergers, voor onderzoek naar de financiering van organisaties moet ik u verwijzen naar de minister van Justitie, voor zover het gaat over gerechtelijke dossiers of onderzoeken vanwege de Veiligheid van de Staat. Ik heb geen informatie over subsidies die worden toegekend aan Code Rood.

Er is geen centraal register van overheidssubsidies. Ik neem aan dat u zich zorgen maakt over het feit dat bepaalde organisaties die als extremistisch kunnen worden beschouwd, toch subsidies zouden krijgen. Het is echter aan de overheden die subsidies toekennen, om die beslissing te nemen en daar transparantie over te verschaffen. Ik ben dan ook niet bevoegd voor enig toezicht op publieke financiering, behoudens die van mijn eigen departement.

Sam Van Rooy:

Minister, of het nu de minister van Asiel en Migratie van Bossuyt is, minister van Justitie Verlinden, of u, de minister van Veiligheid, niet alleen uw inhoudelijke antwoorden op mijn kritische vragen, maar ook de toon waarop, duiden gewoon op een laks en soft beleid.

Het gewelddadig extreemlinks tuig voelt dat natuurlijk ook. Ik citeer opnieuw: "Wat ik u vertel, is goed voor een paar jaar gevangenis," zegt een van die extreemlinkse activisten gewoon in de krant. Zo onaantastbaar voelen ze zich in dit land, minister. Ook tegen uw eigen partij MR gaan ze steeds verder.

Minister, zachte heelmeesters maken stinkende wonden. Spoor ze op en zet ze vast, alvorens ze nog meer schade in dit land kunnen aanrichten.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, ik sluit mij aan bij de uitspraak van de heer Van Rooy. Het probleem dateert niet van gisteren. Het sleept al jaren aan. De overheid heeft zich te laks opgesteld ten opzichte van het toenemend extremistisch geweld van dergelijke groeperingen. In alle jaarrapporten van de Veiligheid van de Staat lees ik dat er blijkbaar een groot extreemrechts complot bezig is in ons land, dat zeer gevaarlijk is. Wel, ik merk daar in de praktijk niets van. Integendeel, ik zie alleen maar geweld vanuit islamistische en vanuit extreemlinkse hoek.

Onze partij, onze leden en onze gebouwen werden al meermaals aangevallen op verschillende manieren. Het is dus hoog tijd dat men daar paal en perk aan stelt.

Nu u zelf het slachtoffer wordt van extreemlinks geweld, ben ik blij dat u het licht hebt gezien en beseft dat we die gewelddadige groeperingen best niet meer in onze samenleving dulden. Alvast bedankt.

Jeroen Bergers:

Dank u wel, mijnheer de minister, voor uw antwoord. Het zou inderdaad goed zijn als de federale overheid ook een subsidieregister start om transparantie te geven aan elke burger, net zoals wij dat op Vlaams niveau al hebben gedaan. Ook in het federale regeerakkoord staat dat we zo'n subsidieregister zullen invoeren. Het is wel belangrijk dat we actiever, nog voor er een subsidieregister is, monitoren welke financieringsstromen lopen naar extremistische bewegingen zoals Code Rood en het CCIB. Uw collega Ducarme bracht aan het licht dat dat ook in het verleden subsidies heeft gekregen van de federale overheid. Op dat vlak had u zelf aangekondigd stappen te nemen. Ik weet niet of die nu nog op de agenda staan. U zei dat u alleen bevoegd bent voor de subsidiestromen die vanuit uw eigen departement vloeien. Dat klopt uiteraard, maar dat belet u niet om uw collega's aan te spreken. Kunt u wel bevestigen dat onder uw eigen departementen er geen subsidiestromen vloeien naar extremistische organisaties? Dat lijkt mij een zeer relevante vraag.

De extra spoorwegpolitieagenten voor het station Brussel-Zuid
De extra spoorwegpolitieagenten voor het station Brussel-Zuid
Het evenwicht in de personeelsverdeling bij de spoorwegpolitie (SPC)
De personeelsverdeling bij de spoorwegpolitie
Het internationale statuut van het Zuidstation en de middelen voor de federale politie in Brussel
Veiligheid en personeelsbeheer bij internationale spoorwegstations in Brussel

Gesteld aan

Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie), Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 17 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Parlementsleden bekritiseren de onevenwichtige inzet van de spoorwegpolitie (SPC), met name de tijdelijke versterking in Brussel-Zuid (20 agenten, herverdeeld, geen structurele oplossing) terwijl Vlaanderen kampen blijft met chronisch personeelstekort (bv. Limburg de facto gesloten, West-Vlaanderen met 1 ploeg voor heel de provincie). Frank Troosters (VB) en Maaike De Vreese (N-VA) eisen structurele versterking in alle zones, meer lokale posten en een terugdraai van eerdere afbouw, plus betere samenwerking met Securail; ze wijzen op inefficiëntie door overplaatsingen (bv. Limburg→Antwerpen) en motivatieverlies bij agenten. Minister Quintin (MR) benadrukt contextuele verschillen (bv. internationale drukte in Brussel vs. regionale stations) en kondigt beperkte oplossingen aan: herverdeling via mobiliteitscycli (resultaten pas in 2026), betere coördinatie met lokale politie/Securail (o.a. cameratoegang, gezamenlijke patrouilles), en een herziening van de taakverdeling (rondzendbrief 2002). Hij wijst een specifiek "internationaal station-statut" voor Brussel-Zuid af als "theoretisch" maar belooft gerichte inzet tegen grenscriminaliteit; nieuwe commissariaten staan niet op de agenda. Ridouane Chahid (PS) bekritiseert het gebrek aan structurele visie en beschuldigt de vorige regering van "afbraak" van de SPC, terwijl hij de minister steunt in zijn pleidooi voor meer budget maar de huidige "lapwerk"-aanpak onvoldoende noemt.

Frank Troosters:

Mijnheer de minister, ik heb u al enkele keren bevraagd over de spoorwegpolitie. Ik heb verschillende vragen, die ik zal samenvatten. Het gaat onder meer over de aangekondigde versterking. Er zouden twintig agenten van de spoorwegpolitie bij gekomen zijn in het station Brussel-Zuid. Mijn vraag daarbij is of het gaat om nieuwe agenten die recent werden aangeworven, dan wel om verschuivingen of overplaatsingen vanuit andere zones naar Brussel. Waar zijn die agenten precies ingezet in Brussel-Zuid? Zijn ze effectief actief op de werkvloer in het station, of gaat het om functies op directieniveau? Wat is de budgettaire impact daarvan? Welke verdere plannen hebt u wat de personeelscapaciteit van de spoorwegpolitie betreft?

Daarnaast stel ik mij vragen over de situatie in de andere zones, waar toch aanzienlijke verschillen bestaan. Hoe verklaart u die grote verschillen in de aanwezigheid van de spoorwegpolitie tussen de verschillende zones? Overweegt u eventueel om nieuwe spoorwegpolitieposten te openen in andere stations? Ik kijk uit naar uw antwoorden.

Maaike De Vreese:

Minister, ik heb u ook al verschillende keren vragen gesteld over de spoorwegpolitie. U kondigde aan om, naar aanleiding van de ernstige drugsproblematiek, de spoorwegpolitie in Brussel te versterken. Wanneer we vervolgens kijken naar het personeelsbestand daar, stellen we vast dat dit zelfs de organieke kaders zal overstijgen. Ik meen dat men op een bezetting van 111 % zal uitkomen. Daartegenover zien we echter dat er in Vlaanderen enorme tekorten zijn wat het personeel van de spoorwegpolitie betreft.

In Gent werden we recent nog geconfronteerd met de gevolgen van de structurele problemen waarmee de spoorwegpolitie daar te maken krijgt. Wanneer zich incidenten voordoen, zijn de responstijd en de zichtbare aanwezigheid cruciaal. Het mag niet zo zijn dat er een veiligheidsapparaat met twee snelheden ontstaat, waarbij de pendelaar in Vlaanderen op minder bescherming kan rekenen dan die in Brussel of in Wallonië.

Wanneer we de cijfers bekijken, zien we dat ook de bezettingsgraad in Wallonië een stuk hoger ligt dan in Vlaanderen. Ik kan u zeggen, minister, dat ik daarover van verschillende mensen bijzonder schrijnende verhalen hoor. Het gaat om mensen die sterk gemotiveerd zijn om bij de spoorwegpolitie hun taken en bevoegdheden ten volle uit te oefenen, maar die met de handen in het haar zitten omdat ze met zo weinig mensen moeten opereren.

Bij de spoorwegpolitie in Brugge is er vaak maar één ploeg aanwezig, die eigenlijk moet instaan voor heel West-Vlaanderen. Er zijn nochtans wel degelijk manieren om die antenne volledig in te vullen. De extra inzet in Brussel is dus een feit, maar hoe verklaart u het grote verschil in bezettingsgraad tussen de Brusselse en Waalse eenheden enerzijds en de posten in Vlaanderen anderzijds? Is die scheeftrekking een bewuste beleidskeuze geweest? Zo ja, waarom wegen bepaalde veiligheidsrisico’s dan zwaarder door dan andere? Dit gaat uiteraard terug tot vóór uw beleid, want het dateert van vroeger.

U stelt dat de versterking in Brussel er onmiddellijk komt, maar welk concreet plan ligt daarvoor op tafel? Welk concreet perspectief kunt u op korte termijn bieden aan de korpschefs? Ook lokaal vraagt men immers een volledige invulling van de antenneposten en van het personeel van de spoorwegpolitie in Vlaanderen.

Ridouane Chahid:

Monsieur le ministre, le 23 septembre dernier, ma proposition de résolution visant à créer un véritable statut de gare internationale pour des gares telles que la gare de Bruxelles-Midi a été rejetée en commission. Cette proposition visait pourtant à combler un vide législatif évident. Notre arsenal prévoit un statut protecteur et des moyens adaptés pour les aéroports internationaux, mais rien de comparable pour nos gares, alors même qu'elles constituent des hubs de mobilité tout aussi exposés, dans le cas ici de la gare du Midi, d'une frontière internationale.

Ainsi, alors que l'aéroport de Bruxelles-National concentre – à juste titre – des moyens policiers renforcés, la gare du Midi, elle, en connaissait moins, jusqu'à il y a quelques jours. En effet, le 3 décembre dernier, vous avez annoncé l'affectation de 20 policiers supplémentaires au sein du commissariat de la gare du Midi, et je ne boude pas mon plaisir en vous disant que c'est une bonne première étape. Cela dit, j'aimerais savoir s'il s'agit effectivement d'un accroissement des effectifs globaux ou plutôt d'une réaffectation des postes existants.

Par ailleurs, la police fédérale a, par la voix de son porte-parole, clairement indiqué que la gare du Midi était une gare internationale, et que cette réalité était donc à l'origine de demandes particulières. Monsieur le ministre, envisagez-vous la création de ce statut juridique spécifique pour la gare du Midi?

Comptez-vous y augmenter durablement les effectifs afin de garantir un niveau de sécurité équivalent à celui de l'aéroport de Bruxelles-National?

Étudiez-vous l'ouverture d'un commissariat de la SPC dans d'autres gares, bruxelloises ou pas?

Enfin, quelles sont les mesures prévues pour lutter contre les réseaux criminels, les agressions, en d'autres termes la délinquance qui se propage dans les différentes gares du pays? Merci d'avance pour vos réponses.

Bernard Quintin:

De tijdelijke versterking met 20 politieagenten, waar ik eerder naar verwees, is niet structureel. Het betreft politieagenten die voor een beperkte periode worden toegewezen aan de spoorwegpolitie (SPC) in Brussel, bij de dienst Interventie.

De versterking wordt geïntegreerd in de bestaande dispositieven en heeft tot doel een grotere zichtbaarheid van de SPC op het Brusselse werkterrein mogelijk te maken. De maatregel heeft dus geen budgettaire impact, aangezien het louter gaat om een heroriëntering van de capaciteit. De spoorwegpolitie in Brussel telt momenteel 253 operationele leden.

De SPC besteedt overal op haar werkterrein dezelfde aandacht aan de bestrijding van onveiligheid, maar het is belangrijk te benadrukken dat de veiligheidsproblemen in Brussel, Antwerpen en Gent niet met elkaar vergelijkbaar zijn. Verschillende factoren spelen daarbij een rol, zoals het aantal pendelaars en toeristen, de infrastructuur van de stations, de grenscontrole en de talrijke internationale verbindingen in Brussel, alsook de nabijheid van een metronetwerk en van gevoelige wijken.

De rekrutering van Nederlandstalig personeel blijft een cruciale succesfactor voor de gehele geïntegreerde politie. Bij de SPC wordt daarom een bijzondere inspanning geleverd in Antwerpen, waar zich het grootste capaciteitsgebrek situeert. Vanaf het tweede kwartaal van 2026 zullen nieuwe SPC-leden die momenteel in Leuven of Hasselt zijn tewerkgesteld in Antwerpen kunnen werken, zonder hun gebruikelijke werkplek op te geven.

Wat de personeelsbezetting van de SPC betreft, begin december is een nieuwe mobiliteitscyclus opgestart. Zoals gebruikelijk worden de beschikbare standplaatsen bij elke cyclus bekendgemaakt. Concreet tekent zich vandaag het volgende beeld af: de SPC Brussel en SPC Zuid zijn bijna volledig ingevuld. Bij de SPC Oost is de personeelsbezetting in orde, maar blijven er nog infrastructurele knelpunten die moeten worden opgelost. De SPC Noord en SPC West kampen daarentegen met een personeelstekort. We hopen dat tekort minstens gedeeltelijk op te vangen via deze mobiliteitscycli, naargelang de resultaten van de lopende vacatures. Een en ander zal duidelijker worden zodra de kandidaturen zijn ontvangen en de selecties begin 2026 zijn afgerond.

Ik voeg eraan toe dat de dringende politiehulp aan slachtoffers van misdrijven in het station niet uitsluitend afhankelijk is van de SPC-capaciteit, aangezien het mechanisme van wederzijdse operationele ondersteuning tussen de federale politie-eenheden en de lokale politiezones te allen tijde verzekerd is.

Ik heb u er al op gewezen dat de rondzendbrief van 2002 herzien wordt. Dat zal leiden tot een uniforme taakverdeling tussen de lokale politie, de spoorwegpolitie en Securail, en tot een efficiënter gebruik van de beschikbare capaciteit. Dat punt maakt deel uit van het Grootstedenplan, dat eveneens tot doel heeft de veiligheid van de burgers te verbeteren.

Bovendien moet in het kader van de toekomstige bevoegdheid van Binnenlandse Zaken voor de dienst Securail van de NMBS de samenwerking tussen politie en Securail op een zeer concrete wijze worden versterkt. Het betreft onder meer de organisatie van patrouilles, de dienstroosters en het gebruik van de gegevensbanken met meldingen, met inbegrip van de plaats en het tijdstip van feiten en overtredingen. Het doel is in de eerste plaats een nauwkeurig beeld te krijgen van de fenomenen die zich voordoen in de stations en op het spoorwegnet, zoals vastgesteld door zowel de politiediensten als de veiligheidsdienst van de NMBS.

Daarnaast moet ook de uitwisseling van al die informatie structureel worden gegarandeerd. Ik wens bovendien dat de lokale veiligheidsplannen voor stations, opgesteld door de NMBS, in nauwer overleg met de SPC tot stand komen.

Tot slot moet de geografische verdeling van de districten worden geanalyseerd, met het oog op een betere afstemming tussen de districten van de SPC en die van de veiligheidsdienst van de NMBS.

Enfin, pour répondre à votre question, monsieur Chahid, concernant l'octroi d'un statut de gare internationale à la gare de Bruxelles-Midi, je précise qu'un avis a effectivement été rendu sur la proposition de résolution visant à lui conférer un tel statut. Il me semble, et c'est également l'analyse des services de police, qu'un tel statut, essentiellement théorique, n'apporte pas en soi une réponse suffisante à la situation que nous connaissons.

Dans les faits, il est évident que la gare du Midi fait partie des grandes gares du pays et qu'elle occupe une place particulière compte tenu de l'importance des flux internationaux, tant via les lignes ferroviaires que par les arrivées de lignes de bus internationaux ainsi que par la présence d'un poste frontière Schengen. D'ailleurs, des missions spécifiques visant des phénomènes de criminalité internationale y sont régulièrement menées.

Il n'est à l'heure actuelle pas prévu d'ouvrir d'autres commissariats dans d'autres gares du pays. L'enjeu principal consiste dès lors à poursuivre le renforcement de la coordination entre les services de la police locale, de Securail et de la SPC sur l'ensemble du périmètre de la gare de Bruxelles-Midi et de ses abords immédiats.

À cet égard, une avancée importante a également été réalisée en ce qui concerne l'accès direct de la police locale aux images du réseau de caméras de la SNCB. Ce projet, évoqué depuis longtemps, vient d'être concrétisé. Il est essentiel tant pour la surveillance permanente que pour la protection du personnel, mais aussi pour la rapidité et l'efficacité des interventions. Il constitue en outre un outil utile dans le cadre des opérations planifiées menées conjointement par les services fédéraux et locaux.

Il convient évidemment de poursuivre le renforcement de la présence sur le terrain. Cela passe notamment par des décisions opérationnelles, comme celles annoncées en lien avec le Corps d'intervention (CIK), à savoir les 20 unités supplémentaires provenant du CIK.

Les services m'ont par ailleurs indiqué une baisse du nombre d'infractions, ce qui constitue un signal positif. Nous continuerons dès lors à renforcer la sécurité, tant pour les usagers que pour le personnel ferroviaire.

Pour conclure sur ce que je disais tout à l'heure et pour être allé plusieurs fois à la gare du Midi en 11 mois, celle-ci est en effet à la fois un point d'entrée et un accès de fixation suffisamment importants pour que l'on continue à y consacrer les moyens nécessaires.

Frank Troosters:

Mijnheer de minister, dank u wel voor uw antwoord, dat wel eerlijk is. U geeft toe dat de versterking in Brussel-Zuid niet structureel is en maar voor een beperkte periode geldt. Dat is exact wat we in de vorige legislatuur ook gezien hebben onder uw voorgangster, mevrouw Verlinden, die toen ook 15 agenten had toegevoegd. Maar het ging natuurlijk gewoon om overplaatsingen en die mensen werden voor een groot gedeelte tewerkgesteld op directieniveau, niet op de werkvloer.

Dat zijn tijdelijke maatregelen. Het overplaatsen van agenten naar Brussel-Zuid omdat dat station in het nieuws komt, neemt niet weg dat er ook elders problemen zijn. We klagen al sinds de vorige legislatuur dat die andere zones ook met te weinig personeel kampen.

U verwijst nu naar agenten die opgeleid worden om vanuit Leuven en Limburg in Antwerpen te gaan versterken. Dat is vandaag al de praktijk. Er zijn bijna geen agenten meer in Limburg. De post van de spoorwegpolitie is daar de facto gesloten. Die was onderbemand en de weinige agenten die daar zijn, zitten in Antwerpen. Dan krijgt men dus verslagen van Securailagenten, die ik nu niet zal voorlezen, dat er gewoon geen politionele ondersteuning is, niet van de spoorwegpolitie en niet van de lokale politiezones, die andere prioritaire opdrachten hebben op dat moment. Dat is wat we dan doorkrijgen. Het werkt niet.

Wat wij van het Vlaams Belang vragen, al sinds de vorige legislatuur, is om de spoorwegpolitie effectief te versterken. Dat betekent meer agenten, overal, in alle zones. Draai ook de beslissing om de lokale politieposten van de spoorwegpolitie in de stations af te bouwen terug. Open die posten opnieuw en beman ze. Alleen op die manier zult u overal de veiligheid op uw spoorwegnet kunnen garanderen. Niet door in de marge te morrelen, wat mensen bijkomend rond te schuiven zoals op een schaakbord, heen en weer. Zo zullen we er niet komen. Zo zullen de mensen van Securail ook niet verder geholpen worden als ze nood hebben aan ondersteuning, die er voor de zoveelste keer niet is.

Maaike De Vreese:

Minister, nu al moeten de mensen van de spoorwegpolitie in Brugge bijstand geven als er iets gebeurt aan de andere kant van Vlaanderen. Daardoor gaat natuurlijk cruciale tijd verloren. De tijd waarin ze aan het reizen zijn, zijn ook verloren uren. Dat is dus geen efficiënte manier om die mensen in te zetten.

Wij zijn al heel lang vragende partij om in West-Vlaanderen de vacatures open te zetten met als standplaats Brugge. Men zal natuurlijk veel moeilijker mensen aantrekken die vanuit West-Vlaanderen Gent als standplaats krijgen, dan als men die mensen een standplaats dichter bij huis geeft, in Brugge. Dan zullen die vacatures veel gemakkelijker ingevuld worden.

Ik hoop dat u daar ook zeer pragmatisch naar kijkt, zodat er eindelijk verandering komt in de onmogelijke situatie waarin die mensen nu moeten werken.

De mensen haken natuurlijk ook af. Er moet ergens een mooi perspectief zijn van een spoorwegpolitie die functioneert. U staat voor die moeilijke en uitdagende taak, die ook in het regeerakkoord ingeschreven is. We weten de mensen van Securail heel vaak met de handen in de haar zitten omdat ze voor bepaalde zaken wel kunnen optreden maar voor andere niet. Dan is het lang wachten tot de politie ter plaatse kan zijn.

Er moet een duidelijke taakverdeling komen voor de lokale en de federale politie en hun samenwerking met Securail. Er is dus werk aan de winkel. Ik hoop toch dat we binnenkort verandering zien in de cijfers en dat de cijfers ook in Vlaanderen de juiste richting uitgaan, net zoals we dat gezien hebben in Brussel.

Ik hoop dat u een extra tandje zult bijsteken, want de mensen op het terrein vragen dat echt wel.

Ridouane Chahid:

Monsieur le ministre, une chose est sûre, vous êtes l'héritier de ce qui a été déstructuré ces dernières années. À un moment donné, il faut appeler un chat un chat. Oui, la police des chemins de fer a été déstructurée par certains qui défendaient une autre vision de ce que devait être la police fédérale dans ce pays. Bon, soit! C'est un constat. Vous essayez de coller des rustines à gauche et à droite. C'est un peu ce que je vous reproche, même si ce n'est peut-être pas de votre faute. En tout cas, les autres membres de la majorité ne vous accordent pas les moyens nécessaires pour qu'on puisse rétablir une véritable police des chemins de fer. Il est trop facile de dire qu'il faut des policiers des chemins de fer à Gand ou à Anvers. Or il ne faut pas les éparpiller à gauche et à droite. Ils ont besoin d'une structure reposant sur un véritable département et des moyens qui s'ensuivent, comme certains l'ont déjà écrit dans leur vision stratégique. Pour ma part, je ne peux que vous soutenir dans vos propos et votre positionnement. Il faut, et vous avez raison, une police fédérale forte et structurée. Mais, pour ce faire, vous avez besoin que ceux qui, aujourd'hui, vous attaquent engagent les moyens indispensables et vous accordent les budgets nécessaires afin que vous puissiez atteindre vos ambitions et vos objectifs en ce domaine.

De verheerlijking van dodelijke jihadistische terreur én van Samidoun door Bob Vylan in Brussel

Gesteld door

lijst: VB Sam Van Rooy

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 17 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sam Van Rooy bekritiseert minister Bernard Quintin hevig omdat artiest Bob Vylan volgens hem ongestraft haat en moord verheerlijkt (o.a. "death to the IDF", steun aan Samidoun en intifada), wat hij ziet als een dubbele standaard: terwijl pro-Israëlische uitingen hard worden aangepakt, zou Vylan’s extremisme genegeerd worden – hij spreekt van "Belgistan" en beschuldigt de media van partijdigheid. Quintin benadrukt dat vrijheid van meningsuiting grenzen heeft bij geweldsverheerlijking, maar stelt dat het parket moet oordelen over strafbaarheid; hij ontkent concrete signalen van ordeverstoring of radicalisering door Vylan’s optreden.

Sam Van Rooy:

Mijnheer de minister, ik heb de regering al herhaaldelijk kritisch bevraagd over de optredens van Bob Vylan – nomen est omen, zoals natuurlijk ook zijn bedoeling is. Ik heb u een link gestuurd waarin u hem aan het werk hebt kunnen zien op 2 december in Brussel. Toen was reeds bekend uit vorige optredens, zowel in Nederland als in België, dat hij oproept tot moord op zowat elke Israëli, want zowat elke Israëli dient namelijk in het IDF. Hij roept 'death to the IDF', hij verheerlijkt dodelijke jihadistische terreur door 'intifada' te roepen. Hij verheerlijkt ook Samidoun, een organisatie die deze regering nota bene wil verbieden. Hij verheerlijkte ook de executie van Charlie Kirk.

Mijnheer de minister, wat is uw reactie daarop? Vindt u niet dat die Bob Vylan, die zijn artiestenpodium misbruikt om moord te verheerlijken en mensen aan te zetten tot haat en moord, een bedreiging vormt voor de veiligheid in dit land van joden, maar ook van niet-joden, van mensen zoals Charlie Kirk? Zo niet, waarom niet?

Bernard Quintin:

Mijnheer Van Rooy, de vrijheid van meningsuiting is fundamenteel in onze democratie, zoals eerder gezegd. Kritische standpunten over bijvoorbeeld beslissingen van de Israëlische regering moeten geuit kunnen worden. Het verheerlijken van geweld tijdens een optreden of enige andere publieke bijeenkomst zou echter niet als vrijheid van meningsuiting mogen worden beschouwd.

Het komt het parket toe om te beslissen een gerechtelijk dossier te openen wanneer er indicaties zijn van strafbare feiten. Haatzaaien en antisemitisme zijn, zoals u weet, in België verboden.

Ik heb nog geen signalen ontvangen dat dat optreden tot een verstoring van de openbare orde of veiligheid heeft geleid, noch dat dat een vector van radicalisering is geweest.

Sam Van Rooy:

Mijnheer de minister, mocht die als artiest vermomde neanderthaler Bob Vylan niet 'death to the IDF' maar 'death to the Belgian army' scanderen, en mocht hij niet de moord op Charlie Kirk maar op een linkse persoon verheerlijken, zou u dan ook de schouders ophalen zoals u nu doet? De vraag stellen is ze beantwoorden. Van de gepalestiniseerde Vlaamse media krijgt Bob Vylan veel sterren. Mocht een zionistische artiest zo’n moorddadige oproep doen, het kot in dit land zou te klein zijn. Terwijl op aanvuren van Hezbollahagent Abou Jahjah twee jonge IDF-militairen al feestend op Tomorrowland werden gearresteerd, wordt Bob Vylan in dit land geen strobreed in de weg gelegd. Dit is Belgistan.

De bommelding en de mogelijke dreiging tegen de Grote Synagoge in Brussel
De terreuraanslag op Bondi Beach tijdens Chanoeka
Veiligheidsdreigingen en terreuraanslagen tijdens religieuze evenementen

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 17 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Jeroen Bergers vraagt om opheldering over een bommelding tegen de Joodse gemeenschap in Brussel (9/12/2025) en bekritiseert de terugschroevende politiebeveiliging in Antwerpen na de dodelijke antisemitische aanslag in Australië (IS-geïnspireerd, 14/12/2025), die hij linkt aan een wereldwijde toename van antisemitisme en terroristische dreiging. Minister Quintin bevestigt dat het dreigingsniveau voor Joodse gemeenschappen in België structureel hoog blijft sinds de Hamas-aanval (7/10/2023), met verhoogde online haat maar beperkte fysieke incidenten (onderrapportering mogelijk), en ontkent dat veiligheidsmaatregelen zijn afgebouwd—hij bekritiseert "onverantwoorde paniekzaaierij" in de media en benadrukt lopende herverdeling van middelen zonder concreet gevaar. Bergers eist herstel van de Antwerpse politiepatrouilles, wijzend op de tegenstrijdigheid tussen Quintins beloftes en de waargenomen bezuinigingen tijdens een periode van verhoogd risico.

Jeroen Bergers:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, op 9 december 2025 ontving de politie in Brussel-Hoofdstad een bommelding die specifiek was gericht tegen de Joodse gemeenschap.

Ten eerste, beschikt u ondertussen over bijkomende informatie inzake de bommelding, met name over de timing of de intenties van de melder?

Ten tweede, hoe beoordeelt u de recente evolutie van het aantal incidenten gericht tegen de Joodse gemeenschap en van het aantal antisemitische incidenten in ons land?

Ten slotte, hoe schat u het algemene dreigingsniveau in, zowel in het licht van de feiten in België als van de gebeurtenissen die voorvielen op zondagavond 14 december 2025? Over die gebeurtenissen gaat trouwens mijn volgende vraag.

Bij de start van Chanoeka, het Joodse lichtfeest, vond op Bondi Beach in Australië een zware terroristische aanslag plaats. Tijdens een publieke samenkomst met duizenden aanwezigen openden een vader en zijn zoon het vuur, waarbij minstens vijftien mensen om het leven kwamen. In het voertuig van de daders werd een vlag aangetroffen van de islamitische terreurorganisatie IS, wat het islamitische en antisemitische karakter van de aanslag bevestigt.

Die feiten vallen voor in een periode waarin het antisemitisme wereldwijd opnieuw sterk toeneemt. Ook in België is de problematiek helaas niet onbekend. Ons land kent aanzienlijke Joodse gemeenschappen, onder meer in Antwerpen en in Brussel, waar momenteel ook Chanoeka wordt gevierd. Antisemitisme verspreidt zich vandaag zowel offline als online en vormt een reële bedreiging voor de veiligheid en het samenleven in onze staat. Ook hier wordt de Joodse gemeenschap geconfronteerd met een verhoogde en permanente dreiging van extremistische aanslagen die specifiek tegen haar zijn gericht. Mijn vragen luiden dan ook als volgt.

Welke concrete en structurele maatregelen zijn momenteel in België van kracht om de Joodse gemeenschap te beschermen tegen terroristische dreiging en antisemitisch geweld? Werden naar aanleiding van de aanslag in Australië bijkomende of versterkte veiligheidsmaatregelen getroffen? Hoe evalueert u de evolutie van het antisemitisme in België, zowel op het vlak van fysieke incidenten als van online uitingen?

Welke specifieke veiligheidsmaatregelen hebt u uitgewerkt voor de Joodse gemeenschap tijdens de komende eindejaarsperiode? Werd het dreigingsniveau van het OCAD herbekeken en blijft de structurele bescherming van de Joodse gemeenschap in de toekomst gegarandeerd? In dat verband wens ik, gezien de actualiteit, een bijkomende vraag te stellen. Het blijkt immers dat dat niet het geval is.

Het blijkt namelijk dat de federale politie van u de opdracht heeft gekregen om de beveiliging van de Joodse gemeenschap in Antwerpen terug te schroeven. Dat gebeurt op een moment waarop het antisemitisme wereldwijd toeneemt en net nadat een aanslag is gepleegd in Australië. Dat begrijp ik niet goed. Waarom wordt net nu beslist om de beveiliging van de Joodse wijk in Antwerpen terug te schroeven?

Bernard Quintin:

Mijnheer Bergers, met betrekking tot uw vragen over de bommelding en over de identiteit of de intenties van de melder kan ik, omwille van het lopende onderzoek, geen gegevens meedelen. Inzake de recente evolutie van het aantal incidenten en signalen van antisemitisme in ons land geeft het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse (OCAD) aan dat er na de terroristische aanslag van Hamas op 7 oktober 2023 een duidelijke toename was van het aantal dreigingsmeldingen die gelinkt zijn aan het conflict tussen Israël en de Palestijnen, met een piek in de eerste maanden na die aanval. In een significant aantal gevallen lijkt daarbij sprake te zijn van een antisemitisch motief. In 2025 bleef het aantal dreigingsmeldingen over dit issue ongeveer gelijk aan dat van 2024. De Joodse gemeenschap blijft een van de voornaamste doelwitten.

Sinds de escalatie van het Israëlisch-Palestijns conflict stelt het OCAD een toegenomen polarisatie en verhoogde spanningen in België vast, ook na het staakt-het-vuren. Die dynamiek uit zich vooral in haatdragende berichten online, die regelmatig bij het OCAD worden gemeld. Het aantal fysieke incidenten blijft beperkt, al geven Joodse organisaties aan dat niet alle feiten bij de politie worden aangegeven. De situatie wordt nauwlettend opgevolgd door de bevoegde diensten. De dreiging wordt continu gemonitord en dus niet enkel op basis van bijzondere evenementen, hoe tragisch ook, zoals de afschuwelijke terroristische aanslag op Bondi Beach in Sydney.

Voor de Joodse gemeenschap en haar belangen in ons land is het dreigingsniveau al geruime tijd hoog. In België is er dus al een verhoogde waakzaamheid bij de diensten en gelden er versterkte veiligheidsmaatregelen, waarover ik geen details kan geven.

Ik kom bij uw laatste vragen. Die maatregelen worden uiteraard ook tijdens de eindejaarsperiode toegepast.

Er is momenteel geen concrete informatie voorhanden die wijst op een imminente dreiging, maar we blijven waakzaam. Doordat er geen concrete info is, blijft het dreigingsniveau voorlopig ongewijzigd.

Wat uw laatste vragen betreft, er valt veel te zeggen. Ik vind het onaanvaardbaar en onverantwoordelijk om op televisie zaken te zeggen zoals gisteren het geval was. Er wordt met de federale politie, de politiezone Antwerpen en mijn kabinet bekeken hoe wij de middelen kunnen herverdelen. Dat is niet nieuw. Dat is misschien nieuw voor de politieke verantwoordelijken daar, maar dat is hun probleem, niet het mijne.

Zoals ik al herhaaldelijk heb gezegd, als het over veiligheid gaat, dan is het altijd beter om te weinig te zeggen dan te veel en zeker niet om op de Vlaamse televisie voor paniek te zorgen. De veiligheid van alle Belgen en zeker van de Joodse gemeenschap in Antwerpen, die specifiek bedreigd is, is voor mij heel belangrijk. Dat was altijd al zo en dat zal het ook altijd blijven. Wie het tegenovergestelde denkt en zegt, is totaal fout.

Voorzitter:

Mijnheer de minister, het spreekwoord luidt 'Spreken is zilver, zwijgen is goud."

Jeroen Bergers:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

Het probleem dat zich specifiek in Antwerpen stelt en waarover er inderdaad een debat is ontstaan – ik laat in het midden wie daarvoor de aanzet heeft gegeven –, kan volgens mij gemakkelijk worden opgelost. U benadrukt hier opnieuw dat de permanente dreiging voor de Joodse gemeenschap in ons land hoog is, zeker na internationale aanslagen die worden gepleegd, zoals zondag in Australië. U benadrukt dat u de veiligheid van de Joodse gemeenschap in ons land heel ernstig neemt, dat u die heel belangrijk vindt en dat dat uw verantwoordelijkheid is.

Bernard Quintin:

(…)

Jeroen Bergers:

Ik begrijp dat de Antwerpse burgemeester aan de alarmbel trekt. Er kunnen gemakkelijk extra maatregelen worden genomen om de veiligheid van de Joodse gemeenschap te waarborgen. Dat kan door de maatregelen die in het verleden al werden genomen opnieuw in te voeren en door de agenten van de federale politie die in de Joodse wijk in Antwerpen gestationeerd waren en daar patrouilleerden, terug te brengen. Dat is een gemakkelijke actie die voor een oplossing in dit debat kan zorgen.

De veiligheidssituatie in Brussel

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 17 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Bernard Quintin weerlegt de kritiek van Cieltje Van Achter (Vlaams minister) dat veiligheid in Brussel niet wordt aangepakt door een reeks federale maatregelen op te sommen (versterkte politie, ANPR-camera’s, militairen, CIK’ers, fusie politiezones), maar bevestigt dat deze onvoldoende zijn zonder een functionerende Brusselse regering, die ook netheid en openbare diensten moet garanderen. Hij betreurt de verslechterde situatie door de aanslepende regeringsvorming, maar wijst erop dat veiligheid breder is dan enkel politie en justitie. Meuleman kaartte de uitspraak van Van Achter aan, maar Quintin ontwijkt directe actie en benadrukt federale inspanningen binnen zijn bevoegdheid.

Brent Meuleman:

Vlaams minister bevoegd voor Brussel Cieltje Van Achter liet op 11 december optekenen dat “de veiligheid in Brussel niet wordt aangepakt.” Dat is volgens haar het gevolg van de tergend lang aanslepende regeringsvorming in Brussel. Gezien de vele geweldincidenten vond ik dat toch een opmerkelijke uitspraak. Onderschrijft u het statement van minister Van Achter dat de veiligheid in Brussel niet wordt aangepakt?

Hoe erg is de veiligheidssituatie in de hoofdstad? Hoe is die geëvolueerd tijdens het regeringsvormingsproces?

Overweegt u actie naar aanleiding van het statement van minister Van Achter? Is dat aan de orde? Zo ja, op welke wijze?

Bernard Quintin:

Mijnheer Meuleman, ik heb kennisgenomen van het interview van de Vlaamse minister bevoegd voor Brussel, mevrouw Cieltje Van Achter, waarin zij betreurt dat de veiligheid en de netheid in Brussel erop achteruitgaan. Netheid is een gewestelijke bevoegdheid en als Brusselaar kan ik bevestigen dat er inderdaad problemen zijn met de netheid in Brussel.

Met betrekking tot veiligheid, herinner ik u aan enkele maatregelen die ik heb genomen sinds ik mijn functie als minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken heb opgenomen. Zo heb ik de federale gerechtelijke politie Brussel versterkt met 30 agenten en zullen er tegen het einde van het jaar daar 40 speurders werken. Voorts zijn er in alle grote steden FIPA-acties, drie ervan in Brussel. Ook heb ik 25 miljoen euro uitgetrokken voor de uitrol van nieuwe ANPR-camera’s en de aansluiting van alle camera’s van de NMBS en MIVB op één systeem. Daarnaast zijn er 20 CIK’ers bij de SPC in Brussel voor het Zuidstation en voor het metrostation, om nog maar te zwijgen van het feit dat er op een bepaald moment 45 militairen zullen worden ingezet om de veiligheid in Brussel te versterken. Vergeet evenmin de fusie van de Brusselse politiezones, conform het regeerakkoord, een van de maatregelen van het arsenaal dat de federale regering zal inzetten.

Over die fusie wordt nog in de federale regering gediscussieerd en ik hoop dat iedereen door dezelfde motivatie wordt gedreven als ik, namelijk de veiligheid in Brussel versterken.

Al die maatregelen zijn noodzakelijk, maar onvoldoende dor het ontbreken van een volwaardige Brusselse regering. Men zou kunnen denken dat veiligheid zich alleen beperkt tot politie, justitie en gevangenissen. Dat is niet het geval. Veiligheid betekent ook een gepacifieerde, propere openbare ruimte met goed functionerende openbare diensten en een politieke klasse die verantwoordelijkheid opneemt voor de uitdagingen van het gewest.

Ik word in de commissie hier geregeld ondervraagd over de situatie in Brussel, die verslechtert door de aanslepende onderhandelingen over de regeringsvorming. Als federaal minister is het niet aan mij om een oordeel te vellen over onderhandelingen op een ander bestuurlijk niveau, maar ik kan de situatie wel betreuren.

Brent Meuleman:

Ik dank u voor uw antwoord, mijnheer de minister.

Voorzitter:

Les questions n os 56011555 et nr. 56011558 de M. Thiébaut sont transformées en questions écrites.

Oudejaarsavond
De voorbereiding op oudejaarsnacht en de verwachte rellen
Oudejaarsavond, voorbereidingen en mogelijke rellen

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 17 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Jeroen Bergers (N-VA) en Ortwin Depoortere (Vlaams Belang) bekritiseren het gebrek aan preventieve maatregelen tegen oudejaarsrellen (vandalisme, geweld tegen hulpdiensten) en dringen aan op huisarresten, avondklokken en vuurwerkverboden, met name voor recidivisten met migratieachtergrond. Minister Quintin (MR) benadrukt dat burgemeesters al bevoegd zijn voor dergelijke maatregelen (mits proportioneel en tijdelijk), maar belooft een ondersteunende brief en extra politie-inzet in Brussel, zonder algeheel vuurwerkverbod af te kondigen. Bergers juicht de brief toe maar vindt dat sommige Brusselse burgemeesters weggkijken, terwijl Depoortere stelt dat jarenlang "gepamper" heeft geleid tot het huidige geweld en eist hardere repressie, met kritiek op het gebrek aan beleidsverandering onder N-VA/Vivaldi.

Jeroen Bergers:

Geachte minister Quintin, jammer genoeg werd de voorbije jaren van oudejaarsavond misbruik gemaakt om rel te schoppen en vuurwerk af te steken. Het gaat daarbij niet om het vuurwerk waar iedereen vrolijk van wordt, maar om het vuurwerk dat leidt tot vandalisme en geweld tegen onze hulpdiensten. Een van de oplossingen die terecht naar voren wordt geschoven, bijvoorbeeld in Antwerpen, is huisarrest. Individuen die een gevaar kunnen vormen voor de openbare orde en al heel wat wangedrag op hun kerfstok hebben, worden dan verplicht om binnen te blijven.

Jammer genoeg blijven dit soort bestuurlijke maatregelen in veel Brusselse gemeenten en ook elders in het land uit. Daarom heb ik de volgende vragen.

Zult u een brief sturen naar alle gemeenten met uitleg over het kader om preventieve huisarresten op te leggen, zodat lokale besturen met een kleinere administratie worden bijgestaan in de bestrijding van dit geweld? Ik spreek zelf als lokale bestuurder van een kleinere gemeente met een minder uitgebreide administratie dan Antwerpen, die richtlijnen kan gebruiken om zelf meer maatregelen te nemen.

Op basis van welke risico-indicatoren kan volgens u een huisarrest worden opgelegd? Zijn er volgens u nog andere bestuurlijke maatregelen aangewezen voor lokale bestuurders om zelf in te grijpen? Neemt u als minister van Binnenlandse Zaken met de politie andere specifieke maatregelen in Brussel om de veiligheid te garanderen? Ik verwijs naar de acties die u hebt opgezet rond de lezing die werd bedreigd. Het zou goed zijn als soortgelijke acties worden opgezet om de veiligheid op oudejaarsavond te waarborgen.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, bijna elk jaar stelde ik tijdens de plenaire vergadering een actuele vraag over de voorbije rellen op oudejaarsavond.

Het gaat telkens over vandalisme, geweld tegen politie en geweld tegen hulpdiensten. Laten we het probleem benoemen. Het betreft altijd groepen jongeren, veelal met een migratieachtergrond.

Tijdens het vragenuurtje in de Kamer hebt u al verklaard dat lokale besturen over voldoende instrumenten beschikken om oudejaarsrellen te voorkomen. Ik ben het daar niet volledig mee eens, mijnheer de minister, niet omdat ik u niet op uw woord wil geloven, maar omdat ik moet vaststellen dat lokale besturen er door de jaren heen nog nooit in geslaagd zijn deze rellen te voorkomen of efficiënt aan te pakken.

Steevast zijn er federale 'hulptroepen' nodig, die moeten worden ingezet om die groepen jongeren in het beste geval op te pakken, of in het slechtste geval hun activiteiten te doen staken. Ik druk mij hierbij zeer eufemistisch uit. Mijnheer de minister, wij stellen de vragen nu preventief.

Wat zou u nu al kunnen ondernemen om de oudejaarsrellen tegen te gaan? De heer Bergers verwijst naar preventieve huisarresten. Dat is slechts één element in het geheel. Er is wellicht meer nodig, zoals het instellen van een avondklok in een bepaalde periode en in een bepaalde wijk. Ook een verbod op pyrotechnisch materiaal, dat vaak niet voor het plezier, maar voor vandalisme wordt gebruikt, kan worden overwogen.

Er vindt overleg plaats met het Nationaal Crisiscentrum, de politie, de brandweer en gouverneurs. Worden de daders, die meestal bekend zijn, al in kaart gebracht? Is er sprake van recidivisme? Zijn er gekende probleemplaatsen? Hoe zult u extra maatregelen kunnen nemen?

Bernard Quintin:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer Bergers, op mijn vraag werd deze voormiddag een overleg georganiseerd op het Nationaal Crisiscentrum over de voorbereiding van de festiviteiten rond oudjaar. Op dat overleg waren onder meer de korpschefs van de politiezones Brussel-Hoofdstad Elsene, Gent, Antwerpen, Luik, Charleroi, Bergen en Namen uitgenodigd, evenals de betrokken dirco's, gouverneurs en verantwoordelijken van de hulpverleningszones.

Het overleg had tot doel een duidelijk beeld te krijgen van de voorbereidingen, de al getroffen maatregelen en de geplande inzet, zowel van de politiediensten en hulpverleningszones, als op het vlak van bestuurlijke maatregelen. De burgemeester is immers verantwoordelijk voor de handhaving van de openbare orde binnen de gemeente en kan alle noodzakelijke maatregelen nemen om die openbare orde te handhaven.

Op grond van deze bepalingen hebben sommige burgemeesters in het verleden een huisarrest opgelegd aan bepaalde individuen die op een bepaald tijdstip een gevaar vormden voor de openbare orde. In het bijzonder voor een geval in Antwerpen waarbij een beroep tegen de maatregel werd aangetekend, heeft de Raad van State in duidelijke bewoordingen de voorwaarden toegelicht. Deze bestuurlijke maatregel moet legitiem en proportioneel zijn. Dat betekent dat het risico voor de openbare orde aangetoond moet worden, bijvoorbeeld aan de hand van voorgaande, vergelijkbare feiten. Bovendien moet het huisarrest aangepast zijn aan de concrete ordehandhavingsbehoefte, waarbij vrijheid de regel is en beperking van de vrijheid de uitzondering. De termijn waarvoor de maatregel geldt, moet met andere woorden kort zijn en er moet afgeweken kunnen worden indien de persoon bijvoorbeeld moet werken of op vakantie naar het buitenland wil gaan.

Precieze criteria oplijsten is moeilijk, doordat elk geval apart getoetst wordt op grond van plaatselijke omstandigheden en gebeurtenissen. Aangezien dergelijke maatregelen vaak een efficiënt en aanvullend instrument blijken om een passend antwoord te bieden op uitdagingen op het vlak van openbare orde, kan de burgemeester inderdaad in een brief op deze mogelijkheden wijzen. Het komt immers niet mij maar de burgemeester toe om maatregelen te nemen ter handhaving van de openbare orde.

De korpschefs van de Brusselse politiezones zijn overigens op verschillende momenten samengekomen om de eindejaarsperiode voor te bereiden. Waar dit noodzakelijk achtten, hebben zij om steun verzocht bij de federale politie, zowel onder de vorm van mensen als middelen – drones, sproeiwagens, celwagens.

Wat de vraag over het algemeen vuurwerkverbod betreft, ik stel vast dat er nog elk jaar ongelukken gebeuren, net als in het voetbal. Een verbod zal niet noodzakelijk betekenen dat het ook wordt nageleefd of kan worden gehandhaafd. Er zou ook een verbod komen op steps. De administratieve handhaving is echter heel belangrijk om een feestelijke atmosfeer te behouden.

Jeroen Bergers:

Ik dank u, mijnheer de minister. Ik juich het toe dat u een brief zal sturen naar alle burgemeesters in het land om hen te wijzen op de maatregelen die zij kunnen nemen, zoals huisarrest, en om uit te leggen hoe die maatregelen correct kunnen worden toegepast. Dat is een belangrijke stap om de kleinere gemeenten te ondersteunen en hen aan te moedigen hun verantwoordelijkheid te nemen, in plaats van soms weg te kijken. Er zijn immers toch wel een aantal burgemeesters in Brussel die doen alsof hun neus bloedt. Het is een zeer goede maatregel van uw kant.

Verder hoop ik dat door extra inzet en het overleg dat u hebt gepleegd, de politie de rellen die jammer genoeg zullen plaatsvinden, effectief kan indammen. Zo kan het jaarlijkse inferno worden vermeden. Het gespuis dat misbruik maakt van oudejaarsavond om het kot op stelten te zetten en dat de veiligheid van de hulpdiensten en van burgers in gevaar brengt, moet hard worden aangepakt en gearresteerd, zodat ernstige rellen zoals in voorgaande jaren kunnen worden voorkomen. Dat zou mij en denk ik heel het land, veel genoegen doen.

Ortwin Depoortere:

Dank u, mijnheer de minister, voor uw antwoord. Blijkbaar kan men oudejaarsavond in dit land niet meer op een normale wijze vieren. Dat probleem is ontstaan doordat men jarenlang heeft weggekeken, heeft gepamperd en niet heeft ingegrepen toen het uit de hand liep. Dat gepamper moet nu voorbij zijn. De brave burger is het slachtoffer van die rellen. Het zal hem weinig schelen wie de leiding heeft, de lokale of de federale veiligheidsdiensten. De veiligheidsdiensten moeten gewoon samenwerken, de handen in elkaar slaan en ervoor zorgen dat de relschoppers, het gespuis zoals de heer Bergers hen noemt, van straat worden gehaald.

Mijnheer Bergers, ik kijk naar een N-VA-regering die een totaal andere koers zou varen op het gebied van veiligheid, maar ik zie geen verschil met de vivaldiregering. Het is hetzelfde beleid van laten betijen en niet ingrijpen. Dat is wraakroepend.

Voorzitter:

Ik zie dat de heer Jeroen Bergers vraag nr. 56011580C heeft omgezet in een schriftelijke vraag, hopelijk niet naar aanleiding van mijn repliek. De heer Demon is niet aanwezig.

De schietpartij en het drugsgeweld in Sint-Gillis (Brussel)
Het geweld in Sint-Gillis
Geweld en criminaliteit in Sint-Gillis, Brussel

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 17 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Tijdens een debat over de escalerende drugscriminaliteit en schietpartijen in Brussel (96 incidenten in 2024, +5% vs. 2023) bekritiseert Ortwin Depoortere het gebrek aan effectieve aanpak, wijst op structurele verplaatsing van geweld naar woonwijken en eist hardere repressie (uitzetting illegalen, constante razzia’s). Brent Meuleman vraagt om concrete resultaten van beloofde maatregelen (FIPA-operaties, 40 extra agenten, camera’s) en noemt de versnippering van politiezones een belemmering, ondanks steun voor de geplande fusie. Minister Quintin bevestigt versterkte inzet (maandelijkse FIPA’s, gespecialiseerde eenheden, militaire steun) en meetbare successen (arrestaties, inbeslagnames), maar benadrukt dat structurele oplossingen tijd vragen en narcoterrorisme geen passende term vindt. Depoortere blijft kritisch, stelt dat illegale daders en minderjarige schutters ongestraft opereren en waarschuwt voor een Vlaamse uitstralingsdreiging.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, op zaterdag 13 december werd de Metaalstraat in Sint-Gillis opgeschrikt door een schietpartij waarbij de gevel van een woning werd doorzeefd met kogels. De getroffen woning bevond zich op enkele meters van een huiswerkklas. Als bij wonder vielen er geen gewonden. Zo konden we vernemen in de media.

Alles wijst op een afrekening binnen het drugsmilieu, zoals zo vaak in Brussel. De betrokken jongeren kregen al een plaatsverbod opgelegd wegens drugsdealactiviteiten op het Bethlehemplein. Het geweld verplaatst zich intussen van gekende hotspots naar rustige woonstraten. Dat vormt een reëel gevaar voor burgers in de onmiddellijke omgeving. Het is een kwestie van tijd voordat een verdwaalde kogel opnieuw een onschuldig slachtoffer maakt. Ik zeg opnieuw, omdat we dat al hebben moeten meemaken in Antwerpen.

Mijnheer de minister, beschouwt u die feiten als geïsoleerde incidenten of als een onderdeel van een structurele escalatie richting narcoterrorisme? Wat is de stand van zaken? Dat is belangrijk in het kader van de fusie van de Brusselse politiezones. Als we de strijd tegen de drugsbendes en het narcoterrorisme ernstig willen nemen, is er geen tijd te verliezen. Worden probleemzones versterkt met extra middelen en personeel? Blijkbaar hebben de huidige middelen geen effect. Daarom stel ik die vraag.

Wat plant u om recidive en de betrokkenheid van illegalen bij drugsgerelateerde criminaliteit te voorkomen? Er is sprake geweest van een taskforce. Die bestaat nog altijd, naar het schijnt, mijnheer de minister. U hebt ook al meermaals in het Parlement gezegd dat u de strijd tegen de drugscriminaliteit zou intensiveren. Ik wil graag peilen naar de resultaten. Wat heeft dat al veranderd op straatniveau? Zijn er meetbare resultaten in de ontmanteling van netwerken, inbeslagnames, arrestaties of vervolgingen?

Brent Meuleman:

Helaas is mijn vraag al achterhaald, mijnheer de minister. Ik wilde u vragen stellen naar aanleiding van de laatste schietpartij in Sint-Gillis. Tussen het indienen van mijn vragen en vandaag is er helaas nog een schietpartij toegevoegd aan de ellenlange lijst van schietpartijen in Brussel. Afgelopen maandagochtend boorden verschillende kogels zich namelijk in de gevel van een gezinswoning.

Er werd al naar verwezen, op zaterdag 13 december werden de bewoners van Sint-Gillis opnieuw opgeschrikt door grof geweld. Dit is helaas geen alleenstaand geval, maar het zoveelste incident in een reeks die de leefbaarheid in de wijk zwaar onder druk zet.

Ik verwijs graag naar mijn eerdere schriftelijke vraag en uw antwoord daarop van eind oktober. U stelde toen heel duidelijk dat u de criminelen op alle fronten zou aanpakken om de controle over onze stadcentra terug te krijgen. U kondigde de lancering aan van het plan ‘Grandes Villes’, dat het Kanaalplan vervangt en uitbreidt. In uw antwoord gaf u bovendien aan dat er geregeld harde acties – u hebt er al naar verwezen, FIPA – zouden plaatsvinden om criminelen dag en nacht lastig te vallen.

U waarschuwde zelfs dat, als we vandaag de controle verliezen in de zone Zuid, morgen de hele stad daaronder zal lijden. Helaas hebben we ondertussen een nieuw record beet, vers van de pers. De VRT heeft daar vanochtend over bericht. Het gaat om een record waarmee men eigenlijk niet in de boeken wil komen, want het aantal schietpartijen in Brussel is ondertussen opgelopen tot 96, tegenover 92 vorig jaar. Dat recente record is dus al een oud record geworden. We kunnen alleen maar hopen dat het uiteindelijke aantal niet nog hoger zal liggen. Daarom heb ik de volgende vragen voor u, mijnheer de minister.

U gaf aan dat de FIPA’s zolang als nodig herhaald zouden worden. Heeft er in de dagen voorafgaand aan of onmiddellijk na dit nieuwe schietincident in Sint-Gillis een dergelijke actie plaatsgevonden in de betreffende wijk? U beloofde dat er voor het einde van het jaar nog eens 40 rekruteringen zouden plaatsvinden bij de federale gerechtelijke politie van Brussel. We zijn nu half december. Zijn die 40 extra krachten effectief aangeworven en operationeel inzetbaar op het terrein?

U sprak over 20 miljoen euro aan federale middelen voor camera’s, specifiek voor hotspots die onvoldoende bewaakt worden. Zal de straat waar dit recente incident plaatsvond versneld worden uitgerust met die middelen, aangezien Sint-Gillis duidelijk kampt met een tekort? U pleit voor een fusie tot één politiezone onder één commando om de slagkracht te vergroten. Laat mij duidelijk zijn, wij delen uw analyse en zijn zelf ook vragende partij voor die eengemaakte zone, maar we moeten natuurlijk ook realistisch zijn. Die hervorming zal er niet van vandaag op morgen zijn. U stelde zelf dat de huidige versnippering in zes zones niet werkt en dat de structurele versterking momenteel onvoldoende is.

Welke noodmaatregelen neemt u nu om de samenwerking tussen de zones te garanderen, zodat de veiligheid van de Brusselaar niet on hold staat tot de fusie rond is?

Bernard Quintin:

De feiten waarnaar u verwijst, spelen zich af in het milieu van de georganiseerde drugscriminaliteit. Narcoterrorisme is een begrip dat voor mij niet geheel van toepassing is, maar het spreekt voor zich dat ook deze schietpartij bijzonder choquerend is. Het onderzoek loopt, waardoor ik weinig kan zeggen over de verdachten, maar ik heb geen informatie ontvangen over het niet respecteren van bestuurlijke maatregelen.

Ik ben er inderdaad nog steeds van overtuigd dat de fusie van de politiezones in Brussel een element is dat moet toelaten een doeltreffend politie- en veiligheidsbeleid te voeren in onze hoofdstad. Mijn kabinet werkt momenteel hard aan de tekst voor de fusie van de Brusselse politiezones, met het oog op een zo snel als mogelijke tweede lezing in de ministerraad.

In afwachting daarvan worden extra middelen en personeel ingezet in de probleemzones. De politiezone Zuid ontvangt bijvoorbeeld ondersteuning via verschillende gespecialiseerde eenheden, waaronder de cavalerie, de CSD, het CIK, de FERRES en de dronecel. Die versterking wordt ingezet volgens de operationele noden en beschikbaarheid. Daarnaast wordt één Full Integrated Police Action (FIPA) per maand uitgevoerd in Brussel, in samenwerking met de zes Brusselse politiezones en de federale eenheden, waaronder de spoorwegpolitie en het interventiekorps.

In Brussel hebben de FIPA-operaties tastbare resultaten opgeleverd op het vlak van arrestaties, inbeslagnames en vaststellingen. Er werden controles uitgevoerd bij personen, voertuigen en handelszaken, wat leidde tot meerdere gerechtelijke en administratieve arrestaties, processen-verbaal inzake verkeer, drugs en wapens, evenals tot inbeslagnames van verdovende middelen, geld en verboden voorwerpen. De acties tonen aan dat de gezamenlijke inzet van de betrokken politiediensten effectief bijdraagt aan de bestrijding van criminaliteit. Gedetailleerde cijfers kunt u het best schriftelijk opvragen.

U verwees terecht, mijnheer Meuleman, naar de recentste cijfers, die een stijging aangeven. Het gaat om een ‘beperkte stijging’ van 5 %, met tegelijk een daling van het aantal moorden. Het zijn er hoe dan ook nog steeds veel te veel.

Wij doen veel, met de politiezones en de federale politie. Het zal nog veel werk en een intensieve samenwerking vergen. We moeten dat fors aanpakken, maar ik veronderstel dat niemand die hier of daarbuiten verantwoordelijk is, denkt dat we dit in enkele maanden kunnen oplossen. Wat we moeten doen en wat we doen, is de problematiek met alle beschikbare middelen fors aanpakken. Dat is ook een reden om de nu beoogde militairen in te zetten. Dat moet meer kracht geven aan de aanpak van de criminaliteit in Brussel, maar niet alleen in Brussel. Ik dank u.

Ortwin Depoortere:

Dank u voor uw antwoord, mijnheer de minister. Onze politiediensten telden dit jaar voorlopig al 96 schietpartijen, tot en met 15 december. Dat zijn er vier meer dan vorig jaar en we zijn nog niet aan het einde van 2025. Ten opzichte van 2022 gaat het vrijwel om een verdubbeling. Zo snel gaat het. Twee schietpartijen per week zijn het nieuwe normaal in multicultureel Brussel. Daarbij vielen dit jaar ondertussen al acht doden.

We weten bovendien in veel gevallen wie de daders zijn. Het gaat veelal om illegalen en minderjarige allochtonen die worden uitgestuurd om op rivaliserende dealers te schieten. Brussel is de kanarie in de kolenmijn voor wat Vlaanderen te wachten staat en voor hoe het nu al is in onder meer Antwerpen.

Zet die illegalen dus het land uit. Maak bendes het leven onmogelijk met constante razzia’s. Steek die schutters en dealers achter slot en grendel.

Brent Meuleman:

Ik dank u voor uw antwoord, mijnheer de minister.

Voorzitter:

Vraag nr. 56011681C van de heer Depoortere wordt omgezet in een schriftelijke vraag, net als vraag nr. 56011683C van de heer Jeroen Bergers.

Het gewelddadige politieoptreden in een bus in Luik

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 17 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Rajae Maouane bekritiseert het buitensporig politiegeweld in Liège, waar een man met kinderwagen na een conflict met een buschauffeur brutaal werd neergeslagen, geslagen met een wapenstok en besproeid met peperspray, ondanks afwezigheid van directe dreiging; ze vraagt zich af of dit past in een patroon van escalerend geweld en systemisch gebrek aan respect voor burgers, vooral uit kwetsbare groepen. Minister Quintin bevestigt dat lokale agenten handelden op verzoek van de buschauffeur, benadrukt dat beelden slechts een fragment tonen en dat de proportionaliteit volgens artikel 37 (politiewet) moet worden beoordeeld in de volledige context; hij wijst op lopende administratieve en justitiële onderzoeken, de presomptie van onschuld voor agenten en bestaande controlemechanismen (Comité P, interne audits, community policing), maar geeft geen concrete nieuwe maatregelen. Maouane betwist de proportionaliteit ("een kinderwagen is geen wapen"), stelt dat vertrouwen in de politie alleen hersteld kan worden als zij zelf respectvol optreedt, en ontbreekt het volgens haar aan zichtbare stappen om digniteit, luisteren en de-escalatie structureel te verankeren, wat ze alarmistisch noemt gezien eerdere incidenten. Quintin verdedigt het systeem (training, klachtenafhandeling, dialoog met buurtcomités) maar ontwijkt een direct antwoord op hoe concreet geweld wordt teruggedrongen of hoe vertrouwen bij burgers herwonnen wordt.

Rajae Maouane:

Monsieur le ministre, le 28 novembre dernier, vers 9 h 40, la police est intervenue de manière très violente et visiblement disproportionnée dans le contexte de l'arrestation d'une personne dans un bus à Liège.

Il semblerait que le ton serait monté entre la conductrice du bus et cet homme parce qu'il serait entré par une mauvaise porte avec une poussette d'enfant. La conductrice a fait appel à la police et l'homme a refusé de tendre ses mains, ou aurait refusé de tendre ses mains, visiblement pour se faire menotter. C'est là que la police l’a fait tomber à terre et l’a frappé violemment de coups de matraque et de spray au poivre.

Je ne sais pas si vous avez vu les images tournées, monsieur le ministre, mais elles sont vraiment très difficiles à voir. Finalement, l'homme a été descendu du bus manu militari . Il a été arrêté et a été privé de liberté pour la nuit pour des faits qualifiés de rébellion. Il fera l'objet prochainement d'une comparution devant le tribunal correctionnel de Liège.

Entretemps, cette affaire a été divulguée dans les médias. Le bourgmestre de Liège a demandé un rapport au chef de corps de la police de Liège, et en parallèle, une plainte a été déposée à Unia.

Cette scène est plus qu'interpellante. Elle s'inscrit dans un contexte de montée en violence des interventions policières. Nous avons déjà eu l'occasion d'en discuter quelquefois ici, monsieur le ministre. Je le redis: les images sont vraiment très impressionnantes à voir.

J’ai quelques questions très précises. Les avez-vous vues? Avez-vous pris connaissance de cette intervention musclée? S’agissait-il d'agents locaux? Quelles explications la police a-t-elle pu donner face à cette intervention? À votre niveau, quelque chose est-il mis en place pour que ces scènes d'une telle violence ne se reproduisent plus? Pourquoi la police peut-elle choisir d'utiliser des armes alors que l'intervention ne le requiert pas, et ce, de manière disproportionnée?

Qu'est-ce qui est mis en place pour que nos habitants, quelle que soit leur couleur de peau, leur origine, leur situation socioéconomique, soient traités avec dignité et bienveillance par la police, que leurs droits fondamentaux soient respectés et qu'un dialogue puisse s'installer? Merci pour vos réponses.

Bernard Quintin:

Merci, madame Maouane. Pour répondre à votre première question, j'ai en effet vu l'extrait, comme, je pense, beaucoup de personnes.

Il s'agissait de policiers de la zone de police locale de Liège. D'après les premières informations disponibles qui m'ont été transmises, les inspecteurs sont intervenus à la demande de la conductrice du bus, dans un contexte qualifié d'urgent.

Les images diffusées dans les médias et sur les réseaux sociaux ne montrent que des extraits partiels de l'intervention. Elles ne permettent pas à elles seules d'apprécier l'ensemble des circonstances factuelles dans lesquelles l'intervention s'est déroulée. L'évaluation du caractère nécessaire, proportionné et légal de l'usage de la force doit se faire dans sa globalité, au regard de l'article 37 de la loi sur la fonction de police, qui encadre strictement le recours à la contrainte.

À la suite des faits, le bourgmestre de Liège et le chef de corps ont initié une enquête administrative préalable, susceptible de déboucher, le cas échéant, sur une procédure disciplinaire. Parallèlement, une information judiciaire a été ouverte par le parquet du procureur du Roi de Liège.

Le dossier étant désormais entre les mains de l'autorité judiciaire, il ne m'appartient pas, en tant que ministre, et singulièrement en tant que ministre de l'Intérieur, de me prononcer sur le fond des faits ou sur les responsabilités individuelles. Dans ce contexte, il convient également de rappeler que les policiers concernés bénéficient, comme tout citoyen, de la présomption d'innocence, tant que les enquêtes en cours n'ont pas abouti.

La Belgique dispose d'un dispositif complet de contrôles démocratiques des services de police, comprenant notamment le Comité permanent P, l'Inspection générale, les mécanismes de contrôle interne, ainsi que le contrôle de l'autorité judiciaire. Au niveau local, la zone de police de Liège dispose en outre d'une direction de la maîtrise de l'organisation, chargée notamment des enquêtes internes. Toute plainte est systématiquement examinée et un système de détection et de gestion des risques est en place.

Les prescriptions relatives à l'entraînement à la maîtrise de la violence, la directive GPI 48, y sont strictement appliquées, notamment via un centre spécialisé qui organise des débriefings après toute intervention problématique. Lorsque des difficultés sont identifiées, des mesures sont prises, pouvant aller jusqu'au retrait temporaire des missions opérationnelles.

Enfin, la philosophie du community policing constitue un fondement essentiel du fonctionnement de la police. Il en est donc ainsi dans la zone de police de Liège. Le chef de corps et les officiers entretiennent un dialogue régulier avec les associations et les comités de quartier. Le respect de la dignité des personnes et des droits fondamentaux fait partie des valeurs centrales qui sont promues au sein des corps de police. Je vous remercie.

Rajae Maouane:

Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses. En effet, on voit que les images ne sont pas complètes. Mais celles qu’on a vues, où on a vu la violence déployée, la violence avec laquelle la police est intervenue, me font me poser des questions sur la proportionnalité. Il s'agissait d'une personne avec une poussette. Vous conviendrez que ce n'est pas l'arme la plus dangereuse, une poussette. Elle se trompe de porte dans un bus, effectivement. Que la conductrice puisse appeler la police, c’est effectivement son bon droit si elle s'est sentie menacée ou pas respectée. Mais que la police intervienne avec une telle brutalité, moi, cela me pose vraiment question. Cela me pose question sur la montée en puissance des tensions entre les habitants, habitantes, les citoyens, citoyennes et la police. Nous en avons débattu tout à l’heure: pour que la police soit respectée, il faut qu’elle soit absolument respectable. Je ne vois pas ce qui est mis en place concrètement pour que les habitants de Liège ou d’ailleurs soient traités avec dignité, bienveillance et écoute par la police, et pour que leurs droits fondamentaux soient respectés. Nous avons toutes et tous le droit de prendre le bus sans nous faire matraquer et taper dessus par la police. J’ai l’impression que le dialogue n’est pas vraiment instauré, et cela m’inquiète pour la suite, parce qu’il y a d’autres événements tragiques. Nous y reviendrons.

Het dodelijke slachtoffer bij een politie-interventie in Namen
De dodelijke politie-interventie in Namen
Dodelijke politie-interventie in Namen

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 17 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Tijdens een politieinterventie in Namur werd Adama (34), een man met psychiatrische voorgeschiedenis en mogelijke psychotische episode, doodgeschoten door agenten nadat hij agressief zou zijn geweest—later bleek hij enkel een gsm bij zich te hebben. Farah Jacquet en Rajae Maouane bekritiseren het gebrek aan proportioneel optreden, slechte communicatie (valse beweringen over een mes), en structurele tekortkomingen: onvoldoende politiescholing in omgang met psychosepatiënten, afbouw van psychiatrische zorg (80% minder langverblijfbedden), en systemisch geweld/racisme binnen de politie, met name tegen geracialiseerden en kwetsbare groepen. Minister Bernard Quintin benadrukt lopende onderzoeken (Comité P, justitie) en bestaande initiatieven zoals gespecialiseerde crisisplannen (EMUT, EDS-training), maar erkent dat urgentesituaties soms dodelijk escaleren; Maouane noemt dit onaanvaardbaar en eist transparantie over de schietpartij (o.a. schoten in de rug) en fundamentele hervormingen. Jacquet wijst op falend beleid in geestelijke gezondheidszorg en pleit voor betere samenwerking tussen politie en zorgteams.

Farah Jacquet:

Monsieur le ministre, dimanche soir, un drame s'est produit dans la ville de Namur. Un homme de 34 ans, Adama, y a perdu la vie lors d'une intervention policière. La police aurait été appelée pour une bagarre avec un couteau et, à leur arrivée sur place, des agents auraient trouvé un homme au comportement agressif qui empêchait la circulation des voitures. Ils ont tenté de le maîtriser à l'aide de sprays au poivre, sans succès. Quatre policiers ont été blessés lors de l'intervention et sont actuellement en incapacité de travail. Finalement les agents ont fait usage de leur arme de service et ont tiré trois coups de feu. L'homme est décédé sur place. Je voudrais souligner que c'est un drame pour toutes les personnes concernées, pour les proches de la victime, mais aussi les policiers présents.

Les circonstances exactes des faits font l'objet d'une enquête par la justice et le Comité P. Selon les premières informations, l'homme était déjà connu pour des faits de violence et aurait également été interné au cours de l'année écoulée. Des témoignages indiquent qu'il semblait hors de lui, des signaux qui laissaient penser à un épisode psychotique. Nous savons que, par le passé, plusieurs interventions policières impliquant des personnes en état de psychose ont déjà eu une issue mortelle: Jonathan Jacob, Pieter Aerts, Peter Goeman.

À de nombreuses reprises, des experts ont souligné la nécessité d'accorder davantage d'attention dans la formation des policiers à la prise en charge des personnes en psychose, mais aussi dans la formation continue, dans une collaboration plus étroite entre la police et les services d'accompagnement, et dans la mise en place d'équipes de crise spécialisées.

Comment réagissez-vous à ces faits?

Envisagez-vous d’évaluer le cadre actuel des interventions policières face aux personnes en crise psychologique? Comment comptez-vous améliorer la formation des policiers pour intervenir dans des circonstances de détresse psychologique?

Rajae Maouane:

Monsieur Quintin, comme l'a dit ma collègue, dimanche soir, Adama, un homme de 34 ans, est mort après avoir été touché par des tirs policiers lors d'une intervention derrière la gare de Namur, peu après 22 h. Les faits se sont déroulés à la suite d'un signalement d'une altercation. Plusieurs équipes de police ont été mobilisées car la situation a été qualifiée de violente. La police en est venue à faire usage d'armes à feu car, apparemment, la personne aurait été en possession d'une arme suspecte. En réalité, il s'agissait de son téléphone portable.

Une instruction a été ouverte, et on évoque le cadre légal et la notion de dernier recours. J'anticipe quelque peu votre réponse mais, aujourd'hui, force est de constater qu'une personne est morte sous les coups de feu de la police, et cette affaire ne peut être traitée comme un simple fait divers. J'ai une pensée pour la famille et les proches d'Adama, car il est dramatique d'en arriver là. Une vie a été enlevée et nous ne pouvons pas nous résoudre à un simple examen technique de conformité.

Peut-on encore, aujourd'hui, tolérer des interventions policières qui se concluent par la mort d'une personne? Comment réagissez-vous face à cette affaire?

Quelles garanties apportez-vous pour que ce genre d'événement ne puisse pas se reproduire? Une enquête a-t-elle été ouverte? Dans l'affirmative, fera-t-elle l'objet d'un suivi à votre niveau? Même si ce drame a eu lieu à Namur, il éclabousse l'image de la police dans son ensemble.

Il a été dit qu'Adama avait des antécédents de troubles psychiatriques. Quels sont les dispositifs prévus pour permettre à la police d'intervenir de manière proportionnée face à des personnes qui ont un passé psychiatrique ou des problèmes psychosociaux?

Bernard Quintin:

Je regrette bien sûr profondément le décès de la personne concernée. Par respect pour les proches de cette personne, mais aussi pour l'enquête sur les faits qui se sont déroulés dans des conditions opérationnelles difficiles, je ne m'exprimerai pas davantage sur ce dossier qui, vous l'avez dit madame Maouane, n'est pas un fait divers, mais un drame. Un drame pour la personne décédée, pour ses proches, ainsi que pour les policiers impliqués dans ladite affaire.

Les enquêtes du Comité P et des autorités judiciaires existent. Le mécanisme de contrôle interne et externe en place offre le cadre de surveillance requis dans ce genre de situation. Le protocole d'intervention actuel du syndrome du délire agité – le delirium tremens – prévoit une intervention différée et des techniques de contrôle humain adaptées. Néanmoins, il y aura toujours une intervention d'urgence lorsqu'il existe un danger de mort pour la personne concernée et/ou les tiers, intervention à laquelle il doit être répondu en respectant le principe de subsidiarité, de proportionnalité, avec ou sans recours à la force létale, dans le cadre de la sécurité de chacun.

À plusieurs niveaux, la police accorde déjà une attention particulière à cette problématique. Le projet d'équipe mobile d'urgence (EMUT), à Bruxelles, en est un bon exemple. Une connaissance plus approfondie des caractéristiques, des psychoses et des troubles mentaux fait déjà partie de la formation de base et est abordée dans les formations obligatoires sur la gestion de la violence. Cela fait d'ailleurs partie de la troisième phase du plan d'action Excited Delirium Syndrome (EDS). Il s'agit donc d'un élément qui fait l'objet d'une attention particulière, à la fois dans la formation de base et dans la formation continue, et que nous devons continuer à mettre en œuvre pour s'assurer que les policières et les policiers aient la meilleure formation possible à la base, et ensuite pour pouvoir exercer au mieux leur fonction, dans des conditions qui me semblent devenir plus difficiles chaque jour.

Farah Jacquet:

Je vous remercie, monsieur le ministre, pour vos réponses.

Ce qui s’est passé dimanche soir est un drame pour toutes les personnes concernées. Chaque intervention policière qui se solde par un décès en est malheureusement une de trop. Si nous pouvons, d’une manière ou d’une autre, éviter ce type d’issue, ou en réduire au maximum les risques, alors oui, nous devons le faire.

Il existe des marges d’amélioration en matière de formation et d’accompagnement. Permettre aussi aux zones de police locales de collaborer plus étroitement avec des équipes multidisciplinaires me semble être une piste à explorer. Enfin, je considère qu’en matière d’accompagnement des personnes souffrant de problèmes psychologiques, des améliorations sont également nécessaires.

Je vous lis ici le témoignage d’un employé de la clinique Saintt-Martin à Dave, près de Namur justement. Il explique qu’il y a eu une réduction de 80 % des lits de longs et moyens séjours depuis une quinzaine d’années. Le personnel a été réaffecté au projet 107, qui consiste en des équipes de soins à domicile. Cela ne remplace pas la construction d’un véritable projet de vie pour les personnes atteintes de maladies mentales. Construire un projet demande du temps et est évidemment plus facile lorsque le patient est hospitalisé.

Aujourd’hui, les services de crise sont pleins en permanence. Au bout de six semaines, le patient doit donc sortir sans projet, ce qui est vraiment triste. Il n’est pas normal de laisser des personnes en souffrance de cette manière. Nous ne pouvons pas permettre que notre société fonctionne ainsi ni mettre nos policiers en première ligne face à ces situations.

Rajae Maouane:

Je vous remercie, monsieur le ministre, pour votre réponse et pour vos mots à l’égard de la victime.

Beaucoup de choses me questionnent dans cette affaire, dans ce drame. La communication autour de celui-ci est plus que problématique. Selon le parquet, l’intervention faisait suite à une bagarre au couteau. Or, en voyant les images – du moins, celles qui sont accessibles –, nous ne voyons aucun couteau dans les mains du défunt. Certains médias ont également évoqué le fait qu’il aurait eu une arme contondante, mais il s’agissait en réalité d’un téléphone portable. D’autres médias rapportent qu’Adama aurait continué à recevoir des balles, y compris lorsqu’il était de dos et au sol. Si cela s’avère exact, c’est extrêmement grave.

J’aimerais que la lumière soit rapidement faite sur ces éléments, car cela nous permettra de déterminer si la proportionnalité a été respectée ou non. J’ai le sentiment que non, puisque nous en arrivons au meurtre d’une personne. Son passé psychiatrique a été vite évoqué, comme pour tenter d’expliquer ou de contextualiser sa mort, alors que le premier contexte devrait être purement factuel et fidèle aux images.

Je me pose la question suivante, que l'on touche du doigt ici sans vraiment l'évoquer: quand va-t-on réellement s'attaquer à la violence et au racisme institutionnels et systémiques dans notre société et au sein de la police notamment? Ces phénomènes sont documentés par des rapports de l'ONU qui nous ont épinglés. Du reste, je vous avais interrogé à ce sujet voici quelques semaines. Cela ne sort pas de ma tête. Je le redis: il faut que la police soit respectée, mais pour ce faire elle doit être respectable. Quand on porte l'uniforme d'un représentant de l' É tat, on se doit d'être exemplaire. On ne peut pas arriver à des situations dans lesquelles des personnes perdent la vie tragiquement. Quand on observe le profil des gens qui sont touchés, on s'aperçoit qu'ils sont issus de quartiers populaires, qu'ils sont racisés et que leur passé socio-économique est souvent défavorisé. Cela en dit beaucoup de notre police et de notre société. Pour nous, c'est inacceptable.

Voorzitter:

Mijnheer de minister, daarmee zijn we op het einde van de werkzaamheden voor deze commissievergadering gekomen. U wilt nog een slotwoord? Het is u gegund.

Bernard Quintin:

J'ai la chance de terminer l'année, mes 11 premiers mois comme ministre de l'Intérieur, sur une question de Mme Maouane. Quel moment!

Ik wil toch van de gelegenheid gebruikmaken om af te sluiten met een korte bedanking voor u, mijnheer de voorzitter, de nog aanwezige leden en de diensten. Mijn excuses dat ik misschien te snel spreek, maar dat is om minder laat thuis te zijn. Ik doe het dus ook voor jullie.

Prenez-le comme un encouragement à pouvoir rentrer plus tôt! Merci beaucoup. Nous allons sans doute nous revoir en plénière, mais c'est l'occasion pour moi de remercier les membres de la commission pour le dialogue que nous entretenons. Nous ne sommes pas obligés d'être toujours d'accord, mais le dialogue, tel que je le ressens et tel que j'essaie de le pratiquer, reste toujours respectueux et le plus complet possible. Écouter l'opposition – et quand même de temps en temps la majorité – nourrit aussi mon travail de ministre. Je n'en dirai pas plus pour ne pas gâcher la fête de Noël!

Voorzitter:

Dank u wel voor die mooie worden, mijnheer de minister. Ik sluit mij daar volledig bij aan. Ik wens iedereen een prettige Kerst en eindejaar. We zien elkaar volgend jaar terug. La réunion publique de commission est levée à 18 h 07. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 18.07 uur .

Het Amerikaanse vredesplan voor de oorlog in Oekraïne
De Amerikaanse vredesvoorstellen, de Russische eisen en de Europese risico's
De situatie in Oekraïne
Het vredesakkoord in Oekraïne
Geopolitieke spanningen en vredesonderhandelingen in Oekraïne

Gesteld aan

Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 17 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Katrijn van Riet bekritiseert dat de VS via pro-Russische tussenpersonen onderhandelingen voeren die territoriale toegevingen aan Oekraïne dreigen op te leggen, terwijl Poetin militaire druk en diplomatieke vertragingstactieken hanteert om Europa en Oekraïne te splijten. Minister Prévot benadrukt dat België en de EU vasthouden aan Oekraïens zelfbeschikkingsrecht en territoriale integriteit, maar bevestigt dat er in Berlijn akkoord ging over een 800.000 manschappen sterk Oekraïens leger, een NAVO-achtige veiligheidsgarantie en een VS-geleid toezichtsmechanisme—mits Oekraïne instemt en Rusland (dat volgens Prévot maximalistische eisen blijft stellen) meewerkt. Depoorter en Van Riet onderstrepen unaniem dat vrede alleen haalbaar is met Oekraïense en Europese inbreng, zonder Amerikaanse dominantie, en dat bij falen van onderhandelingen verdere sancties tegen Rusland noodzakelijk zijn. Prévot bevestigt Belgiës betrokkenheid bij een 20e EU-sanctiepakket en waarschuwt dat Rusland de diplomatie misbruikt om tijd te winnen.

Katrijn van Riet:

Mijnheer de minister, figuren die nauwe banden hebben met de Russische Federatie zouden het proces beïnvloeden, en Washington lijkt eerder te mikken op een deal dan op een rechtvaardige en duurzame vrede. Europa en vooral Oekraïne houden ondertussen vast aan hun principes: geen territoriale toegevingen en geen erkenning van Russische, maximalistische eisen.

Tegelijkertijd verontrusten uitspraken zoals de bewering dat Europa en Kiev zouden eten uit de hand van de VS, of zelfs verraden zullen worden, het Europees continent. Onze strategische positie lijkt onder vuur te liggen. De Russische president Poetin blijft inzetten op militaire druk, terreur tegen energie-infrastructuur en onderhandelingstechnieken die aansturen op capitulatie.

Vanuit onze zorg voor veiligheid, soevereiniteit en de internationale rechtsorde wil ik u vragen hoe u de Amerikaanse bemiddelingsinspanningen beoordeelt, gezien de signalen dat er nog territoriale toegevingen zouden plaatsvinden en dat Washington de onderhandelingen voert met figuren die Rusland gunstig gezind zijn.

Welke garanties vraagt België in Europees verband om te vermijden dat de EU in een onderhandelingskader belandt waar Amerikaanse belangen primeren op de Europese veiligheidsdoelstellingen?

Hoe verzekeren we dat het Oekraïense standpunt, geen afstand van internationaal erkend grondgebied, niet onder druk wordt uitgehold door externe actoren die snel een deal willen?

Analyseert de EU de Amerikaanse voorstellen op hun impact op onze veiligheid, en neemt België daarin een actieve rol op?

Hoe schat u het risico in dat Rusland diplomatieke processen misbruikt om tijd te winnen en tegelijk zijn militaire druk op Oekraïne opvoert? Hoe vertaalt dat zich in het Belgische en Europese standpunt?

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, collega’s, zoals u ziet, ligt het lot van het Oekraïense volk ons na aan het hart. Daarvan getuigen de twee vragen uit één fractie. Uiteraard raakt de oorlog in Oekraïne ons allemaal. Die oorlog vindt aan onze grenzen plaats, blijft maar duren en heeft zware gevolgen voor de burgerbevolking. Ook internationaal is het een veelbesproken thema.

Er lopen onderhandelingen, waarin zowel de Verenigde Staten als Europa een rol spelen, maar uiteraard zijn de belangrijkste partijen Oekraïne en Rusland zelf, die tot een toekomstig vredesakkoord zouden moeten komen. Daarbij benadrukken we nogmaals dat de territoriale integriteit en soevereiniteit van het Oekraïense volk gerespecteerd moeten worden.

Mijnheer de minister, ik had dan ook graag van u vernomen welke concrete contouren zich vandaag aftekenen waar wij als land en de Europese Unie kunnen achterstaan. Hoe beoordeelt u de haalbaarheid en de wenselijkheid om een gedemilitariseerde zone of vrijhandelszone uit te werken, zowel vanuit het oogpunt van de Oekraïense soevereiniteit en veiligheid als vanuit het Europees en internationaal recht?

Zowel de Amerikaanse president Trump als de Duitse bondskanselier Merz verklaarden dat vrede dichterbij is dan ooit. Hoe ziet u dat? Wat is de stand van zaken?

De voorzitster : De heer Lutgen is niet aanwezig.

Maxime Prévot:

Mevrouw de voorzitster, ik zal antwoorden op de vragen van mevrouw van Riet en mevrouw Depoorter, maar ook op de vragen van de heren Lacroix en Lutgen.

Beste Kamerleden, de gesprekken zijn de afgelopen dagen nog in een stroomversnelling gekomen. Het is heel positief dat de E3, dus Frankrijk, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk, een heel actieve rol heeft opgenomen in de gesprekken tussen de Verenigde Staten en Oekraïne.

Comme je l'ai déjà dit lors de la dernière réunion de cette commission, notre pays, comme d'autres alliés de l'Ukraine, est informé des efforts qui sont déployés par ces trois pays à travers les réunions de la Coalition des volontaires, d'une part, et du Conseil des Affaires étrangères, d'autre part. Et notre position reste identique: la guerre doit bien évidemment cesser au plus vite, mais à des conditions acceptables pour l'Ukraine.

Na twee dagen van gesprekken in Berlijn zijn de Verenigde Staten, Oekraïne en de Europese partners het eens geraakt over verschillende punten. Zo bestaat de intentie dat de Oekraïense strijdkrachten in vredestijd een sterkte van 800.000 manschappen moeten kunnen behouden. Daarnaast zal een Europese, multinationale missie worden opgezet, gesteund door de Verenigde Staten, binnen het kader van de coalition of the willing . Zoals eerder aangegeven, zal ons land aan die missie deelnemen. Die missie zal bijdragen aan het regenereren en versterken van de Oekraïense troepen, het beveiligen van het luchtruim en het waarborgen van veilige zeeën, met inbegrip van operaties binnen Oekraïne. Voorts is een door de Verenigde Staten geleid monitoring- en verificatiemechanisme voorgesteld om een staakt-het-vuren te bewaken, vroegtijdige waarschuwingen te geven en schendingen aan te pakken. Dat mechanisme moet tevens bijdragen aan het voorkomen van escalatie.

Er bestond bovendien overeenstemming over een pakket van NAVO-achtige veiligheidswaarborgen en economische steun voor Oekraïne zodra de gevechten stoppen.

Dat brengt mij terug bij de resultaten van de gesprekken in Berlijn. Het is belangrijk te onderstrepen dat de Verenigde Staten en de Europese partners Oekraïne krachtig blijven steunen in zijn streven naar lidmaatschap van de Europese Unie. Op diplomatiek vlak boeken die gesprekken alvast een zekere vooruitgang. Veel details blijven evenwel vaag en vereisen nog verdere onderhandelingen, ook met de Verenigde Staten.

La question territoriale, notamment, reste toujours ouverte. On entend des idées, comme la création d'une zone économique libre ou une zone démilitarisée, voire l'abandon de territoire. Cette question est particulièrement sensible et difficile. Un accord, quel qu'il soit, concernant le territoire, doit d'abord être approuvé par l'Ukraine, et le président Zelensky a formulé l'intention de tenir une consultation publique à ce sujet, mais cela ne peut en aucun cas être fait sans des garanties de sécurité inébranlables.

Un autre test consiste évidemment à voir si Poutine accepte ces propositions. Le président ukrainien a déclaré qu'à la suite des pourparlers de Berlin, la délégation américaine allait désormais entamer des discussions avec la Russie.

Néanmoins, hier, déjà, le vice-ministre des Affaires étrangères de la Russie a indiqué que la Russie n'acceptera aucun compromis concernant les territoires occupés de l'Ukraine. Moscou campe donc jusqu'à présent sur ses exigences maximalistes de vouloir contrôler des régions que l'armée russe n'a pas réussi à conquérir malgré des pertes énormes.

Cela nous rappelle que la Russie n'est pas en train de gagner cette guerre d'attrition. La Russie veut semer la discorde en Ukraine, entre l'Ukraine et ses alliés, mais aussi au sein de l'OTAN. Ainsi, à la proposition du président ukrainien d'un cessez-le-feu – en particulier pour les infrastructures énergétiques – pendant la période de Noël, Moscou a réagi de manière cynique. Je salue le fait que l'Ukraine continue à se montrer constructive, par exemple en proposant de tenir des élections à condition de pouvoir les organiser dans un contexte sécurisé, autrement dit un cessez-le-feu.

Het diplomatiek werk wordt dus voortgezet. Indien een akkoord wordt gevonden, zal het noodzakelijk zijn om snel te schakelen om de nodige veiligheidsgaranties te implementeren. Het risico bestaat evenwel dat een akkoord uitblijft en dat de oorlog onverminderd voortduurt. Hoe de Verenigde Staten daarop zullen reageren, is een vraag die uitsluitend door de Verenigde Staten kan worden beantwoord. België vertrekt alvast van het principe dat er niets kan worden beslist over Oekraïne zonder de betrokkenheid van Oekraïne zelf. Evenmin kan er iets worden beslist over Europa en de NAVO zonder dat die daarbij worden betrokken. De fundamenten van het internationaal recht en van het Handvest van de Verenigde Naties vormen voor ons land de basis voor een duurzame vrede.

Indien er geen akkoord wordt bereikt, pleit ik ervoor, zoals ik dat ook deed tijdens de Raad Buitenlandse Zaken, om de druk op Rusland hoog te houden door bijkomende sancties en om parallel daaraan de steun aan Oekraïne verder op te voeren, tot Moskou op basis van een kosten-batenanalyse tot de conclusie komt dat echte onderhandelingen verkieslijk zijn.

Les sanctions ciblées constituent actuellement le meilleur moyen de freiner l'effort de guerre russe. Aucun allègement des sanctions n'est envisageable avant qu'une paix juste et durable ne soit conclue. La Belgique participera aux efforts communs visant la flotte fantôme russe ainsi qu'à un vingtième paquet de sanctions envisagé au sein de l'Union européenne.

La Belgique continue à soutenir activement l'Ukraine. Depuis le début de l'agression russe à grande échelle, la Belgique a fourni plus de 3,3 milliards d'euros en soutien bilatéral à l'Ukraine et maintiendra son engagement multidimensionnel pour la durée de toute cette législature.

Katrijn van Riet:

Mijnheer de minister, het stemt mij positief te vernemen dat er reeds plannen bestaan voor het geval een akkoord wordt bereikt. U spreekt al over wat in vredestijd zou kunnen gebeuren, met name over het behoud van 800.000 soldaten in Oekraïne en over de rol die Europa via de coalition of the willing zou kunnen opnemen bij het ondersteunen van en het toezicht houden op een staakt-het-vuren. Dat zijn voor mij allemaal positieve signalen. Voorwaarde is uiteraard dat er eerst een akkoord tot stand komt. Ik begrijp dat het bijzonder moeilijk is om daarop vooruit te lopen. Dat zal geen eenvoudige opdracht zijn aangezien Rusland vermoedelijk niet snel zal willen schakelen. Een staakt-het-vuren tijdens de kerstperiode zou alvast erg welkom zijn.

Het blijft afwachten hoe de situatie evolueert. In ieder geval dank ik u voor uw antwoord en voor uw engagement om bij het uitblijven van een akkoord bijkomende sancties te overwegen om Rusland dat te laten voelen.

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, uiteraard is er alle steun voor de processen die momenteel gaande zijn en voor de vertegenwoordiging die u telkens opneemt binnen de Europese Raad. Ook de steun die onze regering resoluut wil geven aan het Oekraïense volk en aan het vredesproces, verdient erkenning. Het is heel goed dat drie Europese landen, namelijk Frankrijk, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk, daarin een duidelijke stem laten horen en vooruitgang boeken in het vredesproces. Wat u aangeeft, raakt de kern van de zaak. Wij kunnen niet evolueren naar een vredesakkoord zonder instemming van het Oekraïense volk. Dat betekent dat Oekraïne een stem aan tafel moeten hebben, net zoals Europa mee aan tafel moet zitten om samen te zoeken naar hoe we het vredesproces zullen aanpakken alsook hoe we de wederopbouw zullen organiseren en hoe we ervoor zullen zorgen dat die vrede stabiel blijft en leidt tot een duurzame toekomst voor het Oekraïense volk en bijgevolg voor het volledige Europese continent.

De Amerikaanse escalatie in Venezuela
De militaire operaties van de VS in Venezuela
De 'double tap'-acties
President Trump en Venezuela
De situatie in Venezuela
De situatie in Venezuela
De Amerikaanse betrokkenheid en militaire acties in Venezuela

Gesteld aan

Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 17 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Prévot bevestigt dat de VS de druk op Maduro opvoeren met militaire acties (o.a. scheepsvernietigingen en olieblokkades) onder het mom van drugsbestrijding, maar benadrukt dat België/EU vasthouden aan internationaal recht en unilaterale VS-acties afwijzen, zoals bevestigd op de EU-CELAC-top. Hij belooft dit standpunt te herhalen in aankomende gesprekken met de VS, maar Lambrecht en Depoorter kritiseren dat de VS-diplomatie ontbreekt en proportionaliteit/procedures (bv. double-tap-methode) twijfelachtig zijn. Lydia Mutyebele Ngoi beschuldigt de VS van openlijke inmenging in Venezuela (en Europa) en een illegale olieblokkade om Maduro ten val te brengen, wat ze grove schendingen van soevereiniteit noemt, terwijl Prévot herhaalt dat recht en dialoog zijn prioriteit blijven—zonder concrete stappen voor de-escalatie of steun aan Venezolaanse oppositie (bv. Machado) te beloven.

Annick Lambrecht:

Mijnheer de minister, op dit moment vindt in het Caraïbisch gebied de grootste Amerikaanse militaire opbouw plaats sinds de invasie van Panama in 1989. De wereld is getuige van snel oplopende en zorgwekkende militaire spanningen tussen de Verenigde Staten en Venezuela. De Amerikaanse operatie wordt officieel gerechtvaardigd met beschuldigingen van drugshandel en met aantijgingen dat president Maduro een drugskartel zou leiden. Sinds september heeft die operatie geleid tot aanvallen op bijna 30 schepen en vielen er, volgens de meest recente cijfers, ongeveer 95 doden.

Dat gebeurt terwijl wordt gesteld dat het drugstransport vanuit Venezuela naar de Verenigde Staten nauwelijks betekenisvol is. Inmiddels is ook gebleken dat onschuldige vissersboten tot de slachtoffers behoren. De escalatie wordt elke dag ernstiger. Tussen de indiening van mijn vraag en vandaag blijven de verwijten zich opstapelen. Er worden nog steeds schepen aangevallen en olietankers in beslag genomen.

Bestaat er binnen de Europese Commissie een eensgezinde boodschap over deze escalatie? Zal het gebruik van geweld in de regio worden veroordeeld en wordt er opgeroepen tot een onmiddellijke terugkeer naar diplomatieke onderhandelingen om deze crisis op te lossen? Bestaat hierover contact tussen u en de Verenigde Staten?

Welke stappen onderneemt u als minister van Buitenlandse Zaken binnen de EU om een de-escalatie te bevorderen en om te garanderen dat de Verenigde Staten in de regio het internationaal recht en de soevereiniteit van de staten respecteren?

Hebt u van uw Nederlandse ambtsgenoot bezorgde signalen ontvangen in verband met de positie van de Nederlandse eilanden in het Caraïbisch gebied, meer bepaald Aruba en Curaçao, gelet op de aanwezigheid van de Verenigde Staten?

Onderneemt België of de Europese Unie actie om de democratische en vreedzame oppositie binnen Venezuela te steunen en om een terugkeer naar eerlijke en vrije verkiezingen te bewerkstelligen?

Verwacht u op de korte of de lange termijn een machtswissel tussen Maduro en Machado?

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, die incidenten, die acties die de Verenigde Staten heeft uitgevoerd op die drugrunnersschepen, met het onderscheppen en vernietigen van die schepen, worden onder meer in de media beschreven als double-tap-acties. Daarbij wordt een schip stilgelegd en volledig uitgeschakeld, met inbegrip van de bemanning. Ik stel mij vragen bij de proportionaliteit en de naleving van het internationaal maritiem recht.

Gisteren hebben we not a genomen van de labeling van fentanyl als een weapon of massdestruction. Uiteraard is fentanyl een zeer zwaar verslavende illegale drug, die heel veel doden eist. Dat zou een verklaring zijn om die militaire acties tegen drugstrafikanten, die nu ook narcoterroristas worden genoemd, een beetje te verklaren vanuit de US-administratie. Volgens de informatie waarover ik beschik, is fentanyl echter niet echt een exportproduct uit Venezuela, hoe illegaal het ook is.

Hoe beoordeelt u het recente optreden van de US, waarbij die drugrunnersschepen die aan Venezuela worden gelinkt, volledig worden vernietigd?

Is die praktijk, die zogenaamde double-tap-methode, verenigbaar met het internationaal maritiem recht en met de vereiste van proportionaliteit?

Hoe worden de spanningen tussen de US en Venezuela opgevolgd vanuit Europa en door onze diplomatieke kanalen? Welke gevolgen kan dit hebben voor eventuele internationale samenwerking?

Onze regering zet sterk in op drugsbestrijding en neemt deel aan internationale operaties, maar het is toch wel zo dat er momenteel een diepe diplomatieke, politieke en economische crisis in Venezuela heerst. Er zijn aanhoudende mensenrechtenschendingen. De democratische ruimte is er sterk beperkt. Maria Corina Machado heeft de Nobelprijs voor Vrede gekregen.

Hoe gaat onze diplomatie om met de mogelijkheid om een democratisch proces in Venezuela te ondersteunen? Welke diplomatieke initiatieven zijn daarvoor genomen?

Verder is het belangrijk op te merken dat president Poetin zijn steun aan het Venezolaanse regime heeft toegezegd. Welke conclusies kunnen we daaruit trekken?

Maxime Prévot:

Merci, mesdames les députées, pour vos questions. Pour répondre à celles-ci, nombreuses, concernant la situation au Vénézuéla et l'escalade des tensions avec les États-Unis, il est évident que la pression américaine sur le régime de Nicolás Maduro continue de s'intensifier. Après la désignation du Cartel de los Soles comme organisation terroriste étrangère le 24 novembre, Washington a renforcé ses manœuvres militaires dans la mer des Caraïbes, et a procédé le 10 décembre dernier à la saisie d'un pétrolier transportant du pétrole brut vénézuélien. Bien que le président Trump brandisse cette menace depuis plusieurs semaines, il n'est pas question à ce stade d'opération militaire terrestre.

Uiteraard blijven we de situatie met de grootste aandacht volgen. Ik heb al meerdere keren onderstreept dat België en de Verenigde Staten de gemeenschappelijke zorg delen van het bestrijden van drugshandel en van georganiseerde misdaad. We blijven ons inzetten om ervoor te zorgen dat die strijd wordt gevoerd in nauwe samenwerking tussen de betrokken landen en altijd in overeenstemming met het internationaal recht.

Lors du sommet UE-CELAC, il y a un peu plus d'un mois, j'ai rappelé très clairement que la lutte contre le narcotrafic est une priorité de premier plan pour le gouvernement Arizona, et l'un des focus essentiels de mon déplacement en Amérique latine. Mais j'ai également souligné, sans ambiguïté, notre attachement au droit international et notre opposition aux actions unilatérales et extrajudiciaires.

Tijdens die top hebben de EU en de CELAC-regio het belang van maritieme veiligheid en regionale stabiliteit benadrukt. We hebben gezamenlijk bevestigd dat internationale samenwerking, wederzijds respect en naleving van het internationaal recht essentieel zijn, ook in de strijd tegen transnationale georganiseerde misdaad en drugshandel. De CELAC heeft zich bovendien uitgeroepen tot zone de paix , vastbesloten om geschillen via dialoog en samenwerking op te lossen.

Dans une rencontre récente avec le secrétaire d'État adjoint des États-Unis d'Amérique, Christopher Landau, j'ai eu l'occasion d'évoquer avec lui l'enjeu de la lutte contre le trafic de drogue. Il a été très clair sur la position de l'administration américaine qui souhaite redéployer sa diplomatie vers l'Amérique latine, notamment, et mieux y défendre ses intérêts sécuritaires. Nous avons convenu de poursuivre ensemble le dialogue à ce sujet.

Begin januari ga ik naar Washington en ik ben van plan de openhartige dialoog verder te zetten die we zijn begonnen. In die context zal ik niet aarzelen het Belgische standpunt te herhalen.

Annick Lambrecht:

Dank u wel, mijnheer de minister. Uiteraard is de strijd tegen drugs een strijd die we allen voeren en ook moeten voeren. Tegelijk is er hier toch wel iets aan de hand, zoals u herhaaldelijk hebt benadrukt, met betrekking tot het respecteren van internationale rechtsregels. De dialoog is volledig verdwenen. De diplomatie is volledig weggevallen. President Trump doet elke dag iets anders, zonder overleg met wie dan ook, zo lijkt het. Het is dan ook vreemd dat u stelt dat tijdens de ontmoeting met de Secretary of State van de Verenigde Staten zou zijn gezegd dat men diplomatie op Latijns-Amerikaans grondgebied zeer belangrijk vindt. Daarvan is momenteel weinig te merken. Daarom wil ik u vragen die zin, die u mij zojuist hebt meegedeeld, mee te nemen naar uw volgende overleg in de Verenigde Staten, waarnaar u verwees.

U hebt niet geantwoord op de vraag of er een machtswissel op komst is of niet. U hoeft uiteraard ook niet te antwoorden, maar het is wel een vraag waarmee velen zitten. Mogelijk mag daarover niet te veel worden gezegd, maar dat element is wel van groot belang in het debat.

Kathleen Depoorter:

Dank u, mijnheer de minister.

De strijd tegen de drugskartels en de daarmee gepaard gaande criminaliteit is een van de prioriteiten uit het regeerakkoord, die u ook zeer consequent verdedigt en toepast. Alles moet echter proportioneel zijn en het internationaal maritiem recht respecteren. Zoals u zegt, is het essentieel dat in de zone van de CELAC, die groepering van Latijns-Amerikaanse en Caraïbische staten, de vrede gegarandeerd wordt.

Ik juich dan ook toe dat u in Washington de Europese diplomatieke rust zult verdedigen. Op die lijn moeten we blijven inzetten: hard optreden tegen de criminele organisaties, maar met de democratische vertegenwoordiging van de bevolking blijven praten en die steunen wanneer het noodzakelijk is.

Lydia Mutyebele Ngoi:

Monsieur le ministre, je vous ai suivi sur la route, depuis ma voiture. Je vous remercie pour vos réponses qui ne me satisfont pas, mais cela ne vous étonne pas car on se connaît. Ce pays vient de reconnaître publiquement, dans sa note stratégique de sécurité, son intention de se mêler à la politique intérieure européenne, soutenant ouvertement les partis d'extrême droite à travers le monde, y compris en Europe, et lançant une ingérence directe pour faire tomber le gouvernement qui ne lui plaît pas. Pourtant, on en parle très peu. Seriez-vous peut-être effrayé, monsieur le ministre, par l'homme le plus puissant du monde? Non! Ah, je m'en réjouis. (Rires) Monsieur le ministre, il n'est pas sérieux de me faire rire ainsi. Je suis contente que vous n'ayez pas peur de M. Trump. Ça me rassure! Ou bien, peut-être qu'en tant que ministre des Affaires étrangères, vous êtes tellement habitué à voir l'ordre mondial détruit un peu partout que vous devenez finalement un peu moins sensible. Cette nuit, M. Trump a annoncé un blocus pétrolier contre le Vénézuéla. Plus de 15 000 militaires américains sont déjà stationnés dans la zone. L'objectif est clairement de faire tomber le président Maduro par tous les moyens, quitte à plonger la population dans une crise encore plus profonde et à entrer dans une guerre ouverte. Si le gouvernement Maduro est en effet loin d'être parfait, cela ne doit en tout cas pas justifier une ingérence des États-Unis d'une telle envergure, de nature aussi illégale et basée sur des arguments tout simplement grossiers. Dès lors, vu l'attitude adoptée par l'administration Trump, il est urgent d'intégrer cette réalité à notre diplomatie et à nos politiques. Vous dites, monsieur le ministre, que le droit international, c'est votre boussole. Quoi qu'il en soit et quels que soient vos interlocuteurs, j'espère, monsieur le ministre, que vous continuerez dans la bonne direction.

India als handelspartner van Rusland in defensieaankopen

Gesteld aan

Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 17 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Prévot bevestigt dat EU-sancties tegen Rusland enkel Europese actoren binden, maar benadrukt dat de EU derde landen zoals India – een strategische partner – actief aanspoort om Russische wapeninkopen (zoals het S-400-systeem) te vermijden, aangezien die indirect de Oekraïne-oorlog financieren. Volgens hem ondermijnen dergelijke aankopen de effectiviteit van westerse sancties, al ziet hij geen directe dreiging voor de stabiliteit in de Indo-Pacific. Van Riet erkent dat India niet juridisch gebonden is, maar wijst op Amerikaanse druk om sancties alsnog te steunen, zonder verdere kritiek op België’s houding.

Katrijn van Riet:

Aziatische media berichten dat India, ondanks waarschuwingen vanuit Washington, opnieuw overweegt om S-400-batterijen aan te kopen bij Rusland. Dat illustreert hoe sommige landen zich blijven wenden tot Russische defensieleveranciers, ook wanneer dat ingaat tegen de huidige westerse sanctiekaders. Gelet op de oorlog in Oekraïne, de sancties tegen Rusland en de geopolitieke spanningen wil ik uw visie daarover vragen, mijnheer de minister. Hoe beoordeelt u de vaststelling dat landen als India, ondanks druk en sanctiedreiging van de Verenigde Staten, blijven kiezen voor Russische defensieleveranciers en bijvoorbeeld het S-400-systeem?

Wat is volgens u de impact van dergelijke aankopen op de geloofwaardigheid en de samenhang van de westerse sanctie-inspanningen tegen Rusland? Zou België binnen het kader van de EU en de NAVO een duidelijk signaal moeten geven inzake de levering van wapensystemen door Rusland? Hoe zou dat signaal eruit kunnen zien? In hoeverre houdt u er rekening mee dat zulke wapenleveringen aan landen buiten het conflictgebied de spanningen in andere regio’s, zoals de Indo-Pacific, kunnen doen escaleren en indirect onze strategische belangen beïnvloeden?

Maxime Prévot:

Dank u voor uw vraag, mevrouw van Riet.

De Europese restrictieve maatregelen zijn in de eerste plaats van toepassing op Europese bedrijven en actoren. Met andere woorden, aan Europese actoren worden beperkingen of een verbod opgelegd om transacties aan te gaan met entiteiten in Rusland of in andere landen waarvan bewezen is dat ze Rusland ondersteunen in zijn agressieoorlog tegen Oekraïne. Derde landen, waaronder India, zijn niet gebonden aan de Europese sancties. De EU staat wel in nauw overleg met die landen wat sanctieomzeiling betreft. Wanneer sanctieomzeiling wordt vastgesteld, kunnen aan de betrokken entiteiten sancties worden opgelegd. Zoals u weet, is dat ook al gebeurd.

In het algemeen worden sancties het best gecoördineerd tussen gelijkgezinde landen, om een maximaal effect te bereiken. De aankoop van goederen uit Rusland – bijvoorbeeld wapensystemen, maar ook energie – ondersteunt indirect de mogelijkheid van het land om de oorlog voort te zetten. Die boodschap wordt dan ook consequent overgebracht, zowel in een bilateraal als Europees kader, aan andere landen.

India is een belangrijke partner voor België, ook op het vlak van samenwerking in de defensie-industrie. Hoewel we de invoer van Russische systemen betreuren, zien we geen negatieve impact van de Indiase wapeninkopen op de veiligheidssituatie in de Indo-Pacifische regio.

Voorzitster: Els Van Hoof

Présidente: Els Van Hoof

Katrijn van Riet:

Dat is duidelijk. Landen als India zijn als derde landen niet gebonden door onze sancties, maar ze worden toch ook, mede door de Verenigde Staten, onder druk gezet om mee de sancties te ondersteunen. Ik begrijp dat India een belangrijke partner is voor België en dat we die relatie ook zo moeten behouden. In ieder geval dank ik u voor uw verduidelijking, mijnheer de minister.

De National Security Strategy van de Verenigde Staten
De National Security Strategy (NSS) van de VS
De invloed van de VS op de Europese politiek en de groei van de MAGA-beweging in Europa
De Amerikaanse inmenging in Europa
Amerikaanse veiligheidsstrategieën en politieke invloed in Europa

Gesteld aan

Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 17 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: François De Smet en Katrijn van Riet bekritiseren de Amerikaanse National Security Strategy (NSS) onder Trump, die Europa als een "civilisatorisch falend" continent afschildert, extreemrechtse narratieven (migratie, klimaatbeleid) overneemt en openlijk steun belooft aan "patriottische" (extreemrechtse) partijen—wat ze als onaanvaardbare inmenging in Europese democratieën bestempelen. Minister Maxime Prévot deelt die verontwaardiging, noemt de strategie een "wekkersignaal" voor Europa’s strategische autonomie (defensie, energie, industrie) en waarschuwt dat de VS met bilaterale druk het multilateralisme ondermijnt, maar benadrukt dat samenwerking mogelijk blijft waar belangen overlappen; hij zal in Washington proberen de VS te overtuigen dat een verzwakte EU ook hun nadeel is. De Smet bevestigt de noodzaak van een Europese defensiepijler binnen de NAVO en industriële/hernieuwbare autonomie, terwijl Van Riet hoopt op een koerswijziging van Trump, maar de rechtsstatelijke principes als niet-onderhandelbaar stelt.

François De Smet:

Monsieur le ministre, je sais que vous vous êtes exprimé sur le sujet en séance plénière, mais j'avais introduit cette question un peu antérieurement.

La publication récente par l’administration américaine de la nouvelle National Security Strategy (NSS) – version Trump II – doit provoquer une réaction ferme de notre gouvernement. Ce document consacre à l’Europe une attention inédite: elle est citée 49 fois, bien plus que la Chine, la Russie ou tout autre acteur mondial.

Mais cette attention n’a rien de bienveillant: le ton est hostile, dépréciatif et s’inscrit dans ce que l’expert en relations internationales Tanguy Struye (UCLouvain) qualifie explicitement de "guerre hybride" contre l’Union européenne. Cette expression convient déjà parfaitement pour qualifier notre relation avec la Russie, mais elle devient un diagnostic valable pour qualifier la dégradation des liens avec notre plus ancien allié. Nous ne pouvons rester silencieux face à ce qui constitue ni plus ni moins qu'une stratégie assumée d’ingérence et d’affaiblissement de notre continent.

Dans ce document, l’administration américaine décrit l’Europe comme un continent voué à un effacement civilisationnel; elle reprend, sans les nommer, des thématiques et narratifs issus de l’extrême droite européenne, en identifiant les migrations ou les politiques environnementales comme des menaces idéologiques. Le document affirme vouloir promouvoir la grandeur européenne via un soutien actif aux partis patriotes, euphémisme employé pour désigner les partis d’extrême droite européens. Voilà encore un point commun assumé avec M. Poutine!

Quelle analyse le gouvernement porte-t-il sur la reprise, dans un document stratégique américain officiel, de concepts corrosifs pour la cohésion européenne, traditionnellement utilisés par les mouvances extrémistes que l’Europe combat?

Que compte faire le gouvernement pour dénoncer et contrer ces ingérences politiques, totalement contraires aux principes de souveraineté démocratique que nous défendons? Une initiative coordonnée sera-t-elle portée au niveau européen?

Notre diplomatie compte-t-elle rappeler à Washington que soutenir des acteurs politiques cherchant à défaire l’Union européenne revient à fragiliser un allié stratégique clé, et qu’il s’agit d’une ligne rouge inacceptable pour nos démocraties?

Enfin, au vu des éléments déclaratifs recueillis lors de la dernière plénière, notamment de certains affirmant qu'ils auraient pu eux-mêmes écrire ce rapport, pouvez-vous nous assurer du consensus de l'ensemble du gouvernement sur le caractère dangereux dudit rapport?

Katrijn van Riet:

De Amerikaanse regering publiceerde haar veiligheidsstrategie. Hiermee bevestigt president Trump dat hij grote vraagtekens heeft bij het Europese project. Hij meent dat het oude continent verandert en een richting uitgaat die niet de zijne is.

Het document stelt onder andere dat Europa zijn huishouden op orde moet krijgen en dat er politieke organisaties zijn aan de rechterzijde van het politieke spectrum die ideologisch aansluiten bij Make America Great Again, die gesteund moeten worden door de VS.

In een interview voor Politico heeft de Amerikaanse president dezelfde analyse nogmaals toegelicht.

Op de achtergrond pleitte de techmiljardair Elon Musk recentelijk nog voor het opbreken van de Europese Unie. Dat gebeurde nadat zijn socialemediaplatform een aanzienlijke boete kreeg van de Europese Commissie en zijn publieke steun aan het AfD een averechtse effect had op de stemuitslag in Duitsland.

Ik heb de volgend vragen voor u, mijnheer de minister.

Welke conclusies trekt u uit analyse van het document? Welke zijn voor u de grootste verschilpunten met de vorige veiligheidsstrategieën? Welk elementen blijven volgens u dezelfde?

Hoe beoordeelt u het voornemen in de veiligheidsstrategie dat getracht zou worden “patriottische” en vaak uiterst rechtse partijen in Europa te steunen?

Kan dit volgens u beschouwd worden als een vorm van inmenging in de interne politieke keuze van Europese burgers?

Hoe schat u de banden in tussen de MAGA-beweging in de VS en organisaties in België? In welke mate acht u het mogelijk dat de veiligheidsstrategie geschreven werd met het oog op het tevredenstellen van de MAGA-achterban?

In welke zin ziet u het interview van de president in Politico ?

Merkt u op de socialemediakanalen die door de diensten onder uw bevoegdheid vallen meer anti–EU of EU-kritische reacties? Komen die daar voor? Door wie worden deze reacties geplaatst? Wordt hierop gereageerd?

Hoe ziet u de trans-Atlantische diplomatieke relaties na de oproep van president Trump en co wanneer zij kritiek hebben op de EU en oproepen deze te ontmantelen?

In de veiligheidsstrategie wordt de Russische Federatie niet genoemd als een vijandige entiteit. Welke conclusies trekt u hieruit?

Ik dank u alvast voor uw antwoorden.

Maxime Prévot:

Madame Van Riet, monsieur De Smet, lors de la séance plénière de la semaine dernière, j'ai effectivement déjà eu l'occasion de vous expliquer, dans un temps limité, ma lecture de la stratégie nationale de sécurité américaine. J'ai partagé avec vous mon indignation quant à l'analyse du continent européen qu'elle véhicule.

Het gemeenschappelijke erfgoed van westerse waarden, dat sinds de Tweede Wereldoorlog wordt gedeeld, valt uiteen, en het principe van niet-interventionisme dat aan het begin van de tekst wordt genoemd, is duidelijk niet van toepassing op Europa. De strategie sluit niet uit dat men zich mengt in de interne aangelegenheden van de EU, wat onaanvaardbaar is.

We moeten erop toezien dat onze verkiezingen vrij en integer blijven, dat de mensenrechten worden gerespecteerd, dat de democratische instellingen hun werk naar behoren kunnen uitvoeren en dat de principes van de rechtsstaat als leidraad dienen in onze samenleving. Dat moeten we blijven herhalen.

Mais je soulignais aussi que cette stratégie, plus qu'un choc, doit surtout être un électrochoc pour l'Europe et pour nous-mêmes car, finalement, il y a peu de surprises par rapport au discours de Munich du vice-président Vance, auquel j'ai pu assister. Il est évident, monsieur De Smet, que le soutien aux narratifs ou à des forces dites patriotiques est problématique.

L'Europe, en perte de vitesse, doit absolument se profiler comme un bloc indépendant d'un monde multipolaire. Il faut préserver l'unité, la cohésion européenne déjà malmenée, et pourtant essentielle pour la Belgique, face aux tentatives américaines de bilatéraliser les relations, dans son déni du multilatéralisme. Il faut renforcer notre autonomie stratégique en accélérant la mise en place d'un pilier européen au sein de l'OTAN, en défendant notre souveraineté économique, notre compétitivité et notre autonomie énergétique.

Vu ce qu'eux-mêmes font sous la bannière MAGA, comment ne pourraient-ils pas considérer normal que d'autres entités dans le monde, d'autres pays, cherchent aussi à défendre leurs propres intérêts? Nous devons préserver l'autonomie réglementaire de l'Union européenne. Nous devons maintenir le cap sur le soutien à l'Ukraine, évidemment. Et veiller enfin à protéger notre cohésion sociale et nos processus démocratiques contre toute tentative d'interférence ou d'ingérence, quelle qu'en soit l'origine.

Dat neemt niet weg dat wij gemeenschappelijke belangen behouden met de VS. Ze blijven een onmisbare partner, met wie moeten blijven zoeken naar samenwerkingsmogelijkheden wanneer dat mogelijk is, dit met respect voor onze fundamentele waarden. We moeten onze eigen belangen en waarden met assertiviteit, vastberadenheid en helderheid verdedigen. Tegelijkertijd moeten wij het tempo van de diversificatie van onze partnerschappen opvoeren.

Comme j'ai pu vous l'annoncer, je me rendrai à Washington début janvier et je compte bien poursuivre la discussion au plus haut niveau avec nos partenaires américains. Je compte en particulier travailler à leur faire comprendre qu'il n'est pas dans l'intérêt des États-Unis de perdre l'Union européenne comme partenaire principal, ni de la maltraiter, ni de la mépriser. Ce n'est pas ce qui est attendu d'un partenaire.

Enfin, s'agissant des propos qui ont été tenus par l'un des députés de la Chambre, ils n'engagent que lui et je n'ai pas à répondre des propos tenus par chacun des parlementaires. En tout état de cause, ils ne sont pas le reflet de la ligne gouvernementale.

Katrijn van Riet:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

Ik treed u bij wanneer u stelt dat wij over de principes van onze rechtsstaat moeten waken en daar te allen tijde op moeten toezien.

Voorts wens ik u veel succes wanneer u naar Washington reist. Ik hoop dat u de president ervan kunt overtuigen om zijn mening te herzien.

François De Smet:

Nous sommes en effet coincés entre deux impérialismes, et le fait que l'un d'eux soit de nature démocratique ne suffit pas à nous rassurer. Je vous rejoins sur le fait que ce doit être un moment d'électrochoc. Nous connaissons nos faiblesses européennes; elles sont identifiées par la guerre en Ukraine et l'éloignement des États-Unis. Nous devons absolument agir sur l'autonomie de la Défense, en créant, au sein de l'OTAN, un pilier européen qui puisse agir en cas de défaillance ou de retrait de l'allié américain, notamment pour que l'article 5 de la Charte puisse être défendu. Il y a aussi l'autonomie énergétique: l'Europe est très dépendante d'énergies fossiles extérieures russes, mais aussi américaines. Nous ne pouvons nous passer des Russes sans aller chercher de l'énergie ailleurs, notamment américaine. Il y a également l'autonomie industrielle: nous devons absolument redevenir un acteur industriel et technologique et non un simple consommateur, ce qui est malheureusement la ligne principale sur laquelle l'Union européenne s'est construite. Enfin, je me réjouis de votre point de vue sur les déclarations de ce député qui n'est pas n'importe lequel des 150 députés, et qui incarne la ligne d'un des partis importants de la coalition. Mais votre mise au point me paraît suffisamment claire jusqu'à présent.

De aankondigingen naar aanleiding van de drievoudige moord in Roeselare

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 16 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Francesca Van Belleghem vraagt of het verblijfstatuut van de drievoudige moordenaar Mohammad K. al is ingetrokken en bekritiseert dat het trage rechtssysteem mogelijk verdere intrekkingen vertraagt, terwijl migranten volgens haar ten onrechte definitieve verblijfsvergunningen krijgen. Anneleen Van Bossuyt bevestigt dat de intrekking van zijn subsidiaire bescherming is aangevraagd (24/9) en dat een juridisch stevige uitbreiding van intrekkingsmogelijkheden wordt voorbereid, met een nieuwe veiligheidscel (5 A-niveau medewerkers + 1 assistent) die zich voltijds op dergelijke dossiers zal richten. Van Belleghem bekritiseert dat vertraging leidt tot onterecht definitief verblijf voor migranten wier asielredenen mogelijk vervallen zijn.

Francesca Van Belleghem:

Na helaas de drievoudige moord in Roeselare door de Afghaan Mohammad K herinnerde u eraan dat de vreemdelingenwet in de mogelijkheid voorziet om een beschermingsstatuut en een verblijfstatuut van vreemdelingen die een gevaar vormen voor de openbare orde, in te trekken, en kondigde u aan – alweer een aankondiging – dat u die vraag voor Mohammad K. zo snel mogelijk aan het CGVS zou voorleggen. Daarnaast wees u op de verruiming van de mogelijkheid in het regeerakkoord onder andere door de tijdslimiet te schrappen waarbinnen de DVZ de beëindiging of intrekking van het statuut bij het CGVS kan aanvragen.

Werd het verblijfstatuut van Mohammad K. ondertussen ingetrokken?

Ik heb mijn vraag nog iets uitgebreid. Kan het CGVS een dergelijke beslissing nemen zonder effectieve veroordeling? Gelet op ons trage rechtssysteem ga ik ervan uit dat Mohammad K. nog steeds niet veroordeeld is. Kan het CGVS dan wel zijn asielstatus intrekken?

Werden ondertussen concrete initiatieven genomen om de mogelijkheden te verruimen, in het bijzonder de schrapping van de tijdslimiet?

Welke andere maatregelen zult u nemen?

Hoeveel middelen worden uitgetrokken voor de veiligheidscel bij het CGVS?

Welke maatregelen worden genomen om de gronden tot beëindiging van het verblijf maximaal uit te breiden?

Anneleen Van Bossuyt:

Mevrouw Van Belleghem, ten eerste, de Dienst Vreemdelingen zaken heeft op 24 september de intrekking van de subsidiaire beschermingsstatus bij het CGVS aangevraagd. Dat onderzoek loopt momenteel.

In antwoord op uw tweede, derde en vijfde vraag, een uitbreiding van de mogelijkheden om het verblijf te beëindigen om redenen van openbare orde of nationale veiligheid, wordt momenteel onderzocht. Ik wens met een uitgebreide aanpassing te komen die juridisch stevig staat; alleen zo wordt duurzame wetgeving gecreëerd.

In antwoord op uw vierde vraag, het regeerakkoord voorziet inderdaad in de oprichting van een veiligheidscel. De concrete startdatum wordt momenteel vastgelegd. Er werden reeds vijf krachten van niveau A en één administratief assistent van niveau C toegekend. U ziet dat er dus allesbehalve stilgezeten wordt. De veiligheidscel zal, conform de artikelen 49 en 49/2 van de vreemdelingenwet, zoals het CGVS dit nu reeds doet, alle vragen tot heroverweging van de beschermingsstatus vanwege een gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid, die ik tot de commissaris-generaal richt, behandelen.

Momenteel worden de heroverwegingen behandeld door medewerkers die ook andere taken uitvoeren. Het is dus de bedoeling dat de medewerkers van de veiligheidscel zich hier voltijds op toespitsen.

Francesca Van Belleghem:

Ook dat dossier zullen we opvolgen. Hoe langer er gewacht wordt om systematisch statussen te heroverwegen of opnieuw te onderzoeken, hoe meer mensen er natuurlijk in de definitieve verblijfsvergunning sukkelen. Na vijf jaar verstrijkt hun status en krijgen ze een definitieve verblijfsvergunning, maar intussen komen er wel elke dag mensen bij. Elke dag dat er getalmd wordt, komen er nieuwe migranten bij die een definitieve verblijfsvergunning krijgen, die eigenlijk geen recht meer hadden om hier te zijn, omdat ze geen vrees voor vervolging meer zouden mogen hebben in het land van herkomst. Dat betreuren wij natuurlijk. Daar moet echt systematisch werk van worden gemaakt.

Gedetineerde illegalen

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 16 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Francesca Van Belleghem bekritiseert dat de noodmaatregelen van minister Verlinden illegalen vervroegd vrijlaten en illegaliteit facilteren in plaats van tegen te gaan, terwijl ze volgens haar als misdrijf moeten worden behandeld. Minister Van Bossuyt stelt dat de samenwerking met DVZ en Justitie leidt tot 25% meer uitzettingen in 2025 (1.300 vs. 1.261 in 2024) en benadrukt dat niet-uitzetbare illegalen een vertrekbevel krijgen, maar beperkingen (identificatie, vluchten, medewerking) de effectieve uitzetting bemoeilijken. Ze bevestigt dat 550 gedetineerden nu in beeld zijn, maar geeft geen exacte cijfers over illegalen onder hen. Van Belleghem betwist de effectiviteit en beschuldigt de regering van te zachte aanpak.

Francesca Van Belleghem:

Mevrouw de minister, via uw collega-minister Annelies Verlinden vernamen we in de pers dat een noodmaatregel werd genomen om de overbevolking in de gevangenissen tegen te gaan. Minister Verlinden lonkte naar u, want ze zei dat ze wil bekijken waar in de gesloten terugkeercentra plaats is. Gevangenen voor wie in de gevangenissen geen plaats is en die in aanmerking komen voor vervroegde vrijlating, zullen daar dus als het ware worden gedumpt. Aansluitend wilde uw collega-minister de DVZ vanaf nu een termijn van twintig dagen opleggen om die personen uit te wijzen.

Mevrouw de minister, kunt u verduidelijken wat uw collega-minister precies bedoelt met die termijn van twintig dagen? Wij herkennen wat de minister enkele weken geleden heeft gezegd en wat eigenlijk al in het paasakkoord werd overeengekomen. In welke zin verschillen die twee aankondigingen van elkaar?

Met de eerdere noodmaatregel, opgenomen in het paasakkoord, kwamen zowat zeshonderd gedetineerden vroeger vrij, waaronder klaarblijkelijk ook heel wat illegalen. Hoeveel illegalen werden destijds overgebracht naar een gesloten terugkeercentrum? Hoeveel werden er daadwerkelijk uitgezet en naar het land van herkomst teruggestuurd? Wat is er gebeurd met de illegalen die niet werden uitgezet? Lopen zij inmiddels vrij rond in België?

Deze keer zou het gaan om ongeveer vijfhonderdvijftig gevangenen. Hoeveel van hen zijn hier illegaal?

Anneleen Van Bossuyt:

Mevrouw Van Belleghem, op uw eerste vraag, er is voortdurend overleg tussen mijn beleidscel en die van minister Verlinden. Ook de administraties, de DVZ en het Gevangeniswezen worden daar al dan niet rechtstreeks bij betrokken. Daarnaast is er ook een periodiek driemaandelijks overlegplatform tussen alle betrokken partners: de DVZ, politie, de FOD Justitie, het Gevangeniswezen en de beleidscellen Asiel en Migratie, Binnenlandse Zaken en Justitie. Daar wordt zowel de operationele als de strategische samenwerking besproken.

Op uw tweede vraag, het voorstel van collega-minister Verlinden gaat ervan uit dat personen die in aanmerking komen voor een vrijstelling op basis van de noodwet overbevolking binnen de twintig dagen moeten worden verwijderd of overgebracht naar het gesloten centrum van de DVZ. Zoniet wordt de betrokken gedetineerde vanuit de strafinstelling vrijgesteld, met een bevel om het grondgebied te verlaten.

Wat uw derde vraag betreft, de DVZ stelt dat het niet mogelijk is om een onderscheid te maken tussen de gedetineerden die in het kader van de noodwet of wegens andere vrijstellingsmodaliteiten naar een gesloten centrum werden overgebracht.

Dankzij de inspanningen van mijn diensten en de prioriteit die ik als minister geef aan de terugkeer van illegale gedetineerden, is de terugkeer in 2025, zoals ik daarnet aangaf, met 25 % gestegen. Eind oktober 2025 waren er reeds meer ex-gedetineerden verwijderd dan in het gehele jaar 2024. Tot en met oktober 2025 ging het om 1.300 verwijderingen tegenover 1.261 in heel 2024. Daarmee wordt ook voldaan aan de doelstelling van de regering om extra in te zetten op de verwijdering van illegale criminelen.

In antwoord op uw vierde vraag kan ik meegeven dat personen die voorlopig niet konden worden verwijderd, in het bezit werden gesteld van een bevel om het grondgebied te verlaten, al dan niet vergezeld van een inreisverbod. Zij worden of werden vrijgesteld zonder meer, wegens een lopende schorsende procedure.

Op uw vijfde vraag kan ik mededelen dat de afspraken met het directoraat-generaal Penitentiaire Inrichtingen effectief zijn gemaakt. Ze worden regelmatig geëvalueerd en indien nodig bijgestuurd op basis van de specifieke problemen die worden vastgesteld. De goede samenwerking resulteert in een stijging van de verwijderingen van criminele vreemdelingen, wat ook uit de cijfers blijkt.

Voor uw laatste vraag kan ik aangeven dat de lijsten van gedetineerden in onwettig verblijf voortdurend worden gemonitord en dat ten aanzien van die personen de passende acties worden ondernomen. Of die personen effectief kunnen worden verwijderd, hangt af van verschillende factoren, zoals de identificatie van de betrokken gedetineerden, met name of hun identiteit en nationaliteit gekend zijn, zodat een reisdocument kan worden verkregen, de beschikbaarheid van vluchten naar het herkomstland, de bereidheid van de gedetineerden om mee te werken, de noodzaak om in politiebegeleiding te voorzien, de vraag of de betrokkenen effectief voldoen aan de voorwaarden om te worden vrijgesteld uit de strafinstelling alsook de vraag of een akkoord van de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank vereist is.

Francesca Van Belleghem:

Mevrouw de minister, de realiteit is dat de noodwet van minister Verlinden ervoor zorgt dat illegalen vervroegd in vrijheid worden gesteld. Indien zij niet kunnen worden teruggestuurd naar het land van herkomst, worden ze ofwel onmiddellijk vrijgelaten, ofwel na een beperkte periode in een gesloten terugkeercentrum. Illegaliteit wordt op die manier door de regering opnieuw gefaciliteerd in plaats van tegengegaan, terwijl net prioritair zou moeten worden ingezet op de terugkeer van illegale criminelen, of ruimer van illegalen tout court; dat maakt eigenlijk niet zoveel uit. Illegaliteit zou een misdrijf moeten zijn en ook als dusdanig behandeld moeten worden.

Voorzitter:

Mevrouw Pirson is niet aanwezig. Haar vraag nr. 560011069C wordt daardoor beschouwd als zijnde zonder voorwerp.

Het nieuwe registratiecentrum voor verzoeken om internationale bescherming

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 16 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Matti Vandemaele bekritiseert dat het huidige tijdelijke registratiecentrum voor asielzoekers in Brussel (Belliardstraat) onschikt en onveilig is (geen beschutting, gevaarlijk langs drukke weg) en vraagt om duidelijkheid over de verhuisplannen. Volgens staatssecretaris Anneleen Van Bossuyt loopt het huidige contract tot 31 maart 2026 (verlengbaar) en worden opties voor een nieuwe, gecentraliseerde locatie onderzocht, maar zijn er nog geen concrete plannen of locatie bekend. Ze bevestigt wel dat alle migratiediensten samengebracht zullen worden, mogelijk gefaseerd, mede door het aankomende EU-asielpact (juni 2025). Vandemaele blijft ontevreden over het gebrek aan concrete timing en details.

Matti Vandemaele:

Sinds oktober vorig jaar worden verzoeken om internationale bescherming geregistreerd in het DVZ-gebouw in de Belliardstraat. Het is een tijdelijke oplossing en het gebouw is ongeschikt. De mensen moeten wachten langs een drukke verkeersas, wat tot gevaarlijke situaties met fietsers leidt. Er is ook geen beschutting, waardoor mensen bij slecht weer urenlang in de regen moeten wachten. In het verleden was de registratiecapaciteit er ook onvoldoende, waardoor soms convocaties voor een latere datum werden uitgedeeld.

In mei 2024 liet uw voorganger, staatssecretaris de Moor, weten dat dit gebouw slechts 16 maanden gebruikt kon worden. Dat betekent dat het registratiecentrum binnen enkele maanden zou moeten verhuizen. De migratiediensten presenteerden toen een conceptnota. De regie der gebouwen ging hier verder mee aan de slag. Mijn vragen zijn:

Tegen wanneer moet het registratiecentrum precies verhuizen?

Wat is de stand van zaken met het nieuwe aanmeldcentrum?

Is er al een concrete locatie gevonden? Waar zal het nieuwe registratiecentrum zich bevinden?

Wanneer staat de verhuis gepland?

Zullen alle migratiediensten daar samen ondergebracht worden?

Zal er, zoals bij het klein kasteeltje, ook een vorm van pre-opvang georganiseerd worden?

Anneleen Van Bossuyt:

U gebruikt uw tijd efficiënt, mijnheer Vandemaele, misschien omdat u ook nog andere projecten op uw radar hebt. Ik zal ook mijn antwoord zo efficiënt mogelijk geven.

Het gebruik van de site in de Beliardstraat is contractueel vastgelegd tot 31 maart 2026, dus van volgend jaar, maar wel verlengbaar. Momenteel is een procedure lopende om een tijdelijke verlenging te formaliseren. Ondertussen worden een aantal pistes onderzocht voor een nieuw aanmeldcentrum. Die zijn echter nog in een te vroeg stadium om daarover al meer informatie te kunnen verspreiden. Het concept van het aanmeldcentrum is en blijft dat de verschillende migratiediensten gecentraliseerd worden op één locatie. Dat zal trouwens ook van belang zijn, gelet op het Europees asiel- en migratiepact dat in werking treedt in juni van volgend jaar. Wegens organisatorische redenen kan dat mogelijk gefaseerd verlopen.

Matti Vandemaele:

In dezelfde efficiëntielogica dank ik u voor uw antwoord.

De gevangeniscapaciteit in het buitenland

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 16 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Francesca Van Belleghem (N-VA) bekritiseert de overvolle Belgische gevangenissen en eist de overbrenging van buitenlandse gedetineerden—met name 300 Albanezen—naar hun herkomstlanden om kosten te besparen, vraagt om concrete afspraken met Kosovo, Albanië en andere landen. Minister Van Bossuyt (N-VA) bevestigt lopende onderhandelingen met Kosovo en Albanië, benadrukt dat terugkeer van irreguliere gevangenen prioriteit heeft, maar wijst de vraag over gevangenistransfers door naar Justitie (bevoegd voor gedetineerden). Van Belleghem stelt ontevreden dat haar vraag over andere landen onbeantwoord blijft en aankondigt herhaling ervan.

Francesca Van Belleghem:

Mevrouw de minister, iedereen weet dat de Belgische gevangenissen overvol zitten. Iedereen weet ook dat meer dan 40 % van de gevangenisbevolking bestaat uit vreemdelingen. Begin oktober ondernam u samen met minister Verlinden een missie naar Kosovo en Albanië, om te onderzoeken of illegale gedetineerden zouden kunnen worden overgebracht naar voornoemde landen. Naast Kosovo en Albanië stonden op uw lijst ook andere landen waarnaar eventueel gevangenen zouden kunnen worden opgevangen.

Wat is de concrete stand van zaken met betrekking tot Albanië en Kosovo? U zei dat er ook naar andere landen zou worden gekeken. Is dat intussen gebeurd? Over welke landen gaat het dan?

Er zitten op dit moment ongeveer 300 Albanezen in Belgische gevangenissen. Het zou veel efficiënter zijn om hen allemaal hun straf te laten uitzitten in het land van herkomst, zodat wij daar niet voor moeten betalen. Die Albanezen moeten teruggestuurd worden naar Albanië. Welke vorderingen hebt u op dat vlak gemaakt?

Anneleen Van Bossuyt:

Mevrouw Van Belleghem, ik dank u voor uw interesse in onze doelstelling om in buitenlandse gevangeniscapaciteit te voorzien.

Wat uw eerste vraag betreft, de besprekingen met Kosovo en Albanië zijn momenteel lopende. Wat betreft uw tweede en derde vraag, in de bilaterale besprekingen met landen van herkomst bespreken we alle mogelijke opportuniteiten die binnen mijn bevoegdheden liggen. De terugkeer van irreguliere onderdanen met feiten van openbare orde staat bovenaan de prioriteitenlijst.

Wat betreft uw vierde vraag, mijn diensten staan in nauw contact met Justitie. Zodra iemand ter beschikking komt van de DVZ, organiseren wij de terugkeer naar het land van herkomst, bij voorkeur rechtstreeks vanuit de gevangenis. De actuele cijfers van de terugkeer vanuit de gevangenis zijn terug te vinden op de website van de DVZ, in de maandelijkse rapportage over de verwijderingen. Zoals daarnet al gezegd, gaan die sterk in stijgende lijn.

Wat betreft de informatie over de tussenstaatse overbrenging naar Albanië, dat moet u navragen bij mijn collega, de minister van Justitie. Dat zijn immers mensen die nog onder Justitie vallen, terwijl ik enkel bevoegd ben voor de verwijdering van vreemdelingen zonder recht op verblijf die aan Justitie voldaan hebben.

Francesca Van Belleghem:

Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord. Ik zal minister Verlinden daarover bevragen, samen met mijn vraag over Trabelsi. Ik heb niet echt een antwoord gekregen op mijn tweede vraag. De vraag was of u ook met andere landen hebt gesproken in verband met buitenlandse gevangeniscapaciteit. U mompelde wel iets, maar ik heb het niet begrepen. Ik zal de vraag dus opnieuw indienen.

De staat van de cellen in het Brusselse Justitiepaleis

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 16 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

François De Smet (volgens een getuigenis van een advocate) bekritiseert de insalubre en verouderde cachots in het Brusselse Justitiepaleis, die leiden tot vertragingen in rechtszaken doordat gevangenen te laat aankomen of zelfs niet kunnen deelnemen aan zittingen door plaatsgebrek. Minister Vanessa Matz bevestigt de problemen en belooft herstellingswerken (o.a. plexiglas, camera’s, verlichting) die uiteindelijk april 2026 moeten zijn afgerond, met tussentijdse oplossingen. De Smet erkent haar inzet maar blijft het dossier opvolgen. Het hoofdthema is de impact van slechte infrastructuur op de rechtsbedeling.

François De Smet:

Madame la ministre, nous reparlons encore de l’insalubrité des palais de justice dans notre pays, mais via une circonstance particulière. J’ai une amie avocate qui accompagne régulièrement des détenus devant être jugés à Bruxelles. Selon elle, les cellules (ou cachots) du Palais de Justice de Bruxelles seraient, eux aussi, en état de délabrement, voire insalubres.

Cette situation de vétusté a pour conséquence que des détenus arrivent en retard à l'audience par manque de place, ce qui contraint les magistrats à reporter les affaires à une date ultérieure. En raison de ce manque de place dans des cachots qui ne sont pas aux normes, certains détenus ne peuvent même pas aller à l'audience et doivent repartir avec le fourgon. Ce délabrement n'est pas seulement désagréable et déprimant en soi. Il a des conséquences directes sur l'administration de la justice.

J'avais évidemment d'abord introduit cette question auprès de votre collègue, la ministre de la Justice, mais elle l'a renvoyée vers vous. Madame la ministre, avez-vous connaissance de ce genre de situations? Dans l'affirmative, quelles mesures entendez-vous prendre, même à titre temporaire, pour permettre, à la fois pour les détenus et pour le bon fonctionnement de la Justice, l'accessibilité à des cellules en nombre et rénovées?

Vanessa Matz:

Monsieur le député, j'ai évidemment bien pris connaissance de la situation. Il est exact que certaines cellules ne répondent pas aux normes en vigueur et qu'en raison d'un ensemble de circonstances, l'ensemble des 78 cellules ne peut actuellement être exploité.

Je tiens à souligner que la Direction générale Sécurité et Prévention (DAB), le SPF Justice et la Régie des Bâtiments travaillent activement et en étroite collaboration afin de rendre opérationnelles le maximum de cellules. À cet effet, un plan d'action commun a été mis en place. Il prévoit notamment l'installation de plexiglas sur les portes des cellules pour prévenir les blessures ou tentatives de suicide, l'entretien et la réparation des quincailleries ainsi que le remplacement des barillets sécurisés, le remplacement de l'éclairage, l'installation d'une salle de surveillance par caméras et l'installation de caméras dans les cellules, ainsi que l'opacification des sols et des garde-corps.

Une partie de ces travaux est déjà terminée ou en cours et l'ensemble sera achevé au plus tard pour la fin du mois d'avril 2026, à l'exception de l'opacification qui ne pourra être réalisée qu'après la finalisation complète de l'installation des caméras.

Vous connaissez ma détermination à œuvrer pour rendre les bâtiments de justice plus sécurisés et en état de fonctionnement. Je suivrai l'évolution de ce dossier de près. Vous pouvez compter sur moi.

Président: Christophe Lacroix.

Voorzitter: Christophe Lacroix.

François De Smet:

Madame la ministre, je vous remercie pour vos réponses et vos engagements. Je suis ravi de voir que les travaux sont en cours. On fera évidemment le suivi de la situation sur le terrain mais il serait malhonnête de dire que, sur ce dossier-ci, vous ne faites rien.

De gevangenis te Hoei

Gesteld aan

Vanessa Matz (Minster van Modernisering van de overheid, Overheidsbedrijven, Ambtenarenzaken, Gebouwenbeheer van de Staat, Digitalisering en Wetenschapsbeleid)

op 16 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Volgens Christophe Lacroix is de gevangenis van Huy acuut overbevolkt (109 gevangenen vs. max. 85) en levensgevaarlijk door brand-, explosie- en paniekerisico’s (ontbrekende branddeuren, niet-conforme elektriciteit, geen werkende brandmeldinstallatie), wat zowel detentieomstandigheden als veiligheid van personeel en hulpdiensten in gevaar brengt—ondanks herhaalde waarschuwingen en een negatief veiligheidsadvies van de brandweer. Hij bekritiseert het niet-naleven van het conformiteitsplan (februari 2024) en het politiek pingpongen tussen Justitie en de Regie der Gebouwen, terwijl de directrice-generaal van de gevangenissen dringend om actie vraagt. Minister Vanessa Matz (Regie der Gebouwen) bevestigt de structurele problemen maar benadrukt dat een geactualiseerd actieplan loopt, met elektrische werken gepland voor eind 2024 en grote renovaties bezig—al vertragen deze door de operationele gevangeniscontext. Ze wijst op een uniek budget van 600 miljoen euro voor gevangenisinfrastructure (vs. de 50 miljoen jaarlijks voor overbevolking bij Justitie) en belooft prioriteit voor Huy, zonder concrete termijnen. Lacroix betwijfelt of Huy voldoende middelen krijgt en hamert op dringende noodzaak om mensonwaardige omstandigheden en veiligheidsrisico’s—verergerd door eerdere incidenten zoals in Lantin—onmiddellijk aan te pakken.

Christophe Lacroix:

Madame la ministre, plusieurs rapports dont un récent – ma question datant d'il y a un peu moins d'un mois – relatif à la surpopulation dans la prison de Huy dénoncent la mise en danger du personnel pénitentiaire et des détenus. C'est bien là tout le problème. La situation au sein de cette prison, déjà critique, vient d'être confirmée comme objectivement dangereuse par les autorités compétentes en matière de sécurité civile.

À la demande du bourgmestre de Huy, Christophe Collignon, la zone de secours a opéré une visite de contrôle dans cette prison et les conclusions de ce rapport sont sans appel: dans son état actuel, l'établissement présente un niveau de sécurité dangereux contre l'incendie, l'explosion et la panique. Par conséquent, un avis défavorable à l'exploitation du bâtiment a été émis. Le rapport relève également que le planning de mise en conformité établi en février 2024 par votre prédécesseur et par le SPF Justice n'est pas respecté. On ne parle pas de détails, madame la ministre, mais d'absence de portes coupe-feu, de non-conformité électrique et de non-réception de la nouvelle installation de détection incendie.

Lors de cette visite, les services de secours ont également constaté la présence de 96 détenus, avec de nombreux matelas au sol. Leur nombre a même atteint les 109 personnes, contraignant 12 détenus à dormir à même le sol.

Plusieurs arrêtés communaux fixent, depuis plusieurs années déjà, une capacité maximale de 85 détenus, notamment pour des raisons de sécurité, de salubrité et de dignité humaine. Cet arrêté communal n'est à nouveau pas respecté.

Madame la ministre, je sais que votre tâche n'est pas facile. Face à une telle situation, nous assistons souvent à une partie de ping-pong entre la Régie des Bâtiments et le SPF Justice. Mais la responsabilité politique est engagée. D'ailleurs, la directrice générale des prisons le précisait également aujourd'hui dans un article du journal Le Soir . Elle faisait un appel vibrant pour des raisons de sécurité impératives.

Dès lors, madame la ministre, où en est-on pour dégager des solutions immédiates et éviter un drame? Quels contacts avez-vous eus avec les autorités locales concernées? Quelles mesures urgentes allez-vous prendre avec votre collègue Verlinden pour trouver une solution à ces problèmes graves d'infrastructure et de salubrité? Sur le plus long terme, quelles solutions seront-elles trouvées pour la prison de Huy sur le plan des infrastructures et des conditions de travail et de détention?

Vanessa Matz:

Monsieur Lacroix, je partage totalement votre constat sur le jeu de ping-pong qu'il y a souvent eu entre la Justice et la Régie. C'est bien pour cette raison que nous avons mis en place des task forces entre la Justice et nous. Il existe notamment une task force Surpopulation sur laquelle chacune intervient dans son domaine de compétence: la ministre Verlinden pour la régulation, si je puis dire, du flux des détenus, et moi pour l'amélioration des conditions de détention dans les bâtiments et la création de places complémentaires. Nous collaborons de manière parfaite pour tenter d'aboutir à des solutions le plus rapidement possible. La prison de Huy ne fait pas exception à cette question, comme d'autres établissements pénitentiaires qui suscitent régulièrement des questions ou des articles dans la presse.

La situation de la prison de Huy fait l'objet d'un suivi attentif et coordonné entre la Régie et le SPF Justice, notamment à la suite de constats formulés par les services compétents en matière de sécurité. À la suite de la visite du service régional d'incendie, le plan d'action a été actualisé. Ce plan révèle effectivement quelques retards dans l'exécution concrète de certains marchés. Je tiens toutefois à souligner que plusieurs mesures prévues dans le plan d'action ont déjà été mises en œuvre. Celles-ci ont permis d'améliorer sensiblement la situation, même si les difficultés structurelles de l'infrastructure demeurent.

Sachez que les réceptions techniques des marchés liés aux aspects électricité sont programmées pour la fin de cette année, tandis que les travaux liés au gros œuvre sont actuellement en cours. Ces travaux conséquents sont réalisés dans une prison en activité, ce qui impacte évidemment l'exécution des travaux et explique donc le délai de réalisation. Une fois ces travaux terminés, nous aurons traité les points les plus urgents du rapport. Cependant, une deuxième phase doit encore être réalisée pour pouvoir couvrir le tout.

Je le redis, la sécurité des bâtiments publics est une priorité. Je veillerai à l'état d'avancement des travaux et au respect des engagements pris.

Christophe Lacroix:

Madame la ministre, je vous remercie pour vos réponses.

Je note qu’au niveau de l’électricité, une réception technique des travaux aura lieu fin de cette année. Le gros œuvre sera terminé dans quelques semaines ou dans plusieurs mois, en fonction des difficultés rencontrées sur le terrain. J’ai bien pris note – et je ne suis pas là pour donner des leçons, il serait si facile de dire "il n’y a qu’à" – qu'il est toujours compliqué de travailler dans des lieux de détention, ces derniers étant occupés, voire même suroccupés.

Pour la deuxième phase, n’étant pas du tout spécialiste de cette commission, je ne peux m’appuyer que sur ce qui figure dans les lignes budgétaires ou sur ce que relaie la presse, notamment dans cet article – ou cette carte blanche – de Mme la directrice générale des prisons. Elle évoque le fait que la ministre Verlinden a à sa disposition un budget annuel de 50 millions d'euros pour lutter contre la surpopulation dans les prisons.

J’espère que parmi ces 50 millions, quelques milliers ou centaines de milliers d’euros seront pour la prison de Huy. C’est non seulement important sur le plan de la dignité et des droits humains – la Cour européenne des droits de l’homme est d’ailleurs très attentive à l’état de nos détenus – mais c’est aussi – comme vous avez eu raison de la souligner – une question de sécurité pour le personnel et pour les pompiers qui devront intervenir dans des milieux qui ne leur seront pas nécessairement favorables, et dans des conditions complexes. Nous l'avons malheureusement bien vu à la prison de Lantin il y a quelques mois.

Je vous remercie donc pour ce que vous avez à faire. Je compte donc sur vous et sur mon cher et ami collègue, le bourgmestre de la ville de Huy.

Vanessa Matz:

J’aimerais ajouter un détail par rapport au budget que vous venez d’énoncer. Ce budget concerne la partie Justice. Une enveloppe de 600 millions d’euros a été dégagée dans le cadre budgétaire actuel pour l’infrastructure. Cette enveloppe est donc destinée à la Régie des Bâtiments, uniquement pour les prisons et les bâtiments de justice. Il s’agit donc d’un investissement unique de 600 millions d’euros. Les travaux à la prison de Huy, ainsi que tous les autres, sont prévus. Ce dont vous parlez relève davantage d’enveloppes pour le personnel. Ces dépenses sont récurrentes, tandis que l’enveloppe destinée à la Régie des Bâtiments pour l’infrastructure correspond à un montant unique de 600 millions d’euros.

La Justice nous dira bien entendu à quel endroit intervenir plus rapidement. En fonction de la connaissance que nous avons de certains dossier très urgents, nous aussi, nous pouvons informer la Régie sur le fait qu'il faut intervenir rapidement, établir un rapport d'incendie comme chez vous à Huy, etc.

Christophe Lacroix:

Vous m'annoncez donc une double bonne nouvelle. Il y aura donc peut-être un beau cadeau sous le sapin de Noël pour la prison de Huy cette année. Voorzitter: Frank Troosters. Président: Frank Troosters.

Het kernkabinet over de overbevolking van de gevangenissen
Het begrotingsakkoord en de gerechtsgebouwen
Gevangenisoverbevolking en gerechtelijke begrotingsafspraken

Gesteld aan

Vanessa Matz (Minster van Modernisering van de overheid, Overheidsbedrijven, Ambtenarenzaken, Gebouwenbeheer van de Staat, Digitalisering en Wetenschapsbeleid)

op 16 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Khalil Aouasti bekritiseert dat de overbevolking in Belgische gevangenissen (nu 2.500 te veel gedetineerden, waarvan 672 op de grond slapen) acut verwaarloosd wordt: de kernraad van 21 november leverde geen concrete spoedmaatregelen op, terwijl de 600 miljoen euro voor gebouwen pas structurele oplossingen op lange termijn (bv. 300 modulair plaatsen tegen 2035) belooft – onvoldoende voor de huidige crisis. Hij noemt de situatie "absoluut onwaardig" en wijst op vervallen gevangenissen (Saint-Gilles, Lantin) die noodgedwongen openblijven, wat recidive bevordert. Sarah Schlitz (Ecolo) bekritiseert het gebrek aan transparantie over de besteding van de 600 miljoen (renovatie, nieuwe plaatsen, of menswaardige omstandigheden?) en noemt plannen voor uitbreiding Saint-Gilles (eigenlijk gesloten in 2024) en gevangenissen in Kosovo "absurd en verspilling van geld". Ze pleit voor preventie, reïntégratie en alternatieven voor detentie, maar stelt dat de regering professionals negeert en mensenrechten schendt door "tweederangsdetentie". Minister Matz (Bouw) bevestigt de 600 miljoen voor renovaties, nieuwe plaatsen (300 modulair) en psychiatrische centra, plus 50 extra medewerkers om vertragingen tegen te gaan, maar ontwijkt urgente actie: prioriteiten worden nog overlegd met Justitie, terwijl de taskforce "coördineert" – geen directe oplossing voor de huidige crisis.

Khalil Aouasti:

Madame la ministre, je vous avoue que je suis un peu inquiet d'être ici devant vous, parce que ma question était adressée à votre collègue Mme Verlinden, ministre de la Justice, et portait sur le kern du 21 novembre consacré à la surpopulation carcérale. Elle n'y a pas répondu et a décidé de vous la transférer. Cela m'inquiète parce que j'avais beaucoup de questions pour elle, dont une qui vous concernait également, mais je crains – j'ose ne pas l'espérer, en réalité – que ce transfert signifie que la lutte contre la surpopulation carcérale se résume finalement à la question des places et des bâtiments.

Ce transfert de question donne finalement l'impression qu'aucune mesure n'est prise pour lutter contre la surpopulation carcérale et qu'on se dit que la Régie des Bâtiments se débrouillera, dans un contexte où vous n'êtes pas responsable de la politique pénale qui est menée. Au moment où je posais la question, nous en étions à 13 400 détenus. Nous sommes actuellement à pr è s de 13 700 détenus. Au moment où je posais la question, 541 personnes dormaient au sol. Aujourd'hui, il y a 672 personnes qui dorment au sol.

Trois semaines après le fameux kern, nous n'avons toujours pas vu la moindre mesure pour lutter contre la surpopulation carcérale. La loi d'urgence débattue au mois de juillet dernier, que je dénonçais en indiquant qu'elle serait inutile, démontre son inutilité au quotidien. Et on me renvoie vers vous, qui m'êtes très sympathique, madame Matz, mais qui n'avez qu'à gérer les murs, et non pas la politique pénale et pénitentiaire.

Madame la ministre, ce kern a-t-il effectivement abordé les questions de surpopulation carcérale? Quelles sont les autres mesures que le fait de prévoir des places à l'horizon 2035 – pour lequel vous recevez 600 millions d'euros – sont sur la table pour répondre à l'urgence des 672 personnes qui dorment au sol et des 2 500 personnes en surpopulation, dans une situation d'indignité absolue?

Sarah Schlitz:

Madame la ministre, votre gouvernement est enfin parvenu à un accord budgétaire dans lequel on découvre une ligne dédiée aux bâtiments de la justice, ce dont on peut évidemment se réjouir. Grâce à la reconfiguration de crédit, on voit que 600 millions d'euros sur la législature ont pu être dégagés. Nous n'avons cependant pas encore de vues sur l'utilisation de ces budgets.

La Régie des Bâtiments fait face à de grandes décisions: va-t-on plutôt mettre cet argent dans des lieux de détention qui sont actuellement totalement délabrés pour les remettre en état? Est-ce qu'on va plutôt privilégier la construction de nouvelles places ou même de nouvelles prisons? Ou alors va-t-on concentrer ces moyens sur la dignité humaine et faire en sorte d'agir également sur d'autres aspects en matière de justice?

Pouvez nous présenter les grandes lignes de l'utilisation de ces budgets par la Régie? En parallèle, on voit également qu'une provision est inscrite en plus du budget provisoire pour le début de 2026 pour agrandir la prison de Saint-Gilles alors qu'elle était censée être fermée depuis fin 2024. On ne comprend donc plus rien dans ce dossier. Dès lors, pouvez-vous nous donner des éléments complémentaires sur le dossier de la prison de Saint-Gilles? Je vous remercie.

Vanessa Matz:

Merci pour vos questions. Il y en a une qui est clairement de mon ressort, celle de Mme Schlitz, même si ce n'est pas moi qui gère les budgets complémentaires de la justice.

Par rapport à votre question, monsieur Aouasti, il y a bien eu des demandes de la ministre de la Justice au kern par rapport à des mesures concernant la surpopulation. Ces questions sont toujours actuellement en discussion. Je n'irai donc pas plus loin parce que cela ne relève pas de ma stricte compétence. Comme vous le savez, et je ne vous contredirai pas sur ce point, la question de la surpopulation carcérale que connaît notre pays est une réalité qui est extrêmement préoccupante, tant pour les détenus que pour le personnel pénitentiaire. Elle appelle des réponses coordonnées, rapides et structurelles. J'ai participé aux travaux du kern qui se sont penchés sur ces questions dans un contexte budgétaire difficile.

Quant aux moyens budgétaires, la discussion a abouti à la confirmation d'une enveloppe de 600 millions d'euros sur la législature pour les bâtiments de justice, à la fois les palais de justice, mais aussi, évidemment, la question des prisons.

Madame Schlitz, quant à votre demande de répartition précise de cette enveloppe de 600 millions, on vient d'en hériter, et nous sommes en concertation avec la justice à propos de cette enveloppe pour connaître les priorités qui seront établies. Nous avons, pour notre part, fait une proposition que nous allons confronter à celle de la justice pour voir si les priorités que nous avons par rapport aux bâtiments, et singulièrement les bâtiments de prison, correspondent à celles que la justice sollicite.

Précisions que cela se fait dans le cadre d'une task force . Toutes les semaines, nous rencontrons nos collègues de la justice sur les questions de bâtiments judiciaires pour être parfaitement coordonné et ne pas se renvoyer la balle en disant: "c'est ta faute; non, c'est la mienne". On doit donc tenir compte des besoins de la justice pour répartir cette enveloppe de 600 millions, qui est destinée dans les grosses masses à rénover un certain nombre de bâtiments, qui est destinée à de nouvelles places, qui est aussi destinée à tout ce qui est centres de psychiatrie légale – on en a parlé tout à l'heure du côté de la Flandre.

Voilà dès lors à quoi est destinée cette enveloppe, dans les grandes lignes, mais sur l'allocation précise de quel montant nous allons allouer à tel type de prison, la discussion plus pointue doit encore avoir lieu. Pour nous, il s'agit d'un signal clair, structurant en faveur de la modernisation du parc immobilier, à la fois judiciaire et pénitentiaire. Au sein de cette enveloppe, c'est très important, une part récurrente de 5 millions d'euros est spécifiquement destinée au renforcement des effectifs de la Régie des Bâtiments.

En effet, on peut décider d'entreprendre des travaux dans une prison, mais à un moment donné, il faut des femmes et des hommes qui construisent les dossiers, qui font passer les marchés publics, qui établissent des plans, etc. Cela nous permettra donc de renforcer les effectifs de la Régie d'environ une cinquantaine de personnes qui seront uniquement dédiées à la mise en œuvre des dossiers justice, afin d'aboutir à des délais plus rapides. Un des reproches récurrents faits à la Régie est la lenteur des procédures.

La mesure de cinq millions d'euros était indispensable au regard des sous-effectifs structurels auxquels la Régie est confrontée et de la nécessité de mener à bien un volume croissant de projets complexes dans des délais contraints.

En ce qui concerne les projets concrets, les moyens dégagés visent à assurer le financement des actions identifiées dans le cadre de la task force capacité. À cet égard, je peux notamment citer l'étude à la construction d'unités modulaires sur des sites de prisons existantes, permettant une capacité d'environ 300 places. L'étude de faisabilité technique est en cours et sera finalisée d'ici la fin du mois de janvier.

D'autres mesures portent également sur le maintien en activité de la prison d'Anvers ainsi que sur la mise à disposition d'une enveloppe spécifique destinée à assurer l'entretien et la mise en conformité des infrastructures pénitentiaires existantes. Je souhaite insister tout particulièrement sur l'importance des questions de sécurité et de respect des normes en vigueur, qui constituent des priorités absolues. Enfin, je réaffirme ma volonté d'améliorer durablement les infrastructures pénitentiaires afin de garantir des conditions de détention dignes pour les personnes détenues et des conditions de travail sûres et respectueuses pour le personnel pénitentiaire, conformément aux exigences d'un État de droit.

Khalil Aouasti:

Madame la ministre, je n'ai pas de souci à croire ce que vous nous dites. Le seul problème, c'est que je posais une question sur les mesures d'urgence en matière de surpopulation carcérale, et que vos réponses, qui sont assez naturelles dès lors que vous gérez du bâtiment, ne sont pas des mesures d'urgence. Ce sont des mesures qui se prendront au mieux dans quelques mois, alors que la surpopulation, c'est maintenant. Il y a 2 500 personnes en trop dans nos prisons; 670 personnes dorment au sol; il y a des situations d'indignité absolue. Comme l'a dit ma collègue Mme Schlitz, la Belgique a une capacité de 11 098 places. Ce nombre intègre les 500 places de la prison de Saint-Gilles, qui aurait en réalité dû fermer le 31 décembre 2024. Il y a donc normalement 10 500 places en pleine capacité.

La prison de Saint-Gilles est en effet insalubre, et il en va de même pour celles de Termonde, Tongres, Anvers, Tournai et Mons. Quant à celle de Lantin, elle s’effondre carrément sur elle-même. La seule chose qui continue à être faite et dite, c’est d’incarcérer toujours plus et toujours plus longtemps alors que, dans ces conditions, la seule chose que nous faisons est la création de fabriques à criminels en puissance.

Je sais que vous n’êtes pas ministre de la Justice, mais vous êtes autour de la table et vous participez vous ‑ m ê me à une task force. La raison commande de revenir au maximum à ces 11 000 places de d é tention, ne f û t ‑ ce que pour permettre une gestion normale de la population carcérale et tenter un minimum de réinsertion.

Pour le reste, un investissement de 600 millions d'euros, c’est très bien, mais le nombre de projets est tel que cette somme ne permettra même pas d’éponger un cinquième des besoins actuels. Avec 600 millions, 500 places peuvent être construites, alors que le dépassement actuel atteint déjà 2 500 détenus. De plus, ces 500 places ne verront le jour que dans un horizon de 10 ans.

Cela signifie que, si la situation reste inchangée, même avec ces 500 places supplémentaires d’ici 10 ans, il subsistera structurellement un surplus d’environ 2 000 personnes dans les prisons. Je ne sais pas si cette situation peut être considérée comme normale. Pour ma part, ce n'est absolument pas le cas, et cela devrait toutes et tous nous inquiéter collectivement.

Sarah Schlitz:

Madame la ministre, j’entends que vous mettez des propositions sur la table. Il serait intéressant d’entendre au Parlement les perspectives que vous proposez. C’est précisément notre rôle de vous demander quelles sont les priorités que vous proposez au sein de votre gouvernement. Il est donc regrettable que vous ne puissiez pas nous en parler aujourd’hui et que vous ne nous donniez que la forme et pas le fond.

Par ailleurs, ce qui m’inquiète – et vous ne l’avez pas contesté –, c’est que nous poursuivons en effet dans une fuite en avant au niveau carcéral, avec chaque jour une aggravation du nombre de détenus qui dorment à même le sol. Il y a également des projets de création de prisons au Kosovo.

C'est complètement hallucinant. C'est une perte d'argent public, pour aller créer des places dont nous pensons qu’elles ne verront jamais le jour et qui en fait ne résolvent rien du tout sur le terrain.

Aujourd'hui, l’essentiel est d'investir dans la prévention et dans la réinsertion, de faire en sorte qu'il y ait des alternatives à la détention beaucoup mieux développées et surtout, de faire en sorte qu'on ne soit pas pire en sortant de prison qu’en y entrant. Pourtant, aujourd'hui, c'est le cas; et c'est en train d'empirer à grande vitesse.

Vanessa Matz:

(…)

Sarah Schlitz:

D'autres solutions existent. De nombreuses solutions ont été mises sur la table par les professionnels du secteur, par les magistrats. Ils appellent à des solutions qui, aujourd'hui, ne sont pas mises en œuvre. Vous devez agir par rapport à ça. Vous devez les écouter; et vous ne le faites pas. Vous laissez donc cette surpopulation carcérale perdurer. C'est inquiétant. Voir que Saint-Gilles va être remise en service, c'est très inquiétant. Ce que j'entends du terrain, c'est que c'est une prison de seconde zone dans laquelle on entrepose des détenus de seconde zone. Je trouve que cela contrevient particulièrement aux droits humains, madame la ministre, d'aller caser des détenus de seconde zone à Saint-Gilles. Nous continuerons évidemment à suivre ce dossier, y compris chez la ministre de la Justice.

De vele graffiti en de eventuele verfraaiing van het Luikse justitiepaleis met een fresco

Gesteld door

lijst: MR Gilles Foret

Gesteld aan

Vanessa Matz (Minster van Modernisering van de overheid, Overheidsbedrijven, Ambtenarenzaken, Gebouwenbeheer van de Staat, Digitalisering en Wetenschapsbeleid)

op 16 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Gilles Foret wijst op de terugkerende graffitiproblemen aan het justitiepaleis van Luik, die de stads- en institutiebeelden schaden, en vraagt naar verantwoordelijkheden, onderhoudsplannen en mogelijke samenwerking met lokale overheden, inclusief een artistieke muurschildering als preventieve oplossing. Minister Vanessa Matz (Régie des Bâtiments) bevestigt haar bevoegdheid (behalve voor specifieke elementen onder de stad) en kondigt een grondige schoonmaak aan, maar waarschuwt dat een fresco juridische haken heeft (auteursrechten architect). Ze staat open voor overleg met stad en erfgoeddiensten. Foret onderstreept de nood aan een protocol met de stad voor efficiënter onderhoud en ziet de fresco als haalbaar, mits snelle oplossing voor de auteursrechtskwestie via lokale afstemming.

Gilles Foret:

Madame la ministre, depuis de nombreuses années, les bâtiments du palais de justice de Liège souffrent d'une présence récurrente et diffuse de tags sur leur façade extérieure. Cela concerne notamment les murs de l'annexe Nord, donnant sur la passerelle de la principauté de Liège entre la rue Fond Saint-Servais et la rue de Bruxelles. Cette zone constitue pourtant une entrée de ville stratégique, récemment réaménagée dans le cadre de la rénovation de la gare Saint-Lambert de Liège et de l'espace public adjacent. Elle accueille de nombreux voyageurs et visiteurs qui accèdent ainsi directement au cœur historique de la Cité ardente. Or, le contraste entre ces aménagements urbains qualitatifs et l'aspect fortement dégradé des murs du palais de justice nuit à l'image de la ville comme à celle de l'institution judiciaire.

Madame la ministre, les façades concernées relèvent-elles bien de la responsabilité de la Régie des Bâtiments? Si oui, quel est le plan d'action en matière d'entretien, de nettoyage et de prévention des dégradations récurrentes? Existe-t-il un protocole, ou pourrait-il être signé avec les autorités locales pour entretenir et nettoyer de manière plus récurrente ces différentes façades?

Enfin, je voudrais vous dire que suite à des échanges que j'ai pu avoir avec des représentants locaux, une fresque murale, encadrée artistiquement, pourrait être envisagée et permettrait de prévenir ce genre de tags. Ces différentes possibilités pourraient-elles être envisagées avec la Régie des Bâtiments?

Vanessa Matz:

Monsieur Foret, les façades concernées relèvent effectivement pour l'essentiel de la responsabilité de la Régie des Bâtiments en tant qu'éléments structurels du bâtiment. Il convient toutefois de préciser que certains éléments extérieurs, comme les murs de soutènement des escaliers, sont gérés par la Ville.

La Régie des Bâtiments est pleinement consciente de la situation et de l'impact négatif que la présence récurrente de tags peut avoir, tant sur l'image de l'institution judiciaire que celle de la ville. La Régie des Bâtiments s'efforce, dans les limites de ses moyens budgétaires et humains, de procéder aux nettoyages nécessaires. Vu le nombre élevé de tags, une mise à blanc est envisagée prochainement afin de restaurer l'aspect des façades.

Quant à la proposition d'une fresque murale artistique, je comprends pleinement l'intérêt d'une telle initiative, tant du point de vue de la prévention des tags que de la valorisation de cette entrée stratégique de la ville.

Cette piste ne peut toutefois être envisagée qu'avec prudence dans la mesure où elle pourrait constituer une modification de l'œuvre architecturale existante. Il faut donc vérifier les éventuels droits d'auteur de l'architecte avant toute décision. Cela étant, je reste ouverte à une réflexion concertée associant la Régie des Bâtiments, les autorités locales et, le cas échéant, les services compétents en matière de patrimoine.

Gilles Foret:

Madame la ministre, je prends note des différents éléments que vous venez de nous partager. Il faut en effet vérifier quelles sont les différentes zones d'intervention de la Régie et de la Ville et qui pourrait intervenir, notamment dans le cadre d'un protocole ou d'une collaboration renforcée. Il est aussi important de voir avec les autorités communales comment signer un protocole pour un entretien plus régulier puisque les équipes de la ville sont de manière permanente sur le terrain. Il s'agit également d'une piste visant à faciliter le travail de la Régie des Bâtiments et, surtout, à limiter les coûts d'entretien. Pour le reste, la fresque murale serait une piste à envisager. Certes, il faut tenir compte des droits d'auteur de l'architecte. C'est un obstacle qu'on pourra lever assez rapidement. Ceci est à analyser avec les autorités locales et les artistes pour que cette (ou ces) fresque(s) murale(s) puisse(nt) voir le jour.

De erbarmelijke toestand van het justitiepaleis in Brugge

Gesteld door

lijst: VB Marijke Dillen

Gesteld aan

Vanessa Matz (Minster van Modernisering van de overheid, Overheidsbedrijven, Ambtenarenzaken, Gebouwenbeheer van de Staat, Digitalisering en Wetenschapsbeleid)

op 16 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Marijke Dillen bekritiseert dat het Justitiepaleis Brugge sinds 2000 kampen met schimmel, vocht en geurhinder, terwijl enkel kleinschalige ingrepen volgden, en vraagt waarom ministers (inclusief voorgangers) de situatie laten "aanmodderen"—nu een hele afdeling ontruimd is. Minister Vanessa Matz (Regie der Gebouwen) bevestigt dat structurele oplossingen (dak/gevels) nodig zijn en dat een masterplan in fasen wordt voorbereid, met eerste werken in 2025, maar wijst op budgettaire beperkingen. Dillen noemt het onverantwoord dat actie pas kwam na druk van de nieuwe hoofdgriffier en dringt aan op versnelde prioriteit voor veilige werkomstandigheden. Matz erkent de urgentie maar benadrukt dat complexiteit en kosten een gefaseerde aanpak vereisen.

Marijke Dillen:

Het Justitiepaleis van Brugge verkeert al jaren in een erbarmelijke toestand. Een hardnekkige schimmelplaag, opstijgend vocht, ernstige geurhinder, het zijn maar enkele voorbeelden. De eerste klachten dateren al van 2000 maar er werden blijkbaar alleen maar enkele kleine ingrepen uitgevoerd.

Omdat de situatie werkelijk onhoudbaar is geworden hebben de vakbonden een klacht ingediend bij de arbeidsinspectie.

De nieuwe hoofdgriffier bij de Rechtbank van Eerste Aanleg West-Vlaanderen heeft nu ingegrepen. Een volledige afdeling werd nu ontruimd en het personeel is tijdelijk verhuisd naar een andere plaats in het gebouw.

Kan de minister hierover meer toelichting geven?

Hoeveel klachten zijn er sinds 2000 ingediend en welk concreet gevolg werd er hieraan gegeven ?

Waarom hebben de minister en haar voorgangers bevoegd voor de Regie der Gebouwen de situatie laten aanmodderen en geen werken laten uitvoeren om deze ernstige problematiek structureel aan te pakken om er zo voor te zorgen dat het personeel op een veilige en gezonde wijze kan werken?

Wanneer gaat deze onaanvaardbare toestand eindelijk worden weggewerkt? Zal de minister hiervoor de nodige budgetten vrijmaken?

Vanessa Matz:

Mevrouw Dillen, de huidige problemen van het Justitiepaleis van Brugge zijn voornamelijk toe te schrijven aan opstijgend vocht en waterinfiltratie via het dak. Een bijkomende uitdaging is dat bepaalde vloerniveaus zich onder het maaiveld bevinden. De FOD Justitie en Regie der Gebouwen volgen de situatie nauwgezet op via een operationele taskforce. In dat kader worden regelmatig de nodige maatregelen besproken en uitgevoerd.

In de afgelopen jaren zijn al verschillende werken uitgevoerd door de Regie der Gebouwen. Momenteel worden bijkomende interventies voorbereid om de gemelde klachten te verhelpen. Hoewel in het verleden vooral kleinere ingrepen en herstellingen werden uitgevoerd, is het vandaag duidelijk dat een structurele oplossing noodzakelijk is. De Regie der Gebouwen is daarom gestart met de opmaak van een masterplan voor de renovatie van het dak en de gevels.

Gezien de omvang van de werken en de budgettaire context zal de uitvoering in fasen verlopen. Een eerste fase, gericht op de meest manifeste problemen, wordt volgend jaar gepubliceerd.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, bedankt voor uw antwoord.

Ik geef toe dat dit niet uw verantwoordelijkheid is. U bent immers nog maar sinds deze legislatuur minister bevoegd voor de Regie der Gebouwen, maar de eerste klachten dateren al van 2020. Het is dan ook onbegrijpelijk dat er al zo lang niets gebeurt. Evenmin is het te begrijpen dat de nieuwe hoofdgriffier, want zo is het dossier eindelijk in een stroomversnelling gekomen, de beslissing heeft genomen om heel die afdeling te sluiten. Het is immers onverantwoord voor de mensen, de leden van de griffie, maar ook voor de bezoekers, om die ruimtes te moeten betreden. Het is toch echt onbegrijpelijk dat dit allemaal zo lang heeft geduurd?

Gelukkig is er nu een nieuwe hoofdgriffier die eindelijk zegt dat het gedaan moet zijn en dat het onaanvaardbaar is. In het verleden werd er immers op een lamentabele manier mee omgegaan.

U erkent dat structurele oplossingen noodzakelijk zijn en werkt aan een masterplan. Ik begrijp, mevrouw de minister, dat zo’n masterplan niet van de ene op de andere dag kan worden uitgevoerd, maar ik durf toch aan te dringen op prioriteit voor dit dossier om ervoor te zorgen dat alle mensen van de griffie daar op een gezonde en veilige manier kunnen werken en dat de bezoekers, advocaten en iedereen die daar moet zijn ook in een veilige omgeving kunnen werken.

Voorzitter:

Bedankt, mevrouw Dillen. We komen hiermee aan het einde van deze commissie. Volgens artikel 127, 10 e lid, van het Reglement wordt vraag nr. 56011515C van de heer Vandemaele als ingetrokken beschouwd. Ik wens het commissiesecretariaat, de diensten van de Kamer en de tolken te danken voor hun hulp, net als mevrouw de minister en haar team om de vragen te beantwoorden. Ik sluit hierbij de zitting. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 17.00 uur. La réunion publique de commission est levée à 17 h 00.

De Europese defensieaankopen en de bewaking van onze strategische autonomie

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 12 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Kristien Verbelen vraagt zich af of de groeiende afhankelijkheid van Israëlische en Amerikaanse defensietechnologie (bv. radarsystemen en interceptieraketten) via initiatieven zoals ESSI de Europese strategische autonomie ondermijnt, ondanks de ambitie om minder extern afhankelijk te zijn. Minister Theo Francken bevestigt dat België investeert in luchtverdediging (o.a. via Benelux-samenwerking en NASAMS), maar erkent dat hoogtechnologische systemen vaak van buiten Europa moeten komen, zonder de NAVO-partnerschap met de VS in vraag te stellen; hij wijst op Strategische Visie 2025 en DIRS 2.0 als hefbomen voor meer eigen productie. Verbelen bekritiseert dat Europa nog steeds kwetsbaar blijft voor externe politieke beslissingen (bv. exportlicenties) en pleit voor versnelde Europese ontwikkeling en productie om de afhankelijkheid af te bouwen. Francken benadrukt dat België tweesporig blijft: autonomie versterken én bondgenootschappen behouden.

Kristien Verbelen:

Mijnheer de minister, door de oorlog in Oekraïne zijn de Europese defensieaankopen in een stroomversnelling gekomen. Verschillende landen versterken hun luchtverdediging via het European Sky Shield Initiative (ESSI). Wij zien daarbij dat Israëlische bedrijven aan belang winnen op het gebied van radarsystemen, interceptieraketten en andere technologie. Ook in ons land werken wij begrijpelijkerwijze samen met buitenlandse partners, onder andere met Israël en de Verenigde Staten, om onze luchtverdediging en -bewaking te moderniseren en te verbeteren.

Dat doet wel de vraag rijzen in welke mate die samenwerkingen onze Europese strategische autonomie versterken en vanaf welk moment ze die autonomie ondermijnen. Europa heeft al jaren de ambitie om zelf meer defensietechnologie te ontwikkelen, zodat we minder afhankelijk te zijn van externe leveranciers. Voor onze kritieke systemen rekenen wij echter nog steeds in grote mate op niet-Europese bedrijven, waardoor het risico bestaat dat wij in de praktijk afhankelijk blijven van beslissingen die elders worden genomen.

Daarom zou ik graag begrijpen hoe u die balans ziet tussen, enerzijds, de nood aan performante systemen die vaak buiten Europa worden ontwikkeld en, anderzijds, de verantwoordelijkheid om onze technologische onafhankelijkheid te versterken.

Hoe kunnen wij bijdragen aan een Europese aanpak die innovatie en samenwerking bevordert, terwijl wij tegelijk onze strategische autonomie bewaken?

Theo Francken:

De oorlog in Oekraïne heeft inderdaad de urgentie om de Europese defensiecapaciteit te versterken, in de verf gezet. Hoewel België het memorandum of understanding inzake het ESSI heeft ondertekend, zijn er bij Defensie geen dossiers die specifiek betrekking hebben op aankopen via die vector, hangende.

Tijdens deze legislatuur zal België investeren in luchtverdedigingssystemen om het volledige nationale grondgebied te beschermen, met een focus op gevoelige infrastructuur. Zoals toegelicht, zullen wij daarvoor samenwerken met de Benelux, denken we maar aan de aankoop van NASAMS. Het valt evenwel niet te ontkennen dat landen zoals Israël en de Verenigde Staten, vanuit defensie-industrieel oogpunt een belangrijke rol spelen in dat specifieke domein, zeker op het vlak van hoogtechnologische producten en materialen. Dat doet geen afbreuk aan de Europese ambitie om de strategische autonomie te versterken door defensietechnologie op eigen bodem te ontwikkelen. Bovendien blijven de Verenigde Staten uiteraard een essentiële partner in de NAVO. Daar hebben wij het daarnet uitgebreid over gehad.

De strategische visie 2025 legt duidelijk de fundamenten voor de versterking van onze nationale strategische autonomie, zowel op Europees als op nationaal vlak. Ze benadrukt de noodzaak om een robuuste industriële en technologische defensiebasis uit te bouwen, die onze militaire capaciteiten kan ondersteunen in tijden van crisis of conflict. Daartoe werden verschillende hefbomen geïdentificeerd, waaronder de ontwikkeling van DIRS 2.0 en de versterking van de industriële defensiecapaciteit.

Dat strategische kader beoogt een duurzame technologische soevereiniteit te waarborgen, terwijl een nauwe samenwerking met onze bondgenoten behouden blijft. Defensie wil op die manier actief bijdragen aan een meer autonome Europese defensie en tegelijk een betrouwbare partner blijven in de NAVO.

Kristien Verbelen:

Dank u voor uw toelichting, mijnheer de minister. Ik hoor dat er stappen worden genomen naar meer Europese samenwerking. We zijn echter nog altijd redelijk ver verwijderd van echte autonomie. Europa blijft kwetsbaar voor externe druk, exportlicenties en politieke beslissingen elders. Ik hoop dat we met ons land via Europese samenwerkingsverbanden echt het voortouw kunnen nemen om de afhankelijkheid af te bouwen, en dat we kunnen inzetten op ontwikkeling en productie op eigen bodem, opdat we stilaan onze veiligheid echt in eigen handen kunnen nemen.

Palantir en Defensie
Palantir en Defensie
Defensie en de relaties met Israël: Palantir en het F-35-programma
?Palantir en Defensie
Palantir en Oracle in de strategische visie en de digitale strategische autonomie
Palantir, Defensie, Israël, F-35 en digitale strategische autonomie

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 12 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Tinne Van der Straeten bekritiseert het bezoek van de minister aan Palantir (omstreden om privacy-, dataveiligheids- en ethische AI-risico’s) en wijst op Amerikaanse legerkritiek over gebrek aan transparantie en controle op datatoegang, terwijl Palantir zich volgens haar ontziet door te stellen dat klanten zelf verantwoordelijk zijn voor het gebruik. Ze vraagt garanties voor digitale soevereiniteit en dataveiligheid, met name bij Defensie’s samenwerking met Oracle voor eigen datacenters. Theo Francken ontkent kennis van interne Amerikaanse memo’s, benadrukt dat België geen directe banden heeft met Palantir (wel indirect via NAVO) en dat strikte GDPR- en veiligheidsprotocollen gelden, met plannen voor een Digital Compliance Officer. Hij verdedigt het bezoek als verkennend voor technologische NAVO-samenwerking, met focus op strategische autonomie en ethische afwegingen, maar zonder concrete contracten. Van der Straeten reageert voorzichtig positief op de aangehaalde waarborgen, maar blijft sceptisch en kondigt opvolging aan van de praktische uitvoering, gezien de risico’s van onbezonnen samenwerking met dergelijke bedrijven.

Tinne Van der Straeten:

Mijnheer de minister, mijn beide vragen gaan over Palantir. U bent in de Verenigde Staten op handelsmissie geweest en u hebt daar een bezoek gebracht aan Palantir. Ik meen dat u niet de enige was die aan dat bedrijf een bezoek bracht.

De naam Palantir komt, heb ik me laten vertellen, uit Lord of the Rings: The Seeing Stone . Het bedrijf heeft wegens dat aspect een vrij omstreden reputatie waar het gaat over privacy, de beveiliging van data en de ethische inzet van artificiële intelligentie.

Ik weet dat Palantir die discussie wat van zich afschuift. Het zegt dat ze gewoon technologie aanbieden en het is de cliënt die ermee doet wat hij ermee doet. Dat neemt echter niet weg dat er ook vanuit de Amerikaanse veiligheidsdiensten zelf kritiek gekomen is op het gebrek aan transparantie en dit op basis van een gelekte memo van het Amerikaanse leger. Daarin werd gezegd dat er toch een zeer hoog risico was, daar niet gecontroleerd kan worden wie toegang heeft tot welke data. Evenmin kan worden nagegaan wat de gebruikers doen en of de software zelf veilig is.

In die zin heb ik een aantal vragen. Ze zijn opgenomen in mijn schriftelijke vraag, dus ik zal ze niet voorlezen.

Mijn tweede vraag gaat over de digitale transformatie in het licht van de Strategische Visie van de Programmeringswet. Ik heb me doen informeren door mijn collega’s dat die bij de bespreking van de Programmeringswet wel aan bod gekomen is en dat er wel vragen over zijn gesteld, maar dat die zonder antwoord zijn gebleven. Die vragen blijven dus pertinent.

Ze gaan vooral over de eigen datacenters van Defensie en hier in het bijzonder de betrokkenheid van Oracle. Hoe kan er gezorgd worden voor de nodige beveiliging van data? Welke garanties worden ingebouwd om ervoor te zorgen dat men echt soeverein blijft in the cloud en dat er geen nieuwe afhankelijkheden of zwakheden worden ingebouwd?

Theo Francken:

Defensie beschikt volgens mijn informatie niet over een interne memo die binnen het Amerikaanse ministerie van Defensie zou circuleren. Daarom doen we daarover geen uitspraak.

Berichtgeving in de pers doet vermoeden dat het gaat om een prototype van het Next Generation Command & Control platform voor het US Army . Hoewel concrete tijdlijnen niet publiek kunnen worden gemaakt, blijkt uit recente NAVO-ontwikkelingen dat Palantir een artificieel intelligentieplatform levert aan het NAVO-bondgenootschap. De Belgische Defensie zou daarvan indirect gebruik kunnen maken via de bestaande NAVO-structuren. Er is echter geen directe Belgische implementatie en er is dus evenmin sprake van nationale gegevensdeling.

Defensie wijst erop dat alle toepassingen binnen Defensie onderworpen zijn aan strikte veiligheidsprotocollen, inclusief de naleving van de Europese GDPR en de nationale wetgeving. Gezien de toenemende complexiteit van vooral internationale regelgeving wordt binnenkort ook werk gemaakt van de aanstelling van een Digital Compliance Officer binnen Defensie.

Een bezoek aan Palantir maakte deel uit van de missie in de Verenigde Staten om beter zicht te krijgen op de technologische evoluties die Silicon Valley momenteel aan NAVO-legers kan aanbieden. Tot op heden bestaan er geen contractuele verbintenissen die de betrokken onderneming aan Defensie verbinden.

Defensie is zich ten volle bewust van de ethische, juridische en geopolitieke implicaties van samenwerking met buitenlandse technologiebedrijven. Daarom wordt elke stap zorgvuldig geëvalueerd, met nadruk op digitale soevereiniteit, transparantie en naleving van Belgische en Europese normen. Daarnaast is het een belangrijke beslissingsfactor dat de samenwerking ons in staat moet stellen relevant te blijven en een technologische voorsprong te behouden, zodat we onze operationele effectiviteit en strategische autonomie kunnen waarborgen.

Tinne Van der Straeten:

Het is goed om te horen dat er grendels worden ingebouwd en dat men zich ervan bewust is dat, wanneer men met nieuwe technologiebedrijven werkt die bepaalde bezorgdheden oproepen en dat is nog een understatement, we daar niet onbezonnen mee in zee mogen gaan. We zullen blijven nagaan – al zal mijn collega dat wellicht doen – hoe dit zich verder in de praktijk ontwikkelt.

De geplande demonstratie met F-35’s en drones op vrijdag 17 oktober 2025

Gesteld door

lijst: VB Annick Ponthier

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 12 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Francken ontkent kennis te hebben gehad van het plan voor een symbolische landing van de MQ-9B-drone en F-35’s op 17 oktober, dat volgens hem door de administratie (DGD Luchtvaart/skeyes) was geïnitieerd, en blies het af toen bleek dat het luchtruim boven Brussels Airport zou moeten sluiten—met economische gevolgen en zonder duidelijke veiligheidsnoodzaak. Ponthier bekritiseert zijn "haastige, onjuiste communicatie" en wijst op tegenstrijdigheden: minister Crucke (Mobiliteit) bevestigde dat het voorstel wel uit Franckens kabinet kwam, terwijl zij Francken verdenkt van een "showmoment" voor VIP’s tijdens het luchtbal, zonder voldoende afweging van de impact. Francken ontkent categorisch politiek gemotiveerde druk en noemt de beschuldiging "belachelijk", maar belooft de bewuste nota na te trekken. Geen van beide partijen biedt helderheid over de verantwoordelijkheid of een protocol voor dergelijke luchtruimsluitingen; de kosten zouden binnen reguliere defensiebudgetten vallen.

Annick Ponthier:

Mijnheer de minister, naar verluidt zou er op vrijdag 17 oktober – ook al is dat al twee maanden geleden, enige verduidelijking is gelet op de problematiek hier toch op haar plaats – naar aanleiding van de gala een demonstratievlucht met onder andere F-35’s, een A400M en de nieuwe MQ-9B-drone gepland zijn geweest. Daarvoor zou het luchtruim boven Brussel tijdelijk moeten worden gesloten. Het hoeft geen verdere uitleg dat zo'n beslissing economische gevolgen voor de burgerluchtvaart en Brussels Airport zou hebben, en dat te midden van een budgettaire crisis.

U verklaarde in de media dat u niet op de hoogte was, dat men die demonstratievlucht buiten uw medeweten om had gepland en dat u, toen u vernam dat het luchtruim voor dat plan zou moeten sluiten, ingreep. Een en ander had te maken met het feit dat men per se de nieuwe MQ-9B-drone, die pas werd voorgesteld, maar waarmee er enkele problemen waren – mijn collega Verbelen en ikzelf waren daarvan getuige – wilde demonstreren.

Bevestigt u dat er effectief een plan bestond om een demonstratievlucht te organiseren?

Is het correct dat de MQ-9B-drone op dat moment niet beschikte over de noodzakelijke certificering om in het burgerluchtverkeer te opereren, reden waarom men het luchtruim tijdelijk wilde sluiten?

U zegt dat u niet de beslissing nam om die demonstratie te organiseren. Wie deed dat dan wel?

Er werd een onderzoek ingesteld. We hebben ondertussen ook minister Crucke daarover gehoord, wiens antwoord u ongetwijfeld mee hebt gekregen. Hoe ver staat dat onderzoek?

U meldde in De Afspraak dat het plan mogelijk bij de DGD Luchtvaart werd opgesteld. Is dat zo? Werd dit bevestigd?

Op basis van welke veiligheidsafweging of hiërarchie besliste men dat een promotionele of diplomatieke demonstratie tijdelijk voorrang zou krijgen op regulier luchtverkeer? Welke criteria worden bij een dergelijke beslissing toegepast?

Wie staat in voor de bijkomende kosten die voortvloeien uit een dergelijke maatregel, waaronder kosten voor luchtverkeersleiding, het instellen en handhaven van een veiligheidsperimeter, het brandstofverbruik en de operationele inzet? Indien men dergelijke demonstratie uitvoert, is het dan Defensie die die kosten moet dragen? Indien niet, wie dan wel?

Bestaat er in uw departement of bij de luchtmacht een duidelijk protocol of een richtlijn over het tijdelijk sluiten van het luchtruim om dergelijke symbolische of ceremoniële redenen? Zo ja, welke criteria worden daarbij gehanteerd?

Theo Francken:

Op vrijdag 17 oktober was een initiatief gepland om enkele vliegtuigen, waaronder de MQ-9B, te laten landen op Melsbroek. De landing maakte deel uit van een grondbezoek dat was georganiseerd voor partners van skeyes, het directoraat-generaal Luchtvaart, het Maastricht Upper Area Control Centre en Brussels Airport. Het voorgestelde initiatief betrof nadrukkelijk geen demonstratievlucht in de klassieke zin, maar een symbolische aankomst in het kader van de voorstelling van nieuwe capaciteiten.

Uiteindelijk is beslist om de vluchten niet te laten doorgaan. Een MQ-9B voldoet aan de NAVO-standaard STANAG 4671 en is ontworpen om in alle luchtruimklassen te kunnen opereren. Dat betekent dat het toestel in principe geen beperkingen ondervindt voor zijn inzet in gecontroleerd luchtruim. Gezien de aard van de geplande activiteit, namelijk enkel de landing van het toestel op Melsbroek, moesten er vooraf geen prioriteiten worden gesteld ten opzichte van het burgerluchtverkeer. Voorts werden er geen bijkomende kosten vastgesteld, buiten de normale werking. De middelen op logistiek vlak en de personeelsmiddelen vielen binnen de reguliere operationele inzet van Defensie.

Tussen Defensie en skeyes bestaan duidelijke procedures voor de coördinatie van bijzondere activiteiten in het luchtruim dat onder civiele controle valt. Een voorbeeld hiervan is de jaarlijkse ceremoniële vlucht op 21 juli. Beide partijen streven steeds naar een efficiënte en veilige afhandeling van zowel het militaire luchtverkeer als het burgerluchtverkeer.

Ik was daar inderdaad niet van op de hoogte. Toen ik op de hoogte werd gesteld en het bleek dat het luchtruim van Brussels Airport effectief zou moeten sluiten op een vrijdagnamiddag, heb ik de opdracht gegeven om het evenement te annuleren. Daarom heeft die ceremoniële beter gezegd symbolische aankomst niet plaatsgevonden.

U hebt daar heel in heel harde bewoordingen over gecommuniceerd en u zat niet helemaal fout. U zat wel fout met uw veronderstelling dat ik daarvan op de hoogte was. Ik vond zo'n ceremoniële aankomst – ik zeg het verkeerd – zo'n symbolische aankomst geen goed idee, want men zou de luchthaven op een vrijdagnamiddag moeten sluiten. Daarom heb ik gezegd dat we dat niet moeten doen: Defensie houdt zich beter bezig met andere zaken.

Annick Ponthier:

Mijnheer de minister, dat u tot twee keer toe moet teruggrijpen naar uw nota’s om het correct te verwoorden, zegt misschien al veel. We weten allemaal wat de omstandigheden van die voorstelling op dat moment waren. Noem het zoals u wilt, een symbolische aankomst of een ceremoniële voorstelling, daarover gaat het uiteindelijk niet. Het gaat erom dat u in de publieke media verkeerd hebt gecommuniceerd. U communiceert altijd heel snel en soms loopt u zichzelf voorbij. We hebben dat nog al meegemaakt.

Een en ander werd gecheckt bij de minister van Mobiliteit, de heer Crucke. U zegt dat u die vraag niet hebt gesteld, maar minister Crucke, uw collega, weerlegt dat. Hij zegt dat het voorstel wel degelijk van het kabinet kwam. Hij heeft dat in de commissie bevestigd op een vraag van mijn collega Huybrechts. Zij hebben een nota ontvangen om F-35’s en een MQ-9B-drone in Zaventem te laten landen, met een tijdelijke sluiting van het luchtruim.

Die vraag kwam dus van uw kabinet. U ontkent dat nu opnieuw. Dat is natuurlijk een weerwoord tussen collega-ministers. Ik weet niet wie hier gelijk heeft, maar ik heb de neiging om de minister van Mobiliteit te geloven, want ik zie niet in waarom hij een loopje met de waarheid zou nemen.

U probeert hier de zwarte piet naar de administratie door te schuiven. Ik kan me niet van de indruk ontdoen, en met mij veel mensen, dat u een en ander hebt willen doordrukken om een beetje show te verkopen. Er waren toen heel wat bigshots aanwezig. Het zou natuurlijk mooi zijn geweest, als u dat had kunnen bewerkstelligen.

Theo Francken:

Dat wil ik toch zeer sterk tegenspreken. Er is geen sprake van dat ik het een goed idee zou vinden om, in het kader van een luchtmachtbal of wat dan ook, een aantal vliegtuigen te laten landen en de luchthaven te sluiten. Ik denk niet dat u goed beseft hoe sterk ik de luchthaven apprecieer. Ik zal die zeker niet sluiten om even een showmoment te creëren.

Als u echt denkt dat ik het zo hoog in mijn bol heb gekregen, dat ik dat een goed idee vind, dan zegt dat ook voldoende over uw persoonlijke inschatting van mijn mentale status. Echt waar, serieus. Denkt u nu echt dat ik me daarmee bezighoud en dat ik Zaventem laat sluiten, omdat een MQ-9B en een F-35 moeten landen, zodat we een showtje op het luchtmachtbal kunnen geven? Ik word daar ziek van. Toen ik het hoorde, heb ik onmiddellijk gebeld met de waarschuwing dat dat feestje niet plaats zou vinden.

Als u beweert dat er een nota van mijn kabinet bestaan, dan zal ik dat meteen navragen en ik zal nagaan wat minister Crucke heeft gezegd.

Annick Ponthier:

Ik raad u aan om het verslag van de commissie voor Mobiliteit na te kijken. Hij heeft wel degelijk bevestigd dat de vraag van uw kabinet kwam en dat men niet wist dat het luchtruim daarvoor zou moeten worden gesloten. Dat wil ik u niet toedichten, want ik denk dat u dat inderdaad niet zou hebben gedaan, als u dat had geweten.

Ik zeg wel dat u zich soms in uw communicatie vergaloppeert. U wou ongetwijfeld onder andere de MQ-9B met een symbolische aankomst aan de belangrijke personen die op het luchtbal aanwezig waren, mooi voorstellen. Ik kan dat enigszins begrijpen; u hebt evenwel toen niet kunnen inschatten wat de gevolgen daarvan hadden kunnen zijn.

Voorzitter:

Vraag nr. 56009707C van de heer Dufrane en vraag nr. 56009998C van de heer Van den Heuvel worden omgezet in een schriftelijke vraag.

De samenwerking met de gewesten op het vlak van Defensie
De ondertekening van het protocolakkoord met sommige gewesten en gemeenschappen
Defensie en de samenwerking met de gewesten
Defensiesamenwerking met gewesten en gemeenschappen

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 12 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Christophe Lacroix (PS) bekritiseert dat het 34 miljard euro zware defensieplan (2025-2034) al was vastgelegd voordat het samenwerkingsprotocol tussen federale overheid en gewesten/communautiteiten werd ondertekend, en noemt de uitsluiting van Brussel-Capitaal (omwille van lopende zaken) "onacceptabel" – volgens hem schendt dit het federale respectprincipe. Minister Francken (N-VA) bevestigt dat het protocol drie thema’s (innovatie/industrie, opleiding/werkgelegenheid, infrastructuur) omvat en dat Brussel later kan toetreden, maar geeft toe dat concrete SGRS-samenwerking met gewesten nog ontbreekt. Lacroix eist transparantie (het protocol wordt later gedeeld) en benadrukt dat alle gewesten gelijk behandeld moeten worden, terwijl Axel Weydts (N-VA) positief is over de samenwerking maar meer details mist. Francken belooft een vervolgoverleg met Brussel en een defensie-verbindingsofficier voor coördinatie, maar laat ruimte voor kritiek op het timing- en inclusievraagstuk.

Christophe Lacroix:

Monsieur le président, je vais quand même prendre la parole et ne pas me référer uniquement à la version écrite de ma première question. Je vais me centrer sur la deuxième question, qui est encore beaucoup plus sensible.

Monsieur le ministre, dans le cadre de votre "Vision stratégique 2025-2034", le gouvernement Arizona s'est engagé à près de 34 milliards d'euros d'achats militaires.

Interrogé le mois dernier par ma collègue Éliane Tillieux au Parlement de Wallonie sur l'accord de coopération entre les Régions et le Fédéral en matière de Défense, le Ministre Jeholet lui a indiqué que le protocole d'accord entre la Défense et l'ensemble des entités fédérées du pays était toujours en cours de discussion et faisait l'objet de plusieurs tours de négociations.

Monsieur le ministre,

- Pouvez-vous me faire le point sur ces négociations et sur ce qui se trouve sur la table? Pouvez-vous me faire le point sur les réunions avec les différentes entités fédérées? À quelle échéance cet accord de coopération sera-t-il finalisé?

- Via cette réponse parlementaire, nous avons appris que la Défense aurait annoncé vouloir mettre en place une organisation de l'innovation et de l'industrie de Défense. Une réunion de ce nouvel "écosystème" était semble-t-il prévue à la fin du mois de septembre. De fait, quelles ont été les conclusions de cette première réunion?

- Le SGRS est compétent en matière de protection du potentiel économique. En ce sens, de quelle manière le SGRS va-t-il mieux travailler avec les entités fédérées largement compétentes en la matière?

- Enfin, nous avons ainsi été informés de la désignation du nouvel agent de liaison de la Région wallonne. Qu'en est-il des autres Régions? Des réunions ont-elles déjà eu lieu? Quel sera le rôle de ces agents de liaison vis-à-vis de la Défense ?

Monsieur le ministre, nous avons appris, par voie de presse, la signature d’un protocole d’accord entre le fédéral, les régions et les communautés afin de permettre une meilleure coopération en matière de défense, notamment au travers de la mise en œuvre de la Defence, Industry and Research Strategy (DIRS).

Comme j’ai déjà eu l’occasion de le dire lors du débat sur votre loi de programmation militaire, il est évidemment essentiel, dans un État fédéral, de pouvoir impliquer les régions – qui sont compétentes en matière d’industrie, d’emploi et d’économie – et les communautés – puisqu’elles sont compétentes en matière de recherche scientifique et d’enseignement supérieur –, afin de définir les programmes prioritaires afin de maximiser les retours sociétaux pour notre pays.

Je salue très sincèrement cette avancée dans un fédéralisme de coopération, mais je regrette simplement que cela intervienne alors que vous avez déjà défini votre loi de programmation militaire, qui pèse tout de même lourd: 34 milliards d’euros.

Par contre, je suis assez furieux par rapport au choix de ne pas avoir associé la Région de Bruxelles ‑ Capitale à ce protocole d ’ accord, sous pr é texte d ’ affaires courantes. Je m'interroge sur ce choix car une situation politique ne peut en effet pas justifier l ’ absence de concertation avec des institutions r é gionales qui disposent toujours d’un gouvernement qui fonctionne pleinement – certes en affaires courantes. C’est précisément le principe des affaires courantes. Nous avons également connu la situation au niveau fédéral, et cela ne nous a pas empêchés pas de fonctionner, ni même de représenter l’État à l’étranger. Nous avons même, en affaires courantes, dû décider d’interventions militaires ou de la participation à des interventions militaires.

Dans le prolongement de mes questions orales précédentes, comment expliquez ‑ vous que la signature de ce protocole intervienne apr è s le d é p ô t à la Chambre de votre loi de programmation? Y a ‑ t ‑ il encore une marge de man œ uvre dans l ’ implication des entit é s f é d é r é es, notamment au travers de la DIRS mais aussi des diff é rents programmes de votre ambitieux projet? Comment justifiez ‑ vous sinc è rement l ’ exclusion de la R é gion de Bruxelles ‑ Capitale de ce nouveau dispositif? Et surtout, quelles en sont les conséquences en termes d’intérêts économiques, ainsi que pour le tissu industriel, technologique et de recherche et développement de la Région de Bruxelles ‑ Capitale? Enfin, pourriez ‑ vous fournir le protocole à cette commission de la Défense ?

Axel Weydts:

Ik ben iets positiever gestemd. Samenwerking op het niveau van onze gewesten op het vlak van defensie is voor mij een no-brainer. Ik was dan ook heel blij toen ik zag dat er een samenwerkingsprotocol over ondertekend is.

Ik had gewoon graag gehad dat de minister ten aanzien van de commissie – hoewel we niet met zovelen zijn vandaag – wat meer uitleg kon geven over wat dat protocol precies inhoudt, wat de voordelen ervan zijn. Ik had graag wat meer uitleg gekregen.

Theo Francken:

Un protocole de coopération a été signé, instaurant une formule de concertation structurée entre la Défense et les entités fédérées (Flandre, Wallonie, Communauté française et Communauté germanophone), avec la possibilité pour la Région de Bruxelles-Capitale de rejoindre ultérieurement le dispositif. Une réunion se tiendra la semaine prochaine avec Karel-Jan et un membre du cabinet du ministre-président bruxellois M. Vervoort. Nous activerons le démarrage opérationnel des structures de travail.

Er wordt een verbindingsofficier van defensie in plaats gesteld om de praktische coördinatie te verzekeren, in nauw overleg met de door elke entiteit aangewezen contactpersonen. Hij zal regelmatig de betrokken kabinetten bezoeken.

Zijn missie is veelzijdig: het eerste contactpunt om onopgeloste vragen inzake defensie te beantwoorden, het faciliteren van contacten met de bevoegde entiteiten binnen defensie, een centrale rol spelen bij het opvolgen en het slagen van het protocol door de verschillende werkgroepen te begeleiden.

Trois axes thématiques guident d'emblée les travaux: innovation and industry ; formation, emploi et soins de santé; et infrastructure et mobilité. L'objectif est d'apporter des réponses communes à des défis partagés, d'allier intérêts et besoins et de convertir rapidement des convergences en solutions concrètes, formalisées dans des accords de coopération spécifiques. La signature de ce protocole cadre dans les objectifs de la vision stratégique 25 et n'impacte pas le contenu de la loi de programmation.

S'agissant d'Odin, si c'est bien à cette initiative que vous faites référence, notre intention est d'y associer structurellement les entités fédérées. À cette fin, nous utiliserons le protocole de coopération pour encadrer et organiser les négociations relatives à cette nouvelle organisation. Une coopération renforcée entre le SGRS et les entités fédérées n'existe pas à ce stade, elle n'est pas explicitement inscrite dans les lignes directrices du protocole. Ce qui n'est pas encore fait peut-être être fait dans le futur. Nous allons voir. Nous avons trois thèmes et nous allons travailler sur ces trois axes et ensuite nous verrons comment cela fonctionne.

Pour Bruxelles, il y a une réunion la semaine prochaine.

Christophe Lacroix:

Monsieur le ministre, je vous remercie. Franchement, je m'attendais quand même à un peu plus de précision et surtout de transparence. Vous nous avez habitués à beaucoup de transparence. J'espère dès lors que ce protocole sera mis à notre disposition.

Theo Francken:

Il vous sera transmis.

Christophe Lacroix:

Monsieur le ministre, je salue à nouveau votre effort de transparence. Finalement, c'est facile avec le ministre Francken. Il suffit de demander et on reçoit. C'est magnifique! C'est vendredi, évidemment, tout le monde est fatigué. C'est la fin de la semaine, même si on a encore beaucoup de travail ce week-end. Par contre, sur Bruxelles, je vous ai bien entendu et je ne vais pas commencer à polémiquer. Mais dire qu'ils pourront venir après, c'est évidemment une manière intelligente de vous en sortir. Ils devaient toutefois être là dès le départ. Quoi qu'on pense de la Région de Bruxelles-Capitale, qu'on ait des avis divergents sur la manière dont elle est gérée, les institutions doivent être respectées. Il n'y a pas de sous-région dans notre pays. Il y a la Wallonie, la Flandre et la Région de Bruxelles-Capitale. Et le paysage francophone est tellement complexe qu'il y a aussi une Communauté française, appelée maintenant Fédération Wallonie-Bruxelles, ainsi qu'une Communauté germanophone. Et, un jour, nous aurons peut-être un État fédéral composé de quatre régions. Mais qu'une région soit habitée de 70 000 personnes, comme la Communauté germanophone, ou bien de 6 500 000 personnes comme en Flandre, dans un fédéralisme respectueux, tout le monde doit être traité sur un pied d'égalité. Un canton en Suisse n'est pas moins bien traité par l'État fédéral suisse, parce qu'il est petit ou parce que la coalition au pouvoir ne plaît pas à la coalition qui gère la Suisse. Faites donc, monsieur le ministre, quand même un peu attention à ce sujet.

De ontoereikende bescherming van infrastructuur en materiaal gelieerd aan Defensie

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 12 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Kristien Verbelen bekritiseert dat defensiegerelateerde bedrijven – cruciaal voor nationale veiligheid – onvoldoende beschermd worden door gebrek aan duidelijke bevoegdheden bij Defensie en politie, die volgens haar incidenten negeren en bedrijven op eigen kosten laten opdraaien. Theo Francken wijst op de bestaande wet (2011) en de coördinerende rol van het NCCN, maar erkent dat het kader in herziening is; politie blijft primair verantwoordelijk, met ondersteuning van Defensie via het National Defence Plan. Verbelen blijft ontevreden: ze stelt dat ad-hoc-afhandeling (bv. niet-teruggebelde politie) onverenigbaar is met de regeringsambitie om Defensie te versterken, en eist een bindend kader om de zwakke schakel in de veiligheidsketen te dichten.

Kristien Verbelen:

Mijnheer de minister, wij hebben heel wat ondernemingen die actief zijn in of rond de defensiesector en zodoende dragen zij rechtstreeks bij aan onze nationale veiligheid.

Ik hoor echter van verschillende bedrijfsleiders dat zij zich eigenlijk helemaal niet beschermd voelen tegen sabotage, activistische acties of indringers. Wanneer er zich incidenten voordoen, is de reactie vaak dezelfde. Defensie zegt, logischerwijs, niet bevoegd te zijn en dan wordt er contact opgenomen met de politie, maar die belt niet terug. Ondertussen blijven die bedrijven achter met de risico's en de kosten.

Dat zijn geen gewone bedrijven. Het zijn bedrijven waar er materieel wordt geproduceerd of opgeslagen dat onze militairen ondersteunt en onze kritieke infrastructuur beschermt. Als dat niet onder de nationale veiligheid valt, wat dan wel? Mijnheer de minister, u hebt het vaak over het belang van onze kritieke infrastructuur, net als ik, maar in de praktijk blijkt er toch een grijze zone te bestaan. Die bedrijven moeten vaak op eigen kosten beveiliging inschakelen omdat niemand zich bevoegd acht.

Ik vind dat hallucinant en heb daarom enkele vragen. Worden de ondernemingen die bijdragen aan de defensiecapaciteit van ons land beschouwd als onderdeel van de kritieke infrastructuur? Welke instantie is verantwoordelijk voor de bescherming in geval van concrete dreiging of incident? Ziet u nood aan een duidelijk kader of samenwerking tussen defensie, politie en Binnenlandse Zaken om dergelijke situaties in de toekomst te vermijden?

Theo Francken:

De wet van 1 juli 2011 betreffende de beveiliging van kritieke infrastructuur definieert deze als de codes, installaties, systemen of delen daarvan van federaal belang, die essentieel zijn voor het behoud van vitale maatschappelijke functies, de gezondheid, de veiligheid, de beveiliging, de economische welvaart of het maatschappelijk welzijn en waarvan de verstoring van de werking of de vernietiging ervan een aanzienlijke weerslag zou hebben doordat die functies ontregeld zouden raken. De wet duidt het Nationaal Crisiscentrum aan om de coördinatie van de beveiliging en de bescherming van kritieke infrastructuren in België te verzekeren.

Het rechtskader wordt op dit moment herzien in het Parlement door de omzetting van Europese richtlijnen. Het NCCN coördineert met de politie, het OCAD en andere veiligheidsdiensten om indien nodig bijkomende externe beschermingsmaatregelen te implementeren bij verhoogde dreiging, inclusief voor defensiegerelateerde bedrijven. Ondertussen blijft de politie verantwoordelijk voor de algemene veiligheid in het land. De politie komt in actie bij een incident of op verzoek van het NCCN om externe maatregelen uit te voeren.

De bescherming van gevoelige infrastructuren wordt ook opgenomen in het Belgian National Defence Plan, dat Defensie ontwikkelt in uitvoering van de regeringsverklaring en de strategische visie. Dit gebeurt in nauw overleg met de federale overheid en de deelstaten.

Kristien Verbelen:

Dank u, mijnheer de minister, voor uw antwoord. Voor mij blijft er weinig duidelijkheid. Bedrijven die onze veiligheid mee garanderen, mogen toch niet afhankelijk zijn van het al dan niet opnemen van een telefoontje bij de politie? We spreken vaak over de versterking van defensie, maar die begint niet enkel bij onze kazernes of bij onze eenheden, maar ook bij de mensen en bedrijven die materieel leveren of produceren. Ook zij zouden beschermd moeten worden. Zolang er geen helder kader bestaat over wie wat doet, wanneer en onder welke verantwoordelijkheid, blijft dit een zwakke schakel in onze veiligheidsketen. Dat lijkt mij moeilijk te rijmen met de ambitie van deze regering om van defensie opnieuw een sterke en betrouwbare pijler te maken.

Het diplomatieke incident met de Belgische defensieattaché in Washington
Het ontslag van een Belgische militair attaché in Washington
Belgisch diplomatiek incident en ontslag militair attaché in Washington

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 12 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Axel Weydts bekritiseert de "overdreven" Amerikaanse reactie op een artikel van generaal Verbist (door de VS de facto persona non grata verklaard), maar noemt diens vertrek een "pragmatische" oplossing; hij prijs Verbists staat van dienst. Christophe Lacroix beschuldigt Trump van willekeurige censuur en hypocrisie (vrijheid van meningsuiting vs. represaille voor kritiek) en hekelt dubbele standaarden in de Belgische aanpak (vs. eerdere kritiek op Frankrijk); hij eist officiële protesten (o.a. oproep VS-ambassadeur). Minister Francken bevestigt dat Verbist zelf om ontslag vroeg na politieke druk, benadrukt dat het artikel zijn persoonlijke mening was en mijdt verdere commentaar; hij ontkent selectieve behandeling en wijst op "afgeronde" diplomatieke stappen rond Frankrijk. Lacroix herhaalt zijn verontwaardiging, wijzend op Trumps eigen beledigende taal en pleit voor steun aan Verbist als symbool van Belgische soevereiniteit.

Axel Weydts:

Mijnheer de minister, er was een diplomatiek incident. De vraag is hoe diplomatisch we hier moeten zijn als parlementslid. In principe niet.

Allereerst wil ik mijn appreciatie uitdrukken voor generaal Verbist. Ik verneem dat hij een uitstekend officier is, een uitstekende generaal met een uitstekende staat van dienst. Ik wil dan ook hulde brengen aan die uitstekende staat van dienst.

Blijkbaar heeft hij echter iets gezegd wat zeer zwaar gevallen is bij onze Amerikaanse partners. We hebben het daarover bij het begin van deze commissievergadering al gehad.

Ik moet zeggen dat ik de reactie van de Amerikaanse administratie overdreven vind. Ik meen dat echt. Aan de andere kant begrijp ik ook wel de positie waarin we op dit moment zitten. Als op een bepaald moment een diplomaat – civiel of militair – de facto persona non grata wordt verklaard door het land waar hij actief is, kan men bijna niet anders dan komen tot de beslissing die nu genomen is. Dat is zeer te betreuren, al denk ik dat dit gewoon een pragmatische, realistische en nuchtere aanpak van de zaken is. Ik betreur dat dus en ik vind echt dat de reactie van de Verenigde Staten overdreven is, maar ik begrijp de gevolgen daarvan.

Ik vroeg mij af, mijnheer de minister, hoe u daarnaar kijkt. U hebt hierover achter gesloten deuren al iets gezegd en misschien wilt u daar op dit moment niet dieper op ingaan. Dan respecteer ik dat uiteraard. Ik wil echter publiek gezegd hebben dat ik betreur hoe men vanuit de VS heeft gereageerd. Ik wil ook nogmaals mijn appreciatie uitspreken voor een uitstekend officier met een uitstekende staat van dienst.

Christophe Lacroix:

Monsieur le ministre, nous avons appris par la presse la démission "forcée" d'un attaché militaire belge en poste à Washington. La raison principale qui serait invoquée? La publication, dans la Revue militaire belge, d'un article proposant une analyse critique des premiers mois du second mandat de Donald Trump.

Nous connaissions déjà la susceptibilité du président américain et sa propension à se montrer vindicatif envers quiconque, au sein même de son administration, s'était permis de le critiquer. Désormais, il semble que le tout-puissant Donald Trump, s'octroie le droit d'expulser du territoire américain tout représentant d'un pays allié, dont les commentaires seraient jugés trop sévères à l'égard de son bilan en matière de politique étrangère.

Il semble que vous assumiez une posture plus "radicale" lorsqu'il s'agit d'un militaire donnant son avis sur le Président américain contrairement à votre minimisation lorsque votre "speechwriter" s'était permis lui d'émettre des critiques à l'encontre de notre allié français cette fois. Il y a de quoi s'interroger sur les doubles standards dans l'armée belge et votre cabinet.

Monsieur le ministre, que pouvez-vous nous dire au sujet de cet évènement? Condamnez-vous la décision prise par l'administration Trump de contraindre l'attaché militaire à démissionner de ses fonctions et à quitter le territoire américain? Envisagez-vous des contre-mesures avec votre collègue en charge des Affaires étrangères? Par ailleurs, comment expliquez-vous ce deux poids deux mesures, à savoir cette différence de traitement selon la personne concernée et l'allié visé? Je vous remercie d'avance pour vos réponses.

Theo Francken:

Brigadegeneraal Bart Verbist, onze Belgische defensieattaché in de Verenigde Staten, gestationeerd in Washington, heeft onlangs een artikel geschreven dat vervolgens werd gepubliceerd in het Belgisch Militair Tijdschrift . Het artikel heeft in de Verenigde Staten beroering en enkele reacties veroorzaakt in politiek-militaire middens.

La Revue Militaire Belge est un périodique d'information qui s'adresse aux officiers et aux autorités militaires et civiles belges. Les articles qu'elle publie n'engagent que la responsabilité des auteurs. Ils ne refl è tent donc pas nécessairement le point de vue des autorités militaires.

Aangezien de reacties op zijn artikel zijn functioneren als defensieattaché moeilijk maakten, heeft generaal Verbist gevraagd om uit zijn functie te worden ontheven. Defensie heeft beslist in te gaan op zijn verzoek om uit zijn functie van defensieattaché te Washington te worden ontheven. De betrokkene heeft bij zijn terugkeer in België een andere functie gekregen binnen de defensiestaf.

La décision fut prise en concertation avec toutes les parties concernées afin de répondre aux préoccupations de chacun et de préserver en même temps notre position diplomatique.

En ce qui concerne la prise de position d'un des membres de mon cabinet envers la France, les démarches politiques et personnelles nécessaires ont été prises pour apaiser toutes les tensions. L'affaire est close.

Voor de rest ga ik daarop in een openbare vergadering geen verder commentaar geven.

Christophe Lacroix:

Monsieur le ministre, je vais me permettre un commentaire. De mémoire, il me semble que le général a utilisé deux mots pour qualifier le président américain et sa politique: "imprévisible" et "chaotique". Ce ne sont même pas des injures ni des termes agressifs ou indécents. Or, quand, dans un avion, Donald Trump traite de piggy une journaliste américaine qui lui pose des questions, je me demande où est l'indécence, où est l'injure? Elle est dans le chef du président américain qui, constamment, utilise des termes abusifs, condescendants, méprisants, haineux, en particulier lorsqu'il s'agit de femmes. Franchement, je trouve cela regrettable, d'autant plus que ce fameux président que l'on surnomme affectueusement Daddy à l'OTAN – il s'en moque d'ailleurs lui-même aujourd'hui – prône toujours la liberté d'expression. On doit pouvoir dire tout ce que l'on pense, sauf que, quand on n'est pas d'accord avec lui, on se fait foutre dehors. C'est en effet ce qui est arrivé à cet excellent général, dont vous avez rappelé les états de service. Je comprends donc et je ne reviendrai pas sur la France. On en avait d'ailleurs parlé auparavant. Même si nous sommes un petit pays, nous ne devons pas laisser ce général de côté et nous devons manifester officiellement notre mécontentement. Comme je l'ai dit à votre collègue en charge des Affaires étrangères, je pense qu'on aurait dû convoquer l'ambassadeur des États-Unis pour lui dire que c'était un acte tout à fait regrettable, qui ne doit pas être accepté aussi facilement par notre pays.

De mogelijke screenings van militairen op 'relationele ontrouw'

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 12 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Axel Weydts vraagt kritisch of Defensie militairen screent op "relationele ontrouw" als risicofactor voor veiligheidsmachtigingen en hoe dit juridisch, proportioneel en privacyvriendelijk verloopt. Theo Francken ontkent dat ontrouw deel uitmaakt van standaard screenings, maar bevestigt dat het wel kan meewegen in veiligheidsmachtigingen (bij toegang tot geheimen) als er chantagerisico dreigt—altijd met toestemming, transparante communicatie en beroepsmogelijkheid. Weydts erkent zijn terminologische verwarring, terwijl Francken mediaberichten over een vakbondsklacht als onnauwkeurig afdoet. De discussie blijft onbeslist over de praktische impact op loopbanen.

Axel Weydts:

Ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

De recent verschenen berichten over mogelijke screenings van militairen op “relationele ontrouw” roepen vragen op. In een organisatie die rekent op vertrouwen, transparantie en rechtszekerheid moeten beoordelingsmechanismen helder, proportioneel en controleerbaar zijn. Zeker in tijden waarin Defensie alles inzet op het aantrekken én behouden van personeel.

Daarom heb ik volgende vragen:

Klopt het dat Defensie onderzoekt of militairen “ontrouw in hun relatie” zijn, en dat dit als risicofactor wordt meegewogen in beoordelingen of veiligheidsscreenings?

Indien ja: op basis van welke regelgeving of interne richtlijnen gebeurt dit, welke informatie wordt precies verzameld, en hoe wordt de privacy en rechtsbescherming van het personeel gegarandeerd?

Wat kan de concrete impact zijn van deze praktijk op de loopbaan van militairen (veiligheidsmachtiging, functietoewijzing, evaluatie), en hoe wordt hierover gecommuniceerd naar personeel en sociale partners?

Theo Francken:

Mijnheer Weydts, de termen 'screening' en 'veiligheidsmachtiging' worden vaak door elkaar gebruikt. Toch is er een wezenlijk verschil. Iedere burger of militair die bij Defensie in dienst treedt, wordt onderworpen aan een screening. Voor een screening worden enkel de databanken geconsulteerd die limitatief opgesomd zijn in artikel 32 van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie, de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsadviezen en de publiek gereguleerde dienst. Hierbij wordt nagegaan of betrokkene het geschikte profiel heeft om te werken bij Defensie. Er wordt vooral gekeken of betrokkene eerder in aanraking is gekomen met politie of Justitie of bekend is wegens banden met extremistische groeperingen.

Ontrouw in een relatie komt niet aan bod bij screenings. De personen die een functie bekleden waarbij toegang tot geclassificeerde informatie nodig is, hebben een veiligheidsmachtiging nodig. Dat is dus iets anders dan de screening. Hiervoor moet een bijkomend onderzoek worden uitgevoerd, waarvoor dezelfde wettelijke basis van 11 december 1998 geldt. De veiligheidsmachtiging wordt afgeleverd, wanneer de ADIV van mening is dat een personeelslid de nodige garanties biedt met betrekking tot integriteit, loyaliteit en geheimhouding. De veiligheidsonderzoeken gebeuren steeds na voorafgaande schriftelijke toestemming van de betrokkene. Het personeelslid kan bovendien te allen tijde zijn goedkeuring intrekken.

Het kan gebeuren dat tijdens de onderzoeken in het kader van veiligheidsmachtigingen ontrouw in een relatie wordt vastgesteld. Men gaat immers ook mensen in de directe omgeving interviewen. Een risicoanalyse zal bepalen of dat, samen met andere problematische gedragingen, kan leiden tot de niet-toekenning van de gevraagde machtiging. Het risico op chantage of beïnvloeding van het personeelslid zou kunnen bestaan, hetgeen problematisch zou kunnen zijn voor de veiligheid van Defensie en het land. Het betrokken personeelslid wordt steeds officieel op de hoogte gesteld van de gemaakte risicoanalyse en van het al dan niet verlenen van de veiligheidsmachtiging. De informatie wordt vertrouwelijk behandeld, ter bescherming van de privésituatie van de betrokkene. Uiteraard is er ook altijd een mogelijkheid om in beroep te gaan tegen een dergelijke beslissing.

Axel Weydts:

Mijnheer de minister, ik zie nu dat ik in mijn schriftelijk voorbereiding de termen screening en machtiging inderdaad wat door elkaar heb gebruikt. Dat was niet mijn intentie. Ik ken het verschil wel degelijk, want ik beschik zelf over een veiligheidsmachtiging.

Als ik het goed heb begrepen, heeft een van de militaire vakbonden een procedure ingesteld.

Theo Francken:

Dat is afgerond. Ik denk dat de manier waarop een en ander in de krant vermeld werd, niet overeenkomt met hoe het allemaal in werkelijkheid is verlopen.

Axel Weydts:

We kunnen er nog op terugkomen.

Voorzitter:

M. Vander Elst n'est plus là pour sa question n°56010835C. Je vais donc poser ma question qui était jointe à la sienne.

Militairen op straat
Militairen op straat
Militaire aanwezigheid in openbare ruimtes

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 12 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Christophe Lacroix vraagt minister Francken om opheldering over het geplande militaire straatdeployment ter ondersteuning van de politie (vanaf eind 2025 in Brussel), met name over de stand van zaken rond de defensiecodex (verwacht 2026), de rol van 18-jarige vrijwillige dienstplichtigen (nog onbeslist, maar Lacroix bekritiseert hun mogelijke inzet als "onverantwoord gevaarlijk") en de overleg met militaire vakbonden (onderhandelingen over het codex-protocol staan gepland). Francken bevestigt dat geen definitieve beslissingen zijn genomen, benadrukt het tijdelijke en ondersteunende karakter van de inzet, en deelt Lacroix’ bezorgdheid over de inzet van jongeren in risicovolle politietaken. Beide zijn het eens dat 18-jarigen niet in gevaarlijke straatmissies thuishoren.

Christophe Lacroix:

Monsieur le ministre, nous en avons souvent parlé, et encore il y a quelques instants. Le gouvernement entend déployer des militaires en rue autour d'entités critiques et à la place de la police fédérale dont c'est pourtant la mission première.

En septembre 2025, vous m'aviez notamment répondu que ce déploiement serait conditionné à l'adoption d'un codex. J'étais tout à fait d'accord avec vous. Vous disiez aussi que cet envoi militaire était également tributaire de la constitution d'une réserve territoriale.

Les jeunes ayant reçu votre courrier y seraient notamment envoyés, en vue de faire un service militaire volontaire. Les premiers 500 candidats seraient formés en septembre de l'année prochaine et ne seraient déployés qu'au début de 2027. Cela figure noir sur blanc, dans le compte rendu écrit de la commission du 24 septembre. Et quand on regarde la vidéo de cette commission, on vous entend le dire et le repréciser.

Donc, monsieur le ministre, pouvez-vous me faire le point précis des travaux autour du codex au sein du gouvernement? Quelles sont les missions actives voulues par vos collègues de coalition? Y sont-elles prévues? Selon quelle échéance le déploiement dans les rues aurait-il lieu? De quelles rues parle-t-on? Vous avez répondu également, tout à l'heure, qu'il y a peut-être des sujets que vous ne voudrez pas aborder, parce que cela relève du huis clos, et je ne vous en voudrai donc pas.

Quelles seraient les conséquences humaines, matérielles et budgétaires, pour la défense d'un tel déploiement? Si vous ne souhaitez pas répondre ici non plus, je ne vous en voudrai pas.

Par contre, j'attends une réponse de votre part sur la concertation avec les syndicats militaires. Y en a-t-il eu une pour négocier ce protocole? Pouvez-vous me donner l'agenda précis des négociations avec les représentants des militaires? Des réunions ont-elles déjà eu lieu? J'aimerais enfin avoir une confirmation sur un point – après, vous avez dit en effet: "je n'ai jamais dit ça" –, j'aimerais donc, aujourd'hui, que vous nous confirmiez, oui ou non, que les jeunes du service militaire volontaire pourraient ou ne pourraient pas être déployés dans le cadre de ces missions dans les rues, une fois le codex adopté. Je vous remercie pour vos réponses.

Theo Francken:

In afwachting van een regeringsbeslissing houdt defensie zich klaar om vanaf eind 2025 militairen in te zetten in Brussel ter ondersteuning van de spoorwegpolitie en voor punctuele veiligheidsdispositieven. De algemene afspraken daaromtrent worden vastgelegd in een specifiek protocolakkoord.

Om operationele redenen kan het aantal militairen niet publiek worden gemaakt. De exacte personeelsomvang wordt in samenspraak met de politie bepaald. Ik heb dat wel al gedaan in een gesloten commissie.

Het advies van defensie richtte zich met name op het belang van een aangepaste pre-deployment training om de samenwerking met de politie voor dat takenpakket in die omgeving zo optimaal mogelijk te laten verlopen. Het benadrukte ook de noodzaak van het tijdelijke karakter, de ondersteunende rol en de beperking van de omvang.

Om daarover te waken, is een evaluatiemoment voorzien, zodat kan worden nagegaan in welke mate de inzet van militairen effectief heeft bijgedragen tot het beoogde doel. De defensiecodex zal op lange termijn het referentiekader worden voor de taken en bevoegdheden voor defensie, met inbegrip van de binnenlandse opdrachten vermeld in het regeerakkoord. Gezien het belang van de wettelijke aanpassingen, die een grondige voorbereiding vereisen en rekening houdende met de noodzakelijke coördinatie tussen de verschillende betrokken partijen alsook het wettelijk vastgelegde traject met diverse mijlpalen, wordt verwacht dat het nieuwe wettelijke kader in de loop van 2026 volledig zal zijn afgerond.

In afwachting van de uitvoering van de defensiecodex vindt dergelijke inzet plaats in België, wanneer noodzakelijk en uiteraard onder het bestaande wettelijke kader. In de huidige situatie is bij de inzet van militairen ter ondersteuning van de politie, met uitzondering van de toepassing van de wettige verdediging, het gebruik van dwang en geweld onderworpen aan de geval-per-gevalbeslissing van de leden van de politie en in elk geval aan de strikte naleving van de artikelen van de wet op het politieambt. Militairen mogen ook het retentierecht uitoefenen bij betrapping op heterdaad, zoals voorzien voor elke burger.

Le projet de codex a déj à fait l'objet de discussions intercabinets. Le premier volet du codex concerne entre autres les missions de la Défense et les compétences dans le cadre des missions de protection sur le territoire national. Le projet de codex sera très prochainement négocié avec les syndicats militaires.

À ce stade, aucune décision définitive n'a été prise concernant l'éventuel déploiement des jeunes du service militaire volontaire dans ce type de mission. Les discussions sur les rôles précis et les conditions d'emploi se poursuivent et feront l'objet d'une évaluation approfondie avant toute décision.

Christophe Lacroix:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos précisions.

Vous entendez bien concerter les syndicats à travers un protocole sur le codex. C'est important.

Vous dites qu'aucune décision n'est prise, ni dans un sens ni dans l'autre, en ce qui concerne le déploiement de ces jeunes de 18 ans dans les rues de Bruxelles ou à d'autres endroits. Je crois qu'il faut vraiment être très prudent. J'aurais aimé vous entendre dire aujourd'hui que ces jeunes de 18 ans n'auront pas à faire des contrôles dans les rues de Bruxelles, dans les rues dangereuses où la police fédérale a sa place mais ne s'y trouve pas et où ces jeunes pourraient être mis en danger par des trafiquants de drogue. Je vous invite vraiment à faire le maximum pour que cela ne se produise pas, parce que la responsabilité que vous porteriez serait énorme. Selon moi, ce n'est pas un apprentissage adéquat pour ces jeunes qui se sont engagés avec l'idéal de servir leur pays, mais pas dans les conditions qui sont celles de missions policières qui s'av è rent parfois extrêmement délicates. Même si à 18 ans on est un adulte indépendant, je crois néanmoins qu'il y a lieu de protéger notre jeunesse par rapport à des débordements et à des conditions de travail qui seraient énormes et inacceptables pour elle.

Theo Francken:

J'ai bien compris. Je l'ai d'ailleurs déjà vu dans vos précédentes interventions sur le sujet. Personnellement, je partage votre opinion.

Christophe Lacroix:

Vous voyez que nous sommes parfois d'accord!

Het gerechtelijk onderzoek naar MolenGeek
Mogelijke onregelmatigheden met subsidies bij de vzw MolenGeek
Onderzoek naar mogelijke subsidiefraude bij MolenGeek

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 12 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Kristien Verbelen vraagt kritisch naar de samenwerking tussen Defensie en vzw MolenGeek, gelet op het lopend gerechtelijk onderzoek naar subsidiefraude, boekhoudonregelmatigheden, extremismeverdenkingen en kwaliteitstekorten, en benadrukt de nood aan betrouwbare IT-partners voor Defensie’s cybertekort. Minister Theo Francken stelt dat Defensie enkel via de pers van het onderzoek hoorde, de samenwerking nooit leidde tot aanwervingen, en de Microsoft-evaluatie (nog) ontbreekt—wel blijkt dat kandidaten het vereiste niveau niet haalden; Defensie schakelt nu over naar alternatieve partners zoals BeCode. Verbelen bekritiseert dat de inspanningen met MolenGeek weinig opbrachten en juicht het zoeken naar veiligere alternatieven toe. Francken sluit verdere samenwerking met MolenGeek niet expliciet uit, maar focust op transparante, nieuwe partners voor cyberwerving.

Kristien Verbelen:

MIjnheer de minister, ik heb nog een vraag over de vzw MolenGeek. Ondertussen loopt er een gerechtelijk onderzoek naar mogelijke subsidiefraude en onregelmatigheden in de boekhouding. De Centrale Dienst voor de Bestrijding van Corruptie heeft al meerdere verhoren afgenomen en er zijn zowel publieke als private partners die de samenwerking met de vzw hebben stopgezet. Dat onderzoek komt boven op eerdere signalen van mogelijke extremistische connecties in de entourage van MolenGeek en op terugkerende vragen over de kwaliteit van de opleidingen, de interne werking en de transparantie van de organisatie.

Mijnheer de minister, vorig jaar antwoordde u dat defensie sinds begin 2024 geen contact meer had met MolenGeek en dat u wachtte op de eindevaluatie van de cybersecurityopleiding testcase van Microsoft. Defensie kampt, net als de civiele arbeidsmarkt, met een structureel tekort aan IT- en cybersecurityprofielen. Het is daarom essentieel dat de partners op wie defensie een beroep doet, betrouwbaar en professioneel zijn. Tegen die achtergrond heb ik een aantal vragen.

Ten eerste, is Defensie formeel op de hoogte gesteld van dat onderzoek of heeft uw administratie contact gehad met het parket of andere instanties om na te gaan of dat gevolgen heeft voor de vroegere of mogelijke toekomstige samenwerking?

Ten tweede, werd de eerdere veiligheidsscreening door de ADIV herbekeken in het licht van de nieuwe elementen die nu bekend zijn?

Ten derde, hebt u inmiddels de eindevaluatie van Microsoft over de opleiding testcase ontvangen en zijn die conclusies relevant voor defensie, zowel inhoudelijk als wat betreft de instroom?

Tot slot, acht u verdere samenwerking met de vzw MolenGeek of soortgelijke organisaties nog wenselijk of verantwoord, gelet op de combinatie van veiligheidsrisico’s en de acute behoefte van defensie aan dergelijke profielen?

Theo Francken:

Defensie heeft via de pers vernomen dat er een gerechtelijk onderzoek tegen MolenGeek zou worden ingesteld, maar men werd hiervoor, volgens mijn informatie, niet door de bevoegde diensten zelf gecontacteerd.

Dit onderzoek heeft geen invloed op onze toekomstige samenwerking, aangezien onze veiligheidsmaatregelen zich voornamelijk richten op potentiële kandidaten die bij defensie in dienst zouden kunnen treden. Defensie blijkt nooit iemand via MolenGeek te hebben aangeworven.

De eindevaluatie van de testcase werd in principe aan de certificeringsinstantie, namelijk Microsoft, overgemaakt. Tot heden heeft Microsoft deze resultaten niet gedeeld. Daarentegen is defensie er wel van op de hoogte dat het vereiste niveau niet werd bereikt door de geïnteresseerde kandidaten voor de Cybermacht.

Defensie zet haar een vruchtbare samenwerking met vzw BeCode verder en gaat op zoek naar andere partners waarmee defensie een proactief en jong publiek kan bereiken, om hen op een transparante manier bewust te maken van carrièremogelijkheden bij de Cybermacht..

Kristien Verbelen:

Defensie heeft een enorme nood aan goed opgeleide en betrouwbare IT-profielen. Daarom is het cruciaal dat we kijken naar goede en veilige samenwerkingen.

Als ik het zo hoor, werd er veel energie in de samenwerking met MolenGeek gestoken en hebben we er eigenlijk niet veel uitgehaald. Het is alleszins goed om te horen dat er naar andere samenwerkingen wordt gekeken en dat we daarvan afstappen, zodat we in de toekomst niet meer met zulke risico's geconfronteerd worden.

Voorzitter:

M. Anthony Dufrane a demandé le report de sa question n° 56010926C.

Het alcohol- en drugsbeleid bij Defensie

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 12 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Kristien Verbelen vraagt om een evaluatie van Defensie’s preventie- en zorgbeleid rond drug- en alcoholmisbruik bij militairen, met focus op de BeWell@Defence-app, de Cockpit Welzijn-Integriteit-Veiligheid en het Militair Centrum voor Addictie. Minister Francken bevestigt dat privacybeperkingen cijfers onvolledig maken, maar meldt een lichte daling van alcohol- en drugincidenten (37/7 dossiers in 2024) en beleidsaanpassingen zoals heroprichting van de cel Addict en uitbreiding van laagdrempelige hulp, zonder capaciteitsproblemen. Verbelen prijsde de stappen maar stelt dat ontbrekende data een volwaardige evaluatie bemoeilijkt en belooft in 2026 terug te keren voor meer concrete resultaten. Francken benadrukt dat preventie en mentale zorg (o.a. via de Recovery Group) centraal staan, met aandacht voor PTSS- en verslavingskoppeling bij nieuwe rekruten.

Kristien Verbelen:

Mijnheer de minister, ik wil graag even terugkomen op een vraag van vorig jaar, getiteld 'Een nieuwe lijn met minister Francken'.

U kondigde vorig jaar aan sterk te willen investeren in de instroom van jonge rekruten en reservisten. Dat is een begrijpelijk en noodzakelijke ambitie. In een samenleving waar druggebruik en drughandel steeds meer aanwezig zijn, moeten we echter ook realistisch zijn want na verloop van tijd zal die problematiek ook binnensluipen bij Defensie.

Vorig jaar verwees u naar verschillende nieuwe instrumenten, zoals de BeWell@Defence-app, de Cockpit Welzijn-Integriteit-Veiligheid en het versterkte aanbod rond verslavingszorg via het Militair Centrum voor Addictie. Intussen zijn we een jaar verder en lijkt een eerste evaluatie mij wel opportuun.

Hoeveel personeelsleden gebruiken de BeWell@Defence-app ? Hoe evalueert u dat gebruik na een jaar? Welke onderdelen van de app worden het meest geraadpleegd? Ziet u aanwijzingen dat dit de meldingsbereidheid of hulpvraag verhoogt?

Stelt u tendensen vast inzake alcohol- en drugincidenten via de Cockpit Welzijn-Integriteit-Veiligheid? Zijn er specifieke eenheden of leeftijdsgroepen waarbinnen stijgingen of dalingen te zien zijn? Hebben deze gegevens het beleid kunnen bijsturen?

Hoeveel militairen volgden een traject in het Militair Centrum voor Addictie? Hoeveel rondden dat traject af? Haakten er ook vroegtijdig af? Zijn er momenteel wachttijden?

In welke mate merkt u effecten van het preventiebeleid op de incidentcijfers bij instromers? Plant u bijkomende maatregelen als gevolg van de evolutie in de samenleving en de ambities inzake rekrutering?

Theo Francken:

Defensie investeert volop in de instroom van jonge rekruten en reservisten. We zijn ons daarbij bewust van de uitdagingen die dat met zich meebrengt, zeker in een samenleving waar middelenmisbruik en drugsgebruik een realiteit zijn. Preventie, opvolging en zorg blijven daarom prioritair.

Privacyregels maken het onmogelijk om gebruikersstatistieken van de BeWell@Defence-app bij te houden, waardoor we daar geen evaluatie van kunnen maken. De Cockpit Welzijn-Integriteit-Veiligheid zal pas begin 2026 volledige cijfers voor 2025 opleveren. Voor 2024 zijn er 37 dossiers rond alcohol en 7 dossiers rond drugs, met een lichte daling van statutaire tuchtzaken. Op basis van die gegevens hebben we al beleidsbijsturingen doorgevoerd, zoals een sensibiliseringscampagne rond alcoholgebruik en de heroprichting van de cel Addict, die zich richt op preventie en eerstelijnshulp.

De Defensiestaf neemt momenteel ook het drugsbeleid onder de loep. Recent werd opnieuw de Recovery Group onder de aandacht gebracht. Dit initiatief richt zich op militairen en ex-militairen die ondervinden dat ingrijpende gebeurtenissen in het buitenland of in België een impact hebben op henzelf of op hun omgeving.

In het Militair Centrum voor Addictie waren er in de loop van 2025 36 aanmeldingen, waarvan 18 militairen een traject startten en slechts 1 militair vroegtijdig afhaakte. De cijfers liggen lager dan vroeger, wat ons ertoe heeft gebracht opnieuw meer in te zetten op laagdrempelige hulp, onder meer via de reizende preventieteams van de cel Addict. Capaciteitsproblemen zijn er momenteel niet, maar we bereiden een uitbreiding voor om de verwachte instroom van personeel op te vangen.

Tot nu toe werden geen verschillen opgemerkt inzake incidentcijfers bij nieuwe kandidaten ten opzichte van eerdere lichtingen. Middelenmisbruik en mentale problemen, zoals PTSS, hangen vaak samen. Defensie biedt gespecialiseerde opvolging binnen het Militair Hospitaal via de Recovery Group en het Militair Centrum voor Addictie, aangevuld met ambulante zorg.

Gegevens over incidenten en zorgtrajecten worden slechts gedeeltelijk bijgehouden, onder meer omwille van de privacywetgeving. Het aantal trajecten, zowel binnen als buiten Defensie, is bovendien zeer uiteenlopend, waardoor exacte cijfers niet beschikbaar zijn. Defensie blijft inzetten op preventie, sensibilisering en zorg.

Met de heroprichting van de cel Addict, de versterking van de Recovery Group en de geplande capaciteitsuitbreiding bereiden we ons voor op de maatschappelijke evoluties en de instroom van jongeren. Hulp vragen is en blijft een teken van moed, een van de kernwaarden van Defensie.

Kristien Verbelen:

Minister, dank voor uw antwoord. Ik ben blij dat er stappen ondernomen worden in de juiste richting en dat er rekening mee gehouden wordt met de rekruteringen en de veranderingen in de samenleving, die we ongetwijfeld ook binnen Defensie zullen zien.

Nu, we hebben blijkbaar niet alle gegevens, wegens privacyredenen. Maar zoals u zei, is er soms geen verschil en is er soms eerder een daling van het aantal incidenten. Het moet dan toch betekenen dat de instrumenten goed helpen.

Ik zal in 2026 hier nog eens op moeten terugkomen. Ik hoop dat er dan meer gegevens beschikbaar zullen zijn.

Voorzitter:

Vraag nr. 56010938C de heer Van Rooy wordt uitgesteld.

De verplichte COVID-19-herhalingsvaccinatie voor militairen

Gesteld door

lijst: VB Annick Ponthier

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 12 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Annick Ponthier (PF) bekritiseert dat België de COVID-19-vaccinatieplicht voor militairen pas in 2025 afschafte – een jaar later dan NAVO-partners Duitsland en Nederland – en vraagt naar de wetenschappelijke en operationele redenen voor het behoud ervan, vooral voor missies buiten Europa/Noord-Amerika. Theo Francken (N-VA) verdedigt het beleid als risicogebaseerd, gericht op operationele paraatheid en gezondheidsbescherming in gebieden met beperkte zorg, en ontkent discriminatie, benadrukkend dat NAVO-lidstaten autonoom vaccinatiebeleid voeren. Ponthier bestrijdt de medische onderbouwing ("vaccinatie voorkomt besmetting is onjuist"), noemt de plicht een "miskenning van persoonlijke vrijheid" en waarschuwt voor mogelijke gezondheidsrisico’s (o.a. hartklachten), eisend herziening om gelijke NAVO-omstandigheden te garanderen. Francken reageert niet op haar kritiek.

Annick Ponthier:

Mijnheer de voorzitter, ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

Recent verscheen via VSOA-Defensie een bericht over een belangrijke wijziging in het beleid rond de COVID-19-vaccinatieverplichting binnen onze strijdkrachten.

In dat bericht stelt VSOA dat in Nederland en Duitsland de verplichte jaarlijkse COVID ‑ vaccinatie voor militairen reeds in 2024 werd afgeschaft. Belgi ë hield deze verplichting echter aan tot april 2025, waardoor er een ongelijkheid ontstond ten opzichte van NAVO ‑ partners.

Op 16 april 2025 heeft VSOA-Defensie hierover contact opgenomen met u. Naar aanleiding daarvan is een nieuwe interne nota gepubliceerd, die bepaalt dat vanaf 24 april 2025 de herhalingsvaccinatie niet langer vereist is voor deelname aan oefeningen en operaties buiten Europa en Noord ‑ Amerika.

Deze evolutie roept een aantal vragen op, zowel inzake personeelsbeleid als inzake interoperabiliteit binnen NAVO ‑ operaties.

Wat is volgens u de reden dat België zo laat pas de vaccinatieplicht voor defensiepersoneel afschafte, een jaar na NAVO-partners als Duitsland en Nederland?

Waarom gold de verplichting specifiek voor operaties en oefeningen buiten Europa en Noord ‑ Amerika? Wat was het wetenschappelijke of operationele argument daarvoor?

Wat is de concrete draagwijdte van de nieuwe interne nota? Betekent dit dat de vaccinatieplicht volledig is afgeschaft voor alle operaties en missies van onze Defensie, of blijft er nog een onderscheid bestaan tussen bepaalde categorieën missies of personeelsgroepen?

Werd binnen de Staf Defensie onderzocht of deze verplichting mogelijk discriminerend was ten opzichte van Belgische militairen in vergelijking met NAVO ‑ partners?

Hoe wordt de harmonisatie met NAVO ‑ standaarden in de toekomst gegarandeerd, zodat Belgische militairen niet opnieuw worden geconfronteerd met verplichtingen die elders al zijn opgeheven?

Is er een impactanalyse gemaakt van deze beleidswijziging op inzetbaarheid, personeelsplanning en inzake de medische dienst?

Theo Francken:

Bij de Belgische Defensie waren er uitspraken over een vaccinatieverplichting voor COVID-19 als een van de noodzakelijke voorwaarden voor deelname aan bepaalde missies en oefeningen, gebaseerd op medische en operationele risicoanalyses. In veel landen bestaat geen wettelijke basis voor een vaccinatieplicht. Vaccinatie wordt doorgaans sterk aanbevolen of als voorwaarde gesteld voor een specifieke inzet. Tijdens missies komen militairen in contact met lokale gemeenschappen, vaak in gebieden met beperkte gezondheidszorg. Vaccinatie vermindert het risico dat militairen het virus introduceren of verspreiden. In conflictzones of rampgebieden is medische ondersteuning vaak beperkt. Een covidinfectie kan daar extra complicaties veroorzaken. Vaccinatie biedt een betere bescherming in omstandigheden waar zorg moeilijk toegankelijk is.

Het huidige beleid garandeert een goede basisimmuniteit, waardoor er snel kan worden geschakeld indien de epidemiologische situatie dat vereist. Het beleid is niet discriminerend, aangezien het gebaseerd is op proportionele noodzaak en gezondheidsbeleid.

Het vaccinatiebeleid bij de NAVO is niet gestandaardiseerd. Dat wordt bevestigd door de vaccinatiecatalogus van de NAVO zelf. Elke lidstaat bepaalt dus zelf zijn vaccinatiebeleid. België heeft die verantwoordelijkheid ingevuld op basis van risico-inschatting en medische adviezen van experten. Het Belgische beleid rond de covidvaccinatie is steeds gericht op de operationele paraatheid en de gezondheidsbescherming van elk individu.

Annick Ponthier:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. Er zijn toch een aantal opmerkingen te maken over de vaccinatieplicht. Vaccinatie wordt onlosmakelijk gekoppeld aan het al dan niet kunnen besmetten. Dat is volgens mij niet correct. Of iemand nu gevaccineerd is of niet, staat daar los van; dat is intussen meermaals aangetoond.

Het lijkt mij ook aangewezen om de vaccinatieplicht in België te herzien, niet enkel wegens de ongelijkheid tussen NAVO-partners. Wij zetten ze immers vaak samen in op missies. Wanneer er andere richtlijnen gelden, is er wel degelijk een scheeftrekking in de verhoudingen tussen de militairen onderling.

Het is echt aangewezen dat u een en ander herbekijkt. Het is ook een miskenning van iemands persoonlijke vrijheid om hem of haar te verplichten zich te laten vaccineren. Vaccinatie is heel controversieel en de waarschuwingen door experten nemen toe, vandaag nog in een artikel, dat een rechtstreekse link tussen vaccinatie met bepaalde vaccins en bepaalde hartklachten aantoonde. We moeten heel voorzichtig zijn met de verplichting om het defensiepersoneel met een experimenteel te laten vaccineren.

Voorzitter:

Les questions jointes n° 56011102C de Kjell Vander Elst (Open Vld) et n° 56011188C d'Axel Weydts sont transformées en questions écrites.

We komen aan vraag nr. 56011189C van mijnheer Weydts.

Axel Weydts:

Mijnheer de voorzitter, we hebben vanochtend uitgebreid gesproken over Congo en onze versterkte aanwezigheid daar.

Mijnheer de minister, ik weet niet of u nog iets toe te voegen hebt aan hetgeen u vanochtend al zei. Indien dat niet het geval is, ben ik bereid om mijn vraag in te trekken.

Voorzitter:

M. le ministre nous fait signe qu'il a tout dit et nous pouvons le croire vu que nous étions présents. Une réplique? Non? Parfait! La question n° 56011364C de Mme Caroline Désir est transformée en question écrite.

De ondersteuning van diplomatiek personeel door Defensie

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 12 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Christophe Lacroix vraagt om verduidelijking over de jaarlijkse toewijzing van >€1M uit het Defensiebudget voor psychologische ondersteuning van diplomaten en blindvoertuigen voor ambassadebeveiliging, en bekritiseert de opheffing van de gespecialiseerde medische component binnen Defensie, met zorgen over capaciteitsverlies voor zowel diplomaten als militairen. Minister Theo Francken bevestigt dat de blindvoertuigen een antwoord zijn op een vraag van Buitenlandse Zaken, geleverd door Defensie’s ervaren DAS-teams, en kondigt een structurele psychosociale samenwerking aan (naast ad-hocsteun), gefinancierd uit 5% van het interne veiligheidsbudget—een initiatief dat hij noodzakelijk en concreet noemt, naar aanleiding van een voorstel van Maxime Prévot. De toegang tot ondersteuning blijft afhankelijk van beschikbaarheid zonder afbreuk aan Defensie’s kerntaken, met mogelijkheid tot afstandsbegeleiding via het militair ziekenhuis. Lacroix’ kritiek op de afbouw van gespecialiseerde medische capaciteit blijft onbeantwoord.

Christophe Lacroix:

Monsieur le ministre, nouvelle compétence, nous avons appris que dans le budget prévu pour la Défense, le gouvernement fédéral a décidé d'allouer annuellement un peu plus d'un million d'euros pour le soutien psychologique au personnel diplomatique, ainsi que pour l'achat de véhicules blindés mis à disposition des militaires qui assurent la sécurité de nos ambassades.

Le SPF Affaires étrangères compte près de 3 000 membres du personnel, dont la majorité travaille dans les différents postes diplomatiques avec des statuts variés et faisant face à des risques spécifiques.

Le professionnalisme des militaires de la DAS et de la désormais ex composante médicale n'est en effet plus à démontrer et ceux-ci montrent, une nouvelle fois, leur plus-value pour un autre SPF essentiel de notre action extérieure plutôt que de recourir au secteur privé.

Monsieur le ministre, pouvez-vous m'en dire davantage sur l'allocation de ces fonds et le déploiement des achats matériels sur le terrain? Concernant le soutien médical et psychologique au personnel diplomatique, vous le savez, j'ai regretté la disparition de la spécificité de la Composante médicale désormais intégrée dans une force d'appui. Quels moyens additionnels notamment sur le plan humain seront-ils ainsi dégagés? Concrètement, quelle forme ce soutien au personnel diplomatique prendra-t-il? Quel personnel pourra-t-il y faire appel et selon quelles conditions, notamment au regard des missions déjà essentielles jouées auprès des militaires déployés et qui ne peuvent en pâtir?

Theo Francken:

Monsieur Lacroix, la demande de véhicules blindés cadre dans un effort du gouvernement visant à augmenter la sécurité intérieure et fait suite à une demande de la part du ministère des Affaires étrangères. Dans des zones de conflit, la Défense mettra à disposition du ministère des Affaires étrangères des véhicules blindés, un type de véhicules pour lequel nos équipes DAS disposent d'une solide expérience.

Jusqu'à présent, un soutien psychosocial au bénéfice des missions diplomatiques par le déploiement d'une équipe psychosociale peut être offert ponctuellement à la demande du ministère des Affaires étrangères et à condition que les missions principales de la Défense ne soit pas compromises. Dorénavant, une coopération structurelle sera établie en utilisant les nouveaux moyens alloués. De plus, un soutien à distance restera possible via la permanence du centre de santé mentale de l'hôpital militaire Reine Astrid.

J'en suis très content et, comme expliqué la semaine passée, le budget provient pour 5 % de la sécurité interne. Il s'agit d'une demande de M. Maxime Prévot. C'est non seulement nécessaire mais aussi très concret, ce qui est toujours préférable.

Voorzitter:

La question n°56011419C de M. Luc Frank est transformée en question écrite. La question n°56011421C de M. Stéphane Lasseaux est transformée en question écrite. Nous avons terminé. Je lève la séance. Je remercie les collègues qui sont restés présents jusqu'au bout. Je remercie M. le ministre, les collaborateurs parlementaires ainsi que les collaborateurs de cette commission et les interprètes qui ont eu le courage de nous suivre jusqu'à cette heure-ci, un vendredi, alors qu'ils ont été mis à rude épreuve hier, certainement pendant une partie de la journée, mais également de la nuit. Bon week-end à toutes et à tous. La réunion publique de commission est levée à 17 h 41. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 17.41 uur.

De nationale veiligheidsstrategie van de VS
De Europese reacties op de nieuwe nationale veiligheidsstrategie van de VS
De nationale veiligheidsstrategie van president Trump
De nationale veiligheidsstrategie van de VS
De nationale veiligheidsstrategie van Donald Trump
De beleidstekst van de regering-Trump
Internationale veiligheidsstrategieën en reacties op VS-beleid

Gesteld aan

Bart De Wever (Eerste minister), Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 11 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de nieuwe Amerikaanse veiligheidsstrategie die Europa als een verzwakte, gemanipuleerde concurrent afschildert, met openlijke steun voor extreemrechts en ingrepen in Europese politiek. Koen Van den Heuvel, Stéphane Lasseaux en minister Prévot waarschuwen dat Europa moet ontwaken, zijn strategische autonomie moet versterken en zich niet langer blind mag staren op de VS, terwijl Nabil Boukili en Rajae Maouane de strategie zien als imperialistische agressie die Europese soevereiniteit ondermijnt. Sam Van Rooy en Georges-Louis Bouchez (MR) onderschrijven gedeeltelijk de Amerikaanse kritiek op migratie en "civilisatieverval", wat leidt tot felle tegenreacties over racisme en extreemrechtse sympathieën. Minister Prévot pleit voor een lucide, assertieve EU die selectief samenwerkt met de VS maar eigen belangen verdedigt, zonder de trans-Atlantische band volledig te verbreken.

Koen Van den Heuvel:

Mijnheer de voorzitter, collega’s, slaapwandelaars kennen we allemaal. Ze lijken volledig wakker, maar ze negeren heel wat signalen van hun omgeving, en ze hebben nog nauwelijks contact met de realiteit.

Mijnheer de minister, ik hoop dat ons continent niet vol slaapwandelaars zit. Steeds meer komen er signalen van de overkant van de oceaan dat Europa niet langer wordt beschouwd als een trouwe bondgenoot, maar eerder als een concurrent. Voor diegenen die nog mochten twijfelen, de nieuwe Amerikaanse veiligheidsstrategie is duidelijk. Washington kijkt niet langer naar Europa als een gelijkwaardige partner, maar als een beschaving die op het randje van de zelfvernietiging staat.

Sommigen zeggen dat Trump Europa een spiegel voorhoudt. Misschien hebben ze – weliswaar maar een klein beetje – gelijk. Ik meen dat we hier en daar, op sommige vlakken, een beetje moeten bijkleuren en dat we onze strategie wat moeten aanpassen.

Maar met uitspraken die actief verzet kweken tegen het Europees model, tegen de normen en waarden van Europa, tegen onze democratische rechtsstaat met zijn stevige sociale zekerheid, bevinden de Verenigde Staten zich steeds meer in het gezelschap van Rusland. Die landen willen Europa niet versterken, maar juist verzwakken en strategisch uit elkaar spelen om hun eigen macht en invloed te versterken.

De maskers vallen af, want ze kunnen daarbij rekenen op Europese slippendragers, op de Trumppartijen binnen Europa, die ze willen versterken. Ook daarvoor moeten we waakzaam zijn. Zij willen Europa niet versterken, maar juist verzwakken. ( Applaus )

We mogen niet langer slaapwandelen. We moeten wakker worden. Ik hoop dat België een sterke rol kan spelen om de overige Europese landen te overtuigen (…)

Stéphane Lasseaux:

Monsieur le ministre, le 5 décembre, la Maison-Blanche a publié sa nouvelle note stratégique concernant la sécurité nationale des É tats-Unis. C'est un véritable bouleversement. Les É tats-Unis sont-ils encore les amis de l'Europe? En effet, dans cette note, on trouve la volonté de détruire l'Union européenne, la volonté de remplacer des régimes centristes – tels qu'ils se placent dans beaucoup de pays européens – par des partis d'extrême droite, et la volonté de s'accorder avec la Russie et la Chine au détriment de l'Europe.

Quelles sont les réactions européennes? Défendons-nous avec force nos intérêts, nos valeurs? Non, non parce qu'il y a les aveugles, les autruches qui se cachent la tête dans le sable, ceux qui considèrent que ce document n'est qu'un document politique sans conséquences et que tout va rentrer dans l'ordre. Les lâches, les lâches qui se taisent pour ne pas vexer ou contredire "big daddy", par peur de représailles. Les MAGA européens – y compris dans notre pays – qui trouvent que l'administration Trump a raison de remettre en cause nos valeurs fondamentales.

Monsieur le ministre, qu'attendez-vous pour défendre le projet européen de Jean Monnet, Robert Schuman ou Paul-Henri Spaak face à ces agressions verbales et commerciales venues d'outre-Atlantique? Comment expliquez-vous ce silence radio côté européen? L'urgence n'est-elle pas de renforcer notre action commune?

Monsieur le ministre, pour que nos citoyens respectent notre Union européenne, nos dirigeants doivent porter fièrement la bannière bleue et ses douze étoiles d'or.

Nabil Boukili:

Monsieur le ministre, la nouvelle stratégie de sécurité nationale de Donald Trump est un document majeur, pas seulement parce qu'il définit les priorités américaines, mais parce qu'il dévoile, sans ambiguïté, un impérialisme américain assumé.

Les États-Unis y expliquent, noir sur blanc, comment ils comptent maintenir leur domination sur le monde. Cela commence par l'Amérique latine. Pour Trump, cette région n'est rien d'autre que l'arrière-cour des États-Unis. Nous le voyons clairement aujourd'hui, avec l'agression contre le Venezuela sous des faux prétextes. Je rappelle ici que vous avez dit, par le passé, que vous souteniez les prétextes avancés par M. Trump.

Au Moyen-Orient et en Afrique, le message est tout aussi clair. Ce qui intéresse Washington, ce sont les ressources et les matières premières.

Mais Trump veut aussi vassaliser l'Europe, la mettre au service de l'économie et des multinationales américaines. Washington nous pousse à acheter encore plus d'armes américaines, à rester dépendants en matière énergétique et industrielle, et prétend même décider avec qui nous devons commercer ou non.

Ils soutiennent ouvertement l'extrême droite en Europe et ne cachent plus vouloir influencer les élections dans les pays européens en faveur de leurs intérêts, au détriment des intérêts des peuples européens. C'est une attaque contre notre souveraineté, monsieur le ministre. Ils veulent déstabiliser l'Europe en misant sur la division et en montant les États les uns contre les autres. Nous assistons à une attaque frontale.

Monsieur le ministre, la dernière fois que je vous ai interrogé sur l'agression américaine au Venezuela, vous avez insisté sur le fait que vous partagez les mêmes inquiétudes que M. Trump, et sur le fait qu’il s’agit d’alliés.

Alors, je vous pose la question aujourd'hui: face à cette hostilité, considérez-vous toujours les États-Unis comme des alliés? Comme ministre des Affaires étrangères, quelles mesures allez-vous prendre pour protéger notre pays contre l'agression américaine?

Sam Van Rooy:

Mijnheer de minister, ambtgenoten, we herinneren ons allemaal de geweldige speech van de Amerikaanse vicepresident J.D. Vance dit jaar in München en enkele maanden later lazen we de reportage van het Franse magazine Le Figaro , dat kopte: ‘Reis naar Belgistan , hoe België islamiseert’.

De nieuwe veiligheidsstrategie van de VS bevat nu een even treffende als zorgwekkende analyse over Europa, die luidt als volgt: "Door de aanhoudende massa-immigratie en demografische omwenteling" – sommigen zouden de term ontvolking durven te gebruiken – "staat Europa op het punt om zijn beschaving kwijt te geraken. Over enkele decennia zal de meerderheid van de bevolking van bepaalde NAVO-lidstaten waarschijnlijk uit niet-Europeanen bestaan en dus zal het de vraag zijn of zij hun plek in de wereld of hun band met de VS nog steeds hetzelfde zien als de landen die zich ooit bij de NAVO aansloten. Onvermijdelijk zal de toekomst van een natie worden bepaald door de mensen die een land toelaat binnen zijn grenzen, met name in welke aantallen en vanwaar ze komen. Het tijdperk van de massa-immigratie moet eindigen."

De VS waarschuwt dus dat, bij gelijkblijvend oikofoob en globalistisch weg-met-onsbeleid, Europa zal blijven islamiseren en uiteindelijk Eurabië zal worden, een waarschuwing die vele islamcritici reeds gaven, waaronder Bat Ye'or in haar gelijknamig boek. Ik raad iedereen aan om het eens te lezen.

Mijnheer de minister, deelt u deze analyse? Zo neen, waarom niet? In hoeverre zal het regeringsbeleid rekening houden met die nieuwe veiligheidsstrategie van de Verenigde Staten?

Rajae Maouane:

Monsieur le ministre, il y a quelques jours, une importante note de la Maison- Blanche est sortie. Elle décrit l'Europe comme un continent en disparition civilisationnelle. C'est une vision catastrophiste. On y lit tout mais surtout n'importe quoi, sans la moindre étude sérieuse, mais avec une intention claire: affaiblir l'Union européenne, faire reculer l'État de droit, démanteler nos protections sociales et climatiques et, surtout, encourager la montée de l'extrême droite.

Le plus choquant, c'est que certains, dans le gouvernement Arizona, applaudissent. On entend le président du premier parti francophone dire: "C'est un rapport que j’aurais pu écrire moi-même." On entend un ministre fédéral dire que Trump a parfaitement raison. Soyons clairs, quand ce président de parti et ce ministre disent qu'ils se reconnaissent dans ce texte, ce n'est pas innocent. Ils valident une stratégie américaine qui appelle clairement à cultiver la résistance à l'intérieur des pays européens, pour influencer nos choix politiques. C'est très grave parce que c'est de l'ingérence. C'est un problème politique majeur. Surtout, se rend-on compte de ce qu'ils valident? On parle d'un président, Trump, qui fait arrêter des familles sur leur lieu de travail, qui démonte toutes les politiques climatiques, qui attaque frontalement le droit des femmes, des minorités, des migrants, des personnes trans. Est-ce cela le modèle que l'Arizona veut amener ici? Est-ce cela, votre vision?

Monsieur le ministre, ceci vous met face à une responsabilité claire. Mes questions sont simples. Comment la diplomatie belge analyse-t-elle cette note qui assume clairement vouloir intervenir dans les dynamiques politiques européennes? Quelles garanties pouvez-vous donner quant à la protection de notre souveraineté, face à une vision qui cherche à affaiblir nos institutions et à pousser l'extrême droite dans nos parlements? Nous en avons eu la démonstration juste avant. Comment va-t-on rappeler à l'administration américaine que la coopération transatlantique ne peut pas se construire au détriment des droits humains, de l'État de droit et de l'action climatique?

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, we hebben nota genomen van het nieuw nationaal veiligheidsplan van de Verenigde Staten, dat nogal fel is ten opzichte van Europa en dat Europa behoorlijk bekritiseert. Het geeft vooral duiding bij het standpunt dat Europa de nationale soevereiniteit en identiteit van de Verenigde Staten in gevaar zou brengen. Het rapport is een aanval op de ideologie binnen Europa.

Sta me echter toe duidelijk te stellen dat de Verenigde Staten een essentiële partner zijn en blijven voor ons land en onze bevolking op het vlak van economie, veiligheid en defensie, maar ook op het vlak van geopolitieke stabiliteit.

De ideologische aanval die wij vandaag voelen, werpt een nieuw licht op onze trans-Atlantische relatie. Er is de heel belangrijke NAVO-samenwerking en de bilaterale samenwerking, maar ook het besef dat Europa heel krachtig moet optreden in een wereld die wordt gekenmerkt door grote stress, grote spanningen en heel veel crisissen.

Het feit dat wij niet langer een strategische partner worden genoemd, baart mij de meeste zorgen.

Mijnheer de minister, hoe leest u dat rapport?

Collega's, veel belangrijker dan te beweren dat de Amerikanen het niet goed zouden weten of niet goed doen, vind ik de positie van ons als maatschappij, van ons land en van Europa. Dat is eigenlijk de vraag die ik hier vandaag wil stellen.

Mijnheer de minister, na lezing van dat rapport, welke antwoorden formuleren we om als land maar ook als continent Europa krachtdadig op te treden op zowel diplomatiek als economisch en geopolitiek niveau?

Voorzitter:

Mijnheer de minister, er zijn heel wat vragen gesteld. U hebt vijf minuten spreektijd om te reageren.

Maxime Prévot:

Mesdames et messieurs les parlementaires, je vous remercie pour vos questions.

Comme vous, j'ai évidemment pris connaissance du contenu de la stratégie de sécurité nationale des États-Unis. Bien entendu, je partage votre stupéfaction, votre indignation, parfois même votre condamnation quant aux analyses qu'elle véhicule du continent européen, à commencer par la thèse d'un prétendu effacement civilisationnel et par l'affirmation explicite des États-Unis de vouloir soutenir certains acteurs politiques européens pour résister aux tendances qualifiées de "négatives" en matière de migration, de liberté d'expression et d'identité. Ce serait des interférences inacceptables et c'est déjà un choc de valeurs. Mais soyons clairs, ce document, pour brutal qu'il soit, ne constitue pas une surprise.

Die strategie weerspiegelt in feite volledig de lijn van het optreden van vicepresident Vance tijdens de conferentie van München afgelopen februari en komt overeen met de verschillende boodschappen die de regering-Trump ons doorgeeft. De gesprekken die ik onlangs had met de Deputy Secretary of State, de heer Landau, vertoonden dezelfde accenten.

Il n'en demeure pas moins que nous conservons des intérêts communs. C'est pourquoi je plaide, depuis le début, pour une approche lucide. Plus qu'un choc, cette stratégie américaine doit être un électrochoc.

We moeten absoluut uit de comfortabele ontkenning stappen, waarin wij ons al veel te lang hebben genesteld en die blijft voortduren ondanks de harde klappen van de afgelopen maanden. Niet alles in die tekst is overigens onjuist. De EU verliest op economisch, militair, politiek en diplomatiek vlak. Het is tijd om ons te herpakken.

Nous devons impérativement prendre nos responsabilités. Nous avons trop longtemps vécu sur nos acquis, nous pensant sous la protection indéfinie de l'Oncle Sam. Cette époque est révolue. L'Europe doit se reprendre en main. Il ne s'agit pas tant de réagir vis-à-vis des États-Unis, mais plutôt d'agir entre Européens.

Europa moet zich profileren als een onafhankelijk machtsblok in een multipolaire wereld door bepaalde essentiële lijnen te verdedigen.

Il faut préserver l'unité et la cohésion européenne face aux tentatives américaines de bilatéraliser les relations. Je rappelle d'ailleurs que le fonctionnement optimal de l'Union européenne est considéré comme un intérêt vital de la Belgique dans notre propre stratégie nationale de sécurité.

We moeten een strategische autonomie opbouwen door de opkomst van een Europese pijler binnen de NAVO te versnellen en door onze economische soevereiniteit, onze concurrentiekracht, onze energieautonomie te verdedigen en door de regelgevende autonomie van de EU te behouden.

Il faut maintenir évidemment le cap sur le soutien indéfectible à l'Ukraine, et aussi veiller à protéger notre cohésion sociale, nos processus démocratiques contre toute tentative d'interférence ou d'ingérence, quelle qu'en soit l'origine. Nous entrons donc dans une ère de coopération à géométrie variable. Nous sommes alliés sur certains dossiers, rivaux sur d'autres.

De Verenigde Staten blijven een onmisbare partner waarmee wij moeten blijven zoeken naar mogelijkheden tot samenwerking waar dat mogelijk is. De strijd tegen georganiseerde misdaad en in het bijzonder tegen drugshandel vormt een gedeelde prioriteit. Het beheer van migratiestromen met respect voor onze fundamentele waarden is eveneens een convergentiepunt. Thema's die verband houden met defensie, de strijd tegen terrorisme, evenals onze nauwe economische banden blijven onderwerpen waarover het essentieel is de dialoog voort te zetten.

We moeten onze eigen belangen en waarden met assertiviteit, vastberadenheid en helderheid verdedigen. Tevens moeten we de diversificatie van onze partnerschappen versnellen.

J'entends proposer à l'ensemble des membres du gouvernement de souscrire à cette vision stratégique plus volontariste et lucide pour garantir la cohérence de notre action vis-à-vis de Washington. Nous avons, avec les États-Unis d'Amérique, une histoire commune, forgée dans le sang et la solidarité. Cette histoire, nous devons chercher à la préserver et nous devons l'utiliser comme un tremplin pour réinventer un destin conjoint à défaut de pouvoir toujours être commun. L'allié d'hier sera encore celui de demain. Les États-Unis ont changé. À nous d'en faire autant.

Koen Van den Heuvel:

Mijnheer de minister, dank u voor uw antwoord. Wij mogen niet langer blindelings op veiligheidsgaranties van de Verenigde Staten rekenen. Dan zijn we aan het slaapwandelen. Europa moet ontwaken en opstaan, zoals u hebt gezegd. België moet daar als middelgroot land binnen Europa echt een grote rol in spelen. Ik roep u en de voltallige Belgische regering op om die rol op te nemen. We hebben die rol in het verleden gespeeld. Heel wat bekende Belgische politici hebben daaraan bijgedragen en daarmee naam gemaakt binnen Europa. Het is tijd om dat nu opnieuw te doen. We merken dat binnen grote Europese landen af en toe de nationale belangen overwegen, zeker op defensievlak. België moet daar tegen vechten en een voorbeeld vormen. Ik moedig u dan ook aan om die rol op te nemen en wens u daarbij heel veel succes.

Stéphane Lasseaux:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour les réponses que vous nous apportez. En effet, nous ne devons plus compter uniquement sur l'Oncle Sam. Il faut impérativement défendre notre civilisation européenne, celle qui est née de notre histoire tragique – vous l'avez citée –, une civilisation ouverte au monde, une civilisation basée sur le droit international et la coopération entre États, une civilisation basée sur un État de droit et sur des droits humains, une civilisation où chacun est respecté, une civilisation qui soutient les plus faibles.

Monsieur le ministre, comme précisé dans ma question, il est important et urgent, je persiste et je signe, de consolider la défense de ces valeurs et de renforcer courageusement et avec conviction notre action commune avec les pays européens qui en ont la volonté, mais aussi notre autonomie collaborative. J'en ai toujours été convaincu et, pour que ce message puisse être entendu outre-Atlantique, je le dirai en anglais: vous êtes the right person in the right place.

Nabil Boukili:

Monsieur le ministre, votre réponse est décevante. Vous faites un constat moyennement bon, mais vous en tirez les mauvaises conséquences. Vous dites, par exemple, qu'on partage la lutte contre la drogue avec les Etats-Unis. Quand on intercepte un pétrolier vénézuélien au large des côtes vénézuéliennes, est-ce pour lutter contre la drogue? C'est écrit noir sur blanc, c'est pour s'accaparer les richesses vénézuéliennes et c'est pour asseoir sa domination sur le monde.

Ce dont on a besoin, monsieur le ministre, c'est de sortir de la domination américaine et non pas de construire une autre Union européenne des États-Unis bis . Il nous faut construire une Europe qui tend la main vers le reste du monde, une Europe de coopération avec les autres peuples, pas une Europe de course à l'armement. Nous avons besoin d'une Europe de coopération et de travail avec les autres peuples. Il nous faut tendre la main aux peuples du Sud plutôt que de rester sous la domination américaine. Cette logique ne fonctionne pas.

Sam Van Rooy:

Zwaar beveiligde wintermarkten in plaats van kerstmarkten en een verminkte zogenaamde kerststal in Brussel, jihadisten die naar België kunnen komen en hier vrij rondlopen, de voortdurende instroom van fundamentalistische moslims, openlijke oproepen tot jihadistische terreur, sterk geïslamiseerde scholen en wijken, steeds meer moskeeën en Koranscholen, toenemende islamitische sluierdracht en honderdduizenden moslims op ons grondgebied met verwerpelijke islamitische opvattingen over vrouwen, niet-moslims, ex-moslims en homoseksuelen, infiltratie door de Moslimbroederschap en Hamas enzovoort, als de regering niet inziet dat de Verenigde Staten gelijk hebben en dat de massa-immigratie moet worden gestopt, zal onze eigen beschaving over enkele decennia inderdaad niet meer bestaan.

Rajae Maouane:

Merci, monsieur le ministre, pour votre réponse.

Je suis d'accord sur le fait que ce n'est pas une surprise. Qui est d'ailleurs surpris par les propos de Donald Trump? Par contre, ce qui m'étonne, c'est que des membres éminents de votre coalition gouvernementale applaudissent la note de Trump. Ce qui me surprend, c'est que vous ne convoquiez pas l'ambassadeur des États-Unis pour lui tenir les mêmes propos. Que vous ne convoquiez pas le ministre de la Défense pour lui dire que ce n'est pas OK de valider cette note, ou le président du premier parti francophone pour lui dire que ce n'est pas correct d'avoir une alliance et… (Interruption hors micro par M. Bouchez)

Voorzitter:

Mevrouw Maouane heeft nog een half minuut tijd.

Rajae Maouane:

Maintenant qu'il est revenu du Qatar, il peut peut-être passer au cabinet. (Brouhaha)

Georges-Louis Bouchez:

(…)

Voorzitter:

Collega's, mag ik u vragen om niet vanuit de stoeltjes te spreken zodanig dat de spreker die het woord heeft onverstaanbaar wordt. (Applaus)

Rajae Maouane:

En parlant de surprise, qui est surpris que M. Bouchez interrompe encore une fois des femmes qui parlent?

Georges-Louis Bouchez:

(…)

Rajae Maouane:

Oui, vous aurez votre droit de parole.

On ne peut pas être aussi incendiaire avec Donald Trump et ne pas convoquer ces membres de la coalition gouvernementale.

Je voudrais clarifier une chose. Je vous ai entendu dire que vous étiez d'accord, que vous aviez un point de convergence avec la pratique ou la lutte migratoire des États-Unis? Voilà qui éclaire la politique de l'Arizona! Cela m'inquiète encore plus.

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, we zijn een klein volk, maar we zijn pragmatisch, assertief, dapper en we laten ons niet zomaar destabiliseren. U hebt dat in uw antwoord ook niet laten gebeuren.

Het is inderdaad essentieel dat we ons aanpassen aan nieuwe geopolitieke situaties en dat we vooruitgaan in ons economisch beleid, in ons defensiebeleid en in onze strategische autonomie. We moeten duidelijk maken waar we voor staan en onze stem in de NAVO durven te verheffen. Het is ook essentieel dat we samen met onze partners, de Europese lidstaten, ons een visie op de toekomst eigen maken die ons sterk maakt en stabiliteit biedt aan onze bedrijven, niet alleen in relatie met de VS, maar ook in relatie met andere landen waar we nieuwe markten aanboren, essentieel voor de welvaart voor ons land, denk maar aan de stemming over Mercosur.

Voorzitter:

Monsieur Bouchez, je vous donne la parole pour un fait personnel.

Fait personnel

Persoonlijk feit

Georges-Louis Bouchez:

Monsieur le président, je tiens seulement à apporter deux éléments. Mme Maouane était en effet très impatiente de pouvoir m'entendre. Je trouve particulièrement choquant d'entendre dans l'Assemblée d'un pays qui est une démocratie libérale des gens qui soutiennent le régime de M. Maduro, dont le pays devrait être l'un des plus riches du monde grâce à ses réserves de pétrole. Or, aujourd'hui, M. Maduro fait tirer sur sa population qui meurt de faim et se rebelle contre cela.

Pour le reste, m adame Maouane, oui, j'assume complètement que j'aurais pu écrire ce rapport, non pas pour les visées que vous me prêtez. Comme vous parlez beaucoup de mon voyage au Qatar, je vous conseille vivement de voyager un peu plus. Cela vous ouvrirait l'esprit et vous réaliseriez à quel point l'Europe est actuellement en perte de vitesse à l'échelle mondiale. Oui, ce rapport dit vrai lorsqu'il indique que l'Europe produisait 25 % de la richesse mondiale et qu'elle n'en produit plus que 14 %. Oui, ce rapport dit vrai lorsqu'il dénonce le fait que l'Europe n'est plus capable de prendre des décisions. Oui, madame, ce rapport dit vrai lorsqu'il dénonce le fait que l'Europe est en train de disparaître de la scène internationale.

Meyrem Almaci:

(…)

Georges-Louis Bouchez:

Je connais votre habitude, madame Almaci. Quand on voit votre bilan à la présidence de votre parti, vous feriez mieux de vous montrer très modeste!

Alors, oui, j'assume pleinement que ce n'est pas faire allégeance à Trump. Ce doit être le wake-up call dont l'Europe a enfin besoin et que votre formation politique a empêché, ainsi que celles de toute la gauche. ( Applaudissements nourris sur les bancs du Vlaams Belang et de l'Open Vld )

Eh bien, oui! Cela ne me pose aucun problème. La vérité, c'est votre bilan que nous voyons aujourd'hui!

Voorzitter:

Vous avez la parole, madame Maouane.

Rajae Maouane:

Merci, monsieur le président.

J'allais répondre, mais je crois que les applaudissements de l'extrême droite constituent la meilleure des réponses aux propos de M. Bouchez. C'est la meilleure des réponses! Georges-Louis Bouchez, le président du MR, reçoit une standing ovation du Vlaams Belang. Je crois que ça se passe de commentaires!

Je pensais que M. Bouchez allait prendre la parole pour s'excuser de m'avoir encore une fois interrompue. Je pensais qu'il allait s'excuser d'interrompre encore une fois quelqu'un qui a la parole et qui dit quelque chose qui lui déplaît. Malheureusement, il ne le fait pas. Mais je n'en suis pas vraiment surprise.

Monsieur Bouchez, si vous aimez tant le Qatar, qui est pour vous ce modèle de démocratie, rejoignez vos Frères musulmans là-bas!

(Mevrouw Almaci vraagt het woord)

Voorzitter:

U bent niet bij naam genoemd. U kunt moeilijk een persoonlijk feit inroepen, als u niet genoemd bent.

Sofie Merckx:

Monsieur le président, je ne souhaite pas introduire un fait personnel, mais je trouve simplement très particulière la manière dont la réunion se déroule. Il suffit que quelqu’un soit présent sans être inscrit au débat et qu’il crie sur une personne, en l'empêchant ainsi de continuer à s’exprimer, pour entraîner un fait personnel. Vous devriez plutôt rappeler à l’ordre la personne qui a crié afin qu’elle cesse de le faire. Je suis désolée, il ne s'agit pas d'un fait personnel.

Moi aussi, je pourrais crier durant toute la plénière jusqu’à ce qu’on cite mon nom pour obtenir cinq minutes de parole. Ce n’est pas une façon de procéder ! Lorsqu'on veut intervenir dans un débat, il faut s’inscrire. Un fait personnel n’existe que lorsqu’il s’agit réellement de propos tenus à l’égard d’une personne, pas quand on interrompt la séance.

Voorzitter:

Ik heb mevrouw Maouane de 30 seconden gegeven die haar door onderbrekingen werden ontnomen. Dat betekent dat zij haar hele uiteenzettingen heeft kunnen doen. Ik heb kunnen vaststellen dat mevrouw Maouane de heer Bouchez in het debat betrokken heeft. Sommige collega's – ik spreek in het algemeen – vinden er een zeker plezier in om, ofwel persoonlijke feiten uit te lokken, ofwel om daar gebruik van te maken om zich bijkomend in het debat te mengen. Ik moet daarbij een heel dunne lijn bewandelen. Niet elke manier van naamvermelding volstaat, anders zouden we hier oeverloos debatteren. Bovendien kan de betrokkene – dit is het gevolg van het uitlokken van een persoonlijk feit - ook daarna weer het woord nemen. Misschien moeten we eens nadenken over die formule in het Reglement, want er wordt daar veelvuldig misbruik van gemaakt. Ik heb geoordeeld dat hier sprake was van een persoonlijk feit. Mevrouw Maouane heeft de kans gekregen om daarop te reageren. Dat betekent ook dat ik u geen persoonlijk feit toesta, mevrouw Almaci. Uw naam is genoemd, maar uw fractie heeft de tijd gekregen om haar zeg te doen . Ik vrees dat, wanneer u een persoonlijk feit krijgt toegewezen, de heer Bouchez daarna twee minuten krijgt om daarop te reageren, waarna vervolgens weer een andere naam kan volgen. We zullen daar paal en perk aan stellen. De twee fracties hebben uitgebreid van gedachten kunnen wisselen. Ik ga nu over tot de orde van de dag.

De strijd tegen drones
Het C-UAS-droneteam
De hulp van buurlanden in de strijd tegen drones
De buitenlandse militaire steun tegen de dronedreiging
De lessen uit Oekraïne in de strijd tegen drones
De inzet van buitenlandse counterdroneteams
Het NASAMS-luchtverdedigingssysteem en de ontwikkeling van een meerlagige luchtafweer
De samenwerking tussen de NAVO- en de EU-lidstaten in de strijd tegen drones
Internationale samenwerking en technologie tegen dreigingen van drones

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 10 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om Belgiës urgente aanpak van dronedreigingen, met 50 miljoen euro voor directe defensie-investeringen (o.a. radars, brouilleurs, drone guns) en een toekomstig 500-miljoenprogramma (2026) met Europese NAVO-partners, waarbij lokaal ankerpunt en strategische autonomie centraal staan. Minister Francken (Defensie) benadrukt de samenwerking met buitenlandse partners (Duitsland, Frankrijk, VK, VS) voor kennisuitwisseling en gap-filling, maar bekritiseert gebrekkige coördinatie met Binnenlandse Zaken/politie – ondanks bestaande structuren zoals het NASC – en pleit voor Defensie als leidende actor, met gedeelde middelen voor civiele doelen (luchthavens, nucleaire sites). Kritiekpunten: Lacroix (MR) prijst Franckens reactiesnelheid maar hekelt de afwezigheid van minister Quintin (Binnenlandse Zaken), terwijl Vander Elst (N-VA) en Ponthier (Vooruit) structurele samenwerkingsfouten aanwijzen, inclusief onduidelijke rules of engagement en vertraagde politiële inzet; lessen uit Oekraïne (snelle innovatie, gelaagde verdediging) moeten volgens Francken vertaald worden in Belgische doctrine en training, met nadruk op Europese strategische partnerschappen.

Christophe Lacroix:

Monsieur le ministre, le 7 novembre dernier, le Conseil des ministres a trouvé un accord de principe sur un plan de financement de 50 millions d’euros destiné à la lutte contre les drones. Si aucune décision définitive n’a été prise, j’ai pris connaissance, aujourd'hui, d’un article de presse annonçant que vous auriez déjà réalisé une commande de l’ordre de 2 millions d’euros, ce qui ferait de vous l’un des ministres les plus réactifs. Nous n’étions pas d’accord tout à l’heure, mais sur le plan des drones, je salue votre action.

Monsieur le ministre, la presse évoque des achats de radars bas niveaux, de brouilleurs et d’armes portatives de neutralisation de type drone gun . Pouvez-vous nous détailler de manière précise la liste du matériel soumise au Conseil des ministres? À quel moment une décision définitive sera-t-elle prise, en tenant compte des actualisations intervenues depuis que j’ai posé ma question?

Ma seconde question porte sur la manière dont le gouvernement entend garantir la rigueur et la transparence de ce processus d’acquisition. J’ai en effet appris que la Turquie pourrait potentiellement figurer parmi les partenaires capables de fournir des solutions rapides face à cet enjeu majeur. Vous décrivez d’ailleurs Ankara comme un ami et un allié au sein de l’OTAN.

Pourriez-vous préciser vos intentions à ce sujet? Allez-vous solliciter l’Agence de soutien et d’acquisition de l’OTAN, qui, comme vous le savez, fait actuellement l’objet de vives critiques en raison du scandale qui la touche? Des achats auprès d’autres entreprises basées sur le sol européen sont-ils envisagés? Un recours à un programme européen en la matière est-il étudié? Un programme de la Defence, Industry and Research Strategy (DIRS) est-il également étudié?

En séance plénière, j’ai pu interroger le ministre de l'Intérieur, Bernard Quintin, suite aux survols de drones près de plusieurs entités critiques, dont l’aéroport de Bruxelles-National et celui de Liège. Le ministre de l’Intérieur a expliqué vouloir s’appuyer sur les moyens renforcés de l’armée, laissant entendre que les 50  millions d’euros mobilisés en urgence par la Défense à ce sujet seraient également utilisés pour la protection des sites civils. Que pouvez-vous nous dire à ce propos? Cela signifie-t-il que les 50 millions d'euros destinés à la lutte anti-drones pour sécuriser nos infrastructures militaires profiteront aussi aux polices fédérale et locales, dont c’est la compétence première?

Koen Van den Heuvel:

Mijnheer de minister, de geschiedenis van het drone ‑ incident, ondertussen al enkele weken geleden, zal ik niet opnieuw vertellen, want die kennen we allemaal.

Mijn vraag gaat specifiek over de co ö rdinatie tussen Defensie, de politie en de luchthavenautoriteiten. In de pers lazen we dat die samenwerking beter kon worden georganiseerd.

Mijnheer de minister, ik heb een aantal vragen over hoe u dat in de toekomst ziet, hoe u de coördinatie en de commandovoering tussen Defensie, de federale politie, de luchthavenautoriteiten en andere betrokken diensten wilt optimaliseren. Ik denk dat dat absoluut nodig is.

We hebben ook nog buitenlandse hulp gekregen. Hoe ziet u dat geheel evolueren, om toekomstige drone ‑ incidenten op een effici ë nte en accurate manier aan te pakken?

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de minister, de problematiek is al meermaals geschetst, dat ga ik niet opnieuw doen. Het gaat mij vooral om de coördinatie en de samenwerking. Het slechtste wat men kan doen, is de paraplu’s opentrekken en verklaren tot waar de bevoegdheid van Defensie reikt en waar de bevoegdheid Binnenlandse Zaken begint. Bij zo’n hybride vorm van dreiging moet men aan hetzelfde zeel trekken en is eenheid van commando noodzakelijk. Gezien de investeringen in de defensieportefeuille in hybride oorlogsvoering en counterdronesystemen, vind ik dat dat bij Defensie moet liggen en dat Defensie daarin de lead moet nemen.

In tussentijd zijn er heel wat stappen gezet. Er is het NASC, waardoor de samenwerking tussen Binnenlandse Zaken, Mobiliteit/skeyes en Defensie zou moeten verbeteren. We hebben ook hulp van buitenlandse partners gekregen, van buurlanden Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk.

Mijnheer de minister, hoe verloopt die samenwerking en ondersteuning, in de eerste plaats met Binnenlandse Zaken, skeyes/Mobiliteit met betrekking tot de luchthavengebieden, maar ook met de defensiediensten van de buurlanden? Op welke manier zullen zij helpen om belangrijke civiele doel te beschermen, zoals luchthavens en nucleaire sites?

Wordt Binnenlandse Zaken daarbij betrokken en welke rol spelen de politiediensten?

Is de samenwerking met de defensiediensten van de buurlanden alleen gericht op militaire sites, of wordt ook samenwerking en coördinatie voor het gehele grondgebied bekeken?

Een tweede vraag gaat over de lessen die we hebben getrokken of nog aan het trekken zijn uit de oorlog in Oekraïne en de strijd tegen de drones. Als er één klein voordeel schuilt in de gruwelijke oorlog met de Russische agressor, is het wel dat er een gigantische technologische en innovatieve vooruitgang op het gebied van drones is geboekt. We kunnen bijzonder veel leren van Oekraïne in hoe zij drones en counterdronetechnologie tegen de Russische agressor inzetten.

Mijnheer de minister, welke concrete lessen hebt u reeds getrokken voor de Belgische defensie uit de inzet van onbemande systemen door Rusland in Oekraïne? Op welke manier wordt samengewerkt met civiele actoren om een coherente verdediging tegen dergelijke dreigingen op te zetten en permanent te verbeteren? Zijn er rechtstreekse contacten of samenwerkingen tussen Belgische militairen of de Belgische defensie-industrie en Oekraïense militairen en de Oekraïense defensie-industrie?

Hoe wordt nagedacht over het versnellen van aankoopprocedures? Hebt u daarvoor bijvoorbeeld al overleg met de Inspectie van Financiën gehad?

Annick Ponthier:

Mijnheer de minister, intussen lijken de drone-incidenten, althans voor de publieke opinie, in het verleden te liggen, maar niet voor ons. Er verschijnen geen mediaberichten meer over dronemeldingen, niet boven militaire bases en niet boven luchthavens. Voor de publieke opinie lijken die meldingen als sneeuw voor de zon te zijn verdwenen. We zouden daaruit allerlei conclusies kunnen trekken, maar dat zou voorbijgaan aan de essentie van het debat, dat bijzonder belangrijk blijft.

Nochtans was er een hele reeks waarnemingen van drones boven militaire bases en civiele sites. Recente drone-incidenten boven de luchthavens van Zaventem en Bierset hebben geleid tot een tijdelijke stillegging van het luchtverkeer. Dat veroorzaakt vanzelfsprekend aanzienlijke economische schade.

Er werd gekozen voor een discrete inzet van defensie, in samenwerking met andere veiligheidsdiensten, de politie en ook met buitenlandse militaire teams uit Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. Daarover gaat mijn vraag. Die buitenlandse partners zullen niet alleen technische ondersteuning bieden, maar mogelijks ook, zo stelde u, lacunes in ons eigen detectie- en neutralisatiecapaciteitssyteem blootleggen.

Dat wij hulp inroepen van het buitenland, terwijl de politie reeds beschikt, zo vernemen we recent, over een gespecialiseerd anti-droneteam dat drones kan neerhalen of vangen, wekte recent in de media hier en daar enige verbazing. U hebt daar al kort op geantwoord in de plenaire vergadering, maar ik heb toch nog een aantal vragen.

Mijnheer de minister, kunt u concreet de opdracht van de Belgische Defensie toelichten op de luchthavens van Luik en Zaventem? Wat zijn de rules of engagement van Defensie?

Kunt u ook toelichten welke concrete ondersteuning de buitenlandse partners Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk momenteel op het terrein leveren, zowel qua capaciteiten, middelen, inzetlocaties als duur? Wat zijn ter zake de rules of engagement ? Welke kosten zijn daarmee verbonden en hoe worden die tussen de verschillende partners verdeeld?

Welke concrete tekortkomingen in onze eigen anti-dronecapaciteiten worden door de buitenlandse teams opgevuld? Heeft hun werkwijze of inzet invloed op het recent in dit Huis goedgekeurde counter-droneplan en moet het plan worden bijgestuurd?

Hoe zijn de samenwerking en communicatie verlopen met het gespecialiseerde droneteam van de politie? Waar ziet u knelpunten voor toekomstige communicatie? Worden momenteel middelen of capaciteiten uitgewisseld tussen Defensie en dat team? Zo nee, waarom niet?

Axel Weydts:

Mijnheer de minister, over heel het dronegegeven is al zeer veel gezegd en geschreven. Er is ook heel wat onzin over verkondigd en gepubliceerd, zowel door zelfverklaarde experts op sociale media, wat men hen misschien niet kwalijk kan nemen, als door personen van wie men toch enige expertise in het domein zou mogen verwachten. Dat maakt uiteraard deel uit van de strategie van wie daar ook achter zit. Nogmaals, waarschijnlijk zullen we nooit exact de vinger kunnen leggen op de oorsprong, maar net dat was ook de bedoeling.

Het gaat dus niet over spionage, maar over het tegen elkaar opzetten van mensen, aantonen dat men dingen kan testen en mensen kan pesten, zoals ik het eerder heb genoemd.

Collega’s, ik vind het een vorm van solidariteit dat buitenlandse droneteams ons zijn komen versterken. Dat is waar Europa voor staat, dat is waar de NAVO voor staat. We are NATO . Wij helpen elkaar wanneer dat nodig is. Dat is absoluut geen schande voor ons land. Integendeel, dat is een vorm van solidariteit op het vlak van onze collectieve defensie.

Mijnheer de minister, mijn vraag sluit daarbij aan. Hoe evalueert u de inzet van die buitenlandse militairen op ons grondgebied? Ik begrijp dat bepaalde aspecten mogelijk niet voor deze openbare vergadering bestemd zijn, maar dan kom ik daar zeer graag op terug tijdens de besloten vergadering van de commissie voor de Opvolging van militaire missies, indien dat nodig is. Ik dank u nu al voor uw antwoord.

Koen Metsu:

Mijnheer de minister, ik heb eveneens een vraag ingediend over de antidronetechnologie en het dronelab in Geel. Mijn vraag was later ingediend. Intussen zijn de vragen samengevoegd tot een actualiteitsdebat. Ik weet niet of over het dronelab in Geel al informatie beschikbaar is.

Theo Francken:

(…)

Koen Metsu:

In dat geval zal ik mijn vraag niet nu, maar op een later moment stellen.

Voorzitter:

Wensen nog collega’s aan te sluiten bij de vragen in het actualiteitsdebat? (Nee)

Theo Francken:

Geachte Kamerleden, over drones is inderdaad al veel gezegd. Ik wil toch nog eens herhalen wat ik ook reeds bij een vrijdaguitzending van De afspraak heb gezegd. Soms werd beweerd dat alles fake was en dat er helemaal geen drones hebben gevlogen. Dat is absoluut niet correct.

Een commissie met verschillende ministers zou een en ander normaal dit jaar onderzoeken, maar dat zal niet lukken. Het zal dus volgend jaar gebeuren. Ik besef dat dat laat is, maar de agenda’s zijn niet altijd goed op elkaar af te stemmen. Aan het einde van het jaar zijn er allerlei activiteiten, zoals de tour van vorige week naar Afrika en volgende week in Europa, voor de kerstcadeaus en om onze militairen te bedanken. Dat maakt de agenda nog voller. Het zal dus pas in januari plaatsvinden.

Achter gesloten deuren zal er een briefing komen met meer details, maar dat kan en zal ik niet in deze openbare vergadering bespreken, ook al omdat dat onder OPSEC valt. Ik kan wel bevestigen dat er effectief drones zijn waargenomen, zowel op de radar als visueel door mensen van de wacht. Het ging niet om vliegtuigen of een ster.

Op een bepaald moment waar er heel veel meldingen. Mensen zagen ze vliegen. Wat was er gebeurd? De luchthaven van Zaventem werd gesloten na een dronemelding. Alle aankomende vliegtuigen kwamen vanuit het oosten, over Oost-Brabant, waar ik woon, en Limburg, en bleven daar ongeveer een half uur laag rondcirkelen met de lichten aan. Op dat moment kregen we heel veel meldingen van drones. Het was donker en alle vliegtuigen vlogen laag, wat natuurlijk vragen opriep. Dat waren geen drones, maar vliegtuigen. Die situatie heeft wel veel dronemeldingen met zich meegebracht.

Er zijn echter wel degelijk drones waargenomen. Wat sommigen beweren, dat er nooit drones zijn geweest, is absoluut onjuist. In de commissie achter gesloten deuren zal ik verder kunnen toelichten op basis waarvan we dat hebben kunnen waarnemen.

Het is daarnaast een hardnekkige misvatting dat alle drones plots verdwenen zijn. Ik lees dat heel vaak. Er was sprake van 50 miljoen euro, en ineens, hocus, pocus, pats, zijn alle drones weg. Zo is het dus niet verlopen. De luchthaven van Zaventem is overigens twee of drie dagen geleden nog gesloten geweest vanwege een dronemelding. In het Nederlandse Volkel is er een flying object geweest, een drone in de lucht, waardoor de F-16's zelfs in QRA zijn gegaan. Drones zijn dus niet verdwenen. Het is soms redelijk hallucinant wat er allemaal op sociale media circuleert, maar ik kan dat alleen maar tegenspreken. Ieder moet maar zijn eigen mening vormen; dat is voor mij allemaal geen probleem.

Onze troepen hebben concrete steun gekregen van Frankrijk, Duitsland, de Verenigde Staten en Groot-Brittannië. Wie precies wat en hoe heeft geleverd, licht ik niet toe in een publieke commissie. Dat zouden de betrokkenen niet appreciëren, dat begrijpt u wel. In een besloten commissie kan ik verder toelichten wat al is gebeurd en wat nog bezig is, en dat zal ik dan ook zeker doen.

Wat de 50 miljoen euro betreft, daar zijn we volop mee bezig. We beschikken over beperkte capaciteiten, maar nu komt er wel wat extra bij.

Monsieur Lacroix, c’est une bonne question. Vous avez raison sur un point; je ne le nie pas. Je pense qu’il est important de dire que les 50 millions sont davantage pour la défense, pour la protection des quartiers militaires. Nous avons quelques quartiers assez importants, comme vous le savez. Mais cela n’implique pas qu’il n’y a pas de possibilité de collaborer avec la police.

De plus, le grand plan anti-drones prévoit l’arrivée d’un tender en 2026, pour un demi-milliard d’euros à peu près. C’est prévu dans la vision stratégique. Une capacité policière y est spécifiquement liée.

Ook de politie zal dus bestellingen plaatsen via ons antidronecontract, en wij zullen haar dat materiaal leveren. Zo bestellen we niet dubbelop: we doen het in één keer, zodat beide over capaciteiten kunnen beschikken.

Wat betreft de luchthaven, wij zijn daar geweest met onze special forces. Dat is gebeurd. Er waren heel duidelijke rules of engagement . We zijn opgeëist door de politie. Zo gaat dat. Zo staat dat in de Politiewet. Ik weet wel dat verschillende mensen zeggen: wat is dat nu voor een belachelijke discussie; werk toch samen. Ik wil samenwerken, maar ik kan niet zomaar militairen ontplooien. Mocht ik dat zomaar met een vingerknip doen, zou ik wel een aantal vragen krijgen. Ik zou dan immers moeten verantwoorden waarom ik gewoon militairen op straat plaats zonder duidelijk opvordering. Bepaalde regels dienen gevolgd te worden. De luchthaven – niet de militaire luchthaven van Melsbroek maar de civiele luchthaven – is in de eerste plaats een verantwoordelijkheid voor de luchthavenuitbater, en ook voor de politie. Als de politie dan aan Defensie vraagt om te komen helpen, zullen wij komen helpen. Dat hebben we dan ook gedaan. In die zin is er zeker geen onwil geweest, integendeel.

Ik wil ook mijn verantwoordelijkheid niet wegduwen. Dat iedereen naar elkaar wijst, is niet mijn bedoeling. Ik wil mijn verantwoordelijkheid wel opnemen, maar ik neem niet zomaar de verantwoordelijkheid op over zaken waarin ik niets te zeggen heb. Dat zou nogal raar zijn. Ik weet dat het misschien overkwam als: wat is dat voor een discussie; werk gewoon samen. Samenwerking was wel degelijk de bedoeling, maar we moeten natuurlijk wel bepaalde regels volgen.

Ik zal kort mijn antwoord overlopen.

Een gedetailleerde uiteenzetting van de huidige 'as is'- en de toekomstige 'to be'-oplossing inzake dronebestrijding werd gegeven in de vergadering van 22 oktober van de commissie voor de Opvolging van de militaire missies. Daarbij werd geduid dat de intermediaire oplossing compatibel zal zijn met de toekomstige 'to be'-oplossing, namelijk het systeem van systemen. Een verdere uitleg van de beoogde systemen kan om operationele veiligheidsredenen niet worden gecommuniceerd, maar zal ik toelichten in de commissie voor de Controle op de Legeraankopen en -verkopen, en ook in de commissie voor de Opvolging van de militaire missies.

De dronedreiging van de afgelopen maanden, de steun van buitenlandse detachementen aan Defensie, de specifieke inzetregels, alsook het gebruik van een C-UAS-team van de politie, kunnen eveneens wegens operationele veiligheidsreden enkel besproken worden in de commissie voor de Opvolging van de militaire missies. De inzet van middelen van geallieerde naties op het Belgisch grondgebied is een voorbeeld van Europese en NAVO-solidariteit, zoals de heer Weydts terecht stelde.

Ik wist niet van het bestaan af van dat C-UAS-team van de politie. Ik ben geen minister van Binnenlandse Zaken. Ik heb dat moeten lezen. Het enige wat ik me afvraag is, aangezien dat effectief bestaat, waarom dat team niet heeft gemeld dat het over alles beschikt. Dat vond ik wat raar. Maar nogmaals, ik wil niemand met de vinger wijzen. Dat is een zaak voor Binnenlandse Zaken, geen zaak voor mij. Ik heb mijn handen vol met andere dingen. Ik zal daar voor de rest geen commentaar op geven. Ik mag hopen dat alles ondertussen volledig lined is en dat iedereen klaarstaat om te helpen als dat nodig is.

Les enseignements que nous pourrons tirer de cette coopération seront bien entendu partagés avec les États membres de l’Union européenne et de l’OTAN ou par le biais de contacts bilatéraux.

Dergelijke inzet gebeurt kosteloos en indien nodig neemt Defensie de kosten voor huisvesting en voeding voor haar rekening. De voorbije maanden hebben alvast aangetoond dat de informatiedoorstroming tussen alle betrokken actoren beter kan en moet.

Ons land beschikt formeel al over een National Airspace Security Center (NASC) dat werd opgericht door de vorige regering als interdepartementaal informatieknooppunt voor luchtvaartincidenten. In de praktijk zijn echter nog niet alle departementen in dat interdepartementaal centrum vertegenwoordigd, waarvoor Defensie de gastheer is op het Control and Reporting Centre (CRC) in Beauvechain.

De term luchtvaartincidenten dekt veel meer dan enkel het counterdrone-gebeuren. De recente gebeurtenissen hebben nogmaals duidelijk gemaakt waarom zo’n centrum absoluut noodzakelijk is. Het komt er nu op aan om dat NASC verder te operationaliseren en hiervoor voldoende personeel in te zetten, zodat informatie beter en sneller kan worden gedeeld. Dit was onder meer het onderwerp van een vergadering in Beauvechain op 8 december 2025, met vertegenwoordigers van de betrokken kabinetten en diensten, waaronder het kabinet van Binnenlandse Zaken en de geïntegreerde politie.

Alle relevante lessons identified en lessons learned worden structureel geïntegreerd om toekomstige operaties te versterken. Daarnaast onderzoekt Defensie op dit moment in welke mate zij haar capaciteiten geïntegreerd kan inzetten in een comprehensive approach om de algemene dronedreiging en, bij uitbreiding, de hybride dreiging het hoofd te bieden. De nodige aandacht gaat hierbij naar de coördinatie en de commandovoering tussen de betrokken stakeholders. De oorlog in Oekraïne toont onmiskenbaar dat drones en antidronetechnologie een cruciale rol spelen in moderne conflicten als aanvulling op traditionele wapensystemen. Goedkope, commercieel beschikbare UAV’s hebben het slagveld transparanter gemaakt, waardoor klassieke doctrines deels achterhaald zijn. Innovatie is daarom geen optie, maar een noodzaak.

C’est pourquoi l’un des objectifs stratégiques de la vision stratégique porte sur ce thème. L’innovation permet d’anticiper les combats du futur.

Oekraïne verdedigt zich met een gelaagde aanpak: jamming , interceptor drones en luchtafweer. Zijn kracht ligt in snelle adaptatie, binnen weken, niet jaren. Voor België betekent het dat we moeten evolueren naar een systeem van systemen, met korte innovatiecycli en flexibele doctrines. Tegelijk moeten we beseffen dat niet alle lessen uit Oekraïne een op een toepasbaar zijn op onze context. De Belgische omgeving vraagt bijzondere aandacht voor collaterale schade en juridische kaders.

Le 7 novembre, le Conseil des ministres a approuvé un premier achat urgent de systèmes destinés à renforcer rapidement nos capacités de lutte contre les drones. Cet achat se concentre sur l'extension des systèmes portables déjà utilisés au sein de la Défense et sur le renforcement de nos moyens de détection et de traitement des données.

Parallèlement, un marché public est en cours de préparation pour la mise en place d'un partenariat stratégique innovant, CUAS, dans le but de mettre à disposition et de faire évoluer une capacité de lutte contre des drones avec une large gamme de capteurs et d'effecteurs en fonction des exigences opérationnelles et des développements technologiques.

Cette approche systémique offre aux instituts de recherche et aux entreprises belges la possibilité de proposer et d'intégrer leurs solutions. Les budgets DIRS seront utilisés pour développer des solutions innovantes dans le cadre de ce partenariat. La Défense mènera elle-même ce processus et ne fera pas appel aux services de la NSPA. Il s'agira d'un accord-cadre avec un consortium d'entreprises pour une durée initiale de 12 ans. En application de l'article 346 du Traité sur le fonctionnement de l'Union européenne, un ancrage local en Belgique sera requis dans le consortium afin de créer une autonomie stratégique pour assurer une protection maximale de nos intérêts essentiels de sécurité dans le domaine du CUAS. Seules les firmes des pays de l'Union européenne et de l'OTAN seront autorisées à introduire leur candidature.

De regering heeft ook beslist dat Defensie, met haar middelen voor interne veiligheid, de federale politie zal ondersteunen in de strijd tegen UAS ( unmanned aircraft systems ), dus drones. Het type middelen op het vlak van counter-UAS waarover Defensie momenteel beschikt en in de toekomst wenst te beschikken, zal, indien dat opportuun is, ook aan de federale politie worden aangeboden.

Andere behoeften zullen, waar mogelijk, eens worden opgelijnd. De taskforce Drones en Innovatie zal fungeren als katalysator en doctrine, technologie en opleiding met elkaar verbinden in een continu feedbackproces. Belgische bedrijven en kennisinstellingen spelen daarin een centrale rol, samen met de Europese Unie, de NAVO en civiele partners.

Dat grote programma komt er dus aan; we zijn daarmee bezig. De bedoeling is dat er telkens minstens één Belgisch bedrijf bij betrokken is. Turkse bedrijven zijn zeker geïnteresseerd en bovendien zeer performant. Ik heb een aantal ondernemingen gezien op de Defensie-industriedag. Nadien vond een receptie plaats op de Turkse ambassade, waar ik daarover ook ben aangesproken. Er komt een economische missie naar Turkije en in juli vindt een NAVO-top plaats in Ankara.

Er zijn heel veel geïnteresseerde bedrijven. Vermoedelijk zullen ook alle grote concerns een dossier indienen.. Hopelijk hebben we daardoor ruime keuze en kunnen we een zeer geschikte partner selecteren, zodat de Algemene Directie Material Resources (DG MR) ook niet te veel kopzorgen heeft. Dat is nodig, want het gaat om veel geld en het betreft hier een van de capaciteiten van de toekomst. Ik vind dat elke operator met drones zou moeten kunnen werken, zeker het Special Operations Regiment (SOR). Ik heb dat ook in Gabon tegen onze militairen gezegd. Iedereen zou dronepiloot moeten kunnen zijn. Mijn bedoeling is dan ook dat elke eenheid met drones kan werken.

De doctrine moet worden aangepast. Jongeren, zoals mijn eigen zoon, zijn heel vaardig in gaming. Ik ga er dus van uit dat zij met een speciale bril probleemloos met een drone kunnen vliegen. Ik zie daar eerlijk gezegd geen grote moeilijkheden, dat zal wel lukken. In Oekraïne kan bijna elke militair drones besturen. Ik heb met een Oekraïense SOF (Special Operations Forces) gesproken; die militairen kunnen zonder probleem zeven à acht soorten drones besturen en doen dat voortdurend. Het is indrukwekkend om te zien hoe vlot ze daarmee werken. Dat houdt hen overeind aan het front.

De wapensystemen lijken wel uit de film Mad Max . De filmpjes ervan in Drone Wars op Instagram doen de mond openvallen van verbazing; het is mind-blowing .

Voorzitter:

Dank u wel voor dat stukje productplacement.

Christophe Lacroix:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses. Comme je vous le disais dans ma question, souvent je vous critique. Or là, je dois quand même vous féliciter; il y a quand même un homme qui pilote quelque chose ici en Belgique. Et, au niveau des drones, c'est vous. Vous me confirmez qu'à travers vos compétences et les budgets qui vous sont dédicacés, vous agissez à travers les 50 millions qui ont été libérés en urgence. Une commande a effectivement été passée auprès d'une firme australienne pour un montant, non pas de deux millions d'euros, comme je le disais tout à l'heure, mais de pratiquement trois millions d'euros.

Vous me rassurez aussi quand vous dites que, pour les 500 millions d'euros qui seront consacrés à la lutte anti-drones, un consortium européen doit exister avec un ancrage belge si possible et en tout cas des commandes qui feront en sorte de préserver l'autonomie stratégique de l'Union européenne. Pour tout cela, je vous félicite.

Je remarque simplement qu'en principe, dans le pilotage de l'avion, il devrait y avoir une deuxième personne: le ministre l'Intérieur. Le ministre MR, M. Quintin, est singulièrement absent, puisque, lorsque les drones sont arrivés sur notre territoire, on a demandé au soldat Francken de mettre à disposition les moyens dont il disposait en oubliant simplement – vous avez été très poli, très diplomate –, qu'il existait une unité anti-drones au sein de la même police fédérale. C'est donc quand même assez farfelu qu'on fasse appel aux soldats, alors qu'il existe une unité au sein de la police fédérale.

Par ailleurs, le ministre de l'Intérieur répète urbi et orbi que les moyens qui sont dédicacés dans les 50 millions d'euros serviront également à la police fédérale. Vous reprécisez que vous êtes à disposition, mais que ce n'est en fait pas votre rôle. Je considère dès lors que le ministre de l'Intérieur doit se battre davantage dans le cadre des éléments et des débats budgétaires pour faire en sorte d'équiper sa police fédérale, tout comme il doit se battre également pour avoir un maximum de policiers dans les rues, de manière à ne plus devoir demander aux militaires de faire le job des policiers fédéraux. Ces derniers ne demandent pas mieux que de le faire, mais ils sont aujourd'hui trop peu nombreux.

Koen Van den Heuvel:

Mijnheer de voorzitter, ik verontschuldig mij dat ik het antwoord van de minister niet heb gehoord, maar ik moest even een kwartiertje in de commissie voor Financiën en Begroting aanwezig zijn om daar een betoog te houden.

Voorzitter:

Geen probleem.

Kjell Vander Elst:

Dank u, mijnheer de minister, voor uw antwoord.

Wanneer ik zeg dat Defensie de lead op zich moet nemen, dan is dat niet omdat ik vind dat u uw verantwoordelijkheid niet neemt. Allesbehalve, ik heb dat zelfs in De ochtend gezegd. Het gaat om een gezamenlijk probleem, maar ik vind wel dat Defensie de leiding moet hebben, omdat de expertise, de middelen en het materieel grotendeels bij Defensie liggen. Ik wil daarmee Binnenlandse Zaken of de politie zeker niet uit de wind zetten, maar het moet mij ook van het hart dat – ik geef collega Lacroix daarin gelijk – op dit moment de minister van Binnenlandse Zaken achter de feiten blijft aanlopen.

Ik heb hem zeer graag – hij is van mijn zusterpartij, of van die van u, want daar bestaat ondertussen al wat twijfel over – maar hij blijft achter de feiten aanlopen en ik vind dat bijzonder jammer. Het gaat immers over de luchthaven van Zaventem. Gisteren heeft de minister van Mobiliteit, Jean-Luc Crucke me geantwoord dat er 95 geannuleerde vluchten waren op 4 en 5 november, op die paar uur tijd. De economische schade, los van de angst en de onrust die wordt gezaaid, is gigantisch voor de tweede grootste economische pool van ons land, met veel jobs in Vlaanderen, in Vlaams-Brabant. Laten we dus aan hetzelfde zeel trekken en roep ook de minister van Binnenlandse Zaken in de regering tot de orde, zodat hij actie onderneemt. Ik hoop eerlijk gezegd dat we naar een eenheid van commando kunnen gaan, waarbij Defensie de leiding krijgt, zodat er één aanspreekpunt is dat uiteraard gecoördineerd samenwerkt met alle veiligheidsdiensten.

Ik geef u ook gelijk dat alle veiligheidsdiensten, van eender welk niveau, binnenlands of buitenlands, met drones moeten kunnen werken. Daar hebt u mijn steun voor en betrek aan de regeringstafel in ieder geval alle veiligheidspartners bij de aanpak van de problematiek.

U onderstreepte ook dat we echt moeten leren van Oekraïne. Ik denk dat het een stap voorwaarts zou zijn, indien wij met de Europese Unie, en met België eventueel apart, een strategisch partnerschap met Oekraïne sluiten, met de industrie daar en ook met het leger, zodat zij ons kunnen helpen en begeleiden zodat die innovatieve technologie ook in Europa voet aan wal krijgt. Dat zou zowel economisch voor Oekraïne als innovatief voor ons een stap vooruit zijn in een periode waarin Oekraïne bijzonder hard afziet. Denk daar goed over na en probeer dat op Europees niveau te trekken, zodat wij een strategisch partnerschap in verband met de dronedreiging en innovatie met Oekraïne zouden kunnen sluiten.

Annick Ponthier:

Mijnheer de minister, dank voor uw antwoorden, die deels een herhaling zijn van wat u al in andere commissievergaderingen zei. Het debat dateert inmiddels van enige tijd geleden, maar blijft onverminderd actueel.

U bevestigt dat de dreiging door drones een belangrijk debat vormt, dat de nodige ernst verdient en dat drones in de komende jaren een wezenlijk onderdeel zullen vormen voor zowel onze bewapening als de beveiliging van ons luchtruim. Daarnaast spelen ze ook een rol in onze operationele inzet, zowel in binnen- als buitenland.

U noemde het terecht een capaciteit van de toekomst. Het is ook goed dat u de opleiding van ons personeel wilt bijsturen. U hebt echter geen toelichting gegeven over de concrete inhoud, de inzet, de rules of engagement , noch over de capaciteit die door buitenlandse partners wordt overgenomen. U hebt wel nog maar een deeltje prijsgegeven wat het kostenplaatje betreft: er zouden dus geen bijkomende kosten verbonden zijn aan de inzet zelf, maar er zouden wel kosten zijn voor onder andere het verblijf en de catering. Ik blijf dus nog op mijn honger. Dat had ik kunnen verwachten. Ik begrijp wel waarom u niet meer details in een openbare vergadering geeft. Het is nu eenmaal mijn taak om ernaar te vragen en we zullen daar in de komende vergaderingen onder ander van een gemeenschappelijke commissie daar na Nieuwjaar op terugkomen.

Wat de samenwerking met de counterdrone-unit van de federale politie betreft, u klaagt dat u het verwijt krijgt dat u met de vinger hebt gewezen. Vingerwijzing of niet, wat gebeurd is, is gebeurd. We kunnen er alleen van leren. U stelt terecht dat het een verantwoordelijkheid van Binnenlandse Zaken is, maar mijn vraag betrof de toekomstige aanpak. Tussen de regels door lees ik dat het departement Binnenlandse Zaken tekortschiet in de samenwerking met Defensie en dat het eens te meer Defensie is, die bijstand wil bieden aan de federale politie ter ondersteuning van het counterdroneactieplan.

Er is dus duidelijk werk aan de winkel. Ik reken daarbij op u, maar zeker ook op uw collega van Binnenlandse Zaken. U moet hem nogmaals aanspreken op de concrete coördinatie. Daar hebben we bijzonder weinig van geleerd. De manier waarop de verscheidene partners op het terrein het dossier hebben behandeld, mogen we gerust geklungel noemen. Defensie moet dus echt een coördinerende rol op zich nemen.

Axel Weydts:

Ik kijk eveneens uit naar de verdere informatie die we volgende week achter gesloten deuren zullen ontvangen. Ik heb er alle begrip voor dat hier vandaag niet alles kan worden meegedeeld. Ook wij vinden de integratie van de capaciteit drones en counterdrones in onze defensie een prioriteit, waar we hard aan moeten werken. Alle militairen, vanaf het niveau van de eenheden tot op brigadeniveau, bij de Landmacht, Marine en de Luchtmacht, moeten zich met drones vertrouwd maken. Dat is een no-brainer.

Militaire mobiliteit
Een betere militaire mobiliteit
De militaire mobiliteit en de oorlogsbestendigheid van onze spoorwegen
De uitwerking van een Europese militaire Schengenzone
De militaire mobiliteit
De verbetering van de militaire mobiliteit
Verbeterde Europese militaire mobiliteit en spoorwegbestendigheid

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 10 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Theo Francken bevestigt dat België – als NAVO-transitland – drie duale infrastructuurprojecten (1 weg: N49 Maldegem; 2 spoor: Antwerpen-haven) subsidieert (€97 mln EU-steun) en werkt aan een Nationaal Actieplan Militaire Mobiliteit (onderdeel van het Enablementplan), dat procedures moet versnellen en kritieke corridors (noord-zuid) versterken. Hij ontkent dat slechts één project loopt en benadrukt regionale samenwerking (o.a. met Nederland/Duitsland) voor een "militair Schengen", maar Annick Ponthier (Vooruit) bekritiseert dat hij geen evaluatie geeft van de oorlogsbestendigheid van Belgische spoorwegen – naar aanleiding van Nederlandse waarschuwingen over kwetsbaarheid (sabotage, cyberrisico’s, gebrek aan rangeerruimte). Kjell Vander Elst (N-VA) en Koen Van den Heuvel (CD&V) dringen aan op meer gewestelijke betrokkenheid (Vlaanderen/Wallonië) en budgettaire coördinatie, terwijl Axel Weydts (VB) de 5%-NAVO-toewijzing voor interne veiligheid (drones, politie-helikopters) positief onthaalt. Het Enablementplan (eind 2024) moet België’s rol als NAVO-host nation concretiseren, maar Ponthier blijft vragen om een risicoanalyse spoorinfrastructuur, vergelijkbaar met Nederland.

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de minister, in verschillende Europese landen worden de laatste jaren aanzienlijke investeringen gedaan in de uitbouw en modernisering van de wegen-, spoorwegen- en waterwegeninfrastructuur, rekening houdend met de noodzaak om militaire transporten vlot te laten verlopen. Ons land is bovendien een transitland, mede door zijn cruciale ligging. Dat moet dan ook een absolute prioriteit zijn voor onze Defensie en vooral ook voor onze mobiliteitsdepartementen. Er moet aandacht voor zijn er actie worden ondernomen.

In uw beleidsnota gaf u aan dat een nationaal plan voor militaire mobiliteit zal worden opgemaakt. Het is dan ook schrijnend dat in Vlaanderen op dit moment slechts één wegenproject wordt opgestart waarbij die militaire reflex wordt gemaakt, namelijk de N49 tussen Damme en Maldegem. Dat is momenteel het enige project in Vlaanderen waarbij met militaire mobiliteit rekening wordt gehouden. Gelet op het plan dat in aantocht is en op de cruciale ligging van ons land, is dat mijns inziens veel te weinig.

Mijnheer de minister, wat is de stand van zaken met betrekking tot de opmaak van het nationaal plan inzake militaire mobiliteit?

Welke rol speelt Defensie bij het identificeren van infrastructuurprojecten die van strategisch belang zijn voor de militaire mobiliteit in ons land?

Wat vindt u van het feit dat momenteel slechts één project in Vlaanderen in opmaak of opgestart is?

Acht u bijkomende weg-, spoor- of waterprojecten noodzakelijk om tegemoet te komen aan de Europese technische vereisten?

Axel Weydts:

Mijnheer de minister, ik trap een open deur in als ik zeg dat het hele Enablementverhaal een zeer belangrijk aspect vormt binnen onze collectieve defensie. België is, gelet op zijn geografische ligging op de kaart van Europa, een van de landen die de komende jaren aanzienlijke inspanningen zal moeten leveren.

Voor de inhoudelijke antwoorden verwijs ik naar de tekst van mijn vragen zoals ingediend.

Ik wil daaraan toevoegen dat ik een bijkomende vraag heb ingediend over de militaire Schengenzone. Die vraag is in het actualiteitsdebat opgenomen, maar ik wil het benadrukken, gelet op het groot belang ervan. Ik heb daarbij gevraagd welke initiatieven momenteel worden genomen en in hoeverre België daar zijn schouders onder zet. We beschikken over zeer capabele mensen die zich daarvoor inzetten. Ik had graag vernomen hoever het daarmee staat.

Voorzitter:

Mijnheer Weydts, uw beide vragen zijn alleszins opgenomen in dit actualiteitsdebat.

Annick Ponthier:

Mijnheer de minister, militaire mobiliteit is een belangrijk onderwerp in de huidige geopolitieke context. Een nationaal plan daaromtrent werd aangekondigd. We zien op het terrein – we waren daar eerder dit jaar in Antwerpen zelf getuige van – dat een en ander vaak rimpelloos verloopt.

Soms duikt echter ook bezorgdheid op, zoals recent in Nederland. Daar klonk ernstige bezorgdheid over de weerbaarheid van de spoorweginfrastructuur in oorlogstijd. Volgens een recent onderzoek kan een militair transport daar het spoorverkeer tot drie uur volledig lamleggen. De spoorwegen bleken bovendien niet oorlogsbestendig. Bruggen, tunnels en viaducten zijn, zo zei men in Nederland, onvoldoende berekend op grootschalig militair gebruik, wat de snelle verplaatsing van troepen en materieel in een crisissituatie ernstig zou kunnen hinderen. Bovendien is het spoor erg kwetsbaar voor cyberaanvallen en sabotage en zijn er te weinig rangeerterreinen voor laden en lossen. Dat is de situatie in Nederland.

Dat roept de vraag op hoe het in België is gesteld met de militaire mobiliteit via het spoor. België speelt binnen de NAVO een belangrijke rol als host support nation en enabling nation , met als expliciet doel om militaire verplaatsingen door en naar ons grondgebied te faciliteren. U hebt terecht grote investeringen gekoppeld aan het verhogen van onze militaire mobiliteit. Ik heb daarover de volgende vragen.

Hoe beoordeelt u, gezien de bezorgdheid in Nederland, vandaag de oorlogsbestendigheid van onze Belgische spoorwegen? Zijn de NMBS en Infrabel volgens u voldoende voorbereid op het transport van zwaar militair materieel in crisistijd? Welke concrete middelen of investeringen zijn sinds het begin van deze legislatuur vastgelegd om de militaire mobiliteit via het spoor te versterken? Zijn er specifieke projecten of prioritaire trajecten in uitvoering? Heeft de NAVO reeds richtlijnen of ramingen gegeven over de benodigde infrastructuur of het geraamde budget dat België daarvoor zou moeten voorzien om aan zijn verplichtingen als host support nation te voldoen? Tot slot, zal de regering, gezien de recente waarschuwingen uit Nederland, een evaluatie laten uitvoeren van onze spoorcapaciteit en interoperabiliteit met NAVO-partners in crisissituaties? Ik dank u alvast voor uw antwoorden.

Koen Van den Heuvel:

Mijnheer de minister, ik wil kort de vragen van de collega's over de militaire mobiliteit aanvullen. Enige tijd geleden heeft de Europese Commissie een strategie ontwikkeld rond militaire mobiliteit. Ik heb daarover een aantal vragen, aangezien Europa vraagt om in elke lidstaat een nationale coördinator aan te stellen om de militaire mobiliteit te optimaliseren.

Mijnheer de minister, is binnen ons land al duidelijk wie die rol zal opnemen en wie de lead voor die taak zal nemen? We leven in een federaal land. Dat betekent dat ook de deelstaten, zeker op het vlak van mobiliteit, een belangrijke partner zijn. In welke mate worden zij betrokken?

Theo Francken:

Geachte Kamerleden, Defensie onderschrijft de urgentie om de noodzakelijke transportinfrastructuurprojecten met een duaal karakter te ondersteunen en de impact op de militaire mobiliteit te verhogen. Daarvoor werkt Defensie reeds samen met de bevoegde infrastructuurbeheerders, de FOD Mobiliteit en Vervoer, de gewesten, Infrabel, de havens, enzovoort aan het in kaart brengen van alle noodzakelijke infrastructuurprojecten op de prioritaire mobiliteitscorridors die onder meer onze havens verbinden met de rest van Europa. Die analyse omvat zowel de noordelijke corridor richting Duitsland en Nederland als de zuidelijke corridor richting Frankrijk, Luxemburg en Duitsland. Het duaal karakter van dergelijke projecten betekent niet dat ze automatisch onder de noemer ‘militaire uitgaven’ vallen. Enkel het deel van het project dat aantoonbaar is of afscheidbaar is en voor puur militaire doeleinden wordt gerealiseerd, kan meetellen binnen de eerste korf die werd afgesproken op de top van Den Haag tijdens de zomer. Het andere deel valt onder korf twee, defensie- en veiligheidsgerelateerde uitgaven, dus die 1,5 %.

Mede dankzij een positief advies van Defensie werd reeds voor 96 tot 97 miljoen euro aan EU-subsidies vanuit de Connecting Europe Facility toegekend aan vier Belgische infrastructuurprojecten, waarvan drie in Vlaanderen, één op de N49 in Maldegem en twee projecten om de spoorverbinding vanuit de haven van Antwerpen aan te pakken. Het klopt dus niet dat er maar één project is, het zijn er drie.

Op 19 november kondigde de Europese Commissie haar Military Mobility Package aan, dat door middel van een bindend EU-regelgevend kader procedurele hindernissen wil wegnemen, procedures en regels wil harmoniseren, infrastructuur wil versterken en digitale systemen wil ontwikkelen om de militaire mobiliteit in Europa te faciliteren. Om de belangrijkste knelpunten, 500 hotspots op de prioritaire militaire mobiliteitscorridors, aan te pakken, voorziet de Europese Commissie 17,7 miljard euro voor de volgende CEF binnen het meerjarig financieel kader 2028-2034, een vertienvoudiging van het budget.

Zoals gezegd zijn er drie projecten, niet één: het N49-project in Maldegem en twee spoorprojecten vanuit de haven van Antwerpen.

Daarvoor hebben we een subsidie van 97 miljoen euro ontvangen.

De lijst van knelpunten op de strategisch belangrijke corridors op ons grondgebied werd opgesteld in samenspraak met de administraties van de federale en deelstatelijke infrastructuurbeheerders en met de defensiestaf. De gedetailleerde lijst kan niet publiek worden meegedeeld. Die kunnen we eventueel in de commissie bekijken, maar niet publiek. Er zullen dus wel degelijk ingrijpende extra infrastructuurprojecten nodig zijn, zowel in Vlaanderen, Brussel als Wallonië.

In het regeerakkoord en de Strategische Visie werd Defensie door de regering aangeduid om de leiding te nemen in de ontwikkeling van het Nationaal Verdedigingsplan en het Nationaal Enablementplan. Die plannen worden gezamenlijk uitgewerkt door Defensie, in samenwerking met de andere betrokken actoren en vertegenwoordigers van de federale en gefedereerde entiteiten.

In dat kader wordt momenteel ook gewerkt aan de eerste versie van het Nationaal Actieplan voor Militaire Mobiliteit. Dat plan zal, boven op de noodzakelijke infrastructuurverbeteringen, een vereenvoudiging van de procedures voor militair transport omvatten alsook acties voor een snelle en vlotte planning en uitvoering van militaire transporten op ons grondgebied, zowel in vredestijd als in tijden van crisis of conflict. Dat plan zal rekening houden met de inhoud van het Military Mobility Package en met de voorstellen tot harmonisatie en optimalisatie die ontwikkeld worden binnen een multinationale samenwerking, waarvoor België samen met Nederland, Luxemburg, Duitsland, Polen, Litouwen, Tsjechië en Slovakije op 13 november een intentieverklaring heeft ondertekend voor een Central Northern European Military Mobility Area. Dat Nationaal Actieplan voor Militaire Mobiliteit zal worden opgenomen in het Nationaal Enablementplan, dat onze rol als ontvangst- en doorvoerland voor de NAVO-plannen zal beschrijven.

Naast de bestaande top-downprojecten binnen de NAVO en de EU, zoals het PESCO-project voor militaire mobiliteit, heeft Defensie recent haar engagement verhoogd om, samen met gelijkgestemde naties, het voortouw te nemen om via regionale samenwerking sneller vooruitgang te boeken richting het objectief van een militair Schengen in Europa. Zo heeft onze Defensie op 13 november 2025, zoals ik al heb vermeld, samen met Nederland, Luxemburg, Duitsland, Polen, Litouwen, Tsjechië en Slovakije de intentieverklaring ondertekend voor een Central Northern European Military Mobility Area.

Daarnaast zal België samen met Nederland, Duitsland en Polen het voortouw nemen om de aanbevelingen en best practices van die regionale aanpak te bespreken binnen zowel de EU- als de NAVO-context en te onderzoeken waar we een meerwaarde kunnen betekenen voor de militaire mobiliteit op het Europees continent.

Het plan is dus bijna klaar.

Over de tender voor onze logistiek hebt u misschien al gehoord. We zullen een hele grote logistieke tender uitschrijven. Er hebben al informatievergaderingen plaatsgevonden in Evere. Daar is heel veel interesse voor. Onze logistieke bedrijven behoren tot de top, dus dat is chique. Die tender zou tegen het einde van het jaar klaar moeten zijn. Ik zou dus eind dit jaar of begin 2026 een brief kunnen richten aan Mark Rutte, zeggende dat wij ons ding hebben gedaan, dat we klaar zijn en dat we indien nodig heel snel kunnen schakelen. Dat is ongeveer de timing.

Defensie neemt in dezen de lead. Wat betreft het Weerbaarheidsplan, zijn wij dat niet, maar wel het Nationaal Crisiscentrum. Dat zit echter niet zo gemakkelijk. De regering heeft vorige week afgesproken om budgetten van Defensie te voorzien om bijkomende steun te geven bij de opmaak van het Nationaal Weerbaarheidsplan. Voor het Nationaal Enablementplan is Defensie de lead, net als voor het Nationaal Defensieplan. Voor het Nationaal Weerbaarheidsplan heeft het Nationaal Crisiscentrum van Binnenlandse Zaken de lead. Daar zijn echter te weinig personeelsleden voor aangesteld. Er is heel veel werk voor te weinig personeel, dus er komt versterking van Defensie. Dat werd twee weken geleden afgeklopt.

Er is afgesproken dat 5 % van het budget van Defensie naar interne veiligheid gaat. De heli's voor de politie, die wij kopen, zitten daarin. Ook de Belgica zit daarin. Zo zijn er heel veel projecten opgelijst, zoals de drones en counterdrones van de politie, de ondersteuning van het Nationaal Crisiscentrum bij het opstellen van het Nationaal Weerbaarheidsplan, en Westakkers. Terwijl veel ministers op hun sjiek moeten bijten, heb ik heel veel geld gekregen. In het kader van de interne veiligheid hebben we met het budget van Defensie dus toch wat vooruitgang kunnen boeken in een aantal projecten. De voorwaarde is dat de projecten aanrekenbaar moeten zijn aan de NAVO. Het duoproject in Sint-Niklaas is daarvan een mooi voorbeeld. Dat is een masterplan van de federale politie, maar wij kunnen daar perfect aan meedoen. Het gaat om een schietstand, om drones en counterdrones en om slippistes. Dat hebben wij ook voor onze mensen nodig.

In die zin kunnen we er een gezamenlijk project van maken en dan kunnen wij dat betalen. Dan gaat het eindelijk vooruit. Dan kan Peter Buysrogge ook aankondigen dat het asielcentrum daar dicht gaat. Sint-Niklaas heeft immers twee centra. Veel partijen, of zelfs de hele gemeenteraad, zeggen al jaren dat twee grote asielcentra voor één stad te veel is. Dat kunnen ze niet aan. In die zin is dat het compromis geworden.

Twee weken geleden hebben we daarover op het kernkabinet tot vrijdagavond laat gesproken. Dat is vervolgens finaal uit de bus gekomen.

Het National Enablement Plan is dus een heel belangrijk plan. Dat zal normaal gezien in orde komen. Dat is dus op te volgen.

Voorzitter:

Mijnheer de minister, in alle neutraliteit wil ik u persoonlijk danken voor dat antwoord.

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de minister, ik dank u voor het antwoord. Eén wegproject en drie projecten in totaal, waarvan twee spoorwegprojecten, dat is alvast goed. Het is beter dan ik initieel dacht.

Het is absoluut noodzakelijk dat ook de regio’s, Vlaanderen en Wallonië, in dezen hun deel doen. De veiligheid van ons land is een gedeelde verantwoordelijkheid. Defensie is weliswaar een federale bevoegdheid, maar op Vlaams niveau wil men ook een Vlaams Defensieplan oprichten. Als de regio’s een steentje kunnen bijdragen, moeten ze dat in de eerste plaats op het mobiliteitsvlak doen. Ik ben blij dat dat toch voor een deel gebeurt.

Voor het overige kijk ik uit naar het Enablementplan, dat in een afrondende fase zit. Het wordt opgevolgd. Ik kijk uit naar het resultaat.

Axel Weydts:

Mijnheer de minister, ik dank u eveneens voor uw antwoord. Het Enablementverhaal is heel belangrijk. Het is interessant om te vernemen dat 5 % van het geplande defensiebudget naar interne veiligheid gaat. Dat wist ik nog niet. Het stelt mij gerust dat het aan de voorwaarde van NAVO-aanrekenbaarheid moet voldoen; anders creëren we elders een probleem.

U ziet waartoe vragen over militaire mobiliteit kunnen leiden. Het is goed dat de minister af en toe afwijkt van het voorbereid antwoord. Dank u daarvoor.

Voorzitter:

Ik weet niet of men daar op het kabinet ook zo over denkt.

Annick Ponthier:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. U stelt dat Defensie de noodzaak onderschrijft om de militaire mobiliteit op zoveel mogelijk vlakken te ondersteunen. U hebt het ook over drie voorbereidende trajecten gehad die prioritair worden behandeld.

Defensie wordt als leidende factor beschouwd in het Nationaal Verdedigings- en Enablementplan. Het is inderdaad uitkijken naar de resultaten die wij daar binnenkort uit zullen leren. Het is voor alle duidelijkheid goed dat Defensie daarin de lead neemt.

U stelt ook dat wij heel snel kunnen schakelen, wat in de huidige context heel belangrijk is.

U gaf alle details over het Enablementplan en andere aspecten, maar ik mis een antwoord op de vraag die ik u heb gesteld, namelijk een reflectie op de bezorgdheid bij onze noorderburen. Ik kan mij niet van de indruk ontdoen dat die bezorgdheid ook voor ons land relevant is.

Dat geldt zeker voor mijn provincie, Limburg, die zoals u weet een heel belangrijke provincie is in het hele enablementverhaal. Er is nood aan dezelfde oefening. Nederland heeft die oefening gemaakt. We weten dat Nederland vaak vooroploopt op België. Ik had van u verwacht dat wij dat eveneens zouden doen.

Ik blijf dus op mijn honger zitten wat betreft de evaluatie die we hebben gemaakt en de lessen die we kunnen trekken over de oorlogsbestendigheid van onze Belgische spoorwegen. Spelen bij ons dezelfde problemen of niet? Daarop hebt u, tenzij ik mij vergis, geen antwoord gegeven. Dat betreur ik ten zeerste.

Koen Van den Heuvel:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

Ik wil nog even focussen op de rol van de deelstaten. Ze zijn een erg belangrijke partner inzake mobiliteitsinvesteringen. Zij hebben ook budgettair, de ene deelstaat misschien wat meer dan de andere, ruimte om mee te investeren. Dat geldt ook in het kader van de uitdaging om die 5 % op termijn te realiseren.

Ik wil u daarom aanmoedigen om de lijn met de deelstaten heel kort te houden, want zij kunnen op dat vlak een heel belangrijke partner zijn en een heel belangrijke rol spelen.

Voorzitter:

Collega's, die repliek beëindigt onze vier actualiteitsdebatten. Op de agenda staat nog een hele reeks vragen, die zowel vandaag als vrijdag zullen worden behandeld. Ik breng in herinnering dat de mogelijkheid bestaat om te verwijzen naar de tekst van de vraag zoals ingediend. Het punt is dat wij op die manier snelheid kunnen maken. U hebt echter uiteraard het recht om uw vraag voluit te stellen wanneer u dat wenst.

De terugvallende inkomsten uit de Russische tegoeden en de defensie-inspanning

Gesteld door

lijst: VB Annick Ponthier

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 10 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Annick Ponthier vraagt zich af of België’s defensiefinanciering (gebaseerd op 1 miljard euro/jaar uit bevroren Russische tegoeden) houdbaar is, nu minister Van Peteghem waarschuwt voor dalende rente-inkomsten en bijkomende financieringsnoden voor de 2%-NAVO-norm; ze wijst op mogelijke defensietaks of staatsbon als alternatieven. Theo Francken ontkent plannen voor een defensietaks ("eigenaardig idee"), benadrukt dat 9,5 miljard al zonder nieuwe belastingen is gevonden en stelt dat bij wegvallende Russische inkomsten de begrotingscontrole in 2026 moet oplossen—wat Ponthier onrealistisch en traag noemt. Zij bekritiseert de vaagheid en impliciete belastingverhogingen (ondanks Franckens ontkenning) en vreest onduidelijke scenario’s voor Defensie, terwijl Francken vasthoudt aan bestaande middelen zonder extra taksen. Beide benadrukken de afhankelijkheid van onzekere Russische gelden, maar Francken mijdt concrete alternatieven, wat Ponthier als politiek risicovol bestempelt.

Annick Ponthier:

De regering rekent op aanzienlijke middelen uit de vennootschapsbelasting op de winst van de bevroren Russische tegoeden. Het merendeel, ongeveer 1 miljard euro per jaar dat reeds is toegezegd, zou gaan naar steun aan Oekraïne. Intussen heeft onder andere minister Van Peteghem bevestigd dat de rente-inkomsten die Euroclear boekt op alle tegoeden in de eerste helft van dit jaar met een kwart zouden dalen. Hij heeft ook gewaarschuwd dat er bijkomende financiering moet worden gezocht voor defensie, indien de inkomsten uit de Russische tegoeden zouden afnemen of wegvallen. Dat scenario lijkt mij op dit moment niet helemaal ondenkbaar. De inkomsten uit de Russische tegoeden maken een flink deel uit van de begrotingsmiddelen voor de structurele defensie-inspanning van 2 % in de komende jaren.

Hoe ziet u dat evolueren? Denkt u dat bijsturing nodig is op het vlak van de financiering voor de defensiemiddelen of niet? Blijft u rekenen op de Russische tegoeden, zoals ze nu worden vorgesteld? Welke eventuele bijkomende financieringsbronnen verkiest u dan? Is het scenario van minister Prévot van een defensietaks nog altijd realistisch of ziet u veeleer heil in de defensiestaatsbon, een suggestie van minister Van Peteghem van enige tijd geleden die nu enigszins naar de achtergrond is verdwenen?

Welke besparingspistes zou u eventueel voorstellen indien er inderdaad bijkomende schulden moeten worden gemaakt boven op de 2 miljard euro die nu buiten de begroting wordt gehouden?

Theo Francken:

De opbrengsten van Euroclear ten belope van ongeveer 1 miljard euro zijn nog steeds voorzien voor 2026 voor een nieuw pakket steun voor Oekraïne. Mochten de opbrengsten niet meer verzekerd zijn, dan zal de regering zich daarover moeten buigen in het kader van de begrotingscontrole in het voorjaar.

Voorzitter:

Wie beweert dat de minister niet diplomatisch kan zijn, heeft het verkeerd voor.

Annick Ponthier:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw eerlijkheid. Dat siert u. Het is op dit moment een heel onduidelijk verhaal. Ik denk dat ik daarmee niets nieuws vertel. U zegt dat de opbrengsten nog steeds voorzien zijn. We zullen zien wat de toekomst brengt. Uw antwoord is interessant. Als de begrotingscontrole van volgend jaar zo lang op zich laat wachten als die van dit jaar, dan zijn we eraan voor de moeite. Ik blijf hoe dan ook hopen op een goede uitkomst, voor alle duidelijkheid , zonder schuldopbouw en zonder belastingverhoging.

De vraag naar de defensiebelasting hebt u niet beantwoord. Dat blijft dus een reële piste, neem ik aan, om de broodnodige defensiemiddelen te verzamelen.

Ik hoop dat we in het hele verhaal geen onrealistisch scenario voorschotelen, niet aan de bevolking en zeker niet aan de mensen die actief zijn bij Defensie. Die zetten zich enorm hard in, met de beperkte middelen die er zijn. Zij hopen allemaal op bijkomende middelen en rekenen op extra investeringen. Ik hoop, samen met u, dat er een oplossing uit de bus komt.

Theo Francken:

Er is geen sprake van een defensietaks. We hebben 9,5 miljard gevonden zonder dat die taks op tafel ligt. Dus die is er niet en als het van mij afhangt, zal die er ook niet komen. Het lijkt me niet zo’n verstandig idee. Mensen weten wel dat er meer in defensie moet worden geïnvesteerd, maar een specifieke defensietaks zou eigenaardig zijn. Ik denk dat er in het federale staatsbestel nog voldoende andere mogelijkheden zijn dan de invoering van alweer een nieuwe taks.

Annick Ponthier:

Mijnheer de minister, de traagheid waarmee u uw woorden uitspreekt, is bijzonder veelzeggend. U moet alles wikken en wegen. U zegt dat als het van u afhangt, er geen defensietaks komt. Ik moet u echter teleurstellen, niet alles hangt van u af in de regering. We zullen dus zien wat de toekomst brengt. U stelt dat er al vele miljarden gevonden zijn zonder defensietaks en dat het nu ook wel zal lukken. U mag het dan misschien niet defensietaks noemen, er zijn wel veel andere taksen ingevoerd of voorgesteld om aan die 9,5 miljard te komen. Daarover moet u toch ook niet flauw doen. Nogmaals, we zullen zien. U zegt dat u zult bekijken wat de toekomst brengt en eventueel via de begrotingscontrole zult bijsturen. Ik wens u veel succes. Ik denk echter dat we op dit moment in een heel onduidelijk en duister scenario zitten.

De verdubbeling van het personeelsbestand bij Defensie

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 10 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Volgens Kjell Vander Elst ontbreekt nog duidelijkheid over prioritaire profielen (zoals STEM, cyberdefensie en medisch personeel) in Defensies verdubbelingsplan, en vraagt hij hoe de sector kan concurreren met de privésector bij de werving op een krappe arbeidsmarkt. Minister Theo Francken bevestigt dat er geen expliciete prioriteiten zijn, maar wel extra aandacht voor knelpuntberoepen, met concrete uitbreidingsplannen (o.a. nieuwe campussen in Doornik en Brugge) en een doelstelling van 4.810 aanwervingen in 2026, gebaseerd op simulaties. Francken wijst op herziene opleidingen (meer praktijk, focus op actuele dreigingen zoals drones) en modernisering van medische geschiktheidscriteria—die Vander Elst juicht toe als een noodzakelijke update van "verouderde" normen, maar die nog parlementaire goedkeuring vereisen. Beide benadrukken de urgentie van flexibelere wervingsvoorwaarden (bv. leeftijd reservisten) om de ambitieuze groeidoelstellingen te halen.

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de minister, mijn vraag is enigszins gedateerd. Ze dateert van 8 september 2025, en intussen heb ik al iets meer informatie gekregen over hoe u de uitbreiding van het personeelsbestand ziet, via de verschillende plannen.

Toch heb ik nog een aantal specifieke vragen.

Welke specifieke profielen zijn prioritair in het verdubbelingstraject? Bij defensie zijn er immers heel wat verschillende functies. Ik denk bijvoorbeeld aan technisch personeel, cyberdefensie en medische profielen. Wordt er werk gemaakt van het gerichter aantrekken van STEM-profielen in de komende jaren? Hoe wil defensie concurreren met de privésector om die profielen aan te trekken, gezien de krapte op de arbeidsmarkt?

Theo Francken:

Zoals duidelijk gesteld in de Strategische Visie, zal defensie haar personeelsbestand aanzienlijk moeten versterken om de opschaling van haar operationele capaciteiten te waarborgen. Momenteel bereiden de defensiestaf, met de Algemene Directie Human Resources (DG HR) en het Commando der Scholen op kop, de uitbreiding van de wervingscapaciteit voor alle personeelscategorieën voor. Voor de opleiding van onderofficieren komt er zelfs een tweede campus in Doornik. Voor de vrijwilligers komt er vanaf de eerste helft van 2026 een extra regionaal vormingscentrum in Brugge en vanaf de tweede helft van 2026 eveneens in Burcht.

In 2026 zouden volgens planning 2.800 militairen van het actief kader, 1.050 reservisten en 960 burgers aangeworven worden. Het groeipad tot en met 2034 staat gedetailleerd in de Strategische Visie. De keuze van te werven profielen en de aantallen zijn gebaseerd op simulaties van de evolutie van het personeelsbestand. Er zijn geen uitgesproken prioriteiten in de werving van bepaalde populaties of hun aantallen, maar uiteraard is er speciale aandacht voor knelpuntberoepen zoals medisch en technisch personeel.

De aantrekkelijkheid van het beroep begint bij een opleiding van hoog niveau. De militaire basisopleiding werd in 2024-2025 grondig herzien, met een focus op kwaliteitsverbetering door progressiviteit en meer praktijkgerichte training. Daarnaast zijn concepten heringevoerd die verband houden met de huidige geopolitieke context, zoals tactical combat , casualty care en dronedreigingsbewustzijn.

Naast een grondige herziening worden meer beperkte aanpassingen van het leerplan opgenomen in de jaarlijkse leerplancommissie. Een werkgroep met als opdracht het uitvoeren van een studie rond de herziening van de medische geschiktheidscriteria bij aanwerving heeft zijn werkzaamheden afgerond. Die voorstellen worden momenteel voorgelegd aan de medische overheid van defensie. Nadien zal de herziening geconsolideerd worden via wet- en regelgevende initiatieven.

De evolutie van de inschrijvingen wordt permanent gemonitord. Als we de rekruteringsdoelstellingen niet halen, zal worden nagegaan of de afsluitdatum voor de inschrijvingen kan worden verlengd.

Ook de leeftijd voor de reservisten wil ik absoluut aanpassen, maar ik roep de Kamer op om die materie eens onder de loep te nemen.

Voorzitter:

Mijnheer de minister, we willen die handschoen opnemen.

Kjell Vander Elst:

Dank u, mijnheer de minister. Heb ik het goed verstaan dat de medische geschiktheidscriteria onder de loep zijn genomen om die wat te moderniseren en dat dit binnenkort naar het Parlement zal komen, om die aanpassingen door te voeren? Dat is een zeer goede zaak. Ik zal de voorbeelden niet opnieuw geven. U hebt er ook al gegeven. Bepaalde mensen worden afgekeurd omwille van absurde redenen. Het zou goed zijn als die zaken eruit kunnen, zodat we specifieke profielen kunnen aanwerven zonder dat die geblokkeerd worden omwille van medische redenen die uit de vorige eeuw dateren. Ik kijk dus uit naar dat project wanneer het naar het Parlement komt.

De Koninklijke Militaire School
De militaire vorming en de attritie
De Koninklijke Militaire School
Militaire opleiding, vorming en attritie aan de KMS

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 10 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Christophe Lacroix en Annick Ponthier kritiseren de hoge uitvalcijfers bij Defensie, vooral aan de Koninklijke Militaire School (KMS/ERM), en wijzen op structurele tekortkomingen zoals starre pedagogiek, gebrek aan erkenning van verworven competenties, ontoereikende begeleiding en mogelijk discriminerende evaluatiemethoden (bv. redoublement, definitieve uitsluiting). Zij vragen om flexibilisering, benchmarking met Europese normen en een diepgaande studie naar oorzaken en oplossingen, zonder de kwaliteitslat te verlagen. Minister Theo Francken benadrukt dat de KMS wel individuele begeleiding biedt (via pedagogische cellen en psychologen), continue evaluatie toepast (o.a. via studentenquêtes en accreditatie tot 2027) en geen creditoverdracht toestaat omwille van de geïntegreerde vierpijleraanpak (academisch, militair, fysiek, karakter). Een werkgroep herziet weliswaar wervingscriteria (bv. leeftijdsgrens) om de instroom te verbreden, maar een specifieke studie naar uitvaloorzaken is (nog) niet gepland – enkel permanente evaluatie binnen bestaande processen. Ponthier betreurt dit gebrek aan diepgaand onderzoek.

Christophe Lacroix:

Monsieur le Ministre,

La Défense belge s'est engagée depuis la précédente législature dans une dynamique de renforcement de ses capacités humaines. Cette ambition s'accompagne d'un effort soutenu en matière de recrutement, notamment auprès des jeunes. Toutefois, les taux d'abandon en formation, particulièrement élevés, compromettent sérieusement la réalisation de ces objectifs.

Le nombre élevé d'abandons en formation, bien que régulièrement expliqué par les difficultés d'adaptation des jeunes à la discipline militaire, ne saurait être attribué uniquement à ces derniers. D'autres facteurs doivent être pris en compte, notamment la rigidité des dispositifs pédagogiques, le manque de flexibilité dans la reconnaissance des acquis, et l'insuffisance de l'accompagnement individualisé. Ces éléments structurels peuvent accentuer les inégalités et décourager des profils pourtant prometteurs, contribuant ainsi à une perte de potentiel humain pour la Défense.

Parmi les institutions concernées par les abandons, l'École Royale Militaire (ERM) occupe une place centrale. Seule université bilingue et fédérale du pays, elle propose une formation exigeante, combinant cursus académique, préparation militaire, développement physique et formation caractérielle. Or, plusieurs éléments de son organisation pédagogique soulèvent parfois des interrogations quant à leur compatibilité avec les standards européens et leur impact potentiellement discriminant sur les étudiants : politique de redoublement, exclusion définitive ou encore pondération des évaluations.

Monsieur le Ministre,

Avez-vous déjà envisagé une évaluation de la stratégie pédagogique de l'ERM incluant une évaluation systématique des processus d'enseignement, de suivi et d'évaluation ?

Quelles mesures sont prévues pour garantir une meilleure équité dans les parcours de formation, notamment en matière de report de crédits, de redoublement et de reconnaissance des compétences non académiques ?

Une évaluation des pratiques de l'ERM avec les standards européens, tout en respectant les spécificités de la formation militaire est-elle prévue ?

Enfin, quelles actions concrètes seront mises en œuvre pour réduire le taux d'abandon, en renforçant l'accompagnement pédagogique et en valorisant les dimensions humaines et opérationnelles de la formation ?

Je vous remercie d'avance pour vos réponses.

Annick Ponthier:

Mijnheer de minister, voor de inleiding verwijs ik naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

Het Belgische leger kampt al geruime tijd met personeelstekorten, en de jongste legislaturen werd dan ook ingezet op versterking van de menselijke capaciteit binnen Defensie. De rekruteringsinspanningen, vooral gericht op jongeren, zijn in dat opzicht toe te juichen. Tegelijk stellen we echter vast dat het hoge aantal uitvallers tijdens de vorming een ernstige rem zet op de realisatie van deze ambities.

Hoewel men vaak wijst op de aanpassingsmoeilijkheden van jongeren aan de militaire discipline, mogen we de oorzaken niet uitsluitend bij hen leggen. Ook factoren binnen de vorming zelf verdienen kritische aandacht. Denk aan een gebrek aan erkenning van eerder verworven competenties, of het ontoereikende individuele begeleidingstraject. Al te stringente medische vereisten, zoals in het verleden vaak in de luchtcomponent voor piloten golden, zorgden soms voor een verlies van talent. Zulke elementen kunnen ontmoedigen en zelfs leiden tot vroegtijdige uitval. Toch moeten we uiterst behoed zijn voor alle mogelijke latverlaging. Het kan nooit de bedoeling zijn om de kwaliteit van de instroom ondergeschikt te maken aan de kwaliteit.

De rol van de Koninklijke Militaire School (KMS) is in deze context van bijzonder belang. De KMS combineert een academisch traject met fysieke, militaire en karaktervorming. Bij het vormen van rekruten speelt deze universiteit dus een belangrijke rol en mogelijks kan zij ook een helder beeld krijgen van de attritie, in al zijn vormen, en misschien meedenken richting een betere aanpak hiervan.

Welke maatregelen neemt u om de militaire vorming te flexibiliseren, met betrekking tot verworven competenties, individuele trajecten en medische voorwaarden?

Welke maatregelen neemt u tegelijkertijd om te vermijden dat wat de fysieke en cognitieve vereisten betreft de lat wordt verlaagd?

Is een benchmarking van de opleidingen aan de Koninklijke Militaire School met Europese normen inzake militaire academische vorming gepland, waarbij rekening wordt gehouden met het specifieke karakter van militaire opleidingen?

Ten slotte, hebt u al een studie besteld of is er bij de Koninklijke Militaire School een studie in voorbereiding over de oorzaken van en de remedies tegen de hoge uitval tijdens de militaire kandidatuur en de loopbaanattritie, die verondersteld wordt toe te nemen door de pensioenhervorming, ook al ontkent u dat?

Theo Francken:

L'École Royale Militaire (ERM) est une université militaire de taille relativement modeste, ce qui garantit une approche personnelle et un contact étroit entre le personnel enseignant et les élèves. Un suivi et un encadrement individuel tout au long de l'année sont garantis. Une cellule de guidance constituée de pédagogues et de psychologues est à la disposition des élèves.

Une évaluation permanente de la stratégie pédagogique fait partie du processus de l'ERM. Citons par exemple l'évaluation de l'enseignement par le biais de questionnaires complétés par les élèves, une équipe pédagogique au profit du personnel enseignant, ou encore une commission d'enseignement et de pédagogie veillant au maintien de la qualité de l'enseignement.

L'ERM est une institution militaire chargée de former de futurs officiers, des leaders. La formation à l'ERM est basée sur l'apprentissage intégré de quatre piliers, à savoir l'académique, le militaire, le physique et le caractère. Cette approche intégrée et transversale, qui est la clé du succès de la formation solide de nos officiers, nécessite une évaluation globale et ne permet pas le report de crédits. Toutefois, les élèves en échec sont évalués par une commission de délibération qui prend en considération les résultats dans les quatre piliers et qui peut décider de la réussite, de l'ajournement ou de l'échec définitif de l'élève, mais qui peut également lui donner la possibilité de repasser un ou plusieurs examens. À titre exceptionnel, un examen peut être passé jusqu'à quatre fois.

De KMS is overeenkomstig de wet gemachtigd om onder andere diploma's van bachelor en master in de Ingenieurswetenschappen of in de Sociale en Militaire Wetenschappen toe te kennen. Ze is geaccrediteerd en geëvalueerd door onafhankelijke instanties volgens de Europese normen. De huidige accreditatie is geldig tot 2027. Ze is momenteel in hernieuwing.

Een benchmarking met andere militaire academies gebeurt op indirecte wijze doorheen de permanente evaluatie van de mogelijkheden tot uitwisseling van leerlingen, meer bepaald in het kader van Emylio, de militaire tegenhanger van Erasmus.

L'ERM accorde énormément d'importance au bien-être et à la réussite des élèves. Afin de maximiser les chances de réussite de ceux-ci, plusieurs outils sont utilisés et mis à leur disposition.

Voor het functionaliseren van de voorwaarden om militair te worden, is bij de Defensiestaf een werkgroep opgericht om daarin de aanwervingscriteria te herzien. Na de validering van de resultaten van de werkgroep zullen de statutaire teksten worden aangepast.

Het doel van de herziening is de wervingsvijver te verbreden en ervaren en zelfs oudere profielen aan te moedigen dienst te nemen bij Defensie. Daarover hebben wij het al gehad bij de vraag van Kjell Vander Elst. Dat gaat over de leeftijdsgrens van inlijving, die naar boven wordt bijgesteld.

Christophe Lacroix:

Je remercie le ministre pour la qualité de ses réponses.

Annick Ponthier:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Als ik het goed begrepen heb, buigt een werkgroep zich momenteel over een herziening van de wervingsvoorwaarden. We zullen daar te gepasten tijde op terugkomen.

Het is belangrijk dat er aandacht gaat naar de specifieke opleiding en alle onderdelen daarvan: er is nood aan een academisch traject, gecombineerd met fysieke en militaire vorming en met karaktervorming, zodat het resultaat een correct gevormde militair, zonder dat de lat wordt verlaagd. Ik denk dat u daar zelf ook in het verleden altijd voor hebt gewaarschuwd, terecht, en wij doen dat hier opnieuw.

De studie waarnaar ik vroeg, is nog niet uitgevoerd of besteld, of komt die toe aan de werkgroep?

Theo Francken:

(…) Permanente evaluatie.

De openstaande betrekking bij de Algemene Inspectie van Defensie
De openstaande betrekking bij de Algemene Inspectie van Defensie
Vacatures bij de Algemene Inspectie van Defensie

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 10 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Christophe Lacroix bekritiseert dat de leiding van de Inspection Générale de la Défense (IG) – cruciaal voor fraudebestrijding, integriteit en klokkenluidersbescherming – al lang vacaat en vraagt waarom het laatste Comité Officiers Généraux geen opvolger benoemde ondanks meerdere kandidaten. Minister Theo Francken benadrukt het belang van de IG, maar stelt dat de benoeming uitbleef omdat men "de juiste kandidaat" zoekt en belooft een beslissing in 2024; intussen waarnemt de adjunct ad interim. Lacroix uit ontevredenheid over het gebrek aan transparantie en kondigt verdere parlementaire vragen aan, maar erkent Franckens bewering dat de functie "primordiaal" is.

Christophe Lacroix:

Monsieur le Ministre,

L'Inspection Générale de la Défense joue un rôle central au sein du département notamment pour lutter contre la fraude et les irrégularités qui vont à l'encontre des valeurs de la Défense.

L'IG est également un point central pour signaler les atteintes à l'intégrité et protéger les lanceurs d'alerte.

Nous apprenons cependant que la direction de l'IG ne sera pas remplacée et ne semble absolument plus être une priorité.

Monsieur le Ministre,

Pouvez-vous m'indiquer ce qu'il en est concernant le rôle de l'Inspection Générale et l'importance que vous y attribuez ?

Comment expliquez-vous la vacance à sa tête au regard des missions essentielles de celle-ci ?

Pourquoi une décision n'a-t-elle pas été prise lors du dernier Comité « officiers généraux » alors que plusieurs candidats étaient semble-t-il en lice ? Quand aura lieu le futur Comité et comptez-vous à cette occasion prendre une décision permettant à l'IG d'être pleinement opérationnelle ?

Je vous remercie d'avance pour vos réponses.

Theo Francken:

L’Inspection générale formule des recommandations visant à améliorer le fonctionnement structurel du ministère de la Défense. À cette fin, elle effectue des visites de travail auprès des unités et garnisons et sur le théâtre d’entraînements et d’opérations internationaux.

J'attache une importance toute particulière à cette fonction. Cependant, il n'a pas été possible de désigner un successeur lors du dernier comité. Cette fonction étant importante, il est nécessaire de trouver le bon candidat.

Actuellement, c'est l'adjoint IG qui a été désigné ad interim . Un prochain comité des généraux devrait être organisé dans le courant de l'année prochaine.

Er komt dus een nieuwe inspecteur-generaal Aangezien de vorige stopte na de recentste bijeenkomst van het comité konden we dat niet meer geregeld krijgen. Dat is dus voor volgend jaar.

Christophe Lacroix:

Merci pour votre réponse, monsieur le ministre, mais elle est évidemment très brève. On touche ici à des personnes. J'aurais voulu avoir davantage de précisions sur la raison pour laquelle le dernier Comité Officiers Généraux, malgré la diversité des candidats en lice, n'a pas été en mesure de déterminer un successeur ou du moins désigner quelqu'un, et a donc décidé de pourvoir à une personne ad interim pour un rôle aussi important que celui d'inspecteur général. Je demanderai des réponses à ce sujet soit via une question écrite soit via une question dans un mode à huis clos, peut-être à l'occasion d'une commission qui le permettrait. Je ne m'avance donc pas au-delà, mais je note tout de même que le ministre soutient que la fonction d'inspecteur général est une fonction primordiale au sein de la Défense et qu'il s'attache à pourvoir à la désignation du ou de la candidat(e) le ou la plus à même de remplir cette mission.

Het Cyber Command
De cyberaanval op verschillende Belgische websites
Cyberveiligheid en digitale dreigingen in België

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 10 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Kristien Verbelen bekritiseert dat de cyberaanval op Brussels Airport de kwetsbaarheid van België blootlegt en vraagt of Cyber Command al een volwaardige, autonome militaire component is, met nadruk op technologische soevereiniteit om afhankelijkheid van buitenlandse leveranciers te verminderen. Minister Theo Francken bevestigt dat Cyber Command operationeel is met 30% meer personeel en tools, maar benadrukt dat volle autonomie onhaalbaar is; hij wijst op samenwerking (CCB, OCAD) en initiatieven zoals CMiB4DEF voor lokale technologische ontwikkeling, terwijl hij DDoS-aanvallen bagatelliseert als tijdelijke overlast. Verbelen blijft kritisch: Cyber Command moet niet enkel verdedigen maar ook afschrikken, met eigen expertise en middelen, en ziet de aanval als een kantelpunt voor strengere digitale defensie. Francken stelt dat samenwerking en gedeeltelijke autonomie centraal staan, maar volle onafhankelijkheid van buitenlandse tech "onmogelijk" is.

Kristien Verbelen:

Mijnheer de minister, de intussen niet meer zo recente cyberaanval op Brussels Airport heeft pijnlijk blootgelegd hoe kwetsbaar we blijven voor digitale dreigingen. Defensie werd misschien niet rechtstreeks getroffen, maar het gaat om een duidelijk signaalmoment. We kunnen uit die aanval mogelijk lessen trekken. We weten uiteraard dat wij met de NAVO, de SHAPE en andere Europese instellingen een aantrekkelijk doelwit binnen Europa zijn. In dat licht hoor ik graag hoe ver we staan met de uitbouw van Cyber Command. Is dat reeds een volwaardige militaire component, met middelen en autonomie, of bevindt Cyber Command zich nog in volle ontwikkeling?

De aanval op Zaventem toont aan dat de samenwerking tussen Defensie, de inlichtingendiensten, het OCAD en het CCB geen vrijblijvende oefening is, maar een dagelijkse realiteit moet zijn. Cyberveiligheid is vandaag even cruciaal als fysieke paraatheid. Ik wil daarom graag vernemen hoe u ervoor zorgt dat we als land niet afhankelijk worden van buitenlandse softwareleveranciers, maar dat we stap voor stap onze technologische soevereiniteit versterken, zodat we in crisismomenten niet afhankelijk zijn van de goodwill van anderen.

Theo Francken:

Uit veiligheidsoverwegingen wordt geen gedetailleerde informatie over de personeelsbezetting verstrekt, maar in twee jaar tijd is die met 30% gestegen. Veel tools zijn in werking gesteld, waardoor de voorzichtig geplande groeicurve sneller kon worden verhoogd. De middelen van het Cyber Command zijn operationeel. De technologische ontwikkelingen staan echter niet stil, net zomin als de inventiviteit van onze tegenstanders. Het doel is om in alle domeinen te groeien en de focus te leggen op specialisatie in enkele subdomeinen.

Het Cyber Command heeft de cyberaanval op Brussels Airport nauwlettend gevolgd. Het Centrum voor Cybersecurity België (CCB) stond in de eerste lijn en heeft het incident afgehandeld.

La coopération entre les différents services concernés est prévue dans le plan d'urgence Cyber. Ce plan fonctionne bien. Mes services sont correctement informés de façon à ce que chacun puisse jouer son rôle. Les informations circulent en permanence entre les services concernés.

La résilience civile et la protection des infrastructures critiques relèvent de la compétence du ministre de l'Intérieur et des secteurs concernés.

Via het partnerschap met Agoria, Cyber Made in Belgium for Defence (CMiB4DEF), wordt er gestreefd naar het versterken van de Belgische technologische autonomie via het DIRS-mechanisme. Ook organiseren wij economische zendingen om een transfer of technology naar België te faciliteren. Het is echter onmogelijk om zonder buitenlandse leveranciers een technologische voorsprong en relevantie te behouden.

Nous pouvons confirmer que le site sgrs.be a été indisponible pendant quelques heures à la suite d'une attaque DDoS, sans aucun impact opérationnel. Il ne s'agissait pas d'une intrusion informatique, mais d'une surcharge des serveurs qui provoque l'indisponibilité temporaire du site. L'effet d'un DDoS doit d'ailleurs être nuancé. Il s'agit surtout d'un désagrément ponctuel, dont l'impact reste limité à la durée de l'attaque, sans conséquence durable sur la disponibilité du service. Par ailleurs, la publicité donnée à ce type d'incident entraîne très souvent une multiplication d'attaques similaires, raison pour laquelle certains pays, comme les États baltes, ont adopté une politique consistant à ne pas communiquer publiquement sur ces événements afin d'éviter un effet d'entraînement.

Nous travaillons en étroite collaboration avec les services du Centre pour la Cybersécurité Belgique (CCB) et nous avons réussi à relancer le site concerné par nos propres moyens. Après l'attaque DDoS, le site web a également été remis en service.

Voorzitter:

Mijnheer de minister, de heer Cornillie is niet aanwezig, dus u hoefde niet te antwoorden op zijn vraag, maar het is toch vriendelijk van u.

Kristien Verbelen:

Mijnheer de minister, het is goed te vernemen dat er vooruitgang is geboekt, maar de strijd om de digitale weerbaarheid is volgens mij nog maar begonnen. Cyberveiligheid mag niet zomaar een extra bevoegdheid zijn, het is een essentieel onderdeel. We hebben nood aan een Cyber Command dat niet alleen maar beschermt, maar ook kan afschrikken, met eigen kennis en eigen mensen en met – in de mate van het mogelijke – maximale autonomie. We moeten vermijden dat onze veiligheid afhangt van buitenlandse software. Ik hoop dat dit geen geïsoleerd voorval is waarnaar we alleen maar kunnen kijken, maar dat het een voorval is waaruit we lessen kunnen trekken voor onze cyberveiligheid en dat misschien een kantelpunt kan zijn voor onze digitale defensie.

De ingebrekestelling door VSOA-Defensie
Het sociale klimaat bij Defensie
Het sociale klimaat bij Defensie
Het sociaal overleg bij Defensie
De sociale dialoog bij Defensie
Sociale aspecten en overleg binnen Defensie

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 10 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Francken (N-VA) weigert het sociaal akkoord voor Defensie verder aan te passen, ondanks ingebrekestellingen van vakbonden (o.a. VSOA-Defensie) die eisen dat elk gewerkt uur vergoed wordt, pensioenrechten gerespecteerd (kritiek op 11 jaar langer werken door hervorming Jambon) en betere arbeidsvoorwaarden komen voor militairen in politie-ondersteunende taken (nu zonder bevoegdheid/opleiding). Hij verdedigt het akkoord als "de grootste personeelsinvestering in 30 jaar" en wijst budgettaire beperkingen (o.a. STAR-plan) als reden voor weigering van extra eisen, zoals inkanteling van premies in pensioen (geblokkeerd door Jambon om precedenten te vermijden). Kritiek van oppositie (Ponthier, Lacroix): het akkoord is ondermijnd door de pensioenhervorming, oneerlijk (slechts 20/24u vergoed, nachtarbeid niet erkend) en miskent het militaire beroep (fysieke/mentale offers, lagere verloning vs. politie/brandweer). Zij eisen heronderhandelingen en garanties op uitvoering, maar Francken sluit verdere gesprekken uit en ontkent structurele tekortkomingen, met als argument dat "de meeste militairen tevreden zijn" en ACMP (grootste bond) akkoord ging. Territoriale reserve (operationeel vanaf eind 2026) en wettelijk kader voor binnenlandse inzet (via Defensiecodex) zijn in voorbereiding, maar concrete antwoorden op vergoedingen/opleidingen voor straatpatrouilles blijven vaag.

Annick Ponthier:

Mijnheer de minister, mijn vraag gaat niet zozeer over het sociaal overleg als dusdanig, maar wel over de ingebrekestelling door de eigen militairen, althans door hun vertegenwoordigers, met name legervakbond VSOA-Defensie. Mijnheer de minister, u bent niet snel onder de indruk, maar dat is toch wel merkwaardig te noemen. De vakbond stelt u in gebreke, omdat men waardig werk en een vergoeding voor elk uur dat militairen in dienst zijn – dat stemt niet overeen met de in het voorstel tot sociaal akkoord opgenomen aantal uren -, eist. Dat lijkt niet meer dan logisch. We vragen tenslotte heel veel van onze militairen, vooral in de sterk veranderende veiligheidscontext van vandaag. Denken we maar aan het feit dat militairen op straat moeten patrouilleren om in Brussel bijvoorbeeld de politie bij te staan in haar strijd tegen het drugsgeweld, terwijl dat overigens tot nader order nog altijd zonder enige bevoegdheid, zonder aangepaste opleiding en zonder correcte vergoeding gebeurt.

Bovendien wordt er volgens VSOA-Defensie door de nakende pensioenhervorming contractbreuk gepleegd. Jarenlang heeft men militairen de vroege pensioenleeftijd voorgehouden als compensatie en erkenning voor de unieke fysieke en mentale offers die ze brengen. In het voorstel tot sociaal akkoord wordt een en ander nu volgens VSOA-Defensie uit balans getrokken.

Hoe reageert u op de ingebrekestelling door de militaire vakbond VSOA? Heroverweegt u op dit moment nog de invulling van het sociaal akkoord? Vorige week vond een hoorzitting in onze commissie plaats. Er werd van u verlangd om een en ander te herbekijken en opnieuw met hen in gesprek te gaan. Wanneer ziet u dat gebeuren en wanneer ziet u de onderhandelingen over het sociaal akkoord definitief landen?

Voorziet u op dit moment in opleidingen en vergoedingen voor militairen die u wilt inzetten in gemengde patrouilles met de politie? Op basis van welke wettelijke bepaling kunnen zij dat soort taken uitvoeren? U bent bezig met een plan daaromtrent of met een wetsontwerp. Wanneer kunnen we dat verwachten?

Wanneer wordt de eerder aangekondigde territoriale reservemacht daadwerkelijk operationeel? Bent u op dit moment bereid te overwegen om geen reguliere militairen meer in te zetten voor binnenlandse politietaken, maar om eventueel werk te maken van een aangepaste, gespecialiseerde structuur, bijvoorbeeld de territoriale reserve of, zoals het Vlaams Belang voorstelt, een Vlaams veiligheidskorps?

Christophe Lacroix:

Monsieur le président, je renvoie à la version écrite de ma question.

Monsieur le Ministre,

Le moindre que l'on puisse dire est que le climat social à la Défense est explosif.

Votre plan social « à prendre ou à laisser » laisse perplexe les partenaires sociaux : aucune garantie de la part du gouvernement, un Ministre des Pensions qui remet en cause vos dires sur l'âge effectif de départ à la retraite et des missions militaires toujours plus dévoyées. Vous ne les verrez plus avant mi-octobre alors que la situation sociale au sein de votre département est catastrophique et laisse des milliers de militaires dans l'inconnue.

Dans un courrier adressé aux députés fédéraux, CSC, CGSP et SLFP ont dénoncé que votre plan social ne prévoyait rien en matière de pension. Ils nous disent être face à un « mur » et réclament un volet complémentaire sur les pensions ainsi que des mesures transitoires et d'atténuation pour les militaires concernés. « Des milliards supplémentaires sont investis dans le département de la Défense, mais tout est consacré au matériel. Le personnel est oublié, il n'y a pas d'équilibre » peut-on ainsi lire.

Cela confirme que vous êtes plus le Ministre de l'armement que de l'armée.

Dernière évolution, le SLFP vous a adressé une mise en demeure au sujet des rémunérations des militaires.

Monsieur le Ministre,

Comment réagissez-vous aux demandes des syndicats militaires ?

Quelles initiatives concrètes et selon quel agenda allez-vous prendre pour répondre à leurs revendications ? Selon quel agenda ?

Quand allez-vous faire toute la lumière sur l'allongement de plus de dix ans de la carrière des militaires alors que votre collègue Jambon ne répond pas à nos questions ni à celles des syndicats ?

Je vous remercie d'avance pour vos réponses.

Axel Weydts:

Mijnheer de minister, we hebben nog niet zo lang geleden inderdaad heel boeiende hoorzittingen gehad met de vakorganisaties. Die waren op veel vlakken een eyeopener, als ik dat naast de gesprekken leg die ik vaak voer met militairen. Ik zal niet te veel in detail treden.

Ik vraag mij echter af hoe het nu verder moet. Wat is de volgende stap? Ziet u een mogelijkheid voor nog meer aanpassingen aan wat nu voorligt? Voor alle duidelijkheid, ik vind wat nu voorligt, een enorme verbetering. Dat hebben alle vakorganisaties ook moeten erkennen. Voor de ene vakorganisatie was het nog niet voldoende en de anderen gingen ervan uit dat het voorgelegde voorstel op dit moment het meest haalbare was.

Laat dat ook mijn boodschap aan de vakorganisaties en de militairen zijn. Wie zegt dat het een eindpunt is of hoeft te zijn wat de verbetering van het statuut van onze militairen betreft? In de vorige legislatuur hebben de plannen van minister De Donder ervoor gezorgd dat de reguliere verloning van onze militairen eindelijk op een waardig niveau is gebracht. We hebben nu een sociaal akkoord dat ervoor zorgt dat de vele uren waar onze militairen ingezet worden, worden gecompenseerd. Wie zegt dat er in een volgende legislatuur of in volgende akkoorden niet nog een verbetering kan komen?

Mijnheer de minister, kortom, wat is het vervolg? Zit hier nog iets in dat de andere vakorganisaties ervan kan overtuigen om mee te tekenen? Of denkt u dat het bij het voorgestelde akkoord moet blijven en dat u straks met uw plan zult komen? Dat plan is weliswaar slechts door een van de vakorganisaties ondertekend, maar het gaat wel om de grootste met de meeste leden, zoals de heer Huwart van de militaire vakbond ACMP hier heeft gezegd. Hoe ziet u het?

Stéphane Lasseaux:

Monsieur le ministre, la semaine dernière, nous avons auditionné les syndicats de la Défense au sein de cette commission, c'est-à-dire le syndicat qui a accepté votre proposition d'accord de juillet et ceux qui ne l'ont pas accepté – du moins pas encore.

On peut retenir que tous reconnaissent des avancées importantes dans ce que vous proposez et mon groupe politique le reconnaît également et vous soutient. C'est pour cela que l'important syndicat CGMP l'a signé.

Néanmoins, il faut pouvoir entendre les demandes et les inquiétudes des autres syndicats. Ainsi, dans l'accord, il y a au moins deux points où vous vous engagez à plaider une amélioration de la situation au sein du gouvernement.

En effet, les mesures portant sur la bonification et celles portant sur la revalorisation de la rémunération liée à la fin de la péréquation demandent l'accord du ministre des Pensions. Monsieur le ministre, chez les Engagés nous ne doutons pas de votre ferme volonté d'améliorer la situation des militaires. Néanmoins, nous sommes inquiets car il ne semble pas que votre plaidoyer auprès du ministre des Pensions semble suivi d'effets positifs.

Dès lors, pourriez-vous nous dire où en est ce plaidoyer? En cas d'échec, quelles autres mesures compensatoires pourraient être envisagées? Allez-vous vous réunir à nouveau avec les syndicats pour en discuter? Que proposez-vous comme autres mesures pour tenter de faire signer le projet d'accord par les autres organisations syndicales?

Theo Francken:

Ik zal aan dat sociaal akkoord niets meer wijzigen. No way. De vakbonden zullen hun ei moeten leggen.

Ik heb hen gevraagd, op 25 juli, of ze wilden ondertekenen. Dat was na een hele lange sessie. Het Parlement was toen al in reces. Ik wou op vakantie vertrekken, zoals iedereen, want het was een heel zwaar jaar geweest. Ik wilde absoluut nog dat sociaal akkoord onderhandelen. We hebben daar ongelooflijk veel tijd en energie in gestoken. Heel mijn kabinet trouwens, en ook de vakorganisaties. We hebben daar gedurende uren bilaterale vergaderingen gehouden. We hebben gepraat en geluisterd. Ik dacht dat we er eigenlijk wel waren. Er is toen gezegd dat de vakbonden statutair nog geen groen licht mochten geven, dat ze echt hun achterban nog moesten raadplegen. Toen ze zeiden dat ze niet akkoord konden gaan, kwam dat wel binnen. De ACMP heeft zich wel akkoord verklaard.

Ik meen dat er op dat moment heel veel onduidelijkheid was en er waren heel veel vragen. Begin september zijn ze begonnen met een tool waarmee elke militair individueel kan berekenen wat de facto zijn pensioenleeftijd zal zijn en wat dat de facto betekent voor zijn loon, voor de opspremies enzovoort. We hebben toen informatiesessies georganiseerd in een tiental militaire kwartieren. Daar kwam altijd heel veel volk naartoe. Die hebben enorm veel van de wrevel, de onzekerheid en de stress weggenomen bij onze militairen. Nu is het relatief kalm. Ik meen dat het redelijk goed verlopen is.

In de jongste versie van de pensioenteksten was er nog één discussiepunt.

Un des points, monsieur Lasseaux, concernait le "plus un".

Het contingent van 1971 moest twee jaar langer werken, maar dat wordt één jaar. Jan Jambon heeft dit willen overnemen. Zij zullen dus niet onmiddellijk twee jaar langer moeten werken. Voor de mensen van 1971 - ik moet dit nog dubbelchecken - gaat het dus om één jaar langer werken. Voor de mensen van 1972 is dat twee jaar. Zo wordt dit dus toegepast: De mensen van 1971 moeten dus niet meteen twee jaar langer werken.

We bekijken nog heel wat modaliteiten. Maandagavond had ik nog een lange briefing over hoe de uithuispremie exact moet worden berekend en hoe we dat gaan aanpakken. Dit zijn concrete en belangrijke punten voor het personeel, maar ook vrij technisch.

Dan hadden we op 19 oktober ook nog een vergadering. Ik vroeg me af of men nu zou tekenen of niet, maar het was eigenlijk een heel vreemde vergadering, waarbij zij gewoon nog een aantal eisen hebben gesteld, maar er werd geen duidelijke conclusie bereikt. Ik had verwacht dat men finaal zou zeggen dat men niet mee doet. Dat is echter niet uitgesproken. Ze zijn niet vertrokken, ze bleven gewoon zitten, wat de vergadering nog constructief maakte.

Zij hebben nog wel grote vragen, bijvoorbeeld over de premie van mevrouw Dedonder. Dat is eigenlijk een loonsverhoging, die in het kader van een premie werd toegekend. De vraag is of deze premie in het pensioen wordt meegerekend. Jan Jambon heeft hier niet aan beantwoord, ondanks dat ik en mijn kabinetschef en mijn mensen dit herhaaldelijk hebben bepleit. Uiteindelijk heeft Jan Jambon dit niet overgenomen in het finale pensioenvoorstel, uit vrees voor precedenten. Hij zei dat als deze premie in het loon wordt opgenomen, ook andere diensten zoals politie en brandweer dit zouden vragen, wat niet helemaal onterecht is. In die zin is dit een moeilijk punt voor de minister van Pensioenen.

Het blijft een vakbondseis en het wordt door iedereen gevraagd. Men vraagt ook om de premie voor hogere officieren volledig in de wedde en het pensioen op te nemen. Er zijn nog verkiezingen in 2029. We zullen nog veel memoranda van vakbonden ontvangen, die aangeven dat dit hun belangrijkste vraag voor de volgende legislatuur is.

Dit akkoord is de grootste personeelsinspanning van de afgelopen 30 jaar op het vlak van defensie, zonder discussie. Als dit akkoord niet wordt goedgekeurd, dan moet dat maar zo zijn. Ik heb er alles aan gedaan.

Valt het akkoord goed bij de militairen? Ja, absoluut. Er zullen altijd enkele mensen zijn die niet tevreden zijn. De algemene pensioenverhoging wordt door velen niet gewaardeerd. Velen zouden de leeftijd liever op 56 jaar houden, anderen zelfs op 50 of 48 jaar. Dat is echter de keuze die we hebben gemaakt. Dat is nu eenmaal een feitelijkheid en de pensioenleeftijd zal dus stelselmatig omhooggaan. De Zweedse regering heeft daarover indertijd enkele beslissingen genomen. Daarvoor zijn er nog beslissingen genomen. Nu volgen de militairen.

Zullen zij allemaal tien jaar langer moeten werken? No way. We hebben veel modaliteiten uitgewerkt. De meeste militairen zullen twee of drie jaar langer moeten werken. Er zijn er ook al heel veel die gewoon blijven werken na hun 56ste. Het is dus niet zo dat iedereen op 56 stopt.

Ik denk, eerlijk gezegd, dat we er wel zijn. Wat nu finaal moet gebeuren, is een goede vraag. De finale teksten van het pensioenakkoord zijn bijna volledig. Op basis daarvan verwacht ik een antwoord van de vakorganisaties: ondertekenen ze mee of niet?

Er was nog een vraag over de maaltijdcheques. Als men nu een continue dienst van 24 uur doet, ontvangt men maar één maaltijdcheque, wat niet volledig eerlijk is. Dat wordt aangepast. Daar ga ik op in. Dat was een vraag van de vakorganisaties.

Dat geldt ook voor het plus-één systeem. Daar gaat minister Jambon op in.

Tot slot was er een vraag naar de inkanteling van premies in het loon en volledig in het pensioen. Daar wordt niet op ingegaan. Er blijft dus eigenlijk nog één openstaand punt. Het is een belangrijke eis, maar leg het memorandum van de vakorganisaties dat we voor de verkiezingen ontvingen hiernaast. Het is indrukwekkend wat ze hebben binnengehaald.

Dan blokkeren ze het vanwege één punt dat ze niet hebben binnengehaald, om vervolgens te zeggen dat het op niets trekt. Ik vind persoonlijk dat sommigen het defensieberoep op een heel negatieve manier afschilderen. Het lijkt alsof het de ergste job ter wereld is. Ik heb het vanochtend al gezegd, militair zijn is blijkbaar bijna traumatisch. Ik denk niet dat dit helemaal correct is, maar goed, iedereen moet vooral doen wat hij denkt te moeten doen en we zullen zien.

Dus neen, ik ga de tekst niet nog eens grondig aanpassen. Dit is het. Dat sociaal akkoord wordt ook nog naar wetteksten vertaald en gaat nog naar Conego. De technische details worden allemaal nog besproken. We zijn dus nog niet thuis.

Annick Ponthier:

Ik dank de minister voor zijn antwoord.

Ik moet zeggen dat de hoorzittingen vorige week met de sociale vakorganisaties in de commissie heel erg to the point waren, de ogen op veel vlakken hebben geopend en heel eerlijk waren. Dat was niet verrassend voor ons als commissieleden, omdat wij die hoorzittingen al hadden bijgewoond en wisten wat er schortte of nog kon worden verbeterd aan het militair statuut. Ook voor de mensen op het terrein zal dit wellicht niet verrassend zijn geweest, maar het was wel ongemakkelijk om te aanhoren. U kunt mij er niet snel van verdenken een syndicalist te zijn, maar in deze situatie vind ik dat de vakorganisaties alle recht van spreken hebben.

Er werd gesteld dat een uur een uur is, maar dat is het niet. Welzijn op het werk wordt miskend. Loopbaantoelagen in de wedde berekenen gebeurt niet, gelijkschakeling van de verloning met andere veiligheidsberoepen wordt niet gerespecteerd. Er bestaat nog veel onduidelijkheid over de opspremie. Ook heerst er nog heel wat onduidelijkheid over de specifieke voorwaarden voor bepaalde oppensioenstellingen en zijn er vragen inzake vergoedingen. De afgelopen week werd er zo nog meer opgemerkt.

Uw reactie hierop is dat u aan dit sociaal akkoord niets meer zult wijzigen. U hebt ook niet geantwoord op de vraag om opnieuw in gesprek te gaan. Ik heb begrepen dat u niet in gesprek wilt gaan.

Wat ik nog erger vind, is dat u het wel wat op flessen trekt door te zeggen dat er altijd wel enkelingen zullen zijn die het niet genoeg vinden en die al op 48-jarige leeftijd met willen pensioen willen gaan, en blokkeren op één ding. Het gaat echter niet om één ding, maar om meerdere dingen. Vorige week konden we dat heel concreet horen. Ik betreur dit ten zeerste en vind dit ook een miskenning van respect voor onze militairen.

Nochtans stond er in uw regeerakkoord dat langer werken moest lonen, dat operationaliteit moest worden beloond en dat de specificiteit van het militaire beroep moest worden gerespecteerd, gewaardeerd en beloond. Het sociaal akkoord was oorspronkelijk een manier om het militair statuut te verbeteren. Er zijn heel wat verbeteringen, laat dat duidelijk zijn. Het sociaal akkoord werd echter onderuitgehaald door de pensioenhervorming die er doorheen kwam gefietst. Dit plaatste een en ander voor militairen in een ander daglicht. Elf jaar langer werken vergt in de praktijk meer bijsturing dan wat er nu gebeurt.

Nu gebeurt er een inhaalbeweging. U schudt het hoofd, maar het is wel zo. Nu gebeurt er een inhaalbeweging richting het normale, maar niet tot op het normale niveau.

De slotsom van heel dit verhaal, er is op dit moment geen enkele garantie over het hele akkoord. De vorige sociale akkoorden werden allemaal voorgesteld als mooie bijsturingen, maar in de praktijk kwam daar weinig van terecht omdat er geen budgettaire buffer was, omdat de voorziening of de situatie in de praktijk niet navenant was. Toen er daarover achteraf werd geklaagd, zou u tegen de vakorganisaties hebben gezegd – en u moet dat desgevallend maar tegenspreken – dat ze dan maar niet zo naïef hadden moeten zijn.

Ik vraag mij af wat er op dit moment gebeurt. Vindt u echt dat de vakorganisaties nu wel moeten tekenen en opnieuw naïef moeten zijn, om uw eigen woorden te gebruiken? Ik vind van niet en ik meen dat u de militairen het respect moet geven dat zij verdienen.

Ik rond af met te zeggen dat u op al mijn specifieke vragen met betrekking tot de territoriale reserve, de militairen op straat en het wettelijk kader daarrond geen enkel antwoord hebt gekregen.

Christophe Lacroix:

Merci pour vos réponses, monsieur le ministre. Elles ne m'ont évidemment pas satisfait mais ce n'est pas trop grave s'agissant de moi: elles ne satisfont pas trois syndicats sur quatre. Ces trois syndicats ne doivent pas être méprisés et mis de côté parce qu'un seul syndicat représentant un grand nombre de militaires aurait, lui, marqué un accord. C'est là le premier élément: quand on veut mener une concertation, on respecte tout le monde et tous les partenaires, y compris les plus petits. À eux trois, ils représentent du reste également une grande partie des militaires.

Le deuxième élément est que, selon les chiffres qui nous ont été fournis par la Direction Générale des ressources humaines de la Défense nationale – ce ne sont donc pas les chiffres des syndicats – seuls 48 % des militaires pourront demander leur pension après avoir travaillé sept années de plus. L'impact est donc énorme pour ces militaires, en particulier pour ceux qui sont déjà en place. En effet, les nouvelles conditions mises sur la table valent pour les nouveaux, qui intègrent la Défense en connaissance de cause, tandis que les autres avaient un accord social et des acquis qui leur sont aujourd'hui rabotés. Chaque heure serait compensée? Seules 20 heures sur 24 sont compensées, et on ne valorise pas le travail de nuit. Une compensation équitable? Seulement 1,81 € brut de l'heure en plus pour un sergent comptant 9 ans d'ancienneté. Quatorze mois de prime d'opération? C'est 45 € par mois pour les volontaires. Travailler les jours fériés sera mieux rémunéré? On gagne trois fois plus via un flexi-job. Ces chiffres sont véridiques.

Vous évoquez l'accord social du siècle. Non, ce n'est pas l'accord social du siècle. On pourra parler d'accord social lorsque le gouvernement l'aura accepté, ce qui ne m'apparaît pas certain.

Par ailleurs, j'admets que vous avez fait des efforts, mais ces efforts sont insuffisants en l'occurrence. Vous disposez en effet de moyens supérieurs à ceux de la ministre Dedonder. Cette dernière est passée de 1,1 à 1,3 % du PIB, alors que vous êtes passé de 1,3 à 2 % du PIB. En valeur proportionnelle, vous auriez donc pu au moins obtenir plus de 600 millions d'euros pour un accord social. Malheureusement, vous avez aussi été victime de la vision très dogmatique et très idéologique du ministre des Pensions, votre coreligionnaire N-VA, M. Jambon.

Je terminerai en disant que, au vu des tableaux qui nous ont été fournis sur les traitements, revenus, compensations, etc., dans les services de sécurité – les militaires, les pompiers, les policiers, les gardiens de prison – ce sont finalement les militaires qui gagnent le moins. Et ça, ce n'est pas normal.

Stéphane Lasseaux:

Merci pour vos réponses, monsieur le ministre. Nous sommes évidemment bien conscients que des améliorations ont été apportées. Toutefois, des accords ont été passés, c'est exact, mais pas avec l'ensemble des syndicats. Nous comprenons bien entendu que lorsque le plus grand syndicat propose un accord, cela permet d'avancer.

Toutefois, je souligne que le métier de militaire présente une spécificité particulière, de sorte que je ne peux que vous inviter à y être sensible et à continuer à rechercher des solutions et des améliorations, dans la mesure du possible.

Theo Francken:

Ik wil nog even kort reageren.

Er wordt hier gesteld dat men geen syndicalist is, maar laat dat volgen door beweringen die geen steek houden. U verwijst naar wat ik in het verleden heb gezegd, maar aangezien u daar niet bij was, herhaal ik beter zelf wat ik eerder heb verklaard. Ik heb gesteld dat men vroeger niet zo naïef moest zijn.

Wanneer men onderhandelt en weet dat de bevoegde minister nul euro extra heeft of zelfs moet besparen, dan is het enigszins goedgelovig te denken dat de afspraken zomaar zullen worden ingevoerd.

Bovendien blijft een aantal mensen rond de tafel herhalen dat het akkoord er niet zal komen. Ook sommige syndicaten blijven dat opperen. Het budget is evenwel voorzien; dat staat vast.

Wanneer wordt beweerd dat het allemaal veel te weinig is en dat minstens 600 miljoen euro moet worden uitgetrokken, is dat naar mijn mening buiten proportie. Er zijn veel andere noden. Het gat van 5 miljard euro in het STAR-plan, om maar iets te noemen, moest worden gevuld.

Ook moeten nog veel andere capaciteiten worden aangekocht, is er infrastructuur nodig en moet extra personeel worden aangeworven om onze organisatie te versterken. Het blijft telkens een keuze en ik meen dat wij de juiste keuze hebben gemaakt.

Ik wil nog even kort het volgende meegeven. De ingebrekestelling van begin oktober heeft volgens mijn laatste informatie ondanks het ruim verstrijken van de gestelde termijn vooralsnog niet geleid tot de erin aangekondigde gerechtelijke procedure. Desgevallend zal een verweer voor de rechter worden gevoerd. Ik ben dus wel in gebreke gesteld, maar vervolgens is er niets mee gebeurd en is er evenmin een zaak aanhangig gemaakt. Misschien komt die zaak er nog. Dat weet ik niet. Volgens mij maakt die zaak niet veel kans. Mijn juristen fluisteren mij alleszins in dat die zaak geen schijn van kans maakt.

Mevrouw Ponthier, over de inzet van militairen op straat merk ik op dat momenteel een nieuw en verbeterd wettelijk kader dat de inzet van militairen voor binnenlandse opdrachten regelt, wordt uitgewerkt op de werf van de Defensiecodex, die binnenkort met de vakorganisaties zal worden besproken. In afwachting van de invoering van de Defensiecodex vindt dergelijke inzet in België, wanneer noodzakelijk, uiteraard plaats onder het bestaand wettelijk kader. De militairen zullen voor een dergelijke inzet de correcte informatie en opleiding moeten krijgen. De vergoedingen en toelagen verbonden aan die vorm van inzet, zullen worden toegepast.

De territoriale reserve zal vanaf eind 2026, begin 2027, stelselmatig worden op- en uitgebouwd. Het concept alsook het operationele en juridische kader wordt momenteel door de Defensiestaf uitgewerkt.

De mogelijkheid van een gespecialiseerde veiligheidsstructuur wordt niet a priori uitgesloten, maar vergt een grondige analyse en politieke consensus op zowel federaal als gewestelijk niveau.

Voorzitter:

Mevrouw Ponthier, kunnen we het daarbij laten, of wenst u nog te repliceren?

Annick Ponthier:

Mijnheer de minister, bedankt voor de aanvulling van uw antwoord op mijn vragen. Wat het sociaal akkoord betreft, een sociaal akkoord ondertekenen met nul euro budgettaire dekking is uiteraard naïef. U hebt gelijk wanneer u daarvoor waarschuwt en wanneer u stelt dat daarin destijds onjuist werd gehandeld. U geeft aan dat er nu wel middelen zijn voorzien. Volgens wat wij hebben vernomen, en ik heb geen enkel criterium om daaraan te twijfelen, zijn er weliswaar middelen voorzien, maar te weinig om te realiseren wat u wenst. Bovendien is er vooralsnog geen dekking door de regering. Dat lijkt me geen detail in het geheel. Voor de vakorganisaties is er daardoor geen enkele garantie dat zal worden uitgevoerd wat u wilt realiseren. Ik herhaal dan ook wat ik eerder heb gezegd, alles in overweging genomen lijkt het me bijzonder naïef om dat sociaal akkoord nu te ondertekenen. Voorzitter: Christophe Lacroix. Président: Christophe Lacroix.

Het afschaffen van het woke diversiteitsbeleid binnen Defensie
Het diversiteitsbeleid bij Defensie
Defensiebeleid zonder woke diversiteitsmaatregelen

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 10 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Annick Ponthier vraagt hoe België omgaat met het Amerikaanse debat over "woke-beleid" in Defensie en benadrukt dat diversiteit operationele effectiviteit moet dienen, niet ideologie—kritisch ten aanzien van VS-voorbeelden waar "opgedrongen gelijkheid" de slagkracht zou aantasten. Axel Weydts verdedigt persoonlijk het huidige diversiteitsbeleid, waarschuwt tegen terugdraaien naar een tijd zonder inclusie en verwelkomt minister Franckens bevestiging dat competentie (niet identiteit) centraal staat. Francken stelt dat Defensie geen quota hanteert maar diversiteit ziet als natuurlijk gevolg van meritocratie en operationele noden, met kernwaarden als loyaliteit en respect. Weydts sluit zich bij Francken aan, terwijl Ponthier herhaalt dat kerntaken (veiligheid) voorrang moeten behouden boven "woke-ideologie", maar tevreden is met het Belgische beleid.

Annick Ponthier:

Mijnheer de voorzitter, ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

Ik verwijs naar vraag van Mevr. Ponthier nr 56009095C. Daar verwijst de collega naar uitspraken van de Amerikaanse minister van Defensie, Pete Hegseth, over het zogenaamde “woke-beleid” binnen het Amerikaanse leger. Ik wil mij bij die vraag aansluiten, maar vanuit een fundamenteel andere invalshoek.

Als NAVO-bondgenoot volgen we uiteraard de evoluties in het personeels- en opleidingsbeleid van andere legers, waaronder dat van de Verenigde Staten. Maar waar sommigen spreken over “ideologische ontsporing”, zie ik vooral een bredere inspanning om defensiestructuren weerbaar te maken, talent te behouden en leiderschapsculturen te versterken in een samenleving die snel verandert.

Diversiteit, inclusie en gelijke kansen zijn daarbij geen “afleiding”, maar een onderdeel van een moderne krijgsmacht die iedereen op basis van competentie en inzet waardeert. Het is precies die diversiteit die onze krijgsmacht beter doet functioneren.

Daarom heb ik deze vragen:

Hoe kijkt de minister naar het debat dat momenteel in de VS wordt gevoerd over zogenaamd “woke-beleid” binnen Defensie?

Bevestigt de minister dat Defensie zich blijft baseren op principes van gelijke kansen, professionaliteit en operationele effectiviteit, zonder te vervallen in ideologische karikaturen?

Axel Weydts:

Mijnheer de minister, ik zal niet naar de schriftelijke versie van mijn vraag verwijzen. De Trump-fans achter mij hebben een vraag ingediend om het diversiteitsbeleid binnen Defensie een halt toe te roepen. Dat raakt mij persoonlijk diep en is de reden van mijn vraag, omdat ik mijn visie wil meegeven.

Toen ik actief was binnen Defensie, bestond er geen actief diversiteitsbeleid, wat mij parten heeft gespeeld. Persoonlijk heeft dat er mij op bepaalde momenten van weerhouden om te zijn wie ik was op het werk en om me goed te voelen. Dat heeft me ertoe genoopt om lange tijd niet openlijk te kunnen zijn wie ik was. Ik hoop dan ook uit de grond van mijn hart dat u en deze regering op geen enkele manier het diversiteitsbeleid dat later binnen Defensie is ingevoerd, zouden willen terugschroeven naar aanleiding van gebeurtenissen in de Verenigde Staten met figuren als Trump en Hegseth, die een aanval hebben ingezet op alles wat divers is, niet alleen binnen Defensie, maar binnen de gehele overheid.

Misschien is dit een wat persoonlijke oproep, maar u moet mij vergeven dat het mij persoonlijk raakt. Ik hoop echter uit de grond van mijn hart dat het diversiteitsbeleid zoals dat vandaag binnen Defensie bestaat, volledig overeind blijft.

Theo Francken:

Defensie bouwt op vier kernwaarden: integriteit, loyaliteit, wederzijds respect en moed. Vanuit die waarden bevestigen wij dat iedereen die naar die waarden kan leven en werken en slaagt voor de selectie, zijn plaats heeft binnen onze organisatie. Binnen Defensie staan militaire paraatheid en operationele effectiviteit centraal. Om die te waarborgen, hanteren we een meritocratisch personeelsbeleid waarin talent, inzet en bekwaamheid bepalend zijn. Het personeelsbeleid ondersteunt dat door het beste talent aan te trekken, te behouden en optimaal in te zetten, ongeacht achtergrond, overtuiging of identiteit.

Defensie werkt op het vlak van diversiteit zonder streefcijfers of quota bij de werving, plaatsing of promotie van militair en burgerpersoneel. Defensie heeft maatregelen voorgesteld voor het federaal actieplan Handicap 2025-2029 van minister Rob Beenders. Het burgerpersoneel van Defensie volgt het beleid inzake aanwerving van personeel met een handicap van het federale administratieve openbaar ambt.

Ook werkt Defensie mee aan het Federaal Plan Gender mainstreaming van collega Beenders. De grote verscheidenheid aan functies binnen onze organisatie vraagt om een even brede waaier aan profielen. Daarom voeren we een doelgericht personeelsbeleid dat inzet op diversiteit, waar dit de operationele effectiviteit versterkt, met als uitgangspunt dat competentie en inzet uiteraard altijd primeren.

Diversiteit binnen Defensie is geen doel op zich, maar het natuurlijke gevolg van de brede waaier aan taken en functies die onze organisatie rijk is. Onze kernwaarden verplichten ons om een krijgsmacht te bouwen die sterk, loyaal en rechtvaardig is. Diversiteit is geen afleiding van onze missie, maar is een gevolg van onze missie, in dienst van een slagkrachtige Defensie.

Annick Ponthier:

Mijnheer de minister, ik dank u voor deze heldere toelichting.

Ik wil ook reageren op collega Weydts, die meent te weten dat ik een Trump-aanhanger of een Trump-fan ben. Ik weet niet hoe visionair collega Weydts is, maar ik probeer een beleid altijd te beoordelen op de beleidsdaden en nooit op de persoon die die beleidsdaden voorstelt. Ik hou niet van idolatrie en dat is ook in deze een terechte opmerking.

Ik wilde met mijn vragen te weten komen welk beleid er wordt gevoerd binnen Defensie. Ik ben blij van de minister te horen dat er binnen Defensie wordt gekeken naar de loyauteit, de capaciteit en het talent van degenen die de taken moeten uitvoeren binnen Defensie, dit in tegenstelling tot het beleid dat in de Verenigde Staten wordt gevoerd en dat terecht werd aangekaart, waar woke ideologie en politieke correctheid prioritair werden gesteld. Er werd daarop terecht kritiek gegeven omdat men merkte dat dergelijke ideeën of ideologieën de samenhang en de slagkracht van het Amerikaanse leger aantastten. De bedoeling van mijn vraag was om te vernemen hoe dat in dit land wordt toegepast.

We weten natuurlijk dat wie daarover vragen stelt al meteen in de hoek wordt geduwd, wat wel in het kraam past van enkele partijen in dit halfrond, maar het beleid dat in de Verenigde Staten werd gevoerd, past niet in het kraam van het diversiteitsbeleid of het genderbeleid, dat veel meer de nadruk legt op persoonlijke vrijheid en op opgedrongen gelijkheid. We hebben de voorbije jaren in België eveneens een toename gezien van initiatieven rond diversiteit en vooral rond streefcijfers. Daar heb ik een probleem mee omdat streefcijfers niet altijd nuchter worden geëvalueerd.

Daarnaast zijn er educatieve programma’s over gender en inclusie binnen onze maatschappij, maar ook binnen Defensie, waar we toch wel wat vragen bij kunnen stellen.

Ik denk dat we moeten teruggrijpen naar de kerntaken binnen Defensie, zijnde bewaking van het luchtruim, het eigen grondgebied, onze burgers en onze territoriale wateren. Dat moet altijd prioritair zijn boven de woke-ideologie die langzaam maar zeker is binnengeslopen in onze samenleving en die ook binnen Defensie de bovenhand dreigde te krijgen. Ik ben dan ook blij dat daaraan geen gevolg wordt gegeven.

Axel Weydts:

Ik vond het een zeer goed antwoord. Het stelt mij ook gerust en ik denk veel collega’s met mij. Ze maken zich zorgen omdat ze zijn wie ze zijn en evoluties zien in andere defensieapparaten in het buitenland en hopen dat dat bij ons zo geen vaart zal nemen. Uiteindelijk is niet wie of wat je bent van belang, maar wat je kunt, wat je capaciteiten zijn en hoe je geëvalueerd wordt, hoe je je toewijdt aan je land en aan je samenleving. Dat is het enige dat zou mogen tellen en dat blijkt ook uit het antwoord. Daarmee ben ik het grondig eens en ik wil u daarvoor danken.

De veiligheidsopleidingen en de rol van Defensie in de preventie van radicalisering

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 10 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Kristien Verbelen vraagt zich af hoe veiligheidsopleidingen (zoals Defensie en Veiligheid en Cyber Security) radicalisering kunnen voorkomen, vooral na de betrokkenheid van twee studenten bij een verijdelde terreuraanslag, en pleit voor meer aandacht voor ethiek, extremisme en democratische waarden in het curriculum. Theo Francken benadrukt dat Defensie 35% van de lessen invult met focus op kernwaarden (integriteit, loyaliteit, moed) en niet op kennis alleen, maar erkent dat screening of weigering van leerlingen niet mogelijk is door de onderwijsvrijheid. Francken bevestigt dat het plan voor een militaire referendaris (bedoeld voor preventie en bewustmaking over extremisme) nog in conceptuele fase is en pas vanaf 2027 zou starten; Verbelen hoopt dat deze rol meer vormend dan promotioneel wordt. De discussie blijft onafgerond door tijdsgebrek.

Kristien Verbelen:

De verijdelde aanslag op premier De Wever en op een aantal andere politici van een tijdje gelden heeft velen onder ons geschokt. Daarbij viel alvast op dat twee van de verdachten of daders een veiligheidsopleiding volgde; de ene de opleiding Defensie en Veiligheid in het secundair onderwijs en de andere de opleiding Cyber Security aan de AP Hogeschool. Die opleidingen bereiden jongeren voor op functies bij defensie, politie en andere veiligheidsdiensten en zijn gestoeld op discipline, verantwoordelijkheid en de bescherming van onze samenleving. Dat studenten met zo'n achtergrond betrokken zijn bij een terreuronderzoek, roept vragen op over de inhoud van die opleidingen en de praktische begeleiding. We verwachten dat jongeren in die richting niet alleen technische kennis opdoen, maar ook leren wat het betekent om in dienst te staan van een democratische rechtsstaat. Daarom vind ik het belangrijk te weten in welke mate Defensie betrokken is bij de inhoud van de opleidingen en of er aandacht is voor thema's zoals ethiek, extremisme, weerbaarheid tegen radicalisering.

In het regeerakkoord is ook sprake van de aanstelling van een militaire referendaris, die naar scholen zou trekken om Defensie te vertegenwoordigen. Dat lijkt mij een interessant initiatief, zeker als het niet louter om werving gaat en ook preventief kan bijdragen tot bewustwording van jongeren die sowieso al geïnteresseerd zijn in de veiligheidssector. Ik hoor dan ook graag hoe ver men staat met de voorbereiding van dat project en hoe die functie er precies moet uitzien.

Theo Francken:

Defensie heeft niet de lead wat de derde graad Defensie en Veiligheid in Vlaanderen betreft. Het is een van de partners, onder leiding van het Vlaamse onderwijs. De vrijheid van onderwijs wordt in de Grondwet gewaarborgd en er is dus geen algemene screening in het Vlaamse onderwijs en ook geen weigering van leerlingen.

Defensie neemt ongeveer 35 % van de contacturen voor zijn rekening. Daarin wordt ook de nadruk gelegd op de vier kernwaarden van Defensie: integriteit, loyaliteit, respect en moed. Meer nog dan op kennisoverdracht wordt de aandacht gericht op het overbrengen van de juiste attitude.

Het project van de militaire referendaris bevindt zich momenteel in een conceptuele fase. Het is de bedoeling dat hij of zij een brugfunctie zal vervullen tussen Defensie en jongeren, bijvoorbeeld via vorming, dialoog en aanwezigheid op scholen. In dat kader wordt ook bekeken hoe die rol kan bijdragen aan preventie en weerbaarheid tegen extremisme, door jongeren te sensibiliseren rond waarden als respect, verantwoordelijkheid en democratische principes.

De uitvoering van het project is ten vroegste in 2027 gepland.

Kristien Verbelen:

Ik dank u voor het antwoord, mijnheer de minister.

Ik begrijp dat Defensie vooral een ondersteunende en informatieve rol speelt. Het is goed om te horen dat er niet alleen aan kennisoverdracht wordt gedaan, maar dat er naast de technische vorming ook aan de weerbaarheid tegen extremistische ideeën wordt gewerkt. De militaire referendaris kan daarin een waardevolle rol spelen. Ik hoop dat die rol niet louter promotioneel zal blijven, maar dat er ook op vorming en bewustmaking zal worden ingezet.

Voorzitter:

Les accords avec M. le ministre étaient clairs: il pouvait rester avec nous jusqu'à 17 h. Donc, je clos la réunion, tout en remerciant les collègues qui sont restés en espérant pouvoir encore poser leurs questions. Merci pour votre travail, mais je vous donne rendez-vous, sous la présidence du collègue Buysrogge, vendredi midi. La réunion publique de commission est levée à 17 h 02. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 17.02 uur.

Nepkortingen op Black Friday
Black Friday
De gevolgen van langere Black Fridaykortingen voor de voorlichting en bescherming van de consument
Langdurige Black Friday-kortingen en consumentenbescherming

Gesteld aan

Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)

op 10 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Volgens Jeroen Soete misleiden retailers consumenten tijdens Black Friday met nepkortingen en gemanipuleerde referentieprijzen, en vraagt hij welke handhavingsacties de minister heeft ondernomen. Minister Rob Beenders benadrukt dat de FOD Economie jaarround controles uitvoert – ook Europees – en dat overtredingen toenemen, maar wijt sommige schendingen aan onwetendheid van ondernemers over strikte kortingsregels. Soete prijst de continue inspecties maar suggereert een bewustwordingscampagne om consumenten te waarschuwen dat "Zwarte Vrijdag" niet tot financiële tegenvallers moet leiden. De afwezigheid van andere vraagstellers leidde tot een schriftelijke behandeling van hun vraag.

Voorzitter:

Noch de heer Hiligsmann, noch mevrouw Thémont is aanwezig.

Jeroen Soete:

Mijnheer de minister, met Black Friday in het verschiet diende ik de vraag in – een van mijn eerste parlementaire vragen trouwens – welke handhavingsacties ter bescherming van de consument u op het getouw zou zettent, gelet op het feit dat consumenten vaak in het ootje worden genomen over de werkelijke omvang van een korting, omdat er nepkortingen worden aangeboden en er met de referentieprijzen gesjoemeld wordt. Ondertussen is Black Friday al voorbij. Als u het mij toestaat, mijnheer de minister, pas ik de vraag ietwat aan. Welke handhavingsacties heeft de inspectie uitgevoerd om de consument te beschermen?

Rob Beenders:

Mijnheer Soete, andere commissieleden hebben dezelfde vraag gesteld. Ook al zijn ze niet aanwezig, ik zal alle vragen beantwoorden.

We hebben Black Friday niet nodig om controles uit te voeren, al stellen we vast dat het aantal klachten over misleidende promoties blijft toenemen. We merken bovendien dat Black Friday niet langer één dag beslaat, maar een volledige maand of, in veel gevallen, een week. Daarom organiseert de administratie permanente controles op misleidende promoties. Dat gebeurt niet alleen op nationaal niveau, maar ook op Europees niveau.

De bedoeling is ondernemingen goed te informeren over de wetgeving inzake prijskortingen. Veel ondernemingen handelen met de allerbeste bedoelingen. Soms zijn er redenen genoeg waarom de verkoop op een bepaald moment stokt. Wanneer het bijvoorbeeld te warm is in de winter en handelaars sneller van hun winterkledij af willen, denken ze dat ze op alle momenten kortingen mogen aanbieden. De regelgeving rond kortingen is echter zeer duidelijk en strikt. We blijven die communiceren naar ondernemingen. Daarnaast gebruiken we ConsumerConnect om binnengekomen meldingen te onderzoeken.

We zetten permanent in op controles en stellen alsmaar meer overtredingen vast. Het gaat om een permanent verhaal het hele jaar door dat niet enkel aan Black Friday, een periode waarin iedereen denkt goede zaken te doen, is gekoppeld.

Het is belangrijk dat consumenten vertrouwen blijven hebben in kortingen en ervan verzekerd kunnen zijn dat dat ze een goede deal kunnen doen. We blijven dus controles uitvoeren en verder opdrijven.

Jeroen Soete:

Dank u wel, mijnheer de minister, voor uw antwoord.

De FOD Economie heeft de jongste weken inderdaad gecommuniceerd over de voorbije inspecties. Ik vind het een goede zaak dat daaraan constant aandacht wordt besteed. Ik heb daarbij een kleine suggestie. In de reclamecampagne wordt Black Friday in het Nederlands vertaald als Zwarte Vrijdag. Misschien kunt u de consumenten ertoe aanmanen om tweemaal na te denken bij een aankoop, opdat Black Friday voor hen geen zwarte vrijdag wordt.

Voorzitter:

La question n ° 56009809C de Mme Thémont est transformée en question écrite.

Het verdienmodel van Meta dat gebaseerd is op frauduleuze advertenties
De bescherming tegen online advertentiefraude
Online advertentiefraude en bescherming tegen misleidende verdienmodellen

Gesteld aan

Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)

op 10 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Meyrem Almaci bekritiseert Meta’s winstmodel, waar 10% van de advertentie-inkomsten uit fraude komt en het bedrijf bewust misbruik van BV’s en consumenten faciliteert, ondanks bestaande detectietechnieken. Ze vraagt om strengere Europese maatregelen (via de Digital Services Act) en opheldering over de verschuiving van een "digitaks" (belasting voor techbedrijven) naar een "taks op digitale advertenties"—een verschil dat minister Beenders doorverwijst naar collega Jambon. Beenders benadrukt gerichte acties (1.007 controles, 138 afgesloten domeinen, Anti-Phishing Shield die 75.000 consumenten beschermde) en samenwerking met Europa, maar erkent dat Ierland (Meta’s thuisbasis) en de EU de hoofdverantwoordelijkheid dragen. Almaci blijft kritisch: de huidige aanpak is "dweilen met de kraan open" en pleit voor hardere sancties dan boetes, die Meta als lucratieve kostenpost afschrijft. Beenders wijst op vooruitgang (bankcontroles, gecoördineerde taskforces), maar Almaci eist structurele oplossingen op EU-niveau, inclusief nieuwe "wapens" tegen techgiganten die winst boven veiligheid stellen.

Voorzitter:

De heer Keuten is niet aanwezig.

Meyrem Almaci:

Mijnheer de minister, de problematiek zal u niet ontgaan zijn na de Pano -reportage en de internationale berichtgeving. We weten dat heel wat Belgische consumenten duizenden euro's verliezen door oplichting via Meta-advertenties. Dat platform wordt daar veelvuldig voor gebruikt.

U kent de problematiek uiteraard ook al van vroeger. Heel wat BV's voelen zich regelmatig genoodzaakt om te communiceren dat advertenties die uit hun naam vertrekken, helemaal niet correct zijn en dat ook zij daardoor worden misbruikt. Al die nepadvertenties met misbruik van namen en foto's van bekenden vormen een groeiend probleem. Het blijkt dat Meta daar maar liefst 10 % van zijn advertentie-inkomsten uit haalt. Dat is dus geen detail.

Als u weet dat dat bedrijf daarnaast enorme bedragen verdient door clicks en algoritmes die mikken op ragebait, het uitbuiten van rancune en het opstoken van woede, dan is het duidelijk dat de rol van platformen niet eenduidig positief te noemen is, om het met een eufemisme te zeggen. Het gaat om miljarden dollars per jaar die ze verdienen met fraude, misbruik en bijzonder bedenkelijke praktijken, terwijl er regels bestaan om dergelijke valse boodschappen te detecteren.

Ik ga ervan uit dat u op de hoogte bent van de problematiek. Wat was uw reactie op de reportage? In de begrotingsnota staat plots iets interessants. Vroeger ging het over de digitaks, die vanaf 2027 op Europees niveau wordt geregeld; sinds begin dit jaar wordt gesproken van “ slash digitale advertenties”. Wat valt daaronder?

Wie zal het probleem concreet aanpakken? Is dat enkel de Economische Inspectie? Worden de speurders die erbij komen specifiek ook op deze problematiek gezet?

Hoe kijkt u aan tegen de geheimhoudingscontracten voor werknemers van de platformen die dit aan de kaak willen stellen? Bent u in gesprek met de platformen? Zo ja, wie coördineert dat? Hier is sprake van een sneeuwbaleffect: het gaat steeds sneller via sociale media, phishing en fiscale fraude. Hoe zal de regering gecoördineerd optreden rond deze problematiek?

Rob Beenders:

Mevrouw Almaci, dank u wel voor uw vraag. Dit is vermoedelijk niet de laatste keer dat deze vraag terugkomt, omdat het om een fenomeen gaat dat met extreme snelheid toeneemt.

We stellen vast – en de administratie bevestigt dat – dat fraudeurs almaar meer gebruikmaken van onlineplatformen om hun illegale inhoud te verspreiden. Die advertenties vormen daar echt een pest. De meest efficiënte strategie bestaat erin deze praktijken aan de aanbodszijde aan te pakken. De Economische Inspectie voert daarom, dankzij vernieuwde onderzoeksmethoden, zeer gerichte acties uit, waaronder de proactieve screening van verdachte advertenties. Sinds de start van die controles tot 24 november 2025 heeft de Economische Inspectie 1.007 controles uitgevoerd op praktijken waarbij sociale media als reclamemethode werden gebruikt.

Als er illegale inhoud wordt vastgesteld, heeft de Economische Inspectie de bevoegdheid om die te laten verwijderen. Voor de zeer grote platformen – de VLOP's, de Very Large Online Platforms – voorziet de Digital Services Act (DSA) in specifieke verplichtingen en procedures. De Belgische coördinator voor digitale diensten, het BIPT, is echter niet bevoegd voor Meta.

De DSA hanteert namelijk het country of origin- principe: slechts één lidstaat is bevoegd voor het toezicht op een onlineplatform dat in meerdere lidstaten aangeboden wordt of toegankelijk is. Aangezien het hoofdkantoor van Meta in Ierland gevestigd is, is de Ierse regulator, het CnaM, bevoegd. Zowel de Europese Commissie, die toezicht houdt op de VLOP's, als het CnaM draagt dus een belangrijke verantwoordelijkheid.

De Economische Inspectie kan echter wel rechtstreeks verzoeken om identificatie en/of verwijdering doorgeven aan die grote platformen. Die verzoeken moeten de grote platformen met voorrang behandelen.

De Economische Inspectie spoort ook frauduleuze websites en advertenties op. We kunnen die websites ontoegankelijk maken. Mijn antwoord sluit enigszins aan bij uw vraag over de cijfers, mevrouw Truyman, maar de volgende cijfers bevatten ook die van de valse advertenties die verwijderd werden. Sinds januari 2025 hebben we 138 domeinnamen afgesloten. Sinds februari kunnen we bovendien domeinnamen invoeren in het Belgium Anti-Phishing Shield-systeem. Dat is inmiddels voor 63 websites toegepast.

Daardoor konden we 75.000 consumenten beschermen die op bepaalde links terechtkwamen maar via dat systeem werden tegengehouden. Op die manier kunnen we andere mensen beschermen. Of dat veel of weinig is, weet ik niet. We kennen de totale omvang niet, maar we weten wel wat we kunnen tegenhouden en welke systemen wel of niet werken.

We willen binnen de federale regering een gecoördineerde aanpak van online fraude, ondersteund door de verschillende overlegstructuren zoals de Belgian Anti-Fraud Coordination Board en het Nationaal Platform Massafraude. Sinds 2025 bestaat er bovendien een nationale taskforce online fraude die die samenwerking verder coördineert.

Sinds ik bevoegd ben, heb ik verschillende overlegmomenten gehad met vertegenwoordigers van heel grote platformen zoals Meta. In die gesprekken bespreken we welke bijkomende maatregelen ze kunnen nemen om hun systemen minder kwetsbaar te maken voor misbruik. Het doel is om in de toekomst nog efficiënter samen te werken en zo de bescherming van consumenten te versterken. We zien ook dat meer en meer websites een soort schild rond zich bouwen om aanvallen van buitenaf van frauduleuze advertenties tegen te houden. Het is een thema dat onze volle aandacht vraagt en waarvoor intensief wordt gezocht naar maatregelen om de aanbodzijde te beïnvloeden.

Het werk is echter nog niet klaar en ik denk dat we pas aan het begin staan. De coördinatie zoals die nu is opgezet, levert al bevredigende resultaten op, al zal het nooit voldoende zijn.

Meyrem Almaci:

Mijnheer de minister, u hebt niet geantwoord op mijn tweede vraag. In het regeerakkoord stond namelijk eerst de digitaks, die vanaf 2027 zal worden ingevoerd en een faire bijdrage zou inhouden voor de belastingen. Later kwam er echter een taks op digitale advertenties. Ik wil weten hoe het daarmee zit. Een taks op digitale advertenties is immers iets heel anders dan een digitaks, die een beperkte, maar faire belasting zou zijn. Daarop zou ik graag nog een antwoord krijgen.

Verder hoor ik dat u in gesprek bent, maar het gaat over 10 % van de omzet. Zoals in de Pano -reportage werd aangegeven, gaat het om niet willen, niet om niet kunnen. Platformen beschikken namelijk over alle opsporings- en scanningsmethodieken om dergelijk misbruik te filteren voor het online komt. Voor hen is het gewoon een inkomstenbron. Wanneer u zegt dat er gesprekken plaatsvinden en dat er gecoördineerd wordt gewerkt, is mijn vraag met welke concrete vooruitgang en welke termijnen in het achterhoofd dat gebeurt, wetende dat al die scanningtechnieken bestaan.

Welke stappen voorziet u om op te schalen naar ernstigere maatregelen, bijvoorbeeld op Europees niveau, zodat er op basis van de Digital Services Act strenger kan worden opgetreden? Zeker nu de BIPT niet bevoegd is voor Meta, dat in Ierland gevestigd is. Ik denk dat alle lidstaten dit soort zaken zullen aankaarten. Dit is immers geen klein bier.

De 138 domeinnamen die afgesloten worden, vormen slechts een fractie van de totale problematiek.

U hebt dus gelijk als u zegt dat dit hier vaker zal terugkomen, omdat dit een enorme sneeuwbal is. Het brandt en Meta verdient daar goed geld aan. Dat is misbruik van onze burgers. Ik denk dat de ernst een stuk moet worden opgedreven richting Meta, bij ons, maar zeker ook op Europees niveau. Ik zou dan ook graag uw concreet antwoord horen over die digitaks en digitale advertenties.

Rob Beenders:

Wat de uitwerking van die digitaks betreft, weet u dat collega Jambon bevoegd is. Dat valt onder zijn bevoegdheid, dus ik stel voor dat u de vraag aan hem richt.

We mogen hier ook niet de indruk wekken dat we met deze regering heel die problematiek kunnen aanpakken. Laten we daar realistisch in zijn. We doen werkelijk het maximale wat we kunnen. Die manier van werken wordt in het buitenland zeer goed opgevolgd en zelfs gekopieerd. We doen het maximale via alle mogelijke kanalen en via een gecoördineerde aanpak om onze strijd te voeren met de instrumenten die we ter beschikking hebben.

We werken daarbij uiteraard zeer nauw samen met Europa om maatregelen te nemen. Europa heeft recent nog een boete opgelegd aan X en de eerste reactie is telkens dat dat veel te weinig is. We kunnen inderdaad voortdurend de genomen maatregelen onder vuur nemen en zeggen dat ze niet volstaan, maar ik ontmoet niemand – in geen enkel land, noch in meerderheid, noch in oppositie – die zegt dat we niets moeten doen. We zoeken naar de juiste recepten.

Ik ben het volledig met u eens, het is absurd dat een aantal miljardairs uit de technologiesector vandaag de regie bepalen, terwijl we vaststellen dat we niet met gelijke wapens strijden. Dan moeten we nieuwe wapens ontwikkelen, bespreken en invoeren. Ik sta daarbij op de eerste rij om maatregelen te nemen.

Ik zeg het eerlijk, het Belgium Anti-Phishing Shield, het offline halen van websites en het toekennen van bevoegdheden aan de administratie om strenger in te grijpen zonder tussenkomst van de politie, zijn wel degelijk belangrijke stappen vooruit. We mogen ook de IBAN-naamcontrole niet vergeten bij overschrijvingen, die nu via de banken gebeurt en die al veel geldstromen heeft tegengehouden. Er wordt op zeer veel fronten gewerkt. Eigenlijk zouden we hierover ook cijfers moeten kunnen voorleggen. Ik heb onlangs de cijfers gezien van het aantal fraudedossiers dat wordt tegengehouden omdat banken alles doen wat ze kunnen en omdat de schilden hun werk doen.

We lezen bijna dagelijks in de krant over iemand die zijn geld is kwijtgeraakt, wat verschrikkelijk is. Elke communicatie die we doen om mensen te informeren, helpt. Tegelijk wordt er ook keihard gewerkt om fraude tegen te houden en die resultaten zijn er wel degelijk. Misschien moeten we die resultaten ook meer communiceren, zodat het evenwicht beter wordt bewaakt. Ik ben het met u eens dat we alles op alles moeten zetten om dit tegen te houden, maar voor mij is het glas halfvol.

Meyrem Almaci:

Mijnheer de minister, of ons glas halfvol of halfleeg is, doet er weinig toe. Het gaat om de mensen van wie de bankrekening leeg is.

Ik ben het met u eens dat wij tegenover een immens platform staan dat zijn eigen regels hanteert. Juist daarom hoop ik, wanneer wij vaststellen dat boetes betalen voor hen voordeliger is dan hun praktijken aanpassen, dat de minister van Financiën, aan wie ik de vraag ook zal stellen, samen met u op Europees niveau het gesprek aangaat om te bekijken hoe ter zake een tandje kan worden bijgestoken, zodat wij niet blijven dweilen met de kraan open. U kunt immers wijzen op de 138 domeinnamen en de financiële stromen erachter. Dat zijn belangrijke successen om duidelijk te maken dat wij de kwestie ernstig nemen. Het blijft echter dweilen met de kraan open. Het betreft slechts een fractie van de volledige problematiek. Anders zou dit voor Meta ook niet zo lucratief zijn. Het gaat voor hen om ettelijke miljarden euro.

In tijden waarin mensen het al moeilijk hebben om door de bomen het bos te zien op sociale media, op momenten waarop het hele systeem van die bedrijven eigenlijk al op punt staat om dergelijke zaken te voorkomen, blijven veiligheid en eerlijkheid voor hen ondergeschikt aan winst. Daarom moeten wij met elkaar in gesprek gaan over de vraag welke nieuwe wapens wij daadwerkelijk kunnen ontwikkelen.

Het betreft hier geen opbodwedstrijd in verontwaardiging. Het is wél een wedstrijd waarin wij voor mij niet met gelijke wapens strijden. Wij moeten nagaan welke bijkomende middelen behalve het wapen van boetes, dat voor hen duidelijk slechts een druppel op een hete plaat is, kunnen worden ingezet. Zij betalen die boetes en gaan vervolgens over tot de orde van de dag. Wij moeten nagaan wat nog mogelijk is. Ik denk dat dat op Europees niveau opnieuw op de agenda moet komen.

De DSA, waarin wij inderdaad voorloper zijn, toont hoe ver de rest van de wereld achterop hinkt. Wanneer wij echter zien hoe de president van de Verenigde Staten zich opstelt ten aanzien van die platformen en ten aanzien van Europa dat die platformen wil reguleren, dan moeten Europa en alle lidstaten elkaar stevig vasthouden en daadwerkelijk de tanden durven tonen.

Voorzitter:

Les questions n° 56010778C, 56010779C, 56010781C, 56010782C, 56010892C et 56010893C de M. Patrick Prévot sont transformées en questions écrites. Mevrouw Ramlot is niet aanwezig, haar vraag nr. 56011041C vervalt.

De veiligheid bij Brussels Airlines
Het ontslag van drie stewardessen bij Brussels Airlines
Veiligheid en personeelszaken bij Brussels Airlines

Gesteld aan

David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)

op 10 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Parlementsleden Vanrobaeys en Thémont bekritiseren het ontslag op staande voet van drie ervaren Brussels Airlines-bemanningsleden die een vlucht weigerden wegens vermoedelijke bedwantsen en beroep deden op hun wettelijk "No Fit to Fly"-recht, wat zij zien als een gevaarlijk precedent dat werknemers kan afschrikken om veiligheidsrisico’s te melden. Minister Clarinval benadrukt dat het een juridische kwestie is (te beoordelen door de rechter), dat werknemers niet gesanctioneerd mogen worden voor proportionele uitoefening van hun rechten, en dat bestaande veiligheidsregels (inclusief inspecties en klachtenprocedures) toereikend lijken—hoewel hij doorverwijst naar collega-Crucke voor sectorspecifieke protocollen. Vanrobaeys noemt het ontslag "schandalig" en stelt dat Brussels Airlines veiligheidsmeldingen negeert, terwijl Thémont vreest voor een cultuur van angst waarbij werknemers risico’s niet meer durven aan te kaarten; beide eisen betere bescherming tegen represailles.

Anja Vanrobaeys:

Mijnheer de minister, in oktober werden drie crewleden van Brussels Airlines op staande voet ontslagen omdat ze een vlucht naar Accra weigerden uit te voeren.

Die weigering kwam er nadat schoonmaakpersoneel een melding had gemaakt van mogelijke bedwantsen aan boord van het vliegtuig. De crewleden hebben zich beroepen op hun recht om een vlucht te weigeren wegens niet-fit zijn of om medische en psychologische redenen. Dat is een recht dat vliegend personeel wettelijk kan uitoefenen. Daarop werden zij ontslagen.

De vakbonden vonden dat zwaar overdreven. Het is ook een mogelijk gevaarlijk precedent. Zo kunnen werknemers zich immers verplicht voelen om toch te werken, zelfs wanneer hun gezondheid of veiligheid in het gedrang komt. Dat heeft mij gechoqueerd. Daarom heb ik een aantal vragen.

Hoe beoordeelt u zelf dat ontslag in het kader van het wettelijk recht van personeel om een vlucht te weigeren wegens medische of psychologische ongeschiktheid? Beschouwt u dat ontslag als een schending van het arbeidsrecht en van de bescherming van werknemers tegen onredelijke maatregelen van hun werkgever?

Kan de federale overheid of de FOD WASO maatregelen nemen om te garanderen dat de luchtvaartmaatschappijen de rechten van hun personeel respecteren door zich niet bloot te stellen aan gezondheids- en veiligheidsrisico’s? Of denkt u dat er bijkomende regelgeving of richtlijnen nodig zijn, specifiek voor de luchtvaartsector, om te voorkomen dat werknemers gesanctioneerd worden wanneer ze hun wettelijk recht uitoefenen om vluchten te weigeren?

Kunt u garanderen dat dit geen precedent wordt, dat werknemers in de toekomst zal afschrikken om dat wettelijk recht nog verder in te roepen?

Bedwantsen meenemen naar huis is echt geen lachertje. Ik vind het een terechte weigering wanneer dat gevaar er is.

Sophie Thémont:

Monsieur le ministre, trois hôtesses de l'air de Brussels Airlines, avec de longues années d'expérience, ont été licenciées pour faute grave après avoir refusé d'embarquer sur un vol pour Accra, au Ghana. Selon les informations rapportées, le personnel de nettoyage aurait signalé la présence possible de nuisibles dans l'appareil, tels que des punaises de lit ou des cafards. Un expert externe, mandaté par la compagnie, a conclu à une fausse alerte, mais plusieurs membres d'équipage ont tout de même demandé une désinfection complète de l'avion.

Face au refus de la direction, trois hôtesses ont invoqué la clause d'inaptitude au vol, une disposition interne permettant de se retirer du service en cas de malaise ou de sentiment d'insécurité, tandis que deux autres ont accepté d'assurer le vol. Quelques jours plus tard, les trois employées récalcitrantes ont été convoquées et licenciées sans préavis, la direction évoquant des "violations graves des procédures internes".

Les syndicats dénoncent une sanction disproportionnée et une atteinte directe au droit fondamental à la sécurité au travail. Cette affaire crée un précédent dangereux : si des travailleuses expérimentées peuvent être sanctionnées pour avoir exprimé une crainte légitime, alors qui osera encore refuser une mission jugée risquée ? Monsieur le Ministre, il est plus que temps d'arrêter de faire peser le poids de la productivité sur la santé et la sécurité des travailleurs et travailleuses!

Monsieur le ministre, le SPF Emploi a-t-il été informé de cette situation et compte-t-il examiner si la procédure disciplinaire appliquée par la compagnie respecte le Code du bien-être au travail? Comment comptez-vous assurer à l'avenir que le droit des travailleurs à refuser une tâche perçue comme dangereuse soit garanti, sans crainte de représailles ou de licenciement? Envisagez-vous d'ouvrir un dialogue avec les partenaires sociaux du secteur aérien afin de renforcer les protocoles de sécurité et de garantir la prise en compte du ressenti du personnel navigant?

Je vous remercie pour vos réponses.

David Clarinval:

Mesdames les députées, "No Fit to Fly" est un droit légal fondé sur une réglementation européenne contraignante, garantissant la sécurité tant du personnel que des passagers. La loi définit le motif grave comme une faute grave qui rend immédiatement et définitivement impossible toute collaboration professionnelle entre l’employeur et l’employé. Pour être considéré comme un motif de licenciement pour motif grave, la faute doit être grave ou sérieuse. En outre, l’employeur ne peut être à l’origine de la faute grave reprochée au travailleur.

Il ne m’appartient pas, en tant que ministre, de juger les décisions prises, d’une part par les crew members – membres d’équipage – invoquant leur droit à l’inaptitude au vol, et d’autre part par l’employeur procédant à un licenciement pour motif grave. Il s’agit de questions factuelles qui seront, le cas échéant, appréciées par un juge compétent.

En ce qui concerne les autres questions, de manière générale, le principe veut qu’un employeur veille à la santé et à la sécurité de ses travailleurs. Dans le cas mentionné, et pour autant que mes services soient correctement informés, l’inspection sanitaire immédiate prescrite de l’avion a bien été effectuée. En outre, le cadre législatif belge prévoit divers instruments permettant aux travailleurs de faire valoir leurs droits en matière de sécurité et de santé au travail, qu’il s’agisse de demander individuellement l’aide de la délégation syndicale, de faire appel au Comité pour la prévention et la protection au travail (CPPT) afin d'établir une analyse des risques et de diminuer ceux-ci, ou encore de demander l'aide de l’Inspection du travail.

Pas in laatste instantie, wanneer ze zich in een situatie van ernstig en onmiddellijk gevaar bevinden en er niets wordt ondernomen om dat te verhelpen, kunnen werknemers het werk weigeren en hun werkpost verlaten. Uiteraard geldt daarbij ook het juridische principe dat werknemers, wanneer ze die wettelijke rechten met de nodige proportionaliteit uitoefenen en zonder misbruik te maken, daarvoor niet kunnen worden gesanctioneerd.

Bovendien worden de veiligheid en de gezondheid van werknemers in de luchtvaartsector gereguleerd door een reeks sectorspecifieke en internationale regels. Wat de kwestie betreft van de versterking van de veiligheidsprotocollen verwijs ik u naar mijn collega-minister Crucke.

Anja Vanrobaeys:

Mijnheer de minister, ik begrijp dat u als minister niet kunt tussenkomen in een concreet individueel geval en dat dit door de rechter moet worden beoordeeld, overeenkomstig de scheiding der machten.

Het heeft mij echter wel gechoqueerd. Uiteraard moeten werknemers hun rechten proportioneel inroepen, maar ik kan mij moeilijk voorstellen dat crewleden – zeker ervaren stewards die al jarenlang actief zijn en waarop Brussels Airlines al die tijd een beroep heeft gedaan – zomaar zouden beslissen niet te vliegen omdat ze daar geen zin in hebben. Hier was duidelijk een probleem. Ook het schoonmaakpersoneel had daarvan melding gemaakt. Dat is gevaarlijk voor de veiligheid van het personeel, maar ook voor die van de reizigers.

Hoewel er inderdaad tal van sectorspecifieke en internationale regels bestaan en er ook op het vlak van veiligheid op het werk duidelijke voorschriften zijn, lijkt Brussels Airlines dit niet ernstig te nemen en wordt er vervolgens beslist om klokkenluiders op staande voet te ontslaan. Ik weet niet of dit de juiste manier is om met dergelijke situaties om te gaan. Ik zal hierover alleszins ook nog vragen stellen aan minister Crucke.

Ik vind bovendien dat, zowel voor het personeel als voor de reizigers, de veiligheid in alle gevallen gegarandeerd moet zijn wanneer men op een vliegtuig stapt. Uiteraard mag een toestel niet neerstorten, maar het risico lopen om bedwantsen uit een vliegtuig mee naar huis te nemen, vind ik schandalig. De manier waarop met dergelijke meldingen wordt omgegaan, is dan ook onaanvaardbaar.

Sophie Thémont:

Merci pour vos réponses, monsieur le ministre. J'entends en effet que vous ne pouvez pas intervenir eu égard à la séparation des pouvoirs. Néanmoins, ce type de licenciement m'inquiète, parce qu'il faut pouvoir garantir la protection des travailleurs et des travailleuses lorsqu'un risque est signalé, mais aussi celle des passagers de l'avion. Selon moi, le licenciement d'une personne pour la simple raison qu'elle a exprimé une inquiétude légitime est préoccupant, car un travailleur devrait avoir le droit de refuser une tâche jugée dangereuse et de signaler un problème sans risquer d'être licencié. Dès lors, nous devons être attentifs à cette question. Je ne sais pas quelles mesures nous pourrions prendre à cet égard, mais vous semblez dire qu'on ne peut rien faire et qu'on ne peut pas faire intervenir le SPF Emploi non plus. Voorzitster: Anja Vanrobaeys Présidente: Anja Vanrobaeys La présidente : Les questions n os 56009882C, 56011264C et 56011302C de M. De Smet sont transformées en questions écrites.

Het toenemende aantal ziekenhuisopnames van jongeren na een zelfmoordpoging

Gesteld door

lijst: PS Caroline Désir

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 10 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Caroline Désir (Solidaris) waarschuwt voor een verdubbeling van ziekenhuisopnames na suïcidepogingen bij 13- tot 24-jarigen (2013–2024), met meisjes (14–16 jaar) vijfmaal vaker getroffen en armoede als verdubbelaar van het risico; ze bekritiseert collectief falen in preventie en nazorg (1 op 6 recidiveert, 40% krijgt geen behandeling) en dringt aan op systematische lokale zorg, betere signalering en versterkte rol voor huisartsen. Minister Frank Vandenbroucke benadrukt dat preventie vooral een bevoegdheid van de gewesten is, maar wijst op federale maatregelen: gratis psychologische eerste lijn voor -24-jarigen (26,75% BIM-patiënten), psychologen in huisartspraktijken (nog onderbenut) en investeringen in crisiszorg; hij meldt een interfederaal werkgroep santé mentale (CIM Santé, mei 2024) voor een OMG-geïnspireerd nationaal plan. Désir prijsde de gratis psychologische zorg als succesvol en pleit voor een federaal gewestoverschrijdend actieplan, dat ze als “nationale noodzaak” bestempelt, met nadruk op samenwerking en opvolging van de cijfers. Beiden benadrukken de urgentie van gecoördineerde actie, maar Vandenbroucke relativeert de federale rol, terwijl Désir structurele tekortkomingen in zorgcontinuïteit blijft aankaarten.

Caroline Désir:

Il ressort d'une étude récente de la mutualité Solidaris basée sur 28 000 hospitalisations que les hospitalisations faisant suite à une tentative de suicide ont doublé entre 2013 et 2024 chez les jeunes de 13 à 24 ans.

Au niveau national, on observe par ailleurs que la précarité double le risque d'hospitalisation. On constate notamment que les bénéficiaires de l'intervention majorée sont nettement plus touchés que les autres. On observe également que les filles de 14 à 16 ans sont particulièrement concernées, avec un taux d'hospitalisation cinq fois supérieur à celui des garçons de la même tranche d'âge. Ces chiffres sont bien sûr particulièrement interpellants.

C'est sans doute aussi le signe d'un échec collectif de notre société à protéger convenablement ces jeunes et en particulier les plus vulnérables. Mais ce n'est pas tout, car l'étude révèle également des lacunes graves dans la prévention et le suivi, puisqu'on voit qu'un jeune sur six récidive, que 20 % d'entre eux n'ont eu aucun contact avec un médecin généraliste autour de leur hospitalisation et que 40 % d'entre eux n'ont reçu aucun traitement dans les six mois avant ou après.

Ces chiffres traduisent évidemment une détresse psychologique profonde, enracinée dans les inégalités sociales et territoriales. D'autant que le rapport qui, je le rappelle, est basé uniquement sur les hospitalisations, ne montre probablement que la partie émergée de l'iceberg.

Face à cette urgence, Solidaris appelle à une réponse forte et à une stratégie globale avec une prévention ciblée, la formation de sentinelles capables de repérer les signaux de détresse et un accès facilité aux soins via des dispositifs locaux.

Monsieur le ministre, je sais que la santé mentale est l'une de vos priorités – comme l'énonce du reste l'accord de gouvernement.

Quelles mesures concrètes comptez-vous prendre pour répondre à cette crise de santé publique qui touche particulièrement les jeunes? Une CIM Santé s'est-elle récemment réunie sur le sujet? Quelles initiatives ont été prises dans ce cadre? Comment comptez-vous systématiser le suivi post-opératoire et le déploiement de dispositifs locaux? Enfin, comment comptez-vous donner aux médecins généralistes les moyens d'agir en première ligne auprès des jeunes en souffrance?

Frank Vandenbroucke:

Je vous remercie, madame Désir. Comme vous l'avez souligné, ce problème doit vraiment être pris au sérieux.

D’un point de vue politique, la prévention du suicide relève des compétences des entités fédérées. Cela inclut l’organisation d’actions générales et ciblées auprès des populations à risque, la mise en place de services d’écoute et d’intervention, ainsi que la formation des acteurs de première ligne. Cela ne signifie pas pour autant que nous n’avons pas de responsabilité politique avec les instruments dont nous disposons.

Je souhaiterais d’abord rappeler le renforcement de l’accès aux soins psychologiques grâce à la convention INAMI sur les soins psychologiques de première ligne. Comme vous le savez, les jeunes jusqu’à 24 ans sont exonérés du ticket modérateur. Cette offre vise particulièrement les publics vulnérables, avec un travail en lieux d’accroche – comme par exemple les écoles, les maisons de jeunes ou les clubs sportifs – afin d’atteindre les jeunes qui n’accèdent pas spontanément aux soins. En 2025, jusqu’ici, 26,75 % des bénéficiaires sont des bénéficiaires d'intervention majorée (BIM), ce qui confirme l’importance et la portée sociale du dispositif.

Il est également important de noter que nous avons aussi mis à disposition des médecins généralistes la possibilité d’accueillir dans leur cabinet des psychologues cliniciens ou des orthopédagogues cliniciens conventionnés. Cela permet non seulement d’organiser des consultations avec les patients qui passent par le cabinet du médecin généraliste, mais aussi de soutenir le médecin dans son approche globale de ce type de patients. À vrai dire, cette offre n’a pas encore été tellement valorisée sur le terrain. Il reste donc une marge budgétaire pour les médecins généralistes qui peuvent simplement indiquer qu’ils souhaitent, par exemple, la présence d’un psychologue clinicien dans leur cabinet pour soutenir leur pratique.

Enfin, nous investissons de façon très conséquente dans les soins psychiatriques de crise et d’urgence. Ce n’est peut-être pas l’aspect le plus important lorsqu'on réfléchit à la prévention, mais cela reste un aspect qui mérite d'être mentionné.

L'évaluation scientifique EPCAP montre que plus de la moitié des patients présentent des idées suicidaires dans la première ligne – je reviens donc ici sur la première ligne –, et que le cadre de cette convention permet une prise en charge précoce, y compris après une tentative. Comme je viens de le dire, les médecins généralistes jouent un rôle et peuvent jouer un rôle essentiel dans cette détection, et donc ils ont le soutien des psychologues cliniciens conventionnés s'ils le souhaitent.

Pour renforcer la coordination entre le fédéral et les entités fédérées, la CIM Santé du 21 mai a créé un groupe de travail interfédéral santé mentale. Lors des précédentes réunions du GTI SSM, une discussion approfondie a eu lieu sur la base des contributions du gouvernement fédéral et des entités fédérées. Les travaux se poursuivent afin d'aboutir à un plan interfédéral de santé mentale aligné sur les priorités définies par l'OMS.

Caroline Désir:

Merci beaucoup, monsieur le ministre, pour votre réponse, parce qu'on sent que c'est une problématique que vous prenez au sérieux. On a eu l'occasion en d'autres temps de travailler ensemble, notamment sur la question de l'accès aux jeunes jusqu'à 24 ans aux soins psychologiques. Je pense que c'est une mesure qui a vraiment eu beaucoup de succès, qui continue d'en avoir et qui est vraiment essentielle. Je pense qu'on doit continuer à la promouvoir. Je suis aussi très heureuse d'entendre que la CIM Santé a débouché sur la création d'un groupe de travail interfédéral santé mentale, parce que je crois qu'il est vraiment nécessaire qu'on se retrouve tous, toutes les entités fédérales et fédérées, derrière cette urgence afin d'en faire une cause nationale. Un plan interfédéral santé mentale me paraît indispensable quand on voit les chiffres que j'ai rappelés en début d'intervention. Je continuerai donc à suivre tout ceci avec intérêt et j'espère aussi que nos auditions en matière de santé mentale pourront alimenter vos travaux.

De agressie tegen ziekenhuispersoneel

Gesteld door

lijst: PS Caroline Désir

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 10 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Caroline Désir wijst op een mesaanval op twee zorgverleners in een psychiatrische eenheid van Sanatia Saint-Luc, die volgens haar de structurele problemen in de sector blootlegt: personeelstekort, onveilige werkomstandigheden en gebrek aan bescherming – problemen die soignanten al jaren aankaarten. Ze bekritiseert dat zorgverleners, anders dan politie of gevangenispersoneel, geen gelijkwaardige preventieplannen of erkenning van risico’s genieten en dringt aan op een nationaal actieplan met gerichte opleidingen. Minister Frank Vandenbroucke verwerpt elke vorm van agressie tegen zorgpersoneel en kondigt een werkgroep aan (samen met Justitie en Binnenlandse Zaken) die binnen 12 maanden concrete voorstellen moet doen. Hij erkent dat er geen uniforme registratie van incidenten bestaat – een lacune die hij deze legislatuur wil oplossen om beleid evidence-based te kunnen voeren. Désir juicht de termijngebonden aanpak toe, maar benadrukt dat zorgverleners nu al in angst werken en dringend politiek signaal nodig hebben. Ze onderschrijft zijn focus op meting ("meten is weten") als voorwaarde voor effectief beleid.

Caroline Désir:

Monsieur le ministre, un grave incident s'est produit mardi dernier, si je ne me trompe, au sein de l'unité de psychiatrie de l'Institut Sanatia Saint-Luc à Bruxelles, avec deux membres du personnel qui ont été agressés et blessés à l'arme blanche. Heureusement, leur vie n'est visiblement pas en danger. Mais cet incident dramatique met une nouvelle fois en lumière les conditions de travail particulièrement difficiles dans le secteur psychiatrique, et dans nos hôpitaux en général, car ce n'est pas la première fois que ce genre d'incident se produit. Cet incident vient illustrer une réalité que les soignants dénoncent depuis longtemps, à savoir un manque criant de personnel, des conditions de travail dangereuses et une sécurité insuffisante pour protéger les soignants.

Monsieur le ministre, j'imagine que vous avez été interpellé à la suite de ces événements. Quelles mesures immédiates envisagez-vous pour renforcer la sécurité du personnel hospitalier, et en particulier pour ce qui concerne les unités psychiatriques, afin d'éviter que de tels drames ne se reproduisent? Disposez-vous d'un état des lieux récent sur les agressions subies par le personnel soignant en psychiatrie en Belgique? Pouvez-vous le communiquer au Parlement?

À la suite d'une question orale de ma collègue Ludivine Dedonder, vous vous étiez montré favorable à un plan global face à l'agressivité contre le personnel soignant. Vous affirmiez vouloir développer une démarche avec les partenaires sociaux du secteur. Qu'en est-il aujourd'hui? Quelles concertations sont-elles menées dans ce cadre?

En Belgique, la police, les pompiers et le personnel pénitentiaire bénéficient de plans spécifiques de prévention et de reconnaissance des risques liés à la violence. Les soignants sont finalement exposés à des dangers comparables, mais sans les protections équivalentes. Envisagez-vous de mettre en place un plan national spécifique avec des formations dédiées à cette problématique et une reconnaissance officielle du risque encouru?

Frank Vandenbroucke:

Madame Désir, permettez-moi de commencer par affirmer sans aucune ambiguïté que l'agression envers le personnel soignant, sous quelque forme que ce soit, est totalement inacceptable. Le Conseil fédéral des secours médicaux d'urgence et le Conseil fédéral des établissements hospitaliers ont récemment rendu un avis concernant l'approche à adopter face à l'agression envers les prestataires de soins. J'ai alors demandé au président du Conseil fédéral des secours médicaux d'urgence d'élaborer un concept en vue de la constitution d'un groupe de travail dédié à la lutte contre l'agression envers les prestataires de soins. Mon cabinet est actuellement en contact avec le cabinet du ministre de la Justice et du ministre de l'Intérieur pour discuter de ce concept.

À ce jour, nous ne disposons pas d'un système d'enregistrement uniforme des agressions dans les hôpitaux. L'enregistrement uniforme et le suivi du nombre d'incidents, qu'il s'agisse de formes verbales ou physiques d'agressions, font en tout état de cause partie des objectifs que je souhaite atteindre au cours de cette législature. Ce n'est qu'ainsi que nous pourrons obtenir une image précise de la problématique de l'agression et adapter en conséquence nos initiatives politiques.

Concrètement, j'ai demandé de créer un groupe de travail qui, dans le délai de douze mois, devra soumettre des propositions concrètes en ce qui concerne la lutte contre l'agression contre le personnel soignant.

Caroline Désir:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse. Je pense effectivement qu'il faut aujourd'hui envoyer un signal fort au personnel soignant, qui se dévoue corps et âme pour soigner les patients. Dès lors, imaginer que ces personnes doivent, dans certains cas, venir travailler la boule au ventre parce qu'elles ont peur de faire agresser est bien évidemment insupportable. Je pense que les soignants ont besoin d'entendre qu'il existe une réponse politique à la hauteur de l'enjeu. Je me réjouis que vous vous soyez imposé des délais et que vous ayez décidé de collaborer avec vos collègues de la Justice et de l'Intérieur. Par ailleurs, il est primordial de pouvoir mesurer de quoi on parle, de sorte qu'en l'absence de système d'enregistrement uniforme, il faut impérativement travailler sur ces aspects. Vous avez cité l'expression néerlandaise "Meten is weten", et il est exact qu'on ne peut pas mener une politique adaptée à la réalité si on est incapable de mesurer cette réalité.

De zwakke punten in de cyberbeveiliging van de nationale luchthaven

Gesteld door

lijst: VB Dieter Keuten

Gesteld aan

Bart De Wever (Eerste minister)

op 10 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Dieter Keuten bekritiseert het catastrofale jaar 2025 voor Zaventem door negen stakingen en een cyberaanval (via Amerikaans Collins Aerospace), die de luchthaven vier dagen platlegde, met miljoenenverliezen als gevolg – volgens hem voorkombaar omdat het bedrijf al in 2023 werd getroffen. Bart De Wever antwoordt namens het Centrum voor Cybersecurity België (CCB) dat de aanval buiten hun bevoegdheid viel (geen Belgische meldingen, geen datadiefstal van burgers) en wijst op internationale samenwerking, maar geeft toe geen details over lopend onderzoek te kunnen geven. Keuten beschuldigt Zaventem van slecht crisismanagement (gebrek aan communicatie, ontbrekende kill switch-protocollen) en eist strengere cyberstandaarden, terwijl De Wever zijn beperkte kennis benadrukt en belooft de bevoegdheid over te dragen aan Binnenlandse Zaken. De discussie eindigt onopgelost, met Keutens aankondiging van nieuwe vragen.

Dieter Keuten:

Mijnheer de voorzitter, deze vraag gaat onze nationale luchthaven. Het jaar 2025 zal de boeken ingaan als een zwart jaar voor de luchthaven van Zaventem. Ondanks alle inspanningen van de Vlaamse overheid is er in mijn leven nog nooit zo’n slecht jaar geweest voor onze luchthaven. Ik heb het even nageteld, de luchthaven werd dit jaar al negen keer platgelegd door stakingen. Dat leidt uiteraard tot miljoenen, of misschien miljarden, aan verlies voor die nochtans tweede economische pool van welvaart in ons land.

Naast al die stakingen is de luchthaven ook bijna drie of vier dagen voor een groot stuk lamgelegd door een cyberaanval. Die aanval was niet rechtstreeks gericht op de luchthaven van Zaventem, want verschillende Europese luchthavens waren het slachtoffer. Collins Aerospace, een Amerikaans softwarebedrijf dat diensten levert aan Zaventem, werd het slachtoffer van de cyberaanval, waardoor de operaties op de luchthaven van Zaventem bijna vier dagen ernstig gehinderd werden.

Die cyberonveiligheid had vermeden kunnen worden, want Collins Aerospace werd in 2023 al een keer het slachtoffer van een vergelijkbare cyberaanval. Achteraf is het natuurlijk gemakkelijk om te zeggen dat een cyberaanval vermeden had moeten worden, maar ik ben toch zeer benieuwd naar wat het Centrum voor Cybersecurity precies heeft gedaan om die aanval op onze belangrijkste luchthaven te voorkomen.

Bart De Wever:

Mijnheer Keuten, ik lees u voor wat het Centrum voor Cybersecurity daarover te melden heeft. Het zijn vier punten.

Ten eerste, het Centrum voor Cybersecurity België heeft in 2023 geen meldingen ontvangen van Belgische bedrijven over schade door die betrokken aanval. Het incident vond buiten België plaats en viel daarom buiten de wettelijke opdracht en dus ook buiten de monitoringscope van het CCB. Er werd geen link vastgesteld met Belgische gebruikers. Daarmee hebt u het antwoord op de eerste vraag in de tekst zoals u die ingediend hebt, over het incident in 2023.

Tweede element van antwoord, het CCB ontving geen incidentmeldingen van Belgische bedrijven. Het betrof een Amerikaans bedrijf en de aanval werd niet verder onderzocht. Daarmee hebt u het antwoord op de tweede vraag uit uw tekst. Werd er ook data van Belgische burgers gestolen? Het antwoord is neen.

Het derde punt correspondeert met de derde vraag uit uw ingediende tekst. Er werden geen significante phishingaanvallen vastgesteld die in verband konden worden gebracht het Collins-datalek.

Uw vierde vraag peilt naar de status van een lopend onderzoek door het CCB. Daarover kunnen we geen details geven.

Vijf, het Centrum voor Cybersecurity onderhoudt regelmatig constructieve contacten met Europese en niet-Europese partners, waaronder de nationale cyberautoriteiten, zoals het National Cyber Security Centre van het Verenigd Koninkrijk, om informatie en expertise uit te wisselen over dreigingen en incidenten. Die samenwerking versterkt de gezamenlijke weerbaarheid tegen cyberaanvallen en bevordert een gecoördineerde aanpak op het internationaal niveau.

Daarmee heb ik de vragen beantwoord die ik heb ontvangen via de tekst van uw vraag zoals ingediend. Ik heb de indruk dat u mondeling een beetje een andere richting bent uitgegaan. U mag het mij niet kwalijk nemen dat ik voor de antwoorden op die vragen opnieuw het CCB zal moeten bevragen wat het te melden heeft. Zoals elke burger volg ik de situatie, maar daarmee is dan ook alles gezegd. De limieten van mijn begripsvermogen inzake cyber zijn zo ongeveer bereikt als ik hier het microfoonknopje aan en uit kan zetten.

Voorzitter:

Ook ik leer elke dag bij.

Dieter Keuten:

Mijnheer de eerste minister, ik zal die vragen dan opnieuw indienen en opnieuw drie maanden geduldig wachten op een antwoord. Ik kijk ook uit naar het moment dat u die bevoegdheid van cyberveiligheid, zoals aangekondigd, zult overdragen aan de minister van Binnenlandse Zaken.

Ik zal u voorts voorlezing geven van de feiten. Er bestaan duidelijke protocollen om dergelijke incidenten te beheren. De chaos op Brussels Airport wat betreft eenheid van communicatie, het aantal mensen dat aangaf van niets op de hoogte te zijn, de ernst en de langdurigheid van de onregelmatigheden in vergelijking met de andere getroffen luchthavens, tonen aan dat er geen sprake was van goed voorbereid crisismanagement op onze nationale luchthaven. Experten raden aan dat elke luchthaven die gebruikmaakt van dergelijke cloudplatformen voor de gegevensverwerking van passagiers beschikt over een onafhankelijke kill switch en een local first mode die ingeschakeld kan worden wanneer zich vertrouwensproblemen voordoen bij externe leveranciers. Elk kwartaal hoort dat systeem getest te worden, maar volgens mij gebeurt dat in Zaventem niet. Die procedures zijn niet nieuw, want ze zijn gedocumenteerd in reeds bestaande literatuur, na dure lessen uit het verleden. Het was dus opnieuw een dure les in Zaventem dit jaar.

Mijnheer de eerste minister, ik rond af. Ik zal u niet langer vervelen met mijn voorlezing. De intentie alleen tot cyberveiligheid is niet voldoende. De standaarden moeten hoger.

Voorzitter:

We hebben de afgesproken tijd reeds overschreden. Ik dank de eerste minister voor zijn antwoorden. De overige vragen komen in een volgende vragensessie aan bod. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 16.34 uur. La réunion publique de commission est levée à 16 h 34.

De bescherming van onze luchthavens tegen drones
De drones boven de luchthaven van Zaventem
De economische impact van de drone-incidenten boven de luchthaven van Zaventem
De uitrol van de U-Space en de handhaving van de droneregistratie
Dronevluchten boven onze luchthavens
Aanpassingen aan de regelgeving gezien de dronevluchten boven onze kritieke infrastructuur
Droneregulering en veiligheid rond luchthavens en kritieke infrastructuur

Gesteld aan

Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)

op 9 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om herhaalde drone-incidenten boven Belgische luchthavens (met name Brussels Airport), die veiligheidsrisico’s, economische schade (95 geannuleerde vluchten, gestrande passagiers, vertraagde medische zendingen) en kwetsbaarheid van kritieke infrastructuur blootleggen, vooral sinds de Russisch-Oekraïense oorlog. Minister Crucke kondigt 3,1 miljoen euro voor detectiesystemen (skeyes), betere coördinatie tussen Defensie, Politie en Mobiliteit, en een Europees voorstel voor verplichte droneregistratie aan, maar Legasse (N-VA) en De Smet (MR) bekritisen het gebrek aan directe, krachtige actie en wijzen op bevoegdheidsversnippering, trage respons (bv. niet-operationeel NASC-systeem sinds 2020) en onvoldoende afschrikking van kwaadwillenden. Vander Elst (Open Vld) benadrukt de nood aan snelle, gecoördineerde samenwerking om hybride dreigingen het hoofd te bieden, terwijl anderen (bv. Hiligsmann) de Europese harmonisatie als sleutel zien.

Dimitri Legasse:

Monsieur le ministre, la protection de nos entités critiques doit être une priorité, vous en conviendrez, pour toutes les composantes de notre État.

Cependant, les survols répétés de plusieurs aéroports de notre pays, qu’ils soient civils ou militaires, sont particulièrement inquiétants. Ils ne datent pas d’hier et illustrent la vulnérabilité de nos infrastructures face aux attaques dites hybrides, qui ont pris une nouvelle ampleur depuis la guerre entre la Russie et l’Ukraine. Ces survols ont également un impact majeur sur l’économie de notre pays, avec pour dernière illustration le blocage total de l’aéroport de Bruxelles-National.

Il est important de rappeler qu'il est de votre responsabilité ainsi que de celle du ministre de la Défense d'éviter de tels survols. Cela fait des semaines que ces incidents se multiplient et il aura fallu en arriver là pour que, finalement, le premier ministre convoque un Conseil national de sécurité.

La menace concerne également le SPF Mobilité ainsi que Skeyes, qui doivent assurer la sécurité et l’efficacité du trafic aérien. Monsieur le ministre, outre votre annonce selon laquelle vous allez interdire les drones illégaux – excusez du peu –,pouvez-vous nous indiquer, pour chaque aéroport civil, les moyens qui seront déployés avec le SPF Intérieur, ainsi que la collaboration avec les zones de police locales?

Par ailleurs, au niveau de votre SPF et de Skeyes, quels sont les moyens que vous avez mobilisés pour faire face aux incursions de drones? Pouvez-vous faire le point sur l’ensemble des informations dont vous disposez concernant ces survols? Quelles mesures urgentes allez-vous prendre et de quels moyens disposez-vous?

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de minister, ik zal de incidenten niet opnieuw schetsen. Ze zijn bekend.

Drone-incidenten hebben voor veiligheidsproblemen gezorgd. Ze zorgen in de maatschappij ook voor angst en voor wantrouwen. Dat is absoluut een groot probleem, zeker als de incidenten zich afspelen boven de luchthaven van Zaventem, waar heel veel verkeer is, zowel van passagiers-als van cargovluchten. De gezamenlijke aanpak van zowel Defensie en Mobiliteit als Binnenlandse Zaken moet zeer gestroomlijnd verlopen.

Naast een impact op de veiligheid is er ook een economische impact. De luchthaven van Zaventem, Brussels Airport, is de tweede grootste economische pool van ons land. Ze zorgt voor heel veel jobs, zeker in Vlaams-Brabant, maar ook voor Brusselaars en voor mensen uit Wallonië is ze een zeer grote werkgever. Als het luchtverkeer van het ene op het andere moment stilvalt, heeft dat bijzonder veel economische impact.

Er hebben me signalen bereikt via DHL, een grote cargospeler op de luchthaven, dat een aantal tijdkritische zendingen, meestal van medisch materiaal, uitgesteld moest worden, wat ook een medische impact heeft. De incidenten hebben dus een veiligheidsimpact, een economische impact, maar ook in een aantal gevallen een medische impact.

Mijnheer de minister, wat was de economische impact van de verschillende sluitingen van Brussels Airport? Wat was de impact op de passagiersvluchten? Graag krijg ik het aantal geannuleerde of omgeleide vluchten, als u die gegevens hebt.

Kunt u bevestigen wat DHL gezegd heeft, namelijk dat een aantal tijdkritische zendingen uitgesteld moest worden? Zijn er problemen opgetreden om medische zendingen op tijd en ter plaatse te krijgen?

Op welke manier bent u met uw diensten betrokken bij die drone-incidenten? Is er nood aan een versterkte of verbeterde samenwerking met Defensie, met de politie, en de FOD Mobiliteit, opdat zulke incidenten, die zich in de toekomst ongetwijfeld nog zullen voordoen, zo goed mogelijk aangepakt kunnen worden?

Voorzitter:

Mevrouw Gielis is niet aanwezig.

François De Smet:

Monsieur le ministre, la problématique des drones devient systémique à tous les niveaux de pouvoir, puisque ces survols exposent notre vulnérabilité. Il est désormais démontré qu'il est possible de paralyser un ou plusieurs de nos aéroports chaque soir de la semaine, si on le veut, à l'aide d'un ou plusieurs drones.

Même si la nature de cette menace fait peu de doutes et qu'elle concerne probablement une puissance étrangère qui veut nous intimider et qui peut-être y parvient, sur le plan logistique cela relève en grande partie de vos compétences, puisque s'agissant de la détection, c'est skeyes qui en est responsable pour les aéroports.

Un nombre assez élevé de faux positifs parmi les observations a été décelé autour de Zaventem: les hélicoptères de la police ont souvent été confondus avec des drones.

À l'aéroport, c'est l'autorité aéronautique qui décide du trafic aérien et de la possibilité éventuelle de recourir à des moyens d'intervention techniques, et les événements de ces dernières semaines n'ont pas conduit à une situation où une intervention technique était envisageable. On connaît et comprend la difficulté dans un environnement densément construit, tel qu'un aéroport: on ne peut pas simplement utiliser des armes à feu, des filets ou que sais-je pour neutraliser des drones. Il faut donc, au-delà des manœuvres d'interdiction de drones, faire beaucoup plus.

Quelles sont aujourd'hui nos capacités de détection et d'intervention à l’égard des drones survolant nos aéroports? Une surveillance accrue est-elle maintenue voire renforcée, malgré la limitation des moyens? Confirmez-vous le fait que vous allez prochainement présenter un document au Conseil européen en matière de possibilité d’enregistrement des drones? Cela ne nous sauvera évidemment pas de drones envoyés par des puissances étrangères mais cela réduira sans doute les faux positifs et les perturbations de drones civils.

Serge Hiligsmann:

Monsieur le ministre, cette question fait couler beaucoup d'encre puisque début novembre, nos aéroports étaient perturbés par des intrusions de drones, avec des conséquences sur le trafic aérien et d'autres services publics. Ces nombreuses incursions aux alentours des aéroports européens et de bases militaires soulèvent des inquiétudes légitimes en matière de sécurité et de protection de nos infrastructures critiques, notamment les réseaux électriques.

En Belgique, skeyes joue un rôle pionnier dans ce domaine, étant le premier contrôleur de drones certifié en Europe, en développant des solutions pour une intégration sécurisée de ces appareils dans l’espace aérien. Toutefois, selon leurs chiffres, près de 85 % des vols de drones se font encore de manière illégale, ce qui démontre l’urgence d’adapter et de renforcer notre cadre législatif.

Pouvez-vous nous informer sur l'évolution de la situation en termes de fréquence des intrusions et leur gravité, ainsi que l'implication de la cellule spécialisée de la police et d'autres acteurs belges? Est-il envisagé de renforcer la législation belge relative aux drones, afin de garantir la sécurité de notre espace aérien et de nos infrastructures sensibles? Une concertation européenne est-elle en cours pour harmoniser les règles au sein de l’Union et aboutir à une stratégie commune face aux risques sécuritaires mais aussi aux opportunités offertes par cette technologie?

Jean-Luc Crucke:

Mijnheer de voorzitter, collega's, drones bieden inderdaad grote kansen voor tal van economische sectoren zoals precisielandbouw, logistiek, bouw, bewaking van kritieke infrastructuur, civiele veiligheid, de audiovisuele sector en de hulpdiensten. Het toenemende gebruik ervan getuigt van een potentieel om de efficiëntie, veiligheid en innovatie op die gebieden te verbeteren. De snelle groei brengt echter ook risico’s met zich, namelijk verstoring van kritieke activiteiten, met name in de luchtvaart, mogelijke inbreuken op de veiligheid of de privacy en kwaadwillig, crimineel, onzorgvuldig ( careless ) of onwetend ( clueless ) gebruik van de apparaten.

In tegenstelling tot het bemande luchtverkeer bestaat er nog geen specifiek voor drones bestemd luchtverkeersleidingssysteem dat de veiligheid, het toezicht, de coördinatie en de vlotte verplaatsing in het luchtruim garandeert. De voorbije weken hebben verschillende Europese landen, waaronder België, te maken gehad met indringers van onbekende drones of verdachte vluchten vaak rond luchthavens of militaire basissen. Dat heeft geleid tot verstoringen van het luchtverkeer en tot toegenomen bezorgdheid over de veiligheid van het luchtruim.

De impact van de incidenten is aanzienlijk, zowel op het vlak van de continuïteit van het luchtverkeer als op de veiligheid van passagiers en personeel. Wij beschikken momenteel niet over officiële cijfers over de economische impact. De impact kan wel als volgt worden samengevat. 41 passagiersvluchten, namelijk 22 vertrekkende en 19 aankomende, werden geannuleerd, 24 werden er omgeleid en 300 gestrande passagiers moesten op 4 november 2025 op de luchthaven overnachten. Voor 5 november 2025 gaat het om 54 geannuleerde passagiersvluchten, namelijk 22 vertrekkende en 32 aankomende.

Skeyes en ik nemen de problematiek rond ongeautoriseerde dronevluchten boven luchthavens en andere gevoelige locaties heel ernstig.

De voorbije weken zijn op verschillende plaatsen drones waargenomen, waardoor in sommige gevallen het luchtverkeer moest worden onderbroken. Dergelijke maatregelen worden uitsluitend genomen op basis van concrete, geverifieerde meldingen die een potentieel gevaar vormen voor de veiligheid van het luchtverkeer, waarbij de verkeersleiding steeds kiest voor maximumveiligheid.

Il convient toutefois de contextualiser les chiffres, c'est-à-dire les vols illégaux. Les données rapportées par skeyes concernent des vols qui n'ont pas fait l'objet d'une demande préalable – et pour cause – d'autorisation de vol dans les géozones contrôlées par skeyes.

Il s'agit de vastes zones entourant les aéroports en Belgique. Il est exact que, pour de nombreux vols dans ces zones, aucune demande préalable n'est soumise, mais cela ne signifie nullement que tous représentent un danger. Il sera d'ailleurs procédé à une révision de ces zones où une autorisation préalable est requise, ainsi qu'à un suivi plus strict des autorisations de vol.

Dans le cadre de cette même révision de la législation relative aux géozones, une attention particulière sera également portée à la protection de l'espace aérien belge, ainsi qu'aux infrastructures critiques. Le Conseil national de sécurité identifiera ces infrastructures critiques et des autorisations de vol seront nécessaires pour opérer dans les géozones qui les entourent. Par ailleurs, des investissements seront réalisés dans les capacités de détection.

De ministerraad heeft recent een geïntegreerde en gecoördineerde aanpak goedgekeurd, waarbij de ministeries van Defensie, Binnenlandse Zaken en Mobiliteit en skeyes nauw samenwerken. Er is een bijkomend budget voorzien voor de versterking van het bestaande detectienetwerk en de uitrol van de detectie- en identificatiesystemen.

À la suite d'incidents récents impliquant des drones à proximité d'aéroports et d'infrastructures sensibles, le Conseil des ministres a décidé, le 7 novembre 2025 – il y a donc un mois –, de développer un système national intégré de surveillance, de détection, d'identification et d'alerte des activités de drones. Cette décision vise à renforcer la sécurité aérienne, à protéger les sites sensibles et à garantir une réponse coordonnée face aux menaces croissantes liées à l'usage malveillant de drones.

Skeyes beschikt reeds over een eerste laag detectiesystemen op de luchthaven Brussel-Nationaal en op de regionale luchthavens en zal versneld bijkomende sensoren installeren. Verder zal er een meerlagige aanpak worden uitgerold, waarbij verschillende technische systemen op elkaar worden afgestemd, om de detectiecapaciteit te vergroten. Deze combinatie van technologieën zal toelaten drones sneller te identificeren en de dreiging beter in te schatten.

Er werd een budget van 3,1 miljoen euro toegekend aan skeyes voor een dringende aankoop om de interne veiligheid te versterken rond de luchthavens Brussel-Nationaal en Luik, als aanvulling op het detectienetwerk met betrekking tot drones van Defensie, waarvan de identificaties gecentraliseerd worden bij het NASC. Hierdoor zal skeyes zijn detectienetwerk in de luchthavens kunnen uitbreiden en moderniseren, de gegevens van de militaire sensoren integreren en snel geavanceerde sensoren ontplooien, radar en akoestische systemen, met name in Brussel en Luik. Er zal in december 2025 een systeem van actieve bewaking worden ingevoerd, goed voor een dekking 24/7.

De samenwerking tussen skeyes, de federale politie en Defensie werd verder geoptimaliseerd, om een gecoördineerde respons mogelijk te maken. Operationele details worden om veiligheidsredenen niet publiek gedeeld.

Ces évolutions s'inscrivent dans une concertation avec la Commission européenne et les autres États membres. Les règles relatives à l'utilisation des drones étant de nature européenne, il est indispensable de coopérer à ce niveau afin d'apporter les ajustements nécessaires à la législation pour répondre aux défis en matière de sécurité, mais également de permettre le développement de ce secteur prometteur.

De federale overheid zet in op een verdere versterking van het Europees regelgevend kader voor drones. Het doel is om het gebruik van niet-geregistreerde of niet-geautoriseerde drones maximaal te voorkomen, gelet op de potentiële veiligheidsrisico’s, vooral in de nabijheid van luchthavens en kritieke infrastructuur.

Skeyes werkt in samenwerking met het Directoraat-Generaal Luchtvaart aan een gemeenschappelijk platform voor vluchtvergunningen en geozonebeheer. Dit platform zal toelaten om droneactiviteiten beter te monitoren en in het luchtverkeersbeheer te integreren.

De Belgische overheid blijft waakzaam en handelt proactief om de veiligheid van het luchtruim te garanderen. Alle maatregelen zijn erop gericht om risico’s te minimaliseren, de continuïteit van het luchtverkeer te waarborgen en de impact op reizigers en infrastructuur zo beperkt mogelijk te houden.

Over de aard, herkomst en motieven van recente drone-incidenten wordt geen uitsluitsel gegeven zolang het onderzoek loopt. De overheid communiceert transparant over de genomen maatregelen, maar verstrekt geen operationele of gevoelige details.

België kiest voor een gefaseerde en risicogebaseerde uitrol van U-space, in lijn met de aanbevelingen van EASA en Eurocontrol. De eerste U-spaceluchtruimen zullen zich onder de 500 voet of 150 meter in het Belgische luchtruim bevinden. Deze afstand wordt beschouwd als een natuurlijke barrière die bemande en onbemande luchtvaartuigen van elkaar scheidt, zodat een veilige, graduele leercurve bij de implementatie van een U-spaceluchtruim kan worden opgebouwd.

De haven van Antwerpen is de pilootlocatie, waar al ervaring met BVLOS-operaties werd opgedaan. Voor een volledige implementatie van een U-spaceluchtruim moet aan drie voorwaarden worden voldaan. Ten eerste, de planningsfases van het coördinatiemechanisme moeten worden voltooid, met inbegrip van de consultatie van de stakeholders. Ten tweede, de luchtruimrisicobeoordelingen moeten worden uitgevoerd. Ten derde, een CISP, een verlener van centrale informatiediensten en een USSP, een verlener van U-spacediensten, moeten worden opgericht en gecertificeerd.

De exacte taakverdeling wordt momenteel besproken en bepaald. Skeyes zal instaan voor het afleveren van toelatingen voor vluchten in geozones gelinkt aan kritieke infrastructuur, detectie zal centraal gebeuren in het NASC en de politie zal de interventies op het terrein voor zich nemen. De identificatie zal gebeuren op basis van detectieapparatuur, aangevuld met de beschikbare gegevens bij Skeyes en het DGLV.

Monsieur De Smet, en effet, le 4 décembre, j'ai présenté un non-paper en point A ou B au Conseil des ministres européens du Transport. Ce non-paper , rédigé en collaboration avec mes collègues de la Défense et de l'Intérieur et validé par le gouvernement, a été soutenu par 15 États membres.

Les priorités dans ce dossier sont la simplification administrative et l'enregistrement obligatoire des drones.

Cette initiative est soutenue à la fois par la Commission et par certains États membres. Nous avons également rencontré la DG MOVE de la Commission afin de leur présenter nos priorités et nos demandes de modification de la législation européenne.

J'ai également abordé le sujet avec le commissaire au Transport, M. Tzitzikóstas, en marge du Conseil. Celui-ci s'est également engagé à soutenir les démarches de notre pays et à encourager la Commission européenne à lever les blocages existants dans la réglementation européenne actuelle.

Dimitri Legasse:

Monsieur le ministre, je ne voudrais pas vous vexer, non pas parce que la réponse était longue, mais parce que vous faites un peu étalage d'une forme d'impuissance par rapport à une problématique, il est vrai, relativement complexe.

L'enregistrement obligatoire ou l'immatriculation, vous comprenez bien que ce ne sera pas la solution, en tout cas, certainement pas pour ceux qui sont mal intentionnés.

Finalement, nous avons eu droit à la dernière histoire belge, entre l'unité spéciale qui n'a pas été mobilisée – mais ça, ce n'est pas de votre responsabilité – et le National Airspace Security Center (NASC) à Beauvechain, qui n'est pas opérationnel depuis 2020, mais qui le sera peut-être au 1 er janvier 2026. Il faut savoir que le dispositif existe depuis 1950. C'est quand même une vraie histoire belge dans sa plus pure tradition.

Je constate que, pendant que des drones prenaient d'assaut le ciel belge, la police fédérale et le SPF Mobilité étaient totalement absents, alors que c'est à 90 % leur responsabilité. Ce n'est pas mon collègue de Jodoigne qui me démentira.

Ce sont finalement des camionnettes de notre police qui ont littéralement coursé les drones avec des filets, raillaient certains caricaturistes. Des camionnettes de police poursuivaient des drones qui s'évanouissaient dans la nature.

Vous nous avez rappelé les conséquences de la problématique. Certes, vous n'aviez pas de chiffres précis, mais vous avez quand même donné tous les chiffres des vols annulés et des passagers bloqués.

Nous attendons des mesures fortes. J'entends bien que des contacts ont été pris. Le Conseil national de sécurité s'est réuni. Le Conseil des ministres s'est réuni et va demander à skeyes d'en faire davantage que ce qu'il fait déjà. D’accord.

Je ne vois cependant pas là de plan d'action vraiment fort. Permettez-moi de vous le dire, monsieur le ministre, ce n'est pas du vent, mais quasiment. J'ai l'impression qu'on ne se rend pas compte en Belgique de l'ampleur du problème. Je vous remercie.

Kjell Vander Elst:

Dank u, mijnheer de minister, voor uw uitgebreide antwoord. De cijfers liggen niet, 95 vluchten geannuleerd. Wanneer ik 4 en 5 november optel, dan merk ik dat de economische impact ook zeer aanzienlijk zal zijn. Ik denk dat we er alle baat bij hebben om die dreiging, of die nieuwe vorm, die hybride vorm van oorlogsvoering zo snel mogelijk aan te pakken, zodat de luchthaven daar een zo klein mogelijke impact van moet ondervinden.

Ik hoor u zeggen dat skeyes 3,1 miljoen ter beschikking gekregen heeft om detectie- en identificatiesystemen te ontwikkelen of aan te schaffen. Dat is een goede zaak. Defensie heeft 50 miljoen extra gekregen voor counterdronesystemen. Als nu de politie of het droneteam van de politie nog tijdig wordt gebeld, zullen we misschien wel kunnen optreden wanneer we te maken krijgen met een droneaanval op onze luchthaven. Ik hoop evenwel dat we niet blijven werken op onze eilandjes. Ik weet dat het NASC is opgericht, maar dat skeyes wat middelen en Defensie wat middelen hebben gekregen. De minister van Defensie zegt dat de problematiek zijn bevoegdheid niet is, maar die van de politie. Laat ons dat overstijgen. Het betreft een bijzonder ernstige, nieuwe problematiek.

De technologie evolueert maand na maand. Het is dan ook zeer belangrijk dat we komen tot een goed gecoördineerde aanpak tussen Mobiliteit, politie en Defensie. Men mag niet beginnen paraplu's open te trekken, waarbij een deel niet tot iemands bevoegdheid behoort, terwijl een ander deel wel tot zijn bevoegdheid behoort. Ik hoop dus dat er in de toekomst een goede gecoördineerde aanpak komt om die dreiging aan te pakken.

Tine Gielis:

Mijnheer de minister, ik heb mijn vraag niet kunnen stellen omdat mijn aanwezig elders vereist was, maar ik heb wel nog een deel van uw antwoord meegekregen. U geeft een aanzet om de puzzelstukken te leggen waarmee het grote geheel kan worden gevormd. Door daarop in te zetten, kan het alleen maar beter worden.

Op lokaal vlak zorgen de incidenten ervoor dat bezorgde burgers overal drones zien. Sommige mensen vatten die bezorgdheid aan om hun buren bang te maken door met drones bij hen binnen te kijken. Een betere registratie en beveiliging zou dat kunnen voorkomen. De politie is een belangrijke schakel in het geheel om de controle te behouden.

François De Smet:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses circonstanciées. Elles me paraissent complètes quant à ce qui est entrepris pour rattraper le retard inouï dans notre défense contre les drones. Bien évidemment, cela ne relève pas principalement de votre responsabilité.

En revanche, je ne suis pas rassuré par notre capacité à réagir à très court terme si, demain, la semaine prochaine, une nouvelle séquence de drones s'ouvrait. C'est comme si nous devions espérer que la météo des drones se calme le temps que nous parvenions à nous protéger. Je crains que ce ne soit qu'un vœu pieux.

Je l'ai également dit au ministre de la Défense, qui s'est davantage livré que vous au renvoi de balles, je le reconnais. Je me méfie de cette tendance bien belge qui consiste à réagir en ordre dispersé. Nous percevons cependant que plusieurs acteurs ne souhaitent pas que ce soit le cas. Vous vous coordonnez, et c'est bien, mais nous savons à quel point, face à la menace, la tentation de se renvoyer la balle s'accroît. Je sais que c'est un pari de nos ennemis de nous voir agir en ordre dispersé. Par conséquent, je vous encourage à poursuivre l'effort de coordination que vous semblez vouloir fournir. Merci à vous.

Serge Hiligsmann:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses et pour les démarches que vous avez entreprises en concertation avec vos nombreux collègues et homologues impliqués dans ce dossier, à l'échelle nationale et internationale, en particulier les quinze É tats membres les plus volontaires. Merci à vous, et bonne continuation.

De agressie tegen treinbegeleiders

Gesteld door

lijst: PS Éric Thiébaut

Gesteld aan

Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)

op 9 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Éric Thiébaut bekritiseert de alarmende toename van agressie tegen SNCB-personeel (2.100 incidenten in 2024, 350 langdurige afwezigheden) en eist versterkte Securail-brigades, betere samenwerking met politie en heropening van politieposten in stations, met name na sluitingen onder minister Jambon die volgens hem de veiligheid ondermijnen. Minister Crucke bevestigt prioriteit voor veiligheid, meldt een recente uitbreiding van Securail met 50 ETP (totaal 700), bodycams in voorbereiding en een gepland akkoord met Binnenlandse Zaken voor betere afstemming, maar benadrukt dat politie-infrastructuur niet onder SNCB valt. Thiébaut beklemtoont de klachten van Securail-agenten: gebrek aan erkenning als handhavers, onvoldoende training (bv. omgaan met messen), beperkte middelen (alleen pepperspray) en pleit voor overname door Binnenlandse Zaken, terwijl Crucke belooft de operationele samenwerking te structureren via een nieuwe raad met de minister van Veiligheid, zonder expliciet in te gaan op de transfervraag.

Éric Thiébaut:

Monsieur le ministre, il y a quelques semaines, une contrôleuse de la SNCB a été agressée dans un train et a dû être hospitalisée. Ce qu'il s'est passé est totalement inacceptable. Depuis plusieurs années, j’ai réclamé, à de nombreuses reprises, des moyens supplémentaires pour la police du rail, une présence accrue et visible des forces de sécurité dans les trains et les gares, ainsi qu’un arsenal légal mieux adapté pour protéger les accompagnateurs et l’ensemble du personnel ferroviaire et des transports en commun en général.

Malheureusement, force est de constater que la situation ne s’améliore pas. En 2024, près de 2 100 agressions envers le personnel ont été rapportées par la SNCB, soit une moyenne de 6 agressions par jour. Certaines étaient plus graves que d’autres. L'an dernier, 350 travailleurs de la SNCB ont été absents suite à une agression. Il faut évidemment que cela cesse. Les accompagnateurs de train ne méritent pas un tel traitement.

Monsieur le ministre, un renforcement des brigades Securail est-il envisagé? Si oui, dans quel délai? Une amélioration de la collaboration entre les agents de Securail et les accompagnateurs de train est-elle enfin à l’ordre du jour? Où en sont les discussions avec votre collègue ministre de l’Intérieur concernant la répartition des tâches entre police locale, police des chemins de fer et Securail, dont le transfert a été annoncé par votre collègue de l’Intérieur? Enfin, à l’image de Bruxelles-Midi, l’ouverture de nouveaux postes de police dans les gares est-elle étudiée?

Jean-Luc Crucke:

Cher collègue, la lutte contre les agressions envers le personnel demeure, et doit demeurer, une priorité pour moi comme pour la SNCB, tant le phénomène reste préoccupant et parfois complexe. Qu’elles soient physiques ou verbales, ces violences sont parfaitement inacceptables. Elles portent atteinte au bien-être des collaborateurs, perturbent le bon fonctionnement de l’entreprise et altèrent le confort des voyageurs.

Chaque jour ouvrable, les collaborateurs de la SNCB assurent le bon déroulement du service auprès de 900 000 voyageurs. Dans ce cadre, les agents de Securail jouent un rôle essentiel, en étroite complémentarité avec les accompagnateurs de train, les équipes de contrôleurs mobiles, la police des chemins de fer et les services locaux de police. Ensemble, ils mènent des actions ciblées dans les lieux et aux moments identifiés comme sensibles. Ces opérations renforcent la visibilité sur le terrain et contribuent concrètement à la sécurité du personnel et des voyageurs.

Depuis l'entrée en vigueur du contrat de service public, les Corporate Security Services (CSS) Securail, ont déjà été renforcés et l'ont été, dernièrement encore, de 50 équivalents temps plein sur les 700 équivalents temps plein répartis entre les agents de terrain de Securail et le personnel des control rooms .

À travers la mise en œuvre de son masterplan Intégration, la SNCB poursuit le déploiement des mesures concrètes et assure un suivi rigoureux de la situation. Des analyses de terrain sont régulièrement organisées en concertation avec les partenaires concernés afin d'adapter les effectifs et les interventions en fonction des besoins constatés, tout en respectant les exigences opérationnelles et légales. Par ailleurs, des dispositifs d'alarme et de communication ont été installés pour permettre des interventions plus rapides en cas d'incident. La SNCB reste engagée dans le déploiement de bodycams pour les membres de son personnel les plus exposés aux agressions. L'expérience d'autres pays européens montre que ces dispositifs renforcent le sentiment de sécurité, favorisent la désescalade des situations conflictuelles et fournissent des éléments objectifs en cas d'enquête ou de poursuite judiciaire.

Les travaux préparatoires se poursuivent en vue d'identifier une solution conforme aux exigences légales. Je ne désespère pas de déposer ce dossier avec mon collègue de l'Intérieur sur la table du gouvernement avant la fin de l'année ou, au plus tard, au début de l'année prochaine.

Ce n'est pas la SNCB qui décide de l'installation d'un poste de police dans une gare, mais l'entreprise examine les demandes avec une grande bienveillance, car cela apporte une grande valeur ajoutée en matière de sécurité. Je continuerai donc à travailler à une meilleure coordination de la politique de sécurité intégrée dans les transports et l'infrastructure du réseau ferroviaire.

L'accord de coalition prévoit un regroupement des compétences de sécurité entre les mains du ministre de la Sécurité et de l'Intérieur. Concrètement, nous développerons les moyens juridiques susceptibles de mieux structurer la coopération opérationnelle entre la police et Securail, les deux organes étant actifs dans ce domaine. Dans le cadre d'une cotutelle conjointe avec le ministre de l'Intérieur, un Conseil sera installé afin d'assurer une synergie renforcée dans l'élaboration et l'application des plans stratégiques et opérationnels de Securail, en coordination avec les plans d'action intégrés de sécurité de la SNCB.

Éric Thiébaut:

Merci pour cette réponse assez complète, monsieur le ministre. J'aimerais encore relayer les revendications des agents de Securail. J'en rencontre énormément sur le terrain puisque, comme vous le savez, je prends le train pour venir à Bruxelles. J'ai donc souvent l'occasion de discuter avec eux. Les agents de Securail expriment leur souffrance du fait de la complexité de leur situation. Ils doivent souvent intervenir, sans toujours être identifiés, avec leur uniforme rouge, comme des agents des forces de l'ordre. Ils sont vraiment demandeurs d'une intégration au sein des services de l'Intérieur. Cette demande n'émane peut-être pas de leur direction, mais certainement des agents de terrain. Je pense qu'il faut aussi les écouter. Ils ne sont pas toujours non plus très bien formés par rapport aux problèmes auxquels ils sont confrontés. Un agent m'évoquait l'autre jour ses doutes quant à la bonne réaction face à un individu armé d'un couteau. Eux ne disposent que d'un spray au poivre, qu'ils ne peuvent d'ailleurs pas utiliser dans toutes les situations. Les environnements tels qu'un wagon fermé ou un quai comprennent des limites et des dangers qui les laissent un peu démunis au niveau des moyens d'action. En termes de gestion de la sécurité, leur travail est donc vraiment très particulier. Si je peux vous donner un petit conseil, je vous suggère donc d'aller peut-être à leur rencontre, et d'écouter les revendications du terrain – qui ne sont pas nécessairement celles de leur direction. Par rapport aux commissariats de police des chemins de fer, vous savez que le ministre Jambon a fait beaucoup de dégâts à ce niveau. Toute une série de commissariats ont été fermés, et on en ressent aujourd'hui les effets négatifs. Il peut arriver, par exemple, qu'un agent de Securail à Mons ayant immobilisé un individu doive attendre plus d'une demi-heure qu'un policier des chemins de fer arrive sur les lieux. Il est très compliqué de gérer ce genre de situations sur le terrain. Je suis dès lors un fervent défenseur du redéploiement de la police des chemins de fer dans les principales gares du pays. C'est vraiment nécessaire. J'espère que les choses bougeront à ce niveau-là, mais j'insiste aussi sur la nécessité de transférer carrément Securail au niveau du ministère de l'Intérieur.

De verkeersveiligheid bij adolescenten

Gesteld aan

Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)

op 9 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Volgens Irina De Knop toont een Vias-studie aan dat twee derde van de jongeren (15-19 jaar) smartphone gebruikt tijdens het fietsen (met boetes tot €174) en 53% belt met gsm in de hand, wat hun oververtegenwoordiging in ongevallen (10% van alle slachtoffers) verklaart – met name bij jonge mannen en door nabootsing van ouders (74% rijdt te snel, >50% gsm’t met kinderen in de auto). Ze vraagt om strengere maatregelen, ouders/scholen te betrekken en gerichte handhaving, vooral rond e-steps (72% rijdt overbezet, 22% draagt helm). Minister Crucke erkent het probleem maar relativeert: afleiding bij fietsers is minder riskant dan bij autobestuurders, en handhaving bestaat al (gsm-verbod in de hand, boetes). Hij wijst sensibilisering af naar de gewesten (bv. BenIkZo.be-test over risicogedrag, gefinancierd door zijn administratie) en verwerpt een smartphoneverbod voor voetgangers ("te beperkend"), maar benadrukt bestående regels (bv. voorrang bij oversteken). Handhaving en campagnes blijven lokaal/politiezaak.

Irina De Knop:

Uit een recente studie van Vias institute blijkt dat maar liefst twee op de drie jongeren tussen 15 en 19 jaar hun smartphone gebruiken tijdens het fietsen om berichten te sturen of sociale media te checken. Ook 53 procent belt onderweg met de gsm in de hand. Dit gedrag leidt tot een verhoogd risico op ongevallen en is bovendien een overtreding van de derde graad, waarop een onmiddellijke boete van 174 euro staat.

De studie wijst verder op een bredere problematiek: jongeren zijn nog steeds disproportioneel vertegenwoordigd in de ongevallenstatistieken. Vorig jaar raakten 4.609 jongeren tussen 15 en 19 jaar betrokken bij een verkeersongeval, goed voor 10 procent van alle verkeersslachtoffers in België. Vooral jonge mannen blijken vatbaar voor risicogedrag.

Niet alleen eigen keuzes spelen mee: het gedrag van ouders en vrienden heeft een sterke invloed. Zo geeft 74 procent van de ouders toe wel eens te snel te rijden, en gebruikt meer dan de helft de gsm achter het stuur terwijl kinderen in de wagen zitten. Jongeren nemen dit gedrag over en beschouwen het als normaal. Daarnaast blijken ook groepsdruk en de populariteit van e-steps een rol te spelen: 72 procent van de jongeren rijdt soms met meer dan één persoon op een e-step, terwijl slechts 22 procent een helm draagt.

In het licht van de start van het nieuwe schooljaar is dit extra relevant. Het Vlaams smartphoneverbod op school kan ertoe leiden dat jongeren na de lessen meteen hun gsm intensief gebruiken, vaak op de fiets of al wandelend door druk verkeer. Sensibilisering blijft dus broodnodig, naast handhaving. Er bestaan al initiatieven zoals de online tool BenIkZo.be, maar de vraag is of die voldoende breed worden uitgerold.

Daarom heb ik volgende vragen:

Welke bijkomende maatregelen overweegt u om het gebruik van de smartphone tijdens het fietsen of wandelen in te perken, in het bijzonder bij jongeren?

Hoe zal u ouders en scholen sterker betrekken bij de sensibilisering rond verkeersveiligheid en voorbeeldgedrag?

Plant u bijkomende handhavingsacties of campagnes specifiek gericht op jongeren en hun risicogedrag, bijvoorbeeld met betrekking tot gsm-gebruik en e-steps?​

Jean-Luc Crucke:

Geachte collega, de resultaten van deze recente studie van VIAS zijn mij bekend. De studie werd uitgevoerd in het kader van het onderzoeksprogramma dat met federale middelen wordt gefinancierd. Ze sluit aan bij eerder onderzoek naar afleiding bij verschillende types weggebruikers.

Afleiding door smartphones bij jongeren is een thema dat mij nauw aan het hart ligt. We moeten echter voorzichtig omgaan met de vaststellingen die in deze studie worden gedaan. Afleiding op de fiets blijft een minder prominent probleem dan bij autobestuurders. Bij afleiding in de wagen liggen de impact en het aantal ongevallen, met name door de combinatie van het gewicht van het voertuig en de hogere snelheid waarmee wordt gereden, immers vele malen hoger dan bij fietsers.

Het in de hand manipuleren van een smartphone of een ander elektronisch apparaat tijdens het rijden is nu al verboden voor fietsers, net zoals dat verboden is voor andere bestuurders. Enkel het handsfree gebruik van de gsm is dus toegestaan, zoals dat ook voor autobestuurders geldt. Voor voetgangers geldt dit onderscheid niet. Ze zijn geen bestuurders, maar het is belangrijk dat ook zij inzien dat afleiding een impact kan hebben op hun veiligheid.

Ik ben in ieder geval niet van plan het gebruik van smartphones voor voetgangers te verbieden, omdat dit een te grote beperking van de vrijheid zou betekenen. Het probleem doet zich vooral voor wanneer een voetganger de rijbaan oversteekt. De wegcode bepaalt nu al dat een voetganger die van plan is over te steken op een oversteekplaats zonder verkeerslichten, dit alleen mag doen als hij of zij rekening houdt met naderende voertuigen. Deze regel geldt voor alle weggebruikers, adolescenten inbegrepen.

Verkeerseducatie en sensibilisering rond verkeersveilig gedrag zijn een regionale bevoegdheid. Binnen deze bevoegdheden wordt in de drie gewesten op geregelde tijdstippen aandacht besteed aan de thematiek van afleiding, zowel op school via gerichte campagnes als op internet met informatie en tips die specifiek gericht zijn op jongeren en die wijzen op de gevaren van afleiding en de geldende verkeersregels. U kunt hiervoor meer informatie opvragen bij de regionale overheden.

Ik verwijs naar het project benikzo.be, een project dat zeer recent publiek werd gemaakt en dat is ontstaan in het kader van de All For Zero-dynamiek waarvoor wordt samengewerkt met de gewesten. Dat in 2024 door de vzw XIU voorgestelde project beoogde het ontwikkelen van een digitale risicoperceptietest voor jongeren. Het project werd geselecteerd door een interfederale jury en kreeg een federale subsidie van mijn administratie omdat de test breed inzetbaar zou zijn binnen alle onderwijsnetten, in het Nederlands en in het Frans.

Ik ben verheugd over het resultaat en hoop dat het initiatief aanslaat, zowel bij leerlingen als bij lesgevers, voor wie ook ondersteunende leermiddelen zijn uitgewerkt. De test bestrijkt veel meer onderwerpen dan afleiding en behandelt bijvoorbeeld ook persoonlijkheid, het al dan niet nemen van risico’s, groepsdruk en profileringsdrang, zonder jongeren te stigmatiseren. Het is de bedoeling dat de test wordt gebruikt binnen bredere klasgesprekken.

Wat betreft de sensibilisering verwijs ik nogmaals naar de bevoegde gewesten. Controle en handhaving zijn een bevoegdheid van de politiediensten. Ik vraag hen hieraan de nodige aandacht te willen besteden.

Irina De Knop:

Ik dank de minister voor zijn duidelijke antwoord.

De naleving van de veiligheidsnormen voor Chinese voertuigen en de impact op de verkeersveiligheid

Gesteld door

lijst: MR Anthony Dufrane

Gesteld aan

Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)

op 9 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Anthony Dufrane uit zorgen over de veiligheid van goedkope Chinese elektrische voertuigen in België, met name over mogelijke omzeiling van Euro NCAP-normen, cybersécurité, batterijduurzaamheid en remsystemen, en vraagt om strengere controles. Minister Jean-Luc Crucke benadrukt dat EU-homologatieregels gelijk zijn voor alle voertuigen, ongeacht herkomst, en dat er geen specifieke tekortkomingen bij Chinese modellen bekend zijn, maar verwijst voor conformiteitscontroles naar regionale instanties. Hij stelt dat extra regelgeving voor China onnodig is, aangezien bestaande EU-normen (inclusief nieuwe eisen voor batterijen en cyberveiligheid) al gelden. Dufrane toont zich gerustgesteld maar belooft het dossier actief te blijven volgen.

Anthony Dufrane:

Monsieur le ministre, l'arrivée massive de véhicules électriques chinois sur le marché belge, avec des prix compétitifs et une offre diversifiée, soulève des questions essentielles quant au respect des normes de sécurité européennes, notamment celles évaluées par l'Euro NCAP. Ces normes garantissent non seulement la protection des occupants, mais aussi celle des autres usagers de la route, ainsi que la fiabilité des systèmes d'assistance à la conduite. Or, certains constructeurs chinois pourraient être tentés de contourner ou d'alléger ces exigences pour réduire leurs coûts de production et maintenir leur avantage prix.

Cette situation est d'autant plus préoccupante que les véhicules électriques, en raison de leur poids et de leur puissance, présentent des défis spécifiques en matière de sécurité passive et active.

Par ailleurs, la rapidité avec laquelle ces véhicules arrivent sur le marché ne doit pas se faire au détriment de la rigueur des contrôles, notamment en ce qui concerne la cybersécurité, la résistance des batteries et les systèmes de freinage d'urgence.

Mes questions, monsieur le ministre, sont:

Quels mécanismes de contrôle sont mis en place pour vérifier que les véhicules électriques chinois importés en Belgique respectent intégralement les normes de sécurité européennes, y compris les critères Euro NCAP?

Des écarts ou des non-conformités ont-ils déjà été identifiés chez certains modèles chinois, et si oui, quelles mesures ont été prises pour y remédier?

Envisagez-vous de proposer des adaptations réglementaires pour garantir que les véhicules importés, qu'ils soient chinois ou d'autres origines, répondent aux mêmes exigences strictes que ceux produits en Europe, notamment en matière de cybersécurité et de durabilité des batteries?

Jean-Luc Crucke:

Je comprends vos craintes concernant les nouveaux modèles de véhicules électriques chinois qui arrivent sur le marché belge et européen en abondance. Un cadre réglementaire harmonisé s'applique toutefois dans toute l'Union européenne garantissant l'application des mêmes normes de sécurité tant aux véhicules européens qu'aux véhicules importés depuis l'extérieur de l'Union européenne, y compris de la Chine.

En effet, avant qu'un constructeur européen ou étranger puisse mettre un véhicule à moteur sur le marché européen, le prototype du nouveau modèle doit être soumis à une batterie d'essais réalisée par un service technique indépendant sous sa supervision. Ces essais permettent de s'assurer que le modèle en question réponde bien à toutes les normes de sécurité imposées par la réglementation européenne.

Dès que tous les essais ont été réalisés et que leurs résultats sont concluants, le constructeur peut introduire une demande de réception par type – l'homologation – auprès de l'autorité d'homologation d'un des 27 États membres. Une fois que le certificat de réception par type, sur base des rapports d'essais, est finalement octroyé par l'autorité d'homologation, le nouveau modèle peut être mis sur le marché. Cette procédure d'homologation s'applique à tous les véhicules à moteur, peu importe leur origine.

Par ailleurs, les constructeurs doivent également mettre en place une procédure interne afin de s'assurer que les véhicules qu'ils produisent sont bien conformes au type homologué. L'autorité d'homologation qui a octroyé le certificat de réception par type est habilité à prendre toutes les mesures pour s'en assurer, telles que des vérifications ou des essais.

Enfin, outre la procédure d'homologation et le contrôle de la conformité de la production, les États membres disposent chacun d'une autorité chargée de la surveillance du marché pour garantir que les véhicules mis sur le marché sont conformes aux prescriptions techniques. Tous les véhicules à moteur mis sur le marché en Europe et en Belgique, quelle que soit leur origine, sont donc homologués et respectent les normes de sécurité imposées par la réglementation.

Concernant Euro NCAP, il s'agit d'une initiative indépendante sur base volontaire qui n'a pas de caractère contraignant pour les constructeurs. Même si les notes attribuées permettent de se faire une idée du niveau de sécurité d'un véhicule, elles ne disent rien de sa conformité.

Mon administration n'a pas connaissance de non-conformités identifiées chez des modèles chinois. La question du contrôle de la conformité relève toutefois de la compétence des autorités de réception, qui est gérée par les régions. Je vous invite donc à prendre contact avec ces autorités régionales à ce sujet.

Qu'il s'agisse de cybersécurité, de durabilité des batteries ou d'autres dispositions en matière de sécurité, de nouvelles prescriptions techniques ont d'ores et déjà été adoptées au niveau européen. Comme évoqué précédemment, le même niveau d'exigence s'applique aux véhicules européens et étrangers, y compris chinois. Il n'est dès lors pas nécessaire de prévoir des adaptations réglementaires spécifiques pour les véhicules chinois.

Concernant vos questions précises sur la conformité de l'homologation et le droit des consommateurs, je vous invite à vous adresser à mes collègues MM. David Clarinval et Rob Beenders.

Anthony Dufrane:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses rassurantes en termes de sécurité. Je ne manquerai pas de suivre ce dossier de près, notamment en interpellant également vos collègues, comme vous me le suggérez.

De resultaten van de gecoördineerde veiligheidsactie in het openbaar vervoer

Gesteld door

lijst: VB Frank Troosters

Gesteld aan

Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)

op 9 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Frank Troosters (parlementslid) bekritiseert dat minister Crucke nog niet reageerde op zijn eerdere vraag over een gecoördineerde veiligheidsactie in Blankenberge, waar drugs, wapens (3 messen, 1 stroomstootwapen) en tientallen zwartrijders werden aangetroffen, en dringt aan op concrete maatregelen tegen wapenbezit en fraude. Crucke bevestigt de nauwe samenwerking tussen NMBS, Securail, politie en DVZ, benadrukt versterkte controles (sinds 2024) en sensibilisering tegen zwartrijden, en kondigt betere coördinatie via het nationaal veiligheidsplan aan, maar Troosters vindt zijn antwoord onvoldoende specifiek over wapengebruik en eist meer zichtbare preventie, personeel en strafrechtelijke opvolging, ook met Justitie. Crucke wijst op structurele patrouilles en risicodetectie door Securail, maar Troosters betwijfelt de effectiviteit zonder strengere handhaving. De discussie draait om veiligheidslekken in openbaar vervoer en de nood aan gecoördineerde, straffende aanpak.

Frank Troosters:

Mijnheer de minister, ik verwijs naar de tekst van mijn vraag zoals ingediend.

Ik verwijs naar mijn schriftelijke vraag met referentie 0444 dd. 28/07/2025 waarvoor ik tot op heden nog steeds geen antwoord mocht ontvangen:

Bij een gecoördineerde actie van de NMBS, Securail, de stad Blankenberge, de Dienst Vreemdelingenzaken, de lokale en de federale politie en De Lijn op het openbaar vervoer (tram en trein) in Blankenberge trof men tien personen aan die drugs op zak hadden en werden bij vier personen wapens aangetroffen. Het betrof drie messen en een stroomstootwapen. Bijkomend stonden ook zes personen geseind. Tot slot werden ook tientallen processen wegens zwartrijden opgesteld.

Heeft u kennis van de opvallende resultaten?

Welke conclusies trekt u uit deze resultaten?

Welke specifieke maatregelen gaat u nemen om het bezit van wapens op het openbaar vervoer terug te dringen?

Welke specifieke maatregelen gaat u nemen om het aantal personen zonder vervoerbewijs terug te dringen?

Jean-Luc Crucke:

Mijnheer Troosters, de NMBS en ik hebben kennisgenomen van de resultaten van de veiligheidsactie in het station van Blankenberge. Securail heeft actief deelgenomen aan die gecoördineerde en multidisciplinaire actie, zoals ook het geval was bij eerdere gelijkaardige initiatieven in dat station.

De bevindingen bevestigen het belang van een nauwe samenwerking tussen de verschillende diensten. Veiligheid in en rond stations is immers een gedeelde verantwoordelijkheid. Elke partner heeft daarbij een eigen opdracht. De politie focust op strafrechtelijke inbreuken, de Dienst Vreemdelingenzaken op personen zonder geldige verblijfsdocumenten, De Lijn op zwartrijders op tram en bus en Securail op de naleving van de spoorwegwetgeving en de veiligheid op het spoorwegdomein.

Bovendien liggen de vastgestelde feiten in Blankenberge als een middelgroot station in lijn met wat we ook in andere stations van een vergelijkbare omvang zien.

Het bezit van wapens op het openbaar vervoer blijft een ernstige bezorgdheid. De aanwezigheid en waakzaamheid van Securail vormen daarbij een belangrijk middel om verdacht gedrag tijdig op te merken. Voorafgaande controles bij vertrekkende treinen zijn een essentieel instrument om risico’s vroegtijdig te detecteren.

Daarnaast worden Securailagenten voortdurend opgeleid om risicosignalen te herkennen en op een veilige manier met dergelijke situaties om te gaan. Die werkwijze maakt deel uit van reguliere patrouilles en van gezamenlijke acties met de politiediensten.

Samen met mijn collega van Binnenlandse Zaken werken we aan een versterking van die samenwerking en een betere ondersteuning door de verschillende politiediensten in de stations en op de treinen.

Om het aantal reizigers zonder geldig vervoerbewijs terug te dringen, heeft de NMBS een reeks concrete en gestructureerde maatregelen genomen. Die acties maken deel uit van een globale strategie voor de bestrijding van fraude, met als doel om de billijkheid en de veiligheid op het spoorwegnet te versterken.

Sinds het tweede semester van 2024 zijn de controles aanzienlijk opgevoerd. In het hele land werden grootschalige operaties uitgevoerd, wat duidelijk aantoont dat fraudebestrijding een operationele prioriteit is voor de NMBS en mezelf.

Met de steun van de NMBS wil ik de aanwezigheid van Securail in de treinen en op de perrons versterken, om zo het veiligheidsgevoel van de reizigers te verhogen en efficiënter te interveniëren.

Die versterkte controles hebben niet alleen een afschrikkend effect, maar maken het ook mogelijk om overtreders sneller en efficiënter te identificeren. Het treinpersoneel wordt bovendien intensiever begeleid en ondersteund, onder meer via coachingtrajecten, die een uniforme en strikte toepassing van de controleprocedures op het gehele netwerk moeten garanderen.

Daarnaast werd een sensibiliseringscampagne gelanceerd, zowel in de stations als op de treinen en aan de toegang tot de perrons, onderaan de liften en roltrappen, om reizigers eraan te herinneren dat een geldig vervoerbewijs essentieel is en om verantwoord gedrag te stimuleren. De strijd tegen zwartrijden gebeurt in nauwe samenwerking met De Lijn en andere vervoermaatschappijen.

Tijdens gezamenlijke acties worden reizigers systematisch gecontroleerd op geldige vervoersbewijzen, terwijl Securail instaat voor toezicht aan de perrontoegangen en voor het creëren van een veilige omgeving voor de controleurs. Die gecombineerde aanpak weerspiegelt de wil van de NMBS om het aantal reizigers zonder geldig vervoerbewijs aanzienlijk te verminderen, met respect voor de regelgeving en met behoud van een kwalitatieve openbaredienstverlening.

De continue aanwezigheid van Securail en de nauwe samenwerking met alle betrokken partners, politie, sociale diensten enzovoort, blijven daarbij cruciaal, om zowel de veiligheid als de naleving van de regels te waarborgen. Daarom wil mijn kabinet, in samenwerking met het kabinet van de minister van Binnenlandse Zaken, de wetsbepaling integreren in het nationaal veiligheidsplan en in de lokale veiligheidsplannen van de politie, om die coördinatie te structureren.

Mijn collega van Binnenlandse Zaken, de heer Quintin, en ikzelf hebben samen een werkgroep opgestart, die regelmatig samenkomt, om de synergie tussen de betrokken diensten te versterken, met het oog op meer efficiëntie en aanwezigheid op het terrein.

Frank Troosters:

Mijnheer de minister, ik deel uw mening dat het bijzonder belangrijk is dat de verschillende diensten samenwerken. Ik ben absoluut voorstander van dergelijke controles, zoals die in Blankenberge. Ik dring er vooral op aan dat het aantal controles wordt opgevoerd. Dat is ongelooflijk belangrijk.

U spreekt over preventie. Voorkomen is inderdaad altijd beter dan genezen, zoals men zegt. Preventie staat of valt echter met zichtbare aanwezigheid. Daarvoor zijn de nodige personele middelen vereist. Dat geldt zowel voor de spoorwegpolitie als voor Securail en eventueel andere diensten.

Ik miste in uw antwoord enigszins een antwoord op mijn specifieke vraag naar het toenemende gebruik van wapens, in het bijzonder messen, in het openbaar vervoer.

U hebt ten dele geantwoord op mijn vragen over de beteugeling van zwartrijden, maar het dragen of het gebruik van messen in het openbaar vervoer en het toenemende druggebruik in de stations en in de treinen, zijn niet te miskennen problemen.

Ik hoop alleszins dat er werk gemaakt wordt van meer controles en dat er een goede samenwerking is met uw collega van Binnenlandse Zaken, maar ook met uw collega van Justitie, want het bestraffend element moet natuurlijk wel volgen. Ik meen dat voor dat laatste element nog een hele weg af te leggen valt.

Voorzitter:

Vraag nr. 56010084C van mevrouw De Knop is omgezet in een schriftelijke vraag. Mijn vraag nr. 56010085C over de personeelssituatie bij Securail trek ik in, want ik heb daarop al een vrij uitgebreid schriftelijk antwoord ontvangen. De ontbrekende antwoorden heb ik teruggevonden in de antwoorden op voorgaande vragen.

Het veiligheidsincident met een trein in Aalter

Gesteld aan

Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)

op 9 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Volgens Dorien Cuylaerts toont een incident in Aalter – waar een trein deels voorbij het perron stopte en deuren opende, waardoor reizigers levensgevaarlijk over de sporen liepen – zorgwekkende tekortkomingen in veiligheid en communicatie, ondanks NMBS’ bewering dat de deuren direct slotten. Minister Crucke (NMBS) bevestigt dat het ging om een combinatie van menselijke fouten en technische problemen, benadrukt dat dergelijke incidenten systematisch worden onderzocht en gevolgd door correctieve maatregelen (zoals procedureherinneringen en digitale controles), en stelt dat personeel getraind is in criscommunicatie—hoewel hij het voorval betreurt. Cuylaerts erkent de evaluatie maar kritiseert dat de communicatie opnieuw tekortschoot, waardoor reizigers onveilige beslissingen namen; ze twijfelt aan de effectiviteit van NMBS’ communicatiebeloften, ondanks recente toezeggingen. Beide partijen hopen op preventie van herhaling, maar Cuylaerts bljft sceptisch over de uitvoering.

Dorien Cuylaerts:

Mijnheer de voorzitter, ik verwijs naar de ingediende vraag.

Mijnheer de minister, op dinsdagavond 28 oktober deed zich aan het station van Aalter een verontrustend incident voor. Een trein die er moest stoppen, reed het station gedeeltelijk voorbij, maar opende vervolgens toch de deuren. Op beelden is te zien hoe reizigers langs de sporen terug naar het station wandelen, wat een levensgevaarlijke situatie inhield.

Volgens de NMBS werden de deuren meteen gesloten zodra duidelijk werd dat een deel van de trein niet aan het perron stond, maar het blijft bijzonder zorgwekkend dat de deuren in eerste instantie konden worden geopend.

Ik heb hierover de volgende vragen:

Heeft de NMBS intussen duidelijkheid over de oorzaak van dit incident? Ging het om een menselijke fout, een technisch probleem of een combinatie van beide?

Hoe wordt er binnen de NMBS omgegaan met zulke situaties? Worden procedurefouten systematisch onderzocht en intern geëvalueerd om herhaling te voorkomen?

Hoe garandeert u dat reizigers correct geïnformeerd en begeleid worden wanneer zich dergelijke incidenten voordoen, zodat zij niet op eigen initiatief het spoor betreden?

Jean-Luc Crucke:

Geachte collega, de NMBS beschikt intussen over volledige duidelijkheid over de oorzaak van het incident. De interne analyse heeft de feitenreconstructie afgerond en aangetoond dat het om een combinatie van menselijke fouten en een technisch element ging. Die combinatie heeft geleid tot een onvoorziene stop voorbij het perron en tot een onveilige situatie voor de reizigers. Alle betrokken elementen zijn duidelijk geïdentificeerd en gedocumenteerd in het interne onderzoek.

Binnen de NMBS worden situaties van die aard steeds volgens een gestructureerde en systematische methodologie behandeld. Bij elk veiligheidsrelevant incident worden er onmiddellijke maatregelen getroffen voor de duur van het onderzoek, gevolgd door een feitelijke analyse op basis van technische gegevens, verklaringen en registraties. Vervolgens wordt nagegaan of de operationele procedures correct werden nageleefd. Wanneer er tekortkomingen worden vastgesteld, worden passende correctieve maatregelen opgelegd.

Daarnaast worden structurele en preventieve acties ondernomen om herhaling te voorkomen, zoals procedureherinneringen, controles met het gebruik van digitale tools en gerichte technische opvolging. Op die manier leidt elk incident tot een grondige interne evaluatie en concrete verbeteracties.

Tot slot hecht de NMBS groot belang aan correcte informatie en begeleiding van de reizigers wanneer er zich een incident voordoet. Het treinpersoneel wordt daarvoor specifiek opgeleid. Deze opleidingen omvatten onder meer het duidelijk en gestructureerd informeren van reizigers, het begeleiden en oriënteren met het oog op hun veiligheid, het beheren van verstoorde situaties volgens de geldende procedures en het aanpassen van de communicatie wanneer snelle en gecoördineerde actie vereist is.

Die competenties, opgenomen in zowel de initiële als de permanente opleidingen, moeten garanderen dat reizigers adequaat en veilig worden begeleid en geen gevaarlijke initiatieven nemen.

Ik betreur vanzelfsprekend het incident, dat zonder ongelukken is afgelopen. Ik kan echter alleen de kwaliteit van het werk van de NMBS benadrukken met betrekking tot dergelijke incidenten, die niet zonder gevolgen blijven. Ze worden gedocumenteerd en de nodige acties worden ondernomen.

Dorien Cuylaerts:

Mijnheer de minister, het is goed dat er een grondige evaluatie van het voorval is gemaakt. Menselijke fouten kunnen altijd gebeuren. We werken met mensen, we blijven mensen en we zijn nog altijd geen robots, dat is zeker te begrijpen. Wel was er opnieuw een probleem met de communicatie. Er wordt wel naar verwezen, maar ook bij dit incident bleef de communicatie te lang achterwege, waardoor passagiers zelf beslissingen namen, die in dit geval niet de slimste waren. Bij noodsituaties - en als burgemeester heb ik daar enige ervaring mee - is communicatie zeer belangrijk. Er bestaan procedures die uitgerold moeten worden. Zeker wanneer er passagiers of reizigers bij betrokken zijn, moet er korter op de bal worden gespeeld met betrekking tot communicatie. Onlangs werden we allemaal uitgenodigd bij de NMBS. Er werd heel duidelijk meegegeven dat zij inzet op communicatie, maar toch heb ik het gevoel dat er af en toe nog wat aan schort. Ik ben blij dat in dezen de evaluatie al grondig gebeurd is. Ik hoop dat dergelijke incidenten zich niet meer voordoen.

Het openen van een veiligheidspunt aan het station van Sint-Truiden

Gesteld door

lijst: VB Frank Troosters

Gesteld aan

Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)

op 9 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Frank Troosters vraagt om verduidelijking over het veiligheidspunt in station Sint-Truiden, waaronder de bemanningstijden (niet permanent), de toegankelijkheid voor slachtoffers (niet mogelijk voor klachten) en de kosten (minimale vergoeding door NMBS). Minister Crucke bevestigt dat Securail en politie strategisch aanwezig zijn (tot eind 2025 verhoogd op vraag van de stad), maar benadrukt dat het lokaal uitsluitend als werkruimte dient, met meldingen via 101 of NMBS-noodnummer. Hij pleit voor een nationaal kader met lokale aanpassingen en noemt preventieve maatregelen (camera’s, verlichting, sensibilisering) als aanvullende oplossingen. Troosters reageert neutraal en belooft het antwoord nader te bestuderen.

Frank Troosters:

Mijnheer de minister, ik verwijs naar de tekst van mijn vraag zoals ingediend.

De gemeente Sint-Truiden opende op 12 november een veiligheidspunt in het station om het onveiligheidsgevoel in de stationsbuurt aan te pakken.

Dit veiligheidspunt is in samenspraak met het lokale gemeentebestuur en de NMBS tot stand gekomen, waarbij de NMBS in haar station een lokaal van 10 vierkante meter voorziet voor de lokale politie, de gemeenschapswachten en veiligheidsdiensten zoals Securail. Voornoemde partners kunnen deze ruimte gebruiken om bijvoorbeeld discrete controles uit te voeren.

Kan de minister bevestigen dat het voornoemde lokaal niet permanent zal bemand worden? Op welke tijdstippen en voor hoe lang zullen veiligheidsagenten van Securail aanwezig zijn?

Klopt het dat burgers die in/aan het station van Sint-Truiden het slachtoffer werden van een misdrijf zich niet in het veiligheidspunt zelf kunnen aanbieden met het oog op het indienen van een klacht? Kan de NMBS een rol spelen om dit proces gemakkelijker te laten verlopen?

Werd er vanwege de stad Sint-Truiden bij de NMBS aangedrongen op een verhoogde aanwezigheid van Securail-agenten in/aan het station van Sint-Truiden? Zo ja, met welk resultaat?

Welk kostenelement is aan deze operatie verbonden? Werd het bewuste lokaal gratis ter beschikking gesteld? Zo ja, waarom? Zo neen, tegen welke vergoeding en wie zal deze kosten voor zijn rekening nemen?

Overweegt u een nationaal kader of richtlijnen voor veiligheidspunten in risicostations?

Welke andere initiatieven zouden volgens u het veiligheidsgevoel in de stations kunnen verhogen en zijn er reeds initiatieven lopende?

Jean-Luc Crucke:

Mijnheer Troosters, het is cruciaal dat de partijen hun verantwoordelijkheid opnemen op het vlak van de veiligheid in en rond de stations. Elke partner heeft daarbij een eigen opdracht.

Het veiligheidspunt in het station van Sint-Truiden wordt niet permanent bemand. Zowel de lokale politie als Securail zullen op strategische momenten aanwezig zijn in en rond het station. De aanwezigheid van Securail wordt er wekelijks gepland op basis van de operationele noden en gedeeld met de politie om een maximale aanwezigheid van veiligheidsactoren na te streven.

Op vraag van de stad Sint-Truiden zal Securail tot eind 2025 meer dan gewoonlijk aanwezig zijn in het station. Die inzet wordt regelmatig geëvalueerd en bijgestuurd in overleg met alle betrokken partners. Het lokaal wordt door de NMBS ter beschikking gesteld tegen een minimale vergoeding.

Het veiligheidspunt is geen politiepost en is niet publiek toegankelijk. Het dient als werkruimte voor de veiligheidsactoren om discreet controles te kunnen uitvoeren. In geval van nood blijven de klassieke meldingskanalen van kracht, zoals het noodnummer 101 of het aanspreken van het aanwezige stations- of politiepersoneel. Die informatie staat duidelijk vermeld op de raamsticker van het lokaal, samen met de contactgegevens van de partners en het gratis noodnummer 0800/30 230 van het Security Operations Center van de NMBS.

Het veiligheidspunt kadert in de samenwerking met lokale veiligheidsactoren om de objectieve en subjectieve veiligheid in en rond stations te verbeteren. Het initiatief past binnen een bredere visie op preventie, veiligheid en samenwerking tussen verschillende diensten. In de verschillende stations kunnen de noden op het vlak van veiligheid anders liggen. Daarnaast zijn ook de mogelijkheden op het vlak van lokalen in elk station verschillend. Toch zou het goed zijn om te streven naar een algemene uniforme strategie voor de organisatie van veiligheidspunten in verschillende stations, met ruimte voor lokale accenten, afhankelijk van specifieke problematieken.

Het veiligheidspunt in Sint-Truiden is een voorbeeld van hoe lokale samenwerking kan bijdragen aan een geïntegreerde aanpak van veiligheid.

Naast de aanwezigheid van Securail en de samenwerking met politie en lokale partners neemt de NMBS via haar Corporate Security Services diverse initiatieven en projecten om zowel de objectieve als subjectieve veiligheid van reizigers en personeel te verhogen.

Dat gebeurt in nauwe samenwerking met federale en lokale partners en omvat onder meer preventie, preventieve patrouilles en infrastructurele aanpassingen, zoals verbeterde verlichting, het vermijden van dode hoeken en camerabewaking, waarvan de beelden sinds kort ook rechtstreeks door de lokale politiezone kunnen worden bekeken. Er worden eveneens sensibiliseringscampagnes opgezet en gedragsturende maatregelen genomen, bijvoorbeeld de aankleding van de ruimtes en het gebruik van specifieke bestickering, evenals gerichte acties in risicostations.

Frank Troosters:

Mijnheer de minister, dank voor uw zeer uitgebreide antwoord. Het was een hele boterham. Ik zal het zeker opnieuw beluisteren.

De veiligheid in het station Luik-Guillemins en de bezorgdheid van de reizigers en handelaars
De veiligheid in het station Luik-Guillemins
Veiligheid en zorgen in station Luik-Guillemins

Gesteld aan

Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)

op 9 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Frank Troosters wijst op groeiend onveiligheidsgevoel in Luik-Guillemins door illegaliteit, drugshandel en geweld en vraagt om concrete maatregelen, zoals meer Securail-personeel en politieoverleg. Minister Jean-Luc Crucke bevestigt de problemen en somt lopende acties op: verhoogde Securail-patrouilles, technologische bewaking (24/7-camera’s), een multidisciplinaire werkgroep (met politie en lokale overheden) en structurele verbeteringen (verlichting, reiniging, samenwerking). Hij benadrukt een "geïntegreerde, menselijke aanpak" die zowel veiligheid als kwetsbare groepen combineert. Troosters relativiseert het antwoord door te stellen dat onveiligheid in stations wijdverspreid is, met Brussel-Zuid als extreem voorbeeld.

Frank Troosters:

Ik verwijs naar de schriftelijke voorbereiding van mijn vraag.

In en rond het station van Luik-Guillemins blijken treinreizigers steeds meer een gevoel van onveiligheid te ervaren. Men kan er de aanwezigheid van illegalen en druggebruikers vaststellen waarbij crimineel geweld en drughandel welig tiert.

Welke maatregelen gaat de minister nemen om de veiligheid in het station van Luik-Guillemins te garanderen?

Zal de minister aandringen op een verhoogde aanwezigheid van het Securail veiligheidspersoneel in het station van Luik?

Zal hij in overleg treden met zijn collega-minister van Binnenlandse Zaken en het lokaal stadsbestuur inzake een verhoogde aanwezigheid van politiediensten in het station?

Jean-Luc Crucke:

Mijnheer de voorzitter, ik antwoord ook op de vraag van de heer Foret.

La SNCB me dit être pleinement consciente des préoccupations exprimées par les voyageurs, les commerçants et les riverains concernant ce sentiment d'insécurité dans et autour de la gare de Liège-Guillemins. Pour l'avoir personnellement également vécu, cela me semble être une réalité dont il faut tenir compte.

La sécurité des voyageurs et du personnel ainsi que le maintien d'un environnement accueillant sont des priorités qui doivent être absolues pour l'entreprise. Afin de garantir la sécurité, le Corporate Security Service de la SNCB met en œuvre une politique intégrale reposant sur trois piliers: présence de personnel de la sécurité sur le terrain, utilisation de moyens technologiques, gare équipée d'un système de vidéosurveillance piloté par le Security Operation Center, accessible 24 h/24, 7 j/7. Ce centre coordonne les interventions et coopérations avec les partenaires locaux.

Considérant la complexité des facteurs en jeu, la SNCB a initié en juin dernier un groupe de travail multidisciplinaire réunissant Securail, la police locale et les autorités compétentes. Ce groupe vise une approche intégrée et humaine conciliant la prise en charge des personnes vulnérables avec la nécessité de garantir la sécurité des voyageurs.

Plusieurs opérations coordonnées ont été menées à Liège-Guillemins et se poursuivent. Elles permettent de contrôler un grand nombre de personnes, de dissuader les comportements perturbateurs et de rassurer les usagers par une présence visible.

Naast de onmiddellijke interventies voert de NMBS structurele maatregelen uit om het veiligheidsgevoel op duurzame wijze te versterken. Het betreft dan de modernisering en onderhoud van de openbare ruimte, versterkte verlichting, regelmatige reiniging van de omgeving, informatie en sensibilisering van reizigers, verhoging van het aantal patrouilles en controles, versterkte samenwerking met de lokale en federale overheden met het oog op een geïntegreerde aanpak van de sociale problemen.

Die inspanningen passen in een strategie die tot doel heeft de rol van Luik Guillemins als veilige, gezellige en symbolische ruimte te vrijwaren.

U kon al vaststellen dat Securail, CSS en de SPC, die ressorteert onder de minister van Binnenlandse Zaken, nauw samenwerken om de veiligheid op en rond het spoorwegdomein te waarborgen. Er wordt momenteel gewerkt aan een medetoezicht van Mobiliteit en Binnenlandse Zaken. Dat heeft reeds geleid tot de oprichting van werkgroepen die tot doel hebben de goede praktijken te verbeteren en te coördineren, rekening houdend met de specifieke kenmerken van de locaties en met de algemene en bijzondere problematiek.

Frank Troosters:

Mijnheer de minister, ik dank u voor het antwoord. We spreken vaak over veiligheidsproblemen in stations en Luik-Guillemins is in dat opzicht niet anders, net zoals ook kleine stations en stations in centrumsteden, ook al is Brussel Zuid wat dat betreft haast een symboolstation, waar onveiligheid troef is.

Fysiek geweld tegen NMBS-medewerkers aan het station Brussel-Zuid
Het geval van agressie bij Brussel-Zuid
Agressie en fysiek geweld tegen NMBS-personeel in Brussel-Zuid

Gesteld aan

Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)

op 9 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Jean-Luc Crucke bevestigt dat agressie tegen NMBS-personeel—zoals de recente aanval op twee loketbedienden in Brussel-Zuid—een groeiend probleem is en wijst op lopende maatregelen zoals versterkte camerabewaking (795 camera’s), bodycams voor Securail, nachtelijke sluiting van het station en een succesvol politiebureau in Brussel-Zuid (20-25% criminaliteitsdaling). Hij benadrukt samenwerking met Binnenlandse Zaken en justitie, maar de dader is nog niet geïdentificeerd. Frank Troosters (kritisch) stelt dat bezuinigingen onder Jan Jambon (spoorwegpolitie van 724 naar 465 agenten) en sluitingen van politieposten (bv. Limburg, Leuven) de veiligheid ondermijnden, maar erkent dat zichtbare politiepresente en camera’s wel werken—preventie moet prioriteit krijgen via meer agenten, betere uitrusting en overleg tussen beleidsdomeinen.

Frank Troosters:

Ik verwijs naar de ingediende vraag.

Aan het station van Brussel-Zuid werden recent twee vrouwelijke NMBS-loketbedienden het slachtoffer van fysiek geweld. Een man die gewapend was met een ijzeren staaf viel hen aan waarbij beide NMBS-medewerkers slagen tegen hun hoofd te verwerken kregen. Ingevolge het trauma dat ze opliepen zijn beiden voor meerdere dagen arbeidsongeschikt.

Als reactie op het nieuwe en toenemende geweld en het uitblijven van een afdoend veiligheidsbeleid besloot het personeel van de internationale loketten in het station twee uur lang het werk neer te leggen.

Erkent de minister de veiligheidsproblemen die er zijn aan het station van Brussel-Zuid en bij uitbreiding meer algemeen binnen het spoorgebeuren?

Welke conclusies kan de minister trekken uit de feiten die voorvielen? Welke bijkomende beleidsmaatregelen zullen genomen worden om de veiligheid binnen het spoorgebeuren te verhogen? Zal de minister in overleg treden met zijn collega-minister van Binnenlandse Zaken om bijkomende veiligheidsmaatregelen overeen te komen?

Beschikt de minister over bijkomende informatie over de dader van deze feiten? Werd die geïdentificeerd en opgepakt? Desgevallend: is de dader nog steeds van zijn vrijheid beroofd of is de dader intussen terug op vrije voeten gesteld?

Voorzitter:

De heer Bayet is niet aanwezig. Zijn vraag is dus zonder voorwerp.

Jean-Luc Crucke:

Op 30 november 2025 om 08.01 uur werden twee loketbedienden van de NMBS aan de Horta-ingang van Brussel-Zuid het slachtoffer van fysieke agressie. Een persoon heeft zonder enige aanleiding beide medewerkers geslagen met een plastic voorwerp. De dader is onmiddellijk gevlucht. Beide slachtoffers werden met een taxi naar het Sint-Pieterziekenhuis gebracht voor verzorging.

Een van de internationale loketten werd kort – gedurende 51 minuten – gesloten, zodat de betrokken medewerkers konden recupereren en steun konden krijgen van collega’s. Overeenkomstig de procedure heeft de NMBS een klacht ingediend, zodat het onderzoek snel en grondig kan worden uitgevoerd.

De NMBS en ik stellen vast dat agressie tegen personeel een ernstig probleem vormt, niet alleen in Brussel-Zuid, maar ook op andere locaties. De veiligheid van reizigers en personeel blijft een absolute prioriteit. Er wordt continu geïnvesteerd in preventieve maatregelen, zoals camerabewaking, aanwezigheid van Securail en samenwerking met de politie.

Concernant la sécurité du personnel de la SNCB, j'ai récemment fait en sorte que les zones de police locale puissent avoir accès aux caméras de la SNCB.

Par ailleurs, je travaille actuellement à donner la possibilité aux accompagnateurs de train et aux agents de Securail de pouvoir disposer de bodycams dans le cadre de leur fonction. Enfin, les peines à l'encontre des agressions envers les fonctions sociétales ont été récemment augmentées. Ceci vaut également pour les agents de la SNCB.

Les faits montrent qu'il est nécessaire de maintenir et de renforcer l'attention portée à la sécurité. La SNCB collabore avec Securail et la police fédérale afin de renforcer la présence visible des services de sécurité. En outre, les procédures internes sont évaluées afin d'améliorer encore l'accueil des victimes et le suivi des incidents.

De NMBS verwelkomt de versterking van de spoorwegpolitie met 20 mensen in Brussel. De aanwezigheid van het politiecommissariaat in Brussel-Zuid werpt ook al vruchten af. De minister van Binnenlandse Zaken en de politie hebben een balans opgemaakt van het eerste jaar van het politiebureau. Meer dan 6.000 mensen zijn er in een jaar langs geweest, waarbij de helft van de gevallen heeft geleid tot een proces-verbaal. Meer dan 70 % van de opgemaakte processen-verbaal had voornamelijk betrekking op diefstal van bagage of documenten en iets minder dan 20 % op verlies van documenten. Een klein deel betrof inbreuken tegen personen. De cijfers tonen aan dat er een daling is met 20 tot 25 % van de feiten. Het commissariaat blijkt dus effectief te zijn.

Comme je l'ai déjà mentionné, la SNCB prend sa part de responsabilité très au sérieux. En plus du déploiement des agents de Securail, de nombreuses mesures infrastructurelles et organisationnelles ont été prises. La vidéosurveillance a été augmentée, avec 795 caméras.

Un contrôle d'accès a été mis en place et la gare est fermée la nuit entre 1 h 45 et 3 h 45. La fréquence de nettoyage a été également augmentée. Il est crucial que toutes les parties prennent leurs responsabilités en matière de sécurité dans et autour des gares.

La SNCB continue de suivre cette situation de près et reste ouverte à un renforcement supplémentaire des mesures en concertation avec les autorités compétentes.

Op dit moment is de dader nog niet geïdentificeerd. Het onderzoek door de bevoegde politiediensten is lopende. Zodra er nieuwe informatie beschikbaar is, zal deze worden gedeeld met de bevoegde instanties.

Je souhaite exprimer mon soutien à l'ensemble du personnel concerné et faire part de mon indignation face à cette violence injustifiée. Comme je l'ai déjà indiqué à plusieurs reprises, des groupes de travail sont en cours dans le cadre d'un cotutelle entre la Mobilité et l'Intérieur. Ces travaux, menés conjointement par la SPC et Securail, visent à renforcer les moyens, les outils et le processus afin de répondre aux attentes légitimes en matière de sécurité, particulièrement dans les lieux stratégiques tels que la gare du Midi, qui constitue la principale gare internationale de Belgique en termes de voyageurs.

Frank Troosters:

Minister, de problematiek komt vaak aan bod en alles ligt in dezelfde lijn. Veiligheid is een absolute prioriteit. Het belangrijkste element uit uw antwoord is dat het openen van een politiepost in Brussel-Zuid en extra agenten van de spoorwegpolitie leiden tot een daling van de criminaliteit. We zijn nog lang niet waar we moeten zijn. De problematiek beperkt zich niet tot de stations en strekt zich uit tot de stationsomgeving, maar het heeft wel effect. Dat bewijst dat daarop moeten worden ingezet. Er zou een stimulans in die richting moeten zijn, maar we moeten vaststellen dat al jaren het tegenovergestelde gebeurt. Onder Jan Jambon is het aantal agenten van de spoorwegpolitie afgebouwd van 724 naar 465, een kapitale fout. Er zijn posten van de spoorwegpolitie in verschillende stations gesloten. In Limburg werd die post de facto niet bemand. Logischerwijze had men verwacht dat werk werd gemaakt van een herbezetting, maar de post werd gesloten. De post in Leuven werd eveneens gesloten. Ik denk dat Brussel-Zuid aantoont dat de omgekeerde beweging wel degelijk resultaat kan opleveren. Met het oog op preventie zouden zichtbare camera’s en zichtbaar aanwezige agenten veel miserie kunnen voorkomen. Beter voorkomen dan genezen. Ik mag hopen dat deze regering daarop zeer sterk inzet. Niet alleen bodycams, maar ook betere uitrusting en opleidingen zijn nodig. Het gaat om een geheel van maatregelen, overkoepelend tussen verschillende beleidsdomeinen. Vooral de zichtbare aanwezigheid van personeel in de stations is een zeer belangrijk element in het vinden van oplossingen.

De fysieke agressie tegen het spoorpersoneel op de trein Poperinge - Antwerpen-Centraal

Gesteld door

lijst: VB Frank Troosters

Gesteld aan

Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)

op 9 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Frank Troosters bekritiseert de structurele onveiligheid van spoorpersoneel na een gewelddadige aanval op een treinbegeleider (hersenschudding, psychologische schade) en vraagt zich af of de minister fatale afloopscenario’s kan uitsluiten, wijzend op onvoldoende middelen, bevoegdheden en bescherming (bv. aanpassing staande-houdtijden) die niet aansluiten bij de toenemende, verhardende criminaliteit. Minister Jean-Luc Crucke veroordeelt het geweld als maatschappelijk probleem (brede trend tegen gezagsfiguren) en somt bestaande maatregelen op (bodycams, camera’s, opleidingen, juridische steun, strafverzwaring), maar benadrukt dat een Europese aanpak nodig is, gezien het grensoverschrijdende karakter. Troosters relativeert dit: Europa mag geen excuus zijn voor vertraging en eist concrete, snelle actie – zoals wettelijke aanpassingen en betere uitrusting – omdat de praktijkervaring van personeel haaks staat op het beleid van leidinggevenden, die volgens hem te traag of theoretisch reageren.

Frank Troosters:

Afgelopen woensdagnamiddag werd een treinbegeleider op de trein tussen Poperinge en Antwerpen-Centraal weer maar eens het slachtoffer van fysieke agressie ingevolge het niet bezitten van een geldig vervoersbewijs. De treinbegeleider hield er een hersenschudding en verwondingen aan hoofd en keel. Ingevolge de mentale impact is hij tijdelijk werkongeschikt.

Kan de minister zich inbeelden welke psychologische impact het op een persoon heeft wanneer men elke dag moet gaan werken met de vrees voor zijn eigen fysieke veiligheid?

Beseft de minister dat dit voor een groot deel van het operationeel spoorpersoneel het geval is?

Erkent de minister dat het ontbreken van een geldig vervoersbewijs veelal de aanleiding vormt tot incidenten?

Durft de minister garanderen dat het bij toekomstige incidenten met spoorpersoneel steeds bij de op zichzelf al onaanvaardbare verbale of fysieke geweldfeiten zal blijven, maw, dat een eventuele fatale afloop voor het spoorpersoneel uitgesloten is? Zo neen: welke maatregelen zal hij nemen om dit laatste te vermijden?

Jean-Luc Crucke:

Mijnheer de voorzitter, weer moet ik zeggen dat agressie tegenover het personeel van het openbaar vervoer onaanvaardbaar is en ingaat tegen alle waarden van onze samenleving. Dit fenomeen beperkt zich niet tot het openbaar vervoer, het maakt deel uit van een bredere tendens waarbij agressief gedrag tegenover gezagsfiguren of eerstelijnsprofessionals toeneemt, of het nu gaat om gezondheidzorg, onderwijs of openbare diensten. Het is een maatschappelijke uitdaging, die onze collectieve capaciteit om samen te leven in respect en verantwoordelijkheid op de proef stelt.

De federale regering zal de operatoren en de ordediensten blijven ondersteunen in de strijd tegen dit geweld, want over de veiligheid van degenen die ons dagelijks vervoeren, kan niet onderhandeld worden. De NMBS, TEC, De Lijn en MIVB nemen tal van maatregelen om agressie tegen te gaan, zoals meer personeel op het terrein, een netwerk van bewakingscamera's en opleidingen voor medewerkers die rechtstreeks in contact staan met klanten, zodat zij potentiële conflictsituaties snel leren herkennen en er gepast op kunnen reageren. Elke daad van agressie wordt strikt opgevolgd. Naast onmiddellijke psychologische ondersteuning bij de vier maatschappijen bij elke daad van agressie is er ook juridische bijstand en wordt er klacht neergelegd bij de politie. In elk geval van agressie treden de maatschappijen op als benadeelde partij en bij vervolging door het parket stellen zij zich ook burgerlijke partij.

Dossiers die leiden tot strafrechtelijke vervolging kunnen uitmonden in gevangenisstraf, al dan niet met uitstel. Daders van agressie riskeren ook geldboetes of werkstraffen. Agressie tegen personeel van openbare diensten geldt bovendien als verzwarende omstandigheid.

De vier operatoren werken nauw samen om het gebruik van bodycams te bevorderen bij de personeelsleden die het meest blootgesteld zijn aan agressie. Ervaringen in sommige Europese landen suggereren dat deze toestellen het veiligheidsgevoel kunnen versterken, bijdragen aan de-escalatie van conflictsituaties en nuttige elementen kunnen opleveren bij onderzoek of gerechtelijke procedures. De voorbereidende werkzaamheden gaan verder, om een oplossing te definiëren die volledig voldoet aan de wettelijke vereisten.

Ik heb hierover vorige week nog gesproken met Europese collega’s. Duitsland, Nederland, Frankrijk en zelfs Luxemburg, elk land kent dergelijk geweld. Daarom denk ik meer en meer dat we niet alleen een Belgische oplossing moeten zoeken, maar mogelijk ook een Europees initiatief moeten overwegen.

Frank Troosters:

Mijnheer de minister, over uw laatste punt ben ik zelfs van mening dat het nog verder gaat dan Europa. Daar kunnen wij echt niet op blijven wachten. U maakt op dat vlak een terecht punt, maar dat neemt niet weg dat wij hier zelf echt aan de slag moeten. De teneur van alle vragen die ik stel inzake veiligheid en de veiligheidsproblemen binnen het spoor en de punten die ik maak voor het veiligheidspersoneel en ook voor het niet-veiligheidspersoneel, zoals de treinbegeleiders en het spoorpersoneel in het algemeen, is dat wij heel veel kunnen praten, werkgroepen oprichten, overleg plegen, zaken veroordelen en dies meer. Wij kunnen ook uitkijken naar een betere strafuitvoering en andere zaken, maar het is vooral noodzakelijk dat wordt nagegaan of het werk van die mensen in de praktijk, namelijk hun mogelijkheden, hun middelen, hun bevoegdheden, hun uitrusting en hun verweermiddelen, wordt afgestemd op de realiteit. De criminaliteit neemt toe, net als de vormen daarvan, onder andere het wapengebruik. Er is een duidelijke verharding van wat zich manifesteert terwijl aan de andere kant mensen staan die bijna onbeschermd zijn en heel weinig mogelijkheden hebben. Ik heb in het verleden al aangegeven dat er heel wat zaken zijn die op een eenvoudige manier kunnen worden aangepakt, die niet veel geld kosten en die enkel tekstueel of wettelijk moeten worden aangepast, bijvoorbeeld hoe lang men iemand mag staande houden. Daar zijn op korte termijn echt wel winsten te boeken, zoals ik u al eerder heb aangegeven. Ik hoop dat er, behalve het bredere kader, de samenwerking en alles wat moet gebeuren inzake meer mankracht en dergelijke, al stappen worden gezet. Dat is immers heel erg nodig. In essentie stemt de praktijk die het veiligheidspersoneel dagelijks ervaart soms niet overeen met het beeld of de benadering op een hoger echelon bij de leidinggevenden. Ik dank u alleszins voor uw antwoord.

Het functioneren van Securail in het station Brussel-Zuid
De aanhoudende onveiligheid en overlast in en rond het station Brussel-Zuid
Veiligheid en werking van Securail in Brussel-Zuid

Gesteld aan

Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)

op 9 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Frank Troosters bekritiseert het gebrek aan veiligheid in Brussel-Zuid en andere stations, waar Securail-agenten onderbemand, slecht bewapend (tegenover gewapende criminelen) en monddood gemaakt zouden zijn via strikte zwijgorders, wat hun werk onmogelijk maakt. Minister Crucke (NMBS) benadrukt dat veiligheid een absolute prioriteit is, wijst op dalende incidentcijfers (2024 vs. 2023), verhoogde Securail-inzet (met spitsplannen), samenwerking met politie (bodycams, gecoördineerde controles) en infrastructurele maatregelen (camera’s, nachtsluiting), maar ontkent een algemene zwijgplicht—wel gelden interne communicatieregels. Troosters blijft kritisch: hij eist concrete acties in plaats van "woorden en werkgroepen" en dringt aan op snelle verbeteringen voor het terreinpersoneel, dat volgens hem dringend op oplossingen wacht. De minister belooft verdere evaluatie en gecoördineerde plannen met Binnenlandse Zaken, maar Troosters ziet nog te weinig tastbare resultaten.

Frank Troosters:

Ik verwijs naar de schriftelijke voorbereiding van mijn vraag.

In Het Nieuwsblad konden we op 25 oktober jl. opnieuw een artikel lezen over de onveiligheid in het station van Brussel-Zuid. Het is een zoveelste artikel in een lange rij die belicht hoe er een gebrek aan veiligheid heerst in dat station. Het station van Brussel-Zuid is echter geen alleenstaand geval.

De agenten van Securail worden dagelijks op veel plaatsen geconfronteerd met criminele feiten. Ze dienen in moeilijke omstandigheden, met gevaar voor hun eigen veiligheid, in te staan voor de veiligheid binnen het spoorgebeuren. Zo komen ze met beperkte verweermiddelen te staan tegenover gewapende criminelen (schietwapens, slagersmes…), zijn ze onderbemand en is het vaak (te) lang wachten op politionele steun.

Klaarblijkelijk hebben de agenten ook strikte orders ontvangen om te zwijgen wanneer het over het Securail-veiligheidsbeleid gaat.

Hoe beoordeelt de minister de verweermiddelen waarover de Securail-agenten actueel beschikken? Vind de minister dat deze in verhouding staan tegenover de wapenmiddelen waarover steeds meer criminelen lijken te beschikken? Beantwoorden deze verweermiddelen en de regels inzake het gebruik ervan aan de actuele uitdagingen waarmee de agenten tegenwoordig geconfronteerd worden?

Hoe verklaart de minister het lage aantal Securail-agenten dat tijdens de spitsuren aanwezig is in de stationshal van Brussel-Zuid? Welke doelen zijn er door de Securail-directie gesteld inzake de minimumbezetting in het station van Brussel-Zuid?

Kan de minister bevestigen dat de Securail-agenten zwijgplicht opgelegd kregen, oa. wanneer het gaat over het eventueel onderbemand zijn van hun dienst? Zo ja: door wie werd het verbod om vrij te kunnen spreken aan de Securail-agenten opgelegd? Vind de minister dit gepast? Zo neen: waarom niet?

Jean-Luc Crucke:

De NMBS en ik verzekeren u dat wij de veiligheid in en rond het station Brussel zeer ernstig nemen. Het blijft een complexe uitdaging, ook al zijn sinds 2023 reeds gerichte maatregelen genomen om zowel de zichtbaarheid als de daadwerkelijke veiligheid te versterken.

Specifiek voor het station Brussel-Zuid verbind ik mij ertoe een evaluatie te maken van het actieplan dat in 2024 werd opgestart om de veiligheid in en rond het station te versterken. De evaluatie moet duidelijk maken welke maatregelen zijn uitgevoerd en welke verder moeten worden ontwikkeld. De aanpak steunt op drie pijlers: verhoogde aanwezigheid op het terrein, technologische ondersteuning en intensieve samenwerking met interne en externe partners.

Het is eveneens belangrijk aan te geven dat de interventiecijfers in Brussel-Zuid tijdens de laatste zes maanden van 2024 een dalende trend lijken te tonen in vergelijking met 2023. Ook de inzet van Securailagenten met Brussel-Zuid als uitvalsbasis is het voorbije jaar sterk toegenomen.

Wat hun inzet en bescherming betreft, geldt dat zij 24 uur per dag en 7 dagen per week aanwezig zijn in het station. Tijdens de ochtend- en avondspits wordt een specifiek team ingezet in de commerciële zone. De bezetting wordt afgestemd op de operationele noden en gebeurt in overleg met de veiligheidsdiensten. De personele inzet wordt continu geëvalueerd en aangepast waar nodig.

Wat de verweermiddelen betreft, Securailagenten beschikken over de uitrusting die wettelijk is toegelaten en die is afgestemd op hun opdracht als niet-politionele veiligheidsdienst. De NMBS volgt nauwgezet de evolutie van de veiligheidsrisico’s en werkt samen met de federale overheid om uitrusting en procedures aan te passen aan de actuele uitdagingen.

De agenten opereren steeds in nauwe samenwerking met de politie, die verantwoordelijk is voor gewapende interventies. We werken eveneens samen met de minister van Binnenlandse Zaken, zodat Securailagenten over bodycams kunnen beschikken.

Wat de samenwerking en politionele ondersteuning betreft, er is een politiepost operationeel in het station, politiepost die een essentiële rol speelt voor de veiligheid. In overleg worden extra patrouilles en gerichte acties georganiseerd. Daarnaast zijn er gecoördineerde controles met de politie, de douane, de Dienst Vreemdelingenzaken en Securail, gericht op fraude, overlast, illegale migratie en drugsproblematiek.

Concreet werken we de juridische instrumenten uit die een betere structurering van de operationele samenwerking tussen de politie en Securail mogelijk maken, aangezien beide entiteiten in dat domein actief zijn.

In het kader van een cobeheer met de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken wordt een gezamenlijke bevoegdheid van de ministers van Veiligheid en Binnenlandse Zaken en van Mobiliteit ingesteld voor de uitwerking en uitvoering van het strategische en operationele plan van Securail en de afstemming met de geïntegreerde veiligheidsactieplannen van de NMBS.

Over transparantie en communicatie kan ik u meegeven dat geen algemene zwijgplicht is opgelegd aan Securailagenten. Zoals in elke organisatie gelden wel interne communicatieprotocollen en discretieplicht over operationele details in het belang van de veiligheid en de samenwerking met andere diensten. De NMBS moedigt open dialogen in de organisatie aan via de geëigende kanalen.

Het is cruciaal dat alle partijen hun verantwoordelijkheid opnemen op het vlak van veiligheid in en rond de stations. Elke partner heeft daarbij een opdracht. De politie focust op strafrechtelijke inbreuken. De Dienst Vreemdelingenzaken treedt op ten aanzien van personen zonder geldig verblijfsdocument. MIVB, De Lijn en TEC controleren op zwartrijden op trams en bussen. Drugsproblemen of conflicten in de ruimere omgeving worden opgevolgd door de lokale overheden en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Ten slotte ziet Securail toe op de naleving van de spoorwegwetgeving en de veiligheid op het spoorwegdomein.

De NMBS neemt haar deel van de verantwoordelijkheid ernstig. Behalve de inzet van Securail zijn tal van infrastructurele en organisatorische maatregelen genomen. Het camerabewakingsnet werd uitgebreid tot 701 camera’s. Er is toegangscontrole en het station wordt ’s nachts gesloten tussen 1.45 uur en 3.45 uur. De schoonmaakfrequentie werd verhoogd. Zitbanken en fysieke barrières zijn aangepast om ongewenste installaties te voorkomen. Voor sociale problemen wordt gewerkt met casemanagement via het gespecialiseerde team van de federale spoorwegpolitie. Ten slotte wordt samengewerkt met gemeenten voor acties in de omliggende straten en de verbetering van de verkeersveiligheid.

De NMBS volgt de situatie nauwgezet op en staat open voor een bijkomende versterking van de maatregelen in overleg met de bevoegde autoriteiten.

Tot slot onderstreept ik dat de veiligheid in en rond onze stations en zeker in Brussel-Zuid een absolute prioriteit blijft.

Daarom stimuleer ik actief een nauwere samenwerking met de ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie. Dankzij die gezamenlijke aanpak hebben de lokale politiezones inmiddels toegang tot de camerabeelden van de NMBS, wordt de samenwerking tussen Securail en de federale politie verder versterkt en zullen Securailagenten van de NMBS binnenkort bodycams kunnen dragen om zowel hun veiligheid als die van de reizigers te verbeteren.

Omdat die uitdaging de bevoegdheden van verschillende diensten en overheden raakt, is een gecoördineerde aanpak essentieel. Ik engageer mij dan ook ertoe om de uitwisseling met de minister van Binnenlandse Zaken te intensifiëren, zodat we gezamenlijk een concrete actieplan kunnen opstellen en uitvoeren. Alleen via een structurele samenwerking en een gedeelde verantwoordelijkheid kunnen we de veiligheid duurzaam versterken en ervoor zorgen dat elke reiziger zich in en rond onze stations veilig voelt.

Frank Troosters:

Mijnheer de minister, ik dank u voor het antwoord.

Mijnheer de minister, ik heb vandaag heel veel vragen aan u gesteld. Tien daarvan gingen over de veiligheid bij het spoor en in het bijzonder van het personeel en vooral het Securailpersoneel. Ik denk dat hierover voldoende werd gezegd.

Ik hoop vooral op concrete acties. Ik denk dat de Securailagenten en het andere spoorpersoneel daar absoluut op wachten. Overleg en studie in werkgroepen, woorden, dat is allemaal wel goed, maar er moeten echt concrete acties komen. Ik denk ook dat ik in mijn antwoorden concrete pistes heb aangereikt, waar snel winst kan worden geboekt. Ik hoop dat u die in concrete resultaten kunt omzetten.

Voorzitter:

Vraag nr. 56009504 van de heer Daerden, vraag nr. 56010047 van de heer Van den Heuvel, vraag nr. 56010495 van de heer Thiébaut, de samengevoegde vragen nr. 56010832 van de heer Vander Elst en nr. 56010873 van mevrouw Huybrechts, vraag nr. 56010842 van de heer Freilich en vraag nr. 56011137 van de heer Van Hecke worden als ingetrokken beschouwd, volgens artikel 127, lid 10. Mijnheer de minister, ik bedank u en uw assistent voor uw komst. U hebt meer dan 7 uur vragen beantwoord. Dat is indrukwekkend. Ik wens u beiden een goede kerstvakantie en een deugddoend eindejaar. Ik bedank ook het commissiesecretariaat, de diensten van Kamer en de tolken oor het intensief vertalen gedurende zo veel uren. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 18.16 uur. La réunion publique de commission est levée à 18 h 16.

De fraudegevallen binnen de tandheelkunde
De fraudecontroles bij het RIZIV
Fraude in de thuisverpleging
Een plafond op het aantal patiënten tegen fraude en de garanties voor bonafide thuisverpleegkundigen
Fraude in de thuisverpleging en maatregelen om misbruiken sneller te detecteren
De rol van de ziekenfondsen bij de controle van zorgverstrekkers
Het uittesten van een nieuwe financieringswijze voor verpleegkundige zorg
Bedrieglijke handelingen in de ziekteverzekering
Bedrieglijke handelingen in de ziekteverzekering (terugvorderingen door VI’s)
De fraude in de gezondheidszorg en het vrijwaren van de middelen van de ziekteverzekering
De verjaringstermijn in geval van fraude door apothekers
Fraude en controles in de gezondheidszorg en ziekteverzekering

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid), Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)

op 9 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om grootschalige fraude in de gezondheidszector (thuisverpleging, tandartsen, apothekers) en de tekortkomingen in opsporing, preventie en sancties, met kritiek op het RIZIV, ziekenfondsen en de trage justitiële afhandeling. Hoofdpunten: - Fraudegevallen (bv. thuisverpleegkundige met 90 gefactureerde bezoeken/dag, tandarts met €627.000 fraude) tonen structurele lekken in controlesystemen, ondanks herhaalde signalen (soms sinds 2017). Volgens kritici (o.a. Depoorter, De Knop) faalt het RIZIV in snelle doorverwijzing naar het arbeidsauditoraat en ontbreken duidelijke procedures voor verjaringstermijnen (bv. 3 vs. 5 jaar bij apothekers). - Minister Vandenbroucke verdedigt het RIZIV: inspecties volgden wettelijke termijnen, maar fraudeurs omzeilden sancties (bv. via valse patiëntgetuigenissen). Hij kondigt versterkte maatregelen aan: plafonds (€229.000/jaar voor zelfstandige verpleegkundigen), automatische patiëntinformatie (vanaf 15/01/2025), en een antifraudeplan 2026–2030 met opschortingsbevoegdheid van RIZIV-nummers. Dataflow 2.0 (2027) moet gegevensuitwisseling versnellen. - Sector en oppositie vrezen stigmatisering van zorgverleners (99% werkt correct) en vragen slimmere controles (bv. risicoanalyses op outliers, realtime datadeling tussen actoren). Eggermont pleit voor systeemwijziging (uurloon i.p.v. prestatiefinanciering) om fraude te ontmoedigen, terwijl Hansez benadrukt dat plafonds rekening moeten houden met complexe zorg (platteland, palliatieve patiënten). - Openstaande knelpunten: wie beslist over fraude (DGEC/DAC), gebrek aan transparantie (anonieme dossiers, ontbrekende jaarlijkse parlementaire rapportage), en vertraagde implementatie (bv. BelRAI-controles, nomenclatuurherziening).

Frieda Gijbels:

Mijnheer de minister, onlangs kreeg de fraude door een thuisverpleegkundige ruime aandacht in de media. Daarna bleek dat er ook grootschalige fraude bij een arts en een tandarts zou zijn vastgesteld. Die dossiers zouden ook door de pers zijn ingekeken.

Ik zou graag meer informatie ontvangen over het dossier van de betrokken tandarts. Over welke soort fraude gaat het precies? Kunt u toelichten om welke handelingen of behandelingen het ging? Kunt u meer vertellen over het verloop van dat fraudedossier? Op welke manier werd die fraude opgespoord? Wanneer werden er vaststellingen gedaan en welke waren dat? Welke sancties zijn opgelegd?

In het artikel wordt een bedrag van 627.000 euro vermeld. In het laatste jaarverslag van de DGEC worden eveneens fraudegevallen bij tandartsen gemeld, maar daar gaat het op het eerste gezicht om lagere bedragen per tandarts. Zijn er eerder ook al dergelijke grote fraudedossiers bij tandartsen geweest? Kunt u daar meer toelichting over geven?

Hoeveel andere fraudedossiers met betrekking tot tandartsen zijn bekend en over welke bedragen gaat het? Welke stappen worden er momenteel in verband met die dossiers ondernomen?

In welke mate hangt het gebruik van de derde-betalersregeling samen met de kans op fraude? Wordt er dan vaker fraude vastgesteld? Is het mogelijk om de dossiers die door de pers werden ingekeken ook aan het Parlement te bezorgen?

Opsporen en bestraffen is één zaak, maar fraude voorkomen lijkt mij nog belangrijker. Op welke manier kan daarop volgens u verder worden ingezet? Het lijkt mij zinvol dat de DGEC dergelijke fraudezaken jaarlijks in het Parlement komt toelichten, zodat ze zowel de return als een plan van aanpak voor het daaropvolgende jaar kunnen presenteren. Bent u dat idee genegen?

Mijn volgende vraag gaat over de controle van ons zorgfacturatiesysteem, naar aanleiding van de fraude door de thuisverpleegkundige. Enerzijds is er de controle door de DGEC van het RIZIV. Anderzijds spelen ook de ziekenfondsen hierin een rol.

Via de pers verneem ik dat het RIZIV blijkbaar geen informatie van ziekenfondsen over mogelijke fraudegevallen of misstanden bij zorgverstrekkers ontvangt. Dat roept toch wel vragen op.

Wat is de rol van de ziekenfondsen bij de controle van de juistheid van zorgfacturaties? Wie voert die controles uit en op welke manier gebeurt dat precies? Welke rol spelen de adviserende artsen? Bestaan er rapporten van die controles en wat gebeurt daarmee? Kunt u aangeven welke en hoeveel meldingen over mogelijke foute facturatie of fraude door ziekenfondsen zijn doorgegeven, opgesplitst per verzekeringsinstelling en per provincie?

Voorlopig is het RIZIV blijkbaar nog afhankelijk van gegevens die door de ziekenfondsen worden aangeleverd, maar er zou wel worden gewerkt aan een rechtstreeks toegang door het RIZIV via het Data Flow 2.0-systeem. Wanneer is dat systeem operationeel?

Waar wordt de informatie over zorgverstrekkers verzameld, over verzekeringsinstellingen heen? Klopt het dat dit in het Nationaal college van adviserend artsen is, dat ressorteert onder de Dienst voor uitkeringen van het RIZIV? Klopt het dat zij over gegevens beschikken waarover de DGEC niet beschikt?

Isabelle Hansez:

Monsieur le ministre, l’auditorat du travail de Gand a confirmé une nouvelle perquisition dans le dossier très médiatisé d’une infirmière indépendante – également élue d'extrême droite –, soupçonnée d’avoir facturé jusqu’à 90 visites par jour aux mutuelles, alors qu’un soignant à domicile particulièrement actif atteint en moyenne une vingtaine de visites quotidiennes. Les premières constatations laissent penser à une fraude massive, avec notamment la saisie de plusieurs véhicules de luxe.

Au-delà de ce cas individuel, cette affaire révèle des failles structurelles dans le modèle de facturation et les contrôles des prestations infirmières. Vous avez annoncé qu’à partir de l’an prochain, un plafond serait instauré sur le nombre de patients qu’un infirmier peut comptabiliser par jour. Cette mesure suscite un large intérêt, tant pour prévenir les abus que pour protéger les soignants honnêtes, qui travaillent souvent dans des conditions difficiles.

Dans ce contexte, monsieur le ministre, quelle forme exacte prendra ce plafond: un nombre maximum de visites, un plafond horaire ou un modèle tenant compte du type de soins et des déplacements?

Ce plafond sera-t-il intégré dans un système automatisé de contrôle via les mutuelles, afin de détecter immédiatement les anomalies plutôt que d’intervenir a posteriori ? Ê tes-vous en communication étroite avec votre collègue le ministre Beenders?

Quelles garanties seront-elles prévues pour éviter d’alourdir la charge administrative ou d’entraver l’activité des infirmières et infirmiers respectueux des règles, notamment en zones rurales et lors de soins complexes?

Ces derniers jours, plusieurs affaires de fraude sociale dans les soins infirmiers à domicile ont été révélées, mettant en lumière des pratiques manifestement incompatibles avec la réalité du terrain.

J'en viens à ma seconde série de questions.

Les cas de fraude sociale se sont multipliés dans le secteur des soins à domicile. Ces dossiers, bien que distincts, révèlent une même réalité: certains acteurs isolés parviennent encore à contourner les mécanismes de contrôle au détriment de la sécurité sociale et de la grande majorité des soignants honnêtes. Ils montrent aussi la nécessité d’un renforcement de la détection automatique, d’une meilleure coopération entre inspections, mutuelles, INAMI et auditorats du travail, ainsi que d’un traitement plus rapide des signaux faibles.

Dans ce contexte, monsieur le ministre, quelles mesures spécifiques entendez-vous prendre pour détecter plus rapidement les schémas manifestement irréalistes, comme un nombre de visites quotidiennes impossible, avant que les dossiers ne prennent une plus grande ampleur?

La coopération entre les acteurs chargés de la lutte contre la fraude – mutuelles, INAMI, auditorats du travail, inspections sociales – sera-t-elle renforcée grâce à un échange automatisé de données ou à des mécanismes d’alerte précoce?

Enfin, envisagez-vous un plan d’action sectoriel ciblé sur les soins de santé à domicile, afin d’éviter que quelques fraudeurs isolés ne nuisent à la crédibilité d’un secteur, où la très grande majorité des infirmières et infirmiers travaillent de manière honnête et professionnelle?

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, ik denk dat we de context voldoende hebben geschetst. Het is uiteraard niet aanvaardbaar wanneer er voor dergelijke bedragen wordt gefraudeerd. Dit is een falen in de opvolging door het RIZIV. Daardoor dreigt nu het beeld te ontstaan dat zelfstandige zorgverleners massaal frauderen. Ik ben ervan overtuigd, mijnheer de minister, dat dat niet het beeld is dat u wenst te schetsen.

Dergelijke excessen zijn volgens het veld de absolute uitzondering. Ik denk bovendien dat deze perceptie het beroep kan schaden en het is net een beroep waar we in deze maatschappij bijzonder veel nood aan hebben. Die perceptie kan de aantrekkelijkheid van deze cruciale sector schaden, terwijl we in de toekomst net veel meer zorgverleners nodig zullen hebben.

Daarom heb ik enkele vragen, mijnheer de minister.

Hoe kan het dat deze verpleegkundige, nadat zij reeds in 2017 en opnieuw in 2020 werd gesignaleerd, toch niet strenger werd opgevolgd door het RIZIV? Monitort het RIZIV systematisch de overschrijdingen van het plafond aan prestaties? Hoe kan dan worden verklaard dat deze fraude jarenlang onder de radar bleef? Worden er binnen uw inspectiediensten ook prioriteiten gesteld, zodat zorgverleners die extreem veel prestaties factureren sneller en prioritair worden gecontroleerd? Hoe wilt u vermijden dat individuele fraudedossiers een volledige beroepsgroep in een slecht daglicht plaatsen? Hoe wilt u de aantrekkelijkheid van het beroep vrijwaren?

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, we hebben het al gehad over de thuisverpleegkundige die gedurende jaren het RIZIV oplichtte, een dossier dat pas na jaren krachtdadig wordt aangepakt en doorgestuurd naar het arbeidsauditoraat. Het kan niet dat een aantal nestbevuilers een hele sector met zich meeslepen, een sector die bestaat uit zorgverstrekkers die dag en nacht ter beschikking staan van hun patiënten, dat correct doen en dat ook correct tariferen.

De vraag die we ons dan ook onmiddellijk moeten stellen, is of de procedures voldoende gevolgd zijn. Zijn ze op tijd gevolgd? Is er gecontroleerd of ze gevolgd zijn? Zijn de definities fijn genoeg gedefinieerd? Wanneer gaat men over tot een doorverwijzing naar het arbeidsauditoraat? Is daarvoor een procedure voorzien, wordt die gehanteerd en wordt ze ook geëvalueerd? Dat is ook wat we in het regeerakkoord hebben opgenomen, namelijk de evaluatie van de werking en de procedures van de DGEC.

Veel belangrijker dan snel tot actie over te gaan, is het uitvoeren van die evaluatie en na te gaan waar de fouten liggen. Waar schort het aan in de procedure, in de aanpak? Hoe is dit kunnen gebeuren? Hetzelfde geldt voor de apotheker, waarvan gezegd wordt dat er via een achterpoortje gewerkt kan worden.

Ik zie u al het hoofd schudden. Ik ben het volledig met u eens: die uitknop bestaat niet. De unieke barcodes vormen de regel die we hanteren en dat is ook wat de DGEC controleert. Ik heb het in een jaarverslag gelezen, maar wat is daar dan fout gelopen? Is die persoon door de mazen van het net geglipt en zijn de controlemechanismen niet tijdig in gang geschoten? Dat zijn de vragen die we ons sowieso moeten stellen.

Daarnaast heb ik een aantal concrete, vrij technische vragen voor u. Artikel 174 van de wet van 14 juli 1994 vermeldt de notie bedrieglijke handeling . Genoemd artikel is bepalend voor de terugvordering van ten onrechte uitbetaalde prestaties.

Kunt u toelichten wie binnen de DGEC uiteindelijk de beslissing neemt of een bepaalde casus beschouwd moet worden als bedrieglijk in de zin van artikel 174 van de wet? Kunt u ook toelichten wie binnen de DAC de uiteindelijke beslissing neemt of een bepaalde casus beschouwd moet worden als bedrieglijk in de zin van artikel 174 van de wet?

Hetzelfde artikel 174 van de wet van 14 juli 1994 vermeldt de notie bedrieglijke handelingen . Dat is bepaald voor de terugvordering van uitbetaalde prestaties.

Kunt u toelichten of de verzekeringsinstellingen bij de vaststelling van ten onrechte gedane betalingen zelf de afweging maken of een bepaalde casus moet worden beschouwd als bedrieglijk in de zin van artikel 174 van die wet? Indien dat zo is, wie maakt die afweging dan en wie is daarvoor bevoegd? Bestaan er richtlijnen voor de verzekeringsinstellingen over de toepassing van de notie bedrieglijke handelingen ? Wordt bovendien nagegaan of de verzekeringsinstellingen deze regel inzake verjaring, en meer bepaald de toepassing van bedrieglijke handelingen, op een gelijkvormige wijze benaderen?

Wanneer de inspectiediensten van het RIZIV een onderzoek voeren waaruit mogelijks een terugvordering van ten onrechte betaalde prestaties volgt, wordt als bewarende maatregel systematisch de verjaring gestuit ten aanzien van de potentiële debiteur. Kunt u voor zowel de DGEC als de DAC bevestigen of er instructies in die zin bestaan en of die worden nageleefd?

De verzekeringsinstellingen worden in toenemende mate geresponsabiliseerd voor een beter beheer van de middelen van de ziekteverzekering. Dat is een goede zaak en dat hebben we in het regeerakkoord ingeschreven. Zijn er instructies voor de ziektefondsen over het stuiten van de verjaring met het oog op een potentiële - dus al dan niet vastgestelde - terugvordering?

Wat betreft de casus van de apotheker, mijnheer de minister, die op 6 december in de pers kwam, blijkt dat een verjaringstermijn van drie jaar werd toegepast voor de frauderende apotheker, die zelf in de krant getuigde.

Graag verneem ik van u waarom, hoewel artikel 174 van de wet van 14 juli 1994 een termijn van vijf jaar voorziet om terug te vorderen in geval van bedrieglijke handelingen, in dit dossier slechts een verjaringstermijn van drie jaar is gehanteerd. Dank u.

Voorzitter:

Wensen er nog collega’s aan te sluiten bij het actualiteitsdebat? Ladies first , heren De Smet en Prévot.

Natalie Eggermont:

Mijnheer de minister, ik heb heel veel respect voor alle zorgverleners, ook voor de thuisverpleegkundigen. Iedereen hier heeft dat, meen ik. Het zijn zij die elke dag klaarstaan om mensen na een operatie weer op de been te krijgen of om ervoor te zorgen dat oudere mensen langer zelfstandig thuis kunnen blijven wonen.

Het is heel jammer te zien hoe de schandalige wanpraktijken van enkelen nu een slecht licht werpen op al die zorgverleners die dag in, dag uit het beste van zichzelf geven in vaak moeilijke omstandigheden. Er is nu een terecht debat over hoe de fraude bestreden moet worden. Ik meen dat dit nieuws ons toch aan het denken moet zetten over de prestatiegeneeskunde in het algemeen. Zorgverleners worden nu voornamelijk gefinancierd op basis van het aantal prestaties dat ze aanrekenen. Wij vinden dat we weg van dat systeem moeten gaan.

Mensen kiezen voor de zorg omdat de zorg betekenisvol mensenwerk is. Het prestatiesysteem dwingt zorgverleners voortdurend hun centen te tellen en het biedt openingen voor dergelijke wanpraktijken. In die zin kijken wij nu uit naar de resultaten van het pilootproject om thuisverpleegkundigen via een uurloon te verlonen

Ik heb ter zake wel enkele vragen.

Is er nu eigenlijk zicht op hoeveel van de actieve thuisverpleegkundigen op het terrein binnen zo’n systeem werken? Is dat er nog niet? Hoe evalueren andere organisaties en stakeholders als de mutualiteiten de sector thuisverpleging? Heeft zo’n project vroeger al op de plank gelegen? Is er is vraag naar vanuit de sector? Is het een geheel nieuw initiatief dat van u uitgaat? Wie komt specifiek in aanmerking om deel te nemen aan het project?

François De Smet:

Monsieur le ministre, on se retrouve avec des révélations qui se succèdent sur des fraudes majeures au sein de notre système de soins, qu'il s'agisse de l'affaire bien connue de l'infirmière à domicile ou de ce pharmacien ayant facturé pendant des décennies des médicaments jamais délivrés, ce qui soulève de vraies interrogations quant à l'efficacité et la réactivité des mécanismes de contrôle de l'INAMI.

Ce qui est frappant dans ces deux affaires, c'est que les pratiques frauduleuses ont perduré pendant des années, malgré des signaux, des analyses de données et même des procédures déjà engagées. Ces dossiers révèlent donc des failles structurelles, juridiques et opérationnelles qui doivent être pleinement examinées, parce qu'elles mettent en danger non seulement les finances publiques mais aussi la confiance des citoyens dans la solidarité qui fonde notre système de santé.

Concernant ce fameux pharmacien condamné, celui-ci aurait exploité pendant près de 30 ans une faille technique liée à l'encodage manuel en cas de panne informatique, un système censé assurer la continuité du service mais manifestement vulnérable à des détournements massifs. L'INAMI rappelle être juridiquement contraint par des procédures strictes et ne pas disposer des moyens nécessaires pour suspendre un numéro INAMI, même en cas de récidive avérée. Les sanctions appliquées (amendes, récupérations, etc.) se sont révélées insuffisantes pour mettre fin aux fraudes.

Monsieur le ministre, comment expliquer que, malgré des signaux répétés, des anomalies manifestes et des enquêtes en cours, ces pratiques aient pu perdurer durant de si longues périodes? Confirmez-vous que les services de contrôle ne disposent toujours pas, à ce jour, de la possibilité d'empêcher un prestataire récidiviste de continuer à exercer?

Enfin, vous avez annoncé une réforme permettant aux juridictions administratives de suspendre le numéro INAMI d'un dispensateur en cas de prestations non effectuées. Ce sera un outil effectivement attendu depuis longtemps par les services de contrôle. Quand cette réforme sera-t-elle concrètement mise en œuvre?

Patrick Prévot:

Monsieur le ministre, à mon tour, je souhaite revenir sur ces problèmes de fraude sociale qui impactent la société, et singulièrement le cas particulier qui a déjà été évoqué par certains collègues et qui a beaucoup fait parler la semaine dernière. Il s'agit de cette infirmière, conseillère communale Vlaams Belang, qui aurait transmis à l'INAMI de fausses prestations. On apprend en effet qu'elle pouvait déclarer jusqu'à 90 visites par jour, quand des professionnels du secteur nous disent qu'on tourne plutôt autour de 20 visites par jour pour une soignante ou un soignant qui réalise son travail de manière digne et humaine. Ces fausses déclarations dans le chef de cette infirmière lui permettaient visiblement d'avoir un rythme de vie plus que confortable, puisque plusieurs voitures de luxe notamment ont été saisies à son domicile.

Par ailleurs, voici deux jours, comme évoqué par mon collègue de DéFI, on découvrait dans la presse qu'un pharmacien avait détourné 250 000 euros grâce à une faille du système de l'INAMI. Ces cas particuliers illustrent en tout cas une problématique réelle qui mérite une réponse appropriée.

Avant tout, et j'aurais dû commencer par là, il faut évidemment préciser qu'une écrasante majorité d'infirmières et d'infirmiers réalisent un travail remarquable avec probité, tout comme les pharmaciennes et les pharmaciens. Malheureusement, ces tristes épisodes jettent un peu l'opprobre sur ces professions éminemment essentielles.

Il y a quelques jours, monsieur le ministre, à la suite du cas particulier de l'infirmière, vous avez annoncé un plafonnement du nombre de visites par jour. Compte tenu de cette récente déclaration, pourriez-vous nous expliquer les contours de la réforme que vous comptez mener? Pouvez-vous nous confirmer que cette réforme, certainement salutaire, n'alourdira pas les démarches administratives du personnel soignant?

Frank Vandenbroucke:

Collega's, ik wil in de eerste plaats nog eens terugkomen op de essentie. Het verhaal van de thuisverpleegkundige uit Houthulst is hallucinant. Het is gewoon gangsterisme. De betreffende dame was er blijkbaar van overtuigd dat ze de samenleving en haar patiënten kon blijven uitbuiten en oplichten. Ze begon telkens opnieuw, na sancties, na terugvorderingen en na boetes. Ze was zeer inventief en zo is ze ook lange tijd bezig geweest.

Tegelijkertijd mogen we echt niet alles op één hoop gooien. Er zijn talloze thuisverpleegkundigen, die hard en correct werken en het beste doen voor hun patiënten, net zoals talloze apothekers hard en correct werken en het beste voorhebben met de patiënten die in hun zaak komen.

Collega’s, ik sta hier voor een dilemma en ik denk dat u die idee met mij deelt. Wij willen namelijk niet het beeld laten ontstaan dat een grote groep zorgverstrekkers er de kantjes vanaf loopt. Wij willen niet het beeld laten ontstaan dat thuisverpleegkundigen of apothekers gemakkelijk frauderen. Dat willen we niet, want dat is niet het geval. Het is een belediging voor de vele mensen, die hun best doen in die sector.

Tegelijkertijd moeten de enkele rotte appels eruit gehaald worden. Hiervoor hebben we sterkere wapens nodig. Op het moment dat men aan die wapens werkt om ze te versterken, kan de indruk ontstaan dat men iedereen verdenkt. Dat is niet het geval. Dat wil ik zeer uitdrukkelijk zeggen ten aanzien van alle apothekers, thuisverpleegkundigen, artsen en kinesitherapeuten. Dat is niet hoe wij denken over de inzet van die mensen. We moeten echter voldoende sterke wapens hebben om rotte appels, zelfs al gaat het om enkele te midden van tienduizenden anderen, te voorkomen.

Overigens neem ik de gelegenheid te baat om het volgende op te merken over de berichtgeving in de media. Over het algemeen geef ik daar geen commentaar op, maar we moeten toch enige behoedzaamheid aan de dag leggen voor wat er zoal in de media komt. Ik zeg dat met voorzichtigheid. Ik neem het voorbeeld van de apotheker die in een krant twee pagina’s kreeg om anoniem uit te leggen dat wat hij doet, volgens hem door elke apotheker gedaan kan worden. Moeten we ons als lezer niet afvragen of dat wel waar is? Is het een hypothese? Misschien probeert iemand zijn eigen misstappen te minimaliseren door te beweren dat iedereen hetzelfde kan doen. Misschien was dat voor die anonieme getuige in de krant het geval.

Wij moeten dergelijke berichtgeving dus enigszins kritisch benaderen.

Ook heb ik het moeilijk met controleurs van ziekenfondsen die anoniem met een kap over het hoofd getuigen over hun werk. Ik verwijt de media niet dat ze die getuigenissen brengen. Het is echter problematisch dat personen met een officiële taak in een organisatie zoals een ziekenfonds anoniem met een kap over het hoofd in de meest dramatische bewoordingen getuigen in plaats van ervoor te zorgen dat wij een transparant en ondertekend officieel verslag van die instanties ontvangen.

En laat ik dan nog maar zwijgen over het dossier van de dame in Houthulst. Ik heb dat dossier en twee andere anonieme dossiers, een over een tandarts en een over een arts, hier in het Parlement toegelicht. Niemand heeft toen verontwaardigd gereageerd – niemand, niet u, niet de beroepsorganisaties en niet de pers, die alle informatie van mij hebben gekregen. Het volstaat echter dat er een foto van de dame wordt gepubliceerd en dat in de krant enkele bijkomende details worden vermeld of het kot was hier te klein, zoals dat in Vlaanderen wordt genoemd. Ik had dat verhaal hier echter al lang verteld. Wij reageren dus soms eigenaardig.

Ik herhaal dat het ging om een structureel probleem van repetitieve fraude. Dat probleem moesten wij aanpakken met sterkere wapens. Dat heb ik hier maanden geleden al uitgelegd. Iedereen ondervroeg mij toen of ik niet te streng was. Niemand vroeg zich af wat dat specifieke geval precies inhield, totdat er een foto met een naam in de krant verscheen. Wij moeten op dat vlak allemaal enige zelfkritiek betrachten.

Dat helpt natuurlijk niet voor het gevoel van de medewerkers in de sector. Zij zijn het er ongetwijfeld over eens dat problemen structureel moeten worden aangepakt en dat de wapens om echte fraudeurs aan te pakken, moeten worden versterkt. Tegelijk moeten wij absoluut vermijden dat een sfeer ontstaat waarin iedereen in die sector zich verdacht gemaakt voelt of als verdacht wordt beschouwd.

Ik ben al een jaar bezig met de verfijning van een actieplan handhaving. Dat spoort trouwens heel goed met het regeerakkoord. Met dat actieplan versterken wij de noodzakelijke wapens.

Ik voeg hier nog wat het dossier met betrekking tot de thuisverpleegkundige in Houthulst betreft, het volgende aan toe. Mevrouw Depoorter vraagt opnieuw of het RIZIV niet heeft gefaald. Ik heb de gedetailleerde tijdlijn op papier hier in het Parlement uitgedeeld. Ik herhaal ze niet volledig wegens tijdsgebrek.

U kunt vaststellen dat er in juli 2017 een vaststelling werd gedaan, dat tien dagen later het onderzoek werd opgestart en dat enkele maanden later de vaststellingen en conclusies volgden. Daarna worden er terugvorderingen en boetes opgelegd en gebeuren er terugbetalingen. Vervolgens wordt er een tweede controleonderzoek uitgevoerd, gevolgd door een derde controleonderzoek op eigen initiatief van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle van het RIZIV. In de tijdslijn zie ik dus niet als zou het RIZIV in snelheid van handelen tekort zijn geschoten en ik wil dat evenmin beweren. Ik dring er dus ook op aan om dergelijke beweringen achterwege te laten, want dat is niet correct tegenover de inspecteurs van het RIZIV. Die hebben niet te traag gehandeld. Ze waren alleen niet gewapend tegen iemand die telkens opnieuw begon en uiteindelijk een zeer hardnekkige fraudeurster bleek te zijn, tegen dat soort van gangsterisme. Wie bewijs van falen van de inspectie moet mij eens uitleggen waar dat falen dan precies zit, des te meer gelet op de wapens die zij ter beschikking had. Ik zie dat eerlijk gezegd niet. Daarmee wil ik niet gezegd hebben da mijn administraties altijd perfect functioneren, dat is niet het geval. Hier vind ik echter dat die kritiek nogal gemakkelijk wordt geuit.

Ik ga graag ook even in op de bijzondere vraag met betrekking tot het arbeidsauditoraat. De Dienst voor Geneeskundige Evaluatie en Controle van het RIZIV hanteert een aantal criteria voor het in overleg doorsturen van controledossiers naar het arbeidsauditoraat. Enerzijds gebeurt dat wanneer de eigen onderzoeksbevoegdheden worden overschreden, anderzijds wanneer de sancties die de gerechtelijke instanties in het RIZIV, zoals de kamer van eerste aanleg en de kamer van beroep, kunnen opleggen, ontoereikend zijn. Op basis van een proces-verbaal van vaststelling van sociale inspecteurs van de Dienst voor Geneeskundige Evaluatie en Controle kan de kamer van eerste aanleg of de kamer van beroep, naast de terugvordering van de ten laste gelegde bedragen, bijkomend een sanctie opleggen tot 150% van het ten laste gelegde bedrag voor niet-conforme inbreuken of zelfs tot 200% voor niet-uitgevoerde prestaties. Wanneer men oordeelt dat de eigen bevoegdheden worden overschreden of dat de mogelijke sancties ontoereikend zijn, kan men op basis van die criteria het arbeidsauditoraat vatten.

Sommige dossiers zoals dat van de thuisverpleegkundige, zijn technisch zeer complex. De inbreuken beperken zich niet tot het aanrekenen van niet-uitgevoerde prestaties. Ze hebben in belangrijke mate ook betrekking op het aanrekenen van duurdere prestaties door overscoring van de afhankelijkheidsgraad van de patiënt. Daarvoor is een medische beoordeling vereist. Dergelijke onderzoeken door het arbeidsauditoraat gebeuren daarom in nauwe samenwerking met onze Dienst voor Geneeskundige Evaluatie en Controle.

Het arbeidsauditoraat is om die reden niet gemakkelijk bereid om dat zomaar te doen, omdat het die competenties niet per se heeft.

Wat de thuisverpleegkundige betreft, is een eerste controleonderzoek opgestart in 2017 met een proces-verbaal van vaststelling door de gerechtelijke instantie Kamer van beroep, waarbij de Kamer van beroep een definitieve uitspraak deed op 23 augustus 2023. Dat heeft dus geruime tijd geduurd, omdat de mevrouw in kwestie haar rechtsmiddelen heeft uitgeput. We leven natuurlijk in een rechtsstaat.

Op 23 augustus 2023 werd in dat eerste controleonderzoek dus een definitieve uitspraak gedaan. Al in februari 2023, dus vóór de eindbeslissing van de gerechtelijke instantie in het RIZIV, had de dienst in het kader van het inmiddels derde controleonderzoek – ik verwijs naar de tijdslijn die ik aan het Parlement heb bezorgd – een eerste contact met het arbeidsauditoraat over het dossier. Door de complexiteit en de problematiek van het medisch beroepsgeheim werd toen beslist dat niet het arbeidsauditoraat, maar de dienst dat verder zou uitwerken. Dat gebeurde na onderling overleg. De dienst stelde echter vast dat het dossier zo niet oplosbaar was. Een jaar later werd het dossier formeel doorgegeven aan het arbeidsauditoraat vanwege de aanhoudend hoge aanrekeningen.

Heeft men te traag gewerkt, dat durf ik niet te zeggen, omdat er verschillende procedures tegelijk liepen. Ik ben ook niet zelf betrokken bij de concrete controleonderzoeken en wens dat ook niet te zijn. Wel heb ik gevraagd om een nieuw en krachtig actieplan handhaving, een echt antifraudeplan voor de jaren 2026 tot 2030, met structurele maatregelen die de inspectiediensten de nodige instrumenten geven om gevallen zoals dat van de thuisverpleegkundige uit Houthulst daadwerkelijk te kunnen stoppen. In het kader van de hervormingswet met een voorstel voor de opschorting van het RIZIV-nummer als alternatieve sanctie, heb ik in augustus van dit jaar drie anonieme gevallen in het Parlement voorgesteld.

Naast de opschorting van het RIZIV-nummers, wat we met het Parlement nog moeten bespreken en beslissen, werden er twee maatregelen reeds genomen. Ik hoop dat ze weldra hun vruchten afwerpen. Ten eerste is er het aanrekeningsplafond op jaarbasis voor thuisverpleegkundigen. Mevrouw Hansez, dat heeft dus niet betrekking op het aantal patiënten.

Madame Hansez, vous avez parlé du nombre de patients. Or ce n'est pas de cela qu'il s'agit. Je le répète. De grâce, dites-le aux infirmiers à domicile! Ce n'est pas le nombre de patients; c'est un montant en euros qui, pour des infirmiers indépendants, s'élève à 229 000 euros bruts de facturation sur une base annuelle. De mémoire, pour un salarié, le montant atteint 126 000 euros sur une base annuelle, parce qu'il y a évidemment une pondération des prestations. Voilà le plafond.

Dat is een instrument naast andere; het is uiteraard niet het enige. Als men boven het plafond gaat, moet de betrokken thuisverpleegkundige verantwoorden waarom dat het geval is. Dat betekent dus een omkering van de bewijslast en ik denk dat dat nodig is.

Een voorgangster van mij, mevrouw De Block, wou al een dergelijke regeling in een koninklijk besluit vastleggen. Dat koninklijk besluit werd echter vernietigd door de Raad van State, vermoedelijk wellicht omdat de regering toen in lopende zaken was. Daarom zijn we opnieuw begonnen en het koninklijk besluit werd in 2024 van kracht. Aangezien het echter op jaarbasis werkt, kan de eerste praktische toepassing vanaf begin 2026 plaatsvinden. We zullen dat ook doen. We hebben wel al een sensibiliserende oefening gedaan op basis van de aanrekeningsplafonds.

Voorts is er nog een maatregel van kracht, die ik persoonlijk erg belangrijk vind, hoewel die nog niet volledig dekkend is. Vanaf 15 januari van volgend jaar krijgen patiënten zicht op de prestaties die op hun naam worden aangerekend, waaronder de meeste prestaties die via derde-betaler worden aangerekend. Een zorgverlener zal dus voor de meeste prestaties niet langer in staat zijn om een niet-uitgevoerde prestatie toch aan te rekenen via derde-betaler, zonder dat de patiënt daarvan op de hoogte wordt gesteld. Dat is zeer essentieel. Bijvoorbeeld voor alle forfaitaire prestaties B in de thuisverpleging, een grote groep, wordt de informatie vanaf 15 januari door alle ziekenfondsen aan alle patiënten doorgestuurd voor wie een forfait B wordt aangerekend. Dat is een belangrijk onderdeel van de controle.

Er was een vraag over de 193 dossiers. Dat zijn alle controledossiers van de DGC waarbij de zorgverlener het ten laste gelegde bedrag en of de boete niet wenst terug te betalen. Die dossiers werden overgezonden naar de niet-fiscale invordering van de FOD Financiën, die voor de verdere opvolging zorgt.

Kortom, de fameuze thuisverpleegkundige uit Houthulst werd opgevolgd. Ik denk niet dat dat op een gebrekkige manier gebeurde. Ze kreeg immers tot tweemaal toe twaalf maanden opschorting van de uitbetaling indien aangerekend via derde-betaler. Ze slaagde erin om dat zeer handig te omzeilen door zelf getuigschriften in te dienen bij het ziekenfonds, zogezegd namens haar patiënten.

Het betrokken ziekenfonds stortte het geld naar die patiënten, in de veronderstelling dat zij de bedragen rechtstreeks hadden betaald. Op die manier kon ze haar carrousel weer een tijdje laten draaien. Dat is de story .

De Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle ontvangt jaarlijks ongeveer 1.500 meldingen, dat wil zeggen aangiftes van mogelijke fraude, vragen en klachten afkomstig van buiten de dienst. Daarnaast voert de dienst zelf risicoanalyses uit. Een outlier is inderdaad een van de indicatoren om het risico te bepalen. Niet alle outliers zijn fraudeurs. Sommige zorgverleners die gespecialiseerd zijn in specifieke medische handelingen, factureren correct het grootste aandeel van welbepaalde verstrekkingen.

Nogmaals, wij staan voor een dilemma wat onze communicatie aan de sector en het brede publiek betreft. We onderstrepen enerzijds dat we de fraude krachtiger moeten aanpakken en de dienst meer wapens geven en dat ik een actieplan inzake handhaving zal voorstellen, en anderzijds dat het gaat om een zeer kleine minderheid en de regeling ter bescherming van de grote meerderheid van correcte en hardwerkende zorgverleners dient, zorgverleners waarvan ik niet wil dat ze zich hierdoor onterecht verdacht gemaakt voelen.

Mevrouw Gijbels stelt enkele belangrijke vragen over de verantwoordelijkheid van de verzekeringsinstellingen. Die instellingen hebben inderdaad een ruime verantwoordelijkheid in de controle van de juistheid van de zorgfacturaties. Zij voeren zowel administratieve primocontroles uit, zoals het opsporen van verboden cumuls of prestaties door onbevoegden, als inhoudelijke controles die niet rechtstreeks uit de facturatie kunnen worden afgeleid. Voor de thuisverpleegkundigen omvat dat onder meer de controle bij de patiënt bij 10 % van de nieuw gemelde Katzschalen, deels op eigen initiatief van een verzekeringsinstelling en deels intermutualistisch, in opdracht van het Nationaal college van adviserend artsen.

De controles worden uitgevoerd door de adviserend artsen van de verzekeringsinstellingen, die daarbij bepaalde taken kunnen delegeren aan adviserend verpleegkundigen. Elke controle van Katzschalen leidt tot een verslag. Bij intermutualistische controles worden daarnaast resultaatfiches opgesteld, die regelmatig in het Nationaal college van adviserend artsen worden besproken. Afhankelijk van de bevindingen kan dat leiden tot een waarschuwing, een nacontrole of een melding aan de dienst, die de documenten ook kan opvragen tijdens eigen onderzoeken.

Tussen 1 januari en 30 november van dit jaar ontving de dienst 108 meldingen van verzekeringsinstellingen en adviserend artsen. Een gedetailleerde uitsplitsing per instelling en provincie is beschikbaar en kan ik u schriftelijk bezorgen.

Omdat elke verzekeringsinstelling slechts zicht heeft op de prestaties van haar eigen verzekerden, worden alle facturatiegegevens maandelijks gecentraliseerd bij het Intermutualistisch Agentschap, waarvan de dienst in het kader van concrete onderzoeken gegevens kan opvragen.

Om die gegevensstromen te verbeteren en frequenter, vollediger en sneller aan te leveren, wordt momenteel gewerkt aan project Dataflow 2.0. Het doel van dat project is een rechtstreekse en geautomatiseerde toegang van het RIZIV tot het centrale dataplatform, zodat de afhankelijkheid van de afzonderlijke verzekeringsinstellingen vermindert en gegevens sneller kunnen worden gekoppeld aan onder meer fraudedetectie. Voor Dataflow 2.0 is wel een aanpassing van het wettelijke kader nodig. De nieuwe regelgeving wordt in 2026 verwacht, waarna de operationele ingebruikname van Dataflow 2.0 voorzien is, ten vroegste in 2027.

Tot slot wordt informatie over zorgverstrekkers intermutualistisch samengebracht binnen het Nationaal College, dat sinds mei 2022 onder de dienst Geneeskundige Evaluatie en Controle ressorteert. Via het secretariaat van het Nationaal College van Adviserend Artsen beschikt de dienst sinds mei 2022 over alle resultaten van de intermutualistische Katz-controles, gegevens die voor 2022 niet rechtstreeks toegankelijk waren.

Er werd ook beslist dat de ziekenfondsen, voor een bedrag dat in 2029 zal oplopen tot 100 miljoen euro, fraude uit het systeem moeten halen. Zij moeten met hun eigen administratie borg staan voor het bereiken van dat resultaat. Dat is essentieel. Die afspraak is gemaakt en de beslissing is genomen door de ministerraad.

Mevrouw Gijbels, u hebt een vraag over de tandheelkunde. Ik heb hier een paar maanden geleden één anoniem dossier aangehaald. Over specifieke controles geeft de dienst Geneeskundige Evaluatie en Controle geen verdere uitleg, ook niet aan mij. In zekere zin staat er een muur, wat correct is, tussen de inspecteurs, de leiding van het RIZIV en mezelf.

Wel kan ik een toelichting geven over fraudedossiers bij tandheelkundigen in het algemeen. Het betreft, net zoals bij andere zorgverleners, zowel de aanrekening van niet-uitgevoerde prestaties als prestaties waarbij de vergoedingsvoorwaarden niet worden nageleefd. Een controledossier bij de dienst wordt opgestart op basis van een externe melding of een eigen risicoanalyse van de dienst. Indien tijdens een onderzoek onterechte aanrekeningen blijken, wordt een proces-verbaal van vaststelling opgesteld.

Het onterecht aangerekende bedrag kan door de zorgverlener worden terugbetaald. Bijkomend kan de dienst het dossier aanhangig maken bij de administratieve rechtscolleges, om onder andere een boete op te leggen.

Op dit ogenblik lopen er verschillende grote fraudeonderzoeken bij tandheelkundigen. Enkele worden uitgevoerd samen met het arbeidsauditoraat. In het kader van het geheim van het onderzoek kan de dienst mij daarover niet verder inlichten.

Laten we dan kijken naar het activiteitenrapport van de dienst met betrekking tot 2023. In 2023 werden er 93 individuele controleonderzoeken bij tandartsen afgesloten. Er werd voor een totaalbedrag van 2.167.780,27 euro ten laste gelegd. Bij 13 van die tandartsen werd een administratieve procedure opgestart voor een bijkomende boete. Bij die 13 ging het om een ten laste legging van 826.988 euro voor niet-conform geattesteerde prestaties en 69.929 euro voor niet-uitgevoerde prestaties.

Die informatie is terug te vinden in publieke verslagen. In die zin kijk ik soms met grote ogen naar dingen die nu in de pers komen, aangezien die activiteitenverslagen allemaal publiek beschikbaar zijn. Dat wil niet zeggen dat de pers daarover niet mag berichten, integendeel, die berichtgeving is zeer welkom, maar het betreft geen nieuwe gegevens, alles is reeds gepubliceerd.

Fraude komt evenzeer voor buiten de derde-betalersregeling, zoals in het geval van de thuisverpleegkundige waarnaar u verwees, die meermaals het recht om via de derdebetalersregeling te factureren ontnomen werd.

Voor tandartsen is de regeling die op 15 januari van kracht wordt, waarbij patiënten altijd geïnformeerd worden over aanrekeningen, heel belangrijk. Bijkomend zullen mutualiteiten vanaf 2026 onderling via een teller opvolgen hoeveel tandartsen aanrekenen, zodat zij bij overschrijding van de P-waarden proactief aanrekeningen kunnen blokkeren. Bij thuisverpleegkundigen zal worden gewerkt met de W-waarden. Bij tandartsen werken we al enige tijd ook met een aanrekeningsplafond, met de P-waarden.

Er bestaat een Comité van de DGEC, waarin onder andere de vertegenwoordigers van de beroepsgroepen en de verzekeringsinstellingen zetelen. Daar worden plannen van de dienst voorgelegd en alle proceduredossiers per type zorgverlener op anonieme wijze toegelicht. Alle eindbeslissingen van de kamer van eerste aanleg en de kamer van beroep zijn op geanonimiseerde wijze toegankelijk voor iedereen via de website van het RIZIV. Dat staat daar allemaal.

Mevrouw Depoorter, u had heel precieze vragen over die termijnen bij die apotheker. Die ene apotheker legde uit dat iedereen kon doen wat hij deed, maar dat laat ik even in het midden. Dat is zijn uitleg. In de berichtgeving daarover had men het over een verjaringstermijn van drie jaar, terwijl artikel 174 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 in geval van bedrieglijke handelingen een termijn van vijf jaar voorziet voor terugvordering.

Het is belangrijk om dat juridisch juist te kaderen. Eerst ga ik in op de Dienst voor Administratieve Controle. Wat de DAC betreft, is er geen termijn van drie jaar voorzien in artikel 174 van de gecoördineerde wet. De verjaringstermijn voor het terugvorderen van onrechtmatige betalingen veroorzaakt door frauduleuze handelingen is vijf jaar, of twee jaar bij afwezigheid van frauduleuze handelingen, maar artikel 174 van de gecoördineerde wet is niet van toepassing in de zaak waarnaar u verwijst.

Vervolgens kom ik tot de Dienst voor Geneeskundige Evaluatie en Controle, de DGEC. De verjaringstermijnen bepaald in artikel 174 van de ziekteverzekeringswet zijn niet van toepassing op de administratieve terugvorderings- en/of sanctieprocedures van de DGEC. Dat blijkt overigens ook uit het tekst van artikel 174, 2de lid, van de ziekteverzekeringswet. Die verjaringstermijnen zijn wel van toepassing op de recuperaties door de verzekeringsinstellingen.

Wat de DGEC betreft, geldt een ander regime. Overeenkomstig artikel 142, § 2, van de ziekteverzekeringswet moeten de vaststellingen door de sociaal inspecteur op straffe van nietigheid worden verricht in een proces-verbaal van vaststelling binnen een termijn van drie jaar, te rekenen vanaf de datum waarop de verzekeringsinstellingen de documenten betreffende de betwiste verstrekkingen hebben ontvangen, of waarop de door de profielencommissie of door het Nationaal college van adviserend artsen overgezonden vaststellingen worden ontvangen door de DGEC.

De inbreuken op artikel 73 bis, 1ste lid, van de ziekteverzekeringswet die de sociale inspecteurs van de DGEC vaststellen, vergen daarbij niet het bewijs van fraude.

Dat geldt eveneens voor de termijnen waarbinnen de vaststellingen moeten worden verricht door de sociale inspecteurs van de dienst, volgens artikel 142, § 2, of waarbinnen een zaak aanhangig moet worden gemaakt bij het orgaan van het actief bestuur of bij de kamer van eerste aanleg, volgens artikel 142, § 3. De driejarige termijn werd destijds ingevoerd naar analogie met de onderzoekstermijn waarover de administratie in het kader van het Wetboek van de inkomstenbelastingen beschikt, zoals toegelicht in de memorie van toelichting bij het wetsontwerp van 14 november 2016 houdende diverse bepalingen inzake gezondheid.

Naar mijn inschatting behoren apothekers in ons systeem tot de meest intensief gecontroleerde zorgverstrekkers. Ik wil benadrukken dat het, op basis van wat we weten, om uitzonderlijke gevallen gaat en dat de grote meerderheid van de apothekers correct werkt.

Mevrouw Eggermont, u stelde een vraag over het pilootproject voor een nieuw financieringssysteem. Daar is langdurig overleg over geweest met de sector. Het initiatief komt daadwerkelijk vanuit de sector en mede gelet op het langdurig overleg durf ik te zeggen dat het wordt gedragen door de sector zelf. Het is dus geen plotselinge nieuwe bevlieging, maar een onderwerp dat al lang ter discussie voorligt. Ik ben blij dat het er eindelijk zal komen.

Mijnheer de voorzitter, ik denk dat ik daarmee het belangrijkste heb gezegd.

Voorzitter:

Mijnheer de minister, we hebben u ruimschoots de tijd gegeven om uw antwoord te formuleren.

Frank Vandenbroucke:

Voor enkele van de vragen kan ik tabellen en cijfers aanreiken, zoals de vragen van mevrouw Gijbels over het aantal meldingen per VI. Ik kan die gegevens allemaal schriftelijk bezorgen, ze zijn gewoon niet voorleesbaar.

Voorzitter:

U kunt ze doorgeven aan het commissiesecretariaat.

De replieken komen aan bod in de volgorde van de vraagstellers, zoals bepaald voor een actuadebat.

Frieda Gijbels:

Mijnheer de minister, ik wil graag iets rechtzetten. U zei dat wij nooit hebben gereageerd op eerdere fraudegevallen, maar ik heb al verschillende parlementaire vragen over fraudegevallen gesteld. Ik heb ook al regelmatig vragen over DGEC-krapporten gesteld. Het klopt dus niet dat wij alleen door de pers zijn gealarmeerd.

Ik wil op een aantal zaken repliceren of meer verduidelijking vragen. U zegt dat er 108 meldingen vanuit de verzekeringsinstellingen zijn geweest, maar dat geldt alleen voor de thuisverpleegkundigen. U had het over de Katz-controles. Ik zal een schriftelijke vraag indienen voor de andere zorgberoepen.

Ik verwacht nog de schriftelijke antwoorden, die ik zeker zal nakijken.

Het is me niet helemaal duidelijk of de meldingen vanuit de verzekeringsinstellingen ook daadwerkelijk bij de Dienst Geneeskundige Evaluatie en Controle terechtkomen. In de pers stond dat zij daar geen meldingen van ontvangen en geen toegang toe hebben. Dat moet wellicht ook worden verduidelijkt.

U zei: naast de derde-betaler zijn er ook fraudegevallen. Dat geloof ik zeker, maar ik vraag mij af wat de verhouding is. Zijn er al dan niet meer fraudegevallen wanneer de derde-betalerrichtlijn wordt gebruikt dan wanneer die niet wordt toegepast?

In het algemeen denk ik dat er op een aantal vlakken echt moet worden gewerkt. Er is aandacht nodig voor een betere nomenclatuur. Ik zeg niet dat dat een excuus is voor misbruik, maar niet alleen de gedeconventioneerde zorgverstrekkers frauderen, vaak zijn degenen die misbruik maken van de nomenclatuur de fraudeurs. Gelukkig is dat een heel kleine minderheid, zoals verschillende collega's al hebben aangegeven, maar wel moet de nomenclatuur eerst goed op punt staan. Vervolgens moet fraude opgespoord en streng bestraft worden. Iedereen moet daarin zijn rol spelen, ook de ziekenfondsen. Of zij dat ten volle doen, is mij niet helemaal duidelijk. Daarop zullen we later verder ingaan.

Daarnaast is het ook belangrijk dat de patiënten duidelijkere facturen krijgen, zodat zij in begrijpelijke taal kunnen lezen wat er is aangerekend.

Tot slot moeten we ook snel werk maken van een beter klachtrecht, zodat patiënten weten waar ze terechtkunnen om meldingen te doen. In dit dossier, in soortgelijke dossiers, is dat nog een manco. Niet iedereen weet waar men terechtkan als men een vermoeden heeft dat er iets niet correct is.

Isabelle Hansez:

Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses.

Quelle que soit la mani è re dont ces affaires ont été révélées, elles mettent en évidence un syst è me qui réagit trop tard. Quand une infirmi è re peut facturer 80 ou 90 prestations quotidiennes sans que cela déclenche la moindre alerte, cela signifie que le problème n'est pas individuel mais structurel.

Dans ce contexte, nous saluons votre volonté et vos éclaircissements par rapport au renforcement des contrôles. Cependant, une chose est sûre: nous ne pouvons plus nous contenter d'intervenir a posteriori , il faut détecter l'anomalie d è s qu'elle apparaît. C'est pour cela que le futur plafond d'activité ne pourra être efficace qu' à la condition expresse d'être intelligent. J'ai compris qu'on parlait de montants, d'un plafond de montants et pas du nombre de patients.

Quand on élabore un système de plafond, il importe que ce système soit intelligent, c'est-à-dire qu'il prenne en considération un certain nombre de critères (le type de soins, la charge réelle de travail, le temps de déplacement) davantage qu'un chiffre brut; en effet, il ne faudrait pas pénaliser ceux qui travaillent honnêtement, en particulier dans les zones rurales et en soins complexes. Il faudrait aussi un système intégré dans un contrôle automatisé via les mutuelles et l'INAMI, permettant de détecter immédiatement ce qui est matériellement impossible, plutôt que de laisser prospérer des dérives massives.

Au-delà du plafond, nous insistons également sur l'urgence d'un véritable échange de données en temps réel entre mutuelles, INAMI, Inspection sociale et auditorat du travail. Chacun doit jouer son rôle. Sans ce volet, nous continuerons à découvrir trop tard des schémas frauduleux qui auraient pu être repérés dès les premiers signaux faibles.

Je veux le redire avec force, 99 % des infirmiers et des infirmières travaillent avec intégrité. Ils ne doivent pas subir des lourdeurs administratives supplémentaires parce que quelques fraudeurs isolés détournent le système et ternissent l'image d'un secteur qui est profondément dévoué. C'est en distinguant clairement les abus manifestes du travail honnête et en modernisant nos mécanismes de détection que nous protégerons à la fois nos finances publiques et le professionnalisme des soignants.

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, dank u voor uw uitgebreid antwoord.

Ondanks uw uitgebreid antwoord heb ik het gevoel dat we weinig echt concrete antwoorden hebben gekregen waarmee we verder aan de slag kunnen. U hebt een paar keer gezegd dat u die flow al voldoende heeft toegelicht, maar het zou misschien wel handig zijn dat we eens op een A4'tje kunnen zien wat exact de flow is binnen het RIZIV.

Frank Vandenbroucke:

Maar u hebt die A4 gekregen! In godsnaam. U hebt die gekregen. Ik heb die bezorgd aan het Parlement. Het was zelfs meer dan een A4.

Irina De Knop:

Goed, dan heeft mij dat niet bereikt. Mijn verontschuldigingen daarvoor. Ik zal daarnaar kijken.

In ieder geval, uit uw antwoord blijkt die flow niet volledig duidelijk te zijn. Ik wil graag herhalen, en dat hebt u gelukkig in uw antwoord ook benadrukt, dat het totaal geen zin heeft een volledige beroepsgroep door de mangel te halen omdat er een of meerdere fraudegevallen zijn. Dat is altijd te veroordelen. Als er fraude is moet dat altijd worden aangepakt. Maar de manier waarop wij daarop reageren, en ook u als bevoegd minister, is daarin heel relevant.

Ik vind dat u de eerste uren en dagen na dat voorval het vuurtje niet hebt geblust maar eerder aangewakkerd, door te zeggen dat u bijkomende wetgeving nodig hebt om dit soort fraudegevallen te kunnen aanpakken. Quod non. Het is duidelijk dat er heel wat regelgeving bestaat binnen het RIZIV, maar die wordt blijkbaar niet altijd even accuraat toegepast.

In antwoord op een vraag van ander parlementslid zei u dat u het goed vindt dat er duidelijke facturatie zou komen naar de patiënten. Inderdaad, ik denk dat het niet slecht zou zijn dat mensen inzage krijgen in wat de werkelijke factuur is, ook wanneer er sprake is van een derde-betalerssysteem. Niet alleen omdat op die manier fraude sneller zou kunnen worden aangepakt, maar ook en vooral omdat mensen zouden zien wat de eigenlijke kostprijs is van de zorgverlening die ze ontvangen.

Tot slot denken wij niet, maar we zullen die discussie voeren op het moment dat het voorstel voorligt in de Kamer, dat het schorsen of afnemen van een RIZIV-nummer per se de beste en enige maatregel is die we kunnen nemen om fraude te bestrijden. Dat zou absoluut een eindpunt moeten zijn en geen beginpunt.

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, op vandaag loopt er een actie van de thuisverpleegkundigen. Ze dragen drie lintjes: een wit, een groen en een zwart. Dat zijn toevallig de kleuren die ik aan heb. Wit voor hoop op een beleid met goede dialoog, groen als teken van trots op een beroep van zorgverstrekker en zwart voor de verontwaardiging over de fraude. Deze drie lintjes zijn echt een teken van het gevoel dat in de sector leeft en dat u deelt, namelijk dat wat er gebeurt, niet kan.

Het kan niet dat de verpleegkundigen, die vol goede wil werken, door die carrousel van fraude in een verkeerd daglicht worden geplaatst. Ik ben het met u eens dat men ook bij het lezen van de berichtgeving in de pers enige voorzichtigheid aan de dag moet leggen, want het is niet altijd een correcte weergave van de feiten. Ik ben het niet eens met u dat de wapens sterker moeten of onvoldoende gebruikt zijn. Als men een geweer of een pistool gebruikt, moet de loop ervan gekuist zijn en misschien gebeurt dat nog niet altijd.

U hebt inderdaad alarm geslagen, net zoals ook het RIZIV dat deed, in verschillende gremia. Dat is nu net de reden waarom wij in de discussies rond het nieuwe regeerakkoord het zinnetje rond de evaluatie van de procedures binnen de DGEC hebben ingeschreven. We hebben er samen over gediscussieerd en u bent ermee akkoord gegaan. We zijn daar overeengekomen dat die procedures moeten gecontroleerd worden, want men neigt soms wat in de richting van willekeur. Dat is althans het gevoel dat sommige zorgverstrekkers krijgen.

Als ik zeg dat niet alle wapens zijn gebruikt, dan bedoel ik vooral het feit dat er niet meteen werd doorgeschakeld naar het Arbeidsauditoraat. We hebben die discussie al gevoerd en u zegt dat er wel voldoende en snel genoeg is gehandeld. Ik verwijs opnieuw naar het vonnis van 19 oktober 2020 van de kamer van eerste aanleg, waarin de interpretatie rond artikel 77secties van de GVU-wet wordt gehanteerd. Men had mijns inziens dus al eerder kunnen handelen.

Ook vandaag nog lopen er procedures waarbij we ons vragen kunnen stellen, zoals de procedure van november 2023 over een klacht die in diezelfde maand aan de DGEC werd gemeld met betrekking tot twee partners die werken onder eenzelfde RIZIV-nummer, waarvan één niet-verpleegkundige. Het is gekend bij de DGEC en er werden klachten ingediend, maar toch werkt men verder en verzorgt men zonder diploma patiënten. Dat zou moeten leiden tot een schorsing van de derde betaler. Er zijn er in 2023 maar negen geweest, vier personen en vijf verenigingen. Men kan hier krachtdadiger ingrijpen.

Wanneer er echt sprake is van fraude moeten we kunnen ingrijpen.

Risicoanalyses, daar ben ik het volledig mee eens, moeten worden uitgevoerd en dat is in het geval van die apotheker ook noodzakelijk gebleken. Wanneer een apotheker afwijkt qua unieke barcodes, kan men zeker het risico bepalen en controleren hoe men hiermee omgaat.

Wat moet er nu echter echt gebeuren in die sector van de thuisverpleegkundigen, mijnheer de minister? De controle van die procedures moet inderdaad absoluut gebeuren. Die subsidies en forfaits die worden toegekend, moeten ook eens gecontroleerd worden, want ook daar komen veel klachten uit. Sinds het publiceren van het KB is dat namelijk nog niet gebeurd. De middelen die daardoor vrijkomen, zouden we kunnen gebruiken om de nomenclatuur te herzien. Die controle is echter nog niet uitgevoerd, mijnheer de minister.

De vertegenwoordiging van de zelfstandige thuisverpleegkundigen in de overeenkomstencommissie is ook iets waarover we het echt nog eens moeten hebben. Die vertegenwoordiging is essentieel voor de nomenclatuur en het beleid.

Tot slot, mijnheer de minister, wil ik het hebben over de zorgnoden. Wat betreft die Katzschalen, misschien is het ook eens tijd om daarnaar te kijken. BelRAI is erg moeilijk en wordt internationaal niet gebruikt. De BelRAI Screener zou mogelijk een antwoord kunnen zijn om samen met de Katzschalen te gebruiken.

Waarop u niet hebt geantwoord, is op de vraag wie de beslissing neemt wanneer het om fraude gaat of niet, om door te verwijzen of niet, binnen de DGEC en binnen de DAC. Ik zal die vraag opnieuw schriftelijk indienen. Dank u wel.

Voorzitter:

Zijn er fracties die het woord nog niet genomen hebben en dat wensen? (Nee)

Jan Bertels:

Dan zou ik kort iets willen zeggen, namens de Vooruitfractie. Ik denk dat er drie belangrijke zaken zijn. Ten eerste, en daar zijn we het allemaal over eens, de overgrote meerderheid van de zorgverstrekkers – en ik noem ze bewust zorgverstrekkers – doet haar beroep met passie en correct en biedt goede zorg aan haar patiënt. Ten tweede, de rotte appels moeten eruit en daar zijn we het ook allemaal over eens. De verschillende actoren hebben dus mechanismen nodig om die rotte appels te verwijderen. We kijken, mijnheer de minister, allemaal uit naar uw actieplan 'handhaving', want een aantal zaken – en daarover zullen we een discussie moeten voeren – moeten worden versterkt. Het gaat daarbij over verschillende maatregelen. Er zijn ook verschillende zaken die al lopen en die moeten worden versterkt. Ten derde, en daar zijn we het ook allemaal over eens, geldt dat zowel preventieve acties als, waar nodig, repressieve acties moeten worden genomen om fraude te bestrijden. We zijn het er ook over eens dat dat alle actoren betreft, gaande van de VI’s, DG Evaluatie en Controle, DG Administratie en Controle, tot het auditoraat en zelfs de rechtbanken. Mijnheer de minister, u moet al die actoren betrekken bij uw actieplan houdende handhaving. Dan kunnen we hopelijk snel een stap vooruit zetten, ter bescherming van de overgrote meerderheid van de zorgverstrekkers die hun beroep met passie en correct uitoefenen.

Het nieuwe ZSG in het gerechtelijk arrondissement Bergen-Doornik
Een ZSG in Waals-Brabant
Modernisering van de zetelende strafgerechten in Wallonië

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 9 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Vandenbroucke bevestigt dat 13 nieuwe CPVS-centra (waaronder één in Bergen-Tournai en één in Waals-Brabant) tegen 2026 operationeel moeten zijn, maar de exacte locaties worden pas bekendgemaakt na evaluatie van 15 kandidaturen door het INAMI op basis van objectieve criteria. Marie Meunier (Mons) uit ongeduld over de vertraging en de onzekerheid of Bergen nog als standplaats behouden blijft, terwijl Florence Reuter (Waals-Brabant) benadrukt dat Ottignies-Louvain-la-Neuve klaar is (locaties, personeel, politie-samenwerking) en hoopt op selectie, gezien de strategische ligging en kwetsbare studentenpopulatie. De minister belooft versnelde operationele ingebruikname na selectie, maar waarschuwt voor praktische vertragingen (infrastructuur, training).

Marie Meunier:

Monsieur le ministre, la création d'un CPVS à Mons est annoncée depuis plusieurs années. En début de législature, il m'avait été confirmé que les moyens financiers étaient bien prévus pour une ouverture en 2026.

Cependant, il ne semble plus certain aujourd'hui que le centre soit implanté à Mons, puisqu'il est désormais question d'un CPVS pour l'ensemble de l'arrondissement judiciaire Mons-Tournai. Les candidatures ont été déposées au printemps et la décision de l'INAMI était attendue pour l'automne. Nous sommes maintenant en décembre et donc en hiver.

Monsieur le ministre, pouvez-vous tout d'abord nous communiquer la décision quant au lieu retenu pour l'implantation du prochain CPVS dans l'arrondissement Mons-Tournai? Le cas échéant, pouvez-vous confirmer que l'ouverture du centre reste bien prévue pour 2026?

Florence Reuter:

Monsieur le ministre, les Centres de Prise en charge des Violences Sexuelles (CPVS) jouent un rôle essentiel, un rôle de soutien et d'accompagnement global, à la fois médical, psychologique et judiciaire, dans un cadre sécurisé et intégré.

On compte aujourd'hui en Belgique 11 CPVS, dont un à Bruxelles, et leur nombre sera porté à 13 en 2026 afin de couvrir l'ensemble du pays. À ce jour, le Brabant wallon reste la seule province dépourvue de CPVS, malgré un accord conclu en ce sens sous le gouvernement Vivaldi.

Pourtant, tout est prêt. J'ai pu rencontrer des infirmières de l'hôpital Saint-Pierre d'Ottignies qui ont introduit la candidature pour l'ouverture d'un CPVS. Les locaux sont déjà disponibles et conçus spécialement pour le centre. L'hôpital a le soutien de la commune d'Ottignies-Louvain-la-Neuve ainsi que de la province. Il ne manque donc plus que l'accord du fédéral.

Monsieur le ministre, cet accord est-il toujours d'actualité? Pouvez-vous me confirmer que le Brabant wallon aura bien un CPVS et qu'ainsi toutes les provinces du pays seront couvertes?

Vous avez lancé cet appel à candidatures. Pouvez-vous me dire combien de dossiers ont été introduits, combien d'entre eux provenaient du Brabant wallon et sur base de quels critères ils seront sélectionnés, s'ils ne l'ont pas encore été?

Je me permets de vous rappeler les arguments qui plaident en faveur d'un CPVS à Ottignies-Louvain-la-Neuve. La ville est géographiquement située en plein centre du pays, à la croisée des grands axes routiers et ferroviaires. La commune abrite pas moins de 20 000 étudiants de hautes écoles et d'universités, une population particulièrement vulnérable aux violences sexuelles.

Comme je l'ai dit, la Clinique Saint-Pierre dispose du personnel nécessaire, mais aussi de locaux équipés pour accueillir les victimes dans des conditions optimales.

Les services de police ont été spécifiquement formés à la prise en charge des victimes de violences sexuelles et collaborent déjà avec le parquet du Brabant wallon via la procédure d'assistance aux victimes d'agressions sexuelles (PAVAS).

Enfin, la synergie entre la clinique, l'UCLouvain, le parquet, le gouverneur, la province, la ville d'Ottignies et la police garantit une approche intégrée, cohérente et prête à être déployée sans délai.

Frank Vandenbroucke:

Au cours de l'année écoulée, l'INAMI, en collaboration avec les fédérations hospitalières et l'Institut pour l'égalité des femmes et des hommes, a travaillé à l'élaboration d'un cadre juridique pour ces conventions. Ce travail a abouti à un arrêté royal relatif à la convention entre le Comité de l'assurance et l'hôpital dans le cadre des Centres de Prise en charge des Violences Sexuelles, publié au Moniteur belge le 26 septembre 2025.

Dans la foulée, un appel à candidatures a été lancé sur le site internet de l'INAMI. Les hôpitaux ont eu la possibilité de soumettre leur candidature jusqu'au 5 novembre. Quinze hôpitaux se sont manifestés. L'INAMI est en train d'évaluer tous les dossiers soumis avec la même attention et en fonction des mêmes critères, conformément aux dispositions dudit arrêté royal. Sur la base de cette évaluation, 13 centres seront sélectionnés par le Comité de l'assurance, après quoi ils incluront une convention avec celui-ci à compter du 1 er janvier. Un Centre de Prise en Charge des Violences Sexuelles sera sélectionné par arrondissement judiciaire. Cela signifie qu'il y aura en effet un centre pour celui du Brabant wallon et un autre pour celui de Mons.

Étant donné que la procédure de sélection n'est pas encore terminée, je ne suis pas en mesure de vous indiquer les CPVS choisis. Je puis toutefois vous confirmer que la convention entrera en vigueur le 1 er janvier 2026. Il est possible qu'un centre sélectionné ne soit pas encore opérationnel à cette date afin d'accueillir les victimes, car divers préparatifs sont nécessaires: travaux d'infrastructure et de recrutement, formation du personnel, etc.

L'INAMI et l'Institut pour l'égalité des femmes et des hommes travaillent en étroite collaboration pour s'assurer que les 13 centres sélectionnés soient opérationnels aussi rapidement et qualitativement que possible dès l'entrée en vigueur de la Convention. À partir du moment où un centre peut recevoir des victimes, il sera considéré comme opérationnel, conformément à l'arrêté royal publié. En résumé, encore un peu de patience!

Marie Meunier:

Merci, monsieur le ministre pour votre réponse. Comme vous dites, on va prendre notre mal en patience, on a vraiment hâte d'avoir la décision finale.

Florence Reuter:

Monsieur le ministre, je ne vais pas rappeler les arguments, puisque c'est l'INAMI qui évalue en ce moment même les critères. Je vous remercie d'avoir confirmé qu'il y aura bien un CPVS en Brabant-wallon, en espérant évidemment qu'on tienne compte des candidatures, où là tout est déjà prêt, comme je l'expliquais dans ma question, pour accueillir ce centre et donc pouvoir prendre en charge au plus vite les victimes de violences sexuelles.

De zelfmoord van een tiener in transitie

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 9 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Kathleen Depoorter bekritiseert dat een jongere in transitie na één gesprek testosteron kreeg zonder grondige screening of ouderbetrokkenheid, en vraagt om strengere protocollen en controles voor medische transities bij minderjarigen. Minister Vandenbroucke benadrukt dat er geen Belgische richtlijn is, maar wel internationale normen (o.a. WPATH) en RIZIV-contracten met zes gespecialiseerde centra die psychosociale begeleiding verplichten; hij wacht op een KCE-evaluatie en gerechtelijk onderzoek voor verdere stappen. Depoorter wijst op risico’s buiten deze centra, waar volgens haar psychologische screening ontbreekt (zoals in eerdere gevallen met puberteitsremmers), en linkt lange wachtlijsten aan zelfmedicatie. Vandenbroucke bevestigt dat ouderbetrokkenheid beperkt is door beroepsgeheim (vanaf 16 jaar) en dat opvolging cruciaal is, maar vermijdt concrete maatregelen tot de onderzoeken afgerond zijn.

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, enige tijd geleden raakte bekend dat ouders van een tiener in transitie die afgelopen zomer uit het leven stapte klacht hebben ingediend bij het AZ Groeninge in Kortrijk. Volgens berichten in de media kreeg de jongere na één enkel gesprek met een arts en psycholoog testosteron voorgeschreven. Dat gebeurde zonder grondige voorafgaande psychologische screening of langdurige begeleiding. Dat is een pijnpunt waar we in het verleden al vaker over hebben gedebatteerd. De ouders geven aan dat hun bezorgdheden niet tijdig werden opgevolgd en dat zij geen inzage kregen in het medisch dossier van hun kind.

De tragische gebeurtenis roept ernstige vragen op over de zorgvuldigheid van de procedures bij gendertransities, zeker wanneer het gaat om minderjarigen of jongvolwassenen met onderliggende psychologische problemen.

Mijnheer de minister, welke richtlijnen of protocollen bestaan er in ons land voor ziekenhuizen en artsen die betrokken zijn bij medische transities bij jongeren of jongvolwassenen? Wordt ook toegezien op de naleving van die richtlijnen? Wat zijn de controlemechanismen bij ziekenhuizen die dergelijke behandelingen aanbieden?

Overweegt u, naar aanleiding van dit tragische geval, om bijkomende maatregelen te nemen om te garanderen dat elke medische transitie voorafgegaan wordt door een grondige psychologische evaluatie en begeleiding? Zult u erop toezien dat ouders in dergelijke dossiers tijdig en correct geïnformeerd worden, binnen de grenzen van het beroepsgeheim en de rechten van de patiënt?

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw Depoorter, ik denk dat we ons niet kunnen voorstellen hoe ingrijpend het is om op die manier een kind te verliezen en ik wil daarom beginnen met mijn medeleven te betuigen aan het gezin, de vrienden en de familie naar aanleiding van uw vraag. Dat zijn bijzonder tragische gebeurtenissen die diepe sporen nalaten. Ik denk dat we het maatschappelijk debat daarover moeten blijven voeren op een manier die open, verantwoordelijk en respectvol is. Uw vragen zijn in dat verband zeer relevant, maar vergen ook een zorgvuldige toelichting.

Wat uw eerste vraag betreft, kan ik u meegeven dat de verantwoordelijkheid over de toegang tot medicamenteuze behandelingen en chirurgische ingrepen in het kader van een transgendertraject bij de behandelende arts ligt. Er bestaat geen overkoepelende Belgische richtlijn, maar er zijn internationale richtlijnen die een centrale plaats innemen, zoals de Standards of Care for the Health of Transgender and Gender Diverse People . Ook het advies van de Orde der artsen over de zorg voor adolescenten is in deze context relevant, aangezien daarin wordt gewezen op verschillende deontologische aspecten waarmee rekening moet worden gehouden bij de zorg voor minderjarige patiënten met genderdysforie.

Daarnaast heeft het RIZIV sinds 1 januari van dit jaar met zes centra een nieuwe overeenkomst voor transgenderzorg gesloten, waardoor het aantal centra voor transgenderzorg is uitgebreid van twee naar zes. Die overeenkomst voorziet een tegemoetkoming in de psychosociale begeleiding in de vorm van individuele zittingen, groepszittingen, familiale zittingen en een pre- en postoperatief gesprek, verleend door een psycholoog, casemanager of maatschappelijk werker die aan het centrum verbonden is.

De begeleiding voorzien in die overeenkomst heeft mede als doel de patiënten te informeren over en te begeleiden in alle aspecten van de genderincongruentie en eventuele behandelingen te coördineren en op te volgen. Daarbij worden de aard van de behandelingen en de verwachte en ongewenste effecten besproken en worden de patiënten geïnformeerd en geadviseerd over hoe ze kunnen omgaan met genderaffirmerende behandeling en de gevolgen ervan. Die centra dienen te allen tijde te handelen in overeenstemming met de regels voor een goede praktijkvoering, die internationaal gevalideerd zijn.

Uw tweede vraag gaat over de manier waarop wordt toegezien op de naleving van die richtlijnen en de controlemechanismen bij ziekenhuizen die dergelijke behandelingen in het kader van transgenderzorg aanbieden. De centra die de overeenkomst hebben gesloten, zijn onderworpen aan verschillende voorwaarden, onder andere met betrekking tot de samenstelling van het zorgteam en de inhoud van de voorziene psychosociale zorg. Ze dienen daarnaast jaarlijks een evaluatierapport in te dienen, dat ook gegevens bevat die ruimer gaan dan de door het centrum verleende psychosociale begeleiding.

We kunnen stellen dat de overeenkomsten met de zes transgendercentra al een belangrijke garantie vormen dat de zorg optimaal wordt geboden. Men mag verwachten dat artsen van andere centra hun patiënten doorverwijzen wanneer dat nodig is.

We stelden ook vast dat er lange wachttijden bestaan binnen de transgenderzorg en dat er signalen zijn dat sommige patiënten hun toevlucht nemen tot zelfmedicatie, waarbij er natuurlijk sprake is van een volledig gebrek aan opvolging. Gezondheidsexperts zijn het erover eens dat opvolging cruciaal is en dat een goede diagnostiek en een aangepaste psychosociale begeleiding daarbij essentieel zijn.

Dat brengt ons bij het belangrijkste punt, namelijk wat in het regeerakkoord staat. Er is een brede evaluatie nodig van de transgenderzorg, inclusief een analyse van de noden. We moeten daarom de noodzakelijke stappen daartoe zetten. Dat is ook al geprogrammeerd bij het KCE. Dat is eigenlijk de essentie van wat we hebben afgesproken; dat is echt wat moet gebeuren. Ik wil daar zelf niet op vooruitlopen. Ik lees het debat en de reacties op het debat in de media, maar ik zal vanuit mijn functie om die reden op dit moment geen verdere commentaar geven.

Wat uw derde vraag betreft, namelijk of ik overweeg om naar aanleiding van dat voorval bijkomende maatregelen te nemen om te garanderen dat elke medische transitie voorafgaat aan een grondige psychologische evaluatie en begeleiding, moet ik u zeggen dat het gerechtelijk onderzoek naar de precieze omstandigheden van dat tragisch overlijden nog lopende is. Ik wil daar niet op vooruitlopen. We zullen de resultaten van dat gerechtelijk onderzoek natuurlijk aandachtig moeten analyseren. Als daaruit blijkt dat bijkomende maatregelen nodig zijn, moeten we dat bekijken.

Met betrekking tot uw laatste vraag, of ik erop zal toezien dat ouders tijdig en correct worden geïnformeerd binnen de grenzen van het beroepsgeheim en de rechten van de patiënt, geldt voor personen vanaf 16 jaar dat een expliciete toestemming van de jongere vereist is om ouders inzage te geven in het medisch dossier van het kind. Zonder toestemming van de jongvolwassenen geldt het volledige beroepsgeheim. Daarmee moeten we ook rekening houden.

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Het is uiteraard zeer moeilijk en tragisch, zoals u zegt. Maar, en dat is een discussie die we wel vaker voeren binnen dit thema, psychologische begeleiding en zorg in de transgenderzorg is essentieel. U refereert aan de transgendercentra, maar uiteraard gaat het hier om zorg buiten een multidisciplinair centrum dat een akkoord heeft gesloten rond transgenderzorg. Dan kan men inderdaad in die gevarenzone terechtkomen waarbij de psychologische begeleiding in deze casus wellicht, of zo wordt althans gezegd, niet is toegepast. Ik heb een paar jaar geleden een ander geval met u besproken. Dat ging toen over de toediening van puberteitsremmers, ook buiten een dergelijk centrum, waarbij geen psychologische begeleiding werd gegeven. Vandaar dat we die KCE-studie samen afgesproken hebben binnen het regeerakkoord. Het is essentieel dat we daarmee bekijken of die zorgen optimaal zijn. Wordt het psychologisch aspect, dat in de internationale wetenschappelijke vakpers wordt benadrukt, voldoende toegepast? Gaat men, vooraleer medicatie toe te dienen, psychologische zorg en screening toepassen om dan het traject te beginnen en dat nog verder op te volgen? Het is heel belangrijk dat we onze patiënten goed omkaderen en met die centra aan het werk gaan, zodat de patiënten de juiste therapie krijgen. U haalt zelfmedicatie aan. Ik denk niet dat dit nu de casus is, maar ik ben er wel van overtuigd dat lange wachtlijsten een doorslaggevende rol kunnen spelen in de keuze van patiënten voor bepaalde centra.

De geweigerde zorg voor en het geweld tegen een vrouw in een noodsituatie in het UZ Jette
Het weigeren van hulp aan een patiënte die een miskraam had in het UZ Brussel
Het weigeren van hulp aan een patiënte die een miskraam had in het UZ Brussel
Geweld en geweigerde zorg bij vrouwen in nood in Brusselse ziekenhuizen

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 9 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Caroline Désir en Natalie Eggermont bekritiseren het UZ Jette en de politie voor vermeend medisch en politioneel racisme tegen een Belgo-Marokkaanse vrouw die tijdens een miskraam werd weggestuurd zonder zorg, mogelijk door het "syndroom mediterraneen" (discriminerende vooroordelen), en vervolgens vernederd door de politie. Désir vraagt om systemische oplossingen (strengere controles, sancties bij weigering van zorg, verplichte anti-discriminatietraining), terwijl Eggermont benadrukt dat dit een structureel probleem is, met tientallen meldingen bij Unia, en eist federale actie ondanks de bevoegdheidsverdeling. Minister Vandenbroucke wijst op bestaande klachtprocedures (mediation, inspecties, Unia, Orde der Artsen) maar ontwijkt concrete maatregelen, verwijzend naar de beperkte federale bevoegdheid (opleidingen vallen onder gemeenschappen). Désir noemt zijn antwoord "onvoldoende principieel", Eggermont teleurstellend en ontwijkend, omdat hij geen structurele aanpak belooft voor wat zij zien als een schending van fundamentele zorgrechten en institutioneel racisme.

Caroline Désir:

Monsieur le ministre, dans la nuit du 13 au 14 octobre dernier, une femme belgo-marocaine aurait été victime d'un enchaînement particulièrement grave de violences médicales et policières après s'être rendue aux urgences de l'hôpital UZ Jette alors qu'elle faisait une fausse couche.

Selon le témoignage recueilli par son avocate, la patiente aurait été refoulée par le médecin de garde sans examen adéquat au motif qu'elle ne parlait pas le néerlandais. Malgré son hémorragie, elle aurait ensuite été expulsée de l'hôpital par la police, humiliée et insultée au commissariat selon ses dires, avant d'être finalement prise en charge plusieurs heures plus tard dans un autre établissement. Le rapport médical confirme qu'elle a fait une fausse couche et une plainte a été déposée contre le médecin et les policiers concernés.

Ces faits, s'ils sont avérés, soulèvent évidemment des questions extrêmement préoccupantes quant au respect du droit fondamental à la santé, à la non-discrimination dans l'accès aux soins ainsi qu'à la formation du personnel médical en matière d'éthique et de prise en charge. Ce n'est par ailleurs vraisemblablement pas la première fois que l'UZ Jette est mis en cause pour des refus de soins envers des patientes vulnérables, ce qui laisse craindre l'existence de problèmes systémiques au sein de l'établissement et plus largement dans certains services hospitaliers.

Monsieur le ministre, avez-vous pu faire toute la lumière sur les faits survenus à l'UZ Jette? Des éléments d'informations complémentaires vous sont-ils parvenus? Quel dispositif de contrôle et de sanctions existe-t-il actuellement pour prévenir et pour sanctionner les refus de soins dans les hôpitaux de notre pays? Envisagez-vous de renforcer la formation du personnel médical sur les biais discriminatoires, notamment le syndrome méditerranéen évoqué par l'avocate de la victime? Enfin, comment comptez-vous garantir le respect du droit fondamental à la santé et aux soins sans distinction de langue, d'origine ou de statut administratif sur l'ensemble du territoire?

Natalie Eggermont:

Mijnheer de minister, een vrouw in de nacht van 13 op 14 oktober die een miskraam kreeg, werd niet verzorgd op de spoeddienst van het UZ Jette, omdat haar vraag om zorg werd toegeschreven aan wat de medische wereld het syndrome méditerranéen noemt. Haar advocaat spreekt van medisch racisme. Zo zijn er overigens al een dertigtal meldingen bij Unia gedaan, maar dat is het topje van de ijsberg. Er is dus wel degelijk een probleem. Het ergste is wel dat de betrokken dame ook nog administratief door de politie werd aangehouden en ook met politioneel racisme werd geconfronteerd.

Het UZ Jette heeft de feiten onderzocht. Welke informatie hebt u daarover ontvangen? Hoe wordt het onderzoek nu opgevolgd?

Hoe kunt u garanderen dat alle patiënten in een medische noodsituatie toegang krijgen tot een kwaliteitsvolle en een respectvolle behandeling in een ziekenhuis?

Welke stappen onderneemt u vandaag om racisme en discriminatie in de zorg tegen te gaan? Welke bijkomende maatregelen kunnen genomen worden in de medische opleidingen en in de permanente vorming om culturele affiniteiten mee te geven aan het zorgpersoneel?

Frank Vandenbroucke:

Chères collègues, la situation que vous exposez est en effet préoccupante et mérite un examen approfondi par les autorités compétentes pour intervenir sur la base de plaintes de patients dans le secteur des soins de santé. Mais, comme vous le savez, en tant que ministre, je ne peux pas me prononcer sur un cas particulier. Celui-ci aurait par ailleurs déjà été porté aux mains d'une avocate et de la police d'après les informations que vous donnez vous-même.

Je rappelle que tout patient a plusieurs possibilités en matière de plainte en soins de santé.

Premièrement, concernant un refus de soins en situation d'urgence et les conséquences qui en auraient découlé, outre le recours à la police ou à un tribunal civil, le patient peut d'abord s'adresser au service de médiation de l'hôpital concerné.

Deuxièmement, concernant le fonctionnement et les aspects organisationnels d'un service d'urgence hospitalier, une demande d'enquête auprès des services d'inspection des institutions de soins dépendant des communautés est aussi envisageable.

Troisièmement, l'aspect plus particulier relatif à la problématique de la discrimination dans les soins peut être porté auprès de l'Ordre des médecins ou auprès d'Unia.

Quant à moi, je suis particulièrement sensibilisé à l'importance de garantir un accès à des soins de qualité pour chaque patiente et patient, certainement en situation d'urgence. Les formations des soignants au respect des droits du patient et aux principes de non-discrimination relèvent, pour la majeure partie des compétences, des communautés. Pour le reste, je ne peux qu'encourager les soignants à suivre de manière très attentive des sessions à caractère éthique dans le cadre de leur formation continue.

Caroline Désir:

Monsieur le ministre, je vous remercie d'avoir pu nous rappeler les différentes possibilités de dépôt de plainte en matière de soins de santé; cela clarifie le débat. Je comprends bien que vous ne puissiez pas vous exprimer plus avant sur un cas individuel. C'est pourquoi mes questions portaient sur un angle de vue plus général. Il nous semble effectivement intolérable qu'une patiente puisse être traitée ainsi, spécialement si elle souffre de symptômes urgents. On attendait dès lors, monsieur le ministre, peut-être des réponses un peu plus de principe de votre part pour éviter que de tels faits ne se reproduisent. J'ai bien noté ce que vous nous avez déjà indiqué comme possibilités en matière de plainte.

Natalie Eggermont:

Ik begrijp dat u zich niet kunt uitspreken over een individueel geval. Het is goed om te weten wat men kan doen wanneer men te maken krijgt met weigering van zorg, discriminatie of racisme. De vraag is echter niet wat een individu kan doen, maar wat u zult doen, mijnheer de minister. Het gaat hier niet om een individueel probleem, maar om een structureel probleem. Er zijn ook andere meldingen, er is een probleem van racisme en discriminatie in de gezondheidszorg. Dat is een afspiegeling van het structureel racisme in de samenleving. In de opleiding van het zorgpersoneel wordt daaraan onvoldoende aandacht besteed. U zegt dat die opleiding geen federale bevoegdheid is, maar een bevoegdheid van de deelstaten. Dat is een gemakkelijk antwoord. Het gaat hier immers wel over een patiënte aan wie zorg werd geweigerd, wat een inbreuk vormt op een fundamenteel mensenrecht, en het gebeurde in een ziekenhuis en ziekenhuizen vallen wel onder uw bevoegdheid. In die zin was uw antwoord teleurstellend.

Een nieuw recordaantal gedetineerden in de overbevolkte gevangenissen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 9 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sarah Schlitz (oppositie) bekritiseert de record surpopulation in gevangenissen (600 gedetineerden slapen op de grond) en wijt dit aan structureel falend beleid: volgens haar verergeren extra gevangenisplaatsen (2.000 gepland) het probleem via een "aanzuigeffect", terwijl alternatieven (preventie, reïntegratie) effectiever en goedkoper zijn, zoals het Observatoire International des Prisons stelt. Ze vraagt om concrete actie van de cel overbevolking (opgericht in juli) en bekritiseert het ontbreken van preventieve maatregelen. Minister Annelies Verlinden erkent het decenniaoude probleem en verwijst naar taskforces (sinds juli) en een langetermijnplan (rapport verwacht in 2026), met focus op alternatieven (samenwerking met gewesten), versnelde uitlevering van illegale gedetineerden en extra capaciteit. Ze benadrukt dat Vlaamse gevangenissen zwaarder belast zijn dan Franstalige, maar ontkent niet dat de crisis escaleert. Schlitz repliceert dat urgentie ontbreekt: records worden wekelijks gebroken, terwijl Verlinden volgens haar te traag en te reactief handelt (bouwplannen in plaats van systeemverandering). Ze pleit voor een speciale commissaris voor overbevolking, gesteund door de sector.

Voorzitter:

Les questions n° 56009924C de M. Dieter Keuten, n° 56010559C de M. Patrick Prévot, les questions jointes n° 56010840C et n° 56010841C de Mme Marijke Dillen, n° 56010871C de M. Koen Metsu, les questions jointes n° 56010915C de Mme Barbara Pas et n° 56010918C de M. Alain Yzermans sont transformées en questions écrites.

Les questions n° 56010942C de Mme Marijke Dillen, les questions jointes n° 56010996C de Mme Sophie De Wit, n° 56010997C de M. Julien Ribaudo et n° 56011087C de Mme Marijke Dillen sont reportées. Les questions n° 56011103C de Mme Victoria Vandeberg et les questions jointes n° 56011114C de Mme Victoria Vandeberg, n° 56011243C de M. Stefaan Van Hecke et n° 56011271C de M. Alexander Van Hoecke sont également reportées. Voilà donc pour ce soir!

Sarah Schlitz:

Madame la ministre, il y a un peu plus de deux mois, le 2 octobre, lors de l'action de protestation menée dans les prisons, 353 personnes dormaient à même le sol. Juste avant les vacances d'automne, quand je vous ai interrogée à ce sujet, elles étaient 486. Quand j'ai introduit cette question, il y a deux semaines, la barre des 500 venait juste d'être dépassée. Aujourd'hui, ce sont 600 détenus qui dorment à même le sol.

Cette surpopulation énorme met à mal les conditions de travail du personnel, la dignité des détenus et la capacité de l'État à garantir la sécurité dans de bonnes conditions. La porte-parole de l'administration explique que la surpopulation a un effet amplificateur sur l'agressivité. Nous l'avons vu il y a quelques semaines dans plusieurs prisons en Flandre: un gardien a notamment été aspergé d'urine, trois autres ont été agressés et un détenu a été impliqué dans un autre incident.

Certains partis de l'opposition, dont mon groupe, sont allés visiter la prison de Saint-Gilles lors de la semaine des prisons, ce qui a permis d'ouvrir un peu plus les yeux sur cette situation intenable. C'est d'ailleurs dommage qu'aucun membre de la majorité n'ait voulu faire face à cette réalité.

Face à cela, vous indiquez dans la presse vouloir créer 2 000 places supplémentaires dans nos prisons grâce au budget débloqué le mois dernier, alors que nous savons que cette méthode mène uniquement à un appel d'air et à renforcer la surpopulation carcérale. En parallèle, les projets de loi se succèdent pour criminaliser davantage le comportement, menant inévitablement à plus de personnes incarcérées.

L'Observatoire international des prisons (OIP), quant à lui, suggère, au contraire, d'utiliser les 600 millions d'euros supplémentaires pour miser sur des alternatives à la peine, qui sont bien moins chères et avec un potentiel d'efficacité bien supérieur à la prison. Il prône aussi des politiques de désincarcération, de réintégration, mais aussi, bien sûr, de prévention.

Madame la ministre, où en est la cellule de suivi de la surpopulation carcérale créée par arrêté ministériel le 24 juillet? Quand pouvons-nous nous attendre à des recommandations? Avez-vous eu des retours quant à votre idée de créer 2 000 places supplémentaires? Avec ce nouveau budget, pourquoi insistez-vous sur la création de places supplémentaires en prison, ce qui prendra du temps, énormément d'argent et qui aggravera la situation dans nos établissements, au lieu de mener des politiques durables de prévention et de réinsertion? Je vous remercie.

Annelies Verlinden:

Oui, chère collègue Schlitz, la surpopulation est en effet un problème qui existe depuis des décennies et dont la solution n'est pas évidente. Pour lutter contre ce phénomène de manière structurelle, des task forces ont été créées afin d'élaborer un plan d'action global qui a été approuvé par le Conseil des ministres le 18 juillet de cette année-ci.

Les consultations continuent dans les différentes task forces , notamment avec les entités fédérées concernant les alternatives à la peine de prison, avec la santé publique pour les problématiques des internés, avec l'Office des étrangers et mes propres services pour l'organisation des transfèrements interétatiques afin d'accélérer le retour des détenus sans droit de séjour ou encore avec la Régie des Bâtiments pour la construction des places supplémentaires.

Je veux aussi renvoyer à mes réponses aux questions antérieures et aux questions auxquelles j'ai répondues pendant la commission du 19 novembre.

Avec près de 300 détenus dormant à même le sol en Flandre, la surpopulation carcérale est plus importante dans les prisons flamandes que dans celles de la partie francophone du pays.

Les prisons francophones ne sont donc pas plus touchées que celles de Flandre ou de Bruxelles. Créée dans le but d'élaborer un plan avec des acteurs fédéraux de la Justice concernant une solution durable à la surpopulation structurelle, la commission a été mise en place par arrêté ministériel le 20 août. Elle est chargée de développer des solutions structurelles à long terme pour résorber et prévenir la surpopulation.

Un premier rapport intermédiaire sur les travaux est prévu pour février-mars 2026. Deux assemblées générales ont déjà eu lieu et les contrats nécessaires ont été établis avec les différents acteurs susceptibles d'assister à la commission. Je vous remercie.

Sarah Schlitz:

Merci pour votre réponse, madame la ministre. Je vous entends dire que c'est un problème qui dure depuis des décennies, mais ici, on atteint quand même des records. Chaque semaine, un nouveau record est franchi. Là, on a franchi la barre des 600 détenus qui dorment à même le sol.

On ne peut donc pas simplement dire que c'est un problème présent pour lequel on pourrait sans doute mettre des choses en place, mais qu'on ne pourrait pas résoudre.

Par ailleurs, j'entends beaucoup de mesures qui visent à vider les prisons, mais pas à empêcher qu'elles ne se remplissent. Et donc, vous voulez continuer à construire des prisons plutôt que de vous interroger sur les raisons pour lesquelles il y a tant de nouveaux détenus et sur la manière dont on pourrait financer, développer davantage d'alternatives et faire en sorte que les personnes qui ne sont pas dangereuses se retrouvent dans un régime de punition qui soit différent du carcéral. Je pense que c'est vraiment l'urgence du moment.

On ne peut pas continuer de cette manière-là. Par ailleurs, avec mon collègue Van Hecke, nous avons également déposé un texte qui vise à créer un poste de commissaire spécial pour la gestion de la surpopulation carcérale. Par conséquent, je pense que ce serait une bonne piste à explorer également et qui est soutenue par le secteur.

Voorzitter:

M. Thiébaut et Mme Meunier sont absents pour leurs questions n os 56010366C et 56010510C.

De betoging op 14 november van de actoren uit de gerechtelijke wereld

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 9 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sarah Schlitz (Ecolo) wijst op chronisch onderfinancierde rechtspraak in België, met vervallen infrastructuur, personeelstekort, burn-outs en dalend burgervertrouwen, en vraagt hoe minister Verlinden het beloofde 1 miljard euro (te besteden tegen 2024) concreet zal inzetten. Verlinden (CD&V) erkent de legitieme klachten, verwijst naar lopende taskforces en 21 miljoen euro voor extra personeel en veiligheid, en belooft verdere samenwerking met de sector, maar geeft nog geen gedetailleerd bestedingsplan. Schlitz prijst Verlindens inzet voor extra middelen, maar waarschuwt dat het budget samen met het veld moet worden besteed, met focus op toegang tot rechtspraak en versterking van de rechtsstaat—niet enkel aan gevangenissen—om structurele verzwakking van de rechtsorde tegen te gaan.

Sarah Schlitz:

Madame la ministre, à l'heure où j'ai introduit ma question, le budget du gouvernement n'avait pas encore été adopté. Elle est évidemment à replacer dans le contexte de l'atterrissage des négociations budgétaires, en tout cas pour les grandes masses.

Le 14 novembre dernier, plus de 500 magistrats, greffiers, avocats, interprètes et membres du personnel judiciaire se sont rassemblés devant le Palais de justice de Bruxelles, place Poelaert, pour dénoncer une nouvelle fois le sous-financement de la justice, mais aussi la surcharge de travail, le manque de personnel et l'état préoccupant de nombreuses infrastructures.

Cela fait des années maintenant que le monde de la justice tire la sonnette d'alarme. Ils lancent des appels au dialogue à échéance régulière et ont toujours le sentiment de ne pas être entendus.

Pourtant, les constats sont bien là: des bâtiments délabrés, des salles d'audience parfois insalubres, des restrictions budgétaires sur du matériel de base, y compris informatique, un manque d'experts judiciaires, mais aussi de policiers et d’inspecteurs sociaux pour traiter les dossiers, une augmentation des burn-out, une justice qui est parmi les moins bien financées d'Europe et une confiance des citoyens qui s'effrite de plus en plus.

Madame la ministre, vous avez annoncé, au moment de l'atterrissage du budget de l'Arizona, un budget d'un milliard d'ici à la fin de la législature. Comment ces crédits vont-ils être alloués? À quels besoins spécifiques vont-ils répondre? Un dialogue sera-t-il ouvert avec le monde de la justice afin de décider des priorités? Je vous remercie.

Annelies Verlinden:

Madame Schlitz, j'ai pris connaissance du signal lancé par les magistrats qui indiquent qu'ils attendent des mesures concrètes et substantielles pour améliorer le fonctionnement de la justice et je comprends pleinement la préoccupation qui est à la base de leur appel.

Les magistrats et le personnel judiciaire portent notre État de droit jour après jour et ils le font souvent sous une forte pression, dans des conditions qui ne sont pas toujours optimales. Leur appel est donc légitime et mérite attention et respect.

Un dialogue constructif a déjà été entamé ces derniers mois. Dans le cadre des task forces sur les conditions de travail et les conditions d'emploi, nous avons mené un dialogue constructif, ouvert et substantiel avec les représentants de la magistrature et du personnel judiciaire. Dans le cadre du plan d'impulsion, des moyens ont ainsi déjà été prévus sur l'IdP sécurité et des initiatives ont été élaborées pour renforcer l'ordre judiciaire, accroître l'attractivité de la profession et passer des étapes supplémentaires en vue d'un équipement plus sûr, plus moderne et plus efficace de nos bâtiments judiciaires qui souffrent gravement d'un sous-financement structurel depuis de nombreuses années. Ainsi, 21 millions d'euros ont déjà été dégagés pour le renforcement du personnel via la provision interdépartementale: 12 millions pour les cours et tribunaux, 8 millions pour le ministère public et 1 million pour la Cour de cassation. Par ailleurs, de nouveaux systèmes de scannage supplémentaires sont déployés et des mesures de sécurité sont mises en œuvre dans les bâtiments judiciaires.

Ces initiatives constituent une première étape. Je suis consciente qu'il faut aller plus loin. C'est pourquoi, lors du récent accord budgétaire, ce gouvernement a dégagé des moyens supplémentaires pour la justice. Nous allons maintenant décider comment utiliser au mieux ces ressources.

Sarah Schlitz:

Madame la ministre, je vous remercie pour vos réponses. Évidemment, vous avez hérité d'une situation catastrophique. Vous n'êtes pas responsable de l'état actuel des bâtiments dans lesquels la justice est censée travailler. Aujourd'hui, c'est en effet une bonne nouvelle. On a vu votre volontarisme pour aller chercher ces moyens. Je pense que, aujourd'hui, la façon dont cet argent va être dépensé doit vraiment se faire en collaboration avec le secteur. Il faut agir à la fois pour renforcer les conditions de travail de la magistrature et pour renforcer et structurer l'État de droit et l'accès le plus facile à la justice pour tous les citoyens. Ce doit être la boussole pour dépenser cet argent et ne pas tomber dans le piège de tout dépenser dans le carcéral, ce qui engloutirait des moyens sans permettre de résoudre tous les problèmes auxquels nous faisons face en termes d'affaiblissement de l'État de droit.

De verwarmingsproblemen in het cellencomplex van het Brusselse Justitiepaleis
De brandveiligheid in het Brusselse Justitiepaleis
De problematische werkomstandigheden van de agenten van de DAB
De acute veiligheidscrisis in het Justitiepaleis van Brussel
Structurele en veiligheidsproblemen in het Brusselse Justitiepaleis

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 9 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Alain Yzermans en Kristien Van Vaerenbergh bekritiseren de ernstige verwaarlozing van het Brusselse Justitiepaleis: koude cellen door defecte verwarming, acute brandveiligheidsrisico’s (gebrek aan compartimentering, defecte nooduitgangen, verouderde blusmiddelen) en structurele problemen (waterlekken, instortingsgevaar, muizenplagen), waarbij preventiemaatregelen al 10 jaar uitblijven. Minister Annelies Verlinden bevestigt de ernst van de situatie en wijst op lopende studies (brandveiligheid, archiefbeheer) en gefaseerde renovatieplannen (start 2023-2024, voltooiing pas na 2040), maar erkent dat dringende interventies (o.a. branddetectie, verwarming) vertraging oplopen door procedures, budgettaire beperkingen en gebrek aan aannemers. Beide parlementsleden betwijfelen of de tijdelijke maatregelen volstaan en eisen snellere, concrete actie voor veiligheid en waardige werkomstandigheden.

Alain Yzermans:

Ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

In het justitiepaleis van Brussel heerst momenteel een oncomfortabele situatie: het cellencomplex is zeer koud omdat de verwarming niet functioneert. Dit probleem komt bovenop de recente waterlekken die eind augustus en begin september werden vastgesteld. Dit roept opnieuw vragen op over de staat van het patrimonium binnen de justitie. Gedetineerden en beklaagden zitten in koude cellen te wachten op hun zitting, wat de omstandigheden in dit al onder druk staande systeem verder zienderogen verslechtert.

Vragen aan minister Verlinden

Bent u op de hoogte van dit pijnpunt? Gezien de aanhoudende problemen welke concrete maatregelen worden er genomen om de verwarmingsproblemen in het cellencomplex op te lossen en te voorkomen dat deze feiten zich in de toekomst herhalen?

Hoe beoordeelt u de huidige staat van het justitiepaleis en hoever staan de plannen voor het onderhoud en de renovatie van deze gebouwen? Welke middelen werden voorzien?

Kristien Van Vaerenbergh:

Mijnheer de voorzitter, ik verwijs ook naar de schriftelijke voorbereiding van mijn vraag.

Geachte mevrouw de minister,

De afgelopen dagen trokken zowel het arbeidsauditoraat als de Brusselse brandweer opnieuw aan de alarmbel over de situatie in het Justitiepaleis van Brussel. Uit hun inspecties blijkt dat de arbeidsomstandigheden voor de meeste beroepsgroepen op meerdere vlakken niet voldoen aan de welzijnsvoorschriften, en dat er bovendien sprake is van ernstige brandveiligheidsproblemen. Het gaat om onder meer een volledig gebrek aan brandcompartimentering, beperkte branddetectie, gesloten nooduitgangen en ontbrekende of niet-gecontroleerde brandblussers.

Daarboven blijkt dat bepaalde noodzakelijke preventiemaatregelen al tien jaar geleden werden gevraagd, maar nog steeds niet zijn uitgevoerd. Het arbeidsauditoraat en de brandweer spreken over zeer aanzienlijke risico's voor personeel, magistraten, advocaten en bezoekers.

Gezien de opeenstapeling van incidenten, van instortende plafonds tot muizen in het personeelsrestaurant, vraag ik me oprecht af hoe u ook binnen de nieuwe budgetruimte de acute veiligheidscrisis in het Justitiepaleis gaat aanpakken.

Daarom heb ik volgende vragen:

Hoe reageert u op de vernietigende conclusies van zowel het arbeidsauditoraat als de brandweer?

Welke middelen en maatregelen voorziet u, gezien de nieuwe budgettaire perspectieven, om deze acute veiligheidsproblemen onmiddellijk aan te pakken?

Hoe zult u ervoor zorgen dat het bestaande actieplan versneld en uitgebreid wordt uitgevoerd, zoals door het arbeidsauditoraat wordt gevraagd?

Aangezien verschillende preventiemaatregelen al tien jaar aanslepen: welke garanties kunt u geven dat ditmaal wél tijdig wordt ingegrepen?

Acht u het nog realistisch dat de grote renovatie van het interieur pas in 2040 begint, gezien de huidige staat van instorting en de risico's die vandaag worden vastgesteld?

Annelies Verlinden:

Mijnheer Yzermans, mevrouw Van Vaerenbergh, sinds mijn aantreden heb ik mij kunnen vergewissen van de staat van de gerechtsgebouwen in dit land. Het verbeteren daarvan is een van de grootste uitdagingen voor Justitie.

Dat is zonder meer het geval voor het Justitiepaleis in Brussel. Het gebouw neemt een symbolische plaats in voor Justitie en is tevens een belangrijk stuk nationaal erfgoed. Daarom is de renovatie ervan opgenomen in het regeerakkoord. De uitvoering daarvan behoort in belangrijke mate tot de bevoegdheid van minister Vanessa Matz, die instaat voor het beheer van het gebouw en met wie ik bijzonder goed samenwerk.

Het Justitiepaleis moet kunnen beschikken over moderne en veilige infrastructuur die aangepast is aan de noden van een hedendaagse rechterlijke organisatie. Daarom moet een behoefteprogramma worden opgesteld dat daaraan invulling geeft. In nauw overleg met de Regie der Gebouwen, de rechterlijke orde en alle betrokken partners, die elkaar regelmatig ontmoeten in het SteerCo Poelaertplein, wordt stap voor stap gewerkt aan een duurzame en gefaseerde renovatie, waarbij de veiligheid, de toegankelijkheid en de invulling van alle ruimtes centraal staan. Daarbij gaat niet alleen aandacht uit naar de restauratie van het gebouw met behoud van het monumentale karakter, maar ook naar de creatie van een functioneel en coherent geheel waarin magistraten, medewerkers, advocaten en rechtszoekenden op een efficiënte en veilige manier kunnen werken.

Het spreekt voor zich dat een project van dergelijke omvang, waarvoor in de voorbije jaren al verschillende studies zijn uitgevoerd, de looptijd van één legislatuur overschrijdt. Vanzelfsprekend engageer ik mij, samen met de administratie, ertoe om daaraan ten volle bij te dragen. Terwijl de werkzaamheden plaatsvinden, moeten de activiteiten in het paleis in goede orde en veilig kunnen doorgaan. Dat vormt uiteraard een grote uitdaging.

In antwoord op uw concrete vragen kan ik meegeven dat de elektrische installaties frequente interventies vereisen, omdat de behoeften en normen sterk zijn geëvolueerd. Dat geldt eveneens voor de regenwaterafvoer, de sanitaire installaties, de verwarmingsleidingen en de radiatoren.

Dankzij regelmatige interventies van de Regie en het team Buildings & Facilities van de FOD Justitie blijft het Justitiepaleis in geval van defecten toch operationeel, al nemen interventies soms veel tijd in beslag wegens de vereiste procedures voor bestekken en offertes, de noodzaak bepaalde werkzaamheden buiten de exploitatietijd van het cellencomplex uit te voeren, en het gebrek aan interesse van sommige bedrijven door de combinatie van weekendwerkzaamheden en de toepassing van de laagsteprijsregel.

In 2023-2024 heeft de regie een uitgebreide analyse van het gebouw uitgevoerd. In een eerste fase wordt gewerkt aan de brandveiligheid, het beheer van de archieven, de bouw van een nieuw cellencomplex voor de Directie Beveiliging (DAB), de renovatie en normering van het oude cellencomplex en het aanpakken van de niveaus min 4 tot en met min 2 en een deel van min 1.

Wat het huidige cellencomplex betreft, de verbeterings- en herstellingswerken komen deels ten laste van de Regie der Gebouwen en deels de federale politie. De rol van de FOD Justitie is daarbij beperkt tot de opvolging van het dossier op het niveau van zijn partners.

In verband met de brandveiligheid van het Justitiepaleis, alle partners zetten voor dat aandachtspunt belangrijke stappen vooruit in een bijzondere werkgroep brandveiligheid. Ik verwijs naar de studie van de Regie der Gebouwen met een analyse en een actieplan om het gebouw aan de geldende normen aan te passen. De FOD zet prioritair in op twee elementen. Ten eerste heeft de FOD de installateur van de branddetectie opdracht gegeven om de volledige werking van de branddetectie na te gaan. Het onderhoud en nazicht zijn gestart op 22 oktober en een eindrapport wordt eerstdaags verwacht. Ten tweede zet hij in op de vermindering van de brandlast, in het bijzonder de archieven, in samenwerking met alle betrokken jurisdicties en met steun van de experten van het Rijksarchief. Daartoe werd een actieplan uitgewerkt met het oog op de selectie van vernietigbare en overdraagbare archieven, met ondersteuning van het Rijksarchief, de inventarisatie van te verplaatsen archieven die raadpleegbaar moeten blijven, het zoeken naar opslagplaatsen en de integratie van het archiefbeheer in het actieplan Brandveiligheid van de Regie der Gebouwen. Voorts voorziet de FOD in de vernieuwing van de brandblusmiddelen en heeft hij bijkomend onderhoud en een extra audit van de branddetectie-installatie ingepland.

Collega’s, zoals u begrijpt, is de renovatie van het Justitiepaleis een monumentale opdracht, net zoals het bouwen aan een moderne, toegankelijke en rechtvaardige justitie dat ook is.

Alain Yzermans:

Ik ben u dankbaar voor het uitgebreide antwoord over het totaalplan rond veiligheid, in het bijzonder de brandveiligheid, en de toegankelijkheid en voor de toelichting bij de stappen die u al gedaan hebt.

Ik had het in mijn vraag vooral over het discomfort als gevolg van een kapotte verwarming op een aantal plaatsen. Het gaat om een praktische zaak die het welzijn op het werk in het gedrang brengt. Misschien kan het probleem worden verholpen met een aantal tijdelijke maatregelen. Ik geef dat toch maar even mee.

Kristien Van Vaerenbergh:

Ik dank u op mijn beurt, mevrouw de minister, voor uw antwoord. Het is inderdaad een hele uitdaging om de gebouwen van Justitie aan te passen aan de moderne tijd. Het dossier van het Justitiepaleis is gigantisch; het paleis staat ook al jaren in de stellingen – ik heb het nooit anders geweten –, vandaar dat het zo symbolisch is voor Justitie. Er is ook al gigantisch veel geld naartoe gegaan. Ik hoop dat er eindelijk vorderingen met de totaalrenovatie worden gemaakt. Het is natuurlijk niet zo eenvoudig, want ook de Regie der Gebouwen is mede bevoegd. Sommige problemen vergen echter dringende, tussentijdse oplossingen. Ik hoop minstens dat het gebouw brandveilig is voor de magistraten, het gerechtspersoneel en alle bezoekers van het gebouw. Muizen in het restaurant, naar beneden vallende stukken plafond, dat is toch Justitie onwaardig. Ik hoop echt dat daarmee op korte termijn aan de slag wordt gegaan.

De beperking van het aanbod tot halalmaaltijden in de gevangenis van Hasselt

Gesteld door

lijst: VB Sam Van Rooy

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 9 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sam Van Rooy bekritiseert dat de gevangenis van Hasselt door overbevolking enkel nog halalmaaltijden aanbiedt, wat hij ziet als gedwongen islamisering en een bevordering van sharia-regels, en stelt dat dit re-integratie belemmert en omgekeerde integratie stimuleert; hij beschuldigt de regering ervan criminaliteit te importeren en radicalisering te facilteren. Minister Verlinden benadrukt dat het geen structurele halalverplichting is, maar een tijdelijke logistieke maatregel door overbevolking, waarbij het menu zonder varkensvlees zelden daadwerkelijk halal is en het beleid lokaal en financieel gemotiveerd wordt. Van Rooy herhaalt zijn beschuldiging dat de overheid actief meewerkt aan islamisering en pleit voor uitzetting van moslimgedetineerden.

Sam Van Rooy:

Minister, pas nog ondervroeg ik u over de islamisering van onze gevangenissen. Enkele dagen later werd bekend dat als gevolg van de overbevolking in de gevangenis van Hasselt alleen nog halalmaaltijden aangeboden zullen worden. Voordien was er ook de mogelijkheid een vleesmaaltijd of vegetarische maaltijd te nuttigen.

Wat vindt u ervan dat als gevolg van de overbevolking nu ook elke niet-moslim verplicht wordt in de gevangenis van Hasselt halal te eten?

Wat vindt u ervan dat onze gevangenissen – dit is er het zoveelste symptoom van – steeds meer islamiseren en dus verworden tot plekken waar alleen nog de islamitische regels en wetten heersen? Bevordert dat volgens u de re-integratie in onze maatschappij wanneer islamitische gedetineerden weer vrijkomen?

Tot slot, minister, ik hoop dat u iets onderneemt, zodat er opnieuw kan gekozen worden voor een harammaaltijd met varkensvlees in onze gevangenissen.

Annelies Verlinden:

Collega, in alle gevangenissen is er sedert jaren een aanbod van een menu zonder varkensvlees en het vlees dat werd aangekocht, is niet steeds halal. Het is niet uitgesloten dat bepaalde halalproducten voor alle gedetineerden worden aangekocht wanneer ze kwalitatief en financieel interessant zijn. Dat is evenwel een lokaal beleid.

Op dit moment worden er twee menu’s aangeboden in de inrichting van Hasselt, een menu zonder varkensvlees en een vegetarisch menu. Om logistieke redenen als gevolg van de overbevolking is het op dit moment niet mogelijk drie verschillende menu’s aan te bieden. Het menu zonder varkensvlees bevat slechts sporadisch producten die effectief als halal kunnen worden gekwalificeerd.

Sam Van Rooy:

Minister, dat onze gevangenissen uitpuilen van de moslims, is één ding. Dat ze hier niet thuishoren en zouden moeten worden uitgezet naar de islamitische wereld, is een tweede. De regering importeert voortdurend criminaliteit en terrorisme en dus zorgt ze er zelf voor dat onze gevangenissen overvol geraken. Gevangenissen worden daardoor broeihaarden van radicalisering, van islamisering. Door nu alleen nog halal aan te bieden en dus haramvoedsel te bannen, doet de overheid in feite aan omgekeerde integratie. Halal is een onderdeel – besef dat goed – van de verschrikkelijke, tirannieke sharia, de inhumane islamitische wet, en de regering werkt dus in feite actief mee aan de islamisering van onze samenleving.

Het onderzoek naar Syrische oorlogsmisdadigers in België

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 9 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Alexander Van Hoecke vraagt minister Annelies Verlinden om verduidelijking over de 19 lopende strafonderzoeken naar Syrische oorlogsmisdadigers (16 tegen het Assad-regime, 3 tegen IS-strijders), waarbij hij kritiseert dat het federaal parket onvoldoende middelen krijgt voor grondige onderzoeken en eist dat Verlinden concrete budgettaire garanties geeft. Verlinden bevestigt de cijfers en verwijst naar een algemene budgetversterking voor Justitie, maar Van Hoecke betwist de prioriteitstelling (o.a. focus op gevangeniscapaciteit) en bekritiseert haar ontwijkende antwoord over specifieke steun aan het parket. De 8 geseponeerde dossiers bleken onbevoegd (2x), onvoldoende bewijs (4x) of geëindigd via seponering (2x). De discussie eindigt zonder concrete toezeggingen voor extra middelen.

Alexander Van Hoecke:

We hebben het onderwerp vorige week in beperkte mate reeds in de plenaire vergadering besproken. Uit een onderzoek van onder meer De Tijd , Knack en Le Soir blijkt dat het federaal parket 19 strafonderzoeken naar mogelijke oorlogsmisdadigers uit Syrië voert. In 4 dossiers werd reeds een onderzoeksrechter aangesteld. Die dossiers zijn het verst gevorderd. Het gaat in bepaalde dossiers ook om personen die zich aansloten bij de terreurorganisatie Islamitische Staat (IS). Daarnaast werden 8 dossiers zonder gevolg geklasseerd.

Sommige experts wijzen erop dat een tekort aan middelen en personeel ertoe leidt dat België met een oververtegenwoordiging van Syrische oorlogsmisdadigers kampt. Het federaal parket geeft aan versterking te hebben ontvangen, maar dat neemt niet weg dat het tekort blijft en dat de onderzoeken daardoor onvoldoende grondig kunnen worden gevoerd.

In de plenaire vergadering meldde u dat onderzoeken werden opgestart op basis van informatie van sociale media, buitenlandse partners en het CGVS. Ik heb daarover nog enkele vragen die vorige week niet zijn beantwoord.

Ten eerste, zijn er sinds de bekendmaking van het nieuws nog nieuwe meldingen binnengekomen bij het parket of werden er nieuwe onderzoeken geopend?

Ten tweede, kunt u zeggen in hoeveel van de vandaag geopende dossiers het gaat om personen die oorlogsmisdaden pleegden onder het Assadregime en in hoeveel gevallen het om IS-strijders gaat?

Ten derde, wat is uw reactie op de stelling dat België met een oververtegenwoordiging van Syrische oorlogsmisdadigers kampt, zoals sommige experts beweren?

Ten vierde, hoe zult u ervoor zorgen dat het federaal parket deze onderzoeken ten gronde kan voeren en zal het daarvoor bijkomende middelen ontvangen?

Tot slot, wat was de reden dat 8 dossiers geseponeerd werden?

Annelies Verlinden:

Mijnheer Van Hoecke, ik verwijs naar het antwoord dat ik op 4 december in de plenaire vergadering heb gegeven, waarin ik al bevestigd heb dat het federaal parket een onderzoek heeft geopend.

Aanvullend daarop kan ik nog meedelen dat van de 19 geopende dossiers er 16 zijn voor oorlogsmisdaden onder het Assadregime en 3 voor IS-strijders. Van de 8 dossiers die zonder gevolg zijn geklasseerd, zijn er 2 dossiers geklasseerd wegens onbevoegdheid van nationale vervolgingsorganen of rechtsmachten, 4 wegens onvoldoende bezwaar en 2 waarin de verdachte werd geseind.

De versterking van de magistratuur, inclusief het federaal parket, maakt deel uit van een oefening die we aan het maken zijn voor de besteding van de bijkomende middelen die ik heb kunnen bekomen voor Justitie.

Alexander Van Hoecke:

Mevrouw de minister, u verwijst naar het antwoord dat u vorige week donderdag in de plenaire vergadering hebt gegeven, maar u hebt toen gewoon bevestigd dat het nieuws dat in De Tijd , Knack en Le Soir stond klopte.

U bevestigt dat het federaal parket inderdaad onderzoek voert naar 19 mogelijke oorlogsmisdadigers. Het parket schreeuwt om meer middelen en mankracht om die onderzoeken grondig te kunnen voeren. De vraag is of u daar iets aan zult doen. Zult u ervoor zorgen dat het parket bijkomende middelen krijgt of niet? Daarop geeft u geen antwoord.

U verwijst naar een algemene oefening die wordt gevoerd binnen het bijkomend budget dat u krijgt. Als ik dat bijkomend budget bekijk – als dat budget al klopt, maar dat is een andere vraag – dan zie ik daar voornamelijk één grote uitgavenpost en dat is extra capaciteit voor de gevangenissen. Ik zie niet hoe u nu kunt garanderen dat het openbaar ministerie en het parket bijkomende middelen zullen krijgen om minstens een grondig onderzoek te kunnen voeren naar oorlogsmisdadigers, naar mensen die gefolterd en gemoord hebben, naar IS-terroristen. Dat was uiteindelijk mijn vraag vandaag. Wat kunt u doen om het federaal parket daarbij te ondersteunen? Ik betreur het enorm dat er op die vraag vandaag nog steeds geen antwoord komt.

Voorzitter:

Les questions jointes n os 56010366C et 56010510C de M. Éric Thiébaut et de Mme Marie Meunier, les questions n os 56010998C et 56011169C de M. Julien Ribaudo de même que la question n° 56011210C de M. Jeroen Bergers sont déclarées sans objet.

Alexander Van Hoecke:

Mijnheer de voorzitter, mag ik veronderstellend dat de vragen die als uitgesteld worden beschouwd, ook daadwerkelijk worden uitgesteld? Ik neem aan dat er volgende week geen commissievergadering zal plaatsvinden waarin mondelinge vragen worden beantwoord.

Voorzitter:

Monsieur Van Hoecke, j'ai seulement cité les questions qui étaient sans objet, parce que je n'ai pas reçu de demande de report. Toutes celles qu'on m'a demandé de reporter seront donc posées après les vacances de Noël.

Alexander Van Hoecke:

OK, d'accord. Merci.

Voorzitter:

Met plezier. Dank u wel. Bonne soirée et merci à tous. Merci aux services et à vous, madame la ministre. La réunion publique de commission est levée à 18 h 24. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 18.24 uur.

De aanwezigheid van Syrische oorlogsmisdadigers in België

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 4 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Alexander Van Hoecke (Vlaams Belang) vindt dat België onvoldoende controleert wie het land binnenkomt en eist grondige screening van Syrische asielzoekers, wijzend op 19 verdachte oorlogsmisdadigers (inclusief IS-terroristen) die hier verblijven, terwijl Justitie bevestigt middelen te ontberen. Annelies Verlinden benadrukt dat het parket onderzoeken voert naar oorlogsmisdaden (zowel door IS als het Assad-regime) en dat daders vervolgd moeten worden, maar erkent dat bevoegdheden beperkt zijn. Van Hoecke kaart aan dat slechts een derde van de 103 teruggekeerde IS-strijders gevangen zit en herhaalt zijn kritiek op het ontbreken van systematische controles, ondanks eerdere waarschuwingen. Verlinden herhaalt dat straffeloosheid onaanvaardbaar is, maar blijft bij de bestaande juridische procedures.

Alexander Van Hoecke:

Vandaag werd bekend dat er een onderzoek loopt naar maar liefst negentien Syrische oorlogsmisdadigers die zich in ons land zouden bevinden. Het gaat om mensen die hebben gefolterd en gemoord. Het parket heeft ook bevestigd dat zich onder die negentien verdachten mogelijk IS-terroristen en Syriëstrijders kunnen bevinden.

Die negentien verdachten zijn waarschijnlijk slechts het topje van de ijsberg, want het parket geeft zelf aan dat het niet de middelen en de mankracht heeft om die onderzoeken grondig te voeren.

Laten we daar eens twee keer over nadenken. Justitie zegt vandaag dat het geen grondig onderzoek kan voeren naar mensen die uit Syrië naar hier komen en die worden verdacht van de meest walgelijke misdaden denkbaar.

Waar het Vlaams Belang al jaren voor waarschuwt, wordt jammer genoeg vandaag opnieuw en voor de zoveelste keer zwart op wit bevestigd. Deze regering heeft geen enkele controle op wie ons land binnenkomt.

Mevrouw de minister, in 2023 werd al eens een Syriër opgepakt, namelijk iemand die naar hier was gekomen, asiel had aangevraagd en als vluchteling werd erkend. Hij bleek een IS-terrorist te zijn. Niet de overheid ontdekte dat, maar een internationale mensenrechtenorganisatie.

Wij hebben toen al gepleit voor een grondige screening van minstens iedereen die uit Syrië en Irak naar hier is gekomen.

Mevrouw de minister, mijn logische vraag vandaag is dan ook waarom dat niet is gebeurd. Hoe kan het dat de regering vandaag nog steeds geen enkele controle heeft over wie ons land binnenkomt?

Annelies Verlinden:

Mijnheer Van Hoecke, u weet dat de toegang niet onder mijn bevoegdheid valt. Ik kan alleen maar toelichting geven bij wat er vandaag bij het federaal parket gebeurt. Er lopen effectief negentien onderzoeken naar mogelijke oorlogsmisdaden tijdens de periode onder Assad. Het gaat daarbij zowel om strijders van Islamitische Staat als om mensen die betrokken waren bij de gewelddadige onderdrukking van de oppositie ten tijde van Assad. Daarnaast werden intussen acht dossiers zonder gevolg geklasseerd.

Het federaal parket is bevoegd om de onderzoeken naar mogelijke oorlogsmisdaden te voeren, en ze indien nodig te vervolgen, op basis van artikel 8 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering. Zo’n onderzoek wordt gestart op basis van informatie op de sociale media, maar ook op basis van informatie die komt van partnerdiensten als het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen en van buitenlandse partners. Dat is een normale manier van werken.

Laat ik heel duidelijk zijn, oorlogsmisdaden en andere schendingen van het internationaal humanitair recht die in Syrië werden begaan, of ze nu door jihadisten, door aanhangers van het voormalige regime of door anderen werden begaan, mogen niet ongestraft blijven. Ik ben dan ook bijzonder blij dat het federaal parket de daad bij het woord voegt en alles doet wat het kan om die onderzoeken te voeren. Waar ons land bevoegd is, zal het federaal parket dat doen, op basis van de bevoegdheden en op basis van de procedures inzake die rechtsvervolging. Die misdaden zullen worden onderzocht en waar mogelijk vervolgd.

In ons land is geen plaats voor oorlogsmisdadigers. Ik heb er alle vertrouwen in het parket en de politie voor het voeren van die onderzoeken.

Alexander Van Hoecke:

Minstens negentien Syrische oorlogsmisdadigers wonen gewoon in ons land, en er wordt geen grondig onderzoek naar gevoerd, want Justitie heeft de middelen niet. Het parket zegt het zelf.

U bent het misschien al vergeten, maar sinds 2015 zijn er maar liefst honderd en drie IS-strijders, terroristen, teruggekeerd naar ons land. Weet u hoeveel van hen vandaag nog in de cel zitten? Amper een derde. Dan vraag ik me af wat er in godsnaam nog moet gebeuren voor deze regering eindelijk aan de alarmbel trekt, voor jullie wakker worden? In 2023 hebben we al gevraagd om iedereen te screenen die uit die regio komt, ook degenen die hier al zijn. Dat is niet gebeurd.

Ik vraag het opnieuw. Waarom laat deze regering toe dat hier mensen van over heel de wereld binnenkomen zonder dat we weten wie die mensen zijn? Daar komen ongelukken van. Dat weet u maar al te goed.

Voorzitter:

Collega’s, ik wil van de gelegenheid gebruik maken om te zeggen dat u uw stem nog kunt uitbrengen. De procedure loopt nog 20 minuten. Er is nog altijd ruimte voor uw stembiljet. Gelieve dus naar zaal 3 te gaan indien u uw stem nog niet zou hebben uitgebracht.

De aanbevelingen van het Observatoire International des Prisons over de overbezette gevangenissen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 4 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

François De Smet kritiseert het Belgische gevangenisbeleid: ondanks 1.400 extra plaatsen stijgt het aantal gedetineerden met 2.000, met inhumane omstandigheden (500 op matrassen, geen ramen) en een systeem dat volgens het Observatoire international des prisons mentale problemen, verslaving en recidive verergert. Hij vraagt zich af of minister Verlinden de 600 miljoen euro voor nieuwe cellen blijft verdedigen in plaats van alternatieven zoals ontcriminalisering. Verlinden erkent de crisis (20% overbevolking, 569 op de grond) en wijst op lopende maatregelen: samenwerking met gemeenschappen voor strafuitvoering, snellere elektronische bewaking, minder voorarrest en kleine detentiehuizen voor betere reïntegratie, maar benadrukt dat stijgende straffen en detentieaantallen structurele oplossingen bemoeilijken. De Smet blijft sceptisch: gevangenissen creëren recidive in plaats van veiligheid, en stelt dat België – in contrast met Hugo’s idee "een school openen is een gevangenis sluiten" – juist meer investeert in repressie dan in preventie. Beiden benadrukken de urgentie van humane omstandigheden, maar botsen op de keuze tussen bouwen of alternatieven.

François De Smet:

Madame la ministre, aujourd'hui, en Belgique, plus de 500 détenus dorment sur un matelas par terre, tandis que d’autres sont dans des cellules qui n’ont même pas de fenêtre, ce que j’ai vu de mes yeux à la prison de Saint-Gilles il y a quelques semaines.

Il faut pouvoir dresser ce constat implacable: plus nous construisons de prisons, plus nous avons de prisonniers. Malgré l'ouverture de 1 400 places ces trois dernières années, nous enregistrons 2 000 prisonniers de plus.

Notre population carcérale devient un problème endémique, qui attire l'attention de l'Observatoire international des prisons. Celui-ci dénonce l'ensemble du système comme étant inhumain et inefficace, portant atteinte aux droits fondamentaux.

Dans une sortie hier, l'Observatoire nous dit que dans nombre de cas, le recours à la prison aggrave la situation, car ceux qui en sortent, ressortent en pire état que l'état dans lequel ils sont entrés. La prison serait pour eux, je cite, "une usine à maladie mentale, à consommation de stupéfiants, à désinsertion".

Madame la ministre, je sais que vous vous exprimez souvent sur le sujet, mais j'avais quand même envie de vous poser cette question, qui n'est pas juste politique, mais aussi sociétale. N'avez-vous aucun doute sur cette politique visant à construire, remplir, construire, remplir des prisons de manière continuelle, comme un tonneau des Danaïdes politique, dont vous héritez certes, mais que vous allez faire perdurer? C'est ce qui apparaît dans le budget.

Mes questions sont simples. Assumez-vous l'investissement prioritaire de 600 millions d'euros dans la création de nouvelles places de prison plutôt que dans des outils de désincarcération ou des alternatives?

À côté – je dis bien à côté – de la construction de ces nouvelles places, quelles mesures concrètes et immédiatement applicables prévoyez-vous de prendre pour répondre à l'urgence d’héberger dignement ces 500 personnes qui dorment sur des matelas dans des prisons? Quels que soient les délits qu'elles aient pu commettre, elles ne peuvent ressortir de prison dans un état pire que l'état dans lequel elles y sont entrées.

Annelies Verlinden:

Collègue De Smet, comme nous en avons déjà discuté en commission, le problème de la surpopulation dans les prisons perdure depuis des décennies. À ma demande, des moyens structurels ont été prévus à cet effet dans l'accord budgétaire du 24 novembre.

En juillet dernier, le Conseil des ministres a approuvé un plan élaboré avec tous les partenaires concernés. Ainsi, nous collaborons avec les communautés pour l'exécution des peines, avec la Santé publique pour les internés, avec l'Asile et Migration pour le retour des détenus sans droit de séjour et avec la Régie des Bâtiments pour la rénovation et la création de capacités.

La situation est grave, avec un taux de surpopulation de 20 %, voire plus dans certaines prisons, et 569 personnes qui ont dormi au sol en début de semaine. La loi d'urgence permet déjà un placement plus rapide, entre autres sous surveillance électronique, mais l'augmentation des peines et des condamnés pousse notre gouvernement à discuter d'autres mesures pour remédier sans délai à la problématique des détenus dormant à même le sol.

Des experts préparent un plan visant à lutter contre la surpopulation et à la prévenir, avec des propositions pour l'ensemble de la chaîne pénale. La réduction du nombre disproportionné de détenus en détention préventive est une priorité dans ce cadre. Nous augmentons également le nombre de maisons de détention à petite échelle et d'accompagnateurs de détention, afin de favoriser la réintégration. Cet aspect est essentiel pour prévenir la récidive. Enfermer des personnes de manière inhumaine sans accompagnement ne sert pas notre sécurité collective. La coopération et surtout le courage devront être nos boussoles si nous voulons vraiment résoudre ce problème.

François De Smet:

Merci madame la ministre. Je ne suis pas optimiste sur toutes les mesures, mais il serait malhonnête de dire que vous ne faites rien. Il va donc falloir vous laisser un peu de temps pour voir si tout cela fonctionne. Il faut le rappeler, le problème de la surpopulation est qu'elle constitue aussi une machine à récidive. Contrairement à ce que l'on pourrait croire, ce n'est pas en enfermant tout le monde dans des prisons que vous garantirez la sécurité des citoyens. Des gens finissent par en ressortir en étant pires que quand ils y sont entrés. Il existe en littérature française une citation bien connue que l'on attribue à tort à Victor Hugo mais qui traduit bien la pensée de cet écrivain: "Ouvrir une école, c'est fermer une prison". Il est quand même curieux de voir qu'en Belgique, on fait exactement l'inverse.

Het weddecomplement voor militairen en burgerpersoneel met paramedische functies

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 3 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Natalie Eggermont bekritiseert dat 14 jaar lang pensioenbijdragen voor nacht- en weekendpremies bij militair ziekenhuispersoneel worden ingehouden maar niet worden meegerekend in hun pensioen, wat ze "diefstal" en "discriminatie" noemt (andere ziekenhuizen wel opgenomen). Volgens haar bevestigt het Rekenhof hun recht op uitbetaling, terwijl minister Jan Jambon stelt dat het dossier eerst grondig moet worden geanalyseerd (budgettaire impact onduidelijk) en een globaal overzicht afwacht voordat actie ondernomen wordt. Eggermont wijst op ongelijkheid (bv. ex-Kamervoorzitter krijgt wel extra pensioen) en eist onmiddellijke oplossing, Jambon belooft systematische afhandeling maar zonder concrete termijn.

Voorzitter:

Les questions n° 56009004C et n° 56010919C de Mme Anja Vanrobaeys ainsi que la question n° 56009964C de M. Vincent Van Quickenborne sont transformées en questions écrites. Les questions n° 56009416C, n° 56010406C et n° 56010408C de M. Dieter Vanbesien ainsi que la question n° 56009448C de Mme Ellen Samyn sont retirées.

Natalie Eggermont:

Mijnheer de minister, bent u ervan op de hoogte dat op de premie voor onregelmatige prestaties in nacht- en weekendwerk voor een deel van het personeel van het militair hospitaal in Neder-Over-Heembeek, toch wel een mooi ziekenhuis, waar ikzelf nog ben geweest, toen ik nog in het UZ van Jette werkte, wel een pensioenbijdrage wordt ingehouden, maar dat die uiteindelijk niet voor het pensioen wordt meegerekend? Zo vertellen mij enkele personeelsleden die voor hun pensioen staan of al met pensioen zijn.

Misschien is dat nieuws voor u en was u, toen u mijn vraag las, even verrast als ik. Ik begrijp dat. Vergissen is menselijk. Er is een fout gebeurd, allang geleden. Men heeft ooit vergeten ergens in een wet dat specifieke ziekenhuis en die prestaties op te nemen in een lijst. Ondertussen is dat wel al veertien jaar aan de gang. Daar zijn al verschillende vragen over gesteld en er is een ontwerp van koninklijk besluit voor gemaakt, maar toch blijft de zaak aanslepen. Ik hoop dat u nu gemotiveerd bent de kwestie rap aan te pakken.

Eigenlijk is het heel eenvoudig. Het weddecomplement moet gewoon opgenomen worden in de lijst van artikel 8, paragraaf 2, eerste lid van de Algemene Wet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen. De collega die me contacteerde, was gefrustreerd. Ik hoop dat u dat begrijpt. De zaak sleept al 14 jaar aan. Het personeel begrijpt niet waarom de gewone burger hemel en aarde moet verzetten om gewoon te krijgen waar hij recht op heeft. Er is nu een gigantische bewijslast.

Er zijn heel veel vragen over gesteld en toch wordt dat maar niet in orde gebracht. Zult u de opname van de weddetoeslagen, hopelijk snel, in orde brengen? Wanneer precies? Wat zult u doen? De zaak sleept immers al 14 jaar aan.

Jan Jambon:

Beste collega, het dossier betreffende de opname van weddebijslagen en -supplementen in de pensioenberekening voor zowel burgerlijk als militair verplegend personeel bij Defensie werd nog onder de vorige regering voorbereid, maar nooit uitgevoerd. Het gaat overigens net zoals heel wat andere dossiers al verschillende regeringen mee en de budgettaire impact ervan is momenteel onduidelijk.

Op dit moment is het nog niet mogelijk om een beslissing te nemen. Eerst moeten omwille van een volledig en zorgvuldig onderbouwd overzicht alle weddesupplementen worden geactualiseerd en moet het systeem, inclusief de beslissingen van vorige regeringen grondig worden geanalyseerd. Ik heb de pensioendienst de opdracht gegeven een overzicht op te stellen, waarin alle aanvragen tot gelijkstelling van mandaten en tot opname van weddebijslagen systematisch worden opgelijst. Op die manier kunnen alle dossiers op een consistente en transparante wijze worden behandeld en kunnen we een onverwachte budgettaire impact vermijden.

Kortom, we willen het dossier dus aanpakken, maar ik wil eerst een globaal overzicht ter beschikking hebben.

Natalie Eggermont:

Het antwoord is dus dat u het dossier nu niet in orde brengt, want dat er nog verder onderzoek naar de budgettaire impact moet gebeuren. Het Rekenhof heeft wel geoordeeld dat de betrokkenen recht hebben op uitbetaling, aangezien zij via de inhouding op hun wedde eigenlijk een pensioenbijdrage op hun premie betalen. U int dus het geld, maar geeft het niet terug. Dat is gewoon diefstal.

Er is ook sprake van discriminatie, want de premies voor weekend- en nachtwerk voor het verplegend personeel in andere publieke ziekenhuizen zijn wel opgenomen in de lijst. Als men toevallig in het verkeerde ziekenhuis werkt, krijgt men zijn pensioen niet volledig uitbetaald, terwijl men er wel toe bijdraagt. Dat is gewoon discriminatie.

Mensen begrijpen niet dat de ex-Kamervoorzitter 3.000 euro extra boven op zijn 7.000 euro schept en dat dat als rechtmatig pensioen beschouwd wordt, terwijl het allemaal nog een keer goed bekeken moet worden als zij vragen waar ze recht op hebben!

Voorzitter:

Les questions n° 56009816C, n° 56009817C, n° 56009819C et n° 56010811C de Mme Ludivine Dedonder sont transformées en question écrites.

De reactie v.d. Brusselse regering en de GGC op de verzoeken i.v.m. het naleven van de taalwetgeving
De taalwet die in Brussel een dode letter blijft
Het taaltoezicht op de Brusselse politie
Taalwetgeving en naleving in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 3 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Barbara Pas en Jeroen Bergers bekritiseren dat minister Bernard Quintin ondanks beloftes geen concrete stappen zette om de systematische niet-naleving van de taalwet in Brussel (onwettige benoemingen, ontbrekend taaltoezicht op politie) aan te pakken, ondanks herhaalde aanmaningen en een regering in lopende zaken die volgens Pas wettelijk verplicht blijft de wet te handhaven. Quintin erkent de problemen, wijt vertraging aan politieke patstellingen (443 dagen zonder Brusselse regering) en belooft overleg met de vicegouverneur en Taalcommissie, maar geeft geen duidelijke acties, reacties of resultaten—wat Pas als "algemene woorden zonder gevolg" afdoet. Over taalcontrole op politieaanwervingen (nu onbestaand) zwijgt Quintin volledig, waar Pas amendementen aankondigt om dit alsnog in zijn wetsontwerp politiefusie te verankeren. Bergers benadrukt dat dringend optreden nodig is, verwijzend naar schrijnende gevallen (bv. hulpverlening in ziekenhuizen) door taalkundige tekorten.

Barbara Pas:

Mijnheer de minister, het is bijna een half jaar geleden dat ik interpelleerde, wat ik elk jaar doe naar aanleiding van het rapport van de vicegouverneur over de niet-toepassing van de taalwet in Brussel door de plaatselijke besturen. Meer bepaald gaat het om de toezichthoudende instanties die hun werk niet doen, zowel de Brusselse regering als het verenigd college van de GGC, hoewel zij dat wettelijk zouden moeten doen.

U hebt toen in uw antwoord gesteld dat u onder meer de Brusselse regering zou aanspreken over het feit dat onrechtmatige en onregelmatige benoemingen en bevorderingen ongedaan moeten worden gemaakt. U hebt gezegd dat u erop zou aandringen bij de Brusselse regering om de taalwetgeving strikt na te leven.

We zijn bijna een half jaar later, dus ik sta hier vandaag met een opvolgvraag. Heeft dat aandringen van u effectief resultaten opgeleverd? Zeer concreet, wanneer en op welke wijze hebt u de Brusselse toezichthoudende instanties hierover aangesproken? Hebt u zowel de ministers van de Brusselse regering als de collegeleden van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie hierover gevat? Wat hebt u hun verzocht? Is er een reactie op uw initiatieven gekomen? Zo ja, dan ben ik uiteraard benieuwd naar de reacties van beide instellingen. Ten slotte ben ik benieuwd naar de concrete resultaten, met name of er ondertussen onwettige benoemingen door die instanties wel zijn vernietigd.

Mijn tweede vraag, mijnheer de minister, betreft het taaltoezicht op de Brusselse politie.

Ik heb u daarover een schriftelijke vraag gesteld, maar de Belgische institutionele doolhof is blijkbaar zo ingewikkeld dat zelfs een minister of zijn kabinet zich al eens kan vergissen. In uw antwoord gaat u ervan uit dat de vicegouverneur, net zoals dat het geval is voor de plaatselijke besturen, toezicht houdt op de aanwervingen bij de Brusselse politie, dat hij de dossiers van die aanwervingen schorst en dat vervolgens, volgens dezelfde procedures als bij de plaatselijke besturen, de Brusselse regering die beslissingen kan vernietigen. Dat klopt echter niet. Lang geleden was dat wel zo, toen de politie nog op gemeentelijk niveau was georganiseerd, maar sinds we met zes politiezones werken is dat niet langer het geval. Volgens de taalwet in bestuurszaken kan de vicegouverneur enkel optreden voor verkeerde aanwervingen op gemeentelijk niveau, maar niet voor gewestelijke diensten, zoals de zes politiezones die we vandaag kennen.

In de praktijk betekent dit dat geen enkel dossier van aanwerving wordt doorgestuurd naar de vicegouverneur en dat hij dus geen controle uitoefent in verband met de taalwet in bestuurszaken, vandaar dat ik u de vraag nu mondeling stel, aangezien u er in uw antwoord op mijn schriftelijke vraag van uitgaat dat er een taalcontrole is, terwijl die er niet is. U vindt dat ook een goede taalcontrole en meent dat ze bestaat, adequaat is en voldoet.

Aangezien u dat een goed systeem vindt, is mijn vraag wat u verhindert om die taalcontroles bij de vicegouverneur te leggen, zoals dat gebeurt bij de plaatselijke besturen. Het is geen alleenzaligmakende oplossing, maar het zou alleszins een stap in de goede richting zijn. Is die controle door de vicegouverneur op de aanwervingen bij de Brusselse politie opgenomen in het wetsontwerp waar we al even op wachten? Zo niet, zult u het nog bijsturen in die richting, aangezien ik gelezen heb dat u dit een goed instrument vindt?

Jeroen Bergers:

Mijnheer de minister, op 11 juni hebben we in de commissie inderdaad al vragen aan u gesteld in verband met het rapport van de Vaste Commissie voor Taaltoezicht. Dat rapport stelde voor het zoveelste jaar op rij de schrijnende toestand van het Nederlands in Brussel aan de kaak.

Op mijn vragen antwoordde u dat u de situatie betreurt en dat de kritiek meer dan terecht is, aangezien er in België en dus ook in Brussel wetten bestaan zoals in elke rechtsstaat en dat deze dienen te worden nageleefd. De wetgeving inzake het gebruik van taal in bestuurszaken is zeer duidelijk wat betreft de benoemingen en de vereisten inzake taalcertificaten en taalkaders.

Verder zei u toen in de commissie dat u uw collega’s op zowel het Vlaamse, Waalse, Brusselse als federale niveau zou aanspreken over die situatie, dat u zou bekijken wat er gezamenlijk kan worden ondernomen en dat u de Brusselse regering specifiek zou aanschrijven om de problematiek onder de aandacht te brengen.

We zijn inmiddels ongeveer zes maanden verder en ik vroeg mij af welke stappen u hebt ondernomen, of er structureel iets gebeurt aan die problematische situatie, of u die brief hebt geschreven en wat daarop de reactie was. Meer algemeen vroeg ik mij af of u bijkomende updates kunt geven over uw aanpak om de taalsituatie in Brussel op te lossen.

Naar aanleiding van een vorig debat hier ontving ik een getuigenis van een jongeman die op de trein door een hond werd aangevallen en in Brussel-Centraal nergens geholpen kon worden. Hij belandde vervolgens in het ziekenhuis, waar hij opnieuw nergens terechtkon terwijl hij zwaar aan het bloeden was na de aanval. Dat zijn bijzonder schrijnende situaties die we moeten vermijden.

Bernard Quintin:

Mevrouw Pas, mijnheer Bergers, ik dank u voor uw vraag. Ik bevestig dat het mijn bedoeling is om bij alle administratieve overheden die bij deze wet betrokken zijn aan te dringen op een strikte naleving ervan, met name de instanties die toezien op de correcte toepassing ervan. U weet echter dat de Brusselse regering zich momenteel in lopende zaken bevindt. Het behoort tot nu toe niet tot mijn bevoegdheid om een Brusselse regering te vormen.

Het is niet eenvoudig om contact op te nemen en afspraken te maken met de verantwoordelijken van de betrokken diensten om samen mogelijke oplossingen te onderzoeken. Mijn kabinet organiseert vergaderingen met de vicegouverneur en met de Vaste Commissie voor Taaltoezicht om de situatie grondig te evalueren, onder meer op basis van de elementen die u aanreikt, en om de nodige maatregelen te treffen.

Ik weet dat het zes maanden geleden is, maar intussen zitten we ook 443 dagen zonder nieuwe regering in Brussel. Dat helpt niet. Verder weet u dat ik graag zou vermijden dat deze problemen blijven bestaan, maar dat we vooral meer Nederlandstalige collega’s moeten aantrekken om in de administraties en in de Brusselse politie te werken.

Barbara Pas:

Dank u wel, mijnheer de minister, voor uw antwoord. U zegt dat u zult aandringen, maar dat hebt u zes maanden geleden ook gezegd. Gelet op het feit dat ik geen antwoord kreeg op mijn concrete vragen – wanneer u hebt samengezeten, wat u hebt gevraagd en of u daar reactie op kreeg – stel ik vast dat u nu opnieuw in algemene termen spreekt. U hebt gezegd dat het moeilijk is om afspraken te maken met ministers die in lopende zaken zitten. Moeilijk is echter niet onmogelijk. Een regering in lopende zaken moet nog altijd de wet toepassen. Die taalwet in bestuurstaken is van openbare orde. Ook een regering in lopende zaken moet die dus naleven.

U zegt dat u een afspraak hebt met de vicegouverneur en met de Vaste Commissie voor Taaltoezicht. Dat is zeer goed, maar die hoeft u echt niet meer te overtuigen dat daar een probleem bestaat. Het probleem zit al jarenlang bij de Brusselse regering. Niet alleen in lopende zaken, maar ook gedurende de decennia daarvoor weigert die systematisch om de schorsingen van de vicegouverneur te vernietigen.

Op mijn tweede vraag, over de controle op de aanwervingen bij de politie, hebt u helemaal niet geantwoord. Die ontsnappen aan elke controle. De vicegouverneur krijgt die dossiers van aanwervingen niet eens doorgestuurd. U vindt dat een goed principe. Mijn vraag was of u dat zult implementeren wanneer u uw wetsontwerp over de fusie van de politiezones hier zult indienen. Soms is niet antwoorden en zwijgen ook veelzeggend. Wij zullen in elk geval al amendementen in die zin voorbereiden om u daaraan te herinneren.

Jeroen Bergers:

Dank u wel voor uw antwoord, mijnheer de minister.

Op vele vlakken deel ik uw standpunt en uw mening over de fundamentele onverantwoordelijkheid van sommige Brusselse politici en partijen. Het klopt echter dat ook een regering in lopende zaken zich moet houden aan de taalwetgeving. Het is ook uw taak om die regering, ondanks haar statuut van lopende zaken, op het matje te roepen voor de veelheid aan wetsovertredingen die zij begaat.

In die zin was ik benieuwd naar de brieven die u zou sturen en die u zelf had aangekondigd. Ik wilde weten wat er precies in die brieven stond om de Brusselse regering op het matje te roepen. Ik zal mijn vragen dan schriftelijk indienen.

Voorzitter:

La question n° 56010059C de M. Ridouane Chahid est transformée en question écrite.

De aanslepende moeilijkheden bij de DAB betreffende het vervoer van gedetineerden
Het falende gevangenentransport
Problemen met gevangenentransport en DAB-organisatie

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 3 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Ortwin Depoortere bekritiseert dat uitgestelde rechtszittingen door falend gedetineerdentransport (DAB) het gevolg zijn van structurele onderbemanning, overbevolkte gevangenissen en slechte afstemming met Justitie, en vraagt om concrete oplossingen. Minister Quintin bevestigt het probleem (70 ritten/week mislopen) en noemt maatregelen zoals heroriëntatie personeel, nieuwe voertuigen, betere planning en samenwerking met Justitie, maar Depoortere vindt dit onvoldoende zonder extra budget voor aanwerving en eist actie tegen gevangenisoverbevolking (40% illegalen). Quintin belooft verdere afstemming en schriftelijke cijfers, maar Depoortere blijft skeptisch over de haalbaarheid zonder structurele middelen.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, het probleem is u wellicht bekend. Zittingen in onze rechtbanken moeten worden uitgesteld omdat de DAB gedetineerden niet of niet tijdig kan overbrengen. De oorzaak kent u ook, namelijk de onderbemanning van de dienst. Er zijn systemische capaciteitsproblemen bij deze dienst, zowel op het vlak van de rekrutering, als vanwege de overbevraging, die een domino-effect is van de overbevolking in gevangenissen. Dat is niet uw bevoegdheid, maar ik hoop wel dat deze regering daar eindelijk werk van zal maken, dat het niet bij woorden blijft, maar dat er ook daden zullen volgen.

Ik wil u specifiek ondervragen over de DAB. Hebt u al initiatieven genomen om de verplaatsingen van gedetineerden te verzekeren of zult u dat in de toekomst nog doen? Hebt u daarover al overleg gepleegd met de minister van Justitie? Zijn daar concrete resultaten uit gekomen? Hoeveel VTE's zijn vandaag inzetbaar voor gedetineerdenvervoer? Hoeveel ritten vallen er uit per week? Wat is het tekort ten opzichte van de operationele norm? Welke instroomdoelen, doorlooptijden en uitvalredenen gelden momenteel? Welke aanmoedigingsmaatregelen worden genomen om het personeelstekort op te lossen?

Bernard Quintin:

U haalt een problematiek aan die al jaren bestaat. Het zal duidelijk zijn dat het niet-overbrengen van gedetineerden naar de rechtbank onaanvaardbaar is. Het blijkt een dagelijks verhaal over afstemming tussen politie en Justitie en dit moet beter verlopen.

Het spijtige voorval in Brugge maakt dit nogmaals duidelijk. De DAB stelt de prioriteiten voor overdrachten vast aan de hand van een beslissingsmatrix. In dit geval werd de overdracht van de verdachte als prioritair aangemerkt, maar door de huidige zeer hoge bezettingsgraad in Belgische detentie-inrichtingen zijn andere overdrachtsopdrachten als dringender beoordeeld. Hierdoor kon deze overdracht wegens beperkte capaciteit niet worden uitgevoerd. Het is juist dat het expliciete verzoek van de rechtbank beter had moeten worden meegewogen, wat had kunnen leiden tot het toekennen van absolute noodzaak aan deze overdracht.

Het betreft hier in essentie een probleem van communicatie en informatiebeheer. Er worden thans maatregelen getroffen om dergelijke incidenten in de toekomst te voorkomen. Sinds begin dit jaar worden over het hele land ongeveer 70 overplaatsingen per week niet uitgevoerd wegens een gebrek aan menselijke en/of materiële middelen. Het merendeel van de gerechtelijke arrondissementen wordt door deze situatie getroffen. De overbevolking in de gevangenissen en de spreiding van gedetineerden over het land dragen dus ook bij tot deze situatie.

Enerzijds vereist een groter aantal gedetineerden de facto meer capaciteit van de DAB om het toenemende aantal overplaatsingen te verwerken. Anderzijds vereist dit, wanneer gedetineerden in gevangenissen worden geplaatst die ver verwijderd zijn van de justitiepaleizen waar ze moeten verschijnen, de inzet van extra politiedispositieven om hen naar de hoven en rechtbanken te vervoeren. In deze context zijn er één of twee gevallen geweest, zij het zeer sporadisch, waarbij een rechtbank de procedure niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Om het tijdige vervoer van gedetineerden naar rechtszalen en rechtbanken maximaal te waarborgen, zijn verschillende initiatieven genomen op het vlak van de capaciteit van de DAB, de materiële middelen en de interne processen. Ik geef enkele voorbeelden, maar er zijn er nog veel meer. Het personeel van de kerncentrales wordt gefaseerd geheroriënteerd naar de DAB-eenheden voor hoven en rechtbanken. De normen voor het begeleiden van gedetineerden zijn geharmoniseerd en geoptimaliseerd.

Een centraal planningsinstrument is binnen de DAB ingevoerd om de operationele capaciteit voor transportmissies te monitoren, te prioriteren en te optimaliseren. Nieuwe celvoertuigen met een capaciteit van zeven en tien gedetineerden zijn aangeschaft om het verouderde wagenpark te vervangen en de mogelijkheden voor gedetineerdentransport uit te breiden. Ook is de samenwerking met het directoraat-generaal Penitentiaire Inrichtingen (DG EPI) versterkt om de beheersprocessen op elkaar af te stemmen en efficiënter te werken.

Zo werken verschillende gevangenissen nu met een gedeelde elektronische agenda met de DAB om medische afspraken van gedetineerden optimaal en efficiënt te plannen. Dit stelt de DAB niet alleen in staat om medische transfers naar een ziekenhuis effectief uit te voeren, maar ook om de operationele capaciteit efficiënt te plannen en zo andere transportmissies naar hoven en rechtbanken te garanderen.

Daarnaast bestaat er een nauwe samenwerking met de gemeenschappen, die verantwoordelijk zijn voor jeugdhulp, om het proces van het begeleiden van minderjarige delinquenten zo efficiënt mogelijk te maken.

Tot slot is er, conform de ministeriële richtlijn MFO1, een versterkingssysteem binnen de federale politie opgezet om de DAB te ondersteunen. Andere initiatieven, die ik nu niet ga opsommen, moeten nog worden genomen om de efficiëntie verder te verbeteren. Er is ook een overleg gepland tussen de politie, de hoven en rechtbanken en het kabinet van Justitie. Om de discussies vlot te laten verlopen, ben ik bereid om iedereen de statistische gegevens schriftelijk te verstrekken, ter aanvulling van mijn betoog.

Ortwin Depoortere:

Ik dank u voor het antwoord, mijnheer de minister. Het zou mij inderdaad vooruithelpen om de cijfers schriftelijk te ontvangen.

De helft van uw antwoord bestond uit de beschrijving van de situatie, zoals ik die ook heb omschreven. Het is een aanslepende, jarenlange problematiek, het is een capaciteitsprobleem en het is een communicatieprobleem tussen Justitie en BIZA. Dat wist ik al, mijnheer de minister. Ik vroeg u naar maatregelen om dit te verhelpen. U hebt er enkele opgesomd. De DAB die nu instaat voor de kerncentrales wordt naar de rechtbanken verplaatst. Er komt een betere interne planning. Er komen meer voertuigen.

Zijn dat slechte maatregelen? Neen, helemaal niet. Zijn dat voldoende maatregelen? Ik denk het niet. Het schoentje wringt bij het capaciteitsprobleem. We moeten meer mensen bij de politie kunnen aanwerven. Daarin gaat u niet slagen, omdat u bij de meerjarenbegroting geen budgetten voor BIZA, voor de politie en voor de veiligheid hebt gekregen. Ik vrees dat u op uw honger zult blijven zitten, als we werk willen maken van een volledig ingevuld personeelskader dat operationeel genoeg is om onze gevangenistransporten te verzorgen.

De andere oplossing is uiteraard de overbevolking in onze gevangenissen aanpakken. Daarvoor hebben we minister Verlinden nodig. Zij zal werk maken van het naar huis sturen van alle illegalen, die momenteel 40 % van onze gevangenispopulatie uitmaken. Ik kijk daar enorm naar uit, hopelijk samen met u, mijnheer de minister.

Voorzitter:

Vraag nr. 56010340C van mevrouw Pas wordt in een schriftelijke vraag omgezet.

Politievoertuigen die in brand gestoken werden in Elsene

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 3 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Ortwin Depoortere (CD&V) vraagt om verduidelijking over de brandstichting op drie politievoertuigen in Elsene (nov. 2025), vermoedelijk met extreemlinks/anarchistisch motief, en bekritiseert het "manifest gebrek aan respect voor gezag" en de onderbezetting in Brussel; hij dringt aan op hard optreden tegen gewelddadige groeperingen die hij als "plaag" bestempelt, en op versnelde fusie van de Brusselse politiezones. Minister Bernard Quintin (MR) bevestigt OCAD-betrokkenheid maar ontkent andere gelijkaardige dossiers dit jaar; beschermingsmaatregelen worden lokaal genomen op basis van dreigingsanalyses. Hij wacht het Raad van State-advies af voor de Brusselse politiefusie, die hij als prioriteit ziet. Depoortere herhaalt zijn kritiek op "extreemlinkse geweldscultuur", eist concrete regeringsteksten voor repressie en fusie, en wijst op brede maatschappelijke impact van dergelijke groepen.

Ortwin Depoortere:

Ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

​ In de nacht van 9 op 10 november 2025 zijn drie politievoertuigen in brand gestoken in de onmiddellijke nabijheid van het commissariaat van Elsene. Een verdachte is kort na de feiten opgepakt, het parket opende een dossier voor opzettelijke brandstichting en vorderde het federaal labo en een branddeskundige.

Er kon snel een verdachte opgepakt worden, maar over de motieven bestaan nog heel wat vragen. Maar dit is lang niet de eerste keer dat men onze politie viseert in Brussel, met manifest gebrek aan respect voor gezag en onze agenten.

Onderzoekt men of er een politiek motief is (anarchistisch of extreemlinks milieu) en is OCAD betrokken voor een dreigingsinschatting?

In hoeveel gelijkaardige dossiers dit jaar werd een link gelegd met georganiseerde extreemlinkse netwerken?

Zijn er beschermingsmaatregelen genomen voor commissariaten en wagenparken in Brussel?

Gezien de gekende problematiek van onderbezetting en versnippering in Brussel: wanneer rondt u de fusie naar één hoofdstedelijke politiezone af? Wat is de vooruitgang hier?

Bernard Quintin:

Mijnheer de voorzitter, het OCAD is betrokken bij dit incident dat gevolgd wordt in het kader van de Strategie T.E.R. Voor zover wij weten, is er, afgezien van dit incident, dit jaar geen ander dossier van dit type tegen de politie en haar installaties geweest. De maatregelen hangen echter niet af van het OCAD. Het is wel belangrijk op te merken dat bij deze punctuele evaluaties rekening wordt gehouden met eerdere incidenten. Op basis van deze evaluaties nemen de diensten, waaronder het NCCN en de politie, de maatregelen.

Wat de fusie van de politiezone in Brussel betreft, heb ik het voorontwerp aan de Raad van State voorgelegd. Ik zal dan ook de conclusies van dit advies afwachten alvorens mij verder over dit onderwerp uit te spreken. Ik zou het graag doen, want het is een van mijn favoriete onderwerpen, maar ik wacht het volgende advies af om een aangepaste tekst voor te stellen.

Ortwin Depoortere:

Dat laatste, mijnheer de minister, doet mij veel plezier. U weet dat u daarvoor in mij een bondgenoot zult vinden. Die fusie kan er namelijk niet snel genoeg komen.

Mijnheer de minister, ik wil zeker het lopende onderzoek niet doorkruisen, maar men vermoedt toch politieke motieven. Ook hier blijkt dat het geweld weer uit anarchistische, extreemlinkse hoek komt. Ik herhaal wat al in de plenaire vergadering is gesteld tijdens de actuele vragen. Die groeperingen, die zo gewelddadig en extremistisch te werk gaan, moet u viseren, mijnheer de minister, en adequaat aanpakken. Het is echt een plaag in onze samenleving. U ondervindt met uw partij ook de nodige last ervan. Het blijft echter niet beperkt tot uw partij alleen. Het is echt een groupuscule die onze samenleving kapot wil maken en voor geen enkel geweld terugdeinst.

Mijnheer de minister, ik hoop erop dat u de nodige initiatieven zult nemen vanuit de regering om dergelijke organisaties zeer hard aan te pakken. U hebt dat aangekondigd, maar ik wacht op de concrete teksten, net zoals op het ontwerp voor de Brusselse fusie.

Voorzitter:

La question n° 56010619C de M. Thiébaut est transformée en question écrite.

De huidige toestand in Peru
De veiligheidssituatie in Peru
Politieke en veiligheidsontwikkelingen in Peru

Gesteld aan

Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 2 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Volgens Anthony Dufrane en Kathleen Depoorter heerst in Peru acute politieke instabiliteit en geweld (75 gewonden bij protesten, blokkades, afzetting president Boluarte), wat de veiligheid van Belgische reizigers en expats bedreigt – zij vragen om duidelijke evacuatieplannen, bijgewerkte reisadviezen en concrete diplomatieke actie. Minister Maxime Prévot bevestigt dat reizen naar Peru niet afgeraden wordt, maar waarschuwt voor criminaliteit, stakingen en specifieke no-gozones (o.a. Apurímac-Ene-Mantaro-vallei) en belooft proactieve communicatie via de ambassade in Lima bij escalatie, zonder expliciete evacuatieprotocollen te noemen. Depoorter bekritiseert impliciet dat België in Latijns-Amerika te weinig diplomatiek gewicht in de schaal legt voor mensenrechten en democratie, en pleit voor versterkte aanwezigheid en waakzaamheid. Prévot benadrukt situationele aanpassingen (crisiscommunicatie, consulaire bijstand), maar concrete maatregelen blijven vaag.

Anthony Dufrane:

Monsieur le ministre, la situation politique et sécuritaire au Pérou reste extrêmement volatile, marquée par des manifestations violentes, des blocages routiers et une instabilité institutionnelle récurrente. La destitution récente de la présidente Dina Boluarte et l'installation d'un nouveau gouvernement de transition n'ont pas apaisé les tensions, comme en témoignent les affrontements à Lima, qui ont causé 75 blessés, dont 55 policiers. Ces événements s'inscrivent dans une crise politique et sociale persistante, avec des risques accrus de violences, de grèves et de perturbations des déplacements, notamment dans la capitale.

Les Belges résidant ou voyageant au Pérou se trouvent donc dans un contexte de grande incertitude, où la sécurité peut être compromise à tout moment. Il est essentiel de savoir comment votre administration assure leur protection, notamment via l'ambassade de Lima et les consulats et quels conseils sont actuellement donnés aux voyageurs et aux résidents belges.

Monsieur le ministre, quelle est l'évaluation actuelle de votre administration concernant la sécurité des Belges résidant ou voyageant au Pérou? Quels contacts ont été établis avec l'ambassade de Lima et les consulats pour informer et assister les Belges? Les conseils aux voyageurs ont-ils été mis à jour pour déconseiller les déplacements dans certaines régions? Comment votre administration collabore-t-elle avec les autorités péruviennes et les partenaires internationaux pour anticiper les risques liés à l'instabilité politique et sécuritaire?

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, enkele gebeurtenissen in Latijns-Amerika baren ons toch wat zorgen, met alle gevolgen vandien voor onze burgers en reizigers daar. Zou ons land ook hier geen diplomatieke rol kunnen spelen? De situatie in Peru is bijvoorbeeld, nadat president Dina Boluarte door het Congres werd afgezet en een nieuwe president, José Jeri, werd aangesteld, nog steeds niet stabiel. Tijdens hevige protesten geraakten mensen gewond en vielen er dodelijke slachtoffers. Wegblokkades en stakingen brengen burgers in gevaar en transportnetwerken in Lima, Cuzco en Areguipa zijn verstoord.

Hoe evalueert u de veiligheidssituatie van Belgische onderdanen die in Peru verblijven of er naartoe reizen?

Welke concrete maatregelen hebt u al genomen of zult u nemen om hun bescherming te waarborgen?

Zijn er al evacuatieplannen? Zijn er opvanglocaties? Kunnen onze mensen routes buiten de conflictzones volgen?

Wat is het officiële reisadvies voor Peru? Werd dat recentelijk herzien, of zijn er bepaalde delen van het land waarvoor men expliciet een risico aanduidt?

Welk advies geeft u onze burgers die naar Lima of naar andere getroffen zones willen gaan?

Welke instructies werden gegeven aan de ambassade en aan de consulaten? Welke protocollen worden er gehanteerd? Staat u in contact met de Peruviaanse autoriteiten inzake de werking van de Belgische diplomatieke posten?

Welk scenario neemt uw ministerie in overweging? Welke preventieve middelen zijn voorhanden om snel te kunnen reageren, mocht de situatie op het terrein escaleren?

Maxime Prévot:

Monsieur Dufrane, Mevrouw Depoorter, merci pour vos questions concernant la situation actuelle au Pérou.

Het hoofdbestuur van de FOD Buitenlandse Zaken en onze ambassade in Lima volgen de politieke en veiligheidssituatie in Peru nauwgezet op. Hoewel reizen in en naar Peru momenteel niet wordt afgeraden, is waakzaamheid geboden door de hoge graad van criminaliteit en de sociale conflicten en stakingen die in het hele land kunnen voorkomen.

Landgenoten dienen zich steeds te informeren over onlusten en demonstraties en dienen ze te vermijden. Bovendien worden alle reizen in de vallei van de rivieren Apurimac, Ene en Mantaro en de vallei rond de Huallagarivier in de Huanucoregio afgeraden. Het wordt ook afgeraden te reizen naar het gebied langs de Putumayorivier.

En cas de détérioration de la situation sécuritaire, l'ambassade communiquera de manière proactive avec les Belges enregistrés sur place et les informera des mesures de précaution à prendre. Comme à tout moment, l'ambassade à Lima est prête à fournir une assistante consulaire aux Belges qui en ont besoin. Le Centre de crise du SPF Affaires étrangères entretient des contacts réguliers avec l'ambassade de Belgique à Lima et avec notre officier régional de sécurité, lui aussi en poste à Lima.

En cas de crise, la communication peut être rapidement intensifiée de façon à soutenir activement l'ambassade dans sa gestion de la crise. La nature et l'étendue de l'aide apportée aux Belges sur place, telles que la fourniture d'informations, l'adaptation des conseils aux voyageurs ou la coordination d'un départ assisté ou d'une évacuation, sont déterminées en fonction des circonstances concrètes et des besoins spécifiques de la crise.

Anthony Dufrane:

Merci monsieur le ministre, je suis satisfait de vos réponses et ne serai donc pas plus long.

Kathleen Depoorter:

Wij weten dat consulaire assistentie en informatie over de situatie ter plekke voor de mensen daar van groot belang is. U hebt in een vorig actuadebat de nieuwe diplomatieke posten en de visie van uw ministerie aan deze commissie toegelicht. Ik denk dat het echt belangrijk is dat we in Latijns-Amerika diplomatiek voet aan wal blijven houden, dat we dicht bij de burgers ter plaatse staan en dat we in onze diplomatieke contacten de instandhouding van of het voorzien in democratisch recht in Latijns-Amerika blijven bepleiten, dat we de mensenrechten nauwlettend blijven bewaken, zoals u ook zegt, en dat we aanwezig blijven bij de verschillende regimes in het Latijns-Amerikaanse werelddeel. Het is zeer belangrijk dat we dat niet uit het oog verliezen.

De humanitaire en veiligheidscrisis in Haïti

Gesteld aan

Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 2 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Lydia Mutyebele Ngoi bekritiseert de catastrofale instorting van Haïti sinds 2021 – met ganggeweld (90% hoofdstad), massale ontheemding (1,4 mln), honger (5,4 mln mensen) en instortende staatsinstellingen – en wijst op falend internationaal ingrijpen, ondanks EU-steun die ontoereikend en slecht bereikbaar is in onveilige zones, terwijl ze waarschuwt voor regionale dreigingen (drugs- en wapenhandel naar Europa). Minister Maxime Prévot bevestigt Belgische steun (€18 mln, 2022-2026) voor onderwijs, gezondheid en landbouw via NGO’s en EU-kanalen, maar erkent dat hulp moeilijk onveilige gebieden bereikt; nieuwe projecten worden pas in 2026 beslist. Mutyebele bekritiseert scherp dat de crisis verergerd is sinds een parlementsresolutie uit 2022 en beschuldigt de internationale gemeenschap van passiviteit, versterkt door klimaatrampen (cyclonen), terwijl ze eist dat België dringend meer druk uitoefent.

Lydia Mutyebele Ngoi:

Monsieur le ministre, depuis l’assassinat du président Jovenel Moïse en 2021, Haïti connaît un chaos politique et une crise humanitaire sans précédent. Les gangs armés sèment la terreur et contrôlent près de 90 % de la capitale. Le gouvernement de transition peine à organiser des élections démocratiques. La justice est paralysée et l’armée complètement dépassée. L’insécurité règne sur l’île: kidnappings, violences sexuelles, enrôlement forcé d’enfants par des gangs. Cette situation a entraîné un déplacement massif de populations: plus de 1,4 million de civils, dont la moitié sont des femmes et des enfants, ont fui leur foyer à ce jour.

Sur le plan humanitaire, la situation est catastrophique: plus de 6 millions de personnes ont besoin d'aide en urgence. Haïti connaît l’une des pires pauvretés au monde. L’aide actuelle demeure largement insuffisante: 5,5 millions de personnes nécessitent une assistance humanitaire et 5,4 millions sont confrontées à une insécurité alimentaire aiguë, dont 2 millions en situation d’urgence. Aujourd’hui, pour un jeune, il est beaucoup plus facile de se procurer une arme qu’un repas.

Pourtant, des projets européens ou de coopération belge non gouvernementale existent afin de venir en aide au pays. Malgré cela, les Haïtiens, en particulier les plus jeunes, continuent de vivre dans un environnement extrêmement dangereux. Les aides de l’Union européenne et des Nations unies apparaissent insuffisantes face à l’ampleur de la crise humanitaire et sécuritaire.

Je tiens à rappeler, pour les plus pragmatiques d’entre vous, qu’il y a un enjeu régional et international majeur pour l’Union européenne. Haïti est devenue une plateforme du trafic de drogues et d’armes à destination de l’Europe. Soutenir la population et reconstruire les institutions haïtiennes, c’est aussi œuvrer pour un renforcement de la sécurité au niveau global. Une intervention internationale urgente est donc nécessaire pour faire face à une crise sans précédent pour le pays et qui n’a que trop duré. Haïti est à feu et à sang et requiert une aide massive et décisive.

Monsieur le ministre, quelle est votre évaluation face à la dégradation de la situation en Haïti? Les fonds alloués par la Belgique et l’Union européenne atteignent-ils les populations les plus vulnérables? Le budget alloué au financement de la coopération au développement prévoit-il d'agir en Haïti?

Maxime Prévot:

Madame la députée, soyez assurée que je partage pleinement votre préoccupation quant à la crise terrible qui frappe Haïti et son impact dramatique sur le plan régional et international.

La Belgique est présente en Haïti via sa coopération non gouvernementale. Pour la période 2022-2026, la Belgique finance ainsi neuf programmes, à hauteur de plus de 18 millions d’euros, dans les secteurs de l’éducation, du travail décent, de l’environnement, de la santé et de l'agriculture.

Un soutien indirect est également fourni à travers l'Union européenne, principal donateur d'aide humanitaire de l'île, ainsi que par le biais d'organisations internationales et de fonds flexibles.

Toutes ces aides sont dirigées vers les populations les plus vulnérables, mais atteignent difficilement les zones non sécurisées du sud du pays.

Le budget quinquennal actuel pour la coopération belge au développement court jusqu'à la fin de l'année prochaine. Une décision quant aux nouveaux projets sera prise durant le premier semestre 2026.

Lydia Mutyebele Ngoi:

Merci pour vos réponses, monsieur le ministre. Haïti souffre depuis trop longtemps. En lisant une résolution sur cette situation humanitaire urgente introduite par mon groupe en 2022, j'ai été bouleversée de constater qu'à l'époque, on disait déjà que la situation était catastrophique. Aujourd'hui, la situation s'est encore aggravée. Comme un malheur ne vient jamais seul, Haïti a été frappée violemment par des cyclones ces derniers mois. Haïti, c'est un pays qui est victime du changement climatique, qui est victime de la faiblesse de l'aide internationale et victime de notre inaction. J'espère que vous pourrez agir et sensibiliser pour soulager les souffrances de cette population.

Het verkiezingsgeweld in Tanzania

Gesteld aan

Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 2 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Prévot bevestigt dat Tanzania’s verkiezingen gepaard gingen met extreem geweld (1.000–2.000 doden, massale arrestaties en censuur), onregelmatigheden (bevestigd door de Afrikaanse Unie) en een autoritaire sfeer, maar stelt dat de regio de uitslag niet betwist. België volgt de situatie via de ambassade en coördineert met de EU, die oproept tot vrijlating van politieke gevangenen en dialoog met de oppositie, terwijl het toekomstige ontwikkelingsbeleid—mede afhankelijk van Tanzania’s nieuwe koers—wordt heroverwogen. Lambrecht bekritiseert de "dictatoriale praktijken" en hoopt dat eventuele sancties de lijdende bevolking niet verder treffen.

Annick Lambrecht:

Mijnheer de minister, na de herverkiezing van Samia Suluhu in Tanzania is er onmiddellijk zeer hevig protest uitgebroken omdat de verkiezingen oneerlijk zouden zijn verlopen. Er zouden stembussen gestolen zijn en gebouwen in brand gestoken. Ik zal er niet verder over uitweiden, maar volgens de BBC zouden er minstens 500 mensen zijn overleden. Inmiddels is de president gewoon aan haar nieuwe termijn begonnen.

Die onrustige en gewelddadige verkiezingsdag is deel van een toenemend autoritair klimaat met verdachte politieke verdwijningen, mediacensuur en sterke restricties op de oppositie en het middenveld.

Tanzania is sinds de onafhankelijkheid verder dan ooit verwijderd van echte vrijheid. Tegelijk lijdt de bevolking erg onder een koopkrachtcrisis en hoge werkloosheid.

Mijnheer de minister, hoe beoordeelt u de verslechtende situatie in Tanzania? Welke informatie hebt u over het oneerlijk verloop van de verkiezingen?

Hebt u contact gehad met Belgische diplomaten ter plaatse? Wat is hun inschatting? Welke instructies geeft u hen?

Welk beleid voert België ten opzichte van Tanzania? Is er gelet op de gebeurtenissen een koerswijziging nodig?

Maxime Prévot:

Mevrouw Lambrecht, Tanzania heeft een zeer gewelddadige verkiezingsperiode achter de rug, met onlusten die op verkiezingsdag uitbraken en de dagen daarna voortduurden. De onderdrukking door de regering heeft tot een zeer hoog aantal doden geleid. Op dit moment wordt het aantal doden geschat op 1.000 tot 2.000. Er zijn ook talrijke gewonden door vuurwapens. Er werden ook willekeurige arrestaties gemeld, massale arrestaties en weigering van medische zorg aan gedetineerden.

De maanden voorafgaand aan de verkiezingen werden al gekenmerkt door een beperking van de civiele en democratische ruimte, met verdwijningen en geweld, alsook de uitsluiting van de belangrijkste oppositiepartij van de verkiezingscampagne en de arrestatie van zijn leider, die momenteel wordt vervolgd wegens verraad.

Op de dag van de verkiezingen zelf werden talrijke onregelmatigheden vastgesteld, zoals blijkt uit het eerste verslag van de waarnemers van de Afrikaanse Unie.

Enkele weken na de bekendmaking van de verkiezingsuitslag is de rust in het land min of meer teruggekeerd. Ik merk ook dat de Afrikaanse Unie en de landen in de regio de uitslag niet hebben betwist en zich in hun publieke communicatie voorzichtig en gematigd hebben opgesteld.

Onze ambassade in Dar es Salaam volgt de ontwikkelingen in Tanzania op de voet en houdt mij regelmatig op de hoogte. Toen de onlusten uitbraken, was er voortdurend contact tussen mijn diensten en onze ambassade, zowel op consulair vlak om onze onderdanen de hulp en informatie te bieden die zij nodig hadden, als op politiek vlak om de situatie nauwgezet op te volgen. Er is opgedragen om de situatie nauwlettend te blijven volgen en de lokale coördinatie voort te zetten met de Europese diensten voor extern optreden, met de andere lidstaten van de Europese Unie en met andere gelijkgestemde landen en internationale organisaties. Daarnaast houdt onze ambassade de evolutie van de veiligheidssituatie voortdurend in de gaten, met name om het reisadvies aan te passen en de veiligheid van onze medeburgers te waarborgen.

Tanzania is al 41 jaar een partnerland van de Belgische ontwikkelingssamenwerking. Op het vlak van de niet-gouvernementele samenwerking voeren elf Belgische partners voor ontwikkelingssamenwerking programma's uit. Na de tragische gebeurtenissen wordt momenteel nagedacht over de richting die ons toekomstig engagement in Tanzania zal uitgaan. Bij die reflectie zal ook rekening worden gehouden met de beleidslijnen die door de nieuwe Tanzaniaanse regering zullen worden aangenomen en met het overleg dat wordt gevoerd met de andere lidstaten van de Europese Unie.

De Europese coördinatie, zowel op lokaal niveau als op het niveau van de Europese instellingen, is zeer intens. Op 3 november hebben de lidstaten van de Europese Unie een verklaring gepubliceerd, waaraan België actief heeft bijgedragen, om hun grote bezorgdheid te uiten. Zij drongen bij de autoriteiten aan om zich zo terughoudend mogelijk op te stellen om mensenlevens te sparen.

De Europese Unie heeft opgeroepen tot de vrijlating van alle gedetineerde politici.

Tot slot heeft de Europese Unie de Tanzaniaanse regering aangemoedigd om haar inspanningen voort te zetten om een volwaardig meerpartijenstelsel in te voeren en om een open en inclusieve dialoog aan te gaan met alle belanghebbenden, met name de oppositiepartijen en het maatschappelijke middenveld, met het oog op verzoening.

Annick Lambrecht:

Mijnheer de minister, bedankt voor de opheldering en ook voor de cijfers van het aantal doden. Ik noteer dat de situatie in Tanzania op de voet wordt gevolgd en dat u nadenkt over toekomstig engagement. Ik kan alleen hopen dat als er beslissingen worden genomen, die niet al te zeer nadelig uitvallen voor een bevolking die nu al zwaar lijdt en die eigenlijk geen boodschap heeft aan de dictatoriale praktijken die zich daar afspelen.

Voorzitter:

La question n ° 56010317C de Mme Fatima Lamarti est transformée en question écrite.

De vastlegging van de lijst met veilige landen
De lijst van veilige landen
Veilige landenlijst en vastlegging

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 2 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Van Bossuyt bevestigt dat de regering Albanië, Bosnië-Herzegovina, Kosovo, Marokko, Montenegro, Noord-Macedonië en Servië als veilige landen heeft toegevoegd (ondanks een negatief CGVS-advies voor Marokko), met name door dalende erkenningen (5%) en verbeterde mensenrechten. De Vreese (N-VA) juicht de toevoeging van Marokko toe, wijzend op lage asielkansen, criminele overrepresentatie (drugs, gevangenispopulatie) en misbruik van procedures om uitzetting te vertragen. De minister vermeldt ook lopende EU-onderhandelingen over een gemeenschappelijke veilige-landenlijst. De maatregel moet versnelde afhandeling en drukverlichting op asieldiensten bewerkstelligen.

Maaike De Vreese:

Mevrouw de minister, jaarlijks wordt op federaal niveau op basis van de overigens niet-bindende adviezen van het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen de lijst met veilige landen vastgelegd. Een land van herkomst wordt als veilig beoordeeld, als er algemeen gezien en op duurzame wijze geen sprake is van vervolging en er geen risico op ernstige schade bestaat, zijnde vervolging in het land van herkomst. U gaf eerder in 2025 aan dat u met uw diensten aan het bekijken was welke landen in 2025 aan de lijst zullen worden toegevoegd.

Het is belangrijk dat wij een correcte en uitgebreide lijst hebben. Als een aanvrager uit een veilig land komt, heeft hij hier geen bescherming nodig. Met de nieuwe lijst kunnen de diensten en het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen verzoekers uit die landen versneld behandelen. Immers, een tweestromenwerkwijze naargelang mensen uit veilige landen komen of niet, waarbij dossiers dus heel snel dan wel grondiger worden behandeld, zal de efficiëntie van de diensten verbeteren en dus ook de druk op onze asieldiensten verlagen.

Kunt u toelichting geven hoe de lijst met veilige landen wordt voorbereid en opgesteld? Welke nieuwe landen worden opgenomen? Welke impact zullen de wijzigingen hebben op het terrein?

Anneleen Van Bossuyt:

Mevrouw De Vreese, elk jaar wordt er inderdaad een lijst van veilige landen van herkomst opgesteld. Nadat het CGVS een niet-bindend advies heeft geformuleerd, wordt in de regering beslist welke landen op de lijst terechtkomen.

Dit jaar werd beslist de volgende landen op te nemen op de lijst van veilige landen: Albanië, Bosnië-Herzegovina, Kosovo, Marokko, Montenegro, Noord-Macedonië en Servië. De lijst werd aangenomen door de ministerraad op 21 november. Voor al die landen was het advies van het CGVS positief, behalve voor Marokko. We zagen echter sterke indicaties dat Marokko wel als een veilig land kan worden beschouwd. De mensenrechtensituatie is er de jongste jaren sterk verbeterd. De erkenningspercentages schommelen nu slechts rond de 5 %. Dat wil zeggen dat maar liefst 95 % van alle Marokkaanse asielaanvragen wordt afgewezen. Doordat Marokkaanse asielzoekers nu op de lijst van veilige landen van herkomst staan, zal hun asielaanvraag sneller worden behandeld en, indien het CGVS dit beslist, ook geweigerd worden.

Tegelijkertijd is er het voorstel van de Europese Commissie voor een Europese lijst van veilige landen van herkomst, een mogelijkheid waarin het nieuwe Europese Pact voor Asiel en Migratie, meer bepaald in de asielprocedureverordening, voorziet. Dat voorstel is nu het onderwerp van onderhandelingen in de Raad, met het oog op de aanname van een raadsmandaat, dat op zijn beurt de basis moet vormen voor de verdere onderhandelingen met het Europees Parlement.

Maaike De Vreese:

Bedankt, mevrouw de minister. Dat is zeer goed nieuws. De toevoeging van Marokko aan de lijst van veilige landen is een zeer logische stap, zeker gelet op het feit dat slechts een kleine percentage Marokkaanse onderdanen in aanmerking komt voor asiel of subsidiaire bescherming, heel wat van hen gedwongen teruggestuurd moeten worden en veelvuldig voorkomen in de cijfers betreffende openbare orde en nationale veiligheid, om nog maar te zwijgen van de gevangenispopulatie in ons land. Volgens de politiediensten hebben illegale drugscriminelen ook vaak de Marokkaanse nationaliteit. Wij moeten er alles aan doen om te voorkomen dat zij de asielprocedure gebruiken als vertragend middel op het moment dat zij moeten terugkeren. Ik wens u met de terechte uitbreiding van de lijst veel succes. Ik heb daarover nog enkele ideeën, maar die kan ik u later toelichten. U zet hiermee alvast mooie stappen vooruit.

De regeringsbeslissing over het verbod op het gebruik van een slogan door het gevangenispersoneel
Het verbod op slogans binnen het gevangeniswezen
Beleid rond uitingen en slogans in het gevangeniswezen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 2 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Marijke Dillen en Kristien Van Vaerenbergh bekritiseren het verbod van de ministerraad op de slogan "Justitie wankelt. Overbevolking is onveilig" – een symbolische uiting van ongenoegen door gevangenispersoneel over structurele overbevolking, onveilige werkomstandigheden en gebrek aan actie – als onnodige censuur en een teken van minachting voor hun bezorgdheden. Minister Annelies Verlinden bevestigt het verbod, maar benadrukt dat dit niet de boodschap zelf onderdrukt, maar neutrale overheidscommunicatie moet waarborgen; ze somt drie prioriteiten op (terugkeer gedetineerden zonder verblijfsrecht, doorstroom geïnterneerden, beperking voorlopige hechtenis) en belooft structurele oplossingen, waaronder extra capaciteit en personeel. Dillen blijft kritisch: het verbod voelt als een klap in het gezicht voor het personeel, dat zich niet gehoord voelt, terwijl Van Vaerenbergh het inconsistent noemt omdat andere justitiële diensten (bv. Brussel) wel vergelijkbare slogans blijven gebruiken.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, Justitie wankelt. Overbevolking is onveilig, vandaag voor ons, morgen voor u , dat was een slogan die enige tijd te lezen stond in het mailverkeer van medewerkers van het gevangeniswezen. De slogan werd vergezeld van een kleine afbeelding van een wankele Vrouwe Justitia op een stapel matrassen. Het was een boodschap van de ambtenaren die de gevangenissen draaiende moeten houden. Zij hebben overschot van gelijk. Geen zinnig mens kan ontkennen dat de overbevolking in onze gevangenissen tot onveiligheid leidt. Het gebruik van die slogan wordt nu echter verboden volgens een beslissing van de ministerraad. Blijkbaar mag die waarheid niet worden gebracht. Voor de excellenties in kwestie moeten het logo en de slogan zelfs uit de e-mails verdwijnen.

Mevrouw de minister, wij het kunnen echt niet vatten dat het gevangenispersoneel van de ministerraad niet mag aanklagen dat de overbevolking in de gevangenissen stijgt. Het roept daarenboven de vraag op of de ministerraad werkelijk niets beters te doen heeft dan een dergelijk punt op zijn agenda te plaatsen. Iedereen is al jarenlang bekend met de problematiek en de ronduit gevaarlijke werkomstandigheden. Dat is niet nieuw. Mevrouw de minister, het aantal grondslapers neemt spectaculair toe. De maximumcapaciteit wordt week na week overschreden. Daarover is al voldoende gedebatteerd. Er was terecht veel kritiek op de werkvloer, van de medewerkers zelf. Zij begrijpen echt niet dat zij zwijgplicht hebben gekregen. Ik heb de slogan letterlijk geciteerd, het was een brave boodschap over een problematiek die iedereen kent. We weten allemaal dat het gevangenispersoneel overbelast is. De toestand is onhoudbaar. Zij werken onder moeilijke omstandigheden en leveren dag in, dag uit het beste van zichzelf.

Is het echt nodig om een dergelijk verbod op te leggen en hen de facto te jennen en uit te dagen? Zijn er echt geen dringender dossiers waarover de ministerraad zich kan en moet buigen? Nogmaals, het gaat hier niet om een lasterlijke of onware slogan.

Kunt u mij meedelen op basis van welke argumenten dat voorstel werd geagendeerd en aangenomen door de ministerraad?

Kristien Van Vaerenbergh:

Mijnheer de minister, ik verwijs naar de ingediende vraag.

We vernamen dat op de ministerraad werd beslist dat het personeel van het gevangeniswezen het logo van een wankelende vrouwe justitia en de slogan “Justitie wankelt. Overbevolking is onveilig, vandaag voor ons, morgen voor u” niet langer mag gebruiken in officiële communicatie. Dat verbod werd gemotiveerd vanuit de wens om sereniteit te bewaren in de gesprekken over de problemen binnen het gevangeniswezen.

De woordvoerder van het Gevangeniswezen verklaarde in de media dat het logo en de slagzin wel in lijn zijn met de deontologische code van ambtenaren, maar dat men gevolg zal geven aan de vraag van de ministerraad. Echter, waren de gevangenisdirecteurs not amused met het verbod. En ook ik stel vast dat bij andere onderdelen van de rechterlijke orde nog steeds boodschappen met een gelijkaardige strekking worden gebruikt. Zo worden er bij bepaalde griffies, zoals bij het Tribunal de Première Instance francophone de Bruxelles, nog documenten verstuurd met de vermelding “Justice en danger” met bijhorend logo.

Mijn vragen:

1. Kunt u de oplegging van dit verbod bevestigen?

2 Bent u op de hoogte dat sommige rechtbanken nog steeds officiële documenten verspreiden met de boodschap "Justice en danger"?

3. Indien ja, waarom geldt het verbod op het gebruik van dergelijke slogans dan niet voor andere onderdelen van Justitie?

4. Zijn het logo en deze slagzin volgens u in strijd met de deontologische code van ambtenaren?

5. Welk signaal kan u geven aan het gevangeniswezen om te tonen dat u de sense of urgency begrijpt en effectief maatregelen neemt op korte termijn?

6. Wat is de stand van zaken van uw drie prioriteiten?

Annelies Verlinden:

Collega's, laat me eerst en vooral nog eens duidelijk zeggen dat het signaal van het gevangenispersoneel door ons en door mij ter harte wordt genomen, zoals ik aan hen en anderen ook al herhaaldelijk persoonlijk heb meegedeeld. De werkomstandigheden in de gevangenissen zijn bijzonder zwaar. Ik heb het grootste respect voor de mensen die ondanks alles trachten om de leefomstandigheden in de gevangenissen in goede banen te leiden. De personeelsleden overtreffen zich elke dag, ondanks de grote werkdruk ingevolge de overbevolking.

De vraag van de ministerraad om het gebruik van het logo en de bijbehorende slogan te beëindigen, heeft niets te maken met een gebrek aan begrip voor dat signaal, maar wel met de nood aan een uniforme en neutrale communicatie door de overheidsdiensten. Dat neemt niet weg dat de boodschap overeind blijft en dat het onderliggende signaal van ongenoegen en bezorgdheid ernstig wordt genomen.

Op 15 oktober ben ik daarom in overleg gegaan met de gevangenisdirecteurs, alsook met de syndicale organisatie. Ik heb hen vrijdag laatstleden opnieuw gezien. Er zijn binnen de schoot van de regering ook besprekingen lopende over het dossier van de overbevolking. We willen structureel werken aan oplossingen binnen het kader van de drie prioriteiten voor het gevangeniswezen.

De eerste prioriteit is de bevordering van de terugkeer en de overbrenging van gedetineerden zonder verblijfsrecht. De tussenstaatse overbrengingen en de dienst die daarvoor verantwoordelijk is, wordt versterkt met zeven vte's. Er wordt prioriteit gegeven aan overbrengen binnen de Europese Unie en ook aan derde landen zoals Albanië en Marokko. Bovendien zijn er buitenlandse missies geweest en verschillende vergaderingen tussen Binnenlandse Zaken en de FedPol, bijvoorbeeld om het aantal escorteurs bij de LPA te verhogen.

Ten tweede moeten we zorgen voor een betere doorstroom van geïnterneerden, waarbij liefst op een zo kort mogelijke termijn bijkomende capaciteit voor die doelgroep kan worden gecreëerd buiten detentie. Volksgezondheid werkt momenteel aan 90 plaatsen in zorghuizen, dit voor geïnterneerden die rechtstreeks uitstromen uit high security zoals een gevangenis of een FPC. We willen ook werken aan de toename van de bestaande capaciteit van de FPC's.

De derde prioriteit is de beperking van het aantal personen in voorlopige hechtenis. Het koppelen van voorwaarden aan de voorlopige hechtenis onder elektronisch toezicht is daarbij een belangrijk initiatief, dat momenteel door de diensten wordt uitgewerkt.

Kortom, de vraag van de ministerraad over het actielogo verandert niets aan mijn erkenning van de moeilijke realiteit op het terrein en ook mijn engagement om samen met de diensten en met de vakorganisaties naar oplossingen te blijven zoeken. Ik blijf ook vastberaden om samen met het personeel, de directies, de andere betrokken partners zoals Asiel en Migratie en Volksgezondheid de situatie structureel te verbeteren met meer ondersteuning, meer personeel, meer capaciteit en meer middelen.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, u hebt een volledige uiteenzetting gegeven van uw plannen om de overbevolking aan te pakken. Wij zullen u ook grotendeels steunen, wanneer u die plannen hier gedetailleerd voorlegt, maar dat is niet de essentie van mijn vraag. De essentie is waarom de ministerraad het nodig vond om een verbod op te leggen. Het ging om een brave slogan. Indien die vol met verwijten en leugens zou staan, dan had ik het nog kunnen begrijpen. Het is echter een heel brave slogan: 'Justitie wankelt. Overbevolking is onveilig, vandaag voor ons, morgen voor u.' Daarop kan men toch echt geen commentaar geven?

Het argument van een eenvormige communicatie binnen de administratie is geen antwoord op de kritiek van de cipiers. U zegt, mevrouw de minister, dat u de voorbije periode regelmatig met de vakorganisaties hebt gesproken. Ik geloof dat. Ik heb zelf ook met heel veel mensen op het terrein gesproken naar aanleiding van de stakingen. Zij begrijpen die beslissing tot op vandaag niet. Ze voelen zich daardoor werkelijk diep geraakt en ervaren dat als een gebrek aan respect.

Kristien Van Vaerenbergh:

Die maatregel is inderdaad een detail ten opzichte van de grote problemen die moeten worden aangepakt. Ik vind wel dat het voor iedereen op dezelfde manier moet worden toegepast.

Het verslag van het Rekenhof
Het verslag van het Rekenhof over de doorlooptijden van rechtszaken
Het verslag van het Rekenhof over de toegang tot de justitie en de doorlooptijd van rechtszaken
Evaluatie van het Rekenhof over justitie, doorlooptijden en toegang tot rechtszaken

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 2 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Het Rekenhof-rapport toont aan dat Justitie kampen met structurele achterstanden, ontbrekende beheersinstrumenten (zoals normtijden per zaaktype, werklastmetingen en waarschuwingsmechanismen) en grote regionale verschillen in doorlooptijden, ondanks tien jaar verzelfstandigd beheer. Van Vaerenbergh, Jadoul en Dillen bekritiseren dat er nog steeds geen beheersovereenkomst is tussen de regering en het College van Hoven en Rechtbanken, en dringen aan op transparante normtijden, automatische signalering van vertragingen en objectieve dataverzameling om gelijke toegang tot justitie te garanderen. Minister Verlinden bevestigt dat een eerste beheersovereenkomst (met normtijden en achterstandsreductiedoelstellingen) in voorbereiding is, maar stelt dat tuchthervorming en flexibele kaders eerst wettelijk moeten worden verankerd; een inventaris van achterstanden loopt tot Q1 2026. Zij benadrukt gedeelde verantwoordelijkheid met het OM en bestaande, maar beperkte managementtools, maar concrete oplossingen voor regionale verschillen ontbreken nog. Kritiek van oppositie: Van Vaerenbergh noemt de vertragingen "onnormaal" en Jadoul bestempelt de achterstand als "gift voor de samenleving", die impuniteit in de hand werkt; beiden eisen versneld hervorming en verantwoordingsplicht bij autonomie.

Kristien Van Vaerenbergh:

Mevrouw de minister, ik heb deze vraag al een tijdje geleden ingediend naar aanleiding van een rapport van het Rekenhof. Om efficiëntieredenen zal ik verwijzen naar mijn schriftelijk ingediende vraag.

Het recente rapport van het Rekenhof over de doorlooptijden in Justitie toont aan dat er, naast de structurele achterstand, nog een ander fundamenteel probleem is: de beheersinstrumenten die nodig zijn om achterstanden te analyseren en aan te pakken zijn onderontwikkeld. Tien jaar na de invoering van het verzelfstandigd beheer bestaat er nog steeds geen beheersovereenkomst tussen de regering en het College van Hoven en Rechtbanken, noch zijn er normtijden vastgelegd per rechtscollege en per type zaak. Hierdoor ontbreekt een duidelijk kader van wat een “redelijke termijn" concreet inhoudt.

Ook blijven de enorme verschillen tussen rechtsgebieden, afdelingen en kantons onverklaard en worden ze onvoldoende opgevolgd. Daarnaast stelt het Rekenhof vast dat er geen objectieve werklastmetingen bestaan, dat personeelsdata per afdeling ontbreken en dat er geen waarschuwingsmechanisme is dat buitensporige doorlooptijden automatisch signaleert.

In aanvulling op de vragen die reeds gesteld zijn, wens ik u volgende bijkomende vragen voor te leggen:

Tegen wanneer zal de eerste beheersovereenkomst met het College van Hoven en Rechtbanken worden afgerond, en zal deze concrete normtijden per rechtscollege en per type zaak bevatten die ook publiek worden gemaakt?

Overweegt u om naast algemene doelstellingen ook normen vast te leggen op afdelings- en kantonniveau, gezien daar de grootste verschillen ontstaan, zodat een gelijke toegang tot Justitie in alle regio's gewaarborgd blijft?

Plant u de invoering van een automatisch waarschuwingssysteem dat buitensporige doorlooptijden detecteert op operationeel niveau, en op welke termijn verwacht u dat dit in werking kan treden?

Hoe en wanneer zullen de werklastmetingen en personeelsdata worden hervormd, zodat de inzet van magistraten en personeel op objectieve en actuele criteria kan gebeuren, in plaats van op zelfrapportering?

Welke rol krijgt het Openbaar Ministerie in de ontwikkeling van normtijden en beheersinstrumenten, gezien de grote verschillen in doorlooptijden bij strafzaken en in de wachttijden tussen sepot- of vervolgingsbeslissing en de eerste zitting?

Worden de nieuwe dashboards die het College ontwikkelt toegankelijk voor parlementaire controle en voor het publiek, en voorziet u bijkomende middelen om de dataplatformen versneld en volledig te implementeren?

Pierre Jadoul:

Madame la ministre, la Cour des comptes a récemment publié un rapport concernant l'accès à la justice et les délais de traitement des affaires judiciaires en Belgique.

La Cour des comptes a passé au crible les délais de traitement dans les cours et tribunaux et a examiné si le Collège des cours et tribunaux en a une vision précise et actualisée et s'il est en mesure de les analyser et de les gérer de manière approfondie.

Premièrement, un des principaux enseignements de ce rapport est que la collecte et le traitement de données concernant les affaires judiciaires se déroulent difficilement.

Deuxièmement, la Cour a constaté qu'au sein de juridictions similaires et pour des affaires comparables, il existe de grandes différences au niveau des délais de traitement entre les ressorts, divisions et cantons. La Cour souligne dès lors la nécessité pour le Collège des cours et tribunaux de continuer à rechercher les causes de ces disparités.

Troisièmement, la Cour recommande à la ministre de la Justice et au SPF Justice de conclure des accords avec le Collège des cours et tribunaux (et le ministère public en ce qui concerne les affaires pénales) afin de définir des normes claires et précises de temps par juridiction. Dans ce cadre, des contrats de gestion devraient prévoir des actions claires pour garantir une administration équitable de la justice et remédier à l'arriéré judiciaire.

Madame la ministre, quels éventuels nouveaux outils de gestion et d'analyse allez-vous mettre en place afin d'améliorer la collecte et l'analyse des données par les cours et tribunaux? En outre, la Cour des comptes constate que les outils de gestion existants n'ont pas encore été suffisamment développés. Comment allez-vous y remédier? Comment analysez-vous les grandes différences au niveau des délais de traitement entre les divisions et cantons? Identifiez-vous déjà certaines causes et peut-être certaines solutions pour réduire ces disparités? Comment accueillez-vous cette idée de contrats de gestion entre votre cabinet/SPF Justice et les cours et tribunaux? Comment cela pourrait-il s'inscrire, ou pas, dans votre intention d'instaurer l'autonomie de gestion des cours et tribunaux, tel que prévu dans votre note de politique générale? Suite à ce rapport vous avez indiqué souhaiter inventorier les arriérés au cours de la première année de la législature et identifier les problèmes les plus pressants. Pour quand cela est-il prévu?

Marijke Dillen:

Ik verwijs ook naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

Het Rekenhof heeft een onderzoek gedaan naar de doorlooptijden bij de hoven en rechtbanken en de mate waarin het College van Hoven en Rechtbanken die grondig kan analyseren aan de hand van beheersinstrumenten zoals vooropgesteld door artikel 181 Ger. W.

De algemene conclusie is duidelijk: in het kader van een verzelfstandigd beheer voor de rechterlijke organisatie met het oog op een efficiëntere werking diende er een beheersovereenkomst te worden opgesteld met de minister over de verdeling van middelen en over de efficiëntiedoelstellingen. De beheersovereenkomst is er nog niet. Voor de doorlooptijden zijn er geen doelstellingen geformuleerd. Evenmin is er bepaald hoe de beheersinstrumenten precies zullen gebruikt worden om de doorlooptijden te analyseren. In het rapport van het Rekenhof is er een gedetailleerde analyse gemaakt van de doelstellingen en analyse van de doorlooptijden en van de beheersinstrumenten, die momenteel onvoldoende ondersteuning bieden om de oorzaak van de lange en verschillende doorlooptijden te kunnen analyseren.

De minister heeft in haar schrijven dd. 11 augustus 2025 gemeld aan het Rekenhof dat ze de aanbevelingen en conclusies ter harte neemt. Welke concrete initiatieven werden er inmiddels genomen om tegemoet te komen aan de duidelijke aanbevelingen van het Rekenhof?

Wat de opvolging van de doorlooptijden betreft: kan de minister concreet mededelen welke initiatieven er werden genomen om de doorlooptijden van alle rechtbanken en hoven op een vergelijkbare manier in kaart te brengen voor het rechtsprekende niveau? Werd er een concrete tijdslijn afgesproken om normtijden per rechtscollege te bepalen, rekening houdende met de aard van een zaak? Worden er middelen voorzien om deze normtijden in kaart te brengen?

Werden er inmiddels beheersovereenkomsten afgesloten met daarin duidelijke en toetsbare afspraken om de gerechtelijke achterstand aan te pakken?

Wat de analyse van de doorlooptijden betreft: werden er inmiddels initiatieven genomen om in overleg met het College een strategie te ontwikkelen om grote afwijkingen t.o.v. normtijden te ontwikkelen? Werden er hierbij de door het Rekenhof voorgestelde pistes onderzocht?

Werd er inmiddels met het College overlegd welke bijkomende middelen nodig zijn om de beheersinstrumenten voor de analyse van de gerechtelijke achterstand verder te ontwikkelen?

Annelies Verlinden:

Collega's, u zult zich herinneren dat in het regeerakkoord de verdere verzelfstandiging van de rechterlijke orde en het sluiten van beheersovereenkomsten zijn opgenomen. Daarmee gaan enkele belangrijke hervormingen gepaard.

Tout d'abord, la mise en place de l'autonomie s'accompagne d'une flexibilisation de la réglementation légale actuelle afin de rendre les cadres plus souples et en les adaptant mieux à la charge de travail qui peut varier d'un domaine juridique à l'autre.

De beheersautonomie kan niet tot stand komen, voor het tucht- en evaluatierecht wordt hervormd. Bovendien moet zowel de interne als de externe controle op de werking van het gerecht versterkt worden. Op dit moment zijn we bezig met de redactie van het wetsontwerp met betrekking tot tucht en evaluatie Daarnaast werken we aan een nieuwe regeling voor wettelijke flexibele kaders, die in een volgend wetsontwerp zal worden opgenomen.

Un accord sur une plus grande autonomisation doit bien sûr être élaboré en concertation avec l'ordre judiciaire lui-même, y compris les mesures concrètes qui peuvent être prises dans les contrats de gestion. Il va sans dire que tout cela doit également être examiné dans le cadre budgétaire.

De methode om de werklast voor de personele middelen te meten, ligt vast. Het koninklijk besluit van 3 mei 2024 bepaalt immers op grond van artikel 352bis van het Gerechtelijk Wetboek de wijze waarop de werklast van de magistraten van de zetel wordt geregistreerd, alsook de wijze waarop de geregistreerde gegevens worden geëvalueerd. De werklastmeting gebeurt op basis van nationale normtijden per categorie van rechtscollege en vindt om de vijf jaar plaats.

Le rapport de la Cour des comptes est analysé non seulement par mon cabinet mais aussi et surtout par le Collège des cours et tribunaux. Nous attendons avec impatience leur analyse sur les différences de délai entre les différentes divisions. Il est encore trop tôt pour se prononcer à se sujet et proposer des solutions.

Aangezien de doorlooptijden bij de zetel en bij het OM complementair zijn en samen het globale beeld schetsen, moeten de beheersinstrumenten in samenspraak tussen beide pijlers worden ontwikkeld. Het betreft een gedeelde verantwoordelijkheid van zowel het college van de hoven en rechtbanken als het college van het OM. Wat de noden zijn en hoe daaraan tegemoet wordt gekomen voor de ontwikkeling van de tools, zal verder met hen worden besproken.

Voor het OM bestaat een koninklijk besluit van 12 december 2024, waarin de wijze wordt vastgesteld waarop de werklast van het OM wordt geregistreerd en geëvalueerd. Het Rekenhof liet opmerken dat gegevens over doorlooptijden voor elke korpschef en hoofdgriffier ter beschikking zijn. Die gegevens bevatten details, bijvoorbeeld over kamers die relevant zijn voor het interne beheer maar niet voor de parlementaire controle en/of het algemeen belang, en die kunnen leiden tot de identificatie van individuele magistraten. Er zijn met andere woorden al tools beschikbaar om het management toe te laten om operationeel op te volgen waar er eventuele blokkades zijn.

Le premier contrat de gestion devra inclure un objectif relatif à la détermination des normes temporelles, conformément à la recommandation de la Cour des comptes à ce sujet. Les objectifs relatifs à la définition et au suivi du retard judiciaire ainsi qu'à sa résorption y figureront également. Le contrat de gestion rendra publics les objectifs fixés pour les juridictions et apportera de la transparence aux activités poursuivies grâce aux moyens disponibles. Le contrôle parlementaire est déjà accessible au travers des rapports de fonctionnement qui devront être adaptés pour intégrer les objectifs et les indicateurs de suivi. Il convient en outre de noter que de nombreuses entités publient déjà leurs rapports d'activité sur leur site internet, à l'intention du grand public et sans y être légalement tenues à ce jour.

L'inventaire des arriérés a déjà débuté et se poursuit. Le Collège des cours et tribunaux me confirme qu'il devrait pouvoir se terminer à la fin du premier trimestre 2026. Il importe de souligner que ce travail n'avait jamais été entrepris auparavant et que des rencontres ont été organisées avec toutes les juridictions afin d'accomplir cette tâche aussi objectivement que possible.

Kristien Van Vaerenbergh:

Mevrouw de minister, dank u wel voor uw antwoord. Ik hoop dat de beheersovereenkomst, met de flexibilisering van de kaders en een tucht- en evaluatierecht, er eindelijk zal komen deze legislatuur. Het betreft almaar terugkerende problemen bij justitie die al jarenlang hangen. Het is belangrijk dat er maatregelen worden genomen, want veel mensen liggen wakker van de doorlooptijd. Het is niet normaal dat als men vandaag een rechtszaak start, daarover pas jaren later een uitspraak valt. Dat probleem moet worden aangepakt.

Pierre Jadoul:

Merci, madame la ministre, pour ces éléments de réponse. Mon point de vue, c’est que l’arriéré judiciaire est effectivement un poison dans la vie d’une société, en ce qu’il entraîne une forme d’impunité, une forme de droit de fait qui est difficilement tolérable.

On peut être plus ou moins convaincu par le calcul de la charge de travail et par les discussions qui consistent à réclamer toujours plus de moyens. Je ne dis pas que certaines demandes ne sont pas justifiées. Je pense qu’effectivement, si je comprends bien, on va vers une forme d’autonomisation des juridictions avec une forme de responsabilité des juridictions. Or, sauf erreur, c’est un sujet dont on parle depuis un certain temps, voire un certain nombre d’années. Je pense donc qu’il serait utile que l’on puisse avancer, que votre cabinet puisse avancer sur cette mise en œuvre de l’autonomie des juridictions avec une forme de responsabilité évidemment: à la clé, liberté et responsabilité ne sont-elles pas deux valeurs essentielles de notre fonctionnement, en ce compris du fonctionnement judiciaire?

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, dank voor uw antwoord. Ik sluit me aan bij de replieken van de heer Jadoul en mevrouw Van Vaerenbergh.

Voorzitter:

Les questions jointes n° 56010162C de Mme Sofie Merckx et n° 56010164C de M. Julien Ribaudo sont retirées. La question n° 56010168C de M. Julien Ribaudo est également retirée.

De islamisering van de gevangenis in Haren

Gesteld door

lijst: VB Sam Van Rooy

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 2 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sam Van Rooy beweert in Doorbraak dat de gevangenis van Haren gekenmerkt wordt door islamisering en radicalisering, met intimidatie van niet-moslims, vrouwen en LHBTQ+-personen, en stelt dat moslimgedetineerden en -personeel islamitische normen opleggen, terwijl de minister volgens hem geen actie onderneemt. Minister Verlinden benadrukt dat neutraliteit en professioneel gedrag verplicht zijn, verklaart dat Arabisch soms noodzakelijk is voor communicatie met niet-Nederlands/Franstalige gedetineerden, en wijst op bestaande klachtenprocedures en diversiteitstraining, zonder de beschuldigingen van systematische radicalisering te bevestigen of ontkennen. Van Rooy herhaalt zijn kritiek, linkt criminaliteit expliciet aan de islam als leer die "ongelovigen" als doelwit zou legitimeren, en waarschuwt voor een "tikkende tijdbom" bij vrijlating van geradicaliseerde gevangenen. De minister reageert niet op zijn polariserende stellingnames.

Sam Van Rooy:

"Een grotendeels Maghrebijnse gevangenispopulatie, pro-Palestijnse T-shirts, biddende cipiers en personeelsleden die gevangenen regelmatig in het Arabisch aanspreken." Tot zover een hallucinante getuigenis uit de gevangenis van Haren.

Mevrouw de minister, in Doorbraak staat een alarmerende getuigenis over de radicalisering en islamisering in de gevangenis van Haren. De titel luidt: “In onze gevangenissen speelt zich een discrete radicalisering af.” Ik hoop dat u ze hebt gelezen. U weet waar het over gaat, minister, want u werd door Doorbraak om een reactie gevraagd, maar u besloot niet te reageren.

Samengevat komt het erop neer dat, doordat de overgrote meerderheid van de gedetineerden moslim is, evenals een substantieel en groeiend deel van de cipiers en van het andere personeel, islamitische regels en wetten steeds meer domineren in de gevangenis en niet-moslims, vrouwen en homoseksuelen worden geïntimideerd of weggepest.

Enkele citaten. "Zo heb ik weet van een gevangenismedewerker met joodse roots die, zodra de gevangenen daarvan op de hoogte waren, gepest en gechanteerd werd en finaal is overgeplaatst."

Tweede citaat: "Homoseksuele gevangenen worden uitgelachen en zelfs geslagen. Vrouwelijke personeelsleden die een blijkbaar te kort rokje dragen, worden door hun eigen collega's terechtgewezen. Ik heb al meermaals gehoord dat moslim-medewerkers gevangenen met Maghrebijnse roots in het Arabisch aanspreken. Sterker nog, er zijn bewakers die in Haren nu oude jeugdvrienden treffen die achter de tralies zijn beland. Ik hoef je niet te vertellen dat dit geen gezonde situatie is."

Nog een citaat: "Je merkt dat de onverdraagzaamheid toeneemt. Gaat het tijdens de middagpauze bijvoorbeeld over het conflict in Gaza, dan is het not done om pro-Israël uit de hoek te komen. Maar moslim-collega's die met een T-shirt met daarop ‘ Les enfants de Gaza’ en een afbeelding van een watermeloen naar het werk komen, worden ongemoeid gelaten. Terwijl dit natuurlijk niet toegelaten is voor federale ambtenaren."

"Collega’s zijn bang als islamofoob of als racistisch te worden weggezet. In de gevangenis. Ik vrees dat er een discrete radicalisering bezig is in onze gevangenissen.” Enzovoort.

Minister, graag uw reactie hierop. Welke stappen onderneemt u om de islamisering en de radicalisering in de gevangenis van Haren en bij uitbreiding in al onze gevangenissen tegen te gaan?

Annelies Verlinden:

Mijnheer Van Rooy, van personeel wordt verwacht dat zij zich gedurende de uitvoering van hun functie professioneel en neutraal opstellen, ongeacht hun afkomst en religie. Het bewakingspersoneel draagt een uniform dat de neutraliteit mee vorm dient te geven. Het is voor bewakend personeel daarom ook niet toegelaten om T-shirts zichtbaar te dragen. Ze dragen een hemd of polo van hun uniform. Het geloof openbaar praktiseren, wordt tijdens de werkuren niet toegestaan.

Het klopt dat er een stijgende populatie Maghrebijnse gedetineerden is. Een deel van die gedetineerden spreekt geen Frans of Nederlands en kan zich enkel bedienen van de Arabische taal. Het personeel heeft soms geen andere mogelijkheid dan deze populatie in een andere taal wegwijs te maken of te antwoorden. Het principe hierbij is dat de gedetineerde het antwoord krijgt in zowel de taal die hij kent als in het Frans of het Nederlands. Dat geldt uiteraard niet enkel voor de Arabische taal, want ook bij gedetineerden die enkel andere talen spreken dan het Nederlands of het Frans wordt getracht in hun eigen taal te antwoorden indien het personeel die taal machtig is, zoals het Engels of het Spaans. Dat is nodig om de leefbaarheid binnen de gevangenissen te behouden.

De onthaalbrochure is ook in meerdere talen beschikbaar. Op die manier wordt de informatie aangeboden in een begrijpbare taal en wordt ingezet op een begrip van de vigerende principes in het kader van het handhaven van de orde en de veiligheid. Bij de competenties van penitentiair bewakend personeel wordt het hebben van kennis van vreemde talen net als een pluspunt genoteerd. Het kennen van andere talen en het begrijpen van andere culturen met hun gewoonten en gedragsregels kan inderdaad goed zijn om dynamische veiligheid in de detentieomgeving te garanderen. Er wordt in de opleiding van de penitentiaire medewerkers dan ook aandacht besteed aan het aspect van multiculturaliteit en diversiteit en aan de wijze waarop hiermee correct moet worden omgegaan binnen de penitentiaire context.

Het arbeidsreglement geldt voor alle personeelsleden van het DG EPI, evenals het waardekader van de FOD Justitie. De directie van de gevangenis van Haren is zich ervan bewust dat de multiculturele omgeving ook uitdagingen met zich meebrengt en heeft daar bijzonder veel aandacht voor. Wanneer medewerkers klachten of bezorgdheden hebben, kunnen zij altijd bij hun leidinggevenden terecht, die desgevallend de nodige stappen zullen ondernemen. Het kan gaan om inbreuken, intimidatie of pestgedrag van collega's of van gedetineerden.

Sam Van Rooy:

Minister, om te beginnen, het is geen toeval dat moslims sterk oververtegenwoordigd zijn in onze gevangenissen. De islam leert hen immers dat de ongelovigen, de kuffar, een legitiem doelwit zijn van criminele daden en dus mogen worden aangevallen en beroofd.

Onze gevangenissen zijn broeihaarden van radicalisering, waarbij de islamitische wetten en regels domineren en het overnemen, waarbij niet-moslims, vrouwen en homoseksuelen worden geïntimideerd of weggepest en waarbij moslims elkaar islamiseren en nog radicaler worden. U bent er niet op ingegaan. Homoseksuele gevangenen worden uitgelachen en zelfs geslagen, vrouwelijke personeelsleden die volgens hun collega's een te kort rokje dragen, worden terechtgewezen en uit getuigenissen blijkt dat een joodse gevangenismedewerker werd weggepest.

Mevrouw de minister, moslims in onze gevangenissen zijn een tikkende tijdbom. Ze nemen onze gevangenissen over en wanneer ze vrijkomen, wat helaas in dit land veel te snel gebeurt, dan vormen ze een groot gevaar voor onze samenleving.

Voorzitter:

La question n° 56010210C de Mme Schlitz est reportée.

De recente verkrachting in de gevangenis van Antwerpen

Gesteld door

lijst: N-VA Sophie De Wit

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 2 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sophie De Wit wijst op herhaalde verkrachtingen en mishandeling in de Antwerpse gevangenis (Begijnenstraat), gelinkt aan structurele problemen zoals overbevolking, personeelstekort en verouderde infrastructuur, en vraagt om concrete maatregelen en evaluaties. Minister Annelies Verlinden noemt het geweld "onaanvaardbaar", verwijst naar een lopend gerechtelijk onderzoek en een audit (sept. 2024) met procedurele optimalisaties, maar bevestigt dat overbevolking en personeelstekort het veiligheidsbeleid en toezicht ondermijnen, ondanks pogingen tot prioritering. Verlinden erkent dat risicoprofielen moeilijk in te schatten zijn bij nieuwe gedetineerden en dat plaatsgebrek soms gedwongen celindeling veroorzaakt. De Wit bekritiseert dat dergelijke feiten "niet mogen kunnen gebeuren" en dringt aan op maximale veiligheidsinspanningen, ondanks de erkenning van systeemfalen.

Sophie De Wit:

Ik verwijs naar de tekst van mijn vraag zoals ingediend.

Geachte minister,

Volgens recente berichtgeving in de media loopt er een gerechtelijk onderzoek naar de verkrachting van een gedetineerde in de Antwerpse gevangenis aan de Begijnenstraat. Het slachtoffer, dat vastzat voor drugsfeiten, zou tijdens zijn slaap zijn gedrogeerd door één dan wel beide celgenoten. De feiten worden gekwalificeerd als verkrachting en toediening van weerloos makende of remmingsverlagende stoffen.

Deze nieuwe zaak komt bovenop eerdere zware mishandelingen in dezelfde inrichting, waar vorig jaar eveneens een gedetineerde slachtoffer werd van langdurige mishandeling en verkrachting door celgenoten. De gevangenis van Antwerpen kampt al geruime tijd met structurele problemen zoals overbevolking, personeelstekort en verouderde infrastructuur, wat de veiligheid zowel voor gedetineerden als voor het personeel ondermijnt.

Ik heb de volgende vragen voor u:

1. Hoe reageert u op dit nieuwe geweldsincident in de gevangenis van Antwerpen, waar een gedetineerde slachtoffer werd van verkrachting binnen zijn cel?

2. Werd naar aanleiding van dit en eerdere incidenten een interne audit of veiligheidsanalyse uitgevoerd binnen de Antwerpse inrichting en wat waren de conclusies daarvan?

3. Werden na de eerdere mishandelings- en verkrachtingszaak van vorig jaar in Antwerpen concrete structurele maatregelen genomen en hoe evalueert u vandaag de uitvoering en impact daarvan?

4. Hoe beïnvloedt de aanhoudende overbevolking in de Antwerpse gevangenis de mogelijkheid om risicovolle profielen van elkaar te scheiden en werden er nog gedetineerden met uiteenlopende risicoprofielen samen geplaatst wegens plaatsgebrek?

5. In welke mate speelt het tekort aan penitentiair personeel in Antwerpen een rol bij het verminderen van toezicht en het tijdig detecteren van geweldsfeiten en werden er sinds vorig jaar bijkomende versterkingen of veiligheidsmaatregelen voor het personeel voorzien?

Dank voor uw antwoorden.

Annelies Verlinden:

Mevrouw De Wit, dergelijk gedrag is uiteraard onaanvaardbaar en er moet streng worden opgetreden. De melding maakt momenteel het voorwerp uit van een gerechtelijk onderzoek. We betreuren het voorval, maar kunnen, gelet op het onderzoek, geen bijkomende inhoudelijke informatie geven.

In september 2024 werd een audit uitgevoerd met betrekking tot de infrastructurele veiligheid van de instelling. De procedures werden doorgelicht en waar nodig geoptimaliseerd.

Het onderzoek naar aanleiding van het recente incident is nog lopende. Er wordt momenteel gewerkt aan een project voor het centraal beheer van primaire beveiligingssystemen via een platform.

Het ligt voor de hand dat indien de graad van overbevolking bepaalde marges overschrijdt, dat het intern plaatsingsbeleid onder druk zet. Dat plaatsingsbeleid tracht met zoveel mogelijk factoren rekening te houden, die betrekking hebben op interne of externe gevaren, medisch gerelateerde aspecten, bijvoorbeeld diabetes, de aanwezigheid van psychiatrische problematieken, het behoren tot rivaliserende groepen, rookgedrag en zo meer. Sommige gedetineerden staan onder een bijzondere veiligheidsmaatregel of een individueel bijzonder veiligheidsregime en kunnen bijgevolg met niemand een ruimte delen. Daarenboven weet men van een nieuwe gedetineerde, zeker van een beklaagde, niet altijd of die een risicovol profiel heeft en hoe die zich in een detentietoestand zal gedragen. De directie kan zich veelal slechts op het aanhoudingsmandaat beroepen en op een eventuele melding van de politie die de beklaagde binnenbrengt.

Wat betreft uw vraag inzake het tekort aan penitentiair personeel zal mijn antwoord niet verrassen. De personeelskaders opgevuld krijgen en houden is, in tijden waarin het voor veel beroepen steeds moeilijker wordt om medewerkers te vinden, een uitdaging. Dat geldt uiteraard ook in combinatie met het hoge aantal gedetineerden, waardoor het integraal uitgevoerd krijgen van alle opdrachten die idealiter zouden moeten worden uitgevoerd, steeds meer een uitdaging vormt. Dat staat dus eveneens onder druk, maar ook in moeilijke tijden wordt er alles aan gedaan om de prioriteiten juist te zetten en te houden.

Sophie De Wit:

Mevrouw de minister, ik ben me ervan bewust dat de personeelsproblematiek en de overbevolking alles bemoeilijken. Ik denk echter dat we er alles aan moeten doen om de veiligheid, zowel binnen als buiten de gevangenis, te vrijwaren. Feiten als die verkrachting zouden niet mogen kunnen gebeuren.

Het matrassentekort in de gevangenis te Hasselt

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 2 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Alain Yzermans bekritiseert de alarmistische overbevolking (13.500 gedetineerden, +350% grondslapers sinds deze regering) en extreme situatie in Hasselt (145% overbevolking, 36 grondslapers), waar de commissie van toezicht waarschuwt voor improvisatie door gebrek aan basismateriaal (bedden, voedsel). Hij vraagt om concrete plannen voor humane detentie, personeelstekort en logistieke garanties. Minister Verlinden bevestigt de crisis en wijst op structurele oorzaken (stop noodmaatregelen, stijging langgestraften/geïnterneerden), maar noemt genomen stappen: de noodwet (vroegtijdige vrijlating), ad-hocbevoorrading, en een sociaal akkoord in Hasselt (44 aanwervingen, 22 statutariseringen). Ze belooft verdere regeringsmaatregelen en analyseert mutaties voor extra personeel. Yzermans juicht de vooruitgang toe maar pleit voor een integrale aanpak, met bewustmaking bij magistratuur en buitenlandse voorbeelden (Frankrijk/Nederland, kleinschalige detentie), om het verloren effect van eerdere maatregelen te compenseren. Kritiek op systeemfalen blijft centraal.

Alain Yzermans:

De groei van de overbevolking is helaas nog niet gestopt. Sinds gisteren is de kaap van 13.500 gedetineerden in onze gevangenissen overschreden. Ook het aantal grondslapers bereikt ongekende hoogten: inmiddels 569, een stijging met 350 % sinds het begin van deze regering.

In Hasselt is de evolutie gelijkaardig. Daar bedraagt de overbevolking geen 22 % zoals op nationaal niveau, maar 145 %. Er zijn 36 grondslapers, zes meer dan op het moment waarop ik mijn vraag indiende. De voorzitter van de commissie van toezicht benadrukte in een persbericht dat de laatste twaalf matrassen uit het magazijn zijn gehaald voor de grondslapers en dat, mochten er nog bijkomen, men genoodzaakt zal zijn om te improviseren. Mijn vragen zijn dan ook heel duidelijk.

Hoe ziet u de rol van de commissie van toezicht bij het verbeteren van de situatie in het kader van een humaan detentiebeleid? Was u op de hoogte van deze aanklacht, en hoe werd daarop gereageerd? Daarnaast, hoe zult u de overbevolking in deze gevangenis aanpakken? Hoever staat het met de basisbehoeften voor gedetineerden, zoals beddengoed, voedselvoorziening enzovoort? Hoe worden deze gewaarborgd gezien de demografische evolutie en de blijvende overbevolking? Kunnen deze materiële voorzieningen nog volgen?

Wat is uw plan om het personeelstekort aan te pakken, gelet op het wederkerige effect tussen onderbezetting van personeel en overbezetting van het aantal gedetineerden? Hoe zult u meer personeel in Hasselt aantrekken? En hoever staat u vandaag in dit dossier met betrekking tot het sociaal akkoord?

Annelies Verlinden:

Dank u wel, collega Yzermans. Laat me toch nog even zeggen dat ik blij ben dat u hier bent en dat ik hoop dat we elkaar de komende weken en maanden zo vaak mogelijk hier nog kunnen ontmoeten.

Alain Yzermans:

Dank u wel!

Annelies Verlinden:

Wat uw vraag betreft, het externe toezicht op de gevangenissen wordt geregeld in de artikelen 20 tot en met 31/1 van de basiswet. De Centrale Toezichtsraad voor het Gevangeniswezen houdt, via de lokale commissies van toezicht die in al onze gevangenissen bestaan, onafhankelijk toezicht op de detentieomstandigheden. Zij kunnen advies verstrekken of informatie bezorgen aan de CTRG, uit eigen beweging of op verzoek. Ze rapporteren hun vaststellingen, waarna jaarlijks een jaarverslag wordt opgesteld over de bevindingen in elke inrichting. De commissies van toezicht en de CTRG zijn partners. Hun onafhankelijke vaststellingen zijn belangrijk voor het beheer, het leven en het werken in de gevangenissen, en zij besteden uiteraard bijzondere aandacht aan de gevolgen van de overbevolking.

Ik ben mij zeer bewust van de urgentie en de onhoudbaarheid van de situatie, zowel voor de gedetineerden als voor het personeel. Om die reden hebben we al diverse initiatieven genomen. Via verschillende taskforces wordt gewerkt aan oplossingen voor thema’s zoals capaciteit, de problematiek van geïnterneerden, personen zonder verblijfsrecht en veiligheid.

Om op korte termijn soelaas te bieden in de strijd tegen de overbevolking werd de noodwet aangenomen, waardoor meer kon worden ingezet op re-integratie en op de vrijlating van gedetineerden die daarvoor in aanmerking kwamen. De noodwet heeft, zoals eerder besproken, wel degelijk effect gehad, maar de gevangenispopulatie is toch blijven toenemen. Dat is onder meer het gevolg van de stopzetting van eerdere noodmaatregelen en dus de tenuitvoerlegging van veroordelingen tot drie jaar, de stopzetting van het VPV, de gedeeltelijke uitvoering van de opgeschorte briefjes door de parketmagistraten ten gevolge van de geplande pensioenhervorming, het stijgend aantal beklaagden, het stijgend aantal langgestraften en ook het toenemend aantal geïnterneerden. Ik heb hierover eerder al uitgebreid toelichting gegeven.

Het is dus noodzakelijk om binnen de regering bijkomende maatregelen te bespreken in de strijd tegen de overbevolking, en in het bijzonder tegen het fenomeen van de grondslapers.

De overbevolking leidt onvermijdelijk ook tot operationele en logistieke uitdagingen, maar er worden inspanningen geleverd om die te beheersen. De inrichting wordt bevoorraad met allerlei materiaal, hetzij via de centrale diensten, hetzij via andere gevangenissen die nog over voorraad beschikken, hetzij via derden. Alles wordt in het werk gesteld om urgente problemen ad hoc op te lossen.

Eind 2024 werd in de gevangenis van Hasselt een protocol gesloten om de instroom van nieuwe medewerkers te regelen. Samen met de vakbonden werd geopteerd voor een systeem van 50 % wervingen gekoppeld aan 50 % mutaties. De aanwervingen werden gerealiseerd: er werden 40 plaatsen geopend en 44 wervingen uitgevoerd. Van die 44 waren er 22 extern aan de gevangenis van Hasselt en 22 contractuelen werden ter plaatse statutair benoemd. Door deze statutarisatie werd hun kennis voor een deel verankerd binnen de gevangenis. Dat was ook een vraag van de lokale directie en van de lokale vakbonden.

Voor het luik van de mutaties loopt de analyse momenteel. We kunnen daarover dus nog geen cijfers geven, maar we volgen de situatie op de voet.

Alain Yzermans:

Dit stemt me positief. Ik wil verwijzen naar het interessante debat dat we deze ochtend hebben gevoerd met de Centrale Toezichtsraad op het Gevangeniswezen, waarin een aantal suggesties werden geformuleerd. De suggestie om ook bij de magistratuur en de rechters de nodige bewustwording te creëren zodat zij meewerken aan een integrale oplossing, zou uiteraard bijdragen. De afname, die bijzonder groot is geweest, van het aantal mensen die wachtten op de uitvoering van hun straf – u hebt het zelf zonet gezegd – heeft ervoor gezorgd dat het effect van uw maatregelen voor een stuk verloren is gegaan. Het is belangrijk dat die integrale aanpak wordt voortgezet en dat we blijven kijken naar het buitenland inzake regulering. Een aantal voorstellen bestaan al; Frankrijk en Nederland passen die toe. Ook detentie op kleine schaal – alhoewel dat maar druppels zijn op een hete plaat – vormt een voorbeeld dat we moeten blijven nastreven.

De bouw van de nieuwe gevangenis in Vresse-sur-Semois

Gesteld door

lijst: N-VA Sophie De Wit

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 2 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sophie De Wit kritiseert de keuze voor een PPS/DBFM-contract (171 miljoen euro, oplevering 2029) voor de nieuwe gevangenis in Vresse-sur-Semois, vraagt zich af of dit kostenefficiënt en tijdig is, en wijst op urgente capaciteitsproblemen en bereikbaarheidsuitdagingen (personeel, familiebezoek). Minister Annelies Verlinden verdedigt de DBFM-formule als garantie voor prijs en timing (refererend aan tevredenheid over Eiffage in Marche-en-Famenne), belooft opvolging via contractuele afspraken en pendelbussen voor bereikbaarheid, en benadrukt dat nieuwe gevangenissen via een apart budget lopen zonder afbreuk te doen aan renovaties elders. De Wit blijft sceptisch over de hoge kosten en afgelegen locatie, maar erkent de nood aan extra capaciteit. Verlinden bevestigt dat vergunningen cruciaal zijn voor de timing en dat investeringen in bestaande gevangenissen gescheiden blijven van nieuwe projecten.

Sophie De Wit:

Mijnheer de voorzitter, ik verwijs naar mijn schriftelijke voorbereiding.

Geachte minister,

Recent werd bekend dat het bouwbedrijf Eiffage de opdracht heeft gekregen voor het DBFM-project (Design, Build, Finance, Maintain) van de nieuwe gevangenis in Vresse-sur-Semois. De investering bedraagt 171 miljoen euro voor 312 plaatsen, met oplevering pas voorzien in 2029.

Hoewel dergelijke projecten via PPS (publiek-private samenwerking) op papier modern en duurzaam zijn, rijzen er vragen over de kostenefficiëntie, timing en transparantie van deze formule, zeker gezien de urgente capaciteitsnoden in het gevangeniswezen.

Ik heb volgende vragen voor u:

1) Waarom werd voor Vresse-sur-Semois opnieuw gekozen voor een PPS/DBFM-formule en hoe evalueert u de resultaten van eerdere penitentiaire projecten volgens dit model, inzonderheid de samenwerking met Eiffage bij de bouw van de gevangenis van Marche-en-Famenne?

2) Welke waarborgen werden ingebouwd om te vermijden dat de reeds aanzienlijke investeringskost van 171 miljoen euro verder oploopt en hoe ziet u de rol van Justitie bij de beleidsmatige opvolging en evaluatie van dit project?

3) Acht u het haalbaar dat de gevangenis effectief operationeel zal zijn tegen 2029 en welke maatregelen neemt Justitie om de uitvoering en ingebruikname tijdig te verzekeren?

4) Hoe werd bij de keuze voor de locatie Vresse-sur-Semois rekening gehouden met de bereikbaarheid en de verwachte uitdagingen op het vlak van personeelsrekrutering en familiebezoek, die zich bij andere afgelegen inrichtingen al hebben voorgedaan?

5) Hoe garandeert u dat de aanzienlijke investeringen in nieuwe inrichtingen, zoals Vresse-sur-Semois, niet ten koste gaan van dringende renovaties en veiligheidswerken in de bestaande gevangenissen, noch van kleinere uitbreidingsprojecten zoals de tijdelijke of modulaire units?

Dank voor uw antwoorden.

Annelies Verlinden:

Mevrouw De Wit, de keuze voor de DBFM-formule voor de bouw van de nieuwe gevangenis in Vresse-sur-Semois is bewust gemaakt. Het contract biedt garanties inzake timing en prijs, wat soms beter is dan bij een klassiek bouwproject. Zo is men in Marche-en-Famenne zeer tevreden over de samenwerking met de private partner. De kostprijs is bepaald in de finale offerte van het consortium en is opgenomen in het contract; de financial close volgt na het verkrijgen van de vergunningen. Enkel prijsherzieningen door indexering of onvoorziene omstandigheden, zoals opgenomen in het contract, zullen mogelijk zijn. Bovendien zal de lokale gevangenis met de steun van het centraal bestuur de opvolging van de contractuele eisen continu controleren.

Het blijft meer dan wenselijk dat de gevangenis operationeel is tegen 2029, al is dat onder voorbehoud van het verkrijgen van de noodzakelijke vergunningen. Zodra die verkregen zijn, kan een exacte opleverdatum worden bepaald. Het voordeel van een DBFM-contract is dat het consortium zich aan de afgesproken termijnen moet houden.

De keuze van de locatie dateert van de Zweedse regering. We zijn ons ervan bewust dat de uitbouw van een hedendaagse gevangenis waarbij humane detentie centraal staat, daar zeker mogelijk is, maar dat daar uitdagingen aan verbonden zijn. We zullen tijdig starten met de personeelsaanwervingen om indien nodig tijdig te kunnen bijsturen. Er zal tevens in een pendelbus worden voorzien om personeel vanaf strategische locaties, bijvoorbeeld een station, te vervoeren. Dat moet nog in detail worden uitgewerkt, maar is budgettair ingepland. Er is ook contact met TEC om een mogelijke busverbinding te bespreken.

U uitte uw bezorgdheid dat door de bouw van nieuwe inrichtingen geen investeringen meer zouden worden gedaan in bestaande inrichtingen. De bouw van de nieuwe gevangenissen verloopt evenwel via een apart, extra vrijgemaakt budget. Investeringen in andere gevangenissen gebeuren via de klassieke investeringslijst van de Regie der Gebouwen. Het gaat dus om afzonderlijke begrotingscircuits.

Het blijft essentieel te investeren in het bestaande gebouwenpark en in extra capaciteit om op korte, middellange en lange termijn te kunnen antwoorden op noden. De vrijgemaakte middelen tijdens het begrotingsconclaaf zullen daaraan kunnen bijdragen.

Sophie De Wit:

Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord. Mijn bezorgdheid was ingegeven door het feit dat er vandaag al 171 miljoen euro investeringskosten zijn, wat niet weinig is. Dan is er ook nog de ligging. Ik weet dat u destijds de keuze voor de locatie niet hebt gemaakt. Wij moeten in ieder geval goed opvolgen hoe aan de daarmee gepaard gaande uitdagingen, onder andere wat de bereikbaarheid betreft, tegemoet wordt gekomen. Ik ben alleszins blij dat nog aan bijkomende inrichtingen wordt gewerkt; wij hebben immers extra capaciteit nodig.

De opzettelijke aanrijding van politieambtenaren in Schaarbeek

Gesteld door

lijst: N-VA Sophie De Wit

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 2 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sophie De Wit vraagt kritisch hoe België omgaat met geweld tegen politie, na een incident in Schaarbeek waar een bestuurder met Frans geweldsverleden opzettelijk vier agenten probeerde aan te rijden, en beklemtoont gaten in informatie-uitwisseling (ECRIS) en strafrechtelijke uniformiteit tussen parketten. Minister Verlinden benadrukt dat geweld tegen politie altijd vervolgd moet worden en stelt dat buitenlandse veroordelingen weliswaar in strafdossiers worden opgenomen, maar erkent impliciet dat herhalingsrisico’s (bv. bij proeftermijnen) afhangen van rechterlijke beoordeling. De Wit bekritiseert dat het systeem onvoldoende voorkomt dat personen met buitenlands geweldsverleden en inreisverboden in België nieuwe misdrijven plegen, en dringt aan op leren uit dergelijke casussen voor strengere strafuitvoering. Verlinden verdedigt het huidige beleid maar biedt geen concrete oplossingen voor snellere opsporing of preventie.

Sophie De Wit:

Ik verwijs naar de ingediende vraag.

Geachte minister,

In Schaarbeek deed zich afgelopen weekend een ernstig incident voor waarbij politieambtenaren doelwit werden van doelbewust geweld. Volgens het parket van Brussel reed een bestuurder tijdens een controle met opzet in op vier agenten van de zone Brussel-Noord. De agenten konden op het nippertje ontwijken, maar zijn zwaar in shock en minstens vier dagen arbeidsongeschikt. Het politievoertuig liep zware schade op, wat de gewelddadige impact van de feiten illustreert.

De verdachte werd aangehouden en ter beschikking gesteld van de onderzoeksrechter, die door het parket werd gevorderd met het oog op een aanhoudingsbevel wegens poging tot doodslag. Uit berichtgeving blijkt dat hij pas sinds kort in België verblijft, maar in Frankrijk al veroordeeld werd voor gewelddaden en daar zelfs een inreisverbod kreeg.

Hoewel de procureur des Konings van Brussel Julien Moinil benadrukte dat geweld tegen politie systematisch vervolgd wordt, roept dit incident toch vragen op over het strafrechtelijke vervolgingsbeleid, de informatie-uitwisseling tussen lidstaten en de snelle opvolging van buitenlandse antecedenten.

Ik heb hieromtrent volgende vragen voor u.

1) Hoe verloopt vandaag de informatie-uitwisseling van justitiële antecedenten tussen België en andere lidstaten, in deze Frankrijk, en wordt binnen het European Criminal Records Information System (ECRIS) voldoende gewaarborgd dat buitenlandse veroordelingen wegens gewelddaden tijdig en volledig worden overgemaakt aan de Belgische autoriteiten?

2) Hoe wordt binnen de strafuitvoering en het toezicht op veroordeelden met buitenlandse antecedenten omgegaan met de ontvangen informatie over eerdere veroordelingen en op welke manier wordt erop toegezien dat dergelijke personen tijdens of na hun straf geen nieuwe gewelddaden plegen in België?

3) Welke criteria worden door de parketten in de praktijk gehanteerd om bij opzettelijke aanrijdingen op agenten het onderscheid te maken tussen de strafrechtelijke kwalificatie poging tot doodslag en de andere strafrechtelijke kwalificaties zoals opzettelijke slagen en verwondingen of vernielingen en wordt daarbij gestreefd naar meer uniformiteit tussen de parketten?

4) Wordt binnen het College van procureurs-generaal of de FOD Justitie systematisch geëvalueerd in welke mate het huidige vervolgings- en strafuitvoeringsbeleid volstaat om geweld tegen politieambtenaren doeltreffend te bestraffen en overweegt u naar aanleiding van dit en eerdere geweldsincidenten tegen politieambtenaren bijkomende maatregelen om de strafrechtelijke bescherming van gezagsdragers in de uitoefening van hun functie verder te versterken?

Annelies Verlinden:

Collega De Wit, uiteraard wil ik opnieuw benadrukken dat geweld tegen de politie ten strengste veroordeeld moet worden en dat ik de procureur van Brussel alleen kan steunen in zijn voornemen om elk voorval van geweld tegen politiemensen, hoe klein of hoe zwaar ook, te vervolgen.

Inzake uw vraag over buitenlandse veroordelingen geldt dat die informatie zich normaliter ook in het strafuitvoeringsdossier bevindt, evenals antecedenten over Belgische veroordelingen. De toekenning van een modaliteit en het toezicht daarop verlopen op dezelfde wijze als die voor veroordeelden met enkel Belgische antecedenten. Het hebben van Belgische of buitenlandse antecedenten is bovendien één van de elementen die de strafuitvoeringsrechter, of in voorkomend geval de strafuitvoeringsrechtbank, mee evalueert voor de beoordeling van de tegenaanwijzingen in de procedure tot toekenning van de modaliteit.

Ingeval tijdens de proeftermijn de betrokkene veroordeeld wordt bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing wegens een wanbedrijf of een misdaad, of wegens een gelijkwaardig misdrijf dat in aanmerking wordt genomen overeenkomstig artikel 99bis van het Strafwetboek, is dit een herroepingsgrond waarvoor het OM de zaak aanhangig kan maken bij de strafuitvoeringsrechter, of in voorkomend geval bij de strafuitvoeringsrechtbank.

Sophie De Wit:

Dank u wel voor uw antwoord, mevrouw de minister. Het blijft natuurlijk altijd problematisch. Ik meen dat we echt moeten bekijken hoe we omgaan met iemand die in het buitenland al veroordeeld is wegens gewelddaden en zelfs een inreisverbod krijgt, maar hier toch nieuwe feiten kan plegen. Ik meen dat dit geen evidente oefening is, maar we moeten daar toch bekijken hoe we daarmee omgaan. Dit is natuurlijk één casus, maar uit sommige casussen kunnen we wel iets leren wat de strafuitvoering betreft.

De situatie in de gevangenis van Haren en de door de vakbonden aangekondigde staking

Gesteld door

lijst: VB Marijke Dillen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 2 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Marijke Dillen bekritiseert dat de gevangenis van Haren – oorspronkelijk bedoeld voor individuele, menselijkere detentie – nu stapelbedden plaatst om overbevolking (40 extra plaatsen) en grondslapers (550+ landelijk) te bestrijden, wat het oorspronkelijke concept ondermijnt; het personeel (met 100 tekort op 795) dreigt te staken door overbelasting en gebrek aan overleg. Minister Verlinden verdedigt de maatregel als tijdelijke noodoplossing om ergere omstandigheden (grondslaap) te voorkomen en benadrukt dat het geen structurele afwijzing is van individuele detentie, maar wijt de crisis aan landelijke overbevolking en rekruteringsproblemen (o.a. Brusselse arbeidsmarkt, hoog verloop in nieuwe gevangenissen). Zij claimt wel overleg met vakbonden (7/11) en personeel via mail, plus aanwervingscampagnes, maar Dillen stelt de transparantie en haalbaarheid van deze aanpak impliciet in vraag.

Marijke Dillen:

Ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

De gevangenis van Haren moest de toekomst van het Gevangeniswezen worden met individuele cellen in een gevangenisdorp van verschillende leefgroepen. Het was de bedoeling dat individuele detentie zou kunnen leiden tot een meer menselijkere detentie. Het zou ook geweld tussen gedetineerden onderling of met cipiers moeten voorkomen en de re-integratie op langere termijn vergemakkelijken. Maar het Directoraat-Generaal van het Gevangeniswezen heeft aan het gevangenispersoneel van Haren laten weten dat er in de eenpersoonscellen stapelbedden zullen worden geplaatst om een antwoord te bieden op de problematiek van de overbevolking. Zo zullen er ongeveer 40 plaatsen bij gecreëerd worden. Op deze wijze zal de oorspronkelijke bedoeling van individuele detentie eindigen. Maar het personeel gaat hier niet mee akkoord en heeft een stakingsaanzegging aangekondigd voor 19 november a.s.

Daarnaast is er ook de problematiek van de onderbezetting van het personeel. Er moeten ongeveer 795 voltijdse personeelsleden werken maar er zijn ongeveer 100 personeelsleden te kort. Dit leidt tot een verhoogde werkdruk en onaanvaardbare arbeidsomstandigheden voor het personeel.

Kan de minister meer toelichting geven betreffende deze moeilijkheden in de gevangenis van Haren? Zullen er op deze wijze effectief bijkomende plaatsen worden gecreëerd? Waarom wordt er nu afgeweken van het principe van de individuele detentie die zou moeten leiden tot een meer menselijke detentie?

Welke alternatieve initiatieven worden er uitgewerkt om de vooropgestelde meer menselijke detentie te realiseren?

Heeft er voorafgaandelijk de beslissing van het Directoraat-Generaal van het Gevangeniswezen overleg plaatsgevonden met het personeel? Zo ja, graag toelichting. Zo neen, waarom niet?

Kan de minister meer gedetailleerde toelichting geven betreffende de onderbezetting van het personeel? Wat zijn hiervan de oorzaken? Werden er initiatieven genomen om hieraan tegemoet te komen om zo de hoge werkdruk van het personeel aan te pakken?

Annelies Verlinden:

Collega, tot midden november hanteerden we in de gevangenis van Haren een strikt maximaal bevolkingscijfer. Zodra dat cijfer dreigde te worden overschreden door binnenkomende gedetineerden, werden die systematisch naar andere arresthuizen doorverwezen. Dat had echter belangrijke repercussies voor de bevolkingsdruk in de andere arresthuizen, zowel in het noorden als in het zuiden van het land. De realiteit is dat de extreme en aanhoudende overbevolking in de arresthuizen ertoe leidt dat het aantal grondslapers opnieuw sterk toeneemt. Het zijn er zelfs meer dan 550 en die situatie is – ik herhaal – niet houdbaar.

Het voorzien van stapelbedden in verblijfsruimten waar momenteel een enkel bed staat, biedt inderdaad tijdelijk bijkomende plaatsen. Door die maatregel vermijden we dat gedetineerden elders opnieuw op een matras op de grond moeten slapen. Het is uiteraard een tijdelijke maatregel en geen structurele oplossing, en doet bijgevolg geen afbreuk aan de fundamentele ambitie om in Haren naar een meer humane, individuele detentie te evolueren, zodra de omstandigheden dat toelaten.

Met betrekking tot uw vraag over het overleg met het personeel, verwijs ik naar het overleg met de vakbonden op vrijdag 7 november, waarop zij over de beslissing geïnformeerd werden. De beslissing werd ook door het inrichtingshoofd via e-mail aan het personeel kenbaar gemaakt. Op maandag 10 november werd gestart met de omvorming van de verblijfscellen tot duocellen. De directie lichtte het personeel en de vakbonden in over de noodzaak, evenals over de nationale context en de detentieomstandigheden en de daaruit voortvloeiende nood aan bijkomende plaatsen in Haren.

Wat de onderbezetting betreft, het is correct dat de gevangenis van Haren momenteel met een personeelstekort kampt. Dat tekort is het gevolg van een combinatie van factoren, waaronder de Brusselse arbeidsmarkt. Daarnaast is een nieuwe grote inrichting zoals Haren in het begin traditioneel gekenmerkt door een hoger verloop, onder meer door de aanpassing aan nieuwe werkprocessen en een nieuwe organisatiecultuur. Om de situatie aan te pakken zetten we in op verschillende maatregelen. Zo werden permanente aanwervingsprocedures georganiseerd, gekoppeld aan een gerichte employer branding om kandidaten warm te maken voor de job, en voeren we intensieve rekruteringscampagnes om nieuwe medewerkers aan te trekken.

Marijke Dillen:

Dank voor uw antwoord, mevrouw de minister.

De zogeheten afvalmaffia

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 2 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Alexander Van Hoecke (N-VA) wijst op de ophefbarende afvalmaffia in de Kempen, waar 3.000 ton vervuild zout en drugsafval illegaal gedumpt zou zijn, en vraagt om versterkte opsporing en samenwerking met Nederland. Minister Annelies Verlinden bevestigt dat de criminaliteit zich uitbreidt naar heel België (met focus op Antwerpen/Limburg), meldt 14 lopende onderzoeken in 2024 en 19 druggerelateerde dumpingen dit jaar, maar erkent dat cijfers onvolledig zijn door coderingsproblemen; ze benadrukt sensibilisering (o.a. Smell It-avonden) en lokale samenwerking. Van Hoecke bekritiseert dat de 14 gemelde dumpings slechts "het topje van de ijsberg" zijn en noemt het een onderbelichte, georganiseerde criminele structuur die hand in hand gaat met drugshandel, vooral in grensgebieden. Verlinden kondigt een mogelijk nationaal meldpunt aan en werkgroepen, maar concrete extra middelen worden niet genoemd.

Alexander Van Hoecke:

Ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn ingediende vraag.

In de Kempen werden zes personen opgepakt die deel zouden uitmaken van de zogeheten 'afvalmaffia'. Het gaat om een criminele organisatie die op grote schaal chemisch afval zou lozen in het Belgisch-Nederlands grensgebied.

Er is onder meer sprake van 3.000 ton aan vervuild industrieel zout dat uitgestrooid zou zijn over landbouwgronden in de Kempen. Ook zijn er vermoedens dat er aanzienlijke hoeveelheden drugsafval zijn begraven in het grensgebied. Er is eveneens sprake van het dumpen van alcoholgel en siliconen.

Afgelopen zomer werd al door de Turnhoutse procureur Stéphanie Chomé en de gerechtelijk directeur van de federale politie Yve Driesen aan de alarmbel getrokken over deze vorm van criminaliteit waarbij het traditionele landbouwmilieu misbruikt wordt door het traditionele drugsmilieu.

Zijn er in de tussentijd nog bijkomende arrestaties verricht in dit onderzoek?

Hoe verloopt de samenwerking met de bevoegde Nederlandse autoriteiten bij de opsporing en vervolging van dergelijke grensoverschrijdende en georganiseerde milieucriminaliteit?

Wat is de oorsprong van het chemisch afval dat geloosd werd? Gaat het louter om afval dat afkomstig is uit het drugsmilieu of vindt het afval zijn oorsprong ook elders?

Beperkt het fenomeen zich tot het Belgisch-Nederlands grensgebied in de Kempen of is er ook elders sprake van gelijkaardige vormen van georganiseerde criminaliteit?

Hoeveel onderzoeken naar geloosd chemisch of drugsafval werden er dit jaar en vorig jaar al geopend door de federale gerechtelijke politie?

Gaat de minister extra middelen inzetten of extra initiatieven nemen om deze vorm van criminaliteit te bestrijden?

Annelies Verlinden:

Collega, ik kan geen informatie delen over lopende onderzoeken, dat weet u. Verder is het in het algemeen belangrijk te benadrukken dat geen enkele regio immuun is voor dat fenomeen. De arrondissementen Antwerpen en Limburg blijken weliswaar het vaakst getroffen door drugslabo’s en dumpingen. Toch merken we de laatste jaren een geografische spreiding naar het hele land, onder meer ook naar arrondissementen in Wallonië.

Sinds 1 januari 2024 heeft de FGP 14 onderzoeken ingesteld naar fraude bij het afvalbeheer. Wat de illegale dumpingen van afval betreft, gerelateerd aan de productie van drugs die door de FGP worden behandeld, beschikken we niet over gestructureerde statistieken. We stellen echter vast dat drie dossiers die sinds 1 januari 2024 door de FGP zijn behandeld en betrekking hebben op organisaties actief in de drugshandel, melding maken van overtredingen in verband met het illegaal storten van afval.

De vaststelling is afhankelijk van de volledigheid van de codering door de entiteiten, wat dus mogelijk tot een onderschatting kan leiden. De Clan Lab Response Unit van de centrale directie DJSOC biedt gespecialiseerde ondersteuning bij de ontdekking van clandestiene labo’s die semisynthetische drugs produceren, bij opslagplaatsen of bij dumpingen die verband houden met de productie ervan. Die dienst werd over 19 dumpingen ingelicht in 2024. In 2025 staat de teller momenteel op 14 vermoedelijk druggerelateerde dumpingen.

Het NICC, de federale politie en de lokale politie organiseren in nauwe samenwerking met de plaatselijke overheden regelmatig Smell It-infoavonden, waarbij burgers gesensibiliseerd worden om verdachte situaties te herkennen. In de meest getroffen provincies werden specifieke parketrichtlijnen opgesteld met betrekking tot de problematiek van labo’s en drugsdumpingen. Daarbij werden alle partners betrokken, dus zowel de federale politie – gerechtelijk en bestuurlijk –, de lokale politie, het parket en de civiele bescherming. De parketrichtlijnen staan ter beschikking van de andere arrondissementen als voorbeeld van best practice. Binnen de algemene cel Drugbeleid werd een werkgroep opgericht rond de problematiek van dumpingen, waarbij alle partners zijn betrokken. De provinciale anonieme meldpunten blijken een effectief hulpmiddel om verdachte situaties te melden waarbij sneller kan worden opgetreden en in sommige gevallen nuttige informatie kan worden verkregen over het gemelde feit. Momenteel wordt bekeken of de oprichting van een nationaal meldpunt een toegevoegde waarde zou kunnen hebben.

Alexander Van Hoecke:

Mevrouw de minister, u hebt het over 14 vermoedelijke dumpingen van drugsafval, maar ik vrees dat dat maar het topje van de ijsberg is. Hoe groter de drugsproblematiek en de drugscriminaliteit, hoe groter ook het probleem van het dumpen van drugsafval. Het is heel belangrijk dat we zoveel mogelijk de burgers zelf inschakelen en hun vragen om dat meteen te melden als zij iets verdachts opmerken. Het is verontrustend dat het dumpen van drugsafval een georganiseerd karakter aanneemt en gebeurt binnen een structuur die heel goed lijkt op de structuur van de drugsorganisaties zelf. Het is een georganiseerde vorm van criminaliteit geworden. Het is iets dat, zeker in meer afgelegen gebieden, vaak onder de radar blijft en waarbij soms andere louche figuren betrokken zijn die wat kunnen bijverdienen door samen te werken met de afvalmaffia. Het is een enorm probleem, zeker in de grensregio tussen Nederland en Vlaanderen, in de Kempen, dat zwaar onderbelicht blijft. We blijven het dus verder opvolgen.

Oorlogsmisdaden in Bosnië

Gesteld door

lijst: PS Khalil Aouasti

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 2 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Khalil Aouasti vraagt of minister Verlinden op de hoogte is van een Italiaanse studie over mensenjachten in Bosnië (1992-1995), waarbij volgens beweringen ook Belgen betrokken waren, en bekritiseert het ontbreken van openbare reactie op deze "banalisering van absoluut kwaad", met de vraag of België een strafonderzoek startte naar deze mogelijke oorlogsmisdaden (die onverjaarbaar zijn). Verlinden bevestigt dat het federale parket de studie kent, maar dat Italië nog geen officiële informatie deelde; via Eurojust wordt om verduidelijking gevraagd, en bij concrete aanwijzingen voor Belgische betrokkenheid volgt een onderzoek volgens de wet. Aouasti uit kritiek op de passiviteit en hoopt op snelle opvolging, benadrukkend dat het "onaanvaardbaar" is dat oorlogsmisdadigers ongestraft bleven voor betaalde moorden op burgers, inclusief vrouwen, kinderen en bejaarden.

Khalil Aouasti:

Madame la ministre, nous avons appris, il y a quelques semaines, que le parquet de Milan a ouvert une enquête sur la base de l’étude réalisée par M. Ezio Gavazzini. Cette étude indique que des chasses d’êtres humains ont été organisées en Bosnie entre 1992 et 1995. Comme si l’horreur de la guerre ne suffisait pas, il fallait encore y ajouter les désirs psychopathes de certaines personnes fortunées.

Il nous est malheureusement rapporté que des Belges ont participé à ces chasses d’êtres humains. Au regard du contexte, ces chasses doivent être qualifiées de crimes de guerre. Or, depuis la sortie de cette information, aucune communication n’a été faite face à cette banalisation du mal absolu, ce qui ne veut évidemment pas dire qu’aucune action n’a été réalisée.

Madame la ministre, avez-vous pris connaissance de cette étude italienne? Si oui, depuis quand? Des Belges y sont-ils effectivement cités? Une enquête pénale a-t-elle été ouverte en Belgique à la suite de ces révélations, à l’instar de ce qui a été fait par le parquet de Milan? Si ce n’est pas le cas, pour quel motif? Enfin, entendez-vous faire usage de votre pouvoir d’injonction positive afin qu’une telle enquête soit menée et que des poursuites puissent intervenir, si ces faits devaient être avérés? Je rappelle que ces crimes sont imprescriptibles.

Annelies Verlinden:

Collègue Aouasti, le parquet fédéral a pris connaissance de l'existence de cette étude italienne publiée dans la presse peu après sa publication. Aucun contact préalable n'a été pris par les autorités judiciaires italiennes. Le bureau belge d'Eurojust a donc interpellé le bureau italien afin d'obtenir plus de renseignements concernant cette étude et l'implication éventuelle de ressortissants belges dans les faits dénoncés.

Sur la base des éléments de réponse que les autorités italiennes transmettront, et s'il y a des indices liés à l'implication de Belges dans ces faits, une enquête pénale sera ouverte en Belgique, conformément aux dispositions légales en vigueur, afin d'examiner de manière approfondie les faits dénoncés.

Khalil Aouasti:

Madame la ministre, je vous remercie pour votre réponse. Je ne sais pas si vous nous donnerez des informations d'initiative ou si je devrai interpeller à nouveau dans quelques semaines ou quelques mois pour savoir si cette information a effectivement été transmise à Eurojust et d'Eurojust au parquet fédéral. J'ose en tout cas espérer que la plus grande attention sera réservée à ce dossier; il est en effet inadmissible que des criminels de guerre aient pu prospérer simplement pour des désirs et des plaisirs qui consistaient à tuer femmes, hommes, enfants et personnes âgées à des prix convenus à l'avance dans un contexte de guerre.

De strijd tegen online seksueel kindermisbruik

Gesteld door

lijst: VB Dieter Keuten

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 2 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Dieter Keuten vraagt minister Verlinden om opheldering over België’s standpunt in de Europese strijd tegen online kindermisbruik, met name de omstreden EU-verordening en de rol van België bij stemmingen (tegen/onthouding in oktober 2025, voor in november 2025), die hij bekritiseert als ontransparant. Verlinden bevestigt steun voor de herziene richtlijn (2011/93) – met striktere definities, zwaardere straffen en betere slachtofferzorg – maar verwijst Keuten door naar Binnenlandse Zaken (minister Quintin) voor de verordening, aangezien Justitie enkel de justitiële aspecten behandelt. Keuten bekritiseert scherp het "totaal gebrek aan transparantie" in de gesloten EU-onderhandelingen (Raad en triloog) en eist dat de regering haar standpunten publiekelijk verantwoordt, omdat burgers recht hebben op inzicht in Belgische beslissingen.

Dieter Keuten:

Mevrouw de minister, ter inleiding verwijs ik naar mijn vraag zoals ze schriftelijk werd ingediend in oktober 2025, als ik mij niet vergis.

Op 23 juni 2025 had u een ontmoeting met Child Focus.

Op 13 en 14 oktober 2025 nam u deel aan een vergadering van de Europese Raad Justitie en Binnenlandse Zaken in Luxemburg.

Kan u toelichten wat uw standpunt is om de strijd tegen seksueel misbruik van minderjarigen, met name de online strijd, te versterken?

Werd er tijdens de vergadering van de Europese Raad gesproken over de verordening ter voorkoming en bestrijding van seksueel misbruik van kinderen en welke standpunten heeft u op deze bijeenkomst namen de regering ingenomen?

De teksten van deze Europese verordening zijn al verschillende keren aangepast en u verdedigde in 2024 als minister van Binnenlandse Zaken een duidelijk standpunt, hoe beoordeelt u de laatste versie van deze tekst?

Ondertussen zijn opnieuw enkele nieuwe etappes genomen in het dossier.

Kunt u ons dus bijkomende inlichtingen verschaffen over de positie van de regering ten opzichte van de teksten die in Europa voorliggen?

Kunt u ons toelichten waarom de vertegenwoordigers van België in de Raad van de Europese Unie in oktober 2025 tegen die versie van de tekst heeft gestemd of zich heeft onthouden? Waarom heeft België op de meest recente vergadering in november 2025 de nieuwe versie van de tekst gesteund?

Annelies Verlinden:

Mijnheer Keuten, als minister van Justitie ondersteun ik op Europees niveau de lopende herziening van de richtlijn die de versterking van het strafrecht inzake seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen beoogt.

De herziening van richtlijn 2011/93 van het Europees Parlement en de Europese Raad van 13 december 2011 ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting in vervanging van het kaderbesluit van 2004 werd tijdens het Belgische Voorzitterschap op de agenda geplaatst. In december 2024 werd een algemene oriëntatie van de Europese Raad bereikt. Momenteel bevinden wij ons in de fase van de trilogen en wij volgen dat uiteraard heel nauwgezet op.

De herziene regels verruimen de definities van de misdrijven en voeren zwaardere straffen en specifiekere vereisten in op het gebied van preventie en slachtofferzorg.

Belangrijk om te noteren, is dat bij Justitie de justitiële filière van de richtlijn die een minimale harmonisatie beoogt, wordt behandeld en niet het ontwerp van de EU-verordening zelf. Voor uw specifieke vragen over de verordening wil ik u daarom verwijzen naar mijn collega van Binnenlandse Zaken, die het Belgische standpunt zal uiteenzetten op de dag van de JBZ-Raad die is gepland voor de bevoegdheid van binnenlandse zaken.

Dieter Keuten:

Dank u voor de toelichting, mevrouw de minister. Ik zal de vraag morgen aan minister Quintin stellen. Ik kan alleen maar hopen dat er komaf wordt gemaakt met het totaal gebrek aan transparantie, doordat de onderhandelingen vooralsnog achter gesloten deuren plaatsvinden, eerst in de Raad van de Europese Unie en nadien bij de triloog. Tijdens de onderhandelingen nemen de regeringspartijen standpunten in, maar die worden niet publiek gecommuniceerd. Nochtans heeft het volk het recht te weten wat de regering beslist namens België in die onderhandelingen.

Middelen voor de integratie van kunst in de DBFM-gevangenis van Antwerpen

Gesteld door

lijst: VB Marijke Dillen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 2 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Marijke Dillen bekritiseert het 500.000 euro kunstbudget (excl. BTW) voor de nieuwe Antwerpen-gevangenis als "onverantwoord" in tijden van budgettaire noodsituaties bij Justitie, waar capaciteitsproblemen, slechte arbeidsomstandigheden, voedseltekorten en andere urgente noden onopgelost blijven – ondanks een extra miljard euro in de begroting. Minister Annelies Verlinden (Justitie) stelt dat het budget onder Regie der Gebouwen valt en verwerpt dat cultuurinvesteringen strijdig zijn met Justitie-prioriteiten, wijzend op verplichte kunstpercentages in Waalse en Vlaamse overheidsbouwprojecten – zonder dat Justitie zelf hiervoor middelen uittrekt. Dillen bestempelt de keuze als "een schande", benadrukkend dat gevangenispersoneel en maatschappij de prioriteit niet snappen, en eist uitstel tot de budgettaire ruimte groter is. Verlinden houdt vol dat cultuur ook in moeilijke tijden essentieel is, maar bevestigt dat Justitie geen eigen budget voor gevangeniskunst heeft.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, op een schriftelijke vraag van mijn collega Britt Huybrechts heeft minister Matz geantwoord dat er voorzien is in een kunstbudget van in totaal 500.000 euro, exclusief btw, voor de nieuwe gevangenis in Antwerpen, waarvan een gedeelte is gereserveerd voor eventuele bouwtechnische aanpassingen voor de integratie van kunst in het gebouw, alsook het onderhoud van de kunst.

In tijden van budgettaire krapte binnen Justitie is het absoluut onverantwoord dat een dergelijk groot budget wordt besteed aan kunst in gevangenissen, middelen die – laten we dat niet vergeten – afkomstig zijn uit de federale begroting, terwijl er zeer grote budgetten nodig zijn om alle problemen binnen het gevangeniswezen aan te pakken. Denken we maar aan de capaciteitsproblemen, de noodzakelijke renovaties, een gebrek aan middelen om het statuut van het gevangenispersoneel te verbeteren en een gebrek aan middelen voor voldoende voedsel voor de gedetineerden. Dan zwijg ik nog over de talrijke andere noden binnen justitie.

Mevrouw de minister, wat is uw standpunt over het toch aanzienlijke budget waarin uw collega voorziet voor de integratie van kunst in de gevangenis van Antwerpen? Deelt u mijn mening dat dergelijke grote budgetten beter aan meer dringende noden binnen het gevangeniswezen worden besteed? Werd dat aangekaart in de ministerraad?

Heeft er ter zake overleg plaatsgevonden met minister Matz? Zo ja, welk standpunt hebt u ingenomen?

Wordt er ook vanuit de begroting van Justitie voorzien in een budget voor kunst in de gevangenissen?

Bent u op de hoogte van budgetten die bij de Regie der Gebouwen werden of worden vrijgemaakt voor de integratie van kunst in andere gevangenissen? Zo ja, kunt u dat nader toelichten?

Annelies Verlinden:

Mevrouw Dillen, uw vraag betreffende het budget en de bevoegdheid van de minister bevoegd voor het gebouwbeheer van de Staat is duidelijk en u lijkt ook zelf aan te geven dat de verantwoordelijkheid bij de Regie der Gebouwen ligt. Ik kan u alleen maar meedelen dat het mij weinig zinvol lijkt of volgens mij weinig toegevoegde waarde biedt dat initiatieven rond cultuur absoluut tegenstrijdig zouden zijn aan de uitdagingen waar Justitie voor staat en de budgetten die nodig zijn om die uitdagingen het hoofd te bieden. Vanuit Justitie is het mijn prioriteit om mee te bouwen aan een veilige en warme samenleving vanuit de bevoegdheden die ik heb. Ook in moeilijke tijden moeten we blijven investeren in cultuur. Uiteraard valt over de invulling daarvan te discussiëren. Het gaat dus, nogmaals, niet over een budget van de FOD Justitie.

In Wallonië bestaat een verplichting om een zeker percentage van de kostprijs van publieke bouwprojecten te besteden aan kunst. Dergelijke voorwaarden in verband met kunst kunnen bij een vergunningverlening worden opgelegd. In Vlaanderen bestaat zo'n verplichting ook voor projecten van de Vlaamse regering. Die aanpak past de Regie der Gebouwen mutatis mutandis ook toe voor de federale projecten in Vlaanderen. Verder kan de Regie daarover allicht meer informatie geven.

Marijke Dillen:

Dank u, mevrouw de minister. Het gaat niet over aandacht besteden aan een warme en veilige samenleving. Het gaat evenmin over het de vraag of er al dan niet moet of mag worden geïnvesteerd in cultuur en in kunst. Het gaat zelfs niet over het feit of kunst en cultuur in een gevangenis al dan niet aanwezig moeten zijn. Wel gaat het over de zeer krappe budgettaire situatie. Op de agenda van vandaag staan bijvoorbeeld nog vragen over het bedrag van 1 miljard euro dat u gekregen hebt in het kader van de begrotingsbespreking en hoe die middelen zullen worden toegewezen. U moet werkelijk al het nodige doen, letterlijk elke euro omdraaien, om een antwoord te kunnen bieden op de talrijke noden binnen Justitie. Zelfs met dat bedrag van 1 miljard euro zult u alle noden binnen Justitie niet kunnen lenigen. In die omstandigheden wil de minister bevoegd voor de Regie der Gebouwen kunst onderbrengen in alle gebouwen die onder haar verantwoordelijkheid vallen. Het is perfect mogelijk dat dat in Franstalig België verplicht is, maar het gaat hier over de gevangenis van Antwerpen. In Vlaanderen bestaat die verplichting niet. Ik begrijp dat niet, maar ik sta daarin niet alleen. De mensen van het gevangeniswezen begrijpen dat ook niet. Als ik daarover met cipiers praat, vallen ze werkelijk achterover. 500.000 euro is een aanzienlijk bedrag Als the sky ooit opnieuw the limit wordt, investeer dan zoveel als nodig is in kunst, in cultuur, ook in de gevangenissen, maar niet op een ogenblik dat u werkelijk alles moet doen om de eindjes aan elkaar te knopen. Ik vind dat een absolute schande.

De vergadering van het kernkabinet over Justitie

Gesteld door

lijst: PS Khalil Aouasti

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 2 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Annelies Verlinden bevestigt dat de kernraad de gevangenisoverbevolking (13.483 gedetineerden vs. 11.098 plaatsen) en noodoplossingen besprak, maar geeft geen concrete maatregelen, wel dat het budgetakkoord van 24 november extra middelen voorziet—onder meer voor 1.000+ extra plaatsen—zonder exacte bedragen of verdeling te noemen. Khalil Aouasti bekritiseert dat de regering niet kiest voor alternatieven (bv. detentievermindering) maar 2.000 nieuwe plaatsen wil bouwen (te duur, tegen 2035), en noemt de 600 miljoen euro ontoereikend voor structurele oplossingen; hij eist een gedetailleerd budgetplan voordat verdere discussie mogelijk is. Hij stelt dat het beleid een "slecht signaal" afgeeft en de syndicale eisen (dienstminimum vanaf 1 december) negeert.

Khalil Aouasti:

Madame la ministre, ce vendredi 21 novembre, le conseil des ministre restreint s'est réuni pour aborder les questions de Justice, notamment le dossier urgent de la surpopulation carcérale. Selon les chiffres communiqués cette semaine, on dénombre 13 483 détenus pour une capacité de 11 098 places, soit un taux de surpopulation d’environ 20 %, contraignant 541 personnes à dormir sur des matelas à même le sol. Les syndicats ont annoncé la mise en place d’un service minimum dans les prisons à partir du 1 er décembre, ce qui témoigne de la gravité de la situation.

Vous avez récemment proposé un budget d’un milliard d’euros pour redresser la Justice. Le président de votre parti, M. Sammy Mahdi, a indiqué que le gouvernement était disposé à solliciter des fonds supplémentaires, sans que ce montant ne soit nécessairement d’un milliard d’euros.

Madame la ministre, confirmez-vous que la surpopulation carcérale a été abordée lors de la réunion du kern ce vendredi? Quelles mesures concrètes ont-elles été décidées pour réduire rapidement la surpopulation carcérale et garantir des conditions dignes pour les détenus? Le budget de la Justice a-t-il été discuté? Pouvez-vous préciser si votre proposition d’un milliard d’euros reste sur la table? Quelle sera la répartition de ces fonds entre la Régie des bâtiments et votre SPF au regard de la vétusté de nombreux bâtiments de Justice et pénitentiaires? Comment le gouvernement entend-il concilier la nécessité d’investir dans la Justice avec les contraintes budgétaires actuelles invoquées sans cesse par le Gouvernement? Enfin, quelles garanties pouvez-vous donner aux syndicats et aux citoyens quant à la mise en œuvre rapide de solutions durables?

Annelies Verlinden:

Monsieur Aouasti, le Conseil des ministres restreint a en effet examiné la question de la surpopulation carcérale ainsi que les divers projets visant à trouver une solution d’urgence, de même que les besoins financiers auxquels la justice est confrontée. Les discussions se poursuivent et je ne peux donc pas présager de leur issue.

L’accord budgétaire du 24 novembre prévoit effectivement des moyens supplémentaires pour la Justice. En plus des crédits budgétaires qui bénéficient directement à celle-ci, un montant spécifique a également été prévu afin de permettre d’investir davantage dans les infrastructures judiciaires et de créer des places supplémentaires dans les prisons. Ces éléments sont actuellement examinés plus en détail et les projets pourront être précisés dans les semaines à venir.

Khalil Aouasti:

Je vous remercie, madame la ministre, pour votre réponse. Je me doutais que je n’obtiendrais pas de réponse plus détaillée que la semaine dernière. Malheureusement, votre réponse confirme que vous avez renoncé à considérer que le chiffre de 10 000 places d’incarcération en Belgique devait constituer le maximum maximorum . Vous décidez, pour répondre à l’horizon 2035 à la surpopulation carcérale, non pas de réfléchir à la manière de vider les prisons mais bien d’augmenter le nombre de places et d’en construire 2 000 nouvelles. Je pense sincèrement qu’il s’agit d’un très mauvais signal, d’autant plus que, si je comprends bien, les 600 millions prévus ne suffiront même pas à financer la construction de ces 2 000 places. L’objectif ne semble pas être de substituer aux infrastructures actuelles des petites entités de détention, mais plutôt de lancer de grands projets extrêmement coûteux. Je ne vais pas rouvrir le débat ici, mais j’attends que vous finalisiez les discussions du 24 novembre en kern, que vous validiez les différentes notifications et que vous disposiez enfin d’un budget arrêté ligne par ligne. Nous pourrons alors avoir de véritables discussions sur la manière dont seront alloués ces 600 millions d’euros, sur l’utilisation des 50 millions de provisions interdépartementales réservées à la surpopulation carcérale, ainsi que sur la répartition des 50 millions résiduaires réservés à l’ensemble des autres départements de la Justice, ce qui risque d’être largement insuffisant.

Het falende gevangenentransport
Straffeloosheid door de afwezigheid van de beklaagde
De onontvankelijkheid van de strafvordering wegens de niet-overbrenging van de gedetineerde
Problemen met gevangenentransport en gevolgen voor strafvervolging

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 2 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om het vrijspraakvonnis van een Eritrese mensensmokkelaar (8 jaar gevorderd, 26 slachtoffers) omdat hij driemaal niet vanuit Haren naar Brugge werd overgebracht, wat volgens de rechtbank zijn recht op verdediging (art. 6 EVRM) schond. Van Hecke en Yzermans wijzen op structurele tekorten bij de Directie Beveiliging (DAB) – overbevolkte gevangenissen (13.400 vs. 11.000 plaatsen), personeelsgebrek en logistieke falen – en kritiseren dat justitie hierdoor "faalt" en criminele straffeloosheid in de hand werkt. Minister Verlinden bevestigt hoger beroep, belooft rekruteringsplannen, betere samenwerking en videoconferentie om transportsnoeihard te verminderen, maar Van Hoecke en Van Hoecke bekritiseren gebrek aan concrete oplossingen (bv. voorafgaande overbrenging) en eisen diepgaand onderzoek naar dit specifieke falen, met vrees dat de vrijgelaten smokkelaar in illegaliteit verdwijnt. Yzermans noemt het "dramatisch" en een "vertrouwenscrisis in justitie".

Stefaan Van Hecke:

Geachte minister,

Uit een recent persbericht van de rechtbank van Brugge blijkt dat de strafvordering in een ernstig mensensmokkeldossier onontvankelijk werd verklaard omdat de beklaagde tot drie keer toe niet vanuit de gevangenis van Haren naar de zitting werd overgebracht. Het ging om zittingen in mei, oktober en begin november. Nochtans had de verdediging meermaals benadrukt dat de man persoonlijk aanwezig wilde zijn en werd er acht jaar gevangenisstraf gevorderd.

De rechtbank stelt dat door het herhaald uitblijven van de overbrenging de rechten van verdediging ernstig zijn geschonden en dat een eerlijk proces niet langer mogelijk was. De rechter merkte op dat een beklaagde die aanwezig wil zijn, daar ook effectief de kans toe moet krijgen. Enkel beschikken over een advocaat volstaat niet om die aanwezigheid te vervangen, aangezien overleg, het geven van instructies, het afleggen van verklaringen en het voeren van tegenspraak noodzakelijk zijn. De verdachte moet nu worden vrijgelaten.

Dit dossier staat niet op zichzelf. De Directie Beveiliging van de federale politie kampt al geruime tijd met ernstige personeelstekorten en een stijgend aantal opdrachten. De gevangenispopulatie bevindt zich op een historisch hoogtepunt, met meer dan 13.400 gedetineerden voor een capaciteit van 11.000 plaatsen. Deze druk vertaalt zich steeds vaker in problemen bij de uitvoering van gevangenistransporten, met rechtstreekse gevolgen voor de werking van justitie.

In dat licht heb ik volgende vragen.

Hoe verklaart u dat een verdachte in een zwaar mensensmokkeldossier drie keer niet werd overgebracht, ondanks expliciet aandringen van zowel de rechtbank als de verdediging?

Hoeveel rechtszaken werden het afgelopen jaar verstoord, verlaat of uitgesteld door het niet uitvoeren van gevangenistransporten? Kan u cijfers bezorgen per maand en per arrondissement?

Welke concrete maatregelen zijn in voorbereiding of reeds genomen om de structurele personeelstekorten bij de Directie Beveiliging aan te pakken? Welke budgetten en rekruteringsinspanningen zijn hiervoor voorzien?

Op welke manier garandeert u dat de rechten van verdediging en het recht op behandeling binnen een redelijke termijn opnieuw kunnen worden gewaarborgd, zeker in het licht van de historisch hoge gevangenispopulatie?

Acht u bijkomende hervormingen of capaciteitsuitbreidingen noodzakelijk om te voorkomen dat gelijkaardige situaties zich in de toekomst opnieuw voordoen?

Alain Yzermans:

3x is scheepsrecht. Dit zal de rechtbank van Brugge gedacht hebben toen ze de Eritrese mensensmokkelaar vrijsprak, die 26 slachtoffers maakte, ondanks een vordering van 8 jaar effectieve gevangenisstraf. De strafvordering werd onontvankelijk verklaard omdat hij drie keer niet naar de rechtszittingen kon worden overgebracht vanuit de gevangenis van Haren. De rechter besloot dat artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) eenduidig is en geschonden werd. Iedereen heeft recht op een eerlijk proces en het is een basisrecht om aanwezig te zijn op je eigen zitting. De hoge werkdruk als gevolg van de overbevolking creëert steeds meer problemen bij het transport van gedetineerden. In het ressort Gent gebeurt dit meerdere keren per maand Verschillende instanties slaan hierover alarm.

Vraag aan de Minister:

U wilt de straffeloosheid aanpakken, maar in dossiers zoals deze komt men door materiële en logistieke tekorten niet toe aan eerlijke en evenwichtige rechtspraak. Hierdoor gaan beklaagden vrijuit. Dit is dramatisch en toont opnieuw het falen van justitie aan. Wat is uw standpunt en hoe remedieert u het personeelstekort bij de dienst beveiligingen van de federale politie? Dit vraagt onmiddellijke actie!

Alexander Van Hoecke:

De correctionele rechtbank van Brugge heeft de strafvordering tegen een mogelijke mensensmokkelaar uit Eritrea onontvankelijk verklaard, het openbaar ministerie had 8 jaar effectieve gevangenisstraf gevorderd.

De verdachte moest zich voor de Brugse strafrechter verantwoorden voor meerdere feiten van mensensmokkel. Van 1 mei 2022 tot 30 april 2024 zou de beklaagde als smokkelaar actief geweest zijn en volgens het parket 26 slachtoffers gemaakt hebben.

De zaak werd gedagvaard op de zitting van 7 mei 2025, maar de beklaagde was toen niet uit de gevangenis overgebracht. Het openbaar ministerie vorderde op de zitting van 1 oktober 8 jaar effectieve celstraf, maar opnieuw kon hij niet overgebracht worden vanuit de gevangenis van Haren in Brussel.

De rechter besliste dan om hem op 5 november de kans te geven om alsnog aanwezig te zijn. Bij de start van die zitting was er echter opnieuw geen spoor van de twintiger.

De rechtbank besloot in het licht van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) dat de rechten van de beklaagde werden geschonden en besloot tot de onontvankelijkheid van de strafvordering.

Kan de minister de inhoud van voormeld vonnis bevestigen? Wat is de reactie van de minister op het tussengekomen vonnis?

Zal of werd er reeds hoger beroep aangetekend tegen het tussengekomen vonnis?

Er zijn wel vaker problemen met de overbrenging van gedetineerden naar de rechtbank. Zijn er gelijkaardige zaken bekend waarbij de niet overbrenging van gedetineerden naar de rechtbank hebben geleid tot de onontvankelijkheid van de strafvordering? Hoeveel zaken lopen dat risico?

Welke initiateven en concrete maatregelen gaat de minister nemen om ervoor te zorgen dat dergelijke zaken zich niet meer kunnen voordoen en derhalve alle gevangenen hun proces kunnen bijwonen?

Annelies Verlinden:

Collega's, als minister van Justitie kan ik mij niet uitspreken over het betrokken vonnis aangezien het parket ondertussen hoger beroep heeft aangetekend. Het dossier volgt dus zijn gerechtelijke weg en zal worden behandeld volgens de gekende procedures.

In overleg met de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken volgen wij het dossier over het overbrengen nauwgezet op en nemen wij gerichte initiatieven, zodat de DAB haar opdrachten inzake transfers kan blijven vervullen. De overname van de beveiliging van nucleaire sites draagt er bijvoorbeeld toe bij dat capaciteit vrijkomt voor andere taken die verband houden met rechtbanken en gerechtshoven, zoals het overbrengen naar het gerechtsgebouw.

Bovendien heeft de federale politie een rekruteringsplan uitgewerkt om de beschikbare middelen structureel te versterken. Wij blijven ook inzetten op de optimalisering van de samenwerking tussen de verschillende betrokken actoren, met name de hoven en rechtbanken, DG EPI en de DAB.

Ik heb regelmatig overleg met de bevoegde autoriteiten van de DAB en ik blijf het belang onderstrepen van het ter beschikking stellen van voldoende personeel om de politiezorg in de hoven en rechtbanken en in het bijzonder het vervoer van gedetineerden op een duurzame manier te kunnen garanderen. Samen met Binnenlandse Zaken onderzoeken wij ook een beter retentiebeleid.

Wij werken, ten slotte, zoals bepaald in het regeerakkoord, actief verder aan de implementatie van videoconferentie voor bepaalde zaken en zittingen. In combinatie met andere maatregelen zal dat ertoe leiden dat het aantal overbrengingen voor de DAB afneemt waardoor de noodzakelijke overbrengingen daadwerkelijk en tijdig kunnen worden uitgevoerd.

Stefaan Van Hecke:

Mevrouw de minister, ik begrijp dat u niet nader kunt ingaan op de zaak zelf en op de uitspraak, aangezien beroep is aangetekend.

Ik leid uit uw antwoord af dat u ervan uitgaat dat het probleem zich bij de DAB situeert. Wanneer een transport niet plaatsvindt, kan dat evenwel verschillende oorzaken hebben. Is aan de gevangenis doorgegeven dat de betrokkene aanwezig moest zijn? Als dat het geval is, is er dan iets fout gelopen in de gevangenis waardoor de persoon niet tijdig op het busje is geraakt voor het transport? Dat kan eveneens een oorzaak zijn.

Ik leid uit het dossier af dat dat alles goed is verlopen, maar dat er een gebrek aan transportcapaciteit was, dus onvoldoende beschikbaarheid. Ik stel mij dan ook de vraag of gedetineerden, zoals vroeger vaak gebeurde wanneer een zitting om negen uur plaatsvindt en zij in een verafgelegen gevangenis verblijven, niet de dag voordien kunnen worden overgebracht naar een gevangenis dichter bij de plaats waar de rechtszaak doorgaat.

De zitting heeft, als ik mij niet vergis, in Brugge plaatsgevonden. De persoon verbleef in Haren. Dat is een lange afstand om in de ochtend te overbruggen. Is het dan niet gebruikelijk of een gangbare praktijk om de betrokkenen de dag voordien naar Brugge over te brengen? Ik weet dat dat heel wat administratieve rompslomp met zich brengt, maar is dat geen betere oplossing dan te proberen dat in de ochtend zelf te doen? Vanuit Haren vertrekken om tijdig om negen uur in Brugge te zijn, is uiteraard niet evident.

Misschien moet worden nagegaan hoe dat beter kan worden georganiseerd.

Alain Yzermans:

Dank u.

Alexander Van Hoecke:

Het gaat hier om een van de zovele illegalen die in de gevangenis zitten, een mensensmokkelaar dan nog. Die wordt dan gewoon vrijgelaten, omdat hij niet van de gevangenis naar zijn proces kan worden overgebracht. Ik vind dat ongelooflijk. Wat mij nog het kwaadst maakt is, dat als die man vrij zou komen, hij gewoon in de illegaliteit verdwijnt, net zoals tienduizenden andere illegalen. Hij wordt niet het land uitgezet. U zegt dat u zich niet kunt uitspreken over dit concrete vonnis, wat ik ergens nog begrijp, maar het is toch net de essentie dat wij weten wat in dit concrete vonnis fout is gelopen. Het is dit concrete vonnis dat mensen, terecht, furieus maakt en dat het vertrouwen in Justitie ook compleet doet kelderen. Ik zou u willen vragen om uw verantwoordelijkheid als minister van Justitie op te nemen. Ga na wat in dit concrete vonnis precies fout is gelopen. Hoe kan het dat iemand die voor mensensmokkel in de gevangenis zit, een illegaal, tot drie keer toe niet naar zijn proces kan worden overgebracht en daardoor dreigt vrij te komen. Ga naar wat er fout gelopen is en zorg ervoor dat zoiets nooit, maar dan ook nooit meer kan gebeuren.

De stakingen in de gevangenissen
De aangepaste dienstverlening in de gevangenissen die door de ACOD-vakbond werd afgekondigd
De aangekondigde minimale dienstverlening in de gevangenissen vanaf 1 december 2025
Gevangenisstakingen en aangepaste dienstverlening vanaf 2025

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 2 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Annelies Verlinden erkent de crisis in Belgische gevangenissen door overbevolking (13.500 gedetineerden op 11.000 plaatsen, 560+ grondslapers) en onleefbare omstandigheden, maar ontkent acute voedsel- of medische tekorten. Vakbonden (o.a. ACOD) bekritiseren dat structurele oplossingen uitblijven en dreigen met minimale dienstverlening (alleen wettelijke basistaken), wat volgens Verlinden de veiligheid en rehabilitatie verder ondermijnt. Zij belooft kortetermijnmaatregelen (bv. capaciteitsuitbreiding, versneld recruitment) en overleg met vakbonden, maar concrete afspraken (bv. sociaal akkoord, loonvoorwaarden) blijven vaag. Kritici (o.a. Marijke Dillen) wijzen op tegenstrijdigheden in Verlindens ontkenning van zorg- en voedselproblemen, gebaseerd op recente mediaberichten.

Julien Ribaudo:

Madame la ministre, fin novembre, des syndicats pénitentiaires annonçaient qu'à partir du 1 er décembre, ils n'assureraient plus qu'un service minimum dans les prisons. Ils veulent dénoncer une situation devenue "intenable": 13 483 détenus pour 11 098 places, plus de 580 personnes dormant au sol, un effondrement du dispositif sécuritaire, des agressions, un manque d'hygiène et une charge de travail insoutenable pour le personnel. Les organisations syndicales affirment même que le gouvernement oblige chaque jour le personnel à enfreindre la loi fondamentale.

Cette situation est bien entendu toujours d'actualité, mais selon certaines sources, les discussions entre votre cabinet, l'administration et les syndicats ont donné des perspectives encourageantes, ce qui a eu pour conséquence que l'action a été suspendue.

Madame la ministre, pouvez-vous nous donner plus d'informations sur les plans du gouvernement pour répondre structurellement aux demandes des agents concernant leurs propres conditions de travail et de sécurité ainsi que les conditions de détention? Pouvez-vous confirmer les chiffres du ratio agents/détenus qui sont mentionnés par les syndicats? Le ratio de référence serait d'un agent pour 1,37 détenus, et aujourd'hui nous serions à 1 pour 1,76, et quand on retire les 540 équivalents temps plein qui manquent, nous tournerions à 1 pour 1,89.

Alain Yzermans:

Ik volg. Ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

De overbevolking veroorzaakt dagelijks spanningen en stress. Het lokt grote agressie uit ten opzichte van het personeel en onder de gedetineerden, die in mensonwaardige omstandigheden moeten leven. Bovendien is België daarvoor al geregeld veroordeeld,” stelt een ACOD-topman in een brief aan u gericht. De beslissing van de gevangenisvakbond ACOD om vanaf 1 december permanent over te schakelen naar een aangepaste dienstverlening in Belgische gevangenissen markeert een ongekende en nieuwe stap in de strijd tegen overbevolking en de bijbehorende wantoestanden in onze gevangenissen. Het personeel is het beu en wordt moedeloos van de vele smeekbedes om de opmars van de overbevolking effectief tegen te houden. Door deze actie zullen gedetineerden geen toegang meer hebben tot essentiële activiteiten zoals sport, werk en rehabilitatieprogramma's. Dit besluit komt als reactie op een reeks gewelddadige incidenten en een recordaantal van 541 grondslapers in de gevangenissen. Er is onhoudbare druk op zowel het personeel als de gedetineerden. Zij vragen u om urgente maatregelen te treffen om krachtdadigere oplossingen te vinden, ondanks de recente noodwet. De vakbond roept u op om doortastender in te grijpen in de problematiek van de overbevolking.

Vragen aan de Minister:

1. Wat is uw standpunt over deze beslissing die het normale gevangenisregime hypothekeert?

2. Hoe gaat u ervoor zorgen dat de rechten van gedetineerden, zoals toegang tot sport, educatie en rehabilitatie, gewaarborgd blijven, ondanks de huidige crisis?

3. De inhumane leefomstandigheden van gedetineerden en de grote druk op de onhoudbare werkomstandigheden van het personeel roepen vele vragen op. Wat zult u op korte termijn doen?

4. Hoe ver staat u met het sociaal akkoord? Zijn er pecuniaire afspraken gemaakt?

Sophie De Wit:

Ik verwijs ook naar mijn schriftelijke voorbereiding.

Geachte minister,

De socialistische vakbond ACOD heeft aangekondigd dat het gevangenispersoneel vanaf 1 december zal terugvallen op minimale dienstverlening, waarbij enkel de negen wettelijk verplichte basistaken worden uitgevoerd. ACOD wijst op de zorgwekkende situatie in de gevangenissen: de aanhoudende overbevolking – vlotjes oplopend tot meer dan 13.500 gedetineerden –, de 541 grondslapers, falende veiligheidsapparatuur, mensonwaardige leefomstandigheden, een structureel krimpend personeelskader en de dagelijkse spanningen en agressie waarmee personeel en gedetineerden worden geconfronteerd.

De aangekondigde minimale dienstverlening roept vragen op over enerzijds de juridische toelaatbaarheid en anderzijds de gevolgen voor de dagelijkse werking binnen de gevangenissen.

Mijn vragen:

1. Hoe beoordeelt u de juridische toelaatbaarheid van deze minimale dienstverlening, buiten een officiële staking?

2. Welke onmiddellijke operationele gevolgen verwacht u wanneer het gevangenispersoneel effectief uitsluitend de negen basistaken uitvoert?

3. Hoe garandeert u dat de gevangenissen bestuurbaar en veilig blijven, voor zowel personeel als gedetineerden, wanneer deze minimale dienstverlening weken of maanden aanhoudt zoals sommige gevangenisdirecties vrezen?

Dank voor uw antwoorden.

Marijke Dillen:

Ik volg het voorbeeld. Ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

Uit berichten in de media dit weekend blijkt dat ten gevolge van de overbevolking in de gevangenissen er ernstige problemen zijn betreffende het probleem van de ondervoeding en van het toekennen van medische zorgen. Er zijn niet voldoende middelen om de gedetineerden te voorzien van voldoende voedsel, de kwaliteit van het eten deugt niet, de porties worden te klein en in sommige gevallen komt er helemaal geen eten. Een dokter zien de gedetineerden zelden en de juiste medicijnen zijn niet voorradig.

Het personeel van de gevangenissen wil niet langer werken in die omstandigheden omdat ze elke dag gevaar lopen. En wat doet de top van het Gevangeniswezen volgens de media? Die dreigt met sancties tegen personeel dat zou deelnemen aan stiptheidsacties.

Kan de minister hierover meer toelichting geven?

Kan de minister mij een gedetailleerd overzicht geven van de gevangenissen waar de problematiek van onvoldoende voedsel aanwezig is? Welke initiatieven heeft de minister inmiddels genomen om te garanderen dat er voldoende voedsel wordt voorzien voor de gedetineerden?

Welke initiatieven heeft de minister genomen om een antwoord te bieden op de problematiek van een gebrek aan medische zorgen?

Annelies Verlinden:

Collega's, zoals ik vandaag al herhaaldelijk heb benadrukt, erken ik ten zeerste de ernst van de situatie in onze gevangenissen en de enorme druk op de leefbaarheid, zowel voor het personeel als voor de gedetineerden. De aanwezigheid van meer dan 560 grondslapers legt een zware last op de dagelijkse organisatie en verhoogt het risico op agressie en spanningen. Het blijft mijn prioriteit om de veiligheid van het personeel te garanderen en dus ook te voorkomen dat gedetineerden op de grond moeten slapen.

Le gouvernement est en train d'examiner les mesures qui pourraient être prises pour réduire le nombre de détenus dormant à même le sol. Dans le même temps, nous travaillons d'arrache-pied à la recherche de solutions structurelles concernant notamment l'augmentation de la capacité, l'incitation au retour, l'amélioration du flux des internés, le renforcement du personnel, l'accélération des procédures de recrutement ou encore l'amélioration de l'organisation interne. Ces actions sont suivies en collaboration avec mon administration et les différentes task forces.

De beperking van de werkzaamheden tot enkel de basistaken, zoals die zijn opgenomen in de wet van 23 maart 2019, is bedoeld om de continuïteit van de penitentiaire dienstverlening tijdens stakingen te kunnen garanderen. Bovendien is die beperking van de werkzaamheden risicovol vanuit het oogpunt van dynamische veiligheid. De beperking van het regime en de activiteiten van de gedetineerden kan aanleiding geven tot meer agressie en frustratie bij gedetineerden en houdt dus ook een groter risico voor het personeel in. Het dagelijkse regime en de toegang tot activiteiten blijven essentieel voor de veiligheid, rehabilitatie en een correcte uitvoering van de straffen. We moeten dergelijke plannen daarom zeer bedachtzaam afwegen. Ik blijf in overleg staan met de vakbondsorganisaties. Afgelopen vrijdag vond daarover nog een constructief overleg plaats met de vakbonden, dat we de komende dagen voort zullen zetten.

Mevrouw Dillen, de voedingsdagprijs werd verhoogd tot 7 euro per dag per gedetineerde om de mogelijkheden inzake het aanbod van voedsel in de gevangenissen uit te breiden. In een nog niet zo ver verleden lag dat bedrag trouwens maar net boven 5 euro. Uiteraard is de logistiek in de keukens niet aangepast aan de overbevolking, wat een probleem betekent om grotere volumes te bereiden. Er is evenwel geen probleem van onvoldoende eten.

Het is niet precies duidelijk wat u bedoelt wanneer u beweert dat er een gebrek aan medische zorg is. Elke gedetineerde wordt namelijk binnen 24 uur na de opsluiting gezien door de arts en de medische equipe. Wie een dokter wil raadplegen, wordt ingeschreven op de eerstvolgende consultatie. Indien er heel veel consultaties worden aangevraagd, kan de verpleging op basis van een eerste contact de afspraak eventueel naar de volgende consultatie verplaatsen. Een kleine vertraging is dus niet uitgesloten bij een niet-dringend probleem. Dat is vergelijkbaar met wat er buiten de gevangenissen gebeurt.

Julien Ribaudo:

Madame la ministre, merci pour vos réponses. Nous continuerons de vous interroger. Nous attendons de voir les résultats de la concertation et des discussions sur les projets.

Alain Yzermans:

Dat is prima.

Sophie De Wit:

Mevrouw de minister, wij hadden deze ochtend een gedachtewisseling met de CTRG, die ook adviezen heeft uitgebracht over de minimale dienstverlening. Daarbij werd gewezen op de noodzaak van een bepaald koninklijk besluit om dit in orde te brengen. Ik heb het genoteerd, maar ik ben even kwijt welk koninklijk besluit dat is, maar ik zal het u bezorgen. Misschien is dat nog een aandachtspunt, want het ging specifiek over de minimale dienstverlening en de mogelijkheid tot opvordering, als ik mij niet vergis, ook in de eerste uren. Dat moet ervoor zorgen dat er aan de gedetineerden toch de hoogstnodige ondersteuning kan worden geboden. Er was echter nog iets dat administratief in orde moest worden gebracht. Ik zoek het op en bezorg het u.

Marijke Dillen:

Die klachten zijn vrij recent en uitvoerig aan bod gekomen in de media. Daar heb ik dat opgepikt en daarom wenste ik u daarover te ondervragen. U zegt echter dat het niet klopt. Ik weet wel dat het juist is dat wanneer een gedetineerde binnenkomt, die relatief snel door een geneesheer wordt onderzocht. Blijkbaar is het echter geen evidentie om snel een dokter te kunnen raadplegen wanneer er zich problemen voordoen tijdens het verblijf.

Voorzitter:

Les questions jointes n° 56010793C de M. Alain Yzermans, n° 56010840C et n° 56010841C de Mme Marijke Dillen et n° 56010954C de Mme Kristien Van Vaerenbergh sont reportées.

De rol van de RIZIV-inspectiediensten en de ziekenfondsen in het voorkomen van sociale fraude
De controles door het RIZIV
De controles door het RIZIV en de sociale fraude
Het plafond op verstrekkingen van thuisverpleegkundigen en de vrijwaring van het vrij beroep
De controles door het RIZIV
De controles door het RIZIV
De controles door het RIZIV
Toezicht en fraudebestrijding door RIZIV en ziekenfondsen, controles en regelgeving thuisverpleging

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 20 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Een thuisverpleegkundige fraudeerde acht jaar lang voor 3,5 miljoen euro (90+ gefactureerde consulten/dag, luxeleven met 17 Porsches), terwijl waarschuwingen sinds 2017 (RIZIV, mutualiteiten) werden genegeerd en pas na mediadruk actie kwam—te laat en te zwak. Minister Vandenbroucke verdedigt zich met "nieuwe maatregelen" (omgekeerde bewijslast, plafonds, RIZIV-nummers intrekken), maar oppositie en sector wijzen op structureel falen: controles bestonden al, werden niet toegepast, en eerlijke verpleegkundigen lijden reputatieschade terwijl fraudeurs ongestraft bleven. Kern: systeemfaal door laks toezicht, politieke vertraging en gebrek aan daadkracht, ondanks herhaalde signalen.

Jeroen Van Lysebettens:

Mijnheer de minister, elke dag zetten duizenden thuisverpleegkundigen zich met hart en ziel voor hun patiënten in. De job van die mensen werd deze week door een extreme fraudeur besmeurd. Aan al die mensen die hun job goed en eerlijk doen, zijn we het verplicht om duidelijkheid te scheppen.

Dat die fraude kon gebeuren, dat het jarenlang aan de gang was, dat het geweten was, is hallucinant, onaanvaardbaar en moet worden aangepakt. We kunnen alleen maar vaststellen dat u na de feiten, opnieuw, zeer reactief reageert. In een schijnbare opwelling kondigt u plots een breed pakket aan. Dat u actie onderneemt, is goed, doe dat gericht en zorgvuldig, maar opnieuw loopt u achter de feiten aan en treedt u pas op wanneer er een schandaal in de pers komt.

In die case stonden alle knipperlichten aan. Het was pijnlijk duidelijk. Meer dan 90 verplegingen per dag, dag in, dag uit, week na week, jaar na jaar, dat is gewoonweg fysiek niet mogelijk en moet er zo snel mogelijk worden uitgehaald, zeker als er plots zeventien Porsches voor de deur staan.

Hoe kon dat gebeuren, mijnheer de minister? De mutualiteiten trokken bij het RIZIV al in 2017 aan de alarmbel. Vandaag wordt er ingegrepen. In 2020 sprak het RIZIV al over meer dan een miljoen euro fraude. U schreef er deze zomer een brief over aan de artsen, maar u grijpt niet in op het terrein.

Uw huidige maatregelen verscherpen opnieuw de controle, terwijl dat niet het probleem was. Er is niets gebeurd met wat er uit de controle kwam. Waarom niet?

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, ik ken veel zelfstandig thuisverpleegkundigen en u wellicht ook. Ik ken er weliswaar geen die met een Ferrari rijdt, laat staan 17 Ferrari’s. Ze laten zich evenmin rondvliegen in een helikopter of gaan op een jacht op reis. Neen, het zijn mensen die om 05.00 uur opstaan, dan hun eerste patiënten zien en die men om 22.00 uur nog eens tegenkomt, omdat ze dat laatste spuitje of dat laatste pilletje toch nog zijn gaan toedienen. Het zijn ondernemers. Het zijn zelfstandigen.

De bom in de sector was dan ook bijzonder groot toen het nieuws over die frauduleuze verpleegster aan het licht kwam. Het is crimineel. Er is ook sprake van afpersing van patiënten. Dat kunnen we niet tolereren, dat moeten we aanpakken. Daarover zijn we het absoluut eens.

Wat ik echter niet uitgelegd krijg, is dat een organisatie als het RIZIV, met een budget van 40 miljard euro, met 1.200 medewerkers, van wie 243 bij de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle, de alarmsignalen, die er waren, die bekend waren, niet krachtdadig heeft gebruikt, dat het niet onmiddellijk is opgetreden. Ik kan dat niet uitleggen, mijnheer de minister, want ik begrijp het niet.

Er zijn drempelwaarden. We willen het ondernemerschap van de zelfstandigen niet beknotten. Er is een drempelwaarde, er is een V-waarde. Die verpleegster heeft die waarden tientallen keren overschreden, maar toch werd niet tot actie overgegaan, hoewel dat mogelijk was. Ze werd slechts één keer geschorst, de derde-betalersregeling werd geschorst. Pas na zes jaar is men naar de arbeidsauditeur gestapt. Het heeft gewoon veel te lang geduurd. Ondertussen kon die verpleegster blijven frauderen. Ze heeft zich aangesloten bij een groepering, maar ook die kan worden geschorst.

Mijnheer de minister, kunt u mij en al die mensen die te goeder trouw werken, uitleggen hoe dat onder de radar kon blijven?

Nawal Farih:

Mijnheer de minister, acht jaar lang werd er gefraudeerd binnen onze sociale zekerheid en dat voor een bedrag van 3,5 miljoen euro. Dat geld dient voor de meest kwetsbaren in onze samenleving, voor de zieken, voor de patiënten die extra zorg nodig hadden en voor de oudere mensen die thuis extra hulp nodig hadden.

Ik vind het degoutant en ik ben enorm boos dat dat zo lang heeft kunnen aanslepen. Al die tijd kon die verpleegkundige onze sociale zekerheid bestelen en zichzelf verwennen met luxewagens, luxereisjes en luxehandtassen, terwijl kwetsbare mensen haar vertrouwden voor hun verzorging. Ik hoef u niet te vertellen dat die problematiek vandaag breed uitgesmeerd wordt in de media. Het imago van de zorgsector staat op het spel. Als ik vandaag twee slachtoffers moet benoemen, dan is het ten eerste de zorgsector zelf, terwijl nochtans heel veel zorgverstrekkers dag en nacht op pad zijn om duizenden patiënten te helpen, en ten tweede de patiënt. Oudere mensen durven vandaag hun deur niet meer opendoen omdat ze schrik hebben van de persoon die hen zorg komt bieden. Het vertrouwen is helemaal weg.

Mijnheer de minister, ik heb heel veel vragen die vandaag onbeantwoord blijven. De ziekenfondsen zeggen dat ze hun controlefunctie hebben opgenomen, het RIZIV zegt dat het alle middelen waarover het beschikt heeft ingezet. Zo werd de derde-betalersregeling geschorst en werden er financiële sancties uitgevaardigd. De grote vraag is hoelang het kabinet al op de hoogte was. Wat hebt u gedaan om die diefstal te stoppen?

Julie Taton:

Monsieur le ministre, la fraude sociale est, malheureusement, présente partout. Lorsqu'une faille apparaît dans notre système, l'être humain a tendance à en abuser. Le plus triste dans cette histoire est qu'à force d'en abuser, on finit par le fragiliser, alors que ce système est, au départ, censé nous aider.

Cette fois-ci, il est question d'une infirmière indépendante – ma collègue Nawal me semble en avoir bien parlé à l'instant, car elle a employé les bons mots – qui aurait facturé plus de 90 consultations par jour. Cela lui aurait permis de gagner et détourner beaucoup d'argent. On parle de plusieurs millions d'euros – soit un montant que notre sécurité sociale n'a pas reçu. Ces faits mettent à nouveau tristement en lumière un mauvais fonctionnement du contrôle, étant donné que la limite raisonnable pour pratiquer de bons soins de santé s'élève à une vingtaine de consultations journalières.

En réaction à cette affaire, monsieur le ministre, vous avez annoncé vouloir fixer un plafond du nombre de patients par jour pour un soignant à domicile. Oui, il faut prendre des mesures contre la fraude, et elles doivent être prises rapidement. Pour autant, il nous paraît essentiel de garantir une bonne concertation avec le secteur des infirmiers à domicile, car celui-ci souffre en ce moment et est mis sous pression. Il ne faut surtout pas l'abandonner.

Mes questions, monsieur le ministre, seront très simples. Il semblerait que l'INAMI avait déjà reçu un signalement en 2017 pour des soupçons de fraude. Manifestement, il n'y a pas eu de suivi. Comment pouvez-vous l'expliquer? Comment évaluez-vous ce dispositif de suivi? Combien de dossiers en ce domaine sont-ils ouverts par l'INAMI?

Vous avez annoncé plusieurs mesures relatives au plafonnement des prestations. À ce titre, envisagez-vous vraiment une concertation avec le secteur? Vous dites aussi souhaiter renforcer le contrôle des mutuelles. Or elles sont juge et partie puisque certaines offrent des services de soins à domicile. Tous les infirmiers seront-ils logés à la même enseigne et égaux face à ces contrôles?

Jean-Marie Dedecker:

Mijnheer de minister, hoeveel hoofdstukken moeten we nog toevoegen aan het blunderboek van het RIZIV? U bent al zes jaar de verantwoordelijke minister. Twee maanden geleden zei collega Ronse hier dat er 12.000 langdurig zieken in het buitenland verblijven, van Pattaya tot Benidorm, die nooit gecontroleerd worden. Een maand geleden spraken we hier ook over het RIZIV: 529.000 langdurig zieken, 150.000 mensen met lage rugpijn – een bevolking zonder ruggengraat blijkbaar – en 195.000 mensen met psychische problemen. Verder zijn 260.000 mensen arbeidsongeschikt tot aan hun pensioen. Vervolgens ging de FOD eens controleren en toen bleek dat 16,7 % terecht arbeidsongeschikt was, 27,2 % onterecht en bij 55,6 % werd de erkenning ingekort.

Een week geleden vernamen naar aanleiding van een televisie-uitzending dat iemand die acht jaar geleden over een hondendrol is uitgegleden sindsdien thuisblijft met een ziekte-uitkering. Wat doet het RIZIV? Niets. Wat horen we nu? Acht jaar lang lichtte de verpleegkundige Stefanie Sander uit het landelijke Houthulst de boel op. Acht jaar! Al sinds het eerste jaar, 2017, zijn er klachten over 14.475 aangerekende prestaties. Er wordt gecontroleerd en er wordt in beroep gegaan. Wat gebeurt er vervolgens? Niks. De vrouw in kwestie moest een bedrag terugbetalen, maar dat deed ze niet. Wat doet het RIZIV daaraan? Niks.

Bent u dan Calimero, mijnheer de minister? U bent al zes jaar verantwoordelijkheid voor het RIZIV en ik zeg u wat er in één à twee maanden in het Parlement al werd aangekaart. Begin uw werk te doen.

Kurt Moons:

Mijnheer de minister, ons land werd deze week opgeschrikt door een fraudeschandaal van een thuisverpleegkundige dat zijn gelijke niet kent. Een dame slaagde erin om gedurende acht jaar miljoenen euro’s ten onrechte aan te rekenen aan het RIZIV en de mutualiteiten. Er was sprake van facturatie van niet-geleverde prestaties, tot meer dan een miljoen euro per jaar. Ze zette patiënten ook onder druk en foefelde met identiteitskaarten.

Blijkbaar bestaat die fraude reeds sinds 2017, toen het RIZIV een controleonderzoek instelde en op dat moment reeds fraude vaststelde. Toch kon die persoon haar frauduleuze praktijken verderzetten zonder verdere controle door het RIZIV en kon ze er een zeer luxueus leven op nahouden. Blijkbaar hebben de controlemechanismen van uw diensten helemaal niet gewerkt. Dit betreft echt een structureel falen van het beleid. Het gaat trouwens om een voortzetting van jarenlang falend beleid, ook van uw voorgangers.

Onze partij en ook de sector zelf waarschuwen al vele jaren voor dergelijke misbruiken. Ze vragen betere datagedreven detectie, objectieve monitoring en tijdige interventies. Al die waarschuwingen werden door de zogenoemde beleidspartijen vakkundig straal genegeerd. Integendeel, door uw geplande aanpak stigmatiseert u nu zelfs de vele duizenden hardwerkende thuisverpleegkundigen.

Daarom heb ik een aantal vragen.

Hoe is het mogelijk dat dergelijke fraude gedurende acht jaar onder de radar is gebleven, terwijl er al lang voldoende signalen aanwezig waren? Welke controles zijn uitgevoerd? Welke signalen werden er gemist en door wie? Waarom werd er niets ondernomen door het RIZIV, het ziekenfonds of uw administratie en is het pas op het moment waarop een arbeidsauditeur het dossier naar zich toetrekt dat de bal aan het rollen gaat? Hoe zult u er verder voor zorgen dat de correct werkende thuisverpleegkundigen niet langer reputatieschade ondervinden van dergelijke fraudeurs? Sinds wanneer was u op de hoogte van deze hallucinante praktijken? Wat hebt u gedaan en welke acties hebt u ondernomen?

Voorzitter:

Collega's, mag ik het woord geven aan de heer Bertels? (Rumoer)

Mijnheer Bertels, u hebt recht op twee minuten spreektijd.

Jan Bertels:

Collega's, wat wij de voorbije dagen konden lezen, moet ons allemaal verontwaardigen. Ik ben blij dat u die verontwaardiging deelt. Een thuisverpleegkundige die voor miljoenen fraudeert, dat kunnen wij niet aanvaarden. Het systeem werd en wordt daardoor van binnenuit ondergraven, op verschillende manieren.

Zij zette patiënten onder druk om hun identiteitskaart onder de deurmat of in de brievenbus te leggen. Lag er geen identiteitskaart klaar, dan werd de medicatie stopgezet of werd daarmee gedreigd. Op die manier kon ze tot 90 patiënten per dag zien. Zij factureerde bezoeken en streek zelfs premies op die voor haar patiënten of voor zorgkundigen bedoeld waren. Ze waren niet voor haar bestemd, maar zij streek ze toch op.

Sancties werden omzeild. Het RIZIV trad wel degelijk op, zij het misschien niet hard genoeg. Daarover kunnen wij discussiëren. Het streed echter wel met de middelen die wij, wetgevers, het hebben gegeven. Die wapens volstaan niet. Ik hoop dat wij het daar nu allemaal over eens zijn en blijven.

Ook de wapens die het RIZIV aan het ministerie van Financiën geeft om te innen, volstaan niet. Er wordt niet genoegd gedaan met de verslagen die het RIZIV aan het parket bezorgt. Wij moeten daar eerlijk over zijn. Daar wordt niet genoeg mee gedaan. Ook op dat vlak moeten er prioriteiten worden gesteld met betrekking tot socialefraudebestrijding. Fraude is immers onaanvaardbaar. Alle hardwerkende thuisverpleegkundigen komen daardoor in een slecht daglicht. Daarom moeten wij het systeem hervormen en een handhavingsplan opstellen en uitvoeren.

Voorzitter:

Ik geef het woord aan de vicepremier om te antwoorden. Hij heeft daarvoor vijf minuten spreektijd.

Frank Vandenbroucke:

Geachte Kamerleden, fraude is diefstal, of het nu om fiscale fraude of sociale fraude gaat, het is in feite een vorm van gangsterisme in de ziekteverzekering. Dat is diefstal. Het is intriest voor talloze hardwerkende thuisverpleegkundigen die het beste voor hebben met hun patiënten. Dat is de reden waarom we keihard moeten optreden.

Is de inspectie van het RIZIV opgetreden? Ja, onmiddellijk. Ik zal de gedetailleerde tijdslijn bezorgen aan het secretariaat van de Kamer. Onmiddellijk nadat moedige mensen uit de omgeving van die thuisverpleegkundige in 2017 hadden gemeld dat er iets niet in orde was, is een onderzoek gestart. Dat is een moeizaam onderzoek waarbij men patiënten thuis moet opzoeken om vast te stellen dat er inderdaad is gefraudeerd. Enkele maanden later werd een proces-verbaal opgesteld. Er is een zware boete opgelegd en onterecht verkregen geld werd teruggevorderd, waarvan een deel werd terugbetaald. Men is die zaak blijven opvolgen. Na nieuwe klachten is men opnieuw opgetreden. Al meer dan twee en een half jaar geleden werd, na sterk aandringen, het parket aan zet gebracht. Het RIZIV is dus opgetreden, onmiddellijk en herhaaldelijk, maar met wapens die tegenover dat soort gangsterisme veel te zwak zijn. Dat is toch juist?!

Maar nu wordt het interessant. Wilt u de wapens tegen dat soort diefstal versterken of niet? Dat is de vraag voor u. Wilt u de middelen versterken om dat soort diefstal aan te pakken of niet? Dat is absoluut nodig.

Overigens, mijnheer Van Lysebettens, dat is allemaal reeds beslist en we gaan het uitvoeren. Om te beginnen wordt de bewijslast omgekeerd, zodat men niet talloze patiënten thuis moet opzoeken om te bewijzen dat er is gefraudeerd. Wanneer een zelfstandig thuisverpleegkundige voor meer dan 229.000 euro aan facturen indient, meer dan tweemaal zoveel als het gemiddelde van een hardwerkende voltijds verpleegkundige, dan mag men om uitleg vragen, zodanig dat de betrokkene moet bewijzen dat hij of zij niet fraudeert. Dat is beslist. Die wetgeving, mijnheer Van Lysebettens, is al tot stand gebracht, dat koninklijk besluit is meer dan een jaar geleden gepubliceerd en we zullen het vanaf nu toepassen. Ja, dat is onder Vivaldi beslist, mét u beslist, en is vanaf nu van toepassing.

Ten tweede, collega’s van het Vlaams Belang, u vraagt wanneer ik van het geval op de hoogte was, maar ik heb tegenover mevrouw Sneppe maanden geleden net het voorbeeld van die frauderende zelfstandige gegeven om tegen uw weerstand in de wapens aan te scherpen. U wilde niet dat we het nummer zouden kunnen intrekken. U vond dat vreselijk. (rumoer en protest in de zaal)

Ik heb met handen en voeten uitgelegd dat het nodig is om dat soort draaimolen te stoppen, door het nummer waarop men factureert gewoon in te trekken. Ik heb van op dit spreekgestoelte het voorbeeld gegeven aan mevrouw Sneppe, om haar te overtuigen.

Ten derde, we moeten ook de patiënten wapenen. We zullen er dus systematisch voor zorgen dat vanaf nu de patiënten geïnformeerd worden, ook wanneer men in derde-betaler factureert, ook in de thuisverpleging.

Morgen ligt op de ministerraad een wetsontwerp voor waarbij onder meer de mutualiteiten voor 100 miljoen euro borg zullen moeten staan voor acties tegen fraude. Dat ligt klaar. We hebben dus niet gewacht.

Het punt is dat men de samenleving moet willen wapenen tegen diefstal. De flauwe en leugenachtige verhalen die ik hier bij de voorgaande mondelinge vraag gehoord heb, dat we zogezegd in de rekeningen zouden gaan kijken, dat zijn leugens.

U liegt. U liegt om diefstal mogelijk te laten zijn. Daarmee beschermt u niet de gewone burger, maar wel drugscriminelen die geld witwassen. Wie u beschermt, als u tegen het principe van de plafonds bent, zijn gangsters in de ziekteverzekering.

Geachte Kamerleden, u zult kleur moeten bekennen, u allemaal, in de meerderheid en in de oppositie. Zult u de inspectie de wapens geven op te treden (…)

Jeroen Van Lysebettens:

Dank u wel, mijnheer de minister, voor uw antwoord.

Over twee zaken zijn we het eens: fraude is diefstal en het RIZIV heeft ten minste een probleem gesignaleerd. Bij andere partijen maken ze van een Porsche Queen een raadslid.

U hebt mij echter op een aantal punten verkeerd begrepen. Mijn punt was niet dat er geen beslissing is genomen, mijn punt is dat beslissingen niet worden uitgevoerd. Het RIZIV heeft sinds 2020 weet van die zaak van miljoenenfraude en toch kan en mag de persoon in kwestie blijven voortdoen. U zegt dat men onmiddellijk ingrijpt, maar we zijn vijf jaar later.

Ik stel vast dat het hier hetzelfde is als met fraude in andere domeinen: u zit met het sleepnet achter de kleine garnalen en de grote vissen zwemmen ongehinderd verder. Dat is hier zo. Dat zal straks ook zo zijn bij de arbeidsmarktfraude die de heer Mertens aankaart (…)

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, iedereen wist het, maar de wapens, die er zijn, zijn gewoon niet gebruikt. De wapens zijn er, maar ze zijn niet voldoende gebruikt. Er is te lang gewacht. Een inspecteur kan na een melding meteen overgaan tot een onderzoek. Dat onderzoek kan leiden tot een schorsing van de derde-betalersregel en vervolgens kan men onmiddellijk naar de arbeidsauditeur stappen. Dat is niet gebeurd, mijnheer de minister. Er zit zes jaar tussen! Zes jaar!

Ik heb weet van fraudedossiers van 50.000 euro – dat is het gemiddelde van de fraudedossiers – en die worden onmiddellijk afgehandeld. Hoe komt het dat het hier om miljoenen euro's gaat en dat men zoveel geduld heeft gehad met die mevrouw? Dat is schandalig.

Nawal Farih:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Het was een luid antwoord. Er zat veel passie in. Het gaat hier over het belastinggeld van hardwerkende mensen. Mensen gaan ervan uit dat het belastinggeld goed beheerd wordt en dat het voor de juiste zaken wordt ingezet. In de sociale zekerheid zijn dat de meest kwetsbaren, hulpbehoevende ouderen, die zich vaak niet kunnen verweren.

U zegt dat alle middelen zijn gebruikt. Uw collega, Jan Bertels, zegt dat ze misschien niet hard genoeg zijn ingezet. Wel, ik ben het daar volledig mee eens. Er had veel straffer en veel sneller moeten worden gereageerd.

Als u het hebt over de strijd tegen fraude, dan zult u in cd&v een partner vinden, of het nu gaat over fiscale fraude, fraude met managementvennootschappen, sociale fraude of het aangehaalde type fraude: het moet sneller, harder en u moet (…)

Julie Taton:

À mon tour de vous dire merci pour ces réponses, monsieur le ministre, qui étaient très vivantes. Je suis assez d'accord avec mes collègues. Je voudrais juste ajouter qu'il est très important pour nous de défendre la profession libérale des infirmiers, et de les rassurer. La fraude est là, nous l'avons bien compris. Vous allez la combattre, c'est sûr. Mais il faut aussi rassurer le secteur, il faut l'écouter, échanger avec les infirmiers et leur faire passer le message que nous ne sommes pas contre eux. Nous n'allons pas faire la chasse aux infirmiers, mais nous allons faire la chasse à la fraude. Il y a beaucoup de travail.

Jean-Marie Dedecker:

Mijnheer de minister, u bent de grootste calimero van dit halfrond. U maakt mevrouw Sneppe hier verwijten – ik heb haar niet te verdedigen - maar zij zit in de oppositie en heeft niets te zeggen. U bent degene die zijn werk niet heeft gedaan. U hoeft het ook niet politiek te spelen, want mevrouw Sanders stond in 2018 op de lijst van de socialisten voor de verkiezingen. Stop daar dus mee.

Waarover gaat het hier? U bent zes jaar minister en nu zegt dat u iets gaat doen, dat u gaat ingrijpen. Gedurende zes jaar hebt u het door de vingers gezien, hebt u gekeken naar de mensen die een pint te veel drinken of een sigaret te veel roken, maar de fraude bij het RIZIV... Hoeveel controleurs heeft het RIZIV trouwens? Ze hebben er 243. Hoeveel controles hebben die uitgevoerd in 2023? Ik zal het u zeggen, het waren er precies 705. Dat zijn drie controles per persoon in een jaar tijd. En u beweert dat u uw werk hebt gedaan. Proficiat.

Kurt Moons:

Mijnheer de minister, u wordt kwaad. Dat is normaal als uw onbekwaamheid op deze manier geëtaleerd wordt. Ik denk dat dat inderdaad normaal is. U reageert nooit vooraf, steeds na de feiten. U spreekt over diefstal, maar de mogelijke maatregelen zijn wel degelijk beschikbaar. Er moet geen verharding plaatsvinden. U hebt tweeënhalf jaar gewacht om de auditeur in te lichten. Hoe is dat mogelijk? Er moet dus geen verharding van de maatregelen komen.

Mijnheer de minister, hoeveel moet er nog gebeuren voordat u zelf uw conclusies trekt? Er was een overfinanciering van het covid-testplatform voor 60 miljoen euro. Daarna was er de vernietiging van miljoenen ongebruikte covidvaccins. Vervolgens de donatie van vervallen geneesmiddelen aan Oekraïne, de Medista-affaire, de artsenstaking, het donorschandaal en nu het fraudedossier van thuisverpleegkundigen. Het zou passend zijn mocht u de eer aan uzelf houden.

Jan Bertels:

Collega's, stop met fraudeurs en bedriegers goed te praten. Ze zit bij jullie. Ik heb begrepen dat we niet moeten rekenen op het Vlaams Belang. Laten we als Parlement ons werk doen. Laten we die fraude aanpakken.

( Rumoer in het halfrond )

Voorzitter:

Ik vraag om de klok even te stoppen. Collega's, de heer Bertels heeft het woord.

Jan Bertels:

Laten we die fraude aanpakken en laten we eindelijk beslissen om het mogelijk te maken een RIZIV-nummer te schorsen wanneer er een vermoeden van fraude is. Late we dat doen. Het Parlement kan dat, dus doe het gewoon.

Persoonlijk feit

Fait personnel

Dominiek Sneppe:

Mijnheer de minister, ik zal niet roepen zoals u, maar proberen zeer rustig te blijven.

Het eerste persoonlijk feit dat u aanhaalde, was dat u het voorbeeld hebt gegeven van die dame. U hebt inderdaad een voorbeeld gegeven van een frauderende verpleegkundige. Ik ben natuurlijk Madame Blanche niet.

Frank Vandenbroucke:

(…)

Dominiek Sneppe:

Dat hebt u er niet bij gezegd en dat doet overigens niet ter zake. Ik ben geen Madame Blanche, ik kan dat niet weten. U zit aan de knoppen als minister. U zit aan de knoppen van het RIZIV, niet ik. Ik kan toch niet weten dat er ergens in dit land een verpleegkundige aan het frauderen is? Uw voorbeeld gaat dus niet op.

U wist het nochtans en u had dan beter haar naam genoemd, dan hadden we onmiddellijk kunnen optreden. Dat hebt u echter nagelaten. Zeven à acht jaar hebt u nagelaten daar iets aan te doen en nu wijst u in onze richting. Sorry, u bent in de fout gegaan en niemand anders dan u.

Ik kom tot het andere persoonlijk feit. Mijnheer de minister, fraude moet worden aangepakt. Dat klopt, collega Bertels. Als u die grondig aanpakt en zoals het moet, dan zult u in het Vlaams Belang een partner vinden. Wat stellen we echter vast? De bestaande fraudebestrijdingsmiddelen zijn gewoon niet gebruikt. Ze zijn niet ten volle uitgeput. Nu komt u met iets anders op de proppen, iets wat u eigenlijk al heel lang in gedachten hebt. U misbruikt deze problematiek nu om alweer uw gedacht door te drukken. Mijnheer de minister, ik wist al van bij het begin dat het afpakken van die RIZIV-nummers in de kaderwet zou komen, want zo zit u nu eenmaal in elkaar: uw gedacht en dat van niemand anders.

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw Sneppe, voor alle duidelijkheid, ik heb dat voorbeeld gegeven zonder te weten over wie het ging. Dat zegt men niet. Ik wist niet dat het om een vrouwelijke verpleegkundige ging. Ik wist niet over wie het ging. Dit is een anoniem voorbeeld. Ik heb u er zo drie gegeven. Ik wist niet dat die dame nog op de lijst van mijn partij en uw partij had gestaan. Dat heeft inderdaad geen belang. Uw partij heeft daarin zeer correct opgetreden. Daar gaat het niet over. Het punt is onze verantwoordelijkheid. U bent hier voortduren tussengekomen om te zeggen dat het opschorten van die RIZIV-nummers een slecht idee was en u herhaalt dat hier weer. Ik zeg u dat u dit soort draaimolen, met gangsters die altijd opnieuw beginnen met facturen te sturen, niet kan stoppen zonder de wettelijke basis om die betalingen stop te zetten. Degenen in dit halfrond die niet willen dat RIZIV-nummers worden opgeschort bij zo’n grote fraude, die beschermen de dieven. Ze beschermen de dieven! Als u de dieven wilt pakken, dan moet u daarvoor de nodige wapens hebben. Wij zullen daarom die RIZIV-nummers opschorten, werken met plafonds en de bewijslast omkeren. Ik hoor hier allerlei loze argumenten van u en van anderen in de oppositie. Die loze argumenten dienen enkel om de dieven te beschermen. Dat is onze verantwoordelijkheid, ervoor zorgen dat dit niet gebeurt.

De politionele omkadering voor de bescherming van de vrijheid van meningsuiting

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 20 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Een MR-conferentie in PS-gemeente Saint-Gilles over werkgelegenheidsreformes dreigde geannuleerd te worden door linkse protesten en extremistische dreigingen ("À bas l'État!"), maar ging door dankzij sterke politie-inzet (lokaal en federaal) onder PS-verantwoordelijkheid. Minister Clarisse (MR) benadrukt de hypocrisie van PS’ selectieve verontwaardiging en waarschuwt voor groeiend politiek geweld, terwijl hij alle democratische partijen oproept dit eendrachtig te veroordelen. Handichi (MR) hamert op het gevaar van staatsondermijnende retoriek en bekritiseert PS-burgemeesters die democratische bijeenkomsten onvoldoende beschermen, wat een maatschappelijk debat over vrijheidsbescherming oproept. Kernpunt: vrijheid van meningsuiting mag niet wijken voor geweld, wie het ook pleegt.

Youssef Handichi:

Monsieur le ministre, je pense que vous et moi, nous avons une qualité commune: nous sommes tous deux de Bruxelles. Saint-Gilles, la commune que je connaissais était une commune populaire, ouvrière où, dans les années 1960, les personnes issues de la première vague d'immigration – qu'elle soit espagnole, italienne, marocaine ou turque – se côtoyaient. Des ouvriers discutaient ensemble. La liberté d'expression y était présente et cela pouvait garantir ce brassage.

Hier, je ne vous cache pas, monsieur le ministre, que j'étais inquiet pour la liberté d'expression, parce que le bourgmestre PS de cette commune a voulu, un temps annuler, un autre déplacer, une conférence du premier parti politique francophone du pays. Une conférence organisée pour expliquer les mesures du gouvernement démocratiquement élu, des réformes qui vont remettre à l'emploi. Cela a du sens, dans un quartier populaire, une commune ouvrière. Aujourd'hui, effectivement, pas mal de bobos y habitent, dont certains font preuve d'extrémisme puisqu'ils auraient voulu que cette conférence ne s'y tienne pas.

Je vous félicite, monsieur le ministre, d'avoir mis tout en œuvre pour que cette conférence soit maintenue. Mes questions vont dans ce sens. Quel bilan tirez-vous du dispositif de sécurité mis en place? Quels furent les contours de la concertation avec la zone de police locale et quel fut, en définitive, le rôle de la police fédérale? En tant que libéral, trouvez-vous normal que la liberté d'expression ait pu être menacée en raison de protestations de la part de collectifs de l'extrême gauche?

Bernard Quintin:

Monsieur le représentant, j'aimerais commencer par remercier les policiers, fédéraux comme locaux, qui ont permis la tenue de cette 27 e conférence du MR en toute sécurité pour tous les participants. Mais nous ne devons pas nous tromper de débat ici. Si une telle mobilisation a été nécessaire, c'est uniquement parce que des groupes d'extrême gauche, soi-disant antifas, voulaient imposer le silence par la violence. Ils ont échoué. Tout le monde devrait s'en réjouir.

Monsieur Handichi, je trouvais déjà grave le mutisme de certains après les événements déplorables de Liège, tout comme les différentes expressions publiques évoquant depuis plusieurs jours de prétendues provocations. Mais je suis tombé de ma chaise ce matin en écoutant LN24. J'ai entendu un responsable socialiste qui semblait être soit très mal informé, soit avoir un problème avec la vérité, car c'est un bourgmestre PS, celui de Saint-Gilles, qui a initialement proposé au MR d'utiliser cette salle. Ce sont trois bourgmestres PS qui gèrent la zone de police Midi, qui a la responsabilité, appuyée par la police fédérale, de l'organisation du dispositif de sécurité. Celui-ci a très bien fonctionné et j'en remercie les acteurs.

La prochaine fois, j'ose rêver que ce temps d'antenne sera utilisé pour faire ce que tout démocrate aurait dû faire, dénoncer l'inquiétante montée de la violence politique dans notre pays, qu'elle soit d'extrême droite ou d'extrême gauche. Et si demain, et je le dis solennellement, une conférence tenue par la gauche venait à être troublée, si des militants du PS ou d'autres partis représentés dans cette Assemblée, ou pas d'ailleurs, venaient à être attaqués physiquement, je serais le premier, non seulement à le dénoncer publiquement, mais à agir en conséquence, et chacun gagnerait à en faire de même.

Youssef Handichi:

Monsieur le ministre de la Sécurité et de l'Intérieur, je vous remercie. Ce titre vous va si bien. Je voudrais aussi mettre en garde les camarades du PS afin qu'ils fassent bien attention. Quand j'ai regardé les vidéos sur les réseaux sociaux, j'ai constaté que les slogans étaient: " À bas l' É tat! À bas les flics!" Faites attention! Allez-y voir: c'est vraiment ce qui s'y passe. J'adresse ce petit message au Parti Socialiste et aux bourgmestres PS qui minimiseraient les menaces ou qui refuseraient de porter assistance et protection à tous ces rassemblements démocratiques, au point qu'il faille toujours suppléer là où les bourgmestres PS sont en place. Je vous invite à vous remettre en question. Se tient en effet ici un débat sociétal important, car ce n'est pas la question " À bas l' É tat!" qui se pose aujourd'hui, mais celle de sa protection.

Een grotere politieaanwezigheid op straat

Gesteld door

lijst: CD&V Franky Demon

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 20 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Cd&V dringt aan op versterkte veiligheid buiten grote steden, met meer wijkagenten, uitbreiding van de GAS-wet en gedwongen opnames voor overlastplegers, na incidenten zoals steekpartijen in kleinere gemeenten. Minister Quintin bevestigt dat zijn Plan Grote Steden (20 miljoen euro voor camera’s, controles en sluiting fraudezaken) gericht is op zeven grote steden maar erkent dat georganiseerde criminaliteit ook kleinere steden en grensregio’s treft, met beloftes voor mobielere inzet. Demon benadrukt dat het plan te beperkt blijft en eist een niet-communautaire aanpak die alle gemeenten omvat. De discussie loopt vast in procedurele onderbrekingen zonder concreet akkoord over uitbreiding.

Franky Demon:

Mijnheer de minister, 'meer politie-inzet in Brussel' hoorden we deze morgen op de radio. Cd&v steunt die inzet volledig. Met het Plan Grote Steden hebt u een brede aanpak uitgewerkt in de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit. Dat is een goede zaak, hoewel ik u eerder al heb gemeld dat veiligheidsproblemen niet stoppen aan de grenzen van Brussel, Gent of Antwerpen. De kleinere steden en gemeenten worden geconfronteerd met grotere veiligheidsuitdagingen. Zo zien we steekincidenten in Mol en Harelbeke, waar zelfs een minderjarige op weg naar school het slachtoffer werd van een steekincident. We horen steeds vaker verhalen over bendegeweld, onder andere van Afghanen, evenals over zware criminaliteit en drugsoverlast in onze gemeenten.

Cd&v, mijnheer de minister, heeft fors ingezet om lokale veiligheid tot een prioriteit te maken in het federaal regeerakkoord. Burgemeesters smeken immers om versterking in de strijd tegen overlast en criminaliteit. Cd&v vraagt dan ook een verdubbeling van het aantal wijkagenten. Maak werk van een aanklampende politie. Breid de GAS-wetgeving zo snel mogelijk uit en geef onze burgemeesters meer bestuurlijke slagkracht, bijvoorbeeld via de mogelijkheid tot gedwongen opname van overlastveroorzakers. Mijnheer de minister, laten we van het komende jaar samen het jaar van de lokale veiligheid maken. Cd&v zal daarvoor alvast concrete voorstellen neerleggen.

Ik heb slechts één vraag voor u. Hoe wilt u ook buiten de grote steden veiligheid opnieuw tot prioriteit maken?

Bernard Quintin:

Mijnheer Demon, veiligheid staat bovenaan de agenda van deze arizonaregering. De strijd tegen georganiseerde criminaliteit is voor mij een absolute prioriteit. Onze grote steden worden vandaag geconfronteerd met zware criminaliteit en drugstrafiek. Daarom heb ik begin september mijn Plan Grote Steden gelanceerd.

Ik licht graag kort de belangrijkste krachtlijnen daarvan toe. We voeren grootschalige en gerichte controleacties uit, samen met de federale en lokale politie. In Brussel, Antwerpen en andere steden werden de afgelopen weken al succesvolle operaties uitgevoerd. Dealers verslaat men echter niet met één actie. We moeten hen dag en nacht onder druk zetten. Hun verdienmodel mag geen minuut ongestoord blijven. Dat is precies de logica achter deze operaties.

We investeren 20 miljoen euro in camera's op strategische locaties. We pakken ook witwaspraktijken via dubieuze handelszaken aan en we verhogen de controle op sociale en fiscale fraude bij verdachte personen en vennootschappen. Daarnaast versnellen en vereenvoudigen we de administratieve procedure om dergelijke zaken zonder omwegen te sluiten.

Dit plan is in de eerste plaats gericht op de zeven grote steden van ons land, met name Brussel, Antwerpen, Charleroi, Mons, Liège, Namur en Gent, maar ik vergeet de andere steden, waaronder Brugge, niet. Georganiseerde criminaliteit stopt niet aan de stadsgrenzen. Ook grensregio's worden steeds vaker geconfronteerd met internationale bendes en lokale besturen vragen terecht meer federale steun. We zijn daar niet blind of doof voor. Burgemeesters hebben mij hun bezorgdheden al overgemaakt.

Bendes zijn creatief en verplaatsen zich vrij gemakkelijk, maar laat het duidelijk zijn: wij zullen even creatief en even mobiel zijn. Meer blauw op straat en blauw meer op straat.

Franky Demon:

Beste minister, dank u voor uw antwoord. Ik wil één punt duidelijk benadrukken. Wij steunen uw plan absoluut, maar, ik heb het ook in de commissie gezegd, Ik heb problemen als het gaat over de steden Brussel, Gent, Antwerpen, Charleroi, Luik, Bergen en Namen. Dit is mijn inziens onvoldoende en onvolledig voor zo'n mooi, inhoudelijk plan, want de veiligheidsproblematiek kent geen taalgrenzen. Dat hebt u zelf ook gezegd.

Ik heb in de commissie dan ook gevraagd om er alstublieft geen communautair dossier van te maken. Maak er ook een dossier van dat onze Vlaamse steden en gemeenten, onze lokale korpsen, kan helpen om die druk van diezelfde georganiseerde criminaliteit en diezelfde overlast aan te pakken.

Ik vraag maar één ding: breid die (…)

Voorzitter:

Monsieur Prévot, vous demandez la parole mais je ne pense pas que votre nom ait été cité.

Patrick Prévot:

(…)

Voorzitter:

Je suis désolé, mais c’est un peu exagéré de (…)

Patrick Prévot:

(…)

Voorzitter:

Je pense qu’il n’y a qu’un seul "président du MR", alors que "les socialistes" sont nombreux.

De grootschalige sociale fraude bij detacheringen
De Panoreportage over sociale dumping
De sociale fraude bij detacheringen
Onderzoek naar fraude, sociale dumping en misstanden bij detacheringen en uitzendwerk

Gesteld aan

Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)

op 20 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om systematische uitbuiting en sociale fraude in de bouwsector, met schijnconstructies, onderbetaalde arbeiders en criminele ketens die verantwoordelijkheid ontwijken. Minister Beenders belooft 300 extra inspecteurs, strengere boetes en betere registratie van gedetacheerden, maar kritiek (o.a. van Mertens en Vanrobaeys) benadrukt dat ketenverantwoordelijkheid (bovenaan *en* onderaan) ontbreekt en echte systeemverandering uitblijft. Partijen wijzen elkaar hypocrisie aan: liberalen en rechts blokkeren harde maatregelen tegen "grote vissen", terwijl de minister zijn eigen wetsvoorstel over boetes zou hebben ondermijnd. Kernpunt: zonder retroactieve ketenverantwoordelijkheid en internationale samenwerking blijft uitbuiting structureel mogelijk.

Anja Vanrobaeys:

Mijnheer de minister, de Panoreportage van gisteren ging door merg en been. Ze ging niet over een eenmalig feit maar over een jarenlang goed georganiseerd systeem van uitbuiting. Elke keer hoor ik dan: maar hoe kan dat nu. En toch gebeurt het, keer op keer. Ik hoef niet ver in de tijd terug te gaan om voorbeelden te vinden. Ingestort schoolgebouw in Antwerpen; vijf arbeiders laten het leven; hun familie wacht nog op vergoeding. Borealis, 55 slachtoffers van mensenhandel op een werf in de haven van Antwerpen. Maar ook hier om de hoek, renovatie van het hoofdkwartier van het Vlaams Belang; arbeiders met voor 220.000 euro achterstallig loon. En vandaag opnieuw.

Elke keer opnieuw krijgen we gruwelijke verhalen van uitbuiting te horen. Mensen komen hierheen en hopen op werk, veiligheid en een beter leven, maar het eindigt in een nachtmerrie. Ze zijn onderbetaald; moeten 350 euro dokken voor een bed in een krot, presteren werkdagen van 22 uur en als ze een ongeval krijgen, worden ze gewoon gedumpt als afval.

Terwijl zij kapotgaan, rinkelen de kassa’s voor de tussenpersonen en postbedrijven, die via witwasconstructies fortuinen verdienen. En niemand krijgt daar vat op.

Het eeuwige excuus van de grote vissen luidt dan dat ze van niets wisten. Wie gelooft dat nog? Hun businessmodel is niet meer of niet minder gebaseerd op uitbuiting. Hoe moet een lokale aannemer, een transportbedrijf, daartegen opboksen?

Mijnheer de minister, u hebt een plan klaar met 300 extra inspecteurs, strengere straffen, meer internationale samenwerking. Ik heb maar één vraag aan u. Hoe zult u komaf maken met de eindeloze keten van schijnconstructies en hoe zult u alle werknemers op onze arbeidsmarkt beschermen?

Peter Mertens:

Stel, u bent bouwvakker en u werkt aan een school in België. U krijgt amper vijf euro per uur. U hebt geen enkele bescherming. U krijgt een ongeval. U breekt alle ribben. U wordt naar het ziekenhuis gebracht. Daar blijkt dat uw baas vergeten is u te verzekeren. U wordt opgepikt en vervolgens als een hond in de straten van België gedumpt, zonder medische nazorg, zonder loon en zonder documenten. We kennen dat verhaal. De overheid heeft daar weet van. Wat gebeurt er echter? Ik heb een ongelooflijk déjà-vugevoel: in 2021 gebeurde precies hetzelfde. Vier jaar na het ongeval bij de bouw van een school in Antwerpen is er fundamenteel niets veranderd.

Dergelijke feiten gebeuren nog steeds onder onze neuzen. Het gaat om arbeiders die onze scholen en onze rusthuizen bouwen, die onze wegen aanleggen of renoveren. De werf van de eeuw, de Oosterweelverbinding, wordt uitgevoerd door een keten van onderaannemingen waar onderfinanciering, onderverloning en uitbuiting schering en inslag zijn.

Er is dus niet alleen meer controle nodig, wat trouwens al tien jaar wordt beloofd. Het gaat ook om de verantwoordelijkheden in de ketens. Het gaat niet alleen om de kleine cowboys onderaan de keten, maar ook om de grote bedrijven bovenaan de keten, die ermee wegkomen. Dat betekent dat het om een systeem gaat. Om dat aan te pakken, moeten we niet alleen onderaan de ladder ingrijpen, maar ook bovenaan. Wij moeten het systeem zelf veranderen. Dat kan alleen als er ketenverantwoordelijkheid is, wat vandaag niet het geval is.

Antwoord mij dus niet voor de tiende keer hier in het Parlement dat er ketenverantwoordelijkheid is, want ze is er niet. Betrokkenen krijgt nauwelijks een verwittiging. Wij moeten echte ketenverantwoordelijkheid invoeren, die retroactief werkt. Dan zal het snel gedaan zijn. Als werkgevers worden verplicht de lonen van de werknemers van onderaannemers die failliet en zelfs frauduleus failliet gaan, te garanderen en te betalen, zal het systeem snel verdwijnen.

Daarom stel ik na tien jaar opnieuw mijn vraag. Zal het Parlement al dan niet retroactiviteit invoeren?

Wouter Raskin:

Mijnheer de minister, in Pano gisteren kwamen de uitwassen van het systeem van detachering aan bod, de fraude en de sociale dumping, die dodelijk zijn voor de eerlijke concurrentie van de vele bonafide kleine en grote bedrijven en de sociale zekerheid ondermijnen. Bovendien zijn er zeer veel mensen betrokken in de massale fraude met A1-attesten en stijgen de cijfers al jaren.

Vanmorgen stelde u op de radio optimistisch – zo bent u en dat siert u ook trouwens – dat het goed komt en dat er meer zal worden ingezet op handhaving. Overeenkomstig het regeerakkoord komen er extra inspecteurs. Dat is goed en dat steunen wij. Ik wil toch van de gelegenheid gebruikmaken om u te vragen zich niet rijk te rekenen op basis van de extra inspecteurs. Het recente rapport van het Rekenhof herinnerde eraan hoe vorige regeringen voor een gelijkaardige uitdaging stonden en dat het niet zo evident is om te eindigen met netto meer inspecteurs, alleen al door de natuurlijke afvloei door pensionering die deze legislatuur al oploopt tot 90 VTE's volgens de SIOD. Dat is geen mirakeloplossing, maar een deel van de oplossing.

Wat is uw plan om, tegemoetkomend aan de kritiek van het Rekenhof, de uitdaging inzake bijkomend personeel het hoofd te bieden? Welke andere sporen ziet u om het probleem op te lossen?

Rob Beenders:

Geachte Kamerleden, de Pano -reportage van gisteren maakt zeer duidelijk waarom we met deze regering keihard willen blijven strijden tegen sociale fraude. We doen dat net om te vermijden dat de arbeiders die we gisteren op televisie zagen, in zulke schrijnende omstandigheden in ons land moeten werken.

Detachering is door bepaalde malafide, criminele ondernemers uitgegroeid tot een doorgeschoten economisch businessmodel. Daarbij zien we dat de meest kwetsbaren de hoogste prijs betalen. Alle risico’s worden, via ketens van onderaanneming en grensoverschrijdende constructies waardoor verantwoordelijkheden verdwijnen, doorgeschoven naar een verhaal waarbij de winst moet worden verdeeld, om uiteindelijk niets meer over te houden dat aan de werknemer kan worden gegeven. Dat kan niet en dat mag niet. Daar zullen we tegen blijven strijden.

Dat systeem holt de rechten van werknemers uit en creëert daarnaast extreme afhankelijkheid, doordat huisvesting, werk en uitbetaling van het loon volledig in handen van criminelen liggen. Vermits zij zich dan ook nog in een land bevinden waar ze de taal niet spreken, beseffen we allemaal dat het om slachtoffers gaat en dat ze vogels voor de kat zijn.

Die werknemers hebben een sterke overheid nodig om hen te beschermen. Ondernemers die frauderen, buiten niet alleen die mensen uit, maar zorgen er ook voor dat ondernemers die het wel goed voor hebben en het spel wel eerlijk spelen, worden weggeconcurreerd. Dat laten we met deze regering niet toe.

In de eerste drie kwartalen van dit jaar voerden de sociale inspectiediensten samen al 10.717 gemeenschappelijke controles uit, waarvan 2.436 in de bouwsector. In totaal werden er al 109.000 individuele onderzoeken gevoerd door de verschillende sociale inspectiediensten, wat aangeeft hoe complex de strijd tegen sociale fraude is.

Ook dat bleek gisteren uit de Pano -reportage,. Sommige leden zijn selectief in hun beschrijving van wat ze gisteren gezien hebben, maar de controles die in de reportage getoond werden, tonen aan dat de overheid niet afwezig is. U hebt gisteren gezien dat we op veel fronten strijden tegen detachering. De controlediensten waren op televisie, ze waren aanwezig. Ze gaven aan waar de pijnpunten zich situeren en dat zijn net de zaken waarop deze regering zal inzetten. Er komen 300 extra inspecteurs, op basis van een behoefteanalyse, met de bedoeling om netto meer inspecteurs te hebben.

Die behoefteanalyse is klaar en we zullen ervoor zorgen dat de sociale, fiscale en gerechtelijke diensten versterkt worden. We zullen het aantal ketens beperken en het aantal controles de volgende jaren systematisch verhogen. We zullen de boetes verhogen.

Mijnheer Mertens, ik vind het enigszins hypocriet dat u hier de witte ridder speelt, terwijl uw partij in de commissie, waar we vorige week de verhoging van de boetes voor sociale fraude hebben besproken, alles heeft gedaan om dat te vertragen. Ik vind dat hypocriet, want als u het echt goed voorhebt met de strijd tegen sociale fraude, dan stemt u in met mijn ontwerp om de boetes met 25 % te verhogen. U hebt dat niet gedaan.

(Applaus)

Geachte leden, voor de duidelijkheid wil ik zeggen dat internationale arbeiders nodig zijn. Als we willen dat hier huizen worden gebouwd en infrastructuurwerken plaatsvinden, hebben we die mensen nodig. Detachering is niet verkeerd als iedereen zich aan de regels houdt.

België zal daarin het voortouw blijven nemen. We zetten in op arbeidsrechtelijke regularisatie. Dat betekent dat we werknemers garanderen dat ze minstens het Belgisch minimumloon ontvangen en beschermd worden door onze arbeidsregels.

Als we weten dat een op de twee gedetacheerde personen in België actief is in de bouw, wil ik dat iedereen zich registreert wanneer men een bouwwerf betreedt en opnieuw wanneer men die werf verlaat. Op die manier kunnen we de stromen beter in kaart brengen en kan die registratie ervoor zorgen dat efficiëntere controles plaatsvinden. Dat brengt eveneens de ondoorzichtige constructies in kaart. Die registratiesystemen zijn absoluut noodzakelijk. De bijbehorende wetgeving is momenteel in de maak.

Daarnaast doen we ook internationaal wat nodig is. Ik weet niet of u het weet, maar België behoort op Europees niveau tot de top inzake controlesystemen. Wij voeren internationale controles uit om ervoor te zorgen dat misbruiken inzake detachering worden aangepakt. Het afgelopen jaar werkten we samen met Slovenië, Portugal, Malta en Polen om als koploper initiatieven te blijven nemen op het vlak van gezamenlijke Europese controles. We zullen dat nog meer doen. Laat het duidelijk zijn: wie fraudeert, steelt middelen van mensen die de middelen echt nodig hebben.

Ik roep u allemaal op om de verontwaardiging aan de kant te schuiven en de voorstellen en ontwerpen die in het Parlement ter zake worden ingediend te steunen, zodat sociale fraude echt kan worden aangepakt.

Anja Vanrobaeys:

Mijnheer de minister, u hebt gelijk. Een arbeidsmarkt moet alle werknemers en eerlijke werkgevers beschermen, niet de valsspelers.

Toch moet mij iets van het hart. Open Vld heeft hier de voorbije weken 45 uur getoeterd om dergelijke rijke fraudeurs te beschermen. 45 uur! Maar nu? Nu blijft het stil.

Ik ben dat echter gewoon. Telkens opnieuw, ook op Europees niveau, wanneer het erom gaat om de grote vissen verantwoordelijk te stellen, blijft het stil. Bij de liberalen, Vlaams Belang, de N-VA en cd&v blijft het stil om de grote vissen aan te pakken. Alle verantwoordelijkheid gaat dan naar de kleintjes, naar de arbeiders die worden uitgebuit.

Voor Vooruit is het duidelijk: we moeten fraude aan de bron aanpakken, de grote vissen aanpakken en de kleintjes beschermen. Alleen zo werken we aan een eerlijke arbeidsmarkt.

Peter Mertens:

Mijnheer de minister, ik heb een vraag gesteld en u hebt er voor de zoveelste keer voor gekozen om daar niet op te antwoorden, namelijk: wat met ketenverantwoordelijkheid? Ik ben een grote fan – u zou dat weten als u al meerdere jaren in het Parlement aanwezig was – van meer controles. Ik ben een grote fan van hogere boetes.

Ik ben echter ook voorstander van wat mensen op het terrein zeggen: we moeten ketenverantwoordelijkheid hebben, we moeten ook de opdrachtgever van bouwwerken kunnen aanspreken. Daar gaat het over. Het is een en-enverhaal. Het is niet toevallig dat de bouwfederatie precies dat tweede wil tegenhouden. Daarvoor wijkt u.

Als u dan een wetsvoorstel hebt voor meer controle, zullen we voorstemmen. Als u een wetsvoorstel hebt voor hogere boetes, zullen we eveneens voorstemmen. De beste manier om dat wetsvoorstel te ondermijnen, is echter om in datzelfde wetsvoorstel een clausule opnemen waarmee u de boetes voor iedereen verhoogt. Dat was immers de inzet van uw wetsontwerp.

U hebt die wet zelf kapotgemaakt. U hebt elk draagvlak voor die wet kapotgemaakt. Ik vraag mij af voor wie, op wiens verzoek, u dat wetsontwerp op die manier hebt ondermijnd. Shame on you !

Wouter Raskin:

Mijnheer de minister, dank u voor het antwoord. Het is jammer dat de gewaardeerde collega Vanrobaeys hier even uit de bocht gaat. U weet beter dan wie ook dat u op ons kunt rekenen in de strijd tegen de sociale fraude. Mevrouw Vanrobaeys is er niet altijd bij wanneer we elkaar treffen in de commissie, maar u weet zeer goed dat dit de strijd is die we moeten voeren.

Ik zeg alleen: laten we ook out of the box denken. Het moet meer zijn dan wat het vandaag is. Ik pleit opnieuw voor een integratie van de inspectiediensten. Een efficiëntere inzet van middelen maakt alles goedkoper. Een efficiëntere inzet van mensen biedt het hoofd aan de uitdaging die het Rekenhof u heeft voorgeschreven. Dat is in het allergrootste belang van onze sociale zekerheid, van onze strijd voor eerlijke concurrentie en van onze strijd tegen moderne slavernij en uitbuiting. Dat is de strijd die we moeten voeren. Als de kameraden nog eens oproepen om te betogen in Brussel, laat dat dan onze strijd zijn, collega's.

Anja Vanrobaeys:

(…)

Voorzitter:

Mevrouw Vanrobaeys, hier is duidelijk verwezen naar een interventie van u daarnet aan het adres van de N-VA. Ik denk niet dat we hier van een persoonlijk feit kunnen spreken. We zullen het fenomeen correct proberen te behandelen, maar dit is een uitbreiding. Het gaat over een directe confrontatie tussen twee collega's die hier het woord hadden.

De normering van de defensie-uitgaven

Gesteld aan

Vincent Van Peteghem (Minister van Begroting)

op 19 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Wouter Vermeersch kritiseert het gebrek aan concrete plannen en vertraging in de normering van defensie-uitgaven (125 miljoen euro in 2025), ondanks eerdere toezeggingen, en vraagt hoe de verdeling tussen federale overheid en deelstaten precies zal verlopen. Minister Van Peteghem bevestigt enkel dat 167,5 miljoen euro aan pensioenen voor dienstplichtigen nu als militaire uitgave meetelt, maar erkent dat verdere afspraken en een omzendbrief nog in voorbereiding zijn. Vermeersch wijst op politieke haast (2% NAVO-norm) zonder duidelijke financieringsafspraken en vreest dat deelstaten oneerlijk worden belast om federale tekorten op te vangen. De juridische en praktische uitvoering blijft onduidelijk, terwijl de regering de defensiedoelstellingen wel al als prioriteit stelt.

Wouter Vermeersch:

Ik vind het vreemd dat ik de enige ben die hier vragen stelt over de defensie-uitgaven.

In de algemene toelichting bij de begroting voor 2025 werd voorzien in een normering van de defensie-uitgaven ten belope van 125 miljoen euro in 2025. Hiervoor zouden ook de deelstaten aangesproken worden, maar diende eerst binnen de NAVO te worden bekomen dat uitgaven door de gefedereerde entiteiten meegeteld mochten worden voor het behalen van de NAVO-norm.

Mijnheer de minister, welke normeringen zijn reeds gerealiseerd op federaal niveau en welke op het niveau van de deelstaten? Is hierover reeds overleg gepleegd met de deelstaten? Wanneer vond dat laatste overleg plaats?

Zijn de juridische bezwaren met betrekking tot het opnemen van de deelstatelijke uitgaven in de berekening van de NAVO-norm inmiddels uitgeklaard? Wat is het concrete bedrag dat de federale overheid via normeringen dient te realiseren? Wat is het concrete bedrag dat de deelstaten via normeringen dienen te realiseren?

Vincent Van Peteghem:

De invulling van de structurele financiering voor 2025 bestaat uit de normering van uitgaven met betrekking tot de pensioenen die worden uitbetaald aan de dienstplichtigen en die tot heden nog niet als militaire uitgaven werden aangemerkt. Deze uitbetalingen door de Federale Pensioendienst ten belope van 167,5 miljoen euro voldoen aan de NAVO-definitie van militaire uitgaven. De verdere invulling van de structurele financiering is het voorwerp van discussie binnen het kader van de begrotingsopmaak.

Een omzendbrief met betrekking tot de normering wordt voorbereid door de minister van Defensie in samenspraak met mezelf. In dat kader zal ook verder worden gewerkt met de deelstaten aan deze belangrijke normeringsoefening.

Wouter Vermeersch:

Ik vind het vreemd dat deze regering absoluut prioriteit lijkt te geven aan de defensie-uitgaven en dat u dit bijzonder belangrijk vindt, terwijl de omzendbrief nog moet worden opgesteld. Die had al lang klaar moeten zijn, mijnheer de minister, aangezien dit werd aangekondigd bij de begroting voor 2025, die toch al enige tijd geleden in dit Parlement werd goedgekeurd. Er was dus tijd genoeg om daar werk van te maken, want het betreft een belangrijke kwestie. We krijgen opnieuw antwoorden over overleg met de deelstaten – we weten intussen hoe dat verloopt – maar uiteindelijk komt er geen concreet antwoord op de vraag hoe dit precies zal worden aangepakt en hoe dit met de deelstaten zal worden opgelost. U sluit graag aan bij de militaire ambities van premier De Wever en zijn minister Theo Francken, maar u zegt niet wie uiteindelijk de factuur zal moeten betalen, waar die factuur zal terechtkomen en wie voor welk deel zijn verantwoordelijkheid zal nemen. Het is hallucinant dat we eerst naar 2% willen evolueren en daarna nog moeten onderzoeken hoe die uitgaven concreet en correct zullen worden verdeeld binnen de NAVO-norm. Wij krijgen de indruk dat de deelstaten worden gebruikt of misbruikt om federale tekorten te helpen opvangen. Dat kan niet de bedoeling zijn.

De verlenging van de ontsnappingsclausule voor de defensie-uitgaven

Gesteld aan

Vincent Van Peteghem (Minister van Begroting)

op 19 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de tijdelijke nationale ontsnappingsclausule voor defensie-uitgaven (tot 2028), die een verborgen begrotingsgat creëert dat vanaf 2029 zichtbaar wordt. Van Peteghem verwijst naar technische rapporten (Monitoringcomité) voor de impact, ontwijkt politieke vragen over verlenging en benadrukt dat de clausule uitzonderlijk moet blijven. Vermeersch kaart aan dat de regering geen transparantie biedt over de politieke strategie (hoop op verlenging?) en het risico van bijkomende besparingen na 2028, ondanks de lopende zoektocht naar 10 miljard euro. De minister ontwijkt concrete antwoorden over overleg met Europa en de wenselijkheid van verlenging.

Wouter Vermeersch:

Mijnheer de minister, voor de berekening van de netto-uitgavengroei, waarover we het daarnet bij een eerdere mondelinge hadden, staat de Europese Commissie tot en met 2028 – dat is belangrijk, want dat is een jaar voor het einde van de regeerperiode – het gebruik van een nationale ontsnappingsclausule toe met betrekking tot defensie-uitgaven, of ten minste een deel daarvan.

Mijnheer de minister, kunt u de actuele impact van die nationale ontsnappingsclausule op het Belgisch netto-uitgavengroeitraject toelichten? Kunt u toelichten welke bijkomende inspanning zal moeten worden geleverd ten gevolge van het wegvallen van die clausule in 2029? Houdt u daarmee al voldoende rekening in uw huidige zoektocht naar 10 miljard euro? Werd met de Europese Commissie al overlegd over een mogelijke verlenging van die clausule, of gokt uw regering dat die in 2028 zal worden verlengd, zodat u er met de 10 miljard euro met de hakken over de sloot toch net zult geraken? Acht u een dergelijke verlenging haalbaar en wenselijk? Ik zie uw antwoord graag tegemoet.

Vincent Van Peteghem:

Mijnheer Vermeersch, de impact van de toepassing van de nationale ontsnappingsclausule staat duidelijk beschreven op pagina 22 van het jongste rapport van het Monitoringcomité. Op diezelfde pagina vindt u ook de tabel. Verdere details kunt u ook op pagina 25 van het rapport van juli 2025 van het Monitoringscomité terugvinden. Gelet op de techniciteit lijkt het mij best dat u de informatie eerst doorneemt en daarna eventueel bijkomende vragen indient, mocht dat voor u als antwoord niet volstaan.

Of een verlenging na 2028 opportuun is, moet dan worden bekeken. Hoe dan ook moet de toepassing van de nationale ontsnappingsclausule de uitzondering blijven en mag het geen afbreuk doen aan het nieuw Europees budgettair kader.

Wouter Vermeersch:

Mijnheer de minister, u verwijst naar een aantal pagina's dat wij moeten doornemen. We zullen dat uiteraard doen. U weet dat ik en mijn collega's dat werk zullen doen. Het zou echter wenselijk zijn dat u dat op voorhand laat weten, zodat we het debat in de commissie kunnen voeren. Nu moeten we weer anderhalve maand wachten vooraleer ik u daarover verder kan ondervragen. Het politiek punt dat we willen maken, is dat de ontsnappingsclausule een bijkomend begrotingsgat verbergt dat in deze legislatuur wordt geslagen. Dat is een bijkomende factuur, die in 2029 wellicht weer op de tafel van de regering belandt. U antwoordt ook niet op de vraag of u hoopt dat die ontsnappingsclausule in 2029 zal worden verlengd. Dat staat niet op die pagina's, want dat is een politieke vraag. Ik vermoed niet dat ik op die technische pagina's zal kunnen lezen wat het standpunt van uw regering daarover is. Ik heb u gevraagd of er met de Europese Commissie reeds overlegd werd over een verlenging van die clausule. Ik vermoed dat ik dat evenmin op die technische pagina's zal lezen. Acht u een dergelijke verlenging haalbaar dan wel wenselijk? Ook die opportuniteitsvraag hebt u niet beantwoord. Ik acht dat toch wel belangrijk. Ik kan natuurlijk mondelinge vragen blijven indienen, maar als u ze niet beantwoordt, zullen we daarop in de volgende vragensessie terugkomen.

Drones boven civiele infrastructuur: politiële detectie, neutralisatie en crisisplanning
De bescherming van onze kritieke entiteiten tegen drones
De medewerking van de politie in de strijd tegen drones
De acties tegen drones
De dronedreiging
De cyberaanvallen
Drones boven luchthavens en kritieke infrastructuur: concrete dreiging en respons
De kolderbrigade en de drones
De strijd tegen drones
De veiligheid van de omwonenden van SHAPE
Het counterdroneteam van de federale politie en de inzet ervan
Drones boven kritieke infrastructuur en de aanpak van de regering
Het C-UAS-team van de federale politie
De nood aan een transversale aanpak inzake drones en binnenlandse veiligheid
De antidrone-eenheid van de federale politie
Drones boven luchthavens en kritieke infrastructuur
Het verzoek van de zone Flowal om over een federale helikopter te kunnen beschikken
Drones en veiligheidsmaatregelen voor kritieke infrastructuur en binnenlandse bescherming

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 19 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De dronedreiging boven kritieke infrastructuur (luchthavens, militaire sites, kerncentrales) domineert de discussie, met coördinatieproblemen tussen Defensie, Binnenlandse Zaken en Mobiliteit als kernpunt: gespecialiseerde politieteams (C-UAS) bleven onbenut, ondanks hun expertise, terwijl lokale zones met verouderd materieel (zoals verrekijkers uit 1944) werden ingezet. Minister Quintin benadrukt dat detectie (door skeyes/Defensie/exploitanten) en neutralisatie (beperkt door juridische en technische hordes, zoals jamming-risico’s bij luchthavens) nog onvoldoende zijn, maar belooft structurele maatregelen: een nationaal droneregister (voor snellere identificatie), duaal gebruik van Defensie-middelen voor civiele doelen, en betere afstemming via een drieministeriële commissie (Intérieur/Défense/Mobilité). Kritiek blijft hard: gebrek aan budget (5.000 politiemensen tekort), trage reacties (C-UAS-team pas na dagen ingezet), en dreigcultuur tegenover politiepersoneel dat interne tekortkomingen aankaart, ondanks de klokkenluiderswet. De Europese context (193 miljard bevroren Russische tegoeden bij Euroclear) wordt gezien als mogelijke aanleiding voor de hybride intimidatie, waarbij samenwerking met buurlanden (Duitsland, VS) cruciaal is, maar concrete oplossingen (zoals actieve neutralisatie via lasers/jammers) nog ontbreken.

Maaike De Vreese:

Mijnheer de minister, dank u om vandaag al op onze vragen te willen antwoorden. We weten dat er ook nog een gezamenlijke commissie met de commissies voor Landsverdediging en Mobiliteit aankomt.

In deze materie speelt een complex kluwen van bevoegdheden mee, maar daar heeft de gewone burger uiteraard geen boodschap aan. De vijand houdt daar ook geen rekening mee. Het is belangrijk dat die zaken zowel op politiek als juridisch vlak worden uitgeklaard. Vandaar mijn vragen, mijnheer de minister.

Defensie heeft intussen een federaal antidroneplan voor militaire domeinen uitgewerkt. Er kwam ook bijstand van bevriende landen. Zelf kwam u met plannen voor een nationaal droneregister om verdachte vluchten sneller te identificeren. Kunt u daarover meer informatie geven? Wat is de timing? Hoe ver staat het daarmee?

Onze politie beschikt natuurlijk zelf ook over middelen. De Antwerpse politie organiseert met externe partners counterdrone-oefeningen met een dronekanon. Dergelijke middelen zijn niet algemeen beschikbaar voor alle politiezones. Nochtans worden ook andere lokale zones met de droneproblematiek geconfronteerd. Er moet daar dus ook een antwoord komen.

Ook blijkt de federale politie al sinds 2021 over een gespecialiseerd team te beschikken, een capaciteit die expliciet is bedoeld om ongewenste of vijandige drones te detecteren, te identificeren en vervolgens ook te neutraliseren. Er werden ook aanzienlijke investeringen in technologie, opleiding en uitrusting gedaan. Dat team bleek echter niet gekend te zijn en werd ook niet onmiddellijk ingezet, tot grote verwondering van dat team zelf. Dat roept bij ons allen fundamentele vragen op. Als een gespecialiseerd team voor drone-interventie niet wordt ingezet op het moment dat een dreiging zich zo duidelijk en visueel manifesteert, zoals we de afgelopen weken hebben gezien, dan kan men toch zeer ernstige vragen stellen over de effectieve werking en de aansturing van dat team.

Een bijkomende complexiteit waarover ik het graag met u wil hebben, is dat men niet zomaar een drone uit de lucht kan schieten. Boven openbaar domein kan dat zelfs heel gevaarlijk zijn. Er werden ook juridische belemmeringen vastgesteld voor het neutraliseren van drones.

De vragen over het droneregister heb ik al gesteld. Kunt u ons meedelen hoeveel incidenten zich de voorbije 12 maanden hebben voorgedaan boven onze luchthavens en kritieke infrastructuur? Welke opvolging gaf de politie daaraan? Op welke manier was ze daarbij betrokken? Beschikt de federale politie over voldoende detectie- en neutralisatiecapaciteit voor onbekende drones?

Zijn er gevallen bekend waarbij het gebrek aan middelen leidde tot operationele problemen? Welke lokale politiezones beschikken over eigen antidronemiddelen? Hoe ondersteunt u de zones die niet over die capaciteit beschikken? Bent u bereid een raamcontract op te stellen voor een uniforme en betaalbare aankoop van detectie- en neutralisatiesystemen, of ziet u dat anders? Wij vinden immers dat dat goed zou zijn. Is er een uitgewerkt politioneel crisisplan voor het geval een grote zwerm drones boven een luchthaven of stedelijk gebied verschijnt? Hoe verloopt de coördinatie met externe partners, zoals de luchtverkeersleiding en Defensie?

Waarom werd het C-UAS-team niet geconsulteerd of geactiveerd? Bij Defensie bestaat er ook een C-UAS capaciteit. Wat is het verschil tussen beide? Wie is bevoegd voor wat? Hoe werken die samen? Zijn er wetgevende aanpassingen nodig voor die samenwerking? Hoe vaak werd dat team ingezet sinds zijn oprichting in 2021? Voor welke incidenten? Is dat team juridisch gemachtigd om een drone uit de lucht te halen?

Wat verandert u nu concreet aan de activatie- en coördinatieprocedure, zodat een dergelijke situatie zich niet opnieuw voordoet? Er is ondertussen ook steun gekomen vanuit Frankrijk, Duitsland en de Verenigde Staten voor het afweren van drones. Is er in een samenwerking met de politiediensten voorzien?

Éric Thiébaut:

Monsieur le ministre, nous sommes dans le pays du surréalisme, on le sait bien. Après plus d'un mois, à votre demande, le premier ministre a enfin réuni un Conseil national de sécurité face aux incursions répétées de drones au-dessus de nos entités critiques civiles et militaires.

Ce Conseil national de sécurité a notamment décidé d'interdire les drones illégaux. Oui, on s'en serait bien douté aussi. Si des moyens ont été débloqués en urgence pour les sites militaires, on a peu de nouvelles mesures qui ont été prises pour les sites civils comme les aéroports. Vous avez recyclé ces mesures de la Défense en parlant de moyens désormais duaux, alors que l'on parle pour la plupart d'investissements de détection qui sont donc fixes.

Pourtant, c'est bien le SPF Intérieur qui est responsable de la sécurité de nos entités critiques. Et aujourd'hui, ce sont les polices locales qui doivent littéralement courir après ces drones. Cela confirme le triste constat que j'ai maintes fois répété dans cette commission, à savoir que ce gouvernement n'investit pas dans nos forces de police. Il manque plus de 5 000 policiers fédéraux et 70 millions d'euros par an pour faire fonctionner la police.

Par ailleurs, nous avons appris par la presse que si la police fédérale dispose d'une équipe chargée de détecter et de neutraliser les drones hostiles, cette équipe n'aurait pas été sollicitée lorsque l'espace aérien au-dessus de Bruxelles-National a été fermé. C'est quand même assez étonnant. La police fédérale a cependant indiqué dans un communiqué de presse suivre de très près la problématique et prendre des initiatives dans le cadre de la stratégie "Détecter, Identifier, Neutraliser".

Monsieur le ministre, concrètement, pouvez-vous m'indiquer les moyens budgétaires, matériels et humains nouveaux qui ont été ou seront dédiés à la police fédérale dans ce cadre et suite au dernier Conseil national de sécurité? Qu'en est-il du soutien aux zones? Vous avez indiqué en séance plénière que des moyens militaires seraient désormais duaux, mais votre collègue Francken ne semble pas vraiment partager cette analyse.

Quels sont dès lors les moyens duaux pouvant être utilisés pour les entités civiles? La police fédérale reste-t-elle compétente pour la protection de nos entités critiques civiles face aux menaces hybrides? Enfin, pouvez-vous faire le point sur les moyens de l'équipe Counter Unmanned Aerial Systems (C-UAS) de la police fédérale, créée en 2021, ainsi que sur son déploiement?

Xavier Dubois:

Monsieur le ministre, comme notre collègue De Vreese l'a rappelé, nous aurons l'occasion d'avoir une commission conjointe avec les commissions de la Mobilité, de la Défense et de l'Intérieur. Ce sera l'occasion de débattre en profondeur de ce sujet et surtout de l'aspect coordination de la lutte contre ces drones.

En ce qui concerne les moyens de la police fédérale dans la lutte contre les drones, nous constatons que dans des pays voisins, notamment en Allemagne, une réforme importante est en cours avec des moyens colossaux développés par la police fédérale allemande – plusieurs centaines de millions d'euros. On constate également une évolution au niveau des compétences puisque la police fédérale allemande serait désormais en capacité d'intercepter et d'abattre les drones.

Ma question porte sur l'état des lieux en Belgique. Nous savons qu'il existe, au sein de la police fédérale, une direction de la sécurité publique disposant de moyens spécialisés qu'elle peut mettre à la disposition des polices intégrées, notamment pour la prévention et la résolution de situations violentes ou dangereuses, potentiellement en lien avec des drones.

Monsieur le ministre, estimez-vous que les capacités de cette unité sont à ce jour suffisantes? Dans la négative, quelles devraient être ces capacités pour pouvoir répondre à la menace grandissante? Existe-il un projet pour pouvoir faire évoluer les compétences de notre police fédérale pour l'élargir à la détection et à la neutralisation? Jusqu'où ira cette neutralisation et comment l'assurons-nous?

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, ik heb u gemist. De afgelopen dagen en weken vlogen overal te lande drones die we niet konden identificeren, noch stoppen. Het was uw collega Francken, die er, zoals altijd, als de kippen bij was om veelvuldig te communiceren, meestal nogal straf, stoer en weinig doordacht, helaas zoals steeds. Hij werd trouwens ook door de eigen diensten op de vingers getikt vanwege zijn manier van communiceren. U hebben we eigenlijk heel weinig gehoord, behalve misschien na de bijeenkomst van de nationale veiligheidsraad, toen u met het droneregister kwam. Ik heb al proberen te bedenken hoe dat register zou kunnen bijdragen, alsof criminelen of vijandige naties eerst netjes hun drones zullen registreren, alvorens ze ons luchtruim binnendringen. Ik zie er het nut niet van in. Misschien kunt u mij uitleggen wat het idee van het droneregister precies is.

Zoals ik zei, ik heb u gemist, te meer omdat minister Francken aangeeft dat 90% van de bevoegdheid in dat verband eigenlijk bij Binnenlandse Zaken ligt, bij de civiele veiligheidsdiensten. Dat brengt me bij wat enkele collega's ook al besproken hadden, namelijk het counterdroneteam van de federale politie. Hoe komt het dat we dat team vergeten waren? Hoe komt het dat niemand precies wist dat zo'n team bestond? Uw collega Francken reageerde nogal laconiek met de woorden dat het team maar had moeten bellen en melden dat het bestond en kon helpen, mijns inziens een nogal vernederende en beledigende reactie, maar goed.

Ondertussen heeft de dienst zelf in de media herinnerd aan zijn bestaan en erop gewezen dat de locatie van hun antennes online staat. Ik snap niet goed waarom dergelijke informatie wordt gedeeld. Er staat trouwens veel van die informatie ook op de website van de federale politie. Als klap op de vuurpijl hebben de medewerkers van die dienst allemaal een dreigmail van hun oversten ontvangen. Ik heb de mail zelf gelezen en wil hem u ook doorsturen, mocht u hem niet hebben gekregen. De bewoordingen zijn zeer fors. Er wordt gedreigd met ontslag en er zal klacht worden ingediend bij het parket. Dat is vreemd, aangezien alle informatie over de dienst gewoon online staat. Dat moet toch eens goed onder de loep worden genomen.

Hoe komt het dat men die dienst vergeten was? Wat was het probleem? Waarom werd de dienst niet sneller betrokken? Het duurde blijkbaar drie dagen, vooraleer die werd ingezet.

Bent u het eens met de communicatie aan de medewerkers? Bent u het ermee eens dat de oversten hun personeel afdreigen en dat zij, als zij met de pers spreken, moeten worden ontslagen?

Bent u het eens met de communicatie van uw collega Francken dat men niet veel heeft aan het antidroneteam van de federale politie, aangezien die niets kan wat Defensie niet kan? Met andere woorden, deelt u zijn negatief beeld van het antidroneteam? Zo ja, waarom behoudt u het nog? Zo neen, hoe kunt u het team maximaal inzetten?

Uw collega Francken deelt mede dat hij militairen rond de kazernes wil doen patrouilleren om onder andere drones te detecteren en ze neer te halen. Daar bestaat op dit moment echter geen kader voor. Militairen mogen op de openbare weg naast hun kazerne helemaal geen drones uit de lucht halen. Welke initiatieven bereidt u op dat vlak voor?

Ten slotte, wat worden uw vragen en suggesties op de Europese top van de ministers van Binnenlandse Zaken begin december 2025, waar de droneproblematiek op de agenda staat, vergadering waar u zelf naar verwezen hebt? Wat kan die Europese top bijdragen aan de oplossing voor het probleem waarmee wij vandaag worden geconfronteerd? Samengevat, ik hoop op meer Quintin en minder Francken. Dat zou goed zijn en zeker in het dossier van de drones.

Jeroen Bergers:

Mijnheer de minister, ik heb u niet gemist en dat is niet omdat ik u niet graag zie – ik hoop dat ik nog altijd uw favoriete schoonmoeder ben –, maar omdat u nu al voor de derde keer op vijf weken tijd in de commissie aanwezig bent. Het valt dus wel mee. Ik wil ook Theo Francken niet minder zien. Het is belangrijk dat de regering samenwerkt en dat iedereen binnen zijn of haar bevoegdheden de verantwoordelijkheid opneemt om de crisissituatie en de dreiging waarmee we geconfronteerd worden, op te lossen. Ik wil niet minder arizonaministers zien; ik wil meer arizonaministers zien.

Mijnheer de minister, op 8 oktober heb ik al voor het eerst vragen gesteld over de dreigingen waarmee we geconfronteerd worden, omdat we toen dezelfde fenomenen opmerkten bij luchthavens in andere lidstaten. Ik heb mijn uiteenzetting toen beëindigd met de vaststelling dat het wellicht niet de laatste keer zou zijn dat we daarover zouden spreken. De veelheid aan incidenten van de afgelopen weken spreekt voor zich. Het is belangrijk dat de situatie ernstig wordt genomen, niet alleen omdat de luchthaven van Zaventem de tweede grootste economische motor van ons land is, maar ook omdat andere luchthavens zoals die van Luid, en nog meer kritieke infrastructuur bedreigd worden.

U bevestigde op 8 oktober dat er in Zaventem detectiesystemen aanwezig zijn en dat er beperkte interventiemogelijkheden bestaan. U gaf ook aan dat de huidige aanpak onvoldoende is, dat er hard aan gewerkt moet worden en dat bijkomende coördinatie tussen de betrokken diensten nodig is. Op 26 september vond overleg plaats tussen die diensten. U zou verder contact opnemen met skeyes om uit te klaren wat mogelijk is en wat de regering kan doen. Wat is er sinds dat overleg gebeurd?

Wij pleiten ervoor dat al onze kritieke infrastructuur, waaronder de luchthavens van Zaventem en Luik en de havens van Antwerpen en Zeebrugge over middelen om vijandige drones te neutraliseren, gelet op onder andere het economisch belang ervan. Een stand van zaken wat dat betreft zou zeer welkom zijn. Overweegt u om actieve neutralisatiemiddelen te installeren, zoals jammers, radiofrequentiesystemen, lasers of kinetische systemen? Hoe staat het daarmee? Hoe verloopt de samenwerking met de Duitse, Amerikaanse en andere specialisten die ons zijn komen bijstaan?

We kunnen de cyberdreiging niet volledig los zien van de problematiek van de drones. De afgelopen periode waren er heel wat cyberaanvallen op instellingen in ons land. Een aantal daarvan werden toegeschreven aan het pro-Russische hackerscollectief NoName057. Volgens de berichtgeving werd onder meer een DDoS-aanval gelanceerd op verschillende websites van de ADIV.

De impact was uiterst beperkt volgens berichten, maar ik kan me inbeelden dat er wel meer aanvallen geweest zijn dan dewelke de pers haalde. Ik ben daar wel zeker van. Hoe dan ook bevestigen de aanvallen de noodzaak voor ons land om extra maatregelen tegen de groeiende uitdagingen op het vlak van cyberveiligheid te nemen, vooral ter bescherming van onze civiele infrastructuur en onze kritieke infrastructuur, die ons leven vorm geven en die noodzakelijk zijn voor ons leven.

Mijnheer de minister, hoeveel cyberaanvallen vonden er de afgelopen periode plaats? Kunnen die allemaal gelinkt worden aan pro-Russische hackerscollectieven of komen er ook uit andere hoeken aanvallen?

Kunt u bevestigen dat er, minstens bij de ADIV, geen datalekken werden vastgesteld?

Welke extra maatregelen plant u te nemen? Hoe wordt de samenwerking vandaag georganiseerd tussen de ADIV, het Centrum voor Cybersecurity België, de Veiligheid van de Staat en de andere betrokken actoren?

Zijn er extra investeringen gepland op het vlak van cyberdefensie, IA-gedreven detectie, personeelsversterkingen, of samenwerkingen met internationale partners?

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, dat we binnenkort een gezamenlijke commissievergadering moeten organiseren met niet minder dan drie ministers die bevoegd zijn inzake de dronedreiging, toont aan dat we, ten eerste, in een zeer complex land leven, en ten tweede, misschien nog symptomatischer, dat er een gebrek is aan eenheid van commando. Niemand weet goed wie bevoegd is voor wat. Er zijn de openlijke claims van minister Francken in de eerste plaats, maar elke minister probeert zich een beetje te profileren als de sterkste en stoerste minister om de dronedreiging tegen te gaan.

Ik hoop alleszins, mijnheer de minister, dat de wetgeving ter zake wel gevolgd wordt. Als die wetgeving er nu niet is, hoop ik dat ze aangepast zal worden. Wat mij betreft, maar ik hoor graag uw antwoord, hoort dat aspect wel volledig tot uw bevoegdheid. U mag de paraplu niet opentrekken en verwijzen naar andere ministers; voor mij bent u de bevoegde minister om de kwestie aan te pakken.

Ik zal niet in herhaling vallen met vragen hoeveel en waar er drones werden gespot. Ik veronderstel dat er een dreigingsanalyse werd uitgevoerd. Graag vernam ik wat de conclusie van de dreigingsanalyse was, kortom hoe ernstig moeten we de dreiging nemen? De gedetecteerde drones vormen uiteraard een zeer ernstig feit, zeker als dat gepaard gaat met grote veiligheidsrisico's, onder andere op Zaventem. Sindsdien – touche du bois – horen wij echter weinig of niets meer over dergelijke fenomenen. We lezen wel in de media dat een aantal amateurs die met een drone bepaalde zaken uitvoerden die eigenlijk niet mogen, zijn aangehouden. Als ik de berichten mag geloven, was er zelfs sprake van een aantal journalisten. Zitten we op een hellend vlak of moeten we de zaak, integendeel, juist downsizen naar wat het was? Wat vooral belangrijk is, is hoe we het fenomeen voor de toekomst moeten inschatten.

Mijn volgende vraag betreft wie het initiatief zal nemen om de dronedreiging tegen te gaan. Zoals verschillende collega's al aanhaalden, beschikt de federale politie over een antidronecapaciteit. We zien echter dat die capaciteit niet wordt ingeschakeld, onderbemand is en met materiaal moet werken dat – ik druk me zeer eufemistisch uit – echt niet meer hedendaags is. Er werden mij door de dienst foto's bezorgd van verrekijkers gemaakt in 1944, mijnheer de minister. Verrekijkers uit 1944 om drones in de lucht te spotten, dat kan er bij mij echt niet in. Intussen haalt minister Francken bijna half Europa hierheen om drones te helpen bestrijden, terwijl we zelf een dienst hebben die absoluut niet uitgebouwd is.

Daarom wil ik u pertinent vragen, meneer de minister, wat u daartegenover zet. Zullen wij beginnen te investeren in antidrone-eenheden en hoe zult u dat doen? Hebt u daar budgetten voor gekregen van de federale regering?

Ik kan enkel maar vaststellen dat minister Francken maar met de vingers moet knippen in de federale regering om miljoenen binnen te rijven. Ik hoop dat u even hard op tafel kunt slaan bij de federale onderhandelingen om de nodige budgetten vrij te krijgen voor onze binnenlandse veiligheid. Daar hoort ook een antidrone-eenheid bij.

Ik zal niet verwijzen naar de dreigmail van een overste waar de heer Vandemaele het over had en waarin klokkenluiders eigenlijk de mond wordt gesnoerd. Dat kan absoluut niet door de beugel. Ik hoop dat dat ook absoluut wordt veroordeeld. Juist die klokkenluiders brengen wantoestanden aan het licht. Ik verwacht daarop dan ook een politiek antwoord van u. Alvast bedankt voor uw antwoorden.

Patrick Prévot:

Monsieur le ministre, comme vous le savez, je viens de Soignies, et plus précisément de Casteau, qui est mon village natal. Quand on vit à Casteau, on a pris l'habitude d'avoir un voisin particulier, le quartier général de l'OTAN, c'est-à-dire le SHAPE, situé à cheval sur Casteau et Maisières. Le SHAPE est le centre névralgique des puissances alliées, et il en fait donc une zone sensible, d'autant plus dans le contexte que nous connaissons. Élément d'actualité: depuis le dépôt de ma question, le gouverneur du Hainaut a expliqué que huit drones avaient récemment survolé des sites sensibles, dont le SHAPE, mais pas seulement. On parle également de la base américaine de Chièvres, ainsi que de l'usine de munitions KNDS à Seneffe.

Par ma question, aujourd'hui, je tenais à rappeler que des femmes, des hommes et des enfants vivent aux alentours de ce site, qui n'est pas du tout isolé. Je dois parler désormais de plusieurs sites depuis le communiqué de presse du gouverneur. Casteau – j'y vis – ce sont 3 000 habitants. Maisières, juste à côté, est une commune de près de 4 000 habitants. Seneffe en compte 11 000. Plus généralement, il y a un questionnement légitime quant à la sécurité de ces sites sensibles. Monsieur le ministre, j'aurais donc plusieurs questions.

Tout d'abord, pouvez-vous me faire le point sur les mesures prises pour assurer la sécurité du SHAPE, mais également d'autres sites hennuyers que je viens de vous citer, et également de ces riverains, notamment via une information adéquate BE-Alert? Qu'en est-il de la concertation entre les nombreux acteurs impliqués, le SHAPE, le SPF Intérieur, la Chancellerie, le ministère de la Défense, la province du Hainaut, le centre de crise, etc.? Les riveraines et les riverains qui habitent aux alentours du SHAPE, mais également des autres sites dont j'ai parlé, comme la base militaire de Chièvres ou le dépôt de munitions de Seneffe, ont-ils des consignes à recevoir suite à l'affaire des survols de drones? Enfin, cette concertation me préoccupe. Elle doit être optimale. J'attends évidemment les réponses à mes questions.

Voorzitter:

M. Vander Elst n'est pas présent, Mme Maouane et Mme Ramlot non plus. La parole est à Mme Delcourt.

Catherine Delcourt:

Monsieur le ministre, je ne rappelle pas le contexte. Je pense qu'il est suffisamment clair. Ce qui me préoccupe évidemment, c'est la capacité de réponse.

La police fédérale dispose-t-elle de capacités suffisantes de détection et de neutralisation de ces drones? Avez-vous éventuellement identifié un manque de moyens? Si tel est le cas, comment la police peut-elle être équipée, formée, plus opérationnelle, plus efficace face à cette menace?

Et ce qui va évidemment avec cette question, c'est le nombre d'incidents répertoriés, ce qui permet d'évaluer si; à l'heure actuelle; la réponse peut être suffisante.

Et puis, il y a la manière de répondre. Vous avez parlé de moyens de neutralisation. S'agit-il de moyens de neutralisation actifs que vous pourriez utiliser dans les aéroports civils? Comment les envisagez-vous? Prendrez-vous des mesures complémentaires, concrètes pour mieux protéger les aéroports et les autres sites critiques contre cette menace que constitue le survol par des drones?

Vous avez par ailleurs annoncé un registre des drones. Contrairement à certains de mes collègues, je vois parfaitement son utilité. Dire que cela n'a pas d'utilité reviendrait à dire, par exemple, que la loi sur les armes n'a aucune utilité non plus. Ce serait donc peut-être ici l'occasion que vous nous expliquiez comment vous voyez ce registre et quelles fonctionnalités il devrait rencontrer.

J'en arrive enfin à une question très centrale pour moi aussi: où en est la coordination entre les différents départements, avec vos collègues ministres des autres secteurs concernés? Comment l'envisagez-vous, sachant évidemment que vous n'êtes pas le seul acteur compétent en matière de gestion de cette menace?

Voorzitter:

M. Lasseaux n'est pas là non plus.

Zijn er collega’s die zich wensen aan te sluiten bij de vragen? ( Nee )

Dan geef ik het woord aan de minister.

Bernard Quintin:

Mijnheer de voorzitter, geachte commissieleden, ik ben heel blij om hier te zijn en sta altijd tot uw beschikking.

Comme l'a dit une célèbre ministre française de la Justice, j'espère que ce n'est pas en raison d'un sentiment contrarié que je vous ai manqué, monsieur Vandemaele. Je serais bien resté plus longtemps aujourd'hui, toute la soirée même, pour épuiser les questions, mais je pense qu'il est important que je puisse me rendre à la conférence du MR ce soir à Saint-Gilles, afin de démontrer que la liberté d'expression vaut pour tous, en ce compris pour les partis de centre-droite et de droite de cette majorité.

U hebt de voorbije weken veel terechte vragen gesteld over de drones. Sta mij toe om vooreerst ons politiepersoneel en onze soldaten te bedanken voor hun inzet en inspanningen. Het is immers gebleken dat hun werk geen evidente taak is. Ik zal daar zo dadelijk verder op ingaan.

Op geen enkel moment is er een directe en effectieve dreiging tegen de integriteit van personen of infrastructuur vastgesteld. De analyse van de veiligheidsdiensten is dan ook dat dat allicht nooit de bedoeling is geweest. Het betreft meer dan waarschijnlijk intimidatie vanwege een buitenlandse mogendheid, waarschijnlijk gelinkt aan een of verschillende elementen uit de geopolitieke actualiteit in relatie tot ons land.

Ik zal deze toelichting in drie delen doen. Ten eerste geef ik wat meer uitleg over de coördinatie van de inzet van onze veiligheidsdiensten. Daarna werp ik een blik op de toekomst, over de structurele maatregelen die we willen instellen voor het geval dat we opnieuw met een golf aan signaleringen zouden worden geconfronteerd. Ten slotte zal ik ingaan op de punctuele vragen die u hebt gesteld.

Wat betreft de voorbije weken, het Nationaal Crisiscentrum (NCCN) houdt op mijn vraag een overzicht bij van alle geloofwaardige drone sightings bij gevoelige sites, zoals militaire domeinen, luchthavens, kerncentrales of kritieke infrastructuur. Het krijgt daarvoor informatie aangeleverd door de politie, Defensie, Mobiliteit en skeyes en andere diensten uit de veiligheidsketen. Het NCCN coördineert dus de informatiedoorstroming en de beeldvorming.

Pour répondre directement à votre question, madame Delcourt, et aux autres, depuis le premier novembre, 213 notifications ont été faites au tableau mis en place par le Centre de crise national, et cette liste augmente naturellement tous les jours.

Telkens wordt opgegeven om wat voor site het gaat met vermelding van de gemeente waarin de waarneming plaatsvond, een omschrijving van de waarneming en de wijze waarop die werd vastgesteld. Er wordt eveneens gemonitord of een interventie gebeurde door de politie of door Defensie, of er een proces-verbaal werd opgesteld, of een drone werd onderschept of een drone-operator werd geïdentificeerd.

Het NCCN heeft ook de communicatie naar de gouverneurs en de sectorale overheden opgenomen en een zogenaamde infocel opgericht, waarin de woordvoerders van de verschillende administraties en kabinetten afspraken maken over de communicatie. De federale politie heeft de geldende richtlijnen voor waarnemingen en interventies geactualiseerd voor alle diensten binnen de geïntegreerde politie. Alle beschikbare informatie vloeit systematisch door via het reguliere overleg met Justitie en de inlichtingendiensten ten behoeve van opsporings- en inlichtingenonderzoek.

Onze diensten hebben op korte termijn een efficiënte structuur opgezet voor infodeling. Bij een incident kunnen we drie momenten onderscheiden: detectie, identificatie en neutralisatie.

S'agissant de la détection, c'est Skeyes qui en est responsable pour les aéroports; pour les sites militaires, c'est la Défense. La loi sur les infrastructures critiques, qui sera remplacée par la loi CER dont nous avons déjà parlé en commission, énonce que les exploitants d'infrastructures critiques doivent assurer leur protection et donc, par extension, les opérations de détection. Le Port d'Anvers et les centrales nucléaires, par exemple, le font. Je tiens donc à préciser clairement que la police ne peut pas assurer la détection de drones sur l'ensemble du territoire. La capacité policière actuelle est conçue pour des événements spécifiques tels que des manifestations ou des festivals. Deux zones de police ont investi dans leur propre capacité. J'y reviendrai.

De federale politie beschikt sinds 2022 over die capaciteit, die in de periode 2022-2025 in totaal 286 keer werd ingezet.

Het is een gespecialiseerd, operationeel steunmiddel dat op vraag van een dronecommander, de lokale en federale politie, kan worden ingezet op basis van een operationele analyse, een dreigingsanalyse en een impactanalyse op de omgeving en bij het beheer van evenementen waar de politie verantwoordelijk is voor de handhaving van de openbare veiligheid.

Voor de concrete output van de voorbije weken zal ik u niet langer in spanning laten. Men heeft de beperkingen kunnen vaststellen van het materiaal dat gezamenlijk door defensie, de politie en skeyes werd ingezet. Dat kan zijn omdat er potentieel een hoog aantal valspositieven tussen de waarnemingen zit. Immers, in het bijzonder rond Zaventem werden de politiehelikopters vaak voor drones aangezien en ook bij kortstondige sluiting van het luchtverkeer worden rondcirkelende vliegtuigen verkeerdelijk als drones gerapporteerd. Ook andere valspositieven vervuilen als het waar de data.

Daarnaast is het volgens de veiligheidsdiensten waarschijnlijk dat de drones die er daadwerkelijk waren buiten de gebruikelijke commerciële radiofrequentie opereerden, waardoor ze moeilijker of niet detecteerbaar zijn, behoudens visuele bevestiging.

Neutraliseren blijkt nog moeilijker. Twee opties dienen zich aan. Ten eerste, een technische interventie door het verstoren van het signaal van de drone. Ten tweede, een kinetische interventie met bijvoorbeeld een net, een shotgun of door het veroorzaken van een botsing.

Technisch interveniëren is op de luchthaven pas mogelijk wanneer het vliegverkeer tijdelijk stilligt. Er mag immers geen interferentie zijn met de vliegtuigen in de lucht of de systemen van de luchtverkeersleiding. Daarnaast is het onduidelijk of een technische interventie een effect zou hebben op drones die eventueel voorgeprogrammeerd zijn.

Op de luchthaven beslist de luchtvaarautoriteit over het vliegverkeer en over de eventuele mogelijkheid om technische interventiemiddelen in te zetten. De evenementen van de voorbije weken hebben niet tot een situatie geleid waarin een technische interventie een optie was.

Een kinetische interventie is dan weer gemakkelijker gezegd dan gedaan. In een dichtbebouwde omgeving, zoals een luchthaven of energiecentrale, kan men niet zomaar vuurwapens gebruiken om naar drones te schieten. De toestellen met netten hebben dan weer een te beperkt bereik. Beide mogelijkheden om te interveniëren lijden sterk onder de beperkte detectiemogelijkheden. Vooraleer men ter plaatse is, is er vaak niets meer te zien. Drones zijn daarnaast ook nog eens heel snel en wendbaar. De uiteindelijke beslissing om toch te interveniëren wordt door de politie genomen op basis van een risico-inschatting. Dat geldt niet voor de militaire domeinen, aangezien defensie daar beslist.

Wanneer de meldingen voldoende gedetailleerd zijn, stuurt de politie systematisch een ploeg ter plaatse om vaststellingen te doen. Soms kan die ploeg de waarneming bevestigen, maar een operator kon tot op heden nog niet worden onderschept.

Het voorgaande kadert meteen de kritiek op de C-UAS-capaciteit van de politie, die ongebruikt zou zijn gebleven. Skeyes beschikt over eigen detectiecapaciteit op de luchthavens. Die is gebaseerd op gelijkaardige technologie, maar is niet doeltreffend gebleken. Daarnaast was de technische interventiecapaciteit niet bruikbaar omdat er op dat moment geen beslissing was genomen over de inzet van jammingapparatuur.

Daarenboven wens ik erop te wijzen dat de situatie in ons land niet verschilt van die in de buurlanden. Ook Duitsland, Denemarken, Noorwegen, Nederland en andere ons omringende landen hebben een gelijkaardige reactie getoond.

Pour être clair, je n'ai pas lu ou vu que dans un de nos pays partenaires, on avait pu faire mieux que chez nous. Que ce soit noté!

Ik heb van in het begin aangegeven dat we dit ernstig moeten nemen, maar dat we vooral kalm moeten blijven en vooruit moeten kijken naar wat beter kan.

Pour les semaines et mois à venir, je voudrais signaler qu'en effet, une commission tripartite, Intérieur, Défense et Mobilité, a été demandée. J'ai déjà donné quelques dates qui n'ont pas pu convenir à un de mes collègues. J'attends les prochaines dates, mais mijnheer Vandemaele, ik ben ter beschikking .

Dans le cadre de la compétence de coordination en matière de politique de sécurité, mon cabinet travaille depuis septembre à harmoniser les efforts et les lignes directrices des différents ministres et administrations concernés. L'objectif est de garder une vue d'ensemble de toutes les initiatives, d'identifier les lacunes et d'accroître l'efficacité. Ainsi, le collègue Francken, ministre de la Défense, a déjà annoncé que le National Airspace Security Center (NASC), pourrait à terme devenir un carrefour d'informations où convergeraient et seraient analysés différents flux de données relatifs au trafic aérien, y compris les drones. Vous pouvez vous adresser à lui pour toute question à ce sujet.

En ce qui concerne l'obligation d'enregistrement, lors du Conseil des ministres, le collègue Crucke a indiqué qu'il prenait ce dossier à cœur. Je tiens à souligner en effet que ce registre est important. Il n'existe pas à l'heure actuelle. Si on est d'accord que l'optique est Détection, Identification, Neutralisation, il faut savoir que, pour faire l'identification, il faut évidemment que les drones soient enregistrés.

En ce qui concerne l'extension de la capacité de détection, les composants mobiles des achats que la Défense effectuera devraient également pouvoir être utilisés pour des applications civiles. C'est ça le concept du dual use . Ce n'est pas une question de répartition des budgets, il s'agit de faire en sorte que le matériel qui est acheté par l'armée serve autant que possible aussi, je dirais, à la protection civile ou au caractère civil de la protection du pays.

Le ministre de la Mobilité présentera également un dossier visant à améliorer la capacité de détection pour les aéroports. Avec la ministre des Télécommunications, je prépare une proposition permettant à certains secteurs de disposer d'une base légale pour perturber les signaux de drones lorsque la situation l'exigerait. La police devra également moderniser sa capacité, mais celle-ci restera dans un premier temps, comme indiqué, ciblée.

Le citoyen pourra compter sur la police pour la détection en cas de menaces ponctuelles et prévisibles, mais nous ne pouvons pas lui confier la mission de surveiller l'ensemble de l'espace aérien 24 heures sur 24 et sept jours sur sept. La police doit avant tout jouer un rôle important dans l'interception des auteurs lorsque des infractions sont constatées.

Afin de créer un cadre plus clair pour les policiers, je travaille avec la Mobilité et la Justice à un cadre d'intervention et d'application pour toutes les situations pouvant survenir en temps de paix avec des drones.

Ik zal ten slotte op enkele concrete vragen antwoorden.

Mijnheer Vandemaele, ik zou in de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken van de Europese Unie graag een punt maken van de capaciteit en de manier waarop de andere lidstaten optreden tegen het fenomeen. Collega Crucke presenteert binnenkort ook een non-paper op de Europese Raad over de mogelijkheden voor de registratie van drones.

Ik heb geen specifieke commentaar op uw vraag over de locatie van antennes van het C-UAS-team van de politie. Het betrof hier uiteraard geen communicatie van de politie, maar wel van een individu. Om duidelijk te zijn, ik ben noch bevoegd, noch opgevoed, noch geformeerd om persoonlijke frustraties te behandelen. Loyauteit is voor mij heel belangrijk.

Peut-être que la police n'est pas la grande muette, mais la loyauté, c’est important. J’en profite pour dire que, s’il peut y avoir des frustrations et des questions, les lignes hiérarchiques doivent être respectées. Si des choses doivent être améliorées, je doute vraiment que ce soit la bonne manière de le faire. C'est en effet parce qu'une personne a été frustrée que nous n'avons pas travaillé. Je veux donc briser les ailes à ce vilain canard selon lequel il n'aurait pas été fait appel à tout le monde.

La police, qu'elle soit locale ou fédérale, a fait son travail. Nous avons analysé, et la police en premier, la capacité que nous avions et celle qui était à mettre en œuvre. Il a été décidé par les autorités que les moyens dont disposent deux zones de police locales, entre autres, n'étaient pas les moyens adéquats pour le faire.

Je fais une petite parenthèse. J'espère que tout le monde est d'accord pour dire que brouiller des ondes de drones dans un aéroport n'est peut-être pas la meilleure des idées, considérant tous les autres appareils présents dans cet aéroport. Ce n'est pas parce qu'on n'appelle pas quelqu'un dans la ligne hiérarchique pour savoir ce qu'il en pense, que la ligne hiérarchique n'a pas fait son travail. Cela doit être très clair.

Laat dat heel duidelijk zijn, bij de federale politie, maar ook bij de lokale politie, is loyauteit voor mij heel belangrijk.

Over de samenwerking met de Duitse en andere militaire C-UAS-eenheden moet u collega Francken bevragen, mijnheer Bergers. Ook voor de vragen over de website van de ADIV en cyberdefensie kunt u bij hem terecht. Voor uw vragen over de rol van het CCB kunt u dan weer bij uw andere partijgenoot, de premier, terecht. Het CCB valt immers tot nog toe niet onder mijn administratie.

Monsieur Thiébaut, le Conseil national de sécurité ne prend pas de décision concernant les budgets. Ce type de décision relève du Conseil des ministres. Dans ce cadre, aucun dossier relatif aux moyens destinés aux zones de police n'a encore été élaboré.

Monsieur Prévot, il va de soi que BE-Alert pourrait être un outil permettant d'alerter les riverains de certains lieux. Cependant, comme je l'ai déjà mentionné, ces observations de drones n'ont présenté aucun danger concret ou immédiat pour la population. Nous ne souhaitons pas non plus susciter de craintes inutiles au sein de la population. Les personnes qui constatent un drone au-dessus ou à proximité d'un site sensible, tel qu'un domaine militaire ou une centrale électrique, peuvent appeler le numéro d'urgence 101.

Afin de renforcer la coordination au sein de la police intégrée, des directives internes ont été diffusées au niveau national, lesquelles définissent les principes et modalités généraux d'intervention policière dans le cas de drone sightings survenant à proximité ou au-dessus de sites sensibles.

Maaike De Vreese:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoorden. Op dit soort van crisismomenten, – ook de pers uitvoerig heeft bericht over de drones – moet er vanuit de verschillende bevoegdheden worden gecommuniceerd over wat zich voordoet en de aanpak ervan. Tegenwoordig moet dat sneller dan ooit gebeuren.

Vroeger hadden ministers heel wat meer tijd om te reageren en bestonden er geen sociale media. Tegenwoordig gaat alles veel sneller en communiceren diensten snel. Dat soort informatie wordt natuurlijk ook graag in de pers gebracht, waar men zich afvraagt waarom met de dienst geen contact is opgenomen. Klokkenluiders mogen uiteraard niet de mond worden gesnoerd, dat is niet de bedoeling. Ik herhaal de woorden van mevrouw Depoorter. Wel moeten de betrokken medewerkers van de federale politie intern aangemoedigd worden om zich kenbaar te maken en hun meerwaarde aan te tonen wanneer zich bepaalde situaties voordoen. De wegen daarvoor moeten gekend zijn voor iedereen die bij de federale of lokale politie werkt.

Er bestaat momenteel geen samenwerking tussen de federale politie en defensiediensten uit andere landen, zoals Frankrijk en de Verenigde Staten. Andere samenwerkingen worden zorgvuldig onderzocht en uitgeklaard. Het is positief dat er al een cel is opgericht om de afstemming van de communicatie tussen diensten te verbeteren en de betrokkenen samen aan tafel te zetten, wat het vertrouwen tussen de verschillende diensten versterkt.

Onze situatie is vergelijkbaar met die van de buurlanden. Kennisdeling en onderling overleg zijn belangrijk. Ook moet voor de lokale zones in een draaiboek worden voorzien, zodat zij weten met wie contact op te nemen en wat te doen bij incidenten op hun grondgebied.

Mijnheer de minister, het zal waarschijnlijk niet de laatste keer zijn dat we over drones spreken. De gezamenlijke commissie komt eraan en dan kunnen wij daarover opnieuw van gedachten wisselen. Ik wens u veel succes met de verdere uitrol van de initiatieven.

In verband met de identificatie van drones, mijnheer Vandemaele, vraagt u zich af waarom een register van drones noodzakelijk is. Dat is om onmiddellijk bepaalde drones te kunnen uitsluiten van een bepaald gevaar, omdat we dan weten wie de bestuurder is. Als we een aantal drones detecteren, zal van een deel daarvan de bestuurder of koper bekend zijn, zodat daarvoor geen verder onderzoek nodig is. Eerst moeten we detecteren, daarna identificeren. Voor veel drones zal de identificatie daardoor veel vlotter verlopen. Dat is niet zo moeilijk te begrijpen.

Éric Thiébaut:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour toutes ces réponses qui sont assez éclairantes. Je vous ferai simplement part de quelques petites réflexions.

D'abord, vous nous dites qu'on n'a pas mieux fait dans les pays voisins. Pourtant, j'ai le sentiment que les pays voisins n'ont pas été confrontés à une telle intensité d'incursion de drones sur des sites sensibles, militaires et civils. Vous me direz peut-être que, dans les autres pays, il n'y a pas un ministre qui a dit qu'il était capable de rayer Moscou de la carte du monde. Mais, à mon avis, il n'y a pas de cause à effet. C'est juste une coïncidence, assez troublante quand même.

Ensuite, il semblerait qu'on ait alloué 50 millions d'euros à la Défense pour la lutte contre les incursions de drones. Or, voici quelques minutes, le ministre de la Défense a rappelé, en commission de la Défense, que la responsabilité de la sécurisation des sites critiques civils relevait de la responsabilité du ministre de l'Intérieur. On ne peut pas rappeler cela sans vous donner des moyens spécifiques dans la lutte contre ces incursions. C'est mon avis. Peut-être estimez-vous que les moyens alloués à la Défense serviront à fournir du matériel qui pourra être utilisé par ailleurs par notre police. C'est très bien. Je pense toutefois, comme je l'ai dit dans ma question, que nous avons aussi une unité spécialisée.

J'ai eu l'occasion de visiter récemment les services fédéraux avec les collègues. On nous a montré les appareils, des espèces de canon, qui servent à neutraliser un drone à distance. Donc, le matériel existe et est disponible. À mon sens, il faut renforcer cette équipe fédérale et lui donner les moyens pour qu'elle puisse rapidement intervenir à tous les endroits où il le faut. Pour cela, je suis conscient qu'il faut vous donner les moyens pour le faire et surtout à notre police fédérale et pas uniquement à la Défense.

Xavier Dubois:

Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses.

Vous avez dit que la police n'avait pas la capacité de recenser et de gérer tous les drones sur l'ensemble du territoire. D'accord mais, dans ce cas, qui possède cette capacité? Vous insistez sur le fait que les pays voisins n'ont pas fait autrement. Je ne vais pas juger les actes des pays voisins, mais je citerai malgré tout le cas de l'Allemagne, qui a réagi avec des moyens considérables et clarifié la capacité de la police fédérale dans la lutte contre les drones. Ce pays a donc apporté une réponse. En l'occurrence, des discussions se font au travers du Conseil national de sécurité que vous avez convoqué, ce qui est une bonne chose, bien entendu. Néanmoins, nous ne pouvons pas nous satisfaire de la situation actuelle: le risque doit être géré et les responsabilités doivent être clairement déterminées.

En ce qui concerne les infrastructures critiques, vous dites qu'il appartient aux gestionnaires des sites d'assurer cette lutte contre les drones, entre autres. Dès lors, comment s'assurer qu'ils le font réellement? Et s'ils ne le font pas, de quels moyens disposez-vous pour pouvoir faire en sorte qu'ils assurent effectivement cette gestion?

Je note un point positif dans votre réponse, à savoir que les moyens que la Défense va pouvoir débloquer seront utilisés ou pourront l'être par la police fédérale. Mais la question se pose de savoir comment et qui pourra utiliser ces moyens. S'agit-il de la DAS? Un protocole sera-t-il défini afin de préciser ces différents éléments? En tout état de cause, ce qui est sûr, c'est qu'il faut coordonner la gestion. Les premiers éléments à cet égard sont positifs, mais il faut surtout aller très vite. Nous ne pouvons pas nous satisfaire de réponses qui viendraient tardivement face à cette menace.

Nous resterons donc particulièrement attentifs aux décisions qui seront prises et aux éléments qui seront apportés lors de la réunion conjointe avec les différents ministres compétents. Merci en tout cas pour vos réponses et bonne chance pour la suite!

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, twee weken geleden had ik het voorrecht om te depanneren in de commissie voor Landsverdediging. Minister Francken vertelde daar toen voor 90 % hetzelfde als wat u vandaag zegt. Ik hoopt op iets meer vooruitgang in die twee weken, maar blijkbaar is dat niet het geval.

Uw droneregister komt erop neer dat er een soort nummerplaat voor drones komt. Als we zo'n drone zien en kunnen vangen, zouden we kunnen nagaan van wie hij is en bepalen of hij gevaarlijk is. Als hij niet gevaarlijk is, laten we hem dan weer gaan. Er wordt ook gesproken over bakje in de drone waarmee men op afstand kan zien welke drone het is. Met alle respect, maar dat lijkt mij sciencefiction. Dit zal geen bijdrage leveren aan het oplossen van ons probleem. Ik herhaal het, men zal niet zijn drone komen registreren voordat men iets doet.

U bedankt de politiemensen en militairen, maar daarna smijt u de politiemensen vrolijk onder de bus. U spreekt een paar mooie zinnen over loyaliteit. Ik heb ook geluisterd naar het verhaal van deze mensen. Zij presenteren hun inzet en hun oversten beslissen dan dat ze niet nuttig zijn. Tegelijkertijd moeten andere agenten werken met verrekijkers uit 1944. U zegt eigenlijk dat mensen uit een gespecialiseerd team met gespecialiseerde kennis en materieel minder kunnen bijdragen dan agenten met een verrekijker uit 1944. De hiërarchie die daartoe beslist, maakt zware fouten. U verdedigt die hiërarchie en legt het probleem bij de agenten die praten. Het is echter de hiërarchie die de inschatting maakt dat specialisten minder bruikbaar zijn dan iemand met een verrekijker uit 1944. Met alle respect, ik begrijp niet dat u aan de kant van de hiërarchie staat en leidinggevenden verdedigt die hun personeel op onbetamelijke wijze hebben bedreigd met ontslag, want dat is wat er gebeurd is.

Mijnheer de minister, ten slotte, ik had gehoopt dat u iets zou zeggen over militairen op straat. Uw collega Francken heeft daarover zopas gesproken in de commissie voor Landsverdediging. Hij meldde dat voor het einde van het jaar de codex voor defensie zal worden herwerkt, zodat militairen op straat actief kunnen zijn.

Uw collega Francken vindt trouwens ook dat als militairen vandaag al actief willen zijn op straat, dat moeten kunnen ter ondersteuning van de politie. Dat verklaarde hij een kwartier geleden.

Mijnheer de minister, ik ben nogal ontgoocheld over uw antwoorden.

Jeroen Bergers:

Mijnheer Vandemaele, wat dat laatste te maken heeft met de drones ontgaat mij, behalve als u zou voorstellen dat de militairen dan op die drones zouden beginnen te schieten.

Collega's van de PS, waarom worden wij geconfronteerd met die hybride dreigingen en onze buurlanden minder? Ligt dat aan een quote die door een slechte journalist van De Morgen volledig uit zijn context is getrokken, of ligt dat misschien aan de 193 miljard aan Russische tegoeden bij Euroclear waarover gedebatteerd wordt of die moeten worden geconfisqueerd en gebruikt voor de oorlog in Oekraïne? Collega's van de PS, ik denk dat die 193 miljard de reden zijn waarom er nu intimidatietechnieken tegen ons land worden gebruikt. Het is een blind vermoeden, maar als we een beetje serieus blijven denk ik dat dit er iets meer mee te maken heeft. Het toont ook aan dat het correct is dat we daar voorzichtig mee blijven.

Mijnheer de minister, 213 waarnemingen, zelfs als daar wellicht een aantal valspositieven tussen zitten, is toch niet niks. Dat toont de ernst van de situatie toch aan en brengt heel wat last met zich mee voor onze economie en kritieke infrastructuur. Ik vind het interessant dat u verwijst naar de wet kritieke infrastructuur of entiteiten die voorligt, omdat de huidige situatie net aantoont waarom zo'n getrapt systeem goed is en waarom een samenwerkingsakkoord met de regio's nodig is. Dat getrapt systeem waarover u het hebt en dat in het nieuwe wetsontwerp staat, stond ook al in de wet van 2011, zoals ik in de plenaire vergadering al heb gezegd.

In zo'n getrapt systeem ligt de verantwoordelijkheid eerst bij de uitbater, daarna bij de politie en dan, if all else fails , bij defensie. Om dat getrapt systeem vorm te geven en te zorgen voor een whole of government aanpak, moet iedereen die actie moet ondernemen mee aan tafel zitten.

Gelet op de budgettaire context van onze regering moeten de bevoegde actoren de eigen noodzakelijke budgettaire investeringen doen. Het lijkt mij dan ook belangrijk dat er ter uitvoering van dat wetsontwerp een samenwerkingsakkoord komt dat de regio's daarbij betrekt en ook voor de nodige investeringen zorgt.

De beperkingen in het materieel zijn vastgesteld, de beperkingen in de begroting, in de federale begroting, die stellen we elke dag vast. Daar moet positief mee omgegaan worden. Ik denk dat niemand betwist dat er meer nodig is dan de registratie van drones om deze crisis op te lossen en om ervoor te zorgen dat we daartegen gewapend zijn, maar het helpt wel degelijk.

Ik zal meegaan in uw karikaturen, collega Vandemaele. Als men een drone met een nummerplaat ziet en een drone zonder nummerplaat, dan weet men al sneller hoe men daarmee moet omgaan. Dan weet men ook wanneer die drone nog niet in de buurt van kritieke infrastructuur is, sneller waar de klepel hangt.

Er zal meer nodig zijn, maar het is zeker een stap in de goede richting.

Tot slot, mijnheer de minister, ik kan mij vergissen, maar ik dacht dat er een datum was afgesproken om het CCB van de eerste minister naar u over te dragen en dat die datum al is verstreken. Wanneer staat die overdracht gepland?

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

Een zaak is zeker, de aanpak van de dronedreiging was van een heel bedenkelijk niveau. Alles verliep heel chaotisch, er was geen of nauwelijks communicatie tussen de bevoegde ministers en de bevoegde diensten en er werd niet doortastend opgetreden. Het deed mij wat denken aan Dad's Army , een heel goede serie, maar zoiets kan niet in het echte leven.

Men is pas na de feiten eindelijk in actie geschoten. Ik blijf erbij dat er eenheid van commando moet komen en dat dit het beste onder uw bevoegdheid valt, maar er moet ook geïnvesteerd worden, er moeten middelen worden vrijgemaakt. Ik geef toe dat het uw voorgangster, mevrouw Verlinden - die ik trouwens vijf jaar lang vragen heb gesteld over de onderfinanciering van de federale politie - is die te weinig heeft geïnvesteerd in de antidrone-eenheid, die al sinds 2022 bestaat en die nog steeds met dezelfde capaciteit en ondermaats materieel moet werken. Het is aan u om daarin een kentering te brengen.

Ik wil nog iets zeggen over de klokkenluiders. Mijnheer de minister, het is u misschien ontgaan, maar in de vorige legislatuur werd hier een wet goedgekeurd ter bescherming van klokkenluiders. Dat heeft niets te maken met loyauteit, maar wel met politieagenten die hun job op een goede manier willen uitoefenen en die zich daarin beperkt voelen. De hiërarchische structuur moet gevrijwaard blijven, zeker bij defensie en bij de politiediensten, maar dat neemt niet weg dat bepaalde calamiteiten besproken moeten kunnen worden. Het allerlaatste wat ik zou willen, is dat die calamiteiten onder de mat zouden worden geschoven en dat klokkenluiders zich niet in alle vrijheid zouden kunnen uitspreken over wat ze weten zonder door oversten te worden afgedreigd.

Patrick Prévot:

Merci monsieur le ministre pour vos réponses, d'autant plus que j'avais rajouté des éléments d'actualité en évoquant le communiqué de presse du gouverneur, qui parlait évidemment des sites survolés du SHAPE, mais également de la base militaire de Chièvres et du site de munitions à Seneffe.

Je ne vais pas rentrer dans le débat qui vise à savoir pourquoi nous sommes davantage survolés que certains pays. J'ai entendu évidemment les avis divergents, et je suis davantage du côté de la version de mon excellent collègue Éric Thiébaut. Je serais tenté de dire aux collègues de la N-VA que quand on aboie très fort, on s'assure en tous cas d'avoir le gabarit d'un rottweiler. Si on a davantage le gabarit d'un chihuahua, je pense qu'on doit faire preuve de modestie. On s'abstient en tous cas de mettre de l'huile sur le feu.

Dans votre réponse, monsieur le ministre, vous avez rappelé – et c'est très important – que la police n'est pas en charge de la sécurité des sites, et qu'il revient donc au gestionnaire de ces mêmes sites d'assurer leur protection.

Je sais qu'on n'est plus ici dans le cadre d'un débat, mais qu'en est-il alors pour le SHAPE et Chièvres, notamment, dont la gestion nous échappe? Comment peut-on s'assurer que les sites sont correctement protégés, puisqu'aux alentours vivent quand même aussi des citoyennes et des citoyens belges dont on doit assurer la sécurité?

Pour le reste, je suis d'accord avec vous. Il faut trouver, dans ce genre de situations comme dans d'autres, un équilibre entre paranoïa et vigilance. Je retiens que BE-Alert pourrait être utilisé. Vous parlez au conditionnel. Sans tomber dans la paranoïa, c'est évidemment un outil qui doit être correctement utilisé en temps nécessaire.

En tout cas, puisque gouverner c'est prévoir, il faut se préparer à tous les scénarios. J'espère en tout cas que vous en avez pleinement conscience, vous, vos services et également vos collègues.

Catherine Delcourt:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses. Il ne vous appartient évidemment pas de vous attaquer aux causes, mais bien de répondre aux conséquences d'une telle menace hybride qui, à juste titre, inquiète la population, car elle met à mal le fonctionnement, même de manière temporaire, de certaines institutions et crée un trouble socio-économique, c'est évident.

Vous avez apporté une réponse avec beaucoup de réactivité, de calme – vous l'avez dit, c'est important face à ce genre de menace hybride qu'on doit appréhender alors qu'on la connaît peu – et vous l'avez fait avec bon sens. Je vous rejoins dans votre analyse: face à ce type de menace, la coordination s'avérera essentielle. Vous ne pouvez pas être le seul à bord par rapport à ce type d'événement.

Chacun doit endosser ses responsabilités et la coordination au cœur de la réponse doit être vraiment très fluide et documentée. Il est vrai que lorsque survient l'événement, un temps de recul est nécessaire. On doit appréhender, définir et circonscrire le phénomène pour apporter la meilleure réponse, et s'appuyer sur ça pour développer des moyens supplémentaires. Vous le faites, vous passez à l'action, et chaque petit élément complémentaire que vous amenez aidera à mieux réagir la fois prochaine. Donc, il ne faut minimiser aucune des mesures que vous prenez.

Je tiens vraiment à vous apporter tout mon soutien, à rappeler que vous devez continuer à travailler avec vos collègues, et que la mutualisation des moyens, c'est aussi une manière de réagir avec bon sens.

François De Smet:

Merci monsieur le ministre. Je vous ai écouté attentivement, je vous remercie de vos réponses, on ne doute pas de votre engagement. Je ressors quand même avec le même sentiment que lorsqu'on entend le ministre de la Défense, c'est-à-dire qu'on a une vision assez juste de ce qui se passe. On a compris qu'on avait du retard à rattraper, et on sent l'engagement pour que les investissements contre les menaces hybrides soient faits.

Mais on se dit aussi qu'on n'est toujours pas capable aujourd'hui d'empêcher, si un pays étranger ou un acteur malveillant le souhaite, quelqu'un d'envoyer un drone sur nos aéroports civils et de les paralyser plusieurs heures, tous les soirs de la semaine si ça lui chante. Et la petite crainte que j'ai, qu'on commence parfois à ressentir, c'est qu'on retombe dans un mal bien belge consistant à se renvoyer la balle ou à être divisés face à la menace, divisés entre Défense ou Intérieur ou entre acteurs publics et privés. C'est une spécialité bien de chez nous. Alors peut-être avons-nous appris au fur et à mesure à aller au-delà.

Bien sûr, c'est de l'intimidation et il me paraît évident – je me rallie à la thèse de la N-VA sur cette question – que c'est clairement lié aux 190 milliards qui se trouvent sur notre sol. Mais ces drones survolent non seulement nos aéroports mais interrogent aussi notre capacité à garantir la sécurité du pays. Je crois que nos citoyens vont avoir besoin de réponses claires, immédiates et crédibles.

On a bien conscience que vous héritez d'une situation et d'investissements qui n'ont pas été faits. Mais nous comptons sur vous pour aider à rattraper le retard et sur le gouvernement pour qu'il y ait une unité de commandement contre ces drones.

Bernard Quintin:

Monsieur le président, il se peut que je me sois mal fait comprendre. Je tiens à préciser que je ne parlais pas du tout de lanceurs d'alerte ni de la réaction par mail ou courrier de la hiérarchie. Je me suis concentré, et peut-être l'ai-je fait dans un mauvais français ou un mauvais néerlandais, sur le fait que l'unité a été consultée et que la hiérarchie a décidé, en fonction des moyens qui étaient disponibles et des nécessités sur le terrain, que ce n'était pas ce qu'il fallait mettre en œuvre. Et la loyauté est là-dedans.

S'il y a un ministre de l'Intérieur qui a visité la plupart des unités – je n'y suis pas encore parce qu'il y en a beaucoup, tant en police locale qu'en police fédérale –, c'est moi. Parfois il faut se tresser soi-même ses lauriers, à défaut de les faire tresser par les autres. Je comprends l'engagement, mais c'est une chaîne. Il y a une chaîne hiérarchique, c'est un ensemble. Or le rôle de la hiérarchie, et c'est le rôle que je joue comme ministre aussi, c'est d'avoir une vue d'ensemble de ce qui est faisable, d'écouter toutes les personnes qui sont impliquées et qui ont des choses à dire, et puis de décider, au niveau de la hiérarchie, de ce qu'il faut faire et de ce qu'il ne faut pas faire. Voici ce que j'ai voulu préciser manifestement pas de manière suffisamment précise. C'est pourquoi je me permets de le dire en français.

Les klokkenluiders et les lanceurs d'alerte sont nécessaires. Ils sont protégés par la loi et je suis évidemment extrêmement soucieux que cette loi soit strictement respectée.

Matti Vandemaele:

Ik heb het woord klokkenluiders net niet gebruikt. Het gaat erover dat deze mensen gespecialiseerd zijn opgeleid, dat ze beschikken over gespecialiseerd materieel en dat zij aangeven al drie dagen te zitten wachten tot ze worden ingezet. Tezelfdertijd worden niet-gespecialiseerde agenten ingezet, die daar niet voor getraind zijn en die verrekijkers uit 1944 moeten gebruiken. Ik begrijp ten volle dat zij dan zeggen dat de beslissing van de hiërarchische meerderen gewoon ingaat tegen de veiligheidsbelangen van het land. Ik vind die mensen uitermate loyaal aan de bevolking. Die oefening moet gemaakt worden. Ik hoop ook echt dat dit zo bekeken zal worden en dat die mensen niet ontslagen zullen worden. Ze worden nu immers bedreigd door een hiërarchie die verkeerde inschattingen maakt.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, ik voel mij ook wat aangesproken. Ik heb wel het woord klokkenluiders gebruikt, omdat ik specifiek naar de wetgeving daaromtrent wilde verwijzen. U hebt daar nu zelf ook naar verwezen in uw bijkomend antwoord. Het gaat niet enkel daarover, mijnheer de minister. Ik begrijp uiteraard dat de hiërarchische oversten moeten kunnen beslissen wanneer een eenheid wordt ingezet en wanneer niet. Tot daar ben ik het volledig met u eens. Er is wel een verschil wanneer men achteraf dreigmails krijgt van diezelfde hiërarchische oversten, die bijna kunnen worden geïnterpreteerd als: "Houd uw mond, anders kunnen er sancties volgen, tot en met ontslag." Dat is voor mij onaanvaardbaar. De wetgeving is hierover duidelijk: klokkenluiders moeten beschermd worden en mogen niet gesanctioneerd worden. Dat is het punt dat ik wil maken. Ik denk dat we niet van mening hoeven te verschillen over de hiërarchische structuur, die nu eenmaal eigen is aan defensie en aan de politie. Ik dank u voor de bijkomende verduidelijking.

De twijfel bij de regering over de nieuwe politie-uniformen
De uitrol van het nieuwe politie-uniform
De nieuwe politie-uniformen
Het nieuwe politie-uniform en de bijbehorende discussies

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 19 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de controversiële herziening van het nieuwe Belgische politie-uniform, waarvan de kleuren (geel-zwart-blauw) door Waalse kritiek als "te Vlaams" worden bestempeld, ondanks positieve testresultaten, wetenschappelijke onderbouwing (fluogeel verhoogt zichtbaarheid) en steun van agenten en de VCLP. Minister Quintin benadrukt dat het project juridisch onvolledig is (ontbrekend KB) en stelt een gefaseerde aanpak voor: eerst een wettelijke basis (KB in voorbereiding), dan uniformiteit en budgettaire haalbaarheid, met behoud van de geplande uitrol in 2026-2027, maar *zonder* duidelijke bevestiging over de kleurenkeuze. De communautaire spanning (Vlaamse vlag vs. herkenbaarheid) en taalwetgeving (correcte opschriften) worden neergelegd als secundair, terwijl de focus ligt op modernisering, veiligheid (kogelvrije vesten) en eenheid—al blijft onduidelijkheid bestaan over eventuele meerkosten door vertraging. Kritiek richt zich op het risico van politieke inmenging in een technisch dossier dat al 20 jaar op zich laat wachten.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, sinds 2021 loopt de vernieuwing van het nationale politie-uniform. Er lopen pilootprojecten in meerdere zones. Het nieuwe uniform wordt goed onthaald, ook door onze agenten op het terrein. Het huidige uniform dateert immers van 2001. Dat betekent dat we al 24 jaar met hetzelfde uniform werken en dat is uiteraard niet houdbaar. Men vraagt om een nieuw uniform dat opnieuw het nodige gezag uitstraalt en de uniformiteit kan bewaren. Ook de Vaste Commissie van de Lokale Politie (VCLP) beaamt en ondersteunt dat.

Mijnheer de minister, terwijl al die pilootprojecten en een aantal onderzoeken lopen, trekt u plots de kleuren van de nieuwe uniformen in twijfel. Vanuit Waalse hoek kwam de kritiek dat die te Vlaams zouden zijn. Er zou wat te veel geel en wat te veel zwart in zitten, waardoor het uniform volgens sommigen te sterk zou lijken op de Vlaamse vlag. Nochtans staat er duidelijk een Belgische vlag op het uniform. Ik zie dus niet meteen het probleem.

Waarom trekt u het werk dat uw collega-minister Verlinden in 2021 heeft opgestart nu in twijfel? Zijn daar bijkomende kosten aan verbonden? Hoe zal de procedure vanaf nu verlopen? Wordt alles opnieuw opgestart? Zijn daar budgettaire maatregelen of compensaties voor voorzien? Ik vraag me af waarom u die goedlopende pilootprojecten, waarover iedereen, van de VCLP tot de agenten op het terrein, het eens is, nu op de helling zet. Ik hoop van u te vernemen dat dit absoluut niets te maken heeft met een communautair geschil vanuit Wallonië, maar ik hoor het graag van u.

Maaike De Vreese:

Ik heb twee, ietwat belachelijke vragen voor u, mijnheer de minister. De eerste gaat over de kleur van het nieuwe politie-uniform. De tweede gaat over kakkerlakken in de Pacificatiestraat in Gent.

Er is veel commotie, ook in de pers, over de kleuren van het nieuwe politie-uniform. Hoewel het project al veel geld heeft gekost en er al duidelijke beslissingen zijn genomen, wordt het nieuwe uniform nu toch in vraag gesteld, omdat het geel en het zwart iets te veel aan de Vlaamse vlag doen denken. Al twintig jaar vraagt de politie om dat nieuwe uniform. Men vindt namelijk dat het oude uniform te weinig respect afdwingt en de herkenbaarheid niet accentueert. Uit onderzoek is bovendien gebleken dat het fluogeel, dat helemaal niet lijkt op het geel van de Vlaamse vlag, net een van de best zichtbare kleuren voor politie-uniformen is.

De testfases in meerdere politiezones zijn positief ervaren. Zo liet onder andere de politiezone in Waver zich zeer positief uit over het uniform. Niettegenstaande de positieve evaluaties wordt het uniform nu opnieuw in twijfel getrokken. Er gaan stemmen op om andere kleuren te kiezen. Onder meer het ACV stelt voor om het donkerblauw met gele accenten iets lichter te maken. Volgens de vakbonden zou u gevoelig zijn voor die kritiek, maar ik hoor graag uw eigen uitleg. Het zou schrijnend zijn om nu operationeel alles wat wetenschappelijk onderbouwd en positief getest is, terug te draaien en opnieuw vertragingen te veroorzaken.

Hoeveel geld wordt er verspild als men een dergelijk vergevorderd proces terugdraait? Hoe verloopt de testfase precies in de verschillende regio's? Hoeveel testzones zijn er? Wilt u het koninklijk besluit over het uniform aanpassen? Zult u de uitrol in 2026-2027 handhaven? Welke specifieke politiezones hebben bij uw diensten bezwaren geuit over de kleuren van het uniform? Uit welke zones kwamen die signalen? Gaat het ook over bezwaren betreffende de taalwetgeving, zoals het ontbreken van het opschrift in de juiste taal op de politie-uniformen? Dat kan ik enigszins begrijpen, want als er iemand voor mijn deur staat met het opschrift police in plaats van politie op het uniform, dan zou ik eraan twijfelen of dat werkelijk iemand van onze politiediensten is.

Catherine Delcourt:

Monsieur le ministre, comme le prévoit l'accord de gouvernement, il vous revient à la charge de mettre en œuvre la nouvelle identité visuelle de la police. Cela semble logique de plaider pour que l'uniforme soit le même sur l'ensemble du territoire et reflète une autorité incontestable.

Le moins que l'on puisse dire néanmoins, c'est que ce dossier est parti sur des bases incertaines. Le 31 mai 2024, en pleine période d'affaires courantes, à quelques jours des élections du 9 juin, ce chantier a été lancé par la ministre de l'Intérieur, votre prédécesseur, Mme Verlinden. Il est évident que sur le terrain, plusieurs zones de police s'interrogent quant à la mise en œuvre de ce chantier, tant sur le plan réglementaire que sur le plan budgétaire, beaucoup plus que sur les couleurs utilisées d'ailleurs.

Monsieur le ministre, depuis votre entrée en fonction, pouvez-vous nous décrire l'avancée de ce dossier? Selon quel phasage l'avez-vous mené? Une base légale destinée à clarifier les choses est-elle en préparation? Avez-vous un calendrier avec lequel vous prévoyez d'atterrir? Enfin, et c'est certainement ma question la plus importante, considérez-vous que ce projet constitue réellement une priorité à l'heure actuelle, compte tenu des autres besoins opérationnels et des moyens budgétaires disponibles?

Bernard Quintin:

Ik dank u voor uw vragen en uw belangstelling voor dit dossier. Allereerst wil ik heel duidelijk zijn. Onze politiediensten hebben een adequate en performante uitrusting nodig om hun werk in de beste omstandigheden te kunnen uitvoeren. Het regeerakkoord bepaalt het volgende: “Een nieuwe visuele identiteit voor de geïntegreerde politie wordt op het terrein ingevoerd op basis van een voortzetting van de inspanningen die in de vorige legislatuur werden geleverd en van de resultaten die reeds werden bereikt. Meer concreet gaat het over Battenburg en het nieuwe politie-uniform."

Mijn voorgangster heeft eind mei – inderdaad ongeveer een jaar voor de verkiezingen – besloten om een proefproject voor de vervanging van de politie-uniformen goed te keuren. Ik heb dit dossier in die staat geërfd. Bij de analyse ervan hebben mijn diensten vastgesteld dat er geen wettelijke basis bestaat, aangezien er geen koninklijk besluit was opgemaakt. Zonder dat KB kan er geen beslissing worden genomen en evenmin een budget worden vrijgemaakt om de nodige overheidsopdrachten daadwerkelijk te lanceren. Om het project op een concrete en gestructureerde manier voort te zetten, is het, zoals voor elk ander project van hetzelfde type, van essentieel belang om gefaseerd te werk te gaan.

Eerst moet er een passende rechtsgrond worden gecreëerd door middel van een koninklijk besluit dat de invoering van het nieuwe uniform mogelijk maakt en het verplicht stelt voor alle politiediensten in ons land, zowel federaal als lokaal.

Ce qui, permettez-moi la remarque, n'est pas le cas actuellement mais qui semble en effet crucial, comme vous l'avez dit, madame Delcourt, pour envoyer un message d'unité de notre police pour nos citoyens et face au crime. Je crois que nous serons d'accord de dire que le fait de savoir si c'est la police locale ou fédérale qui intervient n'intéresse absolument pas nos concitoyens. Ce qu'ils veulent, c'est une police qui fonctionne et assure leur sécurité.

Dat koninklijk besluit moet ook de specificaties en technische vereisten vastleggen waarop het verdere proces zal worden gebaseerd. Mijn diensten hebben mij eind september een ontwerp van koninklijk besluit bezorgd. Ik heb mijn opmerkingen meegedeeld. De definitieve versie wordt mij in de komende dagen bezorgd. Daarna kunnen we de administratieve procedure voor de definitieve goedkeuring voortzetten.

Cela permettra à tous les services de police du pays de lancer leur marché public en toute légalité, ce qui n'est pas le cas sans base légale. Il me semble que c'est le moins que l'on puisse attendre de la part de services ayant pour mission de faire respecter la loi.

Vervolgens wacht ik op de resultaten van de lopende test. Ik heb inmiddels vernomen dat de test werd uitgevoerd, maar alleen om de technische eigenschappen te evalueren van de stoffen die voor dat nieuw uniformproject zullen worden gebruikt, in het kader van de openbare aanbesteding die door de politiezone Antwerpen is uitgeschreven. De test heeft dus geen betrekking op de visuele identiteit als zodanig, noch op de beoogde kleuren. Ik kan mij dus alleen baseren op de verschillende adviezen die ik ontving, maar ook op de feedback die ik tijdens mijn verschillende terreinbezoek heb gekregen, feedback die voor mij heel belangrijk is.

Ik kan jullie bevestigen dat ik in contact sta met de diensten die verantwoordelijk zijn voor dat project om het normenboek af te ronden, dat als bijlage bij het ontwerp van koninklijk besluit zal worden gevoegd en dat ik, zoals net vermeld, binnenkort zal goedkeuren.

Tot slot werd een budgettaire analyse uitgevoerd om te beoordelen hoe het project financieel haalbaar kan worden gewaarborgd.

En effet, madame Delcourt, nos budgets ne sont pas infinis. Je serai très clair: il importe qu'un seul uniforme soit utilisé par la police. La situation actuelle n'est pas tenable. Au moins une dizaine d'uniformes différents sont utilisés aujourd'hui.

Die stapsgewijze aanpak is onontbeerlijk, zoals ik eerder heb aangegeven, evenals in antwoord op jullie eerdere vragen over hetzelfde onderwerp. Hij moet garanderen dat het project steunt op een solide juridische en budgettaire basis, zodat de invoering van het nieuw uniform op een coherente, transparante en financieel verantwoorde manier kan verlopen.

Ik ben ervan overtuigd dat het uniform van onze politie in het hele land herkenbaar moet zijn, van Aarlen tot De Panne. Ik wil nogmaals herhalen dat onze politie behoefte heeft aan degelijke en gemoderniseerde uitrusting. Het uniform is niet alleen hun werkkleding, maar ook het symbool van hun autoriteit. Het is een kwestie van respect voor de vrouwen en mannen die elke dag hun eigen veiligheid op het spel zetten om die van ons te beschermen.

C'est un élément que je compte aussi introduire dans le conclave que j'organise à la mi-décembre sur l'attractivité de la fonction de police; en effet, si je veux moi-même mettre en œuvre la formule que j'utilise de plus en plus régulièrement d'une "police respectueuse, respectable et respectée", respecter cette police, c'est déjà lui octroyer un uniforme.

Pour être très clair, l'intérêt d'un nouvel uniforme est surtout celui de le moderniser, comme cela a été mentionné dans une question. Ce sont des uniformes qui ont 25 à 30 ans! Les tissus ont évolué. En outre, le port obligatoire du gilet pare-balles engendre un certain nombre de nécessités. Ces critères doivent être pris en compte.

Voor de volledigheid bevestig ik dat ik terecht ben aangesproken op het taalprobleem dat zich heeft voorgedaan met het testuniform. Ik heb de nodige maatregelen genomen om die situatie te regulariseren, met strikte inachtneming van de wet op het gebruik van de talen in bestuurszaken, die in een dergelijk geval van toepassing is. Die wet is heel belangrijk voor iedereen hier.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, u danst in uw antwoord een beetje rond de hete brij. Hoe het politie-uniform er daadwerkelijk zal uitzien, blijft onduidelijk. Uiteraard moeten we een kakofonie vermijden, al is die er nu, want sommige politiezones hebben zeven jaar geleden al nieuwe politie-uniformen aangeschaft.

Ik wil nog benadrukken dat de gele kleur niets te maken heeft met de Vlaamse vlag. Het heeft te maken met herkenbaarheid. Europa legt trouwens aan de lidstaten in een richtlijn op om geel te gebruiken in het uniform van veiligheidsdiensten. Dat is niet zonder reden, het draagt bij aan de herkenbaarheid en de veiligheid.

Uiteraard deel ik uw analyse dat dat op een solide wettelijke basis moet gebeuren en dat het over alle politiezones moet worden uitgerold. De heer Thiébaut fronst al bij de gedachte aan de kosten die op hem afkomen bij de vervanging van de politie-uniformen. Ik hoop dat daarmee rekening zal worden gehouden.

We moeten absoluut het respect voor en de aantrekkelijkheid van het beroep van politieagent terug naar voren schuiven. Als het politie-uniform daartoe kan bijdragen, zult u mijn steun daarbij krijgen. Maak er echter alstublieft geen communautair spel van. Nogmaals, de kleuren hebben niets te maken met de Vlaamse vlag. Het gaat uitsluitend om herkenbaarheid en veiligheid van de man en vrouw op straat.

Maaike De Vreese:

Mijnheer de minister, toen ik nog bij de Dienst Vreemdelingenzaken werkte, kwam ik in een bepaalde politiezone waar kogelvrije vesten boven het uniform gedragen moesten worden, wat door de betrokken politiemensen als belachelijk werd ervaren. Dat zorgt natuurlijk voor vermijdingsgedrag omdat men het kogelvrij vest niet wil dragen. Dat kan uiteraard totaal niet de bedoeling zijn. Een uniform dat respect afdwingt en aantrekkelijk is, is om die reden wel degelijk belangrijk. Ik denk dat voor ieder van ons geldt dat we op een positieve manier naar buiten willen treden.

Ik hoor u zelf niets meer zeggen over de kleur, wat enkel kan bevestigen dat daar geen verdere aandacht aan besteed hoeft te worden. Het gaat om een blauwe kleur met gele accenten. Geel blijkt uit wetenschappelijk onderzoek immers een van de meest zichtbare kleuren te zijn.

Ik ben blij dat u aan de taalwetgeving de nodige aandacht hebt besteed en dat u op dat vlak hebt geremedieerd. Ik denk dat dat ook bijdraagt aan de betrouwbaarheid van de politiediensten ten aanzien van de burger. Wij willen bij de Vlaamse inspecteurs en agenten inderdaad een Nederlandse titel zien, terwijl ik veronderstel dat de burger in Wallonië graag een Franse titel ziet.

Catherine Delcourt:

Monsieur le ministre, je vous remercie de votre réponse. Il importe de rappeler que ce dossier du nouvel uniforme de la police n'est pas tombé dans les meilleures conditions entre vos mains. Il a en effet été ouvert en toute fin de la législature précédente, sans cadre précis. On voit aujourd'hui les questions très légitimes que cela soulève sur le terrain, mais également au plan législatif. Donc, vous travaillez à un cadre légal sérieux, qui permette le port de ce nouvel uniforme. Il convient de noter ce fait important: dans "uniforme", il y a "uniformité". Ce n'est donc pas une question d'harmonisation des tenues, mais bien celle de l'uniforme de la police, avec toute l'autorité qu'il doit symboliser. Vous travaillez à un cadre légal à partir d'un cahier des charges, vous testez, enfin, vous faites tester – heureusement, car vous faites déjà beaucoup de choses! – la qualité du tissu de l'équipement. C'est aussi essentiel, car il s'agit d'un signe de respect pour ceux qui le porteront. Au vu de toutes les priorités qui doivent être atteintes, l'aspect budgétaire aura également toute son importance. Par conséquent, il ne faut pas mettre en œuvre ce projet sans se doter de moyens sérieux et respectueux de ceux qui doivent agir quotidiennement pour la sécurité de nos concitoyens. Encore merci!

Een strengere begeleiding van betogingen
De vraag van de ACOD om een parlementaire onderzoek naar mogelijk buitensporig politiegeweld
Begeleiding en onderzoek naar politieoptreden bij betogingen

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 19 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De minister benadrukt strengere *voorbereidende* maatregelen voor betogingen, zoals betere risicoanalyses via inlichtingendiensten (Veiligheid van de Staat, OCAD) om extremistische dreigingen en verstoringen proactief in kaart te brengen, zonder het recht op protest aan te tasten—proportionaliteit en wettelijk kader blijven centraal. Kritische politiegetuigenissen (o.a. ACOD over geweldpleging door collega’s bij betogingen) worden doorgeschoven naar Comité P en tuchtprocedures, met een oproep om klokkenluidersregeling te gebruiken; de minister wijst publiek debat af tot na onderzoek. Vandemaele waarschuwt dat herhaalde interne politiecritiek over disproportioneel geweld (inclusief waterkanongebruik) het vertrouwen in veiligheidsdiensten ondermijnt, en dringt aan op interne correctie om escalatie te voorkomen. Meuleman bevestigt dat de focus ligt op preventie (informatie-uitwisseling), niet op aanpassingen in *terreinoptreden*.

Brent Meuleman:

Mijnheer de minister, u hebt recent verklaard dat u de politie hebt gevraagd om strengere begeleidende maatregelen te overwegen bij toekomstige manifestaties, naar aanleiding van de schade die is aangericht bij de grote nationale actiedag in Brussel. Ook wilt u de politie beter laten anticiperen op eventuele risico’s.

Daarbij heb ik toch een aantal vragen.

Kunt u nader toelichten wat u verstaat onder strengere begeleidende maatregelen? Welke specifieke acties of protocollen denkt u dat de politie moet implementeren om de veiligheid tijdens toekomstige betogingen te waarborgen?

Ook vraag ik mij af hoe u garandeert dat die maatregelen geen afbreuk doen aan het recht op vrije meningsuiting en het recht om te betogen. Welke mechanismen zorgen ervoor dat de politie de grenzen van die rechten respecteert tijdens haar optreden?

Hoe denkt u dat de effectiviteit van die nieuwe maatregelen zal worden geëvalueerd? Welke criteria zullen gehanteerd worden om te bepalen of de strengere begeleiding daadwerkelijk de veiligheid verbetert?

Alvast bedankt voor uw antwoord.

Matti Vandemaele:

Mijn vraag is toch redelijk anders van insteek. Misschien is de samenvoeging niet geheel correct verlopen.

Ik wil het graag met u hebben over een artikel in De Standaard waarin de politievakbond ACOD zelf vraagt om een aantal politieacties nader te onderzoeken. Het gaat over drie interventies: de Flotilla-betoging op 2 oktober, de nationale staking van 14 oktober en de uitzetting van 50 mensen zonder papieren op 17 oktober.

De ACOD-leden geven aan dat er flagrante schendingen zijn van de interventieregels. Ik citeer: " Er waren agenten die mensen op het hoofd sloegen, tot bloedens toe, agenten die vrouwen en kinderen in de rug sloegen en agenten die vreedzame betogers behandelen als vijanden, niet als burgers". Dat zijn citaten van agenten zelf. Ze komen dus niet van burgers die slachtoffer zijn geworden, maar van agenten die spreken over het werk van hun eigen collega’s. De vakbond geeft aan dat sommige leden vinden dat de acties niet aanvaardbaar zijn en dat de agenten in kwestie publiekelijk niet durven te getuigen.

De suggestie van het ACOD was om een publiek moment in het Parlement te organiseren, waar die agenten hun verhaal wel zouden kunnen doen. Ik vroeg mij af hoe u tegenover die suggestie staat. Of vindt u dat dit het werk is van het Comité P, dat al een vijftigtal klachten over die specifieke interventies heeft ontvangen?

Ten tweede, welke maatregelen zult u nemen opdat agenten dergelijke getuigenissen niet meer hoeven af te leggen, en ze zich gewoon aan de regels houden en proportioneel handelen? Hoe komt het dat agenten dit doen? Eigenlijk begrijp ik na het actualiteitsdebat wel dat agenten niet meer publiekelijk kritisch durven te zijn over de orders die ze krijgen of over wat er tijdens hun interventies gebeurt.

Bernard Quintin:

In het kader van de evenementen waarnaar u verwijst, werden verschillende klachten bij het Comité P ingediend. Het Comité P zal, zoals altijd, elke klacht onderzoeken. Het Comité P hangt af van het Parlement.

Het lijkt voorbarig om de incidenten te becommentariëren zonder de conclusies van de lopende onderzoeken naar aanleiding van die klachten te kennen. Wanneer een klacht strafbare feiten bevat, zoals slagen en verwondingen, ga ik ervan uit dat die aan het bevoegde parket overgemaakt wordt. De conclusies van de voornoemde onderzoeken kunnen, desgevallend, ook ter kennis worden gebracht van de tuchtrechtelijke overheden van de betrokken politieleden, die eventueel begeleidende maatregelen, ordemaatregelen of tuchtmaatregelen kunnen nemen of laten nemen.

Ik ben ter zake overigens zelf niet noodzakelijk bevoegd. Het is een deontologische verplichting voor politiemensen om strafrechtelijke feiten te melden, en zelfs een wettelijke verplichting. Ik nodig de eventuele politionele getuigen en hun hiërarchieën dan ook uit om hun beroepsplichten in deze zaak na te blijven leven.

Indien bijzondere redenen dit proces bemoeilijken, kan men van de klokkenluidersregeling gebruikmaken. U hebt gehoord dat ik veel belang aan die regeling hecht.

De strengere begeleidende maatregelen, waar ik in mijn antwoord van 21 oktober naar verwees, hebben voornamelijk betrekking op de voorbereiding van manifestaties door de veiligheidsdiensten.

Ik wijs op het belang van de informatiepositie van de verschillende diensten. Het is aan de intelwerking van de lokale zones, maar zeker ook aan de dienst binnen de federale politie die groeperingen opvolgt en aan de Veiligheid van de Staat en het OCAD om waar mogelijk nuttige informatie aan te leveren met betrekking tot extremistische tendensen of aangekondigde verstoringen van de openbare orde in het kader van manifestaties. Dat moet toelaten voorafgaand aan een evenement een betere risicoanalyse te maken.

Op basis van de dreigingselementen moeten de politiediensten zich voorbereiden om specifieke doelwitten beter te beschermen of, wanneer de informatie over de dreiging algemener is, langs het traject van een manifestatie in de gepaste reserve- en interventiecapaciteit te voorzien.

De federale politie handelt binnen het bestaande wettelijke kader en het principe van het genegotieerde beheer van de publieke ruimte. De federale politie past dit, zodra beslist, loyaal toe via een risicoanalyse en informatiegestuurde inzet, inclusief OSINT binnen de wettelijke grenzen en de ondersteuning van de lokale politiezones.

De federale politie waarborgt daarbij steeds de proportionaliteit, subsidiariteit en noodwendigheid van haar optreden, zodat het recht op vrije meningsuiting en het recht om te betogen volledig gerespecteerd blijven, zoals vanavond in Sint-Gillis.

Brent Meuleman:

Dank u voor uw antwoord, mijnheer de minister. Ik begrijp uit uw antwoord dat u met de begeleidende maatregelen vooral doelt op het voorbereidende werk: dat men beter zal proberen in kaart te brengen of er signalen zijn rond bepaalde extremistische groeperingen, dat men de risico’s beter en grondiger in beeld wil brengen en dat u het eigenlijk niet hebt over het optreden op het moment zelf, op het terrein.

Vandaar dat ik die vraag gesteld had over welke protocollen gehanteerd zullen worden en hoe we daar op het terrein mee zullen omgaan. Ik begrijp uit uw antwoord dat het gaat over het vooraf beter in kaart brengen en op die manier anticiperen.

Ik dank u voor uw antwoord.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, ik hoor de laatste tijd geregeld getuigenissen van omstaanders, van betogers, maar nu dus ook van agenten zelf. Het gaat dan over deze drie cases, maar straks is er nog een vraag over de bedieners van het waterkanon, die eigenlijk hetzelfde aangeven, die zeggen dat hun acties niet langer proportioneel zijn. We krijgen veel dergelijke signalen. Er worden veel klachten ingediend bij het Comité P. De politie moet daarmee intern aan de slag. Wij moeten hier niet de rechtbank zijn voor dergelijke politieoptredens, zeker niet. Het is echter wel belangrijk dat onze veiligheidsdiensten hun werk goed kunnen uitvoeren en daarvoor het nodige respect krijgen van omstaanders en betogers. Wanneer dergelijke kritieken publiek worden, met opmerkingen als dat zij zelf de wet niet volgen en niet meer proportioneel aan de slag zijn, kan er, mocht deze tendens zich voortzetten, een probleem ontstaan. En dan zijn we verder af dan ooit. Ik hoop dan ook dat de politie deze oefening intern ten gronde doet, zodat we dergelijke uithalen in de media niet langer hoeven te lezen, omdat de situatie op het terrein verbetert.

De aanpak van transmigratie in West-Vlaanderen
De grenscriminaliteit aan de Belgisch-Franse grens
Grensoverschrijdende migratie- en criminaliteitsvraagstukken in West-Vlaanderen

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 19 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De coördinatie van grenscriminaliteit en transmigratie in West-Vlaanderen is verschoven van de gouverneur naar de federale politie (CIK), wat volgens lokale actoren leidt tot meer bureaucratie, inefficiëntie en gebrek aan operationele samenwerking, terwijl de minister benadrukt dat dit wettelijk verplicht is om informatie-uitwisseling te centraliseren. Met Frankrijk loopt een traag onderhandelingsproces over *Doornik III* (opvolger van Doornik II), met als kernpunt het uitbreiden van grensoverschrijdende achtervolgingsrechten (inclusief staande-houden-bevoegdheden), maar concrete afspraken ontbreken nog, ondanks een werklunch in augustus 2025 en beloftes voor meer gemengde patrouilles en ANPR-camera’s. Operationele knelpunten (heterdaadinterventies, gegevensdeling) blijven bestaan, ondanks bestaande tools zoals het 24/7-samenwerkingscentrum in Doornik, terwijl lokale diensten onvoldoende gebruik maken van beschikbare middelen. Critici, waaronder West-Vlaamse burgemeesters en de gouverneur, eisen snellere structurele oplossingen, maar federale versterking blijft beperkt door prioriteiten elders (kustbewaking, transmigratie) en politieke instabiliteit bij Franse en Britse partners.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, zoals ik het begrepen heb, werden de coördinatie en de afstemming met het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk met betrekking tot de grenscriminaliteit in de afgelopen jaren georganiseerd op het niveau van de gouverneur, specifiek voor de zone Westkust. Dat is verdedigbaar vanuit de praktijk, meen ik.

Blijkbaar is de coördinatie van de bestrijding van transmigratie naar het Verenigd Koninkrijk in West-Vlaanderen echter onlangs overgenomen door het commissariaat internationale zaken van de federale politie. De gouverneur heeft zich daarover in de provincieraad van West-Vlaanderen bijzonder negatief over uitgelaten. Hij sprak over een gemis aan efficiëntie, zeer bureaucratische procedures en een operationele samenwerking die tot nul teruggebracht is. Dat lijken mij toch vrij zware uitspraken, maar als het zo is, dan is het zo.

Klopt het dat er een bijsturing heeft plaatsgevonden?

Wat is de reden daarvoor? Ik ga ervan uit dat als men iets verandert, men het wil verbeteren. Wat zal men beter doen met de nieuwe manier van werken? Welk probleem wil men oplossen met die nieuwe manier van werken?

Wat vindt u van de kritiek, die niet mals was, van de gouverneur op het federale niveau?

Maaike De Vreese:

Mijnheer de minister, het is natuurlijk geen toeval dat twee West-Vlamingen u vragen stellen over de aanpak van criminaliteit die zich vaak aan de grens voordoet. In de West-Vlaamse grensgemeenten merken wij een hardnekkig probleem van grenscriminaliteit. Dat betreft niet alleen mensenhandel en mensensmokkel, maar ook woninginbraken, druggerelateerde feiten, diefstallen en zelfs overvallen.

Het is logisch dat criminelen gebruikmaken van de grens en de grens oversteken naar Frankrijk, omdat ze weten dat ze vervolgens veel gemakkelijker onder de radar blijven. De lokale korpsen, burgemeesters en ook de gouverneurs vragen al jaren om structurele federale ondersteuning. Op dat vlak zien wij echter weinig vooruitgang. De korpschef van Ieper sloeg in april 2025 nog alarm. De burgemeester van Wervik deed dat dit jaar eveneens.

Tijdens de vorige commissiezitting kondigde u een werklunch aan met uw Franse ambtgenoot om de overeenkomst Doornik 2 te actualiseren en te vervangen door een nieuw akkoord, dat vermoedelijk de naam Doornik 3 zal dragen, onder meer met de intentie het achtervolgingsrecht te verruimen. Die werklunch stond gepland op 27 augustus 2025. Wij zijn ondertussen vier maanden later. Er lopen wel gezamenlijke acties en het ANPR-cameraschild wordt gemoderniseerd, maar op het terrein ervaren de zones nog steeds drempels bij heterdaadinterventies, het delen van gegevens en de opvolging van grensoverschrijdende dossiers. Daarnaast is er een duidelijke nood aan meer gemengde patrouilles. De samenwerking met Frankrijk blijft overduidelijk van groot belang.

Kunt u meer toelichting geven over die werklunch? Wat was de concrete uitkomst daarvan? Hoe ver staat u met de actualisering van Doornik 2?

Welke tussentijdse werkafspraken zijn er sinds de zomer gemaakt met Frankrijk over de acute knelpunten zoals heterdaadachtervolging, gegevensuitwisseling en gemengde patrouilles? In welke mate worden ze operationeel al toegepast?

Wat is de stand van zaken in de modernisering van het ANPR-cameraschild bij grensovergangen en ontsnappingsroutes?

Welke federale capaciteit werd deze zomer aan de grensregio toegewezen?

Het huidige akkoord van Doornik voorziet in een strategisch comité. Hoe vaak kwam dat comité in 2025 samen? Welke beslissingen werden door het comité genomen?

Bernard Quintin:

Mevrouw De Vreese, mijnheer Vandemaele, al sinds de herziening van 2014 van het koninklijk besluit betreffende de organisatie en de bevoegdheden van de federale politie is de Directie van de internationale politiesamenwerking van de federale politie wettelijk en organisatorisch verantwoordelijk voor de internationale politionele informatie-uitwisseling en de bilaterale samenwerking met onze buur- en andere partnerlanden. Samenwerking tussen de lokale politiediensten en de politiediensten van Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk is vanzelfsprekend mogelijk en wenselijk, op voorwaarde dat het binnen het wettelijk kader en met respect voor de principes van een geïntegreerd informatiebeheer gebeurt.

Tijdens een vergadering op mijn kabinet met alle betrokken partijen in juli jongstleden heb ik gewezen op twee voor mij fundamentele principes die steeds voor ogen moeten worden gehouden in de samenwerking met het Verenigd Koninkrijk. Alle informatie die binnen het wettelijk en regelgevend kader rechtstreeks kan worden uitgewisseld tussen de lokale politiediensten en het Verenigd Koninkrijk, dient steeds, zoals voorgeschreven in de ministeriële richtlijn MFO-3 inzake het gerechtelijke en bestuurlijke informatiebeheer, in kopie te worden gedeeld met het Single Point of Operational Contact van de federale politie. Dat principe werd begin september ook in herinnering gebracht bij de belangrijkste Britse partnerdiensten, die het volmondig onderschreven.

Op 27 augustus jongstleden had ik een werkvergadering met mijn toenmalige Franse ambtgenoot, de heer Bruno Retailleau. Daarbij kwam ook de problematiek van de grensoverschrijdende achtervolgingen aan bod. De heer Retailleau erkende dat er niet alleen een versoepeling nodig is van de voorwaarden voor dergelijke achtervolgingen, maar dat er ook een oplossing moet worden gevonden om de achtervolgende ambtenaren van de zendstaat minstens standhoudingsrecht toe te kennen op het grondgebied van de gaststaat.

Ik bepleit in dat verband het pragmatisch voorstel om in een nieuw verdrag te bepalen dat de achtervolgende ambtenaren van de zendstaat een aantal bevoegdheden, waaronder het staande houden van een verdachte, zouden mogen uitoefenen, mits ze daarvoor de expliciete toestemming krijgen van de meldkamer van de gaststaat, waarmee ze sowieso gedurende de hele achtervolging contact moeten houden.

De heer Retailleau zegde toe om zijn diensten een grondige analyse van dat voorstel te laten maken, maar tot op heden mochten we nog geen officiële reactie van Frankrijk ontvangen. Ik zal niet nalaten om de kwestie opnieuw onder de aandacht te brengen van mijn nieuwe ambtgenoot, de heer Laurent Nuñez.

Zoals ik al eerder aangaf, zal het antwoord op de vraag in hoeverre Frankrijk bereid is om een structurele oplossing uit te werken voor beide aspecten van de grensoverschrijdende achtervolgingen in grote mate bepalen of het de moeite loont om onderhandelingen te starten over een herziening van ons bilateraal politie- en douanesamenwerkingsverdrag, het zogeheten Akkoord van Doornik II.

Voor de andere kwesties, die u als acute knelpunten omschrijft, wil ik nogmaals benadrukken dat de operationele diensten op het terrein al lang over de nodige instrumenten beschikken om intensief samen te werken met hun Franse partners. De politiediensten in West-Vlaanderen en Henegouwen kunnen 24 uur per dag en 7 dagen per week gebruikmaken van het Centrum voor Politie- en Douanesamenwerking in Doornik om informatie uit te wisselen met Frankrijk over zaken die verband houden met de grensstreek. Kortom, de mogelijkheden bestaan, maar niet alle diensten maken er in gelijke mate gebruik van.

Het nieuwe ANPR@GPI-platform biedt verbeterde analytische capaciteiten met nieuwe tools om grenscriminelen in West-Vlaanderen beter te detecteren en te intercepteren. De gemoderniseerde tool en infrastructuur zullen ter beschikking worden gesteld van de federale en de lokale politie, en zullen de koppeling van veel meer camera's mogelijk maken.

Verder heb ik beslist om dit programma extra daadkracht te geven door het te koppelen aan een investeringsplan voor extra ANPR-camera's in en rond de grote steden en op cruciale grenslocaties, om het cameraschild verder te versterken en uit te breiden. Sinds de zomer wordt de federale inzet in de grensregio vooral versterkt op het vlak van intelligence en gerichte acties. Inzake de operationele capaciteit bleef structurele versterking vanuit het (CIK) sinds 1 juni 2025 beperkt door andere opdrachten, zoals kustversterking en transmigratie. Binnen de resterende middelen wordt echter gezocht naar gerichte inzet in de grenszones.

Het strategisch comité, zoals bedoeld in artikel 17, lid 1, van het Akkoord van Doornik II, komt minstens eenmaal en vaak tweemaal per jaar samen.

De meest recente bijeenkomst van het comité, aan Belgische zijde voorgezeten door de procureur-generaal van Gent in zijn hoedanigheid van portefeuillehouder Internationale Samenwerking binnen het College van procureurs-generaal en door de gouverneur van Namen, vond op 19 juni plaats in Metz. Op de agenda stonden onder meer een terugkoppeling over een oefening waarmee het grensalarmplan voor de Belgisch-Franse grensstreek werd getest; de grensoverschrijdende samenwerking in de strijd tegen de drugscriminaliteit; de problematiek van grensoverschrijdende achtervolgingen; de strijd tegen irreguliere migratie en de grensoverschrijdende opvolging van contactverboden.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Ik weet niet of de diensten de koppeling maken tussen de ingediende vragen, maar de koppeling onder dit agendapunt vind ik opnieuw bijzonder. Grenscriminaliteit en transmigratie zijn toch niet helemaal hetzelfde.

Het is inderdaad een specifiek West-Vlaams probleem. Daarom wordt het ook aangebracht door twee West-Vlamingen.

Ik hoor u zeggen dat we de afgelopen vijf jaar eigenlijk op onwettige wijze hebben samengewerkt vanuit West-Vlaanderen met het Verenigd Koninkrijk en met Frankrijk.

Ik herhaal wat ik daarnet al heb gezegd: verandering moet een verbetering zijn. Van zowel de politieke actoren in West-Vlaanderen en in de betrokken zones als van de agenten op het terrein en van de civil servants die bij die problematiek betrokken zijn, hoor ik dat de verandering die deze zomer is ingezet gewoonweg een verslechtering is. Dat lijkt mij problematisch.

Ik hoop dan ook, wanneer de federale politie het wil overnemen, dat het een verbetering wordt en niet louter een aanpassing. Het mag niet worden zoals de gouverneur aangeeft, namelijk administratief zeer zwaar, niet efficiënt en zonder echte uitwisseling. Ik hoop alvast dat u ter zake de nodige actie onderneemt en dat u het antwoord van de federale politie grondig herbekijkt, want ik denk dat u met een kluitje in het riet wordt gestuurd. Het is uiteraard het recht van de politie om dat te doen, maar het is mijn plicht om u daarop te wijzen.

Maaike De Vreese:

Mijnheer de minister, ik wil toch nog even terugkomen op de transmigratieproblematiek. Onder de Zweedse regering hebben we dat met alle diensten samen aangepakt, zowel met de gouverneur als met de West-Vlaamse en de federale diensten. Dat gebeurde op aansturing van de federale diensten, die de coördinatie voor hun rekening namen omdat de problematiek zich immers niet tot een provincie beperkt. Vaak zijn er bijvoorbeeld ook mensen in het Brusselse actief. Dat wordt ook gelinkt aan andere vormen van criminaliteit. Om al die redenen wil ik u vragen om dat heel nauwgezet op te volgen. Zeker nu het Verenigd Koninkrijk aankondigt veel strenger te zullen zijn op het vlak van asiel en migratie, moeten u en minister Van Bossuyt monitoren welke impact dat heeft. Wat betreft de aanpak van grenscriminaliteit en wat er daaromtrent verder op het programma staat, ik hoor dat u bepaalde stappen aan het zetten bent. De mensen zijn echter ongeduldig en willen het Akkoord van Doornik III zien doorgaan, wat ik begrijp. Zij willen daarmee aan de slag gaan. Er moet inderdaad verandering komen en die mensen moeten bevoegdheden krijgen, bijvoorbeeld inzake het staande houden, natuurlijk mits goede afspraken met uw nieuwe Franse ambtsgenoot. De moeilijkheid is wel dat de ministers van Binnenlandse Zaken in Frankrijk en in het Verenigd Koninkrijk elkaar daar heel snel opeenvolgen. We hebben in België momenteel meer stabiliteit. Laten we dat ook zo houden. Mijnheer de minister, ik wens u heel veel succes.

Bijklussende agenten
De nevenactiviteiten bij de politie en de integriteitsrisico’s
Nevenactiviteiten door personeelsleden van onze politiediensten
Nevenactiviteiten en integriteitsrisico's bij politiepersoneel

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 19 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de aanscherping van regels voor nevenactiviteiten van politieagenten, na kritiek van GRECO op ontoereikende Belgische controles en signalen van belangenconflicten, beschikbaarheidsproblemen en integriteitsrisico’s. Minister Quintin kondigt een herziene omzendbrief aan (finale bespreking eerste trimester 2026), met centrale registratie van bijjobs en strengere toetsing, maar geen uitbreiding van verboden beroepen—focus ligt op transparantie en evenwicht tussen individuele vrijheid en operationele integriteit. Kernpunten van spanning: Vandemaele hamert op misbruik door topkaders (kennisverkoop aan politie zelf) en eist gelijke regels voor alle rangen, terwijl De Vreese en Depoortere expertisevaloriserende nevenactiviteiten (bv. handboeken) verdedigen, mits primair plichtvervulling gegarandeerd blijft. Cijfergebrek en trage implementatie (pas 2026) blijven knelpunten.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, afgelopen zomer was er veel te doen over flexi-jobbende agenten. We hebben ook opmerkingen van GRECO ontvangen over bijklussende agenten. U hebt daarop aangegeven de regels te zullen aanscherpen.

Wanneer komen die aangescherpte regels? Met wie zult u daarover overleggen? Welke bijsturingen voorziet u? Hoe zorgen we ervoor dat die aanscherping niet alleen geldt voor de gewone agent in de straat?

Ik heb ook een schriftelijke vraag ingediend over de top van de politie die bijklust, bij uitgeverijen en politiescholen, soms ook binnen de werkuren. Als het gaat over bijklussende agenten, moeten we bijgevolg kijken naar politieambtenaren op alle niveaus, maar dat zult u wellicht in uw antwoord bevestigen.

Maaike De Vreese:

Mijnheer de minister, u hebt aangekondigd dat u binnenkort een nota voorlegt die de bestaande regels rond nevenactiviteiten voor agenten aanscherpt. U reageert daarmee op de bezorgdheid over de stijging van het aantal bijklussende agenten. Uit uw eigen cijfers blijkt dat momenteel bijna 650 agenten van de federale politie een bijbaan hebben. Slechts een twaalftal aanvragen wordt jaarlijks geweigerd. Die situatie staat in schril contrast met het verleden, toen bijklussen nog de uitzondering was.

GRECO, het Europese anticorruptieorgaan, waarschuwde al in 2020 dat de Belgische regels ontoereikend zijn. Het rapport vermeldt zelfs een vechtpartij tussen politieagenten omdat de verlenging van de diensturen de uitvoering van een nevenactiviteit in de weg stond. Dat kan zeker niet de bedoeling zijn. Recente cijfers tonen dat ziekteverzuim en afwezigheden de operationele capaciteit van de politie onder druk zetten. Tegelijk is het aantal nevenactiviteiten bij agenten toegenomen, met signalen dat bijjobs kunnen botsen met werktijden en beschikbaarheid, zoals ook door GRECO werd gesignaleerd.

In afwachting van uw aangekondigde nota en met het oog op transparante criteria en effectieve controle, wil ik u vragen wanneer de aangekondigde nota zal verschijnen. Wat zal er concreet worden aangescherpt?

Hoeveel lokale politieagenten klussen bij? Zijn er verschillen tussen de zones? Zijn er gevallen bekend waarbij nevenactiviteiten hebben geleid tot operationele problemen, beschikbaarheidsproblemen of integriteitsschendingen? Welke maatregelen worden dan genomen?

Is er een verband vastgesteld tussen het uitoefenen van nevenactiviteiten en absenteïsme of vermoeidheidsproblemen?

Hoe verhoudt uw nota zich tot de GRECO-aanbevelingen over transparante criteria, effectieve controle en periodieke integriteitsscreenings?

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, ik sluit mij volledig aan bij de vraag van mevrouw De Vreese, iets minder bij de vraag van de heer Vandemaele.

Mijnheer Vandemaele, u maakt er een amalgaam van en spreekt over politieagenten die vanuit hun expertise handboeken schrijven voor collega’s. Ik zie daar weinig graten in. Integendeel, ik vind dat een positieve zaak.

Mijnheer de minister, mijn vraag gaat specifiek over het aantal politieagenten dat een bij- of nevenjob heeft. Blijkbaar is dat een toenemende trend. U hebt inderdaad laten uitschijnen dat de regels zouden worden verstrengd. Het lijkt daarom logisch om vanuit beleidsoogpunt na te gaan waarom politieagenten moeten bijklussen. Ook dat aspect heeft namelijk te maken met de aantrekkelijkheid van het beroep. Ik ben verheugd dat u daaraan in december aandacht zult besteden. Naar mijn mening is het een uitwas. Blijkbaar zijn er politieagenten die het nodig vinden om een bijjob of nevenjob uit te voeren.

Wat bent u concreet van plan inzake de verstrenging van de regels?

Hoeveel federale en lokale politieagenten hebben momenteel een of meerdere nevenactiviteiten?

Welke mechanismen bestaan er momenteel om belangenconflicten te beheren? Hoe beoordeelt u die procedure en hoe wordt de opvolging georganiseerd?

Hoe verklaart u de evolutie van het aantal agenten dat een nevenactiviteit uitoefent? Acht u het wenselijk dat politieagenten nevenactiviteiten uitvoeren of moeten uitvoeren?

Bernard Quintin:

Dames en heren volksvertegenwoordigers, ik wil vooraf benadrukken dat het debat over cumul- en nevenactiviteiten veel ruimer is dan alleen de politie. Het gaat om een kwestie van governance, integriteit en transparantie die in tal van sectoren speelt, ook binnen de openbare besturen en het verenigingsleven, en volkomen terecht in de discussie over publieke mandaten zelf.

Dat debat moet op een serene manier kunnen worden gevoerd, zonder stigmatisering en met aandacht voor twee noodzakelijke uitgangspunten. Ten eerste, we moeten de integriteit en de beschikbaarheid van de openbare dienst waarborgen. Ten tweede, we moeten iedereen de mogelijkheid bieden om een nevenactiviteit uit te oefenen wanneer die de opdracht of de geloofwaardigheid van de dienst niet schaadt. In die geest van evenwicht en proportionaliteit werd de herziening van de regels inzake nevenactiviteiten binnen de geïntegreerde politie opgestart.

De bij artikel 134 van de Wet op de Geïntegreerde Politie voorziene regeling voor de nevenactiviteiten van personeelsleden van de politiediensten werden in 2018 aangepast van een absolute verbod, tenzij toestemming, naar het principe van toestemming, tenzij verboden. Die wettelijke regeling werd nadien geëxpliciteerd in een ministeriële omzendbrief. Die omzendbrief is, mede in het licht van de aanbevelingen van GRECO, de Group of States against Corruption, aan herziening toe.

Daarvoor werd een paritaire technische werkgroep opgericht waarin een eerste ontwerp werd besproken voor de personeelsleden van het operationeel kader. Dat ontwerp is geagendeerd voor de finale bespreking in het eerste trimester van 2026. Nadien volgt een aangepaste omzendbrief voor de personeelsleden van het administratief en logistiek kader.

In het voorontwerp van omzendbrief wordt expliciet voorzien in een unieke registratie in de bestaande HR-systemen, waardoor statistieken die vandaag niet centraal beschikbaar zijn, in de toekomst wel kunnen worden gefaciliteerd. De huidige versnippering van informatie, onder meer door het ontbreken van één enkel registratiesysteem, laat vandaag geen nauwkeurige monitoring of risicoanalyse toe. Ik kan dus niet op de specifieke vragen over cijfers antwoorden.

Met de uniforme registratie creëren we voor het eerst een betrouwbaar databeeld, dat noodzakelijk is om trends te volgen, beleidskeuzes te onderbouwen en eventuele knelpunten tijdig te detecteren.

Er zijn geen officiële gegevens beschikbaar met betrekking tot nevenactiviteiten die geleid zou hebben tot operationele problemen, beschikbaarheidsproblemen of integriteitsschendingen. Een eventueel verband tussen het uitvoeren van nevenactiviteiten en absenteïsme of vermoeidheidsproblemen werd nog niet bestudeerd.

De nieuwe regeling voorziet in een strikte registratie en opvolging. De criteria voor het al dan niet weigeren van de aangevraagde nevenactiviteit worden geëxpliciteerd, waardoor beslissingen worden geobjectiveerd.

Het is niet de bedoeling om de lijst van beroepen die als onverenigbaar met de politiefunctie worden beschouwd uit te breiden. De algemene verbodsbepalingen, naast deze die reeds expliciet in de bijzondere wetgeving werden opgenomen, laten voldoende mogelijkheden om een juist evenwicht te vinden tussen de risico's voor de organisatie en het individueel recht op arbeid in de privésfeer.

Matti Vandemaele:

Ik dank u voor het antwoord, mijnheer de minister. U zegt te beginnen met het operationeel kader en daarna uit te breiden naar het logistiek en administratief personeel. Voor mij is het belangrijk dat het gaat over iedereen die in onze politieorganisatie actief is, in een lokaal korps, bij de federale politie, als CALog of als agent. Het kader moet duidelijk zijn voor iedereen. Als de regeling alleen beperkt wordt tot de agenten in de straat, zullen er vodden van komen.

U zegt dat u geen weet of geen info hebt over de operationele problemen. U gaat vaak op het terrein. Als u op het terrein komt, wordt u daar normaal gezien vrij snel over aangesproken. Ik kan mij niet inbeelden dat u niet op de hoogte zou zijn van bepaalde uitwassen die vandaag bestaan.

Mijnheer Depoortere, ik heb geen probleem met het feit dat de kennis die binnen de politie wordt opgebouwd, ingezet wordt bij de politie. Uiteraard niet, het zou te gek voor woorden zijn dat ik daar tegen ben. Het gaat er mij om dat een aantal topmensen bij onze politie de kennis die ze opdoen binnen hun uren, op kosten van de belastingbetaler, vermarkten aan externen – daar kan ik nog enigszins mee leven – maar ook aan de politie zelf. Dat laatste vind ik bijzonder lastig. Zeker in tijden van krapte moeten we ervoor zorgen dat ons belastinggeld niet op die manier wordt misbruikt. Ik zal de vinger op die wonde blijven leggen. Ik kijk dan ook hoopvol uit naar het antwoord dat de minister mij daarover binnenkort zal bezorgen.

Maaike De Vreese:

Wanneer men een boek schrijft, spendeert men daar heel veel uren vrije tijd aan. Ik moet zeggen, als men dan bekijkt wat men daarvan overhoudt – ik spreek trouwens uit ervaring – moet men concluderen dat men dat niet moet doen om het grote geld te verdienen. Ik vind het dan ook schandelijk om die mensen op die wijze aan de schandpaal te nagelen, collega Vandemaele.

Ik ben eerlijk gezegd blij dat er mensen zijn die net een extra inspanning leveren ten dienste van of ten gunste van de federale politie of van de politiediensten, die hun kennis op papier zetten en daar heel wat tijd in steken en verder onderzoek en research doen. Als zij na hun werkuren misschien nog een klein beetje aan die inspanning kunnen verdienen, dan mag dat toch wel?

Mijnheer de minister, ik denk dat er een mooi evenwicht moet worden gevonden. Mensen die bij de politie werken, moeten namelijk hun job op de eerste plaats stellen. Het mag inderdaad niet ten koste gaan van bepaalde diensten die zij moeten uitvoeren. Er mogen absoluut duidelijke regels worden opgemaakt. De integriteit en de beschikbaarheid mogen ook niet in het gedrang komen. Dat is eveneens zeer belangrijk.

Ik zie ook bij andere overheidsdiensten dat zij op dezelfde manier zulke denkoefeningen moeten maken. Dat hoeft geen negatieve oefening te zijn, maar wel een correcte oefening ten aanzien van collega’s die bijvoorbeeld niet flexi-jobben. Ik ben benieuwd naar de nota waarmee u binnenkort komt.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, eerst en vooral begrijp ik dat er een evenwicht moet worden gevonden en behouden tussen de integriteit van het ambt, die bijzonder belangrijk is voor de politie, en de nevenactiviteiten die moeten kunnen plaatsvinden. Dat evenwicht moet dus worden bewaard. Ik begrijp dat u wacht op de Europese werkgroep die daarover een nieuw rapport zal opstellen in 2026. Het verbaast me daarentegen ten zeerste dat men geen enkel gegeven heeft bijgehouden over de afgelopen jaren. Men weet zelfs niet of er een invloed is op de operationele capaciteiten, op burn-outs, op thuiswerk enzovoort. Dat is onvoorstelbaar in deze tijden, waarin bijna iedere burger door big brother in de gaten wordt gehouden. Dat blijkt bij de politie absoluut niet te bestaan. Ik ben verheugd en kijk alleszins uit naar de nieuwe registratie die men uniform wil maken. Ik hoop dat dat niet op de lange baan wordt geschoven. Ik distantieer me nogmaals van het discours van de heer Vandemaele. Links wijst graag met een belerend vingertje naar iedereen. Men moet de expertise van politieambtenaren gebruiken. Ik ben zeer blij dat dat ook gebeurt. Laat men dat maar blijven doen, net zoals een professor die tewerk is gesteld aan een universiteit zijn of haar expertise gebruikt en daar boeken over schrijft die soms veel meer in de markt worden gezet, mijnheer Vandemaele, dan sommige politieambtenaren, die daar veel werk in steken, maar er meestal niet te veel geld aan overhouden.

Israëlische leveranciers van software bij de politie

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 19 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Volksvertegenwoordiger Matti Vandemaele dringt aan op transparantie over het gebruik van Israëlische software door de federale politie en politie Antwerpen, benadrukkend dat parlementair toezicht essentieel is om wettelijkheid te garanderen, maar aanvaardt vertrouwelijke inzage achter gesloten deuren. Minister Bernard Quintin bevestigt dat openbaarmaking operationele risico’s met zich meebrengt, maar belooft een beveiligde, vertrouwelijke oplossing (bv. besloten raadpleging) om toezicht en veiligheid te verzoenen. Beide partijen vinden elkaar in de noodzaak van gecontroleerde transparantie zonder publiekelijke blootstelling van gevoelige gegevens. De minister toont zich coöperatief om praktische afspraken te maken.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de voorzitter, uw collega mevrouw De Vreese heeft u enige tijd geleden vervangen en heeft toen het persoonlijk feit in de commissie geïntroduceerd. Ik gaf aan dat dat helemaal niet bestond, maar het secretariaat heeft toen aangegeven dat het wel bestond. Ik zal er uiteraard niet over doorzeuren, maar ik ben blij dat we terugkeren naar de oude gebruiken, mevrouw De Vreese. Ik denk dat het ook beter is dat we dat niet doen.

Over mijn vraag, mijnheer de minister. Ik heb reeds meerdere malen schriftelijke vragen gesteld over Israëlische software die werd of wordt gebruikt bij de federale politie en bij de politie Antwerpen. Ik begrijp dat u die informatie niet publiek wilt delen, ik heb daar alle begrip voor. Als federaal volksvertegenwoordiger is het echter mijn taak om controle uit te oefenen op de regering en op de uitvoering van uw bevoegdheden. Daarom zou ik die informatie graag ontvangen. Ik zoek naar een legale manier om te achterhalen welke software van Israëlische makelij onze veiligheidsdiensten gebruiken, specifiek in Antwerpen. Als u die info niet publiek wilt vrijgeven, kan dat voor mij achter gesloten deuren. Het kan bijvoorbeeld in een document dat wij mogen raadplegen, met iemand aanwezig om te controleren dat wij niets kopiëren. Dat is voor mij acceptabel. Het is belangrijk dat wij als volksvertegenwoordigers weten welke technologie wordt gebruikt door onze veiligheidsdiensten en of die in lijn is met de geldende wetgeving. Mijn vraag vloeit voort uit het feit dat ik daaraan twijfel. Ik hoor immers dat sommigen beweren dat er geen problemen zijn, maar enkel horen is voor mij onvoldoende. Ik wil dat op een correcte manier controleren, zodat bijsturing mogelijk is indien nodig.

Mijn vraag is dan ook heel eenvoudig, mijnheer de minister. Bent u bereid ons te helpen, zodat wij als parlementsleden die informatie, achter gesloten deuren of bij raadpleging, op een of andere manier kunnen verkrijgen om ons werk correct uit te voeren?

Bernard Quintin:

Mijnheer Vandemaele, ik begrijp uw bezorgdheid over transparantie en het democratisch toezicht op de technologieën die door onze politiediensten worden gebruikt. Die vragen zijn terecht en belangrijk in een democratische rechtsstaat. De politiediensten beroepen zich echter op operationele en tactische redenen om niet alle gedetailleerde informatie over de gebruikte technologieën en leveranciers publiekelijk bekend te maken. Het openbaar maken van dergelijke gegevens in het kader van parlementaire vragen, die publiek toegankelijk zijn en dat moeten blijven, kan gevoelige informatie blootstellen aan kwaadwillige actoren, waaronder criminele organisaties. Dat zou de doeltreffendheid van onderzoeken en de veiligheid van onze agenten in gevaar kunnen brengen.

Dat neemt niet weg dat ik uw standpunt over parlementaire controle deel. Ik ben daarom bereid te onderzoeken hoe die informatie op een vertrouwelijke manier beschikbaar kan worden gesteld, bijvoorbeeld via een besloten inzage of een beveiligde consultatie voor parlementsleden. Op die manier kan transparantie worden verzoend met de bescherming van operationele belangen.

Ik blijf beschikbaar om samen met u de praktische modaliteiten van die inzage te bespreken.

Matti Vandemaele:

U bent met dat antwoord nog een beetje meer mijn favoriete minister geworden.

De strijd tegen de drugshandel
Het Lemmensplein in Anderlecht, de drugsbendes en het straatgeweld
De bedreiging van magistraten en hun bescherming tegen het drugsmilieu
De war on drugs
De federale reserve en het drugsgeweld in Brussel
De war on drugs in de Antwerpse haven
De inzet van het leger in de strijd tegen het geweld
De strijd tegen de door drugshandel veroorzaakte onveiligheid
De crisis bij de versterkingsreserve van de federale politie in Brussel-Zuid
Drugsgerelateerd geweld en criminaliteit in België

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 19 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de escalerende dreiging van georganiseerde drugscriminaliteit en narcoterrorisme in België, met name in Brussel en Antwerpen, waar sprake is van corruptie, geweld en een dreigende "narco-staat". Parlementsleden kritiseren het gebrek aan middelen, coördinatie en concrete actie ondanks beloftes zoals het *Plan Grandes Villes*, een *taskforce* en een drugsfonds (nog in opbouw), terwijl magistraten en politieagenten bedreigd, onderbemand en gedemotiveerd zijn door onvoldoende operationele steun (bv. gebrek aan toegang tot FOCUS, slechte patrouille-afspraken). Minister Quintin benadrukt versterkte politie-inzet (gemengde patrouilles met defensie tegen eind 2025), technologische investeringen (cameranetwerk, ANPR, MonFin) en internationale samenwerking (MAOC, Panama), maar erkent dat structurele oplossingen (zoals conteneurscans in Antwerpen, waar 96% van de cocaïne binnenkomt) vertraging oplopen door budgettaire en logistieke knelpunten. Kritiek blijft op de traagheid, gebrek aan transparantie en de nood aan een integrale aanpak (preventie, repressie, gezondheidszorg) om het vertrouwen in de overheid te herstellen.

Éric Thiébaut:

Monsieur le ministre, à de très nombreuses reprises, je vous ai interrogés, vous et votre prédécesseuse, face à un mal qui ronge tout notre pays: le narcotrafic et ses conséquences sur notre État de droit et notre société. Je vous ai notamment interpellés sur les besoins de renforts urgents à la police judiciaire de Charleroi et, plus globalement, à la police fédérale, où l'on compte par milliers le manque d'enquêteurs.

"Nous sommes confrontés à une menace organisée qui sape nos institutions" a dernièrement écrit une juge d'instruction anversoise, dans une lettre publiée, anonymement, sur le site des cours et tribunaux de Belgique. Elle dénonce la montée en puissance des narcotrafiquants, en particulier à Anvers. La magistrate a, elle-même, déjà dû vivre quatre mois sous surveillance après avoir reçu des menaces de trafiquants de drogue. Pour cette juge d'instruction anversoise, les caractéristiques d'un narco-État sont désormais présentes chez nous: économie illégale, corruption et violence.

À l'heure où certains aimeraient pointer uniquement la capitale du doigt, l'État doit s'attaquer à cette évolution inquiétante de la criminalité organisée à l'échelle nationale, en renforçant réellement la police fédérale et la justice, mais aussi la santé publique. Le budget de l'Arizona ne le permet cependant pas. Pas encore, en tout cas.

Monsieur le ministre, avec votre collègue chargée de la Justice, comment réagissez-vous à cette lettre ouverte? Quelles actions concrètes comptez-vous prendre pour renforcer les appareils policiers et judiciaires dans notre pays? Que prévoyez-vous face aux risques liés à la corruption?

Le budget 2026 de l'Arizona patine. Qu'avez-vous demandé comme budget pour renforcer votre SPF dans ce cadre? Qu'en est-il d'un fonds "CrimOrg", proposé via une proposition de loi par mon groupe depuis des années?

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, wij moeten niet enkel in Brussel, maar ook op andere plaatsen strijd tegen drugs voeren. Vandaar mijn drie vragen.

Ten eerste, drugsbendes zijn de baas op het Alphonse Lemmensplein in Anderlecht, een plein dat u wellicht niet onbekend is, met straatgeweld tot gevolg. Controles door bijvoorbeeld Parking.Brussels blijven achterwege wegens intimidatie en agressie. Er is sprake van structurele drugshandel, vernieling van infrastructuur en gerichte sabotage van de verlichting. Kortom, het is een place not to be . Daarom moeten wij daar iets tegenover durven te stellen. Het mag geen zone worden zonder wetten of regels. Dat wordt ook bevestigd door uw partijgenote en schepen in Anderlecht. Hebt u kennis kunnen nemen van de schrijnende onveiligheidsproblematiek?

Welke bijkomende maatregelen kunt u nemen om het Alphonse Lemmensplein en de rest van de gemeente te stabiliseren? Kan een hotspotplan worden opgelegd in samenwerking met andere diensten en overheden? Werden er reeds afspraken gemaakt met de politie en het parket met het oog op een lik-op-stukbeleid?

Er zou sprake zijn van een structurele onderbezetting bij interventie en recherche ter plaatse. Kan ter zake soelaas worden geboden door detacheringen of bijkomende budgetten? Hoelang duurt het nog – dit is een politieke vraag – vooraleer er een eengemaakte politiezone in Brussel komt? Ik weet dat u daarmee bezig bent, maar het is mij niet altijd duidelijk hoe snel we die eengemaakte zone mogen verwachten.

Ten tweede – deze vragen sluiten daarop aan –, magistraten worden alsmaar vaker door georganiseerde criminelen bedreigd; zij moeten onderduiken, krijgen politiebescherming en moeten soms vanuit safehouses hun werk doen. De Antwerpse magistratuur trok reeds in een open brief aan de alarmbel en vroeg om snel uitvoerbare maatregelen.

Het kan uiteraard niet de bedoeling zijn dat magistraten in angst hun werk moeten doen of daar zelfs niet toe komen. Kunt u een vast operationeel aanspreekpunt bij de FOD Binnenlandse Zaken of de federale politie voor bedreigingen van magistraten oprichten?

Hoe verloopt een en ander, indien een magistraat zich bedreigd voelt? Bij wie moet hij aankloppen? Kan hij daar op een adequate en snelle manier geholpen worden?

Het is wellicht ook nuttig om te weten of het een wijdverbreid fenomeen is. Met andere woorden, waren de voorbije jaren wel meer magistraten het slachtoffer dan wel of het een recent verschijnsel is? Mijn buikgevoel zegt dat de bedreigingen alleen maar toenemen, maar ik beschik niet over concrete cijfers.

Hoe wordt informatie bij het OCAD, de politie en het parket gedeeld om de georganiseerde drugscriminaliteit en het narcoterrorisme gezamenlijk aan te pakken?

Ik heb, ten slotte, nog een politiek geïnspireerde vraag. Hoe staat het nu met het plan om het leger in te zetten in de strijd tegen georganiseerde criminaliteit? Minister Francken kondigde aan dat hij tegen april 2026 een wettelijke regeling zou uitwerken om militairen in de straten van Brussel en op andere hotspots in ons land in te zetten. Volgens de heer Vandemaele zou minister Francken naar eigen zeggen vandaag dat al voor het einde van het jaar in orde willen brengen. Hoe moeten we die inzet van militairen zien? Worden er gemengde patrouilles ingezet? Of blijft het bij afzonderlijke bevoegdheden waarbij de militairen statische bewakingsopdrachten krijgen, zodat er meer capaciteit vrijkomt voor politieagenten? Voor mij is dat allemaal niet meer duidelijk.

Als het politiek voor de parlementsleden al niet duidelijk is, hoe kan het dan duidelijk zijn op het terrein, voor onze politieagenten en onze burgers? Het is van het grootste belang dat wij als beleidsmakers, mijnheer de minister, duidelijkheid scheppen. Ik verwacht dan ook een helder antwoord daarop vandaag.

Ridouane Chahid:

Monsieur le ministre, depuis quelques mois, nous sommes plusieurs à vous interroger sur la question du trafic de drogue, ce cancer qui se propage dans nos quartiers, dans les grandes villes de Belgique. Depuis des mois, nous vous posons des questions quant aux moyens nécessaires à allouer aux services de police pour démanteler les réseaux. Si je vous interroge aujourd'hui, c'est parce que, jour après jour, les étapes sont franchies. On va encore un peu plus loin.

J'ai rédigé ma question lorsque j'ai vu – comme moi, vous l'avez vu –ce qui s'est passé à Anderlecht et lorsque j'ai vu, ce qui fait froid dans le dos, un enfant de 11 ans blessé par des tirs. Imaginons un seul instant que cet enfant ait été le nôtre! Je sais que, comme à moi, cette problématique vous tient à cœur, mais je sais aussi que, pour pouvoir résoudre le problème et trouver une solution, il faut des moyens. Il faut donner des capacités à nos services de police pour qu'ils puissent réagir.

Vous savez, comme moi, ce qui se passe aujourd'hui en Europe et en France car vous suivez l'actualité, et notamment à Marseille, où ces trafiquants et criminels sont maintenant arrivés à des méthodes d'intimidation où ils tuent les proches de militants qui combattent le trafic de drogue dans les quartiers. Vous avez suivi, comme moi, la mort de Mehdi, un innocent, dont le frère était un militant contre les trafiquants de drogue et qui cherchait une solution. Eh bien pour l'intimider, on a tué son frère.

Monsieur le ministre, en février dernier, j'avais interpellé le premier ministre avec deux questions: premièrement, qu'en est-il d'une task force pour réunir l'ensemble des forces vives de notre pays et trouver une solution pour éradiquer ce problème? Et deuxièmement, quand un Conseil des ministres européens se réunira-t-il sur la question pour s'exprimer d'une seule voix contre ces criminels et ne plus leur laisser de place dans nos quartiers?

Matti Vandemaele:

Ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

Op 12/11/2025 verscheen opnieuw een opmerkelijk artikel in de krant met getuigenissen van de agenten van de federale reserve die nu ingezet worden rond Brussel Zuid om mee te helpen met de bestrijding van de drugscriminaliteit. De kritieken die zij uiten zijn bijzonder stevig. Daarom volgende vragen:

Net zoals de kritiek die er is gekomen vanuit de agenten die het waterkanon bedienen nemen ook deze agenten hun toevlucht tot de pers. We horen dat deze agenten hun grieven altijd eerst herhaaldelijk intern hebben geuit maar niet gehoord worden. De vraag is dan ook: wat loopt er mank in de interne organisaties dat de betrokken agenten niet gehoord worden en geen andere uitweg zien dan verklaringen afleggen in de pers?

Klopt het dat er binnen de federale reserve zeer veel afwezigheid door ziekte is en dat er bij momenten tot 40 agenten in deze groep ziek zijn door afwezigheid? Wat is er gebeurd met deze vaststellingen?

De agenten geven aan dat ze de opdracht krijgen maar dat ze geen controles mogen/moeten uitvoeren, enkel patrouilleren. Ze worden uitgelachen door de dealers ter plekke, geven ze aan. Welke orders hebben deze agenten gekregen? Klopt het dat ze gevraagd werden om geen actie te nemen want dat men nu al niet meer kan volgen met PV's en verdere afhandeling?

De betrokken agenten geven ook aan dat de lokale politie sinds hun aanwezigheid verdwenen is en 'rustig zit te wachten op hun bureau tot er een incident is'. Klopt dat? Zijn er nu meer agenten of zijn de lokale agenten gewoon elders aan het werk?

De agenten verklaren dat ze zonder duidelijke briefing de straat worden opgestuurd en dat ze vanuit de zone Brussel Zuid ook geen toegang krijgen tot FOCUS, waar ze alle relevante informatie zouden kunnen vinden. Kloppen deze beweringen? En als de agenten geen toegang hebben tot FOCUS, waar halen ze de zelfde informatie dan wel?

De agenten van de Federale reserve stellen voor om met gemengde teams te werken. De agenten van de Federale reserve kunnen dan de lokale agenten beschermen tijdens hun interventies. Hoe kijkt u naar dat idee?

François De Smet:

Monsieur le ministre, en ce qui concerne le narcotrafic, je ne vous cache pas que je suis, comme certains de mes collègues, de plus en plus inquiet. En effet, pendant que les fusillades se succèdent, que notre procureur du Roi est menacé de mort, ou que la France a, en plus de son parquet national financier, décidé de se doter prochainement d'un parquet national anticriminalité organisée pour faire face à cette menace, j'ai parfois l'impression qu'une partie de nos politiques sous-estiment cette menace et tentent de cantonner cette question à des quartiers – tels que le Peterbos, Clemenceau, ou ailleurs – ou à des sujets comme la fusion des zones de police, et qu'ils ne perçoivent pas toujours la gravité de la menace.

J'avais envie de vous interroger sur un aspect précis, que je voulais vous soumettre déjà la semaine dernière, et auquel votre collègue Clarinval a répondu en séance plénière, à savoir cette déclaration du procureur général Frédéric Van Leeuw: "Lutter contre la criminalité organisée, c'est aussi toucher à la liberté d'entreprendre, parce qu'on va devoir faire plus de contrôles. Voyez le port d'Anvers, il n'y a que 0,5 % des conteneurs qui sont contrôlés, et on nous dit clairement que si on contrôle 15 % des conteneurs, Anvers va perdre des parts de marché. Si on veut vraiment lutter contre la criminalité organisée, il faudra aussi accepter de perdre des points de PIB".

J'avais pourtant espéré que le ministre Clarinval m'apporte une réponse liée à ses compétences en É conomie, mais il s'est contenté d'une réponse assez classique sur ce qui est déjà fait. Toutefois, je voudrais bien de votre part des engagements et des chiffres sur le scanning que nous pouvons attendre au port d'Anvers et le scanning réel aujourd'hui. Je voudrais dire et répéter que tant que la drogue passera dans les ports, nous aurons des tirs de kalachnikov à Bruxelles et ailleurs, avec, le cas échéant, des vies d'enfants qui seront menacées.

Quels sont les détails du Plan Grandes Villes? Où en est la task force ? Allez-vous vous concerter avec le ministre des Finances sur l'historique de scanning des conteneurs?

Enfin, ne pourrions-nous pas nous inspirer de la France, qui investit dans un nouveau parquet consacré à la lutte contre la grande criminalité? Je vous remercie.

Xavier Dubois:

Monsieur le ministre, je ne vais pas refaire l'inventaire des nombreux faits de violence qu'on a connus cet été, depuis plusieurs mois maintenant, à Bruxelles et ailleurs également. Les risques se multiplient, les incidents se multiplient encore. Mon collègue a évoqué un cas malheureux. Récemment, une école a été touchée par un impact de balle.

Monsieur le ministre, étant donné la situation, pourriez-vous faire un état des lieux de l'ensemble des mesures que vous avez déjà évoquées et annoncées à de nombreuses reprises lorsqu'on vous a interpellé, notamment en séance plénière également.

Et, de manière plus précise, mes questions portent sur la task force que vous avez décidé de mettre en place avec les compétences Justice, Finance, Santé et Intérieur, bien entendu. Quelle est la fréquence des réunions de cette task force ? Quels sont les objectifs, les moyens? Et surtout, quelles sont les actions concrètes qui en ressortent?

Quant au fonds drogue, des travaux budgétaires sont en cours. D'ici 35 jours au plus tard, nous aurons un budget pour notre pays et j'espère que, dans ce budget, il y aura les réponses à nos questions concernant le fonds drogue. Quelles seront les recettes qui y seront affectées? Comment seront-elles utilisées? Il est temps de pouvoir répondre à ces questions précises. Monsieur le ministre, que pouvez-vous nous dire actuellement des travaux budgétaires concernant ce fonds de manière spécifique?

Enfin, comme mes collègues l'ont évoqué, il faut clarifier la question des équipes mixtes avec l'armée. Cette idée se mettra-t-elle en œuvre? À partir de quand?

Rajae Maouane:

Monsieur le ministre, la presse a récemment relayé les témoignages de policiers fédéraux de la FERES, réserve fédérale d'intervention, envoyés en renfort depuis plus d’un an dans la zone Bruxelles Midi. Ils décrivent une situation alarmante et révélatrice d’un grave dysfonctionnement. Ces policiers expliquent qu’ils patrouillent la nuit à Anderlecht, Saint-Gilles et Forest sans briefing, sans consignes opérationnelles, sans accès à l’application FOCUS, pourtant indispensable pour évaluer la dangerosité des situations, et pratiquement sans communication avec les équipes locales, qui n’interviendraient qu’en cas d’incident majeur.

Ils affirment que leur présence est devenue "de la figuration", que la zone locale leur demande de limiter les contrôles faute de capacité de suivi, et que les trafiquants le savent parfaitement.

Aussi, la FERES est trop souvent en sous-effectif pour des shifts de nuit, car un peloton entier serait en maladie. Ils expliquent ne pas comprendre pourquoi aucune patrouille mixte locale-fédérale n’est mise en place.

Enfin, la FERES formule deux propositions : Interdire l’usage des trottinettes dans certains quartiers et à certaines heures, car elles seraient utilisées par les trafiquants pour fuir, ce qui empêche toute poursuite sécurisée ; et investir dans des caméras de surveillance réellement performantes, alors que la dernière fusillade sur la place Bethléem, avec 28 coups de feu tirés, n’a fourni que des images floues.

Monsieur le ministre, au regard de l’ensemble de ces éléments rapportés par les policiers de terrain, comment justifiez-vous que des renforts fédéraux soient maintenus dans un dispositif qui semble dépourvu d’efficacité et de coordination? Avez-vous connaissance du refus de la zone Bruxelles Midi d’organiser des patrouilles mixtes avec la FERES? Quelles mesures comptez-vous prendre pour garantir que les policiers fédéraux disposent d’un cadre de travail coordonné avec les équipes locales? Comment expliquez-vous que la police fédérale ne dispose pas d’un accès à l’application FOCUS alors qu’elle est engagée dans des missions de terrain critiques? Envisagez-vous d’examiner les propositions formulées par la FERES? Le gouvernement pourrait-il envisager de conditionner les renforts fédéraux à une obligation pour la zone locale de mener une action cohérente et transparente, afin d’éviter que l’État fédéral ne serve de façade alors que le travail opérationnel ne suit pas? Le gouvernement a-t-il évalué l’impact de cette situation sur la sécurité des citoyens?

Bernard Quintin:

Mesdames et messieurs les députés, je vous remercie pour vos questions concernant la lutte contre le trafic de drogue et la criminalité organisée.

Ces questions récurrentes – comme il se doit – touchent au cœur des défis sécuritaires auxquels notre pays est confronté et méritent une réponse approfondie et détaillée, ce qui revient à dire que je serai un peu long dans ma réponse.

La lutte contre le phénomène complexe que constitue la criminalité organisée liée à la drogue nécessite une approche holistique globale et innovante, avec l'implication de tous les acteurs de la prévention, du répressif, de l'accompagnement et des soins. C'est dans cette optique globale que les moyens supplémentaires octroyés en 2024 et 2025 pour la lutte contre la drogue ont permis de financer non seulement des projets visant à améliorer l'approche répressive, mais également des projets portés par la santé publique tels que, notamment, la mise en place d'équipes de crise mobiles réunissant les acteurs policiers et le monde médical.

Mes collègues des départements de la Justice, de la Santé publique et des Finances et moi-même continuons à travailler ensemble dans ce cadre. Le Commissariat national drogue compte d'ailleurs parmi ses membres des représentants des départements de l'Intérieur, de la Justice et des Finances. Un représentant du département de la Santé publique les rejoindra également très bientôt.

Comme prévu dans l'accord de gouvernement et dans ma note de politique générale 2025, j'ai lancé le plan Grandes Villes, qui constitue l'évolution du plan Canal. Ce plan fédéral, renforcé, doit garantir une lutte active contre la criminalité organisée, plus particulièrement à Bruxelles et Anvers, les deux villes les plus affectées, mais aussi dans les autres grandes villes du pays dans lesquelles la situation tend à se dégrader.

En raison de l'augmentation des incidents liés à la drogue à Bruxelles et à Anvers, un groupe de pilotage avec une task force sur la criminalité organisée a été créé par le premier ministre début avril 2025, sur ma proposition et dans le cadre d'une approche globale.

L'exécution du plan Grandes Villes est en cours. Vous comprendrez qu'il est encore un peu tôt pour en tirer un bilan exhaustif. Néanmoins, de nombreuses opérations ont déjà été organisées avec l'objectif d'accroître la présence policière sur le terrain.

Le plan Grandes Villes s'appuie sur la méthode Clear, Hold, Build , qui comprend trois phases menées en parallèle. Clear : occuper le terrain et reprendre le contrôle des rues, des places et des parcs. Une présence forte et visible des services de sécurité est au cœur de cette approche. Hold : les services de police renforcés sont complétés par d'autres partenaires de sécurité tels que les gardiens de la paix et les travailleurs sociaux. L'objectif est de permettre à la vie sociale et économique normale de reprendre son cours. Build : la police reprend ses activités normales et des efforts sont déployés pour renforcer la résilience afin de prévenir de nouveaux actes de violence et phénomènes criminels.

Il s'agit d'une politique visant à normaliser la vie dans le quartier par l'aménagement de l'espace public, la rénovation urbaine, le soutien aux initiatives citoyennes, etc.

We kunnen slechts succes boeken via een integrale en geïntegreerde aanpak. In het plan ligt, zoals meermaals aangegeven, de nadruk op onder meer preventie, partnerschap en samenwerking, bestuurlijke handhaving, gerechtelijke aanpak, de aanwending van technologische middelen, zichtbaarheid en verschillende soorten politieacties. Kortom, het betreft een heel scala aan maatregelen. De zichtbaarste zijn uiteraard repetitieve politieacties, groot en kleinere, waarbij de federale en lokale politie samenwerken. Het Lemmensplein is een zogenaamde hotspot en is het onderwerp van de geïntegreerde en methodologische aanpak.

In verband met de aanpak van de hotspots kan ik bevestigen drie soorten repetitieve acties zijn uitgevoerd sinds september en dat die ook volgend jaar plaats zullen blijven vinden. Het betreft repetitieve full integrated police actions , FIPA. Die acties hebben een grote omvang en werken volgens het klassieke FIPA-concept, wat de inzet van de volledige lokale en federale politie betekent.

Daarnaast zijn er repetitieve kleinere acties, volgens het concept van very irritating police , zowel op het eigen terrein van de federale politie, de verbindingswegen, als in samenwerking met de lokale politie op hun actieterrein. Zo blijven we druk opvoeren op het criminele milieu.

Bovendien zijn er geïntegreerde controleacties en acties van de arrondissementele inspectiecellen gericht op het aanpakken van de illegale economie, fraude en het malafide gebruik van vennootschappen in de grote steden, acties van onder andere het type flex of BELFI, gelet op de scharnierrol van de federale politie in de strijd tegen criminele organisaties en ondermijnende criminaliteit.

Ces actions sur le terrain sont également soutenues par des investissements technologiques majeurs qui permettent une meilleure efficacité opérationnelle.

À Bruxelles, la connexion de plus de 500 caméras ANPR à la plateforme nationale sera assurée avant la fin de cette année. Depuis cet été, les quelque 10 000 caméras de la SNCB sont accessibles aux forces de l'ordre, locales comme fédérales, permettant d'intervenir dans les gares avec une meilleure connaissance de la situation.

D'ici la fin de cette année 2025, tous les systèmes de traitement de la police locale (Police Search) seront interconnectés, permettant un échange d'informations en temps réel, ce qui n'est pas encore possible aujourd'hui. L'outil MonFin, développé par la PJF du Limbourg, offrira à l'ensemble de la police intégrée une capacité centralisée et proactive de détection des entreprises potentiellement frauduleuses.

Conformément à l'accord de gouvernement, la PJF de Bruxelles a été significativement renforcée ces derniers mois. Concrètement, entre janvier et septembre 2025, les effectifs opérationnels ont été augmentés de 46 collaborateurs. Il subsiste un déficit de 46 équivalents temps plein pour atteindre la norme fixée à 762 collaborateurs, mais 56 engagements supplémentaires sont déjà réalisés ou programmés entre octobre 2025 et début 2026. Une trentaine de détachements temporaires d'enquêteurs expérimentés provenant d'autres unités déconcentrées de la police judiciaire fédérale ont également été mis en place. Il faut évidemment tenir compte du départ naturel de certains membres du personnel, mais la tendance générale est clairement positive.

Parallèlement, la capacité de la PJF d'Anvers est également en cours de renforcement. Je n'en oublie pas pour autant les autres PJF, que ce soit Charleroi ou les autres arrondissements. Toutes les polices judiciaires doivent trouver à être renforcées dans un métier qui est particulier au sein de la police.

Nous devons attaquer les organisations criminelles au niveau de leur centre de gravité, à savoir l'argent, et réinvestir une partie de l'argent criminel dans la lutte contre la narco-criminalité et plus généralement le fléau de la drogue. Ce principe est une évidence pour l'ensemble des partenaires et autorités concernées.

À cette fin, comme je vous l'avais déjà annoncé, nous allons mettre en place un fonds drogue. Un projet de cadre juridique à cette fin est déjà en cours d'élaboration par le Commissariat national drogue. Ce fonds constitue un pilier essentiel du renforcement de la lutte contre les organisations criminelles.

Afin d'assurer son efficacité, il faut tout d'abord renforcer les points critiques de la chaine, de la détection à la saisie et confiscation. Ce travail est mené par mes collègues ministres des Finances et de la Justice sous la coordination de la Commissaire nationale aux drogues.

S'agissant de la question relative à la réserve fédérale d'intervention (FERES), ses renforts nocturnes vers la zone de police Bruxelles-Midi ont été décidés au moment où des incidents par armes à feu se produisaient quasiment chaque jour sur le territoire de la zone. Ils répondent donc à un besoin sécuritaire objectif.

Premièrement, loin d'être laissée en roue libre, cette mission fait l'objet d'une évaluation mensuelle structurée, présidée par le directeur-coordinateur de la police fédérale, en présence de tous les services concernés. Les difficultés soulevées par les membres de la FERES y sont systématiquement examinées. Lorsque c'est possible, des solutions sont apportées avec un feed-back à destination desdites équipes. J'admets toutefois que certains problèmes n'ont pas encore trouvé de solution définitive; ce qui justifie de poursuivre ce travail d'ajustement.

Deuxièmement, concernant les patrouilles mixtes et le refus allégué de la zone, il n'existe aucune interdiction d'organiser des patrouilles mixtes entre la FERES et les équipes locales. Au contraire, les équipes mixtes sont expressément mentionnées comme une option opérationnelle possible, à condition qu'elles restent compatibles avec la mission de base de la FERES: notamment, la capacité d'être redéployée pour des interventions urgentes. La manière concrète de déployer les équipes FERES relève de la responsabilité de la zone de police bénéficiaire. Si des réticences locales existent quant à certains modes opératoires, elles doivent être discutées et arbitrées lors des réunions d'évaluation et des contacts entre le directeur-coordinateur et le chef de corps concerné.

S'agissant du cadre de travail coordonné avec les équipes locales, je puis vous communiquer les informations suivantes. Afin de garantir un cadre de travail coordonné, les équipes FERES reçoivent systématiquement un briefing par l'officier responsable sur place. Elles disposent à présent d'appareils Focus qui leur donnent accès à l'application de briefing de la zone. Les modalités de contrôle et de verbalisation sont définies par le bénéficiaire du soutien, conformément à la pratique, afin d'assurer notamment un équilibre entre le travail de contrôle accompli par la FERES et la charge de travail générée pour la zone. Pour l'accès aux applications Focus ou Incident, contrairement à ce qui a été suggéré, les équipes FERES disposent bien des terminaux Focus et ont accès, via ceux-ci, à l'application de briefing de la zone. En revanche, ce qui n'était pas encore le cas jusqu'à présent, c'est l'accès à l'application Incident de la zone par les équipes FERES. La zone de police Midi s'était abstenue de livrer cet accès, mais il a été convenu que ce point serait réglé à court terme.

Quant à la prise en compte des propositions émises par la FERES, celles-ci sont chaque fois discutées dans le cadre de la réunion mensuelle d'évaluation que j'ai déjà mentionnée. Certaines ont déjà conduit à des adaptations concrètes, d'autres restent soumises à la discussion.

Par ailleurs, la direction a décidé de participer activement au projet "absentéisme" de la police fédérale, s'inscrivant ainsi dans une démarche de prévention des risques psychosociaux et d'amélioration du bien-être des équipes, notamment pour une unité fortement sollicitée comme la FERES.

Le rôle de la police fédérale n'est pas d'assurer à la place des communes la détection précoce de la criminalité locale ni de compenser des lacunes structurelles dans l'organisation du travail d'information. Le rôle de la police fédérale est d'apporter un soutien ciblé et proportionné lorsque la situation l'exige, pas de se substituer aux missions de base des zones. La dimension internationale de la lutte contre le narcotrafic est essentielle à ce titre. Plusieurs initiatives concrètes ont été mises en œuvre.

Concernant le MAOC, Maritime Analysis and Operations Centre, l'agent de liaison de la police fédérale est entré en fonction en son sein le 1 er octobre 2025, ce qui implique bien entendu une période d'adaptation. Je peux vous dire, pour avoir été au Portugal pour une mission il y a quelques jours, que cette période d'adaptation aura été très courte. Il est déjà très bien intégré et le MAOC est une structure qui fonctionne assez bien. C'est vraiment très intéressant.

La mission du MAOC porte sur l'ensemble des navires, à l'exception des porte-conteneurs, et, à la différence de notre carrefour d'informations maritimes (MIC), il intègre également une surveillance des mouvements de l'aviation légère. L'objectif est de pouvoir détecter, entre l'Amérique du Sud, l'Afrique et l'Europe, les navires ou avions à risque et de transmettre l'information à nos partenaires en Belgique et, le cas échéant, à des pays tiers. Ces informations permettent notamment à des navires de marines partenaires d'intervenir en haute mer et de prévenir le déplacement des flux vers l'Afrique de l'Ouest. Cet investissement représente un bon exemple de renforcement de la coopération internationale qui est nécessaire face à ce fléau.

Comme annoncé précédemment, j'ai également ouvert des postes d'officier de liaison de la police fédérale aux Émirats arabes unis et au Panama, qui est un point de départ connu du trafic de drogue venant d'Amérique latine.

La question de la protection des magistrats menacés est une priorité absolue. En Belgique, un protocole établi existe pour assurer la protection des magistrats qui font l'objet de menaces dans l'exercice de leurs fonctions.

Ik zal niet te veel in details treden.

Lorsqu'une menace est signalée, elle est analysée par l'Organe de coordination pour l'analyse de la menace (OCAM) et la police fédérale. Sur la base de cette évaluation, le Centre de crise national détermine les mesures de protection spécifiques adaptées à chaque situation.

De coördinatie in dat soort dossiers loopt goed. Samen met de minister van Justitie zal ik het kader over bedreigingen tegen ambtenaren, magistraten, journalisten of politici actualiseren en de mogelijke beschermingsmaatregelen aanscherpen.

Quant au recours à la Défense, la situation sécuritaire nécessite la prise de mesures supplémentaires en matière de surveillance et d'occupation du terrain. Comme prévu dans l'accord de gouvernement, le déploiement de la Défense se fait déjà par étapes pour la sécurisation des sites nucléaires et sera étendu à court terme aux sites sensibles tels que les ambassades.

En outre, le travail se poursuit à un rythme soutenu pour déployer les militaires en appui de la police à Bruxelles. Il s'agira dans un premier temps de patrouilles mixtes, qui permettront d'en doubler le nombre par un effet mathématique évident, tout en atteignant un autre objectif qui est celui du message politique clair. L'État est prêt à mettre en œuvre toute sa puissance contre le crime organisé et à assurer ainsi la sécurité de nos concitoyens. Mon objectif reste un premier déploiement avant la fin de l'année.

En pré-conclusion, la lutte contre la criminalité organisée et le narcotrafic demeure ma priorité absolue. Le plan stratégique de la police fédérale que j'ai récemment validé fait d'ailleurs de ces thèmes une priorité.

Le plan grandes villes que j'ai lancé représente une réponse globale, coordonnée et ambitieuse face à ce défi. Il s'appuie sur une approche multidisciplinaire impliquant tous les acteurs concernés. Je suis conscient que cette lutte nécessite de la persévérance, des moyens importants et une coordination sans faille. C'est précisément ce que nous mettons en œuvre au quotidien.

De taskforce is samengesteld uit drie ministers: de eerste minister, de minister van Justitie en ikzelf, als core . Andere ministers kunnen ook deelnemen.

Nous sommes occupés à peaufiner non seulement la méthode de travail, mais aussi tous les tableaux nécessaires pour avoir une bonne coordination entre les différents ministres du fédéral pour que toute la chaîne impliquée dans la lutte contre le crime organisé lié au trafic de drogue puisse trouver à se déployer convenablement et que chacun prenne ses responsabilités dans cette approche en chaîne.

J'ai coutume de dire que mon maillon est celui de l'ordre et de la tranquillité publique, tel que défini par la Constitution. Les maillons précédents sont ceux de l'organisation de la société: logement, emploi, santé publique, etc. Ensuite viennent les maillons de la justice qui doivent aussi trouver à être renforcés.

Concernant les conteneurs à Anvers, je serais le ministre de l'Intérieur le plus heureux si le seul point d'entrée de la drogue était cette ville. Je ne néglige pas ce point, car il est le point d'entrée principal, mais il me paraît limité de dire que c'est le seul. Il y a d'autres portes d'entrée, des aéroports, des routes. Nous sommes un pays qui a l'avantage d'être au cœur d'un continent, sans être au centre, un pays de passage.

On parle souvent du scanning des conteneurs. Je vous invite à poser la question au ministre des Finances, puisque le scanning dépend des douanes. Faut-il augmenter le scanning? Certainement. Je laisserai au procureur général la détermination du pourcentage, mais il faut toujours trouver, ici comme ailleurs, l'équilibre entre les différents intérêts. Vous pensez bien qu'en tant que ministre de la Sécurité de l'Intérieur, mon intérêt principal, c'est la sécurité et donc de faire en sorte qu'il n'y ait plus de drogue – dans un monde idéal – et certainement que le moins de drogues possible entrent via Anvers ou autres points d'entrée.

J'en profite pour dire, sur base d'expériences antérieures, que le scanning est une chose, mais qu'il est aussi très important de continuer à investir dans le screening, c'est-à-dire l'analyse, avant même que les conteneurs arrivent, afin de mieux cibler les contrôles.

Je terminerai par un feedback sur l'image que M. Chahid a utilisée, celle du cancer. C'est la bonne image. Pour combattre le cancer, surtout celui-là qui est déjà en phase de métastases, il faut s'attaquer bien sûr au cancer primaire mais aussi aux métastases. Il faut être prêt à utiliser toutes les méthodes thérapeutiques qui existent, comme on le fait dans la lutte contre le cancer, de la chirurgie à la chimiothérapie, à l'immunothérapie, etc. C'est pour cela que la task force est importante. Tout le monde doit être impliqué dans la lutte contre ce cancer.

Il faut vraiment que tout le monde se retrousse les manches, tant au fédéral que dans les entités fédérées, et tant les autorités publiques que le monde associatif. Croyez bien que je partage votre crainte qu'un jour une victime innocente soit touchée par ces fusillades, et je n'épargne pas une seconde de mon temps pour prendre toutes les mesures pour lutter de manière résolue dans ce qui est un combat difficile, que nous devons mener et dont nous devons accepter qu'il prenne encore du temps.

Éric Thiébaut:

Merci monsieur le ministre pour ces réponses très détaillées. Je me réjouis de l'annonce de la création d'un fonds drogue, que nous portions aussi depuis un certain temps. J'espère qu'il sera alimenté par les prises que l'on fait grâce aux résultats des enquêtes depuis des années, prises qui constituent des millions d'euros d'après ce que les magistrats nous avaient expliqué lors des auditions en commission Justice-Intérieur il y a quelques années.

Pour le reste, il est nécessaire d'avoir davantage de moyens pour faire face à cette crise et à ce risque de narco-État, dénoncé par une série de magistrats.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, dank voor uw omstandig antwoord. De strijd tegen drugs moet op alle fronten worden gevoerd. Ik zal uw antwoord nog eens nalezen.

Laat ik er wel enkele elementen uithalen, die mij zorgen baren. U stelt terecht dat de veiligheidsdiensten zichtbaarder moeten zijn in het straatbeeld en ik sta daar volledig achter. Tegelijkertijd verwijst u ook naar een cameranetwerk dat men over het hele land wil uitrollen. Daar ben ik dan weer een koele minnaar van. Ik pleit veel meer voor een doortastende, maar menselijke aanpak van onze veiligheidsdiensten en dat ontbreekt momenteel. Ik hoor u graag zeggen dat veiligheidsdiensten zichtbaar moeten zijn. Waarom worden die inspanningen niet volgehouden? Ik verwijs naar de razzia's van afgelopen zomer. Dergelijke acties moeten consistent worden uitgevoerd, anders is het slechts een doekje tegen het bloeden. De problematiek verschuift dan naar andere hotspots in onze hoofdstad. Het is nodig om wekelijks dergelijke razzia's te houden.

U sprak ook over de oprichting van een drugsfonds, waar ik volledig achter sta. Ook de nationale drugscommissaris vraagt daar al sinds de vorige legislatuur om en het duurt te lang, voor daar schot in de zaak komt. We hadden allang werk moeten maken van zo'n drugsfonds om het systeem van follow the money in de praktijk te brengen.

Op mijn vraag over de bedreiging van magistraten hebt u niet uitgebreid geantwoord. Dat hangt waarschijnlijk samen met de beveiligingstoestand en de opgelegde vertrouwelijkheid van politie- en beveiligingsdiensten daaromtrent. Uit uw antwoord leid ik wel af dat de beschermingsmaatregelen zullen worden aangescherpt, omdat het fenomeen aan kracht wint. Ik hoop vooral dat er geen slachtoffers vallen, vooraleer men hier de urgentie van inziet. Niet alleen magistraten verdienen bescherming, maar ook personen die andere openbare functies vervullen, zoals journalisten en advocaten.

Wat de inzet van het leger betreft, u maakt zich sterk dat het gaat om gemengde patrouilles. Heb ik dat correct begrepen, mijnheer de minister? Ik betwijfel, samen met heel wat politiemensen, of dat in de praktijk wel goed zal werken. Militairen genieten een andere opleiding dan onze politiemensen. Politiemensen staan in voor de openbare orde. Ik vind het wel een goede zaak, onze partij heeft dat ook altijd gesteund, dat militairen in het straatbeeld aanwezig zijn. Wij moeten inderdaad dat politiek signaal geven, om aan te geven dat het ons menens is. Naar aanleiding van de terrorismeaanslagen, jaren geleden, hebben we ook militairen door de straten laten patrouilleren. Dat had inderdaad een effect, want de criminaliteitscijfers zakten zienderogen. Ik hoop dat dat ook nu het effect zal zijn.

Om nu onmiddellijk dezelfde bevoegdheden van politieagenten ook aan militairen te geven, of omgekeerd, lijkt mij echter een moeilijke, praktische zaak, zeker om zo'n strategie op het terrein uit te rollen. Ik hoor nogal wat vragen rijzen over de coördinatie. Wie stuurt aan? Wie is leidinggevend? Is er een commandocentrum? Is het de lokale korpschef, die bepaalt hoe de gemengde patrouilles worden ingezet? Zo ja, waar worden die ingezet? Wat zijn de opdrachten van die gemengde patrouilles?

Terwijl we nog aan het wachten zijn op de eengemaakte politiezone in Brussel, zijn we precies al aan het lopen met de gemengde patrouilles. Ik heb daar misschien niet zoveel vertrouwen in als u. Ik hoor ook op het terrein, zeker in politiekringen, nog veel vragen daarrond. Ik hoop dat u daarin alleszins duidelijkheid kunt brengen.

Tot slot, ik hoor het u graag zeggen dat de taskforce duidelijk zijn, dat iedereen de mouwen moet opstropen en dat de strijd tegen drugs er eens is van iedereen. Dat is allemaal waar, mijnheer de minister, maar ik zie de taskforce in de praktijk niet. Ik zie geen concrete maatregelen. Het blijft wachten op resultaten. De drugsstrijd is terug van nooit weg geweest. Het wordt alleen maar erger in onze straten. Ik had gehoopt op een sense of urgency bij de taskforce. Ik had gehoopt dat de premier en u en andere ministers daar wel concretere maatregelen tegenover zouden zetten. Ik zie dat momenteel niet gebeuren. Ik hoop dat daarin alleszins verbetering komt.

Ridouane Chahid:

Monsieur le ministre, merci pour vos réponses. Elles sont beaucoup plus précises et concrètes que ce que j'ai pu avoir jeudi dernier en séance plénière. Je vous en remercie.

Je tiens aussi à saluer les réponses en matière de renforts pour la police judiciaire fédérale, et ce qui va arriver. On sent bien que vous êtes bien impliqué dans votre fonction et que ce combat vous tient à cœur tout comme à nous.

Puisque j'ai enfin la réponse sur la task force – sur la mise en place de laquelle je n'avais pas encore reçu d'éléments nouveaux – j'ose espérer que l'ensemble du gouvernement est maintenant sur la même longueur d'onde que vous, et que vos collègues vous appuieront dans vos demandes budgétaires pour ce combat, qui doit être le nôtre.

Comme j'ai déjà pu le dire dans cette commission, je pense vraiment que dans le combat contre les trafiquants de drogues, contre le narcotrafic, il n'y a pas de majorité ni d'opposition. C'est un combat commun que nous devons mener, quel que soit le niveau de pouvoir ou la place qu'on occupe, pour défendre notre démocratie, défendre la place de l'État en Belgique; un État fort, face à ces voyous qui sont avant tout là pour tuer nos enfants, point à la ligne. Il ne faut pas chercher midi à 14 heures. Je pense vraiment qu'il faut y mettre les moyens.

Je vous remercie pour les réponses apportées. Nous continuerons évidemment à suivre avec un grand intérêt l'évolution de la mise en œuvre des différentes mesures qui seront prises. J’espère des moyens importants dans le budget 2026. Merci.

François De Smet:

Merci, monsieur le ministre. Nous ne doutons pas de vos engagements, et je vous sais sincère. Merci pour vos réponses sur le renforcement des effectifs sur le terrain. Je n'ai pas d'inquiétudes avec ce gouvernement sur l'aspect "rue". Je sens votre ambition.

Je reste inquiet sur la recherche de l'argent. Vous avez décrit ce qui a été fait. Nous allons voir. Je suivrai cela avec attention.

Tout de même, vous avez parfois un certain discours de relativisation sur le port d'Anvers. Vous m'avez repris en disant: "Attention, toute la cocaïne n'entre pas à Anvers." Je voudrais relever juste un chiffre: en 2023, la douane belge a saisi 121 tonnes de cocaïne dans l'ensemble du pays. Sur ces 121 tonnes, 116 ont été saisies au port d'Anvers. Ce n'est "que" 96 %. C’est quand même… Je ne fais pas de fixette sur Anvers par plaisir, mais il n'y a pas photo, entre cette voie d'entrée – malheureusement – et le reste.

Alors, oui, on saisit de la drogue ailleurs. Par exemple, en 2024, on a saisi 120 kilos de drogue à l'aéroport de Zaventem dans des colis postaux.

On saisit quelques kilos d'un côté, des tonnes de l'autre. Voilà pourquoi j'interrogerai également M. Jambon, jusqu'à ce qu'un membre du gouvernement veuille bien me répondre sur le scan actuel, le pourcentage, le résultat que vous voulez atteindre et avec quels moyens. Néanmoins, je crains quelque peu que ce renvoi de balles ne soit pas toujours à la hauteur du combat, pour lequel nous avons en effet besoin d'une union non seulement de la majorité et de l'opposition, mais surtout de tous les départements régaliens en même temps.

Je vous le répète, et ce n'est pas moi qui avais pointé le problème mais bien le procureur général, Frédéric Van Leeuw: tant que le taux de détection restera aussi faible dans cette principale voie d'entrée, nous n'arrêterons pas les tirs et les fusillades à Bruxelles. Là est le nœud du problème.

Xavier Dubois:

Merci, monsieur le ministre, pour cette réponse très détaillée. J'entends que beaucoup de choses bougent, et c'est une bonne chose, même s'il reste énormément de travail à réaliser. Pour répondre à l'interpellation du collègue De Smet concernant la nécessité de garantir une coordination et une implication de tous les membres, je citerai cet objectif de task force , et je pense qu'il est vraiment primordial que tous les départements concernés s'inscrivent dans cette dynamique. J'entends ici que la méthodologie a été définie et finalisée, de sorte qu'il faut à présent se mettre au travail et garantir cette vision, cette coordination sur l'ensemble des thématiques concernées.

Sur le fonds Drogues, je me réjouis qu'un cadre légal ait été préparé. Il me semble assez urgent de le rendre opérationnel le plus rapidement possible, d'abord en raison des besoins, mais aussi en raison des enjeux budgétaires actuels. Je pense que le moment est idéal pour proposer ce texte dès que possible, afin que nous sachions quelles sont les recettes affectées, comment seront utilisés ces moyens et comment ils seront répartis. Fixer des règles peut paraître simple, mais en l'occurrence, il s'agit de règles complexes, qui doivent faire en sorte que le département soit le mieux alimenté possible.

Concernant les patrouilles mixtes avec la Défense, j'entends votre objectif de disposer d'une première patrouille d'ici la fin de l'année, et je m'en réjouis. Cela dit, que pourra-t-elle faire? C'est une autre question. Quelles seront ses compétences? Il y aura bien entendu des effets en matière de visibilité des uniformes dans la rue, c'est une chose, mais au-delà de cela, que feront ces patrouilles?

Enfin, j'ai une suggestion à vous faire, pour éviter que la même question soit posée à de multiples reprises. Il serait peut-être intéressant de disposer d'une sorte de tableau de bord de l'ensemble des actions et projets qui figurent dans l'accord du gouvernement, et que ce tableau puisse nous être transmis régulièrement. Cela nous permettrait d'assurer un suivi régulier et concret de l'ensemble des actions.

Pour le reste, je vous remercie et je vous souhaite une excellente soirée à Saint-Gilles.

Rajae Maouane:

Merci pour vos réponses, monsieur le ministre. Comme vous l'avez dit, le rôle de la police fédérale n'est pas de se substituer aux communes, mais justement de répondre aux lacunes qui sont parfois structurelles, et d'apporter un renforcement là où c'est nécessaire.

Malheureusement, on voit souvent l'inverse aujourd'hui. On voit que l'on déploie des forces fédérales pour combler des manques sans cadre stratégique réellement réfléchi, sans stratégie commune, sans cohérence opérationnelle et sans que cela ne change réellement la situation sur le terrain. C'est ce que nous rapportent les acteurs de terrain, les habitants et habitantes, ainsi que les associations présentes sur le terrain. C'est une approche qui a un impact direct sur la sécurité des citoyens.

Je crains que l'on n'entretienne l'illusion d'une action tout en laissant les habitants continuer à en subir les conséquences. Ce que veulent les habitants et habitantes – et c'est légitime – c'est être en sécurité chez eux.

On voit aussi que des dysfonctionnements de cette nature minent la crédibilité de l'action publique. J'attends des forces de l'ordre qu'elles soient exemplaires mais il faut aussi que les autorités le soient. Il faut une action coordonnée et réfléchie, sous peine d'accumuler les frustrations tant chez les habitants que chez les policiers, ce dont rien de bon ne pourrait ressortir.

J'insiste vraiment sur le fait que, pour nous en tant qu'écologistes c'est précisément cela le plus important: garantir la sécurité des habitants et des citoyens et citoyennes et garantir aussi l'efficacité et la cohérence de l'action publique. C'est là une condition indispensable à nos yeux: restaurer la confiance entre les citoyens et les forces de l'ordre, agir dans le respect des droits et protéger la population à ce niveau-là.

Bernard Quintin:

Je vous remercie, parce qu'il s'agit d'un débat important. Je voudrais apporter quelques précisions. Je ne reviendrai pas sur Anvers – les chiffres sont là et l'on contrôle peut-être moins ailleurs. Je ne peux pas vous dire que, demain, l'aéroport de Liège concurrencera le port d'Anvers dans ce triste palmarès. Je ne me débine pas, je veux bien répondre pour la douane mais la douane n'est pas encore sous mon autorité. J'espère du reste qu'elle ne le sera pas parce que mes nuits sont déjà suffisamment courtes.

Permettez-moi un clin d'œil: j'avais noté "TF" au bout de mon papier, et j'ai repris sur la task force mais en fait je voulais parler du "tribunal financier". Je sais que c'était l'idée d'un de vos coreligionnaires, qui a de nombreuses idées qu'il n'a pas mises en œuvre quand il était à la manœuvre. Le tribunal financier français a été mis en œuvre parce qu'il n'avait pas, justement, toutes ces capacités d'enquête financière que nous avons déjà dans notre propre système.

C'est toujours une bonne chose de s'inspirer de ce qui se fait ailleurs. Je rappelle que j'ai été diplomate pendant 25 ans. Mais il faut aussi porter notre modèle quand il fonctionne bien. Nous devons renforcer ce que nous avons, plutôt que de venir chaque fois avec de nouvelles choses. Je suis bien d'accord avec vous, monsieur De Smet, quant au fait qu'il faut renforcer nos capacités. C'est l'intérêt du Commissariat national drogue, de Follow the value et de tout ce que nous mettons en œuvre.

Concernant les patrouilles mixtes – dommage que M. Dubois soit parti –, si l'on revenait sur l'économie budgétaire de 30 % sur les cabinets, je pourrais engager trois ou quatre personnes pour faire tous les tableaux qu'on me demande chaque jour, comme si j'avais besoin de tableaux pour accomplir mon travail.

Il y a beaucoup de choses à faire et, je suis d'accord avec vous, madame Maouane, c'est une question d'efficacité. Je n'habite pas à Anderlecht ou à Molenbeek, mais je n'habite pas loin et j'y vais souvent. Je n'ai qu'un seul intérêt, avec les collègues de mon cabinet et du gouvernement et la police tant locale que fédérale, c'est d'assurer la sécurité de nos concitoyens. Je pense que personne n'a de doute à ce sujet.

Il faut trouver les bonnes méthodes. Je suis de ceux qui pensent que, pour que ça marche, il faut qu'on prenne le temps de construire un système qui soit le plus structuré et le plus efficace possible. C'est la combinaison du temps très court, qui est celui de la sécurité, et du temps plutôt long d'une expérience que j'ai accumulée dans les relations internationales. J'essaie de combiner ces deux éléments, de répondre à des choses très concrètes aujourd'hui, mais, si on ne prend que des mesures de court terme, on finira par tourner en rond et on aura exactement l'effet contraire.

Quand on fait des choses qui ne fonctionnent pas et puis qu'on en essaie d'autres, si rien ne fonctionne, on ajoute finalement de la misère à la misère. C'est extrêmement dur.

Vous savez que vous pouvez compter sur moi, et je compte aussi tant sur la majorité que sur l'opposition pour que chacun joue son rôle et qu'on puisse vraiment y arriver. Je sais que ce n'est pas un message politiquement facile à porter, c'est un combat de longue durée, qui va demander des moyens. J'ai déjà reçu des moyens supplémentaires et je n'hésiterai pas à en redemander au fur et à mesure du développement des différents plans que j'ai mis sur la table, pour être certain qu'ils puissent avoir des résultats à tous les niveaux de la chaîne et dans tout le pays.

J'ai parlé du plan Grandes Villes, qui est évidemment important pour Bruxelles et Anvers, ainsi que pour les autres grandes villes. C'est aussi une manière de mettre en place un maillage pour le reste du pays. Nous ne pouvons pas négliger le fait que la Belgique est non seulement le réceptacle, à Anvers et ailleurs, de beaucoup de drogues, mais qu'elle est aussi devenue, par le biais des drogues de synthèse, singulièrement, un pays producteur et exportateur de drogue. Il convient donc d'en tenir compte. Je vous remercie de votre attention.

François De Smet:

Monsieur le ministre, je vais brièvement répondre à votre clin d'œil. Vous n'allez quand même pas reprocher à mon ancien collègue Michel Claise, puisque c'est à lui que vous faites allusion, de ne pas avoir créé tout seul, de ses blanches mains, lorsqu'il était juge d'instruction, un parquet national financier alors qu'à l'évidence, il incombait à l'exécutif ou au législateur de le faire. Si nous l'avons proposé avec lui, c'est par le fruit de son expérience. Encore une fois, il ne s'agit pas d'installer un nouveau bidule; mais de rassembler des compétences que l'on trouve dans les parquets Ecofin et dans d'autres instances et qui mériteraient simplement d'être réunis et de jouir d'une indépendance qui n'est pas toujours présente au sein des structures qui, pour l'instant, poursuivent le crime organisé. Voilà la simple précision que je tenais à apporter.

De uitrol van bijkomende zorgcentra na seksueel geweld

Gesteld door

lijst: VB Katleen Bury

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 19 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De zorgcentra na seksueel geweld in 13 ziekenhuizen moeten op 1 januari 2026 operationeel zijn, met een kader vastgelegd in het KB van 21/09/2025 (gepubliceerd op 26/09), waarna een kandidaatstelling liep tot 5/11 (aantal inzendingen onbekend). Selectie verloopt via expertise, multidisciplinaire samenwerking, implementatieplan en bereikbaarheid, met strenge basisvoorwaarden (o.a. spoedzorg, gynaecologie, psychiatrie, tolken). Jaarlijkse rapportering naar het begeleidingscomité is verplicht, maar parlementaire terugkoppeling is (nog) niet voorzien. Bury dringt aan op transparantie naar het Parlement.

Katleen Bury:

Mijnheer de minister, deze vraag gaat over uw beleidsnota, namelijk over de stand van zaken betreffende de zorgcentra na seksueel geweld. Als startdatum wordt 1 januari 2026 vermeld, daarom kom ik er even op terug.

Is er een voorbereidend traject met de sector opgestart?

Is de timing haalbaar?

Welke criteria hanteert u bij de selectie van de dertien ziekenhuizen?

Voorziet u rapportering?

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw Bury, het RIZIV zal met dertien ziekenhuizen een overeenkomst sluiten voor een zorgcentrum na seksueel geweld. De voorziene startdatum is 1 januari van volgend jaar.

Het RIZIV heeft samen met de sector en het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen gewerkt aan een juridisch kader voor die overeenkomsten. Dat heeft geleid tot een koninklijk besluit van 21 september 2025, dat op 26 september is gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.

In navolging daarvan is op 24 september een oproep tot kandidaatstelling gelanceerd via de website van het RIZIV. Ziekenhuizen hadden de mogelijkheid om tot en met 5 november hun kandidatuur in te dienen. Het RIZIV zal de dossiers evalueren conform de bepalingen van dat nieuw koninklijk besluit. Op basis daarvan zullen dertien centra geselecteerd worden door het Verzekeringscomité. Als ze geselecteerd zijn, kunnen ze een overeenkomst afsluiten met het Verzekeringscomité met ingang van 1 januari.

Artikel 3 van dat koninklijk besluit bepaalt dat alleen ziekenhuizen die voldoen aan de basisvoorwaarden zoals omschreven in dat besluit, in aanmerking komen voor een overeenkomst. Dat betekent dat men moet beschikken over gespecialiseerde spoedgevallenzorg en over diensten voor gynaecologie, urologie of gastro-enterologie, pediatrie, psychiatrie en geriatrie. Er moet tevens een sociale dienst zijn, evenals interculturele bemiddelaars en/of tolken op de campus waar het zorgcentrum wordt voorgesteld.

De selectiecriteria in artikel 5 van dat koninklijk besluit zijn als volgt geordend, in afnemende belangrijkheid geordend. Ten eerste, de expertise en ervaring van het ziekenhuis en het voorgestelde team inzake coördinatie en dienstverlening aan slachtoffers van seksueel geweld. Ten tweede, de expertise en ervaring van de kandidaat in externe en interne multidisciplinaire samenwerkingsverbanden, in het bijzonder met politiediensten en gerechtelijke overheden. Ten derde, de voorgestelde planning, methodologie en visie voor de implementatie en werking van de zorgcentra. Ten vierde, de ligging, bereikbaarheid, toegankelijkheid en aanwezige diensten op de campus, evenals de infrastructuur.

Wat betreft de rapportering bepaalt artikel 10 van het besluit dat het ziekenhuis jaarlijks een gedetailleerd activiteitenverslag aan het begeleidingscomité moet bezorgen. Het Verzekeringscomité kan het model van dat verslag vastleggen. Dat zal verder worden opgenomen in de overeenkomst. Het begeleidingscomité heeft de opdracht om ten behoeve van het Verzekeringscomité een jaarlijks verslag over de werking van de centra op te stellen.

Katleen Bury:

Dank u wel, mijnheer de minister. Ik zal het koninklijk besluit verder raadplegen. De oproep is gesloten op 5 november. Weet u hoeveel kandidaatstellingen zijn binnengekomen, of hebt u daar geen zicht op?

Frank Vandenbroucke:

Nee.

Katleen Bury:

U hebt ook de rapportering aangestipt, maar ik heb niet echt gehoord dat die ook naar het Parlement komt. Het zou nochtans zeer opportuun zijn, mocht dat gebeuren. Dank u wel.

De overheveling van de medische dienstverlening in de gevangenissen naar Volksgezondheid

Gesteld door

lijst: VB Katleen Bury

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 19 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Frank Vandenbroucke bevestigt de crisis in gevangeniszorg door overbevolking en personeelstekort, maar benadrukt dat overheveling naar Volksgezondheid geen doel op zich is—kwaliteitsverbetering primeert, met strikte voorwaarden zoals veilige consultatieruimtes, eHealth-integratie en vlotte ziekenhuisoverdracht. Pilootprojecten (sinds 2022 in voorbereiding) en interministeriële samenwerking (o.a. via een interfederaal plan) moeten zorg in detentie gelijkwaardig maken aan die in de vrije samenleving, met extra focus op geestelijke gezondheid, drugsbeleid en stigma-trainingen voor personeel. Concrete stappen zijn onder meer haalbaarheidsstudies (BelRAI-tool), extra middelen voor psychologische ondersteuning en interculturele bemiddeling. Samenwerking met Justitie loopt, maar verdere afstemming en budgettaire garanties blijven cruciaal.

Katleen Bury:

Een deel van de uitzichtloze problematiek van de overbevolking in de gevangenissen is dat er meer dan 1.000 geïnterneerden verblijven. Het gaat om kwetsbare mensen die psychiatrische zorg nodig hebben. Al lange tijd wordt er gepleit om de gezondheidszorg in de gevangenissen weg te halen bij de minister van Justitie en over te brengen naar de minister van Volksgezondheid. De minister van Justitie stelt dat de zorg in de gevangenissen een volwaardige en volledige bevoegdheid van de minister van Volksgezondheid moet zijn. De minister van Justitie heeft in de media ook verklaard dat daartoe al stappen werden ondernomen.

Wat is uw standpunt? Heeft er al overleg met de minister van Justitie plaatsgevonden? Zijn er al initiatieven genomen? Zo ja, graag een overzicht.

Frank Vandenbroucke:

Ik kan u verzekeren dat de federale regering zich ten volle bewust is van de crisis die ons gevangeniswezen doormaakt. Binnen de context van de overbevolking en een drastisch personeelstekort staat iedereen zwaar onder druk. Die toestand bemoeilijkt ook aanzienlijk de zorgverlening in onze Belgische gevangenissen.

Verschillende zorgverleners luiden de alarmbel, wat ons tot dringende actie noopt. Het louter overhevelen van bevoegdheden van Justitie naar Volksgezondheid mag geen doel op zich zijn. We moeten streven naar een verbetering van de kwaliteit van de penitentiaire gezondheidszorg. Om die redenen heb ik strikte voorwaarden geformuleerd. Er moeten onder meer voldoende goed uitgeruste en veilige consultatieruimtes worden voorzien. Het patiëntendossier binnen Justitie moet eHealth-compatibel zijn en een vlotte overbrenging naar een ziekenhuis moet gegarandeerd kunnen worden.

Ik vraag uiteraard aan de minister van Justitie om daar samen werk van te maken. Vervolgens zullen we starten met één of twee pilootprojecten. Mijn medewerkers binnen de FOD Volksgezondheid en het RIZIV werken samen met mijn beleidscel het concept en het project uit, inclusief de randvoorwaarden, de governance, de budgetimplicaties en de timing. Ook de overdracht van geneesmiddelen wordt bestudeerd.

Op het niveau van de administraties is er sinds 2022 een constructieve structurele samenwerking gegroeid met het oog op de uitrol van een aantal pilootprojecten, met bijzondere aandacht voor de geestelijke gezondheidszorg voor gedetineerden.

Naast de initiatieven rond drugs en detentie verwijs ik ook graag naar de extra middelen voor het inzetten van een eerstelijns psychologische functie en het uitbreiden van het aanbod van interculturele bemiddeling in detentie. Daarnaast werd studiewerk uitgevoerd door een wetenschappelijk team, samengesteld uit vier universiteiten, en zijn er vormingen ontwikkeld voor het zorgpersoneel in de gevangenissen over stigma en kwetsbaarheid, communicatie en motiverende gespreksvoering, en drugs.

Tot slot wordt een haalbaarheidsstudie uitgevoerd voor het gebruik van de BelRAI Detention Screening Tool in vijf pilootgevangenissen. De resultaten van dat studiewerk zullen verder worden meegenomen met het oog op een meer geïntegreerde aanpak van de penitentiaire gezondheidszorg.

Als we de zorg voor personen in detentie willen versterken en gelijkwaardig willen maken aan die in de vrije samenleving, dan is samenwerking over de bevoegdheidsniveaus heen noodzakelijk. Binnen de interministeriële conferentie Volksgezondheid is daartoe een traject opgestart met alle bevoegde ministers, gericht op betere informatie-uitwisseling, beleidsafstemming en continuïteit van zorg. Dat overleg moet worden voortgezet, met evenwichtige inspanningen van alle partijen. De interkabinettenwerkgroep Forensische Zorg werkt aan een gecoördineerde interfederale aanpak, onder meer via een interfederaal plan.

Katleen Bury:

Dank u wel, mijnheer de minister. Ik volg dit dossier verder op.

Een antiagressieplan voor het ziekenhuispersoneel

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 19 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De stijgende agressie (fysiek, verbaal, psychologisch) tegen ziekenhuispersoneel eist structurele maatregelen, waarvoor minister Vandenbroucke een tweedelige juridische definitie (objectief + subjectieve ervaring) en een centraal registratiesysteem voor incidenten ontwikkelt, gebaseerd op adviezen van CFAMU/CFEH. Hij bevestigt dat agressie tegen zorgverleners al als verzwaring in het Strafwetboek (art. 410bis) is opgenomen, maar benadrukt beperkte budgettaire middelen en pleit voor betere afstemming van bestaande veiligheidsprofielen via samenwerking met sociale partners. Dedonder dringt aan op concrete actieplannen en waarschuwt dat het gebrek aan veiligheid de aantrekkelijkheid van het beroep verder ondermijnt. De focus ligt op preventie, uniforme registratie en juridische verzwaring, maar uitvoering blijft afhankelijk van coördinatie en budgettaire prioriteiten.

Ludivine Dedonder:

Monsieur le ministre, ces derniers mois, j'ai reçu de nombreux témoignages faisant état d'une augmentation inquiétante des agressions à l'encontre du personnel hospitalier: insultes, menaces, coups, destructions de matériel. Ce phénomène touche désormais tous les services, des urgences aux consultations, en passant par les unités psychiatriques. Les soignants ne devraient pas craindre d'exercer leur métier. Et pourtant, sur le terrain, la pression, la fatigue et la détresse des patients s'additionnent parfois à des comportements violents qui fragilisent encore davantage les équipes. Il devient urgent de prendre ce problème à bras-le-corps et de lui donner une réponse structurelle et coordonnée.

Monsieur le ministre, un plan antiagression spécifique aux hôpitaux est-il actuellement à l'étude au sein de votre cabinet ou de vos administrations? Envisagez-vous de définir clairement ce qu'est une agression (physique, verbale, psychologique, matérielle), d'en catégoriser les types et d'en centraliser le recensement dans un système de signalement commun à tous les hôpitaux? Un tel outil statistique partagé permettrait de mieux identifier les causes et, dès lors, de déployer des actions de prévention ciblées.

Les hôpitaux disposent de profils variés pour assurer la sécurité: des agents de gardiennage privés, des agents de sécurité interne, voire du personnel hospitalier formé en prévention. Ces statuts diffèrent notamment sur le plan des compétences, des obligations légales et des rémunérations. Envisagez-vous de clarifier ces statuts et d'octroyer aux hôpitaux des moyens pour engager du personnel de sécurité en suffisance?

Compte tenu de la gravité croissante de certaines agressions, ne faudrait-il pas, comme le suggèrent certains, adapter le Code pénal, la législation du travail et les conventions sectorielles pour reconnaître l'agression envers un membre du personnel soignant comme une circonstance aggravante, à l'image de ce qui existe déjà pour d'autres fonctions d'intérêt public?

Frank Vandenbroucke:

Madame Dedonder, en ce qui concerne les définitions, j'ai demandé un avis conjoint au Conseil fédéral de l'aide médicale urgente (CFAMU) et au Conseil fédéral des é tablissements hospitaliers (CFEH), avec une attention particulière pour les hôpitaux et les soins préhospitaliers.

Le CFAMU a entretemps rendu son avis et l'a transmis au CFEH. L'avis du CFAMU plaide pour une définition juridique à deux volets de l’agression, qui reconnaît à la fois des critères objectifs et la perception subjective du prestataire de soins. Cette approche s'inscrit dans la législation sur le bien-être et offre un cadre solide pour l'enregistrement et le suivi. Par ailleurs, un système fédéral centralisé d'enregistrement des incidents d'agression est en cours de développement.

L'avis politique du CFAMU du 24 juillet 2025 reconnaît la diversité des profils de sécurité au sein des hôpitaux et des soins préhospitaliers. Des agents de gardiennage privé au personnel formé en interne, cette diversité s'accompagne de différences en matière de compétences, d'obligations légales et de rémunération, ce qui complique la cohérence de la politique de sécurité.

Bien qu'il n'y ait pas de proposition explicite de révision des statuts, il est souligné que les établissements des soins ont besoin d'un soutien structurel pour élaborer une politique cohérente en matière d'agressions. Cela inclut notamment des directives, des formations, un suivi post-incident et une collaboration avec des partenaires spécialisés. En cette période de contraintes budgétaires, il s'agit avant tout de mieux utiliser les moyens existants, et ce n'est qu'en second lieu qu'il convient d'examiner si des ressources supplémentaires sont nécessaires.

S'agissant d'une adaptation du Code pénal, je me dois de dire que, sous la Vivaldi, nous avons pris l'initiative de considérer une agression contre un membre du personnel soignant comme une circonstance aggravante. Il me semble que cette question est réglée, en principe en tout cas. Si des questions demeurent, vous pourriez interroger ma collègue, la ministre de la Justice.

Plus généralement, vous m'avez demandé s'il ne faudrait pas concevoir un plan global face à l'agressivité contre le personnel soignant. Je suis d'accord. En attendant les réponses sur les questions de définition, d'enregistrement, etc., je pense qu’il faut, par exemple, développer une démarche à ce sujet avec les partenaires sociaux du secteur des soins. Je crois en effet que tant le monde syndical que les employeurs sont fortement concernés par cette problématique.

Ludivine Dedonder:

Oui, il importe effectivement de se mettre autour de la table avec les différents partenaires pour aller au-delà. Aujourd'hui, on sait bien que ce métier est en difficulté; cela s'ajoute à la problématique, ne contribue pas forcément à l'attractivité du métier et décourage les soignants.

En ce qui concerne le plan antiagression, je comprends de votre réponse que des actions sont en cours et que vous avancez.

Quant aux différents profils qui assurent la sécurité, vous confirmez qu'il existe un problème de cohérence et qu'il est dès lors d'autant plus compliqué d'intervenir en matière de sécurité. Vous dites qu'il n'y a pas de moyens et qu'on en cherche au niveau du budget. Je l'entends bien, mais il serait peut-être possible d'utiliser les outils dont nous disposons pour pouvoir obtenir cette cohérence sans que cela ne soit trop coûteux.

Enfin, pour ce qui est du Code pénal, je vais vérifier car c'est sur la base de retours que je vous ai adressé cette question.

Frank Vandenbroucke:

Je crois que cela a été réglé par l'introduction d'un article 410 bis qui prévoit cette condition aggravante.

Ludivine Dedonder:

Nous verrons donc si c'est suffisant. L'objet de ma question était de vous rendre attentif ou un peu plus attentif, si c'était déjà le cas, à cette problématique. Je vous remercie, monsieur le ministre, pour ces réponses.

De regulering van de TikTok-algoritmes en het tegengaan van het viraal gaan van gevaarlijke content
De algoritmen van TikTok die tot zelfmoord aanzetten
De toxische spiraal die gecreëerd wordt door het algoritme van TikTok
De algoritmefuik van TikTok
De impact en regulering van schadelijke TikTok-algoritmen

Gesteld aan

Vanessa Matz (Minster van Modernisering van de overheid, Overheidsbedrijven, Ambtenarenzaken, Gebouwenbeheer van de Staat, Digitalisering en Wetenschapsbeleid)

op 19 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België overweegt strengere regulering van sociale-mediaplatforms zoals TikTok, na schokkende rapporten (Frankrijk/Amnesty) over algorithmes die jongeren in zelfmoord- en automutilatiespiralen duwen, ondanks EU-wetgeving (Digital Services Act). Minister Matz benadrukt EU-brede actie (o.a. lopend onderzoek naar TikTok, *security by design*), transparantie (onderzoekers krijgen sinds 29/10 toegang tot platformdata) en nationale stappen zoals een minimale leeftijd, leeftijdsverificatie en een digitaal avondklok voor 15-18-jarigen, maar kritiseert de trage EU-procedures die jongeren blootstellen aan risico’s. Parlementssteun is cruciaal voor versnelde maatregelen. Focus ligt op systeemrisico’s en algoritmische aanpassingen om kwetsbare jongeren te beschermen.

Serge Hiligsmann:

Un rapport de la commission d'enquête parlementaire française sur TikTok a été rendu public en septembre 2025. Ce rapport dénonce un piège algorithmique particulièrement dangereux pour les adolescents et un modèle économique privilégiant le profit à la santé mentale et recommande l'interdiction des réseaux sociaux pour les moins de 15 ans ainsi qu'un couvre-feu numérique pour les 15-18 ans. Amnesty International a également publié un rapport sur l'effet spirale de l'algorithme de TikTok qui oriente les jeunes vers les contenus suicidaires et d'automutilations, malgré les obligations du Digital Service Act.

À la lumière de ces éléments, comment la Belgique peut-elle renforcer le cadre réglementaire entourant les algorithmes, notamment en imposant aux plateformes une évaluation régulière des risques systémiques pour les mineurs et en les contraignant à adapter leurs mécanismes de recommandation lorsqu'elles créent des effets de spirale algorithmiques?

Vanessa Matz:

Merci pour cette question essentielle. Les questions sur les conclusions accablantes du rapport d'Amnesty International concernant l'algorithme de TikTok et son impact sur les jeunes belges me permettent de réaffirmer clairement ma volonté d'agir pour la protection des utilisateurs, singulièrement les jeunes.

Les risques liés à l'exposition des mineurs à des contenus normalisant la dépression, l'automutilation ou le suicide sont inacceptables et je partage pleinement votre vigilance sur le sujet. Dès ma prise de fonction, j'en ai fait une priorité. Mes actions concernent plusieurs volets. Sur le volet européen, nous participons activement à la recherche d'une solution commune permettant de renforcer le principe du Security by Design mais aussi de protéger les plus jeunes utilisateurs.

Je souhaite également vous faire part d'une avancée récente. Depuis le 29 octobre, les chercheurs peuvent obtenir un accès sans précédent aux données non publiques des grandes plateformes en ligne afin d'étudier l'incidence sociétale découlant des systèmes des plateformes. Cet accès répondra notamment aux préoccupations que nous partageons concernant la transparence des algorithmes. En outre, les résultats des études que pourront mener les chercheurs nous permettront de cibler et d'améliorer nos actions.

En ce qui concerne TikTok, les dialogues avec la plateforme s'inscrivent dans une démarche européenne renforcée. La Commission européenne a d'ailleurs ouvert une enquête pour manquements présumés en matière de protection des mineurs. Cette enquête est toujours en cours et – j'insiste – est beaucoup trop longue à notre goût, car les jeunes restent entre-temps confrontés à des contenus inappropriés, dangereux ou addictifs.

Je suivrai également avec beaucoup d'attention les travaux de la Chambre pour évaluer l'opportunité d'un âge minimal d'accès aux réseaux sociaux, proposer un cadre légal sur la vérification de l'âge et sur l'anonymat en ligne. Je compte évidemment sur votre soutien et sur celui de l'ensemble du Parlement pour faire de ce dossier une priorité.

Serge Hiligsmann:

Madame la ministre, vous connaissez mon goût pour la circularité, de sorte que j'utiliserai la réplique de tout à l'heure. Je vous remercie pour vos réponses et vous assure de notre confiance en vos services pour lutter contre ces pratiques tant frauduleuses que dangereuses, particulièrement pour notre jeunesse, nos adolescents, et plus particulièrement les personnes les plus fragiles.

Excusez ma paresse, qui fait suite à 17 heures passées à écouter M. Van Quickenborne hier et cette nuit. Je souhaiterais d'ailleurs qu'une solution soit trouvée afin d'éviter que ce genre de situation ne se reproduise. Ce serait bien, je pense, pour tout le monde.

Voorzitter:

Les questions n os 56010405C et 56010410C de M. Patrick Prévot sont reportées. La réunion publique de commission est levée à 15 h 24. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 15.24 uur.

Een ontsnapping uit en andere moeilijkheden in het detentiehuis van Olen

Gesteld door

lijst: VB Marijke Dillen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 19 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Een gedetineerde in het nieuwe detentiehuis Olen ontsnapte na een positieve drugstest door een hek omver te duwen, maar werd later hervat; hij zat een straf uit voor diefstal en is nu uitgesloten van het programma. Een personeelslid werd geschorst wegens vermoedelijk onprofessioneel contact met een bewoner, met lopend tuchtonderzoek. De minister benadrukt dat incidenten worden geëvalueerd om veiligheid en procedures te verbeteren, maar erkent dat nulrisico onmogelijk is. Kritische vragen blijven over de tuchtprocedures en het maatschappelijk vertrouwen in het detentiehuis.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, amper een maand na de openstelling is de eerste ontsnapping uit het detentiehuis in Olen een feit. Vorige week, of inmiddels enkele weken geleden, ontsnapte een gedetineerde. Op het ogenblik van het indienen van de vraag was hij nog voortvluchtig. U zal mij daar zo dadelijk op antwoorden.

Daarnaast zijn er moeilijkheden met de strikte naleving van de huisregels. Een daarvan betreft het engagement om drugs volledig af te zweren. Blijkbaar heeft een bewoner bij een van de controles positief getest.

Dat is echter niet alles. Een anonieme bron maakt ook gewag van moeilijkheden met personeel. Zo zou een personeelslid geschorst zijn wegens het onderhouden van wat te nauwe banden met een bewoner wordt genoemd. Er blijkt een tuchtdossier geopend wegens niet-professioneel gedrag.

Mevrouw de minister, kunt u meer toelichting geven betreffende de ontsnapte gedetineerde? Hoe kon die ontsnapping gebeuren? Wat is het profiel van die man? Welke straf zat hij uit en voor welke feiten? Is hij inmiddels terug gevat door de politie? Welke gevolgen worden aan die ontsnapping gegeven?

Kunt u meer toelichting geven betreffende de gedetineerde die betrapt is op positief druggebruik? Ook daaromtrent wens ik te vernemen welke de gevolgen zijn.

Kunt u meer toelichting geven betreffende het tuchtdossier dat geopend is lastens een personeelslid? Klopt het bericht dat dat personeelslid te nauwe banden onderhield met een bewoner? Welke gevolgen werden daaraan gegeven?

Annelies Verlinden:

Mevrouw Dillen, het klopt inderdaad dat er een ontsnapping is geweest in het detentiehuis van Olen. Ik wil erop wijzen dat het zowel voor de ontsnapping als voor de positieve drugstest om een en dezelfde persoon gaat.

De ontsnapping verliep als volgt. Kort nadat betrokkene een positieve urinecontrole had afgelegd, een controle die hij overigens rustig onderging, begaf hij zich naar zijn kamer en vervolgens naar de benedenverdieping, richting de tuin. Daar heeft hij het op een lopen gezet richting de poort, waarbij hij een houten hek heeft omgeduwd en het bos is ingevlucht. Vanuit het onthaal werd zijn gedrag al als onrustig opgemerkt, waarna versterking werd gestuurd. De bewoner was op dat ogenblik echter al over het hek verdwenen.

Betrokkene was veroordeeld tot twee jaar gevangenisstraf wegens diefstal. Hij was voorafgaand aan zijn plaatsing in het detentiehuis zorgvuldig gescreend en had ook de observatieperiode van twee weken positief doorlopen.

Zoals u weet, streven we ernaar om elk risico uit te sluiten, maar een nulrisico bestaat niet. Soms spelen persoonlijke of impulsgedreven factoren een rol die moeilijk voorspelbaar zijn, maar die wel kunnen leiden tot een ontvluchting of een herval in druggebruik.

Volgens de informatie waarover ik beschik, werd de betrokkene eind oktober gevat en verblijft hij momenteel opnieuw in de gevangenis in Brugge. Zijn deelname aan het traject in het detentiehuis is vanzelfsprekend beëindigd.

Met betrekking tot het incident met het personeelslid kan ik bevestigen dat een collega-personeelslid een melding heeft gedaan over mogelijk niet-professioneel gedrag tegenover een bewoner. In afwachting van verder onderzoek werd aan dat personeelslid via een ordemaatregel de toegang tot het detentiehuis ontzegd. Er loopt een intern onderzoek met het oog op het opstarten van een tuchtprocedure. Dat moet nog verder worden overwogen en geanalyseerd.

De betrokken gedetineerde verblijft inmiddels opnieuw in een klassieke gevangenis naar aanleiding van een niet-naleving van de leefregels in het detentiehuis en zijn negatieve invloed op het groepsproces.

Ik wil onderstrepen dat het om een nieuw detentiehuis gaat, waar de werking verder evolueert. Incidenten zoals de genoemde worden grondig geëvalueerd, zowel wat betreft de veiligheidsprocedures als de begeleiding van bewoners en personeel. Waar nodig worden bijsturingen doorgevoerd om de veiligheid en de professionele omkadering verder te versterken.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, bedankt voor uw antwoord. We zullen nog terugkomen op die tuchtprocedures.

Het is inderdaad een nieuw detentiehuis, waarbij het dan ook belangrijk is om alle procedures nauwkeurig te evalueren. U weet echter dat er veel protest was tegen de opening van het detentiehuis in Olen. Ontsnappingen hebben uiteraard een negatief effect op die onrust. Gelukkig is de gedetineerde in kwestie inmiddels opnieuw gevat door de politie.

Voorzitter:

Les questions jointes n os 56009729C de Mme Dillen et 56009804C de Mme Van Vaerenberg sont reportées, tout comme la question n° 56009807C de Mme Van Vaerenbergh.

De waarschuwing van een onderzoeksrechter voor de evolutie naar een narcostaat
De publieke noodkreet van een Antwerpse onderzoeksrechter
De maatregelen om sommige medewerkers van Justitie op een anonieme wijze te laten werken
De maatregelen ter bescherming van bedreigde magistraten
Het risico van een evolutie naar een narcostaat
De strijd tegen georganiseerde misdaad en bescherming van justitiepersoneel

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 19 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Een Antwerpse onderzoeksrechter waarschuwt in een open brief voor de dreigende evolutie naar een *narcostaat*, waarbij georganiseerde criminaliteit (drugshandel, corruptie, geweld) de rechtsstaat ondermijnt, justitie intimideert en zelfs magistraten en hun gezinnen bedreigt—sommigen moeten maanden in safehouses verblijven zonder adequate overheidssteun (geen compensatie, verzekering of opvang). Minister Verlinden erkent de ernst, verwijst naar lopende maatregelen (beveiliging gerechtsgebouwen, anonimisering gegevens, psychologische ondersteuning) en belooft een centraal aanspreekpunt voor bedreigde medewerkers, maar concrete plannen voor een omvattend masterplan (gevraagd door magistratuur) en verzekering voor schade blijven vaag, terwijl de oppositie dringt op snelle, structurele oplossingen om de integriteit van justitie en het burgervertrouwen te vrijwaren. Kernproblemen zijn de infiltratie in sleutelfuncties (haven, politie, justitie), onveilige werkomstandigheden en het ontbreken van een gecoördineerde langetermijnstrategie tegen de ondermijnende drugseconomie.

Sophie De Wit:

Mevrouw de minister, een Antwerpse onderzoeksrechter waarschuwde onlangs in een open brief, die werd gedeeld door de Antwerpse rechtbank, voor de evolutie naar een zogenaamde 'narcostaat'. Ze beschrijft hoe criminele organisaties zich steeds dieper verankeren in onze samenleving en zelfs binnen Justitie, wat leidt tot bedreigingen en pogingen tot beïnvloeding, en een klimaat van angst creëert.

Volgens de berichtgeving verbleef de betrokken magistraat om veiligheidsredenen vier maanden in een safehouse. U verklaarde in een reactie dat deze situatie ernstig en verontrustend, maar helemaal niet verrassend is, en dat er al maatregelen bestaan, zoals de beveiliging van gerechtsgebouwen en het anonimiseren van identificatiegegevens.

De open brief toont aan dat er binnen het gerecht ernstige bezorgdheden leven over de structurele bescherming van magistraten en over het risico dat de werking van de rechtsstaat wordt ondermijnd wanneer rechters zich uit angst terughoudend opstellen.

Ik heb volgende vragen.

Ten eerste, hoe beoordeelt u de getuigenis van de onderzoeksrechter die uit veiligheidsoverwegingen vier maanden in een safehouse verbleef?

Ten tweede, acht u de bestaande maatregelen, onder meer de beveiliging van gerechtsgebouwen en het anonimiseren van identificatiegegevens, afdoende ter bescherming van magistraten en andere medewerkers van Justitie of overweegt u bijkomende stappen, bijvoorbeeld via een centraal aanspreekpunt, een schadeverzekering of een formeel veiligheidsprotocol voor bedreigde magistraten, zoals in de open brief wordt voorgesteld?

Ten derde, wordt overwogen om het gebruik van mobiele toestellen in gevangenissen nog strenger te controleren via nieuwe detectietechnologie of afscherming? Ik weet dat u daarmee bezig bent. U hebt daar reeds initiatieven rond aangekondigd, maar misschien kunnen we een datum van implementatie krijgen. Gedetineerden blijven vanuit de gevangenis vaak hun organisatie aansturen.

Ten vierde, overweegt u, met behoud van de rechterlijke onafhankelijkheid, in het licht van de signalen over mogelijke beïnvloeding en infiltratie binnen Justitie, bijkomende maatregelen om de interne integriteit en weerbaarheid van het gerechtelijk apparaat te versterken, bijvoorbeeld via verbeterde screening, beveiliging van informatiestromen of nauwere samenwerking met de veiligheidsdiensten?

Ten slotte, hoe wilt u ervoor zorgen dat, ondanks de toenemende druk van de georganiseerde criminaliteit op Justitie, het vertrouwen van de burger in de rechtsstaat behouden blijft?

Marijke Dillen:

Mijnheer de voorzitter, ik verwijs voor mijn drie vragen naar de schriftelijke voorbereiding.

In een felle open brief waarschuwt een Antwerps Onderzoeksrechter dat België evolueert naar een narcostaat die wordt getypeerd door illegale economie, corruptie en geweld. Ons land staat voor een georganiseerde dreiging die onze instellingen ondermijnt. Het Sky-onderzoek heeft een parallelle miljardeneconomie in onze haven in beeld gebracht. In onderzoeken stoten Onderzoeksrechters op witwascircuits. Zwart geld vindt zijn weg naar de vastgoedsector en stuwt de prijzen voor de gewone burger de hoogte in. Corruptie blijft een groot probleem in de haven én daarbuiten. Criminele organisaties kopen medewerkers om of zetten hen onder druk. Onderzoeksrechters hebben arrestaties verricht in sleutelfuncties: havenmedewerkers, douanepersoneel, politieagenten, loketbedienden van verschillende steden en gemeenten, en ook medewerkers van Justitie, zowel in de gevangenissen als in het Justitiepaleis. Ook schetst de Onderzoeksrechter een zorgwekkend beeld van intimidatie en aanslagen. Daarnaast hebben meerdere Onderzoeksrechters en hun gezin ook lange periodes onder politiebescherming moeten leven. Deze open brief kadert in de acties die de Antwerpse Magistratuur nu al maanden voert om alle wantoestanden binnen Justitie aan te kaarten. De Magistratuur pleit voor een masterplan zodat Justitie veilig kan werken.

De Onderzoeksrechter klaagt aan dat “Justitie wordt geïntimideerd maar weinig steun krijgt van de overheid. Wanneer een Onderzoeksrechter in een safehouse moet doorbrengen is er geen overheid die hen contacteert, die een actief aanbod doet ter ondersteuning. Er is geen compensatie, geen opvang voor familie en collega's, geen verzekering voor alle schade." Dit is Justitie onwaardig. Kan de Minister meer toelichting geven? Welke initiatieven heeft zij concreet genomen naar de Onderzoeksrechters die in een safehouse werden ondergebracht of onder politiebescherming moesten leven om hen te steunen in deze bijzonder moeilijke situatie, niet alleen voor de betrokken Onderzoeksrechter maar ook voor het gezin? Graag een gedetailleerd overzicht met opsomming van alle genomen initiatieven naar de betrokken Onderzoeksrechters.

De Minister heeft verklaard de bedreigingen ernstig en verontrustend te vinden. Verklaringen alleen volstaan niet. De Minister moet dringen een antwoord ten gronde geven. Wanneer zal de Minister met een grondig masterplan komen om ervoor te zorgen dat alle betrokken actoren binnen Justitie veilig kunnen werken?

De georganiseerde misdaad in het algemeen en de zware drugscriminaliteit blijft maar toenemen en ondermijnt de instellingen in dit land. Dit land evolueert naar een narcostaat, zo luidt de waarschuwing. Voor verschillende medewerkers binnen Justitie worden de werkomstandigheden almaar moeilijker en gevaarlijker. Reeds lange tijd vragen vele medewerkers van Justitie die in moeilijke en gevaarlijke omstandigheden moeten werken om de mogelijkheid te krijgen anoniem te werken. Zo bijvoorbeeld de cipiers, vertalers en tolken, magistraten, enz. In een open brief die kadert in de acties die de Magistratuur van Antwerpen en Limburg voert dringt nu ook een Onderzoeksrechter die maandenlang moest onderduiken in een safehouse aan om wetgeving uit te werken die toelaat dat een aantal medewerkers van Justitie anoniem kunnen werken en dat hun adressen in databanken zoals het rijksregister worden afgeschermd. Dit is een maatregel die op korte termijn kan worden genomen en waarvan de kostprijs beperkt is.

De vraag om anoniem te kunnen werken is niet nieuw. Welke initiatieven heeft de Minister inmiddels genomen? Graag een gedetailleerd overzicht.

Is de Minister bereid om op korte termijn een wetgevend initiatief te nemen zodat een aantal medewerkers van Justitie van wie de veiligheid – en vaak ook die van hun gezin - in het gevaar komt anoniem kunnen werken?

Is de Minister bereid om op korte termijn een initiatief te nemen tot het afschermen van de adressen van deze medewerkers van Justitie in databanken zoals het Rijksregister?

Ten gevolge van de toenemende georganiseerde misdaad in het algemeen en de steeds maar stijgende drugscriminaliteit in het bijzonder wordt het voor een aantal Magistraten bijzonder moeilijk hun opdracht in veilige omstandigheden uit te oefenen. Regelmatig horen we berichten over Magistraten, meestal Onderzoeksrechters, die worden geïntimideerd, gedurende lange periodes onder politiebescherming moeten leven door een tastbare dreiging gericht op henzelf, hun gezin en hun woonst, en die zelfs gedurende maanden in een safehouse moeten doorbrengen. Enige bescherming hebben ze niet. In een open brief van een Antwerps Onderzoeksrechter die kadert in de acties van de Magistraten van Antwerpen-Limburg wordt er aangedrongen op een aantal maatregelen die op korte termijn te realiseren zijn en dit met een beperkte kost.

Is de Minister bereid een initiatief te nemen om een vast aanspreekpunt binnen Binnenlandse Zaken en Justitie te organiseren voor bedreigde Magistraten en dit met een protocol?

Is de Minister bereid een initiatief te nemen voor een verzekering voor alle fysieke en materiële schade voor Magistraten en hun gezinsleden in geval van aanslagen of schade ten gevolge van bedreigingen aan hun adres?

Alain Yzermans:

De definitie van een narcostaat wordt op drie elementen gebaseerd. Ten eerste, de economische dominanatie van een parallelle drugseconomie. Ten tweede, aanhoudende politieke druk die leidt tot de ondermijning van de rechtsstaat. Ten derde, veelvuldig gebruik van geweld en bedreiging.

Ik weet niet in welke fase wij zitten, maar het is belangrijk dat wij dit met argusogen volgen.

Mevrouw de minister, ik verwijs naar mijn schriftelijke vragen, maar ik wil toch twee vragen in het bijzonder onder uw aandacht brengen.

Staat u open voor de vraag voor een verzekering tegen fysieke en materiële schade? Dit werd ook door de onderzoeksrechter aangekaart en gevraagd.

De drugscommissaris pleit, in het kader van deze problematiek en de context van de uitspraken die de onderzoeksrechter heeft gedaan, voor de drooglegging van de drugsopbrengsten als wapen. Hoe ver staat het met de start van een financiële opsporingsdienst?

De opmerkelijke alarmbel die anoniem werd geluid door een onderzoeksrechter over het gebrek aan rugdekking ten opzichte van magistraten geeft een zeer ontluisterende en onrustbarende kijk op de staat van onze rechtsstaat. We stevenen af op een narco-staat, waar een ondermijnende parallelle economie dicteert, die een hele keten aan gezagsdragers al dan niet gedwongen corrumpeert en waar geweld en afdreiging dagelijkse kost worden. De onderzoeksrechter vreest voor grote maatschappelijke impact wanneer eerlijke rechtspraak onder druk van de georganiseerde misdaad onmogelijk wordt. Ze waarschuwt dat de bescherming van de rechterlijke macht en de burger in gevaar komt als rechters uit angst vonnissen anders benaderen of dossiers niet behandelen. Maffieuze structuren die zich duurzaam verankeren, verruigen hun methodes en tasten zo op een verschroeiende wijze onze samenleving aan. De overheid , politie en justitie worden uitgedaagd en moeten alert en doortastend blijven reageren. Zij vraagt naar een masterplan om de intimiderende rechtsstaat te versterken met korte- en lange-termijnmaatregelen, zodat justitie en onze magistratuur altijd in veilige omstandigheden en met open vizier kunnen blijven werken. Het bedreigen van de rechterlijke macht is een bedreiging van onze democratie en daarom onaanvaardbaar. Een rechter die geen angst heeft, is een goede rechter.

Vragen aan de Minister:

1. Werkt u, zoals gevraagd, aan het gevraagde masterplan rond de beveiliging van onze magistratuur? Welke middelen worden hiervoor ingezet? Heeft u oor naar de vraag voor een verzekering tegen fysieke en materiële schade, en gelooft u in een centraal aanspreekpunt voor bedreigde medewerkers?

2. Ik las dat u werk wilt maken van het anonimiseren om zo de identiteit in gerechtelijke dossiers te beschermen. Wat is uw plan van aanpak?

3. Straffen worden overbodig als topcriminelen hun handel en wandel rond drugs in de overbevolkte gevangenissen kunnen voortzetten. U zegt al lange tijd dat u de communicatie in de gevangenissen wilt 'jammen' om zo de gsm-signalen te blokkeren. Hoe ver staat dit project en wat is het stappenplan hiervoor?

4. U sprak over het beveiligen van de justitiegebouwen (inkom beveiligen, meer politie, verdubbeling van de scanstraten). Welke gebouwen ? Concrete timing en middelen ?

5 De drugscommissaris pleit voor de drooglegging van de drugsopbrengsten als wapen. Hoever staat het

met de start van een financiële opsporingsdienst.

Annelies Verlinden:

Dank u wel, collega's. De getuigenis van die onderzoeksrechter bevestigt dat de georganiseerde criminaliteit een fenomeen is dat de openbare veiligheid bedreigt en rechtstreeks de fundamenten van onze rechtsstaat viseert.

Binnen het kader van het hefboomplan zijn we met vertegenwoordigers van de rechterlijke orde in overleg, met als doel te komen tot gedragen en haalbare voorstellen om de werkomstandigheden en de veiligheid van de magistraten te verbeteren.

Een van de taskforces buigt zich over de veiligheid binnen de rechterlijke orde en tracht omtrent dit aspect tot een aantal verbeterinitiatieven te komen. Dat is precies waarom er de voorbije maanden al verschillende afspraken werden gemaakt voor bedreigde medewerkers binnen Justitie. Daarbij werden een leidraad voor leidinggevenden en een brochure uitgewerkt. Die moeten de betrokkenen een praktisch aanknopingspunt geven om te weten hoe te reageren na bedreigingen en bieden een overzicht van de verschillende maatregelen die in een dergelijke situatie vanuit de FOD Justitie worden genomen en aangeboden.

Er werd eveneens voorzien in een netwerk van psychologische ondersteuning waarop bedreigde magistraten en werknemers een beroep kunnen doen. We hebben bovendien met het Crisiscentrum besproken hoe we de magistraten nog beter kunnen ondersteunen bij een gevoel van onveiligheid en hoe we de beeldvorming en het beleid proactiever kunnen inrichten. Een voorontwerp van omzendbrief voor de hiërarchische diensten van de betrokken medewerkers wordt bestudeerd.

Ik beoog dit plan verder te verfijnen door met name voor te stellen om een functie van centrale contactpersoon binnen de FOD te creëren die enerzijds in verbinding zou kunnen staan met de partneradministraties en anderzijds de rol zou kunnen opnemen van facilitator voor de verschillende verzoeken tot ondersteuning van de bedreigde persoon of diens hiërarchische lijn.

In principe belet niets het initiatief voor een aanvullende verzekering ten behoeve van de betrokken personen, met een mogelijke uitbreiding tot hun familieleden en goederen. De magistratuur ressorteert onder de bepalingen inzake arbeidsongevallen in de openbare sector.

Wat de materiële schade betreft, kan ik verwijzen naar artikel 9 van het koninklijk besluit van 18 november 2015 betreffende rechtshulp aan het gerechtspersoneel, de magistraten en de gerechtelijke stagiairs en de schadeloosstelling van de door hen opgelopen zaakschade. Voor fysieke of materiële schade die niet kan worden vergoed, worden de honoraria en de kosten van de door hen gekozen advocaat, alsook de kosten inherent aan de gerechtelijke procedures, ten laste genomen door de FOD.

Dit gezegd zijnde en los van de verzoeken om vergoeding van fysieke of materiële schade, meen ik op basis van de informatie waarover ik beschik te kunnen bevestigen dat tot op heden alle verzoeken tot financiële tenlasteneming van bedreigde magistraten in overweging werden genomen.

De anonimisering van persoonsgegevens van magistraten is een absolute prioriteit, gezien de toenemende veiligheidsrisico's. Een identiteit verbergen, betekent inderdaad dat anonimiteit moet worden gegarandeerd tijdens het onderzoek, maar ook nadien. Voor een magistraat betekent dat dat elke rechtsvordering, beschikking, proces-verbaal of akte van de betrokkene anoniem moet zijn of gecodeerd moet blijven. De anonimiteit heeft een preventieve werking en moet dan ook vanaf het begin van het onderzoek worden gegarandeerd.

Tot slot moeten ook de rechten van verdediging worden gerespecteerd. In de voorbije maanden werd er al contact opgenomen met andere Europese lidstaten om na te gaan in welke mate daar een gelijkaardig systeem bestaat. De administratie is bezig met het uitwerken van een ontwerptekst die we zullen voorleggen aan de betrokken beroepsgroepen en vervolgens uiteraard ook aan het Parlement.

Wat betreft uw vragen over de beveiliging van gerechtsgebouwen, verwijs ik naar de schriftelijke vraag voor meer informatie. Ik kan niet alle maatregelen in detail bespreken, maar ik kan u wel bevestigen dat scanners zullen worden geïnstalleerd in verschillende gerechtsgebouwen en dat de nodige middelen daarvoor werden voorzien.

Sophie De Wit:

Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord.

Het is goed dat er zaken worden voorzien. Ik weet niet of we het waterdicht kunnen maken, maar ik ben bezorgd dat er op die manier aan de alarmbel wordt getrokken. Ik ben bezorgd over de evolutie en ik ben mij ervan bewust dat Justitie zich in woelig vaarwater bevindt en dat de uitdagingen heel groot zijn. Ik hoop dat we tijdens deze legislatuur samen een aantal oplossingen zullen kunnen aanreiken, in het belang van eenieders veiligheid en van een goedwerkende Justitie.

Marijke Dillen:

Dank u voor uw antwoord, mevrouw de minister. Wat de waarschuwing voor de evolutie naar een narcostaat betreft, ik denk dat die helaas realiteit aan het worden is en dat daar geen twijfel meer over mag bestaan. De Antwerpse onderzoeksrechter heeft daarvoor gewaarschuwd. De recente bedreigingen van de Brusselse procureur Moinil – waarbij gisteren gelukkig aanhoudingen zijn verricht, met name acht Albanezen die verdacht worden van zware drugfeiten – zijn daarvan eveneens een voorbeeld.

Corruptie blijft een zeer groot probleem binnen de drugcriminaliteit. Volgens mij is het dan ook bijzonder belangrijk om voldoende middelen vrij te maken en een plan uit te werken om die criminaliteit aan te pakken.

Ik heb geen antwoord gekregen op wat letterlijk in de brief van de onderzoeksrechter stond. Zij klaagt daarin dat justitie wordt geïntimideerd en maar weinig steun krijgt van de overheid: “Wanneer een onderzoeksrechter in een safehouse moet verblijven, is er geen overheid die hem contacteert, die een actief aanbod doet, geen ondersteuning, geen compensatie, geen opvang voor familie en collega’s, geen verzekering voor alle schade.”

Mevrouw de minister, u hebt wel een aantal maatregelen opgesomd, maar volgens mij vraagt de magistratuur meer van u. U moet naar voren komen met een grondig masterplan om ervoor te zorgen dat alle actoren binnen justitie op een veilige manier kunnen werken.

Alain Yzermans:

Als het normale leven wordt overgenomen door drugsgerelateerde organisaties die bovendien politieke controle trachten uit te oefenen, dan is er uiteraard sprake van een dreiging. Het uitspreken van die woorden houdt op zich al een dreiging in. Het is ongelooflijk dat onze maatschappij zo ver is geëvolueerd dat parallelle economieën stilaan een impact hebben op alle niveaus van het maatschappelijke leven. De mensen – beschermheren of beschermvrouwen – die zich hiertegen weren, moeten koste wat kost worden beschermd. Een conditio sine qua non is dat we alles moeten doen om een eerlijke rechtspraak te behouden. Dat kan alleen als we inzetten op een actieplan. Dat actieplan wordt nu aangekondigd. Er zal permanent geëvalueerd en, naar ik meen, ook wetenschappelijk onderzocht worden wat de impact is van die nieuwe invloedsferen, die steeds meer grip krijgen op onze maatschappij. Ik parafraseer de onderzoeksrechter: rechtspraak is altijd goed als ze eerlijk blijft en ondersteund wordt met voldoende bescherming.

De minimale dienstverlening ingevolge de overbevolking van de gevangenis van Mechelen
De actie van de cipiers in de gevangenis van Mechelen ten gevolge van de overbevolking
Overbevolking en gevolgen in de gevangenis van Mechelen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 19 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De gevangenis van Mechelen kampt met acute overbevolking (201%, 27 grondslapers) en veiligheidsrisico’s, waardoor personeel enkel nog basistaken uitvoert en activiteiten zijn stopgezet. Minister Verlinden bevestigt dat overplaatsingen onmogelijk zijn door landelijke overbevolking (500+ grondslapers) en dat de noodwet onvoldoende effect sorteert, terwijl een haalbaarheidsstudie voor modulaire units pas begin 2024 klaar is—te traag volgens oppositie, die snellere actie en prioritaire spreiding eist. Toezichtbevindingen bevestigen de erge omstandigheden, maar concrete oplossingen ontbreken nog. De oppositie dringt aan op versnelde plaatsing van noodunits en betere coördinatie met andere gevangenissen.

Sophie De Wit:

Mijnheer de voorzitter, ik verwijs naar de tekst van mijn vraag zoals ingediend.

De situatie in de Mechelse gevangenis is bijzonder zorgwekkend. Volgens recente mediaberichten is de instelling, met 170 gedetineerden voor 79 plaatsen, goed voor een bezettingsgraad van 201 procent, de zwaarst overbevolkte gevangenis van het land. Daarbij zouden 27 personen op een matras op de grond moeten slapen, wat de precaire omstandigheden nog verder illustreert.

Het personeel voelt zich niet langer veilig en schakelde over op minimale dienstverlening, waardoor enkel nog de basistaken worden uitgevoerd. Alle andere activiteiten, zoals onderwijs, sport, werk en bijkomende wandelingen, zijn voorlopig opgeschort.

Het personeel vraagt dringend dat gedetineerden worden overgebracht naar andere inrichtingen, maar ook daar heerst uiteraard overbevolking. Hoewel dit probleem niet nieuw is, lijkt hier sprake van een acute crisissituatie die onmiddellijke actie vereist. Anderzijds komt andermaal een efficiënte strafuitvoering in het gedrang.

Is de huidige situatie in de gevangenis van Mechelen nog verantwoord binnen de minimale veiligheids- en mensenrechtennormen?

Welke onmiddellijke maatregelen worden genomen om de druk in de Mechelse gevangenis te verlichten? Wordt voorzien in overplaatsingen van gedetineerden naar andere inrichtingen en zo ja volgens welke prioriteit en criteria en kunnen deze overplaatsingen zonder bijkomende veiligheidsrisico’s of personeelsdruk elders worden uitgevoerd?

Overweegt u om voor Mechelen een tijdelijk crisisbeheer of noodplan in te voeren om de veiligheid van personeel en gedetineerden op korte termijn te waarborgen en de werking te normaliseren?

Werd de gevangenis van Mechelen recent nog gecontroleerd door één van de bevoegde instanties? Zo ja, door wie en welke bevindingen kwamen daarbij naar voren wat betreft veiligheid en leefomstandigheden en werd daar inmiddels opvolging aan gegeven?

Hoe wordt, in overleg met het Directoraat-generaal Penitentiaire Inrichtingen, beslist welke gevangenissen bij acute overbevolking eerst in aanmerking komen voor ontlasting en overweegt u om bovenop de bestaande noodwet en taskforces een duidelijk prioriteitskader uit te werken voor dergelijke crisissituaties?

Hoe ver staat u met de aangekondigde “containergevangenis(sen)” die kunnen toegevoegd worden aan bestaande gevangenislocaties en soelaas zouden kunnen brengen?

Marijke Dillen:

Mijnheer de voorzitter, ik verwijs naar de tekst van mijn vraag zoals ingediend.

De situatie in de gevangenis van Mechelen is met een bevolkingscijfer van meer dan 170 gedetineerden waarvan bijna 30 grondslapers onhoudbaar geworden. Er verblijven momenteel dubbel zoveel gedetineerden als er plaatsen zijn. Ten gevolge van deze overbevolking en daarnaast het structurele personeelstekort wordt de druk voor het personeel onaanvaardbaar en komt de veiligheid ernstig in het gedrang. Het personeel heeft – en dit is trouwens niet de eerste keer – opgeroepen om eindelijk de situatie structureel aan te pakken. Omdat de overheid in gebreke blijft de nodige initiatieven te nemen om hieraan een antwoord te bieden heeft het personeel unaniem beslist na een personeelsvergadering om over te schakelen op de minimale dienstverlening juist omdat de situatie werkelijk onhoudbaar is geworden.

Wat is het antwoord van de minister op deze absolute noodkreet van de medewerkers in de gevangenis van Mechelen? Welke initiatieven heeft de minister inmiddels genomen om hierop een antwoord te bieden?

Heeft er inmiddels overleg plaatsgevonden met het personeel? Zo ja, wat zijn de resultaten? Zo neen, waarom werd dit nog niet georganiseerd?

Werden er gedetineerden en zo ja, hoeveel, overgeplaatst naar andere gevangenissen en naar welke? Zo ja, op basis van welke criteria en zijn er hierbij de nodige garanties dat dit geen nieuwe problemen veroorzaakt in de gevangenis(sen) waarnaar deze gedetineerden werden overgeplaatst, juist omwille van het gegeven dat alle gevangenissen overvol zijn?

Komt de gevangenis van Mechelen in aanmerking voor de plaatsing van modulaire units om het probleem van de overbevolking aan te pakken? Zo ja, binnen welke tijdsspanne zal dit worden georganiseerd?

Annelies Verlinden:

Mevrouw De Wit, mevrouw Dillen, het is niet correct om te stellen dat in Mechelen werd overgeschakeld op minimale dienstverlening. Gelet op de situatie in de gevangenis werden gemeenschappelijke activiteiten afgeschaft. Het bezoek, de wandeling en het individueel bibliotheekbezoek gaan wel door, net zoals ook de tewerkstelling en individuele gesprekken met diensten, zoals het CAW en vertegenwoordigers van de erediensten, nog plaatsvinden.

Dat de huidige situatie in Mechelen ons voor zware uitdagingen stelt, valt niet te ontkennen. De situatie is jammer genoeg gelijkaardig in meerdere gevangenissen. De uitvoering van de kernopdrachten, de welzijnswet en de arbeidsomstandigheden staan onder druk, wat onvermijdelijk repercussies heeft op het veiligheidsgevoel bij de medewerkers in de gevangenissen. Met een totaal aantal grondslapers boven de 500 is het niet mogelijk om gedetineerden vanuit Mechelen naar andere gevangenissen te verplaatsen. Zoals al aangegeven, is de situatie gelijkaardig in andere arresthuizen. Initiatieven die in het verleden werden genomen om de gevangenisbevolking te spreiden, zitten vanwege de overbevolking aan hun limiet.

De noodwet die sinds 4 augustus van kracht is, heeft op zich effecten gehad, maar contextuele en andere mechanismes hebben ervoor gezorgd dat de instroom van gedetineerden bleef toenemen en de uitstroom onvoldoende is om dat te compenseren. Met het oog op de bepaling welke bijkomende maatregelen er nog zouden kunnen worden overwogen, onderzoeken we ook de verschillende oorzaken van die toenemende instroom van de afgelopen maanden. De Commissie van Toezicht is uiteraard ook actief in de gevangenis van Mechelen en blijft er haar toezichthoudende opdrachten uitvoeren. Het zal u niet verbazen dat zij tot dezelfde vaststellingen is gekomen als wij, zoals u ook kunt lezen in het meest recente jaarverslag.

Wat betreft de vragen met betrekking tot de units, er wordt gebruikgemaakt van het raamcontract van de Regie der Gebouwen. Er moet nu een haalbaarheidsstudie worden uitgevoerd om na te gaan op welke terreinen van bestaande gevangenissen de modulaire units kunnen worden geplaatst en hoeveel plaatsen er daar dan kunnen worden voorzien.

De Regie der Gebouwen heeft mij meegedeeld dat de studie begin volgend jaar kan worden afgerond. Voor meer details verwijs ik u door naar de minister bevoegd voor de Regie der Gebouwen, maar het staat buiten kijf dat wij dat heel nauw opvolgen omdat die modulaire units een deel van het antwoord kunnen zijn op de kwestie van de overbevolking.

Sophie De Wit:

Mevrouw de minister, we wachten samen met u vol ongeduld op elk initiatief dat qua capaciteit enig soelaas kan bieden. Ik hoop dat er ook inzake de modules snel een oplossing zal komen.

Voor het overige merk ik dat u een aantal van mijn vragen niet beantwoord hebt. Die zullen bij een volgende vragensessie dus terugkomen. Dit zal niet het laatste woord zijn dat over de overbevolking gesproken is, vrees ik.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, dank u voor uw antwoord. In een gevangenis waar dubbel zoveel gedetineerden verblijven als er plaatsen zijn, zoals blijkt uit de cijfers voor de gevangenis van Mechelen, moeten maatregelen genomen worden. We weten allemaal dat het probleem van de grondslapers, waar ik straks nog op terugkom, en het probleem van de overbevolking in vele gevangenissen aan de orde is. Ik vraag me af of er echt geen mogelijkheden waren om een aantal van de gedetineerden over te brengen naar andere gevangenissen, waar geen grondslapers aanwezig zijn en waar nog bedden – geen matrassen, maar bedden – toegevoegd kunnen worden. Het is belangrijk dat er voor de gevangenissen met een structureel grote overbevolking, met veel grondslapers, initiatieven genomen worden om de gevangenispopulatie te spreiden. Wat de modulaire units betreft, moet me toch van het hart dat die besteld zijn in de vorige legislatuur. U bent al een hele tijd in functie en u antwoordt vandaag dat er een studie loopt inzake de terreinen waarop ze kunnen worden geplaatst. Dat kan volgens mij niet zo moeilijk zijn. Dat het niet in alle gevangenissen kan, is logisch. De gevangenis in de Begijnenstraat in Antwerpen, die ik zeer goed ken, is bijvoorbeeld niet geschikt. Men kan die modulaire units moeilijk op straat zetten, vlak voor de schoolpoort. Dat kan natuurlijk niet. Bij een aantal gevangenissen kunnen die units echter wel snel ingevoerd kunnen worden. Maak daar alstublieft versneld werk van. Dring er ook bij uw collega, minister Matz, op aan om dat in een sneller tempo te doen.

De aanslepende moeilijkheden bij de DAB betreffende de overplaatsingen van gedetineerden

Gesteld door

lijst: VB Marijke Dillen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 19 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Gevangenen kunnen door capaciteitstekorten bij de Directie Beveiliging (DAB) (onderbezet, overbevolkte gevangenissen, personeelsverloop) vaak niet voor de rechter verschijnen, wat rechtspraak vertraagt en slachtoffers benadeelt. Minister Verlinden zet in op meer rekrutering, betere samenwerking, videoconferentie en zittingen in gevangenissen om transportsdruk te verminderen, en onderzoekt retentiebeleid (bv. interne promotie) om verloop tegen te gaan. Dillen benadrukt dat fysieke aanwezigheid cruciaal is voor kwaliteitsvolle rechtspraak, maar pleit voor efficiënter gebruik (bv. advocaten regelen administratieve zaken, strengere aanwezigheidsplicht voor niet-gedetineerden) en betere arbeidsvoorwaarden bij DAB om structurele oplossingen te forceren.

Marijke Dillen:

Gevangenen hebben het recht om hun proces bij te wonen. Kwaliteitsvolle rechtspraak vereist dat gedetineerden voor hun rechter kunnen verschijnen. Maar bijna dagelijks kunnen gevangenen niet voor de rechter verschijnen door problemen bij de Directie Beveiliging (DAB) van de Federale Politie. "Het is een onhoudbare realiteit die we blijvend en expliciet aankaarten", zegt de woordvoerder van de FOD Justitie. Ook de woordvoerder van het gerechtelijk ressort Antwerpen-Limburg is duidelijk: "Het gebeurt toch wel regelmatig, laten we zeggen, meermaals per week, dat gedetineerden die zouden moeten worden overgebracht, niet worden overgebracht. Hierdoor moeten zaken vaak worden uitgesteld of lopen ze vertraging op."

Volgens de Federale Politie staat DAB in het algemeen voor meerdere uitdagingen, zoals op het vlak van rekrutering en het aantal uit te voeren opdrachten in verhouding tot de beschikbare capaciteit. Dat leidt dagelijks tot moeilijkheden.

"Deze problematiek is uiteraard ook verbonden aan de overbevolking in de gevangenissen, die een structurele uitdaging vormt en een domino-effect heeft op alle aspecten van de strafuitvoering, inclusief het transport", aldus nog de woordvoerder van Justitie.

Deze problematiek weegt niet alleen op de gedetineerden, de organisatie en de efficiëntie van hoven en rechtbanken, maar ook op de slachtoffers. Een dringende oplossing is dan ook noodzakelijk.

Welke initiatieven heeft de minister inmiddels genomen om de verplaatsingen van gedetineerden naar de justitiepaleizen en zittingszalen te verzekeren? Welke initiatieven zullen er nog worden genomen?

Heeft de minister inmiddels overleg gehad met de minister van Binnenlandse Zaken, bevoegd voor de DAB? Zo ja, wat zijn de resultaten? Zo neen, wordt dit nog gepland?

Annelies Verlinden:

In overleg met de minister van Binnenlandse Zaken volgen we dat dossier op en nemen we ook gerichte initiatieven, zodat de DAB haar opdrachten inzake transfers kan blijven vervullen. De overname van de beveiliging van nucleaire sites draagt er zo toe bij dat er capaciteit vrijkomt voor taken die verband houden met de rechtbanken en gerechtshoven. Daarnaast heeft de federale politie een rekruteringsplan uitgewerkt om de beschikbare middelen structureel te versterken. We blijven ook inzetten op de optimalisering van de samenwerking tussen de actoren, met name de hoven en rechtbanken, het DG EPI en de DAB.

Ik heb regelmatig overleg met de bevoegde autoriteiten van de DAB. Ik blijf het belang onderstrepen van het ter beschikking stellen van voldoende personeel om de politie in de hoven en rechtbanken en in het bijzonder het vervoer van gedetineerden op een duurzame manier te kunnen garanderen. Mijn beleidscel had hierover eind oktober overleg met de bevoegde dienst van de federale politie.

Samen met Binnenlandse Zaken onderzoeken we ook een beter retentiebeleid, want veel personeelsleden van de DAB verlaten de dienst om via sociale promotie inspecteur bij de politie te kunnen worden. Een van de mogelijkheden die we bekijken is het voorzien in een interne sociale promotie bij de DAB.

We werken, zoals bepaald in het regeerakkoord, ook actief verder aan de implementatie van de videoconferentie. Daarbij wil ik ook verwijzen naar een antwoord op een vraag van mevrouw Van Vaerenbergh over de videoconferentie. In combinatie met het vaker organiseren van zittingen in de gevangenissen kan dit ertoe leiden dat het aantal overbrengingen voor de DAB afneemt, waardoor de noodzakelijke overbrengingen daadwerkelijk kunnen worden uitgevoerd.

Marijke Dillen:

Ik dank u voor het antwoord, mevrouw de minister. Over de zittingen in de gevangenissen is het laatste woord absoluut nog niet gezegd. In de praktijk is dat overigens bijzonder haalbaar. Ik ga ervan uit dat u met de teksten ter zake naar deze commissie zal komen. Het is belangrijk voor een kwaliteitsvolle rechtspraak dat gedetineerden voor hun rechter kunnen verschijnen. Dat staat ook duidelijk in de 100 voorstellen van de korpsoverste Antwerpen-Limburg. Ik heb vorige week al gezegd, in het kader van de vraag over de ontsnapping uit het FPC Gent, dat het niet nodig is dat gedetineerden altijd verschijnen. Het vaststellen van een conclusiekalender kan bijvoorbeeld perfect door de advocaten gebeuren. Niet-gevangenen die correctioneel voorkomen, zijn ook quasi nooit aanwezig. Daarop zou men misschien wel wat strenger moeten toezien, zodat er ruimte vrijkomt. Tot slot, er is inderdaad een groot verloop bij de DAB, aangezien de medewerkers op een bepaald ogenblik uitkijken naar andere functies met een betere vergoeding. Er zou dringend moeten worden nagedacht over het verbeteren van het personeelsstatuut bij de DAB, om daar concrete maatregelen tegenover te stellen.

De recordoverbevolking van de gevangenissen
Het recordaantal grondslapers in de gevangenissen
Het recordaantal grondslapers in de gevangenissen en de falende noodwet
De overbevolking van de Belgische gevangenissen
Recordoverbevolking en grondslapers in Belgische gevangenissen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 19 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De gevangeniscrisis escaleert met 541 grondslapers (stijging van 280% sinds deze legislatuur), 121% overbevolking en mensonwaardige omstandigheden voor zowel gedetineerden als overbelast personeel, dat kampt met agressie, veiligheidsrisico’s en uitputting. Minister Verlinden erkent de urgentie, wijst op beperkt effect van de noodwet (slechts 600 vervroegde invrijheidstellingen, 40% afwijzingen door rechters) en kondigt kortetermijnmaatregelen aan: versnelde overbrenging van vreemdelingen zonder verblijfsrecht (akkoord met Marokko, druk op Nederland), extra capaciteit in DVZ-centra en uitbreiding gevangenissen (o.a. 178 extra plaatsen in Haren), maar budgettaire beperkingen vertragen modulaire oplossingen. Kritiek blijft hard: vakbonden en oppositie eisen structurele actie, wijzen op falend beleid (geen daling ondanks noodwet) en dreigende veiligheidscrisis, terwijl reïntegratie en humane detentie onhaalbaar lijken. De kernoorzaak—groot aandeel buitenlandse gedetineerden—wordt benadrukt, maar concrete oplossingen (versnelde uitzetting) schieten tekort.

Alain Yzermans:

Mevrouw de minister, om het ietwat cynisch te zeggen, de gevangenissen verdienen een plaatsje in het Guinness Book of Records. Wekelijks worden nieuwe records gebroken. Tussen 1 augustus – na de invoering van de noodwet – en 1 november kwamen er 357 gevangenen bij, ongeveer 30 per week. Het aantal grondslapers, 164 bij uw aantreden, steeg naar een recordhoogte van 541 deze week. De overbevolkingsratio, 115 % bij uw aantreden, bedraagt vandaag 121 %. Er zijn 13.483 gedetineerden voor 11.098 plaatsen, zelfs nadat de capaciteit is toegenomen, weliswaar enkel door de opening van het detentiehuis te Olen.

De levensomstandigheden in de gevangenissen zijn zeer driest. De basiswet inzake mensenrechten wordt op verschillende fronten geschonden en niet nageleefd. Ik vraag mij af wat we moeten doen om dat globaal op te lossen, maar het blijft steeds erger worden. De spanningen in de gevangenissen nemen toe, er worden talloze vragen gesteld over de onveiligheid, drugs worden een toevlucht om de zorgen te vergeten en tieren dus welig. Door de interne organisatie versterkt de spanning in de detentie bovendien. We staan zodoende veraf van de humane detentie die we trachten te bereiken.

Mevrouw de minister, wat zijn uw plannen om op korte en lange termijn te verhelpen aan die mensonterende situaties?

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, week na week worden trieste records gebroken wat de overbevolking in onze gevangenissen betreft. Deze week moesten meer dan 541 gedetineerden op een matras op de grond slapen, werkelijk een ongezien aantal.

Sinds het begin van deze regering is het aantal grondslapers gestegen. Collega Yzermans heeft de cijfers al vernoemd. Ik zal het even uitdrukken in procenten, want dat klinkt nog veel duidelijker. Hun aantal is gestegen met 280 %, mevrouw de minister. Het is duidelijk dat het probleem van de overbevolking maar niet onder controle geraakt.

Het aantal gedetineerden blijft stijgen. De gevolgen, zowel voor de gedetineerden als, in de eerste plaats, voor het personeel, zijn aanzienlijk: mensonwaardige werkomstandigheden, en een groot risico voor de veiligheid van de cipiers.

Het gevangenispersoneel werkt zich werkelijk te pletter, maar het wordt geconfronteerd met een steeds stijgende agressie. Het voelt zich werkelijk in de steek gelaten.

Ook bij de gedetineerden wordt gesproken over een humanitaire crisis. Als er niet zeer snel beterschap komt, dreigt de situatie volledig uit de hand te lopen. Op deze wijze kan ook niet gewerkt worden aan de broodnodige voorbereiding op de re-integratie in de samenleving, hoewel dat toch ook een van de doelstellingen van detentie moet zijn. Gedetineerden die in deze omstandigheden worden opgesloten, kunnen er enkel slechter uitkomen en opnieuw een groot gevaar betekenen voor de samenleving.

De vakbonden stellen duidelijk dat u absoluut nog niet genoeg hebt ondernomen. De noodwet heeft geen soelaas gebracht. De urgentie om dat probleem aan te pakken wordt onvoldoende aangevoeld door de regering, zo klagen de vakbonden.

Mevrouw de minister, hoe reageert u op de uitspraken van de vakbonden? Welke initiatieven zult u nemen op zeer korte termijn?

De media schenken vandaag de nodige aandacht aan de problematiek, maar ook nu wordt de ware oorzaak van het probleem halsstarrig verzwegen in de media, met name het groot aantal buitenlandse gedetineerden en illegalen. Zolang die oorzaak niet mag worden genoemd, zal men niet tot de voor de hand liggende oplossing komen, namelijk criminele vreemdelingen hun straf doen uitzitten in het land van herkomst, en daar in een versneld tempo werk van maken. Daaraan moet u veel meer aandacht besteden.

Sophie De Wit:

Er is al veel gezegd, mijnheer de voorzitter. Ik verwijs naar de tekst van mijn vraag zoals ingediend.

Geachte minister,

Ondanks de inwerkingtreding van de noodwet blijft de overbevolking in onze gevangenissen verder ontsporen.

Volgens recente cijfers van het Gevangeniswezen slapen vandaag 499 gedetineerden op de grond, een absoluut record en een stijging met meer dan 280 % tegenover het begin van de legislatuur.

Zowel de directie van het Gevangeniswezen als de vakbonden spreken van een 'humanitaire crisis' en een 'noodtoestand voor het personeel'.

Het personeel werkt zich letterlijk te pletter in onmenselijke omstandigheden, met toenemende agressie, veiligheidsrisico’s en een gevoel van totale uitputting. Ook voor de gedetineerden zelf zijn de gevolgen nefast: wie in zulke omstandigheden wordt opgesloten, komt er niet beter maar slechter uit.

Ik heb volgende vragen voor u:

1. Hoe reageert u op deze alarmerende situatie waarin bijna vijfhonderd gedetineerden op de grond slapen?

2. Hoe beïnvloedt de aanwezigheid van honderden grondslapers de operationele beheersbaarheid van de instellingen en de werkdruk voor het personeel? Werd tijdelijk afgeweken van veiligheids- of personeelsnormen (zoals de maximale bezetting per cel of brandveiligheidsregels) om de overbevolking op te vangen en hoe wordt daarbij de veiligheid van personeel en gedetineerden gegarandeerd?

3. Hoe verklaart u dat de inwerkingtreding van de noodwet tot dusver niet heeft geleid tot een daling van de gevangenispopulatie of van het aantal grondslapers, maar integendeel tot een verdere stijging?

4. Welke onmiddellijke maatregelen gaat u nemen om de leefbaarheid en veiligheid in de meest overbevolkte gevangenissen te herstellen, zowel voor gedetineerden als personeel?

5. Binnen welke termijn verwacht u dat de gevangenispopulatie opnieuw onder het niveau van de operationele capaciteit kan worden gebracht?

6. En hoe ver staat u met de aangekondigde extra capaciteit via detentiehuizen en containergebouwen?

Dank voor uw antwoorden.

Julien Ribaudo:

Madame la ministre, notre pays vient de battre un triste record. Le 3 février dernier, 167 détenus dormaient sur un matelas à même le sol dans nos prisons. Le 3 novembre, c'était 500 détenus; le 10 novembre, 525 détenus; le 17 novembre, 541 détenus.

Mis bout à bout, cela représente plus d'un kilomètre de matelas posés au sol dans nos établissements pénitentiaires. Cette image dit tout de l'état de notre système.

À l'ouverture de la prison de Haren, la direction assurait à son personnel qu'il n'y aurait jamais de matelas par terre. Force est de constater qu'aucune prison, même la plus récente, n'échappe désormais à cette situation.

En effet, aujourd'hui, 43 cellules individuelles à Haren deviendront de fait des cellules doubles, avec toutes les tensions et tous les risques que cela génère. Selon plusieurs sources, quatre détenus auraient demandé eux-mêmes à être envoyés au cachot, pour exprimer leur mal-être et leur refus d'une cohabitation forcée dans un espace déjà très réduit.

Cette surpopulation renforce par ailleurs la pression sur un personnel pénitentiaire, qui est déjà en sous-effectif chronique, et dégrade davantage encore les conditions de détention. Un agent me confiait hier: "J'ai connu l'époque où l'on coupait les serviettes en deux parce qu'on manquait de matériel. Mais ce qu'on vit aujourd'hui, c'est du jamais vu."

Pour dénoncer ces conditions de travail et de détention indignes, l'ACV a déposé un préavis de grève de 24 heures à compter du mercredi 19 novembre à 22 h à la prison de Haren.

Madame la ministre, s'il est question de 43 places supplémentaires à Haren, les contrats du partenariat public-privé permettent d'aller jusqu'à 15 % de surpopulation. Concrètement, de combien de détenus supplémentaires parle-t-on? Quelles mesures ont été prévues pour pouvoir accueillir un tel nombre de personnes?

Avez-vous rencontré le personnel et la direction de la prison de Haren depuis qu'il est question de ces 43 places et depuis le dépôt du préavis de grève? Si oui, quelle piste de solution a été envisagée? Si non, pourquoi ne pas avoir organisé une rencontre?

Annelies Verlinden:

Geachte Kamerleden, we hebben ondertussen helaas de kaap van 500 grondslapers bereikt. Ik ben mij dus heel goed bewust van de urgentie en de onhoudbaarheid van de situatie, zowel voor de gedetineerden als voor het personeel.

De noodwet heeft wel degelijk effect, mevrouw Dillen. Sinds de inwerkingtreding werd aan meer dan 600 veroordeelden een vervroegde invrijheidstelling toegekend op zes maanden voor het strafeinde. De SUR's hebben al meer dan 1.700 aanvragen behandeld. Daarvan werd aan zowat 520 veroordeelden tot drie jaar elektronisch toezicht toegekend en aan 114 veroordeelden een voorwaardelijke invrijheidsstelling.

Daarnaast werden nog meer dan 950 dossiers bij de SUR aanhangig gemaakt. In afwachting van een beslissing van de SUR werd aan hen strafonderbreking toegekend.

Cependant, chers collègues, nous constatons en effet que les juges d'application des peines prennent une décision négative dans environ 40 % des demandes de surveillance électronique et environ 85 % des demandes de libération conditionnelle. Une première analyse des jugements montre que l'application de la loi d'urgence par les juges d'application des peines est plus stricte que ce qui avait été prévu lors de l'élaboration de ladite loi.

Het gerealiseerde effect van de noodwet wordt daardoor tenietgedaan. Daaraan liggen de volgende redenen en omstandigheden ten grondslag.

Er is de gedeeltelijke uitvoering van de zogenaamde stock, op initiatief van de procureur des Konings naar aanleiding van hun acties in verband met de geplande pensioenhervorming, bovendien verschillend over het hele land.

Er is een stijging van het aantal beklaagden in de herfst, wat een jaarlijkse trend is, in het bijzonder in het kader van specifieke acties. Wekelijks komen er ongeveer 200 nieuwe beklaagden binnen.

Er worden geen nieuwe VPV's meer toegekend. Daarnaast is er een stijging van het aantal langgestraften, van het aantal beklaagden en het aantal veroordeelden zonder wettig verblijf, en van het aantal geïnterneerden.

Samen met de minister van Asiel en Migratie en de minister van Buitenlandse Zaken zetten we in op de overbrenging van veroordeelden zonder verblijfsrecht. Op 23 oktober werd een nieuw akkoord gesloten met Marokko, waarin heel precies de targets voor de overbrengingen zijn vastgelegd, meer bepaald minstens vijftig per jaar. Vandaag zijn dat er nul. Ook ten aanzien van Nederland werd op politiek en diplomatiek niveau druk uitgeoefend om opnieuw overbrengingen te aanvaarden. Dat gebeurt intussen opnieuw, zij het nog steeds te langzaam.

Om de terugkeer van veroordeelden zonder recht op verblijf te bevorderen en te versnellen, zal worden ingezet op een versterking van het aantal escorteurs bij de luchtvaartpolitie.

Ook al merken we dat dankzij de versterkte diplomatie van ons land vooruitgang wordt geboekt, is het een illusie te denken dat zomaar tweeduizend gedetineerden holderdebolder uit onze gevangenissen zouden kunnen worden verwijderd. De enige realistische piste op korte termijn is ze over te brengen naar de gesloten centra van de DVZ, indien hun aanwezigheid in de gevangenissen in het kader van de strafuitvoering niet langer noodzakelijk is.

Wat de geïnterneerden betreft, stoten we, zoals in het hele land, op de limieten van de capaciteit van het zorgcircuit. Ook daar worden initiatieven genomen om de capaciteit te verhogen. In de loop van 2026 zal Volksgezondheid 90 bijkomende plaatsen voorzien in zorghuizen.

We moeten blijven inzetten op de verwijdering van veroordeelden zonder recht op verblijf en van geïnterneerden, en tegelijk werk blijven maken van de uitbreiding van de gevangeniscapaciteit. De projecten om bijkomende capaciteit te voorzien in de detentiehuizen, worden verdergezet zoals gepland, net als de projecten voor extra gevangeniscapaciteit. Het valt niet te ontkennen dat andere projecten om op korte termijn bijkomende capaciteit te creëren, zoals de modulaire units, het ritme van de begrotingsbesprekingen moeten volgen. Zolang die besprekingen niet zijn afgerond, zijn er daarvoor geen middelen. Het is dus niet duidelijk over welke bijkomende middelen we zullen beschikken om al die projecten te realiseren.

Mijn boodschap is zeer duidelijk: meer dan 13.500 gedetineerden, waarvan er meer dan 500 op een matras slapen, is een onhoudbare situatie. Ik zal het plan van aanpak deze week nog bespreken binnen de regering.

Monsieur Ribaudo, le contrat DBFM Haren prévoit en effet qu'une surpopulation allant jusqu'à 15 % peut être autorisée, moyennant le paiement de frais supplémentaires pour les services facilitaires. Au-delà de 15 %, une indemnité additionnelle doit être versée. En théorie, cela correspond à 178 lits supplémentaires qui peuvent être réalisés dans le cadre du contrat.

Président: Pierre Jadoul.

Voorzitter: Pierre Jadoul.

Bien entendu, il ne s'agit pas uniquement de lits, mais aussi de personnel et d'autres formes d'encadrement. Les 43 lits font partie d'une modification au contrat par le donneur d'ordre, qui prévoit 53 lits supplémentaires. Il s'agit de la première phase. Une extension supplémentaire via un avenant du même type est actuellement à l'étude.

Le 14 novembre, une concertation s'est tenue avec le personnel et la direction de Haren. Une assemblée du personnel a également eu lieu en présence de la directrice générale. Un préavis de grève a été déposé pour le 20 novembre.

Alain Yzermans:

Mevrouw de minister, door technische en contextuele omstandigheden worden de doelstellingen van de noodwet niet behaald. Het blijft dweilen met de kraan open. Voor een humanitair detentiebeleid moeten we alles op alles zetten om beter omstandigheden voor de grondslapers te creëren. Voorts moeten we ook opkomen voor het personeel. Vandaag nog lieten personeelsleden mij weten dit geen week meer te kunnen volhouden. Het wordt hen te veel. Die crisis zal omslaan en escaleren. Wat zullen we op dat moment doen?

We moeten blijven geloven in een amalgaam van maatregelen, waarbij de juiste voorzieningen worden getroffen, zowel inzake capaciteit als voor de juiste doelgroepen. De basiswet en het personeel in gedachten, hoop ik dat humane detentie niet voor sint-juttemis is.

Terwijl wij hier vergaderen, is het aantal grondslapers opnieuw gestegen. Het overtal inzake grondslapers bedroeg 280 %, vandaag is dat 330 %. We zijn dus weer een stap verder. Het gaat niet om een record, maar dat is een duidelijk signaal dat een betere en snellere aanpak nodig is.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, bedankt voor uw antwoord. Collega Yzermans heeft gelijk. Het cijfer is gestegen. Ik had de berekening niet opnieuw gemaakt op basis van het juiste aantal grondslapers vandaag. Het aantal grondslapers spreekt boekdelen.

Ik denk dat de vakbonden terecht aankaarten dat de voltallige regering de urgentie absoluut niet voldoende aanvoelt. Ze voelt niet aan dat er veel meer middelen moeten worden vrijgemaakt voor Justitie om u in staat te stellen om die problematiek aan te pakken, naast de talrijke andere noden binnen Justitie, maar dat is een ander debat. Ik blijf dus hopen dat u met een grondig plan van aanpak zult komen en dat u bij de begrotingsbesprekingen in de regering voldoende steun en middelen zult krijgen.

Sophie De Wit:

Ik dank u voor uw antwoord, mevrouw de minister. Wordt vervolgd.

Julien Ribaudo:

Madame la ministre, je vous remercie pour votre réponse. La surpopulation est un problème très ancien. Mais ce que vivent aujourd'hui les détenus, les agents, les directions est sans précédent. Nous battons tous les records avec 21% de surpopulation, 13 483 détenus pour 11 098 places, 541 personnes dormant à même le sol. C'est un kilomètre de matelas à terre! Si nous poursuivons au rythme actuel, nous atteindrons les 1 000 personnes dormant à terre d'ici avril 2026, ce qui est inacceptable. Sur le terrain, l'exaspération est palpable. Un directeur me disait avoir pris 10 ans en six mois. Des agents m'ont confié ne plus avoir le temps de rien faire, qu'ils ouvrent et ferment les portes et c'est tout! J'ai entendu dire de nombreuses fois ces dernières semaines: "Si ça continue, de gros incidents vont devenir inévitables". Madame la ministre, vous n'êtes pas responsable de l'héritage. Mais aujourd'hui, vous êtes aux commandes et le secteur attend des réponses concrètes, urgentes et structurelles. Pas des effets d'annonce. Le PTB soutient les travailleurs de la prison de Haren dans leurs actions de ce soir et de demain. Nous serons également aux côtés de l'ensemble des travailleurs pénitentiaires mardi et mercredi prochains.

De onhoudbare situatie in de hulpgevangenis van Leuven

Gesteld door

lijst: VB Marijke Dillen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 19 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De hulpgevangenis Leuven kampt met chronische overbevolking (220 gedetineerden op 149 plaatsen, grondslapers, psychisch kwetsbaren zonder scheiding) en gebrek aan budget, wat leidt tot levensgevaarlijke omstandigheden en dreigende stakingen door uitgeput personeel. Minister Verlinden erkent het probleem—veroorzaakt door een landelijke gevangeniscrisis (500+ grondslapers)—en kondigt een noodplan aan met focus op uitstroom (bv. onwettig verblijf) en extra capaciteit, maar concrete maatregelen moeten nog door de regering goedgekeurd worden. Dillen benadrukt dat dringende structurele actie ontbreekt en waarschuwt voor een "tikkende tijdbom" door jarenlang uitblijven van oplossingen, ondanks herhaalde alarmkreten van vakbonden. Kernpunt: acute noodsituatie eist onmiddellijke interventie, maar politiek-handelingsvermogen schort nog.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, ik verwijs naar de schriftelijke voorbereiding.

Het probleem in de hulpgevangenis van Leuven is geen nieuw probleem en de problemen zijn dezelfde als in de meeste andere gevangenissen: te veel gedetineerden en geen budget. De vakbonden trokken opnieuw aan de alarmbel omwille van de steeds maar toenemende overbevolking met als resultaat bijna 220 gedetineerden voor 149 plekken, 3 tot 4 gedetineerden in een cel van 7,5 vierkante meter en ongeveer 15 grondslapers. Dit leidt onvermijdelijk tot spanningen. De situatie wordt zelfs levensgevaarlijk omdat gevangenen met psychische problemen niet kunnen worden gescheiden van de andere gevangenen.

De vakbonden vroegen midden oktober een oplossing aan de directie maar na een beraad van 10 dagen is er tot op heden geen resultaat. Het is trouwens niet de eerste keer dat de vakbonden deze ernstige problematiek aankaarten.

Het grote probleem: geen budget om problemen op te lossen. Terecht wijzen de vakbonden op een implosie van het gevangenissysteem. Maar de vakbonden hopen nog steeds op noodmaatregelen van de minister voor deze crisis, zo niet dreigt er een tikkende tijdbom.

Gevolg van het gebrek aan oplossingen: de aankondiging van een nieuwe stakingsdag op 7 november. Als er dan weer niets uit de bus komt, zullen er nieuwe acties volgen want het personeel en de gevangenen zitten op hun tandvlees, zo waarschuwen de vakbonden.

Helaas slaagt de minister er maar niet in om de onaanvaardbare omstandigheden in deze gevangenis - net zoals trouwens in de meeste andere gevangenissen - onder controle te krijgen.

De directie van de hulpgevangenis Leuven steunde in het verleden altijd het personeel. Kan de minister mij mededelen waarom het overleg tussen de vakbonden en de directie thans geen concrete resultaten heeft opgeleverd?

Welke initiatieven gaat de minister nemen om ervoor te zorgen dat in de hulpgevangenis van Leuven - net trouwens zoals voor alle andere gevangenissen - de werkomstandigheden voor het personeel genormaliseerd en aanvaardbaar worden, alsook de levensomstandigheden voor de gedetineerden?

Annelies Verlinden:

Het is mij niet duidelijk op basis van welke afspraken of handelingen er wordt geconcludeerd dat de directie van de hulpgevangenis van Leuven haar personeelsleden niet meer zou steunen. De reductie van het aantal gedetineerden in het algemeen en van de grondslapers in het bijzonder ligt uiteraard niet alleen in handen van de directie. Mogelijk heeft die realiteit geleid tot de perceptie dat het personeel niet wordt gesteund.

In het verleden was het mogelijk arresthuizen met grondslapers te ontvolken door gedetineerden naar andere gevangenissen te oriënteren. Dat is vandaag, met een zeer hoge populatie en meer dan 500 grondslapers, niet meer mogelijk. De maatregelen in de noodwet werden wel in tastbare cijfers vertaald, maar desondanks is de gevangenisbevolking op twee maanden tijd gestegen. Ik heb de reden van die stijging daarstraks al aangehaald.

De gevangenisdirecties en de vakbonden waarschuwen voor onmenselijke omstandigheden en risico’s. Met een pakket aan maatregelen op korte, middellange en lange termijn wil ik daaraan tegemoetkomen, waarbij onder meer wordt ingezet op de uitstroom uit onze gevangenissen van onder andere personen in onwettig verblijf en geïnterneerden, en op het voorzien in bijkomende capaciteit.

Een plan van aanpak zal, zoals ik daarstraks al zei, de komende dagen in de regering besproken worden.

Marijke Dillen:

Dank u voor uw antwoord, mevrouw de minister. Mevrouw de minister, het personeel en de vakbonden zelf hebben de trieste problematiek aangekaart. Midden oktober hadden ze een overleg met de directie, maar na een beraad van tien dagen was er absoluut geen resultaat. Dat resultaat is er tot vandaag nog altijd niet. Het is trouwens niet de eerste keer dat de vakbonden in de hulpgevangenis van Leuven de problematiek aanklagen. De personeelsleden zitten werkelijk op hun tandvlees, mevrouw de situatie. De situatie is onaanvaardbaar. Ze spreken over een tikkende tijdbom. Mijn repliek is hier dezelfde als bij andere vragen. Er moet dringend iets gebeuren. Er moet dringend een structurele aanpak ten gronde komen om andere grote drama’s in de toekomst te vermijden.

De bescherming van (ex-) magistraten en gerechtelijke onderzoekers tegen gerechtelijke intimidatie

Gesteld door

lijst: N-VA Sophie De Wit

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 19 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sophie De Wit vraagt hoe het procesrecht misbruik door veroordeelden (zoals de dagvaarding van ex-commissaris Willy Devestel door moordenaar Jean Claude Lacote) kan voorkomen en hoe (ex-)magistraten beter beschermd kunnen worden tegen gerechtelijke intimidatie, met voorstel voor een centraal aanspreekpunt bij Justitie. Minister Annelies Verlinden wijst op bestaande rechtsbijstand (KB 2015) en psychologische ondersteuning voor magistraten, maar ontwijkt concrete cijfers of extra maatregelen, benadrukkend dat individuele zaken aan de rechter zijn en politiebescherming niet onder haar bevoegdheid valt. De minister negeert het voorstel voor een centraal punt, terwijl De Wit hierop aandringt. Kern: systeemtekort aan structurele bescherming en opvolging van intimidatiegevallen blijft onbeantwoord.

Sophie De Wit:

Geachte minister,

Recent raakte bekend dat Jean Claude Lacote, veroordeeld tot dertig jaar cel voor moord, de voormalige commissaris van de gerechtelijke politie Willy Devestel, die destijds het onderzoek naar hem leidde, dagvaardt wegens laster en schending van het beroepsgeheim.

Deze casus roept de vraag op in welke mate het huidige procesrecht toelaat dat veroordeelden gerechtelijke procedures gebruiken (misbruiken) om hun voormalige vervolgers te intimideren of te discrediteren. Dat een zwaar veroordeelde crimineel via gerechtelijke weg zijn vroegere onderzoeker viseert, is hoogst uitzonderlijk. Zulke procedures kunnen immers een vorm van gerechtelijke intimidatie zijn en doen vragen rijzen over de bescherming van magistraten, gerechtelijke onderzoekers en andere personeelsleden van justitie, ook nadat zij hun ambt verlaten hebben.

Ik heb volgende vragen voor u:

1. Hoe beoordeelt u deze zaak waarin een tot een zware gevangenisstraf veroordeelde crimineel een voormalige gerechtelijke onderzoeker gerechtelijk viseert? Acht u dit een vorm van gerechtelijke intimidatie?

2. Beschikt u over cijfers of signalen omtrent gelijkaardige gevallen waarin (voormalige) magistraten of gerechtelijke onderzoekers door veroordeelden werden gedagvaard of aangeklaagd?

3. Welke mogelijkheden bestaan er momenteel om (ex-)magistraten, gerechtelijke onderzoekers of andere personeelsleden van justitie juridisch of psychologisch te ondersteunen wanneer zij omwille van (vroegere) ambtshandelingen worden geviseerd?

4. Overweegt u bijkomende maatregelen om misbruik van gerechtelijke procedures door veroordeelden te voorkomen en tegelijk de rechtsbescherming van (voormalige) magistraten, gerechtelijke onderzoekers en andere personeelsleden van justitie te versterken?

5. Ziet u een meerwaarde in het oprichten van een centraal aanspreekpunt binnen de FOD Justitie waar (ex-) magistraten, gerechtelijke onderzoekers of andere personeelsleden van justitie terechtkunnen bij gevallen van intimidatie of gerechtelijke represailles zodat dergelijke situaties structureel kunnen worden opgevolgd en geanalyseerd?

Annelies Verlinden:

Mevrouw De Wit, ik kan uiteraard geen standpunt innemen over een individuele gerechtelijke procedure en ook niet over de motieven van een dagvaarding of de appreciatie ervan als al dan niet intimidatie. Het behoort uitsluitend tot de bevoegdheid van de rechterlijke macht om te oordelen over dit soort geschillen.

Wat betreft de betrokkenheid van politieambtenaren, wil ik onderstrepen dat ik als minister van Justitie niet bevoegd ben voor de organisatie en de werking van de politiediensten. Ik kan mij dan ook niet uitspreken over de eventuele beschermingsmaatregelen of de ondersteuning die specifiek voor de politie gelden.

Magistraten die in het kader van hun ambtsuitoefening worden gedagvaard, kunnen in elk geval rekenen op rechtsbijstand, conform het koninklijk besluit van 18 november 2015 betreffende rechtshulp. Deze waarborg vormt een belangrijke bescherming voor de onafhankelijke werking van de rechterlijke macht. Er werd eveneens voorzien in een netwerk van psychologische ondersteuning in geval zich incidenten voordoen. Magistraten en medewerkers kunnen daarop een beroep doen, voor zover het incident verband houdt met de uitoefening van het ambt.

Sophie De Wit:

Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord. Ik had graag nog vernomen of u heil ziet in een centraal aanspreekpunt waar men terechtkan.

Voorzitter:

N'ayant pas de nouvelles de Mme Meunier, sa question n° 56009986C est sans objet.

Artikel 521 van het Gerechtelijk Wetboek
Artikel 521 van het Gerechtelijk Wetboek over de onverenigbaarheden voor gerechtsdeurwaarders
Onverenigbaarheden voor gerechtsdeurwaarders volgens artikel 521 Gerechtelijk Wetboek

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 19 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de legale grijszone rond artikel 521 van het Gerechtelijk Wetboek, dat huurdeurs verbiedt commerciële nevenactiviteiten uit te oefenen, maar verouderd is sinds de afschaffing van het onderscheid tussen *commerciële* en *civiele vennootschappen* (Code Vennootschappen & Verenigingen, 2019). Minister Verlinden bevestigt dat de huidige regel strikte autorisatie door het parket vereist voor administratieve mandaten, maar overweegt een aanpassing naar het notariaatsmodel (ministeriële toestemming in plaats van parket), met oog voor deontologische neutraliteit en modernisering. Kritiekpunt: Een groot huissierskantoor ontwijkt de regel via *patrimoniale vennootschappen* (€132.000 maandhuur), terwijl slechts 2 van 15 disciplinaire dossiers (2019-2024) tot sancties leidden. Jadoul (MR) diende al een wetsvoorstel in om de tekst aan te passen; Prévot kondigt verdere politieke druk aan via resoluties.

Patrick Prévot:

Je vous remercie, monsieur le président, pour votre souplesse. Je remercie aussi M. Jadoul d'avoir eu la gentillesse d'attendre que je puisse poser mes questions dans d'autres débats d'actualité.

Madame la ministre, le journal Le Soir a réalisé une série d'articles sur les huissiers de justice et dans cette enquête fouillée, il est établi qu'un huissier, à la tête d'une grande étude de ce pays, possède un empire immobilier avec quatre sociétés immobilières qui produisent ensemble un revenu locatif d'environ 132 000 euros par mois. Vous conviendrez qu'on n'est évidemment pas sur le petit studio à la côte belge.

Selon le parquet général de Bruxelles, aucune demande d'autorisation n'a jamais été introduite. Or l'article 521 du Code judiciaire dispose "qu'il est interdit à tout huissier de justice et à tout candidat huissier de justice d'exercer lui-même ou par personne interposée aucune autre profession à l'exception des missions d'enseignement ou de recherche en qualité d'assistant, de chargé de cours, de professeur ou d'auteur et à l'exception des fonctions de juge consulaire".

Le procureur général près la cour d'appel peut, dans des cas particuliers, après avoir pris les avis du procureur du Roi et du conseil de la chambre d'arrondissement, autoriser l'huissier de justice ou le candidat huissier de justice à être administrateur d'une société commerciale sans cependant qu'il lui soit permis d'être gérant, administrateur délégué ou liquidateur.

Interrogé sur la question le 24 septembre dernier lors des auditions sur l'industrie de la dette menées en commission de la Justice, le représentant de l'intéressé s'est justifié en disant qu'il ne s'agit pas d'une profession commerciale mais d'une société patrimoniale civile. Une distinction stricte est établie entre ce qui relève du patrimoine privé de la personne, d'une part, et de son activité professionnelle et des ressources de son étude d'huissier, d'autre part. De plus, le Code des sociétés et associations régit désormais les entreprises. La notion d'activité commerciale a désormais disparu de ce Code. Dès lors, l'article 521 du Code judiciaire est devenu, dans une certaine mesure, désuet, et il devrait visiblement être adapté.

Madame la ministre, quelle est votre interprétation de l'article 521 du Code judiciaire et de la légalité de la pratique relevée par le journal Le Soir ? Quelles sont les statistiques des infractions et des poursuites pour une infraction à l'article 521 du Code judiciaire? Enfin, entendez-vous revoir et adapter l'article 521 du Code judiciaire? Si oui, pouvez-vous préciser les motifs et les modifications envisagées?

Pierre Jadoul:

Madame la Ministre,

La loi du 23 mars 2019 introduisant le code des sociétés et des associations, entrée en vigueur le 1er mai 2019, a abrogé la distinction juridique qui existait jusqu'alors entre les sociétés commerciales et les sociétés civiles.

Cette réforme avait pour objectif d'établir un droit des sociétés unique, moderne et cohérent.

En 2022, cette abrogation de la distinction juridique entre sociétés commerciales et sociétés civiles a été intégrée dans la loi contenant organisation du notariat.

Cette loi dispose aujourd'hui, en son article 6,: « le notaire ne peut : 7° être, par lui-même ou par personne interposée, gérant, administrateur délégué ou liquidateur d'une entreprise industrielle ou commerciale ; 8° être, lui-même ou par personne interposée, administrateur d'une entreprise industrielle ou commerciale, à moins qu'il n'y soit autorisé par le ministre de la Justice ».

L'exposé des motifs de la modification législative intervenue pour le notariat indique que : « Les modifications de l'article 6 de la loi du 25 Ventôse An XI contenant organisation du notariat concernent en premier lieu des adaptations purement techniques à la donnée que la distinction juridique entre sociétés commerciales et sociétés civiles a été abrogée. Ces dispositions renvoient toujours aux sociétés commerciales, ce qui est adapté dans le texte. Il s'agit des dispositions 7° et 8° relatives à l'interdiction pour le notaire d'assumer, par lui-même ou par personne interposée, un mandat d'administration dans des sociétés commerciales. De manière générale, le renvoi à la notion “commerciale" est cependant maintenu, en tant que notion déontologique, comme prévue à l'article 254, alinéa 2 de la loi du 15 avril 2018 portant réforme du droit des entreprises (1). »

Le législateur n'a toutefois pas procédé à la même actualisation en ce qui concerne la profession d'huissier de justice. La situation semble cependant le justifier.

Madame la Ministre,

- Êtes-vous favorable à une actualisation de l'article 521 du Code Judiciaire en ce qui concerne les incompatibilités liées à la profession d'huissier de justice ? Si oui, dans quel sens ?

- Selon vous, faudrait-il se calquer sur l'incompatibilité prévue pour les notaires ? Serait-il souhaitable de prévoir une autorisation par le ministre de la Justice comme pour les notaires ? Ou cela devrait-il rester dans les mains du procureur général près la Cour d'appel ?

Je vous remercie.

Annelies Verlinden:

Chers collègues, je souhaiterais avant toute chose attirer votre attention sur le fait que seuls les cours et tribunaux sont compétents pour interpréter la loi. En vertu du principe de la séparation des pouvoirs, je ne pourrai dès lors que vous communiquer des informations générales sur l'article 521 du Code judiciaire, sur lequel portent vos questions.

Cette disposition a pour objectif de consacrer les incompatibilités professionnelles qui s'imposent aux huissiers de justice et pose le principe selon lequel il est interdit à tout huissier de justice ou candidat huissier de justice d'exercer lui-même ou par personne interposée toute autre profession, mis à part celles qui sont expressément citées dans la disposition en question. L'objectif de cette disposition est d'assurer l'indépendance, l'impartialité et la neutralité de l'huissier de justice dans la fonction qu'il exerce.

L'article 521 du Code judiciaire est clair sur ce point et soumet toute possibilité pour un huissier de justice ou un candidat huissier de justice d'être administrateur d'une société commerciale à l'autorisation préalable du procureur général près la cour d'appel. Par ailleurs, l'article 521 dispose également explicitement que, même dans le cas d'une telle autorisation, l'huissier de justice ou le candidat ne peut en aucun cas exercer les fonctions de gérant, d'administrateur délégué ou de liquidateur d'une société commerciale, à savoir des fonctions exécutives au sein d'une société. À cet égard, il faut préciser que le mot "commercial" utilisé dans la disposition en question ne renvoie pas à la nature de l'activité exercée par l'huissier ou le candidat, mais à la nature de la société dans laquelle il pourrait être autorisé à occuper une fonction d'administrateur.

Avant l'entrée en vigueur du Code des sociétés et des associations (CSA), ce mot était utilisé pour faire la distinction entre les sociétés à but commercial et les personnes morales n'ayant pas de but commercial. Avec le CSA, cette distinction légale a été abandonnée en faveur de la notion d'entreprise, qui inclut toutes les personnes morales de droit privé régies par le CSA, indépendamment de leur but commercial ou non. Une adaptation de l'article 521 sur ce point pourrait en effet être examinée, de façon similaire à ce qui a été fait dans le cadre du notariat.

Selon les informations qui nous ont été communiquées par la Chambre nationale des huissiers de justice, 15 dossiers disciplinaires ont été ouverts avec un greffe lié à l'article 521 du Code judiciaire entre 2019 et 2024.

De ces 15 dossiers, deux ont donné lieu à une sanction disciplinaire après renvoi, deux ont été classées sans suite au niveau de la Chambre nationale et 11 ont été renvoyés à l'autorité disciplinaire compétente.

Enfin, ma note de politique générale contient un point concernant la modernisation des professions juridiques. Je suis disposée, dans ce cadre, à examiner la disposition en question afin de déterminer s'il existe réellement une lacune qui nécessiterait des modifications législatives de fond au-delà d'une adaptation du langage aux dernières évolutions législatives. Dans ce cadre, je suis également disposée à examiner la question de savoir s'il serait opportun de se calquer sur l'incompatibilité prévue pour les notaires en remplaçant l'autorisation donnée par le procureur général près la cour d'appel par une autorisation donnée par le ministre de la Justice.

Patrick Prévot:

Madame la ministre, je vous remercie pour votre réponse. Le préambule était évident, à savoir que seuls les cours et tribunaux sont compétents. Il était toutefois intéressant de vous entendre sur l'interprétation qu'on pouvait faire de cet article 521. Comme je l'avais moi-même fait dans le cadre de ma question, vous avez évidemment rappelé l'interdiction à tout huissier ou candidat huissier d'exercer une autre activité que celle reprise dans le Code judiciaire.

Je vous remercie d'avoir répondu également sur le nombre de dossiers qui avaient été ouverts: 15 dossiers disciplinaires ouverts, deux sanctions disciplinaires, deux non-lieux et le reste renvoyé dans les organes autres.

Je reste néanmoins attentif car, dans le cadre de votre note de politique générale, vous vous dites disposée à envisager des adaptations législatives. Il s'agit ici précisément d'examiner la question quant à d'éventuelles modifications législatives par rapport à cet article 521 qui, selon moi, pose problème, notamment en se calquant peut-être sur l'incompatibilité qui existe pour les notaires.

Dès lors, je ne manquerai pas de revenir vers vous pour voir si, dans les semaines ou mois à venir, vous avez, à la suite des travaux en commission de la Justice avec les auditions sur la commercialisation de la dette, la volonté de travailler sur quelque chose. En tout état de cause, la volonté de mon groupe est de proposer des textes à la suite de ces auditions, éventuellement des propositions de résolution, afin de donner une orientation et de retrouver un cercle plus vertueux auprès de certains cabinets de huissiers de justice plus scrupuleux.

Pierre Jadoul:

Merci, madame la ministre, pour les éléments de réponse que vous nous communiquez.

Il n'aura pas échappé à votre cabinet que j'ai déposé, avec différents collègues du MR, une proposition de loi qui tend précisément à modifier l'article 521 du Code judiciaire dans un moule quelque peu "copié-collé" du moule qu'a subi l'évolution du notariat. J'ai cru comprendre que certaines améliorations étaient souhaitées au sein de votre cabinet par rapport à cette proposition de loi, et je serai bien évidemment disponible pour y apporter les aménagements voulus.

L'objectif est effectivement de mettre le libellé de cette disposition – plus particulièrement en ce qui concerne l'alinéa 2 – en cohérence avec le Code des sociétés et des associations entré en vigueur le 1 er mai 2019. Il s'agit donc, à mes yeux, d'une affaire à suivre à relativement brève échéance, dans la mesure où la modification ne me paraît pas de grande ampleur.

Voorzitter:

Les questions jointes n os 56010137C de M. De Smet, 56010167C de M. Ribaudo et 56010331C de M. Jadoul sont reportées. Il en va de même des questions jointes n os 56010162C de Mme Merckx et 56010164C de M. Ribaudo, ainsi que de la question n° 56010168C de M. Ribaudo. M. Dufrane n'est pas présent pour poser sa question.

Het gebruik van AI door de federale gerechtelijke politie

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 19 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Annelies Verlinden bevestigt dat AI essentieel is in de bestrijding van georganiseerde criminaliteit (o.a. drugshandel, cybercrime), met toepassingen zoals datanalyse, beeldherkenning en spraaktekstconversie, maar benadrukt strenge wettelijke kaders (GDPR, EVRM, toekomstige EU AI Act) en ethische principes (transparantie, menselijk toezicht). Palantir-software wordt niet gebruikt door de federale politie. Van Hoecke erkent de efficiëntiewinst van AI (bv. documentanalyse) maar waarschuwt voor privacyrisico’s, pleit voor blijvende opvolging.

Alexander Van Hoecke:

Ik verwijs naar mijn vraag zoals die schriftelijk ingediend werd.

De nieuwe topman van de Oost-Vlaamse federale gerechtelijke politie Patrick Willocx pleit in een recent interview voor de inzet van artificiële intelligentie (AI) in de strijd tegen georganiseerde criminaliteit.

Hij stelt dat het gebruik van AI een belangrijke verdienste kan leveren wanneer bijvoorbeeld een grote hoeveelheid financiële gegevens geanalyseerd moeten worden. Tegelijkertijd waarschuwt hij voor de gevaren van AI. Zo ziet hij onder meer het gebruik van vervalste beelden als een bedreiging.

Verschillende politiezones zouden al een beroep doen op 'predictive police'-systemen die op basis van algoritmes proberen te voorspellen waar en wanneer misdrijven zich zullen voordoen.

In Nederland was er afgelopen zomer ophef over het gebruik van software van het Amerikaanse technologiebedrijf Palantir door de politie. Sommige critici zijn van mening dat de software ernstige risico's op het vlak van privacy met zich meebrengt.

Wat is de visie van de minister op het pleidooi om meer gebruik te maken van artificiële intelligentie in de strijd tegen georganiseerde criminaliteit?

Op welke manier wordt AI vandaag al ingezet in het opsporen van (zware) criminaliteit?

Welk wettelijk kader bestaat er vandaag rond het gebruik van nieuwe AI-gestuurde technologieën door de federale gerechtelijke politie?

Wordt er ook in België gebruik gemaakt van Palantir-software door de federale gerechtelijke politie of andere instanties die onder de bevoegdheid van de minister vallen? Indien ja, door welke instanties en met welke specifieke doeleinden wordt deze software gebruikt? Hoe wordt er tegemoet gekomen aan bezorgdheden op het vlak van privacy?

Annelies Verlinden:

Mijnheer Van Hoecke, ik deel de mening dat artificiële intelligentie een belangrijke hefboom kan zijn in de strijd tegen georganiseerde en zware criminaliteit. In lijn met het regeerakkoord wordt ingezet op digitalisering en technologische innovatie binnen justitie en politie, met oog voor effectiviteit en ook rechtsstatelijke waarborgen.

AI kan het werk van de FGP aanzienlijk versterken, onder meer bij complexe dossiers, zoals internationale drugstrafiek en cybercriminaliteit. De FGP gebruikt vandaag al AI-ondersteunende tools bij de analyse van grote datasets, beeld- en wapenherkenning, vertalingen en binnenkort ook speech-to-text. Die technologieën versnellen de doorzoeking van digitaal bewijsmateriaal en helpen ook bij het detecteren van patronen binnen complexe dossiers. Daarnaast neemt de federale politie deel aan Europese initiatieven om de kennis en capaciteit te versterken.

Het gebruik van AI door politiediensten steunt op meerdere wettelijke basissen: de algemene verordening gegevensbescherming, de wet gegevensbescherming door politie en justitie, de wet op het politieambt, de wet op de geïntegreerde politie, die voorzien in proportionaliteit, doelbinding en toezicht, het EVRM en ook de Europese AI Act. Een ontwerp van wetswijziging tot actualisering van de wet op het politieambt is in voorbereiding om bijkomende, innovatieve analysetechnieken te waarborgen in België.

De federale politie beschouwt AI dan ook als een strategische prioriteit om een wendbare en efficiënte partner te zijn in de strijd tegen georganiseerde criminaliteit. De visie van de politie steunt op de meerwaarde van het gebruik van AI dat de fundamentele principes bij het gebruik ervan respecteert. De visie wordt geconcretiseerd door de interne richtlijn rond het gebruik van AI op basis van een risicogebaseerde aanpak en een duidelijk proces van initiatieven binnen de federale politie.

De GPI heeft zich ook verbonden aan het federaal AI-charter voor verantwoord gebruik van AI door overheidsdiensten, gebaseerd op principes als transparantie, menselijke controle en beroepsrecht.

Tot slot kan ik in verband met de Palantir-software verwijzen naar mijn antwoord op de mondelinge vraag nr. 56009157C en eveneens meedelen dat de federale politie die software niet gebruikt.

Alexander Van Hoecke:

Dank u wel voor uw antwoord. Het is een moeilijk evenwicht, maar het is iets waar we sowieso niet onderuit kunnen. Bepaalde zaken zijn nu eenmaal zodanig veel efficiënter met AI dat het eigenlijk zinloos zou zijn om het te laten liggen. Ik denk bijvoorbeeld aan het doorzoeken van bepaalde documenten. We moeten er echter rekening mee houden dat het gebruik van AI ook heel wat risico's met zich kan meebrengen, bijvoorbeeld op het vlak van privacy, dus we blijven dit verder opvolgen.

De fouten bij de teruggave van elektronischtoezichtsmateriaal in de gevangenis

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 19 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Een gedetineerde in Haren leverde zijn enkelband correct in, maar kreeg door procedurefouten (geen ondertekend formulier, Franstalig ontvangstbewijs) ten onrechte een boete voor niet-teruggave, wat Alexander Van Hoecke als *"amateuristisch"* bestempelt. Minister Annelies Verlinden bevestigt dat dergelijke incidenten *"uitzonderlijk"* zijn, maar wijst erop dat het Vlaams Centrum voor Elektronisch Toezicht (VCET) – onder Vlaamse justitiebevoegdheid – verantwoordelijk is voor de afhandeling, terwijl gevangenissen (haar bevoegdheid) slechts betrokken zijn bij specifieke gevallen. Van Hoecke dringt aan op striktere controles en betere communicatie tussen gevangenissen en VCET om herhaling te voorkomen, met name rond taalgebruik en formulieren, terwijl Verlinden belooft de administratie hierop te wijzen en afspraken met VCET te versterken.

Alexander Van Hoecke:

Mevrouw de minister, ik heb een bizar verhaal over het elektronisch toezichtsmateriaal, de enkelbanden. Recent kwam ons een klacht ter ore over de procedure van teruggave van toezichtsmateriaal bij elektronisch toezicht. Een persoon die onder elektronisch toezicht zou gestaan hebben, kreeg van het Vlaamse Centrum voor Elektronisch Toezicht de melding dat zijn toezichtsmateriaal niet correct was ingeleverd en werd daarom gevraagd de kostprijs van het materiaal terug te betalen, alsook bijkomende administratiekosten.

Het probleem is dat het toezichtsmateriaal wel degelijk zou zijn binnengebracht in de gevangenis van Haren, maar de teruggave zou op een verkeerde manier zijn afgehandeld. De betrokkene kreeg een ontvangstbevestiging mee in het Frans. Het formulier dat zou moeten bevestigen dat het toezichtsmateriaal correct werd ingeleverd, werd bovendien niet ondertekend in de gevangenis door het personeel.

Mijn eerste logische vraag is dan natuurlijk de volgende. Kunt u bevestigen of ontkennen dat een dergelijk incident plaats heeft gevonden? Als dat klopt, betreft het dan een geïsoleerd incident of zijn er al eerder klachten binnengekomen over fouten bij de teruggave van elektronisch toezichtsmateriaal? Zo ja, over hoeveel klachten gaat het? Beperken die klachten zich tot de gevangenis van Haren of gebeuren gelijkaardige fouten ook elders?

Wat zult u ondernemen ter voorkoming van dergelijke fouten?

Annelies Verlinden:

Ik kan op dit ogenblik niet ingaan op de concrete situatie, aangezien het niet duidelijk is over welk incident en welke betrokkene het precies gaat. Het is belangrijk te benadrukken dat het Vlaams Centrum voor Elektronisch Toezicht niet onder mijn bevoegdheid valt, maar wel onder die van mijn Vlaamse collega bevoegd voor justitie en handhaving. In de meeste gevallen staat het VCET in voor de plaatsing, opvolging en ophaling van het toezichtsmateriaal bij personen die onder elektronisch toezicht staan, behalve voor personen die uit voorlopige hechtenis komen en bij wie elektronisch toezicht als modaliteit wordt toegepast.

Dergelijke incidenten lijken volgens de beschikbare informatie veeleer uitzonderlijk. Wanneer zich toch onduidelijkheden voordoen bij de teruggave van het materiaal, is het wenselijk dat het VCET rechtstreeks contact opneemt met de betrokken gevangenis om de situatie te verifiëren en op te helderen.

Indien de identiteit van de betrokkene wordt meegedeeld, kan de lokale directie van de gevangenis het dossier nakijken en nagaan welk gevolg werd gegeven aan een eventuele klacht of vraag ter zake.

Om probleemsituaties te vermijden, zal ik mijn administratie in elk geval vragen om hier aandachtig voor te zijn en desgevallend bijkomende afspraken met het VCET te maken.

Alexander Van Hoecke:

Mevrouw de minister, de gevangenis valt natuurlijk wel onder uw bevoegdheid, vandaar mijn vraag. Ik juich het toe dat u de gevangenis erop attent zult maken, opdat zulke fouten zich niet meer voordoen. Ik begrijp uit uw antwoord dat dergelijke fouten wel degelijk kunnen gebeuren. Ze moeten te allen tijde worden vermeden. Het lijkt mij dat er vooral wat schort aan de kennis in de gevangenis over het mee te geven en te ondertekenen formulier. Vooral, in het aangehaalde dossier gaf men een Franstalig document mee aan iemand uit Vlaanderen die onder elektronisch toezicht stond. Dat lijken mij allemaal vrij amateuristische fouten. Ik reken erop dat u uitzoekt oe een en ander precies is verlopen.

De bescherming van de consument tegen de verboden waterbehandelingspraktijken van Nestlé
De bewezen fraude door mineraalwaterproducenten in Frankrijk
Fraude en misleidende praktijken in de mineraalwaterindustrie

Gesteld aan

David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)

op 18 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Een Franse Senaatscommissie onthulde dat Nestlé (Perrier/Vittel) jarenlang illegale behandelingen (microfiltratie, bestraling) gebruikte om verontreinigingen (pesticiden, PFAS) in mineraalwater te verdoezelen, met actieve medeplichtigheid van de Franse overheid. België bevestigt dat dergelijke methodes hier verboden zijn en dat de AFSCA geen afwijkingen vond bij Nestlé België (Etalle), hoewel een gerechtelijk onderzoek loopt en de 0,2-micrometerfilters in 2024 werden verwijderd na een waarschuwing van het SPF Volksgezondheid. Geen direct gezondheidsrisico voor Belgische consumenten, maar verhoogde controles en waakzaamheid zijn nodig, vooral voor grensoverschrijdende aankopen van mogelijk gefraudeerd Frans water.

Sarah Schlitz:

Madame le présidente, ma question date également du mois de mai. Depuis lors, si je peux me permettre, pas mal d'eau a coulé sous les ponts.

Monsieur le ministre, le 20 mai dernier, une commission d’enquête du Sénat français a rendu un rapport accablant concernant les pratiques de Nestlé Waters dans la production et la commercialisation de certaines eaux minérales, en particulier la marque Perrier. Selon ce rapport, la multinationale aurait utilisé pendant plusieurs années des systèmes de traitement interdits, tels que la microfiltration à 0,2 micron et le rayonnement, pour masquer la présence de contaminants chimiques, dont des pesticides interdits, des nitrates et des PFAS.

La commission dénonce une dissimulation systématique de ces infractions par plusieurs échelons de l’État français, jusqu’à l’Élysée. Des rapports de l’Agence régionale de santé ont été modifiés, sur demande explicite de Nestlé, pour supprimer toute référence aux contaminations. Le préfet du Gard, en lien avec le cabinet ministériel de la Santé, a lui-même été impliqué dans cette manœuvre. Bref, je vous parle ici d'un scandale d'État.

Malgré ces révélations, aucune mesure de retrait ni de suspension de la commercialisation de l’eau Perrier n’a été prise à ce jour, y compris dans d’autres pays européens, dont la Belgique.

La législation belge, alignée sur les normes européennes, interdit les traitements chimiques ou par rayonnement pour les eaux minérales naturelles. Seuls certains traitements physiques, tels que l'élimination du fer ou du gaz, sont autorisés sous conditions strictes. L’AFSCA réalise des échantillonnages annuels pour détecter d'éventuels contaminants.

Monsieur le ministre, au vu de ce scandale des traitements interdits tels que le rayonnement et la microfiltration qui ont été utilisés en France, comment allez-vous nous assurer que ceux-ci n’ont pas été utilisés en Belgique?

L’AFSCA, le SPF Santé publique ou le SPF Économie ont-ils été informés, par les autorités françaises ou par la Commission européenne des résultats de cette enquête ou des mesures sanitaires prises en France? Sinon, avez-vous initié un contact officiel pour demander des explications ou des analyses complémentaires?

Enfin, Nestlé possède également une usine à Étalle, en province de Luxembourg, qui a fait l’objet d’une perquisition judiciaire en mars 2025. Pouvez-vous nous informer du motif précis de cette perquisition, de l’état de la procédure en cours et des suites que votre administration a données aux éléments éventuellement relevés à cette occasion?

Patrick Prévot:

Monsieur le ministre, c'est un véritable scandale qui a été révélé après le travail d'une commission d'enquête sénatoriale en France. Plusieurs minéraliers, dont Nestlé Waters, ont utilisé des systèmes de purification interdits pour décontaminer leur eau de source.

La commission d'enquête va même jusqu'à blâmer l'État qui aurait délibérément dissimulé ces fraudes à grande échelle face au lobbying du géant de l'agroalimentaire. Au total, au moins 30 % des marques françaises auraient eu recours à des traitements non conformes, dont le point de départ vient d'un lanceur d'alerte. Des bouteilles de Vittel, Contrex, Hépar ou encore Perrier ont été vendues comme naturelles, alors que l'eau était passée par des processus de désinfection chimique.

Selon Nestlé Waters, il n'y a aucun risque pour les consommateurs, sans en apporter toutefois la preuve.

Dans les supermarchés, notamment proches de la frontière, les Français reconnaissent souvent les Belges à leurs caddies remplis de packs d'eau. Je lis d'ailleurs que cet Eldorado reste d'actualité pour les Belges. Bien que la France ait récemment augmenté la TVA de 5,5 % à 20 %, le pack de six bouteilles coûte 1,30 euro, soit 50 centimes de moins qu'en Belgique où le prix moyen d'un tel pack est de 1,80 euro.

Cette fraude attestée des minéraliers en France réclame, selon moi, une attention particulière, notamment par rapport au nombre de Belges qui traversent la frontière pour aller faire leurs courses en France.

Monsieur le ministre, quel est votre retour sur cette fraude attestée des minéraliers en France? Quel impact a-t-elle pu entraîner sur la sécurité alimentaire et la santé des consommateurs belges? Y a-t-il eu des risques? Nestlé Waters a-t-elle apporté des preuves concrètes à ce sujet? Enfin, quel suivi allez-vous ou avez-vous donné à ce scandale?

David Clarinval:

La directive européenne relative à l'exploitation et à la mise dans le commerce des eaux minérales naturelles a été transposée en droit national par l'arrêté royal du 8 février 1999 concernant les eaux minérales naturelles et les eaux de source. Cette législation établit le principe général d'interdiction des traitements de ces deux types d'eau. Seul un nombre limité de traitements sont autorisés.

La cellule anti-fraude de l'AFSCA mène, en collaboration avec le SPF Économie, des contrôles ciblés auprès des producteurs belges d'eau minérale naturelle. Ces contrôles visent à examiner les méthodes de traitement appliquées à l'eau, notamment l'éventuel recours illégal à des systèmes de filtration. Les traitements tels que le filtrage sur charbon actif, le traitement avec le rayonnement UV ou l'usage de sulfate de fer sont strictement interdits.

La microfiltration est permise à condition qu'elle n'ait pas d'effet désinfectant sur la flore microbienne présente dans l'eau captée à l'émergence et/ou qu'elle ne la modifie pas de manière significative. La dénomination "eau minérale naturelle" ou encore "eau de source" est effectivement interdite si des traitements autres que ceux prévus dans la législation en vigueur sont appliqués. En cas d'infraction constatée officiellement, le SPF Santé publique peut retirer l'autorisation de commercialisation aux opérateurs belges incriminés.

La législation prévoit également que les eaux traitées illégalement sont déclarées nuisibles, ce qui peut impliquer un retrait du commerce par l'autorité chargée du contrôle officiel. Mes administrations n'ont pas été officiellement informées par les autorités françaises. Néanmoins, un contact a été établi via le système européen d'alerte rapide sans qu'aucune réponse n'ait été reçue à ce jour, selon les informations actuellement disponibles.

La fraude constatée en France ne constitue pas un risque pour la sécurité alimentaire. Il convient toutefois de rappeler que toute méthode de traitement altérant la composition originelle de l'eau minérale naturelle ou de l'eau de source est interdite, même si elle vise à renforcer la sécurité de l'eau. Bien évidemment, l'eau, même filtrée, reste toujours potable.

Le producteur belge concerné a bien été inspecté dans le cadre des contrôles susmentionnés. Une enquête judiciaire est en cours à l'encontre de cet opérateur.

Par conséquent, aucune information complémentaire ne peut être communiquée à ce stade, de façon à préserver l'intégrité de la procédure judiciaire.

Enfin, à la suite d'analyses scientifiques, le SPF Santé publique a rendu des conclusions négatives sur le principe de la filtration à 0,2 microgrammes mis en place par Nestlé, qui considérait cela comme autorisé.

Dans un courrier daté du 21 mai 2024, le SPF a imposé au fabricant de retirer les filtres en question et de se mettre en conformité avec la législation. Dès le 21 mai 2024, ces filtres ont donc été retirés. Les résultats d'un contrôle mené par l'AFSCA en février 2025 montrent que Nestlé a pris les mesures nécessaires en retirant effectivement les filtres, et que les nouvelles actions – nettoyage et désinfection des drains – sont efficaces.

Sarah Schlitz:

Merci pour ces réponses, monsieur le ministre. Nous analyserons tout cela au regard des législations actuelles.

Je m'étonne néanmoins du peu d'émoi suscité par ces infractions conscientes de Nestlé. Nous connaissons tous les méthodes utilisées par ce type de multinationales, notamment dans les pays du Sud. Il s'agit aujourd'hui d'un scandale sanitaire ici et en France.

Je pense donc qu'aujourd'hui, un véritable rappel à la règle doit être fait vis-à-vis de ces multinationales et que les contrôles doivent être multipliés sur l'ensemble des entreprises qui seraient susceptibles d'effectuer le même type d'actes totalement illégaux et dangereux pour la santé de nos consommateurs. Je compte sur votre vigilance, monsieur le ministre.

Patrick Prévot:

Merci monsieur le ministre de nous avoir livré un instantané de la situation.

J'habite Soignies, non loin de la frontière, et je connais de nombreuses personnes qui, malheureusement, vont faire leurs courses à Louvroil, du côté de Valenciennes. Quand un scandale sanitaire éclate en France et qu'il affecte la grande distribution, nous devons avoir le réflexe de nous dire que certaine Belges pourraient être directement concernés parce qu'ils vont faire leurs courses en France, étant donné que plusieurs produits – dont l'eau – sont moins chers là-bas. C'est, du reste, le sujet qui nous occupe ce matin.

J'ai bien écouté vos réponses. Manifestement, tout est sous contrôle. En tout cas, restons vigilants. Lorsqu'un scandale sanitaire éclate en France et qu'il touche la grande distribution, nous devons rester attentifs puisque les Belges frontaliers traversent facilement la frontière pour faire leurs courses dans les supermarchés français.

David Clarinval:

Madame la présidente, permettez-moi une précision pour le compte rendu. Il s'agit de 0,2 micromètre. Je me suis trompé tout à l'heure. La présidente : Oui, monsieur le ministre, il me semblait en effet que c'était trop volumineux.

Lumpy skin disease bij rundvee
Het opnieuw opduiken van lumpy skin disease bij rundvee in Europa
De voorbereiding van België op gevallen van lumpy skin disease
De dreiging van lumpy skin disease (LSD) en de bescherming van de Belgische veestapel
Lumpy skin disease bij rundvee en Europese preventie- en beschermingsmaatregelen

Gesteld aan

David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)

op 18 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België bleef in 2023 gespaard van lumpy skin disease (LSD), ondanks uitbraken in Frankrijk en Italië, dankzij strikte traceerbaarheid, quarantaine en importcontroles—geen besmette runderen werden geïmporteerd. Vaccinatie is cruciaal, maar België heeft geen eigen voorraad; afhankelijkheid van de Europese vaccinbank (nu in heraanvulling) blijft een risico, terwijl een nationaal noodplan met betrokkenheid van FAVV, AFMPS en veehouders wordt voorbereid. Lotte Peeters dringt aan op een nationaal importverbod voor runderen uit risicolanden (Frankrijk, Italië, Spanje) als extra bescherming, terwijl Patrick Prévot benadrukt dat de vaccinvoorraad prioriteit moet houden. De dreiging blijft bestaan, met verhoogde waakzaamheid voor 2024.

Lotte Peeters:

Mijnheer de minister, ik diende deze vraag begin juli in toen de lumpy skin disease nog niet zo bekend was. Daar kwam eind juli verandering in door de impact ervan op de Ronde van Frankrijk.

Begin juli moest het Federaal Voedselagentschap, nadat de ziekte op drie landbouwbedrijven in Italië en Frankrijk die honderden kilometers van elkaar lagen, werd vastgesteld, meedelen dat de ziekte in Europa terug van weggeweest was en riep het de rundveehouders op om waakzaam te zijn en de nodige maatregelen in acht te nemen. Er zouden geen runderen uit de zone rond de besmette gevallen aangevoerd zijn naar België, maar het onderzoek liep.

Ten eerste, is dat onderzoek ondertussen al afgerond? Kunt u bevestigen dat er geen besmette runderen naar ons land geïmporteerd zijn?

Ten tweede, voert het FAVV naar aanleiding van de uitbraken extra controles naar geïmporteerde dierlijke producten op risicoplaatsen, zoals havens of luchthavens uit?

Ten derde, vaccinatie is de enige manier om het virus in te dijken. Worden er voldoende vaccinaties voorzien vanuit de vaccinatiebank van Europa?

Patrick Prévot:

Monsieur le ministre, après la grippe aviaire, la fièvre catarrhale, la peste porcine africaine, la fièvre aphteuse, une nouvelle épidémie vient s'ajouter à cette dramatique liste de maladies animalières: la dermatose nodulaire. Elle est de retour sur notre continent.

Le 21 juin, un premier foyer a été confirmé dans un élevage de bovins en Sardaigne. On pourrait penser que le caractère insulaire facilite de contenir la propagation du virus. Il n'en est rien: le 25 juin, un bovin a été testé positif en Lombardie, à près de 700 km de son point de départ et, enfin, à l'heure d'écrire ces lignes, le 29 juin, un nouveau foyer a été détecté cette fois-ci en France, dans la Savoie. En près d'une semaine, le virus a circulé à vitesse grand V.

Je lis que d'après l'AFSCA, les bovins de ces élevages seront abattus et une zone de surveillance d'un rayon de 50 km a été délimitée. J'espère que ces mesures de biosécurité seront effectives. Elles semblent ne pas l'avoir été en Sardaigne et en Lombardie. L'agence de contrôle de la sécurité alimentaire rappelle que le contrôle et la traçabilité des mouvements d'animaux depuis les autres États membres et les pays tiers revêt toute son importance.

D'après l'AFSCA, tous les bovins de ces élevages seront abattus. De plus, une zone de surveillance d'un rayon de 50 km a été délimitée autour des foyers. Et l'enquête épidémiologique continue, y compris en Belgique. Heureusement, à ce jour, aucun animal provenant de la zone de surveillance actuelle n'est entré dans notre pays.

Monsieur le ministre, depuis le dépôt de cette question, un nouveau foyer de dermatose nodulaire a-t-il été déclaré depuis celui observé en Savoie?

A-t-on des éclairages sur l'effectivité ou les manquements des mesures de biosécurité du premier foyer en Sardaigne à aujourd'hui?

Où en est l'enquête épidémiologique en Belgique?

Monsieur le ministre, depuis le 29 juin, une partie de la France (la Savoie et la Haute-Savoie) est touchée par des foyers de dermatose nodulaire contagieuse.

Au même titre que la fièvre aphteuse ou la grippe aviaire, le moindre foyer d'une maladie animalière dans un pays frontalier effraie les actrices et acteurs du secteur agricole.

Pour sa part, la Belgique applique de son côté la prévention prévue aux pays dits indemnes: déclaration des suspicions; respect de la quarantaine; traçabilité des mouvements animaliers, etc.

Récemment, j'ai pu lire dans la presse des propos d'Aline Van Den Broeck, porte-parole de l'agence, qui rappelle que la plus-value de l'expérience acquise dans les Balkans au cours de la décennie. Madame Van Den Broeck évoquait par ailleurs que l'AFSCA examinait des options de collaboration avec d'autres agences et services pour anticiper toute la logistique qui devrait être mise à l'œuvre en cas d'épidémie et de recours à la vaccination.

Avant de poser mes questions, je tiens à saluer cette proactivité de la part de l'AFSCA et cette anticipation qui a pu faire défaut, dans d'autres domaines, à notre pays.

De plus, l'AFSCA examine actuellement les options en collaboration avec l'Agence fédérale des médicaments et des produits de santé (AFMPS) et les services publics fédéraux (SPF) pour être prête si le pays devait être confronté à une épidémie de DNC cet été et voulait recourir à la vaccination.

Monsieur le ministre, où en est l'examen des options de collaboration avec l'AFMPS et les SPF évoquées par la porte-parole de l'agence?

À part de l'AFMPS et les SPF, d'autres agences ou autorités pourraient-elles être intégrées dans une forme de task-force?

En cas de recours à la vaccination, comment se déroulerait la campagne proprement dite? Avons-nous les stocks suffisants?

David Clarinval:

De drie bevoegde instanties in België, namelijk de FOD Volksgezondheid, het FAGG en het FAVV, zijn volledig gemobiliseerd om op te volgen hoe de situatie in Frankrijk en in Italië evolueert en België zo goed mogelijk voor te bereiden op een eventuele insleep van de ziekte op ons grondgebied.

De epidemiologische situatie wordt aandachtig en permanent opgevolgd. In geval van de ontwikkeling zouden andere actoren er ook bij betrokken worden, zoals de officiële labo’s van Arsia en de DGZ, het nationale referentielabo Sciensano, dat ook het Europese referentielabo voor lumpy skin disease is, de gewesten, de beroepsorganisatie van dierenartsen en de vertegenwoordigers van de veehouders.

Omdat het virus hoofdzakelijk wordt overgedragen door vectoren, zijn controles aan de grens of op luchthavens slechts beperkt efficiënt. Het transport van besmette runderen, zelfs zonder zichtbare symptomen, kan bijdragen aan de verspreiding van het virus. Daarom heeft het FAVV vanaf de melding van de eerste haard de nadruk gelegd op de traceerbaarheid van runderen die mogelijk geïmporteerd werden vanuit besmette zones. Elk rund dat in België toekomt, moet vergezeld zijn van een sanitair certificaat en alle verplaatsingen van runderen tussen de lidstaten moeten geregistreerd worden in het TRACES-systeem. Zo kunnen de controlediensten zoals die van het FAVV de verplaatsingen volgen. Dat systeem maakt het met name mogelijk om, wanneer een nieuwe besmette zone wordt vastgesteld, na te gaan of er recentelijk runderen in België toegekomen zijn uit die zone.

Geen enkel rund uit de beperkingszones uit Frankrijk of Italië werd geïdentificeerd.

La réglementation européenne dispose que les mouvements d'animaux depuis des zones contaminées sont interdits. L'existence de cette réglementation ne permet pas de décréter unilatéralement un embargo sur des animaux provenant de zones indemnes de pays contaminés. À l'achat de bovins, une quarantaine est néanmoins obligatoire en vue de la protection contre certaines maladies telles que l'IBR.

L'interdiction d'exportation depuis l'ensemble de la France était une décision française et non une décision européenne. Comme prévu dans la réglementation européenne, des zones réglementées d'un rayon de 50 km ont été établies autour des foyers dès la détection du premier foyer. Aucun mouvement de bovins n'est autorisé au sein de ces zones. Ces règles sont communes à tous les États membres et visent à permettre les mouvements d'animaux en toute sécurité au sein de l'Union européenne.

Afin d'assurer une détection rapide des éventuels foyers, une communication spécifique a été adressée aux éleveurs et aux vétérinaires, les invitant à signaler sans délai tout cas suspect à l'AFSCA, qui prendra alors les mesures nécessaires, et leur déconseillant de ramener des bovins provenant de pays contaminés.

Un plan d'urgence existe pour toutes les maladies animales de catégorie A, dont la DNC. Dès la confirmation d'un foyer, des zones de protection (20 km) et de surveillance (50 km) sont établies. Dans ces zones, les déplacements de bovins sont strictement interdits et la surveillance est renforcée. Une vaccination d'urgence est prévue. Tous les bovins du foyer sont abattus et éliminés.

Les modalités d'une vaccination d'urgence protectrice font partie d'un plan d'urgence national en cours d'élaboration par l'Agence. Ce plan respectera les règlements européens sur l'utilisation de certains médicaments vétérinaires à des fins préventives, et s'appuiera sur l'expérience acquise récemment en France et en Sardaigne.

La Belgique ne dispose actuellement pas d'un stock de vaccins contre la DNC. Les vaccins utilisés par la France et l'Italie proviennent de la banque européenne de vaccins, dont le stock est en cours de reconstitution. Le SPF Santé publique, l'AFMPS et l'AFSCA collaborent étroitement afin d'instaurer un accès rapide aux vaccins pour le cas où des foyers de DNC venaient à apparaître en Belgique ou à proximité de la frontière.

Le recul dont nous disposons aujourd'hui, au mois de novembre, nous permet d'affirmer que nous avons pu échapper à cette maladie pour cette année, mais nous restons vigilants et continuons à nous préparer à une éventuelle contamination qui surviendrait l'année prochaine. Nous sommes toutefois en novembre et l'on peut dire que les inquiétudes du mois de juillet se sont un peu apaisées puisque cette maladie est restée circonscrite en France et en Italie.

Lotte Peeters:

Mijnheer de minister, het is goed te horen dat we paraat staan. Het is zeer belangrijk om tegen de volgende zomer nog sterker in te zetten op de bescherming van ons land tegen lumpy skin disease .

Frankrijk heeft het exportverbod voor runderen op 1 november vervroegd opgeheven. De Boerenbond heeft Vlaamse veehouders als reactie daarop aangeraden voorlopig geen runderen uit Frankrijk, Italië en Spanje te importeren. Het lijkt me aangewezen dat u, als bevoegd minister, een nationale oproep doet om voorlopig geen runderen uit voornoemde landen te importeren. We hebben er immers alle belang bij om die ziekte uit ons land te weren. Het is ieders verantwoordelijkheid de Belgische veestapel maximaal te beschermen. Wij zullen dat samen met u opvolgen, mijnheer de minister.

Patrick Prévot:

Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses. Nous sommes en novembre, nos inquiétudes sont donc apaisées. J'entends que la banque européenne de vaccins fait face à une forme de pénurie, mais que le stock devrait être rapidement mis à jour afin de pouvoir faire face à toute éventualité. Cela doit donc faire l'objet d'une attention toute particulière, et nous ne manquerons pas d'y être attentifs.

De agressie tegen twee controleurs van het FAVV

Gesteld door

lijst: N-VA Lotte Peeters

Gesteld aan

David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)

op 18 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Na een fysieke aanval op twee FAVV-controleurs in Henegouwen (één met hersenschudding) bevestigde minister Clarinval dat het dossier juridisch wordt opgevolgd en het FAVV zich burgerlijke partij stelt, terwijl 30 agressie-incidenten (7 fysiek) in 2025 werden geregistreerd—een stijging ten opzichte van 2021. Het FAVV hanteert een gestructureerde procedure (melding, psychosociale/juridische ondersteuning, politieklacht) en biedt opleidingen en waarschuwingsystemen voor risicocontroles, maar onderzoekt extra veiligheidsmaatregelen door de toenemende agressie. Peeters benadrukte dat *elk incident er één te veel is* en prees de bestaande beschermingsinspanningen, maar onderstreepte de noodzaak ervan.

Lotte Peeters:

Mijnheer de minister, eind juni werden twee controleurs van het Federaal Agentschap voor de veiligheid van de voedselketen tijdens de uitoefening van hun functie het slachtoffer van verbale en fysieke agressie in de provincie Henegouwen. Een van hen werd fysiek aangevallen en liep als gevolg van een slag op het hoofd een hersenschudding op. De computers van beide controleurs raakten eveneens zwaar beschadigd. Dat is een bijzonder verontrustende gebeurtenis, aangezien de controleurs van het FAVV een cruciale rol spelen in het garanderen van onze voedselveiligheid en het beschermen van de volksgezondheid.

In dat kader heb ik de volgende vragen voor u.

Ten eerste, bent u op de hoogte van het voorval dat plaatsvond op 24 juni? Zo ja, welke stappen zijn reeds gezet ten aanzien van de daders?

Ten tweede, zijn er in het voorbije jaar nog andere incidenten van verbale of fysieke agressie tegen controleurs van het FAVV geregistreerd?

Ten derde, wordt er een specifieke procedure gevolgd bij geweldincidenten tegen controleurs van het federaal voedselagentschap, en zo ja, welke?

Ten vierde, beschikt het FAVV over voldoende middelen en ondersteuning om zijn medewerkers te beschermen tegen agressie tijdens controles?

Tot slot, overweegt u bijkomende maatregelen te nemen om de veiligheid van de inspectiediensten te garanderen?

Bedankt voor uw antwoorden, mijnheer de minister.

David Clarinval:

Mevrouw Peeters, ik ben inderdaad op de hoogte gebracht van het voorval. Op de dag van de agressie heeft de hiërarchische meerdere van beide controleurs de verantwoordelijke van de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk en het management van het FAVV op de hoogte gebracht van de agressie. Vervolgens heeft de preventieadviseur psychosociale aspecten van het FAVV onverwijld gezorgd voor psychologische opvolging. Daarnaast heeft de sociale assistente van het FAVV het dossier opgevolgd op psychosociaal en juridisch vlak en op het vlak van de praktische formaliteiten.

Het dossier is momenteel in behandeling bij de juridische diensten. Het is de bedoeling dat het Agentschap en de controleurs zich burgerlijke partij stellen. Ze zullen door de advocaten van het FAVV worden vertegenwoordigd.

Sinds 1 januari 2025 zijn dertig controleurs het slachtoffer geworden van verbale of fysieke agressie. Zeven van de gevallen hielden fysieke agressie in. Er wordt vastgesteld dat het aantal gevallen van agressie de voorbije jaren toeneemt. In 2021 werden dertig gevallen van agressie gemeld, tegenover eenenvijftig in 2025.

Binnen het FAVV bestaat een procedure die bepaalt welke stappen moeten worden doorlopen wanneer een personeelslid in het kader van zijn functie het slachtoffer wordt van bedreigingen, geweld of grensoverschrijdend gedrag. Het formulier ‘Bedreigingen, geweld en grensoverschrijdend gedrag door derden’ moet worden ingevuld en aan de dienst Personeel en Organisatie worden bezorgd. Die dienst neemt rechtstreeks contact op met het slachtoffer en zorgt voor eventuele ondersteuning.

De dienst P&O geeft in een opvolgingstabel aan of de medewerker al dan niet reeds een klacht heeft ingediend bij de politie. Vervolgens duidt de juridische dienst een dossierbeheerder aan. Hij of zij neemt contact op met de medewerker om de exacte feiten en de mogelijkheden voor opvolging te kennen.

Indien het betrokken personeelslid een klacht wil indienen, kan dat bij de lokale politie van de plaats waar de feiten hebben plaatsgevonden. De nationale opsporingseenheid wordt eveneens via de opvolgingstabel geïnformeerd over bedreigingen waarvoor bij de politie een klacht werd ingediend.

Controles gebeuren onaangekondigd en worden meestal door slechts één persoon uitgevoerd. Afhankelijk van de situatie zijn verschillende vormen van versterking mogelijk, zoals collega-controleurs, hiërarchische meerdere of politie. Wanneer bij een controle de agressie toeneemt en er geen dialoog mogelijk is, kan de controleur-inspecteur de controle stopzetten of om versterking vragen.

De controle zal wel nog steeds worden uitgevoerd, eventueel op een later tijdstip.

Bij de aanwerving van controleagenten wordt belang gehecht aan bepaalde eigenschappen, zoals assertiviteit, empathie en stressbestendigheid. Er wordt ook voorzien in een opleiding 'omgaan met agressie'.

Aangezien controleurs een controlegebied toegewezen krijgen, kennen zij mettertijd hun moeilijke gevallen. Wanneer een controle moeilijk verloopt, kan de controleur een waarschuwing 'moeilijke controle' in het coderingssysteem voor controles vermelden. Zo wordt de operator niet gestigmatiseerd, maar wordt de aandacht van andere controleurs wel gevestigd op de situatie. Zij kunnen dan vooraf navraag doen naar wat de vorige controle moeilijk maakte.

Gezien het toenemende aantal agressieaanvallen onderzoekt het FAVV welke bijkomende maatregelen kunnen worden genomen om de veiligheid van controleurs beter te waarborgen.

Lotte Peeters:

Dank u wel voor uw antwoord, mijnheer de minister. Dertig controleurs die melding maakten van agressie, zijn er dertig te veel. Zoals daarnet ook is aangegeven, doen die mensen immers gewoon hun werk en willen ze onze volksgezondheid beschermen. Daarom stelde ik deze belangrijke vraag. Het verheugt mij om te horen dat de hiërarchische lijn alles in het werk stelt om de controleurs zo veel als mogelijk te beschermen. Ik vernam ook dat er psychosociale en juridische ondersteuning voor hen is, dat er een procedure werd opgesteld en dat er ook preventief opleidingen aan die mensen worden gegeven. Al die zaken zijn hoogstnoodzakelijk om de controleurs zo veel als mogelijk te beschermen.

De herevaluatie van de erkenning van de gewasbeschermingsmiddelen met glyfosaat

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 18 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België blijft glyfosaat toelaten voor professioneel gebruik ondanks WHO-waarschuwingen over kankerrisico’s, hoge detectiepercentages bij jongeren (42%) en UNICEF-alarm over pesticidenblootstelling bij kinderen, met België op de 4de plaats in de OESO. Minister Clarinval (Landbouw) wijst snelle nationale maatregelen af, verwijzend naar twijfels over onderzoeksmethodologie en wachtend op EU-herEvaluatie (EFSA/ECHA), terwijl Van Lysebettens hem economische belangen boven volksgezondheid verweet en aankondigt minister Vandenbroucke (Volksgezondheid) te bevragen. Geen schorsing of versnelde herevaluatie voorzien, ondanks het voorzorgsbeginsel en EU-ruimte voor nationale verboden.

Jeroen Van Lysebettens:

Mijnheer de minister, de Wereldgezondheidsorganisatie omschrijft glyfosaat al jaren als waarschijnlijk kankerverwekkend. In België is het gebruik voor particulieren verboden, maar voor professionele gebruikers blijft het toegelaten. In 2023 werd in België volgens verkoopcijfers van Fytoweb maar liefst 491 ton glyfosaat verbruikt. Het Vlaams Humane-Biomonitoringsprogramma stelde in 2023 vast dat bij 42% van de jongeren glyfosaat in het lichaam wordt gedetecteerd. Daarnaast werd duidelijk dat bij wie binnen een straal van twee kilometer van een landbouwzone woont meer glyfosaat in het lichaam wordt teruggevonden. Een rapport van UNICEF stelt dat 8,9% van de Belgische kinderen in een gebied met een hoog risico op pesticidenverontreiniging woont. Daarmee staat België op de vierde plaats van alle OESO-landen. Dat is bijna een medaille, mijnheer de minister, al weet ik niet of we die willen.

De Europese Commissie verlengde in 2023 de vergunning voor glyfosaat met tien jaar, tot 2033. Gezien de schadelijke gezondheidseffecten van glyfosaat en de Europese verordening van 2009 is het België toegestaan de toegang tot schadelijke gewasbeschermingsmiddelen op zijn grondgebied te weigeren wanneer er onaanvaardbare risico's zijn voor de gezondheid van mens, dier of milieu.

Daarom heb ik enkele vragen. Zult u, in het licht van het voorzorgsbeginsel, aansturen op een snellere herevaluatie van de nationale erkenning van glyfosaat?

Lijkt het u nodig de nationale erkenning van glyfosaat voorlopig te schorsen, in afwachting van een nieuwe evaluatie op EU-niveau? Zo ja, zult u de toegang tot ons grondgebied weigeren voor glyfosaathoudende gewasbeschermingsmiddelen en bijgevolg het gebruik van Roundup verbieden voor professionele gebruikers?

Ten slotte, zult u aansturen op een snellere Europese herevaluatie van glyfosaat?

David Clarinval:

Mijnheer Van Lysebettens, vooreerst geef ik u mee dat het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen valt onder de verantwoordelijkheid van de minister van Landbouw, in overeenstemming met het protocol met de minister van Volksgezondheid. Ik antwoord u in mijn hoedanigheid van minister van Landbouw. Voor de vragen die betrekking hebben op de volksgezondheid, verwijs ik u naar minister Vandenbroucke.

Uit een eerste analyse van de betrokken studie blijkt dat de onderzoekers een op zijn minst merkwaardige methodologie hanteren, bijvoorbeeld door gegevens van werkzame stoffen en producten samen te nemen of door resultaten met lage incidentie toch als significant voor te stellen. De studieresultaten lijken dus op het eerste gezicht onvoldoende overtuigend om onmiddellijk nationale maatregelen te rechtvaardigen.

De Nederlandse overheid, die een van de EU-rapporteurs was voor glyfosaat, komt tot een gelijkaardig besluit, namelijk dat de bevindingen in de studie van Panzacchi en anderen uit 2025 niet leiden tot een andere conclusie over de kankerverwekkendheid van glyfosaat dan eerder al op Europees niveau genomen. Dit betekent echter niet dat deze studie niet ernstig wordt genomen. De Europese agentschappen EFSA en ECHA werden gemandateerd door de Europese Commissie om zich over de nieuwe studie te buigen. In afwachting daarvan vind ik het niet opportuun om de nationale toelatingen of de Europese goedkeuring nog sneller te laten herevalueren dan reeds voorzien is.

Jeroen Van Lysebettens:

Mijnheer de minister, ik zal niet verbergen dat ik teleurgesteld ben door uw antwoord. Het is een typisch antwoord van mensen die elke twijfel die er mogelijkerwijze rond de wetenschappelijke studie zou bestaan zo veel mogelijk vergroten om hun economische belangen te vrijwaren. Ik vind dat zeer spijtig en ook typerend voor deze regering, die de economie boven de gezondheid stelt. Zoals u suggereert, zal ik ook collega Vandenbroucke daarover bevragen om te zien of hij, als minister van Volksgezondheid, wel aan de gezondheid van de mensen wil denken. La présidente : Nous allons clôturer la réunion maintenant, puisque le ministre doit partir à midi. Il reste encore quelques questions que nous pourrons traiter avant les fêtes, puisque vous viendrez nous voir prochainement. Je vous remercie toutes et tous, et je vous souhaite un bon appétit. La séance est levée à 11 h 55. De vergadering wordt gesloten om 11.55 uur.

Het veiligheidsplan voor musea
Het inbraakrisico in de federale musea
De beveiliging in de federale musea
De beveiliging van de federale gebouwen
Beveiliging en risicobeheer in federale musea en gebouwen

Gesteld aan

Vanessa Matz (Minster van Modernisering van de overheid, Overheidsbedrijven, Ambtenarenzaken, Gebouwenbeheer van de Staat, Digitalisering en Wetenschapsbeleid)

op 18 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Na de inbraak in het Louvre onderzoekt de minister de beveiliging van federale musea, die nu beschikken over toegangscontrole, camera’s, alarmen en getraind personeel, met slechts zes kleine incidenten sinds 2020. Een rondetafelgesprek (12/11) met politie, Regie der Gebouwen en BELSPO bracht verbeterpunten aan het licht, en een parlementaire resolutie vraagt het Rekenhof om een veiligheidsaudit, terwijl Brussel crisiscoördinatie op zich neemt—al dreigen budgettaire besparingen en het ontbreken van een Brusselse regering de plannen te hypothekeren. Kritiek blijft op symbolische maatregelen zonder structurele investeringen en de kwetsbaarheid voor zowel fysieke als digitale aanvallen.

Britt Huybrechts:

Mevrouw de minister, de recente inbraak in het Louvre, waarbij juwelen van Napoleon werden gestolen, heeft internationaal vragen opgeroepen over de beveiliging van musea en de bescherming van ons cultureel erfgoed. De dieven slaagden erin om in amper zeven minuten binnen te dringen en met de buit te ontkomen.

In reactie daarop verklaarde u dat u een stand van zaken hebt gevraagd van de veiligheidsvoorzieningen in alle federale musea, in samenwerking met de Regie der Gebouwen en de veiligheidsdiensten. U benadrukte terecht dat de bescherming van onze wetenschappelijke, artistieke en historische collecties een gedeelde verantwoordelijkheid is die ernstig genomen moet worden.

Toch is het moeilijk te negeren dat uw regering alsook de vorige regering, waarvan uw partij ook deel uitmaakte, de voorbije jaren forse besparingen heeft doorgevoerd, ook op het vlak van onderhoud, beveiliging en personeelsbezetting binnen de federale wetenschappelijke instellingen. Het lijkt dan ook enigszins tegenstrijdig dat men nu spreekt over versterking van de veiligheid, terwijl het beschikbare budget systematisch wordt afgebouwd.

Mevrouw de minister, kunt u toelichten welke veiligheidsvoorzieningen momenteel van kracht zijn in de federale musea onder uw bevoegdheid?

Hoe verloopt de samenwerking tussen de Regie der Gebouwen en de federale musea inzake het onderhoud en de modernisering van die beveiligingsinfrastructuur?

Zal de door u gevraagde stand van zaken ook aanleiding geven tot concrete investeringen of bijsturingen in de beveiliging van bepaalde musea?

Hoe kunt u garanderen dat die veiligheidsversterkingen niet louter symbolisch blijven, aangezien er waarschijnlijk verder bespaard zal worden op onder meer onderhoud, infrastructuur en personeel?

Hoe wordt op federaal niveau samengewerkt met politie, de Veiligheid van de Staat en internationale instanties zoals Interpol, om georganiseerde kunstroof en illegale handel in cultuurgoederen te voorkomen?

Anthony Dufrane:

Madame la ministre, le spectaculaire cambriolage du Louvre, où des bijoux ont été dérobés en quelques minutes malgré les dispositifs de sécurité, rappelle la vulnérabilité des musées face aux actes de malveillance. En Belgique, les musées fédéraux des Beaux-Arts, ainsi que d'autres institutions culturelles, abritent des œuvres et des collections d'une valeur historique et financière majeure. Ces établissements, souvent situés en plein cœur des villes et fréquentés par des milliers de visiteurs, pourraient également être ciblés par des réseaux criminels, d'autant que les techniques utilisées par les cambrioleurs évoluent constamment.

Ce type d'incident soulève des questions sur l'efficacité des systèmes de sécurité actuels, la formation du personnel, la coordination avec les forces de l'ordre et la capacité à anticiper les risques. Il est donc essentiel de savoir quelles mesures sont déjà prises pour protéger nos musées et quelles améliorations pourraient être apportées pour prévenir de tels actes.

Madame la ministre, quelle évaluation votre administration a-t-elle réalisée concernant les risques de cambriolages ou de tentatives de vol dans les musées fédéraux? Quels sont les dispositifs de sécurité actuellement en vigueur pour prévenir ces risques? Des incidents ou tentatives de cambriolage ont-ils déjà été recensés dans ces musées ces dernières années? S oui, quelles en ont été les circonstances et les conséquences? Quelles collaborations existent entre les musées et les forces de l'ordre pour renforcer la sécurité des collections, notamment en matière de surveillance, de détection des intrusions et de réponse rapide en cas d'incident? Quelles sont les mesures supplémentaires envisagées pour moderniser les systèmes de sécurité, notamment en matière de détection des mouvements suspects, de contrôle d'accès et de protection des œuvres les plus précieuses?

Serge Hiligsmann:

Madame la ministre, le 19 octobre dernier, des joyaux de la couronne de France ont été dérobés au Louvre alors que le musée venait d'ouvrir ses portes. Cette affaire a largement occupé l'actualité ces dernières semaines et a relancé les interrogations sur la robustesse des dispositifs de sécurité des musées, tant en France que dans d'autres pays. Cette vulnérabilité est d'autant plus préoccupante que le marché de l'art attire de plus en plus de criminels en raison de la valeur élevée des pièces et de la relative discrétion du commerce illicite d'antiquités.

Concernant nos musées, madame la ministre, nous avons trois questions, dont deux sont complémentaires aux précédentes. Des vols ou tentatives de vol sont-elles déjà constatées au sein de nos musées fédéraux? Combien de cas ont-ils été recensés à ce jour? Comment s'organise la collaboration entre les musées fédéraux et la police pour sécuriser les œuvres? Enfin, la semaine dernière, vous avez organisé une réunion au sujet de la sécurité des musées fédéraux en présence, notamment, de BELSPO ainsi que de représentants de la police fédérale et locale. Pourriez-vous nous informer quant aux enseignements de cette réunion?

Lieve Truyman:

Mevrouw de minister, met de spectaculaire kunstroof in het Louvre wanen we ons in Hollywood met films als Entrapment en The Italian Job . Helaas zijn die films geen fictie meer. Veiligheidsprocedures kunnen blijkbaar makkelijk omzeild worden om criminele activiteiten te plegen.

De federale staat beschikt over heel veel gebouwen met tal van waardevolle voorwerpen en delicate informatie. Denk maar aan onze musea, onze politiekantoren of onze justitiepaleizen.

Het zou nefast zijn indien mensen met slechte bedoelingen die kunnen infiltreren via fysieke toegangen die al dan niet beveiligd zijn met een digitale sleutel, zoals wij hier ook een badge hebben, en op die manier de veiligheidssystemen misleiden om in het gebouw te geraken.

Niet enkel een fysieke inbraak vormt een risico, ook de digitale aanval op een netwerk of een systeem vraagt een proactieve en krachtdadige beveiliging. Zo kunnen klimaatsturingen bijvoorbeeld van op afstand moedwillig gemanipuleerd worden, waardoor kunstcollecties of erfgoed onherroepelijk beschadigd kunnen worden. Ook sabotage van bruggen, sluizen, tunnels en overige infrastructuur is helaas mogelijk. Kortom, een informatiebeveiligingslek treft niet enkel de IT-processen, maar kan verstrekkende gevolgen hebben op operationele systemen, met financiële, operationele en veiligheidsrisico's tot gevolg.

De NIS2-wetgeving is ook van toepassing op de gebouwen en infrastructuur van de overheid.

U hebt na de inbraak in het Louvre inderdaad actie ondernomen, en u hebt naar de stand van zaken van de veiligheidsvoorzieningen in alle federale musea gevraagd

Mevrouw de minister, hebt u die informatie intussen in kaart kunnen brengen?

Is er een sleutelplan van de fysieke toegangen tot onze gebouwen?

Hebt u al met de Regie der Gebouwen, en met de diverse directies van musea, instellingen en/of veiligheidsinstanties samengezeten om te bekijken waaraan nog gewerkt moet worden?

Hoe zorgt u ervoor dat onze gebouwen niet enkel fysiek, maar ook digitaal beschermd zijn, zodat de apparatuur en de diverse processen beveiligd zijn?

Op welke manier wordt er aan risicobeheer gedaan om mogelijk gevaar van inbraak te inventariseren? Hoe werkt de Regie der Gebouwen om dat voortdurend up-to-date te houden?

Vanessa Matz:

Geachte Kamerleden, naar aanleiding van de inbraak die op 19 oktober 2025 plaatsvond in het Louvre heb ik meteen gevraagd om een geactualiseerde stand van zaken van de beveiligingsmaatregelen voor de vijf federale musea die onder mijn bevoegdheid vallen. Dat initiatief kadert in mijn streven naar voortdurende waakzaamheid ten aanzien van de evolutie van dreigingen en diefstaltechnieken.

Les premières analyses montrent que ces musées disposent de systèmes de sécurité (tels que le contrôle d’accès, la vidéosurveillance, la détection d’intrusion, des alarmes) renforcés par du personnel de surveillance et des exercices réguliers.

Les détails techniques et procédures internes ne peuvent toutefois pas être divulgués, pour des raisons de sécurité.

In de voorbije vijf jaar werden slechts enkele minieme incidenten gemeld in de federale musea, voornamelijk alarmmeldingen of pogingen zonder significante gevolgen. Het waren er zes sinds 2020. Elk voorval wordt nauw opgevolgd en kan leiden tot een verbetering van de veiligheidsprotocollen.

Les musées fédéraux collaborent étroitement avec la Régie des Bâtiments qui gère les travaux de rénovation et de modernisation des bâtiments, tandis que les musées appliquent les procédures opérationnelles. Ce partenariat permet de coordonner efficacement les priorités et de s’adapter aux risques nouveaux.

De musea werken eveneens samen met de politie, de bevoegde diensten en de douane om incidenten te voorkomen en te beheren, met name wanneer het gaat om diefstallen of inbeslaggenomen voorwerpen. Die regelmatige uitwisselingen garanderen een snelle en gecoördineerde reactie in geval van een dreiging.

Dans le prolongement de l’état des lieux demandé, j’ai organisé ce 12 novembre une table ronde réunissant les principaux acteurs concernés: la gouverneure de la Région bruxelloise, les représentants de BELSPO, des musées, de la police locale et fédérale, de la Régie des Bâtiments. Cette rencontre a déjà permis de partager l’état des lieux demandé et de mettre en lumière plusieurs pistes pour optimaliser les procédures, les connaissances du terrain et les synergies entre les différents acteurs.

Een voorstel van resolutie, afkomstig uit het Parlement, zal in de komende dagen in overweging worden genomen om het Rekenhof te verzoeken om een audit uit te voeren over de veiligheid van de musea.

Parallèlement, sous la coordination de la gouverneure pour la gestion de crise en Région bruxelloise, et des services de police locale et fédérale, je veillerai également à ce que des réunions soient organisées à très brève échéance pour renforcer l’échange d’informations et l’organisation d’exercices destinés à améliorer la coordination des actions visant à garantir la meilleure protection possible de nos collections.

Zoals ik reeds aangaf, zet ik mij in voor een proactieve aanpak met het oog op de veiligheid van de federale musea.

Britt Huybrechts:

Mevrouw de minister, wat u hebt geantwoord, was heel interessant en klinkt ook heel goed. Indien alles daadwerkelijk wordt uitgevoerd, zal het zeker goed komen.

Ik zie echter twee problemen.

Ten eerste, zoals ik al opmerkte, wordt fel bespaard in het wetenschapsbeleid. Er wordt ook bespaard bij de Regie der Gebouwen. We kunnen niet investeren en alle gebouwen moderniseren zoals we dat zouden willen. Misschien moeten we dus kijken in welke mate de musea al dan niet prioriteit krijgen.

Ten tweede, u zegt dat u vergadert met onder andere Brussel, maar Brussel heeft nog altijd geen regering. Ook dat zou ons dus in een heel lastig parket kunnen brengen, met name over de vraag op welke manier we zullen samenwerken met Brussel en met de bevoegde lokale politie. Extra problemen kunnen opduiken, gelet op de moeilijke situatie in Brussel.

Ik herhaal echter dat een en ander voor het overige heel goed klinkt. Ik hoop dan ook uit de grond van mijn hart dat wij nooit met dergelijke inbraken te maken zullen krijgen. Als historica doet het mij immers enorm veel pijn om te weten dat de juwelen van Napoleon zich ergens op de wereld bevinden, aangezien voor zover ik weet, nog niet alles werd teruggekregen.

Anthony Dufrane:

Madame la ministre, je vous remercie tout simplement pour l'implication et l'énergie que vous mettez dans ce dossier ainsi que pour vos réponses qui sont de nature à me rassurer.

Serge Hiligsmann:

Merci, madame la ministre, pour vos réponses. Je suis assez fan des trois saisons de la série Arsène Lupin et j'attends la suivante avec impatience. J'espère toutefois ne pas voir un de nos musées fédéraux figurer dans la scène du délit en temps réel et en tous cas pas en ce qui concerne une de nos œuvres les plus prestigieuses.

Par ailleurs, nous déposerons prochainement un texte en commission afin de saisir la Cour des comptes pour qu'elle réalise un audit financier sur les moyens dédiés à la sécurité des musées fédéraux. Merci.

Lieve Truyman:

Mevrouw de minister, u hebt niet stilgezeten, en dat is positief. Het is goed te horen dat er een audit zal komen, in samenwerking met het Rekenhof, om onze musea en hun beveiliging in kaart te brengen. Een spreekwoord stelt: als het regent of stormt in Parijs, dan druppelt het in Brussel. Laten we hopen dat hier geen museumroof zal plaatsvinden. We moeten doorpakken, oplossingen zoeken en onze collecties beschermen, zodat we een voorbeeld zijn voor andere steden in Europa en daarbuiten.

Het leegstaande gebouw van de spoorwegpolitie

Gesteld aan

Vanessa Matz (Minster van Modernisering van de overheid, Overheidsbedrijven, Ambtenarenzaken, Gebouwenbeheer van de Staat, Digitalisering en Wetenschapsbeleid)

op 18 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Het leegstaande gebouw van de spoorwegpolitie in Gent (77% onbenut, al 5+ jaar) verkeert gedeeltelijk in slechte staat, maar beïnvloedt de politiewerking niet. De tijdelijke huisvesting (na mislukte terugkeer naar Gent-Sint-Pieters) blokkeert renovatie of verkoop, terwijl de Regie der Gebouwen enkel noodonderhoud pleegt en wacht op een definitieve verhuis—wat de leegstand en verval alleen verergert. Huybrechts kritiseert het ontbreken van een duurzaam plan en timing, waarschuwt voor stijgende renovatiekosten door uitstel, en eist structurele oplossingen voor aanslepende leegstandsdossiers. Matz bevestigt lopende gesprekken over verhuis, maar biedt geen concrete termijn of budget.

Britt Huybrechts:

Mijnheer de voorzitter, ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

In navolging van uw antwoord op schriftelijke vraag nr. 277 wens ik terug te komen op de situatie van het gebouw van de spoorwegpolitie aan de Pacificatielaan 35 te Gent, dat volgens de ontvangen informatie voor 77% leegstaat.

Concreet betekent dit dat slechts 1024,32 vierkante meter van de site in gebruik is terwijl de totale oppervlakte 3104 vierkante meter bedraagt. Deze leegstand zou al meer dan 5 jaar aanhouden en te wijten zijn aan de slechte staat waar de site zich in verkeert.

Daarom heb ik volgende vragen:

Kan u mij meer informatie geven over de huidige stand van zaken in verband met deze site? Welke delen verkeren in slechte staat? Wat houdt deze slechte staat in?

Hoe is deze situatie ontstaan en waarom is er tot heden nog geen oplossing gevonden voor deze leegstand?

Hoe beïnvloedt deze gedeeltelijke leegstand de werking van de spoorwegpolitie?

Is er een concreet plan om iets te doen aan deze aanslepende problematiek? Zo ja, tegen wanneer verwacht men een beslissing over eventuele werken of herbestemming?

Zijn er schattingen van de kostprijs en eventueel van de timing om het gebouw opnieuw volledig operationeel te maken?

Hoe staan de Regie en de minister tegenover het uitvoeren van renovatiewerken aan deze site?

Vanessa Matz:

Mevrouw Huybrechts, na het vertrek van de gerechtelijke politie kwam de site aan de Pacificatielaan in Gent volledig leeg te staan. De Regie der Gebouwen wilde de site verkopen. Op dat moment vroeg de federale politie om te bekijken of de spoorwegpolitie er tijdelijk kon worden ondergebracht, aangezien haar huisvesting in het station van Gent problematisch was.

Hoewel de huisvesting van de spoorwegpolitie normaal een verantwoordelijkheid is van de NMBS, is de Regie der Gebouwen hierop ingegaan aangezien het een federale dienst betreft. Er werd bijgevolg een overeenkomst gesloten tussen de NMBS en de Regie der Gebouwen voor een tijdelijke huisvesting, zonder de toekomstige verkoop van de site te hinderen. De bedoeling was dat de spoorwegpolitie na de renovatie van Gent-Sint-Pieters zou terugkeren naar het station, maar door plaatsgebrek is dat niet meer mogelijk. De leegstand betreft enkel de delen van de site die niet door de spoorwegpolitie worden gebruikt. Die ruimtes verkeren ook in slechte staat, maar hebben geen invloed op de werking van de politie.

Intussen zijn er gesprekken tussen de federale politie en de Regie der Gebouwen om de spoorwegpolitie eventueel op een andere locatie onder te brengen. Tot dan beperkt de Regie der Gebouwen zich tot het noodzakelijk onderhoud.

Bij een verhuis van de spoorwegpolitie zou de site opnieuw volledig leeg staan. Dan kan er een renovatie worden uitgevoerd in functie van een nieuwe bestemming of verkoop.

Britt Huybrechts:

Mevrouw de minister, dit is het zoveelste leegstanddossier waarvoor we geen duurzame oplossing vinden. Ik begrijp dat we de spoorwegpolitie in dat gebouw moesten plaatsen, want de situatie aan het station was echt erbarmelijk. Ik heb echter geen antwoord gekregen op mijn vraag naar hoelang het nog zou duren. Als de spoorwegpolitie er immers nog een paar jaar zit en we dan pas het gebouw kunnen renoveren, zal het enkel nog verder verkommeren, zal er nog meer schade zijn en zullen de renovatiekosten nog hoger uitvallen. Het is dus een soort vicieuze cirkel waarin u wel wilt renoveren, maar niet kunt omdat er nog diensten in zitten, en de leegstand daarmee enkel erger wordt. Er zijn zoveel dossiers die dezelfde problematiek kennen, dus ik denk dat u hieraan meer aandacht moet geven in uw beleid en moet zoeken naar duurzame oplossingen om sites als deze zo snel mogelijk te kunnen renoveren. Alleen dat zal voor betere en duurzamere oplossingen zorgen.

De diplomatieke bescherming van de Belgische staatsburgers aan boord van de vloot naar Gaza
Het naar de Palestijnse gebieden versluisde Belgische geld
De dringende invoering van een importverbod
De deadline in het Amerikaanse stappenplan en de reactie van Hamas
De repatriëring van de Global Sumud Flotilla
Het staakt-het-vurenplan in het Midden-Oosten
De afwikkeling van de repatriëring van de Thousand Madleens Flotilla
Het staakt-het-vuren in Gaza
De heropstanding van Hamas in Gaza
De EU-Raad van 23 oktober
De budgetten voor ontwikkelingssamenwerking en Belgische humanitaire hulp voor Gaza
De vernieling door Israël van door België gefinancierde infrastructuur op de Westbank
De schending van het staakt-het-vuren en de hervatting van de genocide in Gaza
Het staakt-het-vuren in Gaza
Het staakt-het-vuren in Gaza
De Belgische medeplichtigheid aan de Israëlische bezetting
De vernieling van humanitaire bouwwerken op de Westelijke Jordaanoever
Het politieke akkoord in Gaza
De hulpvloten voor Gaza en de werking van de consulaire diensten
Het staakt-het-vuren in Gaza
De gevangenhouding van Marwan Barghouti door Israël
Fase 2 van het staakt-het-vuren in Gaza
Het recordaantal kolonistenaanvallen in oktober
De genocide in Gaza
Gaza
De naleving van de akkoorden over het staakt-het-vuren in Gaza
Het vredesakkoord van Sharm el-Sheikh en de uitvoering ervan
Belgische betrokkenheid, Gaza-conflict en humanitaire crisis in het Midden-Oosten

Gesteld aan

Bart De Wever (Eerste minister), Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 18 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de fragiele wapenstilstand tussen Israël en Hamas en de Belgische/Europese rol in het conflict, met focus op vier kernthema’s: 1. Kritiek op het "Trump-plan" en de VN-resolutie: deze worden gezien als koloniaal, eenzijdig (pro-Israël) en negeren kernkwesties zoals bezetting van de Westelijke Jordaanoever, Oost-Jeruzalem, en de tweestatenoplossing, terwijl Hamas’ ontwapening en Israëlische terugtrekking onzeker blijven. 2. Belgische maatregelen onder vuur: ondanks beloftes (importverbod nederzettingsproducten, sancties, erkenning Palestina) ontbreekt concrete uitvoering—Belgische banken en bedrijven blijven betrokken bij Israëlische bezettingseconomie, en consulaire steun aan kolonisten werd pas recent stopgezet; het importverbod vertraagt door bureaucratie. 3. Humanitaire crisis en mensenrechtenschendingen: marteling van Palestijnse gevangenen (inclusief verkrachtingen), blokkade hulp Gaza (slechts 150/600 nodige vrachtwagens per dag), en kolonistengeweld in Cisjordanie (recordaantal aanvallen in oktober) blijven ongestraft, terwijl Israëlische schendingen van de wapenstilstand (240+ incidenten) worden gedoogd. 4. Toekomstperspectief somber: zonder politieke oplossing (tweestaten, Palestijnse zelfbeschikking) en effective druk op Israël (embargo’s, sancties) dreigt het conflict chronisch te blijven, met Hamas’ heropstanding in Gaza en versnippering Palestijns gebied als risico—terwijl de EU weifelt en België economische banden met Israël handhaaft.

Lydia Mutyebele Ngoi:

Monsieur le ministre, dans le cadre du débat d'actualité, j'ai souhaité aborder un sujet autre que celui initialement prévu, car l'actualité est dominée quotidiennement par un nouvel évènement. Le contexte dans cette partie du monde nous confronte à une actualité mouvante qui nous demande d'être flexibles. En Israël, l'actualité s'est concentrée récemment sur les conditions de la fuite dans les médias d'une vidéo figurant cinq soldats israéliens violant un détenu. Or les débats ont étrangement omis de dénoncer le fait lui-même, alors qu'il est symptomatique d'un phénomène dénoncé par les ONG ainsi que par les témoignages des détenus.

Plusieurs rapports témoignent en effet des conditions épouvantables dans lesquelles les Palestiniens vivent dans ces prisons: simulations de noyade, brûlures de cigarettes, privation d'eau et de nourriture, électrocutions, attaques de chiens, viols etc. La liste est bien trop longue. Les prisons israéliennes sont de plus en plus des zones de non-droit. L'usage de la torture et de traitements dégradants à l'encontre des Palestiniens y sont régulièrement décrits comme systématiques. Plus de 11 000 Palestiniens sont détenus et plus de la moitié d'entre eux sans aucune charge. Plus d'un millier d'enfants en font partie, sans aucun respect pour leurs droits, tandis que 500 femmes sont actuellement détenues, subissant quotidiennement tortures, humiliations, violences et viols, spécifiquement conçus pour humilier les femmes.

Une chose est sûre: le traitement inhumain des détenus palestiniens est symptomatique de la politique d'apartheid israélienne. Cette dernière s'applique à détruire la dignité palestinienne et est largement restée impunie. L'ONG israélienne B'Tselem parle d'une politique institutionnelle axée sur la maltraitance et la torture.

Quel dialogue entretenez-vous avec Israël sur ces rapports témoignant de traitements dégradants et inhumains infligés aux détenus palestiniens? La Belgique soutient-elle l'envoi d'observateurs internationaux pour examiner les conditions de détention dans les prisons? Pourriez-vous nous communiquer une évaluation du suivi des mesures prises par le kern ce 2 septembre notamment sur les sanctions et la reconnaissance conditionnelle de la Palestine, au vu de l'accord de paix de Trump et de la résolution du Conseil de sécurité?

Achraf El Yakhloufi:

Mijnheer de minister, ik start met mijn vraag over het importverbod. Verschillende Europese landen hebben de afgelopen maanden maatregelen genomen om de import van goederen uit Israëlische nederzettingen in bezet Palestijns gebied te verbieden. Slovenië heeft al een importverbod opgelegd en Ierland werkt aan een wet om een ban te implementeren. As we speak, worden Israëlische nederzettingen agressief uitgebreid ten koste van het Palestijnse landbezit en van Palestijnse levens, met voortdurende mensenrechtenschendingen. Het Internationaal Hof van Justitie bevestigde op 19 juli 2024 dat die nederzettingen illegaal zijn en dat landen passende maatregelen moeten nemen om daar niet aan mee te werken.

Het kernkabinet heeft op 2 september na een woelige zomer beslist om het voorbeeld van Ierland en Slovenië te volgen. De ministers van Economie, Financiën en Buitenlandse Zaken werden gelast een koninklijk besluit op stellen met het oog op een nationale importban van goederen die worden geproduceerd, ontgonnen of verwerkt in de door Israël bezette gebieden, inclusief de nodige controle op de naleving.

Kunt u een stand van zaken van dat beoogd koninklijk besluit geven? Wanneer zal het worden uitgewerkt en wanneer zal het van kracht worden? Heeft België contact opgenomen met Ierland en Slovenië om ervaringen uit te wisselen over de implementatie van de maatregelen? Indien ja, welke inzichten kwamen daaruit voort? Acht de regering het niet dringend dat KB zo snel mogelijk uit te vaardigen, gelet op de ernst van de situatie in de bezette gebieden?

Ik kom tot mijn vraag over het staakt-het-vuren. Een maand geleden werd het staakt-het-vuren tussen Israël en Hamas van kracht, na uitwisseling van gevangenen en gijzelaars en het na het opnieuw toelaten van humanitaire hulp.

Er zijn nu gesprekken opgestart voor fase 2 van het Amerikaanse staakt-het-vurenplan, die voor duurzame vrede moeten zorgen.

Na de initiële blijdschap van de Palestijnen en Israëli blijven nu heel veel belangrijke vragen open, ondanks Trumps grote woorden, niet het minst over de vredesmacht en het Palestijns bestuur. Terwijl Israël zich volledig moet terugtrekken langs de yellow line , vinden er bombardementen plaats. Bovendien weigert Israël elke betrokkenheid van de Palestijnse Autoriteit. Het legt de vinger op de wonde: dit is een plan gemaakt door Amerikanen, met minimale participatie van de Palestijnen en bovendien is het eerder een ultimatum dan een onderhandeld vredesakkoord. Het zwijgt ook volledig over de steeds sneller groeiende en voortdurende illegale kolonisatie van de Westelijke Jordaanoever door Israël.

Mijnheer de minister, ik heb de volgende vragen. Gelet op de grote obstakels, zoals de Israëlische afwijzing van de Palestijnse Autoriteit en de Israëlische bombardementen langs de ye llow line , deelt u de analyse dat de tweede fase, bij gebrek aan duidelijke mechanismen en druk op de partijen, een zeer hoge kans op mislukken heeft?

Er bestaat diepe twijfel over de haalbaarheid van de multinationale veiligheidsmacht. Welke informatie hebt u daarover ontvangen van onze partners? Wat is de Belgische analyse van de levensvatbaarheid van dat VS-plan? Werd België of de EU reeds benaderd om hierin een rol te spelen? Er wordt gewaarschuwd voor een de facto opdeling van Gaza, waarbij Israël 53 % van het gebied controleert en Hamas de rest. Hoe evalueert u dat risico op een permanente versnippering? Welke concrete druk zet België, bilateraal en binnen de EU, op de Israëlische regering om de uitbreiding van de kolonisatie op de Westelijke Jordaanoever, die ook tijdens het staakt-het-vuren doorgaat, onmiddellijk te stoppen, en de afspraken van het staakt-het-vurenakkoord na te leven?

Mijnheer de minister, ik heb ook nog een vraag over de kolonistenaanvallen in oktober. Hoe beoordeelt u die nieuwe escalatie, met name de aanval op de moskee en het recordaantal geregistreerde kolonistenaanvallen in oktober?

Welke dringende stappen onderneemt België, zowel bilateraal als binnen de EU, om druk uit te oefenen op Israël om het geweld en de straffeloosheid op de Westelijke Jordaanoever daadwerkelijk aan te pakken?

Hoe ziet u nog perspectief voor een politiek proces richting vrede, zolang de Westelijke Jordaanoever geteisterd wordt door steeds intensiever kolonistengeweld en een verdere versnippering door illegale nederzettingen, die een Palestijnse Staat fysiek onmogelijk maken?

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, ik verwijs naar mijn schriftelijk ingediende vragen. Ik heb er heel veel ingediend. Ik hoor graag uw antwoorden, en ik ben ervan overtuigd dat u de huidige inzichten inzake het VN-plan dat is goed gekeurd, ook zult meegeven.

Voorzitter:

Dank u wel, dat is efficiënt.

Kathleen Depoorter:

Op 3 oktober verklaarde de Amerikaanse president Trump dat hij de terreurorganisatie Hamas tot zondag middernacht geeft om een antwoord te geven op het plan dat hij eerder die week lanceerde. Zoniet voorziet de Amerikaanse president in een aanzienlijke escalatie. In dit 20-puntenplan wordt voorzien in de ontwapening van de organisatie en dat deze geen rol meer kan spelen in het verdere proces. Er zou ook een regering van technocraten aangesteld worden die de heropbouw van Gaza moet overzien.

Alle gijzelaars moeten volgens het plan vrijgelaten worden. De gehele Gazastrook zou niet geannexeerd worden door Israël – net zoals de Westelijke Jordaanoever – maar wel militair geneutraliseerd worden.

Enkele kleinere Palestijnse gewapende groeperingen wezen het voorstel af. Hamas zegt dat het de clausules aangaande de ontwapening van de terreurgroep wil heronderhandelen en vraagt ook “internationale garanties” betreffende het statuut van Gaza. Ondertussen spraken meerdere landen hun steun uit voor het plan.

Mijn vragen voor de minister:

1. Welke conclusies trekt u uit de reactie van Hamas die Hamas uitstuurde nog voor de deadline van 3 oktober?

2. Welke conclusies trekt u uit de reactie van Hamas na de deadline van 3 oktober – als die er is?

3. Hoe ziet u de vervolgstappen?

In de nacht van 1 op 2 oktober werd de Global Sumud Flotilla dat bestond uit een groep van een kleine veertig schepen door de Israëlische marine aangehouden. Israëlische regering benadrukt dat alle van de ongeveer 200 arrestanten van de vloot in goede gezondheid verkeren en heeft naar eigen zeggen de uitzettingsprocedure opgestart.

U verklaarde dat de rechten van de aangehouden Belgen gevrijwaard moeten worden en dat er zo snel mogelijk werk wordt gemaakt van een repatriëring. Daarnaast verklaarde u dat u uw diensten mobiliseert om consulaire bijstand te verlenen. De Zweedse regering verklaarde bij een eerdere poging dat zij die willen afvaren naar het gebied ten volle de risico’s kennen en dus niet op consulaire bijstand moesten rekenen.

Daarnaast riep Thunberg in juli op om de Zweedse regering onder druk te zetten door de nooddiensten te bellen en te berichten. Dit leidde tot de overbelasting van de nooddiensten waardoor andere Zweedse burgers geen toegang konden krijgen tot urgente consulaire bijstand.

1. Hoeveel personen werden uiteindelijk naar België gerepatrieerd? Over hoeveel personen met de Belgische nationaliteit gaat het? Zijn er personen met een andere nationaliteit die ook naar België zijn teruggestuurd?

2. Hoeveel bedragen de totale kosten die werden gemaakt bij het repatriëren en de ondersteuning van Belgen die deel uitmaakten van de Global Sumud Flotilla?

3. Door wie worden deze kosten gedragen? Worden deze kosten nadien verhaald?

4. Speelt het feit dat deelnemers zich redelijkerwijs bewust hadden moeten zijn van de risico’s mee in het verhalen van gemaakte kosten?

5. Speelt het feit dat voor het afreizen naar de betrokken conflictzone een negatief advies geldt mee in het verhalen van gemaakte kosten?

6. Spelen bovenstaande elementen mee bij terugbetalingen vanuit een verzekering?

7. Werd de werking van de consulaire diensten en/of de noodnummers door dit incident geïmpacteerd?

8. Hebt een indicatie wat er zal gebeuren met de noodhulp die de Global Sumud Flotilla mee had? Over hoeveel ton gaat het en over welke hulpmiddelen ging het?

Na twee jaar van conflict werd er recent een eerste akkoord bereikt tussen Israël en Hamas. Onder bemiddeling van de Verenigde Staten, Turkije, Egypte en Qatar werd een staakt-het-vurenplan overeengekomen dat voorziet in de vrijlating van de laatste gijzelaars, de terugtrekking van Israëlische troepen tot een afgesproken punt, en de vrijlating van Palestijnse gevangenen. Dit akkoord wekt voorzichtige hoop op een doorbraak in een lang aanslepend conflict. Tegelijk wijzen experts erop dat grote uitdagingen blijven bestaan: de ontwapening van Hamas, de humanitaire situatie in Gaza, en de vraag naar toekomstig bestuur en veiligheid in de regio.

Graag verneem ik het volgende van u

1. Welke recente informatie heeft de minister over de uitvoering van dit akkoord, in het bijzonder over de tijdslijn voor de vrijlatingen en de Israëlische terugtrekking?

2. Hoe zal België, binnen het Europese kader, bijdragen aan de humanitaire hulpverlening die nu mogelijk weer op gang kan komen in Gaza?

3. En hoe beoordeelt de minister de internationale samenwerking rond dit akkoord? Welke rol kan de Europese Unie opnemen om bij te dragen aan stabiliteit, naleving van afspraken en het vooruitzicht op een duurzame politieke oplossing?

Op 10 oktober verklaarde u dat 6 van 8 deelnemers aan de Thousand Madleens flotilla onderweg zouden zijn naar België. Op 7 oktober werd ook deze vloot door de Israëlische marine onderschept. Vijf dagen eerder de gebeurde dat ook met de Global Sumud Flotilla.

Net zoals dat het geval was bij de Global Sumud Flotilla dienden de rechten van de aangehouden Belgen gevrijwaard te worden. Nog andere twee Belgen zouden op een later tijdstip terugkeren maar ook hier zou ik willen ingaan op de kosten die gemaakt werden om de ondersteuning te verlenen.

Mijn vragen voor de minister:

1. Hoeveel personen die deel uitmaakten van de Thousand Madleens flotilla werden uiteindelijk naar België gerepatrieerd? Over hoeveel personen met de Belgische nationaliteit gaat het? Zijn er personen met een andere nationaliteit die ook naar België zijn teruggestuurd?

2. Hoeveel bedragen de totale kosten die werden gemaakt bij het repatriëren en de ondersteuning van Belgen die deel uitmaakten van de Thousand Madleens flotilla?

3. Door wie worden deze kosten gedragen? Worden deze kosten nadien verhaald?

4. Speelt het feit dat deelnemers zich redelijkerwijs bewust hadden moeten zijn van de risico’s – alsook het gegeven dat de Global Sumud Flotilla werd aangehouden en redelijkerwijs ook dit het scenario was voor de Thousand Madleens flotilla - mee in het verhalen van gemaakte kosten?

5. Speelt het feit dat voor het afreizen naar de betrokken conflictzone een negatief advies geldt mee in het verhalen van gemaakte kosten?

6. Spelen bovenstaande elementen mee bij terugbetalingen vanuit een (persoonlijke) verzekering?

7. Werd de werking van de consulaire diensten en/of de noodnummers door dit incident geïmpacteerd?

8. Hebt u een indicatie wat er zal gebeuren met de noodhulp die de Thousand Madleens flotilla mee had? Over hoeveel ton gaat het en over welke hulpmiddelen ging het?

Na meer dan twee jaar is er in Gaza sprake van een staakt-het-vuren tussen de Israëlische regering, diens strijdkrachten en Hamas na het initiatief van de Amerikaanse president Trump. Dit geeft de kans om humanitaire hulp te sturen en medische zorgen te bieden aan wie dat nodig heeft. Ondertussen is er een werkgroep opgestart om de heropbouw van Gaza te faciliteren. Er werd internationaal veel druk gezet om dit staakt-het-vuren te bekomen en we stellen vast dat Hamas – dat eigenlijk geen rol meer kan spelen in de toekomst van Gaza – nu met bijzonder harde methodes de eigen bevolking terroriseert en andere politieke facties uitschakelt. In Gaza-stad werden deze week breed uitgesmeerd op socale media net na het staakt-het-vuren, acht mannen geëxecuteerd die werden beschuldigd van samenwerking met Israël. Ze kregen een blinddoek om, moesten knielen en werden van dichtbij neergeschoten, de omstaanders konden hun goedkeuring niet wegsteken.

Mijn vragen voor de minister:

1. Wat is uw inschatting van de huidige situatie in Gaza? Welke conclusies trekt u op basis van de berichten over executies door Hamas over de politieke ontwikkelingen aan Palestijnse zijde?

2. Kan u verklaren hoe het kan dat een bijna 7000-tellende macht van Hamas-strijders na de confrontatie met het IDF in staat is om dergelijke acties uit te voeren?

3. Wat berichten de hulporganisaties ter plaatse over de situatie? Welke inschatting maken zij van de “heropstanding" van Hamas?

4. Hoe beoordeelt u - gegeven dat u vasthoudt aan het feit dat Hamas geen politieke rol meer kan spelen – de aanduiding door deze organisatie van 5 nieuwe gouverneurs?

5. Als een ontwapening van Hamas volgens het 20-puntenplan niet mogelijk is, wat zal er volgens u dan gebeuren?

Volgens recente berichtgeving in POLITICO is het plan van de Europese Unie om sancties in te voeren tegen bepaalde Israëlische regeringsleden en om handelsrelaties te beperken, voorlopig on hold gezet. Een aantal lidstaten acht deze maatregelen niet langer noodzakelijk in het licht van de door president Donald Trump bemiddelde vredesovereenkomst tussen Israël en Hamas, die de eerste fase van een staakt-het-vuren moet inluiden. Maar ondertussen lijkt Hamas de controle over Gaza opnieuw te verwerven.

Mijn vragen voor de minister:

1. Hoe beoordeelt u het uitstel van de voorgestelde EU-sancties tegen Israëlische ministers en kolonisten?

2. Hoe positioneert u zich ten opzichte van de uitvoering van deze maatregelen?

3. Wat verwacht u van de komende Raad Buitenlandse Zaken op 20 oktober en de Europese Raad van 23 oktober, waar dit dossier opnieuw op de agenda staat? Wat is het standpunt van de Belgische Regering?

4. U gaf aan dat het gebrek aan actie “de geloofwaardigheid van de EU ernstig heeft ondermijnd" – kan u dit toelichten?

5. En hoe wordt onze humanitaire steun aan de Palestijnse bevolking afgestemd op de nieuwe geopolitieke context?

6. Er zijn sterke indicaties dat Hamas de controle over Gaza wil heroveren na het wegtrekken van het IDF: in hoeverre belemmert dit de vereiste ontwapening van Hamas?

Nabil Boukili:

Bonjour, monsieur le ministre. Pour la énième fois, nous vous interpellons sur la question de Gaza et le génocide en cours. Il est vrai qu'un cessez-le-feu est intervenu depuis le 10 octobre mais c'est surtout un trompe-l'œil. Car depuis son entrée en vigueur, Israël a violé ce cessez-le-feu plus de 240 fois. À l'heure actuelle, Israël continue d'assassiner les Gazaouis; continue son génocide; continue de bloquer l'acheminement de l'aide humanitaire et d'affamer les enfants; continue d'empêcher les Gazaouis de se soigner; continue, enfin, sa politique coloniale et génocidaire. Elle n'a toujours pas cessé.

La seule chose qui a changé depuis le plan colonial Trump, c'est l'intensité. Nous sommes passés à un génocide de moindre intensité mais il est toujours en cours. Cet É tat colonial génocidaire torture – on a vu les révélations faites en Israël sur le comportement des soldats citées par ma collègue tout à l'heure – et la réaction du gouvernement israélien est de s'attaquer davantage à ceux qui dénoncent ces comportements qu'aux perpétrateurs. Cela nous rappelle la dénonciation des crimes de guerre américains en Irak et en Afghanistan où on s'est davantage attaqué aux lanceurs d'alerte qu'aux criminels de guerre. Force est de constater que c'est un peu la coutume dans la politique occidentale, parce que ce qui se passe aujourd'hui à Gaza contre le peuple palestinien et en Cisjordanie où les Palestiniens sont quotidiennement harcelés en violation de toutes les dispositions internationales qui défendent les droits humains, se fait avec la complicité de l'Union européenne et de la Belgique.

Si tel n'était pas le cas, Israël ne pourrait pas se comporter de la sorte. S'il continue à le faire, c'est parce que la Belgique et l'Union européenne sont derrière le gouvernement israélien en dépit de toutes ses violations du droit international et des droits humains. Et c'est pour cela que, malgré la pluie, le froid et la diminution de la couverture médiatique ces derniers temps de la situation à Gaza et malgré le fait que l'on tente de faire accroire que la situation s'améliore avec ce cessez-le-feu, des milliers de personnes sont descendues dans la rue dimanche passé pour dénoncer cette complicité, ce soutien de l'Union européenne et de la Belgique à la politique coloniale et génocidaire israélienne.

Cela reste des faits, monsieur le ministre. Il convient de distinguer faits et déclarations. Vous avez déclaré que vous prendriez des sanctions à l'encontre de l' É tat d'Israël mais rien n'a été fait. Les produits issus des colonies viennent toujours en Belgique. Aucune loi pour les interdire n'a été promulguée. Dans les faits, rien n'a changé.

La Belgique reste le septième partenaire économique d'Israël au sein de l'Europe. On continue par exemple le contrat avec l'entreprise CAF, des institutions financières publiques et des entreprises contrôlées par l' É tat belge comme Belfius, KBC, BNP Paribas, TKH Security dans laquelle la Banque nationale de Belgique a investi trois millions d'euros. C'est une entreprise qui fournit des équipements pour espionner les civils palestiniens. eDreams ODIGEO est une entreprise qui propose des logements à la location dans les colonies israéliennes illégales. Nos banques publiques investissent dans de telles entreprises. Notre complicité est totale.

Donc, monsieur le ministre, à quand de vrais actes? Parce que depuis la déclaration faite et l'accord du gouvernement pour sanctionner Israël, nous n'avons rien vu. La complicité continue.

Et où en sommes-nous par rapport à l'embargo militaire? Qu'est-ce qui a changé, concrètement, sur le terrain? Ma question est claire: ces derniers temps, quels changements concrets sont intervenus sur le terrain? Nous demeurons le septième partenaire économique de l' É tat d'Israël en dépit des accusations de génocide.

La présidente : M. Aouasti n’est pas présent.

Mevrouw Yigit is ook niet aanwezig.

Rajae Maouane:

Monsieur le ministre, je suis contente de vous voir, ainsi que les collègues, sains et saufs, malgré vos péripéties de voyage. C'est une bonne nouvelle.

J'avais envie de vous interroger sur plusieurs éléments, mais je vais me concentrer sur le cessez-le-feu ou plutôt le supposé cessez-le-feu, ce faux cessez-le-feu qui est en cours actuellement à Gaza, puisqu'il a été conclu voici quelques semaines. Ce "cessez-le-feu" devait permettre d'avoir enfin un répit pour les populations civiles palestiniennes. Cela devait ouvrir la voie à la reconstruction, au retour de l'aide humanitaire, des vivres, de l'eau, de l'électricité et surtout à l'arrêt des bombardements et à la fin du blocus. Mais, à peine les otages libérés, à peine les familles endeuillées avaient-elles pu souffler, que les bombardements ont repris de manière très intense. Des frappes touchent des zones civiles. Des enfants meurent. L'aide humanitaire n'entre pas toujours. Et l’ONU nous alerte: nous assistons clairement à une rupture du cessez-le-feu, en violation directe du droit international humanitaire – une fois de plus de la part d'Israël.

Pendant des mois, il nous a été répété qu'une fois que les otages seraient libérés, la paix reviendrait. Les otages ont été libérés, heureusement. Et pourtant, le cessez-le-feu, lui, n'a pas été respecté et les bombardements continuent. À travers cet ersatz de cessez-le-feu, on voit l'hypocrisie du gouvernement israélien.

Monsieur le ministre, y a-t-il de votre part une condamnation ferme et claire de cette rupture du cessez-le-feu par Israël? Quand la Belgique appellera-t-elle clairement à un embargo sur les armes et à la suspension de tout accord de coopération avec un État génocidaire? Comptez-vous soutenir l’adoption d'autres sanctions ciblées contre les responsables de cette violation? On sait qu'un train de petites sanctions ont été prises par la Belgique mais, comme les collègues l'ont dit, ne sont pas encore réellement effectives. D'autres sanctions peuvent-elles être prises?

Ma seconde question porte sur la destruction par Israël des infrastructures humanitaires financées par l’Union européenne et par plusieurs États membres, dont la Belgique. C’est ce que révèle une enquête de la VRT.

Ces infrastructures, ce sont des écoles, des réseaux d’eau et d’électricité, des projets destinés à garantir un minimum de dignité à des familles palestiniennes vivant sous occupation. Dans vos déclarations à la VRT, vous disiez, monsieur le ministre, "qu'il est absurde que ces infrastructures soient détruites, mais il n’est pas absurde que nous continuions à les construire". Je partage cette conviction mais cela n'est pas suffisant. Il faut vraiment construire encore et encore ce qu’Israël continue à détruire en toute impunité. Ce n'est plus vraiment une politique mais un constat d’échec. C'est une stratégie de destruction massive et assumée.

Quelles mesures supplémentaires avez-vous évoquées avec le ministre israélien des Affaires étrangères? Y a-t-il des actions concrètes au-delà des lettres ou appels de la Belgique et de l'Union européenne?

Concernant les budgets de la Coopération et de l'aide humanitaire à Gaza, lors du dernier débat d'actualité consacré à cette question, vous aviez annoncé qu'une enveloppe de 12,5 millions d'euros d'aide humanitaire s'ajoutant aux 7 millions d'euros déjà promis – annonce importante soulignée et applaudie – se répartissait de la sorte: 4,5 millions pour l'Office de secours et de travaux des Nations Unies pour les réfugiés de Palestine dans le Proche-Orient (UNRWA), 2 millions pour la Croix-Rouge et 6 millions pour le Bureau de la coordination des affaires humanitaires (OCHA) sous forme de financements flexibles.

On observe une zone d'ombre sur un point essentiel. D'où proviennent ces fonds? La décision du kern et du Conseil des ministres est explicite: ces 12,5 millions doivent provenir des crédits courants, c'est-à-dire du budget déjà existant de votre département. Or, on sait que les marges financières sont extrêmement limitées. On comprend que chaque euro dégagé pour Gaza doit être pris ailleurs. Dès lors, sur quel postes budgétaires précisément prendrez-vous ces redéploiements afin de financer cette somme? Quel sera l'impact concret des réaffectations? Quelles initiatives ou quels programmes verront leur budget réduit et dans quelle proportion?

Els Van Hoof:

De situatie blijft fragiel. Sinds het ingaan van het staakt-het-vuren werden heel wat nieuwe aanvallen uitgevoerd en gebouwen vernield. In totaal werden zo'n 1.500 gebouwen die onder Israëlische controle bleven, vernield. Er zouden zelfs volledige buurten met de grond gelijk zijn gemaakt. Ook is er nog steeds een voedselcrisis. Er is nood aan meer dan 600 vrachtwagens per dag, maar er komen er slechts 150 binnen.

De toekomst van de Gazastrook is onduidelijk. De resolutie hierover werd vannacht aangenomen. We hadden graag uw reactie daarop gehoord, want we horen uiteenlopende reacties. De Board of Peace werd opgericht en er zou een internationale stabilisatiemacht komen. Dat is overigens geen formele VN-vredesmacht. De Palestijnse Autoriteit reageert voorzichtig positief en beschouwt dat als een eerste stap op de lange weg naar vrede. Hamas verwerpt de resolutie, omdat op die manier internationale voogdij over Gaza zou worden uitgeoefend. In welke richting reageren België en de Europese Unie? Dertien leden stemden voor, terwijl China en Rusland zich hebben onthouden. Ik zou graag weten welke reactie wij daar vandaag op geven.

Sinds 2015 hebben kolonisten minstens 127 van de 473 humanitaire bouwwerken vernield, om nog maar te zwijgen van de systematische vernielingen van humanitaire bouwwerken door de Israëlische autoriteiten. Ik heb daar destijds al vragen aan minister Reynders over gesteld. Hoe reageert België daarop? Worden er juridische procedures aangespannen? Wordt dat probleem op het niveau van de Europese Unie aangekaart of worden hier formele brieven over verstuurd?

Pierre Kompany:

Monsieur le ministre, nous parlons à nouveau de Gaza. Mais, pour une fois, nous avons un espoir. Un cessez-le-feu est entré en vigueur. L’aide humanitaire est revenue. Et cette nuit, une résolution du Conseil de sécurité a entériné le plan de paix des États-Unis. Ce sont des réels progrès, même si beaucoup de doutes persistent encore. J’y reviendrai.

Les questions que j’avais déposées portaient sur deux thèmes: d’abord, sur le fonctionnement de nos services consulaires dans le cadre de la participation des citoyens et citoyennes belges aux flottilles qui entendaient se rendre à Gaza. Ces initiatives citoyennes, bien que portées par des motivations humanitaires, peuvent exposer nos ressortissants à des risques importants, notamment d’interception ou de détention.

Dans ce contexte, pouvez-vous dès lors préciser comment nos services consulaires interviennent lorsqu’un citoyen belge participe à une flottille en direction de Gaza, notamment en cas d’arrestation, d’incident maritime ou de restriction de mouvement?

Quels contacts ont été établis avec les autorités israéliennes et avec nos partenaires européens durant la détention et l’expulsion des participants? Comment le SPF Affaires étrangères informe-t-il les Belges des risques liés à de telles initiatives et des limites de la protection consulaire dans une zone sous embargo et/ou en conflit?

Quelles leçons tirer de cette opération pour améliorer la réactivité, la transparence et la communication consulaires lors des futures crises impliquant des ressortissants belges?

Mes autres questions portent sur le cessez-le-feu du 9 octobre dernier et sa mise en œuvre. Grâce à lui, enfin, le retour mutuel des otages et prisonniers dans leurs familles; enfin, l'arrivée de l'aide humanitaire à Gaza. L'accord entre Israël et le Hamas permet un retour de l'espoir dans cette région ravagée. Cependant, la mise en œuvre de l'accord soulève certains doutes. On peut se demander si chacune des parties a la réelle volonté de mettre en œuvre les accords de bonne foi.

Du côté du Hamas, on peut se féliciter qu'il ait enfin libéré les otages encore vivants et qu'il ait rendu la plupart des corps de ceux qui étaient décédés. Néanmoins, on ne détecte aucune volonté d'abandonner la gouvernance de Gaza ou de désarmer. Le message du Hamas est: "J'ai survécu à la guerre, je continue à contrôler le territoire et je me prépare au prochain round de combats". Du côté d'Israël, on peut se féliciter du retrait partiel d'une partie du territoire et de l'arrêt des opérations majeures de combat. De même, l'aide humanitaire peut enfin entrer. Néanmoins, on ne détecte aucune volonté de la part d'Israël de passer à la deuxième phase des négociations, puisque des bombardements continuent à tuer régulièrement des civils palestiniens, y compris des enfants. Si le risque de famine a fortement diminué, l'aide humanitaire n'atteint pas encore les objectifs fixés de 600 camions par jour. Le message d'Israël est: "J'ai gagné la guerre, je continuerai pour longtemps à contrôler une partie du territoire et je me prépare au prochain round de combats".

Monsieur le ministre, le Conseil de sécurité des Nations Unies a adopté la nuit dernière une résolution endossant le plan américain. Elle est déjà rejetée en tout ou en partie, tant par Israël que par le Hamas. Comment faire la paix avec des protagonistes qui n'en veulent pas réellement? Croyez-vous qu'une force internationale de stabilisation pourra être déployée comme prévu? Où en est la formation de l'autorité de transition du territoire de Gaza?

Voorzitster: Kathleen Depoorter.

Présidente: Kathleen Depoorter.

Quelles mesures la Belgique compte-t-elle prendre pour renforcer ce cessez-le-feu? Comment affermir le Mémorandum pour garantir des progrès vers la deuxième phase du cessez-le-feu? Surtout, comment s'assurer que les populations palestiniennes aient un accès suffisant à l'aide humanitaire, particulièrement à l'approche de l'hiver? Bref, concrètement, quelles sont les actions de la Belgique pour renforcer le cessez-le-feu et le soutien aux populations?

De voorzitster : Mevrouw Huybrechts is niet aanwezig.

Christophe Lacroix:

Monsieur le ministre, depuis 2002 – donc il y a maintenant 23 ans – une grande figure de la cause palestinienne, Marwan Barghouti, est emprisonné par Israël pour résistance lors de la seconde Intifada.

Vingt-trois ans de prison, dans un silence presque assourdissant, pour une figure emblématique de la cause palestinienne qui demeure, aujourd’hui encore, une référence morale et politique pour l’ensemble des Palestiniens. On pourrait même dire: une figure fédératrice, ce qui est très important actuellement, lorsque l’on voit l’évolution rapide de la situation.

Alors que de nombreux prisonniers palestiniens ont été relâchés dans le cadre de l’accord obtenu au Proche-Orient, une campagne internationale s’est donc constituée en ce sens pour demander la libération de Marwan Barghouti. Mais les dernières informations dont nous disposons alertent sur son état de santé après que des soldats israéliens l’ont violemment agressé lors de son transfert à la prison de Megiddo. Et l’Union Interparlementaire, dont je fais partie, a ainsi constaté de nombreuses violations du droit international dans son cas, puisqu’il est effectivement membre du Conseil national législatif palestinien.

Monsieur le ministre, soutenir la libération de Marwan Barghouti, c’est défendre la reconstruction politique et démocratique de la Palestine, une condition sine qua non à la construction d’une paix juste et durable au Proche-Orient. Aussi, vos services possèdent-ils plus d’informations quant à l’état de santé de Marwan Barghouti? A défaut, le SPF Affaires étrangères est-il en mesure d’intervenir auprès des autorités israéliennes afin d’obtenir des précisions à ce sujet?

Par ailleurs, aujourd’hui, quelle est la position de la Belgique sur son emprisonnement et les traitements dégradants, contraires au droit international, dont il est la victime? Allons-nous œuvrer activement à sa libération et, le cas échéant, envisagez-vous de plaider auprès de vos homologues européens pour qu’une prise de position commune à l’échelle de l’Union européenne soit adoptée?

C’est d’autant plus urgent pour nous que, comme vous le savez, une loi a été votée par le parlement d’Israël pour punir de mort – je reprends le texte, le narratif de la loi – "quiconque cause intentionnellement ou par indifférence la mort d’un citoyen israélien pour des motifs de racisme ou d’hostilité envers une communauté, et dans le but de nuire à l’ é tat d’Israël et à la renaissance du peuple juif dans son pays, sera passible de la peine de mort". C’est donc automatiquement la peine de mort. Il se pourrait donc que Marwan Barghouti soit considéré comme étant un terroriste qui doit être condamné à la peine de mort. Raison de plus de s’alarmer.

Ma seconde question porte sur l'accord de paix de Charm el-Cheikh et ses suites; elle est quelque peu dépassée par la résolution du Conseil de sécurité des Nations Unies sur la Palestine et Gaza votée cette nuit. Cette résolution n'est sans doute pas parfaite et n'émane pas d'un président que j'affectionne particulièrement. Elle n'envisage malheureusement pas non plus le sort de la Cisjordanie et de Jérusalem. Mais, elle a le mérite d'exister et fait consensus au sein de l'ONU, ce qui est aujourd'hui assez remarquable.

Monsieur le ministre, quel rôle la Belgique entend-elle jouer pour veiller à la prise en compte de la voix palestinienne dans le processus de paix, et ainsi assurer que les droits fondamentaux du peuple palestinien seront pleinement garantis dans le cadre et à l'issue de cette résolution et de l'accord de paix intervenu auparavant?

Tout cela ne traite pas de la Cisjordanie et de Jérusalem, alors que la colonisation se poursuit. Quelle est la position de la Belgique à ce sujet? Comptez-vous maintenir l'interdiction d'importation de biens provenant des colonies israéliennes dans les territoires palestiniens?

De nombreuses communes belges travaillent d'ores et déjà à la création d'un réseau permettant de soutenir les communes palestiniennes sur les plans humanitaire, financier et culturel, afin de reconstruire ce qui peut être reconstruit à Gaza.

Dans la résolution du Conseil de sécurité de l'ONU, il est question de la reconnaissance de l'État palestinien. À travers cette résolution, votre gouvernement est-il prêt à donner un coup d'accélérateur à la reconnaissance, par la Belgique, de l'État de Palestine? Celle-ci était soumise à deux conditions. La première était le cessez-le-feu, qui est aujourd'hui obtenu. La seconde condition était la démilitarisation du Hamas, qui est en voie d'être mise en œuvre grâce à la résolution de l'ONU. Quelle est votre position et celle du gouvernement sur ce sujet?

De voorzitster : Wensen er nog collega’s zich aan te sluiten bij dit actuadebat?

Sandro Di Nunzio:

Mevrouw de voorzitster, mijnheer de minister, sta me toe dat ik me even voorstel. Ik ben Sandro Di Nunzio en ik ben nieuw in de commissie voor Buitenlandse Betrekkingen voor Open Vld. Het is mij een genoegen u hier voor het eerst te mogen ontmoeten.

Ik ben ook blij om meteen te kunnen deelnemen aan dit interessant actualiteitsdebat. Er zijn al veel vragen gesteld. De situatie ter plaatse verandert dagelijks. Daarover kan ik geen nieuwe vragen meer stellen. Wel wil ik enkele punten te berde brengen die wij zeer belangrijk vinden.

Gisteren werd de resolutie aangenomen die gebaseerd is op het 20-puntenplan van president Trump. Mijnheer de minister, vooral wens ik te vernemen wat het standpunt van de regering over die resolutie is. Ik weet dat wij niet in de Veiligheidsraad zetelen, maar zijn er voorafgaandelijk contacten geweest met landen die daar wel actief zijn? Hebben wij daaraan op de een of andere manier bijgedragen? Zijn wij het volledig eens met die resolutie, of zijn er bepaalde aspecten waarmee wij moeite hebben?

Mij werd verteld dat volgens dat plan Israël minstens een vijfde van Gaza voor onbepaalde tijd zou mogen blijven bezetten. Klopt die informatie, is dat effectief het geval? Zo ja, wat is onze positie daaromtrent? Valt die bepaling te rijmen met het advies van het Internationaal Gerechtshof van juli 2024, waarin duidelijk staat dat Israël verplicht is om de bezetting binnen twaalf maanden te beëindigen?

Gisteren liet Israël nog weten dat een Palestijnse staat niet zal worden aanvaard. Zowel premier Netanyahu als de extreemrechtse minister van Nationale Veiligheid hebben dat duidelijk gemaakt. Daarom sluit ik mij aan bij de vragen hoe het gesteld is met de erkenning van Palestina als staat door ons land. Kunt u aangeven of de gestelde voorwaarden al dan niet vervuld zijn? U weet dat mijn fractie van oordeel is dat men een staat wel of niet erkent op zich, en dat voorwaarden bij een dergelijke kwestie eigenlijk niet aan de orde zouden mogen zijn.

Tot slot heb ik een vraag over de stand van zaken betreffende het importverbod. Ik heb begrepen dat mevrouw Van Hoof daaromtrent een wetsvoorstel heeft ingediend en dat de regering dat naar zich heeft toegetrokken. Wat is de stand van zaken over het importverbod vanuit die gebieden?

De voorzitster : Het woord is aan de minister voor zijn antwoord.

Maxime Prévot:

Madame la présidente, mesdames et messieurs les députés, 29 questions avaient été déposées originellement. J'y ajoute celle qu'a posée spontanément M. Di Nunzio, auquel je souhaite la bienvenue dans cette Assemblée de manière générale et dans cette commission en particulier. Cette trentaine de questions reflètent, à juste titre, toute l'importance que, dans la diversité de nos formations politiques, nous réservons à cet enjeu. Cette attention est méritée, vu les considérations humaines, d'abord, de droit, ensuite, qui sont intimement liées à ce dossier. Je vais donc tenter d'y répondre, tout en sachant que certaines des questions originellement déposées n'ont pas été développées à l'instant. Malgré tout, quelques éléments de réponse figureront dans mon intervention. À l'inverse, d'autres aspects ont été partagés par les parlementaires. Ces considérations n'avaient pas été initialement envisagées, mais témoignent justement de l'intérêt d'un débat d'actualité riche, puisque nous pouvons, de la sorte, étendre le champ des considérations que nous allons partager ensemble.

Bien évidemment, si nous regardons dans le rétroviseur, nous pouvons – et nous l'avons fait – nous réjouir de l'accord sur le plan proposé par le président Trump, annoncé voici quelques semaines à Charm el-Cheikh, en É gypte. Nous nous en sommes surtout réjouis en raison de la perspective, tant attendue, de paix, en tout cas, plus immédiatement, de cessez-le-feu que cet accord a pu offrir. Pour autant, ceux et celles qui m'avaient interrogé en séance plénière se souviendront que j'avais exprimé des réserves, soulignant certains manquements dans cet accord de paix. Nous avions le devoir d'y croire et de concentrer notre énergie à nous assurer que ce plan soit mis en œuvre rapidement, dans l'intérêt de la fin des hostilités.

Zelfs als het plan tekortkomingen kent, wordt er niet gesproken over de West Bank, over Oost-Jeruzalem, over de rol van de Palestijnse Autoriteit of de tweestatenoplossing. Er is ook geen tijdslijn of kalender.

Dit zijn zaken die zeer belangrijk zijn, en waarvan we onze aandacht niet mogen laten afwijken.

Le fonctionnement du Board of Peace, envisagé par le président Trump, doit encore être précisé. L'Union européenne doit pouvoir y jouer un rôle, à défaut d'avoir pu faire œuvre de courage et de crédibilité avant que ce plan de cessez-le-feu ne soit obtenu sous l'égide du président Trump, avec le concours d'autres pays arabes. Il faut au moins que l'Union européenne tente de se racheter une crédibilité a posteriori . C'est une chose pour laquelle j'ai personnellement plaidé, encore pas plus tard qu'hier, au sein du Conseil de l'UE des Affaires générales, pour souligner que la situation sur le terrain nécessitait un engagement constant de l'Union européenne et faire en sorte que cette dernière puisse aussi être une accompagnatrice de solutions concrètes. Il n'est donc pas question d'uniquement payer pour la reconstruction de Gaza, sans pouvoir s'assurer d'une solution politique qui soit durable, y compris et avant tout pour les Palestiniens.

On sait qu'il n'y aura de solution durable que si les intérêts des deux parties sont pris en compte et s'il est porté attention pour y répondre, mais il y a, malgré tout, dans le plan esquissé, un manquement majeur concernant le rôle de l'autorité palestinienne elle-même. L'espoir reste de mise même si vous avez, et à raison, rappelé que nombre de coups de canif ont eu lieu ces dernières semaines dans le plan de cessez-le-feu intégral qui avait été esquissé.

L'exécution de la première phase du Comprehensive Plan to End the Gaza Conflict n'en est cependant qu'à ses prémices. Depuis le 10 octobre, on enregistre des incidents tous les jours, malgré le cessez-le-feu. On ne peut donc pas encore parler d'une situation stabilisée. Il est très clair, monsieur Boukili, madame Maouane, – vous l'avez évoqué, parmi d'autres –, que la situation sur place reste problématique. Le cessez-le-feu est une bonne chose, mais il ne doit pas nous aveugler jusqu'à nous faire perdre la lucidité sur la situation sur le terrain, qui, actuellement, n'est pas totalement satisfaisante.

Jusqu'à présent, le cessez-le-feu n'a pas offert ce qu'il était en devoir de procurer aux Palestiniens, à savoir du répit – tout comme pour les Israéliens. S'il n'y a guère eu de répit, il nous appartient aussi d'éviter le repli, et même le déni.

C'est la raison pour laquelle la Belgique – contrairement aux propos de monsieur Boukili selon lesquels "la Belgique est derrière le gouvernement israélien" – n'a jamais, au cours de ces derniers mois, cautionné en aucune façon la manière dont l'autorité gouvernementale israélienne se comporte dans le cadre de ce conflit. Nous continuons à dénoncer les manquements au cessez-le-feu et à déplorer toute violation de celui-ci et toute violence, d'où qu'elle vienne. Nous déplorons également que l'aide humanitaire ne soit toujours pas délivrée de manière massive et satisfaisante. En dépit des améliorations, que nous saluons, nous sommes bien loin de l'engagement formulé originellement.

Madame Maouane, vous me demandez si d'autres sanctions sont envisagées. Permettez-moi de vous rappeler qu'à la pire des périodes, l'Union européenne n'a pas été en capacité de faire un consensus minimum pour arrêter des sanctions à l'égard du gouvernement israélien. J'ai dès lors peine à croire que mes collègues auront une attitude plus volontariste après l'obtention de cet accord de cessez-le-feu à Charm el-Cheikh et le vote de la résolution auprès des Nations Unies. En effet, ceux qui étaient déjà réticents auparavant ne manqueront pas de trouver dans ces deux étapes prétexte à considérer qu'une nouvelle mesure serait de nature à perturber les équilibres et à créer du chaos plus que toute autre chose.

Soyons lucides en la matière. S'agissant de la Belgique, il nous appartient bien sûr de continuer à mettre en œuvre avec autant de célérité que possible les différentes décisions que nous avons pu prendre.

Grenzen en grensovergangen blijven gesloten. De beschietingen op burgers gaan door. De humanitaire hulp komt ook nog niet aan volgens de afgesproken doelstellingen.

Cette situation humanitaire reste catastrophique et les attaques incessantes d'Israël contre Gaza depuis deux ans ont conduit à une situation de chaos où différents groupes se disputent maintenant le contrôle du territoire. Israël est accusé de soutenir certains de ces groupes tandis que le Hamas a cherché à reprendre le contrôle dans certaines zones de Gaza, y compris en exécutant sommairement des dizaines de personnes.

Vous connaissez notre position. Elle est claire, elle est constante, elle est ferme: nous condamnons indistinctement toute violation du droit international par quelque partie que ce soit. C'est le cas aussi, madame Mutyebele, pour le cas que vous évoquiez de cette personne violée, torturée par des geôliers. Quelle que soit la maison de détention, toute pratique de torture, sous quelque forme que ce soit; est inadmissible et est évidemment condamnable et condamnée par la Belgique. Nous ne pouvons en aucune façon cautionner ces actes de violation non seulement du droit mais également de la dignité de chacun.

Une fois de plus, la situation sur le terrain montre que la force militaire – même excessive et même au bout de deux ans – ne résout pas le problème. Je le répète une fois de plus: il faut une solution diplomatique, il faut des négociations. Le Hamas doit disparaître et laisser la place à une autorité palestinienne forte.

Le Hamas a déclaré qu'il ne souhaitait pas participer à la gouvernance de Gaza, ce qui est une de nos exigences. Je précise, monsieur Lacroix, que c'est bien cela la deuxième condition. Ce n'est pas la démilitarisation du Hamas mais le fait que le Hamas ne participe en aucune manière à la gouvernance de la Palestine. C'est ce qu'ils ont annoncé mais ce n'est pas encore actuellement constatable de manière sûre et certaine. Le jour où ce sera le cas, dès lors que la condition de la remise des otages aura pu être complètement remplie, je ferai le nécessaire pour présenter l'arrêté royal de reconnaissance de l' É tat de Palestine auprès du Conseil des ministres.

La question de la démilitarisation fait partie des étapes ultérieures, comme préalable à la normalisation de nos relations diplomatiques – si on devait envisager d'y ouvrir une ambassade par exemple. Je ne vous tiens pas rigueur de la confusion entre les deux conditions parce que celle-ci a été régulièrement faite. C'est d'ailleurs la raison pour laquelle je souhaitais les repréciser.

Il doit être clair aussi qu’il n’y a aucune place pour le Hamas dans le maintien de l’ordre à Gaza. La question du désarmement de ce groupe terroriste est donc essentielle.

Cette situation nous impose des efforts pour passer rapidement à l’exécution de la deuxième phase du plan du président Trump – comme M. Kompany l’évoquait. Le Hamas doit encore rendre les dépouilles de trois otages. Il s’agit évidemment de procéder à son désarmement, de garantir le retrait total de l’armée israélienne de Gaza, ainsi que de sécuriser les populations civiles, de leur fournir une aide humanitaire en quantité et en qualité – une aide humanitaire, je le rappelle, qui doit être dépolitisée et désarmée – et de démarrer alors les énormes travaux de reconstruction.

En ce qui concerne l’aide humanitaire belge, vous soulevez, madame Maouane, la question de la provenance des fonds que j’ai annoncé allouer pour les populations de Gaza de manière complémentaire, dans un contexte budgétaire, vous l’avez rappelé, qui est contraint. Conformément à la décision du Conseil des ministres, ces moyens seront dégagés au sein des crédits courants, qui sont en fait dédiés à l’aide humanitaire, et pour lesquels des réserves ont été constituées en début d’année pour pouvoir faire face à une série d’urgences qui peuvent survenir aux quatre coins du globe en cours d’exercice budgétaire. Il est évident que la situation palestinienne comptait parmi ces urgences. Ce ne sont donc pas des crédits en plus qui proviennent d’arbitrages qui vont imposer des crédits en moins ailleurs.

Je tiens également à rappeler mon insistance à ne pas couper dans l’aide humanitaire qui permet aujourd’hui de préserver les interventions essentielles en faveur des populations les plus vulnérables. Ma politique humanitaire repose sur une gestion dynamique et réactive des crédits. Nous ne figeons pas l’ensemble des allocations en début d’année. C’est donc là l’explication de la capacité de débloquer ce budget additionnel. Nous conservons des réserves qui nous permettent d’intervenir rapidement en cas d’urgence, comme cela a été le cas aussi il y a quelques temps, lorsque je me suis rendu sur place, en soutien aux réfugiés issus du Soudan.

Les déploiements nécessaires seront opérés principalement au sein des lignes budgétaires – donc consacrées aux contributions volontaires, aux organisations multilatérales et des fonds flexibles. Aucun de nos programmes essentiels ne sera abandonné.

Madame Maouane, mevrouw Van Hoof, les destructions par Israël en Cisjordanie et à Jérusalem-Est des infrastructures humanitaires qui sont financées par la Belgique – telles que des réseaux électriques, des écoles, des installations d'eau – ont été catégorisées comme des violations du droit international humanitaire. De plus, j'ai convoqué l'ambassadrice israélienne à plusieurs reprises et exigé des compensations pour les dégâts et des démarches épistolaires officielles ont été effectuées, mais l'honnêteté m'impose de dire que pour le moment, on ne peut pas dire que l'autorité israélienne y consacre une attention soutenue, ni d'ailleurs à celles d'autres pays partenaires qui sont confrontés aux mêmes destructions de leurs propres investissements.

Je ne peux qu'une nouvelle fois condamner fermement les démolitions en zone C, qui sont contraires au droit international humanitaire, et nous allons continuer à mordre le mollet pour obtenir réparation.

Het is echter moeilijk om een volledige lijst te publiceren, mevrouw Van Hoof, omdat de meeste gebouwen eigendom zijn van particuliere Palestijnen en doordat de ngo’s niet systematisch communiceren, om hun partners te beschermen.

We werken samen met het West Bank Protection Consortium. Dat kreeg 1,8 miljoen euro aan hulp van België sinds 2015. We werken ook samen met het UN Office for the Coordination of Humanitarian Affairs om gevallen te identificeren die verband houden met Belgische financiering.

In 2025 ging het in om ongeveer 5 % van de vernielingen om door donoren gefinancierde structuren.

Wat de juridische procedures betreft, eisen België en zijn Europese partners sinds 2017 systematisch compensatie via diplomatieke stappen en officiële brieven aan de Coordinator of Government Activities in the Territories. Tot op heden is geen enkele aanvraag gehonoreerd. We blijven de mogelijkheden binnen het kader van het internationaal recht onderzoeken.

En ce qui concerne la sécurité de Gaza, vous savez que notre gouvernement plaide pour la constitution d’une force d’interposition placée sous le mandat des Nations Unies. Comme vous l’avez indiqué, le Conseil de sécurité des Nations Unies s’est prononcé, notamment, à ce sujet hier soir. En résumé, il formalise le plan Trump conclu à Charm el ‑ Cheikh.

Nous souhaitons aussi savoir comment cette étape est évaluée, question que m'a posée notamment M. Di Nunzio. Nous continuons à regretter que certaines zones territoriales aient été laissées dans l’ombre et que l’implication de l’Autorité palestinienne ne soit toujours pas clairement définie, en tout cas, pas de manière satisfaisante.

Pour en revenir à la question de la force d’interposition, une fois le mandat de cette force clarifié, mes collègues en charge de la Défense et de l’Intérieur et moi-même examinerons, dans quelle mesure la Belgique pourrait y contribuer.

Entre-temps, un centre de coordination civile et militaire a été mis en place en Israël par les États-Unis fin octobre. Je peux vous annoncer qu'en ma qualité de ministre des Affaires étrangères j’ai déjà pris la décision d’y détacher, à très court terme, du personnel des Affaires étrangères sur le volet humanitaire. En ce qui concerne le volet militaire, j’attends évidemment les arbitrages qui seront réalisés par mon collègue de la Défense. En tout cas, sur le volet humanitaire, du personnel des Affaires étrangères sera détaché, notamment pour veiller au retour de la sécurité à Gaza et pour relancer de manière intensive l’aide humanitaire.

Ce centre de coordination a également la vocation de s’assurer du désarmement du Hamas, de son exclusion de la gouvernance à Gaza et de sa reprise progressive par une Autorité palestinienne qui est en cours de réforme. Cela ne sera évidemment pas facile, mais nous nous employons à créer les conditions pour que l’Autorité palestinienne puisse remplacer le Hamas à Gaza, as soon as possible .

La mission civile de l’Union européenne, EUPOL COPPS, que la Belgique a toujours soutenue, pourrait d'ailleurs former et même équiper plusieurs milliers de policiers palestiniens appelés à être déployés à Gaza. Nous en discutons actuellement au niveau européen ainsi qu’avec nos partenaires internationaux.

Par ailleurs, la Commission européenne continue d’accompagner l’Autorité palestinienne dans ses réformes, notamment en ce qui concerne l’organisation, à terme, d’élections.

De Palestijnse Autoriteit moet zo snel mogelijk effectief aanwezig zijn in Gaza. De EU en België moeten haar daarin ondersteunen, mede in het licht van de tweestatenoplossing. De legitimiteit van de Palestijnse Autoriteit zal komen uit hervormingen en uit verkiezingen, maar ook uit haar capaciteit om diensten te bieden aan de bevolking, zoals veiligheid, elektriciteit of gezondheid.

Aan de heer Van Rooy laat ik opmerken dat hervormingen met betrekking tot het martelarenfonds al deel uitmaken van de voorwaarden voor Europese financiering. DG MENA heeft technische teams ter beschikking gesteld van de Palestijnse Autoriteit. Wetgeving rond het martelarenfonds werd reeds in februari afgeschaft en vervangen door een nieuwe wet die een sociaalzekerheidsfonds opricht, gebaseerd op armoede-indicatoren. Er vond ook een audit plaats. Die concludeerde dat, hoewel de overgrote meerderheid van de betalingen onder het oude systeem was stopgezet toen het nieuwe systeem van kracht werd, een klein deel van de families van gevangenen erin slaagde recente toelagen te ontvangen via het oude betalingsmechanisme. Dat leidde tot ontslagen bij het Palestijnse ministerie van Financiën en tot corrigerende maatregelen. Ik zeg u nogmaals dat onze ontwikkelingshulp aan de Palestijnse bevolking zeer streng wordt gecontroleerd en op geen enkele manier wordt gebruikt om terroristen te belonen.

Wat de vraag van mevrouw Huybrechts betreft, een deel van de overeenkomst over het Trumpplan was de vrijlating van Palestijnse gevangenen. Meer dan 1 700 Palestijnse gevangenen werden tot nu toe vrijgelaten. Israël gaf de lichamen van ongeveer 250 overleden Palestijnse gevangenen terug; velen vertoonden tekenen van foltering en executie.

Daar waren inderdaad ook 154 Palestijnen bij die verbannen werden naar Egypte. Zij werden niet opgevangen in luxehotels, maar werden in hotels geplaatst onder Egyptische supervisie, waarbij zij hun hotel niet konden verlaten. Egypte benadrukt dat het slechts een tijdelijk verblijf zal toestaan. Mogelijk zullen enkelen onder hen in Egypte blijven, terwijl anderen verbannen zullen worden naar landen als Turkije, Qatar of Algerije. Als die personen naar de Schengenzone willen reizen, moeten zij een visum aanvragen, zodat de veiligheidsdiensten een screening kunnen uitvoeren.

Monsieur Lacroix, il n'est pas exclu que M. Marwan Barghouti soit libéré, car certains y seraient favorables, même si, à l'heure où l'on se parle, cela ne reste qu'une hypothèse. On peut du moins l'espérer, notamment pour des raisons humanitaires. Cet homme de 66 ans, détenu depuis 23 ans, a été déplacé de prison en prison et les rapports sur ses conditions de détention font état de mauvais traitements, de torture et d'autres formes de violence.

La Belgique plaide systématiquement pour le respect des droits des prisonniers, y compris ceux de M. Barghouti, et ce, tant directement auprès des autorités israéliennes que dans les fora multilatéraux. Les autorités israéliennes ne délivrent malheureusement que très peu d'informations, y compris quant à son état de santé, et limitent l'accès à M. Marwan Barghouti. Nous restons néanmoins très actifs et attentifs au sort de celui-ci, y compris dans nos contacts avec d'autres é tats. Sa libération serait aussi, me semble-t-il, un geste d'apaisement susceptible d'avoir un effet positif en Palestine et dans les relations entre la Palestine et Israël.

Pour pouvoir vous revenir avec plus d'informations, je solliciterai aussi de nos diplomates et, en particulier, de notre ambassadeur à Tel Aviv qu'ils contactent les autorités israéliennes pour obtenir des nouvelles sur son état de santé, ce qui sera une manière complémentaire de leur rappeler que nous restons attentifs à la situation et au sort de M. Barghouti, dont, de fait, nous souhaitons plaider la relaxe.

L'accord sur la première phase du plan de paix pour Gaza permet un optimisme prudent, mais beaucoup reste à faire. De plus, il ne règle pas la situation en Cisjordanie, où la colonisation et les violences se poursuivent à un rythme effréné, touchant autant les communautés musulmanes que chrétiennes de Palestine.

De druk op Israël moet dus aanhouden, net zoals ten aanzien van Hamas. Daarom worden de Belgische maatregelen, zoals beslist op de ministerraad in september, verder uitgerold. De consulaire diensten ten aanzien van Belgen die in de illegale nederzettingen in de West Bank wonen, is intussen gestopt.

Un accord nouvel accord interfédéral a été conclu le 8 octobre afin d'étendre notre embargo de manière totale sur l'exportation des armes, qui s'applique également à tout type de transit et aux objets à double usage. Cela a donc été fait, monsieur Boukili. Sur ce sujet, j'ai également préparé, avec mon collègue chargé de la Mobilité, le ministre Crucke, un arrêté royal, qui est actuellement soumis pour consultation aux régions.

Voorzitster: Els Van Hoof.

Présidente: Els Van Hoof.

Zoals ik recent al zei, is de importban van goederen uit de nederzettingen het meest complexe. Mevrouw Van Hoof, mijnheer El Yakhloufi, die maatregel moet doorgevoerd worden door de FOD Economie en de FOD Financiën.

De leur côté, mes services ont déjà pris contact avec d'autres pays européens intéressés, et ont fourni à leurs collègues du SPF Économie et du SPF Finances des éléments pour les aider à avancer au plus vite sur une interdiction d'importer les produits des colonies.

We merken wel dat veel importeurs zelf al minder uit Israël invoeren wanneer er geen duidelijkheid is over de oorsprong van de goederen. Dat toont dat het werk van landen zoals België omtrent een importverbod al een effect heeft.

Je me réjouis qu'aucune entreprise belge ne figure dans la base de données publiée fin septembre par le Haut-Commissariat des Nations Unies aux droits de l’homme (HCDH) sur les entreprises actives dans les colonies illégales israéliennes. Aucune entreprise belge.

Op het Europees niveau pleit ik er eveneens voor om de druk op Israël en Hamas aan te houden. Daarom moet het pakket zoals voorgesteld door Commissievoorzitter Von der Leyen volledig worden uitgevoerd, met inbegrip van verdere sancties tegen Hamas en tegen gewelddadige kolonisten.

Mevrouw Depoorter, mevrouw Mutyebele Ngoi en mijnheer Kompany, in totaal namen negen Belgen deel aan de Thousand Madleens Flotilla. Een Belgische vrouw reisde op 9 oktober terug naar België, gevolgd door zes andere Belgen die op vrijdag 10 oktober in België aankwamen. Op maandag 13 oktober keerden de twee overige landgenoten terug naar hun verblijfplaats.

De landgenoten werden bijgestaan door de betrokken consulaire posten. Het Consulair Wetboek voorziet enkel in het verlenen van consulaire bijstand aan Belgen. De FOD Buitenlandse Zaken beschikt om die reden niet over cijfers betreffende andere nationaliteiten.

Zoals beschreven in het Consulair Wetboek, wordt consulaire bijstand steeds verleend op basis van terugvorderbare voorschotten. In deze zaak was dat echter niet het geval, aangezien de kosten voor de terugkeer naar België gedragen werden door de families van de betrokken Belgen en door de organisatie waarvan ze deel uitmaken. Dezelfde redenering is van toepassing op de Global Summit Flotilla.

Voilà, chers collègues, en espérant avoir été le plus complet possible, les éléments qui permettent de faire un point d'actualité sur ce dossier. J'emploie ce mot même s'il est impropre, s'agissant d'une situation humaine et conflictuelle qui reste encore dramatique à l'heure d'aujourd'hui, nonobstant les efforts qui ont été réalisés par plusieurs diplomaties afin de permettre un cessez-le-feu aussi efficace et constant que possible.

La présidente : Chers collègues, la parole est à nouveau à vous pour deux minutes.

Lydia Mutyebele Ngoi:

Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses qui sont complètes. Malheureusement, je ne partage pas nécessairement votre optimisme, que je comprends. Pour moi, il s'agit d'une paix qui est imposée au bénéfice d'Israël. On voit que Trump impose son idée de paix, avec des promesses où il promet l'enfer aux Palestiniens s'ils ne se plient pas à ses exigences. Il peut chanter sur tous les toits qu'il est un faiseur de paix, mais vous ne trouverez, ni à Gaza ni dans le reste de la Palestine d'ailleurs, la paix. Israël continuera ses exactions, le blocage de l'entrée libre de l'aide humanitaire, la menace et la reprise du génocide. En Cisjordanie ou à Jérusalem, la colonisation s'accélère et l'apartheid continue de semer sa haine et ses crimes dans le quotidien des Palestiniens. Le gouvernement de M. Netanyahu ne cache pas ses désirs d'extension et de colonisation qui se répandent jusqu'en Syrie et au Liban, où Israël continue son occupation illégale.

Quant à la résolution du Conseil de sécurité de cette nuit, c'est tout simplement un déni de droit. C'est une résolution qui est indigne de l'ONU, qui ignore même les décisions de la Cour internationale de Justice (CIJ) qui impose de mettre fin à l'occupation illégale. Cette résolution refuse d'adresser les racines du problème qui sont la colonisation, l'occupation et l'apartheid. En refusant d'accorder des droits et l'autodétermination au peuple palestinien, en accordant l'impunité face aux crimes, on ne résout rien. On se soumet simplement à la formule de Trump, mais on ne répare sûrement pas la paix. Nous continuerons donc à réclamer la paix.

Achraf El Yakhloufi:

Mijnheer de minister, dank u voor uw duidelijke antwoorden. Ik heb op een aantal vragen geen antwoord gekregen. Ik zal die straks opnieuw stellen.

Ik ben blij dat u mij volgt in het verhaal dat het Trumpplan helemaal niet duidelijk is. Het roept meer vragen op dan dat het oplossingen biedt.

Ik ben ook blij te horen dat u in de Europese Raad gisteren een positief pleidooi hebt gehouden. Mijn vraag is welke druk onze regering op Europa zal blijven leggen. U zegt zelf dat het heel onduidelijk is wat Europa zal doen. Zult u als minister, samen met de regering, druk zetten om ervoor te zorgen dat Europa het nodig zal doen en opdat wij een impact op de Veiligheidsraad hebben en een en ander mee kunnen sturen? Wat nu voorligt, is immers duidelijk een Amerikaans plan, gestoeld op Amerikaanse participatie. We zien hoe dat momenteel in de Verenigde Staten van toepassing is. Daarom hoop ik dat u daar de nodige druk zet.

Over de voorwaarden van onze regering in het compromis, zegt u dat Hamas duidelijk aangeeft dat het niet mee wil besturen. Wij vragen om een ontwapening, ik steun die vraag ook. Elke dag zien we echter, ondanks het staakt-het-vuren, dat Hamas en Palestina nog steeds worden aangevallen. Een ontwapening zou leiden tot een zelfmoord van die mensen. Voor alle duidelijkheid, ik wil dat er een ontwapening komt, maar ik vraag me af hoe dat gerealiseerd kan worden.

Ik ben blij dat u aan uw diensten hebt gevraagd om verder te gaan met het importverbod, samen met de FOD Financiën en de FOD Economie. Dat is een goede stap. Op mijn vraag of u contact hebt gehad met Ierland of Slovenië en hoe die landen dat toepassen, heb ik geen antwoord gekregen.

Gezien de ernst van de situatie zou de regering toch wat verder mogen gaan dan alleen aan de ministers van Financiën en Economie te vragen om het koninklijk besluit mee te bekijken. Het staakt-het-vuren is nog maar een maand van kracht, maar we zien dat het niet werkt.

U hebt ook geen antwoord gegeven op mijn vraag over het recordaantal kolonistenaanvallen op de moskee in oktober. Kunt u daarop ook nog een antwoord geven, mijnheer de minister?

Kathleen Depoorter:

Er gebeurt wat we gevreesd hadden, mijnheer de minister. De resolutie is goedgekeurd en er zijn zeer goede plannen. We maken enige vooruitgang, maar humanitair en menselijk blijft de situatie nog altijd ontzettend moeilijk.

Ik wil dan ook benadrukken dat stabiliteit echt noodzakelijk is: stabiliteit voor beide volkeren, stabiliteit voor de mensen aan beide zijden van de grens. Ook de ontwapening aan beide zijden van de grens is echt belangrijk. Er gebeuren nog altijd vreselijke dingen en het feit dat Hamas het compromis en de resolutie niet aanvaardt, blijft ons zorgen baren. Wat zal de toekomst brengen?

Het is zeer hoopgevend dat de Palestijnse Autoriteit volledig meegaat in het verhaal en zich volledig engageert om ervoor te zorgen dat er een democratisch zelfbeschikkingsrecht voor de Palestijnen kan komen. Zolang de wapens spreken, ook aan de kant van Hamas, maak ik mij echter grote zorgen.

Ik ben ook bezorgd over de international stabilisation force . Wie zal daarvan deel uitmaken? Zullen de Arabische staten deel uitmaken van die belangrijke troepenmacht, die ervoor moet zorgen dat mensen in Gaza veilig kunnen leven?

Hoe zullen we de humanitaire hulp kunnen versterken? Er is een duidelijk signaal gegeven dat de Wereldbank een belangrijke rol in de heropbouw van Gaza zal moeten opnemen, maar daarvoor is het eerst en vooral nodig dat er stabiliteit komt en dat de humanitaire toestand verbetert.

U hebt ook aangegeven dat de rol van Europa belangrijk blijft. Laten wij die stem zijn, de neutrale stem die duurzame vrede en stabiliteit in de toekomst, voor een tweestatenoplossing, betracht.

Nabil Boukili:

Monsieur le ministre, merci pour vos réponses. Beaucoup de choses ont été dites. En deux minutes, il me sera difficile de répliquer à tout. Je me limiterai à la question du plan Trump. Il faut arrêter de le qualifier de "plan de paix", car ce n'en est pas un; il s'agit d'un plan colonial. En effet, il permet à Israël de poursuivre sa politique de colonisation et de destruction du peuple palestinien. C'est ce que les Israéliens sont en train de faire à Gaza et en Cisjordanie. La politique israélienne, son plan de remplacer les Palestiniens et de voler leur territoire, se poursuit toujours dans le cadre de ce plan colonial. Donc, arrêtons de travestir la réalité et de le considérer comme un plan de paix. C'est une insulte à l'intelligence humaine!

Surtout, monsieur le ministre, vous affirmez que l'Union européenne doit jouer un rôle dans la direction du comité de gouvernance. C'est génial! Voilà bien une preuve de mentalité coloniale: ce sont les Occidentaux qui vont diriger Gaza à la place des Palestiniens. Où est alors le droit à l'autodétermination du peuple palestinien, qui consisterait à jouir de sa liberté sans que des forces occidentales viennent lui dicter comment il doit gouverner son pays? Ce peuple ne reçoit aucun respect de leur part. C'est vraiment insultant pour les Palestiniens.

Quand je dis que la Belgique se tient derrière le gouvernement israélien, je parle des faits, monsieur le ministre. Vous pouvez évoquer les déclarations, les condamnations et ainsi de suite. Il reste que notre pays est le septième partenaire économique d'Israël. Le 6 octobre, le ministre-président wallon Adrien Dolimont était interrogé sur la participation d'une entreprise wallonne dans la production des F-15 fournis à Israël en parlant, je le cite, d'une "véritable réussite: synergies positives entre les industries civiles et militaires, retombées industrielles locales". Où est donc l'embargo militaire puisque nos entreprises sont impliquées dans la fabrication d'armes qui tuent les Palestiniens? Oui, la Belgique se tient derrière quand nos banques publiques, dans lesquelles l' É tat détient des actions, investissent dans les colonies et que le ministère de la Mobilité investit dans un projet avec CAF, qui produit les trams qui se déplacent d'une colonie à une autre.

Oui, la Belgique, dans sa stratégie économique, soutient le gouvernement israélien par sa politique économique et son implication dans l'économie coloniale. Donc arrêtons de nous voiler la face, soyons honnêtes et soyons à la hauteur de l'histoire.

Aujourd'hui, notre complicité devient de plus en plus insupportable.

Rajae Maouane:

Merci, monsieur le ministre pour vos réponses. Je ne partage pas totalement votre optimisme, même s'il est prudent, au sujet de l'avenir. Quand on voit la résolution qui a été votée cette nuit à l'ONU, je rejoins les collègues, on ne peut pas dire que c'est un plan de paix ni que c'est une bonne chose.

C'est un plan colonial qui consacre une tutelle coloniale sur Gaza. C'est une honte parce que ce plan continue à soutenir le génocide, l'apartheid et la colonisation. On ne parle pas des territoires occupés en Cisjordanie, on ne parle pas de Jérusalem, on ne parle pas de la fin du génocide. Et ce faisant, vous serez d'accord avec moi, ce plan rend l'avènement d'un É tat palestinien quasiment impossible. Ç a, c'est extrêmement grave et extrêmement décevant. Vous dites que l'Union européenne ne voudra pas sanctionner davantage Israël, même quand c'était au climax du génocide, l'Union européenne n'a pas fait plus d'efforts.

Mais la Belgique a du talent diplomatique. La Belgique, en tant qu' É tat membre qui compte en Europe, pourrait, d'une part, faire du lobbying à cet égard et d'autre part, être totalement irréprochable, tant au sujet des sanctions que d'un embargo – ce qui est loin d'être le cas.

La situation aujourd'hui à Gaza est catastrophique. Les bombardements continuent à Gaza – au Liban aussi, même si nous n'en avons pas parlé – et Israël continue à violer le droit international et le droit humanitaire avec une impunité totalement ahurissante. On voit que les colons sont extrêmement violents en Cisjordanie, ils deviennent de plus en plus violents. Ils bénéficient d'une espèce de totem d'impunité qui est absolument rageant. Personnellement, je suis très, très, très pessimiste pour la suite.

Malheureusement, les médias parlent de moins en moins de Gaza, comme si cet accord de cessez-le-feu avait endormi un peu les consciences. Or la situation est tout aussi dramatique aujourd'hui qu'hier et il faut poursuivre nos efforts, tant diplomatiques que médiatiques et de mobilisation sur le terrain.

Pierre Kompany:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses et surtout pour la franchise de vos réponses.

La résolution d'hier à l'ONU est un espoir. Nous n’en espérions pas tant, même si ce n'est pas l'idéal. Vu qu'elle a été adoptée, c'est le cadre pour les prochains mois.

On peut refuser d'y participer, mais alors pas d'influence. Alors la question est: soutenir la procédure, le processus sans perdre son âme. Et ça je crois, monsieur le ministre, que vous en êtes capable.

Aussi, vous avez dit vouloir une aide humanitaire en quantité et en qualité. Et ça, c'est très important. L'espoir d'une paix durable dans cette partie du monde ravagée quasi à jamais doit demeurer en nous. Et vous êtes notre représentant pour le défendre.

Britt Huybrechts:

Mijnheer de minister, voorafgaand wil ik mij excuseren voor mijn laattijdigheid. Ik was belet wegens een vraag in een andere commissie aan minister Matz, uw partijgenoot.

Nu kom ik tot mijn vraag. De terroristen verblijven misschien niet in een luxehotel, maar zij zitten wel op hotel. Mogelijk kunnen ze nergens heen, maar waar zouden ze naartoe moeten als ze op hotel kunnen verblijven?

Het is ongezien dat terroristen, mensen die anderen hebben vermoord of willen vermoorden, worden vrijgelaten. Ik heb er alle begrip voor dat onschuldige Palestijnen en onschuldige Israëli’s worden vrijgelaten, maar dat terroristen worden vrijgelaten, blijft naar mijn oordeel een schande en een absurditeit.

U stelt dat wanneer die terroristen naar het Schengengebied zouden reizen, een visum moeten aanvragen en dat zij zullen worden gescreend. Dienaangaande zie ik twee problemen. Ten eerste, niets weerhoudt hen ervan om hier illegaal naartoe te komen. Ze beschikken over voldoende netwerken om onder te duiken. Ten tweede, gelooft u werkelijk dat een visumaanvraag hen zou tegenhouden? Het heeft de terrorist Trabelsi ook niet tegengehouden om naar België te komen. Dat is dus absoluut geen geruststelling, integendeel.

Christophe Lacroix:

Monsieur le ministre, merci pour toutes vos réponses. Elles montrent, même si nous ne sommes pas d'accord sur tout, qu'il y a un engagement plus que résolu de votre part. Mais, comme ma collègue Mutyebele l'a dit, la résolution de l'ONU et la force de stabilisation sont contraires à l'avis de la Cour internationale de Justice du 19 juillet 2024 ordonnant le retrait des forces israéliennes des territoires palestiniens illégaux occupés sur la base des frontières d'avant 1967. Cette résolution de l'ONU contredit une décision de la CIJ, ce qui ne peut être qu'une solution précaire, une forme de sparadrap le temps de...

Et c'est là que je vous rejoins sur une forme de méthode qu'il conviendrait d'appliquer en la circonstance. Il faut que la Belgique continue à être l'un des porte-voix pour que justice se fasse. C'est-à-dire que toutes celles et tous ceux qui ont été inculpés par la Cour pénale internationale (CPI) soient traités et déférés devant les tribunaux pour faire cesser l'occupation illégale et l'apartheid. Il convient de repartir de toutes les résolutions de l'ONU pour construire un État palestinien qui cohabitera avec l'État d'Israël. Il faut absolument éviter que le statu quo actuel et la mise en route de cette force de stabilisation et d'un régime spécial sur les territoires de Gaza ne prolongent une logique d'annexion et d'apartheid; il faut éviter que ce statu quo, à l'instar de ce que l'on a vécu en Libye ou en Irak, n'aboutisse à une situation qui soit encore pire après qu'avant.

Pour l'instant, en Palestine et à Gaza en particulier, la société civile gazaouie est complètement effondrée. Il faut donc la reconstruire et la renourrir démocratiquement. D'où mon insistance pour que Marwan Barghouti soit libéré. Je sais qu'Israël, évidemment, est contre. Je sais aussi que des Palestiniens eux-mêmes sont contre, parce que si ce personnage plus intègre que d'autres revient sur la scène nationale palestinienne, il sera certainement l'homme qui réunira les conditions d'une pacification et un interlocuteur valable. Certains n'y ont pas intérêt, surtout pas Israël, mais certains Palestiniens non plus.

Monsieur le ministre, je vous demanderai, ainsi qu'aux parlementaires de la majorité, d'être conformes et logiques avec vos engagements. Il nous faut un calendrier précis, en ce compris sur l'établissement des sanctions et cette loi qui interdit l'importation des produits des colonies; je crois qu'il est temps de le mettre à l'agenda de notre commission.

Michel De Maegd:

Monsieur le ministre, je voudrais d'abord dire mon soulagement et surtout mon espoir de voir que, même si c'est lent, imparfait et compliqué, le cadre multilatéral avance malgré tout. Il y a urgence puisque, comme vous l'avez rappelé, la situation sur le terrain est encore très instable et éminemment complexe. Néanmoins, le vote intervenu hier au Conseil de sécurité montre qu'après des mois de blocage, la communauté internationale parvient enfin à se mettre d'accord sur un horizon, une architecture de sortie de crise à Gaza, avec l'espoir, bien sûr encore éminemment fragile, d'un pas vers la sécurité sur place. Mais ce texte onusien ne sera crédible que s'il se traduit concrètement dans la vie quotidienne des familles palestiniennes et israéliennes: plus de bombardements, plus de roquettes, plus d'attaques, plus de peur, mais davantage de garanties, de protection et un respect strict du cessez-le-feu. La future force de stabilisation, les mécanismes de gouvernance transitoires et j'en passe, tout cela n'a de sens que si cela permet réellement aux enfants de Gaza de dormir sans craindre la prochaine frappe et de commencer à envisager autre chose que la survie au jour le jour. Dans ce contexte, l'angle humanitaire doit rester absolument central. Les résolutions précédentes sur Gaza rappelaient déjà l'urgence de l'accès sans entrave à l'aide, de la protection des travailleurs humanitaires et de la remise en état des infrastructures vitales. Le vote d'hier ne peut pas juste être un chapitre purement diplomatique de plus. Il doit apporter une solution politique et mener à des conséquences concrètes avec plus de convois, plus de carburants pour les hôpitaux, plus d'eau potable, plus de soutien psychologique et médical pour une population traumatisée, avec des garanties de sécurité, et aussi l'élimination du Hamas de toute gouvernance de la Palestine et sa démilitarisation. Des réformes importantes, des élections doivent remettre en selle l'Autorité palestinienne. Comme vous l'avez dit, l'Union européenne devra, bien plus que par le passé, jouer un rôle constant dans cette mise en œuvre et dans les précisions qui doivent encore intervenir, notamment sur le rôle de l'Autorité palestinienne, raison pour laquelle la pression des sanctions européennes contre le Hamas, contre les colons violents, doit être maintenue. Je vous remercie, monsieur le ministre, de maintenir ce message à la table du Conseil européen des Affaires générales. Nous serons à vos côtés chaque fois que la Belgique plaidera pour que la mise en œuvre de ce nouveau dispositif garde deux boussoles claires: la sécurité de toutes les populations et la priorité absolue donnée à l'humanitaire. Nous resterons vigilants pour que derrière les mécanismes et les textes, ce soit bien entendu des vies humaines que nous protégions.

De verlenging van het mandaat van de VN-onderzoekscommissie voor Soedan
De situatie in Soedan
De situatie in Soedan
De situatie in Soedan
De humanitaire catastrofe en massamoorden in Darfur (Soedan)
De situatie in Soedan op de agenda van de EU-AU-top
De bloedige oorlog in Soedan
Het geweld in Soedan
De Belgische humanitaire hulp aan Soedan
De toestand in Soedan
De situatie in Soedan
De humanitaire crisis in Soedan
De situatie in Soedan
De crisis en humanitaire situatie in Soedan

Gesteld aan

Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 18 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie richtte zich op twee hoofdthema’s: de catastrofale humanitaire crisis en mogelijke genocide in Soedan, en de controversiële EU-toetreding van Oekraïne te midden van corruptieschandalen. Over Soedan benadrukten parlementsleden de systematische etnische zuiveringen, massale verkrachtingen, hongersnood en 10+ miljoen ontheemden, met name door de *Rapid Support Forces (RSF)* en hun buitenlandse steun (o.a. VAE). België engageerde zich met 37 miljoen euro humanitaire hulp (2025-26), steunt VN-onderzoeken naar oorlogsmisdaden en pleit in de EU voor gerichte sancties en wapenembargo’s, maar vermijdt openlijke confrontatie met de VAE. Kritiek was er op onvoldoende diplomatieke druk, risico’s op afdrifting van hulpgelden en het ontbreken van een duurzaam vredesplan. Over Oekraïne werd de corruptie (o.a. Energoatom-schandaal, Zelensky’s pogingen anticorruptiediensten te ondermijnen) tegenover de EU-toetredingsambities gezet. België steunt toetreding op basis van Kopenhagencriteria (geen versnelling), maar wijst Hongarije’s blokkade af. Kritiek kwam van oppositie op blind steunen van een “structureel corrupt systeem”, miljardensteun zonder controle en het risico op EU-instabiliteit. De regering benadrukte hervormingsmonitoring, maar wees wijziging van de unanimiteitsregel (voorstel Costa) niet af.

Rajae Maouane:

Monsieur le ministre, depuis des mois, le Soudan vit l’une des pires crises humanitaires de notre époque. Chaque semaine, les chiffres sont de plus en plus alarmants. Plus de 12 millions de personnes ont été déplacées depuis avril 2023, dont un tiers a dû fuir vers les pays voisins. Quelque 4 millions d’enfants sont déracinés et 17 millions d’enfants sont privés d’école. Les maladies explosent, la famine gagne du terrain, et 70 % des hôpitaux dans les zones de combat sont à l'arrêt. Ce n'est pas seulement une crise humanitaire; d'aucuns parlent de génocide. À Khartoum et à El Fasher, les frappes de drones se multiplient. Les civils sont régulièrement pris pour cibles. Les paramilitaires commettent des crimes contre l'humanité, dont des actes de torture, de viol utilisé comme arme de guerre, d'esclavage sexuel et de déplacement forcé. Le dernier rapport de l'ONU parle même de crimes contre l’humanité et de crimes d'extermination. Les alertes sont régulières. Ainsi, le chef des opérations humanitaires de l'ONU y était encore hier et, revenant du terrain, évoque un véritable spectacle d'horreurs. Il demande davantage de Casques bleus, immédiatement. La secrétaire générale du Conseil danois pour les réfugiés affirme pour sa part que plus de la moitié de la population au Soudan a besoin d'aide. Et alors que le Royaume-Uni annonce envisager de nouvelles sanctions, on entend peu la voix de l'Europe.

Monsieur le ministre, la Belgique ne peut pas se contenter d'observer. Mes questions sont très concrètes. Quelles nouvelles initiatives la Belgique entend-elle prendre immédiatement pour répondre à ces crimes, de façon humanitaire et diplomatique? Porterez-vous, au niveau européen, le renforcement des sanctions contre les responsables des Forces de soutien rapide (FSR), comme envisage de le faire le Royaume-Uni? Soutenez-vous les appels de l'ONU pour une présence renforcée des Casques bleus et pour faire avancer les mécanismes de justice internationale? Enfin, quelle aide humanitaire urgente la Belgique est-elle disposée à envoyer ou a-t-elle déjà envoyée pour les civils pris au piège?

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, volgens de Verenigde Naties bevindt Soedan zich in het epicentrum van een van de ernstigste humanitaire crises ter wereld. Het is een vergeten oorlog. Ik ben daar in het verleden al over tussengekomen. Meer dan 30 miljoen mensen hebben dringend hulp nodig, 9,6 miljoen ontheemden en bijna 15 miljoen kinderen. De VN-organisaties, het Wereldvoedselprogramma, allemaal waarschuwen ze voor immense menselijke nood en een nijpend tekort aan middelen. Gisteren zagen we daarover in Terzake nog een reportage. Terwijl delen van het land nu wat rustiger worden, keren miljoenen mensen terug naar hun verwoeste woningen, zonder toegang tot basisvoorzieningen. Honderdduizenden burgers blijven in Darfur en zijn afgesneden van voedsel- en gezondheidszorg.

Ik had graag van u vernomen welke humanitaire of financiële steun ons land heeft verleend aan de Soedanese bevolking via multilaterale of bilaterale kanalen. Overweegt ons land bijkomende bedragen voor het VN Humanitarian Response Plan? Er zou op dit moment slechts 25% gefinancierd zijn.

Zijn er überhaupt nog Belgische ngo’s in de regio actief?

Welke diplomatieke initiatieven heeft ons land genomen of kan het nemen, al dan niet binnen de Europese Unie of de Verenigde Naties, om bij te dragen aan een staakt-het-vuren en een duurzaam vredesproces?

Hoe waarborgt ons land dat de bescherming van burgers, in het bijzonder van vrouwen en kinderen, centraal blijft staan in het buitenlandse en humanitaire beleid ten aanzien van Soedan?

Ellen Samyn:

Ik verwijs naar de twee ingediende vragen.

De toestand in Soedan, en meer bepaald in de regio Darfoer, is sinds de inname van El Fasher door de Rapid Support Forces (RSF) opnieuw volledig ontspoord. Volgens de Verenigde Naties en talloze ngo's gaat het om systematische etnische zuiveringen tegen leden van de Zaghawa-gemeenschap, vergezeld van wijdverspreid seksueel geweld, honger en moordpartijen. De humanitaire situatie is volgens de VN zelfs 'de ergste ter wereld op dit moment'.

Ook de internationale pers, onder meer The New York Times, beschrijft de gruwel in El Fasher als een nieuwe genocide op een oud slagveld. Getuigen spreken over burgers die neergeschoten worden bij vluchtpogingen en kinderen die in ziekenhuizen dierenvoer krijgen wegens honger.

U heeft, terecht, de aanval van de RSF op El Fasher veroordeeld en opgeroepen tot de bescherming van burgers, ik verwijs naar het persbericht van uw kabinet van 27 oktober 2025 en de verklaring waarin u de situatie “afschuwelijk" noemde. Tegelijk kondigde u een Belgische bijdrage van 37 miljoen euro aan voor humanitaire hulp in Soedan in de periode 2025-2026.

Toch blijkt er, internationaal, een opvallend gebrek aan diplomatieke druk en accountability. De Verenigde Arabische Emiraten, die volgens betrouwbare bronnen (waaronder VN-experts) de RSF financieel en militair ondersteunen, worden zelden publiek aangesproken. Ook binnen de Europese Unie lijkt de aandacht voor Soedan beperkt, ondanks de omvang van de crisis.

Welke concrete diplomatieke initiatieven heeft België, bilateraal of via de Europese Unie, ondernomen of voorgesteld om de RSF tot een onmiddellijk staakt-het-vuren en onbelemmerde humanitaire toegang te dwingen? Heeft België hierover overleg gehad met de Verenigde Arabische Emiraten of andere regionale spelers zoals Egypte of Saoedi-Arabië?

Acht u het opportuun dat de Europese Unie en/of België gerichte sancties of wapenembargo's invoert tegen de RSF-leiding of hun buitenlandse financierders, gezien de aanwijzingen van ernstige oorlogsmisdaden en genocide?

Zal er binnen de EU en/of de VN-Raad voor de Mensenrechten gepleit worden voor een internationaal onderzoek of een verwijzing naar het Internationaal Strafhof, gelet op de omvang en de aard van de misdaden?

Hoe zal u garanderen dat de aangekondigde budgettaire bijsturingen van de Belgische ontwikkelingssamenwerking terecht zullen komen bij de noodlijdende bevolking?

Tijdens de hoorzitting in de commissie over de crisis in Soedan verklaarde men dat België in 2025 en 2026 5 miljoen euro zou toekennen aan humanitaire steun voor Soedan. Ook de Belgische bijdrage aan het CERF wordt in 2025 met 3 miljoen euro verhoogd, een wereldwijd noodfonds waarvoor Soedan de belangrijkste begunstigde was in 2024-2025.

In Soedan woedt momenteel de ergste humanitaire crisis ter wereld. De context is er één van een bloedige burgeroorlog, massale interne ontheemding, hongersnood en een volledige institutionele implosie. Zowel de Sudanese Armed Forces (SAF) als de Rapid Support Forces (RSF) worden in VN-rapporten en door onafhankelijke organisaties beschreven als verantwoordelijk voor massamoorden, etnische zuiveringen, grootschalige seksueel geweld en andere misdaden tegen de menselijkheid.

Tegen deze achtergrond heb ik enkele vragen.

Hoe kan uw departement garanderen dat geen enkele euro Belgische middelen terechtkomt bij één van beide strijdende partijen? We weten uit het verleden - bijvoorbeeld in Gaza via organisaties die bleken geïnfiltreerd door Hamas - dat hulpgelden in conflictgebieden wél kunnen afglijden naar gewapende fracties. Welke concrete controlemechanismen hanteert België vandaag specifiek voor Soedan? Volstaan deze of moeten we ze herevalueren?

Kunt u voor deze en de vorige legislatuur oplijsten hoeveel Belgische ontwikkelingssamenwerking jaarlijks naar Soedan is gegaan? Graag uitgesplitst per jaar en per instrument, zodat kan worden nagegaan of de voorziene 5 miljoen euro voor 2025 en 2026 een stijging dan wel een continuering van eerdere bedragen vormt?

Hoe wordt deze steun concreet aangewend? Gaat het om voedselhulp, medische voorraden, toegang tot drinkbaar water, bescherming van vrouwen en meisjes, of andere humanitaire domeinen? En met welke lokale en internationale uitvoerende partners werkt België hiervoor samen?

Zijn er - gezien de extreem verslechterende veiligheidssituatie - bijkomende risicoanalyses uitgevoerd rond de toegang van hulpverleners, de neutraliteit van partners ter plaatse en de mogelijkheid tot effectieve distributie aan de burgerbevolking?

Acht u het verantwoord voor onze Belgische hulpverleners om daar actief te zijn op dit moment? Zijn deze momenteel actief en zo ja, moet Buitenlandse Zaken hen niet laten repatriëren?

Lydia Mutyebele Ngoi:

Monsieur le ministre, des civils affamés par plus d'un an de blocus, finalement tués par balles alors qu'ils tentent de fuir ou alignés puis abattus sans remords, des viols en masse, des enfants massacrés, des journalistes tués. Par images satellites, on voit des flaques de sang immenses et des amas de cadavres qui grossissent de jour en jour. C'est la réalité à El Fasher, mais aussi à Bara ou ailleurs au Soudan, un pays dévasté par une bien trop longue guerre, qui ressemble plus à une suite de massacres ethniques qu'à une véritable guerre.

Dans la ville qui vient d'être capturée par les paramilitaires des Forces de soutien rapide (FSR), leur haine s'est exprimée dans toute l'horreur dont ils sont capables: des personnes massacrées par plaisir, par haine et pour des raisons ethniques, des milliers de morts innocents et des dizaines de milliers de déplacés en quelques heures. De rares vidéos diffusées en ligne nous donnent la mesure de ce déchaînement de violence débridée, qui laisse à croire que des crimes de génocide ont été commis à El Fasher comme dans les autres zones contrôlées par les FSR.

Soutenus par les Émirats arabes unis, les rebelles semblent avoir fait du nettoyage ethnique leur combat. Au Soudan, depuis le début de la guerre en 2023, ce sont plus de 10 millions de déplacés, plus de 140 000 morts. C'est une guerre oubliée, monsieur le ministre, où l'impunité totale permet aux criminels de répandre la mort sans être inquiétés. Sans pression diplomatique, sans aide humanitaire massive, sans application de la justice, l'avenir du Soudan est bien sombre, et de nouveaux massacres à intention génocidaire risquent de s'ajouter à une trop longue liste qui comprend El Fasher, d'El Geneina ou du Kordofan.

Monsieur le ministre, que fait la diplomatie belge pour mettre fin à l'horreur de cette guerre au Soudan? Avez-vous engagé des contacts avec les Émirats arabes unis concernant les nombreuses informations témoignant de leur soutien actif aux FSR? La Belgique va-t-elle engager une aide humanitaire massive à la hauteur des besoins? Comment justifier les coupes budgétaires de la coopération au développement avec la multiplication de crises humanitaires telles que celle au Soudan?

Sandro Di Nunzio:

Mijnheer de minister, een verschrikkelijke humanitaire ramp speelt zich af in Soedan. Eind oktober kwam Darfur in handen van de paramilitaire RSF. Op 3 november kondigde het Internationaal Strafhof een onderzoek aan naar oorlogsmisdaden, wat geen gemakkelijke opdracht is aangezien er amper toegang is tot het gebied. De Verenigde Staten hebben de RSF-misdaden reeds erkend als genocide, maar de internationale aandacht hiervoor blijft heel beperkt.

Ik heb hierover enkele vragen. Ten eerste, in welke mate zal ons land concrete steun verlenen om het ICC-onderzoek mee vorm te geven?

Ten tweede, werd dit conflict reeds besproken tijdens een Raad? Zo ja, zijn er al conclusies die u met ons kunt delen?

Ten derde, welke stappen zult u ondernemen om ervoor te zorgen dat het VN-wapenembargo effectief wordt gehandhaafd en waar nodig uitgebreid door gerichte sancties te versterken?

Ten vierde, wat is het standpunt van de Belgische regering met betrekking tot het al dan niet erkennen van de genocide door de RSF? Volgt u de uitspraak van de Verenigde Staten? Zo ja, welke daden zult u stellen om onze verplichtingen onder het genocideverdrag effectief na te komen?

Ten vijfde, welke internationale maatregelen zijn er sinds de val van Darfur genomen op internationaal niveau om humanitaire hulp en artsen toe te laten tot het getroffen gebied? Zal men werk maken van humanitaire corridors?

Ten slotte, welke internationale organisaties zijn nog actief op het terrein en kunnen bijgevolg de nodige steun leveren?

Michel De Maegd:

Monsieur le ministre, le Soudan s'enfonce dans une guerre d'une brutalité extrême, inouïe, entre l'armée régulière et les Forces de soutien rapide (FSR). On parle de dizaines de milliers de morts et de la plus grave crise de déplacés au monde, avec des millions de personnes jetées sur les routes au Soudan et dans les pays voisins.

Ces dernières semaines, un nouveau seuil d'horreur a été franchi avec la chute d'El Fasher. Les témoignages qui nous parviennent parlent de massacres de civils, de violences sexuelles utilisées comme armes de guerre, d'attaques ciblant des populations sur base de leur appartenance ethnique. Dans certaines zones, la famine est délibérément organisée, les hôpitaux sont détruits ou pris pour cible, l'aide humanitaire est bloquée.

J'aimerais donc vous poser quelques questions. Pouvez-vous faire le point sur les démarches diplomatiques qu'a menées la Belgique, seule ou au niveau européen, dans le cadre de ce conflit? Pouvez-vous nous dire à ce propos quel rôle entend jouer l'Union européenne pour participer à une issue durable? Estimez-vous qu'un mécanisme d'enquête internationale et de documentation des crimes commis doive être soutenu? Enfin, la Belgique prend-elle part à un effort humanitaire sur place et dans la région et, si oui, dans quelle mesure?

Nabil Boukili:

Monsieur le Ministre, le Soudan connaît aujourd'hui une catastrophe humanitaire. Certains parlent même d'un génocide d'une ampleur sans précédent. Près de 13 millions de personnes sont déplacées. Des centaines de milliers de personnes sont menacées par la famine et l'on dénombre déjà des dizaines de milliers de morts. Pourtant, ce drame demeure largement ignoré par la communauté internationale.

La guerre qui est en cours au Soudan n'est pas seulement un conflit strictement militaire entre deux armées ou deux égaux. Il s'agit d'une confrontation entre deux pôles de pouvoir qui se sont soumis à l'influence d'acteurs étrangers, qu'ils soient régionaux ou internationaux de manière générale, pour servir des agendas économiques et de politique extérieure.

L'Union Européenne et la Belgique condamnent aujourd'hui la brutalité du RSF, tout comme elle avait auparavant dénoncé les crimes du régime d'Omar el-Bechir. Cependant, l'Europe avait à l'époque contribué à légitimer ce même régime à travers ce processus de Khartoum, comme elle a aussi participé à la légitimation du RSF, notamment avec des financements par le passé à ce niveau-là.

Et on se rappelle aussi qu'en 2017, sous le gouvernement Michel, M. Théo Francken, alors secrétaire d'État à l'Asile et aujourd'hui ministre de la Guerre, a collaboré avec le régime d'Omar el-Bechir pour identifier et renvoyer des réfugiés soudanais, malgré les risques évidents de persécution. Aujourd'hui, il est partenaire dans votre gouvernement.

Monsieur le ministre, mes questions seront donc les suivantes: est-ce que la Belgique plaide, au niveau européen, pour un embargo sur les armes à destination des forces impliquées dans le conflit soudanais, directement ou via des pays tiers, tels que les États-Unis, l'Égypte, l'Arabie saoudite ou les Émirats arabes unis? Qu’allez-vous faire par rapport aux livraisons d'armes aux Émirats arabes? Quels sont les mécanismes de contrôle effectifs permettant de garantir que les armes ou équipements exportés depuis la Belgique ne puissent être utilisés ou transférés ou détournés dans le cadre du conflit au Soudan? Enfin, quelles démarches politiques et diplomatiques la Belgique compte entreprendre pour apporter un climat de paix dans la région? Je vous remercie.

Els Van Hoof:

Ik sluit mij in dit debat aan met een vraag die, zoals mijn collega’s reeds afdoende hebben beschreven, betrekking heeft op de dramatische situatie in Soedan, met systematisch geweld, hongersnood en heel ernstige schendingen van het internationale humanitaire recht. Er wordt opnieuw gesproken over een genocide.

De directeur van de IOM riep vorige week terecht op tot een staakt-het-vuren en de opening van een humanitaire corridor, maar er is geen enkel perspectief.

Ook de fameuze Quad, zijnde de Verenigde Staten, de Verenigde Arabische Emiraten, Saudi-Arabië en Egypte, stelde al een humanitair bestand voor, maar de RSF houden zich daar voorlopig niet aan. Het geweld gaat gewoon door, evenals de wapenleveringen vanuit de Verenigde Arabische Emiraten.

Ondertussen heeft België 37 miljoen euro humanitaire steun toegezegd aan het Central Emergency Response Fund van de VN. U stelt terecht dat humanitaire hulp niet volstaat. Er moet een politieke oplossing komen, een humanitair bestand en een staakt-het-vuren.

Welke inspanningen werden ondernomen door België, samen met de Europese partners, om tot een duurzaam staakt-het-vuren en tot een politieke oplossing van het conflict te komen? Hebt u de wapenleveringen aangekaart in uw diplomatieke contacten met de Verenigde Arabische Emiraten? Zo ja, welke reactie hebt u gekregen?

Pierre Kompany:

Monsieur le ministre, la semaine dernière, les experts auditionnés ont dressé un tableau accablant de la situation du Soudan. Votre représentant a confirmé que la question reste à l'agenda international, notamment au Conseil de l'Union européenne, et que la Belgique a accru son soutien humanitaire et ses contributions au core funding . Cet engagement est essentiel et je souhaite le saluer.

Toutefois, des préoccupations majeures subsistent. Comme vous le savez, l'embargo onusien de 2005 sur les armes liées au conflit du Darfour est toujours largement violé. Aujourd'hui encore, certains États européens continueraient à fournir indirectement des armes au Soudan via les Émirats arabes unis. Je regrette d'ailleurs que certaines armes belges soient retrouvées sur place.

Cependant, comment la Belgique entend-elle agir pour endiguer ce phénomène? La question des États européens qui arment le conflit fait-elle partie des travaux en cours au niveau européen? La méthode du naming and shaming vous paraît-elle pertinente pour dénoncer les États qui se rendent complices de l'alimentation du conflit à l'origine de l'une des plus grandes catastrophes humanitaires actuelles? Plusieurs pays et plusieurs experts recommandent également d'élargir l'embargo à l'ensemble du territoire soudanais, au-delà du seul Darfour, sachant évidemment que les pays voisins deviendraient des lieux de dépôts d'armes. Tout cela est donc compliqué. La Belgique soutient-elle cette approche et comment pourrait-elle concrètement la promouvoir?

Maxime Prévot:

Mevrouw de voorzitster, beste Kamerleden, ik deel uw bezorgdheid volledig. De toestand in Soedan is ronduit catastrofaal en wordt maar al te vaak genegeerd. Miljoenen mensen zitten gevangen in een conflict waar ze niet voor gekozen hebben. Ze worden geconfronteerd met honger, ontheemding en onvoorstelbaar geweld.

De wereld kan niet wegkijken. België veroordeelt ten stelligste alle schendingen van het internationaal humanitair recht en van de mensenrechten, in het bijzonder de schendingen door de Rapid Support Forces van generaal Hemedti en hun bondgenoten.

Ik heb me hier in de commissie al vaak uitgesproken en ik zal dit geweld blijven aanklagen. We zijn bijzonder bezorgd over het geweld tegen burgers, het systematisch seksueel en gendergerelateerd geweld, de standrechtelijke executies, de gedwongen verdwijningen, de willekeurige detenties, de folteringen, de berichten over etnische zuiveringen, het toenemende aantal ernstige schendingen tegen kinderen en de voortdurende inkrimping van de civiele ruimte.

In september 2025 heeft de Fact Finding Mission van de Mensenrechtenraad een verpletterend onderzoeksrapport gepubliceerd, waaruit onomwonden bleek dat de rivaliserende strijdkrachten zich bewust richten op burgers en daarbij gruweldaden plegen die als misdaden tegen de menselijkheid beschouwd kunnen worden. Die situatie is verwerpelijk. Door de misdaden, die door alle partijen gepleegd zijn te documenteren, helpt de onderzoeksmissie ervoor te zorgen dat de verantwoordingsplicht centraal blijft staan in het zoeken naar een duurzame oplossing.

Ik wil u verzekeren dat België bijzonder actief blijft binnen de VN-Mensenrechtenraad. Als een van de 47 leden van de VN-Mensenrechtenraad heeft ons land niet alleen in september voor de verlenging van het mandaat van de Fact Finding Mission gestemd, maar heeft het meer recent ook de oproep voor een speciale zitting van de Mensenrechtenraad mee ondertekend.

Die speciale zitting heeft inmiddels plaatsgevonden op vrijdag 14 november. Na intense onderhandelingen waaraan België actief heeft deelgenomen, heeft de Raad een nieuwe, robuuste resolutie aangenomen, deze keer bij consensus, wat aantoont dat de internationale gemeenschap de ernst van de situatie inziet.

La Belgique continue, par ailleurs, à encourager le renforcement du mandat de la Cour pénale internationale (CPI) au Soudan, saisie par le Conseil de sécurité depuis 2005.

Le Bureau enquête sur les crimes qui auraient été commis au Darfour depuis le déclenchement des hostilités en avril 2023. Il travaille intensivement, notamment par des déploiements sur le terrain et un engagement renforcé avec les groupes de victimes et la société civile. Dans le cadre de l’enquête en cours, le Bureau a pris des mesures immédiates concernant les crimes présumés à El Fasher, afin de préserver et de recueillir des éléments de preuve pertinents qui seront utilisés dans le cadre de futures poursuites.

La récente condamnation par les juges de la CPI du leader djandjawid, M. Ali Muhammad Ali Abdelrahman, pour des crimes similaires commis au Darfour en 2004, est un avertissement pour toutes les parties qu'il y aura bel et bien des comptes à rendre.

We blijven dit dossier met vastberadenheid op de internationale agenda plaatsen en ijveren voor een krachtige internationale respons. Dat heeft de afgelopen maanden geleid tot verschillende gezamenlijke verklaringen van de Europese Unie en internationale donoren. De meest recente dateert van 10 november en die heb ik persoonlijk mee ondertekend. Toen El Fasher werd ingenomen, heb ik de wreedheden en de schendingen van het internationaal humanitair recht in Soedan ook uitdrukkelijk veroordeeld.

Ons doel blijft hetzelfde: een einde maken aan het geweld; veilige, onbelemmerde en permanente humanitaire toegang verkrijgen, zodat humanitaire hulp de getroffen bevolkingsgroepen kan bereiken; de verantwoordelijken voor deze misdaden berechten; de slachtoffers eindelijk beschermen en een overgang naar een civiele macht bewerkstelligen.

Wat betreft de kwalificatie van de feiten als genocide, wens ik erop te wijzen dat niet zomaar één overheid of instantie kan vaststellen of er in een bepaalde situatie sprake is van genocide of niet. Het is een juridische beoordeling die in eerste instantie toekomt aan internationale rechtbanken zoals het Internationaal Strafhof of het Internationaal Gerechtshof, of aan speciale tribunalen zoals het Joegoslaviëtribunaal of het Rwandatribunaal. Uiteraard zie ik wat er op het terrein gebeurt en stel ik vast dat er parallellen kunnen worden getrokken met andere situaties. Op EU-niveau pleiten wij voor een actievere rol van de Unie.

We hebben aangedrongen op de goedkeuring van nieuwe Raadsconclusies, wat op 20 oktober is gebeurd. Tijdens de volgende Raad Buitenlandse Zaken op 20 november zal de situatie in Soedan opnieuw op de agenda staan. Bij die gelegenheid zal de Europese Unie haar aanpak toelichten en nieuwe maatregelen aankondigen.

De Europese Unie blijft in Soedan middelen inzetten vanuit het Instrument voor Nabuurschapsbeleid, Ontwikkeling en Internationale Samenwerking, met de focus op basisbehoeften. Tussen 2021 en 2024 was dat zo'n 300 miljoen euro en een verdere 90 miljoen euro is alvast voorzien in een regionale enveloppe, gericht op een politiek complexe context. De Raad van de EU zal daarenboven eerstdaags het voorstel van de Europese Commissie bespreken om bijkomend 350 miljoen euro aan niet-langer toegewezen middelen uit het Europese Ontwikkelingsfonds ten behoeve van vluchtelingen in te zetten.

Il s'agit également de soutenir les efforts de médiation menés dans le format Quad, qui est composé des Etats-Unis, de l'Égypte, des Émirats arabes-unis et de l'Arabie saoudite. L'Union africaine doit pouvoir jouer un plus grand rôle également. L'Union européenne a d'ailleurs mis à disposition, via le mécanisme d'intervention d'urgence, un million d'euros à la médiation de l'Union africaine.

Le Soudan est aussi abordé dans le cadre des préparatifs du sommet entre l'Union africaine et l'Union européenne. Il sera également à l'agenda du sommet puisqu'il y aura une session consacrée aux questions de paix et de sécurité. Le Soudan a aussi été discuté lors de la récente réunion entre le Comité politique et de sécurité de l'Union européenne et le Conseil de paix et de sécurité de l'Union africaine, au cours de laquelle notre pays s'est d'ailleurs exprimé au nom de l'Union européenne à ce sujet. Je rappelle que dans le cadre de la réorientation et optimisation de notre réseau diplomatique, il a été décidé d'ouvrir un poste spécifique auprès de l'Union africaine, qui sera un outil supplémentaire pour pouvoir peser et plaider dans ce dossier.

S'agissant des sanctions, l'Union européenne a adopté quatre séries de mesures restrictives à l'encontre de huit entités et dix individus issus des deux parties belligérantes. Ces mesures visent à affaiblir les ressources économiques de ceux qui poursuivent les combats afin que les parties en conflit reviennent à la table des négociations. Au vu des événements récents, des discussions sont en cours pour l'adoption de nouvelles sanctions qui seront annoncées ce jeudi. La Belgique a fortement plaidé en ce sens.

Concernant les acteurs extérieurs qui soutiennent les parties au conflit, il faut effectivement reconnaître qu'une multitude d'acteurs de la région, en Afrique et du Golfe, voient dans ce conflit une opportunité, à des degrés divers, d'avancer leurs intérêts géopolitiques ou géoéconomiques au détriment des populations locales. Si les différents appuis extérieurs sont attestés par de nombreux rapports et preuves, je ne sais pas si le naming and shaming fait sens en ce cas d'espèces. Je devrais alors citer à peu près tous les pays environnants et une série de pays du Moyen-Orient impliqués dans le conflit à des degrés divers. La responsabilité est collective. Il est évident que ces soutiens en armes, en financements ou via d'autres formes doivent cesser. La Belgique, comme les autres pays européens, ont exhorté en ce sens.

Il faut se rendre compte que ces influences extérieures peuvent aussi être déterminantes pour parvenir à une solution, en faisant pression sur les belligérants. Il est donc important que les États membres et l'Union européenne intensifient collectivement leurs démarches vis-à-vis des pays de la région et du Golfe, qui peuvent aussi être une source d'apaisement et de solutions. En ce qui me concerne, chaque fois que j'en ai l'occasion, j'aborde la crise du Soudan avec tous les interlocuteurs concernés, afin de faire part de mes préoccupations.

Mme Yigit avait initialement posé une question à laquelle il m'importe d'apporter une clarification. C'est une question qui m'apparaît complètement biaisée sur le processus de Khartoum. Faire croire que l'Union européenne porterait une responsabilité dans la genèse de cette crise serait risible, si la situation n'était pas suffisamment dramatique. Madame Yigit, qui pourra me lire dans le compte rendu, fait vraiment l'impasse sur la complexité de cette crise, qui est le produit d'un enchevêtrement d'intérêts opposés tant politiques, économiques, sociaux que religieux, principalement entre acteurs locaux et régionaux. Quant au processus de Khartoum, il tente de répondre à la traite des êtres humains et au trafic de migrants dans la région. Un certain nombre de projets financés par l'Union européenne ont été mis en œuvre au Soudan pour s'attaquer aux causes profondes de la migration, notamment en renforçant la résilience des communautés locales et en améliorant leurs conditions de vie. En raison des événements survenus au Soudan, le pays a été régulièrement suspendu du processus de Khartoum, et les projets existants de l'Union européenne au Soudan ont été interrompus et progressivement réorientés vers des projets humanitaires.

À propos de l'embargo sur les armes, l'Union européenne met déjà en œuvre un embargo pour le Soudan depuis 1994. Celui-ci s'applique à l'ensemble du territoire et a été modifié en 2011 et en 2014, pour tenir compte des sanctions onusiennes ainsi que de l'indépendance du Soudan du Sud en 2011. Il est crucial que cet embargo soit strictement respecté.

En ce qui concerne le soutien des Forces de soutien rapide (FSR), vu les allégations publiées par différentes ONG, ce risque de détournement doit être pris en compte lors de l'évaluation pré-exportation, au regard des critères de la position commune 2008/944/PESC, en tenant compte du type de matériel en question.

Ten slotte wil ik het hebben over de ernstige humanitaire crisis. Mevrouw Depoorter, helaas staan we nog ver af van een begin van plannen om de wederopbouw en de structurele ontwikkeling van Soedan te bespreken.

Tijdens mijn bezoek in augustus aan een Soedanees vluchtelingenkamp in Ethiopië heb ik een Belgische bijdrage van 5 miljoen euro aan het Humanitair Fonds van de Verenigde Naties voor Soedan aangekondigd, gespreid over de periode 2025-2026.

Ons land was al betrokken bij het steunen van de humanitaire respons in Soedan, met name via bijdragen aan multilaterale fondsen. België behoort tot de tien grootste donoren van het Central Emergency Response Fund van de Verenigde Naties, waarvan Soedan in 2024 en 2025 de belangrijkste begunstigde was. De totale toewijzingen van het Central Emergency Response Fund aan Soedan bedragen dit jaar bijna 47 miljoen dollar. Om aan de omvang van de behoeften te voldoen, heb ik besloten onze bijdrage aan het Central Emergency Response Fund in 2025 met 3 miljoen euro te verhogen, tot 20 miljoen euro.

Daarnaast ondersteunt België ook de algemene middelen van humanitaire organisaties die ter plaatse actief zijn, zoals het Wereldvoedselprogramma, het Hoog Commissariaat van de Verenigde Naties voor Vluchtelingen, UN-OCHA en het Internationaal Comité van het Rode Kruis.

Concernant les aspects budgétaires, madame Mutyebele, je souhaite à nouveau souligner que je n’ai pas voulu réaliser le moindre euro d’économie dans le volet de l’aide humanitaire. Il est donc faux de penser ou de prétendre que la Belgique suit le mouvement général de définancement en la matière.

La priorité est évidemment la négociation d’un cessez ‑ le ‑ feu, afin de permettre à l ’ aide humanitaire d ’ê tre achemin é e vers toutes les populations affect é es, en particulier dans les r é gions les plus s é v è rement touch é es, comme le Darfour et El Fasher. Du c ô t é belge, nous nous effor ç ons de contribuer à un meilleur acc è s en maintenant l ’ approche que je vais décrire.

Premi è rement, la Belgique soutient les organisations humanitaires internationales reconnues qui travaillent avec des m é canismes de distribution s û rs et coordonnés: il s’agit du Comité international de la Croix ‑ Rouge (CICR), du Haut ‑ Commissariat pour les r é fugi é s (HCR), du Bureau de la coordination des affaires humanitaires de l ’ ONU (OCHA), du Programme Alimentaire Mondial (PAM), ainsi que des ONG exp é riment é es dans des contextes à haut risque.

Deuxi è mement, nous collaborons activement au niveau europ é en, ainsi qu ’à l ’é chelle multilat é rale, afin de mettre en place et de maintenir ces m é canismes.

Troisi è mement, la Belgique travaille avec des partenaires internationaux reconnus pour leur fiabilit é et b é n é ficiant d ’ une longue exp é rience, en recourant à des mécanismes de contrôle et d’évaluation stricts. Cela permet de garantir que l’aide bénéficie aux victimes affectées et ne soit pas détournée ou utilisée à mauvais escient.

Quatrièmement, nous plaidons de manière constante en faveur du respect du droit international humanitaire.

Par ailleurs, la contribution belge est utilisée pour répondre aux besoins les plus urgents des populations les plus vulnérables, notamment les personnes déplacées, les femmes et les enfants. Elle finance la distribution de nourriture via le PAM, la fourniture de soins médicaux et de médicaments essentiels, ainsi que l’accès à l’eau potable et à des installations sanitaires.

En ce qui concerne la présence de personnel belge sur le terrain, la Belgique ne déploie pas directement ses propres équipes dans les zones de conflit, en raison des risques extrêmes. L’aide est acheminée par des organisations partenaires.

La diplomatie belge saisit donc pleinement l’extrême gravité de la situation. Nous ne pouvons rester passifs face à des crimes d’une telle ampleur. Je continuerai à faire en sorte que la Belgique, via ses différents canaux et instruments, contribue pleinement à une réponse internationale à la mesure de la catastrophe qui se déroule sous nos yeux.

Rajae Maouane:

Je vous remercie, monsieur le ministre, pour vos réponses.

Il y a, me semble ‑ t ‑ il, une forme d ’ hypocrisie à se dire attach é s à la paix et à l ’ aide humanitaire, tout en r é duisant simultan é ment les budgets consacr é s à la coop é ration au d é veloppement. Nous ne pouvons, d ’ un c ô t é , pr é tendre d é fendre les droits humains sur la sc è ne internationale et, de l ’ autre, affaiblir nos propres outils qui permettent précisément de les protéger.

Maxime Prévot:

Pas l’aide humanitaire.

Rajae Maouane:

J’ai dit la coopération au développement. C'est ce que j'ai dit. Nous sommes donc d'accord; mais c'est très bien de le souligner. Merci.

Président: Michel De Maegd.

Voorzitter: Michel De Maegd.

Cette incohérence amène aussi à une espèce de perte de crédibilité, puisque la Belgique a longtemps été respectée aussi pour ses positions diplomatiques, pour son soft power , pour sa diplomatie fondée sur le droit, la prévention, la coopération. Aujourd'hui, on assiste plutôt à un recul. Vous plaidez auprès de l'Union européenne, qui n'a presque aucune capacité réelle en cette matière; et pendant ce temps, notre propre action nationale est fragilisée, notamment par rapport au Soudan.

Là aussi, j'ai l'impression qu'il y a une minimisation – je me suis peut-être trompée – de la nature du conflit. Vous semblez réduire ce drame à un problème local ou régional, alors que l'ONU parle d'extermination, de crime contre l'humanité. Certains parlent même de génocide. Ce n'est pas juste une erreur d'analyse. Pour moi, c'est un vrai souci.

Nous devons passer la deuxième et être beaucoup plus offensifs et beaucoup plus fermes par rapport à ces États puissants, comme les Émirats arabes unis, qui font du Soudan et des vies humaines un jeu grandeur nature.

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, ik ben het er helemaal mee eens. De wereld kan niet wegkijken, ook al is dit een conflict waarbij weinig camera's staan. Het verdient aandacht, niet alleen omdat het strategisch belangrijk is, maar omdat elk mensenleven telt, zoals u hebt verklaard. Het is geen ver-van-ons-bedverhaal, want instabiliteit in de hoorn van Afrika raakt aan migratie, regionale veiligheid en de wereldhandel.

Het gaat echter vooral om menselijkheid, zoals ik in mijn vraag ook heb gezegd. U hebt aangehaald dat ons land en de Europese Unie middelen geven. Dat is allemaal goed en wel, maar geld alleen zal geen levens redden. De hulpkonvooien moeten toegang hebben tot het conflictgebied en de artsen moeten hun werk kunnen doen. Zij moeten toegang krijgen tot ziekenhuizen. De voortdurende bombardementen zullen de mensen ook niet helpen, en dat terwijl de wereld wegkijkt. Zoals u al zei, zijn een structurele aanpak van de Europese Unie en ons land maar ook een diplomatieke aanpak en vooral humanitaire hulp vandaag absoluut noodzakelijk.

Ik ben het ook volledig met u eens dat de verantwoordelijken moeten worden gewezen op hun verantwoordelijkheid. Er moet absoluut een halt worden toegeroepen aan de geldstromen, de wapenstromen, die onschuldige mensenlevens bedreigen.

Ellen Samyn:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw uitgebreid antwoord.

De toestand in Soedan is na de val van El Fasher volledig ontspoord. Wat zich vandaag in Soedan afspeelt is niets minder dan een genocide in slow motion: etnische zuiveringen, massamoorden, systematische verkrachtingen, folteringen en de totale vernietiging van gemeenschappen. De humanitaire situatie daar is momenteel de ergste ter wereld. We weten allemaal wat er twintig jaar geleden gebeurd is. Precies daarom is wegkijken vandaag geen optie.

Zoals u daarnet verklaarde, mag de wereld niet wegkijken. Uw woorden van veroordeling zijn noodzakelijk, maar zonder diplomatieke druk, sancties en politieke moed blijven ze een lege huls.

U had het in uw antwoord over geopolitieke belangen in de regio en u vraagt zich af of naming and shaming zinvol is; u zou immers alle buurlanden moeten noemen. U spreekt over een collectieve verantwoordelijkheid.

Wat bijzonder verontrust, is de financiële en militaire levenslijn van de Rapid Support Forces (RSF). De Verenigde Arabische Emiraten (VAE) leveren wapens, drones en munitie aan een militie die verantwoordelijk is voor misdaden tegen de menselijkheid. Wie de RSF bewapent, houdt dit conflict mee in stand. Daarover blijft het oorverdovend stil, ook bij u, mijnheer de minister. Is dat omdat België in de gunst wil blijven van de Emiraten? Zoals we konden vernemen, is België immers een van de financiers van het wapenarsenaal van oliestaten, waaronder de VAE.

Onze fractie veroordeelt dergelijke politieke lafheid, zowel van de Belgische regering als van de Europese Unie, die de Emiraten niet publiek, rechtstreeks en ondubbelzinnig ter verantwoording durven te roepen. Morele verontwaardiging is gemakkelijk. Diplomatieke daadkracht blijkt echter te ontbreken.

Ik wil het ook nog even hebben over de vergeten slachtoffers. Naast de etnische zuiveringen worden christelijke minderheden steeds vaker geviseerd. Ik vraag de regering uitdrukkelijk om ook die vervolging systematisch op te nemen in alle diplomatieke contacten, zowel bilateraal als op EU-niveau.

Ten slotte kom ik bij mijn vraag over de controle op hulpgelden. Humanitaire steun is uiteraard nodig, daaraan twijfelt niemand. Steun zonder controle is echter onverantwoord. Wij eisen dan ook volledige transparantie over de bestemmingen en tussenpartners van de humanitaire steun, evenals een garantie dat geen enkele Belgische euro terechtkomt in de handen van strijdende partijen.

Lydia Mutyebele Ngoi:

Monsieur le ministre, une fois n'est pas coutume, je voudrais vous féliciter et vous remercier pour votre mobilisation pour l'acheminement de l'aide humanitaire dont ces populations ont tellement besoin. Il est vrai que vous n'avez pas diminué la part de budget consacrée à l'aide humanitaire mais avec la prolifération des conflits dans le monde, vous ne pourrez pas répondre politiquement à tout, à l'augmentation de ces conflits. Vous ne pourrez donc pas augmenter l'aide humanitaire, et je me dois de vous dire que c'est dommage en dépit de mes félicitations liminaires.

Vous avez parlé tout à l'heure de naming and shaming . On ne peut pas parler de naming and shaming , monsieur le ministre, on doit parler de justice, parce que quand on connaît l'importance des ingérences étrangères qui poursuivent chacune des objectifs géopolitiques à visée stratégique, on peut s'interroger parfois sur le silence de nos É tats. Ainsi, vous avez tout à l'heure parlé d'embargo, mais on sait très bien que les É mirats arabes unis achètent des armes en Europe, qu'ils recèlent ensuite avant de les revendre aux belligérants. Donc cette crise n'est pas isolée, même si elle est bien actuellement le résultat d'un désaccord entre deux hommes, ses racines en sont profondes et elles s'étendent bien au-delà de la sphère politique nationale du Soudan.

Pour moi, le silence et l'inaction sont des signes clairs d'une complicité passive de la communauté internationale et d'un désintérêt indigne pour la question soudanaise. Il est plus que temps que nous retrouvions le sens de nos valeurs dans notre politique étrangère, et il est temps de mettre un terme à ce cynisme qui ferme les yeux depuis si longtemps sur des milliers de morts innocents.

Sandro Di Nunzio:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoorden.

Ik ben blij te horen dat ons land al heel wat doet ten behoeve van Soedan. Het is belangrijk dat ons land dat blijft doen en de situatie nauwgezet blijft opvolgen. We kunnen uiteraard niet wachten tot drama's zich voltrekken die te laat bij ons of elders in de wereld op de radar verschijnen. We mogen en kunnen niet wegkijken van het leed in Soedan.

Wat betreft genocide als juridische kwalificatie, hoorde ik dat u vandaag wat terughoudend bent. Over Gaza hebt u destijds echter, weliswaar ten persoonlijken titel, duidelijk het woord genocide in de mond genomen. Ook voor Soedan zijn er experts die over genocide beginnen te spreken of analyses in die richting maken, wat ons land verplichtingen kan opleggen. Precies omdat de situatie zo ernstig is, moeten we het dossier consequent blijven aankaarten op alle fora; in de Europese Unie, de Verenigde Naties en bij Afrikaanse partnerschappen, ook bilateraal.

Mensenrechten, mijnheer de minister, zijn niet à la carte . We kiezen voor een coherente lijn, geen selectieve verontwaardiging. Ons land staat bekend om die coherente lijn. Mensenrechten en de bescherming van burgers gelden in Soedan net zo goed als elders in de wereld, ook daar waar de camera's niet staan. We rekenen op u, mijnheer de minister, om daarvoor op te komen, niet enkel te reageren, maar ook te ageren om het leed en de gruwel die ons niet via de media bereiken, te doen stoppen.

Michel De Maegd:

Monsieur le ministre, merci pour votre réponse.

Dans un conflit aussi chaotique que celui en cours au Soudan, où l'accès humanitaire est volontairement entravé et où les violations du droit international sont à tel point massives, la diplomatie est parfois l'un des seuls leviers réellement disponibles, et les démarches que la Belgique soutient au niveau européen montre que même dans un dossier éclipsé par d'autres crises, nous pouvons tout de même essayer de jouer un rôle.

Je vais insister sur un point, car à mes yeux, monsieur le ministre, l'impunité n'est pas une option. Un mécanisme d'enquête internationale est indispensable, et je vous remercie de porter une voix forte en ce sens dans le cadre des travaux de la Cour pénale internationale. Sans documentation rigoureuse, sans collecte de preuves, il n'y aura jamais de justice pour les victimes, ni de limites imposées aux bourreaux, et c'est pourtant très urgent dans ce dossier au Soudan.

Nabil Boukili:

Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses.

Quand on parle d'embargo militaire, ce n'est pas seulement l'embargo sur le Soudan, mais sur toutes les armes qui sont utilisées dans le conflit aujourd'hui. Malheureusement, beaucoup d'armes qui sont utilisées pour tuer les Soudanais aujourd'hui proviennent de l'Europe. Lors des auditions tenues la semaine passée, il a été affirmé par nos invités que des armes en provenance de la France, de la Serbie, de la Bulgarie, seraient utilisées dans le conflit.

Et le 14 novembre, dans De Standaard , il a été publié qu'au niveau de la Belgique, les Émirats constituent également un client important pour les entreprises d'armement belges, notamment wallonnes. Elles bénéficient en cela du soutien du gouvernement wallon de M. Dolimont qui, en décembre 2024, a annoncé son intention de reprendre les livraisons d'armes aux Émirats alors que des restrictions avaient été mises en place. Ces restrictions ont été levées. Donc on va même dans l'autre sens: au lieu de renforcer les restrictions, on fait exactement le contraire, en sachant très bien que ces armes vont finir dans le conflit au Soudan et dans le massacre de la population soudanaise.

Donc quand on parle d'embargo militaire, quels sont les mécanismes qui permettent d'avoir un vrai contrôle? Il ne suffit pas de juste le déclarer ou de le mettre dans une loi: comment, en pratique, veiller à ce que nos armes ne se retrouvent pas dans des conflits où on est en train de massacrer des populations, que ce soit au Soudan ou à Gaza, comme on l'a dit tout à l'heure?

Quant au processus de Khartoum, je suis désolé, on ne peut pas juste dire que c'était pour lutter contre la migration illégale.

Non: on a négocié avec Omar el-Bechir, qui a été condamné par la Cour pénale internationale pour crime de guerre. C'est un criminel de guerre et l'on ne peut ignorer cette information. On ne peut pas négocier avec un criminel de guerre condamné par une cour pénale internationale et trouver cela normal.

Reconnaissons au moins cette erreur et reconnaissons qu'il était inacceptable d'avoir conclu cet accord contre des réfugiés qui fuient cette même dictature d'Omar el-Bechir. On ne peut négocier avec le bourreau pour sauver les autres. Cela ne se fait pas, monsieur le ministre, et j'aurais espéré au moins une condamnation de cet accord inacceptable.

Pierre Kompany:

Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses responsables. La réflexion nous pousserait à nous demander, avec tous ces conflits dans le monde, ce que vaut encore la vie humaine si, chaque fois, les solutions tardent à venir en raison du nombre trop élevé d'intérêts purement mercantiles à assouvir.

Je vous remercie dès lors, monsieur le ministre, pour le courage dont, je crois, vous faites preuve. Continuez comme cela et nous aurons au moins une chance que la voix de la Belgique soit entendue et pousse l'Europe à des solutions raisonnables.

Britt Huybrechts:

Mijnheer de minister, de voorbije weken heeft elke illusie over de EU-toetreding van Oekraïne een stevige realitycheck gekregen. Terwijl de Europese Commissie blijft volhouden dat Kiev stappen vooruitzet richting lidmaatschap, ontvouwt zich een andere, minder comfortabele realiteit: een rot nest van corruptie dat tot in de hoogste regionen van de regering reikt. Twee Oekraïense ministers – bevoegd voor Justitie en Energie – hebben hun ontslag aangeboden na hun vermeende betrokkenheid bij een corruptieschandaal van 100 miljoen dollar.

Het gaat niet zomaar over een lokale affaire, maar over fraude bij Energoatom, het strategische nucleaire energiebedrijf dat cruciaal is voor de oorlogsinspanning en voor de energiestabiliteit van het hele land. De anticorruptiedienst NABU voerde een zeventigtal invallen uit, verzamelde duizend uur aan opnames en publiceerde foto's van tassen vol dollars en euro’s, alsof het om een maffiakantoor ging. We spreken hier niet over enkele rotte appels, dit is een georganiseerde criminele structuur die jarenlang kon opereren, bemand door topambtenaren, adviseurs van ministers, veiligheidsverantwoordelijken en opnieuw de beruchte zakenman Minditsj, een oude vertrouweling en zakenpartner van president Zelensky zelf. Dit schandaal toont dat de corruptie in Oekraïne niet op de terugweg is, maar nog altijd welig tiert in de kernsectoren van het land.

Erger nog, enkele maanden geleden probeerde Zelensky zelf nog de anticorruptiedienst te verzwakken via wetgeving die NABU onder politieke controle zou brengen. Pas na massaprotesten en internationale druk – omdat de toetredingsambities in gevaar kwamen – draaide hij dat terug. Dat is geen ambitie voor hervorming, dat is politieke overlevingsdrift.

Het grootste probleem is dat men in Brussel dit alles liever negeert. Terwijl Oekraïense onderzoekers ministers oppakken, blijft de EU luidop dromen van een graduele integratie: roamingtarieven gelijkstellen, energiemarkten koppelen, defensiecoördinatie uitbreiden en SEPA-toegang verlenen. In de praktijk wordt Oekraïne het ene poortje na het andere binnengeleid, terwijl de basisvoorwaarden van de criteria van Kopenhagen niet eens in zicht zijn.

Collega’s, laten we eerlijk zijn. Alles wat de EU voor toetreding vraagt – onafhankelijke instellingen, een sterke rechtsstaat, een geloofwaardige strijd tegen corruptie – staat vandaag onder permanente druk. Het Oekraïense parlement is monocolor en critici worden geïntimideerd. Het anticorruptiesysteem moet voortdurend door buitenlandse partners worden rechtgehouden en strategische sectoren zitten vol informele machtsnetwerken.

Toch moeten wij hier geloven dat Oekraïne binnen enkele jaren klaarstaat om deel te worden van de Europese Unie, alsof dit geen miljarden euro's zal kosten, alsof de Oekraïense landbouw, zo groot als Frankrijk, de hele Europese begroting niet zal doen imploderen, alsof de Vlaamse belastingbetaler niet opnieuw voor de rekening zal opdraaien.

Voor het Vlaams Belang is het glashelder: lidmaatschap van de Europese Unie is geen mensenrechtenprijs, geen oorlogscompensatie en geen geopolitiek geschenk. Lidmaatschap moet op basis van criteria en niet op basis van sentiment worden verdiend. De recente corruptieschandalen tonen geen tegenslag in moeilijke tijden, maar een systeem dat fundamenteel niet functioneert. Een land dat in oorlogstijd miljoenen laat verdwijnen via zijn eigen energiebedrijf is niet klaar voor EU-lidmaatschap. Een land waarvan de president de anticorruptiediensten wil inperken, is niet klaar voor EU-lidmaatschap. Een land waar ministers in- en uitstappen wegens fraudebeschuldigingen is niet klaar voor EU-lidmaatschap.

Collega's, het is tijd om de romantiek te laten varen en de realiteit onder ogen te zien. We kunnen solidariteit met Oekraïne tonen zonder onze eigen democratie, begroting en rechtsstaat op het spel te zetten. Dat betekent wel dat we het lef moeten hebben om te zeggen wat men in Brussel niet durft te zeggen. Oekraïne is vandaag absoluut niet klaar voor een toetreding tot de Europese Unie, niet morgen, niet volgend jaar en waarschijnlijk ook niet binnen tien jaar.

Vlaams Belang weigert mee te stappen in een politiek verhaal dat enkel drijft op symboliek. Geen uitholling van het vetorecht, geen versnelde integratie via achterpoortjes en geen miljardenrekeningen voor Vlaanderen op basis van hoop en wensdenken.

Vandaag las ik in de krant dat premier De Wever jaarlijks 1 miljard euro aan Zelensky wil geven. Voor wat? Een gouden toilet voor de comedian? Een miljard euro om nog wat andere sporttassen met geld te vullen? Dit is ongezien. We moeten de Oekraïners in hun oorlog tegen Rusland helpen, maar aangezien de corruptieschandalen zich opstapelen, denk ik dat nog meer geld naar dat land sturen hen niet zal helpen.

Mijnheer de minister, erkent de regering dat het unanimiteitsbeginsel bij toetredingsbesluiten een fundamentele waarborg is voor de soevereiniteit van een lidstaat en dus niet mag worden uitgehold? Hoe beoordeelt de regering het voorstel van Antonio Costa om het EU-lidmaatschap van Oekraïne te bespoedigen door de regels tijdens het proces te wijzigen? Is de regering bereid zich te verzetten tegen pogingen om de toetredingsprocedure te politiseren en de Kopenhagencriteria te ondermijnen? Zal de regering binnen de Europese Raad het standpunt innemen dat een versnelde toetreding van Oekraïne gegeven de oorlogssituatie, de economische instabiliteit en de wijdverspreide corruptie de Europese Unie dreigt te ontwrichten?

Is de regering bereid die bezorgdheden officieel te agenderen binnen de Europese instellingen en zich uit te spreken tegen het gevaarlijke precedent?

Ik kijk alvast uit naar uw antwoorden.

Maxime Prévot:

Ons land heeft de EU-perspectieven van Oekraïne steeds gesteund. Uitbreiding van de Europese Unie is een instrument voor hervormingen en om vrede en stabiliteit alsook onze eigen veiligheid op het Europese continent te bewerkstelligen.

Het toegenomen geopolitieke belang van de EU-uitbreiding betekent echter niet dat ons land pleit voor of akkoord gaat met een versnelde uitbreidingsprocedure. Voldoen aan de Kopenhagencriteria blijft absoluut noodzakelijk om lid te kunnen worden van de Europese Unie. Dat geldt voor alle kandidaat-lidstaten, inclusief Oekraïne.

Het toetredingsproces is er net op gericht om via een strikte conditionaliteit diepgaande hervormingen af te dwingen op het vlak van de rechtsstaat, de democratische vrijheden, de mensenrechten en de strijd tegen corruptie en georganiseerde misdaad. Dat is niet alleen belangrijk om de goede werking van een uitgebreide Europese Unie te verzekeren, maar ook om het functioneren van de interne markt te waarborgen.

Sinds Oekraïne in juni 2022 de status van kandidaat-lidstaat kreeg, heeft het land in moeilijke omstandigheden effectief hervormingen doorgevoerd en vooruitgang geboekt. Desondanks kampt Oekraïne nog steeds met belangrijke uitdagingen op het vlak van de rechtsstaat en de corruptiebestrijding. Ons land zal de hervormingsinspanningen van Oekraïne blijven monitoren, onder meer via onze ambassade ter plaatse.

Een toetredingsproces op basis van eigen verdiensten betekent echter ook dat de Europese Unie reële vooruitgang moet erkennen en belonen. Ik betreur dan ook de huidige Hongaarse blokkering van het toetredingsproces, die zich inschrijft in een bredere problematiek waarbij bepaalde EU-lidstaten bilaterale geschillen misbruiken om naburige kandidaat-lidstaten te blokkeren in het toetredingsproces.

Dit tast niet alleen de geloofwaardigheid van het Europees uitbreidingsbeleid aan, maar neemt ook de incentives weg bij de kandidaat-lidstaten om de noodzakelijke hervormingen door te voeren.

Het voorstel van de voorzitter van de Europese Raad, de heer Costa, voorziet uitsluitend in het gebruik van een qualified majority voting (QMV) bij enkele technische tussenstappen. Er wordt dus niet geraakt aan de unanimiteitsvereiste voor de belangrijke politieke beslissingen in het toetredingsproces.

Ik wens u eraan te herinneren dat er momenteel zo'n 150 tussenstappen zijn gedurende het proces waarvoor unanimiteit nodig is. Ik verwelkom de discussie over manieren om de negatieve impact van de eerder vermelde bilaterale blokkades te omzeilen.

Wat betreft de mogelijke impact van een eventuele toekomstige toetreding van Oekraïne, wens ik te benadrukken dat België, parallel aan het uitbreidingsproces, steevast pleit voor een interne hervorming van de EU, om ervoor te zorgen dat ook een uitgebreide Unie de nodige slagkracht behoudt en efficiënt kan blijven functioneren.

Britt Huybrechts:

Mijnheer de minister, u kunt hier nog 1.000 keer herhalen dat Oekraïne vooruitgang boekt, maar u weet net zo goed als ik dat dat simpelweg onwaar is. Volgens de Kopenhagencriteria heeft Oekraïne 0,0 vooruitgang geboekt. Niets, geen rechtsstaat, geen stabiele instellingen, geen onafhankelijke anticorruptieorganen. Integendeel, het land gaat achteruit. Elke maand, misschien zelfs al elke week is er een nieuw corruptieschandaal. Ministers die ontslag nemen, zakenpartners van Zelensky die miljoenen euro's wegsluizen, sporttassen vol cash, gouden toiletten en ondertussen probeert diezelfde president ook nog eens een anticorruptiedienst te muilkorven of skiresorts op te richten in zijn land.

Dit is geen jonge democratie in transitie, dit is een structureel corrupt systeem. Is het geen minister, dan is het een entourage. Is het niet de entourage, dan is het de president zelf die wetten probeert te herschrijven om kritische onderzoekers te neutraliseren. Dat is wat de geloofwaardigheid van de EU aantast, niet de houding van Hongarije, maar wel het feit dat de EU corruptie steunt en beloont.

Ik kom bij de kern van de zaak. U en de premier, de heer De Wever, geven dat land doodleuk een miljard euro per jaar. We leven in een land waar gezinnen hun facturen niet meer kunnen betalen. Onze defensie is uitgehold en Vlaanderen is al jaren nettobetaler. Vervolgens beslist de regering waarvan u zelf deel uitmaakt om een miljard euro naar een corrupt regime te sturen dat aan geen enkel toetredingscriterium voldoet.

Laat ons eerlijk zijn, mijnheer de minister, Oekraïners zullen van dat geld nul euro zien. Geen enkele Oekraïense soldaat, geen enkele familie, geen enkele burger zal iets voelen van dat miljard. Het verdwijnt in dezelfde netwerken, dezelfde systemen en dezelfde zakken waarin nu al honderden miljoenen euro's zijn verdwenen. De Vlaamse belastingbetaler mag opnieuw opdraaien voor een land dat volgens u vooruitgang boekt, maar volgens alle objectieve criteria juist afglijdt.

Mijnheer de minister, u mag dit proberen te verkopen als solidariteit, als geopolitiek of als stilaan integreren in Europa, maar de waarheid is simpel, hard en pijnlijk. Het is een cheque zonder controle, zonder voorwaarden en zonder verstand. De Vlaming moet daarvoor betalen. Ik dien bij dezen dan ook een motie van aanbeveling in.

Moties

Motions

Voorzitter:

Tot besluit van deze bespreking werden volgende moties ingediend.

En conclusion de cette discussion, les motions suivantes ont été déposées.

Een motie van aanbeveling werd ingediend door mevrouw Britt Huybrechts en luidt als volgt:

"De Kamer,

gehoord de interpellatie van mevrouw Britt Huybrechts

en het antwoord van de minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking,

- gelet op artikel 49 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, waarin de procedure voor toetreding van nieuwe lidstaten is vastgelegd, inclusief de noodzaak tot unanimiteit bij de beslissing om onderhandelingen te openen;

- gelet op de Kopenhagencriteria, die bepalen dat kandidaat-lidstaten over stabiele instellingen moeten beschikken die de democratie, de rechtsstaat, de mensenrechten en de bescherming van minderheden waarborgen, en dat ze moeten beschikken over een functionerende markteconomie en het vermogen om de verplichtingen van het EU-lidmaatschap na te komen;

- overwegende dat de voorzitter van de Europese Raad, Antonio Costa, een wijziging van deze regels voorstelt teneinde Oekraïne versneld tot toetredingsonderhandelingen toe te laten door de unanimiteitsregel te vervangen door een besluit bij gekwalificeerde meerderheid;

- overwegende dat een dergelijke ingreep neerkomt op het wijzigen van de spelregels tijdens het proces en daarmee een gevaarlijk precedent schept dat ook voor toekomstige toetredingskandidaten, zoals Moldavië of Turkije, kan gelden;

- overwegende dat Oekraïne zich momenteel in een oorlogssituatie bevindt, dat het land economisch zwaar ontwricht is en dat internationale rapporten wijzen op aanhoudende problemen met corruptie en de werking van de rechtsstaat;

- overwegende dat een versnelde toetreding van Oekraïne aanzienlijke politieke en sociaal-economische gevolgen zou hebben voor de huidige lidstaten, waaronder oneerlijke concurrentie voor landbouwers, massale migratiestromen en verhoogde druk op de EU-begroting;

- overwegende dat een dergelijk besluit de Europese Unie rechtstreeks in de frontlinie met Rusland kan plaatsen en zo de kans op escalatie vergroot;

- overwegende dat toetreding tot de Europese Unie een juridisch en objectief traject moet blijven, en geen instrument mag worden van geopolitieke symboliek of opportunisme;

vraagt de regering

- te erkennen dat het unanimiteitsbeginsel bij de opening van toetredingsonderhandelingen een fundamentele waarborg is voor de soevereiniteit van de lidstaten en daarom niet mag worden uitgehold;

- het voorstel van de voorzitter van de Europese Raad om Oekraïne versneld tot de Unie toe te laten en daarbij de spelregels te wijzigen, af te wijzen;

- er bij de Europese instellingen op aan te dringen dat de toetredingsprocedure strikt en objectief moet verlopen volgens de Kopenhagencriteria, en niet mag worden gepolitiseerd of versneld om geopolitieke redenen;

- in de Raad van de Europese Unie duidelijk stelling te nemen tegen de versnelde toetreding van Oekraïne zolang het land niet voldoet aan de noodzakelijke voorwaarden inzake democratie, rechtsstaat, economische stabiliteit en corruptiebestrijding;

- deze positie officieel kenbaar te maken binnen de Europese Raad en in de contacten met andere lidstaten. "

Une motion de recommandation a été déposée par Mme Britt Huybrechts et est libellée comme suit:

" La Chambre,

ayant entendu l'interpellation de Mme Britt Huybrechts

et la réponse du ministre des Affaires étrangères, des Affaires européennes et de la Coopération au développement,

- eu égard à l'article 49 du traité sur l'Union européenne, qui fixe la procédure d'adhésion de nouveaux États membres et dispose qu'il est nécessaire d'atteindre l'unanimité pour la décision relative à l'ouverture de négociations;

- eu égard aux critères de Copenhague, qui disposent que les États candidats doivent disposer d'institutions stables garantissant la démocratie, l'État de droit, les droits humains et la protection des minorités ainsi que d’une économie de marché viable et qu'ils doivent être aptes à assumer les obligations découlant de l’adhésion à l'UE;

- considérant que le président du Conseil européen, António Costa, propose de modifier ces règles en vue de remplacer la règle de l'unanimité par une décision à la majorité qualifiée et ainsi, d'accélérer la décision d'autoriser l'Ukraine à participer à des négociations d'adhésion;

- considérant qu'une telle modification revient à changer les règles du jeu pendant le processus et crée ainsi un dangereux précédent qui pourrait également être invoqué pour de futurs candidats à l'adhésion tels que la Moldavie ou la Turquie;

- considérant que l'Ukraine se trouve actuellement en situation de guerre, que le pays a été gravement déstabilisé sur le plan économique et que des problèmes persistants en matière de corruption et de fonctionnement de l'État de droit sont évoqués dans des rapports internationaux;

- considérant qu'une adhésion accélérée de l'Ukraine entraînerait des conséquences politiques et socioéconomiques considérables pour les États membres actuels, parmi lesquelles une concurrence déloyale vis-à-vis des agriculteurs, des flux migratoires massifs et une aggravation de la pression sur le budget de l'UE;

- considérant qu'une telle décision risque de placer directement l'Union européenne sur la ligne de front avec la Russie et augmente ainsi le risque d'escalade;

- considérant que l'adhésion à l'Union européenne doit rester un trajet juridique et objectif et ne doit pas devenir un instrument de symbolique géopolitique ou d'opportunisme;

demande au gouvernement

- de reconnaître que le principe d'unanimité constitue une garantie fondamentale de la souveraineté des États membres dans le cadre de l'ouverture de négociations d'adhésion et ne doit donc pas être vidé de sa substance;

- de rejeter la proposition du président du Conseil européen visant à accepter une adhésion accélérée de l'Ukraine à l'Union en modifiant les règles du jeu;

- d'insister auprès des institutions européennes sur le fait que la procédure d'adhésion doit se dérouler dans un cadre strict et objectif en fonction des critères de Copenhague et qu'elle ne doit pas être politisée ou accélérée pour des raisons géopolitiques;

- d'adopter une position claire au Conseil de l'Union européenne en s'opposant à l'adhésion accélérée de l'Ukraine tant que le pays ne satisfait pas aux conditions nécessaires en matière de démocratie, d'État de droit, de stabilité économique et de lutte contre la corruption;

- de faire connaître officiellement cette position au Conseil européen et dans ses contacts avec d'autres États membres. "

Een eenvoudige motie werd ingediend door de heer Pierre Kompany.

Une motion pure et simple a été déposée par M. Pierre Kompany .

Over de moties zal later worden gestemd. De bespreking is gesloten.

Le vote sur les motions aura lieu ultérieurement. La discussion est close.

Britt Huybrechts:

Mijnheer de minister, de ontmanteling van een terreurcel in Antwerpen die een aanslag met een drone op premier Bart De Wever en andere politici, onder wie Wilders en Van Doesburg, zou hebben voorbereid, heeft het land diep geschokt.

Het onderzoek onthult niet alleen een binnenlands veiligheidsprobleem, maar legt ook een complex internationaal netwerk bloot van jihadistische contacten, buitenlandse financiering en digitale radicalisering. In soortgelijke dossiers zien we bovendien steeds vaker dat radicale groeperingen in België rechtstreeks gelinkt zijn aan buitenlandse actoren, financiers, religieuze organisaties of onlinekanalen die opereren vanuit landen waar extremistische ideologieën vrij spel krijgen. België is door zijn opengrenzenbeleid en lakse terugkeerbeleid bijzonder kwetsbaar geworden voor deze internationale invloeden.

De dreiging beperkt zich niet langer tot schimmige internetfora of geïsoleerde cellen, maar evolueert naar technisch en technologisch hoogstaande operaties – in dit geval met drones – die enkel mogelijk zijn dankzij grensoverschrijdende knowhow, financiering en connecties. Deze nieuwe generatie terreur verdient dan ook een nieuwe aanpak waarbij diplomatie, buitenlandse inlichtingen en veiligheidsbeleid hand in hand gaan. Wat echter opvalt, is dat u in eerdere communicatie, tijdens het Belgische EU-voorzitterschap, vooral gewelddadig extreemrechts als prioriteit naar voren schoof binnen de Europese werkgroepen rond terrorismebestrijding.

Uit uw eigen cijfers blijkt nochtans dat jihadistisch extremisme veruit de grootste bedreiging blijft, verantwoordelijk voor het merendeel van de dodelijke aanslagen in Europa. Terwijl onze steden jarenlang zijn geteisterd door aanslagen van islamistische terroristen, lijkt de federale focus steeds meer te verschuiven naar een ideologische evenwichtsoefening. Men durft de jihadistische dreiging nauwelijks nog bij naam te noemen, wellicht uit angst om stigmatiserend te zijn, terwijl de bevolking recht heeft op bescherming tegen de echte vijanden van onze vrijheid.

Het Vlaams Belang stelt vast dat ons land jarenlang ontwikkelingshulp en samenwerkingsakkoorden in stand hield met staten die radicalisering toelaten, weigeren hun onderdanen terug te nemen of onvoldoende meewerken aan veiligheidsinformatie. Dat is niet alleen onverantwoord, het is gevaarlijk. Diplomatie mag geen blind idealisme zijn. Wie radicalisering toelaat, moet dat voelen, financieel en politiek.

Vorige week donderdag was het ook tien jaar geleden dat de terroristische aanslag op de Bataclan in Parijs plaatsvond. In tegenstelling tot wat veel mensen hopen, is ons beleid tegenover moslimextremisme nog altijd veel te soft en blijft ook onze houding tegenover moslimextremisme veel te soft. Weet u dat er sinds 9/11 al meer dan 48.500 dodelijke terroristische aanslagen hebben plaatsgevonden? In de laatste 30 dagen alleen al waren er meer dan 95 aanslagen in 16 verschillende landen, waarbij 2.318 doden en 379 gewonden vielen. En dan kennen we eigenlijk nog niet alle cijfers. Daarom wens ik u de volgende vragen te stellen.

Hebt u kennis van mogelijke buitenlandse connecties of financieringsstromen in het onderzoek? Werkt u daarvoor samen met uw collega’s van Justitie, Binnenlandse Zaken en Defensie? Werd er al contact opgenomen met buitenlandse partners of inlichtingendiensten via diplomatieke kanalen om informatie uit te wisselen over mogelijke internationale betrokkenheid?

Zult u binnen de Europese Raad Buitenlandse Zaken of de NAVO pleiten voor versterkte samenwerking rond islamterrorisme, met gebruik van drones en nieuwe technologieën, aangezien dergelijke middelen steeds vaker door jihadistische netwerken worden ingezet? Doet deze zaak u inzien dat ontwikkelingshulp en internationale samenwerking niet blind mogen worden ingezet bij landen die weigeren hun illegale criminele onderdanen terug te nemen of radicalisering tolereren?

Hoe ziet u de rol van de Belgische diplomatie bij het detecteren en doorgeven van veiligheidsinformatie uit het buitenland die relevant kan zijn voor onze binnenlandse veiligheid? Welke procedures bestaan er daarvoor?

Tot slot, als blijkt dat de terreurcel nauwe banden had met bepaalde landen, welke diplomatieke consequenties of gevolgen koppelt u daar dan aan op het vlak van financiële steun? Zult u desgevallend ook de ambassadeur op het matje roepen?

Maxime Prévot:

Mevrouw Huybrechts, net als u was ik gechoqueerd door de recente ontmanteling van een cel die een aanslag voorbereidde op premier De Wever en andere politieke figuren. Dat het plan tijdig werd verijdeld, getuigt van de efficiëntie van onze politie- en inlichtingendiensten.

Over eventuele buitenlandse betrokkenheid kan ik mij momenteel niet uitspreken, aangezien het gerechtelijk onderzoek nog loopt. Ook mogelijke diplomatieke gevolgen zijn op dit moment speculatief. Wat het gebruik van nieuwe technologieën en drones door terroristische groeperingen betreft, dit is een aandachtspunt binnen internationale fora en wordt nauwgezet opgevolgd door mijn diensten.

Ik zie geen verband tussen de gebeurtenissen in Antwerpen, die twee jonge Belgen betreffen, en het internationale samenwerkingsbeleid van deze regering. In tegenstelling tot wat u suggereert, wordt het budget voor internationale samenwerking nooit blind voortgezet. Integendeel, dit is een van de meest gecontroleerde en geëvalueerde budgetten van de federale overheid.

Migratie vormt een essentieel onderdeel van onze bilaterale relaties met landen van herkomst en transit. Een geïntegreerde whole-of-governmentaanpak is cruciaal om duurzame, alomvattende en op vertrouwen gebaseerde partnerschappen uit te bouwen. Daarbij streven wij naar een evenwicht tussen het terugnamebeleid, samenwerking op het vlak van justitie, veiligheid, visumbeleid en sociale fraude, en een gezamenlijke inzet rond onderwijs, energie, handel, ontwikkelingssamenwerking en klimaat.

Britt Huybrechts:

Ik dank u voor uw antwoord, maar u bewijst eigenlijk mijn punt. U zegt geschokt te zijn over wat er in Antwerpen aan het licht is gekomen, en dat is absoluut terecht. Tegelijk – ik begrijp dat u nog niet veel kunt toelichten – veroordeelt u in mijn ogen het extremisme dat vandaag in Europa aanwezig is, weliswaar langs islamitische kant, veel te weinig.

U zegt dat we een goed ontwikkelingsbeleid hebben en goede diplomatieke contacten met andere landen inzake terugname, maar er worden te weinig mensen teruggestuurd. Als er voldoende zou worden teruggestuurd, dan zou er geen overbevolking zijn in onze gevangenissen. U stelde ook dat de daders, of vermoedelijke daders, twee Belgen waren. Het blijft opmerkelijk dat zij een migratieachtergrond hebben van, opnieuw, een land waar de islam sterk aanwezig is.

Ik heb geen vertrouwen in wat u hebt uiteengezet en ik zal opnieuw een motie van aanbeveling indienen.

Moties

Motions

Voorzitter:

Tot besluit van deze bespreking werden volgende moties ingediend. En conclusion de cette discussion, les motions suivantes ont été déposées. Een motie van aanbeveling werd ingediend door mevrouw Britt Huybrechts en luidt als volgt: "De Kamer, gehoord de interpellatie van mevrouw Britt Huybrechts en het antwoord van de minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking, - gelet op het belang van de nationale veiligheid en de noodzaak om buitenlandse connecties van terreurnetwerken grondig te onderzoeken en aan te pakken; - gelet op de rol van de diplomatieke diensten bij de internationale informatie-uitwisseling en het detecteren van buitenlandse dreigingen die een directe impact kunnen hebben op de binnenlandse veiligheid; - overwegende dat het recente terreuronderzoek in Antwerpen aanwijzingen bevat van mogelijke buitenlandse financieringsstromen, radicaliseringskanalen en technologische ondersteuning vanuit het buitenland; - overwegende dat de gebruikte middelen, waaronder drones, wijzen op een evolutie van het jihadistisch terrorisme naar hoogtechnologische methoden met internationale vertakkingen; - overwegende dat België in het verleden herhaaldelijk heeft samengewerkt met landen die radicalisering tolereren of weigeren hun eigen onderdanen terug te nemen, en dat deze houding een veiligheidsrisico vormt voor onze burgers; - overwegende dat ontwikkelingshulp en internationale samenwerking niet blind rnogen worden voortgezet met regimes of landen die nalaten te handelen tegen radicalisering of die terrorisme actief of passief ondersteunen; - overwegende dat het de taak is van de Belgische diplomatie om buitenlandse inlichtingen tijdig te detecteren en door te geven aan de bevoegde veiligheidsdiensten; - overwegende dat de Belgische regering een duidelijk signaal moet geven aan landen die radicalisering of terreur faciliteren, zowel diplomatiek als financieel; vraagt de regering - de buitenlandse connecties en financieringsstromen die aan de terreurcel in Antwerpen gelinkt kunnen worden, grondig te laten onderzoeken in nauwe samenwerking met Justitie, Binnenlandse Zaken en Defensie. - via diplomatieke kanalen en internationale partners actief informatie uit te wisselen over de mogelijke internationale betrokkenheid bij deze terreurcel; - binnen de Europese Raad Buitenlandse Zaken en de NAVO te pleiten voor een versterkte samenwerking inzake terrorismebestrijding met bijzondere aandacht voor het gebruik van drones en nieuwe technologieën door jihadistische netwerken; - de ontwikkelingshulp en internationale samenwerking structureel te koppelen aan terugnameverplichtingen en duidelijke veiligheidscriteria, zodat landen die radicalisering toelaten of weigeren hun onderdanen terug te nemen, financieel worden aangesproken; - de procedures binnen de Belgische diplomatie te versterken voor het detecteren en doorgeven van buitenlandse veiligheidsinformatie aan de bevoegde diensten, zodat potentiële dreigingen sneller kunnen worden ingeschat en voorkomen; - indien blijkt dat bepaalde landen rechtstreeks of onrechtstreeks betrokken waren bij de financiering of ondersteuning van deze terreurcel, de nodige diplomatieke stappen te zetten, waaronder het oproepen van de ambassadeur of het herzien van financiële steun. " Une motion de recommandation a été déposée par Mme Britt Huybrechts et est libellée comme suit: " La Chambre, ayant entendu l'interpellation de Mme Britt Huybrechts et la réponse du ministre des Affaires étrangères, des Affaires européennes et de la Coopération au développement, - eu égard à l'importance de la sécurité nationale et à la nécessité de mener une enquête approfondie sur les connexions étrangères des réseaux terroristes et de lutter contre celles-ci; - eu égard au rôle joué par les services diplomatiques dans l'échange international d'informations et la détection de menaces étrangères susceptibles d'avoir une incidence directe sur la sécurité intérieure; - considérant que l'enquête pour terrorisme menée récemment à Anvers comporte des indices de possibles flux de financement étrangers, de canaux de radicalisation et d'appui technologique éventuels depuis l'étranger; - considérant que les moyens utilisés, notamment des drones, indiquent une évolution du terrorisme djihadiste vers des méthodes de haute technologie aux ramifications internationales; - considérant que, par le passé, la Belgique a coopéré à plusieurs reprises avec des pays tolérant la radicalisation ou refusant de réadmettre leurs ressortissants, et que cette attitude pose un risque pour la sécurité de nos citoyens; - considérant que l'on ne peut poursuivre aveuglément l'aide au développement et la coopération internationale avec des régimes ou des pays qui n'agissent pas contre la radicalisation ou qui soutiennent activement ou passivement le terrorisme; - considérant qu'il n'appartient pas à la diplomatie belge de détecter à temps des renseignements étrangers et de les transmettre aux services de sécurité compétents; - considérant que le gouvernement belge doit, tant diplomatiquement que financièrement, envoyer un signal clair aux pays qui facilitent la radicalisation ou le terrorisme; demande au gouvernement - de mener une enquête approfondie sur les connexions et les flux de financement étrangers susceptibles d'être liés à la cellule terroriste implantée à Anvers, en étroite collaboration avec la Justice, l'Intérieur et la Défense; - d'échanger activement, par l'intermédiaire de canaux diplomatiques et de partenaires internationaux, des informations sur l'éventuelle implication internationale de cette cellule terroriste; - de plaider au sein du Conseil européen Affaires étrangères et de l'OTAN pour une coopération renforcée en matière de lutte contre le terrorisme, en accordant une attention particulière à l'utilisation de drones et de nouvelles technologies par des réseaux djihadistes; - de lier structurellement l'aide au développement et la coopération internationale à des obligations de réadmission et à des critères de sécurité clairs, afin que les pays autorisant la radicalisation ou refusant de réadmettre leurs ressortissants soient tenus financièrement responsables; - de renforcer les procédures en vigueur au sein de la diplomatie belge visant à détecter et à transmettre des informations étrangères en matière de sécurité aux services compétents, afin que l'on puisse évaluer et prévenir plus rapidement des menaces potentielles; - d'entreprendre les démarches diplomatiques nécessaires, notamment le rappel de l'ambassadeur ou la révision de l'aide financière s'il s'avère que certains pays étaient impliqués directement ou indirectement dans le financement ou le soutien de cette cellule terroriste. " Een eenvoudige motie werd ingediend door de heer Pierre Kompany. Une motion pure et simple a été déposée par M. Pierre Kompany. Over de moties zal later worden gestemd. De bespreking is gesloten. Le vote sur les motions aura lieu ultérieurement. La discussion est close.

De willekeurige detentie van Boualem Sansal
De toestand van schrijver Boualem Sansal en de diplomatieke demarches van België
De stand van zaken met betrekking tot de vrijlating van Boualem Sansal
De vrijlating van Boualem Sansal
De zaak Boualem Sansal: detentie, diplomatie en vrijlating

Gesteld aan

Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 18 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de vrijlating van de Franco-Algerijnse schrijver Boualem Sansal, die als gewetensgevangene was opgesloten omwille van zijn vrije meningsuiting. Minister Prévot bevestigt dat diplomatieke druk—via resoluties, ambassadebetrokkenheid en directe gesprekken met Algerije—bijdroeg aan zijn invrijheidstelling, maar kan zijn huidige gezondheid of exacte terugkeer naar Parijs niet bevestigen. De Maegd benadrukt dat dit geval toont hoe essentieel diplomatie en internationale solidariteit zijn, niet als luxe maar als noodzaak voor globale stabiliteit, veiligheid en Belgische belangen, aangezien mensenrechten wereldwijd onlosmakelijk verbonden zijn met lokale welvaart. Beide onderstrepen dat de strijd voor vrijheid van meningsuiting nog lang niet gewonnen is.

Michel De Maegd:

Monsieur le ministre, comme vous, et comme beaucoup ici, je me réjouis de la libération de l'écrivain franco-algérien Boualem Sansal. Lorsque je l'ai apprise, j'ai pensé à retirer ma question, mais finalement, je me suis dit qu'il s'agissait peut-être d'une belle opportunité. Une opportunité d'abord pour souligner l'importance de la diplomatie, car nous sommes nombreux à travers l'Europe à nous être mobilisés pour obtenir cette libération. N'oublions pas cette résolution adoptée ici même à l'unanimité par notre Assemblée. C'était l'été dernier. Elle suivait une résolution du Parlement européen. N'oublions pas les discussions que vous avez eues avec votre homologue algérien pour rajouter de la pression. On le fait trop peu souvent, mais je veux profiter de cette occasion pour souligner que, oui, le travail que nous menons participe à des solutions globales.

Mais cette libération est aussi une occasion de rappeler que Boualem Sansal n'était malheureusement que l'un des nombreux prisonniers d'opinion détenus de par le monde. Il était détenu parce que libre-penseur, libre-parleur, détenu pour quelques mots qu'il pensait fort, comme le chantait déjà un certain Michel Berger. Je tiens également à rappeler que le combat pour la liberté est loin d'être gagné. Il faut continuer à se mobiliser pour contrer toutes les situations où le droit de penser et le droit de s'exprimer sont bafoués.

Pour terminer par une question, monsieur le ministre, j'aimerais savoir si vous avez des informations toutes récentes sur la situation actuelle de Boualem Sansal. On annonce son retour à Paris aujourd'hui. Que savez-vous sur son état de santé et sur ce qui l'attend désormais concrètement?

Voorzitter:

MM. De Smet et Van Rooy sont absents.

Maxime Prévot:

Monsieur De Maegd, je vais vous répondre de manière encore plus brève que ce qui était initialement prévu. Vous devez savoir que mes équipes et moi-même avons été très attentifs, comme à chaque fois, aux résolutions qui ont été adoptées par la Chambre et notamment à celle qui, à l'époque, appelait à la libération immédiate et inconditionnelle de M. Sansal. Ce dossier a été suivi par nos équipes de l'ambassade de Belgique à Alger, et je les en remercie.

Lors de ma visite le 14 juillet dernier à Alger, j'avais veillé à personnellement m'entretenir de la situation dans un face-à-face discret, mais qui se voulait empreint de respect et, je l'espérais, d'efficacité, de la situation de M. Sansal avec mon homologue algérien.

Je veux le remercier d'ailleurs pour la qualité de l'échange que nous avons pu avoir à cette occasion. Et c'est évidemment avec énormément de soulagement que nous avons, tout comme vous, appris la libération toute prochaine de M. Sansal.

J'avoue être en incapacité de vous confirmer si c'est bel et bien aujourd'hui qu'il sera ou pas accueilli à Paris; je n'ai pas cette information. Ce qui est certain en tout cas, c'est que l'issue attendue est venue. Je pense qu'il était de bon ton, comme je l'ai fait publiquement, d'en remercier également le président Tebboune pour la grâce pour raison humanitaire qu'il a bien voulu accorder en la circonstance.

Michel De Maegd:

Merci, monsieur le ministre pour votre réponse. Je crois que nous sommes nombreux ici à être soulagés de l'issue que nous venons d'apprendre. Cette situation rappelle une fois encore combien la diplomatie et les relations extérieures sont essentielles. Elles ne sont pas un luxe ni un exercice abstrait. Elles changent des vies, elles évitent des drames, elles protègent des hommes et des femmes qui, sans elles, resteraient parfois seules face à l'injustice. Elles protègent aussi notre propre stabilité et nos intérêts.

Permettez-moi de profiter de cette occasion pour répondre à une critique que j'entends très souvent, peut-être trop souvent, celle qui voudrait que nous arrêtions de nous occuper des autres pour nous concentrer uniquement sur notre pays. Je veux redire ici l'importance des affaires étrangères, de la diplomatie, de la coopération internationale dans un monde interconnecté. Ce qui se passe à New York, à New Delhi ou à Dakar a inévitablement des conséquences chez nous.

Notre prospérité dépend d'un monde stable, notre sécurité dépend d'un monde plus juste et nos valeurs ne s'arrêtent pas à nos frontières. Lorsque nous cherchons des solutions, lorsque nous construisons des ponts, lorsque nous maintenons un dialogue, nous ne négligeons pas la Belgique, nous la protégeons. Cela n'empêche évidemment pas de travailler en parallèle sur les défis qui concernent directement nos concitoyens. Cela va de soi.

Mais quand nous nous battons pour une minorité en Irak, pour une communauté opprimée en Chine, pour dénoncer des injustices en Amérique, pour documenter des crimes contre l'humanité au Soudan ou ailleurs, pour défendre un homme emprisonné en Algérie pour avoir pensé trop fort, c'est bien en réalité la société toute entière que nous cherchons à protéger. Ce sont nos valeurs que nous faisons vivre, ce sont les hommes, les femmes, les enfants que nous cherchons à préserver, ici comme ailleurs. C'est notre économie, nos entreprises, nos emplois que nous défendons, ici comme ailleurs. C'est notre sécurité commune à tous que nous cherchons à garantir. En réalité, défendre les droits de quelqu'un à l'autre au bout du monde, c'est défendre les droits de chacun ici, les deux sont indissociables.

Chers collègues, comme vous le savez, le monde est devenu un village, tout est lié. Il est essentiel de garder cela en tête pour mener une politique étrangère cohérente, solide et digne. Je sais, monsieur le ministre, que nous pouvons compter sur vous pour continuer à tenir ce cap et je vous en remercie.

Voorzitter:

La question n° 56007549C de M. François De Smet est transformée en question écrite.

Het gevaar voor een politieke crisis in Kameroen

Gesteld aan

Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 18 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de politieke crisis in Kameroen na de omstreden herverkiezing (op 92-jarige leeftijd) van president Paul Biya, met geweld, arrestaties van opposanten en twijfels over verkiezingstransparantie, wat de stabiliteit en ontwikkelingsprojecten bedreigt. België heeft beperkte directe investeringen (enkel indirect via BIO-Invest in een PME-actief in voedingsaroma’s), terwijl de EU via *Global Gateway* private investeringen stimuleert voor duurzame ontwikkeling, democratie en mensenrechten—maar de politieke onrust ondermijnt de effectiviteit. De Kameroense diaspora in België zwijgt uit angst voor represailles tegen familie thuis, terwijl de oppositie eist om verkiezingsfraude aan te kaarten. Kameroen blijft kritiek voor regionale stabiliteit in Centraal-Afrika, maar Biya’s harde aanpak en gebrek aan eenheid belemmeren vooruitgang—België kan slechts helpen als Kameroen zelf verandering wil.

Lydia Mutyebele Ngoi:

Monsieur le ministre, le président camerounais Paul Biya, au pouvoir depuis 1982 – j'avais quatre ans, vous connaissez ainsi mon âge – a été réélu à 92 ans. C'est magnifique, je ne sais pas comment il fait. Ce nouveau mandat marque une gouvernance de longue durée dans un contexte sociopolitique tendu.

Le risque de crise post-électorale en cas de réélection a été évoqué par les experts, et nous le constatons actuellement. L'arrestation d'opposants politiques, l'appel au mouvement national du candidat Issa Tchiroma Bakary contre l'investiture de Paul Biya déstabilise la situation de la région. Cette crise constitue un enjeu majeur pour la mise en œuvre des projets de développement au Cameroun.

La Belgique, en tant que partenaire de coopération internationale, finance et participe notamment via BIO-Invest à des projets d'investissement d'entreprises privées. L'Union européenne contribue également à ces initiatives dans le cadre du programme Global Gateway qui vise à encourager le secteur privé à investir afin de stimuler le développement des pays partenaires du Sud. Ces projets ont pour objectif de promouvoir les droits humains et de renforcer la participation de la société civile en soutenant la démocratie, la réforme de la justice, la gouvernance locale, l'engagement des jeunes et des réseaux associatifs.

Le Cameroun joue un grand rôle dans la clé de stabilité et du développement durable de l'Afrique centrale. La bonne gouvernance et le renforcement de la cohésion sociale apparaissent dès lors comme facteurs déterminants pour l'équilibre régional et la réussite des différents projets en cours qui, nous l'espérons, permettront au Cameroun de progresser vers l'atteinte des objectifs de développement durable (ODD).

Monsieur le ministre, quels résultats concrets les investissements belges et européens ont-ils générés au Cameroun? Quelle influence la situation politique et sociale au Cameroun exerce-t-elle sur la mise en œuvre et l'efficacité et la durabilité des projets de coopération en cours?

Maxime Prévot:

Madame Mutyebele, je voudrais commencer par vous rassurer: il n'entre nullement dans mes intentions de faire un quelconque commentaire sur votre âge, encore moins après les indices donnés qui me laissent à penser que nous sommes nés la même année.

Plus sérieusement, mes services continuent de suivre avec attention l'évolution de la situation politique au Cameroun depuis le scrutin présidentiel du 12 octobre dernier. Les résultats officiels annoncés le 27 octobre ont consacré la victoire de Paul Biya à plus de 53 %. Il a entretemps été investi président pour un huitième mandat successif.

Un des candidats de l'opposition, M. Issa Tchiroma Bakary, qui est arrivé deuxième avec une trentaine de pourcents, a vivement contesté les résultats. Des tensions ayant fait plusieurs morts ont éclaté dans diverses parties du pays. Le calme semble à présent être globalement revenu.

En ce qui concerne les investissements belges, il convient de rappeler que le Cameroun n'est pas un pays partenaire de la Coopération belge au Développement. En ce moment, BIO-Invest ne dispose que d'un seul investissement indirect au Cameroun. Concrètement, cela signifie que BIO apporte du capital à un fonds d'investissement qui accompagne des PME africaines opérant dans divers secteurs du pays. L'une des entreprises accompagnées par ce fonds est spécialisée dans le développement, le mélange et la commercialisation d'arômes alimentaires. Elle dispose de cinq sites de production en Afrique, dont un au Cameroun. Ce modèle d'investissement permet à BIO de diversifier ses risques tout en contribuant au renforcement d'un écosystème local d'investissement à impact, en ligne avec ses objectifs de développement durable.

Il est encore trop tôt pour évaluer l'impact de la situation politique actuelle sur les projets en cours, sur l'environnement économique et sur le climat des investissements. Il faudra évidemment rester vigilants à ce sujet dans les semaines et dans les mois qui viennent.

Lydia Mutyebele Ngoi:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse.

Il existe une importante diaspora camerounaise à Bruxelles et en Belgique. Je dis toujours qu'il s'agit d'une diaspora silencieuse, qui ne fait pas beaucoup de bruit. Vous ne les verrez pas dans les grandes marches et dans les manifestations réclamant le départ de Paul Biya, d'abord parce que la plupart sont devenus belges et sont parfaitement intégrés, la plupart travaillant dans le secteur médical.

La deuxième raison de ce silence, c'est que la plupart de ces personnes ont de la famille au pays. Quand on leur demande pourquoi elles ne manifestent pas leur étonnement et leur mécontentement par rapport à cette réélection, elles répondent qu'elles ont peur des conséquences de leur réaction à l'étranger sur leur famille restée au Cameroun.

Je pense donc qu'en tant que mandataires politiques, nous devons être véritablement le relais de ces préoccupations, sans bien sûr tomber dans le paternalisme et le colonialisme.

Quand on voit la manière ultra-violente dont M. Biya a répondu aux manifestations spontanées qui visaient à critiquer son élection, on peut s'interroger sur sa capacité à mener une politique unificatrice et orientée vers l'avenir.

L'opposition demande la clarté et la transparence sur les résultats des élections. J'espère qu'elle pourra recevoir des réponses convaincantes.

Le Cameroun, son peuple et ses ressources ont les moyens de mener une politique de développement incroyable et de développer une économie prospère au centre de l'Afrique. J'espère que la Belgique pourra les y aider si possible et si, bien sûr, le Cameroun le souhaite.

Voorzitter:

Les questions jointes n° 56008740C de M. Anthony Dufrane et n° 56009592C de Mme Rajae Maouane sont reportées.

De politieke situatie in Venezuela en de spanningen met de VS
De escalatie tussen de VS en Venezuela
De ?Amerikaanse militaire dreiging in Venezuela
De escalatie van de spanningen tussen de VS en Venezuela
De spanningen tussen de Verenigde Staten en Venezuela
De Amerikaanse militaire dreiging tegen Venezuela
Amerikaans-Venezolaanse politieke en militaire spanningen

Gesteld aan

Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 18 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België uit diepe bezorgdheid over de escalerende militaire spanningen tussen de VS en Venezuela—officieel gericht tegen drugshandel, maar met risico op regionale ontsporing—en benadrukt dat unilaterale VS-acties (zoals dodelijke aanvallen op boten) in strijd zijn met internationaal recht, zonder Belgische steun. De humanitaire crisis en migratie verslechteren door Venezolaanse repressie en militarisering, terwijl België via de EU en VN humanitaire hulp (€275 miljoen in 2023) en democratische druk (o.a. steun voor Nobelprijswinnaar Machado) blijft kanaliseren. Boukili eist een ondubbelzinnige veroordeling van de VS, die volgens hem onder valse voorwendsels (zoals in Irak) Venezolaanse olie wil controleren, terwijl Prévot herhaalt dat België de-escalatie en dialoog nastreeft, maar geen juridisch onwettige acties tolereert—een standpunt dat De Maegd onderschrijft, met focus op civiele bescherming en VN-mechanismen.

Voorzitter:

Mevrouw Depoorter is niet aanwezig.

Michel De Maegd:

Monsieur le ministre, lors de notre dernier échange en commission, vous aviez décrit avec précision l'escalade entre les États-Unis et le Venezuela dans le cadre des opérations "antidrogue" en mer des Caraïbes. Depuis, la situation a encore franchi un nouveau cap.

Les États-Unis ont désormais déployé le porte-avions USS Gerald R. Ford dans la région, venant s'ajouter aux navires déjà présents.

Il s'agit, selon la presse internationale, du plus important déploiement militaire américain dans la zone depuis les années 1990.

Officiellement, il s'inscrit dans la lutte contre le narcotrafic, mais il s'accompagne d'au moins une vingtaine de frappes létales contre des embarcations suspectées, qui auraient fait plus de 70 morts depuis septembre.

En réaction, le gouvernement Maduro a annoncé une mobilisation massive des forces armées et de la Milicia Bolivariana, présentant la présence américaine comme une menace directe contre la souveraineté du pays. Des responsables onusiens ont récemment alerté le Conseil de sécurité sur le risque de dérapage régional et sur les conséquences possibles pour la stabilité des Caraïbes.

Dans ce contexte, je souhaiterais vous poser quelques questions.

1. Quelle est l'analyse belge des dernières évolutions de la situation sur place, et notamment du risque d'embrasement régional?

2. Le sujet a-t-il été abordé au niveau européen depuis nos dernières discussions, et si oui qu'en est-il ressorti?

3. Disposez-vous d'éléments récents sur l'impact de cette escalade sur la situation humanitaire et les flux migratoires dans la région?

4. Enfin, comment notre pays entend-il continuer à soutenir les mécanismes internationaux chargés de documenter et de sanctionner les violations des droits humains au Venezuela?

Je vous remercie.

Nabil Boukili:

Monsieur le ministre, depuis août 2025, les États-Unis ont déployé dans les Caraïbes plusieurs navires de guerre stationnés à Porto Rico. Le 24 octobre, le plus grand porte-avions du monde est venu renforcer cette flotte. Tout ça s'apparente à un blocus militaire et sert de pression pour un éventuel scénario d'intervention sous couvert d'une guerre contre la drogue au Venezuela. Pourtant, selon des rapports de l'ONU et de l'agence antidrogue américaine, le Venezuela ne joue qu'un rôle marginal dans le trafic international de stupéfiants.

Ce qui se passe aujourd'hui n'a rien à voir avec la lutte contre le trafic de drogue. C'est une manœuvre politique cynique destinée à justifier une nouvelle agression. En réalité, les États-Unis comptent mettre la main sur les ressources de la région et empêcher toute alternative qui conteste la domination de Washington. Il est important de rappeler que le Venezuela a la plus grande réserve de pétrole au monde. Tout ceci n'est pas un hasard.

Monsieur le ministre, vous avez récemment déclaré que l'Amérique latine doit redevenir une priorité de la diplomatie belge et que l'Europe ne doit pas danser au rythme de Donald Trump. Mais dans ce contexte d'intervention éventuelle, vous êtes resté silencieux. Condamnez-vous sans équivoque l'usage de la force en dehors de tout cadre juridique au niveau du droit international par les États-Unis au Venezuela? Comptez-vous interpeller les autorités américaines quant à la légalité de ces opérations? Comptez-vous appeler à la désescalade, au respect du droit international ainsi qu'à la souveraineté des pays d'Amérique latine et des Caraïbes?

Maxime Prévot:

Je répondrai à MM. Boukili et De Maegd mais également aux collègues néerlandophones qui m'avaient à l'origine interrogés sur le sujet.

In Venezuela is de politieke en humanitaire situatie uiterst zorgwekkend. België is diep bezorgd over de aanhoudende repressie door de Venezolaanse autoriteiten, die het land in een van de ernstigste mensenrechtencrisissen van de afgelopen decennia hebben gestort. De recente afkondiging van de noodtoestand en de mobilisatie van 2,5 miljoen miliciens hebben geleid tot een verdere escalatie en militarisering, waardoor de toch al precaire humanitaire situatie nog meer onder druk komt te staan.

België was in juni 2023 gastland voor de internationale solidariteitsconferentie over de Venezolaanse migratiecrisis, die 275 miljoen euro opleverde voor humanitaire en ontwikkelingssteun in gastlanden. België draagt via multilaterale kanalen actief bij aan het verlichten van de noden van Venezolaanse migranten en vluchtelingen.

Hoewel er geen bilaterale projecten lopen, ondersteunt België wel regionale humanitaire hulp, onder meer via de Food and Agriculture Organization, om de voedselonzekerheid in Venezuela aan te pakken. België draagt ook bij aan het Central Emergency Response Fund van de Verenigde Naties, dat in 2025 reeds 11 miljoen euro heeft toegewezen aan Venezuela voor hulp aan kwetsbare bevolkingsgroepen.

Via de Europese Unie speelt België ook een actieve rol in het bevorderen van een democratische oplossing. In 2024 riep de Europese Raad op tot respect voor de democratische wil van het Venezolaanse volk en verklaarde dat enkel volledige en onafhankelijk verifieerbare verkiezingsresultaten zouden worden erkend.

Ik juich in die context de toekenning toe van de Nobelprijs voor de Vrede aan de Venezolaanse oppositieleidster María Corina Machado uit waardering en erkenning voor haar strijd voor democratie en vrede. De beslissing van het Nobelcomité zet de internationale oproepen voor een vreedzame overgang naar democratie extra kracht bij.

Wat de spanningen met de Verenigde Staten betreft, heb ik al meegedeeld dat die zorgwekkende escalatie nauwlettend opgevolgd wordt door mijn diensten.

La lutte contre le crime organisé et le trafic de drogue forme une priorité essentielle pour notre gouvernement, et nous partageons les préoccupations américaines face à la problématique du narcotrafic. Pour autant, nos méthodes diffèrent. La Belgique et l'Union européenne sont engagées dans la lutte contre le trafic de drogue à travers une coopération durable entre les parties prenantes et dans le plein respect du droit international et des principes d'intégrité territoriale et de souveraineté, tels que consacrés dans la Charte des Nations Unies. Nous ne soutenons en aucune manière les actions unilatérales et les mesures extrajudiciaires. J'ai eu l'occasion de porter ce message de manière très claire lors de mon intervention au sommet EU-CELAC, le 9 novembre dernier, à Santa Marta, où il m'a finalement été permis d'arriver juste avant la clôture de la session.

België pleit voor de-escalatie en het behoud van vrede in de regio. Maritieme veiligheid is van cruciaal belang voor de regionale stabiliteit op het Amerikaanse continent. We moedigen de Verenigde Staten en Venezuela aan tot terughoudendheid en constructieve dialoog, met het oog op het de-escaleren van de spanningen.

Michel De Maegd:

Depuis notre dernier échange, l'escalade relative au Venezuela a pris une ampleur inédite. Le risque de dérapage dépasse largement le seul cadre du narcotrafic. Dans ce contexte, il me semble essentiel que la Belgique, avec le reste de l'Union européenne, reste vigilante en soutenant pleinement les initiatives de désescalade, en renforçant notre appui aux mécanismes internationaux de surveillance des droits humains et en maintenant notre attention sur les conséquences humanitaires et migratoires qui, selon plusieurs observateurs, s'aggravent. Notre message doit rester clair, je pense que vous partagerez ce point de vue, et la protection des populations civiles doit rester au centre de notre positionnement diplomatique.

Nabil Boukili:

Merci monsieur le ministre pour vos réponses. Je me réjouis que vous affirmiez que vous ne soutiendrez pas une intervention militaire et que vous ne soutiendrez pas l'esprit d'escalade entretenu aujourd'hui par les États-Unis. Dans ce cas, il faut être conséquent et condamner les manœuvres américaines, car il existe une volonté des États-Unis d'intervenir militairement pour s'accaparer les richesses pétrolières vénézuéliennes. Nous connaissons les États-Unis, ils n'en sont pas à leur coup d'essai. Ils sont responsables de plus de 120 interventions dans le monde, dont la majorité sont illégales. Souvenons-nous de l'Irak, où ils avaient trouvé le prétexte des armes de destruction massive. Un chiffon agité à l'Assemblée générale des Nations Unies par le secrétaire d'État américain, dont il s'est ensuite avéré qu'il s'agissait d'un mensonge. C'était un prétexte pour s'attaquer à l'Irak avec pour conséquence les destructions et les désastres que nous connaissons. Les manœuvres américaines menacent la stabilité mondiale et la paix dans le monde. Les États-Unis n'ont jamais été un facteur de paix, mais un facteur de déstabilisation et de danger pour le reste du monde. On le voit aujourd'hui, pas seulement avec le Venezuela, mais aussi avec la Colombie. Le président colombien s'est même exprimé sur le danger américain. Monsieur le ministre, il ne faut pas se cantonner à rappeler que la Belgique respecte le droit international. Il faut être conséquent et condamner fermement les manœuvres américaines. Une déclaration ne suffit pas; il faut des positions politiques claires si l'on souhaite être cohérent en matière de droit international. Je rappelle que les États-Unis n'ont pas jugé nécessaire d'intervenir en Israël ou de menacer militairement Israël qui est pourtant responsable d'un génocide. Non, ils ont armé Israël, ils ont financé le génocide. Nous faire croire que les objectifs américains ou les manœuvres américaines visent à défendre les droits humains ou les populations est donc une vaste supercherie qui n'est plus crédible aujourd'hui. Vous devez être conséquent en la matière, monsieur le ministre.

De militaire samenwerking tussen Rusland en China m.b.t. een mogelijke invasie van Taiwan
De militaire samenwerking tussen de Volksrepubliek China en de Russische Federatie
De Russisch-Chinese militaire samenwerking en de dreiging tegen Taiwan
De toestand in Taiwan
Russisch-Chinese militaire samenwerking en dreiging tegen Taiwan

Gesteld aan

Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 18 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België ziet de groeiende militaire samenwerking tussen China en Rusland in de Indo-Pacific als een bedreiging voor regionale stabiliteit, met toenemende hybride dreigingen, maritieme intimidatie rond Taiwan (blokkades, oefeningen) en Chinese steun aan Rusland’s oorlogsindustrie. De regering pleit voor status quo, vreedzame oplossingen en respect voor internationaal recht, steunt EU-sancties tegen Chinese wapenleveranties en versterkt banden met democratische partners zoals Japan en Zuid-Korea via defensiepartnerschappen. Een potentiële crisis in de Taiwanstraat zou zware economische gevolgen hebben (o.a. semiconductor-ketens), waarvoor België scenario-analyse en interdepartementale voorbereiding eist. De Maegd benadrukt behoud van een harde EU-lijn: afwijzing van geweld, steun voor Taiwan’s internationale rol en versterkte economische resilientie.

Voorzitter:

M. Somers et Mmes van Riet et Van Hoof ne sont pas présents.

Michel De Maegd:

Monsieur le ministre, les collègues qui m'ont précédé ont déjà souligné combien la situation dans le détroit de Taïwan est devenue un enjeu central pour la sécurité internationale. Je ne vais pas revenir plus longuement dessus.

Simplement rappeler que la situation dans le détroit de Taïwan s'inscrit désormais dans un contexte géopolitique beaucoup plus large, marqué par l'approfondissement de la coopération militaire entre Moscou et Pékin, les manœuvres conjointes russo-chinoises en zone indo-pacifique et la pression militaire constante exercée par l'Armée populaire de libération autour de Taïwan. Ce durcissement intervient alors que nos partenaires multiplient les alertes sur les risques de déstabilisation régionale et sur la nécessité de renforcer les chaînes d'approvisionnement, notamment dans les semi-conducteurs.

C'est dans ce contexte que j'aimerais vous poser les questions suivantes:

1. Quelle est l'analyse actuelle de la Belgique par rapport à cette évolution de la situation? Voyez-vous, dans les manœuvres récentes, un signal d'une possible coordination stratégique sur deux “théâtres" simultanés: l'Ukraine et, demain, une crise autour de Taïwan?

2. À la lumière des récentes déclarations des ministres des Affaires étrangères du G7, quelle contribution spécifique la Belgique entend-elle apporter à une position européenne claire, qui combine respect du droit international, défense de la paix et de la stabilité dans le détroit, et soutien au “rôle significatif" de Taïwan dans les organisations internationales pertinentes?

3. Enfin, comment le gouvernement évalue-t-il l'impact potentiel, pour notre pays, d'une crise majeure dans le détroit de Taïwan? Des travaux sont-ils en cours, au niveau du SPF Affaires étrangères et en coordination avec d'autres départements, pour anticiper un tel scénario et en limiter les conséquences pour la Belgique?

Maxime Prévot:

Monsieur le député, je vais répondre à vos questions ainsi qu'à celles qui auraient dû être posées par vos collègues.

Beste Kamerleden, België stelt vast dat de militaire samenwerking tussen China en Rusland in de Aziatisch-Pacifische regio toeneemt en complexer wordt met gezamenlijke oefeningen. Dergelijke activiteiten versterken de interoperabiliteit tussen beide landen en hebben impact op de regionale veiligheidsdynamiek.

Op het vlak van hybride dreigingen weten we dat China en Rusland naar elkaar kijken en van elkaar leren. China levert ook technologische componenten aan Rusland en beschikt over eigen capaciteit voor geavanceerd wapentuig.

In verband met Taiwan benadrukt het Chinees regime sinds 2019 in officiële verklaringen en toespraken dat een hereniging desnoods met geweld kan plaatsvinden als vreedzame middelen niet volstaan. Hoewel we ons niet in een fase van geweld bevinden, zien we wel dat China zijn hybride activiteit en intimidatie opvoert, vooral op het maritiem vlak met militaire oefeningen, blokkades, dreigingen en beschadigingen van maritieme infrastructuur zoals onderzeese kabels. Dat is zorgwekkend en ik pleit in contacten met mijn Chinese gesprekspartners steevast voor een vreedzame houding en leg de nadruk op het belang van het behoud van de status quo.

Nous suivons de près la situation dans la région indo-Pacifique, compte tenu de son impact sur la stabilité internationale et sur les routes commerciales.

Au sein de l'Union européenne, la dimension sécuritaire des relations avec la Chine fait l'objet de discussions systématiques, notamment le soutien apporté par la Chine à l'industrie de guerre russe. Lors du sommet entre l'Union européenne et la Chine qui s'est tenu le 24 juillet dernier à Pékin, l'Union européenne a, entre autres, souligné le problème du soutien matériel apporté par la Chine, qui contribue ainsi à maintenir l'industrie de guerre russe.

België onderschrijft die lijn en legt in de Raad Buitenlandse Zaken consequent de nadruk op het respect voor het internationaal recht en de vrije doorvaart. België steunt een versterkte monitoring van relevante maritieme interacties en blijft in multilaterale fora pleiten voor dialoog, de-escalatie en respect voor het internationaal recht.

We pleiten tevens voor verdieping van de samenwerking met democratische partners zoals Japan, Korea en Australië, onder meer via het Security and Defence Partnership dat sinds november 2024 met Japan is aangegaan.

Michel De Maegd:

Merci pour votre réponse, monsieur le ministre. Je pense que, concernant Taïwan, la Belgique doit continuer à soutenir une ligne européenne cohérente et claire, à savoir un rejet de toute tentative de modification unilatérale et par la force, un appui au rôle international de Taïwan lorsque cela est pertinent et une attention soutenue à la résilience de nos propres chaînes d'approvisionnement, en particulier dans le domaine des semi-conducteurs. Il me semble essentiel que notre diplomatie reste pleinement mobilisée, non seulement pour contribuer à la stabilité régionale mais aussi pour anticiper les conséquences qu'une crise majeure qui aurait lieu dans le détroit pourrait avoir sur notre économie, notre industrie et notre sécurité, mais je sais que nous pouvons compter sur votre action en ce sens.

Gerechtigheid en bescherming voor de jezidigemeenschap tien jaar na de genocide

Gesteld door

lijst: VB Ellen Samyn

Gesteld aan

Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 18 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België erkent de Jezidi-genocide en veroordeelt IS-misdaden (massamoord, slavernij, verkrachting), maar vervolgingen blijven beperkt ondanks internationale erkenning en het Joint Investigation Team (JIT) waarin België participeert. Concreet werd in 2023 voor het eerst een dader in België veroordeeld voor genocide, en speelt het land een sleutelrol in het IIIM en het VN-onderzoeksteam (UNITAD), alsook als depositaris van het nieuwe genocideverdrag (2023) voor betere rechtshulp. Kritiek blijft dat daders—met name gerepatrieerde Belgische *Foreign Terrorist Fighters*—onvoldoende worden vervolgd voor oorlogsmisdaden (vaak enkel voor terrorisme) en dat slachtoffers herstel en bescherming ontberen. België bevestigt zijn diplomatieke en juridische inzet (o.a. VN-resoluties, steun aan overlevenden), maar de Jezidi-gemeenschap eist meetbare gerechtigheid boven symbolische erkenning.

Ellen Samyn:

Ik verwijs naar de schriftelijke voorbereiding van mijn vraag.

Tien jaar na de genocide op de Jezidi's door Islamitische Staat (IS) blijft de situatie van deze gemeenschap schrijnend. Volgens recente rapporten van de Verenigde Naties en de Europese samenwerkingsstructuren rond Eurojust blijft de overgrote meerderheid van de daders van de misdaden tegen de Jezidi's onbestraft.

Het gaat om misdaden die door internationale instellingen ondubbelzinnig als genocide, misdaden tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden worden erkend: massamoorden, systematische verkrachting, slavernij en deportatie.

Ondanks de oprichting van het Joint Investigation Team (JIT) tussen o.a. België, Nederland en Duitsland om bewijsmateriaal te verzamelen over misdaden tegen Jezidi-slachtoffers, blijven de vervolgingen in Europa uiterst beperkt. Tegelijk duiken er steeds meer zorgen op over teruggekeerde of gerepatrieerde Foreign Terrorist Fighters (FTF's), ook uit België, die mogelijk betrokken waren bij deze misdaden.

De Jezidi-gemeenschap, zowel in Irak als in de Europese diaspora, vraagt terecht meer dan symbolische erkenning: ze vraagt concrete gerechtigheid, bescherming en herstel.

Graag verneem ik van de minister:

Hoe beoordeelt u de huidige stand van zaken in de internationale inspanningen om de genocide op de Jezidi's te vervolgen en te bestraffen?

Welke concrete rol speelt België binnen het Joint Investigation Team (JIT) dat zich richt op misdaden tegen de Jezidi-gemeenschap? Zijn er Belgische onderzoeken of dossiers geopend tegen teruggekeerde FTF's die hierbij betrokken zouden zijn?

Hoe garandeert België dat gerepatrieerde strijders of hun medeplichtigen effectief worden vervolgd voor oorlogsmisdaden en niet enkel voor lidmaatschap van een terroristische organisatie?

Zal België, binnen de EU en VN, blijven pleiten voor internationale erkenning van de Jezidi-genocide? Wordt er vanuit België steun aan de overlevenden verleend? Zo ja, onder welke vorm?

Maxime Prévot:

Mevrouw Samyn, België heeft de misdaden die sinds 2014 door de Islamitische Staat in Irak en de Levant tegen de jezidibevolking worden gepleegd, krachtig veroordeeld. Wij hebben ons hierover bij verschillende gelegenheden in het openbaar uitgesproken.

Sinds 1999 maakt het Belgisch strafrecht het mogelijk om daden die als genocide worden beschouwd, te vervolgen. Bovendien werd de wet van 29 maart 2004 betreffende de samenwerking met het Internationaal Strafgerechtshof en de internationale straftribunalen aangepast in 2019 om de samenwerking van de Belgische gerechtelijke autoriteiten met het International, Impartial and Independent Mechanisme (IIIM) mogelijk te maken en te organiseren.

Het IIIM, waarin België een belangrijke rol heeft gespeeld, is bevoegd voor de ernstigste misdrijven die in Syrië worden gepleegd, dus ook die van Daesh. De Belgische justitie heeft bijvoorbeeld op 12 november iemand veroordeeld voor genocide op de jezidigemeenschap. Die vervolging is historisch, omdat het de eerste keer is dat België een zaak behandelt rond de genocide op de jezidi's. In ons land is het nodige wettelijke kader dus aanwezig om vervolging mogelijk te maken. Voor meer details over de lopende zaken, de kwalificatie van de strafbaarstelling en de rol van België in het joint investigation team verwijs ik u naar mijn collega-minister van Justitie.

België volgt de situatie van de jezidigemeenschap op de voet op, wat een aandachtspunt blijft voor onze diplomatie. België heeft de afgelopen jaren op verschillende manieren bijgedragen aan de inspanningen om gerechtigheid te brengen voor de slachtoffers van de ernstigste misdrijven, waaronder de jezidi's. Zo heeft België zich, samen met andere staten onvermoeibaar ingezet voor de actieve bevordering van de idee om onderhandelingen te openen over een multilateraal verdrag dat de wederzijdse rechtshulp tussen staten zou vergemakkelijken en versterken voor de vervolging op nationaal niveau van personen die verdacht worden van oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid en genocide.

Dankzij die voortdurende inspanningen werd dat verdrag in mei 2023 aangenomen en is België de depositaris van het verdrag.

Ik geef nog een voorbeeld. België was ook mede-indiener van resolutie 2379 van de Veiligheidsraad, die de basis vormde voor de oprichting van het United Nations Investigation Team for Accountability of Da'esh in 2017. UNIDAD was verantwoordelijk voor het verzamelen en bewaren van bewijsmateriaal van daden, gepleegd door Da'esh in Irak, die konden worden gekwalificeerd als misdaden tegen de menselijkheid, oorlogsmisdaden of genocide.

Ellen Samyn:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Tien jaar na de genocide op de jezidi’s blijft de gerechtigheid voor die gemeenschap helaas bijzonder beperkt. Ondanks de internationale erkenning van de massamoord, de systematische verkrachting en de slavernij blijven de meeste daders nog altijd onder de radar. Dat blijft een diepe wonde voor de jezidi’s in Irak en Europa. U verwees terecht naar de historische veroordeling. Ik veronderstel ook dat u in nauw contact stond met uw collega, minister Verlinden. Het feit dat de gemeenschap in de rechtszaal kon spreken, is voor hen belangrijk, omdat ze dan gehoord worden. Voor ons is het belangrijk dat België zijn rol in het JIT blijft opnemen en zijn opgebouwde expertise verankert. Voor de jezidigemeenschap gaat niet enkel om symboliek, maar ook om een echte rechtsbescherming. Mijn collega, de heer Van Hoecke, zal de minister hierover verder ondervragen. Internationale duidelijkheid ter zake blijft ook nodig. België heeft zich terecht uitgesproken voor de erkenning van de jezidigenocide en steun aan de overlevenden. Wij vinden dat dat engagement uiteraard moet worden voortgezet. De erkenning krijgt pas betekenis, als ze gepaard gaat met concrete gerechtigheid en natuurlijk nazorg.

De executies in Iran
De Belgische en Europese reactie op de massale executies en gevangenisprotesten in Iran
Internationale reacties op executies en protesten in Iran

Gesteld aan

Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 18 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België veroordeelt de recordhoeveelheid executies in Iran (minstens 1.000 in 2025, hoogste in 30 jaar) en de massale hongerstaking in Ghezel Hesar-gevangenis, maar kan de cijfers niet onafhankelijk bevestigen. De minister bevestigt diplomatieke actie (VN-resolutie tegen doodstraf, EU-sancties, contact met Iraanse ambassadeur) en coördineert met Zweden voor de vrijlating van Ahmadreza Djalali, wiens detentieomstandigheden licht verbeterd zijn, maar wiens leven nog steeds gevaar loopt. Minstens twaalf Europese gevangenen zitten vast in Iran, met wisselende aantallen door vrijlatingen en nieuwe arrestaties. Samyn benadrukt dat Iran systematische repressie en staatsterreur toepast, met executies als bewust instrument van onderdrukking.

Voorzitter:

De heer Van Rooy is niet aanwezig.

Ellen Samyn:

Mijnheer de minister, ik verwijs naar de tekst van mijn vraag zoals ingediend.

Volgens berichten van onder meer Agence France-Presse, Iran Human Rights (IHR) en HRANA, zijn in de Iraanse gevangenis van Ghezel Hesar ruim 1.500 gevangenen in hongerstaking gegaan uit protest tegen de drastische toename van executies in Iran.

Het gaat om de grootste gevangenisprotestactie in jaren. De actie werd uitgelokt door de verplaatsing van zestien gevangenen naar de isolatiecellen in afwachting van onmiddellijke terechtstelling.

Sinds het aantreden van president Masoud Pezeshkian zou Iran inmiddels meer dan 2.000 mensen hebben geëxecuteerd in amper veertien maanden.

Het aantal terdoodveroordelingen ligt volgens Iran Human Rights op het hoogste peil sinds 2008.

De Fars-nieuwsagentschap, dat gelieerd is aan de Revolutionaire Garde, ging zelfs zo ver om openlijk op te roepen tot een herhaling van de massale executies van 1988.

Gezien de ernst van deze situatie en de oproepen van mensenrechtenorganisaties tot internationale actie, verneem ik graag van de minister:

1.Hoe beoordeelt u de recente hongerstaking en 'sit-in' van Iraanse gevangenen, en welke informatie ontvangt België via zijn diplomatieke kanalen over deze gebeurtenissen?

2. Welke concrete initiatieven heeft België sinds juli genomen binnen de Europese Raad of de VN-Mensenrechtenraad om de willekeurige detenties en executies in Iran opnieuw op de agenda te plaatsen?

3. Overweegt u, gelet op de toenemende repressie en het hoge aantal executies, bijkomende diplomatieke maatregelen, zoals het oproepen van de Iraanse ambassadeur of het ondersteunen van EU-sancties tegen verantwoordelijken binnen de Iraanse justitie en Revolutionaire Garde?

4. Is er enige vooruitgang geboekt in het dossier van professor Ahmadreza Djalali, en welke bijkomende inspanningen worden geleverd om zijn vrijlating te bekomen?

5. Op 1 oktober verwees u in uw antwoord naar 'Europese onderdanen die willekeurig in Iran worden vastgehouden', over hoeveel Europese onderdanen gaat het?

Maxime Prévot:

Mevrouw Samyn, ik zal mede de vraag van de heer Van Rooy beantwoorden.

We volgen de situatie in Iran op de voet, maar we kunnen vandaag het door u genoemde cijfer van 1.500 gevangenen niet bevestigen. Dat cijfer kon niet onafhankelijk worden geverifieerd. Niettemin is het huidig tempo van executies in Iran verschrikkelijk. Hoewel de exacte cijfers over het aantal executies van bron tot bron verschillen, werd de kaap van 1.000 executies in 2025 al bereikt, waarmee 2025 nu al het hoogste aantal executies in drie decennia kent. De vaststelling is duidelijk. Er zijn nog nooit zoveel executies geweest in Iran als nu. Het aantal executies is de laatste jaren sterk en gestaag toegenomen.

Een zeer grote meerderheid van die executies houdt verband met drugsdelicten of moorden. Zoals u weet, heb ik al heel duidelijk berichten gestuurd naar de Iraanse ambassadeur en ben ik even duidelijk geweest in mijn contacten met mijn Iraanse tegenhanger, minister Araqchi.

België veroordeelt in de krachtigste bewoordingen het gebruik van de doodstraf door de Iraanse autoriteiten. De universele afschaffing van de doodstraf is reeds geruime tijd een prioriteit van het Belgische beleid en ons land blijft actief op dat gebied, niet alleen op een transversale manier, bijvoorbeeld door onze actie in de Mensenrechtenraad en de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, maar ook specifiek ten aanzien van Iran.

Er zit momenteel minstens een dozijn Europese onderdanen vast in Iran.

Dat cijfer verandert, aangezien de afgelopen maanden een aantal personen werd vrijgelaten, maar andere personen gearresteerd werden.

De vrijlating op 4 november van twee Franse onderdanen, Cécile Kohler en Jacques Paris, was goed nieuws. Wat de heer Djalali betreft, verwijs ik u naar de antwoorden die ik al heb gegeven op uw recente soortgelijke vragen. We vrezen steeds voor zijn leven, maar ik kan eraan toevoegen dat hij sinds zijn recente terugkeer naar de Evingevangenis in betere omstandigheden wordt vastgehouden. Zijn familie is daarvan op de hoogte. De coördinatie tussen mijn diensten en hun Zweedse collega’s verloopt zeer goed.

In de aanloop naar de drieëntwintigste Europese dag en Werelddag tegen de doodstraf op 10 oktober heeft de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties een door België ingediende resolutie over de doodstraf aangenomen. Op 10 september heeft de EU, met Belgische steun, een verklaring gepubliceerd waarin de problematiek werd aangekaart en het gebruik van de doodstraf wordt veroordeeld. Tot slot is er nog het EU-sanctiebeleid tegen Iran inzake mensenrechtenschendingen, dat België mee onderschrijft. De snapback werd bovendien recent geactiveerd, wat heeft geleid tot de hervatting van sancties. Mijn diensten en ik blijven de situatie aandachtig volgen.

Ellen Samyn:

Mijnheer de minister, bedankt voor de update over professor Djalali. De vorige vraagt dateert ondertussen van twee maanden geleden, en het is toch fijn te horen dat zijn detentieomstandigheden beter zijn en dat u die nauw opvolgt, samen met uw Zweedse collega.

Een dozijn Europese onderdanen wordt in Iran willekeurig vastgehouden, maar het aantal varieert doordat er, gelukkig, mensen worden vrijgelaten. Tussen de regels door heb ik echter begrepen dat er opnieuw Europese onderdanen worden vastgehouden, maar ik zal uw antwoord er nog eens op nalezen.

U zei dat het cijfer niet bevestigd kan worden, maar u zei dat minstens duizend executies voltrokken zijn. Ik vrees, helaas, dat duizend een ondergrens is en dat het er in werkelijkheid veel meer zijn. We zullen het juiste aantal wellicht nooit weten.

U zegt terecht dat dat dodenaantal het hoogste is in decennia. Helaas is het een doelbewuste tactiek van het Iraans regime. We moeten de realiteit onder ogen zien; ik weet dat u dat ook doet. De realiteit in Iran is er een van systematische repressie, extreem geweld en van een staat die zijn bevolking blijft terroriseren.

Voorzitter:

Aan de orde is vraag nr. 56009124C van de heer Cornillie. Hij is afwezig.

De internationale opvolging van antifaleiders die de Verenigde Staten ontvluchten
De vlucht van gewelddadige Antifa-figuren uit de VS en de gevolgen voor Europa
De toename van de extreemlinkse dreiging in Europa (antifa)
Internationale migratie van gewelddadige extreemlinkse activisten en de gevolgen

Gesteld aan

Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 18 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België volgt geen concrete signalen van Antifa-leiders die uit de VS naar Europa vluchten, maar erkent de dreiging van extreemlinks geweld—al staat die volgens Europol na jihadisme en extreemrechts. Erkenning als terreurgroep (nationaal of EU-breed) is niet aan de orde, omdat daarvoor consensus ontbreekt en de bevoegdheid bij Binnenlandse Zaken/Justitie ligt. Huybrechts dringt aan op EU-actie, wijzend op Antifa-geweld in Brussel en Europa (o.a. hameraanvallen op politici), maar Prévot verwijst naar andere ministers en benadrukt de contextuele relativering van dreigingscijfers.

Britt Huybrechts:

Mijnheer de voorzitter, ik verwijs naar de ingediende vraag.

Volgens een recent artikel in de Washington Examiner (“Antifa leaders flee America as law enforcement closes in") hebben verschillende leidende figuren van de extreemlinkse Antifa-beweging de Verenigde Staten ontvlucht. Amerikaanse bronnen spreken over individuen die betrokken zouden zijn bij geweld, sabotage en georganiseerde rellen. Zij zouden zich mogelijk in Europese landen vestigen, waaronder lidstaten van de Europese Unie.

Antifa is in de Verenigde Staten door diverse politiediensten en onderzoekers reeds omschreven als een netwerk van gewelddadige, extremistische groeperingen. De bezorgdheid groeit dat deze activisten, eenmaal in Europa aangekomen, hun activiteiten en netwerken hier verderzetten.

Staat uw departement in contact met de Amerikaanse autoriteiten omtrent de beweging van deze Antifa-terroristen? Volgt u dit op de voet op in uw diplomatieke contacten met de V.S.?

Wordt via Europol en Interpol automatisch een signaal gegeven wanneer deze personen het Schengengebied of België betreden? Zijn zij überhaupt al op de radar gezet van onze veiligheids- en inlichtingendiensten?

Zal u er op Europees niveau voor pleiten om Antifa als organisatie te laten erkennen als een terroristische groepering en op te nemen op de Europese terreurlijst, gegeven de lange lijst aan bewijzen voor politiek-ideologisch geweld op hun conto?

Zal u uw veiligheidsanalyse omtrent het gevaar van extreemlinkse terreur en links-extremisme bijschaven, gegeven het recente rapport van Europol waarin het aangeeft dat extreemlinkse aanslagen maar liefst 21 keer meer voorkomen in de EU dan extreemrechtse?

Maxime Prévot:

Mevrouw Huybrechts, mijn diensten en ikzelf nemen alle potentiële terroristische dreigingen ernstig. De mogelijke dreiging die zou uitgaan van de Antifa-beweging maakt daar deel van uit.

We onderhouden regelmatig contact met onze Amerikaanse partners, maar op dit moment beschikken we niet over informatie die wijst op een mogelijke verplaatsing van Amerikaanse Antifa-leiders naar Europa. Er is hier via de diplomatieke kanalen evenmin informatie over gedeeld. De cijfers waarnaar u in uw vraag verwijst, afkomstig uit een rapport van Europol, moeten in hun juiste context worden geplaatst. Hoewel er in dat rapport meer incidenten aan extreemlinkse groeperingen worden toegeschreven, blijkt uit de gegevens dat de dreiging van extreemlinkse bewegingen, zowel wat betreft het aantal arrestaties als het dreigingsniveau, op de derde plaats staat, na de jihadistische en extreemrechtse dreiging.

In de Belgische veiligheidsaanpak is Buitenlandse Zaken maar één schakel in een bredere keten. Hoewel mijn diensten bijdragen aan de analyse en de beeldvorming van de dreiging die uitgaat van gewelddadige extremistische en terroristische organisaties, zijn het de ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie die bevoegd zijn voor het voeren van het Belgische veiligheidsbeleid. Zij zijn dan ook beter geplaatst om in te gaan op uw vragen over eventuele maatregelen die worden genomen of moeten worden genomen in het kader van de dreiging die uitgaat van extreemlinkse groeperingen. Ze zijn eveneens beter geplaatst om u te informeren over de werking van Europol- en Interpolmeldingen. Voor de toegang tot het Belgische grondgebied is de minister van Binnenlandse Zaken bevoegd.

Tot slot wens ik te benadrukken dat de Antifa-beweging in België niet als een terroristische organisatie is erkend. Op Europees niveau is de aanduiding van Antifa als terroristische groepering momenteel geen onderwerp van discussie tussen de lidstaten. Ik herinner eraan dat voor de opname van een organisatie op de Europese lijst van terroristische groeperingen een consensus vereist is tussen alle 27 lidstaten.

Britt Huybrechts:

Mijnheer de minister, aan de ene kant ben ik gerustgesteld dat u stelt dat u geen informatie hebt dat er daadwerkelijk Antifa-leiders naar Europa komen. Aan de andere kant blijft het verontrustend dat dit door Washington wel gesteld wordt. In elk geval, of er Amerikaanse Antifa-leiders naar hier komen of niet, de feiten blijven de feiten: Antifa is extreem gevaarlijk. We hebben een aantal weken geleden nog gezien hoe zij Brussel kort en klein sloegen en hoe ze ambtenaren van de overheid bedreigd hebben. Het was hallucinant dat te zien. Ik blijf erbij, men zou Antifa ook in België op de terreurlijst moeten zetten. Ik weet dat dit eerder de bevoegdheid van minister Quintin is, maar toch meen ik dat het voor u, als minister van Buitenlandse Zaken, een goed idee zou zijn om dit dossier op de Europese agenda te zetten. Wereldwijd, maar zeker ook in Europa, pleegde Antifa immers verschillende aanslagen. Denk maar aan de hamerbende, die verschillende Europese politici met hamers neergeslagen heeft. Daaronder was er zelfs iemand uit het Europees Parlement. Opnieuw, ik meen dat het enorm belangrijk is om Antifa aan te pakken en het te zetten waar het hoort, namelijk op de terreurlijst.

Het gebrek aan coördinatie door de premier in het veiligheidsbeleid m.b.t. de drones
De dronedreiging
Onvoldoende premiercoördinatie en groeiende dronerisico's in nationaal veiligheidsbeleid

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 13 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België kampt met een acute hybride dreiging door drones die kritieke infrastructuur (o.a. Zaventem) en militaire doelen saboteren, terwijl de coördinatie tussen Defensie, Binnenlandse Zaken en de Nationale Veiligheidsraad falen vertoont. Ondanks aankondigingen (droneregister, 50 miljoen euro voor counterdronemiddelen, NASC-centrum tegen 2026) en buitenlandse steun (DU, FR, UK, VS) ontbreekt effectieve samenwerking: verouderde middelen, onbenutte gespecialiseerde teams (die zelfs met ontslag bedreigd worden) en drones blijven ongehinderd vliegen, terwijl politiek gekibbel en vertragingen (o.a. door vorige beleidskeuzes) de crisis verergeren.

Matti Vandemaele:

Ik had deze vraag eigenlijk aan de premier gericht, maar de minister van Defensie zit hier nu voor mij

U zei vorige week in de commissie dat 90 % van de bevoegdheden met betrekking tot de toestanden met de drones niet bij u ligt, maar bij de minister van Binnenlandse Zaken en bij de premier als coördinator van de Nationale Veiligheidsraad. De premier stuurde vandaag echter zijn kat. (Protest bij de N-VA) Ik geef toe, hij is er daarstraks wel even geweest.

De minister van Binnenlandse Zaken komt voorlopig niet verder dan de aankondiging dat er een droneregister zal komen, alsof criminelen en buitenlandse mogendheden met slechte bedoelingen netjes hun drone zullen registreren voordat ze naar hier komen.

Collega’s, het management van de crisis lijkt wel de kolderbrigade. Ik heb foto’s doorgekregen waarop te zien is dat onze diensten werken met verrekijkers uit 1944. Onze jammers werken niet. Het gespecialiseerde counterdroneteam was men zelfs volledig vergeten; u wist niet meer dat het bestond. Ook uw donkerste moment van de nacht wordt intussen tot ver in het buitenland belachelijk gemaakt.

Mijnheer de minister, uw communicatie getuigt van weinig omzichtigheid. U bent een beetje de olifant in de porseleinwinkel. Ik hoor dat u voor die vrijpostige communicatie door uw eigen diensten op de vingers bent getikt. U maakt vooral boel. U maakt ook boel met het counterdroneteam. U zegt dat zij niets kunnen wat uw diensten niet kunnen en dat zij veel te klein zijn. Zij moesten zich maar komen aanbieden. Intussen vernemen wij dat die mensen door hun eigen oversten zelfs met ontslag worden bedreigd omdat zij publiek durfden te spreken.

Mijnheer de minister, wanneer zult u samenwerken? Wanneer zal de premier coördineren? Wanneer zult u het luchtruim en onze bevolking tegen deze gebeurtenissen beschermen?

Jeroen Bergers:

Mijnheer de minister, we worden geconfronteerd met een zeer ernstige hybride dreiging van aanvallen op ons land, met cyberaanvallen en ook met veel dreigingen van drones die over militaire doelwitten vliegen, maar vooral ook over civiele doelwitten als luchthavens, met het specifieke doel die luchthavens plat te leggen. Dat is natuurlijk zeer ernstig. Het is een gevaar voor onze kritieke infrastructuur, maar ook voor onze economie. De Vlaamse luchthaven van Zaventem, de op een na grootste economische motor van het land, wordt bewust gesaboteerd. Er moeten dus maatregelen genomen worden om onze kritieke infrastructuur, onze civiele doelen en onze economie te beveiligen.

De huidige wet op de kritieke infrastructuur schetst een duidelijke samenwerking, waarbij in de eerste plaats gekeken wordt naar de uitbater van de kritieke infrastructuur, naar het Crisiscentrum, naar de politie en naar SkeyDrone. If all else fails , wordt er ook gekeken naar Defensie.

Het is belangrijk dat er grondig wordt samengewerkt om die hybride dreiging aan te pakken. Door elkaar met de vinger te wijzen zullen we er immers niet komen. Het is echt in het belang van ons land, van onze economie, dat we die uitdaging aanpakken. We zijn hier in het Parlement bijna unaniem overeengekomen een gemeenschappelijke vergadering van de commissies voor Mobiliteit, Binnenlandse Zaken en Defensie te organiseren teneinde dit probleem te bespreken en voor oplossingen te zorgen.

Mijn oproep aan u, mijn oproep aan de volledige regering is om samen te werken, te zorgen voor oplossingen en maatregelen te nemen.

Theo Francken:

Ik ben altijd blij als ik hier mag zijn. De premier heeft me gevraagd deze vraag van hem over te nemen. Hij heeft zijn kat niet gestuurd, want hij was hier daarnet. De heer Quintin is niet in het land, die is verontschuldigd.

Dames en heren, de recente meldingen van drones boven zowel civiele als militaire installaties tonen aan dat de hybride dreiging tegen ons land reëel en ernstig is. Het gebruik van drones in de buurt van onder meer luchthavens en luchtmachtbasissen vormt niet alleen een veiligheidsrisico, maar raakt ook rechtstreeks aan onze nationale veiligheid en welvaart.

De aanpak van deze dreiging is een gedeelde verantwoordelijkheid. Binnen hun bevoegdheid staan de politiediensten en de diensten van Mobiliteit in voor de detectie, de opvolging en de handhaving. Ze waken over de civiele luchtvaartveiligheid. Defensie werkt nauw met hen samen, onder meer via informatie-uitwisseling, technische ondersteuning en verhoogde paraatheid op onze militaire kwartieren.

Na de drone-incidenten van dinsdag kwam de Nationale Veiligheidsraad op donderdag 6 november samen, onder het voorzitterschap van de eerste minister. Sindsdien volgt het Nationaal Crisiscentrum de situatie versterkt op. In dit centrum zijn alle bevoegde overheden vertegenwoordigd, waaronder de FOD Mobiliteit, de FOD Binnenlandse Zaken en het ministerie van Defensie, via verbindingsofficieren die instaan voor de coördinatie en opvolging tussen de verschillende departementen. Daarnaast staat de Chef Defensie, generaal Vansina, in permanent contact met de commissaris-generaal van de politie, hoofdcommissaris Snoeck. Ook op politiek niveau wordt de situatie opgevolgd via verschillende werkvergaderingen tussen de betrokken kabinetten.

In de Nationale Veiligheidsraad en de ministerraad van vorige week werden bijkomende maatregelen goedgekeurd.

Ten eerste worden counterdroneteams op diverse plaatsen in het land ingezet om de infrastructuur te beveiligen. Het droneteam van de federale politie werd in deze operatie aanvankelijk niet ingeschakeld, aangezien hun capaciteit niet werd aangeboden door de federale politie.

Ten tweede moet tegen 1 januari 2026 het Nationaal Veiligheidscentrum NASC in Bevekom volledig operationeel zijn. Dat centrum, opgericht door de vorige regering, is een zeer goed initiatief, maar het is nog niet volledig operationeel. Er is immers nog wat werk aan en dat zullen we nu voltooien. Dat centrum zal instaan voor een betere bewaking en bescherming van het Belgische luchtruim en ons land voorbereiden op toekomstige uitdagingen inzake luchtveiligheid. Op korte termijn wordt ook voorzien in de aankoop en levering van bijkomende counterdronemiddelen door Defensie. Dat behoort tot het pakket van 50 miljoen euro dat uiteindelijk vrijdagavond laat werd goedgekeurd.

Daarnaast heeft Defensie de steun ingeroepen van counterdroneteams uit onze buurlanden: Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk. Ik heb de Duitse teams bezocht, gisteren de Britse en ik zal ook de Franse zo snel mogelijk bezoeken. Zij hebben positief gereageerd en zijn momenteel met specifieke middelen actief op Belgisch grondgebied. Zij helpen ons nu dus al zeer goed. Ook de Verenigde Staten hebben intussen hun hulp aangeboden. Momenteel bekijken we samen met hen hoe, waar en wanneer we deze nieuwe capaciteit het best kunnen inzetten.

Parallel hiermee heeft de ministerraad, op voorstel van de minister van Mobiliteit, bijkomende maatregelen genomen in het domein van de mobiliteit. De focus ligt daarbij op het versterken van de nationale detectiecapaciteit, de coördinatie tussen de betrokken actoren en de actualisering van de regelgeving.

Namens de regering wil ik mijn oprechte dank uitspreken aan al onze medewerkers bij skeyes, de politie, Defensie, Luchtvaart en Mobiliteit voor hun grote flexibiliteit en professionaliteit in deze moeilijke omstandigheden. Hun inzet garandeert de veiligheid van ons luchtruim. In tijden van nood leert men zijn vrienden kennen. Ook onze buurlanden – en binnenkort ook de Verenigde Staten – verdienen onze dank voor hun snelle en doeltreffende hulp.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, ik heb een sterk déjà-vugevoel. Ik heb hier uw collega Quintin al verschillende keren ondervraagd over het drugsgeweld in Brussel. We horen dan altijd heel mooie woorden over actieplannen, samenwerkingen en overleg. Op het terrein gebeurt er echter heel weinig. Het maakt heel weinig verschil. Ook vandaag zijn er opnieuw incidenten.

Ik heb het gevoel dat wij bij deze tweede grote binnenlandse veiligheidscrisis dezelfde paden bewandelen. Er wordt veel gecommuniceerd en overlegd, maar ondertussen blijven de drones gewoon over ons vliegen.

Het moet mij toch van het hart. U stelt hier opnieuw dat de federale politie, meer bepaald de speciale counterdrone-eenheid, zich niet heeft aangeboden. Het is toch een probleem dat er in onze veiligheidsarchitectuur een dienst is die precies is opgericht om dergelijk interventies uit te voeren, maar dat bij niemand blijkbaar een belletje rinkelt (…)

Jeroen Bergers:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. Het is heel belangrijk dat er maatregelen worden genomen. U hebt die maatregelen ook aangekondigd. Collega's, het verbaast me wel enigszins dat ik hier leden van Groen hoor klagen dat het te lang duurt en dat er te veel vertraging is. Het is immers door de doctrinaire houding van Groen tijdens de vorige legislatuur dat niet werd geïnvesteerd in dronetechnologie. De huidige minister heeft daarvoor toen gewaarschuwd. Het is door de doctrinaire houding van Groen dat onze drones niet bewapend zijn. Dankzij de resolutie van de heer Peter Buysrogge zetten we dat nu recht, maar er is veel tijd verloren gegaan door die groene doctrinaire houding in dat dossier, maar ook in andere dossiers. Mijn boodschap is dan ook heel duidelijk: geen avonturen, laat Bartje en Arizona verder besturen!

Sociale en fiscale fraude

Gesteld aan

Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)

op 13 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de bestrijding van sociale en fiscale fraude als voorwaarde voor een rechtvaardig sociaal systeem. Tourneur (Les Engagés) benadrukt dat fraude de kwetsbaren schaadt (bijv. eenoudergezinnen, gehandicapten) en pleit voor een gebalanceerde aanpak: harde sancties voor fraudeurs *en* bescherming van rechtmatige hulpbehoevenden, met aandacht voor fiscale fraude (30 miljard potentieel). Minister Beenders bevestigt versterkte controles (1,7 miljard doel deze legislatuur + 300 miljoen extra), hogere boetes voor zware fraude (zoals zwartwerk) en kritiseert PTB-PVDA’s blokkade van strengere maatregelen, terwijl hij benadrukt dat *iedereen*—ook "de machtigen"—verantwoordelijk is. Beide partijen hameren op snelle budgetakkoorden om actie te versnellen.

Aurore Tourneur:

Monsieur le ministre, je ne sais pas si, comme moi, vous avez vu un certain reportage diffusé sur RTL, sans grande nuance, plutôt à charge, mais qui a fait mouche puisque nous sommes nombreux à aborder le sujet aujourd’hui dans le cadre des questions d’actualité.

À côté de l’aspect un peu sensationnaliste, il y a la réalité. La fraude sociale en est une mais ce n’est pas une généralité. Face à cette réalité, le gouvernement a choisi d’engager des réformes importantes, notamment la limitation du chômage à deux ans et la mise en place d’un cadastre des aides sociales.

Monsieur le ministre, pour Les Engagés, la justice sociale est essentielle. Il faut que les personnes qui en ont réellement besoin puissent bénéficier d’aides. Je pense en particulier aux familles monoparentales, aux personnes en situation de handicap ou encore à celles atteintes de maladies graves. Chaque euro détourné, monsieur le ministre, c’est un euro en moins pour les plus vulnérables.

La fraude fiscale constitue aussi un enjeu majeur. Selon plusieurs études sérieuses, nous pourrions récupérer 30 milliards d’euros en nous y attaquant. Cela tombe bien car nous en cherchons 10.

Monsieur le ministre, le gouvernement va-t-il poursuivre cette politique de lutte équilibrée contre toutes les formes de fraudes?

Pour Les Engagés, il faut traquer fermement ceux qui trichent, mais protéger avec autant de force ceux qui ont besoin de notre aide et de notre solidarité. Pour nous, il ne peut y avoir ni complaisance ni stigmatisation mais bien une justice sociale et fiscale. En agissant de la sorte, nous aurons toute la population belge avec nous.

Rob Beenders:

Merci pour votre question, madame Tourneur.

Que les choses soient claires, la fraude sociale et le dumping social sont une catastrophe pour notre sécurité sociale. Je n'ai pas besoin d'une émission de télévision pour m'en rendre compte. Nous investissons dans des inspecteurs et des contrôles supplémentaires pour que la lutte contre la fraude sociale rapporte 1,7 milliard d'euros lors de cette législature.

Et je me suis encore engagé dernièrement à fournir un effort supplémentaire de 300 millions d'euros d'ici la fin de la législature. C'est pourquoi nous augmentons les amendes, en particulier pour les infractions les plus graves telles que l'emploi illégal, le dumping social et le travail au noir. Les personnes qui abusent du système sentiront donc la différence dans leur portefeuille.

Nous en avons encore discuté hier en commission des Affaires sociales, mais cette proposition a été freinée par le PTB-PVDA. Il est incompréhensible et inacceptable que ce parti retarde volontairement les mesures qui ciblent les plus gros fraudeurs et qui protègent celles et ceux qui ont besoin de la sécurité sociale. Le documentaire montre bien ce qu'il se passe quand il n'y a pas de suivi et quand on abandonne les gens.

Chacun a une responsabilité dans notre État-providence, et nous aussi en tant que société. D'ailleurs, ce débat ne concerne pas uniquement les plus faibles de la société. Cette lutte concerne aussi les puissants, ceux qui ont réussi et qui abusent de notre système.

Tout le monde a une responsabilité. Frauder, c'est frauder. Et je continuerai à lutter contre les abus pour protéger celles et ceux qui en ont besoin.

Aurore Tourneur:

Merci pour votre engagement, monsieur le ministre. La fraude sociale et fiscale affaiblit en effet notre société. Il faut agir avec détermination. Pour Les Engagés, il faut de la fermeté contre tous les abus, mais aussi une protection maximale pour les citoyens qui en ont vraiment besoin. Il faut – et c'est dans l'accord de gouvernement – responsabiliser notamment les médecins et les mutualités. Vivement cet accord sur le budget pour que nous puissions passer à l'action!

Het meldpunt sociale fraude

Gesteld door

lijst: N-VA Wouter Raskin

Gesteld aan

Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)

op 12 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Het Meldpunt voor Eerlijke Concurrentie wordt eind dit jaar uitgebreid (geen volledige hervorming) met twee nieuwe meldscenario’s: verdachte ziekteattesten/arbeidsongeschiktheidsgetuigschriften en verboden internationale terbeschikkingstellingen, om sociale fraude gerichter aan te pakken. De technische voorbereidingen zijn bijna afgerond, maar Raskin benadrukt dat snelle implementatie cruciaal is om aankondigingen om te zetten in daden, gezien de urgentie van fraudebestrijding. De minister bevestigt dat de focus ligt op uitbreiding, niet op een nieuw systeem, met validatie door betrokkenen al afgerond. Concrete resultaten worden verwacht voor jaaruit, met nadruk op efficiëntere fraudemeldingen.

Wouter Raskin:

Mijnheer de minister, vorig jaar kwamen iets meer dan 7.200 meldingen binnen bij het Meldpunt voor een Eerlijke Concurrentie. Dat is een centraal punt waar ondernemingen, burgers of organisaties melding kunnen doen van een vermoeden dat een andere burger of onderneming sociale fraude pleegt. U kondigde onlangs aan dat u dat meldpunt extra in de kijker wilde zetten. Nog dit jaar zou het meldpunt grondig worden vernieuwd, zodat het gemakkelijker wordt om misbruik te signaleren en sneller op te treden. Ik heb daar drie vragen over.

Ten eerste, op welke manier zal dat meldpunt vernieuwd worden?

Ten tweede, hoe zal het vernieuwde meldpunt verschillen van het huidige? Aan welke tekortkomingen zal het vernieuwde meldpunt tegemoetkomen?

Ten derde, tegen wanneer zal het vernieuwde meldpunt actief zijn?

Rob Beenders:

Dank u wel voor uw vraag, collega Raskin. Inderdaad, in het regeerakkoord is vermeld dat we het Meldpunt voor een Eerlijke Concurrentie zouden uitbreiden met een scenario rond verdachte ziekteattesten en getuigschriften van arbeidsongeschiktheid, evenals met een meldingsmogelijkheid voor verboden internationale terbeschikkingstellingen. Die twee elementen maakten deel uit van de aanpassing. Hervorming is misschien een te zwaar woord, het gaat eerder om een uitbreiding van het meldpunt.

Op dit moment is de vraagstelling voor de verschillende scenario’s in overleg met alle betrokkenen opgemaakt en al door hen gevalideerd. Het traject bevindt zich nu in de eindfase en de lancering van de nieuwe scenario’s wordt verwacht tegen het einde van dit jaar.

De aanpassing van het meldpunt betreft dus die uitbreiding van de aangeboden scenario’s, en niet zozeer de oprichting van een volledig nieuw meldpunt. Mocht ik dat eerder anders hebben gezegd, dan corrigeer ik dat hierbij.

De focus ligt vooral op het uitbreiden van de scenario’s waarvoor melding kan worden gemaakt, met prioriteit voor verdachte ziekteattesten, getuigschriften van arbeidsongeschiktheid en verboden internationale terbeschikkingstellingen. Door die uitbreiding eind dit jaar te lanceren, zetten we een belangrijke stap vooruit in de strijd tegen sociale fraude.

Wouter Raskin:

Dank u wel voor uw antwoord, mijnheer de minister. Ik wil in het midden laten of ik uw antwoord verkeerd begrepen heb of dat ik mijn vraag onduidelijk gesteld heb. In ieder geval, ik begrijp dat u zegt dat het meldpunt uitgebreid wordt in lijn met de ambities die we samen afgesproken hebben in het regeerakkoord, onder andere alignerend met een aantal fenomenen zoals verdachte ziekteattesten, verboden internationale terbeschikkingstelling en dergelijke.

Ik meen dat dit heel belangrijk is. We hebben niet zo lang geleden enkele filmpjes zien passeren over het oneigenlijk gebruik van uitkeringen en van sociale steun.

Ik steun uw ambitie. Ik hoor van u dat het traject in de eindfase zit. De realisatie zou voor eind dit jaar zijn. Het is natuurlijk al eind dit jaar, dus ik verwacht hier heel snel een compleet zicht op te krijgen, want we moeten voorkomen dat het enkel bij aankondigen blijft, zonder realisatie. De uitdagingen inzake de strijd tegen sociale fraude zijn groot. Ik kijk uit naar wat we in de komende weken te zien zullen krijgen, we zullen het er ongetwijfeld nog over hebben. Dank u wel.

Voorzitter:

Les questions n os 56007325C et 56007326C de M. Gatelier (Les Engagés) et n o 56007985C de M. Dufrane sont sans objet.

De versterking van de sociale inspectiediensten
De aanwerving tegen 2029 van 300 inspecteurs om sociale fraude aan te pakken
Versterking sociale inspectie en aanpak fraude met 300 extra inspecteurs tegen 2029

Gesteld aan

Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)

op 12 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De versterking van sociale inspectiediensten met 300 extra vte’s (focus op fraude, mensenhandel, dumping en zwartwerk) staat centraal, maar concrete budgetten en verdeling over diensten (RSZ, RIZIV, ONSS, etc.) zijn nog onduidelijk door lopende onderhandelingen. Uitdagingen zijn de hoge uitstroom (90 pensioenen deze legislatuur) en trage invulling van vacatures, ondanks dat inspecteurs driemaal hun kostprijs opbrengen via fraudeopsporing en maatschappelijk rendement (eerlijke arbeidsomstandigheden, preventie). Kritiekpunten: gebrek aan concrete oplossingen voor behoud van personeel (bv. stage-uitval) en prioritering (preventie van psychosociale risico’s vs. repressieve fraudeaanpak), terwijl vorige doelstellingen (248 vte’s) door netto-uitstroom niet gehaald werden. Timing en effectiviteit blijven onzeker, ondanks ambitie om slagkracht te vergroten.

Wouter Raskin:

Mijnheer de minister, ik verwijs naar het recente rapport van het Rekenhof over het HR-beleid van de federale sociale-inspectiediensten. Daaruit blijkt dat het personeelsbestand de voorbije jaren licht is gestegen. Dat is volgens het Rekenhof te danken aan een toename van het aantal inspecteurs, die vooral gebeurde in 2024. Daardoor werd de doelstelling van de vorige regering, namelijk de slagkracht van de inspectiediensten versterken, pas tegen het einde van de legislatuur bereikt.

De vorige regering had bovendien een substantiële groei van het personeelsbestand vooropgesteld. In de beleidsnota’s van de minister van Sociale Zaken was sprake van concrete cijfers: 248 voltijdsequivalenten extra sociale inspecteurs. In werkelijkheid werden echter kredieten vrijgemaakt voor de aanwerving van 270 voltijdsequivalenten, wat dus meer is dan het beloofde aantal. Helaas moeten we vaststellen, na het lezen van het rapport van het Rekenhof, dat de nettoaangroei van het inspectiepersoneel veel lager lag als gevolg van vrijwillig vertrek, pensioneringen en andere factoren. De vooropgestelde substantiële groei werd dus niet gerealiseerd.

Deze regering, met u als boegbeeld van de strijd tegen sociale fraude, heeft de ambitie geuit om 300 bijkomende sociale en fiscale inspecteurs aan te werven. Dat leidt tot een aantal vragen.

Wat is de stand van zaken met betrekking tot de versterking van de sociale-inspectiediensten? Hoeveel extra vte’s zullen worden aangeworven en hoe zullen die worden verdeeld over de verschillende diensten? Wat is de timing? U hebt daarop zojuist al kort geantwoord.

Welk bedrag aan extra personeelskredieten zal worden toegekend aan de inspectiediensten voor die bijkomende aanwervingen?

Tussen 2021 en 2024 steeg de personeelskost van de sociale-inspectiediensten met ruim 16 %. Is die budgettaire verhoging het gevolg van indexaanpassingen of omvat dat bedrag ook een extra enveloppe die de regering vrijmaakte voor de aanwerving van de 270 vte’s?

De substantiële versterking van de slagkracht werd in de vorige legislatuur dus niet bereikt, ondanks de vele aanwervingen. Hoe zult u ervoor zorgen dat tijdens deze legislatuur wél een duidelijke nettoaangroei kan worden gerealiseerd? Hoe zult u vermijden dat de doelstelling om de strijd tegen sociale fraude te intensiveren tenietgedaan wordt door de sterke uitstroom? Hebt u een idee hoeveel inspecteurs er tegen 2029 zullen vertrekken en hoeveel extra aanwervingen dus nodig zijn om het aantal inspecteurs op peil te houden?

Ten slotte, de invulling van de extra gecreëerde plaatsen verliep niet overal even vlot. In mei 2025 hadden de RSZ en het RIZIV nog vacatures die niet waren ingevuld. Welke stappen plant u om sneller invulling te geven aan de toegekende plaatsen?

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, j'ai appris dans la presse que vous souhaitiez recruter 300 inspecteurs afin de combattre la fraude sociale.

Dans quels domaines et quelles institutions ces inspecteurs seront-ils recrutés: droit du travail, sécurité sociale, chômage, indépendants, soins de santé, bien-être au travail? Le SPF Emploi, l'ONSS, l'ONEM, l'INASTI, l'INAMI et le SPF Sécurité sociale seront-ils renforcés? Allez-vous vous concentrer sur la fraude sociale commise par des employeurs qui ne paient pas les cotisations de leurs employés? Dans quelle temporalité pensez-vous recruter ces personnes? Nous savons que chaque inspecteur de la fraude fiscale rapporte en moyenne vingt fois plus qu'il ne coûte. Dès lors, combien chaque nouvel inspecteur de fraude sociale rapportera-t-il?​ Quels montants espérez-vous récupérer grâce à ces engagements? Plus généralement, quand pourriez-vous venir nous présenter votre plan de lutte contre la fraude sociale?

Rob Beenders:

Merci beaucoup pour ces deux questions, auxquelles je propose de répondre simultanément, en néerlandais et en français.

Ik kom tot de verdeling van de 300 vte’s. De sociale-inspectiediensten zijn de ruggengraat van onze handhaving, zeker die van het sociaal beleid. Ze zijn op het terrein zichtbaar aanspreekbaar. Ze spelen een cruciale rol in het waarborgen van eerlijke arbeidsomstandigheden en sociale bescherming en in de strijd tegen sociale fraude. Hun werk gaat verder dan controle, want zij vertalen ook complexe regelgeving naar concrete rechtvaardigheid voor werkgevers en werknemers. In een tijd van toenemende maatschappelijke uitdagingen en de flexibilisering van de arbeidsmarkt is het versterken van deze diensten geen luxe, maar wel een absolute noodzaak. Investeren in de sociale inspectie is investeren in vertrouwen en rechtszekerheid en in een functionerend sociaal model voor iedereen die dat nodig heeft, waarin geen plaats is voor cowboys en fraudeurs.

Le gouvernement a donc décidé d’engager 300 équivalents temps plein (ETP) pour la lutte contre la fraude, notamment au sein de l’Inspection spéciale des impôts (ISI), de la lutte contre la fraude sociale, de la police judiciaire et de la Justice.

Comme je l’ai indiqué dans ma note de politique générale, je souhaite avant tout renforcer les services d’inspection sociale ciblant les formes de fraude qui perturbent gravement la société, telles que la traite des êtres humains, la fraude sociale organisée, le dumping social, le travail au noir, les pratiques liées aux drogues, etc.

Je suis convaincu que les négociations budgétaires en cours permettront de dégager les moyens nécessaires pour renforcer les services d’inspection. Étant donné que le processus est toujours en cours, il est prématuré de se prononcer sur les budgets alloués ainsi que sur leur répartition entre les différents services d'inspection concernés.

Uit de HR-audit van het Rekenhof over de sociale-inspectiediensten blijkt dat de personeelskosten van die diensten ten opzichte van 2021 zijn gestegen met 16,4 %. Die stijging heeft meerdere oorzaken. In de eerste plaats valt ze te verklaren door een lichte toename van het aantal sociaal inspecteurs in dezelfde periode. Een tweede oorzaak is de natuurlijke groei van de loonmassa van de inspecteurs die reeds in dienst waren, als gevolg van de evolutie van hun loopbaan, bijvoorbeeld door promoties of baremieke verhogingen. Daarnaast kenden we in de periode 2021-2024 een sterke inflatie ten gevolge van de energiecrisis, waardoor de lonen meerdere keren zijn geïndexeerd om de stijgende levensduurte te compenseren en vooral om de koopkracht van die personeelsleden te beschermen.

Een sociaal inspecteur brengt bovendien driemaal zijn kostprijs op aan directe inkomsten, die rechtstreeks naar de schatkist vloeien. Het is heel belangrijk aan te stippen dat het werk van de sociale-inspectiediensten veel breder gaat dan louter de financiële opbrengsten. Naast hun preventieve en begeleidende rol behelst hun werk ook de aanpak van specifieke fenomenen zoals mensenhandel en het waarborgen van de loon- en arbeidsvoorwaarden waarop werknemers recht hebben. Die maken geen deel uit van die opbrengsten, maar de resultaten van deze controles komen rechtstreeks ten goede aan de maatschappij en aan de individuele werknemer.

Dans le cadre d'une politique performante de lutte contre la fraude sociale, je souhaite renforcer l'efficacité des services d'inspection sociale. Une capacité suffisante de contrôle et d'enquête constitue un élément essentiel à cet effet. Je plaide pour une coopération renforcée entre tous les services d'inspection sociale afin que l'intégration et la formation se déroulent en totale synergie. J'ai inscrit cette ambition dans le projet de plan d'action de lutte contre la fraude sociale 2026-2027. Il est essentiel que les inspecteurs sociaux soient rapidement déployés sur le terrain, d'une part, pour obtenir des résultats concrets dès le départ et, d'autre part, pour se familiariser pleinement avec leurs missions propres et le rôle d'un inspecteur social.

Zonder afbreuk te doen aan hun collega's van de binnendiensten, een sociaal inspecteur betreedt dag en nacht arbeidsplaatsen, stelt de meest schrijnende omstandigheden vast en is vaak alleen op pad. Hij belt bijvoorbeeld alleen aan bij een bedrijf om een klacht te onderzoeken. Ik hoef dus niet te benadrukken dat dit een afwisselende, maar vooral een uitdagende job is waarvoor men stevig in zijn schoenen moet staan. Die stage is een essentiële periode om na te gaan of deze functie een goede match is. De uitval of het verloop vindt dan ook hoofdzakelijk plaats tijdens de stageperiode. De HR-diensten en de sociale-inspectiediensten voegen bij de publicatie van de vacature getuigenissen van sociaal inspecteurs toe, zodat de mensen meteen weten wat de job allemaal inhoudt en wat zij kunnen verwachten.

De behoefteanalyse die ik dit jaar heb laten opstellen door de SIOD toont aan dat er deze legislatuur 90 vte’s binnen de verschillende sociale-inspectiediensten de pensioengerechtigde leeftijd zullen bereiken. Deze natuurlijke uitstroom bevestigt nog meer de urgentie om gericht te investeren in de sociale-inspectiediensten, zodat we deze kunnen versterken om de slagkracht op het terrein te verhogen.

Wouter Raskin:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

Ik bevestig het belang van de 300 bijkomende vte’s waarvan sprake in het regeerakkoord en deel de analyse die u daarover maakt volledig. Het is van het grootste belang dat we daar belangrijke stappen in zetten. Ik hoop samen met u dat we snel duidelijkheid krijgen over de budgetbesprekingen en de begroting om meer detailantwoorden van u te kunnen krijgen wat dat betreft.

Wat betreft de audit, u verwijst naar de toegenomen personeelskosten. Die zijn vooral het gevolg van een aantal elementen die weliswaar logisch te verklaren zijn, maar toch amper invloed hebben gezien de stijging van het aantal bijkomende inspecteurs. U zegt zelf ook dat het om een heel lichte stijging gaat. Dat is een belangrijke werf voor u deze legislatuur. U verwijst naar de kosten, die absoluut te verantwoorden zijn. Het brengt drie keer meer op dan het kost en dat brengt vooral op voor de maatschappij en dient dus het algemeen belang. Het draagvlak vergroten voor het afdragen van sociale lasten door de mensen die de sociale zekerheid ondersteunen is een goede zaak.

Ik hoor te weinig concrete oplossingen die tegemoet moeten komen aan de uitdaging van de uitstroom. Dat is een belangrijke werf. U geeft aan dat de komende jaren 90 voltijdsequivalenten uitstromen; het gaat om mensen die met pensioen gaan. U verwijst naar de stage, die van groot belang is om dat te voorkomen. U zou daarover aan tafel moeten zitten, want het is een uitdaging die u niet uit het oog mag verliezen als u de grote ambitie die we samen hebben neergeschreven wilt waarmaken.

Sarah Schlitz:

Merci pour vos réponses, monsieur le ministre.

Renforcer ces différents services est évidemment utile, mais j'entends aussi que vous parlez de renforcer l'ISI. Je ne m'attendais pas à cette réponse, car pour moi ce sont des volets différents. Je serais vraiment intéressée de pouvoir rapidement avoir une ventilation précise des services qui seront renforcés.

Pour moi, décider de renforcer la lutte contre la fraude fiscale et les contrôles en matière de bien-être au travail, notamment en lien avec vos grands objectifs de remise au travail des malades de longue durée, sont des décisions politiques. Agir préventivement pour que les personnes ne tombent pas malades devrait constituer la priorité absolue de ce gouvernement. Il est essentiel de faire en sorte que les employeurs soient davantage vertueux en matière de prévention des risques psychosociaux au travail et cela devrait être la toute grande priorité de cette réforme. Je peux introduire une question écrite sur ce sujet, afin de pouvoir disposer de ces informations.

Plus globalement, ce renforcement est une bonne nouvelle. Cependant, ne soyons pas naïfs. Nous avons constaté en d'autres endroits qu'en rétrécissant les délais pour pouvoir mener des inspections au niveau de la fraude fiscale, votre gouvernement avait plutôt facilité la vie des fraudeurs que l'inverse. Les régularisations régulières en matière de fraude fiscale sont également des cadeaux faits aux fraudeurs. Aujourd'hui, nous sommes heureux de voir ce petit pas en avant, mais nous n'oublions pas les pas en arrière du passé, qui ont facilité la vie des fraudeurs.

Nous continuerons à suivre ce dossier avec attention.

Voorzitter:

Mme Ramlot n'étant pas là, sa question n° 56008450C tombe.

De controle op IVT- en IT-fraude

Gesteld door

lijst: N-VA Wouter Raskin

Gesteld aan

Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)

op 12 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De controle op verblijfsvoorwaarden voor IVT/IT (inkomensvervangende tegemoetkoming) verschilt van het Vlaamse systeem met aangetekende zendingen: de federale overheid gebruikt dossieronderzoek (rijksregister, administratieve checks) en schakelt pas inspectiediensten in bij vermoedens van fraude, terwijl Vlaanderen huisbezoeken triggert via niet-afgehaalde brieven. Kostenefficiëntie weerhield de DG Personen met een Handicap ervan aangetekende zendingen te herintroduceren, al belooft minister Beenders fraudebestrijding te herzien in de lopende hervorming van de wet-1987, zonder de perceptie van wijdverspreid misbruik te onderschrijven. Raskin aanvaardt de huidige aanpak onder voorbehoud, benadrukkend dat gerichte fraudecontroles essentieel zijn om solidariteit met rechtmatige ontvangers te vrijwaren. E-box wordt niet actief gebruikt voor deze communicatie.

Wouter Raskin:

Nog een laatste vraag voor u, mijnheer de minister. Ik verwijs naar een aantal Vlaamse tegemoetkomingen en toelagen, zoals het persoonsvolgende budget voor personen met een handicap en het groeipakket. Daar geldt de belangrijke voorwaarde van effectief en werkelijk verblijf in België. Om die verblijfsvoorwaarde te controleren, wordt in Vlaanderen gebruikgemaakt van een systeem van aangetekende zendingen. Niet-afgehaalde aangetekende zendingen kunnen, al dan niet in combinatie met andere elementen in het dossier, aanleiding geven tot huisbezoeken of woningcontroles.

Past u eenzelfde werkwijze toe voor de controle op de verblijfsvoorwaarden die gelden voor de inkomensvervangende tegemoetkoming (IVT) en integratietegemoetkoming (IT) voor personen met een handicap? Zo niet, hoe staat u tegenover het systeem dat ik net schetste? Overweegt u zo’n systeem toe te passen? Hoeveel procent van de personen die vandaag een IVT ontvangen, laat nog een aangetekende zending per post bezorgen en dus niet elektronisch via de e-box?

Rob Beenders:

Dank u wel, collega Raskin. De beslissingen van de Directie-generaal Personen met een Handicap worden sinds juni 2003 per gewone post gecommuniceerd. Destijds is afgestapt van de aangetekende zendingen omdat de kostprijs niet in verhouding stond tot de efficiëntie. De controle op de IVT en de IT die moet gebeuren – en die ook echt gebeurt – wordt uitgevoerd door de dossierbeheerder. Die beschikt over verschillende instrumenten, waaronder het rijksregisternummer.

Het betreft een administratief onderzoek. De dossierbeheerder volgt de juiste stappen om er zeker van te zijn dat de persoon die recht heeft op een IVT of een IT, die tegemoetkoming ook echt mag ontvangen. Als na toekenning en controle vermoedens van fraude ontstaan, wordt het arbeidsauditoraat en de sociale inspectiediensten ingeschakeld, zodat die een onderzoek kunnen starten. Ze kunnen zich daarbij beroepen op de artikelen 232, 233 en 235 van het Sociaal Strafwetboek.

Zij kunnen optreden bij het gebruik van valse stukken. Daarnaast kunnen zij optreden wanneer een onjuiste of onvolledige verklaring wordt afgelegd, of bij oplichting volgens het Sociaal Strafrecht met het oog op het verkrijgen of behouden van sociale voordelen. Meldingen die dus nu bij het meldpunt sociale fraude binnenkomen, een kanaal om dergelijke meldingen te doen, worden door de SIOD toegewezen aan de meest aangewezen inspectiedienst.

In het kader van de hervorming van de wet van 1987, die momenteel loopt, zal ik samen met de DG Personen met een Handicap bekijken hoe we fraude nog beter kunnen voorkomen en aanpakken. We moeten permanent alert zijn, vanuit het principe dat ook bij het wetsvoorstel van vanmorgen werd besproken. We gaan er absoluut niet van uit dat iedereen die een tegemoetkoming ontvangt, fraudeert. Ik wil nadrukkelijk de perceptie weerleggen dat misbruik wijdverbreid zou zijn. Er zijn mensen die echt ondersteuning en solidariteit nodig hebben, maar er zijn ook mensen die misbruik maken. Zodra overheidsgeld beschikbaar wordt gesteld om solidariteit te waarborgen, moet er een instrument bestaan om fraude aan te pakken. Momenteel is dat vrij goed onder controle. Toch vind ik, nu we bezig zijn met de hervorming van de wet van 1987, dat het onze plicht is die instrumenten opnieuw te evalueren.

Met betrekking tot de tweede vraag, over het systeem van aangetekende zendingen. Puur omwille van de kostprijs is het voor de Directie-Generaal Personen met een Handicap geen optie om alle beslissingen aangetekend te versturen. Dat zou een enorme impact op de begroting hebben en is momenteel niet nodig, omdat de andere instrumenten effectief functioneren.

Wat de derde vraag betreft, over verzendingen per post en niet elektronisch via e-box. De DG Personen met een Handicap maakt geen gebruik van aangetekende zendingen per post. Hierop kan ik derhalve alleen maar negatief antwoorden.

Tot zover heb ik alle vragen beantwoord, meneer de voorzitter.

Wouter Raskin:

Mijnheer de minister, u hebt inderdaad alle vragen beantwoord, waarvoor ik u dank. Ik wil, ten eerste, met u bevestigen dat niet iedereen die een uitkering ontvangt, fraudeert. Dat is uiteraard niet het geval. De reden waarom daarover zoveel vragen worden gesteld, is omdat het van het allergrootste belang is om de relatief kleine groep aan te pakken die oneigenlijk gebruik maakt van een uitkering in verhouding tot iedereen die een uitkering krijgt. Dat is noodzakelijk om de bestaande solidariteit te stutten en te bestendigen. Op dat vlak ben ik het met u eens. Ik neem akte van de reden waarom de aangetekende brieven zijn afgeschaft. De controle gebeurt dus door de dossierbeheerder en op basis van meldingen. Op basis van eerdere antwoorden van u op schriftelijke vragen gaat het volgens mij inderdaad veeleer om situaties waarin een derde partij een melding doet. Ik vraag mij af of op die manier niet veel zaken onopgemerkt blijven, maar u bent ervan overtuigd dat vandaag de juiste aanpak wordt gehanteerd. Ik geef u het voordeel van de twijfel, maar ik zal de materie uiteraard blijven opvolgen in de toekomst.

Het richten van de strijd tegen sociale fraude op de misbruiken en niet op de ondernemers

Gesteld aan

Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)

op 12 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De geplande hervorming van managementvennootschappen moet fraude en misbruik (fiscale/sociale ontwijking) bestrijden via een minimumloon voor zaakvoerders, uniformere fiscaliteit en strengere controles, maar Isabelle Hansez (oppositie) waarschuwt voor overdreven lasten voor eerlijke ondernemers die deze structuren legitiem gebruiken voor risicospreiding en jobcreatie. Minister Beenders benadrukt dat de focus ligt op fraudeurs, niet op bonafide ondernemers, maar kan nog geen concrete maatregelen of objectieve criteria geven omdat het dossier nog in beraad is. Hansez dringt aan op overleg met sectorfederaties en PME-vertegenwoordigers om een evenwichtige, praktijkgerichte hervorming te garanderen, terwijl een procedurele fout de bespreking van een ongerelateerde vraag van Caroline Désir (gezondheidsthema) blokkeert – die alsnog schriftelijk beantwoord zal worden.

Isabelle Hansez:

Monsieur le ministre, le gouvernement prépare une réforme du cadre applicable aux sociétés de management, avec l’objectif affiché de renforcer la transparence et de lutter plus efficacement contre certains montages abusifs pouvant relever de la fraude sociale ou fiscale. Cette réforme prévoit notamment l’introduction d’un salaire minimum obligatoire pour les gérants, une fiscalité plus uniforme entre indépendants en société et en nom propre, ainsi qu’un renforcement des contrôles.

Si la volonté de mettre fin aux abus est évidemment légitime, il est essentiel de veiller à ne pas pénaliser les indépendants de bonne foi, qui utilisent ces structures pour gérer leur activité de manière saine et responsable. Beaucoup de petites sociétés, de consultants ou de dirigeants de PME y recourent non pour échapper à l’impôt, mais pour structurer leur travail, mutualiser leurs risques et créer de l’emploi local.

Monsieur le ministre, comment comptez-vous assurer un équilibre clair entre la nécessaire lutte contre la fraude sociale et la préservation d’un climat de confiance envers les entrepreneurs honnêtes? Des critères objectifs sont-ils prévus pour distinguer les sociétés de management abusives des structures légitimes?

Enfin, assurez-vous une coordination avec votre homologue la ministre Simonet et les fédérations d’indépendants et les représentants des PME afin de garantir que la réforme protège l’équité sans freiner la liberté d’entreprendre?

Rob Beenders:

Madame Hansez, dans le cadre des discussions sur le budget pluriannuel, nous examinons effectivement comment lutter contre l'abus des sociétés dites de management afin de garantir une fiscalité équitable. Étant donné que cette question est encore en cours de discussion au sein du gouvernement, je ne peux malheureusement pas m'étendre davantage sur ce sujet au sein de cette commission.

D'une manière générale, l'objectif de la politique du gouvernement n'est effectivement pas de pénaliser les entreprises ou les personnes de bonne foi, mais plutôt de concentrer la politique et les contrôles sur la fraude et les abus.

Isabelle Hansez:

Je vous remercie pour votre réponse, monsieur le ministre.

Je salue la volonté du gouvernement de mener une réflexion, de renforcer la transparence et de lutter contre les abus. Il s’agit d’une question d’équité entre tous les indépendants. Cependant, il est tout aussi important de préserver un climat de confiance à l'égard de celles et ceux qui travaillent de manière responsable. Vous avez souligné qu'il n'était pas question de pénaliser les entrepreneurs ou les indépendants de bonne foi.

Beaucoup ont recours à ces sociétés de management, non pas pour contourner les règles – je le répète –, mais afin de structurer leur activité, d’innover et de créer de l’emploi local. L’enjeu consiste véritablement à trouver un juste équilibre: cibler les montages abusifs sans alourdir les démarches des entrepreneurs de bonne foi.

Je vous remercie de votre ouverture au dialogue au sein du gouvernement. J’aimerais toutefois vous inviter à engager également un dialogue avec les fédérations d’indépendants et les PME, même si vous ne l’avez pas souligné. Je pense que c’est la meilleure garantie d’une réforme juste, claire et constructive, évidemment en concertation avec les acteurs concernés.

Je vous remercie.

Voorzitter:

Madame Désir, s'agissant de votre question, il ressort des vérifications qui viennent d'être faites que nous sommes face à une erreur humaine. C'est ce que le secrétaire de commission vient de m'indiquer. C'est vers la commission de la Santé et de l'Égalité des chances qu'il aurait fallu que votre question soit dirigée. Nous ne pouvons pas la traiter ici et maintenant. Le ministre n'a pas la réponse.

Caroline Désir:

Monsieur le président, pour être pragmatique, les erreurs arrivent, mais à partir du moment où je l'ai déjà posée, ne peut-on pas convenir que le ministre m'envoie sa réponse par écrit?

Voorzitter:

Convenez de cela avec lui par la bande. Je ne veux rien savoir. Normalement, je ne peux pas la traiter ici.

Caroline Désir:

Elle était quand même à l'ordre du jour.

Voorzitter:

Oui, mais elle n'aurait pas dû y être. C'est ce que l'on me dit. Ce n'est pas la bonne commission. On a affecté votre question par erreur à la mauvaise commission.

Caroline Désir:

Je comprends. Mais à partir du moment où je l'ai quand même déjà posée, je me disais qu'il était absurde de la replacer à l'agenda et d'attendre une autre commission.

Voorzitter:

Voyez avec le ministre, madame.

Caroline Désir:

D'accord. Merci.

De jacht op sociale fraudeurs in luchthavens door het RIZIV, de SIOD en de RVA

Gesteld aan

Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)

op 12 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België voerde nachtelijke controles uit op luchthaven Oostende (okt 2025) in het kader van fraudebestrijding (uitkeringsfraude, arbeidsvoorwaarden luchtvaartpersoneel) via het Plan Fraude Sociale 2025-2026, met preventieve informatieverspreiding maar nog geen concrete resultaten. Minister Beenders kondigt verstrengde controles (20 per 5 luchthavens over 2026-2027) en extra inkomsten van 3 miljoen euro aan via betere datadeling en veldcontroles, maar kritiek richt zich op de stigmatiserende communicatie die werklozen en zieke werknemers als "vakantiegangers" framet. Sarah Schlitz benadrukt dat rechten op vakantie (ook voor werklozen/zieken) en welzijn op het werk ontbreken in het beleid, terwijl de focus ligt op repressie in plaats van digniteit en herintegratie.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, au milieu de la nuit du 18 au 19 octobre dernier, des inspecteurs sociaux de l'ONEM, du Service d'information et de recherche sociale (SIRS) et de l'INAMI ont été mandatés pour traquer et contrôler les passagers arrivant à l'aéroport d'Ostende. L'INAMI a déclaré que cette action a été menée dans le cadre du plan d'action fraude sociale 2025-2026. Il a été remis à chaque personne contrôlée un document expliquant la procédure à suivre si on quitte le territoire quand on est demandeur d'emploi ou travailleur en incapacité de travail.

Cette méthode a surpris. Pourriez-vous dès lors, monsieur le ministre, nous expliquer quels étaient les objectifs de cette action? Quels résultats et enseignements en tirez-vous? Combien de personnes ont-elles été contrôlées? Qu'espériez-vous apprendre? Quelles mesures préventives prenez-vous pour assurer que la démarche nécessaire soit effectuée par chaque personne qui est concernée par certaines réglementations et qui part en voyage, notamment les demandeurs d'emploi ou les travailleurs en incapacité? Par ailleurs, vous dites vouloir renforcer les sanctions pour aller au-delà de la cible de l'Arizona et récupérer 300 millions d'euros de plus qu'escompté. Ce chiffre comprend-il ce genre d'action?

Rob Beenders:

Madame Schlitz, le contrôle effectué à l'aéroport d'Ostende dans la nuit du 18 au 19 octobre 2025 s'inscrivait dans le cadre du plan d'action de lutte contre la fraude sociale 2025-2026 et de l'action 62 qui prévoit que des contrôles de ce type doivent être effectués chaque année dans chaque aéroport. Un contrôle avait déjà eu lieu cette année à l'aéroport d'Ostende au mois de mai.

En application de ce plan d'action, des contrôles aux frontières sont prévus dans les aéroports afin de lutter contre la fraude aux allocations, mais aussi des contrôles dans le but de vérifier le respect des conditions de travail du personnel des compagnies aériennes. Le plan d'action 2026-2027, actuellement en préparation, comprend déjà une proposition visant à effectuer vingt contrôles répartis sur ces deux années dans cinq aéroports, soit quatre par aéroport. Ces contrôles s'inscrivent dans le cadre du fonctionnement des cellules d'arrondissement.

Pour effectuer les contrôles dans le secteur aérien – et je peux vous assurer que tous les aéroports belges peuvent faire l'objet de contrôles par les inspecteurs sociaux des différents services d'inspection sociale –, les services d'inspection peuvent s'inspirer de la méthodologie de contrôle développée dans le cadre de la chaire académique du SIRS sur la réduction de la fraude sociale et du dumping social en 2024.

Ces contrôles ont aussi un caractère préventif: ils donnent l'occasion de communiquer la réglementation aux passagers, notamment par la distribution de dépliants contenant des informations générales. La prévention est un élément essentiel de la chaîne d'exécution.

En ce qui concerne votre demande sur les résultats, ils ne sont pas encore disponibles auprès du SIRS.

En plus du parcours budgétaire de lutte contre la fraude sociale tracé par l'accord de gouvernement, je prévois de générer 3 millions d'euros de recettes supplémentaires. Je prévois une augmentation du nombre de contrôles sur le terrain, un ensemble de mesures permettant un contrôle plus efficace et plus strict du transport international, ainsi qu'un échange de données avec le SPF Finances afin que le fisc puisse vérifier si les travailleurs transfrontaliers de longue durée ne doivent pas payer d'impôts ici. Ces travaux ont été entamés et j'espère pouvoir les achever en 2026.

Sarah Schlitz:

Je vous remercie pour cette réponse, monsieur le ministre. J'ai été quelque peu interpellée par la campagne de communication autour de cette action. J'ai le sentiment que cela s'inscrit dans une stratégie de stigmatisation des demandeurs d'emploi et des travailleurs malades. La petite histoire que ce chapitre raconte, c'est que les demandeurs d'emploi ne cherchent pas vraiment du travail; ils partent en vacances. Les travailleurs malades ne sont pas vraiment malades; ils partent en vacances. C'est le sentiment que j'ai eu en découvrant les différents articles dans la presse, les partages et les commentaires qui s'en sont suivis sur les réseaux sociaux, qui étaient évidemment de ce tonneau, avec des commentaires très négatifs et très durs vis-à-vis de ces personnes. J'aimerais quand même rappeler que ces deux publics ont le droit de partir en vacances avec leur famille. Souhaitons-nous qu'une maman, qui est au chômage ou qui est malade, en burn-out, doive rester à la maison pendant que son mari et ses enfants partent en vacances? Je ne pense pas que c'est de cela dont la société a aujourd'hui besoin. Par ailleurs, quand on est malade, on n'est pas forcément en incapacité de partir en vacances; on a même parfois besoin mentalement de se ressourcer. Pour moi, l'objectif que nous devons poursuivre collectivement, c'est que chaque personne se sente bien au travail et se réjouisse de retrouver ses collègues et son activité épanouissante. En l'occurrence, je n'ai pas le sentiment que cela va dans ce sens-là, et je ne vois aucune mesure depuis le début de ce gouvernement qui vise à agir pour le bien-être au travail et pour que chacun se sente respecté dans sa dignité.

De gecoördineerde acties van de politie en de DVZ bij protesten aan de Beurs

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 12 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) grijpt in bij Palestijnse betogingen in Brussel door asielzoekers (ook met een lopende eerste aanvraag) op te sluiten in gesloten centra, vaak op basis van vermeende verstoring van de openbare orde, maar met twijfelachtige bewijslast (zoals louter deelname of luide leuzen). Politie en DVZ schuiven verantwoordelijkheid af: de politie stelt de ordeverstoring vast via een PV, terwijl de DVZ daarop baseert of ze al dan niet ingrijpt—wie het initiatief neemt blijft onduidelijk. Juridische kritiek wijst op gebrek aan concrete feiten in dossiers, terwijl de minister benadrukt dat individuele beoordeling en nationale veiligheid de opsluiting rechtvaardigen volgens artikel 74/6 van de Vreemdelingenwet. De systematische aanwezigheid van de DVZ bij Palestina-protesten roept vragen op over selectieve handhaving.

Matti Vandemaele:

Mevrouw de minister, de voorbije weken waren er bijna elke avond betogingen of demonstraties aan de Beurs in Brussel naar aanleiding van het onrecht in Gaza. Daarbij zijn verschillende Palestijnse actievoerders opgepakt en opgesloten in een gesloten centrum.

Dat roept bij mij een aantal vragen op. Die opsluitingen gebeuren omdat men stelt dat de openbare orde werd verstoord. Toch bevinden zich onder die personen mensen met een eerste asielaanvraag en een oranje kaart. Dat zijn dus geen Palestijnen die een bevel hebben gekregen om het grondgebied te verlaten.

Er circuleren intussen ook heel wat filmpjes van die arrestaties. Dat zijn natuurlijk partiële opnames van wat er is gebeurd, zonder het hele verhaal te vertellen. Er zijn echter aanwijzingen dat het moeilijk hard te maken valt dat die mensen effectief de openbare orde hebben verstoord, behalve dan door hun deelname aan een betoging of actie waarbij zij misschien wat geroepen hebben en meer decibels geproduceerd dan gemiddeld.

Is het standaard dat de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) deelneemt aan dergelijke protestmanifestaties? Gebeurt dat bij elke betoging of enkel bij ‘Gazabetogingen’? Wie maakt de inschatting dat er sprake is van een verstoring van de openbare orde? Is dat de DVZ of de politie? Welke graad van verstoring van de openbare orde rechtvaardigt dat mensen in een gesloten centrum worden opgesloten?

Is het bovendien de bedoeling dat de DVZ voortaan systematisch deelneemt aan gecoördineerde acties bij betogingen die te maken hebben met Palestina?

Anneleen Van Bossuyt:

Mijnheer Vandemaele, het antwoord op uw eerste en vierde vraag – waarom de DVZ deelneemt aan die acties met de politie en of de DVZ van plan is om ook in de toekomst aan gecoördineerde acties deel te nemen – kunt u lezen in het activiteitenrapport van de DVZ. Dat gebeurt onder meer op vraag van de politie en de sociale inspectiediensten of op eigen initiatief. De DVZ neemt op het terrein deel aan acties wanneer verwacht wordt dat een groot aantal personen in onwettig verblijf geïntercepteerd zal worden.

Ten tweede, wie bepaalt, en op basis van welke criteria, dat er sprake is van een verstoring van de openbare orde? Het is de politie die op basis van de regelgeving vaststellingen doet van een verstoring van de openbare orde en daarvan een proces-verbaal opmaakt. In het administratieve verslag dat aan de Dienst Vreemdelingenzaken wordt gestuurd, wordt naar dat proces-verbaal verwezen.

Ten derde, in welke gevallen rechtvaardigt een verstoring van de openbare orde een opsluiting in een gesloten centrum bij iemand met een lopende eerste asielaanvraag? De wet voorziet in die mogelijkheid, meer bepaald in artikel 74/6, § 1, ten vierde van de vreemdelingenwet. Wanneer het op basis van een individuele beoordeling nodig blijkt en er geen andere, minder dwingende maatregelen effectief kunnen worden toegepast, kan de minister of zijn gemachtigde een verzoeker om internationale bescherming in een welbepaalde plaats in het Rijk vasthouden. Het vierde punt bepaalt de situaties waarin de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde dat vereist.

Wanneer de Dienst Vreemdelingenzaken een administratief verslag ontvangt, met vermelding van een proces-verbaal inzake de verstoring van de openbare orde door een verzoeker om internationale bescherming, kan er dus een vasthoudingsbeslissing worden genomen. Die beslissing zal, zoals elke vasthoudingsbeslissing, in feiten en rechten worden gemotiveerd.

Matti Vandemaele:

Mevrouw de minister, ik heb nog een aantal bijkomende vragen, maar ik zal die schriftelijk stellen, omdat we niet heen en weer mogen pingpongen. Ik ben echter benieuwd of de aanwezigheid van de Dienst Vreemdelingenzaken in deze specifieke cases op eigen initiatief gebeurde of op vraag van de politie. Ik vermoed het eerste. Ik heb dezelfde vraag aan minister Quintin gesteld en hij zei dat we bij u moesten zijn, omdat het uw bevoegdheid is. De politie zegt dus dat het de DVZ is en de DVZ zegt op zijn beurt dat het de politie is. Het is dus niet duidelijk wie het initiatief neemt om die vaststellingen te doen. Er blijft ook een zekere flou artistique bestaan over wat precies wordt beschouwd als verstoring van de openbare orde. U zegt dat een proces-verbaal waarin staat dat er sprake is van verstoring van de openbare orde volstaat. Dat is dus een inschatting die de aanwezige ambtenaren maken, waartegen de betrokken persoon echter geen verweer heeft. Volgens de advocaten en de organisaties die de betrokkenen bijstaan, zijn er in die dossiers geen elementen terug te vinden die wijzen op een verstoring van de openbare orde en toch worden die personen vastgehouden. Dat blijft een bijzondere vaststelling. Ik zal de rest van mijn vragen schriftelijk aan u bezorgen.

De capaciteit van het parket Halle-Vilvoorde en de verschuiving van de criminaliteit naar de Rand

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 12 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Het parket Halle-Vilvoorde ziet een stijging van 33% dossiers (60% bij minderjarigen) sinds 2018, mede door criminaliteitsverschuiving vanuit Brussel (o.a. spookbedrijven, fraude) en bevolkingsgroei, terwijl de capaciteit (21 magistraten op 24) ondermaats is vergeleken met andere arrondissementsen. Minister Verlinden bevestigt extra middelen (8 miljoen euro via hefboomplan, 300 aanwervingen voor fiscale fraude nog in verdeling) en prioritaire focus op drugs, woninginbraken en criminele organisaties, maar financiële criminaliteit krijgt minder aandacht door capaciteitstekort. Van Vaerenbergh benadrukt de nood aan structurele versterking van het parket—gezien specifieke Rand-problematiek (luchthaven, probleemwijken)—en pleit voor een groot aandeel van de 300 extra personeelsleden voor Halle-Vilvoorde. Lokale samenwerking (ARIEC, politieacties op hotspots) en gebiedsgerichte aanpak moeten de Rand ondersteunen.

Kristien Van Vaerenbergh:

Mevrouw de minister, het is heel toevallig dat net dit weekend de procureur des Konings van Halle-Vilvoorde in de media aan de alarmbel trok. Ook uit cijfers die ik eerder had opgevraagd, bleek dat het aantal strafzaken bij het parket van Halle-Vilvoorde sterk stijgt. Dat is deels te wijten aan de voortdurende bevolkingsgroei, maar wordt ook aangewakkerd door de uitdijende criminaliteit, aangezien het arrondissement vlak naast de hoofdstad ligt.

Volgens de Statbelcijfers telt Halle-Vilvoorde iets meer dan de helft van het aantal inwoners van Brussel. Op basis van de correctionele instroomcijfers werd de afgelopen jaren ongeveer een derde van het aantal Brusselse dossiers in Halle-Vilvoorde geregistreerd. Een slagkrachtigere Brusselse politie – mogelijk door een fusie van de politiezones – gecombineerd met een strenger vervolgingsbeleid door het parket van Brussel kan bovendien leiden tot een verplaatsing van bepaalde criminele fenomenen naar de randgemeenten rond de hoofdstad.

Het is bijgevolg cruciaal dat de parketten van die randgemeenten klaargestoomd worden. Daarnaast wees de procureur des Konings op de massale verhuis van spookbedrijven uit Brussel naar Halle-Vilvoorde. Die brengen allerhande vormen van criminaliteit met zich mee en veroorzaken een golf van faillissementen, onder meer door de strengere controles in het kader van het Kanaalplan in Brussel. Halle-Vilvoorde staat, in vergelijking met andere parketten, helemaal onderaan qua capaciteit, met amper één magistraat per ongeveer 28.000 inwoners.

Kunt u bevestigen dat het aantal dossiers bij het parket van Halle-Vilvoorde de afgelopen vijf jaar aanzienlijk is toegenomen? Dat parket bestaat overigens nog niet veel langer.

In welke mate is het parket in staat om gevolg te geven aan die instroom? Welke middelen zijn de voorbije jaren specifiek aan dit parket toebedeeld om het hoofd te bieden aan de toenemende werklast? Bestaan er plannen om de capaciteit van het parket structureel te versterken, rekening houdend met de verschuiving van de criminaliteit van de hoofdstad naar de Rand?

Worden er bijzondere accenten gelegd in het vervolgingsbeleid door de meest zorgwekkende fenomenen in de Rand prioritair aan te pakken? Hoe staat het met de aanwerving van de 300 personeelsleden voor de bestrijding van fiscale fraude en hoe worden die precies verdeeld?

Ten slotte, hoe worden de randgemeenten bijgestaan in de aanpak van grootschalige probleemwijken, met name via een gebiedsgerichte werking?

Annelies Verlinden:

Collega Van Vaerenbergh, de procureur des Konings meldt dat het aantal dossiers bij het parket Halle-Vilvoorde sinds 2018 met 33% is gestegen. Dossiers met minderjarigen zijn zelfs met 60% toegenomen. Dankzij de oprichting van het parket voor verkeersveiligheid is de instroom van kleine overtredingen in het politieparket evenwel met 65% gedaald. Bij het parket Halle-Vilvoorde zijn 32 magistraten benoemd, van wie 11 een opdracht hebben. Het effectief bedraagt dus 21 magistraten binnen een wettelijk kader van 24. Drie vacatures werden gepubliceerd op 20 juni. De benoemingsprocedures zullen tegen het einde van dit jaar worden afgerond om het kader volledig in te vullen. Het secretariaat Halle-Vilvoorde bestaat uit 21 secretarissen, van wie er 20 in dienst zijn en één functie nog vacant is. Het kader omvat 52 administratieve personeelsleden, van wie er 49 in dienst zijn en 4 vacatures zijn opgestart. Daarnaast zijn er 15 parketjuristen, 8 criminologen en 5 andere personeelsleden op niveau A.

Justitie is vrijgesteld van een besparing van 1,8% op de personeelskredieten. In het kader van het hefboomplan werd een enveloppe van 8 miljoen euro toegekend aan het openbaar ministerie voor bijkomende aanwervingen. Dat gebeurt in ruil voor het realiseren van concrete doelstellingen binnen het regeerakkoord. Het college van het OM is verantwoordelijk voor een evenwichtige verdeling van deze middelen, zodat aan de verzuchtingen van de diverse parketten kan worden tegemoetgekomen.

De procureur des Konings heeft een specifiek vervolgingsbeleid uitgewerkt voor verdovende middelen en woninginbraken waarbij de daders worden geïdentificeerd. Voor criminele organisaties wordt rekening gehouden met de capaciteit van de FGP Halle-Vilvoorde. Maandelijks vindt met hen overleg plaats om te bepalen op welke dossiers wordt ingezet en waar een diepgaand onderzoek nodig is, of eerder een snelle tussenkomst met een beknopt onderzoek volstaat.

Fiscale criminaliteit wordt behandeld door de fiscale substituten van het ressort Brussel. Aan andere financiële criminaliteit kan minder capaciteit worden besteed door de stijging van oplichtingsdossiers, frauduleuze faillissementen en witwaspraktijken. Bij het maken van keuzes bij capaciteitstekort wordt bovendien voorrang gegeven aan dossiers die impact hebben op de fysieke of psychische integriteit van personen. Het parket probeert in die financiële dossiers een alternatieve afhandeling te realiseren of administratieve boetes op te leggen in samenwerking met andere diensten, zodat er toch een gevolg aan de feiten wordt gegeven.

Het regeerakkoord voorziet in de aanwerving van 300 personeelsleden in de strijd tegen fiscale en sociale fraude. De definitieve beslissing over de verdeling tussen fiscale en sociale inspectiediensten, politie en Justitie is nog hangende en afhankelijk van de budgettaire besprekingen.

De ondersteuning van de Randgemeenten bij de aanpak van grootschalige probleemwijken wordt door verschillende diensten van de federale politie opgenomen. Zo is er het ARIEC, dat een rol opneemt voor het sensibiliseren en het informeren van de bestuurlijke aanpak. Daarnaast geeft het ARIEC in concrete dossiers juridisch advies. Het informeert burgemeesters hoe een besluit goed gemotiveerd kan worden en welke formaliteiten in acht genomen moeten worden. Ook wordt een netwerk Bestuurlijke Aanpak opgestart waarbij de lokale besturen kunnen afstemmen met het openbaar ministerie. Het ARIEC organiseert ook een thematische studiedag over het belang van informatie-uitwisseling.

Periodiek organiseert de CSD grootschalig informatiegestuurde geïntegreerde politieacties, waaraan de politiezones en de entiteiten van de federale politie in Halle-Vilvoorde deelnemen. De plaatsen waar de controles worden uitgevoerd, worden bepaald op basis van waar de feiten worden gepleegd en bepalen per politiezone de hotspots.

Kristien Van Vaerenbergh:

Dank u wel voor uw antwoord, mevrouw de minister, en ook voor uw cijfers. Het parket van Halle-Vilvoorde is opgericht omstreeks 2012, meen ik. Het is een klein parket, maar ik meen dat het belangrijk is dat we ook dat parket voldoende ondersteunen want er zijn inderdaad grote uitdagingen. De Rand kent specifieke problemen. We hebben ook de luchthaven op het grondgebied van Halle-Vilvoorde. Die brengt natuurlijk bijkomende uitdagingen. Ik hoop dus inderdaad dat dit parket in de toekomst versterkt zal kunnen worden en dat het van die 300 personeelsleden een aanzienlijk deel kan opnemen. Immers, zoals de procureur van Halle-Vilvoorde zegt, dit is echt wel een zeer grote uitdaging.

Het budget van 1 miljard euro voor de gevangenissen
Het extra budget van één miljard euro voor Justitie
De realistische kansen op het verkrijgen van bijkomende noodzakelijke middelen voor Justitie
Financiering en budgetverhoging voor Justitie en gevangenissen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 12 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Verlinden bevestigt de nood aan 1 miljard euro voor Justitie (50% infrastructuur, 50% efficiëntie), maar begrotingsminister Van Peteghem (zelfde partij) blokkeert dit door prioriteit te geven aan defensie en sociaal beleid. Concreet zijn 1.105 extra gevangenisplaatsen tegen 2027 gepland via noodmaatregelen (o.a. 55 miljoen euro IDP in 2024), maar structurele onderfinanciering—zoals 2.000 gedetineerden boven capaciteit—blijft onopgelost zonder recurrente 120 miljoen euro/jaar. Overbevolking, veiligheid cipiers, en bestrijding georganiseerde criminaliteit (o.a. drugs, terrorisme) dreigen onuitvoerbaar zonder extra middelen, ondanks steun van oppositie (Vlaams Belang) en dringende waarschuwingen over escalerend geweld en systeemfalen.

Alain Yzermans:

Tijdens het zomerreces noemde de minister het bedrag van 1 miljard euro om het probleem van de overbevolking aan te pakken. Er zijn berichten verschenen over een 2.000-tal nieuwe plaatsen die moeten worden gecreëerd. In totaal gaat het om 1.105 plaatsen tegen 2027 en na 2030 nog een 1.000-tal plaatsen.

De vraag is hoe men aan dit cijfer komt. We hebben dit vrij grote bedrag al meerdere keren horen vallen. Uiteraard zal dit van de begrotingsrondes afhangen. Ik ben bijzonder geïnteresseerd in de verklaring van de middelen en de deelbudgetten. Hoe zal dit miljard euro bijdragen aan een efficiënte verdeling op het gebied van de infrastructuur, de wetgeving die moet worden aangepast en de herallocatie van gevangenen naar de juiste plaatsen?

Marijke Dillen:

Er bestaat geen enkele twijfel dat Justitie dringend veel bijkomende middelen nodig heeft om een antwoord te bieden op de talrijke noden die er zijn. En deze noden zijn bijzonder groot. U hebt een pleidooi gehouden voor een bijkomend budget van 1 miljard euro. Ongeveer de helft van dat extra budget is gericht op de verbetering van de infrastructuur, de andere helft dient om de werking en efficiëntie van de gerechtelijke sector te verbeteren. De gevraagde middelen zijn ambitieus maar een onvoldoende investering zal op termijn grotere kosten veroorzaken.

Maar uit verschillende interviews van minister van Begroting Vincent Van Peteghem blijkt duidelijk dat die middelen er niet zullen zijn en dat de vragen vanuit Justitie voor een aanzienlijke en noodzakelijke financiële verhoging van de middelen niet de eerste prioriteit zijn. Er wordt blijkbaar vooral gefocust op defensie en het sociaal beleid.

Kan de minister meer gedetailleerde toelichting geven betreffende haar verzoek tot het verkrijgen van een bijkomend budget van 1 miljard euro? Op welke wijze werd dit verantwoord? Wat zijn de concrete doelstellingen?

Wat is het antwoord van de minister op het standpunt van de minister van begroting?

De Vlaams Belang-fractie steunt de minister in haar pleidooi voor bijkomende middelen die absoluut noodzakelijk zijn om een antwoord te geven op de vele noden van Justitie. Maar op welke wijze zal de minister alle reeds aangekondigde beloftes realiseren indien de regering niet de bereidheid aan de dag legt om aanzienlijke bijkomende budgetten voor Justitie vrij te maken?

Annelies Verlinden:

Dank u wel, collega's. Ik wil vooreerst benadrukken dat we de noodkreten op het terrein goed gehoord hebben, in het bijzonder die van de gevangenisdirecteurs en het gevangenispersoneel. Ik ontving hen recent nog op mijn kabinet, omdat het belangrijk is om naar het terrein te luisteren. Ik begrijp hun bezorgdheden en besef dat het water hun aan de lippen staat. Die noodkreten ondersteunen mijn vraag om extra middelen voor Justitie uit te trekken. Die vraag ontstond na overleg met de betrokkenen op het terrein.

We zoeken samen naar concrete oplossingen om aan de belangrijkste noden tegemoet te komen. Dat kan ik uiteraard niet alleen; er zijn verscheidene collega's betrokken. Het betreft onder meer de collega bevoegd voor Asiel en Migratie, met betrekking tot de acties om de terugkeer van de duizenden personen in onwettig verblijf te bevorderen; mijn collega op Volksgezondheid met betrekking tot de uitstroom van de meer dan duizend geïnterneerden uit de gevangenissen; mijn collega van Binnenlandse Zaken voor de escortecapaciteit bij de politie, en – heel belangrijk – de collega die bevoegd is voor de Regie der Gebouwen met betrekking tot de investeringen in justitiegebouwen en gevangenissen.

Voor het gevangeniswezen is er, zoals u weet, dit jaar al hard gewerkt aan een pakket noodmaatregelen. Dat gebeurde in meerdere taskforces, waaronder de taskforce Capaciteit, die vorig jaar er de prioriteit aan gaf de overbevolking op te lossen, met een interdepartementale provisie (IDP) van 55 miljoen euro, en die voor 2025 te verdelen over vijf departementen. 24,9 miljoen euro daarvan was bestemd voor Justitie. Dat bedrag is ongeveer voldoende om Sint-Gillis langer open te houden en daarnaast de opstart van een nieuwe gevangenis in Antwerpen voor te bereiden. De middelen worden ook ingezet voor een snellere terugkeer van buitenlanders en personen zonder recht op verblijf uit onze gevangenissen.

De eerste IDP is echter onvoldoende en daarom hebben we in het kader van het begrotingsconclaaf een zeer concrete vraag ingediend om een uitbreiding van de IDP mogelijk te maken met ongeveer 120 miljoen euro per jaar voor Justitie. Het gaat er ook om die IDP recurrent te maken, omdat er personeel moet worden aangeworven dat niet voor een beperkte periode kan worden ingezet. De bijkomende middelen zullen in het bijzonder worden gebruikt voor het uitbreiden en langer openhouden van bestaande infrastructuur, het openen van nieuwe infrastructuur, de uitbreiding van de capaciteit van gevangenissen volgens het DBFM-principe - Design, Build, Finance en Maintain - en de bouw en opening van nieuwe transitie- en detentiehuizen.

Er wordt ook een vraag voor extra middelen ingediend, gerelateerd aan specifieke initiatieven binnen het gevangeniswezen die bijdragen aan de veiligheid van de penitentiair beambten, de algemene veiligheid van de gevangenissen en de efficiëntie van het gevangeniswezen. Voorbeelden zijn een meldpunt voor penitentiair beambten die zich bedreigd voelen of onder druk gezet worden door gedetineerden met banden met de georganiseerde misdaad, zodat ze melding kunnen maken van bedreigingen, achtervolgingen, beschadigingen aan voertuigen en dergelijke. Daarnaast gaat het om verdere investeringen in speciale infrastructuur en specifiek materiaal voor high value targets binnen de gevangenismuren.

Het creëren van bijkomende capaciteit binnen het gevangeniswezen is cruciaal in de aanpak van de overbevolking. Het is zo dat de Regie der Gebouwen, conform het regeerakkoord, ook voor een verregaande besparingsoefening staat.

Er werden ook vragen gesteld over het miljard euro. Mijn inziens moet, van het miljard euro dat voor Justitie werd vastgelegd, 500 miljoen euro naar de Regie der Gebouwen gaan, zodat zij in de gebouwen van Justitie kunnen investeren. Dit betreft zowel gerechtsgebouwen als gevangenisgebouwen. Het is uiteraard cruciaal om deze gebouwen veilig, modern en goed uitgerust te houden.

Als voornaamste klant van de Regie der Gebouwen en gelet op de grote noden binnen Justitie, lijkt het mij vanzelfsprekend dat de Regie der Gebouwen deze vraag ondersteunt, omwille van de grote noden, die af en toe ook in de pers verschijnen wanneer het gaat over de onbruikbaarheid van bepaalde lokalen of infrastructuur.

Ik ondersteun ook de vraag van het gevangeniswezen om de structurele onderfinanciering aan te pakken door de werkingsmiddelen voor het personeel, voeding, energie en medische kosten te verhogen op basis van de reële populatie en niet langer op basis van de initiële capaciteit. Vandaag zijn er meer dan 2.000 gedetineerden boven de initiële capaciteit, maar de middelen bij Justitie volgen deze toename niet automatisch. Het is evident dat, wanneer het aantal gedetineerden stijgt, ook de werkingsmiddelen moeten verhogen, zodat bijkomend personeel kan worden aangeworven.

Justitie heeft, naast middelen voor het gevangeniswezen, nog meer middelen nodig om al zijn kernopdrachten te kunnen blijven vervullen. De aanpak van georganiseerde criminaliteit, waaronder de strijd tegen mensenhandel, terrorisme, georganiseerde criminaliteit zoals drugs, evenals de inzet op veiligheid, zijn speerpunten voor de regering. Dit werd bevestigd door meerdere collega’s, onder meer door de premier in New York in september.

Justitie speelt een cruciale rol, waarbij alle schakels van de keten betrokken moeten zijn. De cijfers liegen er niet om. Er is een toename van intrafamiliaal geweld, zedendelicten en seksuele misdrijven, van jeugddossiers en van zaken voor de familierechtbanken, evenals een substantiële verhoging van geweld en georganiseerde criminaliteit.

Voor de aanpak van georganiseerde criminaliteit bij Justitie begint alles met het voorzien in adequate en voldoende onderzoeks- en vervolgingscapaciteit bij het openbaar ministerie. Vervolgens is er een snelle en doeltreffende rechterlijke beoordeling nodig en, in het geval van een veroordeling met vrijheidsberoving, een efficiënt georganiseerd en opererend gevangeniswezen. Ook de aanpak van fiscale en sociale fraude, die de overheid meer inkomsten kan opleveren, kan daaronder worden begrepen.

De parketten en de parketten-generaal kampen momenteel met een exponentiële groei van dossiers in het kader van de CrimOrg. De toenemende stadscriminaliteit vraagt eveneens om een specifieke aanpak. Dat alles leidt tot een bijkomende nood aan magistraten, parketjuristen, referendarissen en criminologen om de vervolging van feiten gerelateerd aan georganiseerde criminaliteit te kunnen waarborgen. De impact is aanzienlijk en ook de volgende schakel in de strafrechtketen, de hoven en rechtbanken, moet worden versterkt, zowel op het niveau van de magistraten als op dat van de medewerkers. Indien die schakel niet wordt versterkt, dreigt de bestrijding van zowel georganiseerde criminaliteit als stadscriminaliteit op operationeel niveau immers onuitvoerbaar te worden. In dat verband moeten ook bijkomende middelen worden voorzien voor drugs- en jongerenopvolgingskamers, die een intensere begeleiding vereisen vanuit Justitie, maar die hopelijk efficiënter en effectiever zullen werken.

Daarnaast zijn er voor Justitie nog verschillende andere noden waarvoor extra middelen nodig zijn. Het regeerakkoord besteedt onder meer aandacht aan slachtoffers en hun nabestaanden. Verschillende initiatieven ondersteunen dat, zoals de wettelijke verankering van de financiering van Child Focus en het verder inzetten op het mobiel stalkingalarm, dat een cruciale rol speelt bij de bestrijding van intrafamiliaal en seksueel geweld. Ook de voortzetting van digitalisering is een werf waarop we moeten inzetten. Zoals bekend, vraagt digitalisering aanvankelijk investeringen voordat efficiëntiewinsten kunnen worden gerealiseerd.

Verder wil ik in het kader van de medevraag voor Justitie ook de acties van de magistratuur onderstrepen. Enkele weken geleden bezocht ik het Vlinderpaleis in Antwerpen om de voorstellen voor meer veiligheid en rechtvaardigheid in onze samenleving te bespreken, zoals uitgewerkt door het ressort Antwerpen. Op vrijdag 14 november staat opnieuw een actie gepland in Brussel.

In het kader van het hefboomplan van v óó r de zomer werden reeds middelen voorzien op de IDP Veiligheid en werden initiatieven genomen om de rechterlijke orde te versterken. Dat omvat onder meer het verhogen van de aantrekkelijkheid van het beroep door maaltijdchecks en een thuiswerkvergoeding, evenals de eerste stappen richting een veiligere, moderne en efficiënte uitrusting van gerechtsgebouwen, die jarenlang structureel ondergefinancierd waren.

De huidige budgetten volstaan echter niet om alle andere noden binnen de rechtelijke orde te lenigen. Zonder extra middelen kan een kwaliteitsvolle dagelijkse werking van Justitie niet worden gegarandeerd. Het realiseren van ambitieuze doelstellingen uit het regeerakkoord is zonder extra middelen evenmin haalbaar. Het is dan ook jammer dat het begrotingsconclaaf nog niet tot het gewenste resultaat heeft geleid. Ik reken erop dat, ondanks de vele miljarden die nodig zijn om het begrotingstekort te dichten, Justitie niet in de kou zal blijven. Zo niet zullen de huidige problemen enkel nog exponentieel toenemen.

Juist in budgettair moeilijke tijden moet onze rechtsstaat stevig overeind worden gehouden. In onstabiele tijden van toenemend geweld moeten we vasthouden aan de essentie van onze democratische waarden en daarvoor is een goed functionerende Justitie essentieel. Ik reken daarbij op de steun van u allen om dat debat op die manier verder te zetten.

Alain Yzermans:

Ik hoor een heel arsenaal aan maatregelen. Uiteraard heeft het ook te maken met de manier waarop de middelen worden ingezet. Efficiëntie is een belangrijke boodschap binnen Justitie. Het gevecht om de middelen is één zaak, de middelen goed inzetten is een andere. We zitten momenteel met 13.500 gevangenen, onder wie 525 grondslapers, waarbij regionale verschillen de grote pieken nog eens in de verf zetten. Antwerpen, Gent, Brugge, Hasselt en Mechelen zijn plaatsen waar de bijstelling naar de reële norm van de werkingsmiddelen voor voeding een goede zaak is. Dat lijkt me zeker een opsteker.

Ook een meldpunt voor cipiers zal een nood lenigen, maar er blijft uiteraard ook aandacht nodig voor werkbaar en leefbaar werk voor ons justitiepersoneel. Daarom denk ik dat hier zeker ook binnen het sociaal akkoord aandacht aan moet worden besteed. Menselijke gevangenissen en een humaan beleid zijn voor ons prioritair. Dank u wel.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, dank voor uw uitvoerige antwoord. U hebt een heel uitvoerige reeks ambitieuze doelstellingen opgesomd die wij als fractie kunnen en zullen steunen. Toch blijf ik me de vraag stellen of u, met de huidige begroting en een bijkomend miljard euro’s dat vandaag nog niet beschikbaar is, al die zaken zult kunnen realiseren.

Iedereen is het erover eens dat de noden binnen Justitie bijzonder groot zijn. U zei zelf dat het begrotingsconclaaf nog niet de gewenste resultaten heeft opgeleverd. Ik verwijs ook naar verklaringen van minister Van Peteghem, uw partijgenoot, die in verschillende media-interviews duidelijk heeft gemaakt dat de middelen er niet zullen zijn. De vragen vanuit Justitie voor een aanzienlijke en noodzakelijke financiële verhoging zijn niet de prioriteit; de focus ligt vooral op defensie en sociaal beleid.

Mevrouw de minister, ik heb het u al verschillende keren gezegd en ik zal het blijven herhalen. Als buitenlandse veiligheid een prioriteit is – dat steunen wij, voor alle duidelijkheid, laat daar geen misverstand over bestaan – en uw collega van Defensie erin slaagt om 4 miljard euro te krijgen, dan zeg ik dat binnenlandse veiligheid zeker even belangrijk is. U moet echt blijven op tafel slaan om dezelfde middelen te krijgen. Justitie, Veiligheid en Binnenlandse Zaken verdienen dat. U zult daarvoor onze steun krijgen. Daar mag u zeker van zijn, maar het is uw opdracht om voor die bijkomende middelen te zorgen.

Voorzitter:

De heer Van Tigchelt is afwezig. Mme Meunier n'est pas là non plus, tout comme M. Prévot et M. Jadoul.

De betrokkenheid van minderjarigen bij drugsmisdrijven
De samenwerking met Nederland in het kader van de strijd tegen de drugscriminaliteit
Jeugdcriminaliteit en grensoverschrijdende aanpak van drugshandel

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 12 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de alarmerende toename van minderjarigen in drugsmisdrijven, vooral in de Antwerpse haven, waar jongeren (soms onder de 13) als goedkope, gewapende pionnen door bendes worden misbruikt. Minister Verlinden benadrukt preventie (weerbaarheid, UNODC-programma’s) en een verschuiving van daderschap naar slachtofferschap, met focus op herstel en samenwerking (o.a. met Nederland via havenveiligheid en Europese digitale rekruteringsbestrijding), maar erkent dat repressie (zoals strengere straffen voor uitbuiters) nodig blijft. Critici (De Wit, Dillen) eisen hardere maatregelen: lagere leeftijdsgrens voor uithandengeving, intensievere grensoverschrijdende repressie en een bredere aanpak dan louter preventie, gezien de winstgevende drugseconomie en escalerend geweld bij jeugdcriminaliteit.

Sophie De Wit:

Mevrouw de minister, de recente cijfers – en dat blijkt ook uit verschillende mediaberichten – tonen een alarmerende trend: steeds meer minderjarigen worden betrokken bij drugsmisdrijven. Zo duiken bijvoorbeeld bij de uithalers in de Antwerpse haven almaar vaker minderjarigen op.

Opvallend is dat dit gebeurt terwijl het totale aantal jeugddelicten het voorbije jaar net lichtjes is gedaald. Dat toont aan dat het aandeel van drugsfeiten binnen de jeugddelinquentie toeneemt en dat is zorgwekkend. Zeer opvallend is bovendien dat soms erg jonge kinderen – jongeren van nog geen twaalf of dertien jaar – steeds vaker in beeld komen.

Jeugdrechters signaleren dat jongeren vaker gewapend rondlopen, terwijl drugsbendes kwetsbare kinderen ronselen en misbruiken als goedkope pionnen in hun criminele activiteiten. Die evolutie, mevrouw de minister, dreigt niet alleen de veiligheid in onze samenleving te ondermijnen, maar ook de toekomstkansen van een hele generatie jongeren te hypothekeren. Daarop moet uiteraard een kordaat en structureel antwoord volgen.

Hoe beoordeelt u de evolutie dat steeds meer minderjarigen opduiken in dossiers van drugsmisdrijven? Hoe kan volgens u een beter onderscheid worden gemaakt tussen minderjarigen die in zulke dossiers eerder als slachtoffer van criminele uitbuiting optreden en zij die als dader fungeren?

Hoe werken de federale politie en de parketten samen om de netwerken die jongeren ronselen in kaart te brengen en te vervolgen? Welke federale instrumenten bestaan er vandaag om te vermijden dat jongeren door drugsbendes worden misbruikt? Acht u die toereikend?

Tot slot, welke bijkomende maatregelen overweegt u om jongeren beter te beschermen tegen criminele uitbuiting in het drugsmilieu, in het bijzonder in de Antwerpse haven?

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, op het ogenblik van het indienen van mijn vraag enkele weken geleden, waren er al bijna 200 uithalers gepakt in Antwerpen, van wie ongeveer 40 minderjarigen. Een vaststelling was dat hierbij zeer veel Nederlanders betrokken waren.

Dat is bijzonder alarmerend, mevrouw de minister. Nederland waarschuwde dat er nog honderden klaarstaan om naar Antwerpen te komen en hier toe te slaan in de drugcriminaliteit. Er is dan ook dringend nood aan een betere en verhoogde samenwerking met Nederland om de drugcriminaliteit aan te pakken en te voorkomen dat jonge Nederlanders hier zullen toeslaan, vandaar mijn vraag.

Welke initiatieven hebt u inmiddels genomen om de samenwerking met Nederland op dit vlak te verbeteren en structureel aan te pakken? Wat is de stand van zaken betreffende de huidige samenwerking? Kunt u een overzicht geven van de concrete acties die gezamenlijk zijn gevoerd en wat de resultaten daarvan zijn? Wordt er werk gemaakt van een structurele gegevensuitwisseling tussen de Nederlandse en de Belgische veiligheidsdiensten? Tot slot, plant u nog verdere initiatieven om te vermijden dat deze ernstige problematiek blijft toenemen?

Annelies Verlinden:

Collega's, bij het interpreteren van cijfers over jeugdcriminaliteit is voorzichtigheid geboden, want politie- en justitiestatistieken tonen gerapporteerde feiten en moeten daarom worden aangevuld met gegevens uit slachtofferbevragingen en zelfgerapporteerde criminaliteit. Toch valt op dat steeds jongere kinderen, soms 12 of 13 jaar oud, betrokken raken bij ernstige misdrijven gelinkt aan de georganiseerde criminaliteit.

Die vaststelling is bijzonder zorgwekkend, omdat wetenschappelijk onderzoek aantoont dat hoe jonger iemand begint met het plegen van misdrijven, hoe langer die persoon ermee zal doorgaan en hoe groter de kans is dat dit levenslang zal zijn. Het onderscheid tussen dader en slachtoffer is bij jongeren vaak niet zwart-wit. Jongeren die door criminele organisaties worden gerekruteerd, zijn kwetsbaar en missen beschermende factoren. Ze zijn zowel slachtoffer van rekrutering als dader van strafbare feiten.

In het vervolgtraject van deze jongeren wordt vaak wel een onderscheid verwacht, maar dat is dus niet mogelijk. Onze kijk moet fundamenteel veranderen van jeugddelinquent naar slachtoffer van criminele rekrutering. Door te focussen op slachtofferschap kunnen we ook inzetten op herstel en bescherming, schoolherintegratie, een zinvolle dagbesteding en een veilige leefomgeving.

Dat sluit uiteraard strafsancties niet uit, zoals gemeenschapsdienst of een tijdelijk verblijf in een gesloten instelling, maar biedt meer perspectief dan louter repressieve maatregelen die alleen focussen op het daderschap, zoals het verlagen van de leeftijdsgrens voor uithandengeving.

Om rekrutering te voorkomen, moeten we België minder aantrekkelijk maken voor criminele organisaties en jongeren weerbaar maken. Preventie is cruciaal en de meest doeltreffende vorm richt zich niet op drugs zelf, maar op levensvaardigheden zoals emotiebeheersing, weerstaan aan drugs en conflictoplossing.

Momenteel wordt het toonaangevende programma van het United Nations Office on Drugs and Crime (UNODC), Line Up Live Up , als proefproject uitgerold in Antwerpen. Dit wordt opgevolgd door experten in de preventiewetenschap en door het Nationaal Drugscommissariaat. Inspanningen van alle beleidsniveaus zijn nodig.

Er bestaan al initiatieven, zoals strengere straffen voor het inzetten van jongeren door criminele organisaties en het Drugsfonds dat middelen vrijmaakt voor politie en justitie. Een structurele, multidisciplinaire aanpak die inzet op preventie, jongerenbescherming en digitale regulering is nodig. Daarbij worden alle departementen betrokken: Onderwijs, Armoedebestrijding, Welzijn, Jeugd enzovoort.

We onderzoeken ook in welke mate decriminaliseringstrajecten op lokaal niveau kunnen worden ontwikkeld, naar analogie van deradicaliseringstrajecten, gelet op de evidente parallellen.

Daarnaast vormen havens een belangrijke draaischijf in het verdienmodel van criminele organisaties. De havens van Rotterdam, Antwerpen en Hamburg wisselen strategische informatie uit om de havenveiligheid te verbeteren via het Port Security Steering Committee.

De samenwerking richt zich op de consistente toepassing van de International Ship and Port Facility Security Code en op containerveiligheid. Het comité ontwikkelt momenteel in samenwerking met Europol een gemeenschappelijk dreigingsbeeld op basis van een vastgelegde template. Er is intensieve samenwerking tussen de politie- en justitiediensten van België en Nederland en er werden concrete afspraken gemaakt. Het is immers de bedoeling dat jongeren die in het buitenland betrapt worden op het plegen van strafbare feiten, zo snel mogelijk worden overgebracht naar het land waarin ze wonen. Op die manier staat het belang van de jongeren voorop en worden de diensten die betrokken zijn bij de opvang en begeleiding van die minderjarigen hier niet langer dan noodzakelijk mee belast.

Een van de concrete acties met betrekking tot dat overleg is de stedendialoog tussen Vlaanderen en Nederland. Die vond plaats op 20 maart, met als centraal thema de grensoverschrijdende jeugdcriminaliteit. Ook op Europees niveau moet werk worden gemaakt van de aanpak van online rekrutering via sociale media. Via de Coalition of the Seven Against Organized Crime wordt gewerkt aan een Europese aanpak tegen rekrutering via sociale media, met samenwerking tussen de ministers van Justitie, Digitale Zaken, Jeugd en Binnenlandse Zaken. Door gezamenlijke richtlijnen, gegevensuitwisseling en preventiecampagnes kunnen jongeren beter worden beschermd en criminele netwerken sneller worden aangepakt, met respect voor de privacy. De problematiek van de rekrutering van jongeren, zowel offline als online, zal ook deel uitmaken van het nieuwe actieplan van voormelde coalitie.

Sophie De Wit:

Mevrouw de minister, dank u voor uw antwoord. Ik begrijp uiteraard dat de nadruk wordt gelegd op preventie. Die is ook belangrijk, maar daarmee alleen zullen we het niet opgelost krijgen, meen ik.

Zolang er veel geld verdiend kan worden met drugstrafiek en de verkoop van drugs, zal men dit symptoom blijven krijgen. Waarom zet men minderjarigen in? Omdat het straffen van jongeren natuurlijk minder evident is. Ik meen dat er een veel ruimere aanpak nodig is. We moeten dit zeker internationaal bekijken en we moeten de samenwerking met Nederland echt verder op poten zetten om te vermijden dat men de grens oversteekt om hier dingen te doen terwijl men zich beter thuis met veiliger zaken zou bezighouden.

Er is nog veel werk aan de winkel.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, dank u voor uw antwoord. Jongeren weerbaar maken, meer aandacht schenken aan preventie, meer aandacht binnen het onderwijs enzovoort. Dat zijn allemaal mooie zaken, los van het feit dat ze uw bevoegdheid niet zijn maar die van de gemeenschappen.

U kunt er toch niet omheen, mevrouw de minister, dat de criminaliteit bij jongeren angstwekkend blijft stijgen en steeds zwaarder wordt, trouwens niet alleen inzake drugsdossiers, maar ook inzake zware geweldsdelicten. We worden er helaas bijna dagelijks mee geconfronteerd.

Voor deze jongeren is preventie echt niet het juiste antwoord, mevrouw de minister. Het is niet de oplossing, zeker niet bij recidive. Ik durf dan ook pleiten voor een ruimere aanpak en ook voor een verlaging van de leeftijd voor de uithandengeving van zwaar criminele jongeren.

Voorzitter:

La question n° 56009101C de M. Hervé Cornillie est transformée en question écrite.

De toename van de alternatieve straffen en de aanhoudende overbevolking van de gevangenissen
Het toenemende aantal alternatieve straffen en het gebrek aan impact ervan op de overbevolking
De ondoeltreffendheid van de alternatieve straffen als oplossing voor de overbevolking
Alternatieve straffen en hun beperkte effect op gevangenisoverbevolking

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 12 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de paradoxale stijging van zowel alternatieve straffen als gevangenisoverbevolking, ondanks beleidsinspanningen om de laatste te verminderen. Minister Verlinden bevestigt het *net-widening*-effect (alternatieven raken groepen die anders geen straf kregen) en wijst op verruwing van criminaliteit (geweld, drugs) als oorzaak, maar benadrukt dat gevangenisstraf als *ultimum remedium* behouden blijft. Capaciteitsproblemen bij justitiehuizen, elektronisch toezicht (ET) en werkstraffen—samen met onvoldoende opvolging en recidivepreventie—ondermijnen de geloofwaardigheid van alternatieven, terwijl korte gevangenisstraffen en slechte re-integratie de crisis verergeren. Kritiek blijft dat alternatieven geen structurele oplossing bieden, maar eerder het systeem overbelasten zonder de overbevolking te doen dalen.

Sophie De Wit:

Mevrouw de minister, uit recente cijfers blijkt dat het aantal alternatieve straffen de voorbije jaren sterk is toegenomen, terwijl de gevangenisoverbevolking ook onverminderd blijft stijgen. Volgens Erik Maes van het NICC leidt dat tot de zogenaamde net widening : alternatieve sancties worden steeds vaker opgelegd aan personen die anders geen gevangenisstraf zouden hebben gekregen, waardoor het systeem zichzelf een beetje opblaast in plaats van de druk op de gevangenissen te verlichten.

Tegelijk blijkt dat ook binnen het systeem van alternatieve straffen grenzen worden bereikt. De capaciteit van de justitiehuizen, de opvolging van werkstraffen en ook het elektronisch toezicht staan steeds meer onder druk. Daarnaast is er een aanzienlijke groep veroordeelden voor wie alternatieve straffen in de praktijk moeilijk uitvoerbaar zijn.

Mevrouw de minister, hoe verklaart u dat de sterke toename van alternatieve straffen niet heeft geleid tot een daling van de overbevolking? Deelt u de analyse van Erik Maes van het NICC over de zogenaamde net widening , doordat alternatieve sancties vandaag vaak worden opgelegd aan personen die anders geen gevangenisstraf zouden hebben gekregen? Hoe beoordeelt u, wetende dat het deels om een Vlaamse bevoegdheid gaat, de huidige personeelscapaciteit en werkdruk binnen justitiehuizen, het Vlaams Centrum voor elektronisch toezicht, de magistratuur en de beschikbare werkplaatsen voor werkstraffen, in het licht van de sterke stijging van alternatieve straffen? Welke maatregelen worden genomen om te verzekeren dat alternatieve straffen niet enkel een tijdelijk alternatief vormen, maar uiteindelijk ook kunnen bijdragen tot gedragsverandering en het vermijden van recidive? Bent u bereid te onderzoeken of de afschaffing van korte gevangenisstraffen in het nieuw Strafwetboek moet worden herbekeken, aangezien blijkt dat alternatieve maatregelen de overbevolking niet verminderen?

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, aangezien mijn vragen gelijkaardig zijn, verwijs ik naar de tekst van mijn vraag zoals ingediend.

De jongste jaren werd vanuit het beleid door verschillende partijen sterk ingezet op alternatieve straffen die zouden bijdragen tot een daling van het aantal gevangenisstraffen en de facto werden aanzien als een mogelijke oplossing voor de overbevolking. De realiteit blijkt anders. Uit recente gegevens blijkt dat ondanks de toename van het aantal alternatieve straffen er in de praktijk geen positief gevolg waar te nemen is op de problematiek van de overbevolking. Integendeel, het probleem van de overbevolking blijft stijgen.

Bovendien rijzen er vragen over de opvolging en uitvoering van alternatieve straffen in de praktijk die vaak onvoldoende worden gecontroleerd door een capaciteitsprobleem bij de opvolgende instanties. Met als gevolg een uitholling van de geloofwaardigheid van de strafsystemen.

Hoe verklaart de minister het gegeven dat er ondanks het toenemende aantal alternatieve straffen dit geen enkele impact heeft op de problematiek van de overbevolking van de gevangenissen?

Welke maatregelen neemt de minister om te verzekeren dat alternatieve straffen strikt worden opgevolgd? Heeft er ter zake overleg plaatsgevonden met de Gemeenschappen die hier ook een belangrijke verantwoordelijkheid hebben? Zo ja, wat zijn de resultaten? Zo neen, wordt dit nog gepland?

Alain Yzermans:

Mevrouw de minister, ik verwijs naar de tekst van mijn vraag zoals ingediend.

In 2016 werden 15.402 nieuwe werkstraffen en enkelbanden (ET) uitgedeeld. In 2023 steeg dit aantal naar 22.960. Het aantal ‘alternatieve straffen’ is sterk toegenomen. Toch blijft de overbevolking in de gevangenissen stijgen. Het aantal gedetineerden steeg op een jaar tijd van 12.342 naar 13.227 . De overbevolking nam sinds oktober 2024 toe van 112% naar 119%. Alternatieve maatregelen helpen de druk op de gevangenissen dus niet te verlichten (om meer zuurstof te geven) en geen echt kuur voor de overbevolking beweert het NICC.

Vragen aan de minister ;

Kloppen deze cijfers? Kan u een overzicht geven van het aantal alternatieve straffen en de vergelijking tov de voorbije jaren. Per soort. Idem de vraag voor het aantal enkelbanden a.u.b.?

Alternatieve straffen zijn vooral een oplossing voor straffeloosheid en geen middel tegen de overbevolking. Klopt deze visie?

Versterken deze reeks maatregelen niet de gekende net-widening waardoor steeds meer mensen in “het spinnenweb” van justitie komen en lange termijn effecten moeilijk worden geressorteerd en budgetten steeds groter moeten worden?

De grootste groep die onder ET vallen gaat het om voorlopige hechtenis (VH ) of omdat ze van de gevangenis, de strafuitvoeringsrechtbank toestemming hebben gekregen om hun straf thuis uit te zitten. Heeft u hier concrete cijfers over?

In 2024 werden er slechts 52 enkelbanden aangesloten omdat de rechter specifiek die straf had uitgesproken. Gaat het nieuwe strafwetboek ET deze trend als autonome straf doorbreken?

Door een gebrek aan middelen en druk op het VCET en de justitiehuizen zal er een capaciteitsprobleem ontstaan. Bent u zich hiervan bewust en hun gaat u dit oplossen?

Annelies Verlinden:

Geachte Kamerleden, op 6 november bevonden zich 13.416 gedetineerden in onze gevangenissen. Naast het aantal gedetineerden in de gevangenissen dragen meer dan 2.200 personen een enkelband. 60 % daarvan vertegenwoordigt een strafuitvoeringsmodaliteit en 40 % bevindt zich in voorlopige hechtenis.

Het gebruik van ET als autonome straf is inderdaad een marginaal gegeven. Of het toekomstig Strafwetboek daarin een kentering zal brengen, is nog niet te voorspellen. Een en ander zal mee beïnvloed worden door de manier waarop het principe van het ultimum remedium zich in de eigenlijke straftoemetingen zal manifesteren.

Wat het aantal personen betreft dat onder een alternatieve strafmaatregel valt, verwijs ik u voor de correcte cijfers naar de bevoegde collega’s van de deelstaten. De zogenaamde alternatieve straffen zijn weliswaar ontstaan tegen de achtergrond van overbevolkte gevangenissen, een fenomeen waarmee onze gevangenissen al enkele decennia worden geconfronteerd. Ze hebben voornamelijk tot doel om meer straffen op maat mogelijk te maken door het sanctiepalet waarover rechters beschikken te verbreden, om zo te kunnen reageren op de strafrechtelijke normovertreding en de vrijheidsberoving daadwerkelijk te beschouwen als het laatste redmiddel. Ook om die reden is het principe van de gevangenisstraf als ultimum remedium ingeschreven in het nieuw Strafwetboek en werd het via de noodwet versneld ingevoerd.

Het is inderdaad een vaststelling dat de invoering van alternatieve straffen niet tot een daling van de gevangenispopulatie heeft geleid. Het tegendeel is waar. Bovendien kenden ook de alternatieve straffen een exponentiële groei.

Een deel van de verklaring van de tegenstelling zal allicht te vinden zijn in de evolutie van het criminaliteitsbeeld. De verruwing van de maatschappij vertaalt zich ook door een groter aandeel van geweldmisdrijven. De omvang van de drugsproblematiek kent vandaag eveneens ongeziene dimensies.

Dat steeds meer burgers onder de toepassing van een justitiële sanctie of maatregel vallen, heeft onvermijdelijk ook te maken met hoe we naar misdrijven en hun plegers kijken.

Binnen de context van het uitdijend aantal mensen dat door een straf of een andere justitiële maatregel wordt geraakt, heeft het mijns inziens weinig zin om op deelaspecten ervan mechanismen voor capaciteitsbeheersing uit te werken. Uiteindelijk hangt alles met alles samen. Het minder inzetten van de ene sanctie of maatregel kan zich vertalen in effecten in andere domeinen van de strafuitvoering.

Het blijft uiteraard prioritair belangrijk om diegenen uit het justitieel traject te halen die er niet of niet langer in zouden moeten verblijven. Ik verwijs naar de inspanningen die worden geleverd om geïnterneerden in externe zorginstellingen onder te brengen, alsook naar de inspanningen die worden geleverd om de overlevering van vreemdelingen zonder recht op verblijf te versterken.

Het zal belangrijk zijn, wanneer het toekomstige Wetboek van Strafuitvoering vorm krijgt, dat de effecten ervan binnen de mate van het mogelijke worden vertaald naar de verschillende domeinen waar capaciteit nodig zal zijn om de strafuitvoering te realiseren.

Sophie De Wit:

Mevrouw de minister, bedankt voor uw antwoord. Het blijft uiteraard een probleem. Ik begrijp en onderschrijf dat men zo gepast mogelijk moet proberen te straffen. Maar op een bepaald moment zit men met een zodanige problematiek binnen de strafuitvoering dat een deel wordt doorgeschoven naar alternatieve maatregelen, wat de deelstaten toekomt. Stilaan bereiken we echter ook daar het plafond.

Als uiteindelijk elk systeem dreigt te crashen, staan we er alleen maar slechter voor. Ik maak me daar zorgen over. Ik begrijp het principe van de ultieme remedie, maar ik ben ongerust dat nog meer straffen zullen worden omgezet in alternatieven, niet omdat dat de meest gepaste sanctie is, maar omdat er anders gewoon geen straf kan worden uitgevoerd. Dat zou het failliet van het systeem betekenen. Dan zouden we alleen maar verder van huis zijn. We moeten dus echt aandachtig blijven voor die problematiek.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, bedankt voor uw antwoord. De toename van alternatieve straffen heeft geen positief effect gehad op de overbevolking. Integendeel, de recente cijfers, gisteren bekendgemaakt, over grondslapers in de gevangenissen zijn daarvan een triestige illustratie.

Alternatieve straffen mogen niet worden aangewend als oplossing voor de overbevolking, louter omdat er anders geen straf zou zijn. U hebt terecht verwezen naar de verruwing van de samenleving en de toename van zware gewelddelicten, die bijna dagelijks in de pers worden aangehaald. Dat soort criminaliteit vereist een strenge aanpak, zeker bij recidive. Alternatieve straffen zijn daar niet het juiste antwoord op.

Ik wil wel benadrukken dat binnen de detentie voldoende aandacht moet gaan naar re-integratie, wat vandaag absoluut te wensen overlaat. Heel veel gedetineerden komen slechter uit de gevangenis dan ze erin zijn gegaan. Dat mag niet de bedoeling zijn van een gevangenisstraf, maar dat is hoofdzakelijk een bevoegdheid van de gemeenschappen. Ik durf dus te vragen dat u daaraan de nodige aandacht besteedt in uw gesprekken met de bevoegde gemeenschapsminister.

Alain Yzermans:

Mevrouw de minister, het belang van de alternatieve straffen is bekend. In de hele waaier aan straffen is het belangrijk dat dat onderdeel, zeker in het kader van het nieuw Strafwetboek, grondig wordt onderbouwd. Er moet worden onderzocht waarom die maatregelen niet leiden tot een daling van de overbevolking en wat daar wel voor kan zorgen. Wij gaan ervan uit dat er nog meer alternatieve straffen zullen worden opgelegd wanneer het nieuw Strafwetboek in voege zal zijn. Laten we die mooie vorm van bestraffen zeker niet met het badwater weggooien, maar intensifiëren.

De verijdelde jihadistische droneaanslag op De Wever en andere politici
De islamitische terreurdreiging tegen de eerste minister en politici in dit land
De terreurdreiging
De verijdelde aanslag op premier De Wever en andere politici
Verdachte terreurdreigingen tegen politici en premier

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 12 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de verijdelde jihadistische drone-aanslag op premier De Wever en Geert Wilders, met drie jonge verdachten (18-24 jaar, Belgische nationaliteit, Tsjetsjeense/Marokkaanse afkomst), waarvan één alweer vrij is. Minister Verlinden bevestigt 82 nieuwe terreuronderzoeken in 2025 (meeste jihadistisch), een stijging ten opzichte van 2024, met toenemende radicalisering onder minderjarigen via online propagandakanalen en kwetsbaarheden zoals sociaal isolement. Kritiek van oppositie richt zich op het ontkennen van de islamitische dreiging, het gebrek aan harde maatregelen (geen aparte gevangenis voor terroristen, te lage straffen, geen registratie herkomst daders) en structurele tekortkomingen in preventie, ondanks waarschuwingen over migratiestromen en technologische risico’s (drones, 3D-wapens). Motie van aanbeveling eist een dringend actieplan tegen jihadisme, betere detentiebeleid en transparantie over dadersprofielen.

Sam Van Rooy:

Minister, dit jaar zijn er al een tachtigtal nieuwe terreuronderzoeken geopend binnen de sectie Terrorisme van het federaal parket. Dat zijn nu al meer dossiers dan in heel 2024. Daarbij houden we geen rekening met de terrorismeonderzoeken die betrekking hebben op minderjarigen. Dat vernamen we na de verijdelde jihadistische droneaanslag op premier De Wever in Deurne, waar ik woon, en op de heer Geert Wilders. Bij die operatie werden meerdere huiszoekingen verricht en enkele jonge moslimterroristen opgepakt.

Minister, ik zou graag een stand van zaken krijgen met de recentste informatie die u ons kunt verstrekken.

Hadden die jonge moslimterroristen nog andere politici op het oog of andere doelwitten? Zo ja, wie of welke? Wat is hun nationaliteit? Verblijven ze legaal in ons land? Klopt het dat één van de drie verdachten alweer op vrije voeten is? Door wie of wat werden ze desgevallend aangestuurd? Hoe is men die verdachten op het spoor gekomen? Welke buitenlandse inlichtingendiensten waren daarbij betrokken? Hebben die ons nuttige informatie geleverd en ons dus goed geholpen?

Is er volgens u een verband met de mate waarin de wijk in Deurne-Zuid – waar ik ben geboren en getogen en die ik dus zeer goed ken – geïslamiseerd is? Hoe komt het volgens u dat er dit jaar al meer terreuronderzoeken zijn geopend dan vorig jaar? Hoeveel procent daarvan zijn van jihadistische aard? Hoeveel zijn het er wanneer ook de dossiers worden meegerekend die betrekking hebben op minderjarigen?

Hoe verklaart u dat terrorismeverdachten steeds vaker minderjarig zijn? Hoe wapent de regering zich tegen het gebruik van nieuwe technologieën, zoals 3D-printing en drones, om terreuraanslagen te plegen? Het mag duidelijk zijn dat hun ideeën, opvattingen en ideologie dan wel achterlijk, zevende-eeuws, islamitisch en barbaars zijn, maar de technologie die ze daarvoor aanwenden, is dat helaas zeker niet.

Alexander Van Hoecke:

Dank u wel, mijnheer de voorzitter. Mevrouw de minister, enkele weken geleden werd een jihadistische terreurcel opgerold die een aanslag met drones beoogde op onder meer premier De Wever. Andere vermeende doelwitten zouden de Antwerpse burgemeester Els van Doesburg en de Nederlandse politicus Geert Wilders zijn geweest.

Er werden drie jonge verdachten opgepakt, allen van allochtone origine. Ze zijn bovendien relatief jong: 24, 23 en 18 jaar. De 24-jarige verdachte werd meteen weer vrijgelaten, maar de andere twee, van Tsjetsjeense en Marokkaanse origine, bleven aangehouden. Bij de huiszoekingen werden een zelfgemaakte bom, stalen balletjes en een 3D-printer aangetroffen.

Het federaal parket heeft een onderzoek geopend wegens poging tot terroristische moord en deelname aan de activiteiten van een terroristische groep. De verdachten en hun advocaten ontkennen alles, maar ik denk dat we ons weinig illusies hoeven te maken over wie het bij het rechte eind heeft: het openbaar ministerie en de onderzoekers of de verdachten zelf.

Klopt het dat de twee verdachten nog steeds in de cel zitten, dat ze dus nog steeds aangehouden zijn? Ik had gelezen dat ze beroep hadden aangetekend tegen hun verlengde aanhouding. Kunt u bevestigen dat ze nog steeds vastzitten?

Erger kon worden voorkomen. We hebben hier een bijzonder ernstige aanslag kunnen vermijden dankzij onze veiligheids- en justitiediensten. Ik wil hen daarvoor bedanken. Dankzij hun kordate optreden zijn er levens gespaard gebleven. We mogen ons echter niet de illusie maken dat daarmee een einde is gekomen aan de islamitische dreiging. Integendeel, de daders worden steeds talrijker en steeds jonger. Het parket stelt vast dat het aantal dossiers van radicalisering bij minderjarigen alleen maar stijgt. Ook in deze zaak zien we opnieuw zeer jonge daders; ik zei het al: 24, 23 en 18 jaar. Zoals mijn collega al vermeldde, werden er dit jaar al tachtig nieuwe terreuronderzoeken opgestart. Dat is aanzienlijk meer dan in 2024. Ter vergelijking, in 2022 ging het nog maar om zestien onderzoeken. Niemand hoeft zich illusies te maken over de aard van die dreiging: meer dan de helft van de gevallen betreft islamitisch terrorisme.

Terreurexpert Pieter Van Ostaeyen verklaarde in een interview dat de dreiging in werkelijkheid nog groter is dan blijkt uit de cijfers die ik net vermeldde. Dossiers die worden behandeld door de lokale parketten wegens de jeugdige leeftijd van de verdachten, worden immers niet in die cijfers opgenomen.

Experten leggen bovendien duidelijke linken tussen de toegenomen terreurdreiging en migratiestromen. "De poorten voor IS staan weer open," aldus terreurexpert Pieter Van Ostaeyen. Hij verklaart daarbij, en ik citeer: "De Sahel is al aan het leegstromen richting de Canarische Eilanden. Dagelijks komen er bootvluchtelingen aan op Tenerife, en eens binnen in de Schengenzone kunnen zij asiel aanvragen. Dan zijn we eigenlijk elke controle kwijt."

Ook het lakse justitiebeleid laat zich volgens hem voelen. De dader van een verijdelde aanslag op de eerste minister in 2023 kreeg slechts zes jaar cel, zijn handlangers kregen tussen twee en drie jaar. Zwak optreden tegen terroristen creëert meer terroristen, mevrouw de minister. Wanneer islamitische terroristen dan toch in de gevangenis belanden, kunnen ze naar eigen goeddunken hun medegevangenen op hun beurt radicaliseren.

Welke maatregelen zult u nemen om het probleem van radicalisering in de gevangenissen aan te pakken? Waarom is er nog steeds geen aparte detentiefaciliteit voor terrorismeverdachten en -veroordeelden, en wanneer komt die er? Wat is uw plan om te voorkomen dat veroordeelde moslimextremisten vervroegd vrijkomen?

Op welke wijze zult u ervoor zorgen dat het openbaar ministerie strenger optreedt tegen het uiten van sympathie voor jihadistische groeperingen? Welke maatregelen neemt u om strafkortingen en vervroegde invrijheidstellingen bij terreurfeiten te beperken? Welke resultaatsindicatoren legt u op aan het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse (OCAD), de Veiligheid van de Staat (VSSE) en het federaal parket voor de vroegdetectie van jihadistische netwerken?

Tot slot heb ik een heel belangrijke vraag: wordt het niet eindelijk tijd om cijfers over herkomst bij te houden in de criminaliteitsstatistieken?

Sophie De Wit:

De recent verijdelde, vermoedelijk jihadistisch geïnspireerde aanslag op premier Bart De Wever heeft het land diep geschokt. Volgens het federaal parket beraamden drie jonge mannen – Belgische onderdanen van Marokkaanse en Tsjetsjeense afkomst, van wie twee een opleiding Defensie en Veiligheid of Cybersecurity volgen – een aanslag met een drone en een zelfgemaakt explosief (IED), gericht tegen meerdere politici. Eén verdachte werd inmiddels vrijgelaten.

Het incident toont hoe snel radicalisering bij jongeren kan omslaan in concrete geweldsplannen. In 2025 werden reeds meer dan tachtig nieuwe terreuronderzoeken geopend – meer dan in heel 2024 – en de Staatsveiligheid waarschuwt voor een heropleving van jihadistisch extremisme, mede aangewakkerd door internationale conflicten zoals dat in Gaza. Tegenover die cijfers staat uw antwoord op mijn recente schriftelijke vraag omtrent feiten van extremisme en radicalisering waarin u aangaf dat het OCAD in 2024 slechts twee incidenten van links-extremistische aard registreerde en in 2025 ‘minder dan tien’. Dat verschil roept ernstige vragen op over de volledigheid van de rapportering en het zicht op de feitelijke dreiging. Alleszins roept de recente aanslagpoging fundamentele vragen op over hoe dergelijke dreigingen in ons land worden gedetecteerd, geëvalueerd en aangepakt.

Kan u toelichten welke veiligheidsprotocollen vandaag gelden voor bedreigde politieke mandatarissen, en wie de coördinatie op zich neemt bij concrete incidenten of verhoogde dreigingsniveaus?

Hoe worden risicoanalyses gemaakt, en welke rol spelen OCAD, Staatsveiligheid, de federale politie en lokale politiezones in dit proces? Wordt bij deze analyses rekening gehouden met de steeds jongere leeftijd van verdachten in terreuronderzoeken?

Hoeveel politici genieten momenteel een verhoogd beschermingsniveau of politiebescherming, hoe is deze bescherming georganiseerd, en gaat het daarbij om tijdelijke of permanente maatregelen?

Hoe evalueert u de huidige beveiligingsstructuur voor politieke mandatarissen in het licht van de toenemende dreiging vanuit georganiseerde criminaliteit en extremisme? Welke bijkomende maatregelen werden sinds 2024 genomen om die bescherming structureel te versterken en welke maatregelen zal u hiertoe nog nemen?

Hoe evalueert u de werking en samenwerking tussen OCAD, de VSSE en het federaal parket inzake vroegdetectie en opvolging van extremistische netwerken, en bent u bereid duidelijke resultaatsindicatoren en rapporteringslijnen in te voeren zodat dreigingen nog sneller kunnen worden geanalyseerd en gedeeld?

Annelies Verlinden:

Collega's, het gerechtelijk onderzoek wordt gevoerd naar de volgende tenlastelegging: deelname aan de activiteiten van een terroristische groep, poging tot terroristische moord en het voorbereiden van een terroristisch misdrijf. In het belang van het onderzoek kan ik momenteel geen verdere informatie geven, ook niet over de politici die het doelwit van de dreiging zouden zijn. De verdachten hebben volgens onze informatie de Belgische nationaliteit. Het federaal parket beschikt momenteel niet over informatie waaruit blijkt dat zij zouden beschikken over een tweede nationaliteit.

Over de tendensen en de cijfers kan worden toegelicht dat het overgrote deel van de 82 dossiers terrorisme die op het federaal parket in 2025 tot op heden werden geopend, gelinkt is aan jihadistisch of religieus geïnspireerd terrorisme. De opvolging en oriëntering van terrorismedossiers gebeurt via het JIC (Joint Intelligence Centre) en het JDC (Joint Decision Centre). Het JIC is samengesteld uit de FGP-Terro, de Veiligheid van de Staat, de ADIV, de DJSOC-Terro, het OCAD en de Information Officer van de lokale politie en voor het JIC/JDC met het lokaal parket en het federaal parket in bepaalde gevallen.

JIC/JDC zijn veiligheidsgeoriënteerde platformen. Hun opdracht bestaat erin continu informatie uit te wisselen in het kader van bestaande gerechtelijke dossiers en inlichtingendossiers met betrekking tot terrorisme. Ze beslissen samen welke strategie het best kan worden gevolgd wanneer er informatie beschikbaar is over terroristische activiteiten. Een van de opties daarbij is het openen van een strafonderzoek.

We stellen een stijging vast van het aantal potentiële dreigingsdossiers, wat resulteert in een toename van het aantal JIC/JDC-vergaderingen. Een potentieel dreigingsdossier kan zowel handelen over informatie met betrekking tot mogelijke aanslagplannen als over de verspreiding van propaganda.

In 2024 werden in totaal 118 potentiële dreigingsdossiers besproken binnen die platformen voor het volledige jaar. In 2025 werden voor de periode van januari tot half oktober al 127 potentiële dreigingsdossiers behandeld op hetzelfde niveau. De toename resulteerde in het openen van meer terreuronderzoeken.

De stijging kan niet worden gelezen als een weerspiegeling van een imminentere terroristische dreiging, aangezien er een sterke variatie kan bestaan met betrekking tot de ernst van de potentiële dreiging en het bijbehorende dreigingsniveau. Islamitische Staat en haar ideologie blijven de belangrijkste drijfveer voor aanslagplannen.

In België en Europa identificeren we twee types van dreigingsdossiers inzake de aanslagplanning. Enerzijds zien we aanslagplannen die geïnspireerd zijn door de ideologie van IS. In die dossiers worden de betrokkenen niet rechtstreeks door IS aangestuurd, maar vinden zij inspiratie in de propaganda van IS om zelf hun eigen aanslagplannen te ontwikkelen. Hier zien we dossiers waarbij een significant deel van de gevallen minderjarigen of jongvolwassenen aan de oorsprong van de dreiging liggen. Verschillende plannen blijken een lage geloofwaardigheid te hebben wat betreft de werkelijke intentie.

Anderzijds kunnen personen worden aangestuurd door terroristische organisaties om aanslagen te plegen. In die gevallen gaat het om actoren met meer operationele capaciteiten, die instructies opvolgen van terroristische organisaties, meestal van IS of een van zijn afdelingen.

In juli 2025 vertegenwoordigden de minderjarigen die in de Gemeenschappelijke Gegevensbank T.E.R. worden gevolgd 6 % van het totaal aantal geregistreerde personen, ofwel 23 personen. Er dient te worden opgemerkt dat het aandeel onderzoeken waarbij ten minste één minderjarige betrokken is, toeneemt. Die personen kunnen echter ook worden benaderd vanuit het oogpunt van de bescherming van minderjarigen en niet als extremisten of terroristen. Dezelfde tendens doet zich overigens ook voor in andere Europese landen.

In bijna alle gevallen waarin minderjarigen voorkomen in dreigingsdossiers, blijkt online socialisatie een belangrijke factor te zijn. Daarnaast spelen ook kwetsbaarheden bij minderjarigen een rol in het radicaliseringsproces. Voorbeelden daarvan zijn trauma’s, sociaal isolement, afwezige ouders, familiaal geweld of een familiale omgeving waarin extremisme aanwezig is.

Wat de detectie van radicalisering bij minderjarigen betreft, wordt binnen de strategie T.E.R. extra aandacht besteed aan het zo vroeg mogelijk opsporen van tekenen van radicalisering in het algemeen, en bij minderjarigen in het bijzonder. Voorzichtigheid is uiteraard geboden wanneer het minderjarigen betreft, aangezien zij zich nog in een levensopbouwende fase bevinden. Daarom zijn alle actoren binnen het sociaal-preventieve traject belangrijke partners, of het nu gaat om onderwijs, jeugdwerk, media of geestelijke gezondheidszorg. Al die actoren spelen een rol in het LIVC-R, zowel bij het vroegtijdig detecteren van signalen als bij het bieden van een passende opvolging. Indien de minderjarige een bewezen dreiging vormt, zijn ook de veiligheidsdiensten en de jeugdhulp betrokken bij de opvolging.

Voor de coördinatie en de genomen maatregelen voor bedreigde personen is het Nationaal Crisiscentrum, dat onder de bevoegdheid valt van de minister van Binnenlandse Zaken, verantwoordelijk. De evaluaties van de dreiging met het oog op het toekennen van gewone beschermingsmaatregelen worden door het crisiscentrum gevraagd aan het OCAD voor de terroristische en extremistische dreigingen, en aan DJO voor de dreigingen in de criminele sfeer.

Wat de risicoanalyses betreft, kan worden verwezen naar de besprekingen in de Nationale Veiligheidsraad van de zogenoemde personen die een sleutelfunctie binnen het Belgische overheidsapparaat bekleden, aangezien zij een potentieel doelwit vormen voor allerlei types risico’s, ongeacht of er al dan niet sprake is van een concrete dreiging. Het Crisiscentrum staat, in samenwerking met de partnerdiensten en op basis van een risicoanalyse, in voor de identificatie van de sleutelfuncties en van de personen die dergelijke functies bekleden.

De gebeurtenissen van 9 oktober illustreren dat de communicatie tussen de diensten, in het bijzonder het parket, het OCAD, de Veiligheid van de Staat en de politie, goed functioneert. Zodra er informatie opduikt over mogelijke intenties om tot actie over te gaan, worden de structuren van de Strategie T.E.R. snel opgezet en worden de te nemen maatregelen in overleg tussen alle diensten genomen.

Tot slot werd ook een vraag gesteld over de 3D-printer. Het is momenteel onmogelijk om het grote publiek de toegang te ontzeggen tot 3D-printers en grondstoffen die mogelijk kunnen worden gebruikt voor het printen van 3D-wapens. De Belgische politie volgt dat fenomeen evenwel permanent op in het kader van het EMPACT Firearms Program van Europol om een operationele reactie op dat fenomeen te bieden door middel van internationale samenwerking tussen verschillende actoren.

Het gebruik van drones voor het plegen van aanslagen is een problematiek die nauwlettend wordt opgevolgd door de Belgische veiligheidsdiensten om die dreiging tegen te gaan.

Sam Van Rooy:

Minister, ik dank u voor uw antwoorden, die echter even zorgwekkend zijn als uw televisieoptreden, waarin u het evenmin had over het gevaar van de islamitische ideologie, maar wel over de saladbar-ideologie.

Hoeveel islamitische aanslagen in België, in het Westen, in de wereld moeten er nog gepleegd of gepland worden voor u het eindelijk snapt? Wereldwijd worden er elke dag vijf islamitische aanslagen gepleegd en een veelvoud daarvan wordt elke dag verijdeld. Denkt u nu echt dat dat toeval is? Denkt u nu echt dat het toeval is dat die aanslagen worden voorbereid in sterk geïslamiseerde wijken, bijvoorbeeld in Brussel of Antwerpen, waar de niet-moslim door uw beleid ondertussen een minderheid is geworden?

Minister Verlinden, open eindelijk uw ogen alvorens de islam ze voorgoed sluit.

Alexander Van Hoecke:

Mevrouw de minister, u zei dat er dit jaar al 82 terreuronderzoeken werden gevoerd, waarvan de overgrote meerderheid jihadisten betrof. Als er één ding opnieuw duidelijk is geworden, dan is het wel dat dat islamitisch terrorisme wel degelijk de grootste bedreiging voor onze samenleving blijft.

Ik heb een iets andere lezing van de gebeurtenissen. U zegt dat het feit dat die aanslag werd verijdeld, aantoont dat alles goed functioneert. Ik zou daar heel voorzichtig mee zijn. Dat toont vooral aan dat de dreiging blijft sluimeren en nog de kop zal opsteken. Dat is geen mogelijkheid, maar een zekerheid.

Wat enkele weken geleden is gebeurd, is een zoveelste wake-upcall dat het jihadisme niet is verdwenen uit onze samenleving. Er zullen nog meer wake-upcalls volgen. Het gaat mijn petje nog steeds te boven hoe sommigen de dreiging van het islamitisch terrorisme tot op vandaag blijven ontkennen omdat het niet in hun politiek kraam past. Het feit dat wij in West-Europa ondertussen al decennialang de ene na de andere terroristische aanslag te verduren krijgen, dat we leven onder een constante dreiging van jihadistische aanslagen is onlosmakelijk verbonden met de al even lange, ongecontroleerde en ongevraagde migratiestromen die wij decennialang over ons heen krijgen. Dat is de olifant in de kamer. Dat weet iedereen en dat is de reden waarom sommigen ervoor kiezen om in deze dossiers weg te kijken.

Dat is ook de reden waarom zowel u als al uw voorgangers van cd&v- en Open Vld-signatuur blijven weigeren om de herkomst op te nemen in de criminaliteitscijfers. Dat opnemen zou heel veel duidelijk maken. Het is een kwestie van data. We zien nu opnieuw dat het gaat om personen van Tsjetsjeense origine. U zegt dat ze de Belgische nationaliteit hebben, maar het is belangrijk om te weten waar die dreiging vandaan komt. Dat maakt heel veel duidelijk.

Het probleem kunnen en willen benoemen, is een eerste stap. Daarover zijn we het eens, maar we kunnen spreken over een saladbar-ideologie en saladbar-radicalisering, maar dat neemt niet weg dat de kern van de dreiging wel degelijk jihadistisch blijft. Of dat jihadisme nu invulling X of Y krijgt of dat daar iets aan wordt toegevoegd uit een andere ideologie, dat maakt in se weinig uit, want het fundament van de dreiging blijft hetzelfde. Dat blijft jihadisme.

De aard van die dreiging en van dat terrorisme zorgt er ook voor dat dat de grootste bedreiging in onze samenleving blijft. Jihadisme is een strijd tegen alles waar onze samenleving voor staat. De jihadisten willen niet alleen de premier of de burgemeester van Antwerpen uit de weg ruimen, ze willen de fundamenten van onze samenleving vernietigen. Daar is het jihadisme op uit, haat voor alles waar wij en onze samenleving voor staan. Jihadisme maakt daarin geen onderscheid.

Ik bedank opnieuw oprecht onze inlichtingen- en veiligheidsdiensten, want dankzij hen is veel erger voorkomen en zijn mensenlevens gespaard gebleven. De verijdelde aanslag heeft het belang van hun werk nogmaals in de verf gezet, maar de vraag is natuurlijk ook of zij het toenemend aantal terreurdossiers – 82 dossiers dit jaar alleen al – zullen kunnen blijven bolwerken. Ik vrees dat het gebrek aan aandacht en middelen van deze regering voor onze binnenlandse veiligheid niet zonder gevolgen zal blijven.

Ik zal een motie van aanbeveling indienen, waarin we u oproepen om bij hoogdringendheid een actieplan te ontwikkelen tegen de aanhoudende terreurdreiging en niet blind te zijn voor het feit dat die terreurdreiging uit islamitische hoek afkomstig is, om het probleem van radicalisering in de gevangenissen aan te pakken, om werk te maken van een aparte detentiefaciliteit voor terrorismeverdachten en -veroordeelden en tot slot om eindelijk werk te maken van het incorporeren van data over de herkomst van daders in de criminaliteitscijfers, zoals dat in andere landen mogelijk is.

Sophie De Wit:

Mevrouw de minister, dank voor uw antwoord. Ik werd meegenomen in een verhaal dat enigszins – niet helemaal – anders was dan mijn originele vraag. Niet al mijn vragen werden dus beantwoord, maar ik zal die op een ander ogenblik herhalen.

Moties

Motions

Voorzitter:

Tot besluit van deze bespreking werden volgende moties ingediend. En conclusion de cette discussion, les motions suivantes ont été déposées. Een motie van aanbeveling werd ingediend door de heer Alexander Van Hoecke en luidt als volgt: "De Kamer, gehoord de interpellatie van de heer Alexander Van Hoecke en het antwoord van de minister van Justitie, belast met de Noordzee, vraagt de federale regering: - bij hoogdringendheid een actieplan te ontwikkelen tegen de aanhoudende terreurdreiging vanuit islamitische hoek in dit land; - het probleem van radicalisering in de gevangenissen aan te pakken; - werk te maken van aparte detentiefaciliteit voor terrorismeverdachten en -veroordeelden; - werk te maken van het incorporeren van data over de herkomst van daders in de criminaliteitscijfers. " Une motion de recommandation a été déposée par M. Alexander Van Hoecke et est libellée comme suit: " La Chambre, ayant entendu l'interpellation de M. Alexander Van Hoecke et la réponse de la ministre de la Justice, chargée de la Mer du Nord, demande au gouvernement fédéral: - d'élaborer d'urgence un plan d'action pour lutter contre la menace terroriste persistante provenant du milieu islamiste dans ce pays; - de s'attaquer au problème que constitue la radicalisation en prison; - de s'atteler à la création d'une structure de détention séparée pour les personnes suspectées de terrorisme ou condamnées pour terrorisme; - de veiller à l'intégration des données relatives à l'origine des auteurs dans les statistiques en matière de criminalité. " Een eenvoudige motie werd ingediend door mevrouw Phaedra Van Keymolen. Une motion pure et simple a été déposée par Mme Phaedra Van Keymolen . Over de moties zal later worden gestemd. De bespreking is gesloten. Le vote sur les motions aura lieu ultérieurement. La discussion est close.

De bezorgdheid v.h. Federaal Instituut voor de Rechten van de Mens over de staat van de rechtsstaat
Het verslag 2025 van het Federaal Instituut voor de Rechten van de Mens (FIRM) over de rechtsstaat
Het verslag van het FIRM en het niet uitvoeren van rechterlijke beslissingen
Het verslag van het FIRM en de onderfinanciering van de justitie
Bezorgdheden en verslagen van het FIRM over de rechtsstaat en justitie

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 12 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Het jaarlijks rapport van het Federaal Instituut voor de Mensenrechten (FIRM) waarschuwt voor een structurele erosie van de rechtsstaat in België, met name door overbevolkte gevangenissen, niet-uitvoering van vonnissen (bv. asielopvang), chronisch onderfinancierde rechtbanken en gerechtelijke achterstand, wat het vertrouwen in justitie ondermijnt. Minister Verlinden erkent de problemen en verwijst naar lopende projecten (digitalisering, alternatieve geschillenbeslechting, extra rekrutering), maar wijst sancties af en benadrukt dat structurele oplossingen (budget, efficiëntie) prioriteit hebben—concrete maatregelen volgen later via expertgroepen. Kritiek blijft dat België te weinig investeert (0,22% BBP vs. EU-gemiddelde) en herhaaldelijk wordt veroordeeld (bv. door EVRM) voor trage procedures, terwijl 59% van de burgers wantrouwt dat overheden vonnissen respecteren. De kernvraag—of de regering de diagnose van FIRM deelt en prioriteiten stelt—blijft onbeantwoord; actie hangt af van toekomstige budgettaire keuzes en langetermijnhervormingen.

Alain Yzermans:

Het Mensenrechteninstituut publiceert jaarlijks rapporten. We zullen daarover volgende week een toelichting ontvangen. Telkens valt op dat het respecteren en het schenden van de mensenrechten een actueel thema blijft, met name rond de overbevolking in de gevangenissen. Dat ondermijnt volgens het instituut het vertrouwen in Justitie en legt een hypotheek op lange termijn. Ik wil dat toch even onderstrepen.

Hoe gaat u met dat rapport om? Zult u werk maken van de 30 aanbevelingen die erin staan?

Aurore Tourneur:

Madame la ministre, comme vient de le préciser mon collègue, l'Institut Fédéral des Droits Humains (IFDH) vient de publier son rapport annuel. Ce rapport vise à nous sensibiliser aux défis structurels en la matière. D'après ce qui en ressort, une érosion insidieuse de l'État de droit a lieu dans notre pays. L'IFDH pointe notamment des enjeux qui relèvent de vos compétences, à savoir un manque chronique de moyens, une persistance de l'arriéré judiciaire, la non-exécution des décisions de justice et, ce dont nous avons longuement parlé, la surpopulation carcérale.

L'accord de gouvernement et votre note de politique générale reconnaissent explicitement l'importance de l'État de droit, mais l'IFDH nous demande d'aller plus loin en adoptant des mesures concrètes. Vous le savez, pour notre groupe, il est vraiment fondamental de tout mettre en œuvre pour veiller à garantir l'État de droit dans notre pays.

Il y a quelques semaines, en séance plénière, en répondant au collègue De Smet, vous avez eu l'occasion de détailler une série de mesures concrètes, que vous entendiez prendre pour répondre à ces défis. Sincèrement, nous les saluons.

Mais au-delà des mesures concrètes déjà évoquées, ma question porte aujourd'hui surtout sur votre diagnostic de fond de l'État de droit. Partagez-vous ce constat global de l'IFDH quant à l'érosion de l'État de droit en Belgique? Le rapport identifie de nombreux défis. Face à l'ampleur de la tâche et aux contraintes budgétaires que nous connaissons actuellement, quelles sont, selon vous, les défis le plus importants et les points essentiels qui doivent être traités en priorité?

Sarah Schlitz:

Monsieur le président, je m'en réfère à mes questions écrites.

Madame la ministre, l'Institut fédéral des droits humains consacre une large partie de son rapport 2025 à la dégradation structurelle de l'État de droit en Belgique, en particulier dans le domaine de la justice. Trois points, qui relèvent de vos compétences, méritent une attention prioritaire: la non-exécution des décisions de justice, l'arriéré judiciaire et le sous-financement chronique du système judiciaire.

En ce qui concerne le premier point, le rapport constate que "la non-exécution des décisions de justice par les autorités est, en Belgique, un problème sérieux (…) touchant aux principes fondamentaux de l'État de droit". L'IFDH rappelle qu'en dépit de plus de 10 000 jugements ordonnant à l'État fédéral de garantir un accueil digne aux demandeurs d'asile, ces décisions ne sont toujours pas respectées. Il souligne que ce manquement mine la séparation des pouvoirs et sape la confiance des citoyens dans les institutions. 59 % des belges interrogés ont déclaré être d'accord avec l'affirmation selon laquelle "il est fréquent que les instances publiques et les décideurs politiques ne respectent pas les décisions de justice et ne les mettent pas en œuvre."

Dès lors, mes questions sont les suivantes:

- Quels enseignements le Gouvernement entend-il tirer de ce rapport afin de corriger les graves manquements qu'il révèle?

- Quelles mesures votre ministère compte-t-il prendre pour garantir que les jugements rendus contre l'État belge soient effectivement exécutés dans des délais raisonnables?

- Envisagez-vous d'instaurer des sanctions ou des mécanismes de suivi lorsque l'administration ne respecte pas un jugement exécutoire et/ ou persiste à ne pas le respecter?

- Enfin, le rapport de l'IFDH recommande d'inscrire dans la loi des garanties concernant l'état de droit et les droits humains. Envisagez-vous de légiférer en ce sens?

Madame la ministre, l'Institut fédéral des droits humains consacre une large partie de son rapport 2025 à la dégradation structurelle de l'État de droit en Belgique, en particulier dans le domaine de la justice. Trois points qui relèvent de vos compétences méritent une attention prioritaire: la non-exécution des décisions de justice, l'arriéré judiciaire et le sous-financement chronique du système judiciaire.

Sur ce deuxième point, l'IFDH relève que "la durée excessive de certaines procédures judiciaires est, depuis des années, un problème structurel". En 2023, la Belgique a même été condamnée par la Cour européenne des droits de l'homme parce que les recours destinés à indemniser les victimes de procédures trop longues étaient eux-mêmes excessivement lents. Le Comité des ministres du Conseil de l'Europe a exhorté la Belgique à dresser une cartographie complète de l'arriéré judiciaire et à doter les juridictions les plus surchargées de moyens supplémentaires.

Le rapport dénonce un "manque chronique de moyens" au sein de la justice belge. La Belgique consacre seulement 0,22 % de son PIB à la justice, contre une médiane européenne de 0,28 %. Ce sous-financement se traduit concrètement par des palais de justice délabrés, des greffiers manquants, des interprètes impayés et des dossiers judiciaires détruits faute d'entretien des archives. L'IFDH estime que ce manque de ressources "mine les fondements mêmes de l'État de droit".

Ces constats appellent des réponses politiques claires et structurelles de la part de votre gouvernement, tant en matière de respect de l'autorité judiciaire que d'accès effectif à une justice indépendante, efficace et correctement financée.

Voici mes questions:

- Où en est la réalisation de cette cartographie de l'arriéré judiciaire?

- Quelles actions concrètes ont été entreprises pour réduire les délais de traitement des affaires civiles et pénales, en particulier dans les juridictions les plus engorgées?

- La réforme du Collège des cours et tribunaux pourrait-elle prévoir une analyse différenciée des délais selon les arrondissements, afin de cibler les moyens là où les besoins sont les plus urgents?

- Quelles demandes avez-vous formulées dans le cadre des négociations budgétaires 2026 pour renforcer les moyens humains et matériels de la justice?

- Garantissez-vous que ces moyens accrus ne soient pas conditionnés à des critères de performance définis par l'exécutif, afin de préserver l'indépendance du pouvoir judiciaire?

Annelies Verlinden:

Ik verwijs vooreerst naar het antwoord op een gelijkaardige vraag van de heer De Smet tijdens de plenaire vergadering van 16 oktober 2025. Het FIRM is als onafhankelijke openbare instelling bijzonder belangrijk voor de bescherming en bevordering van de grondrechten in België. De aanbevelingen van het Instituut zullen zorgvuldig worden onderzocht en sommige daarvan komen overeen met de aanbevelingen in het hoofdstuk over België in het verslag van de Commissie van 2025 over de rechtsstaat. Er zal worden nagedacht over de praktische mogelijkheden om de aanbevelingen die betrekking hebben op Justitie uit te voeren. Voor veel van die punten zijn al projecten lopende. Dat geldt bijvoorbeeld voor het wegwerken van de gerechtelijke achterstand, het omzetten van de anti-SLAPP-richtlijn en de overbevolking in de gevangenissen,.

Voorzitster: Kristien Van Vaerenbergh.

Présidente: Kristien Van Vaerenbergh.

Concernant l'arriéré judiciaire, des actions concrètes sont entreprises et mises en œuvre par divers acteurs dans plusieurs domaines, dont le recours aux modes alternatifs de règlements de litiges, la numérisation de la justice, la revalorisation de la fonction des magistrats et de fonctions associées à la bonne administration de la justice ou encore le recrutement des magistrats et du personnel de soutien.

Enfin, les sanctions ne me semblent pas appropriées pour l'administration. La question n'est pas tant de renforcer les sanctions, les mécanismes de suivi ou les garanties concernant l'état de droit. La difficulté réside plutôt dans l'allocation et la mise en œuvre des moyens nécessaires au respect des jugements rendus contre l'État dans un délai raisonnable, ce à quoi nous travaillons quotidiennement.

La réflexion menée au sein de mon administration en vue d'accélérer les procédures judiciaires, civiles et pénales et ainsi de lutter contre l'arriéré judiciaire se poursuit activement. Elle est alimentée par les propositions du terrain et l'intention est ensuite de travailler avec un groupe d'experts. Il s'agit d'un travail de longue haleine et, outre les mesures déjà identifiées dans l'accord de gouvernement, il n'est pas encore possible à ce stade de dresser une liste exhaustive des mesures envisageables.

Aurore Tourneur:

Merci madame la ministre. Pour les Engagés, l'État de droit constitue le socle de notre société démocratique. C'est la garantie du respect des droits humains, du respect du bon fonctionnement de la justice et de la confiance – qui nous semble essentielle – que les citoyens doivent avoir envers les autorités.

Sarah Schlitz:

Je n'ai rien à ajouter.

Het zoveelste gewelddadige incident in de drugsvrije afdeling van de gevangenis van Hasselt

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 12 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De overbevolking (142% capaciteit), drugproblematiek en personeelstekort (41 vacatures) in de gevangenis van Hasselt leiden tot geweld en onveiligheid, met zes gewonden in één maand. Verlinden kondigt aan: verplichte drugstesten, bijgewerkte opleidingen over nieuwe drugs, inzet van speurhonden en detectietechnologie, plus uitbreiding van drugsbehandelingstrajecten (2026) en kortetermijnoplossingen zoals 12 actieve camera’s en 50 extra—terwijl het zwakstroomdossier nog loopt. Personeelstekorten worden aangepakt via rekrutering (tot 2026) en mutaties, met extra begeleiding voor slachtoffers van agressie. Yzermans benadrukt de nood aan een taskforce tegen de "narcostaat" in gevangenissen, strengere controles (speurhonden) en verplichte, gespecialiseerde hulpverleningstrajecten om drugsvrije afdelingen daadwerkelijk clean te houden.

Alain Yzermans:

De feiten zijn al uitvoerig in de media besproken, maar toch vind ik het belangrijk om nog even te onderstrepen wat mogelijke oplossingen kunnen zijn met betrekking tot de overbevolking in Hasselt. Op dit moment zitten we aan meer dan 142 % van de capaciteit. De geestelijke gezondheid van de gedetineerden, de overbevolking en de aanwezigheid van drugs zijn drie elementen die zorgen voor een gewelddadige cocktail. Verdovende middelen veroorzaken agressie en ondermijnen de veiligheid van het personeel. Alarmerend is dat er in één maand tijd minstens zes mensen bij incidenten gewond raakten. Mijn vragen zijn dan ook zeer pertinent.

Welke maatregelen hebt u heel specifiek genomen? Uit de situatie blijkt dat er een acute onderbezetting van het personeel in Hasselt is, waar het kader niet eens volledig is ingevuld. Er is momenteel een tekort van 41 personeelsleden ten opzichte van het kader. Daar moet dringend aan gewerkt worden en de vraag is op welke manier u dat wilt aanpakken.

Tot slot wil ik nog een vraag toevoegen aan het dossier, met name over Hasselt. Hoe staat het met het zwakstroomdossier dat inmiddels al meer dan een jaar loopt? Dat dossier moet bijdragen tot meer veiligheid in de algemene toestand van de gevangenis van Hasselt.

Annelies Verlinden:

Gedetineerden die op de drugsvrije afdeling verblijven, worden onderworpen aan drugstesten als onderdeel van het regime op die afdeling. Naast de drugstesten volgen de gedetineerden een drugsbehandeling. De nieuwe psychoactieve substanties die op de markt komen, zijn echter niet altijd detecteerbaar door middel van drugstesten. Dit incident maakt ons er nog sterker van bewust dat een hoge aandacht en alertheid onder het personeel nodig zijn om de eerste symptomen van dergelijk gedrag te herkennen, teneinde erger te voorkomen.

Kennis van deze nieuwe drugs is dan ook onontbeerlijk voor het personeel. Daarom voorzien we een actualisatie van de opleidingsmodule drugs, zowel in de basisopleiding als in de voortgezette opleidingen. De opleidingsmodule wordt ontwikkeld door het DG EPI samen met het Trimbos-instituut en de dienst Justitiële Inrichtingen in Nederland, aangezien zij recent hun opleiding hebben afgestemd op deze problematiek. De strijd tegen het gebruik van verboden middelen binnen penitentiaire inrichtingen kent verschillende aspecten en benaderingswijzen.

Wat betreft het repressieve luik bestaat er sinds meerdere jaren een protocolakkoord tussen het DG EPI en de directie Hondensteun van de federale politie. De lokale directies kunnen een beroep doen op hen om controles uit te voeren met speurhonden. Daarnaast beschikt het operationele team van de directie Integrale Veiligheid over detectiesystemen die sporen van illegale stoffen op voorwerpen en oppervlakken kunnen opsporen. Het operationele team kan eveneens tussenkomen op verzoek van lokale directies. Met deze drugsdetectie heeft het DG EPI bijzondere aandacht voor de nieuwe substanties op de markt. Ik verwijs ook naar het wetsontwerp tot invoering van verplichte drugstesten dat in deze commissie werd besproken.

Op het vlak van hulpverlening en behandeling van drugsgebruikers verwijzen we naar de projecten drugs en detentie van de FOD Volksgezondheid in samenwerking met het DG EPI, die in 2026 nog verder zullen worden uitgebreid naar andere inrichtingen. Nochtans is de gevangenis van Hasselt een van de eerste inrichtingen die een drugsvrije afdeling en een drugsbehandelingstraject hebben uitgerold. Een dergelijk ernstig incident bevestigt de nood aan meer drugstesten en aan een duurzame investering in een behandeling die niet vrijblijvend is, maar strikt moet worden opgevolgd.

In dit verband verwijzen we naar het lopende project Installatie van geweldloze cultuur , waar personeelsleden leren omgaan met concrete situaties op de werkvloer om agressie-incidenten te voorkomen. In overleg met de opdrachtnemer gaat er als concrete maatregel op korte termijn binnen de lopende opleiding bijzondere aandacht naar de eerste symptomen van agressief gedrag als gevolg van drugsgebruik en naar de tijdige detectie ervan. In Hasselt vindt dit plaats op 11 december.

Om de personeelstekorten in de gevangenis van Hasselt aan te pakken, werd op 27 maart een rekruteringsprocedure afgerond. De indiensttredingen lopen nog tot en met begin 2026. Daarnaast zal dit najaar nog een mutatiebeweging worden voorzien. Nadien zullen de resterende vacante posten opnieuw worden opengesteld, hetzij voor instroom, hetzij voor statutarisering , volgens de noden en in overeenstemming met de afspraken die in het protocol zijn vastgelegd.

Ten aanzien van de personeelsleden die het slachtoffer werden van incidenten en agressie worden maatregelen genomen om hen beter te begeleiden. Dat gebeurt ten eerste door middel van opvangteams, ten tweede door een interventie van de sociale dienst en ten slotte via psychologische begeleiding door een externe partner.

Dan kom ik aan uw vraag over het zwakstroomdossier. Dit dossier doorloopt momenteel de nodige administratieve wegen ten behoeve van de aanvaarding van de budgetten voor het gekoppelde onderhoudscontract. De 12 camera’s die de meest kritische plaatsen behandelen, zijn geleverd, geïnstalleerd en actief.

Bovendien zal een dossier worden bestudeerd om nog ongeveer 50 camera’s opnieuw in dienst te stellen, om in afwachting van een gefinaliseerd zwakstroomdossier zoveel mogelijk beelden te kunnen recupereren. De budgetten daarvoor zullen worden voorzien.

Alain Yzermans:

Het verheugt mij dat u alert reageert met betrekking tot de camera’s en dat u extra camera’s zult voorzien, waardoor de veiligheid in de gevangenis beter kan worden gegarandeerd. Drugs vormen een groot probleem in de gevangenissen. De narcostaat in de gevangenissen groeit. Ik pleitte vroeger al om dit via een bijzondere werkgroep of taskforce te bekijken, aangezien de aansturing van de narcobuitenwereld ook van binnenuit gebeurt. Daarom is het van groot belang dat de drugsvrije afdelingen daadwerkelijk drugsvrij blijven. Een korte opvolging en regelmatige controles zijn noodzakelijk, inderdaad met speurhonden. Er moeten controles gebeuren, maar gespecialiseerde trajecten van drugshulpverlening voor de patiënten, in dit geval gedetineerden, zijn eveneens wenselijk. .

De nood aan meer jeugdrechters ten gevolge van de stijgende jeugdcriminaliteit
De structurele aanpak van de werklast bij de jeugdrechtbanken
Toename en aanpak van jeugdcriminaliteit en werklast jeugdrechtbanken

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 12 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De stijgende jeugdcriminaliteit (meer geweld-, wapen- en drugsdelicten, complexere dossiers en betrokkenheid van meisjes) zorgt voor overbelaste jeugdrechtbanken, met tot 500+ dossiers per rechter (terwijl 400 het maximum zou moeten zijn), wat kwalitatieve rechtsbedeling ondermijnt. Minister Verlinden erkent het probleem, wijst op preventie en samenwerking met andere overheden, en kondigt een wetsontwerp voor zwaardere straffen voor criminele netwerken aan, maar concrete oplossingen (zoals extra rechters) blijven trage werkelijkheid door budgettaire beperkingen en vertraging in de omzetting van werklastmetingen (februari-rapport nog niet uitgevoerd). Antwerpen en Limburg hebben dringend 6 extra jeugdrechters nodig, terwijl Halle-Vilvoorde kampen met gelijkaardige druk—maar structurele maatregelen (zoals herverdeling van 17 magistratenplaatsen) blijven uit op follow-up. De oppositie dringt aan op snellere actie, maar de minister verwijst naar lopende budgetten (21 miljoen euro) en toekomstige KB’s zonder duidelijke timing.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, het is hier vandaag al verschillende keren aan bod gekomen, maar er is een duidelijk stijgende trend in de jeugdcriminaliteit, vooral zichtbaar in een toename van het aantal jeugdige verdachten sinds 2021 en een stijging van het aantal jongeren in gesloten instellingen. Er is ook een sterke toename van wapen- en gewelddelicten en van drugsgerelateerde feiten.

Daarnaast is er een toename van het aantal minderjarige meisjes die verdacht worden van misdrijven. Uit het jaarrapport van de federale politie blijkt tevens een aanzienlijke stijging van minderjarigen die betrokken zijn bij zware en zeer zware dossiers. Er is echter niet alleen een stijging in de strafdossiers, er is helaas ook een toename van familiaal gerelateerde dossiers. Verder wordt vastgesteld dat de dossiers steeds complexer worden.

Dit heeft uiteraard gevolgen voor de werkdruk van de jeugdrechtbanken, die aanzienlijk is gestegen. Helaas zijn er onvoldoende jeugdrechters per gerechtelijk arrondissement, wat tot gevolg heeft dat zij onvoldoende tijd hebben. Er zijn dringend meer jeugdrechters nodig.

Ook in de 100 voorstellen onder de noemer "Vijf voor twaalf voor Justitie", opgesteld door de korpsoversten van de zetel en het openbaar ministerie Antwerpen-Limburg, wordt deze problematiek aangekaart. Een maximum van 400 jongeren per jeugdrechter is nodig voor een kwalitatieve rechtsbedeling en -opvolging.

De facto tellen de kabinetten vandaag echter ruim meer dan 500 minderjarigen per jeugdrechter, waardoor zij onvoldoende tijd hebben. Instellingsbezoeken zijn daardoor bijvoorbeeld vaak onmogelijk. Zo heeft de rechtbank van eerste aanleg van Antwerpen vier extra jeugdrechters nodig – uiteraard met bijkomende griffiers en ondersteunend personeel – en de rechtbank in Limburg twee.

Ik neem aan dat u op de hoogte bent van de ernst van deze problematiek. Werd er een initiatief genomen om dit probleem op het terrein te onderzoeken per gerechtelijk arrondissement? De cijfers die ik zojuist heb gegeven, betreffen Antwerpen en Limburg. Zo ja, wat zijn de resultaten? Zo niet, wordt dat onderzoek nog gepland?

Daarnaast hebben de korpsoversten van de zetel en het openbaar ministerie Antwerpen-Limburg inmiddels duidelijk aan de alarmbel getrokken en vragen zij onmiddellijke actie. Bent u bereid reeds een aantal initiatieven te nemen om met hoogdringendheid meer jeugdrechters te voorzien, zodat elke jeugdrechter voldoende tijd heeft voor de behandeling van elk dossier – en dat in het belang van een kwalitatieve rechtsbedeling?

Kristien Van Vaerenbergh:

Ik verwijs naar mijn tekst zoals ingediend.

De stijgende jeugdcriminaliteit en de toenemende complexiteit van dossiers zorgen voor een aanzienlijke werkdruk bij de jeugdrechtbanken. In meerdere arrondissementen ligt het aantal dossiers per jeugdrechter ver boven de aanbevolen norm, waardoor de kwaliteit van de rechtsbedeling onder druk komt te staan. Deze problematiek werd recent opnieuw benadrukt in de honderd stellingen die door de korpsoversten van de zetel en het openbaar ministerie Antwerpen-Limburg ook aan u werden overgemaakt, in het kader van de protestacties van magistraten eerder deze maand. Hierin wordt expliciet gewezen op het feit dat een jeugdrechter een maximum aantal jongeren zou mogen opvolgen om kwalitatief werk te kunnen leveren, terwijl dat maximum in de praktijk systematisch wordt overschreden. Dit leidt niet tot een efficiëntere of transparantere werking, maar eerder tot een tekort aan gerechtigheid: personeel raakt overbelast, jongeren die delicten plegen krijgen minder opvolging, grondige bezoeken aan instellingen en bemiddeling worden bijzaak. Verschillende jeugdrechtbanken in diverse arrondissementen roepen dan ook, volstrekt begrijpelijk, om versterking.

Mijn vragen:

Hoe staat u tegenover de werklastmeting binnen de jeugdrechtbanken?

Worden de cijfers die betrekking hebben op de tekorten systematisch opgevolgd en gebruikt bij de toewijzing van magistraten binnen de gerechtelijke arrondissementen?

Overweegt u om, in het kader van de hervorming van de rechterlijke orde, structurele maatregelen te nemen om de werklast evenwichtiger te verdelen en overbelasting op het terrein te vermijden?

Tot slot, kunt u een overzicht geven van de huidige stand van zaken in het Brussels gerechtelijk arrondissement Halle-Vilvoorde met haar snelgroeiende bevolking en waar de druk op de jeugdrechters en de parketten al enige tijd bijzonder hoog is ?

Annelies Verlinden:

Mevrouw Dillen, mevrouw Van Vaerenbergh, ik ben mij volledig bewust van de toename van het aantal zaken van jeugddelinquentie en van de moeilijkheden die ontstaan door het gebrek aan jeugdrechters om die zaken te behandelen. Die kwesties staan al lange tijd centraal. Ik heb ze aan de orde gesteld in verschillende recente politieke verklaringen en heb daarbij ook maatregelen aangekondigd om ze aan te pakken.

Er zijn veel verklaringen voor de toename van jeugddelinquentie, zoals schooluitval en uitbuiting van minderjarigen door criminele bendes. Ik stel bovendien vast dat jeugdrechters niet altijd adequaat kunnen reageren, onder meer wegens tijdsgebrek, en soms gedwongen zijn om jongeren vrij te laten bij gebrek aan plaatsen in de gesloten instellingen van de gemeenschappen. Aan het begin van het gerechtelijk jaar, op 1 september, heb ik gewezen op de grote uitdagingen inzake jeugddelinquentie, in het bijzonder de uitbuiting van minderjarigen door criminele drugbendes. Ik leg momenteel de laatste hand aan een wetsontwerp dat spoedig in het Parlement zal worden ingediend en dat voorziet in zwaardere straffen voor de leiders van die netwerken.

Tegelijk wil ik aandringen op het inzetten van preventieve maatregelen, want jeugddelinquentie is een maatschappelijk probleem dat niet alleen door Justitie kan worden opgelost. Justitie bevindt zich aan het einde van de keten. We moeten met alle partners, op federaal, gemeenschaps- en gewestniveau, samenwerken om dat probleem aan te pakken.

De werklastmeting behoort tot de bevoegdheid van het College van het openbaar ministerie en het College van de hoven en rechtbanken voor de hoven en rechtbanken. De resultaten van een eerste tijdsbestedingsonderzoek leveren al waardevolle informatie op over de verdeling van de werklast. Dat rapport werd uitgebracht in februari 2024 en is beschikbaar op de website. De resultaten worden gebruikt om, op eensluidend advies van het College, een koninklijk besluit voor te bereiden overeenkomstig artikel 186 van het Gerechtelijk Wetboek. Het gaat om de verschuiving van zeventien plaatsen van magistraten. Die verschuiving, die de resultaten van het rapport volgt, is voornamelijk bedoeld om de rechtbanken van eerste aanleg bijkomend te versterken.

De toewijzing van materies aan magistraten binnen een entiteit behoort tot de bevoegdheid van de korpschef.

De resultaten van de werklastmeting van het openbaar ministerie zullen de komende maanden worden voorgelegd, zo werd mij intussen bevestigd.

Daarnaast werd in het kader van het hefboomplan een budget van 21 miljoen euro toegewezen aan de rechterlijke orde, waarvan 12 miljoen euro aan de hoven en rechtbanken. Met dat budget kunnen meer rechters, raadsheren en ondersteunend personeel worden aangeworven om de afgesproken doelen te behalen. We begrijpen dat meer nodig zal zijn om aan alle noden binnen justitie te voldoen. Daarom is er ook de meervraag.

Mevrouw Van Vaerenbergh, voor de vraag met betrekking tot de situatie in het gerechtelijk arrondissement Halle-Vilvoorde, verwijs ik naar het uitvoerige antwoord dat ik al heb gegeven op uw vraag nr. 8791.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord.

Bewustzijn is één zaak, maar handelen en kordaat aanpakken, is nog iets anders. Ik vrees dat u ook hier weer zult stoten op het budgettair probleem waarmee justitie kampt. Daarover hebben we het daarstraks al uitvoerig gehad.

U spreekt over de resultaten van de werklastmeting die in februari 2024 zijn voorgesteld. Ik vind het onbegrijpelijk dat men nog steeds bezig is met de voorbereidingen om dat KB in de praktijk om te zetten. Wanneer verwacht u daarvan de resultaten?

Kristien Van Vaerenbergh:

Mevrouw de minister, dank u voor uw antwoord. We kijken inderdaad uit naar het ontwerp dat u eerstdaags in het Parlement zult indienen en het KB dat gevolg moet geven aan de werklastmeting. We wachten immers al zeer lang op het in de praktijk brengen van de resultaten van die werklastmeting, zodat die middelen op een goede manier kunnen worden ingezet.

De ontsnapping van geïnterneerde Rutger Van den Brande
De ontsnapping van een geïnterneerde op de parking van het FPC te Gent
De veiligheid in het FPC van Gent en de interneringen
De nieuwe ontsnapping van twee gevaarlijke geïnterneerden uit het FPC Gent
Een nieuwe ontsnapping van twee gedetineerden uit het FPC Gent
De ontsnappingen uit het FPC van Gent
Ontsnappingen en veiligheid in het FPC Gent

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 12 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om ernstige veiligheidslekken in Forensisch Psychiatrische Centra (FPC’s), met name in FPC Gent, na drie ontsnappingen van hoogrisicogeïnterneerden (waaronder een dader met zware geweldsfeiten) binnen twee weken. Kritieke punten: falende risicotaxatie (bijv. begeleiding door één medewerker zonder politie), slechte slachtoffercommunicatie (niet-geïnformeerd slachtoffer geconfronteerd met dader), en structurele tekortkomingen zoals ontoereikende beveiliging (ontsnapping via verlichtingspaal) en coördinatieproblemen tussen FPC, KBM, parket en politie. Minister Verlinden bevestigt onderzoeken en aanpassingen, maar wijst veel verantwoordelijkheid toe aan Volksgezondheid (FPC-beheer), terwijl parlementariërs strengere protocollen, betere risicobeoordeling en verplichte slachtofferinformatie eisen.

Sophie De Wit:

Mevrouw de minister, ik verwijs naar mijn beide schriftelijke vragen.

Geachte minister,

De recente ontsnapping van de geïnterneerde Rutger Van den Brande roept ernstige vragen op over de veiligheidsprocedures bij uitgaansvergunningen en de bescherming van slachtoffers binnen het interneringsstelsel. Hij kreeg van de KBM een uitgaansvergunning om donderdag een zitting over schadevergoeding bij te wonen, maar kon tijdens zijn terugkeer aan het FPC Gent ontsnappen. Er was hierbij begeleiding door slechts 1 medewerker van het FPC en geen politiebegeleiding.

Tijdens de zitting werd het slachtoffer plots geconfronteerd met haar dader, zonder vooraf verwittigd te zijn. Volgens het parket waren de nodige formulieren bij de dienst Slachtofferonthaal voor de voorafgaandelijke verwittiging niet ingevuld. Haar advocaat verklaarde die documenten nooit te hebben gezien. Na de ontsnapping werd het slachtoffer naar een veilige locatie gebracht en de federale politie zette de man zelfs op de nationale Most Wanted-lijst.

Hoewel de betrokkene intussen gelukkig opnieuw is opgepakt, legt deze zaak fundamentele tekortkomingen bloot in de veiligheidsbeoordeling bij uitgaansvergunningen, de coördinatie tussen FPC, parket en KBM en de informatie aan slachtoffers.

Mijn vragen:

Hoe evalueert u de gang van zaken rond deze ontsnapping en arrestatie? Werd al een interne evaluatie opgestart binnen Justitie, het FPC Gent en de KBM om fouten in de veiligheidsprocedure te identificeren?

Hoe kan het dat het slachtoffer niet vooraf werd verwittigd van de aanwezigheid van haar dader. Welke maatregelen neemt u om dergelijke administratieve fouten bij slachtofferregistratie te voorkomen?

Wat was het actuele statuut van de betrokkene? Werden eerder vrijheidsuitbreidingen toegestaan, en zo ja, op welke gronden en met welke veiligheidsvoorwaarden?

Kwam de KBM tussen bij elke vrijheidsuitbreiding of enkel bij deze uitgaansvergunning? Acht u de bevoegdheidsverdeling tussen KBM, FPC en parket voldoende duidelijk?

Wie bepaalde de aard van de uitgaansvergunning en de begeleidingsgraad? Was dat in lijn met het risicoprofiel en de drie interneringsmaatregelen? Waarom was er geen politiebegeleiding en acht u structurele politiebegeleiding wenselijk bij geïnterneerden met een hoog risicoprofiel?

Hoe verklaart u dat iemand die later op de nationale Most Wanted-lijst kwam en als gevaarlijk geldt, voordien als ‘veilig genoeg’ werd ingeschat voor een dagpas? Worden risicobeoordelingen geëvalueerd na incidenten?

Acht u het aangewezen om zittingen van de KBM voortaan binnen het FPC te organiseren bij geïnterneerden met een hoog risicoprofiel, om kosten en veiligheidsrisico’s te beperken?

Geachte minister,

Nog geen twee weken na de ontsnapping van de geïnterneerde Rutger Van den Brande zijn opnieuw twee geïnterneerden, Jason D. en Wesley H., uit het FPC Gent ontsnapt. Beiden werden later opgepakt in Blankenberge, maar de feiten roepen ernstige vragen op over de veiligheid en risicobeoordeling binnen het FPC Gent en onze FPC’s in het algemeen.

Het gaat opnieuw om twee gevaarlijke geïnterneerden die wegens zware geweldsdelicten werden opgesloten en onmiddellijk op de nationale Most Wanted-lijst werden geplaatst. Eén van hen, Wesley H., ontsnapte eerder al in 2010, pleegde toen nieuwe geweldfeiten en werd nadien opnieuw geïnterneerd. Dat iemand met zo’n voorgeschiedenis vandaag opnieuw kon ontkomen, maakt dit incident des te verontrustender en wijst op mogelijke structurele tekortkomingen in het risicobeheer binnen de FPC’s.

Ik heb volgende vragen voor u:

Hoe verklaart u dat zich in Gent op twee weken tijd al twee ontsnappingsincidenten met gevaarlijke geïnterneerden hebben voorgedaan, één tijdens een begeleide terugkeer en één vanuit het centrum zelf waarbij zelfs twee personen tegelijk konden ontkomen, onder wie iemand tijdens een eerdere interneringsperiode al eens wist te ontsnappen? Werd intussen een interne of externe veiligheidsaudit opgestart om de oorzaken te onderzoeken?

Wat was het actuele statuut van deze hoogrisicogeïnterneerden binnen het FPC Gent? Onder welk veiligheidsniveau of observatieregime vielen zij en wordt dat nu geëvalueerd of herzien om herhaling te voorkomen?

In welke mate spelen personeelsdruk, verloop of onderbezetting binnen het FPC Gent een rol bij ontsnappingen als deze en voorziet u bijkomende maatregelen inzake personeel, opleiding of veiligheidscoördinatie om dit te voorkomen?

Welke methodiek wordt binnen de FPC’s gebruikt voor de risicobeoordeling van geïnterneerden met een hoogrisicoprofiel? Hoe wordt bij herhaalde internering of eerdere ontsnappingen dat risicoprofiel meegenomen in beslissingen over detentieregime, toezichtsniveau of vrijheidsbeperkingen? Beschikt de FOD Justitie over een geactualiseerd overzicht van deze groep en hoe gebeurt hun federale opvolging?

Zal deze ontsnapping leiden tot een bredere evaluatie van de veiligheidsorganisatie en het risicobeheer in alle FPC’s en hoe wordt toegezien op de uitvoering van eerdere aanbevelingen?

Hoe verliep de samenwerking tussen het FPC, de FOD Justitie en de federale politie bij deze ontsnapping, onder meer wat betreft de activering van de Most Wanted-lijst? Bestaan hierover gestandaardiseerde afspraken of protocollen?

Marijke Dillen:

Mevrouw de voorzitter, ik verwijs naar mijn schriftelijke vragen.

Donderdag jl. is een geïnterneerde ontsnapt. Hij had een inleidingszitting bijgewoond in het Justitiepaleis van Antwerpen, m.b.t. de schadevergoeding aan zijn slachtoffer. Het betreft een uiterst gevaarlijke man, veroordeeld voor o.a. moordpoging, verkrachting, foltering, zware diefstal in bende en weerspannigheid. Hij verbleef in het FPC te Gent.

De man had een uitgaansvergunning voor de zitting. Na afloop keerde hij terug naar het FPC, waar hij op de parking wist te ontsnappen. Hij bleef tot zondag spoorloos. Dankzij de plaatsing op de Most Wanted-lijst en een opsporingsbericht kon hij gelukkig opnieuw worden opgepakt en geïnterneerd. Mogelijke drama's werden zo vermeden.

Het slachtoffer woonde eveneens de zitting bij, maar werd niet gewaarschuwd dat de dader daar ook zou zijn.

Kan de minister toelichting geven over deze ontsnapping en de omstandigheden? Hoe werd deze gevaarlijke man begeleid van en naar het FPC Gent?

Iedereen heeft het recht om op zittingen aanwezig te zijn, maar is het werkelijk nodig dat een zwaar geïnterneerde fysiek aanwezig is op een inleidende zitting, waar alleen conclusietermijnen en een pleitdatum worden vastgelegd? Hoe werd de uitgaansvergunning toegekend en is hierbij rekening gehouden met de aard van de zitting? Hoe werd het risico ingeschat?

Het slachtoffer werd niet verwittigd van de aanwezigheid van de dader, wat bijzonder traumatisch is, zeker gezien diens ontsnapping. Volgens het Parket had ze niet gereageerd op het aanbod van de Dienst Slachtofferonthaal om informatie te blijven ontvangen. Dat mag geen vereiste zijn. Dergelijke verwittiging zou standaard moeten gebeuren.

Is de minister bereid om een initiatief te nemen zodat slachtoffers en/of hun advocaten altijd vooraf worden geïnformeerd over de eventuele aanwezigheid van de dader op zittingen die hen aanbelangen? De kostprijs hiervan is miniem.

Opnieuw zijn twee zeer gevaarlijke geïnterneerden vrijdag 30 oktober kunnen ontsnappen uit het FPC in Gent. Het betreft twee personen die geïnterneerd zijn voor zeer zware geweldsdelicten. De ontsnapping is blijkbaar kunnen gebeuren tijdens een begeleid werkatelier. Ze werden onmiddellijk op de Most Wanted lijst geplaatst en gelukkig werden ze snel terug gevat. Eén van hen was in 2010 al eens kunnen ontsnappen uit het psychiatrisch centrum in Zelzate en nam in 2020 deel aan een gewelddadige gijzeling van 3 personeelsleden in het FPC Antwerpen.

Het is de tweede ontsnapping uit het FPC in Gent op twee weken tijd.

Kan de minister meer toelichting geven betreffende deze ontsnapping?

Welke maatregelen werden er genomen tegen deze twee zeer gevaarlijke geïnterneerden?

Is er nood aan een verhoogde beveiliging in het FPC in Gent?

Alain Yzermans:

Mevrouw de minister, u hebt binnen de taskforce Interneringen belangrijke beslissingen genomen om samen met minister Vandenbroucke oplossingen te zoeken voor de 1.100 geïnterneerden die zich momenteel in onze gevangenissen bevinden.

De veiligheid en het onvoorspelbare gedrag van de vele psychisch kwetsbare personen binnen de FPC’s en in detentie vormen een grote uitdaging voor onze hulp- en zorgverlening. Deze personen kunnen risicovol, onvoorspelbaar of acting-outgedrag vertonen, waardoor conflicten sneller escaleren. De gevangenisomgeving, waar de levensomstandigheden door acute overbevolking onder enorme druk staan, is geen zorgzame context voor mensen met een dergelijke psychische kwetsbaarheid.

Ik verwijs naar het actieplan van minister Vandenbroucke, waarin een aantal aspecten rond extra capaciteit in verschillende reguliere vormen worden uitgewerkt. Ik verwijs voorts naar de vijf concrete vragen die ik heb gesteld in de schriftelijke neerslag van mijn mondelinge vraag.

Wat ik belangrijk vind, is dat we ondanks de aanpassing van de interneringswet in 2016 toch een forse toename zien van interneringsuitspraken. Er zijn er mensen die uitstroomden, maar er komen er ook nieuwe bij. De eerste resultaten van het onderzoek – er lopen immers twee studies – van het NICC zijn niet eenduidig en wijzen onder meer op procedurele vertragingen binnen de kamer voor de bescherming van de maatschappij. Komen die resultaten nog naar buiten?

Daarnaast heb ik nog twee kleine deelvragen. U stelt dat het beveiligd klinisch observatorium in de gevangenis van Haren zou openen, met 15 plaatsen tegen juli 2025 en een dertigtal plaatsen tegen het einde van dit jaar. Hoe komt het dat dit centrum nog steeds niet operationeel is?

Tot slot, kunt u toelichten wat de evolutie is van de adviesachterstand bij de gevangenisdirectie en de psychosociale dienst? Ik heb daarover al een aantal vragen gesteld, maar ik ontving nog steeds geen antwoord. Dank u.

Stefaan Van Hecke:

Mevrouw de minister, mijn vraag gaat over de tweede ontsnapping, maar ook ik verwijs naar de tekst van mijn vraag zoals ingediend.

Afgelopen week kregen we het nieuws dat twee geïnterneerde personen ontsnapt waren uit het Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) in Gent. Deze personen werden door de federale politie als “gevaarlijk" omschreven. Na een klopjacht konden de twee uiteindelijk in Blankenberge worden opgepakt.

Het is niet het eerste incident. Het gaat om de tweede ontsnapping in twee weken tijd. De vorige ontsnapte kon snel worden gevat na opname op de Most Wanted-lijst.

Ik heb hierbij volgende vragen:

Onder welke omstandigheden kon deze ontsnapping plaats vinden? Welke veiligheidsmaatregelen waren er op dat moment van kracht?

Was er bij deze ontsnapping sprake van een menselijke fout, een technisch probleem, een organisatorisch probleem,…?

Na hoeveel tijd werd de federale politie ingeschakeld? Hoe verliep de samenwerking tussen het FPC, het parket en de politiediensten tijdens de opsporing?

Wat waren de aanbevelingen na vorige vergelijkbare ontsnappingsincidenten? Werden die gevolgd? Hoe verklaart u dat deze ontsnapping desondanks toch heeft kunnen plaatsvinden?

Wordt er een intern onderzoek gevoerd naar de precieze omstandigheden?

Was het voorziene bewakingspersoneel aanwezig op het moment dat de ontsnapping kon plaatsvinden?

Welke bijkomende veiligheids- en toezichtsmaatregelen worden nu genomen in het FPC Gent en in de andere FPC's?

Hoe zal u nieuwe ontsnappingsincidenten in de toekomst voorkomen?

Annelies Verlinden:

Collega's, ik wil eerst en vooral onderstrepen dat de twee incidenten die zich recent hebben voorgedaan in het FPC Gent wat betreft aard, omstandigheden en gevolgen duidelijk van elkaar moeten worden onderscheiden. Waar het eerste incident drie weken geleden een ontvluchting na een uitgaansvergunning betrof, ging het tweede incident van vorige week om een ontsnapping uit de instelling zelf.

Ik start met het eerste incident. Het gaat om een geïnterneerde die werd geplaatst in het FPC Gent in uitvoering van een beslissing van de KBM. In het kader van die beslissing werden aan hem door de KBM medische uitgaansvergunningen toegekend en later ook juridische, therapeutische en familiale vergunningen en dat telkens onder begeleiding en onder voorwaarden. Elke uitgaansmodaliteit wordt, zoals de wet voorschrijft, toegekend door de bevoegde KBM na adviesverlening door het FPC en het parket, zodat de KBM een goed geïnformeerde beslissing kan nemen. Over de procedure inzake de adviesverlening door het FPC, het bepalen van de noodzakelijke begeleiding tijdens de modaliteit en de reden waarom deze begeleiding door het FPC als proportioneel werd beoordeeld, dien ik u door te verwijzen naar de minister van Volksgezondheid, onder wiens bevoegdheid de FPC's vallen. Bij terugkomst na de zitting zette de betrokkene het plots op een lopen op de parking, waarna hij korte tijd voortvluchtig was.

Het tweede incident van 31 oktober betrof twee geïnterneerden die deelnamen aan een arbeidstherapieblok in de tuin van het FPC Gent. Tijdens deze activiteit zijn zij via een verlichtingspaal over het hek geklommen en zo tot op de parking van de instelling geraakt. Een personeelslid sloeg onmiddellijk alarm, de hekdetectie trad in werking en de controlekamer verwittigde de politie. De politie kreeg via de interne meldingsprocedure meteen alle nodige informatie, inclusief recente foto's. De betrokkenen werden kort nadien opnieuw gevat.

Zo'n ontvluchting is eerder uitzonderlijk. Sinds de start van het FPC Gent in 2014 en het FPC Antwerpen in 2017 hebben zich nog maar vijf ontvluchtingen voorgedaan. Elke ontvluchting of poging daartoe wordt grondig geanalyseerd. Wanneer uit deze analyses concrete aanbevelingen naar voren komen om de veiligheid te verhogen - of dat nu materiële, procedurele of relationele veiligheid betreft -, worden deze vanzelfsprekend doorgevoerd in samenspraak met alle betrokken partners zijnde de Regie der Gebouwen, de FOD Volksgezondheid en de FOD Justitie.

Ook in deze casus moet ik u voor meer details over de precieze omstandigheden van de ontsnapping en de genomen maatregelen doorverwijzen naar Volksgezondheid.

Collega’s Van Hecke en De Wit, jullie vroegen naar de samenwerking tussen de FPC Gent, de FOD Justitie en de federale politie. Die samenwerking verliep op professionele wijze, met regelmatig constructief overleg tussen de betrokken partijen. Vlak na de ontsnapping werd de lokale politie verwittigd door de directie van de FPC Gent, zoals voorzien. De lokale politie nam daarop de eerste dringende maatregelen.

Gelet op het uitblijven van resultaten op korte termijn nam het FAST-team van de federale politie op eigen initiatief contact met de lokale politie en bood hulp aan. Daarbij werd voorgesteld de betrokkene op te nemen op de lijst van Belgian’s Most Wanted . Deze optie werd voorgelegd aan de bevoegde magistraten, die onmiddellijk hun akkoord gaven. De publicatie werd vervolgens uitgevoerd door de Centrale Directie van de Gerechtelijke Operaties van de federale politie.

De volgende ochtend werden beide personen na melding door een plichtsbewuste burger gevat door de lokale politie van Blankenberge. De verantwoordelijkheden van en de samenwerking tussen de respectieve partijen staan beschreven in de WPA en in de rondzendbrief COL821 van het College van procureurs-generaal. Het gebruik van de lijst Belgian’s Most Wanted in dergelijke casussen maken het voorwerp uit van een recente richtlijn, die ik eind september heb ondertekend.

Collega Yzermans, u vroeg naar de stand van zaken van de taskforce Internering en meer specifiek naar de extra capaciteit ervan en naar het onderzoek van het NICC en het Beveiligd Klinisch Observatiecentrum. De procedure voor de 90 extra plaatsen in zorghuizen loopt volgens schema. Voor meer details en de timing verwijs ik opnieuw naar Volksgezondheid.

Daarnaast zal de Regie een technische haalbaarheidsstudie uitvoeren voor de bouw van modulaire units op het terrein van de beide FPC’s. Het NICC heeft zijn onderzoek recentelijk afgerond en de resultaten gepresenteerd. Het gaat om een cartografisch onderzoek dat in kaart brengt welke wetenschappelijke gegevens beschikbaar zijn om de stijging van het aantal interneringsuitspraken te verklaren en na te gaan welke elementen er nog ontbreken.

Het rapport laat dus niet toe om sluitende conclusies te trekken, maar vormt de basis voor verder onderzoek. Het rapport zal aan het Parlement worden bezorgd, maar wij bekijken alvast hoe enkele bevindingen kunnen worden vertaald in beleid.

Het beveiligd klinisch observatiecentrum is operationeel en verwerkt inmiddels 15 dossiers. Het team dient verder te worden versterkt om alle in observatie gestelden onder te brengen in het gebouw van het BKOC in Haren. Hiervoor werden middelen gevraagd in het kader van de begroting voor 2026. Deze aanwervingen zullen dus vertraging oplopen.

Wat uw vraag betreft over adviezen en een eventuele achterstand, verzoek ik u daarvoor een schriftelijke vraag in te dienen.

Tot slot wil ik in het algemeen nogmaals onderstrepen dat de twee recente incidenten in het FPC Gent grondig worden onderzocht, samen met alle betrokken actoren. Waar nodig zullen deze leiden tot gerichte verbetermaatregelen. Er komt een vergadering tussen de administratie en het FPC. In deze casus werd de begeleiding door het FPC tijdens de uitgaansvergunning, op basis van de bovengenoemde risicotaxatie, als passend en proportioneel beoordeeld. Voor meer informatie over de procedure en de lessons learned , verwijs ik u graag naar de FOD Volksgezondheid.

Sophie De Wit:

Mevrouw de minister, ik probeer het me voor te stellen. Iemand die onmiddellijk op een mostwantedlijst wordt gezet, iemand met niet bepaald een eenvoudig profiel, wat ook blijkt uit de manier waarop hij werd teruggebracht, mag onder begeleiding van één medewerker van de instelling gewoon mee naar buiten. Die persoon wordt begeleid door een jonge dame, terwijl men weet welke feiten aan de basis lagen van zijn opname. Ik probeer me dat echt voor te stellen. Ik ben een mama van vier en mijn kinderen zeggen dat ik overbezorgd ben. Toch probeer ik me in te beelden hoe zoiets kan gebeuren.

U hebt gelijk, we moeten twee zaken van elkaar onderscheiden, maar die risicotaxatie lijkt mij cruciaal. Het feit dat het slachtoffer werd geconfronteerd met de dader zonder daarop voldoende voorbereid te zijn, laat ik nog in het midden. Hoe komt men er echter eigenlijk toe om zo iemand te laten begeleiden door alleen een jonge dame? Uit de manier waarop hij werd opgepakt en teruggebracht blijkt immers dat het niet over de eerste de beste gaat. Er is daar echt werk aan de winkel.

Het maakt mij niet uit onder wiens bevoegdheid dit precies valt, maar ik denk dat u dat best samen met uw collega-minister bekijkt. Dat is dan wel een man, mevrouw de minister. We moeten echter echt voorzichtig zijn. Niet iedereen die geïnterneerd is, is even gevaarlijk, dat zeg ik zeker niet. Databeheer is echter belangrijk. Justitie kent zijn gevangenen niet en blijkbaar geldt dat ook voor de geïnterneerden in die context. Daar ligt een belangrijk werkpunt, om te vermijden dat er grote malheuren gebeuren.

In dit geval hebben we volgens mij veel geluk gehad dat de betrokkene snel opnieuw kon worden gevat. Dat het in mijn buurgemeente is gebeurd, is louter toevallig, maar ik ben blij dat men hem heeft kunnen oppakken en snel, voor er iets kon gebeuren. We moeten echt waken over de risicotaxatie. Daar ligt een belangrijke crux voor de beveiliging van onze samenleving.

Marijke Dillen:

Dank voor uw antwoord, mevrouw de minister. Ik sluit mij graag aan bij de repliek van collega De Wit. In dat dossier ging het over een geïnterneerde die bijzonder zware feiten heeft gepleegd. Het gaat om moordpoging, verkrachting, foltering, zware diefstal in bende en weerspannigheid. Dat zijn stuk voor stuk zeer ernstige criminele feiten. Ik begrijp dan ook niet hoe de analyse van het mogelijke risico op die manier werd ingevuld. Die man wordt bij het verlaten van het FPC begeleid door een vrouwelijke medewerker. Ik acht dat een onverantwoorde beslissing.

Los daarvan moet men zich afvragen of het absoluut noodzakelijk is dat een geïnterneerde en hetzelfde geldt voor een gedetineerde aanwezig is op een inleidingszitting. Op een inleidingszitting worden enkel de conclusietermijnen tussen de raadsman van de geïnterneerde en de raadsman van de slachtoffers en een pleitdatum en -uur vastgesteld. Was het echt nodig om die man over te brengen van het FPC Gent naar de rechtbank in Antwerpen? Ik heb daar vragen bij.

Voor de duidelijkheid, mevrouw de minister, die opmerking zou ik niet geven voor het geval dat dan de procedure ten gronde zou worden behandeld. Iedereen heeft recht om aanwezig te zijn op zittingen die hem aanbelangen, maar dat geldt niet voor het vaststellen van een conclusiekalender.

Ik kreeg geen antwoord op mijn vraag over het slachtoffer, dat blijkbaar ook aanwezig was op de inleidingszitting en niet op de hoogte was dat de dader van de gruwelijke feiten aanwezig zou zijn. Volgens het parket zou zij niet gereageerd hebben op het aanbod van de dienst slachtofferonthaal om geïnformeerd te worden na het vonnis tot internering. Mevrouw de minister, dat zou eigenlijk een automatisme moeten zijn. Ik dring er bij u op aan om ter zake een initiatief te nemen. De kostprijs daarvan is zeer gering.

Alain Yzermans:

Mevrouw de minister, enkele maanden geleden stelde ik schriftelijk een vraag over de psychosociale dienst, maar ik kreeg daarop geen antwoord.

Annelies Verlinden:

(…).

Alain Yzermans:

Mevrouw de minister, dat weet ik. De vraag is gesteld en ik heb nog altijd geen antwoord ontvangen. Ik zal het navragen. Anders stel ik ze opnieuw.

Annelies Verlinden:

(…).

Alain Yzermans:

Mevrouw de minister, ik heb ze in mei gesteld.

Stefaan Van Hecke:

U bent inderdaad een van de weinige ministers die 100 % scoort op het tijdig beantwoorden van schriftelijke vragen, zo blijkt uit een overzicht dat in de Conferentie van voorzitters werd gegeven. Mijn dank daarvoor. Het is logisch dat mensen daar veel vragen over stellen. Hoe is het mogelijk dat iemand met zo'n profiel niet door de politie, maar door een medewerkster van het FPC werd begeleid op een zitting? Het slachtoffer was niet op de hoogte en werd geconfronteerd met de dader terwijl er geen politie in de zaal aanwezig was. Dat vraagt toch wel enige reflectie. Dat betekent niet dat iemand die zware misdrijven heeft gepleegd, niet naar een zitting kan gaan, of na eerdere uitgaansvergunningen positief geëvalueerd kan worden. Als er slachtoffers aanwezig zijn, is dat echter iets bijzonder delicaats. Dat is één zaak. De tweede ontsnapping gebeurde via een verlichtingspaal. Ik vraag me af hoe dat mogelijk is Dit lijkt mij een structureel probleem. Ik denk dat men in alle gevangenissen of FPC's probeert te voorkomen dat men makkelijk kan ontsnappen. Als iemand op een verlichtingspaal kan kruipen en zo de omgeving kan bereiken, dan is die paal waarschijnlijk niet goed geplaatst. Dat is eerder een structureel probleem. Verder noteer ik dat we veel vragen moeten stellen aan de minister van Volksgezondheid, wat we dan ook zullen doen. Op veel van die vragen krijgen we geen antwoord. Ik hoop niet dat hij ons naar u zal doorverwijzen, want met pingpongen komen we er niet. Tot slot wil ik meegeven dat het FAST-optreden zeer efficiënt was. Mensen die ontsnappen, proberen zich vaak onherkenbaar te maken door een baard of snor af te scheren en er anders uit te zien. Toch worden mensen herkend. Ik zou dat niet kunnen, maar ik heb veel respect voor burgers die mensen herkennen en voor politiemensen die dat kunnen. Ik denk dat we veel geluk hebben gehad dat de daders, de veroordeelden en geïnterneerden, zo snel werden gevat. Het had anders kunnen aflopen. We volgen de kwestie op bij de minister van Volksgezondheid. Dank u wel.

De conclusies van de Nationale Veiligheidsraad inzake de dronedreiging
De bijeenkomst van de Nationale Veiligheidsraad naar aanleiding van de gespotte drones
De schending van ons luchtruim door drones en de beslissingen van de Nationale Veiligheidsraad
De Nationale Veiligheidsraad
De bijeenkomst van de Nationale Veiligheidsraad naar aanleiding van de gespotte drones
De bijeenkomst van de Nationale Veiligheidsraad naar aanleiding van de gespotte drones
De hybride aanvallen tegen België
De Nationale Veiligheidsraad
De Nationale Veiligheidsraad
Beslissingen en bijeenkomsten van de Nationale Veiligheidsraad over dronedreiging, luchtruimschendingen en hybride aanvallen in België

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken), Bart De Wever (Eerste minister)

op 6 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De drone-incidenten boven Belgische luchthavens, militaire bases en kritieke infrastructuur worden gezien als gecoördineerde hybride aanvallen, waarschijnlijk afkomstig van Russische actoren, gericht op intimidatie en destabilisatie. De Nationale Veiligheidsraad besliste tot een driedelige strategie (detectie, identificatie, neutralisatie), met versterkte samenwerking tussen Defensie, politie en inlichtingendiensten, een centraal meldsysteem voor drones (operationeel vanaf 2026) en juridische duidelijkheid over neerhalen van drones, maar concrete middelen voor civiele beveiliging ontbreken nog. Kritiek richt zich op jarenlange onderinvestering in luchtruimbeveiliging, gebrek aan eenheid van commando (bevoegdheidsversnippering tussen Defensie en politie) en vertraagde actie (pas reactie na acute crisis). Partijen eisen transparantie over daders, versnelde uitvoering (nu pas plannen voor 2026) en betere coördinatie, terwijl de regering benadrukt kalmte en Europese samenwerking te zoeken.

Paul Van Tigchelt:

Mijnheer de minister, drones, drones, drones! Meer nog dan de stilstand van de regering waren zij de voorbije dagen hét gespreksonderwerp.

Er is economische schade, er heerst ongerustheid, angst en verwarring. Dat is uiteraard precies de bedoeling van degenen die drones op ons afsturen. Het betreft geen spionage, zoals ik de minister van Defensie enkele dagen geleden hoorde zeggen. Het zou namelijk bijzonder slechte spionage zijn uit een goedkope B-film. Het is pure provocatie, intimidatie en angstzaaierij, en dat lijkt me typerend voor de agressieve houding van de Russen de voorbije maanden, mijnheer de minister.

Het is daarom goed, zeer goed zelfs, dat u de premier hebt gevraagd om de Nationale Veiligheidsraad samen te roepen. Het is bizar dat u dat zelf moest vragen. Even bizar is het dat de premier tot begin september heeft gewacht om de Nationale Veiligheidsraad, het hoogste veiligheidsorgaan van ons land, voor de eerste keer samen te roepen, terwijl de dreigingen zich blijven opstapelen. Nu zijn dan inderdaad de provocaties in de lucht begonnen.

De bevolking, mijnheer de minister, heeft recht op antwoorden en ik hoop dat u die hier zult geven. Dat is belangrijk.

Ten eerste, wat hebben de inlichtingen- en veiligheidsdiensten u meegedeeld, voor zover u dat hier kunt delen? Hebben zij een verklaring gegeven voor de acuut toegenomen aanvallen? Hebben zij verwezen naar iets als Euroclear of naar uitspraken van bepaalde leden van de regering?

Ten tweede, hebben onze inlichtingen- en veiligheidsdiensten advies gegeven over onze houding en communicatie ten opzichte van Rusland? Zijn daarover afspraken gemaakt?

Ten derde, zijn er afspraken gemaakt tussen politie en Defensie over de detectie, identificatie en neutralisatie, mijnheer de minister? Belangrijker nog dan de aankoop van het juiste materieel is eenheid van commando; dat is de essentie. Zeg het ons, mijnheer de minister.

Maaike De Vreese:

Om heel evidente redenen, met name de aanwezigheid van de Europese instellingen, de NAVO en Euroclear, zijn wij een aantrekkelijk doelwit. Als er iemand klaar moet zijn om zich tegen drones te wapenen, dan zijn wij het. Het is dan ook positief dat de Nationale Veiligheidsraad samenkwam. We moeten voorbereid zijn en een plan van aanpak hebben.

Collega's, tot nu toe was er geen plan. Onder de vivaldiregering hebben we veel kostbare tijd verloren. Cruciaal is wie welke taken opneemt en op welke manier men zal samenwerken. Defensie heeft een federaal antidroneplan uitgewerkt voor militaire domeinen, maar het burgergebied, de kritieke infrastructuur en onze luchthavens ressorteren tot uw bevoegdheid. Er is een politionele aanpak nodig. Onze lokale politiediensten worden momenteel overstelpt met meldingen en zij moeten ondersteund worden. We moeten zo snel mogelijk het luchtbewakingscentrum, waar alle betrokken diensten samenkomen, volledig operationeel krijgen. Dat werkt. We doen dat al in Zeebrugge met het Maritiem Informatiekruispunt. Wat voor de zee kan, kan ook voor de lucht.

De incidenten tonen een duidelijke nood aan een gecoördineerde aanpak aan, niet alleen nationaal maar ook grensoverschrijdend. Bovendien is juridische duidelijkheid nodig. Of de politie een drone uit de lucht mag halen, mag geen vraagstuk zijn. In deze tijden moet dat een evidentie zijn.

Minister, hoever staat u met uw plannen?

Denis Ducarme:

Monsieur le ministre, nous sommes évidemment frappés par ces attaques inédites de drones sur notre territoire. Depuis maintenant 10 jours, des bases militaires et des aéroports ont été survolés. D'autres infrastructures suivront, parce que cela ne va sans doute pas s'arrêter.

Les Belges doivent-ils être impressionnés par ces attaques vraisemblablement russes? Non, mais il faut les prendre au sérieux. C'est ce que vous avez fait en mobilisant le Conseil national de sécurité (CNS). Ce dernier est le bras armé protecteur au sommet de l'État. Pour rappel, il s'est réuni dans le cadre des attentats, du covid ou de la crise énergétique liée à la guerre en Ukraine. C'est donc vraiment l'organe adapté à la réponse. Il réunit le kern, l'ensemble des ministres régaliens et les services de renseignement. Dès lors, je vous remercie de l'avoir mobilisé.

Vous allez nous donner des informations relatives aux diagnostics mais aussi au traitement envisagé face à cette menace: identification, détection, destruction.

Je tiens à souligner que nous venons de loin en la matière, même si nous ne partons pas de zéro. Comme vous, j'ai observé l'expertise dans un certain nombre de pays européens, en France en particulier. Elle a eu de très bons résultats s'agissant de la protection de son espace aérien durant les Jeux olympiques.

Au-delà des décisions du CNS, allez-vous rencontrer un certain nombre de vos homologues étrangers?

Britt Huybrechts:

Mijnheer de minister, er is nog steeds geen begroting, maar deze keer heeft de regering geluk. De drones die boven ons land vliegen, vormen een ernstige bedreiging voor onze veiligheid, en voor de regering komt die bliksemafleider op het juiste moment. Plots gaat het immers niet meer over haar totale falen of over de gaten in de begroting, maar wel over de gaten in ons luchtruim.

En dan komt het veiligheidstheater, waar niemand nog de regie in handen heeft. In de Strategische Visie van minister Francken komt het woord drone amper voor, en als het er al in staat, dan is het voor 2032. Bovendien is de detectie gebaseerd op radiofrequentie, een techniek die vandaag al duidelijk achterhaald is. En heel stoer verklaart minister Francken dat hij Moskou wel zal aanpakken, maar ons eigen luchtruim blijft onbeveiligd.

De waarheid is simpel: het probleem vandaag is niet alleen de overvliegende drones, het probleem is dat de regering onvoldoende heeft geïnvesteerd in ons luchtruim en in onze veiligheid, noch in detectie, noch in neutralisatie. Alles wat nu komt, is achterhaald en veel te laat. De regering-De Wever bespaart liever op onze mensen, maar voor politieke showtjes, zoals de Theo Francken F-35-show, is er wel altijd geld.

Mijnheer de minister, wie zit hierachter? Welke bewijzen hebt u daarvan? De conclusie van minister Francken na de Nationale Veiligheidsraad was dat we het luchtruim wel vanaf januari zullen versterken. Waarom gebeurt dat pas vanaf januari? Wat met de komende maanden? Zijn onze mensen nog wel echt veilig?

Franky Demon:

Sinds 30 oktober is het duidelijk dat onze veiligheid wordt bedreigd door drones boven kazernes en luchthavens. Er zijn cyberaanvallen op onze systemen en fake news zaait verwarring bij onze burgers. Dit is geen toeval meer, dit is georganiseerd. Daarom moeten wij ons ook beter gaan organiseren. Voor cd&v kan ons antwoord zich niet beperken tot het militaire aspect. Veiligheid is veiligheid. Wat we investeren in defensie moet ook onze binnenlandse veiligheid versterken. De dreiging stopt niet aan de kazernepoort, zoveel is duidelijk. Het kan niet zijn dat wanneer een drone over een militaire basis vliegt Defensie daarvoor bevoegd is, maar zodra die drone zich daarbuiten bevindt, hij onder de verantwoordelijkheid van de burgemeester valt.

Defensie, politie, inlichtingsdiensten en lokale besturen moeten als één team werken, met dezelfde informatie en dezelfde strategie. We moeten voorbereid zijn. Daarom is een duidelijk plan van aanpak, met afspraken tussen Defensie, binnenlandse besturen en lokale besturen, meer dan ooit nodig. Dat plan moet waterdicht zijn. Het defensiebudget is er. Zorg ervoor dat die middelen ook de politie en de civiele veiligheid versterken, want veiligheid is overal noodzakelijk. De Russen houden ook geen rekening met het verschil tussen Kleine-Brogel, Brussels Airport of Oostende.

Welke afspraken heeft de Nationale Veiligheidsraad gemaakt om met een zo breed mogelijk plan een zo breed mogelijke aanpak te realiseren, zodat alle locaties in ons land beschermd blijven?

Axel Weydts:

Mijnheer de minister, ons land is deze week het slachtoffer van een aanval in de hybride oorlog, zoveel is duidelijk. Er zijn drones boven onze militaire domeinen, drones boven onze luchtmachtbasissen en drones boven onze nationale luchthaven in Zaventem. Daarnaast zijn er al een hele week cyberaanvallen en is er al een hele week beïnvloeding op sociale media.

Beste collega's, dit is niet onschuldig. De cyberaanvallen schaden onze koopkracht en onze zorginstellingen. Een stilgelegde luchthaven kost onze economie handenvol geld. De combinatie van drones en vliegtuigen is ronduit gevaarlijk. Dit kan leiden tot ongelukken.

Het is heel duidelijk – ik herhaal het –, iemand is ons hier aan het testen en pesten. Het is ook duidelijk dat we ons niet mogen laten intimideren, dat we het hoofd koel moeten houden, kalm moeten blijven en dit vooral gecoördineerd moeten aanpakken. Daarom ben ik heel blij dat de Nationale Veiligheidsraad vandaag is samengekomen.

Mijnheer de minister, ik heb slechts één heel eenvoudige vraag voor u. Kunt u toelichten wat daar werd beslist om de veiligheid van ons allen te verbeteren?

Stéphane Lasseaux:

Monsieur le ministre, ces derniers jours, notre pays a connu des survols de nos aéroports et de nos installations militaires par des drones, des cyberattaques et des opérations de désinformation.

Soyons clairs, la Belgique subit actuellement une série d'attaques hybrides coordonnées, venant probablement d'une puissance étrangère. Pourquoi? Parce que nous soutenons l'Ukraine, parce que nous hébergeons l'OTAN et l'Union européenne, parce que nous sommes des fervents défenseurs de la démocratie et de la liberté.

L'objectif de ces actions: nous intimider, nous obliger à changer de politique. Quelle prétention, quelle hubris! Du duc d'Albe à Joseph II, de Napoléon à Guillaume d'Orange, du Kaiser à Adolf Hitler, beaucoup ont cru pouvoir faire plier définitivement le peuple belge. Non, nous n'avons pas plié. De tout cela résulte notre devise: l'union fait la force.

En ces temps de trouble, ces mots doivent résonner. Nous devons reconnaître que nous avons été dépourvus face à l'intrusion des drones. C'est clair. Nous payons trop d'années de négligence de la mission fondamentale de l'État: assurer la sécurité de la population face aux menaces internes et externes.

Sans défense active, pas de paix. Notre État va faire face, avec ses alliés de l'OTAN et de l'Union européenne. Nous développons un plan stratégique d'ampleur et nous procurons les moyens qui permettront de protéger nos infrastructures essentielles et militaires et de faire face à ce nouveau type de menace. Préparer et assurer face aux attaques hybrides sera un des enjeux essentiels des prochaines années.

Monsieur le ministre, nos citoyens sont inquiets. Un Conseil national de sécurité s'est réuni en urgence ce matin. Il a pris des mesures positives pour faire face à la situation. Néanmoins, la protection de notre espace aérien et des infrastructures critiques face à la menace de drones demande des mesures structurelles à moyen terme. Quelles mesures sont-elles envisagées pour assurer la protection de toutes nos infrastructures critiques – j'insiste sur le mot "toutes" – et dans quel délai?

Nabil Boukili:

Monsieur le ministre, il est évident que les événements que nous connaissons depuis quelque temps – à savoir des drones qui survolent des zones sensibles – constituent un danger, notamment pour nos aéroports. Du reste, en 2024, 31 000 drones avaient déjà été signalés au-dessus de zones sensibles. Donc, le problème n'est pas récent.

Nous nous heurtons à un véritable problème de réglementation, puisque 200 000 drones ont déjà été vendus dans le Benelux et que seuls 37 000 pilotes ont été enregistrés. J'aimerais dès lors savoir ce qui est prévu à cet égard.

À votre sortie du Conseil national de sécurité, monsieur le ministre, vous avez appelé au calme. Je ne peux que vous rejoindre sur ce point: nous devons en effet garder la tête froide. Il ne serait d'aucune utilité de céder à la panique, et il faut éviter de prendre rapidement des décisions malencontreuses ou qui rateraient leur cible. Entre-temps, nous devons attendre les résultats de l'enquête. Ce dont nous avons besoin avant tout est de connaître la vérité. S'agit-il de simples signalements? Concernent-ils uniquement des drones? M. Francken avait en effet indiqué que certains signalements visaient des avions qui volaient à basse altitude.

Par conséquent, des éclaircissements sont nécessaires. Quels drones étaient impliqués? Qui les pilotait? Et dans quel but? La seule chose dont nous soyons certains, pour l'instant, monsieur le ministre, est que nous ne savons pas grand-chose. Nous devons examiner la situation avant de tirer des conclusions.

Monsieur le ministre, vu qu'une enquête est en cours, disposez-vous déjà d'éléments susceptibles d'éclaircir aujourd'hui la situation?

Christophe Lacroix:

Monsieur le ministre, y a-t-il encore un pilote dans l'avion Belgique? Y a-t-il encore un ministre fédéral de l'Intérieur dans ce pays? Votre gouvernement est incapable d'adopter un budget mais aussi d'assurer la sécurité des Belges sur terre et dans les airs. Les trafiquants de drogue prennent le pays en otage. Quel est votre réponse en tant que chef de la police? Des policiers en plus? Non. Des moyens en plus pour la Justice? Non. Mais vous téléphonez à Theo Francken et vous lui dites: "Refile-moi tes jeunes recrues du service volontaire pour les mettre dans la rue dès 2027". Il faut arrêter ces improvisations ou ces formes de sparadraps. Vous êtes ministre, nous avons besoin d'action, monsieur le ministre.

Face aux drones qui survolent nos infrastructures critiques – aéroports, casernes, camps militaires, centrales nucléaires, etc. –, c'est rebelotte! Pendant que des drones prennent le ciel belge à l'assaut, on ne vous voit pas. Ce sont des camionnettes de la police locale, mes petits policiers locaux – je suis également bourgmestre – qui ont dû littéralement courser ces drones alors qu'ils s'évanouissaient dans la nature. C'est quand même un comble. C'est le pays de Magritte. Je n'arrête pas de le répéter.

La fermeture de nos aéroports bruxellois et liégeois cette semaine a créé un chaos sécuritaire une fois de plus. Éviter de tels survols relève de votre responsabilité et de celle du ministre Crucke également. Cela fait des semaines que ces incidents se multiplient et il aura fallu en arriver là pour qu'enfin, eindelijk , le premier ministre convoque ce matin un Conseil national de sécurité.

Je n'ai qu'une question à vous poser, parce qu'au-delà de la question de savoir qui se cache derrière ces drones, il faut évidemment faire toute la lumière et surtout garantir la sécurité de nos concitoyens et de nos sites critiques. Monsieur le ministre, qu'a-t-il enfin été décidé au Conseil national de sécurité pour assurer la sécurité des Belges et de nos infrastructures civiles?

Bernard Quintin:

Mijnheer de voorzitter, mesdames et messieurs les députés, je vous remercie pour vos très nombreuses questions sur ce sujet.

Mardi soir, plusieurs vols de drones ont été constatés au-dessus de plusieurs aéroports, celui de Zaventem – qui n'est pas seulement un aéroport civil, mais aussi militaire avec celui de Melsbroek – ainsi que ceux de Liège et Anvers. Des vols de drones ont également été constatés au-dessus de plusieurs bases militaires et installations critiques et sensibles. Il s'agissait d'une action organisée, concertée par ce qu'on appelle en langage diplomatique "des acteurs inamicaux".

Naar aanleiding van deze gebeurtenissen heb ik de eerste minister gevraagd de Nationale Veiligheidsraad samen te roepen. Die vergadering heeft vanochtend plaatsgevonden. Ze gaf ons allereerst de kans de rapporten van de veiligheidsdiensten te analyseren. Ik wil hier graag hun uitstekende werk en hun goede samenwerking benadrukken.

Je n'entrerai évidemment pas dans les détails pour des raisons de sécurité évidentes. Ce Conseil national de sécurité a permis de continuer et de faire aboutir une bonne partie du travail déjà entamé depuis plusieurs mois entre administrations et cabinets responsables, contrairement à ce que j'ai pu entendre.

À la suite du CNS de ce matin, je vous confirme notre stratégie en trois axes: détecter, identifier et neutraliser. Au niveau de la détection, face à une menace qui évolue de jour en jour, nos installations doivent être modernisées et renforcées pour être toujours plus performantes.

Dit valt onder de verantwoordelijkheid van Defensie, maar ook die van skeyes, die allebei over zeer specifieke expertise, financiële middelen en toestellen beschikken.

Mijn collega van Defensie heeft ons vanmorgen een voorstel gepresenteerd om de middelen van het leger op dit vlak te versterken. Die middelen zullen uiteraard ook voor de beveiliging van onze kritieke en gevoelige sites kunnen worden ingezet, zowel op civiel als op militair vlak, zoals in het regeerakkoord werd bepaald.

C'est ce que nous appelons, dans le langage convenu, le dual use de ces moyens.

Je vous confirme par ailleurs que le Conseil national de sécurité a décidé d'adapter, en fonction du plan stratégique de la Défense, le Centre national de sécurité de l'espace aérien (NASC), situé à Beauvechain, d'ici le 1 er janvier 2026. Lorsqu'un drone est détecté, il faut pouvoir l'identifier. Nous avons donc décidé la mise en place d'un système d'enregistrement de drones et de leurs opérateurs plus large et plus performant que le système actuel, et ce, sous la houlette du ministre de la Mobilité. Cela doit nous permettre d'opérer beaucoup plus rapidement la distinction entre une utilisation agréée et une utilisation potentiellement malveillante, ainsi que de faciliter l'identification des opérateurs de drones.

Une fois détecté et identifié, et s'il est avéré que le drone représente un danger, il faut pouvoir le neutraliser. Sans préjudice des obligations des acteurs privés, les drones suspects sur l'ensemble du territoire national peuvent, lorsque cela est jugé nécessaire pour des raisons de sécurité, d'intégrité territoriale et de souveraineté ou pour la protection du droit à la vie, être neutralisés, selon le cas, par une intervention policière ou militaire, en veillant à prévenir et à limiter autant que possible les dommages collatéraux.

Pour ce qui concerne le reste de l'espace public, la police a un rôle central à jouer, qu'elle soit fédérale ou locale. Il n'y a pas de petite police, monsieur Lacroix. J'ai demandé d'adapter et de renforcer le cadre de contrôle et d'intervention de la police à ce phénomène. Celui-ci permettra à nos forces de l'ordre d'intervenir justement dans un cadre solide et clair, implémenté tant au niveau de la police fédérale que locale ainsi que par le Centre de crise national.

Nous évaluerons les moyens matériels et humains nécessaires pour la lutte contre les drones en nous appuyant également sur les moyens renforcés de l'armée.

Dit moet het mogelijk maken om sneller het onderscheid te maken tussen recreatief gebruik en potentieel vijandig gebruik en om de identificatie van droneoperatoren te vergemakkelijken.

Met betrekking tot de kritieke en gevoelige infrastructuur en de militaire sites zullen de expertise en de bijkomende middelen van het leger ons in staat stellen om ons arsenaal aanzienlijk te versterken.

Tegelijkertijd zullen we deze kwestie ook op Europees niveau aankaarten. Ik ben in gesprek met landen die recent met dezelfde problematiek werden geconfronteerd, met name Denemarken, Duitsland en Nederland, en met de Eurocommissaris voor Binnenlandse Zaken, de heer Brunner. Mijn diensten hebben ook contact gehad met Polen, Duitsland, Denemarken en Litouwen.

Enfin, je peux vous annoncer que le sujet sera à l'agenda du Conseil Justice et Affaires intérieures des 8 et 9 décembre prochains à Bruxelles.

J'aimerais ici terminer par un message clair. Nous comprenons évidemment l'inquiétude que ce phénomène peut représenter et certainement dans le contexte international. Ce gouvernement et l'ensemble des services de l'État prennent les choses en main avec calme et détermination et dans le cadre d'une communication maîtrisée. Nous pourrons pour cela nous appuyer sur une stratégie coordonnée et une volonté sans faille. Je vous remercie.

Paul Van Tigchelt:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw gedetailleerd antwoord. Ik heb drie opmerkingen.

Ten eerste, we hebben nood aan één baas in het luchtruim. Boven de kazerne is Defensie bevoegd, maar eenmaal het kazerneterrein verlaten, moet het werk door de combi of helikopter worden uitgevoerd. Dat is onwerkbaar.

Ten tweede, u hebt terecht verwezen naar de internationale aanpak. Het is heel goed dat u die initiatieven neemt. Er werd verwezen naar het Maritiem Informatiekruispunt, maar ik kan u meer vertellen, collega De Vreese. De vorige regering heeft geïnvesteerd in het North Sea Platform. Dat is een platform om op een beveiligde manier informatie in realtime uit te wisselen.

Ten derde, we weten allemaal dat het gemakkelijker gezegd dan gedaan is om een dergelijk toestel te neutraliseren. We beschikken echter over een groot voordeel. Onze privésector, dus onze bedrijfswereld, is klaar om met ons te experimenteren. Wij hebben DronePort in Sint-Truiden. Ga daarmee alstublieft aan de slag. Dat is een opportuniteit voor onze veiligheid.

Maaike De Vreese:

Collega’s, nog niet zo lang geleden associeerden we drones met iets dat we onder de kerstboom legden als cadeautje, als speelgoed voor onze kinderen. Nu bevinden we ons in een volledig andere situatie, waarbij we moeten wensen dat onder de kerstboom voor onze veiligheid en voor onze inlichtingendiensten antidronecapaciteit klaarligt.

Mijnheer de minister, daarvoor moeten we de krachten bundelen. Dat hoeft inderdaad niet allemaal vanuit de overheid te komen. We hebben heel wat mooie technologiebedrijven die klaarstaan om samen te werken, niet alleen met onze politiediensten, maar ook met Defensie.

De tijd is rijp om die krachten te bundelen, want de uitdagingen op dat vlak zijn heel erg groot.

Denis Ducarme:

Monsieur le ministre, nous ne devons donc pas avoir peur. Nous devons prendre cela au sérieux.

Nous aurions sans doute pu être un peu mieux protégés, monsieur Lacroix. Si, en matière de lutte contre les drones, au niveau du département de la Défense, sous la précédente législature, davantage d’initiatives avaient été prises, peut-être serions-nous mieux protégés. Votre intervention est un peu fort de café, monsieur Lacroix; je pense, en effet, que votre parti a une grosse responsabilité en la matière.

Pour terminer, monsieur le ministre, j’appelle tout de même de mes vœux – au-delà de ce que vous avez provoqué aujourd'hui, c'est-à-dire la coordination des moyens de réaction – la mise en place dans notre pays d'un seul département anti-drones. C’est ainsi que cela fonctionne dans les autres pays. Selon moi, c’est ainsi que nous devrons fonctionner. Par ailleurs, pour faire la transparence également pour les Belges, je demanderai au Comité R un rapport sur l’origine de la menace.

Britt Huybrechts:

Minister, van geen zakenkabinet en geen orde op zaken gaan jullie naar meer taksen voor de Vlaming, naar een peperduur migratiebeleid met gaten, naar gaten in ons luchtruim en in onze veiligheid.

Eigenlijk is er maar één ding dat u en uw collega-minister Francken nu nog kunnen doen: neem de verantwoordelijkheid op voor jullie falend beleid, de gemiste investeringen en achterhaalde beslissingen, en neem ontslag.

Maar kijk, de goede vriend van Bart De Wever, de Koning, gelooft misschien nog in jullie. De bevolking echter allang niet meer.

Als ik deze foto zie, meen ik dat u er zelf niet meer in gelooft. De drones vliegen in het rond, maar de regering blijft hangen.

Franky Demon:

Mijnheer de minister, u gaf het vanmorgen zelf al aan, en u herhaalde het op het einde van uw antwoord: de kalmte bewaren is belangrijk.

Naast kalmte is er ook nood aan voorzichtigheid. We dienen onze woorden zorgvuldig te wikken en te wegen. We hoeven niet alle kaarten op tafel te leggen wanneer we weten dat we in het oog gehouden worden. We moeten beseffen dat elke uitspraak, van mij, van u en van uw collega’s, tegen ons gebruikt kan worden. Laten we vooral dus geen olie op het vuur gooien. Laten we samenwerken aan een gemeenschappelijke nationale strategie om ons te wapenen tegen die nieuwe hybride dreiging.

Axel Weydts:

Mijnheer de minister, dank u voor uw antwoorden.

Ik wil mijn repliek beginnen met een vraag aan de collega’s van zowel de N-VA als de MR. Stop alstublieft met naar het verleden te verwijzen, stop alstublieft met naar Vivaldi te verwijzen. Dit gaat over onze veiligheid. Dit overstijgt regeringen. Dit overstijgt partijbelangen. Het NASC is opgericht onder minister Dedonder, onder de vivaldiregering. Dus, alstublieft, de situatie is veel te ernstig om er politieke spelletjes van te maken.

Mijnheer de minister, we moeten dat nauwgezet blijven opvolgen, gecoördineerd en gedisciplineerd. Ik en mijn fractie hebben althans alle vertrouwen in onze diensten, alle vertrouwen in ons defensiepersoneel, alle vertrouwen in ons politiepersoneel. We weten immers wat we hier verdedigen: we verdedigen onze welvaartsstaat, we verdedigen onze democratische waarden, we verdedigen onze solidariteit.

Stéphane Lasseaux:

Merci monsieur le ministre pour vos réponses. Je voudrais ici témoigner de toute la confiance qu'on peut porter à l'ensemble de nos forces armées, soit à notre Défense, qui fait face aux ennemis extérieurs; confiance en notre sécurité intérieure et interne telle qu'elle est sainement sollicitée; confiance en nos services de renseignement qui, chaque jour, sont sur la brèche; confiance en notre diplomatie qui travaille sans relâche au renforcement de nos alliances; aussi et certainement confiance en nos citoyens qui soutiennent cette assemblée et, par elle, l'action du gouvernement.

Tous ensemble, nous devons faire en sorte que, toutes et tous, nous puissions protéger une démocratie que nous défendons et certainement aussi nos libertés.

Je voudrais dire à tous: restons vigilants , keep calm and carry on. C'est ce qu'on disait lors du dernier conflit mondial, mais c'est ainsi que nos adversaires connaîtront la défaite. Nous ne plierons pas, l'union fait la force, rassemblons-nous tous, ici, ensemble, pour pouvoir défendre notre Belgique.

Nabil Boukili:

Monsieur le ministre, j'attendais une réponse sur l'avancée de l'enquête et s'il y avait des éléments déjà disponibles pour pouvoir dissiper un peu le flou dans lequel on est aujourd'hui.

Avant de prendre des décisions et avant d'agir, il faut d'abord établir la vérité et savoir ce qui se passe concrètement pour ne pas prendre des mauvaises décisions, pour ne pas faire de mauvais investissements et ne pas céder à la panique. Parce que la panique peut être instrumentalisée par ceux qui ont d'autres intérêts, par les marchands d'armes qui veulent vendre tous azimuts leurs armes, par les défenseurs de la course à l'armement, qui vont utiliser cet épisode pour renforcer leur idée d'achats militaires. Donc, nous devons rester calmes, garder la tête froide et ne pas agir dans la précipitation, mais agir seulement quand on est sûr des informations que nous avons.

Christophe Lacroix:

Monsieur le ministre, le collègue Weydts demandait au collègue Ducarme d'être fair-play. C'est attendre l'impossible, c'est comme attendre un budget pour l'Arizona.

Cela étant dit, monsieur le ministre, c'est magnifique, uitstekend, proficiat! Bonne nouvelle, bonne nouvelle! On va enfin interdire les drones illégaux, c'est magnifique! Et on a obtenu 50 millions d'euros, mais qui ne concernent que les sites militaires. Rien pour le civil, rien pour la police fédérale, pas un euro pour l'Intérieur. En tant que petit bourgmestre d'une petite commune avec une petite police qui n'est pas équipée pour lutter contre les drones, je dis que ma petite police locale, que je chéris, va devoir être en état d'alerte devant la centrale nucléaire de Tihange si un survol des drones se manifeste. Vous trouvez ça normal? Moi, pas. C'est le job de la police fédérale, c'est votre travail, agissez!

Voorzitter:

We zijn aan het einde van het vragenuurtje gekomen. We gaan nu over tot het wetgevend werk. Uw dienaar zal nu plaatsnemen in het halfrond. Ik verlaat dus deze hoge, neutrale positie en vraag aan collega Reuter om voor te zitten. Voorzitter: Florence Reuter, ondervoorzitster Président: Florence Reuter, vice-présidente.

De versnelling van het drone-actieplan
Drones boven de legerbasis van Marche-en-Famenne
De dronevluchten boven de militaire basissen van Marche-en-Famenne en Elsenborn
De dronevluchten boven de militaire basis van Marche-en-Famenne
De dronevluchten boven de militaire basis van Marche-en-Famenne
De drone-incidenten boven militaire domeinen
Drones boven onze kritieke entiteiten
De aanhoudende drone-incidenten boven de luchtmachtbasis van Kleine-Brogel
Herhaaldelijke incidenten met drones in Kleine-Brogel
Droneaanvallen
De recente drone-incidenten
Dronevluchten boven sites van Defensie
Drone-incidenten en -vluchten boven militaire en kritieke locaties

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 5 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België wordt geconfronteerd met gestructureerde droneaanvallen op militaire bases (o.a. Kleine-Brogel, Florennes) en kritieke infrastructuur zoals luchthavens (Zaventem, Luik), wat wijst op een hybride dreiging met professionele, gecoördineerde acties, mogelijk gelinkt aan buitenlandse staten. Defensie erkent acute tekortkomingen in detectie- en neutralisatiecapaciteit (bv. falende jammers, gebrek aan shotguns/anti-drone systemen) en kondigt noodmaatregelen aan: versnelde aankoop van counterdrone-middelen (50 miljoen euro binnen bestaand budget), opzet van een taskforce onder generaal Van Strythem, en betere samenwerking met politie, buurlanden en NAVO via het National Air Security Center (NASC). Kernproblemen zijn de fragmentatie van bevoegdheden (Defensie vs. Binnenlandse Zaken/Mobiliteit), trage budgettaire procedures, en onduidelijke *rules of engagement* voor het neerhalen van drones. Kritiek richt zich op de vertraagde reactie (eerste CNS-overleg pas na weken), communicatiestruggles (minister Francken’s omstreden uitspraken), en het ontbreken van een geïntegreerde, langetermijnstrategie ondanks waarschuwingen uit Oekraïne. Oplossingspistes omvatten snellere aankoopprocedures, juridische kaders voor militaire inzet buiten kazernes, en versterkte internationale coördinatie.

Voorzitter:

Collega's, de afgelopen dagen vond een ernstige reeks drone-incidenten plaats, zo ook gisterenavond en vannacht. Zonet werden we gebrieft door de minister van Defensie en generaal-majoor Van Strythem, die de ernst van de situatie benadrukken. Het geagendeerde actuadebat, met tal van vragen over de droneaanvallen wordt nu dus op een belangrijk moment gehouden. Alle collega's hebben de mogelijkheid om aan te sluiten bij het debat.

Denis Ducarme:

Merci, monsieur le président, et merci aux collègues de me laisser poser la question en premier lieu. En effet, je dois présider une autre commission dans quelques minutes. Mathieu Michel, membre effectif de la commission, continuera avantageusement les débats avec vous.

Monsieur le ministre, ce que nous vivons sur le territoire – ou plutôt au-dessus du territoire – est une attaque parfaitement inédite. Je ne vais pas revenir sur l'ensemble des attaques de drones que notre pays a subies en un peu plus d'une dizaine de jours. Heureusement que ces drones ne sont pas armés, tel est le premier élément qui m'est venu à l'esprit, lorsqu'on connaît notre faible capacité de prévention de ces attaques, qu'elles soient ciblées sur des bases militaires ou sur des aéroports, puisqu'on est ici en commission de la Défense.

Néanmoins, la première chose qu'il convient de remarquer face aux attaques subies, c'est qu'elles dépassent les compétences de la Défense. Nous sommes face à un problème transversal, qui touche également aux compétences du ministre Crucke et du ministre Quintin. Dès lors, le premier élément qui me vient à l'esprit est la nécessité de réunir le Conseil national de sécurité (CNS) sur ce dossier. Je ne sais pas si vous partagerez cet avis.

Par ailleurs, pouvez-vous nous indiquer nos capacités de détection actuelles, nos capacités de destruction des drones, mais également notre capacité de prise de contrôle des drones? Il s'agit là de possibilités qui existent depuis longtemps en France et en Espagne. Où en est notre pays à cet égard? Ou est-il, au contraire, totalement impuissant face à ces attaques?

Annick Ponthier:

Mijnheer de minister, drones zijn niet meer weg te slaan uit onze media. Dat is natuurlijk terecht. Waakzaamheid ter zake is geboden. De desinvestering in onze veiligheid wordt op dit moment pijnlijk blootgelegd, zeker als het erom gaat onze veiligheid ten opzichte van drones te garanderen. Sommigen spreken van hybride dreiging en zelfs van hybride aanvallen op tal van systemen en kritieke infrastructuren, zo ook gisterenavond.

Mijnheer de minister, ten eerste, u hebt generaal Van Strythem, tot voor kort het hoofd van onze cybermacht en nu dronegeneraal en als dusdanig nauw betrokken bij alle incidenten in verband met drones, gelast met de vormgeving en de uitvoering van het droneactieplan dat wordt voorgesteld. Kunt u dat drone-actieplan dat momenteel in de steigers staat, nader toelichten?

Op welke manier zal dat actieplan versneld worden uitgevoerd?

Als ik het goed begrepen heb, is hiervoor geen bijkomende budget uitgetrokken en blijft het bij de kredieten die er voor dit jaar en de komende jaren voor de plannen betreffende de defensiemiddelen zijn ingeschreven. Hoe staat het dan met het bijkomende personeel dat hiervoor nodig is. Kunt u de personeelsomkadering detailleren? Wat is de personeelscapaciteit van de cybermacht en tegen wanneer kunnen we een substantiële uitbouw daarvan verwachten?

Wat zal het droneactieplan specifiek betekenen voor de extra beveiliging van onze luchtmachtbases in Florennes en Kleine-Brogel en eventueel van andere kritieke infrastructuren?

Over de droneaanvallen – als we ze zo mogen benoemen – van de voorbije dagen en uren, onder meer boven de legerbasis Marche-en-Famenne en Kleine-Brogel zelf, heb ik ook een aantal vragen. De gebeurtenissen illustreren dat ons luchtruim en onze bewakings- en detectiecapaciteiten nog steeds erg beperkt zijn tegenover drones die voor spionage en sabotage kunnen worden ingezet. Er loopt op dit ogenblik nog onderzoek, hoewel sommige media, vooruitlopende op de feiten, de incidenten toewijzen aan de Russische autoriteiten. Hoe ver staat het op dit moment met de vaststellingen en het assessment ? Welke procedure wordt daarbij gevolgd?

Mijnheer de minister, u hebt het ook gehad over de noodzaak van shotguns en droneguns om drones eventueel te jammen of neer te halen. Kunt u de commissie duidelijk maken welke juridische en operationele regels, dus de zogenaamde rules of engagement , vandaag van toepassing zijn voor het inzetten van dergelijk materieel? Hoe verloopt op dat vlak de samenwerking met politie? Welke bijsturing acht u noodzakelijk aan de rules of engagement , opdat defensie-capaciteiten dergelijke drones uit de lucht kunnen halen of ernstig kunnen verstoren?

Voorts verwijs ik naar mijn heel uitgebreide schriftelijke voorbereiding. Ter afronding ga ik nog even in op de samenwerking tussen de Belgische en Nederlandse autoriteiten, zeker in het licht van de meldingen dat de drones na de aanvallen in noordelijke richting terug zouden zijn gevlogen. Hoe verloopt de samenwerking? Hebt u reeds overleg gevoerd? Wat is het resultaat van dat overleg?

Ten slotte, welke maatregelen zult u nemen om onze militaire installaties en kwartieren bijkomend te beschermen?

François De Smet:

Monsieur le ministre, messieurs les représentants de notre armée, nos concitoyens sont très logiquement inquiets du survol de plusieurs sites par des drones non identifiés. À la lecture des informations publiques, je dois tirer deux enseignements majeurs. D'abord, nous avons affaire à du matériel et des modes opératoires qui excluent formellement que nous soyons confrontés à des amateurs. Ensuite, ces drones veulent être vus. Cela me paraît assez clair. Leur mission ne consiste donc pas à recueillir des informations qu'il serait, par ailleurs, facile de récolter par satellite, mais bien à susciter de l'émoi, de l'émotion ainsi que de la panique et à nous diviser en tant que pays afin que nous cessions de vivre normalement. Nous devons évidemment faire l'exact opposé.

Nous nous trouvons face à une forme de guerre nouvelle. Cela fait partie de mes questions: cette manœuvre relève-t-elle, selon vous, d'un schéma hybride? Ce problème ne concerne pas que la Défense, puisque des sites civils sont désormais également visés. Pour cette raison, c'est le gouvernement dans son ensemble qui devra apporter des réponses.

Puisque le but de ceux qui envoient ces drones est de nous déstabiliser, la première chose à faire est de garder notre calme, de faire preuve de sang-froid et de stabilité. En tant que membre de l'opposition, je considère qu'il est nécessaire que cette exigence de stabilité soit également d'ordre gouvernemental. Je le dis à l'attention de ceux qui seraient en train de négocier des budgets à coups d'ultimatums ou d'échanges sur les réseaux sociaux. Et puis, la deuxième réaction consiste à anticiper les intimidations futures. En effet, et c'est la nouveauté depuis hier soir, celles-ci entraînent des effets immédiats. S'il suffit d'un drone pour suspendre l'activité aéroportuaire pendant plusieurs heures, nous nous heurtons alors à un véritable problème, dans la mesure où nous envoyons comme message que nous pourrions aisément être déstabilisés.

Monsieur le ministre, mes questions sont assez simples. S'agit-il, selon vous, d'actions d'amateurs ou d'un acte d'espionnage? Dans la presse, vous avez parlé d'une mission ciblée. Participe-t-elle d'une guerre hybride au sens large? Quel est le bilan fonctionnel et quantitatif des systèmes de brouillage contre les drones actuellement déployés? Lorsque la question ne concernait encore que nos bases militaires, vous aviez déclaré que le brouillage n'avait pas fonctionné. Que pouvez-vous nous répondre aujourd'hui, compte tenu de la situation d'hier soir? Et puis, où en sommes-nous – car je sais que c'est l'une de vos priorités – dans l'équipement anti-drones? Quels sont les obstacles? Sur quelle accélération pourrions-nous éventuellement compter afin de vivre demain dans un pays qui soit davantage capable de faire la différence dans cette guerre d'intimidation que nous sommes en train de subir?

Kjell Vander Elst:

De drone-incidenten van de afgelopen weken zijn legio. Elke dag zijn er ook meer. Gisteren was er in de media opnieuw sprake van nieuwe incidenten. Ik vind dat zeer zorgwekkend. Ik denk dat we daar allemaal, over partijgrenzen heen, aandachtig voor moeten zijn, heel zorgvuldig mee moeten omgaan en we aan hetzelfde zeel moeten trekken opdat de veiligheid van ons luchtruim en onze binnenlandse veiligheid zouden worden beschermd. Wat mij betreft, gaat het hier niet om een spel tussen meerderheid en oppositie.

Er zijn twee aspecten in het verhaal: de drone-aanvallen of -incidenten boven de militaire basissen en de andere drone-incidenten. Boven de militaire basissen zijn er een aantal drones gedetecteerd, ook gisteren als ik de pers mag geloven. Kunt u daarover een laatste stand van zaken geven en vermelden welke maatregelen er op militaire basissen binnen Defensie al zijn genomen om de veiligheidsvoorschriften en veiligheidsmaatregelen op te krikken?

Het tweede aspect met misschien nog wel een grotere omvang betreft het civiele luik, het civiele luchtruim. Gisterenavond heeft er een aanval of een drone-incident plaatsgevonden rond de luchthaven van Zaventem. De luchthaven van Zaventem is enige tijd gesloten. Dat heeft een bijzonder grote economische impact op de luchthaven van Zaventem. Naast de economische impact is er natuurlijk ook de impact op de bevolking. Mensen maken zich zorgen, mensen beginnen wat wantrouwig te zijn, beginnen het vertrouwen te verliezen in de veiligheidsdiensten. We moeten daar bijzonder waakzaam voor zijn. Ik hoor vaak dat het civiele luchtruim de bevoegdheid is van Binnenlandse Zaken, de bevoegdheid van de politie en dat militaire basissen onder de bevoegdheid van Defensie vallen. Het laatste wat men nu mag doen, mijnheer de minister, is zijn paraplu opentrekken en bevoegdheden en verantwoordelijkheden naar elkaar doorschuiven.

Ik heb één concrete vraag. Het civiele luchtruim beslaat een groot deel van ons land. Welke afspraken hebt u al gemaakt met de minister van Binnenlandse Zaken, minister Quintin, om een protocolakkoord te sluiten of om duidelijke afspraken tussen Defensie en politie te maken om ons volledige luchtruim en ook alle kritische infrastructuur in ons land te beveiligen?

Philippe Courard:

Monsieur le ministre, je ne vais pas revenir sur certaines questions que je vous ai posées auxquelles vous avez répondu il y a quelques minutes. J'irai donc directement au fait.

Je regrette un peu que lorsque des bases ont été survolées par des drones, les bourgmestres locaux ne soient pas prévenus. Quand on évoque par exemple la base de Marche-en-Famenne, je présume que c'est le bourgmestre de Marche qui est contacté, mais quand on lit les documents du survol des drones, ça s'est passé à Bourdon, c'est-à-dire dans ma commune, et je n'en ai absolument pas été informé. Les casernes étant souvent situées sur plusieurs communes, il faudrait peut-être être plus attentif à cette couverture des casernes car les citoyens de nos communes se posent légitimement des questions.

Je voudrais également savoir, dans le cadre de la collaboration entre la Défense, la police et les communes, si on allait finalement implémenter un mode de fonctionnement qui permettrait d'éviter que tout et n'importe quoi ne se raconte et qu'on puisse se concerter pour éviter des fake news , des exagérations ou cette volonté de faire peur aux citoyens, phénomènes que nous devons combattre.

Dans le débat que nous venons d'avoir, a été évoqué le fait que certains drones, les petits drones qui sont accessibles aux citoyens, sont bridés et ne peuvent pas survoler une zone militaire. Est-ce véritablement le cas? Est-ce que si je vais sur internet acheter un drone et que je le fais voler, ce drone ne pourra pas survoler le camp militaire de Marche parce qu'un dispositif est prévu? Ou alors, n'importe quel drone peut-il maintenant survoler notre dispositif militaire?

Il me semble important de connaître la réponse à cette question parce que ça permettrait de déterminer si le survol d'un camp militaire est bien le fait d'un drone particulier, qui n'est pas à la disposition du citoyen lambda et qui présente donc un risque. J'aimerais vraiment écarter le fait que tout survol d'un camp militaire puisse se faire par un drone lambda, qui serait à la disposition des citoyens. Beaucoup maintenant en ont pour faire des photos de leur maison, etc.

Dans le même ordre d'idées, il semblerait que les images aériennes de nos quartiers militaires, dont celui de Marche-en-Famenne, soient disponibles sur certaines applications. Des mesures seront-elles prises pour flouter ces vues aériennes, comme la législation le prévoit?

J'espère, monsieur le ministre, que nous pourrons rapidement lutter ensemble contre ces éléments car je m'inquiète quand même que nous soyons dans l'incapacité de réagir rapidement à cette problématique avec les dispositifs qui sont les nôtres. En tant que citoyens, il nous est compliqué de comprendre qu'on ne puisse pas trouver une solution immédiate pour se débarrasser de ces drones, soit en les abattant soit avec un dispositif anti-drone performant dans l'ensemble des installations sensibles de la défense – mais pas uniquement.

Axel Weydts:

Ik wil in eerste instantie de minister en de Defensiestaf danken voor de briefing die we zopas achter gesloten deuren gekregen hebben. We hebben daar zeer interessante informatie gekregen, informatie die we uiteraard niet kunnen delen in deze openbare vergadering, maar die ons wel duidelijk gemaakt heeft dat iemand – en ik leg niet onmiddellijk de vinger op wie dat zou zijn – ons weer aan het testen en het pesten is.

Ik zal het blijven herhalen. We zijn op dit moment heel duidelijk een stap verder op de escalatieladder in deze hybride oorlog, die eigenlijk al langer woedt op het Europese continent en ook in België.

Het is heel duidelijk gebleken – zonder in details te treden over de briefing van daarnet – dat we te maken hebben met professionelen. Het gaat niet over amateurs. Het gaat niet over kwajongensstreken. Het gaat echt over mensen die weten waar ze mee bezig zijn. Dat is heel erg duidelijk. Ik wil niet in detail treden waarom we dat kunnen stellen, maar het is wel heel duidelijk gebleken. De bevolking moet dat goed beseffen. Dit is iets professioneels, dit is geen werk van amateurs.

Daarom is het belangrijk, mijnheer de minister, dat er degelijk gecommuniceerd wordt. Niet alles kan gecommuniceerd worden aan onze bevolking. Uiteraard niet. We hebben respect voor de operationele veiligheid. Maar het is wel belangrijk dat de mensen weten waarover het gaat en waarover het niet gaat.

Ik doe dus nogmaals een oproep, ten eerste, om het hoofd koel te houden, kalm te blijven en die kalmte ook uit te stralen, en ten tweede, om goed te communiceren. Niet alleen wij, politici, moeten communiceren, maar ook de mensen van Defensie moeten communiceren. Mensen in uniform moeten op televisie de bevolking uitleggen wat hier aan de hand is.

Ik heb heel veel vertrouwen in de aanpak die de kolonel heeft geschetst tijdens de briefing achter gesloten deuren. Die aanpak steunt op vijf pijlers: preventie, detectie, identificatie, engageren en command and control. Ik meen dat dit zeer goed zit. Ook daarover wil ik niet in detail treden, om de kat niet bij de melk te zetten.

Voor ons is het belangrijk te onderstrepen dat op dit moment wie erachter zit van ondergeschikt belang is. Het is belangrijker te vermijden dat het verder escaleert. Het onderzoek loopt nog. De kans is zeer groot dat we nooit zwart op wit bewijs zullen hebben van de herkomst. We hebben indicaties en heel duidelijke sporen met betrekking tot de herkomst. Wanneer men puzzelstukjes op andere terreinen samenlegt, zijn de indicaties heel erg duidelijk.

Op dit moment is de veiligheid het belangrijkste, want drones en gevechtsvliegtuigen gaan niet samen, drones en burgervliegtuigen gaan niet samen. Hiervan kunnen ongelukken komen. Dit is gevaarlijk. Een drone boven het kamp van Elsenborn is niet wenselijk, maar vormt niet onmiddellijk een gevaar voor de bevolking. Een drone boven een luchtmachtbasis of boven het burgerluchtverkeer, bijvoorbeeld boven de luchthaven van Zaventem, vormt wel een potentieel gevaar. Daaraan moet absoluut prioriteit worden gegeven.

Collega’s, ik ben dan ook heel benieuwd welke fracties straks in de commissie voor Legeraankopen het noodpakket van 50 miljoen voor de bestrijding van deze drones zonder dralen en zonder afwachten zullen goedkeuren. Ik kijk uit naar het stemgedrag vanmiddag, zodat we effectief werk kunnen maken van die anti-dronemiddelen.

Christophe Lacroix:

Monsieur le ministre, depuis le 2 octobre, des drones survolent l'espace aérien belge, qu'il s'agisse de bases militaires ou d'aéroports civils. Le point culminant a été atteint hier soir avec la fermeture de l'espace aérien des aéroports de Bruxelles-National et de Liège et la suspension des transports civils et commerciaux.

Cela montre à quel point notre pays, qui est aussi le siège de l'OTAN et le siège de l'Union européenne, peut être vulnérable face à des attaques hybrides et par des vols de drones qui viennent perturber la sécurité aérienne sans que nous puissions connaître leurs intentions. Par ailleurs, il est difficile de savoir qui est derrière ces actions, et surtout de quels types de drones il s’agit. Il existe des petits drones qui sont repérables à 100 ou 150 mètres d’altitude, mais d’autres, plus gros, volent beaucoup plus haut. Monsieur le ministre, savez-vous qui est derrière tout cela et de quels types de drones il s'agit?

Deuxièmement, j'avais soulevé le problème le 2 octobre et nous sommes maintenant le 5 novembre. Pourquoi avoir attendu un mois avant que le CNS ne se réunisse pour avoir une parfaite cohérence dans l'action?

Pour l’instant, tout repose sur vos épaules. Je regrette que votre collègue du MR, en charge de la police fédérale, ainsi que celui des Engagés, responsable de la sécurité de l’espace aérien, soient si absents du dossier. Il n'est pas normal qu'on s’adresse à vous, alors que vous n’êtes responsable que de la sécurité aérienne de nos bases militaires, ainsi qu'en cas d’attaque.

C’est anormal, mais je l’explique par un définancement structurel de la police fédérale, puisqu’on vous demande même aujourd’hui de mettre des militaires dans la rue, faute de pouvoir y déployer des policiers. Il en est de même pour nos centrales nucléaires qui sont des infrastructures critiques. Si des drones survolent les centrales nucléaires, qui est responsable de leur surveillance, de leur détection, de leur éventuel abattage ou de l’intervention les concernant? Les jeunes militaires que vous allez envoyer pour surveiller les bases, parce que la Direction de la sécurisation (DAB) de la police fédérale ne veut plus le faire? Cela ne va pas. Les bourgmestres et la police locale? Cela ne va pas non plus. Ce n'est pas sérieux. Vos collègues ne sont pas sérieux. Il faut vraiment marquer le point par rapport à cela et montrer que nous sommes capables de réagir.

Donc, quels moyens à court et moyen terme êtes-vous prêt à mettre sur la table, sachant que grâce au plan STAR, développé en 2022 par votre prédécesseur, ont été créés à la fois le Cyber Command (rebaptisé Force Cyber) et le National Airspace Security Center (NASC) – un organe de concertation qui a entamé les premières études pour lutter contre les drones? Dans la foulée de ce que Ludivine Dedonder a mis en place, quels moyens permettrez-vous de mobiliser pour garantir une sécurité maximale, dans le strict respect de vos compétences?

Peter Buysrogge:

Collega’s, de afgelopen dagen werden we geconfronteerd met ernstige dronedreigingen en -incidenten. Ze beginnen steeds meer te lijken op een ernstige en misschien wel gestructureerde aanval. We zijn dus misschien aan het evolueren van een hybridedreiging naar een hybrideantwoord.

Mijnheer de minister, ik sluit mij ook aan bij de woorden van dank over de toelichting die we deze ochtend kregen van u en de generaal, waarop we hier niet in detail zullen ingaan.

De afgelopen dagen hebben duidelijk gemaakt dat het terughoudende beleid van het verleden op het vlak van drone- en counterdrone-investeringen ons wat op een achterstand plaatst. We weten ook dat er de afgelopen jaren een fikse technologische evolutie, misschien wel een revolutie, heeft plaatsgevonden op het vlak van dronetechnologie. Oekraïne was daarvoor de proeftuin en dat had harde gevolgen.

Mijnheer de minister, u bent niet verantwoordelijk voor alles. Ook de minister van Binnenlandse Zaken heeft namelijk zijn verantwoordelijkheid te nemen. Ik heb vernomen dat uw collega Quintin dit begrijpt en heeft gevraagd om de Nationale Veiligheidsraad bijeen te roepen. We kijken uit naar de initiatieven en gevolgen.

U hebt intussen zelf ook de nodige initiatieven genomen, zoals de taskforce, en generaal Van Strythem aangeduid om de problematiek op te volgen. Ook in uw Strategische Visie plaatst u de dronetechnologie centraal, met investeringen op korte termijn. Ook ik kijk uit naar de vergadering van de commissie Legeraankopen van deze namiddag. Ook op de middellange en lange termijn plant u investeringen. Misschien zullen we onze inspanningen zelfs nog moeten versnellen en/of intensifiëren.

Mijnheer de minister, hopelijk kunnen we ook met verschillende internationale partners de handen in elkaar slaan. Ik wil daarvoor verder kijken dan de buurlanden, dus ook naar Europa, de NAVO en de bedrijfswereld. We moeten het met z’n allen aanpakken.

De meeste vragen die ik op voorhand had ingediend, werden deze ochtend reeds beantwoord. Ik kijk dan ook uit naar de verdere duiding in uw toelichting in antwoord op de vragen.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, ook ik wil u danken voor de informatie die we vanochtend kregen tijdens de gesloten zitting. Dat heeft toch al een en ander verhelderd. Er heerst een gevoel van onveiligheid door wat er de voorbije dagen is gebeurd, zeker nu ook de nationale luchthaven in het vizier komt. We hebben een aantal antwoorden gekregen, maar ik heb nog heel wat vragen. Heel veel burgers hebben dezelfde vragen.

Ik hoor en lees dat we kunnen vermoeden dat Rusland erachter zit. Het is belangrijk dat dit zo snel mogelijk duidelijk wordt. Het is echter vooral van belang hoe we hiermee omgaan. Hoe kunnen we ervoor zorgen dat we onze luchthavens, onze militaire domeinen en onze burgers optimaal beschermen?

U gaf zelf al aan dat dit een probleem is dat verder reikt dan uitsluitend defensie. De minister van Binnenlandse Zaken zei dat hij de Veiligheidsraad zal samenroepen. Hij sprak vanochtend op Radio 1 over de mogelijkheid om dat vandaag te doen. U spreekt al over morgen. Ik zie weinig reden om te talmen en zou die zo snel mogelijk samenroepen. Ik heb als vast lid van de commissie voor Binnenlandse Zaken ook gevraagd om die commissie met spoed samen te roepen, aangezien er een grote verantwoordelijkheid ligt bij de minister van Binnenlandse Zaken.

Een andere vaststelling is dat onze huidige detectie- en verdedigingscapaciteit niet in staat is om het probleem aan te pakken. Hoe komt het dat we niet in staat zijn om hier een antwoord op te bieden?

Hoe verloopt de samenwerking met de buurlanden, met Nederland en andere landen, aangezien men gebruikmaakt van de grens om ons opsporingswerk te bemoeilijken?

Voor een aantal maatregelen zal het tijd vergen voor ze officieel in werking kunnen treden. Wat gaan we doen in de tussenperiode? Hoe zorgen we ervoor dat we bij wijze van spreken vanavond al in staat zijn om te reageren?

Mijnheer de minister, er moet mij nog iets van het hart met betrekking tot de communicatie. De militairen zeiden hier vanochtend dat er rustig en kalm moet worden gecommuniceerd en dat men de zaken niet mag opstoken. Als ik dan kijk naar wat u soms verklaart in de media en naar wat u soms doet op Twitter, dan denk ik dat dit allemaal niet helpt. Ik verwacht van een minister van Defensie dat hij op een rustige, kalme manier communiceert, op een manier die ons land vooruithelpt, dat hij kijkt naar oplossingen eerder dan een beetje stokebrand te spelen. We hebben een ernstig probleem. We moeten kalm blijven en aan oplossingen werken. Daarvoor kijken we naar u, niet als stokebrand.

Mathieu Michel:

Monsieur le président, je tiens également à remercier le ministre pour la transparence dont il a fait preuve lors de la réunion précédente. Je comprends pourquoi nous ne pouvons pas avoir de transparence lors de cette commission-ci.

Cette question des survols de drones non autorisés doit s’appréhender avec une vision à 360 degrés, et pas uniquement sous l’angle militaire. Ces menaces mêlent des enjeux militaires et de sécurité intérieure. Nous l’avons encore vu avec la fermeture de l'espace aérien de l'aéroport de Zaventem hier. Cela ressemble très clairement à une attaque hybride. Il est évident qu'aujourd'hui, nous ne sommes plus dans la théorie. Nous sommes dans la pratique. Pour l'instant, on vient peut-être effectivement nous narguer, mais ces événements soulèvent des questions sur notre capacité à réagir.

J'en viens tout d'abord à cette réflexion sur la capacité de réaction immédiate. Monsieur le ministre, nous savons tous que vous avez des budgets pour nous protéger. Ces budgets sont-ils bien disponibles et utilisables? S'ils font l'objet de réticences, notamment de la part de l'Inspection des finances, le ministre du Budget est-il prêt à outrepasser ces avis pour accélérer les dépenses?

La deuxième question est liée à l'observation que l'utilisation des drones en Ukraine n'était pas un phénomène neuf. Depuis cette observation, avez-vous, ou vos prédécesseurs, mis en place des actions, des projets visant à parer à ce genre de situation? Nous pouvons effectivement oser espérer qu'un plan d'action préexistait à votre arrivée en fonction.

Troisièmement, nous parlons d'attaques hybrides, civiles et militaires. Dès lors, comment se passe, ou bien comment va s'améliorer ou se construire davantage encore la coordination entre la Défense et l'Intérieur? Plusieurs départements sont concernés: la Défense, l’Intérieur, mais on peut évoquer également la Mobilité et le Budget.

La dernière question, monsieur le ministre, concerne le rôle de l'OTAN et des autres pays, puisque cette contrainte ne pèse pas uniquement sur la Belgique. Nous savons que les plans, notamment le travail sur la programmation militaire, s'appuient sur la planification de défense de l'OTAN (NDPP), qui a quand même quelques années maintenant. Les menaces évoluent à une vitesse excessivement rapide. Peut-on considérer aujourd'hui que le NDPP est encore d'actualité, eu égard au type de menaces auxquelles nous sommes confrontés aujourd'hui?

Koen Van den Heuvel:

Mijnheer de minister, ik wil ook mijn dank uitdrukken voor het feit dat we daarnet in besloten zitting al heel wat informatie hebben gekregen. Het is duidelijk dat we hier met een verontrustende tendens te maken hebben die we eerder al in andere Europese landen zagen, maar na de gebeurtenissen van gisterenavond kunnen we spreken van zekere hybride dreigingen tegen ons land.

Ik wil twee bedenkingen formuleren. Ten eerste, het is duidelijk dat dit grondig moet worden aangepakt. We zijn daarnet al enigszins gerustgesteld, maar ik wil toch benadrukken dat het niet volstaat om snel een aantal wapensystemen of antidronesystemen aan te kopen.

Het is belangrijk om een grondige visie en strategie te ontwikkelen om die uitdagingen aan te pakken. We hebben de voorbije maanden de stijging van het defensiebudget naar 2 % van het bbp ondersteund, dat is absoluut nodig, maar we hebben altijd benadrukt dat dat niet alleen een militaire kwestie is. We moeten de brede veiligheidscontext en de kritische infrastructuren in ons land in ogenschouw nemen. De gebeurtenissen tonen nogmaals aan dat dat een terechte invalshoek en bekommernis is.

Mijn tweede bedenking betreft de weerbaarheid van onze samenleving. Collega Weydts heeft er al op gewezen dat we moeten inzetten op een heldere en duidelijke communicatie. Het is eigenlijk een beetje de bedoeling om paniek te zaaien. We moeten ons voldoende voorbereiden en investeren in weerbaarheid en in een correcte communicatie ten aanzien van onze bevolking.

Ik heb nog twee vragen over de samenwerking. Ten eerste, we kunnen het ons niet permitteren om in kokers te blijven denken, zoals de collega's ook al zeiden. De samenwerking tussen de federale en lokale politie, maar zeker ook met Defensie, is essentieel. Het lijkt mij nodig om de Nationale Veiligheidsraad zo snel mogelijk bijeen te roepen.

Voor de kerncentrales bestaat al een samenwerkingsakkoord, maar de dreiging komt niet alleen van de grond, maar nu ook uit de lucht. Het is dus belangrijk om dat globaal te bekijken, niet alleen onze militaire kwartieren, maar ook onze kritische infrastructuur.

Mijn tweede vraag gaat over de internationale samenwerking. We hoeven het warm water niet zelf uit te vinden, mijnheer de minister. Kunt u verduidelijken in welke mate we via een uitwisseling met de buurlanden of met de NAVO die problematiek efficiënt kunnen aanpakken?

Darya Safai:

Mijnheer de minister, generaal, ik dank u voor de informatie. Wij hebben al veel vernomen achter gesloten deuren en er zijn ook al veel vragen gesteld, maar mijn vraag gaat over een toekomstvisie die wij stilaan voor ogen moeten houden.

Een oorlog kan hybride zijn, maar ook asymmetrisch. In een asymmetrische oorlog is degene die aanvalt altijd sterker en voert hij oorlog zonder de regels te respecteren. Dat wij ons altijd moeten verdedigen, maakt ons gevoelig en op bepaalde punten misschien ook fragiel. Men valt ons aan, men test onze mogelijkheden en probeert te zien hoe capabel we zijn en hoeveel provocaties wij aankunnen.

Wij willen uiteraard geen oorlog of escalatie, maar altijd defensief blijven, ons laten doen en alleen maar verdedigen is een moeilijke strategie. Er is een counter drone management , maar het is bijvoorbeeld heel moeilijk om drones die boven de 150 meter vliegen met shotguns uit te schakelen.

Er bestaan manieren om een oorlog eerlijker te voeren. We moeten dus laten zien dat wij ook hen kunnen lastigvallen op bijvoorbeeld hun vliegvelden en luchthavens. Ik haal mijn kennis uit een land waarvan ik weet wat het allemaal doet. Dat is asymmetrische oorlogsvoering. De vraag rijst of de strijd wat eerlijker kan worden gespeeld en of we die wat symmetrischer kunnen maken en hen ook in hun eigen land kunnen lastig vallen. Kan dat worden besproken in de Nationale Veiligheidsraad of op een hoger niveau, tussen de Europese landen?

Nabil Boukili:

Monsieur le ministre, des drones survolent notre espace aérien depuis un moment. L'aéroport a été fermé hier. Je ne vais pas revenir sur les détails mais il est clair que des drones qui survolent des zones sensibles dans notre espace aérien constituent un problème de sécurité. Quand cela concerne des aéroports, c'est aussi dangereux pour les vols.

Le survol par des drones de zones sensibles ne date pas d'aujourd'hui. En 2024, on avait répertorié 31 000 vols de drones enregistrés. Je voulais savoir quelle est la différence qualitative entre ce qui a été enregistré en 2024 et ce que l'on connaît maintenant. Qui est derrière ce phénomène? Comme cela a été dit par le collègue, vu que l'objectif n'est pas l'espionnage, car ils ont envie d'être vus et de se montrer, quel est l'objectif derrière ces vols de drones? Il serait bien d'avoir des éclaircissements sur ces éléments. Cela pose aussi toute la question de l'enregistrement des drones. On n'a que 37 000 pilotes enregistrés en Belgique, sachant qu'en 2024, neuf vols sur 10 dans les zones sensibles n'étaient pas autorisés. Répertorier ce genre d'éléments pose un problème.

S'agissant de l'enquête, y a-t-il des éléments ou des certitudes que l'on peut déjà établir? Sinon, y a-t-il une deadline pour recevoir ces réponses pour pouvoir déterminer qui est derrière le pilotage de ces drones, prendre les mesures nécessaires et réagir de manière efficace et ciblée?

Stéphane Lasseaux:

Monsieur le ministre, général, merci pour les informations que vous avez pu nous communiquer tout à l'heure lors de cette réunion à huis clos. Toutefois, il est regrettable d'entendre aujourd'hui certains déplorer un manque d'investissement total dans la lutte contre les drones, alors que ces mêmes étaient au pouvoir en son temps.

Mais soit, nous ne sommes pas là pour commencer à faire du jeu politique, l'heure est venue de s'unir. L'heure est grave et nous devons évidemment tous et toutes travailler ensemble pour sortir de ces difficultés que nous rencontrons aujourd'hui. C'est pourquoi, ce matin, très tôt, notre groupe a fait une demande formelle afin de réunir les trois commissions que sont la commission de la Défense nationale, la commission de la Mobilité et la commission de l'Intérieur, afin que nous puissions, en tant que parlementaires, poser toutes nos questions aux ministres et trouver des réponses claires nous permettant de continuer à définir nos travaux.

Par ailleurs, il va sans dire que les informations publiées dans la presse n'ont rien de rassurant. C'est pourquoi nous insistons pour qu'il y ait une communication structurée, claire et surtout non alarmiste. Il ne faut pas effrayer la population, mais bien l'informer correctement de la situation réelle. Non, ce n'est pas dans l'imaginaire collectif de certains membres de la majorité, et particulièrement dans la tête du ministre, mais c'est bien une situation que nous vivons aujourd'hui. Les drones survolent nos infrastructures critiques et nous devons en prendre conscience.

Monsieur le ministre, vous en êtes conscient, et cette commission en a bien pris conscience aujourd'hui sur la base des informations qui nous ont été communiquées. Nous devons, et j'insiste, nous unir pour pouvoir réagir tous ensemble aux menaces auxquelles nous faisons face. Nous devons être en mesure de stabiliser cette situation très rapidement.

Mais au-delà de cet aspect, je trouve qu'il est tout aussi important de sensibiliser le secteur de l'industrie afin qu'il puisse, lui aussi, réagir et se préparer. Comme nous le savons toutes et tous, la technologie évolue très rapidement, et nous éprouvons des difficultés à comprendre, à détecter et à intercepter ces drones. C'est pourquoi notre industrie doit pouvoir travailler d'arrache-pied pour trouver des solutions concrètes nous permettant de faire face aux menaces.

Monsieur le ministre, pourriez-vous détailler les grands axes du plan de lutte contre les drones? Quels contacts avez-vous eus avec les entreprises belges afin d'envisager les solutions potentielles?

Enfin, quelles sont les mesures prévues pour ce qui concerne les protections critiques non militaires? De nombreuses infrastructures sont effectivement non militaires et ne relèvent dès lors pas de votre compétence ou de votre département. Néanmoins, envisagez-vous une intervention à cet égard?

Je reviens également sur une question que j'avais posée voici une quinzaine de jours. Toute une série d'applications, notamment Strava – pour n'en citer qu'une et pour ne pas faire de publicité –, dévoilent l'ensemble de la base de Florennes. Monsieur le ministre, qu'est-il possible de mettre en place à notre niveau pour éviter cela?

Steven Matheï:

Collega’s, het is duidelijk dat de hybride dreiging de afgelopen dagen is toegenomen. Boven de luchtmachtbasis van Kleine-Brogel zijn heel wat drones opgedoken. De gevolgen voor de basis en de directe omgeving hebben we vanop de eerste rij kunnen meemaken. De veiligheid van de luchtmachtbasis en de omgeving ervan moet absolute prioriteit krijgen

De afgelopen dagen heeft de lokale politie met volle kracht de nodige opvolging verzekerd. Dat brengt heel wat werk met zich mee op het vlak van onderzoek, het preventieve luik, controles en dergelijke meer. Ik roep alle betrokken partners op, niet enkel binnen de Nationale Veiligheidsraad, maar ook op het terrein, om samen te zitten om de strategische afspraken verder te verfijnen. Zo kan de opvolging optimaal verlopen, in samenwerking met de luchtmachtbasis, Defensie, de federale politie en de lokale politie.

Mijnheer de minister, wat is uw visie om dat op het terrein zo goed mogelijk op elkaar af te stemmen, zodat we een nog beter antwoord kunnen bieden op de huidige dreiging?

Theo Francken:

Geachte Kamerleden, ik heb zoals altijd een goed voorbereid antwoord meegekregen, met input van de diensten, de staf en mijn medewerkers. Ik zou ook graag kolonel Comhair het woord geven om toe te lichten wat we de afgelopen dagen in de kazernes al hebben ondernomen. De voorbije weken werd de beveiliging al een stuk opgeschaald. Het is belangrijk om dat mee te delen, zodat men ziet dat we wel degelijk heel wat maatregelen nemen. Daarnaast neemt generaal Van Strythem de lead voor alles inzake drones en counterdrones. Hij kan verder toelichting geven over de nodige capaciteiten om ons daartegen beter te wapenen.

Dames en heren, de recente meldingen van drones boven zowel civiele als militaire installaties tonen opnieuw aan dat de hybride dreiging reëel en ernstig is. Het gebruik van drones in de nabijheid van luchthavens, luchtmachtbasissen en kazernes vormt niet alleen een veiligheidsrisico, maar raakt ook rechtstreeks aan onze nationale veiligheid en welvaart.

Het is belangrijk om te benadrukken dat de aanpak van die dreiging een gedeelde verantwoordelijkheid is. Veel leden hebben dat ook benadrukt en ik vind het positief dat de commissie met de verschillende ministers kan samenkomen om gezamenlijk gecoördineerde antwoorden te formuleren.

Binnen het bevoegdheidskader ligt de primaire verantwoordelijkheid voor detectie, opvolging en handhaving bij de politie en bij de FOD Mobiliteit en Vervoer, die instaat voor de civiele luchtvaartveiligheid. Defensie werkt echter nauw samen met die partners. Dat doen we al jaren goed en die samenwerking zullen we volhouden en versterken, onder meer via informatie-uitwisseling, technische ondersteuning en verhoogde paraatheid op onze bases, om de risico’s maximaal te beperken en snel te kunnen reageren op mogelijke incidenten.

De gebeurtenissen van de voorbije dagen onderstrepen de noodzaak van een gecoördineerde en geïntegreerde aanpak, waarin Defensie haar rol ten volle zal blijven opnemen binnen het wettelijk kader en in nauwe samenwerking met onze civiele partners.

De heel concrete vragen over de recente gebeurtenissen, de reeds genomen en geplande maatregelen op korte termijn evenals de specifiek aangehaalde bezorgdheden kwamen reeds aan bod tijdens de briefings van luitenant-generaal Van Strythem en kolonel Comhair. Het betreft gevoelige informatie en raakt aan de operational security . Daarom vonden die briefings achter gesloten deuren plaats. Ik dank u voor de flexibiliteit om dat toe te staan. Dat is een goede zaak. We kunnen niet alles publiek meedelen, maar wel een aantal elementen.

Les enquêtes sur les incursions de drones des dernières semaines sont en cours au sein du Service Général du Renseignement et de la Sécurité (SGRS), en collaboration avec les partenaires nationaux et internationaux, afin de compléter et de vérifier les premiers témoignages et observations. L'exécution de cette étape est indispensable afin d'éviter des conclusions précipitées et fautives.

Il convient également de souligner que la recherche de l'identité, et surtout de l'intention des éventuels auteurs, constitue un processus complexe et chronophage, nécessitant une analyse approfondie avant toute conclusion. Ceci n'empêche bien sûr pas les actions immédiates qui ont été prises par la Défense, afin d'augmenter la vigilance.

De beveiliging van onze kwartieren is gebaseerd op een dreigingsanalyse die rekening houdt met onder andere de veiligheidssituatie en de aard van de gevoelige site. In functie van die analyse kan het wachtdispositief aangepast worden volgens verschillende alarmstadia. De exponentiële toename van dronegerelateerde incidenten is een factor in de analyse en vormt een belangrijk argument om de uitwerking van bepaalde actieplannen binnen de Strategische Visie te versnellen.

Op mijn vraag heeft de Chef Defensie een taskforce Drones, Innovation en Hybrid Warfare opgericht onder leiding van de Chief Innovation Defence of CID. De eerste stap van de taskforce is het in kaart brengen van de huidige situatie, zowel binnen defensie als bij nationale en internationale partners. Tijdens die fase wordt uiteraard rekening gehouden met de recente incidenten en wordt het luik counterdrone prioritair behandeld.

De taskforce werkt samen met andere diensten van defensie aan mogelijke onmiddellijke acties. Die acties moeten worden vertaald in aanvullende richtlijnen voor de verschillende kwartieren op basis van de analyses van de ADIV, het beschikbare patrimonium aan middelen binnen defensie en de optimale inzet van personeel.

Daarenboven is er extra awareness gecreëerd bij het defensiepersoneel om aandachtiger te worden voor drone-overvluchten en om uiteraard eventuele verdachte gedragingen van mogelijke dronepiloten binnen of in de nabijheid van kwartieren te melden.

Op korte termijn wordt er gewerkt aan een actieplan dat onder meer is gebaseerd op versnelde leveringen en kleinere, snel realiseerbare aankopen. Concreet gaat het bijvoorbeeld over extra jammers , radars, dronehunters , zijnde drones die andere drones kunnen neerhalen, detectiemateriaal en shotguns.

Daarnaast wordt voortgewerkt aan de versterking van onze luchtbewakingscapaciteit door lokale detectiesystemen en betrokken actoren zoals skeyes, federale politie en douane te integreren binnen het NASC of National Air Security Center in Bevekom/Beauvechain, waar ze worden samengevoegd met alle luchtverkeersgegevens voor een realtime en gecentraliseerd luchtbeleid.

Wij verhogen eveneens de waakzaamheid in onze militaire kwartieren en roepen onze militairen en burgers op om de ogen en oren open te houden. Op middellange termijn wordt een omvangrijk raamcontract voorbereid met als doel defensie in samenwerking met Europese en Belgische bedrijven op een innovatieve manier uit te rusten met mee evoluerende antidronemiddelen.

Bij de investeringen, zowel op korte als op middellange termijn, wordt aandacht besteed aan detectie, identificatie, neutralisatie en exploitatie. Belangrijk in dat verband is dat de aankopen binnen het huidige defensiebudget worden gefinancierd. Wij vragen dus geen extra geld.

De dreiging is echter acuut. Het besef moet aanwezig zijn dat de procedures moeten worden gemoderniseerd om sneller de juiste uitrusting te kunnen aanschaffen en de intimidaties te stoppen. Aangezien de technologie zich razendsnel ontwikkelt, dienen ook onze procedures te worden omgeschakeld zodat wij snel kunnen schakelen.

De grote variatie aan drones vergt een gelaagde aanpak waarbij verschillende combinaties van sensoren en interceptoren worden ingezet, elk met specifieke capaciteiten. De snel evoluerende markt wordt dagelijks door onze specialisten gevolgd om tot een evenwichtige oplossing te komen voor zowel onze militaire kwartieren als voor ontplooide detachementen. Elke detectie moet worden opgenomen in een snel communicatie- en beslissingsproces. Om die reden hebben we reeds stappen ondernomen voor een verregaande samenwerking met onder andere SkeyDrone, douane en politie. Om gezamenlijk het hoofd te bieden aan al die uitdagingen staan onze specialisten in nauw contact met partnerlanden, de industrie en de academische wereld.

Faisant référence à la commission de Suivi des missions militaires du 22 octobre dernier, je vous confirme que des mesures ont été prises afin de renforcer la coopération entre la police locale et le personnel de garde des quartiers, toujours dans le respect du cadre juridique d'application. En ce qui concerne la visibilité des infrastructures critiques dans les quartiers militaires sur des applications telles que Google Maps ou Snapchat, le SGRS est en contact avec les services concernés afin de mettre en place un floutage systématique de ces zones.

Il peut être affirmé que l'analyse de la situation dans les pays voisins ne présente pas de grande différence par rapport à notre approche.

Tot zover mijn voorbereide antwoord, collega’s. Ik kan ook nog een paar punten meegeven over de bevoegdheid voor de bescherming van kritieke infrastructuren tegen drones in België. In België ligt de verantwoordelijkheid voor de beveiliging van civiele kritieke infrastructuur bij de FOD Binnenlandse Zaken en bij de privébeheerders. Defensie kan hierbij ondersteuning bieden, zoals dat ook gebeurt bij internationale toppen van bijvoorbeeld de NAVO of de EU, via missies van het type Joint Umbrella.

De beveiliging van militaire infrastructuur valt onder Defensie, in samenwerking met de geïntegreerde politie, en wordt juridisch ondersteund door vliegverboden en de strafrechtelijke bepaling die ertoe strekt dat men tot één jaar celstraf kan krijgen, als men een intrusie doet in een militair domein, bijvoorbeeld door er met een drone boven te vliegen.

Monsieur Lacroix, vous m'avez notamment interrogé au sujet du site de Tihange. C'est la Défense qui s'en charge à présent. Ce sont des jeunes hommes, comme vous l'avez indiqué. Ils sont assez forts. La question de leur âge ne me semble pas vraiment pertinente. Ils sont bien formés. En tout cas, quand ils aperçoivent des drones, ils doivent contacter la police, conformément à la procédure. Dans le fond, c'est toujours le même problème. Je souhaite obtenir un codex définissant un cadre légal. Depuis cinq ou six ans, nous en parlons au sein de notre commission dans le but d'élaborer des outils pour la Défense qui s'appliquent dans l'espace public afin de susciter des engagements. C'est une discussion d'ordre juridique. Le codex est quasiment prêt pour être présenté ici. C'est un aspect essentiel qui est notifié dans l'accord de gouvernement, comme vous le savez.

Waarom zijn de drone overflights belangrijk?

Cela rejoint la question de M. Boukili sur la différence entre les 30 000 survols enregistrés l'année passée et la situation actuelle.

We zien dat dit gebeurt, gecoördineerd in tijd en ruimte. Niet alles is gecoördineerd, maar een aantal acties is dat duidelijk wel. Het gaat om intentioneel disruptieve handelingen. Vaak gebeurt dit op hetzelfde moment, het donkerste moment van de dag, net na valavond en net voordat de hemellichamen zichtbaar worden, wat betekent dat het echt zeer donker is. Het is dus intentioneel en disruptief.

Het gaat ook om aangepaste tactieken. Er wordt bijvoorbeeld niet van radiofrequenties gebruikgemaakt, waarvoor we radarsystemen hebben, maar van 4G- of 5G-netwerken, wat veel moeilijker te detecteren is. Het gaat om semiprofessionele grote drones. We zien meerdere drones simultaan, die in formatie vliegen. Dat kan niet iedereen. Dat vergt enige skills. Het past in het patroon van hybride technieken, die we ook in andere landen in andere theaters zien.

Dit is dus niet zomaar een fenomeen van iemand die toevallig met een drone over een stukje van een militair domein of een luchthaven vliegt. Wat er gisteren op de luchthaven is gebeurd, toont dat duidelijk aan. De luchthaven werd gesloten nadat drones waren waargenomen, werd vervolgens opnieuw geopend, waarna een grote drone net voor de verkeerstoren kwam vliegen. Daarop moest de luchthaven opnieuw worden gesloten. Dat gebeurt niet zomaar. Er zijn een aantal indicaties die erop wijzen dat dit op een zeer structurele manier is georganiseerd.

Belangrijk is ook dat niet elke dronemelding deel uitmaakt van een grote operatie. Gisteren waren er bijvoorbeeld dronemeldingen voor de sluiting van de luchthaven, op verschillende domeinen, kwartieren en locaties. Toen de luchthaven gesloten was, moesten vliegtuigen laag vliegen en circuleren voordat ze konden landen. Dat zorgt in het donker voor veel lichtjes. Dat kan dreigend overkomen. We hebben toen veel meldingen ontvangen, maar dat waren vliegtuigen die niet mochten landen en boven een deel van België aan het cirkelen waren. Sommige mensen dachten dat het om drones ging en belden de politie. Er is dus een verschil tussen de meldingen voor acht uur en die na acht uur, toen de luchthaven gesloten werd. Dat is belangrijk om te vermelden. We zijn dat allemaal zorgvuldig aan het oplijsten en bestuderen.

Er waren ook vragen over de samenwerking met de partnerlanden. Er is contact opgenomen met Nederland, zowel op het niveau van de politie als op militair niveau. Ik heb ook politiek contact gehad met mijn collega-minister uit Nederland. Die heeft op zijn beurt contact opgenomen met zijn Franse, Luxemburgse en Duitse collega's. Die contacten zijn er dus. We bekijken ook, binnen de NAVO en de Europese Unie, of we eventueel ook daar steun kunnen krijgen. Daar zijn we ook mee bezig.

Wat betreft de burgemeesters, mijne heren Courard en Matheï, dat is een gevoelig punt. U bent burgemeester en ik ben dat zelf ook al 13 jaar. Het is belangrijk om bij een crisis de burgemeester zo snel mogelijk te contacteren. Of het nu gaat over een asielcrisis, als men bijvoorbeeld een asielcentrum wil openen, of over een overstroming of een ander fenomeen, de burgemeesters moeten meteen gecontacteerd en meegenomen worden in de keten.

Normaal gezien is er een overleg tussen de commandant van een kwartier en een burgemeester. Dat verloopt via de politie en soms ook rechtstreeks. Ik heb gevraagd dat elke kwartiercommandant deze week contact opneemt met de lokale autoriteiten, zoals u suggereerde, mijnheer Matheï. Die instructie is gegeven en dat zal de komende dagen zeker gebeuren. Dat is trouwens op een aantal plaatsen al gebeurd. Het is de bedoeling om een aantal afspraken vast te leggen. Als we drones zien, dan is het allerbelangrijkste zoeken naar de piloot. Die bevindt zich niet op een militaire basis, maar wel in de buurt daarvan. Dat is politiewerk omdat het om burgerlijk terrein gaat waar wij geen bevoegdheid hebben, maar militairen kunnen wel helpen. In die zin hebben we een aantal richtlijnen gegeven en kolonel Comhair zal die straks toelichten.

Mijnheer Matheï, ik heb u gebeld, maar ik heb niet iedereen gebeld. Ik heb bijvoorbeeld de burgemeester van Marche-en-Famenne niet gebeld, terwijl de melding vorige week binnenkwam. Ik had dat kunnen doen en ik zal nu bekijken hoe ik dat nog gestructureerder kan doen. Ik zal deze namiddag een aantal burgemeesters telefonisch contacteren, want het is heel belangrijk dat mijn kabinetschef of ikzelf bellen om te zeggen wat er gebeurd is en dat we ermee bezig zijn. Dat is een heel terecht punt dat ik zeker meeneem.

S'agissant de la communication, je pense que nous devons communiquer davantage, surtout aux voisins civils d’une base militaire. Nous allons le faire. Nous l’avons déjà fait dans quelques villages et à quelques endroits, mais nous devons formaliser et structurer cela.

Ce sont deux points que je retiens, parce que je pense que c’est très important.

Dat is natuurlijk ook de reden waarom de Nationale Veiligheidsraad samenkomt. Dat zijn zaken die men daar in overleg met de volledige veiligheidsketen kan afspreken. Dat neemt echter niet weg dat we hier echt werk van moeten maken. Dat wordt dus zeker meegenomen. U raakt daarmee een heel gevoelige snaar bij mij en ik denk dat u dat ook weet.

Wat betreft de vraag van mevrouw Safai of we kunnen leren van andere landen en of we binnen de NAVO moeten consulteren. Dat doen we inderdaad. We nemen effectief contact op met andere NAVO-lidstaten om na te gaan hoe zij te werk gaan. Een andere kwestie is of men een procedure op grond van artikel 4 moet opstarten. Dat behoort uiteraard tot een geheel andere orde. Dat wordt bestudeerd en we zullen dat dan bekijken. Dat is iets voor de komende uren en dagen.

Pour ce qui est d'organiser des commissions conjointes, je pense que c'est effectivement une bonne idée.

Droneregistraties zijn niet mijn bevoegdheid. Dat is geen zaak voor Defensie. Sorry, ik weet eerlijk gezegd niet precies hoe dat juist in elkaar zit. Vragen daarover moet u aan een andere minister stellen.

De heer Vandemaele klaagt aan dat ik met mijn communicatie paniek zou creëren. Ik spreek dat tegen. Ik heb hier wel al wat watertjes doorzwommen. Ik zit al 25 jaar in de Wetstraat en niet veel mensen kunnen dat zeggen. Ik heb zeker niet de bedoeling paniek te creëren. Ik heb niet proactief gecommuniceerd over drone-incidenten. Ik heb gecommuniceerd toen journalisten mijn kabinet of Defensie contacteerden met de vraag of het klopte dat er drones waren gezien boven Kleine-Brogel. Dan kan men niet liegen. Dan kan men niet zeggen dat daar niets van waar is. Dat moet men niet doen. Men moet nooit liegen. Dat is het slechtste wat men kan doen. Het wordt dus bevestigd.

Dat is reactieve communicatie, want ik bevestig aan een journalist dat er drones boven een kwartier zijn gedetecteerd of online door burgers – die zijn namelijk niet blind; ze zijn alert en waakzaam op dit moment en dat is goed – gemeld. Dat is geen proactieve communicatie over wat we allemaal vandaag hebben gezien.

Overigens, er zijn veel meer meldingen dan er in de pers komen, wat eens te meer bewijst dat ik absoluut niet proactief daarrond communiceer. Er is al heel wat gebeurd de jongste dagen en weken. Ik heb absoluut niet de intentie gebeurtenissen op te stoken. Ik lees op sommige sociale media dat Defensie gewoon meer geld wil en dat Francken geld nodig heeft. Dat is allemaal fake news. Ik heb geen geld nodig. Nee, de uitgaven voor het dronebeleid ten belope van 50 miljoen vallen allemaal binnen het budget, binnen de maanden geleden afgesproken 2 %. Ik heb geen enkele intentie een of andere falseflagoperatie op poten te zetten om meer geld te krijgen voor Defensie. Dat is compleet krankzinnig. Dat is het dus absoluut niet. Er is voorzien in het nodige geld; er wordt niets extra gevraagd. De commissie Legeraankopen buigt zich vandaag om 14 uur over ons dossier. Ik hoop daar brede steun van alle partijen te krijgen.

Ik kom tot de vraag of de verantwoordelijken achter de drone-incidenten al dan niet amateurs zijn. Er zullen zeker amateurs bij zijn, die per ongeluk het luchtruim van de luchtmachtbasis of de nationale luchthaven schenden of het eens willen uitproberen. Er zijn echter absoluut ook professionals bij betrokken. Wat gisteren op de luchthaven werd waargenomen, gaat verder dan wat een amateur kan bewerkstelligen.

Ik kom tot de vraag met betrekking tot de opdracht van de CHOD om de drones uit de lucht te schieten. De chef Defensie heeft de opdracht en de rules of engagement maandag in Zeebrugge aan de media nog eens verduidelijkt. Schieten is toegestaan, mits dat op een veilige wijze gebeurt en er is een clear shot nodig. Voordat er wordt gevuurd, moet de drone eerst gejamd worden. Dat lukt niet altijd wegens de gebruikte radiofrequentie. Daarnaast moet er een clear shot zijn voordat erop wordt geschoten. De opdracht om de drones neer te halen, werd gegeven, maar de uitvoering hangt af van de concrete situatie.

Christophe Comhair:

Goedemiddag, het schema voor de korte en middellange termijn laat ik over aan de generaal-majoor. Defensie plant en voorziet budgetten en middelen om te reageren op de huidige dreigingssituatie. Defensie moet wendbaar zijn en in staat zijn om onmiddellijk actie te ondernemen. Er werden reeds richtlijnen verspreid en een aantal acties ondernomen. Momenteel werken we op vijf assen.

Notre travail s'articule autour de cinq axes, à savoir l'axe de prévention, l'axe de détection, l'axe d'identification, l'axe d'engagement ainsi que l'axe de contrôle, de coordination et de communication.

Wat betreft het luik preventie, we zijn reeds enkele weken met aandrang richtlijnen aan het versturen tot op de laagste echelons om de alertheid te verhogen en de medewerkers ervan bewust te maken dat ze ook naar boven moeten kijken - de dreiging komt immers ook uit de derde dimensie - en dat ze daarover moeten communiceren.

Daarnaast hebben we gezorgd voor een versterking van de beveiligingsdispositieven in de verschillende militaire kwartieren. De alarmstadia, waarover de minister al gesproken heeft, zijn intussen aangepast in tien kwartieren. In verschillende daarvan zijn de stadia verhoogd. Dat betekent dat er meer personeel zichtbaar aanwezig is en dat ander materieel wordt ingezet aan de poorten, allemaal met het oog op een ontradend effect. Een van de gevolgen daarvan is dat het personeel meer patrouilles uitvoert, zowel binnen als buiten de kwartieren. De operatoren die de drones besturen, bevinden zich immers buiten de kwartieren. Die patrouilles gebeuren in overleg met de lokale politie en de lokale autoriteiten, eveneens met een ontradend doel. De minister heeft al aangegeven dat de kwartiercommandanten zeer snel overleg zullen plegen met de lokale politie en autoriteiten. Dat proces is volop aan de gang.

Een ander luik dat mogelijk onderbelicht is gebleven, betreft de noodzaak om te blijven inzetten op duidelijke communicatie. Het moet duidelijk worden gecommuniceerd dat de drone overflights boven militaire kwartieren en vitale of kritieke installaties illegaal en strafbaar zijn. Dat heeft niet alleen een ontradend effect, maar moet ook toekomstige copycats afschrikken. Bovendien houden zulke vluchten aanzienlijke risico’s in voor de vliegveiligheid, met mogelijke materiële schade en zelfs gewonden of dodelijke slachtoffers tot gevolg. We moeten dus blijven inzetten op ontradende communicatie.

Tot daar mijn toelichting betreffende het luik preventie.

En ce qui concerne le volet détection, nous allons pouvoir accroître notre capacité de détection grâce aux mesures déjà prises dans le cadre du volet prévention, car nous disposons aujourd'hui de davantage d'effectifs sur le terrain. Nous avons également mis en place une meilleure coordination avec tous les acteurs concernés, soit au niveau fédéral, soit au niveau local. En outre, pour ce qui concerne les mesures ou les moyens de défense et de détection, nous avons appliqué une répartition des moyens de la Défense dans les différents quartiers concernés.

Wat betreft het luik identificatie, er is met aandrang gevraagd om telkens wanneer iets wordt gedetecteerd, daarvan foto’s te maken. De laatste tijd merken we immers dat de drones ’s nachts of bij duister vliegen, wat de identificatie bemoeilijkt. We hebben binnen defensie dan ook een systeem op poten gezet waarbij we de foto’s naar een aantal experts in het dronedomein, het UAS-domein, kunnen sturen. Zij beschikken over de expertise om al een eerste aanname te maken over het soort drones en wat hun vluchtgedrag is, wat wij dan later kunnen gebruiken in onze verdere analyses.

Pour le volet engagement de neutralisation, nous disposons à l'heure actuelle de deux systèmes de neutralisation, à savoir un système de brouillage électronique, the jammer , et un système kinétique, les shotguns , dont la portée est certes limitée, mais qui ne causent pas de dommages collatéraux.

Nous pourrions mettre en place des fusils de guerre de grande taille, mais il faut savoir que tout ce qu'on tire vers le haut finit par redescendre, et nous devons autant que possible limiter les dommages collatéraux.

Ces moyens sont répartis entre les casernes, les quartiers concernés.

Binnen bepaalde kazernes zullen dronepiloten ook stand-by blijven om bij meldingen van drone overflights te trachten deze drones te volgen en te lokaliseren.

De rules of engagement zijn al kort aangehaald. Die regels zijn opnieuw verduidelijkt, met name inzake wat we wel en niet mogen doen boven militaire kwartieren. Het is duidelijk de bedoeling dat we die drones boven de militaire kwartieren engageren en neutraliseren.

Voor het laatste luik – het vijfde luik, namelijk Command & Control, Coördinatie en Communicatie – zijn al aanzienlijke stappen voorwaarts gezet. Er is al gesproken over de taskforce drones, onder voorzitterschap van de generaal. Daarnaast hebben we sinds iets meer dan twee weken een systeem van communicatie en rapportage opgezet dat ons toelaat een beter overzicht te krijgen van wat er waar wordt waargenomen. Dat zal ook later een diepgaandere analyse door onze counterintelligence en veiligheidsdiensten mogelijk maken, die verbanden kunnen leggen om zo te komen tot attributie en een beter inzicht te krijgen in het doel van deze incursies .

Er zijn bovendien contacten gelegd, niet alleen op politiek niveau door de minister met de buurlanden, maar ook door de defensiestaf. Onze Chief Operations, een luitenant-generaal, heeft contact opgenomen met Nederland, Frankrijk, Duitsland en Luxemburg om afspraken te maken en een beter algemeen beeld te krijgen van de aard van de dreiging door drones en over de manier waarop we daar gezamenlijk mee kunnen omgaan. Dat overleg zal in de nabije toekomst nog vlotter verlopen. Tot zover.

Theo Francken:

Bedankt, mijnheer de generaal.

Michel Van Strythem:

Goedemiddag, ik wil beginnen met een uitspraak die een van uw collega's deze ochtend heeft gedaan: de technologie evolueert zeer snel.

De technologie evolueert inderdaad heel snel. Daarom werden in de Strategische Visie van deze zomer drie grote strategische doelstellingen vastgelegd. Ten eerste, defensie heropbouwen voor collective defence , overeenkomstig artikel 5, en, ten tweede, defensie heropbouwen voor de territoriale verdediging, overeenkomstig artikel 3. Dat zijn twee taken die we 40 jaar geleden en eerder uitvoerden en die we nu opnieuw moeten opnemen binnen defensie, vandaar de investeringen.

Er is ook een derde strategische doelstelling: defensie moderniseren voor de oorlog van vandaag en morgen. Ik noem dat operationele innovatie. Een maand voor de goedkeuring van de Strategische Visie heeft de minister gevraagd om een taskforce Drones en Innovatie op te richten. Dat is ondertussen gebeurd.

Er zijn daarin twee aspecten. Innovatie betreft de brede operationele innovatie in allerlei domeinen. Drone- en counterdronemogelijkheden vormen daarbij het zichtbare deel op korte termijn van die ijsberg van modernisering.

Zodra dat team was opgericht, hebben we dezelfde werkmethode gevolgd als vierenhalf jaar geleden bij de oprichting van een vijfde macht bij defensie, de Cybermacht.

Quelle était cette méthode de travail appliquée voici quatre ans et demi? C'était un stocktaking , une mise en carte de ce qu'on faisait déjà dans ce domaine-là à la Défense, de ce qu'on fait dans ce domaine-là en Belgique dans l'industrie, le monde académique et les centres de recherche, et évidemment de ce qui se fait chez les acteurs internationaux au niveau de la défense.

We zijn voorbije zomer gestart met die veertig werken van Hercules, om dat alles in enkele maanden tijd in kaart te brengen. Toen reeds, in tempore not yet suspecto, werd prioriteit gegeven aan counter-UAS, als eerste prioriteit. Daarom heeft DGMR, in het kader van de strategische visie, voorgesteld om een structureel innovatief partnerschapsprogramma te implementeren.

Een innovatief partnerschap voorziet in een cyclus om de snelle technologische evolutie van sensoren, effectoren en de aansturing van die systemen op te nemen in de werking van dat partnerschapscontract. Zo zullen iteratief capaciteiten worden ontplooid voor de twee taken, zijnde collective defence volgens artikel 5, concreet dus de strijdkrachten die worden ingezet in het kader van onder andere de NAVO-plannen, en de capaciteiten die territoriaal moeten worden ingezet. Dat structureel programma heeft een grootteorde van een miljard en zit momenteel in de fase van een AVA, een aanvraag voorafgaandelijk akkoord, in het Frans de DAP; dat is een ambtelijke stap.

Le processus est pour l'instant au niveau de l'Inspecteur des finances. Le programme suit son chemin procédural.

Vermeldenswaardig is dat dat programma ook zal worden opengesteld voor andere behoeften dan die van Defensie, mits bijvoeging van de nodige budgetten om gezamenlijk andere zaken te kunnen kopen. Dat is voorzien in de aanvraag voorafgaandelijk akkoord.

Cette demande d'accord préalable (DAP) prévoit d’ouvrir le marché à d’autres acteurs interdépartementaux, avec l’introduction de budgets comme cela se fait dans d’autres programmes, voire même à des partenaires internationaux. Voilà donc ce qui est actuellement prévu dans ce programme, en cours d’approbation.

Comme vous vous en rendez bien compte, ce genre de programme nécessite beaucoup d'argent du contribuable. Cela va donc prendre du temps et l'ensemble de l'année prochaine sera nécessaire pour qu'il soit concrétisé dans une attribution. Les premiers effets seront visibles au cours du premier semestre de l’année 2027. Voilà donc ce qui est structurellement prévu en exécution de la vision stratégique: une partie modernisation, une partie drones, une partie contre-drones. More is to follow in the other domains.

Compte tenu des événements qui se sont accélérés depuis les survols de drones dans les pays nordiques et à Elsenborn, nous avons préparé un dossier parallèle et urgent d'acquisition de moyens counter-UAS . Je ne préciserai pas ici, en séance publique, à partir de quand cela produira un effet. Cela a été exposé ce matin lors de la session à huis clos.

En quoi consiste ce programme? Il se compose de quatre lignes d'efforts. La première, comme l’a expliqué le colonel Comhair, est que nous avons pris des mesures au niveau de la Défense pour améliorer le reporting humain de nos gardes et de nos militaires concernant les incidents liés aux drones. Nous continuerons dans cette voie. Ce que nous allons mettre en œuvre avec la première ligne de développement dans ce dossier urgent, c’est l’appui d’une application, un logiciel de reporting standardisé, qui permettra un suivi plus centralisé des incidents, et ce suivant un canevas que nous sommes en train de tester, avec des améliorations de reporting humain.

La deuxième ligne d'efforts consiste à installer des antennes de détection de radiofréquences pour l'ensemble des quartiers militaires, comme c'est déjà le cas dans d'autres infrastructures critiques. Ce n'est pas encore le cas dans la majorité des quartiers militaires.

La troisième ligne est l'intégration de ces données dans le centre de sécurité aérien (NASC). Je dois ajouter un élément concernant le programme de partenariat d'innovation structurelle: le centre de commandement de la capacité counter-UAS itérative, qui sera construite sur le long terme, sera intégré avec l'Integrated Air and Missile Defence (IAMD). C'est pour cette raison que toutes les données de sécurité qui proviendront entre autres de ce système seront intégrées via le NASC. Le NASC, qui a été décidé dans le plan STAR, a été initié avec une version 1.0. Il est actuellement intégré au Centre de reporting et de contrôle de la défense antiaérienne (CRC), en l'occurrence le CRC à Beauvechain.

Dans le cadre de la Vision stratégique 2025, nous passerons à une version NASC 2.0. Le NASC, pour le dire brièvement, est similaire au Carrefour d'Information Maritime (CIM). C'est la même philosophie, mais pour l'espace aérien. C'est là que sont centralisées toutes les informations de sécurité dont disposent tous les partenaires interdépartementaux compétents dans un certain domaine.

Ik maak even de parallel met het Maritiem Informatiekruispunt. Als ik mij niet vergis, zijn er 17 federale en gewestelijke, meer bepaald Vlaamse, overheidsinstanties die 19 competenties beheersen over al wat er gebeurt onder en op de bodem van de zee en in, op en boven de zee. Al die actoren voeren hun eigen bevoegdheid uit met hun eigen middelen, maar beschikken over de gezamenlijke informatie die zich bevindt in dat Maritiem Informatiekruispunt. Het NASC is de versie van het Maritiem Informatiekruispunt, het MIK, voor het luchtruim, met dezelfde filosofie. De implementatie daarvan is voorzien in het kader van de Strategische Visie.

Die line of effort 3 van het dringend dossier beoogt de versnelde implementatie van het NASC 2.0. Die nieuwe NASC 2.0 zal openstaan voor andere interdepartementale actoren die een rol spelen op het vlak van de veiligheid van het luchtruim, in de zin van security . Er zijn immers nog andere bevoegdheden inzake het luchtruim, onder andere safety . We moeten bekijken welke bevoegdheden waar uitgevoerd moeten worden en waar de informatie daarvoor moet worden gecentraliseerd.

Last but not least, de vierde line of effort is een structureel programma voor meer middelen voor Defensie, zowel op het vlak van inzet in het buitenland als van inzet voor de territoriale opdrachten van Defensie. Dat zal een zekere tijd in beslag nemen. Ik heb daarnet gezegd dat dat structureel ten vroegste tegen het eerste semester van 2027 zal zijn. In die vierde line of effort zullen een aantal middelen, waarover ik nu geen details zal geven, de initiële capaciteit versnellen in de geest van wat gepland is in het langetermijncontract. Dat is de inhoud van een dossier dat vandaag aan bod komt in de parlementaire de commissie voor de Controle op de Legeraankopen en -verkopenen en dat dossier zal aan de ministerraad worden voorgelegd.

Theo Francken:

Ik wil nog twee zaken toevoegen.

Ten eerste wil ik de politiediensten uitdrukkelijk danken. De voorbije dagen heeft er veel overleg plaatsgevonden met de politie op alle niveaus: de federale politie, het hoogste niveau van de federale politie, maar ook de lokale diensten. Dat is over het algemeen zeer goed verlopen. Ik wil dus graag benadrukken dat de politiediensten uitstekend werk hebben geleverd, waarvoor mijn oprechte dank.

Ten slotte wil ik om misverstanden te vermijden nog even ingaan op de artikel 4-procedure van de NAVO. Ik lees online al berichten waarin staat dat we artikel 4 zouden inschakelen. Dat heb ik niet gezegd. Er werd gevraagd of we de situatie niet in een breder kader moeten bekijken. Ik heb geantwoord dat er internationaal overleg plaatsvond en plaatsvindt met onze buurlandenop defensieniveau, maar ook op politieniveau met bijvoorbeeld Nederland, en dat er ook internationaal contacten zijn met enkele NAVO-landen op het niveau van de CHOD’s. Een artikel 4-procedure is echter een heel specifieke procedure. De procedure werd ingeroepen door Polen, maar toen was duidelijk dat Rusland eraan ten grondslag lag, want Russische drones drongen het Pools luchtruim in, zogenaamd onderweg naar Oekraïne. Dat gebeurde, als ik mij niet vergis, ongeveer zes weken geleden. Dat was dus een heel andere situatie.

Ik zeg dus niet – en ik richt mij hierbij ook tot de aanwezige journalisten – dat wij de artikel 4-procedure moeten inschakelen of dat we dat moeten onderzoeken. Mochten we dat al willen doen, dan komt dat overigens niet mij toe. Zulke beslissingen worden immers genomen op het niveau van de Nationale Veiligheidsraad en verlopen via de premier en onze vertegenwoordiging bij het NAVO-hoofdkwartier. Dat wil ik heel duidelijk stellen. Wie denkt dat het grote nieuws is dat artikel 4 wordt ingeroepen, vergist zich. Dat is niet wat ik heb gezegd. Als mijn woorden verkeerd begrepen zijn, heb ik dat bij dezen rechtgezet.

Soms merk ik trouwens dat bepaalde uitspraken nogal snel uitvergroot worden. Ik weet niet hoe dat komt, misschien omdat het zo sappig of sexy klinkt of omdat het internationaal interessant lijkt, of misschien druk ik mij niet altijd even duidelijk uit. Dat is mogelijk; ik heb nu eenmaal mijn eigen stijl. Maar soms lees ik naderhand wat ik volgens de media heb gezegd, en dan denk ik: dat heb ik helemaal niet bedoeld en ik heb het ook niet zo gezegd. Dat ligt echter misschien ook aan mezelf. Bij dezen dus nogmaals die verduidelijking.

Ik heb trouwens ook niet gezegd dat we morgen zeemijnen gaan leggen. We zullen de capaciteit aanschaffen om zeemijnen te leggen aanschaffen, wat trouwens al in het STAR-plan stond, maar we zullen ze dus niet inzetten. Evenmin zullen we Moskou platleggen. Dat heb ik zo niet gezegd. Dat ging om een hypothetische vraag, namelijk wat er gebeurt als een nucleaire aanval op Brussel zou plaatsvinden.

Het is soms wat vermoeiend, maar ik zal mijn best doen. Ik weet dat ik veel communiceer en natuurlijk krijg ik ook veel vragen. Ik ben er echter van overtuigd dat iedereen met bevoegd ter zake zal worden aangesproken, niet alleen Defensie, want mijn bevoegdheid is eigenlijk vrij beperkt. Ik beloof dat ik op het vlak van communicatie mijn best zal doen, en anders zet ik het recht, zoals bij dezen.

We zullen artikel 4 van het NAVO-verdrag van Washington dus niet inroepen. Indien dat toch zou gebeuren, dan komt het niet mij toe om dat te doen. Dat is not my call .

Voorzitter:

Het misverstand ontstond misschien doordat u net een hapering in uw keel had.

Mijnheer de minister, mijnheer de generaal, mijnheer de kolonel, ik dank u voor uw toelichting en antwoorden.

Het woord is aan de leden voor hun repliek.

Annick Ponthier:

Dank u wel, minister, generaal en kolonel, voor uw uitgebreide toelichting nu en vanmorgen.

Collega’s, de structurele onderbudgettering van ons defensieapparaat en dus van onze algemene veiligheid laat zich helaas in sneltempo voelen op allerlei domeinen, onder andere de hybride dreiging. We staan eigenlijk met de billen bloot en komen in het vizier door een schrijnend gebrek aan middelen voor dronedetectie en interventie, door de manklopende beveiliging van onze kritieke infrastructuur zowel burger- als defensiegerelateerd, door de gaten in de cyberbeveiliging en door het gebrek aan duidelijke rules of engagement , aan samenwerking tussen de federale en lokale politie en Defensie en Mobiliteit, aan duidelijke afbakening van ieders verantwoordelijkheden en inzetregels en aan internationale samenwerking.

Zeker op het vlak van communicatie loopt het mank. Dan heb ik het niet over het informeren van de bevolking of de sensibilisering daaromtrent, maar wel over uw persoonlijke communicatie, minister, en uw bijzonder boude uitspraken ten opzichte van het Russische regime in een recent interview, waarin u letterlijk hebt gezegd Moskou plat te zullen leggen. Dat is potsierlijk. Het is ronduit onverantwoord en zelfs roekeloos dat u op een moment dat de Belgische en Europese Defensie nog verre van weerbaar zijn, kiest voor grootspraak in plaats van voorzichtigheid. U hebt daarmee veel resultaat geboekt, en ik bedoel dat allerminst positief. De cyberaanval op Proximus vandaag is daar nog maar één voorbeeld van.

Ik denk dat we echt moeten stellen dat een minister van Defensie diplomatisch moet kunnen zijn en voorzichtigheid aan de dag moet leggen. In de huidige geopolitiek uitdagende tijden hebben we absoluut geen nood aan grootspraak of stoerdoenerij. Ik wil u dan ook met aandrang vragen een dergelijke handelswijze achterwege te laten of uw interview eventueel eens na te lezen vóór publicatie.

De belangrijkste oproep, mijnheer de voorzitter en collega’s, is de volgende. Ik zeg ja aan ontrading, alertheid en sensibilisering. Tegelijk dring ik erop aan om snel werk te maken van adequate detectie-, interventie- en identificatiemiddelen, van een verdere opschaling van de noodzakelijke capaciteiten zowel personeel als budgettair en van coördinatie tussen alle betrokken actoren en vooral om slim te investeren.

François De Smet:

Merci messieurs pour ces réponses – tant ce matin à huis clos qu'en séance publique – et pour votre transparence. Vous clarifiez certaines choses sur les intentions et la coordination de ces attaques par harcèlement.

J'entends qu'il y a une stratégie de lutte contre ces drones. Soyons honnêtes, cette stratégie ne date pas d'hier et des récents événements. Mais j'entends aussi qu'on est toujours dans l'analyse de la menace, dans la mise en place de dispositifs et de task forces. Ce n'est pas un reproche en soi, il est normal que ça prenne du temps.

Nous avons du retard en matière de guerre des drones et la question est de savoir si nous disposons du temps nécessaire à le rattraper. J'entends notamment vos remarques sur le fait qu'on a peut-être, nous législateurs, un travail à faire sur les procédures légales. Il y a les procédures en temps de paix, il n'y a peut-être pas les procédures adéquates en temps de guerre hybride – celle que nous sommes en train de vivre –, et c'est donc à nous de jouer.

Dans l'intervalle, nous avons des attaques de drones par harcèlement que nous ne sommes pas capables avec certitude, pour l'instant, de repérer, d'arrêter ou d'intercepter, même si, au niveau des sites de la Défense, vous avez longuement expliqué ce qui est en train d'être mis en place.

Je suis beaucoup plus inquiet pour les infrastructures civiles. Nous ressortons de cette commission – et c'est normal parce que nous sommes en commission de la Défense nationale et que c'est plutôt une question pour le Conseil de sécurité ou pour le ministre de l'Intérieur – sans savoir ce qui va se passer si un É tat étranger décide tous les soirs d'envoyer un drone sur nos aéroports et de perturber notre espace aérien et d'ainsi harceler et empêcher notre société, notre économie et la vie de nos citoyens de se dérouler tranquillement.

Vous n'êtes pas le seul en cause, c'est l'ensemble du gouvernement qui devra se réunir et nous répondre là-dessus prochainement.

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de minister, generaal, kolonel, dank voor de heldere toelichting. Ik wil op mijn beurt ook de veiligheidsdiensten danken. Er was gisteren heel wat aan de hand en de veiligheidsdiensten hebben uitstekend werk geleverd. We kunnen er echter niet omheen dat we achter de feiten aanlopen. We zijn daarin zeker niet alleen. Alle Europese landen zijn aan het opschalen en de technologie gaat inderdaad razendsnel vooruit. We hebben daar een inhaalbeweging te maken.

Mijnheer de minister, u zit niet stil, uw diensten zitten niet stil en Defensie zit niet stil. Ik voel de sense of urgency bij Defensie, bij u en ook binnen deze commissie. Ik maak mij echter wel zorgen over de sense of urgency bij Binnenlandse Zaken, dat bevoegd is voor het grootste deel van het civiele luchtruim. De luchthaven van Zaventem valt onder de bevoegdheid van de politie. De kerncentrales vallen onder de bevoegdheid van de politie. In de beleidsnota van minister Quintin van Binnenlandse Zaken staat echter nul keer het woord 'drone' en één keer 'hybride dreiging'. Ik maak mij daarom echt zorgen of die sense of urgency bij Binnenlandse Zaken wel is doorgedrongen.

Het gaat om gestructureerde aanvallen en die gebeuren niet door jongeren die af en toe een foto willen maken met hun drone. Die aanvallen worden uitgevoerd door professionals en vereisen een gecoördineerde en gestructureerde aanpak. Daarvoor is eenheid van commando nodig. Defensie heeft een dronegeneraal aangesteld – hij is hier aanwezig – en dat is een goede zaak. Defensie investeert massaal in drones en in counterdronesystemen. Ook dat is een goede zaak. Het personeel wordt opgeleid om daarmee te werken en zal over de knowhow beschikken om met die drones en counterdronesystemen te werken. Dan lijkt het mij logisch dat Defensie op zijn minst de regie in handen neemt bij de aanpak van deze hybride dreiging. Mijnheer de minister, eenheid van commando is belangrijk, want we moeten absoluut vermijden dat de bevolking het vertrouwen in onze veiligheidsdiensten verliest. Dat is namelijk precies waar onze vijanden en tegenstanders op uit zijn.

Philippe Courard:

Monsieur le président, je tenais à remercier M. le ministre et le général pour les réponses qu'ils ont apportées à l'occasion de ces deux rencontres.

Il n'est peut-être pas possible de répondre à toutes les questions mais je n'ai pas entendu de réponse claire relativement aux images aériennes. J'y reviendrai peut-être. Des dispositions ont-elles été prises? Des sites donnent-ils accès à des vues aériennes des installations militaires?

Axel Weydts:

Dank u, minister, generaal en kolonel, voor de vele antwoorden die we ontvangen hebben boven op wat we vanochtend in de besloten vergadering mochten vernemen. De boodschap dat dit in scène gezet zou zijn, heeft me ook al een paar keer bereikt. Het is te zot om los te lopen, natuurlijk. Het is goed dat we dat nog eens benadrukken.

U hebt dat gedaan, mijnheer de minister, en ik zal het ook nog eens doen. De middelen die straks naar dronebestrijding zullen gaan, zijn geen extra middelen. Het zijn middelen waarin voorzien is. Het zijn middelen waarin historisch voorzien is. Deze regering is de eerste regering die 2 % van ons bruto nationaal product zal besteden aan Defensie. De middelen die we zullen inzetten tegen die drones zitten in de 2 %. We gaan niet op basis van deze incidenten plots meer investeren. Er is vanuit Defensie ook geen vraag vandaag om meer te investeren. Laten we ons focussen op het behalen van die 2 %. Dat is een opdracht die al moeilijk genoeg is.

Al wie hierbuiten mee volgt en op de sociale media het verhaaltje voedt dat alles in scène gezet is, voedt daar enkel het narratief van de Russen mee. Dat is hetgeen wat ze wensen te bereiken, dat mensen beginnen te twijfelen aan de goede intenties van de Staat, en dat mensen beginnen te twijfelen aan de capaciteiten van het veiligheidsapparaat van de Staat. Dat is precies wat de vijand, wat de tegenstander wenst te bereiken. Al wie dergelijke verhaaltjes de wereld instuurt, werkt leuk mee aan het narratief van onze tegenstanders.

Mijnheer de generaal, ik waardeer het dat binnen dat domein met raamcontracten zal worden gewerkt, net vanwege het innovatieve karakter. Technologie verandert razendsnel. Over een jaar zullen wij de technologieën al op een andere manier zien. Het is dan ook heel slim om met raamcontracten te werken, zodat wij beslissingen kunnen maken op basis van de evoluties en niet gebonden zijn aan een systeem waarmee wij tien jaar zouden moeten werken. In het geval van drones zou dat heel onverstandig zijn. Het is dus heel verstandig om een en ander via raamcontracten te doen.

Mijnheer de kolonel, ik verneem ook dat er patrouilles buiten de kwartieren zullen plaatsvinden. Mijnheer de minister, dat betekent dat wij snel werk zullen moeten maken van de militaire codex. Ik hoop dat de codex snel aan het Parlement en de regering kan worden voorgelegd, zodat, wanneer de patrouilles buiten het kwartier, waar Defensie in beginsel geen bevoegdheid heeft, effectief zullen worden uitgevoerd, er via een wettelijk kader wel degelijk bevoegdheden bestaan om effectief op te treden. Stel dat de patrouilles het geluk hebben om een dronepiloot te treffen, dan moet men daaraan ook effectief iets kunnen doen. Het is dus goed dat daarvan snel werk wordt gemaakt.

Collega's, ik herhaal het. Het is heel erg duidelijk dat wij te maken hebben met professionelen. De toestand is ernstig. De huidige regering neemt de kwestie ernstig en krijgt daarvoor alle steun van de Vooruitfractie.

Christophe Lacroix:

Monsieur le ministre, général, colonel, merci pour vos explications. Je suis d'accord avec mon collègue François De Smet pour ce qui est de votre transparence, car l'exercice n'était pas facile.

Je remarque qu'une fois de plus, c'est la Défense qui fait le job. Quant aux autres, on se demande où ils sont. Le ministre de l'Intérieur vient seulement de réclamer un Conseil national de sécurité qui, selon moi, aurait dû se réunir il y a longtemps, vu l'importance de la coordination de l'action à mener en matière de compétences partagées, de responsabilités partagées et d'actions à entreprendre. Quant au ministre de la Mobilité, il est également absent.

En fin de compte, chaque fois qu'il y a un problème dans ce pays, on se tourne vers le ou la ministre de la Défense – comme on l'a fait avec Mme Dedonder – pour lui demander "Que faites-vous pour nous?". Ce n'est quand même pas normal! Dès lors, je tiens à féliciter les hommes et les femmes de la Défense ainsi que, pour une fois, le ministre, avec qui je ne suis pas toujours d'accord. En l'occurrence, je pense que le ministre, son cabinet, l'état-major ainsi que tous ceux qui travaillent à la Défense ont fait ce qu'ils devaient faire, de sorte que je me sens rassuré. C'est une capacité qui a été mise en place, grâce au plan STAR, en 2022. Les efforts portent leurs fruits et vous poursuivez l'investissement et la stratégie élaborée par le précédent gouvernement sur ce point.

Par ailleurs, vous avez remercié la police locale, ce qui me fait plaisir comme bourgmestre également. Mais, en tant que simple bourgmestre, je ne trouve pas normal que cela repose sur une action de la police locale puisque, une fois de plus, la police fédérale semble absente. Je ne peux pas l'accepter. Devrons-nous désormais doter aussi nos polices locales de shotguns lorsqu'il faudra intervenir sur les infrastructures critiques qui ne sont plus couvertes par la police fédérale?

Vous avez remercié les bourgmestres; on peut remercier aussi les citoyens puisque ceux-ci nous aident effectivement à détecter ce qui ne va pas, nous font part de ce qu'ils remarquent et font remonter les informations.

Monsieur le ministre, vous dites n'avoir pas besoin d'argent en plus. C'est la première fois que j'entends cela de votre part. C'est très bien et je vous en remercie. Vous vous contentez donc de ce que l'on vous a donné mais il faudra encore trouver les recettes pour financer vos dépenses.

Cela étant, j'ai un petit conseil à vous donner, monsieur le ministre. Mais qui suis-je pour le donner? Plutôt que de vous focaliser sur les F-35 supplémentaires, remettez les drones au cœur du débat et, avec le CNS, utilisez l'argent dédicacé aux F-35 supplémentaires pour une véritable stratégie nationale concertée anti-drones. Je crois que ce serait plus utile. Vous rebasculez ainsi des budgets dans votre département, mais également en Intérieur et en Mobilité, pour assurer une sécurité maximale des Belges, qui est aujourd'hui menacée

Peter Buysrogge:

Collega’s, we worden hier werkelijk geconfronteerd met een ernstige opschaling van de bedreiging. Misschien evolueren we zelfs van een hybride dreiging naar een effectieve hybride aanval met dit land als doelwit. Alertheid en opschaling van onze veiligheidsmechanismen zijn dan ook aangewezen.

Mijnheer de minister, u doet dat samen met uw mensen van Defensie, waarvoor dank, ook in samenwerking met de partners en met de mensen van Binnenlandse Zaken. Dat dit nodig zal zijn, is hier al meermaals aangetoond.

Collega’s, ik wil nog opmerken dat we deze middag samenkomen met de commissie Legeraankopen om het prioritaire dossier van de counterdrone te bespreken. Ik kijk uit naar de toelichting van defensie en hoop op brede steun.

Collega’s, ik denk dat we in gevallen zoals vandaag moeten vaststellen dat we, veel meer dan in het verleden het geval was, een veiligheidscultuur moeten kunnen ontwikkelen. Het politieke spel van meerderheid en oppositie moeten we daarbij achter ons laten en kunnen overstijgen. In die zin waren de tussenkomsten van collega Vander Elst en van de collega’s van de PS positief en constructief. Ik was echter enigszins verbaasd over de repliek van mevrouw Pontier, die ik in dat opzicht niet zo hoopgevend vond.

Voorzitter:

Ik heb verschillende collega’s gehoord en ook meerdere mails ontvangen met de vraag of er geen bijkomende gedachtewisseling met de mensen van Binnenlandse Zaken en of met de mensen van Mobiliteit kan plaatsvinden. Als dat goed is, zal ik met mijn twee collega-voorzitters contact opnemen om te bekijken wat er mogelijk is om dat in te plannen. Mocht daar enig bezwaar tegen bestaan, steekt u maar uw vinger op. In het andere geval zal ik daartoe de nodige initiatieven nemen.

Matti Vandemaele:

Ik dank de heren voor hun antwoorden. We hebben vanochtend veel bijgeleerd. Drie zaken zijn mij bijgebleven. Ik parkeer alle positieve elementen even en sta stil bij de drie zaken die mij frapperen.

Mijnheer de minister, zowel u als uw collega Quintin, iedereen begint naar elkaar te kijken en te verwijzen. Morgen komt de Veiligheidsraad samen, zo heb ik ondertussen geleerd. Daar moet echt wel de nodige afstemming gebeuren, zodat men niet alleen naar elkaar kijkt maar echt samenwerkt. In die zin ben ik hoopvol voor die vergadering van de Veiligheidsraad morgen. U sprak ook een aantal keer over 4G en 5G. Dan moet de minister van Telecommunicatie misschien ook aanschuiven bij die Veiligheidsraad, want dan betreft het de netwerken die onder haar bevoegdheid vallen.

Het tweede element is voor mij de communicatie-uitdaging. U gooit alles toch een beetje op een hoopje. Niemand heeft iets gezegd over reactief beleid, niemand hier in de commissie zei dat u meer budget zou vragen. Daarover heb ik niets gehoord, maar toch verwijst u ernaar. Wat ik zei is dat uw manier van communiceren in de pers en op sociale media niet bijdraagt aan de kalmte die noodzakelijk is om met dergelijke incidenten om te gaan. Met dat soort stoerdoenerij jaagt u de burgers eerder de kast op dan dat u werkelijk bijdraagt tot een oplossing.

Dan kom ik bij het derde element, misschien het beangstigendste voor mij. U hebt het niet letterlijk gezegd en niemand van u heeft het letterlijk gezegd, maar ik lees het of hoor het toch tussen de regels: als het vanavond weer zover is, zal net hetzelfde gebeuren. Eigenlijk zijn we niet klaar en zal het nog een aantal weken of maanden duren voordat we effectief echt stappen vooruit kunnen zetten, zowel op het vlak van detectie als op dat van het neerhalen. Dat is eigenlijk het meest verontrustende nieuws van de dag, namelijk dat u aangeeft dat als het vandaag, morgen, overmorgen of volgende week opnieuw gebeurt, het wellicht hetzelfde zal zijn. Dat lijkt mij bijzonder problematisch.

In die zin kijk ik uit naar wat de Nationale Veiligheidsraad zal realiseren om ook op korte termijn oplossingen te bieden, want ik denk dat onze burgers daar echt naar verlangen. Dank u wel.

Voorzitter:

Zijn er nog collega’s die het woord vragen?

Mathieu Michel:

Monsieur le président, je tiens à saluer la clarté et la transparence des propos qui ont été tenus. Par ailleurs, j'éprouve une totale confiance dans les équipes au regard de l'enjeu. Je tiens aussi à saluer le colonel Van Strythem, que j'ai croisé du coin de l'œil et qui avait déjà accompli un boulot génial au sujet de la Force Cyber. Pour cette raison, je me sens particulièrement en confiance en apprenant que c'est ce même colonel qui est en charge de ce dossier.

Pour le reste, j'aimerais quand même aborder deux ou trois éléments. Tout d'abord, j'insiste sur la nécessité d'appréhender la menace à 360 degrés. Je ne voudrais pas – et je ne prétends pas que ce soit le cas, mais j'ai entendu certaines choses qui me préoccupent à ce sujet – que ce dossier nous amène à regarder la compétence du voisin plutôt que la sienne. Il est donc essentiel de considérer qu'il faut travailler en équipe. Par conséquent, il ne s'agit pas de considérer qu'il y a les volets "Défense", "Intérieur" et "Mobilité". Aujourd'hui, nous avons besoin de travailler ensemble, de briser les silos habituels lorsque nous sommes confrontés à des enjeux stratégiques majeurs. Or c'est bien le cas. Si l'on dit "ce n'est pas moi, c'est l'Intérieur, la Mobilité, le Budget, etc.", on ne parviendra jamais à se tenir à la hauteur de l'enjeu qui nous fait face aujourd'hui. Dès lors, j'y insiste avec force: de grâce, arrêtons de penser en silos, car cela ne correspond pas du tout à ce qu'est une menace hybride! Par nature, celle-ci est transversale. Et c'est de la sorte qu'elle doit s'appréhender. À ce titre, je me demande si nous ne devrions pas travailler à une véritable définition de la menace hybride et à la manière dont nous la comprenons. Nous avons passé naguère de nombreux mois à réfléchir à ce qu'était un contexte de pandémie. Il me semble aussi intéressant et important de s'interroger sur ce qu'est un contexte de guerre hybride pour, éventuellement, développer des réflexions et des procédures notamment sur le plan de l'agilité budgétaire.

Enfin, j'aborderai un dernier point. Si je n'irai pas jusqu'à remettre en doute l'ensemble de la stratégie d'acquisition militaire, il est vrai, monsieur le ministre, que vous montrez un enthousiasme important pour l'acquisition des F-35. Nous avons eu l'occasion d'échanger en aparté à ce sujet Je pense qu'avoir des avions multi-rôles est un élément essentiel. Je n'aime pas l'idée que nous devions choisir l'un ou l'autre. L'enjeu est de choisir l'un et l'autre, avec des ambitions budgétaires que l'on aurait peut-être pu imaginer différemment. Ce que je vous appelle à faire, c'est de montrer le même enthousiasme que celui qui vous anime pour les F-35 pour la lutte anti-drones. C'est une chose qui me semble fondamentale parce qu'aujourd'hui, et je dis bien aujourd'hui, la menace immédiate et imminente est bien celle-là. Nous vous faisons confiance pour prendre conscience de l'importance du moment.

Koen Van den Heuvel:

De gedachtewisseling vanochtend was zeer interessant. Ik vat de drie aandachtspunten samen die voor de cd&v-fractie bijzonder belangrijk zijn.

Ten eerste is er de weerbaarheid door middel van de juiste communicatie. De gedachtewisseling van vandaag draagt daaraan bij. We moeten dat pad blijven volgen, zodat onze bevolking weerbaarder wordt.

Een tweede punt betreft de samenwerking. Uit de discussies blijkt duidelijk dat daarop moet worden ingezet. Ik ben er ook van overtuigd dat de regering dat zal doen. Morgen vindt al de formele bijeenkomst van de Nationale Veiligheidsraad plaats, maar dat betekent geenszins het einde van het proces. Dat het startpunt van de werkzaamheden. We moeten daar absoluut op inzetten en uit onze kokers komen. Naast de militaire infrastructuur moet ook ons volledige luchtruim, met bijzondere aandacht voor de kritische infrastructuur, worden meegenomen.

Een derde punt betreft de internationale samenwerking. De minister heeft al bevestigd dat er inderdaad dergelijke initiatieven lopende zijn; wij moeten daarop blijven inzetten.

Theo Francken:

Nog dit, mijnheer de voorzitter. Ten eerste is het zeker niet mijn bedoeling om de hete aardappel door te schuiven en mij ervan af te maken door de stelling als zou ik er niets mee te maken hebben. Ik heb de voorbije weken meermaals gecommuniceerd over de uitdaging. Ik heb daarbij meermaals niet over mijn eigen bevoegdheden gesproken. Dat is voor mij geen probleem, want we moeten samenwerken.

Il est évident que nous devons collaborer et coopérer. Je suis le premier à briser les silos, d'autant plus quand cela concerne le gouvernement fédéral. Je n'ai aucun problème à prendre mes responsabilités. Demain, nous aurons une réunion. Nous allons collaborer davantage encore.

S'agissant de mon enthousiasme pour les anti-drones, il est énorme, que nous parlions des navires, des F-35, etc.

Wat het taalgebruik betreft, persoonlijk vind ik het sterk om een vermeende DDoS-aanval op Proximus, waarvan ik niet op de hoogte ben - ik zal me straks informeren - rechtstreeks te koppelen aan een communicatie die ik zou hebben gedaan. Ik vind dat buitengewoon kras. Mevrouw Ponthier, u legt die link. U hebt dat hier gezegd, u moet het maar eens herbeluisteren, mevrouw Ponthier. U beweert dat ik gezegd zou hebben dat ik Moskou zou platgooien. Dat heb ik helemaal niet gezegd. Lees dat maar eens na.

Dat ik lessen zou moeten krijgen van u qua fors taalgebruik, terwijl uw directeur strategie duidelijk maakt dat hij nooit meer met de N-VA wil samenwerken, dat vind ik opmerkelijk. Die deur is dus gesloten. Dat hij mij op alle mogelijke fora een losgeslagen gek noemt en vindt dat ik opgesloten zou moeten worden, wat fors taalgebruik betreft, raad ik u aan eens een spiegel voor te houden. Dat zou niet misstaan.

Wat ik heb gezegd – ik herhaal het -, is dat als men mij de vraag stelt of Poetin een nucleair wapen op Brussel zal gooien, ik daarop neen antwoord. Dat zal niet gebeuren. Dat lijkt mij een redelijk geruststellende uitspraak. De reden is dat Poetin weet – dat woord is toch relevant - dat als hij dat doet, daar onmiddellijk een reactie op zal volgen. Het principe van second strike kent u zeer goed, mevrouw Pontier. U bent een experte in defensie en zit hier al vele jaren. Het is een basisprincipe van de militaire doctrine van de NAVO, al 76 jaar, een gezond principe dat wij allen aanhangen. Dat is wat ik heb gezegd.

Ik voel me inderdaad gepakt door een journalist die het interview niet eens heeft afgenomen. Tien dagen later verscheen plots een kop die naar mijn oordeel uit de context is gehaald waarbij een klein fragment van een lang interview werd uitvergroot. Tijdens de tien dagen nadat ik dat interview had gegeven, heeft niemand van de duizenden mensen die het hebben gelezen, er aanstoot aan genomen. Plotseling wordt één titel uitvergroot en krijgt het grote aandacht. Los van mijn imago en mijn ego vind ik dat gewoon gevaarlijk. En dat zien we nu.

Overigens, persoonlijk denk ik dat er, stel dat een incident aan een bepaald land wordt toegewezen, misschien wel wat meer aan de hand is dan wat een interview in Humo wordt gezegd. Maar voor u is het blijkbaar duidelijk één op één gelinkt. Als u daar bewijs van hebt, mag u het me altijd bezorgen. Dan zullen de diensten het wel even onderzoeken.

Monsieur Courard, pour ce qui est des images aériennes, c'est en cours et cela nous occupe fortement, également pour ce qui concerne Strava. Nous recherchons actuellement une solution.

Annick Ponthier:

Mijnheer de minister van Defensie, ik wil uiteraard kort reageren op uw woorden.

U hebt de titel van minister van Defensie en die titel draagt u waardig uit. Ik zou echter ook graag hebben dat u dat in uw communicatie laat blijken en dat u met omzichtigheid te werk gaat. Dat is het enige wat ik van u vraag. Het artikel getuigde niet van die omzichtigheid. Ik meen wat ik zeg. In uw functie zou ik er echt naar streven alle artikels die over u verschijnen, en zeker interviews die u zelf aflegt, vooraf na te lezen. Wij leven immers in bijzonder gevaarlijke tijden. Wij hebben het hier de hele ochtend gehad over droneaanvallen, cyberaanvallen, aanvallen op onze samenleving en op ons systeem, onze waarden en normen. U moet dus op uw taalgebruik letten. Dat lijkt mij niet te veel gevraagd in de commissie voor Landsverdediging over de cyberaanval.

Ik heb niet beweerd dat u daar rechtstreeks aan bent gelinkt. Ik lees hier een nieuwsartikel dat ons daarnet is toegezonden met de titel “Pro-Russisch hackerscollectief viseert Theo Francken na cyberaanval op websites van proximus en Scarlet.” Ik lees enkel wat in de media verschijnt. Een en ander kan onrechtstreeks wel gelinkt zijn. Ik leg die link niet, maar die link wordt gelegd.

Daarom roep ik u op tot omzichtigheid en voorzichtigheid in al uw uitspraken, zeker als minister van Defensie. Partijpolitiek doet hier niet ter zake.

Theo Francken:

Mevrouw Ponthier, ik neem uw opmerking zeker mee.

Voorzitter:

Collega's, het is ondertussen 12.55 uur. Ik stel voor om onze werkzaamheden hier te sluiten. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 12.55 uur. La réunion publique de commission est levée à 12 h 55.

De recente studie v.d. Onafhankelijke Ziekenfondsen en het mentale welzijn van jonge werknemers
Burn-outpreventie en een betere bescherming van vrouwen op dit gebied
Mentale gezondheid en burn-outpreventie bij jonge werknemers en vrouwen

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 5 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De alarmerende stijging van burn-outs (verdubbeld in 6 jaar, vooral bij jongeren <40 jaar en zelfstandigen +49%) en bijbehorende kosten (12 mjd €, 50% van arbeidsongeschiktheid) vraagt om dringend ingrijpen, stelt Isabelle Hansez, die pleit voor verplichte vroege opvolging via bedrijfsarts en versterkte preventie. Minister Vandenbroucke kondigt een geïntegreerd plan aan met vroegtijdige interventie (preventieve trajecten, digitale TRIO-platform voor multidisciplinair overleg), verplichte risicopreventie in bedrijven, toegankelijke psychologische zorg (gereduceerd tarief) en focus op kwetsbare groepen (jongeren, vrouwen via gendergerichte aanpak). Pilotprojecten (Fedris, IPS) moeten langdurige afwezigheid voorkomen, met uitrol in 2026. Hansez benadrukt de urgentie van primaire preventie: bedrijven analyseren risico’s wel, maar zetten te weinig concrete actieplannen op, terwijl secundaire preventie (via Fedris) pas ingrijpt bij eerste signalen van uitval. De kern: snel handelen met verplichte preventie, vroege detectie en sectoroverschrijdende samenwerking, gericht op jongeren en vrouwen, om zowel menselijk leed als socialezekerheidskosten te beperken.

Isabelle Hansez:

Monsieur le ministre, effectivement, les Mutualités Libres ont publié les résultats d'une enquête qui mettent en évidence une évolution alarmante: en six ans, les cas de burn-out ont quasiment doublé. Avec les autres troubles psychosociaux, ils représentent aujourd'hui près d'une incapacité sur deux. C'est particulièrement marqué – c'est un résultat qui m'interpelle – chez les indépendants (plus 49 % depuis 2018) et chez les jeunes actifs de moins de 40 ans.

Ces chiffres traduisent une double réalité: d'une part, un drame humain pour des milliers de familles; d'autre part, un défi tout de même majeur pour la soutenabilité de notre sécurité sociale puisque les dépenses liées aux incapacités de travail, comme vous le savez, ont doublé en dix ans pour atteindre 12 milliards d'euros.

Les Mutualités Libres recommandent d'agir rapidement: mise en place d'un suivi obligatoire par la médecine du travail après trois mois d'absence; prévention accrue des risques psychosociaux; responsabilité renforcée des employeurs; et recherche ciblée sur les causes de la hausse des troubles mentaux, notamment chez les jeunes travailleurs.

Dès lors, monsieur le ministre, comment le gouvernement entend-il répondre à cette explosion des burn-out et autres troubles psychosociaux, tant en matière de prévention que d'accompagnement des personnes touchées – en l'espèce surtout les jeunes? Êtes-vous favorable à l'instauration d'un suivi systématique et précoce via la médecine du travail pour les pathologies liées à la santé mentale, comme le suggère l'enquête réalisée par les Mutualités Libres? Enfin, quelles mesures spécifiques envisagez-vous pour mieux protéger un public particulièrement vulnérable par rapport à cette évolution: les jeunes travailleurs?

Frank Vandenbroucke:

Madame Hansez, les chiffres publiés récemment par les Mutualités Libres sont en effet sans appel. Face à de tels chiffres, je crois qu'il faut agir avec détermination. Nous considérons cette question comme un enjeu de santé publique qui appelle une approche intégrée. C'est le sens du plan global de prévention et de retour au travail prévu dans l'accord de gouvernement. Ce plan poursuit deux objectifs: prévenir autant que possible l'apparition des maladies et accompagner activement les personnes déjà touchées afin d'éviter un éloignement durable du marché du travail.

Voici ce que nous voulons faire concrètement.

1. Nous voulons intervenir plus tôt. Un salarié en difficulté pourra entamer un parcours préventif avec son médecin du travail pour adapter ses conditions avant qu'une absence prolongée ne devienne nécessaire.

2. Dès le début d'une incapacité, nous organiserons un dialogue structuré entre le travailleur, l'employeur et le trio de médecins (le médecin traitant, le médecin du travail, le médecin conseil).

3. La plateforme numérique TRIO, active depuis février, facilitera cette concertation sécurisée et multidisciplinaire.

4. En parallèle, nous renforçons la prévention primaire des risques psychosociaux en collaboration avec le ministre de l'Emploi. Le stress chronique au travail est un facteur majeur de burn-out et chaque entreprise doit prendre ses responsabilités.

Nous investissons aussi dans la santé mentale. Les soins psychologiques de première ligne sont désormais accessibles à tarif réduit. Nous développons des lignes directrices pour que psychologues et médecins généralistes puissent mieux identifier les signaux liés au travail et maintenir le lien professionnel. Un projet pilote dans trois régions associe médecins et psychologues autour du thème "santé mentale et travail". Il sera évalué en 2026 pour un éventuel déploiement national.

À ces actions s'ajoutent les initiatives de Fedris, l'Agence fédérale des risques professionnels. Depuis 2019, Fedris mène des projets pilotes de prévention du burn-out dans plusieurs entreprises et secteurs. Ces projets permettent aux travailleurs présentant des signaux précoces d'épuisement professionnel de bénéficier d'un trajet de coaching financé par Fedris.

Des centaines de travailleurs ont déjà été accompagnés avec succès, souvent avant qu'une incapacité de longue durée ne s'installe. Nous allons renforcer et étendre ces projets, en particulier dans les secteurs les plus exposés – soins de santé, enseignement, services sociaux – pour qu'un plus grand nombre de travailleurs puissent accéder à cette aide. Ces expériences inspirent aussi la politique générale. Elles démontrent qu'une intervention précoce, financée collectivement, peut réellement éviter des absences prolongées.

La réussite de notre stratégie passe aussi par une coopération entre le Fédéral et les Régions. Début 2026, nous conclurons un nouveau protocole d'accord avec les ministres régionaux de l'emploi. Des approches comme l'Individual Placement and Support (IPS), qui aide les personnes atteintes de troubles psychiques sévères à retrouver un emploi, seront généralisées.

Dans ce cadre, nous encourageons également la collaboration entre, par exemple, les werkwinkels et les psychologues de première ligne. Concrètement, les psychologues de la première ligne pourront travailler en lien direct avec les conseillers des werkwinkels afin de détecter précocement les difficultés, prévenir les ruptures de parcours professionnel et soutenir le retour progressif au travail dans des conditions adaptées.

Enfin, nous portons une attention particulière aux jeunes et aux femmes. Chez les jeunes actifs, les troubles psychiques augmentent fortement. Nous voulons comprendre les causes (la précarité, les nouvelles organisations du travail, l'équilibre vie privée et professionnelle,…) et adapter nos politiques.

Quant aux femmes, elles représentent près de 65 % des incapacités pour burn-out. C'est un reflet de la double charge professionnelle et familiale et d'une surreprésentation dans les métiers du care . Nous intégrons donc une dimension de genre dans toutes nos politiques de prévention et de réintégration, en nous appuyant sur l'étude sur la santé des femmes de Sciensano.

Notre stratégie, je crois, est claire: prévenir en amont, intervenir tôt, accompagner avec des outils adaptés, y compris via les projets de Fedris, et réintégrer durablement. Nous voulons protéger la santé mentale des travailleurs avec une attention particulière pour les jeunes et les femmes, et assurer la viabilité de notre modèle social.

Isabelle Hansez:

Monsieur le ministre, merci pour votre réponse. J’insiste un peu parce que je pense qu’il y a urgence à agir. Nous parlons d’un véritable enjeu de santé publique, mais aussi de la soutenabilité de notre sécurité sociale. Ces 12 milliards d’euros de dépenses sont autant de moyens qu’il faudrait investir en amont, dans la prévention. Vous me parlez du programme Fedris, que je connais évidemment bien. C’est de la prévention secondaire. On agit là quand les personnes manifestent déjà des premiers signes de burn-out. Nous devons réfléchir à nouveau à l’importance de la prévention primaire. Aujourd'hui, beaucoup d’entreprises font une analyse des risques, mais peu d’entreprises développent et appliquent des plans d’action. Je pense que nous devons revenir sur l’importance de la prévention primaire dans les entreprises. Je suis heureuse d’entendre que nous pouvons faire un focus sur des groupes à risque au sein de ces entreprises. Je vous remercie, monsieur le ministre.

De beveiliging van medische gegevens

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 5 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De GBA verplicht wachtwoorden van minstens 12 tekens en extra beveiliging (zoals 2FA) voor medische gegevens, maar Frieda Gijbels vraagt zich af of dit uniform wordt toegepast, vooral in ambulante praktijken die achterlopen op ziekenhuizen. Minister Vandenbroucke wijst op 20-35 miljoen euro steun (2022-2027) en de NIS2-wet (deadline 2026-2027) die ziekenhuizen verplicht tot strengere cyberveiligheid, maar Gijbels dringt aan op een brede sensibiliseringscampagne voor de hele zorgsector, gezien de groeiende digitale kwetsbaarheid en geopolitieke risico’s. Kernpunt: gelijke veiligheidsnormen en bewustmaking voor alle zorgactoren, niet enkel ziekenhuizen.

Frieda Gijbels:

Mijnheer de minister, tijdens een congres aan de Universiteit Antwerpen in september 2025 werd de aandacht gevestigd op de verplichting om wachtwoorden van minstens 12 tekens te gebruiken bij de toegang tot medische gegevens. Die regel vloeit voort uit een recente beslissing van de Gegevensbeschermingsautoriteit (GBA) en een nota van het Informatieveiligheidscomité.

In een beslissing van 17 december 2024 heeft de geschillencommissie van de GBA wachtwoorden van zes tot acht tekens in een medische context als zwak bestempeld en gewezen op de de facto norm van minstens 12 tekens. Bovendien werden aanvullende maatregelen aanbevolen, zoals tweefactorauthenticatie, beperking van het aantal inlogpogingen, nauwkeurig toegangsbeheer en tracerbaarheid van raadplegingen. Ook nationale aanbevelingen, zoals via Safeonweb, volgen die logica.

Ik heb daarover een aantal vragen voor u, want ik twijfel eraan of die norm overal wordt toegepast. Hoe zal de federale overheid erop toezien dat die nieuwe norm van minstens 12 tekens daadwerkelijk wordt toegepast in instellingen die medische gegevens verwerken of beheren?

Hoe zal dat worden geïmplementeerd? Komt er een uniform kader of wordt het volledig overgelaten aan de zorginstellingen zelf?

Wordt ten slotte gewerkt aan een gefaseerde invoering van extra veiligheidsmaatregelen, zoals die tweefactorauthenticatie en het verfijnen van toegangsrechten, zodat zorginstellingen zich daarop kunnen voorbereiden?

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw Gijbels, de ziekenhuissector heeft geprofiteerd van een budgettaire inspanning van de overheid om de cyberbeveiliging te versterken. Voor de periode 2022-2023 werd een budget van 20 miljoen euro vrijgemaakt, en vanaf 2023 is er jaarlijks 15 miljoen euro uitgetrokken om het cyberprogramma te ondersteunen. Dat programma heeft tot doel verdere verlamming te voorkomen door ervoor te zorgen dat instellingen een evenwichtig niveau van cybermaturiteit bereiken.

Naarmate de ziekenhuizen steeds meer met elkaar verbonden raken, hangt de veiligheid van de instellingen af van de zwakste schakel. Het is daarom van essentieel belang om zowel de minst geavanceerde instellingen als de instellingen die al een goed niveau van volwassenheid op het gebied van cyberbeveiliging hebben te ondersteunen. De prioriteiten die in samenwerking met de sector zijn vastgesteld, hebben betrekking op CSIRT (Computer Security Incident Response Team), cybersecurity awareness en information systems penetration testing .

Het doel is de basis te leggen voor een continue en collectieve verbetering van de veerkracht en de veiligheid van de sector, alsook de data die ze beheren. Concreet moeten de Belgische ziekenhuizen tegen april 2026 en 2027 voldoen aan de vereisten van de NIS2-wet. Wachtwoordbeheer vormt een essentieel onderdeel van de beveiliging van informatiesystemen en maakt deel uit van de nalevingsvereisten die deze wet oplegt.

De middelen die de overheid aan de sector heeft toegekend, in combinatie met deze nalevingsverplichting, zullen de ziekenhuissector aanmoedigen om dit aspect te versterken.

Frieda Gijbels:

Dank u wel, mijnheer de minister. U had het over de ziekenhuissector. U gaf terecht aan dat de veiligheid afhankelijk is van de zwakste schakel in het netwerk. De ziekenhuizen zijn inderdaad steeds meer met elkaar verbonden, wat natuurlijk een goede zaak is voor de uitwisseling van gegevens. De ziekenhuizen zijn echter niet alleen onderling verbonden, ze zijn ook verbonden met ambulante praktijken. Ik vraag me dus af of daar niet mogelijk een probleem rijst. Ik meen dat men in de ambulante sector nog niet zo ver is, afgaand op mijn eigen praktijk en de praktijken van collega’s. Ik weet niet of men daar geïnformeerd is dat het van belang is om een wachtwoord veilig genoeg te maken. Dat lijkt misschien een detail, maar dat is het echt niet. Ik meen dat medische gegevens in de geopolitieke context die we vandaag kennen, met toch een heel onrustige sfeer, mogelijk een doelwit zijn. Ik ben voorstander van digitalisering, maar ze maakt ons als bevolking echt wel kwetsbaar. Ik vraag me af of er niet toch een bredere campagne moet komen, ook richting de ambulante sector, om die te informeren en te sensibiliseren inzake het belang van cyberveiligheid. Op zich is het iets vrij eenvoudigs, om dat wachtwoord sterker en veiliger te maken. Ik wil u vragen om er toch eens over na te denken of er een algemene campagne kan komen voor de volledige zorgsector.

De bescherming van zorgverleners tegen onjuiste online recensies

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 5 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Het Franse hof van beroep verplichtte Google een Google My Business-profiel van een tandarts te verwijderen wegens AVG-schending, omdat persoonlijke gegevens en recensies zonder toestemming waren geplaatst en Google’s beroep op "gerechtvaardigd belang" onvoldoende was. Frieda Gijbels vraagt of dit precedent in België toepasbaar is en hoe zorgverleners zich kunnen verweren tegen onrechtmatige, anonieme recensies, waar ze door beroepsethiek niet op kunnen reageren, met name via artikel 17 AVG (recht op vergetelheid). Minister Vandenbroucke bevestigt de rechtstreekse werking van de AVG in België en wijst zorgverleners naar de Gegevensbeschermingsautoriteit (GBA), die klachten kan onderzoeken, maatregelen en dwangsommen kan opleggen, maar geeft geen concrete stappen voor extra bescherming. Gijbels belooft de GBA te raadplegen en de informatie onder zorgverleners te verspreiden.

Frieda Gijbels:

Mijnheer de minister, op 22 mei 2025 heeft het hof van beroep van Chambéry in Frankrijk voor het eerst de verwijdering van een Google My Business-profiel van een zorgverlener bevolen, op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming. Het betrof een tandarts van wie zonder toestemming een profiel werd aangemaakt, waarop persoonlijke gegevens en beoordelingen verschenen. De rechtbank oordeelde dat deze gegevens onder de AVG vallen en dat de rechtsgrond van gerechtvaardigd belang, die door Google werd aangevoerd, onvoldoende onderbouwd was.

Deze uitspraak is ook voor België bijzonder relevant, want ook bij ons worden artsen en andere zorgverleners regelmatig geconfronteerd met online profielen en recensies die zonder toestemming worden aangemaakt. Hierop kunnen zij bovendien niet vrij reageren omwille van de beroepsethiek. Het onevenwicht is dus groot. Patiënten kunnen anonieme of niet-verifieerbare negatieve recensies plaatsen, terwijl zorgverleners zich amper kunnen verdedigen.

Mijnheer de minister, acht u het mogelijk dat dit precedent ook in België toepasbaar kan zijn? Wordt in ons land al werk gemaakt van een juridische analyse van dergelijke gevallen, waarbij zorgverleners zich beroepen op artikel 17 van de AVG, het recht op verwijdering? Welke mogelijkheden bestaan er voor Belgische zorgverleners die zich benadeeld voelen door onrechtmatige of anonieme recensies, die zij wegens beroepsethische regels niet kunnen tegenspreken? Ziet u ruimte voor bijkomende initiatieven, bijvoorbeeld via overleg met de Gegevensbeschermingsautoriteit, om zorgverleners beter te beschermen tegen onevenwichtige of lasterlijke beoordelingen op digitale platformen?

Frank Vandenbroucke:

Dank u wel voor het delen van deze interessante casus, die zeker ook precedentwaarde voor België heeft, vermits de Algemene Verordening Gegevensbescherming een directe werking heeft in elke Europese lidstaat.

Zoals u weet, is de Gegevensbeschermingsautoriteit het onafhankelijk orgaan dat in België toezicht houdt op de naleving van de beginselen van de AVG. Ik heb geen weet of de GBA specifieke klachten van zorgverleners heeft ontvangen, maar dit is wel het orgaan waar zorgverleners met eventuele klachten terechtkunnen.

De GBA beschikt over onderzoeksbevoegdheden en kan, indien opportuun, voorlopige maatregelen opleggen. Bovendien beschikt de GBA over een geschillenkamer die maatregelen kan opleggen die via dwangsommen afdwingbaar kunnen worden gemaakt

Uw vraag over een juridische analyse richt u best aan de GBA. Zij zijn het orgaan dat zowel de bevoegdheid als de expertise heeft om inbreuken tegen de AVG vast te stellen.

Frieda Gijbels:

Mijnheer de minister, u gaf een kort maar waardevol antwoord. Veel zorgverleners weten immers gewoon niet tot wie ze zich moeten richten. Ik zal dit zeker verder delen. Ik zal tevens de Gegevensbeschermingsautoriteit contacteren en een aantal vragen stellen. Ik dank u om dit mee te delen aan ons, zodat we het verder kunnen verspreiden.

De bescherming van minderjarigen online en het Belgische standpunt over de Verklaring van Jutland
De onthouding van België met betrekking tot de bescherming van minderjarigen online
De Verklaring van Jutland
België, online bescherming van minderjarigen en de Verklaring van Jutland

Gesteld aan

Vanessa Matz (Minster van Modernisering van de overheid, Overheidsbedrijven, Ambtenarenzaken, Gebouwenbeheer van de Staat, Digitalisering en Wetenschapsbeleid)

op 22 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België weigerde als een van de weinige EU-landen de Verklaring van Jutland (voor betere online bescherming van minderjarigen) te ondertekenen door een Vlaams veto, ondanks federaal overleg en brede Europese steun, terwijl de minister dit betreurt en blijft pleiten voor leeftijdsverificatie en strengere platformregulering. Technische en juridische twijfels (o.a. over bevoegdheidsverdeling en privacy-risico’s zoals bij de CSAM-verordening) en politieke verdeeldheid binnen Vlaanderen blokkeren een gemeenschappelijk standpunt, hoewel de minister aankondigt dat het federale Parlement dit najaar wetgeving zal bespreken. Alternatieve maatregelen zoals sensibilisering, educatie en gerichte opsporing (in plaats van algemene chatcontrole) blijven prioriteiten, met nadruk op samenwerking tussen beleidsniveaus ondanks de huidige impasse. De minister belooft transparantie over de Belgische positie en blijft streven naar een "voorbeeldige" nationale aanpak, los van de EU-verklaring.

Victoria Vandeberg:

Madame la ministre, les 9 et 10 octobre derniers s'est tenu au Danemark un Conseil européen informel consacré à la protection des jeunes dans l'espace numérique.

À l'issue de cette réunion, 25 États membres de l'Union européenne ainsi que la Norvège et l'Islande ont signé la Déclaration de Jutland, qui fixe les grandes orientations d'une future approche commune pour mieux encadrer les réseaux sociaux et renforcer la protection des mineurs en ligne.

Or la Belgique fait partie des rares pays à ne pas avoir signé cette déclaration.

Par ailleurs, pour revenir sur le constat dressé en France, la commission d'enquête parlementaire sur TikTok a récemment formulé des recommandations assez radicales, telles que l'interdiction des réseaux sociaux aux moins de 15 ans ou encore l'instauration d'un couvre-feu entre 22 h et 8 h.

Ces mesures apparaissent toutefois difficilement applicables et posent de réelles questions quant au respect des libertés individuelles. Les réseaux sociaux font désormais partie intégrante du quotidien des jeunes. Un retour en arrière paraît assez illusoire.

La véritable réponse se situe sans doute ailleurs. Il appartient à l'État d'assumer pleinement son rôle de régulateur. Il s'agit non pas d'interdire l'accès des jeunes, mais de contraindre les plateformes à rendre leur environnement moins nocif, en luttant activement contre les contenus illégaux et en protégeant les utilisateurs vulnérables.

Au-delà de la régulation, il est essentiel de renforcer la sensibilisation et l'éducation au numérique. Former les jeunes à un usage responsable, développer leur esprit critique et impliquer les parents dans cette démarche sont autant de leviers indispensables pour une protection durable.

Madame la ministre, pouvez-vous revenir sur les grandes lignes et les objectifs principaux de la Déclaration de Jutland ainsi que sur les discussions menées lors de ce Conseil informel? Pour quelle raison la Belgique a-t-elle choisi de ne pas signer cette déclaration, alors que la majorité de nos partenaires européens l’ont fait? Surtout, est-il prévu que notre pays y adhère prochainement?

Enfin, au-delà du volet réglementaire, quelles initiatives comptez-vous soutenir pour renforcer l'éducation et la sensibilisation des jeunes aux enjeux du numérique et à la sécurité en ligne?

Dieter Keuten:

België heeft de Verklaring van Jutland over de online bescherming van minderjarigen niet ondertekend. In de pers hebt u toegelicht dat u dit betreurt en dat u alles in het werk hebt gesteld om België toch te laten aansluiten bij dit initiatief. U wijst voor het mislukken daarvan met de vinger naar Vlaanderen.

Verschillende experts uit de domeinen van cybersecurity, recht, data-ethiek en kinderrechten hebben reeds gewezen op de ernstige neveneffecten die de CSAM-verordening zou kunnen veroorzaken, zoals de systemische verzwakking van digitale veiligheid, met grote aantallen valspositieven of blokkeringen tot gevolg, willekeurige controle van privécommunicatie enzovoort. Wat is hierop uw reactie?

U stelt dat Vlaanderen het ondertekenen van de Verklaring van Jutland blokkeerde. Welk voorafgaand overleg hebt u hierover gehad met de Vlaamse bevoegde minister en met de minister-president? Werden er voorwaarden geformuleerd waaronder België de verklaring wél zou kunnen onderschrijven?

Welke afspraken zijn er gemaakt over de verdere aanpak van dit dossier? Kunt u toelichten hoe het definitieve Belgisch standpunt tot stand zal komen? Dat is volgens mij essentieel, want het is momenteel bijzonder onduidelijk hoe dit soort standpunten tot stand komen binnen deze regering. Zult u het federale Parlement een volledig overzicht geven van de Belgische positie en de technische, juridische en ethische evaluaties die eraan ten grondslag liggen?

Hebt u met uw collega-minister van Justitie overleg gehad inzake een betere gerechtelijke samenwerking en gerichte opsporing in plaats van algemene chatcontrole?

Marie Meunier:

Madame la ministre, la Belgique fait partie des deux seuls États membres de l'Union européenne à ne pas avoir signé la déclaration pour la protection des mineurs en ligne. Vous l'avez publiquement regretté en expliquant qu'un veto de la Flandre empêchait notre pays de signer.

Pour rappel, on parle ici de vouloir une meilleure régulation des contenus néfastes, notamment via la vérification de l'âge sur les plateformes numériques et une réflexion sur la majorité numérique.

Dans un contexte où l'exposition des enfants à des contenus violents, haineux ou manipulateurs est en constante augmentation, cette absence de signature interroge sur la capacité de notre pays à parler d'une seule voix sur un enjeu si important.

Madame la ministre, un dialogue est-il en cours pour lever ce blocage avec la Flandre? Quelles initiatives comptez-vous prendre, en l'absence de signature, pour garantir une protection efficace des mineurs en ligne? Enfin, que pensez-vous du fait qu'un veto régional prive la Belgique d'une position européenne sur des enjeux aussi fondamentaux?

Vanessa Matz:

De bescherming van minderjarigen online is een absolute prioriteit tijdens mijn mandaat. Laat mij dan ook mijn diepe spijt uitdrukken dat België de Verklaring van Jutland niet heeft ondertekend.

La déclaration préconise le développement de mécanismes de vérification d'âge et fixe pour objectif le plus haut niveau de protection de la vie privée et de sûreté des applications internet, dès la conception et par défaut. La déclaration entend également réglementer les pratiques commerciales préjudiciables.

Malgré un large consensus politique et scientifique, un veto de la Flandre a empêché notre pays de rejoindre cette initiative commune. Les discussions pour lever ce veto se sont poursuivies jusqu'au matin même du Conseil informel.

Ik blijf ervan overtuigd dat een constructieve dialoog tussen de beleidsniveaus essentieel is om vooruitgang te boeken.

Les consultations préalables furent très nombreuses: des échanges bilatéraux en cabinet, des réunions ministérielles, ainsi que les discussions en DGE.

La Belgique avait proposé un amendement concernant la vérification de l'âge, qui n'a pas été intégré dans la version définitive du texte. Cependant, cette dernière version laissait suffisamment de marge de manœuvre pour rassembler tous les É tats membres, chacun pouvant nuancer sa position lors des discussions.

Ondanks deze flexibiliteit bleef de blokkering bestaan. Wanneer de ondertekening uitblijft, reken ik op de steun van de (…) om een voorbeeldige Belgische aanpak voor te stellen.

Dès cet automne, le Parlement fédéral entamera ses travaux sur la protection des utilisateurs en ligne, abordant des questions cruciales, telles que l'âge minimal d'accès aux réseaux sociaux, un cadre légal sur la vérification de l'âge, un cadre légal sur l'anonymat. Je regrette sincèrement qu'un veto régional puisse placer la Belgique dans une position aussi minoritaire au sein de l'Union européenne, alors que la protection des mineurs en ligne est un enjeu fondamental. Malgré ce revers, ma détermination de faire avancer ce dossier reste intacte.

Je tiens à préciser, par ailleurs – on parle de la Flandre – qu'il ne s'agit pas d'une position du gouvernement flamand. Plusieurs partis au sein du gouvernement flamand soutiennent clairement la mise en place de contrôles d’âge pour mieux encadrer les personnes mineures. Nous sommes dans l'obligation d'avoir une entente sur ces questions, puisque la protection des enfants est du ressort des entités fédérées. La question de la vérification de l’âge, par contre, soulève encore des incertitudes et nous analysons actuellement au niveau juridique si elle relève en tant que telle de la compétence des entités fédérées. Vous aurez compris que si la question de la vérification de l'âge est confirmée au niveau du fédéral, nous avancerons dans le sens souhaité.

Wat uw vraag over de CSAM-verordening betreft, mijnheer Keuten, bestaat er verwarring over twee dossiers, die, hoewel ze beide betrekking hebben op kinderen, zeer verschillende bezorgdheden behandelen.

De CSAM-verordening beoogt een antwoord te bieden op het probleem van de online verspreiding van beelden van seksueel misbruik van kinderen. De neveneffecten van het ontwerp van verordening zijn allemaal uitvoerig besproken. Het compromis dat nu op tafel ligt, biedt garanties.

De detectie van inhoud is echter beperkt tot de risicodiensten, in de tijd beperkt en onderworpen aan een voorafgaande rechterlijke machtiging, zodat er geen sprake meer kan zijn van een veralgemeende detectie. Over het ontwerp van verordening wordt bovendien nog steeds onderhandeld.

Victoria Vandeberg:

Je vous remercie pour votre réponse, madame la ministre.

Nous resterons bien entendu attentifs aux suites données, notamment en ce qui concerne la vérification de l’âge légal, afin de déterminer quelle entité en a la compétence. Nous nous tiendrons informés.

Marie Meunier:

Je vous remercie, madame la ministre, pour vos réponses complètes et honnêtes.

Nous serons évidemment attentifs à la suite. Comme je vous l'ai déjà dit au sein de cette commission, vous pouvez compter sur notre soutien dans ce travail là. J'entends que la problématique ne vient pas dans son ensemble du gouvernement flamand. Si, après vérification, cette compétence relève effectivement de notre entité, nous ne souhaiterions pas que vous vous retrouviez isolée ou en minorité au sein du gouvernement fédéral sur cette question.

Nous ne manquerons pas de revenir vers vous et de rester attentifs à cette thématique.

Dieter Keuten:

Dank u wel voor uw complete antwoord, mevrouw de minister.

De bescherming van minderjarigen, ook online, is natuurlijk een onderwerp dat ons allemaal nauw aan het hart ligt. Of de Verklaring van Jutland nu door België ondertekend is of niet, zal hier op korte termijn in feite niets aan veranderen.

Ik ben blij dat u in uw antwoord naar de essentie van de zaak bent gegaan. Die betreft uiteraard leeftijdsverificatie, meer bepaald online leeftijdsverificatie, een vraag die zich opdringt op verschillende beleidsniveaus – Europees, federaal en regionaal – en in verschillende discussies.

Als ik u goed heb begrepen, mevrouw de minister, heeft België nog een amendement ingediend op de Verklaring van Jutland. Ik zou u willen vragen dat amendement te delen met de commissie.

Daarnaast heb ik kennisgenomen van het wetsvoorstel dat door uw partij werd ingediend over online anonimiteit en leeftijdsverificatie. Ik betreur persoonlijk dat die discussie in de commissie voor Justitie zal plaatsvinden en niet in deze commissie, maar dat is eigenlijk een opmerking terzijde. We kijken uit naar de bredere discussie over leeftijdsverificatie alvorens op dit onderwerp terug te komen.

Ik dank u.

Vanessa Matz:

Ter precisering, beide voorzitters hebben een uitnodiging verstuurd voor hoorzittingen, dus zowel in de commissie voor Justitie als in de commissie voor Economie.

Voorzitter:

Die boodschap is bij het secretariaat aangekomen.

De cyberaanval tegen F5

Gesteld door

lijst: VB Dieter Keuten

Gesteld aan

Vanessa Matz (Minster van Modernisering van de overheid, Overheidsbedrijven, Ambtenarenzaken, Gebouwenbeheer van de Staat, Digitalisering en Wetenschapsbeleid)

op 22 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De cyberaanval op F5 (augustus 2024, door een natiestaat) maakt Belgische overheidsdiensten kwetsbaar voor supplychainaanvallen, aangezien ze F5-software gebruiken, ondanks bekende kwetsbaarheden sinds 2020. Het CCB nam acute maatregelen (waarschuwingen, analyses, NIS2-verplichtingen) en wijst op 55 miljoen euro voor federale cyberversterking, maar Keuten kritiseert traagheid: vijf jaar oude risico’s bleven onopgelost, en de hack kwam pas in oktober publiek, terwijl de VS al in augustus waarschuwde. Hij vraagt schriftelijke verantwoording over reactiesnelheid en tijdslijn.

Dieter Keuten:

Mevrouw de minister, deze vraag gaat over een zoveelste cyberaanval, ditmaal van F5. Het Amerikaans softwarebedrijf dat netwerksoftware levert, zou in augustus al gehackt zijn. Vorige week werd bekend dat die hack werd veroorzaakt door een natiestaat. Het in Seattle gevestigde bedrijf rekent enkele van de grootste ondernemingen ter wereld tot zijn klanten, maar ook overheidsinstellingen behoren daartoe. Die klanten zijn door die hacking bijzonder kwetsbaar geworden voor zogeheten supplychainaanvallen. De Amerikaanse overheid heeft sindsdien voor cyberaanvallen op overheidsnetwerken gewaarschuwd. Ook de Britse autoriteiten stuurden op 15 oktober een waarschuwing uit.

Mevrouw de minister, ik ben dan ook benieuwd of de overheidswebsites die onder uw bevoegdheid vallen en/of die gebruikmaken van software van dat bedrijf reeds het voorwerp van supplychainaanvallen zijn geweest.

De kwetsbaarheid van die software werd al in 2020 vastgesteld. Werd dat geval toen geëvalueerd? Welke maatregelen beveelt het Centrum voor Cybersecurity België aan? Op welke manier worden die aanbevelingen gecommuniceerd? Hoe beoordeelt u die bedreiging?

Vanessa Matz:

Mijnheer Keuten, het Centrum voor Cybersecurity België volgt de inbreuk bij F5 Networks nauwlettend op, waarvan bepaalde apparatuur en software door federale overheidsdiensten worden gebruikt. Om veiligheids- en vertrouwelijkheidsredenen kunnen specifieke details niet worden bekendgemaakt.

Zodra het incident werd aangekondigd, heeft het CCB maatregelen genomen om de risico’s te beperken: het verspreiden van waarschuwingen via het Early Warning System onder de federale diensten, het publiceren van aanbevelingen op de website om externe organisaties en het brede publiek te informeren en een analyse van F5-apparaten in België om gerichte waarschuwingen naar de betrokken entiteiten te sturen.

Ik benadruk het belang van een strenge beheersing van de cyberveiligheid van leveranciers, in overeenstemming met het CyberFundamentals-kader, dat eveneens van toepassing is op dienstverleners van overheidsinstanties. Sinds oktober volg ik verplicht de NIS2-wetgeving, die aan essentiële en belangrijke entiteiten oplegt hun cyberweerbaarheid te versterken, terwijl het CyFun-kader hen in staat stelt om hun volwassenheid te evalueren. Een budget van 55 miljoen euro is dit jaar toegewezen om die verplichtingen op federaal niveau te ondersteunen.

Ten slotte definieert richtlijn 1/2024 van het CCB een minimale beveiligingsbasis voor IT-dienstverleners van overheidsinstellingen, die in hun contracten moet worden opgenomen.

Dieter Keuten:

Mevrouw de minister, bedankt voor de antwoorden en voor de transparantie om aan te geven dat die software van F5 wel degelijk gebruikt wordt door onze overheidsinstellingen, zoals ik al vreesde. Ik hoop dat de maatregelen die het CCB genomen heeft, het early-warningsysteem en de aanbevelingen, tijdig en goed worden opgevolgd door de verantwoordelijken van die overheidswebsites. Wat bij mij de grootste vraagtekens of zorgen oproept, is de traagheid waarmee gehandeld wordt of mogelijk gehandeld wordt, althans vanuit mijn oogpunt. In 2020, vijf jaar geleden al, bleek dat die software gevoeligheden had. Vandaag, in 2025, blijkt dat onze overheidsdiensten die software nog steeds gebruiken. In 2020 formuleerde het CCB trouwens al aanbevelingen omtrent de kwetsbaarheid van die software. Ik stel ook vast dat die hacking in de Verenigde Staten al in augustus werd vastgesteld en dat het uiteindelijk tot half oktober duurde vooraleer dat in de publieke ruimte aan de oppervlakte kwam. Ik zal u schriftelijk verder bevragen over de tijdslijn en vragen of er wel degelijk snel genoeg gereageerd wordt in dergelijke gevaarlijke situaties.

De bestrijding van AI-fraude in online reclame en beleggingen

Gesteld aan

Vanessa Matz (Minster van Modernisering van de overheid, Overheidsbedrijven, Ambtenarenzaken, Gebouwenbeheer van de Staat, Digitalisering en Wetenschapsbeleid)

op 22 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België kampt met toenemende AI-fraude via deepfakes in valse beleggingsadvertenties, met grote financiële schade tot gevolg, terwijl een operationele strategie tot nu toe ontbrak. Minister Matz kondigt een gecoördineerde aanpak aan via de Cybersecurity Strategie 3.0, met een nieuw anti-fraudeplatform (met FOD’s, CCB, FSMA en private partijen), verplichte deepfake-labeling (onder EU AI Act) en een digitale AI-coördinator voor authenticatie en internationale samenwerking. Sensibilisering (via Safeonweb, FSMA-campagnes) en preventie (e-learning) zijn kernpunten, maar concrete resultaten moeten nog blijken. Daenen benadrukt de urgentie, gezien het groeiende aantal slachtoffers door gebrek aan bewustzijn.

Nele Daenen:

De laatste maanden duiken steeds vaker valse advertenties en beleggingsvoorstellen op die gebruik maken van AI-gegenereerde beelden en stemmen van bekende personen. Deze zogeheten deepfakes worden verspreid via sociale media en online platforms en wekken de indruk dat publieke figuren of ondernemers financiële producten aanbevelen. In werkelijkheid gaat het om georganiseerde fraude die vaak leidt tot grote financiële schade bij burgers.

Hoewel er Europese initiatieven lopen rond de AI Act, ontbreekt er in België nog een duidelijke operationele strategie om AI-fraude op te sporen en te bestrijden, met name op het snijvlak van digitale veiligheid, consumentenbescherming en cybercriminaliteit.

Hoe evalueert u de huidige aanpak van AI-gerelateerde fraude, met name bij valse advertenties en beleggingen via sociale media? Wordt er binnen de federale regering gewerkt aan een specifiek actieplan of coördinatieplatform tussen de FOD Economie, de FOD Justitie en het Centrum voor Cybersecurity om deze problematiek systematisch aan te pakken? Zal België, in het kader van de Europese AI Act, ook nationale maatregelen nemen om deepfakeherkenning en -labeling te verplichten bij online advertenties?

Vanessa Matz:

Mevrouw Daenen, er worden al vele jaren belangrijke maatregelen genomen tegen online fraude, maar de snelle opkomst van artificiële intelligentie maakt bijkomende inspanningen noodzakelijk om digitale oplichting doeltreffender te bestrijden.

Ik wens vooreerst de Nationale Cybersecurity Strategie 3.0 te benadrukken die recent door het CCB werd voorgesteld. Deze strategie legt de nadruk op een nauwere samenwerking tussen publieke en private actoren en op de bescherming van burgers en bedrijven tegen nieuwe digitale dreigingen.

Deze strategie berust op drie pijlers, te beginnen met detectie en melding via het platform Safeonweb.be.

Daarnaast wordt dit jaar institutionele samenwerking op poten gezet via de oprichting de Belgian anti-online fraud coordination board . Dit coördinatieplatform verenigt de voornaamste publieke en private actoren om gegevens te delen, de respons te coördineren en het publiek te sensibiliseren. Ik wens ook te herinneren aan de rol van de FSMA, die de bevoegde toezichthoudende autoriteit blijft voor financiële en beleggingsfraude. Sensibilisering en preventie verlopen via Safeonweb, via campagnes van de FSMA en via de invoering van een e-learningtool.

Ik kom tot uw vraag over een actieplan of specifieke coördinatie. Binnen de federale regering wordt actief een gecoördineerde aanpak van online fraude opgezet. Een van de belangrijkste pijlers van de strategie van de federale regering betreft het vergroten van de onlineverantwoordelijkheid en het vertrouwen via digitale identiteit. Zo kunnen de uitgevers van online inhoud, inclusief door AI gegenereerde inhoud, worden geauthenticeerd, met eerbiediging van het recht op privacy. Binnen het CCB zal een digitale AI-coördinator worden aangesteld om de samenwerking te faciliteren tussen internationale actoren en de Belgische authenticatieproviders, met het oog op nationale coherentie.

Ten slotte bereidt België de nationale toepassing van de Europese AI-verordening voor, die transparantieverplichtingen oplegt voor door AI gegenereerde of gewijzigde inhoud.

In dit verband zullen deepfakes duidelijk als zodanig moeten worden aangeduid, met name in online advertenties. Bedankt.

Nele Daenen:

Dank u wel, mevrouw de minister, voor uw omstandige antwoord.

Ik ben blij te horen dat er een actieve en gecoördineerde aanpak bestaat in het kader van online fraude. Dat stelt mij alleszins al wat geruster. Helaas zijn er al heel wat slachtoffers gevallen door deze valse advertenties. We hopen dat dit in de toekomst sterk zal verminderen. Ik hoop dat we hier met de aanpak die u voorstelt verder werk van kunnen maken.

Sensibilisering is inderdaad heel belangrijk. Veel mensen zijn zich gewoon niet bewust van het probleem, bekijken de advertenties en denken dat ze daarop kunnen intekenen. Ik kijk dus uit naar uw verdere stappen en wij zullen dit dossier verder opvolgen.

Voorzitter:

Les questions n° 56009456C et n° 56009685C de Mme Meunier et la question n° 56009623C de M. Patrick Prévot sont transformées en questions écrites.

De toename van online beleggingsfraude en de bescherming van de consumenten

Gesteld door

lijst: Vooruit Niels Tas

Gesteld aan

Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)

op 22 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De FSMA-cijfers tonen dat 1.000+ Belgen in 2024 al 15 miljoen euro verloren aan frauduleuze beleggingsplatforms (vooral fake crypto en trading), met gemiddelde verliezen van 38.000 euro per slachtoffer, verergerd door AI-gemanipuleerde phishing en buitenlandse criminele netwerken. De overheid zet in op een geïntegreerde aanpak: versterkte sensibilisering (via Safeonweb, meldplicht), wettelijke blokkades van malafide sites door FSMA, en internationale samenwerking (Europol, Belgium Anti-Phishing Shield) om grensoverschrijdende fraude te bestrijden. Minister Beenders benadrukt dat samenwerking tussen CCB, FSMA, en Economische Inspectie (met bevoegdheden om sites af te sluiten) centraal staat, maar erkent dat schroom om aangifte te doen en technologische evoluties (zoals itsme-fraude) de uitdagingen vergroten. Parlementaire steun voor verdere opschaling van preventie en handhaving is bevestigd.

Niels Tas:

Mijnheer de minister, de cijfers die de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten (FSMA) onlangs publiceerde, zijn bijzonder verontrustend. In de eerste helft van dit jaar alleen al zijn meer dan 1.000 Belgen slachtoffer geworden van frauduleuze beleggingsdiensten. Samen verloren ze meer dan 15 miljoen euro. Vooral fake tradingplatformen en valse cryptobeleggingen zijn verantwoordelijk voor de schade. Als de huidige trend zich doorzet, stevenen we in 2025 af op een nieuw recordjaar, en dat ondanks de inspanningen die al geleverd zijn via onder andere Safeonweb en een sensibiliseringscampagne van 1 miljoen euro.

Nog schrijnender is dat de slachtoffers vaak aanzienlijke verliezen lijden. Gemiddeld verliest een slachtoffer bijna 38.000 euro. Het begint meestal met een kleine investering van 250 of 500 euro, waarbij men in eerste instantie zelfs wat winst kan maken. Daarna wordt men ervan overtuigd om grotere bedragen over te maken – geld dat men nooit meer terugziet. Bovendien weten we dat het totale aantal slachtoffers in de praktijk nog veel hoger ligt, omdat velen uit schaamte geen aangifte doen.

Een van de oorzaken van die toename is de doorbraak van artificiële intelligentie. Criminelen slagen er vandaag jammer genoeg in om stemmen, profielen van bekende mensen en banken na te maken. Bovendien opereren de criminele bendes heel vaak vanuit het buitenland, wat de opsporing en vervolging erg moeilijk maakt.

Ten eerste, welke extra maatregelen overweegt u om onze burgers nog beter te beschermen tegen die vorm van onlinefraude?

Ten tweede, kan de federale overheid, naast sensibilisering, ook meer inzetten op internationale samenwerking en opsporing?

Rob Beenders:

Mijnheer Tas, uw terechte vraag sluit enigszins aan bij die van collega Keuten. Het feit is dat we nooit genoeg over het onderwerp kunnen communiceren, want ook dat helpt fraude aan te pakken.

De regering beschouwt de strijd tegen phishing, onlinefraude en malafide websites als een echte prioriteit. Daarbij moeten we geïntegreerd te werk gaan, ook omdat het om een relatief nieuw fenomeen gaat. Samenwerking is cruciaal en precies daarom hebben we de werkgroep Onlinefraude en Phishing opgericht, waarin ook kabinetsmedewerkers van de ministers Matz, Clarinval en Jambon en de ambtenaren die op het terrein de maatregelen uitvoeren, zitting hebben, zodat we de acties op elkaar kunnen afstemmen. Het Centrum voor Cybersecurity België (CCB), de FSMA, het BIPT, de FOD Economie en de Nationale Bank zijn de belangrijkste partners in de strijd tegen onlinefraude en phishing.

Informatie- en sensibiliseringscampagnes krijgen daarbij echt wel prioriteit. Het gaat immers om het aanleren van bepaalde reflexen om fraude zo goed mogelijk te herkennen, te vermijden en te melden. Zodra een casus wordt gemeld, kan een cascade van maatregelen op gang komen om andere slachtoffers te beschermen. Ik besef dat dat niet evident is. Een slachtoffer voelt zich namelijk dom en beschaamd en vertelt er liever niet over. Het is goed dat meer slachtoffers hun verhaal delen, zodat duidelijk wordt dat ze niet de enigen zijn. Het is trouwens nooit de fout van het slachtoffer, want mensen vallen in handen van criminele organisaties, omdat ze bepaalde handelingen met de beste bedoelingen uitvoeren.

Onze geïntegreerde aanpak via de werkgroep met alle betrokken instanties en tegelijk via aangepaste wetgeving om maximaal te kunnen ingrijpen, is volgens mij de juiste.

De Economische Inspectie kan momenteel al websites afsluiten en publiceert sinds dit jaar, dankzij nieuwe wetgeving, ook lijsten van malafide websites om zo maximaal de burgers te informeren. Daarnaast voorzie ik in een wetgevend kader dat de FSMA de bevoegdheid geeft om de toegang tot websites vooral voor Belgische financiële consumenten rechtstreeks te blokkeren. Op geblokkeerde websites komt dan de verwijzing voor consumenten naar een webpagina waarop informatie wordt gegeven over beleggingsfraude en over de manieren waarop ze de betrouwbaarheid van een aanbieder kunnen controleren.

De FSMA werkt bovendien mee aan het Belgium Anti-Phishing Shield. Dat initiatief ondersteunt internationale samenwerking en uitwisseling van informatie en zet platforms onder druk om proactief schadelijke inhoud te bestrijden.

De internationale en Europese samenwerking met handhavingsinstanties, Europol en consumentenorganisaties is cruciaal om grensoverschrijdende fraude aan te pakken.

De betrokken diensten blijven dus nauw samenwerken, zowel internationaal als nationaal. Wij zullen de uitvoering en de resultaten blijven opvolgen en bijsturen waar nodig.

Niels Tas:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. Voorbije maandag bleek nog dat oplichters 100.000 euro hadden gestolen door een slachtoffer te misleiden via itsme. Met een simpele druk op de knop kregen criminele organisaties en fraudeurs vrij spel. Zoals u aangeeft, is onlineoplichting een hardnekkig probleem. Ook al zullen we het probleem jammer genoeg niet van vandaag op morgen oplossen, we moeten in ieder geval samen, eendrachtig en geïntegreerd samenwerken om het probleem aan te pakken. Ik ben uiteraard tevreden en heb er alle vertrouwen in dat u als minister van Consumentenbescherming alles zult doen wat in uw macht ligt om die frauduleuze en criminele activiteiten te voorkomen en aan te pakken, samen met alle collega’s in de regering. Het is immers duidelijk dat wij komaf moeten maken met internetfraude om de gewone mensen en hun koopkracht te beschermen. Ik roep u op om uw strijd voort te zetten. U hebt op dat vlak alleszins onze volledige steun. Dat weet u.

Het ecologische, economische en geopolitieke belang van koraalherstel

Gesteld aan

Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)

op 22 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België zet bij COP30 in op klimaatinnovatie via publiek-private partnerschappen (bv. 3D-koraalriffen, CO₂-absorptie) en economische diplomatie, zonder extra regeldruk maar met nadruk op duurzame investeringen en kennisuitwisseling (o.a. via VLIZ, Mareco en Horizon Europe). Ecosystemen zoals Amazone en koraalriffen worden gepromoot als economische stabiliteitsfactoren, gekoppeld aan internationale solidariteit en concrete uitvoering van COP28-doelen (bv. stoppen ontbossing tegen 2030). België speelt een leidende rol in oceaan- en biodiversiteitsbeleid, onder meer als kandidaat-gastland voor het BBNJ-secretariaat en via de Ocean & Climate Change Dialogue. Innovatie en private financiering staan centraal, met steun voor Belgische instellingen via EU-subsidies en cofinancieringsplannen.

Katrijn van Riet:

Mijnheer de minister, uit het rapport Global Tipping Points blijkt dat meerdere natuurlijke systemen op onze planeet zich op een kritiek kantelpunt bevinden. Een van de meest bedreigde ecosystemen zijn de koraalriffen, die door de toenemende opwarming en verzuring van de oceanen dreigen te verdwijnen. De impact ervan laat zich niet alleen op ecologisch vlak voelen. Het gaat hier immers ook over voedselzekerheid, economische stabiliteit in kustgemeenschappen, mondiale vishandel en toerisme.

Belangrijk is dat die ecologische ontwikkelingen ons confronteren met een realiteit die ook economische en geopolitieke dimensies heeft. De wereldwijde ontwrichting van ecosystemen kan immers leiden tot migratiedruk, hogere voedselprijzen en verminderde leveringszekerheid van grondstoffen. In die zin is de bescherming van natuurlijke veerkracht geen pleidooi meer voor regulering, maar juist voor meer innovatie, efficiëntie en samenwerking tussen de private en de publieke sector. Zo is er in Monaco al het pilootproject rond de 3D-geprinte riffen van Boskalis om de mariene biodiversiteit te herstellen, of nog het RESCQ-project waarin koraalkwekerijen worden ingezet. De aankomende klimaattop COP30 in Belém biedt een unieke kans om de internationale samenwerking te versterken en om technologische oplossingen centraal te stellen.

Hoe wil België ter voorbereiding van de COP30 inzetten op de versterking van internationale samenwerking op het vlak van klimaatinnovatie zonder bijkomende regeldruk voor bedrijven? Wordt daarbij gedacht aan publiek-private partnerschappen of kennisuitwisseling met innovatieve landen of bedrijven?

Op welke manier zal België er tijdens de COP30 op aandringen dat ecosystemen zoals de Amazone en de koraalriffen niet enkel als natuurgebieden, maar ook als economische stabiliteitsfactoren worden erkend, met aandacht voor duurzame investeringen, handel en internationale solidariteit?

Ziet u mogelijkheden om Belgische kennisinstellingen en bedrijven, zoals Mareco en het VLIZ te betrekken bij internationale projecten die inzetten op het herstel of de bescherming van ecosystemen door middel van innovatie, zoals CO 2 -absorptie, duurzame aquacultuur of mariene technologie?

Jean-Luc Crucke:

Hoe wil België in de aanloop naar COP30 inzetten op de versterking van de internationale samenwerking op het vlak van klimaatinnovatie, zonder bijkomende regeldruk voor bedrijven? Wordt daarbij gedacht aan publiek-private partnerschappen of aan kennisuitwisseling met innovatieve ondernemingen? Het overschrijden van de planetaire grens heeft inderdaad niet enkel ecologische gevolgen, maar bedreigt ook in zeer ernstige mate onze economie. Ik ben blij dat u die analyse deelt. De bescherming van de natuurlijke veerkracht moet dan ook een prioriteit zijn. Innovatie, efficiëntie en samenwerking met de private sector vormen daarbij een belangrijk onderdeel.

Regelgeving moet echter eveneens deel uitmaken van de aanpak om te voorkomen dat innovatie ongewild nieuwe problemen veroorzaakt die de situatie kunnen verergeren. Het is daarom van groot belang dat bedrijven een voortrekkersrol opnemen. De regering hecht veel belang aan hun betrokkenheid bij de klimaattransitie. Innovatie en samenwerking, onder meer tussen de publieke en de private sector, zijn immers essentieel om de noodzakelijke vooruitgang te realiseren.

In het kader van COP30 moet België een brede betrokkenheid van de verschillende actoren waaronder wetenschappers, onderzoekers en bedrijven, nastreven om de uitwisseling en samenwerking op het vlak van klimaatinnovatie te bevorderen. Dat helpt netwerken te versterken en partnerschappen op alle niveaus te ontwikkelen.

Daarnaast herinner ik eraan dat in het kader van het regeerakkoord de economische diplomatie wordt versterkt, met bijzondere aandacht voor de transitie naar een duurzame, koolstofneutrale economie.

Ten slotte bestaan er in het mechanisme van het VN-klimaatverdrag verschillende netwerken en internationale organen die zich toeleggen op de ontwikkeling en overdracht van technologieën om ontwikkelingslanden gemakkelijker toegang te geven tot klimaattechnologieën en innovatieve oplossingen. Zo was het Vlaams Instituut voor Technologisch Onderzoek tot enkele jaren geleden lid van het Technology Executive Committee.

Hoe zal België tijdens COP30 aandringen op de erkenning van ecosystemen zoals de Amazone en de koraalriffen, niet alleen als natuurgebieden, maar ook als economische stabiliteitsfactoren, met bijzondere aandacht voor duurzame investeringen, handel en internationale solidariteit? Tijdens COP30 zal België de synergieën tussen klimaat, biodiversiteit en ecosysteembescherming onderstrepen door aan te dringen op de uitvoering van de tijdens COP28 afgesproken doelstellingen met betrekking tot onder andere ontbossing en bosdegradatie en aanmoediging van natuurgebaseerde adaptatieacties.

Als kandidaat-gastland voor het secretariaat van het Biodiversity Beyond National Jurisdiction Treaty en cofacilitator van de Ocean & Climate Change Dialogue wil België ook oceaangebaseerde klimaatactie integreren in beleidsinstrumenten voor zowel mitigatie als adaptatie, met het oog op het bereiken van de 1,5 °C-doelstelling en het versterken van de weerbaarheid van kwetsbare kustregio's. Gedurende de Ocean & Climate Change Dialogue worden ook private partners uitgenodigd om een bijdrage te leveren. België zal bijzondere aandacht besteden aan de concrete uitvoering van de tijdens COP28 aangenomen doelstellingen om ontbossing en bosdegradatie tegen 2030 te stoppen en vervolgens om te keren.

Het stimuleren van duurzame investeringen, ook door private actoren, is een van de redenen waarom België zal blijven aandringen op een vervolg van de Baku to Belém roadmap , waarmee tijdens COP29 werd gestart, evenals op het proces voor de operationalisering van artikel 2.1.c van de Overeenkomst van Parijs, met als doel alle financiële stromen in lijn te brengen met de doelstellingen van de overeenkomst.

Zie ik mogelijkheden om Belgische kennisinstellingen en bedrijven zoals Mareco en het VLIZ te betrekken bij internationale projecten die gericht zijn op het herstel of de bescherming van ecosystemen door middel van innovatie, zoals CO ₂ -absorptie, duurzame aquacultuur of mariene technologie? Zeker, dat kan bijvoorbeeld door de blijvende deelname van de Programmatorische Federale Overheidsdienst Wetenschapsbeleid BELSPO via het budget Science for Policy en andere onderzoeksfinanciers zoals het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek en het Fonds de la Recherche Scientifique, in huidige of toekomstige projectoproepen van het Europese Sustainable Blue Economy Partnership.

Financieel engagement is eveneens belangrijk. In de context van het partnerschap moet een cofinancieringsplan van de lidstaten worden ingediend voor de komende oproep. Dat kan bijkomende activiteiten omvatten waarbij Belgische instellingen, zoals het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen en het Vlaams Instituut voor de Zee rechtstreeks betrokken kunnen zijn. Daarnaast bestaan er competitieve projectoproepen in het kaderprogramma Horizon Europe.

Katrijn van Riet:

Dank u wel, minister, voor uw antwoord. Ik maak hieruit op dat u zich bewust bent van de noodzaak tot publiek-private samenwerking, dat de economische diplomatie de nodige aandacht moet vestigen op de ecologische transitie en dat op de COP28 overeengekomen maatregelen zeker moeten worden uitgevoerd. Ik zal dat samen met u verder opvolgen. Ik voeg nog even een persoonlijke noot toe. Tijdens het diepzeeduiken in Curaçao en Bonaire in de Nederlandse Antillen was ik er getuige van hoe koraalriffen opnieuw gestekt en geplant werden om zo uit te breiden. Dat bleek daar vrij succesvol. De voorzitster : Mevrouw Van der Straeten en de heer Cornillie zijn niet aanwezig om hun vragen nrs. 56009276C, respectievelijk 56009652C en 56009654C te stellen. Hun vragen worden omgezet in schriftelijke vragen of worden uitgesteld. Ik dank de leden en de minister voor hun aanwezigheid. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 11.50 uur. La réunion publique de commission est levée à 11 h 50.

De IMC Gelijke Kansen, Handicap en Racismebestrijding
De studie van de Koning Boudewijnstichting over racisme
De voortgang van het nationale actieplan tegen racisme
Het opstellen van het actieplan tegen geweld tegen lgbtqia+'en
Gelijke kansen, antidiscriminatie en inclusiebeleid

Gesteld aan

Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)

op 22 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de integratie van drie beleidsthema’s (handicap, gelijkheid/kansen, racismebestrijding) in één overkoepelende CIM Égalité des chances, met kritiek op mogelijke verwatering van aandacht voor specifieke groepen. Minister Beenders belooft twee interfederale actieplannen (tegen racisme en voor LGBTQIA+-rechten) tegen 2026, gebaseerd op flexibele, gedeelde methodiek om eerdere blokkades te vermijden, maar concrete maatregelen voor systeemracisme tegen subsahariërs (zoals in het Rapport Fondation Roi Baudouin) ontbreken nog. Coördinatie en prioritering binnen de CIM blijven punt van zorg, vooral voor handicap en discriminatie op arbeid, huisvesting en gezondheid, terwijl de oppositie snelle, meetbare acties eist. De minister benadrukt samenwerking met maatschappelijke actoren, maar details over uitvoering en timing blijven vaag.

Caroline Désir:

Monsieur le ministre, à la suite de la volonté du premier ministre de rationnaliser le nombre de conférences interministérielles, le gouvernement a décidé le 21 mai dernier d'intégrer la CIM Handicap à une CIM plus large nommée CIM Égalité des chances, Handicap et Lutte contre le racisme.

Monsieur le ministre, un calendrier a-t-il déjà pu être fixé concernant les réunions de cette CIM élargie? Si oui, quel est-il? Comment seront gérés les présidences et le fonctionnement de cette CIM élargie? Quelles seront les thématiques abordées lors des prochaine réunions? Comment garantir, surtout, que chacune des thématiques qui font partie de cette CIM seront traitées avec l'importance et la rigueur requises? Je voudrais qu'elles ne soient pas noyées dans une sorte de grand fourre-tout.

Rajae Maouane:

Monsieur le ministre, ma question portait spécifiquement sur le rapport de la fondation Roi Baudouin sur l'insertion des personnes d'origine subsaharienne en Belgique. Vous avez pris connaissance de ce rapport du 16 octobre dernier. Cette étude met en lumière les réalités très préoccupantes au sujet de l'insertion des personnes d'origine subsaharienne. Le bilan est plutôt sévère. Le nombre d'emplois a plus ou moins augmenté mais il reste encore beaucoup trop faible et surtout injuste. On voit que de nombreux diplômés sont contraints d'accepter des jobs bien en dessous de leurs qualifications parce que des discriminations à l'embauche sont toujours très présentes et visibles. Ces personnes hautement qualifiées sont exclues des postes à responsabilité, notamment dans l'administration et dans le secteur privé. Pourquoi? Parce qu'on continue à les regarder par le prisme de leurs origines et non par celui de leurs compétences. Derrière cette discrimination se trouve un racisme banalisé, minimisé par une société qui laisse ces comportements s'installer comme si de rien n'était. Cela a des conséquences directes sur le mental des individus, et sur leur sentiment d'appartenance également.

Ensuite demeure la question du logement. Dans l'étude, on voit qu'à peine 30 % des personnes subsahariennes sont propriétaires contre 70 % dans la population générale. On dit souvent que les Belges ont une brique dans le ventre, mais malheureusement seulement 30 % des personnes d'origine subsaharienne sont propriétaires. Et quand elles trouvent un logement, c'est souvent dans des conditions précaires qui affectent leur santé et l'éducation de leurs enfants.

En matière de santé, justement, la situation est loin d'être idéale Des inégalités d'accès sont également très présentes. Les mauvaises expériences avec les médecins sont fréquentes, qu'il s'agisse d'un manque d'écoute, de barrière de langue ou de démarches administratives complexes.

Face à ces constats, monsieur le ministre, j'ai questions. Avez-vous pris connaissance de ce rapport? Le gouvernement a-t-il pris acte de cette étude? Comment compte-t-il agir concrètement par rapport aux recommandations? Quelles mesures précises seront-elle prises pour garantir l'égalité d'accès à des emplois dignes à la hauteur des qualifications de ces citoyens et de ces citoyennes? Comment le gouvernement entend-il rendre les mécanismes de plainte plus accessibles et plus efficaces pour les victimes de racisme? Quelles campagnes de sensibilisation seront-elles mises en place pour déconstruire les stéréotypes, notamment dans les écoles et les médias? Des actions précises seront-elles entreprises pour garantir un accès au logement digne pour cette population? Enfin, comment le gouvernement compte-t-il s'attaquer aux inégalités de santé qui touchent spécifiquement les populations d'origine subsaharienne?

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, j'aurais préféré que les questions ne soient pas jointes, parce qu'elles traitent de sujets vraiment très différents. J'ignore si c'est votre cabinet qui a adressé cette demande, mais je pense que ces sujets n'ont absolument rien à voir les uns avec les autres et méritent d'être traités séparément. La CIM Égalité, l'étude sur le racisme de la Fondation Roi Baudouin, le NAPAR et le Plan d'action sur les droits LGBTQIA+ sont des sujets qui n'ont rien à voir les uns avec les autres. Voici donc pour ce qui est de la méthodologie.

Plus précisément en ce qui concerne ma question justement sur le Plan d'action national contre le racisme, monsieur le ministre, vous avez exprimé du volontarisme en début de législature quant à l'atterrissage de ce plan qui est attendu depuis 2001. Sous la précédente législature, mes équipes et moi-même nous sommes énormément impliquées dans ce plan, tout comme d'autres ministres. Malheureusement, on a pu constater les blocages stratégiques et les flibustes de la part de certains partis pour que ce plan n'aboutisse pas.

La question reste pourtant entière. Le racisme continue d'être extrêmement présent dans la société et on voit à quel point il évolue et s'immisce dans toutes les évolutions que nous connaissons, que ce soit en ligne, via l'intelligence artificielle ou à travers certains conflits à l'international qui viennent se répercuter sous différentes formes de racisme, ici même en Belgique. Il est donc urgent d'adopter ce plan NAPAR que la société civile réclame.

Monsieur le ministre, ma question est simple. Où en sont les discussions? Quelle méthodologie avez-vous finalement décidé d'adopter? Avez-vous déjà une idée de la date à laquelle vous pensez pouvoir atterrir dans ce dossier?

La présidente : Madame Schlitz, vous gardez la parole pour votre seconde question de cette série de questions jointes.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, j'aimerais faire le point après huit mois de gouvernement. Les plans constituent les visions que vous vous imposez avec votre gouvernement pour savoir dans quelle direction avancer. Comment coordonner toutes les énergies des uns et des autres, que ce soit à la Justice, à la Santé, à l'Intérieur, pour faire en sorte de mieux défendre l'intégrité physique et les droits des personnes LGBTQIA+ et, de répondre à certains enjeux émergents? Je pense aux guet-apens envers les personnes homosexuelles ou les discours transphobes qui sont de plus en plus fréquents dans notre société. Qu'en est-il? Où en sont les discussions? La société civile a-t-elle été impliquée? Le sera-t-elle? Qu'en pensez-vous pouvoir atterrir et selon quelle méthodologie?

Rob Beenders:

Cette question me paraît un peu bizarre, parce qu'elle donne l'impression que je ne travaille pas très vite pour aboutir à ce plan. Qui était responsable de ces matières lors de la législature précédente? C'est un peu bizarre, mais je vais répondre parce que je suis très motivé pour réaliser ce plan dans le courant de la législature.

Il est vrai qu'il m'a fallu un certain temps avant de pouvoir partager des éléments concrets car, ces derniers mois, nous avons beaucoup travaillé à la préparation de la première réunion de la nouvelle Conférence interministérielle (CIM) Égalité des chances, Handicap et Lutte contre le racisme, qui a eu lieu hier.

Cette réunion marque le lancement officiel d'une nouvelle structure, plus claire et plus efficace, qui permettra d'assurer une meilleure cohérence entre les différents niveaux de pouvoir dans les politiques d'égalité. Cette CIM se compose désormais de deux sous-groupes, l'un consacré à l'égalité des chances et à la lutte contre le racisme et l'autre au handicap. Cette organisation a été choisie pour garantir que chaque thématique reçoive l'attention nécessaire, tout en permettant une approche transversale et coordonnée.

Hier, la CIM a adopté son règlement d'ordre intérieur. Elle se réunira au moins une fois par an, tandis que les sous-groupes se réuniront aussi souvent que nécessaire pour faire avancer leurs travaux. J'en assure la présidence pour la première année, avant une rotation entre les entités.

Hier, les membres ont également présenté leurs priorités afin d'élaborer les agendas de travail des deux sous-groupes. Du côté fédéral, j'ai mis l'accent sur deux priorités pour l'égalité des chances et la lutte contre le racisme: l'élaboration d'un plan d'action interfédéral contre le racisme et d'un plan interfédéral LGBTQIA+. Ces deux plans s'appuieront sur une méthodologie commune construite à partir des leçons du passé.

L'expérience précédente a montré qu'imposer des mesures uniformes à toutes les entités ne fonctionne pas. Cette fois, nous faisons le contraire. Nous optons pour une approche partagée mais flexible, respectueuse des spécificités de chacun. Le cadre commun sera présenté à la CIM lors de la prochaine réunion de décembre, avec comme objectif son adoption au début de l'année 2026. Cela permettra de lancer les deux plans interfédéraux au cours de l'année 2026.

La réunion d'hier a été très positive grâce aux échanges avec les membres de la Conférence. J'ai vraiment confiance dans la suite. Je partage pleinement l'ambition exprimée par mes collègues lors de la réunion d'hier: cette fois-ci, ne répétons pas les erreurs du passé et ne nous limitons pas à rédiger de nouveaux plans, mais traduisons-les en actions concrètes qui amélioreront réellement la vie de toutes et tous.

Caroline Désir:

Monsieur le ministre, il ne me semble pas avoir eu une réponse à ma question concernant le handicap. Comment faire pour que toutes ces compétences différentes reprises dans cette CIM ne soient pas complètement diluées? On voit effectivement qu'il y a beaucoup de travail, ne fût-ce que dans l'élaboration de ce plan de lutte contre le racisme. Comment faire pour qu'une série de compétences n'apparaissent pas finalement comme des compétences périphériques dans cette CIM? Je n'ai pas eu beaucoup de réponses à ce sujet. Les questions qui étaient groupées s'éloignaient effectivement fortement les unes des autres, ce qui ne vous rend pas la tâche facile, monsieur le ministre.

Rajae Maouane:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour les réponses que vous avez apportées à ma question sur le NAPAR. Par contre, je n'ai eu aucune réponse à ma question qui portait spécifiquement sur le rapport de la Fondation Roi Baudouin sur les personnes d'origine subsaharienne qui subissent un racisme systémique et important. Vous ne m'avez même pas indiqué si vous aviez pris acte et connaissance de ce rapport.

J'entends bien que la confection du plan NAPAR et son avancement vont répondre en partie à mes interrogations. Mais n'ayant obtenu aucune réponse, je ne sais pas trop ce que je peux vous dire. Avez-vous peut-être envie de nous dire si vous avez pris connaissance de ce rapport, monsieur le ministre? Est-il arrivé sur votre table?

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, je comprends de votre réponse qu'il n'y aura pas de plan pour une Belgique LGBT-friendly. Dois-je interpréter cela de ce que vous venez de répondre? C'était très peu clair pour moi. On est toujours un peu tiraillé entre réunir tous les acteurs pour avoir une stratégie commune, d'une part, et faire des sous-groupes parce qu'il y a des enjeux spécifiques à certains publics, d'autre part. Pourquoi ne pas essayer la méthodologie d'une grande CIM très large qui inclut handicap, égalité des chances et racisme? Néanmoins, il ne faut surtout pas perdre de vue la nécessité d'avoir des actions très concrètes pour les différents publics qui s'appuient sur l'expertise et les retours de terrain de la société civile. C'est ainsi qu'on arrive à avoir les actions les plus impactantes et les plus proches des besoins des publics concernés. Cela me paraît central. Au sujet du NAPAR, la méthode précédente n'a pas fonctionné, avec pas mal de mauvaise volonté de certains acteurs, qui avaient dans un premier temps validé la méthode, puis qui ne la soutenaient finalement plus. Bref, vous connaissez les dessous des cartes de ce dossier. Je ne demande qu'à vous voir aboutir de manière très sincère. J'ignore pourquoi vous avez cru le contraire. Vous pouvez compter sur mon soutien plein et entier à ce sujet.

De strijd tegen gendergerelateerd geweld

Gesteld aan

Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)

op 22 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België evalueert het huidige Nationaal Actieplan tegen gendergerelateerd geweld (2021-2025) met input van de burgerplatforms, waarna in 2026 een nieuw plan komt—gebaseerd op GREVIO-aanbevelingen, EU-richtlijnen en civiele inbreng—met aandacht voor het "Pack Nouveau Départ" (financiële steun, juridische/psychologische begeleiding voor slachtoffers), maar concrete implementatie ontbreekt nog. Schlitz benadrukt dat budgettaire tekorten (bv. inkortingen werkloosheidsuitkeringen voor samenwonenden) vrouwen economisch kwetsbaar maken, wat geweld verergert, terwijl Beenders wijst op lopende studies (bv. pepperspray-wetgeving) en toekomstige maatregelen in 2026. Kernpunt: systeemverandering vereist structurele financiën en samenwerking met maatschappelijke actoren.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, j'espère que cela ne vous aura pas échappé, le 25 novembre - Journée internationale pour l'élimination de la violence à l'égard des femmes, arrive à grands pas.

À cet égard, je souhaite vous interroger sur l ’é tat d'avancement du nouveau Plan d ’ Action National de lutte contre les violences bas é es sur le genre, conform é ment aux obligations qui nous incombent depuis que nous avons ratifi é la Convention d ’ Istanbul.

Où en est le processus d’évaluation du PAN 2021-2025? Comment est associée la plateforme de la société civile dans cette évaluation?

Concernant le nouveau Plan, quel est le calendrier? Quelles étapes ont été franchies? Quelles sont les prochaines étapes? Comment allez-vous impliquer les associations?

Le 6 février 2025, une délégation du GREVIO, l’organe de suivi de la Convention d’Istanbul, s'est rendu en Belgique pour discuter de la mise en œuvre du plan et faire le point sur les recommandations issues des évaluations précédentes. Quelles recommandations du GREVIO allez-vous en particulier mettre en oeuvre?

Aussi, vous aurez eu vent de la pétition et la campagne pour un « Pack Nouveau Départ » portée notamment par l’association Vie féminine. Elle propose un dispositif public de soutien à la reconstruction des victimes : aide financière d’urgence, accompagnement sociojuridique gratuit, vingt séances psychologiques, adresse protégée et protection spécifique au travail ou recherche d’emploi.

Un accord avait été conclu en CIM Droits des Femmes en avril 2024, mais n’a pas encore été opérationnalisé, malgré le soutien public de plusieurs partis et ministres.

Le Gouvernement entend-il intégrer le Pack Nouveau Départ dans le futur PAN ?

Plus largement, pourriez-vous me dire quelles mesures concrètes visant à lutter contre les violences de genre ont été mises en œuvre depuis l’entrée en fonction de votre gouvernement ?

Rob Beenders:

Madame Schlitz, l'évaluation du Plan d'action national 2021-2025 est en cours et sera achevée d'ici la fin de l'année. Le rapport comprendra deux parties: la première fera le point sur l'exécution des mesures, les principales réalisations, les difficultés observées et les perspectives à venir; la seconde proposera des recommandations pour le prochain Plan national d'action, notamment en vue de renforcer les échanges au sein du groupe interdépartemental et la collaboration avec la plateforme de la société civile. Une fois adoptée par le groupe interdépartemental, l'évaluation définitive sera présentée au Parlement fédéral et discutée avec la plateforme au cours d'une table ronde prévue au début 2026. En parallèle, la plateforme réalise sa propre évaluation du Plan national d'action. À partir de ces éléments, elle rédigera son rapport et proposera des recommandations.

S'agissant du prochain Plan d'action national, le groupe interdépartemental a récemment validé une méthodologie et un calendrier prévisionnel. Les travaux pour l'élaboration du prochain Plan d'action national débuteront au début de l'année prochaine. Ses priorités seront définies sur la base des résultats de l'évaluation définitive du Plan d'action national 2021-2025 et des recommandations de la plateforme nationale.

Le futur Plan d'action national tiendra également compte de la nouvelle directive européenne sur la lutte contre la violence à l'encontre des femmes, des recommandations du GREVIO, ainsi que d'autres observations internationales et nationales, notamment celles issues de la journée de consultation de la société civile organisée par l'Institut.

Par ailleurs, le groupe interdépartemental consultera la plateforme nationale lors de l'élaboration du nouveau Plan d'action national afin de recueillir son point de vue sur les priorités de celui-ci et leur mise en œuvre. Cette étape permettra de renforcer davantage l'implication de la société civile dans ce processus.

En parallèle des travaux relatifs à l'évaluation du plan, à la préparation du prochain plan et au suivi du GREVIO, j'ai pris plusieurs initiatives pour rebforcer la sécurité dans l'espace public. J'ai notamment rencontré les autorités locales pour discuter de l'aménagement des espaces publics et chargé l'Institut de mener une étude portant sur la législation relative au spray au poivre et d'organiser une table ronde sur les changements de mentalité nécessaires.

D'autres actions sont prévues en 2026 et seront présentées dans ma note de politique. En collaboration anec tous les acteurs concernés et les gouvernements compétents, j'examine les pistes possibles concernant le pack Nouveau départ et dans ce cadre, nous analysons les différentes formes que celui-ci pourrait prendre et la manière dont un tel paquet pourrait être intégré dans le Plan d'action national.

Par ailleurs, le premier rapport d'évaluation thématique du GREVIO n'a pas encore été publié et est toujours à l'étude. Comme je vous le disais, ces conclusions, dès leur parution, seront prises en considération dans l'élaboration du futur Plan d'action national. Dès que le rapport sera publié par le Conseil de l'Europe, il sera envoyé au Parlement fédéral.

Sarah Schlitz:

Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses. En effet, c'est une bonne chose de pouvoir évaluer le travail qui a été mené sous la précédente législature pour pouvoir recenser les zones qui méritent une attention particulière. En outre, je me réjouis d'entendre que vous travaillez avec la société civile. Aujourd'hui, nous dénombrons déjà 19 féminicides, ce qui montre clairement que les violences envers les femmes ne sont pas un phénomène en recrudescence. Elles ont même tendance à se transformer, sous forme de violences en ligne et de nouveaux moyens d'exercer la domination envers les femmes et les minorités de genre par le biais de l'Internet. J'attire également votre attention sur le fait que pour pouvoir avoir de l'ambition, il faut des budgets. Certes, votre gouvernement s'est lancé dans des exercices budgétaires de forte réduction des dépenses, mais investir dans la lutte contre les violences est un argument percutant pour vos collègues. Une femme qui n'est pas victime de violences est une femme qui va bien, qui peut travailler et qui est pleinement capable de mener sa vie et d'élever ses enfants. Il en va de même pour la question de l'accès aux ressources financières en tant que femme: en effet, une femme qui est autonome financièrement est une femme qui peut s'extraire des violences et des rapports de domination. Dès lors, j'attire vraiment votre attention sur les violences économiques qui subsistent aujourd'hui dans notre pays. Je crains d'ailleurs que certaines réformes socio-économiques menées actuellement appauvrissent les femmes et les placent dans des positions de dépendance extrême. Je pense notamment à la limitation des allocations de chômage dans le temps pour les femmes qui ont aujourd'hui le statut de cohabitant et qui n'auront plus aucun revenu propre. Elles deviendront totalement dépendantes de leur conjoint cohabitant, ce qui les place dans des situations de vulnérabilité terrible. Chacun sait que l'argent est le nerf de la guerre, et il en va de même au sein des couples. C'est donc souvent de la situation économique que naissent d'autres formes de violences. Lorsque la femme perçoit des ressources financières suffisantes, les autres formes de violence ne se développent pas, du moins pas aussi vite et pas aussi fort. J'attire donc votre attention sur la nécessité de défendre des budgets à la hauteur des ambitions.

De cyberaanval op de luchthaven van Zaventem

Gesteld aan

Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)

op 22 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Een ransomware-aanval op externe dienstverlener Collins Aerospace verlamde de check-insystemen van Brussels Airport, wat leidde tot grote vertragingen, 18% geannuleerde vluchten en financiële schade, hoewel 82% van de vluchten kon doorgaan dankzij noodsystemen. Collins Aerospace onderzoekt nog de oorzaak, versnelt de uitrol van een nieuw check-insysteem (2025 → zo snel mogelijk) en een verdachte is aangehouden, maar betaling aan hackers verhoogt volgens critici het risico op herhaling. De EU-cyberveiligheidsrichtlijn (2022/2555) verplicht strengere normen (o.a. ISO 27001) voor kritieke infrastructuur, terwijl compensaties voor passagiers bij de luchtvaartmaatschappijen liggen—niet bij BAC, dat wel zwaar belast wordt door kosten, stakingen en taksverhogingen. Huybrechts dringt aan op staatssteun voor Brussels Airport als cruciale economische spil, ondanks de veerkrachtige crisisopvang door medewerkers.

Britt Huybrechts:

Mijnheer de minister, enkele maanden geleden werd Brussels Airport zwaar getroffen door de gevolgen van een cyberaanval met ransomware bij een externe dienstverlener van check-insystemen. Dat leidde tot heel veel problemen. Men moest bij wijze van spreken iedereen met papier inchecken. Dat zorgde voor een enorme vertraging en natuurlijk ook voor heel veel financiële problemen. Dit heeft een heel grote impact op zowel de reizigers als op de reputatie van Brussels Airport zelf.

Ik heb ook gelezen dat het systeem door een betaling aan de hackers terug in orde werd gebracht. Ik denk dat het betalen van die hackers voor problemen kan zorgen in de toekomst. De hackers weten nu immers dat zij hun geld krijgen, wat hen alleen maar meer motiveert om het opnieuw te doen.

Mijnheer de minister, ik heb hierover verschillende vragen die u in mijn schriftelijke vragen hebt kunnen lezen. Om tijd te besparen, verwijs ik daarnaar.

Jean-Luc Crucke:

Geachte collega, het systeem van Collins Aerospace, de leverancier van de check-in- en boardingsystemen op Brussels Airport en andere luchthavens wereldwijd, werd geïnfecteerd door ransomware.

Het probleem verspreidde zich vervolgens naar de infrastructuur die werd beheerd door Collins Aerospace bij Brussels Airport en andere luchthavens. De server van Collins Aerospace die de dienst aan Brussels Airport Company levert, is losgekoppeld van het netwerk om de besmetting in te dammen. Deze ontkoppeling heeft geleid tot de onderbreking van de dienstverlening door Collins Aerospace. De systemen van Collins Aerospace werden dus getroffen, maar niet die van BAC. De veiligheid van de luchtvaart zelf is gelukkig nooit in gevaar geweest.

De teams van Brussels Airport en de luchtvaartmaatschappijen zijn er tijdens de eerste fase van deze cyberaanval in geslaagd om meer dan 200 vluchten per dag te blijven uitvoeren, een equivalent van 70.000 passagiers. Op het hoogtepunt moest slechts 18 % van het aantal vluchten worden geannuleerd, waardoor ruim 82 % van de vluchten kon doorgaan. Die prestatie is dag na dag verbeterd. De luchthavengemeenschap heeft hiermee getoond hoe sterk de veerkracht van het ecosysteem is om dergelijke aanvallen het hoofd te bieden.

Het forensisch onderzoek bij Collins Aerospace is nog aan de gang om de aanvalsvector te achterhalen. Intussen werd een verdachte aangehouden in Londen op woensdag 24 september. Collins Aerospace kan nog niet bevestigen of de getroffen systemen kunnen worden hersteld. In overleg met Collins versnelt Brussels Airport de uitrol van een nieuw check-insysteem dat oorspronkelijk gepland was voor november 2025. Om dit systeem van de nieuwste generatie te installeren, is ook nieuwe hardware nodig, waaronder nieuwe servers en 500 nieuwe werkstations. De ambitie is om het nieuwe systeem zo snel mogelijk operationeel te maken.

Alle kritieke infrastructuren vallen onder de bepalingen van richtlijn 2022/2555 betreffende maatregelen voor een hoog gezamenlijk niveau van cyberveiligheid in de Europese Unie. Deze richtlijn werd onlangs omgezet in Belgische wetgeving. De nieuwe maatregelen bevatten strengere normen en voorzien in een betere samenwerking tussen de lidstaten. Ze dragen bij tot een grotere cyberweerbaarheid van ondernemingen, waaronder die in de luchtvaartsector. Alle bedrijven waarop deze reglementering van toepassing is, moeten de ISO 27001-norm naleven. Alle leveranciers moeten zich bovendien onderwerpen aan een third-party information security assessment . BAC leeft deze reglementering strikt na.

De compensatie voor passagiers die het slachtoffer zijn van een vertraging of annulering van een vlucht, is overeenkomstig de toepasselijke Europese regelgeving de verantwoordelijkheid van de luchtvaartmaatschappij. Brussels Airport Company werkt sinds het begin van de crisis nauw samen met alle luchtvaartmaatschappijen die actief zijn op het luchthavenplatform om alternatieve oplossingen te bepalen die de check-in en de inschepingsoperaties vergemakkelijken.

Ik zal bijzondere aandacht blijven besteden aan de vragen in verband met de veiligheid van de informaticasystemen, en in het bijzonder wanneer het gaat om het onder controle brengen van kritieke infrastructuur, zoals die van de belangrijkste spelers in de luchtvaartsector.

Britt Huybrechts:

Mijnheer de minister, ik wil toch nog even duidelijk maken dat ik zeer veel respect heb voor alle medewerkers die in die dagen bijzonder hard hebben gewerkt. De cijfers tonen aan dat 32 % van de vluchten toch konden doorgaan, evenwel met aanzienlijke vertraging. Hun onverdroten inzet heeft ervoor gezorgd dat het luchtverkeer niet volledig stilviel. Zoals u zelf ook aangaf, valt de terugbetaling van tickets volledig ten laste van Brussels Airport. De luchthaven heeft het bovendien al zwaar te verduren, onder meer door de verhoging van de inschepingstaks en de verschillende stakingen die dit jaar hebben plaatsgevonden. Ik hoop dan ook dat u in de toekomst intensief contact zult blijven onderhouden met Brussels Airport en eventueel een plan zult uitwerken over hoe de Staat de luchthaven voldoende kan ondersteunen. De luchthaven van Zaventem is een zeer belangrijke economische motor voor Vlaanderen en we moeten die te allen tijde blijven beschermen.

De goede samenwerking tussen het spoorpersoneel en de politie

Gesteld door

lijst: VB Frank Troosters

Gesteld aan

Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)

op 22 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Crucke bevestigt dat de samenwerking tussen Securail, politie (lokaal/federaal) en justitie structureel is verankerd via protocollen, realtime cameratoegang voor 124 zones en gecoördineerde risicoanalyses, met extra Securail-patrouilles op kwetsbare lijnen en tijdstippen. Nieuwe maatregelen omvatten bodycams voor personeel, sensibiliseringscampagnes en versterkte lokale samenwerking met steden/gemeenten voor complexe problemen zoals drugs en illegaliteit. Een juridisch kader in uitvoering (via het regeerakkoord) moet de operationele coördinatie tussen politie en Securail verder optimaliseren, met een nieuw bestuur voor strategische afstemming. De focus ligt op zichtbare preventie, technologische ondersteuning en integrale verantwoordelijkheidsverdeling.

Frank Troosters:

Ik verwijs naar de tekst van mijn vraag zoals ingediend.

Dankzij de alertheid en het goede handelen van een treinbegeleidster, het knappe optreden van Securail-agenten en de goede samenwerking met de politie konden drie mannen die de bagage van een treinreiziger op een ochtendtrein richting Luxembourg hadden gestolen gevat worden in Gembloux. Dit collectieve optreden verdient alle lof en toont het belang van een goede onderlinge samenwerking tussen de betrokken instanties aan. Helaas is dit niet altijd het geval en dient er werk gemaakt te worden van een betere samenwerking tussen Securail en politiediensten.

Welke acties heeft de minister recent nog genomen om de samenwerking tussen de veiligheidsdienst van de NMBS (Securail) en de Spoorwegpolitie en lokale politiezones te verbeteren?

Welke maatregelen dienaangaande zal de minister nog nemen?

Jean-Luc Crucke:

Mijnheer Troosters, het is essentieel dat reizigers zich veilig voelen in het station en op de trein. De NMBS neemt daarvoor voortdurend bijkomende initiatieven binnen haar bevoegdheden en werkt daarvoor samen met verschillende partners.

De veiligheidsaanpak steunt op drie pijlers: de zichtbare aanwezigheid van veiligheidspersoneel, technopreventieve middelen zoals camera's, en samenwerking met de federale en lokale politiediensten en Justitie. De samenwerking tussen de NMBS, Securail en de politiediensten is structureel verankerd. Er zijn afspraken over informatie-uitwisseling, gecoördineerde acties en regelmatige overlegmomenten. Dat overleg maakt het mogelijk om snel en efficiënt te reageren bij ernstige incidenten en versterkt de gezamenlijke aanpak van veiligheidsproblemen.

Sinds deze zomer hebben 124 lokale politiezones en 32 federale politie-entiteiten operationeel toegang tot de camerabeelden van de NMBS in en rond de stations. Die beelden zijn enkel in realtime beschikbaar in het kader van bestuurlijke of gerechtelijke opdrachten. Elke politiezone heeft daarvoor een protocolakkoord ondertekend.

De inzet van Securailagenten werd versterkt, waardoor onder meer de up-frontticketcontrole is uitgebreid en extra patrouilles kunnen plaatsvinden op risicovolle treinen en lijnen met bijzondere aandacht voor vroege en late ritten. Securail werkt zonegericht en kan zo flexibel inspelen op lokale noden en hotspots.

Op basis van meldingen aan het Security Operations Center voert de NMBS regelmatig risicoanalyses uit om kwetsbare stations en verbindingen te identificeren. Er wordt ook onderzocht hoe het gebruik van bodycams voor veiligheidspersoneel en treinbegeleiders mogelijk kan worden gemaakt. Daarnaast overlegt de NMBS met regionale openbare vervoersoperatoren om via gezamenlijke acties reizigers en personeel te sensibiliseren en hun veiligheidsgevoel te versterken. Belangrijke elementen zijn het 24/7-bereikbare noodnummer van Securail, de rol van de treinbegeleider als eerste aanspreekpunt, extra Securailpatrouilles en het gebruik van camera's aan boord en in stations.

Tot slot werkt de NMBS structureel samen met steden en gemeenten. Met veel steden zijn er concrete afspraken gemaakt over de veiligheid in de stationsomgeving, vaak in samenwerking met de lokale politie en sociale diensten. Het blijft cruciaal dat alle betrokken partijen verantwoordelijkheid opnemen, zeker bij complexe problematiek zoals drugs, mensen zonder wettig verblijf of conflicten in de stationsomgeving.

Ik zal eveneens blijven inzetten op een betere coördinatie van het integrale veiligheidsbeleid op het vlak van vervoer en infrastructuur van ons spoorwegnet.

Het regeerakkoord voorziet in een bundeling van de bevoegdheden inzake veiligheid. Concreet zullen we de juridische middelen opstellen die het mogelijk maken om de operationele samenwerking tussen de politie en Securail beter te structureren, aangezien beide entiteiten actief zijn op dat domein. In het kader van een medevoogdijschap met de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken zal een bestuur worden ingevoerd dat voorziet in een versterkte synergie bij de uitwerking en uitvoering van de strategische en operationele planning van Securail in coördinatie met het geïntegreerd veiligheidsactieplan van de NMBS.

Frank Troosters:

Ik dank u voor uw antwoord, mijnheer de minister.

De onveilige situatie in het station van Dendermonde

Gesteld door

lijst: VB Frank Troosters

Gesteld aan

Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)

op 22 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Na een gewelddadige aanval door jongeren op een treinbestuurder in Dendermonde (gebroken neus, maand arbeidsongeschikt) en klachten over structurele onveiligheid, benadrukt minister Crucke dat de NMBS, Securail en lokale politie de situatie monitoren met gerichte patrouilles, cameratoezicht en fysieke afbakening van risicozones, zonder sprake van een "structureel onveilig" station. Hij bevestigt dat veiligheid prioriteit is om het vertrerouwen in de trein te behouden, in lijn met regeringsdoelstellingen om meer reizigers te trekken, maar belooft wel statistieken en verdere opvolging. De minister wijst op concrete acties (preventie, snelle interventie) in plaats van loze beloften.

Frank Troosters:

Recent werd een treinbestuurder na zijn werkshift door een groep jongeren aangereden en in elkaar geslagen aan het station van Dendermonde. De arme man hield er een gebroken neus aan over en is een maand arbeidsongeschikt.

De treinbestuurder gaf aan dat het steeds moeilijker wordt om in veilige omstandigheden de trein te nemen in Dendermonde: al jaren hangt er een groep van 'jongeren' rond die uit zijn op amok maken en bovendien zouden beschikken over illegale wapens. De camerabeelden die aan het station gemaakt worden schrikken hen helemaal niet af. Volgens de treinbestuurder zouden heel wat reizigers te kennen gegeven hebben voortaan de trein niet meer in het station van Dendermonde te willen nemen omwille van het gebrek aan veiligheid daar.

Welke maatregelen zal de minister binnen de mogelijkheden en in zijn hoedanigheid van minister van Mobiliteit nemen om veiligheid van de treinreizigers in het station van Dendermonde te garanderen?

Vindt de minister dat treinreizigers zouden afhaken omwille van een gebrek aan veiligheid in lijn met de regeringsambities om meer mensen tot het nemen van de trein aan te zetten?

Jean-Luc Crucke:

Mijnheer de voorzitter, de NMBS volgt de veiligheidssituatie in en rond het station van Dendermonde nauwgezet en continu op. Binnen de bevoegdheden van de Corporate Security Service worden verschillende maatregelen getroffen om de veiligheid van de treinreizigers te waarborgen, in nauwe samenwerking met Securail, de lokale politiediensten en andere betrokken partners.

Inzake de maatregelen ter bevordering van de veiligheid voert de CSS regelmatig risicoanalyses uit op basis van meldingen aan het Security Operations Center. De analyses houden rekening met incidentstatistieken, reizigersstromen, infrastructuurkenmerken en meldingen van overlast. Op die manier worden kwetsbare stations en verbindingen geïdentificeerd en worden gepaste maatregelen getroffen.

Naar aanleiding van een geval van agressie tegen een treinbestuurder in Dendermonde werd onmiddellijk contact opgenomen met de lokale politie. Het betrof jongeren die zich ophielden aan de busperrons. De politie heeft daarop intensief gepatrouilleerd, zowel in uniform als in burger. Securail heeft bovendien dagelijkse passages ingepland in de late namiddag en avond. Daarenboven zal de doorgang tussen de fietsenstalling en het stationsgebouw visueel worden afgebakend om duidelijk te maken dat het niet toegelaten is zich daar op te houden. Dat draagt bij tot een vlotte en veilige reizigersstroom.

De inzet van Securailagenten gebeurt doelgericht en proportioneel. Zij kunnen bij overlast of ongepast gedrag processen-verbaal opstellen en indien nodig de politiediensten inschakelen. Hun opdracht omvat het waarborgen van de veiligheid van reizigers, personeel en infrastructuur, het voorkomen en aanpakken van overlast en crimineel gedrag en het ondersteunen van de politiediensten.

Naast fysieke aanwezigheid wordt ook gebruikgemaakt van camerabewaking via strategisch geplaatste camera’s, waardoor permanent toezicht mogelijk is, ook wanneer er geen agenten ter plaatse zijn.

Inzake de impact op het vertrouwen van de reizigers kan ik meegeven dat de NMBS en ik ernaar streven dat vertrouwen te behouden en te versterken, in lijn met de regeringsambitie om meer mensen ertoe aan te zetten om de trein te nemen.

De samenwerking met lokale en federale partners is gericht op het structureel verbeteren van de veiligheid en het comfort van zowel reizigers als omwonenden.

Op basis van de beschikbare gegevens kan worden gesteld dat er momenteel geen sprake is van een structureel onveilige situatie in en rond het station van Dendermonde. De situatie wordt opgevolgd en wanneer nodig worden gerichte acties ondernomen. De NMBS blijft inzetten op preventie, zichtbare aanwezigheid en snelle interventie, zodat reizigers en personeel zich veilig voelen en met vertrouwen gebruik maken van het openbaar vervoer. Zoals eerder gezegd, zal ik de NMBS vragen om mij de bestaande statistieken ter beschikking te stellen met betrekking tot de verschillende vormen van intimidatie en agressie in de trein gedurende de afgelopen jaren.

Zoals ik al vaker heb benadrukt en als regelmatige treinreiziger, besteed ik bijzondere aandacht aan de veiligheidsuitdagingen in en rond onze stations. De bescherming van reizigers, spoorwegpersoneel en omwonenden is een absolute prioriteit binnen het mobiliteitsbeleid dat ik verdedig. Ik sta volledig achter de maatregelen die spoorwegmaatschappijen in overleg met lokale autoriteiten en politiediensten nemen om een veilige en rustige omgeving te waarborgen.

De veiligheid in het openbaar vervoer kan niet worden samengevat in een slogan. Zij is gebaseerd op concrete acties, permanente waakzaamheid en strikte coördinatie tussen alle betrokken actoren. Als minister van Mobiliteit zet ik mij volledig in om deze eisen dagelijks waar te maken. Elke melding verdient een reactie, elke maatregel moet effect hebben en het vertrouwen van reizigers moet gebaseerd zijn op tastbare feiten, niet op beloften. In die geest zal ik de situatie in Dendermonde, net als elders op het net, op de voet blijven volgen.

Frank Troosters:

Ik zal het dossier ook blijven opvolgen. Voor het overige dank ik u voor uw antwoord.

Het sluiten van het luchtruim voor een demonstratievlucht met F-35's

Gesteld aan

Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)

op 22 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De plannen om het luchtruim boven Brussel tijdelijk te sluiten voor een F-35-demonstratievlucht tijdens een NAVO-evenement werden geweigerd door minister Crucke (Mobiliteit), omdat het geen militair of algemeen belang diende en geen wettelijk kader bestond voor ceremoniële sluitingen—ondanks een initieel NOTAM-verzoek van Defensie. Een sluiting zou leiden tot vertragingen, omleidingen en economische schade voor Brussels Airport en maatschappijen, terwijl Defensie de kosten zou dragen zonder duidelijke verantwoordelijkheidsregeling. Crucke benadrukte dat geen protocol voor dergelijke politieke/symbolische sluitingen bestaat en dat een strikter kader voor F-35-operaties nodig is. De uiteindelijke afwijzing kwam van Crucke’s dienst, niet van Defensieminister Francken, wat de bevoegdheidsverdeling en afwezigheid van politieke prioriteit voor dergelijke acties onderstreept.

Britt Huybrechts:

Ik verwijs naar de tekst van mijn vraag zoals ingediend.

Op 17 oktober was er een plan om het luchtruim boven Brussel tijdelijk te sluiten voor een demonstratievlucht met twee F-35-gevechtsvliegtuigen, in aanwezigheid van NAVO-ministers van Defensie. Deze beslissing heeft niet alleen gevolgen voor de burgerluchtvaart, maar roept ook vragen op over de noodzaak en proportionaliteit van dergelijke maatregelen.

Hieromtrent volgende vragen aan de minister:

Kan u bevestigen of er effectief sprake was van een plan tot volledige of gedeeltelijke sluiting van het Belgisch luchtruim boven Brussel in het kader van deze demonstratievlucht, en zo ja, op wiens initiatief dit gebeurde en welke veiligheidsdiensten of instanties dit hebben goedgekeurd?

Welke impact heeft zulke sluiting op de burgerluchtvaart, in het bijzonder op Brussels Airport en het omliggende luchtruim (vertragingen, omleidingen, economische schade, bijkomende kosten voor maatschappijen)?

Op basis van welke criteria wordt beslist dat zulke operatie prioriteit kan krijgen boven het reguliere luchtverkeer?

Wie draagt de kosten voor de tijdelijke sluiting van het luchtruim en de bijkomende operationele maatregelen (zoals luchtverkeersleiding, veiligheidsperimeter, brandstofverbruik en begeleiding)?

Bestaat er binnen uw bevoegdheid een protocol dat toelaat om luchtruim te sluiten voor politieke of ceremoniële doeleinden, en acht u dit een wenselijke praktijk voor de toekomst?

Bent u bereid te garanderen dat het luchtruim niet langer zal worden afgesloten voor promotionele of politieke demonstraties, zodat de veiligheid en continuïteit van het burgerluchtverkeer nooit ondergeschikt worden gemaakt aan mediastunts of symbolische vertoningen?

Tot slot, heeft u overleg gepleegd met Brussels Airport Company en luchtvaartmaatschappijen over de mogelijke hinder, en werd er vooraf een impactanalyse uitgevoerd op de werking van het burgerluchtruim ?

Jean-Luc Crucke:

Mevrouw Huybrechts, de sluiting van het luchtruim voor militaire doeleinden vindt in de regel plaats in het kader van de verordening 2150/2005 van de Commissie van 23 december 2005 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor een flexibel gebruik van het luchtruim. Daarvoor zijn op nationaal niveau protocollen uitgewerkt tussen de burgerlijke en militaire overheden.

Het DGLV heeft inderdaad de vraag ontvangen van Defensie en van skeyes om een F-35 en een MQ-9B te laten landen op de luchthaven van Brussel. Defensie heeft een NOTAM gepubliceerd voor de tijdelijke sluiting van het luchtruim gedurende 30 minuten boven de luchthaven van Brussel. Het DGLV heeft een volledig dossier opgevraagd, aangezien het niet ging om een activiteit uitgevoerd in het kader van een militaire missie of van het algemeen belang. Bijgevolg konden afwijkingen op de regels van de ICAO en de regels van de EASA niet worden toegestaan. Er bestaat overigens geen protocol dat de sluiting van het luchtruim toestaat voor plechtigheden, en ik zie daar de noodzaak niet van in. Die NOTAM werd vervolgens ingetrokken door de AIP en het luchtruim werd uiteindelijk niet gesloten.

Dat incident toont de noodzaak aan om een passend kader uit te werken voor het gebruik van F-35’s in het Belgisch luchtruim. De sluiting van het luchtruim voor de burgerluchtvaart leidt ertoe dat vluchten moeten worden vertraagd, uitgesteld, afgelast of omgeleid. Het kan bovendien ertoe leiden dat passagiers hun overstap op een connecterende vlucht dreigen te missen. Dat alles heeft uiteraard een nefaste impact op de luchtvaartmaatschappijen, op Brussels Airport en op de nationale economie in het algemeen.

Ik verzoek u voor verdere inlichtingen om uw vragen te richten aan mijn collega, de minister van Defensie, de heer Francken.

Britt Huybrechts:

Mijnheer de minister, ik wil gewoon nog even repliceren om zeker te zijn dat ik het goed heb begrepen. De nota kwam van Defensie. U hebt die beoordeeld en vervolgens gesteld dat dat niet kon doorgaan, omdat het geen militair doel had. Minister Theo Francken heeft dat dus niet zelf ingetrokken. Het was een beslissing van u, of althans uw kabinet.

Jean-Luc Crucke:

(…) (zonder micro)

Britt Huybrechts:

Ah, oké, maar in principe kwam het eerst van u en daarna eventueel van minister Francken. Zeer interessant.

Drones boven het kamp in Elsenborn
Het drone-incident in Elsenborn
Drones boven België
Drones boven het militaire terrein in Elsenborn
De drones boven Elsenborn
Drones en de bescherming van kritieke entiteiten
Drones en de bescherming van kritieke entiteiten
De Belgische en Europese reactie op de dreiging die van drones uitgaat
Drones boven militaire zones en bescherming van kritieke infrastructuur

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 22 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om drone-incidenten boven het militaire kamp Elsenborn, waar 15 verdachte drones werden gedetecteerd, met vermoedens van buitenlandse spionage of hybride dreigingen. België kampt met juridische lacunes (geen duidelijke bevoegdheid om drones neer te halen buiten zelfverdediging) en investeert in antidronesystemen (detectie, jamming, kinetische neutralisatie), terwijl de Defensiecodex en het Nationaal Defensieplan dringend moeten worden afgerond voor heldere regels en middelen. De Europese "dronewall" (nu *European Drone Defence Initiative*) krijgt Belgische steun, maar men benadrukt dat de focus niet enkel op de oostgrens mag liggen—ook havens en interne dreigingen (bv. drones vanuit containers) vereisen aandacht. Samenwerking met NAVO, EU en Duitse autoriteiten loopt, maar concrete Belgische rollen en juridische aanpassingen blijven werkpunten.

Axel Weydts:

Mijnheer de voorzitter, mijn vraag is natuurlijk ingegeven door het incident boven het kamp van Elsenborn. De vraag was niet of België ooit aan de beurt zou komen met het overvliegen van drones die er niet thuis horen, maar wel wanneer dit zou gebeuren. Het is nu effectief ook gebeurd boven het kamp van Elsenborn.

Vanochtend hebben we hierover een zeer boeiende gedachtewisseling gehad in de commissie voor de Opvolging van Militaire Missies, achter gesloten deuren. Daar hebben we vernomen dat het onderzoek nog loopt. Ik heb daar respect voor. Mijnheer de minister, u zult straks hoogstwaarschijnlijk zeggen dat u nog geen informatie kunt verspreiden, omdat het onderzoek loopt, en dat moeten wij als commissieleden respecteren. Ik ben er ook van overtuigd dat u ons te woord zult staan zodra de informatie wel beschikbaar is.

Dit is echter geen op zichzelf staand incident. Overal in Europa zijn al soortgelijke incidenten gemeld, soms zonder gevolgen, soms met zware gevolgen, zoals het platleggen van een aantal luchthavens in Denemarken. Het is duidelijk dat Poetin ons test en pest. Op een gepaste manier reageren, is zeker niet gemakkelijk. Er moet altijd gestreefd worden naar proportionaliteit, zeker boven burgerdomeinen en civiele luchthavens. Die drones zomaar neerhalen klinkt eenvoudiger dan het in realiteit is. Dat beseffen wij heel goed. Het zal een zoektocht vergen naar een evenwicht om de juiste proportionele middelen en de juiste proportionele acties te koppelen.

Het ene incident is ook niet het andere. Jens Franssen heeft dit op VRT mooi verwoord. Het feit dat drones boven de bossen van Elsenborn de aanwezige everzwijnen kunnen detecteren, is misschien niet zo ernstig, maar als dergelijke drones boven de 10 de tactische wing in Kleine Brogel zouden worden gezien, dan hebben we te maken met een ander niveau van incident en zal daarop anders moeten worden gereageerd.

Mijn vraag is heel eenvoudig. Mijnheer de minister, kunt u politiek nog iets toevoegen aan het debat dat wij vanochtend achter gesloten deuren hebben gevoerd?

Koen Metsu:

Naar aanleiding van een zeer interessante gedachtewisseling deze ochtend en wetende dat het onderzoek loopt, zijn er misschien enkele vragen waarop mogelijk wel een antwoord kan komen.

In de nacht van 2 op 3 oktober van dit jaar werden boven het militair terrein van Elsenborn, in de Oostkantons nabij de Duitse grens, vijftien drones waargenomen. Het incident werd blijkbaar toevallig opgemerkt dankzij een testopstelling die specifiek is ontworpen om drones te detecteren. Die opstelling wist de toestellen vast te leggen terwijl ze over het terrein vlogen. Het gaat om een terrein van 28 vierkante kilometer. Het terrein wordt gebruikt als trainingskamp voor de Landmacht, inclusief zones voor onder andere schietoefeningen. Volgens de pers zouden de drones vanuit België richting Duitsland zijn gevlogen, waar ze eveneens werden opgemerkt door de politie van het Duitse stadje Düren.

De herkomst van de drones en wie ze bediende, is voorlopig nog onbekend en dus onderwerp van het lopende onderzoek. Aangezien de drones mogelijk de landsgrens zijn overgestoken, kan het incident ook internationale implicaties hebben. De samenwerking met de Duitse autoriteiten is opgestart om de vluchtgegevens en eventuele sporen verder te analyseren.

Er kunnen mogelijk antwoorden komen op volgende vragen.

Welke maatregelen werden onmiddellijk na de waarneming genomen?

Kunt u iets meer zeggen over concrete stappen in het onderzoek en wanneer resultaten te verwachten zijn? Wordt er samengewerkt met andere Belgische veiligheidsdiensten, zoals de Veiligheid van de Staat of de Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid, in het kader van dat onderzoek?

Werd er een verhoogde paraatheid afgekondigd binnen Defensie naar aanleiding van dat incident?

Zijn er nog lacunes in de huidige wetgeving die het moeilijk maken om op te treden tegen ongewenste dronevluchten boven defensieterreinen?

Welke rol speelt Defensie bij het opstellen van nationale richtlijnen voor het dronegebruik in gevoelige gebieden?

Voorzitter:

Collega Vander Elst is momenteel in een andere commissie en collega Lacroix is verontschuldigd.

Annick Ponthier:

Boven het militair kamp van Elsenborn in de provincie Luik zijn recent in totaal vijftien verdachte drones waargenomen, verspreid over een periode van vier maanden. De meldingen gebeurden op wisselende tijdstippen, vaak ’s avonds of ’s nachts. Het terrein van Elsenborn is eigendom van Defensie en wordt gebruikt voor schietoefeningen van het Belgische leger en buitenlandse legers. De Luchtmacht, de militaire inlichtingendienst ADIV en de federale politie voeren momenteel een onderzoek naar de waarnemingen. U hebt vanmorgen nog bevestigd dat het onderzoek nog loopt.

We zouden toch graag wat meer informatie krijgen waar mogelijk. De incidenten zijn immers ernstig. De herkomst van de drones is nog niet bevestigd. Er bestaat een reëel risico dat gevoelige militaire informatie, zoals bewegingen, procedures en installaties, in kaart kan worden gebracht door kwaadwillende actoren, mogelijk in opdracht van buitenlandse inlichtingendiensten of extremistische groepen.

Bovendien vormt dit een rechtstreekse bedreiging voor de veiligheid van onze militairen, zeker wanneer drones op lage hoogte in actieve oefenzones opereren. U verwees in de media in dit verband naar de counterdronesystemen om, indien nodig, de toestellen uit de lucht te kunnen halen.

Mijnheer de minister, ik heb enkele vragen voor u. Ook al weet ik dat het onderzoek nog loopt, kunt u meer informatie over dat onderzoek geven? Is er enig spoor naar de vermoedelijke operatoren of hun motieven? Gaat het om een hybride actie?

Hebt u aanwijzingen voor gevaar van drone-intrusies boven andere militaire locaties in België?

Welke maatregelen zult u nemen om de militaire site van Elsenborn en andere militaire terreinen beter tegen ongewenste drone-activiteiten te beveiligen?

Zijn er specifieke investeringen in antidronesystemen in de militaire programmeringswet gepland? Welke aanpassingen moeten er op juridisch vlak nog gebeuren?

Welke rol zal België spelen in de dronemuur die de EU samen met de lidstaten aan de NAVO-oostflank wil ontplooien?

Philippe Courard:

Monsieur le ministre, depuis le précédent débat d'actualité, la Belgique figure désormais parmi les pays concernés par le survol de drones. En réponse à ce survol, la Commission européenne a proposé de créer, dans le cadre de l'opération de surveillance du flanc de l'Est, un mur anti-drones qui serait donc en fait un bouclier aérien qui pourrait couvrir le ciel européen. Berlin, quant à elle, travaille à la modification de sa loi sur la sécurité aérienne afin d'attribuer aux forces armées un rôle officiel dans la défense contre les drones, y compris le pouvoir d'abattre les aéronefs hostiles. Le Parlement européen a officiellement condamné les violations de l'espace aéré européen et les ingérences sur les infrastructures de l'Union européenne en appelant à des actions coordonnées.

Monsieur le ministre, en ce moment même, un projet de loi relatif à la résilience des entités critiques est en cours de discussion en commission de l'Intérieur. Le 30 septembre dernier, le commissaire général de la police fédérale a lui-même indiqué collaborer activement avec la Défense. Comment cette collaboration se concrétise-t-elle sur le terrain? Qu'en est-il face à ces nouvelles incursions de drones visant directement les entités critiques belges? Comment les missions de défense sont-elles amenées à évoluer dans la protection de nos entités critiques, que ce soit face aux menaces physiques telles que les drones ou les menaces cyber?

Alors que les pays baltes, la Pologne, la Finlande ou encore le Danemark sont favorables à l'initiative du mur anti-drones proposée par la Commission européenne et discutée lors du dernier Conseil européen, qu'en est-il de la Belgique? Soutenez-vous cette proposition? Quels moyens comptez-vous débloquer en ce sens? Les solutions européennes basées notamment sur l'expertise des entreprises belges et européennes sont-elles privilégiées?

Stéphane Lasseaux:

Monsieur le ministre, je n'avais pas la chance d'être là ce matin, durant la première partie de la réunion de la commission. Je n'ai donc aucune information, puisque mon collègue Frank garde bien le secret – comme il se doit.

Monsieur le ministre, les incursions de drones dans les cieux européens se sont multipliées de manière assez régulière. Récemment, des drones ont survolé les installations militaires d'Elsenborn.

Face à cette menace, vous entendez d'abord avoir une réponse nationale pour protéger nos installations militaires. C'est évident, c'est d'ailleurs votre première responsabilité: nous protéger et protéger notre armée.

Pourriez-vous néanmoins nous expliquer ce qui a été planifié pour la protection des autres infrastructures critiques, tels que les aéroports, les centrales nucléaires, ou encore les centres de distribution alimentaire? On sait qu'à un moment ou l'autre, ces centres sont intéressants pour nos ennemis. Dès lors, quel rôle la Défense va-t-elle jouer dans le cadre de la protection de toutes ces infrastructures critiques?

L'enjeu des drones a également été saisi par l'Union européenne dans sa communication sur la feuille de route 2030 du 16 octobre 2025. La Commission a présenté deux flagship projects : l’ European Drone Defence Initiative , qui vise la mise en place d'une défense anti-drones sur le territoire européen d'ici 2027, et l 'Eastern Flank Watch , qui reprend l'idée du mur anti-drones à la frontière orientale de l'Union.

N’oublions toutefois pas que des drones pourraient très bien décoller de notre territoire. Ils peuvent arriver en kit sur le territoire et être montés et décoller de la Belgique.

Monsieur le ministre, la Belgique soutient-elle les deux initiatives mentionnées? Comment les projets nationaux vont-ils s'insérer dans le projet européen, et notamment au regard de ma troisième réflexion? Quelle sera l'insertion de ces projets dans les mécanismes déjà mis en place par l'OTAN?

Theo Francken:

Dank u allemaal, om aanwezig te zijn. Er waren veel vragen, dus is het goed dat er een vragensessie is. De voorzitter heeft mij gebeld met de vraag om iets extra in te lassen, omdat de vragen zich aan het opstapelen waren. Het is dus niet zo dat ik niet wil, maar er is momenteel veel ander werk. Er lopen ook nog andere commissiewerkzaamheden van Defensie, met hoorzittingen of werkbezoeken. Indien nodig kunnen we werken met volle dagen; alles is bespreekbaar, zolang ik het tijdig weet.

Ik moet vandaag om zes uur spreken in Oostende voor een paar honderd ondernemers en moet om halfvijf vertrekken om tijdig aanwezig te zijn. Die afspraak lag al geruime tijd vast. Ik doe momenteel een tour door heel Vlaanderen en zal later ook in Wallonië en Brussel presentaties geven.

Ik zal de vragen beantwoorden tot aan mijn vertrek en dan bekijken we op basis van de agenda wanneer we de rest verderzetten. Om vier uur wordt er bovendien taart aangeboden door het kabinet van Defensie. Ik hoop dat iedereen kan blijven om een stukje te eten. Als u in een andere commissie vastzit, kunt u nog altijd nadien langskomen. We hebben al hard gewerkt, het is u meer dan gegund, want het is al sinds deze ochtend redelijk intens.

In de nacht van 2 op 3 oktober werden boven het kamp van Elsenborn drones waargenomen. De betrokken eenheid heeft dit gemeld via de veiligheidsofficier aan de ADIV (Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid), volgens de voorziene procedure. Het operationeel centrum van de Defensiestaf (COPS) werd verder op de hoogte gehouden.

Onmiddellijk vond informatie-uitwisseling plaats tussen politie, veiligheidsdiensten en luchtverkeersleiding om alle elementen te verzamelen en te delen. Over het incident loopt momenteel een gerechtelijk onderzoek. De ADIV is aangesteld om het onderzoek mee te voeren naar de omstandigheden van de melding. Door het lopende onderzoek kunnen er actueel geen verdere details worden gecommuniceerd.

Er is een nauwe samenwerking met nationale en internationale partners. In dit specifieke geval is er doorgedreven samenwerking met de Duitse autoriteiten. In dezelfde context vond op 8 oktober bij het Nationaal Crisiscentrum overleg plaats met de nationale interdepartementale stakeholders over detectie, interventie en opvolging van drone-incidenten.

Defensie heeft daarnaast een sensibiliseringscampagne opgestart om de waakzaamheid in alle eenheden en kwartieren in België te verhogen, maar ook in operationele theaters bij de ontplooide detachementen. De Chef Defensie (CHOD) heeft hierover een duidelijke flashbericht verspreid om iedereen wakker te schudden.

Defensie beschikt over verschillende draagbare systemen om drones te detecteren, signalen te verstoren en indien nodig kinetisch te neutraliseren. Op dit ogenblik bestaat er echter geen expliciete juridische basis die militairen toelaat om drones te neutraliseren met kinetische middelen, behalve in het kader van wettige verdediging. Die expliciete mogelijkheid wordt wel voorzien in de toekomstige Defensiecodex.

Er bestaat wel een juridische basis om drones te jammen met het oog op de bescherming van militaire infrastructuur, militaire installaties, militaire transportmiddelen en militair materieel. Jamming kan dus, maar er is nog wat discussie over de vraag of we effectief drones mogen neerschieten. Met de codex is het echter duidelijk. Met de huidige wetgeving zou het onder bepaalde omstandigheden wel kunnen volgens mij, maar het is belangrijk juridische helderheid te creëren zodat de militairen die dergelijke handelingen moeten uitvoeren, ook juridisch beschermd zijn. Daar moet deze commissie steeds bezorgd over zijn.

In de militaire programmatiewet zijn investeringen voorzien in antidronesystemen, waaronder draagbare detectie ‑ en verstoringsmiddelen en aangepaste munitie voor kinetische neutralisatie.

België volgt de ontwikkelingen rond de zogenaamde Europese dronewall nauwgezet op. Men spreekt nu van het European Drone Defence Initiative, omdat ‘ muur ’ de lading niet echt dekt. Er is immers ook bescherming nodig tegen drones die niet uit het oosten komen, maar bijvoorbeeld uit een container in de haven, zoals bij Operation Spiderweb. In dat geval heeft men niets aan een muur aan de oostgrens, maar moet men ook hier bepaalde handelingen kunnen stellen.

In overleg met NAVO ‑ partners en industri ë le actoren wordt via de taskforce Drones en Innovatie ge ë valueerd op welke vlakken Belgi ë een meerwaarde kan bieden, met bijzondere aandacht voor innovatie, situational awareness en de bescherming van het eigen grondgebied.

Juste avant l'été, le groupe de travail Drones a été créé afin de rationaliser les projets et l'organisation existants en matière de drones et de lutte contre les drones au sein de la Défense, d'accélérer le cycle d'innovation ainsi que d'entamer et de renforcer les collaborations avec l'industrie.

Dans ce cadre, le groupe de travail se trouve actuellement dans la première phase, à savoir la cartographie des initiatives existantes au sein et autour de la Défense, ainsi que l'étude des capacités de notre industrie, de nos centres de recherche et du monde académique dans ces domaines spécifiques. Par ailleurs, je me réjouis que le groupe Groen-Ecolo ait changé d'avis et soutienne aujourd'hui des études des capacités de notre industrie en matière de contre-drones.

Nee, dat is geen taboe.

À moyen terme, les innovations mises en œuvre dans le domaine des anti-drones et drones pourront également être intégrées dans les processus globaux de la Défense.

L'évaluation en cours concernant une mise en œuvre accélérée de certains éléments relève de la protection de la sécurité opérationnelle. À ce sujet, je vous renvoie à la commission de Suivi des missions militaires. Je tiens à souligner que l'analyse des risques pour les sites critiques relève en premier lieu de la responsabilité de l'entité concernée, et en second lieu du Centre de crise national.

La Défense effectue cette analyse pour ses propres sites, ce qui constitue notamment l'un des éléments déclencheurs de la soumission imminente d'un dossier visant une réponse rapide à la menace aiguë. Elle n’examine, dans un troisième temps, certains aspects des autres sites que dans le cadre de l'élaboration d'une série de plans nationaux relatifs à la défense du territoire national, conformément à l'article 3 de l'OTAN.

Dit betreft dus het Nationaal Defensieplan, dat volop wordt uitgewerkt en zeker ook uitgebreid aandacht zal besteden aan de nieuwe dreigingen. Ik wil nogmaals onder de aandacht brengen dat er behoorlijk veel waarnemingen van drones zijn. We moeten dus snel optreden en efficiënt werken. Het is niet eenvoudig om op die dreiging te reageren, maar het is wel zeer belangrijk ons daartegen te wapenen. Let’s go , zou ik zeggen.

Axel Weydts:

Het verheugt mij dat het geen dronemuur op Europees niveau en binnen de NAVO meer is, ook al is het misschien slechts een semantische discussie. Ik heb de eerste minister hier ook vragen gesteld in het kader van de voorbereiding van de top in Denemarken. Mijn kritiek was toen dat de aandacht te veel naar de oostgrens gaat. We begrijpen uiteraard dat het brandt aan de oostgrens, maar België is door de Noordzee en onze havens eveneens een frontline nation .

U verwijst terecht naar de Oekraïense droneoperatie vanuit een container, diep in Rusland. Het moet daarom over meer dan een muur gaan en de focus mag niet uitsluitend op de oostgrens gericht worden. Het is goed dat dit in die zin is aangepast.

Verder kijken wij zeer uit naar de codex, het wettelijk kader, niet alleen voor dit thema maar ook voor andere thema’s, zoals de inzet van militairen op straat, zodat daar een duidelijk mandaat voor bestaat. We kijken daar zeer naar uit, net als naar het Nationaal Defensieplan. Ik vermoed dat dit de komende weken en maanden op ons bord zal komen.

Koen Metsu:

Ik herhaal alleen de laatste woorden van de minister: “ Let’s go ”. Het antwoord was duidelijk. We wachten het onderzoek af en volgen dit nauwgezet op. Het kader, de codex, lijkt ons van cruciaal belang. Alle support voor de let’s go .

Annick Ponthier:

Mijnheer de minister, u zei dat het gerechtelijke onderzoek, in samenwerking met de ADIV, nog loopt. We mogen uiteraard niet vooruitlopen op de resultaten van het onderzoek, maar ik denk dat we deze vraagstelling wel uitgebreider mogen bekijken, we moeten het niet over Elsenborn alleen hebben.

U zei dat er momenteel eigenlijk geen wettelijke basis is om drones uit de lucht te halen, tenzij in het kader van zelfverdediging. Men kan ze alleen jammen. Ik meen dan te kunnen stellen dat we absolute prioriteit moeten geven aan het wegwerken van die belemmeringen op korte termijn, we moeten deze maximaal wegwerken. Bijkomend, de innovatiecyclus van drones of UAV’s verloopt zeer snel. Daarom moeten wij absoluut voldoende inzetten op onderzoek en ontwikkeling op dat vlak.

Met betrekking tot mijn laatste vraag, u zei dat de drone wall of dronemuur niet meer zo mag genoemd worden. We moeten nog eens goed bekijken hoe we het dan wel noemen.

Theo Francken:

Drone bubble.

Annick Ponthier:

Ik vroeg u welke rol België zal spelen in heel dat verhaal. We zitten natuurlijk ook met het NAVO-antwoord op die vraag, met de Eastern Sentry en de drone wall op Europees niveau. Daarover bestaat nog veel onduidelijkheid. Wie zal welke rol op zich nemen? Wat kunnen wij doen en wat mogen we niet doen, zodat we niet in elkaars vaarwater komen? Dat is ook heel belangrijk. Vooralsnog heb ik daar geen duidelijk antwoord op gekregen. Laten we concluderen dat u zich daarvoor zult inzetten, zodat België daar actief een rol in kan spelen. Welke dat op dit moment is, weten we nog niet. Dit wordt ongetwijfeld nog vervolgd.

Philippe Courard:

Monsieur le président, je n’ai pas de réplique.

Stéphane Lasseaux:

Merci, monsieur le ministre, pour les réponses.

Nous attendrons les retours et les éclaircissements nécessaires de l'enquête qui a été évoquée. Nous insistons vraiment sur le fait qu’il importe que la Belgique s'inscrive réellement dans les initiatives lancées. Nous sommes satisfaits que l'on puisse apporter notre plus-value, ce qui est également très important. Par ailleurs, il convient d’être particulièrement attentif au fait que des mini-drones en kit peuvent aussi arriver sur le territoire belge. En cette matière, nous devons pouvoir intervenir. Dès lors, le fait de légiférer permettrait d'intervenir rapidement le cas échéant. Merci pour votre attention.

Theo Francken:

Ik wil nog toevoegen dat het op de agenda van de Europese Raad van morgen en overmorgen staat.

Het Defensiefonds
'Readiness 2030'
Het protocolakkoord met Defensie
De European Defense Readiness Roadmap
'Readiness 2030'
Defensieparaatheid en strategische samenwerking 2030

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie), Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 22 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om het Belgische Defensiefonds (opgericht via KB, 1,5-3 miljard euro) en Europese defensieplannen (SAFE-leningen, 8,34 mjd voor België) om strategische autonomie en innovatie in defensie te versterken. Francken benadrukt structurele financiering via de FPIM (focus op AI, cyber, munitie) en samenwerking met NAVO/EU, terwijl kritiek komt op gebrek aan ervaring van de FPIM in defensie-investeringen. SAFE-leningen moeten Belgische defensie-industrie (bv. FN Herstal) boosten via gezamenlijke EU-projecten (Benelux, NASAMS), met budgettaire flexibiliteit (0,95% BBP uitzondering). Van den Heuvel en Vander Elst dringen aan op versnelde procedures en betere afstemming tussen ministers om industriële kansen te grijpen.

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de minister, excuses dat ik het eerste debat gemist heb. Ik was in de commissie voor Binnenlandse Zaken bij de bespreking van de wetgeving.

Mijn vraag betreft het Defensiefonds. Ze dateert van 16 juli 2025. Ik weet eigenlijk al wat de minister zal antwoorden. De minister zal zeggen dat dit een bevoegdheid is van minister Jambon. Maar u hebt er gisteren over getweet, mijnheer de minister – ik heb het gezien – om minister Jambon te feliciteren met de oprichting ervan. Ik zal dus toch enkele vragen stellen. Ik kan me niet voorstellen dat u hierbij niet betrokken bent.

Mijnheer de minister, het gaat over het Defensiefonds, over middelen. Het gaat over geselecteerde participaties die zullen worden verkocht om te investeren in Defensie. Daarom lijkt het me onwaarschijnlijk dat u hier geen rol in speelt. Ik stel dus toch mijn vragen.

Wat is de huidige stand van zaken? Wanneer zal het Defensiefonds bij koninklijk besluit worden opgericht? Allicht is die vraag intussen achterhaald.

Is er reeds beslist over welke geselecteerde participaties het gaat? In het regeerakkoord staat, denk ik, dat het fonds tegen het einde van het jaar voor het eerst gespijsd zal worden. Dat betekent een eerste verkoop.

Hoe garandeert u de structurele werking van het fonds op lange termijn? Ik verduidelijk mezelf. Ik hoop niet dat het gewoon een doorgeefluik wordt waarbij we iets verkopen, middelen in het fonds binnenkrijgen en die meteen weer uitgeven. Het zou goed zijn als het een structureel karakter krijgt dat op termijn ook opbrengsten genereert. Hoe garandeert u die structurele werking?

Koen Van den Heuvel:

Ik had inderdaad een vraag over de Defence Readiness Roadmap van de Europese Unie. We bevinden ons immers op een cruciaal moment. De geopolitieke situatie is er de voorbije maanden zeker niet stabieler op geworden. Met dit initiatief wil de Europese Unie terecht de militaire paraatheid van Europa versterken en de samenwerking tussen de lidstaten verdiepen, wat voor ons een belangrijk aandachtspunt is.

Nu ons land opnieuw op het pad van serieuze defensie-investeringen zit, is dit een geschikt moment om mee te werken aan een efficiënter en autonomer Europa dat zijn eigen veiligheid opneemt en verdedigt. Ik heb daarover enkele vragen.

De EU Defence Readiness Roadmap voorziet via SAFE in 150 miljard euro aan goedkope leningen. Zal België daarop intekenen? Met welke landen zal er dan bij voorkeur worden samengewerkt?

Ten tweede, er zijn een viertal flagships gedefinieerd. Zal België zich aansluiten bij die flagships ? Zal België ook nog andere voorstellen indienen? Welke opportuniteiten kan dat meebrengen voor de Belgische defensie-industrie?

Ten slotte heb ik nog een vraag over de Norwegian Advanced Surface-to-Air Missile Systems (NASAMS). Vorige week is een princiepsakkoord met Nederland ondertekend. Past dat akkoord binnen deze Europese plannen? Hoe zal dat in de toekomst verder evolueren?

Philippe Courard:

En mars dernier était présenté le plan Readiness 2030 de la Commission visant à renforcer les capacités militaires de l'Union européenne en mobilisant un financement de plus de 800 milliards d'euros pour renforcer l'autonomie stratégique de l'Union européenne pour 2030. Nous avons appris que 19 États membres européens, dont la Belgique, ont introduit des demandes de prêt dans le cadre du programme de réarmement SAFE (Security Action for Europe). Par ailleurs, la Commission espère voir 650 milliards d'euros d'investissements supplémentaires dans la défense qui seraient mobilisés en permettant aux États membres de dispenser ce type de dépense des règles de stabilité budgétaire. C'est évidemment essentiel pour pouvoir y arriver. Seize États membres, dont à nouveau la Belgique, ont indiqué vouloir faire usage de cette dispense.

Monsieur le ministre, comment votre vision stratégique tient-elle compte de ce plan européen afin de renforcer l'autonomie stratégique européenne? À combien s'élève la souscription belge et quels en seront les objectifs et selon quelle concertation avec les acteurs de la BITD belge (base industrielle et technologique de défense)? Comptez-vous mobiliser la DIRS (Defence, Industry and Research Strategy) dans ce cadre? Concernant la dispense au pacte de stabilité, pouvez-vous nous faire le point sur la position belge et les conséquences budgétaires pour notre pays par année sur la trajectoire budgétaire du gouvernement?

Theo Francken:

Het Defensiefonds en het plan zijn niet helemaal hetzelfde, maar ik begrijp dat het samen staat. Het Defensiefonds valt inderdaad niet onder mijn bevoegdheid. Ik heb er uiteraard wel enig zicht op. Dat weten wij allemaal.

Het fonds is gisteren opgericht bij koninklijk besluit. De financiering ervan zal door de heer Jambon worden toegelicht. Dat is niet aan mij. Het spreekt echter voor zich dat het structureel moet worden gevoed en moet passen in een ruimer kader, waaronder het European Defence Readiness Plan en de Strategische Visie. Ik ben daar enthousiast over, want ik denk dat participeren in een aantal jonge technologiebedrijven op de markt op dit moment echt the thing to do is.

Ik ben geen voorstander van een ‘ big state ’, maar wij moeten wel strategisch durven denken. Ik weet dat uw partij heel fel gekant is tegen de aankoop van de luchthaven. Daarover heb ik een andere mening. Het gaat uiteraard om een grote som geld, maar voor mij zijn dat strategische assets, net zoals bepaalde technologiebedrijven die actief zijn in defensie. Het gaat niet over dezelfde bedragen; het gaat over veel kleinere sommen, maar het principe blijft hetzelfde, namelijk of dat kan en moet worden gedaan en wanneer dat het best wordt gedaan. Daarover zal vooral de heer Jambon toelichting geven, aangezien hij de bevoegde minister is.

De regering heeft met het Defensieplan ‘De strategische bijdrage aan vrede door kracht’ van midden april 2025 de krijtlijnen uitgezet voor de oprichting van een Defensiefonds. Dat fonds zal worden gefinancierd met publieke en privémiddelen en vormt een belangrijk instrument om de nationale en Europese defensiedoelstellingen te realiseren.

De Federale Participatie- en Investeringsmaatschappij onderzoekt momenteel op welke manier een gerichte aan- en verkoop van activa en een heroriëntering van dividendstromen kunnen bijdragen tot de uitbouw van het fonds. Het doel is strategische investeringen mogelijk te maken in domeinen die essentieel zijn voor de nationale defensiecapaciteit en de versterking van de Belgische defensie-industrie. De investeringsstrategie zal nauw aansluiten bij de prioritaire capaciteitsnoden die zijn aangeduid in het Witboek European Defence Readiness 2030 en in de Strategische Visie Defensie 2025.

Het fonds zal zich in eerste instantie richten op investeringen die de verankering van kritieke competenties in België versterken, de strategische autonomie vergroten en innovatie versnellen. Bijzondere aandacht gaat daarbij naar ecosystemen die innovatie en groei stimuleren, van gevestigde spelers tot start-ups en scale-ups, in lijn met de Europese en NAVO-prioriteiten.

Concreet zal het Defensiefonds zich richten op strategische investeringsdomeinen waarin België een competitieve positie heeft opgebouwd of snel kan ontwikkelen. Daaronder vallen onder meer munitie- en wapensystemen, luchtvaart- en ruimtevaarttechnologieën, cyberdefensie, AI-gedreven command- en controlesystemen, onbemande systemen, maritieme veiligheid en geavanceerde soldaatsystemen.

Voor thema’s waar België minder industrieel verankerd is, kan het fonds gerichte investeringen doen en strategische partnerschappen sluiten om nationale autonomie en Europese toegevoegde waarde te versterken. Daarnaast zal het fonds flexibel worden opgezet om in te spelen op de dynamiek van de defensiemarkt en om de samenwerking met Europese en NAVO-partners te bevorderen. De beoogde fondsomvang ligt tussen 1,5 en 3 miljard euro. De overeenkomst bedraagt 0,2 % tot 0,5 % van het bbp. De minister van Financiën werd belast met de verdere uitwerking van dit Defensiefonds. Ik verwijs u daarvoor graag naar hem door.

La Vision stratégique 2025, approuvée lors du Conseil des ministres du 18 juillet, réaffirme l'importance de l'autonomie stratégique européenne et souligne la nécessité pour la Belgique d'y contribuer activement.

Cette ambition doit se concrétiser dans les domaines et capacités prioritaires identifiés au niveau de l'Union européenne, notamment par le développement rapide de projets collaboratifs financés par l'instrument Security Action for Europe (SAFE), qui prévoit des emprunts à taux favorable pour un total de 150 milliards d'euros.

België heeft een voorlopige toewijzing van 8,34 miljard euro aan leningen ontvangen in het kader van de SAFE-regelgeving. Deze leningen zullen worden gebruikt om projecten van het STAR-plan en de strategische visie te financieren, zoals de aankoop van gevechtsvoertuigen, luchtverdedigingsprogramma’s, bijvoorbeeld NASAMS, munitie en lichte bewapening. De samenwerkingen in het kader van de SAFE-regelgeving zijn afhankelijk van het type project, maar richten zich voornamelijk op de Benelux en onze directe buren.

Vorige week bezocht ik samen met de Roemeense MoD FN Herstal. Roemenië is bijvoorbeeld geïnteresseerd. Dat geldt ook voor Portugal en anderen. Small arms zijn echt wel onze asset, evenals munitie. Er is veel interesse om in het kader van SAFE bepaalde projecten samen te doen. Het is nog niet definitief, ik kan het nog niet groots aankondigen, het loopt en we zullen zien. Dat betekent wel dat er potentieel gigantische wapencontracten in het vooruitzicht zijn. Na de aankondiging vandaag van BASF Antwerpen kunnen we hopelijk hier ook positief nieuws brengen, met betrekking tot dingen die groeien in plaats van krimpen. Onze industrie bloedt immers.

Dans ce cadre, la Belgique a manifesté son intérêt pour des prêts pouvant atteindre plusieurs milliards d'euros. Compte tenu des délais prévus par le dispositif SAFE, ce financement vise des contrats d'acquisition commune déjà en cours ou à court terme, l'intégration par le biais du DIRS et des mesures de protection des intérêts essentiels de sécurité. Ces contrats ouvrent donc des perspectives pour la base industrielle et technologique de la défense (BITD) belge, qui peut ainsi accroître ses capacités de production et de soutien tout en consolidant sa position sur les marchés internationaux.

La Commission européenne autorise une flexibilité budgétaire allant jusqu'à 1,5 % du PIB. Toutefois, le gouvernement belge a choisi de limiter cette marge à 0,95 % du PIB pour la période 2025-2028. Cette disposition de nature transitoire doit permettre de dégager les moyens structurels nécessaires à un financement renforcé de nos dépenses de défense futures. L'usage de cette clause exceptionnelle se fera néanmoins de manière rigoureuse et coordonnée afin de préserver la soutenabilité des finances publiques.

De deelname aan flagshipprojecten zal afhangen van een analyse die zowel operationele als industriële aspecten omvat. Deze analyse werd opgestart door de defensiestaf onmiddellijk na het uitbrengen van de Defence Readiness Roadmap 16 oktober.

De industriële kansen die deze projecten bieden, zullen afhangen van de praktische uitvoering, maar het is zeker mogelijk dat Belgische bedrijven en kmo’s een rol spelen op het gebied van sensoren en command-and-controlsystemen.

Le dossier relatif au Mission Readiness Plan comporte une section concernant les dérogations nécessaires. Conformément à l'arrêté royal du 20 mai 2022, relatif au contrôle administratif, budgétaire et de gestion, certaines dérogations peuvent être régies par un protocole entre le ministre de la Défense et le ministre du Budget. Ce protocole fait actuellement l'objet de négociations avec l'Inspection des Finances et les cabinets concernés. L'avis négatif émis par l'Inspection ne portait d'ailleurs pas sur ce protocole puisque celui-ci est encore en cours de finalisation. Par ailleurs, le gouvernement, dans son accord de coalition 2025-2029, a exprimé la volonté d'accélérer les procédures de passation de marchés et de moderniser les mécanismes de contrôle administratif et budgétaire afin de mieux répondre à l'évolution du contexte de la sécurité.

Le protocole envisagé s'inscrit pleinement dans cette dynamique. Il va de soi que l'Inspection des Finances joue un rôle important dans la garantie de la qualité et de la régularité des dépenses publiques. Ces avis cadrent dans une gestion budgétaire responsable. Toutefois, les recommandations s'inscrivent dans un processus décisionnel global, intégrant également des considérations politiques, stratégiques et sociales.

En dernier ressort, la décision appartient quoi qu'il en soit au Conseil des ministres. Ce protocole n'a donc nullement pour objectif de contourner la législation ni d'échapper au contrôle parlementaire. À cet égard, il convient de souligner que la commission spéciale chargée du contrôle des achats et des ventes de matériel militaire a validé le Mission Readiness Plan. Je veux être clair à ce sujet: il y a une audition qui est prévue. Je serai donc auditionné par cette commission sur ce point et sur ce protocole. Je suis toujours là, il n'y a pas de souci. Je ne sais pas si on peut l'exprimer de la sorte, mais: "il n'y a rien dans ma poche ou sous les arbres".

Kjell Vander Elst:

Dank u, mijnheer de minister, voor uw antwoord. Er worden inderdaad twee zaken door elkaar gegooid, maar er is wel een link.

Mijn vraag ging over het defensiefonds. U bent daar enthousiast over, net zoals ikzelf. Zo’n defensiefonds staat ook in ons partijprogramma. Het is dus een goede zaak dat er een fonds komt. U stelt dat wij tegen structurele investeringen zouden zijn, maar dat is niet zo. Wij beschouwen de Federale Participatie- en Investeringsmaatschappij (FPIM) als een zeer geschikt vehikel om strategische partnerschappen aan te gaan. U verwijst naar de luchthaven van Zaventem, waar wij inderdaad wel onze bedenkingen bij hebben. Voor de luchthaven van Zaventem is er immers al een strategisch partnerschap van de federale overheid, met een blokkeringsminderheid. Wij vonden het geen goede zaak dat de Vlaamse overheid daar dan 3 miljard euro tegenaan gooide. Wij zijn wél voorstander van strategische investeringen en de FPIM is daarvoor zeker het geschikte vehikel.

Ik dank u voor uw toelichting. U verwijst naar minister Jambon, die dat verder vorm moet geven. Toch wil ik u aanraden, mijnheer de minister, om dat samen te doen. De FPIM is inderdaad vertrouwd met strategische investeringen, maar het was haar jarenlang verboden om in defensie te investeren en ze is daar dus niet vertrouwd mee. De overheid mocht niet investeren in defensie en de banken mochten er geen leningen aan verstrekken. Dat is allemaal nieuw voor de FPIM. Daarom is het belangrijk dat u dat opvolgt, samen met de minister van Financiën en met de defensie-industrie, en dat u de FPIM richtlijnen geeft, zodat ze vertrouwd raakt met de defensie-industrie. Ik roep u dan ook op om dat samen met de minister van Financiën vorm te geven, zodat de juiste strategische investeringen gebeuren.

Koen Van den Heuvel:

Mijnheer de minister, het is goed dat we zeer actief meewerken aan de European Defence Readiness Roadmap via SAFE. Het verheugt mij dat u al contact hebt met onze eigen industrie en met andere landen, om via het SAFE-programma daarop in te spelen. Het is absoluut noodzakelijk om mee te werken aan die noodzakelijke Europese strategische autonomie en zo de Belgische industrie ook een graantje te kunnen laten meepikken. De de-industrialisering rukt helaas op. Ik hoop net als u dat met de defensie-industrie een ander verhaal geschreven kan worden. Ik ben recent John Cockerill bezocht. Ook daar hoopt men dat er vooruitgang kan geboekt worden en dat de doorlooptijden van contracten wat kunnen worden versneld. Dat is toch nog altijd een drempel voor onze industrie. Ik roep u daarom ook op om binnen het wettelijke kader een aantal versnellingen door te voeren.

De noodzaak van een structurele financiering van Defensie vanaf 2026

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 22 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Vander Elst dringt aan op structurele financiering van Defensie vanaf 2026 om de NAVO-norm van 2% duurzaam te verankeren, in plaats van afhankelijk te blijven van eenmalige budgettaire oplossingen zoals nu. Minister Francken bevestigt enkel dat gesprekken hierover lopen, zonder concrete plannen of timing te geven. Vander Elst kritiseert het gebrek aan urgentie en hoopt op snelle regeringsbeslissingen, vooral nu de druk door NAVO-afspraken toeneemt. De focus ligt op het vermijden van ad-hocfinanciering en het garanderen van een stabiele defensiebegroting.

Voorzitter:

Collega Vander Elst, met deze vraag kijkt u kennelijk uit naar een heldere State of the Union.

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de voorzitter, dat klopt, ik kijk daarnaar uit.

Mijnheer de minister, deze vraag dateert van voor het zomerreces, maar ze blijkt vandaag nog actueler te zijn dan toen. Ik vraag naar de structurele financiering van Defensie vanaf 2026, aangezien we voor dit jaar – en die stap heb ik mee gesteund – versneld naar die 2 % zijn gegaan. Daartoe moesten enkele eenmalige maatregelen worden genomen en eenmalige financieringsstromen worden aangesproken, om snel die 2 % te halen. Er moest 0,7 % worden gevonden , wat zeker niet weinig is.

Het is absoluut noodzakelijk dat dat structureel wordt verankerd, zodat u en de regering niet elk jaar opnieuw naar kruimels en eenmalige financieringsbronnen moeten zoeken om die 2 % te behalen. Het moet zo snel mogelijk structureel worden vastgelegd, omdat tijdens de vorige NAVO-top is overeengekomen dat die inspanning nog verder zal worden opgedreven. Het is dus zeker geen overbodige luxe om de 2 % structureel vast te leggen.

Mijnheer de minister, wanneer worden binnen de regering de gesprekken opgestart over de structurele financiering van Defensie? Hoe zal worden vermeden dat Defensie in 2026 opnieuw wordt gefinancierd via eenmalige inkomsten zonder structurele basis in de begroting? Kunt u al toelichting geven over de concrete plannen die op tafel liggen?

Theo Francken:

De besprekingen lopen.

Kjell Vander Elst:

Dank u, meneer de minister. Indien u die vraag op 16 juli had kunnen beantwoorden, had ik wellicht een ander antwoord gehad, want dan was u wellicht voluntaristischer geweest. U zou diverse ideeën en plannen hebben aangekondigd, maar hebben toegegeven dat er nog geen akkoord was. Nu is de situatie prangender. Daarom aanvaard ik uw antwoord. Ik hoop dat er snel een State of the Union komt en dat er snel een begroting is waarvan we het hoofdstuk Defensie in de diepte kunnen behandelen.

Het Belgische luchtruim en de F-35's
De geluidsoverlast door de komst van de F-35's in Florennes en Kleine-Brogel
De aankomst van de eerste F-35's in België
De technische problemen met de F-35’s bij hun aankomst in Florennes
De levering van de F-35's en het industriële perspectief
De F-35's
De impact van F-35's op het Belgische luchtruim en defensie

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 22 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De aankomst van de F-35 in Florennes roept geluidsoverlast (tot 120 dB, pijnlijk voor omwonenden) en logistieke uitdagingen op, zoals beperkte Belgische luchtruimte voor trainingen (deels opgelost via buitenlandse samenwerking, o.a. Italië, en meer simulators). Het technisch mankement van een toestel op de Azoren wordt als geïsoleerd incident beschouwd, zonder impact op verdere leveringen, maar zorgt wel om vragen over de hoge kosten en strategische afhankelijkheid van de VS. De operationele meerwaarde van de F-35 (beter dan F-16) en industriële kansen voor Belgische bedrijven worden benadrukt, met lopende onderhandelingen over extra bestellingen (21 stuks). Dialoog met omwonenden en monitoring van geluidshinder blijven prioriteiten om de lokale steun te behouden.

Stéphane Lasseaux:

Monsieur le ministre, ma question a quelque peu changé puisqu'elle a été introduite avant lundi dernier, date à laquelle nous avons eu le plaisir d'accueillir les F-35 à Florennes. Toutefois, certaines inquiétudes sont exprimées par la population, dont je tenais à vous faire part.

Tout d'abord, Florennes se réjouit d'avoir accueilli ces F-35, qui apportent très clairement une pérennité à la base du 2 e Wing tactique, qui est déjà bien intégrée dans notre région. Tout comme les citoyens, je suis convaincu du bienfait de leur arrivée. Cependant, des interrogations me parviennent encore au sujet du bruit que ces appareils peuvent produire. Au moment de leur atterrissage, nous avons ainsi perçu un bruit très certainement différent de celui des F-16. Nous savons de plus qu'au moment de la postcombustion, il pourrait gagner en puissance. En cet endroit bien connu où les militaires sont bien intégrés, il faudra prendre les mesures qui s'imposent, le cas échéant.

C'est pourquoi, monsieur le ministre, je tenais à vous demander si des mesures sont envisagées pour établir un dialogue constructif avec la population aux alentours de Florennes et, bien sûr, les responsables militaires. Le cas échéant, bien que nous sachions que la population soutient bien la base et l'arrivée de ces F-35, des solutions pourraient-elles être apportées afin d'atténuer le bruit, notamment au moment de l'envol? Il s'agit en effet de maintenir une collaboration citoyenne harmonieuse telle qu'elle existe aujourd'hui.

Kristien Verbelen:

Mijnheer de minister, u sprak over een huge day voor België bij de aankomst van onze eerste F-35's in Florennes, maar het werd dan toch een beetje een feest in mineur daar er maar drie toestellen geland zijn. Het vierde bleef achter op de Azoren wegens een technisch probleem.

Dit roept vragen op over mogelijke implicaties voor de toestellen die nog door ons nog besteld zijn. Het gaat immers om 34 toestellen, waaraan u er het liefst nog 21 zou willen toevoegen. Naast de mogelijke technische gebreken, weten we ook dat de kostprijs zeer hoog is. Ik heb het al eerder gezegd: we zullen ons zo nog dieper vastzetten in een strategische afhankelijkheid van de Verenigde Staten. Bovendien is de militaire noodzaak voor extra toestellen – bovenop de reeds bestelde – eigenlijk niet bewezen, gelet op de gigantische vloot van de NAVO

Kunt u intussen al toelichten wat er precies fout liep met dat toestel? Was het een klein incident, of ging het om een structureel mankement dat mogelijk ook andere F-35's kan treffen?

Is er een garantie dat de bijkomende toestellen, die nog niet geleverd zijn, dergelijke gebreken niet zullen vertonen? Wordt dat gecontroleerd?

Voorziet het aankoopcontract bij Lockheed Martin in een clausule voor technische bijstand zonder bijkomende kosten bovenop het al peperdure contract?

Is dit incident volgens u geen reden om kritisch stil te staan bij uw intentie om op termijn 21 bijkomende F-35's te bestellen?

Nabil Boukili:

Monsieur le ministre, le 13 octobre 2025, les trois premiers avions de combat F-35 ont été officiellement mis en service sur la base de Florennes, en remplacement des F-16. Ces nouveaux appareils suscitent des inquiétudes, non seulement chez nous mais aussi chez les riverains de la base aérienne.

Selon l'ex-colonel Roger Housen et sur la base d'expériences aux Pays-Bas, les F-35 provoquent beaucoup plus de nuisances sonores que leurs prédécesseurs. Lors du décollage, ils sont jusqu'à cinq fois plus bruyants, avec des pics atteignant 120 décibels, ce qui est proche du seuil médical de la douleur et peut être dangereux pour l'audition.

D'où ma première question: quelles mesures concrètes la Défense prend-elle pour limiter autant que possible les nuisances sonores? Y a-t-il une transparence suffisante envers les riverains concernant le risque pour leur santé?

De plus, le CEO de l'opérateur de contrôle aérien skeyes avertit que les F-35 nécessitent un espace aérien beaucoup plus vaste pour leurs exercices, probablement sur une large zone couvrant tout l’est de la Belgique. Cela pourrait entraîner chaque semaine la fermeture prolongée de routes aériennes importantes pour le trafic civil, avec toutes les conséquences que cela implique.

L'estimation de skeyes à ce sujet est-elle correcte? Quelle analyse d'impact est disponible à ce propos?

Peter Buysrogge:

Mijnheer de minister, in de periode 2014-2019 was ik voorzitter van de commissie Legeraankopen. Ik had toen de eer en het genoegen om voorzitter te zijn van de commissie die mee een advies moest formuleren aan toenmalig minister van Defensie Steven Vandeput over het aankoopdossier van de vervanging van de F-16.

Toen bleek dat Defensie een zeer sterk dossier had lopen met de F-35 die er als het beste en het meest performante toestel uitkwam, de beste koop die we op dat ogenblik konden doen. Dat blijkt nog steeds het beste toestel te zijn. Als men kijkt naar een aantal incidenten dat zich recent heeft voorgedaan in het oosten van Europa, blijkt de F-35 toch met grote voorsprong het beste toestel te zijn dat er op dit moment is, wat bewijst dat we toentertijd een uitstekende koop hebben gedaan. Het is te hopen dat de F-35 een even sterke en even lange staat van dienst zal hebben als de F-16.

Kunt u wat meer toelichting geven over de volgende toestellen die zullen worden geleverd? Binnen welk tijdskader zal dat gebeuren en om hoeveel toestellen zal het gaan? Hoe verloopt de verdere training van onze piloten met die nieuwe toestellen? De F-35 is in feite geen gevechtsvliegtuig op zich, maar een platform dat heel veel innovaties en upgrades kan ontvangen. Welke mogelijkheden ziet u voor de Europese bedrijven in het algemeen en voor onze bedrijven in het bijzonder? Wat zijn voor u de voornaamste conclusies nadat u in de VS de productiesites van de F-35 hebt bezocht? Welke boodschap hebt u voor onze industriële partners?

Koen Van den Heuvel:

Mijnheer de minister, ik kan het heel kort houden, want mijn vragen werden al gesteld door mevrouw Verbelen en de heer Buysrogge. We hebben geconstateerd dat er bij een van de vier F-35, nummer FL011, een technische onzekerheid bestaat en dat het op de Azoren blijft.

Vandaag konden we in de krant lezen dat er blijkbaar nog geen duidelijkheid is over wanneer dat toestel naar hier zal komen. Misschien kunt u ons die duidelijkheid wel verschaffen. Belangrijk zijn de vragen die daarnet al werden gesteld. Heeft dit impact op de levering van de andere F-35's? Wat is de juiste timing en welke zijn de opleidingen voor de andere F-35's?

Theo Francken:

In het kader van de Belgian Airspace Vision 2030 werkt Defensie nauw samen met de civiele autoriteiten om militaire en civiele vliegactiviteiten op een coherente manier te integreren. De ambitie is de nationale veiligheid te garanderen terwijl tegelijkertijd de economische belangen en de vlotte doorstroom van het luchtverkeer maximaal gewaarborgd blijven.

Un groupe de travail présidé par la Direction générale du Trafic aérien et associant la Défense, skeyes et le Maastricht Upper Area Control Centre (MUAC) rappelle que l'augmentation des besoins en entraînements aériens ne découle pas uniquement de l'arrivée du F-35 mais plus largement de l'évolution constante des menaces modernes.

C'était le cas auparavant et ça l'est encore aujourd'hui, les F-16 souffrent d'un manque d'espace aérien. La Défense confirme que l'espace aérien belge ne suffira pas à absorber l'ensemble des activités de formation. Comme cela a toujours été le cas, une partie de l'entraînement devra donc être réalisée à l'étranger. La Belgique négocie activement des accords de coopération à cet effet, notamment avec l'Italie mais également avec d'autres partenaires. Les scénarios à l'étude reposent sur différents modèles de gestion flexible et modulaire de l'espace aérien, de manière à garantir la continuité des missions.

La mer du Nord offre certaines possibilités d'entraînement supplémentaires. Celles-ci restent toutefois limitées et nécessitent une coopération étroite avec les autres usagers civils et militaires de l'espace aérien. Ces zones ne peuvent donc couvrir tous les besoins mais constituent un complément précieux aux autres options envisagées.

Afin de garantir le niveau opérationnel requis, les pilotes F-35 suivront un programme d'entraînement spécifique, sensiblement différent de l'actuel programme sur F-16. Une plus grande part de la formation sera organisée à l'étranger, ce qui réduira le volume d'activité à Florennes et à Kleine-Brogel.

En outre, pour des raisons pratiques de sécurité, une part importante de l'instruction sera réalisée sur des simulateurs de vol ultra modernes, ce qui permettra de limiter les nuisances tout en assurant un haut niveau de réalisme et de sécurité.

Sur le plan acoustique, l'expérience sonore sera donc différente de celle des F-16. Des campagnes de référence sont actuellement menées afin de mesurer et de suivre la charge sonore autour des bases aériennes concernées.

Het doel blijft duidelijk, namelijk een open dialoog en vertrouwensrelaties met de omliggende gemeenten onderhouden terwijl de operationele capaciteit van de strijdkrachten verzekerd blijft.

Maken ze meer lawaai? Ja, dat maken ze. Er zullen echter minder vluchten plaatsvinden. Wij zullen veel meer inzetten op monitoring. Wij zijn ook in onderhandeling met onder meer Italië maar ook met enkele andere landen om meer gebruik te maken van buitenlandse luchtruimen waar minder mensen wonen. Met Nederland is dat interessant. Ik heb vorige week een Noorse collega ontmoet, onder meer voor bilaterale gesprekken over de NASAMS, maar ook over de airspace .

Wij zijn daar dus volop mee bezig. Ik ben binnenkort trouwens in Italië, waar het punt opnieuw op de agenda staat met mijn Italiaanse collega.

Over het vierde toestel kan ik meegeven dat net als bij andere wapensystemen de technische details niet openbaar worden gemaakt. In dit geval gaat het om een geïsoleerd probleem bij een splinternieuw vliegtuig dat nog maar net de fabriek had verlaten, waarbij het probleem niet werd opgemerkt tijdens de voorziene testvluchten na de productie. Het is nu aan de fabrikant, Lockheed Martin, om het probleem op te lossen. Zodra het toestel volledig voldoet aan alle eisen inzake luchtwaardigheid en vliegveiligheid die gelden in vredestijd, zal het eerstdaags worden afgeleverd.

Dat is het laatste wat ik daarover vernomen heb. Ik blijf echter voorzichtig, want ik meende dat het toestel vorige maandag al zou aankomen, maar dat was niet het geval, wat bijzonder pijnlijk was.

Koen Van den Heuvel:

(…)

Theo Francken:

Het was inderdaad heel vervelend. Er valt niets aan te doen. Hopelijk komt het toestel snel aan. Normaal gezien zal dat wel het geval zijn.

Stéphane Lasseaux:

Monsieur le ministre, merci pour les réponses que vous avez apportées. L'utilisation du simulateur de manière beaucoup plus importante permettra de diminuer les bruits. Certes, il s'agit d'un bruit différent mais il faudra se l'approprier et voir comment cela va se passer. Soyons vigilants pour garder la bonne ambiance que nous avons toujours eue avec les Florennois.

Nabil Boukili:

Je vous remercie pour vos réponses, monsieur le ministre. Je pense que ce n'est pas la dernière fois que nous parlons des F-35. Il y aura toujours des petits problèmes à régler, surtout que 25 % de notre première livraison sont toujours bloqués aux Açores. Nous en discuterons lors des prochaines commissions.

Kristien Verbelen:

Bedankt voor uw antwoord, mijnheer de minister. De F-35 is een zeer goed toestel, daaraan twijfel ik niet, maar het is ook zeer duur. Daarom is het belangrijk te onderzoeken of het om een incident dan wel om een structureel probleem gaat.

Uit uw antwoord kan ik afleiden dat het om een incident gaat, hoewel er geen technische details worden meegedeeld. Ik hoop dan ook dat de volgende te leveren toestellen gevrijwaard blijven.

Peter Buysrogge:

Het is goed om te horen dat het om een geïsoleerd probleem gaat dat geen impact heeft, noch voor onze piloten, noch voor de verdere levering van de toestellen. Ik ga er ook van uit dat uw recente werkbezoek aan de Verenigde Staten een meerwaarde heeft opgeleverd voor onze eigen industrie.

Wat betreft het toestel dat vorige week nog niet was aangekomen in Florennes, meen ik te hebben begrepen – ik sprak er deze week nog met u over – dat u van een topchocolatier uit Sint-Niklaas een F-35 in chocolade hebt ontvangen. Dat is uiteraard een heel mooi gebaar en de beste chocolade van het land.

We kijken er alleszins naar uit dat de geleverde F-35’s hun meerwaarde zullen bewijzen voor zowel de industrie als Defensie.

Theo Francken:

Dat chocoladetoestel zelf heb ik overigens doorgegeven aan generaal Harry Van Pee, die dat volgens mij meer verdient. Ik ben slechts de ontvangende minister en heb hier weinig persoonlijke verdienste aan.

Wat ik nog wil vermelden over de industrie en de samenwerking met de Verenigde Staten, is dat er bijkomende contracten zijn ondertekend, zowel daar als in Florennes zelf. De industriële return is dus wel goed. We zijn er nog niet, er blijft veel werk, maar er zijn zeer concrete engagementen opgenomen, ook voor de toekomst. Indien bijkomende toestellen worden besteld, kan dit aandeel nog toenemen.

Peter Buysrogge:

Het is goed dat u ook de directeur van het team in het licht gesteld hebt.

De toekomst van het Militair Hospitaal Koningin Astrid
De Medische Component en het Militair Hospitaal Koningin Astrid
De toekomst van het Militair Hospitaal en het Brandwondencentrum
De Medische Dienst en het Militair Hospitaal Koningin Astrid
De toekomst en rol van het Militair Hospitaal Koningin Astrid en Brandwondencentrum

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 22 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de toekomst van het verouderde Militair Hospitaal Koningin Astrid in Neder-Over-Heembeek, met name de ongerustheid over sluiting of herstructurering, de unieke specialisaties (brandwondencentrum, hyperbare kamer) en de rol binnen Defensie en nationale noodhulp. Minister Francken bevestigt dat het ziekenhuis omgevormd wordt tot een *medical hub* op dezelfde locatie, maar concrete plannen (investeringen, samenwerking met civiele ziekenhuizen, behoud van specialisaties) zijn nog niet definitief en hangen af van lopende studies en het aanstaande kwartierplan. De bezorgdheid bij personeel blijft groot door vaagheid over effecten, middelen en de exacte invulling van de hub, terwijl Francken benadrukt dat de operationele en nationale taken (inclusief brandwondenzorg) behouden blijven, maar financiële toewijzingen en details nog moeten volgen. Korte termijn: beslissing over het brandwondencentrum staat "eerstdaags" gepland.

Axel Weydts:

Als er vroeger een kwartierplan uitkwam, was de grote vrees van iedereen of de eigen kazerne er bij zou zijn. Wordt mijn kwartier gesloten? Moet ik straks verhuizen naar een ander kwartier? Ik vermoed dat als straks het nieuwe kwartierplan eraan komt, het omgekeerd zal zijn. Welke kwartieren komen er straks bij? Welke worden opgewaardeerd?

Niettemin blijkt er volgens de contacten die ik heb nog een grote ongerustheid te bestaan over het militair hospitaal. Heel wat mensen die daar werken zijn bezorgd om de toekomst van het militair hospitaal. Ons militair hospitaal biedt een capaciteit die wereldbefaamd is, bijvoorbeeld op het vlak van het brandwondencentrum. Iedereen die daar al eens geweest is, weet dat het verouderd is. Het is heel lang geleden dat ik er geweest ben, maar toen was het al aftands. Sindsdien is er nog niets veranderd, dus op dit moment is het aftands in het kwadraat, waarschijnlijk.

Recent bracht de minister een bezoek aan het militair hospitaal in Neder-Over-Heembeek. Dat konden we onder meer volgen via uw sociale media. U legde terecht de nadruk op de inzet van het personeel en de belangrijke rol die het ziekenhuis speelt binnen onze Defensie.

Kent u de bezorgdheid die daar leeft? Wat zijn de plannen voor het militair hospitaal?

Indien u antwoordt dat u nog niet op mijn vraag kunt ingaan omdat het kwartierplan er straks aankomt, heb ik daar ook respect voor, maar mocht u al wat ongerustheid kunnen wegnemen bij de mensen die in het militair hospitaal werken, zou dat fijn zijn.

Philippe Courard:

Monsieur le ministre, la Composante Médicale joue bien évidemment un rôle crucial pour la Défense et nos militaires, tant en Belgique que sur les théâtres d'opérations. L'hôpital militaire de Neder-over-Heembeek joue, quant à lui, un rôle fondamental aussi pour la Défense et pour nos militaires, mais aussi au regard des missions d'aide à la Nation et de sa spécialisation. En effet, tout le monde connaît le service de cet hôpital dédié aux grands brûlés. Son caisson hyperbare est célèbre et joue un rôle fondamental dans la politique de soins de l'hôpital.

Souvenez-vous qu'à l'époque, l'un de vos prédécesseurs avait profondément remis en cause ces capacités. Notre pays a pourtant besoin d'un hôpital militaire actif pour nos militaires, mais aussi pour faire face à certaines catastrophes sur notre territoire national ou même à l'étranger. Je vous ai d'ailleurs interrogé sur ce sujet en juillet, et j'espère en apprendre davantage grâce à votre vision stratégique.

Je dois constater que les inconnues demeurent, de sorte que mes inquiétudes sont légitimement également présentes. Nous devons nous contenter d'apprendre que ce développement capacitaire reposera sur plusieurs investissements clés, dont l'acquisition de matériel médical destiné à soutenir les unités opérationnelles ainsi que de l'équipement médical pour assurer les fonctions de l'hôpital militaire, en attendant la création et l'opérationnalisation du hub médical.

Monsieur le ministre, pouvez-vous faire le point sur votre vision des tâches, des effectifs, des spécialisations et de la désormais ancienne Composante Médicale intégrée, qui est aujourd'hui diluée dans la dimension capacitaire de commandement et de soutien opérationnel?

Quels investissements sont prévus et quelles sont vos ambitions en matière d'effectifs du corps médical?

Quelle est votre vision concernant l'avenir de cet hôpital Reine Astrid sur son site bruxellois? Quels avantages y sont prévus? Quelle collaboration envisagez-vous avec le secteur hospitalier civil bruxellois?

Plus spécifiquement, quelle est votre vision sur l'avenir de la spécialisation "grands brûlés" de l'hôpital mais aussi de ses autres tâches pouvant servir à l'aide à la Nation ou en cas de catastrophe?

Comment s'articulera le futur hub médical avec les missions de l'hôpital?

Theo Francken:

Le service médical maintiendra ses tâches et missions actuelles, à savoir l'appui aux opérations, la mise en condition des moyens médicaux opérationnels et la mise en condition médicale des forces. Des investissements majeurs seront orientés dans le cadre de la transformation du service médical afin qu'il dispose des moyens pour appuyer les missions opérationnelles des autres forces. Les investissements dans le cadre de l'appui à la capacité motorisée et le hub médical sont les deux volets majeurs qui, tout comme les effectifs futurs pour le service médical, restent néanmoins à définir en détail au cours des mois à venir.

Het Militair Hospitaal Koningin Astrid op de site Neder-Over-Heembeek zal evolueren naar een medical hub . Deze zal bestaan uit de diensten van het huidig Militair Hospitaal Koningin Astrid, die essentieel zijn voor de behoeften van Defensie en voor het vervullen van de taken ten behoeve van de natie.

Une étude a été réalisée au sein de la Défense afin de déterminer et de concrétiser les besoins de ce hub médical. Dans la recherche de l'efficacité et d'une qualité optimale, on examine actuellement de quelle manière le faire et, le cas échéant, quelles initiatives de coopération sont envisageables pour atteindre ces objectifs. Dans ce contexte, on examinera également comment les capacités existantes de l'hôpital militaire, aujourd'hui et à l'avenir, peuvent être utilisées au mieux au service de la Nation.

Het militair hospitaal met zijn brandwondencentrum en zijn andere medische capaciteiten heeft tot doel een antwoord te bieden op de operationele behoeften en de behoeften van de natie binnen de huidige geopolitieke context. In dat kader wordt momenteel overlegd op welke wijze het militair hospitaal nu en de medical hub in de toekomst daaraan het best kunnen bijdragen. Op basis daarvan zullen de nodige financiële middelen worden toegewezen.

Dat is een behoorlijk nietszeggend antwoord. Het antwoord is dat er een medical hub komt die op dezelfde site blijft. Over het brandwondencentrum wordt de beslissing eerstdaags genomen.

Axel Weydts:

Ik kijk uit naar de beslissing die eraan komt. Wij kunnen daarover zeker nog van gedachten wisselen.

Philippe Courard:

Je remercie monsieur le ministre pour les explications données. Nous resterons attentifs au suivi.

De cyberaanval op Naval Group

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 22 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De cyberaanval op Naval Group (producent van Belgische mijnenjagers) bevestigd, met mogelijke impact op Belgische defensiegegevens, maar concrete gevolgen en oorsprong blijven onduidelijk. Francken benadrukt dat Defensie veiligheidsmaatregelen handhaaft en stelt voor verdere bespreking achter gesloten deuren plaatsvindt. Weydts gaat hiermee akkoord, wijzend op de gevoeligheid van het dossier. Het onderwerp wordt uitgesteld voor verdere commissiebehandeling.

Axel Weydts:

Mijnheer de minister, Naval Group is de producent van onze nieuwe mijnenjagers. Mijn vraag is eenvoudig. Heeft de cyberaanval van afgelopen zomer een impact op de ontwikkeling van onze eigen mijnenbestrijdingscapaciteiten? Is het incident inmiddels verder opgehelderd? Weet men al meer over de oorsprong ervan? Ik maak mij daar enige zorgen over, maar misschien kunt u die wegnemen, mijnheer de minister.

Theo Francken:

Mijnheer Weydts, de Belgische autoriteiten hebben op 24 juli op eigen initiatief stappen gezet om informatie in te winnen over de cyberaanval op Naval Group France. Hierbij heeft de Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid (ADIV) contact opgenomen met Naval Group Belgium, naar aanleiding van open source informatie die op 23 juli beschikbaar was. Naval Group heeft de aanval bevestigd.

Gezien de aard van de samenwerking tussen Defensie, het Directoraat-generaal Material Resources (DGMR) en Naval Group France en België en rekening houdend met de lopende contracten, is het aannemelijk dat er informatie over de Belgische mijnenbestrijdingscapaciteit aanwezig is binnen Naval Group. Binnen Defensie blijven alle nodige maatregelen strikt van toepassing om onze operationele en industriële veiligheid maximaal te waarborgen.

Ik stel voor dat eventuele extra vragen daarover achter gesloten deuren worden behandeld, bijvoorbeeld in uw commissie.

Axel Weydts:

Mijnheer de minister, ik zal die suggestie ter harte nemen, want het feit dat u dat suggereert, betekent dat u vandaag niet alles kunt zeggen. We zullen het onderwerp dus behandelen achter gesloten deuren in de commissie die ik zelf voorzit. Dank u alvast voor uw antwoord.

Voorzitter:

De samengestelde vragen nrs. 56007155C van de heer Weydts en 56007515C van de heer Legasse worden in samenspraak met beide vraagstellers uitgesteld.

De capaciteitsproblemen bij de Koninklijke Militaire School

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 22 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De KMS kampt met een capaciteitstekort van 200 bedden, waarvoor tijdelijk 137 kamers in Evere (Jules Bordetlaan) worden gehuurd—zonder structureel vervoer, maar met fiets/OV/auto (15-30 minuten) als opties. Structurele oplossingen komen pas na 2027 via nieuwbouw/renovaties in Peutie, Neder-over-Heembeek en Evere, nog in planningsfase. De gehuurde ruimtes zijn volledig ingericht (sanitair, meubels, internet) en richten zich op cursisten, niet op KMS-leerlingen. Parkeren is gratis of huurbaar, maar transport blijft individuele verantwoordelijkheid.

Axel Weydts:

Mijnheer de minister, bij de KMS, waarover we vandaag nog twee wetsontwerpen in commissie hebben goedgekeurd, is er een capaciteitsprobleem. U hebt afgelopen zomer verklaard dat alle 1.000 beschikbare bedden bezet zijn en dat er dus momenteel minstens 200 bedden te kort zijn. Als we binnenkort extra rekruteren, vermoedelijk ook voor het officierenkader, zal die nood wellicht nog groter worden. Het zou ook kunnen dat daar al rekening mee is gehouden bij de bepaling van het tekort aan 200 bedden. Als tijdelijke oplossing zullen er slaapplaatsen worden gehuurd aan de overkant van het defensiehoofdkwartier in Evere. Op langere termijn zou worden gekeken naar een bijkomende nieuwbouw, in de omgeving van de KMS zelf veronderstel ik.

Dat roept een aantal vragen op. In afstand ligt Evere niet zo ver van de KMS, maar qua reistijd is dat minder evident, zeker tijdens de spitsuren. Hoe zal het dagelijkse transport verlopen van de gehuurde accommodatie naar de KMS? Kunt u ook al iets zeggen over de structurele nieuwbouwoplossing? Waar zou die precies kunnen worden gerealiseerd: in de nabijheid van de KMS of elders?

Theo Francken:

Mijnheer Weydts, het betreft een gebouw aan de Jules Bordetlaan 160 met 99 eenpersoonskamers en 38 tweepersoonskamers. Elke kamer beschikt over één of twee bedden, een bureau, een kleerkast en eigen sanitair: een douche, een wc en een wastafel. Het meubilair is inbegrepen in de prijs, alsook kleine bijkomende diensten zoals de schoonmaak van de gemeenschappelijke delen, en de kosten voor water, elektriciteit en internet. Er is tevens de mogelijkheid om op eigen kosten een parkeerplaats te huren.

Aangezien het hier geen leerlingen van de KMS betreft, maar personen die de eerste, tweede of derde cyclus volgen, wordt er geen structureel vervoer aangeboden. De dagelijkse verplaatsingen kunnen gebeuren met de fiets of step, ongeveer 15 minuten, met het openbaar vervoer, 30 minuten, of met de auto, ongeveer 15 minuten zonder verkeer, dus iets langer in de praktijk.

In Evere is het mogelijk gratis te parkeren of een parkeerplaats te huren.

Defensie plant verschillende nieuwbouw- en renovatieprojecten in de periode 2027-2035 in de regio Brussel, die de verwachte behoeften aan logement op termijn zullen kunnen opvangen. Die projecten zullen gradueel worden gerealiseerd en bevinden zich momenteel in de planningsfase. Het betreft onder andere Peutie, Neder-over-Heembeek en Evere.

Axel Weydts:

Ik dank u voor de informatie, mijnheer de minister.

Een 'militaire deal' met Kosovo
De overeenkomst met Kosovo
Het militair samenwerkingsakkoord met Kosovo
Militaire samenwerking met Kosovo

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 22 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België versterkt zijn betrokkenheid bij Kosovo door hernieuwde deelname aan de NAVO/KFOR-missie in 2025 (via Benelux-detachement) en een niet-bindende intentieverklaring (juli 2024) om defensiesamenwerking en industriële kansen te verkennen, binnen EU/NAVO-kaders. De focus ligt op stabiliteit en rechtsstaat in Kosovo als strategisch Europees belang, met concrete stappen zoals een Kosovaarse defensieattaché in Brussel. Structurele militaire samenwerking ontbreekt nog, maar bilaterale relaties worden uitgebouwd waar ze Belgische en regionale belangen dienen. Weydts toont tevredenheid over de strategische inzet en diplomatieke versterking.

Axel Weydts:

Kosovo is een land dat mij na aan het hart ligt. Ik ben er zelf twee keer op militaire operatie geweest. Ik heb de eer gehad om tijdens de NATO Parliamentary Assembly in Dayton met de president van Kosovo enkele woorden te kunnen uitwisselen, wat bijzonder interessant was. Alles wat verschijnt over Kosovo trekt dan ook onmiddellijk mijn aandacht, evenals de militaire deal die u daar hebt afgesloten met uw counterpart in Kosovo.

Kunt u onze commissie meer toelichting geven over wat die militaire deal precies inhoudt, wat de meerwaarde is voor Kosovo en welke belangen hij dient voor onze eigen defensie?

Theo Francken:

België erkent de onafhankelijkheid van Kosovo en onderhoudt constructieve diplomatieke betrekkingen met de Kosovaarse autoriteiten. Stabiliteit en de rechtsstaat in Kosovo zijn essentieel voor de vrede op de Balkan en hebben een strategisch belang voor Europa als geheel. België beschouwt engagement in de regio als een Europese verantwoordelijkheid en ondersteunt gezamenlijke acties binnen de EU en de NAVO. De hernieuwde Belgische deelname aan de KFOR-missie in 2025 getuigt van onze blijvende inzet voor de veiligheid in Kosovo. De Belgische bijdrage binnen het Benelux-detachement weerspiegelt die concrete steun.

Daarnaast blijft België openstaan voor bilaterale ad-hocsamenwerking, voor zover die onze nationale belangen dient en binnen internationale kaders past. In dat verband werd op 22 juli jongstleden een intentieverklaring ondertekend tussen het Belgische en Kosovaarse ministerie van Defensie. Deze niet-bindende verklaring heeft tot doel gezamenlijke kansen tot samenwerking te verkennen op het vlak van defensie en de defensie-industrie en om de banden tussen onze militaire instellingen te versterken via een intensievere dialoog.

Momenteel bestaat er geen structurele militaire samenwerking tussen België en Kosovo, maar door ondersteuning van beleidsdoelstellingen kan Defensie bilaterale relaties onderhouden met diverse partners, ongeacht of zij lid zijn van de EU of de NAVO. In dat kader is ook voorzien dat Kosovo een defensieattaché in Brussel krijgt.

Axel Weydts:

Daar ben ik heel blij mee, dank u wel.

De investeringen in Kleine-Brogel
De nieuwe F-35-infrastructuur
Militaire infrastructuur en investeringen in Kleine-Brogel

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 22 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Axel Weydts uit zorgen over de geconcentreerde opstelling van F-35-shelters in Florennes en Kleine-Brogel, die tactisch kwetsbaarder is dan de verspreide F-16-infrastructuur, en vraagt om geografische spreiding en aanpassing van te lage shelters. Minister Francken bevestigt plannen voor shelteraanpassingen en -nieuwbouw om dispersie van eigen toestellen en bescherming van bezoekende vliegtuigen mogelijk te maken, zonder verdere details. Weydts aanvaardt het terughoudende antwoord maar benadrukt toekomstige opvolging van het dossier. De discussie blijft beperkt tot infrastructuur en veiligheidsrisico’s.

Axel Weydts:

Mijnheer de minister, ik maak mij een beetje zorgen. Ik ben in Florennes geweest, uiteraard na de komst van de eerste F-35’s. Eerst en vooral wil ik u, of uw kabinet – ik weet niet precies wie daarvoor verantwoordelijk is – danken dat we met de commissie de gelegenheid hebben gekregen om de bunker, het operatiecentrum van onze nieuwe F-35’s in Florennes, te bezoeken. Dat was een unieke kans, collega’s. De generaals zeiden: “Ga zeker mee, want de kans dat je ooit nog binnenkomt in die bunker is zo goed als onbestaande.” Dus zijn we daarnaartoe gegaan.

Het was heel interessant om de werking te zien, van mission planning tot het onderhoud en shelteren van de F-35’s. We kregen zeer interessante informatie. Ik maak mij echter zorgen, in die zin dat – in tegenstelling tot vroeger met onze F-16’s, waarvan de shelters verspreid waren over het hele domein van zowel Florennes als Kleine-Brogel – de nieuwe infrastructuur nu veel meer geconcentreerd is. Die verspreiding was vroeger ook tactisch interessanter dan nu het geval is.

De nieuwe infrastructuur is overigens optimaal en indrukwekkend om te zien, echt fantastisch, zeker voor het personeel dat daar moet werken. Men kan bijna niet geloven dat men in een infrastructuur van Defensie terechtkomt als men wat anders gewend is, maar alles is dus wel sterk geconcentreerd. De shelters van de F-35’s bevinden zich naast elkaar.

Voor de verschillende F-35’s die in Florennes en in Kleine-Brogel gestationeerd zullen worden – de footprint van het gebouw op Kleine-Brogel zal bijna dezelfde zijn als die van Florennes – roept dat toch tactische vragen op. Misschien zou het niet onredelijk zijn om te investeren, mocht de veiligheidssituatie dat vereisen, in een geografisch iets ruimere spreiding van de F-35’s op de terreinen van onze luchtmachtbasissen.

Wordt daarover nagedacht? Zullen we investeren in bijkomende sheltercapaciteit die meer gespreid is en minder geconcentreerd rond één gebouw?

Mijn initiële vraag kwam trouwens voort uit het feit dat de huidige shelters – voor Kleine-Brogel weet ik dit – te laag zouden zijn voor de F-35. De F-35 is iets hoger dan de F-16 en zou dus niet passen in de bestaande shelters. Er zouden dus aanpassingen aan de huidige infrastructuur moeten komen of er zouden nieuwe shelters gebouwd moeten worden.

Mijnheer de minister, erkent u dat probleem? Wordt er nagedacht over een geografische spreiding van onze gevechtsvliegtuigen op de basissen van Florennes en Kleine-Brogel, als dat nodig zou zijn?

Theo Francken:

Om in te spelen op de dreigingen van vandaag en op de operationele omstandigheden zal Defensie de weerbaarheid van de vliegbasissen verhogen, met name door een uitbreiding van de capaciteit om transportvliegtuigen te kunnen ontvangen en af te handelen.

Dat gebeurt ter ondersteuning van zowel onze eigen opdrachten als ter ondersteuning van bezoekende gevechtsvliegtuigen. Er komt een aanpassing van de bestaande shelters en de bouw van nieuwe shelters om op termijn bezoekende gevechtsvliegtuigen te kunnen beschermen en om de dispersie van onze eigen gevechtsvliegtuigen mogelijk te maken.

Axel Weydts:

Dat is een vrij kort antwoord, maar het wordt onderzocht en dat is het belangrijkste. Ik denk dat we daar in de toekomst nog meer over zullen horen. Ik begrijp ook dat u niet te veel zegt. We moeten ook niet te veel de kat bij de melk zetten. Dat begrijp ik ook. Mijn excuses dat ik die vraag gesteld heb, maar ik vind het toch belangrijk om het op te volgen.

Voorzitter:

Vraag nr. 56007263C vervalt, want collega Courard is afwezig. De samengevoegde vragen nrs. 56007264C en 56009626C vervallen, net als de samengevoegde vragen nrs. 56007330C en 56009634C, want de collega's Lacroix en Courard zijn afwezig. Vraag nr. 56007373C vervalt, want collega Van Quickenborne is afwezig.

Het 'Deense model' voor steun aan Oekraïne
De Belgische bijdrage aan Oekraïne via het PURL-programma
De NAVO-Oekraïne-Raad naar aanleiding van zware luchtaanvallen
De veiligheidsgaranties voor Oekraïne na de oorlog
De NAVO-missie Eastern Sentry
De militaire steun aan Oekraïne
Westers militair en diplomatiek beleid ter ondersteuning van Oekraïne

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 22 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België steunt Oekraïne met 2,6 miljard euro sinds 2022 (waarvan 1 miljard in 2025), vooral via het NAVO-PURL-mechanisme (100 miljoen extra voor luchtverdediging/munitie) en acht internationale capaciteitscoalities (o.a. F-16-opleidingen, ontmijningssteun, drone- en elektronische oorlogsvoering). Het Deense model (investeren in Oekraïense defensie-industrie) wordt onderzocht, maar België kiest voorlopig voor aankopen bij eigen bedrijven en multilaterale programma’s, met beperkte industriële samenwerking via drie intentieverklaringen. Voor Eastern Sentry (NAVO’s nieuwe afschrikkingsmissie op de oostflank) overweegt België een bijdrage, maar concrete details zijn nog onbekend; de missie integreert lucht-, land- en zeecapaciteiten tegen Russische provocaties. België staat open voor vredestroepeninzet na een staakt-het-vuren, mits een legitiem mandaat, maar heeft nog geen formele toezegging gedaan.

Axel Weydts:

Ik heb op de interparlementaire conferentie in Kopenhagen, waar ik ons land mocht vertegenwoordigen omdat de voorzitter verhinderd was, veel bijgeleerd. Op een bepaald moment ging het over het Deense model inzake de steun aan Oekraïne. Kort samengevat komt het erop neer dat Denemarken, net zoals België en veel NAVO-landen, terecht investeert in de Oekraïense defensie. Het bijzondere is dat Denemarken niet enkel aankoopt bij de Verenigde Staten, maar ook investeert in de Oekraïense defensie-industrie zelf. Dat ondersteunt uiteraard de Oekraïense economie en zorgt ervoor dat de middelen onmiddellijk ter plaatse beschikbaar zijn. Het Deense model heeft dus tal van voordelen.

Staat België achter dat model en wordt het in overweging genomen?

Voor mijn andere vragen verwijs ik naar de schriftelijk ingediende versie.

Volgens het PURL-mechanisme (Prioritised Ukraine Requirements List) dragen bondgenoten bij aan de prioritaire militaire noden van Oekraïne. Oekraïne stelt hierbij lijsten op van dringend benodigd materieel, die via NAVO gevalideerd en door de Verenigde Staten geleverd worden, met financiering vanuit vrijwillige bijdragen van partnerlanden. U kondigde recent aan dat België via dit mechanisme 100 miljoen euro extra zal vrijmaken voor luchtverdedigingssystemen, munitie en ander materieel.

Ik diende ook al een vraag in over het zogenaamde Deense model van steun, waarbij middelen zoveel mogelijk in Oekraïne zelf worden geïnvesteerd.

Mijn vraag daarover: kan u ons wat meer uitleg geven over deze Belgische bijdrage via PURL, de concrete bestemming ervan en de afweging ten aanzien van andere mogelijke modellen van steun?

Op 1 september vond in Brussel een buitengewone vergadering plaats van de NAVO-Oekraïne-Raad, op verzoek van Oekraïne, naar aanleiding van de bijzonder zware Russische luchtaanvallen eind augustus. Deze aanvallen troffen Kiev en andere steden, met tientallen burgerslachtoffers, waaronder kinderen, en zelfs schade aan gebouwen van internationale en Europese instellingen.

Tijdens de vergadering benadrukte de Oekraïense minister van Buitenlandse Zaken Andrii Sybiha dat “Moskou sterkere druk moet voelen” en dat de NAVO-partners gezamenlijke stappen moeten ondernemen om de Russische terreur te counteren.

Ik heb daarover volgende vragen:

​Kunt u toelichten welke concrete punten en voorstellen aan bod zijn gekomen tijdens deze spoedvergadering van de NAVO-Oekraïne-Raad?

Welke houding heeft België daarin aangehouden en zijn er engagementen namens ons land genomen?

Worden er bijkomende maatregelen overwogen, hetzij op vlak van militaire steun, hetzij op vlak van politieke of economische druk tegen Rusland?

Recent besliste de NAVO om de nieuwe missie Eastern Sentry op te starten. Deze operatie moet de collectieve verdediging van het Bondgenootschap versterken, met bijzondere aandacht voor de oostflank en de dreigingen die we daar vaststellen sinds de Russische invasie in Oekraïne.

Voor België is dit relevant om meerdere redenen: enerzijds vanuit onze rol als “Transit Nation”, anderzijds omdat we ons engageren in het versterken van de afschrikking en verdediging binnen de NAVO. Bovendien sluit dit aan bij de Strategische Visie Defensie 2025, waarin expliciet wordt verwezen naar een grotere betrokkenheid in multinationale operaties en de nood aan solidariteit binnen het Bondgenootschap.

Mijn vragen zijn de volgende:

Kan u toelichten wat precies de doelstellingen en het mandaat zijn van Eastern Sentry?

Welke Belgische bijdrage wordt overwogen of is reeds beslist?

Hoe verhoudt deze nieuwe missie zich tot de huidige Belgische bijdragen aan de oostflank, zoals Enhanced Forward Presence, Baltic Air Policing en Baltic Sentry?

Kjell Vander Elst:

Tijdens een persconferentie op donderdag 4 september 2025 heeft de Franse president Emmanuel Macron verklaard dat 26 landen formeel hebben toegezegd troepen te willen inzetten in Oekraïne, in het kader van een staakt-het-vuren. Deze troepen zouden niet aan het front worden ingezet, maar als vredesmacht aanwezig zijn op het terrein. Volgens president Macron is het doel van deze aanwezigheid om Rusland af te schrikken van verdere agressie en de veiligheid van Oekraïne te versterken. Tegelijkertijd benadrukte hij dat er geen beperkingen zouden gelden voor de omvang of slagkracht van het Oekraïense leger.

Hierbij de volgende vragen:

1. Heeft België formeel toegezegd te willen bijdragen aan de veiligheidsgaranties voor Oekraïne wanneer een staakt-het-vuren wordt bereikt?

2. Indien ja, over welke aard van inzet gaat het? Gaat het om grondtroepen, luchtsteun, maritieme aanwezigheid, logistieke steun of een andere vorm van betrokkenheid?

3. Onder welk internationaal of Europees mandaat zouden Belgische troepen worden ingezet?

4. Kunt u een inschatting geven van het materieel of aantal troepen dat België eventueel zou kunnen inzetten in het kader van een dergelijk vredesmandaat?

5. Wat zal de rol van de Verenigde Staten van Amerika en de NAVO zijn in dit verband?

Peter Buysrogge:

Sinds de Russische inval in Oekraïne blijft de internationale steun aan het land cruciaal. Daarbij worden verschillende samenwerkingsmodellen toegepast. Een voorbeeld is het zogenoemde “Deense model", waarbij Denemarken zich in overleg met Kyiv engageert om op langere termijn structurele en gecoördineerde steun te verlenen op defensiegebied, onder meer door middel van capaciteitsopbouw, opleiding en levering van militair materieel. Dit model wordt in internationale debatten vaak aangehaald als een mogelijke blauwdruk voor andere landen. Al zijn er natuurlijk andere mogelijkheden. In het verlengde van onze steun aan Oekraïne heb ik enkele vragen.

Mijn vragen voor de minister:

1. Kan u verduidelijken welke concrete steun België – in zoverre dat deze informatie publiek kan gemaakt worden - momenteel verleent aan Oekraïne (materieel, logistiek, training, humanitair en financieel), en hoe dit zich verhoudt tot het Deense model?

2. Heeft Oekraïne België rechtstreeks om een bijzonder type steun verzocht (bijvoorbeeld bepaalde capaciteiten, opleiding, industriële samenwerking of logistieke steun)? Indien ja, kunt u schetsen welke verzoeken dit zijn en hoe de Belgische regering en defensie daarop heeft gereageerd?

3.Hoe wordt binnen Defensie en de regering beoordeeld welke steun haalbaar is, rekening houdend met de eigen nationale defensiebehoeften, budgettaire beperkingen en de nood aan interoperabiliteit met bondgenoten?

4. Enige tijd geleden was er een duidelijk tekort aan artilleriegranaten – de Europese voorraden waren onvoldoende. Sindsdien is er een inspanning gedaan om dit tekort aan te pakken. Waar Oekraïne aan het begin van het conflict een verhouding van 1 tot 10 had ten aanzien van de Russische Federatie inzake het afvuren van granaten is dit nu een ratio van 1 tot 2. In welke mate is de steun aan Oekraïne hiervoor verantwoordelijk en in welke mate de aanvoerproblemen door gerichte drone-aanvallen tegen Russische arsenalen?

Theo Francken:

België blijft zich vastberaden inzetten voor de verdediging van Oekraïne en voor de bredere Europese en internationale veiligheid.

Sinds de bijeenkomst van de Ukraine Defence Contact Group (UDCG) op 9 september 2025 heeft ons land zijn engagement verder versterkt, onder meer door een bijdrage aan te kondigen van 100 miljoen euro aan het PURL Initiative (Prioritized Ukraine Requirements List). Dat initiatief is gericht op het versterken van Oekraïense capaciteiten via duurzame investeringen. Het PURL-mechanisme vormt een coördinatiestructuur die Oekraïne in staat stelt zijn meest dringende behoeften aan Amerikaans materieel op een gerichte en efficiënte manier kenbaar te maken.

Deze lijsten worden opgesteld door de Oekraïense autoriteiten, gevalideerd binnen de NAVO en vervolgens door de Verenigde Staten omgezet in aankoop en levering. Partnerlanden dragen hier vrijwillig financieel aan bij, zodat snel en gecoördineerd kan worden ingespeeld op de prioriteiten op het terrein. De precieze bestemming van de middelen hangt samen met de meest recente prioriteitenlijst van Oekraïne, zodat onze bijdrage maximaal aansluit bij de noden die ter plaatse een onmiddellijk verschil maken.

Het zogenaamde Deense model, waarbij Denemarken rechtstreeks aankoopt bij de Oekraïense defensie-industrie, wordt met aandacht gevolgd. Deze aanpak biedt duidelijke voordelen, zoals snellere leveringen, vereenvoudigde logistiek en directe versterking van zowel de Oekraïense defensiecapaciteit als de economie. België onderzoekt alle mogelijke mechanismen en opties, waarbij momenteel de voorkeur wordt gegeven aan aankopen bij Belgische bedrijven en deelname aan internationale coalitieprogramma's.

België maakt weloverwogen keuzes om de beschikbare steun zo doeltreffend mogelijk aan te wenden, in overeenstemming met de prioriteiten die Oekraïne zelf heeft vastgesteld. Voor 2025 bedraagt de Belgische steun aan Oekraïne, naast het engagement in PURL, 1 miljard euro, waarmee onze bilaterale en multilaterale engagementen worden gedekt. Hiermee komt de totale Belgische defensiebijdrage aan Oekraïne sinds het begin van de oorlog in 2022 op 2,6 miljard euro.

Met de bijdrage van 1 miljard euro in 2025 levert België tevens een actieve bijdrage aan acht internationale capaciteitscoalities, waaronder de F-16-coalitie, waarin Belgische instructeurs Oekraïense piloten en technici opleiden. Binnen de maritieme coalitie schonk België de mijnenjager Narcis en verzorgde gezamenlijke bemanningstraining met Nederland. In de ontmijningscoalitie ondersteunt ons land twee trainingscycli voor Oekraïense ondermijners in 2025.

België ondertekende een intentieverklaring voor deelname aan de IT-coalitie. Samen met Duitsland ondersteunen we ook de luchtverdediging voor Oekraïne. In het kader van de artilleriecoalitie werd geïnvesteerd in de aankoop van munitie. België trad in mei toe tot de dronecoalitie en is sinds juni actief in de electronic warfare-coalitie.

Daarnaast faciliteert België industriële defensiesamenwerking binnen Oekraïne via drie intentieverklaringen die op 8 april in Kiev werden ondertekend tussen Belgische en Oekraïense defensiebedrijven.

Ons land neemt ook deel aan de EU Military Assistance Mission en levert personeel voor diverse functies binnen NSATU, waarmee we bijdragen aan de structurele capaciteitsopbouw van de Oekraïense strijdkrachten.

Eastern Sentry is een nieuwe, flexibele NAVO-capaciteit die de collectieve afschrikking en verdediging langs de oostflank versterkt. Ze heeft tot doel de integratie van lucht-, land- en zeemiddelen, innovatieve technologieën en een verhoogde informatie-uitwisseling te bevorderen, zodat adequaat kan worden gereageerd op de toenemende Russische provocaties, waaronder luchtruimschendingen met drones en gevechtsvliegtuigen.

Die activiteit bouwt voort op bestaande NAVO-inspanningen zoals Enhanced Forward Presence, Baltic Air Policing en Baltic Sentry, maar onderscheidt zich door haar verschillende aanpak per domein en ruimere geografische reikwijdte, die zich uitstrekt van het hoge noorden tot aan de Zwarte Zee. België onderzoekt momenteel een bijdrage aan Eastern Sentry. We hebben dus een bijdrage geleverd, die werd ingebracht in een gemeenschappelijke pot. Daarover kan ik evenwel niet meer zeggen.

Eastern Sentry biedt België de kans om zijn bestaande inzet te versterken en bij te dragen aan een meer geïntegreerde en toekomstgerichte NAVO-postuur. België blijft zich inzetten voor vrede in Oekraïne. In de context van de Coalition of the Willing staat ons land klaar om deel te nemen aan vredesoperaties in Oekraïne na het conflict, mits die plaatsvinden onder een legitiem vredesakkoord en met een duidelijk mandaat. Een multinationale vredesmacht kan bijdragen aan de stabilisatie van het land in de nasleep van de oorlog. België zal Oekraïne blijven steunen, zowel tijdens als na de oorlog.

Voorzitter:

Collega Weydts, collega Vander Elst en ikzelf wensen niet te repliceren.

Het vrijwillig militair dienstjaar
Het advies van de Raad van State over de uitnodigingsbrief voor de vrijwillige legerdienst
Het vrijwillig militair dienstjaar
De brief van de minister aan Belgische jongeren en de vrijwillige legerdienst
Het vrijwillige militaire dienstjaar
Het schrijven van de minister aan de jonge Belgen
De brief van de minister aan Belgische jongeren en de vrijwillige legerdienst
De brief van de minister aan de Belgische jongeren
Het vrijwillig militair dienstjaar en de communicatie erover aan Belgische jongeren

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 22 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Het vrijwillig militair dienstjaar (500 plaatsen in 2025) wordt vormgegeven als een 14-wekense basisopleiding (10 weken initiatie + 4 weken specialisatie), gevolgd door operationele inzet, oefeningen of bijkomende training, met doorstroommogelijkheden naar defensie of veiligheidsberoepen. Selectie verloopt via *first come, first served* (max. 3.500 kandidaten), na verplichte informatiesessies (start eind november 2024), aangekondigd via een sensibiliseringsbrief (€227.030, verzonden in de taal van de regio aan 18-jarigen) en een socialemediacampagne. Deelnemers krijgen het statut van reservist (met sociale rechten zoals pensioenopbouw), maar kunnen elk moment stoppen; het programma verschilt van *Reboot4You* (voor NEET-jongeren) en wordt tijdens uitvoering geëvalueerd. Jongerenorganisaties werden geraadpleegd bij de brief, maar concrete invulling van het dienstjaar is nog in ontwikkeling.

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de minister, ik ben heel blij dat ik deze vraag nog kan stellen vandaag. Ik had het namelijk niet meer verwacht.

Ik sta heel sterk achter het vrijwillige militair dienstjaar. Elk initiatief dat jongeren en defensie of de maatschappij en defensie dichter bij elkaar kan brengen, moeten we ondersteunen. Het vrijwillige militaire dienstjaar kadert daarin en is een zeer goede zaak.

Ik wil een aantal aspecten belichten. We hebben de sensibiliserings- of oproepingsbrief vorige week of twee weken geleden goedgekeurd in de plenaire vergadering. Ik heb daar nog altijd enkele proportionaliteitsvragen bij, maar de brief zal worden verstuurd. Wanneer zal dat gebeuren? Wat is de timing?

Wordt er nog overleg gepleegd met een aantal jongerenorganisaties? Zij hadden immers nog opmerkingen en bezorgdheden over de opmaak van die brief. Is er nog wisselwerking met jongerenorganisaties en wanneer zal de brief effectief worden verstuurd?

Nog veel belangrijker zijn echter mijn vragen over het militaire dienstjaar zelf. Hoe zal dat eruitzien? We weten dat er voor volgend jaar 500 plaatsen beschikbaar zijn. Als we 120.000 à 130.000 jongeren een brief sturen, kan het best zijn dat een veelvoud van die 500 wil deelnemen. Hoe zal die selectie verlopen? Wordt het dan het systeem first come, first served ? Hoe zal die triage worden georganiseerd als het project een succes blijkt te zijn, wat ik eerlijk gezegd verwacht? Zal er naast de brief nog op andere manieren worden gecommuniceerd? Zijn er bijkomende communicatiecampagnes gepland? Ik heb gezien dat op de achterkant van de brief een QR-code staat die verwijst naar informatiesessies, wat op zich een goede zaak is.

Hoe zal het militaire dienstjaar worden vormgegeven? Wat zal dat jaar inhouden? Wat zullen de jongeren mogen doen? Wordt er al aan dat project gewerkt? Hebt u al overleg gepleegd met uw diensten om te bepalen hoe dat jaar eruit zal zien? Het moet natuurlijk een interessant jaar zijn voor de jongeren, maar het is ook absoluut de bedoeling dat zoveel mogelijk van de 500 deelnemers doorstromen naar een effectieve job bij defensie. Hoe zal het militaire dienstjaar dus worden vormgegeven?

Annick Ponthier:

Ik zou kunnen verwijzen naar mijn mondelinge vraag die ik enige tijd geleden heb ingediend, maar die is achterhaald door de goedkeuring in de plenaire vergadering van het initiatief van de uitnodigingsbrief voor de vrijwillige legerdienst.

Ik wil u vragen om voor de goede orde aan onze commissie mee te delen wat de modaliteiten zullen zijn en hoe het allemaal in zijn werk zal gaan, niet alleen de brief zelf, maar ook de verdere uitrol, gezien een aantal juridische bekommernissen waarvoor wij trouwens in de plenaire vergadering hebben gewaarschuwd.

Ik houd het daarbij.

Stéphane Lasseaux:

Monsieur le ministre, la semaine passée, nous avons eu l'occasion de débattre de la proposition de loi relative à l'envoi d'une lettre de sensibilisation aux enjeux sécuritaires modifiés. Nous avons d'ores et déjà adopté les amendements suivant les avis du Conseil d'État de l'APD, et attendons maintenant la seconde lecture du texte.

Toutefois, certaines zones d’ombre subsistent concernant le futur statut des jeunes qui intégreront le service militaire volontaire.

Quel sera précisément leur statut juridique? Seront-ils considérés comme des fonctionnaires, comme des salariés ou relèveront-ils d’un statut sui generis? Pouvez-vous confirmer que, du fait de leur assujettissement à la sécurité sociale, ces jeunes s'ouvriront effectivement des droits sociaux (droit à la pension, aux allocations de chômage, etc.)? Dans la négative, monsieur le ministre, pouvez-vous préciser à la Chambre la prise en compte ou l'éventuelle assimilation pour la pension? Concernant les missions et l’attractivité du service militaire volontaire, pouvez-vous préciser les postes que ces jeunes seront amenés à occuper, ainsi que les critères d’affectation? Auront-ils la possibilité d’émettre des préférences à l’issue de leur formation de base? Enfin, quels sont les éléments de la formation et les avantages qui seront prévus pour rendre ce service militaire volontaire attractif pour notre jeunesse dans l'hypothèse où ceux-ci ne bénéficieraient pas des avantages extralégaux attachés à un éventuel statut de fonctionnaire?

Theo Francken:

Het militair dienstjaar is een initiatief dat kadert in de uitvoering van het regeerakkoord, waarin gesteld wordt dat een allesomvattende benadering nodig is om de veerkracht van de maatschappij te verhogen. Trouwens, die wet wordt morgen gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad .

Via vrijwillige militaire dienst gedurende een jaar willen we jongeren tussen 18 en 25 jaar de kans geven om zich op een positieve manier voor de samenleving in te zetten. De finaliteit van de opleiding Defensie en Veiligheid, die jongeren specifiek voorbereidt voor een functie binnen de veiligheidsberoepen, zoals militairen voor het actieve kader, maar ook voor beroepen als politieagent, cipier, brandweerman of veiligheidsagent, is wezenlijk verschillend.

De brief die verstuurd zal worden, werd opgesteld door de Algemene Directie Human Resources in nauwe samenwerking met mijn kabinet. Jongerenorganisaties uit de verschillende deelstaten werden daarbij geconsulteerd. In de brief zullen jongeren worden uitgenodigd om zich in te schrijven voor een informatiesessie, waar ze al hun vragen zullen kunnen stellen. Deze informatiesessie is verplicht voor men zich kan inschrijven.

Le but est d'envoyer ce courrier avant les premières sessions d'information qui auront lieu à la fin de ce mois. Il sera envoyé au nom du premier ministre, du ministre de la Défense et du Chef de la Défense, sans mention de leur nom, ni de leur photo, ni de leur signature. Le lien avec un service à la communauté, qui dépasse donc le cadre de la Défense, justifie que la lettre soit également envoyée au nom du premier ministre.

Le coût total est estimé à 227 030 euros. Cela comprend le travail effectué par l'atelier protégé (le pliage des lettres, la pose des étiquettes), l'affranchissement par bpost, les frais d'impression ainsi que le traitement des données par le Registre national.

De opmerkingen die de Raad van State formuleerde in zijn advies over het wetsvoorstel betreffende het versturen van de brief, werden waar mogelijk gevolgd door de indieners van het wetsvoorstel in het Parlement. Daarover hoef ik echter niets meer te zeggen, aangezien dat reeds is afgehandeld.

De brief zal enkel worden verstuurd naar jongeren die 18 jaar worden in het jaar dat volgt op het jaar van verzending. Voor 2025 gaat het dus enkel om jongeren die in 2008 geboren werden. Andere minderjarigen worden niet via deze weg gecontacteerd.

La lettre sera envoyée dans la langue de la Région des adressés mais ils auront la possibilité de la demander dans une autre langue par après, par exemple dans les communes à facilités.

Naast de brief en de informatiesessies komt er ook een uitgebreide sociale mediacampagne en een website met frequently asked questions . In de bredere communicatiecampagne rond het wervingsjaar 2026 zal er ook aandacht zijn voor het militaire dienstjaar.

De controlecommissie betreffende de Verkiezingsuitgaven heeft ondertussen een gunstig advies verstrekt.

De rest van de vragen werd eigenlijk reeds behandeld.

Kjell Vander Elst:

Mijn vragen gingen vooral over de uitwerking van het militaire dienstjaar zelf, over hoe het jaar zal worden vormgegeven. Als ik het goed begrijp, is dat dus nog volop in ontwikkeling?

Theo Francken:

Sorry, dat vergat ik inderdaad. Voor de eerste organisatie van het militaire dienstjaar zullen de plaatsen beperkt zijn tot 500, met een mogelijke overschrijding tot 550. Daarvoor kunnen zich maximaal 3.500 sollicitanten inschrijven volgens een eerst-komt-eerst-maaltsysteem. Dat aantal zal dan worden verdeeld over verschillende functies in verschillende kazernes.

De interne organisatiestructuur en het programma zijn momenteel nog in ontwikkeling. De deelnemers zullen in ieder geval starten met een basisopleiding van 14 weken: de militaire initiatiefase van 10 weken en een gespecialiseerde professionele vorming van 4 weken. Daarna kunnen ze bijkomende opleidingen volgen en deelnemen aan oefeningen, mogelijk ook in het buitenland. Afhankelijk van de noden kunnen ze ook worden ingezet voor operationele opdrachten.

De evaluatie van het militaire dienstjaar zal tijdens de uitvoering gebeuren, op basis van feedback van de deelnemers en alle andere stakeholders.

Les jeunes auront les mêmes droits et devoirs que les autres réservistes. Ils peuvent toutefois décider à tout moment d'arrêter leur participation à l'année de service militaire et quitter la réserve. Après l'année de service militaire, ils peuvent décider de rester ou non dans la réserve ou de postuler comme candidats militaires pour le cadre actif.

Le programme Reboot4You continuera d'exister. Le public cible est d'ailleurs fondamentalement différent. Alors que l'année de service militaire s'adresse aux jeunes de 18 à 25 ans afin de leur donner l'opportunité de s'engager au service de la société, le programme Reboot4You vise les jeunes dits NEETs (Not in education, employment or training) afin de leur permettre de franchir une étape dans la société.

Het ene sluit het andere dus niet uit.

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de minister, dat laatste deel was nog belangrijk voor mijn vragen. Het is goed dat er al redelijk wat detail klaarstaat. Ik weet niet wanneer de eerste infosessie plaatsvindt.

Theo Francken:

(…)

Kjell Vander Elst:

Die vindt dus plaats in november. Mogelijk zal ik daar aanwezig zijn, ik ben dan wel geen 17 jaar meer, maar misschien kom ik toch eens luisteren. Het is goed dat er al concreet is nagedacht over hoe het project vorm zal krijgen.

Het is ook goed dat er zal worden ingezet op sociale media. Die 270.000 euro is nu niet zo’n grote post op een federale begroting, maar als we vaststellen dat er met socialemediacampagnes ook resultaat kan worden geboekt, zonder dat 270.000 euro moet worden uitgegeven aan brieven, moet dat misschien toch overwogen worden.

Theo Francken:

(…)

Kjell Vander Elst:

Het gaat specifiek over inschrijvingen, het vrijwillig militair dienstjaar enzovoort.

Ik dank u in elk geval voor de update. Ik volg het verder op en hoop dat het een succes wordt.

Annick Ponthier:

Mijnheer de minister, vermits u klaarstaat om te vertrekken naar Oostende, houd ik het voorlopig bij een bedanking voor uw antwoord. Ik volg het uiteraard verder op.

Stéphane Lasseaux:

Merci monsieur le ministre pour vos réponses. Je rappelle simplement que nous sommes très attentifs au fait que nous ne voulons pas voir les jeunes militaires dans les rues.

Voorzitter:

Collega’s, we hebben net als deze ochtend goed doorgewerkt. We zijn aan het einde gekomen van onze zitting en ik wens iedereen te bedanken voor de volgehouden aandacht. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 16.51 uur. La réunion publique de commission est levée à 16 h 51.

De gevangeniscapaciteit in het buitenland
De gevangeniscapaciteit in het buitenland
Gevangenissen in de Balkan
Het overbrengen van gevangenen naar Kosovo (opvolging)
Het gevangenisbeleid
Internationale gevangeniscapaciteit en beleid

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 21 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België onderzoekt het onderbrengen van 4.400 illegale gedetineerden in buitenlandse gevangenissen (met name Kosovo en Albanië) om gevangenisoverbevolking en terugkeerbeleid aan te pakken, maar het plan stuit op skepsis over haalbaarheid, kosten (vs. €67.000/detentiejaar in BE) en mensenrechtenrisico’s. Minister Van Bossuyt benadrukt constructieve gesprekken met beide landen—focus ligt op versnelde terugkeer via digitale identificatieplatforms en partnerschappen—maar concrete afspraken ontbreken nog, terwijl critici alternatieven (minder voorlopige hechtenis, peilstrafalternatieven) en prioriteit voor herkomstlanden (bv. Marokko) bepleiten. Kernpunt: de regering zet in op gedwongen terugkeer van criminele illegalen, maar praktische en juridische drempels blijven groot.

Maaike De Vreese:

Mevrouw de minister, we weten allemaal dat onze gevangenissen kampen met een enorme druk door overbevolking en dat heel wat van onze gedetineerden geen rechtmatig verblijf in ons land hebben. Meer bepaald 4.400 van die personen verblijven hier illegaal. Daarom streeft u, samen met de volledige regering en conform het regeerakkoord, ernaar om in het buitenland een gevangenis te bouwen of te huren om deze veroordeelde gedetineerden daar onder te brengen.

Het regeerakkoord voorziet daarnaast nog andere hefbomen. Zo moeten we ook inzetten op interstatelijke overbrengingen. De eerste piste moet altijd zijn om ervoor te zorgen dat die mensen hun gevangenisstraf uitzitten in het land van herkomst, als dat kan. Dat is echter ook niet altijd wenselijk. We denken daarbij aan personen van wie we weten dat ze bij aankomst in hun land van herkomst onmiddellijk zouden worden vrijgelaten. Het is uiteraard niet de bedoeling om op die manier strafloosheid te bevorderen.

Onlangs hebt u, samen met de minister van Justitie, een missie ondernomen naar Kosovo en Albanië om de verschillende pistes te onderzoeken om illegale gedetineerden uit onze gevangenissen onder te brengen in Kosovaarse penitentiaire instellingen.

Mevrouw de minister, kunt u toelichting geven over de aanpak om gevangeniscapaciteit in het buitenland te realiseren? Welke volgende stappen staan nu op de agenda? Kunt u ook toelichting geven over de missie? Wat waren de conclusies en resultaten van uw bezoek?

Francesca Van Belleghem:

Minister, ik kreeg net een pushmelding dat Oostenrijk een criminele illegale Afghaan zelf teruggestuurd heeft naar Afghanistan. Het heeft niet gewacht op de Europese deal maar heeft die man zelf teruggestuurd, net zoals Duitsland dat doet. Er is dus nog een reden bijgekomen waarom u niet op die brief hoeft te wachten.

Minister, u hebt al meermaals gesteld dat, gelet op de overbevolking in de gevangenissen, u ernaar streeft om overeenkomsten af te sluiten met andere Europese landen om definitief veroordeelde criminele illegalen hun straf daar te doen uitzitten. Met het oog daarop trok u naar Kosovo en naar Albanië.

Wat zijn uw bevindingen van dit bezoek? Staat Kosovo ervoor open om illegale gevangenen in een Kosovaarse penitentiaire instelling onder te brengen?

Hoe ziet de deal met Albanië eruit? Is er een deal, ja of neen?

Zijn er nog gesprekken en/of bezoeken gepland?

Daarnaast stonden op uw lijstje andere landen, zoals Bosnië en Herzegovina, Montenegro, Noord-Macedonië, Servië, Litouwen en Estland. Zult u met die landen ook nog gesprekken voeren of plant u werkbezoeken? Zo ja, met welke landen en wanneer?

Matti Vandemaele:

Mevrouw de minister, u bent samen met de minister van Justitie op reis geweest naar Albanië en Kosovo om te bekijken of we mensen in onwettig verblijf daar in een gevangenis zouden kunnen steken. Dat is een knettergek idee. De praktijkvoorbeelden uit het buitenland tonen aan dat dit totaal onhaalbaar, zeer duur en niet functioneel is.

Hoe beoordeelt u de missie in de Balkan? Werd u daar met open armen ontvangen en werd u de zevende hemel beloofd? Hoe realistisch acht u het om in Kosovo of Albanië een gevangenis te bouwen of te huren? Hoe staat het met de haalbaarheid en betaalbaarheid? Er zijn gigantische juridische en praktische obstakels. Hebt u oplossingen voor die bezwaren? Wat gebeurt er met personen zonder wettig verblijf na afloop van hun straf? U kunt die personen natuurlijk tijdelijk onderbrengen in Kosovo, maar als de straf is uitgezeten keert men simpelweg terug naar België. Waar zouden zij anders naartoe gaan? Wat is dan het nut van een buitenlandse gevangenis, als er geen terugkeerovereenkomsten bestaan met die landen? Het is onhaalbaar en onbetaalbaar. Hebt u er trouwens al enig zicht op wat het folietje van u en mevrouw Verlinden ons als belastingbetalers zal kosten?

Sarah Schlitz:

Madame la ministre, vous êtes partie en mission cet été, avec votre collègue de la Justice Verlinden, en Albanie et au Kosovo pour négocier la possibilité d’envoyer des détenus de nos prisons belges dans un pays qui n’est membre ni de l’Union européenne ni du Conseil de l’Europe. Il s’agit en grande partie d’y envoyer des personnes étrangères, sans garantie de respect de leurs droits fondamentaux.

Madame la ministre, qu'avez-vous retenu de ce voyage? Quels sont les éléments positifs et négatifs? Quels sont les freins que vous avez pu identifier dans ce projet? J'en ai déjà discuté avec la ministre Verlinden en commission avant le voyage. On avait notamment évoqué le fait que le Kosovo n'est pas signataire de la Charte des droits fondamentaux de l’Union européenne et de la Convention européenne des droits de l'homme (CEDH). Comment peut-on assurer une politique humaine et digne des ressortissants étrangers en prison au Kosovo?

Par ailleurs, on sait par observation de l’expérience de nos voisins européens que le Danemark, par exemple, débourse déjà 200 millions d'euros par an pour un projet qui n'est pas encore effectif. Comment, dès lors, justifiez-vous, dans le cadre d'un budget particulièrement difficile à boucler, qu'on puisse débourser de tels montants pour un projet qui est particulièrement bancal tant au regard des droits humains que du respect des détenus concernés? En outre, cela représente un manque à gagner pour la Belgique de créer ce projet là-bas plutôt que d'investir ces montants chez nous dans des politiques, notamment de prévention et de réinsertion pour les détenus.

Xavier Dubois:

Madame la ministre, je voudrais revenir sur quelques chiffres. En mai 2025, selon nos données, 12 883 personnes étaient incarcérées, et parmi celles-ci, près de la moitié ne possédaient pas la nationalité belge. Parmi ces personnes, 4 077 n’avaient aucun droit de séjour. Ces chiffres sont assez édifiants, et il faut en prendre pleinement la mesure.

À ce sujet, un projet figure dans l’accord de gouvernement, qui est assez clair: il s’agit d’évaluer la possibilité d’établir une collaboration avec un pays étranger afin que ces personnes puissent y purger leur peine. Vous avez ainsi effectué une visite au Kosovo avec la ministre de la Justice. Je ne vais pas revenir sur tous les détails, puisque mes collègues ont déjà mis en avant toute une série d’éléments.

Madame la ministre, où en êtes-vous concrètement avec le Kosovo, au-delà de cette visite? Quels sont les autres États éventuellement concernés par ce type de projet? Quelles seraient les modalités permettant à ces détenus de purger leur peine dans ces pays? Et surtout, selon quels critères allons-nous définir quels détenus seraient transférés là-bas? Je pense qu’il faut se poser cette question de manière très précise.

Enfin, le Mécanisme national de prévention des mauvais traitements en détention met en garde contre les risques de violation des droits humains, notamment en ce qui concerne le droit de visite, qui semble plus complexe dans le cadre de tels projets. Quelles réponses pouvez-vous apporter à ces critiques?

Anneleen Van Bossuyt:

Mijnheer Vandemaele, de volgende keer dat u op missie gaat, zal ik ook vragen of u een postkaartje van uw reis kunt bezorgen en een reisverslagje kunt maken.

Collega’s, de huidige regering heeft een duidelijke ambitie, met name een forse uitbreiding van de terugkeer van criminelen in illegaal verblijf. Dat doen wij niet met woorden maar met daden. Wij investeren namelijk in elke schakel van het terugkeerproces.

Mijnheer Vandemaele, het gaat dus niet over folietjes maar over noodzakelijke maatregelen om onder meer de overbevolking in de gevangenissen tegen te gaan, tenzij u de overbevolking in de gevangenissen wilt minimaliseren.

Voor ons is het echter belangrijk om elke schakel te onderzoeken. De terugkeer van illegale criminelen is één schakel in dat proces. Dat is dus geen folietje.

La première action consiste à miser sur la prévention. La mission en Albanie et au Kosovo a été constructive. Nous avons conclu des accords visant à lutter contre l'immigration illégale vers la Belgique et à accélérer les retours vers l'Albanie et le Kosovo. Ainsi, une plate-forme numérique sera mise en place dès cette année, afin de faciliter et de sécuriser l'identification des ressortissants entre la Belgique et l'Albanie. Nous avons également abordé cette question au Kosovo.

De tweede actie betreft de invoering van snelle procedures en de organisatie van de terugkeer. Mensen zonder verblijfsrecht moeten terugkeren, vrijwillig als het kan, gedwongen als het moet. We moeten vermijden dat zij in een grijze zone terechtkomen, waar criminaliteit vaak de enige uitweg is. Daarom versterk ik mijn diensten, zodat beslissingen sneller kunnen worden genomen en mensen geen valse hoop krijgen.

De derde actie betreft de strijd tegen criminaliteit door personen zonder verblijfsrecht. Wie illegaal in België verblijft en bovendien kiest voor criminaliteit, heeft hier niets te zoeken. Die personen moeten gedwongen terugkeren. Om de terugkeer van die personen op te drijven, verhogen we het aantal plaatsen in de gesloten centra; ook de woonstbetreding zal een impact hebben. Daarnaast sluiten we nieuwe partnerschappen met landen van herkomst, volgens het principe voor wat hoort wat. We voeren ook een levenslang inreisverbod in voor terroristen, versterken onze terugkeerdiensten, verhogen het aantal escorteurs en zorgen ervoor dat wie weigert te vertrekken, bij voorkeur vrijwillig en desnoods met dwang, van ons grondgebied wordt verwijderd. De regering kiest voor veiligheid, verantwoordelijkheid en een geloofwaardig terugkeerbeleid dat onze burgers beschermt.

De geraamde kostprijs is nog onderwerp van onderhandeling. In ieder geval kost een gedetineerde in België gemiddeld 67.000 euro per jaar. Die kostprijs zal vermoedelijk lager liggen in een andere lidstaat.

Wat het vervolg van de gesprekken over asiel en migratie betreft, we zullen met beide landen technische opvolggesprekken voeren over informatiecampagnes, zodat minder mensen zich aan onze grens aanbieden zonder te voldoen aan de binnenkomstvoorwaarden. Onze diensten werken intussen verder aan de ingebruikname van het digitale platform, dat de identificatie en dus ook de terugkeer aanzienlijk zal verkorten en veiliger zal doen verlopen.

Op de vraag of er nog andere landen op de lijst staan, kan ik het volgende meedelen. Albanië en Kosovo zijn niet de enige landen waarover Cedoca een rapport heeft opgesteld.

Monsieur Dubois, c'est sur base de l'avis du Cedoca que ces pays ont été choisis. Le Cedoca a réalisé une étude sur le respect des droits de l'homme dans ces pays. Cette exigence de respect des droits de l’homme figurait très clairement dans l'accord de gouvernement: il faut un État qui respecte l' É tat de droit. C'est donc sur base de cette étude faite par une agence indépendante que ce choix a été opéré.

We bekijken in de regering op basis van het Cedoca-rapport met welke andere landen we gelijkaardige gesprekken zullen aangaan. Dat zal dus gebeuren.

Ten slotte, wat moet er gebeuren met degenen die hun straf hebben uitgezeten en niet kunnen worden teruggestuurd? Die materie behoort tot de afspraken die met het betrokken land moeten worden besproken. Het is de bedoeling dat de terugkeer zoveel mogelijk vanuit het derde land wordt georganiseerd. Indien dat alsnog niet mogelijk blijkt, zal de opvolging van een latere terugkeer vanuit België moeten gebeuren.

Maaike De Vreese:

Het is inderdaad niet evident om gevangenen in een buitenlandse gevangenis onder te brengen. Denemarken heeft op dat vlak al heel wat voorbereidend werk verricht. U hoeft dus wat Kosovo betreft niet meer van nul te vertrekken. Daarom kan ik uw eerste missie alleen maar toejuichen. Er wordt nogal smalend gedaan over reizen naar het buitenland, maar ik vind het zeer belangrijk dat u als minister van Asiel en Migratie uw contacten goed onderhoudt, in het bijzonder uw diplomatieke contacten met buitenlandse ministers. Uw migratiebeleid staat of valt immers met samenwerking.

Maar nogmaals, het is geen evidente piste. Aangezien de overbevolking een ernstig probleem is – de situatie is er niet menswaardig -, een probleem dat we moeten aanpakken, moeten wat ons betreft ook niet-evidente pistes zeker onderzocht en uitgewerkt worden.

Overigens hoor ik weinig alternatieve voorstellen van degenen die veel kritiek op de maatregel hebben. Ik ben benieuwd wat dan volgens hen de oplossing zou zijn, want op dit moment zijn de gevangenissen zo overvol dat mensen op een matras op de vensterbank moeten slapen. Van re-integratie is helemaal geen sprake. Wat mogen we dan verwachten van de recidivecijfers? Ik maak me daarover absoluut zorgen.

In verband met het visumvrij reizen vanuit Albanië, de Albanese overheid en de bevoegde minister zijn er zich zeer goed van bewust dat zij, als ze het draagvlak voor het visumvrij reizen willen behouden, ook moeten meewerken aan de terugkeer van vooral criminele onderdanen, probleem waar ze ook zeer verveeld mee zitten. Dat is altijd al hun ingesteldheid geweest. Minister, ik denk dan ook dat u met de Albanese overheid zeker goede contacten moet onderhouden.

Francesca Van Belleghem:

Mevrouw de minister, de overbevolking in de gevangenissen bedroeg op 22 september 2.058 mensen. De meest goedkope en dus de primaire oplossing is om vreemdelingen, zeker illegale vreemdelingen, hun straf te laten uitzitten in het land van herkomst. Dat is de meest logische oplossing.

De cijfers zullen nu niet veel verschillen in grootteorde, maar op 1 januari 2025 zaten er 1.041 Marokkanen in de gevangenis, waarvan 691 illegaal. De vorige regering had toch een overeenkomst gesloten met Marokko om hun illegalen en criminele Marokkanen terug te nemen? Waarom zetten we daar niet harder op in?

Verder zitten er ook 624 Algerijnen, 387 Nederlanders en 317 Albanezen in onze gevangenissen. U bent naar Albanië gegaan om een deal te sluiten om daar eventueel een gevangenis te openen. Zouden we er niet beter eerst werk van maken om al die Albanezen in onze gevangenissen, waarvan 230 illegaal, hun straf te laten uitzitten in een Albanese gevangenis, zonder dat wij daarvoor moeten betalen? Bovendien zitten er ook nog eens 273 Roemenen in onze gevangenissen.

Als 80 % van al die mensen hun straf uitzitten in het land van herkomst, dan is er geen overbevolking meer in onze gevangenissen. U zult misschien zeggen dat dit een simplistische redenering is, maar ze kan wel doorgetrokken worden naar andere lidstaten. Er zitten immers ook nog veel Fransen, Italianen en Polen in onze gevangenissen. Laat hen toch allemaal hun straf uitzitten in het land van herkomst.

Matti Vandemaele:

Mevrouw de minister, ik doe inderdaad een beetje lacherig over het onderwerp, want ik vind dat eigenlijk een knettergek idee. Uit uw antwoord leid ik af dat uw reis niets heeft opgeleverd op het vlak van gevangeniscapaciteit. U sprak over terugkeerakkoorden, maar ook die gesprekken hebben niets opgeleverd. Met alle respect, maar ons bezighouden met dergelijke folies levert niets op.

Vorige vrijdag heb ik de laatste West-Vlaamse gevangenis bezocht, ik heb ze nu alle vier bezocht. Daarnet ontving ik de cijfers met betrekking tot Ieper. Die gevangenis heeft een capaciteit van 169 plaatsen. Er verblijven daar 200 mensen, met 24 grondslapers. Die cijfers ontving ik vijf minuten geleden.

U kunt mij niet verwijten dat ik de gevangenisproblematiek niet ernstig neem, integendeel. Iedereen met wie ik in die gevangenissen spreek, zegt echter unisono dat de regering zich niet moet bezighouden met dergelijke stoerdoenerij of ballonnetjes waarvan iedereen weet dat ze niet uitgevoerd zullen worden. Iedereen weet dat die plannen pokkeduur en onhaalbaar zijn, maar toch houdt u zich daarmee bezig.

Dat gebeurt alleen om niet te moeten werken aan het echte probleem. Er is immers wel degelijk een probleem met overbevolking in onze gevangenissen. In West-Vlaanderen gaat het over Brugge en Ieper. Daar is het aantal gevangenen mensonterend hoog. Ik heb cellen bezocht met grondslapers, waar drie mensen in een heel kleine ruimte moeten verblijven. We moeten ons schamen dat dit nog gebeurt.

Er bestaan echter oplossingen. Het gaat dan bijvoorbeeld over die 1.000 geïnterneerden. Het gaat dan over het feit dat er te veel mensen in voorlopige hechtenis zitten. Zo zit 30 tot 40 % van de gevangenen in voorlopige hechtenis. Onze fractie heeft in de commissie voor Justitie al tientallen voorstellen op tafel gelegd, mevrouw De Vreese. Mevrouw de minister, houd u niet bezig met onnozele reisjes die niets zullen opleveren. Laten we werken aan wat echt belangrijk is, namelijk de aanpak van de overbevolking. Dat zullen we niet doen in Kosovo of in andere landen, dat moeten wij in ons eigen land doen.

Sarah Schlitz:

Madame la ministre, la construction d'une prison au Kosovo ne résoudra en rien le problème de la surpopulation carcérale que nous rencontrons aujourd'hui. Cela va prendre des années et coûter des centaines de millions d'euros aux finances publiques, alors que votre gouvernement n'arrive pas à boucler son budget. En plus, c'est reporter ce choix sur les gouvernements futurs et les générations futures. Je considère donc qu’il est totalement irresponsable, au regard de la situation, d'avancer vers cette solution qui est, par ailleurs, purement symbolique.

Des solutions existent. Nous en avons mis des tas sur la table sous la précédente législature et encore récemment. Actuellement, des personnes ayant roulé sans permis se trouvent en prison, et je pense que ce n’est pas leur place. Il faut envisager des pistes pour sortir ces personnes de prison et permettre la mise en place de peines alternatives. Ce serait beaucoup plus utile pour la société dans son ensemble, pour lutter contre la récidive et, comme vous le disiez, pour les finances publiques, auxquelles ces personnes coûtent 67 000 euros par détenu et par an. Ce sont des montants que nous ne pouvons plus nous permettre. C'est un immense gâchis. Il faut évidemment agir en amont, par la prévention, et lutter contre l'insécurité. Il faut faire en sorte que les personnes ne tombent pas dans certains réseaux et ne se retrouvent finalement pas en prison. Il y a évidemment un travail à mener de ce côté-là.

Par ailleurs, en ce qui concerne les garanties des droits fondamentaux, je ne vous ai pas entendue, à part sur le fait que le Cedoca, le service de documentation du CGRA, a rendu un rapport. Je serais curieuse de lire si le contenu de ce rapport est si élogieux que cela sur le respect des droits humains, sur les conditions de détention et les garanties procédurales au Kosovo. S'il est possible d'obtenir ce rapport, je pense qu'il serait utile que la commission y ait accès. Je vous remercie.

Xavier Dubois:

Madame la ministre, je vous remercie de votre réponse qui illustre que ce projet doit être perçu de manière globale, en collaboration avec tous les acteurs, dont votre collègue de la Justice ainsi que les pays tiers. En tout cas, il en ressort que notre point faible est la politique de retour. Il reste donc encore énormément de travail à accomplir. Il faut surtout éviter que de nombreuses personnes restent dans des zones grises. Il importe donc de trouver des solutions, de poursuivre les discussions et d'appliquer les accords conclus avec les pays tiers. C'est la priorité. S'agissant du choix des pays, j'entends qu'un rapport a été rendu par le Cedoca. Il serait, par conséquent, judicieux de pouvoir y accéder. Par ailleurs, une visite a bien eu lieu, mais sans que rien de concret n'ait encore été décidé dans l'application du projet. Nous resterons, bien entendu, très vigilants à l'égard de deux aspects. Je pense tout d'abord au budget, car il faut que ce projet coûte moins cher que d'autres; sinon cela n'aurait aucun sens. Il faudra apporter des garanties solides en ce domaine. Ensuite, je rappelle la nécessité de respecter les droits, puisque nous devons rester vigilants à l'évolution des pratiques et régimes des pays concernés. Reste enfin la question que j'ai posée au sujet des critères qui nous aideront à déterminer quels sont les détenus qui seront obligés de purger leur peine dans une prison à l'étranger. C'est en effet une question très sensible qui mérite que nous y réfléchissions dès à présent, si ce projet prend forme comme prévu. Je vous remercie de la suite que vous entendrez y donner.

De zelfmoord van een Palestijnse vluchteling in een Belgisch gesloten centrum
De zelfmoord van een jonge Palestijnse vluchteling in een gesloten centrum
De zelfdoding in het gesloten centrum 127bis
De zelfdoding in het centrum 127bis
Zelfdoding van Palestijnse vluchteling in Belgisch gesloten centrum

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 21 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de zelfmoord van Mahmoud, een 26-jarige Palestijnse vluchteling, in het Belgische gesloten centrum 127bis, na drie maanden detentie ondanks zijn extreme psychologische kwetsbaarheid (eerdere suïcidepoging, dood van zijn moeder, trauma’s uit Gaza en Griekenland). Kritiekpunten: falend medisch-psychologisch toezicht (geweigerde medicatie, gebrek aan Arabischsprekende hulp, ontoereikende opvang), het beleid rond "statut M" (automatische weigering asiel voor wie elders in de EU al bescherming heeft, zoals Mahmoud in Griekenland), en de algemene omstandigheden in gesloten centra (slechte zorg, isolatie, zes suïcides in 10 jaar). De minister ontkent structurele tekortkomingen, benadrukt individuele beoordelingen en lopend intern onderzoek, maar weigert beleidswijzigingen (zoals stoppen met detentie van kwetsbaren of herziening "statut M"). Parlementsleden eisen diepgaand onderzoek, betere zorg en een humaan migratiebeleid, wijzend op de verantwoordelijkheid van de staat voor doden in detentie.

Sarah Schlitz:

Madame la présidente, madame la ministre, le mardi 7 octobre, Mahmoud, palestinien de Gaza, s'est suicidé au centre fermé 127 bis dans lequel il était détenu depuis trois mois.

D'après les premières informations nous parvenant, Mahmoud était dans un état psychologique très fragile. Sa maman venait de décéder en Palestine au moment où il a été enfermé et le reste de sa famille se trouvait encore là-bas. Son avocate a révélé qu'il avait besoin d'un suivi médical, qui lui a été refusé. On a refusé de lui donner des médicaments, disant qu'il n'était pas malade.

"Une personne comme lui ne devrait pas être dans un centre fermé, il aurait dû aller à l'hôpital", a témoigné son avocate. Elle explique également avoir signalé la fragilité psychologique de son client dans une requête introduite le 23 septembre au Conseil du Contentieux des Étrangers, dont l'Office des étrangers a été informé.

L'état psychologique de Mahmoud, déjà fragilisé par le parcours d'exil et les violences subies à Gaza et en Grèce, a été aggravé par le décès de sa mère. Il avait d'ailleurs déjà fait au moins une tentative de suicide, qui était documentée par une hospitalisation en urgence pour intoxication médicamenteuse.

Il était détenu en centre fermé en raison de la politique absurde qui consiste à forcer les réfugiés à résider dans le pays qui leur a accordé le statut, même si ce pays ne leur permet pas de vivre dans des conditions conformes à la dignité humaine, même s'ils ont de la famille ou un réseau de solidarité en Belgique.

Rappelons que vous, madame la ministre, avez décidé de pousser encore plus loin cette politique de l'absurde en retirant l'hébergement à ces personnes en Belgique.

Mahmoud a survécu au blocus de Gaza, à l'occupation israélienne, aux bombardements, à l'apartheid. Son espoir, sa volonté de vivre ont traversé tout ça, mais vous, vous avez réussi à le briser.

Ce suicide démontre que les filtres qui sont censés protéger ces personnes vulnérables d'un renvoi vers un pays comme la Grèce sont gravement défaillants. Mahmoud était vulnérable; et pourtant il faisait l'objet d'un renvoi forcé.

Madame la ministre, compte tenu de ce précédent gravissime, prévoyez-vous de remettre en question de façon fondamentale votre politique concernant les dossiers M? Combien de décès ont eu lieu dans les différents centres fermés du pays ces 10 dernières années? Comment sont-ils répartis parmi les différents centres? Parmi ces décès, combien étaient des suicides?

Khalil Aouasti:

Madame la ministre, Mahmoud Ezzat Farag Allah était un jeune réfugié palestinien de 26 ans et Mahmoud est mort. Pour être plus précis, cette mort, il se l’est donnée après trois mois de détention au centre fermé 127bis de Steenokkerzeel, à 26 ans! Pendant cette détention, son état psychologique s'est dégradé rapidement.

Après avoir fui les bombes, le génocide, après avoir laissé sa famille à Gaza et pris la route seul, Mahmoud reçoit enfin le statut de réfugié en Grèce, dont on connaît la valeur. Mais nous savons que la Grèce n’est pas en mesure d’assurer des conditions de vie dignes et de respecter ses engagements en matière d’accueil. Ce n'est pas nous qui le disons; c'est désormais l'ensemble des tribunaux européens.

C’est pourquoi, comme beaucoup d’autres, il arrive en Belgique. Et votre politique les range sous ce nouveau statut M à qui on refuse automatiquement toute demande d’asile. Les statuts M étaient une catégorie administrative abstraite, maintenant ils ont un visage, celui de Mahmoud. Son avocate rapporte qu’il s’est vu refuser un traitement médical nécessaire et qu’une requête a été introduite à ce sujet au Conseil du Contentieux des Étrangers.

Ce n’est pas le premier suicide au 127bis, madame la ministre. J’avais déjà interpellé Mme Nicole de Moor en 2024 à la suite de la mort de deux personnes détenues dans ce centre. Les associations nous alertaient à propos des conditions de détention violentes – il faut pouvoir le dire – en vigueur dans ce centre. L’État belge enferme et semble à présent choisir de laisser mourir.

Madame la ministre, une enquête administrative a-t-elle été ouverte concernant la mort de Mahmoud? Possédez-vous des informations complémentaires concernant ce décès? A-t-il reçu un soutien médical et psychologique dès lors que son état de santé ne pouvait être ignoré à la suite du contrôle médical obligatoire prévu par l’article 13 de l’arrêté royal de 2002? Pouvez-vous nous donner plus d’informations concernant le refus de soins psychologiques nécessaires? Est-ce un cas isolé? Quelles sont les conditions actuelles du soutien psychologique en vigueur au centre fermé 127bis?

Matti Vandemaele:

Mevrouw de minister, ik zal niet alles herhalen wat de collega’s al gezegd hebben.

Begin oktober is inderdaad een Palestijnse man die opgesloten was in het centrum 127bis uit het leven gestapt. Voorafgaand daaraan was er een heel traject van verschillende pogingen en van incidenten waarbij de alarmsignalen helemaal op rood hadden moeten staan. Mijn vraag is of er een intern onderzoek loopt naar wat daar gebeurd is en naar er wat fout gelopen kan zijn?

Een meer algemene vraag, worden mensen medisch en psychologisch gescreend op kwetsbaarheid wanneer ze opgesloten worden in een gesloten centrum?

In hoeverre wordt die informatie mee in overweging genomen bij de beslissing of men iemand wel of niet opsluit?

Is er een protocol voor het centrum om, als er pogingen tot zelfdoding zijn, daarmee om te gaan? Welke maatregelen worden er genomen om zelfdoding te voorkomen in een gesloten centrum?

Ik heb zelf al een aantal van die centra bezocht. Gisteren heb ik geprobeerd centrum 127bis te bezoeken, maar men heeft me daar een halfuur laten wachten en toen ben ik maar weer weggegaan. Ik ga zeker nog eens terug. Ik vraag me af in welke medische begeleiding daar wordt voorzien. Wanneer ik zulke centra bezoek, hoor ik daar immers heel weinig over medische of psychologische begeleiding. Hebt u intenties om ter zake stappen vooruit te zetten, of wilt u het gewoon laten zoals het is?

Greet Daems:

Mevrouw de minister, opnieuw heeft iemand zich van het leven beroofd in een gesloten centrum. Het is de zoveelste zelfdoding. Dit keer gaat het over Mahmoud, een jonge Palestijn van 26 jaar. Vijf dagen voordat hij in 127bis werd opgesloten, werd hij al opgenomen op de spoedafdeling van het Brusselse Sint-Jansziekenhuis wegens een overdosis Lyrica, een poging tot zelfdoding dus. Hij kreeg echter niet de hulp die hij nodig had. In plaats daarvan werd hij opgesloten in een gesloten centrum. Ik ben ervan overtuigd dat zijn dood vermeden had kunnen worden. Ik heb daar enorm veel vragen over.

Mevrouw de minister, kreeg Mahmoud de nodige psychologische hulp? Klopt het dat er in 127bis geen psycholoog beschikbaar is die Arabisch spreekt en dat men genoodzaakt is om vertaalapps te gebruiken? Waarom had Mahmoud toegang tot de medicijnen die hij gebruikte om uit het leven te stappen in een gesloten centrum? Wat gebeurde er na zijn eerdere pogingen tot zelfdoding? Waarom werd hij opgesloten in isolatie? Klopt het dat hij na het vernemen van de dood van zijn moeder 14 uur lang geen toegang kreeg tot zijn telefoon?

Hoeveel zelfdodingen gebeurden er al in de gesloten centra? Wat zult u ondernemen om de leefbaarheid in de gesloten centra te verbeteren, in het bijzonder in het gesloten centrum 127bis, dat door velen wordt omschreven als het allerergste?

Anneleen Van Bossuyt:

Geachte Kamerleden, de feiten die zich hebben afgespeeld in het gesloten centrum 127bis, waarbij een persoon zichzelf van het leven heeft beroofd, hebben mij en zeker ook de personeelsleden van de Dienst Vreemdelingenzaken uiteraard geraakt. Het is een menselijk drama dat ik ten zeerste betreur.

Ik moet wel zeggen dat ik doorgaans niet over individuele personen communiceer, maar de onterechte insinuaties die hier geuit worden, brengen mij ertoe om toch bepaalde informatie te delen.

De DVZ neemt alle voorzorgsmaatregelen ter harte om de situatie van personen die in zijn gesloten centra worden opgesloten te laten voldoen aan de normen die internationaal en nationaal werden opgelegd. Ik wil hier heel graag de personeelsleden van onder meer centrum 127bis hartelijk bedanken voor het werk dat zij elke dag doen, vaak in heel moeilijke omstandigheden. Ik heb hier opnieuw bijzondere zaken ten aanzien van de personeelsleden gehoord, misschien niet persoonlijk, maar er werden toch insinuaties gemaakt. Ik wil hen heel graag oprecht bedanken voor het werk dat zij elke dag doen.

Het beleid en de werking van de gesloten centra zijn vastgelegd in de wet van 15 december 1980 en het koninklijk besluit van 2 augustus 2002.

Dans les cas de personnes bénéficiant d'une protection internationale, chaque situation individuelle est examinée au cas par cas par une instance indépendante, le CGRA, et en cas de recours, par une juridiction indépendante, le Conseil du Contentieux des Étrangers. Aucun refus automatique n'est pris.

Dans ce cadre, il me paraît important de rappeler l'existence d'une communication de la Commission européenne datée du 4 avril 2025 relative au statut de la gestion de la migration en Grèce. Si la Commission reconnaît que des améliorations peuvent encore être nécessaires en Grèce, elle souligne les nombreux efforts faits depuis des années par la Grèce en collaboration entre autres avec les structures et agences européennes. La Grèce a développé un système national de gestion des migrations doté des infrastructures, des équipements et des outils nécessaires.

Pour répondre à la question de savoir si je compte revoir la politique relative aux demandes introduites par des personnes bénéficiant déjà d'une protection internationale dans un autre État membre, la réponse est négative. Je le répète, l'asile a pour but d'offrir une protection à ceux qui en ont besoin et non de garantir de meilleurs avantages sociaux.

La personne dont il est question bénéficiait de cette protection en Grèce et a introduit à cinq reprises consécutives une demande de protection en Belgique. Toutes ses demandes ont été refusées par le CGRA et ces décisions ont été confirmées par le Conseil du Contentieux des Étrangers.

Conformément aux dispositions de l'arrêté royal, cet homme a été soumis à un premier bilan de santé lors de son arrivée au centre. Cette première évaluation visait à déterminer de manière exhaustive son état de santé physique et mental à son arrivée.

Pendant son séjour, il a été suivi systématiquement par le service médical et le service psychologique. Ce suivi a été mis en place d'une part, à l'initiative des services du centre et d'autre part, à la demande expresse de l'intéressé lui-même.

L'encadrement consistait en des entretiens formels et des consultations planifiées, avec un suivi informel via les observations quotidiennes du personnel et les discussions dans le cadre de la concertation pluridisciplinaire quotidienne. Le suivi par le service médical – infirmiers et/ou médecins – et le suivi psychologique comprenait 40 contacts formels et informels enregistrés, dont 10 consultations auprès du médecin du centre, ainsi qu'un encadrement quotidien assuré par les éducateurs de groupes. Il ne peut donc clairement pas être question d'un refus de soutien psychologique.

Suite aux tragiques événements entourant le décès de M. Farag Allah, une enquête interne a été immédiatement ouverte. Cette enquête, qui a pour objectif d'établir en détail les circonstances de l'incident, est en cours et des entretiens sont menés avec les collaborateurs, les résidents et les autres parties concernées afin d'obtenir une vision complète de la situation.

Au cours des 10 dernières années, neuf décès ont été enregistrés dans les centres fermés: trois au centre fermé de Merksplas, un à Bruges, trois à Vottem et deux au centre 127 bis . Six d'entre eux étaient dus à un suicide.

Een beslissing tot vasthouding steunt op een individuele beoordeling van alle elementen in het dossier. Daarbij wordt ook rekening gehouden met de medische informatie waarover de DVZ op dat moment beschikt. Die medische elementen worden bovendien opnieuw geëvalueerd door de beroepsinstanties.

Zoals ik toelichtte, bestaat in de gesloten centra reeds een ruime medische en psychologische omkadering. De bewoners worden bij de intake ingelicht over de mogelijkheid om een beroep te doen op psychologische bijstand. Bovendien worden bewoners met kwetsbaarheden besproken tijdens een multidisciplinair overleg.

Als er in het land van herkomst nood is aan bijkomende medische ondersteuning, kan ze worden geboden via een special needs programma.

De voorzitster : Mevrouw de minister, u hebt uw spreektijd enigszins overschreden, maar het is belangrijk om over dergelijke zware thema’s de volledige informatie te kunnen geven.

Sarah Schlitz:

Madame la ministre, je vous remercie pour la réponse.

Nous sommes ici face à une personne qui s'est suicidée parce qu'elle était enfermée dans un centre fermé en raison de nos politiques. Tout ne s'est donc pas passé comme il le fallait. Il y a bien eu des dysfonctionnements, et j'estime que les propos de l'avocate de Mahmoud, selon lesquels elle avait signalé la fragilité psychologique de son client qui s'est ensuite vu refuser des médicaments, doivent être pris en compte dans le cadre de l'enquête que vous avez annoncée.

Je suis soulagée par cette annonce d'enquête. En effet, la première partie de la réponse laissait entendre que vous étiez prêts à recommencer, prêts à assumer, au nom de vos politiques, que des Palestiniens se suicident en prison au nom d'un imbroglio administratif voulant renvoyer des personnes ayant obtenu un statut en Grèce – un pays qui ne respecte absolument pas, au regard de nombreux rapports, les droits des personnes qui ont besoin de l'accueil le plus élémentaire. Une personne dans un tel état psychologique ne devait pas être renvoyée vers la Grèce, c'est une évidence.

Je suis donc heureuse d'entendre qu'une enquête sera menée tout du moins. Il y a quelques années, cet événement aurait entraîné la démission de la ministre, mais nous n'en sommes plus là, comme nous le savons. J'espère que cette enquête mènera à des changements de fond au niveau de la politique de l'asile. En effet, plus aucun demandeur d'asile, plus aucune personne sans titre de séjour ne doit se suicider dans notre pays en raison de nos politiques de migration absurdes. Ce principe devrait constituer votre boussole, madame la ministre.

Khalil Aouasti:

Madame la ministre, j'ai eu peur en écoutant la première partie de votre réponse, parce que j'ai eu l'impression que vous y justifiiez votre politique d'asile au lieu de regarder simplement en face qu'un homme s'était suicidé en centre fermé, sous la responsabilité de l' É tat. Comme pour les décès en cellule de prison ou de commissariat, un décès sous la responsabilité de l' É tat, donc d'une entité censée protéger, est inadmissible. Cette seule considération ne devrait même pas vous mener à devoir justifier quoi que ce soit en préambule à votre intervention. Rien ne peut justifier le décès d'une femme ou d'un homme au sein d'un bâtiment géré par l' É tat.

Cela dit, je suis quelque peu soulagé, à l'instar de ma collègue, en apprenant qu'une enquête interne aura lieu. Au-delà de cette procédure, il faut aussi pouvoir se dire les choses franchement. Comme en prison, les soins de santé sont déficitaires en centre fermé. Les soins de santé psychologique le sont encore plus. L'accès à un médecin n'est pas garanti. Non, il ne l'est pas. Je ne compte pas le nombre de visites que j'ai effectuées en centre fermé et au cours desquelles on nous a dit qu'il n'y avait pas de médecin sur place, que, par conséquent, les examens étaient accomplis par des infirmiers ou des infirmières qui n'ont pas la qualité de médecin et qu'il fallait parfois se contenter d'une ou deux visites hebdomadaires pour s'entretenir cinq à dix minutes maximum avec un médecin. Ce n'est pas ce que j'appelle un suivi en soins de santé, a fortiori lorsque des complications psychologiques graves apparaissent pouvant déboucher sur un suicide. Ce fait devrait vous inciter à réfléchir en général au système de soins de santé en centre fermé ainsi qu'à la nécessité non d'une enquête administrative menée en coup de vent, mais d'une véritable enquête publique destinée à définir les causes profondes de ce suicide.

Matti Vandemaele:

Mevrouw de minister, het eerste deel van uw antwoord doet niet ter zake. Het is een menselijk drama en alle betrokkenen zijn er het hart van in. Het is daarom belangrijk dat de procedures worden geëvalueerd. Het is positief dat er een intern onderzoek loopt. Over het werk van de medewerkers bestaat geen discussie. Zij doen hun stinkende best om er in steeds moeilijkere omstandigheden iets van te maken. Dat is niet hun verantwoordelijkheid, maar die van u.

Ook ik bezoek regelmatig de gesloten centra. Alle directeurs geven aan dat de fysieke en psychologische medische begeleiding absoluut niet goed verloopt. U kunt zeggen dat er veertig consultaties zijn enzoverder, maar wij parlementsleden stellen tijdens onze bezoeken aan die centra vast dat de medische begeleiding allesbehalve goed verloopt. Men kan met moeite nog een arts in een naburig dorp vinden die als het ware tussen de soep en de patatten die taak erbij neemt, omdat het niet anders kan.

Hier komen beweren dat alles goed geregeld is en perfect werkt en kritiek wegzetten als depreciatie voor het personeel, dat pik ik niet. Ik ben niet tegen het personeel. Het personeel doet elke dag zijn stinkende best. De realiteit blijft echter dat de fysieke en psychologische medische begeleiding volstrekt ondermaats is. Daarom stel ik voor dat u niet enkel een intern onderzoek voert naar dit specifieke geval, maar ook aan uw diensten vraagt om de volledige medische begeleiding in de gesloten centra grondig te evalueren. Wij dragen immers een verantwoordelijkheid tegenover de mensen die we daar opsluiten om hun minimale standaarden te waarborgen. Er is een groot verschil tussen wat u hier verklaart en de realiteit op het terrein.

Greet Daems:

Mevrouw de minister, dank u wel voor uw antwoorden. Het is goed dat er een onderzoek werd geopend en dat de omstandigheden worden onderzocht. Mijn collega in het Brussels Parlement heeft inmiddels het gesloten centrum 127bis bezocht en er gesproken met mensen die Mahmoud hebben gekend. Hem werd verteld dat er geen psychologe beschikbaar is die Arabisch spreekt en dat men er genoodzaakt is om van vertaalapps gebruik te maken. Ik heb u gevraagd of dat klopt, maar u hebt daarop niet geantwoord. Het gesloten centrum 127bis wordt door velen als het allerergste beschreven. Ik heb u gevraagd wat u zult ondernemen om de leefbaarheid in dat centrum te verbeteren. Daarop heb ik geen antwoord gekregen. Dat betreur ik. Een opsluiting in een gesloten centrum is een van de meest verschrikkelijke zaken. Ik ga ervan uit dat u ook al meerdere gesloten centra hebt bezocht. Ik denk dat u kunt toegeven dat het allesbehalve aangename plaatsen zijn, integendeel. Mahmoud had nood aan hulp. Hij was psychisch bijzonder kwetsbaar en in de plaats van hulp werd hij opgesloten. Ik heb zelf ook al verschillende centra bezocht. De medische begeleiding daar kan echt beter. Dat is niet omdat het personeel faalt, daar gaat het helemaal niet om, maar om het beleid dat daarvoor verantwoordelijk is. Het is uw beleid dat ervoor moet zorgen dat er gepaste psychologische hulp beschikbaar is. Dat is, voor alle duidelijkheid, niet de verantwoordelijkheid van het personeel, maar wel van u. De voorzitster : Teneinde enige vaart in de agenda te krijgen, zet mevrouw Van Belleghem vraag nr. 56009049C om in een schriftelijke vraag.

Vrouwen die op straat uit voorzorg hun gedrag en/of kledij aanpassen
Het onveiligheidsgevoel en mijdgedrag van meisjes en jonge vrouwen in onze steden
Gendergerelateerde onveiligheid en aanpassingsgedrag in stedelijke ruimtes

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 21 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sam Van Rooy kaart aan dat jonge vrouwen in steden als Antwerpen en Brussel zich steeds onveiliger voelen door grensoverschrijdend gedrag en geïmporteerd religieus conservatisme, wat leidt tot zelfcensuur in kleding en gedrag, met name in wijken met sterke migratie-achtersgrond—zelfs bevestigd door vrouwen met migratieroots. Minister Van Bossuyt verwijst de verantwoordelijkheid door naar andere beleidsverantwoordelijken (Integratie, Binnenlandse Zaken) en condemneert weliswaar onderdrukking, maar biedt geen concrete oplossingen. Van Rooy valt haar asielbeleid hard aan: door onverminderde instroom uit landen met diepgewortelde vrouwenonderdrukking verergert het probleem, terwijl zij weigert de "kraan dicht te draaien"—met zichtbare gevolgen in wijken als Molenbeek, waar ook joden en vrouwen zich bedreigd voelen.

Sam Van Rooy:

Mevrouw de minister, zoals u wellicht hebt gehoord, heeft zich in Antwerpen een incident voorgedaan waarbij een achttienjarige jonge vrouw een vreemdeling heeft neergestoken omdat die haar eenentwintigjarige vriendin agressief probeerde aan te randen.

Steeds meer mensen, zeker jonge vrouwen, zoals ik in Antwerpen zeer goed merk, vertellen ons dat ze de straat op gaan met iets op zak om zich te kunnen verdedigen, soms dus zelfs met een mes, zo blijkt. Uit onderzoek blijkt dat maar liefst negen op de tien meisjes of jonge vrouwen al eens grensoverschrijdend gedrag heeft meegemaakt. Meer dan een vierde van de vrouwen voelt zich vaak onveilig op straat. Niet minder dan 40 % – dat is toch onvoorstelbaar hoog – kiest ervoor om na een negatieve ervaring bepaalde plaatsen te vermijden. Die plaatsen bevinden zich natuurlijk doorgaans in onze grote steden. Denk aan Antwerpen en Brussel en wellicht ook Gent, mevrouw de minister, maar dat laatste zult u beter weten.

In Nederland vond ook de verschrikkelijke moord door een asielzoeker op de zeventienjarige Lisa plaats.

De directe aanleiding voor mijn vraag is de getuigenis van de politicologe Hanieh Ziaei – ik hoop dat ik haar naam correct uitspreek. Ik citeer haar: “Ik durf in Brussel geen rok of decolleté meer te dragen zonder me ongemakkelijk te voelen wegens het geïmporteerd conservatisme in sommige wijken. In Molenbeek voel ik de toenemende druk van zorgwekkend religieus obscurantisme.” Het zou een uitspraak van het Vlaams Belang of wellicht ook van de N-VA kunnen zijn, maar het is dus een getuigenis van een politicologe met migratieroots, zo leert haar naam.

Zij staat niet alleen. Steeds vaker horen en lezen we dat soort getuigenissen van vrouwen die in bepaalde wijken uit voorzorg hun gedrag of kledij aanpassen. We lezen dat op sociale media, maar soms ook in de mainstreammedia.

Mevrouw de minister, het is niet de eerste keer dat ik daarover vragen stel. Ik heb dat ook gedaan in de vorige legislatuur in het Vlaams Parlement, want ik vind dat fenomeen, waarbij vrouwen in de openbare ruimte hun kledij of gedrag aanpassen uit angst, een van de meest zorgwekkende, zo niet de zorgwekkendste tendens in ons land, in onze samenleving.

Ik heb deze vraag trouwens ook aan de minister van Binnenlandse Zaken gesteld. U bent bevoegd voor Asiel en Migratie, Maatschappelijke Integratie en Grootstedenbeleid, een hele mond vol. Ik denk dan ook dat u op drie terreinen een bevoegdheid hebt om dat probleem aan te pakken.

Mevrouw de minister, wat is uw reactie? Welke stappen zet u om ervoor te zorgen, denkend aan de hoge cijfers die ik heb vermeld, dat meisjes en vrouwen in elke wijk, gemeente en stad zichzelf kunnen zijn en zich nergens in onze openbare ruimte uit vrees censureren of hun kledij of gedrag aanpassen?

Anneleen Van Bossuyt:

Mijnheer Van Rooy, dat is een heel lange vraag en u uit veel bezorgdheden. Ik vrees dat mijn antwoord iets korter zal zijn.

Ik wil beginnen met te benadrukken dat ik elke daad van onderdrukking ten aanzien van vrouwen en elke daad van belaging in het algemeen ten stelligste veroordeel. Dat is het minste en belangrijk om te onderstrepen.

Uw vragen hebben betrekking op beleidsdomeinen die niet onder mijn bevoegdheid vallen. Daarom verwijs ik u door naar de Vlaamse minister bevoegd voor Inburgering en Integratie en naar mijn collega-minister van Binnenlandse Zaken, voor uw vragen over veiligheid.

Sam Van Rooy:

Minister, uw antwoord was teleurstellend. Ik heb die vraag gesteld aan de minister van Binnenlandse Zaken en vond zijn antwoord eveneens teleurstellend. U bent verantwoordelijk voor asiel, immigratie, maatschappelijke integratie en grootstedenbeleid. De vraag raakt aan al die drie beleidsdomeinen. Ik zal de situatie toelichten en citeer opnieuw politicologen om aan te tonen hoe ernstig ze wel is. ʺ In Brussel durf ik geen rok of decolleté meer te dragen zonder me ongemakkelijk te voelen door geïmporteerd religieus obscurantisme in sommige wijken ʺ , zegt een politicologe met migratieroots. Minister, gisteren klopte u zich op de borst omdat de asielinstroom zogezegd daalt. Aan huidig tempo zullen we dit jaar uitkomen op 35.596 asielaanvragen, dat is meer dan in 2023, toen de verschrikkelijke vivaldiregering op stoom was. Waar komen al die asielzoekers vandaan? Uit islamitische, Afrikaanse landen waar vrouwenonderdrukking en vrouwenhaat diep in de cultuur verankerd zijn. U hebt als minister de kernbevoegdheid om dat probleem aan te pakken of in ieder geval niet te laten verergeren. Mevrouw Van Bossuyt, het spijt me het te moeten zeggen, maar uw asielbeleid is tot op heden slecht en zelfs gevaarlijk voor meisjes en vrouwen in dit land. Wandel eens door onze grote steden. Ik ben recent nog in Molenbeek geweest. Wat men daar ziet en voelt, maakt het moeilijk voor een vrouw een kort rokje te dragen of een jood om een keppeltje te dragen. Dat zijn ook groepen in onze samenleving die bang zijn, die overlast ondervinden. Minister Van Bossuyt, draai die kraan dicht, want die vrouwenhaatculturen zijn hier al, die verspreiden zich in onze wijken en die laat u tot nader order alleen maar uitbreiden. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 12.36 uur. La réunion publique de commission est levée à 12 h 36.

De voorbereiding op het eindejaarsgeweld

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 21 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Na de escalatie van geweld en autobranden tijdens oudejaarsnacht 2024 (159 aanhoudingen in Brussel, 49 in Antwerpen, molotovcocktails tegen hulpdiensten) dringt Maaike De Vreese aan op structurele verbeteringen: strengere handhaving van preventieve maatregelen (huisarresten, plaatsverboden), betere bescherming van politie/brandweer, uniform vuurwerkverbod en harde aanpak van gezichtsbedekkende kledij voor identificatie van relschoppers. Minister Quintin bevestigt operationele aanpassingen (geoptimaliseerd crisiscentrum, versterkte coördinatie sinds september, vuurwerkverbod via minister-president) en belooft proportioneel optreden tegen anonimisering, maar benadrukt dat lokale overheden verantwoordelijk zijn voor huisarresten. De Vreese hamert op samenwerking tussen diensten en zero tolerance voor extremisten (bv. Code Rood) die chaos zaaien, eist concrete strafvervolging en een veilige, gecontroleerde jaarwisseling voor burgers.

Maaike De Vreese:

Ik ben er vroeg bij, maar wij hebben in onze gemeenteraad al een beslissing genomen over het gebruik van vuurwerk. Dat inspireert mij natuurlijk om ook hier vragen te stellen, aangezien de laatste oudejaarsavond in dit land opnieuw gepaard ging met een reeks ernstige incidenten. In Brussel werden 159 personen aangehouden, tientallen voertuigen gingen in vlammen op en de brandweer moest bijna 160 keer tussenkomen. Het aantal autobranden verdrievoudigde ten opzichte van het jaar ervoor. De politie en de hulpdiensten werden bekogeld – in Vorst zelfs met molotovcocktails – waardoor ploegen zich tijdelijk moesten terugtrekken.

Ook in Antwerpen en Gent waren er tientallen interventies wegens geweld, brandstichting en illegaal vuurwerk. In Antwerpen werden 49 personen opgepakt. Vooraf waren preventieve huisarresten opgelegd aan bekende overlastplegers, maar een aanzienlijk deel daarvan werd niet nageleefd.

De politievakbond VSOA had op voorhand gewaarschuwd voor de gevolgen van het normaliseren van dergelijk geweld. Ondanks die waarschuwing moesten wij begin januari 2025 vaststellen dat er structurele tekortkomingen waren in de gehanteerde aanpak. Uit de evaluatie van safe.brussels bleek dat de geografische spreiding van de incidenten en de daderprofielen bijkomend dienden te worden onderzocht, wat aangeeft dat ook de analyse en voorbereiding nog lacunes vertonen.

Gelet op het najaar en in het licht van een optimale voorbereiding is het belangrijk te weten welke lessen er zijn getrokken en welke maatregelen er in 2025 concreet worden getroffen. Welke concrete lessen trekt u daaruit? Op welke vlakken is de voorbereiding voor 2025 aangepast? Welke bijsturingen zijn sinds de evaluatie van safe.brussels doorgevoerd op het vlak van risicoanalyse, handelingskader en coördinatie?

Hoe zal de naleving van preventieve maatregelen, zoals huisarresten of plaatsverboden, in 2025 worden gecontroleerd en gegarandeerd, gelet op het feit dat die naleving in 2024 relatief beperkt was?

Welke concrete operationele maatregelen treft u om de brandweer en de politie in 2025 beter te beschermen?

Welke uniforme afspraken bestaan er over vuurwerkverboden en de handhaving daarvan? Wanneer en hoe zal daarover publiek worden gecommuniceerd?

Hoe wordt in 2025 toegezien op de toepassing van de wet op de gezichtsbedekkende kledij tijdens oudejaarsnacht, zodat de identificatie van de relschoppers optimaal kan verlopen?

Mijnheer de minister, de lokale besturen zijn uiteraard ook voor een groot deel bevoegd en dus ligt het op dat vlak ook bij hen om bepaalde maatregelen te treffen. Er zijn echter good practices die kunnen worden gedeeld. Daarom stel ik mijn vraag tijdig en niet na de feiten.

Bernard Quintin:

De politiewerking van oudejaarsnacht 2024-2025 in onze hoofdstad werd grondig geanalyseerd. De korpschef van de politiezone PolBru, die tevens gold commander voor dit evenement is, geeft aan dat de werkpunten die hieruit naar voren kwamen, worden doorgevoerd.

Het is omwille van operationele redenen niet opportuun om hier inhoudelijk veel details over te geven, maar het gaat onder andere over bijsturingen aan de communicatie, het aanvullen van de HyCap en het preventief verwijderen van deelvoertuigen.

De coördinatie vooraf is erg belangrijk. De veiligheidsdiensten zijn al sinds september in overleg, ter voorbereiding van de oudejaarsnacht van dit jaar, zoals zij dat voor alle grote evenementen doen.

Er werd volgens mijn informatie op het grondgebied van de politiezone Brussel Hoofstad-Elsene geen huisarresten of plaatsverboden opgelegd. Bovendien betreft dit een maatregel die desgevallend door de lokale autoriteiten dient te worden opgelegd. Het is pas wanneer dergelijke maatregelen worden opgelegd, dat het controleren en het vaststellen ervan mogelijk is.

Om brandweer en politie beter te beschermen, zal in het RCCR, het Regionaal Crisiscentrum, een geoptimaliseerd MCC, een multi-control center , met verantwoordelijken van de verschillende veiligheidsdiensten worden opgezet. Er wordt in het bijzonder voorzien in de begeleiding van de brandweer in verschillende waakzaamheidszones. Er zal ook een algemeen vuurwerkverbod worden uitgevaardigd door middel van een besluit van de minister-president. De communicatie, sensibilisering en preventie worden door safe.brussels gecoördineerd.

Bij vaststelling van gezichtbedekkende en/of andere vormen van anonimiserende kledij zal worden opgetreden, met name door identificatie en verbalisering, volgens het principe van opportuniteit en proportionaliteit, dit in overleg met de bestuurlijke en gerechtelijke autoriteiten.

Persoonlijk hecht ik veel belang aan een feestelijke nieuwjaarsavond. De gepaste maatregelen op het vlak van coördinatie en middelen zullen worden genomen.

Maaike De Vreese:

Mijnheer de minister, ik hoop dat uw diensten in contact staan met elkaar en verschillende vergaderingen organiseren om de situatie gezamenlijk onder controle te houden. We weten – we hebben dat ook al gezien bij de laatste betoging, maar daar zullen we straks nog over spreken – dat er steeds meer criminele feiten worden gepleegd door amokmakers die de boel gewoon op stelten willen zetten, zoals de extreemlinkse organisatie Code Rood. Zij grijpen ieder mogelijk moment aan om extremistische daden te plegen. Gezichtsbedekkende kledij is bijvoorbeeld een tactiek die wordt toegepast om zichzelf onidentificeerbaar te maken. We moeten daar komaf mee maken en er hard tegen optreden. We moeten immers kunnen vaststellen welke mensen voor welke daden verantwoordelijk zijn, zodat een daadwerkelijke strafvervolging kan plaatsvinden bij vandalisme in de hoofdstad. De Brusselaars en ook de rest van het land hebben recht op een rustige en gecontroleerde oudejaarsnacht. Daarvoor moeten nu alle voorbereidingen worden getroffen.

Het structurele tekort bij de luchtvaartpolitie en de wachttijden aan de grenscontrole
De toekomst van Brussels Airport
Capaciteitsuitdagingen in luchtvaartveiligheid en luchthavenontwikkeling

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 21 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De structurele wachttijden van gemiddeld 3+ uur aan de grenscontrole op Brussels Airport (door personeelstekort van 23% bij de luchtvaartpolitie en fysieke capaciteitslimieten) ondermijnen de economische aantrekkelijkheid van de luchthaven, met waarschuwingen van multinationals, ambassades en luchtvaartpartners om Brussel te vermijden. Minister Quintin erkent het probleem en wijst op tijdelijke oplossingen (zomerplan met herverdeling personeel, 20% meer controleposten, Frontex-ondersteuning) en toekomstplannen (60 extra agenten tegen eind 2026, conclaaf over aantrekkelijkheid politiewerk), maar kritiek blijft dat dit onvoldoende en niet structureel is—met name door de dreigende vertragingen door het nieuwe EES-systeem en de onmogelijkheid om vluchtschema’s (hubfunctie) aan te passen. De kernkwestie blijft: te weinig grenscontroleurs, te trage oplossingen.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, u kent het probleem en u onderschat het zeker niet, daar ben ik mij van bewust. Het probleem blijft echter bestaan en sleept al zeer lang aan. Ik herinner mij de vele antwoorden en beloftes van minister Verlinden in de vorige legislatuur als minister van Binnenlandse Zaken. Zij was toen al op de hoogte van het probleem en kwam eveneens aandraven met allerlei maatregelen.

Ik moet echter vaststellen, mijnheer de minister, dat in de eerste helft van dit jaar de wachttijden aan de grenscontrole gemiddeld opliepen tot 194 minuten; dat is meer dan drie uur. Het klopt dat u in juni een zomerplan hebt gelanceerd, maar ook in de zomermaanden bleven er pieken, wat gezien de drukte begrijpelijk is. Men moet echter voorbereid zijn op wat komt, en toch waren er nog altijd pieken tot twee uur. Dit moet, mijnheer de minister, kordaat worden aangepakt met een aantal structurele maatregelen op korte en middellange termijn. Daarover gaan ook mijn vragen.

Hoe zal men vooral de capaciteit van de luchtvaartpolitie opschalen? Op dit moment zijn er – als ik mij niet vergis – ongeveer 200 grenscontroleurs, terwijl dat er op papier eigenlijk 250 moeten zijn. Zult u daar iets concreets mee doen? Is er een invulplan om dit actuele tekort weg te werken? En is het mogelijk om een aantal niet-kerntaken van de luchtvaartpolitie over te dragen aan andere diensten om de grenscontrole te vrijwaren? Ik denk dat we ons ervan bewust moeten zijn dat grenscontroleurs een zeer belangrijke taak vervullen voor ons land, niet het minst omdat het een risicovolle opdracht is. Ik denk dat we daar alle aandacht naartoe moeten laten gaan.

Jeroen Bergers:

Beste minister Quintin, Brussels Airport Zaventem is niet alleen een interessante plek voor toeristen die via Brussel op reis willen vertrekken of die Brussel willen bezoeken, het is tevens een van de belangrijkste economische motoren van ons land. Brussels Airport Zaventem is bijgevolg ook een zeer belangrijke werkgever in ons land. Het is zelfs de grootste private werkgever van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Enkel de overheid stelt meer mensen te werk in onze hoofdstad.

Het lijkt de N-VA-fractie niet meer dan normaal dat we die economische activiteiten ondersteunen en zelfs uitbreiden. Wij merken echter verschillende signalen op dat de luchthaven steeds minder als een aantrekkelijke partner wordt gezien. De grensproblematiek, die zijn toppunt bereikte na de recente cyberaanval, is een probleem dat al lange tijd aansleept en vormt een centraal punt in de kritiek op de werking van onze luchthaven. Volgens onze informatie – ik vraag me af of die correct is, maar dat zal ik ongetwijfeld van u horen – is er bij de grenscontroles een tekort van ruim 110 personeelsleden. Verder kampt de luchtvaartpolitie op de luchthaven van Zaventem met een personeelstekort van maar liefst 23 %. U gaf zelf al aan dat het heel moeilijk is om agenten te werven die Nederlands spreken. In hetzelfde artikel maakte u gewag van een zomerplan van de federale politie dat de capaciteitstekorten in de komende piekperiode had moeten oplossen.

Enkele zorgwekkende signalen die ons hebben bereikt, wijzen erop dat de Port of Singapore Authority, die nauw samenwerkt met de Antwerpse haven, waarvoor onlangs ook een rechtstreekse verbinding werd geopend tussen Singapore en onze luchthaven, aan haar personeel de boodschap meegeeft: vlieg niet via Brussel, maar via Parijs of Schiphol, want in Brussel moet men te lang in de wachtrij staan. Verschillende westerse ambassades adviseren hun onderdanen en medewerkers om niet via Brussel te reizen. Meerdere multinationals met grote activiteiten en investeringsplannen in België hebben ons eveneens gecontacteerd om te wijzen op de lange wachttijden, die het minder aantrekkelijk maken om in ons land te investeren.

Tot slot krijgt BAC van bepaalde luchtvaartmaatschappijen geen nieuwe, bijkomende intercontinentale verbindingen zolang die problemen niet zijn opgelost. Ik denk dan in het bijzonder aan verbindingen met de westkust van Amerika. Dat is toch redelijk problematisch. Ik neem aan dat u dit als voormalig diplomaat zeker begrijpt.

Wanneer zowel de economische als de investeringsaantrekkelijkheid daalt, zal de luchthaven in de problemen komen en dat moeten we vermijden. Daarom is het belangrijk dat we het personeelstekort terugdringen, dat we kwalitatief personeel aanwerven en dat we deze problemen kunnen oplossen.

Hoe evalueert u deze problemen? Hebt u daar weet van? Welke maatregelen neemt u om deze problemen te verhelpen? Hoe staat het ondertussen met het rekruteringsbeleid? Wat is uw evaluatie van het zomerplan dat werd uitgetekend? Heeft dat voor extra personeel op de werkvloer gezorgd?

Bernard Quintin:

Mijnheer Bergers, de versterkingsstrategie van de luchtvaartpolitie en bij uitbreiding de federale politie, zoals voorzien in het regeerakkoord, is concreet vertaald in het strategisch plan van de federale politie. Momenteel wordt de laatste hand gelegd aan het plan voor de selectie en opleiding van versterkingen. Concreet is het de ambitie om tegen eind 2026 ruim 60 bijkomende personeelsleden bij de LPA aan het werk te krijgen.

De aantrekkelijkheid van bepaalde functies is zonder twijfel een belangrijk aandachtspunt, waaraan ik bijzondere aandacht besteed. Deze kwestie zal worden besproken tijdens een conclaaf dat tegen het einde van dit jaar zal worden georganiseerd, met als doel om, in overleg met alle partners, de nodige en haalbare maatregelen te identificeren om de aantrekkelijkheid van de geïntegreerde politie als geheel te versterken. In het kader van het strategisch plan van de federale politie worden de personeelsaantallen van de luchtvaartpolitie versterkt. In dit verband wordt er bijzondere opvolging voorzien door zowel de federale politie als door mijzelf.

Tijdens de drukke zomerperiode op Brussels Airport, vooral op de zogenaamde oranje en rode dagen met veel aankomende en vertrekkende passagiers, nam de federale politie extra maatregelen om alles vlot te laten verlopen. Om voldoende personeel te voorzien, werden op piekdagen eerst medewerkers van andere diensten van de luchtvaartpolitie op Brussels Airport ingezet. Als dat niet volstond, werd bijkomende versterking gevraagd aan andere federale eenheden, zoals de scheepvaartpolitie, de spoorwegpolitie, de Directie openbare veiligheid en het interventiekorps Halle-Vilvoorde. Het aantal controleposities voor aankomende passagiers werd met 20 % verhoogd, goed voor duizenden werkuren om alle posities permanent te kunnen bemannen.

Naast extra personeel werden ook de passagiersstromen beter georganiseerd, met als doel een efficiënte doorstroming en een optimaal gebruik van de beschikbare infrastructuur, zoals de automatische grenscontrolepoorten aan de e-gates. De passagiersstromen en wachttijden werden live opgevolgd dankzij de samenwerking met Brussels Airport en de digitale tools die door de luchthaven ter beschikking werden gesteld. Tot slot werd, vóór de start van het zomerplan, geïnvesteerd in de opleiding van personeel van andere eenheden tot assistent-grenswachter, zodat die diensten tijdens de zomerperiode konden worden ingezet als versterking.

Het ontstaan van wachtrijen blijft echter mogelijk. De oorzaak daarvan is multifactorieel en verbonden aan de intrinsieke realiteit van een internationale luchthaven zoals Brussel Nationaal. Dat betekent niet dat er geen ruimte meer is voor verbetering, integendeel. Net als u wil ik dat wachtrijen vermeden worden. Daarom leg ik de laatste hand aan het structurele rekruteringsplan van de LPA. Ik moet wel herhalen dat we momenteel te maken hebben met een tekort van 23 % bij de LPA in Brussel Nationaal. Die situatie is gewoonweg onwerkbaar. Dat is geen nieuwe werkelijkheid, maar ik werk er concreet aan.

Het spreekt voor zich dat de toekomstige politiemensen perfect opgeleid moeten zijn, want zoals u in uw vraag aangeeft, is het absoluut noodzakelijk dat de controles streng en doeltreffend blijven. Alle passagiers die zich aanbieden aan de grenscontrole worden systematisch onderworpen aan de noodzakelijke controles, zoals opgelegd door de Schengengrenscode. Daarnaast werd op 12 oktober gestart met de gefaseerde ingebruikname van het Entry Exit System (EES). Dat geautomatiseerde Europese informatiesysteem registreert de gegevens van reizigers uit derde landen – ongeacht of ze een visum hebben of vrijgesteld zijn – telkens wanneer ze een buitengrens van de Europese Unie overschrijden. Het systeem zal bijdragen tot het voorkomen van illegale migratie en het verhogen van de veiligheid van Europese burgers.

Zoals eerder aangegeven, past de federale politie een operationeel versterkingsmechanisme toe waarmee het mogelijk is het nodige aantal grenscontroleurs in te zetten om de controleposten te bemannen, in overeenstemming met de operationele behoeften. Bovendien zal door de implementatie van de rechtsgrondslag die het mogelijk maakt van Frontex-agenten gebruik te maken ook een versterking van de LPA mogelijk worden.

Al sinds september is er een versterking van de escortmissie. We willen in de komende maanden een dergelijke Frontex-versterking implementeren die gericht is op grenscontrole. We blijven hierover ook overleggen met Brussels Airport Company.

Tot slot wil ik nog vermelden dat de inspanningen die sinds juni geleverd zijn, geleid hebben tot verbeteringen die door Brussels Airport Company erkend worden. We moeten echter blijven doorgaan, en dat doen we ook in samenwerking met de uitbater. Ik wil toch benadrukken dat iedereen zijn job moet doen. Ik denk dat ik met het zomerplan mijn job heb gedaan, net als de federale politie.

Voor degenen die vluchten hebben genomen, ik was zelf vaak aanwezig op vluchten vanuit Afrika tijdens mijn carrière. Er zijn veel vluchten die op hetzelfde moment aankomen vanuit Afrika en de Verenigde Staten van Amerika. Als er zeven, acht of negen vliegtuigen aankomen met telkens 200 à 300 mensen aan boord, dan zijn er ook op zo’n moment maar twaalf controleposten beschikbaar. Dat is een fysieke beperking. Daarom heb ik ook aan de BCA gevraagd om de aankomst van de vluchten enigszins te reguleren. Op een bepaald moment is het immers fysiek onmogelijk om duizenden mensen tegelijk te ontvangen met slechts twaalf posten en de bestaande IT-systemen. Dat is dus ook een praktische moeilijkheid.

Tot slot wil ik erop wijzen, mijnheer Bergers, dat de cyberaanval van eind september betrekking had op het inchecksysteem van de luchthaven en niet op het grenscontrolesysteem. Die aanval heeft overigens ook andere Europese luchthavens getroffen. Het ging om een provider van de luchthaven die zelfs niet in België is gevestigd.

Ortwin Depoortere:

Dank u voor uw omstandig antwoord, mijnheer de minister. U zult het ermee eens zijn dat de maatregelen die u hier opsomt – wat u hebt ondernomen in 2025 tijdens de piekmaanden, namelijk het aantal controleposten, de verschuivingen binnen de federale politie en opleidingen die in sneltempo werden georganiseerd om mensen toch te kunnen inschakelen – misschien wel noodzakelijk waren op dat moment, maar dat het absoluut geen structurele maatregelen zijn.

U bevestigt het zelf vandaag: er is een tekort van 23 % bij de LPA, en u stelt daartegenover dat er eind 2026 60 bijkomende agenten zullen zijn bij de LPA. Dat is te weinig, denk ik. U zult een tandje moeten bijsteken. Zestig bijkomende LPA-agenten en vervolgens een conclaaf om te bekijken hoe de aantrekkelijkheid van de federale politie kan worden verhoogd… Met alle respect, maar ook dat zal de situatie op het terrein niet onmiddellijk oplossen.

Daarom vraag ik u nogmaals, mijnheer de minister – u hebt samen met ons dezelfde analyse gemaakt en de ernst van het probleem ingeschat – om in sneltempo te werken aan structurele maatregelen.

U somde een aantal andere elementen op die te maken hebben met externe factoren, waarmee wij trouwens akkoord gaan. Het EES-systeem hebben we, denk ik, zelfs unaniem goedgekeurd in de plenaire vergadering. Ik weet niet of het echt unaniem was, mijnheer Bergers, maar onze partijen zijn het daar alleszins volmondig mee eens. Dat is ook een goede zaak om onze binnengrenzen beter te beschermen.

Ik heb u niet helemaal begrepen, mijnheer de minister, toen het ging over de versterking via Frontex. Bedoelt u dat er nog regelgeving nodig is vooraleer we die Frontex-agenten kunnen inschakelen of kunnen wij die nu al inschakelen in het systeem? U knikt bevestigend. Dat doet mij uiteraard plezier.

Wat de regeling betreft die BIAC moet invoeren voor de aankomende vluchten, ik denk dat iedereen het daar wel over eens is, maar technisch is dat een heel andere kluif. Ik denk ook niet dat dat onder de bevoegdheid van de commissie voor Binnenlandse Zaken valt. Ik hoop evenwel dat dit ook een deeltje van de oplossing kan zijn, maar ik hamer erop dat er structurele maatregelen genomen moeten worden.

Jeroen Bergers:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

Het zal inderdaad nodig zijn om extra maatregelen te nemen als we die problemen echt willen oplossen. Uit de laatste gegevens bleek dat er acht medewerkers van Frontex actief zijn op de luchthaven. Is dat nog steeds het geval of is dat aantal al toegenomen? U knikt, dus dat is nog steeds het geval. Ik hoop dat het er een pak meer kunnen worden. Dat zal dan een van de maatregelen zijn, maar dat is nog steeds niet voldoende.

Het is heel belangrijk dat we daar snel stappen vooruit zetten omdat de implementatie van het EES-systeem dat u aanhoudt er vermoedelijk voor zal zorgen dat, zeker in het begin, de wachtrijen nog langer worden. Het is enorm belangrijk dat we die controles in heel Europa opvoeren, maar dat heeft een impact op de wachtrijen en daarom moet er ook voldoende capaciteit zijn om die toestroom aan mensen te verwerken.

U zegt dat BAC de vluchten moet herindelen, zodat er minder vluchten op hetzelfde moment toekomen. Ik kan begrijpen dat u dat zegt vanuit een reflex van gezond verstand, maar er zijn heel duidelijke redenen waarom dat zo wordt geregeld. Die vluchten, zeker vanuit Afrika, komen allemaal ’s ochtends op hetzelfde moment aan, omdat ze van de luchthaven van Zaventem naar de rest van Europa en zelfs naar andere continenten vertrekken. Dat is net de specialiteit van de luchthaven van Zaventem. In heel Europa is deze luchthaven er de beste in om die Afrikaanse vluchten hier binnen te halen en dan te zorgen voor de verdere verdeling.

Als die vluchten ’s ochtends niet op hetzelfde moment zouden kunnen binnenkomen, dan zou dat de economische troef van de luchthaven om ze door te spelen, om die interconnectieve hub te zijn, ondermijnen, wat volgens mij niet de bedoeling kan zijn. Het is dus echt belangrijk dat er capaciteit is om die controles naar behoren uit te voeren en ervoor te zorgen dat er geen ellenlange wachtrijen zijn.

Bernard Quintin:

Mijnheer Bergers, dit is een interessant debat, maar het is geen kwestie van capaciteit van de luchtvaartpolitie. Deze zomer waren er immers meer dan genoeg mensen om alle posten in te vullen.

Zaventem is inderdaad een hub, zeker vanuit Afrika naar de rest van de wereld, en het is heel belangrijk dat het dat ook blijft, maar het is een puur praktisch probleem gedurende de zomervakantie. U weet dat minderjarige kinderen niet door het EES mogen. Dat betekent dat heel de familie de 12 posten moet passeren.

Iedereen moet meewerken en iedereen werkt ook effectief mee. Ik kan veel dingen doen, maar ik kan niet alles oplossen.

Dat moet ook duidelijk zijn. Er zijn 12 posten omdat er onvoldoende ruimte is om er meer te voorzien. Dat is een fysieke realiteit.

Ik ben niet degene die beslist voor de BAC, maar nogmaals: wij werken goed samen. We hebben een goed overleg. Ik ben een man van overleg, dus ik overleg daar veel. We doen ons best.

Wat het conclaaf betreft, als het mogelijk is om daar meer dan 60 mensen heen te sturen, dan ben ik een gelukkige minister van Binnenlandse Zaken, bevoegd voor de federale politie. Er is echter een probleem met de aantrekkelijkheid van het politiewerk en dat is niet nieuw. Misschien ben ik de minister die de meeste aandacht aan dat probleem besteedt. Het conclaaf zal tegen het einde van het jaar plaatsvinden. Daar zal niets gewoon vastgesteld worden, maar zullen concrete maatregelen worden uitgevoerd.

Ortwin Depoortere:

Bedankt, mijnheer de minister. Ik heb geen verdere opmerkingen.

Jeroen Bergers:

Ik ook niet.

De grenscriminaliteit in Wervik en de federale ondersteuning voor grensbewaking

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 21 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De grenscriminaliteit in West-Vlaanderen en Henegouwen (inbraken, overvallen, georganiseerde misdaad) blijft een hardnekkig probleem door beperkte grensoverschrijdende achtervolgingen en een gevoel van straffeloosheid bij lokale bevolking. De minister bevestigt intensieve maar onvoldoende bilaterale samenwerking met Frankrijk (via Doornik II-akkoord, ANPR-camera’s, gemengde patrouilles en informatie-uitwisseling), maar benadrukt dat verdere verdieping nodig is, met name voor grensoverschrijdende opsporing en modernisering van technologie. Depoortere dringt aan op concretere, versnelde maatregelen—met name voor kleine criminaliteit zoals inbraken—en hoopt op uitbreiding van de huidige protocollen, geïnspireerd door strengere verdragen zoals die met Duitsland en de Benelux. De focus ligt op proactieve, geïntegreerde acties in plaats van reactief beleid.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, ik had een vraag ingediend over grenscriminaliteit, wat wellicht wat ongelukkig geformuleerd is qua titel. Ik had gezegd dat het ging over de grenscriminaliteit in Wervik, maar in werkelijkheid betreft het een fenomeen dat zich voordoet in verschillende gemeenten in West-Vlaanderen die grenzen aan Frankrijk. Het gaat dus niet enkel over de gemeente Wervik, maar wel degelijk veel ruimer.

Het is evenwel de gemeente Wervik die een aanhoudende stijging van inbraken en overvallen heeft gesignaleerd. Zij hebben u, mijnheer de minister, zelfs per brief gevraagd om structureel overleg met ons buurland om gezamenlijke acties en operationele maatregelen te nemen in die grenszone. Blijkbaar blijft het nog altijd moeilijk om criminelen die opnieuw de grens oversteken naar Frankrijk verder te achtervolgen. Dat is uiteraard een onhoudbare situatie voor de lokale bevolking. Het schept een sfeer van straffeloosheid die u, mijnheer de minister, samen met mij absoluut niet wilt.

Daarom vraag ik u welke maatregelen u al hebt genomen tegen deze grenscriminaliteit, ook in andere grensregio’s. Ik wil er zeker geen communautair steekspel van maken, want de Belgische grens met Frankrijk is uiteraard veel langer dan die van West-Vlaanderen alleen. Onderkent u dit probleem? In de vorige legislatuur heb ik ook minister Verlinden daar meermaals over ondervraagd. Ik vermoed dus dat er al het een en ander door uw voorgangster in kaart is gebracht. De vraag blijft hoe wij dat op het terrein kunnen realiseren.

Zijn er met Frankrijk protocollen afgesloten om gezamenlijk te kunnen patrouilleren en om informatie uit te wisselen? Is er een grensactieplan, eventueel met ANPR-camera’s, bewaking bij grensovergangen en sluiproutes? Voorziet u binnen de veiligheidsdienst extra middelen en concrete plannen om de grensveiligheid te verbeteren? Maakt u werk van bijkomende grenscontroles tegen criminaliteit? Ik dank u alvast voor uw antwoord.

Bernard Quintin:

Dank u, mijnheer de voorzitter. Wat de problematiek betreft die we kunnen omschrijven als grenscriminaliteit, is er vanuit de geïntegreerde politie bijzondere aandacht voor de opvolging van het fenomeen. Via beeldvorming en operationeel overleg wordt een concrete operationele aanpak bepaald. Er worden onder meer ontradende geïntegreerde acties op het terrein georganiseerd en gerechtelijke onderzoeken opgestart. Op politioneel niveau is er dagelijks grensoverschrijdende informatie-uitwisseling met Frankrijk via het Centrum voor Politie- en Douanesamenwerking. De uitwisseling van informatie in dossiers verloopt via de geijkte kanalen, zoals SIENA. De geïntegreerde politiesamenwerking met Frankrijk wordt gecoördineerd en gefaciliteerd vanuit de arrondissementen via de gerechtelijke en bestuurlijke directeurs. De bilaterale samenwerking krijgt vorm via verschillende strategische, tactische en operationele overlegfora, zoals het Strategisch Comité en de thematische werkgroepen.

Over het algemeen verloopt de samenwerking tussen de Belgische en de Franse politiediensten goed. Beide landen werken zeer nauw samen op tal van domeinen, waaronder de strijd tegen de georganiseerde drugscriminaliteit, mensensmokkel en terrorisme, op verschillende niveaus, binnen verschillende structuren en via verschillende mechanismen, waaronder Luxemburg en het Grensinformatienetwerk (GIN), dat wordt gebruikt voor de exploitatie van zogeheten restinformatie met betrekking tot grensoverschrijdende criminaliteit.

Structureel overleg over deze samenwerking vindt plaats binnen de drie overlegstructuren voorzien in het Akkoord van Doornik II, namelijk het Strategisch Comité, de operationele werkgroep en de lokale overlegfora in de grensstreek – de zogenoemde bassins de criminalité – waar problemen inzake grensoverschrijdende interventies kunnen worden besproken. In het bijzonder kan worden verwezen naar de werkgroepen binnen het kader van de GTO inzake transmigratie, drugs, motorbendes, grote evenementen en grensoverschrijdende achtervolgingen.

De samenwerking in de grensstreek is in ieder geval reeds zeer intensief, maar kan inderdaad nog verder worden uitgebreid en verdiept. Het Akkoord van Doornik II biedt, samen met andere internationale rechtsinstrumenten, een wettelijke basis voor diverse vormen van samenwerking tussen België en Frankrijk, zoals de organisatie van gemengde patrouilles en controles in de grensstreek, die rechtstreeks tussen de bevoegde diensten ter plaatse kunnen worden opgezet. Toch reikt het veel minder ver dan het Benelux-politiesamenwerkingsverdrag van 31 juli 2018 en het nieuwe verdrag met Duitsland, dat werd ondertekend op 29 april 2024, maar nog niet in werking is getreden.

Alvorens verdere stappen te zetten en formele onderhandelingen op te starten, wenst België er echter zeker van te zijn dat het nieuwe verdrag een oplossing zal bieden voor verschillende moeilijkheden waarmee de politiediensten voortdurend geconfronteerd worden, in het bijzonder wat grensoverschrijdende achtervolgingen betreft. Het recht inzake grensoverschrijdende achtervolgingen is immers een belangrijk element om de veiligheid in de grensstreek te garanderen.

Er is een globaal plan in opmaak om het ANPR-park van onze politiediensten te moderniseren en uit te breiden. De modernisering, en daarmee ook de stabilisering, van het huidige ANPR-platform is al gestart. In de komende maanden zullen we de functionaliteiten die door de politiediensten worden gebruikt verder moderniseren.

De vernieuwing van het ANPR-camerapark is eveneens begonnen. Zowel de vernieuwde camera als de nieuwe site zal worden geplaatst in overleg met de betrokken politiediensten, op basis van operationele risicoanalyses. Verschillende directies en diensten van de federale politie, namelijk vanuit de arrondissementen, via de gerechtelijke en de bestuurlijke directeurs, leveren steun en coördinatie aan de lokale politie en faciliteren de informatiedeling tussen alle betrokken actoren om bijkomende veiligheid in de grensstreek te versterken.

Wat de grensstreek in de arrondissementen van West-Vlaanderen en Henegouwen betreft, worden er op bilateraal niveau tal van gemeenschappelijke acties tussen de Belgische en de Franse diensten georganiseerd, zowel op regelmatige basis als op ad-hocbasis naar aanleiding van gerichte beeldvorming, zoals de zogenaamde FUTURE-acties, waaraan ook de spoorwegpolitie deelneemt, en de Etoile-acties.

Ook worden bijzondere patrouilles met inzet van de wegpolitie opgezet in de strijd tegen grenscriminaliteit. Het is de bedoeling in de toekomst nog andere gezamenlijke acties te organiseren, met name in de strijd tegen diefstal en geweld. De bevoegde diensten van de federale politie stellen periodiek informatierapporten op over de grenscriminaliteit, zoneoverschrijdende beeldvorming met een overzicht van de feiten, recente tendensen, modi operandi enzovoort in de betrokken arrondissementen, en bezorgen deze daarna aan alle betrokken diensten.

Er vindt tot slot ook een operationeel overleg plaats tussen de lokale politiezones in de grensregio’s en de betrokken diensten van de federale politie, namelijk de federale gerechtelijke politie en het arrondissementele informatiekruispunt.

De grenscontroles van de politie in de strijd tegen criminaliteit, overlast en illegaliteit gebeuren binnen het Schengen- en EU-beleidskader ter bestrijding van grensoverschrijdende criminaliteit. De federale inspanningen in West-Vlaanderen illustreren dat dit beleid niet enkel reactief, maar vooral proactief en geïntegreerd wordt gevoerd.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, mijn dank voor de uitgebreide opsomming van acties en plannen die momenteel al worden uitgevoerd. Ik hoop dat dit – zoals u zelf terecht aanhaalt – in de toekomst nog uitgebreider kan worden opgevolgd en dat er nog meer en intensiever met Frankrijk zal worden samengewerkt, zeker wat betreft de grensoverschrijdende achtervolgingen. Dat blijkt immers een groot probleem te zijn voor de politiezones in die regio. Het gaat immers niet alleen over georganiseerde criminaliteit, mensensmokkel, transmigratie of drugs, maar soms ook over inbraken en overvallen door grensoverschrijdende dadergroepen. Net daarom is het belangrijk dat men dergelijke patrouilles kan opzetten en dat het voor onze politiezones gemakkelijker wordt om grensoverschrijdende achtervolgingen in te zetten. Ik zal uw antwoord zeker grondig nalezen, want het is een problematiek die vele grensgemeenten met Frankrijk zeer nauw aan het hart ligt.

De federale gerechtelijke politie van Charleroi

Gesteld door

lijst: PS Éric Thiébaut

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 21 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De politiejudiciële federale (PJF) in Charleroi kampt met een tekort van 31 agenten (op 244) en zwakke capaciteit (met name bij drugsonderzoeken), wat de bestrijding van georganiseerde criminaliteit ondermijnt. Minister Quintin belooft een groeitraject tot 218 medewerkers (2026), prioritaire versterking voor Brussel, Antwerpen, DSU en LPA, en een herziening van starre personeelsplannen om flexibeler in te spelen op veiligheidsuitdagingen, maar concrete budgettaire toezeggingen ontbreken nog. Thiébaut kritiseert vertragende evaluaties (zoals onder vorige ministers) en dringt aan op snelle financiële actie en herstel van geschrapte premies/overuur om het aantrekkingsvermogen van de PJF te herstellen. Quintin benadrukt lopende onderhandelingen over arbeidsvoorwaarden maar geeft geen directe oplossingen voor de structurele onderbezetting en attractiviteitsproblemen.

Éric Thiébaut:

Monsieur le ministre, la police judiciaire fédérale est un maillon central de la lutte contre la criminalité dans notre pays. Nous nous souvenons tous et toutes du cri d'alarme des plus hauts magistrats du pays, ainsi que du directeur général du pilier judiciaire de la police fédérale, devenu entre-temps, commissaire général. Il nous a présenté une vision stratégique importante, il y a quelques jours, en cette commission.

Force est de constater que si l'actualité pointe à raison régulièrement le besoin de renforts à la PJF de Bruxelles et d'Anvers, face à la criminalité liée essentiellement aux réseaux de drogue, la situation à Charleroi est également critique. Charleroi est la première ville de Wallonie. Il manque près de 40 enquêteurs sur un effectif prévu d'environ 200 personnes. Cela déforce toute la chaîne de sécurité dans la région de Charleroi. À titre d'exemple, la section stupéfiants de la PJF de Charleroi s'avérerait être l'une des sections les moins dotées de notre pays dans cette matière. Ce manque de moyens et de capacité compromet l'efficacité de la lutte contre le crime organisé et le démantèlement des réseaux dans cette région.

Monsieur le ministre, face à cette situation inquiétante, quels sont vos engagements en termes budgétaires et de ressources humaines pour combler le cadre de la PJF de Charleroi, voire le renforcer? Quel en serait l'agenda? Pouvez-vous également me faire le point des recrutements et effectifs dans les autres PJF du pays? Le ministre Jambon avait supprimé de nombreuses primes impactant durement les recrutements et l'attractivité de la PJF, alors que le travail y est particulièrement complexe et lourd. Les heures supplémentaires ont été suspendues, ce qui réduit également fortement la flexibilité opérationnelle. Qu'allez-vous faire pour améliorer cette situation en concertation notamment avec les syndicats policiers?

Bernard Quintin:

Je vous remercie pour votre question, monsieur Thiébaut.

En ce qui concerne les chiffres, fin septembre 2025, la police judiciaire fédérale de Charleroi comptait plus de 213 collaborateurs pour un cadre fixé à 244. Nous avons donc un déficit réel de 31 collaborateurs. Lors du dernier cycle de mobilité, le nombre d’emplois ouverts a été de six. Il s’agit concrètement de six postes, dont deux pour la lutte contre les drogues. Les autres concernent l’Ecofin, Terro et les violences au sein de la PJF.

Comme vous le savez, l’accord de gouvernement prévoit un renforcement structurel des PJF d’Anvers et de Bruxelles, de la Direction des Unités Spéciales (DSU), ainsi que de la Direction de la Police Aéronautique (LPA) de l’aéroport de Bruxelles-National. J’ai décidé d’y ajouter la question de la réserve fédérale, car après neuf mois, je me rends compte – et j’ai eu l’occasion de le dire dans d’autres réponses – que cette réserve fédérale, au sens large du terme, n’est plus suffisante pour assurer une mobilisation efficace, notamment face aux différents défis, y compris les défis nouveaux auxquels la police doit faire face. Cela signifie donc un renforcement prioritaire pour trois services de la police judiciaire fédérale. La DSU, comme vous le savez, dépend également de la PJF.

Une trajectoire de croissance a été élaborée à cet effet, jusqu’à fin 2026. Des objectifs ont aussi été fixés pour les autres services. Une trajectoire de croissance spécifique a été définie pour la PJF de Charleroi, avec pour objectif d’atteindre 218 collaborateurs, dont 182 opérationnels et 36 au cadre logistique.

L’accord de gouvernement prévoit également une évaluation de la charge de travail au sein de la police judiciaire fédérale. Celle-ci a été lancée, et les résultats sont attendus pour la mi-2026. Cela permettra de prendre les mesures nécessaires afin d’adapter au mieux les capacités disponibles aux besoins opérationnels.

Je tiens également à rappeler que la capacité de la police fédérale est encore gérée sur la base de tableaux organiques, datés et rigides, qui ne correspondent plus aux besoins actuels. L’objectif est de traduire les besoins de l’organisation – répartition des capacités, profils requis, etc. – dans un plan de personnel qui fixe les orientations pour les années à venir, mais qui puisse aussi être adapté rapidement en fonction de l’évolution des phénomènes de sécurité et des moyens disponibles. Cela nécessitera toutefois une adaptation du cadre réglementaire, avec toutes les concertations qui y sont liées. J’ai demandé à la police fédérale de se pencher sur cette question.

Enfin, je suis particulièrement attentif, comme vous le savez, à l’attractivité du métier de policier. Vous avez évoqué la question des primes. C’est évidemment un élément qui sera sur la table lors du conclave. Plus j’en parle, plus je mesure l’ampleur de la tâche, et plus il me paraît absolument essentiel de la mener à bien pour répondre aux exigences et aux attentes liées à ce beau métier.

Éric Thiébaut:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses. Je dirais simplement qu'avant vous, il y avait une ministre de l'Intérieur qui a aussi lancé beaucoup d'évaluations. Avant de prendre des décisions, on lançait constamment des évaluations et, une fois les évaluations terminées, il n'y avait jamais vraiment de conclusion ni d'action. J'espère, dès lor,s que vous ne vous engagez pas dans cette voie-là.

Bernard Quintin:

Je crois déjà vous avoir prouvé le contraire!

Éric Thiébaut:

J'espère que les évaluations ne dureront pas trop longtemps et, surtout, que vous parviendrez à convaincre vos partenaires de la nécessité de financer correctement la police fédérale, pas seulement pour Bruxelles ou Anvers mais aussi pour Charleroi qui est la plus grande ville de Wallonie.

De minister van Defensie, die vindt dat de politie moet kunnen schieten op betogers
De geweldbeheersing tijdens betogingen en de voorbereiding op toekomstige manifestaties
De betoging van 14 oktober
De minister van Defensie, die vindt dat de politie moet kunnen schieten op betogers
Geweldsbeleid, betogingen en politieoptreden in België

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 21 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om het gebruik van het controversiële wapen FN 303 en de escalatie van politiegeweld tijdens betogingen, met name na de gewelddadige incidenten op 14 oktober. Minister Quintin benadrukt dat vreedzaam betogen een recht is, maar geweld onaanvaardbaar, en dat de FN 303 enkel mag worden ingezet in noodweer—nooit willekeurig tegen betogers—terwijl hij dialoog, preventie en gerichte sancties voorstaat. Kritiek komt van oppositieleden: Vandemaele vreest dat het wapen escalatie veroorzaakt en de veiligheid van *zowel* betogers als agenten ondermijnt, De Vreese eist strengere maatregelen tegen gewelddadige infiltranten (zoals black blocs) en een duidelijk kader voor "less lethal weapons", terwijl Maouane politiegeweld tegen families en kinderen aan de kaak stelt, inclusief illegale methodes (zoals *nasses*), en waarschuwt voor een afglijden naar een ultrasecuritaire staat onder invloed van Francken’s retoriek. De kernspanning: veiligheid vs. grondrechten, met een dringende oproep tot proportioneel optreden en betere afbakening van wapengebruik.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, ik bedank u dat u nog aanwezig bent gebleven om onze vragen te beantwoorden, zodat we die niet pas over enkele weken kunnen stellen.

Ik ben nogal geschrokken van de toon van uw collega-minister Francken, die vorige week onomwonden verklaarde de FN 303 te willen gebruiken om op betogers te schieten. Daar komt zijn uitspraak in essentie op neer.

Dat wapen heeft wereldwijd al tientallen doden veroorzaakt en talloze mensen blijvend verminkt. We hebben bovendien expliciet ervoor gekozenom dat wapen niet in te zetten voor het beheer van de openbare ruimte. Toch wil minister Francken het nu gebruiken, eigenlijk om het grondrecht op betogen aan te vallen en gewoon op betogers te schieten.

Gelukkig was Les Engagés er, want voor een verklaring in de pers is Les Engagés altijd present. Ik weet niet of de partij even actief is in de ministerraad. In elk geval verklaarde de heer Nuino dat het gebruik van dat soort wapens “zeer controversieel en uitzonderlijk gevaarlijk” is en denkt hij “dat we allemaal samen andere manieren moeten vinden om het geweld te bestrijden,” waarmee ik hem citeer.

Enerzijds verklaart Les Engagés dat men de FN 303 niet zal inzetten tegen betogers, maar anderzijds vindt minister Francken: laat ons maar knallen op betogers.

Mijnheer de minister, mijn vragen zijn heel eenvoudig. Wat is het regeringsstandpunt over het inzetten van de FN 303 voor de handhaving van de openbare orde? Vindt u het een goed idee om op betogers te schieten? Zodra men dat wapen mag gebruiken, betekent dat immers dat men daadwerkelijk op betogers zal schieten.

De vraag is dus of dat een goed idee is. De-escaleren we de situatie door dat wapen toe te laten voor het beheer van betogingen, of escaleren we juist? Brengen we de veiligheid van betogers die met rellen niets te maken hebben, mogelijk in gevaar? Brengen we de politieagenten die dat wapen gebruiken of aanwezig zijn tijdens zulke manifestaties mogelijk nog meer in gevaar?

Ik herhaal nogmaals dat ik er geen enkel probleem mee heb dat wordt opgetreden tegen de kleine groep betogers of mensen die betogingen misbruiken om hun erg radicale agenda door te drukken met geweld. Daar kunnen we niet in meegaan. U hebt volkomen gelijk dat we daartegen moeten optreden. We kunnen dat niet tolereren. Ik ben een democraat in hart en nieren. Geweld is nooit aanvaardbaar.

Als we dat standpunt huldigen, rijst de vraag natuurlijk hoe we ervoor zorgen dat we niet in overdrive gaan als we de agenten bewapenen met wapens die volgens mij meer schade zullen berokkenen dan ze goed zullen doen. Ik kijk uit naar uw antwoorden.

Maaike De Vreese:

Minister, de nationale betoging op 14 oktober heeft duidelijk gemaakt dat verdere escalatie nauwelijks nog mogelijk is. De situatie was volledig geëscaleerd en de mensen van de Dienst Vreemdelingenzaken in het gebouw aldaar waren daarvan het grote slachtoffer. We spreken niet alleen over vandalisme – dat woord is hier eigenlijk een eufemisme – aangezien 44 ruiten werden vernield, de hoofdingang werd afgebroken en een brandend voorwerp in de inkomhal werd gegooid.

We hebben allemaal die beelden gezien, het was werkelijk een verschrikking. Niet alleen mensen van de Dienst Vreemdelingenzaken waren daar aanwezig, er vond op dat moment ook een opleiding plaats voor vrijwillige voogden. Hoe zullen we nog mensen kunnen aantrekken om dat werk te doen als dit de situatie is waarmee zij worden geconfronteerd?

De Dienst Vreemdelingenzaken krijgt inderdaad de nodige psychologische begeleiding, maar ik vraag me af wat er op voorhand gebeurd is. Was het bijvoorbeeld op voorhand duidelijk dat de betoging of bepaalde extremistische groepen zich zouden richten op de Dienst Vreemdelingenzaken? Waren zij een doelwit? Ik krijg daar vragen over. Hoe zullen we voorkomen dat de Dienst Vreemdelingenzaken bij een volgende betoging opnieuw een doelwit wordt? Hoe zullen we ervoor zorgen dat die mensen in veilige omstandigheden kunnen werken?

Het parket heeft intussen meerdere onderzoeken geopend. Het staat vast dat een zeer specifieke groep bewust gebruikmaakte van de manifestatie om gewelddaden te plegen volgens een duidelijke modus operandi. Ze waren volledig in het zwart gekleed, onherkenbaar, en mengden zich anoniem in de manifestatie om criminele feiten te plegen. Dit zijn geen gewone betogers. Dit zijn mensen die misdrijven plegen onder het mom van een extreemlinkse signatuur. Er wordt zelfs een link gelegd met de CCC van vroeger. We weten allemaal welke vreselijke periode dat was in onze geschiedenis.

Minister, er komen waarschijnlijk nog betogingen aan in november. De vraag rijst dus hoe onze ordediensten zich zullen en kunnen voorbereiden om enerzijds – daar zijn we het met minister Francken over eens – het democratische recht op betogen te vrijwaren en anderzijds de veiligheid van burgers, ambtenaren en ordediensten te garanderen. Ik heb het ook over de veiligheid van de betogers zelf, collega Vandemaele.

Mijnheer de minister, welke evaluatie heeft uw departement gemaakt van de geweldbeheersing tijdens de betoging van 14 oktober? Welke maatregelen neemt u in aanloop naar toekomstige betogingen? Minister Francken heeft na de incidenten gepleit voor een ruimere inzet van less than lethal weapons , de FN 303 bijvoorbeeld, tegen relschoppers. Hoe staat u tegenover die oproep? Welke preventieve maatregelen worden genomen, in samenspraak met de organisatoren van betogingen, om infiltratie door gewelddadige groeperingen tegen te gaan?

Rajae Maouane:

Monsieur le ministre, ce mardi 14 octobre, des milliers de citoyennes et citoyens se sont rassemblés à Bruxelles – une mobilisation syndicale, associative et citoyenne très, très large – pour dénoncer la politique brutale du gouvernement Arizona. Le chiffre de 140 000 personnes est avancé, même s'il fait débat. Ils étaient en tout cas des dizaines de milliers à défiler, parfois dans une ambiance familiale, avec des parents, des poussettes, des associations, des travailleurs et travailleuses qui, pour certains, n'étaient même pas affiliés à un syndicat.

Pourtant, cette manifestation a été marquée par des scènes d'une violence policière que l'on n'avait plus vues depuis très longtemps: des gaz lacrymogènes, des matraques, des grenades fumigènes. Des images, des vidéos et des témoignages accablants ont circulé, y compris de journalistes ou même d'élus présents sur place. Des gaz lacrymogènes ont été tirés à hauteur du Boulevard Pacheco et du Mont des Arts, touchant indistinctement des manifestants pacifiques, des bénévoles et même des enfants. Une mère de famille témoigne avoir été gazée alors qu’elle se trouvait à un stand avec son bébé dans un porte-bébé; une autre vidéo montre un enfant de 4 ans suffoquant dans un nuage de gaz. Après la dislocation de la manifestation, des agents de police, toujours sans matricule visible, s'en sont pris à des personnes dans la rue, parfois des touristes, au niveau de la gare Centrale, dans les Marolles ou encore à Saint-Gilles.

Monsieur le ministre, comment peut-on accepter aujourd'hui en Belgique que des enfants et familles, venus manifester pacifiquement, soient pris dans des gaz lacrymogènes? Quelles consignes ont été données aux agents avant et pendant cette opération? Et quelles instructions en matière de proportionnalité? Comment expliquez-vous que des manifestants aient été nassés, alors que la Belgique a précisément déjà été condamnée pour cette pratique?

Des enquêtes administratives ou judiciaires ont-elles été ouvertes à la suite des multiples témoignages et des images publiées par la presse? Enfin, comptez-vous réviser les protocoles d’intervention lors des manifestations pour garantir que, plus jamais, des familles et des enfants, des citoyennes et citoyens venus défendre leurs droits, ne soient exposés à ce type de violences?

Ma seconde question est relative aux propos de M. Francken. Au lendemain de cette manifestation marquée par des témoignages alarmants de violences policières, les déclarations publiques du ministre de la Défense, M. Francken choquent profondément. Celui-ci a affirmé que la police aurait dû, je cite, “utiliser le FN 303 contre ces voyous, comme le fait la police de Los Angeles, visant directement des manifestants qualifiés pour lui d'antifas d'extrême gauche”.

Pour rappel, le FN 303, est une arme à air comprimé dite à létalité réduite, fabriquée en Belgique, dont l'usage, y compris par les forces de police, est strictement encadré. Son emploi doit rester exceptionnel car elle peut provoquer des blessures graves et même des décès, comme l'ont documenté Amnesty International et d'autres organisations de défense des droits humains.

Monsieur le ministre, ces propos absolument scandaleux appellent des clarifications claires et urgentes. Comment réagissez-vous aux déclarations de votre collègue de la Défense qui semble légitimer un emploi renforcé de la force armée dans le cadre du maintien de l'ordre? Quelle est la position du gouvernement sur l'utilisation du FN 303? Des instructions claires ont-elles été transmises aux zones de police pour éviter toute dérive dans l'usage de ces armes dites non létales? Et enfin, partagez-vous l'inquiétude des nombreuses ONG et des parlementaires face à ce glissement rhétorique dangereux qui assimilent des manifestants à des ennemis intérieurs et banalisent l'idée de leur tirer dessus?

Bernard Quintin:

Madame Maouane, vous avez fait une petite incise sur les chiffres. D'aussi loin que je me souvienne, et comme je suis un petit peu plus âgé, il existe a toujours une discrépance entre les chiffres des organisateurs et de la police. C'est ainsi. Parfois, la discrépance est plus grande. Les accusations portées par des responsables syndicaux contre ma personne, selon lesquelles j'aurais donné des instructions de manipuler ces chiffres, sont évidemment tout à fait inacceptables. Les questions posées ici traduisent des visions très différentes quant à la gestion de l'ordre public. Certains plaident pour une approche plus ferme du maintien de l'ordre, tandis que d'autres insistent sur la nécessité de retenue et de proportionnalité. Comme vous le savez, je suis le ministre de la Sécurité de l'Intérieur. À ce titre, dans le cadre que me donnent la Constitution et les lois, je suis le garant de l'ordre et de la sécurité publique.

Manifester est un droit qui doit être et rester garanti. Je l'ai répété, je le répéterai et j'y veillerai. Mais aucune forme de violence, d'où qu'elle vienne, ne sera jamais tolérée dans notre pays. La Belgique a choisi un modèle de gestion négociée de l'espace public, le fameux GNEP, fondée sur la concertation, la proportionnalité et la désescalade.

Ce modèle, reconnu en Europe, reste la référence de nos services et les informations que j'ai pu recevoir de PolBru – puisque le gold commander était le chef de corps de PolBru – me confirment que les méthodes utilisées correspondent à cette gestion négociée de l'espace public dans un cadre légal et proportionné.

On constate partout, cependant, en Belgique comme à l'international, que, même dans les situations les plus tendues, il est essentiel de maintenir une ligne de dialogue et de sang-froid, ce qui ne signifie en aucun cas qu'il faille céder ni tolérer quelque forme de violence ou de provocation.

Les événements du 14 octobre 2025 ont révélé la présence de groupes radicaux, préparés et coordonnés, qui exploitent de manière croissante les manifestations pacifiques pour commettre des actes de violence ciblés contre des institutions et les symboles de l'État, in casu le bâtiment de l'Office des étrangers, entre autres.

Les services de police observent que ce phénomène s'intensifie également dans plusieurs pays voisins. Ces groupes utilisent les réseaux sociaux et les canaux numériques pour se coordonner, diffuser leurs messages et recruter. Ils cherchent à polariser la société et à détourner l'essence même des manifestations.

En coordination avec le Centre de crise national, la police adapte ses dispositifs et poursuit l'analyse des événements du 14 octobre afin d'en tirer toutes les leçons utiles.

Ik wil heel duidelijk zijn, schade aan het openbaar domein en aan privé-eigendommen of overheidsgebouwen is onaanvaardbaar. Wie tijdens een betoging schade veroorzaakt of geweld gebruikt, moet streng worden aangepakt.

Ik heb er alle vertrouwen in dat de politie de zaak grondig zal onderzoeken en dat Justitie kordaat zal optreden.

Voor de komende betogingen heb ik de politie gevraagd strengere begeleidende maatregelen te overwegen, met respect voor het recht op betoging. Het doel is het beter inschatten van de risico’s, de versterking van de coördinatie met de organisatoren en het beter afstemmen van de inzet van middelen op nieuwe vormen van mobilisatie en geweld.

Je souhaite également renforcer la capacité d’anticipation de la police en donnant un cadre légal à l’usage de l’ Open Source Intelligence (OSINT), qui consiste à collecter et analyser des informations issues de sources publiques et accessibles à tous afin d’identifier à temps des signaux de préparation de violences ou d’infiltrations.

L’objectif est de doter la police de moyens d’analyse moderne et proportionnée pour mieux prévenir les risques avant qu’ils ne dégénèrent.

Het wordt tijd om de 21e eeuw binnen te treden.

S'agissant des armes à létalité réduite, telles que le FN 303, j'aimerais rappeler à ceux ou à celles qui ne le sauraient pas que notre police dispose déjà de ce type de matériel. J'aimerais cependant ici être très clair: je ne permettrai jamais que l'on tire de manière indiscriminée sur des manifestants qui font usage de leur droit pacifiquement. La Belgique n'est pas le Far West! L'usage de ce type de matériel doit rester strictement limité à des cas de légitime défense, lorsque l'intégrité physique d'une personne est directement menacée. Dans ce cas-là, cet usage peut se justifier.

Dames en heren volksvertegenwoordigers, er bestaat geen technische of reglementaire mirakeloplossing voor het toenemende geweld in onze samenleving. Dialoog, anticiperen, kordaat optreden en sanctioneren zijn de pijlers van een verantwoord beheer van de openbare orde. Ik handel in die geest en we moeten allemaal ons steentje bijdragen om de veiligheid van onze burgers te garanderen met respect voor de rechtsstaat. Ik reken daarbij op mijn collega's in de regering en in het bijzonder op Justitie om ernstige feiten met de nodige strengheid en vastberadenheid aan te pakken.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, dank u wel voor uw antwoord.

Het blijft jammer dat de legitieme boodschap van duizenden betogers ondergesneeuwd raakt door een paar extremistische, gewelddadige nitwits die de boel verzieken; daarover bestaat volgens mij geen enkele discussie. Dit maakt het een lastige oefening, omdat een grote groep op vreedzame wijze betoogt maar een klein deel van die betoging wordt gekaapt door extremistische heethoofden.

De vraag rijst dan of het toestaan van een FN 303 bij het handhaven van de openbare orde wel het gewenste effect zal sorteren. Momenteel beschikken enkele politiezones reeds over dat wapen, maar zij mogen het expliciet niet gebruiken voor het handhaven van de openbare orde. Volgens onze inschatting en ook die van behoorlijk wat experts zal dit eerder leiden tot escalatie dan tot de-escalatie. U hebt zelf aangegeven dat de ambitie om te de-escaleren altijd prioriteit moet hebben in de ordehandhaving. De vraag is dan in hoeverre het gebruik van dergelijke wapens hiermee te verzoenen valt. Ik ben van mening dat het toelaten van dit soort wapens de situatie voor betogers, zowel bonafide als malafide, en voor onze politiemensen gevaarlijker maakt.

Ik verzoek u daarom, wanneer hierover binnen de regering wordt gesproken, dit met de nodige zorg en ernst te doen, ver weg van de extreemrechts aandoende uitspraken van de losgeslagen cowboy Theo Franken, die wat stoerdoenerij wil verkopen ten koste van de betogers. Gelet op de lastige boodschap van de betogers, komt het goed uit dat enkele nitwits de boel verzieken. Daardoor kan men immers daarop focussen, in plaats van op de tienduizenden, zelfs honderdduizend geweldloze manifestanten die opkomen voor hun rechten.

Maaike De Vreese:

Ik denk, collega Vandemaele, dat we in de commissie voor Binnenlandse Zaken wel degelijk moeten bespreken op welke manier we omgaan met dit soort relschoppers, want het gaat niet over gewone betogers. We zijn het erover eens dat zij de boel verzieken.

De FN 303 kan inderdaad door de politiediensten worden gebruikt, maar er ontbreekt een goed doordacht kader. Het regelgevend kader kan beter, mijnheer de minister. Daarom hebben we ook een voorstel van resolutie opgesteld om dat te laten onderzoeken. Het geweld is immers al geëscaleerd en we moeten nagaan hoe we ons opstellen tegenover deze nieuwe soort geweld – niet alleen tijdens deze betoging, maar ook bijvoorbeeld in Kruisem, waar vuurwerk tegen de politie werd ingezet, en tijdens de oudejaarsnacht, waarover we het daarnet nog hadden. We moeten die discussie echt voeren, ook over de manier waarop we dit soort wapens gericht zullen inzetten.

Er wordt gezegd dat er tijdens de betoging geen onderscheid te maken was tussen de betogers en de mensen van extreemlinks die criminele feiten hebben gepleegd. Ik heb de beelden gezien: die mensen waren gegroepeerd en hebben met een black-bloctechniek de Dienst Vreemdelingenzaken aangevallen. Voor dat gebouw was geen enkele beveiliging voorzien door de politiediensten.

We mogen niet wachten tot onschuldige burgers – gewone mensen die hun werk verrichten, op een correcte manier op basis van democratisch vastgelegde rechtsregels – het slachtoffer worden. Het gaat over het veilig houden van onze democratische rechtsstaat. Die discussie moeten we voeren, inclusief de inzet van less than lethal weapons en op welke wijze we die zeer doelgericht kunnen inzetten – niet tegen gewone betogers bij een eventuele escalatie van geweld, maar tegen criminele groeperingen die er expliciet op uit zijn de rechtsstaat op een zeer gewelddadige wijze te ondermijnen. Daar moet de discussie over gaan. We zijn het ook aan de mensen van de Dienst Vreemdelingenzaken verschuldigd om die discussie te voeren.

Rajae Maouane:

Monsieur le ministre, je suis rassurée qu'on soit d'accord sur le fait que manifester est un droit. Pour le reste, je reste assez frustrée de vos réponses. Elle me laissent clairement sur ma faim. Vous n'avez pas répondu par exemple sur les instructions qui ont été données aux policiers. Mais je manquerai pas de réinterroger le bourgmestre Close à ce sujet.

Vous êtes le ministre de l'Intérieur et de la Sécurité, mais qui assure la sécurité des manifestants? Je vous parle de l'utilisation de techniques illégales pour lesquelles l'État, la police et le bourgmestre Close ont d'ailleurs été condamnés – la technique de la nasse notamment. Je vous parle d'agents de police qui interviennent sans matricule visible, ce qui est illégal.

On parle de provocateurs mais en quoi des familles ont-elles été provocatrices? Elles ont été gazées. Il y a des témoignages de parents qui se sont retrouvés avec des enfants en bas âge sous des gaz. Des vidéos – que je peux vous envoyer – montrent des touristes avec leurs valises, pas loin de la gare Centrale, aspergés et gazés. Tout ça n'est pas respectueux ni d'un État de droit ni de l'image de la Belgique et c'est désastreux pour la confiance que la population a envers sa police. Je vous remercie d'avoir rappelé que la Belgique n'est pas le Far West. Malheureusement, des membres de votre gouvernement, Theo Francken en tête, ont tendance à l'oublier.

J'ai lu il y a une dizaine de jours une interview de vous. La Libre Belgique vous demandait si vous ne vous ne contribuiez pas à mettre en place un État sécuritaire. J'ai peur que ce soit le cas malheureusement. J'espère qu'on va pas laisser des gens comme Theo Francken amener une doctrine ultrasécuritaire, ultradroitière dans votre gouvernement qui ne me rassure pas. Quand on voit les dérives commises par des représentants des forces de l'ordre ou certains excès langagiers des ministres, je suis extrêmement inquiète pour la suite.

Voorzitter:

De samengevoegde vragen nrs. 56009377C en 56009431C van respectievelijk de heer Franky Demon en mezelf worden uitgesteld. De heer Demon liet zich verontschuldigen voor zijn afwezigheid vandaag.

Drones en de binnenlandse veiligheid

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 21 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Een nationaal drone-register (onder beheer van Mobiliteit) wordt overwogen om vluchten, eigenaars en technische gegevens te koppelen, zodat veiligheidsdiensten zoals politie sneller dreigingen kunnen identificeren en risico’s analyseren. De federale politie beschikt al over *counter-drone*-capaciteit (detectie/neutralisatie, met focus op hoogrisico-evenementen), maar lokale zones bepalen zelf of ze gespecialiseerde middelen inzetten, terwijl Defensie en Binnenlandse Zaken de afstemming over binnen-/buitenlandse dreigingen nog moeten concretiseren. Veiligheidsverantwoordelijkheid ligt ook bij uitbaters van kritieke sites, in lijn met de nieuwe *critical entities resilience*-wet. Timing en details van het register hangen af van haalbaarheidsstudies en interdepartementaal overleg.

Matti Vandemaele:

Ik verwijs naar de ingediende vraag.

Drones kunnen onze veiligheidsdiensten geweldig goed helpen, denken we maar aan overzichtsbeelden i.f.v. crowdcontrole door de politie of hittebeelden gemaakt door drones uitgerust met camera's bij de bestrijding van branden door onze brandweerdiensten. Keerzijde van de medaille is dat ook mensen met minder goede bedoelingen die drones kunnen inzetten.

U verklaarde onlangs dat u werk wil maken van een nationaal drone-register. Daarover enkele vragen:

Hoe ziet u zo'n droneregister? Is dat voor alle drones (ook hobby drones?)? Welke stappen heeft u hiervoor al gezet? en wat is de timing voor een eventuele uitrol van een dergelijk register? Wie moet zo'n register beheren en wie krijgt toegang?

Welke technieken heeft de federale politie op vandaag ter beschikking om drones uit te schakelen? Of te volgen? Zijn er bvb jammers beschikbaar?Zijn er lokale zones met gespecialiseerde kennis of apparatuur ter zake? Zo ja welke?

De binnenlandse veiligheid valt uiteraard onder de politie, de 'buitenlandse' onder Defensie. Een onderscheid dat niet steeds te maken zal zijn in de praktijk. Welke regels/afspraken bestaan er tussen Binnenlandse Zaken en Defensie daarover?

Bernard Quintin:

Ik heb deze maand reeds meerdere keren overleg gepleegd met de relevante diensten. Het is zaak om duidelijk in kaart te brengen welke behoeften bestaan met betrekking tot de huidige capaciteit en vervolgens de aanbevelingen van de diensten te overwegen en uit te voeren. Op die manier kunnen de verantwoordelijkheden beter op elkaar worden afgestemd. Ik bespreek het onderwerp binnenkort met mijn collega’s van Defensie en Mobiliteit.

We moeten bekijken wat de haalbaarheid en de meerwaarde is van een nationaal droneregister. Wanneer een vlucht wordt gedetecteerd of gesignaleerd, kan een dergelijk register een overzicht geven van aangevraagde vluchten, gekoppeld aan technische informatie en registratiegegevens van de drone. Dat zal de identificatie en risicoanalyse aanzienlijk verbeteren. Toegang voor politiediensten en andere veiligheidsdiensten is cruciaal, zodat de informatie uit dat register kan bijdragen aan de veiligheid en handhaving op het terrein. Materieel valt een dergelijk register onder de bevoegdheid van mijn collega van Mobiliteit via het Directoraat-generaal Luchtvaart.

Om de verwachtingen ten aanzien van de politie inzake interventie duidelijk te maken, moet een nationaal handhavings- en vervolgingsbeleid voor drones worden uitgewerkt. De federale politie beschikt over gespecialiseerde counter-dronecapaciteit die kan worden ingezet voor detectie, identificatie en neutralisatie van drones. Die middelen worden echter niet in detail toegelicht om operationele redenen. De capaciteit is prioritair bestemd voor de beveiliging van evenementen zoals risicovolle processen of grootschalige publieke bijeenkomsten. Voor de lokale politie is het aan elke zone om binnen haar middelen en prioriteiten te beslissen of zij specifieke expertise of apparatuur wil ontwikkelen.

Tot slot wil ik benadrukken dat er op het vlak van beschermingsmaatregelen een verantwoordelijkheid ligt bij de uitbaters van gevoelige sites, in lijn met de wet betreffende critical entities resilience die binnen de commissie wordt besproken.

Matti Vandemaele:

Dank u voor uw antwoord.

Voorzitter:

Vraag nr. 56009538C van de heer Frank Troosters wordt op zijn verzoek uitgesteld. We zijn aan het einde van de zitting gekomen. Dank u, mijnheer de minister. Alle vragen zijn beantwoord. Iedereen is tevreden. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 16.14 uur. La réunion publique de commission est levée à 16 h 14.

De opening van het detentiehuis in Olen

Gesteld door

lijst: VB Marijke Dillen

Gesteld aan

Vanessa Matz (Minster van Modernisering van de overheid, Overheidsbedrijven, Ambtenarenzaken, Gebouwenbeheer van de Staat, Digitalisering en Wetenschapsbeleid)

op 21 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De opening van het detentiehuis in Olen (7,3 miljoen euro: 4,4 miljoen aankoop, 2,9 miljoen renovatie) werd vertraagd door vergunningsproblemen: buurtbewoners tekenden beroep aan bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen (nog geen uitspraak), wat leidde tot werkstillegingen en extra voorwaarden (o.a. omheining). Ondanks de obstakels bleef het project binnen budget en planning, maar de juridische onzekerheid blijft bestaan—het detentiehuis opende toch op 8 september, terwijl de zaak nog hangende is. De minister kon geen termijn voor de uitspraak geven, wat risico’s inhoudt mochten klagers alsnog gelijk krijgen.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, op 8 september werd in Olen een nieuw detentiehuis geopend. Los van de bedenkelijke feiten in dat detentiehuis de voorbije dagen, die niet onder uw verantwoordelijkheid vallen, was het niet eenvoudig om dat detentiehuis te openen. Men moest immers de nodige vergunningen en toestemmingen verkrijgen, een woonzorgcentrum omvormen tot een beveiligde inrichting, de plannen door onverwachte vertraging bijsturen, enzovoort.

Mevrouw de minister, kunt u daarover gedetailleerde informatie verstrekken? Welke moeilijkheden er zijn geweest om de nodige vergunningen en toestemmingen te verkrijgen?

Ten tweede, wat was de oorzaak van de onverwachte vertraging? Hoeveel maal en op welke wijze zijn de plannen bijgestuurd? Wat waren daarvan de financiële gevolgen?

Ten derde, wat was van dat detentiehuis de totale kostprijs voor de Regie der Gebouwen?

Vanessa Matz:

Mevrouw Dillen, begin 2024 kocht de Regie der Gebouwen een oud woonzorgcentrum in Olen om er een detentiehuis van te maken. In oktober startten de renovatiewerken. Daarvoor waren vergunningen nodig om de bestaande nieuwe parking te regulariseren en om het detentiehuis te mogen uitbaten.

De gemeente Olen gaf op 7 november 2024 een voorwaardelijke vergunning, maar enkele buurtbewoners gingen in beroep. Daardoor moesten de werken tijdelijk worden stilgelegd, tot de provincie Antwerpen in mei 2025 opnieuw een voorwaardelijke vergunning verleende. Ook tegen die beslissing werd bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen beroep aangetekend. Daarover is nog geen uitspraak.

Omdat men eerst wilde afwachten of er nog verzoekschriften zouden worden ingediend, konden de stilgelegde werken niet meteen worden hervat. Dat zorgde voor extra vertraging. De renovatie verliep in principe volgens een strikte planning, maar door de vergunningsprocedure moesten sommige werken tijdelijk worden stopgezet. Bovendien kwamen er extra voorwaarden bij, zoals de aanleg van een omheining en een aangepaste fietsstalling.

Toch slaagde de Regie der Gebouwen erin om het project binnen het voorziene budget en de planning af te werken, ondanks de onverwachte obstakels. De totale kostprijs van het detentiehuis bedroeg ongeveer 7,3 miljoen euro, met name 4,4 miljoen voor de aankoop van het gebouw en 2,9 miljoen voor de renovatiewerken, inclusief btw.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, dank u voor uw antwoord. Begrijp ik het goed dat het dossier bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen nog altijd hangende is, dat er nog geen uitspraak is? Dan vraag ik mij toch wel af hoe dat detentiehuis een maand geleden al kon opengaan. Hebt u enig zicht op wanneer die uitspraak kan worden verwacht? Stel dat de Raad voor Vergunningsbetwistingen, in tegenstelling tot de gemeente en de provincie, de klagers toch gelijk geeft, dan is er wel een groot probleem.

Het Justitiepaleis van Brussel
De staat van het Brusselse Justitiepaleis
Renovatie en status van het Brusselse Justitiepaleis

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie), Vanessa Matz (Minster van Modernisering van de overheid, Overheidsbedrijven, Ambtenarenzaken, Gebouwenbeheer van de Staat, Digitalisering en Wetenschapsbeleid)

op 21 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Het Palais de Justice van Brussel kampt met herhaalde stroompannes en structurele problemen, wat de werking van de rechtbanken en de veiligheid in gevaar brengt. Minister Vanessa Matz bevestigt dat noodherstellingen (o.a. waterinfiltraties, elektriciteit) en gedeeltelijke renovaties (kantoren, politieruimtes) lopende zijn, terwijl een haalbaarheidsstudie (resultaten eind 2024) de omvang en planning van een volledige restauratie moet bepalen. Preventief onderhoud blijft kritiek, maar concrete cijfers over incidenten en een breed risico-overzicht voor andere Régie-gebouwen ontbreken nog. Dufrane benadrukt dat herstel van het gebouw en zijn functie absolute prioriteit moet blijven.

Anthony Dufrane:

Madame la ministre, le Palais de Justice de Bruxelles, bâtiment emblématique du patrimoine judiciaire et architectural belge, continue de faire face à de graves problèmes techniques et surtout structurels. Ce vendredi 10 octobre encore, une panne d'électricité a paralysé le site durant plusieurs heures, empêchant le bon déroulement des audiences et limitant son accès au public. Seuls les avocats, munis de leur badge, ont pu pénétrer dans l'enceinte du Palais, tandis que les contrôles de sécurité étaient suspendus.

Ce n'est pas la première fois qu'une telle situation se produit, les coupures de courant et autres incidents techniques se multipliant depuis peu. Ces pannes à répétition illustrent surtout la fragilité d'un bâtiment déjà fortement dégradé et dont la rénovation, amorcée depuis plusieurs années, peine à aboutir.

Outre la question du confort et de la sécurité des travailleurs de la Justice, ces incidents portent atteinte au bon fonctionnement des institutions judiciaires. La situation pose également la question de l'entretien préventif du bâtiment, de la qualité du réseau électrique et du suivi assuré par la Régie des Bâtiments sur ce site particulièrement sensible.

Enfin, ces difficultés sont préoccupantes et d'autres biens de la Régie pourraient aussi subir divers problèmes limitant leur bon fonctionnement. Une évaluation plus large de l'état du patrimoine géré par la Régie des Bâtiments paraît donc nécessaire pour prévenir de nouvelles situations similaires.

Madame la ministre, j'en viens à mes questions. Quelle est la situation actuelle du Palais de Justice de Bruxelles en matière d'infrastructure électrique et de maintenance technique? Quelles sont les causes exactes de la panne survenue vendredi dernier et combien d'incidents de ce type ont-ils été recensés ces douze derniers mois? Quels travaux ou rénovations sont-ils prévus pour sécuriser durablement l'alimentation électrique et éviter des répétitions de telles perturbations? Comment la Régie des Bâtiments assure-t-elle le suivi et l'entretien réguliers du Palais de Justice de Bruxelles? D'autres bâtiments gérés par la Régie connaissent-ils des problèmes similaires et, le cas échéant, quelle en est l'ampleur et quelle est la stratégie envisagée pour y remédier?

Vanessa Matz:

Monsieur Dufrane, le Palais de Justice de Bruxelles est un bâtiment emblématique pour notre État de droit. Je suis consciente de l'impact de son état sur le fonctionnement de la Justice, ainsi que sur la sécurité du personnel et des visiteurs. La Régie des Bâtiments et le SPF Justice suivent de près la situation sur le terrain. Des concertations régulières ont lieu. En cas d'incident, une intervention la plus rapide possible est assurée. Ainsi en août et septembre, trois infiltrations d'eau ont été constatées. Des réparations ont été effectuées à chaque fois, ce qui a permis de limiter les dégâts. Lors de la panne de courant du 10 octobre dernier, une intervention rapide a également été effectuée.

La sécurité de toutes les personnes présentes dans le bâtiment reste ma priorité. C'est pourquoi des réparations urgentes et des rénovations ont déjà été faites. Quatorze locaux au quatrième étage ont été rénovés et seront bientôt utilisés par les magistrats. Des travaux débuteront également à la fin de cette année au niveau -2, afin d'améliorer les installations pour la police fédérale.

Concernant la grande rénovation, la restauration des façades est également prioritaire pour des raisons de sécurité, afin d'éviter la chute de débris et de mieux sécuriser le périmètre du Palais de Justice.

Une étude de faisabilité est en cours pour l'intérieur du bâtiment. Elle évalue l'état du bâtiment, analyse les priorités et examine la possibilité pour les autres services judiciaires de réintégrer le Palais de Justice. L'étude de faisabilité permettra d'obtenir une estimation du coût et du calendrier de la restauration intérieure. Les résultats de cette étude sont attendus pour la fin de cette année.

Enfin, sachez que nous collaborons avec le cabinet de la ministre de la Justice pour que la Régie des Bâtiments puisse répondre aux mieux aux besoins du SPF Justice.

Anthony Dufrane:

Madame la ministre, je vous remercie pour votre réponse. Une étude de faisabilité est en cours et les résultats sont attendus pour la fin de l'année. J’y resterai attentif. Je suppose que vous communiquerez vos priorités dès qu'elles seront établies. Je vous souhaite une pleine réussite dans ce suivi. J'espère que le Palais de Justice de Bruxelles retrouvera sa splendeur d'antan et que nous éviterons des déboires à l'avenir pour ses visiteurs et pour les personnes qui y évoluent. Cela doit demeurer une priorité. J'espère que vous y serez attentive, madame la ministre.

De ontoereikende interne controle en het risico op fraude
De chaotische boekhouding en het risico op fraude
De onwettige boekhoudpraktijken en de begrotingsaanpassingen zonder goedkeuring
Onvoldoende controle, frauderisico's en onrechtmatige boekhoudpraktijken

Gesteld aan

Vanessa Matz (Minster van Modernisering van de overheid, Overheidsbedrijven, Ambtenarenzaken, Gebouwenbeheer van de Staat, Digitalisering en Wetenschapsbeleid)

op 21 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Het Rekenhof kritiseert de Regie der Gebouwen voor ontoereikende interne controles, ontbrekende digitale koppeling tussen boekhouding en betalingen (frauderisico), foutieve wachtrekeningen en niet-naleving van het officiële ARS-boekhoudplan, inclusief onwettige begrotingswijzigingen. Minister Matz bevestigt de problemen maar stelt dat strikte manuele dubbelcontroles (functiescheiding) al risico’s beperken; een automatische koppeling met Isabel wordt eind 2025 verwacht na overstap naar een nieuwe bankpartner, met ondersteuning van FOD BOSA, terwijl administratieve onregelmatigheden uit 2024 zijn gecorrigeerd. Concrete fraudegevallen werden niet bevestigd, maar hervormingen (digitalisering, versterkte interne audit) zijn lopende om compliance en transparantie te herstellen. Huybrechts blijft skeptisch en kondigt opvolging via toekomstige Rekenhof-rapporten aan.

Britt Huybrechts:

Mevrouw de minister, ik verwijs naar de tekst van mijn vragen zoals ingediend, aangezien het om erg technische materie gaat.

Het Rekenhof stelt dat de interne controle ontoereikend is. Betalingen worden niet altijd met bewijsstukken gereconcilieerd en het ontbreken van een interface verhoogt het risico op fouten en fraude.

Hoeveel ongeregistreerde of onvolledig gedocumenteerde betalingen heeft de interne audit van de Regie der Gebouwen vastgesteld in 2024?

Werd er ooit effectief fraude vastgesteld binnen de Regie der Gebouwen, en zo ja, welke maatregelen zijn genomen?

Wanneer plant u een grondige hervorming van de interne audit en controlemechanismen binnen de Regie?

Volgens het Rekenhof (p. 5 en 79) slaagt de Regie der Gebouwen er niet in om een betrouwbare boekhouding te voeren. Er is geen automatische koppeling tussen de boekhoudsoftware en de betalingsapplicatie Isabel, waardoor betalingen niet automatisch worden gecontroleerd. Het Rekenhof noemt dit een reëel frauderisico. Bovendien bevat de boekhouding talloze foutieve en verouderde wachtrekeningen.

Erkent u dat het ontbreken van een digitale koppeling tussen de boekhouding en het betalingssysteem een ernstig frauderisico vormt?

Welke maatregelen neemt u concreet om deze interface eindelijk te realiseren, en tegen wanneer?

Hoeveel betalingen gebeurden in 2024 nog manueel zonder automatische verificatie, en welke interne controle werd daarop uitgevoerd?

De Regie der Gebouwen gebruikt een eigen boekhoudplan dat niet het officiële ARS-plan volgt. Bovendien werden begrotingsaanpassingen uitgevoerd zonder voorafgaande goedkeuring door de toezichthoudende minister of de FOD Begroting.

Hoe kan het dat een federale dienst eigenhandig van het officiële boekhoudplan afwijkt zonder goedkeuring?

Welke begrotingswijzigingen zijn in 2024 uitgevoerd zonder formele validatie, en om welke bedragen gaat het?

Wat doet u om te garanderen dat de Regie der Gebouwen in de toekomst opnieuw volledig binnen het wettelijk kader werkt?

Vanessa Matz:

Mevrouw Huybrechts, ik ben mij volledig bewust van de opmerkingen van het Rekenhof over bepaalde zwakheden in de boekhoudkundige processen en de interne controle bij de Regie der Gebouwen.

Die bevindingen worden heel ernstig genomen. De Regie der Gebouwen heeft reeds verschillende concrete maatregelen genomen, waaronder de versterking van de interne controle om fouten te voorkomen en de voortdurende verbetering van de kwaliteit van haar boekhouding.

Verschillende concrete acties zijn reeds lopende om te beantwoorden aan de aanbevelingen van het Rekenhof. Ook de boekhoudkundige verwerking van derdenfondsen wordt herzien. Het doel is om een duidelijker en correcter beeld van de rekeningen te geven.

De controles die in 2024 werden uitgevoerd, hebben slechts een beperkt aantal administratieve onregelmatigheden aan het licht gebracht, voornamelijk te wijten aan ontbrekende bewijsstukken of foutieve classificatie. Die situaties zijn gecorrigeerd en hebben geleid tot een versterking van de interne controles.

Vanaf de ingebruikname van de boekhoudsoftware was de Regie zich bewust van het risico dat het ontbreken van een automatische koppeling tussen het boekhoudsysteem en het betalingssysteem met zich bracht. Daarom werd van bij de start een strikt systeem van interne controle ingevoerd. Er geldt een strikte functiescheiding. Geen enkele betalingstransactie kan door één persoon worden geïnitieerd, gevalideerd en uitgevoerd. Elke transactie wordt dubbel gecontroleerd, wat de veiligheid van de financiële stromen en de naleving van de federale boekhoudnormen garandeert.

Ik deel echter de analyse van het Rekenhof. De invoering van een directe digitale koppeling tussen beide systemen zou de veiligheid en de betrouwbaarheid van het betalingsproces nog meer versterken.

Het project, dat actief door mijn diensten wordt gesteund, zal worden uitgevoerd in samenwerking met de FOD BOSA.

De uitvoering zal plaatsvinden na de overdracht van de staatsrekeningen naar de nieuwe bankpartner die in de komende maanden gepland is, met als doel een volledige automatisering tegen volgend jaar.

Ik zie er persoonlijk op toe dat de Regie de modernisering van haar informatietools en de digitalisering van haar procedures voortzet.

Britt Huybrechts:

Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord. Dat klinkt allemaal heel goed. Ik hoop dat het een effect zal hebben en ik kijk uit naar de volgende evaluatie van het Rekenhof, aangezien dat daarop het best de controle kan uitoefenen. Als het Rekenhof opnieuw opmerkingen formuleert, zal ik daarop terugkomen, omdat ik oprecht geloof dat de zaken die het Rekenhof aankaart aangepakt moeten worden om op die manier fraude en corruptie tegen te gaan.

De gevangenis van Bergen

Gesteld door

lijst: PS Marie Meunier

Gesteld aan

Vanessa Matz (Minster van Modernisering van de overheid, Overheidsbedrijven, Ambtenarenzaken, Gebouwenbeheer van de Staat, Digitalisering en Wetenschapsbeleid)

op 21 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De vervallen gevangenis van Mons blijft symbool staan voor het falen van federaal gevangenisbeleid, met erger wordende omstandigheden voor zowel gedetineerden als personeel. Minister Vanessa Matz bevestigt dat een nieuwe locatie (in samenwerking met de stad Mons) is geïdentificeerd, met terreinaankoop gepland in 2026, ondanks budgettaire beperkingen, en noemt het dossier een topprioriteit via een tweewekelijkse taskforce met Justitie en Régie des Bâtiments. Korte-termijnoplossingen voor de huidige gevangenis blijven beperkt tot noodzakelijk onderhoud, zonder zware investeringen. Meunier blijft skeptisch over de haalbaarheid en het gebrek aan een concreet tijdschema, ondanks de "positieve" signalen.

Marie Meunier:

Madame la ministre, la prison de Mons continue de symboliser l'échec de la politique fédérale d'infrastructure pénitentiaire. Depuis que le Conseil des ministres a, en mars 2024, mandaté la Régie des Bâtiments pour identifier un nouvel emplacement et élaborer un dossier de remplacement pour la prison actuelle, aucune avancée concrète n'a été communiquée.

Pendant ce temps, on connaît les conditions de travail et de détention qui continuent à être indignes et qui empirent. Je pense que chaque semaine, un peu partout en Wallonie, à Bruxelles et en Flandre, des articles de presse paraissent régulièrement sur les conditions de détention et les conditions de travail des agents.

Or, récemment, deux élus du MR de la Région wallonne ont visité la prison de Mons et ont reconnu que, je cite: "Le MR est au fédéral sans interruption depuis 1999. On ne peut pas faire croire que nous ne sommes pas en partie responsables."

Je salue ces visites de terrain qui permettent à chacun de constater l'ampleur de la dégradation de la situation – la ministre de la Justice est d'ailleurs venue aussi voir cette prison – et surtout, le manque d'actions concrètes de votre prédécesseur face à l'urgence.

Je dois cependant avouer que je reste très inquiète sur la situation carcérale à Mons, comme ailleurs, compte tenu des coupes budgétaires de l'Arizona dans le domaine, face auxquelles la Régie est en première ligne. Dans ces conditions, il sera impossible de régler la situation en urgence, comme cela devrait s'imposer.

Madame la ministre, pouvez-vous nous communiquer l'avancement précis du dossier que la Régie devait soumettre au Conseil des ministres concernant la nouvelle prison de Mons? Une localisation a-t-elle été identifiée? Si oui, pouvez-vous nous la communiquer?

Un calendrier de mise en œuvre a-t-il été arrêté? Si oui, qu'en est-il du financement au regard des coupes budgétaires?

Pouvez-vous faire le point sur les travaux au sein de la prison actuelle, leur calendrier et leur budget?

Vanessa Matz:

Madame Meunier, comme vous le savez, depuis mon entrée en fonction, j'ai pris ce dossier à bras-le-corps. La situation à la prison de Mons est très préoccupante. Et je suis pleinement consciente des enjeux pour le personnel, les détenus et la ville. J'ai eu l'occasion de visiter deux fois Mons: lorsque j'étais parlementaire, mais aussi avec la ministre de la Justice, dont vous avez mentionné la présence. C'est ainsi que nous avons pu constater la vétusté extrême du bâtiment et nous entretenir avec le personnel afin de mieux comprendre les difficultés auxquelles il est confronté quotidiennement. J'ai demandé à la Régie des Bâtiments de travailler activement à une solution de remplacement. Une localisation a été identifiée, en collaboration avec la ville de Mons. Il en a été question avec le SPF Justice avant un premier échange avec le fonctionnaire délégué de la Région wallonne. Les retours sont positifs à ce stade. La Régie des Bâtiments souhaite acquérir les terrains en 2026. Plusieurs aspects techniques et urbanistiques sont encore à l'étude, notamment l'intégration du site dans son environnement.

Sachez que, pour assurer un suivi rigoureux de ce projet et plus généralement de tous ceux qui sont liés aux infrastructures pénitentiaires, une task force entre la Justice et la Régie, avec nos cabinets respectifs, se réunit toutes les deux semaines. Ce cadre de concertation permet d'avancer de manière coordonnée et efficace. Le budget nécessaire à l'achat du terrain est inscrit dans la planification 2026. Malgré le contexte budgétaire, ce projet reste pour moi une priorité claire.

Par ailleurs, dans le cadre de la task force sur la surpopulation carcérale, j'ai demandé et obtenu que l'acquisition d'un terrain à Mons soit considérée comme prioritaire dans la planification budgétaire et opérationnelle.

Concernant la prison actuelle, des interventions de maintenance sont assurées si nécessaire. Il n'est évidemment pas prévu d'investissement lourd puisque l'objectif à terme est de remplacer complètement l'infrastructure de manière durable.

Marie Meunier:

Merci beaucoup pour vos réponses, madame la ministre. Elles sont clairement beaucoup plus positives que celles de votre prédécesseur, que j'ai pu interroger plusieurs fois sur le sujet. Nous ne manquerons de revenir vers vous d'ici 2026. J'entends que la task force entre la Justice et la Régie se tient toutes les deux semaines et avance. Il serait intéressant d'aboutir à un calendrier. Cela fait des années qu'on dit aux travailleurs de cette prison qu'on est en train de mettre en place un calendrier et qu'on y travaille au niveau fédéral. Mais comme sœur Anne, ils ne voient toujours rien venir. C'est loin d'être motivant pour les travailleurs.

Voorzitter:

J'aimerais confirmer, pour le secrétariat de la commission, que l'avis dont vous avez parlé est disponible pour les membres.

De erbarmelijke staat van het hof van beroep van Brussel
De toekomst van het justitiepaleis van Doornik
De staat van de gerechtsgebouwen
De staat van de justitiegebouwen
De staat en toekomst van gerechts- en justitiegebouwen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 21 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Het Brusselse Hof van Beroep en andere gerechtsgebouwen (o.a. Doornik, Namen) kampen met acute veiligheidsrisico’s (instortingen, waterlekkages, structurele verval) en chronisch onderfinanciering, wat de rechtsbedeling en werkomstandigheden ondermijnt. Minister Verlinden bevestigt dat er noodmaatregelen (herstellingen, relocaties) worden genomen, maar benadrukt dat langetermijnoplossingen (500 miljoen euro nodig) en een masterplan voor het patrimonium essentieel zijn—met prioriteit voor veiligheid, toegankelijkheid en waardigheid, zoals voorzien in het regeerakkoord. Doornik blijft in onzekerheid over behoud of verhuizing (geruchten over Mons), terwijl Namen vertraging kende door logistieke aanloopproblemen. Budgettaire druk dreigt de justitiële infrastructuur als besparingspost te behandelen, wat door oppositie en meerderheid onacceptabel wordt genoemd—extra middelen zijn cruciaal om de rechtsstaat te waarborgen.

Marijke Dillen:

In verschillende kamers van het Brusselse Hof van Beroep zijn waterlekken vastgesteld met als gevolg dat in één kamer een deel van het plafond is ingestort. Op 6 september bleek dat een deel van de griffie van de K.I. door een overstroming onveilig en onbruikbaar was. Omdat er geen garanties konden worden gegeven betreffende de veiligheid van de gebouwen, werd de onmiddellijke ontruiming bevolen. Dit is niet de eerste melding van een ernstige problematiek in dit gebouw. Ook in het verleden werden er zalen gesloten vanwege waterschade. Zo stortte er in een zaal waar jeugdzaken werden behandeld het plafond in, daar waar magistraten, griffiers, advocaten, minderjarigen en hun families moesten plaatsnemen. Ook recent nog werden er waterlekkages vastgesteld in correctionele kamers van het Hof. “Dat alles komt boven op een chronisch en structureel personeelstekort en een schrijnend gebrek aan middelen", aldus het Hof van Beroep.

Kan de minister meer toelichting geven? Welke initiatieven worden er genomen om hier bij hoogdringendheid een antwoord te geven?

Welke minimale voorwaarden van veiligheid en waardigheid die vereist zijn voor een degelijke uitoefening van de werking van het Hof van Beroep kunnen er worden gegarandeerd?

Specifiek wat de K.I. betreft: uit mediaberichten blijkt dat op 6 september een deel van de ruimtes van de griffie van de K.I. door een overstroming onveilig en onbruikbaar was geworden. Ten gevolge hiervan werd de onmiddellijke ontruiming bevolen. Wat zijn hiervan de onmiddellijke gevolgen op de werking van de K.I.? Graag een gedetailleerde toelichting. Dienden er ten gevolge van deze problematiek zaken uitgesteld te worden? Zo ja, kunnen deze zaken op korte termijn opnieuw worden vastgesteld?

Uit de media blijkt dat er werd voorgesteld om de lokalen zonder officieel expertiserapport opnieuw in gebruik te nemen, ondanks de ervaring met het ingestorte plafond. Dit is een bijzonder merkwaardige opmerking. Ook Justitie dient ter zake verantwoordelijkheid te nemen. Kan de minister hierover meer toelichting geven?

Hervé Cornillie:

Madame la ministre, cela fait quelques semaines que cette question sur l’état du palais de justice de Tournai a été déposée. Convenons que ces semaines ne vont pas dégrader davantage le bâtiment, parce qu'il est dans un état délabrement avancé: murs décrépis, fissures, stabilité non garantie, issues de secours manquantes. Bref, tout ceci n'est pas de bon augure pour les gens qui travaillent pour la justice et pour les justiciables, qui méritent mieux que cela.

Récemment encore, un justiciable qui se déplaçait en fauteuil n'a pas pu consulter son dossier et les documents y relatifs, puisque le parlophone était en panne. Depuis 2000 au moins, on recense des annonces de différents ministres qui se sont succédé. Évidemment, je ne vous en fais pas le procès. Plan de rénovation, construction, déménagement, silence. Le silence est parfois inquiétant. Il laisse parfois la place au bruit ou à la rumeur. Récemment, de nouvelles rumeurs – c'est vous qui allez me dire si c'est le cas ou pas – font état d'une délocalisation pure et simple vers Mons.

Sans réponse précise, les élus et les magistrats commencent à s'inquiéter. Je suis député fédéral du Hainaut, je suis Wallon picard de cœur et le cas de Tournai me préoccupe particulièrement. Je voudrais donc faire le point avec vous sous l'angle du justiciable.

Quel est finalement le futur du palais de justice de Tournai? Peut-on espérer une concrétisation dans un délai raisonnable? Est-ce une amère chimère? Dans cette période un peu difficile sur le plan budgétaire, s’agirait-il de voir l'accès à la justice comme une variable d'ajustement, ce qui ne serait pas acceptable bien évidemment?

Sarah Schlitz:

Madame la ministre, le 10 septembre dernier, la RTBF a diffusé un nouveau reportage sur l'état de délabrement des bâtiments de la justice: des immeubles qui s'effondrent, des avocats et des juges à bout de souffle qui travaillent dans des conditions exécrables, des retards de dossiers de plusieurs années. Bref, le constat est accablant, et je pense que vous le connaissez.

Vous avez d'ailleurs déclaré que la situation est indigne d'un État de droit. Nous vous rejoignons évidemment dans votre constat. La justice manque de moyens urgents pour faire son travail et il est primordial d'y investir. Ce n'est même plus juste une question de rémunération et de valorisation du travail de magistrats, mais une question de bien-être civil et sociétal, d'accès à la justice mais aussi d'État de droit, parce que quand la justice souffre, c'est toute la Nation qui y perd.

Dans ce contexte, madame la ministre, comment le gouvernement compte-t-il trouver des solutions à cette catastrophe que l'État fédéral a lui-même créée avec 40 ans de sous-investissement dans la justice? Quel montant le gouvernement investira-t-il dans le refinancement de la justice et ses bâtiments? Enfin, qu'en est-il de l'enquête que vous aviez annoncée dans l'émission sur le non-usage du nouveau palais de justice à Namur pendant une période de 18 mois?

Alain Yzermans:

Gerechtsgebouwen blijven zorgenkinderen. De lamentabele staat van het Justitiepaleis in Brussel is al eerder aangekaart. Magistraten moesten verhuizen naar een ander lokaal vanwege binnensijpelende regen, ingestorte plafonds, muffe, onverluchte ruimtes, enzovoort. Deze toestand brengt de veiligheid en gezondheid van vele medewerkers in gevaar en gaat van de regen in de drop. Er zijn al prikacties gevoerd rond de middeleeuwse toestand van het patrimonium binnen de justitie.

Vragen aan de Minister ;

1. Is er een inventaris van alle gebouwen en de staat waarin ze zich bevinden?

2. In het paasakkoord reserveert u enkele miljoenen euro's om de gebouwen aan te pakken. Is dit voldoende? Verder las ik dat u 500 miljoen euro nodig heeft om dit volledige probleem op te lossen. Klopt dit ? Welk plan zet u op om de achterstand in het onderhoud van deze gebouwen in te halen?

3. U spreekt van een permanente onderfinanciering van de justitie, maar worden bij nieuwe projecten niet automatisch onderhoudsbudgetten ingeschreven? Ik hoor dat nieuwe gebouwen door een gebrek aan onderhoudsmiddelen ook al in hetzelfde bedje ziek zijn. Is dit geen mismanagement?

Annelies Verlinden:

Depuis mon entrée en fonction comme ministre de la Justice, j'ai effectivement pu constater l'état des palais de justice dans notre pays. J'ai déjà attiré à plusieurs reprises l'attention de ce Parlement sur le sous-financement structurel et sur les besoins de longue date dans ce domaine.

La situation actuelle est en effet indigne d'un État de droit et depuis mon entrée en fonction, j'ai demandé à mes services de dresser un état des lieux clair de la situation. Ce travail réalisé avec la Régie des Bâtiments est en cours. Comme vous le savez, mes services sont en concertation étroite avec la Régie afin d'analyser les besoins et de formuler des propositions ciblées pour y répondre. Je suis également en contact permanent à ce sujet avec ma collègue Vanessa Matz, ministre chargée de la Gestion immobilière de l'État, avec qui j'entretiens une excellente collaboration.

Le plan d'impulsion que j'ai élaboré avant l'été en concertation avec les représentants de l'Ordre judiciaire aborde notamment la problématique du parc immobilier. Des budgets ont été alloués à partir de la provision interdépartementale Sécurité afin d'améliorer l'entretien et l'état des bâtiments ainsi que la sécurité du personnel et des visiteurs, notamment par le déploiement de nouveaux portiques de contrôle d'accès. Ces efforts ne suffiront cependant pas et des investissements supplémentaires restent nécessaires.

Collega Dillen, wat het hof van beroep in Brussel betreft, in de zomer en het najaar van 2024 deden zich in het Justitiepaleis afzonderlijk te onderscheiden problemen van wateroverlast voor. Ik heb daarover eerder al toelichting gegeven in dit Parlement.

Elk van die incidenten kent zijn eigen specificiteit. Bij het incident met het plafond lag een verstopte dakafvoer aan de oorsprong. Er was kennelijk een duif in vastgeraakt en hevige regenval veroorzaakte vervolgens waterinfiltratie, waardoor het plafond in ijltempo onstabiel werd en gedeeltelijk naar beneden kwam. Er wordt nu een ander lokaal gebruikt, terwijl de Regie der Gebouwen intussen het plafond herstelt. Een externe firma installeert met spoed een extra noodoverloop. Het technisch team inspecteert systematisch de daken met meer dan 120 afvoeren. Structureel zijn er echter bijkomende ingrepen nodig. Volgens een studie uit 2024 moeten meer dan 100 extra afvoeren worden voorzien om hevige neerslag veilig te kunnen verwerken.

Deze gebeurtenissen veroorzaakten materiële schade, tijdelijke sluitingen en relocatie en belasten daarenboven ook het personeel. Telkenmale is de FOD Justitie, Buildings and Facilities, in overleg met de Regie der Gebouwen snel tussengekomen met maatregelen, herstellingen en alternatieve lokalen. Dankzij de inzet van het gerechtspersoneel en de goede samenwerking tussen de diensten bleef de continuïteit van de rechtsbedeling verzekerd.

In afwachting van de grondige renovatie die het regeerakkoord ook voorziet, worden intussen bijkomende maatregelen genomen, zoals extra noodoverlopen en afvoeren. Zo blijft de onmiddellijke veiligheid van medewerkers en bezoekers gegarandeerd en wordt er ook gewerkt aan een duurzame oplossing. De gebeurtenissen maken duidelijk dat een duurzame oplossing onontbeerlijk is. Daarvoor moeten middelen worden vrijgemaakt.

Collègue Schlitz, s'agissant du palais de justice de Namur, le SPF Justice a reçu le bâtiment de la Régie des Bâtiments en avril 2024 et a ensuite lancé la phase finale d'aménagement pour le mobilier, les archives, le réseau informatique, la téléphonie ou encore le déménagement. Ces opérations sont indispensables au bon fonctionnement du palais et expliquent le délai préalable à l'emménagement effectif. Le déménagement, mené de mai à août 2025, s'inscrit dans un calendrier normal d'environ 12 à 18 mois et l'Ordre judiciaire en a été tenu informé en toute transparence. Néanmoins, nous continuons chaque jour à améliorer les processus et à accroître l'efficacité.

Chers collègues, l'accord de gouvernement prévoit que le parc immobilier sera réduit et qu'une attention particulière sera portée à l'accessibilité des salles d'audience. Il souligne également l'importance de la proximité de la justice et précise qu'en tout état de cause, le produit de la rationalisation du nombre de bâtiments doit être réinvesti dans le reste du parc immobilier de la Justice. Des moyens supplémentaires seront toutefois indispensables si nous voulons disposer de bâtiments de justice sûrs, accessibles et dignes, à la hauteur de notre État de droit et de notre société.

Dans le cadre de la confection du budget, une attention particulière sera accordée à cette question. Je souhaite donc une fois encore lancer ici un appel à toutes et à tous afin que dans l'intérêt des justiciables, de l'Ordre judiciaire et de la société de manière générale, nous assumions ensemble notre responsabilité pour répondre à ces besoins et dégager les moyens indispensables.

Marijke Dillen:

Ik dank u voor het antwoord, mevrouw de minister.

We hebben hierover al meerdere keren vragen gesteld. Het is inderdaad zo dat de erbarmelijke staat van het hof van beroep in Brussel en verschillende andere gerechtsgebouwen blijft aanslepen. Dit is een rechtsstaat onwaardig.

Ik begrijp dat u, samen met uw collega bevoegd voor de Regie der Gebouwen, bezig bent met een volledig overzicht van de staat van de gebouwen. Wanneer denkt u dat er een definitief overzicht beschikbaar zal zijn?

Het is belangrijk dat u beklemtoont dat er aan een duurzame oplossing moet worden gewerkt, maar ik vrees dat het kostenplaatje het probleem zal zijn en dat er onvoldoende middelen beschikbaar zijn om dit probleem ten gronde op te lossen.

Hervé Cornillie:

Merci madame la ministre d'avoir fait le point. Vous n'avez toutefois pas répondu à ma question. Vous avez reconnu que cette situation est indigne d'un État de droit, et je partage votre avis. Une collaboration est nécessaire avec la Régie des Bâtiments, ce qui est parfaitement logique en matière de bâtiments fédéraux. Je comprends aussi parfaitement la rationalisation des bâtiments – je fais pareil dans ma commune – ainsi que votre volonté d'une accessibilité accrue.

J'évoquais précédemment le silence, qui parfois en dit long. À moins que j'aie été distrait, ce qui est possible, je n'ai strictement rien entendu à propos du palais de justice de Tournai. Ce n'est pas sans signification, et je crois malheureusement qu'il faut s'en inquiéter. J'insiste vraiment pour que ces choses ne soient pas considérées à la légère. L'accès à la justice est aussi une question de proximité physique et pas seulement d'accessibilité des bâtiments. Le justiciable a besoin de cette proximité. Je vous invite donc, madame la ministre, à vous battre pour que l'accès à la justice soit assuré sur le territoire, notamment à travers la dispersion de ses institutions.

Sarah Schlitz:

Madame la ministre, je vous remercie pour votre réponse volontariste. Il s'agit d'une cause qui rassemble, de députés issus de l'opposition et de la majorité se mobilisant sur cet enjeu avec sincérité. Je ne peux qu'espérer que les débats budgétaires en cours aboutiront à une fin heureuse pour le financement de la justice. C'est absolument indispensable. Il ne serait par contre pas souhaitable que les budgets alloués à la justice soient puisés dans les budgets de la sécurité sociale.

L'investissement dans les services publics et le fait de pouvoir utiliser de l'argent public pour l'État de droit, la qualité des services rendus au citoyen et le maintien de la démocratie sont des choses que nous devons toutes et tous défendre avec ferveur. J'espère que c'est cet équilibre et cette fin heureuse qui transparaîtront dans quelques heures ou quelques jours lors de l'aboutissement du budget fédéral.

Alain Yzermans:

Ik kan daar niet veel aan toevoegen. We kennen de oproep. Er werden honderden voorstellen gelanceerd. Er waren ook verschillende acties van de magistratuur zelf. Men kan niet zomaar plots een dergelijke inhaaloperatie doen. Daar moeten genoeg middelen voor zijn en ook de nodige stappenplannen. We zitten ook met een decennialange problematiek van enerzijds aftandse gebouwen en anderzijds vernieuwingsnieuwbouw die moet worden aangepakt. Het is ook een kwestie van gezondheid voor het personeel dat er werkt. Het gaat over de veiligheid van de gebouwen, het welzijn van het personeel en van iedereen die daar wordt tewerkgesteld. Er is een goede patrimoniale aanpak nodig, een masterplan. Het is goed dat er een inventaris wordt gemaakt, over de verschillende departementen heen. De Regie der Gebouwen speelt daarin een belangrijke rol. Het is een belangrijke taak om hierin stappen te zetten.

Suïcidepreventie en de nieuwe gevangenis in Bergen
De vervanging van de verouderde gevangenis van Bergen
Gevangenisherstructurering en geestelijke gezondheidszorg in Bergen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 21 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De prison van Mons kampt met structurele problemen (overbevolking, verouderde infrastructuur, gebrek aan geestelijke gezondheidszorg en personeel), wat leidet tot suïcides en ergerende detentieomstandigheden, ondanks herhaalde waarschuwingen. Minister Verlinden bevestigt dat suïcidepreventie is versterkt met nieuwe protocollen, trainingen en hulplijnen, en dat een nieuwe gevangenis (300 plaatsen) in het Masterplan IV staat, maar dat de Régie des Bâtiments nog een locatie zoekt—met een budget voor 2026 als doel. Kritische parlementsleden benadrukken dat 15 jaar praten en studies geen verbetering brachten en dringen aan op snelle actie, zowel voor de bouw van een nieuwe gevangenis als voor directe investeringen in personeel en infrastructuur om de nijpende crisis te verzachten. De ministers Verlinden (Justitie) en Matz (Régie) noemen het dossier een gezamenlijke prioriteit, maar concrete stappen blijven vaag.

Éric Thiébaut:

Madame la ministre, la prison de Mons a une nouvelle fois fait parler d'elle à la suite d'un suicide d'un détenu au mois de septembre dernier. Certes, les causes individuelles d'un geste pareil peuvent être multiples, mais il ne faut pas négliger les facteurs structurels qui sont connus depuis longtemps à la prison de Mons: surpopulation chronique, locaux vétustes et insalubres, manque d'effectifs, accès insuffisant aux soins de santé mentale.

La Commission de surveillance a, d'ailleurs, tiré la sonnette d'alarme à plusieurs reprises sur les conditions de travail et de détention pénibles qui y règnent. Dans ce contexte, je dois bien avouer que j'ai été surpris de voir qu'aucun projet, apparemment de nouvelle prison, ne figurait dans votre note visant à réduire la surpopulation carcérale. Et pourtant, vous avez pu visiter le bâtiment, madame la ministre. Je suis au courant de votre visite et je vous félicite d'avoir pris cette initiative. Vous avez pu vous rendre compte de l'urgence de la situation à Mons. La prison ne répond plus aux normes de sécurité depuis bien longtemps.

Quelles mesures immédiates sont prévues pour prévenir les suicides en prison, en particulier à Mons? Alors que vous avez annoncé un budget de 55 millions d'euros pour permettre la création structurelle de nouvelles places, quelles améliorations comptez-vous apporter rapidement aux conditions de travail et de détention à la prison de Mons? Au regard de l'urgence, pourriez-vous confirmer que la construction d'une nouvelle prison à Mons sera inscrite dans le futur masterplan et si oui, selon quel calendrier?

Marie Meunier:

Monsieur le président, madame la ministre, je vous remercie d'avoir permis de joindre ma question à celle de mon collègue.

Madame la ministre, à l'instar de mon collègue, je ne compte plus les articles de presse qui dénoncent, semaine après semaine, l'état alarmant des prisons: détenus entassés dans des cellules exiguës, dormant sur des matelas posés à même le sol; rations alimentaires insuffisantes; personnel agressé, épuisé, privé de congés,... La prison de Mons, bien entendu, n'échappe pas à ce constat accablant, comme vous avez pu vous-même le constater.

L'année passée, vous m'indiquiez que le Conseil des ministres avait validé, le 25 mars 2024, les modifications apportées au masterplan III bis prévoyant la recherche par la Régie des Bâtiments d'un nouvel emplacement pour remplacer la prison vétuste de Mons, avec la perspective d'un établissement de 300 places. Vous précisiez alors que la Régie devait encore soumettre un dossier détaillé en Conseil des ministres.

Or, plus d'un an plus tard, la situation sur le terrain reste inchangée: la prison de Mons demeure dans un état de délabrement préoccupant et les conditions de travail du personnel comme celles de détention ne cessent de se dégrader.

Madame la ministre, la Régie des Bâtiments a-t-elle désormais transmis son dossier au Conseil des ministres? Disposez-vous d'un calendrier précis pour la concrétisation de cette nouvelle prison?

Annelies Verlinden:

Chers collègues, la prévention du suicide en prison fait l'objet d'une attention particulière et de mesures renforcées. Les prisons belges ont une longue tradition en la matière, mais la politique a été récemment actualisée pour mieux lutter contre ce phénomène. Dans le cadre des cycles d'évaluation, il est demandé aux directeurs de faire preuve d'une vigilance accrue concernant cette question et de mettre en place ou d'actualiser des processus internes permettant de repérer et de signaler les détenus en difficulté susceptibles de présenter un risque de suicide.

Pour soutenir ces démarches, un groupe de travail pluridisciplinaire a élaboré plusieurs outils qui ont été diffusés dans toutes les prisons dès le 28 mars 2023. Ces outils comprennent des instructions actualisées, un guide pour le développement d'une politique locale de prévention du suicide, une affiche et un flyer destinés aux détenus, ainsi qu'un modèle de procès-verbal à utiliser en cas de décès ou de tentative de suicide afin d'assurer l'information des instances compétentes.

Sur cette base, chaque prison peut adapter sa politique locale et ses processus. La prévention du suicide fait partie intégrante de la formation de base du personnel pénitentiaire. Les modules abordent notamment les risques suicidaires, les populations vulnérables, les comportements à surveiller, les principes à respecter lors de la détection de signes avant-coureurs ainsi que la dépression et la manière d'y réagir. Des modules d'e-learning ont également été introduits dans le cadre d'un projet-pilote de prévention du suicide, qui est en cours dans quatre établissements. Du matériel de sensibilisation a été mis à disposition tant pour les détenus que pour le personnel. En outre, les détenus ont accès à des lignes téléphoniques d'aide gratuite. Le premier point de contact reste toutefois l'agent pénitentiaire ou l'accompagnateur de détention.

Enfin, des procédures claires sont en place pour la prise en charge des détenus comme présentant un risque suicidaire. Lorsqu'un membre du personnel repère une situation à risque, il en informe sa hiérarchie, qui décide des mesures à prendre. Elles peuvent aller d'un entretien avec le détenu à des décisions médicales, voire à des mesures plus contraignantes telles que le placement dans une cellule spéciale pour garantir la sécurité de l'intéressé. Dans tous les cas de figure, une surveillance spéciale est systématiquement assurée et le choix de la cellule est élaboré en fonction des circonstances.

Plus particulièrement dans le cas de la prison de Mons, des procédures de prévention du suicide propres à l'établissement ont été récemment développées. Des instructions ont été rédigées à l'attention de la direction, des experts, du service psychosocial, de l'infirmerie, de l'équipe soignante et des agents. Le masterplan III bis a confirmé le principe de remplacement de l'actuelle prison par un nouvel établissement. Le masterplan IV, qui est en cours d'élaboration, devra étayer ce principe. En attendant, un montant a été prévu dans la provision associée à la task-force Capacités de 55 millions d'euros, afin de permettre à la Régie de maintenir les infrastructures à niveau.

Madame Meunier, le masterplan III bis pour la détention dans des conditions humaines a confirmé en 2024 le principe de remplacement de la prison actuelle par un nouvel établissement. La Régie a alors reçu la mission de poursuivre le développement de ce projet. Celui-ci est également intégré dans le masterplan IV en cours d'élaboration par mes services, en étroite collaboration avec la Régie.

Entre-temps, la Régie mène des recherches pour trouver un terrain approprié, ce qui se fait en parallèle.

Pour toute question complémentaire concernant l'état d'avancement des démarches de la Régie, je vous renvoie à ma collègue compétente pour la Régie, la ministre Vanessa Matz.

Voorzitter:

Merci madame la ministre pour votre réplique.

Éric Thiébaut:

Merci pour ces éclaircissements, madame la ministre. Je suis un peu rassuré d'entendre que finalement, on a maintenu le projet d'une nouvelle prison dans le masterplan.

Cela dit, cela fait pratiquement une quinzaine d'années que j'interviens pour la prison de Mons dans ces murs. J'ai déjà effectué une dizaine de visites, peut-être même plus, toujours comme visiteur, je vous rassure, à la prison de Mons. Mais bon, la situation ne s'est jamais améliorée!

À la suite de mes interventions, parfois il y a eu des recrutements, parfois il y a eu des petits travaux d'amélioration, mais globalement, il est clair que la prison de Mons n'est plus adaptée aux exigences d'une détention moderne dans notre pays. Donc, je crois qu'il faudrait vraiment suivre ce dossier, qu'on ait finalement une nouvelle prison à Mons, mais que ce ne soit pas dans 20 ans, parce que je l'attends déjà depuis 15 ans et là, on en est juste encore aux études et à la recherche d'un terrain. Je suis inquiet par rapport à ce volet-là, mais je crois quand même qu'en attendant, il faut quand même investir un petit peu pour le personnel et pour l'amélioration aussi des conditions de travail.

Marie Meunier:

Merci beaucoup, madame la ministre, pour votre réponse. Alors on savait qu'il y avait une partie qui vous concernait, une partie qui concernait votre collègue, Mme Matz, pour la Régie des Bâtiments. Je sors donc de commission, où je lui ai posé la même question. Elle nous a confirmé qu'une taskforce entre la Justice et la Régie se réunissait toutes les deux semaines, qu'un budget était inscrit pour 2026 et que ce sujet restait donc une priorité pour elle. J'entends que, pour elle, cette prison est une priorité. J'entends que pour vous, c'est une priorité aussi. De grâce, comme vient de l'indiquer mon collègue, cela fait 15 ans que lui travaille sur ce dossier. Depuis que j'ai pris mes fonctions, en juillet dernier, je travaille sur ce dossier étant donné que je viens de Mons. De grâce, faites en sorte réellement qu'on atterrisse en 2026 sur quelque chose de concret, d'autant que manifestement vous êtes toutes les deux sur la même longueur d'onde et que, toutes les deux, vous considérez que le réaménagement et la création de cette nouvelle prison est une priorité pour la ville de Mons!

Het personeelstekort in de Belgische gevangenissen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 21 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Verlinden bevestigt dat er sinds voor de zomer overleg loopt met vakbonden over het tekort aan gevangenispersoneel, maar concrete maatregelen of een budgetverdeling zijn nog niet bekend. Er komen extra middelen uit een interdepartementale reserve voor loonpakketten, wervingscampagnes en betere infrastructuur, plus versterking van de HR-dienst om vacatures sneller in te vullen. Ribaudo dringt aan op tijdige, concrete resultaten en belooft spoedig opvolging. Het urgentieplan (met sociaal akkoord voor 2026) blijft vaag, met focus op attractiviteit en veiligheid.

Julien Ribaudo:

Madame la ministre, nous vous avons interrogée de nombreuses fois sur le sujet. Comme vous le savez, les agents pénitentiaires tirent la sonnette d'alarme sur le manque criant de personnel.

Dans l'accord de gouvernement, vous vous engagiez à élaborer un plan d'urgence avec, à la clé, un accord social d'ici janvier 2026. Pour cela: améliorer les conditions de travail et rendre la profession plus attractive, notamment par un package salarial compétitif.

Pouvez-vous nous dire où vous en êtes concrètement dans ce processus? Avez-vous déjà rencontré les organisations syndicales? Existe-t-il un calendrier précis de concertation? Quelles mesures envisagez-vous pour améliorer l'attractivité du métier? Enfin, quelle part de l'enveloppe du budget de la justice sera-t-elle réellement consacrée au personnel pénitentiaire?

Annelies Verlinden:

Monsieur Ribaudo, un processus de concertation avec les partenaires syndicaux a effectivement été entamé. Il est toutefois encore trop tôt pour communiquer davantage à ce stade. Des échanges avec les syndicats ont commencé avant l'été et se poursuivront cet automne.

La plupart des investissements en faveur du personnel proviennent de la provision interdépartementale. Des moyens sont également prévus dans cette provision afin de rendre plus attrayantes les fonctions au sein de l'administration pénitentiaire.

En outre, des moyens sont aussi prévus pour mener des campagnes de recrutement supplémentaires et doter le service du personnel de nouveaux recruteurs afin de combler le plus rapidement possible les pénuries de personnel dans les prisons.

Des moyens supplémentaires sont également prévus pour investir dans des infrastructures pénitentiaires mieux sécurisées.

Julien Ribaudo:

Je vous remercie, madame la ministre, pour cette réponse. Je suis heureux de savoir qu'un processus de concertation est en cours et que le travail est toujours sur les rails. Je ne manquerai pas de vous réinterroger pour avoir des réponses plus concrètes dans les prochaines semaines.

De arbeidsomstandigheden van het gevangenispersoneel

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 21 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De Belgische minister Verlinden bevestigt dat de opgestapelde 700.000 niet-genomen vakantiedagen van gevangenispersoneel (tot 375 dagen per persoon) onderhandelingsonderwerp zijn in een sociaal akkoord dat tegen 2026 moet leiden tot betere arbeidsomstandigheden, minder absentéïsme en aantrekkelijkere functies, maar geen concrete oplossingen (zoals compensatie of reset) zijn nog beslist. Ribaudo dringt aan op snelle duidelijkheid, maar stelt verdere vragen uit. De discussie over gerelateerde vragen wordt uitgesteld.

Julien Ribaudo:

Madame la ministre, depuis que je suis ici, on parle de 700 000 jours de congé accumulés et non pris par les agents pénitentiaires. Récemment, j'ai rencontré un agent qui me disait avoir accumulé 375 jours de congé non pris sur 15 ans d'ancienneté. Ce qui fait plus ou moins 25 jours par an. Je le concède, c'est un cas qui fait partie de la fourchette haute mais c'est révélateur d'un problème qui est structurel.

Comment comptez-vous résoudre cette situation? Avez-vous un nouveau chiffre, car il date de quelques mois, sur l'accumulation de jours de congé? Il semblerait qu'une remise à zéro des compteurs avec la possibilité d'indemniser les jours non pris soit sur la table. Est-ce que vous pouvez le confirmer ou l'infirmer? Et si oui, pouvez-vous préciser comment une telle mesure pourrait être appliquée concrètement sur le terrain?

Annelies Verlinden:

Dans ma note politique, j'ai clairement exprimé ma volonté de conclure d'ici le 1 er janvier 2026 un accord social visant à améliorer les conditions de travail du personnel pénitentiaire en général, à rendre la profession plus attractive, à remédier à la pénurie de personnel pénitentiaire, à optimiser les procédures de recrutement, à réduire l'absentéisme et à assurer une meilleure formation du personnel.

L'absentéisme et les moyens d'y remédier seront assurément abordés dans le cadre de cette concertation. Il serait évidemment prématuré d'en communiquer les conclusions à ce stade. Les discussions sur ce plan social sont en cours et il est encore trop tôt pour en dévoiler le contenu. La question des retards de congés sera sans aucun doute abordée dans le cadre de cette discussion.

Julien Ribaudo:

Apparemment, je suis un peu trop curieux. J'attendrai quelques semaines quand le processus aura abouti pour reposer la question et avoir des réponses plus précises. Je vous remercie, madame la ministre.

Alain Yzermans:

Mijnheer de voorzitter, gezien de afwezigheid van de heer Paul Van Tichgelt, heb ik afgesproken met mevrouw Marijke Dillen om de samengevoegde vragen nrs. 56008107C, 56008544C en 56008645C uit te stellen, indien mogelijk.

Voorzitter:

Goed, we stellen die samengevoegde vragen uit.

De opening van het detentiehuis in Olen

Gesteld door

lijst: VB Marijke Dillen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 21 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Het detentiehuis in Olen (58 plaatsen) opende na vertraging door renovatieproblemen (vocht, veiligheidsaanpassingen) en juridische bezwaarschriften van buurtbewoners (nog lopend bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen), ondanks een voorwaardelijke vergunning. De gefaseerde opstart (nu 21 gedetineerden) moet eind oktober volcapaciteit bereiken, met strenge screening en lokaal overleg (infosessies, bezoeken, veiligheidsprotocol met politie), maar incidenten (ontsnapping, drugs, tuchtzaak) ondermijnen het vertrouwen in de veiligheid. De kost bedraagt €2,9 miljoen (renovatie) en €3,05 miljoen/jaar (werking), met €30.198 subsidie voor Olen in 2025. Draagvlak blijft kwetsbaar door onopgeloste vergunningstwijfels en operationele tegenslagen.

Marijke Dillen:

Begin september werd het detentiehuis in Olen officieel geopend. Het is het derde detentiehuis na Kortrijk en Vorst. De eerste bewoners komen over uit andere gevangenissen. Het betreft een kleinschalige inrichting. Het was een woonzorgcentrum dat diende te worden omgevormd tot een beveiligde omgeving. De opstart zal stapsgewijs verlopen. Op termijn zal dit detentiehuis plaats bieden aan 58 gedetineerden. Dit detentiehuis openen was niet eenvoudig, onder meer omwille van noodzakelijke vergunningen, onverwachte vertragingen, enz.

Kan de minister meer toelichting geven betreffende de opening van dit detentiehuis en de verschillende moeilijkheden die gepaard zijn gegaan met de opening waardoor de opening vertraging heeft opgelopen?

Heeft de gemeente Olen subsidies gekregen vanuit Justitie op basis van het KB van 5 november 2024 en zo ja, hoeveel?

De opstart zal stapsgewijs verlopen om uiteindelijk plaats te bieden aan 58 gedetineerden. Hoeveel gedetineerden worden er thans al opgevangen? Kan de minister meer toelichting geven betreffende dit stappenplan? Wanneer zal dit detentiehuis op volle capaciteit draaien?

Wat is het profiel van de gedetineerden die hier zullen worden opgevangen?

Waren er naar aanleiding van de opening van dit detentiehuis protesten van de buurtbewoners over veiligheid en draagvlak? Werd de lokale gemeenschap betrokken en geïnformeerd zowel voorafgaand als bij de opening om draagvlak te creëren en bezorgdheden weg te werken? Graag een duidelijke toelichting.

Welke concrete afspraken zijn er gemaakt met de lokale Politie en het gemeentebestuur inzake veiligheid en opvang?

Wat is de kostprijs van dit detentiehuis wat de opening betreft? Graag een gedetailleerd overzicht. Welk budget dient er te worden voorzien op jaarbasis?

Annelies Verlinden:

Over het detentiehuis kan ik melden dat de opening enige vertraging heeft gekend. Het voormalige woon-zorgcentrum vereiste ingrijpende renovaties, structurele herstellingen, installatie van brand- en toegangsbeveiliging en aanpassingen voor personen met beperkte mobiliteit. Tijdens de werken kwamen bijkomende problemen zoals vochtschade aan het licht. Daarnaast moest rekening worden gehouden met de bezorgdheden van buurtbewoners, onder meer via bijkomende maatregelen voor privacy.

Het detentiehuis wordt gefaseerd opgestart om zo een veilige en gecontroleerde ingebruikname te garanderen. Voor 2025 zal een toelage van 30.198 euro aan de gemeente worden toegekend. Hiervoor hebben we inmiddels de goedkeuring van IF ontvangen.

De eerste bewoners zijn aangekomen op 8 september. Op 14 oktober verbleven al 21 bewoners in het detentiehuis. Het is onze ambitie om tegen het eind van deze maand de volledige capaciteit in gebruik te nemen. Ik wil erop wijzen dat een grondige screening van elke kandidaat-bewoner en het creëren van een stabiel leefklimaat bij de opstart een belangrijke rol spelen in het tempo waarmee de komende weken verder kan worden opgeschaald.

Voorafgaand aan de opening is een uitgebreid communicatietraject doorlopen in nauwe samenwerking met de gemeente. Het uitgangspunt was daarbij om van bij het begin transparant te zijn en de buurt goed te informeren en te betrekken, zodat draagvlak kon worden gecreëerd en bezorgdheden ernstig werden genomen.

Concreet werden infosessies georganiseerd voor de omwonenden, waarbij het concept werd toegelicht en de doelgroep van bewoners werd verduidelijkt. Ook konden vragen worden gesteld aan Justitie en aan de Regie. Daarnaast werd voor de start van de werken een plaatsbezoek georganiseerd, zodat buurtbewoners konden zien hoe het gebouw er op dat moment uitzag en welke aanpassingen voorzien waren. Vlak voor de effectieve opstart van het detentiehuis kregen de omwonenden opnieuw de kans het gebouw te bezoeken en kennis te nemen van de nieuwe inrichting.

De openheid stopt uiteraard niet bij de opstart. Ook nadien zullen geïnteresseerde buren worden uitgenodigd en blijven ze welkom om in dialoog te gaan. Er wordt expliciet ruimte voorzien om vragen te stellen, bezorgdheden te uiten en zelfs voorstellen tot samenwerking te doen. Het is immers de bedoeling dat het detentiehuis niet geïsoleerd naast de buurt staat, maar dat er een continue wisselwerking kan bestaan met de lokale gemeenschappen.

Daarnaast is maximaal getracht tegemoet te komen aan de concrete vragen van de buurt, in het bijzonder op het vlak van privacy en leefomgeving. Zo werden maatregelen genomen om inkijk te vermijden en het gevoel van veiligheid bij de omwonenden te versterken. Er is ook meermaals samengezeten met de veiligheidsdiensten. In dat kader werd een protocol gesloten tussen het detentiehuis, de politiezone Neteland en de DAB van de federale politie.

De kostprijs voor de renovatie van het woon-zorgcentrum tot detentiehuis bedraagt ongeveer 2,9 miljoen euro, inclusief btw. De verschillende geraamde kosten voor het detentiehuis dit jaar bedragen 3.052.000 euro en dekken onderhouds-, werkings- en personeelskosten. Voor meer gedetailleerde cijfers nodig ik u graag uit om een schriftelijke vraag te stellen.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, ik heb begrepen dat een van de oorzaken van de vertraging ook was, zo blijkt uit een antwoord van uw collega Matz, dat buurtbewoners beroep hadden aangetekend, waardoor die werken stilgelegd werden. Dat is vervolgens naar het provinciaal niveau gegaan. Opnieuw was dat slechts een voorwaardelijke vergunning. Ook daartegen werd beroep aangetekend bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen. En er is nog steeds geen uitspraak. Ik vind het dan ook heel bizar dat het detentiehuis inmiddels geopend is. U zegt dat u alles doet om het gevoel van veiligheid te versterken. Ik heb daar toch wel twijfels bij, zeker na de gebeurtenissen van dit weekend, met een bewoner die ontsnapt is, een andere bewoner die betrapt is op drugs en een personeelslid tegen wie een tuchtdossier geopend is vanwege te nauwe banden met een bewoner. Over dat laatste zal ik u een afzonderlijke vraag stellen.

De stand van zaken met betrekking tot de uitrol van nieuwe detentiehuizen

Gesteld door

lijst: VB Marijke Dillen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 21 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De hervorming van detentiehuizen verloopt moeizaam: slechts 3 van de beloofde 15 zijn operationeel (Kortrijk, Vorst, Olen), terwijl 8 locaties (o.a. Genk, Antwerpen, Luik) in voorbereiding zijn, maar nog niet definitief. Draagvlak ontbreekt: gemeenten krijgen €1.667/plaats/jaar als *compensatie* (geen overtuigingsubsidie), maar lokale weerstand en protesten blijven, ondanks communicatieplannen en omgevingsdialogen. De minister weigert details over lopende onderhandelingen om de dialoog niet te hypothekeren, maar benadrukt kleinschaligheid en re-integratie als maatschappelijke meerwaarde. Budgetten zijn locatie-afhankelijk en al deels vrijgemaakt, maar concrete cijfers en protestbegeleiding blijven vaag.

Marijke Dillen:

Het openen van nieuwe detentiehuizen is een onderdeel van uw hervorming van het gevangeniswezen. Uw voorganger had bij aanvang van de vorige legislatuur er 15 beloofd, op het einde was de balans 2. Het opzet thans is blijkbaar dat er verspreid over het land per provincie 1 of meer detentiehuizen worden ingericht. Vandaag staat de teller op 3, Kortrijk, Vorst en Olen. De interesse van de gemeenten is zeer beperkt. Begrijpelijk. Want lokale besturen en burgers tonen vaak grote weerstand tegen de opening van een detentiehuis gezien de extra risico's en overlast die niet mogen worden onderschat.

Dat de Minister zelfs subsidies moet aanbieden om gemeenten te overtuigen toont aan dat dit project maatschappelijk niet gedragen wordt.

Kan de minister mij een actuele stand van zaken geven betreffende de voorbereiding van de opening van nieuwe detentiehuizen in dit land? Met welke gemeenten zijn er inmiddels onderhandelingen bezig? Met welke gemeenten zijn er concrete voorbereidingen bezig?

Bij mogelijke concrete plannen: welke budgetten worden er hiervoor voorzien?

Bij mogelijke concrete plannen: werden er concrete subsidies beloofd aan de betrokken gemeenten en zo ja, wat is de omvang hiervan?

Bij mogelijke concrete plannen: heeft de minister kennis van protest van de inwoners? Zo ja, op welke wijze wordt dit begeleid?

Annelies Verlinden:

Collega Dillen, momenteel zijn er drie detentiehuizen operationeel, namelijk in Kortrijk, Vorst en Olen. Daarnaast lopen er, zoals al bekend, voorbereidende trajecten voor de ontwikkeling van detentiehuizen in Genk, Jemeppe-sur-Sambre, Antwerpen, Ninove, Zelzate, Doornik, Oostende en Luik.

Aangezien deze sites nog onvoldoende gekend en uitgewerkt zijn, wordt volop verder gezocht in meerdere provincies, waarbij telkens wordt nagegaan in welke gemeente een detentiehuis kan worden ingericht. De gesprekken verlopen in nauw overleg met de lokale besturen, omdat draagvlak bij de gemeente en bij de buurt essentieel is voor het welslagen van deze projecten.

Ik bevestig dat met verschillende gemeenten gesprekken lopen, maar zolang er geen beslissingen zijn genomen of definitieve akkoorden bestaan, is het niet opportuun om de locaties publiek te maken en dat om de dialoog met de betrokken lokale besturen niet te hypothekeren en hun de leiding in de communicatie te kunnen geven. Voor elk concreet project wordt in budgetten voorzien binnen de meerjarenbegroting van de FOD Justitie, zowel voor aanpassingswerken aan de infrastructuur als voor de exploitatie. Daarvoor zijn de eerste middelen al beschikbaar, maar de exacte omvang verschilt per locatie, afhankelijk van het gebouw en de noodzakelijke werken.

De voorziene financiële bijdrage bedraagt 1.667 euro per beschikbare plaats per jaar en wordt toegekend aan de stad of gemeente die effectief een detentiehuis op haar grondgebied heeft. Het gaat nadrukkelijk niet om een subsidie om te overtuigen, maar om een gerichte compensatie voor de reële extra lasten die een lokaal bestuur kan ondervinden, bijvoorbeeld op het vlak van samenwerking met politie en veiligheid, het OCMW of andere gemeentelijke diensten.

Het klopt dat er vaak vragen of bezorgdheden leven. Daarom hechten we veel belang aan communicatie en participatie. Voor elke concrete locatie wordt een communicatieplan uitgewerkt en een omgevingsdialoog opgezet, waarbij inwoners correct geïnformeerd worden en hun bekommernissen ernstig worden genomen. Die begeleiding gebeurt altijd in overleg met het betrokken bestuur. Het uitgangspunt blijft dat detentiehuizen niet enkel een instrument van Justitie zijn, maar ook een meerwaarde voor de samenleving bieden door hun kleinschaligheid, de focus op begeleiding en re-integratie en de bijdrage die ze leveren aan een veiligere samenleving op langere termijn.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord over de stand van zaken. Voor de door u opgesomde steden en gemeenten - Genk, Jemeppe enzovoort - is dus al definitief beslist dat er een detentiehuis zal worden gevestigd. Daarnaast voert u gesprekken met andere gemeenten, waarvan u nog geen overzicht wilt geven. We zullen dit dossier in elk geval opvolgen.

De drievoudige moord in Roeselare
De recente dodelijke steekpartijen in Roeselare
De drievoudige moord in Roeselare
Dodelijke steekpartijen en drievoudige moord in Roeselare

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 21 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De drievoudige moord in Roeselare door Mohammed K.—een Afghaanse man met een veroordeling voor intrafamiliaal geweld maar zonder effectieve gevangenisstraf—blootlegt systeemfalen in justitie en slachtofferbescherming: te lichte straffen, niet-gehandhaafde contactverboden, gebrek aan risicotaxatie en casusoverleg, en een taalbarrière die voorwaarden blokkeerde. Minister Verlinden benadrukt aankomende verscherpte wetgeving (o.a. strengere straffen voor intrafamiliaal geweld, elektronisch toezicht, en uitbreiding van nationaliteitsontneming), maar erkent dat absolute preventie onmogelijk is en dat rechters autonoom beslissen—wat Van Hoecke onvoldoende vindt, gezien het ontbreken van concrete, directe oplossingen om herhaling te voorkomen. De Wit dringt aan op versnelde invoering van haar slachtofferapplicatie (meldingen bij schending contactverbod) en betere ketensamenwerking, maar ook zij bevestigt: geen waterdicht systeem.

Alexander Van Hoecke:

We hebben dit debat eigenlijk al iets oppervlakkiger gevoerd in de plenaire vergadering van enkel weken geleden, maar ik meen dat er nog altijd heel veel vragen over zijn die onbeantwoord blijven.

Mijn vraag gaat over de gruwelijke drievoudige moord in Roeselare door de Afghaanse Mohammed K. Die moord heeft heel veel mensen beroerd. Ze legt volgens mij opnieuw een aantal schrijnende tekortkomingen in het gerechtelijke apparaat bloot. Mohammed K. werd veroordeeld wegens feiten van intrafamiliaal geweld en kreeg een celstraf van één jaar, waarvan de helft met uitstel. In de praktijk betekent dit – en dat weten we allemaal – dat Mohammed K. nooit een dag in de gevangenis zou belanden wegens die feiten, daar celstraffen van 6 maanden of minder niet worden uitgevoerd.

Een onmiddellijke aanhouding was niet mogelijk omdat de beroepstermijn nog liep. Maar bijzonder verontrustend is dat de advocaat van Mohammed K. zelf vroeg voorwaarden op te leggen, hoewel geen celstraf en dat de rechtbank oordeelde dat voorwaarden onmogelijk zouden zijn omdat Mohammed K. geen Nederlands sprak. We weten allemaal wat vervolgens gebeurd is, namelijk die drie moorden in Roeselare.

Ik heb daarover de volgende vragen.

Kunt u een tijdlijn schetsen van het dossier van Mohammed K., van de feiten die in augustus 2024 door de politie werden vastgesteld tot heden? In de media was daar initieel wat verwarring over. Het zou goed zijn dat we een volledig overzicht hadden.

Hoe zult u garanderen dat wie veroordeeld werd voor geweldfeiten in de toekomst niet vrij zal kunnen rondlopen na zijn veroordeling? Staat hiervoor een wetswijziging gepland? Wanneer kunnen we die verwachten?

Bent u van oordeel dat de maximumstraf voor de feiten waarvoor Mohammed K. veroordeeld was, opgetrokken moet worden? Zo ja, welke stappen zult u ondernemen om daar werk van te maken?

In hoeveel zaken werden er dit jaar geen voorwaarden opgelegd wegens een taalbarrière? Wat zult u toen om dit te remediëren?

Bent u van oordeel dat het eindelijk mogelijk gemaakt moet worden individuen die een verblijfstatus hebben, of die een dubbele nationaliteit hebben, de Belgische nationaliteit te ontnemen als ze criminele feiten als deze plegen?

Sophie De Wit:

Geachte minister,

De recente tragedie in Roeselare waarbij drie mensen om het leven kwamen, veroorzaakt door een man die amper vier dagen voordien nog veroordeeld werd voor intrafamiliaal geweld, legt pijnlijk de tekortkomingen van ons justitieel apparaat bloot. De feiten wegen des te zwaarder omdat het 45-jarige dodelijk slachtoffer in het verleden reeds klacht had neergelegd voor bedreigingen, maar die klacht bleef blijkbaar zonder gevolg.

Bovendien was volgens media op het ogenblik van de feiten een contactverbod van kracht met zijn ex-vrouw, maar ook dat bleek in de praktijk dus onvoldoende bescherming te bieden aangezien ook zij werd vermoord. Dit drama, waarbij overigens nog een derde slachtoffer viel, toont nogmaals aan dat een contactverbod weinig waarde heeft zolang dit niet gehandhaafd wordt.

In dit verband diende ik begin dit jaar een wetsvoorstel in dat voorziet in elektronische controle en een slachtofferapplicatie om slachtoffers onmiddellijk te verwittigen bij een inbreuk op een contact- of plaatsverbod. Dit wetsvoorstel werd intussen van adviezen voorzien en sluit naadloos aan bij het regeerakkoord (op p. 154 wordt expliciet verwezen naar de slachtofferapplicatie) en de beleidsnota Justitie, die benadrukken dat slachtoffers centraal moeten staan en dat er nood is aan consequente strafuitvoering, systematische risicotaxatie en beter casusoverleg.

Mijn vragen:

1. Bent u akkoord dat het problematisch is dat geen voorwaarden worden gekoppeld aan een straf met uitstel omwille van de gebrekkige taalkennis? Zou het opleggen van voorwaarden in dergelijke casus niet beter een wettelijke verplichting worden?

2. Welke risicotaxatie-instrumenten zijn vandaag wettelijk verplicht bij veroordelingen voor huiselijk geweld? En hoe wordt de naleving van contactverboden systematisch gecontroleerd?

3. Hoe functioneert het casusoverleg tussen politie, parket, justitiehuizen en hulpverlening in dossiers van intrafamiliaal geweld? Is dit overleg ook in dit dossier toegepast?

4. Welke concrete maatregelen wil u nemen om te garanderen dat veroordeelden met een duidelijk risicoprofiel niet opnieuw vrij rondlopen zonder toezicht?

5. Hoe staat u tegenover de versnelde invoering van de slachtofferapplicatie, conform het regeerakkoord en ons wetsvoorstel, zodat slachtoffers effectief tijdig gewaarschuwd worden bij een schending van een contact- of plaatsverbod?

6. Hoe verantwoordt u dat de eerdere klacht van de 45-jarige man in dit dossier geseponeerd werd, ondanks de duidelijke aanwijzingen van gevaar? Is een evaluatiemechanisme om te vermijden dat ernstige klachten lichtzinnig geseponeerd worden aangewezen?

Dank voor uw antwoorden.

Annelies Verlinden:

Collega’s, ik betuig nogmaals mijn medeleven aan de nabestaanden. Het vreselijke drama heeft natuurlijk een grote impact op de familie en vrienden van de slachtoffers, alsook op de gemeenschap in Roeselare en op onze hele samenleving.

Er worden nog veel vragen gesteld over de precieze oorzaken, maar ik kan ze niet allemaal beantwoorden. Ik zal wel zo helder mogelijk trachten te antwoorden op uw vragen over het dossier, zoals ik dat ook al heb gedaan tijdens de plenaire vergadering. Het gerechtelijk onderzoek is lopende. Ik kan alvast duiden dat de verdachte op 29 juli 2025 onder voorwaarden werd vrijgelaten door de raadkamer. Die voorwaarden betroffen onder meer een contactverbod. In tegenstelling tot wat werd gesuggereerd, was het contactverbod nog van toepassing.

Op 18 september 2025 sprak de correctionele rechtbank zich vervolgens uit over eerdere feiten. Dat vonnis was nog niet definitief, omdat de beroepstermijn van dertig dagen nog liep. Daardoor bleven de voorwaarden van toepassing bij de invrijheidstelling van 29 juli 2025, met name ook het contactverbod.

De op 18 september 2025 opgelegde straf voor de eerdere feiten bedraagt een jaar gevangenisstraf, waarvan de helft met uitstel, en een geldboete. Ik begrijp dat daarbij rekening werd gehouden met het blanco strafregister en met de context van de verdachte. De maximumstrafmaat werd toegepast door de rechtbank, waarvan een deel kennelijk met uitstel. Het contactverbod liep nog. Het vonnis was nog niet definitief en een onmiddellijke aanhouding is in dat geval niet vastgelegd door de wet.

De opgelegde straf betreft een onafhankelijke rechterlijke beoordeling die rekening houdt met de elementen uit het strafdossier.

Ik wil benadrukken dat ik mij als minister van Justitie niet uitspreek en ook niet kan uitspreken over individuele beslissingen van rechters, zelfs al zou ik dat willen. Dat is immers het basisprincipe van onze scheiding der machten.

Mevrouw De Wit, het casusoverleg vindt zijn grondslag in artikel 458 ter van het Strafwetboek. Dat artikel biedt de mogelijkheid aan politie, parket, justitiehuizen, hulpverlening en bestuurlijke overheden om in dossiers van intrafamiliaal geweld het geheim van het onderzoek of het beroepsgeheim te doorbreken.

De federale wetgever heeft ervoor gekozen om de mogelijkheid tot het doorbreken van het beroepsgeheim niet verplicht te maken. Dat betekent dat elke actor de mogelijkheid heeft om een dossier ter bespreking op tafel te leggen in de systemen van ketenaanpak, die aan Vlaamse zijde momenteel worden geïnstitutionaliseerd in de Veilige Huizen. Het betreft dus een spreekrecht binnen de grenzen van de wet en geen spreekplicht.

In het betreffende dossier werd nog geen casusoverleg opgestart, omdat op basis van de toen beschikbare informatie daartoe klaarblijkelijk geen redenen werden gezien.

Wat uw specifieke vraag betreft over de verplichting tot het opleggen van voorwaarden bij het opleggen van een vrijheidsstraf met opschorting of uitstel, kan ik meedelen dat de al dan niet toekenning van die strafopleggingsmodaliteiten, al dan niet gekoppeld aan probatievoorwaarden, eveneens aan de individuele beoordeling van de rechter toekomt.

Met betrekking tot uw vraag over het bestaan en gebruik van een risicotaxatie-instrument bij de veroordeling kan ik verwijzen naar artikel 4 van de wet van 18 januari 2024. Dat artikel voerde in artikel 43 van het Wetboek van strafvordering een tweede paragraaf in die stelt dat, indien een psychologisch deskundigenonderzoek door de procureur wordt gevorderd, een risicotaxatie dient te worden uitgevoerd. De uitvoering van risicotaxaties kan gebeuren in alle fasen van de strafrechtketen, van bij de opsporing en vervolging tot bij de strafoplegging en strafuitvoering. Er zijn verschillende risicotaxatie-instrumenten in omloop, die kunnen variëren afhankelijk van de casus en de fase in de strafrechtketen.

Wat uw vragen over het ontnemen van de Belgische nationaliteit betreft, collega Van Hoecke, het Wetboek van de Belgische nationaliteit voorziet in de mogelijkheid om onder bepaalde voorwaarden Belgen hun Belgische nationaliteit te ontnemen. De regering is van plan de lijst van misdrijven die tot verlies van de Belgische nationaliteit kunnen leiden, uit te breiden. Zoals ik ook in mijn algemene beleidsverklaring heb aangegeven, worden de teksten voor een voorontwerp van wet in dat verband afgerond.

Voorts is het van belang te duiden dat ingevolge het nieuwe Strafwetboek, dat volgend jaar in werking treedt, strenger zal kunnen worden opgetreden tegen intrafamiliaal geweld. Zo wordt voor intrafamiliale gewelddaden gaande van gewelddaden met een integriteitsaantasting van de eerste graad of zonder integriteitsaantasting tot gevolg tot gewelddaden met de dood tot gevolg, in een afzonderlijke strafbaarstelling voorzien en zullen strengere straffen kunnen worden opgelegd, respectievelijk een straf van niveau twee en een van niveau vijf. Ik wil ook wijzen op de invoering van de strafbaarstelling intrafamiliale doodslag, die wordt gelijkgesteld aan moord en waarop een straf van niveau acht staat, wat een levenslange gevangenisstraf inhoudt.

Collega's, ik kan onmogelijk garanderen dat dergelijke feiten niet meer plaats zullen vinden; we moeten wel proberen ze maximaal te voorkomen. Een betere bescherming van slachtoffers is dan ook een van onze absolute beleidsprioriteiten.

Een belangrijke stap is gezet met de wet van 18 juli van dit jaar, die bepaalt dat elektronisch toezicht in principe niet op de verblijfplaats van het slachtoffer kan worden uitgeoefend, waarmee bijzondere aandacht wordt gegeven aan de bescherming van slachtoffers.

Specifiek voor de daders van kindermishandeling zullen we het ook mogelijk maken om een volledig omgangsverbod met minderjarigen op te leggen. We bekijken daartoe, in overleg met de relevante partners, hoe ervoor kan worden gezorgd dat het parket en de politie kennis hebben van de beroepsactiviteiten en andere activiteiten van de vermeende dader. We zullen hier samen verder aan werken.

Alexander Van Hoecke:

Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord.

Dat u zich niet kunt uitspreken over individuele beslissingen van rechters is logisch, maar de vraag die hier vandaag voorligt, is hoe we dergelijke feiten in de toekomst kunnen vermijden. Dat u dan eindigt met te zeggen dat we zoiets niet absoluut kunnen voorkomen, stuit mij toch tegen de borst. U hebt het over elektronisch toezicht, maar ik denk niet dat Mohammad K. onder elektronisch toezicht stond. Ik denk niet dat de maatregelen die u hebt opgesomd, iets dergelijks in de toekomst kunnen verhinderen.

Voorts staat er inderdaad in het regeerakkoord en in uw beleidsnota dat de mogelijkheden om de Belgische nationaliteit af te nemen, zullen worden uitgebreid, maar dat geldt niet voor feiten, zoals we hier aanhalen. Zelfs als het regeerakkoord uitgevoerd wordt, zelfs als uw wetgeving in werking treedt, dan nog zal een voorval als in Roeselare niet bestraft kunnen worden met het afnemen van de Belgische nationaliteit. Daar kunnen we nog altijd niets aan doen.

Ik blijf dus op mijn honger en ben verontwaardigd door uw antwoord. Het is uw taak als minister van Justitie om maatregelen te nemen opdat zoiets niet meer plaats kan vinden en ik heb geen enkele concrete maatregel gehoord die ervoor zou kunnen zorgen dat wat in Roeselare is voorgevallen met Mohammad K., in de toekomst zich niet meer zal herhalen. Ik blijf echt op mijn honger en hoop uit de grond van mijn hart dat we zoiets nooit meer meemaken. Jammer genoeg hebben we nu geen enkele garantie en kunt u er evenmin geven dat we iets dergelijks kunnen vermijden. Ik ben heel teleurgesteld door uw antwoord.

Sophie De Wit:

Dank u voor uw antwoord, mevrouw de minister. Er zitten wel een aantal initiatieven, die kunnen helpen, in de pijplijn en sommige zijn hier zelfs al in commissie hangende.

U wijst erop dat casusoverleg al kan, maar u weet ook dat voor de federale actoren de wettelijke basis helemaal niet zo helder is. Dat valt echter te repareren. Ik denk vooral aan de slachtofferapplicatie. Dat is inderdaad een soort elektronisch toezicht, waarbij het slachtoffer een melding krijgt wanneer een dader of belager te dicht in de buurt komt, waarna de diensten worden verwittigd. Zo kunnen we die problematiek al iets beter aanpakken. Waterdicht zal het nooit zijn. We moeten ons daarover geen illusies maken, maar elk beetje helpt. Wij hebben inzake de slachtofferapplicatie een wetsvoorstel in de Kamer voor behandeling ingediend. Ik hoop op een snelle goedkeuring met de steun van iedereen.

Voorzitter:

Les questions jointes n os 56008271C et 56008272C de M. Paul Van Tigchelt sont reportées.

Het politietoezicht op gedetineerden die vervroegd vrijgelaten worden

Gesteld door

lijst: PS Patrick Prévot

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 21 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De stijgende werkdruk bij lokale politiezones door toegenomen controles op elektronische detentie en voorwaardelijke invrijheidstelling (van 325 naar 600 PV’s in La Louvière, landelijk van 10.000 naar 26.000) zonder compensatie vormt het kernprobleem, terwijl deze federale taak ten koste gaat van basispolitiewerk. Minister Verlinden erkent de structurele overbelasting en wijst op lopende herzieningen van de financieringsnorm (KUL) en taakverdeling, maar schuift de verantwoordelijkheid voor extra middelen door naar de bevoegde collega-ministers. Prévot dringt aan op concrete oplossingen, benadrukkend dat réinsertie en slachtofferbescherming alleen werken met voldoende capaciteit en transparantie over de afhandeling van overtredingen. De klemtoon ligt op de noodzaak van snelle, gecoördineerde federale actie om de politie niet langer te laten opdraaien voor onbetaalde taken.

Patrick Prévot:

Madame la ministre, une fois n'est pas coutume: permettez-moi de partir d'un exemple particulier afin de vous exposer un problème plus général. Je vais vous parler d'une zone de police que je connais bien, qui est celle de La Louvière.

D'ici la fin de l'année, selon les dernières projections, plus de 600 procès-verbaux pour non-respect des conditions applicables aux détenus bénéficiant d'une libération conditionnelle ou de la surveillance électronique seront dressés à La Louvière. Il y a trois ans, ce chiffre était de 325.

C'est une augmentation qui s'explique par un phénomène structurel: l'extension du recours à la libération conditionnelle et à la surveillance électronique dans notre pays, en tant que modes alternatifs d'exécution de la peine de prison ou en tant que peine autonome. Ces modalités présentent des avantages en matière de réinsertion, mais elles impliquent aussi des responsabilités accrues dans le chef des polices locales, pourtant déjà sous pression.

Je rappelle que ces conditions individualisées visent à limiter le risque de récidive, et ce dans le cadre de l'intérêt public mais également et surtout dans le cadre de l'intérêt des victimes. Le contrôle du respect de ces conditions est essentiel pour s'assurer de la protection des victimes et du bon déroulement du processus de réinsertion.

C'est l'État fédéral qui est responsable de la surveillance de ces détenus. Il est donc selon moi inacceptable qu'il transfère une nouvelle fois le poids de cette charge aux zones de police sans compensation.

Le chef de corps de La Louvière, Eddy Maillet, le dit d'ailleurs très clairement: pendant que les policiers rédigent ces 600 procès-verbaux, ils ne font pas de contrôle en rue de personnes, de véhicules. Ce sont des missions fédérales, assumées localement sans les moyens nécessaires.

Madame la ministre, comptez-vous demander au gouvernement d'accorder davantage de moyens humains et financiers aux polices locales, en particulier dans les zones où le recours à la surveillance électronique a explosé?

Comptez-vous mettre en place un mécanisme de suivi transparent des procès-verbaux dressés pour non-respect des conditions, afin que les agents sachent que leur travail est utile et suivi d’effets?

Annelies Verlinden:

Monsieur Prévot, dans une analyse récente des tâches essentielles, la Commission Permanente de la Police Locale a souligné l'augmentation des tâches liées au contrôle de l'exécution des peines. Ainsi, selon des données policières du 14 octobre, quelque 60 517 personnes doivent actuellement faire l'objet d'un suivi, avec dans certains cas une visite à domicile.

Il s'agit des différentes modalités de peine, des congés pénitentiaires, des conditions de probation, des autorisations de sortie, des décisions du tribunal d'exécution des peines, etc. Le nombre de procès-verbaux dressés pour non-respect des conditions est en constante augmentation, d'environ 10 000 en 2020 à 26 000 en 2024. Le suivi est actuellement effectué par l'application I+Belgium, qui sera prochainement remplacée par l'application JustSignal.

Je plaide en faveur d'une approche globale et structurelle dans laquelle une justice efficace et bien fonctionnelle, renforcée par une politique pénitentiaire digne et correcte, revêt une importance capitale. Il s'agit là d'une responsabilité partagée par les pouvoirs publics. Nos prisons sont confrontées à un problème de surpopulation. Pour traiter ce problème et aussi pour favoriser la réintégration des condamnés dans la société, on choisit toujours dans le cadre légal la peine la plus appropriée. Et je suis consciente que cela peut représenter une charge de travail supplémentaire pour la police locale. Il appartient alors au ministre compétent de prévoir les moyens supplémentaires nécessaires.

De plus, il se tient actuellement une réflexion sur la révision de la norme KUL, norme de financement des zones de police, qui pourrait éventuellement inclure ce type d'éléments dans les calculs. Parallèlement, une réflexion globale a été entamée sur les tâches clés des services de police.

Patrick Prévot:

Madame la ministre, je vous remercie pour votre réponse. J'entends évidemment que vous partagez le constat qui est le mien, mais qui est aussi celui du chef de corps de La Louvière et, partant, celui de nombre de ses collègues. Vous entendez que cette charge s'alourdit pour la police locale. Et puis, de votre réponse, je retiens qu'il appartient au ministre compétent de mesurer les besoins nécessaires. Cela tombe bien, puisque c'est votre collègue avec lequel vous vous réunissez régulièrement. Si nous pouvons partager le constat que ces aménagements de peine sont souvent nécessaires en vue d'une réinsertion, il serait de bon ton de prévoir les moyens suffisants pour que nos polices locales puissent exécuter ces tâches supplémentaires. Dès lors, je vous renvoie la balle ainsi qu'à votre collègue. Il faut prévoir en effet les moyens nécessaires à l'accomplissement efficace de ce travail par nos polices locales.

De kracht van de detentiehuizen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 21 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de toekomst en uitbreiding van kleinschalige, herstelgerichte detentiehuizen in België, die nu slechts 2% van de gevangenispopulatie huisvesten. Kortrijk’s detentiehuis (77 plaatsen) staat onder druk door een aflopende concessie (2026) en onzekerheid over de locatie, maar een regionaal alternatief wordt beloofd; Genk opent eind 2026, met plannen voor doelgroepen zoals vrouwen en jongvolwassenen. Minister Verlinden benadrukt kleinschaligheid (ideaal 30-50 plaatsen, leefgroepen ≤15) en zoekt actief naar nieuwe locaties via provincies, terwijl het masterplan 4 verdere uitbreiding moet waarborgen. Lokale steun (o.a. burgemeesters, gouverneurs) is cruciaal, maar haalbaarheid en differentiatie blijven uitdagingen.

Alain Yzermans:

De vraag is al gedeeltelijk behandeld, maar ik wil er toch nog even op ingaan. Er zou kunnen worden gesteld dat detentiehuizen slechts een druppel op een hete plaat zijn, maar zo mogen we ze zeker niet beschouwen, aangezien het om een heel specifieke vorm van detentie gaat. Jammer genoeg vertegenwoordigen ze slechts minder dan 2 % van de totale gevangenispopulatie. De kracht van het systeem schuilt in het herstelgerichte, trajectgerichte, kleinschalige en nabije karakter.

Iedereen kent het systeem. Ik ben zelf het detentiehuis in Kortrijk gaan bezoeken. Wat mij daar opviel, is de nadruk op het toepassen van strenge interne regels, vooral met betrekking tot agressie en het drugsbeleid. Dat blijft een problematisch gegeven, niet enkel in de gevangenissen maar ook in de detentiehuizen.

De eerste opmerking die ik wil maken en die gepaard gaat met een gepaste vraag, betreft de toekomst van het detentiehuis in Kortrijk, waar 77 gedetineerden gehuisvest zijn. Er is een probleem op lange termijn. In 2026 zou de concessie eindigen. Het gebouw is overgenomen door de Kulak. Er bestond een toekomstperspectief voor het detentiehuis in de stad binnen een justitiegebouw, maar dat is weggevallen. Hoe moet men daar nu verder, goed wetende dat die 77 personen ongeveer de helft vertegenwoordigen van de al kleine capaciteit van onze detentiehuizen? Dat is een belangrijke vraag. Kan het detentiehuis van Kortrijk blijven bestaan en op welke manier?

De tweede vraag betreft de ideale norm. Er wordt hier gesproken over 77 personen, verdeeld over vier afdelingen, terwijl een ideale norm tussen 30 en 50 gedetineerden ligt, om hen goed te kunnen opvolgen.

Wat is de stand van zaken van het masterplan infrastructuur? Op die vraag werd eerder al geantwoord tijdens de behandeling van een vraag van volksvertegenwoordiger Dillen.

De vierde vraag gaat over de stand van zaken rond het detentiehuis in Genk, waarover wij niet veel meer vernemen. Wellicht heeft het volgende te maken met de locaties die u hebt benoemd. Hoe staat u echter tegenover de heel specifieke doelgroepen, zoals detentiehuizen voor vrouwen en voor jongvolwassenen? Dat zijn vijf concrete vragen.

Annelies Verlinden:

Collega, het verheugt mij dat ook u het concept van kleinschalige detentie erg genegen bent. Ik wil dit graag opvatten als een gezamenlijke zoektocht naar nieuwe locaties. Als u er een aantal weet, mag u mij dat zeker laten weten. Er staan al een aantal nieuwe locaties op onze radar. Begin deze maand heb ik een brief gestuurd naar alle provinciegouverneurs om te vragen om geschikte sites en bereidwillige lokale besturen in hun provincie te identificeren. U weet dat dit geen gemakkelijke opdracht is. Onze ambitie is duidelijk: inzetten op kleinschalige detentie en daardoor nog meer kwalitatieve herstelgerichte detentie creëren. Hiervoor is echter de steun van verschillende partners noodzakelijk.

We zijn goed op de hoogte van de situatie in Kortrijk en werken samen met de Regie aan een duurzame oplossing. Op dit moment kan ik niet verzekeren dat het initiatief op die specifieke site kan blijven doorgaan. Dat hangt af van de gesprekken met de eigenaar. Ik kan u daarentegen wel verzekeren dat er binnen dezelfde regio een alternatieve oplossing zal worden voorzien voor het detentiehuis in Kortrijk indien nodig.

Wat de schaalgrootte betreft, de huidige capaciteit van het detentiehuis in Kortrijk ligt inderdaad hoog. Ze is de hoogste in vergelijking met alle bestaande en geplande detentiehuizen. Binnenkort openen nog detentiehuizen met een capaciteit van 40 bewoners. Het model van detentiehuizen is relatief nieuw. Daarom willen we ervaring opdoen met verschillende vormen, zodat we op termijn beter kunnen inschatten welke vorm het meest beheersbaar is en de beste resultaten oplevert.

U verwijst in uw vraag naar de uitdaging van het werken met verschillende afdelingen. Onderzoek toont aan dat het werken met kleine leefgroepen van maximaal 15 personen cruciaal is om kleinschalig en op maat te kunnen werken. Mijn visie is te streven naar een goede balans tussen kwantiteit en kwaliteit. Dit doen we in samenspraak met mensen uit de praktijk, op basis van onderzoek en in overleg met vzw De Huizen.

Wat het masterplan gevangenissen betreft, voeren we de goedgekeurde masterplannen van de vorige regering verder uit. Momenteel werken we, op basis van de evaluatie van masterplan 3bis, aan het opstellen van masterplan 4. Dit moet ervoor zorgen dat Justitie ook in de komende jaren over voldoende en conforme gevangeniscapaciteit beschikt. Nieuwe detentiehuizen zullen daarin worden opgenomen. De eerstvolgende openingen betreffen de detentiehuizen in Genk, Jemeppe-sur-Sambre, Antwerpen en de reeds eerder door mij opgesomde locaties. De opening van het detentiehuis in Genk wordt voorzien tegen eind 2026.

Tot slot streven we niet alleen naar een uitbreiding van de capaciteit maar ook naar differentiatie. We onderzoeken momenteel, samen met de deelstaten, de mogelijkheden om detentiehuizen of specifieke afdelingen binnen detentiehuizen te ontwikkelen voor doelgroepen zoals jongvolwassenen en psychisch kwetsbare gedetineerden. Bij die analyse wordt rekening gehouden met de concrete noden, de haalbaarheid en de locatie van de geplande nieuwe detentiehuizen.

Alain Yzermans:

Mevrouw de minister, het verheugt me dat we op dezelfde golflengte zitten. Als burgemeester van Houthalen-Helchteren heb ik de brief ook ontvangen. We zullen ten gronde onderzoeken welke mogelijkheden er zijn in de regio. Het is belangrijk dit concept te promoten, ook via de gouverneurs. Dit initiatief is overigens via de gouverneurs verlopen. Ik ondersteun dit innovatieve project.

Bijkomende middelen ter versterking van het justitieapparaat
De begrotingsbesprekingen en de verhoging van de middelen voor de justitie
Versterking en financiering van het justitieapparaat

Gesteld aan

Vincent Van Peteghem (Minister van Begroting)

op 21 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De Belgische justitie kampt met chronisch onderfinanciering (0,22% BBP vs. EU-gemiddelde 0,33%) en tekort aan magistraten (14,4 vs. 22/100.000 in EU), wat leiden tot slechte infrastructuur, wachtlijsten en rekruteringsproblemen. Minister Verlinden bevestigt de nood aan 1 miljard extra (gespreid), benadrukt breed draagvlak voor investeringen in personeel, digitalisering en gevangeniscapaciteit, maar waarschuwt dat budgettaire realiteit de hoogte van de toekenning zal bepalen—zonder garantie op het volle bedrag. Schlitz onderstreept dat fiscale herverdeling (meerbijdrage van vermogenden) en politieke prioritering onontbeerlijk zijn om de justitiële crisis te keren, en roept collega’s op om in intercabinetonderhandelingen geen concessies te doen op pensioenen of budgetten. De praktische uitvoering (bv. indexsprong voor ambtenarenpensioenen) blijft onduidelijk, evenals de concrete steun binnen de regering. *De rest van de discussie betreft procedurele afspraken over vraagstellingen en schriftelijke antwoorden.*

Sarah Schlitz:

Madame la ministre, je ne vous apprendrai rien, notre système judiciaire est souffrant. Tout le secteur de la justice tire la sonnette d'alarme depuis des mois, et pour cause, car d'après les derniers chiffres, seulement 0,22 % du PIB belge est consacré au secteur de la justice, contre 0,33 % pour la moyenne européenne. Nous n'avons d'ailleurs que 14,4 magistrats par 100 000 habitants, contre 22 de moyenne dans l'Union européenne. En résumé, la justice est à la fois sous-financée et sous-dotée, car il est difficile de recruter en raison de ses dysfonctionnements. Il est donc grand temps d'obtenir pour la justice des moyens supplémentaires.

Vous me rejoignez, je pense, sur ce constat. Vous avez d'ailleurs récemment déclaré dans la presse avoir réclamé une hausse de budget d'un milliard d'euros, la moitié destinée au fonctionnement de la justice et l'autre pour la Régie des Bâtiments. C'était un signal utile et fort pour tout le secteur, qui l'attendait depuis longtemps.

Madame la ministre, pouvez-vous nous dire où en sont les discussions budgétaires au sein du gouvernement, en particulier pour le refinancement de la justice? J'imagine qu'il y a des réunions intercabinets par secteur. Pouvez-vous nous dire où cela en est? Au moment même où je vous parle, plusieurs dépêches tombent: un saut d'index serait introduit et ne concernerait que les pensions des fonctionnaires. Le monde de la justice serait-il également concerné? Les magistrats doivent-ils à nouveau craindre pour leur pension? Pensez-vous trouver un accord sur la hausse d'un milliard d'euros? Quelle somme estimez-vous pouvoir obtenir réellement dans cette négociation? Avez-vous des alliés pour obtenir cette somme, ou chacun défend-il ses propres intérêts au sein du gouvernement?

Annelies Verlinden:

On a déjà beaucoup parlé des budgets pour la justice ainsi que des demandes de budgets supplémentaires qui sont d'après moi nécessaires au fonctionnement et à la réalisation des ambitions mentionnées dans l'accord de gouvernement. Comme le ministre Van Peteghem l'a indiqué, je ne demande pas ce milliard en une fois, dans le cadre des discussions budgétaires qui sont tout à fait actuelles en ce moment.

Je vous confirme être suffisamment réaliste pour tenir compte de la situation budgétaire de notre pays. J'ai toutefois aussi le devoir, en ma qualité de ministre de la Justice, de me prononcer sur les nécessités et les besoins de la Justice. Il s'agit donc de faire preuve de réalisme et il faut pouvoir digérer les budgets supplémentaires. Nous devons fournir un effort continu pour investir sur le long terme et pour rectifier tous les problèmes fondamentaux qui demeurent au sein de la Justice.

La semaine dernière, je n'ai entendu personne me dire qu'il n'était pas nécessaire d'investir dans la Justice. Ces investissements concernent aussi bien la surpopulation, les cadres et le personnel des cours et tribunaux qui assurent un soutien aux magistrats que les applications modernes telles que l'alarme anti-harcèlement et les applications numériques qui sont nécessaires pour garantir à la Justice un fonctionnement moderne et à long terme.

Je me dois de dire que le fait de faire de la sécurité une priorité sur papier ne suffira pas. C'est pourquoi je demande des moyens à la hauteur de la gravité de la situation sur le terrain. Il ne s'agit pas ici de ma position personnelle, je suis aussi la voix de toutes les personnes qui sont actives dans le monde de la justice, et j'ose espérer que vous me soutiendrez dans ces démarches.

Je suis prête à offrir un miroir aux personnes qui s'insurgent publiquement contre l'augmentation de la violence et des récits qui nous reviennent chaque semaine à ce sujet mais qui font la sourde oreille lorsqu'il est question de moyens supplémentaires. Ne le faites pas pour la ministre de la Justice mais bien pour la sécurité des citoyens de notre pays.

Sarah Schlitz:

Merci pour vos mots forts, madame la ministre. Vous avez raison et je pense qu'aujourd'hui, chaque citoyen qui est confronté à la justice, concrètement, se demande où elle est. Quand on voit l'état de délabrement des bâtiments, quand on voit les délais d'attente auxquels les gens sont confrontés, ce n'est pas digne d'un État comme le nôtre.

Et je pense que vous me rejoindrez, quand on parle de choix politiques réalistes, investir dans la justice et faire en sorte que ceux qui en ont les moyens contribuent davantage qu'aujourd'hui au budget de l'État, c'est cela qui est réaliste. On ne peut pas continuer à avoir une situation pareille en termes de traitement de la justice. C'est cela qui est irréaliste. Et donc vous dites avoir du soutien, en effet on l'entend chaque semaine.

Ce n’est évidemment pas la même chose d'avoir une posture en plénière devant les caméras car on sait parfois que cela peut être différent dans les intercabinets. J'espère donc que chaque collègue présent ici en commission ou qui, chaque semaine, interpelle sur le sous-financement de la justice, plaide également auprès de son parti pour que des budgets soient débloqués pour la justice, pour les bâtiments, pour les magistrats et qu’ils ne permettent pas un saut d'index des pensions des magistrats ou une réduction des budgets alloués aux personnels de la justice, qui peine déjà aujourd'hui à recruter. Je vous souhaite beaucoup de succès dans cette négociation – qu'on espère finale –, madame la ministre.

Voorzitter:

Les questions n° 56008728C, n° 56008742C et n° 56008743C de M. Paul Van Tigchelt sont reportées.

Je vais profiter de ce moment pour vous faire un point sur les questions qui ont été transformées en questions écrites. Les personnes qui sont encore présentes peuvent ainsi écouter si je me trompe ou si j'ai oublié quelque chose et le cabinet en est informé également.

La question n° 56008814C de Mme Marie Meunier est reportée.

La question n° 56008847C de M. Alexander Van Hoecke est transformée en question écrite.

La question n° 56008892C de Mme Kristien Van Vaerenbergh est transformée en question écrite.

La question n° 56008904C de M. François De Smet est transformée en question écrite.

Les questions jointes n° 56008970C de M. Patrick Prévot et n° 56009421C de M. Pierre Jadoul sont reportées.

Les questions n° 56009038C de M. Alexander Van Hoecke et n° 56009052C de M. Anthony Dufrane sont reportées.

La question n° 56009098C de M. Sam Van Rooy est transformée en question écrite.

La question n° 56009123C de Mme Sophie De Wit est transformée en question écrite.

L'interpellation n° 56000150I de M. Alexander Van Hoecke et les questions jointes n° 56009203C de M. Jeroen Bergers et n° 56009215C de Mme Sophie De Wit sont reportées.

Les questions n° 56009154C et n° 56009157C de M. Stefaan Van Hecke sont reportées.

Les questions n° 56009298C de Mme Kristien Van Vaerenbergh et n° 56009310C de M. Alexander Van Hoecke sont transformées en questions écrites.

La question n° 56009348C de Mme Sophie De Wit est transformée en question écrite.

La question n° 56009398C de M. Alexander Van Hoecke est transformée en question écrite.

Sophie De Wit:

Mijnheer de voorzitter, mag ik even iets vragen? Ik weet wel dat de minister langer wil blijven vandaag en dat wordt zeer gewaardeerd. Maar ik heb vanavond nog vier oudercontacten, dus ik kan spijtig genoeg maar tot 18.30 uur blijven. Normaal gezien is er voor morgenmiddag nog een vragensessie gepland. Is het de bedoeling dat die nog doorgaat, ja of neen?

Dat is natuurlijk wel belangrijk. Als ik moet wachten tot na het reces en daar de minister naar ik begrepen heb in de week daarna niet kan komen, heb ik er belang bij de vragen die ik vandaag niet meer kan stellen om te zetten in schriftelijke vragen.

Ik vraag het dus even. Is er voor morgen nog een sessie gepland, of niet? Ik ging daarvan uit, omdat het zo in de agenda stond. Maar ik weet niet of het nog de bedoeling is?

Voorzitter:

Une séance de questions orales est effectivement prévue demain. Si nous épuisons l'agenda d'aujourd'hui et que seules quelques questions se trouvent reportées, nous pourrions ne pas avoir de séance de questions demain.

À l'inverse, s'il reste 20 questions à l'issue de la réunion ce soir, la séance de demain sera maintenue. Les questions transformées en questions écrites le restent.

Sophie De Wit:

Ik moet naar een oudercontact. Ik zal er dus geen zicht op hebben hoe ver we zijn geraakt. Ik zou het liefst morgen de vragen komen stellen die ik alleen heb ingediend. Of zet ik die om in schriftelijke vragen? Ik heb er meer baat mee om snel een antwoord te krijgen dan dat ik nog drie weken moet verwijzen naar een schriftelijke vraag die ik zou hebben ingediend. Kan ik dat straks nog laten weten? Ik probeer gewoon pragmatisch te zijn. Ik begrijp het helemaal als u voor twee vragen geen vergadering wil organiseren.

Voorzitter:

Aujourd’hui on a prévu de continuer jusqu’à un peu après 19 heures. Je ne sais pas où on en sera à ce moment-là. A priori, une séance de questions orales est prévue demain, sauf s’il ne restait que peu de questions. Imaginons qu’il ne reste que peu de questions demain et que certaines des vôtres en fassent partie, on pourra encore demander à ce moment-là qu’elles soient transformées en questions écrites.

Sophie De Wit:

Mevrouw de minister, als ik de vragen die ik alleen heb ingediend, omzet in schriftelijke vragen, wanneer kan ik dan het antwoord verwachten? Is dat volgens de normale termijn voor schriftelijke vragen? Volgende week?

Voorzitter:

Oui, la semaine prochaine.

Sophie De Wit:

Dan zal ik straks bij u komen om de vragen die ik alleen heb ingediend en die ik niet heb kunnen stellen, om te zetten in schriftelijke vragen, mijnheer de voorzitter. Dan maak ik het niet te ingewikkeld. Ik kan mij voorstellen dat de minister hoopt om morgenmiddag niet te hoeven terug te komen voor enkele vragen.

Voorzitter:

Je vous remercie tous d’avoir fait preuve de volonté en transformant certaines questions en questions écrites. Je propose qu’on continue avec l’ordre du jour tel qu’il est prévu .

De 100 voorstellen voor meer veiligheid en rechtvaardigheid in onze samenleving
De noodkreet van de magistratuur
De noden van de justitie
Honderd concrete voorstellen voor justitie
Verbetering van veiligheid en rechtvaardigheid in justitie en samenleving

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 21 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De magistraten en medewerkers van Antwerpen/Limburg waarschuwen met 100 concrete voorstellen ("Vijf voor Twaalf") voor de onhoudbare crisis in Justitie (personeelstekort, verouderde infrastructuur, digitale achterstand, veiligheidsrisico’s en werkdruk), terwijl minister Verlinden haar hefboomplan (investeringen in gebouwen, digitalisering, aantrekkelijkere jobs) bevestigt, maar concrete middelen en timing ontbreken: ze vraagt 1 miljard extra (500 mln voor infrastructuur, 500 mln voor operationele verbeteringen), maar of dit daadwerkelijk is gevraagd tijdens de begrotingsonderhandelingen blijft onbeantwoord. Kernpunten uit de reacties: - Digitalisering (traag, ondanks AI- en dossierplannen) en veiligheid (scanners, camera’s) blijven acute knelpunten, net als de oprichting van een gespecialiseerd haventeam (45 VTE) tegen georganiseerde misdaad. - Magistraten eisen snellere werving, reservepools en betere arbeidsomstandigheden om burn-out en uitstroom te keren, maar Verlinden wijst vooral naar toekomstige voorontwerpen (loonsverhogingen, autonomie rechterlijke macht) en taskforces—zonder directe garanties. - Parlementariërs (Dillen, De Wit, Yzermans) betwijfelen de urgentie: ondanks "goede wil" en werkgroepen ontbreken meetbare resultaten, terwijl het Rekenhof eerdere beloftes al vernietigend beoordeelde. Eis: transparante updates en structurele miljardeninvesteringen, vergelijkbaar met buitenlandse veiligheidsbudgetten.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, Vijf Voor Twaalf , met die titel hebben de korpsoversten en de zetel van het openbaar ministerie van Antwerpen en Limburg 100 voorstellen geformuleerd voor meer veiligheid en rechtvaardigheid in onze samenleving. Het betreft stuk voor stuk voorstellen om een antwoord te kunnen bieden aan de alarmerende toestand waarin Justitie zich bevindt.

De problemen, mevrouw de minister, zijn al zeer lang bekend. De steeds toenemende werklast, het personeelstekort en de slechte staat van de gebouwen zijn slechts enkele voorbeelden van een zeer schrijnende situatie, die zelfs onhoudbaar is geworden. U hebt enige tijd geleden een zogenaamd hefboomplan aangekondigd, dat investeringen in het verouderde gebouwenpark, de veiligheid van het personeel en de aantrekkelijkheid van de job omvat. Dat is absoluut onvoldoende. De korpsoversten van de zetel en het openbaar ministerie hebben inmiddels zelf een grondig uitgewerkt initiatief genomen met het oog op de verbetering van de alarmerende toestand.

Wat is uw antwoord op de honderd concrete en realistische voorstellen? Welke initiatieven zult u bij hoogdringendheid nemen om die voorstellen in de praktijk om te zetten?

Om die voorstellen te kunnen realiseren, zijn bovendien aanzienlijke bijkomende middelen absoluut noodzakelijk. Mevrouw de minister, het is de plicht van de regering zwaar bijkomend te investeren in Justitie om de schrijnende en onhoudbare situatie recht te trekken in het belang van onze binnenlandse veiligheid en van een sterke rechtsstaat.

U hebt begin september aangekondigd dat u in het kader van de begrotingsbesprekingen 1 miljard euro extra zal vragen: een half miljard voor gebouwen en een half miljard om Justitie beter te doen functioneren. Nu de begrotingsbesprekingen volop bezig zijn, kunt u bevestigen dat u het bijkomende bedrag van 1 miljard euro ook werkelijk hebt gevraagd? Zo niet, hoeveel bijkomende middelen hebt u dan wel effectief gevraagd?

Wat is de stand van zaken betreffende de uitvoering van het aangekondigde hefboomplan?

Sophie De Wit:

Mijnheer de voorzitter, ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

Geachte minister,

Woensdag kwamen 450 magistraten en medewerkers in Antwerpen en Limburg op straat. Ze spraken van “vijf voor twaalf” voor justitie en stelden zelf 100 concrete voorstellen voor, gaande van snellere invulling van vacatures en de oprichting van een reservepool, over een betere digitale omslag en de strijd tegen de georganiseerde misdaad in de Antwerpse haven, tot maatregelen rond welzijn van personeel en de veiligheid in gerechtsgebouwen.

Hun signaal kan niet genegeerd worden. Los van de structurele investeringsplannen, waar ik u schriftelijk zal over bevragen, wens ik hier in te gaan op enkele concrete prioriteiten die zij zelf naar voren schuiven. ​

Mijn vragen zijn de volgende:

1. Hoe beoordeelt u de vraag van de magistratuur om sneller vacatures in te vullen en zelfs een reservepool te voorzien, zodat tijdelijke uitval niet meteen leidt tot stilgevallen dossiers?

2. Waarom blijft de digitalisering bij justitie zo achter, terwijl de 100 voorstellen expliciet vragen om een digitale omslag met directe toegang tot digitale dossiers en inzet van AI, en hoe garandeert u dat dit eindelijk een topprioriteit wordt?

3. Bent u bereid de vraag van het parket van Antwerpen om een gespecialiseerd haventeam van 45 voltijdsequivalenten, inclusief een havenprocureur, in te willigen, en zo ja, tegen wanneer?

4. Welke maatregelen plant u om het beroep van magistraat en griffier aantrekkelijker te maken en burn-out en uitstroom tegen te gaan, zoals door de magistratuur gesuggereerd?

5. Welke acties plant u op korte termijn om de veiligheid van personeel en bezoekers in onze gerechtsgebouwen te verzekeren, bijvoorbeeld door camera’s, badges en alarmknoppen te voorzien zoals gevraagd in de voorstellen?

Dank voor uw antwoorden.

Alain Yzermans:

Mijnheer de voorzitter, ik verwijs naar de schriftelijke voorbereiding van mijn vraag.

Recent hebben magistraten en medewerkers in Antwerpen en Limburg hun zorgen geuit over de onhoudbare situatie binnen de justitie. 450 mensen uit justitie deden mee aan het protest. Ze presenteerden 100 concrete voorstellen om de efficiëntie en veiligheid binnen het rechtssysteem te verbeteren. Deze voorstellen zijn een dringend signaal dat niet onder de mat mag worden geveegd. De alarmerende toestand inzake personeelstekorten, de verouderde gebouwen en de toenemende werkdruk vraagt om pertinente oplossingen. De tijd dringt!

Vragen aan de minister:

1. Neemt u deze 100 voorstellen van de magistraten en medewerkers serieus en welke concrete stappen zult u ondernemen om deze naar behoren in te voeren?

2. Wat zijn de specifieke maatregelen die u zult nemen om de werklast en het personeelstekort in de justitie aan te pakken, en hoe zult u de aantrekkelijkheid van de functies binnen justitie vergroten?

3. Kunt u een update geven over de uitvoering van het eerder aangekondigde 'hefboomplan' en de bijbehorende investeringen in de infrastructuur , veiligheid van gerechtsgebouwen en een digitale transitie ? Welke middelen worden hiervoor vrijgemaakt?

Annelies Verlinden:

Op 1 oktober ging ik graag naar het Vlinderpaleis om daar de 100 voorstellen van de medewerkers van de ressorten van Antwerpen en Limburg voor meer veiligheid en meer rechtvaardigheid in ontvangst te nemen. Ik heb die voorstellen ook met hen besproken. Ik begrijp hun bezorgdheden en ik zoek samen met hen naar concrete oplossingen om aan hun noden tegemoet te komen. Ik heb trouwens de 100 voorstellen al aan het College van de hoven en rechtbanken en aan het openbaar ministerie bezorgd, zodat zij mij hun standpunt over de voorstellen en de concrete uitwerking ervan kunnen formuleren.

In het kader van het hefboomplan werd al in middelen voorzien voor IDP Veiligheid en werden initiatieven uitgewerkt om de rechterlijke orde op diverse vlakken te versterken, de aantrekkelijkheid van het beroep te verhogen, onder meer met maaltijdcheques en een thuiswerkvergoeding, en ook om de eerste stappen te zetten naar veiligere, modernere en efficiëntere gerechtsgebouwen, die ernstig lijden onder een jarenlange structurele onderfinanciering.

De huidige budgetten volstaan weliswaar niet om alle noden bij de rechterlijke orde te lenigen. Zonder extra middelen kan een kwaliteitsvolle dagelijkse werking van justitie niet worden gegarandeerd, laat staan dat de ambitieuze doelstellingen uit het regeerakkoord kunnen worden gerealiseerd. U sprak daarnet nog over de slachtofferapplicatie, mevrouw De Wit. Voor dat soort initiatieven zijn uiteraard ook middelen nodig.

Intussen heb ik ook al een eerste voorontwerp klaar om het hefboomplan te implementeren. Dat voorontwerp is opgebouwd rond twee grote delen en zal aan de ministerraad kunnen worden voorgelegd.

Het eerste deel is van pecuniaire aard. Gezien de terugkerende wervingsproblemen bij de rechterlijke orde voorzien we in verschillende herwaarderingen om het ambt aantrekkelijker te maken, zoals de verhoging van de taaltoelage, de verhoging van de maximumervaring in de privésector die in aanmerking komt voor het bepalen van de anciënniteit van de magistraat, en de toekenning van maaltijdcheques.

Het tweede deel is veeleer van organisatorische aard. In het kader van het verzelfstandigd beheer zorgt het voorontwerp ervoor dat de rechterlijke macht opnieuw meer mogelijkheden krijgt om autonoom en zelfstandig te beslissen over de eigen organisatie. Ik denk bijvoorbeeld aan de opheffing van het wettelijk verbod om zittingsplaatsen van afdelingen van de politierechtbank te schrappen.

Het eerste voorontwerp ligt ter advies bij de IF en de colleges van de rechterlijke orde. Ook de vier taskforces inzake gebouwen, veiligheid, mensen en middelen en de aantrekkelijkheid van de functies worden na instemming met het hefboomplan voortgezet, in overleg met de rechterlijke organisatie.

Om de specifieke nood op het terrein te detecteren en te bespreken, worden per arrondissement werkgroepen opgericht met vertegenwoordigers van de rechterlijke orde en de dienst Building & Facilities van de FOD. Ook de Regie der Gebouwen, een essentiële partner in het proces, heeft hierin uiteraard een belangrijke rol.

Er wordt voortgewerkt aan de rationalisering van het gebouwenpark. Bijzondere aandacht gaat daarbij uit naar de beveiliging van de gebouwen, met prioriteit voor de installatie van scanstraten, brandveiligheid en de verdere professionalisering van de bewaking. Tevens wordt bijzondere aandacht besteed aan de toegankelijkheid en het efficiënter gebruik van de gebouwen. Ook daarvoor is in de nodige middelen voorzien op de interdepartementale provisie (IDP) Veiligheid.

Een ander knelpunt in het organisatiebeheer bij de rechterlijke orde (RO) zijn de trage en complexe budgettaire werkprocessen, die de uitvoering bemoeilijken. Daarom is aan de FOD Justitie gevraagd een actieplan uit te werken om die processen, waar mogelijk, te optimaliseren. Voldoende kennisoverdracht en transparantie ten opzichte van de RO zijn daarbij wezenlijk. Er zijn al werkgroepen opgestart en de eerste resultaten daarvan worden tegen het einde van dit jaar verwacht.

Ook de verdere digitalisering blijft een belangrijke werf om efficiëntiewinsten te realiseren bij Justitie. Deze legislatuur wordt gefocust op de projecten die de kernprocessen digitaliseren, en op administratieve vereenvoudiging om zo de administratieve werklast bij het personeel te verkleinen en de interacties met Justitie maximaal digitaal te laten verlopen.

Zo werken we in het kader van het digitaal dossier verder aan de digitale inzage en de digitale indiening via Just-on-web. We ontlasten deels de ondernemingsrechtbanken door de wijzigingen en de stopzettingen van ondernemingen via onderhandse akte volledig te digitaliseren. Om het aantal verplaatsingen te verkleinen en de zittingsagenda efficiënter te laten verlopen, zetten we verder in op de digitale organisatie van zittingen met respect voor de rechten van partijen.

Tot slot onderzoeken we de inzet van artificiële intelligentie, weliswaar met grote aandacht voor ethisch verantwoord gebruik, zodat de fundamenten van onze rechtsstaat met rechtspraak op mensenmaat te allen tijde overeind blijven.

Collega’s, justitie draait om mensen. De uitdagingen zijn reëel, maar de ambitie is duidelijk. We moeten blijven investeren in Justitie, zowel in mensen als in middelen, om justitie duurzaam, modern en toegankelijk te maken. Ik waak erover dat de hervormingen niet op papier blijven, maar op het terrein voelbaar worden voor de magistraten, de medewerkers en voor elke inwoner en onderneming die in ons land recht zoekt.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, dat u graag naar het Vlinderpaleis ging om de 100 voorstellen in ontvangst te nemen, daar twijfelt niemand aan, maar het mag niet blijven bij het in ontvangst nemen. U zegt dat er voor het hefboomplan nu een voorontwerp is. Dat zal begin volgend jaar, neem ik aan, hier in deze commissie hopelijk behandeld kunnen worden.

Voor het overige, mevrouw de minister, zijn er veel aankondigingen. Ik zal niet alles herhalen, maar bijvoorbeeld op het vlak van de digitalisering loopt er bijzonder veel mis. Vorige vrijdag heeft deze commissie het Vlinderpaleis bezocht. We hebben daar uitvoerige toelichtingen gekregen, onder andere over digitalisering. Nu hebben de magistraten opnieuw aan de alarmbel getrokken en gezegd dat het zo niet langer kan, met het huidige materiaal.

Ik ben ook zo vrij nog eens te verwijzen naar het vernietigende verslag van het Rekenhof. Weinig of niets van de aanbevelingen is in de praktijk is omgezet.

Mevrouw de minister, er zijn veel aankondigingen, maar op een essentiële vraag heb ik geen antwoord gekregen, namelijk over de middelen. U vraagt 1 miljard meer. U kent mijn standpunt daarover. Als er 4 miljard vrijgemaakt kan worden voor buitenlandse veiligheid, dan verdienen ook justitie en binnenlandse veiligheid bijkomende miljarden. Ik heb echter geen antwoord gekregen op mijn vraag wat u op tafel hebt gelegd in het kader van de begrotingsbesprekingen.

Sophie De Wit:

Dank u voor uw antwoord, mevrouw de minister. We zijn inderdaad vorige week met de commissie op bezoek gegaan. Dat was interessant – ik druk mij eufemistisch uit –, maar we hebben ook een aantal zaken gezien die dringend moeten gebeuren. Ik ben me ervan bewust dat de uitdagingen waar u op dat vlak voor staat bijzonder groot zijn.

We hebben vastgesteld dat er, ondanks de moeilijke werkomstandigheden, zeer veel engagement is van de mensen op het terrein. Dat is belangrijk, maar natuurlijk niet voldoende. U hebt het over taskforces en werkgroepen, mevrouw de minister. Ik vind dat goed, maar vanuit dit Parlement hebben we weinig zicht op wat daar gebeurt. Ik weet niet of het mogelijk is – we kunnen er wel elke keer naar vragen – om af en toe aan deze Kamercommissie een stand van zaken te geven van het werk in de taskforces, zodat wij met interesse kunnen volgen wat er gebeurt en wat er op de planning staat. Ik denk dat dat bijzonder handig zal zijn. Voor het overige kijk ik uit naar uw plannen en de momenten waarop u daarmee naar deze commissie zult komen.

We volgen dit zeker verder op.

Alain Yzermans:

Mevrouw de minister, ik sluit mij aan bij de oproepen van de andere vraagstellers. De commissievergadering was heel erg interessant, alsook de rondleiding, waarbij we hebben vastgesteld dat soms twee tot drie repetitieve handelingen worden uitgevoerd bij het kopiëren van documenten. Men gelooft in de digitalisering. Er is geen onwil, niet ten aanzien van Justitie en ook niet ten aanzien van de minister. Dat is althans mijn aanvoelen. Men roeit met de riemen die men heeft, maar men vraagt wel fundamentele ingrepen.

Ook schrijnend in een dergelijk modern gebouw is dat bepaalde signalisatie nog verwijst naar toestanden van jaren geleden. Een globale aanpak, of misschien een soort van patrimoniumplan per gebouw, kan in dat verband soelaas bieden.

Ik denk dat ook een gedeeltelijke decentralisering een oplossing kan bieden. Dat zal niet eenvoudig zijn ten aanzien van de Regie der Gebouwen, maar het zou nuttig kunnen zijn om per gerechtsgebouw of gerechtshof een klein budget uit te trekken waarover de magistraten vrij kunnen beschikken voor een aantal elementaire kosten, of inkomsten die ze kunnen aanwenden voor kleine aanpassingen. Dat zou al een enorme stap zijn in het aangenamer en toegankelijker maken van die gebouwen.

Het zijn oefeningen die wij moeten blijven doen en die u ook doet, zoals wij daarnet hebben gehoord. Een regelmatige terugkoppeling en feedback op het terrein, zoals wij hebben afgesproken met de commissie voor Justitie ter plaatse, kan blijvende aandacht schenken aan een langetermijnoplossing voor het dossier.

Voorzitter:

La question n° 56008847C de M. Alexander Van Hoecke a été transformée en question écrite.

De overbevolking van de Belgische gevangenissen
De onhoudbare situatie in onze gevangenissen
De adviezen van de penitentiaire beleidsraad en de oprichting van de taskforce over de overbevolking
De structurele overbevolking en hervormingen van het Belgische gevangeniswezen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 21 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De catastrofale gevangenisoverbevolking (466 grondslapers, 2.000 detenue te veel) escaleert door stijgende voorlopige hechtenissen, stopzetting van noodmaatregelen (zoals opschorting van straffen ≤3 jaar) en structureel falend beleid, ondanks waarschuwingen van penitentiaire raden en personeel. Minister Verlinden erkent de crisis en wijst op tijdelijke verlichting via de zomer-noodwet (600 vervroegde vrijlatingen), maar benadrukt dat rechterlijke autonomie (in- en doorstroom) en langetermijnoplossingen (o.a. een *taskforce* met rapport in 2028) essentieel zijn, naast een nieuw Wetboek Strafuitvoering (2026) dat detentie als *ultimum remedium* moet verankeren. Kritiek richt zich op gebrek aan acute actie: oppositie eist quota-regulering (2 vrijlatingen per nieuwe detentie), meer alternatieve straffen, en een commissaris voor integrale aanpak, terwijl sommigen hardere straffen en snellere afhandeling bepleiten om recidive tegen te gaan. Budgettaire prioriteiten (1/3 van Justitie naar gevangenissen) en digniteit van zowel gedetineerden als personeel blijven onvoldoende gewaarborgd, met stakingen en humane noodsituaties (3 personen op 9 m²) als gevolg.

Julien Ribaudo:

Madame la ministre, la surpopulation carcérale est dramatique. Le 15 octobre courant, on comptait 13 325 détenus, dont 466 dorment par terre. Ce sont 152 détenus de plus qu'au moment où je déposais cette question, le 1 er octobre. Malgré le cri d’alarme des directions de prison et du personnel, nous ne voyons toujours aucune initiative concrète pour lutter contre la surpopulation carcérale à très court terme.

Quels sont les impacts de la loi d'urgence adoptée au début de l'été? D’après plusieurs estimations, plus de 5 000 détenus supplémentaires devraient intégrer nos prisons entre octobre2025 et mai 2027 avec la fin des suspensions de peines, soit entre 200 et 400 entrées supplémentaires par mois. Pouvez-vous confirmer ces chiffres? Et surtout, s'ils sont exacts, comment pouvons-nous absorber un tel afflux dans un système déjà à saturation? Enfin, quelles mesures concrètes prendrez-vous pour prévoir à court terme une solution à ce problème?

Sarah Schlitz:

Madame la ministre, la situation dans les prisons est effectivement catastrophique, on ne cesse de le dire. Aujourd'hui, nous parvenons à un sommet encore jamais atteint. Lorsque j'ai déposé ma question le 6 octobre, 353 personnes dormaient à même le sol dans nos prisons. Il y a cinq jours, c'étaient 430 personnes, et M. Ribaudo vient d'annoncer le chiffre de 466 personnes aujourd'hui. La situation s'emballe complètement, nous battons des records historiques. Jamais le seuil de 300 personnes dormant sur un matelas au sol n'avait été dépassé.

Partout, les directeurs et les agents pénitentiaires décrivent une situation devenue intenable et inhumaine: trois personnes dans 9 m², du personnel épuisé, et chaque jour la crainte d’un nouvel incident.

Le 2 octobre, une grève nationale avait paralysé l’ensemble des prisons et, depuis lors, les travailleurs et travailleuses des prisons ont également rejoint la grande grève nationale du 14 octobre et ont marché parmi celles et ceux qui ont été méprisés par certains membres de votre gouvernement, qualifiés de manifestants professionnels qui ne compteraient pas vraiment.

Je sais que vous vous êtes battue pour les mettre en place, mais les mesures d’urgence sont clairement totalement insuffisantes.

Madame la ministre, quel bilan tirez-vous de ces mesures? Quelles actions immédiates et concrètes allez-vous pouvoir mettre en place? Les directions proposent différentes solutions, par exemple la régulation carcérale, libérer deux détenus pour chaque nouvelle incarcération et un recours aux peines alternatives. Êtes-vous prête à envisager ces pistes de solution? Près d'un tiers du budget de la Justice part dans les prisons et pourtant la surpopulation carcérale continue d'augmenter. Les conditions de travail sont intenables. N'est-ce pas la preuve des limites d'une politique centrée sur l'incarcération? Ne faudrait-il pas rediriger une partie de ses moyens vers la prévention, la réinsertion et à terme réduire véritablement le nombre de détenus?

Sophie De Wit:

Mevrouw de minister, ik verwijs naar de tekst van mijn vraag zoals ingediend.

Geachte minister, in een interview op Radio 1 (De Ochtend, 5 oktober 2025) verklaarde Evelien de Kezel, raadsheer bij het hof van beroep te Brussel en lid van de commissie overbevolking binnen de Penitentiaire Beleidsraad, dat de adviezen van deze raad over de structurele aanpak van de gevangenisoverbevolking herhaaldelijk worden genegeerd. Zij herinnerde eraan dat de raad reeds begin dit jaar opriep om over te gaan tot een regulering van de gevangeniscapaciteit.

U kondigde intussen de oprichting aan van een nieuwe Taskforce die zich over de gevangenisoverbevolking zal buigen, met als bedoeling om pas tegen 2028 met aanbevelingen te komen.

De situatie in de gevangenissen blijft zoals u weet ondertussen kritiek: meer dan 2.000 gedetineerden te veel, honderden grondslapers, stakingen van cipiers en een structureel personeelstekort. Dit alles staat in schril contrast met de beloftes uit het regeerakkoord en de beleidsnota justitie om maatregelen te nemen die de acute druk op de gevangeniscapaciteit verlichten.

In dit verband heb ik volgende vragen:

1. Hoe reageert u op de kritiek van magistraat Evelien de Kezel dat de adviezen van de Penitentiaire Beleidsraad inzake overbevolking systematisch in de wind geslagen worden?

2. Wat is de meerwaarde van de taskforce die u heeft opgericht om de gevangenisoverbevolking aan te pakken naast de Penitentiaire Beleidsraad en de CTRG, in functie van snelheid en impact? Waarom ligt de deadline pas in 2028 terwijl de crisis vandaag brandt?

3. Hoe waarborgt u dat de bestaande noodwet of tijdelijke maatregelen niet gebruikt worden als alibi om structurele hervormingen verder uit te stellen?

4. Tegen welke termijn verbindt u zich ertoe een actieplan uit te werken dat de aanbevelingen van de Penitentiaire Beleidsraad, de CTRG en de Taskforce omzet in concrete en bindende beleidsmaatregelen, zodat de beloftes uit het regeerakkoord en de beleidsnota justitie geen dode letter blijven?

5. Welke maatregelen neemt u om te vermijden dat de structurele overbevolking ertoe leidt dat gedetineerden minder toegang hebben tot werk, opleiding en re-integratieprogramma’s, waardoor hun kansen op een succesvolle terugkeer in de samenleving verkleinen?

Annelies Verlinden:

Chers collègues, je ne nie évidemment pas la problématique de la surpopulation carcérale à propos de laquelle les directeurs des établissements pénitentiaires ont encore récemment lancé un cri d'alarme. Les chiffres parlent d'eux-mêmes. Ce problème n'est pas nouveau, mais il s'est progressivement aggravé au fil des décennies.

Depuis l'entrée en vigueur de la loi relative au statut juridique externe en ce qui concerne l'octroi des modalités d’exécution des peines jusqu'à trois ans par les juges d'application des peines, la situation s'est toutefois rapidement et fortement détériorée. D'autres facteurs jouent également un rôle, tels que le nombre de détenus sans droit de séjour dont le retour ne peut pas être exécuté ou encore le nombre croissant d'internés dans les prisons, qui doivent attendre beaucoup trop longtemps une place dans l'établissement psychiatrique médico-légal qui leur a été attribué après la décision de placement.

Afin de soulager la situation la plus pressante, une loi d'urgence contenant un certain nombre de mesures prioritaires a déjà été adoptée par le Parlement cet été, à mon initiative. Les premières analyses d'impact de cette loi d'urgence montrent que les effets escomptés sont bien là. Au total, plus de 600 condamnés ont déjà bénéficié d'une mise en liberté provisoire six mois avant la fin de leur peine, dont 280 condamnés en détention. Environ 600 autres condamnés se sont vu imposer une modalité d'exécution de peine par le juge d'application des peines, et plus de 800 autres condamnés sont actuellement en interruption de peine dans l'attente d'une décision du juge d'application des peines.

Ces effets positifs sont toutefois annulés par l'arrêt des mesures d'urgence précédentes, à savoir l'arrêt du congé pénitentiaire prolongé et l'arrêt de la suspension des peines jusqu'à trois ans. L'augmentation du nombre de détenus en détention préventive annule également l'effet de la loi d'urgence.

En tant que ministre, il ne m'appartient pas d'intervenir dans les décisions du pouvoir judiciaire qui sont à l'origine d'une augmentation du flux entrant, tant au niveau des détentions préventives que de l'exécution des peines, ni dans le flux sortant encore trop limité des condamnés et dans l'octroi des modalités d'exécution des peines telles que la surveillance électronique, la détention limitée ou la libération conditionnelle.

Un État de droit se doit de respecter et d'exécuter ses propres décisions judiciaires. Comme je l'ai déjà dit, s'il existait des solutions simples, elles auraient déjà été mises en œuvre.

De adviezen van de penitentiaire beleidsraad en andere controlerende en toezichthoudende instanties, zoals de Centrale Toezichtsraad, zijn mij uiteraard bekend. Ze delen de eigenschap dat ze via wetgevende bepalingen de gevangenispopulatie willen beheersen. Dat streven is legitiem, maar ik wil ook wijzen op het bestaan van een commissie die een nieuw Wetboek van Strafuitvoering voorbereidt, dat mogelijk ook mechanismen in die richting kan bevatten. In het voorjaar van 2026 zal ik van die commissie een oriëntatienota ontvangen.

Ik durf te veronderstellen dat het principe van de gevangenisstraf als ultimum remedium zich verder zal ontwikkelen in een nieuw concept van strafuitvoering en dat dat principe zich niet enkel vertaalt in de straftoemeting, maar evenzeer in de fase van de strafuitvoering.

Daarnaast heb ik bij ministerieel besluit van 20 augustus laatstleden een commissie opgericht die pistes en scenario’s van structurele en duurzame oplossingen uitwerkt om de overbevolking op lange termijn tegen te gaan of te voorkomen, los van de actuele crisissituatie en de operationele noodwendigheden. Het eindrapport zal in 2028 verschijnen, weliswaar met tussentijdse rapportering en fasering van de werkzaamheden. Gelet op de crisissituatie in de gevangenissen heb ik aan die commissie de opdracht gegeven om op korte termijn aanbevelingen te doen om de problematiek van het stijgend aantal gedetineerden in voorlopige hechtenis aan te pakken.

We pakken de crisis dus op korte termijn aan met urgente maatregelen en werken dagelijks aan de cijfers, maar tegelijkertijd moeten we ook structureel nadenken over de gehele strafrechtketen.

Julien Ribaudo:

Tout d'abord, bravo à l’interprète qui a fait un dernier sprint final pour la fin de la traduction!

Merci, madame la ministre, pour votre réponse. Comme nous l’avons tous dit, la situation dans nos prisons est dramatique, et elle se dégrade à la vitesse grand V. Nous sommes tout à fait d'accord sur le fait que s’il existait une solution simple, vous l'auriez déjà prise, et vos prédécesseurs aussi.

Mais là, nous ne voyons pas le bout du tunnel. Que vous ayez mis en place une commission est donc une bonne chose. Si nous attendons effectivement le rapport, 2028, c'est un peu tard. Nous l’attendons donc à très court terme.

Nous savons que vous êtes très préoccupée par la problématique et que vous mettez tout en œuvre pour essayer de trouver une solution. Nous le lisons dans la presse. Nous rencontrons les mêmes acteurs de terrain. Mais nous voyons surtout que vous restez dans une logique de toujours plus enfermer, de toujours plus créer des places. Le projet de loi voté aujourd'hui va encore dans le même sens. C’est cela que je trouve dramatique et qu'il va falloir changer.

Nous continuerons à vous poser des questions là-dessus, car la situation est dramatique et insupportable.

Sarah Schlitz:

Madame la ministre, merci pour les réponses.

J'entends que vos mesures de l’été ont eu les effets escomptés. Néanmoins, ces mesures étaient provisoires et elles sont aujourd'hui terminées.

On n'en sort pas. Il y a un recours beaucoup trop systématique à la détention préventive. Il faut sans doute faire en sorte qu'il y ait davantage de sensibilisation de la magistrature au fait que l'incarcération doit être le dernier recours et que d'autres pistes doivent être absolument explorées.

Nous en parlions encore ce matin avec votre collègue Mme Van Bossuyt, au sujet du voyage au Kosovo. Elle prétend que nous pourrions résoudre les problèmes de surpopulation carcérale avec la construction d'une prison au Kosovo, qui va coûter des centaines de millions d'euros et ne voir le jour que dans plusieurs années. Ce sont des solutions totalement farfelues.

Aujourd'hui, il est indispensable de financer des alternatives crédibles et de travailler à la prévention. C'est la seule manière de s'en sortir. Il faut arrêter avec l'inflation pénale. Il faut arrêter avec l'augmentation des peines. On n'a même pas encore vu les effets de la réforme du Code pénal que certains, dans votre majorité, souhaiteraient déjà réformer le Code pénal pour encore augmenter les peines. Où va-t-on? C'est complètement irréaliste.

Mon groupe propose de désigner un commissaire royal qui se chargerait d'élaborer une approche globale au problème de la surpopulation carcérale dans les prisons. Les experts et la magistrature estiment que cela pourrait être une solution. J'espère donc, madame la ministre, que vous pourrez envisager cette solution dans le cadre de votre accord au sein de la majorité. J'espère par ailleurs que, dans l'atterrissage du budget qui est en cours, des solutions pour respecter la dignité des prisonniers et la dignité des travailleurs pourront être trouvées.

Sophie De Wit:

Mevrouw de minister, niemand beweert dat oplossingen eenvoudig zijn. Quota zijn dat evenmin, want het gaat om moeilijke keuzes. Wie laat men eruit en wie moet in de gevangenis blijven? Dat zijn de lastigste beslissingen die er zijn. Zo werkt het systeem nu eenmaal niet. Recht is geen wiskunde. Veiligheid is dat ook niet. Het is niet simpelweg één plus één of één min één. Zo eenvoudig is het niet.

Sommigen – niet u, mevrouw de minister – hoor ik hier spreken over de voorlopige hechtenis. Ik raad hen aan om eens met de politieagenten te spreken die mensen oppikken en naar de onderzoeksrechter brengen, waarna die geen plaats vindt. De politiediensten blijven dan met de handen in het haar zitten over de dossiers waaraan zij zo hard hebben gewerkt. De mensen lopen daarna echter weer vrij. Minder voorlopige hechtenissen dan maar? Ook dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan.

Evenmin is het al te eenvoudig om te stellen dat preventie alle problemen oplost. Was dat zo, mevrouw de minister, dan zouden we vandaag niet met zulke problemen worden geconfronteerd.

Wie spreekt met mensen op het terrein, met magistraten, politiediensten en onderzoeksrechters, weet dat de criminaliteit gewoonweg ook toeneemt. Daarvoor moeten oplossingen worden geboden en die zijn niet eenvoudig. Ik hoop dat u met uw taskforce oplossingen vindt.

U weet dat wij wel believers zijn van capaciteit. Alternatieve straffen zijn immers mooi, maar er zijn er al heel veel en nochtans neemt het aantal feiten niet af. Daarom moeten we – en misschien gebeurde dat in het verleden te weinig – een goed signaal geven. Er moet kort op de bal worden gespeeld, met een korte keten, met straffen kort na de feiten. Dat is in het verleden veel te weinig gebeurd, waardoor men te lang straffeloos bleef en feiten bleef plegen, wat leidt tot strafinflatie. Dat veroorzaakt de problematiek waarin we vandaag verkeren.

Ik wens u bonne merde , zoals ze tegen Napoleon zeiden, maar vooral veel moed in de zoektocht naar een oplossing. Ik weet dat die niet evident is. Volledig inzetten op louter alternatieven en preventie is dat evenmln. Het zal van alles een beetje moeten zijn.

Voorzitter:

Les questions n° 56008892C de Mme Kristien Van Vaerenbergh et n° 56008904C de M. François De Smet sont transformées en questions écrites.

De plannen om een gevangenis te huren of te bouwen in Kosovo of in Albanië
De bouw of huur van gevangenissen in het buitenland
De resultaten van de diplomatieke missie naar Albanië en Kosovo (bouw/huur gevangenis)
Uw plannen om gevangenen naar het buitenland te verhuizen en de bescherming van de grondrechten
Internationale gevangenisplannen en detentieverplaatsing met grondrechtenbescherming

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 21 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België onderzoekt de bouw of huur van een gevangenis in Kosovo of Albanië om 30% van de gedetineerden zonder verblijfsrecht (ruim 4.000 personen) daar onder te brengen en hen na strafuitzitting rechtstreeks uit te wijzen, zoals vastgelegd in het regeerakkoord. Minister Verlinden bevestigde dat diplomatieke missies naar beide landen concrete openingen brachten: Albanië stemde toe in technische onderhandelingen voor overbrenging van 73 langgestrafte landgenoten, terwijl Kosovo detentiecapaciteit en juridische samenwerking aanbood in ruil voor EU-steun, maar geen concrete garanties gaf over uitwijzing na straf of naleving van Europese detentiestandaarden. Kritiek richt zich op juridische haalbaarheid, mensenrechtenrisico’s (o.a. celomstandigheden, rechtsbijstand) en hoge kosten (Denemarken investeerde al €200 miljoen zonder resultaat), terwijl structurele oplossingen zoals reïntegratie en detentie-alternatieven worden genegeerd. Verlinden benadrukt dat verdere stappen afhangen van juridische analyses en bilaterale akkoorden, maar erkent dat snelle uitvoering onwaarschijnlijk is.

Marijke Dillen:

Mijnheer de voorzitter, ik verwijs naar de ingediende vragen.

In een poging een antwoord te bieden op de problematiek van de overbevolking in onze gevangenissen wil de minister een gevangenis huren of bouwen in Kosovo of Albanië. Deze twee Balkanlanden zijn blijkbaar als enige potentiële locaties overgebleven na een onderzoek naar de haalbaarheid.

1. Kan de minister een gedetailleerde toelichting geven betreffende het onderzoek naar de haalbaarheid? In welke landen werd er onderzoek gedaan naar de mogelijkheid hier een gevangenis te huren of te bouwen om gedetineerden van ons land onder te brengen? Waarom kwamen andere landen niet in aanmerking?

2. Wie was verantwoordelijk voor de uitvoering van dit onderzoek? Wat is de kostprijs geweest van dit onderzoek?

Om de druk op het gevangeniswezen te verminderen wil de Regering een gevangenis bouwen of huren in het buitenland. Het is de bedoeling om daar gedetineerden zonder wettig verblijf, in totaal goed voor 30 % van de gevangenispopulatie, onder te brengen om hen vervolgens rechtstreeks vanuit de buitenlandse gevangenis uit te wijzen naar hun landen van herkomst. Dit staat uitdrukkelijk in het regeerakkoord. De Minister is samen met de Minister van Asiel en Migratie op diplomatieke missie getrokken naar Albanië en Kosovo, twee landen die blijkbaar in aanmerking komen voor zo'n deal.

1. Kan de minister meer toelichting geven betreffende de resultaten van deze diplomatieke missie? Kunnen deze resultaten leiden tot het nemen van concrete initiatieven om daar een gevangenis te huren of te bouwen?

2. Denemarken heeft in 2021 een soortgelijke deal gesloten voor het gebruik van 300 plaatsen in de Giljan-gevangenis voor gedetineerden zonder een verblijfsvergunning. Heeft de minister onderzoek gedaan naar de resultaten op het terrein? Of heeft de minister rechtstreeks aan haar collega in Denemarken informatie opgevraagd betreffende de voordelen en de eventuele hindernissen, zoals bijvoorbeeld het gegeven dat Denemarken pas in april 2027 de gedetineerden kan overbrengen en de oorzaken hiervan? Kunnen er hieruit lessen worden getrokken voor dit land betreffende de plannen om een gevangenis te bouwen of te huren in het buitenland? Indien de minister nog geen overleg heeft gepleegd met haar Deense collega, zal de minister dan toch nog een initiatief nemen teneinde gekende hindernissen te voorkomen en sneller te kunnen schakelen?

3. Naar Deens voorbeeld is de kans groot dat dit land de gedetineerden op het einde van hun straf toch zal moeten terugnemen en dat ze uiteindelijk hier moeten worden vrijgelaten. Het regeerakkoord voorziet dat deze gedetineerden rechtstreeks dienen te worden uitgewezen naar hun landen van herkomst. Heeft de minister hierover meer informatie na de diplomatieke missie naar Albanië en Kosovo? Werd dit belangrijke onderwerp ter sprake gebracht? Zo ja, kunnen er garanties komen indien er in een van beide landen een gevangenis kan worden gehuurd of gebouwd dat deze gedetineerden vanuit de buitenlandse gevangenis worden overgebracht naar hun landen van herkomst?

Sophie De Wit:

Geachte Minister,

In de media werd bericht dat u, samen met uw collega bevoegd voor Asiel en Migratie, een diplomatieke missie ondernomen hebt naar Albanië en Kosovo, en dit met het oog op een versterkte samenwerking in de strijd tegen georganiseerde misdaad, het recupereren van crimineel vermogen in het buitenland, alsook het aanpakken van de overbevolking in Belgische gevangenissen. Er zouden tevens verkennende gesprekken gevoerd worden met het oog op de bouw of huur van een gevangenis voor de zowat 4.000 illegale criminelen in ons land.

Een kordaat beleid ten aanzien van veroordeelde vreemdelingen zonder wettig verblijf is dringend noodzakelijk om de druk op onze gevangenissen te verlichten. Het is dan ook van belang dat het parlement dringend duidelijkheid krijgt over uw plannen van de regering inzake infrastructuur, samenwerking met derde landen en de uitvoering van straffen. U zou ten slotte in dat kader ook aandringen dat Albanië zijn onderdanen in Belgische gevangenissen opnieuw overneemt. In totaal gaat het om 307 Albanezen in onze gevangenissen, van wie 253 zonder verblijfsrecht.

Mijn vragen:

1. Hoe is de diplomatieke missie naar Albanië en Kosovo verlopen? Hebt u concrete engagementen verkregen over de terugname van Albanese veroordeelden en over beschikbare gevangeniscapaciteit in deze landen?

2. Op basis van welke criteria werden Albanië en Kosovo geselecteerd als geschikte landen voor de bouw of huur van een gevangenis? Komen nog andere landen in aanmerking?

3. Wat is de geraamde kostprijs voor de bouw of huur van een gevangenis in Albanië of Kosovo? Binnen welke termijn zouden er gedetineerden kunnen overgebracht worden en hoeveel plaatsten zouden ongeveer beschikbaar zijn?

4. Hoe wil u garanderen dat de detentie in het buitenland voldoet aan de Belgische en Europese normen (bv. inzake celruimte, medische zorgen, taal & juridische bijstand, toezicht)?

5. Welke lessen trekt u uit de casus van Denemarken, dat in 2021 een overeenkomst ondertekende met Kosovo maar waar er nog geen enkele gedetineerde werd overgeplaatst?

Sarah Schlitz:

Madame la Ministre,

Il y a quelques mois, je vous ai interrogée sur la piste étudiée par le Gouvernement de louer ou de construire des centres de détention à l’étranger, notamment en Albanie ou au Kosovo, suivant l’exemple du Danemark. Vous aviez précisé qu’une analyse juridique menée par le CGRA devait en évaluer la faisabilité et les garanties en matière de droits humains.

Depuis, vous avez rencontré Mme Koçiu, ministre de l’Intérieur albanaise, avec votre collègue en charge de la Migration, afin d’évoquer une « coopération renforcée » dans le domaine de la justice et de la gestion carcérale. Tout cela laisse penser que les discussions ont progressé, mais aucune information n'a été communiquée sur l’état d’avancement de l’analyse promise.

Je réitère mes profondes inquiétudes. Le Mécanisme national de prévention des mauvais traitements a d’ailleurs alerté sur les risques de violations des droits fondamentaux. Que dire alors d’un transfert vers le Kosovo ou l’Albanie, où les standards pénitentiaires et les garanties juridiques ne sont pas comparables à ceux en vigueur dans l’UE ?

Dès lors, Madame la Ministre, je souhaiterais vous adresser plusieurs questions :

Quelles ont été les conclusions de votre visite au Kosovo ?

Où en est l’analyse juridique conduite par le CGRA ? A-t-elle été finalisée, et le cas échéant, quelles en sont les principales conclusions concernant la compatibilité d’un tel projet avec les obligations internationales de la Belgique, notamment au regard de la Convention européenne des droits de l’homme ?

Quels critères précis guident le choix du Kosovo comme partenaire potentiel ? En particulier, comment la Belgique entend-elle garantir le respect effectif des droits fondamentaux des détenus dans un État non membre de l’Union européenne et du Conseil de l’Europe ?

Enfin, pouvez-vous nous préciser le calendrier envisagé et les éventuelles implications budgétaires de ce projet, puisque comme nous le savons, la Belgique peine déjà a financer correctement son propre système carcéral ?

Je vous remercie.

Annelies Verlinden:

Op een totaal van meer dan 13.300 gevangenen heeft de helft een vreemde nationaliteit en een derde is zonder wettig verblijf in ons land. Dat is onhoudbaar. Het is dan ook een prioriteit voor deze regering om dat aan te pakken.

Samen met collega Van Bossuyt werk ik aan concrete oplossingen voor de problematiek van gedetineerden zonder recht op verblijf in onze gevangenissen en zo ook voor de overbevolking. Via tussenstaatse overbrengingen kunnen gedetineerden met een andere nationaliteit dan die van het land waar zij definitief veroordeeld zijn tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, fysiek naar hun land van herkomst worden overgebracht om daar de door het veroordelende land opgelegde straf verder uit te zitten. Als een veroordeelde geen verblijfsrecht heeft, is zijn of haar instemming niet vereist.

De tussenstaatse overbrenging valt onder mijn bevoegdheid en mag niet verward worden met een voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering. Dat laatste is namelijk een strafuitvoeringsmodaliteit, die toegestaan wordt door de SURB, waarbij een veroordeelde voor het einde van zijn of haar straf onder bepaalde voorwaarden in vrijheid wordt gesteld en het land dient te verlaten. De daaropvolgende verwijdering valt onder de bevoegdheid van Asiel en Migratie.

De missie naar Kosovo en Albanië begin oktober was in deze context van strategisch belang. Na veel voorbereidend diplomatiek werk de afgelopen maanden heeft ze belangrijke deuren geopend. Onze prioriteiten voor de missie waren helder, namelijk het benutten van de detentiecapaciteit in de Balkan, de samenwerking in de strijd tegen georganiseerde criminaliteit en de recuperatie van crimineel geld.

Voor Albanië tellen we vandaag 307 gedetineerden in onze gevangenissen, waarvan 253 zonder verblijfsrecht. 73 van hen zijn definitief veroordeeld tot een straf van meer dan drie jaar. Zij komen bijgevolg in aanmerking voor overbrenging naar Albanië om daar hun straf uit te zitten.

Het overbrengen van die personen kan bijdragen aan het wegnemen van de druk op ons gevangeniswezen. Ondanks een internationaal kader dat overbrengingen met Albanië mogelijk maakt, vinden op dit moment geen overbrengingen plaats. Met de Albanese minister van Justitie heb ik afgesproken dat we onderhandelingen op technisch niveau zullen opstarten voor de overbrenging van Albanese gedetineerden.

Met Kosovo zijn de eerste gesprekken gevoerd over het gebruik van detentiecapaciteit, met de bedoeling gedetineerden zonder recht op verblijf in ons land daar onder te brengen. We hebben ook een akkoord over een nieuw bilateraal rechtshulpverdrag. In die context heeft de Kosovaarse zijde duidelijk aangegeven dat ze van ons land steun verwacht in het kader van haar Europese ambities. We zullen hierover terugkoppelen naar de regering, zodat verdere stappen kunnen worden besproken.

De missie heeft dus voor belangrijke openingen gezorgd, zowel voor Kosovo als voor Albanië. Het is enkel op deze manier en met samenwerken dat we verbetering zullen brengen. Daar gaan we nu verder mee aan de slag.

Het regeerakkoord stelt dat we overeenkomsten trachten te sluiten met andere Europese rechtstaten om daar gevangenissen te bouwen of te huren waar gedetineerden, die in illegaal verblijf verkeren en definitief veroordeeld zijn voor misdaden of wanbedrijven, hun straf geheel of gedeeltelijk kunnen uitzitten indien een interstatelijke overbrenging niet mogelijk of wenselijk is. Er zijn dus nog andere opties dan Kosovo of Albanië, zolang de hier uitgesproken straffen daar verder worden uitgevoerd en detentie op een degelijke en menswaardige manier kan gebeuren, met respect voor de internationale verplichtingen en na een gerechtelijke goedkeuring. U zult mij nooit horen zeggen dat het evident is. Mocht een andere staat met dezelfde vraag naar ons komen, dan zou het Parlement wellicht ook terecht een aantal voorwaarden stellen of er misschien zelfs geen oor naar hebben. Het idee dat er dus een lange lijst van landen staat te wachten om voor ons een gevangenis ter beschikking te stellen, is een illusie.

De vragen met betrekking tot Europese normen en lijsten van landen, een kalender, parameters en criteria zijn belangrijke vragen en zodra er een concreet voorstel op tafel ligt, zullen deze zeker aan bod komen. De kostprijs, de doorlooptijd en de randvoorwaarden maken deel uit van onderhandelingen die zullen volgen. Laat ons die niet bemoeilijken. We zullen op het juiste moment uiteraard een terugkoppeling voorzien.

Ik heb hier ook over gesproken met mijn Deense collega tijdens de informele Raad Justitie en Binnenlandse Zaken in juli en ook via onze diplomatieke kanalen in Kopenhagen, omdat zij kijken naar die capaciteit in Kosovo. De feedback is nuttig, rekening houdend met het feit dat noch onze wetgeving, noch onze operationele werking en gevangenispopulatie uniform zijn, maar dat we met dezelfde uitdagingen kunnen worden geconfronteerd op het vlak van basisrechten van gedetineerden. Het is te vroeg om hierover al uitspraken te doen. De opties worden juridisch geanalyseerd, maar we kunnen zeker lessen trekken uit het Deense voorbeeld.

Il existe déjà un cadre international pour le transfèrement de personnes condamnées de la Belgique vers le Kosovo et l'Albanie dans le cadre des relations avec l'Albanie. Il s'agit de la convention du Conseil de l'Europe du 21 mars 1983 sur le transfèrement des personnes condamnées, de l'accord bilatéral du 29 juillet 2010 sur le transfèrement des personnes condamnées. Dans le cadre des relations avec le Kosovo, il s'agit de l'accord bilatéral du 18 juin 2010 sur le transfèrement des personnes condamnées.

Ces accords permettent à une personne de nationalité kosovare ou albanaise, qui a été condamnée définitivement en Belgique, à une peine ou une mesure privative de liberté d'être transférée respectivement au Kosovo ou en Albanie pour y purger le reste de sa peine. En principe, la personne concernée doit consentir au transfèrement, sauf si elle n'a pas de droit de séjour en Belgique, auquel cas son consentement n'est plus requis. Une fois la personne transférée, l'exécution de la peine est entièrement régie par le droit kosovar ou albanais selon le cas. Pour les personnes en séjour irrégulier de nationalité tierce, le cadre juridique devrait encore être précisé dans le respect des droits fondamentaux et du droit international.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord.

Er zijn momenteel 13.300 gedetineerden, waarvan de helft van vreemde nationaliteit is. Dat zijn gekende cijfers. Een deel daarvan verblijft illegaal in het land. De vraag richt zich echter op de andere helft, waarbij wij ook zouden moeten weten hoeveel van hen behalve de Belgische nationaliteit ook een buitenlandse nationaliteit hebben of hadden. Dat is echter een aparte discussie.

U weet dat wij al heel lang voorstander zijn van het laten uitzitten van straffen door gedetineerden met een buitenlandse nationaliteit in hun land van herkomst, in het bijzonder voor illegaal verblijvende personen. Het regeerakkoord is ter zake ook heel duidelijk.

U hebt inmiddels onderhandelingen gevoerd met Albanië en Kosovo. Uit uw antwoord maak ik echter bevreesd op dat veel op lange termijn nog vaag blijft. U zult onderzoeken doen naar de technische en juridische haalbaarheid. Ik vrees dat er tijdens de huidige legislatuur niet heel veel op het terrein zal worden gerealiseerd. Ik hoop dat u een tandje bijsteekt zodat een en ander zo snel mogelijk in de praktijk kan worden gebracht en dat u, behalve met Albanië en Kosovo, ook gesprekken voert met de landen van herkomst van gedetineerden met een buitenlandse nationaliteit en van illegalen.

Sophie De Wit:

Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord. Alle beetjes helpen.

Sarah Schlitz:

Merci, madame la ministre, pour votre réponse. Je sais que vous ne décidez pas seule dans ce dossier. Vous faites partie d'une coalition. Vous travaillez sur ce dossier, comme vous le disiez, avec Mme Van Bossuyt de la N-VA. Mais ici, je dois vous dire qu'on nage en plein délire. Le défi de la surpopulation carcérale, il exige des solutions structurelles. Il faut sortir du show , il faut garder la tête froide et avancer pour que les prisonniers ne dorment plus à même le sol dans nos prisons. C'est cela qu'il faut faire! Aujourd'hui, de quoi nous parlez-vous: de réduire la surpopulation carcérale d’aujourd'hui, là, maintenant, en construisant des prisons au Kosovo? Alors, on voit d'autres pays – vous nous parlez d'autres pays – qui souhaitent s'engager dans le même projet. La Norvège s'est engagée dans ce projet. On est déjà à plus de 200 millions d'euros engloutis dans ce type de projet. Vous nous parlez du Danemark. Me confirmez-vous bien qu’il s’agit de 200 millions d’euros qui sont déjà engloutis dans le projet d'une prison au Kosovo sans que la première pierre ne soit encore construite? Comment peut-on engager les futurs gouvernements belges, mais aussi du Kosovo – le Kosovo est-il la poubelle de l'Europe? Est-ce là le signal que vous envoyez à la population kosovare? Les habitants de là-bas n’ont rien fait pour mériter cela non plus. Comment traite-t-on les autres populations? Je trouve cela intolérable que vous engagiez la Belgique dans ce chemin qui ne respecte en aucun cas les droits humains – vous n'avez amené aucune garantie en la matière – et qui va conditionner notre capacité à mettre en place des vraies solutions structurelles qui sortent de ce délire. Aujourd'hui, cela veut dire consacrer ces moyens à faire de la réinsertion, à faire de la prévention et à travailler sur des alternatives à la détention. C'est la seule manière de s'en sortir, madame la ministre.

De overheveling van de gezondheidszorg in de gevangenissen naar Volksgezondheid

Gesteld door

lijst: VB Marijke Dillen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 21 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De Orde van Artsen klaagt de structurele schendingen van gezondheidsrechten in gevangenissen aan en pleit voor overdracht van de gevangeniszorg naar Volksgezondheid. Minister Verlinden bevestigt dat deze gefaseerde overdracht loopt: eerste stappen (RIZIV-integratie, aanwerving psychologen) zijn gezet, een proefproject in twee gevangenissen volgt, en het geneesmiddelenbeheer wordt voorbereid, maar benadrukt dat de operatie complex en tijdrovend is. Dillen stelt dat de kritiek op negeren van de problemen afkomstig is van de Orde, niet van haar. De overdracht blijft onomkeerbaar, maar vergt nog concrete uitvoering.

Marijke Dillen:

De Orde van Artsen heeft in een officieel advies zwaar uitgehaald naar de compleet belabberde toestand in de gevangenissen waar volgens de Orde “gevangenisartsen systematisch vaststellen dat de fundamentele rechten qua gezondheidszorg op ontoelaatbare wijze worden geschonden". De Orde vindt het bovendien “ontoelaatbaar dat deze problemen worden genegeerd".

Eerder dit jaar getuigden enkele gevangenisartsen over de dramatische situatie in verschillende gevangenissen.

Al lang wordt er een pleidooi gehouden om de gezondheidszorg in de gevangenissen weg te halen van de minister van Justitie en om de zorg in de gevangenissen om te vormen tot een volledige en volwaardige Volksgezondheidsbevoegdheid. Op deze wijze kan de zorg in de gevangenissen, die vandaag sterk te wensen overlaat, worden verbeterd. Ook de Orde van Artsen is hier voorstander van.

De minister heeft in de media verklaard dat er reeds stappen zijn ondernomen.

Welke initiatieven werden er deze legislatuur reeds genomen om de medische dienstverlening ook achter de gevangenismuren gecoördineerd te zien door Volksgezondheid? Zo ja, graag een gedetailleerd overzicht.

Wat is hier het standpunt van de bevoegde minister van Volksgezondheid? Deelt hij het standpunt van de minister en is er bereidheid om hiervan op zeer korte termijn werk te maken?

Annelies Verlinden:

Mevrouw Dillen, er werd al eerder beslist om de penitentiaire gezondheidszorg naar de FOD Volksgezondheid over te dragen. Die overdracht wordt gefaseerd uitgevoerd. De eerste fase betrof de integratie in het RIZIV van alle medische prestaties die tijdens detentie buiten de gevangenismuren worden uitgevoerd. Zowel de FOD Justitie als de FOD Volksgezondheid hebben ook eerstelijnspsychologen en maatschappelijk assistenten aangeworven voor de medische diensten van de gevangenissen. Op die manier werd een belangrijke stap gezet naar de organisatie van een multidisciplinaire eerstelijnsgezondheidszorg.

Op dit moment loopt de voorbereiding van de overname door het RIZIV van het gehele geneesmiddelenbeheer voor alle gevangenissen. Het is geen evidente oefening, ze vraagt voorbereiding zowel op het gebied van regelgeving als operationeel. Binnenkort zullen twee gevangenissen worden aangewezen waar een proefproject zal starten met het oog op de integrale overdracht van de gezondheidszorg. Dat project zal de FOD Volksgezondheid de kans geven om een of meer zorgmodellen uit te testen.

Kortom, de weg naar een integrale overdracht van de gezondheidszorg in de gevangenissen naar de FOD Volksgezondheid is onomkeerbaar ingeslagen. Het lijkt me dus niet correct te stellen dat dit probleem genegeerd wordt, maar een bevoegdheidsoverdracht van deze aard in een operationele organisatie is complex en dus ook tijdsintensief.

Marijke Dillen:

Ik dank u voor uw antwoord, mevrouw de minister. Ik was niet van plan om nog te repliceren, omdat u duidelijk hebt geantwoord, maar u laat uitschijnen dat ik mondeling of in mijn schriftelijk ingediende vraag de aanklacht heb geformuleerd dat de problemen worden genegeerd, terwijl die aanklacht afkomstig is van de Orde van artsen.

Voorzitter:

Les questions jointes n° 56008970C de M. Prévot et n° 56009421C de M. Jadoul sont reportées. M. Soete est absent pour poser sa question n° 56008985C.

De noodkreet van de gevangenisdirecteurs en het standpunt van de directeur-generaal Gevangeniswezen
Overbevolkte gevangenissen en de verantwoordelijkheid van andere departementen dan de FOD Justitie
Collectieve genade
Gevangenisproblematiek, overbevolking en beleidsverantwoordelijkheid

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 21 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Verlinden bevestigt de onzhoudbare overbevolking in gevangenissen (13.325 gedetineerden + 466 grondslapers) en wijst collectieve genade af als structurele oplossing, maar onderzoekt alle opties—inclusief kortetermijnmaatregelen zoals capaciteitsuitbreiding (255 extra plaatsen, behoud oude gevangenissen) en versnelde terugkeer van illegale gedetineerden (150–170 dossiers/maand). Taskforces met andere ministers richten zich op bouwprojecten (350 plaatsen in detentiehuizen, modulaire units) en zorgtrajecten voor geïnterneerden, maar succes hangt af van extra budgettaire middelen, waar Dillen (oppositie) op hamert als cruciale voorwaarde. De minister ontkent mediaberichten over haar plotselinge steun voor collectieve genade, maar erkent dat de noodwet onvoldoende is door instroom en stopgezette eerdere maatregelen.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, op ongeziene wijze hebben de gevangenisdirecteurs de alarmbel geluid over de onhoudbare situatie binnen de gevangenissen, een onderwerp dat al herhaaldelijk in deze commissie aan bod is gekomen. Het was een ware noodkreet. De overbevolking bereikt ongeziene hoogtes en het aantal grondslapers is het hoogste ooit.

Dringende maatregelen zijn dus nodig. De directeur-generaal van het Gevangeniswezen stelt duidelijk: “De meest wettelijke oplossing die ik zie, is een of andere vorm van collectieve genade. Over de concrete invulling van die collectieve genade moet de regering beslissen. Die kan op maat gemaakt worden om ons de nodige zuurstof te geven en de noodwet haar werk te laten doen.” Hij vervolgt: “We kunnen ook kijken of we tijdelijk de pauzeknop moeten induwen voor de uitvoering van korte straffen tot drie jaar, maar dan maken we de wachtlijsten opnieuw langer.”

Wat is uw reactie, mevrouw de minister, op dat standpunt van de directeur-generaal? Zult u initiatieven nemen om daaraan tegemoet te komen?

Wat is ten tweede uw standpunt over de suggestie betreffende de uitvoering van korte straffen?

Ten derde, zult u andere initiatieven nemen om de wet aan te passen teneinde maatregelen te nemen?

Mevrouw de minister, u hebt erop gewezen dat u sinds uw aantreden in februari meteen actie hebt ondernomen en contact hebt opgenomen met andere beleidsdepartementen. Ik verwijs naar Asiel en Migratie, Volksgezondheid, Binnenlandse Zaken en Buitenlandse Zaken. Uiteraard draagt de Regie der Gebouwen een grote verantwoordelijkheid.

Mevrouw de minister, kunt u per opgesomd beleidsdomein een gedetailleerd overzicht geven van de acties die werden ondernomen?

Ten tweede, wat was het standpunt van de betrokken ministers? Werden er toezeggingen gedaan om op structurele wijze een antwoord te bieden op de toenemende overbevolking?

Ten derde, indien er toezeggingen zijn gedaan, wat is de concrete timing daarvan?

Met uw permissie, mevrouw de minister, wil ik nog een andere vraag toevoegen.

Tijdens een plenaire vergadering hebt u duidelijk aangegeven geen voorstander te zijn van een collectieve genade. Uit mediaberichten blijkt echter dat u op de ministerraad van 3 oktober een gevoelige maatregel zoals voorgesteld door het gevangeniswezen hebt voorgelegd, namelijk die collectieve genade. Een dergelijke maatregel, mevrouw de minister, is niet bedoeld om structureel bij te dragen aan een duurzaam, legaal en veilig detentiebeleid. Dat was het standpunt dat u toen in de plenaire vergadering hebt ingenomen.

Mijn vraag is heel duidelijk: klopt die berichtgeving, ja of nee? Als de berichtgeving klopt, zult u dan ter zake een initiatief nemen?

Annelies Verlinden:

Collega, zoals ik op 2 oktober al toelichtte in de plenaire vergadering heb ik de noodkreet van de gevangenisdirecteurs en het personeel goed gehoord en dat niet sinds 1 oktober, maar wel al van bij mijn aantreden. De situatie in onze gevangenissen is inderdaad zorgwekkend en dat is al vele jaren het geval. De populatie liep maandag op tot 13.325 gedetineerden en 466 grondslapers. Die situatie is evident onhoudbaar voor zowel gedetineerden als gevangenispersoneel. Hierover had ik op 15 oktober nog een gesprek met de directeurs.

De noodwet heeft wel degelijk een impact. In totaal kregen al meer dan 600 veroordeelden 6 maanden voor strafeinde een voorlopige invrijheidstelling, van wie 280 vanuit detentie. Sinds de inwerkingtreding van de noodwet kregen zo’n 600 veroordeelden een elektronisch toezicht of een voorwaardelijke invrijheidstelling toegewezen door de SURB. Nog eens meer dan 800 veroordeelden gingen in strafonderbreking in afwachting van een beslissing van de SURB.

Dat is echter niet voldoende om de gevangenispopulatie te doen afnemen. De positieve effecten van een noodwet worden tenietgedaan door de stopzetting van de vorige noodmaatregelen, met name die van het verlengd penitentiair verlof en de opschorting van de korte straffen, maar ook door de grote instroom van beklaagden.

Wat betreft de vraag om een vorm van collectieve genade toe te kennen, verwijs ik naar mijn antwoord op vraag nr. 56009239C. (…) Mijn verontschuldigingen, ik ging ervan uit dat die vraag al was beantwoord, maar ik kom erop terug.

Om de overbevolking structureel aan te pakken, werden in samenwerking met de ministers bevoegd voor de Regie der Gebouwen, Volksgezondheid, Asiel en Migratie en Binnenlandse Zaken taskforces opgericht om een globaal plan van aanpak uit te werken. In deze plannen krijgt de capaciteitsuitbreiding maximale prioriteit. De bouw van bijkomende capaciteit is vaak een werk van lange adem en daarom zetten we ook in op projecten op korte en middellange termijn. Op korte termijn voorzien we een capaciteitsuitbreiding door de oude gevangenissen van Sint-Gillis en Antwerpen langer open te houden en door de bestaande capaciteit verder uit te breiden. Zo voorzien we in totaal meer dan 255 bijkomende plaatsen in de DBFM-gevangenissen en in de oude gevangenissen van Sint-Gillis en Dendermonde.

Om op middellange termijn in bijkomende capaciteit te voorzien, voert de Regie der Gebouwen een haalbaarheidsstudie uit om na te gaan op welke terreinen van bestaande gevangenissen en FPC's modulaire units kunnen worden geplaatst. Ook voor de vergunningsproblematiek wordt in samenwerking met de deelstaten naar een oplossing gezocht.

Uiteraard zetten we ook de projecten van kleinschalige detentie verder. De komende drie jaar voorzien we in meer dan 350 bijkomende plaatsen in detentiehuizen en transitiehuizen.

In samenwerking met minister Vandenbroucke werd een actieplan inzake internering uitgewerkt. Naast bijkomende capaciteit in de bestaande FPC's van Gent en Antwerpen via modulaire units, voorzien we ook in 180 bijkomende plaatsen in zorghuizen en medium- en lowsecurityinstellingen, zodat geïnterneerden vlotter kunnen doorstromen. Volksgezondheid voorziet tevens in 12 bijkomende FTE's, goed voor 120 extra zorgtrajecten voor geïnterneerden. Daarnaast operationaliseren we het beveiligd klinisch observatorium in Haren en creëren we in de gevangenis van Haren een behandel- en oriëntatiecentrum voor 60 geïnterneerden. Ook de zorgequipes op de afdeling tot bescherming van de maatschappij in onze gevangenissen zullen we verder versterken.

We nemen ook initiatieven om de terugkeer van de veroordeelden zonder recht op verblijf te bevorderen. Vandaag verblijven meer dan 4.000 gedetineerden zonder wettig verblijf in ons land. De FOD Justitie zal de dienst, bevoegd voor de tussenstaatse overbrenging, met 7 versterken. In afwachting van deze aanwerving zullen interne medewerkers naar deze dienst worden gedetacheerd. Dit moet het aantal dossiers fors doen stijgen.

Daarbij gaat onze eerste focus naar de Nederlandse veroordeelden. Daarnaast zal het aantal dossiers inzake terugkeer aanzienlijk worden verhoogd naar ongeveer 150 tot 170 per maand. Om dat te realiseren, zal de DVZ extra terugkeercoaches in de gevangenissen inzetten en zal de capaciteit van de escorteurs worden verhoogd, wat zal leiden tot de inzet van de federale politie. Om deze plannen te kunnen uitvoeren, heb ik een oproep gelanceerd om de nodige middelen te voorzien en de IDP over de bevolking recurrent te voorzien in de komende jaren.

Wat betreft uw vraag over de voorstellen voor collectieve genade, daar heb ik al een antwoord op gegeven. Dat is vooralsnog niet het standpunt van de arizonaregering. Ik heb dat ook niet voorgesteld op de ministerraad. Ik heb daar alleen gezegd dat de gevangenisdirecteurs en het gevangenispersoneel zelf met dat voorstel waren gekomen, om vervolgens in de regering af te toetsen wie voorstander zou zijn van dat voorstel.

Ik heb daarbij gepreciseerd dat de genademaatregel is opgezet als een individuele maatregel om tegemoet te komen aan specifieke contextuele factoren in een individueel dossier. Het is dus niet bedoeld als een generieke maatregel die op structurele wijze de overbevolking kan remediëren. We onderzoeken daarnaast uiteraard alle mogelijke oplossingen in het kader van de overbevolking en schuwen daarbij geen uitkomsten. Ik gaf u daarbij eerder de actuele status van het dossier aan.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, de mediaberichten waren duidelijk fout, u was dus niet van de ene dag op de andere van standpunt veranderd, wat mij plezier doet. Genade zal niet als een structurele maatregel worden ingevoerd. U hebt een heel overzicht gegeven. Ik zal u steunen in uw oproep om meer middelen. Ik heb dat vandaag al in verschillende andere dossiers benadrukt. U verdient veel meer middelen voor Justitie. Alles wat u aankondigt, valt of staat echter met die bijkomende middelen, die u zeer dringend nodig hebt. Ik heb daarstraks geen antwoord gekregen op mijn vraag hoeveel u gevraagd hebt. Ik hoop in elk geval dat u van de regering steun krijgt, veel meer dan er vandaag voorzien is, om ervoor te zorgen dat Justitie en veiligheid terug op de rails komen.

De versterking van de veiligheid van de gerechtsgebouwen en de uitrol van scanstraten

Gesteld door

lijst: VB Marijke Dillen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 21 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Verlinden bevestigt dat 10 extra scanstraten (€410K investering + €5M/jaar voor personeel) prioritair en landelijk worden uitgerold, met een concreet plan dat vrijdag met de rechterlijke orde wordt besproken, naast versterkte bewaking voor hoogrisicogebouwen. Dillen benadrukt de acute onveiligheid (wapens in vuilnisbakken, ongecontroleerde toegang bij het Hof van Beroep Antwerpen) en dringt aan op onmiddellijke actie om escalatie te voorkomen. De focus ligt op Antwerpen-Limburg, waar scanstraten en infrastructuur (zoals paniekknoppen) dringend tekortschieten ondanks recente renovaties. Samenwerking met Regie der Gebouwen en extra bewakers moeten de structurele veiligheidsrisico’s in gerechtsgebouwen oplossen.

Marijke Dillen:

Ik verwijs naar de tekst van mijn vraag zoals ingediend.

Mevrouw de Minister,

De Hoven en Rechtbanken in Antwerpen en Limburg vragen dringend scanstraten voor verboden wapens in alle gerechtsgebouwen. Enkel in het Antwerps Vlinderpaleis staan er zulke detectoren. Dit jaar werden er al 43 verboden wapens gevonden naast vele andere gevaarlijke voorwerpen, wat het nu van dergelijke scanstraten aantoont. Er zijn dringend investeringen nodig in andere Rechtbanken. Volgens de woordvoerder Hoven en Rechtbanken Antwerpen-Limburg zijn er zo investeringen nodig in de Rechtbanken van Mechelen, Turnhout, Tongeren, Hasselt en het Hof van Beroep in Antwerpen, een volledig gerenoveerd gerechtsgebouw. Maar, zo stelt de woordvoerder, geldt de oproep ook voor de Vredegerechten. Daar is de veiligheid al helemaal een illusie. De paniekknoppen werken vaak niet eens en de situatie gaat zeker ontsporen", zo luidt de alarmkreet.

Terecht zijn de Magistraten en het Personeel bezorgd om hun veiligheid en trekken ze aan de alarmbel. Deze onveilige werkomstandigheden zijn niet langer aanvaardbaar.

In de toekomstplannen van de federale Regering duiken volgens de woordvoerder wel extra scanstraten op. Ook in het Hefboomplan is er sprake van maar het is nog niet duidelijk wanneer die er zullen komen en in welke gebouwen. De Minister heeft beloofd dat er ook in andere gerechtsgebouwen scanstraten zullen komen : “We verhogen de veiligheid in onze gerechtsgebouwen met heel concrete plannen voor extra scanstraten, naast andere maatregelen. Daarvoor hebben we een budget vrijgemaakt voor 10 bijkomende scanstraten, verspreid over het hele land, die we progressief zullen uitrollen.

Kan de Minister toelichting geven hoeveel en in welke gerechtsgebouwen er scanstraten zullen worden geplaatst ?

Wat is hiervan de timing ? Wanneer zal dit plan worden uitgevoerd ?

Welke initiatieven gaat de Minister nemen om naast de scanstraten aan de ingang ook de bewaking van gerechtsgebouwen met een hoger veiligheidsrisico te versterken ? Kan de Minister een overzicht geven van de gerechtsgebouwen waarop dit betrekking heeft ?

Welk budget is hiervoor vrijgemaakt ?

Annelies Verlinden:

Mevrouw Dillen, de versterking van de veiligheid van de gerechtsgebouwen is een absolute prioriteit die ik van bij de start van de legislatuur heb opgenomen, en ik heb de diensten de opdracht gegeven om er werk van te maken.

De uitrol van bijkomende scanstraten, waarnaar u verwijst, maakt deel uit van de voortdurende inspanningen.

Er ligt nu een heel concreet plan op tafel om het aantal operationele scanstraten ruimschoots te verdubbelen. Op de IDP Veiligheid werden middelen vrijgemaakt voor de aankoop van het materiaal voor tien extra scanstraten, verspreid over het hele land. Ze zullen progressief worden uitgerold.

De eenmalige investering voor die tien scanstraten bedraagt 410.637 euro, inclusief btw. Daarbovenop worden de jaarlijkse kosten voor de bestaffing van dienst Scanstraten geraamd op 5 miljoen euro, inclusief btw. Voor de uitrol van die scanstraten ligt een voorstel klaar met de locaties die volgens onze analyse prioritair zijn, waarbij de meest kritieke locaties over het hele land worden aangepakt.

Dat voorstel wordt vrijdag toegelicht aan de rechterlijke orde in het raam van de gezamenlijke taskforces Gebouwen en Veiligheid, die op mijn initiatief in het leven werden geroepen, en conform de afspraak om dergelijke beslissingen in overleg te nemen. We doen er alles aan om dat plan zo snel mogelijk te realiseren, waar het kan op bestaande en waar nodig op nieuwe overheidsopdrachten.

Naast de scanstraat aan de ingang van gerechtsgebouwen versterken we ook de bewaking in en rond de gerechtsgebouwen met een hoger veiligheidsrisico. Ook daarvoor ligt een plan op tafel met het oog op de inzet van bijkomende professionele bewaking.

Tot slot kan ik u meedelen dat ook de hele infrastructuur moet bijdragen tot de veiligheid van de gerechtsgebouwen, in het radarwerk van een bredere veiligheidsstructuur. Die verantwoordelijkheid komt ook toe aan de Regie der Gebouwen. Mijn diensten en ikzelf werken daarvoor nauw samen met de Regie en de bevoegde minister.

Zorgen voor veilige gerechtsgebouwen vergt investeringen in veiligheidsmaatregelen en infrastructuur, maar ook in mensen. Ook op al die werven zetten we volop in. Iedereen die werkt of aanwezig is in onze rechtbanken moet zich immers veilig kunnen voelen.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord. U stelt terecht dat iedereen die in een gerechtsgebouw werkt, zich veilig moet voelen en dat de veiligheid van een gerechtsgebouw een absolute prioriteit moet zijn. Vandaag is dat echter absoluut niet het geval. Vorige vrijdag brachten wij in Antwerpen een bezoek; de voorzitter was daarbij aanwezig. In het Vlinderpaleis is er een scanstraat. Wat allemaal wordt gevonden bij het scannen van personen, is onbegrijpelijk. Er zijn zelfs al wapens aangetroffen. Ook in vuilnisbakken in de omgeving van het Vlinderpaleis worden regelmatig verboden voorwerpen, zoals wapens, gevonden. Het hof van beroep is vrij recent gerenoveerd. Daar kunnen mensen vandaag zomaar binnen- en buitenstappen. Iemand kan daar perfect binnenstappen met – ik heb geen planning ter zake – een geweer in zijn of haar tas. U weet net zo goed als ik dat daar zware correctionele dossiers worden behandeld. Denk maar aan enkele van de grote drugdossiers die daar in beroep voorkomen. Ik hoop dan ook dat met prioriteit werk van dat probleem wordt gemaakt vóór het te laat is.

Het belang van communicatie binnen Justitie

Gesteld door

lijst: VB Marijke Dillen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 21 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Verlinden bevestigt dat Justitie dringend een professioneler, overkoepelend communicatiebeleid nodig heeft om vertrouwen te herstellen en juridische beslissingen maatschappelijk te vertalen, met concrete plannen voor wettelijke verankering van perswoordvoerders en een handelingskader in 2026. Dillen benadrukt de overbelasting van persmagistraten en dringt aan op snelle middelen en statuutaanpassingen, terwijl de minister al opleidingen en structurele aanpassingen (zoals gedeeld beroepsgeheim) aankondigt om de communicatie te optimaliseren.

Marijke Dillen:

ik verwijs naar de ingediende vraag.

Justitie dient meer, gerichter en assertiever te communiceren. Communicatie binnen Justitie is bijzonder belangrijk. Dit zorgt voor openbaarheid wat een garantie kan zijn op een goede rechtspraak. Een uitgewerkt algemeen communicatiebeleid dat focust op het direct breed communiceren richting de maatschappij is belangrijk.

Dit vergt een betere ondersteuning. De middelen zijn vandaag helaas beperkt. Een Persmagistraat dient vandaag deze functie uit te oefenen bovenop het gewone werk, wat uiteraard de werklast voor de betrokken magistraat aanzienlijk verzwaard. De communicatie dient wettelijk te worden verankerd. Het is belangrijk om aan een perswoordvoerder een afzonderlijk statuut te geven.

Wat is hier het standpunt van de minister?

Is de minister bereid hiertoe de nodige initiatieven te nemen en hieraan gekoppeld middelen vrij te maken?

Annelies Verlinden:

Mevrouw Dillen, justitie moet op een heldere en menselijke manier communiceren. Dat is essentieel om het vertrouwen van de burger in justitie te versterken en de werking van justitie beter te laten begrijpen.

De voorbije maanden hebben opnieuw enkele vonnissen het maatschappelijk debat beroerd. Dat toont aan dat juridische taal en beslissingen soms nood hebben aan een maatschappelijke vertaling. De voorbije jaren werden al belangrijke stappen gezet in de professionalisering van de communicatie van het parket en van onze hoven en rechtbanken, maar er blijft nood aan een overkoepelend communicatiebeleid.

Zoals u binnenkort zult vernemen bij de presentatie van de beleidsnota voor volgend jaar, willen we in 2026 verder inzetten op de professionalisering van de communicatiestrategie binnen justitie. In dat kader stimuleren we de implementatie van een handelingskader voor pers- en maatschappijgerichte communicatie. Over dat kader lopen momenteel gesprekken tussen mijn kabinet en de betrokken steundiensten.

Vandaag zijn er naast magistraten die binnen hun rechtsmacht zijn aangewezen als magistraat-perswoordvoerder, ook professionele woordvoerders en communicatieattachés actief bij de parketten, hoven en rechtbanken en in de steundiensten. We willen de rol van deze persattachés en -magistraten wettelijk verankeren en onderzoeken hoe het wetgevend kader rond het gedeeld beroepsgeheim kan worden aangepast om de informatiedoorstroming binnen het OM en de hoven en rechtbanken te verbeteren.

Zo kan de communicatie over mediagevoelige en maatschappelijk relevante vonnissen beter worden voorbereid. De communicatoren binnen justitie kunnen vandaag al een beroep doen op een uitgebreid opleidingsaanbod dat door het IGO wordt georganiseerd. We bekijken met het IGO hoe het luik communicatie verder kan worden verankerd binnen de basisopleiding voor magistraten. Een efficiënt communicatiebeleid vereist immers dat iedereen binnen justitie het belang inziet van duidelijke en heldere communicatie. Zo bouwen we stap voor stap aan een professionele en moderne communicatiestructuur binnen justitie, in lijn met de verwachtingen van de hele samenleving.

Bij deze gelegenheid wil ik ook even de tolken en de diensten danken voor hun volgehouden inspanning en hun snelle schakelen. Dat is bijzonder gewaardeerd.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, u hebt aangekondigd dat over dit dossier een en ander zal worden teruggevonden bij de bespreking van de beleidsnota. Hopelijk zal dat snel zijn, want de professionalisering van de communicatie is belangrijk. Een van de klachten vorige vrijdag was immers dat de persmagistraat de functie van woordvoerder moet uitoefenen naast zijn gewone taken, wat natuurlijk een aanzienlijke verzwaring van de werklast kan betekenen. Ik ben dan ook benieuwd naar de voorstellen die u zult formuleren. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 19.37 uur. La réunion publique de commission est levée à 19 h 37.

De islamitische terreurdreiging tegen de eerste minister en politici in dit land
De verijdelde terroristische aanslag op onze premier
De verijdelde terreuraanslag tegen politici
De terreurdreiging
Het kader van de FGP Antwerpen in het licht van de recente veiligheidsontwikkelingen
De verijdelde jihadistische droneaanslag op De Wever en andere politici
De plannen voor een jihadistische aanslag op onze eerste minister
Jihadistische terreurdreigingen en verijdelde aanslagen op politici in België

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 15 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de verijdelde jihadistisch geïnspireerde aanslag op Belgische politici (o.a. premier De Wever en Geert Wilders) door drie geradicaliseerde jongeren in Antwerpen, waarbij wapens en drones werden aangetroffen. Kernpunten: de structurele islamitische terreurdreiging in België (met 90% van de OCAD-lijst gerelateerd aan jihadistisch salafisme), kritiek op het migratie- en veiligheidsbeleid dat radicalisering in de hand zou werken, en oproepen tot strengere maatregelen zoals uitzetting van radicalen, sluiting van extremistische moskeeën en versterking van veiligheidsdiensten (o.a. FGP Antwerpen). De minister benadrukt verbeterde samenwerking tussen diensten (OCAD, politie, inlichtingen) en extra focus op dronedreiging en radicalisering bij jongeren, maar wijst op beperkte middelen en de noodzaak van sociopreventie via lokale veiligheidscellen (LIVC’s). Polarisatie blijft: rechts eist hard optreden tegen "islamisering", anderen waarschuwen voor generalisatie en pleiten voor gerichte aanpak van extremisme zonder alle moslims te stigmatiseren.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, in Antwerpen werden drie jongeren opgepakt wegens een jihadistisch geïnspireerd plan om politici, onder meer de premier en de Nederlandse PVV-leider Geert Wilders, aan te vallen. Bij huiszoekingen vond men wapens die al klaarlagen.

Mijnheer de minister, dit is geen alleenstaand feit, dit is een trend, een trend van islamitische terreur in dit land. Ook de daderprofielen komen opnieuw niet uit het niets. Wederom gaat het om criminele vreemdelingen die hier nooit hadden mogen zijn.

Ik wil in de eerste plaats, en ik denk dat dit gedeeld wordt over de partijgrenzen heen, onze politie en onze inlichtingendiensten danken voor hun inzet. Maar in een gezond functionerend land, met een gezond functionerende regering, hadden zij dit nooit moeten doen. Deze regering-De Wever en alle systeempartijen die voordien aan de macht waren, dragen een verpletterende verantwoordelijkheid voor de terreur die men vorige week - gelukkig - kon verijdelen en voor de terreur die de afgelopen jaren in onze samenleving heeft plaatsgevonden.

Politici die deze dreiging proberen los te koppelen van de massale immigratie naar ons land, zijn ziende blind of liegen de mensen gewoon voor. Vergeet niet dat dit land, in verhouding, het hoogste aantal Syriëstrijders kende die zich aansloten bij Islamitische Staat. Dat soort vijandige vreemdelingen is niet verdwenen, integendeel.

Laat me citeren uit de nieuwsberichten van 2023. "De helft van de IS-vrouwen die België terughaalde, is intussen weer vrij. Zij lopen nu vrij rond in de samenleving die zij wilden vernietigen." Ik citeerde volksvertegenwoordiger Koen Metsu van de N-VA. 2023, mevrouw De Vreese. Ik vind dat niet zo lang geleden. Heeft deze regering-De Wever daar eigenlijk al iets aan veranderd? Meent u dat die kinderen gezond opgroeien als vaderlandslievende inwoners van dit land?

Mijnheer Van Tigchelt, u herinnert zich wel de tweede groep IS-strijders die in 2022 gerepatrieerd werd naar ons land. In 2016 waren 7 op de 10 Belgische Syriëstrijders tieners of twintigers. In 2018 kende dit land 604 foreign terrorist fighters volgens het OCAD, de dienst die wij in januari met deze commissie zullen bezoeken. Er stierven er veel, maar in 2024 waren er nog steeds 331. Dit land is en blijft een broeihaard voor terreur.

Terroristen veroordelen daarentegen: 31! Maar waar zitten die? Met wie hebben ze contact? Met wie zijn ze nog verder aan het radicaliseren? Dat zijn toch vragen die we ons mogen en moeten stellen? Het radicaliseren gaat immers maar door. Het aantal haatpropagandisten bereikt bijna een recordhoogte: 98 gevallen in 2024, nog altijd volgens het OCAD en dat zijn enkel die welke duidelijk in kaart gebracht kunnen worden.

Ga door de sociale media. Daar bulkt het van jihadistische propaganda en van Vlamingenhaat bij vijandige allochtonen. Hoeveel losgeslagen terreurprojectielen uit islamitische hoek dwalen in onze rand rond?

Is de zaak-Abdessalem Lassoued al vergeten? Hoe vluchtig kan nieuws zijn? Het betrof een Tunesische illegaal die geen recht had op asiel en het bevel had gekregen het grondgebied te verlaten, maar hier gewoon kon verblijven. Hij stond niet eens op de OCAD-lijst, maar vermoordde twee Zweedse voetbalsupporters in onze hoofdstad. Na die gruwelijke terreurdaad vroeg de MR, net zoals het Vlaams Belang al jaren doet, om de oplijsting en uitzetting van geradicaliseerde personen zonder papieren.

Collega’s van de MR ook hier moet men de vraag durven stellen. Is dat al gebeurd onder de huidige regering-De Wever? Ik citeer mijn fractievoorzitster, die destijds stelde wat vandaag, al die jaren later, nog steeds relevant is. Zij vroeg zich af hoeveel slachtoffers er nog moesten vallen vooraleer wij daarvan eindelijk werk zouden maken.

Collega’s, ik heb het daarstraks ook aangegeven bij de regeling van de werkzaamheden. Ik hoop echt dat wij niet hoeven te wachten tot er opnieuw slachtoffers vallen vooraleer wij eindelijk daden stellen. Er ligt een bom onder de samenleving. Die bom is daaronder gelegd door een lakse veiligheidspolitiek en door een opengrenzenbeleid van opeenvolgende Belgische regeringen. Het politieke bestuurs- en beleidsniveau legt al jarenlang de verkeerde prioriteiten.

Ik benadruk dat onze veiligheidsdiensten, onze politie- en inlichtingendiensten machteloos staan wanneer de eigen regering hen tegenwerkt door de opengrenzenpolitiek en een nefaste veiligheidspolitiek, waarbij de focus niet op de juiste wijze wordt gelegd. Het beleid zelf vormt een gevaar voor onze mensen. Die focus moet dringend veranderen, liever vandaag dan morgen. De focus moet liggen op islamitische netwerken, op islamitische rekrutering en financiering en op safe havens zoals blijkbaar Molenbeek. Online infrastructuren zorgen er ook voor dat islamitische jongeren massaal radicaliseren tegen onze samenleving. Erken het probleem, benoem het probleem en benoem bovendien de daders. Durf een paard een paard te noemen. Dat is geen taboe, dat is geen discriminatie of profiling , dat is risicogestuurd werken.

Vanuit het Vlaams Belang pleiten we al jaren voor die verschuiving en voor concrete antiterreurmaatregelen. Zet de inlichtingen- en veiligheidsdiensten volop in tegen de islamitische dreiging. Herprioriteer onze veiligheidsmensen en onze veiligheidsmiddelen, want over één zaak zijn we het allemaal eens, mijnheer de minister: veiligheid moet de kerntaak blijven van onze Staat.

Ik heb dan ook een aantal zeer concrete vragen voor u, mijnheer de minister. U weet dat de Vlaams Belangfractie verschillende interpellaties heeft ingediend, niet enkel bij u, maar ook bij de minister van Justitie, de minister van Asiel en Migratie en de eerste minister, niet omdat we dat leuk vinden, maar omdat het een noodzaak is. Alle ministers die bevoegd zijn voor onze veiligheid moeten kunnen samenwerken en samen die focus kunnen leggen.

Ik weet dat u misschien niet op alle aspecten van dit dossier zult kunnen antwoorden. Daarom had het Vlaams Belang gevraagd om een gezamenlijke hoorzitting te organiseren met alle betrokken ministers. Die vraag is spijtig genoeg in deze commissie weggestemd door de meerderheid. Ik blijf echter bij mijn vragen die specifiek aan u gericht zijn.

Ten eerste, welke concrete OCAD-dreigingsinschatting geldt vandaag specifiek voor politieke mandatarissen en hun woonomgeving? Welke extra beschermingslagen zijn per direct geactiveerd na de dronezaak?

Ten tweede, welke maatregelen neemt u deze maand tegen dat dronemisbruik? Zijn geofencingzones rond residenties een optie? Is een gerichte antidronecapaciteit bij de federale en lokale politie een optie? Graag hierover uw mening, en vooral ook, welke timing en budgetten staan hier tegenover?

Ten derde, hoe versterkt u de communicatieketen – dan bedoel ik het OCAD, de Veiligheid van de Staat, de politie, de parketten enzovoort – voor de vroege detectie van jihadistische activiteiten?

Ten vierde, hoeveel gekende radicale profielen bevinden zich buiten beeld van toezicht of opvolging wegens capaciteitsgebrek? Welke FTE-opbouw voorziet u binnen het komende jaar voor de lokale informatiekruispunten?

Wanneer komt er eindelijk een resultaatsverbintenis inzake uitzetting en denaturalisatie bij terrorisme?

Ten slotte, wordt het paraatheidsniveau bij onze diensten aangescherpt? Zo niet, waarom niet? Ik dank u alvast voor uw antwoorden.

Franky Demon:

Minister, de terroristische dreiging blijft actueel. Dat is recent nog maar eens gebleken met de verijdelde terroristische aanslag gericht tegen politici, waaronder onze eerste minister en de burgemeester van Antwerpen. Dat is niet minder dan een frontale aanval op het hart van onze democratische en politieke instellingen.

Volgens de federale procureur werden drie jongvolwassenen in Antwerpen opgepakt in het kader van een onderzoek naar poging tot terroristische moord en deelname aan de activiteiten van een terroristische groep. Bij de huiszoekingen werden onder meer een zelfgemaakt explosief, stalen balletjes, een 3D-printer en een drone aangetroffen. Alles wijst erop dat men bezig was met de voorbereiding van een jihadistisch geïnspireerde aanslag. Men kan nu wel zeggen dat het om suiker ging, maar ik herhaal toch nog even dat een 3D-printer, een zelfgemaakt explosief, stalen balletjes en drones werden aangetroffen.

Dat zoiets kon plaatsvinden op nauwelijks enkele honderden meter van de woning van de premier, is ronduit verontrustend. Het toont aan dat terrorisme geen verre bedreiging uit het verleden is, maar een reële binnenlandse realiteit blijft. Radicalisering, ook onder jongeren, kan nog altijd veel te gemakkelijk gedijen in onze samenleving. Onze veiligheidsdiensten hebben duidelijk voortreffelijk werk geleverd en daarvoor kunnen we enkel onze waardering uitspreken. Tegelijkertijd moeten we lessen trekken. Elke poging tot aanslag op een verkozen mandataris is een aanslag op de fundamenten van onze democratie.

Over welke middelen beschikken onze veiligheidsdiensten vandaag om bedreigingen tegen politici te monitoren en in te schatten? Is er nood aan een meer structureel beveiligingskader bij een verhoogd dreigingsniveau? Welke bijkomende maatregelen worden genomen in het licht van de gebeurtenissen om de bescherming van politici of belangrijke figuren in onze samenleving te versterken? Hoe garandeert u dat informatie over radicaliseringstrajecten of extremistische signalen bij jongeren, ook online, sneller en efficiënter wordt gedeeld tussen de politie, het OCAD, lokale besturen en onderwijsinstanties?

Ziet u mogelijkheden om de werking van de LTF’s en de LIVC’s verder te verbeteren en te versterken? Wat is de stand van zaken met betrekking tot het interfederaal samenwerkingsakkoord over de LIVC’s? Welke stappen worden gezet om radicalisering bij jongeren beter te detecteren en te voorkomen?

Voorzitter:

De heer Vander Elst is verontschuldigd.

Jeroen Bergers:

Mijnheer de minister, vooreerst druk ik er mijn appreciatie over uit dat u zich op korte termijn voor dit belangrijke actualiteitsdebat vrij hebt gemaakt.

Ik denk dat iedereen geschokt is door het akelige nieuws, maar zeker ben ik daar niet van. Het is namelijk opvallend dat er vandaag alleen uit één hoek van het politieke spectrum vragen komen over de verijdelde aanslag op de eerste minister en over het groeiende aantal interventies van onze politiediensten in terreurdossiers. Aan de linkerkant van het politieke spectrum blijft het oorverdovend stil. Na een door de veiligheidsdiensten verijdelde aanslag op de eerste minister, een aanval op de fundamenten van onze democratie, zwijgt de helft van het Parlement en dat vind ik akelig. Overigens neem ik de gelegenheid te baat om de veiligheidsdiensten voor hun optreden te bedanken.

Mondjesmaat verschijnt er meer informatie via de pers. Volgens de advocaat van de terreurverdachte zou het om een blikje cola gaan. Ik gok echter dat het veeleer gaat om wat het parket heeft meegedeeld: er werden dicht bij de woning van de eerste minister zelfgemaakte drones, metalen balletjes en explosief materiaal gevonden, evenals een 3D-printer. Die 3D-printers zijn fantastisch voor mensen met goede bedoelingen, maar jammer genoeg ook voor mensen met slechte bedoelingen.

Ook over het profiel van de verdachten komt intussen heel wat informatie naar buiten. Het gaat om drie jonge mensen, van wie twee met Marokkaanse roots en één met Tsjetsjeense. Ze zijn alle drie in België geboren. Een van hen werd inmiddels vrijgelaten wegens gebrek aan bewijs. Van de twee anderen weten we dat ze een veiligheidsopleiding volgden.

Volgens het parket is het duidelijk dat de geplande aanslag, waarnaar al enkele maanden onderzoek werd gedaan, ingegeven werd door islamitische, jihadistische motieven. Bovendien werden er nog volgens het parket voor dit jaar al 80 nieuwe terreuronderzoeken geopend. Dat is al meer dan vorig jaar, terwijl 2025 nog niet voorbij is.

Mijnheer de minister, collega's, ik ben van mening dat de strijd tegen terreur en de strijd voor de vrijwaring van onze democratie en het waarborgen van de veiligheid van onze burgers een absolute prioriteit moeten zijn voor het beleid van de federale regering en voor de werkzaamheden van het Parlement.

In welke mate was u op de hoogte van de concrete dreiging? Was er ook sprake van een dreiging ten aanzien van uw persoon?

Welke stappen zult u ondernemen om het voortdurende gevaar vanuit jihadistische hoek in te dijken?

Acht u het nodig om het dreigingsniveau, dat ook eerder vandaag al ter sprake kwam, te verhogen, of is dat op dit moment nog correct ingeschat?

Hebt u kennis van andere grote lopende onderzoeken? Plant u bijkomende acties naar aanleiding van het verontrustende nieuws dat ons bereikt heeft?

Welke internationale veiligheidsdiensten waren bij het onderzoek betrokken? In de pers zijn daarover al enkele uitspraken gedaan.

Worden sociale media en onlineplatforms voldoende gemonitord op het vlak van rekrutering door jihadistische kringen, die zich vaak ook op minderjarigen richten? Op Twitter kaart Peter Velle regelmatig dergelijke zaken aan. Ik hoop dat hij niet de enige is die zich daarmee bezighoudt.

Maaike De Vreese:

Mijnheer de minister, mijn collega Bergers had het zopas al voldoende over de verijdelde aanslag en het terreurgeweld. Ik heb een bijkomende vraag, met name over de versterking van de FGP van Antwerpen. Niet alleen moet die dienst enorme inspanningen leveren in de strijd tegen terrorisme en gewelddadige radicalisering, maar bovendien speelt in Antwerpen ook de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit en in het bijzonder de drugscriminaliteit. Met de Haven van Antwerpen-Brugge is dat een bijzonder moeilijke opdracht.

Het federaal parket meldde dat er dit jaar 80 nieuwe terreuronderzoeken werden geopend. Dat is meer dan in heel 2024. Daarbij zijn de dossiers van de minderjarigen nog niet eens meegerekend. Federaal procureur Ann Fransen benadrukte dat het van belang blijft om steeds voldoende capaciteit bij politie en justitie beschikbaar te houden om de veiligheid van de samenleving te waarborgen.

De terreurdreiging in Antwerpen blijft acuut, terwijl ook de drugscriminaliteit een enorme druk op de FGP legt. In het regeerakkoord staat dat de FGP Antwerpen prioritair meer middelen moet krijgen en dat het kader minstens op het niveau van de FGP Brussel moet worden gebracht. Op 31 januari 2025 telde de FGP Antwerpen 496 medewerkers, tegenover 671 in Brussel. Dat is een verschil van 175. Tegen eind 2026 wordt Antwerpen uitgebreid met 59 medewerkers tot 555, maar Brussel met 91 tot 762. Het verschil groeit dus met 207 medewerkers.

Mijnheer de minister, hoe rijmt u de toenemende discrepantie met de beloften in het regeerakkoord? Gezien de actuele veiligheidsdreiging, bent u bereid om de uitbreiding van de FGP Antwerpen te versnellen of te vergroten? Wanneer zal die uitbreiding plaatsvinden? Hoeveel bijkomende middelen zult u hiervoor uittrekken? Wanneer zal de FGP Antwerpen op de volledige capaciteit zitten?

Sam Van Rooy:

Mijnheer de minister, ik wil eerst en vooral onze veiligheids- en politiediensten gelukwensen met het verijdelen van een zoveelste poging tot jihadistische aanslag in dit land. De politieke doelwitten en hun geliefden wens ik veel sterkte toe, want zoiets komt toch wel binnen. Dat valt niet te onderschatten.

Zelf woon ik al 40 jaar in die wijk. Net zoals een van de doelwitten, premier De Wever, woon ik op slechts enkele honderden meters van de Sint-Rochusstraat, waar die drie jonge moslims die aanslag aan het voorbereiden waren. Ik ben geboren en getogen in die wijk en heb school gelopen in diezelfde Sint-Rochusstraat. Ik heb al herhaaldelijk gewaarschuwd voor de islamisering die daar al zo lang bezig is. Dat werd en wordt ook vandaag nog telkens weggelachen of genegeerd.

Ik moest er daarnet opnieuw aan denken, toen er zich hier een klein debat ontspon tijdens de regeling van werkzaamheden over het al dan niet organiseren van een gezamenlijke commissie of een bezoek aan het OCAD, waarbij er werd gezegd dat het niet alleen moslims zijn, maar dat het ook uit andere hoeken komt. De cijfers zijn wat ze zijn, namelijk dat 9 op de 10 personen op de terreurlijst moslim zijn. Dat is een gigantische oververtegenwoordiging. Men kan natuurlijk altijd uitzonderingen vinden die de regel bevestigen, maar het zijn zo goed als nooit joden, boeddhisten, katholieken, jaïnisten, hindoes of shintoïsten. Neen, uit de cijfers blijkt dat het bijna altijd moslims zijn. We kunnen hier wel debatteren in deze commissie voor Binnenlandse Zaken en Veiligheid, maar ik wil benadrukken dat er elke dag, ook vandaag, op dit moment, tijdens dit debat, moslimterroristen of potentiële moslimterroristen dit land binnenkomen, uit Afrika en het Midden-Oosten. Sterker nog, ze worden willens en wetens binnengehaald, denk aan recent Nizar Trabelsi, denk aan Abdelkader Belliraj. Dit land blijft een speeltuin voor moslimfundamentalisten en potentiële jihadisten.

Indien u mij niet gelooft, kijk dan gewoon naar de cijfers. Kijk naar de onderzoeken in de landen van herkomst, in Afghanistan, Syrië, Eritrea en de Palestijnse gebieden, over de opvattingen van de moslims die daar wonen. Daaruit blijkt dat 80 à 90 % van de moslims daar de democratie verwerpt, voorstander is van de sharia, de gelijkwaardigheid van man en vrouw niet aanvaardt, afkeer en minachting koestert voor niet-moslims enzovoort. Dat soort mensen wordt nog steeds, elke dag, dit land binnengehaald.

Mijnheer de minister, dit gezegd zijnde heb ik enkele vragen over deze zaak. Mijn eerste vraag aan u is - ik vond dat interessant - welke buitenlandse inlichtingendienst of inlichtingendiensten hebben u, hebben ons, getipt over deze jihadistische droneaanslag?

Hoe wapent de regering zich tegen het gebruik van zulke drones en van 3D-printing? Hun ideeën mogen dan wel achterlijk, barbaars en zevende-eeuws islamitisch zijn, ze gaan blijkbaar wel mee met hun tijd wat technologie betreft.

Hoe komt het volgens u dat er dit jaar al meer terreuronderzoeken zijn geopend dan vorig jaar, namelijk een tachtigtal?

Hoeveel terrorismedossiers van vorig jaar en dit jaar hebben betrekking op minderjarigen, aangezien die apart worden geregistreerd?

Om terug te komen op wat ik daarnet zei, terreurexpert Pieter Van Ostaeyen waarschuwt, net als ik daarnet, dat jihadisten van Islamitische Staat vanuit de Sahel massaal onze kant opkomen. Graag kreeg ik uw reactie daarop, mijnheer de minister.

Last but not least, de achtergrond van de jonge daders is Marokkaans of Tsjetsjeens. Ze studeren hier of ze lopen hier school. Ze komen dus niets tekort. Het riedeltje dat het komt door achterstelling, armoede, discriminatie enzovoort, mag wel eens begraven worden. Ze komen niets tekort. Hun etnische achtergrond is compleet verschillend, maar ze hebben natuurlijk een factor die hen bindt, namelijk de islam.

Mijnheer de minister, erkent u tot slot dat het de islamitische doctrine is die aanzet tot het vermoorden van ongelovigen, van ons, van de kafirs, van de niet-moslims?

Ik raad u in dat verband aan Sam Harris te lezen, een zeer schrandere, bekende atheïst. Die stelt en toont ook aan dat het probleem met het islamitisch fundamentalisme de fundamenten van de islam zijn. Minister, graag uw reactie daarop. Wilt u dat nu eindelijk erkennen, na zovele decennia van islamitische terreur?

Catherine Delcourt:

Monsieur le ministre, comme vous l'entendez, je suis un petit peu accablée, mais je tenais malgré tout à être présente aujourd'hui. Je vous remercie de votre présence parce que l'heure était grave. Ce qu’il s'est passé, ce projet d'attentat contre notre premier ministre, chef de notre gouvernement, est quelque chose de gravissime, d'intolérable et d'inacceptable. Cela démontre encore à souhait la nécessité de poursuivre la lutte contre toutes formes de terrorisme et contre le djihadisme. C'est une évidence.

Ici, je tiens surtout à souligner – et c’est crucial pour moi – que cet attentat a été déjoué. Il l'a été grâce à la vigilance et à la détermination de nos services de sécurité et de renseignement, qui ont été d'une grande efficacité. Leur engagement, leur professionnalisme et leur vigilance méritent notre plus grande reconnaissance et notre respect. C’est surtout sur ce point que je souhaite insister.

Monsieur le ministre, je vous ai adressé mes questions par écrit. Le fait que je sois un peu souffrante me dispensera de vous les poser oralement, si vous l’acceptez. Je vous remercie d’ores et déjà pour les réponses que vous voudrez bien apporter.

Quelles mesures supplémentaires le gouvernement prend-il pour garantir la sécurité du premier ministre et des autres responsables politiques suite à cet attentat déjoué? Envisagez-vous un cadre de sécurité structurel et permanent pour les dirigeants politiques face à l'augmentation des menaces?

Comment la coopération et le partage d'informations entre l'OCAM, la Sûreté de l'État et les polices fédérale et locale seront-ils renforcés afin de détecter et de prévenir plus rapidement la radicalisation?

En juin 2025, l'OCAM a alerté sur une radicalisation accélérée chez les mineurs. Existe-t-il un lien entre ce constat et l'attentat déjoué? Quelles autres mesures supplémentaires sont prises pour mieux détecter et prévenir la radicalisation chez les jeunes?

Voorzitter:

Plusieurs collègues souhaitent également intervenir dans ce débat d’actualité. Il s’agit de MM. Thiébaut, Meuleman et Van Tigchelt.

Éric Thiébaut:

J'étais un peu choqué tout à l'heure. J'en suis désolé, mais dire que tous les groupes politiques n’ont pas réagi à la tentative d’attentat contre le premier ministre n’est pas correct. Il y a eu, notamment, une prise de position de mon président, à travers un communiqué de presse, qui exprimait son indignation et son soutien au premier ministre face au danger qu’il a encouru. Je tenais à le rappeler en premier lieu.

Par rapport à la situation, nous avons eu des échos du rapport de l'Organe de coordination pour l’analyse de la menace (OCAM); cela a été évoqué précédemment dans cette commission. Selon ce rapport, 85 % de la menace terroriste sont liés à l’islam radical, et tout de même 10 % à l’extrême droite. Ces 10 % ne représentent évidemment pas la plus grande partie, mais ils existent. Ce risque est donc bien présent et mérite aussi d'être considéré.

Sam Van Rooy:

(…)

Éric Thiébaut:

Pourtant, il est indiqué que 10 % des menaces sont imputées à l’extrême droite. Tout à l'heure j'entendais que l'extrême gauche était une grosse menace terroriste. Selon l’OCAM, c’est bien l’extrême droite qui est responsable de 10 % des menaces identifiées. Cela a été publié dans la presse il y a quelques jours. Vous pouvez toujours le contester, mais nous recevrons de toute façon les chiffres officiels de l'OCAM, si vous les voulez. Ce n'est pas compliqué.

Quoi qu’il en soit, la menace terroriste est toujours bien présente dans ce pays. Elle mérite encore qu'on mette les moyens pour la contrer. En matière de moyens, en 2014, 120 inspecteurs étaient dédiés à la lutte contre le terrorisme. En 2025, ils ne sont plus que 40. Leur nombre a donc été divisé par trois. Ce sont des chiffres éloquents.

On parlait des moyens qu'il faut amener à la PJF d’Anvers. Je l’entends, mais il faut amener des moyens dans les PJF de tout le pays. À Charleroi aussi, il y a des soucis de personnel. Cela m'a été rapporté. On en revient toujours à la question des moyens, monsieur le ministre de l'Intérieur. Je vois que vous êtes d'accord avec moi.

J'espère que vous parviendrez à convaincre vos partenaires de l'Arizona de donner les moyens nécessaires pour assurer la sécurité dans notre pays. Dire à tout bout de champ que la sécurité est une priorité de ce gouvernement, sans y mettre un balle, cela commence à ne plus être très crédible en termes de discours.

Je me joins aux félicitations adressées aux services qui ont déjoué cet attentat. Ce qui est marquant, c’est le fait que cet attentat a été déjoué. Et ce n'est pas le premier attentat à avoir été déjoué par nos services spécialisés. Je pense qu'il faut reconnaître notre expertise et s'en féliciter.

En tant que bourgmestre et président d'une zone de police, on a mis en place, depuis quelques années, les Cellules de sécurité intégrales locales (CSIL). Ces commissions sont destinées à mettre tous les acteurs de terrain en connexion pour identifier et éventuellement neutraliser les risques d'extrémisme sur le territoire.

Monsieur le ministre, avez-vous pu dresser un bilan de l'efficacité de l'action de ces CSIL? Comptez-vous encore soutenir ces CSIL partout où elles sont installées dans les communes du royaume?

Brent Meuleman:

Mijnheer de minister, ook namens mijn fractie dank ik u om hier vandaag al aanwezig te zijn.

We hebben het over een thema dat de aandacht van ons allemaal verdient, zonder een interne discussie te voeren over wie absoluut een monopolie heeft op welk soort geweld. Ik hoop dat wij allemaal samen eendrachtig de tendensen kunnen veroordelen die we vandaag in onze samenleving zien. Daarover moeten onze vragen vandaag gaan.

Mijnheer de minister, we staan vandaag oog in oog met een verontrustende evolutie in de dreiging van binnenlands terrorisme. Een terreurcel heeft recent een aanslag willen plegen met een drone die was uitgerust met explosieven. Gelukkig kon de aanslag worden verijdeld. Dat toont aan dat de dreiging van terrorisme niet alleen aanhoudt, maar ook verandert. Drones zijn goedkoop, zijn gemakkelijk verkrijgbaar en moeilijk te detecteren, wat ze tot een bijzonder gevaarlijk wapen maakt. Het is verontrustend dat enkele verdachten bovendien, naar verluidt, een veiligheidsgerelateerde opleiding hebben gevolgd.

Mijnheer de minister, hoe goed zijn onze Belgische veiligheidsdiensten, de militaire inlichtingendiensten en de lokale politiezones uitgerust en opgeleid om effectief om te gaan met de nieuwe dreiging van commerciële drones die worden omgebouwd tot wapens?

Welke precieze onlinekanalen en -groepen hebben de betrokken individuen mogelijks beïnvloed? Welke rol speelden internetfora en sociale media bij het verwerven van bepaalde technische kennis?

Is de persoonlijke beveiliging, waarover het daarstraks ook al ging, van Belgische politici met een verhoogd dreigingsniveau toereikend? Moet die beveiliging volgens u worden gecentraliseerd of uitgebreid in het licht van wat recent is gebeurd?

Het incident, dat gericht was tegen politici, onderstreept de kwetsbaarheid van onze democratie en de impact van polarisatie. Het is van cruciaal belang dat we die vragen beantwoorden om de veiligheid van onze samenleving en onze democratie te waarborgen. Laten we dus niet wachten tot het te laat is. Ik dank u alvast voor uw antwoorden.

Paul Van Tigchelt:

Mijnheer de minister, dat onze diensten vastberaden en verbeten zijn in de aanpak van extremisme en terrorisme, lijdt geen twijfel. Dat onze diensten robuuster zijn geworden sinds de verschrikkelijke terrocrisis van 2015-2016, lijdt evenmin twijfel. Toch moeten we er altijd bij zeggen dat een nulrisico niet bestaat, hoe performant uw diensten ook mogen zijn. Wars van alle felicitaties vandaag, het nulrisico kan niemand garanderen, helaas.

Mijnheer de minister, mijn eerste vraag is of u een correct relaas van de feiten kunt geven. In de pers zijn immers een aantal zaken gecommuniceerd, maar ik stel vast dat die communicatie niet is voorafgegaan en evenmin werd gevolgd door een officiële mededeling van onze veiligheidsdiensten. Er is dus nood aan een objectief relaas. Uiteraard weten we allemaal dat u niet alles kunt zeggen, aangezien er een onderzoek loopt en het geheim daarvan moet worden gerespecteerd, maar kunt u ons, met respect voor die limieten, een zo correct mogelijk relaas van de feiten geven?

Een tweede element is de beruchte OCAD-lijst, de GGB of Gemeenschappelijke Gegevensbank, la Banque de données commune in het Frans. Eind deze zomer stonden daarop 562 entiteiten, 50 van hen met een rechts-extremistisch profiel, een 15-tal met een links-extremistisch profiel, een 8-tal met een anti-establishmentprofiel – dat is een nieuwe categorie van mensen die anti-overheid zijn – en 2 minderjarigen die het nihilistisch extremisme van de organisatie 764 aanhingen. De overige, meer dan 480 entiteiten, hingen het jihadi-salafisme of islamistisch extremisme aan – niet het islamitisch, maar het islamistisch extremisme. Dat zijn de feiten. Het grootste gevaar in dit land gaat dus inderdaad uit van het islamistisch extremisme. Het gaat om islamisten die foreign terrorist fighters zijn, homegrown terrorist fighters of potentieel gewelddadige extremisten. Dat zijn de naakte feiten en daar kunnen we niet naast kijken.

De vraag is wat we geleerd hebben uit het verleden. We hebben vastgesteld, zoals al werd aangehaald, dat in het verleden, ondertussen meer dan tien jaar geleden, veel van onze jongeren, meer dan 400, geboren en getogen in dit land, vanuit Antwerpen, Vilvoorde, Brussel en Molenbeek zijn vertrokken naar jihadistische conflictzones. De vraag luidt nu of de dynamieken die toen aanwezig waren, vandaag nog spelen.

We hebben daarover in de commissie voor Binnenlandse Zaken al hoorzittingen gehouden. Wanneer er tijdens oudejaarsnacht jongeren hun munitie met vuurwerkbazooka’s richten op de veiligheidsdiensten of zelfs op ambulances, kunnen we stellen dat diezelfde dynamieken waarschijnlijk nog steeds aanwezig zijn. We moeten ons dus allemaal de vraag stellen wat de oorzaken zijn van die dynamieken en van die problematische radicalisering.

Op één punt verschil ik alleszins wezenlijk van mening met mijn geachte collega Van Rooy. De oorzaak kan niet worden herleid tot een probleem van dé islam in dit land, noch tot een probleem van álle moslims in dit land. Dat is niet juist. We moeten onverbiddelijk zijn in de aanpak van extremisme en terrorisme, maar het is geen probleem van alle moslims in dit land. Daarover verschillen we van mening en ik permitteer mij om dat verschil te behouden.

Voor die problematische radicalisering hebben we, zoals hier reeds werd aangehaald, systemen in het leven geroepen, namelijk de lokale integrale veiligheidscellen, de LIVC’s, die problematische radicalisering zo snel mogelijk moeten detecteren en in de kiem zien te smoren. Dat is niet enkel, en zelfs verre van, een verantwoordelijkheid van onze inlichtingen- en veiligheidsdiensten. In eerste instantie gaat het namelijk om een sociopreventieve verantwoordelijkheid.

De strategie-T.E.R., terrorisme, extremisme en radicalisering, wordt gemonitord, opgevolgd en begeleid door het OCAD. In het verleden stelden we vast dat in bepaalde steden de LIVC’s, waarvoor de burgemeesters eerstverantwoordelijke zijn, uitstekend werk leveren. We stellen echter ook vast dat er in dit land LIVC’s zijn die steken laten vallen, en dan druk ik mij nog eufemistisch uit.

Een LIVC is meer dan een vergadering die maandelijks samenkomt. Het is een systematiek, een methodiek om problematische radicalisering, vaak bij minderjarigen en vaak via sociale media, in de kiem te smoren.

Na mijn eerste vraag, over het relaas van de feiten, brengt me dat bij mijn tweede vraag, namelijk hoe u de LIVC’s evalueert. Onderschrijft u dat het op bepaalde plaatsen beter kan?

Mijn derde vraag is eigenlijk in mijn eerste vraag besloten. Wat kunt u ons zeggen over de twee aangehouden verdachten van 18 en 23 jaar? Waren zij al gekend bij onze diensten wegens problematische radicalisering, zoals in de pers stond? Stonden zij al dan niet reeds op de beruchte OCAD-lijst? Wat kunt u ons daarover meedelen? Ik dank u alvast voor uw beschikbaarheid en uw antwoorden.

Voorzitter:

Mijnheer de minister, u krijgt het woord om te antwoorden.

Bernard Quintin:

Dames en heren commissieleden, net als u wil ik de veiligheidsdiensten, het gerecht, de federale gerechtelijke politie, de staatsveiligheid en alle andere diensten die een rol in dit dossier hebben gespeeld, op de voor- of achtergrond, danken en feliciteren.

C'est un message que je leur ai déjà passé, tout en les encourageant bien sûr à maintenir cette vigilance et à toujours améliorer les processus qui sont en cours pour les résultats que nous en espérons.

Het optreden in dit choquerend dossier toont aan dat de structuren die we in België sinds een tiental jaar hebben ingevoerd, een duidelijke meerwaarde bieden en dat we effectief lessen hebben getrokken uit de aanbevelingen van de parlementaire onderzoekscommissie over de terroristische aanslagen.

Een nulrisico bestaat echter niet, dus moeten we altijd waakzaam blijven en zoeken naar verbeterpunten. De diensten geven al decennia de hoogste prioriteit aan de terroristische dreiging die voornamelijk, maar niet uitsluitend, uit jihadistische hoek komt. Een focus op radicaal islamisme betekent niet dat de diensten hun aandacht voor ideologisch extremisme, zowel rechts als links, mogen laten verslappen en vice versa. Ik negeer dus niets wat de veiligheid betreft.

Laat dat mijn boodschap zijn: er is geen plaats in onze samenleving voor extremisme, of dat nu religieus of ideologisch gemotiveerd is, gericht tegen vreemdelingen, tegen de democratie, tegen lgbtq-personen, tegen vrouwen, tegen rijk of arm, enzovoort. Dat is waar ik voor sta.

Vous avez posé, à juste titre, plusieurs questions concernant ce que j'appellerais les prétendus projets d'attentats contre notre premier ministre, et je vais m'en expliquer. Je ne peux et ne veux mentionner de noms ici. Je ne confirmerai ni n'infirmerai. Pour le rapport, c'est un message que j'ai passé à mes collègues aussi. Pour les questions de sécurité, il est bon qu'on respecte les règles de base qui consistent notamment à ne pas se prononcer. Vous aurez constaté avec moi que le premier prétendu intéressé ne s'est d'ailleurs pas prononcé sur le sujet. Certains ont pensé intéressant de dire qu'ils sont sur la liste ou qu'ils n'y sont pas. Je pense que c'est une erreur à ne pas commettre. C'est une matière sérieuse. Ce sont des gens sérieux qui s'en occupent. Et j'en profite pour faire passer le message que ces gens sont aussi les premiers en danger. Les collègues qui travaillent dans les services de renseignement sont en première ligne.

We moeten hun werk ook respecteren.

Je ne vais pas non plus m'étendre sur les services internationaux qui ont joué un rôle. Simplement, je dois souligner qu'il y a bien eu une coopération internationale qui a permis de débuter plusieurs enquêtes et travaux et, partant, de résoudre le cas dont nous parlons en ce moment. Je ne m'étendrai pas sur les adresses et les noms des intéressés ni sur d'autres détails.

U een relaas geven waarin alles op een rijtje staat, zou me in een moeilijke situatie brengen.

Pour ce qui concerne le traitement par la justice, les expulsions de notre territoire, la déchéance de la nationalité, le financement des communautés religieuses, l'échec de l'intégration, les centres d'accueil pour demandeurs d'asile, etc., je rappelle que ces questions ne relèvent pas de ma compétence. En tout cas, je puis vous rassurer en indiquant que nous travaillons ensemble, tous les ministres et structures impliqués, pour que ces questions de sécurité fondamentales soient traitées avec le sérieux nécessaire.

Ik zal de overige vragen in drie categorieën groeperen: vragen over het dossier zelf, vragen over de te nemen maatregelen ter bescherming van de eerste minister en, meer algemeen, van politici of andere bedreigde personen en vragen over de informatiedeling en de eventuele versterking van de betrokken diensten.

Wat de vragen betreft over het dreigingsdossier zelf – voor zover ik die kan beantwoorden – ben ik inderdaad vooraf geïnformeerd over een lopend dreigingsdossier. Daaruit bleek dat de informatiedeling en de beoordeling van de aard en de imminentie van de dreiging tussen de betrokken veiligheidsdiensten goed verliepen. Ik heb begrepen dat de opgepakte personen allen over de Belgische nationaliteit beschikken. De drie personen zijn jong, een van hen is zelfs nog maar net meerderjarig. Dat is inderdaad in lijn met de vaststellingen van het OCAD en de Veiligheid van de Staat van de voorbije jaren. Een van de opgepakte personen is vrijgelaten, omdat die niet als verdachte wordt beschouwd.

Inzake de vragen over de te nemen maatregelen bepaalt het OCAD voor ons land het algemene dreigingsniveau. Dat is sinds 16 oktober 2023 gestegen van niveau 2 naar niveau 3. Het OCAD bevestigt dat niveau 3 behouden blijft. Dat betekent dat het dreigingsbeeld inzake terrorisme en extremisme niet fundamenteel anders is dan voor deze interventie.

Wat de maatregelen rond de persoon van de eerste minister betreft, worden dergelijke dreigingen geëvalueerd door het OCAD en de federale gerechtelijke politie. Op basis daarvan bepaalt het Nationaal Crisiscentrum de beschermingsmaatregelen. De premier krijgt in elk geval bijzondere aandacht in verband met zijn rol als eerste minister. Over de concrete veiligheidsmaatregelen die gelden kan ik niet uitweiden. Indien er nieuwe elementen van dreiging naar voren zouden komen, dan licht het parket of de federale politie het Nationaal Crisiscentrum in met het oog op een re-evaluatie.

Meer algemeen over de bescherming van politici en bedreigde personen is het NCCN aangewezen als de bevoegde overheidsinstantie voor het nemen van gewone beschermingsmaatregelen ten aanzien van bedreigde personen. Het verzorgt dus de besluitvorming, het beheer en de coördinatie van de beschermingsmaatregelen. Het basisinstrument daarbij is de omzendbrief COL 6/2004, herzien in 2024. Die werd gezamenlijk opgesteld en goedgekeurd door de ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken en door het College van procureurs-generaal. Deze circulaire heeft tot doel om personen van aanzien, ambtenaren en particulieren, die in de uitoefening van hun functie worden bedreigd, te beschermen.

Het NCCN wordt op de hoogte gebracht van een nieuwe bedreiging tegen een persoon en vraagt de bevoegde diensten om een dreigingsanalyse. Vaak organiseert het NCCN een coördinatievergadering met de partners om de te nemen maatregelen te bespreken. Dit proces werd ook in deze casus gevolgd bij de eerste notificatie van de dreiging, uitgaand van de federale politie.

Il existe un cadre pour les fonctions clés au sein de l’appareil gouvernemental. Ce document, élaboré par le Centre de crise national (NCCN) et validé par le Conseil national de sécurité (CNS), comprend un ensemble de mesures et de recommandations concernant les personnes considérées comme occupant des fonctions clés. Ce cadre sera évalué afin de déterminer s’il est nécessaire de développer davantage de mesures structurelles, d’étendre les fonctions et, si besoin, de dégager les moyens financiers nécessaires à cet effet. C'était la conclusion d’une réunion que j’ai organisée la semaine dernière avec les différents services concernés.

Wat betreft de te nemen maatregelen tegen drones, momenteel bestaat er slechts een beperkte antidronecapaciteit bij de politie in België. Deze systemen worden momenteel enkel ontplooid op high-risk events. Bovendien zijn er meer testen nodig rond de impact van bepaalde neutralisatiemiddelen, zoals jamming , op reguliere signalen. De voorbije weken werden op mijn initiatief al verschillende vergaderingen georganiseerd met de veiligheidsdienst, het DG Luchtvaart en skeyes om te kijken naar manieren om drones te detecteren, te voorkomen en erop te reageren.

Voor de geldende regelgeving verwijs ik naar mijn collega bevoegd voor Mobiliteit, maar we willen komen tot een kader waarin de verantwoordelijkheden en verwachtingen die de problematiek van drones met zich meebrengt duidelijk in kaart gebracht worden. We verwachten van de diensten ook aanbevelingen om de dekking en identificatie te verbeteren. Zo wordt onderzocht of een registratieplicht voor dronetoestellen en -vluchten een element van de oplossing kan zijn.

Ik kan er verder nog aan toevoegen dat ik heb gevraagd naar een zo eenvoudig mogelijke structuur omdat het al ingewikkeld genoeg is. We hebben een eenvoudig systeem nodig, zodat we zeker kunnen zijn dat we de droneproblematiek goed kunnen aanpakken.

Mevrouw De Vreese vroeg specifiek naar de versterking van de FGP Antwerpen als te nemen maatregel. Het is misschien goed om te vermelden dat ik een situatie erf die tien jaar oud is. Deze versterking is gepland en verloopt in twee fases. In een eerste fase op korte termijn wordt er zo snel mogelijk bijkomende capaciteit toegewezen aan de diensten waar de nood het hoogst is. Deze eerste versterkingen worden, in overleg met de gerechtelijke directeur van Antwerpen, gericht ingezet op de onderzoekscapaciteit inzake terrorisme en georganiseerde misdaad. De rekrutering van gespecialiseerde onderzoekers vraagt echter tijd, aangezien deze profielen moeilijk te vinden en op te leiden zijn.

In de tweede fase op middellange termijn is de doelstelling het personeelskader van de FGP Antwerpen tegen eind 2026 op 555 fte te brengen, dus een zestigtal meer dan vandaag. De realisatie van deze tweede fase sluit aan bij het strategisch plan van de federale politie, dat door mij en door de minister van Justitie werd goedgekeurd.

Leden van deze Kamer vroegen meer toegang tot en meer controle op communicatieplatformen. Toegang tot geëncrypteerde communicatie is inderdaad een hele challenge voor onze diensten. Het evenwicht tussen capaciteit, essentie en doeltreffendheid aan de ene kant en privacy aan de andere kant, speelt ons ook hier parten. We hebben het hier vorige week veel over privacy gehad. Er is de noodzaak om betere toegang te hebben, maar van de ene mogen we geen spionagetools gebruiken en van de andere mogen we geen rechtstreekse toegang tot de platformen hebben. Toch verwacht iedereen dat de politie topresultaten boekt op een kostenefficiënte manier. Jullie begrijpen wat ik bedoel. Zoals gezegd, we hebben het daar vorige week al over gehad.

Wat de vragen inzake informatiedeling over dreigingsdossiers of radicalisering betreft, de strategie TER voorziet in een doorgedreven informatiedeling op verschillende niveaus, met verschillende finaliteiten. Dit systeem is zo goed als uniek in de wereld en werkt eigenlijk zeer goed. Alle politie- en inlichtingendiensten en het gerecht maar ook lokale preventie- en veiligheidsactoren worden erbij betrokken.

Het geval van afgelopen donderdag illustreert dat de communicatie tussen de diensten, en in het bijzonder tussen het parket, het OCAD, de VSSE, en de politie goed gefunctioneerd heeft. De opvolging van een entiteit gebeurt door de lokale taskforce (LTF,) de lokale politie, de federale politie, de inlichtingendiensten, het parket en de DVZ. Een aantal genodigden komt in de LTF samen om een persoon te bespreken die zich op het grondgebied van de LTF bevindt.

De insteek is veiligheidsgericht. Op het niveau van de Lokale Integrale Veiligheidscel (LIVC) die elke gemeente moet hebben, nodigt de burgemeester alle lokale sociopreventieve actoren uit om geradicaliseerde personen het gepaste begeleidingstraject te geven. Het gaat vaak om kwetsbare personen, jongeren of mensen met psychische stoornissen. De LIVC is bij uitstek ook de plek waar vroegdetectie een plaats heeft. De information officer van de politie is de enige van de veiligheidsketen die op de LIVC-sessie aanwezig is. Hij rapporteert nuttige info aan de LTF en omgekeerd.

Comme vous l'avez souligné, monsieur Thiébaut, on fait dans ces CSIL un travail sérieux qui doit être fait sérieusement. À travers tous les contacts que j'ai et les missions que je mène sur le terrain, je rappelle toujours l'importance et l'intérêt de faire fonctionner ces CSIL et de ne pas, comme j'ai eu l'occasion de le dire ici, partir du principe que la menace a disparu. Elle n'a pas disparu, nous l'avons vu. Comme l'a souligné la procureure fédérale, 80 dossiers ont en effet été ouverts cette année. Si on avait besoin d'une piqûre de rappel, je pense qu'elle a été donnée.

Het is juist dat de werking van de LIVCR nog efficiënter kan worden gemaakt, vooral op het vlak van de overdracht van informatie die voortkomt uit casusoverleg. De federale overheid kan ter zake echter niet alleen optreden. Ze moet samenwerken met de deelstaten en het gemeentelijke niveau.

Ik plan ook om samen met collega Verlinden het samenwerkingsakkoord met de gemeenschappen dit jaar nog op de regeringstafel te leggen. Zodra er informatie opduikt over mogelijke intenties om tot actie over te gaan, wordt de structuur van de JIC-JDC geactiveerd, waarna de te treffen maatregelen in overleg tussen al die diensten daadwerkelijk worden getroffen en desgevallend een gerechtelijk dossier wordt geopend. Er is met andere woorden een constante waakzaamheid bij de veiligheidsdiensten. Ik wil dat benadrukken. De Strategie T.E.R. wordt overigens regelmatig geëvalueerd.

De Strategie beschikt, zoals u weet, ook over een tool voor informatie-uitwisseling, namelijk de gemeenschappelijke gegevensdatabank T.E.R. Die tool stelt alle partners, niet alleen uit de veiligheidssector, in staat om informatie uit te wisselen en beschikbaar te stellen. De informatie laat het OCAD ook toe om de individuele evaluatie van elke entiteit in de databank bij te werken en te verfijnen. Eerder in 2025 heb ik de bijbehorende omzendbrief ondertekend, die duidelijke instructies geeft aan de gebruikers.

Voorzitter:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoorden. Mijnheer Meuleman, ik wens in de replieken de spits te mogen afbijten als parlementslid en zal dus niet als voorzitter van deze commissie spreken.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, mooie woorden stoppen helaas geen bommen. Mooie woorden stoppen spijtig genoeg ook geen kogels of drones.

Na de verijdelde aanslag was de regering er wel snel bij om voor de camera’s te verschijnen en de alertheid en daadkracht van onze politie- en inlichtingendiensten te prijzen. Ik deel die gelukwensen en dat respect. Dat is goed. Onze diensten doen hun werk op het terrein zoals het hoort.

Waar is echter die alertheid in het dagelijkse beleid? Waar is die daadkracht wanneer het gaat om het effectief aanpakken van de voedingsbodem van de islamitische radicalisering? Waarom moeten onze veiligheidsdiensten middelen en mankracht inzetten tegen islamitische terroristen, die hier in de eerste plaats niet zouden mogen zijn?

De lijn van het Vlaams Belang is duidelijk. Leg de focus op de islamitische terreurnetwerken en radicalisering, niet op randfenomenen waarvoor tot op vandaag geen effectieve feiten bestaan die wijzen op aanslagen. Versterk onze veiligheidsdiensten in de strijd tegen islamitisch terrorisme. Geef onze veiligheids- en inlichtingendiensten de juiste tools om hun werk efficiënt te doen met de beperkte middelen en mankracht waarover ze beschikken.

Voeg een volledige, taboeloze daderprofilering in. Wie sympathie toont voor moslimextremisme en wie terreurdaden pleegt of goedkeurt, moet de Belgische nationaliteit verliezen en worden uitgewezen. Voorzie eindelijk een grondige aanpak van de zogenaamde jihadistische veilige havens.

Wij wensen geen tweede Maalbeek en Zaventem mee te maken. Lijst de risicowijken op, zorg voor een permanente verhoogde politieaanwezigheid en voor systematische huiszoekingen op basis van de informatie die onze veiligheidsdiensten inwinnen.

Wat de eerste minister en andere politici, onder wie Geert Wilders, meemaken – dat gevoel van onveiligheid en dreiging – mag geen dagelijkse kost worden voor al onze mensen. Het gevaar is terug van nooit weggeweest en de regering-De Wever is daar medeverantwoordelijk voor. Het jihadistisch terrorisme blijft in dit land structureel aanwezig en deze verijdelde plannen zijn slechts het topje van de ijsberg.

Het Vlaams Belang is jammer genoeg de enige partij die deze dreiging altijd ernstig heeft genomen en altijd ernstig zal blijven nemen. De strijd voor onze veiligheid en tegen de levensgevaarlijke massamigratie zal het Vlaams Belang altijd blijven voeren, tot spijt van wie het benijdt.

In navolging van mijn interpellatie dien ik ook een motie van aanbeveling in. De vragen die ik aan de regering stel, heb ik al toegelicht in mijn betoog.

Franky Demon:

Dankuwel, mijnheer de minister, voor uw antwoorden, waarin ik mij grotendeels kan vinden. Het is goed dat u zegt dat het niet alleen om islamistische radicalisering gaat, hoewel dat nu de grootste problemen veroorzaakt en dat we de andere zaken ook niet mogen vergeten. Ik ben ook tevreden dat u ingaat op onze uitgestoken hand, op ons voorstel om de LIVC’s te versterken.

We moeten nog meer inzetten op informatie-uitwisseling en informatiedeling. Een betere samenwerking, hetzij via samenwerkingsakkoorden met de deelstaten, hetzij via overleg met de minister van Justitie, hetzij via andere wegen, is daarbij essentieel. Door informatie te delen en nauwer samen te werken, kunnen we dit fenomeen klein krijgen. U mag rekenen op onze volledige steun.

Ik ben daarnet geëindigd met het grootstedenbeleid en ik zal er ook nu mee eindigen. In de komende uren en dagen is er meer geld nodig voor het juridisch veiligheidsapparaat in ons land. Ik hoop u als partner aan de onderhandelingstafel te mogen ontmoeten.

Jeroen Bergers:

Mijnheer de voorzitter, u hebt gelijk. Er zijn niet alleen woorden nodig, maar ook daden. Het afnemen van de nationaliteit van mensen die veroordeeld zijn voor terrorisme of het intrekken van hun verblijfsrecht is duidelijk nodig. Dat tonen deze feiten aan. Dat toont de verijdelde aanslag op onze premier aan. Dat toont het stijgende aantal terreuronderzoeken in ons land aan.

Wij hebben met onze fractie dan ook een wetsvoorstel ingediend om dat aan te pakken. We moeten dus niet alleen kijken naar de regering. We kunnen met het Parlement ook onze eigen verantwoordelijkheid nemen. Ik roep alle collega's op om daarvan snel werk te maken en dat voorstel te steunen. Dan kijken we niet alleen naar anderen, maar nemen we ook zelf onze verantwoordelijkheid op om mensen die veroordeeld zijn voor terrorisme duidelijk te maken dat zij in onze samenleving geen plaats meer hebben.

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoorden. Ik ben heel blij dat u ook mijn vraag over de drones, die we vorige week hebben besproken, echt ter harte neemt, dat u daar proactief mee aan de slag gaat en dat we maatregelen nemen om onze kritieke infrastructuur beter tegen drones te beveiligen. We hebben in deze situatie gezien dat het niet alleen over kritieke infrastructuur gaat.

Ik heb voor alle duidelijkheid geen pleidooi gehouden voor het afnemen van de encryptie van de berichtjes die mensen digitaal naar elkaar sturen. Daar hebben we inderdaad uitgebreid over gesproken. Wat ik bedoel, is dat de rekrutering van jihadistische milieus vaak gewoon op openbare fora gebeurt en vaak gewoon niet eens voor veiligheidsdiensten wordt verstopt. Ik zie dat heel veel op mijn eigen tijdslijn passeren, niet omdat ze mij aan het rekruteren zijn, maar omdat ik mijn werk hier in de commissie goed probeer te doen.

Dat er zoveel openbaar beschikbaar is, toont toch aan dat ook onze veiligheidsdiensten dat moeten kunnen aanpakken, dat zij dat moeten kunnen monitoren, zoals enkele vrijwilligers dat zeer grondig doen.

Mijnheer de minister, u hebt ook terecht over de LIVC's gesproken. Het is immers inderdaad belangrijk dat we die ondersteunen en grondig bekijken. Het is echter ook belangrijk dat we daar een correct overzicht van hebben. Ik heb u recent een schriftelijke vraag gesteld om te weten te komen waar er overal LIVC’s zijn en waar niet. Uit dat antwoord bleek dat we momenteel geen volledig overzicht hebben van welke gemeenten hun verplichtingen al zijn nagekomen en welke niet.

Ik wil u dan ook oproepen om druk te zetten op alle lokale besturen om hun verplichtingen na te komen en ervoor te zorgen dat we een overzicht hebben van waar dit correct wordt opgevolgd en waar niet. Ik denk dat de burger ook wil weten welke gemeentebesturen hun verantwoordelijkheid nemen en welke niet. Dank u wel.

Maaike De Vreese:

In 2016, na de aanslagen, is iedereen wakker geschud. Er zijn toen federaal heel wat structuren uitgewerkt die ook lokale structuren voorzagen, zoals de LIVC’s, maar ook de lokale taskforces.

Sommige gemeenten en steden, zoals Brugge, waren echter tot in 2023 nog altijd niet wakker. In Brugge was namelijk geen actieve LIVC. Dat komt nu opnieuw ter sprake, omdat we weten dat jihadistisch extremisme helemaal niet verdwenen is. We moeten dus absoluut waakzaam blijven en die LIVC’s moeten up and running zijn. Met mijn ervaring uit Brugge kan ik de vraag van mijn collega Jeroen Bergers daaromtrent dus alleen maar ondersteunen.

Minister, de versterking van onze federale gerechtelijke politie van Antwerpen sleept ook al zeer lang aan. Tijdens de regeringsonderhandelingen is zeer duidelijk gezegd dat daar versterking nodig is gezien de grote uitdagingen waarmee die diensten worden geconfronteerd. Dat tekort aan capaciteit is ook al geruime tijd gekend.

Er is nu dus echt nood aan een concreet actieplan, met tussentijdse doelstellingen en een toegewezen budgettair kader, gekoppeld aan de personeelscapaciteit en middelen. We moeten ook goede infrastructuur voorzien, want we moeten ervoor zorgen dat de verhoging van de personeelscapaciteit niet vastloopt op infrastructuurproblemen. Daarop moet dus eveneens een antwoord worden gegeven. Daarom vraag ik u om dit zeker ook met uw collega, minister Matz, op te nemen, zodat we daar niet vastlopen. Bedankt, mijnheer de minister.

Sam Van Rooy:

Na 60 jaar van roekeloze massa-immigratie en islamgepamper werd in de achtertuin van de eerste minister een jihadistische aanslag voorbereid. Ik woon op slechts enkele honderden meters daarvandaan. Ik ben daar geboren en getogen en heb daar schoolgelopen. In enkele decennia tijd is de Herentalsebaan, waar de bewuste Sint-Rochusstraat op uitkomt, verworden van een fijne, typisch Vlaamse winkelstraat tot een verloederde geïslamiseerde straat met vooral halalwinkels, die soms ook erg louche blijken te zijn. De bibliotheek werd steeds vaker vervangen door de Koranschool, de kerk door de moskee en de minirok door de islamitische sluier. De Vlaming voelt zich daar allang niet meer thuis, terwijl de moslimfundamentalist zich daar als een vis in het water voelt. Zo is er een moskee gekomen waar islamitische boeken liggen, waarin niet-moslims worden gebrandmerkt als inferieure en te bestrijden kafirs. In de Koran staan maar liefst 164 jihadistische verzen, zoals Soera 9, vers 5: “Dood hen, waar je ze ook vindt.” Niet toevallig is negen op de tien personen op de terreurlijst moslim, een gigantische oververtegenwoordiging. Dat komt dus neer op 30.000 moslims in Antwerpen, die allicht ook begrip hebben voor de drie moslimterroristen die De Wever en Wilders wilden omleggen.

Dat zijn de cijfers, mijnheer Van Tigchelt. Ik spreek niet over alle zelfverklaarde moslims en dat zeg ik ook nooit. Ik vraag u daarom om mij geen woorden in de mond te leggen. Het gaat dus niet om iedereen die zichzelf moslim noemt, maar wel om veel te veel moslims.

Minister, wie islam zaait, zal sharia en jihad oogsten. Zolang de regering-De Wever dat niet inziet en zelfs ten strijde trekt tegen zogenaamde islamofobie, zal het probleem van de islamisering en de jihadistische terreur alleen maar groeien.

Catherine Delcourt:

Monsieur le ministre, la menace terroriste demeure bel et bien réelle. Elle exige encore toute votre vigilance et votre investissement. Merci pour vos réponses.

Je veux à nouveau saluer le travail remarquable qui a été mené par les services de renseignement et les services de sécurité, parce que ce qu'ils ont fait n'est pas rien. Ils ont été actifs, pertinents, sur la balle et ils ont pu intervenir pour déjouer cet attentat. Ce n'est pas anecdotique, on ne le répétera jamais assez. C'est grâce à une vigilance et une coordination exemplaires qu'un attentat d'une extrême gravité a pu être déjoué.

La lutte contre le terrorisme et la radicalisation ne se limite pas aux seules mesures sécuritaires. Elle repose également sur la prévention et la détection de tout signe ou comportement susceptible d'annoncer de tels passages à l'acte. Je salue par conséquent toutes les initiatives que vous avez d'ores et déjà prises et mentionnées en matière de renforcement des services et de la coopération. Je salue tout ce que vous allez mettre en place au sujet des CSIL, sur la sécurisation des drones, sur l'accès à des banques de données, notamment la banque de données T.E.R., etc. C'est donc un dispositif global qui doit entourer cette problématique gravissime pour notre société. Derrière votre action, celle de la Justice sera indispensable pour continuer à délivrer un message fort et total, dans la lutte contre ces phénomènes intolérables dans notre société.

Brent Meuleman:

Mijnheer de minister, sta erop om nogmaals onze veiligheidsdiensten te danken en te feliciteren voor het verijdelen van de geplande aanslag. De gebeurtenissen tonen aan dat er nog steeds een terreurdreiging aanwezig is. Bovendien verandert de aard ervan. Drones nemen een steeds prominentere rol in bij conflicten en geweld. Ik kan dan ook alleen maar toejuichen dat u initiatieven hebt genomen en nog zult nemen om, ik citeer u, “de droneproblematiek aan te pakken”. We moeten er alles aan doen om de veiligheid van onze samenleving en onze democratie te waarborgen. Onze democratie is bijzonder kwetsbaar en de impact van polarisatie valt absoluut niet te onderschatten.

Paul Van Tigchelt:

Mijnheer de minister, ik ben het eens met veel van hetgeen de collega’s al zeiden, niet het minst met het feit dat onze systemen de voorbije jaren zijn versterkt. Er zijn de LTF’s, de LIVC’s en de strategie-TER. Tijdens de vorige legislatuur hebben we ook de Veiligheid van de Staat versterkt. Dat mogen wij niet veronachtzamen. Er kwam een aangepast wetgevend kader en een verdubbeling van het personeelsbestand. Dat was nodig, omdat een sterke inlichtingendienst geen luxe maar een noodzaak is, zeker in het licht van het gewijzigde dreigingsbeeld. Het gaat vaak om jongeren die achter hun scherm zeer snel radicaliseren. We weten allemaal hoe moeilijk het is voor onze inlichtingen- en veiligheidsdiensten om dat tijdig te detecteren en in de kiem te smoren.

Als we de ziekte correct willen bestrijden, moeten we eerst de juiste diagnose stellen. Ik ben blij dat collega Van Rooy het met mij eens is. Ik hoop dat hij dat de volgende keer ook met zoveel woorden herhaalt. Het probleem in ons land is niet de islam. Het is niet de islam, die voor de problemen zorgt. Het probleem is wel – ik herhaal het – het islamisme. Dat is het probleem en dat moeten we onder ogen zien. Daaromtrent mogen we niet naïef zijn. Het islamisme wijst ons westerse normen- en waardenstelsel af. Dat islamisme is sterk verweven met staten. Beste collega’s, er bestaan bepaalde fabrieken van het islamisme: de Moslimbroederschap, het wahabisme, het salafisme, het Turks-islamisme en het Iraans-islamisme.

Zijn er in het verleden fouten gemaakt? Zijn we naïef geweest? Ik denk van wel. Dat moeten we ootmoedig toegeven. Sinds de aanslagen van 2016 hebben we die naïviteit echter grotendeels verloren. Er zijn ook initiatieven genomen tegen de fabrieken van het islamisme. Ik zou ze hier kunnen opsommen, het gaat onder meer over onze contacten met de Saoedi’s en maatregelen ten opzichte van de moslimexecutieve. Wij moeten waakzaam blijven. In ieder geval moeten we natuurlijk de ziekte bestrijden, maar eerst de juiste diagnose stellen.

Ik wens u nog veel succes, mijnheer de minister.

Moties

Motions

Voorzitter:

Tot besluit van deze bespreking werden volgende moties ingediend. En conclusion de cette discussion, les motions suivantes ont été déposées. Een motie van aanbeveling werd ingediend door de heer Ortwin Depoortere en luidt als volgt: "De Kamer, gehoord de interpellatie van de heer Ortwin Depoortere en het antwoord van de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, belast met Beliris, - overwegende dat de islamitische terreurdreiging actueel en reëel de grootste terroristische bedreiging voor onze nationale veiligheid vormt; - overwegende dat dit land historisch een disproportionele dreiging kent en een voedingsbodem blijkt te zijn voor islamitische radicalisering; - overwegende dat dat jihadistisch terrorisme in dit land en de bredere Europese Unie structureel aanwezig blijft en dat de verijdelde plannen het topje van de ijsberg zijn; - overwegende dat de strijd tegen terreur cruciaal is; vraagt de regering - onmiddellijk onze veiligheidsdiensten op te dragen om de focus van hun onderzoeken te leggen waar die hoort: bij de islamitische terreurdreiging; - propaganda voor jihadisme en het bezit alsook de verspreiding van jihadsymboliek strafbaar te maken met een effectieve celstraf en dit prioritair op te sporen; - intrekking van nationaliteit en uitwijzing mogelijk te maken wanneer sprake is islamitische radicalisering; - te starten met een volledige doorlichting van alle moskeeën en islamitische verenigingen; sluiting van extremistische moskeeën; uitzetting van haatimams; stopzetting van subsidies en buitenlandse financiering; - onmiddellijk een lijst van risicowijken vast te leggen met permanente verhoogde politieaanwezigheid en systematische huiszoekingen op basis van informatiewinning door onze veiligheidsdiensten; - een volledige daderprofilering toe te laten en te faciliteren, inclusief afkomst, religie enzovoort. " Une motion de recommandation a été déposée par M. Ortwin Depoortere et est libellée comme suit: " La Chambre, ayant entendu l'interpellation de M. Ortwin Depoortere et la réponse du ministre de la Sécurité et de l’Intérieur, chargé de Beliris, - considérant que la menace terroriste islamique constitue actuellement et réellement la principale menace terroriste pour notre sécurité nationale; - considérant que notre pays est historiquement confronté à une menace disproportionnée et apparaît comme un terreau propice à la radicalisation islamiste; - considérant que ce terrorisme djihadiste demeure structurellement présent dans notre pays et plus largement au sein de l'Union européenne et que les projets déjoués ne constituent que la partie émergée de l'iceberg; - considérant que la lutte contre le terrorisme est cruciale; demande au gouvernement - de charger immédiatement nos services de sécurité de concentrer leurs enquêtes sur l'essentiel, c'est-à-dire la menace terroriste islamique; - d'assortir la propagande en faveur du djihadisme ainsi que la possession et la diffusion de symboles djihadistes de peines d'emprisonnement effectives et d'enquêter prioritairement sur ces délits; - de permettre la déchéance de la nationalité et l'expulsion en cas de radicalisation islamiste; - de soumettre toutes les mosquées et associations islamiques à un examen complet; de fermer les mosquées extrémistes; d'expulser les imams prônant la haine; de mettre fin aux subventions ainsi qu'aux financements étrangers; - d'établir immédiatement une liste de quartiers à risque, avec une présence policière renforcée en permanence et des perquisitions systématiques sur la base des informations recueillies par nos services de sécurité; - d'autoriser et de faciliter un profilage complet des auteurs, y compris leur origine, leur religion, etc. " Een eenvoudige motie werd ingediend door mevrouw Catherine Delcourt. Une motion pure et simple a été déposée par Mme Catherine Delcourt . Over de moties zal later worden gestemd. De bespreking is gesloten. Le vote sur les motions aura lieu ultérieurement. La discussion est close. La question n° 56007188C de M. Hugues Bayet est transformée en question écrite.

De resultaten van de werkbezoeken op de Balkan
Het outsourcen van onze gevangenisfunctie aan Kosovo
Evaluatie van internationale justitiële samenwerking en gevangenisbeleid op de Balkan

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 9 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België kampt met acute gevangenisoverbevolking (13.000 gedetineerden voor 11.000 plaatsen) en criminaliteit door Albanese netwerken, met 4.200 buitenlandse gedetineerden (waarvan 253 Albanese illegalen). De regering versnelt transfers naar Albanië (307 gevallen) en onderhandelt met Kosovo voor extra detentiecapaciteit, als onderdeel van een hardere terugkeerbeleid voor illegale criminelen, inclusief uitbreiding gesloten centra en levenslange inreisverboden voor terroristen. Kritiek richt zich op verwaarlozing Belgische gevangenissen (vervallen infrastructuur, 700.000 onbetaalde vrije dagen voor bewakers) en ethische/financiële twijfels bij een €300 miljoen-investering in Kosovaarse gevangenissen, terwijl jaarlijks slechts 67 gedetineerden worden gerepatrieerd. De ministers benadrukken pragmatische oplossingen via internationale samenwerking, maar oppositie eist prioriteit voor herstel eigen systeem.

Victoria Vandeberg:

Mesdames les ministres, vous revenez d'une mission diplomatique en Albanie et au Kosovo. L'objectif annoncé de cette mission a des impacts directs et essentiels sur des dossiers brûlants dans notre pays, tels que la criminalité organisée, la surpopulation carcérale ou la gestion migratoire.

Face à cela, des solutions existent et, fort heureusement, elles font même partie de l'accord de gouvernement. Nous nous réjouissons de voir que l'une d'entre elles est discutée et passe enfin du stade de la réflexion à celui de l'action.

Comme nous le savons, des organisations criminelles albanaises opèrent dans le port d'Anvers. Cette criminalité liée à la drogue gangrène notre pays et ces réseaux ne connaissent pas de frontière. Notre coopération ne doit pas en connaître non plus.

En ce qui concerne la surpopulation carcérale, les chiffres parlent d'eux-mêmes: 13 000 détenus pour 11 000 places. La Belgique se passerait bien de ce record, avec pour résultats des gardiens épuisés, des conditions indignes ainsi que des peines écourtées pour libérer de la place, au détriment du message adressé aux victimes.

Parmi ces détenus, près de 4 500 n'ont pas la nationalité belge. Pour le MR, ce chiffre doit baisser durant cette législature. Ces personnes doivent pouvoir purger leur peine également dans leur pays d'origine ou dans d'autres États partenaires comme celui du Kosovo.

Mesdames, notre système judiciaire carcéral menace de s'effondrer sous son propre poids si rien n'est fait. Pouvez-vous dès lors nous préciser quels sont les résultats concrets de votre mission? L'accord avec l'Albanie qui concerne 307 détenus sera-t-il rapidement et systématiquement mis en œuvre? Qu'en est-il du partenariat avec le Kosovo? Combien de détenus pourraient y être transférés? Dans quel délai? Le service en charge des transfèrements a-t-il été réorganisé et renforcé comme prévu?

Khalil Aouasti:

Mesdames les ministres, quelle est la situation aujourd'hui en Belgique? Treize mille détenus pour une capacité de 11 000 places; 370 personnes qui dorment sur des matelas à terre; des détenus livrés à eux-mêmes, sans soins et sans prise en charge; des agents pénitentiaires et du personnel de soins qui sont agressés, menacés, épuisés.

Ce tableau peu aguicheur, mesdames les ministres, n'est pas le fruit d'une exagération. Il est dressé par vos propres agents pénitentiaires via leurs syndicats, vos directeurs de prison, votre administration pénitentiaire. Tous s'accordent sur un point: la situation a atteint des sommets d'inhumanité.

Mesdames les ministres, votre politique pénitentiaire se caractérise, je dois le dire et j'en suis désolé, par un manque de vision et des mesures inefficaces. La loi d'urgence votée en juillet est déjà un échec. Aujourd'hui, alors que les palais de justice et les prisons de notre pays tombent en ruines, votre gouvernement se prépare à dépenser des sommes faramineuses pour construire une prison au Kosovo au lieu de réinvestir dans nos propres infrastructures.

L'externalisation de notre politique pénitentiaire négociée cet été, est une absurdité budgétaire, une trahison sociale et un renoncement sur le plan des droits humains. Absurdité budgétaire, car il faut investir dans nos infrastructures en Belgique, pas au Kosovo. Trahison sociale car, au vu des conditions de rémunération au Kosovo, vous allez organiser volontairement la concurrence avec nos propres agents pénitentiaires. Renoncement, un de plus pour les droits humains car comment allez-vous obtenir des garanties en termes de détention humaine digne et d'accès aux tribunaux dans un état étranger?

Mesdames les ministres, quels sont les détails de l'accord de principe conclu avec le Kosovo? Quel budget sera alloué pour ce projet et pourquoi ne pas l'investir en Belgique dans nos infrastructures?

Annelies Verlinden:

Sur un total de 13 198 détenus, un tiers sont en séjour irrégulier dans notre pays – soit 4 200 détenus. Cette situation est évidemment intenable. Notre gouvernement s'est fixé comme une priorité de lutter contre cette surpopulation et cette irrégularité.

Avec ma collègue, la ministre Van Bossuyt, nous avons développé des solutions concrètes pour résoudre la problématique des détenus sans titre de séjour et, par conséquent, traiter la question de la surpopulation.

Dans ce contexte, la mission au Kosovo et en Albanie revêtait une importance stratégique. Mes priorités dans le cadre de cette mission étaient claires: stimuler le retour des détenus sans titre de séjour, exploiter la capacité de détention dans les Balkans et renforcer la coopération dans la lutte contre le crime organisé.

Nos prisons comptent aujourd'hui pas moins de 253 détenus albanais sans droit de séjour. L'exécution de leur peine en Albanie permettrait d'alléger la surpopulation. J'ai convenu avec le ministre albanais de la Justice que nous entamerons des négociations sur le transfert accru des détenus albanais.

Par ailleurs, des discussions constructives ont eu lieu avec la présidente du Kosovo et son ministre de la Justice concernant leur capacité de détention, afin d'y accueillir les détenus sans droit de séjour. À cet égard, les autorités kosovares ont clairement exprimé leurs ambitions européennes. Nous en ferons part au gouvernement afin que les prochaines étapes puissent être discutées.

Monsieur Aouasti, ce n'est pas une absurdité. Cela pourrait être une partie de solution à la surpopulation.

La mission a donc ouvert des portes. C'est uniquement de cette manière et dans un esprit de coopération que nous pourrons apporter des améliorations. Jour après jour, nous travaillons à trouver des solutions pour lutter contre la surpopulation carcérale, la criminalité et l'illégalité. Les citoyens peuvent compter sur nous.

Anneleen Van Bossuyt:

Chères collègues, ce gouvernement a une ambition claire: intensifier considérablement le retour de criminels illégaux. Pour y parvenir, nous joignons le geste à la parole en investissant dans chaque maillon du processus de retour.

Première action: la prévention. La mission en Albanie et au Kosovo a été constructive. Nous avons conclu des arrangements visant à lutter contre les flux irréguliers vers la Belgique et à accélérer les retours vers l'Albanie et le Kosovo. Ainsi, nous mettrons en place cette année une plateforme numérique qui permettra notamment à la Belgique et à l'Albanie d'identifier plus rapidement et de manière plus sûre les ressortissants. Nous avons également abordé ce point au Kosovo.

Deuxième action: les personnes sans droit de séjour doivent repartir. Nous devons éviter que ces personnes se retrouvent ici dans une zone grise où la criminalité est souvent la seule issue. Il s'agit donc d'un retour volontaire si possible, forcé si nécessaire. C'est pourquoi je renforce mes services, afin de prendre des décisions plus rapidement et de ne pas donner de faux espoirs aux gens.

Troisième action: la lutte contre la criminalité commise par des personnes dépourvues de droit de séjour. Ces personnes doivent être contraintes au retour dans leur pays. Afin d'accélérer ce processus de retour, nous augmentons le nombre de places dans les centres fermés. Les visites domiciliaires auront, elles aussi, un impact non négligeable. Nous concluons en outre de nouveaux partenariats avec les pays d'origine selon le principe du "donnant-donnant". Nous instaurons également une interdiction d'entrée à vie pour les terroristes. Nous renforçons nos services de retour, augmentons le nombre d'escorteurs et veillons à ce que ceux qui refusent de partir soient éloignés de notre territoire.

Ce gouvernement opte résolument pour la sécurité, la responsabilité et la mise en place d'une politique de retour crédible qui protège nos citoyens.

Victoria Vandeberg:

Mesdames les ministres, je me réjouis évidemment d'entendre que la coopération avec d'autres États se met en place pour justement construire ou louer des prisons, et que cela avance concrètement. Je vous remercie pour vos réponses. Je reste un peu sur ma faim pour le côté justice et pénitentiaire, notamment sur la question du renfort du service chargé du transfert des personnes dans leur pays d'origine.

Nous avons bien compris le diagnostic, madame la ministre de la Justice, et les difficultés qui sont rencontrées, mais les constats n'ont jamais vidé les prisons. Ici, il est temps de passer de l'analyse à l'action. Nous vous soutiendrons évidemment dans cette voie, pour ne pas uniquement décrire les problèmes mais également les résoudre.

Khalil Aouasti:

Mesdames les ministres, j'aurais espéré une réponse radicalement différente. La prison de Saint-Gilles est infestée par la mérule. Celle de Lantin s'effondre sur elle-même. Mons et Tournai débordent. Des personnes dorment au sol, mais les millions dont vous disposerez peut-être ne seront pas investis dans nos infrastructures, ils seront investis au Kosovo. Les agents pénitentiaires sont loyaux. Ils sont malades. Nos agents pénitentiaires comptabilisent 700 000 jours de congé en retard. Mais ce que vous allez faire, c'est organiser la concurrence avec des travailleurs kosovars. Et tout ça sous couvert d'efficacité. En moyenne, 67 détenus ont été rapatriés par an entre 2015 et 2024. C'est pour cela que vous allez construire et investir plus de 300 millions d'euros au Kosovo, mesdames les ministres. Je vais finir avec une citation de Mark Twain: "Celui qui ouvre une prison doit savoir qu'on ne la fermera plus" (…)

De nieuwe politie-uniformen

Gesteld door

lijst: PS Éric Thiébaut

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 8 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de gebrekkige uniformiteit en taalkundige discriminatie bij de nieuwe politie-identiteit: uniformen met enkel Nederlandstalige opschriften ("Politie") in de testfase en juridisch onduidelijke voertuigmarkeringen (Battenburg-patroon) door ontbrekende koninklijke besluiten. Minister Quintin belooft dringende aanpassing aan de taalkundige wetgeving, een update van de legale basis voor het flocage en centrale sturing door de federale politie om regionale verschillen tegen te gaan, maar benadrukt budgettaire beperkingen. Thiébaut kaart aan dat de eenheid en herkenbaarheid van de politie in het gedrang komt, met onopgeloste financieringsvragen en taalpolitieke spanningen als extra risico.

Éric Thiébaut:

Monsieur le ministre, je vous interrogeais récemment sur la question de la nouvelle identité visuelle de la police qui passera par de nouveaux uniformes et un nouveau flocage des véhicules.

Comme je le disais, pour mon groupe, il est essentiel que la police soit dotée d'une seule et même identité visuelle afin qu'elle puisse être reconnue par tous, sur tout le territoire.

Vous m'indiquiez en réponse qu'il n'y a actuellement aucune obligation pour les zones de police de floquer en Battenburg et/ou d'adopter un nouvel uniforme mais qu'il existait un projet pilote auquel plusieurs zones de police participent.

Mes craintes quant à l'uniformité sont aujourd'hui confirmées par la presse : les zones de police locale du sud du pays ont reçu un courriel pour leur signifier que les uniformes commandés pour le test n'existaient qu'en version néerlandophone « Politie » !

Par ailleurs, nous apprenons également que l'arrêté royal réglementant le nouveau look avec damiers bleu et fluo, pour les véhicules de police, n'est toujours pas publié. Plusieurs zones de police l'ont pourtant déjà adopté tandis que d'autres s'interrogent sur leur légalité.

Une nouvelle fois, c'est la zone d'Anvers qui a eu le lead dans ce projet posant de nombreuses questions. Ce leadership se fait souvent au détriment de la police fédérale et, en particulier, des zones locales francophones lorsque l'on parle de l'accès à certaines technologies et marchés publics.

Monsieur le Ministre comment expliquez-vous qu'à l'heure actuelle cette phase test pour les uniformes soit uniquement en néerlandais? Quelles solutions allez-vous avancer pour que les zones francophones et bilingues ne soient pas impactées et exclues de celle-ci? Comptez-vous mener une réflexion pour que la police fédérale reprenne le lead dans toute une série de dossiers importants pour l'équipement de nos zones locales et éviter de telles situations? Concernant le nouveau flocage des véhicules de police, que répondez-vous concernant la légalité de celui-ci et quelles initiatives allez-vous prendre pour régulariser la situation ? Selon quel agenda?

Je vous remercie d'avance pour vos réponses.

Bernard Quintin:

Monsieur le député, comme je vous l’ai précisé dans ma précédente réponse, ce dossier consiste, dans l’état actuel, uniquement en un projet pilote mené par la police fédérale, et qui a été visiblement suivi de façon très empressée par certaines zones de police locale.

Concernant le test auquel vous faites référence, je vous confirme avoir été interpellé par rapport à la mention figurant en néerlandais sur ce projet d’uniforme destiné aux zones francophones et bilingues de notre pays. J’ai insisté vivement – c’est le British understatement du jour – auprès des services concernés sur le strict respect de la législation linguistique applicable en la matière, en demandant que ce test soit immédiatement adapté en conséquence. Je sais, monsieur Thiébaut, que ce souci du respect des lois linguistiques est partagé par de nombreux membres de cette commission et de ce Parlement, op beide kanten van de taalgrens .

Pour en revenir à vos autres questions, j’hérite d’une situation de fait, aux bases légales comme budgétaires pour le moins fragiles. Avant d’aller plus loin dans ce projet, je finaliserai d’abord la mise à jour de la base légale par la modification de l’arrêté royal concerné. Ensuite, sur cette base, je reverrai le cahier des normes et veillerai à ce que tout se déroule dorénavant dans ce cadre. Cela me paraît être le béaba de l’État de droit auquel nous tenons tous.

Vous comprendrez que je veillerai également à ce que cet exercice important aboutisse à un résultat acceptable aux quatre coins du Royaume et cadre dans des exercices budgétaires dont vous connaissez, comme nous tous ici, les défis.

Ces messages, je les ai transmis sans aucune équivoque possible, tant au niveau de la police fédérale que des zones de police locale.

Éric Thiébaut:

Je vous remercie monsieur le ministre.

Évidemment, le problème est que notre pays aura différents types d’uniformes et des policiers qui ne se ressemblent plus. C’est tout de même un peu embêtant, je dirais. Ce n’est certes pas dramatique, mais nous sommes tout de même normalement dans le même pays avec nos voisins du Nord.

Bernard Quintin:

Jusqu’à preuve du contraire.

Éric Thiébaut:

Vous l’avez bien souligné, si des uniformes étaient prévus pour le Nord du pays avec la mention "Police" inscrite dans le dos, certains collègues feraient certainement une apoplexie, vu les réactions que nous avons déjà connues avec la problématique des facilités. Je n’ai pas besoin de vous en convaincre. L'argent est bien évidemment un autre problème. Fatalement, si nous imposons un nouvel uniforme à l’échelle du pays, cela risque aussi d'avoir un coût important. Qui va payer? Voilà une question qui reste donc en suspens.

Securail
Het gewelddadige optreden van Securailagenten in het station Brussel-Noord
Gewelddadig optreden van Securailagenten in Belgische stations

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 8 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de problematische werkomstandigheden bij Securail (slechte communicatie, ontevredenheid, racisme- en geweldsincidenten) en de geplande overdracht van bevoegdheid van Mobiliteit naar Binnenlandse Zaken om de veiligheid in stations beter te coördineren. Minister Quintin bevestigt dat onderhandelingen lopen over een gezamenlijke tutelle met collega Crucke (Mobiliteit), maar concrete stappen ontbreken nog, terwijl hij benadrukt dat racisme onaanvaardbaar is en technologische verbeteringen (cameratoegang voor politie) al zijn doorgevoerd. Kritiekpunten zijn het gebrek aan duidelijkheid voor Securail-agenten (onduidelijk statuut, toekomstige integratie) en de vrees voor taakverschuiving naar lokale politiezones, zonder structurele oplossing voor klachtenafhandeling (bv. via Comité P). Thiébaut en Chahid dringen aan op snelle transparantie en een onafhankelijk controleorgaan om vertrouwen te herstellen.

Éric Thiébaut:

Monsieur le ministre, que se passe-t-il chez Securail? Nous avons le droit de nous poser la question à la lecture des résultats de l'enquête sur le bien-être qui a été menée par la CGSP Cheminots et la CSC-Transcom auprès des agents de sécurité. Ainsi, 80 % des 376 agents interrogés disent être insatisfaits de la communication avec la direction. On parle ici d'une mauvaise gestion des plannings, du flou autour des congés, de la suppression des primes et j'en passe.

La gestion des ressources humaines est essentielle dans toutes les entreprises. Encore plus, sans doute, dès lors qu'il s'agit d'une entreprise publique dont les agents doivent œuvrer à la sécurité des voyageurs et du personnel de la SNCB.

Alors que l'accord de gouvernement prévoit à terme de vous remettre la tutelle sur Securail et que vous annoncez plusieurs initiatives afin de renforcer la coordination de la politique de sécurité dans nos gares, j'aimerais vous poser les questions suivantes.

Au regard des révélations que je viens de rappeler, quelles initiatives allez-vous prendre avec votre collègue chargé de la Mobilité pour rencontrer la direction de Securail, mais aussi les travailleurs et les représentants syndicaux face à la situation délétère qui est décrite?

Pouvez-vous faire le point sur l'idée d'intégration de Securail dans le cadre de vos compétences?

Dans votre note de politique générale pour 2025, vous indiquez vouloir mettre en œuvre une meilleure répartition des tâches entre la police locale, la Police des Chemins de Fer et Securail. Où en êtes-vous à cet égard et quelles sont vos intentions pour assurer la sécurité des voyageurs dans et autour des gares, sans provoquer une nouvelle fois un report des tâches vers les zones locales?

Enfin, je prends régulièrement le train et j'ai dès lors souvent l'occasion de discuter avec des agents de Securail. La semaine dernière encore, j'ai été interpellé par des agents qui avaient entendu les rumeurs de modifications et de transfert vers les compétences de l'Intérieur. Ce changement est, selon moi, favorablement accueilli par les agents. Ils se posent néanmoins des questions parce que pour l'instant, au-delà des annonces, ils sont un peu dans le flou. Je pense donc qu'il serait important de communiquer avec eux et de leur faire savoir quelle direction vous prendrez par rapport aux intentions annoncées.

Ridouane Chahid:

Monsieur le ministre, je vous ai interrogé sur les incidents qui se sont produits à la gare du Nord. Le parquet a ouvert une enquête, donc nous n’évoquerons pas le fond ici. La SNCB a fait pareil, tout en regrettant l’incident. L’avocate des deux femmes et le collectif citoyen de soutien aux victimes évoquent un comportement agressif voire des faits de violence aggravés et une attitude raciste de la part des agents de Securail. Je voulais vous interroger à ce sujet sans, évidemment, rentrer dans le fond de l’affaire, et me joindre aux questions de mon collègue quant au statut des agents de Securail. Quel statut auront-ils à l'avenir? Sera-t-il maintenu ou seront-ils intégrés dans un corps différent qui dépendrait alors du SPF Intérieur?

Je voudrais savoir s’il y a, à votre connaissance, une formation spécifique pour ces agents de Securail, sur le comportement qu’ils doivent adopter dans ce type de situations. On parle quand même d’un titre de transport qui n’aurait pas été validé. Cela se termine par un comportement assez difficile. Enfin, en termes de contrôle et de lutte contre ce genre de faits, qu’implique ce transfert? Est-ce votre volonté de rendre le Comité P compétent lorsque des voyageurs déposent une plainte en la matière?

Bernard Quintin:

Messieurs Thiébaut et Chahid, je dois d'abord vous préciser que la tutelle sur le service de sécurité Securail de la SNCB est actuellement exclusivement de la compétence du département de la Mobilité.

Pour répondre à vos questions, je peux vous informer que j'ai pris connaissance de l'enquête d’opinion interne des deux syndicats et de rapports internes liés aux faits mentionnés dans la question du député Chahid. Ces deux informations sont effectivement préoccupantes mais je n’ai pas plus d’informations sur de possibles procédures en cours, tant internes – au niveau hiérarchique – qu'au niveau du parquet, procédures sur lesquelles je ne me prononcerai de toute façon pas.

Plus précisément toutefois, j'espère évidemment que la situation pourra s'améliorer mais il n'est pas prévu que je rencontre la direction de Securail car je n'ai tout simplement, pour le moment, pas de compétence ni de tutelle en la matière.

Pour les autres questions, il est exact que l'accord de gouvernement, dans la perspective de mieux coordonner certains services de sécurité, prévoit de nouvelles compétences pour le ministre de la Sécurité et de l'Intérieur. C'est pourquoi le titre est à présent "ministre de la Sécurité et de l'Intérieur". Au sujet de Securail, j'ai d'ailleurs rencontré une première fois mon collègue le ministre Crucke.

Mon objectif n'est pas de reprendre une compétence supplémentaire par principe mais de pouvoir définir le périmètre de ce qui doit être fait pour augmenter le niveau d'efficacité, de coopération et d'opérationnalité des services de sécurité pour les usagers et le personnel de la SNCB, au travers du travail policier et des agents Securail.

On ne peut cependant rentrer dans les détails du dossier; c'est tout simplement trop tôt. Nous sommes occupés à discuter avec mon collègue Jean-Luc Crucke de la manière dont nous allons opérationnaliser cette cotutelle.

Enfin, pour ce qui concerne votre question sur la coordination des tâches des différents acteurs, la première chose à faire est d'adapter le cadre actuel de l'ensemble des missions de sécurité dans les gares et cela passe par la révision de la circulaire ministérielle du 15 avril 2002. Il faut la simplifier, la moderniser tout en clarifiant les collaborations structurelles entre les services. Ce travail est en cours et soyez certains que le but n'est pas de décharger ou de surcharger l'un ou l'autre mais de faciliter le travail de chacun des intervenants.

Par ailleurs, je peux vous informer que nous avons avancé aussi très concrètement sur deux projets précis: l'installation du mur vidéo au centre d'information et de communication (CIC) de Bruxelles et l'accès en direct aux images des caméras de la SNCB pour les services de police, et donc aussi ceux de la zone de Bruxelles-Midi. Vous aurez vu en effet qu'on a donné accès aux 8 000 caméras de la SNCB aux zones de police locale – et, si je ne me trompe pas, 118 ont une gare sur leur territoire – tandis que la SPC avait déjà cet accès. Ce partage technologique sera donc une aide supplémentaire mise à disposition de la police locale.

C'est une avancée importante pour le travail policier. Cela permettra d'augmenter la surveillance, la réactivité opérationnelle et de faciliter la coopération entre les services de sécurité intervenants sur le réseau ferroviaire (police fédérale, agents SNCB et police locale). Pour le Comité P, ce n'est pas à l'ordre du jour puisque ce n'est pas un service de police à proprement parler.

Pour ce qui est de l'incident à Bruxelles-Nord, au-delà du fait que je ne peux pas me prononcer sur une enquête en cours et que ce n'est pas non plus un service sur lequel j’ai la tutelle, je pense que nous serons tous d'accord ici pour dire que le racisme n'a pas sa place dans notre société, singulièrement pas quand on détient d'une manière ou d'une autre une forme d'autorité publique, qu'elle soit policière ou administrative. C'est un message que je passe évidemment le plus clairement possible à tous les services qui sont sous ma tutelle, mais qui me paraît être une évidence.

Éric Thiébaut:

Merci monsieur le ministre. Vous confirmez votre intention, mais dites qu'il faut encore négocier avec votre collègue pour voir comment vous allez mettre cela en place au niveau du gouvernement Arizona. J'espère que vous reviendrez bientôt avec un schéma plus complet à nous présenter.

Nous parlons ici aussi de la sécurité dans les trains, qui n'est pas optimale. Ce week-end encore, une accompagnatrice de train a été agressée et envoyée à l'hôpital. Il reste du travail. Vos prédécesseurs n'ont pas toujours été dans le bon sens, le ministre Jambon ayant commencé à détricoter la Police des Chemins de Fer, ce qu'a continué la ministre Verlinden.

Je ne voudrais pas que, pour améliorer la sécurité dans les gares et les trains, on soit obligé à nouveau, dans les zones de police concernées, de prendre la main sur la sécurité. Ces responsabilités doivent normalement rester du ressort du fédéral.

Ridouane Chahid:

Merci monsieur le ministre pour vos réponses. Je prends acte du fait que des contacts doivent encore avoir lieu. Le ministre Crucke m'avait fait savoir que vous vous étiez rencontrés et qu'il pensait que rien ne changerait et que Securail resterait là où il est actuellement. Nous verrons ce qu'il en sera, tout pouvant évidemment changer.

Nous avons parlé du Comité P, qui n'est effectivement pas un service de police et n'est pas compétent en la matière. Mais il faudrait réfléchir à un organe indépendant qui puisse gérer ce type de plaintes et avoir un lien direct avec les citoyens concernés par ce genre de faits.

Voorzitter:

De vragen nrs. 56007138C en 56007158C van de heer Cornillie zijn zonder voorwerp. Vraag nr. 56007172C van de heer Vandemaele wordt ingetrokken. La question n° 56007188C de M. Hugues Bayet est reportée.

De kritiek van het COC op de ANG en de gegevensbewaring door de politiediensten
Het kritische jaarverslag van het COC
COC's kritiek op ANG, gegevensbewaring en jaarverslag

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 8 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De kwaliteit en wettelijkheid van politiedatabanken (met name de ANG) blijven problematisch: verouderde, irrelevante of onwettig bewaarde gegevens (o.a. door systematisch screenen van verhuizers) leiden tot weigeringen van attesten en schenden privacyregels, ondanks eerdere opschoning in 2022 en juridische veroordelingen van weerbarstige korpsen. Minister Quintin bevestigt hernieuwde opschoning (in samenwerking met Justitie), benadrukt het nodige toezicht door het COC (ondanks weerstand bij lokale korpsen) en verdedigt domiciliecontroles als wettelijk, maar erkent structurele tekortkomingen zoals ontbrekende koppeling met Justitie-databanken. Kernpunten: directe burgertoegang tot politiedata (na EU-Hof vonnis) en verplichte naleving van COC-correcties blijven onopgelost, terwijl preventieve systemen (voor automatische verwijdering) en ministeriële herinnering aan wetsplicht worden voorgesteld. Weerstand bij korpsen (o.a. via beroepen) en onderbezetting COC ondermijnen vertrouwen in politietoezicht.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de voorzitter, ook deze vraag dateert al van de zomer, maar ze is volgens mij nog steeds actueel.

Het jaarverslag van het COC stelt dat de kwaliteit van de databanken bij de politie vaak ondermaats is. Men kan stellen dat dit niet echt een probleem is, het is gewoon jammer voor de agenten die ermee moeten werken, maar soms worden attesten en dergelijke aan burgers geweigerd op basis van databanken die niet meer up-to-date zijn. Afhankelijk van het type mogen gegevens maximaal 1, 10 of 30 jaar worden opgeslagen en gegevens die niet nuttig of pertinent zijn, moeten worden gewist. Die verplichting wordt in de praktijk echter stevig genegeerd. In 2022 vond wel een opkuisactie van de databanken plaats, maar blijkbaar is het probleem toch niet opgelost.

Het COC verwijst naar een mentaliteitsprobleem, vooral bij de lokale politiezones. Hoe kan men die lokale korpsen overtuigen dat zij zich wat databanken betreft strikt aan de wet moeten houden? Sommige korpsen lijken te denken dat ze gegevens naar eigen inzicht mogen bijhouden. Dat is misschien tof om op café tegen elkaar over te vertellen, maar ze moeten zich gewoon aan de wet houden.

Het COC geeft aan dat de lokale politiezones bij controles zeggen dat de regels veel te streng zijn en dat dit niet gaat. Het voelt steeds meer weerstand tegen controles. Er zijn zelfs korpsen naar de rechtbank gestapt, maar zij hebben allemaal ongelijk gekregen. Hoe kan men die korpsen overtuigen dat ze mee moeten werken aan die controles?

Daarnaast blijkt ook dat er korpsen zijn die systematisch personen screenen die naar hun politiezone verhuizen. Dat doet denken aan praktijken zoals in Aalter en is uiteraard onwettig. Bent u daarvan op de hoogte? Wat wilt u daaraan doen?

Als die databank niet meer up-to-date is en volstaat met gegevens die er niet thuishoren, hoe kan men dat structureel oplossen en hoe kan men ervoor zorgen in de toekomst dat er niet opnieuw gegevens worden opgenomen die er niet thuishoren en dat, als ze verwijderd moeten worden, deze ook effectief verwijderd worden?

Greet Daems:

Mijnheer de minister, deze vraag dateert van deze zomer. Het Controleorgaan op de politionele informatie heeft toen zijn recentste jaarverslag gepubliceerd. Daarin staan enkele verontrustende zaken die de geloofwaardigheid van het toezicht op de politie ondermijnen.

De dienst kampt met een groeiende werkdruk, deels door onderbezetting, maar vooral door een stijgend aantal aanvragen van burgers. De burgers kunnen enkel via het COC toegang krijgen tot hun gegevens in de politiedatabanken om te checken of die juist of proportioneel zijn. Dit terwijl het Europees Hof van Justitie in 2023 duidelijk heeft gesteld dat dit systeem van onrechtstreekse toegang strijdig is met het EU-recht.

Het Controleorgaan merkt ook op dat de kwaliteit van de Algemene Nationale Gegevensbank problematisch is. Er duiken foutieve, verouderde of irrelevante registraties op. De politiediensten voeren corrigerende maatregelen vaak laattijdig of onvolledig uit.

Het COC stelt een groeiende weerstand vast bij bepaalde politiediensten tegen corrigerend toezicht. Sommige korpsen tekenen systematisch beroep aan tegen de beslissingen van het controleorgaan, zelfs bij een loutere waarschuwing. Bij sommige korpsen leeft een houding waarbij ze bewust de grenzen van de wet opzoeken, of de wet naast zich neerleggen, alsof de regels enkel voor burgers gelden; maar niet voor de politie.

Mijnheer de minister, ik heb twee vragen voor u.

Welke maatregelen plant u om de uitspraak van het Europees Hof van Justitie om te zetten in Belgische wetgeving, zodat burgers rechtstreeks toegang krijgen tot hun politiedata? Tegen welke termijn?

Hoe zult u ervoor zorgen dat corrigerende maatregelen van het COC daadwerkelijk nageleefd worden door de politiediensten en dat de Data Protection Officers binnen de korpsen structureel de nodige ruggensteun krijgen?

Bernard Quintin:

Mijnheer Vandemaele, mevrouw Daems, het is juist dat het COC in zijn jaarverslag wijst op tekortkomingen in de kwaliteit van de gegevens in de politiedatabanken en op de kans op nadelige gevolgen voor burgers. Ik neem deze opmerkingen ernstig. De wettelijke regels voor het bewaren en het wissen van gegevens in de ANG zijn duidelijk. Die gegevens mogen enkel bewaard worden zolang ze relevant en noodzakelijk zijn, met maximale bewaartermijnen van 1, 10 of 30 jaar.

Deze regels dienen correct te worden nageleefd. Het is de bedoeling dat de opschoning die in 2022 plaatsvond opnieuw wordt uitgevoerd. Dat is echter geen eenvoudige oefening aangezien gegevens die nog deel uitmaken van de lopende dossiers van het parket uiteraard niet mogen worden verwijderd. Daarom moet deze oefening ook parallel gebeuren langs de kant van Justitie. Zoals u weet, bestaan er vandaag nog geen rechtstreekse verbindingen tussen de databanken van politie en Justitie, zodat dit proces in nauwe samenwerking moet verlopen.

Ik deel de kritiek niet dat de controles van het COC te streng zouden zijn. Integendeel, een onafhankelijke controle is noodzakelijk en draagt bij tot het vertrouwen in de politie. Tegelijk moet worden benadrukt dat het aanvechten van een beslissing van het COC door een korps een recht is. Dat recht vloeit voort uit artikel 53 van richtlijn 2016/680 en werd in Belgisch recht omgezet door artikel 248 van de wet van 30 juli 2018. Het uitoefenen van een dergelijk recht mag op zich niet als een probleem worden beschouwd, maar is net een voorzien mechanisme in het internationaal en nationaal recht.

Wat de domiciliëringscontrole betreft, verwijs ik naar de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten, met name artikel 3, artikel 5, § 2 en artikel 8. De controle gebeurt door de politie in opdracht van de gemeenten en heeft tot doel de feitelijke hoofdverblijfplaats vast te stellen. Wanneer de politie deze onderzoeken uitvoert, gaat zij tegelijkertijd ook na of de betrokkene gesignaleerd staat. Dit sluit aan bij de verplichtingen die voortvloeien uit vragen van magistraten of internationale verplichtingen. Deze noodzaak is recent nog bevestigd naar aanleiding van de aanslag tegen twee Zweedse burgers in Brussel.

Zoals ik reeds heb aangegeven, heb ik de commissaris-generaal gevraagd om toe te zien op een structurele opschoning van de ANG. Ik moet er tegelijk op wijzen dat op basis van artikel 646 van het Wetboek van strafvordering de politie structurele informatie van Justitie moet ontvangen om de politiedatabanken correct en actueel te kunnen bijwerken.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

U zegt dat er opnieuw een opkuisactie komt. Ik ben daar blij mee. Er moeten ook systemen worden ontwikkeld om de databank permanent opgeruimd te houden.

Men kan immers om de zoveel jaar een opkuisactie organiseren, maar men zou ook een systeem kunnen ontwikkelen dat ervoor zorgt dat informatie die er niet meer in hoort, verdwijnt. Dat is een eerste punt.

Ten tweede, ik ben blij dat u zegt dat het COC een belangrijke rol heeft in een democratie. Het is echt belangrijk dat er toezicht is op de politie. Ik begrijp dat sommigen dat misschien minder leuk vinden, maar het is fundamenteel in een democratie dat we dat wel doen. Misschien is het geen slecht idee dat u als minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken eens een brief schrijft naar alle korpsen waarin u nog eens benadrukt dat zij zich aan de wet moeten houden en wat het belang van het COC is. Als u aanvoelt dat daar een moeilijkheid bestaat, dan denk ik dat het in ons belang zou zijn om de korpsen daarover aan te schrijven, maar ik ben alvast blij met uw antwoord.

Greet Daems:

Mijnheer de minister, dank u wel voor uw antwoord. Het is goed dat u dit ernstig neemt en het is ook positief dat u de ANG opnieuw wilt opschonen en dat u het belang van het COC erkent.

De strategische veiligheids- en preventieplannen

Gesteld door

lijst: PS Ridouane Chahid

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 8 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De minister bevestigt dat hij hervormingsrichtlijnen voor de strategische veiligheids- en preventieplannen (PSSP) uitwerkt in overleg met lokale besturen, met een transitiejaar in 2026 (zelfde budget als 2025) en nieuwe meerjarige akkoorden vanaf 2027. De niet-uitbetaalde federale subsidies van 2020 (ex-veiligheidscontracten, CSS) worden juridisch onderzocht, maar oplossingen hangen af van beschikbare budgettaire middelen. Kern: reformvoorbereiding loopt, budget 2026 blijft stabiel, achterstallige subsidies blijven onzeker.

Ridouane Chahid:

Monsieur le ministre, en juillet 2024, votre prédécesseure avait fait approuver par le Conseil des ministres un projet d'arrêté royal qui visait à prolonger pour un an les plans stratégiques de sécurité et de prévention 2023-2024 jusqu'au 31 décembre 2025.

Ces plans jouent un rôle assez important, notamment pour les autorités locales. Je vous avais d'ailleurs interrogé en avril dernier sur ce sujet et vous m'aviez répondu que ces plans couraient jusque fin décembre 2025 et que ce temps serait mis à profit pour déterminer les lignes directrices d'une réforme que vous annoncerez prochainement. Vous prévoyez en outre que 2026 serait une année de transition pour ensuite conclure, à partir de 2027, de nouveaux accords pluriannuels avec les administrations locales concernées.

Dès lors, depuis ma précédente question, quelles sont les initiatives qui ont été prises en la matière? Où en êtes-vous dans la définition de vos lignes directrices, selon quelle concertation et avec quelles autorités locales? Dans le cadre de la confection du budget 2026, quel budget comptez-vous demander pour ces plans stratégiques? Enfin, il semblerait que les subsides fédéraux pour les autorités locales dans ce domaine pour l'année 2020 n'aient toujours pas été libérés, faute d'arrêté royal. Confirmez-vous cela et, dans l'affirmative, allez-vous résoudre ce souci?

Bernard Quintin:

Monsieur Chahid, je travaille actuellement à l'élaboration des lignes directrices d'une proposition de réforme que je compte soumettre prochainement au Conseil des ministres. La démarche s'accompagne d'une concertation avec les différentes associations des villes et communes. Concernant le budget 2026, dans la mesure où il s'agira d'une année de transition, nous maintiendrons le même niveau budgétaire que celui alloué au PSSP en 2025. Concernant votre troisième question, je pense qu'il y a une confusion. Votre interrogation porte probablement sur les ex-contrats de sécurité, donc les ex-CSS, plutôt que sur les plans stratégiques de sécurité et de prévention. Pour ce qui est des ex-CSS, une analyse juridique approfondie est en cours afin d'identifier les mesures réparatrices envisageables. La mise en œuvre de ces mesures demeurera toutefois conditionnée à la disponibilité des crédits budgétaires nécessaires. Je vous remercie.

De Civiele Bescherming

Gesteld door

lijst: PS Éric Thiébaut

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 8 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Éric Thiébaut kritiseert de verzwakte Protection civile door eerdere bezuinigingen en reformen onder Jambon, eist dringend herstructurering (materieel, personeel, geografisch) en vraagt naar concrete plannen, synergie met Defensie (ontbrekend in Franckens strategie) en budgetgaranties voor 2026. Minister Quintin belooft een risicoanalyse (BNRA) als basis voor herorganisatie (resultaten in 2026), integratie SIAMU zonder bezuinigingen, en diepgaande architectuurhervorming van de veiligheidsstructuur, maar concrete afspraken met Defensie (bv. duale aankopen) en tijdspad blijven vaag. Thiébaut dringt aan op onmiddellijke herpositionering om overleving Protection civile te garanderen en wijst op politieke tegenstrijdigheden (bv. MR-standpunt over sluiting Mons). Quintins antwoord blijft te algemeen en traag voor acute noden.

Éric Thiébaut:

C’est un sujet qui me tient particulièrement à cœur, monsieur le ministre: à de très nombreuses reprises déjà, je vous ai interrogé sur l'avenir de la Protection civile, dont l'efficacité sur le terrain a très largement été mise à mal par la réforme catastrophique menée par le ministre Jambon.

Pour l'instant, je trouve que vos intentions restent assez floues. Pourtant, il y a urgence, tant au niveau des moyens de la Protection civile que de sa répartition géographique. L'État fédéral apparaît aujourd'hui comme très désarmé pour venir en soutien aux zones de secours et faire face à de grandes catastrophes comme des inondations ou des feux de forêt, par exemple. Le fait que la sécurité civile soit concernée par les coupes linéaires décidés par ce gouvernement ne fait qu'augmenter mes inquiétudes pour l'avenir.

Face à cet état de fait, votre note de politique générale pour 2025 indiquait comme piste de solution que "pour le développement de synergie avec la Défense, mon administration finalisera cette année un plan monodisciplinaire fédéral D4, combinant les moyens de la Protection civile et les moyens d'aide à la nation de la Défense. La Défense doit en effet continuer à jouer un rôle significatif d'appui en cas de crise, mais notre société doit pouvoir compter premièrement sur d'autres acteurs". Or, je dois constater que ce renforcement des synergies avec le SPF Intérieur n'apparaît pas du tout dans la vision stratégique de votre collègue Francken, telle qu'adoptée pourtant par le gouvernement en juillet dernier. Les paragraphes qui y sont consacrés sont assez succincts et se cantonnent aux missions actuelles de la Défense et à la compagnie Proter, créée par la ministre Dedonder.

Monsieur le ministre, pouvez-vous m'indiquer où vous en êtes dans la refondation de la Protection civile? Quelles sont vos ambitions sur le plan humain, matériel et géographique? Dans le cadre de la confection du budget 2026, quelles seront vos demandes quant à la sécurité civile et plus spécifiquement au financement des zones de secours et de la Protection civile? Comment expliquez-vous que ce que vous annonciez dans votre note de politique générale en matière de synergie avec la Défense n'apparaisse nullement dans la vision stratégique de l'Arizona? Une concertation avec votre collègue en charge de la Défense est-elle prévue? Des achats de matériel duaux sont-ils prévus? Où en êtes-vous dans la définition de vos plans?

Bernard Quintin:

Monsieur Thiébaut, mes services et la DG Sécurité civile, en concertation avec l'organe représentatif des zones de secours, travaillent sur un projet d'opérationnalisation du Belgian National Risk Assessment (BNRA) développé par le Centre de crise national. Ce projet envisage la mise en carte des zones géographiques de notre territoire qui sont les plus soumises à certaines vulnérabilités existantes et émergentes et qui nécessitent une réponse. De plus, il déterminera quelles capacités existent déjà, quitte à devoir les renforcer. Il examinera également comment mieux organiser les moyens publics et privés. Les premiers résultats sont attendus courant 2026. Ma vision de l'organisation future et mes ambitions concrètes seront élaborées sur la base de cette étude objectivée par le terrain, grâce à une approche holistique axée sur l'efficacité des déploiements zonaux, interzonaux, suprazonaux ou nationaux.

En ce qui concerne les zones de secours, nous intégrerons le SIAMU en 2026 dans leur système de dotation. Cette intégration sera accomplie sans impact négatif sur les dotations des autres zones de secours. En général, il faut qu'un mandat clair de chacun des intervenants permette de concentrer les moyens et efforts et d'éviter des doublons.

À ce stade, il est encore trop tôt pour évoquer en détail le rôle de la Défense et les types de synergies potentielles ou même d'achats harmonisés. Je suis en contact avec mon collègue de la Défense. En temps voulu, nous communiquerons en fonction de l'état d'avancement des travaux. Les trois grands plans – Défense, Enablement et Résilience – serviront également de cadre de travail susceptible d'influer sur les exigences. En outre, le plan monofédéral D4 se situe également dans la phase d'élaboration. À la fin de l'année, une première version devrait m'être adressée après, entre autres, divers contacts avec les départements et autres instances, tels les gouverneurs.

Par ailleurs, comme j'ai déjà eu l'occasion de le dire, même si je ne pouvais le savoir au début de mon mandat, mon objectif sous cette législature est de revoir en profondeur l'architecture de sécurité de notre pays et donc aussi la place de la Protection civile et la connexion avec les zones de secours. Par conséquent, cela prendra peut-être un peu plus de temps que ce que j'avais prévu. En tout cas, mon objectif est de nous rendre aussi efficaces que possible, tout en étant conscient que cette réponse ne sera pas nécessairement satisfaisante aujourd'hui.

Éric Thiébaut:

Je vous remercie. Je retiens la fin de votre intervention: ce n’est, effectivement, pas satisfaisant pour l’instant. Vous disposez tout de même de nombreux éléments, notamment les études lancées sous la précédente législature pour évaluer la réforme de la Protection civile. Comme vous le savez, je plaide pour un redéploiement, d’une manière ou d’une autre. Tout le monde ira sans doute dans ce sens. Ne tournons pas autour du pot: si nous procédons pas à un redéploiement, la Protection civile fédérale devra disparaître. Par ailleurs, concernant la Protection civile dans ma région, je tiens à vous signaler qu’au Parlement wallon, un député de votre parti a plaidé activement pour le retour de la protection civile à Mons. Il a même affirmé que c’était sous un gouvernement socialiste qu’elle avait disparu. Je vais devoir lui rappeler que c’était sous le gouvernement MR-N-VA, avec le ministre Jambon à l’Intérieur, et que le PS ne faisait pas partie de la majorité. Enfin, voilà pour la petite histoire.

De politie-escortes in het kader van de Grand Prix Formule 1 van Spa-Francorchamps

Gesteld door

lijst: PS Patrick Prévot

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 8 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om het gebruik van politie-escortes voor VIP’s tijdens de F1 Grand Prix in Spa, met name voor Thibaut Courtois, die door verkeersopstoppingen een escorte kreeg om het evenement vlot te laten verlopen. Minister Quintin benadrukt dat dit ad hoc besloten werd door de *gold commander* (operationeel verantwoordelijke) op basis van openbare orde, veiligheid en logistiek (art. 14 & 25 Politiewet 1992), zonder structurele evaluatie of transparante kostenberekening. Prévot kaart misbruik van publieke middelen aan, eist een volledige lijst met namen en motieven van geëscorteerde politici (6 stuks) en kondigt schriftelijke vervolgvragen aan, maar krijgt die niet onmiddellijk – waarna de voorzitter de discussie afkapt. Kernpunt: gebrek aan transparantie en objectieve criteria voor VIP-bevoorrechting.

Patrick Prévot:

Monsieur le ministre, lors du dernier Grand Prix de Formule 1 de Spa-Francorchamps – dont je serais évidemment incapable de vous nommer le gagnant, n'étant pas un amateur du genre –, il a été rapporté par la presse que Thibaut Courtois, gardien de notre équipe nationale de football, a bénéficié d'une escorte policière motorisée. Ce recours aux moyens de la police fédérale, financés évidemment par les deniers publics, pose question et a d'ailleurs suscité une vive interrogation. Par ailleurs, plusieurs témoignages évoquent également que d'autres personnalités publiques ou politiques auraient, elles aussi, bénéficié d'une escorte pour se rendre sur le circuit et/ou le quitter.

Monsieur le ministre, à quel titre M. Courtois a-t-il bénéficié d'une escorte policière? Quelles sont les règles et sources légales ou directives en vigueur qui encadrent l'attribution d'escortes privilégiées? S'agit-il du Code de la route, d'une circulaire, d'un arrêté ou de procédures internes?

Sur quels critères repose la décision d'accorder une escorte policière à une personne, que ce soit pour des raisons de sécurité, de logistique, de célébrité ou autres? Quels sont les événements concernés?

Qui décide de l'octroi d'une telle escorte? Quel est le service ou l'autorité qui prend l'initiative, sur proposition ou même sur décision propre? Existe-t-il un suivi ou une évaluation a posteriori de ces escortes, notamment un bilan de leur nombre, de leur coût global et des éventuels incidents survenus dans le cadre de ces missions d'escorte?

Pourriez-vous nous communiquer, pour la même édition du Grand Prix de Formule 1, une liste exhaustive des personnalités publiques ou officielles ayant bénéficié d'une escorte policière? Vous êtes le ministre fédéral, local et même militaire, vous êtes le grand manitou, je suppose donc que vous disposez de ces informations. Quel est le motif évoqué pour chacune de ces escortes? S'agit-il de raisons de sécurité, de protocole ou d'urgence? J'aurais du mal à l'entendre, d'autant que le Grand Prix a débuté avec 1h20 de retard.

Enfin, à combien estimez-vous le coût de la logistique policière de chaque événement de ce type? Merci d'avance pour vos réponses.

Bernard Quintin:

Monsieur Prévot, je vais parler ici simplement de Thibaut Courtois, car dans la question qui m'a été transmise, il ne s'agissait que de cette personne-là.

L'escorte de M. Thibaut Courtois n'était pas planifiée initialement. En sa qualité de personnalité publique, il devait agiter le drapeau à damiers. Pour votre édification personnelle, le drapeau à damiers est celui qui marque la fin de la course sprint, gagnée par Oscar Piastri, écurie McLaren. Alors qu'il se trouvait bloqué dans les embouteillages, une escorte a été décidée par le gold commander , responsable opérationnel de l'événement, et exécutée par la police de la route de Liège. Cette mesure visait à garantir le respect du programme officiel et le bon déroulement de l'événement.

S'agissant du cadre légal, les articles 14 et 25 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police permettent de prendre des mesures de police administrative nécessaires au maintien de l'ordre public, parmi lesquelles l'escorte, définie comme l'accompagnement et la protection de personnes ou de moyens de transport en mouvement.

Concrètement, le dispositif spécifique d'escorte en marge du Grand Prix avait été prévu par le gold commander et pouvait être activé soit pour des personnes désignées par le Centre national de crise, soit sur décision propre du responsable du service d'ordre ou d'un officier de police administrative, soit afin de guider des véhicules dans un contexte de forte affluence en tenant compte des impératifs de sécurité et de mobilité.

L'octroi d'une escorte repose sur plusieurs critères, parmi lesquels la nécessité d'assurer la sécurité de la personne concernée, la prévention de troubles à l'ordre public, le respect du bon déroulement d'un événement d'envergure, l'évitement de situations à risque, notamment lorsqu'une personnalité connue est immobilisée dans la foule. Cette escorte ne consiste en outre qu'en un encadrement entre les sorties d'autoroute et les entrées du circuit et non pas une escorte depuis le domicile ou le lieu de résidence des personnes visées. Il convient de préciser que l'utilisation des avertisseurs sonores et des feux bleus est décidée au cas par cas par le gold commander en fonction des circonstances locales: densité de la circulation, type de personnalité prise en charge, caractère urgent de la mission.

En ce qui concerne le suivi, la capacité engagée pour le service d'escorte était la suivante: deux membres du personnel le vendredi 25 juillet, trois le samedi 26 juillet et quatre le dimanche 27 juillet.

Ce service a également été placé en réserve afin de renforcer, si nécessaire, les dispositifs de mobilité. Aucun incident n’a été constaté.

Le bilan chiffré est le suivant: une mission le vendredi, quatre le samedi et onze le dimanche.

Quant à votre question sur le profil des bénéficiaires des escortes au guidage, il s’agissait de trois personnalités publiques jouant un rôle actif dans le déroulement de l’événement, d’une personnalité bénéficiant d’une protection assurée par la direction de la protection (la DAP), de six personnalités politiques, ministres, autorités politiques ou administratives, d’une délégation d’officiels belges d’un département impliqué dans l'organisation, et de plusieurs participants ou dirigeants liés à l'organisation du Grand Prix.

Patrick Prévot:

Merci, monsieur le ministre, pour votre réponse. Tout d'abord, l’explication par rapport à M. Courtois est un peu légère. Je l’ai dit: le Grand Prix a débuté avec 1 h 20 de retard. On peut donc considérer que la course s’est terminée avec plus ou moins 1 h 20 de retard également. Ils n’ont pas roulé beaucoup plus vite. D’autres roulent beaucoup plus vite et vous en connaissez.

Je reste néanmoins sur ma faim, monsieur le ministre. Si vous m’aviez dit en réponse que toute une série de personnalités étaient protégées par la convention de Vienne, étant diplomates par exemple, j’aurais pu l’entendre. Mais vous me dites que six personnalités politiques ont bénéficié de cette escorte. J’aimerais évidemment connaître les noms de ces personnalités politiques qui ne sont protégées par personne et certainement pas par la convention de Vienne. Dès lors, ma question était précise: la liste exhaustive comportant les noms, prénoms et surtout la raison pour laquelle elles ont bénéficié de ce traitement pour cet événement récréatif.

Puisque vous ne me répondez pas, et j’en suis désolé, je me permettrai de vous renvoyer une question écrite en vous demandant la liste exhaustive de toutes les personnalités publiques et politiques qui ne sont pas protégées par la convention de Vienne et qui ont bénéficié de ce traitement. Je vais l‘étendre et je vous demanderai la liste exhaustive, depuis votre prise de fonction, de tous les députés et ministres qui ont bénéficié d’une escorte policière avec les jours, les dates, les heures et les raisons et motifs invoqués. En effet, je ne pourrais pas comprendre, par exemple, qu’un bête député comme moi, bénéficie d’une escorte policière. Ce ne serait pas compréhensible, notamment par la population.

Dès lors, puisque vous ne voulez pas me donner le nom des six personnalités politiques, je vous en demanderai plus. Ma question était simple. Je voulais la liste exhaustive. Vous ne voulez pas, à dessein, me donner les noms.

Bernard Quintin:

(…)

Patrick Prévot:

Ce n’est pas la question que j’avais déposée? C’est peut-être la manière édulcorée avec laquelle elle est arrivée dans votre cabinet, mais ce n’est pas celle-là que j’ai rédigée. Je vous demande donc, monsieur le ministre, le nom de ces personnes. Et si vous ne voulez pas me les dire maintenant, je déposerai une question écrite plus précise en vous demandant les noms et prénoms de ces personnalités, mais vous avez encore la possibilité de le faire. Vous avez répliqué tout à l'heure pour d’autres collègues. Si vous avez les noms, n’hésitez pas à me les donner.

Voorzitter:

Mijnheer Prévot, wij zullen die discussie nu niet voeren. Indien u vragen wilt stellen, hebt u daartoe alle kansen via mondelinge vragen, interpellaties en schriftelijke vragen.

De aanrander die neergestoken werd door de vriendin van het slachtoffer
Het onveiligheidsgevoel en het mijdgedrag bij meisjes en jonge vrouwen in onze steden
Vrouwen die op straat uit voorzorg hun gedrag en/of kledij aanpassen
Geweld, onveiligheid en aanpassingsgedrag van vrouwen in stedelijke ruimtes

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken), Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 8 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sam Van Rooy kaart de groeiende onveiligheid van jonge vrouwen in steden aan, met 91% grensoverschrijdend gedrag, 40% die wijken mijden en toenemende zelfcensuur (kleding, gedrag) door "geïmporteerd conservatisme" en religieus obscurantisme, vooral in wijken met massa-immigratie. Minister Quintin verwijst naar preventie (politieaanwezigheid, bewustmaking) en repressie (aangifte stimuleren via Police on Web), maar ontkent kennis van wapenbezit of systematische oplossingen, schuift bevoegdheid door naar Grootstedenbeleid. Van Rooy eist stop op "islamisering en vrouwenhaatculturen" en kritiseert regeringsontwijking, wijzend op burgerprotesten (bv. Borgerhout) en vrouwen die zich gewapend of in groepen moeten verplaatsen. Kern: systeemfalend beleid laat vrouwen hun vrijheid inruilen voor veiligheid.

Sam Van Rooy:

Mijnheer de minister, het was een hete zomer. Ik bedoel dat niet zo positief, zeker niet voor jonge vrouwen. In Antwerpen stak een 18-jarige jongedame een vreemdeling neer die haar 21-jarige vriendin agressief op straat probeerde aan te randen.

Het lijkt erop dat door toenemende overlast en onveiligheid, vooral in onze steden, steeds meer mensen, zeker jonge vrouwen, op straat gaan met een wapen op zak om zich te kunnen verdedigen. Uit onderzoek blijkt dat maar liefst 91 % van de meisjes of jonge vrouwen al eens grensoverschrijdend gedrag heeft meegemaakt. Van de vrouwen voelt 27 % zich vaak onveilig op straat, dat is meer dan een vierde, en niet minder dan 40 % kiest ervoor om bepaalde plaatsen te vermijden na een negatieve ervaring. Laat dat tot u doordringen: 40 %. Deze plekken bevinden zich doorgaans in onze steden, zoals Antwerpen en Brussel.

De verschrikkelijke moord door een asielzoeker op de 17-jarige Lisa in Nederland heeft meer dan ooit en terecht de aandacht gevestigd op deze zorgwekkende en onaanvaardbare cijfers en de reële situatie in veel wijken.

Recent getuigde politicologe Hanieh Ziaei moedig in een van onze mainstreamkranten. Zij verklaarde: "Ik durf in Brussel geen rok of decolleté meer te dragen zonder me ongemakkelijk te voelen wegens het geïmporteerde conservatisme in sommige wijken." Verder zei ze: "In Molenbeek voel ik de toenemende druk van zorgwekkend religieus obscurantisme." Dit zijn haar woorden.

Steeds vaker lezen we dit soort getuigenissen, niet alleen in kranten, helaas nog veel te weinig, maar ook online op sociale media. Jonge dames en vrouwen getuigen dat zij uit voorzorg hun gedrag en/of kleding aanpassen of bepaalde wijken simpelweg mijden, zeker als het donker wordt.

Mijnheer de minister, ik vind dit een van de zorgwekkendste tendensen in onze samenleving. Mijn vraag is heel simpel: wat is uw reactie hierop en welke stappen onderneemt u om ervoor te zorgen dat meisjes en vrouwen in onze samenleving in gelijk welke gemeente, wijk of stad gewoon zichzelf kunnen zijn en zichzelf nergens in de openbare ruimte uit vrees of voorzorg moeten censureren?

Bernard Quintin:

Mijnheer Van Rooy, ik ben niet belast met het grotestedenbeleid. Dat is de bevoegdheid van mijn collega Van Bossuyt.

Ik kan u echter meedelen dat de strijd tegen straatintimidatie inderdaad zowel bewustmakings- en preventiemaatregelen als repressieve maatregelen omvat. Dat betreft dus verschillende diensten en institutionele niveaus in het land. Het staat vast dat de politiediensten zich bewust zijn van het fenomeen. Door aanwezigheid op het terrein kan dit gedrag preventief en repressief worden bestreden, voornamelijk in het kader van de opdrachten van de lokale politie.

Bovendien is bewustmaking van de bevolking ook nodig, om ervoor te zorgen dat er systematisch aangifte wordt gedaan, in de eerste plaats om straffeloosheid te voorkomen, maar ook om beter geïnformeerd te zijn over de mogelijke plaatsen en geografische zones waar dergelijk gedrag vaker voorkomt en mogelijk herhaaldelijk plaatsvindt. In dit kader wordt op federaal niveau een evaluatie van Police on Web uitgevoerd om het gebruik ervan beter bekend te maken en te stimuleren, ook door slachtoffers van dergelijke intimidatie, uiteraard als er geen sprake is van een noodsituatie of acute situatie. Dat kan het aantal meldingen doen toenemen.

Ik wil eraan herinneren dat de federale overheid strategische veiligheids- en preventieplannen financiert, waardoor ook specifieke en lokale initiatieven tegen dit soort gedrag kunnen worden ondersteund.

Ten slotte, met betrekking tot de vraag over een aanrander die werd neergestoken door een vriendin van het slachtoffer, beschik ik niet over cijfers die toelaten te stellen dat steeds meer mensen een wapen dragen, noch cijfers over het aantal mensen dat cursussen zelfverdediging of schietlessen volgt. Ik kan dus helaas geen relevant antwoord geven op uw veronderstelling. Ik dank u.

Sam Van Rooy:

Mijnheer de minister, dit zijn drie samengevoegde vragen. Twee ervan heb ik gericht aan de minister van Grootstedelijk Beleid, mevrouw Van Bossuyt. Ze zijn bij u terechtgekomen. U kunt mij zeggen dat ze voor uw collega Van Bossuyt van de N-VA zijn, die bevoegd is voor Grootstedenbeleid, maar zij heeft ze blijkbaar naar u doorgeschoven en u hebt dat blijkbaar goed bevonden. Dat soort antwoorden hoef ik dus niet te krijgen van u, maar ik zal de vragen nog eens indienen bij mevrouw Van Bossuyt en hopelijk wil ze dan wel antwoorden. Ik begrijp natuurlijk dat het zeer ongemakkelijk is. Meer dan een vierde van de vrouwen voelt zich vaak onveilig op straat en maar liefst 40 % kiest ervoor om bepaalde plaatsen te vermijden na een negatieve ervaring. Die politicologe, die ik net citeerde, getuigde dat zij in Brussel niet meer onbekommerd een rok of decolleté kan dragen. U kunt dat blijven ontkennen, maar kijk eens rond. Wandel eens door onze wijken, praat eens met vooral jonge mensen. Steeds meer mensen, vooral vrouwen, dragen iets op zak om zich te kunnen verdedigen in onze straten en soms is dat inderdaad zelfs een mes. Ik woon al heel mijn leven in Antwerpen en ik hoor daar dat steeds meer vrouwen hun gedrag en/of hun kledij aanpassen of bepaalde wijken gewoonweg mijden. Zij durven bijvoorbeeld alleen nog in groep te gaan joggen, vooral s' avonds. Over wat voor soort wijken of steden gaat het eigenlijk? Over steden en wijken die steeds meer worden aangetast door de massa-immigratie en de illegaliteit uit Afrika en het Midden-Oosten. In Borgerhout, Borgerokko in de volksmond, volgens sommigen een van de coolste plekken ter wereld, is de straatintimidatie op bepaalde plaatsen zo groot geworden dat inwoners zich genoodzaakt voelden een burgercampagne op te starten. Ik wil van deze regering-De Wever dus eigenlijk nog maar één ding horen, namelijk dat ze stopt met het binnenhalen van vrouwenhaatculturen en de islamisering van onze wijken en steden stopt en terugdraait.

Het gebruik van Israëlische software door Belgische politiezones
Het gebruik van Israëlische technologie door onze politie
De BriefCam- en de Cellebritesoftware
Het gebruik van Israëlische software door de politie
De samenwerking met Israël bij Europol
De softwareprogramma's van Cellebrite
Het gebruik van Israelische spionagesoftware bij Belgische politiekorpsen
Het gebruik van Israëlische spyware door de Belgische politie
Gebruik van Israëlische surveillance- en politietechnologie in België

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 8 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België gebruikt Israëlische surveillancesoftware zoals Cellebrite en BriefCam (getest onder Palestijnse onderdrukking), ondanks ethische bezwaren en VN-beschuldigingen van genocide door Israël. Minister Quintin bevestigt dat er geen volwaardige Europese alternatieven zijn, maar pleit voor EU-brede oplossingen; lokale politiezones (bv. Gent, Zelzate) willen stoppen maar botsen op juridische, contractuele en prestatiebeperkingen. Kritiek blijft dat België via deze aankopen indirect medeplichtig zou zijn aan mensenrechtenschendingen, terwijl de minister benadrukt dat gerechtelijk toezicht en EU-handelsakkoorden uitsluiting op basis van nationaliteit nu onmogelijk maken. Concrete stappen (zoals alternatieven onderzoeken of ethische clausules verstrengen) blijven vaag, ondanks oproepen tot federale regie en transparantie.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, ik heb hierover onlangs een schriftelijke vraag gesteld en u hebt mij daarop ook geantwoord. Onze politiediensten gebruiken Cellebrite, maar ook andere Israëlische software. Die software is vrij discutabel, omdat het is gebruikt of uitgetest op Palestijnen die onderdrukt worden. Het is dus software van moreel erg discutabele kwaliteit.

In Gent wil men daar iets aan doen. Als stad van licht en liefde wil men stappen vooruit zetten, maar men botst daar op de limieten. Men krijgt te horen dat er geen of weinig alternatieven zijn. Toch worden in Frankrijk, Canada, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en een aantal Scandinavische landen alternatieve softwarepakketten gebruikt.

Mijnheer de minister, ik heb hierover een aantal vragen.

Ten eerste, hebt u kennisgenomen van de brief van de vrienden uit Gent? Ik veronderstel van wel. Bent u van plan om een initiatief op Europees niveau te nemen? Een lokale politiezone kan dat zelf onmogelijk doen. Ik denk zelfs dat het voor een klein land als België moeilijk is om dat alleen te doen. We zouden zoiets Europees moeten aanpakken. Dat zou ook een kans kunnen zijn voor Belgische spelers om zich daarin te bekwamen. Zult u initiatieven nemen en welke?

Mijn tweede vraag vloeit voort uit de Gazadeal in de federale regering. Op 2 september werd een aantal zaken beslist, onder andere over de activiteiten van Europol in samenwerking met Israël. Op basis van de huidige samenwerking tussen Europol en Israël bestaat de zogenaamde working agreement tussen Europol en Israël.

Welke concrete voorstellen heeft België al gedaan om eventueel zaken aan te passen? Aan welke concrete voorstellen werkt u of werken uw diensten op dit moment nog? Wanneer wilt u deze voorstellen voorleggen aan de lidstaten en aan het bestuur van Europol? Welke mogelijke maatregelen met betrekking tot deze activiteiten ziet u nog? Welke stappen zult u ondernemen om dat te bereiken? Welke stappen hebben Europol en België al gezet om een concrete samenwerking met Israël te verkrijgen met betrekking tot de misdaden van genocide, misdaden tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden, zoals bepaald in artikel 3 en annex 1 van de working agreement ?

Ik stel u die tweede vraag, omdat met veel tromgeroffel een akkoord binnen de regering werd aangekondigd over Israël en zijn acties niet alleen in Gaza maar in alle Palestijnse gebieden. Nu komt het erop neer die beloftes en beslissingen om te zetten in de praktijk. Ik ben dus zeer benieuwd welke stappen u hebt gezet binnen uw bevoegdheidsdomein.

Mijn eerste vraag gaat over de samenwerking met bedrijven, die er à la limite niets aan kunnen doen dat ze in Israël zijn gevestigd. Als de technologie echter wordt uitgetest op een volk dat een genocide moet ondergaan, lijkt me dat bijzonder problematisch. Dus ik ben zeer benieuwd hoe u denkt daarvoor alternatieven te ontwikkelen en hoe u onze lokale politiezones zult ondersteunen bij de uitwerking van die alternatieven.

Rajae Maouane:

Monsieur le ministre, nous avons appris via plusieurs enquêtes journalistiques que notre police fédérale utiliserait des technologies sécuritaires venant d'Israël. Concrètement, cela signifie que notre police utiliserait des logiciels tels que Cellebrite – qui permet l’extraction complète des données d'un téléphone portable, qu'il s'agisse des messages, des photos ou des contacts –, ou BriefCam – qui analyse des heures de vidéosurveillance pour suivre les déplacements d'une personne dans une foule seconde après seconde –, ainsi que des équipements tels que les lanceurs de gaz lacrymogènes de la marque Ispra – utilisés lors d'opérations de maintien de l'ordre. Ces outils ne sont pas neutres. Ils proviennent d’un pays dénoncé par l’ONU et de nombreuses ONG pour des violations massives des droits humains, actuellement accusé de commettre un génocide, et aussi qui kidnappe illégalement des personnes en mer.

Monsieur le ministre, pouvez-vous confirmer si, oui ou non, notre police utilise ce type de technologie? Lors de l'achat de matériel policier par la Belgique, des critères éthiques sont-ils pris en compte ou bien seuls le prix et la performance technique priment-ils? Existe-t-il aujourd'hui un mécanisme qui empêche que notre police s'équipe avec des technologies venant de pays impliqués dans de graves violations des droits humains?

Je vous remercie pour vos réponses.

Brent Meuleman:

Mijnheer de minister, hier is al eerder aangegeven dat verschillende gemeenten en lokale politiezones nog steeds met het hele Cellebriteverhaal worstelen. Vanuit de lokale politiezones wordt gemeld dat de situatie bijzonder complex is.

Mijn gemeente Zelzate heeft al vijf jaar geleden het initiatief genomen om de Engagementsverklaring Apartheidsvrije Zone te ondertekenen. We waren de eerste apartheidsvrije gemeente in ons land en stemmen daar uiteraard ook ons aankoopbeleid op af. We kopen dus geen producten aan uit illegaal bezette Israëlische gebieden.

Het Cellebriteverhaal blijkt echter zeer complex. Ik heb me hierover bevraagd bij onze lokale korpschef en heb ook informatie ingewonnen bij andere politiezones. Wat we daar horen, is dat er momenteel geen alternatief beschikbaar zou zijn dat even performant en betaalbaar is, niettegenstaande dat we horen van onder andere de Liga voor de Mensenrechten dat er wél alternatieven bestaan. Er wordt verwezen naar software zoals XRY van MSAB en Magnet Forensics. Die situatie roept uiteraard vragen op.

Wat is uw visie op het gebruik van die software?

Zijn er daadwerkelijk alternatieven beschikbaar die even performant en betaalbaar zijn? Valt het te overwegen om over te schakelen op alternatieve software zoals XRY van MSAB of Magnet Forensics? Op basis van welke criteria meent u of dat al dan niet een goed idee zou zijn?

Ten slotte wil ik ook graag vernemen of u beschikt over informatie over het testbeleid van Cellebrite.

Greet Daems:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, uit onderzoek van nieuwswebsite Apache blijkt dat bijna de helft van de Vlaamse politiezones gebruikmaakt van Israëlische surveillancesoftware, vooral van de bedrijven Cellebrite en BriefCam. Die software wordt ingezet om smartphones uit te lezen en camerabeelden te analyseren, maar werd ontwikkeld en getest in de context van militaire bezetting en onderdrukking van Palestijnen.

Verschillende gemeenten gaven al aan dat ze van die software af willen vanwege ethische en juridische bezwaren. Ze wensen geen technologie te gebruiken die getest is op een bevolking die onder bezetting leeft. Dat is een terechte houding, maar het is niet altijd eenvoudig. Lokale besturen stuiten op contractuele en juridische obstakels en vragen terecht steun aan het federale niveau.

België heeft het genocideverdrag ondertekend, waardoor ons land verplicht is genocide te voorkomen en geen medeplichtigheid toe te laten. In de huidige context, waarin de VN zelf vaststelt dat Israël een genocide pleegt in Gaza, betekent dit concreet dat onze overheden geen contractuele of economische banden mogen onderhouden met bedrijven die betrokken zijn bij deze misdaden of ze faciliteren.

Daarom wil ik u vragen om federale verantwoordelijkheid op te nemen, niet om morgen alles stil te leggen, maar om ervoor te zorgen dat alle politiezones op een zorgvuldige en consequente manier kunnen afstappen van Israëlische software, met volwaardige alternatieven.

Wilt u de politiekorpsen daarbij helpen?

Welke alternatieven bestaan er voor software zoals deze van Cellebrite, BriefCam en Radwin? Worden die gebruikt in België? Heeft uw administratie daar al onderzoek naar gedaan?

Gaat u gemeenten en politiekorpsen sensibiliseren over de ethische en juridische problemen bij de aankoop van Israëlische producten vandaag?

Voorzitter:

De heren Boukili en Dubois zijn niet aanwezig.

Bernard Quintin:

Mesdames et messieurs les députés, beste Kamerleden, afin de répondre à l'ensemble de vos questions, permettez-moi une courte introduction avant d'entrer dans le détail. Je peux confirmer que la police fédérale recourt à certains équipements ou logiciels développés par certaines entreprises israéliennes. C'est notamment le cas des logiciels Cellebrite et BriefCam, ainsi que des lanceurs de gaz lacrymogène de la marque ISPRA. Pour des raisons de sécurité opérationnelle des services de police, il m'est impossible de détailler de manière exhaustive l'ensemble des outils employés.

Il est exact qu'à ce stade, il n'existe pas d'alternative européenne offrant le même niveau de performance. C'est précisément pourquoi il importe de soutenir l'émergence de solutions européennes crédibles afin de renforcer notre autonomie stratégique. Il serait dommage que l'Union européenne se limite, comme on le dit parfois ironiquement, à réglementer pendant que d'autres créent. Je précise toutefois que le soutien à l'innovation et aux entreprises ne relève pas de mes compétences directes. Je veille cependant à ce que la Belgique s'aligne sur les recommandations européennes et garantisse que les outils employés respectent pleinement notre cadre légal et démocratique.

Les marchés publics passés par la police fédérale sont strictement encadrés par les législations belge et européenne. Cela inclut les directives européennes sur les marchés publics, la loi belge relative aux secteurs classiques et la loi sur la défense et la sécurité, ainsi que leurs arrêtés d'exécution. Ces procédures imposent des principes généraux comme l'égalité de traitement, la transparence et la non-discrimination. À ces critères s'ajoute la circulaire fédérale du 16 mai 2014 qui invite les adjudicateurs à intégrer des considérations de développement durable, notamment des clauses sociales ou liées au commerce équitable, dans la passation de leurs marchés.

Enfin, en matière de respect des droits humains, il existe une contrainte importante. La Belgique est liée par des accords internationaux qui garantissent aux entreprises de certains pays, dont Israël, le droit de participer à nos procédures de marché public. Il est donc impossible, à ce stade, d'exclure automatiquement des entreprises sur la seule base de leur origine nationale, sauf si ces accords venaient à être modifié à l'échelle européenne ou internationale.

Bien entendu, pour les raisons que j'ai déjà évoquées dans le cadre de la lutte contre le crime organisé, qui constitue l'une de mes préoccupations majeures en tant que ministre de la Sécurité et de l'Intérieur, les éventuelles alternatives doivent apporter les mêmes possibilités opérationnelles au bénéfice de nos concitoyens, ici en Belgique.

Mijnheer Vandemaele, ik heb kennisgenomen van de brief van de stad Gent, waarin de wens wordt geuit om geleidelijk afstand te nemen van het gebruik van software van Israëlische oorsprong, zoals Cellebrite. Tegelijkertijd wordt vastgesteld dat dit niet op eigen houtje kan worden gerealiseerd.

De politiezones beschikken over een zekere mate van beheersautonomie. Die autonomie is echter niet absoluut. Zij moeten het federaal en Europees kader naleven, onder meer op het vlak van gegevensbescherming, overheidsopdrachten en het gebruik van technologieën. Dit beperkt in aanzienlijke mate de speelruimte van een lokale overheid om een technologisch hulpmiddel te verbieden of te vervangen. Het gebruik van de tools waarnaar de commissieleden verwijzen, moet dus voldoen aan dit juridisch kader. Het Controleorgaan op de politionele informatie ziet hierop toe.

Verder wens ik te benadrukken dat het gebruik van tools zoals Cellebrite of BriefCam plaatsvindt binnen een gerechtelijk kader. Concreet worden de onderzoeken waarbij deze tools worden ingezet, gevoerd onder leiding en toezicht van de procureur des Konings, die oordeelt over de wettelijkheid en proportionaliteit van de onderzoeksmaatregelen. Politieambtenaren beschikken dus niet over een onbeperkte autonomie. Zij handelen binnen een duidelijk procedureel kader, dat wordt gevalideerd door de bevoegde gerechtelijke autoriteiten.

En résumé, et pour répondre également à Mme Maouane, il existe bel et bien certaines possibilités d'exclure des fournisseurs spécifiques. Toutefois, à l'heure actuelle, je ne dispose pas de base légale visant à exclure certaines technologies.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, op mijn tweede vraag hebt u niet geantwoord. Ik zal daarover dan maar een schriftelijke vraag indienen. Zo wordt het moeilijk om een debat te voeren, als alles op een hoopje wordt gegooid. U hebt de vragen al weken geleden ontvangen. Ik betreur dus dat u ze niet beantwoordt. De regering heeft nochtans zeer fors gecommuniceerd over wat men zou doen ten aanzien van Israël. Het feit dat u niet antwoordt, is natuurlijk ook een antwoord. Het is duidelijk dat het akkoord dat ons is voorgesteld, waarbij streng maar rechtvaardig zou worden opgetreden, in feite weinig strengheid inhoudt ten opzichte van Israël. Dat was al duidelijk, maar u maakt het nu nogmaals duidelijk.

Wat betreft mijn eerste vraag, bestaat er veel tegenspraak. Wij horen dat er wel degelijk alternatieven zijn die even performant zijn en die ook in de Europese Unie worden gebruikt. Dat is lastig, maar nog lastiger is dat we op al onze vragen over welke politiezones welke tools gebruiken, altijd het antwoord krijgen dat die informatie niet kan worden gedeeld omdat ze te gevoelig is. Dat kan ik extern nog aanvaarden. Toch denk ik dat we op een bepaald moment, al is het achter gesloten deuren, een overzicht moeten krijgen van de lokale en federale politie van de leveranciers van Israëlische en andere oorsprong waarmee er wordt gewerkt en van de tools. Zo kunnen wij onze rol als toezichthouder op de overheid en de regering daadwerkelijk spelen. We kunnen er niet omheen dat alle tools en software die de collega's hier hebben genoemd, zijn uitgetest in het kader van een genocide. Dat vind ik bijzonder problematisch. U zegt zelf dat we daar niets aan kunnen doen, maar ik deel die mening niet. Ik denk dat de ethische clausules in dergelijke contracten wel degelijk de mogelijkheid bieden om bepaalde leveranciers uit te sluiten.

Daarom moet ik zeggen, mijnheer de minister, dat ik uw antwoord bedroevend vind. Wij zullen hier op een ander moment verder op ingaan, want dit is te pijnlijk voor woorden.

Rajae Maouane:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses et pour la transparence, même si je reste un peu sur ma faim pour ce qui est de la transparence. En effet, je trouverais bien d'avoir toutes les informations complètes sur...

J’attends que M. le ministre termine pour qu’il écoute la réplique. Geen probleem! Ik mag wachten.

Monsieur le ministre, je vous remerciais pour votre transparence, même si je reste un peu sur ma faim parce qu’il serait quand même intéressant d'avoir toutes les informations au complet. Comme le disait mon collègue, cela peut même se faire en commission à huis clos.

Vous soulignez qu'il n'existe pas de moyen de sécurité européen qui soit tout aussi efficace. Mais, pour ces mêmes raisons de sécurité, je trouve dingue qu'on utilise des logiciels testés dans des conditions parfois de colonisation, de violation des droits humains et même de génocide. L'utilisation de logiciels israéliens ne devrait pas être une solution à cette carence. De même, l'absence de cadre légal ne justifie pas cet usage. À cet égard, je fais référence à l'avis de la Cour internationale de Justice qui rappelle que les États ont l'obligation de ne pas soutenir l'occupation illégale et d'intervenir. Ceci nous rend quelque part indirectement complice des violations du droit international, sans parler du contexte de répression systémique de la police. Mais c'est un autre débat auquel, je l'espère, on reviendra.

En poursuivant ces collaborations, la Belgique, je l'ai dit, se rend de facto complice. Cela mérite un vrai débat parlementaire, un vrai débat citoyen qui devrait être organisé pour garantir que nos forces de l'ordre ne soient pas équipées au détriment des droits humains. Nos forces de l'ordre doivent être irréprochables. Cela aussi, c’est la responsabilité de notre pays.

Brent Meuleman:

Mijnheer de minister, dank u wel voor uw antwoord. Ik heb geprobeerd goed te luisteren. U gaf veel informatie en de vertaling ging nogal snel. Ik zal alles zeker nog eens rustig herlezen in het Verslag.

Ik onthoud uit uw antwoord vooral dat het niet evident is. Ik heb begrepen dat er op dit moment bij ons in Europa geen systemen zijn die even performant en betaalbaar zijn. Dat stelt ons natuurlijk voor de vraag hoe wij daar in Europa mee moeten omgaan. Het overstijgt het Belgische niveau. Ik reken er wel op, mijnheer de minister, dat ons land daar een voortrekkersrol in speelt. Misschien kunt u daar iets in betekenen. De huidige toestand noopt echt wel tot vragen.

Ik blijf op dat vlak toch een beetje op mijn honger. Ik hoop oprecht dat we snel een duidelijk signaal kunnen krijgen, dat we eenduidige informatie kunnen krijgen over op welke manier we hiermee verder moeten. Ik stel immers vast dat heel wat gemeentebesturen en politiezones hiermee worstelen. Ze willen eigenlijk zo snel mogelijk af van deze software, maar dan moet er natuurlijk een systeem beschikbaar zijn dat even performant en betaalbaar is.

Greet Daems:

Mijnheer de minister, dank u wel voor uw antwoord. U zegt dat er geen Europees alternatief bestaat met hetzelfde surveillanceniveau. Een goed alternatief is uiteraard belangrijk. De veiligheid van onze burgers is een belangrijke prioriteit voor ons allemaal.

Wij van de PVDA willen ook dat de politie over volwaardige alternatieven beschikt om de criminaliteit te bestrijden, maar wij willen niet dat die middelen getest zijn op Palestijnen. Een feit is dat de helft van de politiezones in Vlaanderen niet met software van Cellebrite werkt. Dit toont aan dat het toch mogelijk is.

Er zijn verschillende burgemeesters die aangeven dat ze willen stoppen met die Israëlische software. Maar ze geven ook aan dat het niet zo eenvoudig is de contracten van de ene dag op de andere stop te zetten. U kan als minister op het federale niveau de regie in handen nemen en de steden en de gemeenten helpen met het zoeken naar alternatieven. Het is echt ontzettend belangrijk om die contracten zo snel mogelijk te beëindigen.

U bent verantwoordelijk voor onze binnenlandse veiligheid, dus u moet erop toezien dat onze binnenlandse veiligheid niet verzorgd wordt door bedrijven uit een genocidaire staat.

U geeft aan dat het niet mogelijk is om bedrijven automatisch uit te sluiten van publieke aankopen, bijvoorbeeld op basis van nationaliteit, maar dat is ook niet het principe. U ontwijkt de vraag. België is gebonden aan het genocideverdrag, dat medeplichtige bedrijven vermeldt. Het omvat dus niet alle Israëlische bedrijven, maar wel degenen die medeplichtig zijn aan genocide. Cellebrite is zo'n bedrijf.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, met uw goedvinden zou ik graag mijn vraag nr. 56007339C over de moord op een OCMW-medewerker in Gent omzetten in een schriftelijke vraag. Ze dateert immers al van zeer lang geleden en ik vermoed dat het antwoord van toen vandaag nog altijd hetzelfde zal zijn.

Het ongeziene niveau van het geweld tegen de politie
De veiligheid van de zorgverleners
Het geweld tegen de hulpdiensten
Geweld en veiligheidsrisico's voor hulpverleners en diensten

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 8 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de alarmerende stijging van geweld tegen politie en hulpverleners (11.000 agressiegevallen/jaar, 1.000 met werkonbekwaamheid), met nultolerantie-beleid dat faliekant faalt door gebrek aan strafuitvoering en structurele steun. De minister belooft verzwaarde straffen (nieuwe Strafwetboek 2026), betere registratie, psychosociale opvang en camera’s voor hulpdiensten, maar kritiek blijft dat Justitie straffen niet executeert, wat straffeloosheid en demotivatie verergert. Concrete eisen: automatische burgerlijke partijstelling door zones (niet door slachtoffers zelf) en daadwerkelijke handhaving in plaats van leeg beleidsretoriek.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, recente cijfers tonen aan dat dagelijks dertig politieagenten het slachtoffer worden van agressie. In augustus 2025 trokken de politievakbonden aan de alarmbel: opgeteld komen we namelijk aan 11.000 gevallen van agressie tegen de politie per jaar. Dat is het hoogste niveau ooit op dat vlak. In 2023, het laatste jaar met volledige cijfers, stond de teller op bijna 1.000 gevallen, meer bepaald 947, van slagen en verwondingen die leidden tot werkonbekwaamheid, een andere kwalificatie dan agressie, of een stijging van 10 % in vergelijking met tien jaar eerder.

Het betreft ernstig geweld en het gaat niet om geïsoleerde gevallen. Wij zien duidelijk een tendens. Niet enkel politieagenten zijn daarvan het slachtoffer, maar ook andere hulpverleners. Eigenlijk wordt iedereen die een uniform draagt, in onze maatschappij loslopend wild voor bepaalde geweldenaars. Daartegen moet uiteraard worden opgetreden.

Daarom heb ik de hiernavolgende vragen voor u. Van de vijf vragen die ik schriftelijk heb ingediend, blijven er uiteindelijk slechts twee over die ertoe doen en waarop ik graag een antwoord zou krijgen. Ten eerste, welke stappen of welk stappenplan wilt u nemen om die stijgende trend aan te pakken?

Ten tweede, hoe kunnen wij onze politieagenten een betere bescherming bieden, ook vanuit de federale overheid? Ik geef toe dat er sprake is van een gedeelde verantwoordelijkheid met de lokale politiezones.

Voorzitter:

Ik stel vast dat mevrouw Reuter niet aanwezig is om haar vraag nr. 56008267C te stellen.

Jeroen Bergers:

Mijnheer de minister, voor het zomerreces verscheen een studie van het Vias institute over geweld tegen hulpverleners. Naar aanleiding van dat verontrustende rapport vroeg ik in een schriftelijke vraag om extra cijfers en die bevestigen een zorgwekkende trend. Het geweld tegen hulpverleners neemt toe, van 235 gevallen in 2020 naar 354 processen-verbaal in 2023. Ook het geweld tegen brandweerlieden stijgt: terwijl in 2023 6 gevallen werden geregistreerd, waren dat er in het eerste trimester van 2024 al 12.

Volgens het rapport verklaart 75 % van de hulpverleners dat zij al het slachtoffer van verbale agressie, zoals geschreeuw en scheldpartijen werden. Voor dergelijke feiten worden meestal zelfs geen processen-verbaal opgemaakt. Daarnaast heeft ongeveer de helft van de hulpverleners al te maken gehad met fysieke agressie. Daaronder verstaat men het gooien of vernielen van voorwerpen, maar ook het duwen, schoppen, bespuwen of slaan van de hulpverlener. Het spreekt vanzelf dat voor geweld tegen hulpdiensten nultolerantie verwacht wordt, conform trouwens het regeerakkoord.

Het is extra problematisch dat door de niet-uitvoering van de nultolerantie vandaag de dag maar liefst een op de drie hulpverleners aangeeft te overwegen hun job op te geven wegens de toenemende agressie tegenover hulpdiensten. Dat mogen we niet laten gebeuren.

Mijnheer de minister, op welke manieren ondersteunt de regering hulpverleners die met agressie te maken krijgen?

Hoe wilt u die cijfers doen dalen in plaats van stijgen?

Hoe ver staat het met de concretisering van de dringend noodzakelijke nultolerantie voor geweld tegen hulpverleners?

Bernard Quintin:

Laat ik duidelijk zijn: geweld tegen hulpverleners en politieagenten is onaanvaardbaar en moet worden bestraft. De hulpverleners en politiemensen hebben mijn steun en zij weten dat.

In mijn beleidsnota heb ik duidelijk mijn voornemen kenbaar gemaakt om een beleid van nultolerantie te voeren ten opzichte van geweld en bedreigingen tegen degenen die ons helpen en beschermen. Ik zal mijn inspanningen en initiatieven in die richting uiteraard voortzetten. Ik ga ervan uit dat ook de minister van Justitie de inspanningen inzake vervolging voortzet.

De cijfers zijn te hoog en blijven te hoog. Ik zal binnenkort overleggen met de leidinggevenden van de politie en de hulpdiensten of bijkomende initiatieven nodig zijn.

Het is mogelijk om, op basis van informatie in de ANG, een rapport op te stellen over geregistreerde criminele feiten tegen politiediensten of een bepaald beroep, gecombineerd met de plaats, hospitaal of polykliniek. Zo zijn er in 2023 113 feiten gekoppeld aan kliniek, door de politiediensten geregistreerd. Voor het eerste, tweede en derde semester van 2024 waren er 65 registraties.

Rondzendbrief GPI100 biedt reeds garanties om het politiepersoneel dat het slachtoffer van geweld is geworden, te beschermen. Met betrekking tot het geweld tegen hulpverleners bestaat er een gelijkaardige ministeriele rondzendbrief van 20 januari 2023, met richtlijnen over preventie, begeleiding, strafrechtelijke en civiele aspecten en administratieve procedures. De rondzendbrief wordt momenteel geactualiseerd en aan de zonevoorzitters bezorgd. Aanvullende informatie en maatregelen zijn beschikbaar op de FAQ van civiele-veiligheid.be. De nadruk ligt op de psychosociale opvang, het aanstellen van preventieadviseurs of vertrouwenspersonen en duidelijke administratieve stappen bij geweld, zoals de erkenning van arbeidsongevallen, rechtshulp en herplaatsing.

Voorts wordt het belang van de burgerlijkepartijstelling benadrukt. Zowel het slachtoffer als de zone moet klacht indienen om agressie te veroordelen en schadevergoeding te verkrijgen. Elke agressie moet worden gemeld en geregistreerd. Dat helpt om de problematiek beter te begrijpen en gerichte acties te ondernemen. De minister blijft de zone oproepen om alle gevallen van agressie consequent te rapporteren.

Agressie tegen hulpverleners is complex en vraagt om een sterke preventie. Essentieel zijn risicoanalyses, opleidingen en de voorlichting van brandweerleden en ambulanciers. Er bestaan drie door Binnenlandse Zaken gesubsidieerde opleidingen in alle brandweerscholen, die leren hoe gepast te reageren bij agressie tijdens interventies.

In 2021 liep een interne sensibiliseringscampagne over het omgaan met agressie en het belang van melden. In 2023 volgde de externe campagne Not Funny met getuigenisfilms die door zones blijvend worden gebruikt en regelmatig via sociale media worden verspreid. Binnenkort komt er een onderwijstoolbox om het thema in het secundair onderwijs bespreekbaar te maken.

Daarnaast laat de wet van 21 februari 2024 het gebruik van camera's door hulpdiensten vanaf april 2025 toe om personeel beter te beschermen.

De nultolerantie voor geweld tegen hulp- en ordediensten is zeker ook een thema van de minister van Justitie.

Het nieuwe Strafwetboek, dat in werking treedt op 8 april 2026, voorziet in zwaardere straffen om de ernst van dergelijke feiten beter te weerspiegelen. De omzendbrief COL 3/2008, herzien in 2014, bevat ook richtlijnen voor de politie en het parket om gepaste strafrechtelijke reacties te waarborgen, waarbij rekening met de ernst van de feiten en de betrokkenen wordt gehouden.

Ik zal mijn collega van Justitie vragen of zij een mogelijkheid ziet in het anoniem indienen van klachten in geval van agressie tegen hulp- en ordendiensten. De persoonlijke gegevens van brandweerlieden of ambulanciers zouden kunnen worden vervangen door een nummer of de naam van de zone, waardoor hun privacy en veiligheid tijdens de gerechtelijke procedure beter beschermd blijven.

Ortwin Depoortere:

Bedankt, mijnheer de minister. Ik heb al een tijdje zitting in het Parlement en ik hoor steeds dezelfde mantra: nultolerantie voor geweld tegen de politie en nultolerantie voor geweld tegen hulpverleners. Dat stond in het regeerakkoord van de vivaldiregering en het staat ook in het regeerakkoord van de regering-De Wever. Ik hoor dat hier al zes jaar debiteren, maar ik zie geen daden.

Daar bent u, mijnheer de minister, in de eerste plaats het slachtoffer van. U verwijst terecht naar de minister van Justitie, maar precies daar ligt het probleem. Het gaat er niet om dat de straffen moeten worden verzwaard, maar wel dat de uitgesproken straffen niet worden uitgevoerd. U kent het gevolg daarvan: er ontstaat een sfeer van straffeloosheid en een demotivatie bij onze politiediensten, die wel hun werk doen, dag in, dag uit, in moeilijke omstandigheden.

Mijnheer de minister, u komt uit Brussel en dus weet u zeer goed in welke omstandigheden onze politiediensten moeten werken. Zij worden niet gesteund door de politiek. Ik geloof u wel op uw woord dat u daar alles aan wilt doen, maar als Justitie niet volgt, is het dweilen met de kraan open. Dat moet dringend veranderen. U hoeft daarvoor niet met de leidinggevenden van politie en hulpdiensten te overleggen over bijkomende maatregelen. Het volstaat dat Justitie haar werk doet, namelijk de uitgesproken straffen daadwerkelijk uitvoeren. Dat is de enige, maar dan ook de enige oplossing om de straffeloosheid uit de wereld te helpen en om onze politie en hulpdiensten de nodige politieke steun te geven. Zo niet voorspel ik u, mijnheer de minister, dat we hier binnen de vier jaar, samen met de heer Bergers, dezelfde vraag zullen stellen en dat er op het terrein niets zal zijn veranderd.

Jeroen Bergers:

Ik ben het met u eens, mijnheer Depoortere, dat Justitie dringend beter werk moet leveren, en dat het vandaag faliekant fout loopt, maar dat is niet het enige probleem. Ik moedig het wel aan en ik ben dankbaar dat de minister zal samenzitten met de diensten om te bekijken wat er nog meer kan gebeuren. Hij wil de rondzendbrief actualiseren. Mijnheer de minister, het is niet voldoende dat de slachtoffers anoniem klacht kunnen indienen en zich burgerlijke partij kunnen stellen. Het zijn vooral de zones waar die slachtoffers actief zijn, die zich altijd burgerlijke partij moeten stellen. Dat mag niet de individuele verantwoordelijkheid zijn van de aangevallen hulpverleners. Dat is de steun die de overheid aan de hulpverleners moet bieden. De kwestie van de burgerlijkepartijstelling moet structureel worden aangepakt, zodat het niet langer de eigen verantwoordelijkheid van de slachtoffers is. We moeten meer doen dan de betrokkenen aanmoedigen zichzelf burgerlijke partij te stellen. Het is inderdaad goed dat er al strengere straffen opgenomen zijn, maar in het regeerakkoord is sprake van nultolerantie. Ik meen dat het belangrijk is dat de regering echt werk maakt van nultolerantie en ik verwacht dat de minister van Justitie dat voornemen in de praktijk omzet. De gevolgen van het uitblijven van een oplossing ter zake komen bij u terecht en zorgen ervoor dat u minder personeel kunt aantrekken, terwijl de noden op het veld groot zijn. Ik juich het dus toe dat u de minister van Justitie hierop zult aanspreken.

Problematische pro-Palestijnse betogingen
De pro-Palestijnse betogingen in het station Brussel-Zuid
De veiligheid bij de komende wielerkoersen
De willekeurige arrestaties van Palestijnen
De vaststelling van het OCAD over de steeds grimmigere pro-Palestijnse protesten in ons land
De opgepakte pro-Palestijnse actievoerders
De beteugeling van de betoging van 2 oktober jongstleden
De vreedzame steunbetoging voor de vloot naar Gaza
Het gewelddadige politieoptreden tijdens de Palestinabetoging
Het gewelddadige optreden van de politie tijdens de pro-Palestijnse betoging
Pro-Palestijnse protesten, veiligheid en politieoptreden in België

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken), Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 8 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om escalerend geweld en polarisatie rond pro-Palestijnse protesten in België, met twee tegenstrijdige visies: enerzijds klachten over agressie, antisemitisme en verheerlijking van Hamas (o.a. grafschennis, geweld tegen politici, bedreigingen bij wielerwedstrijden), anderzijds beschuldigingen van disproportioneel politiegeweld, etnisch profileren en onderdrukking van vreedzaam protest (o.a. arrestaties zonder duidelijke grond, geweld tegen journalisten, zelfmoord van een Palestijnse asielzoeker in detentie). De minister benadrukt wettelijk kader, proportioneel ingrijpen en interne evaluaties, maar critici (o.a. Amnesty, Comité P) wijzen op systematische overtredingen, gebrek aan transparantie en een patroon van repressie tegen Palestijnse activisten. Vrijheid van meningsuiting versus openbare orde blijft de kernspanning, met geen concrete oplossingen voor de onderliggende polarisatie.

Sam Van Rooy:

Mijnheer de minister, volgens het OCAD worden de pro-Palestijnse protesten in ons land grimmiger. Iedereen met ogen in zijn hoofd had dat natuurlijk al lang gezien en soms ook meegemaakt. Het OCAD zei dat na de schandalige ontering van het graf van voormalig MR-boegbeeld Jean Gol, eigenlijk Jean Goldstein. Hij had zijn naam aangepast, omdat hij toen helaas al wist waarom dat nodig was, maar zelfs dat was blijkbaar niet meer voldoende om te voorkomen dat zijn graf werd onteerd. Hij was dus een Joodse man.

Vervolgens waren er ook gewelddadige protesten tegen MR-politici – u zult dat vast hebben gevolgd, mijnheer de minister – waarbij honderden pro-Palestijnse activisten betrokken waren, nota bene bij de gebouwen van de universiteit van Luik. Daarbij werden partijleden en -medewerkers belaagd en raakten twaalf politieagenten gewond, van wie vijf naar de spoed moesten.

Op zondagavond 24 augustus vond er een zoveelste Palestina-betoging plaats in Brussel. Daar werd een man neergestoken. Dat zou gaan om een inter-Palestijns conflict over de rol van Hamas. Ik verneem – ik weet niet of dat klopt, maar u mag het me zeggen als u het weet – dat een Hamas-aanhanger een demonstrant zou hebben neergestoken omdat hij Hamas had bekritiseerd; een klein stukje Midden-Oosten op ons grondgebied dus.

Er was nog een zogenaamde Palestina-betoging waar moslimtieners opriepen om – ik citeer – “onze martelaars te eren”. Daarbij werden expliciet jihadisten genoemd, onder wie de moorddadige Hamasleider Yahya Sinwar, de architect van de genocidale jihadistische massaslachting van 7 oktober 2023. We gaan erop vooruit, mijnheer de minister.

Verder was er de Vuelta, waaraan ook de ploeg Israel - Premier Tech deelnam. Die werd dag na dag ontsierd door levensgevaarlijke taferelen, doordat anti-Israël-demonstranten met Palestijnse vlaggen herhaaldelijk het parcours bestormden. Zeker als voormalig wielrenner maakte mij dat extra woedend.

We stellen nu vast dat dit soort weerzinwekkende terreur – dat is het immers – helaas werkt. Nadat de Israëlische wielerploeg eerst werd gecanceld uit wielerkoersen, heeft de bezieler nu een stap opzijgezet en is Israël uit de naam van de ploeg geschrapt. Dat is de gele Jodenster anno 2025.

Mijnheer de minister, wat is uw reactie op deze tendens en evolutie? Wat onderneemt de regering om tijdens wielerkoersen in ons land de veiligheid van alle renners en hun omkadering te garanderen? Ik vraag dit nadat de bezieler van de Israëlische wielerploeg een stap opzij heeft gezet en nadat Israël uit de naam van de ploeg is geschrapt.

We weten immers dat die anti-Israëlactivisten daar geen genoegen mee zullen nemen. Zij zullen blijven proberen obstakels op te werpen en wellicht levensgevaarlijke taferelen te veroorzaken.

Wat onderneemt u om de veiligheid van onze wielerkoersen en van alle wielrenners te garanderen? Als er één valt, dan valt er immers vaak een hele hoop. Wat onderneemt u om die veiligheid te waarborgen? Wat vindt u van de verheerlijking van moorddadige Hamasterroristen zoals Yahya Sinwar door moslimtieners in België? Wat is uw reactie op de bevinding van het OCAD dat de pro-Palestijnse protesten in ons land grimmiger worden? Wat onderneemt u daartegen? Dit gebeurt natuurlijk stap voor stap. Er staat ook nog een vraag over Code Rood en andere radicale groeperingen op de agenda. Deze worden steeds gewelddadiger en agressiever, omdat ze voelen en weten dat ze in dit land met fluwelen handschoentjes worden aangepakt.

Rajae Maouane:

Monsieur le ministre, depuis deux ans, chaque soir, des citoyennes et des citoyens se rassemblent à Bruxelles. Depuis de nombreux mois, ils se rassemblent à la Bourse pour exprimer pacifiquement leur solidarité avec le peuple palestinien: ils chantent, ils manifestent et exercent donc un droit fondamental.

Cependant, depuis quelques semaines, les témoignages se multiplient. La police ne se contente plus d'encadrer les manifestants mais semble cibler directement les Palestiniens qui sont présents. Cela résulte en des arrestations, y compris de personnes en ordre de séjour, qui voient leur intégrité menacée et qui risquent même l'enfermement en centre fermé.

Je tiens à citer ici les noms, car derrière chaque arrestation, il y a des humains: Fethi, Enes, Hamouda et Ossam sont quatre militants palestiniens récemment arrêtés à Bruxelles. Ensuite, il y a le drame de Mahmoud. Il avait survécu aux horreurs de Gaza mais s’est donné la mort il y a deux nuits, alors qu'il était enfermé au centre fermé du 127 bis . Il avait demandé à pouvoir sortir pour faire son deuil. Il a écrit et supplié pour sortir mais sans succès. Suite à cela, il a tragiquement mis fin à ses jours. Ce n’est pas la question ici, mais je tiens à souligner qu’il est décédé ici, en Belgique. Ce que la guerre n’avait pas pris, notre système, lui, l’a brisé.

J'en reviens à des considérations très simples, très actuelles et très concrètes. Monsieur le ministre, quelles sont aujourd’hui les instructions données aux forces de l’ordre pour encadrer les rassemblements pacifiques qui ont lieu sur le territoire de la ville de Bruxelles? Comment vous assurez-vous qu'aucune communauté ne soit spécifiquement ciblée en raison de son origine ou de son engagement politique? Quelles garanties concrètes pouvez-vous nous donner pour que les libertés d'expression et de manifestation – qui sont des droits fondamentaux de notre démocratie – soient respectées?

Voorzitter:

Madame Marouane. Je vous donne la parole pour votre deuxième question jointe.

Rajae Maouane:

Monsieur le ministre, le 2 octobre, nous avons vu l'inacceptable à Bruxelles. Des citoyennes et des citoyens manifestaient pacifiquement pour la Palestine et alors qu’ils fuyaient effrayés, ils ont été exposés aux gaz lacrymogènes. Ils ont été brutalisés par la police. Ils ont été pourchassés, battus, humiliés.

Amnesty International parle d’un recours illégal et disproportionné à la force. Malheureusement, ce n’est pas un incident isolé. Comme je le dis depuis des mois, ces manifestations de solidarité sont systématiquement entravées, brutalement dispersées, parfois même interdites. C’est devenu une tendance lourde, inquiétante, qui met directement en cause les choix et les ordres donnés à la police.

Quels ordres exacts ont été donnés le 2 octobre? À quelle heure, par qui et avec quels suivis policier et politique? Étiez-vous informé de la décision de disperser la manifestation pacifique de la place du Luxembourg? Comment expliquer que des policiers soient intervenus sans matricule – comme nous le voyons apparemment sur les images – alors qu'il s'agit pourtant d'une obligation légale et d'une garantie minimale de transparence?

Enfin, j'aimerais avoir des explications sur la disproportion de la réponse qui a été donnée. Pourquoi des gaz lacrymogènes, des canons à eau, des matraques contre des manifestants qui fuyaient et qui ne représentaient ou semblaient ne représenter aucune menace?

Greet Daems:

Mijnheer de minister, mijn eerste vraag gaat over vier pro-Palestijnse actievoerders die de voorbije weken in Brussel na vreedzame betogingen werden opgepakt en ondergebracht in gesloten centra.

Volgens de politie en de DVZ ging het om een verstoring van de openbare orde, maar tot op vandaag blijft onduidelijk welke concrete feiten die zware ingreep rechtvaardigen. Een van de actievoerders is Houssam, een Palestijnse asielzoeker wiens asielprocedure loopt. Hij werd in een metrostation opgepakt en in een gesloten centrum geplaatst. Mensenrechtenadvocaten noemen dat ongezien en disproportioneel, aangezien asielzoekers enkel kunnen worden opgesloten na strafbare feiten en een rechterlijke veroordeling. De raadkamer heeft intussen geoordeeld dat de actievoerders moesten worden vrijgelaten wegens een gebrek aan enige bedreiging voor de openbare orde. Zelfs de processen-verbaal van de politie bleken niet in het dossier te zitten. Toch blijft de DVZ bij zijn beslissing en is de DVZ in beroep gegaan.

Ik heb daarover op 1 oktober al vragen gesteld aan de minister voor Asiel en Migratie, maar zij verwees mij voor de politionele zaken naar u door.

Mijnheer de minister, op basis van welke feiten werden Houssam en de andere actievoerders opgepakt? Wie heeft daartoe het bevel gegeven? Wat is de concrete motivering om te spreken van een verstoring van de openbare orde?

Waarom worden mensen wiens asielprocedure loopt opgesloten in een gesloten centrum?

Hoe garandeert u dat het grondrecht op vreedzaam protest niet wordt uitgehold door dat soort ingrepen?

Waarom ging de DVZ in beroep tegen de uitspraak van de raadkamer?

Waarom ontbraken de processen-verbaal in het dossier van de mannen die voor de raadkamer zijn verschenen?

Mijn tweede vraag gaat over het politiegeweld in Brussel tegen Palestijnse actievoerders. Na de betoging van vorige week donderdag in Brussel tegen de Israëlische aanval op de humanitaire flotilla zijn bij het Comité P al tien klachten binnengekomen over het buitensporig geweld door politieagenten. Niet alleen vreedzame betogers werden geconfronteerd met geweld, maar ook leden van de pers, ook al hadden zij zich duidelijk geïdentificeerd. Daar zijn verschillende getuigen van.

De politie spreekt over incidenten en vernielingen door een beperkte groep, maar het is een feit dat ook vreedzame deelnemers en journalisten zwaar werden aangepakt.

Een fotojournaliste van het internationaal onderzoekscollectief OCCRP heeft verklaard dat ze met de wapenstok werd geslagen toen ze vastlegde hoe agenten een vrouw op de grond sloegen. Dat is niet het eerste incident. In januari, tijdens de betoging tegen Jordan Bardella, werden journalisten eveneens geviseerd. Enkele maanden geleden belandde een journalist met perskaart ook een nacht in de cel. Het wordt stilaan een patroon dat bepaalde pelotons van PolBru optreden op een manier die persvrijheid en het recht op betogen ondermijnt.

Wij begrijpen dat ordehandhaving complex is, maar telkens buitensporig geweld vergoelijken met moeilijke omstandigheden ondermijnt de rechten van burgers. Als die incidenten blijven terugkeren, spreken we niet langer over individuele fouten, maar over een beleid dat die incidenten toelaat.

Mijnheer de minister, welke richtlijnen gelden voor het optreden van de politie tegenover journalisten en vreedzame betogers? Hoe garandeert u dat die richtlijnen in Brussel worden gerespecteerd?

Zult u gezien de herhaling van dergelijke incidenten een onafhankelijk onderzoek laten voeren door de AIG naar het optreden van PolBru tegenover de pers en burgers tijdens manifestaties?

Welke maatregelen zult u nemen om te vermijden dat de politie opnieuw zo reageert op vreedzaam protest, of het nu gaat over Palestina, sociale rechten of om het even welke andere zaak?

Christophe Lacroix:

Monsieur le ministre, par centaines de milliers, et à plusieurs reprises, les citoyens et les citoyennes de ce pays, en ce compris en famille (grands-parents, parents, enfants), ont exercé un droit constitutionnel important, celui de manifester pacifiquement. Ils l’ont fait pour dénoncer un génocide – ce qu'il y a de plus terrible dans l'histoire de l'humanité –, un génocide en cours, mené par le gouvernement israélien contre la population civile à Gaza. Ils ont tracé une ligne rouge, alors que notre gouvernement n'a pas été capable de faire de même, et n'a pas une réponse suffisante, à mes yeux, face au drame humanitaire en cours.

Jeudi dernier, à nouveau, de nombreux citoyens – 5 000 – sont descendus, de manière tout à fait spontanée, dans les rues de la capitale – mais il y en avait aussi dans d'autres villes du pays –, pour manifester leur soutien à la flottille pour Gaza. Cette flottille a été raillée par certains hommes politiques, dont votre président de parti. Plusieurs Belges y participaient et ont été arrêtés par les autorités israéliennes.

La manifestation a commencé au SPF Affaires étrangères et s'est terminée à la place du Luxembourg pour dénoncer la non-protection par notre pays de la flottille.

Cette manifestation a donné lieu à des images difficilement justifiables. Je me suis demandé si j'étais bien en Belgique. J'ai vu, comme d'autres, des policiers qui gazaient des manifestants en fuite. D'autres étaient littéralement pourchassés dans les rues.

Je pense que toute la transparence doit être faite sur ces événements inacceptables, alors que la réponse de la police doit toujours être proportionnelle. C'est de cette proportionnalité qu'elle tire sa légitimité. Loin de moi l'idée d'accabler la police. Je sais que c'est un métier compliqué, et particulièrement que gérer et encadrer des manifestations s'avère de plus en plus complexe.

Monsieur le ministre, j'aimerais avoir votre avis et connaître les informations en votre possession concernant ces violences en marge des manifestations. Je voudrais également savoir si une enquête interne à la police intégrée a été demandée.

Bernard Quintin:

Mijnheer de voorzitter, ik vang mijn antwoord aan met de vraag van de heer Van Rooy over de verstoring van wielerwedstrijden. Bij een wielerwedstrijd hebben de lokale bestuurlijke overheden en de politiediensten uiteraard contact met de organisatoren. Bij het opstellen van de operationele risicoanalyse worden mogelijke protestacties besproken. Met betrekking tot de Israëlische wielerploeg Premier Tech wordt bijkomend door het NCCN voorzien in verhoogde waakzaamheid door de veiligheidsdiensten en worden gepaste maatregelen voorzien.

Het OCAD verwijst in algemene termen naar de evolutie van de wekelijkse kleinschalige pro-Palestijnse manifestatie in het Brusselse en naar de toenemende polarisatie rond de Palestijnse kwestie. De dramatische situatie in Gaza leidt tot uiteenlopende meningen binnen onze samenleving. De veiligheidsdiensten volgen die evolutie nauwgezet op via monitoring, dreigings- en risicobeoordeling en versterkte samenwerking tussen federale en lokale actoren. Daarnaast wordt ook gewerkt aan sensibilisering en preventie, onder meer via de Strategie T.E.R., om signalen van radicalisering tijdig te detecteren en een gepaste opvolging te voorzien.

Met betrekking tot de steekpartij tijdens de pro-Palestijnse manifestatie, het parket heeft gecommuniceerd dat uit de eerste elementen van het onderzoek blijkt dat de betrokken personen elkaar kenden. Het zou dus om een interpersoonlijke discussie gaan. Het 22-jarige slachtoffer verkeert niet meer in levensgevaar. Een 21-jarige verdachte werd ter beschikking gesteld van het parket.

Het verheerlijken van terrorisme wordt specifiek voorzien in het nieuw Strafwetboek, dat op 8 april 2026 in werking zal treden. Die strafbaarstelling wordt strikt afgebakend, met voorwaarden over omstandigheden en aannemelijkheid van de gevolgen. Het komt de minister van Justitie toe om te antwoorden op de vraag of heel jonge kinderen die op de schouders van volwassenen in het openbaar oproepen tot het verheerlijken van personen die zij martelaars noemen, binnen de definitie valt van strafbare deelneming aan het verheerlijken van terrorisme.

Madame Maouane, je vais répondre à vos questions en deux temps. D’abord, je répondrai en ce qui concerne les questions sur les arrestations arbitraires et ensuite je répondrai aux questions sur les instructions données à la police locale dans le suivi des manifestations.

Contactée par mes soins, la police de Bruxelles-Capitale/Ixelles, PolBru, m’a fait savoir qu’afin d’éviter les incidents, elle est toujours présente de façon plus discrète et n’intervient qu’en cas de commission de faits délictueux, surtout si ceux-ci menacent la sécurité publique ou l’intégrité physique des personnes.

Je tiens à être clair et à le rester. Chaque intervention policière qui serait basée sur l’origine ethnique ou sur l’engagement politique d’une personne est une discrimination strictement interdite par la loi et, comme je l’ai déjà répété quelques fois aujourd'hui, la loi est la loi. De wet is de wet. Bien sûr, les forces de l’ordre sont les premières à devoir respecter la loi dont elles veillent à la bonne mise en œuvre.

Le contrôle de cette interdiction est exercé par les fonctionnaires dirigeants de la police, les organes de contrôle des services de police, le ministère public et, bien sûr, la presse et le public. Plus spécifiquement, les règles en matière de profilage professionnel et d’interdiction du profilage ethnique sont reprises dans la circulaire ministérielle CP5 du 7 juillet 2023, établie par ma prédécesseure.

En outre, le contrôle d’une personne doit répondre aux critères légaux en la matière. En d’autres termes, si le policier ou la policière a des motifs raisonnables de croire, en raison d’indices matériels ou de circonstances de temps et de lieu, que cette personne est recherchée ou qu’elle a tenté de commettre une infraction, qu’elle se prépare à la commettre ou encore qu’elle pourrait troubler l’ordre public ou qu’elle l’a troublé, la police appliquera la loi. Si la personne contrôlée est en séjour illégal, les directives de l'Office des étrangers sont exécutées par la police. Ici aussi, le travail de la police peut faire l’objet de plaintes et de procédures en justice. Les libertés d’expression et de manifestation sont des droits fondamentaux mais elles ne sont pas des droits absolus. L’article 26 de la Constitution accorde aux Belges le droit de s’assembler paisiblement et sans armes en se conformant aux lois qui peuvent régler l’exercice de ce droit, sans néanmoins le soumettre à une autorisation préalable. Il va de soi que les lois de police s’appliquent en tous temps et en tous lieux.

J'en viens maintenant au suivi de la manifestation du 2 octobre dernier. Le 2 octobre – et je prends les informations reçues de PolBru – à 16 h 15, s’est formé à la hauteur du ministère des Affaires étrangères, dit SPF, un rassemblement de soutien à la flottille arraisonnée au large de Gaza. Aucune demande n’avait été introduite. Ni la police ni les autorités n’avaient été averties. Quatre mille personnes étaient rassemblées et la police a pris contact avec les responsables afin de négocier un scénario dans le respect du droit fondamental à la protestation pacifique.

Grâce à une concertation avec nos services de police, celle-ci a pu évoluer vers une action dynamique encadrée.

Un accord fut donc trouvé afin d'organiser une marche vers la place du Luxembourg face au Parlement européen.

Ce cortège s'est déroulé sans le moindre incident, en parfaite collaboration, mis à part un groupe plus radical qui a immédiatement été au contact des policiers au barrage protégeant le Parlement et dont certains membres ont tagué les bâtiments du Parlement, entre autres, de slogans antisémites.

Peu avant 18 h 45, les organisateurs ont appelé à se disloquer. C'est ce que 3 600 personnes environ ont fait dans le calme. Toutefois, un groupe de 200 à 300 personnes a décidé de former un nouveau cortège sans aucune concertation et dont les intentions n'étaient pas connues. Ce groupe a déambulé vers le centre-ville, causant des dégradations tant au domaine public qu'aux biens privés. Il a également bloqué temporairement les tunnels de la petite ceinture, s'en prenant aux automobilistes et aux installations des tunnels.

Une première apparition de la police, jusque-là discrète, a mis fin à ces agissements. Ce groupe a ainsi marché jusqu'à la Bourse, où il a rejoint le rassemblement, non autorisé mais toléré, qui s'y tient quotidiennement, comme vous l'avez souligné vous-même. Ici aussi, des dégradations furent commises le long du parcours.

Entre-temps, 100 à 150 personnes continuaient, sans concertation, à bloquer la place du Luxembourg, perturbant gravement la mobilité, en particulier les transports en commun.

Vers 20h, un groupe s'est reformé à la Bourse, toujours sans concertation, et a rejoint la petite ceinture.

La police a décidé de mettre fin à ce cortège sauvage. Elle a tenté de le stopper, mais cela a eu comme conséquence des jets de projectiles vers la police suivis d'un "jeu du chat et de la souris", si vous me permettez l'expression. À l'aide de patrouilles réactives, la police a fini par disperser ce groupe qui n'avait plus de "pacifique" que le nom.

Il est déjà près de 22h. La police a également demandé au groupe de la place du Luxembourg de libérer la place, ce qui a aussi eu comme conséquence des jets de projectiles. Les manifestants refusèrent de quitter la place et avouèrent l'intention d'y camper. Les jets de projectiles continuaient et les événements mettaient en danger les autres personnes sur ladite place.

Il a alors été décidé de disperser le groupe, et là aussi, il fut fait usage de gaz incapacitants et aussi d'une arroseuse. Ces moyens n'ont été utilisés que lorsque le dialogue n'était plus possible et dans le strict respect du cadre légal. Ces mesures, bien qu'impressionnantes visuellement, j'en conviens, sont prévues par la loi pour rétablir l'ordre public lorsque toutes les autres options ont échoué.

Le calme a été rétabli partout vers 23h.

Quatre personnes ont été arrêtées judiciairement et mises à disposition du procureur du Roi, entre autres pour rébellion armée. Cela démontre également les véritables intentions des groupes en question qui ne peuvent donc, à la lumière des événements que je viens de mentionner, être qualifiés ni de pacifiques ni de respectueux de la loi. Je parle bien des derniers groupes. Au demeurant, je vous rappelle qu'un policier a été blessé.

Mesdames et messieurs les députés, les manœuvres policières tant à Bruxelles qu'à Ixelles ont été approuvées par les autorités administratives compétentes. J'ajouterai que l'évaluation du caractère proportionné de toute intervention policière repose sur plusieurs critères, dont l'analyse de la situation sur le terrain, les risques pour la sécurité publique, le comportement des participants et le respect du cadre légal. A posteriori , une évaluation interne est systématiquement menée après chaque intervention d'envergure. Elle permet d'analyser les actions menées, d'identifier les points d'amélioration éventuels et de garantir que les futures interventions restent toujours proportionnelles, légales et transparentes. Voilà pour les faits.

Quant aux aspects d'ordre juridique, certains d'entre vous m'ont interrogé relativement à des plaintes adressées au Comité P. Je vous rappelle que celui-ci est un organe qui dépend du Parlement. Par conséquent, si vous souhaitez le saisir, cela relève évidemment de vos prérogatives.

S'agissant ensuite de la saisine de l'Inspection générale de la police, sur la base des informations qui m'ont été précisées par la zone PolBru, aucun élément ne me suggère, pour le moment, d'agir en ce sens.

Certains d'entre vous m'ont interrogé quant à la présence de journalistes dans la manifestation et à l'attitude de la police à leur égard. J'ai dit précédemment, et je le répète, que la liberté de la presse constitue un pilier fondamental de notre démocratie. Nos services de police sont pleinement conscients du rôle des journalistes, y compris lors de manifestations. Des directives claires sont en vigueur en ce qui concerne leur traitement par les forces de l'ordre. Elles insistent notamment sur l'identification correcte des journalistes sur le terrain, le respect de leur travail d'information et l'interdiction de toute entrave injustifiée à l'exercice de leur mission, sauf en cas de risque immédiat pour la sécurité. En pratique, ces directives sont rappelées régulièrement aux policiers, notamment en amont des manifestations importantes. De plus, lors des briefings opérationnels, l'attention est portée tout particulièrement sur la présence de journalistes, tandis que des consignes sont données pour garantir leur sécurité et leur liberté de mouvement, dans la mesure du possible et dans le respect des règles de sécurité publique.

En cas d'incident ou de plainte impliquant un journaliste, une procédure d'examen est systématiquement enclenchée. Toute plainte est prise au sérieux, transmise au parquet de Bruxelles, et peut faire l'objet d'un suivi disciplinaire ou judiciaire, si nécessaire.

La police reste engagée à maintenir un dialogue ouvert avec les représentants des médias et à améliorer en permanence nos pratiques, afin de garantir à la fois la sécurité publique et le respect des libertés fondamentales. Il s'agit là d'un sujet de tension permanent, mais aussi d'un sujet de tension au sens politico-légal du terme, bien entendu. La zone de police PolBru s'est déjà mise à table avec des représentants médias des deux côtés du pays afin de baliser au mieux leur présence lors des manifestations, en veillant à assurer leur droit à l'information, leur travail ainsi que leur intégrité physique et la protection de leur matériel face à des personnes et/ou des groupes hostiles.

Sam Van Rooy:

Minister, ik dank u voor uw antwoord.

Het OCAD waarschuwt dat de zogenaamde pro-Palestijnse protesten in ons land grimmiger worden. In de praktijk zien we – ik merk dat ook in Antwerpen – dat ze agressiever worden, dat zij overgaan tot vandalisme en zelfs grafschennis, zoals bij het graf van Jean Gol, alsook tot geweld tegen politici, recent nog tegen politici van uw partij, de MR. Zij doen dat ook omdat zij weten dat zij in dit land niets of hoogstens een fopstrafje riskeren.

Die zogenaamde pro-Palestijnse activisten brengen bovendien wielrenners in levensgevaar. Zij mogen in dit land al bijna twee jaar gewoon oproepen tot dodelijk jihadistisch geweld. Zij mogen op straat moorddadige jihadistische terroristen verheerlijken, zelfs Yahya Sinwar, de architect van de genocidale massaslachting van 7 oktober 2023.

Ondertussen worden de nuttige idioten van de jihad, die meevaren op de illegale Hamas- flotilla , door deze regering toegejuicht en zelfs geholpen. Belgistan doet zijn naam helaas weer alle eer aan.

Rajae Maouane:

Monsieur le ministre, je répliquerai aussi en deux temps, si vous le permettez.

Concernant les manifestations et le ciblage des Palestiniens tous les soirs à la Bourse, vous évoquez un encadrement policier qui est conforme aux règles. Pourtant, des témoignages concordants font état d'interpellations ciblées sur des personnes avec un faciès d'origine arabe, des personnes qui sont parfois aussi en ordre de séjour.

Puisque je participe régulièrement à ces manifestations, à ces rassemblements à la Bourse, j'ai moi-même assisté à des interventions qui étaient un peu limites avec des policiers qui n'avaient pas de matricule apparent. Mais une fois que je leur ai fait la remarque, ils l'ont évidemment bien gentiment montré. Ces policiers utilisent la technique de la nasse qui est totalement illégale, pour laquelle l'État belge a été condamné, pour laquelle la Ville de Bruxelles a été condamnée et pour laquelle M. Close a été condamné personnellement.

Pour nous, il est extrêmement important de mesurer ce qui est en train de se passer. Vous avez en effet rappelé que les arrestations qui sont fondées sur l'origine ethnique étaient contraires à la loi. Cependant, au regard des événements récents, des témoignages et de mes propres observations, il semblerait que la base légale du motif "raisonnable" de croire à la commission d'un délit soit bien trop largement interprétée par certains membres des forces de l'ordre. Comme on le voit bien, ces arrestations sont parfois suivies de placements en centre fermé ou en cellule qui mettent en péril des parcours d'intégration, des demandes d'asile voire des vies, puisqu'on a assisté voici deux jours au suicide d'un réfugié palestinien.

S'agissant de la répression du 2 octobre, monsieur le ministre, on a assisté à une espèce de moment de bascule. Vous avez dit que la proportion d'une intervention se mesure à l'analyse de la situation sur le terrain. Alors, force est de constater qu'il y a eu ici une grave disproportion au cours des événements du 2 octobre, la réaction de la police étant totalement disproportionnée.

Vous avez évoqué ce qu'il s’est passé du côté de la place du Luxembourg. Je n’y étais pas, mais vers 20 h, j’étais avec des centaines de personnes aux environs de la Bourse et j’ai vu de mes propres yeux des passants recevoir des coups de matraque, des passants qui parfois n’avaient rien à voir avec la manifestation en cours. À un moment donné, la police anti-émeutes a chargé sans sommation et s’est déchaînée sur une foule de citoyens. Certains participaient à la marche, d’autres pas du tout. Il y avait des femmes, des hommes, des enfants, des personnes âgées, des personnes à mobilité réduite. Ces personnes ont été chargées sans distinction. Il semblerait que cela ait eu lieu en toute impunité. Quand des policiers en civil ou des policiers anti-émeutes insultent, pourchassent et finissent par encercler des manifestants, également sur la place des Martyrs et dans les rues avoisinantes, on se retrouve face à un grave problème de proportionnalité, qui est extrêmement inquiétant et pour lequel je n’ai pas obtenu de réponse satisfaisante, monsieur le ministre. Je poserai la question aussi au responsable de la police locale, M. Close.

Greet Daems:

Mijnheer de minister, u hebt niet geantwoord op mijn eerste vraag, over de vier opgepakte Palestijnse actievoerders die in een gesloten centrum werden geplaatst. Ik weet niet of er iets fout gelopen is? U hebt er niets over gezegd. Ik weet niet of u het vergeten bent.

Bernard Quintin:

Dat hangt af van minister Van Bossuyt. Als er vreemdelingen zijn opgepakt, is ook Dienst Vreemdelingenzaken erbij betrokken.

Greet Daems:

Dat is straf, want mevrouw Van Bossuyt verwijst voor de politionele aspecten naar u door. Ik heb dit vandaag nog al gehoord. Men trekt hiermee de paraplu open. Wij hebben toch het recht om te weten wat er is misgelopen. Wat hebben die mensen misdaan om in een gesloten centrum te worden opgesloten? Daar moet duidelijkheid over komen. De politie en niet de DVZ kiest wie zij op een betoging oppakt en zij valt onder uw bevoegdheid. Het verstoren van de openbare orde als reden blijft heel vaag. Nu ontstaat de indruk dat Palestijnen die hun stem laten horen tegen de genocide het risico lopen opgesloten te worden in gesloten centra. Dat is een directe ondermijning van het grondrecht op vrije meningsuiting en vreedzaam protest. Ik zal de vraag misschien later nog eens stellen om alsnog een antwoord te krijgen.

Wat betreft het politiegeweld in Brussel tegen de Palestijnse actievoerders, hebt u een verloop van de betoging op 2 oktober gegeven op basis van een verslag van PolBru. Daaruit blijkt dat alles correct verlopen zou zijn. Hoe verklaart u echter dat er inmiddels tien klachten zijn ingediend bij het Comité P, waaronder van journalisten die zich identificeerden? Wanneer burgers en leden van de pers met een wapenstok worden geraakt, is er op zijn minst reden om te onderzoeken of de proportionaliteit wel gerespecteerd werd. Ik vind het jammer dat u die intentie niet hebt.

Dat is wat er telkens gebeurt. Men belooft interne evaluaties, maar er verandert eigenlijk niets. Intussen stapelen de klachten zich op en wordt het geweld telkens opnieuw vergoelijkt.

U zegt dat de politie moest ingrijpen omdat er vernielingen waren en er projectielen werden gegooid. Niemand betwist echter dat de politie de openbare orde moet handhaven. De vraag is hoe dat gebeurt. Het probleem is niet dat er werd opgetreden, maar dat ook vreedzame deelnemers en journalisten werden geviseerd. Dat is het probleem, mijnheer de minister.

Christophe Lacroix:

Merci monsieur le ministre pour votre réponse, que j'ai trouvée franchement… très bonne! Je ne viens pas souvent dans cette commission, car je m'occupe plutôt des relations internationales, comme vous il fut un temps, mais je trouve que nous avons un ministre de l'Intérieur qui sait garder son sang-froid et qui prend ses responsabilités. Cela vaut la peine de le dire.

Deuxièmement, face au génocide qui se passe en Palestine, il y a évidemment une émotion qui est vivement ressentie par notre population, en particulier par les jeunes, des étudiants du secondaire, des étudiants universitaires qui se déplacent et qui souvent, parce qu'ils ont le cœur au bord des lèvres, ne sont pas habitués à des organisations cadrées, etc.

Vous avez bien précisé, dans votre réponse, que la police avait négocié, avec celles et ceux qui pouvaient encadrer le mouvement spontané, les conditions pour mener à bien la manifestation de manière pacifique. Et c'est en toute fin de parcours que la situation a dégénéré, comme très souvent. Je suis fils de syndicaliste, j'ai participé dès l'âge de 14-15 ans à de nombreuses manifestations, qui étaient toutes bien coordonnées par la police et les syndicats, et c'était toujours en fin de manifestation que des casseurs qui n'avaient rien à voir avec le mouvement syndical venaient à la fois pour discréditer ce mouvement, mais aussi pour casser du policier.

Cela ne justifie pas les réactions disproportionnées de la police. Ce qui me rassure, c'est que vous avez dit qu'une évaluation interne se faisait a posteriori , que tous les canaux qui sont à disposition des citoyens et des parlementaires pouvaient être actionnés, et que vous resterez vigilant à ce sujet.

Parce que, in fine , ont été décomptées 5 000 personnes selon le PS, et 4 000 selon la police. Ce sont des manifestants pacifiques qui étaient présents à Bruxelles le 2 octobre. Sur ces 4 000 ou 5 000 personnes, 150 ont créé des troubles et on ne dénombre que quatre arrestations, quatre personnes en détention judiciaire. Il est donc malheureux que ces 150 personnes aient minimisé l'impact positif de cette manifestation.

En outre, je pense que, si on calcule la proportion, il doit y avoir de temps en temps des dérapages de la part des policiers comme il y en a de la part des citoyens. Mais vous êtes là pour veiller à ce que les policiers, qui sont parfois lourdement armés et lourdement équipés, n'occasionnent pas des entraves manifestes à la liberté constitutionnelle de manifester pacifiquement. Je vous remercie.

Voorzitter:

Vraag nr. 56007460C van mezelf is omgezet in een schriftelijke vraag.

Het toenemende antisemitisme in ons land
De Hamas-terreurcellen in België en de veiligheid van de Joodse gemeenschap
Antisemitisme en veiligheidsrisico's voor de Joodse gemeenschap in België

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 8 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de alarmerende stijging van antisemitisme in België, met name de groeiende onveiligheid onder Joden in Antwerpen en Brussel, waar agressie, haatincidenten en vrees voor aanslagen toenemen. Minister Quintin bevestigt verhoogde politiële surveillance (zichtbaar en onzichtbaar) rond gevoelige locaties zoals synagogen en scholen, samenwerking met Joodse veiligheidsdiensten, en betere registratie van incidenten, maar Van Rooy (N-VA) blijft kritisch: hij wijst op trage politierespons, onvoldoende bescherming en het risico van Hamas-sympathisanten en jihadistische infiltratie in België, met name na 7 oktober 2023. Concrete actiepunten (zoals patrouilles en onderzoek naar extremistische netwerken) blijven beperkt tot lopende monitoring, zonder structurele oplossingen.

François De Smet:

Monsieur le ministre, ne nous voilons pas la face, la recrudescence de l'antisémitisme est une triste réalité. Je ne vais pas refaire l'inventaire, mais on ne compte plus les tags antisémites, les profanations de tombes, comme celle de Jean Gol, les insultes, les agressions verbales ou physiques.

Il faut prendre conscience de l'atmosphère de peur et d'insécurité dans laquelle vivent aujourd'hui nos concitoyens juifs à Anvers, à Bruxelles et ailleurs. C'est une réalité qui touche les écoles, les lieux de culte, les réseaux sociaux, les espaces publics. Des familles nous disent qu'elles hésitent encore à inscrire leurs enfants dans des écoles publiques. Certains cachent leur identité, d'autres songent à quitter le pays.

Je vous avais interrogé le 29 avril dernier au sujet d'un tag antisémite sur des pavés de la mémoire. Vous aviez alors annoncé que vous deviez rencontrer les représentants de la communauté juive dans les semaines suivantes.

Je crois qu'il importe de prendre cette menace d'actes antisémites très au sérieux et d'alerter de ce fait les services compétents. Il serait aussi opportun de mettre à exécution l'un des volets de l'accord du kern, selon lequel une vigilance accrue à l'égard de l'antisémitisme sera assurée et la surveillance des incidents antisémites sera renforcée.

Monsieur le ministre, cette rencontre avec les représentants de la communauté juive a-t-elle eu lieu? Quels enseignements ont-ils pu en être tirés? Des mesures concrètes sont-elles prises, notamment pour l'instauration de patrouilles de police régulières auprès de sites identifiés comme sensibles, de manière renforcée? Les modalités d'exécution de l'accord du kern sur le conflit au Proche-Orient et en matière de lutte contre l'antisémitisme ont-elles été définies?

Sam Van Rooy:

"België is uitgegroeid tot een centraal knooppunt voor Hamasagenten en sluimerende cellen, van wie velen op frauduleuze wijze asiel hebben aangevraagd, en na 7 oktober zijn geactiveerd. Ze zijn bij naam bekend en alomtegenwoordig, maar de autoriteiten willen niet ingrijpen uit angst om als islamofoob te worden bestempeld," aldus Ahmed Fouad Alkhatib, hoofd van 'Realign For Palestine'. Hij zegt dat naar aanleiding van de arrestatie in Duitsland van drie Hamasleden die bezig waren met wapens. Vermoed wordt dat ze aanslagen planden op Israëlische of joodse doelwitten.

Na de dodelijke jihadistische antisemitische aanslag in Manchester, waarbij aan een synagoge twee mensen werden vermoord en er vier zwaargewond geraakten, is weer maar eens pijnlijk duidelijk geworden dat de joodse gemeenschap een zeer groot risico loopt het slachtoffer te worden van de islamitische jihad.

Mijnheer de minister, hoe reageert u op de stelling van Ahmed Fouad Alkhatib?

Proberen in ons land Hamas of aanverwante jihadistische groeperingen moslims te rekruteren om jihadaanslagen te plegen?

Wil de regering onderzoeken hoe groot de sympathie voor Hamas is binnen de moslimgemeenschap, en specifiek bij de Palestijnen die sinds 7 oktober 2023 dit land zijn binnengekomen? Zo neen, waarom niet?

Mijn laatste vraag heb ik al heel vaak gesteld, hier maar vooral ook op het Antwerpse niveau, in de gemeenteraad. Vindt u dat joodse en Israëlische instellingen in België, met name in Antwerpen en Brussel, voldoende worden beveiligd? Graag een toelichting.

Bernard Quintin:

En ce qui concerne l'antisémitisme et la sécurité des communautés juives en Belgique, la lutte à cet égard nécessite effectivement une attention permanente dans notre pays. Ces derniers mois, j'ai pu rencontrer les représentants de la Fondation Auschwitz, du Comité de Coordination des Organisations Juives de Belgique (CCOJB) ou encore de l’Union des É tudiants juifs de Belgique, dont le coprésident a été agressé sur le campus universitaire de l'ULB. Par ailleurs, mon cabinet est en contact régulier avec ces différents représentants, et notamment, encore récemment, avec le Consistoire central israélite de Belgique (CCIB). L'ensemble de ces échanges confirment, s'il le fallait, que la communauté juive vit au quotidien, à tout le moins, un sentiment d'insécurité.

Les services de sécurité privés de la communauté juive sont extrêmement sollicités depuis maintenant deux ans pour des situations variées, allant de la sécurisation des institutions juives au monde scolaire et à la vie sociale et de quartier.

Vous le savez, si des actes ou menaces sont commis en différents lieux, la situation anversoise et la situation bruxelloise sont spécifiques. Sans entrer dans les détails opérationnels, je peux vous indiquer qu'effectivement, les dispositifs policiers sont et restent considérables, comme le sont aussi les échanges réguliers entre les services de police, locale et fédérale, et les services de sécurité privés de la communauté, et ce tout particulièrement depuis le 7 octobre 2023. Une présence visible et non visible est maintenue auprès des intérêts de la communauté juive de Belgique.

L'évaluation permanente de la situation est réalisée par les services de police, alors que l'analyse de la menace est, elle aussi, périodiquement effectuée. À cet égard, il est régulièrement demandé aux services de sécurité de la communauté de sensibiliser les personnes victimes sur l'importance de déposer une plainte auprès de la police. Cela permet d'assurer une vue précise du phénomène et d'adapter les dispositifs de prévention et de protection, si nécessaire.

Il me paraît important de signaler que l'OCAM participe aux réunions du mécanisme interfédéral de lutte contre l'antisémitisme. Par ailleurs, l'enregistrement des faits, menaces, discours, agressions liées à l'antisémitisme par les services de police est aujourd'hui possible avec précision, grâce à l'amélioration des données contextes dans les applications de services de police. Cela doit et va permettre d'affiner le travail indispensable des poursuites judiciaires.

Mijnheer Van Rooy, over het interview van Alkhatib kan ik u meegeven dat mijn diensten het interview ook hebben gelezen. Zonder in detail te gaan, kan ik u verzekeren dat de veiligheidsdiensten een en ander opvolgen, ook in samenwerking met hun partnerdiensten.

De diensten hebben geen indicaties dat Hamas op dit moment oproept tot gewelddadige aanslagen in het Westen. Groepen als IS, AS en Al Qaida doen dat wel, maar het OCAD beschouwt hen niet als verwant aan Hamas.

Wanneer informatie beschikbaar is dat een persoon in België mogelijk banden heeft met Hamas, wordt politioneel of door de inlichtingendiensten een onderzoek opgestart. Wanneer personen in die context oproepen tot haat of geweld, worden zij besproken in het kader van de Strategie T.E.R.. Informatie wordt uitgewisseld en gepaste maatregelen worden besproken. Dat kan ook leiden tot opname in de gemeenschappelijke gegevensbank T.E.R..

François De Smet:

Monsieur le ministre, je vous remercie de votre réponse claire. Je ne puis que vous encourager à maintenir cette vigilance, notamment dans les lieux dits "sensibles". Je vous remercie des précisions que vous avez apportées quant à la manière dont cette surveillance s'opère déjà.

Sam Van Rooy:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord.

Ik zie het met mijn eigen ogen, hoor het ook vanuit de joodse gemeenschap en breng het herhaaldelijk onder de aandacht tijdens de Antwerpse gemeenteraad: de beveiliging van synagogen, joodse scholen en Israëlische en joodse instellingen is onvoldoende, ook na de jihadistische antisemitische aanslag in Manchester. Afgelopen weekend werd een Joodse persoon in hartje Antwerpen in elkaar geslagen en het duurde, hou u vast, zestien minuten voordat de politie ter plaatse was.

Ondertussen zien wij op sociale media dat deze regering Hamasagenten, Hamassupporters en Hamassympathisanten massaal het land binnenkomen. België, Belgistan, is een speeltuin voor jihadisten, ongeacht of ze van Hamas, Hezbollah, Al Qaida of de Islamitische Staat zijn. Ik waarschuw u, mijnheer de minister, dat het slechts een kwestie van tijd is voordat het ook hier weer eens misloopt.

Voorzitter:

La question n° 56007566C de M. Éric Thiébaut concernant le numéro d'urgence est transformée en question écrite. M. Hervé Cornillie est absent pour sa question n° 56007568C. Vraag nr. 56007578C van de heer Depoortere is omgezet in een schriftelijke vraag. M. Khalil Aouasti est absent pour sa question n° 56007593C.

Het verklaren tot persona non grata van de tot geweld aanzettende rapper Bob Vylan
Het optreden van een antisemitische artiest en de screening van strafbare feiten
De gemaskerde moslimtiener die op straat met een Syrische jihadist poseert
Controversiële artiesten en strafbare uitingen in de publieke ruimte

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 8 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sam Van Rooy kaart antisemitische en geweldsopruiende optredens in België aan, met name van rapper Bob Vylan (oproepen tot moord op IDF-soldaten en Charlie Kirk) en "comedian" Sundeep Bhardwaj (antisemitische retoriek, vergelijkbaar met Dieudonné), en vraagt hun verbod als *persona non grata*. Minister Quintin wijst dit af: Vylan’s optreden verliep incidentloos, Bhardwaj pleegde geen strafbare feiten, en juridische maatregelen ontbreken—bevoegdheden liggen bij lokale overheden en veiligheidsdiensten. Van Rooy bekritiseert de selectieve toelating (antisemieten welkom, Israëlische kunstenaars/diplomaten geweerd) als "Belgistan", maar de minister houdt vast aan procedurele grenzen en ontkracht bovendien de jihadist-claim over de gefotografeerde tiener.

Sam Van Rooy:

Afgelopen zomer trad de Britse rapper of iemand die daarvoor wil doorgaan, Bob Vylan, op in België, op Rock Herk. Hij roept systematisch op het podium op tot moord op elke IDF-soldaat, wat de facto vrijwel elke Israëliër betekent, ook op ons grondgebied. Nu juicht die kansenparel tijdens zijn optredens ook de koelbloedige executie van Charlie Kirk toe. Ik heb zijn woorden goed beluisterd. In wezen voegt hij er de waarschuwing aan toe dat eenieder die zegt wat Charlie Kirk zegt, hopelijk doodgeschoten mag worden.

Ik raad iedereen aan de misselijkmakende beelden uit de Paradiso in Amsterdam te bekijken. Ze zetten gewoon aan tot geweld. Misschien nog zorgwekkender is dat heel de zaal juichte. Daar zullen vast wel wat Belgen tussen gezeten hebben.

Wat is uw reactie hierop, minister?

Ik vraag u heel duidelijk of de regering die tot dodelijk geweld aanzettende Britse rapper – als we dat woord mogen gebruiken – tot persona non grata kan verklaren, zodat hij zijn gevaarlijke vergif niet meer op podia op Belgisch grondgebied kan spuien?

Op 14 oktober treedt in Antwerpen de degoutante antisemiet Sundeep Bhardwaj op, zogenaamd als comedian. Op 24 september trad hij op in Gent. Hij is van Indiase afkomst en woont in Luxemburg. Deze figuur zegt onder meer dat de Malediven een van zijn favoriete plekken op aarde zijn, omdat het een van de meest antisemitische plekken op aarde is, wat helaas ook klopt. Niet toevallig neemt Sundeep het op voor de tot geweld aansporende antisemitische rapper Bob Vylan.

Sundeep doet sterk denken aan de Franse komiek of eerder als komiek vermomde antisemitische activist Dieudonné M'bala M'bala. Wie kent hem nog? Die werd uiteindelijk ook in ons land veroordeeld, onder andere voor negationisme. Zijn activistische, antisemitische optredens werden uiteindelijk ook verboden. Deze Sundeep is dus een soort Dieudonné 2.0 en ik vermoed dat helaas nog dergelijke figuren zullen opstaan.

Mijnheer de minister, wat vindt u hiervan? Worden die zogenaamde stand-upcomedy optredens in ons land, terwijl het eigenlijk vermomd antisemitisch activisme betreft, opgevolgd en gescreend op strafbare uitspraken? Zo niet, waarom niet? Kunt u zich eventueel inzetten om deze persoon ook tot persona non grata te verklaren? Hij moet namelijk ook uit het buitenland komen. Ik raad u en uw diensten aan om nu al eens te screenen op sociale media wat hij allemaal over onze Joodse medemens zegt.

Er is een foto opgedoken van een gemaskerde moslimtiener die op de Keizerlei in Antwerpen trots poseert met de Syrische jihadist Abdul Baset al-Sarout. Ik heb u die beelden bezorgd. Als dat geen zorgwekkende radicalisering of islamisering is, dan weet ik het ook niet meer. Wordt deze vermoedelijk minderjarige moslimtiener opgespoord, op zijn minst met het oog op deradicalisering?

Bernard Quintin:

Mijnheer Van Rooy, wat Bob Vylan betreft, het begrip persona non grata komt voort uit het Verdrag van Wenen en is niet van toepassing op rockzangers, goede of slechte, maar alleen op diplomaten. Onderdanen van het Verenigd Koninkrijk kunnen visumvrij naar België reizen. De minister van Asiel en Migratie kan een vreemdeling die de openbare orde ernstig heeft verstoord wel uitzetten of terugwijzen. De beslissing om een artiest te laten optreden tijdens een evenement behoort tot de organisatie en valt onder de bevoegdheid van de burgemeester. Ik heb van mijn diensten begrepen dat het optreden van Bob Vylan op Rock Herk deze zomer zonder incidenten is verlopen. Daarmee is de kous wat mij betreft af.

Ik kom tot uw vraag over het optreden van Sundeep Bhardwaj.

Op basis van de informatie die ik hierover opvroeg, zijn er tot heden geen strafbare feiten gepleegd. Het OCAD acht de kans op extremistische uitspraken bij dergelijke optredens of verstoring van de openbare orde onwaarschijnlijk. Wanneer er aanwijzingen zijn dat er toch extremistische uitspraken gedaan zouden worden die aanleiding geven tot radicalisering of oproepen tot haat of geweld, zullen onze veiligheidsdiensten daarnaar ongetwijfeld onderzoek doen.

Dan kom ik aan uw vraag over de foto van een jongeman die in Antwerpen - en ik citeer u – “op straat trots poseert met de Syrische jihadist Abdul Baset al-Sarout”. Volgens open bronnen is Abdul Baset al-Sarout in 2019 overleden in Syrië. Deze persoon staat daarnaast niet te boek als jihadist.

Sam Van Rooy:

Mijnheer de minister, in dit land werd Lahav Shani, een Israëlische topdirigent, gecanceld en worden twee democratisch verkozen Israëlische ministers tot persona non grata verklaard. Wie is daarentegen wel welkom in dit land? Een als comedian vermomde antisemitische activist uit India, Sandeep Bhardwaj, een Dieudonné M’bala M’bala 2.0. Wie is nog welkom in dit land? Verheerlijkers van moorddadige jihadisten die hier alleen fysiek leven maar mentaal in de islamitische wereld verblijven, zoals dus die jonge moslim in hartje Antwerpen. Ik heb u de foto bezorgd. Wie is nog welkom in dit land? De zogenaamde rapper Bob Vylan, die op het podium oproept tot moord.

Op deze foto ziet u deze neanderthaler, die de overheid in Belgistan blijkbaar verkiest boven een beschaafde, talentvolle topdirigent, die u hier ziet, namelijk Lahav Shani. Dit is Belgistan anno 2025. Dit soort neanderthalers wordt hier verwelkomd, terwijl beschaafde topdirigenten het land worden uitgezet. Het is werkelijk te beschamend voor woorden.

Voorzitter:

Vraag nr. 56008249C van de heer Bergers wordt omgezet in een schriftelijke vraag.

De driedubbele moord in Roeselare door een Afghaanse migrant
De drievoudige moord in Roeselare, de steekpartijen en de structurele dracht van steekwapens
Dodelijk geweld door migranten met steekwapens in België

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 8 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De driedubbele steekmoord in Roeselare (21/09/2025) door een Afghaanse verdachte, ondanks grootschalige politie-inzet (helikopters, drones, ANPR), toont structurele tekortkomingen in opsporing, coördinatie en capaciteit, zonder directe versterking van lokale zones. Steekincidenten in West-Vlaanderen stijgen met 50% (2019-2023), met herhaalde betrokkenheid van jongeren met migratieachtergrond (Afghaan/Syrisch), wat leiden tot oproepen voor strengere handhaving, preventie (scholen, ouders) en een taboeloze discussie over de link tussen immigratie en geweld. BE-Alert werd niet ingezet, en evaluaties (lessons learned, audit) blijven intern, terwijl regelgeving rond messendracht ongewijzigd blijft (bevoegdheid Justitie). Kritiek richt zich op uitbreidend geweld buiten grootsteden en gebrek aan structurele oplossingen op korte termijn.

Ortwin Depoortere:

Ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

Op zondag 21 september 2025 werden in Roeselare drie mensen doodgestoken; na twee feiten rond de Kleine Weg/Meiboomlaan volgde ’s avonds een derde feit aan de Hoogleedsesteenweg.

De verdachte werd diezelfde avond rond 23.00 uur gevat aan het station van Izegem na een klopjacht met inzet van helikopter en drones. Het parket plaatste de feiten “in het Afghaanse milieu”.

Dat de verdachte zo lang voortvluchtig kon blijven ondanks een grootschalig politieoptreden, roept enige vragen op.

1. Hoe verklaart u dat de man in kwestie de veiligheidsdiensten zo lang kon ontlopen, met dodelijke gevolgen?

2. Welke federale steun kwam er voor de lokale politiezone?

3. Welke realtime middelen (ANPR ‑ hits, telefoongegevens, cameranetwerken … ) zijn gebruikt en met welk resultaat?

4. Werd een publiek alarmsignaal (BE ‑ Alert of gelijkwaardig) overwogen na het tweede feit? Waarom?

5. Welke evaluatie plant u: audit van commando en controle, informatie ‑ deling, en ‘ lessons learned ’… ?

6. Welke capaciteitsgaten (mensen/middelen) zijn blootgelegd bij zowel federale als lokale politiediensten door dit voorval?

7. Welke structurele versterking volgt op korte termijn?

Maaike De Vreese:

Mijnheer de minister, de driedubbele moord en steekpartij in Roeselare op 21 september heeft onze samenleving en in het bijzonder die van Roeselare diep geraakt. Het drama staat helaas niet op zichzelf. Uit de politionele statistieken blijkt dat het aantal geregistreerde steekincidenten niet afneemt en over verschillende provincies structureel hoog blijft. Als we de incidentiegraad voor West-Vlaanderen specifiek overschouwen, merken we een opvallende stijging op. Terwijl de gemiddelde incidentiegraad in de periode 2014-2018 nog rond 3,4 feiten per 100.000 inwoners lag, steeg die in de periode 2019-2023 naar gemiddeld 5,1 feiten per 100.000 inwoners. Dat komt neer op een toename van ongeveer 50 %, een stijging die moeilijk aan louter toeval kan worden toegeschreven. Een week na die feiten vond er in Roeselare op 27 september opnieuw een ernstig steekincident plaats. Hierbij vielen gelukkig geen dodelijke slachtoffers.

Die opeenvolgende gebeurtenissen versterken de bezorgdheid over messendracht in de publieke ruimte. Ik vraag u dan ook om op het terrein zelf actie te ondernemen, controles uit te voeren, samen te werken met alle betrokken diensten en niet uitsluitend in te zetten op preventie, wat wel degelijk van belang is, maar ook op handhaving en controles.

Ik verwijs verder naar de vragen die ik u in de schriftelijke voorbereiding heb gesteld, mijnheer de minister.

Bernard Quintin:

Alle beschikbare middelen werden ingezet om de gevluchte betrokkenen op te sporen en te vatten, namelijk alle West-Vlaamse politiezones met ondersteuning van de federale politie, de CSI voor sporenonderzoek, de FGP, de wegpolitie, het CPS en het RTIC. Er was ook luchtsteun. Over de ingezette opsporingsmiddelen wordt niet gecommuniceerd, omdat dat tot het geheim van het onderzoek behoort.

De keuze om al dan niet BE-Alert in te roepen, hangt af van het dossier. Tijdens crisismomenten, zoals in het aangehaalde geval, is het belangrijk dat de beschikbare mensen en middelen van de lokale en federale politie snel en gecoördineerd worden ingezet, wat ook gebeurde. De bestuurlijke en gerechtelijke overheden kwamen eveneens snel samen om de opsporingsstrategie te bepalen en bij te sturen. De politie evalueert het dossier intern. Er is geen versterking van de betrokken zones voorzien.

Wat de regelgeving rond het dragen van messen en andere wapens betreft, messen en andere wapens zijn verboden. Wijzigingen aan de bepalingen hierover in de wapenwet vallen onder de bevoegdheid van de minister van Justitie.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. Ik laat wel het volgende opmerken. Ten eerste, de gewelddaden beperken zich niet langer tot onze grootsteden. Ze breiden zich schrikbarend snel uit naar kleinere gemeenten. Ik durf Roeselare geen kleine gemeente te noemen. Feit is dat er op heel korte tijd twee steekincidenten plaatsvonden in een kleine provinciestad, niet eens de provinciehoofdstad, een eerste keer met dodelijke slachtoffers tot gevolg, de tweede keer niet. Niettemin blijven het gewelddaden met gebruik van messen en andere wapens.

Ten tweede, mijn partij – ikzelf al sinds ik hier zitting heb in 2019 – blijft hameren op de correlatie tussen massa-immigratie en geweld. Het is een taboe zeker in de huidige politiek correcte tijden, maar we moeten dat taboe doorbreken en het probleem bespreekbaar maken. Dat is de enige manier om de criminaliteit correct in kaart te brengen en vooral om die criminaliteit efficiënt te bestrijden.

Maaike De Vreese:

Minister, ik maak me samen met vele anderen zorgen over het feit dat heel wat jongeren een mes bij zich dragen of denken dat bij zich te moeten dragen om zich te beschermen tegen groepjes andere jongeren die messen bij zich dragen. Ik heb eens de cijfers en de nationaliteiten opgevraagd voor Brugge. Welnu, daar zien we een stijging van die feiten, terwijl we dat daar toch niet gewend zijn. In Brugge ging het bovendien enkel en alleen om jongeren met een andere nationaliteit, onder andere Afghaans of Syrisch. De politiediensten zelf getuigen dat bepaalde nationaliteiten vaak in de statistieken inzake het dragen van messen terugkeren. Ik ben benieuwd naar een bredere analyse ter zake, zodat de problematiek terdege aangepakt kan worden, zowel curatief als preventief, in samenwerking met bijvoorbeeld de scholen. Ik meen dat er ter zake nog heel wat kan gebeuren. Ook de leerkrachten en de ouders maken zich zorgen. Ik hoop dat u met alle actoren die op het terrein op preventie inzetten, stappen zult ondernemen, want we zouden graag de situatie de komende jaren in een andere richting zien evolueren, beseffende dat u voor een zeer moeilijke opdracht staat.

De cyberaanval in Zaventem

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 8 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De cyberaanval op Collins Aerospace (leverancier van check-in/boardingsystemen) verlamde luchthavens zoals Zaventem, Heathrow en Berlijn, met handmatige registraties en langdurige verstoringen, wat economische schade en operationele chaos veroorzaakte. N-VA pleit voor duidelijke verantwoordelijkheidsstructuren en één actor die zowel cyberveiligheid als aankoopbeleid coördineert, om vingerwijzen en kwetsbaarheden te voorkomen. Volgens Bernard Quintin ligt de verantwoordelijkheid voor cyberbeveiliging bij Brussels Airport Company (privaat, met regionale overheden als aandeelhouder), dat moet voldoen aan de NIS 2-wet (toezicht door de eerste minister), terwijl CER-wet (fysieke veiligheid) en contingencyplannen (zoals passagierskanalisatie) wel werden geactiveerd, maar registratie/boarding onder de luchthavenuitbater vallen. Schadevergoedingen, contractuele afspraken met Collins en een integrale cyberresponsestrategie bleven onbeantwoord.

Jeroen Bergers:

Op 19 september werd een cyberaanval uitgevoerd op het Amerikaanse luchtvaartbedrijf Collins Aerospace. Dit bedrijf levert check-in- en boardingsystemen aan verschillende luchthavens. Het bedrijf werd gehackt, waardoor de luchthavens van onder meer Heathrow, Berlijn en Zaventem een tijd lang niet optimaal konden functioneren. De impact bleef in Zaventem, de tweede grootste economische motor van ons land, niet enkel beperkt tot vrijdag. Brussels Airport is trouwens ook de grootste private werkgever van de stad Brussel. Reizigers die zelfs na het weekend hun vlucht wilden nemen, wisten niet zeker of zij wel zouden kunnen vertrekken. Om de problemen in te perken, moest er zelfs overgegaan worden tot de registratie van reizigers met pen en papier. Zowel voor de reiziger als voor het personeel zijn dergelijke situaties niet aanvaardbaar.

Wij pleiten met N-VA voor efficiëntie in het kluwen van verantwoordelijkheden. Het lijkt ons dan ook beter om een actor aan te duiden die bevoegd is voor zowel het garanderen van de veiligheid als het aankoopbeleid ervan. We moeten vingerwijzen vermijden en helderheid brengen in alle structuren rond de beveiliging van onze luchthaven.

Welke maatregelen worden genomen om te zorgen dat een cyberaanval zoals deze niet meer voorkomt? Hoeveel economische schade heeft de luchthaven geleden? Hoe plant u de luchthaven in de toekomst beter te beveiligen tegen dit soort cyberaanvallen? Hoe kan het dat er geen plan was voorzien om, in geval van een cyberaanval, de taken over te nemen zodat de wachttijden beperkt zouden blijven? Is er in het contract met Collins Aerospace sprake van een schadevergoeding voor de luchthaven wegens onvoorziene omstandigheden of overmacht? In het geval van cyberincidenten dienen zowel het CCB als NIC2 op te treden, deels ook de CER, aangezien de luchthaven een kritische entiteit is. De kaders zijn aan elkaar gekoppeld. Wie is er uiteindelijk verantwoordelijk voor de beveiliging van de luchthaven tegen dergelijke cyberaanvallen?

Bernard Quintin:

Mijnheer Bergers, de luchthavenuitbater is een privébedrijf. Ik denk dat zelfs de regionale overheden aandeelhouder zijn van die privéonderneming. De diensten die onder mijn bevoegdheid vallen, spelen geen rol in de cybersecuritymaatregelen die Brussels Airport Company moet nemen. Het is uiteraard het bedrijf zelf dat daarvoor verantwoordelijk is. Het moet daarbij wel voldoen aan de standaarden die beschreven zijn in de NIS 2-wet (Network and Information Security). Die wet bepaalt welke entiteiten aan welke cybersecuritystandaarden moeten voldoen. Deze wetgeving en het toezicht daarop behoren tot de bevoegdheid van de eerste minister. Over de CER-wet (Critical Entities Resilience) heerst blijkbaar enige verwarring. De CER-wet en de NIS 2-wet vullen elkaar aan. De NIS 2-wet heeft betrekking op cybersecurity, terwijl de CER-wet betrekking heeft op de fysieke veiligheid en de operationele continuïteit van kritieke entiteiten. Hopelijk zullen we over CER later nog kunnen spreken. De luchthavenuitbater Brussels Airport Company heeft na de cyberaanval contingency maatregelen uitgerold. De luchtvaartpolitie van Brussels Airport heeft daarbij haar taken opgenomen met betrekking tot het verzekeren van de openbare veiligheid. Samen met de federale reserve van de directie Openbare Veiligheid hebben we gezorgd voor de kanalisering van de passagiers, zodat er geen massacompressie is ontstaan en de openbare orde gegarandeerd bleef. De processen op de luchthaven met betrekking tot registratie en boarding vallen onder de verantwoordelijkheid van de uitbater.

Het negeren van negatieve adviezen van de Inspectie van Financiën bij defensieaankopen

Gesteld aan

Vincent Van Peteghem (Minister van Begroting)

op 7 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De Inspectie van Financiën gaf 46 van de 47 negatieve adviezen over defensieaankopen (139 miljard euro, waarvan 34 miljard voor materieel) die door de ministerraad werden genegeerd, wat Wouter Vermeersch als onverantwoord bestedingsbeleid en een risico op corruptie (vergelijkbaar met het Augusta-schandaal) aan de kaak stelt. Minister Van Peteghem (Begroting) benadrukt dat de adviezen niet bindend zijn en deel uitmaken van een breder beleidsproces, maar belooft de onafhankelijkheid van de Inspectie te waarborgen en modernisering niet ten koste van toezichtkwaliteit te laten gaan. Vermeersch dringt aan op strengere opvolging van de adviezen en meer transparantie om miljardenverspilling en smeergeldschandalen te voorkomen, met name nu historische defensie-investeringen op til staan. De spanningsveld blijft: politieke besluitvorming vs. financieel toezicht, met de dreiging van zwakker controlemechanismen.

Wouter Vermeersch:

Ook deze vraag werd al ingediend in de maand juli, mijnheer de voorzitter.

Mijnheer de minister, de ministerraad keurde midden juli 2025 de Strategische Visie Defensie goed. Daarin wordt voor de periode 2026 tot en met 2034 een recordbedrag van 139 miljard euro voor Defensie uitgetrokken. Daarvan is 34 miljard euro bestemd voor de aankoop van nieuw materieel. De controle op die uitgaven gebeurt onder andere door de Inspectie van Financiën, onder het voorzitterschap van de minister van Begroting. Uit berichtgeving van voor de zomer blijkt dat de Inspectie van Financiën in de afgelopen tweeënhalf jaar 47 keer een uitdrukkelijk negatief advies gaf bij defensieaankopen. In 46 van die 47 gevallen werden die adviezen echter genegeerd door de ministerraad.

Daarnaast rijzen er vragen over de wens van de minister van Defensie om het controleproces te moderniseren. In een context van historische militaire uitgaven en verhoogde corruptierisico’s is een sterk, onafhankelijk begrotingstoezicht natuurlijk essentieel.

Hoe beoordeelt u het feit dat de ministerraad 46 van de 47 negatieve adviezen van de Inspectie van Financiën bij defensieaankopen negeerde en dus eigenlijk in de prullenbak deed belanden?

Hoe ziet u uw rol in het proces als voorzitter van de Inspectie van Financiën?

Welke stappen onderneemt u om de onafhankelijkheid en de slagkracht van de Inspectie van Financiën te versterken in plaats van die te ondermijnen?

Acht u het aangewezen dat er meer transparantie komt over de adviezen en hun opvolging, gelet op de enorme budgettaire implicaties en risico’s?

Zult u zich verzetten tegen pogingen om het toezicht van de Inspectie van Financiën te “vereenvoudigen”, wat in de praktijk neerkomt op het verder afzwakken van dat toezicht?

Vincent Van Peteghem:

Mijnheer Vermeersch, in de eerste plaats wil ik het belang onderstrepen van een sterke en onafhankelijke Inspectie van Financiën in het begrotingsproces. De inspectie vervult een essentiële rol in het waarborgen van de kwaliteit en de rechtmatigheid van de overheidsuitgaven. Haar adviezen dragen in belangrijke mate bij tot een zorgvuldig financieel beleid.

Het is ook belangrijk te onderstrepen dat de adviezen van de Inspectie van Financiën, hoe waardevol en richtinggevend ook, niet bindend zijn. Ze maken deel uit van een breder beslissingsproces, waarin ook andere beleidsmatige, strategische en maatschappelijke overwegingen worden meegenomen. De uiteindelijke beslissing ligt bij de ministerraad, die collegiaal oordeelt over de voorstellen die hem worden voorgelegd.

Als minister van Begroting zie ik erop toe dat de inspectie haar werkzaamheden in volledige onafhankelijkheid en met de nodige deskundigheid kan uitvoeren. Als minister heb ik er ook alle belang bij dat zij haar controlerende taak met de grootst mogelijke degelijkheid vervult.

Ik ben geen voorstander van initiatieven die de onafhankelijkheid of slagkracht zouden aantasten. Eventuele voorstellen tot modernisering van de procedures zullen steeds vanuit dat perspectief worden beoordeeld. Efficiëntie mag nooit ten koste gaan van de diepgang of de onafhankelijkheid van het toezicht door de inspectie.

Wouter Vermeersch:

Mijnheer de minister, ik las voorbije zomer een artikel met de titel Iedereen is enorm bang voor een nieuw Augusta-schandaal . Herinner u hoe politici van PS en Vooruit miljoenen in een dossier voor de aankoop van 46 Augustahelikopters - ik zie weinig socialisten in de zaal momenteel – aangeboden kregen. Minister Frank Vandenbroucke, die nu nog in de regering zit, was op dat ogenblik minister van Buitenlandse Zaken in de federale regering. Hij nam ontslag in maart 1994, nadat bleek dat hij de opdracht had gegeven om het ontvangen smeergeld te verbranden. Dat toont nog maar eens het belang en de gevoeligheid van militaire aankopen aan, zeker nu we vele miljarden extra zullen uitgeven. Mijnheer de minister, 47 keer trok de Inspectie van Financiën aan de noodrem en 46 keer heeft uw regering die noodrem genegeerd, zelfs doorgesneden. Wie miljarden aan belastinggeld zal uitgeven zonder naar die begrotingswaakhond te luisteren, speelt met vuur, letterlijk en figuurlijk. U bent minister van Begroting en het is uw taak om dat mee te controleren. U staat bovendien aan het hoofd van de Inspectie van Financiën; u bent voorzitter van de Inspectie van Financiën U zou die adviezen veel meer ter harte moeten nemen. Zeker in de komende maanden is controle op die uitgaven cruciaal. De inspectieverslagen moeten worden meegenomen in de beoordeling van al die miljardenuitgaven die in de komende weken, maanden en jaren op til staan, al was het maar om een nieuw Augustaschandaal of een nieuw schandaal met de Franse tanks te vermijden.

De noodkreet van de gevangenisdirecteurs over de overbevolking van de gevangenissen
De noodkreet van de gevangenisdirecteurs
De noodkreet van de gevangenisdirecteurs
De overbevolkte Belgische gevangenissen
Gevangenisdirecteurs slaan alarm over chronische overbevolking Belgische gevangenissen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 2 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De catastrofale overbevolking in Belgische gevangenissen (13.156 gedetineerden op 11.000 plaatsen, 350+ grondslapers) leidt tot veiligheidsrisico’s, mensonwaardige omstandigheden en burn-outs bij personeel, terwijl directeurs dreigen met gedwongen vrijlating van gevangenen als noodmaatregel. Minister Verlinden erkent het acute probleem—veroorzaakt door stijgende criminaliteit (drugs, geweld), tekort aan plaatsen, en 1.000+ geïnterneerden/illegale migranten in gevangenissen—en wijst op kortetermijnacties (versnelde uitzetting illegale gedetineerden, overplaatsing geïnterneerden naar zorginstellingen) en langetermijnplannen (nieuwe gevangenissen, modulair bouwen), maar benadrukt dat structurele oplossingen falen zonder extra budget (1 miljard gevraagd) en samenwerking met andere ministers (Migratie, Volksgezondheid). Kritiek varieert van Vlaams Belangs eis om alle buitenlandse criminelen uit te zetten (à la Duitsland) tot linkse oproepen om te stoppen met "meer opsluiten" en te investeren in reïntegratie, betere arbeidsomstandigheden voor bewakers, en prioritering van justitie boven defensie-uitgaven (bv. F-35’s). De kernvraag—hoe de crisis *nu* te breken—blijft onbeantwoord, terwijl de vertrouwenscrisis bij personeel escaleert.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, de gevangenissen zitten propvol. Er is plaats voor 11.000 gedetineerden, maar vandaag is een recordaantal van 13.156 bereikt, met 353 grondslapers. De situatie is werkelijk uitzichtloos.

In de voorbije maanden hebben de gevangenisdirecteurs al herhaaldelijk aan de alarmbel getrokken maar de reactie van deze regering was bedroevend. De noodwet van deze zomer heeft niets, nul, nada, uitgehaald, integendeel. Vlaams Belang had u nochtans gewaarschuwd.

Nee, mevrouw de minister, verwijs alstublieft niet naar de vier zogenaamde taskforces, die pas in 2028 hun definitieve voorstellen moeten geven. Dat probleem moet niet onderzocht worden. Het is niet nieuw, maar sleept al decennialang aan. Het bestond al in 1991, toen ik voor de eerste keer in het Parlement zetelde. De opeenvolgende ministers van Justitie, van cd&v, van Open Vld en van de socialisten, hebben dat probleem laten verrotten.

De gevangenisdirecteurs dreigen nu met toch wel zeer drastische acties. Voor elke nieuwkomer willen ze twee gedetineerden vrijlaten. Die actie is werkelijk ongezien, wat bewijst dat de gevangenisdirecteurs compleet ten einde raad zijn en dat ze zich totaal niet gehoord voelen door de politiek.

Vlaams Belang begrijpt hun frustratie, mevrouw de minister, maar het vrijlaten van gedetineerden is niet het antwoord waarop deze samenleving zit te wachten. U moet handelen. U, en bij uitbreiding de hele regering, draagt hier een verpletterende verantwoordelijkheid. Oplossingen zijn er, maar niet de collectieve gratie, zoals sommigen vandaag voorstellen.

Mevrouw de minister, welke noodmaatregelen zullen u en deze regering bij hoogdringendheid nemen?

Alain Yzermans:

Mevrouw de minister, gevangenisdirecteurs, vakbonden en magistraten trekken aan de alarmbel, want de onhoudbare toestanden in de gevangenissen zijn ongezien. Die alarmbel moet u dwingen tot nieuwe en dringende acties. Het is een kwestie van waardigheid, zowel voor de gedetineerden als voor het gevangenispersoneel. Bovenal is het een veiligheidsprobleem. De veiligheid van onze samenleving komt stilaan in het gedrang. Sinds uw aantreden is het aantal grondslapers verdubbeld, zijn er enorme personeelstekorten, puilen de cellen uit en stijgt het druggebruik in de gevangenissen stilaan, met alle gewelddadige dynamieken tot gevolg. Camera's en sloten functioneren niet en de gebouwen zijn aftands. Dat alles leidt tot mensenrechtenschendingen.

De overbevolking in de gevangenis leidt tot schrijnende levensomstandigheden, maar, nog meer, heeft ernstige gevolgen voor het gevangenispersoneel, dat elke dag keihard werkt voor iedereen. We bevinden ons op een punt van onomkeerbaarheid. Werkgroepen en taskforces brengen inderdaad geen zoden aan de dijk. De dijk van veiligheid dreigt stilaan te breken. Er is nood aan crisismanagement, concrete stappen, acties en hervormingen. Er is geen weg terug, mevrouw de minister. De cijfers stijgen en de toestanden op het terrein worden soms angstaanjagend.

Wat zult u doen voor de algemene veiligheid? Wat zult u doen om de veiligheid in onze gevangenissen in de toekomst te garanderen?

Steven Matheï:

Mevrouw de minister, de gevangenisdirecteurs slaken gisteren en vandaag een noodkreet over de overbevolking. Ze kennen natuurlijk de situatie op het terrein. Als we alleen al bijvoorbeeld naar de gevangenis van Hasselt kijken, daar zijn 640 gevangenen voor 450 plaatsen.

Als burgers verwachten wij echter dat wanneer verschrikkelijke taferelen gebeuren zoals in Roeselare en in Mol, de daders van zo'n steekpartij snel gevat worden, berecht worden en een straf krijgen die ze moeten uitzitten.

Om het probleem van de overbevolking op te lossen, is extra budget nodig. We moeten investeren in binnenlandse veiligheid en in justitie. Als we dat niet doen, krijgen we als maatschappij de factuur dubbel terug. Het is heel belangrijk dat we dat onder ogen zien.

Justitie kan het echter niet alleen. Neem bijvoorbeeld de 1.000 geïnterneerden die in de gevangenissen zitten en zo medeoorzaak zijn van de overpopulatie. Zij zouden beter in een gespecialiseerde instelling zitten, vandaar mijn vraag aan minister Vandenbroucke waar de realisaties op het terrein blijven. Of neem de 4.000 tot 5.000 gevangenen zonder verblijfsrecht, die best naar hun land van herkomst zouden worden teruggebracht of minstens in een gesloten instelling zouden moeten terechtkomen. Ook daaromtrent vragen we waar de realisaties op het terrein blijven.

Voor cd&v is binnenlandse veiligheid een prioriteit. Dat betekent dat we de straffeloosheid moeten aanpakken. Straffen moeten worden uitgevoerd. Wat ons betreft hoort daar geen maatregel bij van collectieve genade waardoor gevangenen de straat opgaan. De strafuitvoering moet worden gecombineerd met een re-integratieproject, zodat de gevangenen die vrijkomen zich kunnen re-integreren en recidive beperkt wordt.

Mevrouw de minister, hoe zult u uw collega’s aanzetten om ook de nodige acties te ondernemen en samen het probleem van de overbevolking aan te pakken?

Julien Ribaudo:

Madame la ministre, je reviens de la prison de Saint-Gilles. Ce qui se passe aujourd'hui dans toutes les prisons du pays est inédit. Directeurs, agents pénitentiaires, administrations sociales, tous se mobilisent. Quand ceux qui tiennent la maison descendent dans la rue, c'est que la maison croule.

Et elle croule. On compte aujourd'hui 13 198 détenus pour 11 098 places. Cela veut dire des cellules d'une personne qui en accueillent deux ou trois. Plus de 360 détenus qui dorment à même le sol, collés aux toilettes, enfermés 22 heures par jour sans activités.

À côté, les agents pénitentiaires qui subissent la même pression, la même dégradation. "Je vais au travail, la boule au ventre", "On est pressé comme des citrons, mais il n'y a plus de jus", "Je n'ai plus de temps ni d'énergie pour ma famille", voilà ce qu'on entend. Congés jamais pris, sous-effectifs permanents, peur de la violence, beaucoup tombent en burn-out ou quittent le métier.

La situation actuelle renforce l'insécurité des détenus, des agents pénitentiaires et de la société en général. Ce n'est plus une demande, c'est un cri d'alarme qu'on entend dans la presse.

Madame la ministre, quel résultat la loi d'urgence votée cet été a-t-elle donné? Quelles mesures supplémentaires comptez-vous prendre? Confirmez-vous que 5 600 détenus doivent encore rentrer en prison d'ici à 2027? Si oui, comment absorber le flux? Comment allez-vous redonner de l'attractivité au métier d'agent pénitentiaire?

Annelies Verlinden:

Collega's, ik heb uiteraard ook de schreeuw van de gevangenisdirecteurs en het personeel gehoord. Ik hoorde die schreeuw niet gisteren of eergisteren voor het eerst, maar wel op de eerste dag van mijn mandaat.

De situatie in vele van onze gevangenissen is immers schrijnend en dat al vele jaren. Ik hoor het wekelijks tijdens mijn bezoeken aan gevangenissen en in contacten met directeurs en medewerkers. Duizenden gedetineerden zitten 22 uur per dag op elkaar gepakt in kleine en verouderde cellen. Er zitten duizenden mensen zonder wettig verblijf. Er zitten meer dan duizend psychiatrische patiënten en gedetineerden in psychiatrische kwetsbaarheid, zonder toereikende zorg en met onvoldoende re-integratie- en terug-naar-werkbegeleiding.

Te midden daarvan zijn medewerkers dag in dag uit bezig om veiligheid, organisatie en samenleving mogelijk te maken. Zij verdienen ons grootste respect.

Il est illusoire de penser qu'un tel environnement puisse profiter à la sécurité. C'est précisément pour cette raison que je me suis attaquée, dès le premier jour, à ce problème complexe et persistant.

Eerst moesten we dringend werk maken van de noodwet, omdat duizenden gedetineerden ingevolge beslissingen van de vorige legislatuur niet met hun gevangenisstraf waren gestart. Sinds de inwerkingtreding van de wet op 4 augustus werden maar liefst 700 dossiers bij de strafuitvoeringsrechtbanken aanhangig gemaakt. De noodwet heeft dus wel degelijk een impact, mevrouw Dillen, maar de instroom is groot. Daarom heb ik ook altijd gezegd dat de noodwet alleen niet voldoende zal zijn. De cijfers liegen er niet om. Het aantal druggerelateerde feiten, steekpartijen, zedenfeiten en intrafamiliaal geweld was nog nooit zo hoog, met stijgingen tot meer dan 40 % in de laatste 5 jaar. Dat zien we dus ook in de gevangenissen.

Sinds februari pakken we de overbevolking met drie maatregelen aan. Voor de korte termijn kunnen we capaciteit winnen door in te zetten op de terugkeer van personen in onwettig verblijf en de gepaste opvang van de meer dan duizend geïnterneerden. Daarvoor werken we goed samen met de ministers van Asiel en Migratie en Volksgezondheid. Ik ga ervan uit dat we samen voldoende daadkracht aan de dag zullen kunnen leggen.

Met de noodwet kan de Dienst Vreemdelingenzaken mensen zonder wettig verblijf alvast sneller van het grondgebied verwijderen. Mijnheer Yzermans, ik ben al zeer lang vragende partij om de zorg voor de geïnterneerden over te hevelen naar Volksgezondheid. Duizend plaatsen zou een enorme verlichting zijn in de capaciteit van de gevangenissen.

Deuxièmement, en collaboration avec la Régie des Bâtiments, nous travaillons à l'augmentation de la capacité carcérale grâce à des unités modulaires et des maisons de détention ainsi qu'à la nouvelle prison à Anvers, au maintien en activité d'anciennes prisons et à la construction d'une nouvelle prison à Vresse-sur-Semois.

Ten derde, moeten we ons strafrechtelijk beleid tegen het licht houden. De branden die in de afgelopen decennia geblust zijn, verhinderen niet dat onze gevangenissen blijven uitpuilen, dat het aantal veroordelingen wegens het schenden van mensenrechten blijft oplopen en dat de recidivecijfers hoog blijven. We moeten dus inzetten op voorstellen die én de veiligheid bevorderen én een duurzaam strafrechtelijk beleid dienen. Meer van hetzelfde zal niet leiden tot structurele veranderingen.

En ce qui concerne la grâce, je puis vous indiquer que cette mesure a été prise pour corriger ou répondre à des situations personnelles dans des cas individuels. Elle n'a pas vocation à contribuer de manière structurelle à une politique de détention durable, légale et sûre.

Chers collègues, une chose est certaine. Les moyens actuels dont dispose la justice sont insuffisants. À titre d'exemple, on compte 13 000 détenus pour 11 000 places, sans que les moyens financiers qui y correspondent soient disponibles. Tout le monde le sait: le compte n'y est pas.

Deze regering maakt terecht van veiligheid een prioriteit en iedereen verwacht van justitie dat het onmiddellijk alles kan oplossen. Ook ik wil dat graag en ik heb er de plannen voor klaar, maar dan moeten we wel consequent zijn en investeren.

Voor wie enerzijds verontwaardigd is over het toegenomen familiaal geweld en de steekpartijen of over het nietsontziend drugsgeweld in Brussel en Antwerpen, maar anderzijds verwacht dat dit kan worden verholpen zonder bijkomende inspanningen, wil ik een nieuwe spiegel kopen. Dat zou immers betekenen dat van justitie wordt gevraagd om een boksmatch te winnen met een hand op de rug. We kunnen en moeten beter, voor onze veiligheid, onze welvaart en voor alle schakels, partners en medewerkers in de veiligheidsketen, van de wijkinspecteur tot de penitentiair beambte, door hen de middelen te geven om hun werk naar behoren te kunnen uitvoeren. Op mij kunnen zij alvast rekenen. Dank u.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, u hebt een uitvoerig antwoord gegeven, maar ik heb geen antwoord gekregen op mijn vraag over uw standpunt betreffende de aangekondigde zeer drastische acties van de gevangenisdirecteurs. Criminelen vrijlaten en zodoende de samenleving onveiliger maken, is geen oplossing voor de overbevolking. De echte oplossing ligt volledig voor het grijpen: het terugsturen van alle buitenlandse criminelen naar hun landen van herkomst om daar hun straf uit te zitten.

In ons land is er geen gebrek aan capaciteit, het probleem is dat er te veel illegale en te veel buitenlandse criminelen in onze gevangenissen zitten. Maak daarvan werk! Daartoe is meer daadkracht nodig. Waarom kan in ons land niet wat in andere landen wel kan? Ik verwijs naar Duitsland, waar men dat zeer radicaal aanpakt, want uit Duitsland worden criminelen teruggestuurd naar Afghanistan en naar Syrië. Waarop wachten u en uw N-VA-collega Van Bossuyt om dat te realiseren?

Alain Yzermans:

Mevrouw de minister, het is tijd voor actie. Als ik twintig miljard had, u vroeg één miljard, dan zou ik het gat in de begroting wegwerken. Geld is echter geen wondermiddel. U moet op het terrein een concreet toekomstplan opstellen en proberen te realiseren.

Frank Vandenbroucke reikt u de hand, is bereid om in het luik van de interneringen oplossingen te bieden en die hervormingen ook door te voeren. Wij pleiten voor gevangenissen die geen misdaadfabrieken zijn, maar voor humane detentie. Iedere mens, iedere gevangene heeft een naam en is geen nummer. Wij pleiten voor een goed voorbereide terugkeer naar de samenleving, maar ook voor straffen die correct worden uitgevoerd. Dat alles dient te gebeuren in veilige omstandigheden en binnen een veilige samenleving.

Steven Matheï:

Mevrouw de minister, bedankt voor uw antwoord. Bij uw aantreden hebt u natuurlijk een aanzienlijke erfenis gekregen, waarmee u in de afgelopen acht maanden aan de slag bent gegaan. Zoals we hebben gehoord, doet u dat met een duidelijke visie op korte, middellange en lange termijn. Dat alles kunt u echter niet alleen realiseren, daarvoor zijn andere zaken nodig, is samenwerking nodig. We hebben zojuist gehoord dat sommigen u de hand reiken.

Er moet absoluut iets worden gedaan aan de overbevolking en aan de geïnterneerden en de mensen zonder verblijf, want momenteel vormt de gevangenis de laatste schakel in de rij. Daarbij horen ook voldoende budgetten, zodat u, zoals u aangeeft, niet met een hand op de rug hoeft te boksen. Op die manier kunnen we zowel het probleem van overbevolking als dat van straffeloosheid aanpakken. De mensen verwachten dat van ons.

Julien Ribaudo:

Madame la ministre, cela fait 20 ans que votre parti et d'autres, à droite, désinvestissent dans la justice. Le résultat? Surpopulation, matelas par terre et agents à bout. Vous réclamez un milliard et vous savez que vous ne l'aurez pas. Un milliard pour la justice? Pas possible. Trente-quatre milliards pour la défense? Oui, en un instant. Cela ne va pas! Renoncer à quelques F-35 sera un bien meilleur investissement pour la sécurité et pour notre société. Arrêtez la fuite en avant, cessez de toujours enfermer plus, de toujours plus construire et de toujours plus surcharger les agents, parce que ces agents pénitentiaires méritent mieux, madame la ministre! Si vous voulez vraiment les soutenir, renoncez à la réforme des pensions, rendez-leur leurs primes et augmentez les salaires! Vous dites: "Ils peuvent toujours compter sur moi." Sachez une chose: sur le terrain, ils ne vous croient plus. Merci.

De Global Sumud Flotilla
De bescherming van en de steun aan de vloot naar Gaza
De associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en Israël
De Belgische investeringen in de nederzettingen in de door Israël bezette gebieden
Het uitblijven van concrete maatregelen van de Europese Unie tegen de humanitaire blokkade in Gaza
De voorwaarden voor de erkenning van Palestina
De situatie in Palestina
De blijvende focus op de humanitaire situatie
De financiële steun voor de heropbouw van Palestina
Het intensifiëren van de medische evacuaties van kwetsbare kinderen
Gewelddadige kolonisten, kolonistenorganisaties en leden van Hamas
Het wapenexport- en wapentransitverbod
De importban
De beperking van de consulaire diensten ten aanzien van Belgen die in de nederzettingen wonen
Overvluchten
De maatregelen op EU-niveau
De erkenning van de Staat Palestina
De aanhoudende financiering van dodelijk jihadistisch terrorisme door de Palestijnse Autoriteit
De reactie op de uitschakeling van terroristische leiders in Qatar
Belgen die meevaren met de Hamasvloot
De genocide in Gaza en de bescherming van de Gazavloot
De bescherming van en de steun voor de vloot die naar Gaza onderweg is
De sancties tegen Israël
De diplomatieke contacten in verband met Palestina en het probleem van de sancties
De vloot die naar Gaza onderweg is om de blokkade te doorbreken
Het Amerikaanse vredesplan voor Gaza
De New York Declaration en de Palestijnse Staat
De uitvoering van het akkoord over Gaza
Het Amerikaanse vredesplan voor het Midden-Oosten
De tenuitvoerlegging van het invoerverbod voor producten uit de Israëlische nederzettingen
EU-beleid, sancties en humanitaire steun inzake Israël, Palestina en Gaza

Gesteld aan

Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 1 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om Belgiës rol in het Israëlisch-Palestijnse conflict, met focus op de humanitaire flottille naar Gaza, het Trump-plan voor vrede, sancties tegen Israël en erkenning van Palestina. België steunt diplomatiek de flottille (via Spanje/Italië) maar wijst militaire bescherming af, uit vrees voor escalatie, en benadrukt het risico voor Belgische deelnemers. Het Trump-plan (20 punten) wordt beoordeeld als onvolmaakt maar potentieel effectief voor een staakt-het-vuren en gijzelaarsruil, hoewel kritiek bestaat op het ontbreken van Palestijnse zelfbeschikking en Europese betrokkenheid. Sancties (importverbod nederzettingsproducten, beperking EU-Israël-akkoorden) worden voorbereid, maar België wacht grotendeels op Europese consensus—wat kritiek uitlokt over traagheid en "twee maten en twee gewichten". De erkenning van Palestina (politiek, nog niet juridisch) wordt bevestigd als drukmiddel, maar concrete stappen (KB) blijven uit. Humanitaire hulp (evacuaties, UNRWA-financiering) loopt, maar de blokkade van Gaza en Israëlische schendingen van internationaal recht blijven centraal in de kritiek.

Rajae Maouane:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre présence.

Ces derniers jours, des citoyennes et des citoyens européens, mais aussi des Belges, ont embarqué dans la flottille pour la liberté, en route pour Gaza. À l'heure où on parle, quelques bateaux s'approchent déjà du rivage gazaoui. Parmi eux, se trouvent des médecins, des militants, des militantes, des élus – dont une élue belge, Bénédicte Linard, ancienne ministre de la Culture –, mais aussi des visages de la société civile.

Leur geste n'est pas seulement symbolique et politique, il est aussi extrêmement courageux, parce que nos gouvernements ne font rien, ou pas suffisamment, en tout cas. Ces gens prennent des risques, ils risquent leur vie. Parmi ces personnes-là, il y a aussi des gens sans parti, sans étiquette, qui disent "assez", qui en ont marre de l'inaction complice de l'Europe. Des ministres israéliens qualifient de terroristes ces militants pour la paix qui veulent casser le blocus illégal imposé par Israël à Gaza, et les chancelleries européennes, dont la nôtre, malheureusement, restent silencieuses.

J'avais déjà posé la question au premier ministre, mais je vous la repose, monsieur le ministre. Quelles mesures concrètes prenez-vous pour protéger nos ressortissants et leur garantir un soutien diplomatique immédiat? Et que mettez-vous en place pour soutenir la flottille et protéger celles et ceux qui pacifiquement défendent le droit et veulent casser le blocus israélien?

Pendant ce temps, on a vu, ce 29 septembre, Donald Trump présenter un plan pour Gaza en 20 points, 20 points qui ne sont rien d'autre qu'un ultimatum qui dit, en gros, d'accepter ce plan ou subir. Le premier ministre israélien l'affirme également sans détour: " Israël will finish the job ", autrement dit, rendez-vous, ou alors on vous tue tous et on écrasera tout ce qui reste. Je n'ai pas l'impression que ce soit un plan de paix, ni une solution. C'est vraiment une mise en scène. C'est humilier un peu plus la population palestinienne. C'est faire de la paix une monnaie de chantage. Et l'Europe, une fois encore, commente, analyse, mais n'agit pas.

Monsieur le ministre, reconnaissez-vous que cette dynamique et cette rhétorique du finish the job augmentent dramatiquement le risque d'une escalade militaire et de pertes civiles massives? Et quelle position défend à ce sujet la Belgique au Conseil de sécurité auprès de nos partenaires européens? Allez-vous exiger des garanties réelles comme des corridors humanitaires, la protection des civils, des sanctions concrètes? Et surtout, comment allez-vous nous assurer que la construction et l'aide humanitaire ne soient pas instrumentalisées par Trump et Netanyahu?

Enfin, je reviens en Belgique et sur ce que notre propre gouvernement a décidé, puisque, le 2 septembre, vous avez annoncé qu'un arrêté royal allait interdire l'importation des biens produits dans les territoires occupés. C'est une décision dans la ligne de la Cour internationale de Justice (CIJ), et de ce que font déjà notamment l'Irlande et la Slovénie. Cette mission vous a été confiée, monsieur le ministre, mais, depuis, nous nous demandons où ça en est. Pendant que le Parlement avance, ou peut avancer, que le Conseil d'État a rendu un avis constructif, on ne voit pas ce qui arrive du gouvernement.

Sur quelle base juridique allez-vous fonder cet arrêté et avec quel calendrier? D'ici la fin de l'année? Ce texte va-t-il repasser en Conseil des ministres? Que couvrent exactement les termes "par la puissance occupante"? S'agit-il uniquement des entreprises publiques ou aussi des entreprises privées installées dans les colonies? Comment allez-vous traiter les produits qui entrent par le biais d'autres pays européens? Quel mécanisme de contrôle allez-vous mettre en place?

J'ai conscience que je vous pose de nombreuses questions, mais j'ai essayé d'être aussi claire et condensée que possible.

François De Smet:

Monsieur le ministre, mes questions ont été rédigées juste après l'accord pris en kern, de sorte qu'elles portent essentiellement sur des précisions.

Je commencerai par les investissements belges dans les colonies, les territoires occupés. La Cour internationale de Justice, dans son avis de juillet 2024, avait établi sans ambiguïté les conséquences juridiques découlant de la colonisation en cours dans les territoires occupés, considérant que "la présence continue de l' É tat d'Israël dans les territoires palestiniens occupés est illicite" et qu'il est dans l'obligation de mettre fin à sa présence illicite dans les territoires palestiniens occupés.

Dans ce même avis, la CIJ a également conclu que tous les É tats sont dans l'obligation de ne pas reconnaître la situation découlant de la présence illicite d'Israël dans les territoires palestiniens occupés et de ne pas prêter aide ou assistance au maintien de la situation créée par la présence continue de l' É tat d'Israël dans ce territoire. Il peut être déduit de cet avis qu'il s'agit de ne pas financer ces deux crimes de guerre, ce qui signifie refuser d'importer des produits mais aussi des services, et cesser les exportations et les investissements belges dans les colonies.

Or, l'accord intervenu au sein du kern début septembre sur Gaza prévoit, certes, une interdiction d'importation des produits mais ne comporte pas d'éléments sur les services, les exportations et les investissements. Monsieur le ministre, quelles sont les exportations et investissements belges dans les colonies existantes? Disposez-vous d'un recensement à cet égard?

Par ailleurs, en application de la ligne politique que vous vous êtes fixée, à savoir le respect du droit international, ne pensez-vous pas qu'il faudrait étendre l'interdiction aux services, aux exportations et aux investissements belges dans les colonies?

Ma seconde question concerne l'accord d'association entre l'Union et Israël qui contient, comme nous le savons tous, une clause dite essentielle faisant dépendre tout l'accord du respect des droits humains. Ceux-ci sont constatés comme étant violés selon l'Union européenne. L'ancien vice-président de la Commission européenne, Josep Borrell, s'est récemment exprimé publiquement, considérant que le fait de suspendre l'ensemble de l'accord d'association n'est pas une option politique discrétionnaire mais également une obligation légale.

L'accord intervenu au sein du kern prévoit le soutien belge à la suspension de deux volets de l'accord, à savoir le volet commercial et le volet recherche, innovation, coopération, technologique. Mais il subsiste des zones d'ombre. Qu'en est-il du soutien de notre pays à la suspension des autres volets?

Dans la mesure où ces autres volets ne seraient pas mis à l'agenda prochainement, avez-vous un mandat pour pouvoir soutenir d'autres suspensions, voire la suspension de l'ensemble de l'accord, si les positions des autres pays européens devaient évoluer?

Enfin, j'ajoute une dernière question puisque, l'actualité étant ce qu'elle est, je peux difficilement éviter de vous demander si la Belgique a un avis sur le plan proposé par M. Trump, qui a déjà l'accord d'Israël et qui propose une fin de guerre conditionnée par des éléments qui, pour certains, paraissent assez peu réalistes. Que pensez-vous de ce plan? Que penser, surtout, de l'inexistence complète de l'implication des Palestiniens, mais aussi des Européens, dans son élaboration?

De voorzitster : Mevrouw De Poorter is niet aanwezig.

Katrijn van Riet:

Mevrouw de voorzitster, mevrouw De Poorter wil haar vragen graag stellen aan het einde van dit debat.

De voorzitster : Goed. De heer Aerts is ook niet aanwezig, de heer Van der Elst evenmin. Dan is het woord aan de heer Van Rooy voor vier minuten.

Sam Van Rooy:

Minister, ik heb drie vragen voor u. Ten eerste, Israël heeft bewijzen dat de zogenoemde Gaza Flotilla wordt aangestuurd door Hamas. Saif Abu Kishk zou namelijk een Hamasagent zijn en eigenaar van de Flotillaboten via Cyber Neptune, een schermvennootschap in Spanje. In Gaza zijn ook documenten gevonden waaruit blijkt dat Hamas rechtstreeks betrokken is bij de financiering en uitvoering van de zogenaamde Sumud Flotilla.

Ook de vorige flotilla had banden met jihadistische groeperingen, waaronder Hezbollah. Het is bovendien illegaal om te proberen de zeeblokkade te doorbreken, want die is volgens het internationaal recht en het UN Panel of Inquiry legaal. Ik verwijs in dit verband graag naar het Palmer Report van 2011.

Verschillende Belgen nemen deel aan deze Gazavloot, onder wie de zogenaamde mensenrechtenactivist Alexis Deswaef.

Minister, verifiëren onze veiligheidsdiensten deze zorgwekkende bevindingen van Israël over die Gazavloot? Hoeveel Belgen nemen deel aan deze Hamasvloot en wie zijn dat precies? Kunnen zij nog rekenen op diplomatieke hulp? Ik mag hopen van niet. Worden ze gescreend op mogelijke banden met het jihadistisch-terroristische Hamas? Zo niet, waarom niet?

Ten tweede, minister, ik heb u hier al meermaals over ondervraagd, de Palestijnse Autoriteit blijft nog altijd maandelijks salarissen uitbetalen aan Palestijnse moslimterroristen en/of hun families als beloning voor jihadistische moorden of terreuraanslagen. Ondanks de belofte om dit weerzinwekkende zogenaamde pay-to-slay -systeem te stoppen, gaat de corrupte negationist Mahmoud Abbas hier gewoon mee door.

Dat hoeft niet te verbazen, want dat soort moslims is uiteraard niet te vertrouwen. In het Engels praten ze ons, westerlingen, naar de mond als het hen uitkomt. Vervolgens gaan ze aan hun eigen publiek, in casu de Palestijnse moslims, precies het tegenovergestelde zeggen en oproepen tot jihad tegen niet-moslims. Dat is de islam ten voeten uit, dus.

Van 2019 tot 2024 heeft de Palestijnse Autoriteit zo maar liefst 1 miljard dollar uitbetaald als beloning voor dode joden.

Tot nader order, proficiat, draagt de Belgische regering daar nog altijd vrolijk aan bij.

Mijnheer de minister, mijn vraag is evident, voor de zoveelste keer. Wanneer draait deze regering eindelijk de geldkraan dicht naar deze Palestijnse terrorismesponsor in Judea en Samaria?

Ten slotte, heel veel mensen zijn terecht verbaasd dat u nu plots het Gazaplan van Trump en Netanyahu steunt. Het gaat om een toch wel slim plan, dat, indien Hamas niet akkoord gaat – wat helaas te verwachten valt – Israël terecht de toestemming geeft to finish the job .

Ik ben zeer benieuwd hoe u dat verzoent met al uw eerdere stellingnames, met uw systematische demonisering van Israël en met al uw eenzijdige, toch wel populistische oproepen tot het sanctioneren van Israël.

Lydia Mutyebele Ngoi:

Monsieur le ministre, le gouvernement Netanyahu continue de violer le droit international en toute impunité avec le soutien indéfectible des États-Unis. En effet, entre l'attaque du 9 septembre à Doha contre un bâtiment en plein centre de la capitale et les attaques répétées de drones de ces dernières semaines contre les navires de la Flotilla, la communauté internationale reste silencieuse.

Mon groupe soutient fermement la Freedom Flotilla et exige que la Belgique soit aux côtés de ses ressortissants, peu importe les différences politiques. Il s'agit d'une question d'humanité et de solidarité. Alors que la famine est en train de tuer à Gaza, certains mettent leur vie au service de l'humanité.

Quelle a été votre réponse, monsieur le ministre? Eh bien, vous avez qualifié leur action d'inutile et vous refusez même de leur accorder la protection. Je tiens à rappeler que la protection de nos ressortissants belges à l'étranger est une question régalienne qui ne saurait être négociable. Comment justifier que la Belgique reste silencieuse alors que d'autres pays européens, tels que l'Italie, l'Espagne et la Norvège, ont pris des mesures concrètes? Vous avez simplement déploré l'attaque illégale à Doha, une attaque arbitraire contre un pays souverain, et vous n'avez ni soutenu ni protégé la Flotilla. Vous n'avez même pas condamné les attaques et les menaces contre elle.

Quelle est la position officielle de la Belgique face à ces attaques contraires au droit international? Quelles démarches diplomatiques avez-vous entreprises pour exiger le rétablissement du respect du droit international et la protection de nos ressortissants? Allez-vous pousser le gouvernement pour l'envoi d'une assistance maritime et consulaire pour protéger nos compatriotes belges? Dans le cas contraire, comment allez-vous le justifier?

Nabil Boukili:

Monsieur le ministre, on a vu depuis hier un plan néocolonial en 20 points de Donald Trump être accueilli avec enthousiasme à la fois par Benjamin Netanyahu, le criminel de guerre, et par vous.

Monsieur le ministre, ce plan n'est pas un plan de paix, mais un ultimatum unilatéral américano-israélien. C'est une capitulation imposée, qui ne fera qu'au mieux mettre la guerre génocidaire à Gaza en pause, sans y mettre fin.

C'est une attaque frontale contre le droit international. Les arrêts de la Cour internationale de Justice exigent sans équivoque qu'Israël se retire des territoires occupés et garantisse le droit au retour des réfugiés palestiniens. Ces revendications sont jetées à la poubelle. Négation d'un état palestinien. C'est dit clairement. Division définitive des territoires palestiniens.

Vous avez salué cet accord, monsieur le ministre. Vous dites même: "c'est ce que la Belgique défend et c'est ce que la Belgique est prête à encourager".

Cela pose question. Est-ce cela que la Belgique salue? Ce genre de rejet du droit international, un plan qui ignore le droit du peuple palestinien à l'autodétermination, qui ne traite ni du colonialisme, ni de l'occupation, ni de l'apartheid, qui accueille un criminel de guerre comme Tony Blair comme responsable de l'administration de Gaza? Un plan dans lequel Netanyahu insiste pour que les troupes israéliennes ne quittent pas Gaza?

Ma première question, monsieur le ministre: comment pouvez-vous saluer un tel plan pour le peuple palestinien?

Deuxième chose, vous avez aussi salué la reconnaissance de l'État palestinien par la Belgique, ce qui est faux, monsieur le Ministre. Dans vos propres gouvernements, des messieurs comme M. Bouchez disent exactement le contraire de vous. Malheureusement pour vous, les faits lui donnent raison – parce que c'est une reconnaissance sous conditions, et ces conditions ne sont pas réunies. De facto, il n'y a pas de reconnaissance. C’est un peu une reconnaissance fastoche de communication, mais qui ne s'applique pas dans les faits.

Monsieur le ministre, c'est une deuxième promesse que vous avez faite au peuple palestinien que vous n'honorez pas ici.

Je termine par le fait que l'accord de gouvernement prévoit des sanctions contre l'État d'Israël – enfin, "'sanctions", ce sont franchement des demi-mesures. D’'ailleurs, la semaine suivant votre annonce de cet accord, 110 000 personnes sont descendues dans la rue pour dire que c'est complètement insuffisant et pas à la hauteur de la situation.

Dans cet accord, vous mentionnez les deux ministres extrémistes et le chef du gouvernement, M. Netanyahu. Les autres membres du gouvernement ne sont-ils pas des extrémistes? Deuxièmement, vous évoquez des colons violents. Connaissez-vous, monsieur le ministre, des colons non violents? Surtout, quelles sanctions ont-elles été prévues contre l'État d'Israël? Aujourd'hui, aucune sanction économique concrète n'est prise contre cet État génocidaire. Interdire l'importation des produits issus des colonies est vraiment le minimum, mais cela ne répond pas à la gravité de la situation.

La population se mobilise pour compenser les manquements et l’inefficacité des gouvernements européens. Il y a cette flottille qui, dans un contexte marqué par la honte liée à la complicité de l’Union européenne avec Israël dans ce génocide, a mobilisé des personnes déterminées à briser le blocus et à acheminer de l’aide humanitaire. Ici, le premier ministre a déclaré que cette action était inutile, qu’il n’apporterait aucune protection à cette flottille, et que les gens n’avaient qu’à éviter les zones de guerre.

Pourtant, un génocide est en cours. Il faut intervenir. Les conventions nous y obligent. En tant que gouvernement signataire de ces conventions, vous ne les respectez pas. Les populations compensent donc ce manquement et vous ne leur apportez pas la protection nécessaire.

Monsieur le ministre, la Belgique va-t-elle prendre des mesures concrètes pour protéger la flottille en cours, lui apporter l’aide nécessaire et faire en sorte qu’Israël ne l’attaque pas, sachant que des menaces ont déjà été proférées depuis hier à l’encontre de ses passagers?

Pierre Kompany:

Monsieur le ministre, ce 22 septembre, aux yeux du monde, la Belgique a reconnu l'État de Palestine. Le discours du premier ministre a constitué une étape importante dans la mise en œuvre de l'accord que vous avez obtenu en kern le 2 septembre dernier.

La Belgique se trouve désormais en bonne compagnie aux côtés de nombreux États. Elle figure également parmi les pays ayant adopté le plus de sanctions pour assurer le respect du droit international par Israël, mais aussi contre les terroristes du Hamas. Elle a également une position en pointe au sein de l'Union européenne pour que d'importantes sanctions soient adoptées à ce niveau. À cet égard, il est important que d'autres pays puissent suivre notre position pour que les sanctions puissent être véritablement efficaces. Tout seul, notre pays n'aura qu'un impact limité.

Plus particulièrement, nous devons tout faire pour que les propositions que la Commission a présentées le 17 septembre dernier soient adoptées rapidement. Elle a fait son job. Il revient à présent au Conseil de l'Union européenne de faire le sien. Nous devons agir pour qu'une majorité qualifiée puisse être rassemblée afin d'adopter la suspension du volet commercial de l'accord d'association.

Monsieur le ministre, votre département a-t-il élaboré une stratégie pour inciter d'autres É tats à suivre les positions de la Belgique? Vous-même, avez-vous eu des contacts bilatéraux avec d'autres États pour expliquer les positions adoptées? Avez-vous déjà eu des discussions avec certains de nos partenaires européens au sujet des propositions de la Commission du 17 septembre dernier?

Els Van Hoof:

Mijnheer de minister, ten eerste, de tijd zal uitwijzen of het twintigpuntenplan een vredesplan is. Het heeft in elk geval de verdienste dat het op korte termijn de genocide kan stoppen.

De bedoeling is dat er een duurzame vrede tot stand komt, waarbij ook de erkenning van de Palestijnse staat in het vooruitzicht wordt gesteld en waarin de Palestijnse Autoriteit een rol speelt. Er zijn dus positieve elementen, zoals de vrijlating van de Israëlische gijzelaars binnen de 72 uur, een onmiddellijk staakt-het-vuren, humanitaire toegang, de volledige terugtrekking van het Israëlische leger uit Gaza op termijn en het idee van een overgangsregering met een internationale stabilisatiemacht.

Er zijn echter ook nog veel onduidelijkheden in en bedenkingen bij het plan. Zo lijken er geen veiligheidsgaranties voor het Palestijnse volk te zijn opgenomen, indien Israël zich niet aan de afspraken houdt. Sinds de akkoorden van Oslo weten we bovendien dat een tijdelijke Israëlische bezetting in een permanente bezetting kan uitmonden.

Hoe staat u tegenover het twintigpuntenplan? Was de Europese Unie betrokken bij de opmaak ervan of werd ze geconsulteerd om ook deel uit te maken van de board of peace ? Oorspronkelijk bevatte het plan ook een 21ste punt, een belangrijk punt, maar dat is weggevallen. Zijn er ook garanties voor een vredesplan voor de Westelijke Jordaanoever? Daarover wordt er immers niets gezegd.

Ten tweede, wat het akkoord in de Belgische regering over de oorlog in Gaza betreft, mijn wetsvoorstel om producten uit de bezette gebieden te verbieden, dat ik in de Kamer heb ingediend, kon rekenen op enkele constructieve opmerkingen van de Raad van State, die bovendien bevestigde dat zo’n verbod tot onze bevoegdheid behoort. In het akkoord staat dat de ministers van Economie en Financiën samen met u een koninklijk besluit zullen uitwerken voor een nationale importban, enkel voor goederen die geproduceerd, ontgonnen of verwerkt worden in de door Israël bezette gebieden. Hoe ver staat u met de opmaak van het KB, samen met uw collega-ministers? Wat is daarvoor de deadline? Hopelijk wordt het nog dit jaar afgerond, zoals Slovenië reeds heeft gedaan en Ierland hopelijk zal doen en zoals ook Spanje en Nederland overwegen. Wordt de ban ook van toepassing op diensten uit de bezette gebieden of niet?

Kathleen Depoorter:

Mevrouw de voorzitster, vandaag lopen we heen en weer tussen commissievergaderingen.

Mijnheer de minister, ik heb een aantal vragen over de situatie in Gaza, die opnieuw veranderd is sinds ik mijn vraag indiende. Zo ligt er nu het twintigpuntenplan. Hebt u kennis van de exacte bewoordingen van dat plan. Ik heb het opgezocht, maar niet gevonden. Misschien beschikt u wel over duidelijke omschrijvingen. Uiteindelijk kunnen we pas de kans op slagen ervan inschatten, als we kennis kunnen nemen van alle details en van de manier waarop het plan moet worden uitgevoerd.

Ik merk ook dat de veiligheidsgaranties op het einde van het traject bij de erkenning van Gaza en bij de erkenning van Israël door de Arabische staten nogal vaag omschreven zijn. Die staten hebben, zo verneem ik toch, aangegeven te zullen meewerken. In hoeverre hebt u er zicht op dat die medewerking ook leidt tot een uiteindelijke erkenning van Israël zelf?

Een ander probleem betreft de Westelijke Jordaanoever . Hoe wordt daarrond voortgewerkt? Hoe concreet zijn de garanties zijn dat de illegale nederzettingen niet worden ingenomen? Dat wordt nog steeds door de regering van Israël verkondigd. We moeten aandachtig blijven voor die kwestie.

Wat de positie van Europa betreft, in hoeverre was Europa betrokken bij de totstandkoming van dat plan? In hoeverre is er een Europese vertegenwoordiging in de vrijheidsbestuur van Gaza? In hoeverre acht u het democratisch proces onder controle? Ik denk dat we het erover eens zijn dat de inwoners van Palestina uiteindelijk een democratisch verkozen bestuur moeten kunnen installeren om zo hun volledige zelfbeschikkingsrecht te kunnen uitoefenen. In hoeverre is dat volgens u meegenomen in het stappenplan? Kan Europa daarin een stem hebben, opdat dat inderdaad gebeurt?

Ten slotte, hoe ver staat het met de uitvoering van de beslissingen van het kernkabinet? Hoe ver staat het met de uitwerking van eventuele sancties in Europa, sancties die ons land sowieso zal onderschrijven conform de beslissing die genomen is in het kernkabinet?

Pierre-Yves Dermagne:

Monsieur le vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères, ce week-end, pendant que le président du gouvernement israélien, Benyamin Netanyahu, pérorait à la tribune des Nations Unies, où sa présence-même constituait une insulte à l'ordre juridique international, au droit international et même à la plus simple décence, j'ai eu l'occasion de me rendre à Catane pour soutenir les citoyens et les citoyennes courageux qui ont pris part à la flottille pour Gaza.

J'y ai vu des femmes, des hommes, des citoyens et citoyennes venus de toute l'Europe embarquer avec courage et dignité sur la flottille Thousand Madleens to Gaza . J'y ai vu des Belges, des Européens, des Européennes, des citoyens et les citoyennes engagés, solidaires et déterminés à briser le blocus illégal qui affame Gaza et sa population depuis des années, et avec une acuité et une violence décuplées depuis plusieurs mois maintenant.

J'y ai vu des militants qui refusent de rester les bras croisés devant le génocide en cours à Gaza. J'y ai vu des cœurs, et pas des armes. Des humanitaires, pas des provocateurs, et encore moins, bien entendu, des terroristes. Et, pourtant, depuis le départ de la Global Sumud Flotilla , ces embarcations civiles sont systématiquement attaquées. Des drones ont largué des grenades assourdissantes et des substances chimiques incendiaires sur le pont de différents bateaux remplis de civils. Suite à cela, des États comme l'Espagne et l'Italie ont immédiatement réagi, en envoyant des frégates pour protéger leurs ressortissants. L'Irlande a, quant à elle, accordé une protection diplomatique à ses ressortissants.

Et nous, monsieur le ministre? Quid de la Belgique? Nous avons d'abord eu droit à un silence radio de la part du gouvernement. Ensuite, des propos décalés, méprisants de la part du premier ministre à l'égard des citoyennes et citoyens courageux qui s'engagent dans cette flottille, en les présentant finalement comme des irresponsables qui prendraient des risques inconsidérés.

Et puis, monsieur le ministre, vous rendant compte qu'un total silence radio serait à la fois une faute politique, diplomatique et, plus important encore, morale, vous avez fait un petit pas. Et je tiens ici à le souligner, et le saluer d'une certaine manière, puisque vous avez pris langue avec vos homologues italien et espagnol pour que les frégates de ces deux pays puissent accorder leur protection aux citoyens belges qui naviguent sur les bateaux de la flottille.

C'est un premier pas significatif, mais insuffisant, monsieur le ministre. Face au comportement du gouvernement Netanyahu…

La présidente : Monsieur Dermagne, vous avez déjà parlé trois minutes.

Pierre-Yves Dermagne:

… Face aux attaques contre le droit international, il importe que la Belgique et son gouvernement aillent plus loin. Par conséquent, je vous demande, monsieur le ministre des Affaires étrangères, si vous entendez accorder la protection diplomatique aux ressortissants belges qui se trouvent sur la flottille. Entendez-vous demander au gouvernement et, en particulier, au ministre de la Défense d'envoyer également une frégate militaire pour protéger nos concitoyens?

La présidente : Ik geef het woord aan de minister.

Maxime Prévot:

Dank u, mevrouw de voorzitster. Merci, chers collègues. Vous avez été à nouveau nombreux à me poser des questions relatives à la situation au Moyen-Orient et à Gaza en particulier. Malgré l'absence de MM. Lacroix, Vander Elst et Aerts – lequel m'avait adressé de nombreuses questions – et comme une trentaine d'interventions étaient prévues à ce sujet, je vais tenter de répondre complètement, y compris aux questions des collègues absents, puisque nous avons pu prendre connaissance de leurs préoccupations préalables.

Qu'il n'y ait aucun doute à ce sujet: je continue de me préoccuper de ce qu'il se passe précisément, car ces événements sont extrêmement graves. Chaque jour, je travaille avec mes services, mon cabinet et mes collègues du gouvernement afin de trouver des solutions.

De militaire operaties van Israël tegen Gaza-Stad veroorzaken meer onschuldige slachtoffers, meer materiële schade en verdere massale verplaatsingen van de burgerbevolking. Samen met andere Europese landen heb ik de regering-Netanyahu opgeroepen om die plannen op te geven. Ik heb vervolgens de aanvallen veroordeeld en Israël herinnerd aan zijn verplichting om het internationaal humanitaire recht te respecteren.

Het is belangrijk dat zulke acties worden veroordeeld. Het is van essentieel belang om de aandacht te vestigen op schendingen van het internationale recht. Dat maakt deel uit van de strijd tegen straffeloosheid.

Comme nous le savons, les condamnations ne suffisent pas. La moitié des centres qui traitaient la malnutrition dans la ville de Gaza ont été détruits. Fin août, le secrétaire général de l'ONU déplorait une famine à Gaza. Le 16 septembre, la Commission d’enquête internationale indépendante de l’ONU sur le territoire palestinien occupé a estimé qu’il y avait un génocide à Gaza.

Face à la situation, il faut des mots forts, c’est évident, mais il faut aussi des actes concrets, ce qui l’est tout autant. C’est la raison pour laquelle j’ai fait de nombreuses propositions très précises que le kern a décidé d’entériner le 2 septembre dernier. Vous les connaissez, chers membres de la commission, puisque je suis venu dès le lendemain vous les présenter au sein même de cette commission.

Certaines d’entre elles avaient déjà été envisagées sous la précédente législature, mais c’est l’Arizona qui les a adoptées lors de son Conseil des ministres du 12 septembre dernier.

De heer Aerts en enkele collega's hebben mij gevraagd hoever de uitvoering van elk van die besluiten gevorderd is. Ze zijn niet allemaal van mij afhankelijk, maar na overleg met mijn collega's kan ik meedelen dat ze allemaal ofwel werden uitgevoerd ofwel in het proces van uitvoering zijn, met een tijdschema dat varieert. Zoals u zich kunt voorstellen, duurt het wijzigen van een wet langer dan het persona non grata verklaren van individuen. U hebt me ook veel vragen gesteld over de uitdagingen bij de uitvoering van die besluiten. U bent zich daar dus terdege van bewust.

Sommige van die besluiten zijn inderdaad primeurs. Ze inspireren trouwens ook andere landen, die België als voorbeeld nemen, mevrouw Depoorter. Met name Spanje kondigde enkele dagen later maatregelen aan die vergelijkbaar zijn met het Belgische pakket. We hebben verzoeken ontvangen van andere partners, die ook nationale maatregelen willen nemen. De Palestijnse missie in België heeft de Belgische regering bedankt voor haar moed en daden. Verschillende ngo's hebben me geschreven om mijn voorstellen te verwelkomen en me aan te moedigen de uitvoering ervan voort te zetten.

Monsieur Boukili, vous pensez qu'il faut agir plus vite et faire encore plus. C'est évident! C'est la raison pour laquelle je veille à ce que les décisions prises par le gouvernement soient matérialisées le plus rapidement possible. Au demeurant, j'ai écrit à mes collègues pour les sensibiliser à l'urgence d'agir. Mes services ont contacté en parallèle leurs homologues afin d'obtenir rapidement des résultats. La machine est donc en marche. En soi, c'est déjà un signal envoyé au gouvernement Netanyahu.

Depuis la dernière fois que je suis venu devant vous, nous avons pu évacuer médicalement des enfants supplémentaires, atteints de pathologies complexes qui ne pouvaient être traitées dans la région. Quelques semaines auparavant, déjà, nous avions évacué d'autres enfants ainsi que leurs accompagnateurs. La Belgique se situe ainsi en quatrième place des pays de l'Union européenne en ce domaine, même si le nombre de personnes reste en soi bien modeste au regard de l'ampleur du drame. En tout cas, peu nombreux sont les pays à agir par rapport à ce qui devrait être, mais l'essentiel de ceux qui assument cette prise en charge sont l' Égypte, les Émirats arabes unis ou la Jordanie qui, en raison de leur proximité, font plus que nous. Ces évacuations sont complexes et coûteuses, mais elles ne dépendent pas que de la Belgique. Nous ne maîtrisons pas de nombreux acteurs et de multiples facteurs. Il ne suffit pas de rêver à évacuer les gens de Gaza. Il faut se rendre compte que, dans ce contexte de guerre, arriver à identifier leur localisation, prévoir et sécuriser des couloirs d'extraction, s'assurer que ce qui avait été prévu la veille est encore valable le lendemain matin, procéder aux checks de sécurité nécessaires et assumer la prise en charge, ce sont des choses qui se disent facilement, mais qui sont applicables beaucoup plus difficilement dans un contexte de guerre. En tout cas, nous allons évidemment poursuivre ces opérations par humanisme.

De heer Aerts had meer informatie gevraagd over de 12,5 miljoen euro aan humanitaire hulp die ik heb aangekondigd, bovenop de 7 miljoen euro die dit jaar al is toegezegd. De aangekondigde 12,5 miljoen euro omvat een bijkomende 4,5 miljoen euro voor UNRWA, 2 miljoen euro voor de activiteiten van het ICRC, met name de bescherming en bijstand aan de meest kwetsbare mensen in Gaza en nog eens 6 miljoen euro voor OCHA als flexibele financiering om onder coördinatie van de Verenigde Naties de actoren te ondersteunen die het best geplaatst zijn om aan de behoeften ter plaatse te voldoen.

Daarnaast werden de voorbereidingen opgestart om het lopende programma van onze gouvernementele samenwerking met de Palestijnse Autoriteit bij te sturen. De timing en concrete invulling hangen af van de verwachte evolutie op het terrein. In ieder geval zal België zich resoluut blijven inzetten voor de ontwikkeling van een stabiele en inclusieve rechtsstaat in de Palestijnse gebieden. Tevens zal worden bekeken in welke mate België zich, in het kader van een internationale en multilaterale samenwerking, kan aansluiten bij een gezamenlijke aanpak voor herstel en heropbouw.

À ce sujet, nous nous sommes associés voici quelques jours à plusieurs autres États qui ont lancé la Emergency Coalition for the Financial Sustainability of the Palestinian Authority.

Ik wil ook duidelijk stellen dat België wel degelijk reageert op de vernieling door Israël van projecten die mede door ons land zijn gefinancierd. Sinds 2017 hebben de EU en een aantal donoren op initiatief van België een gemeenschappelijke strategie ontwikkeld voor gevallen van sloop en inbeslagname, waarbij wij financiële compensatie van de Israëlische autoriteiten eisen. De donoren en de EU hebben officiële brieven gestuurd naar de COGAT (Coordinator of Government Activities in the Territories), de civiele administratie in de Palestijnse gebieden die onder het Israëlische ministerie van Defensie valt.

De overhandiging van die brieven gaat regelmatig gepaard met stappen die de ambassades van de betrokken lidstaten zetten ten aanzien van het Israëlische ministerie van Buitenlandse Zaken.

Il va évidemment de soi qu'une reconstruction de Gaza ne pourra être effective que si elle s'inscrit dans le cadre d'une perspective politique négociée garantissant les conditions pour que les Palestiniens et Israéliens puissent vivre durablement en paix côte à côte. C'est pour cela que le 22 septembre, à New York, la Belgique s'est jointe aux pays qui ont annoncé la reconnaissance de l' É tat de Palestine.

Cette décision était fidèle à la résolution que vous avez vous-même adoptée en mai dans ce Parlement et que le gouvernement avait décidé de faire sienne. Cette reconnaissance participe à la matérialisation de la solution à deux É tats pour laquelle nous plaidons, ceci parce que nous pensons que c'est la meilleure façon de permettre aux Israéliens et aux Palestiniens de vivre les uns à côté des autres pacifiquement et en sécurité dans la durée.

Dit was de eerste fase, de politieke fase. Het koninklijk besluit is immers onderworpen aan twee voorwaarden die het mogelijk maken om te voorkomen dat Hamas een blanco cheque krijgt. Als het Trumpplan wordt aangenomen, zal trouwens aan de twee voorwaarden worden voldaan: de vrijlating van de gijzelaars en de uitsluiting van Hamas van het bestuur van Palestina.

Monsieur Boukili, ne vous en déplaise à vous ou à d'autres de vos collègues, je peux témoigner que la semaine dernière à New York, lors de la semaine de haut niveau des Nations Unies, les propos de notre premier ministre à la tribune, évoquant clairement cette reconnaissance sur la scène diplomatique, ont été largement salués, y compris par les autorités palestiniennes. Personne ne m'a en effet accosté dans les couloirs en me disant "Monsieur le ministre, quand va venir le moment de l'adoption de l'arrêté royal en Conseil des ministres?" Ce qui importait pour la communauté diplomatique internationale, c'était la posture politique de la Belgique se joignant au groupe des autres pays qui ont reconnu l'État de Palestine.

S'il est vrai que certains, vous comme d'autres, pourraient considérer que la seule reconnaissance valable est celle qui produit des effets juridiques, à savoir celle qui fera l'objet d'une validation par le Conseil des ministres, alors oui, nous n'y sommes pas encore. On peut continuer à rester dans l'entre-soi belgo-belge, pétri de ses certitudes politiques, parce que cela sert évidemment le jeu majorité-opposition, il n'en demeure pas moins que l'effet de la position belge a été bien perçu sur la scène diplomatique internationale. Du reste, d'autres pays sont d'ailleurs en train d'observer et d'étudier, en interne de leur processus décisionnel, le processus qui a été le nôtre.

Rappelons aussi, parce que le débat autour de la question de la reconnaissance a parfois tellement supplanté le reste des dimensions de ce problème à Gaza, que la reconnaissance, même décidée de manière immédiate, n'est pas ce qui permet de nourrir les bouches affamées des enfants, des femmes, des citoyens actuellement en manque d'aide humanitaire à Gaza. C'est la raison pour laquelle – même si cette reconnaissance était extrêmement importante pour pouvoir s'ériger contre les velléités israéliennes d'annexion de la Cisjordanie, d'occupation militaire totale de Gaza ou de relance de nouvelles colonies illégales, pour préserver la solution à deux États, comme son nom l'indique – elle ne doit pas nous éloigner de l'essentiel, qui reste la crise humanitaire. Le seul moyen de faire sauter le bouchon inacceptable et illégal du blocus humanitaire, constitutif de crime de guerre, est d'agir sur le volet des sanctions.

À cet égard, la Belgique est dans le peloton de tête européen des mesures qui ont pu être prises. Je l'ai déjà dit, et je le répète, je vous mets au défi de trouver cinq pays européens qui ont pris des mesures aussi volontaristes que les nôtres en termes de sanctions.

In ieder geval blijven wij sancties opleggen aan Israëlische kolonisten en aan Hamas, zowel op nationaal als Europees niveau. We roepen de EU ook op met aanvullende voorstellen te komen die de druk op hen kunnen opvoeren.

Parce qu'il est clair que, si la Belgique ne pouvait plus rester derrière le paravent de l'inertie européenne pour s'exonérer de prendre des initiatives nationales – raison pour laquelle j'ai proposé cette batterie de mesures début septembre –, nous sommes aussi conscients que c'est en prenant des sanctions à l'échelle européenne que celles-ci auront potentiellement le plus d'impact sur Israël, puisque l'ensemble du marché européen représente le premier partenaire économique d'Israël.

Donc, nonobstant les mesures prises au niveau belge, nous continuons de plaider ardemment pour que des sanctions soient également prises au niveau européen pour maximiser l'impact de ces mesures. En attendant, nous travaillons à ce que nos mesures, jointes à des décisions nationales d'autres États, puissent atteindre une masse critique significative et avoir un effet d'entraînement, un effet boule de neige.

Wat Hamas betreft, willen wij dat die terroristische beweging de gijzelaars onmiddellijk en onvoorwaardelijk vrijlaat. Tegelijkertijd moedigen we Israël aan om met Hamas te onderhandelen. Tot nu toe is het immers dankzij onderhandelingen dat de meerderheid van de gijzelaars is vrijgelaten.

Daarom betreur ik, mijnheer Van Rooy, net als de Europese Unie, de schending van de soevereiniteit van Qatar door Israël, dat op 9 september aanslagen heeft gepleegd in Doha. Op grond van artikel 2, paragraaf 4, van het Handvest van de Verenigde Naties is dat een ernstige schending van de soevereiniteit van Qatar. Die aanslagen zijn des te betreurenswaardiger omdat Qatar, samen met Egypte en de Verenigde Staten, een bemiddelende rol speelt om de vrijlating van Israëlische gijzelaars en een staakt-het-vuren in Gaza mogelijk te maken. Het waren echter juist de Hamas-onderhandelaars die Israël daar heeft gedood. U mag zich verheugen dat er mannen zijn gestorven, als u dat wilt, maar het internationale recht sluit buitengerechtelijke executies uit. Bovendien is het doden van Hamas-onderhandelaars waarschijnlijk geen goed nieuws voor de Israëlische gijzelaars, omdat het de deur sluit voor verdere onderhandelingsmogelijkheden, terwijl onderhandelingen tot nu toe meer resultaat hebben opgeleverd dan militair geweld.

Même si, évidemment, personne ne pleurera le décès de leaders terroristes du Hamas.

We veroordelen trouwens ook gelijkaardige Israëlische aanvallen in Libanon en Syrië. Het is aan deze landen om terreurorganisaties op hun eigen grondgebied te bestrijden, met respect voor de rechtsorde en de mensenrechten.

De twee voorwaarden, waarvan eerder sprake, om de staat Palestina wettelijk te erkennen, hangen niet af van Israël. Het is twijfelachtig of de regering-Netanyahu al het mogelijke doet om de gijzelaars vrij te laten, maar het is Hamas dat hen vasthoudt. Het is Hamas dat hen zou moeten bevrijden.

Over de voorwaarde dat terroristische organisaties zoals Hamas van het beheer van Palestina zouden worden uitgesloten, heeft Hamas gezegd dat het hiervan voorstander zou zijn. De verklaringen van president Abbas gaan in dezelfde richting, zoals ook is besloten door alle ondertekenende staten in de Verklaring van New York en het is ook wat het Trumpplan, dat Hamas bestudeert, biedt.

Mevrouw Van Hoof, madame Maouane, monsieur Boukili, je n'ai pas accueilli "avec enthousiasme", comme vous l'avez indiqué, monsieur Boukili, le plan proposé par M. Trump, plan que vous qualifiez de néocolonial. Mais j'ai, comme d'ailleurs l'immensité de la communauté internationale, salué ce plan. Même l'Espagne, que vous identifiez souvent comme étant le pays le plus en pointe dans la défense de la cause palestinienne, a salué ce plan, tout comme moi.

Ce plan n'est pas parfait, et l'Union européenne n'a pas encore été formellement impliquée à ce stade, non. Plusieurs pays arabes ont, par contre, été consultés en amont, notamment durant la semaine à New York. J'en ai été le témoin direct, et j'ai pu en parler avec plusieurs de mes homologues des pays arabes.

Ce plan exclut l'occupation de Gaza par Israël. C’est une bonne chose, mais les conditions du retrait mériteraient d'être clarifiées et précisées selon un calendrier précis, d'autant qu'on entend le premier ministre israélien émettre des objections à cette question.

Ce plan reconnaît que les Gazaouis doivent pouvoir rester chez eux. Il prévoit un cessez-le-feu et une augmentation de l'aide humanitaire; mais il resterait des obstacles à cette aide. Le sort de la Global Humanitarian Foundation, qui est problématique, nous le savons, n'est pas clairement réglé.

Le plan reconnaît aussi le droit à l'autodétermination du peuple palestinien, ce qui est notre position également. Mais les étapes pour parvenir à la solution à deux États restent à confirmer.

Il prévoit la libération des otages et celle de prisonniers palestiniens, dont des enfants. Il exclut le Hamas de la gouvernance de Gaza, ce que nous souhaitons également. Mais il part de la mise en place d'un board of peace , dirigé par des étrangers, ce qui peut aussi poser question. L'Autorité palestinienne est mentionnée, mais son rôle n'est pas évident.

Bref, ce plan n'est pas parfait, mais il a bien le mérite d'exister dans le contexte que nous connaissons. Malgré ses imperfections, il offre une base pour reprendre les négociations de manière crédible. C'est cela qui mériterait d'être salué.

In een verklaring naar aanleiding van het plan van president Trump herhaalde de Palestijnse Autoriteit ook haar positie over de hervormingen die toegezegd zijn op de Tweestatenconferentie in New York, inclusief presidents- en parlementsverkiezingen binnen één jaar na het einde van de oorlog; scholencurricula in lijn met de Unesconormen binnen de twee jaar uitvoeren; de afschaffing van het Martelarenfonds en de oprichting van een sociaal welzijnssysteem, onderworpen aan internationale controle. Een uitdaging zal echter het organiseren van verkiezingen zijn. De Palestijnse Autoriteit heeft geen toegang tot Oost-Jeruzalem, dat geannexeerd is door Israël, en momenteel ook niet tot Gaza. Toch wordt er nagedacht over creatieve oplossingen, ook om de mogelijke weigering van Israël te overwinnen.

Mijnheer Van Rooy, de hervormingen van het Martelarenfonds en van de schoolcurricula maken al deel uit van de voorwaarden voor Europese financiering. DG MENA (Directorate-General for the Middle East, North Africa and the Gulf) heeft technische teams ter beschikking gesteld aan de Palestijnse Autoriteit. De wetgeving rond het Martelarenfonds werd reeds in februari afgeschaft en vervangen door een nieuwe wet ter oprichting van een socialezekerheidsfonds gebaseerd op armoede-indicatoren. Begin september werd de eerste betaling verricht onder dat nieuwe socialezekerheidssysteem. Voorts werd ook een audit besteld, die de komende maanden zal worden uitgevoerd.

Ik wil de heer Van Rooy ook meegeven dat de Palestijnse Autoriteit van haar kant Israël al erkend heeft in 1993. De Palestijnse Autoriteit is echter niet beloond voor haar erkenning van Israël, wat extremisme in de hand heeft gewerkt.

Ik wens te benadrukken dat de erkenning van Palestina geen anti-Israëlische beslissing is. Het is de bevestiging van het Europese en Belgische beleid sinds decennia, waarbij we ons engagement ten aanzien van de tweestatenoplossing systematisch herhalen.

Volgens de beschikbare archieven tussen 2020 en vandaag was er één verzoek aan België voor diplomatieke toestemming voor overvluchten van Israëlische militaire vluchten. De weigering van verzoeken van de Israëlische autoriteiten voor militaire overvliegvergunningen geldt voor alle aanvragen. Er is nog nooit een verzoek ingediend voor een permanente diplomatieke toelating voor Israëlische militaire vluchten. Dat is mijn antwoord op een vraag van de heer Aerts.

Wat ons wapenuitvoerbeleid betreft, kan ik het volgende meedelen. In juni organiseerde ik reeds een interfederaal overleg met de betrokken beleidscellen en administraties. Het doel van dat overleg is enerzijds om de regels aan te scherpen en anderzijds om de uitvoering te verbeteren door middel van coördinatie en informatie-uitwisseling. Daarbij spelen Douane, Mobiliteit, Buitenlandse Zaken en de gewesten een rol. Vragen die specifiek over Douane en Mobiliteit gaan, moeten aan de bevoegde minister worden gesteld. Op basis van de beslissing van de Raad van ministers van september vond nog recent overleg plaats.

We hebben een politieke consensus bereikt om het akkoord tussen de federale overheid en de gewesten van 2009 aan te passen. Ik bereid bovendien een koninklijk besluit voor, samen met mijn collega Jean-Luc Crucke, de minister van Mobiliteit. Beide worden binnen de komende dagen verwacht.

Wat individuele sancties betreft, gaat het om verschillende lijsten. De namen die op Europees niveau zijn aangenomen, zijn meteen ook op Belgisch niveau overgenomen. We pleiten echter al meer dan een jaar op Europees niveau voor een uitbreiding van deze lijsten, zowel wat betreft de leden van Hamas als gewelddadige kolonisten en twee extremistische ministers.

Tot nog toe is daarover op Europees niveau geen consensus, zoals ik ook meermaals in deze Kamer heb aangegeven, niettegenstaande de juridische sterkte van deze voorstellen. Onze voorkeur gaat uiteraard nog steeds uit naar een Europese aanpak, maar in afwachting daarvan zullen wij op nationaal niveau deze individuen sanctioneren, als uitzonderlijke maatregel. De betrokken diensten werken aan de uitvoering hiervan. Persoonlijk hoop ik dat er stilaan een momentum ontstaat, zodat de Europese leiders hierover een gemeenschappelijk signaal kunnen geven. Ik hoop het des te meer na de verklaringen van de voorzitster van de Commissie, mevrouw Von der Leyen.

Mevrouw Van Hoof, laten wij eerlijk zijn, van alle maatregelen die ik aan het kernkabinet heb voorgesteld, zal het invoeren van een importban voor producten uit de illegale nederzettingen ongetwijfeld de moeilijkste worden. Zoals u allen weet, leven wij in een eengemaakte Europese markt en is de Europese Commissie bevoegd voor de handel met landen buiten de EU. Het Internationaal Gerechtshof heeft echter al meer dan een jaar geleden beslist dat derde staten, zoals België, de verplichting hebben de handel met de nederzettingen stop te zetten. Zo niet, dragen wij onrechtstreeks bij tot het bestendigen van een oorlogsmisdaad.

Dit geldt als onze juridische basis. Vandaar dat ik al aan de Europese Commissie heb gevraagd om ons richtlijnen te geven. Samen met ongeveer 10 andere EU-lidstaten heb ik bovendien een brief gestuurd naar de Europese Commissie en de Hoge Vertegenwoordiger om samen te werken aan een Europees beleid hieromtrent. In afwachting van een Europees beleid willen wij op Belgisch vlak al van start gaan, in lijn met ons engagement ten aanzien van het internationaal recht.

Slovenië voerde al een importverbod in, enkel voor producten uit de nederzettingen. Ierland werkt eveneens aan een wetsvoorstel waarin ook de diensten en investeringen zouden worden opgenomen. Ook vanuit onze buurlanden Nederland en Luxemburg bestaat er belangstelling, evenals vanuit Spanje. Mijn diensten staan bovendien in contact met onze collega’s in Ierland, die eveneens een gelijkaardig voorstel uitwerken. Met andere woorden, ons initiatief krijgt tractie.

Het behoort tot de bevoegdheden van de FOD Economie om samen met de FOD Financiën de actie concreet uit te werken. Er zijn deelaspecten die eenvoudiger toe te passen zijn dan andere. Als voorbeeld kan worden vermeld dat de lijst met postcodes van de nederzettingen gekend is, waardoor de productiesites kunnen worden getraceerd. Ook de Verenigde Naties heeft recent een geactualiseerde lijst gepubliceerd van ondernemingen die actief zijn in de illegale nederzettingen. Om uw vraag te beantwoorden, geef ik mee dat geen enkel Belgisch bedrijf daarin is vermeld.

C'est bon à savoir! Cette mise à jour faite par les É tats, par les Nations Unies, précise bien que, dans toute cette liste d'entreprises qui agissent dans les colonies illégales, ne figure aucune entreprise belge.

Pour répondre de manière plus précise encore à M. De Smet, qui m'interrogeait sur les modalités pratiques de la mise en œuvre de cette sanction décidée par le Conseil des ministres et visant à interdire l'importation de ces produits, je ne peux que vous inviter à l'avenir à interroger mes collègues de l'Économie et des Finances chargés de la mise en œuvre pratique de cette décision, et non les Affaires étrangères. Madame Maouane, la décision du Conseil des ministres vise bien à interdire non seulement les produits issus d'entreprises publiques israéliennes mais aussi ceux des entreprises privées installées dans les colonies. Pour les mécanismes de contrôle et les modalités d'importation via d'autres pays de l'Union européenne, comme je viens de le préciser, je ne peux que vous orienter vers mes collègues en charge de l' É conomie et des Finances.

Monsieur De Smet, nous prenons nos responsabilités au niveau national et aussi au niveau européen qui, je l'ai déjà dit, reste incontestablement le niveau le plus pertinent pour agir. Mais ceci ne doit pas nous dédouaner de nos propres initiatives. La Belgique soutient clairement la suspension partielle et même potentiellement totale de deux volets de l'accord: le volet commercial et le volet recherche-innovation-coopération technologique.

Je rappelle qu'à la lecture de la décision prise par le kern, entérinée ensuite par le Conseil des ministres, j'ai reçu un mandat clair et total d'appuyer toutes les sanctions qui seront mises sur la table par l'Union européenne et de pouvoir même les plaider. Vous aurez vu dans la liste que nous avons évidemment évoqué le fameux accord d'association entre l'Union européenne et Israël, tant sa suspension totale que partielle. Mais nous avons été bien au-delà, en listant toute une série d'autres accords entre l'Union européenne et Israël et pour lesquels la Belgique est demandeuse. Elle-même soutiendra donc toute sanction possible.

Monsieur Kompany, le 17 septembre la Commission européenne a finalement présenté un paquet de mesures et de sanctions aux États membres. Il y a donc quelques jours de cela, suite aux demandes que j'avais formulées à plusieurs reprises avec d'autres collègues européens. J'ai en effet eu des discussions avec certains de mes partenaires européens sur ces propositions. Pour les adopter, il faudra, selon les mesures proposées, tantôt l'unanimité, tantôt une majorité qualifiée. La Belgique adoptera quoi qu'il en soit une approche volontariste. Au-delà des accords et des programmes dont nous avons déjà décidé d'appuyer la suspension, la décision du gouvernement est très claire: la Belgique appellera la Commission et le Service européen pour l'action extérieure à présenter également d'autres mesures possibles. Nous ne nous en tiendrons pas uniquement aux déclarations faites par Mme Von der Leyen.

Monsieur Boukili, vous estimez peut-être que l'accord est largement insuffisant, bien qu'il soit largement supérieur à ce qu'un quelconque précédent gouvernement ait jamais pris comme décision, que plusieurs mesures sont des premières et que d'autres pays s'en inspirent. Là où je ne suis pas d'accord avec vous, c'est que votre logique semble être celle de sanctions aveugles permanentes, celle du blanc ou noir. Je l'ai dit, ce serait une erreur de punir aveuglément un peuple dont des centaines de milliers de personnes, tout comme en Belgique, s'insurgent contre les politiques du gouvernement Netanyahu. Notre gouvernement fait la différence entre le gouvernement d'Israël, qui viole actuellement de manière scandaleuse le droit international, et le peuple d'Israël, qui est divisé. Nous veillons aussi à ne pas faire d'amalgame entre le gouvernement d'Israël et la communauté juive à travers le monde. L'antisémitisme est en hausse, et pour lutter contre cela, nous prenons aussi des mesures.

Volgend op de beslissingen van de federale regering van 12 september en de opdracht die mij werd gegeven om de toegang tot de consulaire diensten voor Belgen die in de nederzettingen wonen te beperken tot uitsluitend de wettelijk bepaalde noodbijstand, kan ik enige toelichting geven in antwoord op uw vragen.

Er dient allereerst een duidelijk onderscheid tussen consulaire administratieve bijstand en consulaire noodbijstand te worden gemaakt. Beiden vallen onder het regelgevend kader van het Consulair Wetboek. De elementen van consulaire dienstverlening die in dat wetboek staan, die u in uw vragen hebt aangehaald, vallen onder de definitie van consulaire administratieve bijstand en zullen derhalve niet langer aan de Belgen die in de nederzettingen wonen worden verleend.

Wat de legalisaties betreft herinner ik u eraan dat Israël, net als België, lid is van het Verdrag van Den Haag van 5 oktober 1961 tot afschaffing van het vereisen van legalisatie van buitenlandse openbare akten. Voor de regeringsbeslissing van 12 september werden er dus al geen documenten meer gelegaliseerd.

Consulaire noodbijstand, inclusief de afgifte van noodreisdocumenten, zoals bepaald in hoofdstuk 13 van het Consulair Wetboek, blijft wel van toepassing, zoals voor alle Belgen in het buitenland, in uitvoering van de regeringsbeslissing van 12 september.

Collega’s, volgens de informatie waarover wij beschikken, nemen acht Belgen deel aan de Global Sumud Flotilla. Anderen maken deel uit van de Thousand Madleens Flotilla. We staan in contact met deze flottieljes en hun vertegenwoordigers in België. Mijn medewerkers ontvangen vandaag voor de tweede keer vertegenwoordigers op mijn kabinet.

De FOD Buitenlandse Zaken volgt de ontwikkelingen op de voet.

Et je suis toujours surpris quand – sauf à vouloir caricaturer la situation – on parle de mon silence sur la question de cette flotte.

D'abord parce que je me suis déjà exprimé publiquement à deux reprises. Par ailleurs, pas plus tard que dimanche dernier, j'ai encore longuement eu au téléphone le matin l'un des acteurs coordinateurs. Peut-être que ce que je dis n'est-il pas ce que la flottille a envie d'entendre. Ça, c'est autre chose. Mais pour autant, on ne peut pas parler de silence.

Pendant votre week-end à Catane, monsieur Dermagne, j'ai obtenu de mes homologues italien et espagnol – et je vous remercie d'avoir eu l'élégance de le souligner – que leurs bateaux puissent en cas de besoin porter assistance à nos compatriotes.

Il y a une grande distinction à opérer entre la protection consulaire et la protection militaire. J'entends que la flottille voudrait que la Belgique envoie un bateau militaire. Outre le fait que je ne rentrerai pas dans un long débat sur notre marine et la disponibilité relative de ses frégates – dont certaines sont d'ailleurs en maintenance –, des pays comme la Grèce, l'Italie ou l'Espagne, au vu de leur configuration géographique bercée par l'eau, ont évidemment une flottille bien plus large que la nôtre. Dès lors que l'enjeu est de porter assistance en cas de problème, il n'est nul besoin d'un bateau supplémentaire à ceux déjà aux côtés de la flottille actuelle. C'est la raison pour laquelle j'ai pris contact d'initiative avec mes homologues italien et espagnol pour s'assurer qu'en cas de nécessité, leur bateau pourrait aussi prendre en considération l'assistance à apporter à nos compatriotes, ce qui a été acquis. Et j'en remercie l'Italie et l'Espagne.

C'est différent d'une protection militaire, car même mes homologues m'ont confirmé que les bateaux militaires dépêchés sur place par l'Espagne et l'Italie s'y rendent avec la seule finalité d'une assistance humanitaire. Ils ne vont pas eux-mêmes franchir les eaux territoriales israéliennes. Il ne faut donc pas attendre une intervention militaire quelconque, susceptible de générer une escalade militaire avec plusieurs pays européens, que personne ne souhaite dans cette région.

Bien sûr, nous pourrions à l'envie discourir, faire des cartes blanches, donner des interviews en disant "oui mais ce ne sont pas des eaux territoriales israéliennes, ce sont des eaux territoriales palestiniennes". Je suis ouvert et prêt pour tout ce débat rhétorique. Il n'en demeure pas moins qu'aujourd'hui, nous avons quand même tous pu nous rendre compte, depuis des mois et des mois, que le respect du droit international n'était pas la grande priorité de l’État d’Israël. Il viole ce droit international sans vergogne depuis des mois sur terre. Qui peut imaginer que tout d'un coup, il va par miracle être pris de remords à violer ce droit international en mer? Il considère, indépendamment de la rhétorique qui peut nous animer, que les eaux territoriales sont bel et bien israéliennes. Peu importe que l'on cautionne ou pas cette analyse: c'est celle aujourd'hui d'Israël, qui est susceptible d'intervenir militairement.

C'est la raison pour laquelle, tout en saluant pour ma part la démarche extrêmement louable de ces activistes – et ce mot n'est pas péjoratif dans ma bouche – je rappelle, et c'est mon devoir, que nos compatriotes qui participent à ces flottilles sont en train de mettre leur vie en danger. C'est mon devoir de les alerter et de ne pas faire semblant de l'ignorer. C'est mon devoir de souligner que, si leur volonté d'attirer l'attention de la communauté internationale sur le blocus humanitaire honteux qui s'exerce depuis trop longtemps à Gaza est évidemment louable, il n'a pas été utile que cette démarche se fasse pour que la communauté internationale soit consciente de ce drame qui se joue.

C'est là où je dis qu'il y a une mise en danger que l'on peut juger risquée ou inutile de leur propre vie, alors même que le message a déjà été compris, mais que les capacités d'action et d'intervention pour éviter un embrasement militaire total de la région sont compliquées et doivent se résoudre par les voies diplomatiques. Il ne saurait être question d'envoyer des navires militaires et encore moins d'intervenir militairement, sous peine de générer une escalade dans la région.

Je rappelle que des propositions ont été faites à cette flottille de pouvoir livrer leur aide humanitaire sur une île grecque, se chargeant par la suite du transport jusqu'à destination, mais que cette proposition n'a ni été souhaitée ni jusqu'à présent acceptée par Israël.

Je le dis et redis très clairement: une assimilation de ces Belges par Israël à des terroristes est et serait totalement inacceptable. J'ai déjà insisté auprès d'Israël pour le respect strict du droit international, y compris celui de la mer. Mais vous savez, aujourd'hui, quel intérêt extrêmement relatif Israël porte au respect du droit international.

Mes services ont invité vendredi dernier l'ambassadrice d'Israël, une nouvelle fois, pour lui transmettre clairement nos messages et la mettre en garde: toute démarche, et a fortiori, attaque contre nos compatriotes est inacceptable. Une protection consulaire classique – celle que nous offrons à nos compatriotes quel que soit le pays du monde où ils se trouvent en difficulté – sera évidemment procurée. Mais ne confondons pas un souhait de protection consulaire avec une exigence de protection militaire qu'il n'est pas raisonnable de formuler dans le contexte que nous connaissons!

C'est la raison pour laquelle, sans remettre en cause la motivation de ces personnes et en m'associant à la volonté qui est la leur de dénoncer le blocus humanitaire, en agissant par contre par les voies diplomatiques en vue d'obtenir un résultat, je ne peux que réitérer mon appel à la plus grande prudence pour éviter à nos compatriotes une mise en danger de leur propre vie et de celle des personnes qui les accompagnent.

Les leviers sont clairement au niveau diplomatique. On peut espérer que le plan proposé par M. Trump, nonobstant les éléments d'insatisfaction qui subsistent ou les éléments de clarification attendus, procure rapidement des effets, dont notamment la libération de plus de 500 camions d'aide qui pourraient à nouveau entrer chaque jour à Gaza. Ce serait effectivement un élément utile, susceptible de procurer un résultat concret sur le terrain.

Voilà, mesdames et messieurs les parlementaires, les éléments qu'il me paraissait utile d'apporter en réponse à vos interrogations multiples et légitimes sur la situation problématique à Gaza, en Israël, et à l'égard de la flottille. Il n'y a pas de silence. Il y a une prise de conscience et une prise de responsabilité, qui doivent venir de toutes les parties. Je vous remercie.

De voorzitster : Collega’s, iedereen heeft twee minuten repliektijd. Gelieve u daaraan te houden, aangezien er nog veel vragen volgen.

Rajae Maouane:

Madame la présidente, je vais essayer d'être rapide. Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses. Je ne vais pas vous cacher que je ne suis pas totalement satisfaite ou totalement rassurée par toutes vos questions. Merci d'abord d'avoir qualifié les propos du ministre israélien – qui menace les activistes – "d'inacceptables". C'est rassurant, je ne l'avais pas entendu avant. Je l'entends maintenant et cela me rassure.

Le plan américain est un début, en effet, mais ce n'est pas vraiment un plan de paix. Comme je l'ai dit, c'est un ultimatum. C'est un couteau sous la gorge des Palestiniens pour accepter un plan de paix qui n'en n'est pas un.

Sur le reste, je me réjouis d'interroger MM. Jambon et Clarinval sur l'interdiction des produits issus des colonies.

J'ai beaucoup de respect pour vous et votre fonction. J'ai même – j'espère que vous le savez – de l'estime à votre égard. Par contre, quand je vous entends dire qu'il y a un "problème" à Gaza, parler de "crise humanitaire", cela me choque profondément. Les mots ont un sens, monsieur le ministre. Le problème à Gaza est qu’Israël est une armée sans limite qui bombarde des enfants, qui tue des pères, qui tue des mères, qui assassine des journalistes, qui fait un nettoyage ethnique, qui fait exploser des hôpitaux, qui tue un à un des membres des services de secours, des médecins, des infirmiers, des secouristes. Ce n’est pas un problème: c'est un génocide.

Vous parlez de "crise humanitaire", mais ce n’est pas une crise humanitaire, c'est un blocage, un blocus humanitaire imposé de manière illégale par Israël à une population, qui empêche la nourriture d'entrer et qui empêche les médicaments d'entrer. Israël a des snipers qui tuent des gens qui viennent chercher à manger alors qu'ils sont déjà affamés. Donc quand je vous entends dire ces mots-là, moi ça me choque et je ne comprends pas pourquoi il y a une espèce de minimisation de ces problèmes.

Monsieur le ministre, on ne rêve pas d'une évacuation des civils de Gaza. Moi je rêve, je demande et veux que les civils soient protégés. On veut que les civils ne soient pas bombardés tous les soirs et tous les jours. On rêve que les enfants retrouvent un avenir, qu'une population arrête d'être nettoyée ethniquement, qu'elle arrête d'être privée de nourriture, qu'elle arrête de craindre pour sa vie à toute heure du jour ou de la nuit, qu'elle arrête de craindre pour son avenir. On rêve que les Gazaouis restent à Gaza en sécurité. On rêve que les colons arrêtent leur violence en Cisjordanie. C'est ça, notre rêve. Que le peuple palestinien ait réellement droit à son autodétermination et à la paix et la sécurité.

C'est ça notre rêve aujourd'hui. J'espère que vous le partagez également, même si parfois les mots, comme je l'ai dit, ne sont pas suffisamment forts au vu de la situation dramatique et du génocide qu'on est en train de vivre.

Sam Van Rooy:

Vooreerst laat ik opmerken dat de Hamas Flotilla, waaraan acht antisemitische narcisten uit België deelnemen, uiteen is gevallen, omdat moslims niet met zogeheten queeractivisten willen varen. De terreurvloot wees zelfs het voorstel van Italië en het Vaticaan af om de hulpgoederen veilig af te leveren in Gaza. Dat zegt alles.

Mijnheer de minister, ik heb vier punten genoteerd. Ten eerste, de Belgen die zich aansloten bij de illegale terreurvloot van Hamas, van moslimterroristen dus, kunnen op uw steun en die van de regering rekenen. Ze krijgen zelfs lovende woorden, Belgistan ten top.

Ten tweede, de corrupte negationist Mahmoud Abbas en diens Palestijnse Autoriteit betalen al decennia, ook de afgelopen maanden nog, minister, jihadistische Jodenmoordenaars. De regering blijft daar belastinggeld aan geven en heeft dus alsmaar meer Joods bloed aan de handen.

Ten derde, een aantal woningen in Judea en Samaria blijkt voor de Belgische politici belangrijker te zijn dan de talloze christenen die in het Midden-Oosten door moslims worden afgeslacht.

Ten vierde, als Hamas het Gazaplan van Trump en Netanyahu aanvaardt, stopt de oorlog onmiddellijk. Zo niet, gaat Israël door to finish the job , en dat voortaan met de goedkeuring van iedereen die het twintigpuntenplan aanvaardt. Het is dus een goede zaak, minister Prévot, dat u achter dat plan staat. Dat uw meent dat de jihadisten van Hamas en Qatar zonder de grote militaire macht en druk van Israël, en dus zonder de oorlogsvoering van het IDF, willen onderhandelen, illustreert uw infantiel wereldbeeld.

Tot slot richt ik me tot de pro-Palestijnse activisten in het Parlement, die al bijna twee jaar genocide en ceasefire roepen en aanhoudend lasteren, maar vandaag het ceasefire plan van president Trump verwerpen, uw masker is nu wel heel duidelijk afgevallen.

Lydia Mutyebele Ngoi:

Monsieur le ministre, je voudrais tout d’abord vous remercier pour vos propos concernant la flottille. Nous avons en effet entendu ce matin que vous vous êtes déjà adressé à Israël en affirmant qu’il ne respecte pas le droit international, notamment en ce qui concerne les eaux territoriales, qui ne relèvent pas de sa compétence mais bien de Gaza. Je vous remercie pour ces déclarations fortes. Je vous remercie également d’avoir affirmé que les membres de la flottille ne sont pas des terroristes. Vos propos, en tout cas, se distinguent de ceux du premier ministre et du gouvernement. Je tiens à le saluer.

Je vous invite, monsieur le ministre, à rester en contact avec les membres de la flottille et à continuer à interpeller solennellement Israël. Je pense que la population belge a besoin de vous entendre, de savoir que vous êtes solidaire de nos compatriotes qui accomplissent un travail remarquable.

Un génocide est en cours. Concernant les sanctions, il ne faut pas fanfaronner. Jusqu’au mois d’août, au Conseil de l’Europe, nous étions du mauvais côté de l'histoire. Ce n’est qu’en septembre que nous avons rejoint les autres pays. Il ne faut donc pas adopter un ton trop triomphant. Je vous salue pour le travail accompli, mais restons lucides car jusqu’il y a peu, la situation était complexe.

Enfin, concernant le texte visant à interdire les produits issus des colonies, je m’adresse à vous, madame la présidente, madame Van Hoof, et vous demande de bien vouloir soumettre votre texte au vote. Nous vous soutiendrons. Si nous devons attendre celui de M. Clarinval et de M. Jambon, nul ne sait quand il sera prêt.

En tout cas, nous devons avancer et aller plus loin. Nous vous soutiendrons donc. Je vous remercie.

Nabil Boukili:

C'est très difficile de répondre en deux minutes, monsieur le ministre. Vous avez dit beaucoup de choses.

Certaines choses ont retenu mon attention, notamment ce que vous dites que au sujet de la flottille. Ce qui était demandé, c'est comment garantir sa protection et éviter qu'on arrive à un drame. C'était de prendre position par rapport à Israël de manière publique et déclarée, que s'il s'attaque à cette flottille il y aura des représailles, il y aura des réponses du gouvernement belge. Ça, ça n'a pas été clarifié à ce niveau-là. Quand vous dites que cette flottille n'était pas nécessaire pour sensibiliser la communauté internationale à ce qui se passe à Gaza, je ne suis pas d'accord avec vous. Parce que vu la situation aujourd'hui à Gaza, vu le génocide à Gaza, ce n'est pas une crise humanitaire, c'est une famine organisée dans l'objectif de supprimer le peuple palestinien. C'est la politique et la stratégie de l'État d'Israël.

Non, les réponses ne sont pas à la hauteur. Je suis désolé. Vous dites qu'on est dans le peloton de tête au niveau européen concernant des sanctions. Je suis désolé, on parle de l'Europe, qui est la première complice de l'État génocidaire en étant son premier partenaire économique et commercial. C'est l'Europe de l'Allemagne qui exporte 30 % des armes importées par Israël qui tuent les Palestiniens. C'est l'Europe d'Orbán et compagnie. Être dans le peloton de cette Europe-là, ce n'est pas un exploit. Je vous rejoins sur le fait qu'il ne faut pas fanfaronner là-dessus.

Par contre, la Belgique peut prendre des sanctions toute seule sans avoir recours à l'Europe, notamment pour suspendre des accords commerciaux parce que le droit international prime sur le droit européen. Ce sont des juristes et des avocats qui le disent. Ce n'est pas Nabil Boukili qui l'invente. Vous pouvez le faire et il y a des articles dans ces traités-là qui vous permettent de le faire.

La Belgique a choisi de ne pas le faire. Et vous dites vous-même pourquoi vous ne le faites pas: il ne faut pas de sanctions aveugles parce qu'il ne faut pas sanctionner le peuple israélien. Il ne faut pas mélanger le peuple avec le gouvernement. Et c'est ça qui vous est reproché, monsieur le ministre. C'est cette hypocrisie et ce deux poids deux mesures. Parce que quand vous prenez des sanctions contre l'Iran, vous ne dites pas ça. Quand vous prenez des sanctions contre la Russie, vous ne dites pas ça. Quand vous prenez des sanctions contre d'autres pays, vous ne dites pas ça. Ici, on parle d'un État qui fait ce qu'aucun de ces pays n'a fait: un génocide. Colonisation, déportation des populations, famine. Aucun de ces États qui sont sanctionnés par la Belgique n'a fait la moitié du quart de ce que fait Israël. Pourtant, vous avez ce discours vis-à-vis d'Israël, mais pas vis-à-vis des autres pays.

Ce sont cette hypocrisie et ce deux poids deux mesures qui vous sont reprochés.

Pierre Kompany:

Monsieur le ministre, je vous ai entendu. Nous avons entendu. Vous êtes toujours dans la même ligne de conduite, à savoir la défense du droit international. Ce faisant, vous finissez par amener notre pays, la Belgique, en tête du peloton européen de ceux qui cherchent des solutions, aussi difficiles soient-elles, parce qu’en face, il y a des actes qui dépassent l’entendement.

Vous avez parlé du blocus humanitaire. Qui peut accepter qu’une telle situation devienne naturelle? Impossible. Vous êtes là pour montrer à l’Europe…Vous avez parlé aussi de l’inertie européenne, qui est visible, il ne faut pas se le cacher. Mais la Belgique en fait partie. La Belgique, avec son paquet de sanctions, entraîne de plus en plus le niveau international, et surtout européen, à la compréhension que seul prime le droit international.

Quant à la flottille, je vous ai bien entendu, monsieur le ministre. Vous avez parlé du cas diplomatique et de celui qui est militaire. Avec raison. Ce n’est pas avec une armée que nous pouvons aller bousculer ce qu’il se passe par là. Il faut de l’intelligence. Je vous le conseille. Merci.

Els Van Hoof:

Dank u, meneer de minister, voor uw uitgebreide antwoord. U onderstreept dat de verdienste van het Amerikaans plan erin bestaat dat het de genocide van vandaag onmiddellijk stopt. Maar willen we een nieuwe genocide voorkomen, dan moet het plan ook worden uitgevoerd en u hebt daar zelf toch wel enkele vraagtekens bij geplaatst.

Inderdaad, bezetting moet worden uitgesloten. Hoe zit het echter met het recht op zelfbeschikking op termijn? Wat zijn de etappes? Welke rol speelt de Palestijnse Autoriteit? U hebt erkend dat het plan niet perfect is. Daarom moet de Belgische regering zich houden aan haar akkoord van 2 september om druk te blijven zetten op de Europese Unie in verband met het associatieakkoord en de sancties.

Als het twintigpuntenplan wordt goedgekeurd door zowel Hamas als Israël, moeten we volgens mij doorpakken, want dan zijn de twee voorwaarden vervuld: Hamas verdwijnt uit het bestuur en de gijzelaars worden vrijgelaten. Dan moet het KB houdende de erkenning van Palestina er snel komen, op grond waarvan België Israël agressor kan noemen, aangezien het land een ander land binnen is gevallen. Israël moet dan inderdaad het internationaal recht naleven en stoppen met annexaties van een ander land. Dat is belangrijk, want vandaag zijn er geen garanties in verband met de Westelijke Jordaanoever. Dan kunnen we ook verdragen sluiten met de Palestijnse autoriteit, daar een ambassadeur naartoe sturen en sancties hardmaken. Dat zijn de voordelen van het plan en daar moeten we op blijven inzetten. Dat advies wil ik meegeven.

Michel De Maegd:

Pour ma part, j'aimerais saluer l'accord obtenu en kern, qui a permis à la Belgique, lors de l'Assemblée générale de l'ONU, par votre entremise, monsieur le ministre, mais également par celle du premier ministre, de tenir une voie digne en phase avec le droit international et les valeurs que notre pays a toujours défendues dans le concert des nations. Il s'agit d'une décision humanitaire importante qui, oui, je le dis comme vous, place notre pays dans le peloton de tête de l'Union européenne: train de sanctions sévères à l'encontre des ministres d'extrême droite et suprématistes du gouvernement Netanyahu, ainsi que reconnaissance politique de l' État de Palestine – certes conditionnée pour ne donner aucun blanc-seing au groupe terroriste Hamas et servir, surtout, de levier pour tenter d'obtenir enfin la libération des otages . C'est une décision forte de notre pays, qu'aucun autre gouvernement avant l'Arizona n'avait pu prendre et qui est en phase, madame la présidente, avec la résolution que nous avons adoptée ici même. Les États-Unis ont proposé un plan de paix. À charge pour le groupe terroriste Hamas de revenir enfin à la raison et de libérer les otages. C'est une lourde responsabilité qui pèse sur lui, près de deux ans après les effroyables attaques terroristes du 7 octobre qui étaient clairement revendiquées comme visant à tuer des Juifs parce qu'ils étaient juifs. Dans peu de temps, les masques tomberont. Le Hamas, qui crie au génocide en piégeant dans le même temps les Palestiniens de Gaza, veut-il sincèrement éviter un nouveau de bain de sang sur place? Je l'espère. Ce plan de paix, certes imparfait, prévoit un cessez-le-feu, une aide humanitaire, la libération des otages, ainsi que celle de nombreux prisonniers palestiniens. Ce plan exclut tout rôle pour le Hamas et prévoit le développement à Gaza d'une force de stabilisation internationale. Il faut en tenir compte. En effet, voyant d'où l'on vient, c'est un pas décisif. Pour conclure, madame la présidente, ce plan est bien plus concret que toute mission menée par une flottille internationale. Les participants à cette périlleuse entreprise ont, certes, la liberté de le faire, mais en tant que libéral, je sais que la liberté s'assortit de responsabilités. Les membres de cet équipage, quelque peu pompiers-pyromanes, par les temps qui courent, mettent sciemment leur vie en danger, comme le ministre nous l'a dit. Crisper davantage la situation, alors qu'elle est déjà si complexe, n'apportera rien à la population de Gaza ni aux Palestiniens, et rien non plus à la sécurité des Israéliens. En revanche, elle va créer beaucoup de problèmes aux membres de cette flottille.

Het VN-rapport over de oorlogsmisdaden in Syrië

Gesteld door

lijst: MR Michel De Maegd

Gesteld aan

Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 1 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België erkent het UN-rapport over systematische geweldpleging tegen de alaouitische minderheid in Syrië (1.400 doden, oorlogsmisdaden zoals executies en marteling) en benadrukt dat straffeloosheid moet worden bestreden via bestaande mechanismen zoals het IIIM (waaraan België financieel bijdraagt). Het land dringt aan op justitiële hervormingen, ontwapening van milities en een inclusief transitieproces om sektarisch geweld te doorbreken, maar wijst niet op concrete nieuwe stappen. De Maegd onderschrijft de noodzaak van internationale druk om herhaling van wraakcycli te voorkomen.

Michel De Maegd:

Pour accélérer le rythme de nos travaux, vu que nous avons un planning chargé, chers collègues, je m'en réfère à ma question écrite.

Monsieur le ministre, dans le nouveau rapport des Nations Unies publié le 14 août, des violences généralisées et systématiques commises contre la minorité alaouite sur la côte syrienne en mars dernier sont documentées. Exécutions sommaires, disparitions forcées, torture, pillages, autant d'actes que la Commission d'enquête considère comme susceptibles de constituer des crimes de guerre. Le bilan humain est effroyable: environ 1 400 victimes civiles, souvent ciblées sur base de leur appartenance confessionnelle, avec des méthodes d'une brutalité glaçante.

Ces constats s'ajoutent à une longue série de violations commises en Syrie depuis plus d'une décennie, et dont nous avons déjà discuté à plusieurs reprises dans cette commission. Mais ils prennent une résonance particulière aujourd'hui. Ils touchent une communauté souvent associée au régime précédent, et démontrent que, même après sa chute, le cycle de vengeance et de violences perdure.

Face à cette situation, j'aimerais vous poser les questions suivantes:

Quelle est l'analyse de la Belgique de ce rapport?

Quelles démarches diplomatiques avez-vous entreprises pour exiger que les responsables soient poursuivis et que justice soit rendue aux victimes?

Notre pays soutiendra-t-il la mise en place d'un mécanisme international indépendant afin de documenter ces crimes et de prévenir l'impunité?

Je vous remercie.

Maxime Prévot:

É coutez, pour emboîter le pas et accélérer le rythme de nos travaux, je vais m'en référer à ma réponse écrite. (Rires) Bon, un jour ça marchera peut-être!

Monsieur le député, la Belgique salue le travail de la commission d'enquête des Nations Unies sur les violations commises contre les civils sur les côtes et dans le centre-ouest de la Syrie, entre janvier et mars 2025. Ce travail de documentation de violations graves des droits humains et du droit international humanitaire est indispensable pour lutter contre toute impunité, et constitue un préalable nécessaire pour la reconstruction future de la société syrienne.

Nous avons pris note de la réponse du gouvernement de transition syrien, de l'accès qu'il a accordé à la commission, et nous insistons sur l'importance pour le gouvernement de transition syrien de poursuivre cette coopération, y compris avec la commission nationale syrienne indépendante d'enquête et d'établissement des faits sur les violences côtières de mars.

Avec nos partenaires européens, nous avons exhorté publiquement le gouvernement syrien de transition à donner rapidement suite aux recommandations faites par la commission. Les responsables de graves violations du droit international humanitaire et des droits humains doivent rendre des comptes et être traduits en justice, que les faits se soient produits avant ou après la chute du régime Assad. Ce n'est qu'en s'attaquant ouvertement aux abus que l'on pourra ouvrir la voie à la réconciliation et à la stabilisation dans le pays.

Ces derniers mois, la Belgique a systématiquement condamné les cycles de violence et l'escalade des tensions communautaires, non seulement publiquement, mais également lors de nos contacts directs avec les autorités syriennes à Bruxelles et à Damas. Dans ce cadre, nous avons insisté pour que les autorités de transition prennent les mesures urgentes en vue du désarmement, de la mobilisation et de la restructuration des forces de sécurité nationales, conformément aux normes internationales. Il est tout aussi urgent de réformer en profondeur le système judiciaire syrien afin qu'il puisse faire respecter l'état de droit de manière crédible et impartiale.

Si nous sommes pleinement conscients des difficultés liées à la transition actuelle, après cinq décennies de dictature et près de quatorze années de guerre civile, les autorités doivent néanmoins intensifier leurs efforts afin de garantir un processus de transition véritablement inclusif et pacifique. Un processus qui transcende les divisions sectaires, prévienne l'incitation et les discours de haine et rompe avec le cycle de la violence.

Nous continuons par ailleurs à appeler les acteurs internes et externes à respecter pleinement l'unité, la souveraineté et l'intégrité territoriale de la Syrie et à protéger les droits humains de tous les Syriens et de toutes les Syriennes sans distinction.

S'agissant de la mise en place d'un mécanisme international indépendant pour documenter ces crimes et prévenir l'impunité, je souligne qu'il en existe déjà un, appelé "Mécanisme international, impartial et indépendant". Notre pays a joué un rôle central dès 2016 pour sensibiliser et inciter les États membres de l'Assemblée générale des Nations Unies à adopter la résolution qui l'a créé. De plus, notre pays a également contribué à son financement. Nous encourageons les autorités syriennes, en particulier les commissions nationales nouvellement créées pour la justice transitionnelle et pour les personnes disparues, à collaborer avec ce mécanisme.

Les événements tragiques évoqués par le rapport de la commission, auquel vous vous référez, constituent un rappel clair de l'importance d'une justice transitionnelle comme seule voie à suivre pour une réconciliation nationale et une transition pacifique et inclusive. La Belgique est prête à soutenir la Syrie dans ses efforts, dans la continuité de notre engagement en ce domaine. Je vous remercie de votre attention.

Michel De Maegd:

Monsieur le ministre, je vous remercie. Il est exact que, face aux horreurs décrites dans ce rapport des Nations Unies, la communauté internationale ne peut rester passive. Les crimes documentés nous rappellent que, même après la chute d'un régime, la spirale de la vengeance peut se nourrir de l'impunité et menacer toute perspective de stabilité. Je me réjouis donc que la Belgique maintienne la pression sur le régime en place pour un processus de transition inclusif et pacifique.

De beangstigende geopolitieke context in Venezuela
De oplopende spanningen in Venezuela
De militaire aanwezigheid voor de kust van Venezuela
De escalerende spanningen tussen de Verenigde Staten en Venezuela in het Caraïbisch gebied
De relaties tussen Venezuela en de VS
Venezuelaanse geopolitieke spanningen en VS-relaties in het Caraïbisch gebied

Gesteld aan

Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 1 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België volgt de escalerende militaire spanningen tussen de VS en Venezuela – uitgelokt door Amerikaanse antidrugsoperaties (dodelijke raids zonder VN-mandaat) en Maduro’s oproep tot massale militiemobilisatie – met grote bezorgdheid, vooral omwille van de dreigende humanitaire verslechtering en schendingen van internationaal recht. België en de EU veroordelen zowel Maduro’s onderdrukking (mensenrechtenschendingen, corruptie) als de Amerikaanse eenzijdige militaire acties, benadrukken soevereiniteit en rechtsstatelijkheid, en pleiten voor diplomatieke de-escalatie via VN-kanalen en EU-Latijns-Amerikaanse samenwerking, zonder concrete nieuwe initiatieven te aankondigen. Chevron-deals en migrantenvluchten tonen wel beperkte VS-Venezuela-onderhandelingen, maar de crisis blijft verergeren door wederzijdse provocaties en het ontbreken van een internationaal gecoördineerde aanpak.

Ellen Samyn:

Mijnheer de minister, ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

Het voorbije weekend heeft de Venezolaanse president Nicolás Maduro zijn bevolking gemobiliseerd onder het mom van “bedreigingen" vanwege de Verenigde Staten. Aanleiding is de aanwezigheid van drie Amerikaanse oorlogsschepen aan de kusten van Venezuela in de strijd tegen drugssmokkel.

Maduro riep meer dan 4,5 miljoen leden van de Milicia Bolivariana op om zich paraat te houden tegen wat hij omschrijft als “imperialistische dreigingen". Tegelijkertijd kondigde Washington aan om mogelijk 4.000 marines naar de regio te sturen. De retoriek langs beide zijden doet de spanningen in de regio oplopen, met risico's voor de stabiliteit, de mensenrechten en uiteraard de Venezolaanse bevolking zelf, die al jarenlang in een diepe economische en humanitaire crisis verkeert.

Graag verneem ik van de minister:

Hoe volgt u als minister deze nieuwe escalatie in Venezuela en de Caraïben op?

Welke positie neemt België in, zowel unilateraal als binnen de EU, met betrekking tot de mobilisatie van de Venezolaanse militie en de Amerikaanse aanwezigheid in de regio?

Acht u bijkomende diplomatieke initiatieven nodig om de situatie niet verder te laten ontsporen, en zo ja, welke kanalen acht u daarvoor het meest geschikt?

Hoe evalueert u de impact van deze ontwikkelingen op de reeds dramatische humanitaire situatie van de Venezolaanse bevolking?

Michel De Maegd:

Monsieur le ministre, depuis plusieurs semaines, la situation au Venezuela et dans la région caraïbe connaît une inquiétante escalade.

Le gouvernement vénézuélien a mobilisé des civils au sein de la Milicia Bolivariana, en réponse au déploiement par les États-Unis de destroyers, d'un sous-marin nucléaire et de 4 000 marines dans la mer des Caraïbes, dans le cadre d'une opération de lutte contre le trafic de drogue.

Le 2 septembre dernier, une première frappe américaine a visé une embarcation au large de la péninsule de Paria, provoquant la mort de 11 personnes. L'administration américaine évoque une opération contre le gang "Tren de Aragua", mais le gouvernement vénézuélien dénonce une agression en violation de sa souveraineté.

Depuis lors, plusieurs frappes supplémentaires ont été rapportées, sans mandat international, et la rhétorique de part et d'autre ne cesse de s'intensifier.

Dans ce contexte, comment analysez-vous cette escalade militaire entre les États-Unis et le Venezuela, et les justifications avancées par les parties? Considérez-vous que ces frappes américaines, en l'absence de mandat du Conseil de sécurité, constituent une violation du droit international? Quelles initiatives la Belgique entend-elle prendre, tant unilatéralement qu'au niveau de l'Union européenne, pour rappeler l'importance du respect de la souveraineté des États et du droit international? Le Gouvernement belge compte-t-il soutenir l'idée d'une enquête indépendante, sous l'égide des Nations unies, sur les récentes frappes dans les Caraïbes? Enfin, quelles mesures la Belgique préconise-t-elle afin que la crise humanitaire au Venezuela, déjà dramatique, ne soit pas aggravée par ces développements militaires?

Je vous remercie.

Maxime Prévot:

De spanningen tussen de Verenigde Staten en Venezuela nemen al sinds enkele maanden toe en de aanzienlijke verslechtering van de relaties sinds juli heeft de afgelopen weken geleid tot een militaire mobilisatie aan beide zijden.

Les États-Unis ont ainsi déployé plusieurs navires de guerre dans les eaux proches du Venezuela afin de lutter contre le trafic de drogue. Le président Trump a signé un décret exécutif autorisant l'usage de la force militaire contre les cartels désignés. En septembre, des troupes américaines ont mené plusieurs frappes létales contre des navires transportant de la drogue en provenance du Venezuela. Des images de certaines de ces frappes ont été rendues publiques. Aucun détail n'a été communiqué quant aux moyens militaires employés ni en ce qui concerne l'identité des personnes à bord, leur cargaison ou le lieu précis des opérations, si ce n'est qu'elles se sont déroulées en eaux internationales.

Die escalatie is zorgwekkend en wordt door mijn diensten nauwlettend in de gaten gehouden. Ze past binnen de complexe diplomatieke relatie tussen beide landen. Nicolás Maduro wordt sinds 2019 door de Verenigde Staten niet als de rechtmatige president van Venezuela beschouwd. In de VS wordt hij beschouwd als een voortvluchtige van de Amerikaanse justitie, nadat hij er in 2020 werd aangeklaagd. De Venezolaanse criminele organisatie Tren de Aragua werd dit jaar door de Trumpadministratie aangeduid als buitenlandse terroristische organisatie. Het Amerikaanse ministerie van Financiën beschouwt het drugskartel Cartel de los Soles als een wereldwijd opererende terroristische groepering met Nicolás Maduro aan het hoofd. Overigens hebben sommige parlementen ook resoluties in die zin aangenomen, zoals het Europese Parlement, dat op 11 september een resolutie goedkeurde waarin werd opgeroepen het kartel in de lijst van terroristische organisaties van de Europese Unie op te nemen.

Le Venezuela, de son côté, entreprend des démarches diplomatiques afin de dénoncer les actions américaines, comme récemment lors de son intervention à la tribune de l'Assemblée générale des Nations Unies où le ministre des Affaires étrangères Ivan Gil a condamné les menaces militaires américaines, qu'il a qualifiées d'"illégales" et "contraires à la Charte des Nations Unies".

D'un autre côté, le président Maduro lui-même a peu de leçons à donner en la matière. Vous savez, du reste, que la Belgique, comme d'autres pays, est profondément préoccupée par la répression continue qu'exercent les autorités vénézuéliennes. Le 22 septembre, notre pays a de nouveau exhorté, au Conseil des droits de l'homme, le régime vénézuélien à respecter le droit international et les droits de tous les Vénézuéliens. Certaines transactions en cours entre le Venezuela et les États-Unis laissent toutefois penser que les deux pays continuent de se parler. Je songe, par exemple, aux vols de migrants vénézuéliens qui débarquent chaque semaine depuis les États-Unis ou à la licence spéciale accordée par le Trésor américain à Chevron pour reprendre ses activités d'extraction et d'exportation de pétrole depuis le Venezuela.

L'escalade des tensions entre le Venezuela et les États-Unis constituent évidemment un point d'attention pour l'Union européenne. Fidèle à sa tradition diplomatique, la Belgique réserve une grande attention à la défense de l'État de droit et au respect du droit international. Elle plaide pour la préservation de la stabilité régionale et promeut une coopération étroite entre l'Union européenne et les États d'Amérique latine pour lutter efficacement contre le crime organisé, en particulier en matière de trafic de drogue et de traite d'êtres humains. Ce sont les messages que j'entends faire passer lors du sommet entre l'Union européenne et les États d'Amérique latine et des Caraïbes, auquel j'ai l'intention de participer les 9 et 10 novembre prochain.

Ellen Samyn:

De situatie in Venezuela blijft inderdaad bijzonder zorgwekkend. De oplopende spanningen tussen de VS en Venezuela zorgen voor escalatie. Het is goed dat u de situatie van nabij blijft opvolgen.

Het regime van Nicolás Maduro blijft systematisch de mensenrechten schenden. Oppositieleiders verdwijnen achter de tralies, vreedzame manifestanten worden hardhandig aangepakt en de persvrijheid is nagenoeg onbestaand. Bovendien lijdt de bevolking zwaar onder de economische crisis en de massale corruptie, terwijl een kleine elite zich schaamteloos verrijkt. Wat Venezuela betreft, zitten we op dezelfde golflengte.

U zult dat blijven aankaarten en u blijven uitspreken tegen het regime van Maduro. Ik hoop dan ook dat u meer initiatieven ondersteunt, zodat de Venezolanen in vrijheid en democratie kunnen leven.

Michel De Maegd:

Pour ma part, monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse complète et circonstanciée.

Het militaire machtsvertoon in de Volksrepubliek China
De toenadering tussen Xi Jinping, Poetin en Kim Jong-un
De instabiliteit van de handelsbelangen en van de internationale orde
De grote militaire parade in Peking
De geopolitieke spanningen en machtsdynamiek tussen Oost en West

Gesteld aan

Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 1 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België en de EU maken zich zorgen over China’s militaire machtsvertoon en het groeiende autoritaire bondgenootschap met Rusland en Noord-Korea, dat de internationale orde en Europese veiligheid ondermijnt. Economische afhankelijkheid van China (kritieke grondstoffen, technologie, havens) moet dringend verminderd worden via diversificatie (bv. Europese lithiumwinning), strengere sancties (tegen schaduwvloot, Russische oliehandelaars) en EU-instrumenten zoals de *Critical Raw Materials Act* en *derisking-strategie*, zonder volledige ontkoppeling. België pleit actief voor versterkte EU-autonomie—via energie-onafhankelijkheid (REPowerEU), defensie-investeringen en handelsdiversificatie—terwijl het dialoog met China behoudt voor klimaat en handel, maar hard optreedt tegen sanctieomzeiling en Chinese steun aan Rusland’s oorlog in Oekraïne. Bedrijven moeten risico’s van Chinees staatskapitalisme inschatten, met steun van nieuwe EU-wetgeving tegen dwang en oneerlijke subsidies.

Katrijn van Riet:

Mijnheer de minister, op 3 september jongstleden hield de Volksrepubliek China een indrukwekkende militaire parade, waarop buitenlandse leiders waren uitgenodigd, zoals we net hebben gehoord. Het land wilde daarmee niet alleen intern prestige opbouwen, maar zet ook duidelijk zijn geopolitieke ambities in de verf.

De boodschap was er vooral een van machtsvertoon: 12.000 troepen werden ingezet om de versnelde opbouw van de militaire capaciteit te etaleren. Er werd niets aan het toeval overgelaten.

Dat machtsvertoon baart zorgen in de huidige internationale context, omdat China daarmee toont dat het streeft naar een zogenoemde multipolaire internationale orde.

Voor de vragen verwijs ik naar de tekst zoals ingediend.

1. Hoe schat u de impact van dit Chinese machtsvertoon in op de stabiliteit van de Indo-Pacifische regio, en wat betekent dit indirect voor de Europese veiligheid?

2. Welke gevolgen ziet u specifiek voor Vlaamse en Europese bedrijven die economisch afhankelijk zijn van China, bv. in de havens en de technologieketen? Welke maatregelen ter bescherming wil u hier treffen?

3. Acht u het noodzakelijk dat Vlaanderen en België zich sterker positioneren tegen Chinese economische drukmiddelen die gekoppeld worden aan geopolitieke machtspolitiek?

4. Hoe kan de EU haar strategische autonomie versterken om niet te afhankelijk te zijn van een macht die zich zo duidelijk militair profileert?

5. In welke mate kan dit machtsvertoon de steun van Volksrepubliek China aan de Russische Federatie in de oorlog in Oekraïne versterken? Hoe moeten wij daarop anticiperen?

6. Welke rol dicht u aan de aanwezigheid van Indiase vertegenwoordiging op de militaire parade laatstleden?​

Mijn tweede mondelinge vraag gaat over de toenadering tussen Xi Jinping, Poetin en Kim Jong-un. We zien steeds vaker hoe autoritaire leiders elkaar opzoeken en gezamenlijk publieke verklaringen afleggen. De recente gesprekken tussen Xi Jinping en Poetin, tussen Poetin en Kim Jong-un en ook tussen Xi Jinping en Kim Jong-un wijzen op een versterkend bondgenootschap dat regelrecht ingaat tegen voornamelijk westerse belangen. Daarmee geven zij duidelijk aan dat zij streven naar een andere wereldorde. Ook daarover heb ik verschillende vragen opgesteld, waarvoor ik verwijs naar de tekst zoals ingediend.

1. Hoe beoordeelt u de strategische implicaties van dit autoritaire blok voor de veiligheid van Europa?

2. Welke concrete dreigingen ziet u voor onze export en investeringen in deze context van geopolitieke onvoorspelbaarheid?

3. Kan u toelichten hoe de Belgische regering dit evoluerend bondgenootschap bespreekt binnen de EU? Welke positie heeft u daar ingenomen?

4. Welke extra inspanningen levert België om onze defensieve en economische weerbaarheid te vergroten tegen mogelijke repercussies van dit autoritaire blok?

Mijn derde mondelinge vraag gaat over de instabiliteit en handelsbelangen. De verstrengeling van de Volksrepubliek China, de Russische Federatie en Noord-Korea ondermijnt steeds meer de internationale orde en op termijn ook het handelssysteem. Hoewel het vaak nog lijkt te gaan om hypotheses, rijst de vraag of we ons niet zouden moeten voorbereiden op een concrete dreiging van een autoritair Aziatisch front. In sommige middens wordt gepleit voor een coherente en doortastende reactie van de westerse landen.

De Europese Unie is als handelsblok een belangrijke speler in dat geheel en is in staat om op diplomatiek vlak haar gewicht in de schaal leggen. Europa, en zeker ook ons land, is sterk afhankelijk van bepaalde grondstoffen uit de landen die nu openlijk de handen ineenslaan en hun spierballen laten rollen.

Daarom wilde ik u vragen of u een plan op tafel hebt liggen indien er een economisch blok of zware tol wordt ingesteld op grondstoffen van oosterse oorsprong.

Op welke manier kan ons land bijdragen tot het verminderen van de afhankelijkheid van Chinese en Russische grondstoffen en energie binnen de EU?

Wordt er nagedacht over sourcing op het eigen continent?

Enige tijd geleden verklaarde de Volksrepubliek China dat het conflict in Oekraïne best blijft voortduren, omdat daardoor de focus niet zou komen te liggen op onder andere Taiwan en de toenemende druk daar. Hoe ziet u de rol van België in de internationale diplomatie om Oekraïne sterker te ondersteunen en de invloed van China en Noord-Korea op Rusland te counteren?

Bent u bereid om vanuit België in EU-verband te pleiten voor zwaardere sancties of tegenmaatregelen indien die autoritaire samenwerking zich verder verdiept?

In de Verenigde Staten wordt nog steeds een initiatief warm gehouden dat secundaire sancties voorziet tegen de Russische Federatie, gericht aan de Volksrepubliek China en India, waar Russische olie wordt geïmporteerd en doorverkocht. Heeft een dergelijke piste, gezien de ontwikkelingen, in Europese middens ook aan belang gewonnen?

Annick Lambrecht:

Mijnheer de minister, onlangs vonden er gesprekken plaats tussen Xi Jinping, Poetin en Kim Jong-un naar aanleiding van de grote militaire parade in Peking. Die gesprekken wijzen op een versterkend bondgenootschap en wellicht ook op diepgaandere samenwerking tussen die machtsblokken. Ook India was van de partij. Het Westen was er totaal niet bij betrokken, wat aangeeft dat westerse belangen ook totaal niet aan de orde zijn gekomen.

Hoe beoordeelt u die gesprekken? Hebben die gesprekken volgens u een impact op onze handels- en veiligheidsrelaties?

Maxime Prévot:

Mevrouw van Riet, mevrouw Lambrecht, tijdens de militaire parade in Peking heeft de Chinese regering duidelijk haar nauwe bondgenootschap met Rusland en Noord-Korea willen tonen. België had daarom besloten om niet het podium te delen met die regimes en niet officieel aanwezig te zijn. Wat de langetermijnimplicaties van de gesprekken tussen die drie landen zijn, valt nog af te wachten. Hun belangen, evenals die van andere aanwezige landen zoals India, zijn niet noodzakelijk gelijklopend, integendeel zelfs.

We zijn echter geen passieve toeschouwers. Zoals u weet, heeft de EU een reeks sanctiemaatregelen in verband met de Russische agressie tegen Oekraïne aangenomen en België blijft actief pleiten voor meer sancties, bijvoorbeeld tegen de schaduwvloot, en voor een sterkere inperking van de sanctieomzeiling. Recent werden door de EU doelgerichte sancties opgelegd aan een Russische olieraffinaderij in India en twee Chinese banken. België steunt het REPowerEU-initiatief om de energie-import uit Rusland naar de Europese Unie volledig af te bouwen en wij verwelkomen het wetgevingsvoorstel van de Europese Commissie om de invoer van Russische energie, zowel pijpleidinggas als lng, volledig te verbieden. De EU heeft sancties opgelegd aan de Democratische Volksrepubliek Korea als reactie op haar nucleaire activiteiten, ballistische raketten en haar militaire steun aan de agressieoorlog die Rusland voert tegen Oekraïne.

Zoals de hoge vertegenwoordiger Kaja Kallas heeft gezegd, is China de belangrijkste facilitator van Rusland in zijn oorlog tegen Oekraïne. We blijven dat aankaarten, zoals recent in mijn gesprek met mijn Chinese evenknie.

We kijken ook naar de Verenigde Staten om hun inspanningen op te voeren en de druk op Rusland te vergroten, met het oog op het bevorderen van vredesbesprekingen.

Ons beleid gaat uiteraard verder dan sancties. België steunt de inspanningen van de Europese Unie om haar economische weerbaarheid te vergroten. We zien dat de geopolitieke realiteit snel verandert en dat economische afhankelijkheden strategisch moeten worden geëvalueerd en waar nodig afgebouwd. Daarom is het belangrijk dat onze bedrijfswereld de risico's van een te grote afhankelijkheid van China juist inschat. Een volledige ontkoppeling is immers niet wenselijk en ook gewoon niet haalbaar.

De derisking strategy van de Europese Commissie vraagt een whole-of-society-inspanning die ook onze bedrijven omvat. De Europese Commissie heeft reeds belangrijke stappen gezet om de economische weerbaarheid van de Unie te beschermen, zoals het instrument voor buitenlandse subsidies, de screening van buitenlandse investeringen en het antidwanginstrument. Ons land ondersteunt die initiatieven actief.

Op Belgisch niveau heb ik mijn departement het mandaat gegeven om samen met de FOD Economie in nauw overleg met de deelstaten een overlegplatform en interfederaal economisch veiligheidsbeleid te ontwikkelen. Dat zal zich baseren op het bottom-up identificeren van de belangen, kwetsbaarheden en risico's die eigen zijn aan onze economie.

België is zich ook bewust van de bredere veiligheidsimplicaties van China's internationale positie, waaronder haar toenemende militaire aanwezigheid in de Indo-Pacifische regio, de belangrijke Chinese steun aan de Russische oorlogsinspanningen in Oekraïne en haar cyberactiviteiten, ook in Europa en ons land. Onze veiligheidsdiensten volgen dat nauwgezet op in samenwerking met Europese en NAVO-partners. België blijft inzetten op strategische autonomie, cyberveiligheid en de versterking van onze defensiecapaciteit, zonder confrontatie te zoeken.

China blijft een cruciale partner voor mondiale uitdagingen, zoals klimaatverandering en milieu, maar is tegelijk een economische concurrent en een systeemrivaal. We moeten onze belangen beschermen en actief blijven verdedigen zonder de dialoog met China stop te zetten.

China is een zeer belangrijke handelspartner voor de Europese Unie en ons land. De EU-Chinese handelsrelatie is een van de belangrijkste ter wereld, goed voor 9 % van de EU-export en meer dan 20 % van de EU-import. De handel tussen de EU en China kent echter toenemende belemmeringen en structurele machtsverstoringen, die voortvloeien uit staatsgesubsidieerde overcapaciteit en beperkte wederkerigheid in markttoegang, kenmerken van het Chinees staatskapitalistisch model.

Bovendien is Europa, samen met de rest van de wereld, sterk afhankelijk geworden van China voor kritieke grondstoffen. Voor de strategische autonomie van Europa is het cruciaal om afhankelijkheden te verminderen en toegang tot kritieke grondstoffen te verzekeren. De EU Critical Raw Materials Act bevordert technologische innovatie, circulaire economie en samenwerking met gelijkgezinde partners, naast de ontwikkeling van een Europese ontginningscapaciteit.

Economische weerbaarheid vereist echter meer dan handelsbescherming. Ze vergt ook een versterking van het concurrentievermogen en innovatie. De Europese Commissie heeft daarvoor initiatieven gelanceerd, zoals de Clean Industrial Deal, het Affordable Energy Action Plan en de nieuwe Single Market Strategy, om de industrie te ondersteunen en groei te stimuleren.

België steunt daarnaast de vereenvoudiging van EU-regels om bedrijven te ontlasten.

Een andere piste die we moeten bewandelen, is diversificatie.

De uitbreiding van ons handelsnetwerk via nieuwe handelsakkoorden en -partnerschappen is daarbij cruciaal, op voorwaarde dat die akkoorden evenwichtiger en wederzijds voordelig zijn.

Katrijn van Riet:

Mijnheer de minister, u hebt echt veel tijd en moeite in uw antwoord gestoken en het is zeker leerrijk.

We moeten absoluut waakzaam blijven. Ik ben dankbaar dat België pleit voor sancties tegen de schaduwvloot en het omzeilen van de aan Rusland opgelegde sancties. We moeten de druk op China blijven opvoeren, terwijl we on speaking terms moeten blijven. U haalde ook aan dat we de afhankelijkheid van China voor kritieke grondstoffen moeten afbouwen. Onlangs berichtte de pers dat er in Duitsland een grote bron van lithium zou zijn. Misschien kunnen we die piste onderzoeken. We moeten snel werk maken van onze economische weerbaarheid, de Clean Industrial Deal, en van de vereenvoudiging van het oerwoud aan administratieve regels waaraan Europa rijk is.

Annick Lambrecht:

Mijnheer de minister, u hebt het mooi opgelijst, wat voor ons goed is om te horen. Het is een moeilijk evenwicht, want we kunnen niet stoppen met praten met China, maar we moeten wel minder afhankelijk worden. Bedankt voor uw antwoord. De voorzitster : Vraag nr. 56007635C van de heer De Smet wordt uitgesteld.

De toenemende repressie en het recordaantal politieke gevangenen in Cuba

Gesteld door

lijst: VB Ellen Samyn

Gesteld aan

Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 1 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België volgt de escalerende repressie in Cuba—met 1.185 politieke gevangenen (waaronder minderjarigen en kwetsbaren), willekeurige detenties, mishandeling en schijnprocessen—nauwlettend en kaart dit systematisch aan in EU- en VN-fora, zoals tijdens de recente EU-Cuba-bespreking waar België vrijlating van gevangenen en rechtsstatelijkheid op de agenda zette. Minister Prévot benadrukt een constructief-kritieke EU-aanpak als meest effectieve strategie, maar vermijdt concrete toezeggingen over verscherpt Belgisch optreden (bv. directe druk op Cuba voor onmiddellijke vrijlating). Ellen Samyn onderschrijft de bezorgdheid maar stelt geen vervolgvragen over concrete actie of bilaterale sancties. Dialoog primeert boven harde maatregelen.

Ellen Samyn:

Mevrouw de voorzitster, ik verwijs naar de ingediende vraag.

Volgens het meest recente rapport van Prisoners Defenders zijn er vandaag 1.185 politieke gevangenen in Cuba, een historisch dieptepunt voor de mensenrechten in het land. In augustus alleen al kwamen er 13 nieuwe gewetensgevangenen bij, terwijl amper vier personen de lijst verlieten - waarvan één slechts op voorwaarde van verplichte ballingschap.

Wat bijzonder schrijnend is, is dat de overgrote meerderheid van deze gevangenen gewone burgers zijn: mensen die op vreedzame wijze protesteren tegen voedseltekorten, elektriciteitsschaarste of de repressieve aard van het regime. Sommigen zijn minderjarigen, anderen mensen met een mentale of fysieke kwetsbaarheid. Hen wacht systematisch voorarrest zonder gerechtelijk toezicht, lange gevangenisstraffen zonder eerlijk proces en vaak zelfs mishandeling en medische verwaarlozing.

Ook de Verenigde Naties hebben in het verleden deze systematische mensenrechtenschendingen aan de kaak gesteld, onder meer de praktijk van gedwongen expatriëring van opposanten, zoals onlangs nog bij activiste Aymara Nieto Muñoz.

Wat is uw reactie op deze recente escalatie van repressie in Cuba, zoals gerapporteerd door o.a. Prisoners Defenders en hoe beoordeelt u deze situatie?

Heeft België deze mensenrechtenschendingen bij Cuba recent nog aangekaart in bilaterale of multilaterale fora, bijvoorbeeld via de EU of de VN-Mensenrechtenraad?

Bent u bereid om het Belgisch standpunt inzake Cuba aan te scherpen, in het bijzonder wanneer het gaat over voorarrest zonder rechterlijke tussenkomst, mishandeling van minderjarigen en de inzet van het gerechtelijk apparaat als politiek wapen?

Zal u aandringen bij de Cubaanse ambassadeur en/of uw Cubaanse ambtsgenoot op onmiddellijke vrijlating van alle gewetensgevangenen in Cuba?

Maxime Prévot:

Mevrouw Samyn, zoals ik herhaaldelijk heb benadrukt, staat de verdediging van de mensenrechten centraal in het buitenlands beleid van België.

In het specifieke geval van Cuba, volgt mijn administratie nauwgezet de kwestie van de onderdrukking van het maatschappelijke middenveld en de situatie van gewetensgevangenen. Deze onderwerpen worden voortdurend op de agenda van elke bilaterale of multilaterale bespreking geplaatst.

Ter illustratie verwijs ik naar de EU-Cuba-bespreking, die afgelopen juni plaatsvond in het kader van het vierde gemengd comité. België heeft met succes geëist dat de situatie van de rechtsstaat en de vrijlating van politieke gevangenen expliciet aan bod komen en aan de andere thematische besprekingen worden gekoppeld.

De Belgische regering is van mening dat een gecoördineerde aanpak met onze Europese partners binnen een kritische maar toch constructieve dialoog met Cuba en het optimaal benutten van alle onderhandelingsinstrumenten de meest doeltreffende weg blijft om tastbaar vooruitgang te boeken in de verdediging van de mensenrechten op het eiland.

Ellen Samyn:

Mijnheer de minister, ik dank u voor het antwoord. Het doet mij plezier te horen dat u over Cuba dezelfde mening bent toegedaan. De situatie in Cuba is eerder een ongekend probleem. Ik ben blij dat u dit op de voet volgt. Ik heb begrepen dat u dit ook in de Europese fora bekijkt, waarvoor dank.

De OCMW-medewerker die tijdens de uitoefening van zijn werk met geweld om het leven werd gebracht
Meer veiligheid voor maatschappelijk werkers
Veiligheid en bescherming van maatschappelijk werkers tegen geweld

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 1 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Na de moord op een 56-jarige OCMW-maatschappelijk werker in Gent tijdens een huisbezoek eisen parlementsleden structurele federale maatregelen om geweld tegen hulpverleners te bestrijden, met name in probleemwijken waar agressie vaker voorkomt. Minister Van Bossuyt benadrukt dat veiligheid lokaal wordt geregeld (bv. noodknoppen, bezoeken met twee, registratie van locaties), maar bevestigt nultolerantie en steun voor lokale initiatieven via kennisdeling en inspecties—zonder centrale federale cijfers over incidenten. Kritiekpunten zijn het ontbreken van een nationaal actieplan, gebrek aan gecentraliseerde data over agressie, en de dringende nood aan betere preventie (bv. beveiliging, psychologische ondersteuning) om hulpverleners in kwetsbare wijken te beschermen, terwijl het regeerakkoord te vaag blijft in uitvoering.

Ellen Samyn:

Mijnheer de voorzitter, ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

In Gent werd woensdagavond een 56-jarige maatschappelijk werker van het OCMW dood teruggevonden in een sociaal appartement in de wijk Nieuw Gent, na een huisbezoek aan een 38-jarige bewoner. De vermoedelijke dader werd later opgepakt in de binnenstad.

Dit is helaas niet het eerste incident van geweld tegen OCMW-medewerkers. Midden maart ondervroeg ik u nog over agressie tegen OCMW-medewerkers in onder meer Molenbeek. Toen stelde u dat agressie tegen OCMW-medewerkers tot de bevoegdheid van de gemeenschappen behoort en dat meldingen niet aan uw administratie dienen te worden overgemaakt. U voegde er wel aan toe dat de regering de problematiek ernstig neemt en in het regeerakkoord maatregelen heeft opgenomen om de veiligheid van overheidspersoneel en maatschappelijke werkers te versterken.

Graag verneem ik van de minister:

Hoe reageert u op dit tragische incident in Gent, en welke concrete federale initiatieven ziet u mogelijk om geweld tegen OCMW-medewerkers en andere maatschappelijke hulpverleners – waar ook in dit land – te voorkomen?

Nieuw Gent is één van de vele probleemwijken die door immigratie zijn verworden tot no go-zones voor hulpverleners, net zoals Anderlecht of de Noordwijk in Brussel. Zal er een speciale aanpak worden voorzien voor probleemwijken?

Bestaan er op federaal niveau cijfers of een overzicht van geweldincidenten tegen maatschappelijk werkers, en zo niet, welke stappen zal u ondernemen om die te verzamelen en te centraliseren?

Wordt er nagedacht om -in overleg met de gewesten en gemeenschappen- te komen tot een nationaal actieplan ter bescherming van hulpverleners, zodat slachtoffers van agressie niet louter afhankelijk zijn van lokale veiligheidsafspraken?

Hoe garandeert u dat de maatregelen uit het regeerakkoord -waarnaar u eerder verwees- ook daadwerkelijk en uniform in de praktijk worden toegepast?

Anne Pirson:

Madame la ministre, le décès tragique d’un assistant social du CPAS de Gand, agressé lors d’une visite à domicile, a profondément ébranlé la profession. Cet événement dramatique s’ajoute malheureusement à d’autres agressions récentes survenues dans la capitale et ailleurs, et rappelle la vulnérabilité de ces femmes et de ces hommes qui sont en première ligne auprès des plus fragiles.

Si la grande majorité des visites et enquêtes sociales se déroulent sans incident, ce drame met en évidence des conditions de travail tendues en certains endroits: surcharge de dossiers, situations de détresse extrême, manque de soutien psychologique et de protocoles clairs de sécurité. À cela s’ajoute un problème de manque d’attractivité croissant: la fonction d’assistant social au CPAS souffre de recrutements difficiles, d’un taux élevé de burn-out et d’un déficit de reconnaissance.

Dans ce contexte, quelles mesures le gouvernement envisage-t-il afin de renforcer la sécurité des assistants sociaux, en particulier lors des visites à domicile, et ce en collaboration avec le ministre de l’Intérieur et les autorités locales?

Une concertation est-elle prévue avec les CPAS et les organisations représentatives du personnel afin d’élaborer un plan fédéral de prévention des violences à l’encontre des travailleurs sociaux et de renforcer l’attractivité de la fonction?

Anneleen Van Bossuyt:

Mijnheer de voorzitter, mevrouw Samyn, mevrouw Pirson, het tragische overlijden van een maatschappelijk werker in Nieuw Gent heeft mij diep geraakt; niet alleen omdat het in mijn eigen stad is gebeurd, dus heel dichtbij, maar ook in het algemeen. Mijn gedachten gaan uit naar de familie, de collega’s en het OCMW-team van Gent, dat ik ook meteen heb aangeschreven om hen veel steun te betuigen.

Ik kan me voorstellen dat, wanneer een van uw collega’s vertrekt voor een huisbezoek en niet terugkeert, dit een enorme impact heeft op alle maatschappelijk werkers. Dit herinnert ons eraan hoe kwetsbaar maatschappelijk werkers soms zijn, terwijl zij onmisbaar werk verrichten voor de meest kwetsbaren in onze samenleving. Dat maakt het misschien nog des te tragischer.

Het personeelsbeleid en de veiligheidsprotocollen behoren tot de lokale en gemeenschapsbevoegdheden, net zoals het registreren van geweldincidenten tegen maatschappelijk werkers. Op federaal niveau worden deze cijfers niet centraal bijgehouden. Elk incident is er een te veel en ik ondersteun vanzelfsprekend de initiatieven van de bevoegde instanties ter zake.

Binnen mijn bevoegdheid voeren onze inspecteurs bij de OCMW’s procesanalyses uit, waarbij ook het onthaalbeheer aan bod komt. Zij bespreken de moeilijkheden, geven advies en stimuleren de uitwisseling van goede praktijken. De doeltreffendste aanpak gebeurt lokaal, in nauwe samenwerking met OCMW-verenigingen en partners. Vanuit mijn bevoegdheid ondersteun ik dergelijke initiatieven en help ik mee succesvolle praktijken breder uit te rollen.

Des mesures de prévention peuvent être prises au niveau des équipes, telles que la présence de personnel de sécurité lors des permanences, la possibilité d'effectuer des visites à domicile à deux ou accompagné d'un responsable, la mise à disposition de téléphones de service pour les assistants sociaux ou encore la tenue d'un registre permettant de savoir où se trouvent les assistants sociaux lorsqu'ils effectuent une visite à domicile.

Daarenboven nemen OCMW's ook het initiatief om hun maatschappelijk werkers uit te rusten met een uurwerk met noodknop wanneer zij op huisbezoek gaan.

De omzendbrief van 14 maart 2014 betreffende de minimumvoorwaarden voor het sociaal onderzoek bepaalt dat wanneer de veiligheid van de maatschappelijk werker niet kan worden gegarandeerd, de maatschappelijk werker in zijn sociaal verslag kan rechtvaardigen waarom het bezoek niet kon plaatsvinden. Sommige OCMW's hebben ook een mechanisme opgezet om met moeilijke situaties om te gaan, zoals supervisie en regelmatig contact met vertrouwenspersonen binnen de instelling.

Il est en effet prévu dans l'accord de gouvernement qu'une agression à l'égard de membres du personnel des services publics est inacceptable et doit être poursuivie.

La tolérance zéro à l'égard de la violence envers les aidants doit en être le principe directeur. Toute personne qui s'engage pour l'intérêt général doit pouvoir exercer son travail en toute sécurité et dans le respect.

Dans mon rôle fédéral, je continuerai à contribuer là où cela est possible. Merci.

Ellen Samyn:

Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord.

Het drama in Gent, waarbij een maatschappelijk werker tijdens de uitoefening van zijn job met geweld om het leven werd gebracht, heeft ons allemaal diep geschokt. Zoiets is onaanvaardbaar. Die mensen staan elke dag in de frontlinie van onze sociale dienstverlening, vaak in moeilijke omstandigheden en in probleemwijken. Zij verdienen dan ook ons respect en onze bescherming.

U verwees naar maatregelen in het regeerakkoord, maar de realiteit leert ons dat er dringend meer nodig is. We moeten niet alleen zorgen voor betere preventie en veiligheidsafspraken, maar ook voor een duidelijke registratie, in samenwerking met de regio's, van agressie-incidenten, zodat we de omvang van het probleem in kaart kunnen brengen en structureel kunnen aanpakken.

Daarnaast lijkt het me belangrijk dat er een actieplan komt, opnieuw in overleg met de gewesten en de gemeenschappen, om hulpverleners te beschermen. U had het over een noodknop, wat ik een goed initiatief vind. Of het nu in Gent, Anderlecht of elders gebeurt, we moeten de veiligheid van maatschappelijk werkers overal kunnen waarborgen en ervoor zorgen dat zij niet worden aangevallen.

Anne Pirson:

Merci madame la ministre pour vos réponses. Je pense effectivement que cet événement à Gand a créé un choc dans la profession. J'ai entendu ce qui figurait dans les plans de prévention.

Je pense qu'il est très important de prendre d'autres mesures. On sait que dans les mois à venir, les assistants sociaux seront sans doute plus sous tension que jamais. Il y a le problème des visites domiciliaires, puis il y a la sécurité à l'intérieur des CPAS. Elle n'est pas non plus toujours optimale et il ne faut pas perdre cela de vue.

Je pense que centraliser les chiffres concernant les différents incidents est aussi capital pour avoir une meilleure vision et pour pouvoir prendre les mesures adéquates quant à la tolérance zéro reprise dans l'accord de gouvernement. On ne peut évidemment que se féliciter de cette volonté. On doit pouvoir mettre tous les moyens en place pour y arriver ainsi que communiquer sur l'intransigeance à l'égard des violences envers les assistants sociaux.

Voorzitter:

Tout à fait.

Ellen Samyn:

Mijnheer de voorzitter, mevrouw Lanjri had gevraagd of het mogelijk was om onze samengevoegde vragen, nrs. 56007338C en 56008633, om te zetten in schriftelijke vragen. (Instemming)

Voorzitter:

La question n° 56007722C de M. Legasse est reportée.

De middelen voor de politie in de strijd tegen de drugshandel in Brussel
De taalproblematiek bij de Brusselse politie in het kader van de fusie van de zes politiezones
Brussel
De fusie van de Brusselse politiezones
De drugscriminaliteit in Antwerpen
De federale dotatie voor de politiezones
De inzet van het leger in de strijd tegen het geweld in de hoofdstad
De inzet van militairen op straat in Brussel
De fusie van de Brusselse politiezones
De gewelddadige moord en het escalerende geweld in Oostende
De plannen van de regering om in een aantal grote steden militairen in te zetten op straat
De fusie van de politiezones in Brussel
De fusie van de Brusselse politiezones
Het geweld aan de kust
De inzet van militairen in Brussel (2/2)
Het drugsgeweld in Brussel
De aanstelling van verbindingsagenten in het buitenland in de strijd tegen de drugshandel
Het 'Plan Grote Steden' en de strijd tegen de drugshandel
Het drugsfonds
De Turkse maffia
De bedreigingen aan het adres van magistraten
De drugsproblematiek over de landsgrenzen heen
De whole-of-government-aanpak
Het Kanaalplan
Gemengde brigades van militairen en politieagenten
De fusie van de Brusselse politiezones
De inzet van Defensie op straat en het 'Grootstedenplan' van de minister
De herziening van het Kanaalplan
Het bezoek van de procureur van Marseille aan Brussel
De KUL-norm
Uitdagingen en maatregelen in de strijd tegen georganiseerde criminaliteit en geweld in Belgische steden

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken), Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 1 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draaide voornamelijk om de aanpak van drugscriminaliteit en georganiseerde misdaad in België, met focus op Brussel, Antwerpen en andere grote steden. Minister Quintin (Binnenlandse Zaken) verdedigde zijn Grootstedenplan (opvolger van het Kanaalplan), met maatregelen zoals militaire steun voor de politie, versterkte politie-inzet, fusie van de Brusselse politiezones, en een nog op te richten DrugsFonds om criminele netwerken financieel te raken. Kritiek kwam vooral op de haastige fusie van politiezones (gebrek aan draagvlak bij burgemeesters en Brulocalis), onduidelijkheid over de rol van militairen (bevoegdheden, timing, juridisch kader), en het ontbreken van structurele middelen voor justitie, politie en preventie. Oppositie en meerderheid benadrukten dat veiligheid alleen kan verbeteren met gecoördineerde actie tussen federale, regionale en lokale overheden, maar twijfelen aan de effectiviteit van de voorgestelde oplossingen.

Voorzitter:

Collega's, welkom.

Ik wil bij aanvang graag een suggestie doen, ook in naam van enkele collega's die me daarover hebben aangesproken. Het onderwerp van een actualiteitsdebat zou meer gespecifieerd moeten zijn. Nu staat er een debat over veiligheid op de agenda, met 31 toegevoegde vragen. Het zou beter zijn om in de toekomst het onderwerp van een actualiteitsdebat meer af te bakenen. Het onderwerp 'veiligheid' is veel te algemeen. U begrijpt dat dit geen gemakkelijke manier van werken is.

Ik herhaal graag dat u niet verplicht bent uw volledige spreektijd te benutten. U kunt ook verwijzen naar de schriftelijke versie van uw vraag.

François De Smet:

Monsieur le président, quasiment toutes les compétences du ministre sont liées à la sécurité, à part peut-être Beliris, et encore. Donc, effectivement, je me retrouve avec des questions qui n'ont pas de lien direct les unes avec les autres, mais soit.

La première question qui concerne le narcotrafic à Bruxelles. Pour cette question-là, je renvoie au texte écrit, d'autant que j'ai eu un échange à ce sujet avec le ministre en séance plénière.

Je tiens tout d’abord à saluer votre volontarisme en termes de lutte contre la violence grandissante générée par le narcotrafic à Bruxelles, votre bilan présenté sous le titre (flatteur) “ 6 mois d’action : Le Ministre Quintin renforce l’autorité de l’Etat et la sécurité des citoyens” sur le site de votre formation politique , met en avant : Le ministre a également intensifié la lutte contre les réseaux criminels qui gangrènent nos quartiers. Des filières ont été démantelées, grâce à un meilleur partage d’informations entre services et à une collaboration renforcée avec la justice”

Le procureur du Roi, Julien Moinil, lors de sa conférence de presse du 13 août dernier, a félicité les services de police pour l’interpellation de pas moins de 7085 suspects (dont 6211 majeurs et 874 mineurs ) interpellés par la police mis à disposition du parquet, et ce depuis janvier 2025 (ce qui représente pas moins du triple d’interpellations durant un laps de temps identique en 2024)

Il n’en demeure pas moins que le Procureur du Roi lors de cette même conférence de presse a fustigé le manque de moyens de la police, et ma question ne portera pas sur la fusion des zones de police à Bruxelles, à propos de laquelle je me suis déjà exprimé avec opposition et je m’exprimerai lors des travaux parlementaires, mais bien sur les moyens mis à disposition en Région bruxelloise pour lutter contre le narcotrafic,

En conséquence, Monsieur le Ministre peut-il me faire savoir:

quels résultats concrets a t-il obtenu en termes de démantèlement des filières de narcotrafic depuis janvier 2025?

quels renforcements d’effectifs sont prévus au cours du dernier quadrimestre 2025 pour permettre une densification de la lutte contre le narcotrafic?

si il a rencontré le procureur du Roi suite à cette sortie médiatique ?

En revanche, je vais poser les deux autres questions. La première concerne ce qui peut apparaître comme un marronnier, mais encore plus régulier qu'un marronnier classique, à savoir la fusion des zones de police à Bruxelles, puisque votre avant-projet est toujours en discussion au sein du gouvernement. Néanmoins, nous avons reçu plusieurs signaux entretemps, notamment un signal de la Conférence des bourgmestres et un autre de Brulocalis.

Le moins que l'on puisse dire, c'est que votre plan ne fait pas l'unanimité. En effet, il a été rejeté à l'unanimité le 27 août dernier par la Conférence des bourgmestres – donc les bourgmestres, MR et Engagés inclus, j'imagine – et qu'il a fait l'objet d'un avis particulièrement négatif de Brulocalis la veille, le 26 août. Brulocalis évoque un déficit significatif de financement structurel par l'autorité fédérale de la future zone de police unifiée, en l'absence aujourd'hui de révision de la fameuse norme KUL, qui, évidemment, est demandée par les 19 bourgmestres ainsi que par votre partenaire de majorité Les Engagés. Ce dernier vous a quand même tancé assez méchamment ces jours-ci en expliquant que cette partie du deal, pour l'instant, n'était pas remplie dans l'avant-projet puisqu'on se contente, pour l'instant, de la fusion.

Cette fusion constitue une réponse inappropriée aux enjeux de lutte contre le narcotrafic et la criminalité organisée, sans parler de l'argumentaire justifiant la fusion, qui cache mal les desseins peut-être plus pernicieux que d'aucuns ont quant à l'atteinte à l'autonomie communale de Bruxelles. Une fusion imposée alors que l'avant-projet de loi entend promouvoir la fusion volontaire, avec un traitement discriminatoire, comme chacun le sait, entre Bruxelles et les autres Régions.

La Conférence des bourgmestres tance également l'insécurité juridique profonde du texte et estime que ce projet de fusion met en péril la police de proximité et sera chronophage en matière de réorganisation – il suffit de voir combien de temps nous y avons déjà consacré ici –, alors que Bruxelles est confrontée à des défis bien plus essentiels. Je ne vais pas revenir sur toutes les critiques que nous avons déjà exprimées à plusieurs reprises et dont nous aurons encore l'occasion de discuter. Sans préjudice de l'avis du Conseil d' É tat, qui doit encore être rendu sur l'avant-projet de loi, cette première salve de critiques de ces deux organes montre que ce projet de fusion est profondément contestable sur le plan de la légalité, mais aussi sur le plan de l'opportunité politique, de sorte qu'il nécessite des réactions.

Mes questions sont simples. Estimez-vous que les craintes exprimées par les bourgmestres bruxellois et par Brulocalis sont fondées, tant pour ce qui est de l'aspect financier que pour ce qui concerne le contrôle démocratique et l'atteinte à l'autonomie communale?

Vous attendez l'avis du Conseil d' É tat, bien sûr, mais allez-vous également apporter des rectifications sur la base de ces deux avis?

L'autre question que je souhaitais vous poser concerne le narcotrafic à Anvers. On parle beaucoup, évidemment à raison, de Bruxelles, parce que c'est la plaque tournante de la distribution. C'est un débat que nous avons régulièrement.

Mais il est intéressant de noter que la presse s'est fait écho, voici quelques semaines, d'une comparaison des incidents et faits graves de violence liés au narcotrafic entre Bruxelles et Anvers, qui est, elle, organisée en zone unique. Brulocalis faisait référence par exemple à une étude du Vlaams Vredesinstituut qui évoque un nombre de fusillades liées au narcotrafic quasiment équivalent entre notre capitale et la zone de police d'Anvers.

Le Moniteur de Sécurité 2025, également cité, rapporte une diminution de la criminalité dans les trois Régions, avec d'ailleurs une diminution plus sensible en Région bruxelloise que dans les deux autres Régions.

L'antienne qui consiste à répéter que la criminalité est en hausse à Bruxelles peut donc être relativisée, car elle contribue à un Bruxelles-bashing injuste et sert les desseins de la fusion des zones imposée à Bruxelles. Elle relève donc, d'une nouvelle manière, d'une inégalité de traitement.

Monsieur le ministre, quelle est votre approche spécifique de la lutte contre le narcotrafic à Anvers et son port? Avez-vous pris connaissance de ces chiffres? Je sais que vous êtes évidemment allé sur le terrain. Il y a la question de la plus grande détection de ce qui se trouve dans les conteneurs.

Nous sommes tous d'accord. Je crois qu'il faudra endiguer le phénomène, à la fois à l'arrivée du narcotrafic à Anvers et dans sa plaque de distribution à Bruxelles. Il nous faudra réussir sur l'un et sur l'autre, sans mettre en compétition, avec ou sans idée préconçue, ces deux territoires.

Voorzitter:

De vraag nr. 56007310C van mevrouw Barbara Pas wordt ingetrokken.

Ridouane Chahid:

Monsieur le ministre, ma question porte plus particulièrement sur ce que l'on vit à Bruxelles ces derniers mois.

Le procureur du Roi de Bruxelles a exposé les mesures prises par le parquet bruxellois face à une nouvelle série de fusillades qui touchent notre capitale depuis plusieurs semaines. On le sait, les acteurs, tant la justice que la police, sont sur le terrain. Ils travaillent d'arrache-pied, et ils engrangent des résultats. On a encore vu récemment se dérouler une action policière sur plusieurs communes bruxelloises. Mais les moyens humains et budgétaires restent insuffisants, et ces acteurs demandent toujours un soutien important de la part du fédéral pour pouvoir mener à bien les missions qui sont les leurs. Ils le disent eux-mêmes, et ils l'ont encore dit en début de semaine lors de cette intervention: arrêter des délinquants, des criminels, c'est une chose, mais il faut pouvoir faire du travail de fond et il faut donner les moyens à la justice pour pouvoir les mettre en prison.

Vous nous avez effectivement informé qu'il y aurait un plan à cet égard, avec un certain nombre de mesures. Quid de ce plan? Comment allez-vous financer ce plan et sur combien de temps allez-vous le mettre en œuvre?

Vous avez également évoqué la question du financement de la police et des zones de police. On sent qu'il y a une sorte de flottement entre vous et différents partenaires de la majorité, puisqu'on sait qu'il manque environ 800 policiers, et plus ou moins 100 policiers à la police judiciaire. On sait donc qu'il faut plus ou moins 300 à 500 millions d'euros qui pourraient, pour l'ensemble des zones de police, aider à répondre à un certain nombre de défis en la matière.

Monsieur le ministre, pouvez-vous nous faire un état des lieux des moyens qui seront débloqués en Région bruxelloise pour la lutte contre le trafic de drogue? Quels moyens allez-vous mettre en place avec votre collègue de la Justice pour soutenir le procureur du Roi dans ses initiatives? Quels seront les moyens consacrés à la question de la santé publique dans le contexte du trafic de drogue?

Enfin, monsieur le ministre, en février dernier, le premier ministre nous avait clairement dit en séance plénière qu'on allait mettre une task force sur pied. Celle-ci réunirait les différents acteurs pour pouvoir trouver des réponses à ces problèmes. Quand allez-vous mettre en œuvre cette task force?

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, ik heb drie vragen ingediend, allen met een verschillende inhoud.

Ten eerste, op 6 september jongstleden werd een vrouw op klaarlichte dag in Oostende neergeschoten, het trieste slot van een hele reeks gewelddaden. Het gaat om het vijfde ernstige incident in die stad op amper twee weken tijd. Dat sterkt mij in mijn overtuiging dat drugsgeweld niet meer beperkt blijft tot Antwerpen, Brussel en andere grootsteden, maar dat ook middelgrote en kleinere steden alsmaar vaker geconfronteerd worden met dergelijke gewelddaden. Welke concrete maatregelen en federale steun plant u op korte en middellange termijn om de escalatie van drugs- en geweldsproblemen in die steden aan te pakken? Kunt u specifiek wat Oostende betreft een stand van zaken geven met betrekking tot het onderzoek en aangeven welke gevolgen u hieraan wenst te verbinden?

Ten tweede, de heer Moinil, de procureur de Konings van Brussel, die procureur van Marseille Bessone voor een bezoek aan Brussel heeft uitgenodigd, vraagt expliciet aan de regering om voor de Belgische wetgeving het Franse model te volgen. Ik begrijp zijn standpunt, zeker gezien de vaststelling dat Marseillaanse gewelddaden alsmaar vaker in onze hoofdstad worden geïmporteerd, denk maar aan de vele executies en de alsmaar gewelddadigere acties van drugsbendes in onze hoofdstad.

Sinds begin dit jaar werden al 1.250 dealers opgepakt en voorgeleid bij het parket. Het aantal illegalen in onze hoofdstad, dat alsmaar vaker door drugsbendes als gewillig of ongewillig slachtoffer wordt gebruikt, loopt ook de spuigaten uit. Het is natuurlijk een schatting, want het gaat om mensen zonder papieren, maar men spreekt toch van meer dan 100.000 personen alleen al in Brussel. Dit jaar waren er al 57 schietpartijen in Brussel, waarvan 20 tijdens de zomervakantie alleen. Vorig jaar stond de teller op meer dan 90 schietpartijen. Bovendien ziet het ernaar uit dat het er dit jaar, met de cijfers die we tot nu toe hebben kunnen noteren, niet op verbetert.

“Ik begrijp dat sommige agenten moedeloos worden wanneer ze dezelfde persoon drie, vier of zelfs tien keer arresteren en hij telkens weer vrijkomt”, aldus procureur des Konings Moinil. Wij moeten zijn woorden allemaal ter harte nemen. Ook al valt een en ander niet onder uw bevoegdheid, mijnheer de minister – de regering is een en ondeelbaar -, vernam ik graag hoe ver het staat met de beloofde grote taskforce. Hoe kunnen wij de huidige malaise en de blijvende demotivatie van onze politieagenten tegengaan? Dat kan onder meer door strenger toe te zien op de uitvoering van de straffen die dergelijke criminelen in dit land moeten krijgen.

Ik wil, ten derde, nog ingaan op het ideetje dat vooral u de MR bij monde van u, mijnheer de minister, in de media heeft gelanceerd. Ik doel op de inzet van het leger op het grondgebied van Brussel. U voegde eraan toe dat dat later eventueel ook in andere steden zou kunnen gebeuren, indien dat nodig blijkt. In eerste instantie wees de minister van Defensie, de heer Francken, het voorstel af, hoewel hij daar in de vorige legislatuur samen met de heer De Wever, toen ze nog geen minister waren, een heel groot voorstander van was. Mevrouw De Vreese kan dat zeker beamen. Vooral de heer Francken ziet dat niet iets voor de korte termijn. Volgens hem zou daartoe pas een eerste aanzet kunnen worden gedaan vanaf 8 april 2026. Ook qua visie moet nog een en ander worden afgestemd, want de heer Francken ziet eigenlijk een totaal ander takenpakket voor de militairen dan waarvoor u hen wilt inzetten. Ik wil daarom nagaan wat nu precies de bedoeling is.

Zullen militairen politietaken overnemen of worden er gemengde patrouilles opgericht waarbij militairen een ander takenpakket krijgen dan de politie?

Ik wil ook meer duidelijkheid over de timing van het voorstel. Blijft het bij woorden in de media of worden daar ook concrete daden aan gekoppeld?

Matti Vandemaele:

Mijn twee vragen hangen inhoudelijk niet samen en het verwondert mij dus dat die in hetzelfde debat aan de orde komen. Ik stel voor om inhoudelijk verschillende items een volgende keer apart te behandelen.

Ten eerste, wat de inzet van militairen op straat in Brussel of elders betreft, volgens sommigen zouden militairen statische bewakingsopdrachten moeten overnemen; anderen zien heil in gemengde patrouilles en nog anderen vinden dat militairen politionele taken moeten uitvoeren. Welke van de drie systemen overweegt de regering? Heeft de regering daarover een definitieve beslissing genomen? In de media is er alvast ruis op de uitspraken van ministers en partijvoorzitters ter zake.

Militairen zijn niet opgeleid of uitgerust voor bepaalde taken in de publieke ruimte. Is het wel aangewezen om militairen met politiebevoegdheden en -wapens de straat op te sturen? Wie zal het commando voeren bij gemengde patrouilles? Op mijn schriftelijke vraag hierover kreeg ik een bizar antwoord: enerzijds stelde u dat militairen te allen tijde onder de controle en het gezag van de hoogste militair blijven, en anderzijds merkte u op dat de leider van de opdracht op dat moment de politieagent is. Wat gebeurt er echter als de twee elkaar tegenspreken? Zijn er duidelijke afspraken over wie dan het gezag voert?

U voelt wel aan dat ik hier geen voorstander van ben. Ik denk dat militairen slechts zeer uitzonderlijk op straat kunnen worden ingezet, bijvoorbeeld in het kader van de strijd tegen terrorisme, zoals in het verleden is gebeurd. Dat mag evenwel niet de norm worden. Mijn grote zorg en die van veel militairen is dat een uitzonderlijke situatie wellicht langer kan duren dan verwacht. Op die manier maken we geen werk van echte oplossingen. Het blijft steeds een lapmiddel.

Ten tweede, wat de fusie van de Brusselse politieraden betreft, het advies van Brulocalis en het Bureau van de Conferentie van Burgemeesters was niet echt positief. Ik begrijp dat u als positief ingestelde persoon er positieve elementen in hebt gezien, maar ik heb toch veel kritiek gelezen. Ik ben benieuwd hoe u tegen die kritiek aankijkt.

Vindt u de kritiek ongegrond is en kunt u ze weerleggen? Of bent u bereid om het voorstel dat op tafel ligt, bij te sturen?

U zegt zelf dat u altijd de dialoog gaat met de mensen op het terrein. Bent u ook bereid om met de vrienden in Brussel werkelijk in dialoog te treden, zodat de fusie ook breed gedragen wordt? Ik denk dat een fusie alleen kan werken, als die breed wordt ondersteund. Ik ben dan ook benieuwd of u het pad van de dialoog wilt bewandelen, dan wel of u de forcing zult voeren en gewoon uw beslissing zonder meer in de praktijk zult omzetten.

Xavier Dubois:

Monsieur le président, je vais essayer de synthétiser mes six questions, en tout cas de les présenter dans un ordre qui a du sens. Je vais prendre comme point de départ la conférence de presse du procureur du Roi cet été, qui m'a fortement interpellé, un véritable cri d'alarme.

Cette conférence de presse a eu lieu dans un endroit gardé secret, des mesures de sécurité ayant été prises tout autour. Le procureur du Roi a lui-même été menacé de mort par des narcotrafiquants. Et donc ses mots étaient particulièrement interpellants, notamment quand il a dit que chaque Bruxellois pouvait prendre une balle perdue, évoquant aussi les montants en jeu au niveau des points de deal. Je pense qu'il est nécessaire d'entendre cet appel.

Nous avons d'ailleurs sollicité une audition du procureur du Roi en commission de l'Intérieur, et je remercie les membres de la commission d'avoir accepté cette proposition. Le procureur du Roi évoque un besoin supplémentaire de 10 millions d'euros. Il évoque également le fait que la police judiciaire fédérale devrait reprendre en main des enquêtes sur la criminalité organisée et sur les mafias. Qu'en pensez-vous? Quels sont les moyens que vous allez pouvoir débloquer pour répondre à cet appel important?

Il a aussi évoqué la problématique du cadre. Je pense qu'il faut remplir les cadres au plus vite. Quel est votre plan d'action pour atteindre cet objectif?

Comme d'autres collègues l'ont évoqué, le procureur du Roi a rencontré son homologue, le procureur de la République de Marseille. Cela a permis de faire ressortir toute une série de pistes intéressantes. Avez-vous pu le rencontrer également et, si ce n'est pas le cas, qu'avez-vous retiré de cette rencontre importante?

Ensuite, je voudrais vous interroger sur le plan "Grandes Villes".

Je ne vais pas le détailler, vous l'avez déjà bien présenté. Pour rappel, il s'agit de 20 millions d'euros pour des caméras, ou encore de la piste d'amener des militaires en rue avec des équipes mixtes. C'est aussi renforcer les objectifs policiers. Beaucoup de choses sont imaginées pour les grandes villes, mais, pour rappel, la problématique se vit aussi en zone rurale et dans les petites villes. Que prévoit votre plan pour ces zones? Il faut aussi avoir des réponses très claires et concrètes en la matière. Le combat se mène partout, sur l'ensemble du territoire de la Belgique. J'attends des mesures concrètes et précises pour répondre aux besoins des villes et communes, aux besoins des zones de police en zone rurale.

Autre question, n'estimez-vous pas qu'il serait important, et opportun surtout, de convoquer le Conseil national de sécurité pour qu'on puisse travailler tous ensemble à tous les niveaux pour pouvoir rendre plus efficace et opérationnelle cette lutte contre ce crime organisé?

Je voudrais aussi vous interroger sur des mesures qui sont prévues dans l'accord du gouvernement. Il y a ce premier plan et une vingtaine d'autres mesures. L'une d'elles consiste en la création du Fonds drogue. Je m'étonne du fait qu'il n'y ait pas encore eu de projet concret présenté au Conseil des ministres pour la création de ce Fonds drogue. Pouvez-vous nous dire où vous en êtes par rapport à cette mesure très importante, qui permettra de s'attaquer au portefeuille des trafiquants et surtout de réutiliser ces moyens, de les affecter à une lutte efficace contre cette problématique? Il paraît que des freins auraient été remarqués, notamment au niveau de l'administration des finances. Pouvez-vous confirmer ou infirmer le fait que des freins seraient observés dans certains services?

Mes collègues ont évoqué les zones de police. Je ne vais donc pas revenir sur l'avis concernant la fusion à Bruxelles, mais sur le financement des zones de police. Il est clair que – vous l'avez dit vous-même, et cela fait d'ailleurs partie de l'accord de gouvernement –, la fusion des zones de police de Bruxelles s'accompagne nécessairement d'une révision de la norme KUL et d'un refinancement qui soit le plus correct, efficace et juste de l'ensemble des zones de police. On a entendu que des réunions s'organisent pour présenter certains projets en la matière.

J'aimerais bien que vous puissiez aussi nous dire où on en est exactement, quels sont les acteurs qui ont déjà été informés du projet de réforme de cette norme KUL? Je pense qu'il est important que le Parlement soit informé aussi si certains acteurs le sont. On attend les éléments précis en la matière au plus vite.

Enfin, je reviendrai sur une mesure qui est peut-être moins stratégique, mais tout aussi importante, puisqu'elle concerne la collaboration et la coopération avec les autres É tats membres et hors de l'Union européenne. C'est la mesure concernant les officiers de liaison étrangers qui viendraient chez nous et, à l'inverse, nos officiers qui partiraient à l'étranger. Cela fait partie de l'accord de gouvernement.

Pouvez-vous définir de manière beaucoup plus claire ce qui est attendu de ces officiers agents de liaison? Comment vont-ils fonctionner? Quels sont les rapports qu'ils devront émettre? Surtout, quels moyens avez-vous à disposition pour mettre en œuvre de manière efficace cette mesure importante dans cette thématique qui nous rassemble tous aujourd'hui?

Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses.

Paul Van Tigchelt:

Mijnheer de minister, ik kan het kort houden, omdat ik niet te veel in herhaling wil vallen. De voorbije maanden hebben we dit soort debatten met u meermaals kunnen voeren. Nog maar twee weken geleden waren de Kamerdiensten zo vriendelijk om mijn vraag toe te voegen aan de vraag in de plenaire vergadering, die toen ook in een actualiteitsdebat is gesteld.

Voor mij zijn twee punten relevant.

Ten eerste bestaat er een contradictie tussen uw verklaringen en die van minister Francken over de inzet van militairen. Daarover heb ik geen vraag gesteld, want anderen doen dat.

Mijn vraag gaat heel specifiek over de fusie van de Brusselse politiezones. Afgelopen zomer is daarop veel kritiek geuit. Dat is niet onverwacht, want er is veel koudwatervrees. Ik herhaal mijn steun, mijnheer de minister, voor uw initiatief. U hebt de moed gehad om met uw neus in de wind te gaan staan, een eigenschap die in de politiek niet aan iedereen gegeven is. Ik hoop dat u doorzet en wens u dat toe.

Ik verwijs voor mijn concrete vragen naar de schriftelijke voorbereiding.

Rajae Maouane:

Monsieur le ministre, comme mes collègues sont déjà intervenus, je vais essayer d'être aussi brève que possible.

J'imagine que vous partagez le même objectif que moi, à savoir que la sécurité, l'une des priorités de nos concitoyens, mérite des mesures structurelles et véritablement efficaces, au lieu d'effets d'annonce contraires aux demandes des experts et que ne cautionnent pas les acteurs de terrain. Je pense ainsi à l'annonce selon laquelle vous alliez rétablir une présence militaire dans nos rues, notamment à Bruxelles.

Monsieur le ministre, quel est le cadre légal dans lequel l'armée opèrera? Quelles seraient les missions confiées aux militaires? Auront-ils le droit d'être en rue ou ailleurs, en brigade mixte avec la police ou seuls?

Je voudrais revenir également en bref sur la fusion des zones de police à Bruxelles. Vous la présentez souvent comme l'une des solutions qui permettraient de résorber le sentiment d'insécurité dans la capitale. Pour être complètement honnête, je ne suis pas philosophiquement fermée à cette option. Toutefois, fin août, les 19 bourgmestres bruxellois se sont exprimés à l’unanimité contre ce projet. Ils réclament plutôt un financement structurel supplémentaire pour la police bruxelloise et s’inquiètent, par ailleurs, de la suppression annoncée des conseils de police, qui jouent un rôle essentiel dans le contrôle démocratique.

Leur avis, très négatif, rejoint celui de Brulocalis et du bureau de la Conférence des bourgmestres, qui soulignent également les risques pour la proximité avec le citoyen, l’autonomie communale, ainsi que les incertitudes juridiques et budgétaires entourant ce projet.

Monsieur le ministre, comment prenez-vous en compte cette position unanime des bourgmestres, qui demandent avant tout un refinancement structurel de la police plutôt qu’une fusion des zones?

Comment comptez-vous répondre à leurs préoccupations concernant la suppression des conseils de police et les conséquences pour la démocratie locale et la proximité avec les citoyens?

Enfin, êtes-vous disposé à adapter vos projets afin de tenir compte des arguments et de l’expertise exprimés par les autorités locales? Je m'arrête ici pour pouvoir vous entendre. Merci, monsieur le ministre.

Maaike De Vreese:

Mijnheer de minister, het is een soort hutsepot geworden van vragen die door elkaar gemixt zijn en ik lust niet zo graag hutsepot. Ik heb liever dat sommige zaken van elkaar gescheiden worden. Ik vind dat dit lekkerder smaakt. Hier zijn er net iets te veel vragen samengevoegd om het behapbaar te maken. Ik heb nu bijvoorbeeld een aantal vragen over het geweld aan de kust, wat toch tot een andere discussie leidt dan die over de drugscriminaliteit in onze hoofdstad.

Minister, de voorbije weken werden we in Oostende geconfronteerd met bijzonder hard drugsgeweld, met de tragische moord op een 43-jarige vrouw als dieptepunt. Lokale besturen uiten hun grote bekommernis over de stijgende druk op de veiligheid in de kustregio. Tijdens weekends en de vakantieperiodes, standaard zeer drukke periodes, neemt de bevolking er enorm toe, waardoor de politiecapaciteit structureel onder druk komt te staan.

In Oostende specifiek verdrievoudigt tijdens de zomermaanden het bevolkingsaantal. Daarbovenop wordt regelmatig gevraagd dat agenten van de kustzones bijstand verlenen in andere regio's, terwijl net aan de kust de noden hoog zijn. We kunnen stellen dat doorheen de zomer onze kustlijn eigenlijk één groot evenemententerrein vormt.

Hoe evolueert de drugsproblematiek in Oostende en zijn er linken met de drugscriminaliteit in de rest van het land?

Hoe beoordeelt u de huidige veiligheidsdruk in Oostende en in de bredere kustregio in het licht van recente incidenten en de sterk toenemende bevolkingsaantallen tijdens piekperiodes?

Welke maatregelen plant u om te vermijden dat lokale politiezones aan de kust capaciteit verliezen door systematische bijstandsoproepen naar andere regio's, terwijl de lokale noden zeer hoog zijn?

Bent u bereid in overleg met de gouverneur en met de burgemeesters van de kuststeden een specifiek plan uit te werken om de structurele uitdagingen door het geweld, gekoppeld aan de toeristische drukte en de evenementen, aan te pakken?

Hoe zult u ervoor zorgen dat kustgemeenten voldoende operationele ondersteuning krijgen, zonder afhankelijk te worden van noodinterventies of ad-hocversterkingen?

Jullie zien, collega's, dat dit heel andere vragen zijn dan de andere die op de agenda staan.

Wat het drugsgeweld in de hoofdstad betreft, wil ik mij aansluiten bij de collega's. Dat is een zaak waar we al heel wat debatten over gevoerd hebben. Ook ik heb een aantal vragen over de inzet van militairen in Brussel.

Het drugsgeweld duurt voort. Er zullen militairen ingezet worden op straat. Maar wij hebben er op gehamerd dat daarvoor een kader voorhanden moet zijn, minister, zodat de militairen geen sitting duck zijn en voldoende kunnen ingrijpen op momenten dat het nodig is.

Ik wil verwijzen naar de vragen die ik heb opgesteld, want er zijn nog een aantal zaken die moeten of inmiddels misschien al zijn uitgeklaard tussen u en de minister van Defensie. Ondertussen gaf bijvoorbeeld ook de burgemeester van Charleroi aan dat hij dergelijke ondersteuning wenst.

Hoever gaan wij daarin? Hoe worden de steden geselecteerd? Wat wilt u daar precies mee doen?

De gemengde patrouilles, het overleg met de minister van Defensie en het wettelijke kader zijn voor ons belangrijk. Wanneer worden ze wel ingezet en wanneer niet?

U weet dat in het regeerakkoord wordt gesproken over dreigingsniveau 4. Blijven wij bij die piste of voorziet u in cumulatieve voorwaarden om die mensen in te zetten?

Ik weet dat zelfs bepaalde militairen vragende partij zijn om ook bepaalde bevoegdheden te krijgen. Wij moeten daar goed over nadenken. Dat is immers niet iets wat zomaar wordt gedaan. Een en ander moet weloverwogen gebeuren en in goed overleg tussen beide ministers in de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit, waarin wij u zeker steunen. Dat moet heel duidelijk zijn.

Wij hebben inderdaad vastgesteld dat de drugsproblematiek, wat wij overigens al wisten, niet enkel hier of in onze grote steden bestaat, maar dat het om een Europees probleem gaat dat zelfs internationaal moet worden aangepakt.

Wij zagen bijvoorbeeld de Franse procureur Nicolas Bessone communiceren dat de voorbije maanden ongeveer vijftig Belgen, onder wie een twintigtal Brusselaars, werden gearresteerd in Zuid-Frankrijk, voornamelijk in Marseille en de grensregio. Onder hen bevonden zich ook twee landgenoten die zwaar bewapend een opdracht zouden uitvoeren.

Dat is toch niet niets. Tijdens zijn bezoek aan Brussel wees de Franse procureur op de connecties tussen bendes in Brussel en Marseille. Bovendien legde hij een link met de rol van de haven van Antwerpen in de internationale drugshandel. Hij bracht daarbij enkele praktijken uit Marseille aan en riep de Belgische autoriteiten op om de wetgeving aan te scherpen. Wij moeten met de Franse autoriteiten de krachten bundelen in één gezamenlijke strijd tegen de georganiseerde misdaad.

Op welke manier werken onze politiediensten vandaag concreet samen met de Franse autoriteiten in de gezamenlijke strijd tegen drugscriminaliteit? Kunnen wij die samenwerking nog uitbreiden? Hoe verloopt de informatie-uitwisseling met Frankrijk in dossiers waarin Belgische drugsnetwerken betrokken zijn? Waar ziet u nog verbeterpunten?

Hoe zit het met de informatie-uitwisseling over die vijftig Belgen die daar zijn aangetroffen? Krijgen wij de noodzakelijke gegevens, zodat wij weten wie zij zijn en hoe wij hen verder kunnen opvolgen? Hebt u daarover recent overleg gehad met uw Franse collega-minister of zult u dat nog doen? Voor mij is dat noodzakelijk. Wat zijn de voornaamste afspraken die u met hem wilt maken of welke vooruitzichten ziet u?

Wordt onderzocht of bepaalde praktijken uit Marseille, zoals het groeperen van drugshandelaars in zwaarbeveiligde gevangenissen, ook in België toepasbaar kunnen zijn? Dat is misschien ook een vraag voor uw collega-minister Verlinden.

Hoe reageert u op de oproep van procureur Bessone om de Belgische wetgeving aan te scherpen in het licht van de toenemende internationale dreiging?

Dat waren mijn specifieke vragen. Ik verontschuldig mij voor het overschrijden van mijn spreektijd.

Franky Demon:

Mijnheer de minister, in het Bonneviepark vinden op klaarlichte dag drugsdeals plaats. Mensen verstoppen zelfs drugs in speeltoestellen waarop kinderen veilig zouden moeten kunnen spelen. Ouders durven hun kinderen niet meer te laten spelen uit angst voor verdwaalde kogels of confrontaties met bendes. Een plek die een veilige groene speelruimte zou moeten zijn, wordt gedomineerd door angst en criminele baldadigheden.

Brussel is een stad waar honderdduizenden mensen wonen en waar pendelaars elke dag komen werken. Deze stad zou de Belgische vitrine naar de wereld moeten zijn. Wanneer geweld en drugsbendes echter het straatbeeld gaan bepalen, wordt Brussel een stad waar mensen niet meer durven te komen. Ik heb enorm veel respect voor onze politiemensen, die met een nijpend personeelskader hard moeten werken in Brussel en andere steden waar drugsgeweld de kop opsteekt.

We wensen in te zetten op militairen op straat. De vakbonden hebben in verband hiermee enkele terechte bezorgdheden geuit. Hoe gaat u daarmee om?

Het regeerakkoord stelde duidelijk dat er één wijkagent per 2.000 inwoners moet zijn. Welke inspanning zult u hiervoor treffen? In sommige gemeenten en steden kunnen zij als een soort vrederechter een eerste oplossing zijn.

Vooral nu in Brussel, maar ook in andere steden moet er een tandje worden bijgestoken. Wat zult u nog extra ondernemen om ervoor te zorgen dat Brussel de Belgische vitrine naar de wereld kan zijn?

Éric Thiébaut:

Monsieur le ministre, je voudrais revenir sur ce sujet ô combien important pour les communes qu'est le montant des dotations fédérales aux zones de police, avec un problème que j'ai déjà évoqué très souvent dans cette commission, à savoir le décalage entre la fixation du montant des dotations aux zones de police par le fédéral et l'adaptation à l'inflation, soit à l'indexation des salaires.

Aujourd'hui, on demande aux zones de police de prévoir dans leur budget le même montant de dotation fédérale que dans le budget de l'année précédente, sans tenir compte des potentielles indexations de salaire qui sont prévues par le Bureau du Plan. Or il faut savoir que le budget d'une zone de police, c'est pratiquement à 90 % des charges de personnel. Il est donc très sensible à l'indexation des salaires.

Alors, d'une part, on est obligé de prendre une dotation qui n'est pas indexée, mais, d'autre part, la tutelle fédérale sur l'établissement des budgets impose aux communes et aux zones de prévoir dans le budget les dépenses qui correspondent à l'augmentation du coût de la vie. Il y a donc là un réel décalage entre les prévisions de dépenses et les prévisions de recettes.

Dès lors, monsieur la ministre, comme je l'ai sollicité auprès de Mme Verlinden lors de la législature précédente, j'aimerais que vous permettiez aux zones de police de déjà prévoir l'indexation des dotations qui est prévue en fin d'année, de pouvoir le faire bien avant, par exemple, au mois de septembre ou d'octobre.

Par ailleurs, pourriez-vous nous dire où vous en êtes dans la réflexion sur la réforme de la norme KUL? Vous en parlerez certainement dans une heure ou deux au Conseil des bourgmestres, dont je fais partie. Comme je suis aussi député fédéral, je vous pose également la question ici.

Brent Meuleman:

Mijnheer de minister, ik zal u drie vragen stellen; voor alle duidelijkheid niet in volgorde van belangrijkheid, maar in de volgorde zoals ze geagendeerd staan.

Mijn eerste vraag gaat over een nieuw fenomeen uit de onderwereld dat aan de oppervlakte is gekomen in Wallonië. Nieuwe criminele bendes worden zichtbaar in de publieke ruimte, met name de Daltons en de Caspers, zo berichtte Het Laatste Nieuws op 25 september. Dat zijn groepen die betrokken zouden zijn bij geweld, intimidatie en schietpartijen. Bendeleiders en hun leden gedragen zich opvallend aanwezig in het straatbeeld, waardoor hun macht en invloed zichtbaar worden voor de bevolking.

De recente moordaanslag op de leider van de Daltons maakt duidelijk dat er sprake is van gewelddadige afrekeningen tussen rivaliserende groepen. Dat fenomeen wijst op een verplaatsing van de georganiseerde misdaad naar een openlijke strijd in de publieke ruimte. Helaas hebben we dat de laatste maanden al te vaak gezien in ons land. Dat heeft uiteraard een grote impact op de veiligheid en het onveiligheidsgevoel bij burgers.

Beschikt u over recente cijfers over dit fenomeen? Ik denk dan aan het aantal leden, het leeftijdsprofiel en de verspreiding in België. Hoe ernstig schat u de dreiging die uitgaat van deze bendes? Welke concrete acties onderneemt u of de federale politie om hun activiteit te monitoren en in te perken? Zijn er aanwijzingen dat deze groepen banden onderhouden met bredere criminele netwerken?

Wordt er op dit moment een gecoördineerde aanpak ontwikkeld, zoals dat ook gebeurt tegen motorbendes en drugsclans, specifiek gericht op deze opkomende bendes? Heel belangrijk, wordt er een samenwerking met burgemeesters en lokale besturen georganiseerd, gezien de zichtbaarheid van die bendes in de publieke ruimte?

Mijn tweede vraag gaat over Defensie op straat in het kader van het grotestedenplan, een thema dat hier al uitgebreid aan bod is gekomen. De publieke discussie en de berichtgeving in de media daarover hebben tot enige onduidelijkheid geleid, met geruchten over de uitbreiding van de bevoegdheden van militairen en de organisatie van gemengde patrouilles.

Kunt u duidelijkheid verschaffen over die geruchten omtrent de inzet van Defensie op straat, dus de plannen voor gemengde patrouilles en de vermeende uitbreiding van de bevoegdheden van militairen, mogelijk zelfs tot het gebruik van vuurwapens?

Bevestigt u dat het uitgangspunt van het inzetten van Defensie uitsluitend is – en dat staat ook zo in het regeerakkoord – om politiecapaciteit vrij te maken die gericht kan worden ingezet in de strijd tegen drugscriminaliteit en georganiseerde misdaad?

Wat is de stand van zaken van het juridisch en operationeel kader voor het inzetten van militairen? Zijn de contacten tussen het kabinet van de minister van Defensie en dat van u al afgerond? Kunt u verzekeren dat dat kader zich beperkt tot de overname van statische opdrachten en geen nieuwe bevoegdheden voor militairen omvat? Kunt u concreet aangeven wat de politie zelf vraagt om de strijd tegen de drugscriminaliteit op een effectievere manier te voeren?

Mijn derde vraag in dit actualiteitsdebat gaat over de KUL-norm. Onder burgemeesters wordt daar wel eens naar verwezen als de “flauwekulnorm”, wat meteen ook het probleem aantoont. Het regeerakkoord voorziet in de invoering van een nieuw en eenvoudig financieringsmodel voor de lokale politiezones ter vervanging van de huidige KUL-norm. Het doel is om elke zone – met inachtneming van de eigen specificiteit – voldoende flexibele en transparante middelen toe te kennen om de basispolitiezorg, die zo belangrijk is, te garanderen.

Dat is een noodzaak gezien de toenemende uitdagingen waarmee onze politiediensten geconfronteerd worden. Ik mag hier ook tegen de collega’s zeggen dat ze woord hebben gehouden. U hebt mij een aantal maanden geleden beloofd om naar Zelzate te komen. De minister heeft dat gedaan en u hebt daar een en ander op het terrein kunnen zien en ervaren. U hebt van mijn korpschef gehoord waar de uitdagingen liggen. Financiering – het zal u niet verbazen, het heeft u toen ook niet verbaasd – komt daarbij prominent aan bod.

De lokale politiezones dragen een zware verantwoordelijkheid terwijl de financiële druk op die lokale besturen, die reeds een aanzienlijk deel van de politiebudgetfinanciering dragen, enorm toeneemt. Ik had graag van u een aantal zaken concreet vernomen.

Ten eerste, welke initiatieven hebt u tot heden genomen om het nieuwe, vereenvoudigde en transparante financieringsmodel voor de lokale politiezones op basis van kwalitatieve en wetenschappelijk onderbouwde parameters in te voeren?

Ten tweede, wat is de timing voor de implementatie van dat nieuwe model en zal hierbij gegarandeerd worden – en dat is toch niet onbelangrijk, mijnheer de minister – dat de financiering de zones in staat zal stellen om effectief een kwaliteitsvolle basispolitiezorg te leveren, los van de financiële draagkracht van de individuele lokale besturen?

Ik dank u alvast voor uw antwoorden.

Anthony Dufrane:

Monsieur le ministre, comme l'ont évoqué la presse et les collègues, le procureur du Roi de Bruxelles, M. Julien Moinil, a dû être placé sous protection rapprochée. Cette situation nous interpelle.

J'en viens donc directement à mes questions, monsieur le ministre. Combien de magistrats ou hauts responsables judiciaires bénéficient-ils actuellement en Belgique d'une protection rapprochée organisée par le service de la protection (DAP) de la police fédérale?

Ensuite, quels sont les critères précis retenus pour activer une telle mesure? Quels sont les moyens humains et logistiques actuellement mobilisés dans ce type de protection rapprochée?

L'usage de technologies intrusives – valises blindées, drones, brouilleurs, etc. – fait-il l'objet d'un encadrement spécifique?

Enfin, quelles mesures sont-elles envisagées ou ont-elles été prises pour renforcer la prévention et la détection précoce des menaces contre les acteurs de la justice, en particulier dans les dossiers liés au trafic de stupéfiants? Merci à vous.

Jeroen Bergers:

Mijnheer de minister, ik snap dat het misschien een beetje vreemd is dat mijn vragen in dit debat aan bod komen, maar ik begrijp dat er heel veel op de agenda staat.

Mijn eerste vraag gaat over whole of government -aanpak, die in verschillende belangrijke dossiers, zoals de Nationale Veiligheidsstrategie en het nationaal weerbaarheidsplan, door het regeerakkoord naar voren geschoven wordt. Die aanpak is erop gericht efficiëntie en gedragen samenwerking tussen de verschillende beleidsniveaus te realiseren. Dit is noodzakelijk om ervoor te zorgen dat in crisissituaties beslissingen doeltreffend genomen kunnen worden en dat elke speler in dit land weet wat er van hem verwacht wordt. Een gedragen samenwerking versterkt het beleid en maakt een constructieve whole of government -aanpak noodzakelijk.

Vanuit zowel de Vlaamse als de Waalse overheid vang ik signalen op dat de uitvoering in de praktijk soms stroef verloopt, bijvoorbeeld bij het nationaal weerbaarheidsplan. Het is echter juist belangrijk dat deze plannen breed gedragen worden om efficiënt te zijn. Dat betwist niemand, denk ik. Het is daarom noodzakelijk om te zorgen voor een structurele en volwaardige participatie van de deelstaten in elke fase van deze trajecten, zowel politiek als administratief. Dit kan bijvoorbeeld worden gegarandeerd door de opmaak vanuit het Overlegcomité te coördineren, maar dat is slechts een suggestie.

Voor een optimale whole of government -aanpak is het bovendien cruciaal dat er vanaf het begin van elk proces sterke informatiedeling plaatsvindt, bijvoorbeeld via een centraal platform. Zo kan elke actor met kennis van zaken aan de tafel zitten en is de input niet beperkt tot ad-hocgedachten.

De huidige overlegstructuur loopt naar mijn aanvoelen minstens stroef en kan worden bijgestuurd door een paritaire samenstelling. Vergaderingen waarbij slechts één vertegenwoordiger per deelstaat aanwezig is, maar waarbij talrijke vertegenwoordigers van de federale overheid aan tafel zitten, leiden zowel politiek als administratief tot onevenwichtige beslissingen. Daarbij is het belangrijk dat voor elke entiteit een duidelijke coördinator wordt afgesproken en gerespecteerd.

Ik heb hierover enkele vragen. Hoe definieert u een whole of government -aanpak om de aanpak en de opmaak van deze cruciale plannen zo sterk mogelijk te maken en de beveiliging van onze burgers te garanderen? Hoe definieert u een whole-of-government -aanpak? Hoe loopt de opmaak van het nationaal weerbaarheidsplan en de Nationale Veiligheidsstrategie? Engageert u zich om de deelstaten hier op een correcte manier bij te betrekken, volgens de principes die ik net heb uiteengezet?

Mijn volgende vraag gaat over het Kanaalplan. In de zomer hebben we immers jammer genoeg wederom gezien waarom dit zo broodnodig is in Brussel. Het is echter niet beperkt tot Brussel. Ook in de Vlaamse Rand, in mijn eigen stad Vilvoorde, waren er bijvoorbeeld rellen in het station na de arrestatie van een drugsbaas. Het gaat ook breder dan dat.

Het lijkt erop dat u met het plan grote steden een nieuwe naam voor dit Kanaalplan hebt gekozen. Schuift u inderdaad een nieuwe naam naar voren? Kunt u een stand van zaken geven rond de invoering van dit nieuwe plan? Welk werkingsgebied ziet u voor dit plan? Zijn er naast de reeds aangekondigde maatregelen in het plan grote steden, zoals militairen op straat en het budget voor extra camera's, nog andere maatregelen die u vooruit wilt schuiven?

Ik wil trouwens ook mijn appreciatie uitspreken voor de ronde die u hebt gedaan, ook in de Vlaamse Rand, om met de mensen op het veld te spreken.

Catherine Delcourt:

Monsieur le ministre, vous avez récemment présenté un plan "Grandes Villes" – j'imagine que c'est le nouveau nom pour le plan Canal – qui vise à renforcer la sécurité dans les zones urbaines, qui sont confrontées à des défis multiples. Si le plan "Grandes Villes" est bien le plan Canal, je m'en réjouis parce qu'évidemment ça veut dire qu'on cesse de se focaliser uniquement sur la ville de Bruxelles et que vous allez vous attaquer à travers ce plan à la criminalité dans les grandes villes du pays, ce qui est très important.

Selon vos déclarations publiques, ce plan prévoit, on l'a dit à plusieurs reprises, le déploiement de militaires dans l'espace public, mais aussi la modernisation et la généralisation de caméras de surveillance, ainsi que l'organisation d'opérations policières de grande ampleur, dites opérations coup de poing. Vous avez participé à l'une d'entre elles très récemment. Vous avez également souligné que la priorité était de lutter contre le crime organisé, le trafic de stupéfiants et la criminalité violente qui en découle.

La refonte du plan Canal répond à une attente de fermeté, elle traduit une volonté de restaurer l'autorité de l' É tat dans les quartiers où l'insécurité s'est aggravée. Néanmoins, la lutte contre le crime organisé ne saurait se limiter à une approche strictement policière voire militaire, elle touche à des domaines transversaux comme la justice, les finances, les douanes, la politique sociale et la santé publique. De plus, la mise en œuvre concrète de ce plan repose sur une coordination étroite entre polices locale et fédérale, ainsi que sur une articulation claire des rôles entre le ministère de l'Intérieur et d'autres départements ministériels.

Dans ce contexte, je voudrais vous poser trois questions: vous indiquez que la priorité est la lutte contre le crime organisé et le trafic de drogue, le crime organisé sera-t-il explicitement intégré dans un axe central du plan? Le plan "Grandes Villes" intégrera-t-il une cartographie claire des compétences qui relèvent d'autres ministères qui ont un rôle à jouer dans la lutte contre le trafic de drogue et le crime organisé? Quels budgets sont spécifiquement alloués à ce plan par poste, surveillance, présence militaire, renfort policier, etc.?

Bernard Quintin:

Monsieur le président et mesdames et messieurs les députés, d'abord, je ferai une petite note liminaire. Je suis en effet le premier désolé que l'on doive grouper les choses. Je pense avoir déjà prouvé que j'étais le plus disponible possible pour la Chambre et pour cette commission, mais il est vrai que l'agenda de rentrée était difficile et un peu mouvementé.

Ook al is het wat hectisch, ik ben hier en nu te uwer beschikking.

Je vous remercie pour les nombreuses questions qui témoignent, pour autant que de besoin, de l'intérêt que nous partageons pour le fait de garantir et même de renforcer l'ordre et la sécurité dans notre pays. La majorité d'entre elles partent d'un constat: la recrudescence des fusillades dans les villes, particulièrement dans notre capitale mais seulement, la montée en puissance de la criminalité organisée et du narcotrafic, et un sentiment d'insécurité croissant au sein de la population, qu'il nous faut combattre.

Sinds mijn aantreden, acht maanden geleden, zet ik mij, niet behept met naïviteit of fatalisme samen met de hele regering in om met respect voor het regeerakkoord structurele, samenhangende en gecoördineerde oplossingen te bieden voor de uitdagingen waarmee ons land wordt geconfronteerd.

Cette réponse coordonnée qui constitue une boussole de mon action politique privilégie des mesures qui se renforcent mutuellement. Cela implique également d'avoir conscience des responsabilités partagées dans la chaîne sécuritaire, de l'Intérieur en passant par la Justice, les Douanes, la Défense, l'Asile et la Migration, la Santé au niveau fédéral sans oublier le rôle des autres niveaux de pouvoir. Je pense ici notamment aux communes, avec les bourgmestres, mais aussi aux Régions et Communautés dans le cadre de leurs politiques propres telles que la prévention, la santé et plus globalement l'approche administrative. Tout le monde doit unir ses forces et assumer ses responsabilités

Ik neem mijn verantwoordelijkheid. Waar ik kan handelen, doe ik dat.

Dès les premières semaines de mon entrée en fonction, j'ai obtenu le déploiement de 31 unités supplémentaires pour la police judiciaire fédérale à Bruxelles. En novembre, 40 agents viendront encore s'y ajouter, soit plus de 70 agents en 7 mois. J'ai demandé au commissaire général d'accélérer au maximum les recrutements, mais il s'agit d'un chantier à long terme que je conduis déjà.

Kort na de start van mijn ambtstermijn heb ik de eerste minister gevraagd om een taskforce op te richten waarin Justitie, Binnenlandse Zaken en andere departementen zoals Financiën en Volksgezondheid elkaar ontmoeten. Er zijn al twee ministeriële vergaderingen gehouden. Een coördinatietabel bepaalt de stappen.

Het is opnieuw een langdurige klus. Op het gebied van georganiseerde misdaad worden resultaten immers in jaren gemeten, niet in maanden.

Ik ben er mij van bewust dat er grote inspanningen moeten worden geleverd. Ik heb de wil, in alle nederigheid, om de structuur van de binnenlandse veiligheid grondig te herzien, zowel op lokaal als op federaal niveau. De geïntegreerde politie op twee niveaus, waaraan ik veel waarde hecht, omdat het een zeer efficiënt model is, en de duizenden politiemensen, die elke dag voor onze veiligheid zorgen, verdienen efficiëntere structuren om hun opdrachten goed te kunnen uitvoeren.

Om dat te verwezenlijken, heb ik gelijktijdig zowel het strategisch plan voor de federale politie als het ontwerp betreffende de fusie van lokale politici in eerste lezing voor de zomer laten goedkeuren. Ik heb besloten om over dat initiatief brede consultatierondes te organiseren, veel verregaander dan wat gewoonlijk wordt vereist in het administratief en juridisch proces.

S'agissant donc de la fusion, j'attends près de 20 avis d'ici le milieu de ce mois d'octobre. D'ores et déjà, je puis vous indiquer – et cela ne vous étonnera pas – que certains se montrent bien plus positifs que celui rendu par Brulocalis. J'insiste sur le fait que son avis est identique à celui de la Conférence des bourgmestres. Bien évidemment, on peut se livrer à un petit jeu d'optique mathématique en cumulant les deux. Simplement, celui de Brulocalis a été avalisé par la Conférence des bourgmestres. Néanmoins, il reconnaît que certaines préoccupations ont déjà été prises en considération. Ces différents avis sont en cours d'analyse ligne par ligne. J'ai demandé à mon cabinet d'y réserver une attention particulière et d'intégrer les remarques pertinentes. Cela interviendra dans les semaines à venir.

Pour répondre à vos questions, madame Maouane, messieurs De Smet, Dubois, Chahid et Vandemaele, oui, des amendements seront évidemment apportés – et ils ne seront pas cosmétiques. Oui, j'ai entendu les craintes, parfois légitimes, des bourgmestres bruxellois auxquelles je souhaite, lorsque c'est possible, apporter une réponse. Cette réforme ne sera jamais punitive à l'égard de Bruxelles. Elle est conçue au bénéfice des Bruxelloises et des Bruxellois – dont je fais partie, tout comme certains d'entre vous, au demeurant –, de leur sécurité, ainsi que des centaines de milliers de travailleurs et de voyageurs qui font vivre notre capitale.

Tijdens mijn carrière heb ik altijd de tijd genomen om te consulteren. Dat is essentieel. De rol van een beslisser houdt evenwel in dat die na consultatie effectief moet beslissen zonder aarzeling of zenuwachtigheid. De koers die ik en de regering volgen, is duidelijk: de fusie van de Brusselse politiezones zal plaatsvinden.

La fusion des polices à Bruxelles aura lieu. Je constate qu'il y a quelques ouvertures, j'ai entendu Mme Maouane, j'ai écouté très attentivement le bourgmestre de Saint-Gilles, M. Spinette, ce matin sur BX1, qui finalement, à part le mot fusion, a parlé exactement de mon projet de fusion. Coordination, mise en commun des services centraux, mutualisation des forces d'intervention, what's in a name…

Franchement, je vous le dis, s'il faut utiliser un autre terme que le mot "fusion" pour que cela mette tout le monde à l'aise, j'ouvre le concours aux meilleurs mots pour faire ce qui finalement est un projet politique majeur pour l'architecture de sécurité de notre pays. Dès lors, cette fusion aura lieu, non pas comme certains voudraient le faire croire, parce que ce serait une volonté flamande, mais bel et bien car c'est une nécessité, et la réalité de terrain le prouve. Je crois qu'il faut avoir vécu ailleurs que sur notre planète pour ne pas avoir vu la situation cet été.

Je crois qu'il ne faut pas aller à la rencontre des habitants, ce que j'ai fait au mois d'août, ce que je fais régulièrement, pour ne pas penser qu'il y a quelque chose à faire pour la sécurité. Et je n'ai évidemment jamais dit, je n'ai jamais écrit, que la fusion des zones de police était "la" solution. Je n'ai jamais dit, je n'ai jamais écrit, que les militaires en rue étaient "la" solution. Il n'y a pas une seule solution.

Dé oplossing bestaat niet; ik heb ze in ieder geval niet gevonden. Als iemand de oplossing heeft, mag die mij komen opzoeken, zelfs in alle discretie.

Si l'un d'entre vous a "la" solution, venez me voir, même discrètement, et si vous ne voulez pas l'assumer, je le ferai moi-même, mais franchement, travaillons ensemble, je pense que la question demande ce sérieux-là.

Je vous confirme également ma volonté de supprimer les conseils de police, qui dépossèdent trop souvent les conseillers communaux de leurs droits constitutionnels de contrôle démocratique. Là aussi, je sais à qui je m'adresse: les conseillers communaux, les bourgmestres, la démocratie locale, c'est le conseil communal. Or les conseillers communaux sont des élus directs, les conseillers des conseils de police sont des élus indirects et, dans la plupart de nos communes, vous avez des majorités, souvent à 80 % de l'assemblée du conseil communal.

Toutefois, dans les grandes zones, eh bien ces conseillers communaux peuvent envoyer deux conseillers de police, un de la majorité, un de l'opposition, ce qui veut dire que ces communes sont représentées dans les conseils de police à parts égales entre la majorité et l'opposition. Cela me semble être, en mathématiques électorales, un dévoiement de la démocratie. En outre, les très nombreux chefs de corps et bourgmestres que j'ai rencontrés m'ont fait part du manque d'utilité de cet organe, ce qui me conforte dans ma décision.

À côté de la réforme de la norme de financement sur laquelle je reviendrai, je vous confirme que des moyens sont consacrés spécifiquement aux fusions des zones de police, avec un plafond de 40 millions d'euros par an jusqu'en 2029. C'est en tout cas ce qu'il y a dans l'avant-projet de loi, parce que j'aurais peut-être dû préciser qu'il s'agit d'un avant-projet de loi. Des avis sont donnés, il y aura encore des discussions et la loi police intégrée devra être adaptée. Dès lors, ce que je dis aujourd'hui, c'est qu'il ne faut pas m'en tenir comptable plus que ce que je peux dire aujourd'hui par rapport aux décisions qui seront prises à l'issue des différentes discussions, en ce compris ce beau mot que j'utilise de moins en moins, de "consubstantialité".

Ces incitants, par définition limités dans le temps, visent à accélérer le nombre de fusions sur le territoire. Ils sont basés sur un montant par membre du personnel du cadre réel des zones à fusionner, auquel s'ajoutent plusieurs multiplicateurs pertinents retenus par le gouvernement. Nous en débattrons lors de l'examen du projet de loi.

Het bedrag voor de hoofdstad dat door de heer Van Tigchelt werd genoemd – de 55 miljoen euro die voor Brussel werd verkregen en die, tot ongenoegen van sommigen, werd goedgekeurd door alle partners van de regering – houdt geen herziening in van de financieringsnorm, in tegenstelling tot wat sommigen hebben laten doorschemeren op een min of meer subtiele manier, maar altijd met het doel om te desinformeren en te manipuleren. Dat zijn straffe woorden, ik weet het.

Mais à un moment, il faut dire les choses comme elles sont. J'ai toujours parlé d'un incitant fusion qui doit justement permettre de répondre aux défis qu'est la fusion.

Ce n'est pas moi, comme ministre de l'Intérieur, qui va vous dire que la fusion des zones de police est chose facile. Et certainement pas à Bruxelles, où nous devons passer de six à une zone qui comptera plus de 7 000 équivalents temps plein. C'est pour cette raison qu'il y a 55 millions d'appui à la fusion.

Donc celles et ceux qui continuent à dire que ce n'est pas un refinancement suffisant pour Bruxelles et les autres Régions, je m'excuse mais on peut dire et faire beaucoup de choses, mais moi j'ai appris dans ma vie que mentir, ça n'était jamais bien. Par conséquent, si je n'avais pas modifié les incitants existants dans le cadre des fusions, les six zones de police bruxelloises auraient obtenu moins d'un million d'euros. Elles auront donc au moins 55 fois plus.

Si après cela on ose encore me dire que Bruxelles est délaissée, j'aurais du mal à l'entendre mais j'ai déjà entendu bien d'autres choses.

Dames en heren parlementsleden, politiek actief zijn, is één ding, maar een betoog dat geen enkele realiteit weerspiegelt, is iets heel anders.

Ik heb de vragen van de heren Thiébaut, Depoortere, Meuleman en de heer Chahid gehoord over de herziening van de zogenaamde flauwekulnorm. Dat zijn mijn woorden niet, maar het is toch grappig. Ter zake heeft de multidisciplinaire commissie begin juli haar voorbereidende werkgroep afgesloten, waarbij een aantal parameters werd gehanteerd die gebaseerd zijn op de werkelijke werklast van de politiezone. Ik herinner eraan dat de vergadering, voorgezeten door een van mijn collega’s van het kabinet, vijftig keer is samengekomen. Dat is toch aanzienlijk meer dan de drie vergaderingen die de commissie in voorgaande jaren hield.

De relevante en toegankelijke criteria die werden geselecteerd, worden voorgelegd aan de VCLP. Voor raadpleging worden ze ook gepresenteerd aan de recent geïnstalleerde Raad van Burgemeesters, die een advies zal uitbrengen.

Par ailleurs, je peux vous annoncer que l'Université libre de Bruxelles a remporté en consortium le marché visant à concrétiser la méthode retenue et surtout à modéliser l'impact financier pour chaque zone de police du pays.

À cet égard, l'accord de gouvernement est clair. Il s'agit d'un financement supplémentaire, puisque nous travaillerons en enveloppe ouverte. Les premières conclusions de cette démarche académique que j'ai initiée sont attendues pour le premier trimestre 2026.

Il ne s'agit pas d'une énième étude, mais bien de la volonté d'aboutir à une nouvelle norme de financement que je mettrai sur la table du gouvernement l'année prochaine. Concernant spécifiquement ce shade , je ne peux pas encore vous indiquer à ce stade l'ampleur du refinancement, puisque le travail est en cours à l'ULB. J'ai néanmoins bien conscience qu'on ne modifie pas une structure, quelle qu'elle soit, sans aborder son financement ni la manière de la pourvoir.

Notre police a besoin d'hommes et de femmes qui viennent renforcer ses effectifs. Ce n'est pas nouveau, mais je me retrousse les manches. Sur ce point, je tiendrai donc un conclave à la fin du mois de novembre, avec différents acteurs, afin de définir les mesures concrètes pour améliorer au mieux l'attractivité de la fonction et faciliter les procédures de recrutement.

Vous noterez la petite différence sémantique entre table ronde et conclave. Il ne s'agit pas de se réunir pour disserter sur le pourquoi du manque. Les constats et les chiffres sont connus. Il s'agit vraiment de sortir d'un conclave qui durera le nombre de jours nécessaire à dégager des pistes concrètes à mettre en œuvre.

Beste Kamerleden, een aantal van u heeft vragen gesteld over de inzet van defensie ter ondersteuning van de politie. Ik wens op dat vlak heel duidelijk te zijn. Ik ben voorstander van de inzet van militairen voor specifieke binnenlandse opdrachten, maar evenwel zonder hun dezelfde bevoegdheden en opdrachten als de politie te geven. Dat is niet noodzakelijk en ook niet wenselijk.

De huidige veiligheidssituatie in onze hoofdstad moet ons allen zorgen baren. Het is voor mij duidelijk dat vanuit de overheid moet worden aangetoond dat we alle beschikbare middelen inzetten om de veiligheid van de inwoners te garanderen. Het gaat hier ook niet om het falen van de politie. Onze politiemensen doen hun werk goed, maar we moeten schakelen en bekijken hoe we de dispositieven kunnen versterken.

U zult het ongetwijfeld met mij eens zijn dat politieopdrachten door politiemensen moeten blijven worden uitgevoerd. De inzet van defensie in deze specifieke aangelegenheid is met andere woorden subsidiair, aanvullend en dus niet ter vervanging van politiecapaciteit. Deze visie van gezamenlijke ontplooiing van macht ben ik genegen.

Nous avons un accord politique entre nous, c'est-à-dire le premier ministre, la Défense et l'Intérieur. Comme vous, j'ai pris connaissance des derniers sondages en la matière et j'ai constaté que 64 % des Belges sondés sur cette thématique étaient favorables au déploiement des policiers en rue. Comme je l'ai déjà annoncé, ma ferme intention est de voir cette mesure concrétisée avant la fin de l'année.

Er zijn intussen ook reeds bilaterale overlegmomenten geweest om het juridische kader uit te klaren, om inzetscenario's te bespreken enzovoort. Dat zou mogelijk zijn op basis van het protocol van 2003, dat nog geldig is. Concreet willen we komen tot een nieuw protocol tussen de politie en defensie, in afwachting van de nieuwe codex voor defensie.

Comme je l'ai indiqué en préambule, cette mesure, comme les autres, n'est pas isolée. Elle s'inscrit dans le plan "Grandes Villes", pour lequel j'ai consulté différents acteurs.

Ce plan "Grandes Villes" produira ses effets en premier lieu dans la capitale et est déjà en cours. Ce plan "Grandes Villes", qui succède partiellement au Plan canal, vise à renforcer la lutte contre la criminalité organisée et la violence liée à la drogue dans nos principales villes: Bruxelles, Antwerpen, Liège, Charleroi, Mons, Gent et Namur. Il repose sur l'approche intégrée All of Government , associant police, Justice, Douanes, Régions, Communautés et communes, avec une coordination renforcée des gouverneurs là où cela est pertinent.

Concrètement, il combine une meilleure cartographie criminelle et un renseignement accru, des opérations récurrentes de grande ampleur – comme les opérations FIPA, telle celle qui s'est déroulée ce lundi – et ciblées – les VIP, Very Irritating Police –, une approche administrative renforcée et le déploiement d'outils technologiques innovants, tels que Police Search, Monfin, ANPR et BSC. La méthode Clear, Hold, Build guide l'action: occuper le terrain, stabiliser les quartiers et reconstruire le tissu social.

Un budget, actuellement estimé à 65,37 millions d'euros, est mobilisé jusqu'à la fin de la législature, notamment pour les caméras – 20 millions d'euros – du matériel spécialisé, des licences judiciaires, afin d'accroître la visibilité policière, rassurer la population et neutraliser durablement les réseaux criminels.

C'est le bon moment pour évoquer les réponses à vos questions sur le Fonds drogues. Le projet de loi Fonds drogues s'inscrit dans l'amélioration de toute la chaîne Follow the Value , qui comprend quatre étapes principales, à savoir la détection, la confiscation, la gestion et la redistribution des valeurs confisquées. Ce dispositif représente une opportunité majeure pour doter nos services de moyens concrets et durables dans la lutte contre la criminalité organisée. Mais son apport dépasse la seule dimension budgétaire. Il introduit un principe essentiel, celui du retour fondé sur les résultats. Plus l'action est efficace, plus les moyens récupérés sont importants et plus il est possible de réinvestir dans la lutte.

Si le Conseil des ministres ne s'est pas encore prononcé sur un avant-projet de loi, c'est parce qu'un tel dispositif implique des choix structurants qui relèvent de plusieurs départements, au premier rang desquels l'Intérieur et la Justice. Avant de soumettre un texte, il est indispensable de parvenir à un accord sur les modalités de gouvernance, de gestion et de redistribution des avoirs criminels, afin de garantir un cadre juridique et opérationnel robuste.

Je tiens à rassurer, mes services travaillent activement à la création de ce fonds. Le Commissariat national drogue a d'ores et déjà été chargé d'affiner différents scénarios.

Vous me demandez pourquoi les initiatives de la législature passée n'ont pas abouti. Eh bien, c’est notamment en raison des remarques du Conseil d’État qui, très justement, s’interrogeait sur le lien à clarifier entre la raison d’être du Fonds – à savoir la lutte contre la criminalité organisée – et le processus de répartition des moyens, lequel, s’il y a Fonds, doit spécifiquement s’attaquer à cette lutte. C’est pourquoi j’ai demandé au Commissariat national drogue de me proposer une solution qui tienne compte de cet avis et qui permette de justifier pleinement la raison d’être du Fonds, à savoir l’exécution d’une politique dont les actions sont formellement identifiées et suivies.

De même, il est essentiel d’éviter qu’un lien direct soit créé entre percepteurs et bénéficiaires, au risque d’influencer le choix des dossiers en fonction de leur potentiel rendement financier.

Enfin, quant à la position des Finances, il est normal que l’administration s’interroge sur la nécessité de prévoir une exception au principe d’universalité du budget. C’est bien pour cette raison que nous travaillons à l’élaboration d’un texte qui n’implique pas une simple injection supplémentaire dans le budget régulier des bénéficiaires, ce qui annulerait la raison d’être d’un fonds. Il est donc primordial que ce mécanisme profite directement aux services de première ligne qui, grâce à des méthodes innovantes, favoriseront un fonctionnement plus coordonné et donc plus efficace de la lutte contre le crime organisé lié à la drogue.

Nous pourrions d’ailleurs parler d’un fonds d’impulsion pour la lutte contre le crime organisé, tant il est nécessaire d’appuyer de nouvelles méthodes pour s’attaquer autrement à cette menace grandissante. La crédibilité et la force de l’État de droit, c’est aussi sa capacité à protéger ses autorités, notamment judiciaires.

Je souhaite ici répondre aux questions de MM. Anthony Dufrane et Brent Meuleman concernant les personnes qui bénéficient actuellement en Belgique d’une protection rapprochée organisée par le service Direction de la protection (DAP), ainsi que sur les questions relatives aux services de renseignement.

S’agissant des critères de protection, le Centre de crise national (NCCN) est informé lorsqu’une nouvelle menace vise une personne et demande, à cet effet, des analyses de menace aux services compétents. La police fédérale, via la Direction des opérations de police judiciaire (DJO), est chargée de l’analyse des menaces provenant du milieu criminel, tandis que l'OCAM se charge de celles provenant du milieu extrémiste ou terroriste. Outre ces évaluations, le NCCN tient compte du risque et des éléments propres à la situation pour déterminer les mesures de protection.

L’analyse repose sur plusieurs critères: la nature et le niveau de la menace en cours, le type de menace pesant sur la victime elle-même, sa famille et ses proches, les caractéristiques de l’auteur présumé de la menace, les informations disponibles en ligne sur la personne menacée, ainsi que les caractéristiques propres à la victime. Le budget de fonctionnement de l’unité DAP s’élève à 3,565 millions d’euros par an.

À côté des mesures visant à protéger l’intérieur de notre territoire, nous devons également lutter contre les menaces extérieures qui contribuent fortement au développement de la criminalité organisée. Vous comprendrez, bien entendu, au vu du caractère sensible de ces informations, que je ne souhaite pas communiquer davantage publiquement sur le contenu concret des mesures mises en place.

En recoupant ces chiffres avec des informations médiatiques, des criminels pourraient déduire qui bénéficie ou non d’une protection, ou même qu’ils font eux-mêmes l’objet d’une surveillance.

Mijnheer Meuleman, het antwoord op uw vraag over Turkse bendes geldt voor alle criminele netwerken. De analyse van de dreiging die uitgaat van criminele dadergroepen en bendes is het onderwerp van regelmatig overleg op het niveau van de gerechtelijke arrondissementen, met het oog op het nemen van passende maatregelen.

In het algemeen stellen onze diensten vast dat gestructureerde organisaties nu een grotere bedreiging vormen voor de integriteit van de samenleving dan in het verleden. Naast de impact op het gevoel van veiligheid door gewelddadige acties en het aanvallen van mensen in nood, maken de infiltratie van de economie, het misbruik van commerciële structuren en herhaalde pogingen tot corruptie, deze groep tot een grotere bedreiging van onze medeburgers.

Zoals hierboven vermeld, is het aan de lokale autoriteiten om op basis van politiebeelden een nuttige benadering te identificeren. Die kan uiteraard van gerechtelijke aard zijn. Op internationaal niveau kan de steun van Europol worden overwogen. Het kan ook de implementatie van een gerichte informatiepositie inhouden.

Dezelfde lokale autoriteiten kunnen administratieve politiemaatregelen nemen om de schadelijke effecten van die groepen en met name de infiltratie van de lokale economie tegen te gaan.

Daarnaast heeft de regering besloten om een plan voor grote steden uit te voeren, om de impact van de georganiseerde criminaliteit op het gevoel van veiligheid sterk aan te pakken.

Mevrouw De Vreese, mijnheer Depoortere, jullie hebben vragen ingediend over het geweld aan de kust, in het bijzonder in Oostende. De FGP West-Vlaanderen en de politiezone Oostende laten me weten dat uit de voorlopige cijfers van 2025, afkomstig van de Algemene Nationale Gegevensbank, blijkt dat de problematiek in Oostende wel een evolutie kent op het vlak van aanvoerroutes en het gebruik van geweld. Die evolutie houdt verband met druggerelateerde criminaliteit, maar blijft daartoe niet beperkt.

Er zijn gerichte maatregelen genomen om het hoofd te bieden aan het groeiende onveiligheidsgevoel in de stad Oostende, waarvan het tragisch dieptepunt ongetwijfeld het overlijden van een 43-jarige vrouw op 6 september jongsleden was. Voor het lopende onderzoek verwijs ik uiteraard naar mijn collega van Justitie.

Voor de concrete acties die in Oostende werden ondernomen en de statistieken inzake criminaliteit, zal ik uw schriftelijke vragen zoals steeds met de grootste zorg en snelheid beantwoorden.

Mijnheer Vandemaele, de link tussen illegale migratie, opvangcapaciteit en bendes verdient een nadere toelichting. Tegen de netwerken van drugshandel worden maatregelen genomen en die zullen worden versterkt. Tegelijkertijd wordt een strenge migratiepolitiek gevoerd. Er zijn twee afzonderlijke beleidslijnen en we handelen op beide fronten.

Het gaat enerzijds om multidisciplinaire acties, binnenkomstcontroles sinds juni, gerichte opdrachten van de wegpolitie samen met de lokale politiediensten in de hotspot, met name in Brussel. Anderzijds is er een nieuwe coördinatie tussen justitie, de Dienst Vreemdelingenzaken en de politie om de overbevolking in de gevangenissen aan te pakken, met versterkingen van de DAB en de LPA voor overplaatsingen en uitzettingen van illegaal verblijvende gedetineerden.

Mijnheer Depoortere, de politie is een betrouwbare partner in de strijd tegen illegale migratie. De overbevolking in de gevangenissen weegt zwaar, maar de DAB en de LPA zijn actief betrokken bij het verwijderen van personen met een illegaal verblijf. De LPA zal worden versterkt.

We voorzien tevens in een versterking van Frontex. Sinds september zijn er acht extra begeleiders bij de LPA BruNat voor gedwongen uitzettingen bijgekomen.

Voor de cijfers van 2025 over gedetineerde criminelen met een onregelmatig verblijf en effectieve uitzettingen verwijs ik u naar de minister van Asiel en Migratie.

Permettez-moi de terminer par un petit chapitre international en évoquant en effet avec vous, et pour répondre à vos questions, la venue du procureur de la République de Marseille et le rôle des officiers de liaison dans la lutte contre le trafic de drogue.

Mevrouw De Vreese, mijnheer Depoortere, voor uw vragen over de samenwerking tussen Brussel en Marseille verwijs ik u naar de minister van Justitie. Ik juich de synergie tussen hun respectieve parketten uiteraard ten zeerste toe.

Je n'ai pas été sollicité par le procureur de la République pour une rencontre.

Wat de inspanningen tot overleg op het vlak van politie betreft, is in het verleden aangetoond dat de banden tussen Brussel en Marseille inzake drugshandel bekend en aanzienlijk zijn. Ik heb dat reeds besproken met mijn Franse collega Bruno Retailleau en zal dat blijven doen. Het zal u niet verbazen dat de diplomaat die ik altijd ben geweest, sterk gelooft in internationale samenwerking en in het wederzijds belang waarvoor buurlanden moeten instaan.

Wat de oproep betreft van procureur Bessone – overgenomen door mevrouw De Vreese – om de Belgische wetgeving te versterken, meen ik, in het licht van mijn eerdere tussenkomsten, te mogen stellen dat ik die oproep sinds het begin van mijn mandaat heb opgenomen en dat het mijn uitdrukkelijke bedoeling is de inspanningen in die richting voort te zetten.

Monsieur Dubois, vous m'avez interrogé sur les officiers de liaison et leur rôle. Je suis évidemment tout à fait disposé à vous communiquer des statistiques par écrit et en marge de ce débat. Je peux cependant déjà mentionner que la police belge est représentée auprès d'Europol, d'Interpol, du Maritime Analysis and Operations Centre à Lisbonne, et du National Targeting Center des douanes américaines en Virginie.

En concertation avec la Justice et les Affaires étrangères, nous tâchons de les placer là où l'on observe des départs de transport de drogue vers l'Europe. C'est pourquoi nous finalisons une décision pour ouvrir un poste à Panama.

Ces officiers de liaison bilatéraux de la police belge, qui sont nommés pour une période de six ans, ont trois missions principales: faciliter l'échange d'informations policières avec leur pays de travail dans tous les domaines pour lesquels la police belge est compétente; faciliter la coopération judiciaire avec leur pays de travail, notamment dans le cadre de l'exécution de demandes d'entraide judiciaire ou d'extradition et faire office de conseillers pour les postes diplomatiques belges dans leur pays de travail.

Les officiers de liaison de la police belge à l'étranger sont en contact étroit avec leurs homologues d'autres pays actifs sur place, avec lesquels ils échangent des expériences et, lorsque la situation le permet, des informations opérationnelles.

Mesdames et messieurs les députés, mon cap pour mieux sécuriser notre pays est clair: une action coordonnée, ferme et mesurée pour protéger nos citoyens, démanteler les réseaux criminels et restaurer durablement la tranquillité publique. Comme vous le constatez, nous agissons sur tous les fronts.

Le déploiement du plan "Grandes Villes" est déjà en cours. Soit dit en passant, rien n'empêche ici de faire appel à l'imagination.

Ik verwelkom alle suggesties voor een nieuwe naam voor het plan "Grandes Villes", of beter nog, een naam voor elke stad afzonderlijk.

Le déploiement du plan "Grandes Villes", déjà en cours; des renforts policiers ciblés; des protocoles actualisés police-défense pour des missions strictement définies; l'amélioration de la chaîne des éloignements avec DAB, LPA et Frontex; et réforme de l'architecture policière conduite dans la concertation, avec un financement modernisé, fondé sur des critères objectifs.

Sur le plan "Grandes Villes", je ne peux pas prendre trop de temps en plus. Je voudrais aussi signaler que l'intérêt de ce plan "Grandes Villes", et j'aurai l'occasion certainement de revenir vous en parler, est d'avoir un cadre qui soit non pas, comme je l'ai déjà dit, one-size-fits-all , mais un cadre commun pour les différentes villes du pays. L'objectif n'est pas que chaque ville ait son trophée et son plan. Cela doit répondre aux critères que nous définissons. La complétion de ces critères va nous permettre de voir où il faut mettre plus d'emphase.

J'ai entendu un certain nombre de bourgmestres dire qu'ils étaient assez preneurs pour des militaires en rue. C'est déjà une première étape. Il ne suffit pas de le demander pour l'avoir. Il faut qu'on voie en fonction des chiffres. C'est pour ça que nous avons besoin d'une image.

Het is belangrijk een goed beeld te hebben van de criminaliteit. We moeten dat samen met mijn diensten, justitie, de gouverneur en de burgemeesters in kaart brengen. Op basis daarvan kunnen we dan bepalen of we militairen moeten inzetten of niet, of er meer federale gerechtelijke politie nodig is, meer van dit, minder van dat, camera’s, enzovoort.

Nous prenons les réformes nécessaires, sans naïveté ni fatalisme – je l'ai dit –, et avec comme préoccupation le respect de l'État de droit. Je poursuivrai ce travail avec l'ensemble des niveaux de pouvoir et rendrai compte des progrès au Parlement. J'invite chacune et chacun à soutenir ces mesures pour adresser un message univoque: en Belgique, la loi s'applique partout et à tous. La sécurité des habitants est non négociable. Il n'y a pas de place chez nous pour le crime.

Je vous remercie.

Voorzitter:

Bedankt, mijnheer de minister, voor uw antwoord dat zeer uitgebreid, deskundig en to the point was.

Ik geef het woord aan het Parlement voor de replieken.

Ridouane Chahid:

Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses qui, évidemment, ne m'ont pas convaincu, vous vous en doutiez. Je voudrais revenir sur plusieurs points.

Par rapport à la fusion, vous dites qu'il s'agit d'une question de vocabulaire, etc. Vous n'avez pas, à mon avis, compris le message de mon camarade Jean Spinette ce matin. Nous avons effectivement un problème de vocabulaire, vous et moi, puisque quand nous demandons plus de policiers sur le terrain, vous, vous envoyez des militaires. Je constate donc qu'on ne se comprend pas. La police et l'armée n'ont pas vocation à faire la même chose, dans ce pays en tout cas. Peut-être est-ce le cas dans d'autres pays comme la France mais, en Belgique, chacun a son rôle. À titre personnel, cela me désole de voir un ministre de l'Intérieur qui, en décidant l'arrivée de l'armée sur le terrain, déforce la police et n'accorde pas à ces uniformes qui nous défendent chaque jour la valeur qui leur revient.

Je ne serai pas beaucoup plus long. Au sujet de la fusion, je voudrais simplement vous dire que lorsque ce texte viendra au Parlement, il faudra prendre beaucoup de temps, monsieur le ministre. Je vais en effet vous démontrer que votre texte est antidémocratique en attirant votre attention sur deux éléments.

Le premier concerne les conseils de police parce que, en les supprimant, la première chose que vous faites c'est supprimer la possibilité à la population, à l'opposition démocratiquement élue par elle, de pouvoir s'exprimer, parce que les conseils communaux n'ont plus cette possibilité-là. Ici, vous opérez un retour en arrière par rapport à la réforme du début des années 2000, la loi sur les zones de police et la nouvelle loi intégrée. Vous constaterez vous-même que, si on a créé des conseils de police et qu'on leur a donné des missions et des tâches, c'est justement pour que les conseils communaux n'aient plus ces missions-là. Il faudra alors que vous nous expliquiez comment s'exercera ce contrôle démocratique qui ne pourra plus se faire.

Deuxième élément très important, il y a, un principe fondamental à Bruxelles qui fait que cette Région est bilingue. Comment ferez-vous en sorte que la minorité linguistique de cette Région – à savoir les néerlandophones – puissent avoir une voix dans les institutions que vous allez créer, puisque, en fonction de ce que vous déposez aujourd'hui, elles n'auront plus leur mot à dire dans le fonctionnement de la future zone de police telle que vous la souhaitez?

Pour conclure, prenez tout votre temps, parce que je pense que vous en aurez besoin pour étudier le nombre d'amendements que nous allons déposer. Nous allons pouvoir vous démontrer que votre solution n'est en tout cas pas efficace pour l'objectif que vous visez, la sécurité des Bruxellois.

Éric Thiébaut:

Monsieur le ministre, je parle tout le temps d’argent. Comme vous le savez, l'argent est le nerf de la guerre. Je vous ai posé des questions par rapport aux dotations, mais vous ne m'avez pas vraiment répondu cette fois-ci. Donc, je vais être obligé de revenir avec ces questions-là. J'ai posé des questions assez précises. On est toujours au stade des bonnes intentions, comme depuis votre note de politique générale. Et vous êtes, je le sais, plein de bonne volonté. Mais à un moment donné, il n'y a rien à faire. Il va falloir que la note soit présentée au gouvernement. Et, visiblement, personne ne veut payer la note de votre politique, clairement. Sauf peut-être les communes, mais elles ont déjà beaucoup payé. Il va donc quand même falloir qu'au niveau de ce gouvernement Arizona, on donne aux zones de police les moyens nécessaires à la sécurité des citoyens.

Il va falloir aussi que vous m'entendiez par rapport à toute une série de mesures que vous pouvez quand même prendre pour aider les zones de police à établir leur budget de manière plus juste, avec une répartition des efforts équitable entre le niveau local et le niveau fédéral.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, ik dank u nogmaals voor uw uitgebreide antwoord en zeker voor de deelaspecten waarop u hebt geantwoord. Wat ik echter in globo mis, is de urgentie van dat alles. Wij kunnen er, zoals u zelf aangaf, niet omheen. Men moet van een andere planeet komen om de realiteit niet te zien. Die realiteit is heel ernstig. Ze is niet hopeloos maar zeker heel ernstig.

In dergelijke situaties moeten wij de moed hebben, ook de politieke moed, om vlugger te ageren. Ik geef u enkele voorbeelden van maatregelen waarop mijn partij, het Vlaams Belang, al jaren hamert.

Ten eerste, wij vragen een nationaal drugsbestrijdingsagentschap, met een drugsparket dat specifiek kan worden ingezet. De huidige regering heeft enkel een taskforce opgericht waarvan de resultaten nog moeten blijken. Het is mij niet duidelijk wat die taskforce in de praktijk precies doet.

Ten tweede, wij hebben reeds vóór de vorige legislatuur het idee en het voorstel gelanceerd om een drugsfonds op te richten. U hebt vandaag een uitvoerige technische uitleg gegeven waarom dat fonds er nog altijd niet is. Dat kan er bij mij werkelijk niet in. Als het mogelijk is om in het kader van de verkeersveiligheid een verkeersveiligheidsfonds op te richten dat al jaren operationeel is, dan kan ik niet begrijpen waarom het zo moeilijk is om een drugsfonds op poten te zetten. U hebt geen timing en er is geen urgentiegevoel.

Nochtans hadden wij gisteren de commissaris-generaal, de heer Snoeck, op een hoorzitting in onze commissie. Ook de nationale drugscommissaris heeft het reeds laten weten. Zij zijn allebei heel grote voorstanders van de urgente oprichting van een dergelijk drugsfonds. Daarbij aansluitend, heeft de commissaris-generaal gisteren een strategisch plan uiteengezet. Dat betreft echter slechts het eerste deel, namelijk de taken die zij nu kunnen uitvoeren binnen het huidige kader en met de bestaande middelen.

Het belangrijkste deel moet nog komen, zoals de heer Thiébaut terecht heeft opgemerkt. Dat zijn de bijkomende middelen die kunnen worden geïnvesteerd in onze politiediensten. Ook de manier waarop de nieuwe structuren op het getouw zullen worden gezet, is cruciaal. Ook op dat vlak stel ik te weinig urgentie vast.

U hebt er zelf naar verwezen, deze week werden 500 agenten ingezet in Brussel voor een actie tegen drugshandel en georganiseerde misdaad aan het Noordstation, aan het Zuidstation en in de Peterboswijk. In wezen was dat echter een symbolische actie. Dat werd ook op die manier uitgelegd door de korpschef, de heer De Landsheer, op de openbare omroep. Misschien volgt u het niet helemaal, maar op onze openbare omroep, de VRT, verklaarde de korpschef dat de actie vooral bedoeld was om een signaal te sturen naar de burgers.

Zo staat het ook in De Standaard . Wat is dan eigenlijk het resultaat? In dezelfde uitzending zei de reporter van de VRT ter plaatse dat de drugsdealers er meteen na de actie opnieuw stonden en dat er op het terrein weinig tot niets was veranderd.

Ten tweede gaat u wat licht voorbij aan het feit dat 40 % van de gevangenen in ons land niet de Belgische nationaliteit hebben. Ik hoor geen cijfers van u, want u verwijst mij naar uw collega, de minister van Asiel en Migratie. Het blijft echter wel een feit dat 40 % van de gevangenen niet de Belgische nationaliteit heeft en dat wij kampen met overbevolking in de gevangenissen, waardoor er voor criminelen geen plaats meer is. Zo blijven onze politieagenten dweilen met de kraan open, hoewel zij hun werk zeer goed doen. U hebt dat namelijk terecht benadrukt: onze politieagenten doen hun werk goed. Als zij echter keer op keer zien dat criminelen vrijuit gaan omdat er geen plaats is in de gevangenissen, dan zitten we met een zeer groot probleem.

Ik heb u ook meerdere keren horen zeggen dat u achter de rechtsstaat staat. Het ondermijnen van de rechtsstaat betekent echter precies dat men criminelen niet de straf geeft die ze verdienen. Ik hoop, mijnheer de minister – en ik besef dat dit niet allemaal binnen uw bevoegdheden valt – dat u ook beseft dat de regering een en ondeelbaar is. Deze regering zou het anders en vooral beter doen dan de vorige regering. Ik zie de resultaten op het terrein echter nauwelijks. Voor ons is het wel duidelijk: we moeten onze politiediensten versterken, criminelen effectief opsluiten en vooral die criminele vreemdelingen ons land uitzetten.

Ook het idee om het leger in te zetten binnen de politiediensten blijft omgeven door een waas van onduidelijkheid. U herhaalt wat u in het verleden al zei, namelijk dat u mikt op gemengde patrouilles en dat het absoluut niet de bedoeling is dat militairen politietaken overnemen. Ik hoor echter een minister van Defensie die andere dingen beweert. Ik hoop dat we daarover vroeg of laat toch duidelijkheid krijgen. Het moet namelijk duidelijk zijn. De burger verwacht geen politieke discussie over militairen tegenover politie en omgekeerd, de burger verwacht dat er actie wordt ondernomen op het terrein. Ik hou niet zo van die semantische discussies over wie wat moet doen. Ik geloof wel dat onze politiediensten voldoende moeten worden versterkt en uitgerust om recht en orde in onze samenleving te herstellen.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, ik dank u voor het antwoord.

U hebt een interessante uitspraak gedaan met betrekking tot mijn eerste vraag over de politiezones. U zei dat u gerust uw voorstel wilt amenderen en dat het meer dan cosmetica zal zijn. Ik denk dat dit een heel duidelijk signaal is dat u bereid bent om tot een onderhandelde oplossing te komen, een oplossing die gedragen kan worden. Dat is ook de manier waarop ik u als minister ken. Ik hoop dat u dat inderdaad zult waarmaken. The proof of the pudding is in the eating , uiteraard, maar au fond ben ik voorstander van de fusie, dus daarin kunnen we elkaar vinden.

Twee aandachtspunten voor ons zijn de nabijheid van de politie enerzijds en het democratisch gehalte anderzijds. U verwijst naar de gemeenteraad, waar alle vragen kunnen worden gesteld. Dat klinkt logisch. Vandaag kan ik als oppositieraadslid in de politieraad rechtstreeks vragen aan de korpschef stellen, maar ik kan me niet voorstellen dat de korpschef aanwezig zal zijn bij alle vergaderingen van de gemeenteraad om dergelijke vragen te beantwoorden. Er blijft dus een zekere gap tussen wat er vandaag mogelijk is in de politieraad en wat binnenkort in de gemeenteraden zal kunnen. Dat is een belangrijk aandachtspunt.

Een tweede aandachtspunt gaat over de gegarandeerde plaats van de Nederlandstaligen in de instellingen die op Brussels niveau zullen worden gecreëerd. Ik ga ervan uit dat de collega’s van N-VA u hierop zullen attenderen. Er moeten garanties zijn. Op dit moment zie of hoor ik die garanties niet.

Op het vlak van het democratisch gehalte ligt er dus nog een uitdaging om daadwerkelijk tot iets te komen wat ook goed functioneert.

Het tweede element van mijn vraag ging over de inzet van militairen op straat. Het wordt voor mij steeds onduidelijker.

Hoe meer vragen we aan ministers stellen, hoe meer verschillende variaties of antwoorden we krijgen. U zei, maar misschien is mijn Frans niet goed genoeg of ligt het aan de vertaling, dat het alleen over Brussel gaat, om het dan vervolgens over andere steden te hebben. Is het de bedoeling dat de militairen uitsluitend in Brussel worden ingezet of ook elders? Ik weet het nog niet. Dat is belangrijk om uit te klaren.

U zei dat het niet de bedoeling is dat de militairen louter statische opdrachten uitvoeren, maar ik hoor niet of ze in gemengde teams zullen werken en met welk mandaat. Ik vind dat u geen duidelijk antwoord geeft en dat de elementen van antwoord die u geeft bovendien niet altijd in lijn liggen met wat uw collega-ministers zeggen. Daardoor blijft er een zekere onduidelijkheid bestaan.

Tot slot verwijst u zelf ook naar het groeiend aantal mensen zonder papieren dat in Brussel ronddoolt. Dat is een gevolg van het beleid van uw collega, de minister van miserie, mevrouw Van Bossuyt. Het is een bewuste keuze van deze regering om steeds meer mensen de straat op te duwen.

Daar wordt altijd aan gekoppeld dat men de mensen zonder recht op verblijf gaat terugsturen. U weet echter net zo goed als ik dat dit gewoon niet gebeurt. Er vertrekken nauwelijks mensen uit onze gevangenissen terug naar het buitenland. Er vertrekken nauwelijks mensen die uitgeprocedeerd zijn in de asiel- en migratieprocedure. Er gaan nauwelijks mensen terug. Al die mensen krijgen dan misschien geen opvang meer.

Inderdaad, mevrouw Van Bossuyt kan dan haar statistieken opkuisen, maar die opgekuiste statistieken leiden ertoe dat steeds meer mensen doelloos, zonder middelen en zonder ondersteuning rondlopen in Brussel – vooral in Brussel, maar ook in andere steden. Zij vormen daar een reservoir voor criminele bendes en zijn heel gemakkelijk te rekruteren.

Ik denk dat u uw minister van Asiel en Migratie echt diep in de ogen moet kijken. U bent daar namelijk een joekel van een probleem aan het creëren, eerder dan het op te lossen.

Xavier Dubois:

Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses.

Je tiens à saluer les éléments que vous avez mis en avant, comme les renforts que vous avez obtenus rapidement, les 31 agents de la police judiciaire, plus les 40 qui arriveront en novembre. Cela fait 70 agents en plus, ce qui est déjà une belle avancée, même si ce n'est pas suffisant. Il y a aussi la task force , dont vous avez précisé qu'elle était en place et qu'elle allait produire des résultats, ce que nous espérons aussi. Et puis le plan stratégique de la police fédérale, dont nous avons eu l'occasion de discuter hier. Je pense que c'est une première qu'il faut saluer.

Vous avez d'abord affirmé que l'armée n'était pas la solution, ni la fusion des communes.

Bernard Quintin:

Vous avez dit la fusion des communes.

Xavier Dubois:

Ah oui, la fusion des communes, c'est une autre phase, qui viendra plus tard.

Vous avez dit que la fusion des zones de police n'était pas la solution, et je partage bien entendu cet avis. Vous vous posez la question de quelle est la solution. C'est en fait de mettre en œuvre les mesures de l'accord de l'Arizona. Il y en a 20. J'insiste bien pour que toutes ces mesures soient mises en œuvre.

Je rappelle que ces mesures ont été décidées par les négociateurs, parmi lesquels figurait le bourgmestre d'Anvers, qui a une bonne compréhension de la réalité et de la question du trafic de drogue. Dans ce cadre-là, il y a de nouveaux plans. Il y avait aussi le Stroomplan, dont on ne parle plus, de la Vivaldi. Qu'en est-il? Est-ce qu'il existe encore? Est-ce qu'il produit encore ses effets? Quel lien peut-on faire entre cet ancien plan et d'autres actions que vous mettez en œuvre? J'ai cru comprendre dans votre réponse que le plan "Grandes villes" répondait partiellement ou était le successeur partiel du Plan Canal. Il faut aussi le prendre en considération.

Concernant le financement des zones de police, vous avez évoqué les incitants à la fusion. Mais, au-delà des incitants à la fusion, il y a le financement général, qui doit être juste et équitable. Et donc, à côté de cela, il y a la réforme de la norme KUL, dont vous avez dit que cela avançait, qu'il y avait effectivement beaucoup de travail qui avait été réalisé et qu'un marché avait été attribué à l'ULB, si j'ai bien compris. Cela veut dire que les modalités et les paramètres ont été définis.

J'espère que nous pourrons avoir très vite des informations sur ces paramètres, puisque l'université va les tester pour savoir quel en sera l'impact sur les zones et sur les types de zones. Cet après-midi, si j'ai bien compris, il y aura une présentation de cette réforme à la Conférence des bourgmestres. Je suppose qu'on aura la réponse très rapidement.

Sur le Fonds drogue, les services avancent, et la commissaire nationale aux drogues également, c'est une bonne chose. Cependant, cela fait des mois qu'on en parle et on n'a toujours pas d'idée concrète des moyens que ce fonds pourrait véritablement mobiliser. Il est vraiment nécessaire que l'on puisse avoir ces informations. Les travaux budgétaires étant en cours, il est absolument nécessaire de définir quelles seront les recettes et les sources de ce fonds et quels vont en être les moyens. Où devra-t-on mettre les effectifs pour assurer le financement le plus important possible de ce fonds, pour qu'on puisse lutter de manière très efficace contre cette problématique?

Vous m'avez répondu sur la question des agents de liaison. Il s'agit effectivement d'un outil à développer davantage et nous reviendrons, comme vous l'avez proposé, avec le détail écrit par rapport à nos questions.

Pour conclure, je n'ai pas eu beaucoup de réponses sur les actions que vous entreprenez en faveur des zones rurales. Je répète qu'il est indispensable de ne pas négliger les zones rurales parce qu'au-delà de ce que ces communes vivent au quotidien, ces zones sont choisies par certains trafiquants pour se réfugier afin de disparaître des radars. Dès lors, je pense qu'il est important que les zones de police rurales disposent des moyens pour pouvoir recenser ces risques et poursuivre ces narcotrafiquants avec davantage de moyens. Merci d'avance pour vos réponses complémentaires, monsieur le ministre.

Rajae Maouane:

Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses.

Malgré votre bonne volonté, dont je ne doute pas, les solutions que propose aujourd'hui le gouvernement sont des réponses au mieux naïves, au pire autoritaires, et qui ressemblent davantage à une fausse réponse rassurante qu'à une vraie politique de sécurité, puisque l'armée n'est ni formée, ni payée, ni même demandée par les grandes villes pour remplir les missions qu'on veut lui faire remplir. Et au lieu de s'attaquer à la source du narcotrafic et aux raisons pour lesquelles des milliers de personnes se retrouvent en situation de consommation régulière, on préfère déployer des militaires dans les quartiers les plus précarisés, même si, soyons de bons comptes, vous dites que ce n'est pas la solution, et je pense aussi que cela ne fait pas partie de la solution tout court.

Du reste, je ne suis pas sûre que les Bruxelloises et les Bruxellois se sentent davantage en sécurité au milieu de militaires avec des armes lourdes et des uniformes de camouflage. Je ne suis pas sûre que poster des militaires en rue soit le meilleur moyen de rassurer la population. Les trafiquants, quant à eux, ils iront tout simplement ailleurs, nous connaissons leurs méthodes. D'ailleurs, ils n'hésitent pas à menacer nos institutions. Pendant ce temps, ce sont la Justice, les services sociaux et la Santé qui sont privés de moyens dont ils ont cruellement besoin pour démanteler ces réseaux.

Sur la fusion des zones de police, monsieur le ministre, les principales questions qui se posent portent sur l'efficacité. En effet, en tant qu'écologistes, nous sommes ouverts à tout ce qui pourrait être encore plus efficace, encore plus proche du citoyen, encore plus lisible, mais la méthode compte aussi. On ne peut pas imposer une réforme sans concertation, sans études solides qui prouvent sa nécessité et sans des garanties claires de refinancement. Les bourgmestres l'ont dit et ce sont aussi des spécialistes et il faut pouvoir les écouter.

Ce qu'il faut, c'est aussi davantage de moyens structurels, une police de proximité et une police judiciaire qui travaille sur le long terme et pas un bricolage précipité qui affaiblit le contrôle démocratique et qui éloignerait encore plus la police des citoyens et des citoyennes. Comme l'ont dit les collègues, n'hésitez pas à prendre le temps de bien construire cette réforme essentielle.

La réalité aujourd'hui, monsieur le ministre, est que le gouvernement dont vous faites partie fragilise les vrais piliers de la sécurité que sont la Justice, la police de proximité, la prévention et la cohésion sociale. On ne protège pas une société en détruisant ce qui la tient debout. Nous attendons donc la suite avec impatience.

Maaike De Vreese:

Mevrouw de minister, het risico bij een hutsepot van samengevoegde vragen is dat er op een aantal vragen geen antwoord komt. Mijn vragen over de problematiek in Oostende en aan de kust werden in één zin beantwoord. Ik zal deze nog eens schriftelijk indienen om een antwoord te krijgen. Deze problematiek leeft immers sterk in West-Vlaanderen. Deze specifieke problematiek duikt immers elke zomer weer op en is veel breder is dan louter de druggerelateerde criminaliteit. Het gaat ook over de manier waarop de politionele capaciteit wordt ingezet.

In het regeerakkoord werd met betrekking tot de aanpak van georganiseerde criminaliteit duidelijk de urgentie ingeschreven om grote hervormingen door te voeren, zowel bij Binnenlandse Zaken als bij Justitie. U bent zich er duidelijk van bewust dat er zeer veel werk op de plank ligt. U hebt met de mensen op het terrein gesproken, in de eerste plaats in Brussel. U zou ook nog ter plaatse gaan in West-Vlaanderen, hoor ik.

U hebt onmiddellijk werk gemaakt van de fusie van de politiezones door een plan op tafel te leggen en met alle burgemeesters te gaan spreken. U moet deze zeer moeilijke opdracht tot een goed einde brengen door op een bepaald moment knopen door te hakken en door te duwen. Dat geldt eveneens voor de beoogde hervorming van de federale politie. Gisteren kwam de commissaris-generaal met zijn strategisch plan. Aan het einde van deze week zal hij u ook zijn plan rond de hervormingen bezorgen. Het is belangrijk dat er politieke keuzes worden gemaakt, omdat de urgentie voor de hervorming van de federale politie ook zeer groot is.

De discussie over militairen op straat zou een semantische discussie zijn. Collega’s, dat is natuurlijk veel meer dan een semantische discussie. Men zet immers niet zomaar militairen op straat. Dat moet zeer weloverwogen gebeuren, binnen een tijdelijk kader en met een duidelijke analyse. Ik ben blij dat u dat ook zegt, minister, dat er een duidelijke analyse moet aan voorafgaan om te bepalen wie we waar en hoe zullen inzetten. Dat is volgens mij ook de correcte manier. De minister van Defensie geeft ook aan samen en weldoordacht een plan uit te werken, waaraan mogelijk een aantal discussies voorafgaan. Dat is normaal en we moeten daar gewoon uit raken. We vormen dan ook één front in de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit.

Tot slot wil ik nog kort iets zeggen over het Grootstedenplan, dat het Kanaalplan vervangt. Ik ben ervan overtuigd dat elke grote stad een plan moet hebben voor de aanpak van drugscriminaliteit. Elke grote stad wordt immers op de een of andere manier geconfronteerd met drugscriminaliteit en georganiseerde criminaliteit. Elke stad moet dus zo’n plan hebben.

Toch wil ik een kleine waarschuwing meegeven: het is belangrijk voldoende te focussen op de plaatsen waar de problemen het grootst zijn. Dat was precies de sterkte van het Kanaalplan: de focus leggen op de gebieden waar de problemen het meest prangend waren en die zeer gericht aanpakken.

Dat was ook de vraag in het regeerakkoord: het Kanaalplan verder uitwerken. Ik zal mijn collega Jeroen Bergers specifiek laten spreken over de Vlaamse Rand, want hij kent de situatie daar veel beter dan ik. Onze vraag blijft echter dezelfde: verlies die focus niet op de plaatsen waar de problemen het grootst en het meest prangend zijn. Leg ons een plan voor waarin duidelijk wordt aangegeven op welke manier u het Kanaalplan zult vervangen. Bedankt, mijnheer de minister.

Franky Demon:

Mijnheer de minister, ik ben vannacht uit Moldavië van de verkiezingswaarnemingen teruggekeerd. De Veiligheid van de Staat had mij verwittigd om op mijn gsm en andere zaken te letten. Ik heb daar waarnemingen en vergaderingen gedaan. Soms voelde ik mij daar veiliger dan wanneer ik in Brussel van het station naar hier kwam. Ik denk dat u echt onze steun krijgt als u zegt dat u doorgaat met één politiezone. Ik geef u ook gelijk als u zegt dat u niet dé oplossing in uw mouw hebt zitten. Het zal een en-en-en-enverhaal worden.

Ik wil ook waarschuwen voor symbolische acties. Ik heb dit zelfs tegen partijgenoten gezegd. Door 500 agenten naar Peterbos te sturen of agenten tijdelijk te verplaatsen, scoort u in de media. Dat geeft waarschijnlijk ook een goed gevoel voor de bewoners. Ik denk echter dat we vooral nood hebben aan structurele oplossingen en dat we daarop nog krachtiger moeten inzetten.

Voor het Kanaalplan en het Grootstedenplan krijgt u mijn steun, maar ik heb wel vragen over de steden. Ik begrijp dat er bepaalde namen worden genoemd, omdat er recente schietincidenten waren. Daarvoor hebt u mijn steun. Ik vraag mij echter af waar Roeselare hierin staat. U zult dat toch eens moeten bekijken. Ik geloof niet dat u dat communautair hebt bekeken, maar ik geloof wel dat er aanpassingen mogelijk zijn.

Velen hier, ook u, ook mevrouw De Vreese, hebben het over Justitie. Ik geloof dat de vraag van onze minister van Justitie om extra budget door u moet worden ondersteund. Als u samen met de minister van Justitie een goede tandem kunt vormen om extra middelen in te zetten, zullen we volgens mij vooruitgang boeken.

Brent Meuleman:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, onze binnenlandse veiligheidsarchitectuur moet hervormd worden, daarover zijn we het roerend eens. Brussel wordt daarbij een van de grootste werven, dat is ook wel duidelijk geworden. Laten we echter niet vergeten dat ook op andere plaatsen in ons land en in Vlaanderen heel grote veiligheidsuitdagingen op tafel liggen. Het zijn uitdagingen waarvoor vaak uitsluitend naar de lokale besturen en de lokale politiezones wordt gekeken. Zonder een transparant en vooral toereikend financieringsmodel zullen vele goede plannen dode letter blijven.

Ik zal uw beleidsinitiatieven dan ook met grote belangstelling opvolgen, constructief waar mogelijk, maar kritisch wanneer nodig. Veiligheid is de eerste zorg van een sterke overheid en blijft daarom voor mijn partij, voor Vooruit, een topprioriteit.

Voorzitter:

Mijnheer Meuleman, u toont hoe men in weinig woorden toch een duidelijke boodschap kan brengen.

Jeroen Bergers:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, helaas heb ik op een van mijn twee vragen geen antwoord gekregen. Ik vond zelf ook dat mijn vraag niet volledig in dit debat thuishoorde, dus ik neem het niet persoonlijk. Ik zal bekijken op welke manier ik die vraag opnieuw kan indienen. Eventueel kan ze gekoppeld worden aan een vraag van collega Chahid, die nog op de agenda staat. Ik vermoed dat we die vandaag toch niet zullen verwerken.

Over het Kanaalplan of het Grootstedenplan is al uitvoerig gesproken. Ik treed – niet geheel toevallig – mijn collega De Vreese bij. Het is belangrijk dat we vertrekken vanuit de essentie van het regeerakkoord, dat heel duidelijk stelt dat het Kanaalplan – als u er een andere naam aan wilt geven, is dat geen probleem – versterkt zal worden in Brussel en de Vlaamse Rand, waar het al in werking was, aangezien we merken dat de criminaliteit daar één geheel vormt. Voorbije zomer werd in Vilvoorde een Brusselse drugsbaas opgepakt, met rellen aan het station tot gevolg. Verschillende politieagenten werden daarbij werkonbekwaam geslagen. Het is dus echt belangrijk dat de problemen van Brussel en het wanbeleid dat daar is gevoerd, zich niet zomaar kunnen verplaatsen naar de Vlaamse Rand. In die strijd zullen wij u steunen, want het is belangrijk dat er aandacht blijft voor de gehele problematiek, zoals opgenomen in het regeerakkoord.

Ik heb u enkele steden horen noemen en vraag me af welke criteria zijn gehanteerd om die steden te selecteren. Het is echter belangrijk te beginnen met de essentie van het regeerakkoord.

Als u een andere naam voor het Kanaalplan wilt, kan ik een naam suggereren die mij geruststelt dat er genoeg aandacht zal zijn voor de Vlaamse Rand. Het is een beetje humoristisch, maar Randgevallenplan is misschien een optie, zodat er zeker aandacht is voor die regio.

Catherine Delcourt:

Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses et surtout pour vos actions et votre présence sur le terrain lors de l'opération coup de poing, où vous étiez aux côtés des 500 policiers. Cela démontre la volonté de l'État de reprendre pied dans nos quartiers et de rendre la rue aux citoyens. C'est une démonstration de fermeté et un signal fort pour les habitants qui voient que vous ne les abandonnez pas.

Une police de proximité, présente et visible, c'est évidemment ce qu'il nous faut. Pour cela, il faut dégager de la capacité et vous vous y employez de différentes manières: fusion des zones de police, mobilisation des militaires. Environ 70 % de la population est favorable à la présence des militaires en rue et estime que cela renforcera leur sentiment de sécurité.

Il faut donner aux policiers les moyens d'agir. Vous renforcez leurs effectifs, en soutenant leur travail de terrain, et c'est comme cela qu'on pourra restaurer durablement la confiance et la sécurité dans nos villes. Mais la lutte contre le crime organisé et le trafic de drogue ne s'arrête pas là, elle doit être globale, transversale. Il faut que la justice soit impliquée, les finances, la santé publique, la politique sociale.

La rencontre et les échanges entre le procureur du Roi de Bruxelles et le procureur de la République de Marseille constituent un bon signal. Cela montre que la justice est un maillon essentiel de la chaîne. Nous devons nous inspirer du modèle français pour certains aspects de lutte contre le trafic de drogue et le crime organisé. Vous pourrez, monsieur le ministre, donner tous les moyens nécessaires à la police locale et à la police fédérale, si la justice ne fait pas son travail derrière, on se sentira toujours en insécurité en faisant le trajet entre la gare et le Parlement.

Je continuerai à suivre avec attention ce plan "Grandes Villes" et son implémentation, pour que vous veilliez à ce que ce soit un outil fort au service de la sécurité de tous.

Voorzitter:

Monsieur le ministre, vous souhaitez intervenir? Vous donnerez ainsi l'occasion aux parlementaires de répliquer une nouvelle fois, puisque le dernier mot revient au Parlement.

Bernard Quintin:

J'ai dit plusieurs fois que j'étais très respectueux de l' É tat de droit. Et je ne suis pas complètement fou!

Je tenais à revenir sur quelque chose d'important. En effet, il y a beaucoup d'éléments.

Ik heb het in mijn antwoord niet in detail gehad over Oostende en de kustregio, maar mijn invalshoek is het Grootstedenplan.

Ce plan "Grandes Villes" répond à une nécessité. Je peux me limiter à la lettre de l'accord de gouvernement et simplement travailler à un nouveau Plan Canal, m'arrêter, c'est très bien, j'ai une médaille, j'ai fait ce que je devais faire.

La situation à Anvers est compliquée, il y a le Stroomplan qui n'est pas dirigé de la même manière, ça aussi c'est un élément à prendre en compte. Il faut se mettre à la place du ministre de l'Intérieur! Si chaque ville commence à faire son plan avec ses propres critères et sa gestion, ça complique singulièrement le tableau. Chaque ville adressant, bien sûr, ses demandes au ministre: "J'ai besoin de la FERES, j'ai besoin du CIK, j'ai besoin..." Donc je pense qu'un peu d'ordre et de systématisme est une bonne chose.

J'ai oublié de répondre en effet sur la proximité. C'est précisément pour cela qu'on a besoin d'acquérir une vision fine de la criminalité. Ce n'est pas juste pour le plaisir de dire que chaque ville doit avoir son plan, il y a une image de la criminalité. C'est pas un plan Bruxelles, c'est un plan Bruxelles en omstreken . Ce n'est pas un plan Liège. Parler de Liège sans parler de Bierset, ça n'a aucun sens, de la même manière que ça n'a aucun sens de parler de Charleroi sans parler de l'aéroport de Charleroi. Et par maillage, cela permet également de travailler sur les villes moyennes et sur les campagnes, qui ont leurs propres spécificités. Mais je ne vais pas envoyer l'armée à Silly, pour prendre un joli village du Hainaut que je connais peut-être un peu plus que d'autres.

Je voudrais revenir sur deux points, surtout à part sur le plan grande ville. Monsieur Chahid vous l'avez dit, et franchement ça m'attriste un peu, parce que je l'ai répété, faire appel à l'armée de manière ponctuelle, limitée, dans le scope et dans le temps, je pense que c'est une nécessité. Ce n'est en aucun cas un désaveu du travail de la police. Je ne peux pas laisser dire sans réagir qu'en faisant ça, je désavoue le travail de la police. Je suis tous les jours avec la police. C'est comme si vous me disiez qu'en envoyant les renforts de la police fédérale, je désavoue la police locale. Non, on a besoin de toutes les forces vives de la nation pour tenter de résoudre ça. Est-ce que c'est une bonne idée? Je le pense. Vous pouvez évidemment penser le contraire. C'est votre droit le plus strict.

Deuxièmement, madame Maouane, vous avez dit que les villes ne le demandent pas. Moi, j'ai quand même entendu les bourgmestres de Charleroi et Liège – dont on ne peut pas soupçonner qu'ils soient sur la même longueur d'onde politique que votre serviteur – dire que pourquoi pas, que c'est peut-être une bonne idée, que ça peut servir.

We moeten alles in het werk stellen om de situatie te verbeteren.

Je pense avoir démontré que je travaille sur tous les chantiers en même temps, mais la journée n'a que vingt-quatre heures. Et je ne parle pas seulement de la journée du ministre, mais aussi de celle des administrations qui doivent traduire en textes de loi toutes nos idées politiques. Tout cela prend du temps.

Enfin, sans pouvoir répondre à toutes vos questions, je voudrais revenir sur les Full Integrated Police Actions (FIPA) comme celle que nous avons menée lundi. Il n'agit pas d'une opération de pure optique, visant à satisfaire l'égo qui serait éventuellement blessé, malade ou démesuré de Bernard Quintin, ministre de l'Intérieur. Je vous assure que j'ai passé l'âge! Je n'en ai pas besoin. Il est intéressant de le faire pour les actions en elles-mêmes. Je puis vous dire que nous avons assisté à plusieurs opérations policières qui ne se sont pas déroulées devant les caméras et qui étaient d'une grande fermeté et nécessité pour lutter contre différents trafics et autres faits criminels.

En tout cas, j'assume totalement le message politique. Enfin, nous sommes ici à la Chambre, où nous faisons de la politique! J'assume le message politique auprès de la population, qui le demande. Je suis allé place Bonnevie, place Clemenceau et place Bethléem – c'est certainement un peu plus que ce que font certains, qui auraient dû y aller aussi. Et je ne vise personne ici en particulier. C'est ce que demande la population. Nous étions du côté de la Porte de Hal. Une dame m'a fait signe de son balcon et m'a dit: "Je ne peux pas parler maintenant." Les réseaux sociaux fonctionnent, puisqu'elle a trouvé le numéro de téléphone d'un de mes collaborateurs pour nous remercier de l'action menée. Elle nous a dit: "C'est très bien. Nous en avons besoin. Depuis les dernières années, nous devons bien constater que la situation s'est dégradée." Pour être de bon compte, car je suis honnête, nous n'avons pas reçu que ce message. D'autres personnes étaient mécontentes de notre présence. Je ne parle pas de trafiquants, mais de gens qui nous ont dit: "Très bien, vous êtes là en nombre, mais quel message voulez-vous envoyer?" Donc, je fais vraiment la part des choses. En tout cas, je maintiendrai ces opérations.

J'ai parlé des FIPA. D'autres opérations doivent être menées quotidiennement telles que la Very Irritating Police. Je constate que les trois bourgmestres de la zone Midi ont supprimé les Brigades Koban, Uneus et autres qui s'en chargeaient. Désolé, ce n'est pas ma décision. Elle a été prise par les autorités locales. Pour moi, c'était une mauvaise décision. En tout cas, elle n'a pas contribué à améliorer la situation, puisque celle-ci s'est dégradée ces dernières années. Ce n'est pas moi qui le dis. Ce sont l'image et les chiffres de la criminalité.

Donc, je veux bien, rien n'est jamais bon, rien n'est jamais suffisant. Mais enfin, en attendant, moi je mets des choses sur la table et surtout je mets des choses sur le terrain plutôt que de les retirer et je pense que c'est ça qui est important à faire et je pense que c'est ça que nos concitoyens nous demandent.

Mais je vais continuer à travailler, je vais continuer à parler avec tout le monde. J'ai bien entendu un certain nombre de reproches; j'aurais dû appeler l'un ou l'autre bourgmestre. Je rappelle que les zones de police locales sont encore toujours sous l'autorité d'un président de la zone qui n'est pas le ministre de l'Intérieur, mais un bourgmestre qui peut prendre son téléphone pour prévenir ses collègues.

Donc, je pense être en général assez calme et serein et prendre les critiques, mais à un moment, il faut quand même que chacun prenne ses responsabilités aussi. Moi, je prends les miennes, j'écoute, je concerte, j'essaie de voir.

Ik ga akkoord met de heer Demon wanneer hij zegt dat we moeten samenwerken. De ministers van Binnenlandse Zaken, Justitie, Asiel en Migratie en Volksgezondheid, de ministers van de gemeenschappen en de gewesten, de burgemeesters en de gemeentelijke overheden zijn allemaal partners wat betreft de veiligheid van onze medeburgers.

Onze medeburgers, ils s'en fichent de savoir qui est responsable à quel niveau. Ce qu'ils veulent, à l'instar des parlementaires qui veulent pouvoir venir de la gare centrale au parlement en toute tranquillité, c'est sortir de chez eux, prendre le métro à Clémenceau et ne pas devoir envoyer leurs enfants avec des taxis dans leurs écoles. Je trouve ça absolument terrible et j'y travaille.

Je ne vais pas revenir sur les conseils de police. J'aurai l'occasion d'y revenir.

Over de politieraad zullen we het hebben als we de wijziging van de LPI bespreken.

Voorzitter:

Het Parlement heeft het laatste woord.

Ridouane Chahid:

Monsieur le président, ce sera très court. J’aimerais rappeler tout d'abord que si les bourgmestres de Mons, Charleroi et Liège se sont exprimés par rapport aux militaires, ils l'ont fait de manière très claire en disant que si c'était pour garder des bâtiments publics importants, pourquoi pas? Pour le reste, pas.

Mais il y a un élément très important dans la réponse du ministre, quand il dit qu’il veut apporter une réponse concernant les militaires dans la rue, de quand parle-t-il: demain, après-demain, dans un mois? Mais le ministre de la Défense dit lui-même que ce ne sera pas avant avril 2026. Ce n'est pas moi qui le dis.

Pire, il dit que ce sera probablement les jeunes à qui on envoie des lettres aujourd'hui qu'on va mettre en uniforme et qu'on va envoyer dans la rue. Donc, il ne s’agira même pas de personnes formées. Ce sont des propos tenus par le ministre Francken. Il suffit d'aller lire le compte rendu de la commission. C'est écrit noir sur blanc.

Pour le reste, par rapport aux brigades de proximité, je vous invite, monsieur le ministre, vous et vos collaborateurs, à aller relire le compte rendu qui a été fait ici en commission puisque les trois bourgmestres sont venus. Ils ont exposé qu'il n'y avait pas de suppression, mais de réorganisation de la brigade de proximité. Cela vous apprendra peut-être quelque chose. Et enfin oui, monsieur le ministre, en appelant à la présence des militaires dans la rue, vous donnez un mauvais signal aux corps de police. Vous leur dites, en réalité, qu'ils ne sont pas en mesure de répondre à vos ambitions, aux craintes et aux sentiments qu'a la population en matière de sécurité. Le problème est là. On ne donne pas un signal à celles et à ceux qui veulent s'engager dans la police demain.

Vous avez vous-même dit ici avant les vacances que l’un de vos problèmes était de réfléchir à l'attractivité de la fonction de la police. Est-ce que vous croyez qu'en envoyant les militaires dans la rue, vous allez aboutir à cette attractivité de la fonction de la police? Je ne crois pas.

(…) : (…)

Voorzitter:

Mijnheer Bergers, ik ga het debat hier afsluiten. Het is de bedoeling dat we hier in debat gaan met de minister en niet dat we elkaar onderling verwijten naar het hoofd slingeren. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 15.16 uur. La réunion publique de commission est levée à 15 h 16.

SFPIM en het Defensiefonds
Het Defensiefonds
Defensiefinanciering en SFPIM

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 1 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Meyrem Almaci kritiseert het ontbreken van transparantie en concrete antwoorden over het nieuwe Defensiefonds (SFPIM Defence), dat als investeringsvehikel is opgericht maar niet NAVO-conform zal zijn in deze legislatuur, met beperkte defensie-investeringen (max. 3,5% van de 5%-norm). Minister Jambon bevestigt dat het fonds complementair met PMV zal werken, geen privésturing krijgt op strategische beslissingen, en eind 2024 operationeel moet zijn—hoewel het koninklijk besluit nog ontbreekt en financiering (via FPIM-verkopingen) onduidelijk blijft. Almaci eist democratisch debat over ethische en strategische risico’s, terwijl Daerden vreest voor voorkeur buitenlandse investeringen ten nadele van Belgische defensiebedrijven. Vertraging en gebrek aan parlementaire controle domineren de discussie.

Voorzitter:

De heer Daerden is momenteel niet aanwezig.

Meyrem Almaci:

Mijnheer de voorzitter, ik heb geen idee waar de heer Daerden is, maar ik wil de vraag gerust stellen als hij aanwezig is.

Voorzitter:

Mevrouw Almaci, we hebben een heel drukke agenda, ik houd mij aan de agenda.

Meyrem Almaci:

Mijnheer de voorzitter, ik wil gewoon collegiaal zijn, maar ik zal mijn vraag stellen.

Mijnheer de minister, ik heb verschillende vragen gesteld naar aanleiding van uw beleidsplan en beleidsnota's over het Defensiefonds, waar ik tot dan toe geen enkel antwoord op had gekregen. Daarom heb ik het begin juli opnieuw geprobeerd, wetende dat er op 4 juni al overleg had plaatsgevonden tussen de federale en de Vlaamse regering. Minister-president Diependaele had dat immers verklaard. Op 7 juli had ik die vraag gepland, en vandaag zijn we in oktober. Intussen is er op 18 juli een nieuw Defensiefonds opgericht tijdens de ministerraad. Ik heb mijn vragen dus licht gewijzigd, omdat de vraag van juli nu pas aan bod komt.

Wat is er uit de afstemming tussen de Vlaamse en de federale regering voortgekomen? Wat is de afstemming met de Participatiemaatschappij Vlaanderen en het Defensiefonds, dat u op federaal niveau wilt oprichten? Hoe ziet de definitieve samenwerking met alle regio's eruit met betrekking tot het Defensiefonds?

Wat is de aard van het Defensiefonds? Ik ga ervan uit dat de berichtgeving in de pers klopt, namelijk dat het een investeringsvehikel is geworden en dat er geen NAVO-conform Defensiefonds meer zal komen. Dat is dus doorgeschoven naar de volgende legislatuur. Dat betekent dat de inspanningen voor de NAVO beperkt blijven tot 2 % van het bruto binnenlands product in deze legislatuur. Dat betekent dat het nieuw fonds zoals u het nu vormgeeft, niet meer conform is aan wat oorspronkelijk op Europees niveau is voorgesteld, waarover toen ook een andere communicatie plaatsvond.

Daarnaast heb ik enkele actuele vragen, ook naar aanleiding van de communicatie in de pers.

Is het Defensiefonds al in opstart? Is het effectief al gestart? Welke tijdslijn wordt gevolgd, aangezien er momenteel nog geen koninklijk besluit is verschenen?

Welke middelen zullen definitief uit de FPIM worden gehaald, tegen welke timing, en wie zal daarover beslissen? In het paasakkoord was immers gesteld, zoals ook gepubliceerd in de pers, dat er een apart vehikel zou komen, waarin de private sector mee zou participeren. Zal de private sector mee beslissen waarin wordt geïnvesteerd? Welke delen van FPIM zullen worden verkocht? Dat zijn twee heel heldere vragen waar ik graag een helder antwoord op zou willen krijgen. Zal de private sector in dat apart vehikel mee beslissen wat er verkocht wordt van de assets van FPIM en wat er vervolgens met die assets gekocht zal worden in dat dochtervehikel?

Jan Jambon:

Mevrouw Almaci, in de ministerraad van 18 juli 2025 is het koninklijk besluit tot oprichting van een gespecialiseerde dochteronderneming, SFPIM Defence, goedgekeurd.

Met betrekking tot uw specifieke vragen kan ik u het volgende antwoorden. Zowel PMV als FPIM heeft de opdracht om een defensiefonds op te richten, elk namens hun eigen regering. Beide instellingen dienen complementair samen te werken. De afstemming en samenwerking zijn nog niet definitief, maar in het investeringscomité is een rol weggelegd voor de regio's om de samenwerking te optimaliseren.

SFPIM Defence zal investeren in bedrijven door participaties van die bedrijven op te nemen. De bedoeling is dat die investeringen maximaal in aanmerking komen voor de 5 %-NAVO-norm. Dat wil zeggen dat de eerste 3,5 % volledig defensiegerelateerd is; voor de resterende 1,5 % procent zijn er iets meer mogelijkheden. We trachten de investeringen van SFPIM Defence zoveel mogelijk in die tweede korf te laten passen, maar het is op dit moment nog niet zeker of dat steeds zal lukken.

Het Defensiefonds zal participaties nemen in bedrijven. Die uitgaven zijn in het EESR geen uitgaven die het vorderingensaldo belasten en maken dus geen deel uit van het Nationaal Budgettair Plan. We streven ernaar dat het fonds operationeel is tegen het einde van het jaar, met de hoop dat de beslissing over een eerste investeringsdossier in 2025 kan vallen.

Over de budgetten waarover SFPIM Defence zeggenschap zal krijgen, is nog geen beslissing genomen. De huidige beslissingen gaan over de oprichting, nog niet over de budgetten waarover SFPIM Defence kan beslissen. Zoals eerder vermeld, zal SFPIM Defence investeren in bedrijven met een goede businesscase. SFPIM Defence dient niet voor de aankoop van materiaal.

SFPIM Defence is geen fonds, maar een dochteronderneming van SFPIM. Er wordt dus geen privékapitaal aangetrokken op het niveau van SFPIM Defence. Per dossier zal er wel samen met privébedrijven worden geïnvesteerd, vergelijkbaar met de werkwijze van de moedermaatschappij FPIM. Dat betekent dat de privésector geen inbreng heeft in de beslissingen van SFPIM Defence.

Meyrem Almaci:

Mijnheer de minister, de privésector, die in het bestuur van de dochter zetelt, zal geen beslissingsrecht hebben. Ik wil daarom formeel weten welke delen van FPIM verkocht worden om het vehikel te financieren. De privébedrijven zullen dus niets te zeggen hebben over de one-shots van de participaties. Zij zullen daarnaast ook geen zeggenschap hebben over de keuze van de bedrijven waarin geïnvesteerd wordt.

Die twee zaken wil ik scherpstellen. De privésector zal niet strategisch kunnen beslissen over investeringen vanuit dat dochtervehikel.

Het vehikel moet tegen eind juni operationeel zijn.

Mijnheer de minister, klopt het dat de private investeerders die zullen participeren in het dochtervehikel, niet zullen mogen beslissen welk deel van FPIM strategisch verkocht wordt en ook niet waarin geïnvesteerd zal worden?

Jan Jambon:

Mijnheer de voorzitter, ik heb daarnet mijn antwoord gegeven.

Meyrem Almaci:

Mijnheer de minister, het antwoord op die vraag is nochtans cruciaal.

Eveneens cruciaal is het te vernemen in welke bedrijven zal worden geïnvesteerd. Gaat het om Belgische of buitenlandse, bijvoorbeeld Israëlische, bedrijven?

Veel vragen staan open, het dossier hangt met haken en ogen aaneen. Ik heb drie maanden moeten wachten om deze vraag te kunnen stellen. Intussen is het een spelletje van niet antwoorden, van vooruitlopen op zaken en van voldongen feiten. Ik maak mij grote zorgen over de richting die dat vehikel uitgaat en het kader waarin het functioneert, wetende dat het koninklijk besluit nog steeds niet gepubliceerd is. Daardoor kunnen wij onze controlefunctie op dat Defensiefonds niet volgens de oorspronkelijk aangegeven timing uitvoeren. Dat wordt stilaan bijzonder problematisch, zeker omdat het een zeer aanzienlijk budget met grote strategische belangen en belangrijke ethische vragen betreft.

Mijnheer de voorzitter, collega’s, daarover moet dringend een democratisch debat gevoerd worden, in plaats van dat steeds uit de weg te gaan, zaken vooruit te schuiven en geen helder antwoord te geven op concrete vragen.

Jan Jambon:

Mevrouw Almaci, u kunt eventueel een schriftelijke vraag indienen. (…)

Meyrem Almaci:

Mijnheer de minister, mogelijk moet ik opnieuw drie maanden wachten op een antwoord en intussen een feit constateren. (…)

Jan Jambon:

Mevrouw Almaci, de werkzaamheden van het Parlement worden niet door mij bepaald.

Mijnheer de voorzitter, ik wil benadrukken dat wij schriftelijke vragen tijdig beantwoorden. Ik accepteer die aantijgingen niet, zeker niet van mevrouw Almaci. In de pers werd zelfs nog toegelicht hoe schriftelijke vragen beantwoord worden. Als u snel een antwoord wilt, dient u best een schriftelijke vraag in, want voor de beantwoording daarvan geldt een reglementaire termijn en wij voldoen daaraan volledig. Die insinuaties mogen dus stoppen.

Voorzitter:

Mevrouw Almaci, ik wil u even terechtwijzen met betrekking tot uw stelling dat u al op een antwoord wacht sinds 7 juli. Formeel kan ik u melden dat wij met beide ministers die in de commissie voor Financiën rapporteren de volledige agenda met vragen en antwoorden hebben afgewerkt voor het reces. Als de datum van de indiening van uw vraag geen nieuwe vergadering voor het reces toeliet, is dat nu eenmaal zo.

Meyrem Almaci:

Mijnheer de voorzitter, het laatste woord komt aan het Parlement toe. Ik wens nog te reageren op wat de minister zei.

Ik heb de vraag niet voor het eerst gesteld op 7 juli. U weet dat ik de vraag al herhaaldelijk heb gesteld tijdens de discussie over de beleidsnota en de beleidsplannen, al maanden aan een stuk.

Uiteindelijk heb ik ze als een mondelinge vraag ingediend, niet als schriftelijke vraag. U hoeft dus niet uit uw kram te schieten over schriftelijke vragen en de timing daarvan. Waar het over gaat, is dat ik in de commissie voor Financiën al zes maanden lang op dezelfde nagel klop, via mondelinge vragen aan u, waarop ik zelfs tot nu geen helder antwoord krijg. Bovendien heeft u het koninklijk besluit nog niet eens gepubliceerd.

Dat is belangrijk voor het verslag, mijnheer de voorzitter. Als er iemand iets niet te pikken heeft, ben ik het wel. Een minister die na zes maanden iets wat hij in zijn beleidsnota heeft opgenomen, alleen maar heeft veranderd en nog altijd geen duidelijkheid schept over zijn plannen, ik vind daar wat van.

Frédéric Daerden:

Monsieur le président, je voudrais tout d'abord exprimer mes excuses auprès du ministre et de vous-même de mon arrivée quelque peu tardive.

Je n'ai pas eu l'occasion non seulement de poser ma question, mais d'entendre les différents éléments de réponse de M. le ministre. Mais je voulais lui dire ma préoccupation concernant la manière dont ce fonds de défense va être alimenté relativement à la vente de certains éléments du patrimoine de l'État et, surtout, relativement à l'équilibre – je préférerais que cela soit totalement déséquilibré – entre nos entreprises belges et la voie de l'achat à l'étranger. Nous savons que nous avons, dans le secteur, de nombreuses entreprises belges performantes. Mon inquiétude est grande en la matière. Je ne serai pas plus long compte tenu des circonstances que j'évoquais tout à l'heure.

Voorzitter:

La question n° 56006824C de M. Lacroix est sans objet. La question n° 56006886C de M. Bayet est retirée.

De btw-fraude via webshops

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 1 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Jan Jambon bevestigt dat grensoverschrijdende privéaankopen via zakelijke btw-nummers een reëel frauderisico vormen, maar stelt dat de omvang in België nog niet significant *meetbaar* is door beperkingen in de huidige analysemethodes (zoals de EU *VAT-gap*-studies). Concrete maatregelen zoals *near real-time reporting* (vanaf 2027, drie jaar voor de EU-deadline) en versterkte Europese samenwerking (via CESOP en ViDA) moeten de fraude bestrijden, maar een exacte kwantificering van de verloren inkomsten ontbreekt. Vanbesien kritiseert de tegenstrijdigheid: *geen harde cijfers*, maar wel de claim dat het probleem (nog) niet groot is, en benadrukt nood aan betere monitoring. De focus ligt op toekomstige oplossingen (digitale rapportage, EU-afstemming) in plaats van acute actie, ondanks het begrotingstekort.

Dieter Vanbesien:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, de Europese regelgeving bepaalt dat bij grensoverschrijdende aankopen door ondernemers geen btw wordt aangerekend. Dat vereenvoudigt de administratie, maar maakt het systeem fraudegevoelig, zoals bij btw-carrousels.

Recent onderzoek in Nederland toont ook een ander risico aan. De btw blijkt namelijk eenvoudig te omzeilen wanneer met een zakelijk account op online webshops producten voor privégebruik worden aangekocht in het buitenland. Hoewel de e-commerceplatformen wel controleren of een aankoop gebeurt met een geldig btw-nummer, wordt niet gecontroleerd of de ondernemer daadwerkelijk een bedrijfsaankoop doet dan wel of hij die aankoop betaalt met een privérekening. In het laatste geval is fraude bovendien moeilijk op te sporen, omdat die privékosten niet terug te vinden zijn in de boekhouding van het betreffende bedrijf. Maatregelen die een dergelijke controle mogelijk zouden moeten maken, zoals de Europese CESOP-richtlijn, zijn ontoereikend gezien het steeds toenemende aantal transacties.

Volgens de Europese Unie bedraagt de btw-gap in België 11 %, wat hoger is dan in de buurlanden. De daling in ons land is bovendien kleiner dan in de buurlanden. We lopen dus achter.

In uw beleidsverklaring hebt u gezegd dat u daaraan iets wilt doen en dat u btw-fraude sterker wilt aanpakken. U vermeldt daarin de verdere uitrol van het Europese ViDA-initiatief en de invoering van een near real-time reporting .

Ik heb de hiernavolgende vragen.

Hoe groot schat u de vermelde problematiek van btw-omzeiling via grensoverschrijdende privéaankopen in België? Wat is het aandeel daarvan in de totale btw-gap? Over hoeveel verloren inkomsten gaat het?

Kunt u toelichten hoe de in uw beleidsverklaring vermelde initiatieven de problematiek concreet zullen aanpakken?

Ten slotte, gezien het ontsporende begrotingstekort, waarom worden die initiatieven niet onmiddellijk uitgerold? Wat is daarvoor de timing?

Jan Jambon:

Mijnheer Vanbesien, om op uw eerste vraag te antwoorden: op basis van informatie van de antifraudediensten vormt het door u beschreven fenomeen effectief een reëel frauderisico, maar er zijn nog geen concrete aanwijzingen dat dit specifieke fenomeen in België een significante omvang heeft bereikt.

Het jaarlijkse Europese rapport inzake de VAT-gap maakt gebruik van onderliggende studies die gebaseerd zijn op globale macro-economische analyses. De gebruikte gegevens – afkomstig van mijn administratie en van de nationale rekeningen – en de gehanteerde methodologie laten echter niet toe een gedetailleerde opsplitsing te maken. Daardoor is het met deze methodologie niet mogelijk om te bepalen wat het aandeel is van de geschetste problematiek van btw-ontwijking via grensoverschrijdende privéaankopen in België binnen de globale btw-compliancekloof.

Dat neemt niet weg dat de antifraudediensten binnen mijn administratie het fenomeen aandachtig opvolgen, ook omdat het voorstellen van privéaankopen als aankopen voor de economische activiteit niet alleen beperkt is tot grensoverschrijdende afstandsverkopen en dus in een ruimer kader moet worden aangepakt.

Het fenomeen wordt enigszins opgevolgd door specifieke risicoanalyseparameters te combineren met de bestaande gegevens waarover de administratie beschikt, onder meer ingevolge de intracommunautaire opgave en het zogenaamde CESOP-systeem. Het wordt tevens opgenomen als aandachtspunt bij de lopende besprekingen in de taskforce van de lidstaten en de diensten van de Europese Commissie, om de bestaande regeling inzake afstandsverkopen op basis van de ervaringen van de lidstaten nog verder te verfijnen en structureel verder te versterken in het kader van de strijd tegen de btw-fraude.

Ik zal uw vragen twee en drie samen beantwoorden. Het project van near real-time reporting wordt in België uitgerold vanaf 2027, dus reeds drie jaar vóór de implementatie van de ViDA-richtlijn op Europees niveau.

Dieter Vanbesien:

Mijnheer de minister, dank u voor het antwoord. U zegt dat de antifraudediensten zeggen dat er momenteel geen aanwijzingen zijn dat het probleem significant is in ons land, maar tegelijkertijd zegt u dat het niet mogelijk is om het in kaart te brengen omdat de bestaande methodes daartoe onvoldoende zijn. Ik begrijp dan ook niet goed waarop men zich baseert om te zeggen dat het nog niet significant is. Ik ben echter wel blij dat de zaak op de radar staat en dat men zich bewust is van de problematiek en er naar oplossingen wordt gezocht. We zullen de cijfers verder in het oog houden.

De bescherming voor groente- en fruittelers inzake de terugbetaling van de bedrijfsvoorheffing

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 1 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De Belgische staat eist van honderden tuinders en fruittelers de terugbetaling van voorgehouden bedrijfsvoorheffing (tot €20.000) na een retroactieve annulering door het Grondwettelijk Hof, terwijl de boeren enkel de toen geldende regels volgden. Minister Jambon biedt verlengde betalingstermijnen (tot 12 maanden, met mogelijk kwijtschelding van vertragingsrentes) en maatwerkoplossingen voor kwetsbare bedrijven, maar sluit nog geen structurele compensatie of nieuw wettelijk kader uit, wat een politieke beslissing vereist. Anne Pirson dringt aan op een Europese oplossing, zoals een minimis-landbouwcompensatiefonds (onder EU-regels) om de getroffen telers direct te steunen, en benadrukt dat de staat zijn verantwoordelijkheid moet nemen voor deze foutieve heffing.

Anne Pirson:

Merci à M. Van Quickenborne d'avoir accepté que je pose ma question avant la dernière salve de ses questions.

Monsieur le ministre, lors de la séance plénière du 18 septembre, je vous ai interrogé sur la décision de l'administration de réclamer à des centaines de maraîchers et fruiticulteurs le remboursement du précompte professionnel dont ils avaient été dispensés depuis janvier 2024. Vous aviez annoncé ce jour-là des mesures d'accompagnement, notamment un délai exceptionnel de remboursement jusqu'à la fin de l'année et une tolérance sur les intérêts de retard. On comprend bien que votre administration applique l'arrêt de la Cour constitutionnelle du 25 juin dernier, qui est jugé contraire au droit européen.

Mais cette erreur, elle vient bien de l'État et pas des exploitants agricoles. C’est bien cela le problème. Donc, on leur réclame aujourd'hui parfois jusqu'à 20 000 euros, alors qu'ils n'ont fait que suivre les règles. C'est un montant difficile à réunir d'ici la fin de l'année. Plusieurs d'entre eux nous ont alertés. Le risque est d'avoir vraiment des conséquences directes sur l'économie rurale, peut-être sur l'approvisionnement local en fruits et légumes.

Il semble toutefois qu'ils puissent, sur base d'une circulaire ministérielle, demander un plan de paiement sur douze mois, sous réserve d'acceptation de vos services.

Monsieur le ministre, serait-il effectivement possible de prévoir un délai plus long que la fin de l'année? Pouvez-vous confirmer que les exploitants auront bien accès à un plan de paiement sur 12 mois à partir de fin 2025, et surtout garantir que votre administration fera preuve de souplesse pour ne pas fragiliser davantage ces exploitations? Et pour ceux qui ne parviendraient pas à rembourser intégralement leurs dettes, d'autres mesures de soutien sont-elles envisageables, comme une remise des intérêts de retard ou d’éventuelles amendes par exemple? Enfin, comptez-vous légiférer pour mettre en place un nouveau régime corrigé et, le cas échéant, des mesures de réparation pour les exploitants concernés?

Jan Jambon:

Madame, comme vous le soulignez, l'arrêt de la Cour constitutionnelle du 25 juin 2025 a annulé, avec effet rétroactif au 1 er janvier 2024, la dispense partielle du versement du précompte professionnel pour les travailleurs saisonniers dans les secteurs de la culture maraîchère et fruitière.

Cet arrêt peut avoir des conséquences financières importantes pour les exploitants concernés. Conscient de cette situation, le SPF Finances a déjà prévu une prolongation exceptionnelle du délai de paiement de trois mois, ce qui permet aux redevables de reporter leur paiement au-delà de la fin de l'année 2025.

En complément, les exploitants agricoles peuvent bénéficier des mesures d'accompagnement standard prévues pour les entreprises en difficulté de paiement.

Premièrement, un plan de paiement sans formalité. Si la dette peut être apurée dans un délai de quatre mois à compter de la date d'échéance, un plan de paiement peut être accordé sans formalité supplémentaire pour autant que l'entreprise ne présente aucune autre dette envers le SPF Finances. Cette demande peut facilement se faire via MyMinfin.

Deuxièmement, un plan de paiement jusqu'à 12 mois. Pour des délais plus longs, donc jusqu'à 12 mois, une analyse de la capacité de paiement est effectuée. Cette évaluation prend en compte les revenus, les charges et l'existence éventuelle d'autres dettes fiscales.

Troisièmement, les mesures individualisées. En cas de difficulté structurelle, des délais étendus peuvent être sollicités. Ils pourront être accompagnés des mesures exceptionnelles suivantes octroyées par les centres régionaux de recouvrement: la remise totale ou partielle des intérêts de retard, la surséance indéfinie au recouvrement s'il s'agit d'une personne physique.

L'octroi de ces mesures dépend de la situation financière et économique de l'entreprise, notamment l'absence de dettes privées importantes, l'impossibilité de respecter un plan de paiement classique et la bonne foi du redevable. Ces dispositifs offrent une réponse souple et proportionnée aux difficultés rencontrées par les exploitants sans qu'il ne soit nécessaire, à ce stade, de prévoir des mesures spécifiques. Ils permettent d'éviter des conséquences économiques disproportionnées tout en respectant le cadre légal en vigueur.

Pour instaurer un nouveau régime, une décision politique devra être prise au sein du gouvernement, donc je ne vais pas anticiper sur cette décision.

Anne Pirson:

Merci monsieur le ministre pour vos réponses. On se réjouit de voir que vous êtes attentif aux difficultés rencontrées sur le terrain et que vous êtes prêt à chercher des solutions Au-delà des mesures évoquées, pourrions-nous vous suggérer de réfléchir à des solutions sur le droit européen, par exemple un fonds d'indemnisation agricole sous le régime des minimis? Il pourrait être mis en place rapidement. Ce dispositif est encadré par le règlement européen 1408/2013. Il permet de soutenir directement les exploitants les plus touchés tout en respectant le cadre européen des aides d'État. C'est une piste réaliste et juridiquement sûre, mais c'est aussi un signal politique fort. J'ai bien entendu que vous n'en étiez pas encore là au niveau du gouvernement, mais un gouvernement qui assume ses responsabilités, y compris celles des législatures précédentes, et qui protège ses agriculteurs plutôt que de les laisser seuls face à une erreur imputable à l'État, c'est un bon gouvernement pour nous.

De toepassing van het vermoeden van goede trouw bij aanslagen van ambtswege

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 1 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De circulaire van 28 juli 2025 over artikel 444 handhaaft dat het vermoeden van goede trouw niet geldt bij een aanslag van ambtswege, zelfs bij eerste overtredingen zonder fraudeopzet, tenzij de belastingplichtige dit actief aantoont. Jambon benadrukt dat de fiscus individuele dossiers beoordeelt om disproportionaliteit te voorkomen, maar Van Quickenborne wijst op een structurele sluipweg: de fiscus kan artikel 351 (aanslag van ambtswege) misbruiken om het gewijzigde artikel 444 (met vermoeden van goede trouw) te omzeilen, wat leidt tot systematische strengere belasting voor burgers. De discussie draait om juridische inconsistentie en de praktische uitvoering, met een verwachte uitspraak van het Grondwettelijk Hof.

Vincent Van Quickenborne:

Mijnheer de minister, het gaat over de circulaire van 28 juli 2025 over de toepassing van artikel 444. Ik heb een aantal precieze vragen.

Ten eerste, kunt u toelichten hoe deze circulaire zich verhoudt tot de wettekst zelf en welke juridische waarde een dergelijke in principe tolerantie heeft?

Ten tweede, bevestigt u dat belastingplichtigen die objectief gezien een eerste overtreding begaan zonder fraudeopzet, ook bij een aanslag van ambtswege in beginsel het vermoeden van goede trouw zouden moeten genieten?

Ten derde, hoe wilt u vermijden dat dit principe in de praktijk uitgehold wordt en burgers disproportioneel worden belast?

Jan Jambon:

Mijnheer Van Quickenborne, ik herinner eraan dat het vermoeden van goede trouw voorheen ook niet bestond bij een aanslag van ambtswege. Er is dus geen verstrenging ten opzichte van de vroegere situatie.

Bovendien is de aanslag van ambtswege facultatief voor de administratie en niet verplicht. Daarom wordt deze procedure niet altijd systematisch toegepast, maar vooral in geval van niet-aangifte wanneer de termijn vermeld in de herinneringsbrief nog niet is verstreken of vóór de verzending van die brief. In dat geval blijft het vermoeden van goede trouw wel van toepassing.

Wat uw tweede vraag betreft, ik bevestig dat het vermoeden van goede trouw in hoofde van de belastingplichtige die een eerste overtreding heeft begaan zonder het opzet belastingen te ontduiken, niet van toepassing is in geval van toepassing van de procedure van aanslag van ambtswege. De belastingplichtige heeft echter steeds de mogelijkheid zijn goede trouw aan te tonen.

Ten derde, wanneer de belastingplichtige het voorwerp uitmaakt van een procedure van wijziging in de de aangifte, kan het vermoeden van goede trouw bij een eerste overtreding van toepassing zijn. Dat vermoeden is weerlegbaar; bijgevolg is de administratie vrij om op basis van de concrete elementen van het dossier aan te tonen dat de belastingplichtige te kwader trouw heeft gehandeld.

Wanneer de belastingplichtige het voorwerp uitmaakt van een procedure van aanslag van ambtswege, is het vermoeden van goede trouw bij een eerste overtreding niet van toepassing. De administratie zal in dat geval een belastingverhoging van 10 % toepassen voor een eerste overtreding zonder fraudeopzet, tenzij de belastingplichtige kan aantonen dat hij te goeder trouw heeft gehandeld.

Om disproportionaliteit te vermijden, onderzoekt de administratie elk dossier individueel, rekening houdend met de concrete elementen en de stukken die de belastingplichtige aanlevert. Deze aanpak waarborgt dat het principe van goede trouw zijn volle betekenis behoudt, zelfs in het geval van een aanslag van ambtswege.

Vincent Van Quickenborne:

Mijnheer de minister, het probleem is dat u stelt dat de fiscus bij een aanslag van ambtswege de goede trouw kan overwegen, maar dat hij dat niet altijd zal doen. In artikel 444, dat u hebt gewijzigd, stelde zich exact hetzelfde probleem. Ook daar kon de fiscus desgevallend uitgaan van de goede trouw van de belastingplichtige. Aangezien de fiscus dat niet systematisch deed, hebt u het vermoeden van goede trouw ingeschreven in dat artikel. De fout die u gecorrigeerd hebt in artikel 444, stelt zich echter ook in artikel 351. U zegt erop toe te zullen zien dat de fiscus het vermoeden van de goede trouw respecteert, maar dat dit niet systematisch zal gebeuren. Het gevolg hiervan is dat de fiscus systematisch gebruik zal maken van de aanslag van ambtswege om te vermijden dat het gewijzigde artikel 444 wordt toegepast. Daardoor heeft de fiscus een nieuwe sluipweg gevonden om de belastingplichtige alsnog te treffen. Aangezien u die sluipweg verder hebt opengezet, zullen daar menige belastingplichtigen het slachtoffer van worden. Mijnheer de minister, we kijken uit naar de lopende zaak voor het Grondwettelijk Hof, maar ook naar betere wetgeving.

De zelfmoord in de gevangenis van Wortel
De zelfmoord in de gevangenis van Wortel
De situatie in de gevangenis van Wortel
De situatie in de gevangenis van Wortel
Problemen in de gevangenis van Wortel

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 1 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De gevangenis van Wortel kampt met structurele crises: zelfdoding, ontsnappingen, geweld, pesterijen en verouderde infrastructuur, verergerd door overbevolking (13.075 gedetineerden), personeelstekorten en onvoldoende geestelijke gezondheidszorg—met name voor psychisch kwetsbare gevangenen. Minister Verlinden erkent de systeemfalingen, wijst op pilootprojecten voor suïcidepreventie (BelRAI-screening, e-learning) en belooft dringende herstellingen (camera’s, cellen), maar bevestigt dat zorgaanbod en registratie van klachten (over mishandeling) ontoereikend zijn, zonder centrale monitoring. Cipiers en politici eisen meetbare actie: betere opleiding (agressiebeheersing, psychische signalen), transparante klachtenopvolging, en structurele investeringen in veiligheid, infrastructuur en re-integratie—met dringende oproepen voor een alomvattend monitoringsysteem per gevangenis. De situatie wordt als "onhoudbaar" omschreven, met risico op massale personeelsuitstroom.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, enige tijd geleden maakte een gedetineerde in de gevangenis van Wortel een einde aan zijn leven. De precieze omstandigheden waren op het moment dat ik deze vraag indiende onbekend, maar dat is al enige tijd geleden. In de pers wordt echter melding gemaakt van pesterijen. Een ex-gedetineerde stelde het volgende en ik citeer: "In een gevangenis zoals deze is nauwelijks adequate geestelijke gezondheidszorg beschikbaar voor mensen die intensieve ondersteuning nodig hebben. Het personeel doet wat het kan, maar het systeem faalt volledig. Voor hen is dit opnieuw een slag in het gezicht. Zij proberen dag in, dag uit een veilige omgeving te bieden, terwijl het systeem mensen zoals deze gedetineerde eenvoudigweg niet kan helpen."

Een paar dagen daarvoor was een gevangene die een uitgaansvergunning had gekregen, niet teruggekeerd. Die twee feiten op korte tijd, mevrouw de minister, komen boven op een lange reeks problemen in de gevangenis van Wortel. Naast de gedetineerden zelf klagen de cipiers ook steeds vaker dat de agressie naar hen toeneemt. De personeelstekorten blijven structureel. Enkele weken geleden heb ik u ook ondervraagd over de defecte camera's. In juli legden de cipiers nog het werk neer vanwege geweld door gedetineerden. Kortom, de situatie in Wortel is werkelijk onhoudbaar geworden.

Ik heb daarom enkele vragen.

Kunt u wat meer toelichting geven over de precieze omstandigheden van die zelfmoord?

Een ex-gedetineerde gaf aan dat de geestelijke gezondheidszorg in Wortel inadequaat is of zelfs niet beschikbaar voor mensen die ondersteuning nodig hebben. Wat is daarop uw reactie?

Kunt u toelichten hoeveel gevangenen die in de gevangenis van Wortel verblijven, geïnterneerd zijn en geestelijke gezondheidszorg nodig hebben, hoeveel zorgpersoneel ter beschikking staat en op welke manier die geestelijke gezondheidszorg wordt geboden?

Alain Yzermans:

Het incident in de gevangenis van Wortel brengt zowel gedetineerden als cipiers in opspraak en ondergraven het imago van ons detentiesysteem. Een tragisch voorval heeft plaatsgevonden waarbij een gedetineerde zichzelf van het leven beroofde, nadat hij - volgens de media - was blootgesteld aan wangedrag door bewakers. Dit incident maakt deel uit van een bredere geweldsproblematiek en onveiligheid binnen de muren van de gevangenis. Zijn dit uitwassen van de overbevolking die die wederzijdse spanningen doen oplaaien tussen een groeiend aantal kwetsbare gedetineerden en het personeel dat onder enorme druk niet altijd adequaat reageert? Alleszins maken we hier als overheid een slechte beurt , een zoveelste knauw in het vertrouwen van ons rechtssysteem.

Vragen voor de minister van Justitie;

Welke maatregelen worden er genomen om de veiligheid en geestelijke gezondheid van gedetineerden in gevangenissen te waarborgen, vooral na de recente zelfmoord? Is er een voldoende aanbod aan gezondheidszorg in Wortel ?

Hoe gaat u de meldingen van mishandeling en pesterijen, zoals gerapporteerd in de media, onderzoeken en welke maatregelen zijn hiervoor opgesteld?

Hoe zorgt u ervoor dat gevangenissen niet alleen plaatsen van detentie zijn, maar ook effectieve instellingen voor rehabilitatie en re-integratie van gedetineerden? Krijgen onze cipiers voldoende opleiding en weerbaarheidstraining om met dergelijke complexe profielen om te gaan ?

We constateren dat de nog steeds groeiende overbevolking in onze gevangenissen de spanningen doet toenemen. We tellen ondertussen 13.075 gedetineerden. Het aantal groeit ondanks de recente noodwet die van kracht is. Heeft u hier verklaringen voor?

Stefaan Van Hecke:

De gevangenis van Wortel kwam de afgelopen maanden meermaals in het nieuws door ernstige incidenten: een ontsnappingspoging in 2024 via een gat in een celmuur, brandstichting tijdens een protestactie in januari 2025, vechtpartijen en smokkelpogingen in juni, en recent een geval van zelfdoding en een ontsnapping die opnieuw tot een intern onderzoek hebben geleid. Deze opeenvolging van gebeurtenissen legt niet alleen structurele gebreken bloot, maar roept ook vragen op over de werkomstandigheden van penitentiair bewakingsassistenten (PBA's), de opleiding die zij krijgen om met kwetsbare of suïcidale gedetineerden om te gaan, en de interne controlemechanismen.

Daarnaast bereiken ons signalen over een gebrek aan transparantie bij de behandeling van klachten van gedetineerden en over onduidelijkheid over hoe ongepast gedrag van personeel wordt geregistreerd en opgevolgd.

Hoeveel formele klachten werden in 2024 en in 2025 tot op heden ingediend in de gevangenis van Wortel, en hoeveel daarvan hadden betrekking op ongepast gedrag of geweld door personeel? En wat zijn de cijfers in het totaal (alle gevangenissen?

Hoe verloopt de behandeling van dergelijke klachten concreet: door wie worden ze onderzocht, binnen welke termijnen, en welke maatregelen werden het voorbije jaar effectief genomen naar aanleiding van gegronde klachten?

Welke specifieke opleidingen of bijscholingen volgen PBA's met betrekking tot (a) het omgaan met geïnterneerden en psychisch kwetsbare personen, en (b) het herkennen en voorkomen van suïcidale gedragingen? Zijn deze opleidingen verplicht voor alle personeelsleden?

Hoe ziet de evaluatie- en opvolgingscyclus van PBA's eruit? Met welke frequentie vinden functionerings- of evaluatiegesprekken plaats, en welke criteria worden daarbij gehanteerd?

Naar aanleiding van de recente incidenten in Wortel: welke structurele en organisatorische maatregelen werden reeds genomen of zijn gepland om de veiligheid te verbeteren voor zowel gedetineerden als personeel?

Sophie De Wit:

De gevangenis van Wortel kwam de afgelopen maanden herhaaldelijk in het nieuws door ernstige incidenten: een ontsnappingspoging via een gat in de celmuur, brandstichting en vechtpartijen eerder dit jaar, en recent een zelfdoding en een ontsnapping die opnieuw tot een intern onderzoek hebben geleid. Deze opeenvolging van gebeurtenissen wijst niet enkel op structurele problemen, maar roept ook vragen op over de opleiding en ondersteuning van ons gevangenispersoneel.

De penitentiaire beambten staan dagelijks in de frontlinie: zij worden geconfronteerd met overbevolking, agressieve en psychisch kwetsbare gedetineerden, en een hoge werkdruk. Net daarom is het essentieel dat zij via hun opleiding en permanente vorming de juiste instrumenten krijgen om professioneel en veilig te kunnen functioneren.

Is er al meer duidelijkheid over de beschuldigingen aan het adres van de gevangenis en het personeel?

Kan u bevestigen dat de klachten over de omstandigheden in de gevangenis van Wortel hoger liggen dan in andere instellingen?

Welke conclusies trekt u uit uw recente werkbezoek aan de gevangenis en uw ontmoeting met het personeel? Plant u maatregelen om de veiligheid van personeel en gedetineerden te verbeteren?

Hoe beoordeelt u de huidige basisopleiding van penitentiaire beambten in het licht van de steeds complexere werkomstandigheden, zoals in de gevangenis van Wortel?

Wordt in de opleiding voldoende aandacht besteed aan omgaan met agressie, conflicthantering, diversiteit en het herkennen van psychische kwetsbaarheid en suïcidaal gedrag bij gedetineerden?

Welke mogelijkheden bestaan er voor permanente vorming en bijscholing, en hoe worden deze toegepast in instellingen die zwaar onder druk staan?

Annelies Verlinden:

Uiteraard is het overlijden van een gedetineerde door zelfdoding telkens opnieuw een ingrijpende gebeurtenis. Elk suïcidegeval is er één te veel en dat geldt zeker ook in de gevangenis. Zo'n overlijden treft de nabestaanden, maar ook de gevangenismedewerkers, die zich dag in dag uit inzetten om een veilige omgeving te creëren in de gevangenis. Ondanks de blijvende aandacht voor suïcidepreventie en de genomen veiligheidsmaatregelen, voelt zo'n overlijden daarom ook altijd aan als een falen van het systeem.

We moeten erkennen dat de situatie in onze gevangenissen bijzonder moeilijk is. Wortel is daar helaas geen uitzondering op. Dat legt extra druk op zowel de gedetineerden als de medewerkers en beïnvloedt ook het mentaal welzijn van beide groepen. Ik heb zelf recent de gevangenis van Wortel bezocht. Daar heb ik met eigen ogen kunnen zien welke problemen het personeel dagelijks ondervindt.

Uw vragen rond het suïcidebeleid en de opleiding van het personeel geven een belangrijk aandachtspunt aan. Vanuit de penitentiaire administratie bestaan duidelijke richtlijnen en een leidraad inzake suïcidepreventie, die in 2023 volledig werd geactualiseerd.

Daarnaast is sensibiliseringsmateriaal beschikbaar, zowel voor personeel als voor gedetineerden. Gedetineerden hebben ook toegang tot gratis telefonische hulplijnen. Bewust wordt ervoor gekozen penitentiaire beambten of detentiebegeleiders als eerstelijnswerkers in te zetten op de sectie. Zij zijn het eerste aanspreekpunt en ook de eersten die signalen kunnen opvangen wanneer het met een gedetineerde niet goed gaat. Die observaties worden bovendien bijgehouden in observatiefiches.

Er wordt momenteel gewerkt aan de ontwikkeling van de BelRAI, een gestandaardiseerd en wetenschappelijk gevalideerd screenings- en intake-instrument. Dat instrument kan binnenkomende gedetineerden screenen, onder meer om het suïciderisico te detecteren. Het instrument wordt vandaag getest in vijf pilootgevangenissen, meer bepaald Hasselt, Lantin, Jamioulx, Dendermonde en Leuze.

Voor het personeel wordt in de basisopleiding ruim aandacht besteed aan thema's zoals agressiebeheersing, het inschatten van suïciderisico's, statistieken en risicopopulaties, maar ook het herkennen van waarschuwingssignalen en de principes die gelden bij het detecteren ervan. Daarnaast komen depressie en een gepaste reactie binnen de detentiecontext aan bod. Die basisvorming wordt aangevuld met supervisie, intervisie en bijscholing, zodat medewerkers blijvend worden ondersteund.

Er loopt momenteel een pilootproject rond suïcidepreventie in vier penitentiaire inrichtingen, meer bepaald in Brugge, Mechelen, Merksplas en Ieper. Medewerkers volgen daarbij via e-learning zeer gerichte vorming.

Voor wie werkt op een psychiatrische afdeling zijn er bovendien specifieke zorgtrajecten rond omgaan met psychisch kwetsbare personen. Er worden ook korte flitstrainingen over suïcidepreventie georganiseerd.

Collega Van Hecke, met betrekking tot de opvolging en evaluatie wordt het bewakingspersoneel jaarlijks geëvalueerd op basis van duidelijke prestatie- en ontwikkelingsdoelstellingen. De gevangenisdirectie kan daarin bepaalde accenten leggen, in functie van het beleid dat zij binnen haar inrichting wil voeren. Waakzaam zijn voor suïcide kan als concreet actiepunt worden opgenomen in het kader van de evaluatie.

Het functioneren van personeelsleden wordt bijgestuurd aan de hand van tussentijdse functioneringsgesprekken.

Collega's, uw vragen over de geestelijke gezondheidszorg in de gevangenissen en de bijbehorende bezorgdheden zijn uiteraard zeer relevant. Dat is niet alleen een uitdaging in de gevangenis van Wortel, maar ook in andere gevangenissen. Ik deel die bezorgdheid met u. Daarom werk ik nauw samen met mijn collega van Volksgezondheid en met de deelstaten om gespecialiseerde zorgteams op te zetten, zoals eerstelijnspsychologen en andere gezondheidszorgorganisaties. Toch moeten we erkennen dat vandaag de noden groter zijn dan het aanbod en dat alle actoren blijvend moeten investeren in zorgpersoneel en aangepaste begeleiding.

Samen met collega Vandenbroucke onderzoek ik op welke manier de gezondheidszorg, en dus ook de geestelijke gezondheidszorg, kan worden overgeheveld naar de FOD Volksgezondheid. Tijdens deze legislatuur zullen daartoe twee pilootprojecten worden geïdentificeerd.

Het is zo dat de gevangenis van Wortel veel gedetineerden met complexe problematieken huisvest. Vaak worden psychisch kwetsbare personen naar Wortel overgebracht, omdat daar nog monocellen beschikbaar zijn. Velen van hen hebben dus nood aan geestelijke gezondheidszorg en het huidige aanbod is ontoereikend. Er is wel permanent medisch personeel aanwezig, aangevuld met psychologen en maatschappelijk werkers, die ook werken aan re-integratie.

Collega Dillen, met betrekking tot uw vraag naar het aantal geïnterneerden en het zorgpersoneel in Wortel kan ik verduidelijken dat er in Wortel geen geïnterneerden verblijven en dat er dus geen EPI-zorgequipe is tewerkgesteld. De Vlaamse Gemeenschap voorziet wel in ondersteuning – bijvoorbeeld door het CGG – via het strategisch plan voor hulp- en dienstverlening aan gedetineerden en via de bevoegdheid welzijn, maar dat aanbod is beperkt. Net als in de samenleving is het zorgaanbod onvoldoende groot om aan de noden te voldoen, terwijl de gevangenispopulatie vaak een concentratie is van kwetsbare profielen met een grote zorgnood.

Collega Yzermans, ik ben het met u eens dat gevangenissen niet louter detentieplaatsen mogen zijn, maar ook instellingen voor rehabilitatie en re-integratie moeten zijn. De zware overbevolking en het tekort aan middelen dwingen ons vaak tot voortdurend crisismanagement, waardoor de ruimte om onder veilige omstandigheden aan re-integratie te werken, beperkt blijft. Daarom zetten we tegelijk in op de aanpak van de overbevolking en op een nauwe samenwerking met de deelstaten en met Volksgezondheid. Meer hulp- en dienstverlening en kwalitatieve gezondheidszorg in de gevangenissen zijn essentieel, net als de verdere uitbouw van detentiehuizen.

Het nog te vroeg om over de noodwet definitieve uitspraken te doen. De gevangenisdirecteurs hebben de voorbije weken heel veel adviezen opgesteld die nu ter beoordeling bij de SURB liggen. Dat is het systeem dat we hebben moeten ontwikkelen. In de komende weken zal blijken hoe de SURB met de adviezen omgaat en in welke mate dat aanleiding geeft tot een verdere toepassing van de uitvoeringsmodaliteiten.

Mevrouw De Wit, mijnheer Van Hecke, voor uw vragen over het aantal klachten van gedetineerden tegen personeel moet ik antwoorden dat die klachten niet centraal worden geregistreerd en dat het onmogelijk is om daarover een globale uitspraak te doen. In Wortel zijn naar aanleiding van het incident wel twee tuchtprocedures opgestart tegen bewakingspersoneel. Die procedures lopen nog, zodat ik daarover vandaag niets bijkomends kan communiceren.

Mevrouw Dillen, tijdens en voorafgaand aan mijn bezoek aan Wortel heb ik enkele dringende infrastructurele noden vastgesteld waarvoor inmiddels actie is ondernomen, onder meer met betrekking tot de camera’s. Om de defecte camerabeelden op cruciale plaatsen opnieuw te activeren, werd een tijdelijk systeem geïmplementeerd dat al operationeel is en positief werd onthaald. Op 26 augustus 2025 kreeg ook het dossier voor de vernieuwing van de cameraserver en de update van de software een positief advies van de Inspectie van Financiën.

Het dossier kan nu de administratieve procedure doorlopen. Offertes konden tot 16 september 2025 worden ingediend. De analyse daarvan bevindt zich inmiddels in de eindfase, waarna het gunningsdossier zo snel mogelijk aan de Inspectie van Financiën kan worden voorgelegd.

Daarnaast zijn enkele veiligheidscellen onbruikbaar door beschadiging. De Regie der Gebouwen heeft intussen een aannemer aangesteld om de gevandaliseerde cellen te herstellen. Die aannemer start de werken momenteel op.

Voorts loopt een dossier om twee bestaande, maar momenteel niet bruikbare strafcellen in vleugel A te renoveren. Ook dat dossier werd via de officiële kanalen ingediend bij de Regie der Gebouwen en doorloopt de administratieve procedure voor opname in de prioriteitenlijst.

Marijke Dillen:

Ik dank u voor het antwoord, mevrouw de minister. We weten allemaal dat de situatie in alle gevangenissen bijzonder schrijnend is, maar in Wortel is het nog veel ernstiger dan elders. Er is een nijpend personeelstekort, de agressie neemt toe, de infrastructuur is onveilig, het ziekteverzuim is extreem hoog en er doen zich veel arbeidsongevallen voor.

Daarnaast is er, zoals u zelf aangaf, een complexe gedetineerdenpopulatie. Er verblijven blijkbaar geen geïnterneerden, maar er zijn toch een heel aantal gedetineerden met een bijzonder complexe psychiatrische problematiek. Ook verblijven er veel gedetineerden zonder verblijfsrecht. Dat maakt de situatie voor het personeel daar werkelijk onhoudbaar.

U zegt dat er inmiddels een aantal acties werd ondernomen om dringende noden op te vangen, zoals het camerasysteem en twee van die cellen. De situatie in Wortel gaat echter veel verder. Ik vind dat u, samen met uw collega, bevoegd voor de Regie der Gebouwen, meer inspanningen moet leveren om daar met hoogdringendheid werk van te maken, want het personeel is werkelijk op. Die mensen moeten onder steeds zwaardere arbeidsomstandigheden werken. Zij merken niets van de verbeteringen. Zij geven duidelijk aan dat de situatie voor hen onhoudbaar is. Velen overwegen om deze gevangenis te verlaten en elders te gaan werken.

Alain Yzermans:

De situatie is schrijnend. Een aantal initiatieven die nu worden genomen, sluiten goed aan bij de vraag van vandaag. Er staan enkele vulkanen – op het vlak van de hulpverlening en personeelstekorten bijvoorbeeld – op uitbarsten. Het zou wellicht goed zijn om een monitoring per gevangenis op te starten en een alomvattend rapport op te stellen, dat duidelijk maakt waar de tekorten liggen en op welke manier die kunnen worden aangepakt. Zo kan per detentiehuis een voortgangsrapport worden opgesteld op alle verschillende niveaus, van de gebouwen tot het welzijn. Ik doe slechts een suggestie.

Stefaan Van Hecke:

Mevrouw de minister de situatie is ernstig en schrijnend. Ik wil inpikken op één element van uw antwoord. U zei dat de klachten niet worden bijgehouden. Dat zou eigenlijk niet mogen, want hoe kan vanuit het beleid worden beoordeeld hoe een en ander verloopt als er geen cijfers worden bijgehouden? Ik vraag me dan ook af hoe de commissies van toezicht te werk moeten gaan als er geen cijfers beschikbaar zijn. Of beschikken de commissies van toezicht wel over cijfers, maar betreft het enkel klachten die specifiek bij hen worden ingediend? Als we het belangrijk vinden dat de commissies van toezicht hun werk grondig kunnen doen, lijkt het mij essentieel dat dergelijke gegevens aan hen ter beschikking worden gesteld. Indien die cijfers niet worden bijgehouden, is dat een belangrijk werkpunt.

Sophie De Wit:

Mevrouw de minister, ik zou kunnen herhalen dat de situatie schrijnend is, maar dat is al voldoende gezegd. Ik steun het idee om alles goed te blijven monitoren, niet alleen in Wortel, maar in alle gevangenissen. We kunnen niet zomaar overgaan tot de orde van de dag. Het is een grote uitdaging, eentje die we elke dag opnieuw zullen moeten aangaan, vrees ik.

Voorzitter:

Chers collègues, les questions n os 56007723C et 56007803C de M. Frédéric Daerden sont transformées en questions écrites. Il en est de même pour les questions jointes n os 56008072C et 56008561C de Mme Sophie De Wit et de M. Alexander Van Hoecke, de la question n° 56008106C de M. Anthony Dufrane. Les questions jointes n os 56008242C, 56008277C et 56008532C de M. Alexander Van Hoecke et de Mme Sophie De Wit sont reportées. Les questions n os 56008549C et 56008590C de M. Julien Ribaudo, les questions jointes n os 56008637C et 56008700C de Mme Sophie De Wit et de M. Paul Van Tigchelt ainsi que la question n° 56008682C de Mme Sophie De Wit sont transformées en questions écrites.

De aanhoudende betaalachterstand voor gerechtstolken en -vertalers
De betaalachterstand bij Justitie voor vertalers en tolken
De achterstand in de betaling van gerechtstolken in Brussel
De betaling van vertalers-tolken
Financiële achterstanden bij betaling van gerechtstolken en -vertalers

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 1 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Justitie kampt met structurele, historisch hoge betaalachterstanden bij gerechtstolken en vertalers (gemiddeld 47 dagen vertraging, vroeger 19 dagen), wat leidt tot financiële nood bij tolken, uitgestelde rechtszaken (bv. Brussel-zaak na 5 jaar wachten) en risico op afhaken van tolken. Minister Verlinden wijt dit aan personeelstekort, verouderde systemen en complexe budgetprocedures, belooft extra administratief personeel, digitalisering (Justinvoice) en overleg met Financiën voor btw-uitstel, maar concrete resultaten blijven uit. Kritiekpunten zijn gebrek aan urgente oplossingen, ontbrekende cijfers over omvang (bv. migratie-impact op tolkvragen) en slechte werkomstandigheden (lage tarieven, gebrekkige infrastructuur). Een motie eist budgetverhoging, tariefherziening, betere werkomstandigheden en een geautomatiseerd betaalplatform.

Voorzitter:

Mevrouw Dillen, kunt u uw interpellatie en vraag in één enkele tussenkomst behandelen?

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, de betaalachterstand bij Justitie heeft een nieuw dieptepunt bereikt. In de media konden we lezen dat een 79-jarige Limburgse gerechtstolk maanden moest wachten op een betaling van 50.000 euro. De btw-administratie hield daar echter geen rekening mee, verleende geen uitstel van betaling en stuurde zelfs een gerechtsdeurwaarder.

Alsmaar meer vertalers en tolken klagen over structurele betaalachterstanden. Verschillende tolken, mevrouw de minister, staat het water aan de lippen. Omdat Justitie haar facturen niet tijdig betaalt, kampen ze zelf met moeilijkheden om hun eigen rekeningen te betalen.

Het probleem is niet nieuw, dat weten we allemaal, maar het is blijkbaar nog nooit zo erg geweest. Mevrouw de minister, dit is een regelrechte schande, Justitie onwaardig. Van de door u al lang beloofde wegwerking van deze betaalachterstand is blijkbaar nog niets gerealiseerd.

Justitie heeft duidelijk structurele problemen met de administratieve verwerking, waardoor de achterstand niet wordt weggewerkt, maar integendeel blijft toenemen. Vakbonden en belangenorganisaties luiden opnieuw de alarmbel. Ze vrezen dat tolken en vertalers zullen afhaken, waardoor rechtszaken in gevaar komen.

Iedereen is het er immers over eens dat de rol van tolken cruciaal is voor een goed verloop van een rechtszaak. Het gaat bovendien om een absoluut gebrek aan respect tegenover de vertalers en tolken, die vaak op onregelmatige uren en onder moeilijke omstandigheden hun werk doen.

U hebt al herhaaldelijk aangekondigd dat de facturen tijdig zouden worden betaald, maar in de praktijk blijkt dat nog altijd niet het geval te zijn.

Ten eerste, wat zijn de oorzaken daarvan? Kunt u mij vervolgens bevestigen hoeveel achterstallige betalingen er momenteel openstaan en hoe groot de vertraging is?

Ten derde, mevrouw de minister, heb ik nog een heel belangrijke vraag. Hebt u nu eindelijk overleg gehad met de minister van Financiën om uitstel van betaling van de btw te verkrijgen zolang Justitie de facturen zelf niet heeft betaald? Dat is het minimum dat u deze mensen verschuldigd bent.

Ten vierde, welke concrete initiatieven zult u nemen om deze onaanvaardbare problematiek eindelijk fundamenteel en ten gronde op te lossen, zodat vertalers en gerechtstolken in de toekomst uiterlijk op de vervaldag van hun facturen worden betaald?

Ten vijfde stel ik vast dat voornamelijk in correctionele zaken en voor de jeugdrechtbanken almaar meer een beroep moet worden gedaan op tolken, omdat verdachten het Nederlands niet machtig zijn. Erkent u deze situatie, mevrouw de minister, en erkent u ook dat dat het gevolg is van de enorme toename van tolk- en vertaalopdrachten door de aanhoudende massa-immigratie?

Hoe is ten slotte de concrete situatie bij andere beroepsgroepen waar Justitie regelmatig een beroep op doet, zoals de takeldiensten, slotenmakers enzovoort? Worden hun facturen nu eindelijk tijdig betaald of is er ook daar sprake van een betalingsachterstand?

Ik had, mijnheer de voorzitter, ook een specifieke vraag met betrekking tot de gerechtstolken in Brussel. Daarvoor verwijs ik naar mijn schriftelijke voorbereiding.

Ondanks alle mooie beloftes om gerechtstolken eindelijk tijdig te betalen, komt er maar geen einde aan de reeds lang aanslepende problematiek van het veel te laat betalen van de facturen van de gerechtstolken die een cruciale rol spelen bij de goede werking van de rechtbanken, in het bijzonder van de correctionele rechtbanken. Dit heeft ernstige gevolgen voor de rechtszoekende. Reeds lang waarschuwen belangenorganisaties en vakbonden voor het risico dat gerechtstolken en vertalers zullen afhaken waardoor rechtszaken in gevaar komen. Dit wordt helaas de harde realiteit. Een voorbeeld: 5 jaar nadat een Nederlandstalige kleuterjuf werd aangevallen, geslagen en belaagd door de ouders van een leerling krijgt ze eindelijk haar proces. De zaak moest voorkomen op woensdag 24 september jl. voor de Franstalige correctionele rechtbank. Maar op de zitting diende deze dame en haar raadsman te vernemen dat er geen tolk kwam omdat hij niet betaald wordt. Gevolg: zaak werd uitgesteld naar januari 2026. Dit is absoluut onaanvaardbaar, een goed werkende Justitie absoluut onwaardig. Het is de zoveelste smet op Justitie.

Is de minister op de hoogte van deze problematiek? Waarom kon er geen andere tolk worden opgeroepen om het slachtoffer bij te staan zodat de behandeling van het dossier toch kon doorgaan?

Kan de minister meer toelichting geven betreffende de omvang van deze problematiek bij de Nederlandstalige en Franstalige Rechtbanken te Brussel? Hebt u cijfers van het aantal dossiers dat hier door de afwezigheid van een gerechtstolk diende te worden uitgesteld?

De minister heeft al herhaaldelijk aangekondigd dat de facturen tijdig zouden worden betaald maar uit de praktijk blijkt dit niet het geval te zijn. Wat zijn hiervan de oorzaken specifiek wat de rechtbanken in Brussel betreft? Hoe groot is de omvang van de nog openstaande facturen hier en hoe groot is de vertraging?

Welke concrete initiatieven gaat de minister bij hoogdringendheid nemen om deze onaanvaardbare problematiek eindelijk fundamenteel op te lossen zodat de gerechtstolken en -vertalers in de toekomst uiterlijk op de vervaldag van de facturen worden betaald?

Paul Van Tigchelt:

Uit cijfers van de FOD Justitie blijkt dat in de eerste helft van dit jaar slechts 46 procent van de facturen van vertalers en tolken in strafzaken binnen de wettelijke termijn van 30 dagen werd betaald. Vorig jaar was dat nog 64 procent, twee jaar geleden zelfs 90 procent met een gemiddelde betalingstermijn van 19 dagen. Vandaag wachten gerechtstolken gemiddeld 47 dagen op hun geld, vaak nog langer.

In dit verband heb ik voor u volgende vragen:

Hoe verklaart u deze scherpe achteruitgang in de tijdige betalingen?

Welke maatregelen hebt u reeds genomen of bent u bereid te nemen om de achterstanden weg te werken en opnieuw de wettelijke termijn te respecteren?

Overweegt u een structurele hervorming van het betalingssysteem om dit probleem definitief op te lossen?

Hebt u enig idee of er hierdoor vertalers en tolken in financiële problemen komen? Zo ja, over hoeveel personen gaat dit en wat wil u daaraan doen?

Hoe wilt u het vertrouwen van vertalers en tolken herstellen die zich steeds meer miskend voelen?

Kristien Van Vaerenbergh:

Mijnheer de voorzitter, ik heb deze vraag ingediend naar aanleiding van het concrete geval van Brussel, waarbij een slachtoffer vijf jaar heeft gewacht voor haar zaak kon worden behandeld en zij op de dag zelf moest vaststellen dat de zaak niet kon worden gepleit omdat er geen tolk aanwezig was.

Wat is de stand van zaken met betrekking tot de betalingsachterstand?

Geachte mevrouw minister,

Dat straffeloosheid niet de norm mag zijn binnen onze rechtsstaat, mag geen loze belofte blijven. De realiteit op het terrein toont helaas aan dat structurele problemen zoals juridische achterstand, administratieve traagheid en organisatorische tekorten blijven doorwegen met tastbare gevolgen voor slachtoffers en het vertrouwen in Justitie.

Recent werd dat nog maar eens pijnlijk duidelijk toen, ruim vijf jaar na de feiten, de zaak van een Nederlandstalig slachtoffer voor de Franstalige rechtbank in Brussel kon komen maar die uiteindelijk geen doorgang kon vinden omdat het slachtoffer niet kon worden bijgestaan door een beëdigd vertaler-tolk. Het is al langer dan vandaag bekend dat tolken vaak niet komen opdagen uit protest voor het feit dat Justitie achterloopt met de betalingen aan hun cruciale beroepsgroep.

Ik heb daarom volgende vragen voor u:

Welke stappen onderneemt u vandaag nog actief om de achterstand van betalingen door Justitie aan vertaler-tolken in te halen?

Hoeveel bedraagt de achterstand? Is er al significante vooruitgang geboekt? U heeft namelijk al eerder beloofd werk te maken van dergelijke juridische tekorten!

Kan u aangeven hoe groot de problematiek is bij de Nederlandstalige en Franstalige rechtbanken in Brussel? Heeft u cijfers m.b.t. het aantal zaken dat niet kon worden behandeld ten gevolge van afwezigheid van een tolk?

Welke structurele of anticiperende maatregelen neemt u om te vermijden dat gerechtelijke procedures in de toekomst nog worden stilgelegd door dit soort juridische tekorten?

Annelies Verlinden:

Collega's, bij mijn aanstelling als minister van Justitie trof ik een dramatische toestand aan betreffende de betaling van de gerechtskosten. De taxatiebureaus kampen met een nijpend personeelstekort, het werkproces is niet gedigitaliseerd en de tariefstructuur van de gerechtskosten is al jaren niet grondig herzien of vereenvoudigd. Dat alles heeft geleid tot een historische betalingsachterstand. Bovendien leiden de complexe budgettaire procedures en de beperkingen die verband houden met de begrotingscontrole soms tot een budgettekort, waardoor betalingen niet kunnen worden uitgevoerd.

Om die problemen het hoofd te bieden, heb ik mijn administratie gevraagd een project op te zetten dat tot concrete oplossingen moet leiden. Het instrument van de spending review , gehanteerd door de FIA , de Inspectie van Financiën en de FOD BOSA, vormt in dat verband een belangrijke hefboom. Voor deze legislatuur heb ik middelen uitgetrokken voor dit project, zodat dit oude zeer eindelijk kan worden verholpen.

Het project zal in nauw overleg met de gerechtsexperten, tolken en vertalers worden uitgevoerd, om zo rekening te houden met de concrete vragen van het terrein en de dialoog met de beroepsgroepen open te houden. Intussen is er al veel overleg geweest met tolken, vertalers en de diverse beroepsgroepen waarop justitie een beroep doet. Mijn administratie houdt de vinger aan de pols en weet dat ik van een correcte betaling van gerechtsexperten, tolken en vertalers een prioriteit heb gemaakt. We hebben deze actoren immers nodig om de kernopdrachten van justitie te vervullen. Zij verdienen al ons respect en waardering.

Verder heb ik mijn administratie gevraagd om onmiddellijk actie te ondernemen om de betalingsachterstand weg te werken. Ik licht graag enkele actiepunten toe. Om het personeelstekort in bepaalde taxatiebureaus op te vangen, worden de dossiers herverdeeld over de verschillende vestigingen. Net als andere arrondissementen kampen de Nederlandstalige en Franstalige taxatiebureaus van Brussel met een achterstand in de verwerking van de kostenstaten. Dat is te wijten aan het personeelstekort, waardoor de achterstand zich heeft opgehoopt. De opleiding van nieuwe personeelsleden duurt bovendien minstens een jaar en de procedure voor de verwerking van kostenstaten is bijzonder streng. Daarom worden extra administratieve assistenten aangeworven. Voor de taxatiebureaus van de Nederlandstalige gerechtelijke arrondissementen zijn alle vacante plaatsen tijdens de laatste sollicitatieronde ingevuld. De kandidaten zullen binnenkort in dienst treden.

Om de opvolging en het beheer van de dossiers te optimaliseren, zal het gebruik van het platform Justinvoice binnen afzienbare tijd verplicht worden om onkostenstaten in te dienen. Tot nu toe konden dossiers ook per e-mail worden ingediend, wat verwarring en dubbel werk veroorzaakte bij de verzending van de onkostenstaten. De verplichting zal een centralisering van de indiening van dossiers mogelijk maken, wat de processen verder vereenvoudigt.

De analyse van de wet en de voorstudie voor de digitalisering van het behandelings- en controleproces van de gerechtskosten zijn eveneens opgestart.

Er werd ook een overleg met de btw-administratie opgezet om de samenwerking tussen beide diensten te verstevigen en de pistes te onderzoeken tot oplossing van de fiscale gevolgen van deze betalingsachterstand voor de gerechtsexperten, -tolken en -vertalers. Eind september werd afgestemd met de Inspectie van Financiën over de aanpak van de verbetering van de afhandeling van de gerechtskosten. Wat de vraag naar een stijging van de tolk- en vertaalkosten in de correctionele en jeugdrechtbanken betreft, beschik ik niet over objectieve gegevens die deze bewering zouden ontkennen of bevestigen.

Collega Dillen, voor het individuele geval waarnaar u verwees, dient de rechtbank ervoor te zorgen dat er een tolk aanwezig is op de zitting. Wanneer een tolk afzegt, moet de rechtbank een andere tolk oproepen. Het is dus niet zo dat er geen andere tolk kon worden opgeroepen om het slachtoffer bij te staan. Op basis van informatie die we hebben verkregen van de rechtbank van eerste aanleg in Brussel, blijkt dat voor deze zitting de rechtbank last minute een tolk heeft moeten zoeken. Helaas kon geen van de gecontacteerde tolken zich beschikbaar stellen binnen de gestelde tijd.

Voor het overige hebben wij geen kennis over de omvang van deze problematiek in de Nederlandstalige en Franstalige rechtbanken van Brussel. Wij houden ook geen cijfers bij over het aantal dossiers dat wordt uitgesteld wegens afwezigheid van een tolk. Bovendien is dat geen informatie die de rechtbanken communiceren met de FOD Justitie.

Laat me tot slot nogmaals herhalen dat wij ons terdege bewust zijn van de problemen die de betalingsachterstanden voor al onze dienstverleners met zich meebrengen en dat wij deze uiteraard betreuren. We stellen alles in het werk om ervoor te zorgen dat de dienstverleners tijdig worden vergoed.

Marijke Dillen:

Minister, over het stijgend aantal correctionele zaken in jeugdrechtbanken waarbij er een beroep moet worden gedaan op tolken omdat de verdachten de Nederlandstalige taal niet machtig zijn moeten toch objectieve cijfers bestaan. U hebt gezegd dat u zich niet kunt baseren op cijfers. U moet eens de moeite doen om naar een correctionele zitting of een zitting van een jeugdrechtbank te komen en daar de rollen na te kijken. Daaruit blijkt zeer duidelijk dat heel veel van deze beklaagden van buitenlandse origine zijn. Ik dring erop aan dat daarover cijfers worden bijgehouden.

Wat de specifieke situatie in Brussel betreft, wil ik wijzen op een zaak waarbij een dame vijf jaar moest wachten voordat het proces eindelijk plaatsvond. Was er niet vooraf gemeld dat er een tolk nodig was? Ik vind dat merkwaardig, want meestal wordt dat tijdig aan de raadslieden gevraagd. Kon die zaak echt niet sneller worden uitgesteld? Nu moet de dame opnieuw bijna een half jaar wachten tot januari 2026. Zij is slachtoffer geweest van zware slagen. Dat zijn toch toestanden die men een gewone burger echt niet meer kan uitleggen.

Wat de problematiek van de btw betreft, zegt u dat u in onderhandeling bent met de FOD Financiën. Ik dring erop aan dat daar snel werk van wordt gemaakt, want het gaat om 21 % btw op die facturen. Het kan toch niet zo moeilijk zijn om dat gedeelte al tijdelijk te blokkeren. Ik dring erop aan dat u hier met hoge urgentie werk van maakt.

Tot slot, mevrouw de minister, is het niet de eerste keer dat hier beloftes worden gedaan. Ik heb u hierover al verschillende keren geïnterpelleerd, maar in de praktijk verandert er niets. U presenteert vandaag opnieuw een stappenplan en meldt overleg met de sector. Dat is goed en wel, maar mensen willen oplossingen. Alleen overleg en een aankondiging van een stappenplan zorgen er niet voor dat de facturen worden betaald.

U hebt eerder aangegeven dat u inspanningen doet om mensen op te leiden, maar dat die opleiding een jaar duurt. Pas dan zijn de administratieve krachten werkelijk operationeel. Wat betekent dat voor het wegwerken van de achterstand? Mevrouw de minister, dat belooft weinig goeds.

Tot slot heb ik een motie opgesteld.

Paul Van Tigchelt:

Dank u wel, mevrouw de minister. We delen de bekommernis dat vertalers, tolken en deskundigen in het algemeen tijdig betaald moeten worden, want anders haken ze af. Als u dit allemaal op een hoop gooit met problemen uit het verleden, wil ik dat toch wel nuanceren. In 2023 werd 90 % van die tolken namelijk binnen de 20 dagen betaald via Justinvoice. De gemiddelde betalingstermijn bedroeg 19 dagen. Vandaag, in 2025, zitten we aan 47 dagen. Daar moet dus een specifieke oorzaak voor zijn. Het is niet juist om te stellen dat dit allemaal de schuld van het verleden is. Dat klopt niet.

Kristien Van Vaerenbergh:

Dank u wel, mevrouw de minister, voor uw antwoord. Het is inderdaad een problematiek die regelmatig terugkeert en er zijn al lang problemen, zoals een gebrek aan informatisering en de complexe procedures. Het is nochtans heel belangrijk dat dit nu eindelijk eens opgelost raakt.

Zoals de collega’s zeggen, als u niet betaald wordt, waarom zou u dan nog voor justitie gaan werken? Het heeft allemaal zijn impact. Procedures duren al zo lang. Vijf jaar wachten vooraleer uw zaak gepleit kan worden, dat is heel lang voor een slachtoffer.

Misschien was het in deze concrete situatie niet zoals het initieel overkwam, maar er zijn wel degelijk situaties waarin tolken niet komen opdagen – begrijpelijk - omdat zij niet betaald worden. Ik hoop dus echt dat er concreet en snel stappen kunnen worden gezet.

Moties

Motions

Voorzitter:

Tot besluit van deze bespreking werden volgende moties ingediend. En conclusion de cette discussion, les motions suivantes ont été déposées. Een motie van aanbeveling werd ingediend door mevrouw Marijke Dillen en luidt als volgt: "De Kamer, gehoord de interpellatie van mevrouw Marijke Dillen en het antwoord van de minister van Justitie, belast met de Noordzee, - overwegende dat tolken en vertalers een taak van algemeen belang vervullen en essentiële schakels zijn binnen de werking van Justitie: kwalitatieve vertalingen en tolkdiensten in procedures zijn essentieel in een moderne rechtsstaat. Zij garanderen de naleving van het EVRM, de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en de Europese richtlijn 2010/64/EU betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures, een richtlijn die bij wet van 25 april 2024 werd omgezet in de wetgeving, wat geleid heeft tot een verhoogd vertaalvolume; - overwegende dat de beëdigd vertalers en tolken nog steeds ondergewaardeerd zijn; - overwegende dat vertragingen in betalingen door de FOD Justitie en tegenstrijdige en bureaucratische procedures structureel zijn en ondanks de belofte van de minister van Justitie hen tijdig te betalen de betaalachterstand blijft voortduren; - overwegende dat gerechtstolken en -vertalers door de wanbetaling van Justitie zelf in de financiële problemen komen; - overwegende dat de tarieven voor dit beëdigd vertaal- en tolkwerk ontoereikend zijn en niet voldoen aan de economische realiteit; - overwegende dat ook de werkomstandigheden voor tolken in gerechtsgebouwen vaak erbarmelijk zijn, denken we onder meer aan een gebrekkige geluidsinstallatie, slechte akoestiek, het hoge spreektempo van magistraten en advocaten, een gebrek aan voorkennis van het dossier, wat het vaak moeilijk maakt de debatten te volgen. Dit in combinatie met te lange werktijden zonder pauzes bemoeilijkt vaak het leveren van kwalitatief werk; - overwegende dat taptolken vaak moeten werken in slecht ingerichte lokalen bij de politie met aftands meubilair en zonder daglicht; - overwegende dat door al deze problemen het risico groot wordt dat vele gerechtstolken en -vertalers dreigen af te haken waardoor rechtszaken in het gevaar komen omdat de rol van gerechtstolken vaak cruciaal is voor het goede verloop van de rechtszaken; vraagt de regering: - de nodige initiatieven te nemen om een voldoende budget te voorzien voor de gerechtskosten in het algemeen en voor de gerechtstolken en -vertalers in het bijzonder zodat alle gerechtskosten tijdig en correct betaald worden en ervoor te zorgen dat facturen van alle prestatieverleners betaald worden binnen de wettelijke termijn van 30 dagen; - de tarieven te herwaarderen waarbij de honoraria voor beëdigd vertalers en tolken wordt verhoogd in de lijn met de aanbevelingen van de HRZKMO; - de werkomstandigheden voor tolken in de rechtbank en bij de politie te verbeteren, onder meer door te investeren in een akoestische optimalisatie en moderne geluids- en fluisterapparatuur, tolken vooraf toegang te geven tot relevante informatie over het dossier en bij langere opdrachten standaard regelmatige pauzes in te lassen. Voor taptolken moeten bij de politie ergonomisch ingerichte werkruimtes worden voorzien en een performante hardware. - te zorgen voor een duidelijke regelgeving en tariefstructuur waarbij tegenstrijdigheden in de wetgeving betreffende de gerechtskosten wordt weggewerkt en er een transparante tariefstructuur wordt gecreëerd; - een eenvoudig, geautomatiseerd platform te ontwikkelen voor de bestelling, goedkeuring en verwerking van prestaties en betalingen, en dit toegankelijk te maken voor alle betrokken actoren binnen Justitie en politie; - de beëdigd vertalers en tolken toe te voegen aan de limitatieve lijst van personen met een maatschappelijke functie in de zin van artikel 79,4 ° van het nieuwe Strafwetboek zodat ze een betere bescherming genieten; - de veiligheid en anonimiteit te waarborgen voor vertaal- en tolkwerk in gevoelige dossiers door per gevoelig dossier een anoniem identificatienummer in te stellen. " [FR]Une motion de recommandation a été déposée par Mme Marijke Dillen et est libellée comme suit: " La Chambre, ayant entendu l'interpellation de Mme Marijke Dillen et la réponse de la ministre de la Justice, chargée de la Mer du Nord, - considérant que les interprètes et les traducteurs accomplissent une mission d'intérêt général et constituent des maillons essentiels dans le fonctionnement de la Justice, eu égard au fait que des traductions et des services d'interprétation de qualité dans les procédures sont essentiels dans un État de droit moderne; qu'ils garantissent le respect de la CEDH, la jurisprudence de la Cour européenne des droits de l’homme et la directive européenne 2010/64/EU relative au droit à l’interprétation et à la traduction dans le cadre des procédures pénales, une directive dont la transposition dans la législation par la loi du 25 avril 2024 a entraîné un accroissement du volume à traduire; - considérant que les traducteurs et interprètes jurés demeurent insuffisamment valorisés; - considérant que les retards de paiement par le SPF Justice ainsi que les procédures bureaucratiques et contradictoires sont structurels et que l'arriéré de paiement perdure malgré l'engagement de la ministre de la Justice à les payer à temps; - considérant qu'en raison des impayés de la Justice, les interprètes et traducteurs jurés doivent eux-mêmes faire face à des difficultés financières; - considérant que les tarifs pour les missions effectuées par les traducteurs et les interprètes jurés sont insuffisants et ne correspondent pas à la réalité économique; - considérant que de même, les conditions de travail des interprètes dans les palais de justice sont souvent déplorables, par exemple en raison d'une installation sonore défaillante, d'une mauvaise acoustique, d'un débit de parole soutenu de magistrats et d'avocats, d'un manque de connaissance préalable du dossier, ce qui rend souvent les débats difficiles à suivre, et que, combinée avec des horaires de travail trop longs sans pauses, cette situation rend souvent difficile la fourniture d'un travail de qualité; - considérant que les interprètes d'écoutes doivent souvent travailler dans des locaux de police mal aménagés, équipés d'un mobilier vétuste et dépourvus de lumière du jour; - considérant que tous ces problèmes augmentent le risque que de nombreux interprètes et traducteurs judiciaires décrochent, mettant en péril des affaires judiciaires puisque le rôle des interprètes judiciaires est souvent essentiel à leur bon fonctionnement; demande au gouvernement: - de prendre les initiatives nécessaires pour prévoir un budget suffisant pour les frais de justice en général et pour les interprètes et traducteurs judiciaires en particulier afin que tous les frais de justice soient réglés à temps et correctement et pour veiller à ce que les factures de tous les prestataires soient honorées dans le délai légal de 30 jours; - de revaloriser les tarifs en augmentant les honoraires des traducteurs et interprètes jurés conformément aux recommandations du CSIPME; - d'améliorer les conditions de travail des interprètes dans les tribunaux et les locaux de la police, entre autres en investissant dans une optimisation acoustique et dans des dispositifs modernes de sonorisation et d'écoute, en donnant aux interprètes un accès préalable aux informations pertinentes concernant le dossier, en prévoyant par défaut des pauses régulières dans le cas de tâches de longue durée, et en aménageant pour les interprètes d'écoutes des espaces de travail ergonomiques dans les locaux de la police, équipés de matériel informatique performant; - de prévoir une réglementation et une structure tarifaire claires éliminant les contradictions de la législation en ce qui concerne les frais de justice et créant une structure tarifaire transparente; - de développer une plateforme automatisée simple pour la commande, la validation et le traitement des prestations et des paiements, et de la rendre accessible à tous les acteurs concernés au sein de la Justice et de la police; - d'ajouter les traducteurs et interprètes jurés à la liste limitative des personnes exerçant une fonction sociétale au sens de l'article 79, 4° du nouveau Code pénal afin qu'ils bénéficient d'une meilleure protection; - de garantir l'anonymat des traducteurs et interprètes lorsqu'ils travaillent sur des dossiers sensibles, en créant un numéro d'identification anonyme pour chaque dossier sensible. " Een eenvoudige motie werd ingediend door de heer Steven Matheï. Une motion pure et simple a été déposée par M. Steven Matheï . Over de moties zal later worden gestemd. De bespreking is gesloten. Le vote sur les motions aura lieu ultérieurement. La discussion est close.

De onrustwekkende cijfers die wijzen op een gerechtelijk apparaat onder hoogspanning

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 1 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De Belgische justitie kampt met structurele onderfinanciering (0,22% BBP vs. EU-gemiddelde), chronische onderbezetting (697 extra rechters nodig) en extreem lange wachttijden (tot 7 jaar in Brussel), met 40% meer zaken zonder vervolg door gebrek aan middelen. Minister Verlinden kondigt acute maatregelen aan: 8 miljoen euro extra voor parketten (meer personeel), een nieuw objectief allocatiemodel voor personeel gebaseerd op werkdruk, en versnelde procedures (o.a. snellere voorhechtenisbeslissingen en directe berechting) om vertrouwen te herstellen, maar benadrukt dat structurele oplossingen tijd vragen en afhangen van toekomstige budgettaire steun. Tourneur bevestigt steun voor noodzakelijke hervormingen, mits concrete uitvoering.

Aurore Tourneur:

Madame la ministre, comme vous le savez, les rapports récents du Conseil supérieur de la Justice (CSJ), les déclarations des procureurs généraux, des présidents des cours et des barreaux dressent un tableau sombre et préoccupant de notre système judiciaire.

Les chiffres sont éloquents. La cour d'appel de Bruxelles, par exemple, subit de plein fouet un arriéré judiciaire endémique. La situation est d'ailleurs telle que les délais d'attente peuvent atteindre jusqu'à 7 ans dans certaines sections civiles. Pire, faute de moyens de recherche suffisants, les parquets correctionnels de Bruxelles ont vu le nombre d'affaires clôturées sans suite augmenter de 40 % entre 2019 et 2024.

Le rapport de la Commission européenne pour l'efficacité de la justice révèle que la Belgique consacre seulement 0,22 % de son PIB à son système judiciaire, bien en deçà de la moyenne européenne. Alors que nos magistrats traitent un nombre d'affaires par habitant trois fois supérieur à cette moyenne européenne, le manque de personnel est abyssal. Le Collège des cours et tribunaux estime qu'il faudrait 697 juges supplémentaires pour que les affaires puissent être traitées dans des délais raisonnables. Et je vous passe l'épisode de l'effondrement du plafond dans une des salles du Palais de justice de Bruxelles.

À l'issue de tous ces constats, madame la ministre, je souhaiterais vous poser les questions suivantes. Compte tenu de l'augmentation préoccupante des affaires clôturées sans suite par les parquets, quelles mesures immédiates envisagez-vous pour renforcer les moyens d'enquête et de recherche? Comment le gouvernement compte-t-il concrètement revoir le budget de la justice et réévaluer le cadre des juges, permettant ainsi de traiter les affaires de manière plus efficace, plus rapide et surtout plus humaine? Enfin, quelles actions concrètes mettrez-vous en œuvre pour résorber l'arriéré judiciaire, notamment à la cour d'appel de Bruxelles et à la cour d'assises, et pour restaurer la confiance des citoyens dans notre système judiciaire?

Annelies Verlinden:

Chère collègue Tourneur, je comprends la situation difficile dans laquelle se trouvent les parquets, les cours et les tribunaux. Je suis heureuse que vous la reconnaissiez également. Afin d'inverser la tendance, j'ai plaidé pour une augmentation des moyens alloués à la justice dans le cadre de l'accord de Pâques. Avant l'été, j'ai élaboré en concertation avec l'ordre judiciaire un plan d'impulsion visant à répondre aux besoins les plus urgents. L'une des mesures concerne un renforcement de 8 millions d'euros pour les parquets, afin de recruter des magistrats et du personnel judiciaire supplémentaire. Le Collège du ministère public attribuera ces moyens et, en collaboration avec le Collège, nous contrôlerons l'impact concret de ces moyens supplémentaires sur les résultats.

Ce plan d'impulsion ne constitue qu'une première étape dans le renforcement de la justice. C'est la raison pour laquelle j'ai à nouveau soumis une demande de moyens supplémentaires dans le cadre des prochaines discussions budgétaires. Je compte donc sur votre soutien, ainsi que sur celui de votre parti. Vous indiquez à juste titre que les cadres légaux actuels ne correspondent pas aux besoins réels en matière de disponibilité de ressources humaines au sein de l'ordre judiciaire. Il est clair que nous devons évoluer vers un dispositif qui combine une gestion flexible du personnel à des garanties de dotations de base dans tout le pays.

C'est pourquoi l'accord de gouvernement prévoit que, dans le cadre de l'autonomisation de l'ordre judiciaire, les cadres légaux du personnel soient remplacés par un modèle d'allocation réglementé par la loi sur la base de paramètres objectifs fixés par la loi, notamment la mesure de la charge de travail, qui tient déjà compte de la complexité des dossiers. Ce modèle indiquera auprès de quelle juridiction il convient de renforcer prioritairement les effectifs ou d'ouvrir des postes vacants de magistrats.

Ce processus de transition nécessitera un certain temps. Entre-temps, les collègues sont habilités, dans le cadre de leur plan de places vacantes réguliers, à déterminer eux-mêmes les priorités concernant l'ouverture des postes vacants. Par ailleurs, l'article 186 § 1/1 du Code judiciaire permet déjà, dans les limites qu'il fixe, de déroger par arrêté royal au cadre fixé par la loi.

En octobre 2024, des ajustements ont déjà été apportés de cette manière aux effectifs des magistrats du ministère public pour les juridictions d'Anvers et de Gand. À ma demande, un exercice similaire est en préparation au sein des cours et tribunaux. Concernant la situation particulière de la cour d'appel de Bruxelles, il convient de rappeler qu'en 2024, les cadres temporaires des conseillers en surnombre ont été intégrés dans le cadre légal de la cour de manière à lui conférer plus de stabilité. Des rapports du Conseil supérieur de la Justice consacrés à la cour d'appel de Bruxelles contiennent des propositions qui permettraient de réduire l'arriéré sans grande incidence budgétaire.

L'accord de gouvernement prévoit que le rétablissement de la confiance envers le système judiciaire implique que les autorités publiques respectent l' É tat de droit. En concertation avec les juges d'instruction et les ministères publics qui ont déjà formulé conjointement certaines propositions, le gouvernement réformera le droit de la procédure pénale.

Cette réforme vise à moderniser, à rendre plus efficaces et à accélérer les procédures pénales.

La loi sur la détention préventive sera revue afin de moduler l'intervention de la Chambre du conseil. Il est notamment examiné si celle-ci peut statuer tous les six mois sur le maintien ou non de la détention préventive pour les infractions liées à la criminalité organisée, au terrorisme, aux homicides ou aux séjours irréguliers, avec la possibilité pour les détenus d'introduire une demande de mise en liberté anticipativement.

Nous analysons l'incidence de cette mesure sur la population carcérale. Le recours à la procédure de comparution immédiate est encouragé et facilité afin de permettre à la Justice de réagir le plus rapidement possible après la commission d'une infraction et d'éviter le sentiment d'impunité. Une réflexion est également en cours, en concertation avec le Collège des cours et tribunaux sur les mesures à prendre en vue d'accélérer la procédure civile et ainsi lutter contre l'arriéré judiciaire, notamment à la cour d'appel de Bruxelles. Je vous remercie.

Aurore Tourneur:

Merci madame la ministre pour vos réponses. Soyez sûre que mon groupe et moi-même sommes pleinement conscients de la complexité du monde judiciaire. Nous ne voulons absolument pas jeter la pierre mais souhaitons plutôt recenser les solutions durables aux défis observés par les professionnels du secteur. Dès lors, je vous souhaite à vous et au gouvernement un bon travail dans le cadre du conclave budgétaire, afin de prendre des décisions équilibrées et vitales pour notre É tat de droit. Merci madame la ministre.

Voorzitter:

Madame la ministre devait nous quitter à 18 h 00. Je considère donc que c'était la dernière question qu'elle pouvait traiter. Je félicite le collègue Cornillie pour sa motivation. Il est resté tout l'après-midi et n'aura pas pu poser sa question, j'en suis désolé. Deux autres questions ont été transformées en questions écrites: il s'agit des questions n° 56008045C et 56008355C de M. Van Hecke et de la mienne, portant le n°56008593C. Les autres questions sont considérées comme reportées et seront évidemment traitées. La réunion publique de commission est levée à 18 h 03. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 18.03 uur.

De drievoudige moord in Roeselare
De slachtoffers van het opengrenzenbeleid
Geweldsdelicten en migratieproblematiek in België

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 1 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de stijgende steekincidenten door migranten (o.a. de drievoudige moord in Roeselare door een Afghaanse asielzoeker met een crimineel verleden) en de noodzaak van strengere migratie- en terugkeerbeleid. Minister Van Bossuyt bevestigt versnelde intrekking van verblijfsvergunningen, uitbreiding van gesloten centra, dwangmaatregelen (zoals woonstbetredingen) en koppeling van hulp/handel aan terugname-akkoorden, maar erkent dat uitvoering traag blijft. Kritiekpunten zijn gebrekkige informatie-uitwisseling tussen diensten, te lage terugkeercijfers (slechts 1.264 gedetineerde illegalen verwijderd in 2024) en de eis om criminele migranten hun straf in herkomstlanden te laten uitzitten. De oppositie dringt aan op radicale versnelling en erkenning van het verband tussen migratie en messengeweld.

Maaike De Vreese:

Minister, op zondag 21 september werd Roeselare opgeschrikt door een drievoudige steekpartij. In eerste instantie wil ik ons medeleven aan de slachtoffers uiten.

De Afghaanse Mohammed K. bracht die dag drie personen om het leven. Na een klopjacht werd hij 's avonds gearresteerd. De man was geen onbekende voor politie en justitie. Op 18 september werd hij op grond van intrafamiliaal geweld veroordeeld tot een gevangenisstraf van één jaar, waarvan de helft met uitstel. Naar verluidt zou de man het Nederlands niet machtig zijn en werkte hij niet.

Het aantal steekpartijen kent een stijgende trend. Uit de politiedatabank blijkt dat het aantal geregistreerde steekincidenten de voorbije jaren is gestegen. Dit geweld is totaal onaanvaardbaar en heeft geen plaats in onze samenleving.

Met deze regering moeten we er kordaat en snel tegen optreden. Conform het regeerakkoord zullen deze regering en het CGVS een aparte veiligheidscel oprichten voor dit probleem. Vluchtelingen, subsidiair beschermden en verzoekers om internationale bescherming zullen hun status, of de mogelijkheid van een beschermingsstatuut, verliezen indien ze een gevaar vormen voor onze openbare orde of onze nationale veiligheid.

Het is een rode draad in het regeerakkoord om hier prioritair aan te werken, niet enkel inzake mensen die subsidiaire bescherming hebben gekregen of een ander statuut, maar ook inzake mensen met een andere verblijfstatus

Welke stappen zult u nemen om de verblijfsvergunning in te trekken? Kunt u de laatste stand van zaken geven van de oprichting van de aparte veiligheidscel?

Kunt u toelichting geven op welke manier uw diensten deze en andere casussen opvolgen?

In hoeverre heeft u weet van gelijkaardige incidenten, waarbij personen met een verblijfsvergunning zich schuldig maken aan steekpartijen? Welk gevolg werd hieraan gegeven? Hoeveel verblijfsvergunningen werden er ingetrokken? Wat zijn de meest voorkomende nationaliteiten? Kunt u ter zake überhaupt statistieken geven? Ik kan ze natuurlijk ook schriftelijk opvragen. Tot hier mijn huidige vragen.

Francesca Van Belleghem:

Minister, steeds vaker worden we geconfronteerd met alarmerende berichten over geweldsdelicten gepleegd door mensen van buiten de EU die naar hier zijn gekomen ingevolge het lakse migratiebeleid. Zo heeft een 26-jarige Tunesische man die uit ons land werd gezet en naar Frankrijk trok, in drie dagen tijd zes vrouwen aangerand, van wie hij er enkele probeerde te verkrachten.

Dit jaar hebben al 648 illegale Tunesiërs een bevel gekregen om het grondgebied te verlaten, terwijl er amper 12 terugkeerden naar een ander EU-land en 32 vanuit de gevangenis naar Tunesië. Andere cijfers heb ik niet teruggevonden op de website van de DVZ. Voor alle nationaliteiten van illegalen zien we echter eigenlijk steeds hetzelfde fenomeen. Slechts een klein deel van de personen die zouden moeten terugkeren, doet dat effectief.

Erkent u dat we alle registers moeten opentrekken om illegalen terug te sturen naar het land van herkomst en dat we dus ook alle taboes moeten laten varen? Zult u handelsovereenkomsten, arbeidsmigratie, gezinshereniging en ontwikkelingshulp voor 100 % afhankelijk maken van de terugname van illegalen?

Ook op eigen bodem zien we de dramatische gevolgen van massa-immigratie, getuige de driedubbele moord door de Afghaan in Roeselare, die enkele dagen eerder veroordeeld werd voor intrafamiliaal geweld. Klopt het dat deze persoon naar hier is gekomen als asielzoeker en het vluchtelingenstatuut heeft gekregen? Had hij inmiddels een permanente verblijfsvergunning? Welke acties zult u ondernemen om hem terug te sturen naar het land van herkomst? Voor deze mensen is er immers geen plaats in onze maatschappij.

Anneleen Van Bossuyt:

Mevrouw De Vreese en mevrouw Van Belleghem, net als u ben ik uiteraard verontwaardigd over wat er gebeurd is in Roeselare. Het gerechtelijk dossier is lopende, waardoor ik niet kan ingaan op het individuele dossier dat u aanhaalt. Wat ik u wel wil meegeven, is dat de huidige vreemdelingenwet voorziet in de mogelijkheid om het beschermingsstatuut en het verblijfsstatuut in te trekken van vreemdelingen die een gevaar vormen voor de openbare orde. Ik zal die vraag dan ook zo snel mogelijk aan het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen (CGVS) stellen. Het regeerakkoord voorziet in een verruiming van die mogelijkheid, onder andere door de tijdslimiet te schrappen waarbinnen de DVZ de beëindiging of intrekking van het statuut kan vragen aan het CGVS.

Daarnaast trekken we middelen uit voor de oprichting van een speciale veiligheidscel binnen het CGVS en worden de gronden om het verblijf te beëindigen maximaal uitgebreid. Het aandeel mensen in illegaal verblijf dat niet verwijderd worden van ons grondgebied is inderdaad te laag; dat moet hoger. Een geloofwaardig migratiebeleid vereist een kordaat terugkeerbeleid. Vooral wat de terugkeer van illegale gedetineerden betreft, moet er de komende jaren een tandje bijgezet worden.

In 2024 werden slechts 1.264 illegale gedetineerden verwijderd door de vorige regering. Dat aantal moet de komende jaren significant stijgen. Ook de totale terugkeercijfers moeten in de komende jaren toenemen. Het regeerakkoord voorziet daarom in verschillende maatregelen die een impact zullen en moeten hebben op de terugkeer van mensen in illegaal verblijf, met prioriteit voor illegalen die criminele feiten hebben gepleegd.

Concrete maatregelen zijn onder andere woonstbetreding bij illegalen die weigeren mee te werken aan de terugkeer en die een gevaar vormen voor de openbare orde of de nationale veiligheid; een verdubbeling van het aantal plaatsen in gesloten centra, door de bouw van nieuwe centra en de renovatie van bestaande centra; een versterking van de terugkeerdiensten bij de DVZ, zowel in de gesloten centra als bij de centrale diensten die vreemdelingen in illegaal verblijf opvolgen; optimalisatie van gegevensuitwisseling met en inzage in noodzakelijke informatie van veiligheids- en inlichtingendiensten, zodat elke migratiedienst en beroepsinstantie een grondige beslissing kan nemen en een verhoging van het aantal escorteurs, zowel bij de politie als de DVZ en Frontex, zodat illegalen die weigeren mee te werken, sneller met dwang kunnen worden verwijderd.

Daarnaast trachten we, gezien de enorme druk op de Belgische gevangenissen en zolang er in eigen land onvoldoende gevangeniscapaciteit is, naar het voorbeeld van Denemarken overeenkomsten te sluiten met andere Europese rechtsstaten om daar gevangenissen te bouwen of te huren, zodat definitief veroordeelde gedetineerden in illegaal verblijf hun detentie volledig of gedeeltelijk in dat buitenland kunnen uitzitten, indien een interstatelijke overbrenging niet mogelijk of wenselijk is.

Een cruciaal onderdeel van ons terugkeerbeleid is de samenwerking met de landen van herkomst. Voor het eerst voorziet een federaal regeerakkoord in een echte conditionaliteit. Medewerking aan terugkeer wordt gekoppeld aan bilaterale hulp, visabeleid, samenwerking op het vlak van handel en economie en ontwikkelingssamenwerking. Ook de deelstaten worden hier actief bij betrokken. Deze whole of government approach vormt de hoeksteen van onze regeringsaanpak in de samenwerking met landen van herkomst.

Met deze regering trekken we alle registers open om de komende jaren een breuk met het verleden te maken. België zit bovendien aan het roer op Europees niveau, waar verschillende initiatieven op tafel liggen, zoals de nieuwe terugkeerverordening. Via de Coalition of the Willing , een groep lidstaten die strengere regels rond asiel en migratie nastreeft, trachten we ook daar een kentering in te zetten.

Maaike De Vreese:

Mïnister, na tien jaar verblijf in België sprak de dader nog altijd geen Nederlands, hij sloeg zijn vrouw en kinderen en op de koop toe eindigde hij met drievoudige moord, terwijl er nog meer mensen op zijn lijstje stonden. De feiten in Roeselare zijn onbeschrijfelijk hard. De informatie-uitwisseling tussen verschillende diensten had al in een veel vroeger stadium moeten plaatsvinden. Bij de personen die instaan voor de inburgering van nieuwkomers hadden toch belletjes moeten rinkelen om deze man op de radar te brengen.

De dader werd veroordeeld voor slagen en verwondingen, maar hem werd geen programma opgelegd omdat hij de taal niet sprak. De N-VA wil een volledige breuk met het verleden. Dit is onaanvaardbaar en mensen begrijpen dat terecht niet. Het regeerakkoord voorziet voldoende handvatten om het noodzakelijke beleid te voeren voor een effectieve terugkeer van criminelen. Voor de minister van Justitie speelt dit uiteraard een cruciale rol. Vanochtend verwees zij naar u, maar de terugkeer van mensen in illegaal verblijf uit onze gevangenissen moet veel sneller gebeuren. Laat deze personen hun straf uitzitten in een gevangenis in hun land van herkomst. Er moet volop worden ingezet op de tussenstatelijke overbrenging door Justitie.

Minister, dit is uw taak, maar u komt aan het einde van de rij. Wij moeten veel vroeger in dat proces ingrijpen. De minister van Justitie moet dit op haar prioriteitenlijst plaatsen.

Francesca Van Belleghem:

De afgelopen dagen is in de media veel aandacht aan messenincidenten besteed. Uit cijfers van de Duitse deelstaten blijkt dat de helft van de messendelicten door vreemdelingen wordt gepleegd, terwijl zij slechts 15 % van de totale bevolking uitmaken.

Karsten Lüst, een gerenommeerd ex-politieman in Duitsland, zei dat zij mensen hebben opgenomen die in hun herkomstlanden met messen zijn grootgebracht. Voor velen zijn messen een statussymbool en een middel om respect af te dwingen. Hij voegde eraan toe dat er volgens hem een definitief en onmiskenbaar verband bestaat tussen het aantal messendelicten en immigratie.

Ik hoop dat u ook zult erkennen, of minstens toch de minister van Justitie, dat er een verband bestaat tussen de messenincidenten die we kennen en massa-immigratie. Het mag wel eens worden gezegd dat er een verband is. In Duitsland is dat zo en ik ben er zeker van dat dat hier eveneens het geval is.

Voorzitter:

De vraag nr. 56008599 van mevrouw Meunier is uitgesteld.

De lijst van veilige landen

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 1 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België herziet jaarlijks zijn lijst van veilige herkomstlanden (nu beperkter dan de EU-voorstellen, zoals Bangladesh of Marokko), maar baseert zich op niet-bindende CGVS-adviezen en behoudt nationale afwijkingen. Een versnelde asielprocedure geldt voor aanvragers uit veilige landen, maar individuele beoordeling blijft verplicht. Het laatste KB dateert van mei 2024; Van Bossuyt onderzoekt nu een update, mogelijk voor 2025, maar concrete timing ontbreekt. Van Belleghem kritiseert de trage aanpassing ondanks jaarlijkse evaluatiebelofte.

Francesca Van Belleghem:

Dit jaar hebben verschillende landen hun lijst van veilige landen uitgebreid. Heel wat landen die in andere EU-lidstaten als veilig worden beschouwd, staan niet op de Belgische lijst van veilige landen.

Opmerkelijk is dat de meeste landen op de lijst van veilige landen die de Europese Commissie eerder dit jaar voorstelde, niet op onze eigen lijst voorkomen. Het gaat onder meer om Bangladesh, Colombia, Egypte, Marokko en Tunesië. Blijkbaar worden deze landen in België niet als veilig beschouwd of mogen ze niet op onze lijst staan.

Waarom staan die landen niet op onze lijst? Bent u van plan om die landen er wel op te zetten of eventueel enkele andere landen? Hebt u het CGVS al om advies gevraagd? Wat was het resultaat daarvan en tegen wanneer mogen we concrete resultaten verwachten?

Anneleen Van Bossuyt:

Mevrouw Van Belleghem, de lijst met veilige landen van herkomst wordt jaarlijks op nationaal niveau opgesteld. Ik ben met mijn diensten aan het bekijken welke landen we dit jaar willen opnemen. Deze beoordeling gebeurt op basis van de adviezen van het CGVS.

Die adviezen zijn echter niet bindend. We bekijken dus of we de huidige lijst kunnen uitbreiden ten opzichte van vorige jaren en of we kunnen afwijken van de adviezen van het CGVS. Op het niveau van de Europese Commissie is er inderdaad een voorstel uitgewerkt voor een lijst van veilige landen van herkomst. We nemen dit voorstel als leidraad voor de uitwerking op nationaal niveau.

Tegelijkertijd biedt de lijst van veilige landen geen wonderoplossing. Dat iemand afkomstig is uit een veilig land, betekent niet dat hij per definitie geen recht heeft op asiel. Wel heeft dit procedurele gevolgen voor de omkering van de bewijslast en wordt de asielaanvraag versneld behandeld door het CGVS. Een asielaanvraag wordt echter altijd individueel beoordeeld, zelfs als de asielzoeker afkomstig is uit een veilig land.

Francesca Van Belleghem:

U stelt dat de lijst elk jaar opnieuw geëvalueerd wordt, maar het laatste koninklijk besluit dateert van 12 mei 2024. Als u spreekt over dit jaar, gaat het dan over 2025 of 2026? Wat zal het zijn? Intussen is het immers al anderhalf jaar geleden.

De subsidiaire bescherming

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 1 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België kent nauwelijks subsidiaire bescherming toe (1,9% vs. 42-62% in buurlanden), wat volgens Van Belleghem strijdig is met het regeerakkoord dat dit onevenwicht erkent als reden voor België’s aantrekkingskracht op asielzoekers. Van Bossuyt wijst op verschillen in nationaliteiten van aanvragers en benadrukt dat ze het CGVS—binnen diens onafhankelijkheid—heeft gevraagd de oorzaken te onderzoeken, maar vasthoudt aan strikte EU-criteria en onderscheid tussen statuten. De commissaris-generaal houdt vast aan de huidige prioriteit (eerst vluchtelingenstatuut), waarna Van Belleghem dringend actie eist, gezien het enorme verschil met omringende landen.

Francesca Van Belleghem:

U weet al welke vraag ik ga stellen wanneer in de titel ‘subsidiaire bescherming’ staat. Het beleid van het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen (CGVS) inzake subsidiaire bescherming is, ondanks uw beloftes, niet of amper gewijzigd, met nauwelijks een paar kleine procentpunten: van 1,6 % subsidiaire bescherming naar ongeveer 1,9 %. Hoe gaat u dit probleem oplossen?

Anneleen Van Bossuyt:

Mevrouw Van Belleghem, het onevenwicht kan onder andere liggen aan de nationaliteiten die hier een asielaanvraag indienen. Die zijn niet altijd vergelijkbaar met de nationaliteiten die in onze buurlanden bescherming aanvragen. De situatie is echter niet zo zwart-wit. Ik heb het al vaak gezegd, ik overleg wekelijks met de directeurs-generaal van de DVZ en Fedasil en ook met de commissaris-generaal. Tijdens zo’n overleg heb ik, onmiddellijk na mijn aanstelling als minister, het feit aangekaart dat er veel minder subsidiaire bescherming wordt toegekend.

Zonder te raken aan de onafhankelijkheid van het CGVS heb ik gevraagd om de oorzaken van dit onevenwicht te onderzoeken. Het regeerakkoord is duidelijk: de beschermingscriteria moeten in de meest strikte zin worden geïnterpreteerd. Er moeten een duidelijk onderscheid zijn tussen de verschillende beschermingsstatuten, zoals voorzien door het EU-recht. De commissaris-generaal heeft dit ter harte genomen en neemt dat onevenwicht onder de loep.

Francesca Van Belleghem:

Enkele weken geleden heeft de commissaris-generaal gezegd dat men eerst het vluchtelingenstatuut moet toepassen en pas daarna de subsidiaire bescherming. Het is dus duidelijk dat zij haar beleid op dat vlak niet wil wijzigen. Nochtans staat er in uw regeerakkoord een correcte passages, namelijk dat “het erkenningspercentage voor de vluchtelingenstatus in België aanzienlijk hoger ligt dan dat voor de subsidiaire bescherming. Dit kan verklaren waarom ons land tot de meest gewilde landen in de EU behoort voor asielzoekers.” Dat staat in het regeerakkoord en dat lijkt mij correct, maar er moet ook naar gehandeld worden. Wij passen slechts in 1,9 % van de gevallen subsidiaire bescherming toe, terwijl dat in Nederland 62 % is, in Frankrijk 42 % en in Duitsland 56 %. Hier moet dus iets veranderen. De commissaris-generaal was er duidelijk over dat ze dat niet wilde doen, maar dan zult u een andere oplossing moeten zoeken.

Het optrekken van de leeftijdsgrens voor piloten
Het optrekken van de leeftijdsgrens voor piloten, luchtvaartveiligheid en sociale rechtvaardigheid
Leeftijdsgrenzen voor piloten, luchtvaartveiligheid en sociale rechtvaardigheid

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 30 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de verhoging van de maximumleeftijd voor lijnpiloten van 65 naar 67 jaar (OACI-beslissing), waar België zich neutraal opstelt, maar waar sociale onrechtvaardigheid ontstaat doordat Belgische piloten door internationale regels verplicht werkloos raken voor ze met pensioen kunnen (leeftijd 66/67). Minister Jambon benadrukt dat de kwestie onder Mobiliteit en Sociale Zaken valt, dat uitzonderingen voor piloten niet voorzien zijn, en dat alternatieven (bv. instructeur) mogelijk blijven, maar geen structurele oplossing bieden. Hansez pleit voor individuele medische evaluaties in plaats van een starre leeftijdsgrens en een brede discussie over zware beroepen, met aandacht voor fysieke *en* cognitieve belasting.

Voorzitter:

Chers collègues, comme je l'ai signalé tout à l'heure, un certain nombre de parlementaires déposent des questions ayant des intitulés identiques ou semi-identiques. Demain, nous aurons d'ailleurs des questions de Mme Moscufo qui se suivent et portent quatre fois le même titre. Je comprends qu'on fasse cela pour essayer d'avoir plus de temps mais ce n'est pas possible. Je vous invite, dès lors, madame Hansez, à ramasser votre propos de manière à ne pas dépasser l'équivalent du temps d'une question. Je vous remercie.

Isabelle Hansez:

Nous sommes bien conscients que la question a été reprise deux fois, mais ce n'est pas volontaire. Un problème technique a eu lieu, comme dans d'autres commissions d'ailleurs. Les questions apparaissent deux fois pour certains parlementaires. Je n'ai qu'une question et je n'ai jamais voulu en déposer deux. Manifestement, il y a eu un problème technique.

Voorzitter:

Tant mieux.

Isabelle Hansez:

Je ne serai pas très longue, ne vous inquiétez pas. Monsieur le ministre, la 42 e assemblée de l'Organisation de l'aviation civile internationale, l'OACI, se tient en ce moment à Montréal au Canada. À cette occasion, l'OACI doit discuter et décider de porter de 65 à 67 ans l'âge limite pour exercer le métier de pilote de ligne.

Cette évolution, qui est demandée par les compagnies aériennes qui sont confrontées à une pénurie de personnel, soulève d'importants débats en matière de sécurité aérienne et de santé au travail. En Belgique, la situation est paradoxale. L'âge légal, comme tout le monde le sait, a été progressivement relevé à 66 ans et bientôt à 67 ans, mais la limite internationale de 65 ans oblige déjà certains pilotes à quitter leur cockpit et à se retrouver au chômage durant plusieurs années avant de pouvoir accéder à leur pension. Les syndicats et l'association des pilotes dénoncent une aberration sociale, tandis que des experts de la santé mettent en garde contre l'usure physique et mentale, en termes de charge cognitive, liée à un métier aussi exigeant.

Dès lors, monsieur le ministre, comment le gouvernement belge s'est-il positionné au sein de l'OACI sur ce relèvement de l'âge limite de 65 à 67 ans pour les pilotes de ligne? Ne serait-il pas opportun d'envisager en Belgique une adaptation de notre cadre social et de pension pour éviter que des pilotes soient mis de force au chômage, alors qu'ils ne peuvent plus voler à l'international, mais qu'ils n'ont pas encore atteint l'âge de la retraite? Enfin, le gouvernement compte-t-il ouvrir une réflexion plus large sur la pénibilité réelle de certaines professions, comme celle de pilote de ligne, afin d'assurer une cohérence entre norme internationale, sécurité des passagers et justice sociale pour les travailleurs concernés? Je vous remercie pour vos réponses.

Jan Jambon:

Madame Hansez, votre question porte essentiellement sur une autorisation permettant aux pilotes de ligne de continuer à exercer leur métier après l'âge de 65 ans. Cette question relève donc de la compétence du ministre de la Mobilité, M. Crucke, que vous connaissez bien.

Le risque que vous mentionnez concerne uniquement les pilotes du transport aérien commercial. Il ne s'agit pas d'une interdiction totale d'exercer la profession de pilote après l'âge de 65 ans. Ainsi, les pilotes âgés de plus de 65 ans pourraient encore effectuer des vols à vide, c'est-à-dire sans passagers ni marchandises. Ils peuvent également exercer des fonctions dans le cockpit en tant qu'instructeur, formateur ou examinateur, selon l’arrêt C-190/16 de la Cour de justice de l'Union européenne.

Cette question relève également de la compétence du ministre des Affaires Sociales, du ministre de l'Emploi et du ministre de la Mobilité.

L'âge légal de la retraite en Belgique est actuellement de 66 ans et passera, en effet, à 67 ans en 2030. L'accord de gouvernement ne prévoit aucun assouplissement de cette règle pour les pilotes de ligne. La même problématique se pose également dans les pays voisins, à savoir les Pays-Bas et l'Allemagne. Dans ces pays aussi, l'âge légal de la retraite est fixé au-delà de 65 ans, sans qu’aucune exception ne soit prévue pour les pilotes de ligne.

Isabelle Hansez:

Je vous remercie pour votre réponse, monsieur le ministre. Personne ne veut compromettre la sécurité aérienne, mais pourquoi maintenir une limite d'âge arbitraire alors que des examens médicaux individualisés, y compris sur le plan de la santé mentale, permettraient d'évaluer réellement l'aptitude des pilotes? Cette situation illustre la nécessité d'une réflexion plus large sur la pénibilité de certains métiers. Je pense notamment à la pénibilité physique, mais aussi à la charge cognitive qui peut caractériser certains métiers. J’entends vos réponses, et je reviendrai également vers les autres ministres compétents en la matière. Merci.

De pensioenen van de militairen

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 30 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Ludivine Dedonder kritiseert de versnelde afschaffing van de militaire invaliditeitspensioen per 2026 (zonder juridisch vacuüm, volgens Jambon) en noemt de bewering dat militairen gemiddeld met 60 jaar met pensioen gaan "leugenachtig" (realistisch: 62-63 jaar). Jambon bevestigt een overgangsregeling (58-60 jaar voor oudere jaargangen) en bonificaties voor vroegpensioen, maar Dedonder waarschuwt dat aantrekkingskracht en loonrechtvaardigheid (o.a. overuren, 24-uursdiensten) ondermijnd worden door harmonisatie met ambtenarenregels, wat leidt tot "goedkope arbeidskrachten" zonder passende arbeidsvoorwaarden.

Ludivine Dedonder:

Monsieur le président, je pourrais également apporter une réponse à M. De Witte avec des chiffres précis concernant la Défense.

Cela vous intéressera certainement, monsieur De Witte, car je n'ai pas vraiment la même analyse.

Monsieur le ministre, votre collègue Theo Francken tente de créer un écran de fumée autour plan social, alors même qu’il ne dispose d’aucune garantie gouvernementale. À ce stade, un seul syndicat militaire semble "convaincu" par ce fameux plan social.

De votre côté, vous avancez, camouflé mais résolu, dans votre réforme des pensions militaires, avec pour objectif de remettre en cause des droits acquis, sans prendre en compte la pénibilité propre à cette fonction.

Nous en avons parlé tout à l’heure de manière générale, mais vous ambitionnez de supprimer la pension pour inaptitude physique dès le 1 er janvier 2026.

Du point de vue des militaires, y aura-t-il un vide juridique pour ceux qui seront déclarés inaptes à exercer leur métier? Je sais que ce point a été évoqué lors de récentes réunions mais j’aimerais vous entendre clairement à ce sujet.

Vous savez qu’il était initialement prévu de laisser à la Défense un délai jusqu’au 1 er janvier 2028 pour adapter la législation et intégrer l’allocation temporaire d’inaptitude au travail pour fonctionnaires dans le statut des militaires. Aujourd’hui, le tempo s’accélère, et je souhaite connaître les conséquences de cette décision.

Vous avez évoqué tout à l’heure des personnes qui resteraient à charge du département concerné. Cela signifie-t-il que les militaires déclarés inaptes resteraient entièrement à charge de la Défense?

Plus globalement, pouvez-vous faire le point sur l’allongement de la carrière des militaires prévu par l’accord de gouvernement et sur les négociations en cours? Votre collègue a prétendu que l’âge moyen de départ à la retraite tournerait autour de 60 ans. Je peux déjà vous dire que c’est un mensonge.

Jan Jambon:

J'ai déjà donné différents éléments dans mes réponses à d’autres questions, mais repetitio est mater studiorum .

Il est en effet de l'intention de ce gouvernement de mettre fin à toute nouvelle entrée dans le régime de pension pour inaptitude physique à partir du 1 er janvier 2026. Les militaires qui seront licenciés d'office pour inaptitude physique après le 30 novembre 2025 ne pourront plus prétendre à une pension pour inaptitude physique. À partir du 1 er janvier 2026, ils pourront prétendre à une allocation d'invalidité sur la base des articles 14 à 18 de la loi du 6 février 2003 relative aux dispositions sociales pour les militaires retournant à la vie civile.

L'avant-projet de loi visant à supprimer la pension pour inaptitude physique a été rédigé de telle sorte qu'aucun militaire médicalement inapte ne se retrouve dans un vide juridique. Certaines dispositions statutaires concernant les militaires devront néanmoins être harmonisées avec les dispositions de cet avant-projet de loi. Cela ne crée toutefois aucune insécurité juridique. Le principe de suppression de la pension pour inaptitude physique, tel qu'inscrit dans l'avant-projet de loi, prévaut en effet sur toute autre disposition légale ou réglementaire qui serait en contradiction avec celui-ci.

Concernant l'allongement global des carrières des militaires, il convient d’opérer une distinction entre les militaires proches de la retraite et les autres. Pour les militaires proches de la retraite, un régime transitoire est mis en place afin qu'ils ne soient tenus d'accomplir que quelques années supplémentaires par rapport à l'âge de pension de 56 ans d’application avant la réforme. Ainsi, l'avant-projet de loi prévoit que les militaires nés en 1971 pourront prendre leur pension à partir de 58 ans, ceux nés en 1972 à partir de 59 ans et ceux nés en 1973, 1974 et 1975 à partir de 60 ans.

Il convient de noter qu'ils peuvent également choisir de prolonger volontairement leur carrière et de reporter leur départ à la retraite d'office.

Les militaires qui ne relèvent pas de ce régime transitoire ouvrent leur droit à une pension anticipée selon les mêmes règles que les fonctionnaires. Contrairement aux fonctionnaires, les militaires pourront, selon les règles actuellement en vigueur pour l'ouverture du droit à une pension anticipée, bénéficier d'une bonification d'une durée de deux ans.

Cette bonification de deux ans permettra à un militaire ayant commencé sa carrière à l'âge de 18 ans d'ouvrir son droit à une pension anticipée à partir de 60 ans, compte tenu qu'à ce moment-là, il aurait atteint 44 années de service ouvrant droit à pension.

De plus, un militaire pourra également bénéficier de la nouvelle possibilité d'ouvrir son droit à une pension anticipée à partir de 60 ans s'il peut prouver à cet âge une carrière de 42 années civiles comportant chacune 234 jours de service effectif.

Ludivine Dedonder:

Merci à vous de préciser les différentes catégories. Il y a les militaires qui sont proches de la pension et il ne manquerait plus que cela qu'ils ne puissent pas la prendre à 60 ans. Mais il y a les autres. Je disais que c'était un mensonge de la part du collègue, parce qu'il est impossible que la grande majorité des militaires partent, après application du nouveau régime, à 60 ans à la retraite. D’après les chiffres globaux, ils partiront en moyenne à 62 ou 63 ans, au plus tôt. Ça, c'est la vérité. Il faut arrêter de raconter aux gens, de manière générale, qu'ils vont pouvoir partir à 60 ans, aux militaires comme aux autres d'ailleurs. Avec les conditions que vous mettez, les gens ne pourront en réalité pas partir à 60 ans. Si vous voulez de la correction, il faut qu'elle soit dans les deux sens. On ne raconte pas n'importe quoi aux gens. Sur la partie attractivité de ce département, je persiste à dire que dans ce département comme ailleurs, c'est une erreur de s'entêter. Si les militaires ont un régime de pension différent, c'est parce qu'ils ont un régime de travail différent, parce qu'ils font un nombre d'heures supplémentaires par rapport aux autres. Pour moi, si on touche au régime de pension, il faut inévitablement toucher au régime de travail, si on veut une certaine équité. Demain, vous voulez mettre des militaires aux côtés des policiers dans la rue. Ils n’ont pas le même régime de travail. Vous allez avoir un militaire qui travaille 24 heures et qui est payé 12 heures à côté d’un policier qui a un autre régime de travail. Cela me fait souvent dire que, un, c’est de la communication, et deux, c’est de la main-d’œuvre bon marché, parce que les militaires, avec le régime de pension que vous allez harmoniser sur les autres, vont travailler à un salaire inférieur au salaire minimum.

De bescherming van slachtoffers van familiaal geweld
De drievoudige moord in Roeselare
De drievoudige moord in Roeselare
Maatschappelijke impact, preventie en juridische aanpak van familiaal geweld en extreme gevallen zoals Roeselare

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 25 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Een Afghaanse man, eerder veroordeeld voor familiaal geweld maar met een lichte straf (1 jaar, half voorwaardelijk) en zonder effectief toezicht, pleegde een drievoudige moord in Roeselare, ondanks een lopend contactverbod. Sophie De Wit dringt aan op snelle goedkeuring van haar wetsvoorstel voor gps-tracking van daders en slachtoffers (slachtofferapplicatie) om herhaling te voorkomen, terwijl Alexander Van Hoecke de te lage straffen, gebrek aan uitzetting van criminelen en taalbarrières (geen begeleiding door onvoldoende Nederlands) hekelt als systeemfalen. Minister Annelies Verlinden belooft strafverzwaringen, gespecialiseerde rechtbanken, betere slachtofferbescherming (mobiel alarm, gps) en verbeterde communicatie tussen justitie en lokale besturen, maar erkent dat onmiddellijke aanhouding bij voorwaardelijke straffen niet mogelijk was. De discussie draait om systeemtekorten in preventie, strafuitvoering en migratiabeleid, met urgente oproepen tot concrete maatregelen.

Voorzitter:

Collega's, gelieve respect op te brengen voor degene die het woord heeft. Dat is nu mevrouw De Wit.

Sophie De Wit:

Mevrouw de minister, collega’s, een Afghaanse man werd vorige week veroordeeld wegens familiaal geweld tot een gevangenisstraf van één jaar, waarvan de helft met uitstel. Er gold een contactverbod gedurende de beroepstermijn, die nog liep, maar het heeft niet mogen baten. Afgelopen zondag is hij aan een dodelijke raid begonnen. Uiteindelijk heeft hij zijn partner, een kennis en de buurman om het leven gebracht.

Uiteraard roept dat opnieuw heel wat vragen op, ook over de werking van Justitie. Uiteraard zijn we dan verontwaardigd, ik ook. Het zal maar uw moeder, uw vriend, uw broer, uw zus of uw vader zijn. Die verontwaardiging is terecht, alweer, want dit is helaas niet de eerste keer.

Verontwaardiging volstaat echter niet. Daarvoor zijn wij hier, collega’s: als politici moeten we proberen het verschil te maken. Dat is wat ik probeer te doen. In het regeerakkoord hebben we een uitgebreid luik geschreven over een betere bescherming van slachtoffers. Daarin staan heel wat maatregelen en een daarvan is de slachtofferapplicatie. Bij een contact- of plaatsverbod kan er een gps-systeem gekoppeld worden aan zowel het slachtoffer als aan de dader. Wanneer iemand dat plaatsverbod schendt of te dicht in de buurt komt, wordt een signaal verstuurd en kunnen de instanties ingrijpen. Op die manier weet men dat, en de dader weet dat hij gevolgd wordt.

Mevrouw de minister, collega’s, naast de verontwaardiging die er vandaag opnieuw is, ligt er ook een wetsvoorstel op tafel. We hebben dat in januari al ingediend en de adviezen zijn al gevraagd. Wat ik u hier vandaag eigenlijk alleen maar wil vragen – aan u allen – is uw steun. Kunnen we dat wetsvoorstel, dat de wettelijke basis biedt voor wat vandaag al een proefproject is, alstublieft snel goedkeuren? Zo hoeven er niet nog meer drama’s te gebeuren. Ik dank u.

Alexander Van Hoecke:

Drie verschillende moorden door een reeds veroordeelde Afghaan binnen enkele uren tijd. Mohamed K. is een man die sinds 2015 in ons land verblijft, geen woord Nederlands spreekt en al veroordeeld werd voor brutaal intrafamiliaal geweld. Vorige zomer moest de politie ter plaatse komen nadat zijn eigen dertienjarige zoon in paniek bij de buren had aangebeld. Ter plaatse constateerde de politie dat zijn vrouw verwondingen had aan handen, armen en hoofd. De vier kinderen waren in het gezicht geslagen met een broeksriem, een gsm-oplader of een plastic kabel.

Welke straf kreeg Mohamed K. daarvoor? Eén jaar cel, waarvan de helft met uitstel. We weten allemaal wat dat betekent, want deze regering kiest er heel duidelijk voor om celstraffen van zes maanden of minder niet uit te voeren.

Nog frappanter was dat aan die geheel voorwaardelijke straf geen voorwaarden waren gekoppeld, want Mohamed K. sprak onvoldoende Nederlands. Volgens de rechter zou dat niet werkbaar zijn. Donderdag werd die straf, of het complete gebrek aan straf, uitgesproken. Zondag vermoordde Mohamed K. drie mensen in koelen bloede in Roeselare.

Mevrouw de minister, ik weet eerlijk gezegd niet waar ik moet beginnen met mijn vragen hierover. Ik heb twee essentiële vragen voor u vandaag.

Ten eerste, wat gaat u onmiddellijk ondernemen om ervoor te zorgen dat veroordeelde criminelen niet vrij kunnen rondlopen en effectief een straf krijgen?

Ten tweede, wellicht de belangrijkste vraag, wat deed die Afghaan in godsnaam nog in ons land?

Nathalie Muylle:

Mijnheer de voorzitter, ik zal mij aan mijn tekst houden. Dat is niet mijn gewoonte, maar de omstandigheden zijn dan ook buitengewoon.

Onze stad werd zondag getroffen door dramatische gebeurtenissen. Een man van Afghaanse origine heeft achtereenvolgens zijn ex-partner, een kennis en een vroegere buur neergestoken. Onze eerste gedachten gaan uit naar de slachtoffers, hun familie en vrienden. Onze Roeselaarse gemeenschap blijft verweesd achter. Hoe is dat kunnen gebeuren? Dergelijk geweld hoort niet thuis in onze stad.

Onze inwoners vragen zich terecht af hoe iemand die nauwelijks een week geleden is veroordeeld tot een gevangenisstraf van een jaar voor ernstige feiten van intrafamiliaal geweld zomaar vrij kan rondlopen. In het vonnis werd geen voorwaarde van begeleiding opgelegd, omdat de man geen Nederlands spreekt. Ook van elektronisch toezicht was geen sprake.

Mevrouw de minister, hoe kunnen wij dergelijke situaties aanpakken en voorkomen? Moet de wetgeving niet worden aangepast om ervoor te zorgen dat bij intrafamiliaal geweld in de mogelijkheid wordt voorzien om iemand aan te houden bij veroordelingen van kortere duur, zoals dat vandaag kan bij seksuele delicten?

Als waarnemend burgemeester heb ik dit weekend vanuit de eerste lijn moeten vaststellen dat de pushberichten van de kranten veel sneller en veel gedetailleerder kwamen dan de informatie waarover wij als lokaal bestuur beschikten.

Uiteraard is er begrip voor een correct wettelijk kader. Uiteraard is er ook respect voor het geheim van het onderzoek. Ik hoop echter dat u begrijpt dat de bevolking zich in een beangstigende situatie richt tot de burgemeester en het lokale bestuur voor informatie. Er moet een betere doorstroming komen tussen de onderzoeksrechter die het onderzoek leidt, het parket en het lokale bestuur.

Dat zijn de twee vragen die onze burgemeester u maandag na de gemeenteraad ook per brief heeft gesteld. Ik kijk uit naar uw antwoord.

Annelies Verlinden:

Collega's, laat me beginnen met het betuigen van mijn diepste meeleven met de familie en de vrienden, en zeker ook de kinderen van de slachtoffers, net als met de hele gemeenschap. Wat in Roeselare is gebeurd, is een tragedie die niemand onberoerd laat.

Levens zijn verwoest, de lokale gemeenschap is ontredderd en bovendien situeren de feiten zich in een context van intrafamiliaal geweld. Het gaat om geweld op een plek die voor iedereen als de meest veilige plek zou moeten aanvoelen. Daarom moeten zowel onze boodschappen als ons optreden kordaat en resoluut zijn.

We moeten alles doen wat binnen onze controle is om dergelijke drama's te vermijden. Het gerechtelijk onderzoek naar de feiten loopt en ik zal dat uiteraard op de voet volgen, want het is ook voor mij van belang om precies te weten waarom en hoe die feiten zijn kunnen gebeuren. De lokale en federale politie, het parket en de onderzoeksrechter hebben alles op alles gezet om de verdachte zo snel mogelijk te lokaliseren.

Ik wil hen danken voor hun daadkracht en ik wil ook de waarnemend burgemeester en de burgemeester van Roeselare danken voor hun waardig optreden de afgelopen dagen. Wat ik verder kan duiden over de feiten, is dat de verdachte op 29 juli door de raadkamer werd vrijgelaten onder voorwaarden, waaronder een contactverbod. In tegenstelling tot wat in sommige media werd gesuggereerd, is dat contactverbod nog altijd van kracht.

Op 18 september sprak de correctionele rechtbank van West-Vlaanderen zich vervolgens uit over eerdere feiten, maar dat vonnis was nog niet definitief op het ogenblik van de feiten, omdat de beroepstermijn van 30 dagen nog loopt. Daardoor bleven weliswaar de voorwaarden van de voorlopige invrijheidsstelling van 29 juli, met name ook het contactverbod, van toepassing. De op 18 september opgelegde straf voor de eerdere feiten bedraagt een jaar, waarvan de helft met uitstel en een geldboete.

Ik begrijp dat daarbij ook rekening werd gehouden met het blanco strafregister en met de huidige context van de verdachte. De maximale strafmaat werd toegepast door de rechtbank, het contactverbod liep nog, het vonnis was nog niet definitief en een onmiddellijke aanhouding is inderdaad in dat geval niet voorzien.

Collega's, niemand kan helemaal uitsluiten dat zulke feiten ooit nog zullen gebeuren, maar mijn vastberadenheid daarentegen is bijzonder groot. De daders van intrafamiliaal en van zwaar geweld moeten kordaat worden gestraft, ook en precies omdat we het leed aan en het onrecht van de slachtoffers zeer ernstig moeten nemen. Daarnaast moet ook de omkadering bij seksueel en intrafamiliaal geweld door onze partners toereikend worden gemaakt, ook op het vlak van integratie en verplichte begeleiding in justitiehuizen en andere. Net zoals in de vorige legislatuur maken we van de strijd tegen intrafamiliaal geweld en seksueel geweld een prioriteit.

Daarom voorziet het nieuwe Strafwetboek in strafverzwaringen en in nieuwe strafbaarstellingen. We zorgen ook, mevrouw De Wit, voor een brede uitrol van het mobiel stalkingalarm en de gps-toepassingen in overleg met de gemeenschappen die ook een bevoegdheid hebben in dezen. We kunnen uw wetsvoorstel daarbij zeker in aanmerking nemen.

Daarnaast investeren we in parketcriminologen om de werking van de veilige huizen te versterken vanuit het budget van Justitie. We richten ook gespecialiseerde kamers op bij de rechtbanken voor intrafamiliaal geweld en voor seksueel geweld. Daarnaast willen we de verplichte inschakeling van de DAVO bij intrafamiliaal geweld bekijken om zo ook economisch geweld tegen te gaan, wat vaak samengaat met intrafamiliaal geweld.

Ik wil graag nog even terugkomen op de terechte bezorgdheden vanuit Roeselare omtrent de communicatie vanwege Justitie in de eerste uren. De zoektocht naar het juiste evenwicht tussen enerzijds het verlenen van transparantie omtrent de beschikbare informatie met het oog op het scheppen van vertrouwen en het geruststellen van de bevolking en anderzijds de bescherming van het onderzoek en het veilige optreden van de veiligheidsdiensten waardoor enige terughoudendheid geboden kan zijn, is wezenlijk. Vorige week nog had ik overleg met de woordvoerders van de zetel en het openbaar ministerie om het gepaste handelingskader voor dat soort gevallen verder uit te diepen. Deze casus toont aan hoezeer dat nodig is.

We moeten ook allemaal een vuist maken tegen lekken vanuit de bevoegde diensten naar de pers, die de communicatie vanuit lokale en bovenlokale besturen kunnen doorkruisen. Geweld, van welke aard ook, verplicht ons samen te werken en samen te blijven investeren in Justitie en in een passende omkadering voor slachtoffers, zoals met het mobiel stalkingalarm en de gps-toepassing, en zo ook onze binnenlandse veiligheid te dienen. We moeten dat doen voor de slachtoffers, voor de nabestaanden en uiteindelijk ook voor onze hele samenleving. Ik maak er alvast werk van.

Sophie De Wit:

Dank u voor uw antwoord, mevrouw de minister.

Samen maken we er werk van. Ons wetsvoorstel werd in januari ingediend. We hebben inmiddels ook de adviezen ontvangen van de Vlaamse Gemeenschap. Ik kijk dus naar de voorzitter van de commissie voor Justitie. Laten we er gewoon aan beginnen, want die controle en die dwangmaatregelen zijn wel degelijk nodig. Alleen een voorwaarde opleggen, is niet voldoende. Er zijn immers te veel incidenten. U zegt terecht dat we niet alles kunnen vermijden. Dat klopt. We kunnen evenwel proberen de gaten in het net op zoveel mogelijk plaatsen te dichten. De slachtofferapplicatie is daartoe een middel.

Collega's, ik ga ervan uit dat u dat allemaal heel snel zult steunen. Ik dank u.

Alexander Van Hoecke:

Drie verschillende moorden in een paar uur tijd hadden voorkomen kunnen worden. Drie mensenlevens en de levens van tientallen nabestaanden hadden niet verwoest moeten worden. Wat deed die Afghaan, die in 2015 naar hier werd gehaald onder Theo Francken en die zijn vrouw en kinderen mishandelde, in hemelsnaam nog in ons land?

Buitenlandse criminelen uitzetten in plaats van ze fopstrafjes geven, dat is geen onmogelijkheid, dat is een beleidskeuze. Criminelen tout court niet vrijlaten na een veroordeling, maar ze effectief bestraffen, dat is een beleidskeuze. Dat zijn de beleidskeuzes die u maakt en die jammer genoeg op deze manier nog veel slachtoffers zullen eisen.

Mevrouw de minister, u draagt hier een loodzware verantwoordelijkheid.

Nathalie Muylle:

Mevrouw de minister, er zijn in dit dossier heel veel mitsen en maren . Hadden we maar… Was dit maar gebeurd... Deze keer ging het om een vrouw die de moed had om weg te gaan van haar partner, een buur die zijn burgerplicht heeft gedaan en een kennis die het verschrikkelijk vond en afstand nam, omdat iemand zijn gezin sloeg. U hebt terecht een aantal goede maatregelen opgenoemd en ik hoop dat u die ook kunt realiseren. Er komt een cruciale periode aan, namelijk de begroting. U vraagt bijkomende middelen en ik hoop dat u die zult krijgen, want elk slachtoffer van intrafamiliaal geweld is er een te veel.

Het verbieden van de antifabeweging
Het verbieden van de antifabeweging
Het verbieden van antifa
Het geweld van extreemlinks
Maatschappelijke en politieke discussies over verbod en geweld van extreemlinkse antifa-bewegingen

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 25 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om geweld door Antifa-groepen tijdens een herdenking van Jean Gol en het omstreden regeringsvoorstel om verenigingen zonder rechterlijke tussenkomst te verbieden. Critici (Van Tigchelt, Ribaudo) waarschuwen voor autoritaire afglijding en benadrukken dat ideologieën niet verboden kunnen worden, terwijl voorstanders (Depoortere, Bouchez) Antifa als gewelddadige terreurbeweging willen aanpakken via de antiterreurlijst. Minister Quintin bevestigt hard optreden tegen geweld maar verdedigt zijn wetsontwerp als nodig voor openbare orde, zonder de rechtsstaat te ondermijnen. De spanning spitst zich toe op vrijheid vs. veiligheid, met beschuldigingen van politieke censuur (PVDA) en selectieve verontwaardiging.

Paul Van Tigchelt:

Mijnheer de minister, vorige week werd wijlen Jean Gol herdacht. Wat er toen is gebeurd, is ronduit schandalig: zijn graf werd besmeurd, leden van niet de minste politieke partij werden belaagd en politieambtenaren werden fysiek aangevallen. Dat is onaanvaardbaar. De daders moeten worden gevolgd via de OCAD-lijst, worden vervolgd en bestraft.

Ik begrijp dat men naar aanleiding van zo'n incident emotioneel reageert, maar dat men het incident aangrijpt om de Grondwet en uw en mijn vrijheid van vereniging in de vuilnisbak te gooien, gaat voor mij als liberaal niet een brug, maar drie bruggen te ver. Men wil Antifa immers verbieden op basis van een door de ministerraad goedgekeurd wetsontwerp dat de regering de mogelijkheid geeft een vereniging te verbieden.

Op grond van dat wetsontwerp zal de regering, de uitvoerende macht, met een duim omhoog of omlaag een vereniging kunnen toelaten of verbieden. Zo'n wet hoort niet thuis in onze rechtsstaat. Dat is iets voor een autoritaire staat. In een rechtsstaat pakt een rechter verenigingen aan. Ik ben de eerste om verder mee na te denken over wetgeving ter zake. Trouwens, we gaan hierbij ook nog voorbij aan het feit dat Antifa geen vereniging is, maar wel een ideologie. Een ideologie kan niet worden verboden, hoe weinig sympathie we daar ook voor hebben. Men heeft het recht om die mening te verkondigen. Mijn vraag is dus (…)

Julien Ribaudo:

Monsieur le ministre du MR, j'ai entendu votre président de parti réclamer l'interdiction de toutes les organisations antifascistes de Belgique. J'ai entendu le plan du gouvernement pour interdire des organisations pour la Palestine, des organisations qui défendent le climat. Et M. Bouchez a même relayé un tweet qui appelle à dissoudre le parti Ecolo. On est où ici? On est où?

Dans votre projet de loi, vous donnez le pouvoir au gouvernement d'interdire des organisations de manière arbitraire, monsieur le ministre, sans même devoir passer par un juge, sur simple besoin d'un rapport administratif, parce qu'elles seraient jugées soi-disant radicales.

Vous voulez en fait vous accorder à vous-même, monsieur le ministre, ce pouvoir en tant que ministre de l'Intérieur. Et dans quel cadre faites-vous cela? Forcer les gens à travailler toujours plus longtemps pour moins de pension, attaquer le pouvoir d'achat des travailleurs, plonger des centaines de milliers de familles dans la misère, attaquer les malades et détruire nos services publics. Dans ce cadre-là, vous vous donnez un tel pouvoir et, moi, je n'appelle pas cela de la démocratie, monsieur le ministre. Vous voulez pouvoir faire taire celles et ceux qui contestent vos politiques.

Votre projet de loi, c'est une attaque frontale contre nos droits démocratiques, contre le droit d'organisation, contre la liberté d'expression, contre le droit de protester. Alors, ma demande est simple, monsieur le ministre. Au vu des critiques de l'ensemble des organisations en charge de la protection des droits humains, au vu des critiques des observateurs et des acteurs de terrain qui se sont déjà exprimés sur les dangers de votre projet de loi, allez-vous, oui ou non, renoncer à votre projet?

Ortwin Depoortere:

Collega Van Tigchelt, partijen en parlementsleden die vandaag menen dat ze Antifa de hand boven het hoofd moeten houden, vergissen zich. Ik zal u uitleggen waarom. We zien steeds weer dezelfde beelden, mijnheer Van Tigchelt, niet enkel in ons land, maar in heel Europa, beelden van systematiek geweld, vernielingen, aanvallen tegen de politie en vooral van aanvallen tegen politieke tegenstanders, waar de MR vorige week ook het slachtoffer van geworden is en waar het Vlaams Belang al jaren het slachtoffer van is. Ik kan u aan de hand van een lijst aantonen, beste collega's van de PVDA, welk spoor van geweld Antifa de jongste jaren heeft achtergelaten. In 2020 mondde een BLM-mars uit in massale brandstichting met 150 arrestaties. In 2024 werd een conservatieve conferentie in Brussel, NatCon, bedreigd door Antifa. In mei 2025 gooiden bendes met stenen en flessen naar de politie en naar gebouwen en liepen combi's schade op. U raadt het Antifa. Ook voor politieke intimidatie deinst Antifa niet terug. In de afgelopen jaren is het Vlaams Belangsecretariaat meermaals gewelddadig aangevallen, met poging tot brandstichting, waarbij er nog mensen in het gebouw waren. Dat, dames en heren, kan niet door de beugel.

Het is daarom, mijnheer de minister, dat ik durf te vragen Antifa effectief op de antiterreurlijst te plaatsen, goed in de gaten te houden en desnoods te ontbinden.

Georges-Louis Bouchez:

Ce qui est assez extraordinaire dans cette Assemblée, c'est qu'on arrive à voir l'extrême droite et l'extrême gauche défendre les libertés fondamentales. Quand on connaît l'histoire de vos deux idéologies, franchement, c'est le camembert qui dit au Maroilles qu'il pue.

Plus sérieusement, jeudi dernier, nous avions décidé d'un rassemblement en hommage d'une grande personnalité politique, Jean Gol. En face, se tenait un rassemblement organisé par les Jeunes Écologistes, Jeunes CSC, Jeunes FGTB, le Comac, les RedFox. Toutes ces organisations de jeunesse subsidiées, financées avec votre argent, se sont rendues sur cette place. Et ce rassemblement a dégénéré avec des bagarres, des insultes, des jets d'objets, qui ont eu pour conséquence d'envoyer douze policiers à l'hôpital, dont un souffre d'une commotion cérébrale. Au-delà, il y a également eu des militants qui ont été frappés, insultés. Les policiers ont dû batailler avec eux jusqu'à 22 h, en ayant commencé à 17 h.

Alors je pense, monsieur Van Tigchelt, que l'erreur de jugement, c'est qu'on ne souhaite certainement pas interdire la liberté d'expression. Au contraire! Mais, si vous voulez préserver la liberté d'expression, vous devez interdire la violence. Vous devez lutter contre la violence. Et il n'y a aucun compromis à avoir à l'égard des organisations violentes, qu'elles soient d'extrême gauche ou d'extrême droite.

C'est la raison pour laquelle des pays parfaitement démocratiques, à commencer par les Pays-Bas, l'Allemagne et la France, ont pris des dispositions contre les Antifa, car ils ne militent pas pour des droits sociaux. Ils militent pour une révolte. Ils militent pour la désobéissance. Ils militent contre l'ordre public. Et donc, à ce titre-là, monsieur le ministre, je voudrais savoir comment vous comptez intervenir. Vous pouvez déjà agir maintenant, avec la loi de 2024 et la banque de données commune (BDC), mais également avec la loi que vous projetez pour dissoudre les structures violentes.

Bernard Quintin:

Monsieur le président, mesdames et messieurs les députés, à Liège, en effet, le 18 septembre 2025, la violence, la haine et même l'antisémitisme se sont exprimés en plein jour. À ciel ouvert. La tombe de Jean Gol a été profanée en début de journée. Des personnes âgées, entre autres, ont été visées par des jets de projectiles en début de soirée. Certains participants, à l'hommage à Jean Gol, se sont vu taguer leur veste par d'infâmes croix gammées.

Je l'ai dit le soir même et je le répète ici: ce qui s'est déroulé aux abords de l'Université de Liège ce jour-là était une véritable insulte à la démocratie.

Dat was inderdaad schandalig en onaanvaardbaar, mijnheer Van Tigchelt.

Pour que tout le monde prenne la mesure des événements, je rappelle que des croix gammées ont été taguées par de prétendus "antifascistes" sur des vestes. Quel était le tort des personnes agressées? Être membre d'un parti démocratique et se rendre tranquillement à l'hommage prévu à un ministre d' État, un homme dont les valeurs de tolérance, de surcroît, ont toujours été saluées par ses pairs politiques, tous bords confondus.

Face à la gravité de ce qui s'est joué place du Vingt-Août, j'aurais aimé, comme d'autres sans doute, que l'ensemble des forces politiques condamnent avec autant de vigueur que j'en ai entendu aujourd'hui ces débordements. Bien trop nombreux sont celles et ceux qui se sont tus. Certains, voire certaines, semblent même s'être réjouis de ce piétinement de la démocratie. Eh bien, je dois le vous le dire: je trouve cela totalement indigne.

De onderzoeken zijn lopende. Ik heb er alle vertrouwen in dat justitie en de lokale politie van Luik, gesteund door de federale politie, er alles aan zullen doen om de verantwoordelijken te identificeren en de relschoppers te straffen.

Une chose est sûre: les fauteurs de troubles identifiés devront être punis avec sévérité, et certainement pour les coups portés aux civils et aux policiers, dont je rappelle que 12 ont été blessés. Ma politique de tolérance zéro à l'égard de la violence contre les policiers devra trouver à s'appliquer ici aussi.

Dames en heren Kamerleden, met betrekking tot het verbod op de antifabeweging heb ik in de ministerraad een voorontwerp van wet ingediend dat voorziet in de invoering van een specifiek en aangepast wettelijk kader. Dat kader biedt de mogelijkheid, op voorstel van de minister van Binnenlandse Zaken, om de activiteiten van organisaties en personen die door hun daden en gestructureerde werking een ernstige en actuele bedreiging voor de openbare orde en veiligheid in ons land vormen, na overleg en met de mogelijkheid om naar een rechter te stappen, stop te zetten.

Ce texte va poursuivre son cours et mon intention est de le présenter au Parlement le plus rapidement possible. Je ne vais donc pas ici préempter l'application future de ce texte, mais sachez que quiconque répand la haine dans notre société devra répondre de ses actes.

Et en effet, monsieur Bouchez, la banque de données commune peut aujourd'hui lister tant des personnes que des groupes et associations, à ma demande, en début de mandat. Nous devrons voir dans quelle mesure les Antifa, pour ce qu'ils sont, devraient y être inscrits.

Cela étant dit, et parce que je pense qu'il faut être très clair sur le sujet – et j'ai l'intention de l'être –, en tant que ministre de la Sécurité de l'Intérieur, je ferai tout pour protéger la liberté de pensée, la liberté d'expression, la liberté d'association, la liberté de réunion et la liberté de manifestation. Ce sont des piliers de notre démocratie libérale – j'ose ces mots, monsieur Ribaudo. Protéger ces droits fondamentaux, c'est l'objet même de la loi, avec un grand L. Toutes ces libertés doivent trouver à s'exprimer dans le cadre de la loi, et je mettrai toute mon énergie à la faire respecter.

Je suis, comme ministre de l'Intérieur, responsable de l'ordre et de la tranquillité publics. Il n'y aura, à mes yeux, jamais aucune place dans notre société, ni pour la violence, ni pour celles et ceux qui la sèment, et peu m'importe d'ailleurs que cela émane de gauche, de droite, d'en haut ou d'en bas. La loi, c'est la loi. De wet is de wet .

Paul Van Tigchelt:

Ik dank u, mijnheer de minister. Geweld moet worden aangepakt. Zo eenvoudig is het. Het maakt niet uit of het van links, van rechts of uit jihadistische hoek komt. Geweld is onaanvaardbaar. Dat is niet de kwestie. De kwestie is dat we geweld moeten aanpakken binnen de marges van onze rechtsstaat. Met uw wetsontwerp bevinden we ons op een hellend vlak: vandaag treft het Antifa, morgen kan het de PVDA of het Vlaams Belang zijn. U kunt de grootste tegenstander zijn van hun ideeën, maar we leven in een land waarin zij welkom zijn en in het Parlement hun mening mogen uiten. Dat is de essentie.

Je ne suis pas d'accord avec ce que vous dites, mais je me battrai jusqu'à la mort pour que vous ayez le droit de le dire . Daarover gaat het: de vrijheid van meningsuiting. Beste vrienden van de MR, fier d'être libéral , toon dat ook.

Julien Ribaudo:

Monsieur le ministre, vous parlez de violence, mais la principale violence, c'est celle de vos politiques antisociales. C'est forcer les gens d'aller toujours plus longtemps pour moins de pension, c'est attaquer le pouvoir d'achat des travailleurs et plonger des centaines de familles dans la misère, et attaquer les malades!

Vous parlez de danger, de violence, mais il existe déjà des lois pour poursuivre ceux et celles qui seraient coupables de tels actes.

Les mesures que vous voulez prendre, monsieur le ministre, n'ont pas ce but-là. Elles ont pour but de museler la contestation, comme Trump le fait aux États-Unis, en attaquant les contre-pouvoirs. Vous savez que vos mesures antisociales et antidémocratiques ne passent pas! Vous savez que les gens vont se révolter et vous voulez les bâillonner! C'est cela, ce que vous voulez faire: vous voulez protéger la liberté, mais uniquement quand elle est de votre côté.

Cela ne marchera pas et j'appelle les gens à sortir dans la rue le 14 octobre contre les politiques de votre gouvernement et contre vos mesures antisociales! (…)

Voorzitter:

Merci, monsieur Ribaudo.

Vooraleer ik het woord geef aan de heer Depoortere, wijs ik erop dat u van op de bank of van waar ook wel aan uw buurman of -vrouw licht ongenoegen kunt laten blijken, maar dat u daarmee de spreker niet mag verhinderen zijn of haar betoog af te ronden. Gelieve daar rekening mee te houden.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, er is inderdaad een verschil tussen de vrije meningsuiting, waar we allemaal achter staan - geloof mij vrij; ik behoor tot een partij die ooit voor de rechtbank werd gedaagd wegens een opinie –, en het geweld van Antifa.

Dat geweld is wat we nu bijna dagelijks meemaken: politieke intimidatie, vandalisme tegen ordediensten en tegen politieke tegenstanders. Antifa is georganiseerd als een terreurbeweging. Behandel Antifa dan ook zo. Zet het op de antiterreurlijst.

Georges-Louis Bouchez:

Quel spectacle lamentable. Normalement, dans cette institution, il aurait dû y avoir une unanimité pour sanctionner ces actes de violence, et pour les condamner. Et qu'a-t-on pu voir? Une députée qui se reconnaîtra, que j'appellerai Mme Fenêtre pour la circonstance, se réjouir des événements. On n'a surtout pas pu voir une série de présidents de partis condamner ces événements alors qu'ils auraient pu se grandir en agissant de la sorte. Et nous avons vu, à cette tribune, il y a quelques instants, un député du PTB qui incitait à la révolte sociale. La manière dont il parle, les mots qu'il utilise ne sont pas des mots en faveur d'un rassemblement pacifiste, mais sont destinés à faire monter la colère sociale. En effet, vous êtes les tenants du désordre, et vous avez la conviction que la révolte passera par la rue et pas par le Parlement. Vous l'avez dit à de multiples reprises! Donc, vous êtes aussi les responsables de ces violences, et s'il arrive quelque chose de grave, vous devrez vous regarder (…)

Voorzitter:

Merci, monsieur Bouchez.

(Applaudissements sur les bancs du MR, de la N-VA et du VB)

Mijnheer Ronse?

Axel Ronse:

Collega's, wat hier net werd gezegd, is totaal ongehoord. Een democratisch verkozen volksvertegenwoordiger van de PVDA heeft hier nu net de bevolking opgeroepen om zich met geweld te verzetten tegen hervormingen die deze regering voorstelt en die dit Parlement zal goedkeuren (…)

Voorzitter:

Mijnheer Ronse, ik dank u voor uw tussenkomst.

Ik zal het verslag erop nalezen om vast te stellen wat er precies werd gezegd. Ik vel nu geen oordeel, maar indien het inderdaad om een oproep tot geweld ging, dan zal dat uit het verslag worden geschrapt. Ik zeg niet dat het per definitie wordt geschrapt, maar ik zal dat consequent nakijken. Ook het parlementaire debat moet open en vrij worden gevoerd, maar het spreekt voor zich dat dit binnen de regels van de wet moet gebeuren.

Mijnheer Van Quickenborne, ik geef u een minuut spreektijd en daarna is het aan mevrouw Schlitz en de heer Hedebouw.

Vincent Van Quickenborne:

Mijnheer de voorzitter, ik wil alleen mijn verbijstering uitdrukken over het feit dat u de heer Ronse het woord verleende. Gaan we nu alle parlementsleden vragen om hun mening te komen verkondigen over wat er net werd gezegd? Gaan wij nu alle parlementsleden de mogelijkheid geven om te zeggen wat goed, minder goed en slecht was? Dat gaat zo niet. U hoort de voorzitter van het hele Parlement te zijn en niet enkel van de N-VA-fractie. Dat is niet gepast.

Voorzitter:

Als ik voorzitter van de N-VA-fractie was geweest, dan had ik u nu niet het woord verleend. Ik heb u het woord verleend omdat mij werd gemeld dat er niet-parlementaire taal zou zijn gebruikt. Als u ooit op een bepaald ogenblik ook die mening bent toegedaan, dan zal ik u ook het woord verlenen.

Sarah Schlitz:

Je ne vais pas me laisser entraîner dans le caniveau dans lequel certains ici essayent de m'emmener. J'aimerais par contre clarifier certains éléments totalement abjects qui ont été dits à mon propos ici. J'ai condamné fermement et à chaque occasion la profanation de la tombe de Jean Gol. C'est un acte antisémite ignoble. Et en tant que secrétaire d'État, j'ai toujours agi contre le racisme et l'antisémitisme. Et ceux qui ont travaillé avec moi ici le savent pertinemment bien.

En revanche, monsieur le ministre, je suis un peu choquée d'entendre que, dans votre rétroacte, vous omettez de mentionner les éléments qui ont été révélés cette semaine par la rectrice de l'ULiège qui nous dit que, lors des premières concertations avec les forces de l'ordre, il est apparu que des risques élevés de perturbations étaient à prendre en compte. Les organisateurs ont décidé d'ignorer ces analyses de risque et refusé les pistes de délocalisation qui auraient permis à l'université ainsi qu'aux forces de l'ordre de mieux gérer la sécurité de l'événement (…)

Voorzitter:

Mevrouw Schlitz, mag ik u en ook de volgende spreker vragen om u enkel op het incident te richten? U hebt dat niet gedaan, maar een nieuwe tussenkomst gehouden. Uw minuut spreektijd was trouwens ook verstreken. Er zijn nog enkele sprekers. Ik zal hun microfoon uitschakelen als het niet over het incident gaat. Voor alle duidelijkheid, het gaat dus over het mogelijke gebruik van niet-parlementaire taal.

Raoul Hedebouw:

Monsieur le président, pour ce qui est de l'incident, je m'étonne que vous donniez la parole à un député. En effet, si on commence tous à pouvoir intervenir sur toutes les question time , cela ne s'arrêtera pas. Il y a ici un appel d'un député à une manifestation. Il parle de la violence des mesures antisociales prises. Il manquerait plus que ça qu'on ne puisse pas parler de la violence sociale qui est décidée ici par l'exclusion. Ce serait moins grave… Mais je trouve très intéressant d'appuyer la doctrine suivant laquelle l'appel à dénonciation de la violence politique et sociale qui est vécue par les gens aujourd'hui et l'appel à une manifestation soient mis sur pied d'égalité. Cela montre très bien la pente glissante, chers collègues.

Monsieur le président, vous avez donné la parole mais on ne peut pas continuer comme cela. Comprenez-vous ce que je veux dire? On a le droit d'exprimer une prise de position politique ici au Parlement – c'est la moindre des choses – et d'appeler aussi une action. Je rappelle quand même que l'action politique… Nous avons évidemment condamné les violences. Nous l'avons évidemment fait! Ce n'est pas un souci car nous n'étions pas à la manœuvre. Et, comme nous n'étions pas à la manœuvre, nous sommes tranquilles là-dessus (…)

Jean-Marie Dedecker:

Mijnheer de voorzitter, ik zal het heel kort houden. Er bestaat zoiets als parlementaire onschendbaarheid. Ik was ontzettend verwonderd toen hier werd geopperd om iemands woorden te laten schrappen uit het Verslag. Elkeen heeft recht op zijn mening, ook de idioot.

De laatste plaats waar die mening ongeschonden mag worden gegeven, is het Parlement. Ik heb hier mensen op de preekstoel weten staan die anderen beschuldigden van diefstal en andere zaken. Men is hier parlementair onschendbaar. Men is verantwoordelijk voor wat men zegt. Wij hebben het over de vrijheid van meningsuiting. Het enige wat hier echter wordt gedaan, is beginnen met elkaar te beteugelen.

Mijnheer de voorzitter, een lid zegt en doet hier wat hij of zij wil, maar is verantwoordelijk voor zijn of haar daden en woorden. Schrappen is echter aan mij niet besteed.

Voorzitter:

Mijnheer Dedecker, ik verwijs naar artikel 66 van het Reglement. Ik heb niet verklaard dat ik schrap, wel dat ik de uiteenzetting zal bekijken.

Uiteraard is ieder lid parlementair onschendbaar, maar dat is heel wat anders dan desgevallend het niet toepassen van artikel 66.

Georges-Louis Bouchez:

Monsieur le président, au même titre que vous, je rappelle un point du Règlement: à savoir que la séance de questions sert à obtenir des réponses de la part du gouvernement. Or, dans chacune des interventions du PTB, il y a cet appel à des mouvements de grève, accompagné de propos qui incitent à l'agitation. Pourquoi les membres du PTB agissent-ils ainsi? Parce que cette séance de questions ne vous sert pas à obtenir des réponses du gouvernement, mais bien à filmer vos vidéos Facebook à partir desquelles vous essayez d'agiter la société (…)

Voorzitter:

Merci, monsieur Bouchez. Voor alle duidelijkheid, er is vanzelfsprekend geen enkel verbod op het oproepen tot sociaal verzet. Ik kan u geruststellen dat ik die grens nauwlettend zal bewaken.

Nieuwe dronevluchten boven Deense luchthavens en de toenemende Russische dreiging
De beveiliging van het luchtruim tegen binnendringende drones
Beveiligingsuitdagingen voor luchtruim: drones, Russische dreiging, Deense luchthavens

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie), Bart De Wever (Eerste minister)

op 25 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Russische provocaties (drones, vliegtuigen, spionage) testen Europa’s veerkracht, met name in Polen, Denemarken en Estland, terwijl België’s paraatheid ter discussie staat. Minister Quintin bevestigt dat kritieke infrastructuur (luchthavens, energie, ziekenhuizen) 24/7 bewaakt wordt via OCAM en NCCN, maar dringt aan op versnelde wetgevende modernisering, extra investeringen en betere coördinatie tussen defensie, politie en bedrijven om hybride dreigingen (drones, cyberaanvallen, desinformatie) het hoofd te bieden. Weydts (Vooruit) benadrukt dat de regering "te laat" maar wel "massief" zal investeren in defensie, terwijl Lasseaux waarschuwt voor toekomstige binnenlandse dreigingen via lokale drone-aanvallen en cyberoorlog, met als doel staatsontwrichting. Urgentie en aanpassing van wetten/protocollen zijn cruciaal, maar concrete gereedheid blijft onzeker.

Axel Weydts:

Russische drones boven Polen, Russische gevechtsvliegtuigen boven Estland, Russische spionageschepen in onze Noordzee, en gisteren en eergisteren drones boven zowat alle luchthavens van Denemarken.

Ik kan nog even doorgaan met het opsommen van de drieste pogingen van Poetin ons te destabiliseren, maar ik zal vingers tekortkomen om aan te duiden wat er in de afgelopen weken is gebeurd. Het is heel duidelijk dat Poetin ons aan het testen is en ons aan het pesten is. Dan moeten we niet angstvallig reageren, maar we moeten wel waakzaam zijn.

Ik vind dat de NAVO het hoofd koel heeft gehouden. De NAVO heeft goed gereageerd, koelbloedig, maar wel daadkrachtig. Straks zal misschien een volgende stap nodig zijn, als onze burgers effectief bedreigd worden en in gevaar komen door de drieste acties van Poetin en zijn intrusies in ons luchtruim. Laten we hopen dat dit niet nodig zal zijn.

Ik besef heel goed dat het niet evident is om boven bewoond gebied of boven luchthavens drones of gevechtsvliegtuigen zomaar uit de lucht te schieten. Dat op zich kan al een gevaarlijke daad zijn. Dat is absoluut niet evident, mijnheer de minister, dat begrijp ik heel goed.

Het is deze regering, met Vooruit, die ervoor zal zorgen dat we nooit geziene investeringen zullen doen voor de veiligheid van ons allemaal, in onze defensie. Dat is broodnodig, maar ik vrees dat we vandaag niet klaar zijn om een eventuele volgende stap te doen.

Daarom is mijn vraag heel duidelijk. Is ons land, is onze politie, is onze defensie klaar om het hoofd te bieden aan een steeds groter wordende dreiging?

Stéphane Lasseaux:

Monsieur le ministre, ces derniers jours, nous avons entendu que le Danemark et la Norvège avaient dû fermer certains de leurs aéroports suite à la présence de drones dans leur espace aérien. Pire encore, la première ministre danoise a annoncé mardi que les menaces planant sur ces infrastructures étaient très graves.

Le modus operandi et les drones utilisés laissent à penser qu’il existe une volonté derrière ces actes. Des acteurs compétents et déterminés cherchent à se faire remarquer ou, à tout le moins, à s’entraîner. À ce jour, aucune preuve ne permet de dire qu’il s’agit de menaces hybrides liées à la guerre menée actuellement par la Russie.

Néanmoins, soyons vigilants! Il faut analyser rapidement comment contrôler notre espace aérien, comment protéger nos infrastructures critiques qui sont menacées ou qui pourraient être menacées par des drones de toute origine.

Les menaces deviendront de plus en plus importantes. Un jour ou l'autre, des drones décolleront, non pas de pays voisins, mais de notre territoire, dirigés par des pilotes – bien évidemment hostiles – au sol. Notre futur ennemi empruntera les technologies modernes, notamment les technologies cyber, et les utilisera pour paralyser nos infrastructures critiques. Malheureusement la volonté délibérée est naturellement de déstabiliser l’État.

Nos dispositifs doivent être modernisés. J'insiste sur l'urgence et sur la gravité du moment.

Monsieur le ministre, avons-nous la capacité de détecter rapidement des drones menaçant nos infrastructures critiques? La Défense, la police et les entreprises qui gèrent ces infrastructures critiques ont-elles investi pour faire face à ces risques d'intrusion par drone? Existe-t-il une loi suffisamment claire en la matière? Si oui, ne faut-il pas la moderniser? Les procédures actuelles peuvent-elles nous permettre de réagir (…)

Voorzitter:

Mijnheer Lasseaux, u hebt trouwens op zeer originele wijze de aanbeveling om geen papier te gebruiken nageleefd, want met uw notebook hebt u inderdaad geen papier gebruikt.

Bernard Quintin:

Monsieur le président, messieurs les députés, le survol par des drones des aéroports de Copenhague et d'Oslo n'est qu'un événement de plus dans une longue série qui doit nous alerter sur les menaces qui peuvent peser sur des secteurs clés pour notre société.

Mijnheer Weydts, "testen en pesten", ik zal die mooie uitdrukking gebruiken, als het mag.

Vos questions portent naturellement sur la possibilité qu'un tel cas puisse se produire en Belgique.

Onze luchthavens maken vanzelfsprekend deel uit van de kritieke entiteiten van ons land en moeten in die hoedanigheid hun eigen risicoanalyse uitvoeren. Dat betekent dat men zich moet buigen over de problematiek van het overvliegen door drones en daarbij de nodige maatregelen moeten voorzien, zoals detectiesystemen, regelmatige oefeningen en de onmiddellijke rapportering van elk geregistreerd incident.

Nos services de sécurité et d'analyse de la menace sont évidemment à pied d'œuvre 24 heures sur 24 et 7 jours sur 7 et accompagnent ces mêmes entités critiques. Je peux vous rassurer: ils sont très bien renseignés. Ainsi, l'Organe de coordination pour l'analyse de la menace (OCAM) réalise une analyse des risques par secteur visé, tandis que le Centre de crise national (NCCN) œuvre à la coordination entre les mesures internes prises par les entités critiques elles-mêmes et les mesures externes prises notamment par la police et les autres services de sécurité.

Mesdames et messieurs les députés, j'aimerais ici élargir le propos. Face aux évolutions géopolitiques et aux risques croissants de catastrophe et de crise, il nous faut nous tenir prêts à tous les scénarios en nous assurant que ce que nous appelons nos "infrastructures critiques" – je pense notamment aux installations énergétiques, aux transports, y compris les aéroports, aux banques, aux hôpitaux, mais aussi aux réseaux d'eau potable – puissent continuer à fonctionner.

Nog maar gisteren heb ik in het Parlement een ontwerp ingediend dat tot doel heeft onze wetgeving te moderniseren en aan te passen aan de verschillende bedreigingen waarmee we geconfronteerd worden, waarvan de frequentie, de complexiteit en de gevolgen onze samenleving voor nieuwe uitdagingen plaatsen. Ik zal zeer binnenkort naar het Parlement terugkomen om dat wetsontwerp in zijn wetgevend traject te begeleiden, waarbij ik het volledige halfrond vraag rekening te houden met de urgentie van de situatie. Het is belangrijk voor de bescherming van al onze burgers. Dat is precies het doel van de veerkrachtplannen die aangepast zijn aan de dreigingen en die door een hele reeks actoren moeten worden uitgewerkt om voorbereid te zijn op alle scenario's en om te kunnen blijven functioneren.

Cela signifie aussi qu'il faut effectuer les investissements nécessaires dans toutes ces infrastructures critiques. Je veux quand même rassurer. Les investissements se font. Il faut évidemment se mettre à jour, et toujours courir après les menaces qui se développent.

Besturen betekent voorzien, en in dit geval vooruitzien. We moeten onze kritieke infrastructuur en onze luchthaven beschermen. Er valt geen tijd te verliezen.

Axel Weydts:

Mijnheer de minister, we mogen inderdaad geen tijd verliezen. Het is niet vijf v óó r twaalf, maar vijf over twaalf. De huidige regering met Vooruit zal investeren in de veiligheid van onze mensen. Ik wijs naar niemand (wijst naar de PVDA-PTB-fractie) , maar in tegenstelling tot de naïeve oppositie zal de regering er wel voor kiezen om te investeren in onze veiligheid, niet om ten oorlog te trekken, maar om onze mensen te beschermen.

Stéphane Lasseaux:

Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses. Notre futur ennemi ne viendra pas avec des chars sur la Grand-Place de Bruxelles. Notre futur ennemi procédera à des cyber-attaques. Nous devons nous attendre à une guerre hybride. Sa volonté sera évidemment de déstabiliser l'État et la population et désinformer cette dernière. J'ai bien entendu que vous teniez compte de l'urgence. Je compte sur vous pour répondre à tous ces enjeux.

De cyberaanval op Brussels Airport

Gesteld door

lijst: PS Patrick Prévot

Gesteld aan

Vanessa Matz (Minster van Modernisering van de overheid, Overheidsbedrijven, Ambtenarenzaken, Gebouwenbeheer van de Staat, Digitalisering en Wetenschapsbeleid)

op 24 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De cyberaanval op Collins Aerospace (ransomware via *supply chain*), een externe leverancier van Brussels Airport, veroorzaakt nog steeds operationele verstoringen (handmatige afhandeling, geannuleerde vluchten), zonder directe compromittering van de luchthavensystemen. Minister Matz benadrukt dat cybersécurité een kritieke pijler is en wijst op versterkte verplichtingen onder NIS2, maar bevestigt dat de daders en exacte impact nog onderzocht worden (met steun van het CCB). Ze kondigt 55 miljoen euro aan voor federale cyberversterking in 2025 en een nieuwe coördinatiecel (SPF BOSA, 2026), maar erkent beperkte bevoegdheid buiten federale administraties. Prévot kaart aan dat slachtoffers (passagiers, phishing-cliënten) vaak niet vergoed worden door "grove nalatigheid"-clausules, maar dit blijft onbesproken.

Patrick Prévot:

Madame la ministre, à l'heure d'écrire ces lignes, la cyberattaque menée contre Brussels Airport continue de provoquer de sérieuses perturbations. Ce lundi, la moitié des vols prévus au départ de notre capitale sera annulée.

Dans un communiqué, l'aéroport précise que « Collins Aerospace n'est pas encore en mesure de garantir une nouvelle version sécurisée du système d'enregistrement ». Car c'est bien Collins Aerospace, le fournisseur américain de services des systèmes d'enregistrement et d'embarquement, prestataire externe à Brussels Airport, qui a été la cible de cette cyberattaque, poussant à l'aéroport à revenir à l'enregistrement manuel des passagers et de leurs bagages.

Madame la ministre, quelles informations pouvez-vous nous communiquer sur cette cyberattaque ? On sait que la cyberattaque subie dans une administration publique wallonne a eu des conséquences graves sur le suivi de dossier et donc dans la gestion des affaires de politiques publiques : quel est votre retour sur cette cyberattaque ? A-t-on une idée des hackers à l'origine de cette cyberattaque ?

Sauf erreur de ma part, tous les consommateurs ne seront pas remboursés car il s'agit d'une raison indépendante de leur volonté. J'ai déposé une question à votre collègue Beenders sur le fait que de plus en plus de banques rechignent à dédommager leurs clients victimes de « phishing » en jouant sur la notion de « négligence grave ». Je voudrais étudier la question au niveau de la cybersécurité de Brussels Airport : comment évaluez-vous le niveau de cybersécurité de l'aéroport ? Comment évaluez-vous également la cybersécurité du fournisseur Collins Aerospace?

Je vous remercie pour vos réponses.

Vanessa Matz:

Je voudrais juste dire que je ne suis pas compétente sur la cybersécurité en dehors des administrations fédérales. Je ne suis pas compétente pour la cybersécurité de manière générale. C'est toujours un peu compliqué, mais je vais vous répondre.

Je vous remercie pour vos questions.

La cybersécurité n'est plus une option technique, mais c'est un pilier de la confiance, de la résilience et de continuité pour nos services essentiels. Elle doit être anticipée, organisée et soutenue à tous les niveaux.

Le 19 septembre, une attaque par ransomware a visé Collins Aerospace, un fournisseur américain de services cloud utilisés notamment à Brussels Airport. Il s'agit d'une attaque de type supply chain , qui a touché un prestataire externe, sans compromission directe des systèmes de l'aéroport, à l'inverse de l'incident ayant concerné le SPW (Service Public de Wallonie). L'impact ici est indirect mais tout aussi réel, avec des perturbations opérationnelles encore en cours. L'enquête se poursuit avec le soutien du CCB (Centre pour la Cybersécurité Belgique), sans attribution confirmée à ce stade.

Brussels Airport est soumis, comme d'autres entités critiques, à des obligations renforcées dans le cadre de la directive européenne NIS2. Celle-ci impose une vigilance accrue aux prestataires, ce qui renforce la nécessité d'une mise en œuvre rigoureuse.

En tant que ministre chargée du numérique, j'ai porté une proposition de répartition du budget 2025. Pour accompagner cette mise en œuvre, ce sont 55 millions d'euros qui ont été alloués aux institutions fédérales concernées. J'ai également obtenu la création d'une cellule de coordination et de soutien au sein du SPF BOSA, avec un financement prévu dès 2026. Je reste pleinement mobilisée pour donner à nos institutions les moyens d'agir et construire pas à pas une cybersécurité forte, partagée et à la hauteur des enjeux. Je vous remercie.

Patrick Prévot:

Merci madame la ministre, d'autant plus que vous êtes compétente en la matière, mais pas trop, parfois mais pas là. Merci en tout cas d'avoir pris la peine de me répondre et d'avoir fait l'instantané de la situation avec les informations qui étaient les vôtres. La réunion publique de commission est levée à 10 h 46. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 10.46 uur.

Het sociaal akkoord en de impact van de geplande pensioenhervorming
Het sociale plan voor militairen
Het sociaal akkoord bij Defensie
De impact van de pensioenhervorming op de militairen
Het sociaal plan voor de militairen
Het sociaal akkoord bij Defensie
Het sociaal overleg
Het sociaal overleg over de pensioenhervorming en het statuut van de militairen
Het sociaal akkoord voor de militairen
Sociaal akkoord, pensioenhervorming en statuut van militairen

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 24 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om het sociaal akkoord en de pensioenhervorming voor militairen, waarbij minister Francken een akkoord met de grootste vakbond (ACMP) verdedigt, maar drie andere vakbonden kritisch blijven. Kernpunten: het akkoord voorziet in betere verloning (o.a. *opstoelagen*, *loopbaanbuffer van 200 dagen*, *verhoging maaltijdcheques*) en compenseert gedeeltelijk de verhoging van de pensioenleeftijd (van 56 naar gemiddeld 59-60 jaar), maar de financiering (€300 miljoen) en concrete uitvoering blijven omstreden. Vakbonden en oppositie vrezen verlies aan koopkracht en eisen meer duidelijkheid, terwijl Francken benadrukt dat de maatregelen sociaal rechtvaardig en budgettair gedekt zijn via de defensiebegroting. Onrust blijft door communicatieproblemen en wantrouwen tegenover de regering.

Voorzitter:

Ik heb daarover bij mijn weten van geen enkele fractie de vraag gekregen om een actualiteitsdebat te houden of om het als urgentie op de agenda te plaatsen. Ik heb daarover geen enkele vraag ontvangen. Gezien de veelheid aan vragen heb ik geoordeeld het Reglement strikt te moeten toepassen. Dat voorziet dat vragen worden omgezet in actualiteitsdebat zodra er vanuit vijf verschillende fracties vragen ingediend zijn.

Mocht ik bepaalde vragen om welke reden dan ook naar voren trekken, dan zou men mij als voorzitter kunnen verwijten dat ik mijn eigen voorstel als prioritair behandel door het ineens naar voren te schuiven. Men zou dan kunnen vragen op basis van welke regel ik dat gedaan zou hebben. Ik heb dat niet gedaan, ik heb het Reglement correct toegepast en geoordeeld volgens de volgorde van indiening van de vragen. Indien daarover vijf vragen ingediend waren, zou ik dat uiteraard behandeld hebben als een actualiteitsdebat.

Christophe Lacroix (PS): Effectivement, monsieur le président, vous avez raison. Je ne vous ai pas fait le reproche de ne pas appliquer le Règlement, au contraire. Mais vous en aviez la faculté et, s'il est encore possible de demander maintenant à ce que ce soit transformé en débat d'actualité, j'introduis une demande formelle en ce sens. En effet, les réponses seront apportées après la seconde lecture et, donc, je pense que nous sommes en pleine actualité. Comme je ne suis pas un lecteur assidu du Règlement, je ne savais pas que j'avais cette possibilité de réclamer. Finalement, vous me révélez qu'un parlementaire, même tout seul, a beaucoup de pouvoir encore dans ce pays, et il est heureux de le signaler, monsieur le président.

Voorzitter:

Het onderwerp staat nu geagendeerd onder punt 27 en vier fracties hebben er een vraag over ingediend. Ik heb geoordeeld het niet te behandelen als een actualiteitsdebat.

Voor de brief zal verschijnen, zal er uiteraard nog de mogelijkheid zijn om vragen te stellen. Wie weet komen we vandaag zelfs tot punt 27.

Wat mij betreft hoeft het niet. Ik merk dat ook de minister het woord vraagt.

Minister Theo Francken : Ik heb op zich geen probleem met die vragen. Er is ook helemaal niets geheim aan die brief.

J'ai bien compris monsieur Lacroix que votre groupe a demandé de réunir la commission de contrôle des Dépenses électorales.

Ik weet niet of het de juiste Franse benaming is. Het betreft de bijzondere commissie voor de Controle betreffende de Verkiezingsuitgaven.

Cela ne pose aucun souci, nous pouvons le faire. Vous avez aussi demandé à mon cabinet de renvoyer la lettre. J'ai donné aujourd'hui l'instruction de le faire. Une commission va se réunir à ce sujet. Il sera possible aussi de discuter sur la base de la version finale de la lettre, et non la version qui était dans la presse qui n'était pas encore la version finale.

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de minister, de ingediende vragen zijn intussen al wat achterhaald. U hebt immers ondertussen in een persconferentie aangekondigd dat er een akkoord is, althans met één vakbond, namelijk de ACMP, en een aantal details gegeven, zoals de operationaliteitstoelagen voor 14 maanden, hogere maaltijdcheques en extra verlofdagen. U hebt dus een aantal aankondigingen gedaan.

Voor onze fractie was het zeer belangrijk dat de geplande pensioenhervorming gekoppeld wordt aan een sociaal akkoord over aanpassingen aan het militair statuut, zodat de militair ook correct wordt vergoed voor het werk dat hij verricht. Ik heb daarin al een aantal maatregelen gelezen die aan die verwachting tegemoetkomen, maar toch komt het actualiteitsdebat gelegen om wat meer details te krijgen. Kunt u dus, ten eerste, wat meer toelichting geven bij uw plannen?

Zijn er afgelopen zomer nog aanpassingen gedaan? Andere vakbonden, zoals het VSOA, zouden immers nog terugkoppelen naar hun achterban, opnieuw met u vergaderen en mogelijk bijkomende eisen formuleren.

Hebben andere vakbonden intussen ook het akkoord ondertekend of zijn ze dat niet van plan?

Wanneer zal het sociaal akkoord in werking treden, als het eenmaal is afgeklopt? Zal de inwerkingtreding ervan samenvallen met die van de pensioenhervorming die gepland staat op 1 januari 2027 of voorziet u een andere timing?

Niet onbelangrijk, hoe zit het met de financiering? Sommige maatregelen hebben een aanzienlijke financiële impact. Hebt u daarvan al een raming? Zijn de nodige middelen al in uw strategische visie daarvoor ingeschreven of moet u ze elders zoeken?

Afgezien van het sociaal akkoord over het statuut van de militair zou ik ook graag nog de meest recente stand van zaken krijgen over de pensioenhervorming. Er lopen parallel immers ook onderhandelingen over de pensioenen, specifiek voor de militairen.

Annick Ponthier:

Mijnheer de minister, uw geplande pensioenhervorming heeft heel wat deining veroorzaakt bij onze militairen en de vakbonden.

Ten eerste zijn er natuurlijk de sociale overwegingen. De lage pensioenleeftijd gold immers altijd als compensatie voor de karige verloning, de lange arbeidsduur, de woon-werkafstanden en de vele fysieke en mentale offers, die onze soldaten brengen. U hebt dat sociaal evenwicht met de geplande pensioenhervorming grondig verstoord door de pensioenleeftijd gelijk te schakelen met die van andere beroepsgroepen. U beloofde echter een sociaal akkoord te sluiten met de vakbonden om de bezorgdheden van onze militairen weg te nemen. Dat plan, dat u eind juli aankondigde, werd intussen voorlopig enkel ondertekend door de grootste militaire vakbond, de ACMP, terwijl andere vakorganisaties nog kritische kanttekeningen maakten en zouden terugkoppelen naar hun leden.

Naast de sociale impact voorspellen militaire experten, ten tweede, dat het gradueel optrekken van de pensioenleeftijd van 56 naar 67 jaar grote gevolgen zal hebben voor de personeelsuitval. Vooral de loopbaanattritie zou hierdoor niveaus van de privésector bereiken en stijgen van 2 tot 3 % naar 11 %. Vooral het middenkader zou worden getroffen. Dat vormt natuurlijk de ruggengraat van onze strijdkrachten. Dat komt boven op de hoge uitvalspercentages tijdens de militaire kandidatuur, een bekend probleem.

De pensioenhervorming lijkt hoe dan ook een drastische wijziging in ons personeelsbeleid te zijn, waar lang niet alle vakbonden zich al mee hebben verzoend. Volgens een aantal militaire bronnen en experten zou ze een nettoverlies betekenen, zowel voor de militairen als voor de organisatie. Daarbij komt nog de kostprijs van het langer doorwerken. De nettowinst voor de pensioenkas lijkt dan nog het enige te zijn wat overblijft, tenzij het sociaal plan dat u op het moment nog uittekent, aan dat alles tegemoetkomt.

Mijnheer de minister, er is nog heel wat onduidelijkheid over de concrete invulling van alle maatregelen. Om onrust en ongerustheid te voorkomen of te stoppen, is slechts een ding nodig, namelijk duidelijkheid.

Wat is de stand van zaken met betrekking tot het sociaal plan voor de militairen en de impact van de geplande pensioenhervorming? Op welke termijn zult u met uw plan landen of wat is het te volgen tijdpad?

Axel Weydts:

Het sociaal akkoord voor Defensie is een belangrijke stap voor ons defensiepersoneel. Enerzijds moet het sociaal akkoord dat aan het begin van de zomer werd gesloten, een opwaardering van het statuut van onze militairen inhouden, en anderzijds moet er rekening worden gehouden met de verhoging van de pensioenleeftijd voor militairen in het licht van het pensioendebat, twee aspecten, die door de vakorganisaties enigszins van elkaar worden gescheiden, hoewel ze volgens ons heel hard samenhangen.

Over het statuut bestaat vandaag al behoorlijk veel duidelijkheid. De teksten daarover heb ik ook heel goed gelezen. Over het pensioengedeelte blijft echter nog enige onduidelijkheid bestaan, wat begrijpelijkerwijs veel onrust veroorzaakt bij onze militairen. Ik begrijp die onrust zeer goed. Ze is logisch. Wanneer een militair het einde van de loopbaan bereikt, begint hij of zij plannen te maken om zaken te doen waarvoor hij of zij nu tijd zal hebben en waarvoor er tijdens de actieve militaire loopbaan geen tijd was. Als die plannen nu dreigen te worden uitgesteld, is het begrijpelijk dat er onrust ontstaat. Het is dus inderdaad belangrijk om daarover zo goed, zo duidelijk en zo snel mogelijk te communiceren.

Wat het sociaal akkoord betreft, ik raad eenieder aan om de memoranda van de verschillende vakorganisaties eens naast het huidige sociaal akkoord te leggen. Dan zullen wij allen, meerderheid en oppositie, moeten erkennen dat de tegemoetkomingen van de minister daar bijna letterlijk mee overeenstemmen. Vragen die al jaren en zelfs decennia leven bij de vakorganisaties, worden nu ingewilligd.

De minister zal er zeker nog op terugkomen, maar gezien het belang wil ik nogmaals onderstrepen waarover het exact gaat. Het gaat over de opstoelage. Dat is een aanzienlijk bedrag waarmee onze militairen zullen worden gecompenseerd voor de vele uren inzet waarvoor zij in het verleden nooit zijn vergoed. Het gaat ook over een loopbaanbuffer die militairen aan het einde van hun loopbaan toelaat om tot 200 dagen op te nemen, zodat zij vroeger kunnen stoppen met werken. Het gaat ook over werkbaar werk. Wanneer wij vragen dat mensen langer aan de slag blijven, moet daar iets tegenover staan en moet het werk ook haalbaar blijven. Daarom krijgen militairen vanaf een bepaalde leeftijd extra verlofdagen, namelijk 12 dagen en vanaf een hogere leeftijd zelfs 24 dagen. Het gaat over de aanpassing van de weddenschalen en over compensatie van prestaties. Voorheen en tot op vandaag was en is dat 1/850ste, waardoor er nauwelijks compensatie is voor de gepresteerde uren. Nu kiest men voor een systeem waarin elk gepresteerd uur rechtstreeks wordt gecompenseerd, namelijk 20 op 24, waarbij bovendien via de opstoelage en de loopbaanbuffer in bijkomende compensatie wordt voorzien.

En dan heb ik het nog niet over de compensatie woon-werkverkeer, die ook al jaren wordt gevraagd. Volgens mij is het voorliggende sociaal akkoord echt wel de moeite.

Ik wil van de gelegenheid gebruikmaken om hulde te brengen aan de mensen van DGHR, omdat zij uitgebreid de tijd nemen om te luisteren naar onze militairen en vandaag bijna alle kazernes van ons land afgaan om het sociaal akkoord uit te leggen en om de stand van zaken inzake het pensioendossier te geven. De directeur-generaal HR, luitenant-generaal Esser, bezoekt zelf alle kazernes om uitleg te verschaffen aan het personeel. Dat is ook nodig, mijnheer de minister, want er wordt ook heel veel fake news verspreid. Het is dus goed dat de directeur-generaal zelf ter plekke gaat om onze militairen uit te leggen wat er nu precies is afgesproken en wat er niet is afgesproken, want daar doen heel veel verschillende verhalen de ronde over.

Mijn vraag is heel eenvoudig. Kunt u ons vandaag een stand van zaken geven met betrekking tot het debat over het statuut van de militairen en over het pensioendebat?

Christophe Lacroix:

Les militaires sont devenus, dans ce pays, une variable d'ajustement, en particulier avec le gouvernement Arizona. Je parle d'ajustement budgétaire. Malgré la pénibilité et la spécificité de leur mission, votre gouvernement, monsieur Francken, a décidé unilatéralement de prolonger de plus de dix ans leur carrière, alors que l'on sait bien qu'au vu des tensions géopolitiques et de ce qui se passe aujourd'hui, et même de jour en jour voire d'heure en heure, ils seront de plus en plus sollicités et sollicités sur le terrain. Lors de votre prise de fonction, nous avons assisté – fait très rare – à une manifestation comptant plus de 5 000 militaires dans les rues pour demander qu'on les écoute et qu'on préserve leur statut.

Pour tenter de faire passer la pilule, vous avez décidé de négocier un plan social pour continuer à revaloriser la carrière de militaire, comme ce fut le cas sous la précédente législature, après des années de gel. Je ne peux pas nier une chose: vous êtes effectivement assez volontaire en la matière.

Il reste malgré tout difficile de parler d'un accord puisque, à ce stade, il s'agissait d'une offre à prendre ou à laisser et elle est loin d'avoir recueilli l'aval de tous les syndicats militaires à ce stade. Ce plan social représente environ 300 millions d'euros. Il s'agit d'une faible compensation en regard des 435 millions d'euros que la suppression des régimes de retraite préférentiels rapportera à l'État et, plus globalement, de l'impact de ces décisions à long terme pour les militaires.

Si les mesures peuvent paraître séduisantes, voire positives pour les jeunes recrues, les grands oubliés de cette réforme et de ce plan social sont évidemment les militaires qui sont déjà en carrière et qui s'inquiètent de manière tout à fait légitime. Chaque militaire en fonction de sa carrière et des conditions dans lesquelles elle ou il a rejoint l'armée verra finalement les conditions qu'on lui avait proposées au départ complètement modifiées, avec un impact différent sur sa fiche salariale et, plus globalement, sur son bien-être au travail.

De mes contacts, il apparaît que de nombreuses zones d'ombre subsistent, notamment sur l'âge de départ à la pension. Par exemple la question du nombre de jours nécessaires pour qu'une année compte dans le calcul reste entière.

Monsieur le ministre, pouvez-vous me présenter ce que comporte exactement pour les militaires ce que vous appelez l'accord social avec un seul des syndicats (puisque tous les autres sont contre), ainsi que la ventilation de son budget et de son agenda de mise en œuvre. Je vous demande aussi très directement: avez-vous l'aval du ministre en charge des retraites et, donc, du gouvernement, ou est-ce simplement une position que vous défendez aujourd'hui seul devant un gouvernement qui ne se serait pas encore prononcé.

Au regard de cet accord, une communication spécifique et claire adressée aux militaires actuels et futurs sera-t-elle organisée pour que chacun et chacune puisse prendre connaissance des conséquences concrètes des réformes à venir sur sa carrière et sur ses conditions de travail? Comment la concertation sociale va-t-elle s'organiser, alors que seul un syndicat militaire a souscrit à ce plan social? Fermez-vous encore toute possibilité de négociation?

Concernant l'âge de départ à la retraite des militaires, où en sont les discussions avec votre collègue Jan Jambon, les syndicats et vous-même? Vu la suppression de la péréquation pour les fonctionnaires, garantissez-vous le fait que les allocations limitant l'impact sur la péréquation, introduites lors de la revalorisation salariale du précédent gouvernement, seront incluses dans le salaire? Avez-vous déjà des accords en ce sens avec le cabinet du ministre Jambon? Je vous remercie pour vos réponses.

Stéphane Lasseaux:

Monsieur le ministre, le 25 juillet dernier, vous avez signé avec le général Vansina un courrier informant l'ensemble des militaires du fait qu'un accord social avait été signé dans le cadre d'une amélioration substantielle de la rémunération des militaires, de façon à atténuer aussi les conséquences négatives de la réforme des pensions. Il cherche à rendre le statut de militaire plus attractif.

On peut évidemment regretter qu'un seul syndicat ait signé cet accord, même si c'est le plus important. Comme vous le savez, les Engagés sont très attachés au dialogue social et à la nécessité d'avoir un accord le plus large possible. L'accord que vous avez signé comprend de réelles avancées; je citerai par exemple l'augmentation, de plus de 60 % en moyenne, de la rémunération pour les exercices, lors des camps et des manœuvres; la maximalisation des barèmes d'ancienneté dans les échelles salariales à partir de 2027; une allocation forfaitaire de mobilité pour compenser la durée des trajets domicile/lieu de travail souvent plus longue que dans d'autres professions; et une rémunération du travail de week-end – au lieu de 5 heures payées pour 24 heures prestées, la rémunération passera à 20 heures; des mesures de transition progressives vers le nouvel âge de mise à la retraite des militaires afin que la réforme puisse s'appliquer sans brutalité; la mise en place d'un dispositif destiné à prévenir la perte de revenus en cas d'incapacité de travail ou d'invalidité.

Soit, comme nous venons de le préciser, un accord qui permet d'améliorer le statut des militaires en vue d'une réforme de pension. Il semblerait cependant que vous avez des difficultés pour faire accepter certaines mesures par le cabinet pension.

Monsieur le ministre, toutes les mesures présentes dans l'accord social du 25 juillet dernier pourront-elles être mises en œuvre?

Vous avez eu une nouvelle réunion avec les syndicats ce 12 septembre, à l'issue de laquelle de nouvelles demandes ont été déposées. Avez-vous obtenu des réponses à ces demandes ou des propositions qui pourraient faire changer d'avis certains des syndicats?

Enfin, certains syndicats demandent une réforme complète du statut des militaires, ce qui exigerait bien évidemment un temps considérable, mais envisagez-vous des travaux au cours de cette législature?

Koen Metsu:

Mijnheer de minister, een paar maanden geleden leek een sociaal akkoord nog geheel onbespreekbaar. We vangen nu hier en daar toch op dat er licht aan het eind van een lange en moeilijke tunnel is.

Laten we eerlijk zijn, iets veranderen inzake pensioenen en statuten is allesbehalve eenvoudig. Vanuit het lokale bestuur kan ik daar over meespreken. We hebben daar in de vorige legislatuur ook flink op moeten kauwen. We hebben wel een sociaal akkoord bereikt, weliswaar pas na anderhalf jaar. Het moet gezegd, de lichtsnelheid van uw gesprekken met de vakorganisaties is knap. Ik had eigenlijk niet verwacht dat het allemaal zo constructief en vlot zou verlopen. In de memoranda van de vakorganisaties merk ik een soort rode draad: werken zal ook voor de militairen beloond worden. Zaken als een jobtoelage, de loopbaan, compensaties en werkbaar werk worden bekeken. Dat zullen de militairen heel graag horen. Het is immers een bijzonder moeilijke oefening, als men raakt aan verworven rechten.

Mijnheer de minister, iedereen kijkt naarstig uit naar het verloop van de onderhandelingen. Wat is de jongste stand van zaken?

Het zou misschien ook interessant zijn dat u de voorwaarden voor Belgische militairen, in vergelijking met die van andere NAVO- en EU-staten, op het vlak van het militair statuut onder de loep neemt? Worden er best practices bestudeerd? Bent u elders de mosterd gaan halen? Worden er bepaalde maatregelen overgenomen, ja of neen?

Staf Aerts:

Mijnheer de minister, we hebben al een aantal keer geprobeerd om het sociaal akkoord in onze commissie te bespreken. We hebben vorige keer veel vragen gesteld, maar geen antwoorden gekregen. Niet veel later, in juli, volgde er een persconferentie. Ik hoop dat we vandaag daarover een uitvoeriger debat kunnen voeren, alleszins uitvoeriger dan tijdens de vorige gelegenheid, want toen antwoordde u aan een lichtsnelheid van één minuut.

Op de persconferentie was u uiteraard lovend over het akkoord dat u aan de vakbonden zou voorleggen. Niet alle vakbonden zijn, om het zacht uit te drukken, daarmee even gelukkig. Sommige zijn wel al blij dat er een akkoord is. Zal er nog verder onderhandeld worden of is hetgeen 25 juli op tafel lag, het eindbod?

Dat is belangrijk, omdat het gesprek rond de pensioenen nog steeds loopt. Dat is een evenwichtsoefening. Het sociaal akkoord was, dacht ik toch, bedoeld om de verhoging van de pensioenleeftijd te compenseren. Ik krijg signalen dat men dat op het kabinet van de minister van Pensioenen nog steeds zo stelt. U daarentegen betwist dat en houdt vol dat de maatregelen in het sociaal akkoord daar los van staan en dat het pensioenverhaal een ander verhaal is. Maakt u al dan niet de koppeling? Zo ja, betekent het dan dat er voort over het sociaal akkoord kan worden onderhandeld, aangezien het pensioenakkoord nog niet volledig afgeklopt is?

Wat is de impact van de voorgestelde pensioenhervorming voor de militairen? Wat is de stand van zaken vandaag? Dat is ook een relevante vraag.

In globo, wat ligt er op tafel? Welke maatregelen zijn concreet en volledig afgeklopt? Vinden er nog gesprekken plaats met de vakbonden over het sociaal akkoord en de pensioenhervorming?

Robin Tonniau:

Mijnheer Francken, normaal gezien is het de vijand, die de moraal van onze troepen onderuithaalt. Hier is het echter de eigen regering, die dat doet. Dat zijn niet mijn woorden, maar die van Boris Morenville van VSOA Defensie, met wie u onderhandelt over een nieuw sociaal akkoord. Uw hoeraberichten afgelopen zomer rond dat sociaal akkoord waren volgens mij compleet misplaatst. Er is helemaal geen sociaal akkoord gesloten met drie van de vier erkende defensievakbonden. De militairen zullen nog altijd jaren langer moeten werken voor een lager pensioen. Dat zijn de feiten.

Mijnheer de minister, op 12 september zat u samen met het gemeenschappelijk vakbondsfront 2.0, bestaande uit de drie andere vakverenigingen ACV, ACOD en VSOA Defensie. Dat vakbondsfront vreest en ik citeer hen: ʺ De militairen zijn verkocht en we zullen nooit akkoord gaan met het voorstel van de minister van Defensie in zijn huidige staat. ʺ Mijnheer Francken, bent u bereid om het sociaal akkoord dat is gesloten met de ACMP te herzien op basis van de kritiek en de opmerkingen van het sociaal front, bijvoorbeeld door de pensioenmaatregelen te verzachten?

Bent u bereid om elke militair de keuze te geven om de opstoelage in geld of in tijd te ontvangen, ongeacht zijn geboortejaar? Vandaag zijn de voorwaarden voor die opstoelagen immers zeer streng.

Bent u het eens met de conclusie van de drie vakverenigingen, VSOA, ACV en ACOD, dat militairen langer zullen moeten werken voor minder pensioen?

Theo Francken:

Collega's, ik hoop dat u een fijne vakantie achter de rug hebt. Ik wens dat we goed zullen kunnen samenwerken in de komende periode. Voorts hoop ik dat er niet te veel info uit geheime commissievergaderingen zal lekken. Over die kwestie worden vandaag geen vragen gesteld, maar die is urgent en moet worden besproken. Er is veel werk en er zijn momenteel veel geopolitieke spanningen. De toestand is niet evident, want de NAVO ligt onder vuur. Ik hoop op dat vlak dan ook op de integriteit van u allen.

In verband met het sociaal akkoord, op 27 mei heb ik een eerste keer het gemeenschappelijk vakbondsfront van Defensie ontmoet. Tijdens die vergadering heb ik hun een aantal voorstellen gedaan die de operationaliteit van de krijgsmacht en de attractiviteit en de specificiteit van het militair beroep moet verhogen. Na een onderhandelingsperiode van ongeveer twee maanden, waarin ik de vakorganisaties verschillende keren samen en apart heb gesproken, hebben we op 25 juli een akkoord bereikt, na een lange en intensieve dag van onderhandelingen.

J'entends certains dire qu'on n'a pas négocié, ce qui n'est pas correct. On a négocié pendant des mois, et également le 25 juillet, une journée qui a d'ailleurs été très intensive et au cours de laquelle nous avons eu des négociations bilatérales et collectives.

Zo werd een finale versie van de tekst bereikt. Eén vakorganisatie gaf op dat moment haar akkoord en ondertekende het document. De drie andere vakorganisaties moesten eerst hun achterban consulteren. Ze lieten weten dat ze volgens de statuten procedureel nog niet konden tekenen en dat ze eerst hun achterban moesten consulteren. Dat hebben ze gedaan en op 12 september heb ik de drie vakorganisaties opnieuw op mijn kabinet ontvangen en naar hun bijkomende vragen geluisterd.

Het is mijn bedoeling om medio oktober opnieuw met alle vakorganisaties, samen met de CHOD, rond de tafel te zitten. Daarbij zullen de drie overige vakorganisaties hun kaarten op tafel moeten leggen en moeten beslissen of zij een protocol van akkoord dan wel een protocol van niet-akkoord ondertekenen.

Je suis particulièrement fier de l'accord social qui a fait l'objet d'efforts acharnés de la part de toutes les parties autour de la table. Il est prévu une allocation OPS équivalente à 14 mois de traitement et les militaires seront enfin correctement payés pour tous leurs efforts. D'autres mesures concernent l'accumulation d'un crédit-temps pendant les périodes opérationnelles. Ce crédit peut être pris sous la forme d'un buffer de 200 jours juste avant la retraite. Des mesures concernant le travail faisable et de qualité, une indemnité d'éloignement, la simplification administrative du remboursement des frais médicaux – c'est très important –, la garantie de revenu en cas de maladie ou d'invalidité professionnelle, des allocations de fonction, le doublement des allocations pour les prestations de week-end pour le personnel rappelable et en préavis de deux heures et de quatre heures font également partie de l'accord social.

Verschillende initiatieven die in het sociaal akkoord zijn opgenomen, worden nu omgezet in regelgevende teksten die vervolgens het wetgevend proces zullen doorlopen, te beginnen met syndicale onderhandelingen in het Militair Onderhandelingscomité of Conego. Een eerste datum voor overleg over bepaalde maatregelen uit het sociaal akkoord is vastgelegd op 10 oktober.

Die onderhandelingen verlopen volgens de wettelijk voorziene procedures, ongeacht of een vakorganisatie al dan niet haar handtekening onder het sociaal akkoord heeft geplaatst. In Conego zijn alle vakbonden vertegenwoordigd. Of ze nu akkoord gaan of niet, er wordt hoe dan ook verder gesproken over de verschillende maatregelen afzonderlijk. De meeste maatregelen treden in werking op 1 januari 2027. De maaltijdcheques zijn normaal gezien voorzien voor 1 januari 2026, op voorwaarde dat dat ook voor het gehele openbaar ambt het geval is. Daarover wordt nog onderhandeld. Die maatregel wordt ook besproken in het kader van de begrotingsopmaak voor 2026.

Momenteel vinden in datzelfde comité ook besprekingen plaats over de pensioenhervorming, waaronder de verhoging van de pensioenleeftijd en de herberekening van de pensioenen.

En parallèle, j’ai mandaté la Direction générale des ressources humaines (DGHR) afin d’informer au maximum les militaires sur le contenu de la réforme des pensions et de l’accord social. Depuis mi-septembre, des briefings sont organisés dans toutes les grandes casernes. Les militaires auront également la possibilité d’y assister via Teams. Il est donc possible de suivre ces briefings en ligne.

Finalement, vous n’êtes pas sans savoir que la législation belge est souvent complexe et peu lisible. Cela vaut aussi – et je le dis avec tout le respect dû – pour le statut militaire. C’est pourquoi j’ai également demandé à la DGHR d’étudier les pistes d’évolution vers un statut moderne, adapté à une Défense en pleine reconstruction.

In dat kader wordt er vergeleken met de andere veiligheidssectoren in ons land en wordt er gekeken naar het buitenland en de best practices die daar zijn ontwikkeld. Het is belangrijk dat de vrouwen en mannen van Defensie alle kansen krijgen om zich te ontwikkelen en door te groeien in hun loopbaan. Tegelijkertijd moet er een gezondere leeftijdsstructuur zijn, met een evenwichtige mix van jonge mensen en ervaren medewerkers.

Dat is mijn antwoord, maar ik wil nog een aantal concrete punten aanhalen.

Il est intellectuellement peu honnête de comparer les 300 millions prévus pour l’accord social avec les 5 milliards liés à l’adaptation de la période préférentielle. C’est une comparaison incorrecte, car l'adaptation de période préférentielle concerne l’ensemble des agents publics, pas uniquement les militaires.

Les 300 millions, eux, sont exclusivement destinés aux personnes qui ont le statut militaire. Donc, à mon sens, il faut comparer les citrons avec les citrons, et les pommes avec les pommes – comme on le dit en néerlandais –.

Er zitten heel wat dingen in, zoals de maaltijdcheques, de verwijderingspremie enzovoort. De heer Weydts heeft er enkele van genoemd.

Monsieur Lasseaux, vous réaffirmez à raison l'importance du dialogue social. Je partage votre opinion, c'est la raison pour laquelle j'ai investi beaucoup de temps dans la concertation, qui est toujours en cours. J'espère parvenir à un accord et une signature d'accord d'ici environ un mois, à la mi- ou fin octobre.

Je ne peux évidemment pas vous garantir cette échéance à 100 %, parce que cela dépend aussi des négociations sur les pensions, qui ne sont pas de mon ressort.

Ik denk dat de pensioendiscussie moeilijk is; we bevinden ons in de laatste fase. Ik heb overleg gehad met mijn collega Jan Jambon en vorige week nog met de medewerkers van zijn kabinet.

Er liggen nog een aantal punten op tafel, zowel vanwege ons als vanwege de vakbonden, over de pensioenhervorming, onder meer over de integratie van enkele premies en vergoedingen. Het gaat onder andere om de loonsverhoging die door mevrouw Dedonder in de vorige legislatuur werd toegekend en die intussen minstens gedeeltelijk een premie is geworden. Het zou beter zijn die in het loon te integreren, al heeft dat uiteraard verschillende neveneffecten.

Daarnaast is er het punt dat militairen die in 2027 56 jaar worden, nu tot 58 jaar moeten werken. Waarom kan dat niet tot 57 jaar en wordt een plus één toegepast? Er liggen nog een aantal syndicale vragen die ik duidelijk heb benadrukt, onder andere over de 156 dagen: aangezien militairen vaak pas in het najaar beginnen te werken, telt dat dan voor een volledig jaar en hoe wordt dat precies verrekend? Dat zijn nog enkele zaken die in discussie zijn. We moeten daar nog uit geraken. Zal alles kunnen worden binnengehaald? Ik vrees eerlijk gezegd van niet, maar ik ben ervan overtuigd dat er nog openheid is voor aanpassingen. Dat zit dus bij de dienst Pensioenen.

Wat de regeling voor de pensioenen betreft, is er veel fakenieuws. Ik heb dat vorige week ook op de Land Day gezegd. Er waren veel Kamerleden aanwezig op de Land Day in de Brabanthal – waarvoor dank, dat wordt zeer gewaardeerd door onze landmacht. Dat u daar aanwezig was en belangstelling toonde, wordt sterk op prijs gesteld. Ik hoop dat u dat nog vaak zult doen. Op de Land Day heb ik het ook duidelijk herhaald: militairen zullen niet tot hun 67ste moeten werken. Dat wordt steeds opnieuw beweerd, maar het klopt niet.

Mensen zullen geen 11 jaar langer moeten werken. Door de systemen die nu bestaan, met onder meer bonificaties van 2 jaar op de 44, zal de pensioenleeftijd voor veel militairen rond de 60 jaar liggen. Dat hangt af van wanneer zij in dienst zijn gekomen en wat zij in de eerste jaren, na hun 18 jaar, hebben gedaan. Voor veel militairen zal dat rond de 60, misschien 61 of 62 jaar zijn, maar niet 67 jaar.

Als men daar nog de 200 dagen bijtelt die zij kunnen recupereren wanneer zij veel overuren hebben gemaakt – en bijna elke militair heeft veel overuren gemaakt – kan daar sowieso al een jaar worden afgetrokken. Eventueel kunnen daar nog 100 dagen extra van het jaar voordien bij komen. De facto komt dat voor veel militairen neer op een pensioenleeftijd van 59 of 60 jaar. Dat is inderdaad langer dan 56 jaar, maar het is maatschappelijk verantwoord. Sommigen vinden dat niet, maar sommigen vinden ook dat iedereen op zijn 55ste met pensioen moet kunnen gaan. Dat is ieders standpunt. In Frankrijk kan men op 52 jaar met pensioen gaan; daar vallen regeringen al enkele jaren over.

Ik denk niet dat we die instabiliteit moeten nastreven. We hebben nu eindelijk wat stabiliteit in ons land en dat is ook belangrijk. Iedereen heeft echter zijn mening en ik respecteer die.

We zijn wel actief aan het werken aan duiding. We doen dat in de kazernes zelf, niet via bepaalde externe figuren of interne bronnen. We doen dat gewoon zelf. DG HR gaat overal langs en legt heel duidelijk uit wat het concreet betekent voor bijvoorbeeld persoon X, die gestart is bij defensie op zijn 21ste en tussen zijn 18de en 21ste in de bouw heeft gewerkt. Hij is gestart als onderofficier en heeft nu leeftijd X. Er wordt dan uitgelegd wanneer hij met pensioen kan gaan. Er werd ook een tool ontwikkeld waarmee elke militair kan nagaan wat zijn effectieve pensioenleeftijd is. Die tool wordt momenteel overal toegelicht. Elke militair kan bovendien persoonlijk zijn dossier laten toelichten door de personeelschef per kwartier. Op die manier zullen veel misverstanden en zal veel fakenieuws de wereld uit kunnen worden geholpen. Voor sommigen zal dat bijzonder confronterend zijn.

Wordt de pensioenleeftijd verhoogd? Ja. We zullen ook overgaan naar een systeem van pensioen op aanvraag. Zal men dan minder pensioen krijgen? Nee, ook dat is niet waar. In sommige gevallen zal het pensioen immers hoger zijn of gelijk blijven. Vaak gaat het ook om kleine bedragen. Iedereen die ouder is dan 40 jaar zal rond zijn 60 met pensioen kunnen gaan, op voorwaarde dat hij in dienst getreden is toen hij 18 jaar was en voor zijn dienstjaren niet te veel tijd heeft besteed aan andere activiteiten. Wie bijvoorbeeld 10 jaar lang een wereldreis maakt, kan natuurlijk niet op zijn 60e met pensioen gaan. Dat is een persoonlijke keuze. De sociale zekerheid is daar niet voor bedoeld. Mensen mogen dat doen, maar het is niet de bedoeling dat de gemeenschap daarvoor instaat. Iedereen maakt zijn eigen keuzes in het leven. In de praktijk betekent dit dat men met een volwaardig pensioen rond de 60 jaar – met die 200 dagen dus rond 59 à 60 jaar – zal kunnen stoppen. Het is dus helemaal niet zo dat men 11 jaar langer moet werken. Dat klopt gewoon niet. Dat heb ik de vakbonden meermaals gezegd. Ik krijg daar geen antwoord op, maar ze blijven dat publiek verklaren. Dat is bijzonder betreurenswaardig. Ik denk niet dat dat helpt.

De grote vraag van de vakbonden vanaf dag één betrof de stelling dat een uur een uur is. Dat kwam ook tijdens de hoorzitting hier in de Kamer aan bod, dat was interessant. Men zei toen dat het kan niet dat men in operatie wordt gestuurd en slechts voor 11 uur wordt betaald, terwijl men 24 uur bezig is. Dat is nu geregeld. Dat is een historische doorbraak.

Dat geldt voor wie in operatie gaat vanaf begin 2027. Militairen willen natuurlijk ook eerst zien en dan geloven. Hun stelling is dat de politiek zoveel zegt en dat ze al zo vaak belogen en bedrogen zijn, eerst zien en dan geloven. De militairen die vanaf 1 januari 2027 drie maanden in Roemenië liggen en in april hun loon en hun ops-toelagen ontvangen, zullen merken wat dit concreet betekent. Dat gaat over heel veel extra geld. Dan zullen we het zien.

Ik ben daar heel rustig in. We zullen het zien in 2029, we hebben nog een paar jaar. Nu is er inderdaad wat ophef en is er heel wat onvrede. Als men zegt dat het moreel van de troepen heel laag is door de regering, dan is dat niet juist. Het kan dat een vakbondsleider dat beweert, maar ik betwist dat ten zeerste. Ik denk wel dat er heel veel vraag is naar duidelijkheid. Die wordt nu gegeven. Die duidelijkheid zal ervoor zorgen dat als ze zien wat het echt betekent, sommigen hun ogen niet zullen geloven. Dan zal het allemaal wel gaan liggen.

De attritie van 1 % naar 11 % geloof ik ook helemaal niet. We zien dat absoluut niet. Er wordt ook gezegd dat ze allemaal naar hun pensioen stormen, omdat de pensioenhervorming eraan komt. Sorry, maar dat is niet juist. Ik zie dat totaal niet. Misschien is er hier en daar een, maar amper. Het is dus niet zo dat nu heel veel militairen plots allemaal hun pensioen aanvragen. Dat is absoluut niet te zien in de cijfers, ondanks alles wat daarover wordt verteld.

Mijnheer de voorzitter, dat zijn enkele elementen. Ik denk dat ik daarmee geprobeerd heb te antwoorden op de meeste punten. Mochten er nog bijkomende vragen zijn, dan wil ik daar zeker met veel plezier op antwoorden.

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw duidelijke antwoord.

U hebt hier heel wat elementen herhaald van op de persconferentie, waarvan sommige ook voor ons in de goede richting gaan. Misschien leeft dit bij een aantal partijen, maar ik denk niet dat er bij de militairen een probleem is met te lang werken. Iedereen beseft dat men zijn of haar steentje moet bijdragen. Iedereen weet dat iedereen een bijdrage moet leveren. Het grote vraagstuk was echter dat er boter bij de vis moet komen. Als militairen langer moeten werken, moeten aan hun statuut en hun verloning grondige wijzigingen worden doorgevoerd. De belangrijkste vraag, die ook essentieel was voor mijn fractie en voor de militairen, is dat een uur een uur is. Een uur moet ook effectief worden betaald.

Wij hebben het gezien bij militairen op operatie. Bijvoorbeeld in de operatie Vigilant Guardian waar militairen naast politieagenten de veiligheid op straat verzekerden, werden de politieagenten in het weekend en ’s avonds dubbel zoveel betaald, konden zij op tijd naar huis en kregen zij bovendien nog een dag recuperatie. De militairen daarentegen kregen, alles bij elkaar geteld, nog niet de helft. Dergelijke verschillen moeten verdwijnen. Dat is oneerlijke concurrentie tussen veiligheidsberoepen.

Ik ben ook tevreden dat het statuut van de militair tijdens de huidige legislatuur grondig wordt herzien. Het statuut moet de 21e eeuw worden binnengeloodst, zodat de veiligheidsberoepen elkaar niet in de wielen kunnen rijden en er opnieuw een gelijk speelveld wordt gecreëerd.

Dat het pensioen en het statuut aan elkaar worden gekoppeld, is logisch. Ik begrijp de onrust over de pensioenhervorming, zeker bij militairen die bij Defensie op het einde van hun loopbaan zijn. Het is dus goed dat er eindelijk duidelijkheid komt en dat DGHR de kazernes bezoekt om er duidelijkheid te verschaffen. Ik ben ook blij met de gebruiksvriendelijke tool waarmee de militair kan berekenen wanneer hij of zij effectief met pensioen kan gaan. Daartoe is het essentieel dat er betere loonvoorwaarden en een betere verloning komen. Ik hoop dat de meeste maatregelen, zeker de opstoelage, op hetzelfde moment in werking treden als de pensioenhervorming.

Er ligt dus nog heel veel werk op de plank. Ik wens u veel succes in oktober 2025. Ik hoop dat u alle vakbonden kunt overtuigen. Sociale onrust is nooit goed, in geen enkele organisatie, ook niet bij Defensie. Ik kijk ook enorm uit naar het wetgevende werk dat op ons afkomt, want al uw aangekondigde plannen moeten in wetteksten worden omgezet en in het Parlement worden voorgelegd. Alvast bedankt voor uw antwoord.

Annick Ponthier:

Mijnheer de minister, dank voor uw toelichting bij de aanpassing van het militair statuut en de pensioenhervorming. Het zou er nog maar aan mankeren dat het militair statuut niet zou worden verbeterd. De situatie was er natuurlijk ook naar: miskenning door onderbetaling, vaak abominabele loopbaan–voorwaarden en geen of gebrekkige compensaties voor gepresteerde uren. Het Vlaams Belang heeft altijd onderstreept dat het pensioendebat een loopbaandebat is en dat het ene onlosmakelijk verbonden is met het andere. Er is op het moment echter nog geen duidelijkheid over een aantal concrete maatregelen van dat sociaal akkoord, onder meer over de pensioenberekening, het verlies aan pensioen, de compensatie en de berekening van premies. Dat is allemaal nog bijzonder onzeker.

Mijnheer de minister, u weet beter dan wie ook dat de onderhandelingen in september allesbehalve vlot zijn verlopen. Er werden inderdaad nog een aantal minimumvoorwaarden voorgelegd. Me dunkt dat er nog veel moet worden onderhandeld. Uw communicatie omtrent het sociaal akkoord en de goedkeuring door de ACMP was dus voorbarig en lichtjes ongepast. De militairen laten zich niet onder druk zetten, omdat één vakorganisatie al heeft toegezegd. Dat lijkt me op het moment wel duidelijk. U schuift op in de tijd en hebt aangegeven dat een en ander voor medio oktober is; we zullen hier dus ongetwijfeld nog op terugkomen.

Er werd terecht hulde gebracht aan DG HR voor de communicatie ter zake, wat uiteraard toe te juichen is. Dat was ooit anders bij Defensie. De communicatie was immers niet altijd even proactief of duidelijk. Ik wil vooral hulde brengen aan onze militairen, van wie tegenwoordig al veel wordt gevraagd, nog altijd in onzekerheid verkeren en desondanks dag in dag uit alles geven wat ze kunnen om onze veiligheid te garanderen.

Axel Weydts:

Ik sluit mij uiteraard ook aan bij de hulde van mevrouw Ponthier aan onze militairen, die ondanks de onzekerheid over hun pensioen toch elke dag het beste van zichzelf geven, vaak in moeilijke en zelfs levensgevaarlijke omstandigheden, maar ik vond het ook gepast om hulde te brengen aan de mensen van DGHR, die hard gewerkt hebben aan het akkoord en die het nu ook zullen toelichten aan de militairen zelf.

Een uur is een uur; dat principe is iedereen bekend. Welnu, militairen dringen daar al tientallen jaren op aan en eindelijk is er op hun vraag een antwoord gekomen. Dat alleen al betekent een zeer grote verbetering voor hun statuut. Op dat vlak is het sociaal akkoord een belangrijke stap vooruit in de richting van wat onze militairen gevraagd hebben.

Het klopt dat veel militairen op het moment argwanend zijn. Eerst zien, dan geloven, horen we vaak. Ik begrijp dat. Ze willen boter bij de vis. Ze willen vaststellen dat de beloften waar worden gemaakt. Ik spreek nog vaak met mijn collega’s van destijds. Zo sprak ik onlangs tijdens Land Day met een aantal militairen. De opstoelage leek hen te bevallen, maar ze vroegen zich af of die er echt wel zou komen. Ze willen inderdaad zekerheid over de opstoelage, ook omdat het bedrag van die toelage niet min is. Ik denk dat we nu woord moeten houden. We moeten ervoor zorgen dat wat is afgesproken, zo snel mogelijk wordt uitgevoerd en dat het hele debat over de pensioenen daaraan wordt gekoppeld.

Tot slot heb ik nog enkele woorden voor de collega’s van de PVDA. Zij beweren altijd dat zij opkomen voor onze militairen, maar ze weigeren te investeren in nieuw en veilig materiaal voor onze militairen. Zij weigeren te investeren in nieuwe kazernes en in nieuwe infrastructuur voor onze militairen. Zij weigeren te investeren in de veiligheid van ons allemaal en dus ook van onze militairen. Hier beweren ze evenwel dat ze opkomen voor de militairen. Ik spreek veel met militairen onder andere op de Land Day en bij sociale evenementen. Daar heb ik nog nooit iemand van de PVDA gezien. Bij bevelovergaves heb ik nog nooit iemand van de PVDA gezien. Op evenementen zoals Land Day heb ik nog nooit iemand van de PVDA gezien. Ik ga er wel naartoe. Ik spreek met de militairen. Leden van de PVDA, wat zeggen zij over de PVDA? Zij vertrouwen u niet; zij geloven niet in u; zij houden absoluut niet van een partij als de PVDA, omdat u niet bereid bent de nodige stappen en investeringen te doen in onze defensie. Dus stop met ons hier de les te spellen alsof u de enige bent die opkomt voor onze militairen. Spreek met de militairen en u zult een ander geluid horen.

Christophe Lacroix:

Monsieur le ministre, parler avec les militaires, c'est effectivement important, mais il est également important de parler avant l'accord de gouvernement. Quand on fait un accord de gouvernement, on doit rencontrer les partenaires sociaux, et si vous aviez rencontré tous les partenaires sociaux – et en particulier les syndicats militaires –, vous n'auriez peut-être pas eu 5 000 militaires dans la rue. Dès lors, je pense que les militaires qui se sont exprimés ne pensent pas que du bien des réformes du gouvernement Arizona en matière de retraite, et en particulier les retraites des militaires.

Monsieur le ministre, vous parlez de fausses informations. Je peux vous suivre mais moi, je me réfère à des faits. Selon l'accord de gouvernement, l'âge de la retraite est 67 ans. Vous évoquez ici une mesure selon laquelle les militaires pourront partir à la retraite en moyenne vers 59 ou 60 ans, certains à 62 ans, d'autres à 60 ans. Moi, j'ai entendu la déclaration du ministre des Pensions et j'ai l'accord de gouvernement. Tous deux évoquent un âge de 67 ans.

Le deuxième élément primordial, c'est qu'en matière de retraites, si on compare les régimes de retraite dans deux armées essentielles qui sont membres de l'OTAN, la première qui vous sert souvent de modèle – autrement dit l'armée américaine –, on a droit à une retraite après 20 ans de carrière. Et en France, l'âge de la retraite pour les militaires – et vous n'ignorez pas qu'en France a lieu un large débat sur la réforme des retraites – est fixé à 52 ans, avec un minimum de 20 ans de service mais, après 17 ans de service, les militaires ont déjà droit à des éléments de retraite.

En fait, vous présentez un bel emballage, un beau cadeau, mais surtout pour les nouvelles recrues, pas pour ceux et celles qui sont toujours en activité aujourd'hui. Vous parlez donc de fausses informations et d'accord social, mais il n'y a pas d'accord social. Certes, un des syndicats a marqué son accord, mais vous avez dit que vous reverriez les autres à la mi-octobre. J'entends donc parler d'accord social mais non, il n'y a pas d'accord social!

En outre, vous n'avez pas répondu à une question très claire: le gouvernement vous a-t-il donné les 300 millions d'euros que vous réclamez pour l'accord social ou le prochain accord social? Personnellement, je n'ai vu aucun conclave budgétaire qui permette aujourd'hui de dire que vous avez les moyens de mettre en œuvre les mesures que vous avez énoncées. Dès lors, les fausses informations, je ne sais pas où elles sont, mais elles ne sont pas dans mon chef, et certainement pas dans le chef des syndicats et encore moins des militaires.

Theo Francken:

Het antwoord is ja. Dat geld is inbegrepen in de 2 %. Dat staat in de Strategische Visie, die aan u bezorgd is.

La réponse à votre question est oui.

Christophe Lacroix:

Donc, vous avez de quoi financer les 2 %? J'avais cru comprendre qu'il n'y avait toujours pas d'accord, que pour l'instant, on devait mobiliser des fonds Défense et SFPI, que l'on devait mobiliser des fonds par-ci par-là. J'avais compris qu'un des grands enjeux budgétaires du conclave, lors duquel vous devrez dégager 46 milliards d'économies selon vous, était qu'il fallait trouver un accord pour le financement des nouvelles dépenses. Vous me dites que vous avez déjà trouvé les moyens. Alors, mettez-les sur la table et énoncez-nous maintenant la partie de l'accord de gouvernement qui vous permet de dire que vous avez effectivement, de manière structurelle, de quoi financer votre plan et tous les investissements militaires dès 2025, pour la fin de cette année, et ensuite pour 2026, 2027 et les suivantes! Je trouve assez sidérant de vous entendre dire cela alors que rien ne permet d'affirmer que vous avez un accord budgétaire, au contraire. En tout cas, le conclave budgétaire n'a pas encore eu lieu.

Stéphane Lasseaux:

Monsieur le ministre, merci pour vos réponses. Je pense que tout à l'heure j'ai précisé que Les Engagés étaient très attentifs aux négociations, mais je tiens à souligner que je ne mettais pas du tout en doute votre qualité de négociateur. Celle-ci a été démontrée ici par toutes les avancées qui ont été proposées aux militaires dans le cadre de l'évolution de leur carrière et aussi dans le cadre d'une vision beaucoup plus stratégique à long terme. Merci aussi d'avoir pris du temps. Deux mois, ce n'est pas négligeable pour aboutir dans ces négociations et discussions. Le statut des militaires est réellement amélioré, vous venez de le préciser, et c'est aussi très important pour nous. N'oublions pas ces hommes et ces femmes qui mettent à un moment leur vie en jeu pour nous défendre, pour défendre la patrie et l'ensemble des Belges que nous sommes, mais je sais que vous ne les oubliez pas.

Au-delà de cela, j'insiste sur le fait que vous avez proposé, comme vous l'aviez dit, que vous avez écouté, comme vous l'aviez dit, que vous avez négocié, comme vous l'aviez dit. Maintenant, il faut informer parce qu'en effet, il y a énormément de fausses informations. Nous n'avions jamais vu, avant la mise en place du gouvernement, la survenue d'une grève anticipée.

Koen Metsu:

Mijnheer de minister, ik denk dat we nu naar de grootste hervorming gaan van de voorbije decennia. Misschien is er in het verleden iets te weinig gebeurd.

Een paar zaken vallen mij op. Het is niet zomaar één vakorganisatie die haar akkoord heeft gegeven, het gaat om de grootste vakorganisatie by far, de ACMP.

Ik heb collega Kjell Vander Elst ook horen zeggen dat er zaken moeten veranderen om het statuut te moderniseren en zo naar een moderner leger te kunnen evolueren. Dat beaam ik volledig. Daarvoor pleit iedereen met een militaire badge al jaren. Alle anomalieën die er in het verleden zijn ingeslopen, worden nu stilaan weggewerkt.

Ik wil nog één oproep doen. Ik denk dat bepaalde partijen baat hebben bij sociale onrust. Ik heb dat nooit goed begrepen. Ook op lokaal niveau hebben we dat mogen vaststellen. Als men dat doet, doe dat dan wel met de juiste informatie. Doe dat niet door het verspreiden van fakenieuws, nieuws dat nog helemaal niet is afgetoetst, want dan begint men te stoken en komt men terecht in de fase van de voorbije maanden, met onduidelijkheid en onzekerheid. Dan is men de gemoederen aan het ophitsen in plaats van ze te bedaren om tot een sociaal akkoord te kunnen komen. Dat is mijn enige vraag aan alle collega’s.

Ik hoop dat wij tegen het einde van dit jaar - dat zou een soort wereldrecord zijn gezien de grootte van de hervorming - tot een protocol van akkoord kunnen komen. We wensen u daar alle succes bij, mijnheer de minister.

Staf Aerts:

Ik wil nog even inpikken op wat de heer Metsu net zei. Hij zei: bevraag u voor u hier informeert. Ik meen trouwens niet dat ik me schuldig gemaakt heb aan het verspreiden van fake news. Absoluut niet.

Als we vragen stellen in het Parlement, is het nu wel de allereerste keer dat we een antwoord krijgen dat langer is dan één minuut wanneer het over het sociaal akkoord gaat.

U kunt ons moeilijk verwijten dat we vragen moeten stellen. Als we geen antwoorden krijgen, wat is dan de zin daarvan? Dat was niet zo consistent in uw antwoord.

Inzake de toelichtingen van DHR wil ik onderstrepen dat ze door mij uiteraard zeer geapprecieerd worden. Het is bijzonder belangrijk om op een laagdrempelige manier iedereen persoonlijk te informeren. Dat zal zeker misverstanden uit de weg helpen.

Ik hoor in uw uitleg echter geen enkele opening om nog verder over het sociaal akkoord te praten, mijnheer de minister. U hebt zelfs gezegd: het is nu aan de vakbonden hun kaarten op tafel te leggen en dan een protocol van akkoord of van niet akkoord te geven. Ik vind het een pijnlijk signaal dat u, terwijl drie van de vier vakbonden toch nog opmerkingen en vragen hebben, eigenlijk zegt dat het te nemen of te laten is.

Uw antwoordde ook niet inzake de koppeling tussen de pensioenhervorming en het militaire statuut. In uw uitleg scheidde u die twee dossiers zelfs. Maar ze zijn natuurlijk niet gescheiden voor een militair, want die gaat uiteindelijk met pensioen én hij moet zijn huidige militaire statuut in het oog houden. Ik vind dat een rare manier van werken. Dit moet als één geheel behandeld worden. U doet dat niet. Het sociaal akkoord lijkt me voor u te nemen of te laten, terwijl er over de pensioenen nog geen volledige duidelijkheid is.

Wat gebeurt er ondertussen wel? Ik wil benadrukken dat de huidige militairen meer waardering dan ooit verdienen. De situatie is nu veel meer gespannen. De verwachtingen waaraan ze moeten voldoen, zijn nu ook veel groter. Nieuwe wapensystemen betekenen dat meer opleiding nodig is en meer tijd om daarin te investeren.

Nieuwe militairen en nieuwe reservisten opleiden, vraagt ook meer tijd. Ondertussen geeft deze regering de militairen ook nog extra politietaken, waarvoor de politieagenten beter vergoed worden dan de militairen, zoals het bewaken van kerncentrales of wacht lopen in de steden, eigenlijk als goedkope politieagenten. We weten nochtans allemaal - want dat is in het verleden gebleken - dat dit dodelijk is voor de motivatie van de militairen. Het accordeert niet met elkaar. Het zou moeten maken dat u met veel meer zorg omgaat met het statuut en het pensioen van de militairen.

Robin Tonniau:

Mijnheer Francken, u spreekt soms over het verspreiden van fakenieuws. Is er nu eigenlijk een sociaal akkoord of niet? U tweet zelf: “ It’s a wrap , sociaal akkoord is rond.” De ACMP heeft getekend, maar de feiten zijn dat drie van de vier defensievakbonden dat sociaal akkoord vandaag nog altijd niet hebben ondertekend. Als ik thuis aan de keukentafel in discussie ga met mijn kinderen en mijn vrouw en enkel mijn dochter en mijn zoon akkoord gaan over iets terwijl de twee andere kinderen dat niet doen, dan hebben we geen akkoord. Zo werkt dat. U hebt vandaag geen akkoord. Het is duidelijk waarover het gaat: de pensioenen vormen het hete hangijzer.

U geeft toe dat iedereen langer moet werken, dus ook onze militairen. Minstens vier jaar erbij, maar voor de meesten zal het eerder zes jaar zijn. Alsof dat niets is. U hebt dat wel gezegd, minstens vier jaar, dat was toch wat u net gezegd hebt. Op 60 jaar met pensioen, dat is enkel haalbaar voor wie een goede loopbaan heeft, maar veel mensen hebben gemengde carrières met ziekteperiodes ertussen. Dat is de realiteit. Daarom maken de militairen zich grote zorgen, terecht. Hoe ziet hun eindeloopbaan er vandaag uit? Alle goede functies voor vijftigplussers privatiseert u. Het bewaken van de kazernes en andere taken zijn al lang geleden geprivatiseerd. Het is logisch dat de militairen argwanend staan tegenover de politiek, ook tegenover uw beleid.

Mijnheer Weydts, ik luister naar de vakbonden. Ik citeer hier de vakbonden. U zegt dat ik met de militairen zelf moet spreken. Dat wil ik gerust doen. Volgens u vertegenwoordigen de vakbonden de militairen niet? Ik heb met militairen gesproken, een van de 5.000 die enkele maanden geleden in Brussel op straat kwamen. Dat was toch een duidelijk signaal, mijnheer Weydts? Zij waren daar niet om te supporteren, maar om te zeggen tot hier en niet verder; 56 jaar is lang genoeg voor ons.

Het is hier al gezegd, in Frankrijk kunnen militairen op 52 jaar met pensioen. In de meeste andere Europese landen ligt die pensioenleeftijd onder de 56 jaar voor militairen. Er is geen enkele reden om er voor onze militairen plots zes jaar bij te doen. Dank u wel.

Voorzitter:

Ik merk dat de minister nog het woord vraagt. Specifiek over iets wat mijnheer Tonniau gezegd heeft, of andere collega’s? Normaal gezien geldt dat als het gaat over een punctuele opmerking ten aanzien van collega Tonniau, ik u het woord verleen. Als het gaat over het debat heropenen, stel ik voor om dat niet te doen.

Theo Francken:

Ik heb gewoon punctuele antwoorden. Men zegt dat ik nog niet heb geantwoord op bepaalde vragen, dus dan wil ik daar graag op ingaan.

Voorzitter:

Het gaat dus over een punctuele opmerking van collega Tonniau?

Theo Francken:

Nee, het betreft niet alleen hem, maar ook de overige sprekers.

Ik vraag het woord na de heer Lacroix, waarna u opmerkt dat dat niet gebruikelijk is en dat ik op het einde moet antwoorden. Wat is het nu eigenlijk?

Voorzitter:

Nee, nee. Het systeem is als volgt: vraag van een parlementslid, antwoord van de minister en repliek van het parlementslid. Als daar een punctuele opmerking bij gemaakt moet worden, kan dat. Dat is reeds gebeurd. U zegt dat u nog een punctuele opmerking hebt. Dat kan ook, maar dan bestaat het risico dat er opnieuw een ronde geopend wordt. Als het dus gaat over een punctuele opmerking, heb ik er geen bezwaar tegen.

Theo Francken:

Het sociaal akkoord is heel belangrijk voor mij, dus voor mij mag de vergadering nog uren duren, maar men moet geen onzin vertellen. Daar kan ik niet goed tegen.

Voorzitter:

U mag daar punctueel op antwoorden.

Theo Francken:

Merci beaucoup. Il importe de dire ceci à propos de la comparaison établie avec la France à propos des pensions. Savez-vous que celles des militaires français sont largement inférieures à celles de nos militaires? Vous le savez?

Meneer Lacroix, maak de vergelijking dan volledig. In de Verenigde Staten kunnen militairen na twintig jaar dienst met pensioen gaan. Hun pensioen bedraagt echter slechts 40 % van hun laatste loon. In België bedraagt het pensioen 75 % van het laatste loon. Wanneer u dus nogmaals het sociaal akkoord, goed voor 300 miljoen, vergelijkt met de 5 miljard voor preferentiële periodes voor alle werknemers in het land, is die vergelijking intellectueel gezien totaal oneerlijk. Daarnaast maakt u de vergelijking met de Verenigde Staten, waar militairen na twintig jaar op pensioen mogen, maar slechts een half pensioen krijgen. Dat vind ik niet eerlijk. Daarom wou ik absoluut nog het woord vragen.

Ce n'est pas correct. Lors d'un débat, il importe vraiment de parler des pensions, des montants des pensions, de l'accord social, des syndicats, des exigences du personnel, du statut militaire. Cela ne pose pas de problème et c'est une priorité pour le gouvernement. Je négocie depuis des mois et je ne suis pas du tout d'accord avec ce que j'entends. Je vous connais comme étant un homme très correct mais il faut aussi pouvoir comparer les pommes avec les pommes et les citrons avec les citrons.

Ik hoor hier vaak vergelijken met Frankrijk en de Verenigde Staten, maar die vergelijking is intellectueel niet eerlijk. U zou er ook tegen zijn, mochten we hier denken aan een systeem zoals in de Verenigde Staten waarbij we na twintig jaar slechts een pensioen geniet dat veertig procent bedraagt van de laatste wedde. Dan zou u klagen dat dat een afschuwelijke afbraak van sociale rechten is, want dat is amper veertig procent van het laatste loon. Het is uiteraard nooit goed. In een dergelijk debat wint nooit iemand en dat is spijtig.

Er wordt gezegd dat ik nooit vragen heb beantwoord. Ik heb altijd duidelijk gemaakt dat ik ten bate van de constructieve houding tijdens de sociale onderhandelingen geen publieke verklaringen zou afleggen over de lopende gesprekken. Dat is natuurlijk niet leuk voor een Kamerlid. Mijnheer de voorzitter, in juli 2025, enkele dagen na de laatste plenaire vergadering heb ik u nog gebeld om u te melden dat er een akkoord was en te vragen of ik naar de Kamer zou komen. U antwoordde dat wij het akkoord in september 2025 zouden behandelen. Wij zijn nu in september 2025, op de eerste vergadering na het sociaal akkoord en ik geef hier uitgebreid toelichting over dat akkoord. Niettemin krijg ik het verwijt dat ik de eerste keer nooit meer dan een minuut heb geantwoord. Dat is toch absurd? Wat zijn dat voor argumenten?

Ik wil graag op een correcte en transparante manier met u samenwerken. Ik merk dat dat in sommige commissies volledig onmogelijk is door de lekken van bepaalde leden. Het is toch van geen niveau, als u in het debat over het akkoord in openbare commissie, waarbij iedereen kan meeluisteren, mij verwijt dat ik nu wel antwoord en daarvoor niet. Er is nu pas een akkoord!

Ik zal sociale onderhandelingen altijd discreet proberen te voeren. Dat is het beste en dat weet u allemaal. U hebt allemaal wel eens sociale onderhandelingen gevoerd. Het is beter om over onderhandelingen te zwijgen en niet te veel commentaar te geven, want anders mislukken ze. Dan ontstaat polarisatie met de ene partij die dit verklaart en de andere dat. Dan wordt het een totale ellende. Het is beter even discreet in de schaduw te werken en met een akkoord met alle partijen naar buiten te komen.

Hebben wij een akkoord? Wij hebben een akkoord met de grootste vakbond. Ik hoop tegen midden oktober 2025 een akkoord te kunnen sluiten met de drie andere vakbonden. Zal dat moeilijk zijn? Dat is moeilijk. Het recentste gesprek is inderdaad niet goed verlopen. Het is moeilijk. Er is ergernis bij mij en er is ergernis bij hen. Wij werken echter samen en zullen zien of wij eruit geraken.

Ik weet één heel belangrijke zaak. Vakbonden hebben we altijd nodig. Sociaal overleg is van heel groot belang. Er zijn nog vier jaar te gaan en als ik zie wat er in de wereld gebeurt, zullen wij elkaar nog goed moeten vasthouden. Wij zullen onze troepen nog moeten inzetten. Het is dus beter dat de regering en de vakbonden door dezelfde deur blijven kunnen. Er gebeuren immers altijd incidenten en er zijn altijd situaties waarin zij op mij moeten kunnen rekenen en ik op hen.

Daarom hoop ik dat wij een akkoord kunnen sluiten. Als dat niet lukt, is dat bijzonder spijtig. Ik hoop dat het wel lukt. Ik weet dat zij allemaal meeluisteren.

Voorzitter:

Ik heb gemerkt dat u drie collega’s hebt aangesproken. Collega Aerts, die gevraagd had naar een uitvoerig debat, hebt u aangesproken in verband met die minuut die u slechts hebt geantwoord. Hij is evenwel vertrokken, dus ik kan hem niet het woord verlenen.

Ik verleen nu het woord aan collega Lacroix.

Christophe Lacroix:

Monsieur le ministre, j'entends bien votre argument sur la retraite aux é tats-Unis et celle en France. Pour être clair, après 20 ans de carrière, un militaire français peut demander à prendre sa retraite. Donc, cela ouvre des droits; ce qui n'est pas le cas chez nous. Voilà ce que je voulais dire. Cela signifie qu'après 20 ans de carrière, le militaire concerné bénéficiera d'une retraite moindre que quelqu'un qui aura accompli 30 ans de carrière. En revanche, puisque vous ouvrez le débat au plan international et que nous parlons souvent de matériel militaire pour essayer d'aboutir à une cohérence et une uniformité au sein de l'OTAN et de l'Union européenne, il serait judicieux de réfléchir à une adéquation des conditions salariales, de travail et de retraite des militaires. Je ne le connais pas. Par conséquent, ma question est toute simple: quel est le salaire d'un militaire en France? Si sa retraite est inférieure, il a peut-être eu… Comme je n'en sais rien, je ne livrerai pas de fausses informations… Par rapport à d'autres militaires, quel est son niveau salarial? De la sorte, nous pourrons comparer non des pommes et des citrons, mais des pommes et des poires comme nous le disons en français – même si nous avons évidemment compris le sens de "pommes et citrons". Ensuite, vous parlez d'un accord social. Or vous en avez conclu un, mais avec un seul syndicat. Vous devez encore revoir les autres à la mi-octobre, comme vous l'avez dit vous-même. Toutes les cartes seront sur la table. Vous en appelez à la discrétion. Venant de vous, monsieur le ministre, cela m'a fait sourire. Je sais que vous êtes quelqu'un de très correct, mais vous n'êtes pas toujours discret. Nous vous voyons tout le temps dans la presse, monsieur le ministre. Dès que vous voyez quelque chose de bien, vous annoncez que la Belgique va l'acheter. Notre rôle de parlementaires est de vous poser des questions. Quand nous vous interrogeons, nous ne vous demandons pas d'être discret. Je sais que vous n'allez pas nous divulguer toute votre stratégie. Franchement, c'est un peu l'hôpital qui se moque de la charité. Nous jouons notre rôle en vous posant des questions. Vous choisissez d'y répondre ou non. Ne pas répondre est aussi un choix. J'ai été ministre. Parfois, cela m'arrangeait de ne pas répondre aux questions. Les députés en prenaient acte. Donc, s'il vous plaît, restons courtois et entre gens corrects. Et vous l'êtes. Malgré nos différends politiques, nous avons toujours entretenu une relation saine et normale.

De Russische aanwezigheid in Libië
De drone-incidenten in Litouwen
De schaduwoperatie van de Belgische Marinecomponent bij een Russisch onderzoeksschip
Het Russische 'onderzoeksschip' Admiral Vladimirsky in onze exclusieve economische zone
Russische drones die boven logistieke routes in Duitsland vliegen
De Russische spionagevluchten boven Duitsland
Russische drones boven Polen
De schending van het Poolse luchtruim en de inroeping van artikel 4 van het NAVO-verdrag
De drones in Polen
De schending van het NAVO-luchtruim en de twijfels rond de conventionele afschrikking
Drone-incidenten en luchtverdediging
De drones-incursies en de veiligheid van troepen
De inzet van onze troepen aan de oostflank
De Russische aanwezigheid in Afrika
Drones and countermeasures
Russische militaire activiteiten en dreigingen aan de NAVO-oostflank en daarbuiten

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 24 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België en de NAVO staan voor escalerende Russische agressie (drones, luchtruimschendingen, hybride oorlogsvoering) die de oostflank test, terwijl ook Afrika (Libië, Wagner-opvolgers) als strategische dreiging wordt onderschat. Minister Francken bevestigt versterkte steun aan NAVO’s *Eastern Sentry*, dringt aan op investeringen in luchtafweer (NASAMS, antidrones) en waarschuwt voor gaten in detectie- en afweercapaciteit, maar benadrukt beheerste reacties om escalatie te vermijden. België’s zuidflankbeleid (Benin, migratie, Russische invloed) en cyberdreigingen blijven kritieke aandachtspunten, met nadruk op samenhang binnen NAVO/EU en langetermijninvesteringen in defensie.

Axel Weydts:

Mijnheer de voorzitter, ik denk dat ik over meer dan twee minuten beschik, want ik heb inderdaad heel veel vragen ingediend. Dat komt natuurlijk doordat er veel gebeurd is tussen onze laatste zitting en vandaag.

Vanavond start ik mijn roadshow Samen veilig door een sterkere defensie . Ik vind het nodig om uit te leggen waarom we straks zoveel gaan investeren in onze defensie. Ik ben van plan veel parochiezalen te bezoeken om die boodschap toe te lichten. Een van de rode draden doorheen die roadshow is uiteraard de vraag: wat is nu die Russische dreiging? Waar moeten we effectief schrik van hebben?

Eerlijk gezegd weet ik stilaan niet meer waar te beginnen. De incidenten stapelen zich op en ze worden steeds driester. Het is duidelijk dat Poetin en zijn regime de NAVO aan het testen zijn. Men kijkt hoever men kan gaan. Men kijkt ook of men erin slaagt de NAVO uit elkaar te spelen; dat is bijzonder duidelijk.

De incidenten van de laatste weken zijn echt alarmerend geweest. Er was de intrusie van drones in Polen, die neergehaald zijn – althans een deel daarvan. Er was de schending van het Estse luchtruim, nog niet zo lang geleden, door Russische straaljagers. Er was het onderzoekschip Admiral Vladimirsky in onze eigen wateren – dat zal wel meer zijn dan een onderzoekschip, dat komt hier niet om kiekjes te nemen van onze Belgische kust. Daarnaast zijn er de constante cyberaanvallen, waarvan we vaak niet precies kunnen achterhalen vanwaar ze komen. Dat is eigen aan hybride oorlogsvoering. We kunnen niet altijd bewijzen waar de aanvallen vandaan komen, wat het natuurlijk moeilijk maakt om erop te reageren.

Eerder was er nog iets dat misschien wat onder de radar gebleven is, maar toch belangrijk om te vermelden. Duitsland heeft heel Europa gewaarschuwd voor pakjes op onder meer DHL-vluchten, die brandbaar materiaal bevatten zoals fosfor, dat nauwelijks te blussen is. Dat is sabotage van een zeer hoog niveau. Het begint met een pakje op een vrachtvlucht, maar wie zegt dat het daarbij stopt? Er is een incident geweest – ik meen in Leipzig, al ben ik daar niet 100 % zeker van – waar men nog zo’n pakje uit het ruim heeft kunnen halen. Dat zijn toch zaken die ons moeten verontrusten.

Mijn vraag, mijnheer de minister, is hoe u daartegen aankijkt. Wat is de analyse van onze defensiestaf naar aanleiding van die – laat ons dat zo noemen – toenemende Russische agressie? Wat is de analyse van het feit dat Poetin ons bondgenootschap aan het testen is?

Mijn eerste vraag binnen dit actuadebat ging eigenlijk over de aanwezigheid van Rusland op het Afrikaanse continent. Daar wil ik het ook even over hebben, want we focussen op dit moment terecht op onze oostflank. Het is heel duidelijk dat het daar op dit moment zeer hot is: de oorlog in Oekraïne, het testen van de Baltische staten, Polen, Duitsland enzovoort. Het is dus duidelijk dat de grootste dreiging op dit moment van daar komt.

Toch wil ik ook een pleidooi houden, mijnheer de minister, om onze zuidflank niet uit het oog te verliezen. We zien bijvoorbeeld een militaire opbouw in Libië. Sinds het wegvallen van zijn haven in Syrië – de bondgenoten van Rusland zijn daar van de macht verdreven – richt Rusland zich nu op Libië, met activiteiten in die regio. Libië beschikt over een haven die dichter bij Italië en Griekenland ligt. Italië en Griekenland maken zich daar terecht ernstige zorgen over.

Het verwonderde mij dan ook enigszins – al kan ik het begrijpen – dat in de verklaring van de NAVO-top in Den Haag de zuidflank zelfs niet aan bod kwam. Die werd niet vermeld in de eindverklaring van die belangrijke NAVO-top, die uiteraard in het teken stond van onze oostflank. Ik wil er evenwel voor pleiten dat we ook onze zuidflank niet vergeten.

Mijnheer de minister, deelt u de analyse dat ook onze zuidflank een belangrijke focus verdient en dat we dit niet uit het oog mogen verliezen?

Ik dank u bij voorbaat voor uw antwoord.

Kjell Vander Elst:

Ik wil in de eerste plaats collega Weydts bijtreden wat betreft de zuidflank. Op de Land Day, denk ik, heeft de commandant van de landmacht benadrukt dat zeker in Afrika de invloed van Rusland en China sterk toeneemt. Het is een continent waarmee we historische banden hebben en dat we absoluut niet uit het oog mogen verliezen. Het actuele debat gaat over Rusland, maar Rusland beperkt zich niet tot Oekraïne. Het begint zich zeer wijd verspreid te gedragen, zeker ook in Afrika. We moeten daar absoluut zeer aandachtig voor zijn.

Mijnheer de minister, u hebt daarnet in uw inleiding bij het vorige debat al gezegd dat de NAVO onder vuur ligt. Dat mogen we redelijk letterlijk nemen.

Ik heb drie vragen ingediend bij dit actualiteitsdebat; eigenlijk zou ik er nog zeven of acht kunnen toevoegen, want het gaat telkens om afzonderlijke incidenten. Het eerste incident betreft de Russische drone met explosieven die in Litouwen onderschept werd. Vervolgens is er de Russische spionage in Duitsland op 6 augustus. Ten slotte was er nog de schaduwoperatie waarbij ons patrouillevaartuig Pollux in de Belgische wateren geconfronteerd werd met een zogenaamd Russisch onderzoeksschip. Verder zijn er dus nog de massale schendingen van het luchtruim in Polen met meer dan twintig Russische drones, en gisteren werden er drones onderschept boven de luchthavens van Kopenhagen en Oslo, waardoor het luchtruim daar urenlang gesloten bleef. Volgens mijn informatie zijn die drones momenteel nog ongeïdentificeerd. Het gaat telkens om afzonderlijke incidenten, maar men voelt duidelijk dat er sprake is van een grote opschaling en dat het stilaan schering en inslag wordt; allemaal binnen NAVO-partnerlanden.

Daarom begrijp ik moeilijk de houding van sommige partijen of academici die zeggen dat de oorlog stilaan opgelost raakt, dat men rond de tafel moet gaan zitten en dat het allemaal wel goed komt. Volgens hen panikeren wij en geven wij te veel geld uit. Als men echter al deze incidenten bekijkt, denk ik dat we daar nog zeer ver van af zijn en dat we vooral waakzaam moeten blijven en ervoor moeten zorgen dat we onszelf kunnen verdedigen.

Vandaar enkele vragen, mijnheer de minister.

Het veiligheidsrisico binnen de NAVO neemt toe – wellicht ook voor ons land. Hoe schat u dat risico in?

Ik heb een specifieke vraag over artikel 4. Polen heeft artikel 4 van de NAVO ingeroepen om zo snel mogelijk te bespreken welke maatregelen nodig zijn en wat we in de toekomst moeten doen. Wat was de uitkomst van die vergadering?

Hoe beoordeelt u de reacties van de NAVO in de afgelopen weken? U zegt terecht dat de NAVO onder druk staat – van buitenlandse mogendheden, in het bijzonder Rusland, maar ook van binnenuit. De president van de Verenigde Staten is niet bepaald, hoe zal ik het zeggen, betrouwbaar in zijn recente uitspraken over zijn houding ten opzichte van Rusland en Oekraïne. Hij is nogal wispelturig. Hoe kijkt u daartegenaan?

Welke rol binnen de NAVO moet België de komende maanden en jaren spelen opdat we zowel het Belgisch grondgebied als dat van de NAVO en de Europese Unie kunnen beschermen?

Annick Ponthier:

Enige tijd geleden schond Rusland met drones het Pools luchtruim, waarna Polen artikel 4 van het NAVO-verdrag inriep. De spanningen aan de oostflank van de NAVO werden hiermee opnieuw scherp gesteld en duidelijk in beeld gebracht. Met het inroepen van artikel 4 van het NAVO-verdrag gaf de Poolse regering het belangrijk en duidelijk signaal dat de territoriale integriteit en veiligheid van Polen in het gedrang kan komen. De vraag rijst wat dat kan betekenen voor West-Europa en voor onze defensie.

Hoe beoordeelt u de beslissing van Polen om artikel 4 van het NAVO-verdrag in te roepen en wat zijn de eventuele concrete gevolgen voor België? In welke mate is er in de NAVO al sprake van scenario’s waarbij ook artikel 5 aan de orde kan komen, aangezien dat de volgende stap is na het inroepen van artikel 4? Wat zou dat in de praktijk voor België betekenen? Welk standpunt hebt u hierover overgebracht als minister van Defensie van een stichtend NAVO-lid?

De recente schendingen van het NAVO-luchtruim door Russische drones in Polen en Roemenië geven aanleiding tot toenemende bezorgdheid, niet het minst voor de Belgische troepen die al geruime tijd in Roemenië zijn ontplooid.

Kunt u toelichten welke maatregelen momenteel gelden op het gebied van bescherming en risicoanalyse voor de Belgische militairen in Roemenië? Hoe evalueert België in NAVO-verband de dreiging die uitgaat van de herhaalde luchtruimschendingen? Welke procedures gelden bij eventuele escalatie of incidenten waarbij NAVO-militairen betrokken dreigen te raken? Kunt u de rules of engagement nogmaals duiden?

Tot slot, acht u het aangewezen om periodiek de inzet van Belgische troepen in dergelijke spanningsgebieden te herevalueren met het oog op hun veiligheid en de effectiviteit van het mandaat? Ik veronderstel van niet. Kortom, is het elders stationeren van de militairen aan de orde of helemaal niet?

Koen Metsu:

Polen heeft woensdagnacht 10 september voor het eerst Russische drones die het Poolse luchtruim binnendrongen, neergehaald. Volgens premier Tusk gaat het om de meest ernstige militaire dreiging sinds de Tweede Wereldoorlog. In 7 uur tijd werd het luchtruim 19 keer geschonden. Verschillende NAVO-partners hielpen mee, onder andere met F-35’s en radarvliegtuigen. Polen vermoedt een bewuste provocatie door Rusland, hoewel Moskou ontkent dat Polen een doelwit zou zijn.

De NAVO en de EU veroordeelden de actie en beloofden een versterking van de oostelijke verdediging. Ook Belgische militairen engageerden zich. Door de goede samenwerking tussen bondgenoten werd een derde van de drones neergehaald. Welke informatie kunt u delen over de Belgische logistieke steun? Worden er Belgische luchtafweersystemen of vliegtuigen in verhoogde staat van paraatheid gebracht naar aanleiding van de aanval? Gaat het enkel om drones of zijn er ook andere autonome of onbemande systemen gedetecteerd? Welke diplomatieke stappen neemt België in de EU en de NAVO naar aanleiding van het incident? Zal België zijn defensiebudget of de allocatie naar bepaalde budgetposten verhogen door het incident? Hoe ziet u de rol van België in toekomstige NAVO-operaties in die context? Welk lessons learned haalt u uit de gebeurtenissen?

Wat de drone cyber countermeasures betreft, tonen recente analyses over het conflict in Oekraïne aan dat elektronische oorlogsvoering doorslaggevend is geworden in de strijd tegen en ook met drones. Rusland zet een dicht tapijt van stoorzenders en spoofingcapaciteiten in, met systemen zoals de Pole-21, Krasukha-4 tot talrijke lichte C-UAS-middelen, om de navigatie, de datalink en de videotransmissie van UAV’s te verstoren.

Tegelijk passen beide partijen hun tactieken aan. Oekraïne test drones die beter bestand zijn tegen jamming, terwijl berichten wijzen op nieuwe Russische aanvalsdrones met verbeterde anti-jamming eigenschappen.

Ondertussen wordt in de Europese discussie over de zogenaamde dronemuur benadrukt dat sensoren, de EW-middelen en kinetische tegenmaatregelen geïntegreerd moeten worden. Dat alles maakt duidelijk dat we de cyber- en drone-innovatie moeten blijven volgen.

Welke actuele inschatting maakt defensie van de Russische EW-capaciteiten tegen de UAV's en van de inzet van drones met verhoogde weerstand tegen EW, zoals recent gerapporteerd? In welke mate beïnvloedt dat de effectiviteit van westerse en Oekraïense C-UAS-methoden?

Over welke organische middelen beschikt België vandaag voor detectie, geolocatie en neutralisatie van drones via EW? Welke hiaten zijn vastgesteld en wat is het tijdpad om die te dichten?

Welke maatregelen neemt Defensie om de veerkracht van eigen UAV's te verhogen in GPS-ontkende omgevingen? Worden de lessen uit Oekraïne, inclusief het probleem van friendly jamming , vertaald naar doctrine en training?

Hoe worden operatoren en commandanten opgeleid voor EW-gedreven C-UAS-operaties, de elektronische oorlogsvoering? Welke evaluatie-indicatoren of KPI’s hanteert Defensie om de effectiviteit van de EW-maatregelen tegen drones te meten?

Stéphane Lasseaux:

Monsieur le ministre, la Roumanie et la Pologne ont récemment été victimes d'intrusions de drones russes dans leurs espaces aériens respectifs. Ce vendredi, c'est l'Estonie et la Pologne qui ont subi des intrusions dans leur espace aérien par des avions de combat russes.

L'OTAN a réagi immédiatement en abattant certains drones russes au-dessus de la Pologne ou en interceptant les avions de combat russes. On peut être rassuré de cette capacité. Il est heureux aussi que les Alliés aient décidé de renforcer les capacités en Pologne avec la mise en place de l'opération "Eastern Sentry" après invocation de l'article 4 du traité de l'Atlantique Nord par ce pays.

Cependant, il est certainement nécessaire de réfléchir plus en profondeur sur notre capacité de dissuasion face aux actions de la Russie. Elle multiplie les provocations pour tester les réactions de l'OTAN. Comme le dit Rym Montaz de Carnegie à propos des interceptions des avions de combat russe, "la norme n'est pas que l'OTAN soit capable d'intercepter les avions russes, c'est que l'OTAN soit capable de dissuader la Russie d'envisager de violer l'espace aérien de l'OTAN, tout comme les pays de l'OTAN sont clairement très dissuadés de faire presque quoi que ce soit en public dans l'espace russe".

Monsieur le ministre, la Belgique compte-t-elle participer à un éventuel renforcement des capacités de l'OTAN dans les États baltes où elle a souvent assumé des missions de défense aérienne? L'OTAN envisage-t-elle une modification de sa posture et des règles d'engagement pour renforcer sa capacité de dissuasion? Quelle position la Belgique va-t-elle défendre?

Peter Buysrogge:

Collega's, ik zal mijn vragen stellen vanop de voorzittersstoel.

Mijnheer de minister, de collega's hebben al heel wat gedetailleerde vragen gesteld. Die van mij sluiten daarbij aan. Ik hoop antwoorden te kunnen verkrijgen.

Vorige week hebben we in de commissie voor Opvolging van de Miliaire Missies een vertrouwelijke briefing gekregen van Air Chief De Decker over de droneaanval in Polen. Het was een vertrouwelijke bespreking, en ik behoud de vertrouwelijkheid, voor alle duidelijkheid. Ik meen echter dat het duidelijk is voor iedereen, zowel voor wie het van dichtbij opvolgt als voor wie het in de media moet volgen, dat Rusland onze oostflank, maar bij uitbreiding eigenlijk heel het Westen, alle NAVO-landen, aan het uittesten is.

Ondertussen hebben we moeten vaststellen dat er bijkomend nog van alles gebeurd is, de jachtvliegtuigen boven Estland en noem maar op. Dat doet ons vragen stellen. Is de NAVO wel voldoende paraat? Is ons land wel voldoende paraat voor de aanvallen die op verschillende manieren plaatsvinden? Er zijn cyberaanvallen in binnen- en buitenland, er zijn dronezwermen in Oekraïne, maar blijkbaar sinds kort ook boven het NAVO-grondgebied. Er zijn MiG's die het luchtruim doorkruisen. Er zijn onderzeeërs en ander verdacht scheepvaartverkeer in onze zeeën. Er is toegenomen Russische activiteit in Afrika, zowel militair als paramilitair.

Ik meen, mijnheer de minister, dat u doet wat mogelijk is binnen het wettelijke en het materiële instrumentarium waarover u beschikt. U werkt aan de verdere uitbouw van extra budgetten voor Defensie. U werkt aan een goed sectoraal sociaal akkoord, waarover we zonet gedebatteerd hebben. U werkt aan extra personeel, om van Defensie opnieuw een aantrekkelijke werkgever te maken. Er wordt werk gemaakt van een strategische visie en van een militaire programmeringswet. Er wordt gewerkt aan nieuw en modern materieel om de strategische visie te kunnen uitvoeren en om de paraatheid op te schroeven.

Ik verwijs dan ook graag naar de drie gedetailleerde vragen die ik hierover ingediend heb. Welke stappen onderneemt u om de kwetsbaarheid van ons eigen luchtruim te verlagen? Hoe kijkt u naar de evolutie in Afrika? Wat kan daar onze bijdrage zijn? Welke mogelijkheden ziet u voor verdere troepenontplooiing en betere militaire veiligheid aan onze oostflank?

Theo Francken:

Schendingen van het NAVO-luchtruim door Russische vliegtuigen en drones zijn geen nieuw gegeven, maar de voorbije maanden lijken de frequentie en de driestheid sterk toe te nemen.

Vorige week hebben we achter gesloten deuren toelichting gekregen van de chef van onze luchtmacht, generaal De Decker, over de grote drone-incursie in Polen van twee weken geleden. Ik denk dat we allemaal kunnen beamen dat zijn uitleg verhelderend was en ik zal daar vandaag dus niet meer in detail op terugkomen.

Dit weekend was het weer prijs, toen drie Russische MiG-31-gevechtsvliegtuigen kilometers diep doordrongen boven de territoriale wateren van Estland. Eergisterenavond werd ook het vliegverkeer rond Kopenhagen stilgelegd, nadat daar een aantal drones werden opgemerkt. Vooralsnog is niet duidelijk wie er in Kopenhagen achter zat, maar het is duidelijk dat het NAVO-luchtruim de voorbije weken langs alle kanten wordt gecontesteerd.

Nous devons concrétiser, dès que possible, nos plans ambitieux visant à redonner à notre pays une capacité de défense aérienne à plusieurs niveaux afin que notre pays puisse non seulement défendre son propre territoire, mais aussi soutenir ses alliés de l’OTAN et de l’Union européenne, si des renforts s’avèrent nécessaires au-delà de nos frontières.

J’espère pouvoir vous présenter très prochainement l’avant-projet de loi sur la programmation militaire, qui figurera à l’agenda du Conseil des ministres de vendredi. L’objectif est de pouvoir entamer, dès le début de l’année prochaine, l’acquisition de systèmes de défense aérienne et de lutte contre les drones.

Les événements récents survenus en Pologne et dans certains États baltes ont évidemment conduit l’OTAN à réexaminer son dispositif de sécurité actuel et à étudier les moyens de le renforcer, tant en termes de ressources que de procédures.

Nos moyens restent limités. Nos quelques F-16 restant viennent à peine de rentrer de leur mission de sécurité au-dessus de l’Islande. Toutefois, nous examinons les possibilités et la manière avec laquelle nous pouvons également apporter un soutien indirect à l’opération "Eastern Sentry", par exemple en mettant à disposition des avions supplémentaires.

Rusland test ons echter niet alleen in de lucht, ook op zee daagt het ons steeds meer uit. Ik verwijs hierbij naar het uitgebreid verslag dat u vorige week van admiraal Botman kreeg achter gesloten deuren. Onze marine heeft dringend nood aan bijkomende middelen als we willen weten wat er in onze eigen wateren speelt. Ook voor deze capaciteiten hoop ik dat de vernieuwde wet op de militaire programmering op korte termijn een betere inlichtingenvergaring zal toelaten.

Dat alles mag ons echter niet uit het oog doen verliezen dat Rusland ook elders in de wereld troepen opbouwt. Dit gebeurt ook op plaatsen van waaruit het onze Europese belangen direct of indirect kan bedreigen. De Wagnertroepen hebben ondertussen plaats geruimd voor het Russische Afrikakorps, dat zich met duizenden over een aantal landen in Afrika verspreidt, inclusief het nieuwste materieel. In Libië alleen al is er sprake van een tiental Russische basissen. Ik deel de bezorgdheden van collega’s Weydts en Buysrogge wanneer zij waarschuwen voor de groeiende Russische aanwezigheid op het Afrikaanse continent. Het gaat hierbij niet alleen om invloed, maar zeker ook om toegang tot natuurlijke rijkdommen. De val van het Assadregime in Syrië heeft de strategische waarde van Libië voor Rusland vergroot als uitvalsbasis en aanvoerlijn voor hun activiteiten in heel Afrika en op de Middellandse Zee. Het is dan ook geen verrassing dat Moskou militaire steun verleent in ruil voor toegang tot havens en basissen.

Verontrustender is dat Rusland de banden met Syrië opnieuw aanhaalt om zijn militaire aanwezigheid in het land te herstellen. Op lange termijn zou dit de Russische invloed in de regio aanzienlijk kunnen versterken.

De dreiging die uitgaat van Rusland op onze zuidflank zou gevoelig kunnen stijgen als de Russisch-Oekraïense oorlog ten einde komt. Een instroom van duizenden Russische Oekraïneveteranen in private milities kan de machtsbasis op het terrein wijzigen en zal vermoedelijk impact hebben op onze veiligheid en op migratiestromen. Het mag duidelijk zijn dat we nog lang zullen worden geconfronteerd met de gevolgen van de Russische expansiedrift, ook na een eventueel staakt-het-vuren of vredesakkoord in Oekraïne.

Het komt er dus op aan om op Europees niveau zo snel mogelijk een passend antwoord te kunnen bieden op de hybride oorlogsdreiging die uitgaat van het Russische regime. Met de onlangs goedgekeurde strategische visie, en waarvan het investeringsdeel binnenkort wordt vertaald in een aangepaste wet op de militaire programmering, kunnen we dit Europese antwoord mee uitbouwen.

Heel concreet, de zuidflank wordt niet vergeten, zeker niet door mij. Er werd daarover inderdaad niet gesproken in Den Haag, omdat men maximaal focust op de oostgrens. Dat is een politieke keuze. Het is echter niet zo dat er in de NAVO nooit over het zuiden wordt gesproken. Dat is wel degelijk een belangrijk aandachtspunt. De strijd tegen terrorisme blijft trouwens een van de prioriteiten van het NAVO-bondgenootschap.

Wij zien wel een toenemende machtsontplooiing in Afrika, met name van China en zeker ook van Rusland. Europa kan daar weinig tegenover zetten. Uit veel theaters zijn wij bijna verdwenen. Onze Belgische troepen zijn in West-Afrika enkel nog in Benin gestationeerd. Het operationeel plan 2026 is in opmaak. Ik heb dat teruggestuurd naar de staf met enkele opmerkingen. Naar mijn oordeel moeten wij onze militaire aanwezigheid in Benin opnieuw versterken. Dat is nog niet goedgekeurd door de regering. Die goedkeuring moet nog komen. Daarover moeten nog politieke keuzes worden gemaakt.

Wij zijn West-Afrika grotendeels kwijt. Wij zijn weg uit Mali, Niger en Burkina Faso. Benin is voorlopig het laatste stronghold . Wij moeten weten wat wij willen: ofwel zetten wij er echt op in en dan doen wij meer ofwel laten wij het zoals het is. In dat geval zal er over enkele jaren een coup komen en wordt er een pro-Russisch regime geïnstalleerd dat door Afrikaanse strijdkrachten wordt verdedigd.

Dat is misschien geen onderwerp voor de huidige commissievergadering, maar het is wel een van de belangrijkste discussies die wij hier in de Kamer moeten voeren. Welke keuzes maken wij in het operationeel plan? Voor mij is het verliezen van Afrika, in het bijzonder West-Afrika, absoluut geen optie. Daarbij speelt ook de migratiedruk op ons continent een rol.

Ten tweede, inzake de artikel 4-procedure kreeg ik deze ochtend nog een briefing van ambassadeur Petridis op het kabinet. Wij willen extra steun geven aan de operatie Eastern Sentry. De Belgische Defensie heeft daartoe een concreet aanbod gedaan, waarop ik niet nader kan ingaan. Wij willen extra steun geven aan Eastern Sentry. Wij zullen ook extra capaciteit leveren voor de oostgrens in de komende dagen.

Ik kom nu bij de drones. Stel dat er morgen op Zaventem iets gebeurt zoals in Kopenhagen. Hoe reageren wij dan? Die vraag is niet evident te beantwoorden. Als het om laagvliegende drones gaat, bestaan er middelen waarmee politie of defensie aan de slag kan. Een en ander is momenteel vooral een politietaak in het kader van de binnenlandse veiligheid, maar zoals vaker kan die taak op termijn ook bij defensie komen te liggen.

Wij hebben bepaalde antidronecapaciteiten. Wij beschikken over zogenaamde shotgunsystemen en dronevangers met netten. Het gebruik van kogels of hagel vereist echter grote voorzichtigheid in de nabijheid van een luchthaven. Het verdedigen van een luchthaven blijft in die zin altijd moeilijk.

De bewuste drones vlogen niet laag maar relatief hoog. Daarvoor zijn andere instrumenten nodig. Wij spreken dan over grotere luchtverdedigingscapaciteiten, zoals NASAMS. Die systemen hebben wij momenteel niet. Eerdere regeringen kozen er niet voor om in die vorm van luchtverdediging te investeren. Dat moeten wij nu uitzweten. Ik voer onderhandelingen met Nederland om bij het NASAMS-contract van Nederland aan te sluiten, zodat wij onze NASAMS zo snel mogelijk kunnen krijgen. Tot nog toe beschikken wij daar echter niet over.

U hebt het daarnaast ook over andere aspecten zoals grotere capaciteiten. Antidronetechnologie is niet zo evident, ook niet om de drones te detecteren trouwens. Goede detectie moeten we prioritair uitbouwen. Daar wordt actief aan gewerkt via concrete werkgroepen die daar volop mee bezig zijn. Ik kan echter niet garanderen dat als morgen bijvoorbeeld een huurling van de Russen of wie dan ook met vier grote drones boven Zaventem vliegt, we die alle vier meteen uit de lucht kunnen halen. Het gebruik van wapens boven een luchthaven is riskant. Elke kogel die wordt afgevuurd, komt neer. Wanneer die neerkomt op een grote Boeing van bijvoorbeeld Emirates, ontstaan verzekeringskwesties en bijkomende kosten. Men moet daarom goed nadenken over wat men doet.

De idee dat het luchtverkeer niet mag worden stilgelegd, is absurd. In geval van een bedreiging moet het luchtverkeer natuurlijk onmiddellijk worden stopgezet. Het incident in Kopenhagen wordt nu volop onderzocht, maar de gevolgde procedure lijkt me vrij standaard. We hebben de laatste dagen veel reacties gehoord waarbij wordt gesuggereerd om die drones gewoon uit de lucht te schieten, maar die hangen wel boven een luchthaven. Daar bevinden zich duizenden burgers en veel duur materiaal. Ook bij jamming wordt de hele burgerluchtvaart gejamd. Men moet dus goed nadenken over de gevolgen bij een dergelijk incident. Dat dergelijke acties op die specifieke locaties plaatsvinden, is geen toeval. Het is belangrijk om de gevolgen van agressief ingrijpen goed in overweging te nemen.

Met betrekking tot de incursies en de andere gebeurtenissen in Estland, geldt dat de NAVO een defensieve alliantie is. Wij zijn geen offensieve alliantie. Sommige collega’s zeggen vrij agressief dat men die gewoon uit de lucht moet halen. Het is belangrijk dat de standaardregels worden gevolgd. Wanneer een intrusie wordt waargenomen, wordt er gescrambled en stijgen er F-16’s, F-35’s, Rafales en Eurofighters op om de toestellen te begeleiden en terug te dringen naar de internationale zone, weg van het territorium van het land. Die procedures zijn gevolgd. Wij doen dat elke keer en ook wij hebben daaraan deelgenomen.

Wat betreft de idee om die even uit de lucht te halen, een dergelijke beslissing wordt genomen door het NAVO-commando wanneer de zaak in NAVO-handen ligt. Als dat niet in NAVO-handen ligt, dan ligt het in nationale handen. Polen bijvoorbeeld heeft nog een eigen autoriteit. België beschikt daar niet over, bij ons is het luchtruim allemaal NAVO-gecoördineerd. Hetzelfde geldt voor de Baltische staten, want die hebben geen luchtmacht of toch geen luchtgevechtscapaciteit en in Luxemburg is het eveneens NAVO-gecoördineerd. Polen zou dus zelf kunnen beslissen om in te grijpen, zonder het NAVO-commando om bepaalde acties te ondernemen. Dat is wat de secretaris-generaal gisteren heeft gezegd: aanmanen tot kalmte, rustig blijven, goed nadenken over de eventuele gevolgen, zonder over te komen als laf of zwak. Dat is het evenwicht dat men moet zoeken: wel duidelijke show of force , duidelijk zijn, regels volgen. Roepen dat we al die vliegtuigen uit de lucht gaan halen, daar moet men toch twee keer over nadenken voordat men dat zomaar doet.

Dat betekent niet dat Rusland vrij spel heeft. De vraag is of er een imminente dreiging is voor de bevolking. Bijvoorbeeld in Estland, die Russische MiGs, die vlogen boven de zee, dat waren intrusies, maar niet met een directe, imminente dreiging voor Estland of de bevolking van Estland. Indien dat wel het geval zou zijn, dan verandert alles en zou men er perfect toe kunnen overgaan, volgens alle regels, om zo’n vliegtuigen uit de lucht te halen. Dan zou men dat ook kunnen. Onze F-35 zien de MiGs dan niet; die zullen niet weten wat er gebeurt en zullen het niet zien aankomen.

De luchtverdediging werkt dus, de procedures werken, maar men moet oppassen met uitspraken als ‘we gaan ze allemaal uit de lucht schieten, en de volgende schieten we af’. Rustig blijven is belangrijk, men mag zich niet laten uitdagen door de Russische agressie. Dit is een defensieve alliantie, maar men moet beseffen dat indien men effectief gewapend afstevent op de hoofdstad van een Baltische staat, men die dreiging ook zou uitschakelen. Daarvoor zijn alle capaciteiten aanwezig. Dat scenario heeft zich op dat moment niet voorgedaan. Wanneer zich een dergelijke situatie voordoet, zal men ingrijpen; dat is ook bewezen in Estland, waar men er direct naast vloog. Het gezond verstand gebruiken is meestal het beste.

Axel Weydts:

Mijnheer de minister, we moeten het hoofd inderdaad koel houden. De NAVO heeft dat gedaan en zeer verstandig gereageerd. In Polen dreigden de drones op een bepaald moment in bewoond gebied terecht te komen, waarna er werd ingegrepen. Bij het incident in Estland was er geen onmiddellijke dreiging voor onze bevolking. De reactie van de NAVO lijkt mij dus correct te zijn. Ik beklemtoon nogmaals dat de NAVO een defensief genootschap is, in tegenstelling tot wat de communisten altijd beweren. De NAVO zorgt ervoor dat we veilig kunnen leven in Europa en wil dat zo houden door een defensieve houding aan te nemen ten opzichte van Rusland, dat de defensieve capaciteiten van en de eensgezindheid bij de NAVO test. Ik hoop net zoals u dat men het hoofd koel houdt; dat neemt niet weg dat we ons moeten voorbereiden en verdere stappen ondernemen om paraat te staan.

Ik ben ervan overtuigd dat de commandostructuren goed functioneren en dat de nodige capaciteiten beschikbaar zijn om intrusieve Russische vliegtuigen neer te halen. De air chief heeft de werking in een geheime vergadering ook duidelijk toegelicht. Men is echter nog niet helemaal voorbereid op drones. Vooruit geeft u daarom de absolute steun om te blijven investeren om van luchtafweer, wat door verschillende regeringen lange tijd werd verwaarloosd, een absolute prioriteit te maken.

Kjell Vander Elst:

Ik ben het volledig met u eens dat de NAVO de afgelopen weken verstandig heeft gereageerd. Dat zal ook cruciaal zijn de komende maanden, jaren, misschien zelfs decennia. We mogen ons immers niet uit elkaar laten spelen.

Het is ook net dit wat Rusland aan het testen is: hoe sterk hangen de NAVO-bondgenoten aan elkaar. Het is dus cruciaal dat het bondgenootschap in de NAVO en in de Europese Unie overeind blijft en dat de lidstaten samen reageren, zodat er geen speld tussen te krijgen is. Poetin immers op zoek naar verschilpunten, naar barstjes in ons pantser. Dat mogen we absoluut niet toelaten.

Ik hoop dan ook dat de onnozele uitspraken van bepaalde partijen, bijvoorbeeld dat investeren in defensie gelijkstaat aan investeren in oorlog, dringend stoppen. Dergelijke holle slogans zijn puur fake news. Ook de bewering dat het NAVO-partnerschap enkel en alleen bestaat om Trump te pleasen, is fake news. Zulke uitspraken halen heel het draagvlak voor defensie en veiligheid onderuit. Ik hoop dat dat snel kan ophouden. Investeren in defensie betekent investeren in veiligheid en vrijheid. Daarvan moeten we blijven uitgaan. Wij moeten daarin blijven investeren.

Het is immers essentieel dat België als kleine natie in een groot partnerschap zijn rol speelt. We moeten ervoor zorgen dat het NAVO-bondgenootschap blijft bestaan en sterk verbonden blijft, om niet alleen het Russische gevaar maar ook andere dreigingen van buiten Europa buiten te houden.

Annick Ponthier:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw omstandig antwoord.

U had het over extra steun aan Eastern Sentry en suste dat de aandacht voor Afrika ook behouden blijft. We zullen binnenkort zien welke concrete stappen worden genomen. Het is logisch dat we die focus blijven behouden, zowel op de oostflank als op de zuidflank, omdat dat nu eenmaal noodzakelijk is.

U had het over de frequentie en de toenemende driestheid van de aanvallen en observatieopdrachten door onder meer Rusland tegen onze contreien. Wij moeten dus inderdaad nog meer dan anders waakzaam en alert zijn. Tegelijkertijd bevestigt u dat de rust en kalmte bewaard blijven en dat het gezond verstand blijft regeren.

De bevolking lijkt niet altijd even goed op de hoogte van de hybride dreiging waarmee we te maken hebben. In ieder geval moet er een evenwichtig antwoord op de dreiging komen, zonder dat men paniek zaait. Daar moeten we te allen tijde waakzaam voor zijn.

Tot slot, gisteren kregen we de gelegenheid en het geluk om de eerste SkyGuardian op de luchtmachtbasis in Florennes te verwelkomen. Investeren in drones en counter-drone measures is op het moment cruciaal. Daar ligt de toekomst van zowel observatie als oorlogsvoering.

Stéphane Lasseaux:

Monsieur le ministre, je vous rejoins tout à fait. Vous avez tout à fait raison; nous devons garder notre calme. Et il est clair que l'OTAN a toujours été bien présente pour toutes les missions de détournement, d'accompagnement en cas d'invasions, en tout cas au-dessus de notre territoire et dans l'espace aérien protégé.

J'ai eu l'occasion d'aller en Lituanie, voici quelques années, me rendre compte sur place de la mission qu'exerçaient nos militaires, notamment des militaires florennois, au niveau de la gestion des Quick Reaction Alert (QRA). Déjà à l'époque, des intrusions dans l'espace aérien avaient régulièrement lieu.

Aujourd'hui, on constate que la Russie va de plus en plus loin et essaie toujours d'aller au-delà de ses limites. Encore une fois, il faut bien sûr rester calme. Mais on entend aussi le président Trump et le ministre des Affaires étrangères polonais dire que les règles pourraient changer. Espérons évidemment qu'on n'en arrive pas là.

J'insiste à nouveau sur le fait que je vous rejoins tout à fait. Nous devons impérativement garder notre calme pour pouvoir faire face à toutes ces menaces. Je vous remercie.

Peter Buysrogge:

Mijnheer de minister, alle sprekers spraken hun steun uit voor uw beleid en voor de houding van u en bij uitbreiding de NAVO en het Westen. De wereld slaat stilaan door. Iedereen om ons heen verliest de kalmte, maar het is van belang dat wij en bij uitbreiding het Westen en de NAVO het hoofd koel houden. We mogen niet naïef zijn, we moeten assertief zijn, we moeten afschrikkend werken, maar tegelijkertijd ook kalm blijven. Ik ben ook blij te horen dat Afrika hoog op de agenda staat. Dat continent raakt misschien de jongste tijd wat ondergesneeuwd in het nieuws, maar het is van belang dat we onze ogen en oren open houden. U had daar in uw vorige functie veel aandacht voor. Het is van belang dat het thema hoog op de agenda blijft staan, hoe moeilijk de situatie daar ook mag zijn. Ik noteer tevens dat de militaire programmeringswet komende vrijdag aan de regering wordt voorgelegd. Het betreft een digitale procedure en ik hoop dat ze wordt goedgekeurd. Ik wens u alleszins veel succes en hoop dat we op korte termijn, na goedkeuring en indiening hier in het Parlement, met u daarover voort in dialoog kunnen gaan. Het is immers van belang om niet alleen te investeren in materieel, maar ook in personeel, zodat we voorbereid zijn op alle uitdagingen, die op de plank liggen.

De uitsluiting van België uit het FCAS-programma door het Franse Dassault
De geplande aankoop van extra F-35's
De Belgische deelname aan het FCAS-programma
De F-35's en de Europese strategische onafhankelijkheid
De Belgische deelname aan de ontwikkeling van effectoren voor de F-35's
De geplande aankoop van extra F-35's
België, F-35-aankopen en Europese defensiesamenwerking met FCAS

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 24 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België wil ondanks de scherpe afwijzing door Dassault’s CEO (wegens de F-35-aankoop) toch volwaardig toetreden tot het Europese SCAF-programma (6de-generatiejager), maar blijft afhankelijk van de onderhandelingen met Frankrijk, Duitsland en Spanje, waar interne spanningen het programma bedreigen. Parallel blijft België inzetten op de F-35 (met 11 extra toestellen) als kortetermijnoplossing, terwijl men voor 2040+ een gemengde vloot (F-35 + Europees toestel) nastreeft om strategische autonomie en industriële return (bv. SABCA, Sonaca) te waarborgen. Kritiekpunten zijn de afhankelijkheid van de VS (risico’s op meerkosten, technische problemen en politieke chantage), onduidelijkheid over SCAF-toetreding (360 miljoen euro al geïnvesteerd, maar status nog onzeker) en dreigend verlies van Europese defensie-invloed als België uitgesloten blijft. De minister benadrukt diplomatieke inspanningen en een plan B (bv. Brits-Italiaans-Japans GCAP) mocht SCAF mislukken.

Axel Weydts:

Mijnheer de minister, ik wil geen nieuw debat openen over de F-35's. We hebben het hier al heel vaak over de F-35's gehad. Ik wil wel in de toekomst kijken, naar de opvolging van de F-35's.

De ontwikkeling van een gevechtsvliegtuig vergt decennia. Het wordt niet van vandaag op morgen bedacht, laat staan geproduceerd en in gebruik genomen. Er zijn blijkbaar wat donderwolken boven het SCAF-programma, een programma van de Fransen, de Duitsers en de Spanjaarden. Men kan zich de vraag stellen of dat erg is, want binnen Europa is er ook het Tempestprogramm, nu het GCAP van de Britten, de Japanners en de Italianen.

Er zijn dus twee programma's voor de opvolging van de F-35's op Europees niveau. Mocht men beginnen met aan één programma te werken, dan meen ik dat dit verstandiger zou zijn, met het oog op de Europese onafhankelijkheid van andere partners.

Dit gezegd zijnde, de CEO van Dassault heeft deze zomer verklaard dat België niet meer welkom is in het SCAF-programma omdat het de F-35's heeft gekocht. Hij zou natuurlijk liever hebben dat we de oude brol van Dassault hadden gekocht. Gelukkig hebben we dat niet gedaan.

In die zin kan ik zijn opmerking wel ergens plaatsen, maar ze staat natuurlijk haaks op wat in de strategische visie staat, mijnheer de minister. In de strategische visie kiezen we duidelijk voor het SCAF-programma. Mijn vraag is dan ook heel eenvoudig of we daarmee verder gaan. Wat is uw reactie op wat de CEO van Dassault verklaard heeft over ons land? Hoe zullen we ons gedragen met het oog op een volwaardige Europese opvolger van het Amerikaanse systeem?

Ik meen dat we echt naar de toekomst moeten kijken. Als de F-35 over 20 of 30 jaar vervangen moet worden, moeten we een echt Europees alternatief hebben. Dat is niet onbelangrijk.

Kristien Verbelen:

Ik wil het ook hebben over de uitspraak van de CEO van Dassault, ondertussen al enige tijd geleden. Hij is toch een van de sleutelfiguren binnen het Europese gevechtsvliegtuigprogramma FCAS.

Hij liet er weinig twijfel over bestaan: zolang wij de F-35’s aankopen, ziet hij ons niet als volwaardige partner. Het waren harde woorden. "Ze maken ons belachelijk", dat is niet zomaar een uitspraak. Dat tast onze geloofwaardigheid aan binnen de Europese defensiesamenwerking. Het roept ook vragen op bij de industriële return voor onze bedrijven. Wat als wij uitgesloten blijven van het FCAS? Dreigen we dan een van de Europese defensieprojecten van de komende decennia te missen? Wij kijken namelijk ver vooruit. Onze ondernemingen dreigen dan met lege handen achter te blijven. Ik heb daarover enkele vragen.

Hoe reageert u op die uitgesproken Franse kritiek, die nog altijd nazindert? Hoe beoordeelt u de Belgische positie binnen het FCAS vandaag? Is een volwaardige, geloofwaardige toetreding nog realistisch? Wat zou een mogelijke uitsluiting betekenen voor onze defensie-industrie, en vooral voor de Vlaamse bedrijven die nu al veel investeren en onderzoek doen naar technologie en innovatie? Zijn er gesprekken geweest met Frankrijk of andere FCAS-partners om die spanningen weg te nemen? Zonder duidelijke koers dreigen we namelijk strategisch geïsoleerd te geraken.

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de minister, de uitspraken van de CEO van Dassault waren opmerkelijk en belachelijk. Volgens hem zou onze deelname belachelijk zijn. Door onze aankoop van de F-35 wordt de geloofwaardigheid van ons engagement ondermijnd. Het waren zeer scherpe uitspraken van de CEO over ons land en de strategische keuzes waar we voor staan.

Ook voor de toekomst zijn deze opmerkingen relevant. Ik kijk namelijk graag vooruit. We zijn het traject van de aankoop van de F-35 gestart en dat is op dit moment zeker de juiste keuze. Tegelijkertijd moeten we echter verder kijken. Onze horizon moet niet alleen de komende 5 jaar beslaan, maar de komende 15 tot 20 jaar. We moeten er dus voor zorgen dat we de juiste strategische keuzes maken.

In uw strategische visie, die ik uiteraard al gelezen heb, staat dat de regering het SCAF-consortium zal vragen om België zo snel mogelijk als volwaardige partner op te nemen. Daarbij moet de meerwaarde op het vlak van maatschappelijke voordelen, consolidatie en versterking van de industriële en technologische basis voor defensie worden gewaarborgd.

Heeft de uitspraak van de CEO gevolgen voor deze concrete passage uit uw strategische visie? Wat is uw officiële reactie en die van de Belgische regering op deze uitspraak? Komt er een gesprek met Frankrijk over dit dossier? Misschien het belangrijkste, wat is de impact van deze uitspraak op de reeds gedane financiële investeringen van ons land? We hebben immers al een engagement van 300 miljoen richting SCAF uitgesproken. Wat is daarvoor het gevolg?

Christophe Lacroix:

Monsieur le ministre, le gouvernement MR-NVA de Charles Michel avait posé le choix de remplacer la flotte de F-16 belges par des F-35 américains. À l'époque déjà, mon groupe s'était opposé à un tel achat, qui ne tenait pas compte des intérêts industriels et stratégiques belges et européens. Depuis lors, les questions d'autonomie stratégique de l'Union européenne sont sans cesse plus impératives, notamment au vu de la direction clairement antieuropéenne prise par le président Trump. J'entends les collègues s'inquiéter des déclarations du président du PDG de Dassault. Personnellement, je m'inquiète plutôt de ce que Trump a dit hier au siège de l'Organisation des Nations Unies (ONU), dans une diatribe hallucinante et insultante, disant même que l'Europe n'était plus la bienvenue et tenant des propos sur l'Europe d'un allié, d'un soi-disant allié. Je m'inquiète très fort.

En juillet, pourtant, le gouvernement avait confirmé sa volonté, votre volonté, d'acquérir onze F-35 supplémentaires, en évoquant un pilier de l'interopérabilité et de la coopération transatlantique et européenne dans l'alliance. Parallèlement, votre vision stratégique ouvre la porte à un chasseur européen de sixième génération, en contradiction avec vos précédentes réponses. Grâce à votre prédécesseur, la Belgique joue actuellement un rôle d'observateur dans le programme européen baptisé Système de combat aérien du futur (SCAF).

Nous apprenons désormais que votre gouvernement demandera à ce consortium d'intégrer la Belgique en tant que partenaire à part entière dès que possible, et c'est une véritable plus-value en matière de retours sociétaux, de consolidation et de renforcement de notre base industrielle, technologique et de défense. Nous vous demandons bien évidemment de pouvoir l'assurer.

Monsieur le ministre, le fait que la vision stratégique annonce publiquement la volonté d'acheter un modèle précis de F-35 américain – et que vous ayez même annoncé où il devait être produit – n'est-il pas de nature à tronquer ledit marché et ouvrir la porte à de nombreux recours?

Quelles sont les garanties industrielles de coûts alors que la Suisse a mis en place une commission d'enquête et d'indépendance?

Quelles procédures, notamment sur le plan de l'implication parlementaire, allez-vous suivre?

Enfin, concernant le SCAF, vous indiquez que pour la troisième phase de développement, à partir de 2030, les budgets seront prévus dans la loi de programmation militaire adaptée. Dès lors, où en sont vos contacts avec vos homologues concernés, les Régions et le secteur industriel belge? De quel budget et de quel calendrier est-il question?

Stéphane Lasseaux:

Monsieur le ministre, il est clair qu'au niveau du SCAF, le PDG de Dassault, Éric Trappier, détricote tout ce qui est mis en place. Il met aussi une pression énorme sur l'Allemagne. Il est d'ailleurs aussi désagréable avec l'Allemagne qu'il l'a été avec la Belgique. Nous pouvons clairement dire que le projet est mal parti. L'Europe doit encore se ressaisir et vraiment s'entendre sur un projet commun de nouvel avion, européen cette fois!

Pour en revenir à ma question d'origine, relative à la vision stratégique, la Belgique a confirmé l'achat de nouveaux F-35 mais dans une quantité moindre que vous ne l'aviez espéré. Dans le cadre du développement de la capacité de combat multirôle, il est prévu, pour la prochaine législature, que des moyens soient également prévus afin de participer à ce développement de la capacité, qui devra être renforcée et permettre d’étendre la capacité des avions de combat grâce à l’intégration des aéronefs sans pilote.

Aux é tats-Unis, le développement de ce qu'on appelle des effecteurs s'est accéléré avec le programme Collaborative Combat Aircraft (CCA). Nous avons le choix entre plusieurs propositions, mais toujours est-il que cela devra être effectué pour 2026. Parallèlement, d'autres programmes privés existent, comme le MQ-28A Ghost Bat de Boeing et le XQ-58A Valkyrie de Kratos. Ces entreprises lorgnent évidemment sur le marché européen et ont conclu des accords avec Airbus pour Kratos, et Rheinmetall pour Anduril, tandis que General Atomics semble compter sur sa filiale allemande.

Nous allons donc assister à une offensive industrielle américaine importante pour nous vendre les effecteurs qui auront été développés pour les flottes de F-35 américains. Nous risquons de devoir acheter ces appareils et, au niveau industriel, de seulement pouvoir participer au développement des futurs effecteurs du SCAF, du moins si ce programme aboutit.

Monsieur le ministre, pouvez-vous garantir que le F-35 pourra éventuellement fonctionner avec des effecteurs développés en Europe ou serons-nous nécessairement dépendant du système développé par les é tats-Unis? Existe-t-il déjà des programmes d'effecteurs auxquels participe la Belgique ou certaines de nos industries? Avez-vous eu des contacts sur ce sujet? Vu la vitesse actuelle de développement de ces systèmes, ne risque-t-on pas que la participation au développement des effecteurs, si elle est repoussée à la prochaine législature, intervienne trop tard?

Robin Tonniau:

Mijnheer de minister, de F-35 is uitgegroeid tot een sterk symbool, niet alleen voor deze regering maar ook onder de bevolking. We herinneren ons allemaal de opvallende visual van Vooruit met de slogan: "Daar vliegt ons pensioen." Dat leeft sterk onder de bevolking, en terecht. Terwijl de regering zegt dat de pensioenen onbetaalbaar zijn, dat iedereen langer moet werken – ook de militairen – voor een lager pensioen, bestelt diezelfde regering elf extra F-35's.

Dat maakt meteen duidelijk waar de prioriteiten liggen van deze regering: besparen op sociale noden, op gepensioneerden, op ernstig zieken, op werkzoekenden en zelfs op daklozen, maar tegelijk investeren in oorlogsmaterieel.

Die elf bijkomende F-35's kosten ons minstens 1,5 miljard euro, terwijl de totale kostprijs ongetwijfeld verder zal oplopen door onderhoud, training, bewapening, softwareherstellingen enzovoort. Zelfs de aankoopprijs kan nog stijgen. We hebben dat gezien in Zwitserland. Ondanks een ondertekend contract moesten de Zwitsers op een bepaald moment meer betalen. Met andere woorden, men bestelt voor prijs A, en daarbovenop komt nog een bedrag B. Bovendien maakt deze aanschaf ons volledig afhankelijk van de VS – en van Trump – voor wisselstukken, software, updates enzovoort. Dat roept vragen op over onze strategische autonomie ten aanzien van Trump. Daarnaast blijven er nieuwe technische problemen opduiken bij die toestellen. Extra vertragingen en extra hoge onderhoudskosten blijven het programma belasten. Het Pentagon zelf heeft daarom besloten om de geplande aankoop van F-35's voor 2026 te halveren van 48 naar 24 toestellen. De VS halveren dus hun bestelling, terwijl België er net bijbestelt.

Daarover heb ik enkele vragen.

Kunt u garanderen dat België niet extra zal moeten betalen voor de F-35's, zoals Zwitserland heeft moeten doen? Hoe garandeert u de operationele autonomie van ons land, gezien de afhankelijkheid van de VS voor cruciale componenten en software? Kunt u bevestigen dat de levenscycluskost substantieel hoger zal liggen dan de aankoopprijs? Welke concrete ramingen hanteert Defensie op dit moment voor die levenscycluskost? Hoe staat u tegenover de beslissing van het Pentagon om de geplande F-35-aankopen voor 2026 te halveren vanwege technische problemen? Ziet u de mogelijkheid dat België een soortgelijke herziening van de aankoop zal overwegen?

Mijnheer de voorzitter, mijn excuses voor het overschrijden van de spreektijd.

Theo Francken:

Comme annoncé dans la Vision stratégique 2025 pour la Défense, le renforcement progressif de la dimension capacitaire Air sera poursuivi entre autres par l'acquisition de 11 appareils de combat F-35 supplémentaires pour répondre aux engagements de l'OTAN.

Comme tous les autres marchés, ce marché sera soumis au contrôle administratif budgétaire et de gestion préalable en matière de passation de marchés publics.

L'acquisition d'avions de combat supplémentaires se fera sous le partenariat de gouvernement à gouvernement pour le F-35A et la procédure à suivre sera celle des Foreign Military Sales (FMS). Tout comme lors de l'acquisition initiale, des pistes d'implication de la base industrielle et technologique de défense (BITD) belge sont actuellement explorées. Conformément aux principes régissant la procédure FMS, les pays FMS paient tous les mêmes prix, tels que négociés par le Joint Program Office avec le fabricant, et bénéficient en sus de l'économie d'échelle d'un achat groupé beaucoup plus important. Finalement, en ligne avec la vision stratégique, l'achat complémentaire inclura des éléments supplémentaires de résilience. Entre autres, un assemblage en Europe permettra de renforcer la dépendance mutuelle transatlantique et de générer des possibilités de spin-off technologique européennes ainsi que des opportunités stratégiques. En outre, pour rappel, nous sommes et resterons souverains dans l'usage que nous ferons de nos F-35A.

En ce qui concerne le concept de Loyal Wingman ou de Collaborative Combat Aircraft, c'est-à-dire l'usage au sein d'un système de systèmes de drones qui sont dirigés à partir d'un avion de toute dernière génération comme le F-35, force est de constater que l'US Air Force progresse rapidement dans le développement de ce concept. Elle adopte une approche de "open architecture" et met tout en œuvre pour faciliter l'accès à des entreprises aéronautiques innovantes ainsi qu'à des nations disposant d'un solide tissu technologique aéronautique.

Dans le cadre de la veille technologique dans le domaine "Next Generation Combat Aircraft Technologies", l'industrie et l'Institut royal supérieur de défense (IRSD) suivent les évolutions avec intérêt.

Il est donc intéressant d'impliquer d'abord nos entreprises dans ces chaînes d'approvisionnement afin de pouvoir progresser technologiquement en Europe vers des CCA compatibles avec nos avions et nos besoins opérationnels. Le plan stratégique reconnaît aussi qu'à plus long terme, au-delà de 2040, et à condition que la situation en matière de budget et de personnel alloué continue d'évoluer dans un sens favorable, une flotte mixte composée du F-35 avec un chasseur européen de sixième génération pourrait apporter une valeur ajoutée en matière de flexibilité stratégique. Une telle approche n'est pas contradictoire compte tenu des besoins opérationnels à court terme, de l'orientation stratégique à long terme et des délais de disponibilité; elle est plutôt complémentaire et permet de répondre au mieux à l'ensemble des attentes.

Sinds 2014 is België officieel waarnemer bij het SCAF-programma of système de combat aérien du futur via een overeenkomst met de drie belangrijkste partners, Duitsland, Frankrijk en Spanje. De waarnemersstatus houdt geen bindende verplichting in om later toe te treden, maar geeft België wel toegang tot programmatorische en technische informatie en biedt de mogelijkheid om de Belgische industriële en technologische defensiebasis te positioneren op het gebied van toekomstige gevechtsvliegtuigen.

België is van plan het SCAF-consortium te vragen België als volwaardige partner op te nemen, op voorwaarde dat de meerwaarde op het vlak van maatschappelijke voordelen, consolidatie en versterking van de Belgische industriële en technologische defensiebasis gewaarborgd is.

Het budgettaire engagement van 360 miljoen euro tot 2029, zoals goedgekeurd door de vorige regering, ondersteunt een Belgische deelname aan Europese O&O-programma's rond toekomstige Europese luchtgevechtcapaciteit. In 2024 werd daartoe een nationale O&O-oproep gelanceerd ter waarde van 60 miljoen euro om Belgische bedrijven en onderzoeksinstellingen te laten inspelen op relevante technologieën. Voor de Belgische defensie-industrie ligt de potentiële return in deelname aan hoogtechnologische ontwikkelingsdomeinen, zoals aerostructuren, motoren, avionics , communicatie, cyber en disruptieve technologieën. Niet deelnemen aan een Europees project voor de ontwikkeling van een volgende generatie gevechtsvliegtuig zou een absolute gemiste kans zijn op het vlak van kennisontwikkeling en werkgelegenheid.

De uitspraken van de heer Trappier, de CEO van Dassault Aviation, over de mogelijke Belgische deelname aan het SCAF-programma zijn betreurenswaardig. Via diplomatieke, militaire en industriële kanalen zal het gesprek worden aangegaan met Duitsland, Frankrijk en Spanje om de positie en meerwaarde van ons land te verduidelijken. Concrete overlegmomenten vinden plaats in het kader van het Belgisch waarnemerschap. Het gaat daarbij om de opvolging van het programma, allerhande meetings en de halfjaarlijkse bijeenkomst van de monitoring committee . Ik heb begrepen dat de heer Trappier nogal hardleers is en blijft uitspraken doen, ook over de Duitsers, een iets groter en belangrijker land dan België. Dat is allemaal heel interessant en wordt nauwlettend opgevolgd door mijn team.

Normaal gezien geeft de strategische visie aan dat België wil toetreden, maar om van observator lid te worden, moet men toegelaten worden in de club. Daar zijn we nog niet aan toe. Ondertussen wordt de situatie van het hele programma dagelijks gemonitord, want het ziet er mogelijk wat minder goed uit. Er is veel stress tussen de originele oprichters van het programma. We zullen even bekijken hoe dat evolueert en of FCAS wel overleeft. Als het programma stopt door onenigheid tussen Frankrijk en Duitsland, zullen we onze opties bekijken en hiermee naar de Kamer komen.

We zullen zien hoe de situatie evolueert. Optie één is volledige participatie in FCAS. Optie twee is een vervolgstap onderzoeken, als FCAS kapseist. Men moet altijd een alternatief achter de hand houden.

Ik wil in ieder geval zeer duidelijk stellen dat we het ons niet kunnen veroorloven, zoals bij de ontwikkeling van de F ‑ 35, om niet vanaf het begin betrokken te zijn bij de ontwikkeling van een Europese fighter jet of the sixth generation . Ik vraag daarvoor ook het mandaat van de Kamer. We moeten daarbij betrokken zijn, zoals destijds bij het F ‑ 16 ‑ programma Bedrijven zoals SABCA, Sonaca en Safran bloeien nog steeds dankzij hun deelname 50 jaar geleden. Die prachtige bedrijven creëren daardoor nog steeds hoogwaardige jobs, innovatie en technologie. We moeten opnieuw van meet af aan betrokken zijn bij die programma's, want anders is dat een gemiste kans.

Indien FCAS mogelijk blijft en Trappier wat minder arrogant doet, moeten we erbij zijn. Mocht dat niet mogelijk zijn, dan zoeken we een alternatief; deelname blijft essentieel.

L'aéronautique et le spatial sont vraiment des priorités. Nous sommes très forts en Belgique dans ces domaines, tant en Flandre que du côté wallon, où de nombreuses entreprises sont au top. Nous ne pouvons rester à ce niveau élevé que si nous participons à un tel programme.

Axel Weydts:

De voorbije weken heeft de NAVO het hoofd koel moeten houden. Ik heb gemerkt dat u ook hebt getracht dat te doen toen u het had over de uitspraken van de heer Trappier. U bent daar ook in geslaagd, mijnheer de minister.

Alle gekheid op een stokje, u zult de volledige steun krijgen van Vooruit voor het instappen in een Europese opvolger voor de F-35, de ontwikkeling van een zesde generatie gevechtsvliegtuig. Het is belangrijk dat we daar vanaf het begin bij betrokken zijn, vooral wegens onze economische belangen, maar ook om een seat at the table te hebben. U zult daarvoor onze steun krijgen. Is het niet FCAS, dan wellicht iets anders. We zullen zien hoe het evolueert, maar nogmaals, alle steun om er dit keer van bij het begin bij betrokken te zijn.

Kristien Verbelen:

Ik heb een aantal voorwaardelijke elementen gehoord, dus we zullen moeten afwachten hoe dat alles zich ontwikkelt. Ik voel de spreidstand tussen de aanzienlijke investeringen die we hebben gedaan in de F-35’s en het feit dat we volgens mij nog niet volledig betrokken zijn bij het Europese partnerschap. Er is bezorgdheid met betrekking tot de industriële return en onze geloofwaardigheid. Zonder duidelijke keuzes te maken, zullen zowel onze industrie als de belastingbetaler hiervoor opdraaien. Ik hoop daarom op een coherent beleid, waarbij we zowel economisch als militair kunnen redeneren.

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de minister, ik ben het met u eens dat we van bij het begin moeten meewerken aan en meedenken over een opvolger, een toekomstig Europees alternatief. Het is zeer belangrijk voor ons continent dat het Europese alternatief efficiënt is en een waardig alternatief vormt voor wat we vandaag hebben, namelijk de F-35, die nog altijd het beste toestel op de markt is. Het is belangrijk dat we daaraan kunnen bijdragen.

U was inderdaad zeer diplomatisch over bepaalde uitspraken. De opmerkingen van zo’n CEO zijn, zoals u zei, betreurenswaardig. Ik vind het belachelijk, zelf lichtelijk schandalig dat men op die manier uithaalt.

Er zijn al engagementen uitgesproken door de vorige regering. Het gaat over ettelijke miljoenen en we moeten ervoor zorgen dat dat geld niet verloren gaat en dat het een succes wordt. Ik begrijp echter ook dat dit meer vergt dan alleen ons engagement, de hoofdpartners moeten daar zeker ook aan meewerken. Ik hoop bovendien dat FCAS of SCAF overeind blijft, zodat we daarop verder kunnen bouwen als volwaardige partner.

Christophe Lacroix:

Monsieur le ministre, s'agissant du SCAF, il n'y a pas l'épaisseur d'une feuille de papier à cigarette entre votre position et celle du Parti Socialiste. Nous sommes parfaitement d'accord. Du reste, Ludivine Dedonder avait repris langue et développé une stratégie pour nous y impliquer. Vous poursuivez sur cette voie, et je considère que c'est le meilleur choix.

En revanche, pour le F-35, je regrette, monsieur le ministre, mais vous êtes vite passé sur le respect des règles en matière de marchés publics. Je n'arrive pas à comprendre comment on peut dire que ces règles seront respectées tout en annonçant que le choix se portera sur un F-35 qui sera construit en Italie. Ce choix est donc déjà biaisé. J'aurais préféré, de votre part, une réponse très claire relativement à la nature même de ce marché public, à la procédure, à sa date de lancement, aux critères qu'elle fixera, etc. Or vous vous contentez de surfer sur cette question sans y répondre. Puisque cela fait partie de votre vision stratégique, je reviendrai vous interroger tant que je n'aurai pas obtenu de réponse à ce sujet.

Nous voilà parvenus au troisième débat d'actualité. Nous nous reverrons en octobre. J'avais déjà signalé précédemment que nous aurions du mal à poser toutes nos questions et qu'il convenait par conséquent d'envisager davantage de réunions de commission pour un échange de questions-réponses. Je sais, monsieur le ministre, que vous êtes fort occupé sur le terrain à la fois national et international et je ne vous le reproche évidemment pas. Le 22 octobre, de nombreuses questions seront à nouveau inscrites à l'agenda. Or nous serons en plein débat budgétaire. Donc, toutes les questions seront ramassées dans le débat d'actualité budgétaire. Dès lors, j'espère que votre objectif n'est pas de les y intégrer parce que, dans ce cas, nous n'obtiendrons pas de réponses très précises. Je me permets de le signaler parce que c'est aussi important pour le travail parlementaire.

Voorzitter:

Over die laatste opmerking wil ik het volgende meegeven. Kort voor het zomerreces hebben wij nog een hele namiddag en avond doorgewerkt. De minister is ook altijd beschikbaar wanneer dat in zijn agenda mogelijk is.

Het is alleszins niet mijn doel dat de vragen worden weggemoffeld in een begrotingsdebat. In de mate van het mogelijke maken wij een planning om zoveel mogelijk vragen te kunnen behandelen.

Stéphane Lasseaux:

Monsieur le ministre, je vous rejoins tout à fait sur le fait qu'il faut être partie prenante d'un programme dès son début, car c'est de cette manière qu'on pourra en retirer un maximum de retours sociétaux. D'ailleurs, le "contrat du siècle", tel qu'a été appelé le contrat relatif aux F-16, qui arrive tout doucement à son terme, l'a bien démontré.

J'ai entendu l'ensemble des interventions de mes collègues. Mais il est très clair que les effecteurs arriveront avant un éventuel SCAF, avant un nouvel avion de sixième génération. C'est pourquoi il est primordial que nous puissions accompagner dès le départ pour ne pas rester au balcon. Il est évident que les effecteurs – qui sont des éléments essentiels de l'avenir de l'aviation de combat – doivent être pensés dans le cadre d'une vision européenne. C'est en tout cas notre conception des choses, avec la possibilité de faire travailler nos entreprises. Nous avons énormément d'entreprises innovatrices, et dès lors, monsieur le ministre, je vous demande de les contacter afin de se mettre en marche dès maintenant.

Il serait évidemment souhaitable que la Belgique figure parmi les pionniers d'un programme effecteurs, voire même qu'elle soit le déclencheur d'un tel programme au niveau européen.

Robin Tonniau:

Mijnheer de minister, ik begrijp niet goed waarom ik geen antwoord gekregen heb op mijn vragen. U had nochtans veel spreektijd over. Soms is het natuurlijk gewoon onmogelijk om te antwoorden op vragen. Bijvoorbeeld, kunt u garanderen dat België niet zoals Zwitserland extra zal moeten betalen voor de bestelde F-35's? Dat land heeft zaken gedaan met Trump, wij doen zaken met Trump. Dat valt niet samen te vatten in regels, wij weten eigenlijk niet wat er zal gebeuren. Als hij beslist the Belgians have to pay more , dan zal het zo zijn. Met andere woorden, we zitten in een situatie dat we kunnen worden bedreigd, afgedreigd, gechanteerd door de VS. Wij zijn klein en zij zijn groot. Als men dan ziet dat zelfs de VS hun bestellingen voor F-35's halveren, begrijp ik niet goed wat er gebeurt. Misschien zoeken ze andere slachtoffers om de winst op te drijven en daarvan zal België er misschien één zijn. We zullen zien.

Militairen op straat
De inzet van militairen op straat en het wettelijke kader daarrond
De inzet van militairen op straat
De inzet van militairen op straat
Het inzetten van militairen op straat in de war on drugs
De inzet van militairen voor binnenlandse opdrachten
De plannen om militairen in te zetten op straat
Militairen op straat
Militairen op straat en hun binnenlandse inzet

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 24 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de controversiële inzet van militairen voor binnenlandse veiligheidstaak (o.a. drugscriminaliteit in Brussel), waar geen consensus over bestaat. Tegenstanders (o.a. N-VA, Ecolo, PTB) benadrukken dat militairen niet getraind, juridisch onbeschermd en ongeschikt zijn voor politiewerk, dat dit structurele politietekorten maskeert en dat een wettelijk kader (Defensiecodex) ontbreekt – dat pas tegen 2027 operationeel zou zijn via een territoriale reserve (500 personen). Voorstanders (o.a. MR, Vooruit) zien het als tijdelijke noodmaatregel om veiligheidsgevoel te herstellen, maar eisen duidelijk mandaat, training en financiële dekking om *windowdressing* te vermijden. Minister Francken (Defensie) bevestigt de urgentie maar waarschuwt voor risico’s (proportionaliteit, incidenten, afleiding van kerntaken zoals oorlogsvoering) en stelt dat een robuust juridisch kader (pas klaar in 2025) en afstemming met politie essentieel zijn—zonder garantie op snelle inzet.

Annick Ponthier:

Mijnheer de minister, ik kan grotendeels verwijzen naar de schriftelijke versie van mijn vraag. Uw opzet is anders dan wat de jongste tijd wordt beweerd. Er is kennelijk ook ruis op de lijn tussen u en de minister van Binnenlandse Zaken, wanneer het gaat over het tijdstip wanneer de militairen op straat zouden worden ingezet. Terwijl u in juli aankondigde dat militairen heel snel zouden worden ingezet, blijkt er nu toch een en ander te schorten aan onder andere de juridische invulling van het operationeel statuut. Kunt u dus duidelijkheid verschaffen? Wat is uw standpunt nu? Wanneer zouden er militairen op straat worden ingezet?

Kunt u meer uitleg verschaffen over het operationeel statuut en het toerbeurtensysteem waaronder onze militairen taken van binnenlandse bewaking opnemen?

Hoe ver staat het met het langverwachte wettelijk kader voor militairen in binnenlandse veiligheidsopdrachten?

Wat is de stand van zaken inzake de territoriale reserve? Hoeveel mankracht plant u? Hoeveel zit er al in de pijplijn? Wanneer verwacht u dat die mankracht operationeel en inzetbaar is?

Tot slot, voor ons is de DAB de hoofdverantwoordelijke voor de bewakingsopdrachten op plaatsen met kritieke infrastructuur. Daarvoor mag geen defensiecapaciteit worden ingeschakeld, volgens ons. U hebt echter een andere keuze gemaakt. Graag vernam ik van uw wat uw plannen zijn en wat is de stand van zaken.

Christophe Lacroix:

Monsieur le ministre, merci de rester plus longtemps que prévu.

Une nouvelle fois, avec le MR et la N-VA dans la majorité gouvernementale, on a l'impression que c'est le retour du militaire bon à tout faire. Après avoir repris les missions dévolues à la Direction de la sécurisation (DAB) de la police fédérale dans la surveillance des centrales nucléaires, on apprend aujourd'hui que le MR, par le ministre de l'Intérieur, veut absolument que l'on redéploye rapidement des militaires dans les rues de la capitale. Ce déploiement de militaires devrait se faire avec une capacité d'intervention telle qu'elle existe en France.

Nous étions bien d'accord, et vous l'aviez dit vous-même, monsieur le ministre, que les militaires n'ont pas à pallier l'incapacité du fédéral et du ministre de l'Intérieur à investir dans la police – c'est d'ailleurs plutôt le contraire qui s'est passé ces dernières années avec un désinvestissement dans la police – et à assurer la sécurité des citoyens face à des réseaux et à des violences qui relèvent de la responsabilité de la police fédérale, et de la police de manière générale. Les zones locales font déjà énormément de choses pour faire face au problème national que représentent les violences liées au trafic de drogue. Les militaires n'ont ni la formation, ni le cadre légal pour le faire. Je sais que vous travaillez sur une proposition de définition d'un cadre pour assurer de telles missions. En fait, c'est la gendarmerie qui aurait dû assurer ce type de mission, mais elle a été supprimée dans notre pays il y a presque 30 ans, ce qui n'est pas le cas en France.

Monsieur le ministre, comment vous positionnez-vous face à cette demande de votre collègue en charge de l'Intérieur? Où en êtes-vous dans vos négociations avec lui sur le sujet? Comment expliquez-vous une nouvelle fois le recours à des militaires plutôt que d'augmenter les moyens de la police fédérale pour assurer la sécurité de nos citoyens? Quelles seraient les conséquences humaines, matérielles et budgétaires pour la Défense d'un tel déploiement? Où en êtes-vous dans la confection de votre protocole d'accord avec votre collègue en charge de l'Intérieur? Les missions actives voulues par vos collègues de coalition sont-elles prévues et selon quelles concertations avec les syndicats militaires?

Axel Weydts:

Mijnheer de minister, ik zal meteen met de deur in huis vallen. Vooruit is voorstander van het inzetten van onze militairen op straat in Brussel. Elk voorstel dat of elke maatregel die kan bijdragen tot de verbetering van de verschrikkelijke situatie in de Brusselse straten en op de Brusselse pleinen, is welkom. Wij zullen dat voorstel dus steunen.

In het regeerakkoord zijn echter twee voorwaarden gestipuleerd. De eerste voorwaarde is de oprichting van een territoriale reserve, omdat de inzet op straat eigenlijk niet behoort tot de kerntaken van onze actieve defensie. Aan die eerste voorwaarde zullen wij de eerstkomende jaren eerlijk gezegd niet kunnen voldoen. Dat vergt immers tijd. Zo'n reserve is er niet van de ene op de andere dag. Vooruit is dan ook absoluut bereid om die voorwaarde uit het regeerakkoord te laten vallen gelet op de noodzaak van uitzonderlijke maatregelen.

Een voorwaarde die voor ons wél absoluut van groot belang is, betreft het mandaat van de militairen en het wettelijke kader dat wij onze militairen bieden om te kunnen doen wat zij op straat moeten doen. Als daar militairen worden ingezet zonder duidelijk mandaat en zonder wettelijk kader, dan blijft het bij windowdressing. Dan toont men wel dat militairen aanwezig zijn, maar die kunnen niets doen. Dat is niet alleen frustrerend voor de militairen die de opdracht moeten uitvoeren. Dat is vooral ook heel inefficiënt. Voor elk incident moet dan immers toch een beroep worden gedaan op de politie.

Mijnheer de minister, dat wettelijke kader is voor ons dus een absolute voorwaarde. Denkelijk is het dat ook voor u.

Mijn vraag is bijgevolg heel eenvoudig. Hoe ver staat u met de uitwerking van het wettelijke kader en kunt u al een tipje van de sluier lichten over wat daarin precies zal worden opgenomen?

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de minister, ik ben het geregeld met u eens, maar wat de inzet van militairen op straat betreft, is dat niet het geval. Ik beschouw dat als een bijzonder slecht idee en zal uitleggen waarom.

Ten eerste is de militair daarvoor niet opgeleid. Een militair is niet getraind om de orde te handhaven in een stad in het binnenland. Indien men dat wil doen - en er zullen altijd zijn die dat willen -, dan gaat men bij de politie. Dan wordt men geen militair.

De tweede reden betreft de capaciteit. Wij doen alsof de Belgische Defensie zoveel personeelsleden telt dat we niet weten waar we ze moeten stationeren. De internationale en geopolitieke context is echter bijzonder gespannen en vraagt dat operationele militairen op het internationale toneel beschikbaar blijven, niet in het binnenland. Binnenlandse ordehandhaving is een taak van de politie.

Ten derde, ik was nog redelijk mild toen ik over dat plan in het regeerakkoord las, want – dit zijn de te vervullen voorwaarden - leden van de territoriale reserve die niet operationeel voor langere periodes in het buitenland kunnen worden ingezet, zouden inderdaad voor bepaalde binnenlandse taken kunnen worden ingezet. Maar dan moet een wettelijk kader dat wel toelaten, zodat ze niet louter als een kamerplant aanwezig zijn op straat en alleen de politie mogen bellen bij incidenten. Als die twee voorwaarden vervuld waren, is daar wel iets voor te zeggen, maar dat is niet het geval.

Ten vierde, er wordt geargumenteerd dat men Defensie slechts in uitzonderlijke omstandigheden zou inzetten. In Brussel bestaat echter een structureel veiligheidsprobleem. Daar moeten structurele veiligheidsmaatregelen voor komen. De inzet van militairen naast politieagenten vormt geen structurele oplossing voor een veiligheidsprobleem zoals in Brussel hoofdstad of andere steden. Een drugsproblematiek, die al jarenlang speelt en waarschijnlijk nooit volledig zal verdwijnen, wordt niet opgelost door militairen naast politieagenten te laten patrouilleren. Dat is geen structurele oplossing, maar symboolpolitiek, mijnheer de minister.

Mijnheer de minister, u merkte op dat het wettelijk kader klaar is. Wanneer zal dat aan het Parlement worden voorgelegd? Gelet op het feit dat er enige ruis bestaat met de minister van Binnenlandse Zaken, vernam ik graag wanneer u die maatregel op het terrein denkt uit te voeren? Over welke capaciteit van militairen gaat het?

Anthony Dufrane:

Monsieur le ministre, le gouvernement fédéral a annoncé le retour de militaires dans certaines communes bruxelloises afin de lutter contre le trafic de drogues et les violences qui s'y rattachent. Cette mesure, présentée comme un appui aux forces de police, soulève de nombreuses interrogations quant à l'efficacité réelle. Les experts rappellent que l'armée n'a pas les compétences ni les prérogatives d'un service de police, et que son action s'inscrit avant tout dans le champ du maintien de l'ordre administratif.

Les expériences passées, notamment à la suite des attentats de Bruxelles, ont montré que cette présence pouvait influencer le sentiment d'insécurité. En effet, la présence policière renforcée depuis quelques années joue un rôle mais cette nouvelle présence doit être une force de dissuasion supplémentaire. Il faut aussi éviter que la problématique soit déplacée vers d'autres zones.

Dès lors, il est primordial qu'une complémentarité entre la Police et l'Armée soit mise en place pour protéger nos citoyens et empêcher que les réseaux puissent prospérer ou qu'ils puissent se développer dans de nouveaux quartiers.

Monsieur le ministre, quel sera le coût global de ce déploiement pour la Défense et comment sera-t-il financé? Une estimation a-t-elle été faite du coût par militaire mobilisé et du coût global par quartier concerné? Comment les moyens humains et financiers de ces déploiements urbains s'articulent avec les besoins actuels de l'armée dans ses missions principales? Comment ces déploiements s'articuleront-ils avec les forces de l'ordre? Quelle sera la durée prévue de ce dispositif et selon quels critères son efficacité sera évaluée? Une coordination spécifique est-elle prévue avec la police et la justice afin d'éviter que cette présence ne se limite à un déplacement du problème plutôt qu'à une réelle solution?

Stéphane Lasseaux:

Monsieur le ministre, depuis quelques semaines, l'idée de renforcer les forces de police par des militaires tourne au sein des acteurs de la société et du monde politique, notamment pour renforcer la lutte contre le trafic de drogue. Évidemment, cette idée interpelle car elle met en lumière l'insuffisance actuelle des effectifs policiers. De même, elle laisse croire qu'il s'agit d'une solution miracle qui permettrait de combler les insuffisances actuelles du dispositif de lutte contre le trafic de drogue.

Nous savons tous que la première priorité doit être le renforcement des moyens de la police, singulièrement la police judiciaire pour pouvoir mener des enquêtes. Des moyens adéquats pour la justice sont tout aussi nécessaires. Surtout, les solutions pérennes doivent avoir une approche globale ou holistique impliquant l'ensemble des gouvernements en passant par de l'éducation à toutes les chaînes pénales, sans oublier le traitement des personnes touchées par l'addiction aux drogues.

Néanmoins, les Engagés pourraient accepter une présence temporaire de l'armée dans les rues pour rassurer la population. Mais il faut que les conditions de cet engagement soient clairement définies et qu'il ne porte pas atteinte à la readiness de la Défense sur laquelle vous insistez tellement, à raison.

Pour ce qui est de mes questions précises, je renvoie au texte de la question telle que déposée.

Monsieur le ministre, j'aimerais savoir quelle serait la quantité d'effectifs engagés? La Défense a-t-elle fait part d'un nombre maximum possible? L'utilisation des jeunes formés dans le cadre du service militaire volontaire a été évoquée. Ne serait-ce pas dangereux? Quelle serait la stratégie de sortie pour que ce soutien ne s'éternise pas ? Avez-vous fixé une limite temporelle? Quelles missions précises seraient attribuées aux militaires dans ce cadre? À quelles règles seront-ils soumis lorsqu'ils participeront à ces opérations? Quel serait l'impact sur l'objectif d'amélioration de la readiness de la Défense?

En bref, monsieur le ministre, il est nécessaire d'apporter beaucoup de précisions pour que nous puissions réellement apprécier de la pertinence et l'impact de ces propositions.

Robin Tonniau:

Ik verwijs naar de ingediende vraag.

De inzet van militairen in Brusselse wijken tegen druggerelateerd geweld wordt door experts en militaire vakbonden bekritiseerd: militairen zijn hiervoor niet getraind, juridisch beschermd of correct vergoed voor civiele politietaken. Tegelijk blijven cruciale maatregelen, zoals versterkte douanecontroles, gespecialiseerde speurders, adequate financiering van justitie en een totaalplan voor wijkveiligheid met preventie en sociale investeringen, uit.

Vandaar heb ik enkele vragen voor u meneer de minister:

Welke concrete structurele en lange termijn maatregelen neemt de regering om drugscriminaliteit effectief aan te pakken, in plaats van militairen op straat te zetten?

Zullen militairen dezelfde vergoeding krijgen als politieagenten?

Hoe lang wilt u militairen op straat laten patrouilleren?

Gaat u militairen op straat verplicht laten patrouilleren zonder een sluitend juridisch kader?

Peter Buysrogge:

Mijnheer de minister, de veiligheid in onze straten is in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van de politie. Het is klaar en duidelijk dat daar de verantwoordelijkheid ligt. Als er natuurlijk een capaciteitsprobleem is bij de politie, moet Defensie kunnen worden ingezet, mits goede afspraken, protocolakkoorden en dergelijke. Dat standpunt hebben we in het verleden als partij altijd ingenomen.

Collega Vander Elst, u vraagt waar het wettelijk kader blijft. Als er een wettelijk kader zou zijn, dan wilt u er misschien nog eens over nadenken. Mijnheer de minister, in de vorige legislatuur, toen we nog samen op de oppositiebanken zaten, hebben wij een resolutie ingediend specifiek om dat wettelijk, juridisch kader te creëren. Die resolutie is toen vlotjes weggestemd, ook door uw partij, mijnheer Vander Elst; niet door u persoonlijk, maar wel door uw voorgangers.

Wat ons betreft, is het van belang dat dat juridisch kader er komt. Het had er al kunnen zijn als onze resolutie toen was aangenomen, maar die werd helaas verworpen.

Voor het overige verwijs ik naar mijn ingediende vragen.

Als voorzitter geef ik u nu het woord, mijnheer de minister.

Theo Francken:

Collega’s, het is een moeilijk debat, een debat dat telkens opnieuw opduikt. Er zijn argumenten aan beide kanten.

De drugsoorlog en de georganiseerde criminaliteit rond drugs zijn geen alleenstaand fenomeen. Het gaat om een structureel probleem dat al langer bestaat. Wel is er nu veel meer straatgeweld dan vroeger, zeker in Brussel, en dat geweld neemt toe. Er bestaat dus wel degelijk een expliciete vraag naar meer zichtbare aanwezigheid, een show of force . Aan beide kanten valt er iets te zeggen.

Politiemensen hebben hierin de eerste verantwoordelijkheid, dat klopt. Militairen hebben dit niet als hoofdtaak, maar hulp aan de natie behoort wel degelijk tot hun opdracht. Het is dus niet helemaal uitzonderlijk. Als er morgen opnieuw een aanslag zou plaatsvinden met tientallen doden en honderden gewonden, dan zullen militairen onmiddellijk op de straat komen. Ik neem aan dat de meesten onder u desgevallend zullen zeggen dat het niet anders kan.

De essentie van het debat is dus de volgende: verantwoordt een strijd tegen georganiseerde criminaliteit – niet tegen terroristen of zogenoemde lone wolves – de inzet van militairen op straat, of niet? Dat is de kernvraag.

Principieel heb ik er geen probleem mee om meer militairen en materiaal op straat in te zetten, ook in het binnenland. Er zijn natuurlijk tal van redenen om dat niet te doen. We bevinden ons momenteel in volle transformatie van onze landmacht. We hebben iedereen nodig. De situatie van 2016 is echt niet te vergelijken met die van 2025 of 2026: we zijn met veel minder personeel, we zijn volop aan het transformeren, er komt veel nieuw materiaal binnen en we hebben iedereen nodig. We bereiden ons volledig voor op oorlogsvoering aan de oostflank, wat een zeer zware vorm van oorlogsvoering is. Dat is totaal anders dan het expeditionaire verhaal van tien jaar geleden. We hebben een andere Defensie en bevinden ons in een heel ander stadium, waardoor het een moeilijke discussie is.

Op dit moment zijn onze militairen opgeleid om zeer scherp en agressief op te treden, echt gericht op war fighting . In die zin, als je dat inzet tegen een straatbende van twaalfjarige drugsdealers … Proportionaliteit is toch ook belangrijk.

Ik vind dit een uiterst moeilijk debat. Ik lig er ook wel wakker van; het is een van de lastigste kwesties. Volgens het regeerakkoord is het niet mogelijk. Het regeerakkoord voorziet in statische patrouilles op straat, bijvoorbeeld voor kerncentrales, mits inachtneming van de codex territoriale reserve. Gemengde patrouilles worden alleen ingezet bij een OCAD-niveau 4. Bij een drugsoorlog heb je echter geen niveau 4-dreiging. Dat niveau geldt enkel bij imminente dreiging voor terroristische aanslagen. Een drugsconflict met bendes die de straten van Kuregem of Peterbos overnemen, zoals de drugsmaffia uit Marseille die actief is, valt daar niet onder.

Aan de andere kant kunnen we de ernst van de problemen niet negeren. De situatie is zeer urgent. De vraag van Binnenlandse Zaken is duidelijk en alarmerend. Collega Quintin heeft mij hierover gevat en heeft daar vrijdag terecht een punt van gemaakt op de ministerraad.

Ik wil dit aanpakken. Vorige week heb ik met minister Quintin samengezeten. De juridische diensten van FEDPOL en Defensie komen vanmiddag om 14.00 uur samen op mijn kabinet voor overleg. Dit is een debat dat gevoerd moet worden. We zullen eruit geraken. Wat mij betreft is de Defensiecodex klaar. Het is belangrijk dat die er komt; vermoedelijk pas tegen de zomer, wegens het parlementaire proces. De vraag of Defensie en militairen ook politietaken mogen uitvoeren is een fundamenteel debat, waarover in het Parlement enkele maanden kan worden gediscussieerd. Er zullen waarschijnlijk ook nog procedurele stappen volgen, vermoed ik.

Ik schatte dat dit ongeveer een jaar zou duren. Rond 21 juli zou het wellicht afgerond en goedgekeurd zijn. Dit is namelijk ook afgestemd op het nieuwe Strafwetboek dat op 8 april in werking treedt. De artikelen zijn daarop geschreven. Als alles in het Parlement vlot verloopt, inclusief bij de Raad van State, zou 8 april haalbaar kunnen zijn. Dan zouden we dat kunnen doen.

Wat de territoriale reserve betreft, gaat het dit jaar om 500 personen. De brieven hiervoor worden hopelijk, als het wordt goedgekeurd, binnenkort verstuurd. De eerste 500 personen zullen dan worden opgeleid vanaf september 2026. Met een opleiding van twee à drie maanden zijn zij tegen het einde van 2026 opgeleid en begin 2027 inzetbaar. Het is niet de bedoeling om alleen deze 500 mensen op straat te zetten of de nucleaire installaties te laten bewaken. Zo’n taak is niet heel sexy. Men kan dat ook geven als taak, maar niet als enige taak. Dan is dat het domste idee ooit en zal geen enkele jongere dat willen doen, omdat ze dan gewoon als bloemzak worden gebruikt. Er moet dus een inzetkader komen. De territoriale reserve blijft dan ook staan als een huis.

Er is momenteel een urgente vraag en ik sta open voor antwoorden en hulp. We zouden ook eerst de nucleaire sites niet bewaken, maar we staat er al. Defensie staat er dus altijd voor open om te helpen, maar er zijn veel vragen, bijvoorbeeld over gemengde patrouilles met de politie. Politiemensen hebben echter een totaal andere opleiding genoten. Dat moet dus op elkaar afgestemd worden. Wat gaan we precies doen? In 2016 hebben we dat immers ook gedaan, maar enkel tijdens de eerste dagen. Daarna waren het enkel militairen die patrouilleerden, ook hier rond de Kamer, zonder politiemensen. Als er iets gebeurde, moest men maar bellen en dan kwam de politie. Dat is echter geen optimale situatie. Daarom is een grondig debat nodig. We zijn er nog niet uit, dat geef ik eerlijk toe, maar we zijn er volop mee bezig.

Of het nu voor het einde van het jaar nog zal gebeuren of pas erna, we moeten er vooral voor zorgen dat het werkt. Het is belangrijk dat de inzet van militairen correct gebeurt, dat ze goed inzetbaar zijn en dat de acties effect hebben op het terrein. Een show of force is belangrijk, maar het mag niet het enige zijn. Ook moeten de risico's goed worden ingeschat, want die zijn reëel. Het zou spijtig zijn als ik vragen krijg over incidenten, zoals toen een jonge militair van 18 jaar betrokken was bij dat incident in Anderlecht waarbij hij met de kolf van zijn SCAR de kaak verbrijzelde van een 12-jarige. Er werden toen klachten ingediend bij het Comité P en er werd een groot onderzoek gestart. We moeten dus goed weten wat we doen. In die zin ben ik altijd bereid om te helpen wanneer een collega van Binnenlandse Zaken vraagt om de binnenlandse veiligheid mee te verzekeren.

Dat heb ik ook gedaan toen ik staatssecretaris voor Asiel en Migratie was. Destijds werkte ik samen met een andere, maar zeer goede, minister van Binnenlandse Zaken. Ook met de huidige minister, eveneens een zeer goede, wil ik altijd nadenken over oplossingen. We hebben dat ook al gedaan met betrekking tot de nucleaire sites.

Als u mij echter vraagt of de militairen er effectief zullen komen en of het volledig rond zal zijn, kan ik zeggen dat we in onderhandeling zijn, dat we het al bespreken en dat we het rustig en goed zullen aanpakken. We zullen geen stommiteiten doen. Dat gaat echt niet gebeuren.

Over deze passage is trouwens maanden onderhandeld tijdens de regeringsonderhandelingen. Dat is niet voor niets gebeurd.

Voorzitter:

Mijnheer de minister, uw kalme en genuanceerde houding wordt geapprecieerd.

Christophe Lacroix:

Ministre Francken, nuancé, équilibré, discret, calme… Mais on nous a transformé le ministre!

Merci pour votre réponse, monsieur le ministre, parce qu'elle a le mérite de la franchise. Nous ne sommes pas souvent d'accord, mais au moins vous êtes quelqu'un de franc. Parce que j'ai l'impression que le MR et son président, c'était l'écran de fumée. Donc, pour résoudre toute l'incurie des partis de droite qui ont eu le portefeuille de l'Intérieur ces 25 dernières années, en termes de police et de recrutement de policiers, on vous fait porter le chapeau en disant: "Mais ça, ce sont les militaires et M. Francken qui vont le résoudre."

Et vous dites qu'une solution passe tout d'abord par un volet multidisciplinaire, qu'il faut travailler sur le plan judiciaire, sur le plan de la répression, et qu'il faudrait même travailler sur le plan de la prévention des assuétudes. Cela appelle donc à un dialogue avec les Régions et Communautés, et demande d'avoir un vrai plan interfédéral de lutte contre la drogue. Ensuite, vous dites qu'il faut au préalable que le codex soit voté, et que ces militaires soient formés le cas échéant; ils ne seraient déployables qu'en 2027.

Ma grande crainte est qu'on lance les gamins ou les gamines de la réserve territoriale dans une opération sans aucune préparation – alors qu'ils ont voulu s'engager pour leur patrie –, dans un contexte qui n'est pas celui qui est défini prioritairement dans le cadre de la défense.

Enfin, d'une manière générale – parce qu'on parle beaucoup aussi de fake news –, vous avez signalé à bon escient qu'il y a des fusillades à Bruxelles. Effectivement, on constate une augmentation des fusillades de 30 % à Bruxelles sur cette année et de 22 % à Anvers. Si on regarde les chiffres des autres villes de taille plus ou moins similaire, ou les grandes villes wallonnes ou flamandes, il s'agit, selon moi, d'un problème national, qui doit être réglé avec sérieux. Je pense que vous êtes bien plus sérieux en la matière que certains de vos collègues libéraux au gouvernement.

Axel Weydts:

Mijnheer de minister, ik was misschien wat voluntaristisch met mijn uitspraak dat wij voorstander zijn van het inzetten van militairen op straat. We blijven dat ook, maar daar past natuurlijk wel enig voorbehoud bij. Nogmaals, het wettelijke kader is een absoluut minimum. Ik denk dat we op dat vlak op dezelfde lijn zitten. We moeten alles goed afspreken en niet over één nacht ijs gaan bij de effectieve inzet van militairen. In die zin begrijp ik de bekommernissen zeker en steun ik die. Dat is heel belangrijk. Het is niet iets wat men van vandaag op morgen beslist. Daarom hebt u onze steun om niet te snel te schakelen en om een dergelijke maatregel correct vorm te geven, zonder zich aan steekvlampolitiek te bezondigen en van vandaag op morgen een aantal militairen op straat in te zetten. Het pad dat u wilt bewandelen, is ook het onze. U hebt daarvoor dus alle steun van ons.

Kjell Vander Elst:

Dank u voor uw duidelijke antwoord, mijnheer de minister. Ik denk dat we toch meer op dezelfde lijn zitten dan ik eerst dacht.

De eerste vraag die we moeten beantwoorden, is een principiële vraag, namelijk willen we militairen op straat inzetten of niet. Ik ben heel duidelijk: ik wil dat niet. Ik wil geen militairen op straat die structureel binnenlandse taken op zich nemen.

Wat ik wel wil – het wordt hier wat op flessen getrokken –, is dat in uitzonderlijke omstandigheden, bijvoorbeeld bij een terreuraanslag of een dreigingsniveau van 4 zoals bepaald door het OCAD, alle veiligheidsdepartementen klaarstaan om het binnenland te beveiligen en eventueel te reageren. Dat geldt voor iedereen, ook voor militairen en Defensie. Als men dat aan Defensie vraagt, zal zij aan die vraag tegemoetkomen. Daar ben ik het 100 % mee eens.

In Brussel is er echter een structureel veiligheidsprobleem op het gebied van ordehandhaving. Daarvoor is een politiehervorming nodig; daarvoor moeten de politiemensen goed opgeleid worden en dat gebeurt momenteel onvoldoende. De fusie van de Brusselse politiezones steun ik ook volledig – dat zal zoden aan de dijk brengen – maar men moet politietaken aan politiemensen toevertrouwen, niet aan militairen.

U merkte op dat de opleiding van militairen nu zeer specifiek is. Die opleiding is helemaal anders dan 5 à 10 jaar geleden en terecht, want de dreiging is zeer reëel en ernstig.

U verwijst naar de Defensiecodex. Ik ben het volledig met u eens dat die niet op een drafje door het Parlement mag worden gejaagd. Het is een bijzonder belangrijk document waarin we structurele keuzes vastleggen over wanneer en waar welke militairen worden ingezet. Dat is cruciaal en technisch van aard. Men moet waarschijnlijk bijna een jurist zijn om die codex volledig te kunnen doorgronden. Ik zal me daar moeten doorworstelen. Ik wil absoluut vermijden dat de Defensiecodex er snel wordt doorgejaagd.

Ik respecteer minister Quintin en de MR, maar wat de Defensiecodex betreft, zitten we niet op dezelfde lijn. Ik hoop dat we die er niet overhaast zullen doorjagen, omdat minister Quintin en de MR zo snel mogelijk de militairen puur symbolisch willen inzetten. Zonder codex, zonder territoriale reserve en zonder wettelijk kader blijft het slechts een symbolische inzet. De militairen mogen momenteel niets doen. Ze mogen niet zelfstandig ingrijpen en moeten de politie contacteren. Als dat de aanpak blijft, hoop ik dat u uw woord gestand doet, voorbehoud maakt en voldoende tijd neemt voor de besluitvorming. Nogmaals, een dergelijke aanpak zou een zeer slechte zaak zijn voor Defensie. Ordehandhaving omwille van binnenlandse veiligheid is een taak van de politie en dat moet zo blijven.

Anthony Dufrane:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse.

Stéphane Lasseaux:

Monsieur le ministre, je vous remercie également pour votre réponse.

Monsieur Lacroix, je crois que, si Joëlle Milquet était de droite, cela se saurait. Je ferme la parenthèse. C'est un petit trait d'humour.

Monsieur le ministre, il est clair qu'en situation 'urgence et d'exception, on peut entendre les positions qui sont prises et qui visent à mettre les militaires dans les rues. On vous remercie pour votre volontarisme mais aussi pour votre prudence et votre réflexion. C'est aussi très important. On pourrait évidemment l'accepter à partir du moment où ces situations d'urgence, telles qu'on les a évoquées, sont bien présentes. Toutefois, on veut aussi certainement que la police soit renforcée, surtout la police judiciaire.

Robin Tonniau:

Mijnheer de minister, het is niet alleen mij opgevallen, u bent hier veel minder offensief dan in de pers. Ik heb de indruk dat u tegen het idee van militairen op straat bent en dat - vooral - de MR u dwingt om een juridisch kader te maken om militairen in te zetten op straat. Wie militairen op straat wil, doet dat vooral om te besparen. Militairen zijn goedkoper dan politieagenten, goedkoper dan spoorwegpolitie, recherche en douaniers. Men probeert hen te gebruiken als goedkope vervangers, onder andere om kerncentrales te bewaken of rond te lopen in stations en op de Grote Markt in Brussel. Daarvoor hebben die mensen zich echter niet bij defensie aangemeld. Dat was niet de afspraak. Daarvoor zijn ze geen militair geworden. Bovendien hebben militairen geen stakingsrecht. Ze mogen geen orders weigeren, wat niet onbelangrijk is. Dat betekent dat ze veel makkelijker kunnen en zullen worden uitgebuit. Ze zullen langere shiften moeten draaien dan politieagenten en ze zullen niet kunnen weigeren. Laten we eerlijk zijn, militairen horen militair te zijn, in hun kazerne en operaties waarvoor ze zijn opgeleid. Ze moeten niet worden gebruikt als goedkope ordediensten in onze straten. Door hen die rol op te dringen, hollen we hun statuut uit en geven we hun opdrachten waar ze niet om vragen. Militairen zijn met andere woorden geen passe-partout voor alle veiligheidsproblemen in het land. Laat militairen militair zijn en investeer in politiediensten, die daarvoor wel opgeleid en gemotiveerd zijn. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 13.10 uur. La réunion publique de commission est levée à 13 h 10.

De digitale beveiliging van ondernemingen

Gesteld door

lijst: VB Dieter Keuten

Gesteld aan

Vanessa Matz (Minster van Modernisering van de overheid, Overheidsbedrijven, Ambtenarenzaken, Gebouwenbeheer van de Staat, Digitalisering en Wetenschapsbeleid)

op 24 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Kleine kmo’s zijn kwetsbaar voor cyberaanvallen door gebrek aan basisbeveiliging (bv. tweestapverificatie), terwijl ze vaak buiten regelgeving zoals NIS 2 vallen. Minister Matz wijst op bestaande gratis tools (CyberFundamentals, Safeonweb@work) en samenwerkingen (CCB, UNIZO, GBA) om bewustzijn en ondersteuning te bieden, maar Keuten dringt aan op radicalere transparantie: openbare communicatie over hacks, afpersingsbedragen en schade om het urgente risico concreet te maken en de "taboe" rond cybercriminaliteit te doorbreken.

Dieter Keuten:

Mevrouw de minister, kleine ondernemingen vallen niet onder de NIS 2-richtlijn die bedrijven verplicht hun cyberwaakzaamheid te verhogen, terwijl ook kleine bedrijven alsmaar vaker het slachtoffer worden van cyberaanvallen.

Volgens het Centrum voor Cybersecurity zou tweestapverificatie bijvoorbeeld een absolute minimummaatregel moeten zijn, maar veel kleine bedrijven maken daar onvoldoende gebruik van. Onderzoek van een cyberverzekeraar toont bovendien aan dat de grote meerderheid van de Belgische kmo’s onvoldoende maatregelen neemt om hun digitale veiligheid te waarborgen.

Welke maatregelen zult u nemen om ook kleinere bedrijven bewust te maken van hun digitale kwetsbaarheid?

Op welke steun kunnen die ondernemingen en zelfstandigen daarvoor rekenen?

Hebt u daarover overleg gehad, bijvoorbeeld met uw collega bevoegd voor kmo en middenstand?

Vanessa Matz:

Mijnheer Keuten, kleine bedrijven zijn erg kwetsbaar voor cyberaanvallen. Ze beschikken vaak niet over voldoende middelen om zich te beschermen, terwijl ze steeds vaker een doelwit zijn. Daarom is het belangrijk dat de overheid hen ondersteunt en bewustmaakt van de problematiek.

Het Centrum voor Cybersecurity België heeft verschillende tools ontwikkeld om hen te helpen. Het CyberFundamentals Framework biedt eenvoudige stappen om de beveiliging te verbeteren en het risico op een aanval te verkleinen. Het platform Safeonweb@work geeft gratis praktische diensten, waarschuwingen, rapporten over kwetsbaarheden, voorbeelden van veilig beleid en webinars in het Nederlands en het Frans. Het CCB voert ook jaarlijkse bewustmakingscampagnes onder andere over het belang van tweestapverificatie en publiceert praktische gidsen voor bedrijven.

Die initiatieven gebeuren samen met partners zoals UNIZO, UCM en de Cybersecurity Coalition. Het Europees Comité voor gegevensbescherming, inclusief de GBA, geeft bijkomende adviezen en richtlijnen.

Voor meer informatie over cyberveiligheid verwijs ik naar mijn collega, de eerste minister. Zelf zorg ik ervoor dat de bescherming van persoonsgegevens centraal blijft en werk ik samen met het BIPT om de Data Act en de Data Governance Act correct toe te passen.

Dieter Keuten:

Bedankt voor uw antwoord, mevrouw de minister. Bewustmakingscampagnes zijn zeker waardevolle initiatieven om burgers en ondernemingen, in het bijzonder kleine ondernemingen, te informeren. We moeten echter meer doen om het publiek wakker te schudden. Het is niet de vraag of een onderneming gehackt zal worden, maar wanneer dat zal gebeuren. Dat blijkt duidelijk uit de cijfers. Bedrijven zijn kwetsbaar voor afpersing. Nog bij het begin van afgelopen week moesten we vaststellen hoe een toeleverancier van de luchthaven van Zaventem werd afgeperst om systemen vrij te geven of de diefstal van persoonsgegevens te voorkomen. Over dergelijke gevallen wordt veel te weinig gecommuniceerd. Als er wel informatie over de bedragen die in dergelijke gevallen moeten worden betaald, beschikbaar zou zijn, zou dat sensibiliserend werken. Het zou andere ondernemingen kunnen doen inzien welke enorme risico's zij lopen bij een aanval door hackers. Daarom denk ik dat, naast bewustmakingscampagnes, ook veel meer over de hacks en de daaruit voortvloeiende schade moet worden gecommuniceerd. Dan zullen er veel meer bedrijven en personen bewust worden van het gevaar. Ik hoop dat u de nodige stappen zult nemen om hacking uit de taboesfeer te halen en te communiceren over de gevolgen ervan.

De staat van de justitiepaleizen
De staat van de gerechtsgebouwen
De infrastructuur van Justitie
De staat en infrastructuur van gerechtsgebouwen

Gesteld aan

Vanessa Matz (Minster van Modernisering van de overheid, Overheidsbedrijven, Ambtenarenzaken, Gebouwenbeheer van de Staat, Digitalisering en Wetenschapsbeleid)

op 23 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De verwaarloosde staat van Belgische gerechtsgebouwen, met name het Brussel Justitiepaleis, vormt een acute crisis die de veiligheid, toegankelijkheid en het imago van de rechtspraak ondermijnt. Minister Matz bevestigt concrete renovatieplannen (liften, elektriciteit, gevels, toegankelijkheid) en een investeringsprogramma vanaf 2025, met prioriteit voor veiligheid, maar erkent een jarenlange onderfinanciering die niet in zeven maanden is op te lossen. Sarah Schlitz betwijfelt de haalbaarheid door aankomende budgettaire bezuinigingen en eist structurele fiscale oplossingen (belasting superrijken, fraudebestrijding) in plaats van "afromen bij kwetsbaren". Tine Gielis toont vertrouwen in de ministeriële aanpak maar benadrukt nood aan strikt toezicht.

Sarah Schlitz:

Monsieur le président, je renvoie à la version écrite de ma question.

Madame la ministre, l'état de nos palais de justice, c'est ce que la presse, et notamment le journal RTBF a qualifié de "l'un des plus grands scandales de l'histoire judiciaire belge de ces dernières années".

Depuis de longues années déjà, de nombreux rapports, articles de presse et témoignages mettent en lumière la dégradation préoccupante de plusieurs palais de justice dans notre pays. Le Palais de justice de Bruxelles, emblème de notre patrimoine judiciaire, illustre particulièrement cette situation: échafaudages permanents depuis des décennies, conditions de travail difficiles pour le personnel judiciaire, accessibilité réduite pour les citoyens et pour les justiciables.

Dans de nombreuses juridictions, des problèmes d'entretien, d'insécurité ou d'inadaptation des infrastructures sont régulièrement signalés.

Ces graves lacunes affectent directement la qualité du service public de la justice, la sécurité des magistrats, des avocats et des justiciables, ainsi que l'image de l'institution judiciaire belge le droit des citoyens à voir leurs droits respectés.

Mes questions sont les suivantes: Quels budgets concrets ont été dégagés pour assurer à court terme la sécurité et la fonctionnalité minimale de ces bâtiments? Quelle est la stratégie à moyen et long terme du gouvernement pour garantir à la justice des infrastructures modernes, sûres et accessibles, répondant aux standards européens? Quel est l'état actuel du plan global de rénovation et d'entretien des palais de justice en Belgique?

Je vous remercie.

Tine Gielis:

Mevrouw de minister, ik wil mijn vraag graag in een bredere context plaatsen. Met uw beleidsnota hebt u zich voorgenomen om naar samenwerkingsvormen te zoeken om de capaciteit van onze leegstaande gebouwen opnieuw te benutten.

Bent u er zich van bewust dat de huisvesting van de justitiehuizen een urgent probleem is? Zo ja, welke bijkomende inspanningen kan de Regie der Gebouwen ondernemen om de achterstand in de behandeling van dossiers met betrekking tot de gerechtelijke infrastructuur weg te werken?

Vanessa Matz:

Merci pour ces questions.

Ik deel uw bezorgdheden. De toestand van sommige gerechtsgebouwen is inderdaad problematisch.

J'ai eu plusieurs concertations avec mes collègues du gouvernement, notamment la ministre de la Justice, afin d'aborder à la fois les déficits structurels et les besoins de sécurité.

Drie keer per jaar komt er ook een strategische taskforce bijeen, waarbij de Regie der Gebouwen, de FOD Justitie en de beleidscellen aanwezig zijn.

Lors de ces réunions, la vision à long terme est discutée ainsi que les principaux projets d'investissement et la collaboration générale.

Ik heb gevraagd om wekelijks te vergaderen, zodat de projecten sneller en efficiënter kunnen worden opgevolgd.

Le programme d'investissement approuvé début 2025 donne un aperçu de tous les projets prévus. Il comprend des travaux dans plusieurs palais de justice.

Zo zullen de liften in de gerechtsgebouwen van Brussel, Doornik, Nijvel, Brugge, Leuven en Tongeren worden vernieuwd.

Des travaux seront également réalisés sur les installations électriques dans les palais de justice de Tournai, Charleroi, Nivelles, Arlon, Mons, Liège, Gand et Bruges. Des travaux de toiture et de façade sont également prévus dans plusieurs palais de justice.

De eerste renovatiefase voor de gevels van het Justitiepaleis in Brussel is van start gegaan, met name de renovatie van de hoofdgevel aan het Poelaertplein, en zal in de eerste helft van 2026 klaar zijn.

Une installation d'ascenseurs est également prévue pour les personnes à mobilité réduite afin de faciliter leur accès au palais de justice.

Op dit moment loopt de opmaak van het investeringsprogramma voor 2026. Het is mijn vaste wil om prioriteit te geven aan de werken die verband houden met de veiligheid.

Enfin, des analyses sont réalisées en continu concernant la sécurité des bâtiments. En ce qui concerne la sécurité physique et électronique dans les palais de justice, celle-ci est effectuée par le SPF Justice.

Op basis van de resultaten daarvan worden de gepaste maatregelen genomen.

Je vous remercie pour ces questions très importantes et qui sont liées à celles de M. Legasse sur le PPI. En effet, une série d’investissements sont prévus dans le domaine de la justice.

Je tiens à saluer l’excellente collaboration avec la ministre Verlinden, en charge de ce portefeuille. Il va de soi que c'est évidemment le SPF Justice qui sollicite les priorités en matière de travaux.

Je tiens à dire – je suppose que chacun en est conscient – qu'en sept mois, je n'ai pas pu rénover l'ensemble des palais de justice ni l'ensemble des prisons de ce pays. Depuis une vingtaine d'années, la justice a souffert d'un désinvestissement massif et nous voulons combler au mieux ce retard. Le monde ne s'est pas fait en un jour. Mais vous connaissez tous mon attachement à la justice et à la sécurité. C'est pourquoi je vous le dis clairement: je ne laisserai pas tomber!

Sarah Schlitz:

Madame la ministre, je vous remercie pour vos réponses et j'entends la dimension volontariste de votre propos. Néanmoins, on ne peut qu'éprouver des craintes quant à la mise en œuvre effective et l'opérationnalisation des choses, au regard des coupes budgétaires et des restrictions annoncées, et qu'on nous annonce encore plus fortes ici, à la veille des négociations du budget 2026.

Ces promesses et ces ambitions seront-elles réellement tenues? Permettez-moi d'en douter! En tout cas, nous resterons vigilants pour la suite. Comme vous le disiez, tout est une question de priorités. Mais si refinancer les prisons et les palais de justice signifie en parallèle définancer d’autres dispositifs, – je pense notamment au plan grand froid – alors, ce n'est pas ce type de marchandage que nous souhaitons.

Je vois que vous êtes dubitative, mais je pense que vous savez très bien de quoi je veux parler: il ne s’agit pas d'aller chercher les moyens chez les plus précaires pour rénover les palais de justice, mais bien de prendre les mesures qui s'imposent, notamment en appliquant une véritable taxation des plus-values, en renforçant la lutte contre la fraude fiscale, contrairement à ce qu'il se passe aujourd'hui. Ce matin encore, en commission des Finances, nous évoquions la réduction du délai nécessaire à l'administration pour récupérer certains montants dus. Ce que je constate, c’est que les mesures prises par vos collègues vont plutôt dans le sens d'une diminution des ressources pour mettre en œuvre ce plan que vous appelez de vos vœux.

Tine Gielis:

Mevrouw de minister, u bent strijdvaardig. U geeft actiegericht aan wat er staat te gebeuren en werkt samen met Justitie. Het is aan ons om dat goed op te volgen. Ik heb er alleszins heel veel vertrouwen in.

De kritieke toestand van de gevangenis van Lantin en de stavaza na de brand van 29 mei
De renovatie van de gevangenis van Hoei en van Lantin
De maatregelen na de brand in de gevangenis van Lantin
De staat van Belgische gevangenissen na recente branden en renovaties

Gesteld aan

Vanessa Matz (Minster van Modernisering van de overheid, Overheidsbedrijven, Ambtenarenzaken, Gebouwenbeheer van de Staat, Digitalisering en Wetenschapsbeleid)

op 23 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De kritieke toestand van de gevangenissen Huy (overbevolkt, brandveiligheidsrapport met 66 zware tekortkomingen) en Lantin (verwoest door brand, dode brandweerman, gebrek aan warm water, douches en veilige infrastructuur) blijft onopgelost, ondanks bekende risico’s en eerdere waarschuwingen van minister Vanessa Matz zelf toen ze nog oppositielid was. Matz bevestigt noodherstellingen in Lantin (stabiliteit veilig, maar herstel vertraagd door gerechtelijk onderzoek) en kleine conformiteitswerken in Huy (€915.000 geïnvesteerd), maar structurele renovaties (Huy pas voor na 2026, Lantin onbepaald) en een belooft cadastre van staatsgebouwen blijven uit, terwijl overbevolking en onderbezetting de crisis verergeren. Critici (Daerden, Schlitz) hekelen het gebrek aan urgentie: het systeem is "aan grondverlies", met mensonwaardige omstandigheden voor gedetineerden en personeel, dodelijke risico’s (cf. brand Lantin) en geen visie op preventie of alternatieven voor opsluiting, terwijl de regering meer gevangenisplaatsen wil zonder rekening te houden met resocialisatie of recidivecijfers. De minister belooft prioriteit voor veiligheid en een masterplan, maar concrete tijdlijnen, budgetten en verantwoordelijkheden ontbreken, terwijl de humanitaire en structurele crisis in de gevangenissen acute actie vereist.

Frédéric Daerden:

Madame la ministre, je poserai les deux questions en une. Elles portent sur le même sujet: l'état de salubrité et de sécurité de nos prisons, et en particulier celles de Huy et de Lantin.

Le 29 mai dernier, l'incendie à la prison de Lantin, qui a coûté la vie à un pompier, a révélé une nouvelle fois les défaillances majeures de nos infrastructures pénitentiaires. Depuis, le quotidien des détenus comme celui du personnel s'est encore dégradé! Buanderie et cantine détruites, zone entière inutilisable, absence d'eau chaude, suppression des préaux, accès limité aux douches: autant de dysfonctionnements qui nourrissent un climat explosif, si je puis dire, dans un établissement déjà marqué par la surpopulation et les sous-effectifs.

À Huy, la situation est tout aussi critique. Rappelons qu'en janvier 2024, alors que vous étiez encore députée, lorsque mon collègue Hervé Rigot a interpellé le secrétaire d'État Mathieu Michel, vous dénonciez la prison de Huy comme une poudrière indigne d'un État de droit, et vous pointiez et je vous cite "un rapport incendie accablant, évoquant 66 infractions graves et la menace de fermeture brandie par le bourgmestre". Aujourd'hui, madame la ministre, vous n'êtes plus députée, vous êtes en charge de ces infrastructures, avec le pouvoir de changer les choses. Pourtant, la rénovation à Huy reste renvoyée à l'après 2026, si mon information est bonne, et pour ce qui est de Lantin, l'incendie a confirmé tragiquement des failles connues depuis longtemps. Alors, permettez-moi de vous poser quelques questions.

Confirmez-vous que la rénovation complète de la prison de Huy reste renvoyée à l'après 2026, ou envisagez-vous désormais un calendrier plus rapide? Quelles mesures d'urgence avez-vous décidé de mettre en œuvre en concertation avec votre collègue de la Justice pour sécuriser les établissements les plus vétustes, et notamment ceux de Huy et de Lantin? Pouvez-vous nous dire aujourd'hui quelles décisions concrètes, chiffrées et datées, vous entendez prendre pour résoudre cette situation? Quelles expertises techniques sont-elles menées à la suite de l'incendie pour évaluer les dégâts structurels et la sécurité du site? Quelles sont les mesures urgentes déjà engagées, tant pour restaurer les espaces illustrés que pour améliorer les conditions de vie et de travail dans l'enceinte? Quel est le calendrier de réhabilitation et de rénovation complète des zones touchées? Plus globalement, comment entendez-vous assurer une gestion préventive et résiliente de nos infrastructures pénitentiaires pour éviter qu'un tel drame ne se reproduise?

Sarah Schlitz:

Monsieur le président, je renvoie à la version écrite de ma question.

Madame la ministre, le 29 mai 2025, un incendie survenu à la prison de Lantin a amené à la mort d’un pompier ainsi que plusieurs blessés. Je vous avais interrogée sur le sujet et vous m’aviez dit qu’une enquête était en cours tout en renvoyant la majorité de mes questions à vos collègues les Ministres de l'Intérieur et de la Justice. Ceux-ci n'ont malheureusement pas été beaucoup plus utiles et se sont renvoyé la balle à l'une et à l'autre.

Je vous avais dès lors fait savoir qu’on reviendrait sur ce dossier à la rentrée. Aujourd’hui, on est à la rentrée et ça fait presque 4 mois que Maxime Goessens nous a quittés. Et depuis; plus aucune nouvelle information n'a été communiquée sur l'évolution de ce dossier.

Vous nous aviez aussi communiqué lors de mon interpellation que vous alliez commander un cadastre de tous les bâtiments de l'État afin que des tragédies comme celle ayant entraîné la mort de Maxime Goessens ne se répètent jamais. Mais depuis, pas de nouvelles.

Je vous pose dès lors ces questions:

Quels développements pouvez-vous nous apporter quant aux études sur la stabilité de la prison suite à l’incendie?

La Régie va-t-elle réaliser un audit technique des bâtiments afin de enfin connaître leurs conformités face aux normes réglementaires?

Quand va-t-on pouvoir enfin voir ce cadastre des bâtiments comme vous nous l’aviez annoncé lors de votre entrée en fonction?

Je vous remercie.

Vanessa Matz:

Madame Schlitz et monsieur Daerden, je vous remercie pour vos questions. Vous devez savoir que, dans les premiers jours qui ont suivi l'incendie du 29 mai à la prison de Lantin, une évaluation des dégâts structurels a été réalisée par un bureau d'études extérieur ainsi que par le service Stabilité de la Régie des Bâtiments. L'analyse a conclu que la stabilité de l'édifice n'était pas menacée. Des mesures de précaution ont été prises, notamment l'allègement du plancher au-dessus des travées qui avaient été touchées. Une procédure d'urgence a été enclenchée pour dégager et remettre en état l'étage ravagé par l'incendie. Toutefois, la zone sinistrée ayant été mise sous scellés, la Régie n'a pu intervenir qu'à partir de la mi-juillet. Les équipes de chantier sont présentes chaque jour et travaillent sans relâche à la remise en état du bloc concerné à ce stade. Il est difficile de communiquer un calendrier précis. L'objectif reste de minimiser la période d'inutilisation des fonctions de ce bloc.

L'enquête sur l'incendie de Lantin est toujours en cours et permettra de déterminer si des aspects de la gestion préventive et résiliente de l'infrastructure sont en cause. Selon les premières analyses, le système de détection incendie et la couverture par caméra ont permis d'identifier l'incendie dès ses premiers instants. Le compartimentage a limité la propagation du feu à la buanderie, démontrant l'efficacité des mesures existantes.

Pour la prison de Huy, bien que celle-ci soit vétuste – et je ne vais pas changer mon discours, monsieur Daerden, au motif que je me trouve, non de l'autre côté puisque je suppose que nous poursuivons le même objectif en ce qui concerne, en tout cas, les prisons –, différents travaux de mise en conformité sont en cours ou prévus, notamment pour la détection incendie, l'éclairage de secours, l'installation du gaz et les tableaux électriques, pour un montant total de plus de 630 000 euros, TVA comprise. Des travaux de compartimentage ont également été engagés pour un coût de 285 000 euros, TVA comprise. La rénovation complète est prévue dans le cadre du plan pluriannuel d'investissement de la Régie des Bâtiments, qui a été validé en mai 2024 et qui devra évidemment l'être à nouveau au cours du conclave qui se tiendra dans la quinzaine.

Toutefois, le plan d'action structurel global de lutte contre la surpopulation, approuvé en juillet dernier, prévoit la rénovation de la prison de Huy et l'augmentation de sa capacité à 96 détenus, tout en examinant l'alternative d'une nouvelle construction avec une capacité supérieure. Ce projet sera repris dans le masterplan 4 encore à établir.

Je tiens à souligner l'engagement des équipes sur le terrain et la priorité donnée à la sécurité des détenus, du personnel et des intervenants extérieurs. Je vous remercie.

Frédéric Daerden:

Je vous remercie pour vos réponses, madame la ministre.

J'ai deux questions qui renvoient à une seule et même problématique, celle d'un système carcéral qui est à bout de souffle et dans lequel la sécurité et la salubrité ne sont plus garanties, ni pour les détenus, ni pour le personnel qui encadre et qui surveille ces détenus.

En janvier 2024, vous aviez raison quand vous dénonciez la prison de Huy comme une poudrière, mais il est vrai qu'à l'époque, vous étiez dans un rôle différent: celui de députée. Aujourd’hui, vous êtes ministre: vous avez le pouvoir – et, j’oserais dire, le devoir – de changer les choses, surtout dans le contexte que nous connaissons. En entendant votre planning des travaux, j'ai vraiment le sentiment que rien n'a bougé, que Huy reste renvoyée à l'après 2026 et que Lantin s'enfonce dans la crise.

Les constats sont en effet connus, mais il ne suffit plus de les répéter en affirmant qu’il faut agir. Il faut désormais passer à l'action et le faire vite. Je serais même tenté de dire directement. En effet, derrière les murs de Huy et de Lantin, il n'y a pas uniquement des bâtiments délabrés, mais aussi des vies humaines qu’il faut protéger. La privation de liberté est déjà une peine. Nous ne pouvons pas accepter une double peine faite d'humiliation, d'insalubrité et d'insécurité.

Permettez-moi de vous le dire avec franchise et avec le respect que je vous porte: je vous trouvais plus engagée lorsque vous étiez députée. Je ne suis pas surpris, car il y a des contraintes. Aujourd’hui, nous attendons de la ministre des décisions à la hauteur de ses propres paroles d’hier.

Sarah Schlitz:

Merci, madame la ministre, pour vos réponses. Aujourd'hui, on voit à quel point la dérive du système carcéral a des impacts sur des vies. On pense évidemment à Maxime et à ses collègues qui ont été blessés, à ses collègues qui, aujourd'hui, sont encore sous le choc du décès et de l'accident survenu à Lantin. Face à cela, ces travailleurs qui chaque jour se lèvent pour aller dans les prisons, doivent y aller avec la peur au ventre. Parce qu'en plus de travailler dans des conditions délétères, dans des climats qui sont extrêmement tendus, dans des conditions matérielles qui ne sont pas à la hauteur des missions qui leur sont confiées, ils savent désormais qu'il peut y avoir des morts dans l'exercice de leurs fonctions. Aujourd'hui, ce système carcéral est totalement à bout de souffle. On voit la détresse des détenus, des familles, des travailleurs. On voit aussi les condamnations dont la Belgique fait l'objet au niveau international. On ne peut plus continuer comme ça. Pourtant, ce que j'entends dans la bouche d'autres ministres, pas dans la vôtre, c'est une fuite en avant. On veut encore augmenter les peines, on veut encore augmenter le réseau de places de prison, sans qu'il y ait le moindre recul sur les taux de récidive. Sommes-nous vraiment plus en sécurité quand davantage de personnes sont en prison et plus longtemps, sachant qu'il n'y a pas de formations – ou très peu et très peu qualitatives – et de perspectives pour l'après qui sont développées en prison ? Je pense que tout le système est à revoir. Au-delà de ce qui s'est passé à la prison de Lantin, je pense que cet événement doit servir de moment de rupture avec cette époque où on laissait à l'abandon les travailleurs, les détenus, les familles des détenus et doit permettre d’entrer dans une ère où on prend de la distance par rapport à la prison. Malheureusement, ce n'est pas encore le cas. Mais je pense que c'est indispensable qu'une voix dans le gouvernement puisse porter ce discours. Je compte sur vous pour le faire.

De staat van de gebouwen van de federale politie van Luik

Gesteld aan

Vanessa Matz (Minster van Modernisering van de overheid, Overheidsbedrijven, Ambtenarenzaken, Gebouwenbeheer van de Staat, Digitalisering en Wetenschapsbeleid)

op 23 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De verouderde en onveilige politieinfrastructuur in Luik (o.a. asbest, ingestorte opleidingsfaciliteiten) blijft een acuut probleem, ondanks het masterplan Vottem dat sinds 2018 vastloopt en nu pas voor 2036 afgerond wordt. Minister Matz bevestigt dat fase I (26,4 mln euro) klaar is, maar fase II (met uitgestelde deadlines: 2029-2036) wacht nog op financiële goedkeuring, terwijl noodoplossingen (tijdelijke verhuizingen, renovaties zoals blok M) beperkt verlichting bieden. Daerden kritiseert het gebrek aan urgente budgettaire middelen en politiek draagvlak, waardoor agenten blijven werken in "onwaardige" omstandigheden, ondanks liberale retoriek over "meer veiligheid". De coördinatie tussen Binnenlandse Zaken en Matz blijft vaag, met concrete verbeteringen pas op lange termijn.

Frédéric Daerden:

Madame la ministre, en juillet dernier, j'interpellais votre collègue, le ministre de l'Intérieur, concernant la situation déplorable des bâtiments de la police fédérale en province de Liège.

Le constat est malheureusement connu et vous l'avez d'ailleurs vu de vos propres yeux: des bâtiments vieillissants, parfois modulaires, contenant de l'amiante et menacés de ruine, des infrastructures de formation hors service, à commencer par les stands de tir. Un masterplan censé répondre à ces défis est bloqué depuis 2018 et ses délais sont désormais reportés à l'horizon 2035.

Votre collègue a reconnu l'importance absolue de maintenir un développement soutenu de la phase II du masterplan de Vottem. Mais il a aussi renvoyé très explicitement à votre rôle pour stabiliser le calendrier d'exécution et donner enfin des perspectives claires aux policiers concernés. C'est la raison pour laquelle je viens taper sur le clou aujourd'hui.

Madame la ministre, nous entrons dans une phase budgétaire cruciale où vous allez devoir faire preuve d'une grande créativité dans un contexte d'austérité renforcée d'ores et déjà annoncé par votre majorité. Dès lors, je vous pose trois questions simples. Quels moyens précis comptez-vous inscrire au budget 2026 pour garantir la mise en œuvre rapide de la phase II du masterplan de Vottem? Quelles mesures urgentes seront-elles engagées dès cette année pour assurer aux policiers fédéraux liégeois des conditions de travail, de formation et de sécurité dignes? Comment comptez-vous coordonner concrètement votre action avec celle du ministre de l'Intérieur afin que les engagements politiques soient enfin suivis d'effets tangibles sur le terrain?

Vanessa Matz:

Monsieur Daerden, comme vous le savez, c'est un dossier sur lequel je suis régulièrement revenue lorsque j'étais parlementaire. C'est évidemment une priorité parce qu'il est vrai que, sous la législature dernière, ce dossier n'a pas forcément toujours avancé de la manière dont il aurait dû avancer. Alors, j'y ai consacré de nombreuses interventions et, en tant que ministre, j'ai récemment effectué une visite sur place afin de constater directement la situation.

Le masterplan de Vottem est structuré en deux phases.

La première, qui est désormais achevée, a permis la construction de deux bâtiments: l'un destiné au laboratoire de la police judiciaire fédérale, l'autre abritant le centre 112 ainsi que le service d'information et de communication de l'arrondissement (SICAD). Ce dernier regroupe les services d'urgence de la police fédérale et du SPF Intérieur. Le montant total investi pour cette première phase s'élève à 26,4 millions d'euros, TVA comprise.

La seconde phase est plus ambitieuse et devra s'accomplir tout en maintenant les activités sur le site. Le guide d'attribution est prêt et attend l'approbation de l'Inspection des finances. Une fois cette approbation obtenue, la publication pourra avoir lieu encore cette année. Selon le calendrier prévisionnel, les travaux se dérouleront en trois étapes: la première entre 2029 et 2030, la deuxième entre 2030 et 2033 et la dernière entre 2033 et 2036. La Régie des Bâtiments a déjà publié le guide de sélection en juin 2023. La publication du guide d'attribution était prévue pour septembre 2025. Les travaux spécifiques liés à la police judiciaire fédérale sont programmés entre 2031 et 2033.

Sur le site de Vottem, la Régie poursuit ses investissements, principalement dans des travaux portant sur la sécurité des infrastructures. Depuis 2020, environ 1,4 million d'euros ont été investis à ce titre. Le site de Saint-Léonard joue, quant à lui, un rôle transitoire en attendant le transfert complet vers Vottem. La Régie y assure l'entretien fonctionnel des bâtiments afin de garantir la continuité des missions de la police fédérale et leur conformité. Depuis 2020, cela représente un investissement de 2,4 millions, avec encore 3,6 millions de travaux planifiés. Je suis pleinement consciente des difficultés spécifiques présentes sur le site de Saint-Léonard. À ma demande, plusieurs solutions ont été examinées. Malheureusement, aucune d'entre elles ne s'est révélée adaptée pour répondre efficacement aux besoins opérationnels. C'est pourquoi nous sommes convenus de poursuivre les investissements prévus sur ce site afin de garantir des conditions de travail correctes en attendant le transfert complet vers Vottem.

La remise en conformité du bloc M a récemment été validée par les services régionaux d'incendie de Liège. Sa réouverture permettra de récupérer deux étages de postes de travail. Une étude est également en cours pour restaurer un étage du bloc E, ce qui ajoutera une quarantaine de postes supplémentaires.

Par ailleurs, un contrat de location a été conclu en 2024 pour accueillir les services de formation, avec une entrée en service prévue au premier semestre 2026.

D'ici la fin de l'année, les services de la Direction de la sécurisation (DAB) intégreront leur nouveaux bureaux rue Saint-Gilles, dans un bâtiment remis aux normes. Ces deux relocalisations permettront de libérer de l'espace pour d'autres services actuellement à l'étroit.

Je suivrai ce dossier de près, en coordination étroite avec la police fédérale et mon collègue le ministre de l'Intérieur, afin que les engagements pris se traduisent par des avancées concrètes et visibles pour le personnel sur le terrain.

Frédéric Daerden:

Je vous remercie, madame la ministre, pour votre réponse. Je connais votre attachement profond à Liège. Vous l'avez montré, notamment lorsque vous étiez parlementaire. Maintenant que vous êtes en responsabilité de ministre, nous avons le sentiment – mon expression sera peut-être un peu être forte – qu'on vous a confié le volant sans vous donner les clés. Votre partenaire libéral martèle qu'il faut plus de sécurité et qu'il faut soutenir les forces de l'ordre, mais on ne vous donne pas les moyens d'y parvenir ou d'y parvenir vite. Or, les policiers liégeois travaillent toujours dans des bâtiments vétustes, insalubres, privés d'infrastructures indispensables à leur mission. À vous entendre, et malgré votre bonne volonté, j'ai le sentiment qu'on ne va pas bouger très vite et que les policiers liégeois payent le prix de cet immobilisme.

De bouw van een nieuwe gevangenis in Verviers

Gesteld aan

Vanessa Matz (Minster van Modernisering van de overheid, Overheidsbedrijven, Ambtenarenzaken, Gebouwenbeheer van de Staat, Digitalisering en Wetenschapsbeleid)

op 23 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sarah Schlitz kritiseert het geplande PPP-gevangenisproject in Verviers (240 plaatsen, start 2030) vanwege risico’s op vertraging, meerkosten (5-7%) en het ontbreken van een duidelijk budget, terwijl ze pleit voor alternatief gebruik (bv. woningbouw) na de overstromingen en kleinere, effectievere gevangenissen gericht op resocialisatie in plaats van falende opsluiting. Minister Vanessa Matz verdedigt de keuze voor de locatie (centrum, mobiliteit, eigendom Régie) en benadrukt contractuele waarborgen (DBFM) tegen vertragingen, maar kan nog geen budget of definitieve functie (gevangenis vs. strafinrichting) geven—die wordt "binnenkort" ministerieel beslist. Schlitz wijst het project af als kosteninefficiënt en contraproductief, bepleit herallocatie van middelen naar preventie/reïntegratie en noemt Haren als falend voorbeeld. De discussie blijft onopgelost: budget en functie onduidelijk, fundamentele meningsverschillen over gevangenisbeleid vs. sociale aanpak.

Sarah Schlitz:

Monsieur le président, je renvoie à la version écrite de ma question.

Madame la ministre, la Régie des bâtiments prévoit de lancer un partenariat public-privé pour la construction d'une nouvelle prison de 240 places sur le site de l'ancienne prison de Verviers, aujourd'hui démolie. Le calendrier prévisionnel prévoit une attribution du marché en 2029, le début des travaux en 2030 pour une livraison en 2032.

Sur le choix du partenariat public-privé, au-delà du fait que des retards sont à prévoir comme ce fut le cas pour de nombreux autres chantiers en PPP; il a été établi par la Cour des comptes que ces partenariats subissent des surcoûts de 5 à plus de 7 %. C'est un risque qui pèsera sur les finances publiques pendant 2 ans. Haren, dernier exemple en date de PPP, fait l'objet de vives critiques notamment en raison de son coût réel très élevé et de dysfonctionnements.

Madame la ministre, quel est le budget prévu pour cette reconstruction? Quelles garanties contractuelles et mécanismes de contrôle seront prévus pour éviter les surcoûts et les retards?

Il semble que le choix de réimplanter une prison à cet endroit soit uniquement guidé par le fait que la Régie soit propriétaire du terrain. Il pourrait pourtant apporter beaucoup plus d'avantages à Verviers s'il était affecté à une autre fonction, comme la construction de logements.

Des alternatives ont-elles été explorées afin de trouver un site qui réponde mieux aux besoins fonctionnels et logistiques, d'une prison? Par ailleurs, l'affectation de l'établissement en maison de peines ou en maison d'arrêt n'a pas encore été déterminée, alors que ça change tout en termes de coûts, de logistiques et de ressources policières. Quand sera tranché le choix entre maison d'arrêt et maison de peines? Sur base de quels critères sera-t-il posé?

Je vous remercie.

Vanessa Matz:

Madame Schlitz, en ce qui concerne le budget pour la construction d'une nouvelle prison à Verviers, il est à ce stade prématuré de communiquer un montant précis. Celui-ci dépendra de la validation du programme des besoins du SPF Justice qui permettra ensuite de le définir.

Comme pour les autres projets DBFM, tels que ceux de Marche-en-Famenne et Leuze-en-Hainaut, un contrat DBFM sera signé entre les parties: Régie des Bâtiments, SPF Justice et le prestataire privé. Ce contrat prévoit une répartition claire des risques et responsabilités, notamment en ce qui concerne le respect des délais qui incombent au prestataire.

Le choix de ce site ne repose pas uniquement sur le fait que la Régie des Bâtiments en est propriétaire, même si ça constitue évidemment un atout. Il s'explique également par sa localisation au centre-ville, qui présente des avantages majeurs en matière de mobilité, tant pour les membres du personnel que pour les familles des détenus. Le site retenu présente plusieurs atouts justifiant l'implantation d'un établissement pénitentiaire, ce qui explique qu'aucune étude alternative n'a été menée.

Par ailleurs, des expropriations ont été réalisées afin de faciliter les accès et surtout de garantir la sécurisation du périmètre. Les démolitions liées à ces expropriations sont aujourd'hui quasiment achevées, ce qui montre que les points sensibles ont été identifiés et pris en compte. Enfin, sur l'affectation du site, une note est en cours de validation et devra être finalisée dans les mois à venir par le Conseil des ministres.

Sarah Schlitz:

Madame la ministre, je vous remercie de vos différentes réponses. Je n'en ai pas obtenu en ce qui concerne le choix entre une maison d'arrêt et une maison de peine, mais j'imagine que ce n'est pas de votre ressort.

Vanessa Matz:

(…)

Sarah Schlitz:

Voilà, c'est bien ce que j'imaginais.

Merci de votre franchise. Pour ma part, je ne partage pas votre avis sur l'opportunité de ce projet, tant du point de vue de sa densité que de sa localisation. En effet, j'estime que Verviers a besoin de logements de qualité, à la suite des inondations qu'ont vécues ses habitants.

Selon moi, ce projet de prison nous mène dans une impasse. Nous avons besoin de plus petites structures que Haren, qui ne fonctionne pas. De même, et tous les rapports parviennent à cette conclusion, la prison échoue face à la récidive, alors que l'objectif qu'elle poursuit est de protéger la société. Or c'est à la réalité contraire qu'elle aboutit. J'aimerais qu'on puisse sortir la tête du sable dans ce dossier et allouer les moyens relatifs au système carcéral, qui sont titanesques, à la prévention et à l'accompagnement des personnes condamnées, pour faire en sorte que la réinsertion se déroule au mieux. C'est dans l'intérêt des victimes, réelles et potentielles, et des détenus, mais aussi de leurs familles. Nous savons à quel point l'incarcération produit un impact sur celles-ci, notamment sur le plan financier, mais également du point de vue de l'accaparement du temps et des déplacements.

Nous continuerons donc à suivre ce dossier. Je vous remercie.

Voorzitter:

La question n° 56007964 de M. Gilles Foret a été transformée en question écrite. La question n° 56008009C de M. Vincent Van Quickenborne est reportée.

De zorgsector als mikpunt van cyberaanvallen in België

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 23 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sinds de NIS2-meldingsplicht (okt. 2024) registreerden 15 cyberincidenten in de gezondheidssector (ziekenhuizen *en* ambulante praktijken), maar gedetailleerde analyses over aard, impact, herkomst, betalingen aan hackers en conformiteit aan NIS2 (bv. risicoanalyses, ISO-certificering) ontbreken nog—het CCB onderzoekt dit en bezorgt later cijfers. Gijbels benadrukt de urgentie van een robuuste beveiligingsstrategie tegen AI-gestuurde aanvallen en datadiefstal, die patiëntenveiligheid en zorgcontinuïteit bedreigen. Vandenbroucke bevestigt dat sectorale opvolging beperkt is tot algemene dreigingspatronen, niet tot individuele gevallen. Concrete actieplannen en trendanalyses blijven in afwachting van CCB-data.

Frieda Gijbels:

Mevrouw de voorzitster, mijnheer de minister, recente cijfers tonen aan dat organisaties in de gezondheidszorg het meest geviseerd worden door cybercriminelen, met gemiddeld 2.620 aanvallen per week in België. Wereldwijd zien we een algemene toename met 21 % van cyberaanvallen, terwijl de toename in België 17 % bedraagt. Daarnaast is er ook een wijzigende trend in de aanvalstechnieken. Waar er vroeger vooral gebruik werd gemaakt van ransomware, zien we nu een toenemend gebruik van artificiële intelligentie en informatiediefstal.

U gaf eerder al aan dat de omzetting van de NIS2-richtlijn ertoe leidt dat ziekenhuizen een meldingsplicht hebben met betrekking tot dergelijke aanvallen – dat is in voege sinds 18 oktober 2024 – en dat er ondersteuning wordt voorzien voor risicoanalyses. Uit uw antwoord bleek ook dat enkele ziekenhuizen inmiddels melding hebben gedaan van incidenten en dat ISO-certificatie kan dienen om conformiteit aan te tonen.

Hoeveel meldingen van cyberincidenten zijn er sinds de inwerkingtreding van de meldingsplicht in oktober 2024 effectief gedaan? Betreft dit uitsluitend ziekenhuizen of ook ambulante praktijken? Kunt u aangeven of bepaalde ziekenhuizen of ambulante praktijken vaker het doelwit zijn geweest van aanvallen?

Worden er systematisch analyses gemaakt van de aard van deze incidenten? Kunt u dit verder specificeren en toelichten welke trends men kan vaststellen?

Wordt er ook nagegaan wat de concrete impact van deze cyberincidenten is op de werking van de betrokken ziekenhuizen of praktijken?

Hebt u zicht op de herkomst van deze aanvallen en de bedoeling ervan?

Zijn er gevallen bekend waarbij ziekenhuizen of praktijken betalingen hebben gedaan om opnieuw toegang te krijgen tot hun systemen?

In welke mate zijn ziekenhuizen momenteel effectief conform aan de NIS2-verplichtingen? Kunt u cijfers geven over het aantal instellingen dat al een risicoanalyse heeft uitgevoerd en gecertificeerd is?

Frank Vandenbroucke:

De vraag gaat over de toepassing van de wet van 26 april 2024 tot vaststelling van een kader voor de cyberbeveiliging van netwerk- en informatiesystemen van algemeen belang voor de openbare veiligheid, de NIS2-wet, die in ons land de NIS2-richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2022 vertaalt. Het doel van de NIS2-wet is het versterken van maatregelen op het gebied van cyberveiligheid, incidentbeheer en toezicht voor entiteiten die diensten leveren die essentieel zijn voor het in stand houden van kritieke maatschappelijke of economische activiteiten. De wet heeft ook als doel de coördinatie van het overheidsbeleid op het gebied van cyberveiligheid te verbeteren.

Artikel 34 van deze wet voorziet in een verplichting om incidenten te melden. De wet specificeert eveneens welke instanties zijn opgericht om die meldingen te ontvangen, cyberdreigingen, kwetsbaarheden en incidenten te monitoren en te analyseren, te reageren op incidenten en bijstand te verlenen aan de betrokken essentiële en belangrijke entiteiten. Die organen zijn het Centrum voor Cybersecurity België en het Nationaal Crisiscentrum.

De sectorale overheid voor de gezondheidszorg ontvangt de meldingen die door het CCB worden doorgestuurd. Ze bekijkt die meldingen in de sectorale context van bedreigingen en impact, maar niet met de bedoeling individuele incidenten op te volgen. Dat behoort immers tot het takenpakket van het CCB in de uitvoering van zijn verschillende opdrachten voor NIS2.

Tot op heden zijn er vijftien meldingen geregistreerd bij de sectorale overheid voor de gezondheidszorg. Organen die rechtstreeks betrokken zijn bij de behandeling van een incident zijn niet specifiek voor de ziekenhuis- of gezondheidssector, en hun rol bij cyberbeveiligingsincidenten heeft betrekking op alle sectoren die onder de NIS2-richtlijn vallen.

We hebben uw vragen aan het CCB gericht en we zullen u de informatie bezorgen zodra we die hebben ontvangen.

Frieda Gijbels:

Mijnheer de minister, ik begrijp dat er nog antwoorden volgen. Worden die automatisch toegestuurd of moeten wij daar nog eens naar informeren?

Frank Vandenbroucke:

Nee, ik zal proberen mij zo te organiseren dat wij u de informatie toesturen.

Frieda Gijbels:

Dat is heel fijn. Ik ben een grote voorstander van nieuwe technologieën en digitalisering. Die kunnen de gezondheidszorg beter, efficiënter, goedkoper en slimmer maken. Ze maken ons echter ook kwetsbaar voor aanvallen, zowel door individuen als door mogendheden die ons niet gunstig gezind zijn. Het is daarom essentieel een strategie te ontwikkelen om die technologieën en uiteindelijk ook onze bevolking te beschermen. Het zijn immers de burgers die het doelwit vormen van dergelijke inbreuken. Ik ben benieuwd naar de cijfers die in voorbereiding zijn en hoop spoedig meer te vernemen over een strategie waarmee wij al onze zorginstellingen optimaal kunnen beveiligen. Dank u wel.

De bescherming van de Belgische staatsburgers aan boord van de hulpvloten naar Gaza
Gaza
Het VN-rapport waarin de situatie in Gaza als genocide gekwalificeerd wordt
De Global Sumud Flotilla
Humanitaire hulpvloten naar Gaza, bescherming burgers, VN-genociderapport, Global Sumud Flotilla

Gesteld aan

Bart De Wever (Eerste minister)

op 18 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Parlementsleden beschuldigen de Belgische regering van passiviteit en medeplichtigheid aan het Israëlische geweld in Gaza, dat door een VN-rapport als genocide wordt bestempeld, met systematische moorden, martelingen en honger als wapen. Ze eisen erkenning van de genocide, concrete sancties tegen Israël en diplomatieke bescherming voor Belgische activisten in de flottille naar Gaza—die Israël als "terroristen" bestempelt—maar premier De Wever ontwijkt het woord "genocide", wijst op humanitaire hulp via officiële kanalen en biedt geen extra consulaire garanties, beperkt tot standaardprocedures. Kritiek spitst zich toe op dubbele standaarden (vs. erkenning andere genocides) en gebrek aan moreel leiderschap, terwijl activisten—gedreven door falend internationaal optreden—hun leven riskeren om het beleg te breken. De Wever’s afwezigheid van urgente maatregelen en minimalisering van burgerinitiatieven worden als "schandalig" en "compliciteit" afgedaan.

Rajae Maouane:

Monsieur le premier ministre, vous le savez ou pas, le génocide continue en direct. À Gaza City, il ne reste plus rien. Des familles entières disparaissent sous les gravats. Des bébés meurent quelques heures après être nés.

L'armée israélienne a déclenché la solution finale contre les Gazaouis: une opération terrestre massive, avec comme seul objectif anéantir et effacer Gaza. Et face à l'action largement insuffisante, voire inexistante de notre gouvernement, des courageux militants et militantes qui viennent du monde entier, dégoûtés du manque d'action de nos gouvernements, sont obligés de prendre la mer, obligés de risquer leur vie pour essayer de casser le blocus imposé par Israël à Gaza.

Le ministre israélien de la Sécurité, Itamar Ben-Gvir, a qualifié de terroristes les activistes de la flottille pour Gaza, parmi lesquels il y a des ressortissants belges, monsieur le premier ministre. Il a annoncé que ces activistes seraient traités comme des terroristes à leur arrivée. Mais qui sont les terroristes? Qui tire sur la foule de civils affamés? Qui tue à bout pourtant des mères, des pères, des enfants? Qui viole le droit international? Les menaces du gouvernement israélien sont explicites et ce sont des vies belges qui sont en danger.

Et pourtant, monsieur le premier ministre, je ne vous ai pas entendu défendre nos compatriotes. Alors monsieur le premier ministre, voici deux questions simples. Quelles mesures immédiates allez-vous prendre pour protéger nos ressortissants et leur garantir un soutien diplomatique face à ces menaces qui sont claires, directes et explicites? Quelles dispositions concrètes votre gouvernement va prendre pour soutenir la flottille – les flottilles – et assurer la protection de nos compatriotes qui sont à bord?

Merci pour vos réponses.

Nabil Boukili:

Le 16 septembre: une date, deux événements.

Le premier événement est l'offensive meurtrière de l'armée israélienne à Gaza City. Comme s’il n’y avait pas eu assez de morts, pas assez de massacres, pas assez de génocides… on s’enfonce, et on continue. Face à cela, pas de réaction, pas de mesure ou de sanction concrète.

Le deuxième événement est le rapport de la commission d’enquête de l’ONU, qui s’est clairement positionnée: il y a aujourd’hui un génocide perpétré par le gouvernement israélien contre le peuple palestinien. Là non plus, aucune prise de position, aucune sanction claire, concrète, contre l’État d’Israël.

Pourtant, hier, en commission des affaires étrangères, des résolutions ont été proposées pour reconnaître le génocide et pour prendre des sanctions contre l'État d'Israël. Votre majorité, sous votre direction, monsieur le premier ministre, a refusé de les voter.

Face à la lâcheté des gouvernements occidentaux, les peuples, eux, se réveillent et s’élèvent. Ils veulent mettre fin à la famine et au blocus. Aujourd’hui, une flottille est en route vers Gaza pour briser ce blocus. Là non plus, monsieur le premier ministre nous ne constatons pas de prise de position ni de déclaration pour protéger les ressortissants, notamment belges, qui participent à cette flottille.

Monsieur le premier ministre, dans le rapport ou dans l’accord de gouvernement, vous avez évoqué les ministres extrémistes israéliens. Considérez-vous aujourd'hui que ce n'est pas l'ensemble du gouvernement (…)

Staf Aerts:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de eerste minister, collega's, ons land, elke burger van ons land is verplicht genocide te voorkomen en te stoppen, aangezien wij het genocideverdrag ondertekend hebben en dat verdrag precies dat engagement inhoudt.

Afgelopen week verscheen het rapport van de uit topexperten wereldwijd samengestelde onderzoekscommissie en haar conclusies zijn overduidelijk: de Israëlische regering pleegt genocide op de Palestijnse bevolking. De feiten in dat rapport zijn huiveringwekkend: vrouwen worden seksueel misbruikt; gevangenen in de gevangenissen worden misbruikt en gefolterd; dagelijks zijn kinderen slachtoffer; kleuters worden doodgeschoten door sluipschutters en kinderen met witte vlaggen worden doelbewust neergeschoten. Ik hoor verontwaardiging in de zaal, maar dat is precies wat in het rapport staat en wat zich op het terrein afspeelt, elke dag opnieuw. Het zou zinvol zijn als iedereen minstens de samenvatting van dat rapport bij zich neemt.

Ondertussen heeft de Kamer gisteren tegen de erkenning van die genocide gestemd. Mijnheer de premier, u hebt tot nu toe het woord genocide nog niet in de mond genomen. Dat men dat woord niet gebruikt, is niet neutraal. Het betekent dat men partij kiest en de feiten ontkent. U gaat als eerste minister naar New York om ons land daar te vertegenwoordigen. We beschikken over verschrikkelijke beelden en omvangrijke rapporten. Ik wil van u weten of Israël volgens u een genocide op de Palestijnse bevolking uitvoert.

Christophe Lacroix:

Monsieur le président, monsieur le premier ministre, aujourd'hui, je parle avec gravité, avec même une forme de profonde émotion. Pendant que nous débattons ici en effet, en toute sécurité, des citoyennes et des citoyens, dont des Belges, sont en mer à bord de la flottille Global Sumud, en route vers Gaza pour briser le blocus, pour forcer le passage et apporter de l’aide humanitaire, des aliments, des boissons, des médicaments. C’est la plus grande mission humanitaire civile jamais organisée.

Ce ne sont pas des aventuriers; ce ne sont pas des provocateurs; et ce sont encore moins des terroristes, comme le ministre israélien les a qualifiés. Ils viennent de 40 pays. Ce sont des filles, ce sont des garçons, d’à peine 20 ans parfois, des militants et des militantes de la paix, des âmes révoltées qui ont décidé d’agir là où la communauté internationale a échoué et échoue encore.

Je pense notamment à Maya, que j’ai rencontrée avant son départ. Elle m’a expliqué qu’elle ne pouvait plus rester chez elle à ne rien faire, à regarder l’horreur devenir plus d’horreur d’heure en heure, impressionnante d’énergie et de volonté, de détermination. En quelques mois, quelle mobilisation!

Ce n’est pas sans dangers. La flottille a déjà été attaquée à Tunis. Israël annonce un dispositif antiterroriste pour intercepter la flottille. L’Espagne, elle, a pris ses responsabilités. Elle a mis en place une protection diplomatique et consulaire pour ses ressortissants. Elle a dit qu’elle est aux côtés de la flottille.

Je vous pose ces questions, monsieur le premier ministre, et j’attends des réponses claires. La Belgique est-elle aux côtés de la flottille? La Belgique a-t-elle dit urbi et orbi qu’elle soutenait la flottille? A-t-elle dit à Israël qu’elle protégeait ses ressortissants et leurs bateaux? A-t-elle plaidé auprès de l’Union européenne pour que celle-ci se réveille et affirme qu’elle est aussi aux côtés de la flottille? Allez-vous accorder une protection diplomatique et consulaire à ces citoyens? Surtout, monsieur le premier ministre, quand la Belgique va-t-elle prendre ses responsabilités et reconnaître le génocide à Gaza?

Bart De Wever:

Chers collègues, avant de répondre, je souhaiterais dire un mot à propos de la profanation de la tombe familiale du ministre d' É tat Jean Gol.

Il n'y a rien de plus ignoble et abject que de profaner une tombe. J'ai personnellement et directement exprimé mon indignation et mon soutien à la fille et à la dernière compagne de Jean Gol.

Beste collega's, eergisteren was er in de commissie voor Binnenlandse Zaken een actualiteitsdebat over het Midden-Oosten van ruim een uur. Sta mij toe niet alles wat ik daar heb gezegd, te herhalen. Misschien is dit een teleurstellende boodschap, maar de regering is sinds dinsdag niet samengekomen en ik kan u dus geen verdere toelichting geven. Ik verwijs naar het verslag van de commissievergadering.

Par contre, quelques questions, notamment de Mme Maouane et de M. Lacroix, n'ont en effet pas été traitées. Je vais donc y répondre maintenant.

L'action à laquelle vous faites référence n'est pas sans risque. Si – et c'est un grand si – l'objectif est effectivement d'apporter une aide concrète à la population locale, ce n'est certainement pas la meilleure manière d'y arriver. En juin dernier, une action similaire s'est soldée par un échec, et aujourd'hui encore, nous recevons des informations selon lesquelles cette traversée n'est pas sans danger.

Comme vous le savez, nous en avons longuement parlé en commission ce mardi, le gouvernement concentre son aide sur l'amélioration de la situation humanitaire, et en fait beaucoup. C'est peut-être moins visible, mais c'est certainement plus efficace pour améliorer la situation sur le terrain, ce qui devrait tout de même être l'objectif – je pense. La Belgique est le pays qui a le plus contribué en termes d'acheminement de l'aide à la population et d'exfiltration des blessés. Au prorata, nous devons être le premier pays dans le monde, et cela est très concret pour les gens sur le terrain, contrairement à la profusion quotidienne de déclarations symboliques.

Concernant l'assistance consulaire d'urgence à nos ressortissants à l'étranger, nous agissons conformément à ce qui est prescrit dans le Code consulaire. Je renvoie évidemment aux "Conseils aux voyageurs" en vigueur qui déconseillent de se rendre dans la région.

Je cite également le passage de l'accord de gouvernement qui vise à affiner le cadre d'assistance consulaire: "Nous clarifions le cadre de l'assistance consulaire pour les Belges en dehors du territoire européen. Il y aura des instructions claires pour les évacuations/extractions des zones à risque ou des zones de guerre, avec une responsabilisation de nos citoyens". Concrètement, si un citoyen belge se trouve en difficulté ou demande une assistance consulaire, celle-ci lui sera accordée conformément au Code consulaire et aux cadres diplomatique et juridique d'usage.

Cela comprend la communication avec les autorités locales et le soutien, conformément aux obligations internationales, mais pas une protection exceptionnelle ou préventive. Pour l'heure, la Belgique n'a pas prévu d'intervention diplomatique ou consulaire relativement à cette initiative. Cela dit, chaque situation sera évaluée au cas par cas. Je vous remercie de votre attention.

Rajae Maouane:

Monsieur le premier ministre, je suis atterrée par la nonchalance avec laquelle vous nous répondez. Se rend-on compte de ce qu'il se passe sur place? C'est un génocide. Je sais que ce mot vous met mal à l'aise. C'est un génocide qui est en train de se dérouler. Je vous remercie de vous référer à la commission de mardi! Vous avez parlé de longues minutes sans prononcer un seul mot pour les civils palestiniens, pour les enfants, les femmes et les hommes qui sont tués.

Bart De Wever:

( … )

Rajae Maouane:

Ce n'est pas un mensonge. Je pourrai consulter le compte rendu. Cette nonchalance est scandaleuse et m'estomaque. On ne peut pas empêcher les gens d'être estomaqués. Ne me traitez pas de menteuse, monsieur le premier ministre, s'il vous plaît! Je ne mens pas.

Bart De Wever:

( … )

Rajae Maouane:

Oui, il faut agir! Les citoyens agissent puisque votre gouvernement ne le fait pas assez. Du reste, les membres de la flottille vous ont écrit. J'ai les courriers ici et je vais vous les transmettre. Ils vous ont écrit, mais n'ont pas reçu de réponse satisfaisante. Nous ne pouvons qu'être (…)

Voorzitter:

Merci, madame Maouane. Une minute est une minute pour tous. Vous avez eu droit à une minute. La parole est à M. Boukili.

(…) : (…)

Voorzitter:

Une minute est une minute pour tous. Vous avez réagi, ce qui n'est pas obligatoire. Vous avez eu la possibilité de répliquer pendant une minute.

(…) : (…)

Voorzitter:

Je n'ai pas entendu la réaction du premier ministre. Vous n'êtes pas obligée de répondre, car cela ne figurera pas dans le compte rendu. Vous avez réagi à ce qui a été dit, mais cela ne figurera pas dans le compte rendu. C'est un peu étrange! Vous avez utilisé votre minute comme vous l'entendez, et c'est votre liberté.

À présent, la parole est à M. Boukili.

Monsieur Boukili, pour être clair, vous avez également droit à une minute.

Nabil Boukili:

Monsieur le premier ministre, vous dites que la Belgique fait beaucoup. Elle fait beaucoup pour soutenir et être complice du génocide actuel en Palestine. C'est cela que fait la Belgique aujourd'hui. Et là-dessus, vous n'avez pas dit un mot!

Quel est ce gouvernement qui n'est même pas d'accord sur l'accord qu'il a lui-même négocié? M. Bouchez dit "A", M. Prévot dit "B" et, vous, vous vous en fichez complètement. C'est ça la position de la Belgique aujourd'hui! Il y a un génocide en cours et vous ne prenez aucune mesure concrète contre ce génocide et contre l'État génocidaire.

Monsieur le premier ministre, votre réponse est une honte pour la Belgique. Elle n'est pas à la hauteur de la situation. Et si, vous, vous détournez le regard de ce qu'il se passe aujourd'hui contre le peuple palestinien, l'Histoire vous regarde et elle retiendra que vous êtes du côté des bourreaux.

Staf Aerts:

Mijnheer de eerste minister, ik dacht, ik houd het simpel en stel één enkele vraag: voert Israël volgens u een genocide uit op de Palestijnse bevolking. U hebt die vraag niet beantwoord. U hebt ze ook afgelopen dinsdag niet beantwoord. U krijgt het wederom niet over uw lippen dat Israël een genocide begaat op de Palestijnse bevolking. De bewijzen zijn er, rapport na rapport, beeld na beeld.

Het is niet onschuldig. U kiest daarmee de zijde van de Israëlische regering. Die genocide wil N-VA niet erkennen. De Holodomor op Oekraïners is voor de N-VA genocide. De N-VA wil eveneens de genocide op de jezidi's erkennen. Wat er nu gebeurt, dat is blijkbaar iets anders dan een genocide. U gebruikt twee maten en twee gewichten en beschermt opnieuw Israël met fluwelen handschoenen. Stop ermee. Zeg wat er te zeggen is: het is een genocide, punt uit.

Christophe Lacroix:

Monsieur le ministre, votre réponse est choquante parce que vous parlez de conseils de voyage, comme si ces jeunes pacifistes partaient en vacances sur la bande de Gaza. Non, ils partent parce que vous ne faites rien. Ils partent parce que les démocraties européennes laissent faire, parce que vous êtes un lâche, que vous laissez agir et que vous ne protégez pas ces citoyens qui vont risquer leur vie.

Vous ne me menacerez pas de me taire. Je me lèverai toujours contre des gens comme vous parce que vous les raillez, vous les méprisez, ces gens qui risquent totalement leur vie. Et il y a des Belges parmi eux. Ce sont des jeunes qui sont convaincus, qui viennent avec tout ce qu'ils peuvent – d'abord leur cœur et ensuite des aliments, pour aller là où les démocraties européennes ont failli, hormis l'Espagne et quelques autres. Vous êtes la honte de ce gouvernement et de ce pays!

Voorzitter:

Merci, monsieur Lacroix.

Mijnheer Van Hecke vraagt het woord voor een technische opmerking.

Stefaan Van Hecke:

Mijnheer de voorzitter, u was bijzonder snel om de microfoon van collega Maouane uit te zetten …

Voorzitter:

Na één minuut.

Stefaan Van Hecke:

… Ondanks constante onderbrekingen door de eerste minister, niet in de microfoon, maar iedereen heeft ze gehoord, behalve die kant van de zaal. Bovendien heeft de eerste minister – hij ontkent het trouwens niet, want hij heeft het daarna nog bevestigd – parlementslid Maouane beschuldigd van leugens. Ze was aan het spreken en de eerste minister zei dat ze een leugenaar is.

Dat is uw stijl, mijnheer de eerste minister, maar dat is niet de stijl van dit Huis. Dat is ongezien.

Het is minstens een persoonlijk feit, mijnheer de voorzitter. Als dat geen persoonlijk feit is, wat is het dan wel nog in dit halfrond? Ik vraag u dus, bij toepassing van het Reglement, om mijn collega de mogelijkheid te geven om te antwoorden op het persoonlijk feit.

Voorzitter:

Mijnheer Van Hecke, u bent een handig man, maar in het verslag zal geen enkel persoonlijk feit geregistreerd staan en dus is er ook geen persoonlijk feit. Anders zou iedereen in de zaal kunnen reageren op wat dan ook en kan daarop worden voortgeborduurd om die minuut te verlengen. Ik ga daar niet op in, want dan openen we de doos van Pandora en kan iedereen zichzelf het recht toe-eigenen om die minuut uit te melken. Mevrouw Maouane heeft een minuut reactietijd gehad. Niemand heeft de collega verplicht te reageren op niet-geregistreerde opmerkingen. Zij had haar volledige exposé kunnen brengen indien ze dat had gewild. Ze heeft er echter voor gekozen te reageren op iets waarover wie later het verslag zal lezen zich zal afvragen waarop dat een reactie is. Er zal namelijk helemaal niets staan. Dat is de keuze en de vrijheid die ik voor alle duidelijkheid respecteer en verdedig. U kunt echter niet van mij verwachten dat ik geval per geval zal nakijken wie in het halfrond aanleiding heeft gegeven om die minuut te verlengen. Het spijt me, maar ik kan hier geen persoonlijk feit vaststellen. Een persoonlijk feit wordt geregistreerd via de microfoon en opgenomen in het verslag. Als we daarvan afstand nemen, collega Van Hecke, weet ik niet waar het einde nog kan worden gevonden. Als u mij toestaat, wil ik nu voortgaan met de vragen. U zult mogelijk nog andere opmerkingen hebben, maar ik denk niet dat ze mijn mening zullen doen veranderen.

De aanpak van de onveiligheid

Gesteld door

lijst: VB Barbara Pas

Gesteld aan

Bart De Wever (Eerste minister)

op 18 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Barbara Pas (VB) hekelt de escalerende schietpartijen, personeelstekorten bij politie/justitie en het gebrek aan noodmaatregelen zoals legerinzet, terwijl de regering volgens haar enkel vervroegde vrijlatingen van buitenlandse criminelen doorvoert. De Wever antwoordt dat het regeerakkoord een langetermijnplan bevat (met defensie-ondersteuning en internationale samenwerking), maar erkent dat snelle oplossingen voor bendegeweld en drugscriminaliteit onrealistisch zijn. Pas kaatst terug dat zijn beloften ("orde op zaken") falen: straffen worden niet uitgevoerd, elektronisch toezicht vervangt detentie, en gevaarlijke criminelen (zoals Trabelsi) lopen vrij – terwijl wapenarsenalen (1000 bommen/granaten) de realiteit zijn. Kern: scherp conflict over veiligheidsbeleid – VB eist harde actie, regering wijst op structurele plannen zonder directe resultaten.

Barbara Pas:

Mijnheer de premier, er ging deze zomer geen week voorbij zonder schietpartij.

Neem nu 7 augustus, toen in Brussel de vijftigste schietpartij dit jaar plaatsvond, de zesde met een dodelijk slachtoffer, een jongeman van zeventien jaar. Die vele schietpartijen en incidenten waren deze zomer aanleiding voor procureur des Konings Moinil om een noodkreet te slaken en het grote personeelstekort aan te kaarten.

Hij stelde onder meer dat "de vele duizenden illegalen een haast onuitputtelijke wervingsreserve vormen voor de drugsbendes". Hij zei ook dat hij begrijpt "dat sommige agenten moedeloos worden wanneer ze dezelfde persoon drie, vier of zelfs tien keer arresteren en die telkens weer vrijkomt". Alleen het Vlaams Belang vond dat belangrijk genoeg om daar tijdens de vakantie een commissie over bijeen te roepen. Voor alle andere partijen was het buitenland belangrijker dan het binnenland.

Toen u burgemeester van Antwerpen was, verweet u de toenmalige premier afwezigheid. Naar aanleiding van de dood van een jong meisje vroeg u toen de bijeenroeping van de Nationale Veiligheidsraad. U vroeg meer mensen om alles gerechtelijk op te volgen. U vroeg snel het leger in te zetten. Nu er aan de lopende band mensen sterven, blijft u afwezig.

Wanneer zal het leger inspringen? Volgens minister Quintin nog dit jaar, maar hij werd meteen teruggefloten door minister Francken, die dat de eerstvolgende acht maanden niet ziet zitten. Komen er überhaupt noodmaatregelen, mijnheer de premier, om de criminaliteit in onze steden onder controle te krijgen? De enige noodwet die wij van deze regering al gezien hebben, was er namelijk een om meer vervroegde vrijlatingen te voorzien, omdat de gevangenissen propvol zitten met buitenlandse criminelen. Ik ben zeer benieuwd wanneer er actie komt.

Bart De Wever:

Goede collega, 'geen week voorbij zonder schietpartij', ook poëzie is een moeilijk genre, maar dat is dan weer ironie, en ook dat is een moeilijk genre.

U weet dat we bezig zijn met de uitrol van het regeerakkoord inzake veiligheid en dat dat een uitgebreid hoofdstuk is. Ik denk dat dat hoofdstuk goed in elkaar zit en dat het resultaten op het terrein zal geven, maar dat zal niet van vandaag op morgen gebeuren. Ik zou net als u heel graag zien dat we zo snel mogelijk geen criminaliteit meer zien, en zeker niet de zware, gewelddadige criminaliteit die altijd aan de georganiseerde misdaad, met name de drugshandel, verbonden is. Ik wou dat we het bendegeweld in de Brusselse straten en het intimidatiegeweld in Antwerpen, gelieerd aan de haven, niet meer moeten zien, maar dat doen verdwijnen van vandaag op morgen is helaas niet realistisch.

De regering werkt zeker aan een plan waarbij ook vanuit Defensie meer wordt bijgedragen aan de algemene binnenlandse veiligheid. In het regeerakkoord staat omschreven op welke voorwaarden dat kan en wat er niet kan.

In onze hoofdstad is er zeker capaciteit nodig. Op dit moment al wordt er, ten gevolge van een regeringsbeslissing, capaciteit vrijgemaakt voor Binnenlandse Zaken door middel van de inzet van Defensie. Het gaat dan over soldaten die de kerncentrales bewaken, waardoor mensen van de DAB vrijkomen om ingezet te worden elders op het terrein.

De ministers van Binnenlandse Zaken en Defensie staan in nauw contact met elkaar en als er nieuwe beslissingen worden genomen die ze naar de regering willen brengen, dan zullen we het daar zeker nog over kunnen hebben. We staan daar uiteraard heel open voor.

Laat ons echter realistisch zijn, het is een werk op lange termijn en het is ook een werk dat veel internationale samenwerking zal vergen. U hebt de tijd niet gehad om het bezoek van de Amerikaanse minister aan te halen. Sta me toe heel snel nog te zeggen dat dat een zeer vruchtbaar bezoek was en dat ik hoop dat we met de United States in de komende jaren nauw zullen kunnen samenwerken.

Barbara Pas:

Orde op zaken, dat was uw belofte, mijnheer de premier. Dat dit communautair niet het geval was, wisten we al bij aanvang. Dat dit budgettair niet het geval is, weten we ondertussen ook. Op het vlak van veiligheid is het eveneens nul op het rekest. U zegt dat u aan een plan werkt. Vroeger pleitte u echter voor de uitvoering van elke straf, hoe kort ook. U vond elektronisch toezicht destijds geen straf. Vandaag voeren u en uw partij massaal enkelbanden in en zijn er massaal vervroegde vrijlatingen. Met de regering-De Wever wordt 91 % van de illegale criminelen eenvoudigweg vrijgelaten. Zelfs uw lakse voorgangers konden de terugkeer van een terrorist als Trabelsi jarenlang tegenhouden. Met de regering-De Wever loopt hij hier echter opnieuw vrij rond. Duizend bommen en granaten, mijnheer de premier, dat was vroeger iets voor stripverhalen. Vandaag is dat de bittere realiteit. Orde op zaken. Wie gelooft dat nog? Wie gelooft u nog?

De aanpak van de schietpartijen en de geldstromen in het kader van de war on drugs
Het drugsgeweld in Brussel
Het drugsgeweld, de straffeloosheid en de draaideurcriminaliteit in Brussel
De inzet van gemengde patrouilles van militairen en politieagenten in Brussel
Het ‘Plan Grote Steden’
Maatschappelijke en veiligheidsmaatregelen tegen drugsgerelateerd geweld, straffeloosheid en criminaliteit in Brussel

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 18 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De recordaantal schietincidenten en druggerelateerd geweld in Brussel en Antwerpen domineert de discussie, met kritiek op het falend federale beleid dat te eenzijdig inzet op zichtbare repressie (meer politie/militairen) zonder de financiële en logistieke kern van de drugscriminaliteit aan te pakken. Minister Quintin verdedigt zijn Plan Grote Steden (extra onderzoekers, camera’s, ANPR-koppeling, BELFI-acties) en belooft snelle inzet van militairen in hotspots, maar oppositie en magistratuur wijzen op gebrek aan concrete resultaten, coördinatiechaos (ontbrekende taskforce, trage justitiehervormingen) en structurele tekorten (vacatures, gebrek aan gespecialiseerde eenheden). De roep om een integrale aanpak—van witwassen en drugsgeld tot gevangenisnetwerken—blijft onbeantwoord, terwijl de symbolische inzet van militairen als zwaktebod wordt afgedaan.

François De Smet:

Monsieur le ministre, cet été fut sans doute le pire été de fusillades de notre histoire récente; avec des victimes, des quartiers dans la peur, des balles perdues qui, un jour ou l'autre, vont aussi toucher des innocents.

À tel point que Julien Moinil, notre procureur du Roi de Bruxelles, a convoqué en urgence une conférence de presse pour réveiller et fustiger le monde politique, tous niveaux confondus – soyons honnêtes – mais en pointant d'abord du doigt le fédéral, et en soulignant à quel point le fédéral ne lui donne pas assez de moyens pour agir.

Le message de ce gouvernement en la matière est connu. Il est exclusivement et surtout sécuritaire, karcher, binaire, un peu MR. Il consiste surtout à essayer de mettre du bleu ou du kaki dans les rues.

Faisons pourtant le constat ensemble, un constat que j'invite à faire: oui, on arrête de plus en plus de personnes. On a arrêté plus de 7 000 personnes dans les rues récemment. Pourtant, les fusillades continuent. Pourquoi? Parce que les petits dealers que nous arrêtons sont de la chair à canon. Parfois nous n'avons pas la place pour les contenir et nous devons les relâcher; parfois nous les gardons. Dans tous les cas, ils sont remplacés extrêmement rapidement, parce que la machine qui se trouve derrière eux a une puissance financière et corruptive extraordinaire et les remplace du jour au lendemain.

Tant que vous ne frapperez pas les têtes, tant qu'on ne frappera pas les portefeuilles, nous allons remplir simplement le tonneau des Danaïdes. Je n'ai aucun plaisir à le dire. Vous avez de l'ambition pour nettoyer les rues, mais je ne vois pas l'ambition dans votre gouvernement pour s'attaquer réellement à la criminalité financière et au blanchiment d'argent.

Nous avons proposé un parquet national financier. On nous a dit non, alors qu'en France cela marche et ça rapporte des milliards. Nous avons proposé un secrétariat d'État à la lutte contre la criminalité financière. Cela marche ailleurs, mais on nous a dit non également.

Je ne dis pas que vous ne faites rien, mais nous ne gagnerons pas cette guerre avec juste du bleu ou du kaki dans les rues. Nous la gagnerons quand les gains de la cocaïne seront anéantis, et là-dessus nous ne voyons rien. Je vous remercie.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, 63 schietpartijen, 7 doden en 28 gewonden. Brussel staat momenteel in de top drie van hoofdsteden met de meeste schietincidenten. Dan heb ik het nog niet over de granaten in Antwerpen.

Het gaat echter over wijken waar mensen wonen, pleinen waar zelfstandigen winkels uitbaten en parken waar kinderen spelen. Het gaat over straten waar mensen wonen, leven en werken. Het lijkt alsof we het geweld in onze hoofdstad en in Antwerpen allemaal normaal zijn beginnen te vinden.

Mijnheer de minister, ik stel vast dat u regelmatig op het terrein gaat en dat is uiteraard goed. Ik hoor en zie evenwel vooral veel aankondigingen van u, van uw collega's Francken en Verlinden en ook van de premier. Dagelijks lees ik nieuwe aankondigingen in de pers. Tezelfdertijd zegt de procureur van Brussel echter dat er naar hem geluisterd wordt, maar dat hij niets krijgt. Dat vind ik hemeltergend.

Daarom vraag ik u vandaag geen nieuwe aankondigingen. Ik vraag u vandaag alleen een engagement en een concrete timing. Wanneer zult u uitvoeren wat u hebt beloofd? Wanneer komen de extra handen en ogen er? Wanneer wordt het camerasysteem in Brussel op punt gesteld? Wanneer zult u samen met uw collega Verlinden actie ondernemen, zodat drugsnetwerken niet langer vanuit de gevangenis aangestuurd worden? Wanneer komen de drugsbehandelingskamers er? Er wordt ook veel gesproken over samenwerking, maar wanneer komt die taskforce er? De premier heeft met veel bombarie aangekondigd dat er een taskforce zou komen die alles zou oplossen, maar sindsdien heb ik niets meer van die taskforce gehoord. Kortom, wanneer krijgen de mensen hun straten, pleinen en parken terug? Dank u wel.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, ik verwijs naar de uitlatingen van de korpschef van de zone Brussel HOOFDSTAD Elsene, Michel Goovaerts, die bij u goed bekend is en die aan de alarmbel heeft getrokken omwille van de situatie in Brussel: een toenemende drugsplaag, gepaard met drugsgeweld. Ik citeer hem, mijnheer de minister: "Een dosis coke vind je al voor vijf euro. Vijf euro, dan is het geen product meer voor de happy few. Dat is de Colruytmethode: massaal en goedkoop". Een volgend citaat: "Het is vandaag veel makkelijker om via sociale media een wapen te kopen. Vroeger moest je iemand kennen in het milieu. Nu volstaat een berichtje."

Het zijn citaten, mijnheer de minister, die wij niet zomaar naast ons neer kunnen leggen. We moeten vaststellen dat steeds meer jongeren, soms al van 12, 13 jaar oud, in de criminaliteit belanden. Ook de feiten van geweld spreken voor zich. Op 12 augustus stond de teller al op 57 schietincidenten in 2025, waarvan meer dan 60 % gelinkt is aan de criminaliteit. Illegalen die misdrijven plegen, komen steevast vrij. Die groep maakt een steeds groter deel uit van de gevangenispopulatie. Op die manier is het dweilen met de kraan open voor onze politiediensten.

Mijnheer de minister, hoe zit het met die taskforce van de premier? Waar zijn de resultaten? Waar zijn de oplossingen? Is deze regering eigenlijk nog geïnteresseerd in de binnenlandse veiligheid, in plaats van nu al maandenlang te palaveren over buitenlandse veiligheid?

Maaike De Vreese:

Minister, het is geen goed teken als men militairen moet inzetten op straat. Het doet mij terugdenken aan de periode na de verschrikkelijke aanslagen. Het wil zeggen dat de situatie ernstig is, dat ze niet onder controle is. Men doet dit immers niet voor zijn plezier, omdat men het leuk vindt, maar wel omdat de noodzaak er is in een zeer kritieke situatie.

De rampzalige veiligheidssituatie in Brussel is het gevolg van jarenlang malgoverno door de PS. Die burgemeesters steken nu nog altijd de kop in het zand. De sense of urgency om een Brusselse regering te vormen is er nog altijd niet. We need to take back control. Daarvoor zijn hervormingen zeer belangrijk, waaronder vooreerst de eenmaking van de Brusselse politiezones, extra cameranetwerken, de activering van het Kanaalplan en uw Plan Grote Steden en de inzet van specifieke politieteams. De federale politie moet hervormen. Blauw moet meer op straat.

Defensie staat klaar met een juridisch kader dat ervoor zorgt dat militairen op straat effectief kunnen optreden. Wat veel te vaak ontbreekt – ik wil dat nogmaals aanhalen – is de verantwoordelijkheid van de drugsgebruiker. Aan elk lijntje en aan elke pil kleeft bloed. Er zijn al veel te veel doden gevallen. Minister, ik hoop dat u blijft wijzen op die verantwoordelijkheid. U hebt onze volledige steun in de strijd tegen de drugscriminaliteit.

Hoever staat u met de uitwerking van uw grote plan?

Paul Van Tigchelt:

De problemen zijn u bekend, mijnheer de minister, want u gaat regelmatig op het terrein en dat siert u. U toont zo uw betrokkenheid. U weet ook dat het geen gemakkelijke strijd is. Een mirakeloplossing bestaat niet. Ik weet wel en u weet ook dat we een overheid nodig hebben die kort op de bal speelt. De drugsmaffia past zich aan, de overheid moet zich ook constant aanpassen. Op dat vlak is het inderdaad zo, mijnheer de minister, dat we wachten op concrete maatregelen. Daarvan is hier al melding gemaakt.

Ik kan u geruststellen, collega Vandemaele, de taskforce georganiseerde criminaliteit bestaat en komt samen, maar heeft nog geen resultaten, geen concrete maatregelen opgeleverd. Ik zeg dat niet, maar de procureur van Brussel en andere actoren op het terrein.

Een tweede voorbeeld. In het regeerakkoord is er sprake van een structurele versterking op korte termijn van de federale gerechtelijke politie van Brussel en Antwerpen. Ik heb daar de voorbije maanden regelmatig vragen over gesteld, maar daar is geen sprake meer van.

Een derde voorbeeld. De minister van Justitie – want u staat er niet alleen voor, mijnheer de minister – heeft deze zomer tweemaal verklaringen afgelegd in de pers. De eerste verklaring was dat zij een taskforce strafuitvoering heeft opgericht, die met aanbevelingen zal komen in 2028. Dat was de eerste aankondiging. De tweede aankondiging van de minister was dat zij 1 miljard euro extra nodig heeft.

Er zijn dus geen concrete hervormingen, geen concrete maatregelen. Daar wachten we nog op. Misschien moet u ook eens spreken met de premier. Hij was de burgemeester van Antwerpen. In Antwerpen zijn snelleresponsteams, quick response forces , opgericht. Dat zijn teams van hypergespecialiseerde politieagenten. Die agenten zijn zinvoller dan militairen, want die militairen zijn volgens mij een zwaktebod, een teken van onmacht, los van de discussie wanneer en met welk mandaat ze zouden worden ingezet.

Welke concrete maatregelen zult u nemen? Wat is er afgesproken binnen de Nationale Veiligheidsraad?

Bernard Quintin:

Mesdames et messieurs les députés, l'été à Bruxelles, mais pas seulement à Bruxelles, a été difficile. Plus de 20 fusillades ont été à déplorer, dont certaines en plein jour, ce qui est une évolution remarquable, au sens premier du terme. J'ai tenu à me rendre auprès des habitants des quartiers concernés, pour les écouter, d'abord; pour leur garantir le plein soutien et l'engagement de ce gouvernement aussi. Car oui, ce gouvernement agit – we werken – pour les Bruxellois, les Bruxelloises et pour l'ensemble des Belges.

C'est la raison pour laquelle j'ai, depuis sept mois, déployé un large arsenal de mesures destinées à lutter contre le narcotrafic dans notre pays. Je pense tout d'abord au renforcement constant de la police judiciaire fédérale (PJF), singulièrement à Bruxelles, qui se poursuit en deux temps. Au travers d'abord d'un renforcement temporaire direct de 31 enquêteurs pour parer à l'urgence de la situation et répondre directement aux demandes légitimes du procureur du Roi, auquel on fait dire beaucoup de choses, mais avec lequel je suis en contact permanent. Mais aussi via un renforcement structurel, puisqu'aux 720 membres du personnel actuel de la PJF Bruxelles s'ajouteront 40 nouveaux enquêteurs d'ici fin novembre.

Il y a actuellement encore 30 postes vacants. Le recrutement des forces de police n'est pas une difficulté qu'à Bruxelles. Celle-ci se pose dans tout le pays et, non, ça n'est pas une question de moyens financiers, c'est une question de choix politiques. Et je pense avoir démontré ces sept derniers mois que mes choix politiques en la matière sont clairs. Comme j'ai déjà eu l'occasion de le dire, j'aimerais bien avoir une imprimante 3D et, chaque fois qu'on me demande des policiers, appuyer pour en avoir 50 par-ci, 100 par-là, 60 par-là. Si quelqu'un a cette machine, de grâce, prêtez-la moi!

Mais, en attendant qu'elle soit créée, nous devons renforcer l'attractivité du métier. C'est la raison pour laquelle je tiendrai un conclave dédié à la question en novembre, qui débouchera sur des décisions à court, moyen et long termes pour pouvoir recruter plus rapidement.

Mijnheer Vandemaele, mijnheer Depoortere, ik maak ook 20 miljoen euro vrij voor de installatie van camera's. Hiermee zullen we de lokale en de gerechtelijke overheden ondersteunen om nieuwe camera's te plaatsen op alle plekken waar dat nodig is.

Zoals u weet, zijn we al gestart met de koppeling van alle ANPR-camera's in het hele land aan één enkel systeem, zelfs in West-Vlaanderen. We hebben ook de 8.000 camera's van de NMBS toegankelijk gemaakt voor alle ordediensten, federaal en lokaal.

Ik denk ook aan de grootschalige controleacties die door de federale overheid worden uitgevoerd in samenwerking met de lokale politie, de zogenaamde FIPA-acties, en tot slot aan de zogenaamde BELFI-acties in de strijd tegen louche handelszaken die dienen als dekmantel voor witwaspraktijken, le blanchissement .

Met deze maatregelen van mijn Plan Grote Steden willen we de strijd tegen drugscriminelen en georganiseerde criminaliteit in onze steden opvoeren. Het zijn geen ballonnetjes, zoals gezegd wordt, maar concrete maatregelen waar we met de verschillende niveaus samen aan zullen werken. Dat is de enige manier om de oorlog tegen de drugshandel te winnen, du producteur au consommateur .

Mevrouw De Vreese, mijnheer Van Tigchelt, jullie vragen me naar de inzet van militairen in onze straten. Samen met de minister van Defensie werken we aan de inzet van politie en militairen samen in bepaalde hotspotzones van Brussel en elders in het land indien dat nodig zou zijn. Mijn bedoeling is dat dit zo snel mogelijk kan gebeuren, want de situatie in onze hoofdstad laat geen uitstel toe.

Ik heb gisteren nog overlegd met collega Francken om de modaliteiten van deze gemengde patrouilles vast te leggen.

Enfin, monsieur De Smet, d'abord vous ne m’aurez jamais entendu prononcer le nom d'une quelconque marque de machine à eau sous pression, mais vous m'interrogez sur la lutte contre le blanchiment d'argent et la nécessité d'attaquer les trafiquants au niveau du portefeuille.

L'intention du gouvernement est claire. À travers l'approche Follow the Value , nous voulons réinvestir les produits financiers captés dans la lutte contre le trafic de drogue au service de la sécurité de nos concitoyens. Ce travail avance à un rythme soutenu, en étroite collaboration avec le Commissariat national "drogues". Nous aurons donc l'occasion d'évoquer cela à nouveau en commission dans les prochaines semaines.

Il existe deux éléments supplémentaires. Concernant le parquet financier, je voudrais quand même signaler qu'il n'y a pas d'unanimité au sein du pouvoir judiciaire, entre autres chez les procureurs généraux, pour penser que c'est une bonne idée. Je ne dis pas qu'il ne faut pas renforcer la lutte contre cela, mais il ne faut pas non plus faire dire aux magistrats ce qu'ils ne disent pas forcément.

Et le deuxième élément dont je voulais parler, je pense que je l'ai oublié, mais je profite des dix dernières secondes pour dire que chaque mesure se trouve dans un ensemble. Je dis souvent qu'on prend une mesure, on la sort du contexte et on l’analyse pour dire que ce n'est pas suffisant. Je peux faire la même chose, mais moi je travaille à l'ensemble des mesures pour lutter contre le crime organisé.

Voorzitter:

Wie witwast, wast wit. Het is inderdaad geen evidentie.

François De Smet:

Monsieur le ministre, je vous remercie de vos réponses.

Vous annoncez beaucoup de mesures, même si toutes ne dépendent pas de vous. Plusieurs collègues vous ont interrogé au sujet de la fameuse task force annoncée par le premier ministre. Vous n’avez rien dit à ce sujet. Pour éviter que des efforts ne soient gaspillés de part et d'autre, il serait judicieux que le gouvernement agisse en ce domaine.

Je me réjouis de l'annonce relative aux 31 enquêteurs, mais vous savez comme moi que cela ne suffira pas à remplir le cadre. C'est pourquoi M. Moinil s'en émeut. En tout cas, c'est un début. J'insiste pour que ces policiers soient spécialisés.

À défaut de parquet financier, j'insiste aussi sur la nécessité de renforcer des services qui se trouvent déjà à votre disposition. Je pense ainsi à l'Office central de lutte contre la délinquance économique et financière (OCDEFO), qui réclame notamment de l'aide dans son expertise numérique afin de suivre l'argent là où il se trouve.

Enfin, s'agissant de l'armée dans les rues, nous voyons bien que cela relève d'une communication en mode "football panique". Vous allez déployer du kaki, alors que ces gens vont être obligés d'appeler la police. Cette disposition vise à rassurer la population et à produire de la communication, mais ce n'est pas cela qui empêchera certains de se tirer dessus à coup de Kalachnikov.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. U bent gaan luisteren, ook in de buurten. Dat wordt erg geapprecieerd. Dat was een belangrijk signaal van uw kant.

U merkt zelf op dat bij de maatregelen alles aan elkaar vasthangt. Wij mogen er niet één maatregel uithalen. Dat klopt.

Onze minister van Justitie zal echt wel een tandje moeten bijsteken om samen met u tot oplossingen te komen. Ik had gehoopt dat de taskforce dé plaats zou zijn waar de premier dergelijke zaken zou coördineren. Daarover heb ik in uw antwoord echter weinig gehoord.

Ik haal een aantal elementen uit uw antwoord, onder meer de inzet van militairen. Als de minister van Binnenlandse Zaken militairen op straat inzet, betekent dat het failliet van uw beleid. Er bestaat geen mooier signaal om duidelijk te maken dat u het opgeeft.

Binnenlandse veiligheid behoort altijd te worden verzekerd door politiemensen. Daarom moeten wij vermijden dat onopgeleide personen zonder kader op straat worden ingezet. Zij hebben daar trouwens ook niet voor gekozen. Dat is de foute weg.

Geef de straten en pleinen terug aan de Brusselaars en aan de Antwerpenaren.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, collega's, gelooft nog iemand de huidige regering?

Ik zal u een aantal maatregelen van het Vlaams Belang meegeven waardoor de regering wat geloofwaardigheid kan winnen. Ten eerste, richt gespecialiseerde eenheden op binnen de politie en richt een drugsagentschap op. Ten tweede, benut het crimineel drugsgeld en herinvesteer dat in handhaving. Richt daarvoor een drugsfonds op. Ten derde, voer de razzia's tegen drugsbendes op. Jaag die bendes op en maak hen het dealen onmogelijk. Ten vierde, zet de criminele illegalen uit ons land. De enige draaideur die zij zouden moeten kennen, is de draaideur op de luchthaven van Zaventem.

Mijnheer de minister, met andere woorden, het is tijd om recht en orde te herstellen.

Maaike De Vreese:

Mijnheer de minister, dit zal inderdaad met een algemeen plan moeten gebeuren, met mensen die ter plaatse actief zijn om de drugsproblematiek aan te pakken. Ik bedoel voornamelijk meer blauw op straat en u weet dat u daarvoor ook heel wat capaciteit moet vrijmaken. Ik weet dat dit enorme inspanningen vergt van de federale politie, maar zij moeten daar zelf toe in staat zijn. Als we militairen inzetten op het terrein en als zij een meerwaarde moeten betekenen, moeten zij ook een juridisch kader hebben waarbinnen zij kunnen optreden. We zeggen van de politie dat zij geen sitting ducks mogen zijn, maar dat geldt zeker ook voor onze militairen.

Mijnheer de minister, u komt vaak op het terrein. U verwees even naar West-Vlaanderen alsof het de Far West was. Ook daar kampen we echter met drugscriminaliteit. Ik nodig u uit om op bezoek te komen. Ik ben er zeker van dat onze sheriff, gouverneur Decaluwé, u met veel plezier zal ontvangen.

Voorzitter: Eric Thiébaut.

Président: Eric Thiébaut.

Paul Van Tigchelt:

Dank u, mijnheer de minister, voor uw concrete antwoorden. De vraag die hier vandaag rijst, is of we genoeg doen. Kan het beter, kan er meer? Ja, dat kan. We moeten een tandje bijsteken. We kunnen beter. Ik wil u alleen nog waarschuwen: wees voorzichtig met het uitbesteden van veiligheid. Veiligheid is immers een kerntaak van de overheid. Besteed die niet uit aan het leger en ook zeker niet aan de vrouwen zelf. Collega Beenders, ik heb uw voorstel gehoord om vrouwen uit te rusten met pepperspray. Het is echter de overheid die zorgt voor de veiligheid. Pas tot slot ook alstublieft op met uw wetsontwerp waarmee u het mogelijk wil maken dat de regering groeperingen buiten de wet stelt. Ik vraag u dat als liberalen onder elkaar. Gooi de Grondwet niet in de vuilbak. Artikel 27 van de Grondwet, de vrijheid van vereniging, is heilig. Het is niet aan de regering om zulke maatregelen te nemen. Alstublieft, stop daarmee en trek dat wetsontwerp in.

Het laattijdige optreden van de politie nadat er naaktbeelden v.e. 14-jarige leerlinge circuleerden

Gesteld door

lijst: CD&V Franky Demon

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 18 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Een 14-jarig meisje uit Leuven werd slachtoffer van verspreide naaktbeelden, terwijl de politie haar ouders pas na dagen liet langskomen—wat cd&v aanhaalt als bewijs voor het gebrek aan nabijheidspolitie en dringende hervorming. Minister Quintin erkent het falen, belooft strikte richtlijnen voor prioritaire behandeling van dergelijke zaken en benadrukt snelle actie via politie-scholen-samenwerking, met steun via Child Focus (116000). Demon dringt aan op concrete uitvoering van de beleidsbelofte (1 wijkagent per 2.000 inwoners) voor betere zichtbaarheid en bereikbaarheid. De kern: systematische versterking van lokale politie om slachtoffers van digitale misdrijven onmiddellijk te beschermen.

Franky Demon:

Mijnheer de minister, beeld u in dat uw minderjarige dochter van school thuiskomt, huilend, en meteen naar haar kamer loopt. Uiteindelijk verneemt u dat er een naaktvideo van uw dochter in haar school circuleert. Als vader zou ik daar kapot van zijn. Het is vandaag echter de realiteit van een veertienjarig meisje in een Leuvense school.

Iedereen begrijpt dat de wereld van dat kind en haar ouders volledig instort, maar de politie zegt hun om pas tegen het einde van de week langs te komen om aangifte te doen. Dat is onbegrijpelijk. Het is niet te verwonderen dat die mensen zich compleet in de steek gelaten voelen. Het toont nog maar eens aan waarom cd&v zoveel belang hecht aan het idee van de nabijheidspolitie, een politie die sterk verweven is in de wijken, een politie die bereikbaar, aanspreekbaar en zichtbaar is, altijd. Daar moeten we, mijnheer de minister, ook op het federale niveau nog veel meer een prioriteit van maken.

Onze lokale politiekorpsen doen vandaag wat ze kunnen, maar hun middelen en mankracht zijn beperkt, waardoor keuzes moeten worden gemaakt, maar dat moeten dan wel de juiste keuzes zijn. Iedereen heeft er begrip voor dat voor niet-dringende aangiftes een afsprakensysteem geldt, maar voor dergelijke ernstige feiten waarbij minderjarigen betrokken zijn, moet de politie de klok rond bereikbaar zijn, om situaties zoals we die vandaag meemaken absoluut te vermijden.

Laten we dus samen de juiste keuzes maken. Dat betekent dat we onze lokale politiekorpsen de middelen moeten geven om de nabijheidspolitie in de praktijk te brengen. Wat zult u hiervoor ondernemen, mijnheer de minister?

Bernard Quintin:

Mijnheer Demon, het verhaal van dat meisje is bijzonder pijnlijk en schrijnend. Ik betreur ten zeerste wat er is gebeurd. Ik heb mijn diensten onmiddellijk gevraagd dat grondig uit te klaren en na te gaan hoe dat precies heeft kunnen gebeuren. Intussen kan ik u bevestigen dat de politie met de zaak bezig is. Het is voor mij duidelijk dat de urgentie van dergelijke meldingen beter moet worden ingeschat. Daarom zullen er op mijn vraag op korte termijn de nodige interne richtlijnen worden uitgevaardigd.

Laat mij heel duidelijk zijn: het verspreiden van naaktbeelden van minderjarigen is een ernstig misdrijf. Het tast de fysieke en persoonlijke integriteit van de betrokkenen aan. Voor de slachtoffers van dat soort situaties is snelle actie absoluut noodzakelijk. Meldingen van dit type feiten moeten door de diensten, zowel bij de lokale als bij de federale politie, prioritair worden behandeld. Dat vereist een kordate en onmiddellijke reactie in nauwe samenwerking tussen scholen en de politie.

Ouders en jongeren moeten erop kunnen vertrouwen dat zij overal en altijd snel en professioneel geholpen worden. Wij moeten en zullen samen alles op alles zetten om dergelijke situaties in de toekomst te vermijden en slachtoffers beter te beschermen.

Tot slot wil ik benadrukken dat slachtoffers en hun ouders altijd terechtkunnen bij de hulplijn van Child Focus, via het nummer 116000.

Franky Demon:

Ik dank u, mijnheer de minister. U toont begrip en u geeft ook kordate stappen aan die u op korte termijn wilt ondernemen. Voor ons moet de politie altijd aan de zijde staan van degenen die hulp en bescherming binnen onze maatschappij nodig hebben, ook op moeilijke momenten. Wij geloven zeer sterk in nabijheidspolitie. Ik vraag u dan ook werk te maken van wat in de beleidsnota staat. Dat is wat wij als cd&v hebben gevraagd: één wijkagent per 2.000 inwoners. Zij kunnen helpen om nog beter de oren en de ogen op het terrein te zijn. Ik hoop dat u aan die kar trekt en dat artikel van de beleidsnota zo snel mogelijk waarmaakt. Dank u wel.

Gewelddadige kolonisten, kolonistenorganisaties, alsook leden van Hamas
Het ontzeggen van D-visa voor Israëli’s die in de illegale kolonies wonen
Gewelddadige actoren en visumbeperkingen in Israëlisch-Palestijns conflict

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 17 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België kondigde aan extremistische Israëlische ministers (Ben-Gvir, Smotrich) en Hamas-leiders als *persona non grata* te verklaren en pleit voor Schengen-brede visumopschorting, maar Van Bossuyt bevestigt dat haar dienst hiervoor nog geen concrete stappen zette—individuele motivering (veiligheidsdreiging) en inlichtingen van veiligheidsdiensten (SGRS/OCAD) zijn vereist, met rechtsmiddelen mogelijk. EU-sancties (bevriezing tegoeden, reisverbod) waren al van kracht, maar België implementeerde ze kennelijk niet volledig; deadlines voor nieuwe sancties of de juridische analyse over D-visaweigering voor kolonisten ontbreken, en uitbreiding naar andere visacategorieën is onzeker. Geen automatische weigering mogelijk: elke beslissing moet individueel gemotiveerd worden, ook bij gezinshereniging.

Matti Vandemaele:

Op 2/9 besloot het kernkabinet " om duidelijke sancties voor te stellen tegen gewelddadige Israëlische kolonisten en verantwoordelijken van Hamas, op basis van de lijsten van de EU, Canada en het VK: financiële beperkingen, het bevriezen van tegoeden, een inreisverbod, enzovoort. In afwachting van deze voorstellen zal België deze gewelddadige kolonisten en terroristen van Hamas die op de Europese lijst staan, per direct als persona non grata verklaren op Belgisch grondgebied."

Ook zou België "de extremistische ministers Itamar Ben-Gvir en Bezalel Smotrich, evenals de politieke en militaire leiders van Hamas, tot persona non grata verklaren op haar grondgebied. Binnen de Schengengroep zal gepleit worden voor het opschorten van de visumverlening aan deze personen en aan de individuen die in het vorige punt zijn genoemd. Deze lijst kan verder worden uitgebreid indien er voldoende Europese steun voor is."

De Europese lijsten, zoals onder meer vastgelegd in het specifiek sanctiekader voor Hamas en de Palestijnse Islamitische Jihad op 19 januari 2024 en de aanvullende sancties voor extremistische Israëlische kolonisten op Westelijke Jordaanoever en in Oost-Jeruzalem op 15 juli 2024, hebben al tot gevolg dat "hun tegoeden bevroren worden. Ook is het krachtens die sancties reeds verboden hun direct of indirect tegoeden of economische middelen te verstrekken. Daarnaast geldt er voor de op de lijst geplaatste personen een reisverbod naar de EU." Enkele vragen:

Als de kern nu stelt dat de personen die op deze Europese lijsten staan, per direct als persona non grata verklaard zullen op BE grondgebied, betekent dan dat dit in België nog niet het geval was? En heeft België dus geen gevolg gegeven aan de voornoemde EU-sanctiebesluiten?

Als de kern nu stelt dat de Belgische diensten nu gaan onderzoek hoe "financiële beperkingen, het bevriezen van tegoeden en een inreisverbod" kunnen worden voorgesteld op die Europese lijsten, betekent dan dat dit in BE nog niet het geval was? En heeft BE dus geen gevolg gegeven aan de voornoemde EU-sanctiebesluiten?

Wat is de deadline waarop uw diensten duidelijke sancties moeten voorstellen op basis van voornoemde lijsten?

Welke bijkomende personen zal DVZ op basis van dit besluit invoeren in het Schengeninformatiesysteem (SIS), met de aantekening dat ze niet langer welkom zijn op het Belgische grondgebied? En welke van voornoemde personen en personencategorieën waren reeds niet welkom op het Belgische dan gehele Schengengebied?

De federale regering besloot op 2 september om u te vragen "om een juridische analyse uit te voeren naar de wijze waarop, in overeenstemming met het internationaal recht, verblijf in een bezet gebied door niet-Palestijnse aanvragers kan worden meegewogen, teneinde te onderzoeken in hoeverre deze situatie een invloed kan hebben op het weigeren van een D-visum voor lang verblijf."

Wat is de deadline van deze analyse?

Wat is de exacte onderzoeksvraag van deze analyse?

Verbindt u zich ertoe deze visa ook effectief consequent te weigeren, mocht dat juridisch mogelijk blijken?

Waarom beperkt deze analyse zich tot D-visa voor lang verblijf? Engageert u zich om ook andere visa op te nemen in de analyse en uw uiteindelijke besluiten?

Zal u deze personen die verblijven in illegale kolonies, persona non grata verklaren op het Belgisch grondgebied?

Zal u er binnen Schengen werk van maken dat deze aanvragers uit de illegale kolonies ook in andere Schengenlanden geen visa meer zullen krijgen?

Anneleen Van Bossuyt:

Collega Vandemaele, u stelt vragen over de beslissing van het kernkabinet over de financiële sancties. Dat valt niet onder mijn bevoegdheid. Evenmin valt het onder mijn bevoegdheid om iemand persona non grata te verklaren. Dan kom ik aan uw vragen over een inreisverbod. Een dergelijke beslissing wordt geregistreerd in de databank van de Dienst Vreemdelingenzaken en vormt een nationale signalering met het oog op weigering van toegang en verblijfsverbod in de zin van artikel 24 van het Schengeninformatiesysteem. Ik wijs erop dat een inreisverbod steeds in feiten en in rechten individueel moet worden gemotiveerd, bijvoorbeeld in geval van een aanslag of een bedreiging voor de nationale veiligheid of de openbare orde. De Dienst Vreemdelingenzaken moet dus beschikken over informatie afkomstig van de Belgische veiligheidsdiensten – SGRS, VSSE en het OCAD – voor elke geviseerde persoon. De beslissingen die in dit kader worden genomen, kunnen worden aangevochten bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Dat geldt eveneens voor het al dan niet afleveren van een visum. Telkens moet worden nagegaan of voldaan is aan de voorwaarden, bijvoorbeeld bij een visumaanvraag met betrekking tot gezinshereniging. Er kan dus niet consequent worden geweigerd zonder individuele motivering. Met betrekking tot de juridische analyse, de beperking tot visa D is een beslissing van de regering. Er is geen deadline voorzien voor dit onderzoek en de opdracht om die analyse uit te voeren is nog niet gegeven.

Illegaliteit en drugscriminaliteit in Brussel

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 17 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Van Bossuyt bevestigt de kritiek van procureur Moinil op het vrijlaten van 91% illegale criminelen door de Dienst Vreemdelingenzaken en wijt dit aan *"laks voorgaand beleid"*, maar belooft strengere maatregelen: meer gesloten centra, dwangterugkeer, levenslange inreisverboden en betere samenwerking met herkomstlanden via *conditionaliteit* (visa, handel, ontwikkeling). Van Belleghem (VB) betwijfelt de uitvoering, verwijzend naar tekort aan middelen en onvervulde beloftes, en kondigt strenge opvolging aan. Cijfers blijven vaag; de minister verwijst naar schriftelijke vragen. Kern: retourbeleid falend door capaciteitstekort, concrete actie blijft uit.

Francesca Van Belleghem:

Mevrouw de minister, op 12 augustus 2025 haalde Brussels procureur Julien Moinil fors uit naar de politiek. Hoewel een groot deel van zijn opmerkingen betrekking hadden op het beleid van de minister van Binnenlandse Zaken, komt uw portefeuille hier ook bij kijken, want hij stelde dat 91 % van de criminelen die illegaal in ons land verblijven noodgedwongen wordt vrijgelaten door de Dienst Vreemdelingenzaken.

Kunt u deze cijfers van procureur Moinil nader toelichten? Hoeveel illegalen betreft het? Hoeveel worden er weer vrijgelaten en wat zult u doen om deze cijfers te verbeteren?

Anneleen Van Bossuyt:

Mevrouw Van Belleghem, ik ben het volledig eens met de Brusselse procureur dat, mede door het laks beleid van de afgelopen jaren, het aantal mensen in illegaal verblijf veel te hoog is. Daarom zet deze regering in op een versterkt terugkeerbeleid, zodat de terugkeercijfers van illegale vreemdelingen stijgen.

Dit versterkte terugkeerbeleid omvat verschillende maatregelen: de verdubbeling van het aantal plaatsen in gesloten centra, het verhogen van het aantal escorteurs zodat illegalen die weigeren te vertrekken met dwang verwijderd kunnen worden, woonstbetreding, de invoering van een levenslang inreisverbod, een betere samenwerking met de landen van herkomst via het principe whole of government , dat conditionaliteit invoert tussen medewerking aan terugkeer en het visabeleid, ontwikkelingssamenwerking en handelsinvesteringen. Ook worden de terugkeerdiensten in gesloten centra versterkt met extra personeel.

Daarnaast heb ik begin dit jaar specifiek voor het Brusselse parket twee verbindingsambtenaren aangesteld om de identificaties te versnellen en de terugkeer te bevorderen. Tot slot is sinds enkele jaren een liaison aangesteld voor het hele Brussels Hoofdstedelijk Gewest, die samen met de politie en alle betrokken diensten onderzoekt welke acties kunnen worden ondernomen voor specifieke problematieken.

Voor verdere specifieke cijfers nodig ik u uit om een schriftelijke vraag te stellen, aangezien het hier opsommen van allerlei cijfers weinig "educatief" zou zijn.

Francesca Van Belleghem:

U geeft aan dat u het eens bent met procureur Moinil. Hij zei ook dat er wel geluisterd wordt, maar dat er niets wordt gedaan en dat er geen middelen komen om te verwezenlijken wat beloofd werd. Ook bij Binnenlandse Zaken zijn er niet genoeg middelen om de gedane beloftes uit te voeren. Het Vlaams Belang blijft dit opvolgen, opdat de beloftes gerealiseerd kunnen worden. Daarvoor ontmoeten wij elkaar immers om de twee weken in de commissie.

Het onderzoek naar corruptie in de gevangenis van Haren
Drugs in de gevangenis van Haren en de bedreiging van het personeel
Het onderzoek naar corruptie in de gevangenis van Haren
De grootschalige gerechtelijke operatie in Haren
De personeelsformatie van de gevangenis van Haren en de veiligheid in die strafinrichting
Het onderzoek naar corruptie in de gevangenis van Haren
Corruptie, drugs en veiligheidsproblemen in de gevangenis van Haren

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 17 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De grootschalige corruptieoperatie in gevangenis Haren (12 arrestaties, waaronder cipiers en gedetineerden) onthult diepgewortelde drugs- en intimidatieproblemen, waarbij criminelen via druk op personeel en gedetineerden met uitgaansvergunning illegale netwerken binnen de gevangenis bestendigen. Minister Verlinden kondigt verstrengde maatregelen aan: verplichte drugstesten, dronedetectie, anonieme meldpunten, isolatieregimes voor zware criminelen, versterkte screening bij aanwerving en weerbaarheidstrainingen, maar parlementsleden benadrukken dat praktische uitvoering en bescherming van personeel (anonimiteit, psychologische ondersteuning) dringend moeten verbeteren om vertrouwen in het systeem te herstellen. Overbevolking, onderbezetting en externe dreigingen (brandstichting, agressie) verergeren de crisis, terwijl samenwerking met politie en justitie cruciaal is—met Nederland en Frankrijk als voorbeeld voor strengere controles. Critici vrezen dat corruptie en drugshandel zich naar andere gevangenissen verspreiden en dat reïntegratie en werving van personeel in gevaar komen zonder structurele, snelle oplossingen.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, in de gevangenis van Haren heeft een grootschalige gerechtelijke operatie plaatsgevonden in het kader van een corruptieonderzoek. Volgens de media – u zult daarover meer toelichting geven – zijn er in totaal 12 mensen opgepakt. Volgens bepaalde bronnen gaat het om onder meer cipiers en andere personeelsleden, maar ook om gedetineerden die hun criminele activiteiten vanuit de gevangenis voortzetten.

Kunt u meer toelichting geven over die grootschalige gerechtelijke operatie? Kunt u de informatie uit de media bevestigen, met name dat het onderzoek zowel gericht zou zijn tegen cipiers en personeelsleden van de gevangenis als tegen gedetineerden? Heeft de gerechtelijke operatie een impact op de gevangenisorganisatie en hoe wordt dat desgevallend opgevangen? Tot slot, hebt u kennis, mevrouw de minister, van andere gevallen van corruptie in andere gevangenissen?

Stefaan Van Hecke:

Ik wil het iets ruimer bekijken. We hebben in de pers gelezen dat penitentiaire bewakingsassistenten, die zelf betrokken zouden zijn bij het binnenbrengen van drugs, het voorwerp zouden zijn van een onderzoek. Ik denk dat we ook naar de bredere aanpak moeten kijken.

Hoe pakken we dat aan? We weten namelijk ook dat er vanuit het criminele milieu soms zware druk wordt uitgeoefend op penitentiaire bewakingsassistenten. Er zijn voorbeelden van wagens die op de oprit in brand worden gestoken. De criminelen weten vaak waar de cipiers wonen. Ze zetten hem of haar, of de familie, onder druk om bepaalde zaken geregeld te krijgen. Hetzelfde geldt voor medegedetineerden die bijvoorbeeld een uitgaansvergunning hebben. Gedetineerden oefenen vaak heel zware druk uit op hun medegedetineerden die naar buiten kunnen. Zij worden onder druk gezet om drugs binnen te smokkelen. Men heeft schrik, want het gaat vaak om zeer zware criminelen. Die druk geldt voor de gedetineerden zelf en voor hun families.

Natuurlijk kunnen we zeggen – dat is een debat voor 1 oktober – dat er aan het einde van de rit een drugtest wordt uitgevoerd. Het probleem in se is echter de vraag hoe die drugs binnenkomen en welke criminele organisatie druk uitoefent op wie om wat te doen.

Beleidsmatig is dat volgens mij een belangrijk punt, waaraan we aandacht moeten besteden. Hoe beschermen we de penitentiair beambten? Kunnen we dat effectief doen? Er zijn er misschien die het gewoon voor het geld doen, maar er is ook het element van druk op personeel en op medegedetineerden.

Mijn vragen gaan daarover. Welke acties worden ondernomen en op welke manier kunnen we dat beter aanpakken? Hoe worden meldingen van bedreigingen of druk opgevolgd? Hebt u weet van druk op gedetineerden met een uitgaansvergunning? Zijn daar meldingen van en hoe wordt dat aangepakt? Met andere woorden, hoe pakt u dat breder aan, gelet op wat er in de actualiteit is verschenen?

Sophie De Wit:

Mevrouw de minister, de feiten zijn door collega Dillen al geschetst. Wat in Haren gebeurd is, de politieactie en de arrestaties, toont opnieuw aan hoe groot de uitdagingen zijn voor ons gevangeniswezen. Ik ben daar toch wel bezorgd over. Waarom? Omdat het nu net Haren betreft. Dat is een nieuwe, moderne instelling, die symbool zou moeten staan voor een veiligere en professionelere detentieomgeving. Zoals collega Van Hecke net zei, zullen penitentiair beambten misschien af en toe verleid worden, niet op een romantische, maar op een verkeerde manier. Ik denk dat ze ook vaak onder druk worden gezet door gedetineerden of door hun entourage. We weten allemaal uit eerdere feiten dat ook hun familieleden soms geviseerd worden.

Zoals collega Van Hecke zei, worden ook gedetineerden met een uitgaansvergunning soms onder druk gezet om nadien een en ander de gevangenis weer binnen te smokkelen. Al die feiten hebben we intussen al vaak gehoord. Ik denk dat dat, mevrouw de minister, het vertrouwen in het gevangeniswezen echt ondermijnt. Een grondige aanpak is volgens mij heel erg nodig. Veiligheid in en rond de gevangenissen is een noodzakelijke randvoorwaarde voor de veiligheid van onze samenleving in haar geheel. Ik heb in dat verband enkele vragen voor u.

Hoe worden de penitentiair beambten vandaag eigenlijk gescreend bij hun aanwerving? We weten dat het, zo heb ik destijds nog aangekaart, in Haren al eens te snel moest gaan. Heeft dat een impact?

Eens ze aan de slag zijn, mevrouw de minister, welke integriteits- en weerbaarheidsmodules zitten er in hun opleiding? Hoe kunnen ze gewapend worden tegen verleiding, druk en intimidatie?

Kunnen we in meldpunten en steunmechanismen voorzien voor personeel dat wordt geconfronteerd met bedreigingen? Wordt dat opgevolgd? Hebt u signalen dat er gedetineerden zijn waarop druk is uitgeoefend wanneer zij penitentiair verlof of uitgaansvergunningen kregen? Welke maatregelen zult u op korte termijn nemen om de instroom van drugs in de gevangenissen tegen te gaan en de problematiek in brede zin aan te pakken?

Tot slot, mevrouw de minister, in Nederland heeft men een verstrengd veiligheidsregime voor de zwaarste drugscriminelen. Zouden we dat ook kunnen overwegen? Is daar een wetgevend initiatief voor mogelijk? Moeten we dat dan niet grondig bekijken?

Alain Yzermans:

Mijn vragen liggen in dezelfde lijn, maar ik wil het nog even benaderen vanuit een algemene filosofie, zoals de heer Van Hecke daarnet deed. Aan de ene kant is het een slag in het gezicht van de goed werkende ambtenaren, de goed werkende cipiers die het beste van zichzelf geven en die zich schamen voor deze toestanden. Ze hebben dat zelf gezegd: dit gebeurt tegen de achtergrond van de overbevolking, ook in de gevangenis van Haren, waar we gedurende een jaar veel berichten hebben gekregen over geweld, binnen en buiten de gevangenis, met betrekking tot deze misdaadscene. Die situatie vraagt om meer aandacht voor beter opgeleid personeel.

Ineens ziet men een landschap ontstaan waarin het misdaadcircuit ook binnen de gevangenis aanwezig is, niet alleen in Haren. Zo komen we in een hybride situatie terecht. De vervaging tussen de misdaad buiten de gevangenis en die binnen de gevangenis vormt eigenlijk een geheel met de maatschappij. Om het met een boutade te zeggen: drugs en de drugshandel dreigen stilaan het gevangenisleven over te nemen. Er zijn contacten, er is een vervaging van waarden en normen, ook ten aanzien van cipiers en personeelsleden. Dat wordt een groot probleem. De drugshandel binnen de gevangenissen maakt steeds meer deel uit van het normale circuit. Ik vind dat alarmerend.

We moeten daar goed over nadenken. Het is inderdaad een opdracht van het beleid om te bekijken hoe we dit kunnen voorkomen. Hoe pakken we het drugsbeleid ten gronde aan? Niet alleen met de drugstesten – dat hebben we daarnet gezegd – die binnen een paar weken goedgekeurd zullen worden. Hoe raken die drugs daarbinnen? Hoe gaat men om met dat soort circuits? Worden die gemonitord? Wordt dat in kaart gebracht? Dat is volgens mij een apart vraagstuk, dat zeker onderzoek vraagt.

Ten eerste is mijn vraag hoe we omgaan met corrumperend gedrag bij dergelijke mensen. Ik denk dat daartegen heel strikt en duidelijk moet worden opgetreden.

Ten tweede, wordt de drugsproblematiek geïnventariseerd, in kaart gebracht en goed gemeten?

De overbevolking, die daarstraks ook tijdens de hoorzitting aan bod kwam, vraagt andere opleidingen en andere screenings, zoals daarnet ook door de collega werd gesteld.

Wat gebeurt er met de personeelsleden die hierbij betrokken zijn? Zijn er schorsingen? Worden zij op non-actief gezet? Hoe gaat men daarmee om?

Uiteraard moeten we ook aandacht hebben voor de bescherming van het bestaande personeel, dat onder druk van die circuits stilaan in een fase van permanente dreiging en intimidatie komt.

Khalil Aouasti:

Madame la ministre, avant toute chose, j'espère que vos équipes et vous-même avez pu profiter de vos vacances. Je suis sûr que nous vous avons manqué et que vous êtes ravie de passer à nouveau des après-midis avec nous à répondre aux questions orales.

Plus sérieusement, la prison de Haren incarnait effectivement la promesse d'une modernisation, d'une sécurisation, du désengorgement de notre système carcéral, de la fermeture de la prison de Saint-Gilles, de meilleures conditions de détention et de meilleures conditions de travail pour les agents.

Aujourd’hui, c’est en réalité tout l’inverse: la prison est surpeuplée, fonctionne en sous-effectif, et la sécurité des détenus comme celle des agents n’y est pas du tout assurée, sans parler de celle des riverains – certains étant même menacés – et des visiteurs, en raison de ce qui gravite autour de l’établissement.

Le point culminant de tout cela a été l’interpellation de 12 agents pénitentiaires pour corruption publique. Une enquête et une information judiciaire sont en cours. Sans être exhaustif, en novembre 2024, la voiture d'un agent a brûlé devant son domicile. Quelques jours plus tard, un cocktail Molotov s'est écrasé sur la façade d'un autre agent. En mars 2025, trois agents ont été agressés. En juin 2025, un ex-détenu a agressé un agent sur le parking de la prison. Le même mois, trois autres agents ont été agressés. Des vidéos circulent aujourd'hui sur les réseaux sociaux et attestent que des "livraisons" sont réalisées par-dessus les murailles de la prison.

Madame la ministre, il faut que cela cesse. Il faut sécuriser les infrastructures de la prison. Il faut assurer la protection des agents. Chaque travailleur – en ce compris les agents pénitentiaires – doit pouvoir travailler dans des conditions décentes, dignes et sûres. La peur n'est pas dans le cahier des charges ni dans le descriptif des fonctions des agents pénitentiaires.

Madame la ministre, que comptez-vous faire pour assurer la sécurité des infrastructures de la prison de Haren? Quelles mesures ont été prises pour assurer un cadre complet suite aux 12 arrestations, puisque cela représente quand même 12 agents? Comment comptez-vous lutter contre ces agressions, tant à l’intérieur qu’à l’extérieur de la prison? Je vous remercie.

Steven Matheï:

Mevrouw de minister, de voorvallen in de gevangenis van Haren, evenals een aantal feiten van de afgelopen maanden, tonen aan dat de georganiseerde criminaliteit niet stopt aan de gevangenismuren, maar verder reikt. Het is terecht dat u het tegengaan daarvan tot een prioriteit maakt. Daarvoor zijn heel wat extra middelen voorzien en de strijd wordt opgevoerd via tal van initiatieven, zoals het opsporen van telefoons, het jammen van signalen, de inzet van IT-speurhonden, het tegengaan van drugs en drones die worden gebruikt om bepaalde goederen te droppen. Dat zijn allemaal goede maatregelen.

Daarnaast zien we dat er, naast het overgrote deel van het personeel dat uitstekend werk levert, ook problemen zijn met een aantal personeelsleden die onder druk worden gezet.

Mevrouw de minister, hoe worden de cipiers momenteel opgeleid om te kunnen omgaan met intimidaties vanuit het criminele circuit, ook wat betreft deontologie en dergelijke?

Welke plannen bestaan er om de weerbaarheid van het gevangenispersoneel verder te versterken, meer bepaald met betrekking tot de verschillende maatregelen om die criminele circuits in de gevangenis tegen te gaan?

Wanneer zullen mobiele telefoons opgespoord kunnen worden en wat is de exacte timing?

Hoe verloopt de opleiding van de zogenaamde IT-speurhonden, om op die manier die zaken binnen de gevangenismuren aan te pakken?

Voorzitter:

Comme indiqué, d'autres membres qui ne se seraient pas inscrits ont la possibilité de le faire. J'ai une demande de M. De Smet.

François De Smet:

Bonjour, madame la ministre, je vous souhaite une année de travail la plus fructueuse possible. Je me permets de m'insérer dans le débat parce qu'en mars dernier, je vous avais interrogée sur la corruption dans les prisons et à Haren en particulier. Vous m'aviez répondu – je cite – "Les faits de corruption constatés ne connaissent pas de hausse importante" et vous aviez estimé qu'un organe de contrôle comme en France n'était pas à envisager.

Je me demandais si vous étiez toujours du même avis aujourd'hui, puisque les derniers événements nous prouvent – grâce à la forte activité du parquet de Bruxelles – que nous avons réellement affaire à une corruption à large échelle. On va rester prudent compte tenu de l'instruction judiciaire.

Mon collègue l'a dit, d'une part, il y a des faits potentiels de corruption et d'autre part, un climat d'intimidation. Je crains qu'il en soit des gardiens de prison comme des dockers, c'est à dire que ces narcotrafiquants disposent de moyens financiers tellement énormes qu'ils ont une grande puissance corruptive et peuvent se permettre simultanément d'acheter et de menacer. C'est ça qui rend l'appréhension de ce phénomène si difficile.

Allez-vous prendre de nouvelles mesures au-delà de celles qui sont – et je les salue – déjà envisagées par rapport au brouillage des téléphones et à l'isolation des narcotrafiquants? Allez-vous prendre des mesures en particulier par rapport à un organe de contrôle? S'agissant de la prévention de ces faits, allez-vous faire en sorte de ne plus envoyer à Haren des agents formés de manière aussi légère, de manière aussi fragile? Pour avoir visité les lieux, je pense que c'est une partie du problème. Je vous remercie.

Annelies Verlinden:

Collega's, corruptie verweven met drugshandel in onze gevangenissen is helaas geen verre dreiging meer. We zijn niet naïef: corruptie is reëel, sluipend en vormt een bedreiging, niet alleen voor onze gevangenissen, maar ook voor havens, bedrijven, overheidsdiensten en uiteindelijk voor de hele samenleving. Het is een probleem waarbij iedereen bijzonder alert en waakzaam moet zijn. Ondanks de versterking van de fysieke beveiliging in de gevangenissen stellen we vast dat medewerkers steeds vaker worden benaderd, vaak via ogenschijnlijk onschuldige verzoeken, die de deur kunnen openen naar grotere en zwaardere vormen van corruptie.

Ons doel is duidelijk en vastberaden: nultolerantie voor criminele activiteiten in de gevangenissen, medewerkers beschermen, de veiligheid in de gevangenissen garanderen en ervoor zorgen dat detentie geen kader biedt waar illegale handel en activiteiten kunnen gedijen. Dat doen we voor het gevangenispersoneel, maar evenzeer om gedetineerden het juiste kader te bieden en voor de samenleving die rekent op een rechtvaardig en veilig systeem. U zei het goed, mijnheer Yzermans, er wordt inderdaad bijzonder veel druk uitgeoefend, vaak op de meest kwetsbare gedetineerden, om mee te doen aan die illegale activiteiten.

Zoals u terecht aanhaalt, hebben we nood aan een helder beleid, duidelijke regels bij de aanwerving van personeel, opvolging van die regels tijdens de carrière en een stevige, veilige infrastructuur. Op basis van uw vragen wil ik graag de belangrijkste ontwikkelingen en plannen overlopen.

Vooreerst, wat betreft drugdetectie wordt het nieuwe detectiesysteem DrugDetect verder uitgerold. Daarnaast wordt dronedetectie ingezet om het overgooien van pakketten tegen te gaan. Versterkte camerabewaking beveiligt de perimeter. Deze week heb ik daarover nog overlegd met de burgemeester en de korpschef van Brussel, om te bekijken hoe de camerabewaking en de samenwerking met de politie verder kunnen worden versterkt.

We willen de drugsproblematiek bewust breed aanpakken, zowel aan de aanbodzijde en de drugsmarkt als ook het gebruik binnen detentie. Psychosociale behandelprogramma's en initiatieven van Volksgezondheid kunnen gedetineerden ondersteunen bij het afbouwen van gebruik. Bovendien rollen we in de gevangenissen steeds meer drugsvrije afdelingen uit.

Om het druggebruik binnen de gevangenissen beter te kunnen opsporen, hebben we daarnet nog het wetsontwerp besproken dat verplichte drugtesten mogelijk maakt. We zullen de verdere behandeling daarvan op 1 oktober voortzetten.

Dat wetsontwerp heeft twee doelen. Ten eerste, het afbouwen van druggebruik door een verhoogde pakkans en dankzij een combinatie van ontradende, disciplinaire en therapeutische maatregelen. Ten tweede heeft het wetsontwerp een preventieve werking omdat het gedetineerden met een uitgaansvergunning een extra argument geeft om weerstand te bieden tegen de druk om drugs binnen te brengen, zoals we daarnet beschreven. Gedetineerden die drugs gebruiken zijn vaak de eersten die worden geviseerd door criminele netwerken. Een wet die drugtesten kan verplichten, verkleint de kans dat deze gedetineerden onder druk worden gezet. Daarom zijn we ervan overtuigd dat die maatregel uit het wetsontwerp ook een preventieve impact zal hebben.

Voor de begeleiding en behandeling van druggebruikers in de gevangenissen is samenwerking met de deelstaten essentieel, enerzijds omdat zij het aanbod moeten voorzien en anderzijds omdat huisvesting en werk na detentie de sleutelvoorwaarden zijn om herval in druggebruik en criminaliteit te voorkomen. Wat de veiligheid in de detentie-infrastructuur betreft, kan ik meedelen dat we in Haren, maar ook in andere gevangenissen, gerichte maatregelen nemen om de veiligheid te versterken.

Er zijn al aparte cellen voor leden van de georganiseerde misdaad. Mevrouw De Wit, u vroeg nog of we geen speciale regimes hebben, maar we hebben dat al voor high-value targets of die zware criminelen, ook met isolatiecellen. Daarnaast wordt de gsm-sweeping uitgebreid en worden drug- en IT-honden ingezet. We hebben daarvoor een samenwerking met de politie, waarbij we ook de opleiding van de honden moeten organiseren, en we hebben middelen vrijgemaakt om extra drug- en IT-honden te kunnen inzetten. Bovendien zullen de detectiepoorten vaker en strikter worden gecontroleerd en er zullen periodieke audits worden uitgevoerd om de werking verder te verbeteren. Deze week heb ik daarover een overleg gehad met de directeur van het directoraat-generaal Penitentiaire Inrichtingen (DG EPI) en opnieuw met de politie om de opvolging van de audits te verzekeren.

De strijd tegen de georganiseerde criminaliteit, ook in de gevangenissen, vraagt een geïntegreerde aanpak. Daarom werken we nauw samen met de politie, de Veiligheid van de Staat en het Crisiscentrum. De gecoördineerde actie van vorige week is daarvan een bewijs.

Naast deze maatregelen kunnen leden van de georganiseerde misdaad op grond van artikel 117, § 2, van de basiswet van 2005 onder een bijzonder individueel veiligheidsregime worden geplaatst. Uiteraard zijn er procedures, en we worden daarbij ook geconfronteerd met procedures van advocaten die in vraag stellen of dat veiligheidsregime wel gepast en verantwoord is. Dat vormt een bijkomend euvel op de weg naar uitvoering.

Verder blijft preventie van bedreigingen en incidenten een prioriteit. We onderzoeken daarbij ook hoe persoonlijke informatie van medewerkers binnen de gevangenissen beter kan worden afgeschermd en hoe de anonimiteit van het personeel beter kan worden gegarandeerd. We zien immers dat cipiers ook buiten, onder meer via hun wagens, onder druk worden gezet. Het aantal incidenten waarbij medewerkers in hun privésfeer worden geviseerd, neemt toe en vraagt om een gezamenlijke en gecoördineerde aanpak. Daarbij zoeken we voorbeelden en inspiratie bij internationale expertise, zoals in Nederland en Frankrijk, waarnaar u ook verwees, mevrouw De Wit.

Om onze personeelsleden beter te beschermen tegen dreigingen en incidenten werd een nieuwe ministeriële omzendbrief uitgevaardigd over de toegangscontrole bij hoogrisicosituaties. Er wordt ook werk gemaakt van een gerichte aanpak tegen agressie en bedreigingen.

Tot slot wordt, naar analogie van het bestaande systeem van PortWatch binnen de havencontext en bij het douanepersoneel, door het nationaal drugscommissariaat en het gevangeniswezen onderzocht hoe het penitentiair personeel nog beter kan worden beschermd tegen bedreigingen en tegen corruptie en beïnvloeding, onder meer via de ontwikkeling van een anoniem meldpunt voor gevangenissen. De analyse loopt, maar zal uiteraard worden opgevolgd.

Om de weerbaarheid van het personeel te verhogen, wordt tijdens de basisopleiding sterk ingezet op deontologie, communicatie, conflictbeheer, professioneel handelen en het herkennen van kwetsbare relaties. Ook dilemmaoefeningen en simulaties maken deel uit van het opleidingstraject. Deze basisopleiding wordt aangevuld met supervisie en intervisie, zodat medewerkers hun competenties blijvend kunnen versterken en ervaringen kunnen uitwisselen. In samenwerking met het drugscommissariaat ontwikkelen we bovendien een specifieke module voor penitentiair personeel, namelijk een weerbaarheids- en bewustwordingstraining. We investeren ook in het middenkader, onder meer door supervisie en uitwisseling van professionele praktijken te versterken, maar ook door meer personeel aan te werven. Dat is, zoals u weet, een uitdaging.

Om het personeel te ondersteunen zorgen we voor meer zichtbaarheid van psychologische hulp via POBOS en herhalen en verduidelijken we de meldkanalen regelmatig, zodat al het personeel zijn weg kan vinden naar de nodige ondersteuning.

Sinds september 2024 wordt het penitentiair personeel door de federale politie gescreend bij aanwerving. Dat betekent concreet dat elk personeelslid bij de start moet beschikken over een positief veiligheidsadvies, zoals ook voorzien in de wet van 11 december 1998. De screeningsdienst van de politie zal hiervoor een aantal databanken consulteren. Uit veiligheidsoverwegingen worden de specifieke parameters van die screening echter niet vrijgegeven.

Over het gerechtelijk onderzoek met betrekking tot de medewerkers in Haren kan ik geen bijkomende informatie verstrekken zolang het onderzoek loopt. In het belang van het goed functioneren van de organisatie werden wel maatregelen genomen, waaronder tijdelijke toegangsverboden voor de betrokken medewerkers. Die maatregelen hebben geen impact op de operationele werking van de gevangenis en het regime voor de gedetineerden gaat gewoon door.

Chers collègues, nous ne sommes absolument pas seuls à mener la lutte contre la corruption. Nous pouvons compter sur nos partenaires en matière de sécurité, tels que la Sûreté de l’État, le Centre de crise national, la magistrature et les différents services de police. Leur expertise et leurs enquêtes sont essentielles au bon fonctionnement de nos institutions. Je m’engage à poursuivre sans relâche mes efforts en faveur de la sécurité au sein de nos établissements pénitentiaires. Je vous remercie de votre attention.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, dank u voor uw zeer uitvoerig antwoord en voor de opsomming van een aantal initiatieven die u al genomen hebt of nog zult nemen, een aantal goede initiatieven, die zeker onze steun krijgen. Ik meen echter dat er een tandje bijgestoken mag worden om die maatregelen in de praktijk om te zetten, zeker nu we opnieuw geconfronteerd worden met een geval van corruptie, gelinkt aan het drugmilieu.

Ik begrijp dat de druk op de cipiers zeer groot kan zijn wanneer zij bedreigd worden in hun privéleven. Daarom is het belangrijk om meer maatregelen te nemen dan vandaag gebeurt om de anonimiteit van de cipiers te waarborgen. Ik heb deze week nog gesproken met cipiers. Ze zeggen dat het allemaal wel mooie woorden zijn, maar dat er in de praktijk nog maar weinig van te merken valt. Dat is toch iets wat bij hoogdringendheid moet worden ingevoerd.

De gebeurtenis in Haren is heel belangrijk, zoals ook andere sprekers hebben gezegd, want die ondermijnt het vertrouwen in justitie, maar het zorgt vooral voor een negatief beeld van alle penitentiaire beambten, aangezien dat op hen allen afstraalt. De mensen veralgemenen nogal gemakkelijk door elke cipier corrupt te noemen. Ik overdrijf nu een klein beetje, maar ik merk in de praktijk dat de mensen daarover spreken, aangezien het spectaculaire dossiers zijn. We weten echter allemaal dat het over een zeer kleine minderheid gaat en dat de overgrote meerderheid van de cipiers wel op een integere en ernstige wijze werkt.

Sta me toe om nog op te merken dat u niet hebt geantwoord op mijn vierde vraag, of u kennis hebt van gevallen van corruptie in andere gevangenissen.

Stefaan Van Hecke:

Mevrouw de minister, dank u wel voor uw antwoorden. U staat inderdaad voor een zeer grote uitdaging. U hebt aangegeven wat er allemaal in de pijplijn zit en welke maatregelen gepland zijn, waaronder een geïntegreerde aanpak. De problematiek zal echt grondig en op korte termijn moeten worden aangepakt, anders loopt u een aantal risico’s.

Ik zie twee grote risico’s. Ten eerste, doordat gedetineerden met een uitgaansvergunning onder druk worden gezet, durven ze op termijn misschien geen uitgaansvergunning meer aanvragen uit schrik om nadien druk te voelen vanwege zware criminelen binnen de gevangenismuren. Dat zou heel jammer zijn voor de re-integratietrajecten en voor de overbevolking, want het sorteert een averechts effect.

Een tweede risico is dat, als de problematiek niet bij de wortel kan worden aangepakt, de druk op het personeel op den duur zeer hoog wordt. Het is al niet evident om voldoende medewerkers te vinden die aan de slag willen in onze gevangenissen. Als blijkt dat de druk op het personeel zo hoog wordt dat er onder meer chantage wordt gepleegd, wordt het nog moeilijker om kandidaten te vinden, zeker wanneer daar uitgebreid over wordt bericht in de media. Dat zijn twee gevolgen die op de lange termijn rampzalig kunnen zijn voor het penitentiaire beleid dat we willen voeren.

Los van de discussie ben ik het ermee eens dat we niet mogen stellen dat alle cipiers omkoopbaar of corrupt zijn, absoluut niet. Ik denk echter dat de druk, in combinatie met de aanwezigheid van zware criminelen die die druk uitoefenen, een zeer belangrijke factor is. Daarom denk ik ook dat het verschijnsel niet beperkt zal blijven tot Haren. We mogen niet naïef zijn: dat zal zich ook in andere gevangenissen voordoen.

Sophie De Wit:

Mevrouw de minister, er wacht ons inderdaad een gigantische uitdaging, niet alleen voor de gevangenis van Haren, maar ook voor de andere gevangenissen. Ik word een beetje teruggekatapulteerd in de tijd. Ik herinner mij nog dat voor de opening van de gevangenis van Haren alles snel moest gebeuren. Alle rekruteringen vonden plaats op één jobdag, de opleiding volgde pas later. Dat lijkt me toch een kwetsbaar punt. Ongetwijfeld werden daar goede, gemotiveerde mensen aangeworven, maar misschien ook anderen die niet weerbaar genoeg waren, de jobinhoud onderschatten of onvoldoende gescreend werden.

Het is tegenwoordig niet eenvoudig om gevangenispersoneel te vinden, zeker niet in de huidige werkomstandigheden en -context. Toch blijft het belangrijk om te waken over een goede screening van het gevangenispersoneel. Dat blijft essentieel, ook in het belang van de penitentiair beambten zelf. Het doel is niet enkel om mensen met verkeerde bedoelingen te vermijden, maar ook om na te gaan hoe weerbaar iemand is om in zo’n context te werken. Nog los van alle andere uitdagingen, staat er een grote opdracht te wachten. We zullen dat zeker mee opvolgen.

Alain Yzermans:

Mevrouw de minister, u staat voor een gigantische operatie. Het vertrouwen van de burger hangt samen met de resultaten van het beleid. Dat vertrouwen is de laatste jaren afgenomen. Ik denk dat er voldoende inspanningen worden geleverd om nu een begin te maken en dat stemt zeer positief. We moeten het failliet van het gevangeniswezen vermijden. De gevangenissen staan enorm onder druk door de overbevolking en tegelijkertijd dreigt een sluimerende overname door een onderwereld, die via netwerken druk zet op wat zich in de bovenwereld afspeelt. Dat moet zeker worden vermeden.

De aanpak vind ik zeer goed: aanklampend, preventief, geïntegreerd en resultaatgericht. Het belang van preventie en vooral van ondersteuning en onderstutting van ons personeel mag niet onderschat worden. De sociale onderhandelingen die nu lopen, kunnen daarin een oplossing bieden. Het sneller invullen van de kaders en het herbekijken van de barema’s kunnen daarbij helpen.

Ik denk dat het personeel nu alle steun nodig heeft, ondanks de enkelingen die dreigen ten prooi te vallen aan aanlokkelijke voorstellen van mensen uit criminele netwerken. Er ligt dus veel werk op de plank.

Khalil Aouasti:

Merci, madame la ministre, pour vos réponses complètes. Je demeure toutefois inquiet, car j'ai entendu très peu d'informations quant à la manière opérationnelle dont vous allez assurer la sécurité des alentours de la prison de Haren et de sa muraille. Comment faire en sorte que des objets qui sont aujourd'hui envoyés parfois depuis des propriétés privées ou depuis la voirie, avec des inscriptions au sol pour indiquer le meilleur endroit et le meilleur angle d'envoi, puissent être mis en défaut? Je n'ai entendu d'interventions ni de la part du SPF Justice, ni de la Régie des Bâtiments afin de sécuriser cette prison, et cela m'inquiète.

Je suis aussi inquiet quant à l'intérieur. Vous avez dit que des mesures étaient prises pour assurer la continuité du service dans la prison de Haren: quelles sont-elles? Cette prison était déjà en sous-effectif, malgré une occupation quasiment complète. Nous connaissons en outre les difficultés pour recruter les agents pénitentiaires. Comment avez-vous suppléé à ces 12 agents pénitentiaires afin d'assurer un fonctionnement optimal?

Au-delà de la lutte contre le narcotrafic et les trafiquants, qui est essentielle, il y a la question de la sécurité de ces agents, dans la prison et en dehors de celle-ci. Des concertations sociales seront nécessaires. Je vous avoue que votre réponse manque de mesures concrètes.

Steven Matheï:

Mevrouw de minister, bedankt voor uw antwoord en de opsomming van de vele initiatieven die worden uitgerold of op stapel staan. Die zijn natuurlijk noodzakelijk om de georganiseerde criminaliteit, ook in de gevangenissen zelf, tegen te gaan.

Het is goed om u te baseren op verschillende sporen: enerzijds door te kijken naar technologische en andere hulpmiddelen, anderzijds door zeer specifiek de drugsproblematiek in de gevangenissen aan te pakken. Daarnaast zijn initiatieven om het personeel te ondersteunen en weerbaar te maken belangrijk. Die maatregelen moeten ertoe leiden dat de gevangenis geen vrijplaats is, maar een plek waar de georganiseerde criminaliteit niet verder kan blijven functioneren.

Julien Ribaudo:

Merci, madame la ministre, pour votre réponse. La drogue est un fléau qu'il faut éradiquer car il a des conséquences graves sur notre société. On le voit dans nos rues et dans nos prisons. Dans le cas de Haren, nous devons laisser faire la justice, comme vous l'avez dit, mais ce cas risque de se reproduire.

Aujourd'hui, dans un article, des dockers du port d'Anvers se confient et parlent de la pression exercée sur eux et sur leurs familles, du harcèlement qu'ils subissent de la part de tous ces gros réseaux. Les agents pénitentiaires et l'ensemble des travailleurs dans nos prisons vivent la même chose. Ils ont peur car leur sécurité n'est pas garantie, dans la prison et en dehors de celle-ci. Il suffit parfois de rien, d'un écart conscient ou pas, d'une faiblesse dans leur situation personnelle, pour qu'ils deviennent des proies.

Lorsque nous parlons avec les agents, ils nous interpellent entre autres sur le manque de formation des agents. Des jeunes rentrent, sans aucune formation véritable, dans une prison qui vit un contexte de surpopulation et de sous-effectif. Ce sont deux ingrédients de la corruption. Je vous remercie pour vos réponses par rapport au développement de modules de formation. C'est une très bonne chose. Mais le souci premier qui apparaît lorsqu'on parle avec les représentants des travailleurs, c'est que ces agents n'ont pas l'opportunité d'aller suivre ces formations car les équipes sont en sous-effectif. C'est un problème urgent qu'il faudra traiter et nous continuerons à vous interpeller sur ce dossier. Je vous remercie.

Voorzitter:

Aan de orde is vraag nr. 56006135C van de heer Van Lommel. Hij is niet aanwezig.

De dringende herstellingswerken in de gevangenis van Lantin na de zware brand van 29 mei
De slechte staat van de gevangenis van Hoei en van Lantin
Renovatie en herstel van verouderde en beschadigde Belgische gevangenissen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 17 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De brand in gevangenis Lantin (29 mei) veroorzaakte een dode en zware schade, met herstelkosten van €1 miljoen (gefinancierd via spoedprocedures en overbevolkingsprovisie), maar de oorzaak is nog onder onderzoek en verzekeringsdekking ontbreekt (FOD is eigen verzekeraar). Minister Verlinden ontkent kennis van de gemelde €250.000 voor detentiecapaciteit en benadrukt langetermijnplannen via Masterplan 3/4 (o.a. sloop Lantin-toren, nieuwbouw Huy), maar concrete timing ontbreekt—kritiek op verouderde infrastructuur en mensonwaardige omstandigheden blijft onverminderd, met oproepen tot structurele budgetverhoging (nu €744 miljoen/jaar). Kernpunt: Acute nood aan herstel en investeringen botsen op chronisch gebrek aan middelen en politiek draagvlak.

Marijke Dillen:

Mijnheer de voorzitter, ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

Mevrouw de minister, op 29 mei woedde een zware brand in de gevangenis van Lantin die was uitgebroken in de centrale wasruimte. Bij deze bluswerken kwam helaas een brandweerman om het leven en liepen drie andere brandweerlui ernstige verwondingen op.

Dringende herstellingswerken zijn nodig om de detentiecapaciteit van de gevangenis te behouden en om te vermijden dat de overbevolking in andere gevangenissen zou- toenemen. Uit berichten blijkt dat de totale kostprijs wordt geraamd op 1 miljoen Euro. 600.000 zou daarvan besteed moeten worden aan dringende herstellingen aan de infrastructuur. 150.000 zou nodig zijn om verloren of beschadigd materiaal te vervangen. Om de detentiecapaciteit te behouden zou nog 250.000 Euro uitgetrokken moeten worden.

Kan de minister meer toelichting geven betreffende de oorzaak van deze brand?

Kan de minister meer toelichting geven betreffende de totale kostprijs van deze herstellingswerken?

Op welke wijze zullen deze herstellingswerken worden gefinancierd? Aangezien de herstellingswerken het gevolg zijn van een zware brand en we ervan uit mogen gaan dat deze gevangenis behoorlijk verzekerd is tegen brand en alle hieruit voortvloeiende gevolgen: wat is de omvang van de financiële tussenkomst van de verzekeringsmaatschappij waar de brandpolis werd afgesloten?

Wanneer deze tussenkomst onvoldoende is om de nodige herstellingswerken uit te voeren: zullen er bijkomende budgetten worden vrijgemaakt binnen de begroting om deze onvoorziene uitgaven te financieren?

Wanneer zullen de dringende herstellingswerken worden uitgevoerd? Is er hier reeds een planning opgesteld? Graag meer toelichting.

In de nota staat dat er nog eens 250.000 euro zou moeten worden uitgetrokken om de detentiecapaciteit te behouden. Kan de minister hierover meer toelichting geven? Wat is hier het oorzakelijk verband met de brand en de hieruit voortvloeiende schade? Over hoeveel plaatsen gaat het?

Frédéric Daerden:

Madame la ministre, le coût journalier d’un détenu est passé de 146 euros en 2017 à 170 euros en 2023, pour un budget global de 744 millions d’euros. Ce débat sur la soutenabilité du modèle carcéral a refait surface, et vous avez même évoqué la possibilité de faire contribuer financièrement les détenus à leurs frais de détention.

Mais avant de parler de contribution financière, il faut rappeler l’essentiel: depuis quelques années, nous savons que la situation de certaines prisons est intenable. Elle met en danger des femmes et des hommes, détenus comme personnel. Et qu’a-t-on fait? A priori , rien.

À Lantin, l’incendie du 29 mai a révélé une fois de plus la vétusté des infrastructures et leurs conséquences dramatiques. Quant à la maison d’arrêt de Huy, dès janvier 2024, mon collègue Hervé Rigot, député PS, avait interpellé le secrétaire d’État Mathieu Michel à propos d’un rapport incendie accablant – 66 infractions, dont plusieurs majeures. La réponse de l’époque renvoyait toute rénovation à l’après-2026. Deux ans plus tard, rien n’a changé.

Dès lors, madame la ministre, pouvez-vous nous préciser quel est aujourd’hui le plan d’investissement concret pour la prison de Lantin afin de garantir la sécurité et la dignité dans cet établissement?

Où en est le Masterplan pour Huy et quel calendrier réel pouvez-vous présenter?

Ne pensez-vous pas qu’avant de songer à faire payer leur détention aux prisonniers, la priorité absolue doit être de leur assurer des conditions humaines et dignes, comme l’exige notre Constitution et nos engagements internationaux?

Enfin, que comptez-vous entreprendre avec votre collègue chargée des infrastructures, Mme Vanessa Matz, pour apporter une réponse conjointe et crédible à cette crise, qui dépasse largement les seuls aspects organisationnels et relève aussi de choix budgétaires et politiques?

Annelies Verlinden:

Geachte leden, ik kan op dit ogenblik geen verdere details geven met betrekking tot de oorzaak van de brand in de gevangenis in Lantin, aangezien het onderzoek nog loopt. De FOD is zijn eigen verzekeraar. De herstellingen worden uitgevoerd via de Regie der Gebouwen. Er is dus logischerwijze geen tussenkomst van verzekeringsmaatschappijen.

De werkzaamheden voor het herstellen van de gevolgen van de brand verlopen via een spoedprocedure die goedgekeurd is door de Inspectie van Financiën. De werken zullen allicht meerdere maanden in beslag nemen. Via de interdepartementale provisie (IDP) Overbevolking werd 1 miljoen euro vrijgemaakt om tegemoet te komen aan de dringende behoeften. De administratie heeft geen kennis van een bedrag van 250.000 euro voor het behoud van detentiecapaciteit.

Monsieur Daerden, à long terme, dans le cadre du Masterplan 3, il a été décidé que la tour de Lantin serait démolie et remplacée par un projet à un autre endroit. Par ailleurs, une proposition pour le reste du site sera également faite dans le cadre du Masterplan 4. Ce dernier en cours de préparation. Comme décidé dans le Masterplan 3 bis , le meilleur scénario pour la prison de Huy est actuellement à l'étude: soit une rénovation avec extension, soit une nouvelle construction ailleurs. Le projet concret sera présenté dans le Masterplan 4 qui est en cours.

Toutes les remarques formulées dans le rapport des pompiers à charge de la Justice ont été entièrement levées, et un nouveau plan d’intervention d’urgence a été rédigé. Une partie des remarques concernant la Régie des Bâtiments ont été levées selon un phasage, tandis que d’autres travaux sont encore en cours. Certaines remarques ne pourront être levées qu’à l’occasion des travaux de rénovation de grande envergure de la prison. Un travail important est en cours par la mise en œuvre des Masterplan existants et la préparation des prochains.

Un arrêté royal fixe les normes minimales auxquelles nos prisons doivent se conformer. L'objectif est que d'ici 2039, toutes les prisons respectent cet arrêté.

En complément de l’entrée en vigueur de la loi d’urgence, des task forces ont poursuivi leur collaboration avec des partenaires tels que la Régie des Bâtiments, les Affaires étrangères, les services de la Santé et d’autres acteurs, afin de mettre en place des mesures structurelles à moyen et long termes dans la lutte contre la surpopulation carcérale. Par ailleurs, une commission dédiée à cette problématique a été récemment créée. Elle doit présenter une proposition finale d'ici 2028, avec des rapports intermédiaires prévus.

Ce n'est un secret pour personne que cela est très difficile dans le contexte de la crise actuelle et face à la forte surpopulation dont nous souffrons aujourd'hui. Une concertation continue est menée avec la ministre Matz et ses services, tant au niveau de la cellule politique que de nos administrations. Les Masterplan mentionnés ci-dessus ont été élaborés conjointement. En outre, les mesures d'urgence développées dans le cadre de la task force Capacité ont également été conçues et mises en œuvre conjointement.

Marijke Dillen:

Dank u voor uw antwoord, mevrouw de minister.

Ik heb toch duidelijk begrepen dat u zegt – in weerwil van wat er in de media is verschenen – geen kennis te hebben van het feit dat er 250.000 euro zou moeten worden uitgetrokken voor het behoud van de detentiecapaciteit? Ik begrijp dus niet goed dat dat wel zo in de media is verschenen.

Frédéric Daerden:

Merci madame la ministre pour vos réponses. J'entends votre volonté d'aller de l'avant. J'entends aussi votre prise de conscience de la nécessité d'agir pour une justice plus respectueuse, plus solide et plus humaine. Mais, vous l'avez vous-même reconnu, il faudrait un milliard supplémentaire pour la Justice. Je pense que vous savez vous-même que vous ne l'aurez pas. J'entends vos réflexions. J'entends qu'il n'y a pas d'échéancier. Je crains qu'il y ait une forme de double peine pour les détenus, en les enfermant dans des conditions insalubres. Il ne peut pas non plus y avoir de peine pour celles et ceux qui travaillent dans ces structures. Ils méritent de se sentir protégés et respectés. Nos prisons, nos magistrats et nos policiers ont besoin de moyens réels. Je veux conclure en vous le disant avec respect: je ne doute pas de votre volonté sincère de bâtir une justice solide et respectueuse mais, chacun le voit, vos collègues vous contraignent à la construire sur du sable.

De onhoudbare situatie in de gevangenis van Gent door de toenemende overbevolking
De staking in de gevangenis van Gent en de aanhoudende personeelstekorten
De staking in de Gentse gevangenis naar aanleiding van dubbele shiften en ziekenhuisbewaking
Gevangenisproblemen in Gent: overbevolking, personeelstekorten en stakingen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 17 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De gevangenis van Gent kampt met acute overbevolking (470 gedetineerden op 299 plaatsen, +60%) en personeelstekorten (10 VTE tekort), wat leidt tot sancties voor weigerende gedetineerden (59 rapporten in 2024, waaronder isolatie) en stakingen door overbelaste cipiers. Minister Verlinden erkent dat de noodwet geen structurele oplossing biedt en wijst op een nieuwe commissie voor een langetermijnplan, maar benadrukt dat politietaken (zoals ziekenhuisbewaking) nog steeds ten laste van cipiers vallen door capaciteitsgebrek bij de federale politie. Kritiekpunten: klachtenprocedures zijn ondoorzichtig, taakverschuivingen verergeren het tekort, en tijdelijke maatregelen (zoals versnelde aanwervingen) bieden onvoldoende soelaas. De vakbonden dreigen met nieuwe stakingen als er geen concrete verbeteringen komen.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, de overbevolking in Gent heeft intussen een kookpunt bereikt. De gevangenis heeft een capaciteit van 283 plaatsen, maar op het moment dat ik mijn vraag indiende, verbleven er meer dan 460 gedetineerden.

De gevangenisdirectie heeft blijkbaar ingegrepen. Zo zijn er stevige sancties aangekondigd voor gedetineerden die weigeren een extra matras in de cel toe te laten. Ook nieuwe gedetineerden die zelf weigeren in zo’n cel te verblijven, krijgen een straf. In een recent geval kreeg een gedetineerde vier dagen isolatie opgelegd. Andere sancties zijn het verlies van het recht op familiebezoek, een tijdelijk verbod op buitenwandelingen of de uitsluiting van buitenactiviteiten. Dat werd bevestigd door de woordvoerder van het gevangeniswezen.

Ik heb daarover een aantal vragen.

Kunt u meer toelichting geven bij de evolutie van de overbevolking sinds de ingrepen van de gevangenisdirectie? Hoeveel gedetineerden hebben sinds die ingrijpende maatregelen een sanctie gekregen? Er zijn gesanctioneerde gevangenen die beroep hebben aangetekend tegen de beslissingen van de gevangenisdirectie. Kunt u daar meer informatie over geven? Zijn er al definitieve uitspraken? Wat zijn de resultaten?

In een schriftelijke reactie verwees u naar de noodwet, naar bijkomende capaciteit op middellange termijn en naar de terugkeer van gedetineerden zonder geldige verblijfspapieren. Mevrouw de minister, we weten allebei dat dat geen oplossingen ten gronde zijn. De kritiek vanuit verschillende hoeken op de noodwet neemt bovendien aanzienlijk toe. Hoe kunt u verantwoorden dat die noodwet een oplossing zou bieden voor deze ernstige problematiek?

In Gent gaat het niet alleen om structurele overbevolking, er zijn ook problemen met het personeel. Er zijn meer bepaald ernstige personeelstekorten.

Volgens de vakbonden bedraagt het tekort ongeveer tien voltijdse krachten. Dat leidt bijvoorbeeld tot een zeer hoge werkdruk en tot veiligheidsrisico’s. Op 20 juli heeft de vakbond zijn ergernis kenbaar gemaakt aan de gevangenisdirectie en het gevangeniswezen. De boodschap werd blijkbaar niet goed begrepen, een deel van de cipiers werd nadien immers nog ingezet voor het bewaken van enkele verdachten van een schietpartij in Sint-Niklaas, wat in principe de taak is van de federale politie. Als gevolg daarvan hebben de cipiers tijdelijk het werk neergelegd uit onvrede en een stakingsaanzegging ingediend. Vervolgens vond een nieuw overleg plaats met de gevangenisdirectie. Er werden naar verluidt concrete afspraken gemaakt om het acute personeelstekort aan te pakken. Op papier werden die afspraken vastgelegd, althans volgens de vakbonden. Die afspraken bleken echter voor interpretatie vatbaar en werden in de praktijk niet meteen nageleefd. Het gevolg was dat op 17 augustus het werk gedurende 48 uur werd neergelegd, met het risico op nieuwe stakingsaanzeggingen indien er geen oplossing komt.

Daarom kreeg ik graag wat meer toelichting.

Welke concrete afspraken zijn er gemaakt met de directie en het gevangeniswezen? Waarom werden die afspraken niet nageleefd? Waarom worden er in de gevangenis van Gent cipiers ingezet voor het bewaken van verdachten van een schietpartij? Zoals ik al zei, dat is normaal gezien het werk van de federale politie. Tot slot, welke initiatieven zult u nemen om het personeelstekort in Gent – en in alle andere gevangenissen – structureel aan te pakken, zodat de werkdruk aanvaardbaar blijft en de veiligheidsrisico’s beperkt worden?

Alain Yzermans:

Ik heb ongeveer dezelfde vragen.

Wanneer we spreken over de gevangenis van Gent, waar die 48-urenstaking heeft plaatsgevonden, moeten we dat bekijken tegen de achtergrond van de overbevolking. Er zijn daar momenteel 470 gedetineerden gehuisvest terwijl er een capaciteit van 299 plaatsen is, wat neerkomt op een overbevolking van bijna 60 %. Ook het tekort van 10 personeelsleden – 178 voltijdse equivalenten op 188 voorziene functies – is nog berekend op de oude norm en niet vertaald naar de werkelijke norm.

Mijn vragen zijn grotendeels dezelfde. Hoe zult u het tekort aanpakken? Hoe verlaagt u de werkdruk? Wat wilt u doen om de veiligheid van het personeel in Gent te waarborgen?

Wat met de ziekenhuisbewaking door de politie, die afgesproken is? In de praktijk betekent dit dat er drie shiften van twee mensen nodig zijn. Dat betekent dat er 18 cipiers minder beschikbaar zijn voor de gevangenis. Wanneer zij andere taken moeten uitvoeren, creëert dat een probleem en vergroot het personeelstekort. Daarnaast kloppen sommige cipiers ook dubbele posten. Wat is het antwoord op deze acute situatie?

Annelies Verlinden:

Collega’s, het klopt dat de overbevolking in de gevangenis van Gent bijzonder zwaar weegt op zowel het personeel als de gedetineerden. Dat heeft een negatieve impact op de leef- en werkomstandigheden en op de cultuur binnen de inrichting. Bovendien zet het de samenwerking tussen alle betrokken diensten onder druk.

U verwijst specifiek naar de gevangenis van Gent, maar dezelfde uitdagingen doen zich voor in meerdere, om niet te zeggen vrijwel alle, gevangenissen in ons land. Mevrouw Dillen, wanneer een gedetineerde een celgenoot weigert, kan de directie daarop reageren met een voorlopige maatregel of een tuchtsanctie. Dat is geen nieuw fenomeen.

Ook in periodes zonder overbevolking werd een weigering beschouwd als een tuchtrechtelijke inbreuk, namelijk het niet opvolgen van instructies van het personeel, waardoor het moeilijk wordt de orde en veiligheid binnen de gevangenis te handhaven. Een gevangenisdirecteur kan bovendien geen inkomende gedetineerden weigeren. Hij is er dus toe gehouden een plaats in een cel te voorzien. De directeur tracht daarbij rekening te houden met diverse factoren, zoals taal, roker of niet-roker, nationaliteit en andere individuele bezorgdheden.

Gezien de overbevolking is het aantal beschikbare plaatsen beperkt. Indien de gevangenisdirectie niet zou reageren op dergelijke weigeringen, wordt de situatie in de gevangenis onbeheersbaar en kan de veiligheid niet langer gegarandeerd worden. Van januari tot eind augustus van dit jaar werden 59 rapporten aan de directeur opgesteld wegens het weigeren van een celgenoot of het weigeren om bij een andere persoon op cel te gaan.

Bij zo'n weigering wordt altijd eerst naar een oplossing gezocht, maar als de gedetineerde blijft weigeren, volgt conform de basiswet een tuchtsanctie. Die sanctie kan onder meer een afzondering in de toegewezen verblijfsruimte omvatten of zelfs het verblijf in een veiligheidscel. Conform de wettelijke bepalingen inzake tucht wordt vervolgens op de tuchtrechtelijke hoorzitting een individuele sanctie bepaald. De houding van de gedetineerde speelt daarbij een rol, evenals het al dan niet akkoord gaan met het plaatsen van een medegedetineerde op cel.

Ik verneem dat er doorgaans wordt gereageerd met een effectieve straf of een voorwaardelijke sanctie, onder meer in de vorm van een toegewezen verblijfsruimte. Sommige gedetineerden dienen tegen deze beslissing een klacht in bij de klachtencommissie. Het register inzake de klachtenregistratie is onvoldoende gedetailleerd om uit te maken hoeveel gedetineerden een klacht indienen tegen een tuchtsanctie wegens het weigeren van een mutatie of een medegedetineerde op cel.

Wat de klachtenrechtspraak betreft, verwijs ik naar de databank op de website van de Centrale Toezichtsraad, onder wiens bevoegdheid de klachtencommissies vallen. Daaruit blijkt dat sommige klachten gegrond en andere ongegrond worden verklaard, rekening houdend met meerdere factoren en omstandigheden die individueel worden beoordeeld en in beschouwing genomen.

De noodwet is op 4 augustus in werking getreden. De impact ervan wordt gemonitord, maar we moeten daarbij realistisch blijven. De noodwet zal de overbevolking niet automatisch oplossen. Dat is trouwens nooit de insteek geweest. Het doel was in de eerste plaats om straffeloosheid tegen te gaan. Bovendien is de gevangenis van Gent niet alleen een strafhuis, maar ook een arresthuis. De noodwet heeft als zodanig geen impact op de instroom en aanwezigheid van beklaagden, noch op het grote aantal geïnterneerden.

Voor een holistische en langetermijnaanpak van de overbevolking werd op 20 augustus een commissie opgericht om met de federale actoren van justitie een plan uit te werken voor een duurzame oplossing, waarbij de hele strafrechtketen tegen het licht moet worden gehouden. Het plan moet evidencebased zijn en voorstellen bevatten die de gehele keten van opsporing en vervolging tot straftoemeting en uitvoering in aanmerking nemen. De commissie is begin september gestart met haar werkzaamheden en dient zowel tussentijdse rapporten als een eindrapport af te leveren.

Het personeelstekort en de overbevolking zorgen voor een zware werkdruk bij het personeel. Ik ben me daar terdege van bewust. Collega Yzermans, u stelt terecht de vraag waarom de ziekenhuisbewaking door gevangenispersoneel moet worden uitgevoerd. De wet op het politieambt bepaalt immers dat de politiediensten in principe instaan voor de overbrenging en bewaking van gedetineerden buiten de gevangenis. De federale politie kan die taken pas volledig overnemen zodra ze over voldoende capaciteit beschikt.

Tot die tijd blijven die opdrachten onder de verantwoordelijkheid van het DG EPI. Intussen voert de politie wel al beperkte testfases uit, maar die zijn beperkt in tijd en ruimte. Ik blijf er bij mijn collega voor Binnenlandse Zaken op aandringen om werk te maken van de nodige versterking van de Directie beveiliging (DAB), zodat de politie de wettelijke opdrachten kan uitvoeren.

Om de doorlooptijden van de aanwervingsprocedures te verkorten, wordt de fastlaneprocedure toegepast voor de gevangenis van Gent. Daardoor worden vacatures permanent opengesteld. De schaarste op de arbeidsmarkt maakt de invulling echter moeilijk. We zetten wel extra middelen in om de rekruteringsdienst te versterken, meer selectieprocedures te organiseren en onze employer branding te verbeteren.

Bij een onvolledige personeelsbezetting wordt op dagbasis de werkorganisatie en dagplanning geëvalueerd. Zo nodig worden, met respect voor de basiswet en de veiligheid van het personeel, maatregelen genomen om de werking aan te passen. Het kan daarbij gaan om organisatorische maatregelen, aanpassingen in het dagschema of aanpassingen in het activiteitenschema voor de gedetineerden.

Marijke Dillen:

Dank u voor uw uitvoerige antwoord, mevrouw de minister.

Ik heb nog twee opmerkingen. Ten eerste, wat het klachtenregister betreft, noteer ik dat de uitspraken onvoldoende gemotiveerd zijn om te kunnen vaststellen op welke basis klachten worden ingediend. Het zou echter niet moeilijk zijn om dat te verbeteren. Het zou nuttig zijn om ter zake een initiatief te nemen. Ik denk niet dat dit heel veel werk voor het betrokken personeel met zich meebrengt.

Ten tweede, ik durf aan te dringen op continu overleg met de minister van Binnenlandse Zaken om ervoor te zorgen dat het bewaken van gedetineerden in een ziekenhuis niet langer op de schouders van de cipiers terechtkomt. Zoals collega Yzermans heeft berekend, zijn er 3 shiften per 24 uur nodig, waardoor veel capaciteit van de cipiers verloren gaat. Dat moet dringend opgelost worden.

Alain Yzermans:

Mijn conclusie is dezelfde: schoenmaker blijf bij je leest. Die taken moeten goed worden bewaakt, anders ontstaat een pervers effect. Enerzijds groeit de overbevolking nog, ook in Gent, anderzijds worden taken toebedeeld waarvoor andere instanties bevoegd zijn. Dat zal de druk op de tewerkstelling en op de cipiers daar alleen maar vergroten. Ik hoorde wel de goede boodschap over de versterking van de DAB.

De bedreiging van een cipier van de gevangenis van Mechelen

Gesteld door

lijst: VB Marijke Dillen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 17 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Annelies Verlinden bevestigt dat bedreigingen tegen cipiers (zoals het recente incident in Mechelen en eerdere aanslagen met molotovcocktails of trackers) systematisch worden onderzocht via gerechtelijke analyses (COL 6), met mogelijke maatregelen zoals detentieverplaatsing of strengere regimes voor daders. Concrete details over lopende dossiers (zoals camerabeelden of voortgang in het onderzoek naar vernielde cipiervoertuigen) worden om veiligheidsredenen niet vrijgegeven, maar technisch bewijs is overgedragen aan justitie. Ondersteuning omvat psychologische begeleiding en administratieve bescherming, terwijl extra veiligheidsopties (zoals eerder besproken in het Haren-debat) worden onderzocht. Marijke Dillen benadrukt de hoogdringende nood aan tastbare beschermingsmaatregelen, gesteund door vakbonden die eisen dat politieke wil en middelen worden ingezet.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, enkele weken geleden werd een cipier van de gevangenis van Mechelen ernstig bedreigd buiten de gevangenismuren. Onder zijn ruitenwisser vond hij een papiertje met de boodschap – ik citeer letterlijk: "Kutcipier, ik weet u te vinden, blijf weg!"

Dit is het tweede geval van bedreiging van cipiers werkzaam in de gevangenis van Mechelen op toch wel heel korte tijd. Cipiers van andere gevangenissen worden echter ook regelmatig slachtoffer in hun privésfeer. Zo werden molotovcocktails gegooid naar wagens en woningen van cipiers, of werden trackers onder hun wagens geplaatst.

Ik denk dat we het er Kamerbreed over eens zijn dat het absoluut onaanvaardbaar dat cipiers in hun privésfeer aangeschoten wild zijn geworden. Steeds vaker moeten deze mensen, louter omdat ze dat beroep uitoefenen, vrezen voor hun veiligheid.

Mevrouw de minister, kunt u het dossier in Mechelen concreet toelichten? Waren er geen camerabeelden op die parking aanwezig om informatie te verschaffen?

Het is niet het eerste incident, zoals ik al zei. Enkele maanden geleden werd ook een auto van een cipier bekrast. Wat is de stand van dat onderzoek? Zijn de daders daarvan al geïdentificeerd?

Nogmaals, mevrouw de minister, bij hoogdringendheid moeten er efficiënte en concrete maatregelen worden genomen ter bescherming van de cipiers. Ook de vakbonden dringen daar regelmatig op aan. Ik citeer een uitspraak van enkele weken geleden: "Het is echt tijd om de nodige middelen en politieke wil in te zetten." Ik denk, mevrouw de minister, dat dit bij hoogdringendheid uw aandacht moet krijgen.

Annelies Verlinden:

Mevrouw Dillen, elk dossier van bedreiging of incidenten tegen gevangenisbewakers wordt onderworpen aan een gerechtelijk onderzoek en een analyse van de bedreiging, zoals bepaald in de COL 6 van 2004, die in 2024 is herzien. Op basis van deze analyse bepaalt het Crisiscentrum de beschermingsmaatregelen voor de bedreigde ambtenaren.

In het belang van de veiligheid van de betrokken medewerker kan ik mij niet uitspreken over dit specifieke dossier. Ik kan u wel verzekeren dat alle onderzoeksopdrachten en het technisch bewijsmateriaal zijn doorgegeven aan de bevoegde autoriteiten. De context van deze bedreigingen en daden wordt telkens grondig onderzocht. De FOD Justitie neemt ook administratieve en ondersteunende maatregelen, met name psychologische, om zijn personeelsleden die met dergelijke bedreigingen worden geconfronteerd te ondersteunen.

Wat betreft de maatregelen die uit veiligheidsoverwegingen kunnen worden genomen voor de opdrachtgevers van dit soort bedreigingen, kan ik een overzicht geven. Deze gedetineerden kunnen worden verwijderd uit de inrichting en/of onder een bijzondere veiligheidsmaatregel, ordemaatregel of een bijzonder individueel veiligheidsregime worden geplaatst.

Andere pistes om de veiligheid van ons personeel te kunnen garanderen, worden momenteel onderzocht. Ik heb daar zo-even in het kader van het antwoord op de interpellatie over Haren ook al op geantwoord. Ik dank u.

Marijke Dillen:

Bedankt voor uw antwoord, mevrouw de minister.

De samenstelling van een expertengroep om de overbevolking van de gevangenissen aan te pakken
Het benodigde budget van 1 miljard euro om de overbevolking van de gevangenissen aan te pakken
Beleidsmaatregelen en financiering tegen gevangenisoverbevolking

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 17 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De overbevolking in gevangenissen en de trage aanpak ervan staan centraal: minister Verlinden verdedigt de expertengroep (samenstelling bekend, *geen extra budget*, tussentijdse rapporten om de 6 maanden) als structurele oplossing op lange termijn (2028), maar erkent dat *kortetermijnmaatregelen* (zoals de noodwet, repatriëring vreemdelingen en taskforces) parallel lopen. Kritiek van oppositie (Dillen, Yzermans) richt zich op de te lange termijn (3 jaar), het ontbreken van middelen en de dringende nood aan snelle actie, zoals alternatieve straffen (reeds besproken in vorige legislatuur) en versnelde repatriëring (akkoorden met 90 landen, maar *praktische uitvoering* blijft probleem). De minister benadrukt een holistische aanpak (strafrechtketen, voorhechtenis, personeelstekort) en wijst op politieke en maatschappelijke steun als voorwaarde, terwijl de oppositie prioritering van fondsen en concrete stappen (bv. buitenlandse voorbeelden) eist.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, u hebt aangekondigd dat u een expertengroep zou samenstellen die de overbevolking in de gevangenissen moet aanpakken, niet door extra plaatsen te creëren, maar door na te denken over alternatieve vormen van straffen en over structurele oplossingen die op lange termijn effect hebben. Ik heb begrepen dat die expertengroep zal worden samengesteld uit advocaten, magistraten, professoren en procureurs en dat hij tegen september 2028 een definitief rapport klaar moet hebben.

Deze termijn is veel te lang. Het gaat om experten die het strafrecht kennen. Daarenboven heeft de commissie voor Justitie tijdens de vorige legislatuur een uitgebreide bespreking gehouden ter voorbereiding van het nieuwe Strafwetboek. Ook toen werd er gediscussieerd over alternatieve manieren van straffen, niet alleen met de commissieleden, maar ook met vele experten uit diverse hoeken, zoals gespecialiseerde advocaten, magistraten, professoren en procureurs. Ik denk, mevrouw de minister, dat deze expertengroep op veel kortere termijn met resultaten moet komen. De kritiek is dan ook groot. Ik citeer bijvoorbeeld: “Drie jaar wachten is niet haalbaar. Het is nu al vijf voor twaalf. En als we moeten wachten tot 2028, zal het dertig over twaalf zijn.” Of nog: “Intussen blijven we met het probleem van overbevolking zitten, met alle gevolgen van dien, ook voor het personeel.” Gekoppeld aan het grote personeelstekort wordt de situatie in de gevangenissen effectief onhoudbaar, dus moeten er maatregelen op korte termijn worden genomen.

Kunt u meer toelichting geven over deze expertengroep? Welk budget wordt hiervoor uitgetrokken? Dat haast en spoed zelden goed zijn, is algemeen geweten, maar wanneer het probleem zo nijpend is, wanneer cipiers dagelijks het gevaar lopen fysiek te worden aangevallen en wanneer dit land met de regelmaat van de klok wordt veroordeeld door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, mag je verwachten dat dit prioritair wordt behandeld, minstens binnen het jaar. Waarom dan die uitgebreide termijn van drie jaar? Hoe verantwoordt u dat?

Tot slot nogmaals de vraag naar structurele maatregelen op korte termijn. Mevrouw de minister, we hebben het al gehad over de noodwet en ik ga die vraag hier niet meer herhalen, maar er moet dringend meer worden ingezet op repatriëring van criminele vreemdelingen en illegalen, die bijna 45 % van het gevangenisbestand uitmaken. Van hen is 75 % hier illegaal. Daar moeten meer stappen worden gezet. Mijn vraag is dan ook met welke landen er reeds een akkoord werd bereikt. Met welke landen bent u in onderhandeling?

Alain Yzermans:

Ik heb ongeveer dezelfde vraag. Voor het zomerreces is met steun van alle fracties de noodwet goedgekeurd. Ook werd via het paasakkoord aangekondigd dat er een extra injectie van middelen voor een bedrag van ongeveer 55 miljoen euro wordt ingeschreven, gespreid over een aantal bevoegdheden.

Tijdens de vakantie heb ik kunnen lezen dat er volgens de berekeningen 1 miljard euro nodig is om 2.000 plaatsen bij te creëren. Hoe ziet u dat? Hoe wordt dat bedrag ingevuld? In verschillende teksten en mediaberichten lees ik daarover namelijk uiteenlopende informatie. Het gaat echter alleszins om plaatsen om de overbevolking tegen 2030 af te bouwen.

Ik heb ook begrepen dat de noodwet uiteraard dient om de straffeloosheid te verhelpen. De 700 extra plaatsen die kunnen worden gecreëerd, dienen eerder als ontluchting, waardoor de overbevolking netto nog steeds op hetzelfde niveau blijft. Vandaag zien wij zelfs een stijging, ook in het aantal grondslapers.

Mijn vraag richt zich ook op de expertengroep. Het gaat om een evidencebased verhaal waarbij de expertengroep vooral het strafrechttraject, van de strafbepaling tot de strafuitvoering, onderzoekt.

Wat is de strategie daarvoor, inclusief de meest recente tijdlijn? Kon er geen beroep worden gedaan op een aantal interessante insteken vanuit sociaal oogpunt? Ook buitenlandse voorbeelden moeten worden onderzocht. Ze bestaan. Tijdens de studiedag in april 2025 zijn goede voorbeelden naar voren gebracht.

De Centrale Toezichtsraad voor het Gevangeniswezen spreekt over windowdressing. Hoe effectief zal de noodwet zijn? Een deel van die vraag lijkt mij reeds beantwoord.

Hoe zult u het structurele probleem van het personeelstekort binnen de gevangenissen aanpakken?

Annelies Verlinden:

Dat zijn goede vragen, waarvoor dank.

Vooreerst wil ik graag beklemtonen dat het realiseren van het nieuwe Strafwetboek twee legislaturen in beslag heeft genomen, waardoor de complexe dynamieken en processen die leidden tot de actuele penitentiaire overbevolking, en die lang niet alleen tot de competenties van Justitie behoren, niet in kaart werden gebracht.

Daarnaast werd op 26 april jongstleden nog een studiedag georganiseerd op initiatief van Magistratuur & Maatschappij waarbij vele sprekers en actoren hun bezorgdheden hebben geuit aangaande de actuele situatie van overbevolking en ook hun bereidheid hebben uitgesproken om samen te werken aan oplossingen die de hele strafrechtketen in aanmerking nemen. Hun opdracht was duidelijk, en het is precies om die reden dat we bij ministerieel besluit van augustus een expertencommissie hebben opgericht. Die commissie moet niet alleen onderzoeken in welke mate de justitiële actoren hun processen kunnen verbeteren en welke maatregelen moeten worden genomen om de in- en uitstroom en de capaciteit optimaal op elkaar af te stemmen; zij moet ook de processen doorheen de gehele strafrechtketen bekijken. We hebben inderdaad vooropgesteld dat de commissie in september 2028 een definitief rapport moet opleveren, maar dat neemt niet weg dat er ook tussentijdse rapporten en aanbevelingen kunnen en zullen worden gevraagd en opgeleverd. Hoe dan ook zal de commissie om de zes maanden een verslag uitbrengen over haar werkzaamheden.

Collega's, ik denk dat we het er allemaal over eens zijn dat we vandaag heel veel branden moeten blussen vanwege de acute overbevolking, maar dat het absoluut wenselijk is om ook een structurele en duurzame aanpak uit te werken, en dat dat tijd vraagt. Het is onze ambitie om verder te gaan dan louter kortetermijnmaatregelen, maar wel te bouwen aan een breed gedragen, evidencebased beleid dat de overbevolking structureel en duurzaam kan oplossen. Uiteraard neemt dat niet weg dat we ondertussen ook ingrijpen. Alle maatregelen die in het regeerakkoord zijn opgenomen met betrekking tot het oplossen van de overbevolking, de capaciteit en alle andere initiatieven die we zullen nemen, zullen we ook uitvoeren. Het een sluit het ander niet uit; het is niet omdat men op lange termijn kijkt dat men op korte termijn geen initiatieven kan nemen. Dat wil ik hier zeer duidelijk onderstrepen.

De commissie heeft de werkzaamheden aangevat en we zijn uiteraard in overleg. Mochten jullie suggesties hebben voor bepaalde thema's, dan kunnen we die zeker ook meenemen. Ik denk zelf bijvoorbeeld aan het onderzoek naar de voorlopige hechtenis. Verschillende systemen die in andere landen bestaan, kunnen we tegen het licht houden. We hebben niet alleen veel mensen zonder wettig verblijf in onze gevangenissen, maar ook een relatief hoog aantal mensen dat voorlopig gehecht is in vergelijking met het buitenland. Ook daar zouden we naar moeten kijken. Dat doet men natuurlijk niet met kortetermijnoplossingen of door branden te blussen, maar door er grondig over na te denken. Dat is precies de bedoeling van die commissie.

U vraagt ook naar het budget dat werd voorzien voor de commissie, mevrouw Dillen. De experten, van wie velen al als magistraat of als ambtenaar in loondienst zijn bij Justitie, zullen voor deze werkzaamheden niet extra worden vergoed. Er zijn daarom geen specifieke werkingsmiddelen voorzien, maar het DG EPI van de FOD Justitie voorziet in ondersteuning van de commissie.

Het is sowieso ook een feit dat de commissie het probleem van overbevolking alleen niet zal oplossen, maar wel de bedoeling heeft om aan de oplossing bij te dragen. Daarnaast werd een globaal plan voor de structurele aanpak van de overbevolking opgesteld. Dat plan werd goedgekeurd door de ministerraad van 18 juli, met al die taskforces. Daar hebben we het eerder al over gehad: de taskforce capaciteit, de taskforce terugkeer en de taskforce geïnterneerden. Deze taskforces hebben voor de verschillende deelaspecten van detentie, maar ook voor de overbevolking, actieplannen opgesteld die de komende maanden en jaren worden uitgevoerd.

Ook de noodwet is een instrument daarin. Ik heb dat daarstraks al gezegd. Het is nooit de insteek geweest om met de noodwet een structurele oplossing te bieden voor de overbevolking, maar wel om de noodmaatregelen die eerder buiten een reglementair kader in lopende zaken werden genomen, een wettelijk kader te geven. Zo kan bijvoorbeeld het verlengd penitentiair verlof worden afgeschaft en kan de opschorting van de uitvoering van gevangenisstraffen tot en met drie jaar worden stopgezet. Op die manier wordt een antwoord geboden op de straffeloosheid van dat verlengd penitentiair verlof en de niet-tenuitvoerlegging van gevangenisstraffen tot drie jaar. De noodwet is overigens het resultaat van een politiek compromis in de regering en het Parlement. Uiteraard zullen we de uitkomst en de resultaten daarvan monitoren. Het is te vroeg om daar nu conclusies uit te trekken, maar we zien bijvoorbeeld wel dat het aantal mensen in verlengd penitentiair verlof afneemt. Dat is een concreet gevolg daarvan.

Wat uw vraag betreft over de repatriëring van mensen zonder recht op verblijf, binnen de EU kunnen overbrengingen plaatsvinden tussen alle 27 lidstaten op basis van het Europees kaderbesluit van 2008 en de wet van 15 mei 2012. Voor landen buiten Europa gebruikt België het Verdrag van de Raad van Europa van 1983. Daarnaast zijn er tien bilaterale verdragen met onder meer Marokko, Albanië en Kosovo. Overbrengingen zijn mogelijk met ongeveer 90 landen, waardoor de juridische basis voor het overgrote deel van de overbrengingen gewaarborgd is. De uitdaging zit vaak in de praktische uitvoering, zowel bij de landen van herkomst als bij onze eigen diensten, die voldoende versterkt moeten worden.

Er worden gezamenlijke missies voorzien naar prioritaire landen van herkomst. Samen met mijn collega bevoegd voor Asiel en Migratie zal ik naar Albanië en Kosovo gaan. Er wordt ook een missie voorbereid naar Marokko in het kader van een whole-of-governmentbenadering.

Bovendien zal met het bijkomend verworven geld door het paasakkoord de dienst belast met de tussenstaatse overbrengingen versterkt worden met zeven vte's in het kader van de IDP Overbevolking. De prioriteit gaat daarbij uit naar overbrengingen binnen Europa, in het bijzonder naar Nederland, Frankrijk en Roemenië, maar ook naar derde landen zoals Marokko en Albanië.

We mogen geen enkele oplossing of bijdrage aan de oplossing voor die overbevolking uitsluiten. Dat is ook niet wat we doen. Enerzijds zijn er de ingrepen op korte termijn, in uitvoering van het regeerakkoord, namelijk een aantal nieuwe maatregelen die we hebben moeten nemen, zoals de noodwet. Tegelijkertijd moeten we op lange termijn nadenken over dit probleem. Dit probleem bestond al minstens tien jaar vóór mijn aantreden als minister, en misschien zelfs al enkele decennia. Het is dus niet verkeerd om ook experten te raadplegen en te bekijken welke oplossingen zij voorstellen.

Marijke Dillen:

Dank u voor uw antwoord, mevrouw de minister. Ik begrijp dat de expertengroep inmiddels is samengesteld. Wat de professoren betreft, zijn dat dezelfde professoren die ons op een zeer goede wijze hebben begeleid bij alle besprekingen over het nieuwe Strafwetboek tijdens de vorige legislatuur.

Er komt geen extra budget, zo heb ik begrepen. U rekent dus in feite een beetje op vrijwilligers, want de werklast bij de magistraten is vandaag al zeer hoog, zoals we allemaal weten. Worden ook de advocaten geacht hieraan belangeloos deel te nemen?

Nogmaals, ik blijf het herhalen: drie jaar is veel te lang. U zou eens de verslagen van de besprekingen van de commissie voor Justitie in het kader van het nieuwe Strafwetboek moeten lezen. Daar is uitvoerig gesproken over onder andere alternatieven. Er is dus voldoende informatie aanwezig. Ik vind dat dit toch op een veel kortere termijn moet gebeuren.

Ik noteer voor de zoveelste maal dat u voor deze problematiek geld gebruikt dat u hebt gekregen in het kader van het paasakkoord. Ik vind dat dat geld op veel domeinen wordt besteed. Zo'n groot fortuin hebt u ook niet gekregen, mevrouw de minister. Ik vrees dat u prioriteiten moet stellen.

Tot slot heb ik begrepen dat deze expertengroep regelmatig verslagen aan u moet bezorgen. Ik denk – en daar richt ik mij ook tot de voorzitter – dat het zinvol kan zijn om deze verslagen hier eveneens regelmatig te bespreken zodra ze beschikbaar zijn.

Alain Yzermans:

Ik ben blij te horen dat er ook tussentijdse rapporten komen en dat we niet tot 2028 moeten wachten om de expertengroep te kunnen helpen met opvolgen. Het gaat uiteraard om een holistische benadering; daarin volg ik u volledig. In de eerste plaats gaat het om infrastructuur en alle bijbehorende vormen. Ook de diepgaande langetermijnoefening rond de in- en uitstroom binnen de strafrechtketen wordt nu door experten ten gronde bekeken. Ik heb al eerder gezegd dat, gezien de legislatuuroverschrijdende initiatieven en de tijd die nodig is, er ook binnen de politieke partijen een commitment moet bestaan om dat toe te laten. Ik denk dat een duurzame relatie met de vakbonden nodig is om grondig na te denken over het kader en de opwaardering van het personeel om dit te blijven ondersteunen. Waarom zouden we ook niet kijken naar goede voorbeelden, of een combinatie daarvan? Er is bijvoorbeeld een groot verschil tussen wat in Nederland gebeurt en wat in Scandinavië gebeurt. Ook is een maatschappelijk debat nodig over wat een gevangenis vandaag de dag moet betekenen. We moeten wat uit de ratrace stappen om dit grondig aan te pakken. De pijnpunten, zoals u zegt, zoals de voorhechtenis, zijn een zeer goed uitgangspunt. Ook de problematiek rond sans-papiers en de interneringen die we vanmiddag hebben besproken, verdient aandacht. Kortom, het gaat om een en-enoplossing. Ik zou graag – maar ik zal dat misschien schriftelijk vragen – een duidelijk beeld krijgen van wat dat miljard betekent dat u in totaal hebt gevraagd.

De ontsnapping van een Oekraïense moordenaar

Gesteld door

lijst: VB Marijke Dillen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 17 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Een gevaarlijke Oekraïense moordenaar (27 jaar cel voor brutale moord in 2015) ontsnapte uit een open gevangenis (Ruiselede), ondanks zijn vluchtrisico en illegale verblijfssituatie (vals Pools paspoort, afgewezen asiel), wat vragen oproept over plaatsingscriteria in open detentie—de minister belooft onderzoek en strengere procedures. De Brusselse procureur slaakte een noodkreet over escalerend druggerelateerd geweld (57 schietpartijen in 2024) en machteloosheid van justitie/politie door gebrek aan middelen, camera’s en capaciteit (bv. ballistisch onderzoek bij NICC). De minister bevestigt extra budgettaire vragen (o.a. 478K–695K voor NICC, 30 FGP-agenten) en een actieplan voor hoogbeveiligde detentie van criminelen, maar concrete uitvoering blijft vaag. Kernpunt: Structureel falend beleid—zowel bij detentie van zware criminelen als in de bestrijding van drugscriminaliteit—eist dringende middelen en herziening, maar politiek handelen schiet tekort, zo luidt de scherpe kritiek. Motie dringt aan op meer budget, strengere detentie en drugbehandelingskamers.

Marijke Dillen:

Ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn ingediende vraag.

Het parket van West-Vlaanderen meldt dat een Oekraïense man die voor moord werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 27 jaar cel, kon ontsnappen (eerder wegwandelen) uit de open gevangenis, het penitentiair landbouwcentrum, van Ruiselede.

De man zou zijn ontsnapt via het dak en zou nog steeds voortvluchtig zijn.

Het PLC is een open gevangenis, bedoeld voor veroordeelden die niet vluchtgevaarlijk zijn (althans in theorie), in groepsverband kunnen leven en kunnen werken in het landbouwcentrum. Het open regime zou het mogelijk maken dat de gedetineerden zich kunnen voorbereiden op hun terugkeer naar de maatschappij.

De ontsnapte gevangene maakte deel uit van een Oekraïense bende die landgenoten smokkelde naar het Verenigd Koninkrijk. Hij en zijn kompaan moesten in de nacht van 6 op 7 mei 2015 ruim 10.000 euro afgeven aan een Litouws bendelid maar in plaats daarvan werd de Litouwse vrachtwagenchauffeur met 3 messteken neergestoken en gewurgd met de kabel van zijn GPS. Zijn lichaam en vrachtwagen hebben ze achtergelaten aan de E17 in Waasmunster.

Kan de minister de ontsnapping bevestigen en mij meedelen of de ontsnapte moordenaar reeds kon worden gevat?

Had de moordenaar een gekende verblijfplaats in België? Betrof veroordeelde een illegaal? Hoe kon desbetreffend geoordeeld worden dat betrokkene terechtkon in een open gevangenis, en er nog vanuit gegaan worden dat betrokkene niet zou ontsnappen (wegwandelen)?

Wat was de status van de gevangene? Werd door betrokkene reeds een verzoek ingediend tot voorwaardelijke invrijheidsstelling? Hoelang moest de gevangene normaal nog in de gevangenis te verblijven?

Op basis van welke criteria komen veroordeelde criminelen in aanmerking om in een open detentiecentrum te verblijven? Bent u van oordeel dat dit dient te worden uitgesloten voor de zwaarste misdrijven? Gaat u hiertoe de nodige initiatieven ondernemen?

Annelies Verlinden:

Collega Dillen, ik kan bevestigen dat een gevangene is gevlucht en tot nu toe niet kon worden gevat. De betrokkene kwam in 2000 naar België en diende bij aankomst een asielaanvraag in, waardoor hij een tijdelijk verblijfsrecht verwierf. Na het verlopen van zijn verblijfskaart ondernam hij geen verdere stappen tot vernieuwing, voornamelijk omdat hij een vermoedelijk valse Poolse identiteitskaart bezat en hiermee als Europees burger in België kon werken.

Gelet op de conflictsituatie in Oekraïne diende hij op 22 maart 2023 een nieuwe asielaanvraag in bij het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen (CGVS). Pas recentelijk werd zijn vluchtelingenstatuut door het Commissariaat-generaal geweigerd. Voorafgaand aan zijn verblijf in Ruiselede kende de betrokken persoon een correcte detentie in een gesloten strafhuis, met name de gevangenis van Beveren. Hij zat negen jaar in detentie, waarvan een groot deel in de open afdeling, zonder grote problemen, alvorens naar een open inrichting te worden overgeplaatst. Hij had nog geen verzoek tot voorwaardelijke invrijheidstelling ingediend, wel aanvragen voor beperkte detentie en elektronisch toezicht. Hij zou normaal op 14 augustus verschijnen voor de strafuitvoeringsrechtbank (SURB) in het kader van een aangevraagde strafuitvoeringsmodaliteit.

De weigering van het vluchtelingenstatuut verhoogt het risico op ontvluchting en daarom werd beslist de betrokken persoon over te brengen naar een gesloten inrichting. Nog voor de overbrenging plaats kon vinden, is hij echter ontsnapt uit de gevangenis van Ruiselede. Bij een vastgestelde ontvluchting wordt onmiddellijk de politie ter plaatse geroepen en het parket geïnformeerd en worden de nodige opsporingsmaatregelen ingezet. Het incident werd grondig onderzocht. Er wordt nagegaan of de procedures correct werden gevolgd, of menselijke fouten of structurele gebreken een rol speelden en welke maatregelen nodig zijn om herhaling te voorkomen. Dat kan variëren van het bijsturen van procedures en/of het beleid tot het organiseren van bijkomende opleidingen of het doorvoeren van aanpassingen aan de infrastructuur. Het gevangeniswezen tracht uit elk voorval lessen te trekken om dergelijke situaties in de toekomst te vermijden.

Marijke Dillen:

Ik dank u voor uw antwoord, maar ik blijf het toch wel onbegrijpelijk vinden, mevrouw de minister, dat iemand die tot 27 jaar cel is veroordeeld wegens het wurgen en vermoorden van een Litouwse vrachtwagenchauffeur, in een open centrum kan worden geplaatst.

U zegt dat er een beslissing is genomen om hem dan toch achteraf naar een gesloten instelling te brengen. Dat die man dan gevlucht is, is misschien niet zo verwonderlijk. Waarom is die man niet onmiddellijk overgebracht naar een gesloten instelling? U zegt zelf dat het hier gaat om vluchtgevaarlijke gedetineerden, omdat ze hier eigenlijk illegaal, of in dit geval met een vals Pools paspoort, in ons land verblijven. Het dossier moet grondig worden uitgespit om herhaling te voorkomen.

Marijke Dillen:

Ik verwijs naar de ingediende tekst van mijn interpellatie.

Op een sterk beveiligde persconferentie op 12 augustus jl. heeft de Brusselse Procureur - die al weken onder het hoogste beschermingsniveau 4 staat na zeer serieuze dreigementen uit het drugsmilieu - stevig uitgehaald naar de politiek. Brussel wordt overspoeld door een nietsontziende golf van gewelddadige criminaliteit en druggerelateerde schietpartijen, maar Justitie en Politie staan machteloos. Dat was de boodschap van de Brusselse Procureur. Deze boodschap kwam er na een nieuwe golf van schietpartijen en druggerelateerd geweld die Brussel nu al wekenlang teisteren. In de zomer alleen al is onze hoofdstad opgeschrikt door 20 schietpartijen. Sinds het begin van dit jaar staat de teller op maar liefst 57. “Iedereen kan in Brussel geraakt worden door een verdwaalde kogel." En “Ik wil dit niet banaliseren, we mogen dit nooit normaal vinden". Er moet dringend worden gehandeld. Er mag niet worden gewacht tot er onschuldige burgers gedood worden vooraleer de nodige middelen worden vrijgemaakt.

De procureur klaagde aan dat hij geen gehoor vindt bij de politiek. “Er wordt wel geluisterd, maar ik krijg niks, ik zie niks. Geen extra middelen", was de duidelijke boodschap. “Er is geluisterd maar behalve de 30 extra mensen bij de FGP zie ik niks". “Zo is er weinig of geen beleid om de druggebruikers aan te pakken, voor een drugbehandelingskamer zijn er geen middelen toegekend. In sommige delen van kwetsbare zones als Brussel-Zuid of Brussel-West beschikken ze niet over camera's of werken deze niet. Grote criminelen kunnen vanuit de gevangenis gewoon verder doen." Ook vindt de procureur het – terecht - onaanvaardbaar dat 91 procent van de criminelen die illegaal in ons land zijn, noodgedwongen worden vrijgelaten door de Dienst Vreemdelingenzaken. Verder dringt hij erop aan het kader van de FGP volledig in te vullen.

Wat is de reactie van de minister op deze werkelijke noodkreet van de procureur van Brussel?

Heeft er inmiddels reeds overleg plaatsgevonden met de procureur om een concreet antwoord te bieden op de verschillende aandachtspunten die de Brusselse procureur terecht heeft aangeklaagd?

De procureur houdt een pleidooi om leiders van criminele organisaties onder een hoog beveiligd gevangenisregime te plaatsen om te vermijden dat ze hun handel in criminele activiteiten vanuit de gevangenis kunnen verderzetten. Wat is uw standpunt ter zake? Bent u bereid hiertoe de nodige initiatieven te nemen en de nodige middelen vrij te maken?

De procureur vraagt ook aandacht voor een beleid om druggebruikers aan te pakken. Hij klaagt terecht aan dat er vandaag weinig of geen beleid is. Nochtans dragen de druggebruikers een verpletterende verantwoordelijkheid voor de huidige stijgende drugproblematiek, gekoppeld aan steeds maar toenemend geweld. Preventie alleen is hier onvoldoende. Ook zij moeten kordater worden aangepakt. Bent u bereid hiertoe de nodige initiatieven te nemen?

Is de minister bereid om de nodige middelen ter beschikking te stellen voor de uitbouw van een drugbehandelingskamer bij de rechtbank van eerste aanleg te Brussel?

De procureur kaart ook aan dat het NICC te weinig middelen heeft waardoor ballistisch onderzoek veel vertraging oploopt. Er werden extra middelen beloofd voor het NICC. Wanneer zullen deze middelen concreet worden toegekend? Op welke wijze zullen deze middelen worden verdeeld onder de verschillende gerechtelijke arrondissementen?

Annelies Verlinden:

Collega, mijn medewerkers en ik hebben frequent overleg met het openbaar ministerie in het algemeen en met de procureur des Konings van Brussel in het bijzonder. Vorige week bracht ik nog een bezoek aan het parket van Brussel om er met de procureur, magistraten en medewerkers te spreken. De bezorgdheden en noden van de procureur en het parket, in het bijzonder van Brussel, zijn de voorbije weken uitgebreid met hen besproken en opgevolgd.

Een gedegen strijd tegen de georganiseerde misdaad en de drugscriminaliteit vraagt zonder twijfel een versterking van de parketten. Dat geldt uiteraard voor Brussel, maar evenzeer voor Antwerpen, waar de bommen en granaten nog steeds een realiteit zijn. In die strijd, zeker gezien het vaak internationale karakter van de onderzoeken, moet ook het federaal parket worden versterkt. Overeenkomstig die versterkingen moeten we ook tegemoet kunnen komen aan de noden van de hoven en rechtbanken. Ik zal daarom in het kader van de budgettaire besprekingen een voorstel op tafel leggen om magistraten te kunnen aanwerven, maar ook gerechtspersoneel ter ondersteuning van de magistratuur.

U vroeg naar het plaatsingsbeleid in de gevangenis voor leiders van criminele organisaties. Dat wordt besproken in een werkgroep met alle betrokken partners, zoals het gevangeniswezen, het federaal parket, de politie en de Veiligheid van de Staat. We ontwikkelen een algemeen actieplan om de impact van georganiseerde criminaliteit op de detentiecontext aan te pakken. Plaatsing in een aangepaste en hoogbeveiligde infrastructuur maakt deel uit van dat actieplan. De elementen die momenteel worden besproken, vereisen een zekere mate van vertrouwelijkheid.

Ons land hanteert een integraal en geïntegreerd nationaal drugsbeleid dat zich richt op de volledige keten, van preventie en vroegdetectie tot repressie, harm reduction en nazorg. Een dergelijk beleid vereist een multidisciplinaire aanpak. Zowel federale, regionale en lokale overheden als politie, douane, justitie, gezondheidszorg, hulpverlening en jeugdzorg moeten daarbij betrokken worden.

Gelet op de bevoegdheidsverdeling brengt de Algemene Cel Drugsbeleid (ACD) van de IMC Volksgezondheid de verscheidene actoren van de verschillende bevoegdheidsniveaus bijeen en vormt zo een interfederaal orgaan dat het drugsbeleid uittekent. Een van de ACD-werkgroepen, die binnenkort haar werkzaamheden start, buigt zich ook over de nieuwe interfederale drugsstrategie voor 2026.

Met de aanpak van de aanbodzijde brengen we het criminele milieu uit evenwicht, verstoren we zijn verdienmodel en zorgen we ervoor dat er minder drugs beschikbaar zijn op de Belgische markt. Inzake drugsgebruik ligt de focus op het voorkomen van middelengebruik, het begeleiden van gebruikers om te stoppen en het onder medisch toezicht beperken van de schade van middelengebruik.

Hoewel velen er intuïtief van uitgaan dat het opleggen van sancties of boetes voor middelengebruik een afschrikwekkend effect heeft, blijkt uit wetenschappelijk onderzoek dat dit voornamelijk geldt voor mensen die nog nooit eerder gebruikten, die verder van het druggebruik afstaan en daardoor sowieso al minder kans hebben om illegale drugs te gebruiken. Het European Union Drugs Agency (EUDA) heeft aangetoond dat er weinig verband is tussen het opleggen van straffen of boetes en de mate van druggebruik in een land.

Voor druggebruik bestaat ook de mogelijkheid tot het opleggen van een onmiddellijke middellijke schikking, waarbij het bedrag afhankelijk is van het type druggebruik. Binnen specifieke afgebakende contexten – zoals op festivals – kan de toepassing van een onmiddellijke minnelijke schikking nuttig zijn, indien de doelstelling is om hiermee het signaal te geven dat druggebruik niet kan. Het is aan de procureur des Konings om binnen zijn gerechtelijk arrondissement te beslissen over het al dan niet toepassen van een onmiddellijke middellijke schikking.

Wat de drugbehandelingskamers of hersteltrajectkamers betreft, wordt momenteel een omzendbrief voorbereid die betrekking heeft op de praktische uitwerking van het wettelijk kader. De verdere implementatie van die drugbehandelingskamers vergt echter een substantiële versterking van de rechtbanken. Hiervoor zal ik in het kader van de begrotingsbesprekingen een vraag indienen.

Ten slotte is in het kader van de IDP Veiligheid voor het Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie (NICC) een jaarlijkse versterking voorzien van 478.000 euro vanaf 2025, oplopend naar 695.000 euro in 2028, specifiek voor de versterking van de afdeling Ballistiek van het NICC. Die middelen worden via een dotatie aan het NICC toegekend. Concreet zal het NICC die middelen inzetten om nog dit jaar vier extra personeelsleden te rekruteren: drie gerechtsdeskundigen ballistiek en een laborant. De oproepen tot kandidaten voor de extra gerechtsdeskundigen worden deze week gelanceerd. Daarmee versterkt het NICC zijn kernactiviteiten om wapens, kogels en hulzen sneller te analyseren en dossierkoppelingen sneller te realiseren.

Vanaf 2028 voorzien we in een tweede fase met twee bijkomende deskundigen. Ik wil benadrukken dat ballistische expertise een intensieve opleiding vergt. Naast het wapenonderzoek steunt de vergelijkende beoordeling sterk op ervaringsopbouw. Het effect op de doorlooptijden is daarom gradueel, maar structureel – precies waarvoor deze meerjarige dotatie bedoeld is. De middelen worden centraal bij het NICC ingezet. Zo dalen de wachttijden voor alle arrondissementen, met een prioritaire inzet voor het wegwerken van de Kanaalplanachterstand in Brussel en het regelmatig voeden van de nationale ballistische databank.

Collega's, ik begrijp en steun de noodkreet van de procureur van Brussel. We moeten alles op alles blijven zetten in de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit, ook al is die strijd gelaagd en complex. Ik zal dan ook bijkomende middelen vragen aan de regering om justitie in het algemeen en het openbaar ministerie in het bijzonder de slagkracht te kunnen geven die nodig is om deze strijd met gelijke wapens te voeren. Dank u.

Marijke Dillen:

Dank u, mevrouw de minister, voor uw antwoord.

Het was echt merkwaardig dat na die grote golf van gewelddadige drugscriminaliteit en de gerelateerde schietpartijen, waarbij duidelijk is dat zowel justitie als politie machteloos zijn, een procureur – in dit geval de procureur van Brussel, die al weken onder beschermingsniveau 4 staat na zeer serieuze dreigementen – op een sterk beveiligde persconferentie een echte noodkreet slaakte. Hij slaakte niet alleen een noodkreet, maar haalde ook uit naar de politiek. Dat is nooit gezien.

De procureur heeft ook heel duidelijk gezegd dat hij geen gehoor vindt bij de politiek. Er wordt wel geluisterd, zegt hij, maar hij krijgt niets. U moet dan ook, mevrouw de minister, bij de volgende begrotingsbesprekingen heel kordaat op tafel kloppen om meer middelen te krijgen, want wat u in het paasakkoord hebt gekregen en wat inmiddels een aantal keren is uitgedeeld, volstaat absoluut niet.

Ik zal het blijven herhalen, mevrouw de minister: wat voor de buitenlandse veiligheid kan, met een bedrag van 3 of 4 miljard per jaar voor defensie, moet zeker ook kunnen voor onze binnenlandse veiligheid. Zowel u als uw collega van Binnenlandse Zaken hebben immers veel meer middelen nodig. Ik wens u dus veel succes bij de begrotingsbesprekingen. Sta uw mannetje en laat u niet doen door uw collega's die er wel in slagen om veel middelen te verkrijgen, zoals de minister van Defensie. Justitie en politie hebben die middelen nodig.

Tot slot dien ik een motie in.

Steven Matheï:

Wij hebben een eenvoudige motie.

Moties

Motions

Voorzitter:

Tot besluit van deze bespreking werden volgende moties ingediend. En conclusion de cette discussion, les motions suivantes ont été déposées. Een motie van aanbeveling werd ingediend door mevrouw Marijke Dillen en luidt als volgt: "De Kamer, gehoord de interpellatie van mevrouw Marijke Dillen en het antwoord van de minister van Justitie, belast met de Noordzee, - overwegende dat Brussel wordt overspoeld door een nietsontziende golf van gewelddadige criminaliteit en druggerelateerde schietpartijen, maar justitie en politie machteloos staan; - overwegende dat dit de boodschap was van de Brusselse procureur – die al weken onder het hoogste beschermingsniveau 4 staat na zeer serieuze dreigementen uit het drugsmilieu – op de sterk beveiligde persconferentie op 12 augustus jl. waarbij hij stevig heeft uitgehaald naar de politiek; - overwegende dat de procureur duidelijk stelde dat hij geen gehoor vindt bij de politiek: "Er wordt wel geluisterd, maar ik krijg niks, ik zie niks. Geen extra middelen", was de duidelijke boodschap. "Er is geluisterd maar behalve de 30 extra mensen bij de FGP zie ik niks." "Zo is er weinig of geen beleid om de druggebruikers aan te pakken, voor een drugbehandelingskamer zijn er geen middelen toegekend. In sommige delen van kwetsbare zones als Brussel-Zuid of Brussel-West beschikken ze niet over camera’s of werken deze niet. Grote criminelen kunnen vanuit de gevangenis gewoon verder doen."; - overwegende dat er dringend moet worden gehandeld en de overheid niet langer mag wachten tot er onschuldige burgers gedood worden vooraleer de nodige middelen worden vrijgemaakt; vraagt de regering: - bij hoogdringendheid aanzienlijk meer middelen vrij te maken om oplossingen ten gronde uit te werken voor de verschillende problemen die de procureur van Brussel heeft aangeklaagd; - de nodige initiatieven te nemen om leiders van criminele organisaties onder een hoogbeveiligd gevangenisregime te plaatsen om te vermijden dat ze hun handel in criminele activiteiten vanuit de gevangenis kunnen verderzetten; - een beleid uit te werken om ook druggebruikers aan te pakken gezien hun verpletterende verantwoordelijkheid voor de huidige stijgende drugproblematiek, gekoppeld aan steeds maar toenemend geweld. Preventie alleen is hier onvoldoende; - de nodige middelen ter beschikking te stellen voor de uitbouw van een drugbehandelingskamer bij de rechtbank van eerste aanleg te Brussel; - de nodige middelen ter beschikking te stellen om ervoor te zorgen dat het ballistisch onderzoek sneller kan verlopen. " Une motion de recommandation a été déposée par Mme Marijke Dillen et est libellée comme suit: "La Chambre, ayant entendu l'interpellation de Mme Marijke Dillen et la réponse de la ministre de la Justice, chargée de la Mer du Nord, - considérant que Bruxelles est submergée par une vague impitoyable de criminalité violente et de fusillades liées à la drogue, mais que la Justice et la police sont impuissantes face à cet état de fait; - considérant que tel était le message que le procureur de Bruxelles, qui bénéficie d'un niveau de protection de niveau 4, le niveau le plus élevé, depuis des semaines après avoir fait l'objet de menaces très graves proférées par le milieu de la drogue, a délivré lors de la conférence de presse hautement sécurisée qui s'est tenue le 12 août dernier et au cours de laquelle il s'en est pris vivement au monde politique; - considérant que le procureur a dit clairement qu’il n'était pas entendu par le monde politique: "Je suis écouté par les politiques, mais je ne reçois rien, je ne vois rien. Pas de moyens supplémentaires. On m'a écouté mais, à part 30 personnes supplémentaires pour la PJF, je ne vois rien". "Il n'y a aucune stratégie ou à peine pour lutter contre les toxicomanes, aucun moyen n’a été octroyé pour une chambre de traitement de la toxicomanie. Dans certains quartiers vulnérables, comme Bruxelles-Midi ou Bruxelles-Ouest, il n'y a pas de caméras ou celles-ci ne fonctionnent pas. Les grands criminels peuvent simplement poursuivre leurs activités depuis la prison." - considérant qu'il faut agir d'urgence et que les autorités ne peuvent plus attendre que des citoyens innocents soient tués avant que les moyens nécessaires ne soient débloqués; demande au gouvernement : - de débloquer, de toute urgence, beaucoup plus de moyens afin d'apporter des solutions structurelles aux différents problèmes dénoncés par le procureur de Bruxelles; - de prendre les initiatives nécessaires afin de soumettre les chefs d'organisations criminelles à un régime carcéral de haute sécurité pour éviter qu'ils puissent poursuivre leurs activités criminelles depuis la prison; - d'élaborer une politique visant à s'attaquer également aux toxicomanes compte tenu de leur responsabilité écrasante dans le problème actuel croissant des stupéfiants, lié à une violence de plus en plus grave. La prévention seule ne suffit pas à cet égard. - de mettre à disposition les moyens nécessaires pour installer une chambre de traitement de la toxicomanie au sein du tribunal de première instance de Bruxelles; - de mettre à disposition les moyens nécessaires afin de pouvoir accélérer l'enquête balistique." Een eenvoudige motie werd ingediend door de heer Steven Matheï. Une motion pure et simple a été déposée par M. Steven Matheï . Over de moties zal later worden gestemd. De bespreking is gesloten. Le vote sur les motions aura lieu ultérieurement. La discussion est close.

Het uitzitten van gevangenisstraffen van criminele vreemdelingen in hun land van herkomst

Gesteld door

lijst: VB Marijke Dillen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 17 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De overbevolking in Belgische gevangenissen (waarbij 1/3 van de gedetineerden illegaal in België verblijft) kan volgens Vlaams Belang sterk verminderen door meer buitenlandse criminelen naar hun herkomstland te laten uitzitten. Minister Verlinden bevestigt 45 overbrengingen in 2025 (niet 12) maar wijst op terugval door verminderde Nederlandse medewerking, terwijl ze diplomatieke druk en 7 extra VTE’s inzet voor versnelde repatriëring (focus op Marokko, Albanië, Kosovo). Proactieve identificatie via databanken en informatiecampagnes lopen, maar concrete resultaten blijven afhangen van buitenlandse samenwerking. Dillen benadrukt dat systematische repatriëring de sleutel is om de crisis op te lossen.

Marijke Dillen:

Ik verwijs naar de tekst van mijn vraag zoals ingediend.

In de media kunnen we lezen dat er vorig jaar slechts 90 niet-Belgen hun gevangenisstraf uitzaten in hun land van herkomst.

Dit jaar zou dat getal nog significant gedaald zijn. Op heden zouden dat voor 2025 (de eerste 8 maanden) slechts 12 personen zijn.

De problematiek van de overbevolking binnen de Belgische gevangenissen is de minister bekend.

Ongeveer 1/3de , oftewel om en bij de 3.500, van alle gevangenen verblijft illegaal in dit land.

Criminele vreemdelingen hun gevangenisstraf laten uitzitten in het land van herkomst, hetgeen door het Vlaams Belang reeds decennialang wordt voorgesteld, kan een belangrijke factor zijn in de strijd tegen de overbevolkingsproblematiek binnen de Belgische gevangenissen.

Kan de minister de voormelde cijfers bevestigen?

Welke maatregelen en initiatieven gaat de minister ondernemen om ervoor te zorgen dat meer criminelen hun gevangenisstraf kunnen uitzitten in hun land van herkomst?

Gaat de minister hiervoor extra personeel aanwerven? Werden hiervoor bijkomende budgetten voorzien? Graag enige toelichting.

Annelies Verlinden:

Mevrouw Dillen, de cijfers waarover u beschikt vereisen enige nuance, maar ik deel uw analyse dat dit mede aan de basis ligt van de structurele overbevolking en dat we daar actief op moeten inzetten. Dat is voor het gevangeniswezen dan ook een prioriteit.

In 2025 hebben we tot op heden 45 – en dus niet 12 – gedetineerden overgebracht naar hun land van herkomst voor het uitzitten van hun Belgische straf. Voorlopig staan er voor september en begin oktober nog 13 overbrengingen ingepland. Belangrijk daarbij te vermelden is dat de medewerking van Nederland begin 2025 fors is afgenomen. In 2024 waren er op dit moment van het jaar al 20 overbrengingen naar Nederland, tegenover slechts 6 in 2025. Daarom heb ik herhaaldelijk overlegd met mijn Nederlandse ambtgenoten, aangezien de bevoegdheid in Nederland ondertussen door verschillende personen is ingevuld. Ook op diplomatiek niveau zijn stappen gezet om de samenwerking op korte termijn opnieuw te versterken. Mijn Nederlandse ambtgenoot heeft daarvoor een engagement gegeven, maar het is nu nog afwachten welke effecten dat op het terrein heeft. Ik zal dat nauwgezet blijven opvolgen, want het is een belangrijke aangelegenheid.

Om gedetineerden zonder recht op verblijf en die mogelijk in aanmerking komen voor een tussenstaatse overbrenging te identificeren en dossiers op te starten, heeft de bevoegde dienst van de FOD Justitie toegang tot Sidis Suite, de databank van het DG EPI. Naast de bevoegde dienst werken ook de griffies, de directies van de gevangenissen en de Dienst Vreemdelingenzaken proactief mee aan de identificatie van personen die mogelijk in aanmerking komen voor een tussenstaatse overbrenging zonder hun instemming. Alle definitief veroordeelden ontvangen bovendien een informatiebrochure om hen te informeren over de mogelijkheden van een tussenstaatse overbrenging. Die brochure is beschikbaar in twintig talen.

De regering plant gezamenlijke missies. Zelf ga ik naar Albanië en Kosovo. De missie naar Marokko wordt als een prioriteit voorbereid. Daarnaast heb ik beslist om de dienst te versterken met zeven vte's, zoals ik eerder al zei, waarvoor middelen werden vrijgemaakt in de IDP Overbevolking. We geven daarbij prioriteit aan een aantal landen in Europa, aan Marokko en Albanië.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, bedankt voor uw antwoord. Ik denk dat we het allebei weten: als daarop versterkt wordt ingezet, als zoveel mogelijk gedetineerden die niet de Belgische nationaliteit hebben en zeker de illegalen worden gerepatrieerd naar hun landen van herkomst, kan een groot deel van de overbevolking in onze gevangenissen worden opgelost.

De aangekondigde sluiting van de gevangenis van Hoogstraten

Gesteld door

lijst: VB Marijke Dillen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 17 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De gevangenis van Hoogstraten blijft gedeeltelijk open (focus op gespecialiseerde detentie zoals het schoolcentrum), maar het Waterkasteel-sluits deelweg omwille van te hoge renovatiekosten, met uitvoering afhankelijk van een lopend onderzoek door de Regie der Gebouwen (timing onduidelijk). Personeel wordt herplaatst in de Kempense gevangenissen (niet Antwerpen) en er lopen versnelde aanwervingsprocedures (fastlane, startbaanovereenkomsten) om tekorten aan te pakken, terwijl vakantieregeling tijdelijk wordt aangepast om verlof mogelijk te maken. Onzekerheid en onrust bij cipiers blijven bestaan door gebrek aan concrete timing, details over 'gedeeltelijke sluiting' en het aanhoudende personeelsverloop, ondanks beloften van regionale herplaatsing.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, in de gevangenis van Hoogstraten heerst veel onrust. U weet dat ze een uniek project is in het gevangeniswezen, met de werkhuizen, opleidingen en het halfopen regime.

In het voorjaar van 2024 werd zonder overleg met het personeel of de vakbonden aangekondigd dat die gevangenis zal sluiten wanneer de nieuwe gevangenis van Antwerpen zal openen, normaal gezien in 2026, met als argument dat de renovatie te veel zou kosten.

Die aankondiging kwam er ondanks de honderdduizenden euro's die al werden besteed aan onder meer masterplannen en renovatieplannen. Daarna werd aangekondigd dat een deel van het complex operationeel zou blijven tot 2030. Die beslissing, van de vorige minister van Justitie, was eigenlijk onbegrijpelijk, gelet op het grote plaatstekort in onze gevangenissen.

Sindsdien is het muisstil gebleven over de plannen voor een eventuele sluiting. Dat leidt, zoals ik al zei, tot grote ongerustheid bij het personeel, dat in het ongewisse wordt gelaten. De ene dag is er sprake van een sluiting, dan een gedeeltelijke sluiting, en nu wordt weer gezegd dat de oudere gevangenissen toch langer zouden openblijven.

Mevrouw de minister, met mijn vragen wil ik graag meer duidelijkheid.

Wat is de definitieve beslissing?

Indien de sluiting toch geheel of gedeeltelijk zou doorgaan, kunt u toelichten wat er met het personeel zal gebeuren? De vorige minister had beloofd dat niemand van het personeel naar Antwerpen zou moeten gaan, maar over de drie gevangenissen in de Kempen zou worden gespreid. Wat zijn daaromtrent de eventuele plannen?

Door de onzekerheid, gekoppeld aan de moeilijke werkomstandigheden, vloeit steeds meer ervaren personeel af, wat de veiligheid en de werksfeer er niet gemakkelijker op maakt. Sommige cipiers hebben dit jaar nog maar enkele dagen vakantie kunnen nemen omdat hun gevraagde vakantie werd ingetrokken door personeelstekorten. Ik meen dat we het er allemaal over eens zijn dat dat onaanvaardbaar is. Cipiers verdienen meer respect en hebben net zoals iedereen recht op vakantie. Welke initiatieven zult u, specifiek voor de gevangenis van Hoogstraten, nemen om dat probleem op te lossen?

Annelies Verlinden:

Mevrouw Dillen, in het regeerakkoord werd afgesproken om in te zetten op gespecialiseerde detentievormen, zoals het penitentiaire schoolcentrum in Hoogstraten.

Het actieplan van de taskforce Capaciteit, dat deel uitmaakt van het globale actieplan tegen overbevolking, bepaalt dat de gevangenis van Hoogstraten gedeeltelijk openblijft. Ik herhaal dat het actieplan al op 18 juli 2025 werd goedgekeurd door de ministerraad. In samenwerking met de Regie der Gebouwen wordt de praktische uitvoering van het plan onderzocht, maar het staat vast dat de gevangenis slechts gedeeltelijk zal openblijven. De kostprijs van de renovatie van het Waterkasteel staat immers niet in verhouding tot de capaciteit die erin kan worden voorzien. Een dergelijk renovatieproject vereist vanzelfsprekend bijkomende middelen.

Inzake het personeel wil ik bevestigen dat voor hen een functie zal worden gezocht in een van de andere gevangenissen in de Kempen. Gelet op de personeelstekorten blijven de aanwervingen voor de gevangenis van Hoogstraten intussen uiteraard doorlopen. Er worden dus blijvende inspanningen geleverd om het personeelskader verder in te vullen.

Er is bijvoorbeeld een specifieke fastlane-aanwervingsprocedure gelanceerd voor de vier gevangenissen in de Kempen. Naast die procedure loopt ook een specifieke startbaanovereenkomstprocedure om de instroom van kandidaten voor Hoogstraten te verhogen.

Tijdens de vakantie werd en wordt, om het personeel de mogelijkheid te geven verlof te nemen, gewerkt met een aangepaste dienstplanning en activiteitenschema voor de gedetineerden. Dat maakt het voorwerp uit van permanente evaluatie. De directie volgt de situatie aandachtig op en verzekert ter zake een continue en transparante communicatie.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord. Ik noteer dat de gevangenis slechts gedeeltelijk zal worden opengehouden. Graag had ik daar wat meer informatie over. Wat betekent gedeeltelijk? Wat is de timing? Een gevolg van die beslissing is dat een deel van die gevangenis zal sluiten. Wanneer zal dat gebeuren? Hoelang zal het onderzoek door de Regie der Gebouwen duren? Al die zaken moeten op heel korte termijn worden uitgeklaard om de ongerustheid weg te nemen bij de cipiers die in Hoogstraten werken. Ik noteer ook dat u heel duidelijk hebt gezegd dat de cipiers die niet meer in Hoogstraten zullen worden tewerkgesteld, niet naar Antwerpen worden overgeplaatst, maar in de regio zelf kunnen blijven werken in een van de drie andere penitentiaire instellingen.

De problemen in de gevangenis van Wortel
De onhoudbare werksituatie in de gevangenis van Wortel
De uitdagingen in de gevangenis van Wortel

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 17 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De gevangenis van Wortel kampt met escalerend geweld, verouderde infrastructuur (kapotte camera’s, defecte veiligheidscellen) en ondersteund, ontmoedigd personeel dat zich onveilig en in de steek gelaten voelt door gebrek aan directie- en politieke steun. Minister Verlinden bevestigt de problemen (bezoek bevestigd), kondigt kortetermijnmaatregelen aan (tijdelijke camera’s, herstel veiligheidscellen, project *"geweldloze cultuur"* via begeleiding gedetineerden/personeel) en wijst op structurele uitdagingen (complexere detentiepopulatie, afhankelijkheid Regie der Gebouwen voor infrastructuur). Dillen en Yzermans benadrukken dat dringende, concrete actie (middelen, transparante communicatie, politieke moed) en betere luisterbereidheid naar het terreinvel noodzakelijk zijn, met twijfel of de genomen stappen voldoende en snel genoeg zijn.

Alain Yzermans:

Mevrouw de minister, op 18 augustus werd in de gevangenis van Wortel een cipier bedreigd door een gedetineerde met een glasscherf. Dat zoveelste gewelddelict in een gevangenis is daar ingeslagen als een bom en roept vragen op over de veiligheid van het gevangenispersoneel. Een cipier getuigde bij mij dat de werkomstandigheden door die incidenten van agressie zwaar worden en ontmoedigend werken. Hij hoopt net zoals zijn collega-cipiers op concrete antwoorden en verbeteringen in de gevangenis.

Hoe wilt u de veiligheid waarborgen in de gevangenis van Wortel? Hoe treedt u op tegen dergelijke incidenten en vormen van intimidatie?

Hoe zult u ervoor zorgen dat de infrastructuur voor de gevangenis, inclusief de beveiligingssystemen en communicatiemiddelen, op korte termijn wordt verbeterd? Camera's zijn er kapot en veiligheidscellen defect.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, de situatie in de gevangenis van Wortel is werkelijk onhoudbaar geworden. Zware vechtpartijen tussen gedetineerden en het over de omheining gooien van drugs en gsm's zijn er schering en inslag. Het zijn maar enkele voorbeelden.

Incident na incident, telkens opnieuw moet het personeel de chaos ondergaan. Er circuleren online voldoende berichten betreffende de ernst van de recente incidenten. Het is dan ook onnodig te zeggen dat de personeelsleden op hun tandvlees zitten. Ze worden moedeloos, zijn onderbemand en voelen zich, mevrouw de minister, werkelijk in de steek gelaten.

Uit gegevens waarvan ik kennis heb, blijkt dat het gevoel leeft dat de directie het personeel onvoldoende steunt, waarschijnlijk omdat ze zelf te weinig ondersteuning krijgt van het hogere niveau. Met andere woorden, het personeel vraagt dringend actie. Het wil niet liever dan zijn werk kunnen doen in menswaardige en veilige omstandigheden. Er moet dringend extra ondersteuning komen om eindelijk een antwoord te bieden op de specifieke problemen in die gevangenis. Mevrouw de minister, het personeel vraagt de politieke moed om eindelijk alle problemen op het terrein concreet en daadkrachtig aan te pakken en de nodige middelen vrij te maken.

Wat moet er gebeuren in die gevangenis opdat er echt geluisterd wordt naar de almaar toenemende problemen? Welke initiatieven wilt u nemen om oplossingen voor de gevangenis uit te werken? De signalen zijn overduidelijk. U moet echt politieke moed aan de dag leggen en niet wachten tot er iets misgaat.

Daarnaast blijkt uit berichten dat de situatie van de veiligheidscellen bijzonder verontrustend is in de gevangenis van Wortel. Ze zouden vaker buiten gebruik dan beschikbaar zijn. Dat heeft uiteraard een rechtstreekse impact op de veiligheid van het personeel en de gedetineerden. Er zijn dringend herstellingswerkzaamheden nodig. Bent u daarvan op de hoogte, mevrouw de minister? Wat zal er op korte termijn gebeuren?

Daarnaast zijn er verschillende structurele gebreken die de dagelijkse werking en de veiligheid ernstig belemmeren. Hebt u, mevrouw de minister, de gevangenis in Wortel al bezocht, niet om er op te treden tijdens een kort persmoment, maar om echt te luisteren naar alle bezorgdheden en de ernst van de problematiek te beoordelen?

Annelies Verlinden:

Collega Dillen, ik kan bevestigen dat ik de gevangenis al bezocht heb, en niet alleen voor een kort persmoment. Ik heb gesproken met medewerkers in verschillende functies en heb de uitdagingen en bezorgdheden kunnen vaststellen. De leefomstandigheden voor gedetineerden en medewerkers zijn in gevangenissen zeker moeilijk en de gevangenis van Wortel vormt daarop helaas geen uitzondering. Twee weken geleden heb ik dat zelf kunnen vaststellen. Net als in andere gevangenissen wordt de populatie steeds complexer door bijvoorbeeld psychiatrische problemen en druggebruik. Daarnaast kent elke gevangenis eigen uitdagingen en problemen, waaronder infrastructurele problemen, die de Regie der Gebouwen moet oplossen.

Het personeel en de directie brengen inderdaad al geruime tijd de moeilijke werkomstandigheden onder de aandacht en ik kan u verzekeren dat er daadwerkelijk gewerkt wordt om het leef- en werkklimaat te verbeteren. Dynamische veiligheid is daarbij de sleutel. Een correct sanctiebeleid, gebaseerd op bepalingen in de basiswet, sluit daarop aan.

Met het project "geweldloze cultuur" zal zowel met gedetineerden als met personeel aan de slag worden gegaan. Met gedetineerden wordt via collectieve en individuele begeleiding aan hun agressieproblemen gewerkt. Met het personeel worden groepssessies georganiseerd om te bekijken welke acties, op maat van de inrichting, kunnen worden uitgewerkt met het oog op een gunstiger werkklimaat met minder agressie.

Wat de camerabewaking betreft, er werd een tijdelijk systeem geïnstalleerd dat toelaat de cruciale plaatsen opnieuw in beeld te krijgen. Dat werd positief onthaald. Daarnaast is de vernieuwing van de cameraserver en de update van de software lopende. Het aanbestedingsdossier werd recent gepubliceerd en de offertes werden gisteren geopend. Er zijn momenteel drie veiligheidscellen beschadigd of minder geschikt. De Regie stelde een aannemer aan om de volledig gevandaliseerde veiligheidscel in vleugel C te herstellen en die werkzaamheden bevinden zich momenteel in de laatste fase. Er werd ook via de officiële kanalen aan de Regie gevraagd om de twee momenteel niet geschikte strafcellen in vleugel A te renoveren. De administratieve procedure om de werken op de activiteitenlijst van de Regie op te nemen, loopt momenteel in die dienst.

Wat de relatie tussen personeel en directie betreft, investeert de directie verder in een transparante communicatie, zowel met betrekking tot het algemene beleid als met betrekking tot de afhandeling van incidenten.

Alain Yzermans:

Dank u voor de nauwgezette opvolging.

Marijke Dillen:

Dank u voor uw antwoord, mevrouw de minister. Ik denk echter dat er meer moet worden ingezet op de communicatie tussen het personeel en de directie. Ik weet echt niet of zij de moed hebben om dat rechtstreeks aan u te zeggen, maar daar loopt fundamenteel een en ander mis, als men daar zijn oor te luisteren legt. Misschien durven ze aan mij meer te zeggen dan aan u als minister. Er moet zeer nauwkeurig op worden toegezien en de directie moet worden gestimuleerd om daar meer werk van te maken. Ik zal dat in elk geval opvolgen.

Het trekken van een tand met behulp van een lepel in de gevangenis van Hasselt

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 17 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De tandzorg voor gedetineerden is onvoldoende door tekort aan tandartsen en ongelijke aanbodverspreiding (bv. Hasselt biedt geen zorg meer, Leuven Centraal kampt met problemen). Minister Verlinden bevestigt initiatieven zoals tariefsverhogingen, samenwerking met universiteiten en een nieuwe tandarts in Leuven, maar mobiele tandzorg en tandartsen in opleiding bieden geen oplossing zonder begeleiding door gediplomeerden. Het probleem is niet enkel budgettair, maar vooral structureel (ook buiten gevangenissen heerst tandartsentekort). Yzermans dringt aan op verder onderzoek en hernieuwd mobiel alternatief waar vaste zorg ontbreekt.

Alain Yzermans:

De titel van mijn vraag is brutaal, maar bepaalde zorgverstrekkingen worden gedetineerden ontnomen, eenvoudigweg omdat ze niet worden aangeboden. Dat werd al meermaals aangekaart.

Er was vanochtend een uitgebreide toelichting over de geestelijke gezondheidszorg in de gevangenissen en het tekort aan zorgverlening. Een van de pijnpunten is het gebrek aan medisch personeel, in het bijzonder aan tandartsen. Tandzorg gebeurt zeer selectief: sommige gevangenissen beschikken over tandartsen, andere niet, of werken met uiteenlopende regelingen. In Hasselt is er zelfs geen opvolging meer. Er wordt geen tandzorg meer toegepast.

Mijn vraag is dan ook zeer pertinent. Hoe zal men de noodzakelijke tandzorg, die een basisrecht vormt van iedere gedetineerde, opnieuw invoeren en opvolgen? Is er nog werk gemaakt van het systeem van mobiele tandartsen als alternatief? Ook in Leuven Centraal is er een probleem. Hoe wordt de situatie rond betere tandzorg in het algemeen opgevolgd en gemonitord? Hoe kunnen maatregelen worden toegepast in zowel Hasselt als Leuven Centraal? Bovendien vraagt men om een groter budget.

Annelies Verlinden:

Mijnheer Yzermans, op het vlak van tandverzorging in de gevangenissen zijn verschillende initiatieven genomen. De tarieven voor de prestaties van de tandartsen zijn aangepast om concurrentieler te zijn. Er werd contact opgenomen met de universiteiten en we publiceren regelmatig in het Vlaams Tandartsenblad .

In Leuven Centraal zou binnenkort alvast een nieuwe tandarts starten. Het oude systeem van mobiele tandverzorging voldeed niet volledig aan de noden. We overleggen momenteel met verschillende universiteiten en partners om te bekijken hoe we het best kunnen inspelen op de behoeften van de gedetineerden.

De piste van tandartsen in opleiding werd besproken, maar het probleem rijst dat zij in de gevangenis enkel tandzorg mogen verlenen wanneer er gelijktijdig een gediplomeerde tandarts aanwezig is. Daardoor is hun inzet onmogelijk in inrichtingen waar geen tandarts beschikbaar is. De gevangenissen weerspiegelen vaak de maatschappij: ook buiten de gevangenismuren zijn tandartsen overbevraagd, en de gevangenissen worden met dezelfde realiteit geconfronteerd.

Er bestaat een gemeenschappelijke strategie voor penitentiaire inrichtingen, waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke context van elke inrichting. We blijven echter in grote mate afhankelijk van de situatie in de verschillende regio’s. De problematiek is dus niet louter budgettair, maar betreft vooral het vinden van voldoende tandartsen.

Alain Yzermans:

Mevrouw de minister, ik verheug me dat er stappen worden gezet. Toch blijf ik ervoor pleiten dat men de toegang tot de tandzorg van elke gedetineerde blijft onderzoeken. De idee van mobiele tandartsen is een goed idee. Ik bied het aan als mogelijk alternatief op de plaatsen waar de instroom problematisch is.

De detentieomstandigheden van de leiders van criminele organisaties

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 17 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie gaat over het misbruik van gsm’s door drugscriminelen in Belgische gevangenissen, ondanks eerdere maatregelen zoals detectie- en storingsapparatuur (20 aangeschaft in 2004) en een pilotproject. Minister Verlinden bevestigt extra budget voor technologie en personeel, plus een plan voor strenge plaatsing van criminelen in hoogbeveiligde afdelingen, maar details blijven vertrouwelijk omwille van lopende overleg met justitie en politie. De Smet vindt de voortgang onvoldoende, maar erkent beperkte vooruitgang. Kernpunt blijft: criminelen leiden vanuit de cel nog steeds netwerken via smokkeltelefoons.

François De Smet:

Madame la ministre, je vous avais interrogé en mars dernier sur l'utilisation des gsm en prison par les narcotrafiquants.

Vous m'aviez répondu entre autres, je cite: "Afin de les empêcher de poursuivre leurs activités criminelles en prison, l'administration pénitentiaire s'est engagée à renforcer les contrôles par le biais de dispositifs de détection des téléphones portables, dont 20 ont été achetés fin 2004, et de brouillages de téléphones portables. Après une évaluation positive du projet pilote, cette application sera encore étendue."

Lors de sa conférence de presse très médiatisée du 13 août dernier, le procureur du Roi a insisté à nouveau lourdement sur l'insuffisance de l'arsenal dissuasif à cet égard et a déploré le fait que des dirigeants d'organisations criminelles puissent continuer à donner des ordres par voie de gsm et continuer à sévir même incarcérés. Il a également réclamé leur placement dans des quartiers de haute sécurité. Je crois qu'on est tous d'accord avec le procureur du Roi pour considérer que priver ces malfrats de ce type d'utilisation d'un gsm ne constitue pas un traitement dégradant.

Madame la ministre, pouvons-nous faire le point sur la situation? Comment comptez-vous encore renforcer la lutte contre cette utilisation de gsm en prison par les dirigeants d'organisations criminelles et si le placement de ceux-ci dans des quartiers de haute sécurité, comme cela est envisagé, avance?

Annelies Verlinden:

Collègue De Smet, les moyens de communication peuvent être utilisés pour poursuivre des activités criminelles et entretenir des réseaux depuis la prison. Des drones sont utilisés pour faire passer clandestinement des moyens de communication et d'autres substances et objets illicites à l'intérieur des murs de la prison. Nous devons donc davantage renforcer la lutte contre l'utilisation des gsm.

C'est pourquoi j'ai mis des budgets à disposition pour acquérir des moyens technologiques supplémentaires et prévoir les moyens humains nécessaires à ces contrôles. Ces contrôles pourront également cibler les dirigeants d'organisations criminelles. La politique de placement de ces personnes fait l'objet de discussions au sein d'un groupe de travail avec tous les acteurs concernés tels que l'administration pénitentiaire, le parquet fédéral et la police fédérale.

Nous développons un plan d'action global afin de faire face à l'impact de la criminalité au sein et à partir des prisons. Le placement dans une infrastructure adaptée fait partie de ce plan d'action. Les éléments discutés dans ce groupe de travail nécessitent actuellement une certaine confidentialité.

François De Smet:

Je remercie la ministre pour sa réponse, qui me laisse quelque peu sur ma faim. Nous réitérerons l’exercice. Je constate néanmoins que certaines avancées sont à noter.

De staking in de gevangenis van Haren

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 17 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De prison van Haren kampt met extreme onderbezetting (100 vacatures, 14 ontslagen), veiligheidsrisico’s (agressie, overbevolking) en onrustig personeel dat om bescherming (kogelvrije vesten, wapens) en versterking vraagt via een noodkreet-staking. Minister Verlinden wijst wapens af (kiest voor "dynamische veiligheid" via dialoog en interventieteams), belooft nieuwe aanwervingen (30+ kandidaten in pijplijn via Fastlane) en herhaalt dat klachten bij het parket moeten, maar beslissingen daarover buiten haar bevoegdheid vallen. Structurele oplossingen (kaderversterking) blijven vaag, terwijl de crisis escalatie dreigt door slechte werkomstandigheden. De minister ontkent geen urgentie, maar concrete maatregelen blijven beperkt tot lopende wervingsprocedures.

François De Smet:

Je vous ai déjà interrogée à plusieurs reprises sur la situation à la prison de Haren,

Dès le début de votre prise de fonction, vous avez été confrontée à des agressions à l’égard des membres du personnel, qui est depuis sous tension et qui travaille dans des conditions désastreuses.

Vous n’êtes pas sans savoir que les agents réclament cependant davantage de protection, par exemple être muni de gilets pare balle ou de bâtons télescopiques ainsi que de formation, notamment en matière de secourisme, sans parler de renforts au cadre: lors de la toute récente grève en août dernier, les syndicats ont mis en évidence le fait qu’il manque pas moins de 100 équivalents temps plein à la prison de Haren et, que sur les deux derniers mois, il y a eu 14 démissions de membres du personnel.

La prison de Haren prend des allures de volcan sous la menace d’une éruption soudaine, tant les paramètres sont rouges, sans parler de la surpopulation carcérale. On peut partager le point de vue exprimé par les syndicats selon lequel cette grève constitue un appel au secours.

En conséquence, Madame la Ministre peut-elle me faire savoir:

Si elle a reçu les représentants du personnel suite à cette interruption de travail? Si dans l’affirmative, des mesures conjoncturelles puis structurelles de remplissage du cadre sont prochainement prévues? Ce qu’il en est des revendications du personnel en termes de protection de leur intégrité physique en cas d’agressions de détenus? Si les poursuites en cas d’agression sont toujours diligentées par le parquet dès lors qu’il en est informé?

Annelies Verlinden:

En effet, monsieur De Smet, la situation à la prison de Haren est régulièrement abordée au sein du comité supérieur de concertation. Au niveau néerlandophone, une procédure de sélection continue via Fastlane est en cours afin de pourvoir les postes vacants d'accompagnateurs de détention à Haren. Au niveau francophone, une procédure a été lancée à la mi-mars 2025.

Plus de 30 lauréats sont actuellement en attente d'une entrée en fonction et leurs dossiers sont en cours de préparation. Nous prévoyons donc de nouvelles entrées en fonction dans les semaines et les mois à venir. À cet égard, le personnel de Haren est traité de la même manière que celui des autres établissements.

Nous n'approuvons pas l'idée de doter les agents d'armes et d'équipements de protection physique. En revanche, nous encourageons dans l'ensemble de nos établissements la sécurité dynamique basée sur le dialogue, le respect et la clarté des procédures afin de maintenir un climat social humain. Il existe une équipe d'intervention qui est sollicitée lorsqu'une approche plus sécuritaire est nécessaire lors d'un incident ou pour prévenir un incident.

Nous conseillons vivement aux membres du personnel victimes d'un incident de porter plainte. Il appartient ensuite au parquet de décider des poursuites. La direction informe également les autorités judiciaires, conformément à l'article 29 du Code d'instruction criminelle. L'opportunité des poursuites relève évidemment de la compétence du parquet.

François De Smet:

Je remercie Mme la ministre.

De onderfinanciering van Justitie
De start van het gerechtelijk jaar
Financiële uitdagingen en ontwikkelingen in de rechtspraak

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 17 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De topmagistraten klagen aan dat justitie chronisch ondergefiancieerd is, met stijgende dossiers (+5%), verouderde infrastructuur, veiligheidsrisico’s en personeelstekort, wat leidt tot gerechtelijke achterstand en straffeloosheid. Minister Verlinden erkent de crisis en kondigt 21 miljoen euro extra aan voor personeel, gebouwen en digitalisering, plus 7,5 miljoen voor betere arbeidsomstandigheden, maar benadrukt dat structurele hervormingen (zoals autonomie voor de rechterlijke orde en het nieuwe Strafwetboek 2026) en extra begrotingsmiddelen noodzakelijk zijn om justitie toekomstbestendig te maken. Oppositieleden Dillen en Yzermans dringen aan op drastische budgetverhogingen en langetermijninvesteringen, met nadruk op veiligheid, welzijn en capaciteit, en waarschuwen dat de voorgestelde maatregelen onvoldoende zijn zonder politieke steun voor een fundamentele financiële injectie.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, de middelen voor justitie volstaan allerminst om de toenemende stroom aan dossiers de baas te kunnen. Dat hebben verschillende topmagistraten aangegeven in hun mercuriale bij de opening van het gerechtelijke jaar.

Aangaande het door u voorgestelde hefboomplan stelde bijvoorbeeld de eerste voorzitter van het hof van beroep te Gent: “Een hefboom wordt gebruikt om met uitoefening van weinig kracht op een krachtarm een groot gewicht aan de andere kant van het draaipunt te kunnen bewegen. De regering kan echter de wetten van de fysica niet tarten. Om de werking van justitie te verbeteren, dienen verschillende maatregelen te worden genomen. Het gaat om een verbetering van het statuut, van het welzijn en van de veiligheid van justitiemedewerkers, een verhoging van de middelen, een voortdurende dialoog met de andere staatsmachten en een blijvende investering in digitale transformatie.”

De procureur-generaal bij het hof van beroep van Luik stelde het als volgt: “Het gerechtelijk systeem wordt uitgehold door onderfinanciering. Justitie draait enkel nog op de goede wil en het plichtsbesef van haar leden. Er is door de overheid geen budget vrijgemaakt om het aantal magistraten te verhogen. In één jaar steeg het aantal dossiers dat de Belgische parketten te verwerken kregen met 5 %. Ook de gerechtelijke achterstand bij correctionele rechtbanken neemt jaar na jaar toe.”

Mevrouw de minister, ik neem aan dat u kennis hebt van de verschillende openingsredes. Wat is uw reactie op die aanklachten?

Bent u van plan om tegemoet te komen aan de kritiek van de hoogste magistraten? Zo ja, op welke wijze? Hebt u een visie en een draaiboek?

Wat wilt u op korte, middellange en lange termijn realiseren?

Hoeveel financiële middelen zullen extra worden uitgetrokken om de pijnpunten, zoals beschreven door de magistraten, weg te werken? Zijn die middelen al begroot? Zo neen, wanneer kunnen die middelen worden verwacht?

Alain Yzermans:

Mevrouw de minister, voor het zomerreces hadden we de 5 voor 12-actie, een soort prikactie van de magistratuur, die vooral gebruikt werd om een aantal toestanden aan te klagen, zoals de lamentabele fysieke toestand van de middeleeuwse justitiegebouwen, met grote veiligheidsrisico’s, de aanwezigheid van ongedierte, het gebrek aan onderhoud en herstellingen, wateroverlast en zo meer.

De actie was ook een middel om de achterstanden in betalingen aan te klagen. Er wordt gepleit voor meer middelen en personeel, meer samenwerking, meer gebruik van ICT en technologie, en een betere focus op welzijn en veiligheid.

Aansluitend bij de woorden van collega Dillen, bij de opening van het gerechtelijk jaar pleit de procureur-generaal voor een langetermijnvisie, voor de modernisering van justitie, een adequate aanpak van criminaliteit en georganiseerde criminaliteit en het wegwerken van de straffeloosheid.

Mevrouw de minister, hoe zullen we dat aanpakken? Het hefboomplan werd al genoemd.

Hoe reageren we bijvoorbeeld op het wegwerken van de 17.000 dossiers die geen gerechtelijk vervolg krijgen?

Voor de overige vragen verwijs ik naar de vragen die ik eerder heb gesteld.

Annelies Verlinden:

Mevrouw Dillen, mijnheer Yzermans, ik heb zelf twee openingsredes persoonlijk en met aandacht bijgewoond, medewerkers van de beleidscel hebben andere redes bijgewoond. Van de redes waarbij ik niet persoonlijk aanwezig kon zijn, heb ik uiteraard de teksten ontvangen.

De analyse die in de redes wordt gemaakt, deel ik. Justitie bevindt zich in zeer moeilijk vaarwater. De jarenlange onderfinanciering van het departement heeft sporen nagelaten in alle geledingen van de organisatie. Daarnaast zijn de maatschappelijke verwachtingen ten aanzien van de diensten van justitie zeer hoog. De werkdruk is toegenomen, ook door een aantal maatschappelijke evoluties.

De verwachtingen zijn terecht hoog, maar de situatie vergt een voortdurende inzet van magistraten, griffiers, gevangenispersoneel, personeelsmedewerkers binnen de rechterlijke orde en parketten, gerechtsexperten, advocaten en alle andere actoren van justitie. Een goede organisatie waarvan kwalitatieve resultaten worden verwacht, vereist een kwalitatieve omkadering en ondersteuning.

Naast investeringen zijn hervormingen noodzakelijk om justitie futureproof te houden.

Het hefboomplan dat ik in samenspraak met de vertegenwoordigers van de magistratuur heb opgesteld, is slechts een eerste stap. De dialoog met de rechterlijke organisatie zal ik dit najaar voortzetten om tot gedragen oplossingen voor de toekomst en meer structurele hervormingen te komen.

We zullen op langere termijn werken aan de versterking van de penale keten door de uitvoering van het nieuwe Strafwetboek in 2026 en door het verder afstemmen van onze dienstverlening op de noden van de slachtoffers.

Het autonome beheer van de rechterlijke orde zal worden voorbereid. Resultaatgericht werken en efficiënte beheersstructuren vormen voor die hervorming het uitgangspunt.

In het hefboomplan wordt onder meer in 21 miljoen euro voorzien voor bijkomend personeel voor de rechterlijke organisatie. Die middelen worden op initiatief van de colleges ingezet waar ze het meest effectief blijken om de afgesproken doelstellingen, ook gelinkt aan het regeerakkoord, te realiseren.

Verder worden er budgetten vrijgemaakt om het onderhoud en de staat van de gebouwen te verbeteren, de veiligheid van het personeel en de bezoekers te verhogen, en de gerechtsdeskundigen op een correcte manier te kunnen vergoeden.

Er zijn ook maatregelen om de jobs van de rechterlijke organisatie aantrekkelijker te maken. Daarvoor werd een budget van 7,5 miljoen euro vrijgemaakt.

Naast het hefboomplan wordt de digitale transformatie voortgezet. Daarbij worden de kerntaken van de rechterlijke orde digitaal ondersteund en worden performante werkinstrumenten ter beschikking gesteld. Een groot deel van de kredieten die verkregen worden via de IDP Veiligheid zal de versterking van de rechterlijke orde verzekeren. Die versterking zal weliswaar niet alle noden binnen justitie kunnen lenigen. Daarom ben ik genoodzaakt om bij de begrotingsopmaak voor volgend jaar een vraag naar bijkomende middelen op tafel te leggen.

Justitie maakt deel uit van het maatschappelijke weefsel. De georganiseerde criminaliteit neemt toe en vraagt bijkomende aandacht. Dat zet bijzonder veel druk op de parketten, de rechtbanken en de hoven, maar zeker ook op het gevangeniswezen. Het laat zich ook voelen in het aantal dossiers waarin wordt beslist om niet te vervolgen.

Ik doe daarom een oproep om vanuit de meerderheid de meervragen voor justitie te steunen. Uiteraard moeten we als maatschappij waar mogelijk ook investeren in preventie, om contact met justitie te vermijden of om de kans op recidive te verkleinen. Zo maken we onze samenleving immers veiliger. We roepen ook onze ketenpartners op om op alle niveaus de nodige initiatieven te nemen om tot een veiligere samenleving te kunnen komen. Ik hoop dan ook dat ik minstens op de medewerking van de leden van de commissie voor Justitie zal kunnen rekenen om justitie, maar ook onze veilige samenleving en bij uitbreiding de rechtsstaat, blijvend waar te kunnen maken.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, om te beginnen bij het punt waarmee u geëindigd bent: veiligheid is bijzonder belangrijk en daarin moet zwaar worden geïnvesteerd. Ik verwijs naar wat ik tijdens mijn interpellatie heb gezegd en zal dat niet herhalen.

Bij justitie gaat het om meer dan investeren in veiligheid. Alleen al de noden die in de verschillende mercuriales zijn aangehaald, zijn zeer groot. Zoals de procureur-generaal van Luik heel duidelijk heeft gesteld, is dat het gevolg van een jarenlange onderfinanciering van justitie.

Het is van groot belang dat een goede organisatie kan rekenen op kwalitatieve ondersteuning. Er moeten veel meer middelen worden vrijgemaakt om de verschillende doelstellingen te kunnen realiseren, waarvoor u op korte termijn initiatieven zult moeten nemen.

De noden zijn dus zeer groot; dat weten we allemaal. Ik blijf herhalen dat het de plicht van de regering is om voor justitie veel meer middelen vrij te maken en een fundamentele financiële injectie te geven. Nogmaals, wees kordaat bij de begrotingsbesprekingen. Laat u niet doen en blijf hameren op meer middelen. Ik hoop dat alle partijen van de meerderheid daar mee voor zullen zorgen en dit pleidooi zullen ondersteunen.

Alain Yzermans:

Mevrouw de minister, bedankt voor de uitgebreide aanpak die u voorstelt. Ik denk dat het departement Justitie toe is aan een inhaalbeweging over verschillende jaren heen. We moeten met z’n allen die boodschap waarmaken. Er zijn veel taskforces en plannen in uitvoering. Het hefboomplan vraagt om verdere opvolging. Ik hoop dus op regelmatige tussenrapporteringen.

Het gebruik van beveiligingsdrones boven de gevangenissen

Gesteld door

lijst: VB Marijke Dillen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 17 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De minister bevestigt een tweejarig dronepilotproject in de gevangenis van Haren (budget: 5-7 miljoen/jaar) om overgooierij tegen te gaan, met mogelijke uitbreiding na evaluatie. Dillen kritiseert de lage straffen (niveau 1) in het nieuwe Strafwetboek voor overgooierij als ontoereikend, terwijl Verlinden verdedigt dat alternatieve sancties effectiever zijn dan gevangenisstraffen. Een tussentijdse evaluatie wordt overwogen om versnelde uitrol mogelijk te maken. Kernpunt blijft de spanning tussen technologische beveiligingsmaatregelen en strafrechtelijke afschrikking.

Marijke Dillen:

Ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

In de media valt te vernemen dat het gevangeniswezen autonome drones zou gaan inzetten om zijn instellingen te beveiligen.

Het gevangeniswezen zou van plan zijn gebruik te maken van 'drone in a box'-technologie. Dat is een autonoom systeem waarmee een drone zelfstandig kan opstijgen en landen vanaf een vast station.

Het doel zou zijn om de bewaking van gevangenissen te versterken, in het bijzonder in de strijd tegen de overgooierij.

De gevangenis van Haren, die in 2022 werd geopend, zou als testlocatie dienen.

Kan de minister het testen van beveiligdrones boven de gevangenis van Haren bevestigen? Hoelang zal er getest worden?

Is de minister bereid om het gebruik bij een positieve evaluatie uit te breiden naar andere gevangenissen? Zo ja, de welke?

Wat is het stappenplan? Wanneer volgt een eerste evaluatie en wanneer kan een beslissing verwacht worden m.b.t. een eventuele uitbreiding van dit initiatief?

Hoeveel geld werd gebudgetteerd voor dit nieuwe initiatief? Werd dit reeds in de begroting voorzien? Zo nee, wanneer dan wel?

De straffen die in het nieuwe Strafwetboek voorzien zijn ingeval van overgooierij zijn lachwekkend laag (er kan geen gevangenisstraf worden opgelegd). Is de minister bereid om wettelijke initiatieven te nemen om het strafniveau te verhogen? Indien nee, wat is het nut om drones in te zetten tegen overgooierij, als er toch niet adequaat kan gesanctioneerd worden?

Annelies Verlinden:

Er is inderdaad een project uitgewerkt met betrekking tot het gebruik van bewakingsdrones. Eind augustus werd een overheidsopdracht gepubliceerd om een beroep te doen op dergelijke diensten. De potentiële looptijd van de opdracht bedraagt twee jaar. Zoals bij elke test van een nieuwe technologie is het doel op termijn de voordelen en de meerwaarde van een dergelijk systeem te evalueren en bij een positieve evaluatie het gebruik ervan uit te breiden naar andere instellingen.

De evaluatie van het project zal plaatsvinden na de noodzakelijke testperiode. Zoals reeds eerder in deze commissie meegedeeld, werden de nodige budgetten vrijgemaakt voor dergelijke innovatieve projecten die de veiligheid van de detentie-infrastructuur moeten verbeteren. Voor dergelijke projecten voorzien we jaarlijks een budget van ongeveer 5 tot 7 miljoen euro.

In het nieuwe Strafwetboek wordt het overgooien van voorwerpen over de muren of afsluitingen van een gevangenis strafbaar gesteld met een straf van niveau 1. Die strafbaarstelling volgt een coherente logica waarbij straffen evenredig zijn aan de ernst van de ten laste gelegde feiten. Ze maken deel uit van een harmonisch geheel waarin elk niveau van ernst een passende strafrechtelijke reactie krijgt. Bovendien is het toekomstige Strafwetboek gebaseerd op het principe van de gevangenisstraf als ultimum remedium. De straf mag dus enkel worden opgelegd wanneer de doelstellingen van de straf niet op een andere manier kunnen worden bereikt. De nadruk ligt op meer autonome straffen die de rechter kan opleggen als alternatief voor een gevangenisstraf. Het nieuwe Strafwetboek biedt daartoe een gediversifieerd palet aan sancties, onder andere terug te vinden in strafniveau 1. Een breed scala aan alternatieve straffen stelt de rechter in staat de gepastste straf te kiezen. Een optimale straf betekent immers niet alleen dat de sanctie maatschappelijk als rechtvaardig wordt ervaren, maar ook dat ze het best aansluit bij de persoonlijke situatie van de beklaagde. Door de mogelijkheden voor rechters uit te breiden om een andere straf dan een gevangenisstraf op te leggen, bieden de nieuwe opties perspectief op een vermindering van het gebruik van detentie.

Marijke Dillen:

Dank u, mevrouw de minister. De looptijd van dit project bedraagt twee jaar. Zal er een tussentijdse evaluatie plaatsvinden? Wanneer de resultaten daarvan nuttig en positief blijken, kan het systeem volgens mij sneller dan binnen twee jaar ook in andere gevangenissen worden geïmplementeerd. Ten tweede deel ik uw mening absoluut niet over de straffen die in het nieuwe Strafwetboek gelden voor het overgooien. U stelt dat straffen evenredig moeten zijn aan de ernst van de feiten. We hebben het aan het begin van de vragensessie bijvoorbeeld gehad over de problematiek van drugs in de gevangenissen, met alle daaraan verbonden gevaren. Ik ben van mening dat het hier gaat om ernstige feiten en dat dergelijke feiten zwaarder moeten worden bestraft dan enkel met een straf van niveau 1.

De werking van het hof van assisen te Brussel na de feiten van drugsgeweld

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 17 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De escalatie van druggerelateerd geweld in Brussel (20+ schietincidenten sinds juli) overbelast de assisenhoven door een stijging van zware zaken (moord, geweld), met vertragingen (dossiers uit 2022 pas in 2025/2026 behandeld) en logistieke druk op juryprocessen. Minister Verlinden bevestigt overleg met het parkett en belooft extra budget en personeel tijdens de volgende begrotingsronde, maar benadrukt dat de rechtbanken zelf de planning beheerder—met momenteel 16 lopende/uitstaande assisenzittingen in Brussel en Waals-Brabant. De Smet dringt aan op structurele oplossingen, gekoppeld aan de bestrijding van drugscriminaliteit. Geen concrete actieplannen met Binnenlandse Zaken werden genoemd.

François De Smet:

Lors de la récente rentrée judiciaire à la Cour d’Appel de Bruxelles, le procureur général de Bruxelles a alerté sur la situation préoccupante de la cour d’assises à Bruxelles quant à la fixation des audiences et l’organisation générale, causée par l’accroissement de la violence dans notre capitale du fait du narcotrafic.

Depuis le 1er juillet dernier, plus de vingt fusillades ont été recensées dans différentes communes de la capitale, soit une fusillade tous les trois jours. ce qui constitue une escalade inquiétante de la violence à Bruxelles

Le procureur général de Bruxelles met en évidence le fait que cette recrudescence de la violence a des conséquences directes et en cascade sur la cour d’assises car les affaires les plus graves (meurtres, tentatives de meurtre, violences armées) sont jugées au sein de cette juridiction.

L’augmentation de la violence accroît le nombre de dossiers à traiter aux assises croît, des délais plus longs de traitement desdits dossiers, une surcharge de travail pour les magistrats et une logistique plus lourde pour organiser les audiences qui fonctionnent comme vous le savez avec un jury populaire.

Ainsi, les dossiers qui seront jugés en 2025 et 2026 concernent majoritairement des faits commis en 2022 et 2023, voire avant.

Le procureur général a cité les chiffres selon lesquels du 1er janvier 2024 au 31 août 2024, 17 affaires ont été inscrites dans le pool assises, et que pour la même période en 2025, ce sont déjà 21 affaires, tant francophones que néerlandophones, qui sont comptabilisées.

Je sais que la cause de ces difficultés dans l’organisation de procès et la gestion des dossiers en assises réside dans des évènements qui concernent votre homologue de la Sécurité et de l’Intérieur à savoir le renforcement de la violence liée au narcotrafic mais il n’en demeure pas moins que la cour d’assises de Bruxelles doit faire face à un défi significatif et inédit qui mérite une prise de conscience et une réaction

En conséquence, Madame la Ministre peut-elle me faire savoir:

si elle prendra contact avec le procureur général afin d’envisager les suites à réserver plus particulièrement au dossier de l’organisation de la cour d’assises?

dans l’affirmative, le plan que vous comptez mettre en oeuvre avec le Ministre de l’Intérieur pour répondre aux inquiétudes formulées par le procureur général de Bruxelles?

Annelies Verlinden:

Monsieur De Smet, je puis vous assurer qu’une concertation a bien eu lieu avec le procureur général du ressort de Bruxelles en ce qui concerne la situation dans la capitale. Pour le moment, nous ne disposons pas encore de chiffres précis relativement au nombre d’audiences en assises qui devront se tenir à la suite des différentes enquêtes en cours.

L’organisation des audiences est assurée par les cours et tribunaux eux-mêmes. La première présidente de la cour d’appel de Bruxelles me confirme que trois sessions de la cour d’assises sont en attente dans le Brabant wallon et qu’il reste encore neuf audiences en cours et sept en attente.

Je demanderai toutefois, lors des prochaines discussions budgétaires, un budget supplémentaire pour le renforcement du pouvoir judiciaire afin qu’il dispose d’effectifs suffisants pour accomplir ces tâches importantes.

François De Smet:

Madame la ministre, je vous remercie.

Il est en effet logique que si l’on investit plus dans la lutte contre le narcotrafic et ses conséquences – qui sont généralement graves –, il importe que les moyens suivent pour assurer la tenue des cours d’assises. Je vous remercie de votre vigilance.

Voorzitter:

La question n° 56007553C de M. Khalil Aouasti est transformée en question écrite.

De recente lekkage in het Justitiepaleis van Brussel

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 17 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Een inundatie in het Brusselse Justitiepaleis, veroorzaakt door een vermoedelijk opzettelijke verstopping, beschadigde het greffe van de kamer voor misdadige inbeslagnemingen, wat leidde tot een noodverhuizing en onderstreept de kwetsbaarheid van het gebouw. Minister Verlinden bevestigde dat de schade hersteld is en benadrukte dat, naast dit incident, een grondige renovatie (inclusief veiligheid en energie) in voorbereiding is via samenwerking met de Régie des Bâtiments, met dringende aanpassingen al in uitvoering. De binnenstate – niet enkel de gevel – blijft een acute zorg voor magistraten en personeel, terwijl de 40-jarige renovatie (kost: €128 miljoen) nog steeds geen structurele oplossing bood. De minister ontwijk de vraag over de daders maar belooft continue opvolging van zowel het incident als de langetermijnplannen.

François De Smet:

Madame la ministre, la presse s’est fait l’écho d’une récente rupture de canalisation au greffe de la chambre des mises en accusation. Cette chambre, qui doit statuer dans des délais particulièrement serrés sur des décisions de détention préventive, a été confrontée à une inondation ayant touché les locaux et endommagé le matériel informatique.

En dépit du fait que le déménagement en urgence du greffe, trois étages plus haut vers le greffe correctionnel de la cour d’appel, a pu être réalisé grâce au dévouement et au sens pratique du personnel et des avocats, ce nouvel incident démontre la fragilité du Palais de Justice de Bruxelles. Sa rénovation, entamée il y a pas moins de 40 ans, a déjà englouti 128 millions d’euros.

Madame la ministre, pouvez-vous nous faire savoir si vous avez pris connaissance de cet incident domestique? Je crois que oui mais savez-vous si des mesures de réparation ont déjà pu être effectuées et si une concertation a lieu avec votre homologue en charge de la Régie des Bâtiments afin qu'un plan soit envisagé pour la réfection interne du bâtiment, qui me semble particulièrement urgente? Tout le monde parle des échafaudages et de la coupole, alors que c'est surtout l'intérieur qui préoccupe les magistrats, les avocats et le personnel judiciaire. Je vous remercie.

Annelies Verlinden:

Collègue De Smet, je vous confirme que j'ai pris connaissance de l'incident dont vous faites mention et que des mesures de réparation ont été prises et sont suivies de près. Je peux vous informer que la cause de l'inondation à laquelle vous faites référence n'était pas entièrement liée à la vétusté du bâtiment, même si l'état général de celui-ci requiert également toute notre attention. Je reviendrai dans un instant sur cet état général.

En ce qui concerne l'incident, je peux vous dire que l'administration poursuit son enquête. Les faits constatés sont les suivants. Le 29 août, une inondation a été constatée dans les sanitaires du rez-de-chaussée du palais. L'inspection a révélé un blocage provoquant un écoulement continu et une obstruction de l'évacuation, laissant présumer un acte intentionnel. Après nettoyage, les installations ont été remises en service immédiatement. Une heure plus tard, une inondation est survenue au greffe des chambres de mise en accusation, à l'étage en dessous, due au même blocage.

La cause avait entre-temps été identifiée et résolue. Les agents du greffe ont protégé le matériel et assuré la continuité du service. Dans les jours suivants, après une visite sur place de la Régie et en concertation avec le greffe, il a été décidé, à la demande de celui-ci, de transférer temporairement les bureaux vers d'autres locaux disponibles.

Le service continue à suivre l'incident. Il est trop tôt, et il ne m'appartient pas de m'exprimer davantage au sujet de l'acte intentionnel présumé.

Quant à l'état général du Palais de Justice de Bruxelles, je peux vous indiquer que, depuis mon entrée en fonction, j'ai pu me rendre compte de la situation de cet édifice monumental qui occupe une place importante et symbolique pour la justice dans notre pays. L'accord de gouvernement prévoit que, sur la base des études déjà réalisées, le Palais de Justice fera l'objet d'une rénovation approfondie afin d'éliminer les risques actuels en matière de sécurité et de répondre aux normes énergétiques. Je suis à cet égard en concertation permanente avec ma collègue chargée de la Régie des Bâtiments, la ministre Matz.

Tandis que se poursuivent les travaux préparatoires en vue de cette rénovation en profondeur, les services compétents ont établi un plan de mise en conformité destiné à répondre aux besoins urgents, lequel fait actuellement l'objet de discussions conjointes entre le SPF Justice et la Régie, dans une optique d'amélioration continue. Nous continuons à y collaborer conjointement afin de contribuer à la bonne conduite de ce projet.

François De Smet:

Je remercie la ministre pour sa réponse et pour les éléments d'information nouveaux qu'elle nous apporte.

Het bijna verdubbelde aantal gevallen van agressie tegen OCMW-medewerkers in Antwerpen

Gesteld door

lijst: VB Sam Van Rooy

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 17 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Verlinden veroordeelt de verdubbeling van agressie (324 meldingen in 2024) tegen OCMW-medewerkers in Antwerpen en benadrukt dat het nieuwe Strafwetboek (reeds gedeeltelijk actief) strafverzwaring biedt voor geweld tegen hulpverleners als "personen met maatschappelijke functie". Van Rooy betwist de effectiviteit hiervan, wijst op culturele factoren (allochtone daders) als oorzaak en kritiseert tekortschietende strafvervolging bij verbale agressie en intimidatie, die volgens hem onvoldoende worden aangepakt.

Sam Van Rooy:

Mevrouw de minister, de agressie tegenover OCMW-medewerkers in Antwerpen is bijna verdubbeld. In 2024 waren er 324 meldingen, waarvan het gros komt van de afdeling maatschappelijke hulp, OCMW-gebouwen, sociale centra en schuldhulpverlening. In 2023 waren er 'maar' 217 meldingen en in 2022 bedroeg het aantal meldingen van agressie 191. In twee jaar tijd zijn de meldingen van agressie in Antwerpen dus bijna verdubbeld. Vandaag gaat het gemiddeld om bijna één melding van verbale of fysieke agressie per dag.

Wat is uw reactie hierop? Hoe wilt u dat torenhoge en stijgende aantal gevallen van agressie doen afnemen? Bent u bereid een initiatief te nemen, zodat intimidatie, belaging en geweldsdelicten tegen OCMW-medewerkers en hulpverleners worden beschouwd als misdrijven tegen personen met een maatschappelijke functie, waardoor in het nieuwe Strafwetboek de strafverzwaring van toepassing zal zijn? Bent u bereid op korte termijn, in afwachting van de inwerkingtreding van het nieuwe Strafwetboek, een gelijkaardige regeling uit te werken?

Annelies Verlinden:

Collega Van Rooy, ik veroordeel uiteraard ten strengste gewelddaden tegen personen die in de uitoefening van hun beroep hun kennis en inzet ten dienste stellen van anderen. Zij vervullen een essentiële opdracht voor de samenleving en het is onaanvaardbaar dat zij worden blootgesteld aan agressie of intimidatie louter wegens hun functie.

Het toekomstige Strafwetboek biedt specifieke bescherming aan de leden van het OCMW die tijdens hun werk het risico lopen op geweld. Het is belangrijk te onderstrepen dat de leden van het OCMW zijn opgenomen in de definitie van personen die een maatschappelijke functie uitoefenen, zoals bedoeld in artikel 79, 4° van het nieuwe Strafwetboek. Die definitie omvat personen die een functionele openbare dienst vervullen of een opdracht van algemeen belang en die in het kader van hun functie in contact komen met het publiek dat van hun diensten gebruikmaakt.

Wegens de aard van hun functie zijn die personen bijzonder blootgesteld aan geweld, vaak gepleegd door de begunstigde aan wie zij hulp of dienstverlening verlenen. Daarom voorziet het nieuwe Strafwetboek in een strafverzwaring in geval van moord, foltering, onmenselijke behandeling of andere geweldsdelicten gepleegd tegen die personen. Het is echter belangrijk te beklemtonen dat die bescherming reeds is opgenomen in het huidige Strafwetboek. De wet van 18 januari 2024 heeft die bepaling al vervroegd in werking doen treden. De vorige regering achtte het eveneens noodzakelijk om die bescherming zonder uitstel in te voeren.

Sam Van Rooy:

Mevrouw de minister, dank u voor uw antwoord. Ik betwijfel of uw goede intenties, die zich vertalen in dat soort wetgeving, daadwerkelijk zullen leiden tot minder gevallen van agressie en geweld. Ik heb daarvoor twee redenen. Ten eerste merk ik in een stad als Antwerpen dat het bij het merendeel van de meldingen en daders om allochtonen gaat. De regering importeert agressie en geweld, ook tegen hulpverleners. Het gaat om totaal andere culturen die veel minder scrupules hebben om agressief of gewelddadig te werk te gaan en die ook niet worden afgeschrikt door verzwarende straffen. Ten tweede blijven hulpverleners die geconfronteerd worden met verbale agressie, intimidatie of bedreiging, vaak in de kou staan. De straffen en vervolging voor dergelijke misdrijven, die een grote impact hebben, laten volgens mij absoluut te wensen over.

De dreiging van extreemlinks politiek geweld in België

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 17 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Alexander Van Hoecke wijst op de escalerende extreemlinkse geweldsdreiging in België en Europa, gelinkt aan de moord op Charlie Kirk in de VS, en bekritiseert de tolerantie voor geweldsoproepen (bv. "Punch nazi’s") en diabolisering van politieke tegenstanders als opstap naar radicalisering. Minister Verlinden ontkent een directe dreigingsverhoging na Kirks dood, maar bevestigt dat geïsoleerde radicalen niet uitgesloten zijn, en benadrukt de case-by-case-aanpak via de TER-strategie (preventie, deradicalisering, informatie-uitwisseling). Van Hoecke kaart selectieve handhaving aan en ziet een cultuur van geweldsverheerlijking (bv. Nederlandse oproepen tot geweld), die volgens hem onvoldoende wordt aangepakt door politiek en justitie. De kern: polarisatie en normalisering van geweld als groeiend risico, met verschillend dreigingsbeeld tussen politiek en veiligheidsdiensten.

Alexander Van Hoecke:

Mevrouw de minister, vorige week werd de Amerikaanse opiniemaker Charlie Kirk het slachtoffer van extreemlinks geweld met fatale afloop. Kirk was iemand wiens mening men niet per se moest delen, maar die altijd het debat opzocht. Dat was zijn handelsmerk. Die moord toont nogmaals op een afschuwelijke manier aan hoe fanatiek en gewelddadig extreemlinks en het extreemlinkse discours kan zijn en waartoe jarenlange diabolisering van politieke tegenstanders kan leiden.

Dat merken we ook in Europa, want het fenomeen blijft niet beperkt tot de Verenigde Staten. Door middel van intimidatie wordt ook hier onze rechtsstaat en de vrijheid van meningsuiting bedreigd. Ik denk aan het weren van artiesten op basis van hun nationaliteit en aan de diverse expliciete oproepen tot geweld uit extreemlinkse hoek, die we eigenlijk maandelijks zien, maar die na de dood van Kirk intensiever zijn geworden.

Mevrouw de minister, welke dreigingsanalyse wordt vandaag gemaakt door de Veiligheid van de Staat en het OCAD met betrekking tot extreemlinkse organisaties en individuen actief in of rond België? Heeft de moordaanslag op Charlie Kirk die dreigingsanalyse op enige manier gewijzigd? Hoe groot acht u zelf het risico dat incidenten zoals de moord op Charlie Kirk zich ook in België zouden kunnen voordoen? Welke concrete maatregelen neemt u om burgers en politici te beschermen tegen gelijkaardig geweld? Welke bijkomende initiatieven, zowel op het vlak van preventie als van strafuitvoering, plant u om ervoor te zorgen dat zo'n afschuwelijk laf politiek geweld in ons land nooit voet aan de grond kan krijgen?

Annelies Verlinden:

Mijnheer Van Hoecke, u legt een link tussen een Amerikaans dossier en een bepaalde vorm van geweld in België, die ik zelf niet leg. Ik geef mijn antwoord in abstractie daarvan.

Het fenomeen links-extremisme betreft een zeer heterogene groep individuen en organisaties die pleiten voor revolutionair verzet met geweld of dwang in het streven naar een politiek systeem dat sociale en economische gelijkheid tussen individuen bevordert. In België worden voornamelijk twee hoofdstromingen waargenomen binnen het links-extremistische milieu: het opstandige anarchisme en het revolutionaire communisme.

Naast die klassieke opdeling organiseren links-extremistische sympathisanten en activisten zich vaak rond specifieke thema's zoals antifascisme, het conflict in Gaza, politiegeweld en klimaat. Niet alle organisaties of individuen die zich inzetten voor die thema's kunnen echter als extremistisch worden omschreven. Er bestaat wel een aanzienlijke overlap in interesses en in deelname aan activiteiten.

Het activisme van links-extremistische actoren in België bestaat hoofdzakelijk uit rekrutering, betogingen en het verspreiden van hun boodschap via online en offline propaganda. Meer directe acties zijn voornamelijk vandalisme, weerspannigheid tegen ordediensten, blokkades en intimidatie van gepercipieerde rechts-extremisten.

De moordaanslag op Charlie Kirk moet worden gezien in de sterk gepolariseerde context van de Verenigde Staten. Vandaag heeft de dood van Charlie Kirk in de VS geen invloed op het dreigingsniveau in België. Op basis van de beschikbare inlichtingen achten de inlichtingen- en veiligheidsdiensten de voorbereiding en planning van terroristische aanslagen vanuit dit milieu in België als onwaarschijnlijk. Acties van geïsoleerde radicale figuren zijn echter nooit volledig uit te sluiten.

Zoals u weet, richt de Strategie T.E.R. zich op alle vormen van extremisme, religieus, rechts- en dus ook links-extremisme. Het gaat om een case-by-caseaanpak vanaf de eerste tekenen van radicalisering tot en met een gerichte veiligheidsopvolging, indien nodig op basis van informatie-uitwisseling tussen de diensten. Die informatie-uitwisseling maakt het mogelijk om passende maatregelen te nemen om het plegen van gewelddaden te voorkomen, maar ook, indien nodig, om geschikte opvolgingstrajecten op te zetten met het oog op de begeleiding van de betrokken persoon in disengagementsprocedures en de re-integratie in onze maatschappij.

Alexander Van Hoecke:

Mevrouw de minister, er is een reden waarom ik de link leg tussen de moordaanslag op Charlie Kirk en hetgeen ook in Europa en in ons land gebeurt. Laten we kijken naar wat er in Nederland gebeurd is. Een zogenaamde artiest trad daar enkele dagen na de dood van Charlie Kirk op en zei, aangemoedigd door een juichend publiek: “ Rest in piss, you piece of shit ”, over Charlie Kirk. Dat zijn niet mijn woorden, voor alle duidelijkheid. Hij zei daar meermaals: “ Talk shit, get banged. ” Dat is een expliciete oproep tot geweld. Bij dergelijke gevallen, die we ook heel duidelijk in Europa zien, wordt heel duidelijk dat er nog steeds met twee maten en twee gewichten wordt gewogen. Laten we kijken naar wat er achterblijft na een linkse of extreemlinkse betoging. Dan vinden we stickers met daarop: “ Punch nazi's in the face. ” Niemand moet zich hier een illusie maken over wie men bedoelt met nazi's. Men bedoelt met nazi's iedereen die het oneens is met hen. Iedereen rechts van cd&v zijn nazi's voor hen. Er zit een heel duidelijke link tussen hetgeen in de Verenigde Staten gebeurd is en hetgeen we hier vandaag zien. De verheerlijking van geweld, die we constant zien, zit in het DNA van extreemlinks. Nog steeds wordt dat getolereerd en geminimaliseerd door een groot deel van het politieke spectrum in ons land. Ik wil daar nog een ding aan toevoegen. De voorzitter van de MR verwees op zijn familiedag, in het bijzijn van de premier, onrechtstreeks naar politieke tegenstanders als fascisten. Dat past daar ook in. We mogen absoluut niet naïef zijn. Dat is allemaal niet onschuldig. Dat is exact het klimaat dat vorige week een moordaanslag mogelijk heeft gemaakt op een jonge vader, een jonge gast van mijn leeftijd, met twee kinderen, die brutaal is afgeslacht omdat hij een andere mening had. Ik denk dat er wel degelijk links zijn met hetgeen we hier vandaag in onze samenleving ook zien gebeuren.

De panne van het elektronische systeem in de gevangenis van Hasselt

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 17 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie behandelde twee kritieke veiligheidskwesties: (1) structurele tekortkomingen in de Hasseltse gevangenis, waar een stroompanne leidden tot onveilige situaties (defecte sloten, open saspoort, falende camera’s) en waar de minister tijdelijke oplossingen (extra camera’s via gespecialiseerde firma’s) belooft, maar structurele vernieuwing (via een vertraagde aanbesteding) pas op langere termijn verwacht wordt; (2) de oprichting van een drugsfonds, waarbij inbeslaggenomen criminele vermogens (€40+ miljoen in 2022) exclusief naar justitie/politie moeten vloeien—de minister bevestigt dit regeerakkoord-punt als prioriteit, maar concrete wetgeving en uitvoering blijven nog onduidelijk. Dringendheid werd benadrukt voor beide dossiers.

Alain Yzermans:

Ik kreeg een melding vanuit de gevangenis dat er vorige vrijdag een algemene panne heeft plaatsgevonden. Het ging om een algemene storing van het elektronicasysteem waarop de sloten, het alarmsysteem en de camera’s zijn aangesloten. Men heeft de hele voormiddag handmatig moeten werken, waarbij een aantal sloten wel opengingen en andere niet. Dat heeft volgens mij tot onveilige situaties geleid. De saspoort – de grote ingang – heeft opengestaan. Er zijn gevallen geweest waarin hulp van gedetineerden nodig was om bepaalde sloten te openen. Dat toont aan dat de preventie- en veiligheidsplannen bij storingen niet altijd correct werken. De vraag is dan ook hoe dat kan gebeuren.

Bent u op de hoogte van die situatie? Wat kan men daaraan doen? Op zulke momenten brengt dat niet alleen de veiligheid van het personeel in het gedrang, maar ook die van de gedetineerden en wordt tevens de algemene veiligheid bedreigd. Er blijft bovendien een structureel probleem bestaan rond de camera’s in Hasselt; ik wijs daar al verschillende maanden op. Nog voor de zomer werd vastgesteld dat de helft van de camera’s defect was. Nadien werden er zes camera’s geïnstalleerd die op hun beurt niet meer functioneren.

Hoe zit het met de grote aanbesteding? Wanneer kan dat probleem worden opgelost? Ik verwijs naar Wortel, waar een aantal stappen worden ondernomen om tijdelijke bewakingscamera’s te installeren of gespecialiseerde firma’s in te schakelen. Kan dat ook hier worden ingevoerd? Kunnen die bewakingscamera’s sneller geplaatst worden dan volgens de globale procedure voor de algemene investering? Het camerabeleid in Hasselt kan beter. Het inschakelen van een camerafirma via een raamcontract kan mogelijk tijdelijk een oplossing bieden.

Annelies Verlinden:

Ik deel uw bezorgdheid en heb sinds mijn aantreden de diensten gevraagd om de veiligheidsproblematiek in de gevangenissen prioritair te behandelen. De uitdagingen zijn bijzonder groot en het verbeteren van de verouderde infrastructuur zal ook bijkomende middelen vergen.

Ik heb mijn diensten herhaaldelijk bevraagd over het dossier van de camerabeveiliging in de gevangenis van Hasselt. Eind 2020 werd door de FOD Justitie ten behoeve van de Regie een zwakstroomdossier opgesteld, met als doel de meest kritieke elementen binnen de veiligheidsinstallatie te vervangen, waarvan het goed functioneren van de camerabeveiliging en de slotensturing afhankelijk is. Door vertragingen werd de opdracht pas medio 2023 afgerond.

In het kader van de overheidsopdrachtenprocedure werd in maart 2025 vastgesteld dat het dossier niet kon worden gegund aan de enige ingestuurde offerte wegens een buitensporig hoge prijszetting. Daarover hebben we het ook eerder gehad. Momenteel ligt de nota van de administratie klaar bij de Inspectie van Financiën om een nieuw opgestelde raming goed te keuren. In afwachting daarvan werd actie ondernomen om bijkomende prioritaire camera's operationeel te maken. Daartoe werd aan een gespecialiseerde firma een oplossing gevraagd. Dat dossier loopt en wordt zo spoedig mogelijk uitgevoerd.

Bij algemene stroompannes is de procedure steeds om over te schakelen op een sleutelsysteem en extra walkietalkies in te zetten om de communicatie te behouden. Die procedure werd correct gevolgd. Ik heb mijn administratie gevraagd om de stroompannes en de aanpak ervan verder te evalueren.

Op het Smartvilleraamcontract kan niet worden ingetekend door de FOD Justitie. De eventuele oplossingen die binnen dat contract zouden kunnen worden voorgesteld, zijn niet compatibel met de huidige cameraproblematiek. Het is in eerste instantie de centrale aansturing van de camerabeveiliging die momenteel wordt aangepakt. De problematiek is echter dusdanig complex dat alleen een coherente, allesomvattende aanpak een oplossing kan bieden op de lange termijn. Dat is een absolute prioriteit.

De veiligheid van het gevangenispersoneel staat daarbij uiteraard altijd voorop. Intussen wordt zowel aan een structurele oplossing gewerkt als aan een tijdelijke oplossing via de plaatsing van bijkomende camera's. Het vernieuwingstraject loopt, al vergt de complexiteit van de overheidsopdrachten een zekere doorlooptijd.

Ik besef dat dit voor de medewerkers op het terrein zeer zwaar weegt. Daarom volgen mijn administratie en ik, in overleg met collega Matz en de Regie, de situatie nauwgezet op, met de bedoeling de vernieuwing van de camerabewaking zo snel mogelijk operationeel te maken.

Alain Yzermans:

Enerzijds begrijp ik dat u zegt dat het om een globaal dossier gaat, met een centrale aansturing, waarvoor een aanbestedingsprocedure moet worden gevolgd, die onderweg evenwel fout gelopen is en waarvoor er nu nieuwe ramingen binnenkomen. Die procedure loopt stap voor stap. Ik begrijp dat dat een globale vernieuwing betekent en dus tijd kost.

Anderzijds stel ik me toch de vraag of de voorlopige oplossing niet kan worden versneld. In dat kader loopt er ook een dossier voor het installeren van extra camera's.

Wat de preventieplannen betreft, dring ik toch aan op een grondige evaluatie als blijkt dat de sleutelplannen – het handmatig gebruiken van sleutels – niet overal gefunctioneerd hebben, ook al werd de procedure correct gevolgd. Dat brengt me bij de vraag of de preventie- en veiligheidsplannen binnen de gevangenis niet meermaals per jaar grondig moeten worden nagekeken.

Voorzitter:

Pour votre information, Mme la ministre peut au maximum rester jusque 19 h 15.

Marijke Dillen:

Aangezien collega Van Tigchelt afwezig is, verkies ik te beginnen met mijn interpellatie betreffende de oprichting van een drugsfonds.

Marijke Dillen:

Waar de in ons land in beslag genomen miljoenenopbrengsten van criminele organisaties uiteindelijk voor gebruikt worden, valt moeilijk te achterhalen. Net als het Vlaams Belang pleit nationaal drugscommissaris Ine Van Wymersch er al jaren voor dat dat geld naar een zogenaamd drugsfonds zou vloeien. Het geld kan dan specifiek worden gebruikt om de strijd tegen de georganiseerde drugsmisdaad te financieren. "Het is het moment om dit goed te keuren", stelde de drugscommissaris. "De tijd van dogma's is echt wel voorbij." Nog volgens de drugscommissaris zouden de opbrengsten uit het toekomstige drugsfonds kunnen tegemoetkomen aan vele financiële verzuchtingen die er leven bij de parketten, onder meer in Brussel.

Procureur Moinil vraagt terecht meer mensen en middelen, maar het geld daarvoor moet ergens vandaan komen. Dankzij het drugsfonds zouden in beslag genomen vermogens uit het criminele milieu rechtstreeks naar de parketten kunnen vloeien. In 2022 werd voor ruim 40 miljoen euro aan geld van criminele vermogens en boetes effectief geïnd bij plegers van drugsdelicten en andere vormen van georganiseerde misdaad. De drugscommissaris pleit ervoor dat het geld multidisciplinair wordt ingezet, waarbij zij onder meer verwijst naar de departementen Justitie en Binnenlandse Zaken. Het Vlaams Belang pleit er duidelijk voor om deze gelden integraal in te zetten voor Justitie en Binnenlandse Zaken, want het is dankzij de zeer harde inspanningen van politie en justitie dat deze gelden kunnen worden gerecupereerd.

Wat is uw standpunt betreffende het pleidooi voor de oprichting van een drugsfonds? Zal dit drugsfonds worden opgericht? Niet alleen de drugscommissaris heeft daar recent opnieuw een pleidooi voor gehouden, verschillende procureurs-generaal hebben hiervoor in hun mercuriales van de voorbije jaren eveneens gepleit.

Ten derde, er zouden volgens de commissaris verschillende voorstellen zijn bezorgd voor de strijd tegen de georganiseerde drugscriminaliteit in het algemeen en de oprichting van een drugsfonds in het bijzonder. Kunt u die voorstellen toelichten? Wanneer zullen ze worden besproken? Wanneer kunnen de eerste beleidsbeslissingen ter zake worden verwacht?

Ten vierde, nu het reeds enige tijd duidelijk is dat de opsporing en verbeurdverklaring van criminele vermogens ertoe kan leiden dat bijzonder omvangrijke financiële middelen kunnen worden geherinvesteerd in justitie en politie, dient prioritair te worden ingezet op het follow-the-moneyprincipe. Wat is uw visie daarop? Welke maatregelen werden sinds uw aanstelling getroffen? Welke maatregelen zult u op korte, middellange en lange termijn ter zake treffen?

Ten slotte, in Limburg werden in 2020-2022 verschillende SUO-magistraten aangeworven. Zij behandelen stafrechtelijke uitvoeringsonderzoeken. Dat resulteerde in een vijftigtal SUO-onderzoeken, waarbij destijds 1,2 miljoen euro aan openstaande vermogensstraffen kon worden gerecupereerd. Zijn die magistraten, die hun diensten duidelijk hebben bewezen, reeds aangesteld in andere arrondissementen? Zo ja, kunt u dat toelichten? Zo niet, waarom zijn zij nog niet aangesteld?

Annelies Verlinden:

Dank u wel, collega. In het regeerakkoord wordt onder het hoofdstuk "De strijd tegen drugs en georganiseerde criminaliteit" en het hoofdstuk "Financiële strafuitvoering" deze passage vermeld: "De meeropbrengsten die deze efficiëntere vervolging en inning teweegbrengen, worden bij de jaarlijkse begrotingsopmaak prioritair ingezet om de budgettaire noden en investeringen bij de veiligheidsdepartementen Binnenlandse Zaken en Justitie op te vangen."

We zullen met alle regeringspartners het regeerakkoord uitvoeren, ook op dit punt. Het drugscommissariaat heeft een aantal ideeën uitgewerkt. Deze zijn nu het onderwerp van reflectie bij de eigen departementen en maken ook het voorwerp uit van overleg met het drugscommissariaat en mijn collega van Binnenlandse Zaken. Dit mechanisme is nieuw voor België, maar bestaat in Frankrijk, Italië en Spanje.

De buitenlandse voorbeelden zijn inspirerend, maar dat neemt niet weg dat het uitwerken van een Belgisch model creativiteit vraagt in de ontwikkeling van een nieuw, functioneel en begrotingstechnisch sluitend wetgevend kader. De hele keten follow the value – daar wordt overigens ook een alternatieve benaming gehanteerd, namelijk stop, take and use the money – wordt in kaart gebracht. Er wordt geïnvesteerd in concrete maatregelen, zoals het voorzien in licenties voor de federale gerechtelijke politie om beter in staat te zijn cryptomunten op te sporen. Ook werden binnen elke directie op buit gerichte rechercheteams opgericht, zogenaamde plukteams, werd de expertise van de ecofin-onderzoekers verhoogd door specifieke opleidingen en zijn er MOTEM’s opgericht.

Deze MOTEM’s zijn gemengde onderzoeksteams van de federale gerechtelijke politie en de sociale inspectiediensten of ambtenaren van de FOD Financiën. Zij pakken onder leiding van het openbaar ministerie zware dossiers van georganiseerde sociale fraude aan. Het federaal parket heeft met de projectmiddelen die aan het drugscommissariaat werden toegekend, een draaiboek opgesteld om vermogensonderzoeken met een link naar Albanië uit te werken. Dit moet ertoe leiden dat Albanese autoriteiten gemakkelijker kunnen ingaan op verzoeken van Belgische magistraten om criminele assets in Albanië in beslag te nemen en verbeurd te verklaren.

We zetten concreet in op maatregelen die de volledige keten bestrijken: van detectie, beslag en verbeurdverklaring van crimineel vermogen tot en met de herbestemming ervan, namelijk de investering in de veiligheidsdiensten.

In het regeerakkoord wordt ook voorzien in een investering in menselijke en materiële middelen, waarbij de nodige wetswijzigingen worden doorgevoerd, om de voortdurend evoluerende modi operandi van criminele organisaties efficiënter en sneller te identificeren en te bestrijden.

We moeten ervoor zorgen dat onze onderzoekers voldoende middelen en tools krijgen om met gelijke wapens te kunnen strijden tegen de georganiseerde criminaliteit. In het kader van het regeerakkoord zullen verschillende concrete projecten worden uitgevoerd om de follow-the-moneyaanpak te versterken en crimineel vermogen te ontnemen via inbeslagname, bevriezing en confiscatie van activa zoals vastgoed, voertuigen, luxegoederen en cryptovaluta.

Een versterking van het Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring (COIV) en een multidisciplinaire, georganiseerde en proactieve samenwerking met alle inspectiediensten en de Cel voor Financiële Informatieverwerking (CFI) in een zaakgerichte aanpak, moeten ervoor zorgen dat criminelen hun buit verliezen, zodat die niet opnieuw in criminele activiteiten kan worden geïnvesteerd.

Met betrekking tot de strafrechtelijke uitvoeringsonderzoeken kan ik meedelen dat bij het openbaar ministerie in 2024 27 bijkomende SUO-magistraten werden aangesteld, binnen het gewone personeelskader. Er worden al aanzienlijke inspanningen geleverd om de inning van vermogensstraffen, ook SUO, en de samenwerking tussen het openbaar ministerie en de FOD Financiën efficiënter te maken. Getuige hiervan is het samenwerkingsprotocol dat op 2 juli werd ondertekend om geldboetes, verbeurdverklaringen en gerechtskosten sneller en doeltreffender te innen.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, dank voor uw antwoord. Het staat in het omvangrijke regeerakkoord, maar u zou hiervan bij prioriteit werk moeten maken. Het is immers heel duidelijk dat de opsporing en verbeurdverklaring van dergelijke criminele vermogens aanleiding zullen geven tot een financiële versterking, die uitsluitend naar justitie en politie dient te gaan.

Mevrouw de minister, ik ben blij dat u, die een goed juriste en advocate bent geweest, wel degelijk spreekt over verbeurdverklaring, want er wordt vaak gesproken over in beslag genomen goederen, wat een groot verschil is. Ik wil er nogmaals voor waarschuwen dat men in een aantal steden in beslag genomen wagens van criminelen gebruikt voor de politie. Het betreft meestal bijzonder mooie, grote en dure wagens. Stel dat de betrokkene achteraf wordt vrijgesproken, dan is er een fundamenteel probleem, want dan moet de Staat een schadevergoeding betalen. Het moet dus wel beperkt worden tot de verbeurdverklaring.

Ik zal een motie indienen.

Leentje Grillaert:

Op de valreep zal ik een eenvoudige motie indienen.

Moties

Motions

Voorzitter:

Tot besluit van deze bespreking werden volgende moties ingediend. En conclusion de cette discussion, les motions suivantes ont été déposées. Een motie van aanbeveling werd ingediend door mevrouw Marijke Dillen en luidt als volgt: "De Kamer, gehoord de interpellatie van mevrouw Marijke Dillen en het antwoord van de minister van Justitie, belast met de Noordzee, - overwegende dat de aanpak van de drugscriminaliteit absolute prioriteit moet krijgen, maar zowel de parketten als de federale gerechtelijke politie vandaag met een tekort aan manschappen en middelen kampen; - overwegende dat de miljoenenopbrengsten van criminele organisaties, die dankzij het harde werk van politie en justitie in beslag worden genomen, geen specifieke bestemming krijgen maar in de algemene staatskas belanden; - overwegende dat reeds lang een pleidooi wordt gehouden om deze opbrengsten onder te brengen in een drugsfonds, zodat dit geld kan worden gebruikt om de strijd tegen de georganiseerde drugsmisdaad te financieren; - overwegende dat de opbrengsten uit dit drugsfonds kunnen tegemoetkomen aan de vele financiële verzuchtingen die er leven bij justitie en de federale gerechtelijke politie en dan ook integraal moeten worden ingezet voor Justitie en Binnenlandse Zaken; vraagt de regering: - bij hoogdringendheid de nodige wetgevende initiatieven te nemen voor de oprichting van een drugsfonds waar alle opbrengsten uit de inbeslagname en de verbeurdverklaring van criminele vermogens en uit boetes die worden betaald in het kader van veroordelingen wegens drugsdelicten worden ondergebracht; - deze opbrengsten integraal in te zetten voor Justitie en Binnenlandse Zaken om zo de slagkracht van justitie en politie te versterken. " Une motion de recommandation a été déposée par Mme Marijke Dillen et est libellée comme suit: "La Chambre, ayant entendu l'interpellation de Mme Marijke Dillen et la réponse de la ministre de la Justice, chargée de la Mer du Nord, - considérant qu'alors que la lutte contre la criminalité liée à la drogue devrait être absolument prioritaire, tant les parquets que la police judiciaire fédérale sont actuellement confrontés à une pénurie d'effectifs et de moyens; - considérant que les millions de gains des organisations criminelles qui sont saisis grâce au travail acharné de la police et de la Justice ne connaissent aucune affectation particulière mais aboutissent dans les caisses générales de l'État; - considérant qu'il est depuis longtemps préconisé de verser ces recettes dans un "fonds drogues" afin qu'elles puissent servir au financement de la lutte contre le crime organisé lié à la drogue; - considérant que les moyens issus de ce "fonds drogues" pourraient répondre aux nombreuses revendications financières de la Justice et de la police judiciaire fédérale et devraient dès lors être intégralement affectés aux départements de la Justice et de l'Intérieur; demande au gouvernement : - de prendre d'urgence les initiatives législatives nécessaires pour créer un "fonds drogues" dans lequel seraient versées toutes les recettes provenant de la saisie et de la confiscation d'avoirs d'origine criminelle ainsi que des amendes infligées dans le cadre de condamnations pour des délits liés à la drogue; - d'affecter l'intégralité de ces recettes aux départements de la Justice et de l'Intérieur afin de renforcer l'efficacité de la Justice et de la police." Een eenvoudige motie werd ingediend door mevrouw Leentje Grillaert. Une motion pure et simple a été déposée par Mme Leentje Grillaert. Over de moties zal later worden gestemd. De bespreking is gesloten. Le vote sur les motions aura lieu ultérieurement. La discussion est close. Les questions n° 56006135C de M. Reccino Van Lommel, n os 56007553C, 56007672C et 56007769C de M. Khalil Aouasti et la question n° 56007648C de Mme Funda Oru sont transformées en questions écrites. Les questions n° 56007206C de M. Jean-François Gatelier, les questions jointes n° 56007678C de Mme Marijke Dillen, n° 56007698C de M. Alain Yzermans, n° 56007704C de M. Stefaan Van Hecke et n° 56007724C de Mme Sophie De Wit, la question n°56007723C de M. Frédéric Daerden, l’interpellation n° 56000126I de Mme Marijke Dillen et la question jointe n° 56007944C de M. Paul Van Tigchelt sont reportées. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 19.10 uur. La réunion publique de commission est levée à 19 h 10.

Het onderzoek naar een helmplicht voor e-steps
De verkeersveiligheid met betrekking tot e-steps en fatbikes
Veiligheid en regelgeving voor elektrische steps en fatbikes in het verkeer

Gesteld aan

Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)

op 16 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Crucke bevestigt dat een helmplicht voor e-steps wordt onderzocht en versneld ingevoerd, gezien de alarmerende ongevallencijfers (5 per dag) en zware letsels, met mogelijke aanpassing van de wegcode vóór 1 september 2026. Hij overweegt ook nummerplaten voor betere handhaving en werkt aan normering met andere ministers, maar de praktische uitvoering (deelhelmen, impact op deeleconomie) blijft een uitdaging. Raskin steunt het principe maar waarschuwt voor overhaaste maatregelen zonder vergelijkend onderzoek (buurlanden, economische gevolgen) en pleit voor een genuanceerde aanpak met parlementsdebat over de studieresultaten. Snelheid en handhaving blijven kernproblemen.

Wouter Raskin:

Mijnheer de minister, ik heb mijn vraag ingediend op 1 augustus en niet na de berichten in de media vanmorgen over het onderzoek naar de helmplicht voor e-steps. In het regeerakkoord staat dat men de invoering van de helmplicht voor e-steps zal onderzoeken. Onder andere spoedartsen zijn voorstander van de helmplicht. Het risico op een hoofdletsel is immers een stuk groter voor e-stepgebruikers dan voor fietsers. Het dragen van een helm is daarom in elk geval sterk aanbevolen. Dat hebt u in het verleden ook gezegd. In juni hebt u op een vraag al geantwoord dat het een complexe kwestie is, omdat de beschikbaarstelling van een goede helm bij deelsteps niet zo eenvoudig te organiseren is.

Mijnheer de minister, hebt u intussen al gevolg gegeven aan de ambitie uit het regeerakkoord en een onderzoek bevolen naar een eventuele invoering van de helmplicht? Wanneer mogen we de resultaten daarvan verwachten? Indien u dat niet gedaan hebt, wanneer wordt dat onderzoek opgestart?

Jean-Luc Crucke:

Mijnheer Raskin, sinds de commissievergadering van 9 juli verschenen de ongevallencijfers van de eerste periode van 2024. Verschillende partijen en organisaties poneerden voorstellen en adviezen in de media. Naast een vergelijkende studie door mijn administratie van de nationale regelgevende kaders voor lichte elektrische voertuigen zullen we de mogelijkheden van de helmplicht grondig onderzoeken. In de komende maanden zullen we consultaties organiseren op mijn kabinet om van een aantal sleutelfiguren en organisaties een advies in te winnen. Ik ben voorstander van de helmplicht en ben ervan overtuigd dat we de lichamelijke gevolgen van ongevallen sterk kunnen beperken.

Zodra we over alle informatie, adviezen en inzichten beschikken, zal ik mijn administratie de opdracht geven om de regeling in te voeren. De regel impliceert de wijziging van de huidige wegcode in het koninklijk besluit van 1 december 1975. Nu we volop bezig zijn met de wijziging van de wegcode naar de nieuwe code van de openbare weg, moeten we afwegen of we het huidige koninklijk besluit wijzigen, dan wel de regel laten ingaan samen met de nieuwe code van de openbare weg. De invoering is volgens de publicatie in het Belgisch Staatsblad bepaald voor 1 september 2026.

Naast de helmplicht wil ik in overweging nemen of de inschrijving van die voertuigen haalbaar is, waardoor er dus een nummerplaat aan wordt toegekend zoals bij bromfietsen en speedpedelecs. Dat zou de politiediensten toelaten om de identificatie van overtreders makkelijker uit te voeren en de kans op gevaarlijke intercepties verminderen.

Samen met mijn collega die bevoegd is voor Economie en Consumentenbescherming werk ik aan de normering. Het onderwerp van nieuwe mobiliteitsvormen, in het bijzonder e-steps en fatbikes, werd in juli laatstleden besproken op de interministeriële conferentie van de vier ministers die bevoegd zijn voor Mobiliteit. Het punt is eveneens geagendeerd voor het eerstkomend overleg. Er is dus zeker overeenstemming om samen te streven naar meer verkeersveiligheid.

Vorige donderdag heb ik een demonstratie gekregen van het rollensysteem, waarnaar de heer Aerts in zijn ingediende vraag verwees. Het lijkt me een toestel te zijn dat bijzonder geschikt is voor het controleren van e-steps, fatbikes, e-bikes, speedpedelecs en bromfietsen. Vanuit mijn kabinet is het initiatief genomen de stand van zaken van de homologatie of modelgoedkeuring te onderzoeken, in het bijzonder of de federale metrologische dienst al dan niet bevoegd zal zijn, dan wel of de gewestelijke metrologische diensten die toestellen moeten goedkeuren. We vernemen dat er op dit moment nog geen leverancier een aanvraag tot modelgoedkeuring heeft ingediend, noch bij de federale, noch bij de gewestelijke metrologische diensten.

Wat de helmplicht betreft, wil ik heel duidelijk zijn. De cijfers zijn zo hoog en de lichamelijke schade is zo zwaar, dat we niet mogen wachten tot er nog meer ongevallen, al dan niet met dodelijke afloop, komen. Bijna elke dag vinden vijf ongevallen met e-steps plaats. Dat zijn natuurlijk vijf ongevallen die niet aanvaardbaar zijn, zeker met zulke zware gevolgen voor de weggebruikers. Ik kan dat niet langer aanvaarden en ik denk dat we daar heel snel op moeten reageren.

Wouter Raskin:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Ik ben het in erg grote mate met u eens. Ik vind het belangrijk om dat in eerste instantie te benadrukken. Daarnaast was ik toch enigszins verrast door de communicatie van vanmorgen. In juni, toen ik u een soortgelijke vraag stelde, was u nog zeer voorzichtig en maakte u ook enig voorbehoud. Daarna zijn we in reces gegaan en is alles een versnelling langzamer geschakeld. Bij de start van het nieuwe politieke jaar komt u plots met een nogal offensieve communicatie. Ik vind dat een bijzonder snelle evolutie, bijna sneller dan een opgefokte e-step. De cijfers waarnaar u verwijst en het gevaar dat zulke voortbewegingstoestellen vandaag in ons verkeer betekenen, kunnen we uiteraard niet negeren. Een onderzoek, zoals afgesproken in het regeerakkoord, is echter wel nuttig om te benchmarken, ook met andere lidstaten, bijvoorbeeld met buurlanden. Het is zinvol om na te gaan hoe een en ander daar is geregeld en welke eventuele negatieve impact er bestaat. Los van het gevaar dat dergelijke toestellen betekenen, moeten we ook rekening houden met de mogelijke impact voor de deeleconomie, waarbij het niet alleen om deelsteps, maar desgevallend ook om deelhelmen zou gaan. Ik blijf voorwaardelijk en genuanceerd, maar uw maatregel zou de zachte mobiliteit deels kunnen afremmen. Dat gaat eveneens op wanneer u nummerplaten voor e-steps zou invoeren. Als u de handhaving wilt versterken voor steps die veel te snel rijden, dan zult u die maatregelen misschien wel moeten invoeren. Ik heb daar veel begrip voor. De reden waarom de cijfers zo hoog zijn, houdt natuurlijk ook verband met de snelheid. Daarom moet er over het verplichten van de helm minstens grondig worden nagedacht. Het zou dan ook zinvol zijn om de resultaten van de studie in de commissie voor Mobiliteit te bespreken, zodat we samen tot een gedragen nieuwe regelgeving kunnen komen.

De aanval op een treinbegeleidster op de trein van Antwerpen naar Hasselt
De agressie tegen een treinbegeleidster
Geweld tegen treinpersoneel op Belgische spoorlijnen

Gesteld aan

Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)

op 16 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Na een agressieincident door een 18-jarige reiziger op een NMBS-treinbegeleidster—die zich verdedigde met deodorant—benadrukt minister Crucke dat veiligheid prioriteit is, met plannen voor bodycams voor Securail (2024-2025), betere politiezichtbaarheid, alarmcommunicatie en psychologische ondersteuning, maar kritiek blijft op trage uitvoering (bv. ontbrekende alarmknoppen) en personeelstekorten bij Securail/politie. Oppositie (Troosters, Cuylaerts) wijst op herhaalde beloftes zonder concrete actie en pleit voor toegangspoortjes in stations om zwartrijden en conflicten te voorkomen, naast snellere implementatie van bodycams als preventief en bewijsmiddel. De NMBS ziet agressie als maatschappelijk probleem dat samen met Justitie en Veiligheid moet worden aangepakt, met focus op straffere sancties en sensibilisering. Real-time cameratoegang voor politie (vanaf sept. 2025) is een stap, maar directe interventie bij incidenten ontbreekt nog.

Frank Troosters:

Deze vraag wil ik graag toelichten.

Op zondag 3 augustus werd een treinbegeleidster op de trein van Antwerpen naar Hasselt aangevallen door een 18-jarige treinreiziger. De aanleiding tot het incident was een discussie over het mogelijk ontbreken van een geldig vervoerbewijs. Eerst was er wat duw- en trekwerk en uiteindelijk spoot de treinbegeleidster deodorant in de ogen van de treinreiziger om zich te verdedigen, zo heb ik vernomen. Nadat de trein halt hield in het station van Zichem, werd door een ploeg van de lokale politie een proces-verbaal opgesteld. Alle reizigers moesten overstappen op een andere trein, waarna ze, inclusief de 18-jarige, hun reis konden voortzetten.

Hebt u kennisgenomen van de feiten die zich voordeden? Hoe evalueert u de actie van de treinbegeleidster om zich met deodorant te verdedigen? Wijst dat volgens u op een gebrek aan zelfverdedigingsmiddelen bij het operationeel personeel van de NMBS, in het bijzonder bij de treinbegeleiders? Welke maatregelen zult u nemen om de persoonlijke veiligheid van het NMBS-personeel te garanderen? Op welke termijn mogen de eerste acties worden verwacht?

Dorien Cuylaerts:

Mijnheer de voorzitter, u hebt de situatie correct geschetst, dus ik ga meteen over naar mijn vragen.

Mijnheer de minister, welke maatregelen neemt u vandaag om ervoor te zorgen dat de treinbegeleiders en het ander NMBS-personeel hun werk in veilige omstandigheden kunnen uitvoeren? Krijgt het NMBS-personeel vandaag opleidingen om met dergelijke conflictsituaties om te gaan? In het verleden werd al gesproken over het gebruik van bodycams voor de treinbegeleiders. Is dat een piste die nu werkelijk door u wordt bekeken? Wat is de stand van zaken daarbij?

Jean-Luc Crucke:

Dank u, geachte collega's.

Zoals u weet, is veiligheid een prioriteit voor mij. De minister van Binnenlandse Zaken, belast met Veiligheid, dient eveneens betrokken te worden bij dat beveiligingsproces. Ik veroordeel in ieder geval ten zeerste elke vorm van agressief gedrag en wil het belang benadrukken van respect voor de werknemers van de NMBS die hun job uitvoeren. De treinbegeleidster werd opgevangen door een NMBS-collega en kreeg medische verzorging.

Zoals eerder aangegeven, werkt de minister eraan om de agenten van Securail van bodycams te voorzien, zodat zij beschermd zijn bij de uitvoering van hun taken. Hoewel in 2024 een lichte daling van het aantal gemelde aanvallen op het spoorwegdomein werd vastgesteld, blijft het verschijnsel uiterst zorgwekkend. Of het nu fysiek of verbaal is, dat geweld heeft een diepe impact op de medewerkers van de NMBS, wat niet alleen hun welzijn, maar ook de algehele werking van het bedrijf beïnvloedt.

De NMBS neemt zelf heel wat maatregelen om dergelijke agressies te vermijden, maar benadrukt dat het een maatschappelijk probleem is dat zij niet alleen kan aanpakken. De NMBS herhaalt bij elk incident haar oproep tot respect, pleit voor strenge straffen en benadrukt het belang van een zichtbare aanwezigheid van de politiediensten in stations en treinen. De veiligheid van het personeel van de NMBS, meer bepaald aan boord van de treinen, is een constante bezorgdheid.

De recente gevallen van agressie zijn onaanvaardbaar. Daarom moet dringend actie worden ondernomen en steun ik de volgende concrete maatregelen: een zichtbaardere aanwezigheid van Securail in de treinen en stations, in het bijzonder op de lijnen die als gevoelig worden geïdentificeerd; gemengde patrouilles met de spoorwegpolitie wanneer dat relevant is; betere alarm- en communicatievoorzieningen voor treinbegeleiders en machinisten om een snelle interventie in geval van een incident te verzekeren; een systematische psychologische en juridische ondersteuning voor medewerkers die het slachtoffer zijn van agressie en een sensibiliseringscampagne om het publiek eraan te herinneren dat elke vorm van geweld tegen het spoorwegpersoneel strafbaar is.

Een werkgroep, geleid door de NMBS in samenwerking met de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, onderzoekt de mogelijkheid om Securailagenten bodycams te laten gebruiken. Dat zal hen beschermen bij de uitvoering van hun taken en tegelijk ook de pendelaars beter beveiligen.

Er werd al een akkoord bereikt tussen de NMBS en de regionale vervoersmaatschappijen om hun aanpak te harmoniseren. Samen met de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken werken we aan een verdere aanpassing van de bodycamwet dit jaar. Sinds september 2025 kunnen alle lokale politiezones gebruikmaken van de camerabeelden van de NMBS. De NMBS beschikt over een uitgebreid netwerk van camera’s in de stations. Dankzij dat akkoord krijgen de federale politie en alle lokale politiezones in real time directe toegang tot die beelden. Dat stelt de verschillende veiligheidsdiensten in staat sneller en efficiënter samen te werken.

Frank Troosters:

Dank u wel, mijnheer de minister.

Het begin van uw antwoord deed mij evenwel huiveren. Ik hoorde precies opnieuw de vorige regering, toen Annelies Verlinden en Georges Gilkinet veiligheid een topprioriteit noemden en agressie ten strengste veroordeelden. Daar bleef het evenwel altijd bij. Diezelfde woorden hoorde ik nu terug.

Concreet hebt u een goed akkoord gesloten om de politie in real time toegang te geven tot de camerabeelden van de NMBS. Zo kan men achteraf misschien sneller iemand terugvinden, maar op het moment zelf kan men uiteraard niet ingrijpen.

Het dossier over de bodycams sleept al heel lang aan.

Verder hoor ik dat Securail maximaal zichtbaar moet zijn. Er zijn vorig jaar netto veertien personeelsleden bijgekomen. Dat is niet de grote massa. Voor een grotere zichtbaarheid van de politie stuiten we eveneens opnieuw op personeelstekorten. Dat benadrukken we al heel lang. Toch zijn dat zaken die gewoon blijven bestaan.

De alarmcommunicatie werd al heel lang beloofd. De alarmknop, aangekondigd door uw voorganger, is er nog altijd niet of toch niet in alle treinstellen. Ik hoop dat het niet bij woorden blijft en dat er daadwerkelijk stappen worden gezet, want ook al zijn de cijfers misschien iets gedaald, er zijn nog steeds te veel agressiegevallen tegen het NMBS-personeel. Ik hoop dus echt dat er vooruitgang wordt geboekt om zowel Securail als de treinbegeleiders een betere bescherming te geven.

Dorien Cuylaerts:

Dank u wel, mijnheer de minister, voor uw antwoord. Het incident maakt nog maar eens duidelijk hoe iets banaals, zoals een ongeldig vervoersbewijs, kan ontaarden in een dergelijk incident. Achter elke vraag die hier wordt gesteld, schuilt een persoonlijk verhaal. Elk incident is er één te veel. U hebt een aantal voorbeelden van maatregelen gegeven die al werden genomen en die zijn zeker positief. Elke stap is er één in de goede richting. Ik vind het wel bijzonder jammer dat we vorige week hebben moeten vaststellen dat u geen voorstander bleek te zijn van toegangspoortjes in de stations. Nochtans is dat een maatregel die ervoor kan zorgen dat de kans op zwartrijden, op discussies met treinbegeleiders en op incidenten kan worden vermeden. De toegangspoortjes zorgen ervoor dat de controle al plaatsvindt bij de ingang van het station, niet op het perron en niet op de trein, waardoor agressie, frustraties en angst kunnen worden vermeden. We moeten echt durven nadenken over de veiligheid van het personeel, maar ook die van de reiziger. Verder wil ik benadrukken dat de bodycams van groot belang zijn voor de treinbegeleiders. Zij kunnen een nuttige aanvulling zijn. Het is dus positief dat men daar verder mee aan de slag gaat. De bodycams werken preventief, ze verschaffen achteraf veel duidelijkheid en geven het personeel meer vertrouwen.

De protestactie tegen Securail naar aanleiding van een incident met wanbetalers in Brussel-Noord
Het gewelddadige optreden van Securailagenten in het station Brussel-Noord
Het incident met Securail op het perron van Brussel-Noord
Gewelddadig optreden en protesten rond Securail in Brussel-Noord

Gesteld aan

Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)

op 16 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Een incident op 8 augustus in Brussel-Noord, waarbij Securailagenten geweld gebruikten bij een identiteitscontrole van drie zwartrijders (twee Noorse vrouwen van Congolese afkomst), leidde tot beschuldigingen van racisme, buitensporig geweld en illegale arrestatie, verspreid via sociale media en gesteund door FreeCongo.be. NMBS en parket onderzoeken de zaak—resultaten ontbreken nog—maar de minister benadrukt dat Securailagenten (480 fte) essentieel zijn voor veiligheid (90% tevredenheid, 37.000 interventies/jaar) en dat voorbarige oordelen vermeden moeten worden, terwijl de toekomst van Securail binnen NMBS wordt bevestigd (geen overgang naar Binnenlandse Zaken, wel betere samenwerking met politie). Eisen om excuses en sancties tegen agenten of zwartrijders (o.a. weigering ticketverkoop aan boord) wachten op de uitkomsten, maar bodycams en cameratoezicht (12.000 camera’s, realtime politie-toegang) worden voorgesteld als oplossing voor toekomstige transparantie en veiligheid.

Frank Troosters:

Mijnheer de minister, een ploeg van Securailagenten moest op 8 augustus na een oproep optreden tegen drie zwartrijdens in het station Brussel-Noord. De interventie liep uit de hand. Nadat de agenten in de trein waren uitgescholden, zou het op het perron tijdens de identiteitscontrole tot een handgemeen zijn gekomen, waarna uiteindelijk een agressief persoon geboeid moest worden. Intussen circuleren op sociale media oproepen onder meer vanwege de organisatie FreeCongo.be tot een protestactie aan de gebouwen van de NMBS, waarbij de Securailagenten op een weinig fraaie manier worden afgeschilderd.

Hebt u kennisgenomen van de feiten? Zo ja, kunt u ze beschrijven? Kunt u toelichten op welke wijze er sprake zou zijn van een illegale arrestatie? Kunt u meedelen of aan de eis van de zwartrijders om excuses te krijgen van Securail tegemoetgekomen zal worden? Klopt het dat er buitensporig geweld door de Securailagenten zou zijn gebruikt of klopt het niet?

Ik heb begrepen dat zowel de NMBS als het parket een onderzoek heeft geopend. Wat is de stand van zaken? Zult u erop toezien dat het recht op verdediging van de betrokken Securailagenten in alle facetten wordt gewaarborgd? Wat gebeurde er met de zwartrijders? Kwam er een tussenkomst van de spoorwegpolitie? Welke inbreuken werden opgenomen in het proces-verbaal en welke sancties zullen hun eventueel worden opgelegd?

Ridouane Chahid:

Monsieur le ministre, le parquet de Bruxelles a ouvert une enquête à la suite d'un incident survenu le 8 août en gare de Bruxelles-Nord, au cours duquel des agents de Securail auraient violemment "maîtrisé" des voyageuses qui ne pouvaient présenter de titre de transport valide.

Des images diffusées sur les réseaux sociaux montrent quant à elles deux agents de Securail plaquant violemment au sol une mère et sa sœur, deux femmes norvégiennes d'origine congolaise.

L'avocate de ces deux femmes et le collectif citoyen de soutien aux victimes évoquent des comportements très agressifs, des faits de violences aggravés et une attitude raciste de la part des agents de Securail, avec notamment des propos humiliants et discriminatoires. La SNCB a d'ailleurs déclaré qu'elle regrettait vivement cet incident et a lancé une enquête interne.

Monsieur le ministre, il nous faut évidemment attendre les résultats de cette enquête et ne pas nous prononcer sur le fond. Je vous poserai dès lors des questions globales. La sécurité des usagers et des travailleurs du chemin de fer est une priorité. Que comptez-vous faire face à cette situation? Confirmez-vous que l'accompagnateur de train de la SNCB entre Vilvorde et Bruxelles-Nord a bien refusé de vendre des tickets à bord, alors que l'automate en gare de Vilvorde était en panne? Pouvez-vous également nous indiquer ce qu'il en est de l'avenir de Securail dans la réforme annoncée dans le cadre de votre accord de gouvernement dans laquelle il est question d'un regroupement de toutes les compétences en matière de sécurité, à l'exception du département de la Justice?

Dorien Cuylaerts:

Mijnheer de minister, wat is uw reactie op het incident op het perron van Brussel-Noord? Er is sprake van een onderzoek. Is dat intussen al afgerond? Staan de betrokken agenten vandaag nog steeds op non-actief? De NMBS liet weten het incident zeer ernstig te nemen. Kunt u daar al meer duidelijkheid over geven? Wat was de aanleiding? Klopt het dat het incident is ontstaan naar aanleiding van een discussie over een treinticket?

Jean-Luc Crucke:

Op 8 augustus was er een incident in het station Brussel-Noord tussen reizigers en Securailagenten.

Je regrette les événements qui se sont produits et j'en ai fait part à la SNCB en lui demandant de me faire un état de la situation. Je ne dispose pas encore des éléments, puisque l'enquête est en cours.

Immédiatement après les faits, à la demande de la CEO, une enquête interne a été ouverte afin d'établir les circonstances exactes, conformément aux procédures en vigueur. Parallèlement, une enquête judiciaire est en cours.

En attendant l'aboutissement de ces enquêtes, il me semble prématuré de tirer des conclusions quant aux faits ou aux suites à y donner.

Ik herinner eraan dat de 480 Securailagenten op het terrein dagelijks de veiligheid waarborgen van 900.000 reizigers en werknemers van de NMBS, waarbij ze vaak het slachtoffer van agressie zijn. Zij doen dat bovendien tot grote tevredenheid van de reizigers en dragen ertoe bij dat het veiligheidsgevoel in de treinen en in de stations boven de 90 % ligt.

Ils ont un rôle essentiel comme point de contact, que ce soit à bord des trains ou dans les gares, pour les voyageurs, le personnel ou encore en appui aux services de police. Leur action est significative. En 2024, ils ont organisé près de 37 000 interventions et rien que sur les sept premiers mois de 2025, ils en sont déjà à environ 22 000 interventions. Ces agents doivent réussir une formation de plusieurs mois, prévue par la loi, avant d'être assermentés. Ils bénéficient ensuite d'une formation continue afin de maintenir et de renforcer en permanence leurs compétences.

Ze vervullen eveneens een essentiële rol op het vlak van de strijd tegen fraude en de preventie van inbreuken door toe te zien op de naleving van de reglementering. Ze voeren veiligheidstaken uit op de perrons en de treinen. Ze voeren x-stralencontroles uit in de Channel Terminal. De veiligheidsdiensten van de NMBS verzekeren ook het toezicht via 12.000 camera's in de stations en in de treinen en ze beheren zowel de oproepen van de reizigers als die van het personeel naar het Security Operations Center, bijna 120.000 oproepen in 2024.

Sinds kort hebben de lokale politiezones en de federale politie, zoals ik daarstraks al gezegd heb, ook in real time toegang tot het cameranetwerk van de NMBS.

Concernant Securail, comme le prévoit l'accord de gouvernement, j'ai rencontré le collègue Quintin, ministre de l'Intérieur. Nous nous sommes mis d'accord sur le principe de maintenir le personnel de Securail au sein de la SNCB. Nous avons convenu de la mise en place d'une cotutelle et, pour ce faire, d'un groupe de travail chargé d'identifier les meilleures pistes de collaboration. Par ailleurs, nous identifions la meilleure manière d'organiser le travail des agents de Securail de façon à recentrer leurs missions sur leur core business , à savoir assurer la sécurité à bord des trains et dans les gares.

Il va de soi qu'en dehors des gares, cela me semble relever plus de la police locale et/ou fédérale.

Frank Troosters:

Dank u wel, mijnheer de minister, voor uw antwoorden. Ik ben tevreden over de algemene toon ervan.

Ik heb mij na het incident geërgerd aan bepaalde leden van dit huis die zeer voorbarige conclusies trokken en zelfs olie op het vuur gooiden op sociale media, waardoor de veiligheidsagenten sterk onder vuur kwamen te liggen en gestigmatiseerd werden. Niemand heeft daar baat bij.

Ik verneem hier verstandige taal en hoor zowel van u als van collega Chahid dat we eerst het onderzoek moeten afwachten om te weten wat er precies is gebeurd. Dat lijkt me de enige juiste houding die we moeten aannemen. Er loopt een onderzoek van de NMBS en van het parket. Ik kijk vooral uit naar de resultaten van dat laatste. Daarna zullen we zien hoe het verder wordt opgevolgd.

Ik ben ervan overtuigd dat de veiligheidsagenten een zeer belangrijke taak vervullen onder bijzonder moeilijke, absoluut niet evidente omstandigheden. Zij geven elke dag het beste van zichzelf.

Ridouane Chahid:

Monsieur le président, je ne sais pas de qui vous parlez. En tout cas, je n'ai pas réagi pour la bonne et simple raison que, par le passé, j'ai été vice-président d'une société de transport bruxelloise. Je sais donc comment cela fonctionne. C'est pourquoi, dans mon intervention, j'ai bien dit que nous attendions les conclusions de l'enquête interne avant de nous exprimer sur la question.

Monsieur le ministre, je vous remercie aussi de m'avoir répondu parce qu'il m'importait de connaître l'avenir de Securail et de savoir s'il allait rejoindre le SPF Intérieur. Vous venez de confirmer qu'il resterait au sein de la SNCB. C'est en soi une bonne nouvelle. Monsieur le ministre, je vous remercie de votre réponse. Entre parenthèses, je tenais à vous apporter mon soutien pour votre sortie d'aujourd'hui relative aux trottinettes.

Dorien Cuylaerts:

Dank u wel, mijnheer de minister, voor uw antwoord. Het is goed dat er precies wordt onderzocht wat er in het station Brussel-Noord is gebeurd en wat daarvan de aanleiding is geweest. Dergelijke incidenten zijn dagelijks realiteit. We moeten ze echt zien te beperken Veiligheid op en rond de treinen moet altijd vooropstaan en is prioriteit nummer één, niet enkel voor de reizigers, maar zeker ook voor het personeel. Het is niet bepaald motiverend voor werknemers om elke dag opnieuw met angst aan de werkdag te beginnen. Onze fractie vraagt al jaren om bodycams in te voeren. Daarover is daarnet al redelijk positief gesproken. Het is niet enkel voor het Securailpersoneel, maar zeker ook voor de treinbegeleiders. Bodycams helpen namelijk bij discussies en geven achteraf een duidelijk beeld, zeker wanneer er een conflict ontstaat. De veiligheid moet prioriteit nummer één zijn en daarom zullen wij blijven aandringen op het gebruik van bodycams.

De samenwerking tussen Securail en de spoorwegpolitie

Gesteld door

lijst: VB Frank Troosters

Gesteld aan

Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)

op 16 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De samenwerking tussen Securail (NMBS) en de Spoorwegpolitie (SPC) blijft een prioriteit, maar inkanteling van Securail bij de SPC is definitief van tafel—Securail blijft onder de NMBS met gemeenschappelijk toezicht door beide departementen. Concrete maatregelen zijn realtime-toegang voor politie tot 8.000 NMBS-camera’s, bodycams voor Securail-agenten en een werkgroep om operationele coördinatie en opleidingen te verbeteren. Kritiek blijft bestaan op de moeizame samenwerking en onderbemanning bij de SPC, met de eis dat beloften nu concrete resultaten moeten opleveren.

Frank Troosters:

Mijnheer de minister, ook daarover heb ik u al ondervraagd. Ik verwijs dan ook naar de schriftelijke versie van de vraag.

Om de veiligheid binnen het spoorgebeuren te kunnen garanderen is een goede samenwerking tussen de veiligheidsdienst van de NMBS (Securail) en de Spoorwegpolitie (SPC) belangrijk. Reeds langer doen geruchten de ronde dat er wordt nagedacht om op termijn de diensten van Securail in te kantelen bij de SPC. In antwoord op een eerdere vraag hierover gaf de minister aan te streven naar een betere samenwerking tussen beide instanties.

Wat is de huidige stand van zaken m.b.t. de samenwerking tussen Securail en de SPC?

Welke concrete maatregelen of acties ter zake mogen in het vooruitzicht worden gesteld en op welke termijn?

Is de optie om Securail in te kantelen bij (of op een andere wijze onder te brengen bij) de SPC definitief van tafel? Zo ja, wat waren de elementen die hiertoe aanleiding gaven? Zo neen, op welke wijze zou dit kunnen gebeuren? Wat zijn de mogelijke struikelstenen? Wordt er desgevallend werk gemaakt van een opleidingsprogramma / bundel voor Securail-agenten?

Jean-Luc Crucke:

Mijnheer Troosters, de veiligheid in en rond het spoorwegnetwerk vormt een absolute prioriteit. Ze steunt op een nauwe samenwerking tussen de verschillende betrokkenen, met name Securail, de veiligheidsdiensten van de NMBS en de federale politie via de spoorwegpolitie, evenals bepaalde sociale diensten.

Zoals ik aangekondigd heb, is er een akkoord gesloten waardoor zowel de lokale als de federale politie voortaan in real time toegang krijgt tot de camerabeelden van de NMBS in de stationsbuurten. Het gaat om ongeveer 8.000 vaste camera’s, verspreid over publieke plaatsen zoals perrons, wachtzalen, fietsenstallingen en parkings. Bijna 130 lokale politiezones krijgen toegang tot de beelden van de stations op hun grondgebied, terwijl de federale politie toegang heeft tot het volledige spoorwegnetwerk.

Tegelijkertijd wordt nauw samengewerkt met de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken om ervoor te zorgen dat Securailagenten op het terrein kunnen beschikken over bodycams. Op die manier kunnen ze de reizigers beter beschermen en incidenten op het terrein sneller en veiliger aanpakken.

Ik ben mij bewust van de uitdaging en ben recent met mijn collega-minister van Binnenlandse Zaken, de heer Bernard Quintin, overeengekomen dat het personeel van Securail geïntegreerd zal blijven bij de NMBS. Die beslissing waarborgt de continuïteit van de specifieke missies van Securail en versterkt de complementariteit met de politiediensten.

Om die gemeenschappelijke wil te concretiseren, hebben we beslist een gemeenschappelijk toezicht van de twee departementen in te voeren. Die aanpak heeft tot doel de dagelijkse werking en de strategische coördinatie tussen Securail, de spoorwegpolitie en de federale politie te vergemakkelijken.

Er moet aan worden herinnerd dat die samenwerking reeds bestaat op het terrein. Er vindt regelmatig uitwisseling plaats tussen de agenten van de twee diensten, zowel op het vlak van de veiligheid op de treinen en in de stations als in de naburige zones. Die synergie is waardevol en verdient het om nader te worden uitgediept.

Om ervoor te zorgen dat het gemeenschappelijk toezicht een echte toegevoegde waarde wordt, hebben wij een werkgroep opgericht die de verschillende stakeholders samenbrengt. De werkgroep heeft tot doel de concrete en structurele verbeterpunten te identificeren, zowel op het vlak van de operationele coördinatie als op het vlak van opleiding. Het is de bedoeling om de competenties van het personeel van Securail te versterken binnen een kader dat aansluit bij de vereisten van de openbare veiligheid, met respect voor hun statuut en hun verankering binnen de NMBS.

Indien er twijfels bestaan over een mogelijke overdracht van Securail naar de spoorwegpolitie, kan ik bevestigen dat die optie niet meer actueel is. Ik herbevestig dat Securail behouden blijft binnen de NMBS. Binnen het kader van dat medevoogdijschap lijkt ons dat momenteel de meest efficiënte aanpak en de aanpak die de specifieke kenmerken van iedereen het best respecteert.

Ik bevestig mijn engagement in het licht van de veiligheid en het veiligheidsgevoel van de reizigers om van het spoor voor iedereen een toegankelijke en geruststellende plaats te maken.

Frank Troosters:

Dank u wel, mijnheer de minister, voor uw antwoord. Dat is duidelijk met betrekking tot Securail en de inkanteling. Die gebeurt dus niet. Dat sluit aan bij wat u eerder hebt meegedeeld. Ik zal met veel interesse de werkgroep volgen die opgericht wordt in het kader van complementariteit en medevoogdijschap. Het komt uiteindelijk neer op samenwerking. Er bestaan al jarenlang klachten, zeker bij het personeel van Securail, over de soms moeizame samenwerking met de spoorwegpolitie. Bovendien is de spoorwegpolitie al jarenlang onderbemand, zoals u weet. Daar ligt de moeilijkheid. Ongeacht hoe men het probleem aanpakt – medevoogdijschap en complementariteit, via een werkgroep – het belangrijkste is dat er resultaat volgt. De vorige vraag van de heer Seuntjens heeft duidelijk aangetoond dat we niets hebben aan een minister die veel beloften maakt, maar weinig realiseert, zoals de vorige minister. Ik geef de voorkeur aan minder beloften, maar wel concrete resultaten. Ik reken erop dat die zeker zullen volgen.

De realtime toegang van de politie tot de NMBS-camerabeelden in stationsbuurten

Gesteld aan

Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)

op 16 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Het akkoord tussen NMBS en 130 politiezones zorgt voor realtime-toegang tot 8.000 camerabeelden in stations en omgeving (perrons, parkings, etc.), om snellere politie-interventies bij criminaliteit of overlast mogelijk te maken, zonder toegang tot treincamera’s—die blijven voorlopig uitgesloten maar bodycams voor Securail worden wel ingevoerd als alternatief. De samenwerking verloopt via een protocolakkoord onder de camerawet, met een evaluatie na één jaar op effectiviteit, terwijl de minister benadrukt dat zichtbare politieaanwezigheid cruciaal blijft naast cameratoezicht. De oppositie (Cuylaerts) juicht het akkoord toe als een belangrijke veiligheidswinst maar dringt aan op toekomstige uitbreiding naar treincamera’s en een strikte opvolging van de resultaten. Kernboodschap: realtime-cameratoegang versterkt veiligheid in stations, maar fysieke politiepresente en latere evaluatie zijn essentieel, met treincamera’s als mogelijke volgende stap.

Dorien Cuylaerts:

Ook voor deze vraag verwijs ik naar de schriftelijke versie.

Mijnheer de minister, onze fractie is al lang vragende partij voor een betere samenwerking tussen de politiediensten en de NMBS als het gaat over veiligheid in en rond de stations. Daarom ben ik ook tevreden dat er nu eindelijk een akkoord is afgesloten waardoor lokale en federale politiediensten in real time toegang krijgen tot de beelden van de NMBS-camera's in stations en stationsbuurten. Op deze manier kunnen we sneller reageren bij overlast of criminele feiten.

Het akkoord betreft bijna 130 politiezones en maakt beelden toegankelijk van zo'n 8.000 camera's. Het gaat om publieke plaatsen zoals perrons, wachtzalen, fietsenstallingen en parkings. De beelden uit treinen zelf vallen voorlopig buiten dit akkoord, al wordt er aangegeven dat dit in de toekomst mogelijk kan worden.

Mijnheer de minister, ik heb voor u enkele vragen:

Kan de minister wat meer duiding geven rond de samenwerking tussen de NMBS en de betrokken politiezones? Hoe zal dit concreet in zijn werk gaan?

Zal dit systeem in de toekomst geëvalueerd worden? Zo ja, op welke termijn en volgens welke criteria?

De camera's in de treinen vallen momenteel buiten het akkoord. Dat is volgens de NMBS niet aan de orde. Waarom is dit niet aan de orde? Wordt de mogelijkheid nog steeds onderzocht om dit in de toekomst ook mogelijk te maken? Welke stappen of voorwaarden ziet u daarbij?

Jean-Luc Crucke:

Geachte collega, zoals aangekondigd, is er een akkoord gesloten waardoor zowel de lokale als de federale politie voortaan in real time toegang hebben tot de camerabeelden van de NMBS in stationsbuurten. Het gaat om ongeveer 8.000 vaste camera's verspreid over publieke plaatsen, zoals perrons, wachtzalen, fietsenstallingen en parkings. Bijna 130 lokale politiezones krijgen toegang tot de beelden van de stations op hun grondgebied, terwijl de federale politie toegang heeft tot het volledige netwerk. De toegang is geregeld volgens de camerawet en verloopt via een protocolakkoord tussen de NMBS en de betrokken politiezones of de federale politie. Het gaat enkel om consultatie in real time en uitsluitend in het kader van de wettelijke opdrachten van de politiediensten.

Voor onderzoeksdoeleinden blijft de bestaande procedure gelden. De politie moet een aanvraag indienen waarop de NMBS binnen 24 uur reageert. De camerabeelden in de trein zelf vallen momenteel buiten dat akkoord. Het filmen in de trein is op dit moment niet het primaire doel van dit project. Tegelijkertijd wordt er nauw samengewerkt met de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken om ervoor te zorgen dat Securailagenten in de trein kunnen beschikken over bodycams. Zo kunnen zij de reizigers beter beschermen en incidenten in de trein sneller en veiliger aanpakken.

De veiligheid van reizigers en personeel blijft een absolute prioriteit. Met dit project willen we niet alleen sneller kunnen ingrijpen bij incidenten, maar ook een krachtig signaal geven: geweld tegen passagiers of tegen medewerkers van de NMBS wordt niet getolereerd. Het feit dat beelden in real time kunnen worden bekeken en later kunnen worden gebruikt in geval van een probleem, heeft bovendien belangrijke afschrikkende effecten. Mensen weten dat ze gefilmd worden en dat die beelden desnoods tegen hen kunnen worden ingezet.

De samenwerking met de geïntegreerde politie is een belangrijke stap vooruit. Ik blijf evenwel tegelijk het belang benadrukken van een zichtbare aanwezigheid van de politie – zowel in de stations als in de trein – ter ondersteuning van Securail.

Het is vandaag nog te vroeg om al conclusies te trekken. Ik zal er echter persoonlijk op toezien dat een eerste grondige evaluatie kan plaatsvinden na een jaar implementatie, in overleg met de betrokken partners.

Dorien Cuylaerts:

Dank u wel, mijnheer de minister, voor uw antwoord. Voor onze fractie is wat we hier te horen kregen bijzonder goed nieuws. We zijn zeer verheugd dat dat akkoord er is gekomen, aangezien we al langer pleiten voor een betere samenwerking tussen de politiediensten en de NMBS. De realtimetoegang tot de camerabeelden in en rond de stations kan zeker een groot verschil maken. Het zorgt ervoor dat de politiediensten sneller, accurater en gerichter kunnen reageren op de overlast en de criminaliteit die er plaatsvinden. Het is ongetwijfeld een belangrijke stap in de goede richting voor de veiligheid van zowel de reizigers als het personeel, wat zeker een pluspunt is. Het is natuurlijk belangrijk dat dit systeem – u verwees daar zelf al naar – goed wordt opgevolgd en na verloop van tijd wordt geëvalueerd. We hopen dat de evaluatie zal aantonen dat het ook efficiënt is, zoals het nu op papier lijkt te zijn. Het is voor ons duidelijk dat het een stap in de goede richting is en we kijken ernaar uit om in de toekomst nog verder te gaan. We zouden het graag uitgebreid zien met de camera’s die in de treinen beschikbaar zijn, omdat dat het allemaal nog eenvoudiger zou maken.

De door de SIOD gepubliceerde recente cijfers inzake sociale fraude

Gesteld aan

Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)

op 16 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Beenders bevestigt 300 extra aanwervingen (verdeling nog in overleg met collega-ministers) om fraude en dumping te bestrijden, met focus op transnationaal misbruik (o.a. detachering, waar België EU-topper is). Europese samenwerking (via ELA, gezamenlijke inspecties en bewustmakingscampagnes) en verbeterde meldkanalen (SIRS) moeten vanaf 2025-2026 de aanpak verscherpen, met nadruk op datadeling en handhaving. Hansez (Les Engagés) steunt de plannen maar eist opvolging. Kern: snellere controles, EU-afstemming en systeemfraude aanpakken.

Isabelle Hansez:

Monsieur le ministre, selon les chiffres récents du Service d'information et de recherche sociale (SIRS), une entreprise contrôlée sur trois était en infraction au premier semestre 2025, avec des pics de fraude sociale atteignant près de 60 % dans des secteurs comme les stations de lavage, l’horeca ou le nettoyage.

Ces pratiques – travail au noir, faux indépendants, sociétés "boîtes aux lettres" et abus de travailleurs détachés – fragilisent notre sécurité sociale, exploitent les plus vulnérables et pénalisent les entreprises honnêtes.

Vous avez annoncé, notamment dans votre note de politique générale, un renforcement des effectifs d’inspection et davantage de contrôles.

Dès lors, monsieur le ministre, pourriez-vous éclairer la Chambre sur le calendrier concret de ces recrutements? Pourriez-vous apporter des précisions quant aux initiatives que le gouvernement envisage de prendre pour porter la problématique du dumping social au niveau européen, notamment via l’Autorité européenne du travail (ELA) ou des accords bilatéraux, afin de renforcer la lutte contre le dumping social transfrontalier qui fragilise le bon fonctionnement de notre marché intérieur?

Rob Beenders:

Madame Hansez, comme indiqué dans la note de politique, nous travaillons avec mes collègues ministres pour répartir les 300 recrutements prévus. Je souhaite que cela aboutisse le plus rapidement possible. Ces 300 recrutements ne seront pas tous affectés aux services d'inspection sociale. Je déterminerai la répartition entre les services d'inspection dès que possible, en collaboration avec les ministres Clarinval, Simonet et Vandenbroucke ainsi qu'avec les différents services d'inspection. Les besoins de chaque service en vue de la mise en œuvre des priorités stratégiques de l'accord de gouvernement serviront de lignes directrices à cet égard.

Enfin, je tiens à souligner que les inspecteurs sociaux rapportent en moyenne trois fois leur coût. Je souhaite donc, grâce à ces recrutements, renforcer les services d'inspection sociale et la lutte contre la fraude sociale mais aussi soutenir les objectifs budgétaires.

Les chiffres européens montrent que le nombre de travailleurs détachés en Belgique est très élevé. En 2022, 263 000 personnes ont été détachées en Belgique et notre pays occupe ainsi la troisième place au sein de l'Union européenne – après l'Allemagne et l'Autriche, mais devant la France et les Pays-Bas. C'est pourquoi le nouveau plan d'action stratégique 2026-2029 mais aussi, dans la mesure du possible, le plan d'action opérationnel actualisé 2025-2026 du SIRS, se concentreront en priorité sur la résolution des problèmes liés à l'emploi transfrontalier et aux entreprises étrangères.

Dans le cadre des plans pour une concurrence loyale, une campagne de sensibilisation belge sera mise en place afin d'informer toutes les parties sur la fraude sociale et le dumping social. Divers éléments peuvent y être inclus, tels que l'information sur le travail légal et la mise en avant des responsabilités de chacun.

En 2025, nous soutiendrons également la campagne de sensibilisation de l'Autorité européenne du travail (ELA). À partir d'octobre, les services d'inspection belges lanceront, en collaboration avec l'ELA – qui mènera une campagne de communication et d'information similaire sur la sécurité sociale européenne – une campagne d'information sur le travail légal et les avantages du travail officiel en 2026.

Je chargerai également le SIRS d'optimiser le fonctionnement du point de contact pour une concurrence loyale afin que les citoyens, les entrepreneurs et les partenaires sociaux puissent signaler plus rapidement aux services d'inspection les abus et fraudes éventuels en matière de mises à disposition et de détachements internationaux via ce point de contact.

Grâce à des questions adaptées, les citoyens, les entreprises ou les partenaires sociaux pourront fournir les informations nécessaires de manière encore plus efficace.

En concertation avec mes collègues compétents, je lancerai divers chantiers autour de l'échange de données et de la coopération en 2026 et 2027.

Enfin, la coopération européenne est et reste l'un des axes prioritaires de la lutte contre la fraude sociale transfrontalière. Il est donc essentiel de continuer à soutenir le développement de l'Autorité européenne du travail, notamment en organisant des inspections conjointes et concertées.

Isabelle Hansez:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses étayées, qui reprennent un certain nombre d'initiatives qui vont dans le bon sens. Comme vous le savez, la lutte contre le dumping social est une priorité pour les Engagés. Nous savons qu'il en est de même pour vous. Nous suivrons de près l'évolution de ces dossiers.

De alarmkreten van de magistratuur en de RSZ in verband met de sociale fraude in de bouw

Gesteld aan

Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)

op 16 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Beenders bevestigt dat fraude in de bouwsector (via schijnconstructies, insolvabiliteitsfraude en internationale netwerken) hard wordt aangepakt via een versterkt actieplan 2025-2026, gericht op snelere activabeslaglegging en transnationale samenwerking met Justitie en Financiën. Het ONSS zet juridische middelen in (o.a. art. 1382 BW en solidair aansprakelijkheid) om 32,5 miljoen euro te recupereren via solvabiliteitsonderzoeken en nazicht op herhalingsdaders, maar executie van strafrechtelijke sancties blijft een bevoegdheid van Justitie. Hansez (Les Engagés) benadrukt de nood aan concrete uitvoering en waakt over de link met georganiseerde criminaliteit, terwijl het parlement steun betuigt na het persoonlijk verlies van de minister.

Isabelle Hansez:

Monsieur le ministre, l'actualité récente mettait en lumière de nouveaux dossiers de fraude sociale dans le secteur de la construction, qualifiés de "structures négrières". Ces montages, tristement connus depuis plus de vingt ans, consistent à créer en cascade des sociétés éphémères qui disparaissent rapidement en faillite, permettant d’éluder cotisations sociales et précompte professionnel, tout en continuant à employer fictivement les mêmes travailleurs.

Selon le ministère public et l’ONSS, ces pratiques coûtent des millions d’euros à la sécurité sociale et fragilisent des centaines de travailleurs qui passent d’une société écran à l’autre.

Il en ressort deux constats préoccupants. Premièrement, les entrepreneurs généraux, souvent bénéficiaires économiques de ces pratiques, échappent quasi systématiquement aux poursuites faute de preuves suffisantes, ce qui interroge sur leur réelle responsabilité dans la chaîne de sous-traitance. Deuxièmement, les amendes et confiscations ordonnées par les tribunaux restent très difficilement recouvrées. De nombreux fraudeurs organisent leur insolvabilité, parfois par des divorces opportunistes ou des transferts de patrimoine, ce qui prive la sécurité sociale des montants dus et entretient un sentiment d’impunité.

Enfin, il est inquiétant de lire dans la presse que certains acteurs du secteur justifient encore ces pratiques par l’argument: "Tout le monde fait comme ça." Cela montre à quel point la fraude est banalisée dans certaines branches de la construction, mettant en péril la concurrence loyale et les droits des travailleurs.

Dès lors, monsieur le ministre, quelles mesures envisagez-vous pour améliorer l’efficacité du recouvrement des amendes et confiscations prononcées à l’encontre des fraudeurs, afin d’éviter qu’ils organisent leur insolvabilité et échappent de facto aux sanctions financières?

L’ONSS a fait part de sa volonté de suivre de plus près l’exécution des peines. Pouvez-vous préciser quelles nouvelles initiatives concrètes seront mises en œuvre pour atteindre cet objectif en collaboration, le cas échéant, avec votre collègue de la Justice, Mme la ministre Annelies Verlinden?

Rob Beenders:

Madame Hansez, tout d'abord, j'ai récemment actualisé le plan d'action 2025-2026 pour la lutte contre la fraude sociale, au moyen de mesures politiques ciblées. Je souhaite ainsi mettre davantage l'accent sur l'ensemble de la chaîne d'exécution, y compris les recouvrements. La fraude sociale ne s'arrête pas aux frontières, d'où la nécessité d'un renforcement des recouvrements transfrontaliers afin de mettre un terme aux activités des fraudeurs et de leur fermer toute issue. La fraude sociale grave ne représente qu'une partie de la criminalité organisée et constitue une menace croissante pour la sécurité, l'économie et la société. Les organisations criminelles opèrent de plus en plus à l'échelle internationale et recourent à des structures complexes afin de générer et dissimuler des profits illégaux. Les méthodes d'enquête traditionnelles et sectorielles se révèlent souvent insuffisantes pour mettre au jour et perturber leurs réseaux financiers et opérationnels. Pour y remédier, je travaille en collaboration avec les ministres de la Justice et des Finances afin de développer une approche axée sur le recouvrement et de combattre les fraudeurs graves là où cela leur fait le plus mal, c'est-à-dire dans leur portefeuille. Les enquêtes explorent donc les manières d'accélérer la saisie des actifs afin de s'en servir pour payer ultérieurement les dettes sociales ou les salaires. En tant que vice-président du Collège pour la lutte contre la fraude fiscale et sociale, je peux donc affirmer que les travaux battent leur plein en vue de renforcer la coopération dans l'échange d'informations avec tous les services d'inspection concernés.

Ensuite, l'ONSS n'est pas habilité à suivre l'exécution des peines. C'est la prérogative du SPF Justice. L'ONSS suit l'exécution des sanctions civiles prononcées dans le cadre des dossiers correctionnels dans lesquels il s'est constitué partie civile et a obtenu un dédommagement. Comme partie civile dans un dossier correctionnel, par l'application de l'article 1382 du Code civil, l'ONSS peut réclamer des dommages et intérêts dont le montant correspond aux cotisations.

Cette approche développée par les services de l'inspection de l'ONSS est appliquée de manière de plus en plus systématique. Elle s'effectue en collaboration avec les ministères publics dans les dossiers de fraude sociale grave et organisée dans lesquels il existe des possibilités de recouvrement effectif. Elle permet d'aller récupérer l'argent auprès des personnes même si elles ne sont pas identifiées comme employeurs ONSS, puisque les employeurs officiels sont insolvables.

Outre l'article 1382 du Code civil, l'ONSS utilise d'autres dispositions légales. En cas d'organisation criminelle, l'article 50 du Code pénal et la jurisprudence de la Cour de cassation disposent que tous les condamnés sont solidairement responsables du paiement de la totalité de la dette ONSS, quelle que soit la durée et le degré de participation à l'infraction. Après la décision de justice, l'ONSS ne se limite pas à récupérer l'argent à l'OCSC ou l'argent qui sera trouvé dans le cadre d'une éventuelle enquête pénale d'exécution, mais effectue une réelle enquête de solvabilité des condamnés et mène les procédures de recouvrement avec célérité afin de récupérer un maximum d'actifs.

L'ONSS effectue également un suivi des activités actuelles des condamnés et, le cas échéant, retrouve de nouveaux dossiers lorsqu'il constate que les fraudeurs continuent leur activité délictuelle. Une quarantaine de dossiers font l'objet de ce type de suivi. Le montant obtenu par l'Office s'élève à 57 millions d'euros pour un recouvrement effectif de 32,5 millions d'euros.

Je dois vous présenter des excuses, même si ce n'est pas une excuse: mon ami est décédé ce matin et je n'ai pas eu le temps de préparer toutes les questions aujourd'hui. Je suis donc désolé que ce n'était pas comme il le fallait normalement.

Isabelle Hansez:

Ne vous inquiétez pas. Désolée.

Rob Beenders:

C'est juste parce que j'ai lu les questions et je n'ai pas préparé la question comme il le fallait. J'ai une excuse, j'espère.

Isabelle Hansez:

Il n'y a pas de souci, monsieur le ministre. Sincères condoléances.

Rob Beenders:

Pas de problème. Ce n'est pas une excuse, mais je veux juste le dire, parce que je sens que ce n'est pas naturel…

Isabelle Hansez:

Je pense que c'est très bien. Je vous remercie pour votre réponse. Comme je le précisais, le dumping social est une priorité pour les Engagés. Il convient de joindre la parole aux actes en donnant le maximum d'effectivité à la lutte contre la fraude, notamment au niveau de l'exécution des sanctions. Je pense que vous avez étayé votre réponse, sans souci.

Nous sommes vraiment heureux d'entendre qu'une prise de conscience que la fraude sociale s'inscrit dans une criminalité économique plus grande fait écho au sein du gouvernement. Vous savez que nous sommes sensibles à cette problématique de fraude sociale. Nous serons attentifs aux avancées exécutives dont vous venez de parler à ce sujet. Je vous remercie.

Voorzitter:

Merci madame Hansez. Je veux me joindre aux condoléances que vous avez exprimées. Monsieur le ministre, vous faites preuve d'un respect du Parlement rarement vu à ce point. Toutes nos pensées.

Ellen Samyn:

Mijnheer de minister, ook van mij oprechte deelneming en ik dank u om in die moeilijke omstandigheden toch naar het Parlement te komen.

Rob Beenders:

Je n'ai pas préparé les questions comme il le fallait. Ce n'est pas évident car c'est en français. Dans tous les cas, je vous remercie.

Het gebrek aan medewerking van de federale politie aan de Europese fraudeaanpak

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 17 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België’s personeelstekort bij de federale gerechtelijke politie ondermijnt de bestrijding van Europese fraude (zoals btw-dossiers en corruptie), wat het vertrouwen in de rechtsstaat en België’s geloofwaardigheid als EU-hart schaadt. Minister Quintin bevestigt 35 speurders voor financiële criminaliteit (waarvan de helft voor het Europees parket) en belooft extra investeringen, een rondetafel over werving en betere Europese samenwerking, maar benadrukt realistische middelen. Meuleman (Vooruit) eist concrete stappen om fraude hard aan te pakken—ter bescherming van eerlijke burgers en bedrijven—en herhaalt de nood aan structurele versterking van de politie, met steun voor het Europees parket. De kritiek richt zich impliciet op Vlaams Belang, dat volgens hem fraudeonderzoeken zou saboteren.

Brent Meuleman:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, collega's, of het nu gaat om het Europees gesjoemel van Vlaams Belang of om douane- en btw-fraude voor miljoenen euro's op de luchthaven van Luik, voor Europese fraudedossiers is Europa afhankelijk van de speurders bij de federale gerechtelijke politie.

Europa noemt de situatie echter a joke. Dat is natuurlijk een scherpe uitspraak, maar ze komt ergens vandaan. Laat ik duidelijk zijn, onze politie levert schitterend werk op het terrein, maar er is een enorm personeelstekort en de werkdruk is bijzonder groot. Daardoor blijven fraudedossiers soms maanden liggen. Als dat dan het werk van het Europees parket lamlegt, dan overstijgt de kwestie het Belgische niveau. Dan riskeren we niet alleen dat miljoenen aan Europese fraude ongestraft blijven, maar zetten we ook onze geloofwaardigheid als hart van Europa op het spel.

Mijnheer de minister, voldoende personeel is cruciaal voor een efficiënte fraudebestrijding. Vooruit zal nooit aanvaarden dat sommigen valsspelen en daar blijkbaar ook nog mee wegkomen. Alle hardwerkende mensen en bedrijven die wel correct bijdragen en het spel eerlijk spelen, zijn immers de dupe van die straffeloosheid.

Collega's, elke euro die we investeren in de bestrijding van georganiseerde fraude, komt dubbel en dik terug, niet alleen in euro's, maar ook in vertrouwen in onze rechtsstaat. De regering, met Vooruit, zal investeren in onze gerechtelijke politie en hervormen.

Mijnheer de minister, ik heb het u een paar dagen geleden al gezegd in de commissie, u zult daarvoor in ons een trouwe partner en bondgenoot hebben. Vandaag is mijn vraag aan u de volgende. Welke stappen zult u concreet zetten om het vertrouwen van Europa te herwinnen?

Bernard Quintin:

Mijnheer Meuleman, ik ben niet bevoegd voor de onderzoeken van het parket, noch op Belgisch, noch op Europees niveau. Desalniettemin zal ik uit beleefdheid toch antwoorden.

De strijd tegen corruptie en fraude is voor mij en de regering een absolute prioriteit. Het raakt immers aan het vertrouwen in de rechtsstaat, in de instellingen van de Europese Unie en in de correcte besteding van publieke middelen. De centrale dienst voor de bestrijding van de georganiseerde economische en financiële criminaliteit bij de federale gerechtelijke politie telt vandaag 35 speurders. Ongeveer de helft van de capaciteit wordt ingezet voor dossiers die onder leiding staan van het Europees openbaar ministerie. Ook de Centrale Dienst voor de Bestrijding van Corruptie, waar 64 speurders werken, voert opdrachten uit in samenwerking met het Europees parket. De regering blijft investeren in de versterking van de federale gerechtelijke politie. Daarnaast organiseer ik voor het einde van dit jaar een rondetafel om het politieambt aantrekkelijker te maken en de instroom te verhogen. We hebben meer en gespecialiseerde mensen nodig.

Georganiseerde fraude stopt niet aan de landsgrenzen. Samenwerking en afstemming op Europees niveau zijn daarom essentieel, zeker in een land als België, waar veel Europese en internationale instellingen gevestigd zijn. De samenwerking met het Europees parket is belangrijk. België neemt zijn verantwoordelijkheid, maar dat moet gebeuren in samenwerking en pragmatisch, met respect voor justitie en de beschikbare middelen.

Brent Meuleman:

Dank u wel, mijnheer de minister, voor uw antwoord. Ik meen mij te herinneren dat wij in de commissie voor Binnenlandse Zaken al vaak over de federale gerechtelijke politie hebben gesproken. Daarom meende ik u die vraag vandaag zeker te moeten stellen. U neemt de noodkreet van het Europees parket duidelijk ernstig en dat stemt mij tevreden. Elke euro die verdwijnt in de verkeerde zakken, beste collega’s, is immers een euro minder voor onze welvaartsstaat. Vooruit trekt een duidelijke lijn: fraude moet worden bestraft, vooral uit respect voor de mensen en bedrijven die zich wél aan de spelregels houden en eerlijk bijdragen. Daarom is het zo belangrijk dat wij het Europees parket goed ondersteunen en dat we actief meewerken aan onderzoeken naar fraude en gesjoemel met Europese middelen. Ik begrijp echter dat men dat vandaag bij het Vlaams Belang niet graag hoort. We zullen dus blijven investeren en hervormen, mijnheer de minister, om onze politie te versterken, want alleen zo, leden van het Vlaams Belang, bouwen we aan een samenleving waarin iedereen eerlijk bijdraagt.

De socialefraudebestrijding en de middelen die ingezet worden om het misbruik een halt toe te roepen

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 17 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Georges-Louis Bouchez kaartte fraude met sociale uitkeringen aan via een concreet geval (Belgische invaliditeitsuitkering terwijl de vrouw als advocaat in Marokko werkte) en benadrukte dat systematische controles en een centraal register van alle sociale hulp (cadastre) nodig zijn om misbruik en oneerlijke cumulatie tegen te gaan. Minister Van Bossuyt bevestigde versterkte controles (2026), strengere sancties, risicogebaseerde samenwerking met justitie en de komst van zo’n gecentraliseerd register om cumuls en fraude op te sporen, met behoud van rechtvaardigheid voor werkenden. Bouchez hamerde op de ongelijkheid tussen werkenden en uitkeringsgerechtigden (500 euro verschil) en politieke misstanden (o.a. Anderlecht), waar sociale hulp als kiezerstroef zou dienen. De minister beloofde structurele oplossingen, maar concrete timing ontbrak.

Georges-Louis Bouchez:

Madame la ministre, voici quelques semaines, j'avais déclaré sur une antenne qu'avoir une maison au Maroc et continuer à toucher des allocations sociales en Belgique est une pratique qui devait cesser. Bien évidemment, comme d'habitude, j'ai eu droit à toute la litanie de la gauche: "Vous caricaturez, vous stigmatisez, vous pointez le doigt sur d'autres personnes." La réalité est que je n'ai jamais stigmatisé une communauté en particulier, mais que j'ai toujours dénoncé des fraudes, quel qu'en soit l'auteur.

Aujourd'hui, que découvre-t-on dans la presse? Depuis 2016, une dame se trouvait en incapacité de travail en Belgique. Figurez-vous qu'à ce titre, elle bénéficiait d'un logement social et d'une intervention majorée de l'assurance soins de santé. De plus, elle touchait une prime d'invalidité. Toutefois, cette femme n'était manifestement pas en si mauvaise santé que cela puisque, pendant ce temps-là, elle exerçait comme avocate au Maroc. Je précise que ce ne sont pas les services sociaux belges qui l'ont découverte; c'est son ex-conjoint! Par conséquent, je vous conseille de bien vous entendre avec votre conjoint. On ne sait jamais ce qui peut arriver… Bref, c'est son ex-conjoint qui est allé la dénoncer auprès de l'INAMI.

Madame la ministre, je ne parviens pas à comprendre comment, dans ce pays, il est possible d'être en incapacité de travail en Belgique et d'occuper un emploi au Maroc. C'est simplement la fin d'un mythe, celui de la gauche, ce mythe selon lequel chacun des allocataires sociaux serait d'une probité telle que toutes ces aides seraient justifiées. En Belgique, la fraude et l'abus existent et ne sont pas minoritaires. Il faut regarder les statistiques pour se rendre compte que ce phénomène est significatif, même si des gens doivent être vraiment aidés.

Madame la ministre, ma question est très simple. Que faisons-nous pour élaborer ce cadastre des aides, ce contrôle renforcé pour lutter contre ces abus?

Anneleen Van Bossuyt:

Monsieur Bouchez, je partage entièrement votre préoccupation. La fraude sociale est inacceptable. Quiconque abuse de notre solidarité sape la base même du système mis en place. Vous trouverez en moi une alliée dans la lutte contre la fraude sociale.

C'est pourquoi, en 2026, je renforcerai la chaîne de contrôle au sein de mon administration, le SPP Intégration sociale. Tant les services d'inspection que les contrôles administratifs seront étendus. Les CPAS feront ainsi l'objet de contrôles plus approfondis et plus fréquents.

Dans le même temps, nous renforçons la politique de sanction. La récupération des aides indûment octroyées doit pouvoir se faire plus rapidement et être suivie de conséquences sans équivoque. Ce qui s'est passé au CPAS d'Anderlecht, par exemple, ne peut plus se reproduire. J'entends non seulement multiplier les contrôles, mais aussi en améliorer la qualité. Les contrôles doivent être plus ciblés, basés sur les risques et s'effectuer en étroite collaboration avec la police, le parquet et les Régions.

Vous savez également que des mesures concrètes ont été soumises au gouvernement afin de remédier aux situations injustes en matière de revenu d'intégration. Nous comblons ainsi les failles du système.

Enfin, ce gouvernement lance un projet ambitieux, à savoir la création d'un registre centralisé regroupant toutes les formes d'aides sociales et d'avantages sociaux. Cela nous donnera enfin un aperçu complet de l'ensemble des aides octroyées à chaque personne. Nous pourrons ainsi également identifier les éventuels cumuls et fixer des plafonds. Le système doit rester équitable et les travailleurs doivent être valorisés et récompensés. Je contribuerai pleinement à cet effort dans le cadre de mes compétences.

Georges-Louis Bouchez:

Merci, madame la ministre, pour ces réponses.

J'insiste particulièrement sur la question du cadastre. C'est inédit dans l'histoire de notre pays de pouvoir avoir un cadastre qui centralise l'ensemble des aides sociales dont bénéficie une personne. Aujourd'hui, une des plus grandes injustices dans notre pays, c'est que des gens travaillent et se retrouvent dans des situations économiques plus faibles que des gens qui bénéficient de l'aide sociale. Cela ne doit plus arriver.

Les 500 euros de différence entre ceux qui travaillent et ceux qui ne travaillent pas doivent devenir une réalité. Ce cadastre permettra de lutter contre les abus et de lutter contre ceux qui ont fait un business de l'aide sociale, en ont fait une rente électorale, comme on a pu le voir par exemple dans la commune d'Anderlecht, où trop souvent le Parti Socialiste a profité de telles situations pour pouvoir prospérer électoralement.

Voorzitter:

Hiermee sluiten we de sessie van de mondelinge vragen.

De veiligheid van de treinbegeleiders en het spoorpersoneel
De veiligheid van de treinbegeleiders en van het spoorpersoneel
Veiligheid van trein- en spoorpersoneel

Gesteld aan

Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)

op 16 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Crucke erkent het groeiende geweld tegen spoorpersoneel—zoals de aanval op een treinbegeleider op de risicovolle lijn Rijsel-Antwerpen op 25 juni—en belooft strengere maatregelen via het herziene masterplan agressiebestrijding (preventie, digitale incidentregistratie, juridische opvolging en psychosociale ondersteuning), met extra focus op risicolijnen en -tijdstippen (o.a. Securail-inzet na 22u). Troosters kritiseert echter het gebrek aan concrete actie in het verleden en eist directe verbeteringen, zoals verplichte Securail-aanwezigheid ’s avonds, om vertrouwen bij reizigers en personeel te herstellen. De minister bevestigt overleg met vakbond Metisp-Protect (die een alarmbelprocedure startte) om stakingen af te wenden, maar Troosters waarschuwt voor de impact van eerdere stakingen en dringt aan op snelle, zichtbare resultaten. Kernpunt: veiligheid als voorwaarde voor treingebruik, met urgentie voor praktische uitvoering van plannen.

Frank Troosters:

Ik verwijs voor beide vragen naar de tekst zoals ingediend.

Op woensdag 25 juni jl. werd een treinbegeleider op een trein van Rijsel naar Antwerpen aangevallen. Deze lijn wordt in NMBS-kringen al langer als een 'risicolijn' omschreven.

De aanleiding tot het incident was eens te meer het niet hebben van een geldig vervoerbewijs door de dader. Evenmin had de betrokkene een identiteitskaart of bankkaart bij.

Dit incident kadert in een reeds lang aanhoudende problematiek van toenemend geweld binnen het spoorgebeuren en een onvoldoende functioneren van de daartoe bestaande veiligheidsdiensten.

Heeft de minister kennis genomen van de feiten die zich afspeelden?

Op welke wijze beoordeelt de minister het afwezig zijn van Securail-personeel na 22u 's avonds?

Welke maatregelen zal de minister nemen om soortgelijke incidenten in de toekomst te vermijden?

Welke maatregelen zal de minister nemen om de problematiek van het ontbreken van een geldig vervoerbewijs aan te pakken?

Welke begeleidingsmaatregelen werden genomen ten aanzien van de getroffen treinbegeleider?

Volgend op het incident met een treinbegeleider dat zich voordeed op woensdag 25 juni op een trein van Rijsel naar Antwerpen heeft de spoorbond Metisp-Protect een alarmbelprocedure in gang gezet. Dit is een eerste stap richting een mogelijke stakingsaanzegging. De spoorbond klaagt - wat mij betreft geheel terecht - het geweld tegen treinbegeleiders en ander spoorpersoneel aan.

Heeft de minister kennis genomen van de onvrede bij de spoorbond Metisp-Protect?

Welke maatregelen zal de minister nemen om:

het geweld binnen het spoorgebeuren aan banden te leggen?

het overleg met spoorbond Metisp-Protect te faciliteren?

een mogelijke staking door Metisp-Protect af te wenden?

Jean-Luc Crucke:

Mijnheer Troosters, ik ben mij wel degelijk bewust van de agressie tegenover het spoorwegpersoneel, in dit geval specifiek tegenover een treinbegeleider. Zoals u weet, is veiligheid een prioriteit voor mij. Ik kan niet aanvaarden dat een treinbegeleider op zo’n laffe manier wordt aangevallen.

De inzet van het Securailpersoneel wordt bepaald op basis van een risicoanalyse, de beschikbaarheid van middelen en de prioritaire zones. Het klopt dat er na 22.00 uur op bepaalde lijnen minder aanwezigheid is. Dat vormt een gekende uitdaging. Momenteel wordt gewerkt aan een herziening van de inzetstrategieën, met als doel een betere afstemming op risicolijnen en risicotijdstippen.

Het incident waarbij een treinbegeleider op woensdag 25 juni werd aangevallen op de trein van Rijsel naar Antwerpen, wordt als bijzonder ernstig beschouwd. Dergelijke feiten krijgen de hoogste prioriteit in de opvolging. Elke aanval op spoorwegpersoneel is onaanvaardbaar en vereist de strengste reactie.

De NMBS evalueert het masterplan voor agressiebestrijding positief. Het is een evolutief actieplan, dat steunt op vier pijlers: anticipatie, preventie, reactie, en interventie en ondersteuning. Het plan biedt een coherent en geïntegreerd kader voor een doeltreffende bestrijding van agressie tegen het personeel, gebaseerd op een analyse van de situatie op het terrein.

Het plan wordt in 2025 voortgezet, met bijzondere aandacht voor de modernisering van het productaanbod, de opvolging van het fenomeen, de systematische melding van incidenten via een digitaal dossier en de versterking van de opleiding.

De digitale dossiers maken het mogelijk om elk incident systematisch op te volgen, waardoor het eenvoudiger wordt om agressie te analyseren en erop te reageren. Dat maakt deel uit van een algemene aanpak om de veiligheid te verbeteren en te zorgen voor een snelle en gepaste reactie.

Wanneer een NMBS-medewerker het slachtoffer van agressie wordt, kan hij of zij een beroep doen op psychosociale ondersteuning, zowel in eerstelijn via een buddy als via een interventiepsycholoog of een psychosociaal hulpverlener.

Er is altijd minstens één instantie, HR Rail of de NMBS, die een burgerlijke vordering instelt als het parket een procedure opstart.

De NMBS vraagt ook dat elke vorm van agressie door alle betrokkenen in de juridische keten ernstig wordt genomen. Elke klacht moet door de politie worden geregistreerd en op rigoureuze wijze worden afgehandeld, met oplegging van gepaste sancties. Daarvoor wordt samengewerkt met de verschillende parketten en het College van procureurs-generaal.

Wat de alarmbelprocedure betreft die door de vakbond METISP-Protect werd ingeleid, wens ik te verduidelijken dat ik daarover werd ingelicht. Tot op heden heeft de vakbond zich niet rechtstreeks tot mij gewend. Een ontmoeting tussen de directie van de NMBS en de vakbondsafvaardiging is binnenkort voorzien om concrete antwoorden te geven op de bezorgdheden van de vakbond in de context van het betreurenswaardige incident dat plaatsvond op 25 juni en omtrent de middelen die werden ingevoerd.

Frank Troosters:

Dank u wel, mijnheer de minister. Het is overbodig te zeggen dat veiligheid een absolute topprioriteit is binnen het spoorverkeer. Men kan eender welke dienstverlening aanbieden, zelfs met zeer comfortabele treinen, alles mag prachtig zijn, maar als de mensen zich niet veilig voelen, zullen ze de trein niet nemen. Ik heb daar al herhaaldelijk op aangedrongen. Nu hoor ik opnieuw veel over plannen, vergaderingen en dergelijke, maar eigenlijk is er in de vorige legislatuur op dat vlak weinig gebeurd. U weet uit eerdere vergaderingen dat ik bovendien niet wild was over het aspect persoonsgebonden veiligheid in uw beleidsnota. Ik hoop dan ook dat er eindelijk effectieve maatregelen op het terrein zullen worden genomen. U noemde er zelf een, namelijk de aanwezigheid na 22 uur. U zegt dat er dan minder aanwezigheid is, maar ik zeg dat het personeel vaak ervaart dat er helemaal geen aanwezigheid is. Dat is al een eerste stap die zou kunnen worden gezet. Wat de vakbond METISP-Protect betreft, hoop ik natuurlijk dat men alles in het werk zal stellen om nieuwe stakingen te voorkomen. Die vakbond heeft al eens gestaakt. Het is geen grote vakbond, maar hij is wel cruciaal en die actie had toch een aanzienlijke impact. Ik hoop dan ook dat er snel resultaat zal volgen.

De veiligheid op Brussels Airport

Gesteld aan

Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)

op 16 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Britt Huybrechts kaart aan dat Zaventem slechts 50% van nep-explosieven detecteert en vraagt om concrete maatregelen, deadlines en verhoogde bagagecontroles, verwijzend naar problemen in Charleroi. Minister Crucke benadrukt dat Brussels Airport voldoet aan EU-normen, met continue risico-evaluaties en structurele verbeteringen, en dat het huidige controlepercentage volstaat. Huybrechts betwijfelt dit, wijzend op tegenstrijdige berichtgeving (luchthaven vs. media) en belooft streng toezicht om herhaling van aanslagen te voorkomen. Kernpunt: dossier blijft onduidelijk—wie heeft gelijk over de effectiviteit van de veiligheid?

Britt Huybrechts:

Mijn schriftelijke vraag nr. 176 werd tot op heden nog niet beantwoord.

Morgen is het exact 9 jaar geleden dat België werd opgeschrikt door de verschrikkelijke terroristische aanslagen in Zaventem en Brussel. Het is dan ook verontrustend om te horen dat Zaventem faalt in het opsporen van explosieven. Zo bleek dat ze slechts de helft van alle nep-explosieven hebben opgespoord.

Hieromtrent volgende vragen aan de minister:

Welke maatregelen gaat u op korte termijn nemen om het opsporen van explosieven te verbeteren? Welke maatregelen gaat u op lange termijn nemen om het opsporen van explosieven te verbeteren? Kan u een tijdlijn maken waar u per maatregel een deadline stelt? Een argument voor het falen zou liggen in een wijziging in het opsporingsproces in Charleroi. Heeft er in Zaventem ook een wijziging plaatsgevonden? Zo ja, welke wijziging heeft er plaats gevonden? In Charleroi heeft men het aantal gecontroleerde bagage verhoogd van 10 naar 25 procent. Wat is het percentage in Zaventem en kunnen we dit nog verhogen? Ziet Brussels Airport zelf nog 'gebreken' of zwakke punten in de algemene veiligheid van de luchthaven? Zo ja, welke maatregelen moeten er op korte en lange termijn genomen worden om de algemene veiligheid te laten toenemen?

Jean-Luc Crucke:

De beveiligingsmaatregelen op Brussels Airport worden strikt toegepast, conform de Europese regelgeving en worden voortdurend geëvalueerd en verbeterd op basis van risicoanalyses en internationale normen. De Europese Commissie en de bevoegde nationale autoriteit voeren regelmatig testen uit. Beide instanties waarborgen dat de testprotocollen worden toegepast, conform de actuele dreigingen en de beschikbare middelen om die dreigingen te detecteren.

Elke luchthavenexploitant en dus ook Brussels Airport is bijkomend verplicht een beveiligingsprogramma op te stellen, uit te voeren en te onderhouden. Dat programma beschrijft de methoden en procedures die de exploitant dient te volgen om te voldoen aan de gemeenschappelijke basisnormen zoals vastgesteld door de Europese Commissie. Daarnaast omvat het programma bepalingen inzake interne kwaliteitscontrole, waarin wordt toegelicht op welke wijze de luchthavenexploitant toeziet op de naleving van die methoden en procedures. Brussels Airport bevestigt dat het interne kwaliteitscontroleprogramma waarborgt dat geïdentificeerde werkpunten onmiddellijk worden opgevolgd, waardoor een cultuur van continue verbetering wordt gehandhaafd. De genomen maatregelen zijn niet beperkt in tijd of omvang, maar hebben een continu en structureel karakter met als doel het beveiligingsniveau van de luchthaven op duurzame wijze te garanderen.

Tot slot, met betrekking tot de verhoging van de willekeurige controles zijn er op dit moment geen aanwijzingen dat aanvullende maatregelen aan Brussels Airport moeten worden opgelegd. Het huidige percentage controles op Brussels Airport voldoet aan de gedetailleerde maatregelen die door de Europese Commissie zijn vastgesteld voor de tenuitvoerlegging van de gemeenschappelijke basisnormen op het gebied van luchtvaartbeveiliging.

Britt Huybrechts:

Ik ben blij te horen dat Brussels Airport stelt dat er geen probleem is of geen probleem meer is. Alleen stel ik mij de vraag waar dan het probleem ligt. Ligt het bij de journalist of bij het artikel waarin gesteld wordt dat er heel wat problemen zijn? Zo zou slechts de helft van de nep-explosieven zijn opgespoord. Ook in Charleroi zouden problemen zijn vastgesteld en het is mogelijk dat gelijkaardige problemen zich zouden voordoen in Zaventem. Het is mij nog niet helemaal duidelijk waar dat artikel dan vandaan komt. Brussels Airport stelt dat de beveiliging op orde is, maar het artikel beweert het tegenovergestelde. Dan vraag ik mij toch af wie er nu eigenlijk gelijk heeft. Ik zal de situatie in elk geval blijven opvolgen, want ik denk dat niemand nog ooit een aanslag wil meemaken. Zeker als die aanslag zou plaatsvinden omdat Brussels Airport onvoldoende capaciteit of middelen had om zulke explosieven op te sporen, zou dat bijzonder ernstig zijn. Dank u wel alvast voor uw antwoord.

Het Belgische luchtruim en de F-35's

Gesteld door

lijst: PS Dimitri Legasse

Gesteld aan

Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)

op 16 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België kampt met onopgeloste ruimtegebrek in het luchtruim voor de training van F-35’s (34 besteld in 2018, 11 extra gepland), terwijl de huidige militaire zones te klein zijn en het rapport van de werkgroep (2019-heden) geen concrete oplossingen biedt. Minister Crucke bevestigt dat behoeften nog niet duidelijk zijn gedefinieerd, onderzoekt nationale en internationale opties (o.a. samenwerking met MUAC, training in Sicilië of boven de Noordzee), maar beslissingen ontbreken en overleg loopt nog. Legasse kritiseert het gebrek aan voortgang (2018-2026) en wijst op spanningsveld met burgerluchtvaart, dringende ruimtebeperkingen en toekomstige uitdagingen zoals drones en luchtafsluitingen voor langeafstandsartillerie. De kwestie blijft onopgelost, met louter beloften van verdere studie en coördinatie tussen Defensie, mobiliteit en luchtverkeersleiding.

Dimitri Legasse:

Monsieur le ministre, ils sont là! Le lot des 34 F-35, commandés en 2018, est arrivé. Avec l’arrivée de ces nouveaux avions se pose la question de la gestion de notre espace aérien. Malgré les progrès technologiques de gestion de cet espace, il semble que votre gouvernement ne dispose toujours pas de réponse concrète, notamment pour l’entraînement des pilotes de F-35.

Un groupe de travail avait été créé en 2019 afin de jeter les bases d’une utilisation conjointe de l’espace aérien par l’aviation civile et l'aviation militaire. Ce groupe de travail vient de produire un rapport intermédiaire. Le SPF Mobilité confirme d’ailleurs que les "nouveaux besoins d’entraînement des F-35" y sont évoqués, sans toutefois apporter de solution concrète.

Monsieur le ministre, quelles sont les pistes avancées par ce groupe de travail?

Comment les zones d’entraînement militaire belges, déjà exiguës pour nos F-16, vont-elles évoluer? Allons-nous devoir uniquement nous entraîner, à l'étranger, en Sicile? Quelles sont les possibilités offertes en mer du Nord?

Comment allez-vous gérer les tensions entre aviation militaire et civile avec l’acquisition des F-35, sans parler des drones de combat qui volent aux alentours de 10 000 mètres, comme l’aviation civile, et des canons à longue portée qui nécessitent la fermeture de l’espace aérien?

Alors que la situation est déjà critique, comment compte faire le gouvernement avec l'acquisition annoncée de 11 F-35 supplémentaires?

Jean-Luc Crucke:

Cher collègue, le groupe de travail vise à répondre aux besoins évolutifs des stakeholders , tant militaires que civils, en particulier aux nouveaux besoins d'entraînement des F-35. Le rapport auquel vous faites référence ne contient, à ce stade, aucune solution concrète, mais les études continuent sur la question.

Différentes pistes sont encore à l'étude. Cependant, je peux déjà vous dire qu’il ressort du groupe de travail que les besoins de la Défense en matière d’entraînement du F-35 ne sont pas encore suffisamment circonscrits, et que les échanges doivent donc se poursuivre.

Les discussions relatives à l’évolution des zones d’entraînement militaire en Belgique sont toujours en cours. Plusieurs pistes sont également à l’étude, tant au niveau national qu’en coopération avec des partenaires internationaux, afin de répondre au mieux aux besoins opérationnels actuels et futurs.

Le ministre de la Défense est également impliqué. Son administration doit faire un exercice d'objectivation de ces besoins et revenir avec des éléments d'information permettant d'en avoir une vision plus claire.

Mon équipe travaille en concertation avec les acteurs concernés à des scénarios équilibrés permettant de consigner les besoins civils et militaires dans l'espace aérien. J'ai par ailleurs sollicité à mon administration de disposer d'un état des lieux de ce qui est sur la table actuellement en termes d'identification des problématiques et des pistes de solutions possibles.

La même demande a été adressée aux contrôleurs aériens belges ainsi qu’aux contrôleurs aériens du Maastricht Upper Area Control Centre (MUAC). Une réunion s'est encore tenue hier, mais je n’en ai pas encore reçu les conclusions.

Sur la base de la définition des besoins de la Défense et des pistes de solutions possibles, les échanges entre les différents acteurs concernés pourront et devront se poursuivre.

Dimitri Legasse:

Je vous remercie, monsieur le ministre.

Beaucoup de mots, certes, mais je comprends bien votre embarras. Au fond, nous ne sommes nulle part, ou en tout cas pas très loin: une commande passée en 2018 alors que nous approchons de 2026 – j’anticipe peut-être un peu. Il n’y a toujours pas de solution concrète pour les F-35 déjà commandés, et que dire de ceux qui doivent encore arriver!

Nous faisons face à une véritable difficulté: l’espace aérien n’est pas infini. Je me demande très sincèrement ce que le groupe de travail pourra réellement proposer.

Je vais à présent m’adresser au ministre de la Défense, qui m’attend, car j’ai une question à lui poser. Il s'agit d'une autre question, mais je reviendrai vers lui à ce sujet également.

Voorzitter:

Je remercie le ministre. Uiteraard wil ik ook de parlementsleden bedanken, het commissiesecretariaat, de Kamerdiensten en de tolken voor het vele vertaalwerk dat ze geleverd hebben. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 11.41 uur. La réunion publique de commission est levée à 11 h 41.

De toelevering door kmo’s van defensieonderdelen

Gesteld aan

Eléonore Simonet (Minister van Middenstand, Zelfstandigen en KMO’s)

op 16 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de moeilijke toegang van Belgische kmo’s tot Europese defensie-investeringen (o.a. €150 mjd leningen en €8 mjd EDF), ondanks hun potentieel als toeleveranciers. Minister Simonet benadrukt bestaande maatregelen zoals EDF-bonussen voor kmo’s, EUDIS-steun voor start-ups en groeiende Belgische deelname (16 kmo’s in 2024 vs. 7 in 2023), maar Van Lommel vindt dit te vaag en eist concrete stappen om kmo’s actief te informeren en begeleiden bij de omschakeling naar defensieproductie, gezien hun onbekendheid met de sector. Kernpunt: kmo’s missen tastbare wegwijzers om te participeren, terwijl de minister wijst op structurele ondersteuning zonder direct antwoord op praktische drempels.

Reccino Van Lommel:

Er is bijzonder veel te doen rond de defensie-industrie. Er zal de komende jaren ook zwaar worden geïnvesteerd. Zo wil de Europese Commissie dat via Europese leningen defensieprojecten financieren ten bedrage van 150 miljard euro. Mevrouw de minister, ik ben daarover wel een beetje bezorgd, in de zin dat vooral grote ondernemingen daarvan zullen profiteren. Onze kmo's – en wij zijn een echt kmo-land - zullen daaruit veel minder voordeel kunnen halen, terwijl ze nochtans voldoende sterk staan en over de nodige mogelijkheden beschikken om onderdelen te produceren voor de defensiesector.

Uit een recente enquête van Agoria leren we dat technologiebedrijven grote interesse hebben om defensiegerelateerde activiteiten op te starten. Dat blijkt niet zo evident te zijn. Denk maar aan obstakels op het vlak van financiering en exportregels.

Mevrouw de minister, wat zult u ondernemen opdat kmo's eveneens toegang krijgen tot de Europese financiering voor de defensie-industrie?

Bent u van oordeel dat Belgische bedrijven een voordeel kunnen halen uit de Europese miljardeninjectie in de sector?

Welke maatregelen zult u nemen om de toegang van kmo's tot defensieactiviteiten te faciliteren? Wat hebt u daaromtrent al ondernomen?

Heeft er al overleg plaatsgevonden en zo ja, wat was het resultaat?

Eléonore Simonet:

Mijnheer Van Lommel, om de toegang van kmo's tot de financiering op het vlak van defensie te waarborgen, werkt de FOD Economie nauw samen met de vertegenwoordigers van Defensie, de sectorfederaties en de betrokken gewestelijke actoren. De samenwerking heeft als doel de bestaande kansen onder de aandacht te brengen en de zichtbaarheid van onze kmo's in de Europese programma's te verzekeren.

Het Europees Defensiefonds (EDF) beschikt, los van de aangehaalde 150 miljard euro, over een budget van ongeveer 8 miljard euro voor de periode 2021-2028. Het EDF financiert onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten met bijzondere aandacht voor kmo's. Er worden bonussen voor consortia die kmo's integreren, voorzien, er zijn specifieke projectoproepen voor kmo's en het recent opgestarte EUDIS-programma ondersteunt innovaties van start-ups en kmo's actief in defensietechnologie.

We volgen de Belgische deelname nauwgezet op. In 2024 werden 16 Belgische kmo's geselecteerd voor het EDF, bijna de helft van alle Belgische deelnemende entiteiten, tegenover slechts 7 in 2023. Die vooruitgang is mede te danken aan informatiedagen voor bedrijven actief in defensie of dual-usegoederen, waar mijn administratie actief aan meewerkt.

Veel Belgische kmo's hebben al knowhow in civiele sectoren die inzetbaar is in defensie. Het stimuleren van die synergieën is cruciaal. Het versterkt onze industriële autonomie, bevordert innovatie en levert ook voordelen op voor de civiele economie.

Wat de maatregelen betreft om de toegang van kmo's tot defensieactiviteiten te vergemakkelijken, blijven we actief betrokken bij bestaande en toekomstige relevante overlegfora. We volgen de ontwikkelingen van het Europese kmo-beleid op de voet met een duidelijke doelstelling: een gunstig kader creëren voor de deelname van kmo's aan de groeiende defensie-economie. Tot slot blijven we voluit inzetten op belangenverdediging voor kmo's op Europees niveau, zodat hun specifieke noden bij de vormgeving van strategisch en industrieel beleid worden meegenomen.

Reccino Van Lommel:

Mevrouw de minister, dat het EDF technologiebedrijven voldoende ruimte biedt voor nieuwe ontwikkelingen, is uiteraard toe te juichen. Dat is evenwel maar een kant van het verhaal. Uw antwoord is te algemeen en u gaat niet in op mijn pleidooi dat kmo's toegang moeten krijgen tot projecten om defensieonderdelen te produceren. Stel dat een kmo morgen wil meedoen en de nodige knowhow in huis heeft, hoe zal die weten dat men kan meedingen? Een en ander is niet zo evident en ook niet erg tastbaar. Bedrijven moeten voldoende op de hoogte zijn van wat er mogelijk is en waaraan ze kunnen deelnemen. Dat heeft deels te maken met de onbekendheid met de industrie, die heel specifiek is. Kmo’s zijn vaak toeleveranciers in heel andere domeinen, maar ze zijn perfect in staat om ook de defensie-industrie te bedienen. Dat vraagt echter een bepaalde omschakeling. Het is een belangrijk onderdeel van onze economie in de komende jaren, omdat er veel in wordt geïnvesteerd. Veel kmo’s hebben het moeilijk en zij moeten een switch maken in de manier waarop ze de markt benaderen en in de producten die zij aanbieden. Voor mij blijft het heel vaag hoe die bedrijven precies moeten weten op welke manier ze kunnen meedingen in het verhaal van de defensie-industrie. Op dat vlak blijf ik dus wat op mijn honger. Het antwoord was eigenlijk iets te algemeen, mevrouw de minister. Ik denk dat de kmo’s nood hebben aan meer specifieke antwoorden. Dat mis ik vandaag wel. Ik ga ervan uit dat we, wanneer de ter beschikking gestelde fondsen concreter worden, nog over het thema zullen kunnen debatteren.

De aan het collectief NoName toegeschreven cyberaanval

Gesteld door

lijst: PS Marie Meunier

Gesteld aan

Vanessa Matz (Minster van Modernisering van de overheid, Overheidsbedrijven, Ambtenarenzaken, Gebouwenbeheer van de Staat, Digitalisering en Wetenschapsbeleid)

op 16 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België werd opnieuw het doelwit van cyberaanvallen door het Russische collectief NoName, die cruciale sites zoals MyGov.be platlegden, zonder dat gegevens werden gestolen maar met groeiende zorgen over de kwetsbaarheid van digitale infrastructuur. Minister Vanessa Matz benadrukt een versterkte samenwerking met het CCB (Centrum voor Cybersécurité België), met focus op preventie (NIS 2-richtlijn, CyberFundamentals), snelle detectie en bewustmakingscampagnes (bv. tweestapsverificatie) om zowel instituten als burgers te beschermen. Marie Meunier waarschuwt voor tekortschietende middelen en dringt aan op extra investeringen om toekomstige aanvallen af te weren, ondanks de geruststellende plannen. Kernpunt: resilientie vergt niet alleen techniek, maar ook structurele steun en alertheid.

Marie Meunier:

Madame la ministre, la Belgique a récemment été la cible d'une nouvelle cyberattaque imputée au collectif russe NoName. Cette attaque a paralysé des sites essentiels tels que MyGov.be ainsi que le site du Parlement wallon. Si cette attaque n'a, a priori, pas permis de voler des données, cela reste préoccupant.

Ce n'est d'ailleurs pas la première fois que notre pays est pris pour cible. En octobre dernier déjà, plusieurs sites d'autorités belges avaient été paralysés pendant plusieurs jours. Ces cyberattaques à répétition soulèvent des questions quant à la solidité de notre cybersécurité et à la protection des données personnelles de nos citoyens.

Madame la ministre,

Quelle est votre réaction face à cette nouvelle attaque ciblant des infrastructures numériques stratégiques?

Allez-vous collaborer avec le Centre pour la Cybersécurité Belgique (CCB) à l'avenir pour faire face à ces enjeux? Si oui, de quelle manière?

De manière plus large, comment comptez-vous assurer la résilience de nos systèmes numériques pour protéger à la fois nos institutions et les données personnelles des citoyens.

Vanessa Matz:

Madame Meunier, la dernière attaque contre nos infrastructures numériques stratégiques confirme une tendance inquiétante. Les cybermenaces deviennent plus fréquentes et s'inscrivent dans un contexte géopolitique tendu. Nous prenons cette menace très au sérieux et intensifions notre action pour protéger nos institutions et les données des citoyens.

Le Centre pour la Cybersécurité Belgique (CCB) est un partenaire clé dans cette démarche. En tant qu'autorité nationale, il soutient les services publics fédéraux avec des mesures concrètes: lignes directrices en matière de sécurité, tests de pénétration, outils d'analyse de risque, systèmes d'alertes précoces pour une détection rapide des menaces. Il joue un rôle central dans la gestion des crises en lien avec le Centre de crise national.

La mise en œuvre de la directive NIS 2 est un tournant majeur. Elle impose aux plus de 3 500 organisations, dont les services publics fédéraux, des exigences accrues en matière de cybersécurité. Le Centre pour la Cybersécurité Belgique les accompagne à travers des standards clairs, comme le guide CyberFundamentals capable de prévenir plus de 80 % des incidents.

Mais la cybersécurité ne se limite pas à des outils techniques. Elle repose aussi sur la vigilance de chacun. C'est pourquoi nous soutenons activement les campagnes de sensibilisation et de formation menées par le Centre pour la Cybersécurité Belgique, à destination tant des professionnels que des citoyens, comme celle dédiée à la vérification en deux étapes en octobre dernier.

Notre stratégie est claire. Nous voulons accentuer la prévention, accélérer la détection et garantir une réponse efficace. En collaboration étroite avec le Centre pour la Cybersécurité Belgique, nous construisons une résilience numérique solide pour renforcer la sécurité de l'État et la confiance des citoyens.

Marie Meunier:

Madame la ministre, vous avez remarqué comme moi la paralysie dans laquelle la Wallonie s'est retrouvée il y a quelques mois suite à ces cyberattaques. Il faut pouvoir mettre aussi des moyens dans la cybersécurité car nous risquons d'être victimes de plus en plus souvent de telles attaques. Il faut qu'on soit prêt. Je suis rassurée mais il va falloir mettre les moyens nécessaires pour la suite.

Peppol
De gegevensbescherming op het Peppol-netwerk
Gegevensbescherming binnen het Peppol-netwerk

Gesteld aan

Vanessa Matz (Minster van Modernisering van de overheid, Overheidsbedrijven, Ambtenarenzaken, Gebouwenbeheer van de Staat, Digitalisering en Wetenschapsbeleid)

op 16 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België voert verplichte e-facturatie via Peppol in op 1 januari 2026 (vs. EU-termijn 2030), wat 1,2 miljoen btw-plichtige ondernemingen raakt, inclusief kmo’s en zelfstandigen die nu nog papieren facturen gebruiken. Kritiekpunten: onvoldoende ondersteuning voor digitaal zwakke ondernemers (bv. bouwvakkers, glazenwassers), kosten (Peppol-toegang, software) en cyberrisico’s door centralisatie, ondanks claims over decentrale beveiliging. Ministers beloven studies, begeleiding (efactuur.belgium.be) en mogelijke tolerantieperiodes, maar oppositie eist uitzonderingen voor kleine zelfstandigen en versnelde maatregelen om uitschakeling te voorkomen. Spanningsveld: verplichting vs. vrijwillige digitalisering, met vragen over rendabiliteit na 2027 (einde fiscale aftrek).

Dieter Keuten:

Mevrouw de minister, mijn vraag gaat over Peppol en dus over de e-facturatie die sinds 1 maart 2025 verplicht is voor transacties met overheden in het kader van overheidsopdrachten, maar vanaf 1 januari 2026 wordt uitgebreid naar alle B2B-transacties tussen btw-plichtige Belgische ondernemingen. Handelingen tussen btw-plichtige ondernemingen en consumenten zijn voorlopig vrijgesteld, maar leveranciers moeten wel Peppol kunnen ontvangen, zelfs als zij vandaag enkel facturen aan particulieren uitsturen.

Daarover heb ik enkele vragen.

Waarom wordt het systeem reeds op 1 januari 2026 ingevoerd? De Europese Unie legt de maatregel immers pas op vanaf 2030.

Wat zijn volgens u de gevolgen voor ondernemingen die deels B2B en deels B2C werken en daarbij nog geen gebruik maken van digitale facturatie?

Om als onderneming toegang te krijgen tot een Peppol Access Point, worden in de meeste gevallen bijkomende kosten aangerekend. De kosten voor de implementatie van de software zijn voor kmo’s vandaag 120 % fiscaal aftrekbaar, tot en met 2027. Wat gebeurt er echter daarna? Wat is het effect op de rendabiliteit van ondernemingen wanneer die stimulans zal wegvallen? Welke analyses hebt u daaromtrent uitgevoerd?

Welke ondersteuning wordt er ingebouwd voor oudere of minder digitaal bewuste ondernemers om de overgang werkbaar te maken?

Ten slotte, hoe rijmt u de verplichting met de stelling in uw beleidsnota waarin u aangaf steeds een niet-digitaal alternatief te zullen garanderen, omdat digitalisering een keuze moet zijn en geen verplichting?

Patrick Prévot:

Madame la ministre, un peu plus tôt dans la matinée, j'ai interrogé, sur un autre volet évidemment mais sur la même thématique, votre collègue, Mme Simonet. Je reviens sur cette thématique puisque, à partir du 1 er janvier 2026, en Belgique, la facturation électronique deviendra obligatoire pour les transactions entre entreprises dites "B2B". Ainsi, dès l'année prochaine, près d'1,2 million d'entreprises soumises à la TVA viendront s'ajouter aux 250 000 déjà inscrites sur le réseau Peppol, qui centralisera la transmission de documents commerciaux standardisés.

Si la question de sa mise en œuvre et des interrogations qui persistent auprès des indépendants relèvent de la compétence de votre collègue, un volet extrêmement important de cette échéance vous concerne, à savoir la protection des données dans ce réseau.

La crainte est réelle car au plus une activité se concentre en un même lieu ou ici en un même réseau, au plus une attaque peut être dommageable. Tout le monde connaît le concept de "guerre hybride" et de "cyberattaque". Récemment, des sites de l'administration wallonne ont également été attaqués. Il est déjà arrivé que l'on réussisse également à attaquer des sites censés être très sécurisés. C'est pourquoi je tenais à vous interroger sur la capacité de résilience du réseau Peppol.

Madame la ministre, la centralisation des transactions entre entreprises via le réseau Peppol fait de ce dernier une cible pour les hackers, des puissances étrangères ou même dans le cadre de l'espionnage économique. Pourriez-vous nous donner votre retour sur la résilience du réseau Peppol face à ces nombreuses menaces?

Vanessa Matz:

Je vous remercie pour ces questions. L'obligation de facturation électronique rentera en vigueur en Belgique à partir du 1 er janvier 2026. Comme vous l'avez dit, elle relève de la compétence du ministre des Finances.

Als minister van Digitalisering zet ook ik mij actief in om ervoor te zorgen dat deze belangrijke overgang geen nadeel vormt voor kwetsbare bedrijven, zoals kleine ondernemingen en zelfstandigen die minder digitaal vaardig zijn.

Je suis pleinement consciente que, malgré ses avantages indéniables en matière d'efficacité, de transparence et de lutte contre la fraude, la facturation électronique peut représenter un défi considérable pour de nombreuses entreprises, en particulier celles qui ne disposent ni de ressources techniques, ni de personnel pour aborder sereinement cette mutation.

Nochtans zijn dit belangrijke bedrijven voor onze economie, zeker in de lokale dienstverlening. We mogen hen niet in de steek laten bij deze overstap.

Daarom wil ik er persoonlijk op toezien dat hun situatie volledig wordt meegenomen. We moeten rekening houden met hoe digitaal sterk deze bedrijven vandaag al zijn en op basis daarvan realistische en aangepaste steunmaatregelen voorzien.

À ce titre, je demanderai au ministre des Finances la réalisation d'une étude permettant d'identifier les obstacles concrets rencontrés par les entreprises sur le terrain. Cela peut porter sur l'accessibilité des solutions proposées, en termes de coût, d'ergonomie et d'interopérabilité mais aussi les aspects techniques du système, notamment pour les structures peu ou pas digitalisées et les besoins d'accompagnement spécifiques avec une attention particulière pour les entreprises ayant peu de compétences numériques.

Le modèle Peppol, que nous soutenons, repose sur une architecture décentralisée, sans point de transit central, ce qui le rend hautement sécurisé et résilient face aux cybermenaces. Déjà 700 points d'accès sont opérationnels et, à terme, chaque logiciel pourra en devenir un, renforçant ainsi l'autonomie et la robustesse du système.

Er zijn ook hulpmiddelen ontwikkeld om bedrijven te helpen bij deze overstap. Zo is er de website efactuur.belgium.be, die veel praktische informatie bundelt. Sinds 2024 wordt deze website beheerd door de minister van Financiën. Ik hoop dat ze toegankelijk, duidelijk en bruikbaar blijft voor alle bedrijven, ook voor wie geen IT-afdeling heeft.

Je reste pleinement mobilisée pour que la transition numérique bénéficie à toutes les entreprises belges, quelles que soient leur taille ou leur maturité digitale. Cette transformation doit être une opportunité, et non une source d’exclusion.

Dieter Keuten:

Dank u, mevrouw de minister. Deze transitie moet een opportuniteit zijn, zegt u, maar volgens mij is het verkeerd om bedrijven te verplichten, zeker kleine bedrijven en eenmanszaken die vandaag helemaal niet digitaal actief zijn, zoals de tuinman, de bouwvakker of de glazenwasser. Dat zijn mensen die in sommige gevallen niet zo lang naar school zijn geweest en papieren facturen uitsturen. Die ondernemers moeten binnenkort in staat zijn om via Peppol digitale facturen te ontvangen, verplicht vanaf 1 januari 2026.

Ik vind het natuurlijk goed dat u de minister van Financiën gaat vragen om hierover verder studiewerk te verrichten, maar dan moet u wel zeer snel aan de slag gaan om de resultaten van die studie voor 1 januari volgend jaar te ontvangen en indien nodig bijkomende maatregelen te nemen.

Minister Simonet sprak daarnet over het bekijken van een tolerantieperiode voor digitaal zwakke ondernemers indien dat nodig zou zijn. Ik raad de regering aan niet te wachten totdat de feiten zich stellen. Stel alstublieft de kleine ondernemers gerust. Gun hun een overgangsperiode en de tijd tot u de nodige begeleiding en ondersteuning op poten hebt gezet. Leg hun geen onnodige verplichtingen op vanaf begin volgend jaar, want voor de Europese Commissie hebben we nog tijd tot en met 2030. Maak dus alstublieft een uitzondering voor de kleine zelfstandigen.

Patrick Prévot:

Effectivement, c'est une transposition de directive européenne. Une fois n'est pas coutume, nous avons été plus rapides que l'Europe. Malheureusement – je le déplore souvent –, notamment au niveau de la protection du consommateur, nous sommes souvent très attentistes. J'ai déposé de nombreux textes où je demandais au gouvernement et à vos collègues d'aller plus vite que l'Europe, ce qui semblait très compliqué. En l'occurrence, vous héritez d'une situation qui a été décidée sous la Vivaldi. En effet, la facturation numérique a été décidée sous le gouvernement de la Vivaldi.

Mais comme je l'ai dit à votre collègue, puisque la décision a été prise d'aller plus vite que l'Europe, il faut pouvoir l'assumer et prendre des mesures d'accompagnement. J'avais déjà plaidé le fait, auprès de votre collègue par le biais d'autres questions, qu'il fallait évidemment tenir compte de celles et ceux qui, aujourd'hui encore, sont victimes de cette fameuse fracture numérique et qui ne peuvent accéder à toute l'information avec autant de facilité que d'autres entreprises ou indépendants et indépendantes plus connectés.

Je prends ce message comme un message d'encouragement: vous allez plaider auprès du ministre des Finances, pour un meilleur accompagnement des PME. Parce qu'il faut le rappeler: toutes les entreprises ne sont pas hyper connectées et ne sont pas logées à la même enseigne, et en particulier face au numérique. Il est donc nécessaire de tenir compte de ces spécificités, et cela me semble éminemment important.

Pour le reste, j'entends que vous êtes relativement confiante par rapport à Peppol et que vous l'avez qualifié de hautement sécurisé et résilient face aux menaces, ce qui est évidemment aussi de nature à nous rassurer.

Voorzitter:

La question n° 56006986C de Mme Meunier a été transformée en question écrite.

Digitale fraude via social engineering
De waarschuwing van Febelfin en itsme voor oplichting via psychologische manipulatie
Digitale oplichting en psychologische manipulatie via online kanalen

Gesteld aan

Vanessa Matz (Minster van Modernisering van de overheid, Overheidsbedrijven, Ambtenarenzaken, Gebouwenbeheer van de Staat, Digitalisering en Wetenschapsbeleid)

op 16 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: De discussie draait om de sterke toename van *social engineering*-fraude (psychologische manipulatie) in België, waarbij fraudeurs via dringende valse verzoeken (bv. als bank of overheid) slachtoffers misleiden, ook met AI-ondersteunde technieken. Minister Matz benadrukt versterkte digitale weerbaarheid via de *Belgium Anti-Online Fraud Coordination Board* (datadeling en nationale strategie), gerichte sensibiliseringscampagnes (met focus op jongeren en senioren), en dringend meer aangifte (nu nog te laag) via *Safeonweb* of politie, om criminelen op te sporen. Itsme-veiligheid hangt af van gebruikersvoorlichting (nooit codes delen onder druk) en bankensamenwerking om gerecupereerde bedragen (nu vaak beperkt) te verhogen. Alle partijen waarschuwen: niemand is immuun, zelfs digitale vaardigheden bieden geen garantie tegen steeds geavanceerdere oplichting.

Dieter Keuten:

Febelfin en Belgian Mobile ID bundelen hun krachten om het publiek te waarschuwen voor een toename van oplichtingspogingen gebaseerd op psychologische manipulatie van slachtoffers, ook wel “social engineering" genoemd. Febelfin publiceerde de afgelopen maanden nieuwe flyers met antifraudenummers en informatie over hoe men aangifte kan doen bij de politie in geval van online fraude.

Hebt u reeds zicht op de evolutie van de online criminaliteit in 2024 en de eerste zes maanden van 2025? Zult u uw sensibiliseringscampagnes in het bijzonder richten op specifieke doelgroepen?

Fraudeurs trachten door het gebruik van persoonlijke gegevens en het veinzen van dringendheid slachtoffers te manipuleren tot het digitaal bevestigen van acties. Hoe kunnen tools als itsme volgens u veiliger worden?

Hoeveel procent van de slachtoffers van online criminaliteit doet tot op heden aangifte bij de lokale politie? Hoeveel speelt een slachtoffer van online fraude gemiddeld kwijt? Hoeveel procent van dat gestolen bedrag kan worden gerecupereerd?

Op welke manieren raadt u slachtoffers van online fraude aan om aangifte te doen, naast een aangifte bij de lokale politie?

Patrick Prévot:

Madame la ministre, récemment, la fédération bancaire FEBELFIN et l'application d'identité ITSME ont lancé une mise en garde contre une augmentation significative des tentatives d'escroquerie en juillet et août.

En commission Économie, face aux différent(e)s membres de l'exécutif assurant la protection des consommateurs, j'ai pu observer l'ingéniosité des arnaqueurs qui utilisent des techniques telles que le "phishing", le "jackpotting", le "skimming" ou encore le "shimming".

Dans le cas présent, il s'agit d'une escroquerie par le biais de l'ingénierie sociale – les fraudeurs vous manipulent pour obtenir des informations confidentielles. Ils se font passer pour des banques ou des administrations et ce que j'observe, c'est qu'il devient de plus en plus compliqué de déceler la fraude. Je dirais même qu'à l'heure actuelle, plus personne n'est à l'abri d'être la victime d'une escroquerie tant les innovations sont nombreuses en la matière.

FEBELFIN et ITSME précisent bien le recours de plus en plus courant de la manipulation psychologique. Les deux organismes listent toute une série d'avertissements, de comportements à adopter ou à ne pas adopter. Nos concitoyennes et concitoyens doivent trouver le bon équilibre entre méfiance et confiance tant la technologie peut être utile mais c'est un secteur dans lequel foisonnent des personnes aux mauvaises intentions.

Madame la ministre, ma question est simple:

En dehors de cette mise en garde et des comportements à adopter ou à ne pas adopter de la part des utilisateurs, comment lutter contre les différentes escroqueries, particulièrement celle dite "d'ingénierie sociale", pour assurer la sécurité (des données) des Belges?

Vanessa Matz:

Tegen steeds sluwere fraudeurs ben ik vastberaden om de digitale weerbaarheid voor onze burgers te versterken.

Pour mieux comprendre l'ampleur du phénomène, j'ai soutenu la création de la Belgium Anti-Online Fraud Coordination Board. Cette nouvelle structure rassemble les autorités publiques et le secteur privé pour collecter, croiser et analyser les données dans l'objectif d'élaborer une stratégie nationale cohérente.

Het aantal verdachte mails dat via verdacht@safeonweb.be naar het CCB wordt doorgestuurd, blijft ook, maar het gaat om 9 miljoen mails in 2024, tegen nu bijna meer dan 4 miljoen in de eerste zes maanden van 2025.

Les campagnes de sensibilisation menées par le Centre pour la Cybersécurité Belgique ciblent à la fois le grand public et des publics spécifiques comme les jeunes et les aînés. Une nouvelle campagne nationale, consacrée aux risques de la fraude aux investissements, sera lancée en octobre.

Tools zoals itsme bieden een veilige manier om zich online te identificeren, maar fraudeurs maken steeds meer misbruik van het menselijk gedrag. Ik benadruk drie belangrijke verbeterpunten, namelijk een betere voorlichting van de gebruikers, een verhoogde waakzaamheid bij onverwachte verzoeken en het nooit doorgeven van codes of het verrichten van handelingen en beslissingen onder druk.

Aujourd'hui, trop peu de victimes signalent les faits. Je veux inverser cette tendance. En plus de la police, nous orientons les victimes vers les bons canaux, via Safeonweb qui joue un rôle de guichet numérique vers d'autres autorités compétentes.

Voor vragen over het gemiddelde verlies per slachtoffer en het percentage van teruggevorderde bedragen verwijs ik u naar mijn collega-minister van Binnenlandse Zaken.

Enfin, je rappelle que chaque signalement est utile. Même modeste, il contribue à démanteler les réseaux criminels.

Dieter Keuten:

Dank u, mevrouw de minister. We delen de ambitie om de digitale weerbaarheid van onze burgers te verhogen. Het gevaar is bijzonder aanwezig. Het is acuut en steeds meer mensen worden het slachtoffer van online fraude.

U had het over de specifieke doelgroepen die u wenst te bereiken in uw communicatiecampagnes: jongeren en ouderen. Ik hoop dan ook dat u met specifieke organisaties zult samenwerken om die doelgroepen te bereiken.

Ik wil ook nog even aanstippen dat ook mensen die digitaal mee zijn, door de technologische evolutie, mede dankzij artificiële intelligentie, in de toekomst het slachtoffer van online fraude zullen worden. Hackers of mensen met slechte bedoelingen zullen immers zo goed worden in het opzetten van bepaalde scenario’s dat we er allemaal kunnen intrappen.

Ik deel uw vaststelling dat veel te weinig mensen aangifte doen. We zullen er samen met de minister van Binnenlandse Zaken over waken dat het percentage slachtoffers dat aangifte doet, stijgt. Of dat nu gebeurt via de lokale politie of via safeonweb.be is bijzaak, zolang er maar aangifte wordt gedaan.

Tot slot, het recupereren van gelden. Mensen verliezen vandaag duizenden of tienduizenden euro’s aan online fraudeurs. In sommige gevallen kan een deel met de hulp van de bank worden gerecupereerd. In andere gevallen kan er bijna niets worden gerecupereerd. Elke euro die aan fraudeurs verloren gaat, is een pijnlijke zaak. Ik hoop dat u samen met de banksector stappen zult kunnen zetten om de recuperatie van gelden te versnellen en te verbeteren.

Patrick Prévot:

Madame la ministre, je vous remercie pour vos réponses. On voit que les fraudeurs, en tout cas celles et ceux qui souhaitent arnaquer nos concitoyennes et nos concitoyens, font preuve d'ingéniosité numérique, mais en recourant aussi à l'ingénierie sociale comme en témoigne l'usage de techniques de persuasion. La communication est donc essentielle. Il faut pouvoir toucher tous les publics cibles, avec une attention particulière pour les seniors, celles et ceux qui sont les moins connectés, afin de pouvoir les sensibiliser à ce type de fraude. Mon papa s'est fait avoir. Pourtant, c'est un senior connecté et, je pense, sensibilisé, parce que cela fait quand même des années que je lui casse les oreilles avec la protection du consommateur – dans le cadre de ma fonction, mais pas seulement. Cela peut donc toucher pas mal de monde. Les fraudeurs font preuve de beaucoup d'habileté, et leurs méthodes sont beaucoup moins "brutes de décoffrage" que naguère. Cette subtilité accrue peut même faire douter quelqu'un de sensibilisé quant à la véracité du message ou du messager qu'il a en ligne. En tout cas, j'entends votre volonté de vous y attaquer, dans le cadre de vos compétences, et je ne peux évidemment que vous y encourager.

De veiligheid van datacentra

Gesteld aan

Vanessa Matz (Minster van Modernisering van de overheid, Overheidsbedrijven, Ambtenarenzaken, Gebouwenbeheer van de Staat, Digitalisering en Wetenschapsbeleid)

op 16 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België mist een centraal register van glasvezelkabels en minimale veiligheidseisen voor datacentra, wat risico’s op storingen (bv. door graafwerken of stroomuitval) en gebrek aan noodplannen vergroot. Minister Matz wijst op de NIS2- en aanstaande CER-richtlijn (2024) die veiligheidsnormen en prioritaire noodplannen voor kritieke datacentra moeten invoeren, plus een soevereine cloudoplossing voor betere digitale controle, maar bestaande registers (KLIP/KLIM) dekken de behoefte aan gecoördineerde infrastructuurdata onvoldoende. Soete benadrukt de urgentie na eerdere storingsincidenten (politie-douane, Telenet) met economische en veiligheidsrisico’s, en pleit voor striktere registratieplichten voor nutsbedrijven. De focus ligt op energieafhankelijkheid, risicobeheer en een robuuster kader via Europese regelgeving en betere samenwerking tussen overheid, BIPT en energiesector.

Jeroen Soete:

Mevrouw de minister, onlangs was er een storing bij de uitgever Mediahuis, maar de gevolgen waren relatief beperkt: inwoners van West-Vlaanderen ontvingen geen fysieke krant. Als minister van Digitalisering hoef ik u ongetwijfeld niet te herhalen dat veel cruciale diensten online verlopen en alles in de cloud wordt opgeslagen. De veiligheid van datacentra is dan ook van groot belang. Welnu, in een krantenbericht wees een expert inzake datacentra, verbonden aan de KUL, onlangs op verschillende kwetsbaarheden in ons beleid rond datacentra. Zo zou België geen centraal register of centrale kaart hebben waarop alle glasvezelkabels staan aangeduid. Dat verhoogt uiteraard het risico op beschadiging van kabels, bijvoorbeeld bij graafwerken.

Een ander probleem dat de expert aanhaalt, zijn de vele risico’s in geval van stroomuitval of een tekort aan elektriciteit. Ik heb het even opgezocht en blijkbaar is een probleem met de elektriciteitstoevoer inderdaad een van de grootste oorzaken van storingen in datacentra. Daarnaast zouden nieuwe datacentra soms op beperkingen in het elektriciteitsnet botsen; dat is een kwestie van energiebeheer. Ten slotte klaagt hij het gebrek aan noodplannen bij het wegvallen van datacentra aan, plannen die wel bestaan voor elektriciteitsuitval of een tekort aan water. Er zouden overigens geen minimale veiligheidseisen voor datacentra bestaan. Hoewel de uitbaters van datacentra uiteraard niet lichtzinnig omgaan met de veiligheid en wel degelijk de nodige voorzorgsmaatregelen nemen, lijkt het mij toch belangrijk om minimale veiligheidseisen vast te leggen.

Hoe kijkt u aan tegen het idee van een centraal register? Ziet u daarbij een rol weggelegd voor ofwel de FOD Economie of het BIPT? Die laatste beschikt bijvoorbeeld al over een kaart van de glasvezelkabels en daarop kan een centraal register voor glasvezelkabels worden geënt.

Klopt het dat er vandaag nog steeds geen nationaal noodplan bestaat voor de digitale infrastructuur en de datacentra? Wie is hiervoor bevoegd? Is er een mapping of overzicht van wat de datacentra aan elektriciteit nodig hebben en kunnen ze rekenen op toevoer van voldoende stroom? Wordt de mogelijke impact van een energie-uitval op onze digitale infrastructuur al onderzocht? Zijn er geen noodplannen voor het wegvallen van datacentra en hoe kan dat verholpen worden? Klopt het dat datacentra geen minimale veiligheidseisen worden opgelegd en welke oplossing biedt u daarvoor?

Ik kijk alvast uit naar bevredigende antwoorden op die hele reeks vragen.

Vanessa Matz:

Mijnheer Soete, in geval van een geplande afschakeling van het elektriciteitsnet worden datacentra momenteel behandeld zoals andere niet-prioritaire bedrijven. Voor de telecomsector zijn er uiteraard gevoeligheden geïdentificeerd en daarvoor is er prioritair bescherming. Om energie-uitval op te vangen, werkt het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie (BIPT) samen met het Directoraat-generaal Energie om de onderlinge afhankelijkheid tussen de energie- en telecomsector in kaart te brengen.

De Europese NIS2-richtlijn en CER-richtlijn leggen verplichtingen met betrekking tot minimale veiligheidseisen op aan entiteiten die datacentrumdiensten leveren. De NIS2-richtlijn werd in 2024 omgezet en is inmiddels van kracht. De omzetting van de CER-richtlijn, aan de hand waarvan de kritieke actoren voor ons land zullen worden geïdentificeerd, wordt dit jaar verwacht. Die identificatie is een belangrijke stap in de uitwerking van een toezicht dat aangepast is aan de risico’s die datacentra vormen voor het goed functioneren van ons land. Hiermee kunnen we ook vaststellen welke entiteiten prioritair moeten optreden in de noodplannen. De werkzaamheden ter zake worden voorbereid. Voor operatoren van elektronische communicatie bestaan er uiteraard reeds noodplannen.

De federale overheid is ook bezig met de uitwerking van een soevereine cloudoplossing, waarmee wij de controle van onze digitale infrastructuur, onze gegevens en de technologische capaciteiten van elke kritieke entiteit beter kunnen beschermen.

Ten slotte, er bestaan al centrale registers met het KLIP en het KLIM op federaal niveau. Het doel van die databanken is niet om informatie tussen nutsoperatoren en andere spelers uit te wisselen over infrastructuur in een bepaald gebied wanneer daar werken worden gepland.

Jeroen Soete:

Dank u wel, mevrouw de minister, voor uw antwoorden. Ik heb begrepen dat, aangezien de datacentra wellicht onder het toepassingsgebied van de CER-richtlijn vallen, er, zodra die is omgezet, een beter toezicht en controle op de veiligheid van de datacentra mogelijk worden. Dat is uiteraard een zeer goede zaak. Vorige week bleven de gevolgen van de uitval van het datacenter beperkt, maar toen twee jaar geleden de server van de politie uitviel, kreeg onder andere de douane een hele dag geen toegang tot de database en konden geseinde personen niet gecontroleerd worden. Een storing kan dus voor serieuze veiligheidsproblemen zorgen, om nog maar te zwijgen van de economische schade. Denk maar aan het serieus kostenplaatje voor de economie na de storing van Telenet in West-Vlaanderen gedurende een hele dag. Ik juich dus toe dat u werk maakt van de bescherming van de datacenters. Wat het centrale register betreft, er wordt inderdaad informatie uitgewisseld, maar de vraag van de expert bestond erin dat de nutsmaatschappijen en de operatoren hun verantwoordelijkheid moeten nemen om een en ander correct te registreren. Een centraal register waarin alle gegevens en kabels ondergronds gemakkelijk terug te vinden zijn, zou op zich een meerwaarde betekenen voor de veiligheid van de infrastructuur en de data-infrastructuur. Dat kan misschien nog eens herbekeken worden.

Het gemorrel aan het pensioen van de militairen
Het pensioen van de militairen
Militair pensioenhervormingen

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 16 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de omstreden pensioenhervorming voor militairen, die leiden tot flinke inkomensverliezen (tot €790/mnd) en verlengde loopbanen zonder duidelijke compensatie. Minister Jambon benadrukt dat er sector-specifieke aanpassingen komen via overleg (o.a. in *Conego*), maar concrete maatregelen ontbreken nog—formele onderhandelingen starten pas na de zomer, met aandacht voor overgangsregelingen en zware beroepen. Kritiekpunten zijn het gebrek aan attractiviteit van Defensie (risico op personeelstekort door hardere voorwaarden) en de eis om militairen als zwaar beroep te behandelen, parallel aan andere sectoren zoals zorg of bouw. Dedonder en De Witte hameren op urgentie en transparantie, vrezen leegloop en vragen garanties dat de hervorming de operationele capaciteit van het leger niet ondermijnt.

Ludivine Dedonder:

Monsieur le ministre, mon collègue Christophe Lacroix a interrogé la semaine dernière votre collègue en charge de la Défense quant à l’allongement des carrières des militaires, décidé unilatéralement par ce gouvernement. Force est de constater que la réponse du ministre était particulièrement lacunaire, lui qui se montre beaucoup plus bavard lorsqu’il s’agit de parler d’achats militaires ou de pourcentage du PIB que pour parler de la situation du personnel au sein de la Défense.

Mon collègue n'a ainsi obtenu aucune réponse quant à savoir si un représentant du cabinet ou de la Défense était autour de la table des négociations que vous menez, alors que le dialogue social avec les syndicats militaires est largement menacé.

J'ai plusieurs questions, monsieur le ministre, et je me tourne donc vers vous pour tenter obtenir des réponses. Qui participe aux réunions à votre cabinet sur la pension des militaires? Un collaborateur du cabinet du ministre ou de la Défense est-il chargé de défendre les intérêts des militaires? Où en est le processus et qu'est-ce qui est aujourd'hui sur la table?

Kim De Witte:

Mijnheer de minister, uit berekeningen blijkt dat de militairen 277 euro en officieren zelfs 790 euro pensioen per maand zullen verliezen. Dat is natuurlijk enorm.

Ik las in de pers, in Het Laatste Nieuws van 12 juli, dat er mogelijks uitzonderingen op die verregaande pensioenafbraak komen. Aan welke uitzonderingen denkt u concreet?

Ik ben voorstander van uitzonderingen voor zware beroepen. Militairen hebben een zwaar beroep. Gaat u dan ook het debat aan met mensen uit de schoonmaaksector, de zorgsector, de bouwsector en andere zware beroepen?

Jan Jambon:

Chers collègues, je vous remercie pour vos questions, qui me donnent l'occasion d'informer le Parlement du trajet que nous avons parcouru jusqu'à présent sur la réforme des pensions. En particulier, vous avez parlé de la pension des militaires dans vos questions.

Mon cabinet a déjà eu l'occasion de rencontrer les représentants qui siègent au sein du comité formel de négociations pour la Défense, le Conego. Ceux-ci ont raison d'utiliser ces occasions pour exprimer leur inquiétude ou demander des éclaircissements, surtout pour les personnes qui sont proches de la date de leur retraite. Nous essayons de comprendre leurs préoccupations et d'en tenir compte lors de la préparation de projets de textes.

L'accord de gouvernement est rédigé de manière assez détaillée, du moins par rapport aux accords du gouvernement précédent. Néanmoins, de nombreuses questions subsistent sur le tantième, le salaire de référence, le relèvement de l'âge de la retraite pour les militaires, la bonification du temps et bien plus encore. L'accord de gouvernement laisse également explicitement une grande place à la concertation sociale.

En tant que ministre des Pensions, j'ai décidé assez rapidement de mener un processus préliminaire avec les représentants des employés et des fonctionnaires au sein des comités de négociations, avant même que les négociations formelles sur l'avant-projet de loi sur les pensions ne démarrent au sein du comité de négociations compétent.

Au Conego aussi, dans le cadre du pré-trajet, nous avons présenté le contenu de la réforme des pensions, le calendrier de l'ensemble du processus ainsi que l'enveloppe de transition. Nous essayons surtout d'écouter les représentants des militaires. Dans le cadre du pré-trajet, nous avons organisé plusieurs sessions consacrées à des thèmes spécifiques, notamment une session pour les métiers de sécurité, où des représentants du personnel militaire ont également été accueillis et ont fait entendre leurs voix.

L'objectif de ce pré-trajet informel est de saisir au mieux les principales préoccupations dans les différents secteurs. Chaque secteur a sa spécificité, et les priorités et les soucis dans le secteur de la construction ou celui de la santé ou du nettoyage ne sont vraiment pas les mêmes. Le profil de la carrière d'une salariée dans le secteur de la construction n'est pas le même que celui de quelqu'un dans le secteur des soins ou du nettoyage.

Tot nu toe is het een bijzonder leerrijk traject geweest. We hebben veel bijgeleerd over de bijzonderheden van die sectoren. Ik ben er ook van overtuigd, hoewel hervormingen zoals die van de pensioenen onvermijdelijk op weerstand stuiten, zoals elke verandering dat doet, dat een informeel voortraject helpt om prioriteiten in de verschillende sectoren en beroepen beter te capteren en er in de mate van het mogelijke rekening mee te houden.

Parallel met dat voortraject, dat zich louter richt op de pensioenhervorming, loopt binnen Defensie ook een traject gericht op een sociaal akkoord. Dat akkoord moet maatregelen bevatten die recht doen aan de unieke aard en de specificiteit van het militaire beroep. Dat valt evenwel onder de bevoegdheid van mijn collega, minister Francken.

Ook in andere beroepssectoren lijkt het niet meer dan logisch dat pensioenhervormingen worden geflankeerd door maatregelen inzake hr-beleid om het mogelijk te maken dat mensen langer en gemotiveerd aan de slag blijven. Daarvoor ben ik zelf uiteraard niet bevoegd.

Wat het wetgevende proces inzake pensioenen betreft, kan ik u wel meegeven dat er op dit moment binnen de federale regering besprekingen aan de gang zijn over een ontwerpwet van pensioenhervorming. Zodra de regering daarover een akkoord bereikt in eerste lezing, zullen de teksten zo snel mogelijk worden voorgelegd aan de formele onderhandelingscomités, zoals het Comité Overheidsbedrijven, Comité A, Conego en de beheerscomités van de Federale Pensioendienst voor de werknemers uit de privésector. Er zijn immers nog heel wat openstaande punten, bijvoorbeeld met betrekking tot de inzet van een overgangsenveloppe. We hebben in het voortraject al aangegeven dat we daarover graag input ontvangen van de onderhandelingscomités. Dat formeel onderhandelingstraject zal normaal gezien aanvatten na het zomerreces.

Ludivine Dedonder:

Monsieur le ministre, il me semble que vous m'ayez communiqué un peu plus d'éléments de réponse qu'habituellement. À force d'être habitué à peu, on se contente d'avoir un peu plus de réponses. Je vous en remercie.

Ce qui me fait plaisir, c'est que vous ayez dit que vous alliez tenir compte des particularités de chaque secteur. En réponse à une de mes questions précédentes, vous aviez dit qu'on ne changeait rien sur le principe et, aujourd'hui, vous dites qu'on va tenir compte des particularités. Lorsque je vous avais demandé en cette commission si vous faisiez la concertation parce que vous y étiez obligé, vous m'aviez répondu "oui". Aujourd'hui, j'entends que, quand même, on va essayer d'écouter et d'entendre – c'est très important – et d'avoir une enveloppe de transition.

Je vais donc essayer de retenir le positif de ce qui vient d'être dit ici, en revenant vers vous plus régulièrement car, comme on l'a dit lors des questions précédentes, les gens d'une manière générale et les militaires en particulier se posent des questions. Ils sont inquiets. Alors, il ne s'agit pas uniquement de leur confort personnel, de leur bien-être ou de leur propre intérêt, cela concerne aussi le département de la Défense qui, on le sait très bien, doit rester attractif pour les jeunes. On sait aussi qu'il y a déjà, par nature, pas mal de rétention au niveau du personnel. Ajouter à cela un allongement de la carrière et un durcissement des conditions de travail ne va pas améliorer l'attractivité.

C'est pourquoi, au-delà de votre réforme des pensions, il est fondamental de discuter avec les représentants des organisations syndicales militaires mais aussi, d'une manière générale, de la Défense pour bien mesurer l'impact de vos mesures à la fois sur l'attractivité du département et, à terme, sur la sécurité de la population, puisque si nous n'avons pas le personnel suffisant pour faire fonctionner tout le matériel que vous allez acheter, on aura un vrai problème de fonctionnement et donc, à terme, de sécurité. Merci d'y être attentif.

Kim De Witte:

Mijnheer de minister, ik sluit me bij de opmerkingen van mevrouw Dedonder aan. Ik ontving een paar dagen geleden een e-mail van een paracommando die zich grote zorgen maakt over de pensioenhervorming. Miljarden euro's worden besteed aan nieuwe wapens, maar hij vraagt zich af wie die wapens in godsnaam zal bedienen als het hele leger leegloopt. Ik kijk dan ook in blijde verwachting uit naar de uitzonderingen die zullen worden toegestaan op de maatregelen die in het regeerakkoord staan. Als ze op die manier worden toegepast, zullen de militairen een aanzienlijk deel van hun pensioen verliezen, ondanks het feit dat ze langer moeten werken. Ik kijk uit naar die hervormingen en ik dring aan op een gelijkaardig proces voor andere zware beroepen. In ons land oefenen immers veel mensen een zwaar beroep uit en veel van die mensen kunnen niet werken tot 67 jaar.

Het Defensieplan 2025 en de cyberveiligheid

Gesteld door

lijst: N-VA Koen Metsu

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 16 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België versterkt zijn cyberdefensie als centrale pijler binnen Defensie en NAVO, met focus op samenwerking, innovatie en digitale weerbaarheid. Het Cyber Command coördineert intern en extern—via bilaterale NAVO/EU-bandens, civiele partners (o.a. *Cyber Defense Factories*), en inlichtingendiensten—om offensieve/defensieve capaciteiten, inlichtingen en rechtshandhaving te synchroniseren. Concrete stappen in 2025 omvatten verdere integratie met bondgenoten, uitbreiding van innovatiehubs en versterkte cyberoefeningen, terwijl prioriteiten liggen bij hybride dreigingen en een moderne, internationaal geïntegreerde defensie. Technische akkoorden (met politie, KMS, ESA) en kennisdeling onderstrepen de multidomein-benadering (land, zee, lucht, ruimte, cyber).

Koen Metsu:

We hebben al veel gesproken over het Defensieplan. Cyber blijft daarin misschien onderbelicht, vandaar deze vraag, mijnheer de minister. In het Belgische defensiebeleid is cyber een centrale pijler, met de nadruk op digitale weerbaarheid, samenwerking, innovatie en personeelsontwikkeling. België positioneert zich binnen de NAVO als een land dat sterk inzet op cyberveiligheid en het bestrijden van hybride dreigingen.

Defensie pakt cyberdreigingen actief aan, zowel in samenwerking met de civiele en internationale partners als nationaal. Het leger moet tijdens een gewapend conflict in staat zijn om cyberoperaties uit te voeren en te synchroniseren met activiteiten op zee, te land, in de lucht en in de ruimte. U werkt hierbij nauw samen met Europese en NAVO-partners, waarbij het Cyber Command van het Belgische leger een centrale rol speelt. ​ Ik wens de nieuwe commander trouwens alle succes toe.

Het Belgische Defensieplan 2025, dat nu voorligt, integreert internationale cyberveiligheidssamenwerking door actief in te zetten op coördinatie met de federale overheid en binnen het Europese en internationale kader. In het verlengde daarvan wil ik u nog enkele vragen stellen.

Ten eerste, hoe verloopt de samenwerking tussen het Belgisch Cyber Command en internationale partners op het gebied van cyberveiligheid en informatie-uitwisseling?

Ten tweede, wordt er intern gewerkt aan de synchronisatie van activiteiten in het cyberdomein om de inlichtingenpositie, digitale weerbaarheid, offensieve capaciteiten en rechtshandhaving te versterken? Zo ja, hoe gebeurt dat?

Ten derde, hoe wordt de samenwerking met civiele en industriële partners georganiseerd om innovatie en digitale weerbaarheid te bevorderen?

Ten vierde, welke rol speelt België in internationale cyberoefeningen en hoe wordt het Cyber Command hierbij ingezet?

Ten vijfde, welke concrete stappen worden er in 2025 genomen om de cybercapaciteiten van Defensie verder te versterken en te integreren met die van de bondgenoten?

Ten laatste, welke prioriteiten stelt u bij het versterken van cyberveiligheid en het vergroten van de weerbaarheid tegen hybride dreigingen, en hoe draagt dat bij aan een modern en internationaal betrokken defensieapparaat?

Theo Francken:

Aangezien het Cyber Command deel uitmaakt van de ADIV beschikt het over een uitgebreid netwerk binnen de inlichtingendiensten, waardoor geclassificeerde informatie uitgewisseld kan worden.

Het Cyber Command onderhoudt nauwe banden met andere Europese cybercommando’s en met zijn NAVO-partners. Daarbij zijn bevoorrechte betrekkingen ontstaan die zich vertalen in bilaterale of multilaterale relaties waarin cyberdefensie een prominente plaats inneemt. De bevoorrechte positie van het Cyber Command, als een gecentraliseerde, gespecialiseerde entiteit binnen Defensie voor alle domeinen van cyberspace, die vier soorten operaties uitvoert, garandeert een interne synchronisatie van alle activiteiten van Defensie in de cyberspace. Daarnaast brengen de platformen van het CCIV, Cyber, Security en Cyber Threat Intel, alle federale veiligheidsactoren op interdepartementaal niveau samen. Ze zorgen voor de coördinatie van de activiteiten op het vlak van cyberveiligheid, cyberdiplomatie, cyberdefensie en cyberwetshandhaving.

Een technisch samenwerkingsakkoord tussen de federale gerechtelijke politie en het Cyber Command maakt de uitwisseling van kennis, expertise en technische synergieën mogelijk. Op operationeel vlak is er uiteraard een geïntegreerde samenwerking tussen de ADIV en de staatsveiligheid, waaraan ook het Cyber Command meewerkt. De afgelopen drie jaar werden tal van initiatieven ontwikkeld om die samenwerking en synergieën te versterken.

Met de opening van de Cyber Defense Factories in Charleroi en Brugge zijn hubs opgezet die zich toeleggen op digitale en technologische innovatie, samen met digitale civiele partners uit de overheid, de regio’s, de academische wereld, het bedrijfsleven en de economie. Tegen 2028 zullen nog twee andere factories het licht zien. Bovendien is er een bevoorrechte samenwerkingsovereenkomst tussen het Cyber Command en de Koninklijke Militaire School voor de ontwikkeling van onderzoeksactiviteiten op het gebied van cyberveiligheid, cryptografie, TEMPEST, telecommunicatie, artificiële intelligentie en steganografie.

Een memorandum van overeenstemming met het Europees Ruimteagentschap in Redu stelt beide partijen in staat om kennis uit te wisselen op het gebied van cyberveiligheid in de ruimtevaart.

Koen Metsu:

Bedankt voor uw antwoorden, mijnheer de minister. Ik denk dat een paar vragen misschien nog een intensiever antwoord verdienen, maar ik zal die misschien schriftelijk indienen en dan ook wat extra cijfers opvragen.

De geplande aankoop van extra F-35's
De aankoop van bijkomende F-35's
Defensie-uitbreiding met F-35 gevechtsvliegtuigen

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 16 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de omstreden aankoop van 14 extra F-35’s (€1 miljard), waar kritiek op komt van strategische nutloosheid (miniem effect binnen NAVO’s 2.000+ vloot), afhankelijkheid van de VS (software, onderdelen, inzetbaarheid) en technische/financiële risico’s (hoge onderhoudskosten, lage beschikbaarheid zoals in het VK). Francken verdedigt de keuze als NAVO-verplichting (NDPP) en benadrukt logistieke zelfstandigheid via Europese voorraden, maar ontwijkt concrete vragen over operationele problemen en prioriteiten—alternatieven zoals cyberveiligheid, infrastructuur en personeelstekorten (uitrusting, lonen, aantrekkingskracht) blijven onbeantwoord, terwijl parlementsleden gebrek aan transparantie en verkeerde bestedingskeuzes aanklagen.

Kristien Verbelen:

Mijnheer de minister, de discussie over de aankoop van extra F-35's blijft maar voortduren. U hebt gezegd dat de F-35 het meest geavanceerde toestel op de markt is, maar dat is eigenlijk niet de essentie van het debat. De vraag is of die veertien extra toestellen binnen een NAVO-vloot van meer dan 2.000 moderne gevechtsvliegtuigen werkelijk een verschil zullen maken in de verdediging van ons luchtruim en van het bondgenootschap.

Wat mij ook zorgen baart, is de afhankelijkheid die we daarmee opbouwen tegenover de Verenigde Staten. Er mag dan wel geen killswitch zijn waarmee de Amerikanen het toestel met één druk op de knop kunnen uitschakelen, maar we blijven toch in hoge mate afhankelijk van Amerikaanse technologie, software en vooral updates. Enkel Israël heeft toegang tot de broncode. Als de Amerikanen dat zouden willen, kunnen ze onze vloot via software-updates ernstig hinderen. Dat lijkt me geen gezonde situatie voor een soeverein land.

Ik wijs ook op de recente problemen waarmee het Verenigd Koninkrijk kampt met de F-35B, weliswaar een andere variant dan de onze, waar sprake is van ernstige mankementen. Op bepaalde momenten is de helft van de vloot niet inzetbaar wegens technische defecten, een tekort aan onderdelen en hoge onderhoudskosten. Het Britse parlement spreekt inmiddels van torenhoge investeringen, terwijl de inzetbaarheid ver onder de verwachtingen blijft.

Ik vraag me dus af of wij niet met dezelfde problemen geconfronteerd kunnen worden. Is de aankoop van F-35's echt de beste manier om al die miljarden te besteden? Moeten we niet eerder nadenken over alternatieve investeringen, zoals in cyberbescherming van onze kritieke infrastructuur en, niet te vergeten, in ons personeel?

Mijnheer de minister, hoe weegt u de veiligheidsrisico's, de financiële risico's en de vraag of die toestellen werkelijk een verschil maken, af tegenover andere prioriteiten voor de veiligheid van ons land?

Nabil Boukili:

Monsieur le ministre, lors d'un entretien sur la VRT, vous avez déclaré que l'acquisition de nouveaux F-35 aurait bel et bien lieu. Pourtant, cette décision a déjà suscité beaucoup d'inquiétudes et de nombreuses controverses, non seulement en raison du coût élevé et des priorités budgétaires mais aussi en raison de l'implication géopolitique et militaire.

Monsieur le ministre, la coalition Arizona envisage-t-elle vraiment d'acheter ces F-35? Nous tentons d'avoir une clarification car on a entendu un peu tout et son contraire. Il s'agit tout de même d'un investissement considérable à hauteur d'un milliard d'euros. Y a-t-il vraiment une nécessité, une plus-value d'acheter des F-35 supplémentaires?

Ce milliard d'euros ne serait-il pas beaucoup plus utile dans des investissements dans le cadre de notre sécurité sociale? Aujourd'hui, on est en train d'attaquer de tous bords, les pensionnés, les travailleurs et, en même temps, on met un milliard d'euros dans des F-35 supplémentaires. Ne serait-il pas plus judicieux de mettre ce milliard d'euros dans les défis sociaux plutôt que d'acheter des avions de chasse supplémentaires qui, vu la flotte aérienne de l'OTAN, ne sont à notre avis pas nécessaires aujourd'hui?

Theo Francken:

Geachte Kamerleden, volgens mij is er vorige week een briefing geweest over de NDPP’s. Ik weet niet of u die gevolgd hebt, want de vragen die ik hier krijg, werden op die briefing al beantwoord. Ik wil wel, maar als commissielid heeft men toch de taak om tijd te maken om bepaalde briefings te volgen. Mevrouw Verbelen, in die briefing werd uitgelegd waarom dat nodig is, hoe dat werkt in een grotere context, enzovoort. Als parlementslid hebt u ook zelf een soort van informatieplicht. U bent niet naar die briefing gegaan, maar stelt mij een vijftal dagen later zulke vragen. Een medewerker van mijn kabinet stond die hele dag ter beschikking voor die briefing, of zelfs twee dagen. Vandaag, na deze commissievergadering, staat hij opnieuw ter beschikking, dus misschien kunt u daar straks naartoe.

Ik wil graag alles doen, maar ik vind het wel opmerkelijk dat uw partijvoorzitter met veel plezier naar de eedaflegging van president Trump gaat, terwijl de Amerikanen met hun F-35-wapensystemen nu blijkbaar de grote vijand zouden zijn. Bovendien zegt u dat we in cyber moeten investeren, terwijl er nooit meer in cyberveiligheid is geïnvesteerd dan in deze legislatuur. Hetzelfde geldt voor de ruimtevaart of de andere capaciteiten die u noemt.

Als u denkt dat we jachtvliegtuigen alleen maar moeten kopen om ons eigen Belgisch luchtruim te verdedigen, wat voor een middeleeuws concept van collectieve verdediging hebt u dan eigenlijk? Ik kan het niet goed volgen. Doe uw werk als parlementslid en kom mij dan ondervragen.

Er zijn briefings geweest over waarom dat noodzakelijk is in het kader van de NDPP, waarom dat collectief gevraagd wordt en wat dat betekent in regionale plannen. Dat is allemaal al uitgelegd. Het voorbereid antwoord dat ik bij heb, beslaat vijf pagina’s. Ik vertik het om alles nogmaals voor te lezen. Sorry, dat ga ik niet doen. Al zo vaak is besproken hoe het zit met de NDPP en waarom we denken dat dat nodig is.

Er is trouwens nog geen definitieve beslissing genomen. Aanstaande vrijdag vergadert de ministerraad daarover nog, dus op dit moment is er zelfs nog geen beslissing over genomen.

Monsieur Boukili, l'idée d'ajouter un nouveau type d'avion de combat à notre flotte, en plus du F-35, poserait plusieurs problèmes. Cela réduirait notre efficacité opérationnelle, diluerait nos ressources déjà limitées, doublerait notre empreinte logistique et compliquerait à la fois l'interopérabilité et le déploiement opérationnel. La Belgique peut parfaitement utiliser le F-35 de manière souveraine pour des missions opérationnelles, tout comme elle le fait avec le F-16.

Pour la maintenance à long terme et l'approvisionnement en pièces de rechange, une coopération dans un cadre international reste essentielle. Une réserve de pièces sera disponible sur les bases aériennes belges pour soutenir les activités de vol. En complément, un kit d'intervention distinct permettra d'assurer les missions opérationnelles en toute souveraineté.

Ces stocks seront soutenus par l'industrie européenne, notamment via les installations de stockage, de maintenance et de réparation situées en Europe. Le partenariat autour du F-35 crée une forme d'interdépendance entre tous les pays participants. Cette interdépendance ne peut être rompue unilatéralement sans conséquences pour l'ensemble des utilisateurs, y compris les États-Unis.

Kristien Verbelen:

Mijnheer de minister, ik merk dat ik hier in een openbare commissiezitting weinig antwoorden krijg. Bovendien siert de hier tentoongespreide arrogante houding u allerminst.

Ik heb ook vragen gesteld over de problemen bij de F-35B en ook of een en ander ook bij ons in de toekomst problemen zou kunnen opleveren. Ook op die vragen heb ik geen antwoord gekregen.

Ik blijf het moeilijk te begrijpen dat zoveel miljarden worden uitgegeven aan veertien extra toestellen die misschien geen wezenlijk verschil zullen maken. Er zijn zoveel andere noden, zoals infrastructuur en technologie. Daarop zal ik blijven hameren.

Nabil Boukili:

Monsieur le ministre, quand vous parlez du briefing, j'imagine que vous ne vous adressez pas à notre groupe. Nous avons été à ce briefing. C'était très intéressant de comprendre pas mal de choses, notamment le fonctionnement des décisions prises à l'OTAN, qui nous a assez surpris s'agissant de la méthode. Concernant les priorités, contrairement à ce qui a été dit à la VRT, il n'y a pas encore de décision sur le F-35. Le gouvernement n'a pas encore décidé. Il n'y aura pas d'office un achat de F-35. C'est encore en discussion. Nous nous posons des questions sur la priorité de cet investissement. Ce n'est pas uniquement le PTB qui se pose la question mais aussi les militaires. Nous avons reçu le message d'un para-commando en réponse à un post de M. De Witte sur la question des pensions des militaires. Il dit ceci: "J'ai l'impression que les politiciens ne réalisent pas ce que le métier de militaire implique réellement. En résumé, s'il nous retire ne serait-ce que le moindre avantage, tout ce nouveau matériel finira par rouiller. Sans personnel, pas de Défense." Et il s'adresse à vous en disant: "M. Francken entrera dans l'histoire comme le ministre qui a porté le coup de grâce à la Défense". C'est justifié dans le sens où aujourd'hui les militaires sont en effet tenus d'acheter une part de leur équipement vestimentaire sur la plateforme d'achat de la Défense. Même le masque utilisé dans le défilé est vendu à 13 euros. Les militaires reçoivent aussi une indemnité pour subvenir à leurs besoins en équipement. Mais cette indemnité n'a plus été revue depuis le début des années 2000. Nous sommes ici dans une contradiction. D'un côté, on va acheter du matériel à tout-va, mais le personnel qui va le gérer est en train d'être décortiqué. Tous les avantages du personnel sont en train d'être détruits. Cela rendra le métier de militaire beaucoup moins attractif. Vous n'aurez plus de militaires pour utiliser ce matériel cher à vos yeux.

De vrijheid van meningsuiting voor militairen op de sociale netwerken
De traditie van het leger als 'grande muette'
Het leger en de vrijheid van meningsuiting
Sociale media en vrijemeningsuiting
Militaire vrijheid van meningsuiting en sociale media-tradities

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 16 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de vermeende inperking van de vrije meningsuiting van militairen na een intern bericht dat hen waarschuwt voor "subversieve" politieke uitingen op sociale media, onder dreiging van intrekking van hun veiligheidsmachtiging. Critici (Dedonder, Boukili, Maouane) betogen dat dit een cultuur van angst en censuur creëert, vooral rond sociale rechten (zoals pensioenhervormingen) en politieke kritiek, terwijl minister Francken volhoudt dat het om een geïsoleerd geval gaat, gericht op veiligheidsrisico’s (racisme, extremisme) en geen algemene muilkorfbeleid is. De kernspanning ligt in de grens tussen veiligheidsnormen en democratische vrijheden: syndicalisten en oppositie wijzen op een structureel gebrek aan dialoog en selectieve handhaving, terwijl Francken benadrukt dat de ADIV (veiligheidsdienst) enkel wettelijke richtlijnen toepast—al erkent hij dat de communicatie onhandig was. Onopgelost blijft of kritiek op regeringbeleid straffeloos kan, zolang ze binnen deontologische kaders blijft.

Ludivine Dedonder:

Monsieur le ministre, comme vous le savez, durant mon précédent mandat, j'ai fait une véritable priorité de la lutte contre les comportements et propos transgressifs, sexistes, dégradant, violents, discriminants, xénophobes ou en lien avec l'extrémisme violent. C'était la tolérance zéro et j'ai mis en place un screening continu des militaires tout au long de leur carrière via une procédure claire et inscrite dans la loi, concertée avec les syndicats militaires.

De nombreux militaires ont reçu, ces dernières semaines, une communication interne leur interdisant des propos subversifs commentant l'actualité politique sous peine de sanctions, dont la perte de leur habilitation de sécurité. C'est une vraie remise en cause de la liberté d'expression garantie par notre Constitution.

Pourtant, les mesures qui touchent et qui vont toucher nos militaires sur le plan social sont terribles. Je reviens d'ailleurs d'une commission où je suis allée interroger votre collègue, Jan Jambon, sur la pension des militaires. Cette question était en rapport avec le prolongement unilatéral de leur carrière de 11 ans, la non-prise en compte de la pénibilité de leur profession, leurs nouvelles missions non militaires en remplacement de la police. On a connu cela tout un temps, on y avait mis fin et on recommence. Ils subissent tout cela dans un contexte où les relations ne semblent pas être au beau fixe entre les syndicats militaires et vous.

Comment justifiez-vous que de nombreux militaires aient reçu une telle interdiction de communiquer leur opinion sur les mesures politiques prises par ce gouvernement? Qui a pris la décision de cette communication interne? Quelles sont les conséquences pour les militaires qui ne suivraient pas ces instructions?

Nabil Boukili:

Monsieur le ministre, dans votre déclaration de politique générale, vous avez affirmé que le temps de la Grande Muette était révolu et pourtant, des événements récents au sein de la Défense semblent démontrer le contraire. Il est récemment apparu qu'un courriel circulait au sein de la Défense, avertissant les militaires des propos subversifs sur les réseaux sociaux, avec la menace que cela pourrait entraîner la perte de leur habilitation de sécurité.

Bien que vous ayez déclaré qu'il s'agissait d'un cas individuel lié à des propos racistes, un témoignage anonyme d'un militaire pointe vers un problème structurel: "Le mail stipule clairement que cela peut entraîner des incidents de sécurité, voire la perte de notre habilitation de sécurité, ce qui signifie la perte de notre emploi. Je trouve cela franchement honteux qu'on nous muselle. Et soyons honnêtes, on a l'impression de vivre dans une dictature".

Le syndicat VSOA Défense souligne également que cela s'inscrit dans un contexte plus large de manque de dialogue social. En outre, il ne s'agit pas d'un cas isolé. Le lieutenant-colonel Frédéric Coghe a été critiqué pour avoir donné une interprétation technique de "l'interrupteur de la mort" ( kill switch ) du F-35 différente de la position officielle. De même, l'historien militaire Thomas Simmons a annoncé qu'il ne donnerait plus d'interview après avoir reçu des retours négatifs de la hiérarchie après ses propos sur l'armée ukrainienne. Cette retenue imposée crée une culture dans laquelle les voix dissidentes au sein de la Défense sont réduites au silence.

Dès lors, monsieur le ministre, comment garantissez-vous la liberté d'expression des militaires sur leurs droits sociaux, dans les limites de leur statut, bien sûr, sans que cela ne crée une culture de peur ou d'autocensure?

Sur Twitter, vous avez indiqué que ce courriel concernait un cas individuel lié à des propos racistes. Comment expliquez-vous alors que l'universitaire de l' É cole Royale Militaire, Thomas Simmons, refuse désormais de donner des interviews ou que Frédéric Coghe aurait été rappelé à l'ordre pour avoir exprimé une opinion divergente sur le kill switch du F-35?

La fin de la "Grande Muette" ne s'applique-t-elle qu'à ceux qui partagent votre opinion? C'est une question que nous nous posons, monsieur le ministre, parce que ceux-ci ne sont pas inquiétés.

Rajae Maouane:

Monsieur le ministre, comme mes collègues l'ont rappelé, un mail interne a été adressé ces dernières semaines à des militaires, provoquant un sérieux malaise. On y lit que des propos jugés subversifs, notamment en rapport avec l'actualité, tenus par des membres du personnel militaire sur les réseaux sociaux ont été repérés par les services de renseignement. Ce mail met en garde contre la perte d'habilitation de sécurité en cas de récidive.

Monsieur le ministre, vous serez d'accord avec moi pour dire que ce n'est pas anodin et que c'est presque inquiétant. Ce message menace directement la liberté d'expression des militaires et laisse entendre qu'un simple désaccord avec des choix gouvernementaux peut être considéré comme subversif et donc sanctionnable. C'est un glissement grave que plusieurs syndicats dénoncent à juste titre comme le retour à une "Grande Muette".

Mes questions sont les suivantes, monsieur le ministre. Qui a validé ce type de communication interne et sur quelle base juridique? Pouvez-vous nous confirmer que l'expression d'une opinion critique, évidemment dans le respect des règles de réserve et de non-atteinte à la sécurité, ne constitue pas un motif valable pour perdre une habilitation? Allez-vous réaffirmer publiquement, monsieur le ministre, que les membres du personnel de la Défense, en tant que citoyens et citoyennes, disposent eux aussi des droits fondamentaux, y compris celui de s'exprimer dans les limites prévues par la loi?

Theo Francken:

Bedankt, collega's. De Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid heeft als wettelijke opdracht, overeenkomstig de wet van 30 november 1998, onder meer de bescherming van de uitvoering van de opdrachten van de strijdkrachten. Hiertoe houdt de ADIV, volledig conform de richtlijnen van de NAVO en de Belgische wetgeving, nauwgezet de dreiging van terrorisme, spionage, subversie, sabotage en georganiseerde misdaad in het oog.

De ADIV is tevens verantwoordelijk voor het uitvoeren van een veiligheidsonderzoek bij al haar personeel, zowel burgers als militairen, in toepassing van de wet betreffende de veiligheidsmachtigingen. Op basis van deze wet onderzoekt de ADIV de integriteit, betrouwbaarheid en discretie van al het personeel dat over een veiligheidsmachtiging moet beschikken. Tijdens deze onderzoeken stelt de ADIV met regelmaat inbreuken vast op de eerder vermelde richtlijn inzake de vrije meningsuiting, voornamelijk op sociale media.

Dans le cadre de ses missions légales, mais aussi en application de l'attention accrue demandée par la précédente ministre de la Défense, Mme Dedonder, le SGRS répète régulièrement les directives applicables en matière de liberté d'expression et de respect des valeurs de la Défense à l'ensemble des officiers de sécurité des unités et des états-majors. Un manquement aux règles peut avoir un impact sur l'habilitation de sécurité de l'agent concerné, mais cela ne donne généralement lieu qu'à un avertissement écrit.

Een veiligheidsofficier heeft naar aanleiding van een schriftelijke opmerking van ADIV over een lid van zijn eenheid beslist om de betreffende mail aan iedereen te sturen. De ADIV vraagt tijdens alle veiligheidssensibiliseringsbriefingen om hieraan aandacht te besteden en het personeel erop te wijzen. Het initiatief van de officier past binnen dat beleid. Het bericht werd niet verzonden op vraag van de staf, laat staan op mijn vraag, maar maakte deel uit van een communicatie in het kader van integriteit en veiligheidsbewustzijn. Die mail is trouwens enkel binnen één eenheid verspreid. Hij is dus niet naar honderden militairen verzonden, totaal niet. De mail heeft zich wel snel verspreid, maar werd slechts naar een beperkt aantal personen gestuurd.

De proactieve houding van de veiligheidsofficier was in dit geval terecht, al gaf de formulering aanleiding tot verwarring en had de toon misschien diplomatischer gekund.

Deze problematiek is trouwens al meerdere keren door ADIV aan alle vakorganisaties van defensie toegelicht. Defensie blijft inzetten op bewustmaking en begeleiding, met respect voor de vrijheid van meningsuiting binnen de wettelijke en deontologische kaders die voor militairen gelden.

De kwestie van de heer Simoens is een individuele zaak.

Sur ce cas individuel, je ne peux m'étendre davantage, mais il ne faut pas prétendre que cela fait suite à des instructions de ma part. Je ne sais pas, je ne pense pas, vu la façon dont cela s'est passé. J'ai bien compris qu'il reprenait la communication publique aussi. Il l'a reprise il y a quelques semaines, mais s'agissant d'un cas individuel, il est toujours délicat d'évoquer des sujets sensibles. Il n'y a pas de Grande Muette. Je veux que la Défense se défende publiquement; nos généraux et nos officiers le font ainsi que tous les autres membres de notre belle Défense.

Alors, il n'y a pas d'instruction, il n'y a pas de nouvelle directive, il n'y a pas de je ne sais quoi, ni de ma part, ni du staff, ni du CHOD, il n'y a rien! C'est un cas individuel qui s'est déroulé dans une unité, et qui a causé beaucoup de rumeurs et de publicité, mais il n'y a pas, je pense, de problème lié à ce cas. Je pense que l'officier de sécurité a vraiment voulu bien faire.

Ik vind dat mensen die van goede wil zijn en ook hun best doen en dat ook met de juiste intentie doen – dat kon misschien wat diplomatischer – maar wie ben ik om daarover een oordeel te vellen?

Ludivine Dedonder:

Tous propos ou comportement subversifs sont à sanctionner, c'est une évidence. J'ai d'ailleurs instauré une charte des normes et des valeurs et ai vraiment insisté sur ce point sous mon mandat. Mais comment cela fonctionne-t-il en pratique, selon les règles du SGRS? La personne problématique, donc pas celle qui exprime son avis sur les choix politiques, elle va être suivie, elle va être entendue, elle va être appelée à l'ordre et elle va être sanctionnée le cas échéant.

En l'occurrence, il y a vraiment une nette différence, puisque le courriel est envoyé à tous les membres de l'unité. Vous dites que c'est un groupe plus restreint, mais cela reste quand même un groupe de personnes et j'imagine qu'elles n'ont pas toutes eu des comportements ou des propos violents ou menaçants. Et dans ce courriel, il est explicitement question d'expression sur les choix politiques actuels. C'est bien évidemment pour cette raison que le phénomène a pris de l'ampleur.

Dès lors, de deux choses l'une, soit la personne a eu des propos menaçants et doit donc être sanctionnée – elle seule, pas les collègues –, soit ce courriel est un prétexte pour empêcher le personnel militaire d'émettre des critiques sur la politique menée actuellement. Et là, c'est très grave, c'est une entrave à la liberté d'expression. Quoi qu'il en soit, dans les deux cas, ce courriel général à l'ensemble du personnel n'avait pas lieu d'être.

Certes, j'ai quand même eu du mal à croire à l'initiative personnelle sortie et soufflée de nulle part, parce qu'en quatre ans de mandat, je n'ai jamais eu de proposition allant dans ce sens, jamais. En général, c'était plutôt dans l'autre sens, pour essayer de défendre ou d'atténuer des propos ou des comportements inadéquats. C'est donc assez surprenant. Enfin, je voudrais vous dire que si certains sont mécontents, c'est peut-être parce qu'ils ressentent un manque de considération et d'estime. Vous passez beaucoup de temps à trouver des milliards, à commander, à acheter des avions de chasse américains, plutôt qu'à essayer de trouver un accord pour le personnel, sans qui ce matériel ne pourrait fonctionner.

Dans une communication interne de la Défense, vous dites, la main sur le cœur, qu'avec le Chef de la Défense (CHOD), vous comprenez les inquiétudes dans le cadre de la réforme des pensions, qui les fera travailler plus longtemps, mais vous ne vous imposez pas à la table des négociations chez le ministre des Pensions. Il faut y aller! Vous ne pouvez pas simplement envoyer un courrier en disant que vous comprenez, vous devez aller à la table chez votre collègue de la N-VA!

Il y a beaucoup de cinéma, comme cette dernière trouvaille – je suis désolée de vous le dire, vous n'allez de nouveau pas être content : les masquer tous le 21 juillet, hormis les élèves des écoles, les futurs cadres, hormis les cadres qui seraient, en cas de menaces, les premières cibles. C'est pour les protéger? Les protéger, c'est déjà commencer par veiller à leur bien-être au travail, à les écouter, à entendre leurs préoccupations. C'est ce que je vous demande.

Monsieur le président, je ne suis pas intervenue souvent en commission Défense, mais le personnel doit être respecté. J'en ai toujours fait une priorité et c'est la raison pour laquelle je suis présente aujourd'hui.

Nabil Boukili:

Monsieur le ministre, vous parlez d'un cas isolé. C'est lié à des propos inacceptables qui sont à sanctionner évidemment. Sauf que dans le courrier, il n'est pas fait mention de ces propos. Il s'agit de sujets politiques, des choix politiques actuels et des positions politiques prises par le gouvernement. C'est la raison pour laquelle nous avons reçu énormément de témoignages et de mails de militaires qui s'indignent de cette situation.

En même temps, ils voient que le chef d'état-major assiste à des débats organisés notamment par le MR pour défendre une position politique. Le problème est-il d'avoir des positions politiques ou de commenter les choix politiques? Ou bien le problème est-il de défendre des choix politiques différents des vôtres? Dans ce cas, il y a une atteinte à la liberté d'expression. Apparemment, les problèmes qui nous occupent ne sont pas les sujets politiques puisque le chef d'état-major peut s'exprimer mais les autres militaires ne peuvent pas. C'est problématique.

C'est la raison pour laquelle nous vous interrogeons, monsieur le ministre. Il est à espérer que cette circulaire, comme vous l'avez dit, soit un malentendu. Espérons que cette menace qui plane sur les militaires soit levée parce qu'ils ont le droit de se positionner, de s'exprimer sur leurs droits sociaux et leurs droits démocratiques. Ici dans ce Parlement, nous devons les soutenir. Ils peuvent s'opposer à votre réforme des pensions, à votre politique au sein de la Défense, à vos choix d'achats militaires. Ils ont le droit de le faire. Je ne comprends pas cette circulaire et votre réponse laisse planer le doute. J'espère que ce malentendu sera réglé rapidement pour que nos militaires puissent s'exprimer et exercer leurs droits à la liberté d'expression.

Pour conclure, monsieur le président, je dois quitter la commission, non par manque d'intérêt pour ce qui suit, mais parce que la Conférence des présidents a commencé voici quatre minutes. Et je dois absolument y aller.

Voorzitter:

Geen probleem, mijnheer Boukili.

Rajae Maouane:

Monsieur le ministre, je vous remercie de votre réponse qui ne me rassure pas totalement. Je dois bien l'avouer. Nous savons que la neutralité de l'armée est une exigence légitime, mais cela ne signifie pas qu'elle soit un silence imposé ni, encore moins, la surveillance et la sanction des opinions dans un État de droit . Sanctionner des propos comme des menaces et des insultes sexistes, racistes ou encore homophobes est quelque chose de logique. Envoyer des ultimatums à des militaires qui critiqueraient des politiques gouvernementales constitue, en revanche, une dérive inquiétante et dangereuse. On ne peut pas, d'un côté, appeler à la loyauté et à l'engagement des militaires et, de l'autre, réprimer leur parole, surtout quand elle dérange. La confiance ne se décrète pas, mais se construit dans le respect, surtout des militaires et de leurs opinions – même quand elles sont contraires à la politique gouvernementale. Nous resterons donc attentifs à ce que les militaires soient respectés dans leur travail, mais aussi dans l'expression de leur opinion, bien évidemment dans le respect de l' É tat de droit.

De Medische Component en het Militair Hospitaal Koningin Astrid
De Medische Component en de toekomst van het Militair Hospitaal
De toekomst van het Militair Hospitaal en het Brandwondencentrum
Toekomst van de Medische Component, Militair Hospitaal en Brandwondencentrum

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 16 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de toekomst van de Belgische Composante Médicale en het militair hospitaal in Neder-Over-Heembeek, met name de specialisatie in grootschalige brandwonden en het geplande Medical Hub-project (2038). Kritiekpunten zijn het ontbreken van concrete plannen, investeringen en visie van de minister, ondanks de internationaal erkende expertise (bv. brandwondencentrum, hyperbare kamer) en cruciale rol bij rampenhulp en militaire missies. Parlementsleden benadrukken onrust bij personeel door vaagheid, terwijl de minister prioriteit geeft aan defensiegerichte zorg met mogelijke civiele samenwerking, maar geen duidelijke toezeggingen doet over behoud of uitbreiding van capaciteiten. De dringende vraag om transparantie en middelen blijft onbeantwoord.

Christophe Lacroix:

Monsieur le président, vous remarquerez que même un socialiste wallon travaille. (Rires)

Voorzitter:

U mag ook verwijzen naar uw schriftelijk ingediende vraag om wat snelheid te maken.

Christophe Lacroix:

Non. C'est une question importante, comme beaucoup d'autres questions de collègues. Mais celle-ci est, quelque part, une grande absente de votre vision stratégique: c'est la Composante Médicale.

La Composante Médicale joue un rôle crucial pour la Défense et nos militaires, tant en Belgique que sur les théâtres d'opération. Sans cet appui médical interne et son expertise spécifique aux particularités de la fonction militaire, les missions de la Défense ne pourraient tout simplement pas être remplies.

Un de vos prédécesseurs a tenté de privatiser certaines missions, notamment médicales. On sait toutes les problématiques que cela pouvait poser.

L'hôpital royal militaire de Neder-Over-Heembeek joue un rôle essentiel au regard des missions d'aide à la nation. Sa spécialisation des grands brûlés est reconnue à l'international. Son caisson hyperbare joue lui aussi un rôle central dans la politique de soins de l'hôpital, et dans les aides que la Belgique peut offrir à ses alliés. Des soldats ukrainiens ont d'ailleurs été soignés à Neder-Over-Heembeek.

Vous avez présenté votre vision stratégique en commission. Nous y voyons plus clair sur vos intentions en la matière. Le Medical Hub sera l'avenir de la Composante Médicale et de son site de Neder-Over-Heembeek, mais ce sera la seule à ne pas devenir une force le 21 juillet.

Selon moi, notre pays a besoin d'un hôpital militaire bien actif, aussi pour faire face à certaines catastrophes sur notre territoire national et à l'étranger.

Monsieur le ministre, pouvez-vous faire le point sur votre vision des tâches, effectifs et spécialisations de la Composante Médicale? Quels investissements sont prévus? Quelles sont vos ambitions en matière d'effectifs de la Composante?

Quelle est votre vision de l'hôpital Reine Astrid, sur son site bruxellois? Des investissements sont-ils prévus? Quelle collaboration envisagez-vous avec le secteur civil hospitalier bruxellois? Plus spécifiquement, quelle est votre vision sur l'avenir de la spécialisation "grands brûlés" de l'hôpital, mais aussi de ses autres tâches pouvant servir à l'aide à la nation en cas de catastrophe? Comment s'articulera le futur Medical Hub avec les missions de l'hôpital?

Staf Aerts:

Mijnheer de minister, het militair hospitaal van Neder-Over-Heembeek is al meer dan 40 jaar in gebruik. Dat betekent dat een deel van de infrastructuur intussen ook meer dan 40 jaar oud is. Dat geldt natuurlijk niet voor alles. Het brandwondencentrum werd bijvoorbeeld in 2010 vernieuwd.

Twee jaar geleden werd het project Medical Hub voorgesteld, met als doel het militair hospitaal tegen 2038 volledig te transformeren. Een deel van mijn vragen gaat daarover, maar uiteraard ook over het brandwondencentrum, dat een zeer belangrijke rol speelt, niet alleen binnen dat militaire hospitaal dat het huisvest, maar ook binnen België en zelfs heel Europa. Het centrum beschikt immers over een derde van alle brandwondenbedden en -zorg. Die zorg wordt daar voor België geconcentreerd. De consultatieafdelingen behandelen jaarlijks ongeveer 14.000 consultaties. Het is een van de grootste Europese brandwondencentra. Daardoor kunnen wij bij vrijwel elke grootschalige ramp onze buurlanden en andere Europese landen bijstaan.

Toch zijn er een aantal verontrustende signalen over de toekomst van dat brandwondencentrum. Vandaar deze reeks vragen.

Welke toekomst ziet u voor het militair hospitaal in Neder-Over-Heembeek? Wat is de stand van zaken van het project Medical Hub? Zult u dat voortzetten of heroriënteren? Wat is uw ambitie daaromtrent? Welke toekomst ziet u voor het brandwondencentrum van het militair hospitaal? Komen er extra investeringen voor het brandwondencentrum of moet het zich aan besparingen verwachten? Zult u ervoor zorgen dat het zijn belangrijke rol in België en in Europa kan blijven vervullen?

Theo Francken:

La Défense va se concentrer en priorité sur les besoins de la défense collective et les besoins de la défense nationale qui découlent du contexte géopolitique actuel. Le concept du Medical Hub permettra de s'intégrer dans cette approche en offrant des capacités orientées vers les militaires opérationnels, qui pourront en cas de nécessité également servir à la nation et aux civils. En outre, la Composante Médicale continuera à coopérer étroitement avec les acteurs civils du domaine des soins de santé.

De medische functies in de toekomstige Medical Hub van de medische component zullen in de komende maanden nog in detail gedefinieerd moeten worden. Ik begrijp uw nervositeit. Er is nog geen Strategische Visie; er is nog geen beslissing.

Christophe Lacroix:

Merci monsieur le ministre. Vous êtes toujours très bref dans vos réponses. C'est un peu dommage.

J'insiste particulièrement pour que l'expertise internationalement reconnue de notre Composante Médicale et de l'hôpital soit maintenue, valorisée et améliorée, pour autant que ce soit nécessaire. Il faut qu'on ait la volonté d'y investir, d'y consacrer les moyens nécessaires.

Monsieur le président, il pourrait être intéressant, dans le cadre des visites des différentes Composantes qui vont devenir des forces, de visiter l'hôpital militaire et d'avoir un contact avec la Composante Médicale.

Voorzitter:

Ik zou graag ook een aanzet willen geven om werkbezoeken te kunnen organiseren en die niet telkens te moeten annuleren.

Staf Aerts:

Mijnheer de minister, u hebt een heel kort antwoord gegeven. Ik krijg stilaan het gevoel dat zodra het over wapenaankopen gaat waarvoor u veel geld wilt vrijmaken, wij uitgebreide antwoorden krijgen. Zodra het echter wat moeilijker wordt, blijven antwoorden uit. Bij de vraag over het sociaal overleg vorige week duurde het antwoord 40 seconden. Nu krijgen wij opnieuw een bijzonder kort antwoord, met onrust tot gevolg. Voor mij hoeft u het niet te doen. Het gaat niet om mijn onrust. Het gaat om de onrust van het personeel in het militair hospitaal. Het gaat om de onrust bij het personeel van het brandwondencentrum. Het gaat om de bezorgdheid van de medewerkers die zien welke rol het brandwondencentrum opneemt in België en in Europa. Zij zijn ongerust. Het is voor hen dat u beter wel antwoorden zou formuleren of hun op zijn minst een idee zou geven van de richting die u uit wilt. Op deze manier voedt u die onrust alleen steeds meer. Als het om positief nieuws gaat, krijgen wij hier een uitvoerige toelichting en wordt er op Twitter, in de kranten en overal gecommuniceerd. Als het echter wat moeilijker dreigt te worden, antwoordt u dat wij nog een visie zullen krijgen en dat wij niet ongerust hoeven te zijn. Ik word van dergelijke antwoorden alleen maar ongeruster.

Het gebruik van Microsoft 365-software bij Defensie

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 16 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De Defensie gebruikt Microsoft 365 enkel voor ongeclassificeerde gegevens, terwijl strikt vertrouwelijke ("top secret") data fysiek geïsoleerd worden beheerd op afgesloten systemen zonder cloudtoegang, om maximale beveiliging te garanderen. Francken bevestigt dat deze scheiding voldoet aan de hoogste veiligheidseisen en elimineert risico’s zoals externe inbreuk of gegevenslekken via clouddiensten. De software wordt wel breed ingezet voor niet-gevoelige communicatie en administratie binnen verschillende defensie-onderdelen. De vraag over mogelijke Amerikaanse invloed of datalekken wordt hiermee ontkracht door strikt protocol.

François De Smet:

Il me revient que dans le cadre d’une procédure de recrutement au sein du SGRS (ndlr: Information Manager pour le Cyber Command) le profil de fonction exige de bonnes connaissances des environnements M 365 de Microsoft, plateforme de productivité basée sur le cloud.

Or, dans le contexte géopolitique actuel et le comportement pour le moins versatile de l’administration Trump et des collusions possibles entre Microsoft et l’armée américaine, il apparaît peut-être imprudent pour notre armée d’utiliser pareils logiciels, sans protection de données et sans garantie de confidentialité des informations

Cette considération a d’autant plus de sens que pour les fonctions au sein du SGRS, afin d' être engagé, le candidat doit être en possession d’une habilitation de sécurité « très secret “

En conséquence, Monsieur le Ministre peut-il me faire savoir:

si il peut confirmer que l’utilisation de ces logiciels est revêtue de la protection informatique la plus haute, au regard des données top secret qui peuvent y être collectées et partagées?

si ce logiciel est utilisé par d’autres services de la Défense, si oui lesquels?

Theo Francken:

Monsieur De Smet, l'environnement Microsoft 365 fait partie de la bureautique standard utilisée par la Défense, mais uniquement pour le traitement de données non classifiées. Celles qui sont classifiées sont exclusivement gérées sur des plateformes physiquement séparées d'internet et donc de tout service Cloud, y compris celui de Microsoft. Cela garantit que celles-ci bénéficient des plus hauts niveaux de sécurité exigés par la Défense.

Microsoft 365 est mis à disposition de divers services pour les besoins courants de communication, de collaboration et de gestion de documents non sensibles.

François De Smet:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse brève mais, pour le coup, claire et suffisante.

De lange doorlooptijd voor veiligheidsmachtigingen

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 16 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Axel Weydts kaart aan dat veiligheidsmachtigingen bij Defensie te lang duren (1 jaar ipv 6 maanden), wat risico’s vormt voor de aanwervingsgolf en operationele inzetbaarheid, en vraagt om extra capaciteit bij de ADIV om vertragingen te voorkomen. Minister Francken bevestigt de toegenomen werklast door meer instroom en belooft versterking (personeel, digitalisering, materiaal) om de doorlooptijd in te korten, maar erkent dat dit nog niet afgerond is. Beide benadrukken het urgente belang om vertragingen te vermijden, vooral voor reservisten en nieuwe rekruten met toegang tot gevoelige informatie. De kwestie blijft een topprioriteit, maar concrete oplossingen zijn nog in uitvoering.

Axel Weydts:

Het belang van veiligheidsmachtigingen hoef ik wellicht niet te onderstrepen. Het is essentieel dat personeel dat met gevoelige informatie en materieel omgaat, grondig gescreend wordt en over de vereiste machtigingen beschikt. In die zin is het goed dat er voldoende tijd genomen wordt om die screening op een degelijke manier uit te voeren.

Mijn aandacht werd recent getrokken door de vernieuwing van mijn eigen veiligheidsmachtiging, die een jaar in beslag heeft genomen. Normaal duurt een dergelijke procedure voor een machtiging op het niveau ‘geheim’ ongeveer zes maanden. In mijn geval was dat dus dubbel zo lang, maar ik maak ook slechts deel uit van de reserve en begrijp zeer goed dat de ADIV prioriteiten stelt. Het is logisch dat iemand met mijn profiel niet met dezelfde urgentie wordt behandeld als een dagelijks operationele militair. Dat staat buiten kijf. Toch vond ik een doorlooptijd van een jaar opmerkelijk.

Mijnheer de minister, ik ben vooral ongerust omdat Defensie immers voor een aanzienlijke aanwervingsgolf staat, ook binnen de territoriale reserve. Daarbij zullen eveneens mensen instromen die in aanraking komen met gevoelige informatie en materieel. Ik vrees dat als er geen extra capaciteit wordt voorzien bij de dienst die instaat voor de veiligheidsmachtigingen, de doorlooptijd nog verder zal toenemen.

Mijn vraag is dan ook eenvoudig: bent u bereid extra capaciteit toe te voegen aan die dienst, zodat we geen ernstige bottleneck creëren? Een lange wachttijd is niet alleen frustrerend voor het personeel, maar heeft ook een negatieve impact op de operationele inzetbaarheid.

Theo Francken:

Iedere burger of militair die bij Defensie in dienst treedt, wordt onderworpen aan een screening. Daarbij wordt nagegaan of de betrokkene het geschikte profiel heeft om bij Defensie te kunnen werken. Daarnaast is voor functies met toegang tot geclassificeerde informatie een bijkomend veiligheidsonderzoek vereist. Na een positief resultaat van dat onderzoek verkrijgt men een veiligheidsmachtiging, die onder bepaalde voorwaarden toegang verleent tot die geclassificeerde informatie.

Door de verhoogde instroom van personeel bij Defensie is de werklast bij de diensten van de Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid, die verantwoordelijk zijn voor de screening en de veiligheidsmachtigingen, inderdaad toegenomen. De verdere versterking van onze diensten – met bijkomend personeel, extra ondersteunend materiaal en verdere digitalisering van de werkprocessen – is instrumenteel om de doorlooptijd van de procedures zo kort mogelijk te houden. We volgen dit dan ook nauwgezet op. We zijn er nog niet, maar het blijft een prioriteit.

Axel Weydts:

Dank u wel voor uw antwoord. Goed dat het een prioriteit is, het mag geen bottleneck worden.

De psychosociale begeleiding van militairen en burgerpersoneel bij Defensie

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 16 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Francken benadrukt dat personeelswelzijn centraal staat in Defensie, met een geïntegreerde ondersteuningsplatform (DG H&WB) voor psychologische, sociale en morele begeleiding, inclusief 180 vertrouwenspersonen verspreid over alle eenheden. Er lopen preventieacties tegen burn-out, zelfdoding (via een werkgroep) en attritie, met aankomende richtlijnen voor leidinggevenden, terwijl de Composante Médicale gespecialiseerd zorg aanbiedt via psychiaters, psychologen en verpleegkundigen, ook in het buitenland. Hij bevestigt dat extra middelen en werving worden onderzocht om de groeiende personeelsbehoefte (inclusief reservisten) op te vangen, in lijn met het Plan POP voor betere arbeidsomstandigheden.

Christophe Lacroix:

Monsieur le ministre, le suivi psychosocial des militaires et civils de la Défense est évidemment une question essentielle. La Défense se doit d'être un employeur exemplaire et de s'assurer du bien-être de son personnel qu'il soit en opération ou en Belgique.

Les fonctions de la Défense impliquent évidemment une implication très importante avec des conséquences tangibles sur la vie familiale, les déplacements domicile-travail ou sur le besoin de déconnexion.

Ce défi est d'autant plus important au regard des importants engagements à venir que ce soit pour le personnel militaire, civil ou la réserve. Ces objectifs importants en matière d'engagements impliquent une pression accrue sur le personnel de la Défense actuel pour suivre les procédures de recrutements et de formation. La lutte contre l'attrition est notamment à prendre en compte dans ce cadre ce qui nécessite un encadrement ad hoc et des effectifs suffisants en matière de procédure de lanceurs d'alerte et de personnes de confiance. Le prolongement de la carrière des militaires décidée par le gouvernement aura aussi des conséquences à ne pas sous-estimer.

Le Plan POP adopté par votre prédécesseuse mettait en avant toute une série d'initiatives, en concertation avec les syndicats militaires, afin d'améliorer les conditions de travail et de dégager des moyens budgétaires suffisants afin de réaliser ses objectifs.

Monsieur le ministre, pouvez-vous me faire le point sur les moyens dégagés afin de mettre en œuvre le suivi psycho-social et les objectifs du plan pop afin d'améliorer les conditions de travail des militaires?

Quelle attention particulière est apportée à la lutte contre le burn out, la prévention du suicide, l'attrition et les conséquences de la prolongation de la carrière des militaires? Combien de personnes de confiance compte la Défense et y-en-a-t 'il dans l'ensemble des quartiers militaires?

Au sein de la Composante Médicale, quelle expertise est développée en la matière? Des moyens supplémentaires sont-ils prévus alors que les effectifs militaires et civils mais aussi de la réserve sont amenés à largement augmenter?

Je vous remercie d'avance pour vos réponses.

Theo Francken:

Depuis ma prise de fonctions, j'ai répété à de multiples reprises que le personnel était au cœur de l'organisation. Sans personnel militaire et civil, la Défense ne peut pas fonctionner. La santé et le bien-être du personnel est d'une importance primordiale. La Défense dispose d'un service psychologique, social, moral et religieux réunis dans une plateforme de soutien composée d'un réseau de prévention, de soins et d'interventions adaptées. Cette plateforme est au service du personnel et de la ligne hiérarchique au sein du directorat général Health & Well-being (DG H&WB). Une politique de résilience pour faire face, entre autres, au burn-out et à l'attrition est en cours d'élaboration.

Au sein de la Défense, ilexiste également d'un groupe de travail "prévention suicide". Des journées de sensibilisation sont organisées dans tous les quartiers, tout comme des campagnes de prévention. Une instruction détaillée avec les Do's and Don'ts pour les chefs de corps sera officialisé bientôt. À ce jour, la Défense dispose de 180 personnes de confiance réparties dans toutes les unités.

Au sein de la Composante Médicale, le centre de santé mentale est composé de psychiatres et de psychologues cliniciens, psychothérapeutes et infirmiers spécialisés en santé mentale. Le centre de santé mentale a pour mission de fournir au personnel de la Défense une offre complète et holistique de soins et santé mentale, tant en Belgique que dans les opérations à l'étranger. Pour faire face à l'augmentation importante des effectifs de la Défense dans les années à venir, une demande de recrutement supplémentaire est à l'étude.

Christophe Lacroix:

Monsieur le ministre, merci pour votre réponse.

De sociale onderhandelingen
Het sociaal overleg over het statuut van de militairen
Het sociaal overleg en onderhandelingen over arbeidsvoorwaarden

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 16 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de eenzijdige verlenging van militaire loopbanen en het gebrek aan transparantie over de onderhandelingen, waarbij Lacroix kritiseert dat defensiepersoneel onvoldoende wordt verdedigd in pensioenbesprekingen met minister Jambon (Pensioenen). Francken bevestigt bilaterale gesprekken en een nabij sociaal akkoord, maar ontwijkt concrete antwoorden over wie de militaire belangen behartigt en waarschuwt voor gevoelige onderhandelingen. Lacroix vreest dat eventuele afspraken met syndicaten – zoals eerder bij politie mislukte – zonder regeringsteun of budget leeg zullen blijken, vooral rond pensioenleeftijd.

Christophe Lacroix:

Monsieur le ministre, une nouvelle fois, je vous ai interrogé la semaine dernière quant à l'allongement des carrières des militaires, décidé unilatéralement par ce gouvernement. Force est de constater que votre réponse était particulièrement lacunaire. Vous vous montrez beaucoup plus prolixe lorsqu'il s'agit de parler d'achats militaires ou de pourcentage du PIB, que pour parler de la situation sociale dramatique au sein de la Défense et des inquiétudes légitimes qui en découlent. Je n'ai ainsi obtenu aucune réponse quant à savoir si un représentant de votre cabinet ou de la Défense était autour de la table des négociations menées par votre collègue Jambon.

Nous en apprenons davantage dans une communication interne de la Défense signée par vous-même et le Chef de la Défense (CHOD). Rien ne serait encore décidé. Cependant, le Service fédéral des Pensions œuvrerait à l'élaboration d'un cadre légal conforme à l'accord de gouvernement. L'impact serait différent pour chaque individu. C'est pourquoi la Défense travaillerait en parallèle à l'élaboration d'un accord social visant une révision du statut. Celui-ci permettrait d'introduire des mesures mettant en valeur la spécificité de la profession militaire et garantissant l'opérationnalité de la Défense. L'objectif est que les deux processus avancent en parallèle.

En conclusion de cette communication, vous parlez de votre engagement total: "Ensemble, en tant que ministre de la Défense et Chef de la Défense, nous veillerons à ce que tous les éléments essentiels de ce dossier soient dûment pris en compte dans les débats à venir."

Monsieur le ministre, je vous réitère donc mes questions. Qui participe aux réunions au cabinet du ministre des Pensions sur la pension des militaires? Quelqu'un de votre cabinet ou de la Défense est-il chargé de défendre nos militaires ou sont-ils laissés en plan? Quelles ont été les conclusions de vos rencontres avec les différents vice-premiers? Quels éléments sont-ils sur la table des négociations avec les syndicats militaires que vous aurez cette semaine?

Theo Francken:

Merci beaucoup. Il y a eu beaucoup de négociations bilatérales avec le cabinet des Pensions. J'ai parlé beaucoup avec mon collègue et cher ami Jan sur ce dossier. J'espère avoir presque un accord social. Presque. Encore quelques jours. Mais je ne donne pas de commentaires parce que, comme vous le savez, les discussions et les négociations syndicales sont très sensibles. Alors, je ne vais pas les commenter dans la presse parce que, autrement, c'est la misère totale. Et j'espère éviter ça. C'est déjà difficile avec l'augmentation de l'âge de pension.

Christophe Lacroix:

Je comprends une partie de vos raisons pour dire "je ne vais pas trop parler". Vous auriez pu me dire qu'il y a des membres de mon cabinet qui participent de manière générale aux négociations avec le ministre Jambon. Vous avez dit avoir des discussions bilatérales, mais lors des négociations qui vont avoir lieu ou qui ont lieu avec le ministre des Pensions, est-ce que vous êtes représenté? Qui prend la défense des militaires? Vous n'avez pas répondu à ma question. Vous me dites que vous allez négocier un accord social et qu'un accord social, c'est compliqué à négocier. Il faut être prudent. Il faut être prudent dans vos engagements vis-à-vis des syndicats. Mais pourquoi êtes-vous prudent? Parce qu'un accord social n'est contraignant qu'à partir du moment où l'accord social est approuvé par le gouvernement dans son entièreté.

S'il est approuvé par vous-même, cela ne contraint en rien le gouvernement. Nous avons connu des accords sociaux négociés par Mme Verlinden quand elle était ministre de l'Intérieur. Elle devait améliorer, à travers son accord social, le statut des policiers. Finalement, rien n'en est sorti et les policiers n'ont rien vu venir parce qu'elle s'est engagée sans avoir l'aval de son gouvernement, sans crédits supplémentaires et sans moyens pour permettre de mettre en œuvre concrètement son accord social. Et donc, ma grande crainte, c'est qu'effectivement, finalement, vous n'arriviez pas à faire accepter vos mesures négociées avec les syndicats dans l'accord social, car cet accord social sera bloqué par le gouvernement et je suis convaincu que dans les grands deals qui seront faits, vous n'obtiendrez pas ce que les syndicats demandent et ce que les militaires demandent, notamment en matière d'âge de la retraite.

Voorzitter:

Vraag nr. 56007077C van de heer Aerts wordt omgezet in een schriftelijke vraag.

De anonimiteit van het militaire personeel bij openbare events

Gesteld door

lijst: N-VA Koen Metsu

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 16 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Francken bevestigt dat Defensie tijdens de 21-juliviering gezichten van militairen deeltijds bedekt met *buffs* om AI-gestuurde gezichtsherkenning (o.a. via live-uitzendingen en sociale media) tegen te gaan, gezien de groeiende hybride dreigingen (Rusland, China, Iran). Hij benadrukt dat hij sinds zijn aantreden alle herkenbare beelden van Belgische militairen verbiedt—zelfs in Kosovo—terwijl bondgenoten dat nog niet doen, maar voorspelt dat zijn aanpak binnen vijf jaar standaard zal zijn. Metsu steunt de maatregelen en hoopt op navolging door andere landen. Kritiek richt zich op eerdere onvoorzichtige mediabelichting door vorige bewindslieden.

Koen Metsu:

Ik verwijs naar de tekst van mijn vraag zoals ingediend. Indien het antwoord van de minister niets meer zegt dan wat ik vandaag in de krant heb gelezen, is dat antwoord niet nodig. Indien er toch nieuwigheden te melden zijn, hoor ik dat graag.

Geachte minister, met de toenemende dreiging vanuit de Russische Federatie worden we niet alleen geconfronteerd met een conventionele manier van oorlogsvoeren maar ook met de digitale variant die vaak wordt aangeduid als “hybride".

De veiligheidsdiensten zijn zich ook bewust van gelijkaardige spionageacties die uitgaan vanuit de Volksrepubliek China en landen zoals Iran. De veiligheid van onze militairen en vooral hun anonimiteit zijn hierbij cruciaal: enige tijd geleden werd ook gevraagd aan het personeel om bijvoorbeeld geen TikTok of Strava (sportapp) te gebruiken.

Naar aanleiding van het opkomende defilé – wat een openbaar en gemediatiseerd event is en dus risico's inhoudt - verneem ik graag meer informatie.

Welke maatregelen wil u nemen om de identiteit van onze militairen tijdens openbare plechtigheden te beschermen?

Voor welk personeel zullen deze gelden en op welk tijdstip?

Dank voor uw antwoorden.

Theo Francken:

Mijnheer Metsu, ik wil deze vraag heel graag beantwoorden.

Op 21 juli tonen we de paraatheid van onze krijgsmacht, maar wie goed kijkt, zal merken dat een deel van onze eenheden een buff draagt, een tactische sjaal die het gezicht tot net onder de ogen bedekt. Ik heb overigens begrepen dat de PVDA stelt dat die zelf moet worden betaald, maar dat heb ik even gecheckt en het is niet juist. Het is geen stijlkeuze, maar een bewuste veiligheidsmaatregel. In tijden van artificiële intelligentie en geavanceerde videotechnologie is discretie letterlijk van levensbelang geworden.

De parade wordt live uitgezonden en blijft online beschikbaar. Wat vroeger een vluchtige momentopname was, wordt vandaag blijvend en doorzoekbaar materiaal. Door de opkomst van krachtige AI-systemen en supercomputers is het vandaag technisch perfect mogelijk om gezichten te detecteren, te herkennen en te linken aan digitale identiteiten, ook bij matige beeldkwaliteit of gedeeltelijke bedekking. Ik ben trouwens ook blij en verheugd om te lezen dat verschillende IT-experts dat vandaag bevestigen. In verschillende media is hun advies gevraagd en ze zeggen allemaal exact hetzelfde als wat ik binnen Defensie al een tijd zeg.

U zult zich herinneren dat ik mij in de vorige legislatuur meermaals druk heb gemaakt over het feit dat onder andere de minister van Defensie, die mij daarnet daarover de les kwam spellen, niet liever deed dan militairen zichtbaar en herkenbaar in beeld te brengen op haar eigen fora en op haar eigen platformen, op sociale mediaplatformen, ook op TikTok, Chinese psyops. Ze deed dat samen met de premier. Meermaals heb ik toen gezegd dat dat onvoorzichtig is, dat ze die mensen alleen maar ter meerdere eer en glorie van zichzelf online zette en dat ze op zijn minst het fatsoen mocht hebben om ofwel die mensen van achteren gezien te fotograferen ofwel om hen te blurren. Dat heb ik meermaals aangekaart.

Nu mag u op zoek gaan naar één foto die sinds mijn aantreden door Defensie gepost is. U zult die niet vinden, omdat ik de opdracht heb gegeven toen ik pas aantrad als minister. Dat is een van de eerste maatregelen die ik heb genomen: stop daarmee, toon mensen niet nodeloos. Het is geheel niet nodig om iemands gezicht in beeld te brengen. Nochtans is mij daarover nooit een vraag gesteld, al vervul ik deze functie nu vijf maanden. Dat betekent dat het weinigen is opgevallen. Meer nog, vorige week was ik in Kosovo en daarvan zijn foto's gepubliceerd met de Luxemburgse en Nederlandse militairen in het gezicht herkenbaar, maar de Belgische militairen zijn geblurd op mijn instructie. Die opdracht wordt zeer goed uitgevoerd, waarvoor dank aan de mensen van StratCom.

Dat anderen dat niet doen, is hun probleem. Dat is niet mijn verantwoordelijkheid. Ik vind het niet wijs om te doen. Ik vind het trouwens bizar om op een foto verschillende militairen samen in Kosovo te zien opereren, sommigen met het gezicht herkenbaar en sommigen niet. Ik kan echter niet beslissen over Nederlandse of Luxemburgse militairen, evenmin over Franse of Duitse defilés.

Mijn beslissing is alvast duidelijk en ik zal doen wat ik denk te moeten doen. Als anderen dat niet leuk vinden of zeggen dat men dat in andere landen niet doet, dan antwoord ik dat wat ik hier zeg, binnen vijf jaar overal zal worden toegepast. Daar ben ik voor honderd procent zeker van.

De parade wordt live uitgezonden. Gezichtsherkenningstools, zoals Clearview (…)

Voorzitter:

Kunt u afronden, mijnheer de minister? De spreektijd is om.

Theo Francken:

Voor het overige verwijs ik naar mijn toelichting.

Voorzitter:

Mijnheer de minister, ik kan trouwens in alle neutraliteit bevestigen dat u zich daar in het verleden meermaals aan hebt geërgerd.

Koen Metsu:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. De nieuwe weg die de Belgische Defensie inslaat, is heel bevattelijk en begrijpelijk. Laten we hopen dat de bondgenoten uw wijs advies zullen opvolgen. Voor het overige kijk ik uw toelichting tegemoet.

De medische screening van kandidaat-militairen

Gesteld door

lijst: N-VA Koen Metsu

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 16 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Defensie wijst 24% van de kandidaten af op medische of psychologische gronden, volgens strikte criteria uit een koninklijk besluit, maar minister Francken wil deze normen moderniseren om uitsluitingen te verminderen en het wervingsdoel (40.000 militairen) te halen. Fysieke afwijkingen leiden niet automatisch tot uitsluiting, maar bepaalde aandoeningen wel; afgewezen kandidaten kunnen wel burgerfuncties bij Defensie bekleden. Metsu benadrukt dat strenge selectie (bv. voor infanterie) noodzakelijk is, maar pleit voor flexibelere criteria per rol (bv. verplegers). Het "pinkverhaal" (media-aandacht voor een afgewezen kandidaat) toont de spanning tussen talentbehoud en selectiestrengheid.

Koen Metsu:

Mijnheer de minister, in de beleidsnota hebt u duidelijk benadrukt dat Defensie op zoek moet gaan naar nieuw en jong talent. Er zijn daartoe al verschillende initiatieven genomen. Ik denk bijvoorbeeld aan de pop-upstore in Leuven. Ik denk ook aan de sensibiliseringsbrief naar onze achttienjarigen. Blijkbaar werpen die initiatieven al vruchten af, want het aantal aanvragen zit in de lift.

Om na te gaan of kandidaten geschikt zijn voor een carrière bij Defensie, wordt een screening georganiseerd, en dat is maar goed ook. We vernemen nu echter dat de redenen waarom kandidaten niet worden weerhouden nogal strikt worden geïnterpreteerd, terwijl die kandidaten misschien wel geschikt konden zijn voor andere functies.

Ik stel deze vraag natuurlijk naar aanleiding van het 'pinkverhaal', dat we deze week hebben kunnen lezen. Het komt erop aan om talent aan te trekken en te behouden.

Ik heb daarover drie korte vragen.

Welk percentage van de kandidaten werd sinds uw aantreden geweigerd op medische of psychologische gronden?

Betekent dit dat kandidaten met een fysieke afwijking de facto uitgesloten worden van het traject om militair te worden?

Overweegt u om voor bepaalde kandidaten na te gaan of zij – naast het klassieke pad – misschien wel geschikt zijn voor een andere rol binnen Defensie?

Theo Francken:

Mijnheer Metsu, in het wervingsjaar 2025 werd 24,35 % van de sollicitanten – dus ongeveer een op de vier – voor een functie als kandidaat-militair van het actief kader of als kandidaat-reservist uitgesloten wegens het niet slagen voor een of meerdere selectietesten. Kandidaten met een fysieke afwijking worden niet de facto uitgesloten. Sommige aandoeningen of ingrepen kunnen echter wel uitsluitingsfactoren zijn.

Een sollicitant die uitgesloten wordt voor functies als militair kan altijd via werkenvoor.be solliciteren voor een functie als burger bij Defensie. Over concrete gevallen van uitsluiting als kandidaat-militair kan ik hier uiteraard niets zeggen, wegens het medisch geheim. Ik kan echter wel meegeven dat de normen waaraan moet worden voldaan en de aandoeningen die aanleiding geven tot uitsluiting opgenomen zijn in een koninklijk besluit dat Defensie moet toepassen.

Die criteria indachtig nemen de artsen die verantwoordelijk zijn voor de selectie in eer en geweten een beslissing over de (on)geschiktheid van een kandidaat. In geval van een medische uitsluiting proberen zij die boodschap op een empathische manier over te brengen, al ben ik er mij terdege van bewust dat het hard aankomt wanneer een jonge man of vrouw te horen krijgt dat zijn of haar droom uiteenspat. Elke kandidaat die wordt uitgesloten, heeft trouwens het recht om een beroepsprocedure op te starten.

Tot slot wil ik nog melden dat we werken aan een nieuw KB ter zake, waarmee we de procedure willen aanpassen aan de hedendaagse omstandigheden. Hopelijk leidt dat ertoe dat er minder kandidaten medisch worden uitgesloten. Ik denk echt dat er wat aanpassingen nodig zijn. Die opdracht heb ik gegeven. Dat voorstel komt binnenkort naar het Parlement of met een KB naar de regering. Ik zal daar dan toelichting bij laten geven.

Wat deze casus betreft, die ligt misschien toch wat anders dan wat er in de krant stond, zoals zo vaak het geval is. Ik geef echter verder geen commentaar op individuele gevallen. Dit jaar werd dus ongeveer 24 % uitgesloten. Het selectiejaar is net afgesloten, dus dat is toch behoorlijk veel. Eigenlijk zou dat cijfer naar beneden moeten kunnen.

Voorzitter:

Is er iemand die het woord vraagt voor een persoonlijk feit?

Koen Metsu:

Collega Axel Weydts en ikzelf hebben die medische screening ook mogen ondergaan. Dat was indrukwekkend. De screening ging door in Neder-Over-Heembeek. Het was niet van de poes. Het is niet zomaar snel even een gezichts- en gehoortest. Ook de tanden worden gecontroleerd. De ruggengraat moet kaarsrecht zijn. Er worden fysieke testen afgenomen enzovoort.

Ik vind dat goed. Ik vind het oprecht goed dat de lat relatief hoog gelegd wordt. Every soldier is a rifleman , zoals men zegt. Dat vraagt ook wel wat van iemand. Natuurlijk ben ik blij dat u ook bereid bent – aangezien we het contingent moeten verhogen en aanpassen – om het KB of het kader enigszins aan te passen. Waarom? Omdat ik ook wel denk dat er varianten zijn. Iemand die verpleging wil gaan doen bij Defensie zal mogelijk aan andere voorwaarden moeten voldoen dan iemand die infanterist wil worden.

Veel succes daarmee. Ik heb begrepen dat we willen evolueren naar een leger van 40.000 militairen. Die aanpassing is dus broodnodig. De lat mag daarbij niet te laag gelegd worden.

Voorzitter:

Collega's, we zijn aan het einde gekomen van onze vragensessie en, vermoed ik, ook van ons werkjaar. Iedereen bedankt voor de volgehouden aandacht. Ik kan u garanderen dat het volgende werkjaar bijzonder actief en bijzonder druk zal worden. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 13.14 uur. La réunion publique de commission est levée à 13 h 14.

De steun van de minister van Justitie voor de gerechtelijke actoren
Het hefboomplan om dringende problemen bij Justitie aan te pakken
Het actieplan voor de magistratuur
Het 'hefboomplan'
Het hefboomplan en de langetermijnvisie
De actie van het openbaar ministerie
Hervormingsplannen en acties voor de gerechtelijke sector

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 16 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De chronisch onderfinancierde justitie staat op instorten door personeelstekorten, achterstallige betalingen (o.a. aan experts), verouderde infrastructuur en een gebrek aan veiligheid, wat leidt tot onzekere dienstverlening en massale protesten van magistraten sinds april. Minister Verlinden presenteerde een kortetermijn-"hefboomplan" (€21 miljoen voor 113 nieuwe magistraten, veiligheidsmaatregelen, taalpremies, maaltijdcheques en beperkte gebouwrenovaties), gefinancierd binnen bestaande budgetten (inclusief middelen uit het Paasakkoord en veiligheidsprovisies), maar kritiek blijft dat dit onvoldoende en niet-structureel is. De kernproblemen—pensioenhervormingen, digitale achterstand, overbevolkte gevangenissen en een budgettair tekort van 6,5% BBP tegen 2029—blijven onopgelost, terwijl de rechterlijke orde eist dat de overheid dringend structurele oplossingen vindt, zoals een Staten-Generaal voor Justitie (waarin wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht samenwerken). De minister belooft langetermijndialoog, maar concrete extra middelen ontbreken, en parlementaire controle wordt belemmerd doordat het Openbaar Ministerie sinds april weigert parlementaire vragen te beantwoorden.

Khalil Aouasti:

Madame la ministre, nous avons eu un débat d'actualité jeudi dernier en séance plénière, et je ne sais pas si les questions ont été absorbées dans ce débat ou si elles auraient dû l'être.

Nous nous retrouvons aujourd'hui pour aborder une nouvelle fois cette actualité et l'importance du monde judiciaire. Force est de constater que, depuis de nombreux mois, le monde judiciaire réclame un refinancement. Outre le dossier de la pension des magistrats, il y a la question des cadres à remplir ainsi que celle des indemnités de l'aide juridique de deuxième ligne, dont les acteurs, semble-t-il, ne savent toujours pas quand la dernière tranche de 40 % sera versée. Et hier, les journaux télévisés ont souligné la détresse de tous les experts judiciaires, dont les factures restent impayées depuis des semaines, des mois, voire plusieurs années pour certains.

Il se pose, dès lors, la question de savoir comment faire pour avoir un É tat fort, avec une justice forte et crédible. Ainsi que l'indique le dernier rapport du Comité de monitoring, les perspectives budgétaires sont particulièrement mauvaises et affichent un déficit de 6,5 % du PIB à l'horizon 2029. Il semble qu'un accord d'été soit en train d'être négocié, avec toute une série d'hypothèses budgétaires et des dossiers qui pourraient coûter très cher.

Dès lors, madame la ministre, dans le cadre de cet accord d'été, quelles sont les marges budgétaires disponibles pour la Justice et pour ce département essentiel? Comment assurer ce refinancement indispensable? Dans quelle mesure les contacts que vous entretenez avec le ministre Jambon en matière de pensions sont-ils susceptibles de rassurer la magistrature?

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, sinds april voeren de magistraten en het gerechtspersoneel iedere donderdag actie om te wijzen op de aanslepende noodsituatie waarin justitie verkeert. Dit is absoluut uitzonderlijk. De problemen zijn gekend: de steeds toenemende werklast, het personeelstekort, de slechte staat van de gebouwen en het niet betalen van allerhande facturen. Dat zijn slechts enkele voorbeelden. Deze situatie is werkelijk schrijnend en onhoudbaar geworden.

Terecht trokken de 15 procureurs recent gezamenlijk aan de alarmbel met een open brief om te wijzen op de alarmerende toestand van justitie. Deze gemeenschappelijke boodschap is werkelijk historisch.

U hebt inmiddels vier zogenaamde taskforces opgericht, voor gebouwen, veiligheid, mensen en middelen en aantrekkelijkheid van het beroep. Dit was duidelijk onvoldoende en het overtuigde de magistraten niet, naar ik meen terecht. Met dergelijke taskforces wordt de concrete aanpak van het probleem immers de facto op de lange baan geschoven. U kon ook niet uitleggen waarom er nog taskforces nodig zijn voor problemen die iedereen allang kent.

Nu komt u met uw zogenaamde hefboomplan, dat investeringen in het verouderde gebouwenpark, de veiligheid van het personeel en de aantrekkelijkheid van de job zou omvatten. Daarover heb ik een aantal vragen, mevrouw de minister.

Ten eerste, kunt u meer toelichting geven over dit hefboomplan? Welke concrete investeringen gebeuren er in het gebouwenpark? Dit is trouwens hoofdzakelijk de bevoegdheid van de minister bevoegd voor de Regie der Gebouwen. Heeft er overleg plaatsgevonden? Komen er ook vanuit dat departement bijkomende middelen? Op welke wijze gaat u de veiligheid van het personeel versterken? Welke concrete maatregelen komen er om de aantrekkelijkheid van het beroep te bevorderen?

Ten tweede, bevat dit hefboomplan ook maatregelen om de steeds toenemende werklast en het personeelstekort aan te pakken?

Ten derde, de begrotingsbesprekingen zijn net achter de rug. Bij Justitie is niet in concrete budgetten voorzien voor de aangekondigde maatregelen binnen dit hefboomplan. Ook de bijkomende middelen die in het zogenaamde paasakkoord zijn verkregen, hebben al een bestemming. Kunt u uitleggen welk budget is voorzien om de uitvoering van dit plan concreet mogelijk te maken?

Ten vierde, mevrouw de minister, de magistratuur dringt al geruime tijd aan om een staten-generaal voor justitie te organiseren, waarbij alle betrokken actoren van justitie rechtstreeks in dialoog gaan met de uitvoerende en de wetgevende macht. Ik blijf daarop aandringen. Tot heden hebt u daar geen gevolg aan gegeven. Gaat u een initiatief nemen om dit te organiseren?

Pierre Jadoul:

Madame la Ministre, la presse a donné écho à l'accord que vous avez conclu avec les représentants des magistrats au sujet de l'accès à leur profession et de leurs conditions de travail.

Plusieurs mesures ont été annoncées. Parmi celles-ci, je relève notamment que:

Les magistrats en formation pourront désormais faire valoir l'ensemble de leur ancienneté professionnelle pour le calcul de leur salaire et de leur pension;

Jusqu'à douze années d'expérience juridique en dehors du barreau seront désormais prises en compte afin d'attirer davantage de magistrats;

Les magistrats recevront comme les autres fonctionnaires des chèques-repas et une indemnité de télétravail;

Des primes seront accordées aux agents bilingues et aux profils techniques chargés des missions informatiques;

113 nouveaux magistrats seront engagés grâce à une provision de 12 millions d'euros;

Un renforcement de l'autonomie organisationnelle des cours et tribunaux est inscrit;

Des investissements seront réalisés dans l'entretien et la rénovation des bâtiments de justice;

La sécurité au sein des bâtiments de justice sera renforcée (nouvelles caméras de surveillance, portiques de sécurité, …).

La magistrature semble assez satisfaite de cet accord, même si certaines critiques continuent à être formulées…

Madame la Ministre,

Pouvez-vous indiquer comment ces mesures seront financées? Quel est le budget prévu? Comment les moyens seront-ils répartis? Des financements supplémentaires sont-ils envisagés?

Pouvez-vous nous indiquer de quelle manière l'autonomie organisationnelle des juridictions sera renforcée?

Quelle sera par ailleurs la répartition des 113 nouveaux magistrats entre les différents cours et tribunaux? Quelles ont été les priorités retenues?

Avez-vous déjà un plan concernant les cours et tribunaux concernés par les rénovations de bâtiments et le renforcement des mesures de sécurité?

Paul Van Tigchelt:

Mevrouw de minister, het is al gezegd en ik herhaal nog eens dat het magistratenprotest sinds april inderdaad ongezien is. We weten dat het protest over veel zaken gaat. Het is begonnen met de pensioenen, maar het betreft ook de gebouwen, de middelen en het respect. In die zin is het eigenaardig - en dat gaat niet over u, mevrouw de minister - dat de rechterlijke orde geen teken van leven krijgt van de eerste minister. Dat wordt met zoveel woorden gezegd. Dat is merkwaardig, zeker bij een magistratenprotest van die omvang.

U had eerder een actieplan aangekondigd, dat er vervolgens is gekomen met het hefboomplan. De algemene vraag, mevrouw de minister, is of u dat hefboomplan, waarover we in de pers konden lezen, nader kunt toelichten. Welke concrete budgetten zijn daarvoor voorzien? Gaat het om extra middelen, om budgetten die sinds het paasakkoord zijn vrijgemaakt of om een heroriëntering van bestaande kredieten? Hoe zit dat precies? Hoe realistisch is het dat binnen die budgettaire contouren ook de problemen inzake werklast en digitalisering worden aangepakt?

Een belangrijke vraag is ook of er financiering komt uit andere departementen, zoals de Regie der Gebouwen of Volksgezondheid, maar vooral de Regie der Gebouwen, voor de aangekondigde investeringen in infrastructuur. Moet Justitie die investeringen binnen de bestaande enveloppe realiseren? Zijn daar afspraken over gemaakt?

Ten slotte, wat zegt de magistratuur u over het vervolg van de protestacties? Ik heb begrepen dat de acties tijdelijk zijn opgeschort wegens de vakantie, maar dat er nog overleg plaatsvindt over hoe men in september verdergaat met de zogenoemde vijf na twaalf -acties. Het lijkt alleszins duidelijk dat men het hefboomplan als een eerste stap beschouwt, maar dat het voorlopig nog onvoldoende is om de acties stop te zetten.

Alain Yzermans:

Mevrouw de minister, ik heb dezelfde vragen, maar ik ga even in op een interessant artikel dat is verschenen in een Vlaams dagblad. Daarin gaven twee procureurs een overzicht van de problemen in de voorbije periode. Ik vond dat zeer wijs. Ze gaven aan dat de wereld in de voorbije 10 à 20 jaar is veranderd. Er zijn nieuwe fenomenen en problematieken, alles is complexer geworden, ook wat de beoordeling betreft. Alles moet sneller gaan, omdat er veel meer dossiers zijn. Dat heeft tot gevolg dat justitie vandaag uitgeput is. De rek is eruit, zeggen ze heel duidelijk, en de grens is bereikt. Men kan zich afvragen of de actie vijf voor twaalf niet om vijf na twaalf komt, gezien de vele silo's aan problematieken.

Het is belangrijk om naar hen te luisteren en dat hebt u ook gedaan, ook inzake de personeelsproblematiek. Dat heeft te maken met de hoogte van de weddes, de besparingen die hebben plaatsgevonden, de benoemingen, de war for talent en de nieuwe profielen die moeten worden gezocht. Jonge magistraten dreigen te vertrekken. Al die problemen stemmen tot nadenken. Daarnaast is er ook de grote problematiek van de erbarmelijke toestand van het patrimonium, onder andere door ongedierte. Er zijn veel problemen en het hefboomplan lijkt mij een begin om die aan te pakken.

Ik heb dezelfde vragen als collega Van Tigchelt, mevrouw de minister.

Kunt u de financiering van het hefboomplan toelichten? Wat zijn de bedragen die nu extra worden vrijgemaakt? Wat houdt het hefboomplan exact in?

Werkt u ook aan een langetermijnvisie binnen Justitie om alle problemen rond de toestand van het patrimonium, de digitalisering, de werklast, de personeelstekorten, het statuut van de magistraten, de betaalachterstand – die hebben we al verschillende keren onderstreept in de commissie – en de onderfinanciering ook structureel aan te pakken? Hoe past het hefboomplan daarin?

Alexander Van Hoecke:

Er is al veel gezegd over het protest door de collega’s. Ik zal niet in herhaling vallen, maar wil nog een specifiek aspect toelichten.

Op 16 april kondigde het College van het openbaar ministerie in een persbericht aan dat het geen antwoorden van de minister op parlementaire vragen meer zou voorbereiden. Dat zinnetje is sindsdien het standaardantwoord dat wij op onze schriftelijke vragen ontvangen. Die actie blijft ondertussen aanhouden en zorgt er natuurlijk voor dat het Parlement zijn controlefunctie niet meer naar behoren kan uitvoeren.

Ik heb daarom vier concrete vragen voor u.

Hoe vaak hebt u ondertussen overleg gepleegd met het College van het openbaar ministerie over deze actie en wat was het resultaat van dat overleg?

Heeft het College ondertussen een einddatum voor die actie meegedeeld?

Hoeveel parlementaire vragen hebt u door die actie tot vandaag niet of niet volledig beantwoord?

Wat zult u nog ondernemen om deze situatie zo snel mogelijk te verhelpen en ervoor te zorgen dat het Parlement zijn controlefunctie naar behoren kan uitvoeren?

Voorzitter:

S'agissant d'un débat d'actualité, quelqu'un d'autre souhaite-t-il intervenir? (Non)

Madame la ministre, vous avez la parole.

Annelies Verlinden:

Collega’s, zoals u zelf al aangaf – ook collega Aouasti – heb ik vorige week in het Parlement reeds geantwoord op gelijkaardige vragen. De methodiek van vraagstelling brengt ons ertoe het debat te hernemen, maar het is goed om in het kader van dat actualiteitsdebat dieper in te gaan op het thema.

Zoals enkelen onder u ook aangaven, bevindt Justitie zich – onder meer door jarenlange onderfinanciering en overbevolking in de gevangenissen – in een crisis. Dat doet geen afbreuk aan de vele inspanningen van de medewerkers binnen Justitie: het gevangeniswezen, de magistratuur, de justitiediensten en alle partners aan wie ik bijzondere dank verschuldigd ben. Wanneer ik zeg dat Justitie in crisis verkeert, trap ik voor de leden van de commissie uiteraard een open deur in. Wie op het terrein komt, merkt hoe zichtbaar en voelbaar die crisis is voor alle actoren. Daarnaast overspoelen vandaag berichten over de situatie ook de media.

Tegelijkertijd – en daarom ben ik hier – weiger ik mij neer te leggen bij die malaise. Het is van belang dat we alles in het werk stellen om het tij te keren en de huidige situatie om te buigen tot een kantelmoment voor de versterking van Justitie. Daarom werd, naar aanleiding van de aangekondigde acties van de magistratuur, gezocht naar perspectieven op korte termijn. Er zijn veel debatten te voeren over de lange termijn - over het strafrecht, over de organisatie van Justitie -, maar het is even belangrijk om op korte termijn perspectief te bieden aan de medewerkers van Justitie en de magistraten. Daarom hebben we vanaf april overleg georganiseerd in een toch wel unieke formule, met meer dan 50 vertegenwoordigers van de rechterlijke orde – zowel van het Openbaar Ministerie als van de zittende magistratuur. Ook de FOD Justitie was daarbij vertegenwoordigd.

In dat unieke proces hebben we ons verdeeld in vier thematische werkgroepen en intensief gewerkt aan het zogenoemde hefboomplan. De naamgeving maakt duidelijk over welk plan het gaat. Uiteraard was het een zoektocht om een en ander samen te brengen. Er is effectief gewerkt in werkgroepen rond de thema’s infrastructuur, veiligheid, mensen en middelen. De vierde werkgroep behandelde de aantrekkelijkheid van het beroep. We hebben gezocht naar investeringen in middelen, maar ook naar concrete acties die de situatie op het terrein kunnen verbeteren. Dat heeft op 2 juli geleid tot een akkoord over een concreet actieplan op korte termijn, het hefboomplan.

In onze ogen kan het hefboomplan een eerste stap zijn naar aanleiding van die acties en kan het op korte termijn een antwoord bieden op de meest acute noden van de magistraten en het gerechtspersoneel binnen de beschikbare middelen. Echter, collega’s, ik heb vorige week al aangegeven dat dat actieplan voor mij niet het eindpunt is. Onze ambities voor Justitie moeten veel groter zijn, want de noden zijn groter, de uitdagingen zijn groter en het gaat om een fundamenteel onderdeel van onze rechtsstaat en onze democratie. Dat betekent dat het hefboomplan de urgentie van het zoeken naar structurele hervormingen en investeringen niet wegneemt, maar wel een hefboom vormt die op korte termijn zuurstof en perspectief kan bieden. Precies daarom was het ook zo belangrijk om dat in overleg te doen met de magistratuur en de medewerkers.

Mevrouw Dillen, u stelt in uw vierde vraag dat er nog altijd geen antwoord is op de staten-generaal. U kunt het noemen zoals u wilt, maar wij hebben wel degelijk veelvuldig overlegd en op korte termijn oplossingen gevonden. Bovendien werken wij, zoals ik al herhaaldelijk heb aangegeven, heel voluntaristisch en constructief mee aan het initiatief dat door de Hoge Raad voor de Justitie is genomen om de drie machten samen rond de tafel te brengen en daar te spreken over oplossingen op langere termijn.

Er heeft al een eerste vergadering plaatsgevonden, georganiseerd door de Hoge Raad. Die werkzaamheden zullen de komende weken worden voortgezet. Of dat dan staten-generaal moet heten of niet, lijkt mij minder relevant. Er wordt wel degelijk overlegd met heel veel vertegenwoordigers van de magistratuur.

Mijnheer Van Tigchelt, sta mij toe, zoals u vroeg, ook even in te gaan op de verschillende onderdelen alsook op de inhoud van het plan.

En ce qui concerne les bâtiments et la sécurité, nous investissons dans des bâtiments de justice sûrs et bien entretenus et nous remédions au sous-financement structurel qui a affecté leur entretien grâce à des investissements ciblés. Nous allons améliorer la sécurité des bâtiments de justice grâce à l'installation de caméras et de vitres de sécurité supplémentaires, ainsi qu'au placement de 10 portiques de sécurité supplémentaires dotés de personnel. Il n'y en a pour l'instant pas dans tous les bâtiments de justice, et il est important de pouvoir garantir la sécurité du personnel, des visiteurs, des magistrats qui se trouvent dans nos bâtiments de justice.

Nous prévoyons également des moyens pour une infrastructure hautement sécurisée. Ces mesures relèvent de la compétence de la Justice et sont donc financées par ce département. Le rôle de la Régie des Bâtiments doit bien entendu être également pris en compte en ce qui concerne la sécurité et la convivialité des bâtiments.

En outre, nous travaillons sur un nouveau masterplan stratégique pour les bâtiments de justice en mettant l'accent sur la rationalisation et l'utilisation plus efficace des infrastructures disponibles. Il a été convenu dans l'accord de gouvernement que les recettes découlant de la rationalisation du nombre de bâtiments doivent être réinvesties dans le reste du parc immobilier de la justice. Je soutiendrai les propositions de la ministre chargée de la Régie des Bâtiments en vue de créer un mécanisme permettant d'utiliser le produit de toute vente pour de nouveaux projets dans le domaine de la justice.

Collega Dillen, tijdens de overlegmomenten over het gebouwenpark van Justitie was ook de minister bevoegd voor de Regie der Gebouwen aanwezig. Er zijn dus wel degelijk andere ministers en bevoegdheidsdomeinen betrokken bij het overleg met de magistratuur en met Justitie.

Daarnaast zullen we, rekening houdend met de toenemende dreigingen ten aanzien van magistraten, de nodige initiatieven nemen. De proporties van deze dreigingen in Brussel zijn immers bijzonder zorgwekkend. Ik betuig mijn volledige steun aan de procureur van Brussel. Zulke bedreigingen bemoeilijken de werkomstandigheden voor de magistraten. Ik houd contact met hem om de nodige steun te leveren. Wegens de toegenomen dreigingen zullen we initiatieven nemen om de persoonsgegevens van magistraten en indien nodig ook van griffiers te anonimiseren. We nemen eveneens initiatieven om de korpschefs meer bevoegdheden te geven voor de herlokalisatie van zittingen en de detachering van parketmagistraten door eventuele veiligheidsrisico’s. Om veiligheidsredenen zullen we ook uniforme identificatiebadges invoeren.

Wat betreft het luik mensen en middelen, voorzien we dat beide colleges en het Hof van Cassatie samen voor 21 miljoen euro kunnen investeren in bijkomend personeel. We willen hen ook autonomie geven in de wijze waarop die middelen worden ingezet, in ruil voor vooraf bepaalde doelstellingen. Over de realisatie van die doelstellingen zullen de beide colleges en het Hof van Cassatie twee keer per jaar rapporteren. Verder zullen er initiatieven worden genomen voor een flexibelere inzet van personeelsmiddelen, onder meer via een flexibelere definitie van de wettelijke kaders en de harmonisatie van de opdrachten binnen de rechterlijke orde. Dat zijn stappen naar meer beheersautonomie, waarnaar we conform het regeerakkoord willen toewerken. Later volgt daar meer info over.

Om de aantrekkelijkheid van de beroepen binnen de rechterlijke organisatie te bevorderen, nemen we in eerste instantie initiatieven om de instroom van magistraten te verhogen, onder meer door de gerechtelijke stage aantrekkelijker te maken, door de anciënniteit van magistraten in opleiding volledig te erkennen, zonder de vroegere beperking tot twee jaar, en door juridische ervaring buiten de advocatuur te laten meetellen tot maximaal twaalf jaar, zodat ook langs die weg de instroom kan verbeteren. Daarnaast zal ook worden voorzien in de toekenning van een vergoeding voor thuiswerk en telewerk, evenals in het recht op maaltijdcheques. Dat dossier kent een voorgeschiedenis, maar we hebben inmiddels een akkoord bereikt om hierin vooruitgang te boeken.

Om meer tweetalige magistraten en griffiers aan te trekken in Brussel, zullen we bovendien de tweetaligheidspremie voor een grondige kennis verhogen. Daarnaast voorzien we in nog enkele andere initiatieven om de aantrekkelijkheid van bepaalde functies van het gerechtspersoneel te vergroten. Zo zullen we een toelage toekennen aan personeelsleden die in het kader van de digitalisering belast zijn met IT-opdrachten. Ook maken we de functie van griffier, die de onderzoeksrechter en de jeugdrechter bijstaat, en de functie van chauffeur aantrekkelijker door de weddetoeslag voor die functies aan te passen. Ten slotte zullen er maatregelen worden genomen om de functie van vertaler bij het Hof van Cassatie concurrentiëler te maken in vergelijking met andere vertaaldiensten binnen de overheid.

Je préparerai à cet effet les initiatives légales nécessaires et je les soumettrai au gouvernement.

Chers collègues, je suis évidemment consciente que ces actions ne dissiperont pas complètement le mécontentement des magistrats exprimé devant la future réforme des pensions. Je continue donc à suivre en coulisses la concertation à ce sujet avec nos partenaires du gouvernement.

Zoals ik al zei, werd er op 2 juli een consensus bereikt over het geheel van de acties voor de korte termijn binnen het beschikbare budget, zodat we die prioritair ten uitvoer kunnen brengen. De signalen van het terrein zijn dus gehoord. Dialoog en overleg blijven volgens mij cruciale voorwaarden om te komen tot een duurzame en succesvolle langetermijnvisie voor justitie. De werkzaamheden van de taskforces zullen in de komende periode dan ook worden voortgezet.

Daarnaast wordt de structurele en penibele onderfinanciering van de gerechtskosten aangepakt, want ook dat is belangrijk voor een goed functionerende en geloofwaardige justitie. Tevens worden de initiatieven op het gebied van digitalisering verdergezet. Op dat vlak is er immers geen weg terug. We moeten met doordachte keuzes de digitalisering binnen, door en voor justitie verder voorbereiden.

Dit actieplan wordt zoals gezegd uitgevoerd binnen het extra budget dat al voor Justitie was vrijgemaakt in het regeerakkoord, de interdepartementale provisie veiligheid, en daarnaast door de beperking van de lineaire besparing voor de veiligheidsdepartementen. Ook wordt hier een deel van de middelen voor ingezet die voor 2025 in het paasakkoord waren toegezegd.

Het is echter belangrijk te onderstrepen dat er daarnaast nog andere noden zijn waar die middelen naartoe moeten gaan, zoals de aanpak van de overbevolking in de gevangenissen, de veiligheid van de penitentiair beambten en het wegwerken van de vele achterstallige betalingen aan de partners van Justitie.

Collega’s Van Tigchelt en Yzermans, een substantieel deel van de middelen uit de interdepartementale provisie veiligheid zal worden toegewezen aan de toekomstige goede werking van de rechterlijke orde. Dit betreft alle aspecten van de werking, waaronder de versterking door middel van bijkomende personeelsbudgetten, de digitalisering van de werkprocessen, het verdere onderhoud van de applicaties – want u weet dat sommige applicaties wel ontwikkeld werden, maar dat er geen budgettaire middelen waren voorzien voor het onderhoud – en de gerechtskosten voor onderzoek in strafzaken. Daarnaast worden er middelen besteed aan het onderhoud van gerechtsgebouwen, met bijzondere aandacht voor veiligheid. In deze tijden mag het belang daarvan niet worden onderschat, maar het vergt uiteraard financiële middelen, niet alleen van Justitie, maar ook van de Regie der Gebouwen.

Monsieur Jadoul, le plan de postes vacants publié précédemment, qui prévoit le recrutement de quelque 113 magistrats, a été élaboré par le Collège des cours et tribunaux et par le Collège du ministère public. Il concerne 53 postes vacants au sein du ministère public et 60 postes vacants dans les cours et tribunaux. Ces instances ont réparti les postes vacants entre les tribunaux et les parquets en fonction de leur connaissance des besoins du terrain.

Het is mijn ambitie om Justitie voor de toekomst verder te versterken en het budget voor Justitie op te trekken, zodat de nodige investeringen kunnen worden gedaan. Er werd daarom, collega Van Hoecke, afgesproken om de dialoog met de rechterlijke orde over de vier thema’s verder te zetten. Zo kunnen de prioritaire behoeften, maar ook de andere, in kaart worden gebracht en kunnen de beschikbare middelen op een gedragen manier worden gealloceerd. Dat moet immers niet alleen efficiënt gebeuren, maar ook gedragen worden, zodat daadwerkelijk wordt tegemoetgekomen aan de zorgen en vragen van op het terrein.

De vertegenwoordigers van de magistratuur hebben zich naar aanleiding van de afspraken op 2 juli geëngageerd om het akkoord op die manier voor te stellen en toe te lichten aan alle leden van de rechterlijke organisatie. Ik heb daarbij ook uitdrukkelijk gevraagd om op basis van dat akkoord de dienstverlening aan rechtszoekenden en in de gevangenissen te allen tijde voorop te stellen.

De rechtsstaat is gebaat bij een zo goed mogelijk werkende justitie. Acties die rechtszoekenden belemmeren om recht en gerechtigheid te vinden, helpen de rechtsstaat niet vooruit. Iedereen moet daarin zijn verantwoordelijkheid nemen, om een en ander niet te vermengen en ervoor te zorgen dat de rechtsstaat te allen tijde kan blijven functioneren. Dat neemt niet weg dat ik met hen zal blijven zoeken naar antwoorden op de vragen.

Collega Van Hoecke, ik had al geantwoord op een schriftelijke vraag in dat verband over het aantal vragen aan het parket. Dat wordt niet systematisch bijgehouden, dus ik kan u daarover geen cijfers geven. Uiteraard vragen wij ook aan iedereen om de democratische controle verder mogelijk te maken.

Chers collègues, j’ai déjà indiqué que ce plan d'impulsion n'est qu'une première étape à court terme. Il ne répond donc pas entièrement aux besoins de réformes structurelles.

Sous la direction du Conseil supérieur de la Justice, nous mettrons sur pied un exercice de réflexion sur l'avenir d'une justice agile et axée sur les solutions, avec une représentation du pouvoir législatif et du pouvoir exécutif. Le coup d'envoi de cet exercice a déjà été donné le 13 juin.

L'accord de gouvernement Arizona l'indique en effet sans détour: la sécurité n'est pas seulement une nécessité opérationnelle, mais une mission essentielle de l'autorité et une condition fondamentale au bon fonctionnement de l'État de droit.

Mon engagement est de continuer à lutter pour des moyens, des investissements, des possibilités, des opportunités pour la justice, pour rendre une justice meilleure qu’aujourd'hui.

Voorzitter:

Merci beaucoup, madame la ministre, pour cette réponse complète, qui permet d'aller en profondeur dans le débat.

Khalil Aouasti:

Merci, madame la ministre. Ce qui est intéressant, dans ce débat d'actualité, c'est que vous offrez bien plus de réponses que vous n'avez eu le temps d'en offrir dans le cadre des questions d'actualité en séance plénière.

Je vous remercie déjà d’avoir dressé toute une série d'éléments complémentaires à ceux déjà discutés jeudi, et qui sont importants, notamment dans le cadre de l'attractivité pour le personnel judiciaire.

Je reste malgré tout avec mes inquiétudes. J'ai envie de vous le dire sincèrement. Plusieurs questions n'ont pas vraiment reçu de réponse, notamment la question des pensions.

Vous me dites que vous continuez à suivre dans l'ombre la réforme des pensions des magistrats. Mais comme je le dis souvent, soit il y a un gouvernement, soit il y a une addition de ministres. Dans ma culture politique, il y a un gouvernement et pas une addition de ministres. Le gouvernement décide, à un moment donné. Sur les questions de pensions, je pense qu'il ne suffit pas de suivre dans l'ombre. Il faut aussi pouvoir décider dans le cadre du gouvernement.

Deuxième élément, je suis très inquiet sur les perspectives budgétaires. Le dernier rapport du Comité de monitoring nous indique que les perspectives budgétaires sont très mauvaises. J'entends, à travers ce que je lis dans la presse, qu’il y aurait sur la table du gouvernement un maxi-deal d'été, après le deal de Pâques. Vous allez avoir un deal par saison, finalement. Ce deal d'été comporterait notamment une réforme fiscale. Si j'en crois la question de la quotité exemptée d'impôts, il y a quand même un impact budgétaire de 5 milliards d'euros. Si vous faites un cadeau fiscal de 5 milliards avec la trajectoire budgétaire telle qu'elle est mentionnée par le Comité de monitoring, et que vous n'arrivez pas à négocier des budgets complémentaires pour la Justice en plus des 112,5 millions que vous avez négociés cette année et pour lesquels, à ce stade, il n'y a rien d'autre de prévu à l'exception des 55 millions dans la provision interdépartementale, j'ai la plus grande inquiétude, madame la ministre, quant à la possibilité de réaliser tout ce que vous avez envie de réaliser. Je peux vous croire, je peux vous soutenir, mais la question c'est qu'à la fin, on fait toujours l'addition, et elle est largement négative.

Marijke Dillen:

Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, ik wil eerst bedanken voor uw heel uitvoerige en heel gedetailleerde antwoord op de vraag over het zogenaamde hefboomplan. Het is heel ambitieus op korte termijn, maar heel belangrijk is dat u hebt aangegeven dat het moet gebeuren binnen de huidige bestaande middelen.

Ik had van u graag een gedetailleerd overzicht gekregen van alle punten die u hebt opgesomd met daarbij het prijskaartje, zijnde het budget dat daaraan is verbonden. Ik hoop dat ik ongelijk heb, maar ik vrees dat u onvoldoende middelen hebt om het hefboomplan en alle aankondigingen die u vandaag uitvoerig hebt toegelicht, uit te voeren. Ik vrees dat u in de praktijk veel te weinig zult kunnen realiseren en dat het plan niet zal leiden tot significante en structurele verbeteringen.

Justitie heeft heel dringend nood aan structurele investeringen op lange termijn. U hebt tijdens uw antwoord verduidelijkt dat u de ambitie hebt om het budget op te trekken. Ik heb er u echter al een paar keer op gewezen, naar aanleiding van vragen tijdens de plenaire vergaderingen, dat departementen als Defensie heel grote bijkomende investeringen krijgen, namelijk 4 miljard euro, indien ik mij niet vergis. Er gaat ook elk jaar 1 miljard euro naar Oekraïne. Het lijkt mij derhalve belangrijk dat ook in Justitie dergelijke bedragen worden geïnvesteerd.

U moet harder op tafel kloppen om dat gedaan te krijgen. Uw collega van Defensie krijgt dat wel gedaan. U bent mee verantwoordelijk voor de nationale veiligheid. Justitie is daarin een heel belangrijke pijler. Justitie verdient die middelen en ik zal de vergelijking blijven maken met andere departementen die er wél in slagen om bijkomende middelen te verkrijgen.

Pierre Jadoul:

Je voudrais remercier Mme la ministre pour les informations qu'elle a pris le temps de partager avec nous ainsi que pour ce plan d'impulsion qui, rappelons-le, n'est qu'un plan d'impulsion. Les problèmes auxquels la Justice est confrontée ne sont pas neufs. J'ai fréquenté ce milieu pendant plus de 40 ans, et je pense qu'il y a eu un basculement au début des années 2000. M. Aouasti me permettra de ne pas rappeler quelle fut la ministre en charge de la Justice qui a commencé à fossoyer le département au début des années 2000. Je pense qu'il s'agit effectivement d'un département martyr qui mérite clairement un soutien.

Je ne fais pas partie de ceux qui vont tirer sur l'ambulance, j'ai plutôt envie d'appuyer toute demande que vous pourriez soutenir auprès du gouvernement, et je pense qu'il faut y aller. Je pense qu'effectivement, il est essentiel que vous puissiez obtenir les moyens nécessaires pour un département qui est quand même central au niveau du vivre ensemble et au niveau de la démocratie dans laquelle nous espérons pouvoir continuer à vivre.

Par ailleurs, en ce qui concerne le dossier des pensions, je suis sans doute, comme beaucoup, harcelé par des académiques, des magistrats qui s'émeuvent de l'éventuelle réduction de l'indexation de leur pension. À titre personnel, je suis relativement peu sensible et, selon moi, le contexte budgétaire étant ce qu'il est, il n'est pas anormal que tout le monde doive effectivement contribuer à l'effort demandé. Je m'étonne quelque peu de constater que c'est le sujet qui est mis en évidence par plusieurs intervenants, alors que dans un effort global, il est légitime que l'effort vienne également des académiques, des magistrats et sans doute aussi des parlementaires, si vous me permettez cette impertinence.

Paul Van Tigchelt:

Dank u wel, mevrouw de minister, ten eerste voor uw volledige en uitgebreide antwoord en ten tweede voor uw inspanningen om het protest van de magistraten te ontmijnen.

Ik zie het echter enigszins anders dan collega Dillen, die het hefboomplan heel ambitieus noemt. Eerlijk gezegd zie ik daarin niet zoveel nieuws of grote nieuwe stappen. Het gaat over zaken als maaltijdcheques en taalpremies. Daarnaast zijn er wel enkele aankondigingen, maar zoals altijd geldt: the proof of the pudding is in the eating . Investeringen in gebouwen, veiligheid van gebouwen en beheersautonomie zijn zaken waar we al heel lang mee bezig zijn. Dat hebt u zelf terecht aangegeven.

Er is nog veel werk aan de winkel, maar daar stuiten we op het probleem, zoals u in de commissie al hebt aangegeven, dat de bijkomende middelen die door Arizona zijn toegestaan voor Justitie en voor veiligheid in het algemeen, niet voldoende zijn om de ambities van het regeerakkoord waar te maken. Daaruit kan ik alleen maar concluderen dat het regeerakkoord niet veel waard is, of minstens dat er niet goed over onderhandeld is. Als de middelen niet volstaan om de ambities waar te maken, dan heeft die tekst eigenlijk weinig betekenis.

Collega Aouasti heeft verwezen naar het Monitoringcomité. Ik denk dat we elkaar niets moeten wijsmaken, de kans dat er nog veel bijkomt voor Justitie is klein. Op een gegeven moment zullen we die boodschap duidelijk moeten overbrengen aan de rechterlijke orde.

Alain Yzermans:

Ik denk dat ik niet alle exacte cijfers heb gehoord. Alleszins kunnen we de wijze waarop u dit integraal probeert aan te pakken in al zijn geledingen, waarderen en appreciëren. Justitie is immers de hoeksteen van onze democratische samenleving.

U spreekt over een hefboomplan. Een hefboom is een mechanisme om een kleine kracht om te zetten in een grote kracht, maar uiteraard is er veel meer nodig dan dit alleen om die hefboom volledig te laten werken. De vertrouwensbarometer gaat achteruit. Per Belg geven we maar 10 euro uit per magistraat, met slechts 0,22% van het bbp dat naar Justitie gaat. Het Europees gemiddelde ligt vandaag rond de 0,31%.

In mijn ogen hebben we alle krachten nodig. Een integrale visie betekent ook een collectieve visie, die over de partijgrenzen heen breed gedragen wordt. Dat is ook de oproep van de twee procureurs in het artikel. Op de langere termijn moeten we nadenken over een gedragen visie waarop voortgebouwd kan worden. Vele problemen moeten nog worden opgelost, maar volgens mij vormen de opstap en de verschillende initiatieven binnen de taskforces een goede aanzet.

Alexander Van Hoecke:

Mevrouw de minister, eerst en vooral sluit ik mij volledig aan bij wat mijn collega, mevrouw Dillen, daarnet zei. Ik blijf wel met een gevoel van ongenoegen zitten over de onbeantwoorde vragen.

U kunt zich niet verschuilen achter een protest vanuit de magistratuur om uw taak als uitvoerende macht ten aanzien van de wetgevende macht te ontlopen. Wij hebben een job – de uitvoerende macht controleren – en die kunnen we niet uitvoeren als we op elke vraag hetzelfde antwoord krijgen: “Ja, er wordt geprotesteerd.” Het is vandaag 16 juli 2025, het protest is begonnen op 16 april. We zijn nu vier maanden verder. Ik vraag me af wat u zult doen als de actie over een paar maanden of een jaar nog altijd loopt. Blijft dan hetzelfde standaardantwoord gelden? Hoe moeten we dan onze controlefunctie uitoefenen? Ik heb daar geen antwoord op gekregen.

Tot slot vind ik het ook jammer dat u geen cijfers kon geven over het aantal parlementaire vragen dat niet beantwoord is door de actie. Misschien ben ik daarin wat naïef, maar onder elk antwoord staat telkens de handtekening van de minister. Het lijkt mij heel eenvoudig om na te gaan hoeveel vragen er beantwoord zijn en hoeveel daarvan zijn beantwoord met het standaardzinnetje: “Op 16 april kondigde het College een actie aan en daardoor kan ik uw vraag niet beantwoorden.”

Ik hoop dat dit zo snel mogelijk opgelost raakt, want het is essentieel om onze taak als parlement op een degelijke manier te kunnen vervullen. Ik hoop dat u er alles aan doet om ervoor te zorgen dat u wel antwoorden kunt geven op de vragen die wij stellen, zodat wij over de juiste informatie beschikken en het beleid ook echt kunnen controleren.

Khalil Aouasti:

Monsieur le président, je tenais, en quelques secondes, à remercier les collègues pour leur collégialité et leur correction, parce que ce débat devait se tenir la semaine passée. J'étais bloqué dans une autre commission, et pour permettre que le débat se tienne, ils l'ont fait reporter à cette semaine. Je pense qu'il est parfois important parfois de dire merci pour cette collégialité et cette correction.

Voorzitter:

Merci monsieur Aouasti. Merci aux collègues qui ont fait preuve de collégialité.

Het protocolakkoord tussen de FOD Financiën en het College van het openbaar ministerie
De samenwerking tussen Justitie en Financiën inzake verbeurdverklaringen en inningen van boetes
Samenwerking tussen Justitie en Financiën voor verbeurdverklaringen en boete-inningen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 16 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België lanceert een samenwerkingsprotocol tussen Justitie en Financiën om het inningspercentage van strafboetes (nu 47%) en confiscaties (nu <20%) drastisch te verhogen, via betere datadeling, digitalisering en efficiëntere strafuitvoeringsonderzoeken (EPE). Minister Verlinden benadrukt dat dit past in een breder plan tegen georganiseerde criminaliteit, met gecoördineerde inzet van alle betrokken diensten, maar erkent dat extra middelen (personeel, budget voor digitalisering) cruciaal zijn—zonder concrete cijfers te noemen. Kritiekpunten blijven onderfinanciering van EPE’s (nu onbetaald overwerk) en de vrage of de opbrengsten—net als bij *Crossborder*—direct naar justitiële projecten zullen gaan. De focus ligt nu op snelle uitvoering en schaalvergroting, maar de praktische haalbaarheid hangt af van toekomstige investeringen.

Pierre Jadoul:

Madame la ministre, le SPF Finances et le Collège du ministère public ont annoncé, jeudi dernier, la signature d'un protocole d'accord afin d'améliorer le recouvrement des amendes pénales et des confiscations.

On peut évidemment s'en réjouir. Sur les 2,04 milliards d'euros d'amendes pénales infligées en cumulé depuis 2019, 1,07 milliard serait arrivé aujourd'hui dans les caisses de l'État, soit seulement 47,35 % du total. En ce qui concerne les confiscations, moins de 20 % des peines de confiscation finissent dans les caisses de l'État. Il était donc important de redresser la barre !

De manière globale, cet accord prévoit des échanges plus cadrés entre le SPF Finances et le Ministère public, avec notamment un meilleur échange des informations. Cet échange de données doit devenir à terme entièrement numérique. Le protocole vise aussi à automatiser certaines tâches afin de décharger les magistrats.

En outre, afin d'améliorer le taux de recouvrement, l'un des points majeurs du nouveau protocole est la volonté d'améliorer les enquêtes pénales d'exécution (EPE). Il s'agit des enquêtes menées par des magistrats spécialisés du ministère public, réalisées après des condamnations définitives, afin de mettre la main sur l'argent dû par les condamnés.

Madame la ministre, comment accueillez-vous la signature de ce protocole d'accord? Votre département y a-t-il participé? Si oui, de quelle manière? Quels sont les objectifs, notamment chiffrés, en ce qui concerne les taux de recouvrement grâce à ce nouvel accord? Il me revient que le problème avec les EPE est que les magistrats mènent actuellement ces enquêtes sur leurs heures supplémentaires et non payées. La presse fait écho d'un manque de personnel. Des investissements en ressources humaines sont-ils prévus à cet égard? Certains magistrats souhaiteraient par ailleurs que, à l'instar de Crossborder pour les amendes routières, l'argent récolté suite au recouvrement des amendes pénales et confiscations serve directement à financer des projets liés à la Justice. Qu'en pensez-vous? Des initiatives vont-elles être prises à ce niveau?

Marijke Dillen:

Mijnheer de voorzitter, ik verwijs ook naar de ingediende vraag.

Uit berichtgeving blijkt dat Justitie en Financiën beter gaan samenwerking om geldboetes, gerechtskosten en verbeurdverklaringen sneller en doeltreffender te kunnen innen. De afspraken zijn vastgelegd in een nieuw samenwerkingsakkoord.

Kan de minister mij mededelen wat de concrete problemen waren bij het innen van geldboetes, gerechtskosten en verbeurdverklaringen? Graag een gedetailleerd overzicht.

Kan de minister meer toelichting geven betreffende de contactpunten die duidelijk zijn aangeduid? Over welke contactpunten gaat het? Graag een gedetailleerd overzicht.

Welke gezamenlijke werkprocessen zijn er vastgelegd? Graag een gedetailleerd overzicht.

Kan de minister meer toelichting geven betreffende een directe gegevensuitwisseling? Op welke wijze wordt dit ondersteund door gestandaardiseerde documenten?

Ook de aanpak van crimineel vermogen wordt door deze samenwerking versterkt. Kan de minister hierover meer toelichting geven? Op welke wijze zullen de strafuitvoeringsonderzoeken efficiënter worden uitgevoerd zodat veroordeelden minder kans krijgen om hun bezittingen te verbergen?

Naast een efficiëntere opvolging van rijverboden en een betere samenwerking bij buitenlandse invorderingen zet het akkoord in op digitalisering. De uiteindelijke ambitie is een volledig digitale gegevensstroom tussen Justitie en Financiën. Kan de minister hierover meer toelichting geven? Op welke wijze zal dit bijdragen aan een rechtvaardiger en daadkrachtig strafuitvoeringsbeleid? En vooral: zullen er voldoende middelen ter beschikking zijn om deze digitalisering in de praktijk uit te rollen?

Annelies Verlinden:

Dank u voor de vraag en de efficiënte werkwijze, collega's.

Het is evident zo dat misdaad niet mag lonen en dat we er alles aan moeten doen om de tegoeden van criminelen te kunnen verkrijgen. Het College van het openbaar ministerie heeft een samenwerkingsprotocol met de FOD Financiën ondertekend om geldboetes maar ook verbeurdverklaarde eigendommen en gerechtskosten beter, sneller en doeltreffender te kunnen recupereren bij de veroordeelden. In dit protocol worden duidelijke contactpunten aangeduid en ook gezamenlijke werkprocessen vastgelegd. Ook worden er afspraken over een directe gegevensuitwisseling gemaakt.

Les chiffres qui ont conduit à la conclusion du protocole sont éloquents. Il y a aujourd'hui 8 350 dossiers de dette dont le montant des confiscations s'élève à 440,1 millions d'euros. Grâce à ce protocole, le recouvrement de ce montant sera plus efficace et les sanctions financières seront également mises en œuvre de manière effective.

Ce protocole est une première étape dans le cadre de mon plus vaste projet de l'approche de la criminalité organisée axée sur le butin que j'exécuterai avec mes collègues dans le cadre de la mise en œuvre de l'accord de gouvernement. L'objectif de ce plan est de tarir les flux financiers qui financent les activités criminelles.

De aanpak van de georganiseerde criminaliteit vraagt immers een proactieve en gecoördineerde aanpak tussen alle actoren, het OM, de zetel, justitie, politie, de FOD Financiën, SIOD, WASO, FOD Economie, de CFI, de VSSE en de ADIV. Een gecoördineerde en georganiseerde uitwisseling van gegevens en inlichtingen, met respect voor de bevoegdheden van alle administraties en het OM, vormen daar een basis van. Als minister van Justitie kan ik dit initiatief dan ook alleen onderschrijven en toejuichen. Een effectieve strafuitvoering vormt immers het sluitstuk van onze rechtsstaat.

Pierre Jadoul:

Merci, madame la ministre, pour ces éléments de réponse.

Je connais le système Crossborder, qui me semble effectivement d'une efficacité remarquable. Je suis bien conscient que, lorsqu'il s'agit des amendes pénales, la problématique est sans doute beaucoup plus complexe. En effet, une part importante – voire majoritaire – des personnes redevables de ces amendes rencontrent des difficultés de solvabilité. Il ne suffit donc pas de simplement reproduire un système existant.

Cela étant dit, je me réjouis que tous les moyens soient mis en œuvre pour améliorer le taux de perception effectif des amendes prononcées par les cours et tribunaux. Cela relève de l'intérêt général à tous les niveaux, tant du point de vue des personnes condamnées que de celui de la société, et des ressources dont les pouvoirs publics doivent disposer pour mettre en œuvre leurs politiques.

Je salue donc l'accord qui a été conclu. C'est, à mes yeux, une étape importante et peut-être aussi l'occasion de réfléchir à d'autres leviers pour renforcer encore le système, dans la mesure du possible.

Marijke Dillen:

Dank u voor uw antwoord. Samen met u juich ik deze samenwerking tussen Justitie en Financiën uiteraard toe. Het is een eerste stap. U zegt dat u hoopt dat er snel verdere stappen zullen worden gezet om ervoor te zorgen dat geldboetes, gerechtskosten en verbeurdverklaringen sneller en doeltreffender kunnen worden geïnd. Mevrouw de minister, u hebt zich in uw antwoord vooral toegespitst op de zware criminaliteit, op crimineel vermogen uit georganiseerde misdaad. Dit akkoord zal echter toch ook betrekking hebben op het vlotter kunnen innen van alle andere geldboetes en gerechtskosten? Ik vind het ook positief dat in dit akkoord wordt gesproken over verbeurdverklaringen. In het verleden was dat vaak anders en werd er regelmatig gesproken over in beslag genomen goederen. Ik wil hier geen les in recht geven, maar we weten allemaal dat er een zeer groot verschil is tussen een verbeurdverklaring en een inbeslagname. Pas wanneer iets verbeurd is verklaard, wordt het eigendom van de Staat. Er is wel een vraag waarop ik geen antwoord heb gekregen, mevrouw de minister. U zegt dat met dit akkoord ook wordt ingezet op verdere digitalisering, wat uiteindelijk moet leiden tot een volledig digitale gegevensstroom tussen Justitie en Financiën. Zo wordt er gewerkt, heb ik gelezen, aan een rechtvaardiger en krachtiger strafuitvoeringsbeleid. Natuurlijk weten we allemaal dat meer inzetten op digitalisering gepaard gaat met een stevig prijskaartje. Ik hoop dan ook dat beide departementen bereid zijn om daarin te investeren, om dit in de praktijk te kunnen realiseren.

De toevloed van meldingen over phishing bij Safeonweb en de samenwerking met Justitie

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 16 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Safeonweb ontvangt dagelijks 26.000 meldingen van verdachte phishingberichten (jaarlijks ~9,5 miljoen), met name van CM, RIZIV en nepadvertenties, en blokkeert frauduleuze links. Phish Nemo (FGP Limburg) spoort en blokkeert proactief phishingwebsites, analyseert criminele netwerken en werkt samen met Safeonweb en Belgische providers voor efficiëntere blokkering. Van Hoecke benadrukt dat preventie cruciaal is, maar phishing nooit volledig uitgeroeid kan worden, en dringt aan op prioriteit in de bestrijding. Verlinden wijst op de multidisciplinaire aanpak en verwijst voor statistieken naar een schriftelijke vraag.

Alexander Van Hoecke:

Ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

Safeonweb, het initiatief van het Centrum voor Cybersecurity België, ontvangt elke dag bijna 26.000 meldingen over verdachte email of sms-berichten. Het zijn er in totaal net geen 10 miljoen (bijna 9,5 miljoen) per jaar. Voor alle duidelijkheid: het gaat hier enkel om de meldingen die Safeonweb ontvangt. Het topje van de ijsberg.

Safeonweb zegt dat het elk bericht met de link waarnaar verwezen wordt en eventuele bijlagen controleert. Wanneer blijkt dat het daadwerkelijk om een frauduleus bericht gaat, wordt ingegrepen en wordt ervoor gezorgd dat de link naar een waarschuwingspagina doorverwijst.

De meest voorkomende phishingberichten komen van de Christelijke Mutualiteit (CM), het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (RIZIV), De Watergroep en de federale politie.

Een andere populaire manier waarop criminelen tewerk gaan, is het gebruik van nepadvertenties met BV's of zelfs politici. Die vorm van phishing wordt regelmatig gepromoot op sociale media.

Op welke manier wordt er samengewerkt tussen Safeonweb en de Computer Crime Unit van de federale gerechtelijke politie? Zijn er nog gerechtelijke actoren waarmee Safeonweb samenwerkt en waaruit bestaat die samenwerking precies?

Merkt het openbaar ministerie een toename van het aantal aangiftes van phishing? Zo ja, is ook het aantal zaken dat daadwerkelijk tot vervolging heeft geleid mee geëvolueerd? Kan u daarbij ook een zicht geven op het aantal veroordelingen?

Annelies Verlinden:

Mijnheer Van Hoecke, ik verwijs graag naar het antwoord op uw eerdere mondelinge vraag en voeg daar het volgende aan toe. Momenteel loopt er onder de vleugels van de FGP Limburg een project loopt, genaamd Phish Nemo, waarvoor overigens de Nationale Innovatie Award werd ontvangen in 2024. Het project heeft als voornaamste doel het actief opsporen en blokkeren van phishingwebsites in een vroeg stadium om op die manier phishingaanvallen te voorkomen en de veiligheid van gebruikers te waarborgen. Op de verzamelde data worden verschillende analyses toegepast om nieuwe proactieve onderzoeken naar de bovenbouw van dergelijke criminele organisaties op te starten. Een ander doel is om met de data de fenomenen in kaart te brengen.

De FGP Limburg neemt momenteel het voortouw om een samenwerking op te zetten tussen de FGP en het Centrum voor Cybersecurity Belgium. Het is de bedoeling dat Phish Nemo ook de controle zal uitvoeren van alle vermoedelijke phishingwebsites voor alle burgermeldingen via Safeonweb. Er wordt ook een aansluiting beoogd op het Belgian Anti-Phishing Shield voor een efficiënte blokkering bij de Belgische internetproviders.

Dat alles moet een multidisciplinaire aanpak, betere onderzoeksmogelijkheden en beeldvorming opleveren alsook efficiëntere en andere potentiële samenwerkingsmogelijkheden stimuleren.

Wat de statistieken betreft, ik stel voor dat u daarvoor een schriftelijke vraag indient.

Alexander Van Hoecke:

Mevrouw de minister, ik krijg dan wellicht hetzelfde standaardantwoord. Ik dank u niettemin voor uw antwoord. Phish Nemo kende ik nog niet. Het is alleszins een amusante benaming. Het gaat er inderdaad om om zoveel mogelijk van die websites in kaart te brengen. Preventie speelt een bijzonder belangrijke rol bij het bestrijden van phishing. We zullen het nooit volledig kunnen vermijden. Het is een globaal fenomeen. We zullen in ons land niet in staat zijn om het volledig de kop in te drukken. Aangezien heel veel mensen, zo niet de meeste mensen, geconfronteerd worden met die vorm van criminaliteit en er nog altijd bijzonder veel slachtoffers vallen – dat blijkt ook uit het aantal meldingen dat Safeonweb ontvangt –, dring ik erop aan om de strijd tegen phishing de nodige prioriteit te geven.

Rechten van gedetineerden, veiligheid en bescherming van het personeel in de gevangenis van Lantin

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 16 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Na de dodelijke brand in de overbevolkte gevangenis van Lantin (1.060 gedetineerden op 744 plaatsen) benadrukt Daerden een structurele crisis: onmenselijke leefomstandigheden (gebrek aan hygiëne, voeding, veiligheid), uitgeput personeel en een systeemfaliek door jarenlang beleidsverzuim, terwijl Verlinden wijst op ad-hocmaatregelen (noodvoorraden, herbestemde lokalen, vormingen) en toekomstplannen (nieuwe detentiehuizen, masterplannen, geweldsreductieprogramma’s). Daerden noemt haar antwoord technocratisch en onvoldoende, eist een fundamentele, menswaardige hervorming in plaats van lapwerk, en hamert op de urgentie van een politiek keuze om de waardigheid van zowel gedetineerden als bewakers te herstellen. Kernpunt: systeemwijziging vs. symptoombestrijding in een gevangeniswezen dat humaniteit en veiligheid niet langer waarborgt.

Frédéric Daerden:

Madame la ministre, l'incendie tragique du 29 mai dernier à la prison de Lantin, qui a coûté la vie à un pompier, a brutalement mis en lumière les failles d'une infrastructure pénitentiaire déjà fragilisée. Mais au-delà du bâti, ce sont bien les conséquences organisationnelles, humaines, sécuritaires de cette situation qui interpellent aujourd'hui.

Depuis ce drame, de nombreux témoignages font état d'un fonctionnement dégradé et alarmant de l'institution, avec des préaux supprimés par manque de personnel, l'accès aux douches réduit voire inexistant, les repas distribués en décalé, parfois à des heures incohérentes, la suspension de la cantine accentuant la précarité des détenus, un sentiment d'insécurité généralisé tant chez les personnes incarcérées que chez les travailleurs.

Les syndicats évoquent un climat explosif nourri par la surpopulation carcérale, la pénurie d'agents et le manque de moyens organisationnels, et ce pour faire face à une crise pourtant prévisible.

Madame la ministre que mettez-vous en œuvre aujourd'hui pour garantir dans l'immédiat le respect des droits fondamentaux des détenus, notamment en matière de conditions de vie, d'hygiène et d'accès aux services de base; pour garantir la sécurité des établissements pénitentiaires comme Lantin où le risque de tension voire de violence est bien réel; pour garantir le soutien, la protection, le bien-être du personnel pénitentiaire dont l'épuisement et le découragement ne cessent de croître?

Plus structurellement, quelles mesures envisagez-vous pour réorganiser durablement le fonctionnement de nos prisons en lien avec les travaux d'infrastructures à venir, afin d'éviter que l'organisation pénitentiaire ne s'effondre au moindre instant? Il y a vraiment urgence à agir dans le respect des responsabilités de chacun.

Annelies Verlinden:

Collègue Daerden, l'incendie survenu à la prison de Lantin et le décès tragique du pompier Maxime Coessens nous ont tous profondément touchés. Je souhaite dès lors remercier à nouveau l'ensemble des services d'incendie pour leur engagement sans faille ainsi que tous les membres du personnel qui travaillent chaque jour au service de la justice. Je tiens à rappeler également mes précédentes interventions à ce sujet.

L'incendie a touché la buanderie et le stock de la cantine. L'impact sur les droits des détenus a été limité à ces deux emplacements. À la suite de l'incendie de Lantin, plusieurs mesures ont été mises en place afin de garantir les conditions de vie et de sécurité au sein de l'établissement. Pour le linge des détenus, un appel aux dons a été lancé à l'adresse de l'ensemble des établissements pénitentiaires. La solidarité des autres prisons a permis à Lantin de récupérer rapidement un stock de linge. Pour le nettoyage, ce service a pu être assuré car la société de nettoyage partenaire disposait de la capacité nécessaire pour assurer un volume de travail plus important.

Concernant la cantine, un autre local a été affecté à cette fonction. L'espace étant plus petit, la cantine a été limitée pendant plusieurs semaines. Lantin a également bénéficié d'une camionnette pour la gestion de la distribution en interne sur le site. En ce qui concerne les kits d'hygiène et les kits entrants également stockés dans la zone incendiée, la distribution a pu se poursuivre grâce aux stocks qui ont pu être récupérés et grâce à des nouvelles commandes. Les salles de visite et les distributeurs des salles d'attente des visiteurs continuent d'être alimentés en boissons et autres collations, bien que le choix y soit pour le moment plus restreint. Le 14 juillet, Lantin comptait 1 060 détenus pour 744 places.

L'amélioration des conditions des détenus et du personnel passe avant tout par une réduction de l'extrême surpopulation dans l'ensemble des prisons. La loi d'urgence revêt dans ce contexte une importance cruciale. Il n'est pas surprenant que les conflits et les incidents surviennent plus rapidement dans un contexte de surpopulation.

Investir dans des solutions structurelles et durables est également nécessaire pour réduire la population carcérale. Plusieurs groupes de travail sont en cours à cet effet. Nous investissons en outre dans la réduction de la violence. L'accent a été mis sur la formation du personnel, notamment en matière de gestion des conflits et de l'agressivité.

De même, un projet en cours vise à travailler sur la maîtrise de la violence des détenus. De manière ciblée, des détenus sont formés à cet effet afin d'acquérir des méthodes et techniques permettant d'apaiser les tensions et de réduire les agressions.

Un autre projet touche également un aspect plus institutionnel en invitant un organisme à proposer des solutions pour basculer vers une culture organisationnelle non violente.

Pour les détenus agressifs, nous travaillons sur un trajet de désengagement de la violence avec notamment des cellules et un encadrement adaptés qui permettront au personnel de travailler de manière plus sécurisée.

La surpopulation a un impact important sur la charge de travail des agents et sur leur sentiment d'impuissance à apporter une contribution significative.

L'équipe RH réalise tous les investissements nécessaires pour pourvoir au maximum les postes grâce à des campagnes de promotion, une manière importante de soutenir les agents et de leur offrir des formations.

L'Académie de la justice investit dans la professionnalisation et l'élargissement de la formation initiale des agents. Une politique générale en matière de bien-être est également mise en œuvre. Des enquêtes sur le bien-être réalisées au SPF Justice l'année dernière donneront lieu à des actions concrètes cet automne.

Le processus d'ouverture de nouvelles maisons de détention et de transition est toujours en cours. Ces nouveaux établissements nous permettront à la fois d'avoir des places supplémentaires mais également de mieux différencier le parcours carcéral des détenus en fonction de leur profil.

Enfin, nous collaborons étroitement avec la Régie des Bâtiments afin d'améliorer les infrastructures existantes. Grâce au masterplan, un important rattrapage a déjà pu être opéré. Par ailleurs, ces masterplans pour une détention humaine sont poursuivis et adaptés si nécessaire pour répondre aux derniers besoins.

Frédéric Daerden:

Madame la ministre, je vous remercie pour vos éléments de réponse. J'ai le sentiment que votre réponse témoigne d'un malaise, un malaise plus large encore que celui qui traverse aujourd'hui la prison de Lantin. Je serais tenté de dire que c'est une forme de déni politique face à une crise carcérale dont chacun perçoit l'ampleur mais qui n'est pas nouvelle, qui existe depuis un certain temps. Ce n'est pas seulement un problème, une panne d'infrastructure ou une fuite d'eau que l'on déplore ici, mais bien une désorganisation complète du quotidien carcéral, une mise en danger du personnel comme des personnes détenues d'ailleurs. Les faits sont là, ce sont des conditions indignes d'un État de droit. Ce sont des vies humaines abandonnées à un système en faillite. Et pourtant, ce que vous présentez, ce sont des mesures – j'oserais dire – techniques, technocratiques, là où il faudrait une réponse politique forte, courageuse et surtout profondément humaine. Dans un pays comme le nôtre, il ne peut exister ce que j'appelle une "seconde peine", qui viendrait s'ajouter à celle prononcée par la Justice. Rien ne justifie que l'on sacrifie la santé mentale et physique du personnel pénitentiaire, qui mérite des moyens, du respect et un cadre de travail digne. Je terminerai en disant qu'il est temps d'arrêter de gérer les prisons à coups de rustines. Il est temps d'assumer une politique pénitentiaire qui respecte la justice et la sécurité, mais aussi la dignité humaine. Il y a urgence à agir, dans le respect des responsabilités de chacun.

De komst van een detentiehuis in Zelzate

Gesteld door

lijst: VB Marijke Dillen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 16 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De opening van het detentiehuis in Zelzate wordt al sinds 2022 geblokkeerd door juridische procedures en lokale tegenwerking, waaronder stedenbouwkundige verordeningen en weigeringen van omgevingsvergunningen, die door de Raad van State en Raad voor Vergunningenbetwistingen deels vernietigd werden, maar de gemeente blijft de komst dwarsbomen via een nieuw RUP (definitief uiterlijk januari 2026). Minister Verlinden benadrukt de nodige capaciteit voor detentiehuizen en wijst op het gebrek aan maatschappelijke bereidheid om dergelijke locaties te aanvaarden, ondanks bewezen beperkte veiligheidsrisico’s elders. Een concrete openingsdatum is onmogelijk zonder rechtsgeldige vergunning, en overleg met de bevolking heeft weinig zin zolang het project juridisch vastzit. Het leegstaande gebouw kan niet tijdelijk herbestemd worden, aangezien dat buiten de bevoegdheid van Justitie valt.

Marijke Dillen:

Mijnheer de voorzitter, ik verwijs naar de tekst van mijn vraag zoals ingediend.

Reeds einde 2022 werd de opening van een detentiehuis in Zelzate aangekondigd. Het betreft een gebouw dat aangekocht was door de Regie der Gebouwen. Er was destijds vanuit de bevolking zeer veel protest tegen de vestiging van een detentiehuis in dit gebouw.

We zijn inmiddels bijna 3 jaar verder en nog steeds is dit gebouw niet in gebruik genomen als detentiehuis.

Wat zijn de redenen? Kan de minister meer toelichting geven?

Wanneer wordt de opening voorzien?

Heeft er inmiddels opnieuw overleg plaatsgevonden met de plaatselijke bevolking? Zo ja, wat zijn de resultaten? Zo neen, wordt dit nog voorzien?

Annelies Verlinden:

Mevrouw Dillen, de opening van een detentiehuis in Zelzate werd inderdaad al in 2022 aangekondigd, nadat de Regie der Gebouwen een voormalig hotel had aangekocht met het oog op de herbestemming ervan tot detentiehuis.

Sindsdien is er een juridisch getouwtrek ontstaan dat de uitvoering van het project ernstig heeft vertraagd. Ik geef daarvan graag een overzicht.

In 2022 kocht de Regie het hotel aan. Op 9 december 2022 keurde het college van burgemeester en schepenen van de gemeente een ontwerp van gemeentelijke stedenbouwkundige verordening goed betreffende het verbod tot wijziging van een bestaande sociale functie in een andere hoofdfunctie. De Regie diende, samen met de FOD Justitie, een bezwaarschrift in op 17 januari 2023. De deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen en het Departement Omgeving van de Vlaamse overheid brachten op respectievelijk 22 en 23 december een negatief advies uit over de gemeentelijke verordening. Vervolgens heeft de gemeenteraad van Zelzate de gemeentelijke verordening op 30 januari alsnog goedgekeurd. Op 2 en 15 maart 2023 schorsten respectievelijk de deputatie en de Vlaamse minister van Omgeving de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening.

De aanvraag tot omgevingsvergunning met het oog op een functiewijziging werd op 1 maart 2023 bij de gemeente Zelzate ingediend. Op 31 maart verklaarde de gemeente de aanvraag onvolledig en werd de vergunningsprocedure definitief stopgezet, zonder evenwel om aanvullende informatie te verzoeken.

Ondertussen keurde de gemeenteraad van Zelzate op 22 mei de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening betreffende het verbod tot wijziging van een bestaande verblijfsrecreatiefunctie in een andere hoofdfunctie goed. De term 'sociale functie' uit de eerste versie van de verordening werd daarbij vervangen door de term 'verblijfsrecreatie'.

Op 13 juli werd een nieuwe aanvraag tot omgevingsvergunning bij de gemeente ingediend, rekening houdend met de opmerkingen van de gemeente bij de eerste onvolledigheidsverklaring. De gemeentelijke omgevingsambtenaar van Zelzate besliste op 11 augustus dat de aanvraag onontvankelijk was en zette de vergunningsprocedure opnieuw definitief stop. Daarop diende de Regie een annulatieberoep in bij de Raad voor Vergunningenbetwistingen tegen de beslissing van de gemeentelijke omgevingsambtenaar om de aanvraag onontvankelijk te verklaren. Op 30 januari van dit jaar vernietigde de Raad voor Vergunningenbetwistingen de bestreden beslissing en beval de gemeentelijke omgevingsambtenaar om een nieuwe beslissing te nemen over de ontvankelijkheid en volledigheid van de vergunningsaanvraag. Volgens de Raad had de gemeente, door de omgevingsvergunningsaanvraag van de Regie onontvankelijk te verklaren omdat de MER-screening onvolledig zou zijn, de ontvankelijkheidsbeoordeling op oneigenlijke wijze aangewend om het dossier te blokkeren.

De gemeentelijke omgevingsambtenaar besliste vervolgens op 3 maart dat de aanvraag onvolledig en onontvankelijk was, omdat een terreinprofiel en recente foto's van het pand en het terrein zouden ontbreken. Dat vloeit logischerwijze voort uit de duurtijd van de procedure en zette de vergunningsprocedure opnieuw definitief stop, in plaats van de kans te bieden om het dossier op die punten aan te vullen, zoals doorgaans gebruikelijk is.

Gelijktijdig stelde de Regie, samen met de FOD Justitie, op 28 juli 2023 beroep in bij de Raad van State, met de vraag om het besluit van de gemeenteraad van 22 mei 2023 tot goedkeuring van de verordening te schorsen. Op 21 februari 2025 vernietigde de Raad van State, na een eerdere schorsing op 24 november, de stedenbouwkundige verordening van de gemeente, omdat die tot doel had een individuele casus, met name die van het detentiehuis, te regelen, waardoor de verordening op oneigenlijke wijze als een verordenend besluit werd aangewend.

De gemeenteraad keurde op 31 maart 2025 een ontwerp-RUP goed betreffende verblijfsrecreatie. Uit de bestemmingsvoorschriften blijkt dat de gemeente opnieuw de komst van het detentiehuis wenst te verhinderen, aangezien gemeenschapsvoorzieningen met een gesloten karakter, zoals een gevangenis, een detentiehuis of een gesloten instelling, niet toegelaten zouden worden binnen de aangeduide zones. Nu worden er een openbaar onderzoek en een adviesronde georganiseerd. Volgens de informatie op de website van de gemeente loopt dat onderzoek van 26 mei tot en met 24 juli.

Binnen 180 dagen na het einde van het openbaar onderzoek moet de gemeente het RUP definitief vaststellen. Dat betekent dat er uiterlijk op 20 januari 2026 een definitief RUP moet voorliggen. Van zodra het RUP definitief is, zal een omgevingsvergunning voor een functiewijziging niet meer kunnen worden ingewilligd. Er kan dan ook geen openingsdatum worden meegedeeld zolang er geen omgevingsvergunning met betrekking tot de functiewijziging wordt goedgekeurd.

Zolang er geen rechtsgeldige en uitvoerbare omgevingsvergunning voor een functiewijziging is afgeleverd, kan er ook geen concrete datum voor de opening worden meegedeeld. Het heeft dan ook weinig zin om nieuwe overlegmomenten met de plaatselijke bevolking te organiseren. Uiteraard – dit is een boodschap die ik nog wil meegeven – moet het mij van het hart dat in een samenleving waar de roep om meer mensen op te sluiten sterk aanwezig lijkt, los van de vraag of dat altijd een juiste finale doelstelling is, het moeilijk is dat er vanuit diezelfde samenleving weinig bereidheid bestaat om mee te denken over het creëren van de omstandigheden om die vrijheidsstraffen effectief te kunnen uitvoeren en capaciteit uit te bouwen.

Bij de twee bestaande detentiehuizen en het volgende dat we geopend hebben, blijkt dat er geen noemenswaardige negatieve impact is op de veiligheid in de omgeving. We hebben die capaciteit wel degelijk nodig als we ons detentiebeleid goed en efficiënt willen voeren.

Het is absoluut mijn ambitie, ook in de gemeente Zelzate, om constructief naar oplossingen te blijven zoeken. De nood aan capaciteit is groot. Kwalitatieve projecten zoals detentiehuizen moeten we blijven nastreven. Ik blijf samen met mijn collega bevoegd voor de Regie zoeken naar bijkomende locaties voor dergelijke innovatieve, kleinschalige omgevingen, niet het minst omdat ook uit buitenlandse ervaringen blijkt dat die zinvol en efficiënt kunnen zijn.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord en voor het gedetailleerd overzicht. Ik kan alleen vaststellen dat het blijkbaar nog geruime tijd zal duren. Dat gebouw is ondertussen al twee of drie jaar geleden aangekocht door de Regie en staat al die tijd leeg. Kan dat gebouw niet tijdelijk op een andere manier worden ingevuld? Een leegstaand gebouw kost immers geld en verslijt. Ik besef evenwel dat die vragen niet tot uw bevoegdheid behoren.

De subsidies vanuit de FOD Justitie aan het CIIB

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 16 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Het CIIB ontving 250.000 euro aan subsidies (waarvan 100.000 euro van FOD Justitie), maar wordt door Staatsveiligheid gelinkt aan het Moslimbroederschap, wat vragen oproept over de toekenning. Minister Verlinden bevestigt dat het CIIB in 2024 nog 95.890 euro kreeg, maar in 2025 geen subsidies meer, en verwijst voor details naar minister Beenders (Gelijke Kansen). Van Hoecke kritiseert het "vreemde construct" waarbij Justitie-geld via Gelijke Kansen naar omstreden organisaties gaat en pleit voor strengere controle en stopzetting van dergelijke subsidies. De kerntaak van overheidssubsidies aan dergelijke privéorganisaties wordt in twijfel getrokken.

Alexander Van Hoecke:

De krant La Dernière Heure berekende dat het Collectief voor Inclusie en tegen Islamofobie (CIIB) de afgelopen vijf jaar maar liefst 250.000 euro aan Belgische en Europese subsidies binnenhaalde. Het leeuwendeel daarvan (100.000 euro) is afkomstig van de FOD Justitie.

In een rapport van de Staatsveiligheid wordt erop gewezen dat het CIIB een discours voert dat verdacht veel lijkt op dat van het extremistische Moslimbroederschap. Het rapport linkt de twee organisaties aan elkaar.

Waarom werden deze subsidies toegekend aan het CIIB?

Welke controle werd er uitgeoefend op het besteden van deze subsidies?

Zal het CIIB dit jaar nog bijkomende subsidies ontvangen vanuit de FOD Justitie?

Zal de minister de subsidies aan het CIIB volledig stopzetten?

Kunnen de toegekende subsidies (of minstens een deel ervan) nog teruggevorderd worden?

Annelies Verlinden:

Dank u wel, collega Van Hoecke. Binnen de FOD Justitie bestaat er een specifieke financieringslijn, namelijk programma 5 Diversiteit, Interculturaliteit en Gelijkheid van Kansen, meer bepaald onder de begrotingspost ‘Toelagen aan privéorganisaties in het kader van de diversiteit, de interculturaliteit en de gelijkheid van kansen’. Die begrotingspost valt onder de FOD Justitie, maar het is mijn collega, de minister van Gelijke Kansen, de heer Rob Beenders, die hierop toelagen kan uitkeren.

In dat kader kunnen privéorganisaties, waaronder het Collectief voor Inclusie en tegen Islamofobie, projectsubsidies ontvangen. Ik kan u melden dat in 2024 het CIIB 95.890 euro subsidies heeft ontvangen van de FOD Justitie. In 2025 heeft die organisatie geen subsidies van de FOD Justitie ontvangen. Ik verwijs u graag naar minister Beenders voor eventuele verdere vragen over de concrete financiering van specifieke organisaties.

Alexander Van Hoecke:

Het is goed dat die organisatie in 2025 geen subsidies meer heeft ontvangen, maar het is wel een beetje bizar dat er een toelage bestaat vanuit de FOD Justitie die wordt uitgekeerd door de minister van Gelijke Kansen die beslist welke organisaties die toelage krijgen. Het gaat om privéorganisaties die werken rond diversiteit en gelijke kansen. Ik vind dat een heel vreemd construct. Als ik dan zie dat er bijna 100.000 euro gaat naar een organisatie die gelinkt wordt aan het extremistische Moslimbroederschap en dat terwijl het woord ‘islamofobie’ in de naam van de organisatie voorkomt, dan zouden bij mij toch al alarmbellen afgaan. Ik vind het dan ook bijzonder vreemd dat er geld gaat van de FOD Justitie, waar toch geen geld op overschot is, naar een dergelijke organisatie. Ik hoop dat u al die privéorganisaties zult doorlichten en dat u in samenspraak met de minister van Gelijke Kansen zult nagaan of het wel een kerntaak van de overheid is om dergelijke organisaties te subsidiëren.

De EU-top en Gaza
De EU-top en Iran
De oorlog in Gaza en de bijeenkomst van de Raad Buitenlandse Zaken van 23 juni
De bijeenkomst van de Raad Buitenlandse Zaken van 23 juni
Gaza en de Europese Raad
De Europese top en de stavaza betreffende het conflict tussen Israël en Iran
De oorlog tussen Israël en Iran
Het regeringsstandpunt over de sancties tegen Israël
De situatie in Gaza
De Europese Raad en het uitblijven van concrete maatregelen inzake Gaza
De associatieovereenkomst EU-Israël
Het associatieakkoord
De opschorting van de associatieovereenkomst EU-Israël
De situatie in Gaza
De Israëlische agressie tegen Iran
De gerechtelijke stappen tegen België wegens het gebrek aan actie t.a.v. de situatie in Gaza
De bijeenkomst van de RBZ op 15 juli, de situatie in Gaza en de associatieovereenkomst EU-Israël
Het standpunt van de EU met betrekking tot Gaza en Israël
De associatieovereenkomst van de EU met Israël
Israël en Palestina
EU-top, buitenlands beleid en conflicten in Gaza, Israël en Iran

Gesteld aan

Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 16 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Tijdens een actueel debat over de humanitaire crisis in Gaza benadrukten parlementsleden unaniem de catastrofale situatie (honger als oorlogswapen, massale burgerdoden, geblokkeerde hulp) en Israëls schendingen van internationaal recht, maar kritiseerden ze Europa’s en België’s gebrek aan concrete actie. Minister Prévot (BZ) bevestigde dat België geen mandaat had om op de EU-top de opschorting van het associatieakkoord EU-Israël (art. 2, mensenrechtenclausule) te eisen, ondanks zijn persoonlijke steun daaraan, en wees op interne regeringsverdeling en EU-blokkades (o.a. Hongarije). Hij somde wel Belgische initiatieven op (humanitaire steun, druk op Hamas/Israël, juridische analyse handel nederzettingen), maar erkende dat sancties of unilaterale stappen (bv. importban) uitblijven door gebrek aan consensus. Oppositie en meerderheidsleden eisten meer lef, verwijtend dat België’s “morele leiderschap” ontbreekt terwijl 70% van de Belgen sancties wil.

Voorzitter:

Collega's, we beginnen met een actuadebat met maar liefst twintig vragen. We houden ons uiteraard aan de spreektijd. U zult de minuten op de spreekklok zien aftellen. Wie meerdere vragen heeft ingediend, krijgt vier minuten spreektijd, de overige leden twee minuten. Gelieve u daaraan te houden, want anders wordt het heel laat vandaag. De minister heeft meegedeeld dat hij aanwezig blijft tot de finish van deze vragensessie, waarvoor dank, maar ik vraag u dan ook om u aan uw spreektijd te houden.

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, de situatie in Gaza is onmenselijk en schrijnend, daarover zijn we het eens. Er is nood aan meer humanitaire hulp. Ons land heeft steeds gestreefd naar een coherent en principieel buitenlandbeleid, gestoeld op mensenrechten en humanitair recht. We kunnen vandaag niet anders dan vaststellen dat de humanitaire situatie in Gaza onmenselijk is. Het is onaanvaardbaar dat mensen worden neergeschoten terwijl ze eten gaan halen en dat zij volledig aan hun lot worden overgelaten.

Deze week vond een belangrijke Europese Raad plaats, waaraan u deelnam als vertegenwoordiger van ons land. U had daarvoor een sterk mandaat, voortvloeiend uit de resolutie die we hier in het Parlement hebben aangenomen. U kreeg daarmee een mandaat om de weg naar een wederzijdse erkenning en duurzame vrede verder te verdedigen.

Mijnheer de minister, wat hebt u op de Europese Raad tafel gelegd? Welke concrete acties en initiatieven hebt u aan uw ambtsgenoten voorgelegd? Welke stappen kunnen vandaag al worden gezet om tegemoet te komen aan de humanitaire noden? Wat kan er nu al worden ondernomen om een verschil te maken voor de mensen in Gaza?

Wat waren de besluiten van de Europese top daarover? Mevrouw Kallas verklaarde dat de humanitaire situatie onaanvaardbaar is en dat er stappen moeten worden gezet. Wat is haar verslag van het gesprek met de Israëlische autoriteiten? Welke conclusies werden er in de Raad getrokken?

Wat kunt u meedelen over het associatieakkoord met Israël of over de eventuele vorming van een gekwalificeerde meerderheid om een deel van dat akkoord te onderzoeken? Op welke termijn verwacht u dat binnen het Europees gremium, samen met de andere lidstaten, initiatieven zullen worden genomen?

Daarnaast hebben we gisteren de minister van Diaspora van de Palestijnse Autoriteit ontmoet. Zij wees op een belangrijke conferentie die eind deze maand in New York zal plaatsvinden, waaraan u wellicht zult deelnemen. Wat is het standpunt van de regering dat u daar zult verdedigen?

Tevens loopt er een initiatief van Colombia. Ons land neemt daaraan niet deel. Ook daarover had ik graag van u vernomen wat de beweegredenen zijn, wat de standpunten zijn, en hoe onze staat zich zal positioneren ten aanzien van, ten eerste, de humanitaire noden in Gaza en het antwoord dat we daarop zoeken, en ten tweede een vredesinitiatief op lange termijn, met het oog op een tweestatenoplossing en oplossingen voor de volkeren aan beide zijden van dat bijzonder dramatisch, bloederig en onmenselijk conflict.

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de minister, gemiddeld vallen er in Gaza honderd doden per dag, en dat al maandenlang. Nagenoeg iedereen lijdt er honger. Voedsel of drinkwater halen betekent dat men zich op een mijnenveld begeeft. Op zoek gaan naar voedsel kan leiden tot de dood. Dat is een schrijnende situatie die zo snel mogelijk moet stoppen.

De Europese Unie doet momenteel niets anders dan wachten en lijdzaam toekijken. Ze doet niets. Mevrouw Kallas heeft gecommuniceerd dat de Europese Unie de situatie nauwlettend in het oog zal houden.

Op dit moment is het echter overduidelijk dat de mensenrechtenclausule in artikel 2 van het associatieverdrag tussen de EU en Israël geschonden wordt. We hoeven geen professor of academicus te zijn om vast te stellen dat de mensenrechten in Gaza op grove wijze worden geschonden.

Het logisch gevolg is dat men die associatieovereenkomst opschort. Het feit dat de EU daar nog altijd geen akkoord over heeft kunnen bereiken, is schrijnend en totaal onaanvaardbaar. Het is eigenlijk de eerste stap van schuldig verzuim. De EU doet niets en België is op dit moment ook nog altijd muisstil. Ik ben dan ook blij dat u hier nu bent om enige tekst en uitleg te geven, want België heeft nog geen standpunt ingenomen.

Mijnheer de minister, daarom heb ik maar twee duidelijke vragen.

Ten eerste, waarom is het associatieverdrag tussen de EU en Israël nog niet opgeschort, terwijl het overduidelijk is dat artikel 2, de mensenrechtenclausule, geschonden wordt?

Ten tweede: wat was het standpunt van de Belgische regering op de Europese Raad? Ik bedoel dus niet uw persoonlijk standpunt, mijnheer de minister, want uw persoonlijke verklaring in de pers kennen we inmiddels. We zitten op dat punt zelfs op dezelfde lijn. Maar wat is het officieel standpunt van de Belgische regering? Wat hebt u daar verdedigd? Welk mandaat hebt u gekregen van de federale regering? Hebt u daar namens de Belgische regering kunnen zeggen dat de Belgische regering pleit voor de opschorting van het associatieakkoord, ja of neen? Dat wil ik vernemen.

Annick Lambrecht:

Mijnheer de minister, we zijn diep teleurgesteld. We hoorden de aankondiging dat Europa de situatie nauwlettend in het oog zal houden. Diepe teleurstelling is het enige wat nog rest na de top van gisteren met de Buitenlandministers. Opnieuw heeft men ervoor gekozen om niets te doen, helemaal niets. Maandag alleen al werden in de Gazastrook opnieuw 78 Palestijnen gedood. Sinds eind mei telden de Verenigde Naties meer dan 800 doden. In totaal zijn er al meer dan 50.000 doden gevallen. Daar komen nu ook nog hongerdoden bij.

Mijnheer de minister, in onze resolutie vroegen we u om het associatieakkoord aan te pakken. Met welk mandaat bent u gisteren naar de top gegaan? Klopt het dat u daar pleitte voor een gedeeltelijke opschorting?

Op de top lag een lijst met opties om Israël onder druk te zetten. Wat waren die opties?

Vorige week gaf de Europese Unie aan dat een nationaal handelsverbod met betrekking tot producten uit illegale nederzettingen perfect mogelijk is. We hebben daar recent nog over gesproken. Gaat u daarmee zo snel mogelijk aan de slag, of doet u dat niet?

De EU sloot vorige week een akkoord met Israël over humanitaire hulp. Er is echter niets bekend over de controle op de naleving van dat akkoord. Hoe kijkt u daar tegenaan? Is dat een lege doos?

Dappere landen zoals Ierland en Colombia tonen leiderschap. Zij zetten stappen om internationaal recht te herstellen. Wanneer volgt België? Wanneer zal België dapper zijn?

Mijnheer de minister, het is duidelijk dat alle rode lijnen al lang zijn overschreden. De mensenrechten worden continu geschonden. Elke dag zijn er nieuwe oorlogsmisdaden. Het is onze plicht om er alles aan te doen om dat te stoppen en om Israël ter verantwoording te roepen. Het minste wat we nu kunnen doen, is toch wel maatregelen nemen tegen Israël. België en Europa moeten meer doen. Bijna 70 % van de Belgen sprak zich uit voor strengere maatregelen tegen Israël.

De Palestijnse minister van Buitenlandse Zaken merkte hier gisteren nog dat we met een probleem zitten, aangezien de bevolking maatregelen wil, terwijl de politieke wereld geen maatregelen neemt.

Ik hoop dat ik een heel duidelijk antwoord krijg op de vijf vragen die ik heb gesteld. Ik hoop ook dat we ook over België eindelijk kunnen zeggen dat het een dapper land is.

Voorzitter:

Mevrouw Safai is niet aanwezig.

Staf Aerts:

Mijnheer de minister, het is een schande. De conclusie van u en uw collega's, verwoord door mevrouw Kallas, luidt dat we Israël in de gaten zullen houden.

Israël in de gaten houden? Elke dag zien we de beelden binnenstromen. Elke dag krijgen we getuigenissen van hulpverleners die smeken om actie van de hele wereldgemeenschap. De Europese Unie, meer bepaald de Europese Raad van ministers van Buitenlandse Zaken, heeft echter, na een rapport waarin wordt vastgesteld dat de mensenrechten worden geschonden, geconcludeerd dat we Israël in de gaten moeten houden.

Dat is echt een schande. Ik lig er al de hele nacht van wakker hoe u tot een dergelijke conclusie kunt komen. Al 65.000 Palestijnen hebben daar het leven gelaten sinds de aanslagen van oktober 2023. Daarbovenop komen het blokkeren van humanitaire hulp en de georganiseerde hongersnood, waardoor het aantal slachtoffers nog een veelvoud is geworden. Gisteren hebben we hier nog gehoord dat het aantal inwoners van een stad als Gent of Charleroi overeenkomt met het aantal mensen dat daar is weggevaagd door Israëlisch geweld. Als ik de conclusie hoor van de Raad van ministers van Buitenlandse Zaken, dan breekt mijn klomp.

Mijnheer de minister, mijn vraag aan u gaat over iets waarover bijzonder veel mist hangt. Welk standpunt heeft België gisteren ingenomen? Waarmee hebt u ingestemd? Dat is een cruciale vraag.

Een even belangrijke vraag is wanneer we als België eindelijk eens meer zullen doen. Wanneer zullen we zelf beslissingen nemen om ervoor te zorgen dat zulke zaken niet meer gebeuren, om ervoor te zorgen dat Israël beseft dat het rode lijnen overschrijdt, althans in de ogen van de Belgische regering?

In de meerderheidsresolutie zat alle mogelijkheid om u te verschuilen achter het Europese compromis. Dat compromis heeft echter niets opgeleverd. Het is nu tijd dat België zelf actie onderneemt. Dat kan door een ban op Israëlische producten of de erkenning van Palestina als staat. Er zijn nog zoveel andere voorbeelden van maatregelen die België zelf kan nemen. Mijnheer de minister, wat zal de Belgische regering vanuit België zelf initiëren?

Nabil Boukili:

Monsieur le ministre, les masques sont tombés. La décision du Conseil des ministres européens est très clair. L'Europe choisit la complicité du génocide plutôt que de prendre des sanctions contre l'État génocidaire. Voilà des années, des mois que nous nous cachons derrière l'Union européenne. On va décider au niveau du Conseil européen, on va faire des réunions, on va faire des rapports, on va faire des études. Tout cela pour dire que nous allons suivre de près la situation. Aucune sanction! Même une suspension temporaire de l'accord d'association qui accorde des privilèges au marché européen pour l'État d'Israël n'a pas été remis en question!

Donc, l'Europe a choisi de manière consciente d'être complice du génocide en cours. Pourquoi? Parce que tout est clair. Ne revenons pas sur toutes les atrocités que commet l'armée coloniale contre le peuple palestinien. On parle de famine organisée, de destruction d'infrastructures, d'hôpitaux, d'enfants tués, assassinés pendant qu'ils vont chercher de l'aide humanitaire. Il n'y a plus de mots pour décrire la barbarie commise par Israël contre le peuple palestinien.

Aucune sanction, aucune mesure contraignante ne sont prises contre l'État d'Israël! Si Israël agit ainsi aujourd'hui, c'est parce que cet É tat est impuni. Pas de sanction, impunité totale! Quand il y a impunité totale, cela signifie chèque en blanc. Continuez, circulez, il n'y a rien à voir! Voilà la position de l'Europe aujourd'hui!

Monsieur le ministre, que va faire la Belgique dans ce contexte où l'Europe choisit son camp? Elle a choisi le camp de l'État génocidaire contre le droit international et contre les droits humains. Va-t-elle suivre la complicité européenne ou va-t-elle avoir un sursaut d'honneur afin de respecter ses propres engagements?

Parce que parallèlement à ce sommet européen, il y a eu un autre sommet d'urgence, à Bogotá, auquel une trentaine de pays de tous les continents ont participé. L'Irlande et l'Espagne y étaient d'ailleurs représentées. Mais où était la Belgique? La Belgique, qui annonce respecter le droit international et qui fera tout pour le faire respecter, attachée aux droits humains, attachée à nos soi-disant valeurs, où était-elle lors de cette réunion?

Et surtout, que va faire la Belgique aujourd'hui? Va-t-elle suivre de près ou compte-t-elle prendre ses responsabilités et infliger des sanctions à l' É tat génocidaire? Désormais, il n'est plus question de se cacher derrière l'Union européenne. L'Europe a choisi. Maintenant, c'est à vous de choisir, monsieur le ministre. Et quel choix faites-vous? Telle est ma seule question!

Christophe Lacroix:

Monsieur le ministre, bonjour, excusez mon retard, mais j'étais en commission des Achats militaires, où les débats étaient aussi quelque peu tendus. Enfin, je ne sais pas comment les débats se déroulent ici maintenant, mais je ne peux rien dire car cette commission se réunit à huis clos, de sorte que j'espère ne pas me faire réprimander tout à l'heure.

J'ai deux questions à vous poser, en tout cas deux thèmes à aborder. Tout d'abord sur l'expression du premier ministre, qui avait exprimé publiquement son opposition à la suspension de l'accord d'association entre l'Union européenne et Israël, prétextant qu'il ne s'agissait pas de l'urgence actuelle et que cela n'aurait de toute façon pas d'effet immédiat sur l'approvisionnement de l'aide humanitaire. Pourtant, les attaques systématiques répétées indiscriminées d'Israël sur Gaza ont déjà fait des dizaines de milliers de victimes civiles palestiniennes, dans le cadre de ce que de nombreux juristes, ONG et États – dont l'Espagne – qualifient de génocide.

Ce qui m'ennuie, c'est que ces propos sont tenus dans un contexte de division au sein de la majorité, mais qui ne reflète absolument pas, du moins de ce que j'ai compris, la position officielle du gouvernement fédéral. Dès lors, cette dissonance publique sur un sujet aussi grave est non seulement regrettable, mais elle peut également affaiblir et elle affaiblit certainement la crédibilité de notre pays sur la scène internationale. Et ce n'est pas la première fois lorsqu'il s'agit de condamner Israël.

Un Conseil Affaires étrangères s'est tenu hier. À ce sujet, j'ai deux questions précises à vous poser.

Premièrement, pouvez-vous confirmer que les propos tenus récemment par le premier ministre ne reflètent pas la position officielle du gouvernement? Quelle est, à l'heure actuelle, la position du gouvernement belge? Et comment vous êtes-vous exprimé lors du Conseil d'hier?

Deuxièmement, je souhaite aborder l'initiative du collectif Droits pour Gaza, composé de juristes, d'avocats, de professeurs d'université, et soutenu par plusieurs associations belges et palestiniennes. Ce collectif a récemment mis en demeure l'État belge de prendre des mesures concrètes afin de faire cesser les violations graves du droit international humanitaire dans la bande de Gaza.

Cette démarche s'appuie notamment sur les dispositions de la Convention de Genève ainsi que sur la Convention de 1948 pour la prévention et la répression du crime de génocide. On parle souvent de répression, en rappelant que ce sont les cours qui doivent juger, mais on oublie trop souvent que cette convention parle d'abord de prévention. La lettre adressée au gouvernement souligne que la Belgique, en tant qu'État partie à ces conventions, a l'obligation de prendre toutes les mesures raisonnablement à sa disposition pour prévenir un génocide – même si celui-ci n'est pas encore juridiquement avéré, dès lors que le risque est manifeste.

Elle rappelle également que l'inaction, ou le maintien de relations privilégiées avec un État accusé de crimes graves, peut être interprété comme une forme de complicité.

Dans ce contexte, je souhaite vous interroger sur plusieurs points. Quelles mesures concrètes le gouvernement belge a-t-il prises, ou envisage-t-il de prendre, pour répondre aux obligations qui lui sont rappelées par ce collectif en matière de prévention du génocide et de respect du droit international humanitaire? La Belgique envisage-t-elle un embargo total sur les armes ainsi que sur les biens à double usage à destination d'Israël, conformément aux recommandations formulées et aux principes de précaution prévus par le droit international? Comment le gouvernement entend-il répondre à l'accusation de complicité portée par ces associations? Quelles garanties peut-il offrir aux citoyennes et aux citoyens de ce pays en ce qui concerne le respect des principes de justice, de moralité et d'humanité dans sa politique étrangère? Enfin, alors que la rapporteuse spéciale de l'ONU pour les Territoires palestiniens, Francesca Albanese, à Genève, fait l'objet de menaces de sanctions inacceptables de la part des États-Unis, quelle sera la position de la Belgique sur ce point précis?

Benoît Lutgen:

Merci, madame la présidente. Monsieur le ministre, hier a eu lieu le Conseil européen. On peut d'abord vous féliciter d'avoir été du bon côté de l'histoire en demandant qu'il y ait révision de l'accord Union européenne-Israël, notamment en son article 2, il y a quelques semaines.

Maintenant, cet élément-là n'est pas suffisant. Je voudrais savoir exactement quelle position la Belgique a adoptée, hier, lors du Conseil européen, puisque, comme vous le savez, la haute représentante a d'abord entamé des consultations ces dernières semaines et a proposé, et mis sur la table en tout cas, différents éléments. J'aurais aimé savoir, d'ailleurs, si vous avez défendu ces différents éléments, à savoir la suspension totale ou partielle de l'accord d'association, la suspension de la participation d'Israël aux différents programmes d'échange, notamment d'étudiants ou de recherche universitaire dits "horizons", l'imposition de sanctions aux ministres israéliens pour l'évaluation en violation des droits de l'homme, ou encore l'interdiction des importations provenant des colonies israéliennes sur les territoires palestiniens, où certains pays de l'Union pourraient décider de mettre en œuvre une telle interdiction.

Je viens de vous donner lecture d'une partie du document de la haute représentante. Sur ces différents points, en tout cas au moins ceux que je viens de relever, j'aurais voulu savoir quelle était la position de la Belgique que vous avez exprimée hier au sein de ce Conseil européen. À en croire le communiqué de presse, rien n'a été décidé à l'issue de celui-ci. Mais vous pouvez quand même nous dire quels sont les pays ou les États membres qui ont pu rejoindre la position que je viens d'exprimer, et qui était autre que celle de la haute représentante.

Le cas échéant, quelles sont les mesures que vous prendriez ou que vous soumettriez au gouvernement dans les prochains jours si cela ne bougeait pas au niveau européen? La lenteur est absolument indigne, reconnaissons-le! Je suis certain que vous partagez mon point de vue. Certains pays n'ont pas attendu effectivement un accord au niveau de l'Union européenne pour prendre des sanctions, notamment à l'égard de certaines personnalités israéliennes qui ont commis des faits graves, ou encore sur des éléments qui touchent aux importations.

Bref, je souhaite le compte rendu par rapport à hier, ainsi que connaître la position de la Belgique sur les différents points qui ont été évoqués par la haute représentante, et par ailleurs, les initiatives que vous pourriez prendre soit au niveau européen, soit au niveau purement belge, pour mettre fin à ces non-sanctions qui sont indignes pour chacune et pour chacun.

Charlotte Deborsu:

Monsieur le ministre, alors que Gaza est aujourd'hui réduite à un champ de ruines, et c'est peu de le dire, la chef de la diplomatie européenne a présenté cette semaine une liste de mesures visant à réagir aux opérations militaires israéliennes. Elles incluent, entre autres, la suspension de l'accord d'association entre l'Union européenne et Israël, le gel du dialogue politique ou encore l'arrêt des importations en provenance des colonies. Certaines de ces options, comme la remise en cause de l'accord d'association, nécessitent l'unanimité des É tats membres et paraissent donc peu probables. Nous avons pu l'observer hier. Toutefois, d'autres mesures peuvent être prises unilatéralement par chaque membre, sans passer par la Commission européenne. Nous savons aussi que plusieurs pays préfèrent attendre l'issue des discussions humanitaires en cours avec Israël, alors que d'autres réclament des initiatives immédiates.

Dans ce contexte, monsieur le ministre, quelle est la position de la Belgique au vu de ces différentes options? Souhaitez-vous privilégier une approche graduelle, qui laisse une chance aux négociations humanitaires, ou vous êtes-vous déjà prononcé pour des mesures plus fermes à court terme?

Si l’option d’une suspension de l’accord d’association devait avancer, même symboliquement, quelle serait l’attitude de la Belgique dans la recherche d’un consensus européen?

Enfin, en ce qui concerne les mesures unilatérales, par exemple le blocage des produits issus des colonies, la Belgique envisage-t-elle de prendre des initiatives propres si aucun accord commun n’émerge?

Rajae Maouane:

Monsieur le ministre, je me répète et nous sommes nombreux à le faire, depuis des mois, à Gaza comme en Cisjordanie, toutes les lignes rouges sont franchies: bombardements de zones civiles, famine utilisée comme arme de guerre, attaques contre les hôpitaux, etc. Et l'on tire même à présent à balles réelles sur des civils affamés venus chercher de la nourriture. Selon plusieurs témoignages, c'est l'armée israélienne elle-même qui aurait reçu l'ordre de tirer sur la foule.

Médecins sans frontières nous indique, par ailleurs, que près de la moitié des personnes tuées par Israël sont des enfants. Près de la moitié! Et que fait la communauté internationale, en particulier l'Union européenne? Rien! La réponse de Mme Kallas est tout simplement indigne. Elle dit: "Notre objectif n'est pas de punir Israël, mais d'améliorer la situation." Sérieusement?

C'est une honte absolue! Nous sommes nombreux à être choqués par cette réponse. Mes questions, monsieur le ministre, concernent la position défendue par la Belgique. Parce qu'entre vos propos qui sont plutôt clairs, et ceux de votre premier ministre, on n'y voit plus trop clair.

Ensuite, puisque l'Union Européenne continue à être complice, et continue de tergiverser, quelles mesures la Belgique est-elle enfin prête à prendre? Interdira-t-on enfin le commerce avec les colonies? Mettra-t-on fin à notre accord de coopération militaire avec Israël? Ou continuera-t-on à se placer dans la roue de l'Union Européenne, position absolument scandaleuse au regard du génocide qui se passe en ce moment?

Els Van Hoof:

Mijnheer de minister, de humanitaire situatie is catastrofaal. Voedsel, medicijnen, water en basisvoorzieningen worden al maandenlang geblokkeerd. Het zorgsysteem in Gaza is volledig ingestort. Niets doen is geen optie. Het sprekendste beeld dat ik de voorbije week heb gezien, is van de UNICEF-vertegenwoordiger. Die zei dat men zich de hele dag, ook de kinderen, bezighoudt met het achtervolgen van watertrucks om toch maar een druppel water te kunnen bemachtigen. "Gaza is not fit for human survival," was de conclusie. Toch vernamen we gisteren dat de Europese Unie voorlopig de kat uit de boom kijkt. Dat is redelijk schokkend.

Nochtans is artikel 2 van het Associatieakkoord geschonden. Voor mijn partij is het al langer duidelijk dat hier conclusies aan moeten worden verbonden. Er werden tien opties voorgesteld door mevrouw Kallas, maar geen daarvan lijkt gisteren te zijn overwogen. Ik vraag me af waarop de Europese Unie nog langer wacht.

De Europese vertegenwoordiger slaagde er wel in om een akkoord te sluiten met Israël over extra humanitaire hulp. Meteen daarna hoorden we echter dat mevrouw Lahbib verklaarde dat dat akkoord niet wordt nageleefd en dat ze niet weet hoeveel vrachtwagens Gaza exact binnenrijden, wat opnieuw aantoont hoe moeilijk het is om het akkoord te monitoren. De EU wil dat Israël het akkoord beter naleeft, maar de vraag blijft uiteraard hoe dat moet gebeuren.

We hebben wel de juiste kant van de geschiedenis gekozen wat betreft de implementatie van de adviesopinie van het Internationaal Gerechtshof, maar een formeel antwoord van de Commissie blijft uit. Nochtans hebben op initiatief van België tien lidstaten zich daarbij aangesloten. Frankrijk heeft het initiatief herhaald om eind juli een conferentie in New York te organiseren over de erkenning van Palestina.

Welke positie heeft u gisteren namens ons land verdedigd op de Europese Raad Buitenlandse Zaken?

Hoe evalueert u het akkoord dat de hoge vertegenwoordiger Kallas met Israël sloot?

Wat zijn de concrete resultaten van de brief over de implementatie van de genoemde adviesopinie?

Zal ons land deelnemen aan de VN-conferentie over een tweestatenoplossing?

Sam Van Rooy:

Op het moment dat in Syrië een zoveelste islamitische massaslachting plaatsvindt, dit keer op de Druzen, wordt hier weer maar eens een debat gehouden om Israël te bekritiseren. Men bepleit geen sancties tegen de Syrische jihadist Mohammed al-Jolani, maar wel tegen Netanyahu, die nota bene de Druzische minderheid probeert te beschermen tegen de islamitische jihad. Alle bekende Hamas- en Al Jazeera-leugens passeren hier weer de revue.

De casus belli – de genocidale jihadistische massaslachting van 7 oktober 2023 – is hier allang vergeten. Mocht het IDF toen de grootste slachting op Joden sinds de Holocaust niet hebben gestopt, dan was het enige Joodse staatje inmiddels vernietigd, maar dat zouden bepaalde parlementsleden hier ook niet erg vinden.

Terwijl Israël hier weer maar eens wordt bekritiseerd, deelt het via de Gaza Humanitarian Foundation anderhalf miljoen maaltijden per dag uit aan de Gazanen. Dat is aartsmoeilijk en levensgevaarlijk, want Hamas doet er alles aan om voedsel te stelen, het tegen woekerprijzen te verkopen of om er jihadisten mee te betalen. Alle ellende en elke dode komt door de jihadisten van Hamas, die de gijzelaars niet willen vrijlaten, zich niet willen overgeven en systematisch mensen als schild gebruiken. Doordat het IDF al meer dan 21 maanden voorzichtig en humaan oorlog voert, lieten al meer dan 900 Israëlische soldaten het leven. Laten we daar ook eens bij stilstaan.

Tot slot, men zal in dit Parlement de weerbarstige realiteit van het Midden-Oosten echt niet veranderen. Alleen als alle jihadistische actoren – Hamas, Hezbollah, Qatar, Iran enzovoort – hun islamitisch antisemitisme laten varen, Israël erkennen en de wapens neerleggen, zal er vrede zijn. Legt daarentegen Israël de wapens neer, dan wordt het van de kaart geveegd. Maar dat is helaas wellicht de wens van vele parlementsleden hier.

De voorzitster : Zijn er nog andere parlementsleden die zich willen aansluiten? Nee, ik zie niemand die daarvoor de hand uitsteekt.

Maxime Prévot:

Chers collègues, je vous remercie pour vos nombreuses questions sur un sujet éminemment sensible qui nécessite que l'on s'y attarde avec conscience et sérieux.

La situation à Gaza, et en Palestine de manière générale, est une honte absolue. J'ai pu le dire déjà il y a plusieurs mois, je le réitère, et chaque jour qui passe accentue encore l'horreur vécue au sein de ce qui est désormais – et de plus en plus – un cimetière à ciel ouvert. Le cessez-le-feu que nous appelons de nos vœux depuis des mois n'est toujours pas une réalité.

Hongersnood wordt bewust ingezet als oorlogswapen. Elke dagen sterven kinderen van honger of onder de bommen. Bijna 18.000 onschuldige kinderen zijn al omgekomen en het aantal burgerlijke slachtoffers bedraagt inmiddels meer dan 60.000.

Par ma voix, le gouvernement belge n'est pas resté inactif, contrairement à certains ressentis ou procès d'intention. Alors que se clôturait hier la dernière réunion du Conseil européen des Affaires étrangères avant la trêve estivale, je veux saisir l'occasion qui m'est donnée de refaire le point sur le dossier et de rappeler les nombreuses initiatives et positions claires de la diplomatie belge ces derniers mois, sans évacuer les écueils que les uns ou les autres ont mis en lumière.

Natuurlijk heeft Israël het recht om in veiligheid te leven en om zijn gijzelaars zo snel mogelijk en zonder voorwaarden terug te krijgen. Natuurlijk waren de aanvallen van Hamas schandalige terroristische daden. Toch is de Israëlische militaire reactie duidelijk disproportioneel en schendt deze op meerdere vlakken het internationaal humanitaire recht. We hebben dat zonder omhaal geuit.

Concrètement, la Belgique a vigoureusement plaidé au niveau européen pour que des sanctions soient prises à l'égard de leaders politiques et militaires, autant du Hamas que d'Israël. Je pense en particulier à des leaders islamistes mais aussi aux deux ministres d'extrême droite Ben-Gvir et Smotrich.

België wil sancties tegen gewelddadige kolonisten, maar die worden momenteel tegengehouden door Hongarije. We veroordelen de uitbreiding van illegale Israëlische nederzettingen in de bezette gebieden, evenals elke poging tot gedwongen verplaatsing van de Palestijnse bevolking.

La Belgique a mobilisé ses services pour un soutien humanitaire concret sur le terrain. Une livraison de matériel médical est en partance vers la Jordanie, à destination d'hôpitaux qui soignent des blessés et des malades palestiniens. Cette opération est menée par B-FAST.

La Belgique a aussi préparé l'hypothèse d'un largage de vivres par avion. Nous avons sollicité pour ce faire, sans retour à ce stade, les autorités israéliennes car nous devons pouvoir emprunter leur espace aérien. La concentration de la population ces dernières semaines dans des zones densément peuplées, conséquence directe des mouvements forcés de citoyens, rend cependant l'opération de largage par voie aérienne de plus en plus risquée.

België heeft zoals in het verleden opnieuw zijn bereidheid bevestigd om gewonde of zieke kinderen op te vangen en zet zich actief in om dat mogelijk te maken.

La Belgique contribue à l'aide humanitaire fournie par l'intermédiaire du Bureau des Nations Unies pour la coordination des affaires humanitaires (OCHA), de l'organisation Oxfam, de Humanity & Inclusion, du Conseil norvégien pour les réfugiés et du Comité international de la Croix-Rouge (CICR). Autant d'organismes avec lesquels nous travaillons et octroyons des financements à vocation humanitaire.

België blijft aandringen op een onmiddellijke, ruime, veilige en ononderbroken humanitaire toegang over land tot Gaza, op de oprichting van een medische corridor richting Oost-Jeruzalem en op de vrijlating van Palestijnse kinderen en medisch personeel die arbitrair worden vastgehouden.

La Belgique a pu dénoncer, et continue de le faire, la manière dont la Gaza Humanitarian Foundation déploie ses activités, de manière militarisée et contraire à tous les standards humanitaires internationaux. Des centaines de morts sont à déplorer, juste pour avoir tenté de se nourrir. Ce n'était pas le cas avant qu'Israël interdise à l'Office de secours et de travaux des Nations unies pour les réfugiés de Palestine dans le Proche-Orient (UNRWA) de faire son précieux travail.

La Gaza Humanitarian Foundation doit cesser ses activités ou alors respecter totalement l'ensemble des principes humanitaires.

België heeft zijn financiële steun behouden aan UNRWA, het VN-agentschap en een sleutelorganisatie in de hulpverlening aan Palestijnse vluchtelingen, gerustgesteld door het officiële rapport waarin wordt bevestigd dat er geen structurele band met Hamas bestaat.

La Belgique et l'Europe ont enjoint Israël de cesser d'occuper illégalement la Cisjordanie et Gaza et de permettre que le pouvoir à Gaza revienne à un leadership palestinien qui ne soit évidemment pas le Hamas, lequel doit être impérativement désarmé.

Par ailleurs, nous plaidons au niveau européen et bilatéral pour que les fonds bloqués par Israël qui reviennent à l'Autorité palestinienne soient libérés sans délai.

L'expansion illégale des colonies doit aussi cesser. Les autorités israéliennes doivent autoriser les agences onusiennes, les commissions d'enquête internationales et la presse à faire leur travail en territoire occupé sans entrave

La Belgique a déjà annoncé voici plusieurs mois qu'elle partagerait, dans le cadre de l'action en justice initiée par l'Afrique du Sud devant la Cour internationale de justice pour violation potentielle de la Convention pour la prévention et la répression du crime de génocide (CPRCG) par Israël, la lecture juridique de son administration sur la question, sachant qu'au-delà de l'opinion personnelle que j'ai pu exprimer sur cette situation et qui se renforce chaque jour, il revient bien à la justice internationale, et à elle seule, de se prononcer.

Ik heb het initiatief genomen voor een gezamenlijke brief, gesteund door een tiental landen, gericht aan de Europese Commissie om de verenigbaarheid van het Europees recht, met name inzake de handel in producten afkomstig uit illegale Israëlische nederzettingen, met het internationaal recht te analyseren. Deze actie vloeit voort uit het advies dat het Internationaal Gerechtshof in juli 2024 heeft uitgebracht. Ik heb gisteren ook opnieuw benadrukt hoe belangrijk het is om hier snel gevolg aan te geven.

Concernant l'octroi de licences pour les exportations d'armes vers Israël et le territoire palestinien occupé, la Belgique applique, depuis 2009, l'un des embargos les plus stricts d'Europe. À mon initiative, des consultations ont été menées en juin avec les Régions, afin de garantir le respect du droit international, et notamment du Traité sur le commerce des armes. Cela inclut également les questions de transit et de biens à double usage.

België heeft samen met 16 andere lidstaten de Europese Commissie verzocht om het respect door Israël van artikel 2 van de Associatieovereenkomst tussen de EU en Israël te evalueren, dat betrekking heeft op mensenrechten en democratische beginselen. Het gepubliceerde verslag maakt duidelijk melding van talrijke schendingen. De verschillende concrete toezeggingen die Israël heeft aangekondigd, na de besprekingen met de Europese Unie, zijn op 15 juli voorgesteld door de hoge vertegenwoordiger Kaja Kallas. De HRDP heeft ons de mondelinge en dus niet schriftelijke engagementen meegedeeld die Israël heeft geformuleerd om de levering van humanitaire hulp aan Gaza te verbeteren.

Si nous pouvons quand même saluer ce résultat, puisque c'est la première fois depuis le début du conflit qu'Israël, sous la pression de l'Union européenne, annonce des gestes de concession à vocation humanitaire, il n'en demeure pas moins que ces engagements, de l'aveu même de la Commission européenne, ne se matérialisent pas pour le moment sur le terrain de manière complète.

België heeft gisteren dan ook duidelijk gesteld dat deze engagementen, gezien de ernst van de humanitaire situatie, moeten worden gemonitord door externe waarnemers en dat Israël ze absoluut moet naleven. Zo niet, en zeker als de situatie verder zou verslechteren, moeten er sancties volgen. Geen enkele optie mag op dit moment worden uitgesloten om ervoor te zorgen dat de Israëlische regering stopt met het voeren van een beleid dat al geruime tijd niet meer onder het kader van legitieme zelfverdediging valt.

Au-delà de la question humanitaire, les autres violations du droit international requièrent que ce train de possibles sanctions fasse l'objet de propositions formelles, concrètes, de décisions avec analyse d'impact par la Commission. Même si chacun constate la difficulté qui subsiste au sein du Conseil européen des Affaires étrangères et qui n'a d'égal, pour être transparent, que la difficulté qui existe aussi au sein de la Commission européenne pour faire des propositions de décisions, puisque là aussi il faut le consensus, nous avons tenu à rappeler ces enjeux majeurs de l'absolue urgence humanitaire et de la pression à maintenir sur les sanctions à envisager.

Chers collègues, je n'ai jamais eu pour habitude de mentir. Je ne vais donc pas commencer aujourd'hui. Je vais répondre de manière claire à vos questions. Non, je n'ai pas eu mandat de la part du gouvernement pour pouvoir plaider pour la suspension totale ou partielle de l'accord d'association. Et ce n'est pas faute de l'avoir sollicité!

J’ai clairement estimé que le moment était venu de faire cette proposition. Le kern s’en est saisi et doit pouvoir, lui aussi, décider de manière consensuelle. Il est donc parfois délicat de donner des leçons à l’Europe lorsque, au sein de son propre gouvernement, cette approche consensuelle ne parvient pas à être atteinte.

Je ne peux donc que plaider pour que les parlementaires parmi vous, qui, aujourd'hui, m'ont questionné en demandant que nous haussions le ton et que nous prenions des sanctions ou que des initiatives du côté belge soient prises à défaut de pouvoir les prendre au niveau européen et qui sont issus des formations qui ont peut-être plus de réserves que d'autres, pour le dire pudiquement, puissent agir intensément au sein de leur propre structure pour mettre leurs demandes en cohérence avec la situation. Cependant, je me refuse à accepter que l'on plaide ici quelque chose que l'on empêche là-bas.

Dire que l'Union européenne ne fait rien est objectivement faux. Dire qu'elle n'en fait pas assez ou plus exactement qu'elle n'a pas la possibilité d'en faire plus est vrai.

Et j'ai beaucoup de compassion pour Mme Kaja Kallas et le rôle ingrat qui est le sien lorsqu'elle doit résumer, au terme de nos réunions du Conseil européen des Affaires étrangères, ce qui semble faire l'objet d'un consensus, aussi ténu puisse-t-il être.

Mais, si l'Europe aujourd'hui n'est pas capable de parler d'une voix plus forte, ce n'est pas, monsieur Boukili, parce qu'elle a fait le choix de la complicité. C'est parce qu'hélas, elle a fait le choix de la division en ayant en son sein une série d'États qui ne sont pas prêts à prendre des sanctions à l'égard d'Israël. Cela ne fait que poser, de manière plus accrue encore, une nouvelle fois le débat sur les modalités de vote et de prise de décision au sein des instances européennes.

Het gaat uiteraard niet om het bestraffen van het Israëlische volk. Dat is ook duidelijk. Het gaat erom ervoor te zorgen dat de Israëlische regering haar internationale verplichtingen nakomt, onder meer op het gebied van de mensenrechten. Vele Israëli's herkennen zich niet in het beleid dat door hun eigen regering wordt gevoerd.

Apaiser la région et chacune des parties prenantes, c'est aussi s'assurer que les conditions de la sécurité d'existence de chacun soient garanties, y compris pour Israël. C'est la raison pour laquelle l'Iran ne doit pas pouvoir disposer de l'arme nucléaire. La communauté internationale y veille et a raison. Il nous faut aussi, avec la même détermination, éviter les amalgames et lutter contre tout antisémitisme. La population israélienne et la communauté juive à travers le monde méritent aussi la sécurité. Tout le monde la mérite.

België wil ook de druk op Hamas aanhouden. We eisen op permanente en uitgesproken wijze de onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating van de gijzelaars, de ontwapening van Hamas en zijn uitsluiting van het bestuur van Gaza.

Voilà tout ce que nous avons pu faire et dire rien que ces derniers mois. Le résultat est cependant insuffisant, puisque la situation reste insupportable. C'est pourquoi nous devons continuer. Il n'y a pas de vacances pour Gaza!

Samen met mijn diensten zal ik onvermoeibaar blijven werken aan het smeden van een consensus tussen de lidstaten. We weten dat wanneer de staten overeenstemming bereiken de Europese Unie werkelijk het verschil kan maken. De kracht van de Europese Unie ligt in de eensgezindheid van haar leden. We hopen dat de Europese Commissie snel concrete en realistische voorstellen kan indienen voor besluitvorming.

La Belgique veillera à ce que l'avis rendu par la Cour internationale de Justice en juillet 2024 soit pris en compte au niveau européen. En parallèle et selon les conclusions de la Commission, il est probable que nous ne pourrons pas faire l'économie à terme d'un débat national sur l'interdiction éventuelle d'importer en Belgique les produits des colonies. Pour autant, il faudra bien s'assurer que ce ne soient pas les Palestiniens y vivant et y travaillant qui soient affectés.

Ik zal het overleg met de regio’s en met mijn collega’s voortzetten om ervoor te zorgen dat België het internationaal recht naleeft en in het bijzonder het Verdrag inzake de Wapenhandel, ook wat de transit betreft.

Enfin, la Belgique suit avec attention la question d'une solution à deux États, et donc la reconnaissance de l'État de Palestine. Vous me posiez la question, madame la présidente. La Belgique sera bien partie prenante à la réunion fixée fin juillet, mais la date étant ce qu'elle est, ce n'est pas moi qui y serai, m'accordant à cette période quelques moments de vacances en famille. Mais, bien entendu, la Belgique y portera sa voix.

Ce dossier revenant à l'agenda, le temps de faire des choix de positionnement approche lui aussi à grands pas. Nous devrons, dans les semaines qui viennent, prendre une position claire lors du rendez-vous initié par la France et l'Arabie Saoudite à New York, fin juillet, ou à défaut, puisqu'il semble que ce ne soit pas à ce moment-là que des décisions liées aux reconnaissances soient attendues, lors de l'Assemblée générale des Nations Unies en septembre.

België wil een coherente lijn aanhouden op het vlak van internationaal recht, maar daarvoor moeten we onszelf de nodige middelen geven. België en de Europese landen moeten bereid zijn om Israël tegen te werken, gelet op de ernst van de humanitaire situatie. België is vastbesloten om met volle bewustzijn te handelen tegenover de gruweldaden die op het terrein worden begaan door alle partijen, of dat nu in Gaza is, in Palestina in het algemeen, of elders in de wereld waar de menselijkheid wordt opgeofferd.

Je terminerai, en espérant avoir été complet, pour dénoncer les sanctions que certains pays ont souhaité exprimer à l'égard de la rapporteuse de l'ONU, Mme Albanese. Je l'ai fait savoir publiquement à travers un tweet circonstancié le jour où ce fut annoncé. Quelles que soient les considérations ou opinions que l'on peut avoir quant au contenu d'un rapport, aller sanctionner son auteur, représentant une agence de l'ONU, au motif que les conclusions ne plaisent pas, n'est pas une approche respectueuse des droits et libertés.

Monsieur Lacroix, s'agissant du courrier adressé par le collectif Droit pour Gaza, qui a estimé devoir intenter une action en justice contre certains membres du gouvernement, y compris moi-même, je veillerai alors, puisqu'il a choisi ce type d'arme, à répondre aussi avec les voies juridiques et les avocats. à part encombrer les tribunaux et ne rien régler de la situation sur le terrain au bénéfice des Gazaouis, cela ne sera pas d'une grande utilité. Cela sera une bonne déperdition d'énergie. Je le regrette, puisque ce collectif n'a pas nécessairement besoin de ce genre de démarches pour nous convaincre collectivement, ni moi, ni d'ailleurs l'ensemble du gouvernement, de l'urgence humanitaire vécue dans le territoire palestinien.

Je vous remercie, madame la présidente.

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, u zegt terecht dat het er niet om gaat Israël of Israëli's te straffen, het gaat erom dat we samen op zoek gaan naar een betere humanitaire situatie en uiteindelijk naar vrede.

De situatie is zeer complex. Het is dan ook goed dat er stappen zijn gezet conform het associatieverdrag, met name dat men eerst met Israël spreekt, afspraken maakt, die afspraken evalueert, om wanneer ze niet worden nageleefd verder te gaan. Daarover zijn we het dus helemaal eens. De mensen op het terrein, de mensen in Gaza, worden niet geholpen met symbolen, ze worden alleen geholpen met concrete acties.

U verwees naar uw gesprekken met de regio’s. Minister-president Diependaele heeft in het Vlaams Parlement zeer duidelijk gesteld dat het wapenembargo, het tegenhouden van de exportlicenties van wapens, iets is waar de Vlaamse overheid zeker achter staat. U hebt ook terecht aangehaald dat de heer Francken heeft onderzocht of vliegtuigdroppings voor humanitaire hulp mogelijk zijn. We hebben als regering, als regeringspartijen, als arizonapartijen samen echt naar oplossingen gezocht, maar we zijn er nog niet. Ook daarover zijn we het volledig eens.

We moeten blijven pleiten voor een staakt-het-vuren, voor de vrijlating van de gijzelaars en vooral voor het opschalen van de humanitaire hulp. We moeten alle mogelijkheden benutten om duidelijk aan te geven aan de autoriteiten dat die humanitaire situatie echt niet langer geduld kan worden.

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de minister, dank u voor uw antwoord. U was goed begonnen. U noemde Gaza een openluchtgevangenis. U sprak over de 60.000 onschuldige burgerslachtoffers. U sprak over hongersnood als wapen. Alleen is het jammer dat uw woorden niet in verhouding tot uw daden staan.

Ik apprecieer uw eerlijkheid. U hebt hier letterlijk gezegd dat u geen mandaat van de Belgische regering had om te pleiten voor de opschorting van het associatieverdrag. Dan kunnen wij hier allemaal wel met het morele vingertje wijzen naar Hongarije of Slovakije, maar als ons land, als de Belgische regering niet in staat is om te pleiten voor de opschorting van een associatieverdrag, waarvan overduidelijk artikel 2 wordt geschonden, waarbij ook mensenrechten worden geschonden, dan hebben wij geen recht van spreken. Vroeger nam België een voortrekkersrol op zich op het Europese toneel. Die voortrekkersrol is volledig verdwenen.

Mijnheer de minister, blijf pleiten voor actie. Blijf pleiten voor sancties tegen Israël, dat disproportioneel geweld hanteert. Probeer in elk geval binnen de regering gedaan te krijgen dat België opnieuw gaat pleiten voor de opschorting van dat associatieverdrag.

Van mijn fractie hebt u die steun. Onthoud dat goed. U hebt in dit Parlement veel meer steun dan rond de onderhandelingstafel of de regeringstafel. Blijf dus naar het Parlement kijken.

Ik hoop dat België opnieuw een voortrekkersrol kan spelen en in dit conflict moedig kan worden, want geen enkele Gazaan, geen enkele Palestijn, wordt beter van de manier waarop Europa en België hier schuldig verzuim plegen.

Annick Lambrecht:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw duidelijke antwoorden.

Wij zitten op dezelfde lijn. De kunst bestaat er nu in om binnen onze eigen regering op dezelfde lijn te komen. Voor Vooruit is het glashelder: dit is geen oorlog, dit is een genocide. Ik onderschrijf al wat u hebt gezegd. Uw frustratie is de onze en zoals de collega al zei, u hebt veel meer medestanders dan u denkt wat betreft harde maatregelen tegen Israël, niet alleen in dit Parlement, maar ook op straat.

Er is echt een verschil tussen wat de mensen nu willen en wat de politiek doet. Als dat zo is, dan zijn we niet goed bezig, want wij vertegenwoordigen de mensen. Als men de bevolking vraagt of dit zo verder kan, of het zo verder kan met deze gruwel, met deze oorlogsmisdaden, dan antwoordt praktisch niemand dat dat kan.

We moeten blijven proberen om het associatieverdrag te schorsen, maar zelfs een klein land als België kan nog sneller iets proberen te doen. Ierland is immers ook niet zo groot. We moeten de handel met die illegale nederzettingen stopzetten. U hebt gezegd dat dit kan, dat we Europa daar niet voor nodig hebben. Ik hoop dat u wat dat betreft doorzet, zodat toch minstens dat zo snel mogelijk kan worden geregeld.

Er zijn geen woorden meer om de gruwel te omschrijven en ik zal dat dan ook niet doen. Gaza heeft geen nood aan symbolen, maar wel aan concrete maatregelen tegen Israël. Dat is het enige wat zal helpen om die gruwel te stoppen. Mijnheer de minister, u hebt veel meer steun dan u denkt.

Staf Aerts:

Mijnheer de minister, de belangrijkste en meteen ook de pijnlijkste passage was toen u heel eerlijk aangaf geen mandaat te hebben om te stemmen voor het opschorten van het associatieakkoord, niet bij unanimiteit, maar ook niet bij gekwalificeerde meerderheid.

Collega's, hier mag nog zoveel worden gezegd hoe erg we het allemaal vinden, België stond aan de kant van de landen die het associatieakkoord niet wilden opschorten, zelfs niet lichtjes met die gekwalificeerde meerderheid. Voor de Belgische regering is dat een brug te ver. Collega's, dat is de stand van zaken, dat is waar België vandaag staat.

Hier mag nog heel vaak gezegd worden hoe er het wel is, maar wanneer zal er een parlementaire meerderheid opstaan om dit ook effectief uit te voeren?

Het is nu echt wel genoeg geweest. Er is een parlementaire meerderheid om sancties op te leggen aan Israël. Er is een parlementaire meerderheid om een rode lijn te trekken tegenover Israël. Er is ook een meerderheid in de straten van België, bij de bevolking, om actie te ondernemen. Zeventig procent van de Belgen steunt economische sancties tegen Israël. De straten kleurden rood in Brussel. Honderdduizend Belgen kwamen protesteren, aanklagen en vroegen om een rode lijn te trekken. Deze Belgische regering legt dat echter naast zich neer. Dat is onwaarschijnlijk.

Ook het Parlement heeft dat, gezien de resolutie van de meerderheid, gewoon naast zich neergelegd. Die resolutie was niet krachtig genoeg om effectief tegen te stemmen. Dat staat er niet in.

Collega's, ik roep alle parlementsleden op om eens goed naar zichzelf te kijken. Onthoud ook dat u over vijf of tien jaar niet zult kunnen zeggen dat u het niet wist. Over vijf of tien jaar zult u terugdenken aan deze dagen en zich afvragen of u toen actie hebt ondernomen of niet, of u zich in een meerderheidslogica hebt ingeschakeld of niet.

De meerderheidslogica hier in het Parlement zou horen te zijn dat wij dat niet dulden, dat wij een rode lijn trekken, dat België actie onderneemt en op zijn minst op Europees niveau het opleggen van sancties tegen Israël steunt. Zelfs dat is voor deze Belgische regering echter al te veel gevraagd.

Collega’s, ik hoop op enige parlementaire moed van de parlementsleden hier in de zaal om die stap verder te zetten, om te doen wat u zegt en echt actie te ondernemen. Het is hoog tijd. Elke dag opnieuw sterven ginds honderden mensen, elke dag.

Christophe Lacroix:

Monsieur le ministre, je vous apprécie beaucoup. Aujourd'hui, mon admiration pour vous s'est encore renforcée. Vous ne faites pas partie des cyniques. Le cynisme selon Oscar Wilde, c'est connaître le prix de tout et la valeur de rien. Des membres de ce gouvernement sont de vrais cyniques. Je suis certain qu'il ont porté le cynisme tellement loin qu'ils ont dû vous proposer des deals au sujet de la Palestine, sur le sujet de ce génocide.

À travers vos mots, j'ai ressenti qu'un ministre du gouvernement belge considère que l'honneur de la Belgique a été souillé pour ceux qui refusent de voir ce que tout le monde nous révèle, ce que le passé nous enseigne.

Ehud Olmert, ancien premier ministre israélien qu'on ne peut quand même pas qualifier d'antisémite, dit que la solution pour Gaza proposée aujourd'hui de mettre 600 000 Palestiniens dans un camp, c'est la solution d'un camp de concentration. Bientôt nous n'aurons plus assez de larmes pour pleurer. Mais je suis comme vous. Vous avez fait un appel au Parlement. Il faut que ce Parlement bouge au-delà du clivage majorité/minorité. Il faut qu'on soit là pour défendre non seulement le nom de la Belgique, mais les vies, les quelques vies qu'il reste encore à sauver à Gaza.

L'Europe a décidé de se revoir après la pause estivale en estimant qu'il sera encore temps de prévoir des sanctions. Nous devons nous réunir tous ensemble pour demander clairement la suspension de l'accord d'association entre l'Union européenne et Israël. Et que ceux qui disent qu'ils font ici mais qui font autrement au gouvernement se révèlent au grand jour parce que leur petit jeu est horrible, minable et n'est pas à la hauteur des enjeux. Vous pourrez compter sur le Parti Socialiste et sur tous les parlementaires qui veulent un État palestinien, la paix, un cessez le feu et sauver les vies des enfants, des femmes, des vieillards et de tous ceux et de toutes celles qui sont en train de crever, abandonnés par tous les cyniques de ce monde.

Nabil Boukili:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses et pour votre honnêteté.

Je ne sais pas comment répliquer à votre réponse. J’avais accusé l’Union européenne de complicité – à juste titre – car il ne s’agit pas simplement d’une division, mais bien d’une prise de position politique de complicité. Cependant, je ne m'attendais pas à ce que cette complicité soit dans le chef de notre gouvernement.

Le gouvernement belge de l'Arizona, qui proclame haut et fort son attachement à nos valeurs, au droit international et aux droits humains, se rend aujourd’hui complice d’un génocide en refusant de suspendre l’accord d’association entre l’Union européenne et l'État génocidaire.

Les membres parlementaires de ce gouvernement viennent ici verser des larmes de crocodile sur la situation humanitaire, dire que c’est inacceptable et que cela ne peut plus durer, mais après, par lâcheté, ils se cachent derrière ces considérations humanitaires tout en votant contre l’adoption de sanctions contre l'État génocidaire.

Parler uniquement de la question humanitaire, c’est comme poser un sparadrap sur une hémorragie. Cela ne résout rien si l’on ne s’attaque pas à la cause. Et cette cause, c’est la politique génocidaire menée par l’État d’Israël. Cette hypocrisie est inacceptable.

Quelle crédibilité ce gouvernement peut-il encore avoir lorsqu’il prétend défendre le droit international et les droits humains ailleurs dans le monde? Quelle crédibilité avez-vous pour faire la leçon à d’autres États, alors que vous n’êtes même pas capables de respecter vos propres règles? Vous les violez, parce que business as usual. Parce que vous avez des intérêts politiques, stratégiques et économiques avec un État génocidaire, vous fermez les yeux sur vos principes et sur vos valeurs prétendues. C’est hypocrite, lâche et inacceptable!

À tous les partis de la majorité qui sont venus ici verser des larmes sur la situation humanitaire, j'ai envie de dire: Allez vous cacher! Comment pourrez-vous, dans trois ans, cinq ans ou dix ans, vous regarder dans un miroir et vous dire que vous avez rempli votre rôle, celui de défendre les droits humains? Allez vous cacher! C’est inacceptable! C’est une honte pour ce gouvernement!

Benoît Lutgen:

Merci, monsieur le ministre. Je ne sais pas si je dois vous plaindre, mais au travers de vos propos, des éléments aussi flagrants de la part de certains membres de ce gouvernement, de ne pas être du côté du respect du droit international et du droit humanitaire – parce que c'est cela dont on parle – sont absolument insupportables.

Je ne sais pas ce qu'il faut ou ce qu'il faudrait pour que des membres de ce gouvernement – c'est bien cela que vous nous avez dit – acceptent tout simplement de faire respecter le droit humanitaire et international. C'est cela dont on parle. Que faudrait-il dans le monde, ailleurs, pour qu'on puisse enclencher, à un moment donné, un rapport de forces? C'est cela, aussi. C'est un rapport de forces. Je pense qu'Israël ne comprend que le rapport de forces.

Oui, le rapport de forces passe par des sanctions à l'égard de l'État d'Israël; et bien sûr aussi des sanctions à l'égard du Hamas. Nous sommes mille fois d'accord. L'un va avec l'autre. Bref, des sanctions à l'égard de celles et ceux qui ne respectent pas le droit humanitaire, le droit international, les droits de l'homme tout simplement. Que faudrait-il pour que certains se retrouvent tout simplement de ce côté-là?

Cela m'interpelle au plus profond de moi-même. Je ne peux pas vous dire les choses autrement. C'est pour cela que j'ai plutôt envie de vous féliciter pour votre action et votre courage – il n'y a pas de doute là-dessus.

Je ne vais pas vous plaindre par rapport à ce qui se passe dans le monde. Vous prenez vos responsabilités. Mais je vous plains de devoir convaincre des collègues d'un gouvernement de telles évidences. Cela fait plus que m'interpeller. Cela me sidère. Je ne peux pas dire les choses autrement. Cela me sidère.

On peut toujours dire qu’il y a la Hongrie. Il y en a d'autres. Il n’y a pas que la Hongrie. Mais nous sommes au cœur du cœur de notre État, dans lequel nous avons des responsabilités, et nous avons pris des responsabilités.

D'aucuns devront s'exprimer. L'ensemble des formations politiques de la majorité devront s'exprimer. On ne peut plus dire qu'on veut un cessez-le-feu. Tout le monde veut un cessez-le-feu, à part les parties engagées. On peut dire aussi que la pluie, ça mouille. Franchement, c'est à peu près cela.

Il faut un peu plus que cela. Oui, il faut un rapport de forces. D'ailleurs, vous l'avez très bien évoqué. Les premiers pas sont en train d'être franchis. En tout cas, cela bouge un tout petit peu du côté d'Israël. C'est la première fois qu'on voit que cela bouge. Pourquoi? Parce qu'on sent le rapport de forces. Ni plus ni moins. Croyons-nous une seule seconde qu'un État qui se comporte de cette façon, en utilisant la force de façon absolument honteuse, sans respecter le droit humanitaire, sans respecter les personnes, a une autre approche que celle du rapport de forces?

La voix de l'Europe en la matière est loin d'être unie. Cela me désole voire peu plus parce qu'on ne parle pas ici de n'importe quoi. Ce sont des choses qui sont d'une gravité absolue, dont cette désunion ou ces évidences qui n'existent pas au sein des formations politiques de la majorité. Je ne doute pas de votre force de conviction ni de votre invitation à ce que le Parlement prenne ses responsabilités, pour qu'on puisse actionner rapidement certains leviers. Effectivement, il y a déjà des initiatives qui ont été prises en la matière, des résolutions et d'autres éléments. Nous devons maintenant les activer rapidement pour que nous puissions faire en sorte d'être du côté de la dignité. C'est ni plus ni moins que cela: être du côté du droit international et du droit humanitaire, et que le Parlement prenne ses responsabilités.

Le cynisme n'est pas que d'un côté et les calculs politiques, on les a vus à de très nombreuses reprises, d'un côté ou de l'autre, dans l'importation du conflit sur le territoire, ce que nous n'avons jamais fait chez les Engagés, et vous certainement pas non plus. Il faut qu'on puisse éviter cela aussi dans nos débats, qu'on soit tout simplement du côté de l'objectivation maximale de ce qui se produit. Oui, cela passera largement par des sanctions, et on ne pourra le faire qu'en convainquant toute une série d'autres États membres, et je vous remercie pour ça aussi. Vous allez me dire que ce sont quand même ces mêmes États membres qui sont en train d'avancer, et qui connaissent sans doute les mêmes difficultés que celles que vous connaissez au kern.

Merci en tout cas de votre honnêteté, aucun doute là-dessus, de votre courage et de votre volonté de pouvoir faire bouger les lignes avec un mandat qui était pour le moins limité. Vous aviez une possibilité, mais on ne peut pas se permettre d'avoir un ministre des Affaires étrangères eunuque, mais je n'ai pas de doute que vous ne l'êtes pas et que vous ne le serez jamais, pour porter la voix de la Belgique avec la force nécessaire. En tout cas, on pourra vous recharger en énergie grâce au Parlement. Prenons nos responsabilités au sein du Parlement, au sein de cette Assemblée!

Charlotte Deborsu:

Merci pour votre réponse, monsieur le ministre, et pour l'honnêteté et la transparence qui vous caractérisent. Il n'y a pas de mots, vraiment, pour décrire la situation que nous vivons ici, et celle que vit Gaza.

Mais je crois qu'on ne peut plus se permettre l'attentisme diplomatique. Soyons lucides, soyons honnêtes avec nous-mêmes: ce n'est pas la Belgique ni même l'Europe qui résoudront ce conflit. Nous n'en avons pas les leviers. Mais cela ne nous empêche pas de prendre nos responsabilités. Et nous en avons une.

Il faut faire avancer ce qui peut l'être (…)

Nabil Boukili:

(…)

Charlotte Deborsu:

Il faut faire avancer ce qui doit l'être en priorité. Aujourd'hui, c'est l'accès humanitaire, la protection des civils et surtout le respect du droit international. Il est plus que temps de mettre une pression claire, lisible, tangible sur les autorités israéliennes.

Si certaines mesures nécessitent l'unanimité européenne, rien n'empêche la Belgique de se positionner dès maintenant et surtout de chercher à entraîner d'autres États dans une réponse commune. Même si cela commence par un positionnement clair de son propre gouvernement. Car la réponse la plus forte sera forcément collective. Mais pour qu'elle le soit, il faut passer la deuxième, la troisième, la sixième et mettre véritablement la pression. L'intensifier comme jamais. Pour ma part, monsieur le ministre, j'ai entendu vos messages, y compris les plus subliminaux.

Rajae Maouane:

Merci monsieur le ministre pour vos réponses et pour cet exercice de transparence. Mais à vrai dire, ce que vous avez livré ici s'apparente presque à un aveu d'impuissance.

Et je dois vous dire que je suis partagée entre empathie et colère. De l'empathie parce que vos propos ne laissent aucun doute sur votre lecture de la situation à Gaza. Mais une colère crasse à l'égard des membres de la majorité. Car c'est une honte absolue que la Belgique, aujourd'hui, soit incapable de prendre une position claire, juste, une position simplement conforme au droit international.

Je vois bien que certains collègues de la majorité sont sidérés, qu'ils se posent des questions. Mais que font-ils concrètement pour faire pression en interne? J'entends le malaise du MR, et je suis désolée pour Madame Deborsu, qui doit ici défendre les positions de son parti. J'entends aussi, à peine, le malaise de la N-VA. Et les autres membres de la majorité gouvernementale, que faites-vous pour que la Belgique ne soit pas alignée sur des pays comme la Hongrie ou la Pologne? Est-ce cela, le modèle de l'Arizona?

Aujourd'hui, est-on incapable de prendre une décision basique, à savoir celle du respect du droit international? Mais que faites-vous dans cette majorité si cette question est si importante pour vous? Que faites-vous? Pour moi, c'est une honte absolue de voir la Belgique incapable de prendre une telle position. C'est une honte absolue que ce gouvernement n'arrive pas à se mettre d'accord là-dessus. La Belgique doit sortir de sa passivité, ce gouvernement doit sortir de cette complicité.

Selon un sondage, près de 70 % des Belges demandent que des sanctions soient prises à l'égard d'Israël. Il y avait plus de 120 000 personnes dans les rues et ce gouvernement est incapable de se mettre d'accord! En fait, les Belges en ont marre qu'on salisse l'image de leur pays, qu'on prenne la Belgique en otage pour de sombres calculs politiques. Je n'ai aucune explication logique à cette situation. Franchement, regardez-vous dans une glace et agissez! Agissez, prenez position! Ayez un positionnement clair! Nous ne demandons rien d'incroyable, nous vous demandons simplement de respecter le droit international.

Els Van Hoof:

Mijnheer de minister, ik dank u voor het antwoord, ook voor uw transparantie en eerlijkheid. Het is duidelijk wat de mensen willen: een staakt-het-vuren, het opheffen van de humanitaire blokkade, het vrijlaten van de gijzelaars. Ik vrees echter dat we het niet eens zijn over de oplossing, ook niet in de regering en op Europees niveau. Ik vind dat we Israël onder druk moeten zetten. Volgens mijn partij hadden we het associatieakkoord moeten opschorten. U bent het daarmee ook eens. Het rapport van de Europese Unie was daarover duidelijk of minstens toch gedeeltelijk. Toch kregen we een antwoord van verdeeldheid, zowel van België als van de Europese Unie. Over de zaken waarover er wel eensgezindheid bestond, zoals de individuele sancties voor de kolonisten, kon de Europese Unie dan weer geen overeenstemming bereiken, omwille van Hongarije. Het feit dat de Europese Commissie nog steeds geen antwoord heeft gegeven op de advisory opinion dat we onze economische relaties met de bezette gebieden moeten stopzetten, spreekt ook voor zich. De Europese Commissie kan dat wel, maar weigert dat te doen. Het feit dat er voor de humanitaire noodtoestanden slechts mondelinge engagementen zijn gekomen, dat volstaat niet. We hebben hier een resolutie met een ruime meerderheid goedgekeurd, maar daaruit is vandaag nog geen enkele concrete actie gerealiseerd. Daarover moeten we ons bezinnen, niet alleen met het Parlement, maar ook met de regering. U hebt nul op het rekest gekregen op de vragen die ook van de Belgische regering zijn gekomen. Dat antwoord moet tenminste aan het kernkabinet worden teruggegeven, zodat we kunnen doen wat binnen onze mogelijkheden ligt. Vandaag kregen we het recht om nationale actie inzake een importban te nemen. Ik heb mijn wetsvoorstel dan ook heel bewust vandaag toegelicht, omdat ik al aanvoelde, ook gisteren, vanwaar de wind zou komen, namelijk dat er niets zou gebeuren. Ik hoop dat wij de parlementaire vrijheid zullen krijgen om op die manier de taal van de macht te spreken, om Israël onder druk te zetten, om toch iets te doen voor de bevolking in Gaza die wordt uitgemoord. De voorzitster : De heer van Rooy is er niet meer. Is er iemand anders die nog wil repliceren? ( Neen )

Het escalerende risico op executies van politieke gevangenen in Iran
Ahmadreza Djalali
Ahmadreza Djalali
Ahmadreza Djalali
De situatie van professor Djalali
Professor Djalali
Dreigende executies en mensenrechtenschendingen in Iran, waaronder de zaak-Ahmadreza Djalali

Gesteld aan

Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 16 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De dringende zorg over Ahmadreza Djalali, de Iraans-Zweedse arts met Belgische academische banden, domineert de discussie: zijn onbekende verplaatsing, risico op executie (verergerd door nieuwe Iraanse wetten die spionage met de doodstraf bestraffen) en afgesneden contact met zijn familie wijzen op een levensbedreigende escalatie. België heeft bilateraal (via de Iraanse ambassadeur), via de EU en samen met Zweden actie ondernomen—inclusief een aanbod voor medische evacuatie (zonder reactie)—maar stuit op beperkte diplomatieke speelruimte, aangezien Djalali geen Belg is; toch blijft het land eisen: vrijlating, opheffing van zijn doodvonnis en betere detentieomstandigheden. Kritische punten zijn de urgentie voor een concreet evacuatieplan, gezamenlijke EU-druk (inclusief mogelijke sancties tegen Iran’s Revolutionaire Garde) en de vrees dat Iran’s conflict met Israël executies versnelt, terwijl Iraanse ontkenningen over zijn locatie en gezondheid wantrouwen zaaien. Moraal en mensenrechten—niet alleen Djalali’s leven—staan centraal, met oproepen tot hardere diplomatieke consequenties en internationale veroordeling van Iran’s repressie.

Ellen Samyn:

Mijnheer de minister, volgens onder meer Amnesty International, Iran Human Rights, en de internationale media is de situatie van Ahmadreza Djalali, de Iraans-Zweedse spoedarts met nauwe academische banden met België, opnieuw drastisch verslechterd. Na de raketaanval op de Evingevangenis werd hij eerst samen met anderen collectief overgeplaatst, maar deze keer is hij opnieuw, alleen, verplaatst naar een onbekende locatie. Volgens zijn familie en mensenrechtenorganisaties kan dat duiden op een nakende executie. Hebt u een recente stand van zaken? Werd er intussen, bilateraal, via de EU, of via VN-kanalen actie ondernomen?

Welke hefbomen ziet u binnen uw bevoegdheden om de Iraanse autoriteiten aan te spreken op de dreigende executie?

De echtgenote van professor Ahmadreza Djalali heeft zich recentelijk in een aangrijpende oproep opnieuw tot de internationale gemeenschap gericht over de alarmerende escalatie van repressie in Iran. De Iraanse autoriteiten hebben het Iraanse parlement nieuwe wetgeving laten goedkeuren waardoor de doodstraf kan worden uitgesproken voor vermeende samenwerking met vijandelijke staten, waaronder Israël.

Tegelijkertijd worden families van gevangenen in Teheran, waaronder die van professor Djalali, sinds enkele dagen afgesneden van contact met hun dierbaren. Er zijn berichten over internetblokkades, het stilzwijgen van gevangenissen en executies zoals die van Esmail Fekri op 16 juni zogezegd wegens spionage voor Israël.

Tijdens onze vorige commissievergadering meldde u dat u persoonlijk de Iraanse ambassadeur had gebeld en de Iraanse autoriteiten had opgeroepen om Ahmadreza Djalali onmiddellijk vrij te laten en om hem in afwachting van zijn vrijlating tijdig adequate toegang tot medische zorg te geven. Hebt u recentelijk nog contact gehad met de Iraanse autoriteiten?

Heeft de Belgische regering nagedacht om via diplomatieke betrekkingen medische evacuatie te verkrijgen voor professor Djalali? Wordt samengewerkt met andere Europese landen als Zweden en Italië om de overplaatsing naar een buitenlands ziekenhuis enerzijds en de vrijlating van professor Djalali anderzijds te eisen?

Annick Lambrecht:

De echtgenote van de Iraans-Zweedse professor Djalali deed een zeer emotionele oproep, omdat de heer Djalali zich nu in een nog precairdere situatie bevindt dan voorheen als gevolg van de aanval van Israël en de VS tegen Iran.

Volgens Amnesty International zou Iran, door het conflict met Israël, het aantal executies kunnen opdrijven. De voorbije maand heeft Iran al verschillende mensen gearresteerd vanwege "collaboratie en banden met Israël". Hoge functionarissen van het regime hebben al opgeroepen om sneller over te gaan tot de doodstraf. Het hoofd van de wetgevende macht in Iran zou al hebben opgeroepen om zoveel mogelijk mensen te arresteren die de rust en de veiligheid van het Iraanse volk verstoren, in casu personen die worden beschuldigd van banden met Israël of de VS.

Normaal gesproken zou spionage of samenwerking met een vijandige overheid leiden tot een levenslange gevangenisstraf. Pas als elementen aantonen dat de veroordeelde "aardse corruptie" vertoont, kan de doodstraf worden uitgesproken. Nu lijkt Iran echter van plan om spionage meteen te bestraffen met executie.

Zijn er indicaties of vreest u dat mensen die oneerlijk veroordeeld zijn voor banden met Israël, nu een groter risico op executie lopen?

Hebt u al contact opgenomen met de Belgische ambassade over die nieuwe wending?

Overweegt de Belgische regering om via diplomatieke betrekkingen te trachten een medische evacuatie voor professor Djalali te verkrijgen?

Michel De Maegd:

Madame la présidente, pour gagner un peu de temps, je me réfère à ma question telle qu'écrite.

Monsieur le ministre, la situation d'Ahmadreza Djalali suscite de nouvelles inquiétudes. Il a, en effet, récemment été transféré à deux reprises vers un lieu inconnu. ​

Vous avez indiqué avoir activé plusieurs canaux diplomatiques afin d'en savoir plus sur la situation. Vous avez également annoncé que l'ambassadeur iranien à Bruxelles serait approché dans les plus brefs délais.

Pouvez-vous faire le point sur l'état actuel des démarches entreprises par la Belgique, tant au niveau bilatéral que dans un cadre européen ou multilatéral, pour empêcher l'exécution de M. Djalali ?

La Belgique envisage-t-elle de coordonner une initiative conjointe avec ses partenaires européens, voire au sein des Nations Unies, afin d'accentuer la pression diplomatique sur les autorités iraniennes ?

Je vous remercie.

Els Van Hoof:

Mijnheer de minister, eind juni uitte u reeds uw bezorgdheid en vroeg u de Belgische ambassadeur in Teheran meteen contact op te nemen met de Zweedse ambassadeur in Teheran. U stelde toen ook dat Iraanse ambassadeur in Brussel spoedig benaderd zou worden en dat er meer stappen zouden volgen via verschillende diplomatieke kanalen om Teheran onder druk te zetten.

Welke stappen heeft ons land sinds uw verklaring nog ondernomen? Heeft de Belgische ambassadeur in Teheran sinds zijn overplaatsing rechtstreeks diplomatiek contact gehad met de Iraanse autoriteiten? Zo ja, wat werd daarbij besproken? Beschikt u over informatie betreffende de locatie van professor Jalali? Zijn familie heeft immers geen contact meer met hem. Beschikt u over informatie over zijn huidige detentie- en gezondheidstoestand?

Tinne Van der Straeten:

Mijnheer de minister, wat weten we vandaag over de situatie van professor Jalali? De langdurige en uiterst uitzichtloze situatie van professor Jalali is voor iedereen bijzonder frustrerend. De Belgische regering heeft zich steeds ingezet om zijn vrijlating en terugkeer te bewerkstelligen, maar stoot daarbij telkens op een muur.

Weten we waar hij zich bevindt en wat zijn actuele situatie is? Welke mogelijkheden bestaan er om toch beweging in de zaak te krijgen? Zijn er contacten geweest met Zweden? Kan er een samenwerking opgezet worden met Zweden of andere Europese lidstaten, waaronder Italië, om gezamenlijk op te treden en zo een kritische massa te vormen die druk kan uitoefenen op Iran?

Maxime Prévot:

Beste collega's, après douze jours d'hostilités intenses entre Israël et l'Iran, une intervention américaine ciblant des installations nucléaires en Iran et des frappes aériennes sur une base américaine au Qatar, un accord de cessez-le-feu entre Israël et l'Iran a été annoncé le 24 juin dernier.

Tijdens die vijandelijkheden riep ons land op tot de-escalatie, dialoog en respect voor het internationale recht en het Handvest van de Verenigde Naties. Het veroordeelde elke aanval op burgers en civiele infrastructuur en beklemtoonde het gevaar van het viseren van nucleaire installaties.

La position de notre pays est claire et la Belgique s'oppose au développement de capacités nucléaires militaires par l'Iran, qui représente une menace pour la région, mais également pour nos intérêts. Mais ce n'est pas par la force que nous réglerons les différends internationaux, que ce soit au Moyen-Orient ou ailleurs. Il est illusoire de penser qu'une attaque militaire extérieure puisse apporter la démocratie et la stabilité au pays ou à la région visée.

Il ne s'agit pas d'imposer un changement de régime depuis l'extérieur, mais plutôt de plaider pour que le régime change, qu'il abandonne le projet de nucléaire militaire, qu'il travaille davantage sur la démocratie et les droits humains au profit de sa propre population, qu'il ne soutienne pas la Russie dans son agression contre l'Ukraine et qu'il s'abstienne de toute activité déstabilisatrice dans la région.

Alleen een onderhandeld kader, in coördinatie met het Internationaal Agentschap voor Atoomenergie, kan een duurzame oplossing bieden. Ik spreek hierbij mijn volledige steun uit voor het mandaat van het Internationaal Agentschap voor Atoomenergie en voor diens directeur-generaal en roep Iran op zijn samenwerking met het VN-agentschap te hernemen. Diplomatie moet nu zegevieren.

Je ne suis pas naïf sur les difficultés qui attendent la communauté internationale dans ce contexte. Le défi est dantesque, mais pas impossible, et l'Union européenne devrait être capable de se positionner de manière utile pour favoriser l'émergence de solutions diplomatiques. Dans ce contexte, et faisant écho à vos interpellations, un aspect me préoccupe tout particulièrement: la situation des ressortissants européens détenus arbitrairement en Iran.

Des informations inquiétantes en provenance de la prison d'Evin, où se trouvent plusieurs ressortissants européens victimes de détentions arbitraires, en ce compris le Dr Djalali, nous sont effectivement parvenues récemment.

Op basis daarvan heb ik onmiddellijk mijn teams in Brussel en Teheran gevraagd om stappen te ondernemen bij de Iraanse autoriteiten om onze diepe bezorgdheid over het lot van die personen te uiten en om informatie te krijgen over de situatie ter plaatse, in het bijzonder over de persoonlijke situatie van dokter Djalali, waarbij uitdrukkelijk werd verzocht dat zijn gezondheid en fysieke integriteit worden gerespecteerd.

Les autorités iraniennes ont affirmé avoir bien entendu nos inquiétudes, ont confirmé que plusieurs individus avaient été tués à Evin lors de frappes israéliennes récentes, et que des transferts de prisonniers vers d'autres lieux de détention avaient effectivement bien eu lieu, pour leur propre sécurité.

Het recente geweld tussen Israël en Iran zou het risico op executies van personen die door de Iraanse autoriteiten gezien worden als verbonden met Israël, kunnen vergroten. België blijft de aanhoudende detentie van dokter Djalali van nabij opvolgen.

De Belgische positie is duidelijk. We verzoeken de Iraanse autoriteiten om dokter Djalali vrij te laten, zijn doodstraf nietig te verklaren en zijn detentieomstandigheden dringend te verbeteren. We blijven eisen dat het doodvonnis waartoe hij is veroordeeld, niet wordt uitgevoerd. Het lot van dokter Djalali wordt met de Zweedse collega's besproken.

Notre marge de manœuvre reste néanmoins limitée. É tant donné que le Dr Djalali n'est pas un ressortissant belge, cette situation reste avant tout une question consulaire suédoise. Nos démarches récentes et de longue date démontrent toutefois à suffisance notre engagement en faveur du Dr Djalali et notre solidarité européenne. Je me réfère à mes précédentes interventions sur le sujet dans ce cénacle, détaillant les démarches et actions concrètes, en sa faveur en vue de faire pression sur l'Iran.

J'ajouterai que nous avons récemment envoyé aux autorités iraniennes une offre d'appui médical émanant d'une institution belge. Cette offre est néanmoins restée, à ce jour, sans réponse.

De kwestie van Europese onderdanen die in Iran willekeurig worden vastgehouden, blijft een punt van zorg en actie voor ons land, zoals duidelijk bevestigd in het regeerakkoord van de federale regering. Naast dokter Djalali blijven er vandaag verschillende onschuldige Europeanen in Iran opgesloten. We blijven ijveren voor de vrijlating van hen allen. België blijft samenwerken met zijn Europese partners om die praktijk in Iran te bestrijden.

Je vous remercie de votre attention.

Ellen Samyn:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. Ik neem nota van uw diplomatieke inspanningen, maar ik blijf toch met enkele bezorgdheden zitten. Internationale organisaties spreken wel degelijk over een mogelijke executie op heel korte termijn. U kreeg van de Iraanse autoriteiten het antwoord dat de bezorgdheden goed werden genoteerd en dat de gevangenen voor hun eigen veiligheid werden verplaatst. Sta mij echter toe op te merken dat dat op zijn minst merkwaardig is, zeker gezien het feit dat de familie geen toegang heeft tot de heer Djalali. Het lijkt mij essentieel dat België samen met zijn Europese partners, voornamelijk Zweden en Italië, de zaak blijft aankaarten.

Uit uw antwoord blijkt ook dat u stelling inneemt tegen een mogelijke executie. Misschien moet er toch ook over worden nagedacht om daaraan diplomatieke consequenties te verbinden.

Bovendien blijft het voor mij van belang dat er ook daadwerkelijk een concreet plan klaarligt voor een medische evacuatie van professor Djalali, mocht zijn gezondheidstoestand of de veiligheidssituatie dat vereisen.

De urgentie van de zaak laat geen uitstel meer toe. De situatie lijkt mij immers ernstiger dan ooit te zijn.

Annick Lambrecht:

Mijnheer de minister, ik dank u voor het antwoord.

Wij zullen het dossier op de agenda blijven plaatsen. Dat is ook het enige wat wij kunnen doen. Wij hopen ook dat u het blijft opvolgen.

Het is geen goed teken dat op het voorstel tot medische steun geen enkele reactie van Iran kwam. Ik denk dat dat niet veel goeds voorspelt. Anderzijds hoop ik dat u omwille van discretie niet veel hebt gezegd over een medische evacuatie via diplomatieke betrekkingen voor professor Djalali, wat wij hebben bepleit.

Michel De Maegd:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse ainsi que pour les efforts fournis. Au-delà des démarches diplomatiques, il y a une question fondamentale de principe qui n'est pas seulement la vie d'un homme et celle de tous les autres innocents emprisonnés qui sont en jeu et vous l'avez rappelé, mais la crédibilité de nos engagements en matière de droits humains.

Ahmadreza Djalali est non seulement un scientifique reconnu mais aussi un enseignant accueilli par une université belge. C'est vrai, vous avez raison, il n'a pas la nationalité belge. Nous avons tout de même un devoir moral à son égard et la résolution que notre assemblée s'apprête à adopter demain en séance plénière le rappelle d'ailleurs avec force. Mais au-delà des démarches qui doivent être internationalisées, notre voix doit être entendue dans toutes les enceintes possibles. L'Iran doit savoir qu'il n'y a ni silence ni indifférence et je vous invite donc à poursuivre votre engagement. Merci à vous.

Els Van Hoof:

Bedankt voor uw antwoord en voor alle inspanningen die u en de Belgische en Zweedse diplomatie leveren.

De onzekerheid over de toestand van dokter Djalali blijft groot, des te meer voor zijn familie. Het is goed dat u zich bereid verklaard om medische hulp te verlenen. U moet dat signaal blijven herhalen, ook al blijft een respons uit. Dat zal ook het Parlement morgen doen, hopelijk unaniem, om u en de Belgische diplomatie en vooral de familie te steunen. Dat was alvast het geval in commissie. Zo willen we overigens ook Zweden onder druk zetten om meer actie te ondernemen dan het in het verleden gedaan heeft.

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, onderhandelen met een theocratie als Iran is uiteraard niet eenvoudig. Het is goed dat u pogingen onderneemt, maar het respecteren van de mensenrechten zit niet echt in de genen van degenen die daar aan de macht zijn. Ze zijn kampioen in het executeren van mensen met een andere politieke overtuiging. Ze zijn ook kampioen in het executeren van vrouwen. U hebt hier dus te maken met een tegenstander die kan tellen. De tegenstander heeft geen respect voor de vrije meningsuiting, voor vrouwenrechten, voor democratisch recht en voor mensenrechten. Daarom is het ook zo moeilijk om hiermee om te gaan. In het regeerakkoord hebben we dan ook heel duidelijk aangegeven dat we niet meegaan in gijzeldiplomatie. Voor professor Djalali is er op het moment echter geen andere mogelijkheid. Hij zit daar vast in de gevangenis. Zijn gezondheidstoestand baart ons allemaal zorgen, net zoals de toestand van vele andere onschuldige mensen die er vastzitten, mensen die een lok haar hebben getoond en mensen met een andere politieke mening. U zegt dat men gevangenen heeft verhuisd voor hun eigen veiligheid. Dat is een mooie uitleg, maar ik heb toch andere geruchten gehoord. Heel wat families van gevangenen weten namelijk helemaal niet waar hun geliefden naartoe zijn overgebracht. Gebeurde het dan voor hun veiligheid of leven ze vandaag niet meer? Op die vragen komt er geen antwoord. Morgen zullen we stemmen over het voorstel van resolutie van mijn collega Darya Safai waarin we die situaties en het optreden van de IRGC heel duidelijk veroordelen en vragen om met de Europese lidstaten de IRGC op de lijst van verboden terroristische organisaties te zetten. Het is absoluut urgent.

De handelsoorlog met de VS van president Trump
De impact van de Big Beautiful Bill en de ommezwaai in het Amerikaanse beleid op Europa en België
De invoerrechten die de Verenigde Staten per 1 augustus 2025 willen opleggen
Amerikaanse handelsbeleid en invoerrechten, impact op Europa en België

Gesteld aan

Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 16 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de agressieve Amerikaanse handelspolitiek onder Trump (50% douanetarieven op Brazilië, 30% op Europa vanaf 1 augustus) en Europese onderdanigheid, met kritiek op blind volgen van VS-belangen (NAVO-uitgaven, Israël-steun) ten koste van eigen soevereiniteit en klimaatdoelen. Maxime Prévot (minister) benadrukt onderhandelen via de EU, weerstand tegen protectionisme, diversificatie naar BRICS/Zuidoost-Azië en versterking van de multilaterale WTO-orde, maar erkent dat de VS onvoorspelbaar blijft. Boukili beaamt de nood aan alternatieve partners (BRICS), maar wijst op concrete onderwerping (bv. defensie-uitgaven voor Trump), terwijl Van Riet vreest voor economische schade (farma, groene energie) en pleit voor strategische autonomie zonder breuk met de VS.

Nabil Boukili:

Monsieur le ministre, le président Trump a annoncé ce mercredi l'instauration d'un tarif douanier de 50 % à l'encontre du Brésil, qu'il accuse de persécuter l'ancien président Jair Bolsonaro, actuellement jugé pour sa tentative de coup d'État contre Lula.

L'objectif est de frapper les pays du BRICS, perçus comme une alternative à l'hégémonie américaine. Ceci montre une fois encore le caractère coercitif des tarifs douaniers et de la politique des États-Unis. L'Europe sera clairement la prochaine cible. D'ailleurs, comme cela a été annoncé il y a quelques jours, elle sera elle aussi touchée par de nouveaux droits de douane à compter du 1 er août.

Dans ce contexte, on observe une Union européenne – et une Belgique – totalement soumise aux intérêts américains. Nous nous sommes alignés en prenant le parti d'Israël, en jetant à la poubelle le respect du droit international, en justifiant même les attaques israéliennes illégales contre l'Iran au moyen d'arguments identiques. Les États-Unis exigent que nous augmentions nos dépenses de défense, et nous le faisons sans broncher au détriment de notre propre sécurité sociale.

Monsieur le ministre, que compte faire l'Europe? Et que compte faire la Belgique? Allons-nous continuer à nous soumettre aux États-Unis, à leur logique de zones d'influence et de coercition? Comment peut-on encore les considérer comme des alliés, quand on voit leur politique de sanctions économiques contre les pays européens? Quelle sera la position de la Belgique – et de l'Union européenne – face à ces nouvelles menaces formulées par M. Trump?

Katrijn van Riet:

Mijnheer de minister, de Amerikaanse regering beloofde een ommezwaai in zowel het binnenlandse als het buitenlandse beleid. President Trump gelooft in het opleggen van invoerheffingen en voegde de daad bij het woord. Hij voert een belastingverhoging door voor buitenlandse bedrijven in hernieuwbare energie. De heffing van importtarieven lijkt een ware rollercoaster te worden, van hoog naar laag, van laag naar hoog. De huidige stand van zaken is 30 % vanaf 1 augustus 2025, maar het is niet uitgesloten dat dat nogmaals verandert.

Daarnaast is de zogenaamde One Big Beautiful Bill goedgekeurd, die een ingrijpende verschuiving in het Amerikaanse binnenlandse beleid inhoudt met grote geopolitieke gevolgen. Die heroriëntering van middelen kan de VS minder voorspelbaar maken als partner in multilaterale samenwerking zoals klimaatfinanciering, ontwikkelingssamenwerking en NAVO-afspraken. Vanmorgen tijdens ons overleg vernamen we nog dat 4 miljard dollar minder voor het klimaat wordt vrijgemaakt. Bovendien zal het protectionistische karakter van de energiemarktregels, vooral gericht tegen China, ook Europese bedrijven treffen via supply-chainbeperkingen.

Hoe evalueert u de mogelijke impact van de fiscale en sociale herschikking in de VS op de Europese samenwerking inzake klimaatfinanciering en duurzame ontwikkeling?

Welke impact zullen deze nieuwe tarieven hebben op de Europese en Belgische economie?

Welke tegenmaatregelen worden op Europees niveau overwogen, of wachten we nog af? Dat laatste vernamen we immers begin deze week via de pers.

Bekijkt u alternatieve markten om de Amerikaanse instabiliteit op te vangen?

Ziet u in de nieuwe protectionistische energievoorwaarden risico's voor Belgische of Europese bedrijven die actief zijn in hernieuwbare energieprojecten met wereldwijde toeleveringsketens?

Via welke diplomatieke strategie wilt u een gecoördineerd klimaatbeleid voeren met de Verenigde Staten?

Maxime Prévot:

Mevrouw de voorzitster, collega’s, mevrouw Van Riet, zoals u ongetwijfeld weet, beoogt de One Big Beautiful Bill de Verenigde Staten te positioneren als kerngebied voor productie, onderzoek en innovatie, terwijl ze tegelijkertijd de afhankelijkheid van buitenlandse leveranciers wil verminderen. De wet betreft een geheel van fiscale, budgettaire en economische maatregelen die tot doel hebben investeringen op Amerikaans grondgebied te stimuleren en de nationale economische prioriteiten te heroriënteren.

Een aantal van die maatregelen heeft indirecte, maar significante gevolgen voor buitenlandse bedrijven die in de Verenigde Staten actief zijn of er zaken doen. Op het vlak van klimaatbeleid bijvoorbeeld is een duidelijke terugschakeling van de Amerikaanse klimaatambities merkbaar, zoals blijkt uit de terugtrekking uit het klimaatakkoord en de hernieuwde focus op fossiele energie. Tal van federale maatregelen ter bevordering van hernieuwbare energie, schone voertuigen en industriële decarbonisatie zijn voortijdig afgeschaft of opgeschort, terwijl de fossiele industrie net wordt aangemoedigd.

Dat verzwakt onvermijdelijk de aantrekkingskracht van de Amerikaanse markt voor Belgische bedrijven die actief zijn in groene technologie. Het zou ook gezamenlijke projecten met Amerikaanse partners kunnen afremmen of de terugverdientijd van dergelijke investeringen verlengen. De situatie zet een gecoördineerde aanpak inzake klimaat onder druk en bevestigt eens te meer het belang van een voortrekkersrol voor de Europese Unie als betrouwbare partner, niet alleen inzake klimaatactie, maar bij uitbreiding ook op andere domeinen van multilaterale samenwerking.

De drastische besparingen op de budgetten van publieke onderzoeksinstellingen dreigen op termijn de wetenschappelijke fundamenten van de Verenigde Staten aan te tasten en hun concurrentievoordeel in opkomende sectoren te ondergraven. Voor Europa biedt een en ander daarentegen een kans om toptalent aan te trekken en de eigen innovatiecapaciteit te versterken.

Daarbij dient opgemerkt te worden dat bepaalde Amerikaanse staten vasthouden aan meer ambitieuze klimaatmaatregelen. Het is essentieel om de samenwerking met hen voort te zetten binnen een constructieve en toekomstgerichte context.

MM. Boukili et Lutgen – ce dernier pourra lire les réponses –, vous aurez certainement vu ma réaction à la suite de l'imposition des droits de douane de 30 % annoncée ce samedi par le Président Trump.

Cette nouvelle agression commerciale est injustifiée et d'autant plus incompréhensible que les négociations se poursuivent intensivement en vue d'atteindre un accord avant le 1 e août prochain. Elle est source, une fois de plus, d'incertitudes, ce qui n'est bon pour aucun investisseur, aucun entrepreneur, aucun consommateur, d'un côté comme de l'autre de l'Atlantique. Cette guerre commerciale n'aura aucune conséquence positive. Elle doit donc cesser!

La Commission européenne qui négocie au nom des États membres conserve toute notre confiance pour poursuivre son travail en vue d'atteindre un accord préalable, qui est la seule voie raisonnable. Il faut garder la tête froide et poursuivre le travail. Nous connaissons les méthodes parfois brutales de l'administration Trump et les revirements de position du président. À ce stade, il est essentiel qu'on préserve l'unité entre les États membres et qu'on soutienne la stratégie coordonnée de la Commission vers un accord.

Parallèlement à ces négociations, il va de soi que la Commission se prépare à tous les scénarios, y compris celui d'un échec, et travaille à l'identification de contre-mesures. Elle est également en contact avec une série de partenaires "like-minded" qui, comme nous, sont des cibles de la politique américaine actuelle. Qu'un deal soit ou pas conclu le 1 er août, je suis convaincu que l'incertitude va perdurer et nécessite de diversifier nos partenaires économiques et de poursuivre l'approfondissement du marché intérieur.

Monsieur Boukili, nous ne devons certainement pas tomber dans l'unilatéralisme ou le protectionnisme en réponse à celui des États-Unis. Au contraire, nous devons continuer à nous présenter comme le défenseur d'un système commercial multilatéral fondé sur des règles avec l'Organisation mondiale du commerce (OMC) comme fondement.

Le rôle de l'OMC est aujourd'hui plus crucial que jamais. Tous nos partenaires attendent de l'Union européenne qu'elle prenne l'initiative de réformer l'institution en modernisant ses règles et en assurant leur mise en œuvre de façon équitable.

Nous appuyons la Commission dans cette démarche ambitieuse qui nécessitera du réalisme sans pour autant brider notre ambition de coopérer avec les pays du Sud global. Les pays du groupe BRICS manifestent en effet un intérêt accru pour des relations bilatérales renforcées avec l'Union européenne. C'est un des avantages que je découvre avec le contexte que nous connaissons: les parties du monde qui parfois regardaient plus vers les États-Unis que vers l'Europe sont en train de changer leur mindset . Les discussions en cours avec l'Indonésie, les Philippines, ou dans le cadre des accords sur la facilitation des investissements durables, illustrent cette dynamique.

La ligne est claire: une réponse ferme, ciblée, mais équilibrée, aux pratiques américaines, alliée à une diversification active de nos partenariats commerciaux, tout en poursuivant un agenda de dialogue constructif avec Washington, notamment pour préserver, et même approfondir, nos partenariats dans des domaines-clefs tels que l'innovation, la recherche, la logistique et la sécurité. Certes, nous devons agir sans naïveté, mais toujours avec conviction, car les É tats-Unis sont et devront rester un partenaire. En agissant ainsi, nous affirmons notre souveraineté économique et notre attachement à une prospérité partagée dans un monde fondé sur la coopération et la stabilité.

Nabil Boukili:

Monsieur le ministre, je partage votre réponse. Je pense que c'est une première! ( Rires )

Sur la question du multilatéralisme, je suis entièrement d'accord avec vous, car nous ne devons pas tomber dans le protectionnisme et l'unilatéralisme, contrairement aux États-Unis aujourd'hui. Comme vous l'avez dit, l'avantage est que d'autres partenaires se tournent vers l'Union européenne. Cela dit, elle doit aussi se tourner vers eux dans un cadre multilatéral pour des intérêts partagés.

Toutefois, dans les faits, là où le bât blesse, c'est que la politique européenne et la nôtre également ne sont pas encore complètement détachées de la politique américaine. Nous continuons encore de dire amen aux injonctions de M. Trump. Au dernier sommet de l'OTAN, nous avons vu comment tout avait été agencé pour le faire revenir à de meilleures dispositions, car il ne fallait pas le froisser. Puis, on finit par voter des milliards et des milliards supplémentaires dans la Défense, sous l'égide de l'OTAN, pour faire plaisir à M. Trump et acheter des armes américaines. Donc, dans les faits, nous continuons de nous soumettre aux injonctions des États-Unis.

En revanche, et je vous rejoins entièrement à ce sujet, notre démarche doit consister à nous tourner vers le reste du monde en diversifiant nos partenariats. Il existe d'autres puissances et économies avec lesquelles nous pourrons travailler au nom d'intérêts communs, intérêts qui sont favorables à l'ensemble de la population mondiale, et non seulement à ceux des États-Unis.

Katrijn van Riet:

Ik ben het niet helemaal eens met de conclusies van de heer Boukili, maar ik begrijp, mijnheer de minister, dat we meer op onszelf moeten rekenen, dat we deze kans moeten gebruiken om onszelf te versterken en dat we handel moeten drijven waar het kan. Ik denk dan bijvoorbeeld aan de farmaciesector en veel andere sectoren die veel exporteren naar Amerika. Daarover maak ik mij wel zorgen. Wij moeten diversifiëren en inzetten op andere economische partners. Daarover ben ik het met u eens. Dank u voor uw antwoord. We zijn nog niet klaar met het Amerikaanse beleid, denk ik. Dat zal een constante blijven, vrees ik.

De terreuraanslag in een kerk in Damascus
De bloedige jihadistische terreuraanslag op een kerk in Damascus
Dodelijke terreuraanslag op kerk in Damascus

Gesteld aan

Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 16 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Belgische minister Prévot veroordeelt de jihadistische aanslag op de Mar Eliaskerk in Damascus (20 christelijke doden) en benadrukt België’s steun aan antiterreuroperaties (o.a. via de anti-Daesh-coalitie, CICR en UNMAS), stabilisatiehulp en strafrechtelijke vervolging van mensenrechtenschendingen via het *International Impartial and Independent Mechanism*. Van Rooy kaart scherp aan dat systematische islamitische onderdrukking van christenen (dhimmi-status, gedwongen bekering of dood) in het Midden-Oosten en Afrika genegeerd wordt, terwijl Israël als *enige* veilige haven voor christenen in de regio fungeert—wat hij afzet tegen wat hij ziet als selectieve westerse aandacht voor Palestijnen en regeringspassiviteit tegen islamitisch geweld.

Sam Van Rooy:

Mijnheer de minister, op 22 juni werd een dodelijke jihadistische zelfmoordaanslag gepleegd op de Mar Eliaskerk in Damascus. Tijdens de gebedsdienst werden minstens twintig Aramese christenen, waaronder vrouwen en kinderen, vermoord, en raakten vele anderen gewond.

De moslimterrorist schreeuwde, hoe kan het ook anders, "Allahoe akbar". Hij opende het vuur en bracht vervolgens een explosief tot ontploffing. Het was letterlijk een bloedbad. Maar dat was nog niet alles, want in een allicht gecoördineerde jihadcampagne werden nog pogingen ondernomen om jihadistische aanslagen te plegen. In diverse wijken en kerken in Syrië werden christenen met geweld bedreigd en verjaagd door moslimterroristen.

Ook in andere landen, in het Midden-Oosten en Afrika, worden christenen systematisch onderdrukt, bedreigd en/of afgeslacht door moslimterroristen. Op dit moment zijn de jihadisten in Syrië trouwens massaal de druzen aan het afslachten.

Mijnheer de minister, hoe maakt België duidelijk aan het islamitisch regime in Syrië, en bij uitbreiding aan alle regimes in het Midden-Oosten en in Afrika, dat wij opkomen voor ons christendom wereldwijd?

Wat onderneemt België om duidelijk te maken aan het islamitisch regime in Syrië, en bij uitbreiding aan alle regimes in het Midden-Oosten en in Afrika, dat ze christenen niet alleen moeten beschermen tegen onderdrukking, geweld, en terreur, maar dat christenen gelijke rechten moeten krijgen?

Maxime Prévot:

Mevrouw de voorzitster, ik zal antwoorden op de vragen van de heer van Rooy, maar ook op de oorspronkelijke vragen van de heer De Maegd, dus in beide talen, waarvoor mijn excuses aan de heer Van Rooy.

Messieurs les députés, l'attentat suicide du 22 juin dernier dans l'église Mar Elias, située dans un quartier chrétien de Damas, est un drame effroyable. La Belgique a condamné cette attaque. Si la responsabilité exacte de cet acte reste incertaine à ce stade, il s'inscrit dans un climat sécuritaire très instable en Syrie. Le pays traverse une phase de transition politique fragile, est exposé à des menaces terroristes persistantes et subit les répercussions d'un conflit régional qui fait peser de lourds risques sur sa stabilité.

Après une période d'accalmie relative, observée après la chute de la dictature Assad, on constate une recrudescence des attaques menées par Daech. Celles-ci visent principalement les forces kurdes dans le nord-est du pays, mais également les forces de l'ordre du gouvernement intérimaire syrien ainsi que certaines communautés religieuses. Cette reprise des violences illustre une réalité inquiétante: Daech est toujours actif en Syrie et constitue une menace à ne pas sous-estimer.

De tels attentats ont pour but de saper la légitimité du gouvernement syrien auprès de sa population, en montrant qu'il ne parvient pas à garantir la sécurité sur son territoire ni à protéger les différentes communautés religieuses. Ils cherchent aussi à intimider la communauté internationale et à décourager toute initiative en faveur de la stabilisation politique et de la relance économique du pays.

De Syrische regering heeft de aanval in het openbaar veroordeeld, opgeroepen tot de eenheid van het land en beloofd om de veiligheidsdiensten te mobiliseren om degenen die betrokken zijn bij de aanval te arresteren en voor het gerecht te brengen. Deze Syrische regering heeft een duidelijke wens om een einde te maken aan de aanwezigheid van Daesh en voert in dat verband operaties uit. Niettemin toont die aanval aan dat het terroristisch risico blijft bestaan en dat steun aan Syrië in deze kritieke overgangsfase noodzakelijk is.

La Belgique reste engagée dans la lutte contre le terrorisme islamiste en Syrie, notamment dans le cadre de la coalition contre Daech ou au travers de son soutien à la stabilisation. Sur ce point, la Belgique soutient depuis quelques années l'opération du Comité international de la Croix-Rouge (CICR) en Syrie, ainsi que le service anti-mines des Nations Unies (UNMAS) dans le cadre de leurs activités en matière de déminage humanitaire.

Les actions du CICR s'organisent en Syrie autour de quatre axes que sont la protection, l'assistance, en ce compris l'assistance médicale, la prévention et la coopération avec la société civile. L'action d'UNMAS a également un impact important sur la vie et la sécurité de l'ensemble de la population syrienne. La présence de vestiges de la guerre entrave le redémarrage de toutes les activités économiques et retarde le retour des réfugiés et des déplacés. Ces actions sont essentielles à la stabilisation post-conflit et à la prévention d'un retour ou d'un renforcement de Daech.

De strijd tegen straffeloosheid blijft een ander belangrijk aspect van het Belgisch beleid ten aanzien van Syrië en is duidelijk gelinkt aan terreurbestrijding. Ons land heeft diplomatiek en financieel bijgedragen tot de oprichting van het International Impartial and Independent Mechanism, dat bewijzen moet verzamelen van ernstige schendingen van internationaal humanitair recht en mensenrechtenschendingen, opdat vervolging van de daders mogelijk kan worden gemaakt. Het mandaat van het International Impartial and Independent Mechanism omvat verschillende onderzoekslijnen, waaronder misdaden door personen die banden hebben met Daesh.

Au-delà de ces différents appuis, l'approche de notre pays est de soutenir la transition actuelle en s'engageant diplomatiquement avec les autorités intérimaires et les différents acteurs de la transition, en favorisant la reconstruction et le relèvement économique du pays, à travers la suspension des sanctions économiques européennes et en garantissant un appui humanitaire conséquent. Notre pays reste extrêmement vigilant à la manière dont ces priorités se concrétisent et évoluent.

Président: Christophe Lacroix.

Voorzitter: Christophe Lacroix.

Sam Van Rooy:

Mijnheer de minister, ook vandaag hebben we weer gezien dat veel politici en journalisten geobsedeerd zijn door het lot van de zogenaamde Palestijnen. Ze willen Israël bashen. Nochtans is Israël het enige land in het Midden-Oosten waar het aantal christenen niet afneemt, omdat Israël het enige land is waar christenen vrij en veilig zijn.

Voorts verwijst u steeds naar Daesh, maar het is de islam die christenen afschildert en brandmerkt als minderwaardige wezens en hun slechts de keuze geeft tussen zich bekeren tot de islam en zich als zogenaamde dhimmi te onderwerpen aan de sharia, of de dood.

In de geïslamiseerde wereld worden christenen systematisch en institutioneel onderdrukt, verjaagd of gedood. De islam is het christendom aan het vernietigen, maar ik stel vast dat deze oikofobe, laffe regering zich daar niets van aantrekt.

Voorzitter:

Les questions n os 56006203C et 56006222C de M. Michel De Maegd sont transformées en questions écrites.

De mensenrechten in Azerbeidzjan
De repressie in Azerbeidzjan en de bescherming van de mensenrechtenactivisten
Mensenrechten en repressie in Azerbeidzjan

Gesteld aan

Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 16 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België en de EU uiten ernstige bezorgdheid over de systematische onderdrukking in Azerbeidzjan, waar journalisten (o.a. *Abzas Media*), academici zoals Bahruz Samadov (VUB, 15 jaar cel voor "verraad") en activisten met valse aanklachten worden opgepakt, gemarteld en tot zware straffen veroordeeld—400 politieke gevangenen tellend. Minister Prévot benadrukt dat mensenrechten centraal staan in het Belgische buitenlands beleid en dat de EU (via Kaja Kallas) onderhandelingen over een partnerschap wil gebruiken als hefboom voor verbeteringen, maar concrete sancties of bevriezing van gesprekken worden (nog) niet overwogen—wel diplomatieke druk via bilaterale contacten, de Raad van Europa en VN-mechanismen. Samyn en Lacroix eisen dringend actie: een Belgisch initiatief voor EU-sancties tegen Azerbeidzjaanse functionarissen, directe interventie (o.a. ambassadebezoek aan Samadov, wiens gezondheid en veiligheid acuut risico lopen) en stopzetting van economische/ontwikkelingssamenwerking zolang de repressie aanhoudt. Kritiekpunt: de energie-afhankelijkheid van Azerbeidzjan verzwakt de EU-houding, terwijl het regime Armenië blijft provoceren en vrijheden verder uitholt.

Ellen Samyn:

In Azerbeidzjan werden er recent bijzonder zware gevangenisstraffen uitgesproken tegen journalisten, onderzoekers en activisten. Onder hen bevindt zich Bahruz Samadov, een academicus die opkwam voor vrede met Armenië en nu tot 15 jaar cel werd veroordeeld wegens vermeend verraad. Onafhankelijke media, zoals Abzas Media, zag maar liefst zeven medewerkers tussen de 7,5 en 9 jaar veroordeeld op basis van valse aanklachten. Ook vertegenwoordigers van minderheden, zoals de Talysh-historicus Igbal Abilov, kregen gevangenisstraffen tot 18 jaar. In totaal spreekt men nu van maar liefst 400 politieke gevangenen.

Graag verneem ik van de minister:

Wordt er in EU-verband nagedacht tot gerichte sancties tegen verantwoordelijke Azerbeidzjaanse functionarissen? Wordt er overwogen tot het bevriezen van alle partnerschapsonderhandelingen tussen de EU en Azerbeidzjan zolang er geen fundamentele verbetering is in de mensenrechtensituatie?

Wat is het standpunt van de regering ten aanzien van de mensenrechtenschendingen in Azerbeidzjan?

Welke stappen heeft België genomen - of zal het nemen - om druk uit te oefenen op het Azerbeidzjaanse regime?

Wat is de Belgische positie inzake de eventuele voortgang van een partnerschapsovereenkomst met Azerbeidzjan in het licht van deze mensenrechtensituatie?

Christophe Lacroix:

Monsieur le ministre, depuis ma dernière question, la situation en Azerbaïdjan s'est encore malheureusement détériorée. Le 28 juin dernier, six journalistes du média indépendant Abzas Media ont été condamnés à des peines allant jusqu'à 7 ans et demi de prison dans un procès manifestement politique. Leur seul tort : avoir dénoncé la corruption au sein du régime. Cette condamnation s'ajoute à une vague de répression qui a déjà conduit à l'arrestation de plus de 300 activistes, journalistes et opposants depuis 2023. Certains ont été torturés, d'autres ont tenté de se suicider. Et les arrestations continuent. Leur seul tort est d'avoir osé critiquer le régime autoritaire et corrompu du Président Aliyev.

Plus récemment encore, le 29 juin, Bahruz Samadov, chercheur affilié à la Vrije Universiteit Brussel (VUB), a été condamné à 15 ans de prison pour trahison. Cette décision, d'une sévérité extrême, vise à faire taire une voix critique de la diaspora intellectuelle azerbaïdjanaise. Elle constitue une attaque directe contre la liberté académique et les liens scientifiques entre nos pays.

Ces événements confirment l'urgence d'une réaction forte de la Belgique et de l'Union européenne. Il ne s'agit pas seulement de défendre des principes abstraits, mais de protéger des personnes concrètes, dont certaines ont des liens directs avec notre pays.

Dès lors, je vous prie de bien vouloir répondre aux questions suivantes :

Quelle est la position officielle de la Belgique face à ces condamnations politiques et à la répression croissante en Azerbaïdjan?

Quelles démarches diplomatiques ont été entreprises ou sont envisagées pour défendre la liberté de la presse, la liberté académique et les droits fondamentaux dans ce pays?

La Belgique entend-elle intervenir spécifiquement dans le cas de Bahruz Samadov, compte tenu de son affiliation à une université belge? L'ambassadeur belge à Bakou a-t-il notamment pu lui rendre visite?

Enfin, comment notre pays peut-il contribuer à une réponse européenne cohérente et ferme face à ces violations systématiques des droits humains?​

Monsieur le ministre, je m’en suis référé à la question écrite, mais si vous me le permettez, je vais quand même insister sur deux éléments. Je m'inquiète très fort de la situation en Azerbaïdjan, et pour un chercheur, Bahruz Samadov, qui a travaillé pour la Vrije Universiteit Brussel, qui a été condamné à 15 ans de prison. C'est lui avant tout que je vise à travers cette question, mais ce sont aussi les 36 journalistes et défenseurs des droits humains actuellement emprisonnés dans les geôles de l'Azerbaïdjan. C'est pire que la Turquie, et on en parle très peu. C'est une des raisons pour lesquelles, saisi d'un rapport au niveau de l'Assemblée parlementaire du Conseil de l'Europe, je m'intéresse particulièrement à cette situation. Je voudrais que la Belgique puisse jouer un rôle, notamment en allant avec l'ambassadeur belge à Bakou pour prendre des nouvelles de ce prisonnier.

Maxime Prévot:

Mijnheer Lacroix, mevrouw Samyn, in antwoord op uw vraag over de mensenrechten in Azerbeidzjan kan ik mededelen dat de Hoge Vertegenwoordigster van de Europese Unie, Kaja Kallas, Azerbeidzjan in april 2025 heeft bezocht. Er werd gesproken over een mogelijke heropstart van de onderhandelingen om de kaders van de bilaterale relaties te updaten en uit te breiden, waarbij ook de mensenrechten aan bod komen.

Comme vous le savez, la promotion des droits humains constitue une priorité de la politique étrangère belge. Mes services et moi-même restons vigilants quant à la situation difficile des droits humains en Azerbaïdjan, y compris le droit à un procès équitable et les conditions de détention.

We zullen verder alle beschikbare instrumenten inzake mensenrechten op bilateraal en multilateraal niveau actief inzetten. Zo worden mensenrechten en individuele dossiers regelmatig aangekaart bij de Azerbeidzjaanse autoriteiten.

Onlangs besprak mijn kabinetschef deze onderwerpen met de diplomatieke adviseur van de Azerbeidzjaanse president. Mensenrechten werden ook besproken op politiek niveau tijdens COP29 in Baku en bij bilaterale consultaties op het niveau van de directeurs-generaal in oktober 2024. Onze ambassade volgt de situatie nauwgezet op, in samenwerking met de EU-delegatie. België nam actief deel aan de UPR voor Azerbeidzjan in november 2023 en speelt een rol binnen de Raad van Europa, onder andere in het Comité van Ministers in het mensenrechtenformat.

À ce stade, aucune négociation n'est en cours pour approfondir les relations entre l'Union européenne et l'Azerbaïdjan, mais cette perspective est sur la table. Je considère qu'il est dans notre intérêt stratégique de mener de telles discussions. Elles doivent servir de levier pour demander des avancées concrètes en matière d'État de droit et de respect des droits humains. Lorsque ces négociations débuteront, je veillerai à ce que ces principes fondamentaux soient pris en compte.

Ellen Samyn:

Mijnheer de minister, dank u voor uw antwoord. De situatie in Azerbeidzjan blijft ernstig verontrusten. De veroordeling van journalisten, academici, activisten en politieke gevangenen uit Artsakh tot zware gevangenisstraffen wijst op een systematische beperking van fundamentele vrijheden. Dat is des te zorgwekkender in een land dat tegelijk een belangrijke economische partner voor Europa wil zijn.

Daarbij komt dat Azerbeidzjan recent opnieuw spanningen heeft gecreëerd ten opzichte van Armenië. Het is voor mij moeilijk te begrijpen hoe we gesprekken over partnerschap of economische samenwerking kunnen voortzetten zonder duidelijke voorwaarden op het vlak van mensenrechten en regionale stabiliteit.

Ik heb het met u al een paar keer gehad over die ontwikkelingssamenwerking. Ik heb ook de cijfers naar uw kabinet gestuurd. In het verleden heeft België wel degelijk ontwikkelingshulp aan Azerbeidzjan geleverd. We moeten dan ook ernstig heroverwegen of ontwikkelingshulp of economische voordelen richting Azerbeidzjan nog verantwoord zijn zolang de mensenrechtenschendingen blijven doorgaan.

Christophe Lacroix:

Monsieur le ministre, j’entends votre réponse, mais j’aurais souhaité que la Belgique adopte une position un peu plus assertive sur le dossier de l’Azerbaïdjan, car un chercheur affilié à une université belge y a été condamné à 15 ans de prison. Il a été reconnu coupable de haute trahison pour avoir tenu des propos différents de ceux du gouvernement azerbaïdjanais concernant le Haut-Karabakh. Il n’est pas normal qu’une personne soit emprisonnée à 15 ans de prison pour de tels faits. Par ailleurs, il a déjà tenté de se suicider en détention. La famille est très inquiète, l’université également. Je pense qu’un appel de l’ambassadeur sur place, afin de prendre connaissance du dossier et de s’enquérir de l’état de ce chercheur, serait un moyen de signaler à l’Azerbaïdjan que malgré ses importantes ressources énergétiques, ce régime ne peut pas faire ce qu'il veut. J'adresse donc un appel, pour lui, mais également pour ses collègues. C'est à travers une audition tenue à l'Assemblée parlementaire du Conseil de l'Europe – où la Fédération européenne des journalistes nous a témoigné de sa grande préoccupation par rapport à la liberté de la presse et aux menaces sur les défenseurs des droits humains en Azerbaïdjan – que cette question s'est aussi motivée. Je reviendrai sur cette question, je ne lâcherai pas. Je suis aussi têtu que vous, même si ni vous ni moi ne sommes Ardennais. Mais nous habitons tous deux le long de la Meuse, et chacun sait que de Wanze à Namur, il n’y a qu’un pas d’échassier.

De jongste ontwikkelingen in Oekraïne en de ongeziene aanval op 3 juli
De maatregelen tegen Rusland
De maatregelen tegen Rusland
De situatie in Oekraïne
De focus van Amerika op China in de context van de oorlog in Oekraïne
Oorlog in Oekraïne, internationale sancties en geopolitieke spanningen met Rusland en China

Gesteld aan

Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 16 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België en de EU blijven ondanks Amerikaanse wisselvalligheden (zoals Trumps ommezwaai over Patriotraketten en dreigende handelssancties van 500%) onverkort Oekraïne steunen met €160 miljard aan militaire, economische en humanitaire hulp, plus een Belgisch budget van €1 miljard/jaar tot 2029. Europa moet zelf zijn verdediging versterken (via EU-defensieplannen, NAVO’s Europese pijler en "coalitions of the willing") nu de VS zich richt op China en de Indo-Pacifische regio, terwijl Rusland—ondanks sancties en brain drain—doorgaat met luchtaanvallen en weigert te onderhandelen zonder maximale eisen. België zet in op langetermijnsteun (wederopbouw, EU-toetreding Oekraïne) en sanctiehandhaving (ondanks omzeiling via "spookvloten"), maar benadrukt dat een Russische overwinning het internationale machtsevenwicht zou ontwrichten. De focus ligt op Europese strategische autonomie, zonder de NAVO los te laten.

Katrijn van Riet:

Ik wou verwijzen naar mijn schriftelijk ingediende vraag, maar ondertussen is die vraag niet helemaal accuraat en up-to-date meer. Ik heb ze nochtans pas op 11 juli opgesteld.

Eerst heeft de Amerikaanse administratie gezegd dat er geen wapens en dus ook geen Patriotraketten meer naar Oekraïne mochten. Dan is dat weer teruggedraaid. De leugen werd verspreid dat dit was wegens dreigende tekorten. Dat was blijkbaar uitgeschreven zonder medeweten van de president door de viceminister van Defensie, Colby. Er blijft in de Verenigde Staten gerateld worden van de ene kant naar de andere kant.

Ondertussen bestempelt Colby de confrontatie met China als onafwendbaar en haalt hij de band met Taiwan aan. De Chinese minister van Buitenlandse Zaken verklaarde dat de Volksrepubliek het zich niet kan veroorloven dat het conflict in Oekraïne stopt. Dat hebben we later nog eens gehoord.

De Amerikaanse Senaat wil nu het initiatief nemen om de secundaire tarieven voor landen die handelen met de Russische Federatie op 500 % te brengen.

Ik had enkele vragen voorbereid, mijnheer de minister.

Hoe beoordeelt u de impact van Trumps belofte om toch de 30 Patriotraketten te leveren aan Oekraïne?

Wat is uw reactie op de Amerikaanse militaire visie dat de VS zich lijken terug te trekken uit Europese conflicten en de NAVO, zoals verwoord werd door viceminister van Defensie Colby?

Hoe ziet u de balans van economische drukmiddelen en diplomatieke relaties evolueren, met voorstellen als dat van 500% importtarieven voor landen die handel drijven met Rusland?

Ziet u in de Amerikaanse uitspraken over een mogelijke confrontatie met China een verschuiving van het globale machtsevenwicht? Hoe bereidt België zich voor op deze multilaterale diplomatie?

Moeten we aandringen op een collectieve bufferstrategie voor het geval dat de Amerikaanse steun aan Oekraïne alsnog stokt? Welke rol ziet u hierin voor ons land?

Ik vroeg ook welke rol België kan spelen op de humanitaire top in Rome. Die is ondertussen echter afgelopen. Hoe zal België zich opstellen tegenover de mogelijk gewijzigde Amerikaanse houding inzake Oekraïne en de Russische Federatie?

Maxime Prévot:

Mevrouw Van Riet, ik had oorspronkelijk ook een vraag ontvangen van mevrouw Depoorter, de heer De Maegd en mevrouw Deborsu. Ik zal dus een uitgebreider antwoord geven – mijn excuses daarvoor – waarin verschillende elementen aan bod komen.

Cela fait plus de trois ans que l'armée russe poursuit son agression contre l'Ukraine. Les estimations des pertes russes tournent autour de 1 million d'hommes morts et blessés. Des pertes pour rien, puisque la Russie a grignoté quelques kilomètres carrés supplémentaires et n'a toujours pas atteint ses objectifs stratégiques devant la résistance ukrainienne.

Puisque la Russie ne parvient pas à des résultats sur terre, elle intensifie désormais ses attaques par les airs, en cherchant à semer la terreur parmi la population civile ukrainienne. Ces frappes aériennes massives soulignent les besoins continus de l'Ukraine en matière de défense aérienne. C'est la substance du message adressé par le président Zelensky à ses homologues lors de la dernière réunion de la Coalition des volontaires le 10 juillet, auquel notre premier ministre a participé.

Les attaques russes sans relâche démontrent en tout cas, le fallait-il encore, que Moscou n'est pas du tout intéressée par la paix. Des discussions diplomatiques ont démarré sous l'égide du président américain, qui a voulu croire en une solution négociée à la guerre, mais la partie russe n'a proposé que des options maximalistes qui auraient abouti à une capitulation complète de l'Ukraine, alors que Kiev avait accepté le principe d'un cessez-le-feu et se montre ouverte à des négociations de bonne foi. Cette réalité est comprise depuis longtemps en Europe et elle commence à être entendue à Washington.

Een overwinning van Moskou, als gevolg van onvoldoende steun aan Kiev, zou een vrijbrief betekenen voor loutere machtspolitiek gericht op gebiedsuitbreiding en imperialisme, in Oekraïne of elders in de wereld, en betekent het failliet van onze eigen waardengedreven politiek.

Wat betreft de Amerikaanse militaire steun aan Oekraïne, president Trump en de secretaris-generaal van de NAVO hebben op 14 juli aangekondigd dat er via nieuw op te zetten verkoopsystemen bijkomende wapens zullen worden geleverd, waaronder het Patriot raketsysteem. We zullen die ontwikkelingen uiteraard nauwgezet opvolgen, evenals de recente aankondiging van sanctiemaatregelen, die pas na een periode van 50 dagen worden ingevoerd en bovendien lagere percentages omvatten dan oorspronkelijk voorgesteld door senator Graham.

L'Union européenne agit dans tous les cas indépendamment de ce que feront ou ne feront pas les é tats-Unis.

Depuis le début de l'invasion russe, l'Union européenne soutient l'Ukraine et continuera dans cette voie sans faiblir. Jusqu'à présent, l'Union européenne et ses États membres ont contribué à hauteur de plus de 160 milliards d'euros d'assistance économique, militaire ou humanitaire.

La décision récente prise par notre gouvernement d'allouer 1 milliard d'euros en 2025 pour notre soutien à l'Ukraine et de poursuivre cet effort jusqu'en 2029 nous permet de participer à plusieurs coalitions capacitaires qui répondent aux besoins de l'Ukraine.

Mais cette aide belge ne se limite pas au soutien militaire. Récemment, j'ai participé à la dernière conférence pour la reconstruction de l'Ukraine, le 10 juillet à Rome, avec des représentants de notre agence de développement Enabel et notre société d'investissement pour les pays en développement, BIO Invest. J'ai pu y rencontrer des acteurs institutionnels et privés, dont des entreprises belges résolues à investir dans la reconstruction et l'avenir de l'Ukraine. Les résultats de cette conférence sont positifs. L'Union européenne a annoncé des programmes pour lever jusqu'à 10 milliards d'euros d'investissement. La Belgique n'est pas en reste avec six accords signés sur place avec des interlocuteurs ukrainiens dans le domaine de l'énergie, de la santé ou du soutien aux PME.

Le soutien européen et belge à l'Ukraine s'inscrit dans le long terme. La meilleure garantie de sauvegarder la souveraineté de l'Ukraine et de lui permettre de construire son avenir, c'est incontestablement de poursuivre sur la voie euro-atlantique, dont l'adhésion à l'Union européenne. Le processus est en cours et la Belgique soutient l'approfondissement des négociations avec l'Ukraine.

Een Europa als geheel moet zijn inspanningen opvoeren. In maart publiceerden de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden het Witboek over Europese defensie, met voorstellen om de defensie-investeringen van de EU-lidstaten te versterken: meer, beter, gezamenlijk en Europees. Het doel is om de paraatheid tegen 2030 aanzienlijk te verhogen en bij te dragen aan de versterking van de strategische autonomie van Europa op het gebied van defensie. Initiatieven zoals ReArm Europe en het nieuwe instrument SAFE bieden financiële steun voor gezamenlijke aankopen en prioritaire capaciteiten, waarbij ook Oekraïne van bij het begin betrokken is. België steunt een sterkere Europese defensie-industrie, op voorwaarde dat dit gepaard gaat met meer gezamenlijke planning en aanbestedingen en dat marktverstoringen vermeden worden.

Dat alles zal bijdragen tot het bereiken van de capaciteitsprioriteiten van de EU en de NAVO. Voor België blijft de NAVO de hoeksteen van onze collectieve verdediging. Tijdens de NAVO-top in juni in Den Haag hebben alle bondgenoten hun eensgezindheid getoond en hun inzet voor artikel 5 over collectieve verdediging herbevestigd. Toch heeft de nieuwe Amerikaanse administratie aangegeven dat de VS zich voortaan meer zullen toespitsen op de Indo-Pacifische regio en op de binnenlandse veiligheid. Bijgevolg zullen de Europese bondgenoten en Canada de hoofdverantwoordelijkheid voor de afschrikking en verdediging van het Europees continent op zich moeten nemen. We moeten blijven werken aan de versterking van de NAVO en in het bijzonder aan de Europese pijler binnen de NAVO. EU-eenheid blijft voor België de eerste prioriteit.

Coalitions of the willing zouden daarbij een optie moeten zijn, met ook NAVO-bondgenoten die niet tot de EU behoren. België zal zijn rol in deze pan-Europese inspanningen ten volle opnemen.

En parallèle du soutien à l'Ukraine, l'Union européenne maintient également la pression sur la Russie par le biais des sanctions. Malheureusement, le 18 e paquet n'a pas encore pu être adopté. Ces sanctions visent notamment des banques qui opèrent avec la Russie ou des navires de la flotte fantôme que la Russie utilise pour exporter son pétrole.

Jusqu'à présent, l'Union européenne a sanctionné plus de 340 navires. Elle continue de discuter avec les États pavillonnaires de certains de ces navires. La nature même de cette flotte fantôme, qui opère dans une zone grise du droit international, rend l'identification des bâtiments difficile, mais nous poursuivrons les efforts et continuerons à sanctionner les navires qui participent à l'effort de guerre russe.

Het feit dat Rusland meteen om sanctieverlichting vraagt als voorwaarde voor een gedeeltelijk en tijdelijk staakt-het-vuren, toont aan dat de sancties wel degelijk een impact hebben. Het klopt dat sommige sancties worden omzeild, wat opnieuw aantoont dat Rusland voor bepaalde producten erg afhankelijk is van de Europese Unie en dat de maatregelen wel degelijk een impact hebben op de oorlogsmachine.

Wij blijven op EU-niveau in dialoog met derdelanden om sanctieomzeiling tegen te gaan en hebben daarbij al verschillende concrete resultaten geboekt, hoewel er nog grote uitdagingen blijven. Tot op heden hebben wij steeds maatregelen getroffen in nauw overleg met gelijkgezinde partners, waaronder de Verenigde Staten. Wij geven de duidelijke boodschap aan Washington dat sanctieverlichting pas bespreekbaar is nadat een vredesakkoord is gesloten dat de basisprincipes van het Handvest van de Verenigde Naties respecteert.

Russen stemmen ook met de voeten. Er zijn inderdaad aanwijzingen dat sinds het begin van de oorlog in Oekraïne ongeveer een miljoen Russen hun land hebben verlaten. Zij zijn vaak hoogopgeleid, werkzaam in de technologie-, media- of creatieve sectoren en verlaten Rusland uit protest tegen de oorlog, uit angst voor mobilisatie of door de verslechterende economische en politieke situatie. Armenië, Georgië, Kazachstan en Turkije behoren tot de populairste bestemmingen vanwege het reisgemak, de visumvrije toegang en de aanwezigheid van Russischtalige bevolkingsgroepen.

Sinds de Russische inval in Oekraïne heeft de Europese Unie haar afhankelijkheid van Russische energie drastisch afgebouwd. Voor meer informatie of inzage in de genoemde contracten verwijs ik u graag door naar de bevoegde minister.

Katrijn van Riet:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw uitgebreid antwoord dat ik aandachtig zal nalezen.

De bescherming van de titel van hypnotherapeut

Gesteld door

lijst: MR Anthony Dufrane

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 15 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de onbeschermde titel *hypnothérapeute*, die nu door iedereen (inclusief slecht opgeleide coaches) kan worden gebruikt, met risico’s voor patiëntenveiligheid. Minister Vandenbroucke bevestigt dat hypnose alleen wettelijk is toegestaan voor erkende zorgprofessionals binnen hun bevoegdheid, maar aankondigt een analyse door de Raad voor Geestelijke Gezondheidszorg om niet-gereguleerde psychologische methodes (zoals hypnotherapie) te evalueren voor mogelijke regulering. Hypnose als entertainment valt buiten zijn bevoegdheid, en remboursement blijft voorlopig voorbehouden aan erkende zorgverleners. Dufrane benadrukt het gevaar van snelle, goedkope opleidingen en verwelkomt het voorgenomen onderzoek.

Anthony Dufrane:

Monsieur le ministre, le rôle de l'hypnose dans de nombreux actes médicaux n'est plus à prouver. Cette pratique peut aider le patient et peut conduire à servir d'alternative à l'anesthésie dans certains cas. Elle permet une série d'applications diverses, selon le type d'hypnose (classique, ericksonienne, et j'en passe).

Cependant, qu'importe le type d'hypnose pratiquée, le terme d'hypnothérapeute n'est pas protégé. Or, l'utilisation du suffixe "-thérapeute" renvoie à une forme de soin et à une confiance y afférent. L'utilisation abusive de cette appellation peut dans certains cas être dangereuse, car elle pourrait tromper le patient.

Plusieurs corps de métier peuvent pratiquer l'hypnose, comme des psychologues, des psychiatres, des dentistes, des médecins ou différents coachs. De même, des formations existent en IFAPME, mais aussi des certificats post-universitaires.

L'offre peut donc varier en qualité, les apprenants peuvent avoir des parcours différents. Le risque de confondre un hypnothérapeute ayant un autre diplôme universitaire avec un coach formé en quelques jours est donc problématique.

Mes questions, monsieur le ministre, sont donc les suivantes. Comptez-vous protéger le titre d'hypnothérapeute? Faudrait-il un diplôme ou une formation reconnue pour obtenir le titre et exercer sous cette appellation? Quid des hypnotiseurs à vocation récréative? Auraient-ils aussi accès au titre sans diplôme paramédical?

L’hypnose est remboursée par certaines mutuelles lorsqu'elle est pratiquée dans le cadre d'une consultation psychologique ou psychothérapeutique par un praticien reconnu par la mutuelle. Comptez-vous restreindre les remboursements aux praticiens ayant une formation reconnue?

Frank Vandenbroucke:

L'hypnothérapie n'est effectivement pas reprise dans la législation relative à l'exercice des professions de santé, soit la loi de 2015. D’un point de vue légal, on ne peut invoquer que la loi sur l'hypnotisme, qui date du 30 mai 1892.

Dans l'état actuel de la législation, l'hypnose est une technique relationnelle qui peut être utilisée par un professionnel de santé reconnu, pour autant qu'il le fasse dans le cadre des compétences et des obligations qui lui sont dévolues par la loi sur l'exercice des professions de santé, et qu'il ait été démontré scientifiquement que cette technique présente un intérêt dans l'exercice de sa compétence professionnelle.

Les professionnels de santé concernés par cette technique en connaissent l'utilité et agissent dans le cadre légal qui leur est imposé, y compris des professionnels de soins de santé mentale.

Toutefois, de manière plus large, je souhaite qu'une analyse soit réalisée concernant les diverses démarches thérapeutiques existantes en soins de santé mentale, tout en assurant la sécurité et la qualité des soins prodigués aux patients.

Par conséquent, je vais demander au Conseil des professions des soins de santé mentale de me rendre un avis concernant les procédés psychologiques en soins de santé mentale qui sont suffisamment éprouvés et qui devraient être réglementés.

Du reste, concernant l’hypnose de spectacle, cette matière ne relève pas du cadre de mes compétences de ministre de la Santé.

Anthony Dufrane:

Madame la présidente, je remercie M. le ministre, notamment pour le suivi qu’il entend apporter en interrogeant le Conseil des professions de soins de santé mentale. Le fait que des personnes peuvent, en quelques heures et pour moins de 200 euros, se former, obtenir un diplôme, pour ensuite s’installer comme hypnothérapeute et lancer des consultations, présente, selon moi, un danger. Je vous remercie d’avance pour le bon suivi que vous assurerez eu égard à cette problématique qui peut causer bien des torts.

Intrafamiliaal geweld

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 15 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Vandenbroucke bevestigt de urgente nood aan een versterkte aanpak van intrafamiliaal geweld, met name via Operatie Alert (opleidingen, e-learnings en richtlijnen voor zorgverleners) en 13 nieuwe zorgcentra na seksueel geweld (operationeel vanaf 2026), maar deze richten zich niet expliciet op intrafamiliaal geweld—slachtoffers worden wel doorverwezen via spoedzorg en regionale hulpnetwerken. De Knop kritiseert de versnipperde bevoegdheden (federaal, gewestelijk, lokaal) die een geïntegreerde, slachtoffergerichte aanpak belemmeren en dringt aan op meer federale coördinatie en preventie om leemtes in de opvang te dichten.

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, intrafamiliaal geweld is een heel groot maatschappelijk probleem dat steeds vaker tot tragische gevolgen leidt. Recentelijk was er weer een aantal gebeurtenissen. Zo werd in Oost-Vlaanderen een vrouw om het leven gebracht door haar ex-partner. In Haasrode bekende een zestienjarige jongen dat hij zijn moeder en zijn zesjarige zus had neergestoken en vervolgens brand had gesticht. In Geraardsbergen moest de politie dan weer ingrijpen bij een incident van intrafamiliaal geweld waarbij een man op agenten schoot.

Deze dramatische gebeurtenissen benadrukken de noodzaak van een versterkte aanpak van intrafamiliaal geweld, met daarin belangrijke preventieve maatregelen, betere ondersteuning voor slachtoffers en strengere interventies bij risicogevallen. De maatschappelijke impact is uiteraard enorm. Gezinnen worden verwoest, kinderen verliezen ouders en hele gemeenschappen worden geconfronteerd met erg schokkende misdaden. Gelet op de ernst en frequentie van deze incidenten rijst dan ook de vraag welke bijkomende inspanningen nodig zijn. Vandaar mijn vragen voor u, mijnheer de minister. We stellen trouwens ook vragen over dit thema in andere commissies.

Welke initiatieven neemt u om dit probleem aan te pakken?

Komen er nog nieuwe zorgcentra na seksueel geweld, na die welke nu in de running zijn? Zo ja, wat is de timing? Zo neen, waarom niet?

Kunnen slachtoffers van intrafamiliaal geweld daar dan ook terecht? Ik veronderstel van wel.

Kunt u ook een overzicht geven van waar de slachtoffers van intrafamiliaal geweld nu al terechtkunnen, meer bepaald maar niet uitsluitend wat uw bevoegdheidsdomein betreft?

Frank Vandenbroucke:

Wat u aankaart, mevrouw De Knop, baart mij ook grote zorgen. Daarom financieren we sinds 2023 een uitgebreid programma, Operatie Alert, om de detectie, de begeleiding en de behandeling van slachtoffers van intrafamiliaal en seksueel geweld en vrouwelijke genitale verminking te verbeteren bij het zorgpersoneel en het ondersteunend personeel in ziekenhuizen. In het kader van dit programma worden e-learnings en verschillende hulpmiddelen ontwikkeld. De e-learnings zijn gratis beschikbaar op het platform van de FOD Volksgezondheid en het RIZIV. Op 8 maart vorig jaar hebben we ook een persbericht verspreid over dit opleidingsprogramma en de online tools.

Om huisartsen te ondersteunen hebben we bovendien richtlijnen opgesteld die beschikbaar zijn op de website van de FOD Volksgezondheid, evenals een e-learningscursus met specifieke focus op de zorg voor slachtoffers van intrafamiliaal geweld. Meer informatie over dit uitgebreide programma vindt u op de website operatiealert.be.

Er zijn momenteel 10 zorgcentra na seksueel geweld. Via de wet van 26 april 2024 betreffende deze zorgcentra werd de financiering en de overeenkomst onder de bevoegdheid van het RIZIV geplaatst. Tegen eind 2025 plannen we 13 RIZIV-overeenkomsten af te sluiten met het oog op een startdatum op 1 januari 2026. Er zal één zorgcentrum voor seksueel geweld geselecteerd worden in de volgende parketten van de procureurs des Konings: Antwerpen, Waals-Brabant, Brussel, Charleroi, West-Vlaanderen, Oost-Vlaanderen, Halle-Vilvoorde, Luik, Limburg, Leuven, Luxemburg, Bergen en Namen. Dat betekent dat er in drie parketten een zorgcentrum na seksueel geweld zal worden geopend waar er vandaag nog geen actief is.

Kunnen slachtoffers van intrafamiliaal geweld hier ook terecht? De opvang van slachtoffers van intrafamiliaal geweld is geen expliciete opdracht van de zorgcentra, zoals die is gedefinieerd in de wet van 26 april 2024. Het is echter natuurlijk goed mogelijk dat ook slachtoffers van intrafamiliaal geweld worden opgevangen in een zorgcentrum als er ook sprake is van seksueel geweld.

Als dat niet het geval is, kunnen ze voor de behandeling van hun lichamelijke verwondingen terecht op de spoeddiensten van ziekenhuizen. In het kader van Operatie Alert bieden we modules voor holistische zorg aan, met een adressenlijst per regio om slachtoffers adequaat te verwijzen naar hulpverlening in hun buurt. Voor de overige procedures inzake intrafamiliaal geweld verwijs ik graag naar de bevoegde ministers, met name de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken.

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, het probleem is dat de aanpak van intrafamiliaal geweld bijzonder versnipperd is, zoals veel andere zaken in dit land. Er zijn federale bevoegdheden, Vlaamse bevoegdheden, bevoegdheden van politiezones en gemeenten en dat bevordert geenszins een volledig slachtoffergerichte en mensgerichte aanpak. Daarom lijkt het mij van groot belang dat de federale overheid via preventie en haar coördinerende rol kan bijdragen aan een geïntegreerde aanpak. Die dimensie mis ik een beetje in uw antwoord. Dat is deels toe te schrijven aan de bevoegdheidsverdeling, maar ik vrees dat dat slachtoffers van intrafamiliaal geweld daardoor vaak door de mazen van het net glippen, zoals we overigens ook frequent in de pers kunnen lezen. We zullen deze problematiek dan ook nauwgezet blijven opvolgen en zoeken naar de gepastste oplossingen, voor zover er al oplossingen bestaan voor dergelijke situaties. Ik wil u dan ook oproepen om de acties die u onderneemt op het vlak van preventie verder te intensiveren.

De malaise bij de federale politie en de verantwoordelijkheid van Eric Snoeck
De hoorzitting met Eric Snoeck
De evolutie van de federale politie
De hoorzitting met de commissaris-generaal van de federale politie
Governance, werking en management van de federale politie
Een actieplan met betrekking tot de moslimbroederschap
De registratie van aanhangers van 764 en No Lives Matter in de GGB TER
Georganiseerde politieke terreur tegen het defensiebedrijf OIP in Doornik
Gemaskerde demonstranten
De toevoeging van Samidoun aan de OCAD-lijst
De oproepen tot dodelijk geweld in Brussel
Het OCAD-rapport waarin een link tussen de klimaatbeweging en extremisme wordt vastgesteld
De aanvallen op Syensqo en OIP door extreemlinkse militanten
De dreiging van extremisme bij een deel van de klimaatbeweging
De politieke islam in België
Het Collectif contre l'islamophobie en Belgique
De overheidssubsidies voor het CIIB
De analyse van de dreiging van extreemrechts
Het politieke en religieuze extremisme in België
Politiek en religieus extremisme, governance en uitdagingen binnen de federale politie

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 15 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie onthult een diepe structurele crisis binnen de federale politie, gekenmerkt door toxische werkcultuur, grensoverschrijdend gedrag, pestpraktijken en een disfunctionerend topmanagement, zoals blijkt uit het ontluisterende CORESPO-rapport en talrijke getuigenissen van agenten. Hoewel minister Quintin vertrouwen behoudt in commissaris-generaal Snoeck – ondanks diens ontwijkende houding en gebrek aan transparantie – eisen oppositie en delen van de meerderheid externe doorlichting, strenge sancties en hervorming van de leiding, met name om vertrouwen te herstellen en de parlementaire controle te waarborgen. Budgettaire tekorten (90% naar personeel) en verouderde structuren verergeren de problemen, terwijl een beloofd strategisch plan (september 2025) als cruciale test zal dienen. De kernvraag blijft of Snoeck, ondanks zijn operationele successen (bv. Sky ECC), politiek en moreel houdbaar is gelet op de cultuur van doofpot, relatiesconflicten en minachting voor slachtoffers.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, de malaise bij de federale politie is intussen geen nieuws meer. De berichten die mijn collega's en ikzelf hebben ontvangen, maken duidelijk dat die heel verontrustende proporties aanneemt.

Het een en ander is onder de publieke aandacht gekomen, toen het CORESPO-rapport bijna stoemelings openbaar werd gemaakt, waarna de grootste politievakbond, het VSOA, de kat de bel aanbond. Dat rapport, dat het intern gedrag en de cultuur bij de federale politiediensten onder de loep nam, is ontluisterend en roept heel veel vragen op over de sfeer bij de federale politie.

De conclusie is - en ik meen dat we het daar over alle partijgrenzen heen eens kunnen zijn - dat er een structureel probleem is van een toxische werkcultuur, grensoverschrijdend gedrag, pestgedrag en een totaal gebrek aan vertrouwen in de top van de organisatie. Ik verwijs naar getuigenissen die in de pers zijn verschenen en die ik ook persoonlijk heb ontvangen. Ze tarten werkelijk alle verbeelding.

Ik zal niet alles opsommen, want dat zou ons te ver leiden, maar ik wil er toch een viertal citeren. Een getuigenis luidt als volgt: "Mijn 13-jarige carrière bij de federale politie is er vooral een van pesterijen, toxisch leiderschap, vrouwonvriendelijke opmerkingen en nul communicatie." Een andere getuigenis luidt: "Een collega had mij en anderen jarenlang heimelijk gefilmd en gefotografeerd tijdens het omkleden op de werkvloer. De dader is gewoon terug aan het werk binnen dezelfde dienst, zonder enige zichtbare gevolgen. Tot op vandaag word ik bovendien nog steeds gestalkt en belaagd door deze collega."

Ik citeer een andere klokkenluider: "De top van de federale politie steekt meldingen van grensoverschrijdend gedrag in de doofpot, een doofpotcultuur". Of nog: "Mensen vallen uit of lopen weg naar andere diensten, ze worden depressief en sommigen zelfs suïcidaal. Onderzoeken naar daders zijn er amper en de sancties zijn beperkt".

Mijnheer de minister, één klacht kunt u nog wegzetten, dat gebeurt overal wel eens. Twee klachten echter zouden toch enkele alarmbellen moeten doen afgaan. Als er tientallen klachten zijn, zoals hier het geval is, dan moet er worden ingegrepen. Dat is ook de reden waarom ik en een aantal collega’s uit de oppositie en de meerderheid u hierover ondervragen.

Er zijn niet alleen getuigenissen van de malaise, er zijn ook inhoudelijke problemen. Minder dan een op de tien agenten vertrouwt erop dat moeilijke thema’s correct worden aangepakt, zo blijkt uit het CORESPO-rapport. Een andere problematiek is de erbarmelijke staat van sommige gebouwen. Volgens de vakbond grenst de verwaarlozing van de kazerne van Etterbeek aan minachting. Het zou trouwens misschien geen slecht idee zijn om met de Commissie voor Binnenlandse Zaken een plaatsbezoek te brengen, zodat we dat met eigen ogen kunnen vaststellen. Iets lezen is immers nog iets anders dan het daadwerkelijk ervaren.

Nog hallucinanter in het hele verhaal is de houding van de leidinggevenden, in het bijzonder van commissaris-generaal Snoeck. Niet alleen blijkt uit meerdere getuigenissen dat de top de cultuurproblemen jarenlang heeft genegeerd of geminimaliseerd, terwijl de heer Snoeck zelf hoofd was van de betrokken dienst DGJ, maar bovendien weigerde de heer Snoeck in eerste instantie verantwoording af te leggen tegenover het Parlement.

Intussen hebben we de heer Snoeck in onze commissie wel kunnen horen, maar op de vele pertinente vragen van bijna alle fracties kwam er eigenlijk geen afdoend antwoord. Daarom hebben we de commissaris-generaal verzocht om schriftelijk te antwoorden. Met de commissie hebben we ook besloten om de heer Snoeck in september opnieuw voor een hoorzitting uit te nodigen.

Mijnheer de minister, wanneer parlementsleden, vertegenwoordigers van het volk, vragen stellen over ernstige wantoestanden bij een cruciale staatsinstelling als de politie, vind ik het absoluut onaanvaardbaar dat de hoogste ambtenaar van die organisatie zich ontwijkend opstelt. Ik druk mij dan nog eufemistisch uit. Dat ondermijnt de democratische controle en voedt vooral het wantrouwen van zowel de bevolking als van het personeel op het terrein.

Mijnheer de minister, tot nu toe was uw houding er een waarbij u aan de heer Snoeck de kans liet om een en ander toe te lichten. U antwoordde reeds in het Parlement, in de plenaire vergadering, dat u zelfs het vertrouwen in de heer Snoeck behoudt. Maar kunt u na al die onthullingen en na de hoorzitting met de heer Snoeck die stelling nog altijd handhaven? Ik hoop dat er vandaag ook van uw zijde enige politieke moed is om in te grijpen, waar het echt nodig is.

Waarom werden de klokkenluiders en de vele getuigenissen genegeerd? Waarom werd een deel van de top in bescherming genomen? Wie beschermt dan de politiemensen, die zich elke dag met veel moed voor onze veiligheid inzetten, terwijl zij op de werkvloer blijkbaar het slachtoffer van een dysfunctionele leiding zijn?

Niet ingrijpen, mijnheer de minister, zou volgens mij getuigen van een zekere minachting tegenover de vele politieagenten. Daarom stel ik u onomwonden de volgende zeer concrete en pertinente vragen.

Ten eerste, wat is uw reactie op de inhoud van het CORESPO-rapport? Onderschrijft u die vaststellingen, en zo ja, welke concrete maatregelen hebt u genomen sinds de publicatie of ontvangst van het rapport? Uiteraard dateert het rapport niet van deze legislatuur, het sleept al enkele jaren aan, al sinds de periode waarin minister Verlinden verantwoordelijk was voor de politie.

Ten tweede, bent u op de hoogte van de getuigenissen en signalen over grensoverschrijdend gedrag, intimidatie en pestgedrag binnen de federale politie, specifiek op topniveau? En wat werd daarmee gedaan?

Ten derde, waarom blijft de heer Snoeck in zijn functie als commissaris-generaal? Acht u het verdedigbaar dat iemand die zich structureel onttrekt aan parlementaire controle en onder wiens leiding zulke wantoestanden zijn toegenomen, in functie blijft?

Ten vierde, hebt u de heer Snoeck intussen aangesproken op zijn weigering om openheid van zaken te geven aan het Parlement? Zo ja, wat was desgevallend zijn antwoord? Ik wil daaraan toevoegen, mijnheer de minister, dat we volledige transparantie hebben gevraagd en ook alle documenten hebben opgevraagd. Tot nu toe is dat nog altijd niet gebeurd. Namens de commissie hebben we opnieuw de vraag gericht aan de commissaris-generaal om dit in orde te brengen.

Ten slotte, mijnheer de minister, bent u bereid uw vertrouwen in de commissaris-generaal te herzien? Waarom blijft u deze man de hand boven het hoofd houden?

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, ik zal niet alles herhalen, maar ik was nogal verwonderd over het zeer algemeen antwoord dat de heer Snoeck gaf tijdens zijn hoorzitting in de Kamer. Op veel van de vragen die ik heb gesteld, heeft hij niet eens geantwoord. We hebben afgesproken dat hij schriftelijk antwoorden zou nasturen. Die hebben we ondertussen ontvangen, maar ook die antwoorden blinken echt uit in vaagheid. Ik kan daar heel weinig mee.

Als nieuwkomer in het Parlement loop ik daarmee een beetje vast. Dat ik nieuwkomer ben, mag ik voorlopig nog zeggen, want ik zit hier nog maar bijna een jaar, maar daarna zal ik stoppen met dat excuus. Ik vind het erg moeilijk, omdat ik het rapport heb, met daarnaast een hele reeks verklaringen van politieambtenaren die dat rapport eigenlijk bevestigen, maar daartegenover staat de uitleg van de heer Snoeck, zowel tijdens de hoorzitting als in zijn schriftelijke antwoorden. Daar zit echt een groot verschil tussen. Het lijken twee parallelle universums. Ik vind het moeilijk om in te schatten wat daarvan klopt.

In ieder geval was het antwoord van de heer Snoeck op één punt wel duidelijk. Hij gaf aan dat het bij hen toch niet erger is dan elders. Dat vond ik een merkwaardige uitleg, maar goed. Hij gaf ook aan dat ze helemaal niet in een crisis zitten en dat het is tijd om de bladzijde om te slaan. Dat vond ik een vreemde reactie.

Mijnheer de minister, bent u het eens met die lezing, namelijk dat nu het rapport er is en verbeteracties zijn uitgevaardigd, we weer kunnen overgaan tot de orde van de dag? Deelt u de analyse dat geremedieerd is aan alles wat in het rapport staat? Zo niet, wat moet er nog gebeuren?

Een specifiek punt zijn de relaties tussen de leidinggevenden. In zijn antwoord zegt de heer Snoeck dat dat allemaal privéaangelegenheden zijn en dat men daarover dus eigenlijk niets kan zeggen. Dat is best mogelijk, maar de signalen die wij uit het veld ontvangen, wijzen erop dat door de relaties binnen het leidinggevend kader een aantal procedures niet meer functioneren. Een klacht tegen een leidinggevende moet bijvoorbeeld ingediend worden bij de partner van diezelfde leidinggevende.

Het gaat niet om een of twee gevallen, maar een tiental, en in zulke gevallen is er natuurlijk wel een probleem. In dat opzicht is het immers wel fundamenteel om van die relaties op de hoogte te zijn. Kunt u daarin enige klaarheid scheppen?

Éric Thiébaut:

Effectivement, monsieur le ministre, nous avons entendu, le 17 juin dernier, le commissaire général. En fait, il avait été invité à venir exposer sa vision de la police fédérale. C'était au départ la raison pour laquelle on l'avait invité devant cette commission; Moi, j'étais content. Comme vous le savez, je siège ici depuis longtemps et c'est plutôt assez rare. J'ai connu beaucoup de commissaires généraux, hommes et femmes. Habituellement, nous rencontrons beaucoup de difficultés pour nous assurer de leur présence.

Cela dit, nous avons entendu M. Snoeck. Ce n'est pas un inconnu pour la commission de l'Intérieur. En effet, lorsqu'il était patron de la police judiciaire fédérale, il est quand même venu, à l'époque, en compagnie des plus hauts magistrats du pays, nous expliquer la problématique que le monde policier rencontrait par rapport à la montée de la criminalité, par rapport à la criminalité violente liée à la drogue qui se développait dans notre pays. Ils sont venus avec un appel à l'aide très clair auquel, je pense, nous avons répondu.

Au départ, c'est quand même la tête pensante de l'opération Sky ECC, qui est peut-être la plus grosse opération policière de ce pays, ayant livré des résultats exceptionnels. Je pense que les qualités de M. Snoeck sont apparues à ce moment-là. Je pense que ce sont les résultats qu'il a obtenus dans le cadre de cette opération très spectaculaire qui l'ont propulsé à la tête de notre police fédérale. C'est ainsi qu'il découvre une police fédérale qui faisait face à de sérieux dysfonctionnements, avec des réformes à entamer au niveau de la structure, de l'organisation.

Vous savez, quand on bouscule des habitudes, quand on change des systèmes, en interne, il y a toujours, bizarrement, des gens qui n'aiment pas cela. Pour donner un exemple, quand vous désignez une personne mais qu'un affilié d'un syndicat aurait bien voulu être désigné à cette place, parfois le syndicat réagit pour attaquer la direction. Et du coup, cela devient un dysfonctionnement général, des dizaines de personnes se plaignent du commissaire général.

Or, lorsqu'un un problème de gestion du personnel se pose, en général, les syndicats réagissent. Vous allez me dire: "Ah, il y a une réaction syndicale". Pas de la CGSP, pas de la CSC, pas non plus du syndicat national de police! On a juste eu une réaction hyper violente de l'aile flamande du SLFP, comme par hasard. Et les autres syndicats ne réagissent pas. Moi, cela m'interpelle quand même. S'il y avait une grosse catastrophe au niveau de la gestion du personnel, je pense que tous les syndicats réagiraient.

Et donc, M. Snoek est venu s'expliquer. Il a reçu des questions assez virulentes et, quelque part, je trouve personnellement qu'il est resté très calme par rapport à la virulence de certains collègues ici, notamment par rapport à la mise en doute de son intégrité. Je trouvais que c'était vraiment déplacé.

Il n'a pas répondu directement à toutes les questions, notamment du fait qu'on lui a laissé pratiquement une demi-heure de temps de parole. Nous étions pris par le temps et nous devions arrêter. J'ai, dès lors, proposé – souvenez-vous, chers collègues – qu'il nous envoie toutes ses réponses par écrit. Et nous avons reçu une note de quand même 60 pages avec tous les éclaircissements.

Il est attaqué entre autres sur le fait qu'il n'a pas pris la voiture qu'on lui suggérait au départ. Il explique qu'en sa qualité de responsable de l'opération Sky ECC, qui a impliqué des centaines de truands, dont les plus dangereux du pays, il bénéficie d'un statut de protection à respecter notamment en ce qui concerne la voiture dont il dispose, une voiture avec un niveau de protection plus important que ce qu'on lui proposait et aussi avec une puissance de moteur qui permet de s'enfuir. Je ne pense pas que M. Snoek a choisi une voiture parce qu'il a un goût du luxe démesuré. C'est mon avis.

Finalement, j'ai le sentiment que nous assistons ici à une espèce de chasse à l'homme tout à coup et que toute une série d'acteurs lui mettent des peaux de bananes, alors que M. Snoek, votre commissaire général, a surtout besoin de soutien pour mener les réformes nécessaires au niveau de la police fédérale et pour continuer la lutte tout aussi nécessaire contre le crime organisé dans ce pays, fait quand même assez interpellant depuis des années.

Je ne m'étendrai pas davantage. Je trouve quand même que toutes ces attaques sont un peu déplacées et cela me laisse un goût bizarre quand je vois d'où elles surgissent, de quels partis et de quelle partie du pays. J'espère que le plus gros problème de M. Snoek, ce n'est pas qu'il soit francophone, en l'occurrence. En effet, si on commence à avoir des soucis avec cela, alors, notre pays est vraiment dans un très, très mauvais état.

Paul Van Tigchelt:

Mijnheer de minister, de federale politie is mij dierbaar. Het is dan ook goed dat we een actualiteitsdebat organiseren, al weet ik niet of de federale politie voor iedereen in dit parlement even dierbaar is, want ik vind het vreemd dat regeringspartij N-VA in dit debat afwezig blijft.

Net omdat de federale politie mij dierbaar is, moeten we de eventuele problemen aanpakken. Dat dient te gebeuren op het niveau van de commissaris-generaal. Die moet zijn verantwoordelijkheid opnemen, samen met het DirCom en de collega’s van de lokale politie.

U, als minister van Binnenlandse Zaken, en de regering dragen daarin ook verantwoordelijkheid. Het is voor mij van belang – en ik spreek ook vanuit het verleden – dat we problemen bij de federale politie niet laten aanslepen. In alle eerlijkheid denk ik dat dat in het verleden te vaak is gebeurd.

Ten tweede vind ik het belangrijk – en daarin sluit ik mij aan bij de woorden van mijnheer Thiébaut– dat we voorzichtig zijn met intentieprocessen en niet alles op een hoop gooien. Als ik de voorzitter in zijn hoedanigheid van parlementslid hoor zeggen dat de positie van mijnheer Snoeck onhoudbaar is en vraagt of men hem nog kan verdedigen, dan moeten we toch voorzichtig zijn. Ook wij als parlementsleden dragen immers verantwoordelijkheid, en we mogen de problemen niet groter maken dan ze zijn. We moeten ze daarentegen helpen oplossen vanuit deze commissie. Nu al een proces opstarten over de houdbaarheid van de positie van mijnheer Snoeck, vind ik dan ook heel erg prematuur.

Ik ben het dus eens met collega Thiébaut dat we geen chasse à l’homme mogen organiseren, maar tegelijk moeten er wel antwoorden komen, als er gelegitimeerde vragen zijn. Ik verwijs bijvoorbeeld naar het verhaal van de BMW. We hebben het antwoord van de commissaris-generaal daarover gelezen.

Het is belangrijk, mijnheer de minister, dat we ook uw standpunt daarover horen. Hoe reageert u als minister van Binnenlandse Zaken op de hoorzitting en op de inhoud van de brief? Welke conclusies trekt u daaruit?

Mijnheer Snoeck sprak tijdens de hoorzitting over een strategisch plan, dat hij tegen de zomer – dus ongeveer nu – zou indienen. Is dat strategisch plan afgestemd op de budgettaire afspraken die werden gemaakt in het kader van het paasakkoord? Dat akkoord bepaalt dat 35 % van de voorziene 250 miljoen naar de federale politie gaat. In totaal gaat het dus om 87,5 miljoen euro via frontloading. Is het plan daarop afgestemd? Of is dat plan strategischer van niveau? Dat kan natuurlijk ook.

Ten derde, als we het hebben over budgetten, is een van de grootste structurele problemen bij de federale politie sinds haar ontstaan, dat er te veel budget naar het personeel gaat. Bijna 90 %, meer dan 85 %, gaat naar het personeel, waardoor er geen of nauwelijks middelen overblijven voor de werking, laat staan voor investeringen. Dat is volgens mij een van de kernelementen om de problemen bij de federale politie aan te pakken. Hoe bekijkt u dat, mijnheer de minister?

Catherine Delcourt:

Monsieur le ministre, le 17 juin dernier, lors de l'audition du commissaire général, de nombreuses questions, parfois très virulentes, ont été adressées quant aux pratiques existant au sein du commissariat général. Poser des questions est normal. Il importe de pouvoir le faire, et que le commissaire général et vous, monsieur le ministre, puissiez nous éclairer sur la situation.

Le format qui était proposé n'a pas permis au commissaire général de répondre à toutes les questions. Nous avons donc accepté que les réponses nous parviennent par voie écrite. Certaines nous éclairent tandis que d'autres nous interpellent encore.

Comme vous le savez, la confiance dans la direction générale, et plus particulièrement dans le commissaire général, fait l'objet de critiques. J'ignore si elles sont fondées, mais vous pourrez certainement nous fournir des éclaircissements.

Des témoignages font état d'un climat de méfiance – généralisé ou pas? –, de relations hiérarchiques parfois malsaines, de comportements transgressifs, d'une gouvernance déficiente. Ces mots sont très durs pour une haute fonction de l'État.

À côté de cela, la situation financière de la police fédérale conserve des zones de flou, malgré la mise en place d'une cellule budgétaire. Il y a des chiffres contradictoires sur l'évolution budgétaire et sur les moyens réels disponibles. Aucun tableau d'ensemble clair ne nous est présenté.

En ce qui concerne la réforme interne menée par le commissaire général, la multiplication des services et des effectifs, ainsi que l'orientation et la cohérence de cette réorganisation soulèvent encore des questions. À titre d'exemple, l'arrêté royal du 27 octobre 2015 prévoit 74 collaborateurs pour le commissaire général. Dans les faits, ce nombre est dépassé de 60 personnes, avec un effectif total de 134 personnes.

Monsieur le ministre, le commissaire général n'avait pas pu répondre à l'ensemble de nos questions. Avez-vous pris connaissance des réponses écrites? Quelle est votre opinion globale sur les réponses formulées?

Pouvez-vous nous éclairer sur la situation financière actuelle de la police fédérale? Comment le budget et les effectifs ont-ils évolué au cours des dix dernières années? Quelles décisions stratégiques ont-elles été prises sur cette base?

Comment justifiez-vous l'augmentation substantielle des effectifs au sein du commissariat général au-delà des limites prévues par l'arrêté royal? Sur quelle base budgétaire cela repose-t-il? Quelle capacité est-elle nécessaire pour chacune des missions du commissaire général?

J'imagine que vous êtes bien informé des témoignages de harcèlement, de favoritisme, de leadership toxique et de gestion RH problématique. Partagez-vous cette position ou de quelle manière pouvez-vous la nuancer ou la contredire?

Quelles leçons globales tirez-vous de la situation actuelle? Quelles mesures comptez-vous prendre pour garantir et maintenir un climat de confiance au sein de la police fédérale? Cela semble tout à fait essentiel.

Greet Daems:

Mijnheer de minister, de federale politie is een belangrijke dienst die mee waakt over de veiligheid van de burgers in ons land. Seksisme, misogynie , racisme, pesten op het werk, en machtsmisbruik door leidinggevenden horen gewoon niet thuis in zo'n dienst. Voor alle duidelijkheid, ze horen nergens thuis. Als zulke zaken voorkomen bij de politie is dat niet alleen ernstig voor de medewerkers, want zo'n werksfeer zorgt voor persoonlijke drama's, maar het is ook ernstig voor de burgers.

Uit het antwoord van de commissaris-generaal blijkt dat er ondertussen bij de federale politie wel actie wordt ondernomen om het wangedrag aan te pakken. Ik las over de implementatie van de klokkenluiderswetgeving en over de invoering van een meldkanaal, over extra capaciteit op de dienst Integriteitbevordering en -bewaking en over de uitbouw van het netwerk van vertrouwenspersonen voor psychosociale aspecten. Dat zijn allemaal noodzakelijke stappen, maar die zijn duidelijk nog lang niet genoeg, gelet op de ernst van het probleem. Ik meen dat er nog veel meer moet gebeuren.

Tegelijkertijd viel op dat er in het antwoord van de heer Snoeck wordt verwezen naar structurele tekorten. Er is te weinig personeel, er zijn te weinig middelen, er zijn te veel dossiers die tegelijkertijd aangepakt moeten worden. Kortom, de problemen worden wel erkend, maar ze worden vertraagd aangepakt, onder meer omdat de ruimte ontbreekt.

Dat roept vragen op. Als we echt een veilige en integere politie willen, voor alle medewerkers en voor de samenleving, moeten we ook durven kijken naar de financiële onderbouw. Ik ben dus heel benieuwd hoe u kijkt naar het antwoord dat ons werd bezorgd door de heer Snoeck en wat u vindt van zijn analyse dat een chronisch tekort aan middelen en personeel bij de federale politie de uitvoering van beleid, de interne werking en het personeelsbeleid ondermijnt.

Xavier Dubois:

Monsieur le ministre, je suis assez étonné, même un peu heurté, des propos qui ont été tenus en début de séance. Insinuer que le commissaire se soustrait au contrôle parlementaire m'évoque une sorte de chasse aux sorcières, Je ne peux pas l'accepter, je ne peux pas l'entendre.

On l'a entendu. S'il n'a pas effectivement répondu à toutes les questions mais nous avions convenu, sur proposition du collègue, que les réponses soient données par écrit à ces questions auxquelles il n'avait pas eu le temps de répondre. C'est le cas. Le commissaire nous a envoyé ses réponses et nous sommes en train de les analyser. Nous avons également convenu entre nous de l'entendre à nouveau à la rentrée, notamment à la suite de son dépôt de plan stratégique. Il s'agit d'un projet crucial pour la police qui nécessite une réorganisation, une vision nouvelle, en phase avec les priorités données par le nouveau gouvernement, qui, je le rappelle, est en place depuis le mois de février maintenant.

Je pense qu'on doit aussi laisser le temps aux services de pouvoir prendre connaissance des annotations, des stratégies qui sont souhaitées par le gouvernement et de pouvoir les implémenter par la suite.

En ce qui me concerne, je reste sur le schéma convenu. Nous entendrons de nouveau le commissaire, ce sera l'occasion de lui reposer des questions, d'approfondir non seulement les dossiers évoqués, mais également ce rapport, d'autres rapports, et, bien entendu, toutes les priorités importantes pour le bien-être des policiers et de la population.

Ma question, monsieur le ministre, est assez simple: quel est votre avis quant aux origines du malaise qui sont évoquées dans ce rapport? Quelles sont les politiques que vous souhaitez mener, parce que cela relève aussi, finalement, de votre responsabilité? Car le commissaire met en œuvre la politique du gouvernement, mais il y a surtout un gouvernement qui donne les orientations, qui définit les actions à mettre en place. Quelles sont donc vos propositions pour faire en sorte de retrouver un climat serein au sein de la police? Ce climat serein participe, je le rappelle, au bien-être des agents, mais aussi, bien entendu, au bien-être et à la sécurité de la population. Enfin, j'ai entendu que le commissaire était germanophone. En tout cas, il n'est pas néerlandophone.

Bernard Quintin:

Monsieur le président, malheureusement, mon niveau d'allemand étant ce qu'il est, je ne veux pas me faire attraper parce que j'écorcherais la belle langue de Goethe.

Mijnheer de voorzitter, dames en heren volksvertegenwoordigers van de natie, tijdens de hoorzitting van 17 juni hebt u een uitgebreide reeks vragen voorgelegd aan de commissaris-generaal van de federale politie. Hij kreeg de gelegenheid om tijdens de vergadering antwoorden te formuleren. Het debat kon echter niet worden afgerond. Volgens verschillende commissieleden bleven bepaalde vragen onvoldoende beantwoord. Daarom werd de commissaris-generaal verzocht om uiterlijk op 7 juli bijkomend schriftelijke antwoorden te bezorgen. Dat is inmiddels ook gebeurd, in een uitvoerig document met verschillende bijlagen.

J’ai pris connaissance, a posteriori , des réponses du commissaire général. Il n’y avait en effet pas de raison que je les valide. Vous lui avez posé des questions, il vous a répondu. J’ai bien reçu les réponses qu’il vous a transmises. Sont-elles satisfaisantes? Ce sont des réponses que le commissaire général adresse au Parlement. Il ne revient pas, vous en conviendrez, au ministre de l’Intérieur de se prononcer sur leur caractère satisfaisant ou non.

Le commissaire général reviendra vous voir courant septembre pour poursuivre ce qui doit rester, en effet, une audition dans les formes – des formes, je dirais, tant structurelles que de courtoisie – afin de répondre à vos questions.

Een aantal commissieleden hebben mij ondertussen ook een reeks vragen gesteld, waarop ik vandaag globaal zal antwoorden in de vorm van vier verschillende onderdelen. Binnen de mij toegewezen tijd kan ik niet op elke vraag in detail ingaan.

J’aborderai le bien-être des collaborateurs, la situation financière de la police fédérale, le plan stratégique pour la police fédérale ainsi que la sélection, le recrutement et la formation.

Messieurs Depoortere, Thiébaut et Vandemaele, madame Delcourt, vous avez posé des questions concernant d'éventuelles atteintes à l'intégrité, la procédure CORESPO, l’enquête IDEWE et ma confiance dans la direction de la police fédérale. Je relèverai trois thèmes en matière de bien-être.

Tout d'abord, pour parler de plusieurs atteintes à l'intégrité potentiellement graves, je condamne par principe et fermement toute forme de comportement discriminatoire et inapproprié, le harcèlement et/ou un leadership inapproprié voire toxique. Il incombe à la hiérarchie de garantir un environnement de travail sûr et intègre pour tous les collaborateurs et toutes les collaboratrices. Je ne suis pas au courant de dossiers individuels et je n'ai pas à l'être. Je reste cependant convaincu que tous les signalements effectués via les canaux prévus à cet effet doivent être traités de manière appropriée.

Le commissaire général a récemment lancé un audit interne à ce sujet. S'il s'agit d'infractions pénales, il appartient au parquet d'agir. Les dossiers disciplinaires sont soumis à la réglementation disciplinaire en vigueur. Je découvre encore ce domaine, mais je peux vous dire que les procédures sont suivies et que tous les mécanismes que l'on est en droit d'attendre de la part d'un grand corps comme celui de la police fédérale sont en place et fonctionnent.

Je tiens également à souligner l'existence de canaux de signalement formels pour les atteintes à l'intégrité, conformément à la législation relative aux lanceurs d'alerte, tant en interne qu'en externe ou par voie de publication.

Niemand kan verplicht worden om een melding te doen bij een vertrouwenspersoon, ongeacht een eventuele persoonlijke band. Integendeel, elke schijn van partijdigheid moet net worden vermeden.

Ten tweede: het lopend CORESPO-traject heeft als doel, conform het model voor Governance, Riskmanagement en Compliance, cultuur- en risicodetectie uit te voeren. CORESPO brengt mogelijke ethische risicozones in kaart, zowel op het niveau van de organisatie als van haar verschillende geledingen. Daarbij zijn zeker werkpunten vastgesteld, vooreerst met betrekking tot de geïdentificeerde integriteitsrisico’s, daarnaast wat betreft het volledige procesverloop, de interne terugkoppeling en de communicatie.

Dat gezegd zijnde, het komt er nu op aan om de vastgestelde risico’s te beheren en het ethisch handelen en de conformiteit ervan te waarborgen. Het moet gebeuren aan de hand van gerichte acties. Voor de DGJ kan ik u alvast meedelen dat het eindrapport Respect DGJ in april 2025 aan de vakorganisaties is voorgelegd en dat het concrete actieplan in juni 2025 is gepresenteerd. Ik heb er vertrouwen in dat de uitwerking en opvolging via de geijkte kanalen zal verlopen. Ik zal dat blijven opvolgen.

Ten derde: de IDEWE-onderzoeken van 2019 en 2024 hebben een heel andere finaliteit en beleidskader dan CORESPO. IDEWE opereert immers binnen het wettelijk kader inzake welzijn op het werk en hanteert een andere methodologie en doelgroep. IDEWE meet indicatoren van welzijn en psychosociale belasting, terwijl CORESPO een intern instrument is voor cultuur- en risicodetectie dat meer focust op leiderschap, conflictdynamiek, perceptie van rechtvaardigheid en interpersoonlijke dilemma’s.

De resultaten van het IDEWE-onderzoek van 2024, gevalideerd in de overlegorganen met de vakorganisaties, tonen: een algemene verbetering van de welzijnsindicatoren, een stabilisatie van ongewenst gedrag, betere interpersoonlijke relaties en een daling van signalen van psychosociaal onbehagen. Beide instrumenten, CORESPO en IDEWE, vullen elkaar dus aan, maar mogen niet met elkaar worden verward of rechtstreeks naast elkaar worden gelegd.

Vous m’avez également interrogé sur la confiance que j’ai dans la direction de la police fédérale. Un ministre de la Sécurité et de l’Intérieur doit pouvoir avoir confiance en sa police. Et je peux vous dire que j’ai cette confiance, mais elle n’est pas aveugle. Elle est fondée sur les démarches que la direction entreprend et entreprendra, sur sa volonté de dialogue et sur son engagement à améliorer structurellement le fonctionnement de l’organisation de la police fédérale. C’est une mission quotidienne, qui n’est ni simple ni facile. Des comptes doivent être rendus tant au sein de l’organisation qu’à l’extérieur de celle-ci, tout comme d’ailleurs devant ce Parlement. Nous savons qu’il existe des points sensibles et des points à améliorer. Et nous devons aussi faire confiance à la direction de la police pour s’y atteler avec la détermination nécessaire.

J’en profite pour faire une incise sur les questions de sécurité. Je vous avoue que je ne me suis pas penché sur la question de la marque de la voiture à choisir. La sécurité est un sujet important que nous devons laisser aux services de sécurité – et c’est quelqu’un qui a vécu trois ans entouré de gardes de corps au quotidien qui vous le dit.

Mme Delcourt, messieurs Van Tigchelt et Thiébaut et Mme Daems, vous m'avez posé des questions sur la situation budgétaire de la police.

Ik vertel niets nieuws als ik zeg dat de situatie bij mijn aantreden als minister toch wel verrassend was.

Près de 89 % des moyens sont absorbés par les dépenses en personnel, ce qui limite évidemment fortement les marges pour investir dans les infrastructures, les véhicules, l'équipement et les outils numériques.

Dat moet veranderen. De personeelsmiddelen terugbrengen naar 85 % is een goede ambitie.

L'utilisation de la provision "sécurité", dont on a parlé, permettra notamment d'améliorer le ratio des crédits. Ceux-ci seront utilisés aussi pour couvrir une partie des moyens nécessaires dans le cadre de la réforme en cours, menée par le commissaire général. Certains projets ont déjà retenu mon attention et feront l'objet d'une utilisation cette année, tels que l'investissement dans le matériel de la DSU, le renouvellement de la flotte de véhicules ou encore l'acquisition de matériel informatique.

Donc il y a des carences, c'est une évidence. Comme j'ai déjà eu l'occasion de le dire, dans la situation budgétaire difficile que nous connaissons et qui impose des mesures sévères mais nécessaires, j'ai la chance de pouvoir diriger deux départements, l'Intérieur, globalement exempt d'économies, et la police fédérale, totalement exempte d'économies – et même dotée d'un budget supplémentaire de 450 millions. J'ai même réussi, par une petite pirouette, à récupérer 45 millions de plus pour ce budget.

Ces moyens seront consacrés à mettre la police au goût du XXIe siècle, à la fois dans les moyens dont elle dispose mais aussi dans l'adéquation de ses moyens avec la réalité de la criminalité qui est la nôtre aujourd'hui et qui n'est pas celle d'il y a 25 ans, quand la police intégrée à deux niveaux a été créée dans le cadre de la grande réforme de la police dans notre pays. C'est une tâche qui m'occupe jour et nuit – littéralement – vu l'heure à laquelle on termine les kern pour le moment.

In mijn derde punt kom ik tot de vragen over het strategisch plan voor de federale politie. Op vraag van de minister van Justitie, mevrouw Verlinden, en mijzelf, wordt door de commissaris-generaal en het directiecomité de laatste hand gelegd aan een ontwerp van strategisch plan. Dat is een noodzakelijk initiatief voor de goede werking en coördinatie van een beter gemanagede en meer performante federale politie.

Ik verwijs opnieuw naar de begroting. U weet hoe dat werkt. Ik moet u zeggen dat ik echt verbaasd was toen ik zag dat bijna elk departement zijn eigen budget heeft. Het is bijna onmogelijk om budgetten te transfereren.

C'est vraiment une organisation archaïque, sans parler de la difficulté pour les autorités de la police fédérale de faire des transferts, parfois même de deux personnes d'un service à l'autre, sans devoir se lancer dans des concertations tout à fait impossibles. Il faut aussi pouvoir reconnaître que l'organisation qui a été mise en place au fur à mesure des années ne facilite pas la flexibilité, qui est absolument fondamentale pour un service comme celui de la police fédérale.

Je vous assure que c'est une chose à laquelle j'ai l'intention de remédier. J'insiste un peu parce que je pense que j'aurai besoin de l'appui de cette Chambre et certainement de cette commission pour pouvoir le faire.

Ik kom terug tot het plan. We rekenen erop dat plan te finaliseren en goed te keuren in september 2025.

Het doel van het plan is een duidelijke en ambitieuze visie uit te tekenen voor de ontwikkeling op middellange termijn. Vier thema's zullen aan bod komen, ten eerste, de visie van de federale politie tegen 2030, ten tweede, de uitoefening van de sleutelopdrachten met concrete doelstellingen om de kwaliteit en de impact van de diensten te verbeteren, ten derde, de verbetering van de interne werking, en ten vier, het voorzien in de nodige middelen en de nodige capaciteit.

De ontwikkeling van dat strategisch plan ligt in het verlengde van de opdracht die de commissaris-generaal kreeg bij zijn aanstelling al commissaris-generaal ad interim, met name de continuïteit verzekeren en het management versterken, en de toekomst van de federale politie voorbereiden.

Ik vertrouw erop dat een dergelijk strategisch plan de solide basis kan vormen voor een rationalisering, en vooral de veiligheid van de burger zal dienen.

Het vierde punt gaat over de selectie en de rekrutering.

Pour répondre à Mme Delcourt et à M. Thiébaut, travailler sur de nouveaux engagements est essentiel et la police doit être un employeur moderne et attractif. Et là, on touche à deux points absolument fondamentaux. Il y a un déficit global de 15 % au niveau de la police fédérale, mais avec parfois des déficits beaucoup plus importants dans un certain nombre d'unités. C'est un vrai problème.

Comme j'ai eu l'occasion de le dire à plusieurs reprises, il y a aussi le fait que la police fédérale fonctionne dans le monde d'aujourd'hui. Et dans le monde d'aujourd'hui, recruter des policiers est beaucoup plus difficile au regard de la manière dont le rapport au travail est envisagé. Je n'ai pas de jugement de valeur par rapport à cela; c'est une réalité dans laquelle nous vivons. Mais on est confronté à cette réalité par rapport à un métier de police qui a un certain nombre d'exigences.

J'accorde une grande importance à la recherche de candidats via par exemple des viviers ciblés, à la sélection de ces mêmes candidats, à l'engagement des lauréats et à leur formation. Depuis septembre 2021, une nouvelle procédure de sélection et de recrutement est mise en œuvre. Ses principaux objectifs sont notamment de réduire le délai de sélection à 90 jours – ce que je compte mettre en application extrêmement rapidement – et, compte tenu du marché du travail concurrentiel, d'attirer et fidéliser non seulement des profils généraux mais aussi des profils spécialisés, tels que des experts financiers et des spécialistes de la cybercriminalité pour n'en citer que deux, au moyen de parcours de carrière adaptés.

L'évaluation de cette procédure est toujours en cours mais certains points d'amélioration sont déjà clairs, tels que la nécessité d'une meilleure coordination entre la mobilité interne et le recrutement externe ainsi qu'un besoin d'appui numérique renforcé. Un plan d'action sera élaboré à court terme.

Le plan de personnel "flexible", c'est le mot magique, vise à introduire davantage de souplesse par rapport au tableau organique strict actuellement en vigueur, tel que fixé par l'arrêté royal du 27 octobre 2015. L'objectif est de permettre à la police fédérale d'adapter plus dynamiquement ses effectifs en fonction des besoins, des priorités et des moyens disponibles.

Grâce à un plan stratégique pluriannuel aligné sur les objectifs de l'accord de gouvernement fédéral, le plan de personnel flexible doit créer plus de marge de manœuvre en matière de gestion des ressources humaines. J'attends à cet égard les propositions concrètes de la police fédérale.

La modernisation de la formation policière est un processus de réforme stratégique qui fait partie des engagements pris dans l'accord de gouvernement fédéral. Je souhaite même aller plus loin et aborder non seulement l'enseignement policier mais aussi les formations axées sur la sécurité (protection civile, pompiers, sécurité privée) dans la globalité.

Je crois que j'ai déjà eu l'occasion de dire que je compte organiser au dernier trimestre de cette année une grande table ronde ou un pow-wow – je n'ai pas encore défini précisément le mot – sur l'attractivité de la fonction de police. On doit travailler sur le recrutement, sur la formation, sur la formation continue de notre police et sur ses plans de carrière.

Ce n'est pas simple mais je pense que c'est absolument nécessaire si on veut avoir un vivier suffisant pour pouvoir recruter dans les différents services et permettre cette flexibilité non seulement au sein de la police fédérale mais aussi entre la police fédérale et les zones de police locale.

U merkt dat er nog werk op de plank ligt. Ik ben gemotiveerd en ik hoop op jullie te kunnen blijven rekenen om de vele uitdagingen aan te gaan. Ik dank jullie.

Ortwin Depoortere:

Dank u wel, mijnheer de minister. Zoals men dat in het Frans noemt: noyer le poisson . Het ging hier over het welzijn op de werkvloer, het ging over schrijnende getuigenissen van personeelsleden binnen de federale politie, en we zijn geëindigd bij een strategisch plan en de selectie en rekrutering. Uiteraard zijn de budgetten belangrijk en uiteraard is het personeelsbestand belangrijk, maar dat was niet het onderwerp van mijn vraag – misschien wel van andere collega’s, maar niet van mij.

Mijn pertinente vragen gingen over hoe u reageert op al die aantijgingen, hoe u reageert op het verweer van de commissaris-generaal. En ik vraag niet – en dat zal ook blijken uit mijn motie, die ik straks indien, mijnheer Van Tigchelt – het ontslag van de commissaris-generaal. Ik ben niet bezig met een chasse à l’homme , zoals mijnheer Thiébaut het zegt. En tussen haakjes, mijnheer Thiébaut, u bent verwonderd over de reactie van de grootste politievakbond, het VSOA. U ontwaart zelfs communautaire spoken. Maar ik ben verwonderd dat u en uw partij het opnemen voor de top en de gewone personeelsleden, die schrijnende getuigenissen hebben afgelegd, eigenlijk in de steek laten. Dat verwondert mij alleszins van een zelfverklaarde socialistische partij.

We mogen toch niet vergeten, mijnheer de minister, dat het hier ging over de disfuncties, misschien niet alleen bij de persoon van de commissaris-generaal, maar toch zeker in het management van de federale politie, aan de top van die organisatie. Dat men dat nu probeert te ontkennen of te minimaliseren, tart werkelijk alle verbeelding.

En als u inderdaad spreekt over de personeelstekorten – en die zijn er, dat is duidelijk –, dan weet u ook dat de federale politie steeds meer begint te lijken op een Mexicaans leger: met een zeer vette, dikke top en veel te weinig gewone personeelsleden, te weinig soldaten – als ik het zo mag zeggen – op het terrein.

Het verwondert mij ook vandaag dat sommige collega's blijkbaar de voorgeschiedenis van deze hele malaise vergeten zijn, of toch alleszins – bewust of onbewust – niet vermelden. Ik wil u eraan herinneren dat het CORESPO-rapport dateert van 2023. We zijn intussen meer dan twee jaar verder en nu pas kunnen we de minister hier ter verantwoording roepen, kunnen we de commissaris-generaal ter verantwoording roepen. Meer dan twee jaar hebben we moeten wachten op een antwoord. Ik noem dat – en ik trek die woorden niet terug – een vorm van poging tot onttrekking aan de parlementaire controle, mijnheer Van Tigchelt.

Mijnheer de minister, voor het Vlaams Belang is het duidelijk dat hier ook een zware politieke verantwoordelijkheid in het spel is. Bovendien – en dat is wat we wél vragen in onze motie – kan men niet rechter en partij tegelijk zijn. De klokkenluiders, de schrijnende getuigen en getuigenissen, kunnen momenteel nergens terecht binnen de federale politie, want die is rechter en partij tegelijk. Het was daarom dat wij, als Vlaams Belang, een onafhankelijke en externe doorlichting vragen van de federale politie. Dat zou klaarheid brengen, dat zou objectivering brengen en dat zou ook de ongerustheid en de angstcultuur die er heerst bij klokkenluiders binnen de federale politie, minstens gedeeltelijk kunnen wegnemen.

En ik blijf erbij, we gaan de commissaris-generaal inderdaad in september opnieuw horen. Ik hoop dat we tegen dan ook alle documenten te zien krijgen waarop we recht hebben. Als men openbaarheid en transparantie wil, dan moet men het debat ook ten volle durven voeren, ook aan de kant van het management van de federale politie.

In uw regeerakkoord, mijnheer de minister, beloofde u een doorlichting, maar die zou intern moeten verlopen. Ik ben van mening dat deze doorlichting extern moet worden georganiseerd, gezien de situatie, de vele getuigenissen, de grote malaise en het CORESPO-rapport.

Daarom, mijnheer de minister, heb ik een motie van aanbeveling ingediend.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, dank u wel voor uw antwoord. Ik pleit er zeker niet voor dat de heer Snoeck moet vertrekken. Wel vind ik het rapport en de verhalen waarmee wij worden geconfronteerd veraf staan van het verhaal van de heer Snoeck. Daar zit ruis op. De schriftelijk ontvangen antwoorden zijn onduidelijk. Ze zijn van dezelfde vaagheid als het antwoord dat we tijdens de hoorzitting van de heer Snoeck kregen.

Vertrouwen is toch wel het sleutelwoord, zowel binnen de politie als vanuit de politiek. Of het nu ministers, meerderheid of oppositie betreft, ook wij moeten vertrouwen kunnen hebben in de politietop. In die context blijft een en ander mij tegen de borst stuiten. Op een bepaald moment vermeldde u bijvoorbeeld dat men altijd een beroep kan doen op de procedure voor klokkenluiders. Voor veel dossiers die men bij een superieur wil aankaarten, kan men de klokkenluiderprocedure echter niet gebruiken, aangezien die procedure voor uitzonderlijke gevallen is bedoeld. Daarom blijf ik terugkomen op de kwestie van relaties tussen hiërarchische oversten. Wie een probleem heeft met een leidinggevende en niet terechtkan bij de leidinggevende van het hogere niveau omdat beide leidinggevenden een relatie hebben met elkaar, kan onmogelijk naar de klokkenluidersprocedure worden doorverwezen, want die procedure is daarvoor niet bedoeld. Wie met wie samenwoont of welke persoonlijke banden er zijn, hoef ik niet te weten, maar op zijn minst moet voor gevallen van een hiërarchisch probleem een oplossing worden geboden, zodat dergelijke problemen aangekaart kunnen worden.

U zegt dat u geen blind vertrouwen hebt en dat vind ik goed, want ook wij hebben geen blind vertrouwen. Daarom blijven we aandringen. Hopelijk zal de commissaris-generaal in september iets inschikkelijker zijn, uitvoeriger en meer to the point antwoorden. We hebben immers – en daarin zijn wij allemaal bondgenoten – nood aan een sterke politie, aan een stevige federale politie. Dat kan enkel als er voldoende openheid is.

Ik kijk dan ook uit naar de hoorzitting in september.

Éric Thiébaut:

Merci, monsieur le ministre pour vos éclaircissements, vos réponses et certaines prises de position. Je pense que vous avez été mesuré et plein de bon sens dans votre réponse. Je ne vous frotte pas la manche, mais c'était bien. Je pense que, justement, dans ce genre de dossier, il faut garder une certaine mesure. Et le collègue Van Tigchelt l'a dit, il ne faut pas jeter le bébé avec l'eau du bain, il ne faut pas exagérer.

Je reste en outre persuadé qu'il serait intéressant d'auditionner les syndicats. Je l'ai proposé, mais cela a été refusé. On ne peut pas à la fois s'appuyer sur les dires d'un candidat d'un seul syndicat, et refuser par la suite d'entendre tous les syndicats concernés. C'est quand même un peu bizarre. Je redemanderai donc officiellement au président s'il est possible d'organiser des auditions de toutes les organisations syndicales.

J'entends également parler du Comité P, mais ce dernier peut être saisi à tout moment sur simple dépôt de plainte. Dans ce cas de figure de dysfonctionnement, de harcèlement, de problématiques inacceptables, un policier peut s'adresser à l'AIG, mais on pourrait dire qu'elle est sous l'autorité de la police fédérale. Le Comité P est sous l'autorité du Parlement. Il existe quand même des possibilités pour des lanceurs d'alerte, même à la police fédérale.

Pour revenir à M. Snoeck, il s'est expliqué ici. Il nous a envoyé des explications complémentaires qui n'ont pas l'air de satisfaire à 100 % certains de mes collègues. Il reste selon eux des zones d'ombre. Je pense qu'il faut alors profiter de la prochaine audition qui aura lieu en septembre pour éclaircir les choses. Mais il ne faut pas déjà condamner quelqu'un avant même qu'il ait pu s'expliquer. Je trouve cela un peu dur.

Paul Van Tigchelt:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Ik kan mij vinden in veel zaken die hier tijdens de replieken zijn aangehaald.

Het gaat om transparantie. Zonder transparantie kan er geen vertrouwen zijn. Transparantie moet dus maximaal worden geboden. Als parlementsleden hebben we een beleidsmatige functie, dus die transparantie kan zonder op individuele dossiers in te gaan. We zijn hier geen rechter, geen tuchtorgaan of iets dergelijks in individuele dossiers.

Ik herhaal ook dat de federale politie uiteraard belangrijk is en zal blijven. Het voorbeeld van Sky ECC is aangehaald, en we kunnen veel andere voorbeelden opnoemen.

Waaraan we in de huidige turbulente tijden vooral nood hebben, is aan een federale politie, een overheid en veiligheidsdienst die, zoals in het Engels wordt benoemd, agile zijn, namelijk wendbaar en in staat om de vele uitdagingen op een performante manier aan te gaan. Daarin speelt het personeel een belangrijke rol. De personeelsleden van de federale politie moeten het tenslotte elke dag doen. Zij maken maken het verschil. Ook daarom zijn transparantie en vertrouwen noodzakelijk.

Alles begint naar mijn mening bij de leiding. Lead by example . De commissaris-generaal moet daarin het goede voorbeeld geven, samen met het DIRCOM.

Mijnheer de minister, we rekenen erop dat u daarop samen met ons blijft toezien in de toekomst, aangezien het te belangrijk is.

Catherine Delcourt:

Je vous remercie, monsieur le ministre, pour vos réponses, mais aussi pour tous les commentaires qui les ont accompagnées.

J'aime évidemment vous entendre dire que vous êtes motivé. La police fédérale est une structure forte et elle doit le rester.

En tant que parlementaire, au vu des préoccupations persistantes concernant la gouvernance, le climat interne et les moyens alloués, je resterai attentive. Je continuerai à vous interroger

Je suis très heureuse que M. Snoeck puisse revenir en commission pour se soumettre à nouveau aux questions des parlementaires. Rares sont ceux qui viennent une première fois, répondent par écrit et reviennent ensuite. Cela témoigne d’une volonté de partager l’information.

Je suis convaincue que la tête d’une organisation doit être forte, faire preuve d’intégrité, de transparence et de rigueur, y compris sur le plan budgétaire, afin de susciter la confiance. Cette confiance est essentielle au niveau de la sécurité de notre État de droit.

Voorzitter:

Monsieur Dubois, si vous voulez répliquer, je vous donne la parole.

Xavier Dubois:

Je vous remercie, monsieur le président, de me laisser la possibilité de répliquer.

Je tiens, en tout cas, à vous remercier, monsieur le ministre, pour vos réponses. Je retiens deux thèmes importants que vous avez cités.

Premièrement, vous avez évoqué le bien-être au sein de la police. Bien entendu, vous condamnez tous les risques mis en lumière ainsi que les atteintes potentielles à l’intégrité mentionnées dans ce rapport. C’est une démarche nécessaire.

J’ai également entendu qu’un audit interne a été lancé, ce qui est une bonne chose. Un plan d’action aurait déjà été établi et transmis aux syndicats. Il serait intéressant de pouvoir en prendre connaissance.

Le deuxième thème est celui de la confiance. Vous établissez cette confiance nécessaire, et vous la garantissez, mais il s’agit d’une confiance qui ne doit pas être aveugle. Il est en effet essentiel d’adopter cette posture: une confiance fondée sur les actions en cours et celles à venir.

Je crois que nous l’avons toutes et tous souligné, un point d’attention majeur sera ce fameux plan stratégique, qui est très attendu.

En conclusion, je ne partage pas l'avis selon lequel le commissaire général se soustrairait au contrôle parlementaire. Ce n'est pas le cas. Il a répondu aux questions en commission, il a répondu par écrit, et il reviendra.

Nous attendons avec grande impatience ce plan stratégique pour pouvoir évaluer la manière dont nous mettrons en œuvre la politique souhaitée par le gouvernement.

Brent Meuleman:

Bedankt, voorzitter, dat u mij de kans geeft om ook te repliceren.

Dank u, mijnheer de minister, voor uw antwoord. Zoals ik in het verleden al heb gezegd, mensen die elke dag hun stinkende best doen om onze veiligheid te garanderen, verdienen het natuurlijk om ook zelf in een veilige omgeving te kunnen werken. In die zin ben ik bijzonder tevreden met uw strenge veroordeling van alles wat te maken heeft met ongepast gedrag, toxisch leiderschap, pestgedrag enzovoort.

Het is goed dat er een audit loopt. Ik denk dat we allemaal de vinger aan de pols zullen houden en dat u dat als minister ook zult doen. Wij zullen in elk geval ons werk doen. Daarom is het goed dat de commissaris-generaal in september opnieuw naar het Parlement komt om de vragen van de parlementsleden te beantwoorden.

U zult in Vooruit een partner vinden om de broodnodige hervormingen uit te voeren.

Moties

Motions

Voorzitter:

Tot besluit van deze bespreking werden volgende moties ingediend. En conclusion de cette discussion, les motions suivantes ont été déposées. Een motie van aanbeveling werd ingediend door de heer Ortwin Depoortere en luidt als volgt: "De Kamer, gehoord de interpellatie van de heer Ortwin Depoortere en het antwoord van de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, belast met Beliris, - overwegende dat de malaise bij de federale politie nefast is voor de veiligheid van onze burgers; - overwegende dat een werkplaats waar grensoverschrijdend gedrag welig tiert, werknemersuitval vergroot en de vele openstaande vacatures moeilijk kan invullen; - overwegende dat de strijd tegen georganiseerde misdaad en zware criminaliteit cruciaal is; - overwegende dat persoonlijke belangen van individuele functionarissen de operationele capaciteit van anderen niet mogen hinderen en de hele organisatie niet mogen schaden; vraagt de regering - het welzijn en de veiligheid van agenten, inspecteurs en personeelsleden van de federale politie in het algemeen te verzekeren; - de gebouwen van de veiligheidsdiensten naar behoren te onderhouden; - een externe doorlichting te bevelen van de federale politie; - het Comité P op te dragen de vele klachten van en getuigenissen over wangedrag te onderzoeken; - de machtsposities van betrokkenen waar nodig te herzien; - grondige interne hervormingen voor te bereiden en uit te voeren teneinde een herhaling van wanbeleid alsook wanbeheer te voorkomen. " Une motion de recommandation a été déposée par M. Ortwin Depoortere et est libellée comme suit: " La Chambre, ayant entendu l'interpellation de M. Ortwin Depoortere et la réponse du ministre de la Sécurité et de l’Intérieur, chargé de Beliris, - considérant que le malaise au sein de la police fédérale nuit à la sécurité des citoyens; - considérant qu'un lieu de travail où les comportements inappropriés sont monnaie courante entraîne une augmentation de l'absentéisme et des difficultés à pourvoir les nombreux postes vacants; - considérant qu'il est essentiel de lutter contre le crime organisé et la grande criminalité; - considérant que les intérêts personnels de fonctionnaires individuels ne peuvent pas entraver la capacité opérationnelle des autres fonctionnaires ni porter atteinte à l'organisation dans son ensemble; demande au gouvernement - de garantir le bien-être et la sécurité des agents, des inspecteurs et des membres du personnel de la police fédérale en général; - d'entretenir comme il se doit les bâtiments des services de sécurité; - d'ordonner un audit externe de la police fédérale; - de charger le comité P d'enquêter sur les nombreuses plaintes et les nombreux témoignages concernant des comportements inappropriés; - de revoir, si nécessaire, la situation des personnes concernées au sommet de la hiérarchie; - de préparer et de mettre en œuvre de profondes réformes internes afin d'éviter que des problèmes de mauvaise politique et de mauvaise gestion ne se répètent.. " Een eenvoudige motie werd ingediend door mevrouw Catherine Delcourt. Une motion pure et simple a été déposée par Mme Catherine Delcourt . Over de moties zal later worden gestemd. De bespreking is gesloten. Le vote sur les motions aura lieu ultérieurement. La discussion est close.

Het Defensieplan

Gesteld aan

Vincent Van Peteghem (Minister van Begroting)

op 15 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De normeringsopdracht uit het Defensieplan 2025—waarbij departementen hun NAVO-conforme defensie-uitgaven moesten identificeren en structureren—is nog niet afgerond, ondanks de deadline van 1 juli 2025, wat vertrouwen in de regering ondermijnt volgens de oppositie. Minister Van Peteghem bevestigt dat de oefening lopende is en enkel een administratieve herclassificatie (COFOG) betreft, maar geeft geen concrete resultaten of nieuwe termijn. De kritiek spitst zich toe op herhaald uitstel bij cruciale defensie- en begrotingsdossiers, wat als structureel falen wordt afgeschilderd.

Wouter Vermeersch:

Mijnheer de voorzitter, in het zogenaamde Defensieplan ‘Strategische bijdrage aan vrede door kracht’ van 12 april 2025 stond op pagina 10 te lezen dat de ministers van Defensie en Begroting vóór 1 juli 2025 aan de regering zouden rapporteren over het resultaat van de normering voor 2025. Daartoe zouden de ministers van Defensie en Begroting, ik citeer: “aan alle federale en regionale departementen vragen welke lopende en toekomstige uitgaven, inclusief investeringen en dual-useprojecten, onder de NAVO-norm kunnen komen”. De departementen zouden, ik citeer opnieuw: “deze oefening aanvullen met onderzoeken welke wijzigingen moeten gebeuren om lopende en toekomstige uitgaven en investeringen in de toekomst te structureren, zodat ze wel onder de NAVO-norm vallen”.

Ten eerste, mijnheer de minister, wat waren de resultaten van de onderzoeken door de federale en regionale departementen?

Ten tweede, kunt u toelichten of het resultaat van de normering voor 2025 reeds aan de regering is medegedeeld? Dat moest op 1 juli 2025 gebeuren.

Ten derde, indien dat het geval is, kunt u het resultaat met het Parlement delen?

Vincent Van Peteghem:

In het Defensieplan werd bepaald dat een deel van de structurele financiering zal gebeuren door middel van de normering van bestaande en toekomstige uitgaven, die natuurlijk beantwoorden aan de NAVO-definitie van een defensie-uitgave.

In dat kader zullen de minister van Defensie en ikzelf aan alle departementen en instellingen verzoeken om in het kader van een meerjarenbegroting na te gaan welke van de lopende en geplande investeringen in aanmerking kunnen komen om onder de NAVO-norm te worden gecategoriseerd. De normering betreft een administratieve verschuiving in de COFOG-classificatie van uitgaven.

De oefening wordt momenteel afgerond en zal ook worden voorgelegd aan de regering. Een gelijkaardige oefening kan worden opgezet voor de veiligheidsgerelateerde investeringen die de nationale weerbaarheid zullen versterken.

Wouter Vermeersch:

Mijnheer de minister, in het Defensieplan van 12 april 2025 staat op pagina 10 te lezen dat de ministers van Defensie en Begroting vóór 1 juli 2025 aan de regering zouden rapporteren over het resultaat van de normering voor 2025. Uit uw antwoord begrijp ik echter dat dat niet is gebeurd en dat u daarover dus nog niet hebt gerapporteerd. Als zelfs die datum van 1 juli 2025 niet meer heilig is, rest alleen nog maar wantrouwen in uw regering. Wij kunnen alleen maar vaststellen dat u uw eigen deadlines niet haalt over een toch wel heel belangrijk onderwerp, namelijk de defensie-uitgaven. Wij zijn bezorgd over het aanhoudende uitstelgedrag. Wij hebben dat net vastgesteld bij de begrotingscontrole en ook nu weer in het kader van dat Defensieplan. Ook in dat dossier is er opnieuw uitstelgedrag. Dat is naar onze mening geen goede indicator voor het vertrouwen in uw regering.

De bijdrage van de deelstaten bij defensie-uitgaven

Gesteld aan

Vincent Van Peteghem (Minister van Begroting)

op 15 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Van Peteghem wil dat deelstaten meebetalen aan defensie (via herclassificatie van dual-use uitgaven en steun aan defensie-industrie), maar Vlaanderen weigert omdat het geen zeggenschap heeft over federale defensiebeleid en het principe *"wie bepaalt, betaalt"* verdedigt. Vermeersch kaart aan dat Vlaanderen niet wil opdraaien voor federale tanks zonder bevoegdheden, en dreigt met een machtsverschuiving als budgetten toch worden doorgeschoven. De minister houdt 2% BBP-norm vast voor nu, terwijl de NAVO 5% tegen 2035 eist, maar biedt geen concreet mechanisme voor regionale bijdragen. Kernconflict: budgettaire verantwoordelijkheid vs. federale bevoegdheidsverdeling.

Wouter Vermeersch:

Mijnheer de minister, ik heb een vraag over de bijdrage van de deelstaten aan de defensie-uitgaven. U zegt dat de deelstaten aan de stijgende defensie-uitgaven moeten meebetalen. U wijst op de nieuwe NAVO-doelstelling om de defensie-uitgaven tegen 2035 tot 5 % van het bbp te verhogen. Toch houdt u zelf vast, dat hebben we daarnet nog gehoord, aan de 2 %-norm voor deze legislatuur.

U wijst nadrukkelijk naar de regio’s voor de medeverantwoordelijkheid in het behalen van de Europese en NAVO-doelstellingen. U vreest wel dat de nieuwe NAVO-regels ertoe kunnen leiden dat de deelstaten alleen zullen kunnen bijdragen aan de extra 1,5 % die bedoeld is voor infrastructuur of cyberveiligheid en dus niet aan de pure defensie-uitgaven op zich.

Mijnheer de minister, hoe verantwoordt u dat de deelstaten zouden moeten bijdragen aan de federale defensie-uitgaven, terwijl zij geen enkele zeggenschap over het federale defensiebeleid hebben?

Hoe rijmt u het pleidooi voor bijdragen van de deelstaten met de verdeling van de inspanningen binnen het federale model? Is dit geen flagrante schending van het beginsel van budgettaire responsabilisering?

Hoe verklaart u dat u vasthoudt aan de 2 %-norm voor de defensie-uitgaven, terwijl de NAVO zelf een verhoging naar 5 % als doel tegen 2035 vooropstelt?

Vincent Van Peteghem:

Mijnheer Vermeersch, de deelstaten worden inderdaad betrokken bij de verhoging van de defensie-uitgaven, waartoe ons land zich heeft geëngageerd.

Op het moment dat van ons land een grote inspanning wordt verwacht voor onze veiligheid, is het niet meer dan logisch dat iedereen zijn bijdrage levert. Het is aan de minister van Defensie en mijzelf om aan alle federale en regionale departementen te vragen welke lopende en toekomstige uitgaven – inclusief investeringen in dual-useprojecten – onder de NAVO-norm zouden kunnen vallen. Het gaat daarbij uitdrukkelijk om de verschuiving van uitgaven inzake classificatie.

Hiervoor wordt uiteraard een mechanisme uitgewerkt dat rekening houdt met de beslissingen die tijdens de laatste NAVO-top zijn genomen. Samen met de regio’s bekijken we ook hoe de productie van militair materiaal en de defensie-industrie in ons land beter kunnen worden ondersteund.

Wouter Vermeersch:

Dank u, mijnheer de minister. Het was een zeer wollig antwoord en geen concreet antwoord op toch wel een heel concrete problematiek. Het principe is duidelijk: wie bepaalt, betaalt. Het kan niet zijn dat er Vlaams geld moet worden gegeven voor federale bevoegdheden. Als dat toch het geval zou zijn in een nijpende budgettaire situatie, moeten er dringend meer bevoegdheden naar Vlaanderen komen, zodat Vlaanderen kan bepalen en pas later betalen. Laat dat heel duidelijk zijn. U wilt misschien wel Vlaamse centen voor federale tanks, maar u vergeet dat Vlaanderen geen sleutel heeft tot de legerkazernes. Dat kan dus uiteraard niet. We zullen er ook in dat verband op toezien dat de factuur niet opnieuw naar Vlaanderen en de Vlamingen wordt doorgeschoven, zoals dat wel vaker gebeurt met de Belgische regering.

De wenselijkheid van een defensiebelasting voor de begroting

Gesteld aan

Vincent Van Peteghem (Minister van Begroting)

op 15 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de mogelijke invoering van een defensiebelasting om de gestegen NAVO-norm (5%) en structurele defensie-uitgaven te financieren. Minister Van Peteghem (Begroting) sluit de optie niet uit ("geen taboes"), maar benadrukt eerst bestaande hervormingen en de regeerakkoord-verdeelsleutel, zonder concrete plannen of timing. Vermeersch (Vlaams Belang) verwerpt nieuwe belastingen fel, wijst op het "moddervette" België en pleit voor 5 miljard besparingen (EU, asiel, politiek) in plaats van "gemakkelijkheidsoplossingen". Premier De Wever en minister Prévot lieten eerder al ruimte voor een defensiebelasting, maar MR (Bouchez) verzet zich; de regering onderzoekt alle opties (inkomsten, bezuinigen, schulden).

Voorzitter:

Ik kan me niet van de indruk ontdoen dat ik vandaag al een antwoord heb gehoord op de volgende vraag, over de wenselijkheid van een defensiebelasting voor de begroting.

Wouter Vermeersch:

U hebt goed geanalyseerd, mijnheer de voorzitter, dat de vraag al gesteld is, maar het antwoord is er nog niet op gekomen. Mevrouw Merckx heeft dat daarnet ook opgemerkt. Wat betreft die defensiebelasting, is er nog geen antwoord gekomen van de minister. Ik probeer het nog eens.

Na afloop van de NAVO-top is duidelijk geworden dat de NAVO-norm op 5 % zal liggen. Dergelijke recurrente uitgaven veronderstellen echter structurele financiering. Binnen de regering gingen al verschillende stemmen op om een defensiebelasting in te voeren. Zo liet premier De Wever midden mei in een interview met de RTBF reeds een kier open voor een defensiebelasting. Ook de minister van Buitenlandse Zaken, de heer Prévot van Les Engagés, stelde al dat nieuwe belastingen een optie zijn om de defensie-uitgaven te financieren. Volgens hem zijn er drie opties: nieuwe inkomsten verwerven, knippen in de uitgaven of bijkomende schulden maken, opties die zonder taboes moeten worden bekeken. Enkel de heer Bouchez, partijvoorzitter van de MR, en zijn partij lijken binnen deze regering duidelijk gekant tegen nieuwe belastingen. Hoewel, we moeten eerlijk zijn, ze hebben er ondertussen in deze legislatuur al een paar ingevoerd. De minister van Begroting stelde al herhaaldelijk dat de investeringen in defensie gecompenseerd moeten worden, wat dus een structurele financiering impliceert. Inmiddels is duidelijk dat zelfs de structurele financiering van de afgesproken 2 %-norm uitblijft.

Wat is het standpunt van de minister van Begroting over een defensiebelasting?

Hoe en wanneer beoogt de minister de structurele financiering te realiseren?

Ik hoop nu wel op een duidelijk antwoord.

Vincent Van Peteghem:

Ik gaf eerder al aan dat ik geen taboes wil uitspreken wat betreft de structurele financiering van het defensieplan, die jaarlijks bij de begrotingsopmaak geëvalueerd wordt. Dat betekent niet dat ik een defensiebelasting een goed idee vind, maar het is belangrijk dat we erover waken dat de reeds besliste structurele hervormingen ook effectief uitgevoerd worden en dat de beoogde rendementen ook effectief behaald worden, alvorens nieuwe initiatieven uit te werken.

Ik weet dat ik mezelf herhaal, maar de verdeelsleutel die in het regeerakkoord werd afgesproken, geldt daarbij als leidraad voor eventuele bijkomende inspanningen.

Wouter Vermeersch:

Mijnheer de minister, ik vind dat u nu wel een duidelijk antwoord gaf. U zegt dat er geen taboes zijn, dus ik begrijp heel duidelijk dat u een defensiebelasting op dit moment niet uitsluit, dat dit voor u een van de opties is om tot een structurele financiering van die defensie-uitgaven te komen. Bij mijn weten is dit de eerste keer dat u daarover zo duidelijk antwoordt en dat is toch wel opmerkelijk. Laat het duidelijk zijn, wij zijn daar wel tegen gekant. Wij vinden dat er in dit land, dat wereldkampioen is inzake belastingen, geen nieuwe belasting moet komen, maar dat die andere opties moeten worden bekeken. Er kan worden geknipt in de uitgaven. Deze Belgische Staat is immers nog altijd moddervet en er zijn heel wat besparingen te realiseren. Dat is de eerste weg waarnaar moet worden gekeken. Een echt kerntakendebat is aan de orde. Zo heeft het Vlaams Belang tijdens de begrotingsdiscussie maar liefst 5 miljard euro aan besparingen voorgelegd, inzake de uitgaven aan de Europese Unie, de asielfactuur, een aparte sociale zekerheid voor nieuwkomers en besparingen op de politieke structuren in dit land, zoals de Senaat en de provincies. Dat zijn allemaal zaken waarnaar we in de eerste plaats moeten kijken in plaats van opnieuw te gaan voor de gemakkelijkheidsoplossing, een zoveelste nieuwe belasting. Uw regering is al gekomen met een meerwaardebelasting en deze is zelfs nog niet ingediend, besproken of goedgekeurd in dit Parlement of de regering-De Wever spreekt alweer over een nieuwe belasting. Premier De Wever heeft de deur op een kier gezet, net als de heer Prévot, en nu dus ook duidelijk de minister van Begroting, die zegt dat er geen taboes zijn, dat een defensiebelasting wel degelijk een van de opties is om tot een structurele financiering van de defensie-uitgaven te komen. Wij betreuren dat.

De financiering van de defensie-uitgaven

Gesteld aan

Vincent Van Peteghem (Minister van Begroting)

op 15 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Van Peteghem bevestigt dat de financiering van defensie (via bevroren Russische tegoeden) onzeker is en wijst op valkuilen: compensatie via de ontsnappingsclausule, activa-verkoop (bv. Belfius) of structurele maatregelen—maar die ontbreken nog en er is geen regeringsconsensus. Bertrand kaart aan dat dit nee uitloopt op nieuwe belastingen (geen draagvlak voor besparingen) en dat lastenverlagingen dreigen uit te blijven door stijgende schulden, terwijl de minister geen concreet plan B biedt.

Alexia Bertrand:

Mijnheer de minister, u hebt meermaals beloofd dat de stijgende defensie-uitgaven structureel gefinancierd zouden worden en dat ze volledig gecompenseerd zouden zijn. Volgens de begrotingsdocumenten en de analyse van het Monitoringcomité blijkt die belofte allerminst vervuld te zijn. Ik verwijs naar een bepaalde passage uit het verslag van het Monitoringcomité: “Er wordt van uitgegaan dat over de volledige periode 2025-2030 ontvangsten uit de belastingen op de opbrengsten van de bevroren Russische tegoeden zullen worden gerealiseerd.” We weten echter dat dat allesbehalve zeker is. "Daarnaast wordt er eveneens van uitgegaan dat de door de regering voorziene structurele financiering effectief zal worden gerealiseerd." Dat zijn vrij optimistische assumpties.

Hoe realistisch acht u die veronderstellingen? Wat als die opbrengsten uit de Russische tegoeden toch uitblijven? Hebt u een plan B? Hebt u een alternatief om die inkomsten toch te halen? Komt er dan alsnog een nieuwe belasting, een soort defensieheffing? Wat vindt u van de uitspraken van uw collega van Vooruit over die nieuwe heffing? Moeten de deelstaten volgens u ook bijdragen aan de defensie-inspanningen? U hebt dat enkele weken of maanden geleden al gesuggereerd. Hoe zou dat dan praktisch werken, nu ook hun begrotingen systematisch in het rood staan?

Vincent Van Peteghem:

Mevrouw Bertrand, uw eerste vragen gaan over bevoegdheden van de minister van Financiën. Ik kan daar moeilijk uitspraken over doen, zeker wat betreft de waarschijnlijkheid van die specifieke fiscale inkomsten.

Indien de inkomsten uitblijven, heeft de regering in het defensieplan duidelijk afgesproken dat als na verloop van tijd de vennootschapsbelasting op de winst van de beheerde bevroren activa niet meer beschikbaar is, het bedrag gelijkwaardig zal worden gecompenseerd via een ruimer gebruik van de ontsnappingsclausule, met gelijkwaardige compensatie door extra verkoop van activa en via structurele maatregelen. U zult mij ook verontschuldigen voor het feit dat ik op enkele van uw andere vragen vandaag al meermaals heb geantwoord. De belangrijkste boodschap die u wilde horen, was natuurlijk op welke manier we die defensie-uitgaven zullen financieren, zeker wat betreft het gedeelte dat via de bevroren tegoeden zou moeten worden gedragen. Op die vraag had ik vandaag nog niet geantwoord.

Alexia Bertrand:

Mijnheer de minister, dank u wel, maar uw antwoord is zeer vaag. U wilt gebruik maken van de ontsnappingsclausule en activa verkopen, maar daarover is er geen eensgezindheid in uw regering. De heer Bouchez is immers nog niet klaar om Belfius te verkopen, lees ik in de pers. Dat zijn ook geen structurele opbrengsten. Dat zal het probleem niet oplossen. Het gaat voor u over de ontsnappingsclausule, de verkoop van activa en een derde optie is het vinden van andere structurele inkomsten, waarover evenmin al eensgezindheid bestaat. Dat betekent waarschijnlijk nieuwe belastingen. Dat is de piste die wij horen. Ofwel moet u besparen, ofwel moet u nieuwe inkomsten vinden en dat betekent nieuwe belastingen. Er is geen consensus om te besparen binnen de sociale zekerheid, dus ik vermoed dat dat betekent dat we op weg zijn naar nieuwe belastingen en dat is precies de vrees. Tot nu toe hebben we belastingverhogingen gezien in het kader van de programmawet van de regering, maar de lastenverlagingen zijn er niet. Die komen volgens u tegen het einde van de legislatuur. Ik hoop dat we ze nog gaan zien, want ze zijn nog niet gefinancierd. Gelet op de begrotingstekorten en de stijgende schuld die we nu al zien, vrees ik dus dat de lastenverlagingen er nooit zullen komen. U geeft dus een vaag antwoord, omdat u zelf waarschijnlijk nog geen antwoord hebt. Ik hoop dat daar snel een oplossing voor komt.

De inbeslagname door de politie van een Vlaamse leeuwenvlag tijdens een voetbalwedstrijd

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 15 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Een politieagent confisqueerde een Vlaamse leeuwenvlag bij een voetbalwedstrijd in Molenbeek, met als reden "provocatie" en "separatistische/collaboratieconnotaties", wat een stadionverbod op basis van de voetbalwet kon opleveren. Minister Quintin benadrukte dat de vlag normaal geen probleem is, maar dat de context (Brusselse wedstrijd, mogelijke spanningen) proportioneel ingrijpen rechtvaardigt, zonder algemeen verbod – een standpunt dat Van Hoecke als tegenstrijdig en onaanvaardbaar bestempelde, omdat het de Vlaamse identiteitsuiting criminaliseert, zelfs in de eigen hoofdstad. De discussie draait om de grens tussen veiligheid en vrijheid van symboliek, waarbij Van Hoecke de politieke hypocrisie aanklaagt en de vlag als onlosmakelijk onderdeel van Vlaamse sportcultuur verdedigt. Quintin houdt vast aan contextuele beoordeling door ordediensten, maar ontkent niet dat de zaak juridische en symbolische gevolgen kan hebben.

Alexander Van Hoecke:

Mijnheer de minister, er is ons een zeer verontrustend incident ter ore gekomen. Tijdens de voetbalwedstrijd tussen Lokeren-Temse en RWDM werd een supporter door een politieambtenaar, een zogenaamde spotter, gevraagd om een Vlaamse leeuwenvlag die hij meegebracht had, te verwijderen. De supporter wou daar logischerwijs niet op ingaan, waarop de vlag in beslag werd genomen.

Het relaas der feiten in het pv dat de supporter ontving, is ronduit hallucinant. In dat proces-verbaal, dat wij onder ogen gekregen hebben, wordt gesproken over een "vlag met flamingante connotatie". Volgens de politie wordt die vlag historisch geassocieerd met het Belgisch separatisme en moet ze worden geassocieerd met de collaboratie tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ik citeer: “Dergelijke symbolen worden als provocerend beschouwd en kunnen bijdragen tot spanningen en haat tegenover supporters van andere taalgemeenschappen." De supporter riskeert op basis van de voetbalwet zelfs een stadionverbod op basis van dat pv.

De Vlaamse vlag is onlosmakelijk verbonden met de sportbeleving in Vlaanderen, iets dat ook duidelijk erkend werd door Vlaams minister van Sport Annick De Ridder van N-VA, toen mijn collega Tom Lamont haar op het voorval attendeerde in het Vlaams Parlement. Vlaamse leeuwenvlaggen duiken namelijk op tijdens de Ronde van Vlaanderen of tijdens voetbalwedstrijden en maken meestal inherent deel uit van de identiteitsbeleving van supporters.

Het ingrijpen van de politie in Molenbeek schept volgens mij een gevaarlijk precedent waarbij Vlamingen het gebruik van symbolen die inherent deel uitmaken van hun identiteit wordt ontzegd en het gebruik zelfs strafbaar wordt gesteld.

Mijnheer de minister, wat is uw reactie op het optreden van de politie in Molenbeek? Kunt u bevestigen dat het gebruik van de Vlaamse leeuwenvlag, net zoals de Vlaamse minister van Sport zei in het Vlaams Parlement, inherent onderdeel uitmaakt van de supportersbeleving van veel Vlamingen en geen symbool van haat is en geen provocatie uitmaakt? Hoe zult u ervoor zorgen dat zulke incidenten in de toekomst niet meer zullen voorvallen?

Bernard Quintin:

Mijnheer de volksvertegenwoordiger, laat me vooreerst beklemtonen dat we in ons land vrijheid van meningsuiting en culturele expressie hoog in het vaandel dragen. Net zoals de Waalse Haan voor Walen maakt ook de Vlaamse Leeuw voor bepaalde Vlamingen deel uit van hun identiteit en is die op verschillende sportevenementen een vertrouwd symbool.

In de context van bijvoorbeeld een wielerwedstrijd wordt die vlag doorgaans op een vreedzame manier gehanteerd zonder enige vorm van provocatie. De politie en in het bijzonder gespecialiseerde spotters beoordelen ter plaatse de situatie en nemen indien nodig proportionele maatregelen om mogelijke spanningen tussen supportersgroepen te voorkomen.

Volgens informatie van de lokale politie gaat het hier niet om de officiële vlag van Vlaanderen, maar om een vlag met een zwarte leeuw op een gele achtergrond. In het specifieke geval waarnaar u verwijst, ging het om een wedstrijd tussen een club uit Vlaanderen en een club uit Brussel waarbij het gebruik van symbolen, hoe vertrouwd die voor sommigen ook mogen zijn, in een aantal gevallen als provocerend kon worden ervaren.

De voetbalwet bepaalt dat het verboden is om tijdens een wedstrijd gedragingen te stellen of tekenen te tonen die aanzetten tot discriminatie. De beoordeling van dergelijke signalen gebeurt altijd op het terrein in een specifieke context, waarbij wordt gekeken naar de algemene sfeer, eerdere incidenten en de mogelijke impact op de ordehandhaving. Symboliek mag niet willekeurig worden behandeld en er moet duidelijkheid zijn voor zowel supporters als ordediensten over wat wel en niet kan.

Kortom, er is geen verbod op de Vlaamse leeuwenvlag of enige andere vlag, maar in een specifieke context, zeker wanneer er risico is op spanningen tussen supportersgroepen, kan de lokale politie optreden in het kader van de voetbalwet. Ik pleit er dan ook voor om dat debat sereen en in wederzijds respect te voeren met oog voor zowel de beleving van de supporters, als de verantwoordelijkheden van onze ordediensten.

Alexander Van Hoecke:

Mijnheer de minister, ik sta eerlijk gezegd perplex van uw antwoord. U zei dat een Vlaamse leeuwenvlag als een provocatie kan worden beschouwd wanneer ze gebruikt wordt bij een sportwedstrijd in Brussel, maar dat er geen verbod is. Tegelijk stelt u dat die provocatie door de voetbalwet kan worden bestraft en dat de politie kan ingrijpen en ervoor zorgen dat de supporters de vlaggen moeten verwijderen. Daarmee spreekt u zichzelf tegen, want dat klopt niet volgens mij.

Eigenlijk ondersteunt u met uw antwoord het pv waarmee een supporter potentieel een stadionverbod krijgt omdat hij een Vlaamse leeuwenvlag uithangt in Brussel, nog steeds de hoofdstad van Vlaanderen. Ik vind dat compleet onaanvaardbaar. De Vlaamse leeuwenvlag is, zoals de Vlaamse regering terecht stelt, een inherent onderdeel van de sportbeleving en van de identiteitsbeleving. Dat zal iedereen die al eens een sportevenement in Vlaanderen heeft bijgewoond, bevestigen.

Niemand hoeft te bepalen hoe Vlamingen hun identiteit vieren tijdens een sportevenement, zeker niet in hun eigen hoofdstad. Ik vraag me trouwens af of de premier dezelfde mening is toegedaan over dat incident. Het getuigt van een irreële angst om schrik te hebben van een Vlaamse leeuwenvlag en ik ben ervan overtuigd dat irreële angsten het best kunnen worden bestreden met een zogenaamde exposure theorie. Ik heb daarom voor u een Vlaamse leeuwenvlag meegebracht. Ik zal ze u straks overhandigen, maar wees voorzichtig, want ze durft te klauwen als u ze uit de verpakking haalt.

Voorzitter:

Vraag nr. 56005766C van mevrouw De Knop vervalt. La question n° 56005778C de M. Thiébaut est reportée.

De criteria voor de rekrutering van politieagenten
Een blanco strafregister als voorwaarde om in dienst te kunnen treden bij de politie
Voorwaarden voor toetreding tot de politiedienst

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 15 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De politie wervingsprocedure laat nu kandidaten met een straatblad toe, mits hun huidige gedrag *"onberispelijk"* is en oude feiten niet onverenigbaar zijn met het beroep, met name voor inspecteuren in federale en lokale politie. Garde-fous omvatten een individuele moraliteitscheck door een commissie, die rekening houdt met de natuur, context, ouderdom en evolutie van de feiten, met mogelijkheid tot beroep – maar geen vaste lijst van toelaatbare overtredingen om flexibiliteit te behouden. Critici, zoals Delcourt, vrezen dat dit de publieke vertrouwen in de politie kan ondermijnen en de procedure verzwaren, terwijl Chahid benadrukt dat doorlopende screening tijdens de carrière cruciaal is om recidive te voorkomen. De minister bevestigt dat reïntegratie en exemplariteit in balans moeten blijven, zonder de kerncriteria voor moraliteit te verlagen, ondanks de personeelstekorten.

Ridouane Chahid:

Monsieur le ministre, nous avons appris dans la presse que la procédure de recrutement dans la police avait récemment été adaptée et qu'elle permettait désormais aux personnes ayant un casier judiciaire d'y postuler. La mesure s'applique aux inspecteurs de police, tant dans la police fédérale que dans la police locale. Cela ne signifie pas que les candidats seront nécessairement intégrés. En tout cas, jusqu'à présent, avoir un casier judiciaire était interdit pour cet appel d'offres. Selon l'article, la décision a été prise il y a déjà un certain temps. La police n'a pas voulu qualifier la mesure d'"assouplissement" et a indiqué que les candidatures pouvaient toujours être rejetées à un stade ultérieur de la procédure de sélection après un contrôle de moralité.

Monsieur le ministre, mes questions sont toutes simples. Pouvez-vous nous apporter davantage de détails concernant cette information et les motifs et consultations qui ont conduit à cette décision? Quels sont les grades qui sont concernés? Quels seront les garde-fous pour les candidats n'ayant pas de casier vierge qui seront admis à terme à la sélection? Qu'en est-il de la mise en place du screening tout au long de la carrière du policier qui aurait été retenu lors de la sélection?

Catherine Delcourt:

Monsieur le ministre, la procédure de recrutement dans la police permet désormais à certaines personnes ayant un casier judiciaire d'y postuler, à condition qu'elles aient une conduite jugée "irréprochable". Cette évolution, introduite sous la législature précédente, vise selon la police à se conformer à la législation en vigueur, sans pour autant constituer un assouplissement, à en croire ses responsables. J'ai besoin d'éclaircissements.

Quel est votre avis sur l'extension de cette mesure? Pouvez-vous préciser quels garde-fous sont en place pour garantir que cette ouverture ne nuira pas à la confiance du public dans l'intégrité des forces de l'ordre, en l'absence de critères clairs et uniformes concernant les infractions compatibles ou non avec l'exercice du métier de policier? Envisagez-vous de mettre sur pied une liste indicative, ou au minimum un cadre de référence, des types d'infractions qui ne justifient pas un refus d'être intégré dans les forces de l'ordre? Une telle mesure ne serait-elle pas utile pour assurer la transparence du processus, tant pour les candidats que pour les citoyens?

Bernard Quintin:

Monsieur Chahid, madame Delcourt, vous m'interrogez sur un sujet délicat, mais fondamental. Trouver un équilibre entre l'exemplarité attendue des forces de l'ordre et le respect des droits fondamentaux, y compris le droit à la réinsertion.

La mesure évoquée n'a pas pour objectif de relâcher les conditions d'accès à la fonction policière, mais de les adapter aux exigences légales en vigueur. Il ne s'agit aucunement de banaliser un passé judiciaire, mais bien de prendre en considération l'ensemble du parcours d'un candidat ou d'une candidate pour autant que sa conduite actuelle soit irréprochable et que les faits passés ne soient pas incompatibles avec les responsabilités propres à la fonction policière. Je reviendrai dans un instant sur quelques exemples que j'ai tirés de mon vécu de ministre. Notre priorité demeure claire: assurer une police exemplaire, intègre et digne de la confiance des citoyens. C'est ce que j'appelle une police respectable, respectueuse et respectée.

Je souhaite également préciser les garanties qui encadrent l'évaluation de la moralité des candidats dans le processus de sélection. La Commission de moralité joue un rôle essentiel de garde-fou et est habilitée à intervenir à tout moment de la procédure pour écarter un candidat, si les informations disponibles le justifient. Cette évaluation s'effectue au cas par cas, en tenant compte de nombreux critères: la nature et le contexte de l'infraction, sa fréquence éventuelle, l'âge du candidat au moment des faits, les informations actualisées, l'avis du chef de corps de la zone de police concernée et, le cas échéant, la décision judiciaire rendue. Ce cadre est défini par ce qu'on appelle le loi Exodus – ne me demandez pas pourquoi ce nom, mais j'en trouverai bien un jour la raison.

Je comprends le souhait de clarifier les critère d'accès à la profession, en particulier en présence d'antécédents. Toutefois, établir une liste stricte ou un cadre rigide présente des limites importantes. La diversité des parcours individuels rend difficile toute approche uniforme. Chaque situation nécessite une analyse nuancée qui tienne compte de plusieurs facteurs: la gravité des faits, leur ancienneté, le contexte dans lequel ils se sont produits et l'évolution du comportement du candidat depuis leur commission. Sans rentrer dans des détails personnels, j'ai eu plusieurs dossiers en cinq mois sur mon bureau, relatifs à des personnes qui avaient été rejetées par la Commission de moralité et qui ont ensuite introduit un recours. À un moment, certains de ces dossiers arrivent jusque chez le ministre. Pour certains, j'ai confirmé que, sur la base des éléments dont je disposais, tel candidat ou telle candidate ne devrait pas poursuivre la formation et être engagé, tandis que d'autres oui. Pour prendre un exemple typique, je peux citer des condamnations pour des infractions de roulage qui peuvent être graves, mais qui ont été commises parfois quinze ans auparavant. Je crois qu'on peut admettre que quelqu'un qui, à vingt ans, a peut-être roulé sottement ou même imbécilement et à été condamné, s'il n'y a pas eu d'autres faits, a droit à la réinsertion quinze ans après. En ce qui concerne d'autres faits, on peut s'inquiéter de la moralité de la personne. Dans d'autres cas, c'est plutôt la question des liens familiaux avec des gens condamnés qui est prise en compte. Donc, c'est là que des décisions doivent être prises, si la moralité n'est pas sûre. Certains cas sont évidents. Et puis, il y a toute une zone grise dans laquelle c'est important. Je puis vous assurer que tout cela est établi avec sérieux. De plus, le candidat ou la candidate a aussi le droit de répliquer ou d'intervenir dans ce dossier.

Je vous confirme être confronté à une pénurie, qui justifie qu'on augmente les recrutements. Toutefois, en aucun cas, on ne peut évidemment amoindrir les critères de base et, singulièrement, de moralité. Si l'on veut une police respectée, respectable et respectueuse, il faut évidemment que les personnes qui la composent soient d'une moralité irréprochable. Nous avons tous des parcours. Je crois que le droit à la réinsertion est essentiel. En tout cas, je puis vous assurer que c'est une matière que je suis rigoureusement, à l'instar de mes services. Je vous remercie de votre attention.

Ridouane Chahid:

Monsieur le ministre, je vous remercie de vos réponses, qui confirment que nous sommes bien dans le cas par cas, qu'il y a une sélection, qu'un contrôle de moralité est effectué, qu'on parle de délits mineurs et de faits qui ne se sont plus reproduits pendant toute une période. C'est très bien.

Je vais seulement insister sur la mise en place rapide de ce qui est indiqué dans votre note de politique générale, à savoir cette disposition de screening tout au long de la carrière de ces agents pour s'assurer qu'ils ne récidivent pas, remettant ainsi en cause l'exemplarité de ces policiers et l'image de la police. J'ai dit, monsieur le président.

Catherine Delcourt:

Monsieur le ministre, merci de votre réponse.

Plusieurs intérêts se trouvent en balance dans cette question: le recrutement policier qui doit permettre de remplir les cadres, la réinsertion de quiconque a commis des actes délictueux – c'est quand même l'objectif – et puis l'exemplarité de la fonction, l'intégrité des personnes qui entrent dans un corps de police fédérale ou locale. Il est essentiel de préserver cette exemplarité et cette intégrité, perçues à travers les yeux de la population vis-à-vis de la police. Cela joue un rôle central dans la confiance que les citoyens accordent à nos forces de l'ordre.

Je ne suis pas certaine que c'était particulièrement dans la police qu'il fallait ouvrir les portes de la réinsertion. Cela dit, j'entends et j'accepte volontiers le fait que les procédures sont menées individuellement, au cas par cas, pour estimer chacune des situations. Mon sentiment est que, malgré tout, cela alourdit encore la procédure et que cela ne fluidifie pas le recrutement et l'entrée en service. Donc, là aussi, des équilibres doivent être maintenus. Je ne suis pas convaincue que ce soit la meilleure voie, mais j'accepte l'idée que certaines personnes méritent de pouvoir se réinsérer, y compris au sein d'un service de police. Je vous remercie.

Voorzitter:

La question n° 56005929C de M. Khalil Aouasti est transformée en question écrite.

Het politieoptreden bij het hitteplan in Knokke-Heist

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 15 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Paul Van Tigchelt kaart problematische mobiliteitsmaatregelen in Knokke-Heist aan: het hitteplan veroorzaakt extra files, belemmert werknemers en sluit kwetsbare groepen (ouderen, mindervaliden) de facto uit, terwijl politiecontroles met documentatieplicht en toegangsonderzoek proportioneel en juridisch twijfelachtig zijn. Bernard Quintin verdedigt het plan als tijdelijke oplossing voor overtoerisme, ontkent afsluiting of documentenplicht, en benadrukt dat extra politie-inzet breed wordt ingezet (mobiliteit, toezicht, strand) zonder andere taken te verwaarlozen. Van Tigchelt aanvaardt het antwoord maar blijft kritisch over de effectiviteit en rechtmatigheid van de maatregelen.

Paul Van Tigchelt:

Ik verwijs naar mijn ingediende tekst.

Op 1 mei was het uitzonderlijk druk aan onze kust. Gemeenten als Oostende en Knokke-Heist kondigden aan maatregelen te willen nemen om dit aan te pakken. Daarbij wordt gedacht aan het zogenaamd afsluiten van de gemeentes, onder meer door bezoekers af te leiden naar randparkings.

Op 3 juni werd het hitteplan van Knokke-Heist al eens uitgetest. Daar waar het de bedoeling was de verkeersdruk en de files te doen afnemen, ontstonden net door de implementatie van het plan extra lange files. Ondernemers in Knokke maken zich zorgen, ze vrezen dat hun werknemers op dagen dat het hitteplan zal worden ingeschakeld niet tijdig op hun werk zullen geraken. Daarnaast vragen velen zich af of het realistisch is om oudere mensen, mensen met beperkte mobiliteit of mensen met heel jonge kinderen drie kilometer te laten stappen vooraleer ze op het strand of in het centrum geraken. Hoewel de gemeente claimt dat iedereen welkom blijft, zou ze zo de facto wel verschillende groepen mensen weg kunnen houden.

Op 12 juni werd het hitteplan van Knokke-Heist voor de eerste keer afgekondigd, met 3 kilometer file tot gevolg.

Los van dat alles, zijn er vragen te stellen over de inzet van het politiekorps bij dit hitteplan. Uit de pers vernemen we dat iedereen die met de auto de perimeter wou binnen rijden gevraagd werd naar de reden om daar te zijn en dat er zelfs gevraagd werd naar documenten die de reden kunnen staven.

Mijn vragen hierbij zijn de volgende:

Is het optreden van het politiekorps proportioneel, is het toegelaten dat elke bestuurder die een gemeente wil binnenrijden gevraagd wordt naar de reden daar te zijn?

Is dergelijke inbreuk op de privacy van burgers door de politie toegestaan?

Kan dit politieoptreden gerijmd worden met het vrij verkeer van personen?

Zijn er naar uw mening problematische aspecten aan het verhinderen van toegang tot een bepaalde gemeente zoals dat het geval is met het hitteplan in Knokke-Heist?

Als dat volgens u het geval is, bent u van plan contact op te nemen met de burgemeester en/of de korpschef van de gemeente?

Is de inzet van zoveel agenten te verantwoorden of brengt dit mogelijks de uitvoering van andere taken van het lokale politiekorps in gedrang?

Bernard Quintin:

Ik ben altijd blij om hier te zijn, maar een ijsje eten op een terras in Knokke-Heist zou nog beter zijn met zo'n zon.

Knokke-Heist wordt de jongste jaren op hittedagen geconfronteerd met mobiliteits- en parkeerproblemen in het toeristisch centrum van deelgemeente Knokke. Bezoekers die vruchteloos rondjes blijven rijden en wildparkeren, leiden tot ergernissen bij de bewoners, verblijvers, handelaars en dagjestoeristen.

Het gemeentebestuur en de lokale politie hebben dit voorjaar een overgangsprocedure ingevoerd, in afwachting van een volledig uitgewerkt mobiliteitsplan. Omdat op warme dagen zoveel mensen naar de gemeente komen, werd ervoor gekozen om dagjestoeristen zoveel mogelijk buiten het toeristisch centrum te laten parkeren. Er werd een testfase voorzien om het plan in de praktijk te brengen. Uit die test is gebleken dat een ontradingsperimeter zal worden ingesteld wanneer het verzadigingspunt van het centrum is bereikt, waarna de voertuigen actief worden afgeleid naar een strand- of randparking. Dat is geen uniek concept en wordt ook in andere kustgemeenten toegepast.

Het is een misvatting dat de gemeente wordt afgesloten, laat staan dat er documenten gevraagd worden of moeten worden voorgelegd. Wanneer ik daarover desondanks signalen zou ontvangen, zal ik dat van naderbij bekijken.

Bij de uitrol van het plan worden inderdaad bijkomende politiemedewerkers ingezet. Die teams focussen niet alleen op mobiliteit en parkeren, maar evenzeer op aspecten van bestuurlijke of gerechtelijke politie. Ook op het strand en de dijk worden de teams ingezet. Daarvoor worden conform de bestaande principes bijstandsvragen uitgestuurd binnen de geïntegreerde politie, in het bijzonder bij onze protocolpartner, de politiezone Brugge.

Paul Van Tigchelt:

Mobiliteit is een belangrijk issue, zeker aan de kust in de zomer, voor alle mensen die daar een ijsje komen eten. Mijn vraag was terecht, omdat er twijfels waren over dat plan en bedenkingen of het wel een goede maatregel is. Uw antwoord volstaat voor mij.

De interne controle in de politiezone Brussel-West

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 15 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De zonepolitie Brussel-West staat onder vuur door herhaalde incidenten (dodelijk ongeval bij achtervolging zonder waarschuwingsmiddelen, geweldpleging, wapenmisbruik) die wijzen op structurele tekortkomingen in intern toezicht. Het controleteam is onderbezet (4 van de 8 onderzoekers actief), waardoor preventieve controles ontbreken en enkel klachten reactief worden behandeld, terwijl het aantal disciplinaire dossiers (van 0 in 2019-2020 naar 6 in 2023) stijgt—mogelijk door strengere controles of toegenomen wangedrag. De minister benadrukt nieuwe maatregelen (boordcomputers in voertuigen, strikte richtlijnen voor prioritaire ritten, verplichte analyse na ongevallen), maar Delcourt blijft kritisch over de halve capaciteit van het toezicht, die laxisme in de hand zou werken, en eist versterkte integriteit om het vertrouwen in de politie te herstellen.

Catherine Delcourt:

Monsieur le ministre, ces dernières années, la zone de police Bruxelles-Ouest a été à plusieurs reprises au centre de polémiques liées à des comportements problématiques de ses agents.

La mort de Fabian le 2 juin dernier à la suite d'une course poursuite à plus de 40 kilomètres à l'heure, et ce, dans un espace strictement piétonnier et fréquenté par de nombreuses familles, au sein d'un parc public. Pour rappel, aucun dispositif d'avertissement – ni sirène, ni gyrophare, ni communication par haut-parleur – n'avait été activé au moment des faits.

Autres éléments. La suspension d'un policier à la suite d'une intervention policière violente à Molenbeek en 2019. En 2023, une violente altercation a opposé plusieurs policiers de Molenbeek à un groupe d'élèves lors d'une sortie scolaire à la Lesse en kayak. Un policier de cette même zone de police a été condamné à huit mois de prison pour avoir sorti son arme de service - en civil - lors d'une altercation. Cela fait déjà un palmarès important pour cette zone de police.

Ces faits récurrents posent une question essentielle: celle du contrôle interne. Dans ce contexte, je souhaiterais vous poser les questions suivantes.

Le service du contrôle interne de la zone de police de Bruxelles-Ouest effectue-t-il de manière régulière ce contrôle? Combien de personnes composent ce service? Quel est le nombre de contrôles internes effectués chaque année dans cette zone? Et combien de contrôles mènent à des sanctions à l'égard de policiers?

Combien de procédures disciplinaires internes ont été ouvertes, au cours des dix dernières années, pour des faits comparables (poursuites non proportionnées, vitesse excessive, manquement aux consignes de sécurité en zone sensible)?

Bernard Quintin:

Madame Delcourt, la zone de police de Bruxelles-Ouest m'a transmis des informations suivantes et nécessaires afin de répondre à vos questions.

Le tableau organique de cette zone prévoit les fonctions suivantes au sein du service de contrôle interne: 1 commissaire directeur, 1 commissaire directeur adjoint, 1 agent Calog de niveau C en charge du secrétariat, 8 enquêteurs dont 2 commissaires et 6 inspecteurs principaux.

Cependant, l'effectif réellement en place au sein de l'équipe d'enquêteurs est actuellement limité à 4 membres sur 8. Cette situation restreint fortement la capacité opérationnelle du service notamment en ce qui concerne les contrôles préventifs. En conséquence, les missions principales du service de contrôle interne sont actuellement recentrées sur le traitement des plaintes, qu'elles soient de nature administrative, disciplinaire ou judiciaire.

Pour ce qui concerne les données disciplinaires, sur les sujets spécifiques de poursuites non proportionnées, vitesse excessive, manquements aux consignes de sécurité en zone sensible, il y avait 0 dossiers en 2019, 0 en 2020, 2 en 2021, 3 en 2022, 6 en 2023 et 5 plus 2 en 2024 si on compte les dossiers pour accumulation d'accidents en faute légère. Pour 2025, je n'ai pas encore les statistiques.

Je constate avec vous, en effet, une augmentation qui peut aussi être le fait de contrôles plus resserrés sur ces éventuels manquements.

Concernant votre seconde question, la majorité des véhicules de service de police sont géo-localisés et équipés de boîtes noires. Depuis février 2023, une directive interne relative à la conduite prioritaire est entrée en vigueur. Celle-ci encadre strictement les conditions de conduite en situation prioritaire, notamment en fixant les limites de vitesse tolérées et les comportements attendus lors du franchissement de feux rouges. Vous savez que c'est un sujet sur lequel je travaille suite aux drames qui se sont déroulés à Ganshoren et Anvers.

Conformément à cette directive, le service de contrôle interne est chargé, après chaque accident impliquant un véhicule de service en conduite prioritaire, d'analyser les données enregistrées par la boîte noire. L'analyse se concentre particulièrement sur la vitesse du véhicule au moment de l'intervention ainsi qu'au moment de l'impact. Cette vérification permet de s'assurer des règles établies.

Les cas échéant, et selon la gravité des manquements constatés, cette analyse peut donner lieu à la mise en œuvre de mesures d'ordre à l'encontre du conducteur concerné ou l'engagement d'une procédure disciplinaire. Bien sûr, sans tenir compte d'éventuelles poursuites judiciaires mais qui ne ressortent pas, à ce moment-là, des questions disciplinaires qui sont de mon autorité.

Catherine Delcourt:

Merci, monsieur le ministre, pour les chiffres et l'analyse que vous en faites. Il est vrai qu'on voit une augmentation de faits établis qui reflètent soit l'activité du service de contrôle interne, soit qui reflètent des problèmes grandissants. Il était intéressant de se préoccuper de l'activité du contrôle interne. Nous voulons voir plus de policiers en rue mais ceux-ci doivent être exemplaires, intègres. Pour s'en assurer, le contrôle interne est une fonction très importante. Dans cette zone de police, l'effectif affecté à ces missions est diminué de moitié. Cela peut laisser entendre qu'il y a une certaine largesse, souplesse ou du laxisme qui s'appliquent à ce contrôle interne, ce que l'on ne peut évidemment pas accepter.

Je vous remercie aussi d'avoir tout de suite pris les dossiers lourds à bras-le-corps, en veillant à ce que des procédures soient mises en place notamment dans le cadre de poursuites, que des garde-fous soient établis et que les suites soient apportées à la hauteur de la gravité de l'erreur qui est éventuellement commise.

Je vais continuer à suivre ces questions de contrôle interne à travers les zones de police. Je ne voudrais pas qu'on laisse entendre qu'il y a du laxisme au sein des services de police. C'est fondamental que la rigueur soit de mise.

Voorzitter:

Les questions n os 56006013C, 56006014C et 56006015C de M. Cornillie sont transformées en questions écrites. La question n° 56006215C de Mme Désir est également transformée en question écrite.

De aanhoudende criminaliteit in de grensstreken

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 15 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De stad Wervik klaagt over grensoverschrijdende criminaliteit (autodiefstal, inbraken) door beperkte samenwerking met Frankrijk, vooral bij achtervolging over de grens. Minister Quintin bevestigt dat de samenwerking goed is op vlak van drugs en terrorisme, maar tekortschiet voor "kleinere" criminaliteit zoals diefstal; hij onderhandelt over uitbreiding van achtervolgings- en interpellatierecht (kernpunt op 27/8 met Frankrijk) en herziening van het Akkoord van Doornik III. Praktische acties (gemengde patrouilles, gezamenlijke operaties) lopen al, maar structurele knelpunten (juridische drempels) blijven, terwijl criminaliteitscijfers stabiel zijn (behalve garagediefstallen). Depoortere benadrukt dat het niet enkel om Wervik gaat, maar om de hele Belgische-Franse grens, en verwacht concrete stappen na het overleg.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, recentelijk heeft de stad Wervik via een officiële brief haar ernstige bezorgdheid geuit over de aanhoudende criminaliteit in de grensregio. Ze worden daar geconfronteerd met autodiefstallen, woninginbraken, diefstallen uit bestelwagens enzovoort. De lokale politie doet wat ze kan, maar stuit blijkbaar op structurele beperkingen zodra de daders onze grens oversteken naar Frankrijk. De bestaande samenwerking met de Franse politiediensten blijkt in de praktijk onvoldoende om snel en daadkrachtig op te treden. Uiteraard is dat een situatie die verholpen moet worden. Daarom stel ik u graag een aantal vragen.

Ik vermoed dat u op de hoogte bent van de problematiek en van de oproep van de stad Wervik. Hoe beoordeelt u de samenwerking met de Franse politiediensten? Deelt u de vaststelling van de stad Wervik dat die samenwerking momenteel tekortschiet? Zo ja, hebt u overleg met uw Franse ambtsgenoot, de minister van Binnenlandse Zaken, om werk te maken van structurele afspraken, zodat grensoverschrijdende interventies mogelijk zijn? Bent u eventueel bereid om wettelijke en/of administratieve drempels weg te werken? Het komt erop neer dat we de grenscriminaliteit op een efficiënte manier moeten aanpakken. Ik denk dat we alle middelen moeten inzetten om een vlotte samenwerking met onze zuiderburen te verzekeren.

Bernard Quintin:

Mijnheer de voorzitter, de samenwerking tussen de Belgische en Franse politiediensten is over het algemeen zeer goed. We werken nauw samen op verschillende domeinen, zoals georganiseerde drugscriminaliteit, mensensmokkel en terrorisme, via verschillende structuren, namelijk de centra voor politie- en douanesamenwerking in Doornik en Luxemburg, grensinformatienetwerken voor de uitwisseling van informatie over grensoverschrijdende criminaliteit en overlegstructuren als het Strategisch Comité, de operationele werkgroep en lokaal overleg.

Hoewel er veel samenwerkingsmogelijkheden bestaan, liggen de prioriteiten van de Franse diensten vooral bij transmigratie en drugscriminaliteit. Andere vormen van grensoverschrijdende criminaliteit krijgen daardoor minder aandacht.

Hoewel de samenwerking reeds intensief is, kan ze nog verder worden uitgebreid en verdiept. Op 27 augustus heb ik een werklunch met mijn Franse collega Bruno Retailleau. Alles wat ik nu vermeld, staat ook op onze agenda.

Het huidige Akkoord van Doornik II biedt een wettelijke basis voor samenwerking, maar gaat minder ver dan de verdragen die we met de Benelux-landen en Duitsland hebben gesloten. België wil die discrepanties aanpakken via een herziening van Doornik III. Daarover vindt momenteel verkennend overleg plaats met het Franse ministerie van Binnenlandse Zaken. Een belangrijk knelpunt is het recht op grensoverschrijdende achtervolging. Dat moet effectiever worden gemaakt door ten eerste, de uitbreiding van de openingsvoorwaarden, met name het schrappen van de beperkende lijst van strafbare feiten, en ten tweede, de toekenning van interpellatierecht aan Belgische politieambtenaren op Frans grondgebied en omgekeerd.

België kan zich niet vinden in het Franse voorstel om enkel de openingsvoorwaarden te versoepelen zonder een oplossing voor het interpellatierecht. Dat punt is voor mij dan ook de kern van de werklunch met minister Retailleau eind augustus, zeker in het licht van de dramatische incidenten van een tiental dagen geleden in het noorden van Frankrijk.

In de grensstreek van West-Vlaanderen en Henegouwen worden al verschillende acties ondernomen: ten eerste, gemeenschappelijke operaties met de Franse diensten, zogenaamde Future- en Étoile-acties, ten tweede, bijzondere patrouilles van de wegpolitie tegen grenscriminaliteit, ten derde, gemengde patrouilles van lokale politiezones en Franse diensten en, ten vierde, joint investigation teams voor gerechtelijke onderzoeken.

De federale politie stelt periodiek informatierapporten op over grenscriminaliteit en deelt bijvoorbeeld dagelijks verslagen over eigendomscriminaliteit met de betrokken diensten. De wekelijkse overzichten tonen aan dat er de voorbije weken of maanden geen toename was van de grenscriminaliteit. Zowel woninginbraken als voertuigdiefstallen blijven op hetzelfde niveau als vorig jaar. Wel is er een stijging van het aantal garagediefstallen. Grensregio’s zijn van nature kwetsbaar voor criminaliteit, wat ook blijkt uit de situatie in de Euregio Maas-Rijn.

Gelijkaardige samenwerkingsmechanismen bestaan met Nederland, Luxemburg en Duitsland. De federale politie werkt aan een project om de analysefunctie binnen de CPDS te versterken, zodat de criminaliteit in de grensstreken beter in kaart kan worden gebracht en doeltreffender kan worden aangepakt, conform de Europese regelgeving. Met deze gestructureerde aanpak combineren we intensieve samenwerking met structurele verbeteringen om de veiligheid in onze grensregio’s te waarborgen.

Ortwin Depoortere:

Dank u wel, mijnheer de minister, voor uw constructieve antwoord. Ik kijk alleszins uit naar het verdere verloop. Ik stel samen met u vast dat de informatie-uitwisseling vlot verloopt. Het gaat eerder over de praktische uitvoering: het achtervolgingsrecht en het interpellatierecht waarnaar u terecht verwijst. Ik kijk dan ook uit naar het overleg dat u daarover zult hebben met uw Franse ambtsgenoot op 27 augustus. Uiteraard gaat het niet enkel om die ene regio, Wervik, die ik hier als voorbeeld aanhaal. U zegt het zelf, Franse grensregio’s zijn een gemakkelijk doelwit voor criminelen. Met Frankrijk delen we onze grootste landsgrens, groter dan die met Nederland. Het fenomeen is dus niet enkel van belang voor de regio van Wervik, maar ook voor het Waalse landsgedeelte. Daar moeten we eveneens oog voor hebben. Ik herinner me nog de tijd dat de heer Senesael hier zat namens de PS. Hij was burgemeester van een gemeente in de grensstreek en vroeg toen ook al veel aandacht voor die problematiek. Ik ben blij, mijnheer de minister, dat u dit mee in ogenschouw wilt nemen.

Een grootschalige politieactie in Peterbos

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 15 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De minister bevestigt dat de grootschalige politieactie in Peterbos deel uitmaakt van een structurele, gecoördineerde aanpak tegen drugscriminaliteit in Brussel, met versterkte inzet van federale en lokale politie, waaronder 30 extra speurders en maandelijkse evaluaties. Hij belooft herhaalde acties (ook landelijk), een integrale bestrijding van de hele criminele keten (van productie tot straathandel) en samenwerking met Frankrijk/Europol tegen grensoverschrijdende netwerken, gesteund door een interministeriële taskforce en plannen zoals *Kanaalplan 2.0* en politiezone-eenmaking. Depoortere dringt aan op concrete uitvoering van deze plannen—met name de versnelling van de Brusselse politiehervorming—om structureel een eind te maken aan openlijk drugsgeweld en maffia-invloed in wijken, in plaats van enkel symbolische acties.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, ik blijf constructief. Het is al een goede maand geleden, maar ik vond de grootschalige politieactie die in de beruchte wijk Peterbos werd uitgevoerd zeer, zeer goed. Verschillende personen werden opgepakt. De banden met de maffia in Marseille werden blootgelegd en bevestigd door procureur des Konings Moinil. Niets dan lof over de actie van politie en parket.

Een bekend Nederlands spreekwoord zegt het echter al: één zwaluw maakt de lente niet, mijnheer de minister. Ging het hier om een eenmalige actie of zal dit worden voortgezet? Zo ja, wat is het grotere plan om de drugsmaffia te bestrijden? Hoe ziet die strategie eruit? Zal er vaker een beroep op gespecialiseerde eenheden kunnen worden gedaan, ter ondersteuning van dergelijke acties?

Er was ook sprake van een vijfstappenplan bij politie en parket. Kunt u daarover wat meer uitleg geven?

Ik blijf erbij, een eenmalige actie zal weinig uithalen als men dat niet op regelmatige basis blijft doen. Zal men dit ook zo blijven doen in de toekomst, mijnheer de minister?

Bernard Quintin:

De actie van 11 juni kadert inderdaad in de meer structurele aanpak die nodig is voor de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit in Brussel.

De strijd tegen drugshandel en drugsgerelateerd geweld is een prioriteit voor de federale regering, voor de federale politie en voor justitie en moet dat ook zijn voor het lokale bestuur, de lokale politiezone en de Brusselse regering, als er een komt.

Onmiddellijk na mijn aantreden heb ik mijn daadkracht getoond aan de politie en de Brusselaars. De federale gerechtelijke politie werd meteen versterkt met 30 speurders om het druggerelateerd geweld aan te pakken. De lokale politiezone kreeg ondersteuning om de zichtbaarheid op de hotspots te verzekeren. Ook de spoorwegpolitie werd versterkt om meer slagkracht te hebben in de metro.

Bij de voorzitter van de politiezone heb ik er herhaaldelijk op aangedrongen om de nodige maatregelen te nemen en voldoende lokale capaciteit te voorzien om de veiligheid van de inwoners te verzekeren. Het kan immers niet de bedoeling zijn dat de federale politie structureel bijstand levert aan een politiezone waarvan het personeelskader blijkbaar onvoldoende is ingevuld of niet goed is georiënteerd. De bijstand van de federale politie aan de zone wordt maandelijks geëvalueerd.

De actie waarnaar u verwijst, werd gecoördineerd door de politiezone Zuid en het parket van Brussel. Ongeveer 900 politiemensen werden ingezet, van wie er 11 afkomstig waren van de federale politie. In totaal werden 411 personen gecontroleerd en 29 personen opgepakt. Voor het strafrechtelijk gevolg van deze actie verwijs ik u naar justitie.

Op de dag van de operatie heb ik de commandopost bezocht en de vastberadenheid van zowel politie als justitie kunnen vaststellen. Bij volgende acties – want die komen er – zal men alvast op mijn steun en die van de federale politie kunnen blijven rekenen. Zoals u weet, steun ik ook procureur des Konings van Brussel in zijn voorgestelde stappenplan voor Brussel. Er komen dus andere acties, in Brussel, maar ook in andere steden en andere delen van België.

Het regeringsbeleid in de strijd tegen drugs is gebaseerd op een gecoördineerde aanpak van de volledige criminele keten: van landen van herkomst, logistiek, toegangspoorten, geldstromen en georganiseerde misdaad tot bendevorming en straathandel. Met deze integrale en geïntegreerde aanpak kunnen we doeltreffend optreden tegen alle aspecten van het drugsprobleem en de daarmee samenhangende georganiseerde criminaliteit.

Om deze whole-of-government approach vorm te geven, heb ik de premier gevraagd om een taskforce op te richten en dat is ook gebeurd. Deze week vindt trouwens opnieuw een bijeenkomst plaats op ministerieel niveau. Vanuit mijn bevoegdheden zet ik verder in op meer structurele en pragmatische maatregelen, zoals de versterking van de federale gerechtelijke politie, het verder operationaliseren van de wet bestuurlijke handhaving, de uitwerking van het Kanaalplan 2.0 en de ééngemaakte politiezone.

Tot slot kan ik u meedelen dat de Belgische politiediensten reeds intensief samenwerken met Frankrijk in het kader van de bestrijding van de georganiseerde drugscriminaliteit en de criminele netwerken die daarin actief zijn. Beide landen waren trouwens twee van de drie oorspronkelijke leden van het joint investigation team dat heeft geleid tot de ontmanteling van verschillende netwerken in het kader van het Sky ECC-onderzoek. België en Frankrijk maken deel uit van de Europol-impactprojecten die gericht zijn tegen de high-value targets van de georganiseerde drugscriminaliteit en zijn samen actief in de operational taskforces , die momenteel met steun van Europol nog grensoverschrijdende onderzoeken voeren naar criminele organisaties die in onze beide landen actief zijn.

Ortwin Depoortere:

Dank u wel, mijnheer de minister, voor uw antwoorden. Ik ben uiteraard verheugd dat het niet bij één actie zal blijven, maar dat er in de toekomst verdere acties zullen volgen. Openlijke schietpartijen, zelfs overdag, afrekeningen en de drugmaffia die volledige wijken inpalmt, we moeten daar komaf mee maken. Ik denk dat dat de veiligheid van iedereen ten goede zou moeten komen. Er zijn al veel plannen gesmeed en gemaakt in het verleden: een kanaalplan, een kanaalplan 2.0, een taskforce en de eenmaking van de Brusselse politiezones. Ik hoor u dat allemaal opnieuw opsommen, maar ik hoop vooral, mijnheer de minister, dat het na die opsomming niet bij woorden blijft, maar dat er ook effectief daden zullen volgen. Zeker wat de eenmaking van de Brusselse politiezones betreft, waar u toch zwaar op hebt ingezet, hoop ik dat u geen tijd meer verliest en dat we binnenkort de resultaten daarvan mogen aanschouwen.

De gebouwen van de federale politie in Luik

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 15 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De erbarmlijke toestand van de federale politie-infrastructuur in Luik (oude, asbesthoudende gebouwen, ontoereikende opleidingsfaciliteiten) staat al decennia op de agenda, met een blokkerend masterplan (2018-2035) en gebrek aan concrete actie. Minister Quintin belooft versnelling via samenwerking met de Régie des Bâtiments, prioriteit voor Vottem (fase 2) en tijdelijke oplossingen (bv. stand van schietoefeningen in Hasselt), maar erkent dat structurele verbetering jaren zal duren. Daerden wijst op het falende vertrouwen na jaren leeg beloftebeleid en eist direct meetbare resultaten—veilige, waardige werkomstandigheden als basisrespect voor agenten. De urgentie botst met politieke traagheid, terwijl 1.500 agenten wachten op daadkracht.

Frédéric Daerden:

Monsieur le ministre, merci d'accepter que je pose ma question. Ce vendredi 20 juin, vous deviez accompagner la ministre Vanessa Matz lors d'une visite très attendue du site de la police fédérale de Vottem (Herstal). Ce déplacement important n'a finalement pas eu lieu. Il aurait pourtant permis de constater que les conditions de travail des fonctionnaires de la police fédérale en province de Liège sont, si je puis dire, indignes. Depuis des années, les syndicats, les agents, les responsables politiques locaux et nationaux, dont ceux de mon groupe, alertent. À Liège, la police fédérale est logée dans des bâtiments vieillissants, parfois modulaires, contenant de l'amiante ou menacés de ruine. Les infrastructures d'accueil et de travail sont sous-dimensionnées pour les équipes en place. Il est impossible de suivre correctement les formations obligatoires, faute d'installations disponibles comme les stands de tir. Un masterplan existe et est censé répondre à ces défis, mais il est à l'arrêt depuis 2018, alors qu'il devrait être finalisé à l'horizon 2028. Aujourd'hui, les délais annoncés flirtent avec 2035.

Dans ces conditions, permettez-moi de vous poser quelques questions. Quelles initiatives entendez-vous prendre pour faire aboutir ce masterplan dans un délai raisonnable? Quelles mesures urgentes seront prises pour garantir aux équipes déjà sur le terrain des conditions d'accueil, de travail, de formation à la hauteur de leur mission? Disposez-vous au sein de votre département d'un plan spécifique pour la province de Liège et ce, en concertation avec la Régie des Bâtiments et les autorités policières locales? Enfin, comment entendez-vous répondre à l'appel lancé par les syndicats et, notamment la CGSP, qui attendent un engagement politique fort, chiffré, planifié, et pas seulement une visite?

Bernard Quintin:

Monsieur le député, d'emblée, je peux vous préciser que la visite n'a pas pu être réalisée le 20 juin. Cette visite a été reportée pour des questions d'agenda. Mais pour votre information, j'ai cependant pu me rendre dans notre bonne ville de Liège ce 11 juillet au sein des services de la zone de la police locale de Liège.

Si une visite ne suffit pas - je vais finir par croire qu'on va me reprocher le fait de rendre visite le plus possible à la police locale et aux services de la police fédérale; mais je continuerai quand même à le faire - mais si une visite ne suffit pas, je considère utile de rencontrer les acteurs de terrain; dans le cas dont question, en compagnie de la ministre en charge des travaux nécessaires et prévus. Cela peut, en effet, aider à faire accélérer des situations qui posent des difficultés depuis parfois bien trop longtemps.

Je crois même avoir compris que, pour le site de Vottem, des rapports existent depuis les années 50. Je trouve cela extrêmement interpellant. Je ne suis ministre que depuis cinq mois et j'ai l'intention de travailler d'arrache-pied à cette problématique. J’y reviendrai à la fin de ma réponse.

Pour ce qui concerne les bâtiments de la police fédérale de la province de Liège, je suis informé de la situation actuelle des infrastructures. J'ai, dans ce cadre, des contacts réguliers avec ma collègue la ministre en charge de la Régie des Bâtiments, Mme Vanessa Matz, afin d'insister sur les priorités absolues: notamment l'importance de maintenir un développement soutenu de la phase 2 du masterplan Vottem, en vue d'en permettre la concrétisation.

Comme vous, je considère, étant donné que les validations de ces travaux sont actées, qu'il faut stabiliser le calendrier d'exécution afin de donner aux membres du personnel de la police fédérale qui en bénéficiera des perspectives claires et fiables.

Par ailleurs, je ne veux pas simplement me limiter à ce qui doit advenir, mais aussi m'assurer que les conditions actuelles puissent être améliorées dans l'attente de la concrétisation du masterplan.

Il est essentiel de s'assurer que les locaux actuels présentent un niveau de sécurité et restent adaptés. Les situations transitoires doivent être déployées, à l'instar du projet à Jemeppe-sur-Meuse, que j'espère pouvoir concrétiser dès l'année prochaine.

Concernant le stand de tir que vous évoquez, il y a effectivement des difficultés. C'est pour cela que le stand rénové récemment à Hasselt, pas trop loin de Liège, est accessible aux services liégeois selon les plages disponibles. Il y a aussi les alternatives temporaires mises en œuvre auprès de la Défense, des zones de police, d'intercommunales et si besoin d'infrastructures privées, qui sont assurées avec des budgets spécifiques pour veiller à l'exécution des exigences et normes de la GPI 48.

Par ailleurs, il est exact que les locaux modulaires accueillant les corps de formation sont limités, mais certains ont été fermés car ils ne garantissaient pas des conditions de travail adaptées. Pour ce qui concerne la présence d'amiante, des études ont été faites pour s'assurer de toute absence de risque. C'est d'ailleurs pour cette raison aussi que certains locaux ont été fermés.

Enfin, le masterplan Eupen, déployé en collaboration entre la Régie des Bâtiments, la police fédérale, les autorités locales et la zone de police, prévoit la construction d'un bâtiment au sein duquel une cohabitation entre les deux corps de police interviendra. Ces deux projets toucheront 1 500 membres du personnel, directement ou indirectement, et ce, sans compter les effectifs des zones de police.

Je peux vous assurer que je demande à mes services et aux services de police de suivre de près le suivi de ces dossiers par la Régie des Bâtiments. On a parlé tout à l'heure de l'attractivité de la fonction de police. Proposer de bonnes conditions de travail, entre autres de bâtiment, est pour moi essentiel. Nous ne pourrons pas tout faire en quatre ans, et il faudra mettre des priorités. Il est évident que les locaux de Vottem figurent parmi ces priorités.

Frédéric Daerden:

Monsieur le ministre, vous vous présentez souvent comme un fervent soutien des forces de l'ordre, et j'entends l'importance d'une police proactive, visible et efficace. Vous reconnaissez que cela n'a pas beaucoup bougé ces dernières années, vous l'avez d'ailleurs évoqué en introduction.

L'état déplorable des infrastructures, notamment, est dénoncé depuis des années. Sous la législature précédente, Mathieu Michel était chargé de ce dossier. Résultat, pas une seule amélioration concrète, rien! Aujourd'hui, nos policiers attendent autre chose que des mots: des murs qui tiennent, des bureaux décents, des conditions de travail dignes. Ce n'est pas une faveur, mais un minimum de respect envers ceux qui veillent chaque jour à notre sécurité.

Il est temps que notre gouvernement passe enfin des promesses aux résultats tangibles, pour que le soutien affiché à la police devienne crédible sur le terrain. J'entends que c'est votre priorité, et j'espère que vous aurez l'occasion de mener cela à bien.

Voorzitter:

De samengevoegde vragen nr. 56006312C van de heer Bergers en nrs. 56006979C en 56006980C van de heer Van Tigchelt zijn omgezet in schriftelijke vragen.

De stroompanne bij de federale politie in Antwerpen
De grote stroompanne bij de federale politie in Antwerpen
Grote stroompanne bij federale politie Antwerpen

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 15 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Een stroompanne op 26 juni 2025 in het Antwerps politiegebouw Noordsingel (door een defecte transformator) legde noodsystemen, ICT en brandveiligheid plat, met operationele gevolgen, ondanks een eerdere positieve inspectie in 2025. Minister Quintin bevestigt dat verouderde infrastructuur (liften, airco, noodgenerator) dringend gemoderniseerd moet worden, met geplande werken (o.a. transformatoren, serverkoeling), maar het masterplan uit 2016 voor centralisatie blijft onuitgevoerd door gebrek aan middelen en coördinatie tussen Regie der Gebouwen, eigenaar en politie. Depoortere hamert op structurele verwaarlozing, eist versnelde investeringen en noemt de situatie "respectloos" voor veiligheidspersoneel. De regering belooft opvolging, maar concrete actie en financiën ontbreken nog.

Ortwin Depoortere:

Ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

Een grote stroompanne trof de Noordsingelgebouwen van de federale politie in Antwerpen op 26 juni 2025. Hierbij bleken er niet alleen problemen te zijn met de noodgenerator, die niet werkte. Ook een nooduitgang bleek geblokkeerd te zijn. Ook met de brandveiligheid in het algemeen is er sprake van heel wat problemen.

Het personeel moest uiteindelijk geëvacueerd worden. Daarbovenop was de ICT-infrastructuur niet toegankelijk, gezien de servers in het gebouw zonder stroom stonden.

Dit is lang niet de eerste keer dat er problemen zijn met gebouwen van onze veiligheidsdiensten.

Nam u reeds kennis van deze stroompanne? Hoe beoordeelt u de reactie op het terrein en de nasleep van het voorval?

Wat was de impact hiervan op de operationele capaciteit en paraatheid van de politie?

Waardoor werd deze stroompanne veroorzaakt?

Wat zal u doen om de continuïteit van dienstverlening en ICT-systemen te garanderen?

Volgt er een brandveiligheidsanalyse met inspraak van de brandweer voor de betrokken gebouwen?

Wat is de staat van de betrokken gebouwen wat betreft onderhoud en algemene veiligheid?

Zal u na dit zoveelste voorval actie ondernemen tegen de aftakeling van gebouwen van onze veiligheidsdiensten? Voert u investeringen uit? Zo ja, welke?

Bernard Quintin:

Mijnheer de voorzitter op 26 juni 2025 vond er omstreeks 10.20 uur een algemene stroompanne plaats in het Ring Center in Antwerpen. Deze panne werd veroorzaakt door een defect in de hoogspanningscabine, meer bepaald door een defecte transformator. Het incident had een indirecte impact op de operationele activiteiten van LGP en CSD Antwerpen. Omstreeks 15.00 uur werd een noodgroep in werking gesteld, waardoor de kritieke installaties opnieuw van stroom konden worden voorzien. De volgende dag, omstreeks 1.00 uur ’s nachts, was de stroomvoorziening in het hele gebouw weer normaal. Er moet worden opgemerkt dat eerder, in 2025, een volledige inspectie van de hoogspanningscabine werd uitgevoerd en dat de testresultaten positief waren.

De technische infrastructuur van de site Noordersingel dient te worden gemoderniseerd. De levenscyclus en werking van de technische installatie in het gebouw worden in eerste instantie opgevolgd door de eigenaar, de Regie der Gebouwen, de onderhoudsfirma en de keuringsorganismen. De keurings- en onderhoudsverslagen helpen de eigenaar en de Regie der Gebouwen om de toestand van de installaties in te schatten. Ook de federale politie draagt bij aan deze opvolging, onder meer via meldingen van vastgestelde problemen en feedback over de concrete werkomstandigheden en percepties van de gebruikers in het gebouw. De federale politie rekent op de expertise van deze partners, zodat zij de nodige maatregelen nemen in overeenstemming met de respectieve verantwoordelijkheden, zoals voorzien in het huurcontract van dit gehuurde private gebouw. Gelet op de ouderdom van sommige technische installaties dienen de komende jaren zeker nog aanpassingen te gebeuren, hetzij door de eigenaar, hetzij door de Regie der Gebouwen. Over de airconditioning in het gebouw worden bijvoorbeeld al jarenlang klachten geuit, evenals over de verouderde staat van de liften en deuren.

De nodige risicoanalyses werden uitgevoerd. Door de techniciteit van het onderwerp zal ik hier niet verder op ingaan. Voor dit gebouw zijn in de komende maanden verschillende renovatiewerken voorzien, hetzij onder beheer van de eigenaar, hetzij van de Regie der Gebouwen, hetzij van de federale politie.

In het kader van de optimalisatie van de federale politie werd ervoor gekozen om zoveel mogelijk diensten te centraliseren op één site. In die context werd in 2016 door de toenmalige DirCo en DirJud een strategisch huisvestingsdocument opgesteld, waarbij werd gekozen voor maximale centralisatie van alle diensten van CSD en FGP Antwerpen op één site, met een hoofdinplanting in Antwerpen. Dat masterplan werd tot op heden nog steeds niet uitgevoerd. Het zou nochtans de beste structurele oplossing zijn voor de verschillende betrokken eenheden die deel uitmaken van dit plan. Ik heb deze prioriteit voor de politiediensten nogmaals benadrukt bij mijn collega die verantwoordelijk is voor de Regie der Gebouwen.

Er zijn bovendien werken bezig en andere werken zijn gepland op korte en middellange termijn, zoals de vervanging van de transformatoren van de hoogspanningscabine, de vervanging van het airconditioningsysteem van de serverruimte, de verhuizing van de CCU naar bijgebouw C, de renovatie van de benedenverdieping, werkzaamheden op bepaalde verdiepingen en de vervanging van het bedieningssysteem van de noodgenerator.

Ik zal niet verder ingaan op wat er precies moet gebeuren, maar met deze voorbeelden wil ik u tonen dat ik bijzonder veel aandacht heb voor de toestand van deze politie-infrastructuur, net als voor andere infrastructuur, zoals in Vottem, die ook voor operationele problemen zorgt. Ik stel dit vast en geef u dat in alle transparantie mee. Dit vereist financiële middelen, maar ook een strikte opvolging die moet worden verzekerd.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw transparant antwoord.

Ik ben het met u eens dat onze veiligheidsdiensten op sommige plaatsen in wel heel erbarmelijke omstandigheden moeten werken. Dit is het zoveelste voorbeeld daarvan.

Het kan er bij mij niet in dat men aan het begin van dit jaar een inspectie doet van een transformator en dat die in juni defect is, waardoor de technische infrastructuur onbruikbaar is. Ik zal er in de toekomst blijven op hameren dat dit ook een verantwoordelijkheid van de Regie der Gebouwen is. Ik ben blij dat u uw collega die daarvoor bevoegd is daarvan op de hoogte hebt gesteld. Dit kan zo niet langer. Er is een masterplan dat dateert van 2016. We zijn intussen negen jaar verder en dat masterplan is nog niet eens in uitvoering gebracht. Zo kan men toch niet blijven werken? Dat is respectloos ten aanzien van onze veiligheidsdiensten.

Ik reken erop dat deze regering daar werk van zal maken en ik reken erop dat u op diezelfde nagel zult slaan en dat we de Regie der Gebouwen zullen kunnen dwingen om eindelijk de financiële middelen te verstrekken opdat onze politiemensen op een fatsoenlijke manier gehuisvest kunnen worden.

Voorzitter:

La question n ° 56006511C de M. Prévot est transformée en question écrite. Les questions n os 56006527C et 56006599C de M. Thiébaut sont reportées. Les questions jointes n ° 56006560C de Mme Mutyebele Ngoi et n° 56006712C de Mme Maouane sont transformées en questions écrites. De vragen nrs. 56006611C en 56006612C van de heer Van der Donckt worden omgezet in schriftelijke vragen.

De steekpartij in Lommel

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 15 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Na een gerichte steekpartij door Afghanen in Lommel (4 gewonden, 6 arrestaties) benadrukt Depoortere de link tussen immigratie en geweld, eist strengere uitzettingen en meer politiecapaciteit, terwijl minister Quintin bevestigt dat 9 van de 10 betrokkenen asielgerelateerd waren (4 gekend bij politie) en versnelde repatriëring van criminele vreemdelingen aankondigt, maar geen causaal verband tussen migratie en criminaliteit erkent. Depoortere blijft hameren op directe grenscontroles en snellere uitzetting, wijzend op nieuwe rellen in Lommel als bewijs. Quintin belooft herziening van de KUL-norm voor betere politie-inzet en samenwerking met Justitie voor efficiëntere terugkeerprocedures.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, ik heb een vraag ingediend over de recente steekpartij tussen een twintigtal jonge Afghanen in Lommel op zondag 6 juli 2025. Vier personen werden gewond. Twee personen liepen zelfs levensbedreigende verwondingen op. Minstens zes personen werden gearresteerd.

Volgens de waarnemend burgemeester kwamen sommigen van die groep speciaal naar Lommel om een bewoner van het zogenaamd tijdelijk Fedasil-opvangcentrum een lesje te leren. Het gaat hier dus om gericht geweld op klaarlichte dag.

Dergelijke taferelen zijn wij spijtig genoeg gewoon te zien in Brussel en omstreken. Nu zien wij echter waarvoor ik al jaren waarschuw, namelijk een uitbreiding van dergelijk geweld over heel Vlaanderen, tot in het Limburgse Lommel, zoals deze week bleek.

Mijnheer de minister, welke verblijfsstatus kan de politie terugvinden van de gearresteerde personen? Waren de betrokkenen reeds gekend bij onze veiligheidsdiensten?

Is er volgens u voldoende politiecapaciteit in Lommel en bij uitbreiding in Limburg om dergelijke geweldincidenten te voorkomen?

Mij moet van het hart dat ik telkens een duidelijke link zie tussen immigratie en een stijgend aantal geweldmisdrijven. Deelt u mijn visie of ziet u andere oorzaken?

Bent u bereid om samen met de ministers van Justitie en van Asiel en Migratie voor een effectieve uitzetting te zorgen van vreemdelingen die zich schuldig maken aan geweldmisdrijven?

Welke maatregelen kunt u bijkomend nemen om dergelijke incidenten en de onveiligheid uit onze steden te bannen?

Bernard Quintin:

Mijnheer Depoortere, bij de controle na de mesaanval in Lommel werden tien personen geïdentificeerd, van wie er negen werden aangehouden. Wat hun statuut betreft, allen waren van Afghaanse afkomst op het moment van de arrestatie. Vier van hen waren asielzoekers van wie de procedure door het CGVS werd opgeschort. Twee van hen hadden het statuut van erkend vluchteling. Drie van hen hadden een nieuwe asielaanvraag ingediend. Eén persoon was verwikkeld in een procedure tot nietigverklaring bij het CGVS. Van de tien geïdentificeerde personen waren er vier gekend bij de politie. Dat zijn de cijfergegevens.

Wat betreft de inzet van politiepersoneel in de zone Lommel, baart de vaststelling mij evenzeer zorgen als u. Precies daarom is een analyse opgestart met het oog op de herziening van de zogenaamde KUL-norm, om de middelen beter af te stemmen op de reële behoeften op het terrein.

Tot op heden bestaat er in België, net als in de rest van Europa, geen enkel empirisch onderzoek dat aantoont dat massale immigratie leidt tot een toename van gewelddadige criminaliteit. Het plan om vreemdelingen die zich schuldig hebben gemaakt aan criminaliteit het land uit te zetten, is al in voorbereiding. De regering heeft meer bepaald beslist om het aantal illegale personen dat vanuit gevangenissen wordt gerepatrieerd te verhogen. Daarvoor werken we samen met de departementen Justitie, Buitenlandse Zaken en Asiel en Migratie om de administratieve procedures voor de terugkeer van die mensen naar hun land van herkomst te versnellen.

Wat de politiediensten betreft, willen we het werk van de overbrenging en begeleiding van gedetineerden opvoeren. We hopen de toename in repatriëringen op zeer korte termijn te kunnen realiseren. Justitie is logischerwijs verantwoordelijk voor de coördinatie van die maatregelen.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

Terwijl we hier het steekincident van 6 juli bespreken, waren er gisteren in Lommel opnieuw schermutselingen en vechtpartijen met asielzoekers die daar verblijven. De bewering dat er geen correlatie is tussen immigratie en geweld, is het zonlicht ontkennen. Ik doe enkel de empirische vaststelling dat dat steeds meer voorkomt en ik reken erop dat deze regering dat niet meer zal toelaten en daar kordater in zal zijn.

U hebt het wel over het repatriëren van gevangenen die niet over de Belgische nationaliteit beschikken, maar dat is een kleine druppel op een hete plaat. Nog beter zou zijn om effectief grenscontroles in te voeren en die criminele vreemdelingen onmiddellijk het land uit te zetten en hen zeker niet het land te laten binnenkomen.

Dat we de KUL-norm moeten herzien, is een open deur intrappen. Daarvoor zult u in mij een objectieve partner vinden.

Voorzitter:

Vraag nr. 56006831C van de heer Metsu wordt omgezet in een schriftelijke vraag.

De incidenten in Antwerpen waarbij willekeurig geweld werd gebruikt

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 15 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Paul Van Tigchelt kaart de toenemende geweldsincidenten in Antwerpen (zoals moorden en willekeurige aanvallen) aan en vraagt om federale versterking van de gerechtelijke politie, zoals beloofd in het regeerakkoord (van 550 naar 774 agenten). Minister Quintin bevestigt de ernst van de situatie, benadrukt dat er geen sprake is van een nationaal patroon, maar kondigt verhoogde zichtbaarheid, samenwerking met lokale politie/De Lijn en 89 nieuwe vacatures (20 reeds ingevuld) aan. Van Tigchelt stelt dat de beloofde uitbreiding dreigt te worden geschrapt en wijst op een mogelijke breuk met de regeerakkoordafspraken. De discussie blijft onopgelost, met een verschuiving naar een schriftelijke vraag.

Paul Van Tigchelt:

Van de gemeenteraad van Knokke gaan we naar de gemeenteraad van Antwerpen.

Mijnheer de minister, Antwerpen ligt mij na aan het hart, zoals u weet. Ik wil niet cynisch zijn, integendeel, maar het regent in Antwerpen de laatste weken en maanden geweldsincidenten. Burgers en wijkgroepen manifesteren zich, omdat ze veel onveiligheid en overlast ervaren.

Dat wilde ik ook via mijn schriftelijke voorbereiding aan u voorleggen, want er was een tijd, nog niet zo lang geleden, waarin de burgemeester van Antwerpen bij elk incident letterlijk moord en brand schreeuwde en zei dat het federaal niveau niets voor hem deed. Iemand moet die stem nu vertolken. Ik richt me dus op een beleefde manier tot u.

Mijnheer de minister, hebt u kennis van die situatie? Hoe evalueert u die? Is er al sprake van de beloofde versterking van de federale gerechtelijke politie van Antwerpen, zoals in het regeerakkoord voor de korte termijn werd aangekondigd?

Bernard Quintin:

Mijnheer Van Tigchelt, de recente gewelddaden in Antwerpen, zoals de dodelijke aanval op een speelplein in de Seefhoek, de moord in een bus van De Lijn en de aanvallen met een geïmproviseerd wapen bij het centraal station, zijn ontoelaatbaar en diep verontrustend. Elke daad van geweld, zeker wanneer die schijnbaar willekeurig gebeurt, tast het veiligheidsgevoel van de burgers aan.

Ik betuig mijn medeleven met de slachtoffers en hun naasten. Hoewel die incidenten zich in korte tijd en op het grondgebied van Antwerpen hebben voorgedaan, lijkt er voorlopig geen sprake te zijn van een terugkerend patroon of een gemeenschappelijk motief. Wat de frequentie van dergelijke feiten op nationaal niveau betreft, verwijs ik naar de systematische analyse van de politie.

Het fenomeen van agressie zonder duidelijke band tussen de dader en het slachtoffer – soms omschreven als zinloos geweld of gelegenheidsgeweld – wordt nauwgezet opgevolgd, zowel lokaal als federaal. De beschikbare cijfers laten momenteel geen eenduidige conclusie toe dat er sprake is van een nationaal stijgende tendens van dit type geweld, al kan de mediabelangstelling wel bijdragen aan een verhoogde waarneming ervan. Naar aanleiding van het incident op 25 mei werd de wijk Antwerpen-Noord door de waarnemend burgemeester als prioritaire aandachtswijk aangeduid.

Hierdoor kon de politie de zichtbare aanwezigheid verhogen en frequentere identiteitscontroles uitvoeren. De veiligheid in grootsteden en op het openbaar vervoer vereist een geïntegreerde aanpak, met, ten eerste, een versterking van de zichtbare politietussenkomsten, onder andere via dynamische patrouilles in het openbaar vervoer en op drukke plekken, ten tweede, een nauwere samenwerking tussen de lokale politie, de federale politie en de vervoersmaatschappijen, op basis van duidelijke protocollen en gezamenlijke acties, ten derde, gerichte identiteitscontroles, uitsluitend binnen het wettelijke kader en, ten vierde, de snelle inzet van bijkomende capaciteit.

Lokale politiezones kunnen bij operationele overbelasting of bij specifieke dreigingen dus versterking aanvragen via de coördinatie- en steundirecteur (DirCo) van de federale politie in het arrondissement.

Ten vijfde, in overleg met de lokale overheden kunnen de politiediensten gecoördineerde acties organiseren naar het voorbeeld van de FIPA-operaties in Brussel, met operationele ondersteuning van de DirCo. Er zijn dingen die in Brussel gebeuren die in Antwerpen ook kunnen gebeuren.

Deze acties omvatten gemengde patrouilles, gerichte controles en tijdelijke versterkte inzet in het openbaar vervoer. De politiezone wijst bovendien op het bestaan van een samenwerkingsprotocol met De Lijn. Dit zorgt voor een vlotte informatiedoorstroming en voor gecoördineerde interventies.

De politie treedt steeds gepast op bij meldingen van feiten die de fysieke integriteit in gevaar brengen. Sinds juli 2024 werden er 89 vacatures gepubliceerd voor de FGP van Antwerpen, waarvan er intussen reeds 20 ingevuld werden. Momenteel zijn 37 procedures nog lopende. Deze cijfers houden nog geen rekening met de laatst gepubliceerde mobiliteitscyclus.

Paul Van Tigchelt:

Ik dank u voor uw antwoord, mijnheer de minister. Het is inderdaad belangrijk, wanneer het over de veiligheid in Brussel en Antwerpen gaat, dat we daar aandacht voor hebben. In Antwerpen is dat zo. Het is goed dat er nu vanuit Brussel ook die aandacht is.

Ik merk alleen op dat het erop lijkt dat de eerste minister van dit land, die voordien burgemeester was in Antwerpen, een verkiezingsbelofte en een belofte in het regeerakkoord dreigt te verbreken. Hij beloofde inderdaad dat de FGP van Antwerpen op het niveau van de FGP van Brussel gebracht moest worden. Dat wil zeggen dat men van 550 naar 774 personeelsleden moet. Ik meen dat daar nu geen sprake meer van is en dat ze dat in Antwerpen ook moeten weten.

Voorzitter:

Mijn vraag nr. 56006907C heb ik omgezet in een schriftelijke vraag.

Het beheer van de door de lokale politie in beslag genomen goederen

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 15 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Jean-François Gatelier vraagt of lokale politiezones—zoals de onderbefinancierde BotHa-zone—mogen gebruikmaken van in beslag genomen voertuigen (nu enkel voor federale politie) om discreet drugsonderzoeken uit te voeren, gezien hun beperkte middelen en herkenbare dienstvoertuigen. Minister Quintin bevestigt dat dit juridisch onder de bevoegdheid van Justitie valt (via OCSC-regels) maar steunt het principe, verwijzend naar *asset sharing* om criminaliteitsbestrijding te versterken. Gatelier benadrukt bovendien de unieke operationele uitdagingen van BotHa (groot gebied, weinig personeel, grenscriminaliteit) en pleit voor een uitzonderingsstatus bij eventuele politiefusies, om efficiëntie te behouden.

Jean-François Gatelier:

Monsieur le ministre, il apparaît que la police fédérale peut, dans certaines conditions, utiliser des véhicules saisis dans le cadre d'enquêtes pénales, notamment en matière de lutte contre les trafics de stupéfiants. Cette pratique encadrée juridiquement permettrait de renforcer la discrétion et l'efficacité des opérations en utilisant des véhicules qui ne sont pas immédiatement identifiés comme appartenant à la police.

Dans un contexte où le financement des zones de police devient de plus en plus difficile pour les communes partenaires, ne pourriez-vous pas envisager ou encourager l'extension de cette possibilité aux zones de police dans le respect du cadre légal existant? C'est une demande qui me vient du terrain. Je pense notamment à ma zone de police, la zone de police BotHa qui dispose d'une police judiciaire locale très active et performante dans la lutte contre le trafic de drogue. Faute de moyens suffisants, cette équipe ne dispose actuellement que de deux véhicules déjà malheureusement identifiés par les délinquants visés par les enquêtes. Cela limite leur capacité d'action et compromet dans certains cas la réussite des opérations.

Pouvez-vous dès lors nous indiquer si une telle utilisation de véhicules saisis par les zones de police locales est actuellement possible ou envisagée? Seriez-vous prêt à examiner, en concertation avec le SPF Justice et les parquets, la mise en place d'une procédure permettant aux zones locales d'en bénéficier dans un cadre transparent et sécurisé?

Bernard Quintin:

Monsieur Gatelier, l'utilisation par les services de police d'avoirs patrimoniaux saisis ou confisqués dans le cadre de ce qu'on appelle communément le asset sharing est encadrée par des dispositions légales relevant du Code d'instruction criminelle ainsi que de la loi du 4 février 2018 relative à l'Organe central pour la Saisie et la Confiscation (OCSC). Ces dispositions, de même que les modalités pratiques de mise à disposition, notamment celles précisées dans le protocole d'accord du 18 août 2022, relèvent de la compétence de la ministre de la Justice.

La décision de mise à disposition d'un avoir patrimonial est prise par le directeur de l'OCSC, autorité placée sous la responsabilité de cette dernière. En tant que ministre de l'Intérieur, je soutiens pleinement les objectifs poursuivis par ce mécanisme qui permet de valoriser l'action des services de police dans la lutte contre la criminalité grave et organisée. Toutefois, comme je le disais, la mise en œuvre dépend de ma collègue, la ministre de la Justice.

Cela dit, je mets ceci aussi dans le cadre du follow the value . Je pense qu'il est absolument nécessaire que les biens qui sont saisis, singulièrement dans le cadre de la lutte contre les trafics de drogue, puissent être réalisés d'une certaine manière, c'est-à-dire qu'on puisse les utiliser, les vendre et générer des revenus qui peuvent après être utilisés.

L'utilisation de ces véhicules de sorte que les opérations qui doivent être faites par les sections de police judiciaire puissent être faites avec un certain nombre de moyens qui ne sont pas identifiables directement par les réseaux criminels est importante. Je vous invite donc éventuellement à reposer cette question à ma collègue la ministre de la Justice, qui est directement compétente. Mais vous avez mon soutien sur le principe.

Jean-François Gatelier:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse. Bien entendu, je me tournerai vers votre collègue la ministre de la Justice, parce qu'il s'agit d'une simple petite résolution, mais qui apporte beaucoup d'effets, notamment pour un SER d'une petite zone de police. Je parle de ma zone de police! Je ne sais pas si vous la connaissez bien. Elle rencontre, comme toutes les autres, des difficultés, mais celle-ci est vraiment exceptionnelle.

Je profite du temps de parole qui m'est donné pour attirer votre attention sur celle-ci, puisqu'on parle d'éventuelles fusions des zones de police. On sait bien qu'elle concerne Bruxelles, mais peut-être aussi la Wallonie. On est encouragé, en tout cas, à fusionner les zones de police. Ça se fait déjà dans des zones voisines. Mais sachez que ça va être très difficile pour les zones de police BotHa de fusionner, puisque la superficie de cette zone est trois fois celle de la Région de Bruxelles-Capitale pour seulement 70 policiers. Il y a cinq policiers du SER qui font un travail formidable.

Le parquet de Charleroi est relativement satisfait d'avoir une antenne détachée à une heure de route dans une zone où il y a une frontière française sur 120 kilomètres, trois compagnies de gendarmerie à gérer à l'ouest, un arrondissement judiciaire différent sur Dinant à l'est, et au nord, l'arrondissement judiciaire de Charleroi, tout cela sans compter les problèmes liés aux lacs et à la criminalité transfrontalière. Ce contexte pose vraiment problème pour que nous puissions avoir une police locale efficace.

J'attire votre attention et plaide pour que cette zone de police constitue une exception géographique. Dans le cadre de la réforme KUL, je souhaite vraiment que vous soyez attentif à cette zone qui est agréable de par son accueil mais très difficile à gérer en termes de sécurité.

Voorzitter:

La question n° 56006975C de Mme Aurore Tourneur est transformée en question écrite.

De toestand van de justitie in België
De acties van de gerechtelijke actoren
Gerechtelijke context en actoren in België

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 10 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De chronische onderfinanciering en overbelasting van de Belgische justitie—met tekorten aan personeel, een gigantische gerechtelijke achterstand en overbevolkte gevangenissen—staat centraal, terwijl de sector 700 miljoen euro aan boetes en confiscaties in zes maanden genereert, wat haar rendabeler maakt dan veel belastingen. Minister Verlinden presenteert een noodplan met vier pijlers (infrastructuur, veiligheid, flexibele organisatie, aantrekkelijkere loopbanen) en belooft structurele investeringen, maar kritiek blijft omdat het budget onvoldoende is (slechts 125 miljoen in plaats van gevraagde 1 miljard) en pensioenhervormingen van Jambon de aantrekkingskracht verder ondermijnen. Nuino (Les Engagés) steunt de minister en benadrukt haar dialogeerbereidheid, terwijl Aouasti het gebrek aan vertrouwen in haar aanpakt en het plan cosmetisch noemt, met symbolische maatregelen die de kernproblemen negeren.

Ismaël Nuino:

Madame la ministre, la justice va mal. Il n'est évidemment nul besoin de vous faire un dessin: elle manque de collaborateurs, de magistrats, de greffiers, de personnel pénitentiaire. De plus, l'arriéré judiciaire est immense, alors que des gens attendent leur jugement. Enfin, les prisons sont surpeuplées. Je vous dis qu'il n'est nul besoin de vous faire un dessin, parce que j'ai l'impression que cela fait des années que la justice va mal. Depuis que je suis né, on dit qu'elle va mal. Pourquoi suis-je en train de vous le dire? C'est parce que vous ne pourrez pas tout changer en quelques mois. Vous nous avez présenté des mesures provisoires: la loi contre la surpopulation carcérale et un plan pour renforcer l'attrait de la fonction. Nous saluons et soutenons ces initiatives, qui doivent entrer en vigueur le plus rapidement possible.

Ensuite, je tiens à rappeler que, pour Les Engagés, la justice est le troisième pouvoir. C'est donc un pouvoir au même titre que le gouvernement et le Parlement. Il ne faut pas simplement le préserver, mais également le renforcer. C'est à cette fin que nous nous sommes battus pendant des mois et que nous continuerons à nous battre à vos côtés pendant toute la législature.

Pourquoi ai-je parlé du renforcement de la justice? Ce n'est pas simplement pour ces raisons, mais également parce que la justice rapporte beaucoup. On ne le dit pas suffisamment. Depuis le 1 er janvier dernier, la justice belge a infligé 700 millions d'euros d'amendes et de confiscations pénales. Cela signifie qu'en six mois, la justice peut nous rapporter 700 millions d'euros. Chers collègues, c'est un rendement supérieur à celui de n'importe quelle taxe pour laquelle nous nous engueulons depuis des mois dans cet hémicycle. Par conséquent, nous devons investir dans la justice, car dépenser de l'argent pour elle n'est pas une dépense, mais un investissement.

Madame la ministre, je suis convaincu que vous partagez mon point de vue. Mes questions sont concrètes. Pouvez-vous expliciter votre plan d'attractivité pour les magistrats? Pouvez-vous également expliquer comment nous pourrions mieux récupérer les amendes pénales? En effet, nous savons qu'elles sont prononcées par les magistrats, mais qu'elles sont très peu exécutées. Enfin, quelle vision allez-vous appliquer dans les prochains mois pour renforcer la justice?

Khalil Aouasti:

Madame la ministre, le collègue Nuino vous interroge sur l'état de la justice. Après des déclarations dans la presse, voici des questions d'actualité des Engagés comme s'ils n'étaient pas de votre majorité. Je vais vous aider et lui répondre directement.

Des bâtiments en ruine, des magistrats qui achètent leur agrafeuse, des audiences remises faute de greffiers, des parents qui attendent des mois pour obtenir une décision sur la garde de leurs enfants, des prisons asphyxiées, des détenus sans suivi. Depuis des mois, les acteurs du monde judiciaire réclament le refinancement de la justice et, une chose, du respect. Qu'ont-ils en retour? Quelle réponse reçoivent-ils? L'accord de Pâques réduit déjà de moitié le refinancement prévu par l'accord de gouvernement. Il y a deux semaines, alors que se tenait un rassemblement place Poelaert organisé par les acteurs du monde judiciaire, au même moment, le ministre Jambon mettait fin à la concertation concernant les pensions avec les organisations représentatives de magistrats.

Madame la ministre, j'admire l'abnégation du monde judiciaire. Il est méprisé par votre gouvernement. Pourtant, il continue à appeler au dialogue et sollicite désormais directement le premier ministre. Dans ce dossier, il y a une grande absente. Je suis désolé de vous le dire, c'est vous. Et si les magistrats s'adressent directement au premier ministre, ce n'est pas anodin. Le monde judiciaire n'a pas pu compter sur vous. Il n'a pas pu compter notamment sur Les Engagés, ni durant les négociations de l'accord de Pâques, qui a revu à la baisse les engagements de refinancement de ce gouvernement à l'égard de la justice de moitié, ni durant la concertation sur les pensions des magistrats. Hier encore, votre groupe applaudissait la réforme du ministre Jambon. Un milliard de refinancement a été demandé. On va se retrouver avec 125 millions à l'horizon 2029. Et aujourd'hui, vous osez questionner l'état de la justice!

Madame la ministre, il est encore temps de convaincre vos collègues de l'absolue nécessité du renforcement structurel de ce département. Il est temps d'exiger du ministre des Pensions la reprise de la concertation. Quel soutien allez-vous leur apporter?

Annelies Verlinden:

Chers collègues, des années de sous-financement et de surpopulation carcérale ont conduit la justice dans une crise, et ce, malgré les efforts constants des nombreux collaborateurs du système pénitentiaire, de la magistrature et de tous les services et partenaires de la justice. Vous dire cela, c'est enfoncer une porte ouverte. Les nombreuses expressions de cette crise sont visibles et tangibles sur le terrain pour tous les acteurs. En outre, les annonces à ce sujet inondent les médias depuis quelques semaines.

Je refuse toutefois de me résigner à ce malaise. Nous devons tout mettre en œuvre pour faire de cette situation un tournant. C'est également pour cette raison, et afin d'offrir des perspectives à court terme, que quatre groupes de travail thématiques ont travaillé d'arrache-pied ces dernières semaines, dans le cadre d'un processus unique, à l'élaboration d'un plan d'impulsion, en concertation avec plus de 50 représentants de l'ordre judiciaire et du SPF Justice. Un consensus a été atteint la semaine dernière. Les actions seront mises en œuvre en priorité dans le cadre budgétaire actuel.

Ce plan d'impulsion repose sur quatre piliers. Premièrement, une politique immobilière tournée vers l'avenir, avec notamment des investissements dans l'entretien et la sécurité des bâtiments judiciaires, avec des caméras et des vitres de sécurité supplémentaires. Deuxièmement, un environnement judiciaire plus sûr, notamment grâce à l'anonymisation des données à caractère personnel des greffiers et magistrats et à l'installation de portiques de sécurité. Troisièmement, une organisation judiciaire forte et agile grâce à une utilisation plus flexible des moyens disponibles. Quatrièmement, le renforcement de l'attractivité des fonctions et des carrières au sein de l'ordre judiciaire, par exemple en prenant en compte l'expérience des candidats ailleurs dans le monde judiciaire. Je suivrai également de très près les discussions sur les pensions, parce qu'il importe de garantir cette attractivité.

Ce plan d'impulsion est une première étape et répond donc aux deux besoins les plus urgents des magistrats et du personnel judiciaire, dans la limite des moyens disponibles. Sachez toutefois, chers collègues, que nous sommes loin d'avoir atteint notre objectif. Nos ambitions pour la justice sont plus grandes.

Je suis consciente que ces actions ne suffiront pas à apaiser complètement le mécontentement des magistrats concernant la future réforme des pensions. C'est pourquoi je poursuis la concertation avec nos partenaires du gouvernement sur les investissements dans la justice, y compris en matière de salaires et de pensions. J'ai la ferme intention de renforcer la justice et d'augmenter son budget, afin de réaliser les investissements indispensables. Ce n'est pas un luxe, c'est une nécessité.

Des accords ont été conclus pour poursuivre de manière structurelle un dialogue avec l'organisation judiciaire, autour des quatre thématiques soulevées par les groupes de travail. L'objectif est clair: recenser les besoins et affecter les ressources disponibles de façon concertée.

Chers collègues, je crois que la magistrature est suffisamment forte pour envoyer des signaux convaincants, sans compromettre la prestation des services, ni la confiance des citoyens et des entreprises envers la justice. L'État de droit nous oblige à continuer à rendre la justice aux justiciables. Si nous demandons aux citoyens de faire confiance à la justice, celle-ci ne peut pas se permettre d'en éroder la crédibilité. C'est aussi le message que j'ai adressé à la magistrature. Cette dernière peut compter sur moi: je me battrai pour des investissements dans la justice.

Ismaël Nuino:

Merci, madame la ministre, pour cette réponse.

Je commencerai par rappeler à nos collègues que l'accord de gouvernement garantit un réinvestissement de 1,275 milliard d'euros dans la justice d'ici à 2029. Et dans les accords de Pâques, des moyens supplémentaires ont déjà été débloqués pour des mesures d'urgence.

Madame la ministre ne l'a peut-être pas dit elle-même – sans doute par élégance –, mais vous qui prétendez écouter la justice, monsieur Aouasti, vous ne la lisez pas. Quand la Cour de cassation, dans le cadre de la manifestation du 27 juin, a adressé un message, elle a appelé des membres du gouvernement à dialoguer, à l'instar de la ministre de la Justice, qui – contrairement à ce qui a été insinué – est déjà en dialogue. Dire qu'elle est absente alors qu'elle fait son travail, ce n'est pas honnête intellectuellement.

Sur la question des pensions, madame la ministre, nous serons tout aussi vigilants que vous. Il faudra veiller aux effets cumulés de la réforme sur les pensions des magistrats, car c'est l'attractivité de la fonction qui est en jeu. Et nous continuerons à vous soutenir dans les réformes et les ajustements nécessaires, en concertation avec tous les acteurs concernés.

Khalil Aouasti:

Je vous remercie, madame la ministre. Je remercie également le collègue Nuino pour sa réplique. En fait, monsieur Nuino, vous venez de démontrer que vous êtes le meilleur avocat de la politique de la ministre de la Justice, alors même que le monde judiciaire s'adresse au premier ministre. C'est dire si le monde judiciaire a perdu confiance en vous, madame la ministre. Je suis désolé. Pourtant, vous continuez à les soutenir. En quoi votre plan consiste-t-il? Je vais lire entre les lignes. Des investissements immobiliers pour des caméras et des vitres de sécurité, alors qu’il pleut à travers les plafonds des chambres d'audience. C'est probablement la sécurité. L'administration forte et agile, dans la limite des moyens disponibles. C'est intéressant, vous l'avez répété trois fois: "forte et agile, dans la limite des moyens disponibles". Cela veut dire un renoncement aux cadres légaux, pas de recrutements complémentaires de magistrats et de greffiers. Ils pourront attendre. À eux à s'adapter à votre budget, et non pas à vous. Un plan d'attractivité. Je suis certain que le plan d'attractivité, ce sont les mesures en matière de pensions de M. le ministre Jambon, mesures qui font que ce plan d'attractivité est tellement magistral que les magistrats, semaine après semaine, mènent des actions de grève (…)

Het rapport over gewelddadige extremisten
De infiltratie van het CIIB door de moslimbroederschap
De toenemende radicalisering
De vaststelling dat een deel van de klimaatbeweging steeds extremer en zelfs levensgevaarlijk wordt
Extremistische infiltratie, radicalisering en geweld

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 10 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om radicalisering en geweld bij klimaatactivisten (o.a. Code Rood, Anuna De Wever) en islamistische organisaties (o.a. CIIB/Frères musulmans), waarbij parlementsleden de minister dringen tot hardere maatregelen: verboden op extremistische groepen, stopzetting van overheidsfinanciering, en verscherpte wetgeving tegen radicalisering. De minister bevestigt dat hij werkt aan een juridisch kader om radicale organisaties te ontbinden en een opvolgingsmechanisme (GGB T.E.R.), maar benadrukt dat de rechtsstaat centraal blijft. Kritiek richt zich op laxisme tegenover klimaatgeweld (sabotage, levensgevaar) en subsidies aan extremistische netwerken, met name van Ecolo en N-VA. Dringendheid en partijoverschrijdende steun voor strengere aanpak worden bepleit, maar partijen als Groen/PVDA worden verweten geweld te bagatelliseren.

Jeroen Bergers:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, het OCAD heeft een rapport gepubliceerd dat een toch wel zorgwekkende evolutie van de klimaatbeweging schetst, van een positieve activistische beweging die het beste voor heeft met de planeet naar een links-extremistische beweging die geweld niet schuwt. Klimaatprinses Anuna belichaamt die radicalisering eigenlijk nog het best. Eerst wilde ze gewoon niet naar school; nu wil ze pijpleidingen opblazen. Ik vraag mij alvast af wat de volgende stap is. Ik denk dat we die stap moeten vermijden, we moeten vermijden dat er slachtoffers vallen.

Dit is geen fantasie en dat hebben we eigenlijk al gezien. De voorbije weken werd bij OIP in Doornik voor meer dan 1 miljoen euro aan schade aangericht, bij een privébedrijf. Leveringen voor het Oekraïense leger werden daarbij beschadigd, waardoor er vertraging is en dat vanwege de onwetendheid van deze activisten. Ook in Brussel en in Gent zijn levensbedreigende situaties ontstaan door de roekeloosheid van deze linkse extremisten.

Collega’s, de samenleving moet duidelijk maken dat we geweld nooit accepteren. Activisme en debat zijn prima en goed, maar bij geweld trekken we de lijn, dat accepteren we niet, uit welke hoek het ook komt.

Mijnheer de minister, wij konden uitgebreid lezen over dat rapport in de media, maar parlementsleden hebben het niet ontvangen. Het is belangrijk dat wij dat kunnen inkijken om onze job ernstig te kunnen uitvoeren. Zult u er bij het OCAD op aandringen dat dit rapport openbaar wordt? Welke maatregelen zult u nemen tegen deze radicalisering en tegen dit geweld?

Zult u ook een studie laten uitvoeren naar de financieringsstromen van deze links-extremistische bewegingen? Zeker de financieringsstromen die vanuit de overheid komen, moeten we droogleggen.

Denis Ducarme:

Monsieur le ministre, vous le sentez et vous le voyez comme moi, les gens en ont assez. Il ne se passe pas une semaine sans que je doive vous interpeller sur les Frères musulmans, l'islamisme ou le radicalisme qui continuent de prospérer dans notre pays. Les citoyens veulent que ce gouvernement, face aux ennemis de la démocratie, soit un gouvernement d'action.

Hier encore, dans la presse, on lisait que le CIIB – le Collectif pour l'inclusion et contre l'islamophobie en Belgique – sous couvert de lutte contre le racisme, serait en réalité, selon la Sûreté de l'État, un prolongement des Frères musulmans en Belgique. Et pourtant, ce collectif a été grassement subventionné pendant des années par les pouvoirs publics. M. Gilkinet l'a soutenu, probablement parce que certains fondateurs de ce mouvement étaient des proches d'Ecolo. M. Dardenne l'a subventionné, et l'Union européenne également.

Il est temps, monsieur le ministre, de faire en sorte que plus un centime d'argent public ne soit encore versé aux amis des Frères musulmans. Car oui, chez Ecolo, vous avez dans vos rangs des mandataires qui ont cofondé ce qui s'appelait à l'époque le CCIB. Oui, vous êtes donc en partie complices de la composante frériste qui, comme le rappelait déjà un rapport en 2022, fait peser une menace sur notre pays.

Monsieur le ministre, je vous demande de veiller, comme nous y veillons ici à la Chambre – et je remercie les collègues –, à ce que votre département et nos services luttent contre la tendance frériste qui continue de se développer dans notre pays.

Franky Demon:

Mijnheer de minister, ik maak me grote zorgen, want het OCAD spreekt over dreigingen. Mijnheer de minister, ik voel me liever niet bedreigd en ik zie mijn kinderen liever niet opgroeien tussen dreigingen. Ik meen dat dit voor andere gezinnen ook zo is. Het OCAD waarschuwt nu voor een zorgwekkende radicalisering binnen de klimaatbeweging. De protesten worden steeds gewelddadiger. Bij een recente actie van Code Rood in de Gentse haven werden installaties vernield en ontstond er zelfs ontploffingsgevaar.

De klimaatbetogers brachten levens in gevaar. Dat men een punt wil maken en dat men vreedzaam wil protesteren, tot daar aan toe, maar dat er sprake is van geweld en van het in gevaar brengen van mensenlevens, dat is voor ons een brug te ver. Of het nu gaat over jihadistisch extremisme, radicalisering binnen de klimaatbeweging of rechtsextremisme, voor cd&v zijn geweld en extreem gedrag gewoon geen opties, niet van rechts, niet van links, niet van geitenwollensokken, niet van religieus fanatisme. Onze rechtsstaat moet zich daar absoluut tegen verzetten.

Na de aanslagen van 2016 heeft ons land vele stappen gezet tegen dergelijke dreigingen. Wat ons betreft, versterken we die aanpak. Daarbij zijn evenwichten nodig. Bepaalde gevaarlijke radicale organisaties moeten gewoon verboden worden, mijnheer de minister, zonder het grondwettelijk recht op vereniging uit het oog te verliezen.

Ik heb dan maar ook één vraag voor u. Wat plant u te doen om deze samenleving en onze rechtsstaat te beschermen tegen (…)

Voorzitter:

Dank u wel, mijnheer Demon.

Uit de commissie is ook een vraag meegenomen van collega Van Rooy.

Sam Van Rooy:

Mijnheer de minister, wie ogen in het hoofd heeft of naar het Vlaams Belang luistert, wist het natuurlijk al langer: de klimaathysterische beweging of toch zeker een deel daarvan wordt extremer en gevaarlijker, zelfs levensgevaarlijk. Dat blijkt nu ook uit een rapport van terreurwaakhond OCAD.

In dat rapport worden onder meer Anuna De Wever en extreemlinkse groeperingen zoals Code Rood genoemd. Zij laten zich, niet het minst, inspireren door de gifgroene Greta Thunberg, die tegenwoordig ook steun betuigt aan die andere groene terreurideologie, namelijk die van Hamas en Hezbollah, die eveneens alsmaar meer voet aan de grond krijgt in ons land. Ja, dames en heren, dit land wordt steeds gezelliger.

Het OCAD-rapport wijst ook op de grote schade die klimaatactivisten aanrichten en nog zouden kunnen aanrichten, indien er geen actie wordt ondernomen. Het gaat om vandalisme aan voertuigen, kunstwerken en bedrijfsinfrastructuur, om blokkades en bezettingen van wegen, sportwedstrijden en luchthavens, evenals sabotage met zware maatschappelijke en economische gevolgen. Bij de klimaatbeweging zijn dergelijke acties al lang ingeburgerd, omdat men het klimaattuig in dit land met fluwelen handschoenen aanpakt. Wat zeg ik? Het wordt zelfs gestimuleerd en gesubsidieerd. Het gebruik van geweld en terreur wordt daardoor nu door steeds meer klimaatactivisten als aanvaardbaar beschouwd. Het OCAD waarschuwt de regering dat er zelfs al dodelijke slachtoffers hadden kunnen vallen. Mijnheer de minister, we mogen dus nog van geluk spreken, maar het valt te vrezen dat het niet zal blijven duren.

Welke maatregelen neemt u tegen die klimaatterreur?

Bernard Quintin:

Messieurs les députés, j'ai pris connaissance d'une note émanant de la Sûreté de l'État concernant les liens entre le CIIB et les Frères musulmans. Monsieur Ducarme, vous m'interrogiez déjà il y a deux semaines en séance plénière sur un sujet similaire. Je dirais que cette itération permet à tout le monde de prendre conscience de la menace que représentent ces organisations radicales, quelles que soient leur origine ou leur idéologie d'ailleurs, lorsqu'elles visent fondamentalement à séparer des parties de la population du reste de la société.

Cela me permet de rappeler ici que même si pour certaines organisations ou nébuleuses, le terrorisme n'est pas en soi un outil de leur politique, elles en créent tout de même le terreau favorable et doivent donc à ce titre être combattues. Cette note démontre, pour autant que de besoin, que nos services prennent cette menace au sérieux, et je tiens une nouvelle fois à les en remercier. J'ai également appris que la commission parlementaire de suivi du Comité R avait demandé une actualisation du rapport mené par ce même Comité en 2022, et je soutiens pleinement cette démarche.

Vous l'avez dit, l'ASBL CIIB est le pendant français du CCIF, organisation dissoute en France après l'assassinat du professeur Samuel Paty. J'ai déjà eu l'occasion de m'exprimer très clairement sur le sujet.

Mijnheer Bergers, mijnheer Demon, zoals u weet werk ik momenteel aan een ontwerptekst die een juridisch kader moet bieden om radicale organisaties te verbieden of te ontbinden.

Mijn voorstel bestaat erin om op basis van objectieve criteria de mogelijkheid te voorzien tot een administratief verbod op de ontbinding van rechtspersonen of feitelijke verenigingen. Dat lijkt mij een doeltreffende manier om te reageren op een realiteit die zich steeds nadrukkelijker manifesteert.

Het is vanzelfsprekend, en ik benadruk dat graag opnieuw, dat de fundamentele principes van de rechtstaat centraal blijven staan in die aanpak. Er moet dus steeds ruimte zijn voor tegenspraak alvorens een administratieve beslissing wordt bevestigd. Uiteraard blijven ook de gebruikelijke rechtsmiddelen van kracht.

De voorgelegde tekst wordt momenteel besproken tussen de verschillende kabinetten van deze regering. U zult dus begrijpen dat ik om die redenen nu niet verder kan ingaan op de inhoudelijke details.

Enkele weken geleden heb ik hier overigens al aangekondigd dat radicale organisaties die een gevaar vormen voor onze nationale veiligheid voortaan in de GGB T.E.R. kunnen worden opgenomen. Dat betekent dat elke vereniging die in die databank wordt geregistreerd, wordt opgevolgd binnen het kader van de T.E.R.-strategie door de lokale taskforce, waarin alle veiligheidsdiensten vertegenwoordigd zijn.

Il n'entre pas encore dans les prérogatives du gouvernement – même si j'estime que cela pourrait être le cas – de demander aux services de sécurité, sur base de leur propre rapport, une analyse approfondie sur des organisations précises.

En définitive, ce seront évidemment ces mêmes services qui prendront toujours la décision finale d'inscription ou non dans la Banque de données commune "Terrorisme, Extrémisme, Processus de Radicalisation" (BDC T.E.R.). C'est la manière dont ce système fonctionne, et je tiens à le préserver ainsi.

Je sais, par contre, que nous partageons toutes et tous un même objectif, qui est que l'autorité publique dispose des outils adéquats et efficaces pour lutter sans détour contre ceux et celles – de quelque extrême ils ou elles se revendiquent d'ailleurs – qui menacent notre sécurité, notre vivre ensemble et donc fondamentalement notre État de droit.

Je sais pouvoir compter sur tous les partenaires pour donner à l'autorité publique les outils efficaces, toujours dans le respect de l' État de droit – et pour le préserver d'ailleurs –, pour lutter sans détour contre celles et ceux qui menacent notre sécurité et notre vivre ensemble.

Il n'y a pas de place pour la haine sur notre sol!

Je vous remercie.

Jeroen Bergers:

Mijnheer de minister, dank u voor uw antwoord. Het is zeer goed dat u aan een wetsontwerp werkt om dergelijke organisaties te verbieden. Dat moet wat onze fractie betreft liever vandaag dan morgen worden goedgekeurd. Daarom werken wij ook zelf aan een tekst om organisaties zoals Samidoun, Code Rood en het CCIB te verbieden. Dat is zeer dringend.

Het frappantste aan deze hele situatie – we hebben het daarnet gezien en ook in de commissie voor Binnenlandse Zaken – is dat sommige collega's van de PVDA en van Groen gewelddadig klimaatextremisme het liefst met de mantel der liefde bedekken. Ook in de krant hebben we gelezen dat Mieke Vogels geweld liever met de mantel der liefde bedekt. Dat kan niet, collega's. Wanneer er geweld is, moet dat worden veroordeeld, ook wanneer het uit de eigen rangen komt.

Denis Ducarme:

Monsieur le ministre, nous avons pu obtenir grâce au soutien des collègues, tous partis confondus, de la commission de suivi de nos services de renseignement – monsieur le président, vous étiez présent – l'actualisation du rapport sur la menace que font peser sur notre pays les Frères musulmans. J'avais déjà obtenu le rapport de 2022.

Monsieur le ministre, ne donnez plus un euro pour les amis des Frères musulmans dans notre pays. C'est évidemment essentiel. Aujourd'hui, pour notre pays, la plus grande menace est la menace islamiste, même s'il y en a d'autres. Beaucoup d'espoirs reposent sur vos épaules et nous attendons naturellement qu'avec le gouvernement à vos côtés, vous puissiez nous doter des outils essentiels à la lutte contre les radicalismes.

Franky Demon:

Mijnheer de minister, ik heb een groot hart voor de planeet en voor ons klimaat. Iedereen wil dat de toekomstige generaties een schone planeet ter beschikking krijgen. Dat bereikt men echter niet door leidingen te saboteren en ontploffingsgevaar te veroorzaken. Stel u voor dat dat verkeerd was afgelopen.

Ik denk niet dat u hier nog zou staan, mevrouw van Ecolo. U schudt het hoofd. Ja, ik heb het tegen u.

De gevolgen zouden onvoorstelbaar en ongezien zijn. Groen fundamentalisme is ook een vorm van fundamentalisme. Het is voor mij even onaanvaardbaar als alle andere vormen van extremisme.

Blijf dit nauwgezet opvolgen, mijnheer de minister, en zorg er alstublieft voor dat er geen ongelukken gebeuren. Wij wachten alvast uw ontwerp af in de commissie.

Sam Van Rooy:

Mijnheer de minister, er zijn drie grote problemen die ervoor zorgen dat klimaatactivisten in dit land steeds gevaarlijker worden. Ten eerste, als de daders van klimaatvandalisme of -geweld al worden opgepakt, komen ze er vanaf met een fopstrafje. Ten tweede, de dwaze CO ₂ -hysterie, waar ook deze regering en de facto elke politieke partij, behalve het Vlaams Belang, aan meedoen. Ten derde, de subsidies met belastinggeld die de traditionele partijen vrolijk uitdelen aan klimaattuig zoals Code Rood. Ja, mijnheer Bergers, dat geldt ook voor uw partij, de N-VA, die met de Vlaamse regering klimaatterreur sponsort met minstens 230.000 euro per jaar. Jullie zouden zich moeten schamen.

Geweldpleging door asielzoekers

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 10 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Francesca Van Belleghem wijst op een reeks gewelddadige incidenten door asielzoekers en eist een asielstop, sluiting van het "illegale" opvangcentrum in Lommel en uitzetting van daders, verwijzend naar N-VA’s eigen eerdere standpunten. Minister Van Bossuyt benadrukt nultolerantie voor geweld, meldt versnelde uitsluitingen uit opvang (al 2x meer dan 2024) en samenwerking met justitie, maar vermijdt een asielstop—wat Van Belleghem afdoet als gebrek aan daadkracht en politieke tegenwerking door coalitiepartners. De kern: veiligheidscrisis door migratie botst met halfslachtige maatregelen in plaats van structurele oplossingen.

Francesca Van Belleghem:

Mevrouw de minister, op 25 april vond een steekpartij plaats op het Koningin Astridplein. De daders waren asielzoekers uit Afghanistan en Palestina. Op 25 mei werd in Antwerpen een vrouw lastiggevallen. De dappere man die haar te hulp schoot, werd koelbloedig doodgestoken. De dader was een asielzoeker uit Eritrea. Op 16 juni was er de busmoord op Linkeroever, waar een oudere man koelbloedig werd doodgestoken. De dader was een asielzoeker uit Georgië. Op 6 juli was er een steekpartij aan een bushalte in Lommel. Iedereen heeft de beelden gezien. De daders waren asielzoekers uit Afghanistan. Week na week zien we het geweld door asielzoekers escaleren. Die zware incidenten bevestigen wat iedereen weet: massa-immigratie is een bedreiging voor onze veiligheid.

Mevrouw de minister, de Afghaanse asielzoekers in Lommel zijn dan wel uit het asielcentrum gezet, maar dat is verre van voldoende, want ze moeten uit ons land worden gezet en het illegaal asielcentrum in Lommel moet worden gesloten. Dat zijn niet mijn woorden, maar die van uw eigen N-VA-fractieleider in Lommel. Hij heeft trouwens aangekondigd juridische procedures op te starten tegen dat illegale asielcentrum, dus tegen u.

Mevrouw de minister, zult u het illegaal asielcentrum in Lommel sluiten?

Wanneer zult u eindelijk doortastende maatregelen nemen op het vlak van asiel, of wacht u op een complete escalatie, zoals in Duitsland?

Anneleen Van Bossuyt:

Mevrouw Van Belleghem, ik antwoord eerst op uw laatste vraag, de vraag wanneer ik eindelijk maatregelen zal nemen op het vlak van asiel. Welnu, straks wordt u op uw wenken bediend, want er ligt vandaag een wetsontwerp ter stemming voor.

Ik ben trouwens net als u geschokt door de vele incidenten, met het incident aan die bushalte in Lommel als meest recente. Ik heb daar onmiddellijk heel duidelijk over gecommuniceerd. Geweld door asielzoekers, of het nu binnen of buiten de opvang plaatsvindt, is absoluut onaanvaardbaar.

Tegen de daders die in het opvangcentrum van Lommel verblijven, heeft Fedasil meteen actie ondernomen door ze definitief uit te sluiten van de opvang. Fedasil heeft ook het parket en de asielinstanties gecontacteerd. Tevens heeft een huiszoeking plaatsgevonden.

Ik wil duidelijk stellen dat ik van wie opgevangen wordt in dit land respect verwacht voor de lokale bevolking en ook respect voor onze waarden en normen en voor de rechtsstaat. Met messen vechten en hier clangeschillen uitvechten in de publieke ruimte kunnen nooit door de beugel.

Ik heb Fedasil dan ook de opdracht gegeven om een nultolerantiebeleid toe te passen voor geweld. Dat heeft geleid tot meerdere uitsluitingen. In 2025 is Fedasil al overgegaan tot dubbel zoveel definitieve uitsluitingen als in heel 2024. Daarmee wil ik het duidelijk het signaal geven dat onze regels gelden voor iedereen en dat dergelijk gedrag zware gevolgen heeft.

Mijn diensten werken nauw samen met het parket, zodat ook van die kant een snel en duidelijk signaal gegeven wordt. Het gaat over asielzoekers die hier amok maken, wat natuurlijk afstraalt op de asielzoekers die zich wel aan de regels houden.

Ter conclusie onderstreep ik nogmaals dat voor wie zich niet aan de regels houdt en wie onze gastvrijheid misbruikt, er geen plaats is in onze opvang en ook niet in ons land.

Francesca Van Belleghem:

Mevrouw de minister, u snapt de kern van de zaak duidelijk niet. Er is een gigantische druk op onze huisvesting, op ons onderwijs en op de sociale zekerheid. Door die messentrekkers komt nu ook nog onze veiligheid in het gedrang. Waar we vandaag nood aan hebben, is een asielstop, zoals in Polen en Finland, zoals Griekenland gisteren nog heeft aangekondigd en zoals uw partij in haar verkiezingsprogramma heeft opgenomen. U wil vandaag niets meer van een asielstop weten. Twee weken geleden noemde u in de pers een asielstop nog onzin. Mevrouw de minister, het is tijd om kleur te bekennen. Ofwel wilt u geen strikt migratiebeleid voeren, ofwel kunt u het niet, ofwel mag u het niet van de socialisten.

De onvrede bij de Securailpersoneelsleden over hun opleidingen en trainingen
De angstcultuur bij de Securailagenten
De persoonlijke beschermingsmiddelen van het Securailpersoneel
De ontevredenheid binnen Securail
De arbeidsomstandigheden en de toekomst van de Securailagenten
Het slechte werkklimaat bij Securail
De toestand bij Securail
De welzijnsenquête bij de NMBS
De enquête over de werkomstandigheden van het spoorwegpersoneel
De zorgwekkende situatie bij Securail
Uitdagingen en werkomstandigheden binnen Securail en NMBS-spoorwegpersoneel

Gesteld aan

Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)

op 9 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De zorgwekkende enquêteresultaten bij Securail en de NMBS tonen diepgewortelde problemen: onveilige werkomstandigheden (verouderde steekwerende vesten – volgens de minister *technisch nog veilig* tot 2027, maar door personeel betwist), toxisch management (angstcultuur, slechte communicatie, gebrek aan overleg), werkdruk (burn-outrisico’s, onvoorspelbare plannings) en structureel wantrouwen tussen leiding en vakbonden. De minister belooft kortetermijnacties (overleg voor de zomer, vierpijlersplan voor welzijn) en streng toezicht, maar parlementsleden benadrukken dat eerdere beloftes faliekant tekortschoten en eisen concrete, meetbare verbeteringen—niet enkel pr-middelen—met verantwoordelijkheid voor het management en betrokkenheid van syndicalisten bij hervormingen. Kernpunt: Het veiligheids- en welzijnsbeleid voor frontlijnpersoneel (Securail) is acut disfunctioneel, terwijl de NMBS als werkgever juridisch en moreel verantwoordelijk is—de minister moet dwingend ingrijpen om vertrouwen, transparantie en basisveiligheid (materieel, training, mentale ondersteuning) te herstellen. Dringendheid: Vertraging is geen optie—personeel en reizigersveiligheid staan op het spel.

Frank Troosters:

Mijnheer de minister, ik zal het kort houden, want ik heb u hierover vorige week al ondervraagd in de plenaire vergadering. U weet dus in grote lijnen waarover het gaat. De enquête van de spoorwegbonden bij het Securailpersoneel leverde namelijk verrassend slechte resultaten op, die ik toen kort heb samengevat.

Over de ontevredenheid bij het Securailpersoneel heb ik nog een korte vraag. Op welke wijze evalueert u de nieuwe organisatiestructuur, Securail 2.0 genoemd? Welke maatregelen zullen er genomen worden om de onvrede bij het Securailpersoneel daarover weg te nemen?

Over de angstcultuur bij het Securailpersoneel heb ik het vorige week al met u gehad. Daarvoor verwijs ik naar mijn ingediende vraag.

Een volgende belangrijke punt zijn de persoonlijke beschermingsmiddelen van het Securailpersoneel. Het gaat over de steekwerende vesten die de Securailagenten ter bescherming dragen. Van veel vesten blijkt de houdbaarheidsdatum al lang overschreden. Dat betekent dat de kwaliteit van die vesten in twijfel kan worden getrokken, dus ook de bescherming van het personeel zelf. Bovendien heerst er ontevredenheid over het feit dat ze niet over een persoonlijke zaklamp beschikken, die ze nodig hebben voor de uitoefening van hun job.

Hebt u kennis van het feit dat de houdbaarheidsdatum van de steekwerende beschermingsvesten van de Securailagenten verstreken zou zijn? Erkent u dat het laten dragen van steekwerende vesten waarvan de houdbaarheidsdatum overschreden is, afbreuk doet aan de veiligheid van het Securailpersoneel? Om welke redenen is er niet tijdig voorzien in nieuwe steekwerende vesten? Hoe is dat mogelijk? Wat is de huidige stand van zaken van dit dossier? Is men aan de slag om ervoor te zorgen dat dat probleem snel wordt opgelost en er dus snel in degelijke, nieuwe vesten wordt voorzien?

Wie zal de verantwoordelijkheid dragen wanneer vandaag een Securailagent wordt neergestoken, die een steekwerend vest draagt waarvan de houdbaarheidsdatum is overschreden?

Een volgende aspect is de onvrede bij de Securailpersoneelsleden over hun opleiding en training. Ze vinden namelijk dat ze meer praktijkgerichte trainingen moeten volgen, omdat de theorie soms heel ver verwijderd is van de praktijk op de werkvloer. Hoe zult u gevolg geven aan hun vraag?

Ten slotte heb ik nog een extra vraag over een welzijnsenquête bij de NMBS. De NMBS zelf heeft IDW, de externe dienst voor preventie en welzijn op het werk, gevraagd een personeelsenquête te houden over tevredenheid, risico's op stress, burn-out, werkdruk en ongewenst gedrag. Ook daarvan waren de resultaten niet goed, zelfs zorgwekkend. Het is een goede zaak dat de NMBS zelf zo'n enquête organiseert. Ik verwijs daarvoor naar mijn ingediende vraag. Daarin vraag ik hoe u dat evalueert en welke acties daartegen zullen worden ondernomen.

Farah Jacquet:

Je vous ai déjà interpellé jeudi dernier sur une enquête précédente, mais je vais aujourd’hui concentrer ma question sur la plus récente, tout aussi interpellante, réalisée par IDEWE. Cette enquête, menée auprès de l’ensemble du personnel de la SNCB, révèle un profond malaise puisque 43 % des agents déclarent être épuisés par leur travail, et une large part d’entre eux est en risque de burn-out. La moitié pense que les conditions de travail vont encore se détériorer.

L’enquête pointe un management déconnecté, un manque d’écoute, d’empathie, et une pression constante exercée sur les travailleurs. J’ai aussi relevé un chiffre alarmant: 16 % des agents déclarent avoir subi du harcèlement sexuel dans certaines entités. Nous sommes en 2025, monsieur le ministre. Cela ne devrait plus exister. Nulle part.

Ces chiffres doivent vous interpeller. En effet, ils décrivent un système qui use les travailleurs jusqu’à l’épuisement, qui les rend malades. Vous ne pouvez pas rester sans réagir. La semaine dernière déjà, je vous ai parlé des propositions syndicales concrètes qui visent à améliorer ces conditions de travail.

Aujourd’hui, mes questions sont simples: Avez-vous pris connaissance personnellement des résultats de cette enquête? Qu’allez-vous faire pour que les recommandations syndicales soient appliquées à l’ensemble des cheminots? Avez-vous consulté les syndicats, et quels engagements concrets avez-vous pris?

Aurore Tourneur:

Monsieur le ministre, les résultats d'une enquête récente menée par les deux principaux syndicats ferroviaires auprès de 376 agents de Securail révèlent une situation particulièrement préoccupante en matière de conditions de travail et de climat organisationnel. Les témoignages collectés font état d'un management toxique, d'une communication autoritaire et inefficace ainsi que d'une culture de la peur généralisée. Les agents ont utilisé des termes forts tels que régime de terreur, leadership toxique, chasse aux sorcières… Ils traduisent donc un profond mal-être au sein du service chargé pourtant d'assurer la sécurité du réseau ferroviaire. À cela s'ajoutent des dysfonctionnements dans la gestion des plannings, avec des horaires communiqués tardivement ou peu adaptés aux contraintes individuelles, et qui compromettent fortement l'équilibre entre vie professionnelle et vie privée.

La SNCB dit s'engager à prendre des initiatives afin de remédier à cette situation. Pourriez-vous préciser la nature concrète de ces initiatives?

La SNCB prévoit-elle de mener une enquête interne au sein de Securail pour vérifier les faits signalés? Envisage-t-elle de confier cette enquête à un organe indépendant?

Enfin, un accompagnement psychologique ou des dispositifs de soutien spécifiques pour les agents concernés sont-ils mis en place à la SNCB ou chez Securail? Je vous remercie d'avance pour vos réponses, monsieur le ministre.

Dimitri Legasse:

Monsieur le ministre, que se passe-t-il chez Securail? Nous sommes en droit de nous poser la question à la lecture des résultats de l'enquête menée par la CGSP et par la CSC Transcom auprès des agents de sécurité. Ce sont tout de même 80 % des agents interrogés qui disent être insatisfaits de la communication avec le management. Visiblement, votre vision d’un "Securail 2.0" ressemble plutôt à un "Securail 0 point t" (zéro pointé).

Comment un management peut-il ne pas se rendre compte d'un tel malaise qui règne au sein de son entreprise? La gestion des ressources humaines est essentielle dans toute organisation, et singulièrement dans une entreprise publique, me semble-t-il. Encore plus lorsqu’il s’agit d’une entreprise publique dont les agents doivent œuvrer à la sécurité des voyageurs et du personnel de la SNCB.

Est-il normal, à vos yeux, qu’un management attende le résultat d’une enquête menée par les syndicats pour se rendre compte de la situation déplorable dénoncée par les travailleurs? Non, bien sûr! Il s’agit ici d’une mauvaise gestion, de plannings flous, d’un manque de clarté concernant les congés, de la suppression de primes et de bien d’autres dérives encore.

Monsieur le ministre, comptez-vous rencontrer la direction de Securail et les syndicats afin de faire la lumière sur les dysfonctionnements mis en évidence par cette enquête? En plus de l’enquête menée à Securail, nous disposons aussi de l’enquête IDEWE – indépendante – qui révèle un climat social déplorable et des tensions croissantes. Les agents dénoncent une ambiance de travail pesante et un dialogue quasi inexistant avec leur hiérarchie. Il est question de climat tendu, voire critique et de pression croissante.

Monsieur le ministre, comment allons-nous améliorer le rail belge avec des travailleurs qui n’en peuvent plus? Cela nous ramène aux deux débats d'actualité précédents, dans lesquels l’ensemble des groupes vous ont houspillé. Certes, la SNCB est une entreprise publique autonome, mais cela ne dispense pas le ministre de s’en préoccuper activement – de préférence avec les syndicats – et sans attendre des mois pour reporter à une date ultérieure, afin de revenir à un débat précédent.

Que comptez-vous faire, monsieur le ministre, pour améliorer la situation chez Securail? Je vous remercie.

Niels Tas:

Mijnheer de minister, de resultaten van de welzijnsbevraging waren inderdaad zeer slecht en vergis u niet: een welzijnsbevraging is verplicht. Organisaties moeten dat doen. De NMBS feliciteren voor iets wat ze verplicht moet doen… Het is maar logisch dat de NMBS dat doet. Blijkbaar is het trouwens pas gebeurd na heel wat druk van de vakbonden.

Daardoor zijn de betreurenswaardige problemen bij Securail naar boven gekomen, waar mijn collega's al uitgebreid naar hebben verwezen. Ik denk dat dit eens te meer pijnlijk is, omdat het gaat over mensen die dagelijks instaan voor de veiligheid in onze stations, voor de reizigers en voor het personeel. Zij verdienen duidelijke communicatie, respect voor hun tijd en vertrouwen in hun professionaliteit. Wat ze vandaag echter krijgen, is juist het omgekeerde. Het feit dat ondertussen herstructureringen worden aangekondigd door teamleiders zonder enig sociaal overleg, is gewoonweg geen manier van werken. Integendeel, het zorgt er alleen voor dat het wantrouwen tussen het management van de organisatie en de werknemers alleen verder zal toenemen. Daarom heb ik enkele vragen voor u, mijnheer de minister.

Hoe kijkt u naar de huidige situatie bij Securail? Acht u de afspraken die tot heden al zijn gemaakt voldoende om de huidige problematiek bij te sturen? Hoe ziet u zelf de rol van de NMBS en van uzelf in het opvolgen en bijsturen van die knelpunten? Op welke manier zult u erop toezien dat hervormingen binnen Securail niet langer zonder overleg worden doorgevoerd, maar dat het personeel daarbij wordt betrokken? Tot slot, heeft deze erbarmelijke situatie ook gevolgen voor de verantwoordelijken en het management van Securail? Hoe kijkt u daarnaar?

Ik ben ervan overtuigd dat de mensen van Securail duidelijkheid en respect verdienen. Vooruit rekent op u om daarvoor te zorgen. Dank u wel.

Voorzitter:

Dank u wel, mijnheer Tas. Ik kijk rond in de zaal om te zien of er fracties zijn die niet deelnemen aan het actualiteitsdebat en wensen aan te sluiten.

Mevrouw De Knop, u hebt het woord.

Irina De Knop:

Uiteraard hebben wij ook kennisgenomen van de resultaten van de heel zorgwekkende enquête. Dat meer dan 70 % van de medewerkers aangeeft dat zij niet vrijuit kunnen spreken, moet zeker zorgen baren.

Mijnheer de minister, daarom hebben wij een aantal vragen die gelijklopend zijn met de vragen van de andere vraagstellers. Bent u op de hoogte van de resultaten van de enquête? Wat is uw reactie daarop?

Welke stappen zullen er worden ondernomen door de NMBS en specifiek door Securail om de geconstateerde problemen aan te pakken?

Hoe wordt de betrokkenheid van externe preventiediensten zoals IDW gewaarborgd in het vervolgtraject?

Ik dank u alvast voor de bijkomende antwoorden.

Voorzitter:

Wensen nog andere fracties aan te sluiten? (Neen)

Jean-Luc Crucke:

Comme je l'ai récemment dit en séance plénière, je souhaite à nouveau exprimer ma considération pour le travail essentiel accompli par les agents de Securail qui veillent à la sécurité des usagers du rail chaque jour et souvent dans des conditions exigeantes. Leur engagement mérite d'être reconnu et leurs préoccupations doivent être entendues avec sérieux et respect. J'ai encore eu l'occasion de le leur dire ce matin dans la gare de Liège-Guillemins.

Voici les mesures concernant la sécurité des agents Securail.

Securail beschikt over kogelwerende vesten die zowel steek- als snijwerend zijn. De houdbaarheidsdatum waarvan sprake, verwijst naar de garantieperiode van de fabrikant op de beschermingsplaten in de vesten. De garantie dekt een periode van 10 jaar voor het behoud van de kogelwerende eigenschappen van de platen. Het overschrijden van de garantietermijn betekent niet automatisch dat de bescherming onvoldoende wordt. Bovendien loopt de garantieperiode voor de betreffende Securailvesten tot 2027. Er is dus geen sprake van vervallen vesten, noch van afbreuk aan de veiligheid van het Securailpersoneel.

In de zomer van 2024 werd een controle uitgevoerd op de garantiedatum van elke kogelwerende vest. Alle agenten beschikken over vesten die nog onder garantie vallen, op enkele uitzonderlijke gevallen na. De uitzonderlijke gevallen werden onmiddellijk aangepakt. Na analyse bleek dat oude platen van de vorige leverancier werden gebruikt, die door de betrokken agent op eigen initiatief in een nieuwe vest waren geplaatst. Om dergelijke situaties te vermijden, werd de procedure met betrekking tot uniformen en beschermingsmiddelen aangepast, met een strengere controle op het teruggeven van het materiaal.

De huidige kogelwerende vesten hoeven momenteel niet vervangen te worden. Het huidige raamcontract en de garantieperiode voor de kogelwerende vesten lopen tot 2027 en bevatten een optie tot verlenging met twee jaar. In het najaar van 2025 zijn ballistische testen gepland om na te gaan of het gebruik van de huidige kogelwerende vesten ook na 2026 nog conform de standaard van de betrokken firma is. De Securailagenten beschikken vandaag over kogelwerende vesten waarvan de garantie niet is verlopen. De geplande ballistische testen zullen uitwijzen of de garantieperiode verlengd kan worden. Indien niet zullen de gebruikte platen worden vervangen.

Met betrekking tot de zaklampen, de Securailagenten beschikken vandaag over collectieve zaklampen, die zij aan het begin van hun shift kunnen plaatsen in hun individuele lampenhouder. Per werkzetel is het aantal zaklampen afgestemd op het aantal agenten per shift. De jongste inventaris werd opgemaakt begin 2025 en eventueel ontbrekende lampen werden aangevuld.

Begin dit jaar heeft NMBS in het kader van haar welzijnsbeleid het initiatief genomen om een nieuwe enquête te lanceren via idewe, een erkende en onafhankelijke preventiedienst, om de risico’s die het welzijn in de onderneming kunnen beïnvloeden, te identificeren.

Er wordt conform de wet regelmatig een extern onderzoek uitgevoerd.

À partir des résultats de cette enquête, tous les départements de la SNCB ont été mobilisés pour travailler sur un plan d'action concret, basé sur quatre piliers essentiels: une culture d'entreprise ouverte, des conditions et des lieux de travail inclusifs, une collaboration renforcée entre départements et davantage d'opportunités de formation et d'apprentissage pour que les compétences de chacun puissent être pleinement développées. Ce programme d'action sera suivi de près par le comité de direction en coordination avec les partenaires sociaux au sein des comités de bien-être concernés.

Suite à plusieurs problématiques soulevées auprès des organisations syndicales par des agents de Securail, les organisations syndicales ont mené également une enquête auprès de ce personnel afin d'obtenir une vision plus globale de la situation. Cette enquête portait sur cinq thématiques: la planification et l'équilibre entre vie professionnelle et vie privée, Securail 2.0, la réorganisation de 2021-2022, la gestion des incidents et la communication, la culture managériale et les équipements de protection individuelle dont j'ai déjà parlé.

De resultaten van die enqu ê te werden op maandag 2 juni voorgesteld aan en besproken met het management van de NMBS.

Les constats qui en ressortent sont préoccupants. Je répète ce qui a été dit: climat de travail dégradé, difficultés de communication avec la hiérarchie, gestion des plannings affectant l’équilibre entre vie professionnelle et vie privée, et sentiment d’un manque de soutien et d’écoute.

Het management waardeert het initiatief en gaat aan de slag met de resultaten en conclusies die werden voorgesteld. Het management zal de resultaten ook nader analyseren en vergelijken met zijn eigen analyses van de resultaten van de uitgevoerde welzijnsenqu ête.

Er is afgesproken om net vóór de vakantie een eerste vervolgoverleg te organiseren waar mogelijke acties voor de belangrijkste thema’s gezamenlijk zullen worden besproken. Daarna zullen er zeker nog andere overlegmomenten met betrekking tot de verschillende thema’s tussen het management en de vakbonden volgen. De doelstelling van het management van Securail en van de vakbonden is tot verbeteringen in de verschillende domeinen te komen.

Un travail est en train d'être mené pour essayer de résoudre les problèmes auxquels se heurtent les agents de Securail. La direction va travailler sur la base des résultats et des conclusions présentés, enrichis de ses propres analyses. L'objectif, tant de la direction de Securail que des syndicats, est d'aboutir à des améliorations dans les différents domaines.

Comme je l'ai également indiqué en séance plénière, je suis en contact étroit avec la direction générale des ressources humaines de la SNCB. Celle-ci et les syndicats m'ont confirmé que des réunions se tenaient régulièrement et que les premiers échanges ont été constructifs. Je serai particulièrement attentif à ce que ces discussions débouchent sur des mesures concrètes, visibles et durables pour le personnel.

Het belang van de geestelijke gezondheid en het welzijn van de werknemers staat niet ter discussie. Het gaat om hun veiligheid en inzet, maar ook om de kwaliteit van de openbare dienstverlening, die we aan onze burgers verschuldigd zijn. Als de dialoog vastloopt, zal ik niet aarzelen om in te grijpen. De NMBS heeft een verantwoordelijkheid als werkgever en ik zal erop toezien dat ze die ten volle opneemt.

Frank Troosters:

Mijnheer de minister, men gaat dus aan de slag en de resultaten vergelijken met die uit eigen onderzoeken. Het zou er nog aan moeten mankeren! Alleszins ben ik tevreden dat er op korte termijn, nog voor de vakantie, al een eerste overleg plaatsvindt. Misschien kunnen daar al beslissingen met het oog op quick wins worden genomen. We zullen het verdere verloop van het proces uiteraard opvolgen.

Ik ben wel enigszins verbaasd over het verhaal rond de steekwerende vesten, vesten waarvan het Securailpersoneel klaagt dat er problemen mee zijn, terwijl u hier argumenteert dat er technisch gezien, dus wat de werking en de garantie- en houdbaarheidsdatum betreft, geen vuiltje aan de lucht is. We volgen het verder op.

Het feit is dat er in het verleden al kansen gemist zijn. Al sinds de vorige legislatuur is er sprake van een toename van criminele feiten op het spoor. We hebben herhaaldelijk aangedrongen op actie daaromtrent. Er zijn meerdere noodkreten geweest. Het Securailpersoneel heeft al vaker acties gevoerd, onder andere aan het station Brussel-Zuid; er is al herhaaldelijk overleg gepleegd. Kortom, er is al heel wat water door de zee gevloeid, maar uiteindelijk zijn er nog steeds geen concrete, doorgedreven acties op het getouw gezet of het beleid hervormd, althans niet op een manier die gedragen en gesteund wordt door het personeel. Ik mag dan ook hopen dat, hoe slecht de resultaten ook zijn, de enquête de aanzet mag zijn voor een degelijk en gedragen veiligheidsbeleid en beleid onder andere inzake welzijn, rust, stress en burn-voor het NMBS-personeel.

Farah Jacquet:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses.

J'entends que plusieurs concertations auront lieu en interne à la SNCB. C'est bien, mais je pense qu’il serait vraiment très intéressant que vous y participiez aussi, ou, en tout cas, que vous ayez un œil là-dessus.

Les cheminots comptent encore sur vous, pour le moment. Beaucoup de promesses leur ayant été faites par le passé n'ont pas été tenues. Beaucoup de choses sont restées lettre morte. Les travailleurs ont un peu été négligés à ce niveau. Cela se ressent dans les différentes enquêtes réalisées, parmi lesquelles celle de Securail, mais aussi celle d’IDEWE, qui est une entreprise externe. Il n'est pas anodin de le souligner, parce qu'il y a une tendance à faire croire que les cheminots se plaignent facilement, alors que ce n'est pas le cas.

Ils attendent vraiment des résultats ainsi que des mesures dont vous pourriez être à la source. On sait que vous êtes partisan des concertations, etc. Je vous demande de rester particulièrement vigilant à ce que fera la SNCB à ce niveau-là, afin d'éviter qu'il s'agisse d'une opération de communication, avec la présentation de très beaux slides, qui finalement n'aboutira à rien du tout. Je vous remercie.

Aurore Tourneur:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses qui font montre d'une prise en main de la problématique. Il est en effet important de prendre soin de ceux qui prennent soin des autres.

Dimitri Legasse:

Monsieur le ministre, comme vous venez de le dire, la SNCB va déployer un vaste plan d'action pour améliorer le bien-être du personnel autour de quatre piliers. On nous annonce dans ce cadre une attention particulière pour Securail. Parfait! J'espère sincèrement que vous vous assurerez que, cette fois, des mesures concrètes seront prises de manière globale. On ne parle pas que de vestes ou de lampes, même si c'est important.

J'espère que vous vous rendez réellement compte de la situation et de la dureté du travail assumé par les cheminots et des économies, par ailleurs, qu'on leur demande de faire. Il y a là un hiatus, vraiment.

Vous voulez assumer des réformes en termes d'économies, très bien, mais mettez en balance tout ce qu'on vient d'évoquer dans les questions précédentes et celle-ci par rapport au personnel et les économies. Comme déjà évoqué lors du premier débat d'actualité relatif au préaccord social, ce n'est pas au personnel de prendre en charge et de supporter les économies. La démonstration est encore faite ici.

Monsieur le ministre, vous fixerez sans doute une date limite et un calendrier. Nous comptons sur vous pour avoir un dialogue constant avec le personnel et ses représentants. Je vous remercie.

Niels Tas:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. Het siert u dat u de problematiek erkent, maar dat kan duidelijk ook niet anders, want de resultaten zijn zodanig onrustwekkend dat ze ook fundamenteel moeten worden aangepakt. Ik vind het wel vreemd dat het duurde tot de resultaten van een welzijnsbevraging bekend waren, vóór de NMBS en Securail inzagen dat er iets fundamenteel fout is. Mijns inziens draagt het management een grote verantwoordelijkheid dat het zover is kunnen komen. Het is dus belangrijk dat er twee zaken gebeuren. Ten eerste, er moet een bijsturing komen van het beleid en er moet structureel overleg komen tussen het management en de werknemersorganisaties over wat er vandaag is misgelopen. Ik begrijp uit uw antwoorden dat dat momenteel aan het gebeuren is. Ik hoop dat dat goed verloopt, omdat uit de bevraging immers duidelijk blijkt dat er een zeker spanningsveld bestaat. Dat is mijn eerste bezorgdheid, die ik wil delen. Ten tweede, ik hoop ook dat u als toezichtsminister het management hierover aanspreekt en vraagt op welke manier een en ander vanuit de organisatie in de toekomst kan worden voorkomen en of het beleid inzicht heeft in hoe de situatie tot stand is gekomen. Ik zal de evolutie van de situatie blijven opvolgen en hoop dat er daar snel beterschap komt, want die personeelsleden staan in voor de veiligheid in de stations. Ze staan vaak op de eerste lijn in moeilijke omstandigheden en verdienen dus onze steun.

Het incident op een trein Luik-Oostende en de lering daaruit voor de veiligheid bij het spoor
Het incident op de trein Eupen-Oostende op 31 mei
Veiligheidsincidenten en lessen voor het spoorvervoer

Gesteld aan

Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)

op 9 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Een trein tussen Eupen en Oostende werd op 31 mei in Leuven geëvacueerd na de aanhouding van een moordverdachte (betrokken bij een dodelijke steekpartij in Spa), op verzoek van een Luikse onderzoeksrechter, zonder direct gevaar voor reizigers. De actie verliep vlekkeloos dankzij samenwerking tussen politie, Securail en NMBS, waarbij bestaande protocollen effectief bleken maar verder geëvalueerd worden voor optimalisatie. De minister benadrukte het belang van betere coördinatie tussen justitie, veiligheidsdiensten en spooractoren, met name voor Securail’s rol *binnen* treinen. Transparantie en afstemming blijven prioriteiten om vertrouwen in spoorveiligheid te versterken.

Gilles Foret:

Monsieur le ministre, le samedi 31 mai dernier, un incident est survenu à bord d'un train reliant Eupen à Ostende, en gare de Louvain. Tous les passagers ont été priés de débarquer, sous supervision policière, afin d'être redirigés vers un autre convoi. L'intervention s'est clôturée peu après 18h, mais aucune information officielle n'a, à ce jour, permis de connaître la nature exacte des faits.

Si la rapidité de l'intervention des services de sécurité est à saluer, cet événement, qui a mobilisé les forces de l'ordre et perturbé le trajet de nombreux voyageurs, soulève des interrogations quant aux dispositifs d'intervention prévus dans de telles circonstances, ainsi qu'à la coordination entre les différents acteurs concernés – SNCB, Infrabel, police fédérale et autorités judiciaires.

Dans un contexte où la sécurité dans les transports publics constitue un enjeu majeur de confiance pour les citoyens, une transparence minimale et un retour d'expérience sont essentiels pour renforcer l'efficacité des protocoles existants.

Monsieur le ministre, mes questions sont les suivantes:

Quelle est la nature exacte de l'incident survenu dans ce train en gare de Louvain, et quelles suites judiciaires ont été données?

Quels services ont été mobilisés pour gérer la situation, et quelles leçons opérationnelles en ont été tirées?

Existe-t-il un protocole standardisé pour ce type de situations dans les trains longue distance, et s'il y a eu déclenchement, a-t-il été respecté dans ce cas?

Des améliorations sont-elles envisagées dans la coordination entre la SNCB, la police et les autorités judiciaires dans le cadre de telles interventions à bord des trains?

Je vous remercie, monsieur le ministre, pour vos réponses et pour votre engagement à garantir la sécurité des usagers du rail, tout en assurant une transparence bienvenue sur les incidents qui peuvent affecter leur parcours. ​​

Frank Troosters:

Op 31 mei jl. werden de treinreizigers op de verbinding Eupen-Oostende in het station van Leuven gevraagd de trein (onder politiebegeleiding) te verlaten. Ze dienden over te stappen in een andere trein.

Kan de minister toelichting geven over de aanleiding tot het evacueren van de desbetreffende trein?

Was er sprake van een (fysiek) veiligheidsrisico op de desbetreffende trein? Welk was dat risico? Hoe werd het gedetecteerd? Wanneer werd het gedetecteerd? Welke acties volgden na het detecteren van het risico?

Welke lessen kunnen getrokken worden uit het voorval? Welke maatregelen zullen genomen worden om herhaling te voorkomen?

Jean-Luc Crucke:

Mijnheer Foret, mijnheer Troosters, het staande houden en evacueren van de trein tussen Eupen en Brussel werd uitgevoerd door de Leuvense politie, op verzoek van een onderzoeksrechter uit Luik. Die maatregel paste in een gerechtelijk onderzoek naar een dodelijke steekpartij die datzelfde weekend plaatsvond in Spa. De vermoedelijke dader bevond zich op dat moment op de trein en kon door de politie worden geïdentificeerd en gearresteerd op verdenking van moord.

De politie werd bijgestaan door Securail en personeel van de NMBS, die instonden voor de evacuatie van de reizigers en hun begeleiding naar alternatieve vervoersmogelijkheden.

Er bevond zich dus één persoon op de trein die verdacht werd van betrokkenheid bij de dodelijke steekpartij in Spa. Op bevel van de onderzoeksrechter werd die persoon van de trein gehaald en gearresteerd. Hoewel de aanwezigheid van een verdachte van een ernstig misdrijf op de trein een potentieel veiligheidsrisico inhield, is er op geen enkel moment sprake geweest van een direct fysiek gevaar voor de reizigers.

De situatie werd snel, professioneel en zonder incidenten beheerd door de politiediensten, in samenwerking met Securail en NMBS-personeel.

L'action policière s'est déroulée sans heurt et efficacement. Le suspect a été localisé et arrêté sans incident. Les passagers ont été évacués de manière ordonnée et renvoyés à d'autres trains.

Bien qu'il n'y ait pas eu de danger immédiat, cet incident montre l'importance d'une bonne coopération entre les autorités judiciaires, les forces de police et le personnel ferroviaire.

Les procédures existantes pour de telles interventions semblent manifestement efficaces, mais elles seront évaluées comme d'habitude afin d'identifier les optimisations possibles et de pouvoir gérer encore mieux les incidents futurs.

C'est aussi dans ce cadre que je travaille avec mon collègue Bernard Quintin pour qu'on puisse mieux coordonner encore les missions de Securail, à la fois pour la partie liée directement au train, mais aussi pour la partie extérieure au train. Comme on peut le voir ici, cela peut aussi se passer dans le train.

Gilles Foret:

Monsieur le ministre, je vous remercie, ainsi que les services, pour la réponse et les détails des faits, et pour la volonté de mieux coordonner les différentes opérations.

Frank Troosters:

Ik sluit mij daar volledig bij aan.

De bescherming van de Belgische consumenten en handel tegen platforms als Temu en SHEIN
De Franse boete voor SHEIN
Controle op buitenlandse e-commerceplatforms en consumentenbescherming

Gesteld aan

Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)

op 9 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Belgische Economische Inspectie leidt EU-brede CPC-onderzoeken naar Shein en Temu voor schendingen van consumentenwetgeving (misleidende kortingen, onveilige producten), maar handelt niet individueel om dubbel werk te vermijden. Handhaving is moeilijk door gebrek aan Belgische activa van deze platforms, hoewel boetes mogelijk zijn. Toekomstige maatregelen omvatten een e-commerce-controlecel, versterkte samenwerking tussen douane/inspecties en DSA-toepassing, plus consumentencampagnes tegen overconsumptie en risicovolle aankopen. De Franse boete (€40M) voor Shein valt buiten het huidige CPC-onderzoek.

Sophie Thémont:

Monsieur le ministre, la marque chinoise Shein est emblématique des dérives de la fast-fashion: sur le plan des conditions de travail, sur le plan de l'environnement, sur le plan de la concurrence déloyale... Shein incite à la surconsommation, ne respecte pas les normes européennes et utilise des produits dangereux. De surcroit, elle trompe le consommateur avec de fausses réductions et des informations trompeuses.

En France, la marque vient d'écoper une amende de 40 millions infligée par la DGCCRF. L'enquête avait révélé des méthodes fallacieuses autour des réduction de prix et des allégations environnementales, induisant les consommateurs en erreur sur la réalité des promotions.

Mes questions sont les suivantes: En Belgique, l'Inspection économique mène-t-elle également des enquêtes sur les grandes marques emblématiques de la fast-fashion, dont Shein, et si oui quelles sont les constations? Combien de contrôle, de PV d'infraction, de poursuites et de sanctions? Avez-vous pris connaissance de la sanction record infligée à Shein en France? La Belgique dispose-t-elle d'un cadre législatif équivalent à celui sur base duquel en France cette sanction a été infligée à Shein? Je vous remercie pour vos réponses.

Rob Beenders:

Merci pour votre question, madame Thémont. Je vous présente mes excuses, nous avons préparé une réponse en néerlandais. J'espère que cela ne pose pas de problème.

Het is essentieel dat online marktplaatsen, in het bijzonder zeer grote platforms zoals Temu en Shein, de Europese consumentenwetgeving naleven. Dat is enerzijds noodzakelijk om consumenten te beschermen en anderzijds om eerlijke concurrentievoorwaarden te garanderen voor Belgische en Europese ondernemingen. Om die reden zijn er binnen het Europese netwerk voor samenwerking op het gebied van consumentenbescherming, het Consumer Protection Cooperation Network, oftewel CPC, gezamenlijke acties opgezet tegen Temu en Shein.

Dat netwerk bestaat uit de nationale consumentenbeschermingsautoriteiten van de verschillende EU-lidstaten en de Europese Commissie. De Belgische Economische Inspectie fungeert als co-lead in beide acties. Aangezien die ondernemingen reeds door het CPC-netwerk worden aangepakt, treedt de Economische Inspectie niet afzonderlijk op.

De boete die door het Franse DG CCRF werd opgelegd, heeft betrekking op een periode die voorafging aan het CPC-onderzoek. De Economische Inspectie verstrekt in de regel geen informatie over onderzoeken naar individuele ondernemingen. Zij beschikt wel over de mogelijkheid om administratieve geldboetes op te leggen. Er moet echter worden opgemerkt dat wanneer een onderneming de geldboete niet vrijwillig betaalt, die enkel kan worden ingevorderd voor zover de onderneming over activa beschikt op Belgisch grondgebied. Dat kan een probleem zijn bij ondernemingen zoals Shein, Temu en vele andere.

Maatregelen om Belgische consumenten beter te beschermen tegen niet-conforme of potentieel gevaarlijke producten behoren tot een gedeelde bevoegdheid met mijn collega, de minister van Economie. Binnen het controleprogramma van de marktoezichtautoriteit die verantwoordelijk is voor productveiligheid binnen de FOD Economie, zullen controles van online verkochte producten een vast onderdeel vormen en een steeds groter aandeel innemen. Op termijn is het de bedoeling een cel e-commerce op te richten die toezicht houdt op de veiligheid van online verkochte producten. Daarnaast is het van cruciaal belang om de samenwerking tussen de verschillende betrokken diensten – waaronder de douane, inspectiediensten en de marktoezichtautoriteiten van de FOD Economie – te versterken, zodat een samenhangend en doeltreffend antwoord kan worden geboden op die problematiek.

De FOD Economie werkt momenteel reeds intensief aan het versterken van de synergie tussen de verschillende betrokken overheidsactoren. Hierbij wordt bijzondere aandacht besteed aan het toegankelijk en toepasbaar maken van de bepalingen van de Digital Services Act voor de diverse controle-instanties. De FOD Economie zal de coördinatie op zich nemen van een reeks werkgroepen tussen marktoezichtautoriteiten, gericht op de implementatie van toezichtinstrumenten voor producten die online worden aangeboden.

Tot slot is het ook belangrijk om de burgers hierbij te betrekken.

Via informatiecampagnes moeten consumenten worden gewaarschuwd voor de risico’s van het kopen van niet-conforme producten – met het oog op veiligheid, gezondheid of milieu – en moet verantwoord koopgedrag worden aangemoedigd.

Sophie Thémont:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour cette réponse complète. Des sociétés comme Shein ou Temu incitent à la surconsommation et ne respectent pas les normes européennes. Plusieurs mesures seront mises en place, notamment une cellule e-commerce, qui, si j'ai bien compris, va contrôler ces produits en ligne, ainsi que des groupes de travail coordonnés par le SPF Économie. C'est déjà une bonne chose. Et il y aura surtout des campagnes d'information vis-à-vis des citoyens et des consommateurs qui sont évidemment les premiers impactés par tout ce type de promotion et d'influence à l'achat de surconsommation sur les réseaux sociaux.

De NAVO-top en de defensie-uitgaven
De NAVO-top in Den Haag
NAVO-top en defensiebeleid

Gesteld aan

Bart De Wever (Eerste minister)

op 9 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de NAVO-doelstelling van 5% BBP voor defensieuitgaven, waar kritiek op komt van Hedebouw (PTB) die waarschuwt voor een gevaarlijke wapenwedloop, sociale ontmanteling en afhankelijkheid van de VS, terwijl De Wever (N-VA) benadrukt dat Europa’s veiligheid dreigt door Russische agressie en pleit voor een realistische, gefaseerde verhoging (2% nu, 3,5% in 2035) met Europese autonomie als doel—maar zonder garanties dat sociale zekerheid gespaard blijft. Lacroix (PS) eist Europese strategische autonomie, innovatieve financiering (bv. bevroren Russische activa) en afwijzing van extra F-35’s, terwijl hij de regering beschuldigt van onduidelijkheid over budgettaire keuzes en risico’s voor burgers. De motie van Lacroix bepleit een 2%-plafond (geen 5%), focus op Europese defensie-industrie en bescherming van sociale rechten.

Raoul Hedebouw:

Mijnheer de eerste minister, de laatste NAVO-top heeft uiteindelijk besloten dat alle NAVO-landen 5 % van hun bruto binnenlands product moeten uitgeven aan militaire doeleinden, aan wapens. Dat is enorm. Vandaag geven de 32 NAVO-landen samen al 1.275 miljard dollar uit aan wapens. Als we naar de 5 % zouden gaan, zouden alle NAVO-landen samen 2.758 miljard dollar aan wapens uitgeven. Dat is meer dan wat alle landen in de wereld vandaag samen uitgeven, dus inclusief de NAVO-landen, China, Rusland, India, Israël, Japan, Oekraïne en Saoedi-Arabië.

Dat is een uitzonderlijke verhoging van de militaire uitgaven. De vraag die nu rijst, is of dat ons dichter bij vrede zal brengen, mijnheer de eerste minister. Zoveel wapens in de wereld... Ik denk eerder dat zoveel wapens ons richting oorlog zullen duwen.

Vandaag geven de NAVO-landen 12 keer meer uit aan wapens dan Rusland. Als we naar de 5 % gaan, geven we 20 keer meer uit dan Rusland. Waar stopt het? Gaan we naar 21, 22 of 23 keer meer? Waar stopt de wapenwedloop? Dat is volgens mij de vraag die veel mensen in ons land zich stellen.

Vanwaar zal dat geld komen, mijnheer de eerste minister? Jarenlang werd er gezegd dat er geen geld was en nu blijkt dat er toch geld is. Ik denk dat u dat geld wilt halen bij de gepensioneerden, bij de langdurig zieken, bij onze sociale zekerheid. Dat zal ons natuurlijk niet dichter bij vrede brengen.

Er is nogal onduidelijk gesproken over de stijging van 2 % naar 5 %. Kunt u mij garanderen dat wij over 5 à 10 jaar geen 5 % zullen uitgeven?

Christophe Lacroix:

Monsieur le premier ministre, nous avons eu l'occasion d'évoquer le sujet ce matin dans la commission qui porte sur les questions européennes. Nous sommes tous d'accord sur le fait que le contexte géopolitique est bouleversé et nettement moins stable que celui que nous avons connu lors de la guerre froide, pendant laquelle deux blocs s'opposaient. En l'occurrence, nous sommes face à une multitude de blocs dirigés par des autocrates dont la tête n'est pas toujours bien faite ni bien pleine. Dès lors, face à ce contexte, un accroissement des moyens en matière de défense afin d'assurer notre sécurité et de défendre les valeurs démocratiques peut être et est d'ailleurs justifié.

Néanmoins, un tel accroissement – et c'est là que nos opinions divergent – ne peut se faire n'importe comment ni à n'importe quel prix, par exemple en remettant en cause un pilier fondamental que constituent la sécurité sociale et les services publics dans notre pays, qui font d'ailleurs partie de l'effort de résilience dans un État menacé. Nous avons besoin de la cohésion de la population derrière son gouvernement, et cette cohésion ne se fait pas uniquement par une vision offensive, mais aussi par une vision qui consiste à préserver les droits sociaux. Je suis bien évidemment convaincu que les débats ne peuvent se cantonner à fixer, de manière dogmatique et idéologique, des objectifs budgétaires, sans que ne se pose la question du financement.

Évidemment, il est toujours plus facile d'inscrire dans un budget des crédits de dépenses plutôt que des crédits de recettes. Aujourd'hui, votre gouvernement louvoie entre différentes positions et, si nous écoutons les uns et les autres, il n'est pas question de nouvelles taxes, on a recours à des one shots , à un fonds devant être créé par le biais des institutions et des organes de l'État qui gèrent ces institutions publiques. Bref, on n'y voit pas très clair, et je sais que vous êtes toujours à la recherche de solutions.

La recherche de synergies européennes sur les plans humain, stratégique et géopolitique, mais aussi la mobilité militaire et industrielle, sont des éléments cruciaux. L'heure est à l'avènement d'un véritable pilier européen au sein de l'OTAN, un pilier que nous défendons, nous socialistes, depuis 2012. Il revient à notre pays de continuer pleinement à jouer son rôle en la matière, ainsi que nous le permettaient le plan STAR et la stratégie DIRS. Je crois qu'effectivement, nous devons vraiment activer tous les leviers mis en place par la Commission européenne, sans pour autant remettre en cause les politiques de solidarité intra-européenne (comme les fonds de cohésion) ou procéder à la vente d'actifs stratégiques, ce qui serait plutôt dramatique.

D'autres pistes de financement innovantes sont possibles, comme la saisie des fonds russes gelés, mais je connais déjà votre position en la matière. Et je crois qu'effectivement, il faut faire preuve d'une certaine prudence, même si c'est une occasion qu'il ne faut pas balayer d'un revers de main.

Je suis convaincu que la stratégie belge et européenne en matière d'autonomie stratégique doit se faire dans le cadre d'une approche globale des conflits, en privilégiant toujours la diplomatie et la recherche d'une solution de paix durable.

Monsieur le premier ministre, quelle position avez-vous défendue au sommet de l'OTAN qui a eu lieu en juin dernier? Quelle est véritablement la position de notre pays quant au budget de défense et la part de PIB, et sa soutenabilité pour les États membres de l'Alliance? L'Espagne a tenu bon sur les 2 %. Chez nous, on parle de 2 %, 3,5 % auxquels on ajoute 1,5 %, etc. Bref, tout cela me semble un peu confus et je ne sais pas comment vous allez réconcilier cela avec la vision stratégique du ministre de la Défense et son plan de réarmement, ainsi que les crédits de recettes que vous allez chercher.

Quelle vision avez-vous en matière d'autonomie stratégique européenne, sur le plan industriel, alors qu'on annonce beaucoup d'achats – notamment américains –, en particulier ces fameux F-35? Enfin, quelle est votre vision quant à une approche globale des conflits et à la contribution de la Belgique à l'approche 3D (Défense, Diplomatie, Développement)?

Bart De Wever:

Mijnheer Hedebouw, 12 keer meer dan Rusland, dat is in termen van geld. Ik meen dat het militair beter is in termen van capaciteiten te spreken. Dan is de realiteit dat Rusland vandaag op enkele maanden een productiecapaciteit heeft opgebouwd die de NAVO pas op één jaar kan realiseren.

We zitten dus met een probleem. De kosten van iemand die dusdanig aan zijn productieapparaat werkt – een Russische soldaat krijgt minder wedde en ook de pensioenen worden daar niet meegerekend, hier wel – moet men berekenen in termen van capaciteiten. Als men de uitgaven vertaalt naar de capaciteiten, ziet men dat er een dramatisch onevenwicht is in dat land, dat blijkbaar voor een totale oorlogslogica gekozen heeft.

Ik hoop samen met u dat het stopt, dat er een regimewissel komt of dat er een andere strategische visie komt. Ik meen dat Rusland zich verkeken heeft op het conflict in Oekraïne. Men dacht daar dat het zeer kort zou duren, maar Rusland is vastgelopen in een zeer langdurige oorlog zonder dat het daarvoor een strategisch plan had. Van de weeromstuit is het verzeild geraakt in een totale oorlogslogica. Die kan niet onbeantwoord blijven, want aan dit tempo zal Rusland over enkele jaren perfect in staat zijn om NAVO-gebied te testen, zoals dat heet.

Dat zal dan waarschijnlijk eerst Moldavië zijn en de volgende op de agenda wordt wellicht een Baltische staat, een van die kleintjes, waar men een test kan doen van de weerbaarheid van het NAVO-grondgebied, van artikel 5 en van de bereidheid van alle geallieerden om op te treden.

Er zijn redenen om aan die weerbaarheid te twijfelen. In Washington kan het regenen of de zon kan schijnen. Het hangt af van de dag of van de week of van de stand van de maan af. Dat er redenen zijn om aan de weerbaarheid te twijfelen is zeker, of we dat nu willen of niet.

Qu'on le veuille ou non, on devra dépenser beaucoup plus en Europe pour notre stratégie autonome, pour développer des capacités que nous n'avons pas, et pour être capables d'organiser une force de dissuasion vis-à-vis de la Russie ou d'autres pays hostiles ou vis-à-vis d'autres menaces qui pourraient se présenter d'ici cinq ans.

Of wij dat nu graag hebben of niet, dat is de realiteit waar wij voor staan. Die realiteit stelt budgettaire eisen.

Monsieur Lacroix, vous posez la bonne question: comment les financer? On avait prévu, dans l'accord de gouvernement, d'avoir une trajectoire à 2 % d'ici 2029 mais nous avons été obligés de précipiter les ambitions et de réaliser les 2 % déjà cette année-ci. Ce sont les 2 % que M. Di Rupo avait promis au Pays de Galles en 2014 déjà, mais que nous n'avons jamais réalisés. Malheureusement, les gouvernements précédents n'ont fait que des économies sur la défense et notre pays a pleinement pris le dividende de la paix.

Ik moet u er toch aan herinneren dat wij tijdens de Koude Oorlog een inspanning van 3,5 % deden. Dat was het vaste uitgavenritme. Zij die beweren dat die norm hel en verdoemenis is, dat dat onmogelijk is en niet kan, moet ik erop wijzen dat wij decennialang op die manier hebben geleefd, omdat de oorlogsdreiging tijdens de Koude Oorlog van die aard was dat er voldoende afschrikking moest zijn. Dat vertaalde zich in een uitgave van 3,5 %.

Wij zijn niet in een heel uitzonderlijke situatie terechtgekomen, wij zijn naar het oude normaal teruggekeerd. Vooral de voorbije 25 jaar, sinds de val van het Oostblok, hebben wij op een heel naïeve en voluntaristische manier het vredesdividend opgezogen.

Nu staan wij heel pijnlijk met de broek op de enkels, in totale afhankelijkheid van de Verenigde Staten die dat niet hebben gedaan. Zij zijn veel blijven uitgeven. Wij worden nu geconfronteerd met een totale kwetsbaarheid ten opzichte van imperialisten in het Oosten die de wapens durven laten spreken. Dat is dus een penibele situatie.

Donc, quels moyens pour les financer? On peut commencer avec des one shots . On a aussi la souplesse budgétaire que l'Europe nous a offerte et que nous allons utiliser dans les année à venir. On peut être créatifs pour le démarrage; on peut parler des avoirs russes mais je suis très content, monsieur Lacroix, que vous plaidiez aussi pour la prudence. J'ai entendu votre président de parti il y a un ou deux mois à la Chambre. Il était très volontariste et il m'accusait d'être presqu'un lâche de ne pas simplement oser prendre les avoirs russes pour les dépenser pour la défense et pour l'Ukraine. Je pense que c'est de la folie et je suis très content que maintenant, vous dites que c'est une piste que l'on peut envisager, mais en étant extrêmement prudents.

Quelle position ai-je défendue pendant le sommet de l'OTAN? Il faut être réaliste. On défend la position avant le sommet. Le sommet, c'est presqu'une messe. On a trois minutes pour s'exprimer. Ce n'est pas là qu'on négocie. C'est avant le sommet que l'on doit négocier. On l'a pleinement fait, de manière quelque peu ouverte. Avec M. Prévot à Antalya, nous avions convenu de speaking points . Il l'a fait avec beaucoup d'enthousiasme. Tout le monde a remarqué que la Belgique, à ce moment-là, a osé dire que 5 % c'était trop, que ce n'était pas réaliste et que le délai était trop court. Nous avons dit que nous ne pouvions pas le réaliser et que nous plaidions pour un délai plus long, une souplesse dans la trajectoire, pour un moment d'évaluation. Je constate avec vous qu'à ce moment-là, nous étions tous seuls à Antalya. Même l'Espagne ne s'est pas exprimée.

Nous avons obtenu tout ce qu'on voulait. Le délai de sept ans est devenu un délai de 10 ans. Il n'y a pas de trajectoire incrémentale obligatoire, ce qui est très important. Donc, on peut rester à 2 % pendant cette législature. On a prévu une augmentation à 2,5 % en 2034. Certains vont dire que si on doit être à 3,5 % en 2035, cela n'est pas très réaliste d'augmenter à 2,5 % en 2034, que c'est trop tard. Mais nous avons aussi prévu une évaluation en 2029. Espérons que le monde sera plus gentil dans quelques années. Peut-être peut-on voir la fin de la guerre en Ukraine, un autre régime en Russie, je n'en sais rien, mais espérons que l'on va évoluer dans le bon sens.

Donc, en 2029, nous avons prévu une évaluation. À ce moment-là l'objectif reste de 3,5 %, parce que 1,5 % est un ensemble de dépenses pour la résilience, et je suis convaincu que dans la comptabilité, si on fait l'addition de tout ce que l'on fait déjà en termes de mise en œuvre, nous allons y arriver. Ce ne sera pas un grand problème d'arriver à 1,5 %. Ce sont les 3,5 % de dépenses militaires strictes qui seront, pour notre pays, très difficiles à réaliser, même dans un délai de 10 ans.

Espérons qu’en 2029, nous serons sur une trajectoire un peu plus basse. Sinon, cela demandera encore des mesures très fortes.

Pendant la législature de l’Arizona, nous devons atteindre 2 %. C’est déjà un grand problème. Je ne vais pas le nier. Nous avons prévu une trajectoire. Nous commençons avec des one shots , et nous comptons également l’aide bilatérale que nous fournissons à l’Ukraine. Cela compte pour un milliard. C’est un milliard que nous avons gratuitement, grâce à l’ISOC sur les avoirs russes. C’est donc déjà un milliard.

Nous bénéficions d’une souplesse budgétaire au niveau européen pour les prochaines années, mais cela ne durera pas. Nous avons prévu une trajectoire dans laquelle, chaque année, nous sommes obligés de trouver un espace structurel dans le budget afin d’augmenter les dépenses en matière de défense.

Il ne sera pas facile d’atteindre 2 %, puis 3,5 % en 2035. J’espère que nous ne devrons pas le réaliser. Ce serait extrêmement difficile. Mais dire que c’est impossible, que c’est inouï ou du jamais vu, ce n’est simplement pas vrai. Nous l’avons toujours fait, jusqu’à la fin des années 1990.

Quant aux F-35, allons-nous encore en acheter? Est-ce nécessaire? L’OTAN nous oblige à réaliser des capacités. Pour la Belgique, cela signifie que la force aérienne doit encore être renforcée. Il est certain que nous devons le faire. Devons-nous le faire en achetant des F-35? Certains disent – je l’entends, monsieur Lacroix, monsieur Hedebouw – qu’il ne faut plus jamais acheter américain. Je pense que c’est irréaliste et peu souhaitable. Certaines capacités ne sont pas disponibles en Europe, beaucoup plus chères ou de moindre qualité.

Il faut aussi tenir compte du fait que la Belgique a obtenu, en cas de nouvelle commande de F-35, que ceux-ci seraient fabriqués en Italie. Le fait est que nous avons déjà acquis des F-35. Il est impossible pour une petite force aérienne comme la nôtre d’opérer deux systèmes.

De plus, notre force aérienne est intégrée. Nous coopérons avec les Pays-Bas, qui ont également acquis des F-35 et n’envisagent pas d’acheter un autre système. Si nous achetons des avions de chasse à court terme, ce seront des F-35. On peut espérer que l’Europe sera capable de développer, d’ici 10 ans, un avion de chasse de sixième génération.

Je l’espère, car pour l’instant, il existe deux projets européens visant cet objectif. C’est de la folie. Il faut une consolidation et il faut développer un système européen de sixième génération. Si nous parvenons à le faire d’ici 10 ans, alors il deviendra réaliste d’envisager notre participation à ce projet. Il serait intelligent, en tant que Belgique, de participer à un projet européen, s’il en existe un, et de commencer à remplacer les F-35 par ce nouveau système dès qu’il sera disponible. Mais cela relève d’un avenir situé à 20 ou 30 ans.

C'est inévitable. Si nous avions voulu acheter un avion européen, nous aurions dû commencer le développement d'un avion de chasse de cinquième génération, d'une qualité égale aux F-35, il y a 20 ans. Mais nous ne l'avons pas fait. C'est peut-être dommage, mais c'est la réalité.

Concernant la question sur le 3D (Diplomatie, Développement, Défense, Ordre public), la Belgique est un grand défenseur de l'approche pangouvernementale, the Whole-of-Government Approach , qui signifie que la diplomatie, la défense et la coopération au développement vont de pair. Et l'accord de gouvernement abonde dans ce sens. Je cite: "Nous augmentons également notre résilience grâce à une approche 3D dans le cadre de laquelle la Défense agit de manière coordonnée avec la diplomatie et la Coopération au développement pour continuer à rechercher la stabilité à nos frontières extérieures. Nous mettons en œuvre une approche globale 3D qui se concentre principalement sur la sécurité, la migration, la promotion de l'état de droit et la réalisation des objectifs de développement durable (ODD) avec un accent spécifique sur la Méditerranée et les environs proches de l'Europe. Dans ce cadre, nous adoptons une approche pangouvernementale et nous luttons contre une fragmentation de nos moyens."

Cependant, concernant l'aspect budgétaire, ce pays est en très mauvaise posture et nous devons faire des choix difficiles. Par le passé, la défense était toujours en bas de la liste des priorités, mais en tête de la liste des économies. Nous sommes donc confrontés à un grand défi pour inverser cette situation. Le gouvernement actuel déploie un maximum d'efforts pour augmenter les investissements nécessaires en termes de défense.

Raoul Hedebouw:

Mijnheer de eerste minister, u spreekt over de capaciteiten. Zelfs wanneer we die analyseren, zien we dat de Europese NAVO-landen, dus zonder de Verenigde Staten, vier keer meer oorlogsschepen, drie keer meer pantservoertuigen, twee keer meer gevechtsvliegtuigen en drie keer meer tanks hebben. Ook op het vlak van capaciteiten zitten we dus al hoog.

Wat ik niet goed begrijp, is dat dezelfde mensen zeggen: “We geven nog wat wapens aan Oekraïne en dan zullen we Rusland verslaan. We zullen winnen”. Tegelijk zeggen zij: “Morgen kunnen de Russen op de Grote Markt in Brussel staan”. Wat is het nu? Gaan we de Russen snel verslaan?

Bart De Wever:

(…)

Raoul Hedebouw:

Ik reken helemaal niet op Amerika. Integendeel, ik wijs net op de capaciteit van de Europese landen. De Europese landen van de NAVO hebben drie keer meer pantservoertuigen. U moet goed luisteren, mijnheer de eerste minister.

Ik antwoord op uw argument. U zegt dat we op het vlak van capaciteiten helemaal niet sterk staan, maar dat klopt niet. U zegt zelf ook: we zullen nog wat wapens naar Oekraïne sturen en we gaan winnen. U zegt ook: de Russen zullen een bedreiging vormen op de Grote Markt. Ik geloof daar echt niet in, mijnheer de eerste minister.

U hebt mij trouwens nog altijd niet overtuigd waarom die Trumpnorm van 5 % ons naar vrede zou brengen. Die 5 % werd gewoon door Trump opgelegd, door Amerika, zodat, zoals u vanmorgen zelf hebt gezegd, de Amerikaanse capaciteiten naar China en Azië zouden kunnen verschuiven. Wij gaan dus in België en in Europa onze pensioenen opofferen om de Amerikaanse capaciteiten tegenover China te financieren? Dat brengt ons rechtstreeks naar een derde wereldoorlog, mijnheer de minister.

Zou het niet veel beter zijn om een totaal andere logica te volgen? Ik denk dat Europa moet stoppen met de Amerikanen blindelings te volgen. Dat debat hebben we vanmorgen gevoerd. Op economisch en militair vlak gaan we daaraan kapot. Ik denk dat de wereldorde aan het veranderen is en dat Europa daarin beter zijn plaats zou moeten innemen.

Christophe Lacroix:

Monsieur le premier ministre, vous êtes historien et je le suis aussi. Je pense que vous êtes beaucoup plus talentueux que moi comme historien. Néanmoins, mes petites études d'historien à l'université de Liège m'ont appris qu'en critique historique, il y avait deux principes: d'une part, testis unus, testis nullus et d'autre part, non numerantur, sed ponderantur .

Je m'étonne donc que vous ne teniez pas compte de ces deux adages qui sont attachés à la fonction d'historien quand vous parlez d'Elio Di Rupo au sommet de Cardiff au Pays de Galles. M. Di Rupo ne s'est pas engagé au 2 %. Il a dit qu'il était premier ministre en période d'affaires courantes et qu'il ne pouvait dès lors pas décider des 2 % et que ce serait au gouvernement, qui devrait être constitué, d'assumer ou non la charge des 2 %.

En bon historien, pour être certain que je ne raconte pas des carabistouilles, j'avais interrogé le premier ministre Charles Michel, qu'on ne peut pas suspecter de sympathie par rapport à Elio Di Rupo, qui m'a confirmé ces propos. Je crois donc avoir agi avec beaucoup de discernement pour démystifier l'usage que vous faites, vous et vos ministres, des déclarations de Di Rupo. Ce ne sont pas les vraies déclarations et le bon écrit d'Elio Di Rupo.

Par contre, je vais vous rappeler les actions de votre ministre Vandeput quand vous étiez président de la N-VA.

En 2014, l'Ukraine, la Crimée est envahie par les Russes. Vous dites alors: "Ah, on s'est reposé. On a utilisé les dividendes de la paix." Qu'a fait le ministre Vandeput? Il a fait une coupe claire dans la défense, 1,7 milliard d'euros en moins pour la défense et il y a zéro crédit de dépense pour des munitions en 2016. Zéro munitions ont été achetées sur le crédit 2016. Il a engagé la Belgique dans un plan pour la capacité motorisée de l'armée terrestre à hauteur de 1,5 milliard. Cela nous coûte aujourd'hui 15 milliards d'euros. Enfin, il y a eu une chute des postulants puisqu'il a revu le statut des militaires.

Voilà la véritable histoire et c'est ce qui est arrivé avec la N-VA au pouvoir à la tête de la défense. J'ai donc très peur que cela ne recommence. Vous dites qu'effectivement, l'OTAN c'est une grand-messe. Oui, tout le monde a fait la cour à daddy , si j'ai bien compris. Mark Rutte s'est vraiment effacé et a joué à la carpette pour le président des États-Unis. Je suppose que, si Paris vaut bien une messe, le poste de secrétaire général de l'OTAN vaut bien aussi toutes les controverses et toutes les turpitudes.

Vous ne m'avez pas répondu sur le financement. Si j'ai bien compris, vous êtes toujours à la recherche d'un accord. J'ai dès lors très peur que ces dizaines de milliards vont être utilisés au détriment des finances de nos concitoyens.

Qui va payer, s’il faut en arriver à lever de nouvelles taxes? Ce sera le citoyen. Rien que le coût des F35 s’élève à 6 000 euros par an par ménage. C’est-à-dire, non pas comme vous l’avez proclamé à travers votre gouvernement, 500 euros de plus par an par ménage, mais 500 euros en moins.

Par ailleurs, vous répétez inlassablement que le F35 est la meilleure solution. Je suis d’accord avec vous, mais pour un type d’usage d’avions seulement. Le F35 a été choisi à l’époque dans l’idée d’un avion qui pouvait transporter des armes nucléaires. Mais pour le type avion de chasse, le Rafale est bien plus polyvalent qu’un F35. On doit se poser les bonnes questions. Permettez-moi donc en tant que parlementaire de m’interroger sur les capacités réelles des F35, qui sont certes importantes mais pas polyvalentes; sur le fait qu’en Suisse, une commission d’enquête a été créée par rapport aux surcoûts importants liés à ces avions, et sur le fait, qu’effectivement, dès 2014, la Belgique s’est liée pieds et poings avec les États-Unis en commandant du matériel américain. Je n’ai par ailleurs pas du tout retrouvé dans la note de votre ministre de la Défense Theo Francken la conception d’une politique 3D, que vous défendez. Il va falloir que vous vous parliez, car il y a beaucoup de cacophonie dans ce gouvernement.

Pour toutes ces raisons, j’ai déposé une proposition de recommandation qui appellera à un vote ultérieurement.

Moties

Motions

Voorzitter:

Tot besluit van deze bespreking werden volgende moties ingediend. En conclusion de cette discussion, les motions suivantes ont été déposées. Een motie van aanbeveling werd ingediend door de heer Christophe Lacroix en luidt als volgt: "De Kamer, gehoord de interpellatie van de heer Christophe Lacroix en het antwoord van de eerste minister, geeft de regering de aanbeveling: - alle beslissingen inzake de Belgische defensie in te passen in een logica van meer Europese strategische autonomie en van de versterking van de Europese technologische en industriële defensiebasis (EDTIB), zowel op strategisch, materieel, industrieel, logistiek als menselijk vlak; - geen strategische activa van de federale Staat te verkopen voor de financiering van de defensie-inspanningen van ons land; - ervoor te zorgen dat de defensie-inspanningen niet ten laste komen van de burgers, de sociale zekerheid en de overheidsdiensten, en innovatieve financieringsbronnen aan te boren, zoals de inbeslagname van Russische tegoeden; - ervoor te zorgen dat alle militaire uitgaven die opgenomen worden in de toekomstige wet houdende de militaire programmering van bij het begin van de procedure een zo hoog mogelijke maatschappelijke return opleveren voor de Belgische en Europese bedrijven; - te garanderen dat het groeitraject naar 2 % van het bbp, waartoe de regering heeft beslist, gepaard gaat met strikte voorwaarden, met name inzake duale investeringen (onder meer in cyberveiligheid, hulp aan de natie, …), maatschappelijke return voor onze economie door van bij de start de Belgische industriesector en R&D te betrekken, en de bijdrage aan een echte alomvattende aanpak en een Europese defensiepijler binnen de NAVO; - af te zien van de aankoop van bijkomende Amerikaanse F-35-gevechtsvliegtuigen, die geen bijdrage leveren aan de Europese strategische autonomie, en in de plaats daarvan de Europese initiatieven voor de gevechtsvliegtuigen van de toekomst, zoals het SCAF-programma, te verkennen en te ondersteunen; - naar Spaans voorbeeld onze investeringen te optimaliseren om onze door de NAVO vastgelegde strategische en materiële doelstellingen (capability targets) te bereiken volgens het 2 %-traject, zonder de drempel van 5 % te bereiken, waardoor het overheidstekort aanzienlijk zou toenemen en het functioneren van onze Staat, overheidsdiensten en sociale zekerheid fundamenteel ondermijnd zou worden. " Une motion de recommandation a été déposée par M. Christophe Lacroix et est libellée comme suit: " La Chambre, ayant entendu l'interpellation de M. Christophe Lacroix et la réponse du premier ministre, recommande au gouvernement - d'inscrire l'ensemble des décisions en matière de Défense belge dans une logique de davantage d'autonomie stratégique européenne et de consolidation de la BITDE, tant sur les plans stratégique, matériel, industriel, logistique qu'humain; - de ne pas procéder à la vente d'actifs stratégiques de l'État fédéral en vue de financer l'effort de Défense par notre pays; - de ne pas faire porter l'effort de la Défense par les citoyens, la sécurité sociale et les services publics et de développer des sources de financement innovantes comme la saisie des fonds russes; - de s'assurer que l'ensemble des dépenses militaires qui seront reprises dans la future loi de programmation militaire maximalise, dès le départ de la procédure, les retours sociétaux pour les entreprises belges et européennes; - de garantir que la trajectoire de croissance vers les 2% décidée par le gouvernement s'accompagne de conditions strictes notamment en matière d'investissements duaux (cybersécurité, aide à la nation, ... ), de retours sociétaux pour notre économie en impliquant dès le départ le secteur industriel et Recherche et Développement belge et de la contribution à une véritable approche globale et à un pilier de la Défense européenne au sein de l'OTAN; - de renoncer à l'achat de F-35 américains supplémentaires qui ne permettent pas de contribuer à l'autonomie stratégique européenne et, au contraire, d'explorer et de soutenir les initiatives européennes pour des avions de chasse du futur comme le programme SCAF; - à l'instar de l'Espagne, d'optimaliser nos investissements afin d'atteindre nos objectifs stratégiques et matériels (capability targets) fixés par l'OTAN selon la trajectoire des 2% sans atteindre le seuil des 5% qui aggraverait de manière considérable le déficit public et remettrait en cause de manière fondamentale le fonctionnement de notre É tat, des services publics et de la sécurité sociale." Een eenvoudige motie werd ingediend door mevrouw Maaike De Vreese. Une motion pure et simple a été déposée par Mme Maaike De Vreese . Over de moties zal later worden gestemd. De bespreking is gesloten. Le vote sur les motions aura lieu ultérieurement. La discussion est close.

De uitspraak van minister Prévot over de 'genocide' in Gaza
De oorlogsmisdaden in Palestina
Het regeringsstandpunt over de sancties tegen Israël
De situatie in Gaza
De dramatische situatie in Gaza
Het regeringsstandpunt over de opschorting v.d. associatieovereenkomst en de uitspraken v.d. premier
Het conflict in Gaza en de Belgische politieke reacties daarop

Gesteld aan

Bart De Wever (Eerste minister)

op 9 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de Belgische en Europese reactie op het Israëlisch-Palestijnse conflict, met focus op Gaza’s humanitaire crisis en het EU-Israël-associatieakkoord. Kritiek richt zich op Israëls schendingen van mensenrechten (bombardementen, hongersnood als wapen, blokkade hulpgoederen) en Europa’s dubbele standaard (geen sancties vs. Rusland), terwijl België intern verdeeld is: premier De Wever benadrukt humanitaire hulp en procedurele stappen (onderhandelingen via EU), maar oppositie en coalitiepartners eisen opschorting van het akkoord (mogelijk met gekwalificeerde meerderheid) en sancties (wapenembargo, individuele maatregelen). Publieke druk (100.000 betogers) en juridische argumenten (schending artikel 2) versterken de oproep tot actie, maar De Wever ontwijkt concrete toezeggingen, wijzend op EU-eensgezindheidsgebrek.

Sam Van Rooy:

Goedemiddag, premier De Wever. Ik zie dat wij dezelfde kleur das dragen, maar ik twijfel eraan of u daarmee, net zoals ik, wilt verwijzen naar het door Hamas vermoorde gezin Bibas.

De term genocide gebruiken zonder enig bewijs en zonder fundament in het internationaal recht, louter als het gaat om een conflict waarbij het Joodse volk betrokken is, is moreel verwerpelijk. Dat zijn niet mijn woorden, maar wel die van Georges-Louis Bouchez, de voorzitter van de MR, een van uw coalitiepartners.

U had dus beter Georges-Louis Bouchez als minister van Buitenlandse Zaken aangesteld in plaats van de linkse Maxime Prévot, die beweert dat er in Gaza een genocide aan de gang is. Dat moet dan wel de allertraagste en domst uitgevoerde genocide uit de geschiedenis zijn, die bovendien onmiddellijk zou kunnen stoppen, namelijk zodra Hamas alle gijzelaars vrijlaat en zich overgeeft.

Ondertussen heeft de Gaza Humanitarian Foundation, een organisatie van Israël en de Verenigde Staten, in Gaza reeds 66 miljoen maaltijden uitgedeeld. Dat zijn gemiddeld meer dan anderhalf miljoen maaltijden per dag, en dat in een aartsmoeilijke, levensgevaarlijke context, waarbij jihadisten van Hamas er alles aan doen om voedsel te stelen om jihadisten te betalen, en om aanslagen te plegen op medewerkers van de Gaza Humanitarian Foundation.

Daarmee wil ik maar aantonen dat het uiteraard geen genocide is, maar wel een oorlog tegen de islamitische jihad, met twee zeer logische en heldere doelstellingen, namelijk free the hostages en free Gaza from Hamas .

Premier De Wever, bent u het daarmee eens, of bent u het eens met uw minister van Buitenlandse Zaken, Maxime Prévot, die zegt dat er in Gaza een genocide aan de gang is?

Raoul Hedebouw:

Mijnheer de eerste minister De Wever, het Palestijnse volk wordt nu al maandenlang gebombardeerd. Er vielen ondertussen 57.000 doden, onder wie veel kinderen en vrouwen. Israël schuift nu ook een plan naar voren om 2 miljoen Palestijnen, vrouwen, kinderen, mannen, samen te brengen in één stad, in een openluchtgevangenis. Hoever kan Israël gaan voordat Europa iets zal doen? Dat is de vraag die duizenden, miljoenen mensen zich stellen. Wat Israël doet, is gewoonweg pure koloniale politiek. Tot hoever kan Israël daarmee gaan?

De genocidale staat Israël kan zijn beleid enkel voeren omdat het steun krijgt van de Verenigde Staten van Amerika en van Europa. Door het associatieverdrag tussen Europa en Israël ontvangt Israël immers miljoenen euro’s en dollars aan steun. Zonder die steun van de Verenigde Staten van Amerika en Europa zou Israël zijn genocidale politiek niet kunnen voortzetten. Dat is de kern van de zaak.

Vorige week vond een Europese top plaats waarop zich een historisch moment aandiende. Europa en België hadden toen kunnen beslissen om dat associatieverdrag op te zeggen. Er zijn immers zeer veel mensenrechtenschendingen gebeurd. Wat blijkt echter? Europa doet niets, Europa wacht af. Tegen Rusland werd al het zeventiende sanctiepakket uitgevaardigd, maar hoeveel sancties zijn er tegen Israël? Nul. Twee maten, twee gewichten.

Het gaat hier helemaal niet om waarden. Onze buitenlandpolitiek heeft niets met waarden te maken, maar alles met geld, business en geopolitiek. Dat is nu duidelijk voor de overgrote meerderheid van de volkeren van deze wereld.

Mijnheer de eerste minister, wat zal België dan wel doen? Zullen we blijven toestaan dat wapentransit naar Israël plaatsvindt? Zullen we dat associatieverdrag laten bestaan? Of zal België zelf beslissingen nemen? Dat is mijn vraag.

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de premier, de situatie in Gaza is schandelijk en blijft maar duren. Ik denk dat één zaak zeer duidelijk is: de Israëlische regering overschrijdt momenteel alle mogelijke grenzen.

Ik wil geen semantische discussie voeren over de vraag of het woord genocide al dan niet gepast woordgebruik of juridisch correct is. Daar hebben de onschuldige burgerslachtoffers in Gaza niets aan. Volgens mij staat wel vast dat de mensenrechten in Gaza worden geschonden. Daarover bestaat geen enkele twijfel. Wie vandaag in Gaza eten of drinken probeert te halen, begeeft zich op een mijnenveld. De mensenrechten worden in Gaza al maandenlang geschonden.

Er is dus nood aan een signaal, ook vanuit Europa. Aangezien iedereen het erover eens is dat de mensenrechten worden geschonden, kan een heel duidelijk signaal erin bestaan om artikel 2 van de associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en Israël ter sprake te brengen. Dat artikel gaat over de zogenaamde mensenrechtenclausule, die bepaalt dat de associatieovereenkomst enkel kan voortbestaan als de mensenrechten worden geëerbiedigd.

Het is overduidelijk dat de mensenrechten in Gaza geschonden worden. We hebben in het Parlement al een resolutie goedgekeurd, samen met de meerderheidspartijen. Die resolutie was zeer flauw, maar ook ik heb ze gesteund omdat ze in de juiste richting ging. Ook in die resolutie staat zeer duidelijk dat artikel 2 van de associatieovereenkomst moet worden nageleefd en dat er toezicht moet zijn op de handhaving ervan. Als dat niet het geval is, moet de associatieovereenkomst worden opgeschort.

Mijnheer de premier, daarom heb ik maar één heel duidelijke vraag voor u. Wat is het standpunt van de Belgische regering in die zaak? Zullen wij al dan niet een voortrekkersrol spelen om de associatieovereenkomst tussen Israël en de Europese Unie op te schorten?

Staf Aerts:

Mijnheer de premier, voor mij zijn uw bochten over de humanitaire situatie in Gaza onaanvaardbaar. Israël bombardeert ziekenhuizen en nagenoeg elk gebouw in Gaza is weggevaagd. Honger wordt gebruikt als een oorlogswapen, want wie eten wil halen wordt doodgeschoten. Bovendien wordt honger ook gebruikt om mensen verplicht te doen verhuizen. Ondertussen wordt de andere noodhulp, aan de grenzen van Gaza, geblokkeerd. Het gevolg is dat kinderen van honger sterven, als ze al niet sterven door bommen en granaten.

Het is overduidelijk dat Israël de mensenrechten continu en op enorme schaal schendt, terwijl de wereld toekijkt en gewoon laat gebeuren.

Het is naar mijn mening hoog tijd dat de Europese Unie ingrijpt. Daar bestaat een middel voor, namelijk het associatieakkoord met Israël. Daarin staat dat het respect voor de mensenrechten een absolute voorwaarde is. In een review wordt gezegd dat de mensenrechten worden geschonden. Op basis daarvan kunnen we dat akkoord dus opschorten.

Ik vind dat de EU dat moet doen, maar u stelt dat het associatieakkoord maar weinig te maken heeft met de humanitaire situatie. Als u dat zegt, vraag ik mij af hoeveel mensen daar nog moeten sterven, hoeveel Palestijnse kinderen daar nog moeten sterven voor we eindelijk politieke druk zullen uitoefenen.

Volgende week bespreken de Europese ministers opnieuw de opschorting van het associatieakkoord. Ierland en Spanje steunen dat al, dus ook kleinere landen kunnen duidelijk iets laten zien.

In Brussel zijn ook 100.000 Belgen op straat gekomen om een rode lijn te trekken en aan de regering te vragen om eindelijk eens echt initiatief te nemen. Ook universiteiten vragen om dat akkoord op te schorten, zodat zij hun samenwerking met de Israëlische universiteiten kunnen stopzetten.

Voor ons is het overduidelijk: wie de regels overtreedt, krijgt geen handelsvoordelen.

Mijnheer de premier, wat zult u beslissen? Zult u mee aan de kar trekken om het associatieakkoord in te zetten, om de handelsrelaties op te schorten? Volgens mij is het daar hoog tijd voor.

Benoît Lutgen:

Monsieur le premier ministre, les différentes organisations humanitaires et même l’ONU n’ont toujours pas un accès illimité et inconditionnel à Gaza. Le système de distribution de nourriture mis en place est un échec total: nombre de points de distribution insuffisants et mal répartis sur le territoire, et danger de mort pour ceux qui s’y rendent pour s’approvisionner. Ce n’est pas rien, des centaines de Gazaouis ont été tués lors la recherche de nourriture.

Différents contractants, même américains, sont absolument rebutés par la situation et ne se privent pas de le dire, ce dont nous les remercions. Le ministre Prévot a fait bouger les lignes au niveau européen, notamment par rapport à la procédure de vérification du respect de l’article 2, qui est enfin engagée, et heureusement. Un Conseil européen se tient la semaine prochaine et j’ose espérer que celui-ci ira plus loin. La lenteur actuelle est en effet insupportable sur le plan humain et dramatique face à la situation humanitaire sur place. Le Service européen d’action extérieure a d’ailleurs confirmé que l’article 2 n’était pas respecté et que les droits humains étaient bafoués quotidiennement.

Monsieur le premier ministre, quel est le mandat concret dont disposera le ministre Prévot au Conseil européen de la semaine prochaine? Il faut à présent avancer et nous souhaitons que l’ensemble de l’Union européenne puisse constater le non-respect du traité et de l’accord d’association entre Israël et l’Union européenne, puisqu’il ne subsiste aucun doute en la matière.

Deuxièmement, envisagez-vous de prendre des sanctions – au niveau belge, mais aussi, je le souhaite, européen – à l’égard de certains ministre israéliens ou d’autres personnes qui agissent contre la paix? Différents pays amis ont eu le courage de prendre ces sanctions, notamment le Royaume-Uni, l’Australie, la Nouvelle-Zélande, le Canada et la Norvège.

Enfin, si la lenteur persistait au niveau européen, seriez-vous prêt, peut-être avec un groupe de pays européens, à prendre des sanctions plus sévères, sans l’accord de l’Union européenne?

Christophe Lacroix:

Monsieur le premier ministre, vous avez récemment exprimé publiquement votre opposition à la suspension de l'accord d'association entre l'Union européenne et Israël, prétextant qu'il ne s'agissait pas de l'urgence actuelle et que cela n'aurait en tout cas pas d'effet immédiat sur l'approvisionnement de l'aide humanitaire. Et pourtant, les attaques systématiques, répétées et indiscriminées d'Israël sur Gaza ont déjà fait des dizaines de milliers de victimes civiles palestiniennes, dans ce que de nombreux juristes, ONG et États, dont l'Espagne, mais également Francesca Albanese, Rapporteuse des Nations Unies sur la Palestine, qualifient de génocide.

Face à de telles atrocités, il est de notre devoir en tant que responsables politiques de défendre sans ambiguïté le droit international et les valeurs fondamentales de l'Union européenne. Or vos propos, tenus dans un contexte de division au sein de la majorité, ne reflètent manifestement pas la position officielle du gouvernement fédéral. Vous avez d'ailleurs reconnu vous être exprimé à titre personnel. C'est une nouvelle réalité constitutionnelle aujourd'hui: nous avons un gouvernement de ministres "à titre personnel". Soit! On en tiendra compte dans l'histoire de l'État belge. Cette dissonance publique sur un sujet aussi grave est non seulement regrettable mais elle affaiblit considérablement la crédibilité de notre pays sur la scène internationale. Quand il s'agit de condamner Israël, nous sommes souvent absents.

Monsieur le premier ministre, pouvez-vous confirmer que vos propos ne reflètent pas la position officielle du gouvernement? Quelle est donc la position actuelle du gouvernement concernant la suspension de l'accord d'association Union européenne-Israël au regard des violations du droit international? Cela n’est pas très clair. Quelles démarches diplomatiques concrètes le gouvernement belge entend-il entreprendre pour faire respecter ce droit international? Des sanctions sont-elles envisagées, comme l'a déclaré le ministre des Affaires étrangères? Si oui, lesquelles et selon quel calendrier? Comment votre gouvernement entend-il garantir une position unifiée et cohérente au sein de la majorité? Enfin, quand la Belgique reconnaîtra-t-elle l'État de Palestine?

Voorzitter:

Zijn er collega's die wensen aan te sluiten? (Nee)

Mijnheer de eerste minister, u hebt het woord.

Bart De Wever:

Geachte leden, over het vraagstuk of er al dan niet een genocide plaatsvindt, is er bij mijn weten geen regeringsstandpunt. De heer Vander Elst heeft gezegd dat het om een semantisch spel gaat. Ik zou zeggen dat het de internationaalrechtelijke instanties zijn die bevoegd zijn om dat soort kwalificaties al dan niet toe te kennen, maar ik kan u wel volgen wanneer u zegt dat de omschrijving die men kiest en die vaak afhangt van de politieke overtuiging die men hier huldigt, zeer weinig zal veranderen aan de humanitaire situatie op het terrein. Men kan dat allemaal heel boeiend vinden, maar ik weet niet of het allemaal zo relevant is om daar lang over te discussiëren. Uiteindelijk zal het Internationaal Strafhof daar wel een kwalificatie aan toekennen en dan zullen we over een objectivering beschikken.

Ik denk dat we ons inderdaad beter op de humanitaire situatie zouden focussen, want dat is een van de weinige zaken waarover we in Europa wel zeer eensgezind zijn. Immers, of men het nu graag heeft of niet, men moet er rekening mee houden dat de eensgezindheid in Europa over hoe we hiermee moeten omgaan beperkt is – dan druk ik mij heel voorzichtig uit –, maar op één vlak zijn we het wel allemaal eens, namelijk over de humanitaire situatie.

Cette situation humanitaire est dramatique. Tout le monde est d'accord à ce sujet, et j'espère que c'est le cas ici aussi. J'espère que personne ne va nier que cette situation est dramatique, qu'elle est inacceptable et que nous devons donc nous attacher en priorité à améliorer la situation humanitaire sur le terrain et à prendre les mesures qui feront réellement la différence si on en est capables.

C'est également ce qu'a déclaré la haute représentante de l'Union européenne pour les Affaires étrangères et la Politique de sécurité, Mme Kallas, lors du Conseil des Affaires étrangères de fin juin. Tout le monde, pendant ce Conseil, s'est accordé à dire que garantir l'accès à l'aide humanitaire était prioritaire. Je pense qu'on doit se focaliser là-dessus.

J'en viens au traité d'association entre l'Union européenne et Israël.

À la suite de l'examen du respect par Israël de l'article 2 de l'accord d'association, Mme Kallas est actuellement en contact avec Israël, notamment pour lui présenter les conclusions. Comme je l'ai dit pendant la commission de ce matin, si on veut le respect du droit international, on doit le respecter soi-même. Dans ce traité il a été prévu que, dès le moment où un partenaire s'interroge sur le respect de l'article 2 ou d'autres articles, la première étape est d'ouvrir des négociations, des pourparlers avec l'autre partenaire. Nous respectons donc le traité que nous avons fait. Mme Kallas a reçu la tâche d'organiser ces pourparlers avec Israël. Elle est en train de le faire. Il reviendra donc à Mme Kallas, qui est en dialogue avec Israël, avec comme perspective de demander à Israël d'améliorer la situation humanitaire, de présenter les conclusions. Si la situation ne s'améliore pas, de nouvelles mesures pourraient être envisagées. Mme Kallas fera le rapport à ce sujet lors du Conseil des Affaires étrangères prévu le 15 juillet, si je ne me trompe pas. Il reste à voir ce qu'elle aura à présenter, et ce qu'elle aura à proposer au Conseil.

Je veux encore ajouter une chose sur ce que l'on a dit de ma position à ce sujet. Je dois dire, monsieur Lacroix, que la liste de mensonges que vous avez racontés pendant votre réplique après la question précédente était déjà très longue, mais maintenant, vous avez encore ajouté un mensonge qui est à mon avis inacceptable. Vous avez dit que j'avais pris une position personnelle en disant qu'il ne fallait rien faire sur le traité d'association. Je n'ai jamais dit cela. J'ai dit qu'il ne fallait pas oublier que ce qu'on ferait avec le traité d'association n'aurait pas un impact immédiat sur la situation humanitaire qui est dramatique, et qu'il fallait se focaliser sur l'amélioration de cette situation immédiatement, parce qu'elle est inacceptable. Il faut exiger d'Israël qu'il respecte le droit humanitaire immédiatement. Je l'ai dit tout en sachant que pendant le Conseil, car je me trouvais à l'entrée pour commencer le Conseil, la décision serait inévitablement d'envoyer Mme Kallas pour des pourparlers qui allaient encore durer deux ou trois semaines.

C’est dans ce contexte que j’ai dit cela. Je n’ai jamais dit que ma position personnelle était qu’il ne faudrait rien faire sur le traité d’association. Pour moi, cela reste à voir.

C’est à Mme Kallas de proposer au Conseil de prendre des mesures: de supprimer le traité ou de le suspendre – ce qui requiert l’unanimité – ou de prendre d’autres mesures prévues dans le traité, que nous pourrions décider par une majorité qualifiée. Cela reste à voir.

Dat alles is in overeenstemming met de procedures die zijn voorzien in het associatieakkoord, zoals bijvoorbeeld in artikel 79. Ik benadruk dat internationale rechtsregels respecteren betekent dat men zijn eigen verdragen moet naleven. Artikel 79 voorziet in een grondig onderzoek in overleg met de associatieraad – en dus, in voorkomend geval, van de Europese Unie met Israël – dat noodzakelijk is alvorens verdere stappen worden gezet. Die procedures moeten worden gevolgd. Dat is het belangrijkste, mijnheer de voorzitter.

Sam Van Rooy:

Mijnheer de eerste minister, er tekent zich in uw regering een patroon af. Minister Beenders had het over islamofobie, minister Prévot over genocide. Dat is verre van onschuldig. Het belasteren van de niet-moslim door hem valselijk te beschuldigen van islamofobie of discriminatie – of, erger nog, van genocide op moslims –, is wat men in de psychologie projectie noemt. De islam is een slachtoffercultus die de moslim afschildert als een structureel slachtoffer van de niet-moslim.

Die strategie maakt deel uit van de islamitische jihad: de moslim zal pas vrij zijn van islamofobie, zal pas niet meer worden gediscrimineerd, wanneer de islam domineert, wanneer de islamitische wet geldt en wanneer de niet-moslim onderworpen is aan de islam. Soumission .

Het is natuurlijk precies andersom: het is de islam die expliciet oproept om ons, de niet-moslims, te minachten, te bestrijden, te onderwerpen of te doden. Daarom blijf ik het zo merkwaardig vinden, mijnheer De Wever, dat u hebt verklaard dat de islam geen enge godsdienst is. Wat u eigenlijk had moeten zeggen – wat u zou moeten zeggen –, is wat de schrandere denker Sam Harris stelt: het probleem met het islamitisch fundamentalisme zijn de fundamenten van de islam. Dat betekent uiteraard niet – ik voeg het er maar bij voor de kwaadwillige verstaanders – dat elke moslim, elke zelfverklaarde moslim, problematisch is.

Tot slot moet ik uit dit debat helaas opnieuw concluderen dat deze regering zich de facto gedraagt als nuttige idioot van de islam, van de jihad, en dat onze samenleving dus blijft islamiseren.

Raoul Hedebouw:

Mijnheer de eerste minister, dat was eigenlijk een teleurstellend antwoord, want het vraagstuk is niet louter humanitair in de regio, maar gaat ook over wat het project van Israël in de regio is. Dat is een koloniaal project, een apartheidsproject. Dat geven ze zelf trouwens ook toe. Het gaat om het idee van kolonies die steeds verder uitbreiden: een koloniale staat in de 21ste eeuw. Daarop moeten sancties volgen.

Dat zegt ook de grote meerderheid van de naties ter wereld. Zij kijken naar het Westen, naar Europa en de Verenigde Staten, en vragen zich af hoe die hypocrisie zo kan blijven verdergaan. Wanneer het gaat over onze eigen belangen, onze eigen business, grijpen we wel in, zoals in Libië, Afghanistan, Syrië en Irak: bombardementen, boem, boem, boem. Als het gaat over het Palestijnse volk, is er echter plots geen akkoord meer te vinden. Die dubbele maatstaven zijn zo erg.

Daarom is het hoopgevend dat steeds meer mensen dat begrijpen. Honderdduizend mensen kwamen een paar weken geleden op straat in Brussel. Dat was een van de grootste betogingen van de voorbije jaren. Dat was niet voor niets. Heel veel mensen doorzien de hypocrisie van de regering, die er eigenlijk voor gekozen heeft om niets te doen. De N-VA, maar ook de andere partijen, ook linkse partijen die deel uitmaken van deze regering ... Nu, ik zal eerlijk zijn: de vivaldiregering heeft eigenlijk ook niets ondernomen. Dit conflict sleept al anderhalf jaar aan, maar er is toen ook geen enkele sanctie opgelegd. Geen enkele.

Or, vous le savez, pour le traité d'association avec Israël, l'unanimité n'est pas requise. Une majorité qualifiée suffirait amplement. Cela montre bien que le blocage est purement politique au niveau du gouvernement belge. Nous pourrions faire une coalition avec d'autres pays. Nous ne le faisons pas.

Il y a une différence entre ce qu'on fait pour le peuple palestinien et ce qu'on fait par rapport à d'autres régions dans le monde. Je crois que c'est cela qui explique que 100 000 personnes étaient dans les rues de Bruxelles. L’hypocrisie saute aux yeux de l'ensemble du monde. Le problème, c’est le projet d'Israël. C’est un projet colonial et d'apartheid. Je le rappelle: il s'agit de prendre des sanctions mais aussi d'arrêter le transit d'armes. Nous continuerons ce combat, monsieur le premier ministre.

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de eerste minister, u zegt dat de eensgezindheid binnen de EU broos is. Dat is juist, maar het zou helpen als er eensgezindheid binnen de regering zou zijn, want die is er ook niet. Het zou echt helpen als minister Prévot niet steeds ten persoonlijke titel zou moeten spreken en als hij ook eens namens de regering zou kunnen spreken. Elke keer hij dat doet, krijgt hij echter de wind van voren van een parlementslid van uw partij, van collega Freilich. Het zou echt helpen als de regering eindelijk eens een duidelijk standpunt naar voren zou schuiven, zodat ook België opnieuw een standpunt heeft en in de ene of de andere richting een rol kan spelen op het Europese toneel.

Over één zaak ben ik het wel met u eens, namelijk dat procedures gevolgd moeten worden. Dat is juist. De hoge vertegenwoordiger voor Buitenlandse Zaken, mevrouw Kallas doet dat ook. Het rapport is inmiddels opgeleverd en daaruit blijkt dat de mensenrechten geschonden worden. Zij zit nu aan tafel en het eerste window of opportunity om actie te ondernemen is volgende week. Volgens de procedure – waarmee we onze verdragen naleven – kan de Europese Unie dan voor het eerst een duidelijk signaal geven.

Het zou dan ook zeer goed zijn als de Belgische regering voor 15 juli al een Belgisch standpunt heeft. Wat mijn fractie en mijn partij betreft, is dat het opschorten van de associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en Israël.

Staf Aerts:

Mijnheer de premier, u zegt dat iedereen het erover eens is dat de humanitaire situatie die vandaag heerst in Gaza, dramatisch is. Dat klopt natuurlijk. De conclusie die u daar echter uit trekt, is dat we ons moeten focussen op humanitaire hulp. Die humanitaire hulp staat echter geblokkeerd aan de grenzen. Ze geraakt er niet door, omdat Israël die niet laat passeren. Meer nog, de Israëli’s nemen de hulpgoederen zelf in handen en schieten vervolgens op iedereen die humanitaire hulp komt vragen of voedsel probeert op te halen. Dat is de manier waarop Israël momenteel handelt.

U zegt dat het opschorten van het associatieakkoord geen zin heeft en dat we vooral moeten vragen aan Israël om de mensenrechten te respecteren. Hoelang zullen we nog blijven wachten en blijven vragen dat Israël de mensenrechten respecteert? Er is geen enkele intentie bij Israël om dat effectief te doen. Hun laatste plan is een emigratieplan waarbij ze honderdduizenden inwoners in een gesloten stad willen onderbrengen. Op langere termijn zullen alle Gazanen Gaza niet meer uit kunnen. Dat is hun laatste plan. Er is dus geen enkele intentie om de mensenrechten te respecteren.

Voor de Europese regeringsleiders blijft het evenwel business as usual. Doe maar door, we blijven samenwerken en handel drijven. Wat vragen de Belgen? Zeventig procent van de Belgen staat achter economische sancties tegen Israël. Wel, mijnheer de premier, ik vraag u dat u zich achter de Belgen schaart, achter de publieke opinie, en dat u mee economische sancties bepleit. Ik vraag u dat de Belgische regering zich volgende week bij de pioniers voegt, bij de landen die vragen dat het associatieakkoord wordt opgeschort. Het deel dat unaniem moet, unaniem, en het deel dat met een gekwalificeerde meerderheid kan, met een gekwalificeerde meerderheid. Er zijn al stappen die met een gekwalificeerde meerderheid kunnen worden ondernomen.

Voor Groen is het overduidelijk dat wie mensenrechten schendt, het moet voelen. Het akkoord opschorten is geen detail, het is het minimum. We moeten dat niet misschien doen, we moeten dat zeker doen. We moeten dat niet later doen, we moeten dat nu doen.

Benoît Lutgen:

Monsieur le premier ministre, vous avez raison sur un point: ce n'est pas la rupture ou la suspension de l'accord d'association avec Israël qui va améliorer immédiatement la situation humanitaire sur place. Cela étant, je pense qu'il est primordial que, la semaine prochaine, comme ce fut le cas lors du Conseil européen des Affaires étrangères il y a quelques semaines, la Belgique puisse, avec l'Espagne et l'Irlande, donner le ton pour essayer de trouver une majorité qualifiée en vue de le suspendre ou, à tout le moins, de prendre des sanctions à l'égard d'Israël.

La situation est inacceptable. Inacceptable pour l'histoire, notamment. Comme tous les É tats, nous sommes très attachés à nos territoires, et si on touchait ce territoire d'un millimètre, je pense que nous aurions des débats particulièrement chauds. En l'occurrence, on piétine le territoire, on piétine les droits humains, on ne permet pas à la population de se nourrir sans risquer sa propre vie. Et donc oui, nous attendons de la Belgique, indépendamment des différentes sensibilités, qu'elle entreprenne une action à moyen et à long terme et qu'elle contribue à trouver, au niveau européen, une majorité qualifiée, afin de prendre des sanctions non seulement économiques, mais aussi individuelles, face à certaines prises de position ou certains comportements qui sont totalement inacceptables.

Je suis d'accord avec vous, il ne nous appartient pas de déterminer s'il y a génocide ou pas, et je me garderais d'ailleurs bien de le faire. Il existe des instances dont c'est le travail et la compétence, mais nous devons, quoi qu'il en soit, avoir la volonté à la fois d'intervenir pour le droit humanitaire, pour faire en sorte que l'approvisionnement puisse avoir lieu dans les plus brefs délais et que des sanctions soient prises lorsque ce n'est pas le cas, et il faut reconnaître que ce n'est vraiment pas le cas.

Christophe Lacroix:

Monsieur le premier ministre, je suis un peu choqué par les accusations de mensonge que vous avez relayées sans les étayer à mon égard. Je vais relire le début de ma question. "Vous avez récemment exprimé publiquement votre opposition à la suspension de l'accord d'association entre l'Union européenne et Israël, prétextant qu'il ne s'agissait pas de l'urgence actuelle et que cela n'aurait pas d'effet immédiat sur l'approvisionnement de l'aide humanitaire." Bon. Alors, selon l'agence Belga, lors de son arrivée au Sommet européen, Bart De Wever a reconnu que la situation humanitaire dans la bande de Gaza était inacceptable et qu'elle devait s'améliorer, en précisant toutefois que la suspension de cet accord n'y changerait rien à court terme. Et puis, je lis: "Que le premier ministre dise qu'il n'est pas un chaud partisan, c'est son point de vue personnel. Ce n'est ni le point de vue du Parlement, ni ce que les partis de l'Arizona ont convenu. Nous allons examiner l'accord d'association. C'est une demande explicite de la Belgique et le ministre des Affaires étrangères, Maxime Prévot, avait ce mandat. Nous allons en tirer les conclusions." C'est ce qu'a expliqué Mme Van Hoof, présidente cd&v de la commission des Affaires étrangères. Donc, qui ment dans cette pièce? Qui ment? Certainement pas moi! Quant aux faits que vous avez cités concernant votre ministre Vandeput, on peut y revenir factuellement avec tous les éléments. Et, s'il faut faire une commission d'enquête, je suis un chaud partisan. Et vous verrez qui sera le menteur, le Pinocchio de cette commission. Certainement pas moi! Moi qui pensais que vous étiez quelqu'un qui gardait ses nerfs, je m'étonne que vous utilisiez l'argument des faibles, l'argument de la personne qui est aux abois et qui ne sait plus comment réagir face à un gouvernement dont la cacophonie n'a jamais été aussi grande. Au lieu d'attaquer un parlementaire de base, jouez votre rôle de premier ministre, demandez des sanctions, demandez qu'on interdise les produits des colonies! Pour ce qui est de l'article 79, on peut aussi dire que l'Union européenne a déjà communiqué ses observations sur les violations des droits humains d'Israël lors du Conseil d'association en février dernier. Mais, en février dernier, où étiez-vous? Vous étiez totalement absent!

De aanbesteding voor de aankoop van bijkomende F-35's

Gesteld aan

Bart De Wever (Eerste minister)

op 9 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België plant de aankoop van extra F-35’s (11-21 toestellen) omwille van NAVO-verplichtingen en operationele compatibiliteit met de bestaande vloot, ondanks kritiek op afhankelijkheid van de VS en gebrek aan Europees alternatief. De Wever benadrukt dat de industriële terugverdieneffecten (100% nakoming beloftes) en Europese assemblage in Italië voordelen bieden, maar erkent dat een toekomstig Europees 6de-generatiejager (SCAF) nodig is—waarin België moet participeren om strategische autonomie te versterken. Courard kaart aan dat andere defensieprioriteiten (bv. raketafweer) onderbelicht blijven en dat de aankoopprocedure (nog niet gestart) transparant moet verlopen om concurrentie te garanderen. De discussie toont een spanning tussen NAVO-loyaliteit en Europese defensieambities.

Philippe Courard:

Monsieur le premier ministre, je vous remercie sincèrement d’avoir bien voulu prolonger cette séance.

J’irai droit au but. Nous avons acheté des F-35 en 2018. Certains, dont je fais partie, pensent que ce n’était peut-être pas le meilleur choix, et ce, pour plusieurs raisons: pas de retour économique et industriel suffisant adjacent au contrat et une dépendance trop importante vis-à-vis des États-Unis. Ce n’était pas encore trop troublant en 2018, mais ce l’est de plus en plus. La manière dont Donald Trump traite ses partenaires de l’OTAN soulève quelques inquiétudes. Vous me direz qu’on ne réécrit pas l’histoire et qu’il faut tourner la page.

Par contre, lorsqu’on entend que votre gouvernement souhaite racheter les mêmes avions, je me pose la question: est-ce selon vous une bonne idée de racheter les mêmes avions? En outre, les chiffres de 21, puis de 11 unités ont été évoqués. Combien d’avions doivent-ils finalement être achetés?

Par ailleurs, si votre choix se porte sur ces avions américains, négocierons-nous cette fois de manière plus ferme les retours financiers pour nos industries? Vous savez que notre pays compte de nombreuses entreprises de grande qualité, y compris en Wallonie. On peut entendre votre discours générique d’une Wallonie qui doit se prendre en main et travailler plus, mais lorsque se présente une occasion comme celle-ci, d’acheter des armes et des avions, il faut la saisir pour permettre à nos entreprises, performantes et réputées mondialement, de décrocher des contrats. Travaille-t-on à une négociation visant à développer notre économie, y compris en Wallonie? On a parfois l’impression que malgré les discours, on passe un peu à côté des opportunités qui se présentent.

C'est le cas ici, mais aussi c'est aussi le cas sur le spatial. Ce n'est évidemment pas le propos du jour, mais le désinvestissement dans l'ESA va coûter cher à la Belgique et, à mon avis, à l'industrie belge, en particulier à celle de Wallonie et de Bruxelles, qui est aussi très performante en la matière.

Monsieur le premier ministre, comment les choses vont-elles se dérouler, selon quelle procédure et quel appel d'offres? Cela se fera-t-il via la DIRS afin de garantir l'implication de notre tissu industriel belge existant, ce qui implique de consulter plusieurs producteurs? Comment comptez-vous prendre en compte l'autonomie stratégique de la Belgique, l'autonomie européenne, dans ce marché à plusieurs milliards?

Et j'ai une question un peu plus précise. On a entendu clairement le ministre de la Défense défendre le F- 35 coûte que coûte. C'est son choix personnel et on doit le respecter. Mais n'est-ce pas de nature à tronquer ledit marché? Quelles sont les règles en la matière? Ces informations ne pourraient-elles pas être utilisées par d'autres producteurs qui ne sont pas américains, donc par exemple les Européens, pour casser un éventuel contrat? On a l'impression que les choses sont faites et qu'il n'y a pas véritablement d'appel public concernant ce marché.

Puisqu'on parle toujours de défense européenne, ne trouvez-vous pas qu'il serait temps de consacrer une partie des investissements en défense à un outil européen, avec les Français, les Allemands ou les Anglais, pour développer l'avion de demain dont on aura besoin dans les années à venir, et que la Belgique soit partenaire industrielle de ce nouvel avion que l'Europe doit pouvoir développer pour répondre aux attentes et aux besoins militaires d'aujourd'hui? On sait que les choses vont évoluer. Il faudra ne pas toujours dépendre des Américains, et il faudra peut-être que l'Europe se prenne en charge. Quel est votre avis à ce sujet?

Bart De Wever:

Merci pour votre question, cher collègue. J'ai été d'accord de prolonger la séance, ayant vu que vous attendiez patiemment pendant que les autres locuteurs et moi-même parlions beaucoup trop longtemps.

L'accord de gouvernement affirme très clairement que nous procèderons à l'achat d'avions de chasse supplémentaires au cours de cette législature. Il explique également que les objectifs de l'OTAN, qui sont obligatoires, et de l'Union européenne nous guideront dans ces investissements. Les objectifs de capacité (capability targets) de l'OTAN reprennent deux objectifs prioritaires pour la Belgique, parmi beaucoup d'autres.

Ces deux objectifs prioritaires sont la poursuite du développement de la brigade motorisée de l'armée de terre et l'achat d'avions de chasse. Ce seront les F-35 supplémentaires. Nous n'avons pas le choix, nous avons déjà acheté des F-35, et nous ne pouvons pas travailler avec deux systèmes différents. C'est une priorité qui a été exigée par l'OTAN et que nous avons acceptée. Nous ne pouvons même pas voter à ce sujet.

L'Union européenne, pour sa part, demande aux États européens membres de l'OTAN de s'atteler dès que possible à la réalisation des objectifs qui leur ont été assignés par l'OTAN, en particulier ceux reconnus comme prioritaires par l'OTAN. Les priorités de l'OTAN sont les mêmes que les priorités de l'Union européenne. Le white paper de Mme von der Leyen en est un copié-collé.

Des F-35 supplémentaires ont donc logiquement été inclus dans la proposition d'actualisation de la vision stratégique de la défense. Cette vision a été approuvée, sauf pour les F-35. Votre question reste donc pertinente. Dès que la vision sera approuvée avec les F-35 – et j'espère que ce sera le cas bientôt –, la procédure d'attribution pourra être préparée pendant que la loi sur la programmation militaire des investissements est également actualisée. Dans ce cadre, le Parlement jouera un rôle essentiel, tant par l'examen de cette loi qu'au sein de la commission compétente pour les achats militaires pour chaque dossier d'acquisition spécifique.

En ce qui concerne les F-35 supplémentaires, en pratique, seul l'accord existant entre gouvernements ( government to government) doit être étendu.

La DIRS joue un rôle clé pour garantir l'implication industrielle dans les grands projets de défense. Actuellement, l'industrie belge est déjà activement impliquée dans le programme F-35. Il est prévu que les F-35 supplémentaires soient produits à Cameri, en Italie, dans un centre européen d'assemblage final et de maintenance. Ainsi, nous assurons la continuité des capacités tout en renforçant l'industrie européenne de la défense.

Et j'ajouterai, monsieur Courard, qu'en termes de retours économiques, le F-35 a été nickel. Nickel! Je ne peux pas en dire de même d'autres contrats qu'on a conclus, notamment chez les voisins. Donc dire qu'acheter en Europe donne des chances à la Wallonie de se développer est loin d'être vrai. Dans le cadre du F-35, on nous a livré 100 % de ce qui avait été promis. Par contre, pour ce qui est du projet CaMo, c'est autre chose. Mais on est en train de rectifier cela et j'espère que cela va cheminer dans la bonne direction. Il faut toutefois être un peu réaliste.

L'Europe demande que nous atteignions dès que possible tous nos objectifs de capacité de l'OTAN afin qu'elle puisse être plus autonome le plus rapidement possible en matière de défense du continent. À cette fin, les F-35 européens jouent un rôle clé car cet avion dispose de capacités que seuls des appareils américains pourraient proposer. À ce propos, vous dites que d'autres options ont la même valeur. Ce n'est tout simplement pas vrai. Nous ne disposons malheureusement pas en Europe d'un projet de la même qualité que ce que propose le F-35.

J'espère qu'avec le développement d'un avion de chasse de sixième génération en Europe nous pourrons évoluer vers un seul projet. Pour l'instant, il est envisagé d'en faire deux. Je pense que c'est connerie. C'est très cher. Nous devons avoir un seul projet. Il serait intelligent d'y participer et d'ici dix ans, développer cet avion de chasse et alors commencer à remplacer le F-35 par une alternative européenne qui, pour l'instant, n'existe pas.

Treize pays européens, vingt au total dans le monde, ont déjà opté pour le F-35. De plus, notre défense aérienne est étroitement intégrée à celle des Pays-Bas qui ont aussi acheté le F-35. Il serait étrange de travailler avec un système différent de celui des Pays-Bas et de travailler avec deux systèmes. C'est simplement impossible.

Dans le même temps, la Belgique continue d'investir à long terme dans des initiatives européennes de défense comme le programme franco-germano-espagnol SCAF, bien que nous soyons pour l'heure simples observateurs dans ce programme. Comme je l'ai déjà dit, il nous faut un projet européen et il faudra évoluer d'observateurs à participants. C'est un avis personnel. Le gouvernement prendra les mesures nécessaires pour devenir partenaire à part entière dans le cadre de la vision stratégique révisée. Donc, c'est un peu plus que ma vision personnelle.

Vous faites référence – à juste titre – à l'importance de la transparence et du respect des règles en matière de marchés publics, bien que le ministre de la Défense ait publiquement indiqué que l'achat de F-35 supplémentaires serait un choix logique pour des raisons d'efficacité, de réduction du coût unitaire et d'infrastructures existantes. Aucune procédure d'achat formelle n'a toutefois été lancée.

Ces déclarations publiques ne sont donc en rien des décisions juridiques et ne préjugent pas de l'objectivité d'une éventuelle procédure future. Les règles fédérales en matière de marchés publics seront, bien entendu, rigoureusement respectées. Notre objectif est inchangé et consiste toujours à doter notre Défense des capacités nécessaires de manière responsable, transparente et efficace, dans le respect de nos intérêts européens et nationaux.

Philippe Courard:

Merci, monsieur le premier ministre, pour votre réponse complète à l'ensemble des questions. Je ne partage bien évidemment pas toutes les analyses, mais je me réjouis d'entendre que vous serez attentif aux retours industriels, parce qu'ils sont essentiels pour l'ensemble du pays, notamment pour le taux d'emploi qui vous est si cher.

Je me réjouis également de votre réponse concernant les avions de sixième génération et de votre volonté de vous impliquer. J'y serai très attentif dans le cadre des projets européens futurs. Ce n'est pas parce que nous considérons aujourd'hui qu'un avion est supérieur aux autres que demain, nous Européens, n'aurons pas la capacité technologique d'offrir un autre produit. Il faut s'intégrer dans ce processus, comme nous l'avons fait précédemment auprès de l'Agence spatiale européenne (ESA).

Notre pays est un grand contributeur et a décroché de nombreux marchés. Par ailleurs, la Belgique est très performante par rapport à des pays nettement plus grands qu'elle parce qu'elle a toujours suivi les choses de près. Là aussi, je serai attentif à l'évolution de ce dossier et je reviendrai vers vos collègues, le cas échéant.

En revanche – t cette question relève d'un choix politique qui ne fait pas, du reste, l'unanimité dans la majorité –, fallait-il acheter 11 ou 21 avions supplémentaires? Pour ma part, je ne le pense pas. Il existe des priorités défensives dans notre pays. Je pense notamment aux batteries antimissiles, parce que notre pays est relativement fragile. Si on nous lance un missile, nous avons l'OTAN et la capitale de l'Europe, mais nous ne disposons d'aucun moyen de nous défendre. J'aurais préféré que nous investissions plus lourdement dans ce domaine et que nous nous contentions de nos avions. Maintenant, vous me répondrez peut-être que c'est une obligation de l'OTAN, mais tout est négociable. Certains pays se sont même positionnés différemment. Selon moi, nous n'avons pas fait les bons choix. C'est un choix politique. En tout cas, merci pour votre réponse complète, monsieur le premier ministre.

Voorzitter:

We lopen nu al 25 minuten uit. Ik zou de vraagstellers willen verzoeken om hun vragen uit te stellen of ze om te zetten in een schriftelijke vraag. Het kabinet zal hun de antwoorden zonder twijfel spoedig kunnen bezorgen. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 16.52 uur. La réunion publique de commission est levée à 16 h 52.

De Belgische positie t.a.v. de nieuwe NAVO-doelstellingen
De NAVO-norm van 5 %
De NAVO-norm van 5 %
Het defensiebudget en de NAVO-norm
De NAVO-top en het Belgische defensiebudget
De nieuwe NAVO-norm voor defensie-uitgaven en de top van 24 juni
De NAVO-top
De beslissingen op de NAVO-top van 24 en 25 juni in Den Haag
De op de NAVO-top goedgekeurde NATO Capability Targets
De balans van de NAVO-top in Den Haag
De NAVO-norm en de militaire uitgaven
De strategische visie voor defensie
De NAVO-norm van 5 %
Het budget, de strategische visie en de NAVO-top
België, NAVO-normen en defensiebudget op de top van juni 2024

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 9 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Het actualiteitsdebat over de NAVO-norm van 5% BBP tegen 2035 draait om de spanningsveld tussen defensie-investeringen (2% nu, 3,5% harde defensie + 1,5% brede veiligheid later) en de financiering ervan, met scherpe tegenstellingen tussen partijen. België bevestigt de 2%-norm tot 2029 (via eenmalige maatregelen en flexibiliteit), maar structurele financiering en het halen van 5% blijven onduidelijk, met discussies over belastingen, schulden of besparingen (bv. sociale zekerheid). Critici (o.a. PTB/PVDA) wijzen op koopkrachtverlies (6.000€/gezin volgens economisch model), voorstanders (N-VA, MR) benadrukken noodzaak voor afschrikking en Europese samenwerking. Kernpunt: Efficiëntie, transparantie (capability targets, Europese defensie-industrie) en draagvlak zijn cruciaal, maar concrete plannen ontbreken nog. Francken kondigt een historisch munitieplan (2,3 mjd) aan, maar de langetermijnvisie blijft vaag.

Voorzitter:

Collega's en mijnheer de minister, ik stel voor dat we overgaan tot het eerste actualiteitsdebat. De collega’s Vander Elst en Aerts hebben mij laten weten dat ze op dit moment nog vastzitten in de commissie voor Binnenlandse Zaken en daarom tijdens het eerste actualiteitsdebat niet aanwezig kunnen zijn. Als ze alsnog binnenvallen, zal ik hen uiteraard het woord verlenen.

Annick Ponthier:

Mijnheer de minister, dank om hier aanwezig te willen zijn om de vele openstaande vragen te beantwoorden.

Over de NAVO-top en de NAVO-norm van 5 % – of 3 % of 2 %, naargelang wie men spreekt – is al heel veel gezegd en geschreven. Op de top van 24 juni werd de norm uiteindelijk bevestigd. Wat enkele weken voordien nog werd afgedaan als crazy, collectieve hysterie of complete waanzin, werd toen dus afgeklopt: een defensienorm van 5 % van het bbp tegen 2035. Daarbij is een opsplitsing voorzien tussen 3,5 % harde defensie-uitgaven en 1,5 % brede veiligheidsuitgaven.

Er werd ook ingezet – u hebt dat intussen twee weken geleden in de plenaire vergadering in antwoord op vragen van tal van collega’s toegelicht – op maximale flexibiliteit, op een langere termijn om de doelstelling te halen en op het vermijden van jaarlijkse tussenstappen van 0,2 %. Het is wat ons betreft uiteraard een positieve zaak dat die maximale flexibiliteit werd binnengehaald. Positief is ook, althans in eerste instantie, dat de regering vasthoudt aan de 2 %-norm voor deze legislatuur. We weten allemaal dat zelfs die 2 %-norm op zich al heel wat inspanningen vergt. Dat wordt op zich al een grote uitdaging, niet het minst wat betreft de financiering, maar ook inzake de invulling, vooral van die 1,5 %, mijnheer de minister.

Theo Francken:

(…)

Voorzitter:

Mijnheer de minister, ik stel voor dat mevrouw Dedonder rustig haar filmpje gaat maken, terwijl mevrouw Ponthier het woord heeft.

Annick Ponthier:

Alleen kalmte kan u redden, zou ik zeggen. Dat geldt voor iedereen, ook voor de collega's van de PS. Ik heb dat gisteren trouwens ook nog gezegd in een ander debat, aan alle collega’s.

Het zijn niet alleen wij, mijnheer de minister, die de onduidelijkheden in het hele verhaal aankaarten. Ook binnen uw eigen regering heerst nogal wat onduidelijkheid ter zake. Dat is niet onlogisch, want een groeipad richting 5 % heeft heel wat verregaande budgettaire implicaties. Ik kom dus tot mijn vragen.

U hebt het groeipad in de plenaire vergadering twee weken geleden beknopt toegelicht. De regering zou dus inderdaad op 2 % blijven tot en met 2034, maar dan zou er in principe op één jaar tijd, als we de doelstelling willen halen, moeten worden gesprongen naar 3,5 %.

Dat lijkt me moeilijk, zo niet quasi onmogelijk en dus vraag ik u opnieuw wat dat groeipad richting 5 % precies inhoudt.

Kunt u nogmaals bevestigen dat die klim inderdaad voorzien is van 2034 tot 2035?

De belangrijkste vraag is hoe dat zal worden gefinancierd: voornamelijk via extra belastingen, besparingen, schulden of een mix daarvan? Bij welke departementen en begrotingsposten zult u het geld halen?

Zal die 1,5 % aan bredere veiligheidsuitgaven betrekking hebben op alle uitgaven aan cyberveiligheid, alle dual-use -infrastructuur, zoals bruggen en wegen, en uitgaven inzake binnenlandse veiligheid, bijvoorbeeld voor de strijd tegen drugs of terrorisme?

Kunt u ook duidelijkheid verschaffen over welke beveiliging van kritieke infrastructuur daaronder valt?

Nog een belangrijke vraag die toelichting vereist, is of België eventueel een uitbreiding kan bedingen van de lijst van de NAVO-aanrekenbare uitgaven. Welk aandeel zal afkomstig zijn van de deelstaten? Ook dat is van belang.

Een volgende vraag betreft de defensietaks, waarover momenteel onduidelijkheid heerst. Enerzijds is er de visie van minister Clarinval, die stelt dat er geen defensietaks komt. Anderzijds verklaart vicepremier Prévot dat een defensietaks een mogelijke piste vormt. De heer Rousseau stelt dan weer dat de deur openstaat voor een defensietaks. Wat is uw visie hierop?

Ten slotte een laatste vraag. Wat met het aangepaste strategische visieplan? In welke mate zullen de eventueel aangepaste capaciteitsdoelstellingen al vervat zijn in uw aangepaste plannen? Wanneer mogen we die plannen verwachten?

Darya Safai:

De vrede en veiligheid waarop we decennialang hebben vertrouwd, staan onder druk, al blijven sommigen dat nog steeds ontkennen. Het gaat niet langer om een theoretische dreiging, het is nu een harde realiteit geworden: een oorlog op ons continent, hybride aanvallen op onze instellingen, destabilisatie via cyberaanvallen en sociale media en een geopolitiek machtsblok dat er niet langer voor terugdeinst om met geweld onze manier van leven te bedreigen.

De vraag is dan ook niet of wij moeten investeren in onze veiligheid, de vraag is of we bereid zijn te doen wat nodig is om onze burgers, onze welvaart, onze vrijheid en onze democratie te beschermen. De N-VA en Arizona zijn daartoe bereid, in het belang van onze burgers. Het is de enige manier waarop we voldoende afschrikking kunnen garanderen. De NAVO-norm van 5 % van het bbp is geen symbool, maar een absolute noodzaak.

Vandaag hebben we in België een defensieapparaat geërfd dat structureel ondergefinancierd is, logistiek kwetsbaar en te afhankelijk van externe steun. De NAVO-norm van 5 % – opgedeeld in 3,5 % voor defensieopbouw en 1,5 % voor infrastructuur en cyberveiligheid – is het minimale wat we nodig hebben om geloofwaardige afschrikking te bieden en onze strategische autonomie te herwinnen.

Voor wie daaraan twijfelt: defensie is geen luxe, het is een kerntaak van de overheid. Zonder veiligheid geen ziekenhuizen, geen sociale zekerheid, laat staan welvaart die herverdeeld kan worden. Men vergist zich hier in chronologie en in oorzaak en gevolg. Vrede komt eerst en die moet vandaag worden afgedwongen.

Mijnheer de minister, op de jongste NAVO-top in Den Haag besprak u de uiteindelijke maatregelen die nodig zijn. Welk standpunt hebt u daar namens de regering verdedigd?

Koen Van den Heuvel:

De voorbije weken waren heel belangrijk en deze regering kan terugkijken op een heel mooi parcours, waarbij een aantal mijlpalen werden gehaald die ook door onze fractie werden vooropgesteld. Het was voor ons heel belangrijk om de 2 % te vrijwaren tijdens deze legislatuur, wat al een fikse opstap is in vergelijking met de voorbije jaren. Het gaat om ruim 4 miljard extra.

We zien dat in een realistisch kader en de minister heeft ondertussen een duidelijke strategische visie ontwikkeld over hoe die extra miljarden kunnen worden besteed. Verder was het ook belangrijk om het tijdpad naar de verhoging te spreiden over verschillende jaren en niet te werken met jaarlijkse verhogingen. Dat is ook nagekomen. Verder is er voldoende flexibiliteit in de 3,5 % en 1,5 %. Dat werk is nog niet helemaal afgerond en ik wil mij aansluiten bij de vraag van de collega's hoe de minister dat ziet.

Ook van groot belang is het gewicht en het belang van de deelstaten. Dat moet de volgende jaren worden uitgeklaard, zowel wat betreft innovatie als wat betreft de ondersteuning van de innovatieve defensie-industrie. Tot slot is het ook goed dat er in 2029 een evaluatiemoment komt.

Het zou goed zijn mocht de minister ons zijn visie geven over hoe hij de volgende ontwikkelingen ziet en vooral over de rol van de deelstaten, opdat we de opdrachten van ons land mogelijk kunnen maken binnen de NAVO.

Nabil Boukili:

Monsieur le ministre, concernant la vision stratégique, nous n'avons à ce jour pas reçu d'informations officielles, mis à part quelques publications sur les réseaux sociaux. Lors des précédentes réunions de commission, vous aviez pourtant indiqué que la décision finale serait prise vendredi dernier. Aujourd'hui, nous sommes mercredi et il n'y a toujours pas d'accord à l'horizon alors que le temps presse. Avant la fin de cette session et avant les vacances, il serait intéressant d'avoir une idée sur cette vision stratégique. Vous êtes conscient, Monsieur le ministre que 34 milliards d'euros seront dépensés pour l'armement. Cet argent ne sera pas disponible pour d'autres besoins sociaux, notamment pour notre sécurité sociale. À chaque budget, cet engagement sera utilisé pour démanteler pierre par pierre notre sécurité sociale et réduire euro par euro nos pensions. Dans votre discours de vendredi dernier, vous avez également laissé entendre que l'on verra bien si les 2 % de dépenses de défense suffiront ou non pour cette législature.

Avez-vous dépassé les 2 % du PIB au cours de cette législature? Envisagez-vous comme option que les 2 % soient dépassés? Quand saurons-nous officiellement ce que vous comptez faire avec les milliards d'euros qui proviennent des contribuables belges? Allez-vous réduire les dépenses de sécurité sociale pour financer l'augmentation des dépenses de défense? Êtes-vous favorable à une taxe OTAN comme proposée par Vooruit? Comment garantissez-vous que les coûts d'entretien de ce matériel que vous allez acquérir ne feront pas dépasser la barre des 2 %?

Luc Frank:

Monsieur le ministre, la déclaration gouvernementale prévoit la création d’un fonds de défense destiné à renforcer le budget de la Défense. Ce fonds sera alimenté notamment par les participations de l’État, que ce soit par la vente de certaines d’entre elles ou par les dividendes annuels. Nous espérons obtenir rapidement des informations sur la finalisation de ce fonds, qui relève davantage des compétences de votre collègue des Finances. Néanmoins, je suis certain que vous participerez activement au débat et que vous vous inspirerez des meilleurs exemples.

À cet égard, la réponse danoise à cet enjeu est remarquable. En février 2025, Copenhague a décidé de créer un fonds d’accélération de près de 7 milliards d’euros afin de porter ses dépenses militaires à 3 % du PIB en 2025 et 2026. Avec la nouvelle norme des 5 % du PIB, le Danemark entend se doter des ressources nécessaires pour atteindre cet objectif dans les délais.

D’où ma première question: l’exemple du fonds de défense danois est-il actuellement étudié, au même titre que celui du fonds allemand, pour développer le fonds de défense belge?

Dégager des moyens ne suffit toutefois pas. Dans ce débat sur la norme OTAN, il ne faut pas se tromper de priorités. Il ne s’agit pas uniquement d’atteindre un chiffre, mais de savoir ce que nous finançons, à quel rythme, et dans quelle perspective d’autonomie stratégique européenne. Cette accélération des dépenses soulève en effet plusieurs défis. Il faut que l’industrie suive. Des crédits débloqués ne suffisent pas à générer immédiatement des capacités. Il faut donc aller au-delà des chiffres, car cette norme pourrait effectivement être atteinte en partie par des techniques comptables, sans que cela ne reflète un véritable développement des capacités.

Compte tenu des tensions industrielles, ne serait-il pas plus pertinent de compléter la norme des 5 % par un indicateur d’efficacité ou de disponibilité militaire réelle? Comment les partenaires européens de l’OTAN se concertent-ils pour que toute hausse budgétaire bénéficie également à l’industrie européenne de défense? Je vous remercie.

Mathieu Michel:

Monsieur le ministre, le sommet de l'OTAN s'est réuni à La Haye ces derniers jours. Il a mis en évidence l'importance d'atteindre un certain nombre de seuils. Les 5 % ont été évoqués, même si pour la Belgique, nous savons qu'il y aura un certain nombre de milestones à atteindre d'ici le timing prévu.

Je voudrais, dans un premier temps, insister sur la satisfaction que j’ai eue à voir reconnaître 1,5 % de dépenses en matière de sécurité, c’est-à-dire des dépenses plus larges que les seules dépenses militaires. C’est un élément essentiel, qui reconnaît enfin que la menace actuelle est bien plus vaste.

Quelques jours plus tôt, vous présentiez au Conseil des ministres votre vision stratégique 2026-2034, assortie d'un programme d'investissement de plusieurs dizaines de milliards d'euros, qui visait effectivement à augmenter cette capacité de réponse de notre défense.

Ce plan se concentrerait, si j'ai bien compris, sur trois axes principaux: la dissuasion militaire collective au sein de l'OTAN, la protection du territoire contre des frappes aériennes et la guerre hybride, mais aussi – et c'est essentiel, me semble-t-il – l'adaptation des unités à la révolution technologique à laquelle nous sommes confrontés, et qui se manifeste notamment sur le champ de bataille en Ukraine.

En mai, comme annoncé, votre note politique générale confirmait une accélération des dépenses militaires vers les 2 % du PIB dès 2025: rehausse des effectifs, création d'une nouvelle brigade, commande de systèmes sol-air, drones MQ-9B SkyGuardian armés, et ainsi de suite. Or, selon les chiffres de l'OTAN, la Belgique n'a consacré qu'environ 1,3 % de son PIB à la défense en 2024. L'atteinte du seuil transitoire de 2 % dès cette année reposerait sur des mesures ponctuelles, recettes exceptionnelles et reclassements comptables.

La soutenabilité d'un effort de 2 %, puis du coup à 3,5 %, voire plus, suscite dès lors des légitimes interrogations. Je pense qu'il s'agira d'être effectivement très rigoureux sur ces éléments.

Quelques questions, monsieur le ministre. Comment ces milliards d'investissements prévus entre 2026 et 2034 se ventilent-ils entre des crédits budgétaires ordinaires, des fonds extrabudgétaires ou encore des recettes non récurrentes? Quelle est la projection pluriannuelle du ratio défense/PIB jusqu'en 2035?

Pouvez-vous confirmer ou infirmer que le secrétaire général a validé l'éligibilité au titre de dépenses de défense des contributions au fond d'innovation du soutien militaire à l'Ukraine ou des investissements d'infrastructures civiles visant la résilience? Sur quels postes budgétaires, effectivement?

Pourriez-vous détailler les principaux programmes annoncés (défense aérienne multicouches, troisième frégate, 1500 véhicules de combat, CaMo 2, drones armés, hélicoptères, ce genre de choses)? Quelles mesures statutaires et budgétaires garantissent-elles d'atteindre les objectifs en termes de personnel fixés par la vision stratégique? Quel sera le coût annuel additionnel, notamment?

Le budget dédié à la recherche et innovation serait de son côté porté à 3% du budget total de la défense. Pouvez-vous préciser la part du financement réservé à la réindustrialisation militaire ainsi que les mécanismes de compensation industrielle et de transfert de technologies, qui sont très importants?

Concernant le cap des 5 %, envisagez-vous la publication d'une trajectoire intermédiaire – à titre d'exemple, 3 % en 2029, 3,5 % en 2031, ce genre de choses – assortie d'indicateurs de performance?

Et enfin, quelles adaptations institutionnelles – type comité de suivi, reporting semestriel, audit de performance – entendez-vous proposer pour associer durablement la Chambre aux décisions d'engagement financier et capacités liées à votre vision stratégique? La commission d'hier, en Achats militaires, mettait en évidence à quel point il était essentiel d'avoir des processus agiles eu égard à l'urgence de la situation.

Kjell Vander Elst:

Ik verontschuldig mij omdat ik wat te laat was, maar ik kom van bij de premier en ik moet de hiërarchie respecteren. In die commissie ging het trouwens ook over de NAVO en het was heel interessant.

We hebben al verschillende keren gedebatteerd over de NAVO-norm en de NAVO-top. Ik heb nog een aantal vragen omdat ik het opmerkelijk blijf vinden dat die percentagediscussie nu zogezegd beslecht is, maar dat een aantal partijen in uw meerderheid zegt dat die 5 %, of die 3,5 % en 1,5 %, zorgen voor morgen, zorgen voor later zijn. We zien wel, volgende regeringen, volgende generaties, we schuiven het voor ons uit en doen alsof het niet bestaat en dan zullen we het later wel oplossen.

Ik vind dat opmerkelijk. U doet dat niet, maar ook u en de premier hebben al een aantal kleren gezegd dat de inspanning naar 2 % heftig, lastig en budgettair zwaar is en dat het daarbij zal blijven tot en met 2029. Dat betekent dat men voor die 1,5 % militaire uitgaven dat verschil zal moeten dichtfietsen tussen 2030 en 2035. Dat is wat u zegt. Bevestigt u dat het plafond voor deze arizonaregering 2 % blijft, tot het einde van de legislatuur in 2029?

Mijn tweede vraag betreft de capability targets . We hebben het daar ook al verschillende keren over gehad. U, de defensiestaf en uw kabinet hebben het initiatief genomen dat men dat achter gesloten deuren kan inkijken, wat goed is.

De enige vraag die ik me nog stel, is de volgende. In Nederland kan dat al jaren en gebeurt het in openbare zitting. Er worden grondige debatten gevoerd over de capability targets en over de principes, bij elke herziening en telkens in alle openheid in het parlement.

Ik blijf me dan ook afvragen waarom dat hier niet mogelijk is. Ik weet dat u niet alle informatie kunt vrijgeven. Daar ben ik me ten volle van bewust. Maar als men in Nederland een debat kan voeren over die capability targets , over de strategische visie en over het aandeel dat Nederland opneemt binnen de NAVO, dan moet dat hier toch ook kunnen. Plant u om dat in de toekomst alsnog te doen?

Ik heb nog een laatste vraag in dat verband. De capability targets zijn uiteraard afgesproken tussen alle NAVO-partnerlanden. Tegelijk hebben we allemaal voortdurend de mond vol van Europese samenwerking en van een Europese defensiestrategie. Het is uiteraard goed dat er binnen de NAVO een gezamenlijk schild wordt uitgebouwd en dat elk van de 32 partnerlanden daarin zijn deel opneemt. Plant u initiatieven – iedereen benadrukt immers voortdurend het belang van Europese defensie en samenwerking – om met de Europese lidstaten binnen de NAVO na te gaan welke efficiëntiewinsten daar te boeken vallen?

Ik denk dat het al een eerste goede stap zou zijn als men samen met de Europese partnerlanden binnen de NAVO onderzoekt welke zaken zij aankopen en in welke programma’s ze investeren – niet zozeer welke capabilities ze op zich nemen, want dat is vastgelegd binnen de NAVO. Plant u op dat vlak een initiatief om, samen met de Europese lidstaten binnen de NAVO, de Europese pijler in de komende maanden en jaren verder uit te bouwen?

Axel Weydts:

We hebben hier al in plenaire zitting over gedebatteerd. Ik wil de minister danken voor het feit dat wij als parlement de capability targets hebben kunnen inkijken, weliswaar met gesloten deuren. Dat laatste respecteer ik ten volle want die targets zijn nu eenmaal geheim.

Wat mij wel enorm stoort, is dat er tot op heden maar drie parlementsleden zijn langsgekomen. Al wie die moeite niet heeft gedaan, zou in dit debat beter een toontje lager zingen. Ik kan hen alleen maar aanraden dat alsnog te doen. Je krijgt dan namelijk naast de inzage in die documenten een uitstekende uitleg van een topgeneraal over hoe die targets tot stand komen en hoe het NATO Defence Planning Process tot stand komt. Ik kan u verzekeren dat het voor mij, alhoewel ik door mijn achtergrond al vrij goed op de hoogte was, toch een wake-upcall was.

Laten we nu focussen op het werk dat in deze regeerperiode op de plank ligt. Er is afgesproken dat wij versneld 2% in onze defensie zullen investeren, wat een ongeziene inspanning is en een historische investering na decennia van besparingen. Laten we ook met deze commissie werk maken van het bereiken van die 2% en 2,5% tegen 2034. De kloof daarna, collega Vander Elst, is die tussen 2,5 en 3,5, maar dat is een detail. Dat zal een zeer moeilijke opdracht zijn voor het Parlement, de regering en Defensie zelf. Ik kijk er alvast naar uit de komende jaren nog veel te debatteren over hoe en wanneer we die capabilities zullen realiseren, al die mensen zullen rekruteren en ervoor zullen zorgen dat ze ook deftig verloond worden.

Voorzitter:

Ik was een van die drie parlementsleden. Ik kan me bij uw wijze woorden aansluiten.

Theo Francken:

Hoeveel spreektijd heb ik? Vijf minuten? Sommigen willen dat ik gewoon zwijg. Tien minuten is meer dan ik had verhoopt.

Goed, een aantal elementen. Wat betreft die 2%, 3,5% en 5%. Binnen de regering is afgesproken dat het 2% wordt tijdens deze legislatuur. Dat is een aanzienlijke extra inspanning, 21 miljard euro. Dat goed buiten krijgen, is op zich al een behoorlijke opdracht. Daar hebben we veel mensen voor nodig om dat op een correcte manier te doen. Alleen dat al wordt een uitdaging. Ik weet dat het tegen 2035 richting 3,5% moet gaan. Dat geeft ons dus nog een aantal extra jaren. Daarover hebben we ook onderhandeld. Men zou kunnen zeggen om naar 2,5% te gaan in 2034, dan zou men er in 2035 eigenlijk nog een procent moeten bij doen. Dat valt juist in een verkiezingsjaar, dat zal niet zo evident zijn. Dat besef ik ook wel, maar het is nog veraf en nog lang.

Er is ook afgesproken dat er in 2029 een evaluatie komt van de geopolitieke situatie, van de capabilities die elk land op dat moment zal hebben, van het dreigingsniveau, van wat er nodig zal zijn enzovoort. De NDPP’s, dus de planningsdocumenten, worden ook om de vier jaar opgesteld: 2021, 2025, 2029, 2033. In die zin is er dus ook tijd. Zal de geopolitieke toestand tegen dan beter zijn? Ik hoop het. Ik vrees ervoor. We zullen zien.

In die zin denk ik dat de 2% op dit moment voor ons land al een zeer aanzienlijke inspanning is. Na een democratisch proces en de verkiezingen in 2029 zullen we dan ook nagaan hoe we dat verder aanpakken. Dat is democratie. Elke partij heeft daar een mening over en kan zich daarover uitspreken. De kiezer moet dan maar beslissen op wie hij al dan niet stemt in het kader van de internationale veiligheid. Als iemand vindt dat dit niet belangrijk is, dat het belangrijker is om in de sociale zekerheid te investeren en dat er te veel geld naar defensie gaat, dan moet hij stemmen op partijen die dat zeggen. Zo eenvoudig is dat. Ik kan daar niets aan toevoegen.

Volgens onze simulaties zitten we bijna aan 1,5%. Dat is belangrijk.

Il est, selon moi, réaliste de penser que nous avons la possibilité d’atteindre les 1,5 % de dépenses sécuritaires élargies, cette année ou l’année prochaine. Nous sommes en train d’effectuer les calculs nécessaires et d’examiner, en collaboration avec les Régions, comment y parvenir concrètement. Une réponse devrait sans doute émerger au sein du cabinet du premier ministre dans les semaines ou les mois à venir, avant 2026.

Il s'agit d'une bonne nouvelle, surtout que nous aurions déjà atteint 3,5 sur 5, soit 7 sur 10. Quand ma fille revient de l’école avec un 14 sur 20, je suis satisfait. Mais si elle revient avec un 4 sur 10, je le suis beaucoup moins.

Het is mentaal natuurlijk een totaal ander debat bij 3,5 op 5 dan bij 2 op 5. Eigenlijk zitten we aan 3,5 op 5, of het scheelt toch niet veel. Dat betekent inderdaad dat we nog inspanningen moeten leveren, dat we nog veiligheidsuitgaven en defensie-uitgaven moeten doen, die natuurlijk zwaarder doorwegen op het budget, dat weet ik ook wel. Het geeft echter wel een heel ander debat. En ik moet zeggen, collega's, ik heb me echt gestoord aan het debat.

Collega's, ik heb mij gestoord aan het debat en ook aan de onwaarschijnlijk kinderlijke en populistische manier waarop het gevoerd werd. Het is een zeer vals debat. Men ziet dan slogans, ik heb die vroeger ook al gezien in campagnes. Ik vind het heel jammer dat veiligheid aan de linkerzijde blijkbaar helemaal niet belangrijk is. Internationale solidariteit is het belangrijkste, behalve als het over defensie en de NAVO gaat, dan lijkt die solidariteit plots niet meer te bestaan.

Er wordt steeds een valse tegenstelling gecreëerd tussen enerzijds sociale zekerheid en anderzijds defensie, harde veiligheidsuitgaven. Men moet in beide investeren. Niemand hier in de zaal wenst oorlog. Iedereen wenst vrede. Die hebben we al bijna 80 jaar. Ik hoop dat we die nog lang kunnen behouden. Maar om die te kunnen behouden, moeten we ook investeren in onze veiligheid en dus in militaire capaciteiten. Sommigen vinden dat dit niet nodig is, dat men een bloem in elke geweerloop moet steken en moet stoppen met het nucleaire arsenaal, ook al heeft de rest nucleaire wapens. Dat kan een politieke mening zijn, maar het is niet de mijne. Ik denk ook niet dat Europa lang zou standhouden als we dat zouden doen. We zouden redelijk snel overwonnen en ingenomen worden. En er zouden andere machthebbers komen.

Dat zijn heel valse tegenstellingen. Ik zie ze ook hier terug. Men ziet nauwelijks het verschil tussen de PS en de PTB-PVDA. Het lijkt bijna een copy-paste. Het is precies één partij geworden. Ik zie het verschil niet, het lettertype is bijna hetzelfde.

Dan wordt er het volgende gezegd. Elf F-35's kosten volgens de PS 2 miljard euro. Rafales kosten 2 miljard voor elf stuks. F-35's kosten geen 2 miljard voor elf. No way. Volgens dat verhaal kan men met dat geld 20 scholen bouwen of 4.000 plaatsen in de kinderopvang creëren. Volgens de PTB zijn het zelfs 10.000 plaatsen in de kinderopvang. Bij de PS zijn het er 4.000. Ik weet niet hoe dat komt. En men zegt dat men er een ziekenhuis mee kan bouwen.

Beste mensen, dat is bijzonder intellectueel oneerlijk. U weet dat ook. Dat is vals. Zo werkt het natuurlijk niet. Men moet investeren in veiligheid, men moet investeren in defensie, maar ook in onderwijs, zorg, gezondheidszorg en pensioenen. Dat is evident.

Laten we dan praten over de verhalen die ik heb gelezen. 6.000 euro per gezin: fake news. Het is gewoon niet waar. Het is ook compleet debunked door mensen die dat in de gaten houden, zij hebben het herberekend, het is niet juist. Die professor is zelf teruggekomen van dat cijfer. De professor die sprak over 6.000 euro heeft zichzelf gecorrigeerd.

Le professeur qui a annoncé 6 000 euros a corrigé lui-même son erreur.

Hij heeft zichzelf gecorrigeerd. Dat klopt gewoon niet. Toch zie ik dat cijfer voortdurend opduiken. Ik zie voortdurend dat cijfer van 6.000 euro per gezin terugkomen. Dat is fake news. Alstublieft, ik wil u vragen om daarmee te stoppen. Als u daar niet mee stopt, zal ik blijven zeggen dat u de mensen iets aan het voorliegen bent.

Ik denk dat we correct moeten zijn. We moeten erkennen dat ook veiligheid iets kost. Ik lees ook analyses en editorialen van mensen die geacht worden verstand van zaken te hebben. Zij schrijven dat de defensie-uitgaven het einde betekenen van de sociale zekerheid. Tjonge jonge.

We gaan naar een defensiebudget, pensioenen inbegrepen, van 13 miljard euro. Zonder de pensioenen gaat het om 10 miljard euro. De sociale zekerheidsuitgaven in België bedragen dit jaar 130 miljard euro. Als men daarbij het onderwijs optelt van Vlaanderen en de Franse Gemeenschap en ook de zorg- en welzijnsbudgetten, dan gaat men boven de 200 miljard euro.

Het gaat dus om 10 miljard euro tegenover 200 miljard euro. Dan beweert men dat 3,7 miljard euro extra voor defensie het einde van de sociale zekerheid zou betekenen. Alstublieft, arrêtez le sketch. Stop daarmee. Dat is gewoon intellectueel absurd.

Ik heb mij de afgelopen weken en maanden aan sommige uitspraken geërgerd, ook aan die van het Vlaams Belang. Het Vlaams Belang zegt dat we geen F-35’s nodig hebben om ons luchtruim te beschermen. Dat is letterlijk wat Tom Van Grieken zei.

Vorige keer zei de heer Tonniau hier: “We hebben geen drie fregatten nodig, want we hebben maar 70 kilometer kustlijn”. Oh my god, dat is niet te geloven.

Blijkbaar zijn er mensen die hier al vele jaren in het Parlement zitten, ook in de commissie voor Landsverdediging, die denken dat wij alleen materieel aankopen om onze eigen kustlijn van 67 kilometer te verdedigen, alleen om ons eigen luchtruim te beschermen. Sommige mensen denken dat blijkbaar echt. Dat is beschamend. Zo werkt het niet. We maken deel uit van een internationaal bondgenootschap.

Gelukkig zijn er ook veel verstandige mensen. Een van die verstandige mensen die we hier hebben gekend, was Paul-Henri Spaak, een bekende Franstalige socialist. Hij was medeoprichter van de NAVO. Hij heeft na zijn toespraak ‘ Nous avons peur ’ in Brussel het Verdrag van Brussel gesloten. Nadien kwam het Verdrag van Washington, inmiddels 76 jaar geleden.

Het ging om een man die geloofde in multilateralisme, die ervan overtuigd was dat België geen eiland is en dat samenwerking ons sterker maakt. Dat zijn de mensen naar wie ik opkijk: visionairen. Ik hoop dat er in dit Parlement nog veel mensen zijn met een langetermijnvisie zoals hij.

Het is niet gemakkelijk om de 2 %-norm te halen en nog veel moeilijker om de 3,5 %-norm te halen. Het is echter nodig en we zullen dat stap voor stap realiseren. We zullen daarbij maximaal rekening houden met de bevolking en proberen te luisteren. In die zin, collega's, hebben wij met deze regering de juiste beslissing genomen.

Tot slot is er de vraag waaraan het geld wordt besteed. Dat is vorige week zeer uitgebreid toegelicht met de strategische visie. Ik kan daar nu dus niet verder op ingaan, waarvoor mijn excuses.

Dit jaar wordt het geld besteed aan munitie. Mijn munitieplan is klaar en wordt volgende week aan de regering voorgelegd. Met 2,3 miljard euro gaat het om de grootste munitie-investering ooit in de geschiedenis van de Belgische krijgsmacht, omdat het nodig is. Die investering komt er niet omdat ik graag geweren, kogels, raketten of missiles koop, maar omdat we er gewoon veel te weinig van hebben. We zijn kwetsbaar, collega’s. Dat is al jaren het pijnpunt van de Belgische defensie: geen luchtverdediging en geen of veel te weinig munitie. Nu zullen we een historische stap zetten met dit munitieplan van 2,3 miljard euro, dat hopelijk volgende week wordt goedgekeurd.

Annick Ponthier:

Dank u voor uw antwoorden, mijnheer de minister. U bent op een heel groot aantal van de vragen het antwoord schuldig gebleven, voor alle duidelijkheid. Mijn partij pleit al jaren voor bijkomende investeringen in defensie. Dat weet u en dat staat buiten kijf, zeker in de geopolitieke toestand waarin we momenteel verkeren. Het zijn de voorbije regeringen, over decennia heen, die verantwoordelijk zijn voor de huidige lamentabele toestand van ons defensieapparaat, op alle vlakken. Wat ons betreft gaat het om puur schuldig verzuim.

U citeert graag andere partijen en dat mag natuurlijk. Daarvoor zitten we in het Parlement. Dat voedt het debat, maar als u het dan over fake news hebt, moet u ook in eigen boezem kijken. Het Vlaams Belang zegt helemaal niet dat we geen gevechtsvliegtuigen nodig hebben. We stellen wel vragen bij de bestelling van extra gevechtsvliegtuigen op dit moment en wij vinden dat de prioriteiten elders moeten liggen. Dat is wat wij zeggen.

Als u wilt citeren, moet u verder kijken dan een krantenkop of de titel van een persartikel. Dan moet u ook de inhoud citeren, maar goed, ik blijf bij wat ik twee weken geleden in de plenaire vergadering heb gezegd. Ons optreden op de NAVO-top in Den Haag was – en ik hoor u dat nu ook weer bevestigen – niet meer of minder dan een operatie van schone schijn.

We redden daarmee op dat moment ons gezicht – daar valt iets voor te zeggen, want ik weet dat de diplomatie vele kanten kent – maar onze engagementen echt hard maken, kunnen we niet. Wat de financiering betreft van de verklaringen die daar zijn afgelegd, blijkt opnieuw dat de 2 %-norm, die we dit jaar zullen halen, enkel voor dit jaar is begroot en dan nog met heel veel kunst- en vliegwerk – op Verhofstadt-wijze, zal ik maar zeggen. Over de structurele financiering van de 2 % voor de komende jaren kreeg ik echter weer geen antwoord.

Over de defensietaks kreeg ik ook opnieuw geen antwoord. Ik heb u die vraag twee weken geleden gesteld en u blijft het antwoord schuldig. U hebt wel heel wat historische plannen om geld uit te geven, maar vooralsnog is er geen plan om de financiering daarvan structureel te duiden aan het Parlement. Zelfs met de maximale flexibiliteit die we in Den Haag ten toon hebben gespreid, dreigt u ons in de toekomst verder in de schulden te steken. U weet dat die schulden – dat hoef ik u niet te vertellen als Vlaams-nationalist – vooral door de Vlamingen zullen worden betaald, want elders valt er weinig te rapen.

U mag dan wel veel forse verklaringen afleggen over die plannen, maar financieel hebt u, als ik uw antwoord goed heb gehoord, geen plannen.

Op de vragen over de bijdrage van de deelstaten hebt u ook niet geantwoord. Wat het federale niveau tekortkomt, moeten de deelstaten dan maar bijpassen. Dat is de omgekeerde wereld. Ik vind die keuzes en de uitleg die u geeft over de structurele financiering van al die plannen, die op veel vlakken broodnodig zijn, betreurenswaardig en niet afdoend.

Voorzitter:

De minister wil nog een technische aanvulling geven.

Theo Francken:

Mevrouw Ponthier, u hamert terecht op het budget, maar ik heb al verschillende keren gezegd dat het zal worden opgesteld tijdens de begrotingsopmaak 2026. Het budget voor dit jaar is goedgekeurd. U hebt daar ook over gestemd. Dat budget is voorzien, met veel one-shotmaatregelen en geen structurele. Structurele maatregelen en andere one-shotmaatregelen zullen worden genomen bij de begrotingsopmaak 2026, die wordt ingediend vóór 15 oktober. We hebben daar dus nog tijd voor en dat heb ik al verschillende keren gezegd. U weet dat heel goed.

Op de vragen over wat de deelstaten doen, heb ik wel geantwoord. Ik heb gezegd dat de deelstaten wel kunnen bijdragen aan de 1,5 %. Dat wordt nu bekeken. Ik denk dat we die heel snel kunnen behalen, misschien zelfs al in 2026. De premier zal daarvan de coördinatie op zich nemen en dit moet worden overlegd met de minister-presidenten van de deelstaten.

Darya Safai:

Bedankt, mijnheer de minister. Deze regering heeft stappen gezet en komt nu boven de 2 % uit. Wat meer dan tien jaar geleden werd beloofd, realiseren wij nu eindelijk en dat is een goede zaak. Dit is historisch. Uw munitie- en luchtafweerplannen zijn dringend en broodnodig.

Sommigen zeggen dat de 5 % onhaalbaar is. Toch is met de juiste visie en politieke wil alles mogelijk, collega's. Wij zullen dit realiseren in een groeipad van zeven tot tien jaar, waarvan een belangrijk deel investeringen in onze eigen industrie zijn, in jobs en innovaties. De helft van deze uitgaven komt ten goede aan onze eigen economie. Investeringen in defensie kunnen duizenden directe en indirecte jobs creëren.

Laten we duidelijk zijn, deze 5 % is een verzekering tegen onbetaalbare kosten in de toekomst, want als de Verenigde Staten zich terugplooien, als de NAVO verzwakt, als onze infrastructuur wordt lamgelegd, dan zal de rekening niet langer 5 % bedragen, maar onze volledige soevereiniteit. Wie denkt dat wij veiligheid kunnen kopen met holle retoriek of door op autocratie te vertrouwen, vergist zich. De tijd van vrijblijvendheid is voorbij. Dit zijn geen dogma’s, collega's. Dit is noodzaak. Dit is geen oorlogszucht. Dit is afschrikking. Dit is geen wensdenken. Dit is de realiteit.

Vrede is geen toeval. Het is het resultaat van kracht, eensgezindheid en politieke moed. Wij steunen u in uw plannen, mijnheer de minister. Dank u wel.

Koen Van den Heuvel:

Ik denk dat de minister duidelijke antwoorden heeft gegeven. Voor ons zijn een aantal zaken heel belangrijk, zoals het tijdstraject. Dat heb ik echter daarnet al gezegd. Het is nu onze opdracht om de capability targets van de NAVO in grote mate en zo veel mogelijk te vervullen.

Daarnaast zijn er twee aandachtspunten die we niet uit het oog mogen verliezen. We hebben daar de voorbije weken al vaak over gesproken. Het eerste is de efficiëntieoefening. Als we het draagvlak bij onze mensen willen behouden, dan moeten zij ervan overtuigd zijn dat die extra miljarden, ook al heeft de minister dat nu genuanceerd en dat begrijp ik eerlijk gezegd, binnen het totale budget van NV België beheersbaar blijven. Het blijft immers veel geld en het is allemaal extra. Het is dus onze plicht om die miljarden op een efficiënte manier te gebruiken.

Ten tweede is er de Europese samenwerking. Er moet minder versnippering en meer standaardisatie komen. Elk land moet niet op zichzelf werken, maar er moet samenwerking komen voor Europese interoperabiliteit. Het klinkt misschien als Cato en zijn ceterum censeo Carthaginem esse delendam , maar ik zal dat hier in dit Parlement blijven herhalen, omdat het zo vanzelfsprekend is. Qua langetermijnvisie, mijnheer de minister, zit dat juist, al maken de praktische gewoonten van de Europese landen het wellicht moeilijk om die visie uit te rollen. U zult mij dat dus de volgende maanden en jaren ongetwijfeld regelmatig horen herhalen. Wees een pionier van die Europese samenwerking. België is misschien beter geplaatst dan de grote Europese landen om daarin het voortouw te nemen. Zoek bondgenoten en maak er echt werk van.

Ten slotte wil ik nog dit zeggen. Zoals ook bij de strategische visie bleek, moeten we inzetten op flexibiliteit en innovatiekracht. Dat is echter niet eenvoudig. U moet immers een visie op lange termijn ontwikkelen, maar sinds de oorlog in Oekraïne zijn heel wat tactieken en inzichten veranderd. We moeten daar flexibel op kunnen inspelen, maar ook innovatief met steun van onze Belgische industrie en onze Vlaamse innovatieve kmo’s. Dat is een andere uitdaging die altijd in het oog moet worden gehouden.

Nabil Boukili:

Tout d'abord, merci monsieur le ministre de faire de la publicité pour nos visuels. L'objectif de ces visuels est qu’ils circulent. Vous participez à les faire circuler. Je vous en remercie.

Deuxième chose, monsieur le ministre, vous parlez de malhonnêteté dans le fait d'opposer les dépenses sociales et les dépenses militaires. Mais je vais reprendre vos propos, monsieur le ministre. Je vous cite: "Retirer quelques milliards d'un budget de 200 milliards, ce n'est tout de même pas inhumain. Cette sécurité sociale est trop grasse." Vous l'avez dit vous-même.

Cela signifie que l'argent que vous voulez mettre dans l'armement, vous voulez le prendre dans la sécurité sociale. Vous l'avez dit vous-même.

Je ne sais pas qui est malhonnête intellectuellement, quand vous dites qu'il ne faut pas opposer les deux. Vous-même, vous les opposez. Vous dites qu'il faut prendre l'argent dans ces services, qu’il y a trop d'argent dans la "sécurité douce", comme vous l'appelez, et le mettre dans la "sécurité dure".

Je ne fais que reprendre vos propos, monsieur le ministre. Vous l'avez dit par le passé.

Sur les 6 000 euros, si vous considérez que c'est une fake news , adressez-vous à l'économiste Gert Peersman. Il y a eu un fact checking . Il en avait parlé à l'émission Terzake , et Knack a fait un fact checking là-dessus.

Voilà ce que dit Knack : "Dans l'émission Terzake , l'économiste Gert Peersman a déclaré que la nouvelle norme de l'OTAN coûterait 6 000 euros par ménage belge. Ce chiffre est correct, mais il s'agit d'une estimation théorique pour un ménage moyen. Une part importante de ces 5 % est déjà dépensée. Il ne s'agit donc pas d'une hausse de 6 000 euros d'impôts. Cependant, un budget de la défense équivalent à 5 % du PIB entraînerait bien une perte de 6 000 euros de pouvoir d'achat pour un ménage moyen."

Si vous considérez que c'est faux, adressez-vous à Knack ou à l'économiste M. Peersman.

Je dis que 5 % équivalent à 6 000 euros de perte de pouvoir d'achat pour un ménage moyen. Pourquoi? Parce que pour financer ces 5 %, vous allez puiser dans la sécurité sociale, dans le remboursement des médicaments. Cet argent-là que vous allez prendre, ces médicaments qui ne seront pas remboursés par exemple, les Belges vont les payer avec leur argent.

Il s'agit donc d'une perte de pouvoir d'achat de 6 000 euros. Faire passer les dépenses militaires à 5 % équivaut à infliger une perte de pouvoir d'achat de 6 000 euros. Si vous considérez que c'est faux, adressez-vous à l'économiste Gert Peersman et à la rédaction de Knack , qui a confirmé cette déclaration. Vous affirmez qu'il s'agit de fake news alors que je reprends l'étude d'un économiste.

Theo Francken:

Ce qu’il faut comprendre, c’est que c’est un ajout. Nous faisons les calculs selon la définition en vigueur. Nous avons déjà atteint 3,5 % sur 5. Vous voyez ce que je veux dire?

De vergiftiging van het debat draaide om de voorstelling dat de maatregel 6.000 euro per gezin extra zou kosten. Dat beeld is bij veel mensen op die manier overgekomen. Professor Peersman heeft dat nadien rechtgezet. Het gaat om het volledige budget, maar van die zogezegde 6.000 euro koopkrachtverlies wordt 4.500 euro al jarenlang geïnvesteerd.

Het is dus een belangrijk verschil. De indruk werd gewekt dat de regering iets beslist wat gezinnen 6.000 euro extra kost, terwijl dat niet klopt. Een aanzienlijk deel van dat bedrag wordt al jaren uitgegeven. Dat is de kern van de discussie. Ik vind het dan ook intellectueel oneerlijk. Dat de bijkomende 5 % een extra kost met zich meebrengt, is evident, maar dat komt niet neer op 6.000 euro per gezin extra, aangezien er al jaar en dag fors geïnvesteerd wordt in defensie.

Nabil Boukili:

Là, vous tournez autour du pot, monsieur le ministre. Car 5 % du PIB investis dans la défense équivalent à 6 000 euros de perte de pouvoir d’achat pour les ménages. Vous ne contestez pas cette déclaration, si? C’est une malhonnêteté intellectuelle de dire qu’il s’agit d'une fake news , car c’est une vérité. L’argent que nous dépenserons dans la défense ne tombera pas du ciel, on ne l’inventera pas, il faut aller le chercher quelque part, et vous affirmez vous-même que vous voulez le trouver dans la sécurité sociale.

Vous avez également affirmé que nous sommes en paix depuis 80 ans. Je suis désolé, mais nous avons été en guerre en Libye, en Afghanistan. Ce n’est pas parce que les bombes ne tombent pas ici que nous sommes en paix. Nous sommes en guerre avec plusieurs pays. En Afghanistan, il y a eu 20 ans de guerre pour que les Talibans prennent le pouvoir juste après. Je n’appelle pas cela de la paix. Et le fait que vous continuiez dans cette dynamique, dans une politique d’armement, dans des investissements dans la guerre, ne fera que provoquer davantage de guerre. Quand on achète des armes, c’est pour les utiliser.

Luc Frank:

S’il faut vraiment entrer dans ce débat, le calcul est vite fait: la sécurité sociale coûte 18 000 euros par personne en Belgique. Alors franchement, qui paie? Uniquement les travailleurs? C’est une connerie, c’est vraiment une connerie! Je n’ai jamais entendu des conneries pareilles! Vous ne cessez de proférer des mensonges, des choses qui ne sont pas correctes. Venez à nos réunions, venez à nos visites à l’extérieur, discutez avec les gens, vous verrez ce qu’il en est. Et de plus, ce que vous dites est vraiment de l’eau au moulin de Poutine.

Arrêtez de dire cela! Nous sommes vraiment dans une situation grave, qu'il faut prendre au sérieux! Il n'y a rien à faire. Si l'on n'a pas de sécurité dure, il n'y a pas de sécurité sociale, parce que c'est la première qui permet aussi de jouir de la liberté, de commercer et d'avoir du bien-être. Arrêtez de dire cela!

Cela dit, j'en arrive à mes questions. Monsieur le ministre, j'aimerais bien obtenir quelques précisions parce que le débat était assez général. Je suis ouvert à obtenir plus d'informations sur ce fonds. Je suis d'accord avec vous à propos des 3,5 %.

Theo Francken:

Une précision technique: c'est M. Jambon qui tire le fonds. Celui-ci prendra forme dans les jours et semaines à venir.

Luc Frank:

J'avais bien dit que c'était le ministre des Finances qui s'en occupait.

S'agissant des entités fédérées, il ne faut pas oublier non plus d'y associer les provinces et les communes. Je vous remercie.

Mathieu Michel:

Avant toute chose, je pense qu'il ne faut pas confondre la guerre et la défense. Celle-ci suppose la capacité de gagner la guerre sans vouloir la faire. C'est ce à quoi nous nous employons. Aujourd'hui, la défense est un concept bien plus vaste que l'achat d'avions et de tanks. C'est en effet un concept militaire, mais également cyber. Il implique aussi des infrastructures critiques de connectivité. C'est la sécurité active et passive. Et c'est ce que je salue dans les négociations qui ont eu lieu: ces 5 % recouvrent en réalité une vision plus vaste. Je tiens donc à vous remercier pour ces négociations.

Même aux plus dubitatifs, il importe de toujours rappeler que ce modèle que nous chérissons tous ne peut pas tenir sans sécurité. Sans sécurité, vous n'avez pas de liberté ni d'égalité ou de fraternité. Il ne s'agit certainement pas ici d'opposer sécurité et solidarité. Nous devons garantir les deux.

C'est d'ailleurs ce que nous faisons. Nous augmentons effectivement nos dépenses en matière de défense et, en parallèle, comme vient de le rappeler M. Francken, nous augmentons encore beaucoup plus nos dépenses en matière de solidarité et de sécurité sociale. Alors venir dire qu'on retire d'une poche pour mettre dans l'autre, c'est d'une absurdité folle. C'est éventuellement ne pas être en capacité d'augmenter encore plus quelque chose qui augmente beaucoup plus par ailleurs.

Aujourd'hui, ce que nous faisons effectivement, c'est garantir tant notre sécurité collective que notre solidarité. C'est un élément essentiel, c'est la préservation de notre modèle social. Alors peut-être que cet élément vous plaît moins qu'à nous, mais c'est aussi défendre nos valeurs, nos valeurs de liberté, nos valeurs de travail, de responsabilité. C'est pour nous essentiel.

Je voudrais reprendre l'exemple imagé mais totalement approprié cité par le premier ministre il y a quelques semaines en commission. Il a rappelé – et c'est de circonstance vu que le Tour de France vient de commencer – qu'avec 1,3 % de dépenses militaires en 2024, nous étions déjà très en retard sur le peloton. Or, en l'occurrence, le peloton a accéléré, et donc non seulement nous devons rattraper le peloton, mais nous devons rattraper un peloton qui a accéléré, et c'est là tout l'enjeu.

En fait, ce que nous faisons aujourd'hui en matière de défense est en quelque sorte à l'image de ce que nous devons faire de façon plus générale à l'échelon national. De manière générale, nous rattrapons notre retard, et pour ce qui nous concerne au MR, nous nous réjouissons parce que nous préférons être un pays en avance plutôt qu'un pays en retard.

Kjell Vander Elst:

Dank u, mijnheer de minister, voor uw antwoorden. Ik ben het met u eens wanneer u zegt dat de simplistische boodschappen van de afgelopen weken en de beelden of pagina's die u getoond hebt van bepaalde oppositiepartijen het draagvalk bij de bevolking op termijn volledig zullen wegwerken.

Het gaat over veel geld, over zware investeringen op lange termijn op een moment waarop veel gezinnen het moeilijk hebben en op een moment waarop bijna elk bevoegdheidsdomein in dit land moet besparen. Tegelijkertijd krijgt defensie – terecht – extra middelen. In dat kader helpt sloganpolitiek niet om het draagvlak bij de bevolking te behouden. Ik hoop dan ook dat we dit debat met iets meer ernst kunnen voeren, want de bevolking en ons land hebben een performante defensie nodig.

Ten tweede, wat de financiering betreft, het klopt wat collega Weydts zegt: er is inderdaad een traject richting 2,5 % tegen 2034. Dat betekent nog altijd dat we, als er in 2029 niets wijzigt, 1 % op één jaar tijd moeten goedmaken. Ik begrijp dat u stelt dat de 2 % al een serieuze uitdaging vormt, want dat is het ook.

We weten immers dat de financiering ervan voor dit jaar grotendeels steunt op eenmalige financiële maatregelen en dat heel die zoektocht in 2026 opnieuw zal moeten beginnen. Ik hoop dan ook dat we snel van gedachten kunnen wisselen over een structurele financiering van de 2 % voor de komende jaren. Alleen wanneer defensie er als organisatie zeker van is dat die middelen jaarlijks structureel worden gefinancierd, kunnen we werk maken van een langetermijnvisie voor defensie.

Tot slot, u bent niet echt ingegaan op de Europese pijler binnen de NAVO. Ik weet dat dat een zeer breed debat is, dus ik zal daar later misschien nog op terugkomen.

Theo Francken:

Er staan daarover straks nog vragen op de agenda.

Kjell Vander Elst:

Dan zal ik mij daarbij aansluiten.

Axel Weydts:

Mijnheer de minister, wat de Europese pijler betreft, kan ik u zeker aanraden om de capability targets te bekijken. Er staan daar heel veel lijntjes PESCO in. Ik heb mij laten vertellen dat het voor de eerste keer is dat er zoveel wordt verwezen naar de Europese samenwerking binnen de NAVO-norm. Dat is een heel goede zaak en dat is ook een argument om zeker die capability targets te bekijken.

Ik ben heel tevreden met dit debat. Ik had gedacht dat het weer zou zijn als bij de vorige debatten, maar het is een goed debat, zoals dat ook hoort in een parlement. Ik ben ook blij dat ik niet meer de enige ben in deze commissie die de leugens van PVDA-PTB moet weerleggen. Doe zo verder, collega's. Samen zullen we erin slagen om de waarheid aan het licht te brengen.

Ik wil besluiten met te zeggen dat er heel veel werk aan de winkel is. Laat ons de hand aan de ploeg slaan, over alle fracties heen, om te bereiken wat nodig is, namelijk meer veiligheid garanderen voor de burgers van het Europese continent.

Voorzitter:

U hebt als ondervoorzitter van deze commissie dit punt op een uitstekende manier afgerond.

De onderhandelingen met de legervakbonden
Het afspringen van het sociaal overleg bij Defensie
Het sociale plan voor militairen en de impact van de geplande pensioenhervorming
De stand van zaken betreffende de onderhandelingen met de legervakbonden
Het sociale plan voor militairen en de impact van de geplande pensioenhervorming
Het sociaal plan voor de militairen
De sociale onderhandelingen bij Defensie
De onderhandelingen met de legervakbonden
Het sociaal overleg
Het sociaal overleg met de legervakbonden
Het sociaal overleg bij Defensie
Sociaal overleg en pensioenhervorming bij Defensie

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 9 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de omstreden pensioenhervorming voor militairen, waarbij de pensioenleeftijd van 57 naar 67 jaar wordt opgetrokken, wat leidt tot massaal verzet bij syndicate en militairen. Kritiekpunten: de maatregel wordt gezien als sociaal dumping (verlies aan inkomen, gebrek aan erkenning, onrealistische fysieke eisen), dreigt een leegloop van ervaren kader te veroorzaken en kost 4 miljard extra zonder garanties voor betere loopbaanomstandigheden. Syndicaten verlieten onderhandelingen na beschuldigingen van minachting en gebrek aan transparantie, terwijl de minister geen concrete plannen of tijdlijn voorlegt, wat de onrust verergert. Kernvraag: hoe verzoent de overheid budgettaire noodzaak met behoud van gemotiveerd personeel, gegeven de krappe arbeidsmarkt en afhankelijkheid van technisch gespecialiseerd kader?

Christophe Lacroix:

Monsieur le ministre, vous êtes d'accord avec moi pour dire que la ministre Dedonder a fait du bon travail en matière de personnel, vous l'avez d'ailleurs déjà dit. Vous auriez pu vous glisser dans ses baskets et continuer son travail. Pourtant, vous êtes en train de faire tout le contraire. La plus importante des régressions sociales en matière de statut militaire est l'allongement unilatéral de plus de 10 années de leur carrière, en rupture totale avec le contrat social qui les unit avec la société belge.

Pourtant les chiffres de l'état-major de la Défense parlent d'eux-mêmes: cette mesure est non seulement injuste sur le plan social, mais elle est aussi une aberration pour l'avenir de notre Défense! On parle d'un surcoût de 4 milliards d'euros selon les chiffres de l'état-major, autant de moyens qui ne pourront pas être utilisés pour réinvestir dans notre armée.

Nous avons longuement eu l'occasion d'en parler lors des débats sur votre exposé d'orientation politique et votre note de politique générale. Aujourd'hui, nous apprenons que l'ensemble des syndicats militaires ont quitté prématurément les discussions, que vous aviez péniblement mises en place, où vous deviez leur présenter les mesures prévues. Les syndicats vous reprochent notamment, selon la presse, "un mépris flagrant envers le métier de militaire" et estiment que l'accord de gouvernement menace de saper l'équilibre du statut militaire.

Monsieur le ministre, alors que vous annonciez faire de l'humain une priorité, pouvez-vous m'indiquer la teneur de cette réunion ainsi que me communiquer les mesures que vous avez avancées? Quel est le calendrier des négociations? Vous aviez annoncé un accord social. Quelles sont vos intentions et marges de manœuvre?

Qui participe aux réunions au cabinet du ministre des Pensions sur la pension des militaires? Y a-t-il quelqu'un de votre cabinet ou quelqu'un de la Défense pour défendre nos militaires? Je pense que les appétits du ministre Jambon en la matière ne sont pas de nature à plaire aux militaires.

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de minister, u onderhandelt al een tijdje met de militaire vakorganisaties over een nieuw sociaal plan voor de militairen. Dat loopt, als ik sommige communicaties mag geloven, niet van een leien dakje. De aanleiding is uiteraard de onrust bij de militairen over de geplande verhoging van de pensioenleeftijd. Ik heb vorige week al aangegeven dat die onrust naar mijn mening deels terecht is. Het pensioen is een soort voorafbetaling op het loon of op de erkenning die zij tijdens hun loopbaan niet hebben gekregen. Dat versnelde pensioen is altijd een vorm van pay-off geweest voor de militairen.

Als we daaraan sleutelen – ik ben daar net als mijn partij voorstander van – moeten wij tegelijk ook sleutelen aan de loopbaan en de loonvoorwaarden. U hebt er steeds op gewezen dat u een sociaal plan wilt realiseren waarbij de pensioenhervorming zal doorgaan, maar waarbij ook aan het statuut van de militair grondig zal worden gesleuteld.

Daarom heb ik enkele vragen. Ten eerste, wat is voor de pensioenleeftijd de stand van zaken in het dossier van de pensioenhervorming voor militairen? Welke modaliteiten worden momenteel besproken of overwogen? Denk daarbij aan de pensioenleeftijd, het systeem van vervroegde uittreding en de berekeningswijze van het pensioenbedrag.

Welke overgangsmaatregelen, waarover ook grote onrust heerst, of overgangsperiodes worden er ingebouwd voor het personeel dat nu actief in dienst is?

Hoe verlopen de onderhandelingen over het sociaal plan met de vakorganisaties op dit moment? Zijn er al concrete akkoorden bereikt of belangrijke knelpunten geïdentificeerd?

Welke concrete maatregelen bent u van plan te treffen om de loonvoorwaarden binnen defensie te verbeteren?

Zal de hervorming van het statuut van de militair worden gekoppeld aan de pensioenhervorming?

Charlotte Deborsu:

Monsieur le ministre, fin mai, vous avez rencontré les représentants syndicaux du secteur militaire afin d'aborder la délicate question des pensions. Cette réunion s'est malheureusement soldée par un départ prématuré des syndicats, ce qui témoigne des tensions persistantes sur ce dossier sensible.

Parmi les principales préoccupations exprimées, l'augmentation de l'âge de la pension envisagé à 67 ans et la question des heures prestées non rémunérées. Les syndicats vous reprochent aussi de privilégier les investissements dans de nouveaux équipements lourds plutôt que de défendre les intérêts du personnel. Et là, je les cite: "On va avoir une armée avec des F-35 rutilants, des frégates dernier cri, mais plus personne pour piloter ces avions ou barrer ces navires." Les syndicats vous avaient par ailleurs adressé une série de questions en espérant une réponse pour le 6 juin dernier.

Monsieur le ministre, dans un esprit constructif, j'aimerais vous poser les questions suivantes. Quel bilan tirez-vous de cette réunion et quelles pistes envisagez-vous pour retisser un dialogue apaisé et efficace avec les partenaires sociaux? Une réponse a-t-elle été apportée aux syndicats à la date du 6 juin comme ils le souhaitaient? Envisagez-vous d'ouvrir certaines marges de négociation, notamment sur l'âge de la pension, afin de trouver un compromis équilibré? Avez-vous prévu un calendrier de discussion ou une nouvelle méthode de concertation pour restaurer la confiance? Enfin, comment conciliez-vous les impératifs liés à la modernisation de notre Défense avec la nécessité d'un soutien fort au personnel qui en est le pilier?

Annick Ponthier:

Mijnheer de minister, om aan de verwachte negatieve gevolgen van de pensioenhervorming te remediëren, wat absoluut noodzakelijk is, hebt u enige tijd geleden geopperd om een sociaal plan op te stellen.

De militaire vakorganisaties die we hier in de commissie gehoord hebben, hebben al veel eerder gewaarschuwd voor een mogelijk hogere uitstroom. De pensioenhervorming is immers onlosmakelijk verbonden met de loopbaan van de militair. De bezorgdheid leeft dat die loopbaan minder aantrekkelijk zou kunnen worden voor eventuele nieuwe rekruten, maar ook voor de mensen die op dit moment al actief en noodzakelijk zijn voor de werking van onze defensie op het terrein.

Die onzekerheid op het terrein is vandaag de dag sterk voelbaar. Dat merken we in de contacten met militairen. Het is daarom van groot belang dat men zeer omzichtig omspringt met die pensioenhervorming en met de invulling van het sociaal plan. Het effect op het personeelsbestand moet uiteraard goed worden opgevolgd, want u hebt de doelstelling vooropgesteld om tegen 2030 naar minstens 29.000 personeelsleden bij defensie te evolueren.

Zoals ik al eerder zei, is het personeel het grootste kapitaal van ons defensieapparaat. Zonder dat personeel hebben de plannen die u daarnet hebt toegelicht, de bijkomende investeringen en middelen, weinig zin.

De militairen voelen zich al maanden te weinig gehoord. We hebben de vakorganisaties hier aan het begin van dit jaar mogen horen. Die hoorzittingen waren voor velen echt een eyeopener. Er werd onder meer gesproken over de werkomstandigheden, over zeven jaar op een volledige loopbaan die niet worden vergoed enzovoort.

Mijnheer de minister, hoe ver staat u met de ontwikkeling van dat sociaal plan? Enige tijd geleden is het overleg daarover niet in de beste omstandigheden afgelopen, om het eufemistisch uit te drukken. Wat is de timing om uw plan aan deze commissie voor te leggen? Wat is uw plan om mee te gaan in de koppeling van de pensioenhervorming en de loopbaanhervorming?

U hebt in een eerder antwoord gezegd dat het regeerakkoord stipuleert dat we de specificiteit van het militair statuut erkennen en dat we de deelname aan externe missies en operationele eenheden positief willen herwaarderen en in rekening brengen. Wat is daar op dit moment de stand van zaken?

Wat zijn de overgangsmaatregelen die u eventueel zult nemen? Hoe bereidt u zich voor op de eventuele lagere instroom en de hogere uitstroom, zeker in de categorie tussen 35 en 40 jaar, die zich dreigt voor te doen? Wat is uw voorbereiding op dat vlak, als de voorziene pensioenhervorming effectief wordt doorgevoerd?

Stéphane Lasseaux:

Monsieur le ministre, à la fin du mois de mai dernier, les quatre organisations syndicales représentatives des militaires claquaient la porte lors de négociations sociales liées à l'harmonisation des régimes de pension des militaires. Certains vous ont reproché un mépris flagrant envers le métier de militaire, ce qui n'est certainement pas le cas pour ceux qui vous connaissent. Nous en sommes bien conscients. Par contre, nous savons que votre style très direct, que je peux apprécier personnellement, n'est pas toujours aimé par vos interlocuteurs. Néanmoins, nous savons que la décision dans l'accord de gouvernement d'harmoniser ce régime de pension n'est pas une décision aisée à mettre en œuvre. C'est pourquoi l'accord de gouvernement prévoit des dispositions particulières, notamment pour les militaires partis en opération.

Au-delà des postures politiques, il est temps de faire le bilan de ce dossier et de pouvoir se rendre compte de l'état des négociations. Pour Les Engagés, une concertation sociale aussi apaisée que possible est essentielle dans toute réforme. Il faut aussi se donner le temps de négocier et de ne pas trop brusquer ses interlocuteurs, spécialement quand les mesures adoptées sont difficiles pour ceux qu'ils représentent.

Monsieur le ministre, quelles sont les conditions exactes qui ont été offertes durant la négociation? Avez-vous effectué des simulations sur les éventuelles pertes de revenus que subiraient les futurs militaires pensionnés, et si oui, quels sont les résultats? Quelles mesures d'accompagnement sont-elles envisagées? Allez-vous offrir d'autres avantages sociaux au cours de la carrière qui pourraient adoucir les mesures envisagées? La Défense a-t-elle déjà subi des démissions se justifiant par le changement du régime des pensions? Quand comptez-vous aboutir et nous présenter le résultat de vos négociations?

Koen Van den Heuvel:

Sociaal overleg is voor mijn partij een heel belangrijke zaak, des te meer gelet op de uitdaging waarvoor we met onze militairen staan.

Bij hervormingen is het altijd een uitdaging om mensen mee te krijgen in het verhaal en hen te overtuigen van de noodzaak ervan. We kunnen daar pas in slagen, als we een aantal bezorgdheden en onduidelijkheden zo snel mogelijk wegnemen en hen met respect bij die uitdagingen betrekken.

Ik merk in mijn gesprekken met militairen dat zij enerzijds wel begrip tonen voor de situatie. Als iedereen langer moet werken, tot 67, dan begrijpen zij dat pensioen op 56 jaar wellicht niet haalbaar is. Anderzijds willen ze ook respect voor hun situatie en begrip voor hun bijzonder statuut, dat er niet zomaar is gekomen. Dat statuut werd hun verleend, omdat zij op een heel flexibele manier ten dienste van ons land moeten staan, zowel binnen- als buitenlands, en een antwoord moeten bieden op heel specifieke uitdagingen. Daarom is het essentieel dat hervormingen op een respectvolle manier worden doorgevoerd.

We hebben onze militairen nodig, willen we een betere paraatheid en willen we een succesvolle hervorming van het leger. Het is niet voldoende om miljarden te investeren in extra materieel. Dat materieel moet namelijk ook kunnen worden gebruikt door militairen, die beter opgeleid moeten zijn.

Daarom hadden we graag een stand van zaken gekregen, mijnheer de minister. Er bereiken ons namelijk uiteenlopende signalen.

Het is een heel belangrijk dossier en we rekenen erop dat u er met de nodige takt en diplomatie werk van maakt.

Nabil Boukili:

Monsieur le ministre, la note de politique générale en matière de défense indique qu’il est évident que la concertation et l’implication des partenaires sociaux sont essentielles pour assurer une transition dans de bonnes conditions.

Pourtant, les syndicats ACMP et ACOD indiquent qu’il n’y a aucune transparence concernant l’accord social. Pouvez-vous donc expliquer quelles démarches concrètes ont été entreprises pour impliquer les partenaires sociaux dans les négociations de cet accord? De quelle manière leurs contributions sont-elles prises en compte?

Par ailleurs, la note de politique souligne "la spécificité de la profession militaire, qui implique des obligations et des sacrifices uniques". Les syndicats militaires expriment un tout autre son de cloche: "Ce qui nous a été proposé défie toute forme de respect pour la profession militaire. Sous couvert d’harmonisation, l’exécution de l’accord de gouvernement menace de saper complètement l’équilibre du statut militaire." Ils dénoncent le fait que vous procédez à une harmonisation "vers le bas".

Monsieur le ministre, quelle est votre réponse aux critiques des syndicats, qui qualifient votre proposition de "rien de moins que du dumping social: conditions de travail insuffisantes, manque d’attention au bien-être, et un manque structurel de reconnaissance"?

Enfin, pouvez-vous clarifier ce que la vision stratégique implique concrètement pour les pensions et les conditions de travail du personnel militaire, compte tenu de leur légitime inquiétude face aux baisses annoncées?

Darya Safai:

Mijnheer de minister, laat ik beginnen met een diepe erkenning van het werk, de inzet en de opofferingen van onze militairen. Ze vormen het fundament van onze nationale veiligheid, nu meer dan ooit, gezien de veranderende geopolitieke omstandigheden. Ze verdienen respect en structurele garanties, ook op lange termijn.

Dat respect houdt ook in dat we een eerlijk beleid voeren en een toekomst uittekenen. Dat hebben voorgaande partijen nagelaten. Precies dat is wat de hervorming beoogt en waarin wij u steunen. Gelet op de demografische realiteit en de budgettaire grenzen, kunnen we het ons niet veroorloven om weg te kijken. Andere sectoren, zoals de politie en de ambtenarij, moeten eveneens worden hervormd. De kosten van de vergrijzing zijn aanzienlijk.

De budgettaire situatie is wat ze is en verre van rooskleurig. Het militaire pensioenstelsel bleef tot nu toe grotendeels buiten schot, maar dat is helaas niet langer houdbaar. We begrijpen dat het geleidelijk optrekken van de pensioenleeftijd gevoelig ligt, maar we spreken hier over een modernisering, niet over afbraak. U hebt bovendien aangekondigd dat er een termijn en een perspectief moeten komen. Graag kreeg ik een stand van zaken.

Axel Weydts:

Mijnheer de voorzitter, ik had geen vraag ingediend, omdat ik het thema al in plenaire vergadering aankaartte, maar ik sluit mij graag aan bij het debat.

Gisteren had ik toevallig nog een een-op-eengesprek met een van onze vakorganisaties. Ik doe dat op regelmatige basis, omdat ik het belangrijk vind om te luisteren naar wat er leeft bij de vakorganisaties en uiteraard bij onze militairen zelf. Het is normaal dat er veel ongerustheid heerst, zeker bij wie aan de vooravond van zijn of haar pensioen staat. Voor mij is het nog veraf, maar wie op twee jaar van zijn pensioen staat, begint plannen te maken. Men kijkt dan vooruit naar een tweede leven, naar meer tijd met gezin, kinderen en kleinkinderen, tijd die er tijdens de loopbaan vaak niet was voor onze militairen.

Het is dus logisch dat daar op dit moment heel veel ongerustheid is. In die zin zou het goed zijn dat er zo snel mogelijk duidelijkheid over die maatregelen komt en er zo snel mogelijk een sociaal akkoord komt. Dit gezegd zijnde, een goed sociaal akkoord is nog altijd beter dan een snel akkoord. Ik begrijp het dus wel dat er tijd genomen wordt, zodat er voldoende met de verschillende vakorganisaties kan worden overlegd. Wie met vakbondsafgevaardigden spreekt, zal al begrepen hebben dat ze wel begrip hebben voor de harmonisatie van de pensioenleeftijd, althans zo luiden de signalen die ik bij de vakorganisaties opving.

Daar moet uiteraard wel een compensatie tegenover staan. Dat brengt ons bij het debat over een uur is een uur. In de hoorzittingen hebben we vernomen dat veel militairen eigenlijk zeven jaar presteren, zonder daarvoor vergoed te worden. Daar ligt de sleutel tot succes voor de totstandkoming van een sociaal akkoord. Wie ben ik om u een tip te geven, mijnheer de minister, maar ik doe het toch. Ik heb uit mijn contacten begrepen dat het een goede zaak zou zijn, als er niet alleen een geldelijke vergoeding, maar ook een gedeeltelijke compensatie in tijd van het principe een uur is een uur komt. Als de regering dat overweegt, moet een sociaal akkoord mogelijk zijn.

Ik wens het u en vooral onze militairen toe. Zoals ik immers al zo vaak heb gezegd, wat zijn al die nieuwe capaciteiten waard, als er geen gemotiveerde militairen zijn om die in te vullen?

Theo Francken:

Je vous remercie beaucoup pour toutes vos questions et vos préoccupations concernant le personnel et l’accord social.

Je mène actuellement de nombreuses discussions sur l’accord social potentiel. J’ai rencontré les vice-premiers ministres. J’ai partagé un petit-déjeuner avec M. David Clarinval ce matin. Nous avons parlé de beaucoup de choses, dont bien sûr le volet social. J’ai vu M. Vincent Van Peteghem et M. Frank Vandenbroucke hier. J'espère m'entretenir avec M. Maxime Prévot vendredi. Je rencontrerai les syndicats la semaine prochaine. J'espère obtenir un accord le plus vite possible.

Voorzitter:

U hebt uw spreektijd niet volledig benut, maar dat is niet erg.

Theo Francken:

Ik wil over het vorig debat wel nog enkele punten aanhalen.

Voorzitter:

Zo werkt het niet, mijnheer de minister.

Christophe Lacroix:

Monsieur le ministre, là, vous m’étonnez. Vous avez toujours beaucoup de choses à dire, et là, je vous sens en difficulté. Le fait que vous vous taisiez sur un sujet aussi important témoigne du fait que vous n’êtes pas sûr de gagner le défi que vous nous avez annoncé, qui était d’apporter une solution en faveur des militaires.

Theo Francken:

Le silence est d'or.

Christophe Lacroix:

Certes, il est vrai que le silence est d’or et la parole, d’argent. Vous avez raison, monsieur le ministre.

J’entends qu’il s’agit, selon vous, de manipulations politiques, qui agitent les militaires. Mais, quelque 5 000 militaires ont tout de même manifesté en rue. Vous avez dit vous-même que c’était important, car ils ont dû prendre congé pour le faire. Vous en connaissez beaucoup, des personnes qui prennent congé pour aller manifester dans la rue? S’ils l’ont fait, c’est qu’il vit une grande inquiétude parmi les militaires et les syndicats. Je suis très inquiet qu’il n’y ait pas, dans les réunions avec le ministre des Pensions, de représentants des syndicats ou du secteur de la Défense. À quelle sauce seront-ils mangés? Voilà ce qui m’inquiète.

J’ai l’impression que l’on exige des militaires une capitulation sans conditions. Quand j’entends les collègues de la majorité affirmer que les militaires comprennent bien qu’il n’est plus tenable de maintenir les pensions à 57 ans, je me demande si vous avez parlé avec les militaires. Ce n’est pas du tout ce que j’entends!

Il y a en outre des choses que je ne comprends pas. D’abord, et il s’agit de bon sens, l’allongement de la carrière coûtera 4 milliards en plus. Donc, budgétairement, il faudra déjà trouver ce montant. Ensuite, on annonce aux militaires qu’ils seront confrontés à des situations plus difficiles, qu’ils devront peut-être même faire la guerre, être beaucoup plus exposés qu’ils ne l’étaient hier, et ce, jusqu’à 67 ans. Comment peut-on tenir un langage pareil alors qu’il faut motiver nos troupes? Alors certes, nous aurons du beau matériel et pourrons bander nos muscles, mais il n’y aura personne pour le faire fonctionner! Car il y aura une hémorragie à un moment donné: le taux d’attrition est connu, ainsi que le manque d’attractivité de la carrière militaire, même temporaire, auprès des jeunes. Il faut à mon sens faire très attention et être très vigilants, parce que nos militaires seront mangés à une sauce qu’ils n’apprécient pas.

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de minister, u neemt het spreekwoord 'spreken is zilver, zwijgen is goud' wel heel letterlijk. Dat ben ik niet van u gewoon, want u spreekt vaak zeer uitvoerig, maar nu dus niet.

Voorzitter:

Ik stel vast dat de oppositie het er lastig mee heeft.

Kjell Vander Elst:

Ja, eigenlijk wel.

Mijnheer de minister, ik heb liever meer informatie, maar ik begrijp uiteraard dat u niet uit de biecht klapt. Dergelijke gesprekken gebeuren beter in alle vertrouwelijkheid.

Wel is het een feit dat er grote ongerustheid heerst bij de militairen. We kennen allemaal wel militairen, en zeker de vakorganisaties signaleren ernstige bezorgdheid. Enkele militairen staan op dit moment op minder dan twee jaar van hun pensioen, maar ze weten niet eens of hun loopbaan met één, twee of drie jaar zal worden verlengd. Die situatie is niet lang meer houdbaar. Die militairen hebben recht op duidelijkheid. Ze maken plannen voor hun leven na hun militaire loopbaan, met eventueel andere professionele ambities. Er moet dan ook zo snel mogelijk duidelijkheid komen.

Ik hoop dat de pensioenhervorming gebeurt in samenspraak met de hervorming van het statuut. Als het sociaal plan allesomvattend is, kan iedereen worden gerustgesteld. Wat we op dit moment echt kunnen missen als kiespijn, is een uitstroom of leegloop van het middenkader. Als dat gebeurt, staan we voor een gigantisch probleem, zowel qua tewerkstelling als voor de opleiding van jonge militairen, die momenteel in groten getale instromen.

Dat jongeren zich aangetrokken voelen tot defensie, is uiteraard een positief signaal, maar ze moeten wel kunnen rekenen op ervaren militairen, met de nodige bagage en anciënniteit, die hen kunnen begeleiden en juist opleiden. Het zou geen goed signaal zijn als jonge militairen die nog maar een tot twee jaar in de organisatie actief zijn, wegens een gebrek aan ervaren personeel al andere militairen zouden moeten opleiden. Die situatie moeten we absoluut vermijden. Ik hoop dan ook dat u volgende week kunt landen met een sociaal akkoord, zowel voor de organisatie als voor de militairen, die momenteel nog in het ongewisse verkeren.

Charlotte Deborsu:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse courte mais intense, comme on dit en français.

Pour répondre également à M. Lacroix, j'ai la chance de m'endormir avec une militaire tous les soirs. Et je peux vous dire que, petit à petit, ils se font à l'idée de travailler plus longtemps. Mais, comme l'a dit mon collègue, Axel Weydts, cela ne doit effectivement pas se faire sans compensation.

Ici, on est à un véritable tournant au niveau de la Défense. C'est sûr. Vous l'avez dit et redit. Il va y avoir des investissements massifs, que nous soutenons à 300 %. Mais, soyons lucides, ce cap ne pourra être atteint qu'à une seule condition, c'est de pouvoir compter sur des militaires qui restent à 100 %, voire 3 000 % motivés et qui se sentent engagés plus que jamais.

Pour cela, monsieur le ministre, il faut les embarquer avec vous. Il faut leur parler et les écouter de sorte qu'ils se sentent respectés. Recréer un climat de confiance grâce à un vrai dialogue franc mais constructif, c'est primordial, capital. J'espère dès lors que la prochaine séance avec les syndicats se déroulera mieux que la précédente. En tout cas, nous comptons vraiment sur vous.

Annick Ponthier:

Mijnheer de minister, uw nietszeggend antwoord is bijzonder veelzeggend. Nochtans communiceert u doorgaans snel en veel, dus er klopt iets niet. Dit is nochtans een heel belangrijk debat. We lezen in de media immers heel veel over enorme uitgaven aan materieel, en dat is absoluut nodig, maar over het personeel horen we bijzonder weinig. Dat is frappant, want de motor van onze defensie zijn nog steeds onze militairen zelf, de mensen die op het terrein staan, die altijd al heel veel hebben moeten doen, en dat nog steeds doen, vaak met heel beperkte middelen.

Nochtans denk ik dat u in de vakorganisaties constructieve partners kunt vinden wanneer het over het sociaal plan gaat. Zij zijn bereid om voor een stuk mee te gaan in die maatschappelijke evolutie, ondanks alles. Het respect waarover u het in het verleden had, hebben zij echter niet gevoeld tijdens het laatste overleg.

Als ik zeg dat die onzekerheid op dit moment voelbaar is, dan is dat concreet meetbaar. Dat weet u als u zich op het terrein begeeft, waarvan ik weet dat u dat doet. Dat uit zich in tal van signalen, onder meer in een stijging van het aantal burn-outs, vooral bij militairen die op de rand van hun pensioenleeftijd staan. Zij weten totaal niet waar ze aan toe zijn. Dat uit zich ook in de zeer hoge uitval bij nieuwe kandidaten. Die uitval is niet nieuw, maar blijft constant. Het pensioendebat kan immers niet los worden gezien van een grondig loopbaandebat.

Zoals ik al zei in mijn vraagstelling, u moet echt rekening houden met een verhoogde uitstroom, niet alleen bij de nieuwe rekruten, maar ook in de leeftijdscategorie tussen 35 en 45 jaar, als uw geplande pensioenhervormingen worden doorgevoerd. De drempel om aan te sluiten bij defensie wordt hoger, maar de drempel om bij defensie te blijven wordt eveneens hoger, in plaats van lager, zoals iedereen graag zou willen zien.

We staan voor heel veel wat grote uitdagingen op het vlak van personeel, niet het minst bij het vinden van technisch personeel en specifieke profielen, maar ook als het gaat over personeel voor bijvoorbeeld de cybermacht.

Ik wil u vragen om de onduidelijkheid op het terrein snel op te heffen en om werk te maken van een grondig sociaal plan, zodat iedereen actief bij defensie, weet waar hij voor staat.

Stéphane Lasseaux:

Monsieur le ministre, j'avais préparé une page blanche pour noter vos réponses. Je dois dire que mon stylo vous remercie. Plus sérieusement, j'ai bien compris que vous aviez des contacts en cours, puisque vous l'avez précisé. La parole est d'or et il faut en effet retenir vos réponses pour pouvoir en discuter avec vos partenaires et certainement aussi avec les syndicats.

Monsieur le ministre, vous êtes le pilote de l'avion Défense, alors embarquez l'ensemble du personnel avec vous, surtout ne vous crashez pas et ayez un atterrissage bien calme et bien tranquille parce que la concertation est un élément essentiel pour nous. Bonne continuation à vous.

Koen Van den Heuvel:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw kort maar duidelijk antwoord. De collega's hebben de uitdagingen al geschetst. We investeren enorm in materieel, maar we staan ook voor de uitdaging om in de volgende jaren het korps met enkele duizenden leden te zien aangroeien. Daartoe moeten de juiste omstandigheden gecreëerd worden. We hebben immers een krappe arbeidsmarkt.

Binnen het leger zijn er bovendien gezochte profielen nodig. Dat betekent dat het statuut voldoende aantrekkelijk moet zijn om kandidaten aan te trekken.

Daarnaast moet er duidelijkheid worden gecreëerd over de pensioenuitdaging. We kijken daar dan ook naar uit, want het is absoluut noodzakelijk om daar op zeer korte termijn klaarheid in te scheppen, zodat ook de volgende uitdaging aangepakt kan worden. Die uitdaging bestaat niet alleen uit de aankoop van extra materieel, maar ook uit het aantrekken van voldoende gemotiveerde mensen, om ook op dat vlak een stap voorwaarts te zetten.

Nabil Boukili:

Monsieur le ministre, la seule information que je retiens de votre réponse, c'est que le petit déjeuner est agréable avec M. Clarinval. Je suis content pour vous et je suis ravi que cela soit si agréable. Par contre, je ne sais toujours pas pourquoi les militaires ne se sentent pas respectés. Je ne sais toujours pas pourquoi leurs demandes et leurs revendications ne sont pas prises en considération. Et je ne sais toujours pas pourquoi ils quittent la table des négociations assez tôt, parce qu'ils ne se sentent pas entendus.

Nous savons, en tout cas, que dans le cadre de leurs revendications sur la question des pensions, 5 000 militaires ont manifesté parce qu'ils ne sont pas d'accord avec votre politique. Et je ne pense pas que les militaires se feront à l'idée de travailler jusqu'à 67 ans, parce que travailler jusqu'à 67 ans, ce n'est pas juste une idée. Travailler jusqu'à 67 ans, c'est une souffrance quand on a un métier pénible. Travailler jusqu'à 67 ans, c'est une souffrance quand on porte des sacs de 20 kilos avec lesquels on doit sauter dans une Jeep.

Travailler jusqu'à 67 ans, c'est une souffrance pour l'ensemble de la classe travailleuse. Et en l'occurrence, même dans le secteur dans lequel vous investissez le plus, à savoir le secteur de la défense, les militaires sont mangés à la même sauce que l'ensemble de la classe travailleuse. Ils sont attaqués sur leurs pensions, sur le calcul de leurs pensions, ils vont perdre des centaines d'euros par mois. Voilà pourquoi ils ne sont pas contents, voilà pourquoi ils se mobilisent et quittent les tables des négociations!

Et aujourd'hui, quand on vous pose une question sur le malaise qui règne chez les militaires, votre réponse démontre que ce malaise est également présent au ministère de la Défense, pas seulement chez les militaires.

Darya Safai:

Bedankt, mijnheer de minister.

Wat dat sociaal plan betreft, zijn we blij dat u werkt aan een betere waardering van de operationele inzet. Er komt een herziening van het statuut waar nodig, met oog voor reële taken en belastbaarheid.

Mijnheer Boukili, er is geen sprake van een oorlogsverklaring tegenover de vakbonden. Ze werden uitgenodigd, er werd geluisterd, en er zal nog geluisterd worden. Overleg is echter geen eenrichtingsverkeer, ook van hun kant verwacht men werkbare, inhoudelijke voorstellen en openheid voor dialoog. Modernisering en hervormingen zijn nodig, met respect voor onze militairen en hun inzet voor onze veiligheid. We zullen afwachten wat het nieuwe sociaal akkoord brengt en dat blijven opvolgen.

Axel Weydts:

Mijnheer de minister, veel succes. Dat was nog korter dan uw antwoord.

Staf Aerts:

Mijn excuses. Ik zat nog vast in een andere commissie.

Voorzitter:

Ik heb dat gemeld.

Staf Aerts:

Dank u wel. Ik heb mijn vragen niet kunnen stellen, maar ik heb begrepen dat dat er ook niet toe doet, want ik heb gezien hoe lang de minister heeft geantwoord en ik ben er heel zeker van dat niet toevallig een van mijn vragen zou zijn beantwoord. Er is zelfs eigenlijk zo goed als niets beantwoord en dat vind ik pijnlijk. Dat is pijnlijk op een moment waarop 11 parlementsleden het nodig vinden om daar vragen over te stellen. U zult wel zien, zegt u. Nochtans is de situatie precair. Het is ook niet van gisteren dat dit aan de gang is. Het is intussen vier maanden geleden dat 5.000 militairen op straat zijn gekomen om te protesteren tegen het afbraakbeleid. Vier maanden geleden. Ondertussen is er een eerste en een tweede overleg geweest met alle vakbonden, maar dat tweede overleg werd door alle vakbonden met slaande deuren verlaten. Nu zijn we opnieuw bijna twee maanden verder en nu wordt er een nieuw overleg gepland, vier maanden na de staking, twee maanden nadat de vakbonden het overleg met slaande deuren hebben verlaten. Voor mij toont dat aan dat u de militairen absoluut niet op de eerste plaats zet, want als u dat wel zou doen, dan zou u dit beter opvolgen en ook antwoorden durven geven of toch op zijn minst een indicatie geven van waar u naartoe wilt om de bezorgdheden van de militairen weg te nemen. De militairen zijn immers bezorgd. Datgene waarover ze spreken, is niet niks: ondermaatse arbeidsvoorwaarden, te weinig aandacht voor welzijn, een schrijnend gebrek aan waardering, niets minder dan sociale dumping. Hoe ongerust kunnen vakbonden zijn? Dat leeft niet alleen bij hen, dat leeft bij een brede basis, want anders zou niet een op vijf militairen op straat komen. Onze militairen verdienen beter dan dat. Ze zijn het kloppend hart van onze defensie. U kunt nog zoveel wapens kopen als u wilt, maar als er niemand is om ze te hanteren, dan gaat dat allemaal teniet. Ik hoop dus, mijnheer de minister, dat er de volgende keer wel antwoorden komen en dat we niet telkens moeten wachten tot na de feiten, wanneer die feiten ook zullen plaatsvinden, want ik heb de indruk dat dat nog zeer lang zal duren.

Het verslag van het Rekenhof en de gemotoriseerde capaciteit van Defensie
Het rapport van het Rekenhof over het CaMo-project
Het verslag van het Rekenhof over het CaMo-aankoopdossier
Het rapport van het Rekenhof over het CaMo-aankoopdossier
De opvolging en de verificatie van de economische return binnen het CaMo-programma
De economische return van het CaMo-programma
Het bezoek van de minister van Defensie aan Frankrijk in het kader van het CaMo-rapport
De opvolging van het CaMo-dossier en de aanbevelingen van het Rekenhof
De modernisering van het materieel voor de genie in het kader van het CaMo-programma
Het rapport van het Rekenhof over de gemotoriseerde capaciteit van Defensie (CaMo)
Het CaMo-programma
Een eventuele gemotoriseerde capaciteit (CaMo) op Europese schaal
De follow-up van het rapport van het Rekenhof betreffende het CaMo-project
Het CaMo-project
Evaluatie en opvolging van het CaMo-programma door het Rekenhof en Defensie

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 9 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om kritiek op het CaMo-project (aankoop 600 gepantserde voertuigen met Frankrijk), waar de kostprijs vertienvoudigde (van €1,5jrd naar €15jrd) en economische return uitbleef door gebrek aan bindende afspraken en transparantie, zoals het Rekenhof aantoonde. Minister Francken verdedigt het project als noodzakelijke Europese defensiesamenwerking, erkent fouten in governance (geen artikel 346, onduidelijke lifecycle-kosten) en belooft een bindend regeringsakkoord met Frankrijk (september 2024) voor betere return en transparantie, maar sluit extra bestellingen niet uit. Kritiekpunten blijven: budgettaire risico’s (2%-norm NAVO), gebrek aan afdwingbare industriële voordelen voor Belgische bedrijven, en twijfels over strategische keuzes (lichte vs. gemechaniseerde brigade, focus op Afrika i.p.v. Oekraïne). Oppositie eist strengere controle en integratie Rekenhof-aanbevelingen in toekomstige defensieplannen.

Voorzitter:

Mevrouw Maouane is afwezig, dus verleen ik het woord aan collega Aerts.

Staf Aerts:

Mijnheer de minister, we hebben een discussie gehad naar aanleiding van het gelekte rapport van het Rekenhof. Ondertussen heeft het Rekenhof dat rapport toegelicht en daarna hebben we de militairen gehoord.

Wat ik voorspeld had, is effectief gebeurd. Vanuit militaire hoek heeft men alle zaken weerlegd die het Rekenhof aanhaalde. Het is jammer dat we dan geen repliek van het Rekenhof konden krijgen, want we hadden dat eigenlijk al vastgesteld in het rapport zelf. De militairen hebben de kans gekregen om te reageren op de kritiek van het Rekenhof en dan vernamen we wat er in het rapport stond. Alleen weerlegde dat rapport heel wat van de kritieken die vooraf werden geformuleerd vanuit Defensie en werd gezegd dat het Rekenhof het daar niet mee eens is en blijft vasthouden aan zijn standpunten.

Mijnheer de minister, hoe evalueert u het rapport van het Rekenhof? Kiest u telkens de kant van Defensie? Van welke punten vindt u dat het Rekenhof ze op een goede manier heeft aangehaald? Wat is uw evaluatie van dat rapport?

Bent u bereid om voortaan bij grote investeringen een realistische totaalraming voor te leggen, inclusief alle afgeleide kosten? Zult u structurele maatregelen nemen om toekomstige dossiers transparanter, beheersbaarder en controleerbaar te maken? Tot slot, hoe zult u ervoor zorgen dat de engagementen inzake de terugverdieneffecten worden nagekomen?

Christophe Lacroix:

Monsieur le ministre, en 2018, le gouvernement de Charles Michel avait décidé d'équiper le pays d'une nouvelle capacité motorisée et d'acheter des véhicules de combat blindés. Cet achat a été conclu dans le cadre d'un partenariat stratégique avec la France. Nous avons appris que cet achat avait finalement coûté dix fois plus cher qu'initialement prévu. De 1,5 milliard d'euros prévus sous le ministre Vandeput, nous sommes passés à quelque 15 milliards d'euros aujourd'hui.

Au-delà du débat budgétaire cinglant que nous pourrions avoir, je suis frappé par la tonalité particulièrement critique du rapport de la Cour des comptes quant à la manière dont ce contrat a été conclu sur les aspects relatifs aux retours sociétaux: aucune clause contraignante n'avait été prévue, l'article 346 n'a pas été activé et l'absence d'un organe représentatif conjoint des industriels belges et de la Défense belge a compliqué leur implication au moment de la définition du retour. À l'époque, nous avions largement dénoncé ce qui apparait aujourd'hui comme des constats alors qu'il est trop tard; même si, comme le souligne la Cour, de nombreuses initiatives ont été prises par la ministre qui vous a précédé pour rattraper ce dossier, notamment en vue de la maintenance et de l'assemblage des véhicules – désormais assurés en Belgique –, mais aussi à travers la mise en œuvre de la DIRS pour en tirer les leçons.

Monsieur le ministre, comment expliquez-vous que ni vous ni votre collègue en charge de l' É conomie n'ayez répondu aux questions de la Cour? Comment analysez-vous ce rapport cinglant sur la manière dont ce partenariat a été conclu sous le gouvernement de Charles Michel? Comment répondez-vous à la Cour qui met en garde contre un risque d' "éviction budgétaire" du budget de la Défense qui vient s'ajouter au trou budgétaire déjà dénoncé dans le budget à l'horizon 2029? Enfin, comment comptez-vous pleinement intégrer les recommandations en vue de votre future loi de programmation militaire?

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, we hebben over het CaMo-programma en het rapport van het Rekenhof al uitvoerig kunnen debatteren, eerst met het Rekenhof, vervolgens met de defensiestaf. Die gedachtewisseling met de defensiestaf was al zeer verhelderend voor veel van de vragen die ik aan u had gericht, maar ik wil u toch nog een aantal politieke vragen stellen.

Er heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de eerste minister en de president van Frankrijk. Op 12 juni vond ook een gesprek plaats tussen u en de Franse minister van Defensie. Er werd gecommuniceerd dat er tegen september een nieuw akkoord tussen België en Frankrijk zou komen om het militaire verbond te lijmen en te verbreden. Hoe zal dat toekomstige akkoord eruitzien? Waarover zal het precies gaan? Betekent dit een uitbreiding van het CaMo-partnerschap? Betekent dit dat er aanpassingen komen aan het huidige contract?

We weten immers dat er afspraken gemaakt worden rond economische return. De FOD Economie gaf aan dat daaraan op dit moment nog niet voldoende tegemoetgekomen is voor de Belgische Staat. Gaat het nieuwe akkoord daarover? Of betreft het een uitbreiding van een toekomstig project? Kunt u daar wat meer toelichting over geven?

Dan heb ik een vraag over de toekomst. Met het CaMo-project, met dat strategische partnerschap, zijn we een bepaalde richting ingeslagen. Daarover valt veel te zeggen. Zeker op X zijn er heel veel mensen te vinden die het een foute keuze vinden. We zijn die weg nu ingeslagen en we hebben op dit moment geen andere optie meer. Volgende week rolt de eerste van de band. We mogen die dan gaan bekijken.

Ik wil het daarom hebben over de toekomst. Als ik uw tweet goed gelezen heb, met een samenvatting van uw strategische visie, die nog niet afgeklopt is, maar waarin we vorige week al een eerste inkijk hebben gekregen, ga ik ervan uit dat u het CaMo-project en het strategische partnerschap met Frankrijk in de toekomst verder wilt uitbreiden.

Klopt dat?

Ten tweede, we hebben al vaak gediscussieerd over de keuze tussen rupsen en wielen. Welke keuze moeten we nu precies maken? Er valt voor beide systemen iets te zeggen. Als u zegt dat u verdergaat op het pad van dat strategisch partnerschap met Frankrijk, betekent dat dan dat u definitief voor de gemotoriseerde capaciteit kiest? Of is er op middellange termijn nog ruimte om te kijken naar gemechaniseerde capaciteiten?

Axel Weydts:

Mijnheer de minister, ik wil verdergaan op het laatste punt van collega Vander Elst. Dat is ook gebleken uit het debat en de hoorzittingen die we hier enige tijd geleden met Defensie hebben gehad. Die hoorzittingen vond ik overigens zeer goed. Defensie heeft echt de moeite genomen om op heel wat vragen te antwoorden. Ze hebben ook een inkijk gegeven in hun visie op waarom CaMo een belangrijk project is. Daaruit is duidelijk gebleken dat er bij Defensie zeker een opening is om in de toekomst, wanneer er werk wordt gemaakt van een extra brigade, eventueel na te denken over een gemechaniseerde capaciteit en dus niet alleen met een gemotoriseerde capaciteit te werken. Die opening was er duidelijk.

Tijdens de hoorzittingen zijn er heel wat vragen gesteld, zowel aan het Rekenhof als aan Defensie. We hebben daar allemaal veel uit geleerd. Wat mij het meest uit de antwoorden van de defensiestaf is bijgebleven, is dat men daar ook lessen uit trekt. Men heeft ons gegarandeerd dat bij toekomstige grote aankopen die er de komende jaren aankomen, men in de mate van het mogelijke rekening zal houden met de opmerkingen van het Rekenhof. Dat gaat dan bijvoorbeeld over het berekenen van de lifecyclekosten en het transparant rapporteren aan dit Parlement en de regering.

Ik heb nog een vraag. Dat is niet zozeer een politieke vraag, maar een vraag die alleen u kunt beantwoorden, mijnheer de minister. Het is hier al gezegd. De premier heeft een gesprek gehad met president Macron. U hebt een gesprek met uw Franse ambtgenoot, minister Lecornu, gehad. Wat was het resultaat daarvan? U hebt daarover al een tipje van de sluier opgelicht op de sociale media, maar kunt u vandaag, in deze commissie, iets meer toelichting geven over de mogelijke verbeteringen op het vlak van de economische return voor dit belangrijke project voor de toekomst van onze landmacht?

-

Kristien Verbelen:

Mijnheer de minister, we weten ondertussen dat het Rekenhof ernstige tekortkomingen heeft blootgelegd in het CaMo-dossier. De totale kostprijs blijkt vele malen hoger dan het oorspronkelijke aankoopbedrag van anderhalf miljard euro. Hoewel bepaalde levensduurkosten wellicht zijn doorgerekend, zijn die allesbehalve transparant en volledig duidelijk gecommuniceerd aan het Parlement en dat is toch wel problematisch.

Ook de economische return blijft ver onder de verwachtingen, omdat er geen bindende afspraken zijn met de Franse partner. U bent naar Parijs gereisd voor overleg met uw Franse collega met de ambitie om tegen september een nieuw akkoord te sluiten. Dat akkoord moet niet alleen het militaire partnerschap versterken, maar ook zorgen voor een echt afdwingbare meerwaarde voor onze bedrijven en belastingbetalers.

Ik heb daarover enkele vragen.

Wat zijn voor u de belangrijkste krachtlijnen en harde garanties die u in dat akkoord met Frankrijk absoluut wil verankeren?

Hoe zult u ervoor zorgen dat niet alleen FN Herstal, maar ook andere Belgische en dan vooral Vlaamse defensiebedrijven vanaf het begin maximaal betrokken worden?

Wat beschouwt u als een realistische, maar ook noodzakelijke economische return? Liggen daar concrete cijfers of minimumdoelen op tafel die u wil vastleggen?

Ten slotte, hoe zult u garanderen dat de aanbevelingen van het Rekenhof deze keer wel allemaal worden meegenomen, zodat we niet bij een volgende keer voor verrassingen komen te staan en zodat de levenscycluskosten en return volledig transparant en controleerbaar zijn?

Luc Frank:

Monsieur le ministre, dans le cadre du programme CaMo, une coopération forte s'est mise en place au niveau des unités de génie, liée à l'acquisition des Griffon "Génie" par la composante terre.

Le 19 juin 2024, le commandant de la Composante Terre a signé avec le chef d'état-major de l'armée de Terre française l'objectif d'état-major pour l'acquisition en commun de l'engin du génie de combat (EGC). L'EGC est le moyen d'appui au combat (MAC) du programme Scorpion en France. Pour ce programme, CNIM Systèmes industriels s'est associé à Texelis et à KNDS France pour proposer l'Auroch, un véhicule d'aménagement du terrain de type 8 x 8, capable de fournir un appui à la manœuvre des unités de mêlée.

En Belgique, il remplacera partiellement le char Pionnier. Si je comprends bien, ils complèteront également les quatre Armoured Combat Engineer Vehicle (ACEV) de JCB. Les premières livraisons des EGC étaient prévues pour 2030.

Au mois de février 2025, l'armée de Terre française a annoncé un programme de modernisation de ces unités de génie comprenant notamment 60 robots d'investigation pour le déminage, qui seront opérés à partir de blindés Griffon, et l'attribution du contrat de l'EGC, 200 exemplaires étant prévus. Ceci s'ajoutait à l'achat de 30 engins de bréchage mécanique de zone minée.

Monsieur le ministre, où en est la modernisation de nos unités de génie, qui fournissent un appui essentiel aux autres unités? Le contrat de commande des EGC est-il définitivement conclu avec des dates claires de livraison?

D'autres commandes sont-elles envisagées le cadre de cette modernisation? Si oui, pour quel types d'engins?

Au-delà des Griffon "Génie" et maintenant de l'EGC, y a-t-il une coopération sur d'autres engins spécialisés dans le cadre de CaMo?

Patrick Prévot:

Monsieur le ministre, la semaine dernière, la Cour des comptes a été auditionnée en commission sur son rapport concernant le programme CaMo. Un rapport accablant. En 2018, il faut se rappeler que le gouvernement Michel décidait d'un partenariat stratégique avec la France pour moderniser notre capacité motorisée. Le coût annoncé à l'époque était de 1,5 milliard. Le coût réel aujourd'hui s'élève à 14,7 milliards.

Dix fois plus, un gouffre, un gouffre laissé par notre collègue M. Vandeput. Mais le scandale, il n'est pas que budgétaire, monsieur le ministre. La Cour dénonce aussi un montage bâclé sur le plan industriel et sociétal. Aucune clause contraignante, pas d'activation de l'article 346, aucun organe représentatif belge associé, ni pour la Défense ni pour nos entreprises. Tout cela a mené malheureusement à une implication belge minimale dans un projet pourtant colossal. À l'époque, mon groupe avait alerté.

Aujourd'hui, ce sont malheureusement des constats. Et il est trop tard. La Cour reconnaît également dans ce même rapport des efforts, entre autres de votre prédécesseuse, Ludivine Dedonder, pour rattraper le coup, notamment via la DIRS ou l'assemblage et la maintenance prévus en Belgique. Mais cela reste malheureusement un pansement sur une plaie mal refermée.

Monsieur le ministre, pourquoi ni vous ni votre collègue de l' É conomie n'avez jugé utile de répondre aux questions de la Cour? Quelle est votre lecture de ces rapports qui pointent de lourdes défaillances dans la gestion du partenariat? Que répondez-vous à l'alerte sur le risque d'éviction budgétaire qui met en péril les équilibres de budget Défense à l'horizon 2029? Et surtout, comment comptez-vous intégrer les recommandations de la Cour dans votre future loi de programmation? Je vous remercie d'avance de vos réponses.

Koen Van den Heuvel:

We hebben inderdaad interessante hoorzittingen gehad met het Rekenhof en met Defensie. Het CaMo-dossier is belangrijk, omdat het een testcase is voor het draagvlak bij de bevolking voor de extra miljarden defensie-uitgaven en voor de geloofwaardigheid. Daarbij gelden volgende principes: transparantie, efficiënte besteding van de middelen en, wat ons betreft, een versterkte Europese samenwerking. Uit het kritische Rekenhofrapport blijkt dat er ruimte voor verbetering is.

Hoe zult u de aanbevelingen van het Rekenhof uitvoeren? Voor Life Cycle is dat al gebeurd en gisteren zagen we in de commissie Legeraankopen in elk dossier niet alleen de investeringskosten, maar ook de onderhoudskosten opgelijst, ook al ging het daarbij om kleinere investeringen. Hoe dan ook is het een stap in de goede richting.

Ook moet er van in het begin rekening worden gehouden met de DIRS. Hoe ziet u dat? Moeten er aanpassingen gebeuren, moet de structuur verstevigd worden?

Wat de return betreft, u en de eerste minister hadden de voorbije weken contacten met Frankrijk. Hebt u respect en begrip ondervonden of is het kleine België in het grote Parijs toch wat in de hoek gezet?

Nabil Boukili:

Monsieur le ministre, le contrat CaMo initial, portant sur l’achat de 442 véhicules blindés en France, ne coûtera pas 1,58 milliard d’euros aux contribuables belges, comme cela avait été annoncé au départ, mais bien plus de 14,7 milliards d’euros. La Cour des comptes a d’ailleurs formulé plusieurs critiques sur cet achat, soulignant des problèmes dans le contrat lui-même ainsi que dans la méthode de calcul du projet.

Aujourd’hui, dans le cadre de la vision stratégique, des véhicules blindés supplémentaires seraient acquis dans le cadre du partenariat CaMo avec la France.

Nous avons déjà discuté en détail de ce dossier. Je vais donc me concentrer ici sur quelques questions concernant l’extension du projet CaMo.

Vu que les montants peuvent se multiplier par 10 "comme par magie", les coûts du cycle de vie des nouveaux véhicules CaMo augmenteront-ils le budget de la Défense au-delà des 2 % du PIB? Existe-t-il une transparence totale vis-à-vis de la Cour des comptes concernant cet achat? Allez-vous utiliser l’article 346 dans le futur contrat afin d’imposer contractuellement des retombées socio-économiques, comme le recommande le SPF Économie? Finalement, puisque tout cela est justifié par la crainte d’une éventuelle attaque de M. Poutine, pourquoi choisit-on d’acheter des véhicules qui sont principalement conçus pour être déployés en Afrique?

Monsieur le ministre, je suis impatient d’entendre vos réponses.

Koen Metsu:

Iedereen is het er wel over eens dat het rapport van het Rekenhof een heel waardevol document is. We moeten vaststellen dat het CaMo-project initieel in een volledig ander tijdperk, in een volledig andere context, tot stand gekomen is. Als we dan een paar jaar overslaan, komen we bij het NATO Defence Planning Proces, Vilnius, 2023, proces waarin nog eens duidelijk gestaafd werd dat we een gemotoriseerde brigade en ook een lichte brigade nodig hebben. Een bilaterale samenwerking met Frankrijk is welgekomen. Kan het beter? Ik meen inderdaad dat het veel beter kan.

Wat ik alvast merk, is dat, nadat we het debat destijds met getrokken messen zijn gestart en de woorden niet scherp genoeg konden zijn, we nu min of meer op dezelfde lijn aan het komen zijn, zelfs over meerderheid en oppositie heen. Ja, we moeten transparanter zijn, ja, we moeten het dossier kritisch bekijken. De experts hebben intussen wel duidelijk gemaakt dat er absoluut geen sprake meer is van bodemloze putten, gelukkig.

Mijnheer de minister, ik had het over Vilnius, 2023. Dan was dus ten tijde van de vivaldiregering. Ik vind het heel jammer dat uw voorgangster, mevrouw Dedonder, hier nu niet bij de discussie aanwezig is – ze is hier vandaag vijf minuten geweest en haar verwijt dat u te weinig aanwezig bent, terwijl u niet zeer toegankelijk en zelfs oproepbaar bent, is dus wel wat cynisch. Waarom had ik mevrouw Dedonder graag in het debat gehoord, en niet haar collega's, die nu de kastanjes uit het vuur moeten halen? Dat is omdat over CaMo2 en CaMo3 natuurlijk ook heel wat te zeggen valt.

Mijnheer de minister, we kijken naar de toekomst. Het verleden ligt achter ons. CaMo4 zal volledig uw verantwoordelijkheid worden. We hebben onze lessen geleerd. Hoe gaat u ermee om?

Theo Francken:

Je vous remercie pour les questions. Nous avons déjà eu à plusieurs reprises des discussions sur le projet CaMo.

Laten we beginnen bij het begin. Persoonlijk ben ik van oordeel dat de keuze voor het CaMo-partnerschap zeker te verantwoorden was.

Wanneer we het over Europese defensie hebben, spreken we altijd over samenwerking op Europees niveau, over Europese defensieprogramma's. Op verschillende domeinen werken we reeds samen, bijvoorbeeld met de marine bij de aankoop van onze mijnenbestrijdingsvaartuigen. Ook met onze fregatten nemen we deel aan Europese projecten. Daarnaast zijn we betrokken bij het European Sky Shield Initiative en nog tal van andere Europese initiatieven. We zijn ook observator in het SCAF-programma. De lijst is lang.

Destijds heeft de regering, waar ik deel van uitmaakte, weliswaar bevoegd voor migratie en niet voor defensie, toen er over de aankoop van 34 Amerikaanse F-35's, waar niet iedereen enthousiast over was – de oppositie was zelfs faliekant tegen – geoordeeld dat er minstens een Europees samenwerkingsproject in het licht van een Europese defensie moet komen. Dat werd dus CaMo, het gemotoriseerde Scorpionverhaal met Frankrijk. Dat is de politieke geschiedenis van dat dossier. Men kan het al dan niet goedkeuren, maar zo is het verlopen. Het was ook niet onlogisch. Eigenlijk voeren we nu dezelfde discussie: als we nog F-35's aankopen, dan moeten we misschien ook des te meer inzetten op Europese defensiesamenwerking, zeker gezien de bedenkingen bij de huidige Amerikaanse president.

Ook vandaag wordt er sterk ingezet op Europese defensiesamenwerking. Ten bewijze, wanneer men oplijst wat in de strategische visie Amerikaans dan wel Europees materiaal is, dan blijkt dat 80 à 85 % Europees is. De perceptie is vaak het omgekeerde, maar dat stemt niet overeen met de realiteit. Veel wapensystemen, waarover we nauwelijks spreken, zijn Europees. De Amerikaanse systemen daarentegen domineren het debat. In die zin ontstaat er soms een verkeerd beeld bij het publiek. De werkelijkheid is echter duidelijk. Ik begrijp daarom de gemaakte keuze. We bevonden ons op dat moment niet in een full-fletched war in Oekraïne. We hadden wel operaties in Afrika en hadden dus nood aan die voertuigen.

We waren actief in Benin en Niger, betrokken bij de opleiding van soldaten in Burkina Faso en zeer actief in West-Afrika en in de regio van de Grote Meren.

Comme Koen Metsu l'a dit, il faut toujours revenir sur le contexte quand on parle d'une décision prise en 2018.

Wat het verdere proces betreft, ten eerste, persoonlijk ben ik van mening dat de discussie over de life-cycle costs overdreven is. Ze zouden tien keer duurder zijn. Dat is niet waar. Dat budget is volledig voorzien in het STAR-plan van mevrouw Dedonder. Dat budget ligt vast. Het is dus niet dat wij ineens boven 2 % gaan, zoals sommigen hier beweren. Dat slaat nergens op. Die budgetten zijn voorzien.

Het Rekenhof heeft wel terecht opgemerkt dat, als de totale life-cycle costs worden berekend, het resultaat een veel hoger bedrag is dan het initiële aankoopbudget. In die zin is dat inderdaad een veel grotere kostenpost. Dat geldt toch ook als iemand een wagen koopt? Als iemand een wagen koopt van 40.000 of 50.000 euro, dan is de totale kostprijs over een periode van tien of twintig jaar toch veel hoger dan enkel de aankoopprijs van het systeem of van die wagen? Het is in mijn ogen een heel vreemde discussie.

Het enige wat volgens mij terecht is, is het volgende.

Je suis convaincu qu'il faut prendre une décision. Faut-il, oui ou non, appliquer un total life cycle cost à l'ensemble de nos projets d'achat? Voilà qui est pertinent et intéressant. Il ne s'agit effectivement pas de comparer des pommes et des poires. Ce serait absurde.

Een tweede terechte opmerking betreft natuurlijk de economische return. Het ging in 2018 om een partnerschap in ontwikkeling, er moest nog veel ontwikkeld worden voor het project en het was nog niet helemaal duidelijk wat het aan economische return zou opleveren. Artikel 346 is toen niet ingeroepen, omdat dat toen niet de logica was. Het ging om een Europese defensiesamenwerking, een partnerschap.

Nu, enkele jaren later, zijn onze verwachtingen niet ingelost. We zitten in een vendor lock-in , ook qua munitie. Die prijzen zijn hoog. We moeten daarover spreken. Daarom ben ik dat gesprek aangegaan met mijn collega. Ook de eerste minister heeft de president van Frankrijk daarover gesproken. We hebben nu de afspraak gemaakt om een government-to-government agreement te maken. Ik denk dat dat het enige is wat we kunnen doen: government to government een duidelijk akkoord op papier zetten over de economische return voor defensieprojecten met Frankrijk. We zijn daarmee bezig, maar het is nog niet afgerond.

Ik had de heer Lecornu uitgenodigd voor het defilé. Helaas kan hij niet aanwezig zijn, anders hadden we daar nog over kunnen spreken. Ik hoop dat we in september of oktober kunnen landen met een tekst en dan zal ik dat hier voorstellen, zodat daarover in commissie van gedachten kan worden gewisseld.

Zullen er extra CaMo-bestellingen komen? Ja, die zullen er komen. Dat staat in de strategische visie, die hier is toegelicht. Dat is evident. Voor mij is het heel duidelijk dat men niet halfweg op een traject stopt om dan terug te keren. Dan heeft men alle kosten gemaakt en bereikt men niets. Dat kan gewoon niet.

Men kan zeggen dat de vroegere beslissing om F-35’s te kopen waanzin was, dat men dat nooit had mogen doen, maar het zou evenzeer waanzin zijn om dan over te schakelen naar Rafales, nu we extra vliegtuigen nodig hebben. Sorry, dat kan men niet maken. Als men een leger van 200.000 soldaten en een budget van 100 miljard heeft, dan kan men twee platformen nemen. Dan heeft men die luxe. Als men echter een leger heeft van 20.000 man met een budget van 10 miljard, dan gaat dat niet.

Il faut être réaliste. Je crois qu'il est nécessaire de rester dans le CaMo. C'est une décision que je soutiens à 100 %. Je sais que de nombreux officiers et experts militaires sur X et d'autres plateformes sont absolument contre. Ils sont d'ailleurs en train de nous suivre.

We blijven dus bij het CaMo-project. Make your choices, love your choices . We zullen dat verder ontwikkelen en een goed akkoord met de Fransen sluiten. We zullen het in de toekomst ook beter aanpakken.

Monsieur Frank, les véhicules du génie seront repris dans la vision stratégique et seront achetés en 2032. Ce thème pourra être abordé lors du débat sur la loi de programmation militaire qui doit encore avoir lieu.

Wat de lichte en de gemechaniseerde brigade betreft, ook daarover wordt er eindeloos gediscussieerd. Wat wordt er van ons gevraagd? Er wordt van ons geen gemechaniseerde brigade gevraagd. De NAVO, de Europese Unie vragen in het NATO Defence Planning Process (NDPP) een tweede brigade, maar wel een lichte brigade. Een lichte brigade kost aanzienlijk minder dan een gemechaniseerde brigade. Ik begrijp de heimwee en bepaalde strategische ideeën en overtuigingen om voor een gemechaniseerde brigade te opteren, maar, beste collega’s, ik deel die overtuiging niet. Ik weet niet wat de legerstaf precies gezegd heeft tijdens de hoorzitting, want ik heb die niet bijgewoond. Ik heb de informatie via via vernomen en zou de hoorzitting dus moeten beluisteren om te weten hoe de legerstaf het exact geformuleerd heeft.

Voor mij is een lichte brigade geen tankbrigade. We moeten doen wat in het regeerakkoord staat en wat de NAVO van ons vraagt op het vlak van capability targets . Waarom zouden we dan een tweede brigade oprichten die ettelijke keren duurder is? Als we de 2 %-norm halen, betekent dat niet dat ineens alles mogelijk is. We zullen ook op onze centjes letten, om die capaciteiten te halen.

C'est mon opinion. Dans la vision stratégique, il est question d'une deuxième brigade légère.

Het hoofdcommando bevindt zich in Leopoldsburg. Het eerste commando, de eerste brigade, heeft het hoofdcommando in Marche-en-Famenne.

In de strategische visie staat dat er in 2028 een evaluatiemoment over de juiste aankopen zal komen. Ik denk niet dat dat evaluatiemoment bedoeld zal zijn om te besluiten dat we toch tanks moeten kopen. Voor mij zal dat evaluatiemoment veeleer dienen om te bekijken hoe de oorlog in Oekraïne evolueert, wat we daaruit kunnen leren en of we bijvoorbeeld niet nog veel meer op drones moeten inzetten. Ik denk dat dat het debat van de toekomst is. Gaan we naar een echt gevechtsbataljon met drones? Wat doen we met dronetechnologie, met elektronische oorlogsvoering, met antidrones? Dat is voor mij het debat van de toekomst. Daarover wil ik graag met u verder praten.

Ik heb niet op alle opmerkingen kunnen ingaan. Ik heb hier 25 bladzijden bij me. Ik zou dat allemaal kunnen voorlezen, maar dat zal ik toch maar niet doen.

Christophe Lacroix:

Monsieur le ministre, vous aviez un texte de 25 pages. J'aurais été très intéressé de les avoir et d'en entendre le contenu. Vous n'avez quand même pas répondu à beaucoup de questions. Vous avez tiré un bilan. Je sais que parler d'un de ses prédécesseurs, c'est toujours délicat à partir du moment où il appartient au même parti. Mais franchement, vous avez beau expliquer que ce partenariat était à l'époque un peu différent, qu'on ne pouvait pas invoquer l'article 346, etc., vous couvrez votre prédécesseur – et c'est tout à votre honneur, cela étant dit. Mais je ne reviens pas sur le partenariat. Je suis comme vous. Je pense que la capacité motorisée était nécessaire. C'est sur la gouvernance du projet, comment il a été monté, que j'ai beaucoup de reproches à faire. En effet, on paie maintenant ce manque de vision. Justement, vous n'avez pas répondu à ma question qui visait à savoir comment on allait répondre au problème d'éviction budgétaire alors qu'on a déjà un manque de financement actuel pour la capacité militaire telle que vous la voyez.

Deuxièmement, je ne vous ai pas entendu parler de la manière dont vous allez procéder pour mettre en œuvre correctement les recommandations de la Cour des comptes dans votre future loi de programmation. Ce serait quand même intéressant. Je reviendrai lorsque vous viendrez présenter votre loi de programmation militaire de manière à voir si la gouvernance est bien assurée.

Pour le reste, vous me parlez d'une évaluation. J'ai cru comprendre que vous parliez d'une évaluation en 2028 pour voir s'il fallait effectivement acheter plus de drones, et d'anti-drones. On peut parler aussi de missiles. Vous en avez déjà parlé d'ailleurs. Je ne comprends pas pourquoi vous voulez vous précipiter aussi vite pour les F-35. Pourquoi n'attendez-vous pas un peu plus de temps pour avoir une évaluation? Vous savez comme moi, parce que vous connaissez bien le sujet, que les F-35 sont de bons transporteurs et de bons bombardiers, notamment, qui peuvent transporter des charges nucléaires, mais ils n'ont pas non plus la polyvalence que d'autres avions pourraient offrir. On peut très bien se mettre ensemble au niveau de l'Union européenne pour acheter autre chose que les F-35 et compléter respectivement nos flottes avec un accord global au sein de l'Union européenne. Je trouve qu'on va beaucoup trop vite, indépendamment du fait qu'on achète américain. Mais résumer le débat à cela, comme vous l'avez dit, ce n'est bien entendu pas suffisant.

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Ik kijk uit naar dat government-to-government agreement , want dat is echt wel de kern van dat project. De economische return voor ons land moet opnieuw worden opgetrokken.

We hebben vaak de mond vol over Europese samenwerking; dat zou daarvan een voorbeeld moeten zijn. Wanneer men in een partnerschap met een bevriende natie, een buurland, geen bindende clausules inschrijft, maar vervolgens vaststelt dat er aan afspraken ook geen gevolg wordt gegeven, is dat toch wel een probleem. We moeten dus met eender welke partner goede, bindende afspraken maken, zodat er voldoende economische return is voor onze economie, voor ons land en voor onze defensie-industrie.

Wat betreft uw visie op de toekomst en de tweede lichte brigade, zal ik u zeggen wat de defensiestaf daarover in het Parlement verklaard heeft, al ga ik ervan uit dat u dat weet. De staf sluit de deur niet voor een gemechaniseerde capaciteit. Meer heeft ze niet gezegd. Welnu, ik zou die deur ook niet sluiten, ik zou daarmee nog wachten. U zegt dat u naar de toekomst wilt kijken. Het klopt dat drones en dronetechnologie steeds meer deel zullen uitmaken van onze defensie. Ook voor die gemechaniseerde capaciteit zou ik de deur echter niet sluiten. Ook Nederland heeft die bocht immers deels ingezet. Ik zeg niet dat we Nederland altijd moeten volgen, maar op bepaalde vlakken is dat toch een gidsland waar we af en toe eens naar moeten kijken.

In de eerste plaats kijk ik vooral uit naar dat akkoord met Frankrijk, zodat onze Belgische bedrijven en ondernemers er opnieuw beter van worden.

Axel Weydts:

Ik zal dezelfde repliek hanteren als bij de hoorzittingen met de defensiestaf. U hebt het zelf ook al aangehaald: make your choices, love your choices . Daar wil ik echt voor pleiten. Die keuzes zijn destijds gemaakt. Er kan veel over worden gediscussieerd, maar ze zijn gemaakt en nu moeten we daarmee verder.

Generaal Baugnée, de commandant van de landmacht, heeft in het debat over de tanks heel duidelijk verwezen naar Zelensky: Zelensky vraagt geen tanks, hij vraagt drones. Hij wil drones, drones en nog drones.

Dat is inderdaad de toekomst. We moeten echt werk maken van een geïntegreerde dronecapaciteit in onze brigades en bataljons, zodat we mee zijn met de nieuwste technologieën en we de meest performante middelen op het terrein kunnen inzetten.

In die zin wens ik ook de nieuwe drone-officier, generaal Van Strythem, veel succes met zijn belangrijk project om die nieuwe capaciteiten en innovaties te implementeren in de structuren van onze defensie. Ik kijk net als alle collega's uit naar het Gov2Gov-akkoord dat u met de Franse collega's zult sluiten. Laat ons hopen dat er voor onze Belgische economie iets uit de brand kan worden gesleept en dat er verbeteringen kunnen worden aangebracht aan wat tot nu toe werd gerealiseerd.

Kristien Verbelen:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Ik hoor dat er stappen worden gezet voor bindende engagementen. Toch blijf ik wat op mijn honger zitten wat betreft afdwingbare afspraken en garanties voor de structurele betrokkenheid van bedrijven, ook kmo’s. De komende jaren worden er miljarden euro's geïnvesteerd, maar dat zal alleen mogelijk zijn als er transparantie en een sterke economische return is en als de strategische autonomie gegarandeerd wordt.

Ik reken erop dat het Parlement daarbij op de voet zal worden betrokken en dat de fouten uit het CaMo-dossier zich niet meer herhalen. In september of oktober zullen we daarover hopelijk meer vernemen.

Luc Frank:

Je souhaite seulement remercier le ministre pour sa réponse.

Koen Van den Heuvel:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Ik zei het daarnet al, het is een mooi, exemplarisch project, waarin een aantal bekommernissen samenkomen. Die moeten bewaakt worden en we rekenen erop dat u dat doet. We hopen ook dat we tot een verbeterd akkoord met de Fransen kunnen komen, met voldoende return voor onze industrie toe.

Nog belangrijker vind ik dat dit een voorbeeld is om de Europese interoperabiliteit te verstevigen. Ik hoop dat die bilaterale samenwerking als voorbeeld kan dienen voor andere Europese landen, om eventueel toe te treden en zo de Europese interoperabiliteit te vergroten.

Ik kan u alleen maar succes wensen om als pionier dat netwerk uit te breiden en zo de geloofwaardigheid van de Europese samenwerking te optimaliseren.

Nabil Boukili:

Monsieur le ministre, votre réponse me laisse quelque peu sur ma faim quant à la garantie que cet achat supplémentaire ne nous fera pas dépasser les 2 % du PIB. Vous dites que vous allez présenter un accord à la rentrée, mais vous pouvez comprendre qu'on ne vous fasse pas confiance sur parole, vu les dégâts causés par votre prédécesseur lors de l'achat de 2018. Et d'ailleurs, lors de cet achat en 2018, comme vous l'avez dit, il y avait un contexte.

On peut être d'accord ou pas sur l'analyse de ce contexte-là, mais je me demande quel est aujourd'hui le contexte qui vous incite à acheter davantage. En effet, vous dites que c'est à cause de Poutine, alors que ces véhicules sont utilisés en Afrique. À moins que le Mali ou le Niger ne menacent notre sécurité au point de nous inciter à investir des milliards dans des véhicules que nous utiliserons en Afrique plutôt que contre Poutine? Je fais le même constat pour ce qui concerne les drones SkyGuardian, qui ne sont pas opérables en Ukraine, mais dans lesquels nous investissons malgré tout.

Nous devons rester cohérents. Sommes-nous aujourd'hui en train de mettre sur pied une politique de défense contre Poutine en achetant des armes que nous allons utiliser en Afrique, au Sahel? Je ne comprends pas la logique. Est-ce là la raison pour laquelle nous démantelons aujourd'hui notre sécurité sociale? Soi-disant pour nous défendre, alors qu'en réalité nous accroissons notre capacité d'agression et d'attaque, comme nous l'avons déjà fait par le passé dans le Sahel, en Libye ou ailleurs?

Je crois que les choses commencent à s'éclaircir petit à petit et que nous nous rendons compte aujourd'hui que cette politique de défense n'est pas uniquement une politique de défense mais aussi une politique qui entre dans une logique d'agression, d'offensive, un constat qui se confirme d'ailleurs par les armes dont nous parlons aujourd'hui.

Koen Metsu:

Mijnheer de minister, ik wil u bedanken voor de zeer duidelijke antwoorden, maar ook voor de motivatie en de gedrevenheid om van die CaMo 4 iets te maken. De enige manier om effectief tot economische rendabiliteit te komen of een win-winsituatie te creëren is die gov-to-govhouding. U zei: make your choices, love your choices and adapt these choices . Daar bent u volop mee bezig, met die derde pijler. U zei heel duidelijk dat u het doet opdat de toekomst er beter zou uitzien. Sta mij toe u daarbij alle succes te wensen.

Voorzitter:

Collega's, dan is meteen ook het derde actualiteitsdebat afgerond. We beginnen nu aan een reeks vragen. Daarnet ben ik niet bijzonder streng geweest in de toepassing van de spreektijd. Ik stel voor om dat nu wel te doen, als de vergadering daarmee akkoord gaat. Dat betekent dat ik u zal onderbreken zodra de toegemeten tijd verstreken is, als de vergadering zich daarin kan vinden. Ik wil u er ook aan herinneren dat u kunt verwijzen naar de ingediende vraag. Misschien kunnen we op die manier wat meer vaart maken. Het is niet noodzakelijk, maar het staat u vrij dat te doen.

De Belgica II
De inzet van Defensie om de rol van de exploitant van het onderzoeksschip Belgica op te nemen
De status van het onderzoeksschip Belgica
De overname en status van het onderzoeksschip Belgica door Defensie

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 9 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Het onderzoeksschip Belgica II ligt al over een jaar stil door een juridisch conflict met exploitant Genavir, wat leidt tot gemiste wetenschappelijke kansen, reputatieschade en geopolitieke kwetsbaarheid in de Noordzee. Defensie bemiddelt als neutrale partij en overweegt beperkte operationele steun, maar een structurele oplossing vereist juridische duidelijkheid, budgettaire afspraken en politieke prioritering (met name van BELSPO), zonder de kerntaken van Defensie te ondermijnen. Een herstart wordt voorzichtig gepland in 2026, afhankelijk van lopende procedures en coördinatie, terwijl de noodzaak om het schip snel in te zetten voor wetenschap *en* maritieme veiligheid (bv. bescherming kritieke infrastructuur) breed onderschreven wordt. Politieke urgentie en gedeelde verantwoordelijkheid worden benadrukt, maar concrete doorbraken ontbreken nog.

Philippe Courard:

Monsieur le ministre sait qu'ayant été secrétaire d' É tat à la Politique scientifique, je suis très sensible à la problématique du Belgica, ce bateau fabuleux qui rend des services extraordinaires en mer du Nord et qui est sur tous les fronts – scientifique et autres –, autrement dit un fleuron pour l'ensemble du pays.

Vous savez comme moi que malheureusement, nous avons connu énormément de difficultés avec la compagnie française Genavir, qui a résilié le contrat en 2024. L'affaire a été portée devant les tribunaux, à la suite de quoi le navire est resté à quai pendant des mois. Cette situation ne peut perdurer et une des options serait que la Défense belge augmente son soutien technique à la mise en œuvre de ce navire au profit des missions scientifiques cruciales qu'il remplit.

Je rappelle qu'il s'agit d'un navire civil mais avec un équipage composé de militaires et de scientifiques. J'ai eu l'occasion de les rencontrer à de nombreuses reprises pendant mon mandat et j'ai senti un dynamisme, une réelle volonté de répondre aux questions de nombreuses universités belges et de servir le pays. Dès lors, j'espère que monsieur le ministre, en qui j'ai confiance, optera pour une approche qui facilitera les choses, puisque nous déplorons malgré tout un défaut d'action de la politique scientifique en la matière. Merci, monsieur le ministre, de me faire part de votre point de vue à ce sujet.

Kristien Verbelen:

Mijnheer de minister, de Belgica II, ons vlaggenschip voor oceanografisch onderzoek, ligt intussen al meer dan een jaar werkloos aan de kade in Zeebrugge, dat terwijl het schip gebouwd is om 250 tot 300 dagen per jaar ingezet te worden voor cruciaal wetenschappelijk onderzoek en voor onze geopolitieke aanwezigheid op zee.

Het dispuut met exploitant Genavir heeft niet alleen geleid tot een juridische impasse, maar ook tot gemiste kansen voor onderzoekers en tot reputatieschade. Intussen vernemen we dat Defensie als neutrale bemiddelaar optreedt. Het is positief dat Defensie haar gewicht in de schaal werpt, maar tegelijk bestaat er grote bezorgdheid over de traagheid van dit dossier.

Daarnaast lees ik dat er wordt nagedacht over een nauwere, structurele samenwerking. Dit zou niet alleen een doorstart van het wetenschappelijk segment mogelijk maken, maar ook onze maritieme aanwezigheid in de Noordzee versterken, iets wat gezien de actuele geopolitieke spanningen geen overbodige luxe is.

Mijnheer de minister, kunt u toelichten wat de huidige stand van zaken is van de gesprekken die door Defensie worden geleid? Zijn er al concrete afspraken of doorbraken?

Welke bijkomende stappen plant u om te vermijden dat de Belgica II nog langer werkloos blijft? Wat is, realistisch gezien, de vroegste timing waarop het schip opnieuw operationeel zou kunnen zijn?

Hoe ziet u de rol van Defensie in een toekomstig beheer? Welke mogelijkheden ziet u om de Belgica II bijkomend in te zetten voor maritieme bewakingsopdrachten, bijvoorbeeld voor het beschermen van onze kritieke infrastructuur in de Noordzee?

Mijnheer de minister, de Belgica II hoort op zee, niet aan de kade. Ik hoop dat u werk maakt van een geloofwaardig en snel hersteltraject, zodat ons land zijn rol als voortrekker in marien onderzoek en maritieme veiligheid opnieuw kan waarmaken.

Maaike De Vreese:

Mijnheer de minister, ik had u een tijd geleden een schriftelijke vraag gesteld in verband met de Belgica, een schip van wereldklasse, dat zoals de collega’s al schetsten niet vaart, maar aan de kade ligt. We hebben er 54 miljoen voor betaald. Het vaart niet uit door een juridisch geschil.

Ik was blij van u te vernemen dat Defensie daar als bemiddelaar werk van probeert te maken. Het is niet alleen een onderzoeksschip, maar ook een marine hulpschip. Het kan dus ook een meerwaarde betekenen voor monitoring op onze Noordzee, die wij in West-Vlaanderen onze elfde provincie noemen. Het is belangrijk om daar onze kritieke infrastructuur te beschermen en er voldoende aanwezig te zijn, gezien de geopolitieke context.

Defensie kan daar zeker een rol in spelen. Het speelt nu de rol van neutrale bemiddelaar tussen de betrokken partijen, Belspo en Genavir, maar kunt u nog meer toelichting geven over de timing? U liet in antwoord op mijn schriftelijke vraag weten dat het schip weer zou kunnen varen na de zomer. Er is sprake van 300 mankementen. Zullen die allemaal opgelost zijn? Het wetenschappelijk onderzoek zou volgens u kunnen starten in 2026. Welke stappen zet u daarvoor? Is dat tijdschema haalbaar? Op welke manier kan de Belgica dan worden ingezet om onze maritieme aanwezigheid en bescherming te versterken?

Theo Francken:

Merci beaucoup pour vos questions.

Des contacts ont eu lieu à différents niveaux entre la Défense et la Politique scientifique fédérale (BELSPO), ainsi que d'autres partenaires fédéraux, en vue d'une solution durable et juridiquement solide pour l'utilisation du navire de recherche océanographique Belgica II.

Defensie heeft hierbij aangegeven bereid te zijn om indien nodig en binnen het bestaande protocolakkoord bijstand te verlenen en een bemiddelende rol op te nemen. Een formeel besluit of een engagement inzake het opnemen van een operationele rol werd nog niet genomen. Een eventuele rol voor Defensie is juridisch en organisatorisch echter niet vanzelfsprekend. Elke inzet moet passen binnen het wettelijke mandaat van Defensie en mag de uitvoering van haar kerntaken niet ondermijnen. In uitzonderlijke gevallen kan Defensie tijdelijk tussenkomen, mits er duidelijke afspraken zijn gemaakt en binnen de krijtlijnen van het bestaande protocolakkoord.

Daarnaast wordt er actief nagedacht over alternatieve pistes om de continu ï teit van het oceanografisch onderzoek te garanderen, waarbij het belang van een structureel juridisch robuuste en budgettair haalbare oplossing centraal staat.

Un calendrier indicatif prévoit une planification d'ici la fin de l'année, en vue d'une éventuelle réactivation du navire en 2026. Cette planification dépend, entre autres, des procédures judiciaires en cours et de la poursuite de la coordination entre les partenaires concernés.

De Belgica moet opnieuw varen, zo snel mogelijk, als het van mij afhangt. Ik heb daar niet de lead in, dat zit bij Belspo. We willen heel hard helpen om dat schip opnieuw te water te krijgen. Ik ben daar persoonlijk vrij optimistisch over.

Philippe Courard:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse qui me rassure quelque peu, même s'il reste encore du chemin à faire.

Je voudrais simplement vous dire que je suis content que vous preniez la mesure de ces difficultés. Par ailleurs, je ne veux pas non plus que le Belgica II devienne un navire militaire. En effet, il me semble que l'aspect scientifique doit prévaloir. BELSPO doit donc aussi prendre ses responsabilités. J'ai envie de dire que ce doit être un choix de gouvernement. Ce n'est pas uniquement le ministre de la Défense qui doit apporter la réponse et engager tous les moyens pour faire fonctionner le Belgica. C'est un choix politique. À mon avis, il s'impose, car ce Belgica doit pouvoir fonctionner. En tout cas, je vous soutiens dans votre démarche. J'espère qu'il y aura une prise de conscience de l'ensemble du gouvernement pour engager les moyens nécessaires.

À l'époque, j'ai mesuré à quel point ce bateau rendait d'énormes services aux étudiants et aux professeurs d'université. Vous savez comme moi que Liège, qui n'est pas une ville côtière, même si la Meuse y passe, bénéficie d'un département océanographique très performant et mondialement reconnu. En outre, grâce au Belgica, il a pu bénéficier de pas mal de réponses ou d'études. Du reste, lorsqu'une baleine s'échoue, par exemple, ce département est appelé. Bref, il s'agit d'un outil indispensable. Je parle de Liège, parce que je connais cette ville, mais c'est le cas d'autres universités. Et puis, sur le plan de la pollution et du climat, on réalise des analyses extraordinaires. Cet outil est donc nécessaire. Je compte sur vous et vous en remercie par avance.

Kristien Verbelen:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord, maar u begrijpt mijn aanhoudende bezorgdheid.

Wij hebben hier een schip van wereldklasse dat aan de kade ligt te roesten, terwijl de wetenschappers en Defensie het keihard nodig hebben. Intussen verliezen we niet alleen wetenschappelijke kansen, maar ook geopolitieke slagkracht in de Noordzee. Ik hoop dat deze bemiddeling niet zal verzanden in eindeloze procedures en dat er een duidelijk plan met een deadline komt, zodat de Belgica II zo snel mogelijk weer vaart kan maken, zowel voor de onderzoekers als voor de bescherming van onze kritieke maritieme infrastructuur.

Maaike De Vreese:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

Dit is inderdaad een gedeelde verantwoordelijkheid en er zijn ook gedeelde belangrijke belangen. Ik weet niet of iemand van de collega's de reportage van Terzake over de Belgica II heeft gezien. Daarin kon men zien hoe belangrijk dat is voor onze onderzoekers en hoe enorm de reputatieschade is die onze universiteiten en onze universitaire onderzoekers nu lijden. Ik spreek dan voor Vlaanderen. Die reputatieschade is aanzienlijk en de onderzoekers en professoren worden daar zelfs emotioneel over. Er zijn veel meer aanvragen voor onderzoek dan er dagen zijn, dus elke dag dat dat schip niet vaart, is er schade voor ons. Ook de marine en Defensie hebben er alle belang bij dat het schip zo snel mogelijk opnieuw vaart.

Collega's, ik zie eindelijk vooruitgang in dit dossier en ik ben daar heel blij mee. Ik blijf dit opvolgen, want de Belgica II moet zo snel mogelijk opnieuw uitvaren.

Voorzitter:

Je pense que c'est la commission Courard, car la prochaine question est encore de M. Cou rard.

De rekrutering voor Defensie in winkelcentra
De evaluatie van de pop-upstore van Defensie
Defensie werving en evaluatie van tijdelijke locaties

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 9 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Defensie test met succes pop-upstores in winkelcentra (Leuven en Louvain-la-Neuve) als wervingsstrategie, gericht op studenten en jongeren: in 1 maand leverde dit 56 inschrijvingen (vooral soldaten/reservisten) en 1.150 geïnformeerden, tegen beperkte kosten (€4.000–€6.000/locatie). De aanpak past in een brede zichtbaarheidsstrategie (naast salons, scholen, infodagen) en wordt verlengd en uitgebreid, met plannen voor nieuwe locaties (o.a. Charleroi) en langere openingsuren, ondanks logistieke uitdagingen (bv. huurtermijnen). Succescriteria zijn proximiteit tot onderwijsinstellingen, toegankelijkheid en timing (pieken verwacht vanaf september). De minister benadrukt geen methode te willen vergelijken, maar contactkanalen te maximaliseren voor divers publiek.

Anthony Dufrane:

Monsieur le président, je me réfère à la question telle que déposée par écrit.

Monsieur le ministre, depuis maintenant quelques années, la Défense recrute en louant des cellules vides dans des centres commerciaux partout en Belgique. Cette pratique permet d'utiliser ces lieux de passage pour être au plus proche du citoyen afin qu'ils puissent rencontrer des militaires de carrière.

La Défense tend à accroître sa stratégie de recrutement et il semble que cette technique porte ses fruits si l'on se base sur les locations répétées dans le temps. De plus, étant donné les nouveaux investissements dans la Défense au vu de l'actualité internationale, ces campagnes permettent de recruter plus de gens afin de répondre aux besoins en personnel de la Défense.

Il est donc pertinent de se demander combien de recrues sont issues de ces campagnes dans les centres commerciaux en comparaison aux autres moyens de recrutements afin de voir quels sont les techniques de recrutements à favoriser selon le public cible.

Mes questions, monsieur le ministre, sont:

Combien de cellules dans les centres commerciaux avez-vous loué ces 12 derniers mois?

Dans quelles régions?

Ciblez-vous certaines régions ou centres commerciaux en particulier?

Sur quels critères (fréquentation, types de population prix)?

Combien coutent annuellement ces locations dans le budget de la Défense?

Quels sont les autres techniques de recrutements mises en place?

Quelles sont les techniques les plus efficaces et lesquelles sont les moins efficaces?

Darya Safai:

Defensie is steeds op zoek naar nieuwe talenten, harde werkers, en mensen die op zoek zijn naar een uitdaging. Pop-ups op openbare, drukbezochte plaatsen vergroten de zichtbaarheid en zijn gemakkelijk toegankelijk. Medio mei werd er in Leuven door Defensie een nieuwe pop-upstore geopend. De ruimte moest studenten en passanten overtuigen om de bijna 5.000 openstaande vacatures in te vullen.

Mijnheer de minister, wat is de stand van zaken van de werking van deze pop-upstore? Hoeveel inschrijvingen werden er via deze pop-upstore gedaan? Welke profielen werden aangetrokken? Welke voorlopige conclusies kunt u trekken aangaande het al dan niet succesvol opzetten van dit initiatief?

Theo Francken:

La politique de la Défense en matière de recrutement repose sur un stratégie de visibilité étendue dans l’ensemble de la société. L’objectif n’est pas de privilégier une méthode unique, mais bien d’atteindre un public aussi large et diversifié que possible. C’est pourquoi la Défense est représentée à des grand salons, comme Batibouw, qu’elle collabore avec des écoles, qu’elle organise ses propres journées d’information et que, depuis peu, elle teste également le concept de magasin éphémère ( pop-up store ) dans les centres commerciaux.

Ce concept s’inscrit dans une logique de proximité et d’accessibilité. Il permet de toucher directement notre public cible dans des lieux de passage fréquentés, proches de centres de formation, d’universités et de quartiers étudiants. Au cours des 12 derniers mois, deux pop-up stores ont été ouverts: à Louvain-la-Neuve, dans le centre commercial L’Esplanade, du 1 er au 29 mars, et à Louvain, dans un local situé sur la Bondgenotenlaan, en activité depuis mai.

Ces deux emplacements sont été sélectionnés stratégiquement en fonction de leur proximité avec des écoles, des universités et des centres techniques. Ils garantissent un bon équilibre régional. Le coût de location s’élève à 4 000 euros pour Louvain-la-Neuve et à 6 000 euros pour Louvain. Le pop-up store de Louvain-la-Neuve permettait aux passants de poser toutes leurs questions sur les carrières militaires, civiles, ou de réserve.

Le bilan est le suivant: 1 150 personnes ont été informées sur place, 50 personnes ont sollicité une séance d’information par internet, 35 sessions d’information ont été données spontanément par les recruteurs sur place. Au total, 56 personnes se sont effectivement inscrites à une ou plusieurs offres d’emploi pour la Défense, et nous avons reçu une première date pour une épreuve de sélection. Il me semble que 56 personnes sur un mois témoigne d’un grand succès. Le public se composait principalement d’étudiants en bachelor ou master. Certaines organisations, comme le PMS, sont également venues se renseigner.

Mevrouw Safai, in Leuven is het infopunt momenteel drie dagen per week geopend, van woensdag tot vrijdag, telkens van 10 tot 17 uur. Er zijn steeds een burger, een militair en een reservist aanwezig om de verschillende carrièremogelijkheden binnen Defensie toe te lichten.

Er werden in totaal al 78 infosessies geregistreerd. Daarnaast komen ook veel mensen spontaan binnen, zonder afspraak, met gerichte vragen of uit nieuwsgierigheid. Het relatief beperkte aantal infosessies wordt verklaard door de examenperiode. Het hadden er dus meer kunnen zijn, maar het is nu eenmaal geen ideale periode. Bovendien zijn er momenteel minder vacatures beschikbaar. Vanaf september, bij de heropstart van het rekruteringsjaar, wordt een stijging van het aantal infosessies verwacht. Deze rustigere periode werd bewust benut om nieuwe rekruteerders op te leiden, gezien de complexiteit van de informatie die ze moeten overbrengen.

Vooral mensen met interesse in een functie als soldaat of reservist hebben zich aangemeld. Er is ook veel belangstelling voor de mogelijkheden om te studeren binnen Defensie. Vanaf september, wanneer er vacatures openstaan voor profielen met een bachelor- of masterdiploma, wordt een breder publiek verwacht in een studentenstad als Leuven. Dat komt er dus zeker aan in september.

De voorlopige conclusie is positief. De evaluatie van het initiatief is gunstig. Het project heeft nog groeimarge, maar de locatie is uitstekend. Het is de bedoeling om het informatiecentrum in Leuven zeker een jaar te behouden.

Er wordt overwogen om het aantal openingsdagen op termijn uit te breiden, afhankelijk van de beschikbare personeelscapaciteit. Helaas kan het huidige pand niet behouden blijven na 2026, aangezien de eigenaar – Het Depot, bekend als de beste fuifzaal ter wereld – andere plannen heeft met de ruimte. Daarom wordt er gezocht naar een nieuwe locatie in Leuven.

Deze initiatieven passen binnen de strategie van maximale zichtbaarheid. Het is niet de bedoeling om methodes met elkaar te vergelijken, maar om het aantal contactkanalen te vergroten. Defensie zal deze aanpak in 2026 voortzetten, met nieuwe pop-upstores op locaties en tijdstippen die bepaald worden op basis van de beschikbare kansen.

Chers collègues, c'est un succès. S'il y a des idées pour les pop-up stores chez vous. Donnez-en moi beaucoup.

Anthony Dufrane:

Monsieur le ministre, je tiens à vous remercier pour vos réponses claires, et pour tous ces chiffres. Je vous félicite, ainsi que vos services, pour cette chouette initiative qui vise la proximité et l'accessibilité du recrutement pour les jeunes et pour des publics plu larges. Je vous félicite pour ces excellents chiffres. Je vous encourage à continuer de la sorte et je ne manquerai pas, vu que avez tendu une perche, de vous proposer des sites, notamment dans la région de Charleroi. Nous avons aussi un quartier de la Défense en préparation. Merci.

Darya Safai:

Bedankt voor uw antwoorden, mijnheer de minister. Het is een zeer goed initiatief, omdat we zo heel veel jonge mensen kunnen bereiken. Veel succes ermee!

De fysieke klachten bij F-35-piloten
De fysiekegezondheidsklachten bij F-35-piloten
Gezondheidsklachten bij F-35-piloten

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 9 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België onderkent de hoge percentages nek- en rugklachten (46-51%) bij F-35-piloten (vergelijkbaar met andere moderne gevechtstoestellen) maar meldt nog geen klachten bij Belgische piloten in training. Preventieve maatregelen zoals het *Fit for Pilot*-programma (kracht- en stabilisatietraining, hydratatie, mentale begeleiding) zijn al operationeel voor F-16-piloten en worden uitgebreid naar F-35-piloten, met extra wetenschappelijk onderzoek gepland vanaf 2025. Nederlandse cijfers blijven alarmerend, maar België ziet kansen om met zijn aanpak een voortrekkersrol te spelen. Opvolging blijft cruciaal voor veiligheid, prestaties en inzetbaarheid.

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de minister, de Nederlandse luchtmacht heeft een studie uitgevoerd bij gevechtspiloten. Daaruit blijkt dat ongeveer de helft van de piloten kampt met rugklachten en ongeveer de helft met nekklachten. Die percentages liggen aanzienlijk hoger dan bij de F-16-piloten. Nochtans zijn F-35-piloten overwegend jonge militairen met minder vlieguren op de teller. De klachten worden vooral gelinkt aan de hoek van de zetel, het gewicht en de samenstelling van de uitrusting en bepaalde manoeuvres.

De gevolgen zijn niet min, want de gevechtspiloten geven aan dat hun prestaties dalen, dat de vliegveiligheid mogelijk in het gedrang komt en dat sommigen zelfs vluchten moeten annuleren of ziekteverlof moeten nemen. Er zijn zelfs aanwijzingen dat dit structureel kan wegen op de operationele inzetbaarheid van de Nederlandse luchtmacht. Intussen zijn de eerste F-35's al in ontvangst genomen en worden de eerste piloten opgeleid in de Verenigde Staten. Daarom heb ik de volgende vragen.

Bent u op de hoogte van die Nederlandse bevindingen? Hebt u hierover al klachten ontvangen van onze piloten die momenteel worden opgeleid in de Verenigde Staten? Wordt binnen Defensie momenteel onderzoek verricht of gepland naar de fysieke belasting en eventuele ergonomische risico's voor onze Belgische F-35-piloten? Zijn er nu al maatregelen voorzien of gepland om preventief in te grijpen, bijvoorbeeld via aangepaste trainingsschema’s, medische opvolging of ergonomische bijsturingen?

Axel Weydts:

Recente studies, waaronder een Nederlandse bevraging onder gevechtspiloten, tonen aan dat 46% van de F-35-piloten regelmatig kampt met rugklachten, en 51% met nekklachten. Deze percentages liggen aanzienlijk hoger dan bij F-16-piloten. De klachten worden toegeschreven aan factoren zoals de ergonomie van de cockpit, de zithoek van 18°, het gewicht van de uitrusting en het uitvoeren van specifieke manoeuvres zoals het ‘check six’-manoeuvre.

Daarnaast blijkt uit gegevens van de Nederlandse 'Onafhankelijke Defensiebond' dat deze fysieke klachten niet alleen het welzijn van de piloten aantasten, maar ook een negatieve impact hebben op hun vliegprestaties en zelfs de vliegveiligheid in gevaar kunnen brengen.

Mijn vragen aan u zijn als volgt:

Bent u op de hoogte van deze gezondheidsklachten bij F-35-piloten, en zijn er vergelijkbare klachten gemeld door onze piloten die momenteel trainen met de F-35 in de VS?

Welke maatregelen heeft Defensie genomen of plant zij te nemen om deze ergonomische problemen aan te pakken?

Is er binnen Defensie een systematisch monitoringsysteem opgezet om de fysieke gezondheid van piloten te volgen, en worden er preventieve acties ondernomen om dergelijke klachten te verminderen?

Theo Francken:

Collega’s, uit ervaring in onze buurlanden blijkt dat de instelhoek van de F-35-cockpitstoel vergelijkbaar is met die van legacysystemen zoals de Eurofighter, Rafale, Mirage, Gripen of Alpha Jet. De aard van rug- en nekklachten komt grotendeels overeen met wat men ook bij deze toestellen ziet. Tot op heden zijn er vanuit Luke Air Force Base in de Verenigde Staten nog geen specifieke nek- of rugproblemen gemeld in verband met het vliegen met de F-35-toestellen. Dit wordt evenwel blijvend en nauwgezet opgevolgd, zodat indien nodig kan worden ingegrepen.

Het is belangrijk op te merken dat dergelijke klachten ook voorkomen bij F-16-piloten, vooral tijdens lange vluchten met nachtzichtapparatuur, wat een extra belasting van de wervelkolom betekent. Om die reden worden piloten aangemoedigd wervelkolomversterkende oefeningen te doen onder begeleiding van een kinesitherapeut gespecialiseerd in deze problematiek. Deze aanbeveling blijven we ook voor de F-35 onverminderd ondersteunen.

België heeft reeds in 2016 het Aircrew Performance Enhancement Program (APEP) opgestart voor leerlingpiloten in Beauvechain. Een centraal onderdeel daarvan is het programma Fit for Pilot, dat mikt op preventie van nek- en rugproblemen, via gerichte kracht- en stabilisatietraining, het goed hydrateren van het lichaam met water en het werken aan mentale veerkracht en herstel. Sinds 2021 kunnen de F-16-piloten van Kleine-Brogel en Florennes vrijwillig instappen in dit APEP. Hetzelfde programma zal worden aangeboden aan de toekomstige F-35-piloten.

In 2025 werd bovendien een PhD-project ingediend om Fit for Pilot verder wetenschappelijk te optimaliseren, met daarbij ook aandacht voor de specifieke belasting die gepaard gaat met het vliegen van de F-35. We zijn er dus volop mee bezig. Voorlopig zijn er geen klachten gemeld, maar er bestaan programma’s om klachten te voorkomen en maximaal te ondervangen.

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de minister, in bier zit ook zeer veel water, maar dat terzijde.

Het is goed dat er nog geen meldingen zijn bij onze piloten, maar de cijfers in Nederland liegen niet. We moeten dit goed opvolgen. Ik had nog niet gehoord van het programma Fit for Pilot, maar misschien kunnen wij zo Nederland iets leren, misschien hebben zij het nog niet. Op die manier kunnen we dan ook eens iets terugdoen, want we pikken vaak ideeën van de Nederlanders. Misschien kunnen zij dit idee voor hun piloten overnemen.

Axel Weydts:

Mijnheer de voorzitter, ik heb er zelf geen ervaring mee, maar het schijnt dat bij het verbruik van te veel alcohol en een kater de dag nadien 100 % zuurstof in de F-16 of de F-35 blijkbaar helpt tegen een kater, maar dat is een gerucht dat ik niet kan bevestigen. Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Ik denk dat het heel belangrijk is dat dit verder wordt opgevolgd, in de eerste plaats natuurlijk voor het welzijn van onze piloten zelf, maar uiteraard ook voor hun vliegprestaties en dus ook onze capaciteit op dat vlak. Het is goed dat dit wordt opgevolgd, dat men daarop toeziet en dat men preventieve maatregelen neemt.

Het nieuwe kwartier van Defensie in Charleroi en de vermeende vervuiling van het terrein
De plannen voor het militaire Kwartier van de Toekomst in Charleroi
Het kwartier van de toekomst in Charleroi
Militair terrein in Charleroi: ontwikkeling en milieuaspecten

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 9 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Het Quartier du Futur-Sud in Charleroi, een 550 miljoen euro-project op een voormalige industriële braakliggende site (27 ha), combineert militaire modernisering (1.500 jobs, cybercomponent, training, huisvesting) met stedenbouwkundige integratie (sport, gezondheidszorg, samenwerkingen met lokale techbedrijven) en moet vanaf 2030 gefaseerd operationeel zijn (voltooiing 2032). Dépollution (verantwoordelijkheid van de verkoper) loopt volgens Waalse regelgeving, zonder extra kosten voor Defensie, terwijl het project voldoet aan duurzaamheidsnormen (energie, GRO-referentiekader) en publiek-private partnerschappen nastreeft, met name voor medische eerste lijnszorg. De strategische doelen omvatten betere wervingscapaciteit, OTAN-conforme infrastructuurinvesteringen (5% BBP-doel) en socio-economische revitalisering van Charleroi, met nadruk op lokale betrokkenheid (Waalse bedrijven, stadsintegratie) en een pilootrol voor toekomstige kazerneprojecten—al zijn nieuwe industriële reconversies voorlopig niet gepland.

Stéphane Lasseaux:

Monsieur le ministre, j'aimerais attirer votre attention sur le projet de construction d'une nouvelle caserne à Charleroi qui, selon certaines sources, serait implanté sur un ancien site industriel désaffecté. Ces mêmes sources annoncent qu’un des éléments qui a participé au choix de ce site serait, outre une meilleure mobilité pour l’avenir, un niveau de pollution présumé plus faible, ce qui permettrait une implantation plus rapide.

Le projet a pour objectifs de permettre à la Défense d’assurer une meilleure couverture stratégique, d’accroitre son attractivité, et de permettre aux 1 000 militaires attendus sur le site de travailler plus près de leur domicile. Mais le prix à payer serait-il un risque pour la santé de ces citoyens qui donnent leur vie pour notre sécurité, compte tenu d’une éventuelle pollution?

Monsieur le ministre, étant donné les préoccupations légitimes concernant la pollution potentielle de ce terrain, pourriez-vous me préciser de quel site il s’agit exactement? Avez-vous des informations sur l'état de ce site? Est-il sain ou présente-t-il des signes de pollution? Si ce site est effectivement pollué, avez-vous prévu de procéder à des tests pour évaluer l'ampleur de cette pollution? Dans le cas où des mesures de dépollution seraient nécessaires, avez-vous une estimation des coûts supplémentaires que cela pourrait engendrer? Enfin, pourriez-vous me donner le calendrier prévu pour la réalisation de ces travaux et me confirmer que ces opérations ne retarderont pas le projet en raison d’une éventuelle dépollution?

Anthony Dufrane:

Monsieur le ministre, le lancement du projet de quartier militaire à Charleroi, avec un investissement annoncé de plus de 550 millions d'euros, s'inscrit dans une dynamique de modernisation ambitieuse des infrastructures de la Défense. La reconversion des friches industrielles en un quartier flambant neuf répond au besoin de modernisation du patrimoine immobilier de la Défense.

Ce projet vise à accueillir 1 500 emplois directs, dont une composante cyber, et doit intégrer à la fois des infrastructures d'entraînement, de soins, de maintenance, d'hébergement et même une crèche. Ce chantier d'envergure représente un levier potentiel de développement pour la région carolo, tant en matière d'emploi que de dynamisme économique.

Comme évoqué dans l'accord de gouvernement, et pour répondre aux attentes de l'OTAN, ces investissements vont accroître la partie liée à la Défense dans le PIB. Ils répondent aussi aux objectifs d'augmentation des effectifs militaires et de rattrapage en matière d'infrastructure, tels que définis dans votre feuille de route.

Monsieur le ministre, pouvez-vous détailler les étapes et le calendrier prévu pour la mise en œuvre du projet DBM à Charleroi et les garanties en matière de délais et de transparence dans la passation des marchés publics?

Quelles dispositions concrètes sont-elles prévues pour favoriser l'implication des entreprises wallonnes, et en particulier carolos, dans les différentes phases du chantier (construction, équipement, services)?

Le cahier des charges intègre-t-il des critères en matière de durabilité environnementale, d'efficacité énergétique et de qualité de vie pour les personnels militaires et civils logés sur place? Ce projet intègre-t-il une infrastructure médicale de première ligne?

Comment ce projet pilote servira-t-il de modèle pour les autres casernes en mutation, notamment en matière de reconversion de friches industrielles? Autrement dit, quelles parties des investissements nécessaires pour atteindre les 5 % du PIB seront-ils alloués au patrimoine immobilier de la Défense?

Voorzitter:

Monsieur Bayet, je suis content de vous voir!

Hugues Bayet:

J'allais le dire, monsieur le président! Je suis très heureux de vous retrouver dans cette commission, ainsi que M. le ministre, qui en a été membre également, mais qui a bénéficié d'une solide promotion! ( Rires )

Monsieur le ministre, comme cela a été dit, il s'agit d'un projet qui avait été développé sous la précédente législature. Vous étiez alors membre de la commission de la Défense. L'objectif est de permettre le redéploiement de la Défense à travers le pays, au moyen de ce que l'on appelle les "Quartiers du Futur": un en Flandre et un en Wallonie.

Voici quelques semaines, nous avons appris que celui de Charleroi avançait à grand pas, en bonne collaboration avec les autorités communales. Il s'étalera sur 27 hectares. Ceux-ci pourront s'ouvrir dès 2027 dans une zone désaffectée.

L'avis de marché vient d'être publié. Je pense que l'objectif de la Défense est d'aller aller un peu plus loin et de créer un lieu ouvert sur la ville en y intégrant des espaces dédiés au sport et à la santé, mais tout en concluant également des partenariats avec des entreprises spécialisées dans la technologie ou la cybersécurité. Des zones seront ouvertes aux activités civiles, tandis que d'autres, réservées à la Défense, seront évidemment fermées.

Monsieur le ministre, pourriez-vous faire le point sur l'avancée de ce projet de Quartier du Futur à Charleroi, tant en termes d'agenda que de budget? Pour quand l'ouverture est-elle prévue? Quels sont vos objectifs avec ce quartier, notamment afin de répondre aux objectifs ambitieux de la Défense en matière de recrutements? Sait-on déjà combien de militaires et de civils pourront y loger?

⁠ La Défense cherche, m'a-t-on dit, à nouer des partenariats avec plusieurs infrastructures externes – par exemple, pour l'entraînement de nos militaires – et des acteurs locaux. Où en est cette partie du projet? Des collaborations sont-elles déjà nouées?

Theo Francken:

Chers collègues, le Quartier du Futur-Sud sera réalisé sur un site situé à la porte ouest de Charleroi, autrefois partiellement exploité par Duferco Wallonie. Ce site présente une pollution de sol, et le processus global d'assainissement est réalisé conformément au décret de la Région wallonne relatif à la gestion et à l'assainissement des sols.

La Défense n'intervient pas dans ce processus mais est néanmoins tenue informée de son déroulement. La dépollution relève de la responsabilité du vendeur, de sorte qu'il n'est pas prévu de faire intervenir le budget de la Défense dans ce processus. Actuellement, la Défense prépare le marché public pour l'étude et la réalisation des travaux de ce Quartier du Futur.

Selon le calendrier actuel, l'attribution de ce marché public est prévue en 2027, le début des travaux en 2028 et leur achèvement en 2032, avec une ouverture progressive du quartier par l'arrivée de premiers éléments à partir de 2030. En fonction de l'évolution de l'exécution du projet, des ajustements éventuels seront envisagés. Ce marché sera attribué conformément à la législation en vigueur relative aux marchés publics. Le projet respecte la réglementation sur la performance énergétique des bâtiments et les référentiels GRO.

Actuellement, la Défense ne prévoit pas de nouveaux quartiers basés sur la reconversion d'une friche industrielle.

Sur le plan budgétaire, la Défense veillera à maîtriser au mieux les coûts non compris dans l'estimation actuelle, tels que les éventuels coûts imprévus qui pourraient survenir en cours de réalisation, ainsi que le coût des terrains pour les zones d'entraînement qui devront être achetés séparément.

Le concept du Quartier du Futur dépasse le cadre d’une simple modernisation d'infrastructures ou de la seule implémentation d’équipements à vocation non militaire sur le site. Il constitue une approche globale et intégrée, pensée pour répondre aux défis contemporains de la Défense en matière de recrutement, de mobilité, d'infrastructures, de technologies ou encore d'ancrage sociétal. L’ambition est de faire de ce site un pôle d’attractivité moderne, capable d’accueillir à terme jusqu’à 1 500 personnes, civiles et militaires, dans un cadre de vie et de travail tourné vers l’avenir.

Au regard des infrastructures mutualisées – y compris dans le domaine médical –, des discussions sont en cours pour évaluer les possibilités de conclure des partenariats publics et privés efficaces. L’intérêt des partenaires pour collaborer avec la Défense reste bien réel.

Pour ma part, j’étais censé me rendre à Charleroi il y a quelques semaines dans le cadre d’une visite bilatérale. Cette visite a dû être reportée, notamment en raison d’un déplacement en France de mon colonel. J'espère pouvoir me rendre à Charleroi début septembre, afin de visiter le site concerné ainsi que plusieurs entreprises actives dans le domaine de la défense, le tout en compagnie des bourgmestres et des échevins.

Stéphane Lasseaux:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour les réponses apportées. Vous indiquez qu'il n'y aura pas de coûts supplémentaires de dépollution pour la Défense, puisque le propriétaire devra s'en charger. Cela me rassure qu’un terrain sain sera retrouvé, afin que les personnes qui y travailleront y soient en toute sécurité. J'entends aussi que les échéances seront respectées.

Anthony Dufrane:

Monsieur le ministre, je tiens à vous remercier pour vos réponses et pour ce calendrier précis. Ce sont de bonnes nouvelles. Attribution du marché en 2027, pose de la première pierre en 2028. J'espère que nous aurons peut-être la chance d'être à vos côtés pour cette inauguration en 2028, avec les différents collègues de la commission. J’ai entendu que vous irez prochainement à Charleroi. Nous serions vraiment ravis de fêter cet événement avec vous en 2028.

Une caserne opérationnelle en 2032, c’est une très bonne nouvelle pour notre Région wallonne, et principalement pour la redynamisation de la région de Charleroi.

Hugues Bayet:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse. Étant de Charleroi et ayant participé un peu aux différentes réunions avec la Défense, je voudrais souligner la qualité des équipes de la Défense autour de ce projet. La Ville de Charleroi, IGRETEC et les différents partenaires se sont évidemment occupés du terrain, qui sera prêt et dépollué, comme la législation le prévoit. Je trouve que c'est une approche globale et intégrée qui est à l'essence même de la construction de ce projet. C'est la Défense dans la ville, pour la ville, pour ses citoyens. C'est quelque chose de nouveau qu'on doit mettre en exergue. Et j'espère que vous pourrez faire la même chose du côté de la Flandre puisqu'il y a son pendant de l'autre côté aussi. Par ailleurs, je me réjouis de ce que vous venez de nous dire, notamment sur les créations de partenariats. Ce n'est pas parce que je viens de Charleroi; tout le monde sait qu'il y a un deuxième aéroport national maintenant à Charleroi depuis que Zaventem est devenu régional. Avec plus de 10 millions de passagers, et toute une série de pistes aux alentours, de terrains qui peuvent être exploités, de nombreuses entreprises aéroportuaires mais aussi en matière de défense, etc. Développer un projet qui s'intègre dans son tissu socioéconomique est essentiel. Je remercie vraiment les équipes de la Défense pour tout le travail qu'elles ont fait à ce niveau-là.

Het Resistance Festival in Sint-Gillis
Het gebruik van het militaire uniform tijdens de haatperformance van Samidoun in Sint-Gillis
Herdenking, protest en symboliek in Sint-Gillis

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 9 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Tijdens het pro-Palestijnse Resistance Festival in Brussel (8 juni 2025) werd de omstreden leus *"from the river to the sea"* gescandeerd, wat als oproep tot vernietiging van Israël en verheerlijking van Hamas-terreur (7 oktober 2023) wordt gezien, samen met het dragen van een Belgisch militair uniform door een deelnemer. Minister Francken bevestigt dat er geen bewijs is dat defensiepersoneel betrokken was, dat de uniformen vrij verkrijgbaar zijn (niet-officiële modellen), maar dat onderzoek loopt naar mogelijke inbreuken op uniformregels en extremisme binnen defensie, met tucht- of strafrechtelijke sancties als risico. De oppositie (Safai, Ponthier) benadrukt de symbolische schade van militair misbruik door extremisten en dringt aan op strenge consequenties en verscherpt deradicaliseringsbeleid, met resultaten van het onderzoek verwacht in "de komende weken". Kern: haatpropaganda onder mom van activisme en mogelijk lek in defensiebeveiliging blijven onder vuur, met nadruk op uniformintegriteit en terreurbestrijding.

Darya Safai:

Mijnheer de minister, over een pro-Palestijnse performance die op zondag 8 juni 2025 tijdens het Resistance Festival in Sint-Gillis in Brussel werd opgevoerd, is ophef ontstaan.

Het evenement stond dit jaar in het teken van het Palestijnse verzet. Op beelden die nadien op sociale media circuleerden, is de kreet from the river to the sea te horen. Dat is een omstreden leuze die oproept tot de vernietiging van de staat Israël. Het gaat om de verheerlijking van Hamas en van 7 oktober 2023, op klaarlichte dag. Het gaat om een verheerlijking van terreur en moord onder het mom van een strijd voor vrijheid. Het gaat om de verspreiding van haat, geweld en antisemitisme in het kloppende hart van Europa.

Een van de deelnemers aan de performance droeg een Belgische gevechtsuitrusting in een specifieke camouflageprint. Ook dat baart ons zorgen. Hoe is hij aan dat uniform gekomen? Zijn er eventuele banden met defensie? U verklaarde toen dat daarover een onderzoek geopend was. Weet u al meer over het uniform?

Annick Ponthier:

Mijnheer de minister, de feiten rond het jihad en terreur verheerlijkende Resistance Festival van pro-Palestijnse organisatie Samidoun in Sint-Gillis zijn intussen bekend. De demonstranten dweepten duidelijk met de islamitische terreuraanslag op 7 oktober 2023 tegen Israëlische burgers. Ze scandeerden de leuze from the river to the sea , die verwijst naar de vernietiging van de staat Israël. Dat een dergelijke betoging in onze hoofdstad kan doorgaan is wat ons betreft een schandvlek.

Wat ons nog het meest trof, was dat minstens één van de deelnemers een militair uniform van defensie droeg. U hebt destijds op X gereageerd dat het gebruik van symbolen van ons leger om aan terroristische propaganda te doen een ernstige grensoverschrijding is. Er zou een onderzoek aan de gang zijn om te controleren of deelnemers aan de demonstratie van Samidoun links hebben met ons leger. Een en ander zou niet zonder gevolgen blijven, stelde u.

Wat is de stand van zaken van het onderzoek? Waren militairen of ander defensiepersoneel op een of andere manier betrokken bij deze demonstratie? Zo ja, welke concrete gevolgen zult u daaraan geven? Volgt daarop slechts een tuchtsanctie of zal men overgaan tot ontslag? Welke strafrechtelijke gevolgen kan dit hebben? Als zou blijken dat militairen hier effectief bij betrokken waren, welke gevolgen heeft dat dan volgens u voor onze screeningsmechanismen en ons deradicaliseringsbeleid bij defensie?

Theo Francken:

Zoals u weet maak ik mij ernstig zorgen over Samidoun. Tot heden zijn er geen aanwijzingen dat militairen deel zouden uitmaken van de organisaties achter het Resistance Festival. Evenmin staat het vast dat het bij de camouflagekledij om uniformen van defensie zou gaan. Dergelijke kledij is immers vrij verkrijgbaar via het internet, zij het in andere modellen dan het officiële uniform van het Belgisch leger. De eventuele betrokkenheid van personeel van defensie wordt verder onderzocht.

Het dragen van het militaire uniform is uitvoerig geregeld in interne richtlijnen. Die bepalen dat een militair uniform steeds op een waardige en correcte wijze dient te worden gedragen. Het is bovendien ten strengste verboden om het militaire uniform te dragen bij openbare of privévergaderingen van politieke aard. Misbruiken kunnen aanleiding geven tot tucht- of zelfs strafrechtelijke sancties.

De ADIV onderzoekt het gedrag van personeel van defensie dat strijdig zou kunnen zijn met de normen en waarden van defensie of een gevaar kan vormen voor de uitvoering van haar opdrachten. Dat betekent dat elke vorm van extremisme moet worden nagegaan en zo nodig gesanctioneerd. Op dit moment wordt dat verder bekeken, net zoals het hele gebeuren rond Samidoun.

Darya Safai:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

Wij moeten inderdaad zorgvuldig omgaan met de uniformen van onze militairen. Deze uniformen symboliseren immers het Belgisch leger. Onze militairen zorgen voor onze veiligheid en die uniformen mogen op geen enkele manier terechtkomen bij islamisten die geweld verheerlijken en terreur zaaien.

Annick Ponthier:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

U stelt dat de veiligheid te allen tijde gegarandeerd moet worden. Het spreekt voor zich dat onrechtmatig gebruik van militaire uniformen steeds vermeden moet worden. Dat is een richtlijn die wij mee onderschrijven. U zegt ook dat er geen aanwijzingen zijn dat er militairen betrokken waren bij de bewuste betoging en dat de feiten verder worden onderzocht. U hebt echter niet gezegd wanneer u de resultaten van dat onderzoek verwacht.

Theo Francken:

De komende weken.

Annick Ponthier:

Wordt vervolgd.

De bewaking van nucleaire sites
De inzet van militairen voor de bewaking van kerncentrales
De bewaking van de kerncentrales
Veiligheid en militaire bewaking van nucleaire installaties

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 9 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De overdracht van nucleaire beveiliging van de gespecialiseerde politie-eenheid DAB naar Defensie (vanaf juli 2025) stuit op kritiek door gebrek aan juridisch kader, operationele bevoegdheden (geen arrestaties/fouilles) en risico’s voor motivatie en veiligheid van militairen, die als "goedkope oplossing" worden ingezet zonder passende expertise. Lokale politiezones vrezen extra werkdruk door gaten in beveiliging, terwijl Defensie de taak als tijdelijke noodoplossing presenteert, afhankelijk van een toekomstig *Defensiecodex* en een nog niet operationele territoriale reserve. Kritiekpunten zijn juridische onzekerheid bij incidenten, demotivatie bij militairen en het ontbreken van structurele alternatieven ondanks eerdere beloftes in het regeerakkoord. Politiek wordt gewaarschuwd voor herhaling van eerdere mislukte inzet (OVG), zonder duidelijke langetermijnvisie.

Christophe Lacroix:

Monsieur le ministre, depuis quelque temps, les militaires ont commencé à reprendre en charge de manière durable la sécurité statique des centrales nucléaires afin, officiellement, de libérer les policier de la DAB actuellement chargés de cette mission. Cette mission revenait pour des raisons évidentes de spécialisation à cette direction de la police fédérale. Avec mes collègues de la commission de l'Intérieur, nous vous avons interpellé à de nombreuses reprises face à cette solution qui n'en est vraiment pas une.

Sur le plan humain, pour la police, plus de 200 policiers vont se voir réaffectés vers d'autres unités partout en Belgique, en perdant plusieurs centaines d'euros, sans parler des conséquences sur les trajets domicile-travail. Sur le plan humain, pour la Défense, c'est le retour des militaires "bons à tout faire" de l'époque où votre prédécesseur Vandeput chargeait des militaires de missions qui ne sont pas les leurs et pour lesquelles aucun cadre légal n'existe.

Sur le plan qualitatif, la DAB est une unité spécialisée, contrairement à la Défense, qui ne dispose d'aucune compétence policière telle que l'arrestation, la fouille, le contrôle d'identité, l'identification de véhicules, etc. Sur le plan local, nous avons une nouvelle fois un report de charges pour les zones concernées.

Monsieur le ministre, pouvez-vous faire le point sur la reprise des missions de la DAB par la Défense? Qu'en est-il des conséquences opérationnelles pour les militaires concernés? Qu'en est-il de leur logement et du support logistique?

J'ai pu lire également dans la presse locale les inquiétudes du chef de corps de la police de Huy. D'ailleurs, Huy est près de chez moi et je sais que vous vous y êtes rendu. Quand vous passez dans la région, n'hésitez pas à me faire signe, je vous accueillerez dans ma belle commune!

(…) : (…)

Christophe Lacroix:

Oui! À Wanze. Je sais que vous avez bonne mémoire!

La zone de police de Huy a exprimé son inquiétude, car elle s’attend à une charge de travail accrue pour assurer certaines missions que les militaires ne pourront pas exercer. Ces derniers, par ailleurs, connaîtront moins bien le terrain et les spécificités locales que les agents de la DAB.

Je sais que vous avez rencontré les autorités locales. Dès lors, quelle concertation avez-vous eue avec elles, notamment avec le chef de zone – sachant que les zones qui entourent la zone de police de Huy sont également concernées par ces aspects?

Enfin, vous aviez annoncé un codex, qui devait être négocié avec le ministre de l’Intérieur. Où en est ce processus?

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, u weet dat ik en mijn fractie geen voorstander zijn van het opnieuw laten uitvoeren van bewakingsopdrachten door de militairen. We hebben reeds een OVG gehad. Die heeft aangetoond dat dit zeer negatieve gevolgen had voor de militairen: demotivatie, langdurige aanwezigheid op straat zonder te mogen ingrijpen want daarvoor moesten ze naar de politie bellen. Er was geen wettelijk kader. Ik dacht dat we daaruit geleerd hadden om een dergelijke OVG niet meer op die manier te organiseren.

Dat was ook uw intentie vermoed ik na het lezen van het regeerakkoord en de beleidsverklaring. Er moest aan twee specifieke voorwaarden voldaan worden. De eerste voorwaarde betrof een duidelijk juridisch kader, de tweede een territoriale reserve. Geen van beide is gerealiseerd. Er is geen wettelijk kader en geen territoriale reserve. En dus zitten we eigenlijk met een OVG 2.0, wat een bijzonder slechte zaak is voor de militairen. Ik vrees dat dit ook een impact zal hebben - misschien beperkt, maar toch - op de operationele capaciteit van ons leger.

Mijn vragen zijn misschien wat gedateerd, maar ik stel ze toch.

Wanneer zal het wettelijk of juridisch kader klaar zijn?

Wanneer zullen militairen, wanneer ze op straat zijn en in operatie, daadwerkelijk iets kunnen doen in plaats van alleen maar toekijken?

Vindt u dat statische bewakingsopdrachten een toekomstige of vanaf nu reeds een kerntaak van de Belgische Defensie moeten worden?

Wordt dit dus onderdeel van het vaste takenpakket van de militair?

Wordt er op geregelde tijdstippen een parlementaire rapportering of een evaluatierapport voorzien?

Theo Francken:

Dans le cadre de la collaboration entre la Défense et le SPF Intérieur, la Défense s'est vu confier la mission de remplacer du personnel de la DAB sur six sites nucléaires entre le 1 er juillet 2025 et avril 2026. L'appui qu'apporte la Défense permet de transférer temporairement des effectifs de la DAB vers la mission "cours et tribunaux" afin que la police fédérale puisse libérer davantage de moyens pour lutter contre la criminalité.

L'état-major a déployé des détachements militaires sur les sites de Doel et Tihange depuis le 1 er juillet. Plusieurs reconnaissances en collaboration avec la police fédérale et ENGIE ont eu lieu en vue de coordonner le plan de transition. La préparation de la mission avec des équipes de la DAB garantit une bonne connaissance des sites. La police locale jouera son rôle en cas d'incident, conformément au cadre légal.

Les militaires concernés logent dans une caserne des environs, d'où leur appui logistique est organisé. Une deuxième phase de planification commencera ensuite pour les sites de Mol, Geel et Dessel, planifiés pour être repris par la Défense en fin d'année 2025. Le site de Fleurus sera repris en avril 2026. À ce stade, la mission est limitée aux sites déjà mentionnés.

De inzet van militairen in het kader van de beveiligingsopdracht van nucleaire sites is gebaseerd op artikel 111 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus. Overeenkomstig die bepaling kunnen de politiediensten voor de handhaving van de openbare orde, wanneer de middelen van de federale politie ontoereikend blijken, bijstand vorderen van de krijgsmacht, wanneer die als enige over de daartoe noodzakelijke technische en menselijke middelen beschikt.

Het protocolakkoord verwijst bovendien naar artikel 7/5 van de wet op het politieambt, waarin wordt verduidelijkt dat en hoe de politie de leiding heeft over de operaties. Bij de uitvoering van die opdracht beschikt het personeel van Defensie evenwel niet over eigen politiebevoegdheden, zoals identiteitscontrole, fouillering of arrestatie.

Het is dus belangrijk om in de toekomst over een specifiek wettelijk kader te beschikken. Daarbij moet rekening worden gehouden met de tijd die nodig is om dergelijke wetgevende initiatieven concreet uit te werken.

Dans un premier temps, en attendant un cadre juridique et de déploiement adapté ainsi que l'opérationnalisation de la réserve territoriale, cette mission sera assurée par des militaires actifs réguliers, sur la base d'un système de rotation et à partir d'un statut opérationnel, comme c'était le cas à l'époque de l'OSG.

Les modalités exactes de déploiement relatives au nombre de militaires par site et à leurs équipements de préparation spécifique sont considérées comme sensibles et peuvent, si c'est souhaité, être discutées à huis clos au sein de la Commission de Suivi des opérations.

Het eerste deel van het toekomstige wetsontwerp Defensiecodex werd opgesteld door de defensiestaf en zal zo snel mogelijk bij het Parlement worden ingediend. Ik krijg daarover nog een laatste briefing, waarna het dossier naar de Kamer komt. Voor uw vraag over welke andere civiele alternatieven werden onderzocht, verwijs ik naar de minister van Binnenlandse Zaken.

Militairen mogen geweld gebruiken in het kader van wettelijke verdediging. Daarnaast kunnen zij op grond van artikel 7/5, hun vuurwapens gebruiken op instructie van de politie, overeenkomstig artikel 38, 3° van dezelfde wet, wanneer in het geval van volstrekte noodzakelijkheid, de aan hun ter bescherming toevertrouwde personen, posten, vervoer van gevaarlijke goederen of plaatsen op geen andere wijze kunnen worden verdedigd. In dat geval mogen vuurwapens enkel worden gebruikt overeenkomstig de richtlijnen en onder verantwoordelijkheid van een officier van de bestuurlijke politie.

De inzet van militair personeel voor de bewaking van nucleaire sites gebeurt binnen het kader van een specifiek protocolakkoord. Het betreft thans geen kerntaak van Defensie, maar een ondersteunende operatie ten behoeve van de politie.

Vu qu'il s'agit d'une mission opérationnelle à part entière, et conformément à la loi syndicale en vigueur à la Défense, elle n'est, à ce titre, pas soumise à la concertation.

Een aanpassing van de taken van Defensie in deze context, zoals vermeld in het regeerakkoord, is afhankelijk van een aangepast wettelijk kader en de effectieve oprichting en operationalisering van een territoriale reserve. Zoals gebruikelijk wordt de commissie voor de Opvolging van de militaire missies over deze operatie geïnformeerd, zoals intussen door kolonel Comhair gebeurd is.

Christophe Lacroix:

Monsieur le ministre, je vous remercie d'avoir fait le point sur la situation. Je reste néanmoins inquiet. Je comprends que l'accord vise à pallier l'absence de moyens suffisants de la police, de la police fédérale en particulier. Je veux bien mais qui étaient les ministres de l'Intérieur auparavant? Ils n'appartenaient pas au Parti Socialiste. Voilà, il faut un peu pointer les responsabilités des uns et des autres en la matière.

Par ailleurs, vous confirmez qu'il n'y a pas de compétence des militaires pour l'arrestation, pour toute une série de fouilles, de contrôles d'identité. Cela reste quand même problématique. En effet, en l'absence de codex, comment ces militaires sont-ils couverts si jamais il y a un incident? C'est une grande question que je me pose. Sont-ils couverts par la hiérarchie? Sont-ils couverts par leur statut? Que se passe-t-il en cas de problème?

Et puis, vous me répondez que la police locale jouera le rôle qu'elle avait précédemment, sauf que, non, la police locale avait un rôle de support le cas échéant et que la police fédérale, à travers les DAB, remplissait déjà toute une série de missions que la police locale n'avait pas à remplir. Finalement, c'est donc un sparadrap qui est collé sur une situation tout à fait improbable et qui n'est pas de la bonne gestion.

Je sais que, dans votre chef, ce n'était pas ce que vous vouliez au départ et que tout cela résulte finalement d'un compromis. Mais, moi, je vous rends attentif au fait qu'effectivement, non seulement des militaires peuvent connaître des situations particulières qui pourraient être dangereuses – je ne comprends d'ailleurs pas pourquoi on n'a pas choisi des MP pour faire ces missions, ce qui aurait été peut-être plus logique – et qu'en outre, la police locale, qui est déjà confrontée à de gros problèmes en termes de services de proximité à la population, est à nouveau mise sur le grill. On lui demande de réaliser des missions qu'elle n'avait pas l'habitude de réaliser auparavant.

Kjell Vander Elst:

Uw antwoord overtuigt mij niet. Wat collega Lacroix zegt, is correct. We hebben OVG gehad in een tijd van crisis, in uitzonderlijke omstandigheden en we hebben parallel de DAB opgericht, de directie Beveiliging, met een kader van 1.200 mensen. Volgens de cijfers die ik heb opgevraagd, zitten daar ongeveer 1.000 personeelsleden. Terwijl de DAB dus is opgericht om die statische bewakingsopdrachten uit te voeren, wil Defensie die nu opnieuw op zich nemen. We weten nochtans goed dat we OVG in uitzonderlijke omstandigheden hebben moeten ontplooien en toen al snel hebben gezien dat dat tot praktische problemen leidde, onder meer omdat militairen niet kunnen ingrijpen. Bovendien zijn zulke opdrachten demotiverend voor operationeel personeel bij Defensie. Zeker jonge mensen gaan niet bij Defensie om een statische bewakingsopdracht bij een nucleaire site uit te voeren. Een tweede punt is dat militairen als goedkope werkkracht worden gezien, als een goedkope vervanger van een beveiligingsagent. Het is een financieel voordeel voor de politie. Ik weet natuurlijk dat er een tekort aan politiecapaciteit in dit land is en dat er agenten bij moeten komen, maar we moeten af van de mentaliteit om militairen in te schakelen als de politie het niet meer kan oplossen. Defensie is altijd een laatste toevlucht geweest, ook financieel. We hebben geen geld, we zullen nog wat op Defensie beknibbelen. Die mindshift op financieel vlak is de vorige legislatuur al omgekeerd, wat een goede zaak is, maar laat ons ook de mindshift ten aanzien van het militair personeel maken. Het militair personeel verdient beter dan een goedkope bewakingsvervanger van de politie te zijn.

De belemmeringen voor de Belgische defensie-industrie
De kmo's in de defensie-industrie
de intensivering van de industriële samenwerking binnen de NAVO na de top in Den Haag
Uitdagingen en samenwerking in de Belgische en NAVO-defensie-industrie

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 9 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België wil 195+ innovatieve kmo’s en defensiebedrijven (o.a. drones, AI, cybersecurity) beter koppelen aan de historische defensie-investeringen (NATO/EDF) door drempels weg te werken: complexe aanbestedingen, gebrek aan transparantie, gold-plating en financieringsmoeilijkheden. De overheid zet in op structurele samenwerking via de Defence, Industry and Research Strategy (DIRS), interfederaal overleg (nog in opbouw) en partnerschappen met agentschappen zoals FIT, AWEX en hub.brussels, plus drie akkoorden met Oekraïne (drones/anti-drones) en coördinatie met NATO/EU om interoperabiliteit en export te versterken. Minister Francken benadrukt geen directe sturing, maar wel kaderversterking (financiering, begeleiding naar EU-programma’s) om economische return en technologische autonomie te maximaliseren, zonder transatlantische en Europese belangen tegen elkaar uit te spelen. Concrete acties lopen (o.a. NASAMS-aankoop met Nederland, investeringsfonds), maar een formele nationale coördinatiestrategie ontbreekt nog.

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de minister, uit recente berichtgeving in De Tijd en een onderzoek van Agoria blijkt dat minstens 195 Belgische bedrijven hopen om van de toekomstige investeringsgolf in defensie te kunnen meegenieten.

Het is cruciaal dat de historische investeringen ook de eigen industrie structureel versterken, innovatie stimuleren en jobs creëren. Ik ga daarmee voort op wat in het debat over het CaMo-project zonet met betrekking tot economische return werd bepleit. Het is ook voor toekomstige projecten en investeringen bijzonder belangrijk dat onze kmo's en technologiebedrijven daarvan kunnen profiteren en dat de overheid hen daarin goed kan begeleiden.

De focus ligt terecht op onze technologische knowhow. We hebben heel wat kmo's die heel ver staan op het vlak van technologie en innovatie en die, zeker als het over dual-use gaat, grote stappen vooruit kunnen zetten en dus ook kunnen profiteren van de defensie-investeringen. Bij heel wat ondernemers leeft de bezorgdheid dat de toegang tot contracten vandaag veel te complex is, dat er onvoldoende transparantie is in de toewijzingsprocedures en dat de exportregels nog veel te complex zijn, met bijvoorbeeld gold-plating door de gewesten.

Hoe garandeert u dat Belgische bedrijven, zeker onze innovatieve kmo's, daadwerkelijk toegang krijgen tot de "grote" op stapel staande defensieopdrachten? Zult u de belemmeringen en obstakels waarmee de ondernemers worden geconfronteerd, in kaart brengen en welke maatregelen zult u daartegen nemen?

Zal Defensie samenwerken met andere federale en regionale agentschappen om onze bedrijven beter te positioneren in het Europese defensie-ecosysteem? Hoe verloopt die samenwerking? Zijn er bijvoorbeeld gesprekken lopende met de ministers bevoegd voor economie en werk om onze Belgische kmo's goed te begeleiden, zodat zij zoveel mogelijk van die defensieopdrachten binnen kunnen halen?

Koen Van den Heuvel:

Mijnheer de minister, uit een onderzoek van Agoria blijkt dat bijna 200 Belgische bedrijven in de defensiesector actief willen worden. Dat heeft natuurlijk te maken met de extra miljarden die de volgende jaren kunnen worden besteed. Het gaat naast de grote defensiebedrijven zoals FN en John Cockerill ook om kmo’s die zich specialiseren in nieuwe technologieën zoals drones, cybersecurity en artificiële intelligentie, zowel in het noorden als het zuiden van het land.

Die jonge hightech-kmo’s worden jammer genoeg met heel wat hinderpalen geconfronteerd. Ze vinden de defensiesector complex. Er moeten heel wat procedures worden nageleefd. Ook de toegang tot financiering is moeilijk. Daarom is het erg belangrijk dat de overheid daar begrip voor toont en zowel Vlaamse als Waalse kmo’s begeleidt, zodat zij hun graantje kunnen meepikken en hun inspanningen om te innoveren, kunnen laten opbrengen.

In ons voorstel van resolutie over defensie-innovatie en de versterking van ons ondersteuningsmechanisme voor de Belgische defensie-industrie, dat later in het Parlement ook werd goedgekeurd, pleit de cd&v-fractie voor de oprichting van een interfederaal overlegorgaan. Voorts dringen wij erop aan om de oproepen van bijvoorbeeld het Europees Defensiefonds (EDF) mee te ondersteunen en om extra budgetten voor innovatie vrij te maken. Dat laatste wordt alvast geconcretiseerd in de strategische visie.

Mijnheer de minister, ten eerste, hoe kunnen kmo’s die gespecialiseerd zijn in defensie en hightech, volgens uw visie beter in het defensieverhaal worden ingeschakeld?

Ten tweede, hoe ver staat het met de oprichting van het interfederaal overlegorgaan om de innovatie en de Belgische defensie-industrie beter te ondersteunen?

Luc Frank:

Monsieur le ministre, le récent sommet de l’OTAN à La Haye, et en particulier le Forum de l’industrie de défense qui s’y est tenu, a marqué un tournant dans l’ambition collective des Alliés en matière de production, d’innovation et de résilience industrielles. À travers l’appel à "faire plus, mieux et ensemble", le Secrétaire général a mis en évidence l’urgence de renforcer le lien transatlantique, d’accroître les capacités industrielles de défense et d’intégrer les innovations issues tant du secteur spatial que des technologies émergentes – notamment les drones, domaine dans lequel l’Ukraine est devenue un acteur de premier plan.

Dans ce contexte, et alors que l’OTAN publie son plan d’action pour la production de défense, j’aimerais vous poser les questions suivantes:

1. Quel est l’engagement concret de la Belgique dans la mise en œuvre du plan d’action de l’OTAN pour la production de défense? Disposez-vous déjà d’un plan national de coordination avec les industriels belges? Quel crédit est réservé à ce plan d’action?

2. Quelles initiatives la Belgique soutient-elle pour améliorer l’interopérabilité des capacités de défense au sein de l’OTAN, notamment en lien avec les programmes européens et transatlantiques existants? En effet, cela ne ressort pas assez des conclusions du Sommet mais pour "faire plus, mieux et ensemble", nous devons investir intelligemment et veiller à que tous les États veillent à l’interopérabilité de leurs investissements.

3. Quelles initiatives supplémentaires la Belgique compte-t-elle appuyer pour une coopération accrue avec l’industrie de défense ukrainienne, notamment sur les technologies du futur comme les drones? Avez-vous eu des échanges à ce sujet avec vos homologues ou avec des représentants ukrainiens lors du sommet?

4. Enfin, Monsieur le Ministre, une coopération plus fluide entre les industries de défense des deux côtés de l’Atlantique ne risque-t-elle pas de freiner la coopération européenne? Comment comptez-vous gérer cette contradiction?

Merci d’avance pour vos réponses, et pour votre engagement à ancrer notre pays dans cette dynamique de résilience stratégique partagée.

Theo Francken:

Collega's, het is duidelijk dat de Belgische industrie sterk geëngageerd is om een actieve rol te spelen in de versterking van onze nationale defensiecapaciteit. Dat minstens 195 bedrijven hebben aangegeven te willen bijdragen aan deze historische investeringsgolf, is een belangrijk signaal dat we ernstig moeten nemen.

Het is dan ook van essentieel belang dat deze investeringen niet alleen leiden tot een moderne en slaagkrachtige defensie, maar ook bijdragen aan de structurele versterking van onze technologische industriële basis, innovatie stimuleren en duurzame werkgelegenheid creëren.

Om deel te kunnen nemen aan grote investeringsprogramma's voor complexe wapensystemen, dienen onze bedrijven zich goed te positioneren in de waardeketens van grote marktspelers. Het is alvast de doelstelling van de Defence, Industry and Research Strategy (DIRS) om dit mee te ondersteunen.

Beleidsmaatregelen die dit mogelijk moeten maken, bevinden zich op het bevoegdheidsniveau van zowel de federale overheid als de deelstaten. De uitwerking en realisatie van een volwaardige DIRS, ondersteund door een specifiek flankerend beleid, vereisen dan ook een optimale samenwerking tussen alle betrokken overheden. Defensie en de FOD Economie werken hiervoor nauw samen met sociaal-economische actoren, onderzoekscentra, kennis- en onderwijsinstellingen en vormingscentra in België.

Zoals ik al zei heb ik deze ochtend ontbeten met David Clarinval. Ik ga straks ook naar Tikehau Capital in TheMerode, een groot investeringsfonds. Het kruim van de grote investeerders en hedgefondsen van België komt daar samen en ik ga daar spreken.

Samenwerkingen met federale en regionale agentschappen, zoals FIT, Awex of hub.brussels zijn in dit verband essentieel.

Ten slotte is het van groot belang dat alle deelstaten zich betrokken voelen bij deze gezamenlijke ambitie. Ik ben ervan overtuigd dat ze zich sterk willen engageren, gelet op de bij hen vaak aanwezige belangrijke industriële actoren.

La Belgique appuie pleinement le plan d'action de l'OTAN en matière de protection de défense. Le plan stratégique belge est en cours de finalisation. À ce stade, aucun plan national formel n'a encore été adopté, mais des travaux sont en cours en cohérence avec la Defence, Industry and Research Strategy (DIRS).

La question du financement fait également l’objet d’une analyse, notamment via le fonds d’investissement pour la défense. La Défense applique une politique selon laquelle les acquisitions de capacités militaires, tel l’achat conjoint envisagé des systèmes NASAMS (Norwegian Advanced Surface-to-Air Missile System ) avec les Pays-Bas, doivent respecter les standards de l’OTAN. La Belgique participe activement à des initiatives multilatérales qui favorisent l’harmonisation des pratiques opérationnelles.

Toutefois, la Défense reconnaît qu’une meilleure coordination entre les investissements européens et transatlantiques reste indispensable pour atteindre un niveau d’interopérabilité pleinement satisfaisant.

Trois protocoles d’accord ont récemment été conclus entre des entreprises belges et ukrainiennes, notamment dans le secteur des drones et des systèmes anti-drones. Ces partenariats s’inscrivent dans une volonté de co-développement et de coproduction. Une visite officielle à Kiev a permis de consolider ces liens industriels. Le sommet de La Haye a également été l’occasion de renforcer le dialogue avec les représentants ukrainiens.

La Belgique ne perçoit pas de contradiction entre le renforcement du lien transatlantique et le développement de la coopération industrielle européenne. L’autonomie stratégique européenne reste ouverte et pleinement intégrée dans les objectifs de l’OTAN. Une bonne coordination entre l’Union européenne et l’OTAN permet d’optimiser les ressources et d’éviter les doublons en assurant la cohérence des initiatives industrielles.

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de minister, dank u voor het uitgebreide antwoord. Het is goed dat we heel veel aandacht hebben voor onze defensie-industrie. U doet dat ook. Ik heb onlangs het rapport van het Agentschap voor Buitenlandse Handel over de Belgische Defensie gelezen. Dat zit zeer goed in elkaar, dus een dikke pluim voor het agentschap op dat vlak. Het is positief dat er een goede samenwerking is met FIT en met AWEX.

We moeten die kmo’s niet bij het handje nemen. Die bedrijven weten goed genoeg wat ze moeten doen, maar voor vele van hen gaat er wel een nieuwe wereld open. Het gaat over zeer veel geld, over Europese programma’s. De overheid moet hen toch enigszins begeleiden richting die programma’s en ervoor zorgen dat onze Belgische ondernemingen er zo goed mogelijk van kunnen profiteren en er wel bij varen, zodat de economische return van de Belgische defensie-investeringen zo hoog mogelijk is. Succes.

Koen Van den Heuvel:

Ik wil u danken voor uw antwoord, mijnheer de minister. Het is inderdaad van strategisch belang dat we ook goede defensiebedrijven hebben. Als we allemaal pleiten voor investeringen die terugvloeien naar de Belgische economie en voor voldoende return, dan is het natuurlijk absoluut nodig dat we sterke, gezonde, innovatieve bedrijven hebben, want anders is het heel moeilijk om die return ook effectief te kunnen valoriseren. Zoals collega Vander Elst zegt, moeten die bedrijven niet bij het handje worden genomen, maar het is wel belangrijk dat het juiste kader wordt geboden, zodat ze kunnen meedingen naar de uitdagingen binnen de Europese defensie-industrie en ook effectief ondersteund worden om de nodige innovatie-investeringen te doen.

Luc Frank:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour les réponses et les précisions.

De defensieuitgaven, de algemene weerbaarheid en de link met energie
De strategische percelen naast militaire installaties en kritieke infrastructuur
Het meenemen van de energieweerbaarheid in onze defensie-inspanning
Defensie, energieweerbaarheid en strategische infrastructuur

Gesteld aan

Mathieu Bihet (Minister van Energie), Theo Francken (Minister van Defensie)

op 9 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België houdt geen specifiek toezicht op buitenlandse grondankopen nabij militaire sites, maar Defensie adviseert bij bouwvergunningen en monitort kritieke infrastructuur, met aangepaste dreigingsanalyses door geopolitieke verschuivingen. Energie-investeringen (bv. kerncentrales, windparken) die de afhankelijkheid van Rusland verminderen, kunnen deels meetellen als defensie-uitgaven (1,5% BBP), maar hun precieze aandeel en structurele impact moeten nog worden uitgeklaard. Afhankelijkheid van China (bv. zonnepanelen, windturbines) wordt erkend als risico, met oproepen om kritieke componenten uit "onveilige" landen te weren. De definitie van defensie-gerelateerde uitgaven (inclusief energie) zal in 2026 aan de NAVO gerapporteerd worden, met nadruk op veerkracht en productiecapaciteit.

Koen Van den Heuvel:

Enkele maanden geleden ontstond er in de Verenigde Staten ophef over de aankoop van gronden en andere strategisch gelegen percelen door buitenlandse partijen in de nabijheid van militaire installaties en kazernes. Uit onderzoek bleek dat er wellicht een verband was met China. In Kansas heeft dat zelfs geleid tot initiatieven van de gouverneur om dergelijke praktijken tegen te gaan.

Mijn vragen hierover zijn kort. Wat is de situatie in ons land? Wordt er toezicht gehouden op het eigendom van gronden in de buurt van militaire domeinen en kritieke infrastructuur? Bestaan er concrete beleidslijnen ter zake? Als dat niet het geval is, overweegt u dan als minister van Defensie initiatieven in die richting?

Annick Ponthier:

Mijnheer de minister, tijdens een recente vergadering van de commissie voor Energie verklaarde de minister van Energie, de heer Bihet, dat alle investeringen in energieweerbaarheid en energieonafhankelijkheid ten opzichte van landen als Rusland zouden moeten meetellen in onze defensie-inspanning. Die investeringen zouden mee op het conto komen voor de berekening van de 1,5 % aan ruimere veiligheidsuitgaven, bijvoorbeeld in infrastructuur die de weerbaarheid van België versterkt.

Minister Bihet had het in dit geval niet over de beveiliging van onze energie-infrastructuur op zich, maar over geplande investeringen in productie-eenheden die onze afhankelijkheid van olie en gas moeten verminderen. Voorbeelden hiervan zijn de levensduurverlenging van Doel 4 en Tihange 3, de uitgaven voor het energie-eiland, de versterking van het hoogspanningsnet, windmolenparken op zee en batterijparken.

De redenering is logisch. Onze strategische energieafhankelijkheid van Rusland maakt ons uiteraard zeer kwetsbaar voor economische chantage en hybride oorlogsvoering. We herinneren ons allemaal hoe president Poetin in het verleden de gaskraan volledig dichtdraaide, waardoor de energieprijzen door het dak gingen. Toch roepen de uitspraken van minister Bihet enkele vragen op.

Hoe staat u tegenover die uitspraken? Deelt u de mening van minister Bihet dat niet alleen de beveiliging van, maar ook de investeringen in de genoemde energie-infrastructuur moeten meetellen als defensie-inspanning? Welke specifieke investeringen zouden hieronder kunnen vallen?

Zijn dergelijke investeringen en opbrengsten niet te afhankelijk van de evolutie van de elektriciteitsprijs, waardoor het bedrag dat de overheid kan inbrengen verschilt van jaar tot jaar?

Is dat dan wel een structurele defensie-uitgave? Kunt u al ramen hoe groot dat aandeel precies zou kunnen worden binnen die 1,5 % van het bruto binnenlands product?

Wat doet u met het grote risico dat het meetellen van energie-investeringen in groene energie met zich meebrengt? Dreigen wij ons energiebeleid daardoor onder het mom van veiligheid niet nog verder richting die onbetaalbare en wisselvallig renderende groene energie te sturen?

Wat doet u met de hoge afhankelijkheid van landen als China op het vlak van zonne- en windenergie? Valt China ook onder de noemer ‘landen zoals Rusland’ waartegen minister Bihet onze weerbaarheid wil verhogen?

Theo Francken:

Defensie wordt niet betrokken bij eigenaarswissels van vastgoed. Defensie kan wel de eigenaarsgegevens opzoeken.

A priori bestaat er momenteel geen specifieke wetgeving die buitenlandse investeringen in vastgoed rechtstreeks verbiedt of beperkt. Defensie wordt in de regel wel betrokken bij de stedenbouwkundige adviesaanvragen in het kader van omgevingsvergunningen of permis uniques en geeft dan advies over de realisatie van bouwwerken in de onmiddellijke nabijheid van militaire domeinen of kwartieren. Dat is logisch. Het gaat dan vooral over de beoordeling van de werken, bijvoorbeeld inzake onverenigbaarheid met de militaire activiteiten of de luchtverkeersleiding. Vaak wordt daarbij opgemerkt dat rechtstreekse inkijk vermeden of onmogelijk gemaakt moet worden. De eindbeslissing over het al dan niet afleveren van een vergunning ligt uiteraard niet bij Defensie maar doorgaans bij de gemeente of provincie.

Bovendien bestaat er een permanente monitoring van de kritieke infrastructuur in België door de bevoegde veiligheidsinstanties, waaronder Defensie.

Gezien de huidige geopolitieke verschuiving binnen België en Europa worden ook de dreigingsanalyses in die zin aangepast, teneinde een adequaat antwoord te kunnen bieden. Indien de context vereist dat Defensie een prominente rol zal spelen, moet er daartoe ook de bereidheid zijn.

De uitgaven die in aanmerking kunnen worden genomen voor de tweede korf, zullen voor het eerst formeel aan de NAVO worden gerapporteerd in juni 2026. Het gaat onder meer om uitgaven in het kader van NAVO- of nationale defensieplannen, ongeacht of ze civiel-militair of puur civiel van aard zijn, uitgaven voor de ontwikkeling van de defensie-industrie ter bevordering van de productiecapaciteit, uitgaven voor het vergroten van de voorraden van kritiek materieel dat essentieel is voor de productie enzovoort. Dat is een hele definitie. Ik zal ze u bezorgen. De definitie van die 1,5 % kan iedereen dan eens rustig nalezen, want anders moet ik drie bladzijden voorlezen.

De vraag of alle investeringen in energieweerbaarheid en energieonafhankelijkheid van landen als Rusland zouden moeten meetellen in onze defensie-inspanning, is direct verbonden met de bepaling van de uitgaven die voor de tweede korf in aanmerking kunnen worden genomen. Bepaalde energie-investeringen versterken de veerkracht van de defensie-infrastructuur en kunnen in die hoedanigheid worden beschouwd als een indirecte bijdrage aan de nationale veiligheid. Het gaat daarbij om ramingen van geplande investeringen in productie-eenheden die onze afhankelijkheid van olie en gas verminderen. Het precieze aandeel daarvan binnen de 1,5 % van het bbp moet verder worden geanalyseerd.

Hernieuwbare energie die deel uitmaakt van een goed gebalanceerd productiepark, kan wel degelijk bijdragen aan de energieonafhankelijkheid en de veiligheid van het land. De invoering van hernieuwbare-energietechnologieën vereist wereldwijde toeleveringsketens. Europa, en België in het bijzonder, is nog steeds deels afhankelijk van buitenlandse leveranciers. Leveranciers uit bijvoorbeeld Rusland en China moeten worden geweerd voor de toelevering van bepaalde kritieke componenten, zoals omvormers van zonne-installaties.

We zullen de nota die de 1,5 % definieert, bezorgen aan de commissie.

Koen Van den Heuvel:

Ik wil de minister bedanken voor zijn antwoord.

Annick Ponthier:

Ik wil de minister ook bedanken voor zijn antwoord en voor het bezorgen van het gedetailleerde overzicht van die 1,5 %. Ik denk dat het heel nuttig is om dat eens duidelijk uitgeklaard te zien. Ik heb in uw antwoord ook gehoord dat u inderdaad openstaat voor de bemerkingen of de uitlatingen die minister Bihet heeft gedaan in de commissie voor Energie. Het klopt dat ook energie van toepassing kan zijn als het gaat over het versterken van de weerbaarheid van onze samenleving tout court en dus ook van onze defensiecapaciteit. Over de afhankelijkheid heb ik u ook horen zeggen dat we die maximaal moeten afbouwen of toch tegenhouden. Ik dank u voor uw antwoord. Dat verhaal wordt zeker nog vervolgd in de toekomst.

De samenwerking met Nederland op het vlak van defensie

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 9 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De België-Nederland defensiesamenwerking focust op concrete projecten zoals *luchtverdediging* en *PESCO-initiatieven*, met lopende studies voor verdere integratie, naast bestaande marine- en droneprojecten. Industriële return wordt contractueel gegarandeerd via FOD Economie en versterkt door Nederlands OCAR-lidmaatschap, terwijl autonomie-risico’s worden beperkt door diversificatie en Belgische inbreng in gezamenlijke productie. Het Parlement blijft betrokken via de *commissie Legeraankopen* bij overheidsopdrachten, maar structurele updates ontbreken. Korte-termijnprioriteiten zijn gezamenlijke aankopen en kennisdeling, met nadruk op werkgelegenheid en technologische verankering in België.

Kristien Verbelen:

Mijnheer de minister, u kondigde recentelijk samen met uw Nederlandse collega, Ruben Brekelmans, een versterking aan van de bilaterale defensiesamenwerking tussen België en Nederland, met een intentieverklaring die mikt op samenwerking op strategisch, operationeel, en tactisch niveau. Dat klinkt als een ambitieus en positief signaal, zeker gezien de uitdagingen waar Defensie nu voor staat, maar het blijft vrij vaag en algemeen. In uw eigen woorden stelde u dat we wel de meest geïntegreerde marine ter wereld hebben, maar dat er nog veel mogelijk is, ook op het vlak van gezamenlijke projecten in de defensie-industrie.

Welke projecten ziet u op korte termijn als prioritair bij die versterkte samenwerking? Wordt er bijvoorbeeld al werk gemaakt van gezamenlijke aankopen of ontwikkelingstrajecten?

U beklemtoonde het belang van een goede industriële return. Hoe garandeert u dat de samenwerking tastbare voordelen oplevert voor onze Belgische defensiebedrijven, zodat de werkgelegenheid en de technologische knowhow hier verankerd kunnen blijven?

Bestaat volgens u het risico dat België vooral afnemer wordt van Nederlandse technologie, bijvoorbeeld op het vlak van drones, zonder dat er een evenwichtige compensatie komt vanuit Nederland, bijvoorbeeld via gezamenlijke productie of kennisoverdracht?

Tot slot, op welke manier zal het Parlement in de toekomst betrokken worden bij de concretisering van de samenwerking? Worden er regelmatige infomomenten gepland?

Theo Francken:

Naast de huidige samenwerking op het vlak van marine, de bewaking van het luchtruim, en de tactische drones zijn er studies in uitvoering om verdere samenwerkingen te onderzoeken in meerdere domeinen, zoals integrated air missile defence en een aantal PESCO-projecten.

Garanties inzake return naar de Belgische industrie en de industriële samenwerking worden verzekerd via de contracten met de oorspronkelijke fabrikant van het materieel. Dat valt onder de bevoegdheid van de FOD Economie.

Nederland heeft bovendien zijn kandidatuur ingediend om lid te worden van OCAR, dat de industriële samenwerking binnen de grote bewapeningsprogramma's nog zal verdiepen. Het risico dat België aan autonomie verliest, wordt enerzijds beperkt door de versterking van de Belgische industrie in die vorm van samenwerking, en door DIRS en de diversificatie van de toeleveringsbronnen, indien de markt dat toelaat.

Indien de samenwerking met Nederland aanleiding geeft tot overheidsopdrachten, zal Defensie de geldende regelgeving toepassen en het Parlement via de parlementaire commissie voor Legeraankopen informeren.

Kristien Verbelen:

Ik dank u voor uw antwoorden. Ik noteer dat er ingezet wordt op concrete projecten en op industriële return. Ik hoop dat er daardoor hier werkgelegenheid en technologische meerwaarde wordt gecreëerd.

Voorzitter:

Mevrouw Huybrechts is afwezig. Haar vraag nr. 56006168C wordt bijgevolg geschrapt.

De tekortkomingen van de persoonlijke uitrusting van onze militairen op missie

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 9 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Tijdens een discussie over tekortkomingen in Belgisch militair individueel materieel (bottines, kleding, regenjassen, EHBO-trousses, munitie) benadrukte Lasseaux dat slecht aangepaste uitrusting en onvoldoende voorraad leiden tot frustratie, gezondheidsproblemen en operationele risico’s, met name door gebrek aan soldateninbreng bij aanschaf. Minister Francken verwees naar het evolutieve BDCS-systeem (2022-2037), waarbinnen terugkoppeling via een app, regelmatige aanpassingen en gratis vervanging bij slijtage (behalve bij nalatigheid) mogelijk zijn, met plannen om NAVO-normen voor consumptiegoederen te halen dankzij een budgetverhoging naar 2% BBP. Lasseaux waardeerde de structurele raadpleging van militairen, maar de kernkwestie—praktische bruikbaarheid en voldoende voorraad onder operationele druk—blijft afhangen van toekomstige budgettaire en logistieke uitvoering.

Stéphane Lasseaux:

Monsieur le ministre, je me réfère au texte écrit de ma question pour ne pas infliger une lecture rapide à notre cher interprète.

Monsieur le ministre, la visite en Roumanie que la Défense a organisé pour les membres de cette Commission a été extrêmement intéressante. Je remercie les services de la Défense pour l'excellent déroulement de cette mission. En discutant avec les militaires sur place, certains problèmes avec les équipements individuels ont retenu mon attention. Par exemple:

1° Les nouvelles bottines de l'armée ne seraient pas adaptées et ne répondraient pas au besoin. L'expérience sur le terrain montre des semelles trop dures et des tendinites à répétition. Certains militaires regrettent ne pas avoir été associés à l'évaluation ou au moins, de ne pas avoir été consultés alors que nombre d'entre eux avaient procédé à l'achat de leurs propres bottines correspondant mieux à leurs besoins.

2° On ne fournit que trois exemplaires de battledress aux militaires. C'est peu quand ils sont en opération pour de long mois ou en cas d'exercices. De plus, s'ils sont abîmés, il appartient à chaque militaire de payer un remplacement.

3° Les vestes de pluie ne sont pas adaptées non plus : elles sont trop légères, trop fragiles. Ici aussi, si elles sont abîmées, ils doivent les remplacer à leurs frais.

4° Il n'y a pas assez de trousses de soin individuelles, ce qui conduit à une limitation des entraînements. Les militaires sont donc inquiets sur l'efficacité de la réaction de leur binôme, en cas d'accident ou en opération.

5° Ils n'ont jamais tiré avec une vraie "grenade anti-chars" lors des entraînements. Ils s'inquiètent de l'efficacité de leur action en cas d'utilisation en opérations.

Monsieur le ministre, ces quelques exemples démontrent que l'absence des moyens accordés à notre armée entraînait des frustrations et de sérieuses inquiétudes chez les militaires. J'aurai donc plusieurs questions:

Au niveau des équipements individuels, existe-t-il un retour sur expérience et éventuellement une remise en question des choix opérés si les équipements s'avèrent inadaptés?

Comment est-ce que les hommes de rang, ceux qui utilisent les équipements au jour le jour sont consultés ou participent au choix de ces équipements basiques?

Comptez-vous augmenter la dotation de chaque militaire pour ces équipements individuels, spécialement si vous augmentez les exercices et les opérations?

Dans le cadre de l'augmentation de la readiness, allez-vous rendre les exercices plus réalistes, y compris en utilisant une plus grande quantité de "consommables" comme les munitions et les trousses de secours?

Theo Francken:

Monsieur Lasseaux, le gestionnaire de matériel de l'équipement individuel maintient un contact permanent avec les militaires, que ce soit en garnison ou en opération. Les retours qu'il reçoit sont systématiquement analysés avec le fournisseur afin d'adapter l'équipement aux besoins concrets des militaires dans toutes les situations.

Avant la mise en œuvre de l'accord-cadre Belgian Defence Clothing System (BDCS), en vigueur depuis 2022 pour une durée de quinze ans, des tests en laboratoire et sur le terrain ont été réalisés. L'accord est conçu pour permettre des adaptations régulières de l'équipement et l'introduction de nouveaux articles. Il s'agit donc d'un système évolutif. Le gestionnaire implique les militaires dans l'évaluation des nouveaux équipements pour chaque nouveau marché. Grâce à l'accord BDCS, les militaires peuvent également soumettre leurs remarques via une application en ligne après usage opérationnel. Durant la phase préparatoire du BDCS, le volume d'équipement par soldat a été soigneusement étudié selon l'intensité d'engagement. La composition et la qualité évoluent constamment pour répondre aux besoins.

Un militaire déployé en opération dispose actuellement de trois uniformes de base et d'équipements complémentaires: chemises de combat, pantalons et vestes tactiques, etc. Un marché public séparé est en cours pour l'achat de bottines et de chaussettes, également précédé de tests rigoureux. Le service de blanchisserie, militaire ou civil, reste un élément essentiel au bien-être du soldat. Tout article du trousseau, y compris les équipements de pluie et du BDCS, peut être échangé gratuitement en cas de perte ou de dommage, sauf négligence, évalué au cas par cas par le commandement. Cela me semble normal. Les niveaux de stocks consommables (munitions, carburant, rations, équipement, etc.) seront augmentés progressivement pour se conformer aux standards de l'OTAN. Cela implique d'importantes adaptations logistiques. Le passage à 2 % du PIB pour le budget de la Défense est crucial pour soutenir cette évolution.

Stéphane Lasseaux:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse très précise et complète. Merci aussi de m'avoir informé de l'existence d'une concertation avec les militaires puisque ce sont eux qui doivent porter ces uniformes. Je trouve important que cette concertation puisse avoir lieu. En effet, nous savons que leurs conditions de travail sont parfois difficiles. Merci beaucoup!

Voorzitter:

Dank u voor de volgehouden aandacht, collega's. We zijn goed opgeschoten met onze agenda. Dat was ook nodig. We zien elkaar volgende week. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 20.32 uur. La réunion publique de commission est levée à 20 h 32.

Het huiselijk geweld in Helchteren door een gedetineerde in penitentiair verlof
Het drama in Helchteren en het ernstige risico bij noodmaatregelen door overbevolkte gevangenissen
De beoordeling inzake penitentiair verlof en elektronisch toezicht in het licht van huiselijk geweld
De poging tot feminicide in Helchteren en de aanpak van feminicides
Huiselijk geweld, penitentiair verlof en risicobeheersing bij overbevolkte gevangenissen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 8 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Een veroordeelde veelpleger voor intrafamiliaal geweld stak zijn partner in brand tijdens verlengd penitentiair verlof (VPV), een noodmaatregel tegen gevangenisoverbevolking, ondanks zijn tien veroordelingen en bekende agressie- en drugsproblematiek—zonder contactverbod of voldoende opvolging. Kritiek richt zich op systeemfalen: Justitie en gevangenisdirectie baseerden hun positieve adviezen op verouderde risicotaxaties, gebrek aan structurele capaciteit en onvoldoende slachtofferbescherming, terwijl strafuitvoeringsrechters al waarschuwden voor dergelijke risico’s. Minister Verlinden belooft versnelde wetgeving om elektronisch toezicht bij intrafamiliaal geweld te verbieden op het slachtofferadres, plus structurele oplossingen (nieuwe gevangenissen, repatriëring illegale gedetineerden, betere risico-inschatting), maar parlementsleden eisen onmiddellijke actie—zoals een amendement in de noodwet—om herhaling te voorkomen. Het dossier onderstreept urgentie voor samenhangend beleid tegen partnergeweld en gevangeniscrisis.

Alain Yzermans:

Mevrouw de minister, Houthalen-Helchteren is een warme, gastvrije gemeente, maar afgelopen donderdag stond de wereld daar even stil. Het was een van de meest ijzingwekkende gebeurtenissen die ik heb meegemaakt in mijn 22 jaar burgemeesterschap, en er gebeurt wel eens wat in onze gemeente.

De gruweldaad die werd gepleegd door een voor familiaal geweld veroordeelde gedetineerde, is niet te bevatten. Onze gemeente is die twee dagen in een rollercoaster terechtgekomen. Alle inwoners van Houthalen-Helchteren zijn intens geraakt door de feiten, net als alle inwoners van België. Het heeft diepe wonden geslagen en mijn medeleven gaat vooral uit naar de mama die levensbedreigend verbrand werd en nog steeds in coma ligt. We kunnen alleen maar hopen dat ze niet te veel infecties oploopt.

Het was niet alleen een rollercoaster van gebeurtenissen, maar ook een administratieve thriller hoe zoiets kon gebeuren. Ik waag mij niet aan dat onderzoek. Er moeten antwoorden komen op de vragen of alle nodige adviezen waren verleend, of de risico's goed ingecalculeerd waren en of de maatschappelijke onderzoeken goed gevoerd waren, bij elke stap en elk deel van de keten tot aan de feiten. Alleszins was het een brug te ver, a bridge too far .

Slachtofferzorg en de noden van slachtoffers zijn voor ons allen belangrijk, ook voor de regering en voor u, mevrouw de minister. Toch kunnen we ons afvragen hoe zoiets kon gebeuren. We kijken met verbijstering tot wat de escalatie heeft geleid. Gelukkig kon die man worden gearresteerd en voorgeleid. Hoe is het mogelijk dat zo'n persoon, met zo'n historiek van recidive zoiets kon doen? Het debat vandaag moet daarover meer duidelijkheid brengen.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, "Heeft de overbevolking haar eerste slachtoffer buiten de gevangenis geëist?". Dat was een heel duidelijke krantenkop afgelopen weekend – en terecht.

De feiten zijn bekend: in Limburg stak een gedetineerde vorige donderdag zijn vrouw in brand. We zijn het er allemaal over eens dat de feiten bijzonder gruwelijk zijn. Ze gebeurden bovendien in aanwezigheid van vijf van hun zes kinderen, van wie de jongste amper twee en de oudste vijftien jaar is. De vrouw werd levensgevaarlijk gewond, maar ook de kinderen waren, zo heb ik begrepen, diep onder de indruk. Ze zullen die vreselijke, traumatische ervaring levenslang moeten meedragen. Ook zij zijn slachtoffer. Onze gedachten gaan uiteraard uit naar die vrouw, maar ook naar haar kinderen.

Mevrouw de minister, die man had in de gevangenis moeten zitten. Hij zat daar wegens intrafamiliaal geweld tegen dezelfde vrouw. Hij was veroordeeld tot 37 maanden. Die strafmaat was niet toevallig gekozen door de correctionele rechter, omdat de gedetineerde dan niet onder de toepassing valt van de maatregelen die gelden tot drie jaar gevangenisstraf. Hij was dus veroordeeld tot 37 maanden, maar moest zijn straf niet meer uitzitten. Vergeet ook niet dat die gedetineerde met het plegen van criminele feiten een behoorlijke staat van dienst heeft, een strafblad om u tegen te zeggen, met niet minder dan tien veroordelingen.

Het is dan ook totaal onbegrijpelijk dat Justitie toeliet dat die agressieve veelpleger de gevangenis veel vroeger mocht verlaten. Hij mocht de cel verlaten dankzij een noodmaatregel in het kader van de overbevolking. Hij was met verlengd penitentiair verlof. Blijkbaar had hij ook een aanvraag ingediend om de rest van zijn straf thuis uit te zitten onder elektronisch toezicht. In afwachting daarvan had de gevangenisdirecteur blijkbaar al een positief advies gegeven om voorlopig naar huis terug te keren. Dat is onbegrijpelijk, gezien de duidelijke agressieproblematiek van die man en zijn ernstige drugsverslaving.

Hij werd blijkbaar ook vrijgelaten zonder voorwaarden ter bescherming van het slachtoffer en de kinderen. De vraag moet dan ook worden gesteld: waarom gold er geen contactverbod? Ook dat is totaal onbegrijpelijk.

Terecht wordt dan ook de vraag gesteld of het wel aangewezen is dat iemand in dergelijke omstandigheden de gevangenis mag verlaten en mag terugkeren naar partner en kinderen, om helaas opnieuw toe te slaan tegen hetzelfde slachtoffer.

Mevrouw de minister, strafuitvoeringsrechters hebben al herhaaldelijk gewezen op de vele risico’s van de noodmaatregelen. Het verlengd penitentiair verlof brengt de maatschappelijke veiligheid in gevaar, zo waarschuwden ze eind 2024 zeer ondubbelzinnig, waarbij ze letterlijk zeiden: "Er lopen nu mensen vrij rond die wij niet zouden vrijlaten." Ze voegden daar nog aan toe dat al verschillende veroordeelden die dankzij die noodmaatregelen de gevangenis mochten verlaten, opnieuw feiten hebben gepleegd.

Mevrouw de minister, die gebeurtenissen zijn bijzonder desastreus voor het imago van justitie. Gevaarlijke gedetineerden worden zomaar vrijgelaten, zonder voorwaarden. Nogmaals, dat is totaal onbegrijpelijk en totaal onaanvaardbaar.

Mevrouw de minister, ik heb daarover verschillende vragen.

Ten eerste, kunt u meer toelichting geven? Waarom kreeg de betrokkene, die toch een aanzienlijke staat van dienst heeft, met reeds tien veroordelingen voor onder meer verkeersinbreuken, heling, verboden wapens en intrafamiliaal geweld, penitentiair verlof? Op basis van welke elementen heeft de gevangenisdirecteur daarvoor een positief advies gegeven?

Ten tweede, waarom mocht de gedetineerde naar huis terugkeren, zonder voorwaarden ter bescherming van het slachtoffer en van de kinderen? Ik doel onder meer op een contactverbod. Uit de media konden we vernemen dat die gedetineerde een ernstige agressieproblematiek heeft en drugsverslaafd was. Is dat geen voldoende reden om een gunstmaatregel wegens overbevolking, want daar gaat het om, te weigeren voor een gedetineerde die voor intrafamiliaal geweld werd veroordeeld?

Ten derde, gelet op de zware agressieproblematiek bij de gedetineerde, dient ook te worden gevraagd of en welke therapie die man tijdens zijn verblijf in de gevangenis heeft gekregen. Ook daarover had ik graag meer toelichting gekregen.

Ten vierde, ik heb begrepen dat de politie na zijn vrijlating al bij het gezin moest tussenkomen, opnieuw wegens agressief gedrag en intrafamiliaal geweld, waarvoor blijkbaar een proces-verbaal werd opgesteld. Ook daarbij moet de vraag worden gesteld of er niet onmiddellijk had moeten worden ingegrepen. Was de politie eigenlijk op de hoogte van het feit dat die man penitentiair verlof had gekregen? Waarom werd niet afgesproken dat die man bij het plegen van de minste nieuwe feiten onmiddellijk opnieuw naar de gevangenis moest terugkeren?

Ten vijfde, dit dossier roept opnieuw vragen op over de nieuwe noodwet tegen overbevolking in de gevangenissen die binnenkort ter stemming wordt voorgelegd. Ook de strafuitvoeringsrechters hebben al herhaaldelijk gewaarschuwd voor de risico’s van die noodmaatregelen. Het probleem van de overbevolking moet structureel worden aangepakt, niet met een noodwet die veel te veel risico’s inhoudt. Wanneer gaat u eindelijk een concreet plan uitwerken om dat probleem structureel aan te pakken?

Ten zesde, u hebt aangekondigd werk te maken van een wet die ervoor zal zorgen dat het niet langer mogelijk is dat daders van intrafamiliaal geweld hun elektronisch toezicht kunnen uitzitten op het adres van het slachtoffer. Dat is volledig terecht. Los van de bedenking dat daders van intrafamiliaal geweld überhaupt uitgesloten moeten worden van de gunst van elektronisch toezicht – dat is een ander debat – moet u van die wet dringend werk maken. Wanneer zal die wet er komen?

Sophie De Wit:

Mevrouw de minister, ik zal de feiten niet herhalen, want mijn collega's hebben ze al aangehaald. Deels heb ik dezelfde vragen en die zal ik niet herhalen. Enkel wat voor mij het belangrijkste is, zal ik hernemen.

ik denk dat we allen hier hopen dat het goedkomt. Los daarvan staat uitdrukkelijk in het regeerakkoord dat elektronisch toezicht in het kader van intrafamiliaal geweld onmogelijk zou moeten zijn indien dat in de nabijheid van slachtoffers of hun familie zou plaatsvinden. Dat is natuurlijk een belangrijk aspect, waarnaar mevrouw Dillen zonet al verwees. U hebt immers inderdaad een wetgevend initiatief in die zin aangekondigd.

Het is belangrijk goed te begrijpen wat er precies is gebeurd en waar het is misgelopen. Het is daarom belangrijk dat u schetst welke beslissingen genomen werden en waarom. Welke positieve of negatieve adviezen werden er gegeven en waarom werd er eventueel van afgeweken? Wat wist de politie over die man? Waren er voorwaarden opgelegd? De krant bericht dat er geen voorwaarden waren opgelegd ter bescherming van de slachtoffers. Waarom is dat dan niet gebeurd? Dat lijkt mij cruciaal. In het regeerakkoord staat ook een zeer belangrijk luik met het oog op de bescherming van slachtoffers. Het is voor deze casus dus cruciaal de synthese te maken van wat er is misgelopen. Alleen zo kunnen we in de toekomst gepaste maatregelen nemen. Aan het verleden kunnen we niets meer veranderen, maar we kunnen uit elke casus wel lessen trekken en bijsturen.

Mijn belangrijkste vraag gaat over het aangekondigd wetsontwerp. Vorige week heb ik u tijdens de bespreking van de noodwet inzake de overbevolking van de gevangenissen vragen gesteld over het elektronisch toezicht in het kader van intrafamiliaal geweld en de bescherming van slachtoffers. ik vraag u nogmaals: wanneer kunnen we dat wetsontwerp in de Kamer bespreken? Kunnen we dat eventueel versneld doen? Het heeft immers weinig zin om te sleutelen aan een noodwet als er ondertussen nog steeds een leemte bestaat die ons belet om gepast in te grijpen. We moeten aan de strafuitvoeringsrechters en aan elke dienst binnen Justitie alle nodige instrumenten geven om zulke gebeurtenissen in de toekomst zoveel mogelijk te vermijden. Daarvoor is een dergelijk verbod naar mijn mening absoluut op zijn plaats.

Ayse Yigit:

Mevrouw de minister, ik ben, zoals mijn collega, de heer Yzermans, afkomstig uit Houthalen-Helchteren en ik deel zijn gevoelens. Onze gemeente werd vorige donderdag opgeschrikt door een bijzonder gruwelijke gebeurtenis: een vrouw werd in aanwezigheid van haar kinderen in brand gestoken door haar partner.

Helaas is het geen alleenstaand geval. In België sterft om de 12 dagen een vrouw als gevolg van partnergeweld. Op 10 juni nog werd Wendy, 47 jaar, vermoord door haar ex-man in Erwetegem. Ze leefde met hem samen uit pure financiële noodzaak. Wat die gevallen gemeen hebben, is dat het niet gaat om plots losbarstend geweld, maar het tragische eindpunt van een patroon zijn na escalatie van fysiek, psychisch, seksueel of economisch geweld. Te vaak blijven alarmsignalen onbeantwoord.

In het geval van Helchteren komt daar nog het schokkende feit bij dat de dader met penitentiair verlof, ondanks een eerdere veroordeling voor zwaar intrafamiliaal geweld op hetzelfde slachtoffer, was. Volgens getuigen had de politie die dag nog tussenbeide moeten komen. Toch liep hij vrij rond. Hij werd even aangehouden, maar kon opnieuw ontsnappen.

Werd er bij de toekenning van het penitentiair verlof een risicotaxatie uitgevoerd?

Hoe werd zowel de dader als het slachtoffer en haar kinderen opgevolgd tijdens dat verlof?

Hoe kan het dat de man dezelfde dag nog geweld kon plegen, zonder onmiddellijke en effectieve inhechtenisneming?

Welke maatregelen zal uw kabinet nemen om de opvolging van daders van intrafamiliaal en seksueel geweld structureel te verbeteren, met het oog op preventie?

Hoe wilt u de feminicidewet in de praktijk versterken, zodat vrouwenlevens echt worden beschermd?

Stefaan Van Hecke:

Mevrouw de minister, de gebeurtenissen die zich recent afspeelden in Helchteren laten niemand onberoerd. Een vrouw werd op gruwelijke wijze het slachtoffer van extreem partnergeweld, voor de ogen van haar kinderen. Dit is een drama dat afschuw en diepe verontwaardiging oproept bij iedereen. We mogen echter niet in de val trappen om nu al meteen met de vinger te wijzen naar mogelijke schuldigen. Willen we lessen trekken uit wat er is gebeurd - dat moeten we doen - dan moeten we het dossier heel grondig analyseren. Zo kunnen we achterhalen waar het fout is gegaan, wie er verantwoordelijk is en of er structureel iets schort aan het beleid inzake strafuitvoering, de opvolging van risicoprofielen en de bescherming van slachtoffers van partnergeweld.

Wat op het eerste gezicht opvalt, is de opeenstapeling van zorgwekkende elementen: een veroordeelde veelpleger die vervroegd de gevangenis mocht verlaten via een uitzonderingsmaatregel, een politiedienst die hem ondanks signalen en feiten liet gaan, een slachtoffer dat ondanks de gespannen situatie en een gekende voorgeschiedenis van geweld niet de nodige bescherming kreeg en uiteindelijk een gruwelijke escalatie die misschien vermeden had kunnen worden.

Mevrouw de minister, we hebben hierover heel wat vragen. Ten eerste, wat was de totale uitgesproken gevangenisstraf in dit dossier? Wat was de datum van eventuele vervroegde invrijheidsstelling? Wat is de einddatum van de straf? Waren er op het moment van de toekenning van het verlengd penitentiair verlof nog andere strafzaken hangende?

Ten tweede, welke strafuitvoeringsmodaliteiten werden er gedurende de detentieperiode reeds aangevraagd? Ten derde, wanneer werden de aanvragen voor penitentiair verlof officieel ingediend en goedgekeurd? In het kader van de maatschappelijke enquête wordt normaal ook een bezoek gebracht aan het thuismilieu. Is dit gebeurd? Zo ja, wanneer werd dat gedaan en wat was het verslag van de justitieassistent? Wat werd er vastgesteld over de gezinssituatie en de woonomgeving?

Ten vierde, hoeveel penitentiaire verloven werden er reeds toegekend in dit dossier? Hoe zijn die geëvalueerd? Werd er bij de uitvoering contact opgenomen met het thuismilieu, met de echtgenote of haar omgeving? Kon de psychosociale dienst rechtstreeks contact hebben met de echtgenote? Wat gaf zij zelf aan?

Ten vijfde, wat was de motivatie van de gevangenisdirectie om het verlengd penitentiair verlof goed te keuren? Hoe rijmt dat met de eerder geweigerde aanvragen voor elektronisch toezicht, waarbij net werd gekozen voor een stapsgewijze opbouw van re-integratie?

Tot slot, ziet u aanwijzingen dat er structureel iets schort aan de opvolging van personen met verlengd penitentiair verlof? Hoe wordt in de praktijk gecontroleerd of zij hun voorwaarden naleven

Ik heb heel veel vragen en ik hoop dat ik straks heel veel antwoorden mag krijgen.

Annelies Verlinden:

Collega’s, vooreerst sluit ik mij aan bij de blijken van medeleven ten aanzien van het slachtoffer, haar jonge kinderen, de hele familie en de omgeving. Ik hoop dat er snel beter nieuws over haar medische situatie, waarover de burgemeester daarnet nog verslag uitbracht, komt. Ik dank alvast iedereen voor de goede zorg waarmee men het slachtoffer en haar kinderen in deze verschrikkelijke tijden omringt. Het afgrijselijke drama in Houthalen-Helchteren van afgelopen donderdag raakt ons allemaal diep. Niemand heeft dat gewild.

De gebeurtenissen raken niet alleen direct het slachtoffer en haar jonge kinderen, maar ook al wie van ver of dichtbij te maken heeft met intrafamiliaal geweld. Er worden dan ook terecht veel vragen gesteld over de precieze oorzaken en omstandigheden. Ik zal trachten die zo precies en helder mogelijk te beantwoorden, binnen mijn bevoegdheid en op basis van de informatie waarover ik vandaag beschik. Ik heb daartoe het nodige onderzoek gevoerd op basis van de stukken in het dossier, zoals aangekondigd. Wat de meer specifieke vragen over de rol en het optreden van de politie betreft, lijkt het mij gepast dat de minister van Binnenlandse Zaken daarover de nodige verduidelijkingen verstrekt.

Over het stelsel waardoor de betrokkene buiten de gevangenis kon verblijven, sinds 4 april van dit jaar verbleef hij in verlengd penitentiair verlof, of VPV. Sinds maart 2024 kan een gedetineerde een verlengd penitentiair verlof krijgen, als maatregel tegen de stevige overbevolking in de gevangenissen tijdens de vorige legislatuur. Het verlengd penitentiair verlof is overigens geen nieuw gegeven; het werd in het verleden al toegepast wegens de overbevolking. Zo was er in 2017 een week-om-weeksysteem, net zoals in 2020 naar aanleiding van de coronapandemie.

Het verlengd penitentiair verlof bouwt verder op het klassieke penitentiair verlof, zoals ingeschreven in de wet betreffende de externe rechtspositie (WERP). De maatregel kan pas worden toegekend wanneer aan een aantal voorwaarden is voldaan. Ten eerste moeten eerdere verloven waarvoor de gedetineerde in aanmerking kwam, correct zijn verlopen, ten tweede moet er een vaste verblijfplaats zijn en, ten derde, moeten er bestaansmiddelen zijn. Uiteraard komt niet elke gedetineerde voor VPV in aanmerking. Het verlengd penitentiair verlof kan onder de gestelde voorwaarden worden toegekend aan veroordeelden met een totale gevangenisstraf van maximaal vijftien jaar. Personen die veroordeeld zijn voor zedenmisdrijven of voor terroristische misdrijven of die opgenomen zijn op de lijst van het OCAD, zijn ongeacht de strafmaat sowieso uitgesloten van het stelsel.

In elk geval zal het stelsel van het VPV worden beëindigd, zodra de noodwet waarover we vorige week debatteerden, wordt goedgekeurd. Er zullen dan geen nieuwe VPV-toekenningen meer kunnen toegestaan. Daarnaast zullen de gedetineerden die vandaag nog onder het stelsel van VPV vallen, prioritair opnieuw worden opgenomen in de gevangenis, behoudens een andere beslissing door de strafuitvoeringsrechtbanken in verband met de strafuitvoeringsmodaliteiten.

Laten we ook nog even verduidelijken dat de maatregelen uit de noodwet, waarover we het hadden, in casu niet van toepassing zouden zijn op de betreffende gedetineerde, in de eerste plaats omdat de betrokkene veroordeeld werd voor feiten van intrafamiliaal geweld tot een gevangenisstraf van 37 maanden, dus meer dan drie jaar, en ten tweede omdat zijn totale strafmaat meer dan tien jaar bedraagt. De noodwet beoogt, zoals ik al zei, capaciteit te creëren in de gevangenissen door de meest gevaarlijke gedetineerden opnieuw op te nemen. Ze heeft dus betrekking op andere casussen, wat meteen de ernst van de situatie onderstreept.

Opdat een veroordeelde het VPV-stelsel kan blijven genieten, moet hij of zij de algemene voorwaarden naleven die op iedereen van toepassing zijn, zoals onder meer het niet plegen van nieuwe misdrijven. Daarnaast kan de directeur, rekening houdend met eventuele tegenaanwijzingen voor de betrokkene zoals vluchtgevaar, bijzondere, geïndividualiseerde voorwaarden opleggen bij de toekenning van het VPV. Dat kan bijvoorbeeld gaan om het volgen van een behandeling, het voorbereiden van de reclassering, het verbod om een voertuig te besturen, of het verbod om drankgelegenheden te bezoeken. Het stelsel van VPV kan onmiddellijk worden ingetrokken als de gedetineerde de voorwaarden, zowel de algemene als de geïndividualiseerde, schendt. Ook wijzigingen in de persoonlijke situatie van de gedetineerde kunnen aanleiding geven tot intrekking van de VPV, bijvoorbeeld een verandering van verblijfplaats. De gevangenis en het parket kunnen daarvan via verschillende kanalen op de hoogte worden gebracht, namelijk de politie, het onthaalmilieu of de psychosociale dienst die de betreffende gedetineerde in het kader van het VPV opvolgt.

In casu werd de betrokkene eerder correctioneel veroordeeld voor in totaal tien feiten, namelijk zeven verkeersinbreuken, één feit van slagen en verwondingen in het kader van intrafamiliaal geweld, één feit van heling en één feit van verboden wapendracht. Voor het feit van slagen en verwondingen werd hij veroordeeld tot een gevangenisstraf van 37 maanden. De betrokkene verbleef in de gevangenis sinds 28 september 2021. Uit zijn eerdere detentietraject blijkt dat hij op 5 november 2024 tien uitgaansvergunningen heeft gekregen voor het uitwerken van zijn reclassering.

Die vergunningen werden onder meer gebruikt om de intakeprocedure voor een begeleidingstraject inzake alcohol- en drugproblemen te doorlopen. De therapie wordt pas opgestart na de detentie, maar hij bereidde dat traject vanuit de detentie voor met behulp van die uitgaansvergunningen. Bovendien kreeg hij op 5 november 2024 één blok van vier keer 36 uur regulier penitentiair verlof, opnieuw om de sociale re-integratie voor te bereiden en de familiale banden te versterken.

Door het positieve verloop van dat eerste verlofblok van vier sessies – het is gebruikelijk dat dergelijke verloven onmiddellijk een aantal keer worden toegekend – kreeg hij sinds 14 maart van dit jaar op regelmatige basis penitentiair verlof, opnieuw om aan zijn sociale re-integratie en reclassering te werken. Daaronder viel ook een aaneensluitende verlofperiode van 72 uur, in het kader van een bezoek aan zijn zoon, die toen gehospitaliseerd was wegens medische problemen.

Naar aanleiding van zijn aanvraag voor de modaliteit van elektronisch toezicht, waarvoor hij voldeed aan de tijdsvoorwaarden, werd het dossier door de psychosociale dienst nader onderzocht met het oog op een eventuele toekenning van die modaliteit. Zo werd een risicotaxatie uitgevoerd en werd het bevoegde justitiehuis gecontacteerd om een maatschappelijke enquête af te nemen. De recentste maatschappelijke enquête dateert van februari van dit jaar.

Op basis van de verschillende elementen, dus het verslag van de psychosociale dienst, de maatschappelijke enquête, het verloop van de eerdere penitentiaire verloven en de uitgaansvergunningen, zijn gedrag in detentie en het reclasseringsplan, heeft de directeur een positief advies gegeven voor de toekenning van elektronisch toezicht. Bijgevolg kwam de betrokkene in aanmerking voor een verlengd penitentiair verlof sinds 4 april van dit jaar.

Het adres waar de vreselijke feiten plaatsvonden op donderdag 3 juli was inderdaad het verblijfsadres. Op basis van de beschikbare informatie, het onderzoek door de psychosociale dienst en de herhaald uitgesproken wens tot gezinshereniging werd geconcludeerd dat de betrokkene op dat adres kon verblijven. Dat is echter, zoals we intussen allemaal weten, helemaal fout afgelopen.

Het is momenteel, zoals u weet, inderdaad niet uitgesloten om in het kader van penitentiair verlof op het adres van het slachtoffer te verblijven, op voorwaarde dat er voldoende elementen in het dossier aanwezig zijn om dat als veilig in te schatten. Die inschatting betreft een beoordeling van alle elementen in het dossier door alle betrokken instanties, die ik zonet heb overlopen.

In casu doorliep de betrokkene, zo blijkt uit de informatie, meerdere penitentiaire verloven die positief werden geëvalueerd. Ook kon worden vastgesteld dat zijn partner op bezoek kwam in de gevangenis. Ook die bezoeken verliepen, op basis van de beschikbare informatie, zonder problemen.

Men is dus tot de conclusie gekomen dat het detentietraject, dat sinds 2021 liep, eerder gunstig verliep. We begrijpen ook dat hij probeerde om zijn tijd nuttig te besteden door te werken aan zijn verslavingsproblematiek vanuit de drugsvrije afdeling. Hij kreeg psychologische begeleiding en nam deel aan begeleidings- en opleidingsprogramma’s. Die informatie kunnen we uit het dossier afleiden.

Tijdens het stelsel van het verlengd penitentiair verlof, sinds april van dit jaar, werd de betrokkene ook opgevolgd door de psychosociale dienst van de gevangenis. Een laatste periodieke opvolging met het thuismilieu vond plaats op 20 juni en leverde, zo blijkt, tot op dat moment geen tegenindicaties op. Het gevangeniswezen werd – opnieuw, op basis van de informatie waarover wij beschikken – tot op 3 juli niet in kennis gesteld van bijzondere of specifieke feiten of incidenten.

Zoals u wellicht hebt vernomen uit de pers, zouden er tot op de dag van het drama vorige week donderdag ook geen tussenkomsten van de politie zijn geweest op het verblijfsadres ten aanzien van de betrokkene. Ik wil wel duidelijk onderstrepen dat dat nog verder moet worden bevestigd aan de hand van informatie die allicht bij andere overheden en diensten kan worden opgevraagd. Wat ik nu meedeel, is wat wij begrijpen op basis van publiek beschikbare informatie.

Na kennisname van de dramatische feiten op 3 juli, via het proces-verbaal, werd het verlengd penitentiair verlof uiteraard onmiddellijk ingetrokken. Voor de volledigheid van het dossier wil ik ook meegeven dat de toekenning van een stelsel van verlengd penitentiair verlof wordt geregistreerd in I+Belgium, zodat de politiediensten in voorkomend geval de betrokken gedetineerden in VPV kunnen opvolgen en de naleving van de voorwaarden kunnen controleren. Ik begrijp dat de registratie voor de betrokkene werd doorgevoerd. Minister Quintin kan wellicht specifieke vragen over het optreden van de politie beantwoorden.

Op basis van alle informatie waarover ik beschik en die ik zonet heb toegelicht, kan ik besluiten dat het gevangeniswezen en ook de gevangenisdirectie de verschillende stappen hebben doorlopen in het kader van de detentie, op basis van de vigerende wettelijke context. Dat geldt ook voor de beoordeling van de detentie en de toekenning en het behoud van modaliteiten en van het stelsel aan de betrokkenen.

Ik geloof wel dat dat dramatisch incident aantoont dat de urgentie om verder te investeren in justitie levensgroot is. De langdurige tekorten aan middelen bij Justitie hebben het werk van onze gevangenisdirecteurs, de medewerkers van DG EPI en van alle medewerkers en betrokken partners binnen de justitiehuizen en de zorg- en opvangdiensten doen verworden tot een steeds complexere opdracht. Vandaag is de puzzel waarmee zij dagelijks worden geconfronteerd uitermate moeilijk te leggen. De verschillende van toepassing zijnde stelsels zijn ook moeilijk op te volgen.

Sinds het begin van deze legislatuur is het dan ook mijn grote ambitie om daarin een kentering aan te brengen. Ik beloof niet dat dat snel of eenvoudig zal zijn, maar ik geloof wel dat we onder meer met de noodwet – ik kom zo meteen nog terug op een aantal andere initiatieven die momenteel in behandeling zijn – in staat kunnen zijn om de koers te wijzigen.

We hebben daarenboven al werk gemaakt van een multidisciplinair plan voor de aanpak van de overbevolking, waarnaar mevrouw De Wit vroeg. De ministers van Asiel en Migratie, Buitenlandse Zaken en de Regie der Gebouwen zijn daarbij betrokken. We willen meer mensen zonder wettig verblijf uit onze gevangenissen verwijderen naar hun land van herkomst om capaciteit vrij te maken. We gaan werken met modulaire infrastructuur, waarvoor we middelen hebben verkregen. Uiteraard moeten we daarvoor ook personeel rekruteren. We willen de capaciteit vergroten door bestaande infrastructuur open te houden, zoals onder meer in Sint-Gillis en in Antwerpen. We willen ook nieuwe gevangenissen bouwen, onder meer in Vresse-sur-Semois.

De toekenning van die middelen, die onder meer wordt vermeld in de IDP Overbevolking en waarover we het al hebben gehad, zal hopelijk snel door de regering worden goedgekeurd, zodat we effectief aan de slag kunnen gaan met die initiatieven. Er ligt uiteraard nog een traject voor ons dat wij de komende maanden en jaren moeten bewandelen, allicht samen met alle collega's. Het plan ligt dus wel degelijk op tafel.

Het zal een en-en-en-enverhaal zijn, want er bestaat geen magische oplossing. Dat we eraan moeten werken, is echter mijn vaste overtuiging. Dat zijn wij verschuldigd aan de hele samenleving, in het bijzonder aan de slachtoffers van geweld en intrafamiliaal geweld, maar ook aan de gevangenisdirecties, het gevangenispersoneel en alle partners van Justitie, die zich elke dag inzetten in moeilijke omstandigheden om een zo veilig mogelijke samenleving waar te maken.

Tot slot wil ik nog ingaan op een aantal meer punctuele elementen.

Mevrouw De Wit, u verwees naar het feit dat wij in het regeerakkoord maar ook in de beleidsverklaring al de ambitie hebben opgenomen om de onmogelijkheid in te voeren dat daders van intrafamiliaal geweld hun gebeurlijk elektronisch toezicht kunnen uitzitten op het adres van het slachtoffer. We hebben niet gewacht op het genoemd incident; maar al werk gemaakt van de teksten. Ik hoop dat we ze samen met de collega's deze week of volgende week op de ministerraad kunnen bespreken, zodat we het ontwerp van wet, samen met u bekende bepalingen over het doorknippen van de enkelband, het ontsnappen uit de gevangenis en drugstests, na het parlementair reces in de commissie voor Justitie kunnen bespreken en goedkeuren. Daardoor verkrijgen we een wettelijke basis om in gevallen van intrafamiliaal geweld de standaardoptie niet te laten zijn dat elektronisch toezicht plaatsvindt op het adres van het slachtoffer, maar wel elders. Ook de situatie waarvan sprake toont immers aan dat we niet voorzichtig genoeg kunnen zijn.

Mevrouw Yigit, over de werkzaamheden rond een uniform risicotaxatie- en risicobeheersingsinstrument ter preventie van intrafamiliaal geweld en feminicide kan ik u mededelen dat in het kader van de wet van 13 juli 2023 betreffende de preventie en bestrijding van feminicides en gendergerelateerde dodingen mijn diensten samen met het openbaar ministerie en de politie hebben deelgenomen aan een werkgroep met het oog op de uitwerking van al de aanbevelingen en soms ook verplichtingen die in de bedoelde wet zijn opgenomen, onder de coördinatie van het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen. Binnen die werkgroep werd een wetenschappelijk onderzoek gevoerd. In september zullen we het eindresultaat daarvan kunnen bespreken en bekijken hoe we de vaststellingen en aanbevelingen nader kunnen implementeren.

Dat gaat ook over preventie, omkadering, begeleiding van slachtoffers, het helpen van slachtoffers om hun leven te hernemen en het doorgeven van informatie tussen hulpdiensten en andere diensten. We hebben het dan over vluchthuizen, veilige huizen en vormingen van politie en magistraten – die worden nu al georganiseerd – om ervoor te zorgen dat iedereen die een schakel in die keten kan zijn, daar maximaal bij wordt betrokken, conform de aanbevelingen van het gezamenlijk rapport dat vorig jaar werd voorgesteld onder leiding van het Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen, met alle verschillende partnerorganisaties en op verschillende domeinen. Gezien de aard van de afspraken in de wet van 2023 en de noodzakelijke partners overstijgt een en ander dus zeker het domein van Justitie sensu stricto .

Bovendien wil ik meegeven dat de bespreking met betrekking tot de actualisering van de samenwerkingsakkoorden met de gemeenschappen en gewesten over de begeleiding en de behandeling van daders van seksueel misbruik, inzonderheid in verband met de samenwerking met het Universitair Forensisch Centrum, lopende zijn. We willen die besprekingen zo snel mogelijk afronden, nadat nog enkele punten zijn uitgeklaard.

Zowel het regeerakkoord als mijn beleidsverklaring van maart van dit jaar toont duidelijk aan dat we de strijd tegen intrafamiliaal geweld zeer ernstig nemen en volop inzetten op maatregelen die dat maatschappelijk probleem helpen bestrijden. Intrafamiliaal geweld eist nog veel te veel slachtoffers en een heleboel blijven nog steeds onder de radar.

Het nieuwe Strafwetboek omvat nieuwe strafbaarstellingen en strafverzwaringen voor intrafamiliaal geweld en seksueel geweld. We willen ook de aangiftebereidheid vergroten, onder meer door anonieme aangifte van fysiek geweld mogelijk te maken, net als onlineaangifte via Police on Web.

Niet al die elementen zijn sensu stricto van toepassing op de casus; de problematiek gaat nu eenmaal breder. Ik wil voorts het mobiel stalkingalarm optimaliseren. Ik verwijs naar de besprekingen in dat verband hier in commissie. In dat licht moet er ook worden overlegd met de gefedereerde entiteiten, zodat het alarm over het hele grondgebied kan worden toegepast.

Daarnaast willen we, binnen de budgettaire mogelijkheden, de rechterlijke orde versterken door te investeren in voldoende parketcriminologen om de werking van de veilige huizen te faciliteren. We hadden al ad-hocinitiatieven genomen om te vermijden dat de werking wordt onderbroken en die moeten we nog versterken.

Samen met de ministers bevoegd voor veiligheid en volksgezondheid onderzoeken we wat we nog meer kunnen ondernemen tegen gedwongen huwelijken, genitale verminking en eergerelateerd geweld. Bij de rechtbanken richten we kamers op voor problematieken zoals intrafamiliaal en seksueel geweld. Om het probleem van de wachtlijsten aan te pakken, willen we de hulpverlening nauwer betrekken. We onderzoeken ook een verplichte inschakeling van de Dienst voor alimentatievorderingen (DAVO) bij intrafamiliaal geweld om de inning van alimentatie te waarborgen en economisch geweld te bestrijden. Mevrouw Yigit verwees ernaar dat sommige partners, vaak vrouwen, zich niet vrij voelen om andere beslissingen te nemen wegens hun financiële mogelijkheden. Dat is dus een belangrijke stap vooruit. We willen er bovendien voor zorgen dat het beroepsgeheim de bescherming van slachtoffers niet in de weg staat. Daarom moeten we het wettelijk kader evalueren met het oog op het engagement van burgers en maatschappelijk werkers.

Collega’s, samenvattend, het is mijn grote ambitie om de samenleving veiliger te maken, zeker ook in de familiale context. We hebben al enkele stappen gezet en voeren we stelselmatig de initiatieven in de pijplijn uit. Uiteraard bespreek ik graag verder met u welke extra initiatieven we op korte termijn kunnen nemen. Intussen hoop ik samen met u op snel beter nieuws over de medische toestand van het slachtoffer van het drama voor haar kinderen.

Alain Yzermans:

Dank u, mevrouw de minister, voor de omstandige uitleg waarbij u de wonden hebt blootgelegd en de manier om ze te remediëren, hebt uiteengezet. We moeten collectief vaststellen dat overbevolking tot uitwassen leidt, zoals het voorbije drama, en dat we samen met veelomvattende maatregelen daar komaf mee moeten maken. Als we de vicieuze cirkel doorbreken, kan een klassiek, humaan gevangenisbeleid resulteren in een uitgebalanceerde aanpak waarbij dergelijke uitwassen kunnen worden vermeden.

Het slachtoffer in Helchteren zal door extreem partnergeweld blijven verminkt zijn of misschien zelfs overlijden. We moeten alles op alles moeten zetten om slachtoffers van familiaal geweld te beschermen. Elektronisch toezicht moet absoluut verboden worden voor veelplegers van intrafamiliaal geweld, want zo kunnen zij nog steeds dicht bij hun slachtoffers komen. Hopelijk wordt dat verbod dankzij de goedkeuring van ontwerp ter zake met uw aller ja-stem mogelijk.

Er is ook meer aandacht voor het slachtoffer in het algemeen nodig, bij elke enquête en bij elke stap in de gerechtsketen. Slachtoffers zijn geen cijfers, het zijn mensen. Het zijn levens die we samen moeten trachten te redden. Op die manier kunnen we een bijdrage leveren aan een humane samenleving.

Marijke Dillen:

Dank u, mevrouw de minister, voor uw bijzonder uitvoerig antwoord. Ik heb begrepen dat de totale strafmaat van die man meer dan 10 jaar was. Dan moet de gevangenisdirecteur daar toch van op de hoogte geweest zijn? Die man was ook veroordeeld voor feiten van intrafamiliaal geweld. Ik begrijp absoluut niet dat hij opnieuw kansen kon krijgen. Wat moet een crimineel in dit land nog doen om geen gunstmaatregelen meer te krijgen, mevrouw de minister? Dat is niet alleen een vraag van mij of mij fractie, maar een van zeer veel burger. Kijk maar naar de sociale media.

Ik blijf het totaal onbegrijpelijk vinden dat Justitie het heeft toegelaten dat een dergelijke agressieve veelpleger de gevangenis veel vroeger mocht verlaten.

Mevrouw de minister, u hebt gezegd dat de inschatting van de risico’s goed zou zijn gebeurd. Ik blijf dat betwisten. Het gaat om een recidivist op het vlak van intrafamiliaal geweld, terwijl recidive op zich al alle alarmbellen zou moeten doen afgaan.

Wat de politie betreft, ik heb begrepen dat in het systeem van de politie vermeld stond dat het ging om iemand die onder VPV was geregistreerd. De politie had het dus eigenlijk moeten weten. Ik begrijp niet – en dat is geen verwijt aan de politiediensten, want zij kunnen die maatregelen niet nemen – dat het systeem niet voorziet dat bij de minste feiten van agressie of intrafamiliaal geweld, hoe klein ook, iemand die VPV geniet onmiddellijk terug naar de gevangenis moet.

Mevrouw de minister, u hebt gezegd dat u een grote ambitie hebt om de samenleving veiliger te maken. U hebt heel wat aankondigingen gedaan, die hoofdzakelijk ook terug te vinden zijn in uw beleidsbrief en beleidsverklaring. Veel van de punten die u hebt opgesomd, zullen we, zoals ik trouwens al meermaals heb bevestigd, steunen.

Wat de overbevolking van de gevangenissen betreft, het cruciale punt in dit dossier, mag het echter niet bij aankondigingen blijven. U spreekt over containers, over gevangenissen in het buitenland en over het terugsturen van buitenlandse en illegale gedetineerden naar hun land van herkomst. Dat is allemaal heel goed, maar maak daar werk van, niet louter aankondigingen, maar een heel concreet plan van aanpak. Wanneer mogen we dat verwachten? Uiteraard moet dat gekoppeld zijn aan de nodige financiering, want anders heeft het geen zin.

Mevrouw de minister, u mag niet wachten met een wet die verhindert dat daders van intrafamiliaal geweld hun elektronisch toezicht uitzitten op het adres van het slachtoffer. Die wet moet u nu doorvoeren. U zegt dat u daar na het reces werk van zult maken, maar in afwachting blijft er een lacune bestaan. Ik heb daar trouwens vorige week, bij de bespreking van de noodwet over de overbevolking in de gevangenissen, al voor gewaarschuwd.

Het is nog niet te laat. De noodwet moet zelfs hier in onze commissie voor Justitie nog worden goedgekeurd. Dien in de commissie een amendement in. U hoeft nog niet de volledige problematiek van het elektronisch toezicht aan te pakken, onder meer het doorknippen van enkelbanden, maar wel specifiek het uitzitten van een straf wegens intrafamiliaal geweld op het adres van het slachtoffer. Maak daar alstublieft de volgende dagen werk van. Ik denk dat dat amendement in de commissie voor Justitie unaniem zal worden gesteund.

Net zoals de strafuitvoeringsrechters blijf ik waarschuwen voor de ernstige risico’s van al die noodmaatregelen. De strafuitvoeringsrechters zeggen zeer duidelijk dat er nu mensen rondlopen die zij niet zouden vrijlaten. Zij hebben ervaring en spreken met kennis van zaken. Probeer toch eens naar hen te luisteren. Zij kennen het dossier perfect en weten waarover ze spreken.

Mevrouw de minister, tot besluit, dit dossier is werkelijk een blamage voor justitie.

Mijnheer de voorzitter, ik dien daarom een motie in.

Sophie De Wit:

Mevrouw de minister, uw toelichting schetst een beeld dat niet tot vreugde stemt. Er is immers een slachtoffer gevallen. Het toont wel aan hoe complex de strafuitvoering is, zeker in de huidige context. Dat is trouwens al lang het geval, dat is niet nieuw. De strafuitvoering werd lange tijd stiefmoederlijk behandeld en er ligt nog heel wat werk op de plank. Het is jammer genoeg nooit waterdicht. Deze casus toont ook aan dat alternatieve straffen, waarvan men vaak de mond vol heeft, soms kunnen werken, maar ook kunnen falen.

Mevrouw de minister, we mogen de ambitie van het regeerakkoord en de daarin opgenomen maatregelen, die ook in uw beleidsnota staan, niet loslaten. De slachtoffers en het voorzorgsprincipe moeten onze leidraad zijn. In geval van onzekerheid mogen de samenleving en de overheid geen risico’s nemen. Een verbod op elektronisch toezicht in het kader van intrafamiliaal geweld is voor mij een must. Het is ook noodzakelijk om dat zo snel mogelijk in te voeren. Timmeren we daarmee alle risico's dicht? Laten we ons geen illusies maken. Zulke gebeurtenissen kunnen immers ook na het strafeinde plaatsvinden. We moeten echter elke mogelijke stap zetten en wel zo snel mogelijk. Volgende week vindt de tweede lezing van de noodwet plaats. Ik ben bereid om een amendement op te stellen om zo toch al enkele mazen in de wet te dichten. Ik denk dat we vanuit dit gremium zo snel mogelijk elke stap daartoe moeten proberen te zetten. Ik reken uiteraard op de steun van iedereen daarbij.

Ayse Yigit:

Mevrouw de minister, het debat naar aanleiding van de misdaad in Helchteren mag niet beperkt blijven tot een over de problemen in onze gevangenissen, hoe urgent die ook zijn. De aanpak van geweld tegen vrouwen vereist veel meer, die vereist een brede aanpak op alle fronten, van de versterking van de hulpverlening, over de intensieve begeleiding van daders, tot het wegwerken van de financiële onzekerheid waarin veel vrouwen leven.

Het geval in Helchteren toont pijnlijk aan hoe gevaarlijk het is om risico’s te onderschatten. Wat is er misgelopen? Wie heeft gefaald? En vooral, wat zal er nu veranderen, opdat een dergelijk feit niet herhaald wordt? Het Parlement en de regering dragen hier een collectieve verantwoordelijkheid. Slachtoffers hebben recht op bescherming, niet op laattijdig medeleven.

We kijken dus uit naar de bespreking en de verdere uitvoering van de feminicidewet in september en naar andere bijkomende stappen.

Stefaan Van Hecke:

Mevrouw de minister, bij de bespreking van de noodwet vorige week merkte ik al op dat het hier gaat over een complexe problematiek, die nog complexer wordt. We moeten daarvoor echt aandacht hebben.

Uw uitleg doet bij mij de vraag rijzen wie het drama had kunnen voorzien. U gaf onder andere een opsomming van de vele positieve adviezen van de PSD en de gevangenisdirectie en er was een detentieplan in uitvoering. Op een bepaald moment heeft iemand een beslissing genomen, in dit geval de gevangenisdirecteur. Achteraf is het misgelopen. Waren er dan echt geen aanwijzingen dat het fout kon lopen? Het blijft natuurlijk mensenwerk, dat mogen we niet vergeten.

Sommigen zullen het drama aangrijpen om een veel strenger beleid te eisen. Laten we het even in het extreme doortrekken. Stel dat iedereen zijn straf volledig moet uitzitten – nu doet meer dan 50 % dat –, zal de samenleving dan veiliger zijn? Zal het veiliger zijn, als gedetineerden niet de kans kregen om voorafgaandelijk voorwaardelijk vrijgesteld te worden, de kans kregen op elektronisch toezicht, de kans kregen om zich te re-integreren?

Het is gruwelijk wat er gebeurd is, maar we moeten goed opletten dat onze reactie op langere termijn niet tot nog onveiligere situaties leidt. Dat is bijzonder moeilijk. Als we het allemaal op voorhand zouden weten en het risico heel goed zouden kunnen inschatten en voorspellen, dan zou het gemakkelijk zijn.

Er blijven dus veel vragen; het dossier is bijzonder complex. Ik ben blij dat ik een tweede lezing van de noodwet heb gevraagd, zodat we op een aantal punten dieper kunnen ingaan.

Paul Van Tigchelt:

Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, collega's, vooreerst, het is vreselijk wat daar is gebeurd. Daarom past hier ook een woord van appreciatie voor burgemeester en collega-parlementslid Yzermans, die de feiten van dichtbij beleefde, voor de manier waarop hij hier de gebeurtenissen schetst, heel genuanceerd, heel rationeel en heel gematigd. Dat pleit voor hem en is niet vanzelfsprekend voor iemand die de feiten van zo dichtbij heeft beleefd.

Mevrouw de minister, ik dank ook u voor uw tijdlijn en uw antwoorden. Er blijven weliswaar een aantal losse eindjes, waarvoor u naar minister Quintin verwijst. Het is belangrijk dat ook op die losse eindjes de juiste antwoorden komen.

Ik noteerde dat de gedetineerde een gevangenisstraf van in totaal meer dan tien jaar moest uitzittn. Het is mij echter niet volledig duidelijk op basis van welke veroordelingen hij tot meer dan tien jaar gevangenisstraf kwam. Dat zou immers betekenen dat, als hij sinds september 2021 vastzat, zijn strafeinde ergens in 2031 of 2032 zou vallen.

Voor mij persoonlijk doen de feiten denken aan 29 mei 2018. Dat is al even geleden, maar dat was de dag waarop een persoon met penitentiair verlof, met name Benjamin Herman, drie mensen – nadien bleek zelfs vier – ombracht. Dat was toen het slechtst denkbare scenario. Wanneer wij hier alles samenleggen, kunnen wij niet anders dan tot het besluit komen dat wat daar in Houthalen is gebeurd, opnieuw het slechtst denkbare scenario is.

Collega’s, ik ben het eens met de woorden van de heer Van Hecke dat het onze plicht is om voor nulrisico te ijveren, maar dat dat niet bestaat, tenzij wij inderdaad willen dat iedereen zonder pardon tot het einde van zijn straf blijft zitten. Zelfs dan is het nog maar de vraag of wij op termijn een veiligere samenleving hebben. Ik denk dat de vraag stellen ze beantwoorden is.

Er zijn twee aspecten aan het debat vandaag. Ten eerste, mevrouw de minister, er is de kwestie van de overbevolking en het plaatstekort. Daar zou het ontwerp van wet, dat we vorige week bespraken, een oplossing moeten bieden. Maar die wettekst vormt slechts een eerste stap of stapje. U hebt gesproken over het multidisciplinair plan waarnaar wij uitkijken. Ik herhaal dat wij op korte termijn moeten zoeken naar extra capaciteit via unitbouw. Wij kunnen niet anders.

Ten tweede is er de aanpak van intrafamiliaal geweld en feminicide. Dat was en is een prioriteit voor de overheden in dit land: mobiele stalkingalarmen, uithuiszettingen, risicotaxaties, veilige huizen, strengere straffen en samenwerking tussen verschillende diensten, zowel veiligheidsdiensten als sociopreventieve diensten. We moeten echter in dit moment van zelfreflectie – dat is geen kwestie van oppositie of meerderheid, maar van gezonde zelfkritiek – vaststellen aan de hand van de cijfers dat die aanpak blijkbaar niet volstaat. Het is onze plicht over de grenzen van meerderheid en oppositie heen – ik herhaal dat – om te kijken waar wij beter kunnen doen.

Ik dank u alleszins voor de antwoorden die u nu al hebt gegeven.

Steven Matheï:

Mevrouw de minister, bedankt voor uw antwoord. Namens onze fractie wil ik zeggen dat onze gedachten bij het slachtoffer van dat extreem partnergeweld zijn. Gruwelijk en dramatisch zijn de juiste woorden om dat te omschrijven. Het laat niemand onberoerd, noch in Helchteren en omstreken, noch in heel Vlaanderen en België.

U gaf een omschrijving van wat er gebeurd is, al is nog niet alles duidelijk. Een aantal antwoorden moeten we bijvoorbeeld nog via de politie krijgen. De feiten houden wel verband met het verlengd penitentiair verlof, een maatregel die we op de huidige manier natuurlijk het liefst beëindigd zien. Daarvoor is echter capaciteit nodig, en dat brengt ons bij wat u terecht het en-enverhaal noemt, de noodwet met 41 heel concrete artikelen om de capaciteit te verhogen, die volgende week in het Parlement voorligt. Tegelijk moet die wet de nodige garanties bieden, zodat gevallen als het genoemde daar niet in passen. De wet die moet vermijden dat daders van intrafamiliaal geweld nog elektronisch toezicht kunnen krijgen bij hun slachtoffer, zal daarnaast een belangrijk aspect zijn.

Dat alles moet uiteraard gecombineerd worden met structurele maatregelen. Daarvan gaf u terecht aan dat ook anderen daarbij betrokken moeten worden. Daarom zijn die taskforces opgericht met zowel met uw collega’s in de federale regering als die bij de deelstaten. Het zal een collectieve verantwoordelijkheid zijn en een collectief antwoord op het drama dat zich vorige week heeft voltrokken.

Wij zullen dat alleszins op alle mogelijke manieren ondersteunen, zodat de nodige maatregelen kunnen worden genomen.

Mijnheer de voorzitter, daarnaast dienen wij een eenvoudige motie in.

Ismaël Nuino:

Je me permets de me joindre rapidement à la discussion. Jusqu’ici, nous avons pu avoir l’impression que cette affaire n’avait touché "que la Flandre". Il est vrai que le débat a pu donner cette impression.

Je pense que nous devons tous être conscients du fait que cela aurait pu toucher n’importe qui n’importe où en Belgique. Toutes les parties de la Belgique doivent aujourd'hui être solidaires avec les victimes – la mère de famille et les enfants qui ont assisté à cela – et avec les autorités locales qui ont à gérer cela. Cela doit être particulièrement complexe.

Je salue la réponse de madame la ministre, complète, précise, qui a un petit peu dépassé le temps imparti.

La loi d'urgence est évidemment urgente. Elle va devoir être votée et sera votée rapidement, je l'espère. Nous allons devoir mener des débats plus larges pour voir comment sortir de cette surpopulation carcérale, avec quelles modalités pour garantir la sécurité, particulièrement pour les délits et les faits de mœurs, qui sont de plus en plus observés dans la société et qui, fort heureusement, sont de moins en moins acceptés.

Je vous rappelle notre soutien plein et entier dans ce travail. Il n’y a pas que la Flandre qui est avec les victimes. C’est le cas de l'ensemble de ceux qui se sentent touchés par ces faits.

Moties

Motions

Voorzitter:

Tot besluit van deze bespreking werden volgende moties ingediend. En conclusion de cette discussion, les motions suivantes ont été déposées. Een motie van aanbeveling werd ingediend door mevrouw Marijke Dillen en luidt als volgt: "De Kamer, gehoord de interpellatie van mevrouw Marijke Dillen en het antwoord van de minister van Justitie, belast met de Noordzee, - overwegende dat een gedetineerde die penitentiair verlof had gekregen zich donderdag jl. schuldig heeft gemaakt aan bijzonder gruwelijke feiten van intrafamiliaal geweld tegen zijn partner, waarbij hij deze vrouw in brand stak en levensgevaarlijk verwondde, en dit in aanwezigheid van vijf van hun kinderen, van wie de jongste nog maar 2 jaar is en de oudste 15 jaar, die deze bijzonder traumatische ervaring levenslang zullen meedragen; - overwegende dat deze gedetineerde was veroordeeld tot een effectieve gevangenisstraf van 37 maanden wegens zwaar intrafamiliaal geweld tegen hetzelfde slachtoffer; - overwegende dat Justitie toeliet dat deze agressieve veelpleger verlengd penitentiair verlof kreeg en dus veel vroeger de gevangenis mocht verlaten door een zogenaamde noodmaatregel in het kader van de strijd tegen de overbevolking; - overwegende dat hij een aanvraag had ingediend om de rest van zijn straf thuis uit te zitten onder elektronisch toezicht; - overwegende dat in afwachting daarvan de gevangenisdirecteur blijkbaar een positief advies had gegeven om voorlopig al terug te keren naar huis, wat onbegrijpelijk is gezien de duidelijke agressieproblematiek in combinatie met een drugsverslaving; - overwegende dat strafuitvoeringsrechters al herhaaldelijk hebben gewaarschuwd dat het verlengd penitentiair verlof de maatschappelijke veiligheid in gevaar brengt en duidelijk stelden: "Er lopen nu mensen vrij rond die wij niet zouden vrijlaten", waarbij duidelijk werd gesteld dat er toen al verschillende veroordeelden die dankzij de noodmaatregelen de gevangenis hadden mogen verlaten nieuwe feiten hadden gepleegd; - overwegende dat de gebeurtenissen in Helchteren werkelijk desastreus zijn voor het imago van Justitie gezien gevaarlijke gedetineerden zomaar worden vrijgelaten en opnieuw kunnen toeslaan; vraagt de regering: eindelijk werk te maken van een structureel plan van aanpak om de overbevolking in de gevangenissen ten gronde aan te pakken, gekoppeld aan voldoende financiële middelen. " Une motion de recommandation a été déposée par Mme Marijke Dillen et est libellée comme suit: " La Chambre, ayant entendu l'interpellation de Mme Marijke Dillen et la réponse de la ministre de la Justice, chargée de la Mer du Nord, - considérant qu'un détenu qui avait bénéficié d'un congé pénitentiaire s'est rendu coupable jeudi dernier de faits particulièrement atroces de violence intrafamiliale à l'encontre de sa partenaire, ayant immolé cette femme par le feu et l'ayant dangereusement blessée, et ce en présence de cinq de leurs enfants, dont le cadet n'a encore que deux ans et l'aîné a 15 ans, qui devront subir à vie les conséquences de cette expérience extrêmement traumatisante; - considérant que ce détenu était condamné à une peine d'emprisonnement effectif de 37 mois, et ce pour violence intrafamiliale grave à l'encontre de la même victime; - considérant que la Justice a permis que ce multirécidiviste agressif bénéficie d'un congé pénitentiaire prolongé et qu'il puisse donc quitter la prison beaucoup plus tôt grâce à une mesure d'urgence prise dans le cadre de la lutte contre la surpopulation carcérale; - considérant qu'il avait introduit une demande visant à purger le reste de sa peine à son domicile avec un bracelet électronique; - considérant qu’en attendant, le directeur de la prison avait apparemment remis un avis positif concernant son retour provisoire à domicile, ce qui est incompréhensible, compte tenu de son problème évident d'agression, combiné à une accoutumance à la drogue; - considérant que les juges de l'application des peines ont déjà mis en garde à plusieurs reprises contre le fait que le congé pénitentiaire prolongé met en danger la sécurité de la société et qu'ils ont clairement indiqué que des personnes qu'ils ne libéreraient pas circulaient alors en toute liberté, précisant clairement qu'à l'époque, plusieurs condamnés ayant pu quitter la prison grâce aux mesures d'urgence avaient commis de nouveaux faits; - considérant que les événements qui se sont produits à Helchteren sont vraiment désastreux pour l'image de la Justice, compte tenu du fait que de dangereux détenus sont tout simplement libérés et peuvent récidiver; demande au gouvernement: d'élaborer enfin un plan structurel visant à s'attaquer en profondeur à la surpopulation carcérale, assorti de moyens financiers suffisants. " Een eenvoudige motie werd ingediend door de heer Steven Matheï. Une motion pure et simple a été déposée par M. Steven Matheï . Over de moties zal later worden gestemd. De bespreking is gesloten. Le vote sur les motions aura lieu ultérieurement. La discussion est close.

De jihadistische terreurdreiging vanuit Iran

Gesteld door

lijst: VB Sam Van Rooy

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 8 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sam Van Rooy waarschuwt voor groeiende dreiging van Iraanse terreuraanslagen in België (met name tegen dissidenten, joden en Amerikaanse/Israëlische doelen), wijst op eerdere aanslagen en infiltratie via criminele netwerken zoals de IRGC, en eist strengere beveiliging en migratiecontroles. Minister Verlinden bevestigt geen bewijs van structurele IRGC-infiltratie, maar erkent een reële dreiging (met name intimidatie en fysiek geweld) en benadrukt dat veiligheidsdiensten de situatie nauw monitoren op dreigingsniveau 3/4, zonder specifieke doelwitten te noemen. Van Rooy kaart aan dat Iraanse dissidenten in België zich onveilig voelen door mogelijke IRGC-spionage en eist een halt aan toelating van regimegetrouwen. Kernpunt: spanning tussen dreigingsperceptie (hoog) en concrete infiltratiebewijzen (beperkt), met focus op preventie.

Sam Van Rooy:

Mevrouw de minister, nu de Verenigde Staten het nucleair programma van het jihadistisch terreurregime in Iran wellicht de genadeslag hebben toegebracht, of dat toch enkele jaren hebben achteruitgeslagen, is het helaas aannemelijk om te verwachten dat dat regime jihadistische terreuraanslagen wil laten plegen in het Westen, ook in Europa. België staat daarbij zeker ook op de radar. Mogelijke doelwitten zijn Iraanse dissidenten, joodse burgers en Amerikanen, evenals Israëlische en Amerikaanse instellingen. Die doelwitten bevinden zich vooral in steden als Antwerpen en Brussel.

Het zou bovendien niet de eerste keer zijn dat het Iraans-islamitische terreurregime aanslagen pleegt op Europees grondgebied. Dat gebeurde al 102 keer, waarvan maar liefst de helft in de afgelopen vier jaar. In 2018 werd in het Antwerpse Wilrijk een Iraans koppel opgepakt dat op weg was om een terreuraanslag te plegen. De IRGC, het jihadistisch terreurleger van Iran, is hier immers reeds diep verankerd. De jihadistische ayatollahs rekruteren ook steeds vaker leden van criminele bendes om in het Westen jihadistische moorden of terreuraanslagen te plegen, zoals, zo vernemen wij, via de Foxtrotbende uit Zweden.

Mevrouw de minister, kunt u toelichten hoe en in hoeverre de IRGC in België voet aan de grond heeft en is geïnfiltreerd? Hoe wordt in België de huidige dreiging ingeschat na de indrukwekkende operatie Rising Lion? Wordt er door onze veiligheidsdiensten een lijst opgesteld met mogelijke doelwitten, zodat die desgevallend beveiligd of extra beveiligd kunnen worden? Welke maatregelen worden genomen om mogelijke doelwitten van het jihadistisch terreurregime van Iran, met inbegrip van Iraanse dissidenten op ons grondgebied, te beveiligen?

Annelies Verlinden:

Mijnheer Van Rooy, met betrekking tot de aanwezigheid of infiltratie van de IRGC in België, de Staatsveiligheid is bevoegd voor de opvolging van de aanwezigheid en activiteiten van buitenlandse inlichtingendiensten in België. Dat geldt ook voor degene die in verband staan met de Islamitische Republiek Iran, waaronder de inlichtingenorganisatie die verbonden is aan de Islamitische Revolutionaire Garde.

Er zijn momenteel weliswaar geen indicaties dat de IRGC in institutionele zin een formele aanwezigheid heeft op Belgisch grondgebied. Onze diensten beschikken momenteel niet over informatie over daadwerkelijke infiltratie van de IRGC, maar de dreiging die ervan kan uitgaan vormt uiteraard een reëel en voortdurend aandachtspunt.

De impact van de situatie in het Midden-Oosten wordt voortdurend gemonitord en geëvalueerd. Het algemeen dreigingsniveau bevindt zich sinds oktober 2023 op niveau 3 op een schaal van 4. Dat is tot op heden ongewijzigd gebleven.

In reactie op de dreiging die uitgaat van de Iraanse inlichtingendiensten heeft de VSSE haar focus en capaciteiten stelselmatig aangepast. De VSSE volgt de dreiging nauwgezet op, waarbij zowel geopolitieke als operationele ontwikkelingen systematisch worden gemonitord.

Momenteel situeert de potentiële Iraanse dreiging zich voornamelijk op het vlak van intimidatie en mogelijke fysieke dreiging ten aanzien van tegenstanders van het Iraans regime en van Israëlische en joodse belangen in ons land.

Met betrekking tot specifieke doelwitten kan ik uiteraard geen details geven, maar ook in dat verband vinden monitoring en evaluatie plaats met dezelfde consistentie, rekening houdend met de beschikbare informatie en inlichtingen. Op basis daarvan worden vervolgens de gepaste maatregelen genomen.

Sam Van Rooy:

Mevrouw de minister, wist u dat heel wat seculiere Iraniërs op ons grondgebied bang zijn en zelfs niet opdagen op demonstraties tegen het regime, omdat ze angst hebben voor infiltranten van de IRGC, van het Iraans-islamitisch regime, dat hen in de gaten houdt? Het jihadistisch shariaregime van Iran heeft een apocalyptische wereldvisie en is dus levensgevaarlijk. Het heeft als heilig islamitisch doel de export van de sjiitische islamitische revolutie naar de rest van de wereld, ook naar ons. De Iraanse ayatollahs zeggen letterlijk dat ze ons willen vernietigen. Daarvoor gebruiken ze alle middelen: liegen, bedriegen, bedreigen, geweld, criminaliteit, terreur en, last but not least, immigratie. Nu al zijn Iraanse dissidenten op ons grondgebied vaak niet veilig, want deze regering laat nog altijd, naast onderdrukten, ook hun onderdrukkers gewoon dit land binnenkomen. Mevrouw de minister, laat het duidelijk zijn dat dat moet stoppen.

De brand in de gevangenis van Lantin

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 8 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om verantwoordelijkheidsvermijding tussen SPF Justitie en de Régie des Bâtiments na de dodelijke brand in de gevangenis van Lantin, waar een sprinklerinstallatie (al jaren aanbevolen in rapporten) ontbrak. Minister Verlinden bevestigt dat SPF Justitie weliswaar gegevens doorspeelde voor risicoanalyse, maar stelt dat de eigenaar (Régie) verantwoordelijk is voor normconformiteit en uitvoering—terwijl die claimt op instructies van Justitie te wachten. Ribaudo kaart aan dat beide instanties elkaar de bal doorspelen, ondanks dat het om staatsgeld en -verantwoordelijkheid gaat, en eist duidelijke afspraken om herhaling te voorkomen. De kern: bureaucratische versnippering blokkeert noodzakelijke veiligheidsmaatregelen, met dodelijke gevolgen.

Julien Ribaudo:

Madame la ministre, le 4 juin dernier, je vous interrogeais sur l’incendie à la prison de Lantin, en évoquant notamment le rapport du major Charbon. Ce rapport recommandait plusieurs mesures pour renforcer la sécurité incendie, dont l’installation d’un système de sprinklers. Dans votre réponse, vous m’avez déclaré: "Concernant les travaux réalisés dans le but de garantir le bon fonctionnement des processus et d'assurer la sécurité incendie dans les établissements pénitentiaires, je vous renvoie à la Régie des Bâtiments."

J'ai donc interrogé la ministre Matz, le 12 juin. Et, là, sa réponse est très claire: "La définition des normes applicables relève des compétences du SPF Justice. C’est donc lui qui indique à la Régie ce dont il a besoin pour que, par exemple, le bâtiment soit sûr." Elle a aussi mentionné un rapport du service régional d’incendie de 2018. Je cite à nouveau: "Un sprinklage est abordé dans les mesures à prévoir si un désenfumage est techniquement impossible à enclencher. Cette évaluation de la charge calorifique ne peut être réalisée que par l’occupant, c’est-à-dire le SPF Justice. À ce stade, la Régie n’a pas reçu de demande d’installation d’un système de sprinklage ou de désenfumage."

Alors, aujourd’hui, ce n’est plus une question de procédure, mais de responsabilité. Et j’ai le sentiment, comme je l'ai dit à Mme Matz, qu’on assiste à un match de ping-pong entre ministres, sauf qu’ici, on parle de sécurité et pas de sport.

Madame la ministre, le SPF Justice a-t-il demandé les travaux nécessaires à la Régie des Bâtiments pour la prison de Lantin? Vos services ont-ils pris connaissance du rapport de 2018? L’évaluation de la charge calorifique, dont parlait Mme Matz, a-t-elle été réalisée? Sinon, pourquoi? Enfin, une évaluation des dispositifs incendie est-elle prévue pour l’ensemble des prisons du pays?

Annelies Verlinden:

Monsieur Ribaudo, avant de répondre à vos questions, je souhaite une nouvelle fois rendre hommage au pompier décédé lors de l'incendie à Lantin, ainsi qu'à ses collègues, dont plusieurs ont été grièvement blessés. C'est avec stupeur et une profonde tristesse que nous avons appris ce drame il y a quelques semaines.

La passion et l'engagement de ces pompiers dans l'exercice de leurs fonctions forcent le respect. Mes pensées sont avec eux, et également avec tous les collègues qui, chaque jour, s'engagent au service de la justice dans notre pays, souvent dans des conditions difficiles. La société leur est profondément redevable.

Face à des événements aussi tragiques, nous devons veiller à ne pas tirer de conclusions hâtives, mais au contraire à unir nos forces et à tout mettre en œuvre ensemble pour éviter que de tels drames ne se reproduisent.

En ce qui concerne l'exécution des travaux, je peux vous dire que le SPF Justice a demandé les travaux nécessaires à la Régie des Bâtiments. Le déménagement de la buanderie vers le lieu actuel a été demandé il y a une dizaine d'années déjà. Des travaux ont été effectués par la Régie des Bâtiments.

Les aspects liés à la conformité aux normes incendie et électricité relèvent la responsabilité du propriétaire. Il n'appartient pas à l'occupant, en l'occurrence le SPF Justice, d'adresser au propriétaire des demandes pour la mise en conformité aux normes incendie des bâtiments qu'il met à disposition de ses clients.

C'est d'ailleurs le propriétaire qui reçoit et détient les rapports des pompiers concernant ces bâtiments et qui connaît donc mieux que quiconque leur état ainsi que leur conformité aux normes en vigueur. Les différents rapports reçus sont toujours analysés dans le but d'y apporter des réponses. Les travaux nécessaires sont demandés.

Un plan de mise en conformité incendie est en cours de réalisation à Lantin. Il s'agit cependant d'un bâtiment ancien, alors que les normes évoluent constamment. Des adaptations constantes sont donc nécessaires et requièrent parfois des travaux de grande envergure. La demande de travaux est renvoyée vers la Régie des Bâtiments, qui établit son plan d'action.

Les rapports des pompiers sont transmis à la Régie des Bâtiments en sa qualité de propriétaire ainsi qu'au SPF Justice en tant que service occupant. Cela vaut également pour le rapport de 2018. Le SPF Justice a encodé le rapport dans l'application Desk afin que la Régie des Bâtiments réalise les travaux qu'elle estime devoir exécuter. Cette application permet aux clients de la Régie des Bâtiments d'introduire leurs demandes de travaux.

L'occupant a également transmis à la Régie des Bâtiments l'ensemble des informations concernant le matériel stocké dans ce lieu ainsi que les quantités et un plan d'implantation. Ces données permettent à la Régie des Bâtiments de calculer la charge calorifique.

En ce qui concerne votre dernière question, l'administration centrale attire régulièrement l'attention des directions locales sur la nécessité de tenir à jour les plans d'urgence et d'intervention. Dans ce cadre, toutes les prisons font l'objet d'une visite périodique des pompiers qui remettent un rapport. Ces rapports donnent ensuite lieu à un suivi. Les éventuelles remarques sont soumises à la concertation avec le propriétaire afin de déterminer quel service y donnera suite.

Julien Ribaudo:

Merci pour votre réponse, madame la ministre. Loin de moi l'idée de tirer des conclusions hâtives, on parle ici de sécurité. Cette question est légitime dans le sens où ce sont les acteurs de terrain qui viennent vers nous en nous disant que l'événement dramatique que nous avons connu trouve son origine dans un élément qui a été signalé voici plusieurs années et pour lequel rien n'a été fait. Il s'agissait d'installer un simple système de sprinklage. Encore aujourd'hui, madame la ministre, je ne comprends pas – et j'ignore comment le grand public peut comprendre – pourquoi on parle d'occupant, de locataire et de propriétaire, alors qu'il s'agit de l' É tat belge. C'est nous qui sommes responsables, avec de l'argent public, de la sécurité des gens qui sont à l'intérieur et qui y travaillent. Or, à nouveau, vous nous dites qu'on l'a encodé et que c'est à la Régie des Bâtiments de savoir si elle doit faire ou pas cette étude de charge calorifique. Ça a l'air d'être un détail, mais on voit que c'est pire que Kafka. Je veux dire par-là qu'on ne sait même plus qui est responsable de quoi. En fait, plus personne n'est responsable de rien. Et, aujourd'hui encore, vous n'avez pas réussi à me dire ce qu'il en est. Mme Matz me dit que c'est à vous de répondre, et, vous, vous me dites que c'est à elle. Bien entendu, nous déplorons aussi la mort de pompiers, de personnes qui veulent faire leur travail et garantir la sécurité. Mais si on ne veut pas que cela reste des mots – et on sait que vous avez fait beaucoup lorsque l'incendie est survenu –, il faut qu'on puisse prendre notre responsabilité, que vous puissiez prendre votre responsabilité avec la ministre Matz pour savoir où cela a dysfonctionné et faire mieux la prochaine fois.

De verhoogde telefoontarieven in detentie

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 8 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Verlinden bevestigt dat de prijsverhogingen van Telio (tot 0,60€/min naar Oekraïne, 1,40€/min naar Tunesië) het gevolg zijn van korte contractverlenging (1 jaar) en mislukte onderhandelingen met leveranciers, wat afschrijvingsdruk veroorzaakt. Ze belooft overleg met Telio voor een aanvaardbare oplossing, maar ontkent dat de tarieven illegale gsm-trafiek zullen verergeren, wijzend op structurele smokkel ondanks bestaande legale alternatieven. Yzermans benadrukt het belang van betaalbaar buitenlands contact, vooral voor Oekraïners, maar concrete maatregelen blijven uit.

Alain Yzermans:

Mevrouw de minister, ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

Recentelijk heeft Telio, het bedrijf dat de telefonie op de cellen verzorgt, een aanzienlijke verhoging van de telefoontarieven doorgevoerd. Vanaf 1 juli zal de prijs voor gesprekken binnen België stijgen van 0,11 euro naar 0,12 euro per minuut, terwijl gesprekken naar het buitenland, zoals naar Oekraïne, van 0,30 euro naar 0,60 euro per minuut zullen gaan. In sommige gevallen, zoals gesprekken naar Tunesië, kan het tarief zelfs oplopen tot 1,40 euro per minuut. Deze prijsstijgingen zullen het voor gedetineerden nog moeilijker maken om contact te onderhouden met hun naasten, wat vragen oproept over de impact op hun sociale welzijn en emotionele omstandigheden binnen de gevangenismuren, een situatie die al onder zware druk staat. Deze bezorgdheden van alle inrichtingshoofden zijn overgemaakt aan de Directrice-Generaal, maar een oplossing is nog niet in zicht en de verhoogde tarieven worden voorlopig aangerekend.

Vragen aan minister Verlinden:

1. Kunt u toelichten waarom de overheid geen invloed kan uitoefenen op de prijsstelling van Telio, ondanks de negatieve gevolgen voor gedetineerden en hun families? Zijn er alternatieven?

2. Bent u bereid om in overleg te treden met Telio om de gevolgen van deze prijsverhogingen te bespreken en te zoeken naar een voor beide partijen aanvaardbare oplossing?

3. Vreest u niet dat dit de nefaste gsm-trafiek (met alle gevolgen van dien) alleen maar verder in de hand werkt?

Annelies Verlinden:

Collega Yzermans, aangezien de procedure voor de aankoop van een nieuw telefoniecontract in de cel voor gedetineerden nog niet is afgerond, moet het aan Telio toegekende contract voorlopig met een jaar worden verlengd. Telio kon de financiële voorwaarden van het oorspronkelijke contract niet behouden, omdat het er voor een looptijd van slechts een jaar niet in is geslaagd om met zijn eigen leveranciers dezelfde voorwaarden te onderhandelen. Bovendien zal Telio investeringen moeten doen die het binnen een jaar moet afschrijven. Dat verklaart de prijsstijgingen. De administratie zal uiteraard in overleg gaan met Telio om de gevolgen van deze prijsverhogingen te bespreken en te zoeken naar een voor beide partijen aanvaardbare oplossing.

Illegaal gsm-gebruik binnen penitentiaire inrichtingen is een structureel probleem dat al geruime tijd bestaat. Ik denk niet dat een kleine prijsverhoging de aanleiding zal zijn voor een verdere escalatie van dat probleem. Ik verneem van gevangenisdirecteurs dat, ondanks het aanbieden van telefonie op cel of van gratis videobellen, er altijd gedetineerden zijn die ervoor kiezen om illegale gsm's binnen te smokkelen. Ik wens het veronderstelde verband tussen het gsm-gebruik in de gevangenissen en de prijs van telefonie dan ook te nuanceren. Uiteraard maken we werk van de strijd tegen illegale toestellen in de gevangenissen. Er zijn daarvoor recentelijk ook politieacties geweest en ik denk dat we die lijn moeten blijven volgen.

Alain Yzermans:

Het is belangrijk dat gedetineerden, zeker Oekraïners, ook naar het buitenland kunnen bellen. De prijs daarvoor is nu verhoogd. Ik denk dat het belangrijk is dat mensen in moeilijke omstandigheden toch contact met hun familie kunnen houden.

Voorzitter:

M. Van Hecke est retenu dans une autre commission. Il a demandé le report de sa question n° 56006595C.

De plaatsing van roosters voor gevangenisvensters

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 8 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Verlinden bevestigt dat caillebottis in de meeste gevangenissen worden geplaatst (of vervangen) om dronesmokkel (drugs, telefoons) en illegale communicatie tussen cellen tegen te gaan, ondanks de gereduceerde lichtinval—veiligheid primeert hier op leefkwaliteit. Schlitz kritiseert de maatregel als contraproductief: ze verergert de reeds mensonwaardige omstandigheden (met internationale veroordelingen voor België) en pleit voor alternatieven (minder obstructieve beveiliging, preventie, reïntegratie in plaats van pure repressie) in een systeem dat nu enkel escaleert zonder resultaat. De minister benadrukt noodzaak, Schlitz structureel falen en gebrek aan visie op langetermijnoplossingen.

Sarah Schlitz:

Madame la ministre, j’ai été alertée du fait que des caillebottis seraient actuellement installés devant fenêtres des prisons, restreignant encore davantage la luminosité dans les cellules.

Est-il prévu d'en installer dans toutes les prisons? Pour quel motif ces dispositifs sont-ils installés et pour quel montant? Au vu de l’impact sur la luminosité, et donc la qualité de vie dans les cellules, cette mesure est-elle proportionnée?

Annelies Verlinden:

L’installation de caillebottis a déjà été réalisée dans de nombreuses prisons, à l’exception de certains établissements qui ont demandé de ne pas en installer et d’autres cas particuliers, comme les prisons ouvertes. Des chantiers sont également en cours ou prévus pour le remplacement des caillebottis en raison de leur détérioration.

Les établissements pénitentiaires sont confrontés à un enjeu majeur de sécurité. Les caillebottis ainsi que les systèmes de sécurité en général constituent des outils essentiels pour faire face à ces problématiques. Nous devons donc proposer des solutions aussi fiables que possible en prenant en considération tous les aspects, qu’ils soient positifs ou négatifs. Ces mesures sont indispensables pour répondre au risque quotidien que constitue l’utilisation sans cesse croissante de drones pour acheminer des stupéfiants et des téléphones portables ainsi qu’à la nécessité de limiter au maximum les échanges interdits entre cellules. Les caillebottis jouent par conséquent un rôle clé dans la sécurité des établissements pénitentiaires. La question de la propreté est également prise en considération, notamment pour éviter que les déchets soient jetés par les fenêtres. Les budgets relèvent de la compétence de la Régie des Bâtiments.

Enfin, il est vrai que les caillebottis assombrissent davantage les cellules. Toutefois, la priorité a été donnée à la sécurité des établissements où cela s’avérait nécessaire, quitte à accepter une réduction modérée de la luminosité plutôt qu’une augmentation du risque pour le personnel pénitentiaire et les détenus. Il s’agit d’un choix délibéré qui n’est envisagé qu’en cas de nécessité.

Sarah Schlitz:

Au vu de la situation dans nos prisons et des nombreuses condamnation dont la Belgique fait déjà l’objet par rapport au traitement inhumain et dégradant que nous faisons subir aux prisonniers incarcérés dans nos prisons, la pose de caillebottis ne fait qu’aggraver notre cas. Des solutions alternatives qui n’obstruent pas à ce point la luminosité dans cellules pourraient être envisagées. Par ailleurs, j’entends dans votre réponse qu’il s’agit à nouveau d’une fuite en avant, d’une escalade. Quand ce ne seront pas les caillebotis, que va-t-on va faire s'il y a à nouveau des tentatives de faire circuler certaines choses. Il est grand temps de réfléchir à toutes les problématiques auxquelles vous êtes confrontée. Cela ne signifie pas plus de prisons. Mais plutôt comment faire de la prévention? Comment agir efficacement pour trouver des alternatives à la prison? Comment accompagner les personnes qui sont en prison dans le cadre de leur réinsertion pour éviter la récidive? De tout cela, on entend beaucoup trop peu parler face à cette escalade d'investissements massifs dans les structures carcérales qui en fait ne produisent pas les effets escomptés. Vous n'atteignez donc pas vos objectifs. Je vous remercie tout de même, madame la ministre, pour votre réponse.

Beslag op de gemeenschappelijke rekening door de fiscus en economisch partnergeweld

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 8 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sarah Schlitz wijst op een structurele leemte in het Belgisch fiscaal recht: bij fiscale beslaglegging op gemeenschappelijke bankrekeningen worden ook onschuldige mede-rekeninghouders (bv. ex-partners) getroffen, zonder duidelijke bescherming, rechtsmiddelen of onderscheid van eigendomsaandelen, wat leidt tot economisch geweld. Minister Verlinden bevestigt dat het volledige saldo wordt geblokkeerd, maar benadrukt dat mede-eigenaars hun aandeel kunnen terugvorderen via bezwaar (afhankelijk van huwelijksregime en schuldaard) en verwijst naar bestaande uitsluitingsregels in het Burgerlijk Wetboek en fiscale invorderingscode. Schlitz blijft echter pleiten voor wetgevende aanpassingen om slachtoffers beter te beschermen, aangezien de huidige regels onvoldoende garanties bieden.

Sarah Schlitz:

Je m'en réfère au texte de ma question. Il s'agit d'une question que j'avais déjà adressée à votre collègue Jambon, qui m'a renvoyée vers vous, madame la ministre.

Madame la ministre, le droit fiscal belge n’offre actuellement pas de solution satisfaisante aux personnes co-titulaires d’un compte bancaire visé par une saisie fiscale, lorsque celles-ci ne sont ni redevables de la dette fiscale ni codébiteurs.

Plusieurs témoignages font état de situations où le SPF Finances procède à une saisie sur un compte commun, souvent dans le contexte d’une séparation ou d’un conflit conjugal, sans distinguer la part des avoirs appartenant à la personne non concernée par la dette. Cette pratique peut entraîner de lourdes conséquences pour ces personnes: impossibilité de protéger leurs revenus, absence de voie de recours ou de conciliation, et blocage de leur accès à des fonds.

Pour renforcer la justice fiscale et prévenir les violences économiques, il me semble essentiel d’apporter une réponse structurelle à cette faille juridique.

Cette situation soulève donc une série de questions fondamentales:

Quelles garanties existent aujourd’hui pour protéger les droits des co-titulaires non débiteurs d’un compte bancaire saisi fiscalement?

Existe-t-il des dispositifs permettant de contester ou de limiter une saisie dans le cas d’un compte indivis ou conjoint?

C’est le Code judiciaire qui détermine quels biens et montants ne peuvent pas être saisis, en ce compris les montants crédités sur un compte à vue, prévoyez-vous de modifier afin de prévenir ce type de situation?

Envisagez-vous une réforme législative pour clarifier les droits des co-titulaires non concernés par une dette fiscale, et leur donner accès à une procédure de contestation équitable?

​​​

Annelies Verlinden:

Madame Schlitz, comme précédemment indiqué par le ministre des Finances, lorsqu'un créancier pratique une saisie à l'encontre de l'un des titulaires d'un compte commun, cette saisie porte sur l'intégralité du solde disponible à ce moment. La banque doit alors bloquer tous les avoirs. Dans sa déclaration, elle doit indiquer le montant total et préciser la nature du compte. Elle doit informer les autres ayants droit de la saisie afin qu'ils puissent faire valoir leurs droits. Le propriétaire des montants saisis à tort peut s'opposer à la saisie et revendiquer sa part. Ainsi, si la part des co-bénéficiaires qui ne sont pas débiteurs peut être fixée, la saisie ne produira d'effet qu'à l'égard de la quote-part du débiteur.

Il faut noter que le régime matrimonial choisi par les conjoints et le type de dettes pour lesquelles la saisie est effectuée sont, en principe, déterminants. En effet, lorsque les époux optent pour le régime matrimonial légal, les dettes propres ne pourront être poursuivies que sur le patrimoine propre à l'époux débiteur, sauf si le patrimoine commun s'est enrichi par absorption des biens propres à l'un des époux, que la dette provient de l'exercice d'une profession interdite à l'un des époux, ou d'une condamnation pénale pour un fait délictuel ou quasi délictuel commis par l'un des deux.

Dans le régime légal, les dettes contractées par les deux époux, et les dettes communes en vertu de l'article 2.3.25 du Code civil, peuvent être poursuivies à la fois sur chacun des patrimoines propres des deux époux et sur leur patrimoine commun. Dans le cas d'un régime de séparation de biens, l'article 2.3.62 du Code civil est toutefois applicable. Celui-ci consacre le principe selon lequel la preuve de la propriété d'un bien ou d'une créance se fait tant entre époux que vis-à-vis des tiers. Les biens meubles, dont la propriété dans le chef d'un seul des époux n'est pas établie, sont considérés comme indivis entre eux.

Par ailleurs, l'article 2.3.78 du Code civil permet à l'un des deux époux de demander la séparation de biens lorsqu'il apparaît que, par le désordre des affaires de son conjoint, sa mauvaise gestion ou la dissipation de ses revenus, le maintien du régime existant met en péril les intérêts de l'époux demandeur.

Ces informations peuvent toutefois être complétées par les informations déjà transmises par le ministre des Finances en ce qui concerne les dispositions particulières qui s'appliquent aux couples effectivement séparés dans le cadre du recouvrement amiable ou forcé de créances fiscales.

Il convient de noter à cet égard que l'article 10 du Code de recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales consacre la règle selon laquelle l'impôt sur les revenus et les précomptes et taxes assimilées à l'impôt sur les revenus peuvent être recouvrés sur les biens propres et sur les biens communs des deux conjoints, peu importe le régime matrimonial, sauf exceptions citées dans cet article. Ce Code ne relevant toutefois pas de ma compétence, je laisse le soin au ministre des Finances d'examiner cette problématique, comme indiqué dans sa réponse à vos questions sur ce thème.

En ce qui concerne les règles sur les biens et montants qui ne peuvent être saisis, l'accord de gouvernement prévoit d'ores et déjà une évaluation des règles relatives aux revenus insaisissables, avec une attention particulière à ne jamais mettre en péril le droit à un revenu décent.

Sarah Schlitz:

Merci, madame la ministre, pour tous ces éléments. Néanmoins, vu les situations qui m'ont été rapportées, j'ai l'impression qu'il y a un travail législatif à entamer pour mieux protéger ces personnes de ce type spécifique de violences économiques qui se produisent encore dans notre pays. Visiblement, la législation ne permet pas de les protéger comme il le faudrait.

De agressie in de nieuwe gevangenis van Dendermonde

Gesteld door

lijst: VB Marijke Dillen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 8 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

In de gevangenis van Dendermonde viel een agressieve gedetineerde met een bekend gewelddadig verleden twee cipiers aan, waardoor zij zwaar gewond raakten (oogkas-, schouder-, knie- en elleboogletsel) en tijdelijk arbeidsongeschikt waren. De dader werd overgebracht naar een veiligheidscel, een tuchtprocedure is gestart en het parket onderzoekt strafrechtelijke vervolging voor slagen tegen ambtenaren, terwijl de minister bevestigt dat hij na de procedure naar een andere gevangenis wordt overgeplaatst. Marijke Dillen benadrukt dat agressie tegen cipiers zowel tuchtrechtelijk als strafrechtelijk hard moet worden aangepakt, zonder ruimte voor straffeloosheid.

Marijke Dillen:

Opnieuw een geval van zware agressie tegen cipiers, ditmaal in de nieuwe gevangenis van Dendermonde. Donderdag 3 juli raakten twee cipiers ernstig gewond door een gedetineerde, met werkonbekwaamheid tot gevolg. Toen ze de gedetineerde uit zijn cel wilde halen omdat die onophoudelijk op de deur zat te kloppen, wat bijzonder storend was voor de medegedetineerden, werd deze gedetineerde onmiddellijk agressief en sloeg de cipiers in hun gezicht. Het betrof een gedetineerde die bekend stond om agressieproblemen zowel binnen als buiten de gevangenismuren. Het Gevangeniswezen heeft aan Politie en Parket gevraagd een onderzoek te starten.

Kan de minister meer toelichting geven betreffende deze feiten? Hoe is het gesteld met de gezondheidstoestand van beide cipiers?

Het gaat om een gedetineerde die bekend staat om agressieproblemen, ook binnen de gevangenismuren. Zijn er nog andere gevallen van agressie bekend binnen de gevangenis, zowel tegen cipiers als tegen andere gedetineerden? Zo ja, welke gevolg werd hieraan gegeven?

Werden er inmiddels tuchtmaatregelen genomen lastens deze gedetineerde? Graag toelichting.

Annelies Verlinden:

Mevrouw Dillen, vorige week donderdag heeft zich inderdaad een kritiek incident voorgedaan in Nieuw Dendermonde, waarbij twee vleugelverantwoordelijken fysiek zijn aangevallen door een gedetineerde.

Die gedetineerde, die eerder werd veroordeeld voor opzettelijke slagen en verwondingen tegen een ministerieel ambtenaar, bleef die avond de rust en orde verstoren door herhaaldelijk op zijn celdeur te bonken. Daarop gingen de twee aanwezige vleugelverantwoordelijken poolshoogte nemen. De betrokken gedetineerde stelde zich verbaal agressief op en duwde een personeelslid tegen de borstkas. Ondanks herhaalde inspanningen van het personeel om hem te kalmeren, ging de gedetineerde uiteindelijk over tot ernstige fysieke agressie. Twee personeelsleden werden hierbij aangevallen.

Eén personeelslid kreeg een slag tegen de oogkas en liep een schouderletsel op. Het andere personeelslid werd in het aangezicht geraakt en raakte gewond aan de knie en de elleboog. De gedetineerde werd door het bijstandsteam overmeesterd en overgebracht naar de veiligheidscel, waar hij verbleef in afwachting van de tuchtprocedure.

Na het incident zijn beide personeelsleden overgebracht naar het ziekenhuis. De ene beambte heeft de dag nadien de dienst hervat. Het andere personeelslid was vier dagen afwezig door het arbeidsongeval.

De feiten hebben aanleiding gegeven tot het opstarten van een tuchtprocedure tegen de betrokken gedetineerde. In gevallen van fysieke agressie wordt, conform de basiswet van 2005, altijd een tuchtprocedure opgestart. Indien er tevens sprake is van strafbare feiten, zoals in dit geval het toebrengen van slagen en verwondingen aan een overheidsambtenaar, wordt het parket daarvan in kennis gesteld met het oog op een eventuele strafrechtelijke vervolging. Na afloop van de tuchtprocedure zal de betrokken gedetineerde worden overgebracht naar een andere gevangenis.

Marijke Dillen:

Dank u voor uw antwoord, mevrouw de minister. Ik stel vast dat er al een tuchtonderzoek lopende is. Dat is positief. Het dossier is, begrijp ik, ook overgemaakt aan het parket voor een eventuele strafvervolging. Ik hoop dat het niet bij een eventuele strafvervolging blijft, maar dat deze ook daadwerkelijk in de praktijk zal worden ingesteld. Elke vorm van agressie dient immers zeer zwaar te worden aangepakt en ook strafrechtelijk vervolgd, naast het tuchtrechtelijk onderzoek.

De fiscalefraudebestrijding

Gesteld door

lijst: PTB Raoul Hedebouw

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 8 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Raoul Hedebouw kritiseert de tweeslachtige aanpak van fiscale fraude in België: harde controles voor kleine ondernemers, maar amnestie en versoepelde regels voor grootschalige fraudeurs, wat een verkeerd signaal afgeeft. Hij vraagt om 300 *extra* medewerkers (niet vervangers) voor de Inspectie Speciale Belastingen (ISI) om de strijd tegen grootschalige fraude te versterken. Minister Jambon bevestigt dat het om *nieuwe* aanwervingen gaat, maar de verdeling over diensten (waaronder ISI) is nog niet vastgelegd. Hedebouw blijft skeptisch over de daadwerkelijke prioriteit en belooft het dossier nauw te volgen.

Raoul Hedebouw:

Mijnheer de minister, telkens wanneer het in België over fiscale fraude gaat, lijkt het wel alsof we in een vertrouwd patroon vervallen. Voor de kleine spelers – onder meer zelfstandigen en cafébazen – wordt er onmiddellijk streng opgetreden: de witte kassa, controles, controles, en nog eens controles. Daar is er nooit een probleem, btw-controles worden vlot georganiseerd. Hoeveel zelfstandigen en kleine handelszaken krijgen niet een btw-controle?

Zodra het echter over de grote vissen gaat, over ernstige vormen van fiscale fraude, stelt de regering plots voor om een vorm van fiscale amnestie mogelijk te maken. Mensen kunnen achteraf gewoon een regularisatie aanvragen. Mijnheer de minister, het is echt een probleem dat er in ons land geen duidelijke prioriteit wordt gegeven aan de strijd tegen grootschalige fiscale fraude. Daar zit ik echt mee in.

Nous voyons d’ailleurs, monsieur le ministre, que vous avez inscrit dans votre déclaration, comme dans toutes les déclarations gouvernementales de ces 35 dernières année: "Nous allons faire une priorité de la lutte contre la grande fraude fiscale."

Selon vos propres estimations, cette lutte contre la fraude fiscale va rapporter 400 ou 600 millions d'euros. C'est tout de même surprenant, vu les mesures concrètes que vous allez prendre. Une amnistie fiscale permanente. En gros, vous dites aux gros bonnets: "Fraudez tant que vous voulez. Le jour où vous changez d'avis, toc toc, ding dong, vous sonnez. Il n'y a pas de problème, vous pouvez venir régulariser votre situation." C'est quand même fou, comme signal!

Le régime de bonne foi pour les déclarations fiscales, la réduction du délai d'enquête pour fraude de dix à sept ans, la réduction des effectifs dans les administrations publiques de 1,8 %, le maintien des transactions pénales élargies. Je vois, monsieur le ministre, qu'entre vos déclarations et ce qui se fait dans la réalité, la distance est grande.

Ma question est très simple. Vous dites, dans votre déclaration de politique générale, que vous voulez recruter 300 personnes pour la lutte contre la fraude fiscale, en particulier au sein de l'Inspection spéciale des impôts (ISI), la lutte contre la fraude sociale, la police judiciaire et la Justice. Pouvez-vous me confirmer qu'il s'agit de personnel supplémentaire? Ou, comme le signale la Cour des comptes, seront-ce en partie des remplacements? Ce n'est pas un détail; je tiens donc à être rassuré. De ces 300 embauches, combien seront-elles affectées à l'ISI?

Jan Jambon:

Monsieur Hedebouw, la lutte contre la fraude fiscale constitue une priorité politique. En exécution des mesures prévues par l'accord de gouvernement en matière de lutte contre la fraude fiscale, une première initiative en ce sens sera lancée.

Par ailleurs, le Collège pour la lutte contre la fraude fiscale et sociale se réunira régulièrement afin de coordonner les efforts en matière de lutte contre la fraude.

La concrétisation de l'objectif d'engagement de 300 personnes que vous venez de mentionner fait actuellement l'objet de discussions au sein du gouvernement. La répartition n'est donc pas encore faite.

Raoul Hedebouw:

Confirmez-vous qu'il s'agira bien de personnel supplémentaire, d'une augmentation de 300 personnes?

Jan Jambon:

Naturellement. Sinon, cela n’aurait pas de sens.

Raoul Hedebouw:

D’accord. Je vous remercie pour votre réponse, monsieur le ministre. Je vois que la destination de ces moyens supplémentaires est encore en discussion. En tout cas, nous suivrons ce dossier de très près, pour que la vraie grande fraude fiscale soit abordée dans notre pays.

Het investeringsplan voor Defensie
De strategische visie voor defensie
De strategische visie en het aangekondigde Defensieplan
Het investeringsplan en de strategische visie
De strategische visie voor defensie
De strategische visie
De strategische visie voor defensie
De strategische visie voor defensie
Defensiestrategie en investeringsplan

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 2 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De strategische defensievisie 2026-2034 (budget: 140 miljard euro, inclusief 34 miljard voor investeringen) werd besproken, maar is nog niet formeel goedgekeurd door de ministerraad. Kernpunten: uitbreiding naar 34.500 militairen, 11 extra F-35’s, een derde fregat, versterkte luchtafweer (NASAMS) en cybercapaciteit, met focus op NAVO-doelstellingen (2% BBP) en Europese samenwerking. Kritiek richtte zich op financieringstekorten (o.a. personeelsbudget onvoldoende voor ambitieuze groei), gebrek aan transparantie (documenten gelekt via media) en parlementaire inspraak (visie lijkt al vast te liggen). Vervolg: na goedkeuring volgt een militaire programmeringswet en verdere debatten.

Voorzitter:

Collega's, er staat vandaag veel op de agenda. Het eerste punt is een gedachtewisseling met de minister over de strategische visie voor Defensie die vorige week werd goedgekeurd door het kernkabinet.

Er zijn daarover al heel wat vragen ingediend en ik heb samen met de minister bekeken hoe onze commissie het best wordt geïnformeerd. Ik heb begrepen – maar het komt de minister toe om daar toelichting bij te geven – dat er nog geen finaal document is goedgekeurd door de ministerraad, maar dat de minister wel bereid is om daarover met ons van gedachten te wisselen. Het voorstel aan de vergadering is dus dat de minister en generaal Van Pee een toelichting geven bij de strategische visie en dat we er daarna een gedachtewisseling over hebben. Kunnen we dat zo afspreken?

Staf Aerts:

Mijnheer de voorzitter, ik heb een praktische vraag.

Er staat vandaag inderdaad veel op de agenda, met een gedachtewisseling, drie actualiteitsdebatten en 32 vragen. Tot hoe laat zal deze commissievergadering duren? Ik heb gezien dat deze zaal daarvoor ook deze namiddag is gereserveerd, maar om dat allemaal af te werken, hebben we een hele dag nodig.

Ik wil meteen ook een oproep doen voor de komende maanden, na het zomerreces. Kunnen we bekijken of de mondelinge vragen aan de minister sneller behandeld kunnen worden? Het is ondertussen al van 23 april geleden dat we nog een vragensessie hadden in de commissie voor Landsverdediging. Ik wil erop aandringen om dat op meer geregelde tijdstippen te doen.

Wat is er immers gebeurd op 23 april? Er vonden drie actualiteitsdebatten plaats en we zijn niet aan de 30 toegevoegde mondelinge vragen geraakt. Op die manier is het moeilijk om de meer specifieke thema's te bespreken. We hebben het telkens over de grote dossiers. Die zijn uiteraard belangrijk, maar de parlementsleden steken hun tijd ook in de meer specifieke vragen en ik zou het fijn vinden mochten we die sneller kunnen opvolgen. De minister zegt altijd dat hij ter beschikking staat van het Parlement, dus ik hoop dat we naar een hoger vergaderritme kunnen gaan.

Voorzitter:

Het is niet enkel de verantwoordelijkheid van de minister. Ook wij dragen een verantwoordelijkheid voor de organisatie van ons parlementair werk. Verschillende commissievergaderingen zijn al doorkruist door plenaire vergaderingen en ik hou er stilletjes rekening mee dat dat volgende week opnieuw het geval zal zijn. In elk geval hebben we afgesproken dat we op 16 juli, dus over twee weken, een vragensessie organiseren. Ik hoop dat we dan de mogelijkheid hebben om het volledige programma af te werken en tot het einde te gaan.

Het klopt dat er momenteel veel op de agenda staat. Dat toont aan dat defensie een belangrijk thema is. Gisteren vond al een extra commissievergadering plaats, vandaag hebben we een vragensessie. De vergadering zou normaal gezien tot omstreeks 12.30 uur duren. Het is dus onmogelijk om de volledige agenda te behandelen.

Annick Ponthier:

Mijnheer de voorzitter, ik sluit me daar graag bij aan. Op onze agenda staan mondelinge vragen die we soms al maandenlang meeslepen. We hebben intussen wel de bespreking van de beleidsnota gehad, waarbij ineens alle vragen werden gebundeld. Toch moeten we erkennen dat we niet op alle vragen een antwoord hebben gekregen, tenzij na aandringen, waarop we dan de antwoorden schriftelijk ontvingen.

Ik betreur die werkwijze. We moeten op korte termijn werk maken van een echte afhandeling van alle vragen die momenteel op de agenda staan. Ik besef dat defensie op dit moment hot is en dat er veel te bespreken valt. De gewone vragen dreigen echter voortdurend naar de achtergrond te verdwijnen door de actualiteitsdebatten. Daarom vraag ik met aandrang, mijnheer de voorzitter, om de achterstand zo snel mogelijk weg te werken.

Dat brengt me bij mijn volgende punt. De minister heeft hier de strategische visie voor de komende jaren toegelicht. Ik denk dat alle collega’s het erover eens zijn dat dat een belangrijk beleidsdocument is. Toch beschikken we als commissieleden voorlopig over geen enkel document ter zake. Dat kan ook niet, aangezien het document nog niet officieel werd goedgekeurd, maar het begint toch sterk te lijken op de werkwijze van de vivaldiregering.

Toen de N-VA in de vorige zittingsperiode in de oppositie zat, zou die zich allerminst met die aanpak hebben kunnen verzoenen. Het is bedroevend dat zo’n fundamentele beleidsbeslissing druppelsgewijs via de pers wordt gelekt, terwijl wij daar slechts akte van kunnen nemen, alsof alles al vastligt, alsof het parlementaire debat daarover slechts een formaliteit is.

Dat mag allerminst het geval zijn voor de strategische visie, die een prognose voor de komende jaren voor het defensiebeleid omvat. Ik betreur ten zeerste dat we het richtinggevende meerjarenplan voor defensie uit persartikels moeten destilleren.

Ik dring erop aan dat we het debat ten gronde voeren. Dat is op dit moment niet mogelijk, want wat we bespreken, is nog steeds voorwaardelijk. Het dossier moet namelijk nog in de ministerraad worden besproken.

Mijnheer de voorzitter, ik weet niet wat uw mening daarover is. Vermoedelijk zou u de vorige vijf jaar in uw andere positie tegen die gang van zaken –terecht – gefulmineerd hebben. Dat is wat ik nu doe. Ik vermoed dat veel collega's het daarmee eens zijn.

Voorzitter:

Ik behield vijf jaar geleden als voorzitter ook mijn neutraliteit, ook al bekleedde ik toen een andere positie.

Hier past een wat dubbele reactie. Er is nog geen goedgekeurd document van de ministerraad. Indien de minister geweigerd zou hebben om tegemoet te komen aan een vraag van de commissie om een gedachtewisseling te hebben, omdat er nog geen goedgekeurd document van de ministerraad ter beschikking is, dan zou het kot ook te klein zijn. In die zin is het een goede zaak dat we nu van de minister en van de generaal een toelichting krijgen over de stand van zaken en over de inhoud van de strategische visie, weliswaar onder voorbehoud van de goedkeuring en een beslissing van de ministerraad.

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de voorzitter, er is op dit moment zeker geen probleem met de frequentie waarmee de minister naar het Parlement komt, want hij is zeer beschikbaar. De problemen hebben vooral te maken met de agendaplanning, waarbij de plenaire vergaderingen over onder andere de programmawet de werkzaamheden van de commissie doorkruisen.

Ik ben het alvast eens met de collega's dat we vanaf september aan een andere werkwijze moeten denken, want er staan inderdaad vragen op de agenda die al maanden hangende zijn. We moeten daarmee veel meer vaart maken.

Dat neemt niet weg dat het problematisch is dat we informatie op Twitter en Facebook moeten lezen, omdat we over een aantal onderwerpen niet kunnen spreken of de minister door omstandigheden niet te pakken krijgen. Op die platforms wordt dan aangekondigd dat er een geweldig akkoord is bereikt. Ik betreur dat wij die informatie moeten vernemen via X en sociale media. Dat is des te meer het geval omdat ik op mijn vraag naar het document ter zake van u, mijnheer de voorzitter, te horen krijg dat het wel is goedgekeurd in het kernkabinet, maar nog niet in de ministerraad en dat het nog maar een werkdocument betreft.

Enerzijds wordt dan al een groot deel van de krijtlijnen op X bekendgemaakt en anderzijds sust de minister dat hij weleens naar het Parlement zal komen, omdat Vander Elst vorige week in de plenaire vergadering gevraagd heeft om daar eens over te spreken. Dat is een heel rare manier van werken en ik betreur die ten zeerste, zoals ik vorige week ook in de plenaire vergadering al onderstreepte. Ik denk dat de minister vier of vijf jaar geleden als commissielid op dezelfde manier gereageerd zou hebben en gefulmineerd zou hebben tegen zo'n werkwijze van toenmalig minister Dedonder.

Dan kom ik tot mijn derde en belangrijkste vraag. Waar draait het vandaag om? We vroegen om het te hebben over de strategische visie en het investeringsplan voor de komende jaren. Ik zie op de slide echter vision stratégique 2025 staan. Waarover spreken we nu precies? Zullen we het hebben over de investeringen van dit jaar of over die voor de komende tien jaar? Daarover wil ik graag duidelijkheid krijgen.

Gisteren nog zei Clarinval namelijk dat het dossier rond de F-35's in orde is. Vandaag lees ik echter dat het voor Vooruit helemaal nog niet rond is. Ik zou dus graag duidelijk horen waarover we het hier vandaag hebben en welke zekerheid we hebben dat dit document of deze presentatie van de minister ook effectief is afgeklopt.

Axel Weydts:

Ik wil de discussie niet onnodig rekken, maar ik ben nog niet zo lang actief op nationaal niveau. Ik ben wel al twaalf jaar lid van de gemeenteraad van Kortrijk en ben tien jaar schepen geweest. De discussies zijn overal en altijd dezelfde: de oppositie vraagt om transparantie en om voldoende informatie van de regering of het schepencollege. Dat is een zeer terechte vraag. Dan is het aan de regering of het schepencollege om af te wegen in hoeverre die informatie al kan worden gedeeld met het Parlement of de gemeenteraad wanneer die informatie nog niet is afgeklopt en dus nog niet officieel is.

Collega’s, ik zou me daar niet te druk over maken. Ik begrijp het standpunt van de oppositie, maar ik zou toch wat meer relativeren. Wat we vandaag zullen krijgen, is volgens mij een eerste stand van zaken, die inderdaad nog niet is afgeklopt. Voor zover ik weet, moet dat nog gebeuren in de ministerraad. Waarschijnlijk zal dat komende vrijdag gebeuren, maar wie weet wordt dat later. Als Parlement hebben wij daar weinig zicht op.

De discussie die we vandaag voeren, sluit echter niet uit, mijnheer de voorzitter, dat we daarover in deze commissie nog in extenso een debat kunnen voeren, zodra de strategische visie voor Defensie goedgekeurd en aan het Parlement bezorgd is. Ik ben eigenlijk tevreden dat we nu al een inkijk krijgen in iets waarvan we allemaal goed moeten beseffen dat het nog niet finaal is en dat er in de ministerraad wellicht een en ander nog verfijnd zal worden. Dat sluit echter niet uit dat we, zodra we het document officieel hebben ontvangen, dat hier nog eens in extenso kunnen bespreken.

In die zin zou ik me dus niet te veel zorgen maken. Hoe meer debat, hoe beter. Dat is goed voor zowel de meerderheid als de oppositie.

Voorzitter:

Ik ben het daarmee eens. Wat betreft die strategische visie 2025, ik had alleszins begrepen dat het ruimer is dan enkel dit jaar, mocht dat u kunnen geruststellen. Ik neem aan dat we dat straks wel zullen vernemen in de toelichting.

Robin Tonniau:

Mijnheer de voorzitter, ik sluit me aan bij de kritiek van de heer Aerts. Enige tijd geleden ben ik begonnen met het indienen van mondelinge vragen via Twitter. Jammer genoeg heeft de minister mij daar inmiddels geblokkeerd. Hij blokkeert de oppositie dus niet enkel via het Parlement, maar ook via Twitter, het kanaal bij uitstek om alles te weten te komen over onze nationale defensie.

Dit debat, deze voorstelling, is louter voor de show. Dat weten we allemaal. Alles is immers al beslist binnen het kernkabinet, en petit comité. Dit zal een mooie schijnvertoning zijn. Wij gaan daar niet mee akkoord. We verwachten op voorhand een ernstig debat. Het Parlement heeft altijd het laatste woord. We moeten onze inbreng kunnen leveren, want we vertegenwoordigen de mensen. Jammer genoeg zal dat, zoals zo vaak, opnieuw niet het geval zijn, maar the show must go on. Laten we er dan maar aan beginnen.

Voorzitter:

Het Parlement heeft inderdaad het laatste woord, maar er zijn nog collega’s die eerst het woord vragen. Ik stel dus voor dat we er nog niet aan beginnen.

Stéphane Lasseaux:

Je pense que le ministre est bien souvent disponible. Les travaux parlementaires de ces derniers temps, avec toutes les séances qui se sont rajoutées, ont fait que nous l'avons eu moins près de nous. Néanmoins, il est toujours disponible pour répondre à nos questions.

Aujourd'hui, nous allons avoir une présentation. Il est bien précisé qu'il s'agit de la vision stratégique 2025. Nous verrons ce qui va nous être présenté, si c'est un peu plus long. En tout cas, c'est ce que j'ai pu comprendre dans les informations reprises sur la convocation. Au-delà de ça, nous avons une présentation ici, avant les vacances, et nous aurons un texte après. Cela nous permettra de l'étudier sereinement et d'avoir un débat par la suite si nécessaire, selon ce que la commission souhaite.

Annick Ponthier:

Ter afronding en als reactie op wat u zei, mijnheer de voorzitter, is het natuurlijk positief dat we debatten kunnen voeren. Natuurlijk is het positief dat we gedachtewisselingen kunnen organiseren. We weten op dit moment echter niet wat er in dat belangrijke document staat, tenzij de minister straks op al onze vragen antwoordt en alles duidelijk wordt. Dat betwijfel ik, want zelfs binnen de regering is er veel discussie over.

Het ware natuurlijk mooi geweest als we vooraf een gedachtewisseling hadden kunnen organiseren. Nu wordt dit document voorgesteld in de pers en wordt het door de minister als een fait accompli aan ons voorgelegd. Wij zitten erbij voor de schone schijn, om te knikken of om op termijn, wie weet, tegen deze visie te stemmen.

Het wordt zo voorgesteld en dat is onze kritiek. Ik wil dat het in de toekomst anders verloopt.

Voorzitter:

Goed, collega's. Ik stel voor dat we met de gedachtewisseling beginnen.

Theo Francken:

Goedemorgen allemaal.

Ik hecht heel veel waarde aan het parlementaire debat. U weet dat. Ik ben zelf 15 jaar lid geweest van deze assemblee. Ik heb altijd gezegd dat ik maximaal beschikbaar zou zijn en dat ik altijd zal proberen op de vragen te beantwoorden en op alle mogelijke manieren transparantie te geven.

Er is heel veel extra budget voor Defensie. We hebben als regering dus de democratische plicht daar voldoende transparant over te zijn en te antwoorden op vragen.

Wat nu wordt gezegd, is echter intellectueel bijzonder oneerlijk. Ik ben naar hier gekomen met het regeerakkoord. Urenlang, dagenlang zijn er vragen gesteld over wat de visie van de regering voor de komende jaren was. Ik ben naar hier gekomen met de exposé d'orientation politique . Urenlang, dagenlang hebben we gepraat, dag en nacht, over wat de beleidsnota nu eigenlijk inhield. Ik ben naar hier gekomen met het plan van het paasakkoord. We hebben urenlang gepraat over dat paasakkoord. Ik ben naar hier gekomen met de note de politique générale 2025. Urenlang, dagenlang ben ik daarover ondervraagd en voor alle vragen die nog hangende waren, zijn de antwoorden schriftelijk meegegeven aan jullie. Als jullie ze gevraagd hebben, hebben jullie die antwoorden gekregen van Jan.

Als er nog hangende vragen zijn, kunt u die doen omzetten in schriftelijke vragen. We zullen onmiddellijk het antwoord meegeven. Of ik dat voorlees of schriftelijk meegeef, maakt niets uit. Misschien kunt u er zelfs meer mee doen als ik het schriftelijk meegeef, maar dat is uw keuze. Dat kiest u zelf. U moet me niks wijsmaken over het Reglement. Ik ken dat redelijk goed.

Ik ben hier nu voor de vision stratégique 2025, die nog niet is goedgekeurd. Het kernkabinet heeft die wel al goedgekeurd en dat is niet zomaar een clubje. Dat is een regering, mijnheer Tonniau. Die is gevormd met een democratische meerderheid na verkiezingen. Ik weet dat het misschien wat vreemd is, gezien uw gedachtegoed, maar zo werkt het nu eenmaal. Het is geen vreemd clubje dat onder elkaar wat dingen beslist, men noemt dat een federale regering.

Het dossier is besproken in het kernkabinet. Het werd daar goedgekeurd en zal vrijdag worden geformaliseerd op de ministerraad. De voorzitter heeft mij gevraagd voor de vergadering van vandaag na afloop van het debat over de NAVO-top en de strategische visie vorige donderdag. Ik was toen maximaal beschikbaar en heb vragen beantwoord. De heer De Wever was toen op de Europese top. Ik heb zijn vragen overgenomen en daarnaast waren er vragen aan mij gericht. Toen werd expliciet gevraagd om zo snel mogelijk met de strategische visie naar het Parlement te komen. Ik heb toen geantwoord dat die nog niet formeel goedgekeurd werd door de regering, maar dat ik beschikbaar was voor een gedachtewisseling volgende week woensdag, vandaag dus. En hier ben ik dan.

Er zijn nu mensen die opmerken dat ik nog geen documenten heb bezorgd. Dat kan ook niet, want er is nog geen officiële beslissing. Ik had toen ook kunnen zeggen dat ik niet kom zolang er geen beslissing is van de ministerraad. Het vertikken om te komen, dat had ik kunnen doen. Dat heb ik niet gedaan, want dan had u natuurlijk het omgekeerde gezegd van wat u nu zegt. Op een bepaald moment moet men weten wat men wil. U krijgt transparantie. Er is nog nooit zoveel over defensie gesproken in dit Parlement als de voorbije vier maanden. Kijk het gerust na.

Ik ben steeds beschikbaar. Ik hoor nu dat er over twee weken nog een vragensessie gepland is. Persoonlijk denk ik dat op de laatste woensdag en donderdag voor 21 juli plenaire vergaderingen zullen plaatsvinden. Dan kan ik opnieuw niet komen, omdat er plenaire vergaderingen plaatsvinden. Het spijt me, maar dan moet u niet op mij schieten. Ik kan er niets aan doen dat in de Conferentie van voorzitters wordt beslist om twee dagen plenaire vergadering te organiseren, terwijl er een vergadering van de commissie voor Defensie zou moeten plaatsvinden, en dat daardoor uw vragen niet beantwoord geraken.

De Conferentie van voorzitters beslist in consensus, over de grenzen van oppositie en meerderheid heen. Als uw fractieleider akkoord gaat met een plenaire vergadering op woensdag, in plaats van een vergadering van de commissie voor Defensie, dan heb ik daar geen probleem mee, maar verwijt mij dan niet dat ik niet beschikbaar ben voor het Parlement. Dat kan niet, dat is intellectueel bijzonder oneerlijk, collega's.

Ik ben beschikbaar. Ik heb gevraagd om maandag een briefing te geven over de NAVO-top. Dat mocht niet van de Conferentie van voorzitters. Dat mocht niet, omdat er op maandag geen vergaderingen plaatsvinden, aangezien sommige collega's dan naar hun schepencollege moeten. Geen probleem, allemaal goed, ik schik mij naar de organisatie van het Parlement. Ik kan komen op maandag, dinsdag, woensdag, donderdag, vrijdag, zaterdag, zondag. Het maakt mij niet uit. Ik sta tot uw beschikking, van het Parlement, de eerste macht. Ik ben slechts lid van de regering, de uitvoerende macht.

U moet controleren wat wij doen. Doe dat goed. U bent daar goed mee bezig, denk ik, maar u moet niet intellectueel oneerlijk zijn, want dat pik ik niet. Sorry.

Staf Aerts:

Mijnheer de minister, ik wil toch nog even de puntjes op de i zetten.

Als er op woensdag in de plenaire vergadering wordt vergaderd, kunnen er volgens mij nog altijd commissievergaderingen plaatsvinden op dinsdag. Daar zijn voldoende mogelijkheden voor.

Waarom dan...

Theo Francken:

(…)

Staf Aerts:

Excuseer, ik heb u laten uitspreken. Laten we dat misschien om de beurt doen.

Niet op maandag vergaderen… Dat was een briefing van een uur, anderhalf uur, niet meer. Met drie ministers. Dat is niet ernstig. Dat was de reden van ons protest.

Kijk eens hoe het in andere commissies verloopt. In de commissie voor Justitie heeft men ook de beleidsverklaring en de beleidsnota besproken. Men heeft daar ook de begroting besproken. De minister komt daar ongeveer wekelijks vragen beantwoorden. Het kan dus wel degelijk anders.

Mijn oproep aan de commissievoorzitter en aan de minister is om dat hier ook vaker te doen. Dat was de aanleiding voor mijn vraag. Gezien het belang van het defensiethema en gezien het feit dat er zoveel over gecommuniceerd wordt – zelfs over dingen die niet altijd al beslist zijn – kunnen we daar best meer vragen over stellen in het Parlement.

Voorzitter:

Ik denk dat de kern van het probleem ligt bij de vraag of commissievergaderingen tegelijkertijd met plenaire vergaderingen kunnen plaatsvinden. In het verleden gold dat wetgevend werk niet parallel met een plenaire vergadering kon verlopen, maar het is in het verleden wel al gebeurd dat er vragensessies werden georganiseerd tijdens extra plenaire vergaderingen. De jongste tijd is dat echter onmogelijk gemaakt, enerzijds door de Conferentie van voorzitters en anderzijds omdat er om de haverklap wordt geteld en een quorum vereist is in de plenaire vergadering, waardoor commissievergaderingen niet parallel met een plenaire vergadering kunnen plaatsvinden.

Als hier opnieuw een cultuur zou kunnen groeien waarin dat wel mogelijk is, ben ik daar alvast een sterk vragende partij voor. Dat zou ook toelaten om meer en extra commissievergaderingen in te lassen.

Kunt u het heel kort houden, mijnheer Vander Elst? Want ik zou graag overgaan naar de briefing zelf.

Kjell Vander Elst:

De minister verwijst naar de oppositie. Ik heb op geen enkel moment kritiek geuit op het feit dat u hier te weinig aanwezig zou zijn. Ik denk wel dat we in september moeten bekijken hoe we de werkzaamheden van de commissie optimaal kunnen organiseren.

Ik ben ook zeer blij dat u hier bent, want ik heb u die vraag vorige donderdag ook gesteld, dus daar gaat het niet over. U maakt beleid, ik controleer beleid. De enige vraag die ik stel, is: wat controleer ik? Wat zult u presenteren? Dat is de enige vraag die ik had. Voor de rest, laat ons alstublieft van start gaan.

Voorzitter:

Ik denk dat dat een perfecte overgang is naar de toelichting zelf.

Theo Francken:

Geachte commissieleden, wat we nu bespreken, gaat voor alle duidelijkheid niet over het plan voor 2025, maar, zoals afgesproken, over het plan 2026-2034.

De commissie regelt zelf haar werkzaamheden. Nogmaals, ik ben beschikbaar om op het even welk moment of op het even welke manier vragen te beantwoorden. Als men mij vraagt om naar het Parlement te komen, dan zal ik er zijn om eender welke vraag te beantwoorden. Daarover hoeft u zich geen zorgen te maken. Wat hier wordt gezegd, vind ik intellectueel dan ook bijzonder oneerlijk.

Vorige week werd de strategische visie principieel door het kernkabinet goedgekeurd. De kern, een vergadering van de eerste minister en zijn vice-eersteministers, is een politieke realiteit in dit land. Echter, de politieke beslissingen die daar worden genomen en de compromissen die daar worden gevonden, zijn nog geen beleid in de strikte zin van het woord. Er is immers een formele beslissing van de ministerraad nodig om van beslist beleid te kunnen spreken. Tot op heden heeft nog geen ministerraad plaatsgevonden om de principiële goedkeuring van de strategische visie in een officiële beslissing van de regering om te zetten. Daardoor is het onmogelijk om de tekst van de strategische visie vandaag aan u te bezorgen. Ik vond het echter belangrijk om de Kamer op de hoogte te brengen van de nakende regeringsbeslissing daarover.

Vrijdag aanstaande staat de strategische visie op de agenda van de ministerraad. Na de goedkeuring zal ik die zo snel mogelijk aan de Kamer bezorgen. Uiteraard ben ik dan beschikbaar om verdere vragen te beantwoorden. Als alles naar wens verloopt, ontvangt de voorzitter van de commissie vrijdagnamiddag een mail van mijn kabinet met de strategische visie, vergezeld van alle documenten en bijlagen.

Wat ligt er nu voor op de ministerraad? De kernopdracht van defensie blijft het beschermen van onze bevolking, het verdedigen van het nationale grondgebied en het bijdragen aan de collectieve verdediging van onze democratische waarden.

In een context van toenemende dreigingen en geopolitieke instabiliteit is een robuuste en toekomstgerichte defensie essentieel. België neemt daarin zijn verantwoordelijkheid op, zowel binnen de NAVO als binnen de Europese Unie. De nieuwe strategische visie, gebaseerd op een defensiebudget van 2 % van het bbp tot en met 2033, vormt een fundamentele koerswijziging.

Die ambitie weerspiegelt het engagement van de Belgische regering, zoals vastgelegd in het regeerakkoord, en is noodzakelijk om te voldoen aan de capability targets CT25, die door de NAVO aan België zijn toegewezen. Die targets zijn geen vrijblijvende aanbevelingen, maar concrete capaciteitsdoelstellingen, die bijdragen aan de collectieve paraatheid en interoperabiliteit van ons bondgenootschap.

Mesdames et messieurs, la nouvelle vision stratégique est la réponse aux capability targets assignées à la Belgique par l'OTAN. La vision stratégique et les budgets qui s'y rapportent intégreront également la planification actuelle des capacités et assureront la poursuite de sa mise en œuvre. Ce faisant, le renforcement de la coopération européenne et du pilier européen au sein de l'OTAN est essentiel pour la Belgique. La vision stratégique tient compte des récentes décisions de l'OTAN à La Haye, où les alliés se sont prononcés en faveur d'une augmentation de leurs efforts de défense jusqu'à 3,5 % de leur PIB, une décision également connue sous le nom de "The Hague Defence Pledge". La Belgique reconnaît cette ambition et opte pour une trajectoire de croissance réaliste telle que décrite ci-avant et conforme à l'accord de la coalition et au contexte budgétaire national assez pénible. Cet effort vise à atteindre les c apability targets de l'OTAN et à renforcer la coopération européenne au sein de l'Alliance.

Dans le cadre de la vision stratégique, les investissements suivants sont prévus. Nous évoluons vers une Défense plus grande d'ici 2034. À ce moment, la Défense comptera 34 500 militaires de profession, 8500 collaborateurs civils et 12 800 réservistes. Ils bénéficieront d'un meilleur environnement de travail et occuperont des bâtiments modernes. Leur bien-être se situera au cœur de nos efforts. La participation à des exercices intenses, une logistique renforcée et des stocks de munitions plus importants contribueront à une Défense mieux préparée.

Dans le domaine Information, Intelligence, Cyber and Influence , nous prévoyons des systèmes numériques supplémentaires dans la cybersécurité et les ressources de guerre électronique, ainsi que des drones MQ-9B additionnels.

Binnen het domein landmacht ligt de focus op het volledig uitrusten van de mediane brigade en de creatie van een nieuwe lichte brigade met onder meer een gevechtsdronebataljon. Concreet worden daarvoor meer dan 1.000 extra voertuigen en 11 zware transporthelikopters aangekocht.

Binnen het domein luchtmacht ligt de nadruk op de aankoop van 11 extra F-35-toestellen, die nog door de regering moet worden goedgekeurd, samen met de uitbouw van een performant, meerlagig luchtafweersysteem. Bovendien zullen nieuwe reddingshelikopters en transportvliegtuigen worden aangeschaft.

In het domein marine plannen we de aankoop van een derde fregat en een logistiek steunschip. Voorts rusten wij de vloot uit met moderne mijnbestrijdingsmiddelen.

Binnen het domein command and operational support plannen we de creatie van een medical hub , ter vervanging van het huidige militair hospitaal, samen met de aankoop van bijkomende evacuatiemiddelen. Bovendien zullen antidronesystemen worden aangeschaft, wordt de individuele uitrusting van de militairen bijkomend verbeterd en zullen diverse types drones en extra transportvliegtuigen worden aangekocht.

Tot slot trekken we 3 % van het Defensiebudget uit voor onderzoek en innovatie. Die investering is gericht op de ontwikkeling van toekomstgerichte capaciteiten met bijzondere aandacht voor cyberveiligheid, autonome systemen, civiel-militaire technologieën en alles wat met ruimtevaart te maken heeft.

Generaal Van Pee zal nadere toelichting geven aan de hand van een presentatie.

Harold Van Pee:

We zijn ondertussen toe aan de derde iteratie van de strategische visie. De eerste strategische visie dateert van juni 2016 en dekte de periode 2016-2030. Die visie werd in 2022 aangepast in de vorm van het STAR-plan met behoud van dezelfde tijdshorizon, dus tot en met 2030.

Nu bespreken we de strategische visie 2025, die voor alle duidelijkheid, mijnheer Vander Elst, de periode 2026-2034 dekt. Ze beslaat dus de resterende jaren van de huidige legislatuur en de volledige volgende legislatuur.

Wat bevat een dergelijk visiedocument?

Voorafgaandelijk doe ik u opmerken dat het een visie is en geen plan. Die twee worden soms ten onrechte verward. Het betreft dus een vrij algemene visietekst, die moet leiden tot concrete plannen zoals kwartierplannen, investeringsplannen en personeelsplannen, die later worden uitgewerkt.

Uiteraard tracht de visie zo coherent mogelijk te zijn met alle voorgaande politieke documenten, zoals de beleidsverklaring. In wezen is het eerste deel van de visietekst, het basisdocument, een beleidsverklaring die wordt doorgetrokken over twee legislaturen.

Daarnaast probeert deze visie aanpasbaar te zijn, omdat wij nu al merken dat wij moeten kunnen inspelen op veranderende omstandigheden. Daarom werken we met een basisdocument en drie bijlagen, die desgevallend vrij snel kunnen worden aangepast.

De eerste bijlage beschrijft de evolutie van de personeelseffectieven. De tweede bijlage bevat het benodigde budgettaire traject. De derde en meest ontwikkelde bijlage beschrijft de capacitaire ontwikkeling in vijf dimensies, die ik zo dadelijk meer in detail zal toelichten, namelijk de dimensie ICI, wat staat voor Intelligence, Cyber, Influence , en de domeinen land, lucht, maritiem, en commando en operationele steun.

Zoals vanochtend al herhaaldelijk werd gezegd, is er inderdaad een principeakkoord gesloten op het niveau van de kern, maar die tekst moet nog finaal en formeel door de ministerraad worden goedgekeurd. Hopelijk gebeurt dat komende vrijdag. Alles wat nu volgt, is dus onder voorbehoud van goedkeuring door de ministerraad.

Bij een dergelijke visietekst hoort enkele maanden later ook een wet op de militaire programmering, voluit officieel de wet op de programmering van militaire investeringen, personeel en technologische versterking voor de periode 2026-2034. Wat omvat een militaire programmeringswet? In grote lijnen gaat het om de bijlagen A en C van de visietekst, dus de bijlagen over de personeelseffectieven en over de capacitaire investeringen. Daar komen we zo dadelijk in detail op terug. Daarnaast zal die wet ook de financiering van de Defence, Industry and Research Strategy, kortweg DIRS, opnemen.

Deze keer zal dat verschillen van vorige wetsaanpassingen. We zijn toe aan de derde iteratie van die wet. In de tweede iteratie werd de eerste wet gewoon aangepast. We zijn nu tot het besef gekomen dat een aanpassing van een aanpassing legistiek gezien gewoon niet meer leesbaar zou zijn. We moeten nu dus een nieuwe wet opstellen die de oude vervangt, maar inhoudelijk zal het wel om hetzelfde type wet gaan. We zullen daar geen nieuwe elementen aan toevoegen, het komt neer op dezelfde wet, maar het zal formeel een nieuwe wet zijn, die de oude vervangt. We kunnen de wet niet aanpassen en blijven aanpassen, want anders wordt die onleesbaar. Uiteraard zullen we te gepasten tijde die wet ook in het Parlement indienen. Dat biedt opnieuw de gelegenheid om meer in detail in te gaan op het investeringsluik, dus op alle capacitaire ontwikkelingen, want dat is eigenlijk de basis van die wet.

Zoals ook al door de minister werd aangehaald, zullen we dit jaar inderdaad een aantal keer naar het Parlement komen. We zijn begonnen met het regeerakkoord. Iets later volgde de beleidsverklaring, l'exposé d’orientation politique . Daarna kwam het paasakkoord, in wezen een regeringsbeslissing, maar in het Parlement toegelicht. Een paar weken geleden hebben we beleidsnota 2025 toegelicht. Nu is er de strategische visie, nogmaals, onder voorbehoud van goedkeuring door de ministerraad. Na het zomerreces volgt de militaire programmeringswet, die uit die visie volgt. Na de zomer komt ook nog beleidsnota 2026, samen met het budget voor 2026. We zullen dit jaar dus nog een paar keer terugkomen.

De bedoeling is uiteraard dat de visietekst coherent is met al die andere documenten.

En ce qui concerne les annexes, on peut commencer par l'évolution des effectifs. Voilà ce que cela donne pour le personnel. Je vous laisse lire les chiffres. Au début de cette année, on avait 26 200 militaires, 2 300 civils et 2 500 réservistes. L'objectif pour 2035 est de passer à 34 500 militaires, 8 500 civils et 12 800 réservistes. C'est surtout au niveau des civils et des réservistes qu'il y a un énorme défi, parce qu'on va devoir tripler voire quadrupler les effectifs au bout de 10 ans. C'est quand même un sérieux défi.

Pour ce qui est du budget, je vous laisse lire ce slide. J'espère qu'il est également lisible pour les gens qui suivent sur leur ordinateur. Ce slide est important parce qu'il y a quand même pas mal de malentendus du fait que certaines personnes ne connaissent pas la différence entre l'effort de défense, les dépenses de défense et le budget de la Défense. Ce n'est pas la même chose et il arrive souvent qu'on mélange ces notions.

Passons par la première ligne qui donne l'évolution du PIB belge sur la base des prévisions du Bureau du Plan de février 2025. Ces chiffres sont évolutifs. Ils vont donc changer et sont indiqués à titre d'information. Ils viennent d'ailleurs de changer. Vous voyez que notre PIB devrait passer de 650 milliards l'année prochaine à 850 milliards en 2034.

La deuxième ligne représente la trajectoire budgétaire qui sera fixée au travers de cette vision, qui est de 2 % de ce PIB de 2026 jusqu'à 2033 inclus. À partir de 2034, on passe à 2,5 % du PIB. Pourquoi? Parce que l'accord de gouvernement indique qu'au plus tard en 2034, on passerait à 2,5 %. Donc, si on multiplie la première ligne par la deuxième ligne, on arrive à la troisième ligne qui représente en fait les dépenses de défense. C'est l'effort de défense traduit en chiffres absolus. Là, vous voyez qu'on passe d'environ 13,1 milliards l'année prochaine à près de 21,2 milliards en 2034. Il s'agit bien des dépenses de défense et non pas du budget de la Défense, parce que, de ce montant, il faut déduire les deux lignes qui suivent. C'est ce qu'on appelle les dépenses externes.

La ligne quatre reprend grosso modo les pensions des ex-militaires.

La ligne cinq, c'est une nouveauté introduite cette année-ci. C'est ce qu'on appelle la normalisation. Ce sont les dépenses effectuées par d'autres ministères que la Défense, mais qui ont une finalité militaire et qui peuvent être incluses dans l'objectif des 2 % pour autant qu'elles répondent à certains critères de l'OTAN.

Nous espérons identifier certaines dépenses existantes. Ce ne sont donc pas des dépenses supplémentaires. Ainsi, dans les autres ministères, pour cette année, on peut voir 150 millions, mais cela peut monter très vite vers 750 millions.

Si on soustrait les lignes quatre et cinq de la ligne trois, on arrive à la ligne huit, qui est le budget de la Défense, tel qu'il sera voté par vous dans le cadre de la loi budgétaire annuelle. Il y a quand même une énorme différence entre les dépenses de défense et le budget, de l'ordre d'environ trois milliards de plus.

Cette ligne huit, le budget de la Défense, peut alors être ventilée sur les lignes six et sept. La ligne six reprend les dépenses pour les investissements en matériel majeur. C'est ce dont nous discuterons plus tard, la fameuse annexe C de la Vision, et c'est ce qui va se trouver dans la loi par après. Cette partie-là, grosso modo , s'articule autour de 20 à 25 % de l'effort de défense. C'est la norme imposée aussi bien par l'Union européenne que par l'OTAN.

La ligne sept, c'est ce qui reste, c'est ce qu'on appelle l'enveloppe de base. Ces budgets-là servent à payer le personnel et le fonctionnement. J'espère que c'est clair.

Je voulais vous montrer qu'il y a une sérieuse différence entre les dépenses de défense et le budget de la Défense.

Les dépenses de défense pour la période 2026-2034 s'élèvent à 139 milliards d'euros, en euros courants. C'est un montant énorme, mais ce sont des euros courants, donc majorés avec le coefficient d'inflation sur neuf ans. Dans ces 139 milliards, il y a 50 milliards – j'arrondis – prévus pour les frais de personnel, pensions incluses; 38 milliards pour les dépenses de fonctionnement; 34 milliards pour les investissements, que je détaillerai plus tard; environ 7 milliards pour les investissements d'infrastructure, ce qui représente un sérieux effort pour mettre l'infrastructure de la Défense en bon ordre, parce que c'est vraiment nécessaire; 3,7 milliards pour le Research and Technology (R&T) dans le cadre du DIRS ( defence, industry and research strategy ), dont un tiers est affecté à la R&T dans le domaine spatial et cyber exclusivement, ce qui est énorme.

Évidemment, ces montants sont une fois de plus énormes mais ils s’étalent sur neuf ans. Bien sûr, nous ne partons pas de zéro. Actuellement, nous suivons une certaine trajectoire, celle du plan STAR. Si cette trajectoire avait été respectée – ce qui, malheureusement, n’a pas été le cas – nous aurions dû être aujourd’hui à environ 1,47 %, pour atteindre 1,55 % en 2030.

Par rapport à ce scénario théorique, approuvé il y a deux ans, ce plan nécessite 13 milliards d’euros supplémentaires au cours de cette législature et 17 milliards de plus pendant la suivante. Autrement dit, ces 30 milliards correspondent au coût de ce plan, comparé à la trajectoire STAR telle qu’elle avait été validée en 2022.

Cependant, il faut savoir qu’entre-temps, en raison du sous-financement du plan, le gouvernement a déjà dû injecter plusieurs milliards supplémentaires pour rétablir cette trajectoire.

De capaciteitsontwikkeling staat in bijlage C.

Il convient ici de parler du NATO Defence Planning Process (NDPP) . En effet, tant l'accord de gouvernement que l'exposé de politique générale prévoient que ce NDPP sera notre guide pour les investissements futurs à réaliser. Le NDPP sert également de European Defence Planning Process.

Il y a une bonne raison à cela. Selon les dires de certains, tous les Européens achèteraient un peu n'importe quoi et ce serait mieux si quelqu'un coordonnait tout cela. Eh bien, cela se fait déjà. Cela s'appelle le NATO Defence Planning Proces s.

Au départ, comme l'OTAN a dû développer des plans régionaux suite à la demande des chefs d'État lors des sommets de Madrid (2022) et Vilnius (2023), des plans de défense collectifs très détaillés ont été élaborés. L'OTAN sait très bien ce qu'il faut pour défendre l'Europe contre une menace russe. C'est la première fois depuis des décennies que nous avons des plans si précis, si développés. Nous avons une très bonne vue sur ce qui est nécessaire.

Par ailleurs, l'OTAN sait très bien ce dont les pays européens de l'OTAN disposent. Il est assez facile de faire le delta entre les besoins et ce qui est déjà disponible sur le terrain. Ce delta est réparti entre tous les membres européens de l'OTAN, de façon à ce que le total corresponde exactement à ce qu'il faut. On essaie d'éviter le gaspillage. On essaie d'éviter d’acheter deux ou trois fois le nécessaire dans un certain domaine. C'est vraiment bien réparti entre partenaires. Tout le monde sait très bien ce qu'il doit faire. Cela se traduit alors en capability targets pour chaque pays.

Un cycle de quatre ans vient de se terminer. Aujourd'hui, il s'agit des capability targets 2025 (CT25) qui suit le CT21. Ces capability targets, pour la Belgique, comportent plusieurs parties. Des priorités sont données à chaque pays. Il y a des objectifs quantitatifs et environ 65 objectifs qualitatifs. Pour chaque objectif, il y a des opportunités de coopération au niveau européen. Cela va même tellement loin maintenant que pour chaque capability target , l'OTAN définit quel programme de l'Union européenne (comme PESCO et EDF) peut entrer en ligne de compte.

Il existe de nos jours une parfaite symbiose entre l'Union européenne et l'OTAN en ce qui concerne les besoins. D'ailleurs, la Commission européenne demande explicitement, au travers de son White Paper publié il y a quelques mois, que les États membres européens de l'OTAN réalisent leurs capability targets de l'OTAN au plus vite, en commençant par ceux qui sont les plus prioritaires.

Il n'y a donc pas d'antagonisme entre les plans européens et ceux de l'OTAN, bien au contraire. En fait, le NATO Defence Planning Process est de facto le European Defence Planning Process . C'est notre guide pour tout ce qui suit dans le développement capacitaire.

Vous voyez sur l'écran les fameuses pie charts ou camemberts.

Bij het cirkeldiagram horen een paar kanttekeningen. U ziet daar de vijf domeinen staan: land (groen), air & SBAMD, ICI (geel), navy en commando en operationele steun. In de eerste plaats, land is niet de landmacht, lucht is niet de luchtmacht. Dat is geen een-op-eenverhouding. Zo staan bijvoorbeeld de zware helikopters die voorzien worden in het plan in het groene deel, dus bij land omdat ze ten dienste staan van de landmacht, ook al worden ze uitgebaat door de luchtmacht. Land of lucht zijn dus niet almachtig. We hebben ook ditmaal surface-based air and missile defense (SBAMD), het luchtafweerluik, apart vermeld, alhoewel het eigenlijk tot het domein air hoort, om te kunnen aanduiden wat die luchtafweer ons zal kosten, namelijk 4 miljard euro.

Ook heel belangrijk om weten is dat dit cirkeldiagram enkel het investeringsluik weergeeft. Zoals ik daarnet al zei, maken investeringen ongeveer 25 % uit van het geheel van de defensie-inspanningen. De andere 75 % zitten hier niet in. Dit diagram is dus geen verhouding van de kosten van die domeinen en is ook geen maatstaf voor het relatieve belang van die domeinen. Zo kan men bijvoorbeeld voor cyber, dat behoort tot het gele deel ICI, weinig materiële zaken aankopen. Het investeringsluik zal dus relatief beperkt zijn, maar de personeelskosten daarentegen zullen relatief hoog zijn omdat men vooral veel gekwalificeerd personeel nodig heeft. Men heeft werkingsbudgetten nodig voor cyber, men moet abonnementen kunnen kopen en dienstencontracten kunnen aangaan. Dat zit hier niet in. Dit is enkel het investeringsluik, uitgedrukt in euro's 2026, zoals dat ook het geval zal zijn in de wet die we na het zomerreces samen zullen kunnen bespreken.

Wat betrachten we met die bijlage C van de strategische visie? Ze is voor een groot deel didactisch opgevat. U zult hopelijk vrijdag, na de goedkeuring door de ministerraad, de teksten ter beschikking krijgen. Die bijlage C probeert een antwoord te bieden op vragen als wat gemotoriseerde capaciteit is, wat een surface-based air and missile defense capaciteit is, wat een surface combatant capaciteit is.

We merken dat er veel verwarring bestaat bij het grote publiek en soms zelfs ook intern bij Defensie over wat een bepaalde capaciteit nu precies is. Dat proberen we te verhelpen met deze strategische visie door in de bijlage C op een vrij didactische manier te werk te gaan. Iedere capaciteit en subcapaciteit zal in de eerste plaats gedefinieerd worden.

Het volgende luik behandelt waar we vandaag staan met betrekking tot die capaciteit. Een derde luik gaat over waar we naartoe willen met behulp van deze strategische visie uit het nieuwe investeringsplan. In een vierde luik wordt besproken hoe we daarvoor kunnen samenwerken met andere departementen binnen België of met internationale partners. Dat zijn de vier luiken die telkens zullen terugkomen in bijlage C. Samengevat geeft dat het volgende: waarover gaat het, waar staan we, waar willen we naartoe en met wie kunnen we dat doen. Dat is de opzet van die hele bijlage C.

Hopelijk zal dat worden gesmaakt. We trachten op die manier een antwoord te bieden op de vraag wat defensie nu juist inhoudt. Dat zal hiermee hopelijk duidelijk worden.

U moet ook weten dat die visie, en dus ook de wet, net zoals de vorige wet, een deel overneemt van wat er gepland werd met de vorige visie en wet. In het vorige investeringsplan, het zogenaamde STAR-plan, was ongeveer 11,1 miljard euro voorzien voor nieuwe investeringen, uitgedrukt in constante euro’s van 2022. Dat bedrag ligt intussen dus iets hoger. Van die 11 miljard euro is slechts een klein deel gerealiseerd. Een groot deel, namelijk 7,7 miljard euro, wordt nu gewoon overgenomen en zal deel uitmaken van de nieuwe strategische visie. Het gaat dus niet uitsluitend om nieuwe uitgaven. Een aanzienlijk deel wordt opnieuw opgenomen uit het STAR-plan.

Een visie drukt ook behoeften uit. Een visie spreekt in principe niet over het type wapensysteem en dus zal ook de wet systeemagnostisch zijn. Ze zal niet bepalen welk type wordt aangekocht, maar een behoefte uitdrukken. Tenzij er meer van hetzelfde wordt aangeschaft – dan is uiteraard bekend over welk systeem het gaat – of tenzij het kadert in een breder politiek raamakkoord, waarbij er slechts één type in aanmerking komt. Het CaMo-project is daarvan het beste voorbeeld. Er is in dat geval een politiek raamakkoord met Frankrijk.

We zullen dus in de wet en in de visie spreken over Serval, Jaguar, Griffon en alle voertuigen die gisteren besproken zijn, omdat die nu eenmaal kaderen binnen dat politieke raamakkoord. Daarom kunnen we ook spreken over LACM’s, want die maken deel uit van het overeengekomen beleid binnen het regeerakkoord, dat moet worden uitgevoerd in het Benelux-kader met Nederland. In dat geval moeten we aanschaffen wat zij hebben.

Los van zulke gevallen, waarin het niet anders kan, zullen de visie en de wet systeemagnostisch zijn en voornamelijk behoeften uitdrukken.

Wat ditmaal ook nieuw is, zijn de zogenoemde unsolicited development lines , oftewel geconsolideerde ontwikkelingslijnen. Dat zijn in feite budgettaire placeholders : volumes die worden vastgelegd zonder dat de inhoud ervan reeds volledig is bepaald. Die zal pas in een latere fase worden gedefinieerd.

We hanteren dat vooral in domeinen zoals cyber, drones en counterdrones. Dat doen we omdat de evolutie daar zo snel gaat dat het geen zin heeft om vandaag al vast te leggen wat er over drie jaar moet worden aangekocht. Over drie jaar bestaat er misschien al een heel ander systeem. Die ontwikkelingen gaan tegenwoordig bijzonder snel. Daarom moet er voldoende flexibiliteit behouden blijven, zodat er kan worden ingespeeld op veranderende omstandigheden en nieuwe technologieën.

Die les hebben we geleerd uit het STAR-plan, waar we merkten dat we soms vastzaten aan een te specifieke omschrijving, terwijl er intussen betere en goedkopere alternatieven beschikbaar waren. Dat zal nu anders worden aangepakt, door bepaalde capaciteiten onder te brengen binnen die budgettaire placeholders .

Dat neemt niet weg dat er voor alle budgettaire placeholders of budgettaire lijnen in de wet, wanneer er sprake is van een aankoop, een gunningsdossier nodig is, dat de normale weg van politieke en administratieve controle zal volgen. De budgettaire lijnen betekenen niet dat we carte blanche krijgen. Die zullen zich vertalen in een bepaald programma dat, zoals nu het geval is, naar de PCLA zal gaan en een advies van de IF en een begrotingsadvies moet krijgen. Dat volgt dus de normale procedure.

Dan komen we tot de vijf domeinen. Omdat alles wat we hier zeggen nog onder voorbehoud is, willen we de gedetailleerde inhoud van wat er zal worden aangekocht, niet op slides zetten, maar ik zal dit mondeling proberen toe te lichten.

Laten we beginnen met het domein ICI: Intelligence, Cyber en Influence. Wat doen we daar? Onder het onderdeel Intelligence valt ook het ADIV-SGRS-geheel. We gaan niet in op de concrete plannen die ze hebben, maar u begrijpt dat in de nodige middelen zal moeten worden voorzien voor alles wat met counterintelligence te maken heeft. Daaronder valt ook een geconsolideerde ontwikkelingslijn voor open source intelligence, social media intelligence, information manipulation interference, counter FIMI, signal intelligence en human intelligence. Al die toepassingen zullen de nodige middelen krijgen. U begrijpt dat we daarover niet in detail willen treden. Dat is misschien iets voor de PCLA.

Voor het onderdeel Cyber wordt heel veel ingezet op encryptietools, op toolkits voor het Cyber Rapid Response Team, updates voor het Secure Intelligence Center en op connectiviteit voor de respectieve Secure Operations Centers in de verschillende machten. Ook wordt er fors geïnvesteerd in een joint electronic warfare center, samen met een partner, het Verenigd Koninkrijk. Voor Cyber is er uiteraard ook een geconsolideerde lijn, een placeholder , die ons in staat stelt om snel op nieuwe mogelijkheden in te spelen.

Het onderdeel Influence gaat over allerhande analyse- en informatiemanagementtools, maar ook over middelen voor psyops en voor civil military cooperation .

Dan hebben we het domein Space, een belangrijk domein. Daar gaat het om investeringen in space situational awareness. Het gaat over de deelname aan Europese programma’s zoals het GALO, het Global Coverage All Weather Low Earth Orbit Observation Satellite-constellatiesysteem. Daar zullen we ook ons deel van betalen.

Voorts gaat het om microsatellieten en navigation warfare voor de Europese Galileoconstellatie, om bepaalde dagelijkse data beter te kunnen afschermen. Al die zaken vallen onder Space.

Ook daar is er een geconsolideerde ontwikkelingslijn, maar zoals ik daarnet heb aangehaald, zit er wat Space betreft vooral veel geld in het DIRS-budget, dat hier niet door gedekt wordt. Dat zit bij de werkingsuitgaven. Een derde van de 3,7 miljard is specifiek voorbehouden voor Space en Cyber.

Het volgende luik dat hierbij hoort, is Remote Piloted Aircraft Systems. Dat zijn de grote drones, de drones van type 3. De strategische visie zal in het tactische luik duidelijk maken wat een drone van type 1, type 2, of type 3 is. Ik zal u niet vervelen met details op dit ogenblik.

Die grote drones vallen hieronder. In de praktijk gaat het over onze MQ-9B's. Daarvan zijn er nu al twee systemen besteld. Eén systeem omvat twee vliegtuigen en een ground control station . Die twee systemen worden dit jaar geleverd. Met deze visie voegen we daar een derde systeem aan toe. We zullen in totaal dus eindigen met zes vliegtuigen en 3 ground control stations .

Verder zijn er natuurlijk updates voor die vloot van zes MQ-9B's.

Dan is er digitalisatie en ondersteunende communicatie. Dat is ook een belangrijk luik. Ook daar is er een budgettaire placeholder . Er komt heel veel IT-support voor alle nieuwe wapensystemen, maar ook een vrij groot project voor datacenters, voor bijna 1 miljard, om onze soevereine datacenters te kunnen bouwen. Die zijn natuurlijk redundant, dus dat zal een vrij groot project worden.

Dan is er de dimensie Land, waar er op zich maar twee capaciteiten zijn: de gemotoriseerde capaciteit en het Special Operations Regiment. U hebt gisteren de briefing over CaMo gehad, dus wat ik nu zal zeggen, zal waarschijnlijk grotendeels met die briefing samenvallen.

U weet dat de gemotoriseerde capaciteit bestaat uit drie elementen: de interwapen gemotoriseerde mediane brigade, de interwapen gemotoriseerde lichte brigade, en een Belgisch-Luxemburgse divisie, een verkenningsbataljon, dat de naam Ermesinde heeft meegekregen.

Wat de mediane brigade betreft, die valt uiteen in combat, combat support , en combat service board .

Wat combat betreft, de eigenlijke manoeuvretroepen, zijn er, zoals gisteren waarschijnlijk is uitgelegd, twee infanteriebataljons en twee cavaleriebataljons. Voor de infanteriebataljons worden er bijkomende Griffons gekocht. Voor de cavaleriebataljons worden er bijkomende Jaguars en bijkomende VBAE-voertuigen gekocht, véhicules blindés d'aide à l'engagement.

In het onderdeel Combat & Support is er een geniebataljon, dat zal worden uitgerust met Griffons en met materiaal om mijnen te kunnen leggen en opruimen en mobile assault bridges . Er is ook een artilleriebataljon, dat bijkomende Caesars zal krijgen, bijkomende Griffons, en Griffon MEPAC's, mortiervoertuigen. Die zullen eveneens worden uitgerust met FPV-drones, zogenaamde kamikazedrones. Daarnaast krijgen ze eigen luchtafweer in de vorm van Servals met Mistral luchtmissiles. Ze ontvangen ook een hele reeks andere standaard Servals, radars, sensoren en allerhande ander materiaal. Bij het Combat & Supportluik hoort ook een verkenningseskadron. Dat zal eveneens Servals en VBAE’s krijgen, alsook grotere drones, de integratordrones van type 2.

Bij de mediane brigade is er een onderdeel Combat & Service Support, dat het logistieke bataljon omvat. Dat bataljon krijgt heel wat materiaal, waaronder honderden vrachtwagens. Ook het medische luik maakt daarvan deel uit. Daarvoor komt er bijkomende capaciteit op rol 1-niveau, dus op het niveau van het bataljon, voor evacuatie, en veldhospitalen op rol 2-niveau, dus het brigadeniveau. Daarvoor worden eigen Griffon- en Servalambulanceversies voorzien. De mediane brigade krijgt daarnaast een Multiple Launch Rocket System (MLRS), maar dat is pas voorzien tegen het einde van de periode van de strategische visie.

De lichte brigade zal worden samengesteld uit twee infanteriebataljons en één bataljon gevechtsdrones. De samenstelling daarvan moet nog worden bepaald, maar dat zal ten laatste in 2028 gebeuren. Dat is de afspraak.

Het Special Operations Regiment omvat onder meer de nieuwe Light Utility Helicopters, de H145M, die besteld zijn. Daarnaast komen er nieuwe short take-off and landing -vliegtuigen voor het regiment, evenals toekomstige medium-heavy transport helicopters . Er komt dus heel wat vliegend materiaal bij. Ook worden nieuwe tactische voertuigen voorzien, zogenaamde medium multirole tactical vehicles, nieuwe tactische voertuigen. Daarnaast wordt er ingezet op manned-unmanned teaming . Dat wil zeggen dat we zullen samenwerken met drones, ook op de grond.

Dat is het, wat de dimensie land betreft.

Wat de luchtcomponent betreft, is het nieuwe element dit jaar de Surface-Based Air & Missile Defense: het luchtafweerluik, dat volledig nieuw is. Het gaat daarbij om tien luchtafweerbatterijen voor korte en middellange afstand van het type NASAMS (Norwegian Advanced Surface-to-Air Missile System), een Noors systeem dat we samen met Nederland aankopen, aangezien ook zij de NASAMS 3, de recentste versie, van dat systeem aanschaffen. Daarnaast worden ook drie luchtafweerbatterijen gepland voor lange afstand en voor Tactical Ballistic Missile Defense. Welk type dat zal worden, moet nog op een later tijdstip worden bepaald.

Wat het onderdeel Air Combat Multirole betreft, komen er zoals gezegd normaal gezien elf bijkomende F-35’s, een hele reeks wisselstukken en ook de zogenoemde continuous capability development , de toekomstige upgrades, zeg maar. Met het initiële F-35-contract was de ondersteuning verzekerd tot en met 2030; die ondersteuning moet nu worden verlengd voor de periode na 2030.

Daarnaast omvat het programma ook een reeks initiatieven die verband houden met de F-35 en die eigenlijk al vastgelegd waren in het STAR-plan. We nemen die nu gewoon over. Het gaat om programma’s die ons in staat moeten stellen autonomer te opereren, waarbij we op Europees niveau proberen samen te werken rond Operational Training Infrastructure (OTI), rond Mission Training Centers en rond de Europese planning van electronic warfare-middelen. Bij dit onderdeel hoort ook onze deelname aan het toekomstige NATO Flight Training Europe- of NFTE-programma, dat de vroegere capaciteit aan Alpha Jets zal vervangen, dus de geavanceerde opleiding van onze toekomstige F-35-piloten. Ook dat valt onder dit onderdeel.

Voorts is er het Fixed Wing Transport, ons luchttransport. Dat omvat onder meer Directional Infrared Counter Measures- of DIRCM-systemen voor onze Airbus A400M, zodat die vliegtuigen beter beschermd zijn tegen grond-luchtmissiles van korte dracht. Er is ook budget uitgetrokken om opnieuw regionale jets aan te kopen – zoals we die vroeger hadden met de Embraers, als u zich dat nog herinnert – omdat we die nu toch wel missen. Zeker in het licht van het nieuwe NAVO-concept, waarbij we bijna permanent troepen moeten stationeren aan de oostflank, is dergelijk intra-Europees transport binnen het operatiegebied steeds belangrijker.

Dat transport kan worden ingevuld met lichte tactische transportvliegtuigen – die overigens al in het STAR-plan waren opgenomen – of met een combinatie van beide types. Daarnaast is er ook budget vrijgemaakt om onze Corporate Long-Range – zeg maar onze vipvliegtuigen – te vervangen zodra het Falcon 7X-contract afloopt.

Tot slot zijn er nog twee capaciteiten die eveneens onder het luchttransport vallen, maar toch enigszins anders zijn. Enerzijds is er de air-to-air refuelingcapaciteit in Luik. Zoals u weet, hebben wij de facto twee tankervliegtuigen verworven, of het equivalent daarvan, binnen een pool van tien toestellen die samen met een aantal Europese landen wordt uitgebaat, vanuit het Nederlandse Eindhoven. Ook voor die vliegtuigen is financiering nodig voor verdere updates.

Daarnaast nemen we deel aan het Airborne Early Warning-programma, dus het AWACS-programma, dat wordt aangestuurd vanuit Geilenkirchen in Duitsland. Daarvan kopen wij ook ons deel. Dat programma loopt ten einde, de AWACS-vloot is al stokoud en moet worden vervangen. Ook daarvoor zullen budgetten worden voorzien.

Vervolgens is er een belangrijk deel Air Command and Control. Het Control and Reporting Center in Beauvechain krijgt er een deel deployable bij. Men zal dus een deel van de mensen kunnen ontplooien, met ook ontplooibare radarsystemen. Het hele CRC zal aan belang winnen, omdat het de nieuwe luchtafweer zal moeten ‘runnen’. Die capaciteit zal worden opgewaardeerd.

In Beauvechain wordt bovendien in het kader van het CRC voorzien in een multidomain targeting support cell en in een verdere versterking van het reeds bestaande National Airspace Security Center. Dat is een interdepartementaal orgaan, waarin ook politie, douane en het directoraat-generaal Luchtvaart vertegenwoordigd zijn. Het beoogt de uitbouw van een equivalent van het Maritiem Informatiekruispunt. Ook dat wordt voorzien.

Dan is er Force Protection Air, met onder andere commando-, transport- en verbindingscapaciteiten, CBRN-voertuigen en veel investeringen op het vlak van inbraakdetectie, om onze vliegbasissen beter te kunnen beschermen. Er komen ook investeringen in weerbaarheid, zodat, zou een vliegbasis worden aangevallen, landingsbanen snel kunnen worden hersteld. Dat zijn zaken die we hadden ten tijde van de Koude Oorlog en die komen nu terug. Daar komt het eigenlijk op neer.

Wat Search and Rescue betreft, kopen we zoals u weet vier nieuwe search-and-rescuehelikopters. Verder zijn er nog een heel wat kleinere investeringen onder de noemer Air Base General Support.

Ik kom nu tot de marine. Wat zit daarin? Onder meer Service Combatant en dan gaat het over de fregatten. We kopen een derde Anti-Submarine Warfare Fregat aan. Die capaciteit krijgt drones van type 2, anti-torpedosystemen, snelle boten en maritieme sensoren voor de MQ-9B. U ziet dus dat de MQ-9B over verschillende domeinen verspreid is, zowel bij het domein ICI als in dit platform. Tegenwoordig behoort die tot het domein Air Combat, omdat die bewapend kan worden. Daarnaast zit die ook in het maritieme domein, aangezien we voor de MQ-9 maritieme sensoren aankopen. Die sensoren bevatten radar en sonar waardoor bijvoorbeeld ook sonarboeien kunnen worden uitgegooid. Er zijn eveneens updates voorzien voor de vloot NFH NH90-helikopters, die opereren vanaf de ASW-fregatten.

In het deel Naval Mine Warfare zit een logistiek ondersteuningsschip voor onze MCMV-vloot. Verder worden mijn- en lichtsystemen aangekocht, zoals reeds voorzien in het STAR-plan. De zogenaamde MCM-toolbox omvat een hele panoplie aan drones, zowel in de lucht, op het water als onder water.

Coastal Security heeft betrekking op offshore ISR-sensoren, ISR staat voor intelligence, surveillance and reconnaissance , en op updates voor de drie Coastal Patrol Vessels, de patrouillevaartuigen.

Harbor Protection betreft de aankoop van onderwatersensoren, evenals een expeditionaire havenbeschermingsmodule voor de marinefuseliers. Het is de bedoeling dat zij ook elders, waar nodig in Europa, havenbescherming kunnen aanbieden.

Daarnaast gaat het over maritieme commando- en controlemiddelen en maritime support . In dat kader zijn er diverse SATCOM-programma’s voor de MCMV-vloot, evenals IT-ondersteuning voor het Maritiem Informatiekruispunt en het Maritime Operations Centre.

Ten slotte wordt op de laatste slide de dimensie commando en operationele steun toegelicht. Een belangrijk onderdeel daarvan is de medische steun. Daarbij gaat het om extra capaciteit van rol 1 en rol 2. Nogmaals, rol 1 omvat evacuatiecapaciteit op het terrein zelf, dus aan het front, en rol 2 betreft de veldhospitaalcapaciteit. Voor die capaciteit worden eigen voertuigen voorzien, met alles wat erbij hoort, zoals evacuatiekits, specifieke vrachtwagens met koelers en dergelijke. Zoals de minister reeds vermeldde, is er ook de medical hub . Die zal bestaan uit een medisch expertisecentrum, een centrum voor specialisaties, een centrum voor vorming en training, een logistiek centrum en een centrum voor onderzoek en ontwikkeling. Dat alles wordt samengebracht in de nieuwe medical hub .

Binnen het luik joint force protection worden alle systemen ter bestrijding van drones (counter-UAS-systemen) gegroepeerd voor alle machten. Dit wordt een vrij groot programma dat waarschijnlijk in de vorm van een raamcontract zal verlopen voor alle machten en dat diverse types van counter-UAS-systemen zal omvatten. Er is ook een vernieuwde Explosive Ordnance Disposal (EOD) voor DOVO. Het gaat hierbij onder meer over een nieuwe static detonation chamber en nieuwe robots voor EOD-activiteiten. Onder dit luik valt eveneens CBRN-uitrusting voor alle machten. Nogmaals, de Koude Oorlog komt terug en daarom kopen we die capaciteiten opnieuw aan. Op termijn – dit is een werk van lange adem – komen daar ook scanners bij voor toegangscontrole en allerlei andere elementen die onder joint force protection vallen.

Vervolgens is er het luik general support . De naam is misschien verkeerd gekozen, want hieronder valt nu ook de territoriale reserve en de uitrusting daarvan. Die zal volledig worden uitgerust, net zoals de actieve militairen. Ze krijgen zowel hun individuele als collectieve uitrusting onder dit luik.

Daarnaast omvat dit luik ook een aantal voertuigen, waaronder een eigen VSHORAD-capaciteit. Concreet gaat het over 20 Skyrangersystemen van het Duitse Rheinmetall. Dat valt onder een politiek raamakkoord en is een uitwerking van het memorandum of understanding inzake het European Sky Shield Initiative, dat tijdens de vorige legislatuur werd gesloten. België heeft zich destijds aangesloten bij dat memorandum of understanding .

De Skyranger vormt het onderste segment in het VSHORAD-geheel en zal worden aangekocht voor de territoriale reserve.

Daarnaast zijn er een aantal belangrijke unmanned systems . We hebben zojuist gesproken over counter drones ; dit betreft het onderdeel drones, dus onze eigen drones van allerhande types. Er zijn al veel drones opgenomen in de respectieve capaciteiten, maar hiermee worden drones bijgekocht voor alle machten. Het gaat om kleine verkenningsdrones, kamikazedrones en allerhande soorten drones die vandaag op het slagveld niet meer weg te denken zijn. Die worden gefinancierd binnen deze budgettaire lijn.

Tot slot is er het belangrijke onderdeel enablement . We krijgen een belangrijke taak toegewezen: ervoor zorgen dat onze bondgenoten in geval van een groot conflict hun materieel kunnen ontschepen in de havens en luchthavens, zodat het doorgevoerd kan worden naar de plaatsen waar het nodig is. Dit onderdeel omvat bijvoorbeeld de aankoop van spoorwagons, een joint support hub en combined air terminal operations . Kortom, alles wat nodig is om onze bondgenoten de vereiste host nation support te bieden.

Ik heb slechts een aantal elementen aangeraakt in dit korte overzicht. De strategische visie, die u hopelijk vrijdag zult kunnen lezen, is nog veel ruimer. Ik maak toch een kanttekening, alle besproken materieel zal uiteraard niet morgen al beschikbaar zijn. De visie bestrijkt een periode van negen jaar. Sommige systemen die ik zonet heb genoemd, zullen misschien pas over zeven jaar worden besteld en over tien jaar worden geleverd. Dat moeten we goed voor ogen houden. Dit is gewoon een overzicht en hopelijk wordt alles vrijdag duidelijker wanneer u de teksten kunt inkijken na de goedkeuring van de ministerraad.

Theo Francken:

Dank u, generaal.

Dat was op zich een extensief, volledig overzicht. Ik herhaal nogmaals dat dit nog niet is goedgekeurd, maar op de agenda staat van de ministerraad vrijdag. Principieel was er een akkoord, maar we zullen nog even moeten overleggen met de collega's. Een goed gesprek kan immers nooit kwaad.

Voorzitter:

Het was niet alleen een extensieve uiteenzetting, het zijn ook intensieve dagen, mijnheer de minister.

Collega's, ik stel voor om eerst een werkafspraak te maken over hoe we de bespreking verder zullen aanvatten. Er zijn vragen ingediend die gekoppeld zijn aan deze gedachtewisseling. Het lijkt me hoffelijk dat we eerst het woord verlenen aan de commissieleden die vragen hebben ingediend. Vervolgens kunnen we het woord geven aan wie daarover een tussenkomst wenst te doen.

Is het mogelijk om een tijdlimiet af te spreken? Ik kan me voorstellen dat sommigen bijzonder uitgebreid willen zijn, terwijl anderen misschien een kort statement wensen te maken. Misschien kunnen we daarover een werkafspraak maken?

Een voorstel is vijf minuten spreektijd per fractie. In vijf minuten kan men heel veel zeggen. Is dat te veel of te weinig?

Goed, dan houden we het op vijf minuten. Ik geef het woord aan de heer Vander Elst.

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de minister en mijnheer Van Pee, dank u voor uw zeer uitvoerige toelichting.

Ik had verwacht dat we een overzicht van de tweets van Theo zouden krijgen, maar het is veel meer geworden, dus daar ben ik blij om. We hebben toch wel een inkijk gekregen in wat er de komende jaren eventueel op de planning zal staan. Ik spreek ook onder voorbehoud. Er zitten een aantal zaken in die de goede richting uitgaan en die nodig zijn.

Ik heb zeer vlijtig genoteerd. Mijn eerste punt gaat over het budget. Er zullen budgettaire lijnen worden gecreëerd die flexibel kunnen worden ingezet of die kunnen inspelen op de actualiteit of op technologische ontwikkelingen. Ik vind dat een bijzonder verstandige keuze en een goede zaak.

Als er één positief element is aan de oorlog tussen Rusland en Oekraïne, dan is het wel dat research and development en technologie en innovatie in zeer korte tijd ongelooflijke stappen vooruit zetten. We moeten daar als land, als NAVO-partner en als EU-lidstaat kort op kunnen inspelen. Ik vind het dan ook een goede zaak dat daarin zal worden voorzien.

U hebt de budgettaire lijnen gepresenteerd. Ik begrijp dat die gebaseerd zijn op een beleidsnota die dateert van voor de verhoging van de NAVO-norm. De NAVO-norm is intussen door alle lidstaten goedgekeurd. Dat betekent dat wij tegen 2035, behoudens grote wijzigingen bij de tussentijdse evaluatie in 2029, naar 5 %, maar in dit kader naar 3,5 % actieve militaire uitgaven, moeten gaan. Dan zie ik dat wij momenteel 2 % voorzien tegen 2033, 2,5 % in 2034 en in principe 3,5 % in 2035.

Dat betekent dat wij op 2 jaar tijd 1,5 % moeten bijpassen, als er in 2029 geen grondige of fundamentele wijzigingen worden aangebracht in het te behalen percentage. Eerlijk gezegd verwacht ik dat niet.

Dat is wishful thinking. Zo komt het niet goed. We schuiven het allemaal vooruit. We doen inderdaad wel alles om versneld de 2 %-norm te halen om onze afspraken na te komen en dat is goed. Dat heb ik tegen de minister ook al vaak gezegd. Als we echter op die manier blijven werken, bengelen we opnieuw achteraan het peloton. Dat is net wat we niet willen, met de Europese hoofdstad en als medeoprichter van de NAVO.

We zullen dus de komende maanden echt grondig moeten spreken en debatteren over de manier waarop de regering dat traject om aan de NAVO-norm en onze verplichtingen te voldoen, zal uitbouwen. Op de manier waarop men het nu doet zullen we opnieuw achteraan bengelen en wordt de rekening doorgeschoven, niet naar de volgende regering, maar naar die daarna en naar de volgende generaties. We dragen een collectieve verantwoordelijkheid, zowel de regering als het Parlement, om dat niet toe te laten.

Ten tweede, wat het personeel betreft, ik lees dat we op die 9 jaar tijd 50 miljard zullen uitgeven aan personeel, met inbegrip van de pensioenkosten. Op dit moment, als ik correct ben, geven wij jaarlijks ongeveer 4,3 miljard uit aan personeelskosten. Als men dat maal 9 of 10 doet, komt men uit rond de 40 miljard. Dat betekent – neem mij alstublieft niet op details of punten en komma’s – dat er ongeveer 10 miljard euro bij komt voor personeel, als het al zoveel is.

Daarnaast zullen we echter de personeelsaantallen drastisch optrekken. Eigenlijk klopt dat dus niet. Men kan niet het personeelsbestand fors uitbreiden, wat nodig zal zijn, en op 10 jaar tijd slechts tussen de 7 en 10 miljard extra voorzien voor personeel. Dat kan zeker niet als men weet wat de pensioenhervorming inhoudt met de beloftes in het achterhoofd die gedaan zijn over de specificiteit van het beroep en voor het militair personeel en hun statuut. We zouden dat allemaal aanpassen. Met 7 à 10 miljard zullen we dat gewoon niet kunnen realiseren, zeker niet als men het aantal personeelsleden drastisch wil optrekken in de komende jaren.

Ik had daarover dus graag duidelijkheid. Wat is de planning? Zult u nog stappen zetten om iets aan dat statuut aan te passen? Met die budgettaire middelen ten belope van 50 miljard op 10 jaar tijd zult u dat namelijk niet kunnen doen. U zult dat niet kunnen financieren.

Voorzitter, vijf minuten is zeer kort, maar goed, ik respecteer de afspraken. Ik wil toch nogmaals de heer Van Pee en de minister danken voor de toelichting, maar ik ga ervan uit dat we voor de zomer echt nog in de diepte en zonder spreektijdbeperking met elkaar kunnen spreken.

Robin Tonniau:

Mijnheer Francken, de vraag is natuurlijk; who is your daddy ? Is dat Rutte of Trump, de NAVO, de Verenigde Staten of de defensie-industrie? Uw investeringsplan voor Defensie is tegelijk ook een besparingsplan voor de hele bevolking. Uw strategische visie is niets meer dan het ontmantelen van onze sociale zekerheid en het doorsluizen van ons geld naar uw daddies . NAVO-baas Rutte zei het al tegen zijn daddy : Europa zal fors meer betalen. Dat betekent dat de VS fors meer zullen cashen.

Onze pensioenen zullen fors dalen. Wie zal zich met 6.000 euro minder koopkracht per gezin per jaar veiliger voelen? Niemand. Zeker niet wanneer die 6.000 euro wordt gebruikt om offensief oorlogsmateriaal aan te kopen. U hebt een strategische visie op oorlog, maar niet op veiligheid.

Vandaag bespreken we geen officiële nota van de regering, geen strategisch plan goedgekeurd door het Parlement. Nee, we bespreken in feite een boodschappenlijstje van de heer Francken, gepost op Twitter. Daaruit blijkt vooral dat uw strategische visie neerkomt op het doorsluizen van zoveel mogelijk Belgisch belastinggeld naar de wapenindustrie, een sector die overigens bekendstaat om het hoge corruptierisico. Denk maar aan de Italiaanse Agusta-helikopters. De heer Vandenbroucke weet er alles van.

De strategische visie van Arizona is tot 2033 2 % van het bbp aan defensie te besteden, maar zelfs dat is vandaag nog altijd niet gefinancierd. De investering van 34 miljard euro is niets meer dan een ongedekte cheque, enkel bedoeld om die 2 % te halen, ongedekt, omdat men weet dat het verzet tegen het sociaal beleid, asociaal beleid liever, erg groot is en het verzet tegen de militarisering voelbaar groeit. In 2034 wilt u naar 2,5 % gaan om in 2035 de zogenaamde Trumpnorm van 5 % te bereiken. Daarvan zou 3,5 % naar wapens gaan, dat betekent nog eens 10 miljard extra per jaar. Wie zal die factuur betalen? Uiteraard de werkende mensen.

Als we dieper ingaan op wat hier voorligt, dan zien we een boodschappenlijstje van de wapenindustrie, goed voor 34 miljard euro, een derde oorlogsschip, terwijl onze kustlijn amper 67 kilometer lang is, een gewapende dronevloot en straks komen daar nog eens elf extra F-35’s bij. Dat zijn geen verdedigingswapens; ze zijn allemaal bedoeld voor offensieve buitenlandse NAVO-operaties. Dat militaire opbod zal de wereld niet veiliger maken, integendeel.

Wat we vandaag meemaken, is het begin van een nieuwe besparingsronde. In elke toekomstige begroting zal, door Arizona en uw defensie-engagement, het defensiebudget als excuus gelden om sociale rechten af te bouwen. Pensioenen en andere voorzieningen worden uitgehold, investeringen in zorg en onderwijs worden uitgesteld of zelfs volledig geschrapt. Op die manier ontmantelt u, steen voor steen, onze veiligheid en onze sociale zekerheid.

Defensie krijgt zoveel miljarden toegestopt dat een dossier van 1 miljard euro plots klein wordt genoemd. Met het budget van één F-35 kunnen we veertig scholen bouwen. Met vier F-35’s creëren we tienduizend extra plaatsen in de kinderopvang. Met zes van die vliegtuigen bouwen en onderhouden we een nieuw ziekenhuis. Maar nee, alles voor daddy Trump !

Trump is onbetrouwbaar. Kijk naar Zwitserland. Dat land kocht F-35’s aan via een contractuele verbintenis en wat doen de Amerikanen nu? Ze verbreken die verbintenis en eisen meer geld van de Zwitsers. Toch zullen wij elf extra F-35’s bij dezelfde mensen bestellen.

Dus, mijnheer de minister, bedankt voor uw strategische visie op hoe men zo snel mogelijk wapens koopt. Waar is echter uw strategische visie voor het personeel, de vakbonden en hun pensioenen? Waar is uw strategische visie op de financiering van uw plannen, de ongedekte cheque van 34 miljard euro? Mijnheer Vander Elst heeft gelijk, uw budget voor personeel is ontoereikend. U wilt het aantal personeelsleden bij Defensie verdubbelen, maar waar is het geld om dat personeel te betalen? Wanneer zult u daar eindelijk duidelijkheid over scheppen?

Annick Ponthier:

Dank u, mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister en generaal Van Pee voor uw concrete toelichting bij een aantal dossiers die aan bod komen in de strategische visie.

"Who's your daddy?", zal ik u niet vragen, want dit debat moet ernstig gevoerd worden.

Generaal Van Pee, u hebt verklaard dat de strategische visie opgesteld is met een duidelijk overzicht van de capaciteitsdriehoek: personeel, budget en investeringen. De strategische visie is ook flexibel opgesteld met het oog op eventuele toekomstige evoluties. Ik beschouw dat als een zeer positief element. We weten immers waar we nu staan, maar we weten niet waar we binnen een aantal jaar en al zeker niet aan het einde van de looptijd van deze strategische visie zullen staan.

Het is dus bijzonder goed dat men flexibel kan zijn waar nodig. Mocht ik concrete vragen stellen over elementen die u al hebt toegelicht, dan verontschuldig ik me bij voorbaat, maar er zijn veel elementen aan bod gekomen, wat op zich ook positief is.

Het zijn tenslotte maar elf extra F-35's geworden, hoewel de NAVO er meer had gevraagd. Ik zeg daarom niet dat we op de vraag van de NAVO moeten ingaan, u kent ons standpunt ter zake. Mijnheer Tonniau, na het akkoord over de meerwaardebelasting was er een compromis gevonden.

Mijnheer de minister, hoe ziet u de strategische afhankelijkheid van de Verenigde Staten in de toekomst, gelet op de huidige spanningen tussen de EU en de VS ter zake? Wat is uw visie op de Europese strategische autonomie? We merken toch wel enige tegenkanting, niet het minst binnen uw eigen regering. Ik herinner me overigens nog de slogan van de collega’s van Vooruit in het verleden over de F-16's: "Daar vliegt uw pensioen." Wat is uw reactie op alle argumenten tegen de F-35 inzake afhankelijkheid, kostprijs en noodzaak?

Mijn tweede vraag betreft een visie op een nog langere termijn dan de plannen die nu voorliggen. Wat is de stand van zaken met betrekking tot het Future Combat Air System (FCAS) of het Global Combat Air Programme (GCAP)? U was daar aanvankelijk tegenstander van, mijnheer de minister, maar nadien verklaarde u dat België zou instappen in het FCAS. Vervolgens werd opnieuw twijfel gezaaid. Wat is nu de uiteindelijke visie daaromtrent?

Dan heb ik nog een vraag over het derde fregat, het logistieke steunschip. Iedereen weet dat we drie fregatten nodig hebben: een in onderhoud, een voor opleiding en een operationeel. Dat is noodzakelijk om te allen tijde een functionele marine te kunnen verzekeren.

Axel Weydts:

Niet iedereen.

Annick Ponthier:

De meeste mensen met gezond verstand weten dat. De vorige twee fregatten zijn op identieke wijze uitgerust met een Vertical Launching System (VLC) om raketten te lanceren. Wordt ook het derde fregat op identieke wijze uitgerust als de vorige twee fregatten?

Dat is belangrijk met het oog op consistentie binnen het geheel.

Welk type logistiek steunschip wordt het? Hebt u al een idee van de kostprijs ter zake? Ik hoef u niet te herinneren aan het vorige vivaldidebacle, waarbij de kostprijs plots van 1 miljard euro naar het dubbele ging, zonder voorafgaande verwittiging.

Mijnheer de generaal, over het luchtafweersysteem hebt u aangegeven dat wij negen van de geavanceerde NASAM-systemen zullen aankopen.

Theo Francken:

Het gaat over tien systemen. Het stond verkeerd in Het Laatste Nieuws .

Annick Ponthier:

Wij hadden de pers dus nog grondiger moeten lezen om het juiste aantal te weten.

Ik wil u ook het volgende vragen. In de pers werd gesproken over 2,25 miljard euro, terwijl op de slide daarnet 4 miljard euro stond. Kunt u dat verschil toelichten? Dat zal ongetwijfeld een verklaring hebben.

We zullen daarvoor samenwerken met Nederland. Nederland heeft gekozen voor een Europese radaroplossing van het bedrijf Thales. Welke keuze zal België ter zake maken? Zal België dezelfde keuze maken als Nederland? Kunt u dat al dan niet bevestigen?

U hebt verklaard dat het veel tijd zal vergen om een aantal systemen aan te kopen en operationeel te maken. Wanneer zal het NASAM-systeem operationeel zijn? Kunt u dat nog kort toelichten?

Mijnheer de voorzitter er is een verschil in communicatie. Ik zal dat kort aanraken.

Mijnheer de minister, wij hebben in de pers gelezen over 1.000 nieuwe gevechtsvoertuigen en 1.000 logistieke voertuigen. In uw eigen communicatie sprak u echter over 1.500 nieuwe gevechtsvoertuigen en 2.100 logistieke voertuigen. Wat wordt het nu precies? Waarom is uw verklaring strijdig met de berichtgeving in de pers?

Welke types helikopters worden het? Kunt u daar ook iets over meegeven?

Ik ga heel snel door de vragen, want ik had heel veel vragen. Onze spreektijd is echter jammer genoeg beperkt.

Inzake de personeelsdoelstellingen hebt u heel ambitieuze doelstellingen, maar het budget dat daartegenover staat, is toch wel erg beperkt. Ik zal de uiteenzetting van de andere sprekers daarover niet herhalen, maar ik zou u het volgende willen vragen. Hoe zal de personeelsevolutie in de praktijk worden gerealiseerd?

Met die vraag beëindig ik helaas mijn vraagstelling.

Lydia Mutyebele Ngoi:

Monsieur le ministre, je vous remercie d'avoir présenté votre note de vision stratégique avant même qu'elle soit présentée au gouvernement.

Je parlais avec mes collègues des thèmes qui reviennent fréquemment dans cette commission. Les discussions portent souvent sur l’armement et sur les achats militaires, tandis que les aspects humains sont trop peu évoqués. Nous ne parlons que trop rarement des militaires dont vous allez allonger la carrière de 11 ans. Il serait important que cette commission intègre davantage les questions sociales.

Vous avez été galvanisé par la venue de Trump au sommet de l’OTAN à La Haye, sujet sur lequel nous avons déjà eu l'occasion de débattre longuement.

Votre gouvernement a obtenu un accord pour dépenser 34,2 milliards d’euros. Comme la Suédoise, votre majorité ignore comment ces montants seront financés. Toutefois, M. Prévot a indiqué que cela passerait notamment par le prélèvement de nouveaux impôts ou la vente d’entreprises publiques.

Vous faites les mêmes erreurs que la Suédoise. Avant même d'avoir votre plan stratégique, on savait déjà qu'on achèterait des F-35 américains. Le général Van Pee, présent dans cette salle, connaît bien les problèmes liés à ces avions. Il avait été auditionné par le Parlement, plusieurs années auparavant, lorsque le ministre Vandeput avait décidé de lancer ce même marché. Il pourra donc intervenir sur cette problématique qu’il connaît.

Au-delà des considérations budgétaires, des questions importantes demeurent en matière d'autonomie stratégique européenne, d'approche globale des conflits, de retours sociétaux pour les entreprises belges et européennes, et de ressources humaines alors que vous brisez le contrat social avec nos militaires. Vous avez évoqué le personnel tout à l’heure, mais vos objectifs ne seront pas atteints, compte tenu de la politique sociale catastrophique que vous menez.

Le MR et Les Engagés parlent constamment de l'Europe de la défense, mais 11 F-35 vont être achetés à l'Amérique de Trump, alors que le budget est en train d'exploser. Il y a eu ce débat en Suisse, que nous avons suivi.

Je me permets de vous dire qu'il ne s'agit pas d'une une vision stratégique, mais d'un aveuglement stratégique. Ce qui est sûr, c'est que chaque jour, vous signez des nouveaux contrats sans vision globale, sans impliquer nos entreprises, sans vous poser la question de l'autonomie stratégique européenne.

Avec l'Arizona, il est certain que ce sont les foyers qui vont payer la facture de tout ce que vous achetez; on parle de 6 000 euros par ménage.

Monsieur le ministre, pouvez-vous nous présenter dans les grandes lignes votre vision? Il y a beaucoup de zones d'ombre par rapport à tout ce qui nous a été présenté ce matin en termes d'achats militaires, de zones géographiques prioritaires, d'autonomie stratégique européenne, de ressources humaines, de missions d'aide à la nation et d'investissements duals.

Au regard de l'approche globale, ce gouvernement diminue drastiquement les fonds consacrés à la coopération au développement. D'ailleurs, hier, le chef de la Composante Terre a indiqué que nous ne regardons pas assez vers l'Afrique.

Koen Van den Heuvel:

Mijnheer de voorzitter, mijn tussenkomst zal wat positiever klinken dan die van de vorige sprekers. Sommigen hebben namelijk wel een heel kort geheugen.

Mijnheer de minister, bedankt voor uw presentatie.

Een strategische visie is absoluut nodig. We hebben een korte, maar duidelijke kijk gekregen op de grote prioriteiten en de lijnen die u voorstelt. Het is goed dat dit past binnen het kader van het NAVO Defence Planning Process (NDPP). Dat is belangrijk voor de geloofwaardigheid van ons land als partner.

Er is inderdaad al gezegd dat het om een flexibel kader gaat, met voldoende aandacht voor innovatie. De oorlog in Oekraïne toont heel duidelijk aan dat er een aantal innovaties zijn waarop we moeten inspelen, zoals drones en counterdrones. Ik denk dat dat ook effectief gebeurt.

Er wordt wel eens gezegd dat het om een boodschappenlijstje gaat, maar de publieke opinie tendeert daar bijna automatisch naar, omdat het iets concreets en spectaculairs is. De generaal heeft echter duidelijk gezegd dat capaciteit personeel betekent, maar ook investeringen en werkingskosten. Hij heeft dat drie keer herhaald, ook op een van de slides waarop dat met de bijhorende miljarden werd weergegeven. Zeggen dat het enkel om een boodschappenlijstje gaat, is dus, collega's, wel erg kort door de bocht. Uit de presentatie blijkt immers net het tegenovergestelde.

Er zijn uiteraard grote uitdagingen en er is veel geld mee gemoeid. Als we het draagvlak bij de bevolking willen behouden, moeten we zorgen voor voldoende transparantie. Dat is duidelijk. We moeten de juiste keuzes maken, duidelijke prioriteiten stellen en inzetten op efficiëntie. Voor die efficiëntie is het voor ons belangrijk dat dit past binnen het NAVO-kader van het NDPP, maar ook binnen een Europese lijn. Ik heb dat de voorbije week al herhaaldelijk gezegd.

De generaal heeft daarnet ook bevestigd dat Europa die NDPP-lijnen overneemt, wat positief is. Bovendien kunnen we volgens een rapport van het Europees Parlement misschien tussen de 20 en 60 miljard besparen op het defensiebudget – dat is een brede vork, dat weet ik – als er meer gestandaardiseerd wordt, met minder versnippering en meer interoperabiliteit. We moeten dat dus absoluut blijven nastreven en ik wil de minister aanmoedigen om daarin een voortrekkersrol op te nemen namens België binnen dat Europese orkest. We moeten daarop inzetten en proberen weg te gaan van de nationale inrichtingen, zodat de competitiviteit kan spelen en we onze defensiemiddelen op een efficiënte manier kunnen besteden.

Ten tweede, ik zal de prioriteiten niet allemaal overlopen. Het is belangrijk dat we voldoende aandacht hebben voor cyberveiligheid en innovatie. Als ik het bedrag goed heb gezien, gaat het over bijna 4 miljard euro voor de hele planperiode. Dat is heel duidelijk. We moeten van de DIRS absoluut een prioriteit maken. Ik vind het ook belangrijk – ik heb dat eerder al in een resolutie aangehaald – dat de deelstaten daarbij betrokken worden, aangezien die het innovatiebudget beheren. Op dat vlak kunnen we samen slagkrachtiger worden.

Ik heb geen tijd genoeg om de andere prioriteiten te bespreken, maar ik wil nog twee zaken zeggen over het infrastructuurplan dat capaciteit, werkingskosten, personeel, investeringen en infrastructuur omvat. Volgens de slide die ik heb gezien, is er ongeveer 7 miljard euro voor voorzien. Daarom mijn vraag, mijnheer de minister: hoe ver staat het met uw infrastructuurplan? Er zijn heel wat militaire domeinen die daarop wachten. Hoe ver staat u daarmee? Kunt u op korte termijn een totaalvisie met een investeringsplan presenteren?

Een ander belangrijk principe is dual-use . Voor ons is dat altijd essentieel. Hoe ziet u dat? Dat woord heb ik niet gehoord in de presentatie over de strategische visie. Het zou goed zijn als dat nog verder toegelicht kan worden, ook met betrekking tot de medische component en de civiele bescherming.

Ten slotte is er de uitdaging op het vlak van personeel. Daar staan duidelijke budgettaire middelen tegenover, maar de uitdaging blijft om op 10 jaar tijd te evolueren van 28.000 naar 43.000 personeelsleden, ook wat betreft de reservistencomponent. Dat is een hele uitdaging – we zijn ons daar allemaal van bewust – maar we moeten de moed hebben om die hervorming door te voeren.

Staf Aerts:

Deze strategische visie bevat uiteraard heel wat verschillende aspecten, maar ik wil vooral ingaan op één specifiek aspect: het personeel zelf. We kunnen natuurlijk een extra fregat aankopen, maar als het vandaag al moeilijk is om de twee bestaande fregatten te bemannen, dan vormt dat een cruciale uitdaging. Het is van essentieel belang dat we zoveel mogelijk militairen kunnen aanwerven en behouden.

Als ik kijk naar de cijfers inzake het personeel die hier zijn geschetst – u hebt daar vorige week tijdens de begrotingsbespreking ook al naar verwezen – dan is er 50 miljard euro voorzien voor personeel, inclusief de pensioenen.

Rekening houdend met de huidige personeelskosten gaat het over ongeveer 43 miljard euro over een periode van tien jaar. Er blijft dus nog 7 miljard euro over, maar die zal worden opgesoupeerd door twee zaken. Ten eerste wordt de pensioenleeftijd opgetrokken. De vakbonden hebben ons heel duidelijk uitgelegd dat de verhoging van de pensioenleeftijd extra kosten met zich meebrengt voor het leger. Ten tweede zal het aantal personeelsleden toenemen, wat ook extra middelen zal vereisen. Dan rijst de vraag of dat resterende bedrag van 7 miljard euro voldoende zal zijn. Er lopen immers ook onderhandelingen over een sociaal akkoord, waarnaar al herhaaldelijk is verwezen. U zou landen tegen 21 juli.

Als die 7 miljard volledig wordt opgeslorpt door de aangroei van het personeelsbestand met nieuwe reservisten en nieuwe militairen, blijft er dan nog budget over voor het sociaal akkoord zelf? Of moet er toch nog bespaard worden op die 43 miljard euro? Moet er dus nog verder worden bespaard op het personeel of op andere manieren? Ik weet niet goed op welke manier dat dan zou kunnen gebeuren, maar hoe wilt u die kloof dichten? Is er eigenlijk nog financiële ruimte binnen dit akkoord?

In de presentatie vandaag is verwezen naar de bijlage 'Evolutie personeelsbestand', die we pas maandag zullen kunnen bekijken. Bevat de strategische visie ook een specifiek hoofdstuk over personeel? De vorige keer was dat wel het geval. Dat is nu niet naar voren gekomen. De tekst is natuurlijk nog niet in deze commissie voorgesteld. Is er een specifiek hoofdstuk aan gewijd? Hoe gaan we ervoor zorgen dat onze militairen zich gewaardeerd voelen, ook de huidige militairen? Het gaat dan niet alleen om de reservisten en hoe we dat zullen bolwerken. De ongerustheid, collega's, is bijzonder groot. Af en toe verschijnen er berichten op Facebook, op X, op sociale media. Niet alleen de minister post, ook militairen posten af en toe.

Het is pijnlijk dat in dit Huis wordt verklaard dat de periode van la grande muette voorbij moet zijn en dat men nu in de televisiestudio’s het beleid moet verdedigen, terwijl de gewone militairen ondertussen de boodschap krijgen: "Beste collega, wees alsjeblieft voorzichtig met wat u op sociale media plaatst. Als u het niet eens bent met het huidige politieke beleid, weet dan dat dit kan leiden tot veiligheidsincidenten en zelfs tot het verlies van uw veiligheidsmachtiging."

Dat toont de onrust. Blijkbaar is het zelfs nodig om te reageren op mensen die hun onrust uiten op sociale media en dat toont vooral het belang aan om hier werk van te maken. Nog niet zo lang geleden werd er een sociaal akkoord in het vooruitzicht gesteld tegen 21 juli. U, mijnheer de minister, hebt dat midden juni aangekondigd. Ik hoor dat er bijzonder weinig overleg is geweest en dat er nog geen tekst aan de vakbond is bezorgd. Hoe verhoudt zich dat tot de naar mijn gevoel te beperkte middelen op personeelsvlak?

Mijn tweede punt sluit aan bij wat gisteren tijdens de hoorzitting ook al aan bod kwam. Er zal massaal veel aangekocht worden, dat is heel duidelijk. Mijnheer de minister, tijdens de besprekingen rond Pasen, in het kader van het paasakkoord, hebt u letterlijk gezegd dat u vast blijft houden aan alle aanbestedingsprocedures: een gunstig advies van de Inspectie van Financiën, een begrotingsovereenkomst, een besluit van de ministerraad en een advies van de parlementaire commissie die bevoegd is voor legeraankopen.

Blijft u daarbij? Zal die procedure gevolgd blijven worden? Mogen we erop rekenen dat we op die manier onze parlementaire controle tot in de details zullen kunnen uitvoeren? Het is immers van belang voor het draagvlak. Gisteren werd dat ook sterk benadrukt. Ik zie het tegelijk ook als onze plicht, onze verplichting als parlementsleden, als minister, maar evengoed vanuit het leger, om ervoor te zorgen dat de vele toegekende middelen verantwoord besteed worden. Dat is cruciaal.

Ik had nog een vraag over de procenten en de hele discussie daarrond. Die laat ik even rusten. Wie weet komt dat in een volgend debat nog aan bod.

Voorzitter:

Ongetwijfeld hebt u in de nabije toekomst nog tijd om dat punt aan te snijden.

François De Smet:

Merci monsieur le ministre, merci général, pour vos éclaircissements, même si nous allons décortiquer le document écrit avec beaucoup d'attention.

Ce que l'on apprend de votre vision stratégique aujourd'hui, c'est qu'en matière de défense, les milliards pleuvent en dépenses mais pas en recettes. Je ne comprends toujours pas comment le fonds de défense sera alimenté à court terme. Même ici en 2025, on n'y voit toujours pas plus clair.

Mais le gros point auquel je voudrais consacrer un peu de temps est ce fameux achat de 11 F-35 supplémentaires. On se retrouve, après toutes les polémiques que nous avons connues, avec un achat décidé au bout de la nuit, en troc, contre la taxation des plus-values. Un compromis finalement bien belgo-belge, comme quoi la N-VA elle-même peut s'adapter aux traditions baroques de ce pays qui consistent à lier des dossiers qui n'ont absolument rien à voir entre eux.

Je continue à dire que cet achat est une erreur. Je continue à penser qu'une flotte hybride était possible. Il n'est même pas nécessaire d'aller rechercher ce qui se passe en Grèce ou en Israël, où des avions de différents types existent. Même la Belgique, dans les années 70 ou 80, avait des avions de types différents. Donc, l'idée que constamment, parce que ce seraient les Américains et l'OTAN qui nous le disent, il faudrait acheter des F-35 parce que on a déjà des F-35, n'est toujours pas un argument suffisant.

Mais j'ai surtout une question technique. Elle est peut-être candide. J'ai quand même le souvenir qu'en 2018, il y avait eu un appel d'offres auquel plusieurs avionneurs avaient répondu. Il y avait eu un très grand temps d'évaluation des offres. Ici, on fait comme si il suffisait d'appuyer sur un bouton pour ajouter 11 avions à cette commande. Est-ce vraiment aussi simple que cela?

Existerait-il un avenant au contrat de 2018 qui autorise à augmenter d'un coup, des années plus tard, le nombre d'avions à produire? Parce que sinon, qu'est-ce qui autorise la Belgique à potentiellement se passer d'un appel d'offres, surtout pour un marché de plus d'un milliard? C'est peut-être une question naïve, et peut-être que l'explication technique existe et que cet avenant existe. Il permettrait d'entrevoir la raison pour laquelle on peut tout simplement acheter ces avions comme si de rien n'était. Mais j'avoue que cela me turlupine un peu. Oui ou non, une disposition technique légale – qui ne m'apparaît pas aujourd'hui – existe-t-elle pour permettre d'ajouter simplement cette commande à celle de 2018 ou la Belgique devra-t-elle repasser par un appel d'offres? Mais dans ce dernier cas, qu'est-ce qui vous autorise à dire qu'on va acheter des F-35? En effet, s'il y a appel d'offres, alors plusieurs avionneurs, comme en 2018, pourront normalement se positionner.

Enfin, avez-vous la moindre idée du prix de ces avions par pièce? N'êtes-vous pas refroidis par l'exemple suisse qui se développe cette semaine sous nos yeux? La Suisse doit combattre et ferrailler avec les Américains qui augmentent a posteriori et de manière assez brutale le prix de ces avions, ce qui démontre que ce n'est vraiment pas l'idée du siècle, ni en termes budgétaires ni en termes d'indépendance européenne de notre aviation de chasse.

Voorzitter:

Alle vraagstellers hebben het woord gekregen. Nu komt het woord toe aan de fracties die het woord nog niet hebben gekregen, te beginnen met de N-VA-fractie. Collega's, met uw toestemming houd ik mijn betoog vanop de voorzittersstoel.

Peter Buysrogge:

Ik wens de minister en de generaal te bedanken voor hun toelichting. Iedereen, misschien op de PVDA-fractie na, beseft dat de internationale veiligheidscontext de afgelopen jaren grondig is gewijzigd. Het is dan ook niet meer dan terecht dat deze regering een prioriteit heeft gemaakt van Defensie. We moeten de bedreigingen die er onmiskenbaar zijn en die er in de toekomst ongetwijfeld nog meer zullen zijn, het hoofd kunnen bieden.

Mijnheer de minister, u hebt de afgelopen maanden een huzarenstukje geleverd. Ik vind dat dat gezegd mag worden. We zijn erin geslaagd om het budget eindelijk op te trekken naar die 2 %-norm, waarover we in het verleden nog gefulmineerd hebben omdat het er maar niet van kwam. Deze regering – en het Parlement, want we hebben vorige week op de groene knop geduwd – heeft het budget opgetrokken naar 2 %. Die versnelling was broodnodig en zet ons trouwens opnieuw op de kaart als een betrouwbare partner in onze allianties binnen Europa, maar vooral in het kader van de veiligheidscontext binnen de NAVO.

Nu, amper vijf maanden na de start van deze regering, is er eindelijk een strategische visie. Ondertussen is er bijzonder veel gebeurd, zoals u zelf hebt opgesomd: het regeerakkoord, de beleidsverklaring, het paasakkoord, met daaraan gekoppeld de budgetstijging, en de beleidsnota, om dan nu te komen tot de strategische visie. We zijn er nog niet. U hebt zelf gezegd dat er nog een beslissing moet worden genomen door de ministerraad en er komt ook nog een militaire programmeringswet, maar de realisatie van deze strategische visie is uiteraard het belangrijkst.

In de visienota, die we nog niet hebben gezien, maar waarvan we nu de toelichting hebben gekregen, zit bijzonder veel. Al wie hier het debat probeert te verengen tot die elf extra F-35's is intellectueel oneerlijk bezig als men ziet wat er allemaal in die strategische visie zit. Een topprioriteit ervan is om extra te investeren in personeel. Die aantallen en de budgetten die daartegenover staan, zijn gigantisch. Het is ook een gigantische uitdaging om in een moeilijke arbeidscontext voldoende gemotiveerd personeel te vinden, maar u wilt die uitdaging aangaan en ik wens u daar veel succes mee.

Sommigen zeggen dat er onduidelijkheid is en vragen of er wel voldoende budget voor personeel is. Er is 50 miljard uitgetrokken voor personeel. Het gaat echter niet alleen over personeel. Als men die personeelsbudgetten bekijkt, moet men ook naar de rest kijken. Er worden budgetten uitgetrokken voor werkingsmiddelen, voor infrastructuur en om opnieuw in operatie te gaan. Daarop werd in de vorige regering te veel bespaard. Deze regering slaagt erin om weer middelen uit te trekken voor operaties, om aldus de paraatheid van ons leger effectief te verhogen.

In een tweede punt, naast het personeel, wil ik aanstippen dat deze strategische visie erin slaagt om de budgettaire gaten te dichten die er waren in het STAR-plan van minister Dedonder, met de onderfinanciering van heel wat militaire capaciteitsprojecten die in dat dossier zaten. Dat gat wordt nu weer gedicht. Er wordt gezorgd voor voldoende budget om de capaciteiten, zoals bepaald in de strategische visie van minister Dedonder en nu in deze strategische visie, effectief te kunnen financieren. De tekorten worden weggewerkt. Dat is een heel goede zaak.

Een derde goede zaak heeft betrekking op O&O. Er worden extra middelen uitgetrokken voor onze onderzoekscentra, voor onze bedrijven, om onze industrie te betrekken bij uw plannen, om die opnieuw te laten excelleren, want er is veel potentieel aanwezig.

Dan kom ik tot het vierde aandachtspunt, namelijk de gedetailleerde opsomming van de verschillende capaciteiten. We kunnen en moeten daarover heel sterk in detail gaan, maar misschien moeten we hier nu in eerste instantie een algemeen overzicht hebben. Er wordt geïnvesteerd in luchtcapaciteit. We zetten in op interoperabiliteit. We zetten eindelijk in op drones, met de versterking van onze dronecapaciteit. We laten ideologische idiotieën achterwege. We investeren in cybercapaciteit, in een derde fregat voor de marine, en noem maar op. En ja, collega’s, ook in de F-35-capaciteit wordt geïnvesteerd.

Ook op het vlak van de landmacht gebeurt er heel wat. Gisteren aanhoorden we hier nog de getuigenis van de land commander over samenwerking en communicatie met andere eenheden en andere landen. Hij stelde dat dat toch moeilijk ligt. Hier wordt een antwoord gegeven om dat te proberen aan te pakken.

Mijnheer de minister, ik wil u bedanken voor uw toelichting. Dit is ook nog maar een eerste reactie, die verdere verdieping, een uitgebreidere analyse en een ruimer debat verdient. We kijken uit naar de beslissing in eerste instantie en vervolgens naar het document, om dan in het Parlement onze verantwoordelijkheid verder op te nemen en ermee aan de slag te gaan.

Mijnheer de minister, ik reken erop dat u en de staf openstaan om daarover verder in dialoog te gaan.

Luc Frank:

Monsieur le ministre, l'OTAN exige maintenant d'atteindre les 3,5 % pour 2035. Cependant, le gouvernement a clairement dit que cela ne sera pas pour cette législature. On pourrait dès lors se demander comment la Belgique va répondre à l'analyse annuelle prévue dans le dernier communiqué de l'OTAN et comment elle défendra un statut de mauvais élève renouvelé en 2029. Plus généralement, je pense que l'ensemble de la classe politique doit mieux préparer notre population à la réalité de la situation géopolitique actuelle.

Depuis 25 ans que je suis mandataire local, je fais ce que je dis et, mes promesses, je les tiens. Et, si c'est compliqué, je le dis aussi. Or, ici, j'ai l'impression qu'il est maintenant déjà clair qu'on ne va pas tenir ses engagements. Comment rester crédible vis-à-vis de ses partenaires et de la population? Confucius a dit que le problème n'est pas de commettre des erreurs, mais de n'avoir rien appris de ces erreurs. Or j'ai l'impression que nous sommes en train de faire la même erreur qu'en 2014. Ce n'est que de l'eau au moulin des futurs Trump, peu importe de quel horizon ils viennent.

Je suis également conscient du fait que les montants gigantesques qui doivent être investis ne tombent pas du ciel. Investir, c'est faire des choix. Et, pour cela, il faut que la plus grande part de la population adhère à ces choix. Il est donc de notre devoir de dire que les temps qui courent sont plus que sérieux. Je demande plus de courage politique dans cette communication. Les temps de la division devraient être finis.

J'ai fait un appel d'union nationale pour la défense. Ce n'est pas pour la défense en tant que telle, mais c'est un appel pour notre sécurité, notre démocratie, notre modèle sociétal, notre bien-être et notre économie. Car, sans sécurité, pas de vie! Il faut enfin le comprendre et c'est à nous de faire passer ce message. Il faut être lucide et enfin comprendre la menace. Suivons le dicton "un homme averti en vaut deux". Agissons de la sorte. La nouvelle vision stratégique doit être un outil indispensable pour cela.

Regardons d'un peu plus près ce qui est sur la table.

Ma première remarque portera sur les objectifs capacitaires de l'OTAN qui nous ont été fixés. Ces objectifs partent de l'hypothèse que nous atteindrons les 3,5 % des dépenses de façon progressive d'ici 2034. Or le gouvernement a décidé de maintenir le budget à 2 % jusqu'en 2033. Quoi qu'il arrive, nous n'arriverons donc pas à remplir ces objectifs. Il faut choisir. Quels critères avez-vous utilisés dans votre vision stratégique pour effectuer ces choix? Qu'allez-vous ignorer ou reporter? Comment allez-vous vendre cela auprès de l'OTAN et de nos partenaires?

Ma deuxième question porte sur la mise en place d'une deuxième brigade, comme le demande l'OTAN depuis de nombreuses années. Quel est le calendrier pour la création de cette deuxième brigade? J'imagine que cela dépendra de la livraison de véhicules supplémentaires. En tout cas, vous aviez envisagé de la créer à partir d'une subdivision de la première brigade. Il en résulterait deux petites brigades qui grossiraient ensuite. Est-ce toujours votre stratégie?

Concernant la future réserve, j'aimerais savoir si vous avez des ambitions au-delà de ce projet basé sur le service militaire qui sera offert aux jeunes. Les enseignements du conflit ukrainien démontrent l'importance de disposer d'une véritable réserve et de citoyens ayant reçu un minimum de formation militaire. Comptez-vous débuter une réflexion relative à une formation militaire de base plus étendue? Une telle formation est ainsi organisée en Communauté germanophone par les métiers de sécurité. Prévoyez-vous une formation de la Défense à destination des citoyens de tout âge, comme cela se fait en Suède pour l'utilisation des drones? De même, la réserve territoriale devrait servir principalement à la protection de nos infrastructures critiques. Ce n'est pas la fonction la plus glamour ni la plus excitante pour les jeunes. Dès lors, comment allez-vous rendre attrayants les postes à pourvoir dans la réserve territoriale?

Pour les opérations extérieures au cadre de l'OTAN, nous savons que notre voisinage sud reste instable. Les conflits récents l'ont montré. Une participation belge pourrait être sollicitée pour des opérations menées par l'Union européenne ou les Nations Unies. Quelle est l'ambition de votre vision stratégique sur ce point? Tous nos moyens vont-ils être, à terme, centrés sur la défense collective? Allons-nous conserver des moyens pour la sécurité collective pour appuyer d'autres États prêts à participer à de telles opérations ? Comment le traduisez-vous en termes d'ambition capacitaire?

Concernant enfin la defence, industry and research strategy (DIRS), j'aimerais obtenir des précisions quant aux moyens qui lui seront accordés. Elle constitue en effet un outil essentiel pour traduire nos ambitions sur le plan de la recherche et du développement en vue d'assurer une extension de la base industrielle et technologique de la défense belge. Quels seront les moyens accordés? Avez-vous une idée des priorités qui seront mises en avant?

En résumé, le défi reste considérable. D'une part, nous sommes engagés. D'autre part, nous savons maintenant que le budget nécessaire ne va pas suivre le rythme auquel nous nous sommes engagés afin d'alléger la facture pour la population, au risque de ne pas pouvoir la protéger parce qu'elle garderait son confort, suivant le dicton "Tout va très bien, madame la marquise".

Restons honnêtes: c'est un compromis difficile que nous avons trouvé. Nous nous sommes battus pour ne pas renforcer trop vite ni trop fort le budget de la Défense afin d'éviter des coupes dans la santé ou de nouvelles taxes. L'enjeu est de maintenir le cap 2029-2035. Nous devons nous assurer que la trajectoire se poursuivra.

J'en appelle à la responsabilité de tous les groupes politiques, y compris ceux de l'opposition, en les priant de ne pas remettre en question la norme de croissance des investissements dans la défense et de ne pas faire partie de ceux que les manuels d'histoire qualifieront d' "optimistes", de "naïfs", voire d' "irresponsables". Donc, restons lucides et francs: c'est un compromis qui tient aujourd'hui, mais qui risque de devoir évoluer vu la situation géopolitique internationale.

Désolé pour la rapidité de mon intervention!

Axel Weydts:

Eerst en vooral, ook van mijn kant dank aan generaal Van Pee en aan de minister om op dit moment al een korte inkijk te geven in de strategische visie, die hopelijk binnenkort wordt goedgekeurd binnen de schoot van de regering. Wij van Vooruit zijn heel blij dat we het eindelijk kunnen hebben over hoe we tot meer veiligheid kunnen komen op ons Europese continent en hoe we meer veiligheid kunnen garanderen voor ons land, in plaats van te blijven discussiëren over percentages. Ik denk dat we veel te lang in zijn blijven steken in discussies over die percentages, ook in deze commissie. We zijn dus zeer blij dat we dat eindelijk een beetje achter ons kunnen laten en ons vooral kunnen richten op de manier waarop we die veiligheid willen bereiken.

De details van het debat en de spreektijd zullen we uiteraard nog behandelen, voorzitter, zodra de strategische visie effectief naar het Parlement komt.

Ik had het liever niet gedaan, maar ik kan niet anders. Ik zal toch een deel van mijn spreektijd moeten wijden aan een korte reactie op wat collega Tonniau hier heeft verkondigd. U hebt letterlijk gezegd dat dit een strategische visie op oorlog is. Ik ben die kritiek kotsbeu, want dit is geen strategische visie op oorlog. Dit is een strategische visie om te proberen oorlog te vermijden. Er is hier niemand in deze zaal, van links tot rechts, van Franstalig tot Nederlandstalig, uit welke partij dan ook, meerderheid of oppositie, die straks de oorlog wil aangaan. Niemand. We staan hier allemaal voor vrede. Alleen zijn er mensen die naïef zijn en denken dat men vrede kan bereiken door met een boeket bloemen te zwaaien aan onze oostflank, naar Poetin, en hem dat boeket te overhandigen. En dan zijn er mensen die realistisch zijn en weten dat Poetin maar één taal verstaat, namelijk de taal van kracht. Dat betekent dat we onze krijgsmacht moeten opbouwen en een geloofwaardige defensie moeten heropbouwen. Dat is de realiteit waarin we leven. Echter, van wie nog niet weet dat men drie fregatten nodig heeft om er een te kunnen inzetten, kan men misschien ook niet veel meer verwachten op dat vlak. Dat wou ik toch ook even gezegd hebben.

Ik heb een aantal heel specifieke vragen die mij na aan het hart liggen. Mijnheer de minister, generaal, u hebt gesproken over de mediane brigade en de uitrusting ervan. Kunt u ons vandaag al bevestigen dat het de bedoeling is, met deze strategische visie, om de mediane brigade, maar ook de lichte brigades, de toekomstige eenheden en onze special forces, eindelijk op 100 % te brengen wat betreft materiaal en personeel?

Ik kom uit een tijd van pooling and sharing. Pooling and sharing zijn slecht voor het materieel. Kijk maar naar wat er met onze Piranha’s en Pandurs gebeurd is. Ze zijn niet meer inzetbaar, wegens scheurtjes. Als die voertuigen van de ene naar de andere eenheid worden versleept, permanent gebruikt worden en nooit de tijd krijgen om degelijk onderhoud te krijgen, dan blijft dat natuurlijk niet zonder gevolgen. Dat geldt niet alleen voor het materieel, maar het is ook voor het personeel enorm frustrerend om niet over een eigen voertuig te beschikken om een opdracht uit te voeren. Ik herinner me nog de tijd dat wij op oefening moesten vertrekken. Telkens opnieuw was dat een puzzel om het materieel samen te stellen, om de eenheid te kunnen laten vertrekken en op een deftige manier op oefening te gaan. Het leggen van die puzzel nam drie keer zoveel tijd in beslag als de oefening zelf.

Ik hoop dan ook dat dat voor eens en voor altijd gedaan is, dat we onze eenheden op 100 % brengen, niet alleen op het vlak van personeel, maar ook op het vlak van materieel, want het is enorm frustrerend voor ons personeel. Het is tijd om daar komaf mee te maken en het concept pooling and sharing definitief naar de vuilbak te verwijzen.

Het zal u dan ook niet verbazen dat ik het even over het personeel wil hebben. Mevrouw Mutyebele, u bent niet zo vaak aanwezig in onze commissie, maar we hebben het hier wél heel vaak over het personeel. Ik ben iemand die bijna elke week het thema van het personeel op de agenda heeft geplaatst. De voorzitter kan dat beamen. Ik heb het zelfs al aangekaart tijdens de actuele vragen in de plenaire vergadering. Er wordt dus wel degelijk over het personeel gesproken, ook in deze commissie. Dat is ook belangrijk, want wat kan men aanvangen met al dat goede materieel als er geen gemotiveerd personeel is om het in te zetten? Uiteraard beseffen wij ook – we worden allemaal gecontacteerd door de vakorganisaties en door personeelsleden van Defensie – dat er op dit moment wel wat onrust is.

Mijn vraag is dan ook of een deel van dat grote budget dat de komende jaren voor het personeel voorzien is, aangewend zal worden om te werken aan een sociaal akkoord en om het statuut van onze militairen te verbeteren. Dat is namelijk absoluut noodzakelijk.

Dan had ik nog één kleine vraag, gewoon omdat ik daar deze week toevallig enkele verontrustende berichten over heb gehoord. Het gaat over het Militair Hospitaal versus de Medical Hub. Er is op dit moment wat onrust bij het personeel van het Militair Hospitaal, dat het zou verdwijnen en dat er in de toekomst geen tewerkstelling meer mogelijk zou zijn. Kunt u daar misschien al iets over zeggen? Ik weet dat het een detailvraag is, maar ik kreeg er toevallig deze week enkele berichten over. Mocht u daar dus dieper op willen ingaan, dan zou mij dat plezieren.

Er ligt heel wat werk op de plank, niet alleen voor Defensie, maar ook voor onze commissie, mijnheer de voorzitter. Ik ben er dan ook van overtuigd dat we de komende weken, maanden en jaren nog heel wat boeiende debatten zullen voeren over onze Defensie.

Voorzitter:

Ik sluit ik deze vragenronde af en ik geef het woord aan de minister en de generaal.

Theo Francken:

Mijnheer de voorzitter, ik wil enkele punten aanraken.

Inzake het budget klopt het dat de 3,5 % voorlopig nog niet in de budgettaire lijn zichtbaar is. We hebben natuurlijk tien jaar daarvoor. Er komt, zoals afgesproken, een evaluatiemoment in 2029. Dat heeft onze diplomatie verkregen, niet door zoals de Spanjaarden met de fanfare op kop het bos in te trekken, maar door discreet en diplomatisch te bekijken hoe wij die periode van tien jaar kunnen realiseren, te vermijden dat wij een verplichte jaarlijkse groei van 0,2 % hebben en dat evaluatiemoment in 2029 te verkrijgen.

Het zal de volgende regering toekomen om te beoordelen of er sneller meer nodig is. Dat hebben wij met de huidige regering ook gedaan, want deze regering heeft op enkele maanden tijd beslist om onmiddellijk naar de 2 %-norm te gaan. Op een geschikt moment zal opnieuw een beslissing worden genomen.

Indien de Verenigde Staten in het najaar aankondigen dat zij hun troepen uit Europa terugtrekken, zullen die divisies opgevuld moeten worden door Europese legers en landmachten. Ik ontvang regelmatig veiligheidsbriefings, niet dagelijks maar wel meermaals per week, en ik voorspel u dat er de komende jaren nog veel zal gebeuren.

Politiek betekent ook inspelen op de actualiteit en klaarstaan. Politiek is natuurlijk ook prévoir . Met wat nu voorligt, zetten we effectief een visie op lange termijn uit. Wat gaan we doen? Hoe gaan we het aanpakken? Dat is de essentie van het verhaal.

De middelen betreffen 34 miljard euro aan investeringen. Het gaat om een plan van 140 miljard euro. Het blijft echter ook altijd deels inspelen op de actualiteit. De regering heeft de voorbije weken al meermaals bewezen daartoe in staat te zijn en uiteindelijk ook voldoende eendrachtig te zijn om door te zetten. We zullen dat de komende jaren wel zien.

Iets zegt mij dat we over dat budget de komende jaren nog discussies zullen voeren. Ik verwacht immers persoonlijk niet dat de veiligheidssituatie erop zal verbeteren. Ik zie daar geen tekenen van. Ik zie eerder tekenen van ongerustheid, maar misschien vergis ik mij totaal. Misschien heerst er binnen twee jaar vrede op aarde voor iedereen, kunnen wij het bij die 2 % houden en is iedereen tevreden. We zullen wel zien.

Op zich is het niet slecht als dat de inzet wordt van de verkiezingsdebatten in 2029. In dat geval worden hopelijk ook duidelijke keuzes gemaakt. Ik heb heel veel zaken gelezen. Zo las ik dat wij uit de NAVO zouden moeten stappen volgens sommige partijen die de NAVO hebben opgericht. Ik las ook dat anderen de 5 %-norm totaal crazy vinden en van mening zijn dat wij dat nooit van zijn leven zullen doen. Met stijgende verbazing heb ik de voorbije weken nog heel andere dingen gelezen en gezien. Laten we dus maar afwachten hoe we dat tijdens de verkiezingen aan de mensen presenteren en wie er dan eerlijk is.

Het soort vergelijkingen over vliegtuigen versus ziekenhuisbedden is, opnieuw, totaal intellectueel oneerlijk en helemaal niet correct. Wie dat tijdens de campagne wil doen, moet dat dan maar doen. Iedereen moet vooral doen wat hij wil. We zullen wel zien wat de kiezer daarvan vindt in 2029. Dat is nog altijd het gezondste in een democratie en dan zullen we wel zien hoe het verder loopt.

Wat het personeel betreft, die 50 miljard voorzien, is toch wel een aanzienlijke delta. Daarin is ook geld voorzien voor het statuut. U moet zich niet verkijken op de cijfers voor de reservisten, want die mensen zijn niet fulltime in dienst. Dat gaat maar over vijf of zes weken per jaar, dus dat komt overeen met maar 1.000 of 2.000 fulltime equivalenten. Dat is technische materie, maar als de strategische visie er is, zullen we diepgaander toelichten hoe we dat precies in elkaar hebben gebokst.

Er is in ieder geval voldoende geld voorzien voor de groei en voor een sociaal akkoord, dat in voorbereiding is. Ik kan daar momenteel niet veel over vertellen, want ik houd de geheimhouding in stand, aangezien we daar discreet over onderhandelen. We zijn er nog niet, maar ik ben hoopvol. Als er een akkoord is, zal ik het Parlement onmiddellijk correct inlichten en daarover in het Parlement een toelichting geven, zoals het hoort. Geef me daar nog wat tijd voor, want het is nog niet rond. Ik ben hoopvol en er is voldoende budget voorzien om een akkoord te kunnen sluiten.

Over de F-35's vindt een hele discussie plaats. Laten we dat vrijdag in de regering finaal trancheren; daarna zal ik dat ook hier verder toelichten. Veel zaken worden herhaald, maar zijn niet juist. De finale beslissing valt vrijdag.

Wat het FCAS-project betreft, we stappen erin, maar we zijn nog niet voor 100 % zeker wat dat project zal worden. Het is een Frans-Duits-Spaanse samenwerking, dus we moeten nog wat afwachten. Dit jaar zal er daarover wel nieuws zijn.

Wat het ondersteuningsschip betreft, we weten nog niet welk type en wie dat zal bouwen, want dat moet nog aanbesteed worden. Er is daarvoor 274 miljoen euro voorzien, mevrouw Ponthier.

Wat de long range missiles betreft, die 4 miljard is bestemd voor NASAMS en drie long range missiles systems , antiballistische systemen. NASAMS met Thales, ja.

Ook over het type helikopters is er nog niets beslist. Dat zullen Chinooks of een ander type zijn, maar dient nog beslist te worden.

Wat het budget voor R&D betreft, die miljarden voor de DIRS zijn heel belangrijk. De deelstaten komen daar normaal ook in tegemoet, mijnheer Van den Heuvel. We zijn daarover volop aan het onderhandelen. Het is goed dat dat afgelijnd wordt met de visie van de deelstaten, hun investeringsportefeuilles en hun prioriteiten.

Nous travaillons sur les secteurs spatial et cyber. Je pense que nous sommes vraiment dans la bonne direction. De nombreuses PME belges sont très innovantes dans ces domaines, tant en Wallonie qu’en Flandre. Ces secteurs constitueront vraiment l’une de nos priorités, monsieur Frank.

Wat de versnippering en interoperabiliteit betreft, kan men miljarden uitsparen door versnippering tegen te gaan? Ja, dat kan, maar nogmaals, de versnippering is vooral het gevolg van het protectionisme van de grote landen in Europa, die hun eigen industrie sterk bevoordelen. Ze proberen op alle mogelijke manieren iedereen mee te krijgen in een verhaal waarin zogezegd gestandaardiseerde formaten bestaan, zoals een 155-millimetergranaat, terwijl er in werkelijkheid geen echt gestandaardiseerde operationele systemen zijn.

We hebben het daar al vaker over gehad en we moeten daar verder op blijven aandringen. Tegelijkertijd moeten we daar ook eerlijk in zijn. We zijn nu eenmaal een klein land, terwijl de grote landen over hun eigen schaduw zullen moeten stappen. Dat zou kunnen gebeuren, we zullen wel zien. Ik ben daar zeer benieuwd naar, want dat is essentieel. U maakt daar terecht een punt van, mijnheer Van den Heuvel.

Het infraplan komt eraan.

Pour donner suite à la question relative aux infrastructures, je présenterai un masterplan infrastructures cet automne.

Infrastructuur is belangrijk. Zeven miljard euro is veel geld, dus ik begrijp de bezorgdheid. We zijn allemaal parlementsleden uit een bepaalde regio. Het is interessant om te weten wat dat betekent voor de eigen regio, provincie of kieskring. In die zin moet er aandacht zijn voor voldoende spreiding en voldoende nieuwe infrastructuur. Ook een correcte behandeling van de verschillende componenten en machten is belangrijk. Dat is iets waar we volop aan werken.

Dual-use zit vooral vervat in alles wat met O&O te maken heeft. Dual-use is daar dus zeer prominent aanwezig.

Ik ben ook zeer tevreden met het akkoord over de medical hub, mijnheer Weydts, mijnheer Buysrogge. De generaal heeft toegelicht wat daarin precies zal worden ondergebracht. Daarover zijn er nog vragen, maar ook daarover zullen we beslissen en meer toelichting geven zodra de finale beslissingen genomen zijn. De beslissing is alvast dat er nieuwe infrastructuur komt. We zijn gisteren nog op de site van Neder-Over-Heembeek geweest. Dat is eigenlijk een schande. Dat moet absoluut zo snel mogelijk worden vernieuwd.

Zullen we eindelijk van pooling en sharing af zijn? Ja.

Wat betreft de voertuigen, het gaat minstens om duizend… Mevrouw Pontier, ik probeer op uw vragen te antwoorden.

Over de tweede brigade wordt in 2028 finaal beslist.

S'agissant de la deuxième brigade, nous allons trancher en 2028. C’est dans le plan.

Monsieur Frank, à propos de la formation "Défense et sécurité", j’ai eu l’honneur d’assister à la proclamation à Vilvorde vendredi passé des neuf élèves. Quatre nouvelles formations vont aussi commencer en septembre, notamment à Eupen pour la première fois. Je pense que c’est vraiment une bonne nouvelle.

Dan kom ik tot de reserve. Ja, absoluut, dat blijft een prioriteit. We zullen 20 Skyrangers aankopen. Rheinmetall en de Duitsers zullen het graag horen. We doen heel weinig met Duitsland. We moeten dat eens herzien, want Duitsland wordt een leading force op het vlak van defensie in de toekomst.

Over de DIRS-budgetten, bij de F-35's gaat het inderdaad over 1,5 miljard. Voor CaMo zit er voor 10 miljard aan nieuwe aankopen in. Daarover worden nooit vragen gesteld, wat ik altijd erg opvallend vind. 'F-35' werkt als een rode lap op een stier. Als het woord F-35 valt, staat een deel van de commissie op scherp en paraat. Voor CaMo zit er 10 miljard in het dossier en daarover worden nooit vragen gesteld. Het Rekenhof vond dat ook heel opmerkelijk. Er zijn heel veel studies en hoorzittingen geweest over de F-35 en het CaMo-project is gepasseerd zonder veel ruchtbaarheid. Dat is heel opvallend. Opnieuw zijn er heel veel vragen over de de F-35, maar over CaMo heb ik, denk ik, geen enkele vraag gekregen.

Maar goed, iedereen stelt de vragen die hij zelf wil stellen.

Annick Ponthier:

(…)

Theo Francken:

In vijf minuten tijd wordt de F-35 overal genoemd en blijkbaar rest er dan geen tijd om een vraag te stellen over CaMo. Het maakt niet uit, het is gewoon een opmerking, het valt mij gewoon op. Nogmaals, u doet en zegt wat u wilt. Ik vind het echter opvallend dat er over de budgetten die naar het CaMo-project met Frankrijk gaan bijna nooit vragen komen. Die budgetten overstijgen exponentieel het budget voor de F-35. Er komen steeds opnieuw alleen maar vragen over de F-35, ik vind dat gewoon opvallend. Dat is alles, dat mag ik toch nog wel zeggen?

Gisteren vond daarover een hoorzitting plaats. Uiteraard, dat weet ik wel. Ik ben daarvan op de hoogte. Ik probeer de werkzaamheden hier te volgen, maak u geen zorgen.

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de minister en generaal, dank u voor de toelichting.

We hebben inderdaad een eerste inkijk gekregen in wat de toekomst ons zal brengen. Er is nog wat onduidelijkheid en er is ook nog geen akkoord. Ik kijk vooral uit naar het beleidsdocument, waarover we ten gronde zullen kunnen discussiëren.

Met betrekking tot het budget voor het personeel bent u er gerust in, zegt u, maar ik ben dat wat minder. We zullen moeten afwachten wat er op dat vlak uit de bus komt. Ik krijg heel wat ongeruste reacties van militairen die over enkele maanden op pensioen gaan. Collega Buysrogge, 50 miljard euro is inderdaad een indrukwekkend bedrag. Ik stel vast dat een groot deel van het budget momenteel al naar het personeel gaat, terwijl er nog veel personeel moet bij komen. Er moet ook aan het statuut nog een en ander worden gewijzigd.

De pensioenhervorming zal in de eerste fase dus geen geld opbrengen, maar geld kosten. Ik maak mij dus absoluut zorgen over hoeveel ruimte er nog zal overblijven om het statuut van de militair de 21ste eeuw in te loodsen en ervoor te zorgen dat het pensioen voor de militair, zeker in vergelijking met andere veiligheidsberoepen, niet te nadelig wordt. Het pensioen was immers de pay-off voor de militair, een compensatie voor de nadelen ten opzichte van andere veiligheidsberoepen. Er wordt nu aan het pensioen gesleuteld. Ik blijf erbij dat er tegelijk ook aan het statuut moet worden gesleuteld. Dat moet parallel gebeuren. Daarvoor zal geld nodig zijn. Ik vrees dat het budget waarin nu voorzien is, niet voldoende zal blijken te zijn, als we de verwachte personeelsstijging realiseren.

Tot slot nog één vraag, mijnheer de minister. Ik volg ook de opleiding Defensie en Veiligheid. In september komen er vier nieuwe opleidingen bij. U verwees naar Eupen. Kent u de andere drie locaties ook uit het hoofd?

Theo Francken:

Eén opleiding vindt plaats in het Duitstalige gebied en de andere drie in Wallonië. Dat heeft te maken met de infrastructuur, met de aanvragen en met de instructeurs. Ik denk dat er ook in Vlaanderen meer nodig is, maar het probleem is dat we die instructeurs niet vinden, bij de brandweer, politie en Defensie. Dat is vooral in Vlaanderen het probleem. Dat ligt niet bij Defensie.

Er zijn veel vragen van scholen. Ik heb u gezien op ROBtv in Oost-Brabant. Ik deel absoluut uw bezorgdheid, maar er moeten ook mensen van andere veiligheidsdiensten zijn om les te kunnen geven. Dat is het probleem op dit moment.

We zijn er volop mee bezig. Ik verwacht dit schooljaar geen verandering, maar ik hoop dat er tegen het schooljaar 2026-2027 een verbetering merkbaar zal zijn. Alles loopt wel goed, maar er zou meer aanbod mogelijk kunnen zijn.

Kjell Vander Elst:

Dank u voor die aanvulling. Ik kijk uit naar het debat over het volledige beleidsdocument.

Robin Tonniau:

Mijnheer Francken, ik heb een beetje de indruk dat veel van het materiaal waarvan de aankoop hier wordt aangekondigd, vooral bedoeld is om de offensieve capaciteit van defensie te versterken. Dat heeft dus weinig te maken met onze opdracht om defensieve defensie uit te bouwen. Gisteren hebben we dat ook gehoord tijdens de hoorzitting over het CaMo-project. Op de kritische vraag wat we eigenlijk met de aangekochte Griffons en Jaguars zullen doen, was het antwoord van de chef van de landmacht verbijsterend. Hij had het erover dat er oorlog in Oekraïne is en dat het Midden-Oosten op ontploffen staat, maar dat we ook Afrika niet mochten vergeten. Hij noemde Afrika een gevaar, want Afrika zou ons ook niet vergeten. Hij sprak alsof hij nog in de koloniale tijd leefde. Afrika telt 54 verschillende landen. Hij zei dat de Jaguars en Griffons eigenlijk gemaakt zijn om in de Sahel te opereren, door de Fransen, met de Fransen, en dat we misschien daar wel eens naar moeten kijken. Onze Defensie richt het vizier dus al op heel het Afrikaanse continent, een verzameling van 54 landen. Als dat de intentie is, is het duidelijk.

We zouden een derde fregat zogezegd nodig hebben opdat er altijd voldoende fregatten in circulatie zijn, maar ik dacht dat we samenwerkten met Nederland. Bestaat die samenwerking dan niet meer? Ik dacht dat we net in de NAVO zaten om samen te werken. Is die samenwerking opgeblazen? Bij de marine willen ze zelfs al een vierde fregat. Dus na dat derde komt er sowieso een vierde. Wat is daar de reden voor?

We zullen superveel geld investeren in defensie, niet alleen in België, maar in heel Europa. Duitsland heeft er zelfs zijn grondwet voor aangepast. Massaal veel geld, maar er is één groot probleem: de defensie-industrie kan niet volgen. Dat is een bottleneck.

Wat zal er gebeuren? U bent ook bevoegd voor Buitenlandse Handel. De prijzen zullen stijgen. De industrie zit in een zetel. Iedereen komt met zijn geld aandraven. Dat moet van de NAVO gespendeerd worden; men moet iets aankopen. De prijzen gaan omhoog. De winsten in die sector zijn vandaag al bijzonder hoog, onvergelijkbaar met die in de reguliere economie. De winsten zullen alleen maar stijgen. Ons belastinggeld wordt geïnvesteerd in die industrie om de aandeelhouders te bedienen. We weten bovendien dat er in die sector een groot risico op corruptie bestaat.

Tot slot nog iets over het personeel. Het is hier al aangehaald, u wilt het personeelsbestand van defensie met 50 % doen stijgen, met een budgetverhoging van 25 %. Iedereen uit het vierde leerjaar weet dat men dan moet besparen op het personeel zelf.

Hoe zult u dat doen? Zult u mensen langer laten werken, promoties uitstellen, de lonen verlagen?

Met het akkoord, met uw visie, hebt u vandaag het sociaal overleg, dat nog niet eens bestond, al opgeblazen. Uw visie is een oorlogsverklaring aan uw eigen personeel bij Defensie. Daarom worden er nu al mails rondgestuurd om de mensen te waarschuwen dat ze niet vrijuit mogen spreken. Zo kwaad zijn ze op u, mijnheer Francken.

Voorzitter:

Gelukkig mag u wel vrijuit spreken.

Annick Ponthier:

Bedankt aan de generaal en de minister voor de antwoorden op onze vragen.

Ik wil het eerst over het budget hebben. U hebt gezegd, mijnheer de minister, dat er nog heel wat werk op de plank ligt en dat de mensen die 5 % totally crazy vonden, misschien in de toekomst dat idee zullen moeten bijsturen of dat ze het dan wel zullen zien. Het was echter uw eerste minister, die dat in eerste instantie heeft gezegd. U had het daarstraks over intellectuele eerlijkheid. Misschien kunt u dat dan ook beter bevestigen.

Wat het personeel betreft, loopt het sociaal overleg nog. Er is nog verre van een akkoord. Dat personeel is inderdaad het grootste kapitaal van ons defensieapparaat. We spreken hier immers over investeringen, over de uitbouw van budgetten, maar wat zijn we daarmee, als we niet de mensen hebben die die taken kunnen uitvoeren en die functies kunnen waarnemen?

U zegt over de opleiding Defensie en Veiligheid dat er een gebrek is aan instructeurs. Misschien ligt er een opportuniteit bij al die mensen die u langer wilt laten werken tot hun 67. Maak daarvan gebruik. Wij hebben u die aanbeveling in het verleden al gedaan: zorg ervoor dat die mensen, als ze dan toch langer moeten werken, een waardevolle invulling krijgen van al die extra jaren.

De invulling van het personeelsbestand is absoluut zorgwekkend. Ik weet niet welke plannen u, buiten de installatie van de vrijwillige legerdienst, nog allemaal in uw mouw hebt zitten, maar het is echt zorgwekkend met het oog op de toekomst om dat personeelsbestand actief te houden of voldoende in te vullen.

Ik kom tot de investeringen. U hebt het over het F-35-dossier, dat nog moet worden getrancheerd. We hebben op dit moment dus eigenlijk geen uitsluitsel over wat het uiteindelijk zal worden. Dat moet komende vrijdag in de ministerraad worden beslist. Dat zal ongetwijfeld nog verder worden opgevolgd.

Wat het FCAS-project betreft, ik heb er nota van genomen dat we daarin zullen instappen, maar dat u nog niet concreet weet wat die invulling zal betekenen.

Ten slotte zegt u dat u het heel bizar vindt dat er over het CaMo-dossier geen vragen zijn gesteld. U was op de hoogte van de hoorzitting daarover. Dan hebt u toch kunnen vaststellen dat er gisterenvoormiddag uitgebreid over gedebatteerd is? We hebben veel toelichting gekregen van de defensiestaf. U zult begrijpen dat we daarop in de luttele vijf minuten die we hier ter beschikking hebben niet uitgebreid kunnen ingaan en herhalen wat we gisteren al hebben gezegd. Ook op dat vlak vraag ik van u intellectuele eerlijkheid.

Mijnheer de voorzitter, het debat zal ongetwijfeld worden vervolgd. We zijn nog lang niet aan het eind van ons Latijn en u zeker niet, mijnheer de minister. Kijk maar naar de uitdagingen die voor ons liggen, de cyberdreiging, de budgettaire uitdagingen, de bescherming van kritieke infrastructuur als gevolg van de hybride dreiging die dagelijks aan onze deur staat en waarmee we moeten omgaan, en de personeelsuitdagingen. We hebben nog heel wat werk op de plank.

Lydia Mutyebele Ngoi:

Monsieur le ministre, monsieur le général, merci beaucoup pour vos réponses.

Comme je l'ai dit pendant mes questions, je me rends compte que ce n'est pas du tout une vision, mais un aveuglement stratégique. Il n'y a aucune stratégie.

Mais je me réjouis que Les Engagés aient avoué que votre gouvernement s'était engagé au sommet de La Haye sans avoir le budget nécessaire. Mon collègue député vient de le dire. Et, franchement, j'ai trouvé que c'était une belle confession de le dire devant vous. J'ai vu votre réaction de surprise, au même titre que nous tous.

Ce que M. Trump demande, M. Francken lui donne allègrement. Ce sont des milliards que vous allez donner aux entreprises américaines pour acheter ces fameux F-35. On est loin de cette Europe de la Défense, de nos entreprises belges. Elles sont oubliées et marginalisées.

Pendant que la Suisse lance une commission d'enquête sur les F-35 à cause des surcoûts énormes, vous, monsieur Francken, avec le soutien du MR et de vos partenaires de la majorité, vous signez un chèque en blanc aux Américains, pour des milliards, les yeux fermés. Pendant ce temps, c'est la classe moyenne qui va payer la note de vos réformes; pas les grandes fortunes ni les multinationales. Ce seront les familles, les travailleurs, les pensionnés. On nous avait promis 500 euros par mois pour tous les travailleurs. L'achat des F-35 correspond à un coût de 6 000 euros par ménage. Voilà votre réforme!

Pour le personnel, ce sera un bain de sang social. Ce n'est pas le courrier que vous avez écrit aux jeunes de 18 ans qui va faire oublier les régressions sociales que vous êtes en train de préparer pour eux et pour leur avenir.

Concernant les marchés, mon collègue M. Courard posera la question la semaine prochaine au premier ministre.

Staf Aerts:

Mijnheer de minister, we hebben gisteren de hoorzitting over het CaMo-project gehad en u verwijt ons dat we daarover geen vragen zouden stellen. Vandaag staan er dertien vragen over dat project op de agenda. Dertien! Hoe kunt u dan stellen dat het opvallend is dat parlementsleden geen vragen stellen over het CaMo-project? Is dertien niet genoeg? Die vragen worden voortdurend uitgesteld. Sommige staan al meer dan een maand op de agenda. Komaan, een beetje eerlijkheid zou u sieren. Wij doen ook ons uiterste best. U verwijt ons altijd intellectuele oneerlijkheid, maar dan komt u met zoiets af. Ik vind dat bijzonder laag en pijnlijk.

Inhoudelijk is er bovendien nog altijd een verschil. Bij het CaMo-project moeten we ons ernstige vragen stellen en ik heb dat van in het begin gedaan. Het gaat echter nog altijd over een samenwerking met een andere Europese lidstaat, een buurland nota bene. De F-35’s daarentegen betekenen een samenwerking met een land aan de andere kant van de oceaan, met een president die zo onbetrouwbaar is als wat en al meermaals heeft getoond dat hij niet te beroerd is om van de ene dag op de andere ergens de stekker uit te trekken. Zelfs als hij die stekker nog maar uit de toeleveringsketen trekt, zitten wij al in de problemen. Ik vind het dan ook normaal dat er een onderscheid wordt gemaakt tussen die twee dossiers.

Wat betreft het personeel – de mensen die al die voertuigen en wapens zullen moeten gebruiken – klopt uw berekening niet. U zegt daarover twee dingen. Ten eerste, er is budget, maar we weten nog altijd niet hoeveel. Ten tweede, de onderhandelingen lopen en u hoopt binnenkort te landen, maar meer wou u er niet over zeggen.

Uw budget klopt echter niet, want 43 miljard van de 50 miljard euro is al vastgelegd. Er blijft slechts 7 miljard over. U wilt zodanig veel personeel aanwerven – wat nodig is – dat u met die 7 miljard euro niet zult toekomen. Daarbovenop is er nog een sociaal akkoord nodig, waarvoor ook budget vereist is. De verhoging van de pensioenleeftijd brengt eveneens extra kosten met zich mee. De som klopt dus niet.

Wat de lopende onderhandelingen betreft, klopt wat u zegt evenmin. De vakorganisaties kennen op dit moment zelfs geen overlegdatum. Nog geen halve maand geleden verklaarde u dat u op 21 juli een sociaal akkoord hoopte te hebben. Dan wordt het stilaan dringend om met de vakorganisaties aan tafel te zitten en hun teksten te bezorgen waarover ze grondig kunnen nadenken in plaats van op deze manier met de voeten te slepen.

François De Smet:

Monsieur le président, je serai bref parce que je n'ai pas vraiment reçu de réponse.

Monsieur le ministre, peut-être que si vous répondiez un peu plus souvent au sujet des F-35, vous recevriez un peu de moins de questions à leur sujet! Un contrat de plus d'un milliard est quand même cher pour un simple chiffon rouge. Mes questions étaient simplement techniques: le prix d'achat estimé à l'unité et le fait de savoir s'il fallait oui ou non passer par un appel d'offres. Vous renvoyez vers le Conseil des ministres de vendredi. Cela ne me semble pas nécessaire pour répondre à ces questions qui me semblent être des composantes très saines du débat démocratique sur ces avions, surtout s'il n'y a pas d'appel d'offres au final.

Stéphane Lasseaux:

Monsieur le ministre, merci pour vos éclaircissements.

Contrairement à ce que notre collègue vient de dire à l'instant, en 2014, il y a eu des engagements formels. En 2025, on n'avait toujours pas de budget. Il a fallu prendre des dispositions et ce que mon collègue a précisé, c'est que pour nous, quelque part, le budget est très clairement insuffisant par rapport à la situation actuelle.

Le constat est que nous avons dû rattraper ce qui n'a pas été fait les années antérieures. On peut l'affirmer. Avançons toutefois!

Il est maintenant clair qu'il est nécessaire d'assurer la transparence maximale et le respect des procédures budgétaires et administratives dans la mise en œuvre de cette vision stratégique, notamment pour nous procurer ces capacités tellement nécessaires, comme on l'a souligné à de multiples reprises.

On peut simplifier certaines conditions ou législations – c'est ce que propose la Commission européenne dans sa récente proposition Omnibus – mais il ne faut pas les ignorer. La situation géopolitique, le retard accumulé, le sous- investissement nécessitent l'urgence, certes, mais dans un respect profond des procédures et sans forcing. Surtout, ne confondons pas vitesse, efficacité et précipitation.

Comme je l'ai dit dernièrement dans une autre enceinte, les parlements ont gagné d'abord leur pouvoir en surveillant les taxes et impôts; et ainsi l'utilisation des deniers par les rois pour faire la guerre. Ici, au Parlement, nous devons suivre l'utilisation de ces fonds. Sachez monsieur le ministre, avec notre profond respect, qu'il en va de notre responsabilité envers le citoyen, et que c'est ce à quoi nous nous engageons.

Voorzitter:

Collega’s we zijn aan het einde van het debat gekomen. Ik wens de minister en de generaal te bedanken. Het was goed dat wij hier vandaag dat debat hebben kunnen voeren, hoewel er nog geen formele beslissing is. Dat de minister ons vandaag enige inzage heeft geboden en dat wij onze eerste mening ter zake hebben kunnen ventileren, is een goede zaak.

Ik zou ter conclusie een aantal zaken willen afspreken.

Ten eerste, mijnheer de minister, ik stel voor dat u ons de hier gepresenteerde PowerPoint bezorgd, zodat wij die kunnen verspreiden onder de leden.

Ten tweede, ik reken erop dat u, zoals u trouwens zelf hebt aangegeven, na de formele beslissing van hopelijk aanstaande vrijdag, het finaal goedgekeurde document aan onze commissie bezorgt. Zodra ik dat ontvang, bezorg ik het aan de collega's.

Ten derde, collega's, nadien kunnen we beraadslagen over het verdere plan van aanpak. Heel veel deelthema’s verdienen immers verdere verdieping. We moeten dus bekijken hoe we het in de komende weken concreet kunnen aanpakken. Er ligt veel werk op de plank. Hopelijk komt er snel een document naar ons waarmee wij verder aan de slag kunnen.

Theo Francken:

Mijnheer de voorzitter, geachte Kamerleden, ik wil echt niet opnieuw horen dat ik niet beschikbaar ben om vragen te beantwoorden. Alles is voor mij goed.

Veronderstel dat dat document vrijdag wordt bezorgd. Volgende week en de week daarna zijn er telkens twee dagen met plenaire vergaderingen voorzien, waarna het parlementair reces ingaat. Over twee weken is dit parlementaire jaar voorbij. Dan komt het vervolg ergens eind september. Dat is voor mij geen probleem. Ik wil dan echter niet lezen dat ik niet beschikbaar ben voor de Kamer of dat ik met de beantwoording nog honderd mondelinge vragen achtersta.

Maandag kan er ook een commissievergadering worden georganiseerd; voor mij is dat goed, dat is geen probleem. Wanneer de Conferentie van voorzitters echter beslist dat er niet gelijktijdig plenaire vergaderingen en commissievergaderingen mogen plaatsvinden en er op maandag en vrijdag niet mag worden vergaderd, omdat sommige leden een schepencollege moeten bijwonen, is dat voor mij geen probleem. Ik wil dan echter niet in de kranten lezen dat er nog een achterstand van honderd vragen is, omdat die vragen niet door de minister worden beantwoord. Dat zal ik niet nemen. Dat begrijpt u wel.

Voorzitter:

Hoe dan ook moeten wij voor het zomerreces nog een vragensessie inplannen, los van de verdere behandeling van de strategische visie, om ervoor te zorgen dat we nog zoveel mogelijk onbeantwoorde vragen kunnen behandelen. We moeten ook bekijken hoe we het document, dat we hopelijk binnenkort ontvangen, zullen bespreken.

Axel Weydts:

Ik zou graag een kleine suggestie doen. Ik ben daarnet snel de nog openstaande vragen nagegaan. Veel vragen zijn inmiddels achterhaald, louter omdat de politieke actualiteit intussen is geëvolueerd.

Als ieder lid van de commissie van zijn of haar vragen nagaat of die eventueel achterhaald zijn en dat vervolgens laat weten aan het commissiesecretariaat, dan kunnen die vragen worden omgezet in een schriftelijke vraag of geschrapt worden. Dan zouden we al een hele stap verder staan. Echt heel wat van de geagendeerde vragen doen eigenlijk niet meer ter zake.

Voorzitter:

Ik waardeer uw suggestie, maar dat is uiteraard ieders eigen verantwoordelijkheid. Als commissievoorzitter beschik ik, in tegenstelling tot mijn collega’s in andere parlementen, niet over een instrument om vragen onontvankelijk te verklaren of iets dergelijks. We komen daar binnenkort op terug. De overige geagendeerde actualiteitsdebatten worden behandeld tijdens een volgende bijeenkomst. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 12.44 uur. La réunion publique de commission est levée à 12 h 44.

De Europese regelgeving over het doorzenden van asielzoekers richting 'veilige derde landen'
Het voorstel van de Europese Commissie betreffende het concept van veilige derde landen
De plannen van de Europese Commissie met betrekking tot het begrip 'veilig derde land'
Het voorstel van de Europese Commissie met betrekking tot het concept veilige derde landen
EU-beleid over asielzoekers en veilige derde landen

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 2 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om het EU-voorstel om asielzoekers naar "veilige derde landen" te deporteren, zelfs zonder band met dat land, waarbij België openstaat voor dit flexibeler concept om asielstroom te beheersen, maar kritiek krijgt op mensenrechtenrisico’s en "dumping" in landen zoals Rwanda. Minister Van Bossuyt benadrukt dat fundamentele rechten gewaarborgd blijven en dat het om een efficiëntere verwerking gaat, maar erkent dat concrete afspraken en Belgische standpunten nog moeten worden uitgewerkt in EU-onderhandelingen. Kritische parlementsleden (Vandemaele, Daems) wijzen op morele bezwaren, gebrek aan regeerakkoord-steun en vrezen langdurige opsluiting in kampen, terwijl de minister geen duidelijk "ja" of "nee" geeft, maar wel stelt dat innovatieve oplossingen nodig zijn. De eindbeslissing hangt af van EU-onderhandelingen, waarbij België actief zal deelnemen "zonder taboes".

Voorzitter:

De heer Vander Elst is verontschuldigd.

Matti Vandemaele:

Mevrouw de minister, mijn excuses als ik u irriteer met mijn vragen. Nog twee vragen te gaan en dan bent u voor vandaag van mij verlost.

Ik wil het met u hebben over het concept van het veilige derde land. Vooralsnog geldt de voorwaarde dat er een band of een link moet zijn met dat veilige derde land. Nu wil de Europese Commissie die voorwaarde schrappen, zodat mensen kunnen worden gedeporteerd naar een land waarmee zij geen enkele band hebben. Er zijn voorbeelden, zoals de Rwandadeal van het Verenigd Koninkrijk. Degenen die dromen van het zogenaamde Australische model, verheugen zich al op de ambitie ter zake van de Europese Commissie. Dat voorstel moet echter nog worden besproken, zowel in de Raad als in het Europees Parlement.

Gevraagd naar een reactie van u als minister, gaf u aan dat het zeker een debat waard is. Ik heb echter het regeerakkoord opnieuw doorgenomen en daarin staat hierover niets vermeld. Ik heb eveneens de eerdere versies van het regeerakkoord nagelezen, waarin het wel vermeld stond. Het is er dus blijkbaar uit onderhandeld.

Wanneer zal het voorstel worden besproken in de Raad van ministers?

Wat wordt daar het Belgische standpunt met betrekking tot het voorstel, gelet op het feit dat het uit het uiteindelijke regeerakkoord weg is onderhandeld?

Hoe denkt u met een dergelijk voorstel vergeetputten, waar asielzoekers jarenlang in vluchtelingenkampen in landen zonder toekomstperspectief en zonder enige band met de betrokken personen worden gedumpt, te vermijden?

Ik ben benieuwd hoe u daarnaar kijkt.

Greet Daems:

Ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

Mevrouw de minister,

De Europese Commissie wil asielzoekers kunnen doorsturen naar een land waar ze geen enkele band mee hebben. Lidstaten kunnen in het voorstel zelf akkoorden sluiten met deze "veilige derde landen". U liet al weten dat België bereid is actie mee te werken.

11.11.11 zegt dat de Europese Commissie mensen wil dumpen, en haar verantwoordelijkheid doorschuift naar landen met minder middelen. Ook dat het beroep tegen zo'n beslissing niet langer opschortend zou zijn botst op kritiek.

Daarom mijn vragen:

Welke landen worden door de EC beschouwd als "derde veilige land?"

Met welke landen wenst u een akkoord te bereiken om hen te beschouwen als derde veilige land?

Wat is uw reactie op de kritiek van 11.11.11?

Hoe verhoudt dit voorstel van de EC tot hun vorstel om terugkeerhubs te installeren in derde landen?

Anneleen Van Bossuyt:

Mijnheer Vandemaele, om alle misverstanden uit de wereld te helpen, u ergert mij geenszins met uw vragen. Ik beantwoord ze zelfs graag. U trekt graag de kaart van de morele verontwaardiging en wijst graag met het vingertje. Ik denk wel dat het soms niet slecht zou zijn om de hand ook eens in eigen boezem te steken, al is dat soms moeilijk.

Over het concept van veilige derde landen, waarover ook mevrouw Daems een vraag stelde, geef ik graag het volgende mee. De Europese Commissie publiceerde op 20 mei een voorstel over dat concept. In het kader van een eerdere plenaire vraag zei ik al dat het daarbij niet om een nieuw concept gaat; met haar voorstel wil de Europese Commissie enkel het toepassingsgebied ervan uitbreiden.

Het voorstel heeft als doel het concept in de praktijk bruikbaarder, efficiënter en flexibeler te maken, zodat het kan bijdragen aan een snellere en effectievere verwerking van asielaanvragen. Daarvoor worden twee elementen van het concept aangepast. Ten eerste zou de toepassing van het zogenaamde connectiecriterium, dat erin bestaat dat de verzoeker een band moet hebben met het veilige derde land, op Europees niveau niet langer verplicht zijn. Lidstaten krijgen voortaan de keuze om het veiligederdelandenconcept toe te passen wanneer er sprake is van een connectiecriterium. Ze kunnen transit ook opnemen als connectiecriterium in hun nationale wetgeving en ze kunnen het concept ook toepassen op basis van een akkoord dat ze sluiten met een derde land dat daadwerkelijk bescherming kan bieden aan de verzoeker.

In dat geval is een individueel connectiecriterium niet nodig. De maatregel is niet van toepassing op niet-begeleide minderjarigen.

Daarnaast wordt het automatische opschortende effect in geval van een beroep geschrapt. Die aanpassing is evenwel niet van toepassing op niet-begeleide minderjarigen, noch op mensen waarvoor een grensprocedure loopt.

We bevinden ons in de eerste fase van het Europees wetgevingsproces. Dat proces verloopt via de medewetgevingsprocedure, wat inhoudt dat de lidstaten in de Raad moeten onderhandelen over het voorstel van de Europese Commissie. Ook het Europees Parlement doet dat op zijn niveau. Zodra beide instellingen een onderhandelingsmandaat hebben bereikt, kunnen ze de triloogonderhandelingen met de Commissie aangaan. Pas als er tussen die drie instellingen een akkoord bereikt wordt, kan op nationaal niveau worden onderzocht hoe een en ander kan worden geïmplementeerd.

Het is dus nog veel te vroeg om te spreken over overeenkomsten met derde landen. Los daarvan kan ik alvast meedelen dat de regering voorstander is van Europese maatregelen die het asielsysteem ontlasten door de instroom te beperken en de uitstroom te versnellen, inclusief het onderzoeken van innovatieve oplossingen in de externe dimensie, zoals de veiligelandenconcepten.

Daarbij moeten de fundamentele rechten steeds gewaarborgd blijven. Dat is ook het uitgangspunt van de Europese Commissie voor de voorstellen. Dat wordt letterlijk zo gezegd.

De inschatting op ons asielsysteem van de impact van een gewijzigd concept, met inbegrip van de mogelijke overeenkomsten met derde landen, kan pas nuttig worden gemaakt, als duidelijk wordt hoe de nieuwe regels er na de onderhandelingen zullen uitzien, als er een akkoord met een derde land tot stand komt en welke vorm dat zal aannemen.

In ieder geval is het doel van het voorstel met de veiligelandenconcepten bij te dragen aan een snellere en effectievere verwerking van de asielaanvragen. Dat is zowel op Europees als op Belgisch niveau het uitgangspunt. Ik lees nogal onheilspellende berichten – ik herhaal wat ik in plenaire vergadering naar aanleiding van een vraag van mevrouw Vandeberg antwoordde – over het concept, namelijk dat men met dat Rwandamodel mensen dumpt en de mensenrechten overboord gooit. Maar waarover gaat het eigenlijk? Het voorstel van de Europese Commissie, waarvan u beweert dat het tijdens de regeringsonderhandelingen weg werd onderhandeld - quod non ; ik heb u niet gezien aan die onderhandelingstafel en mevrouw De Vreese zal veel beter weten of ze u daar heeft gezien of niet -, betreft niet meer, maar ook niet minder dan de uitbreiding van het toepassingsgebied van een bestaand concept.

De Europese Commissie en de Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen hebben trouwens verklaard dat het concept in overeenstemming is met zowel het internationale als het Europese recht. Bovendien worden de nodige rechten gevrijwaard en is er in garanties voor het respecteren van die rechten voorzien.

We bespreken het voorstel van de Europese Commissie momenteel op het niveau van de regering. Op Europees niveau zullen we actief bijdragen aan de onderhandelingen, zonder taboes.

Matti Vandemaele:

Bedankt voor uw antwoord, mevrouw de minister. Ik ben blij dat ik u niet irriteer.

De voorbije maanden heb ik vaak verwezen naar de adviezen van experten en academici en de conclusies tijdens eerdere hoorzittingen. U legt dat echter allemaal netjes naast u neer. U hebt daar blijkbaar een broertje dood aan.

Ik dacht u dus op een andere manier te proberen te overtuigen en daarvoor een ander vaatje open te trekken. Maar ik heb al lang begrepen dat het met morele argumenten uiteraard niet zal lukken. Toch zal ik de rest van de legislatuur blijven proberen Les Engagés, Vooruit en cd&v een beetje te kietelen, in de hoop dat er alsnog iets beweegt. Ze zijn hier vandaag niet aanwezig. Dat zegt natuurlijk ook iets.

Wat introspectie betreft, ben ik het met u eens. Men kan inderdaad alleen groeien, als men aan introspectie doet. Dus als u een vriendenboekje hebt, zal ik daarin schrijven dat ik spijt heb dat we dat in de vorige regering onvoldoende hebben gedaan. Ik wil dat hier gerust zeggen en dat ook opschrijven, als u daar gelukkig van wordt. U kunt dat echter natuurlijk niet uitentreuren blijven herhalen. Ja, ik geef toe: het had beter gemoeten. Het zal echter niet aan mij gelegen hebben en ook niet aan mijn partij, maar goed.

Ik vroeg u ook nog welk standpunt de Belgische regering zou innemen. U hebt in antwoord daarop een stukje uit het regeerakkoord voorgelezen, maar dat helpt me niet echt verder. Zult u het voorstel steunen of niet? Ik vind dat u daar wat omheen draait. Ik leid daaruit ook af dat er in de regering nog geen eensgezindheid over bestaat. Ik kan me niet inbeelden dat de heer Dubois van Les Engagés, die intussen ook vertrokken is, vrolijk dansend zou meegaan in het idee van Rwanda-achtige deals. Dat zou me echt verwonderen. Maar goed, de toekomst zal het uitwijzen.

Greet Daems:

Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord.

Zomaar mensen naar landen sturen waarmee ze geen enkele band hebben, lijkt mij niet bepaald de oplossing. In plaats daarvan zouden de Europese Unie en u beter inzetten op een eerlijke verdeling in de Europese Unie en ervoor zorgen dat mensen op de vlucht voor oorlog en vervolging overal een even goede bescherming en behandeling krijgen.

Voorzitter:

Vraag nr. 56005167C van de heer El Yakhloufi is omgezet in een schriftelijke vraag. Vraag nr. 56005260C van mevrouw De Vreese wordt op haar verzoek ook omgezet in een schriftelijke vraag.

De gesprekken met Kosovo inzake een buitenlandse gevangenis
De buitenlandse detentiecapaciteit voor illegale criminelen
Internationale detentieafspraken voor buitenlandse criminelen

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 2 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België onderzoekt met Kosovo (en andere Westelijke Balkan- en Baltische landen) de mogelijkheid om illegale gedetineerden in buitenlandse gevangenissen onder te brengen, om de overbevolkte Belgische gevangenissen te ontlasten. Denemarken heeft al een akkoord met Kosovo (300 plaatsen, operationeel in april 2027), terwijl België nog analyseert welke landen haalbaar zijn en diplomatieke gesprekken voert. 46% van de gedetineerden is niet-Belg, waarvan 3.985 illegalen (met grote groepen Marokkanen en Algerijnen), wat de noodzaak benadrukt voor versnelde terugkeer en nieuwe repatriëringsakkoorden, met name met Marokko en Algerije. Justitie en Buitenlandse Zaken coördineren de stappen, maar concrete afspraken of financiële plannen ontbreken nog.

Maaike De Vreese:

Een tijdje geleden hielden de eerste minister en de Kosovaarse president in de marge van de top van de Europese Politieke Gemeenschap een gesprek. Dat gesprek ging onder andere over Kosovo. Kosovo zou open staan om gedetineerden zonder wettige verblijfspapieren – die momenteel in onze gevangenissen verblijven – in een Kosovaarse penitentiaire instelling onder te brengen.

We weten allemaal dat er een zeer grote druk is op onze gevangenissen. Een ongelooflijke overbevolking, die onhoudbaar is. Gisteren is er in eerste lezing een noodwet over goedgekeurd binnen de regering. Bijkomende maatregelen zijn absoluut nodig. Iedereen weet dat het bij een heel groot deel van de mensen in onze gevangenissen om illegale criminelen gaat. Die moeten absoluut zo snel mogelijk terug naar hun land.

In het regeerakkoord staat ook dat we, gelet op de enorme druk, ook in het buitenland gevangenissen willen bouwen of huren om er veroordeelde criminelen in illegaal verblijf onder te brengen. Denemarken heeft in het verleden reeds een akkoord gesloten met Kosovo voor 300 plaatsen. Nu maakte de Kosovaarse president een opening in de marge van die Top.

Kunt u toelichting geven over de gesprekken tussen dit land en Kosovo? Wat zijn de volgende stappen?

Hoever staat Denemarken met de uitrol van hun deal? Wanneer zal het gedetineerden kunnen overbrengen? Welke juridische stappen zouden er moeten worden genomen? In hoeverre is er reeds zicht op het financieel plaatje?

Wanneer heeft u hierover voor het laatst overleg gepleegd met uw collega-ministers? Ik ben me er wel degelijk van bewust dat dit een gedeelde bevoegdheid is, maar, mevrouw de minister, het zou ons ten goede komen, mochten we daar capaciteit vrij krijgen.

Francesca Van Belleghem:

Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, tijdens de beleidsverklaring verklaarde u dat u Cedoca de opdracht hebt gegeven om een lijst op te stellen van Europese staten die in aanmerking komen voor buitenlandse of Belgische detentiecapaciteit. De volgende landen zouden worden onderzocht: Albanië, Bosnië en Herzegovina, Kosovo, Montenegro, Noord-Macedonië, Servië, Litouwen en Estland.

Is er intussen een beslissing genomen over welke landen formeel of informeel in aanmerking komen? Dit is immers de lijst van landen die onderzocht werden. Is er dus al een beslissing genomen?

Vond het aangekondigde overleg met minister Verlinden reeds plaats?

Lopen er gesprekken met bepaalde specifieke landen? Collega De Vreese zei dat er reeds gesprekken lopen met Kosovo. Wat is de laatste stand van zaken daaromtrent?

Anneleen Van Bossuyt:

Mevrouw De Vreese, mevrouw Van Belleghem, dank u voor uw vragen. Voor de vraag over de gesprekken tussen de premier en de Kosovaarse president verwijs ik u graag door naar de premier.

Denemarken heeft op 27 april 2022 een verdrag met Kosovo ondertekend over de huur van een gevangenis met 300 plaatsen om veroordeelde gedetineerden in onwettig verblijf daar hun straf te laten uitzitten en om vanuit Kosovo de terugkeer te organiseren. Na ratificatie door de verschillende parlementen is dit verdrag op 24 juni 2024 in werking getreden. Momenteel wordt de gevangenis in Gjilan volgens de Deense standaarden en regelgeving gerenoveerd.

De overeenkomst voorziet ook in de aanstelling van Deense ambtenaren in de gevangenis, om te garanderen dat de behandeling van de gedetineerden in overeenstemming met de Deense en internationale normen is. Mevrouw De Vreese, de ingebruikname van de gevangenis is gepland voor april 2027.

In het regeerakkoord staat dat ook België overeenkomsten met andere Europese rechtsstaten zal trachten te sluiten om daar gevangenissen te huren of te bouwen. Er zijn verschillende analyses opgevraagd bij Cedoca, de onderzoeksdienst van het CGVS. Momenteel analyseren we de resultaten. We zullen in de regering de verschillende bevindingen bespreken.

Ja, mevrouw Van Belleghem, we hebben hierover al een gesprek gehad met het kabinet van de minister van Justitie.

Maaike De Vreese:

Mevrouw de minister, ik dank u voor het antwoord. De vragen aan de premier heb ik drie of vier weken geleden al gesteld. De opening die uit dat gesprek is voortgekomen, zo lees ik toch in de pers, is een goed aanknopingspunt om verdere diplomatieke contacten met de Kosovaren uit te bouwen en ook om ter plaatse gesprekken met de ministers aan te knopen. Ik heb in het verleden gezien dat gezamenlijke missies naar derde landen vaak zeer constructief verlopen.

In Kosovo is die gevangenis er al. We moeten dus niet van nul beginnen met het bouwen van een gevangenis. Dat lijkt mij een kans die tot op het bot moet worden onderzocht. Ik wens u daar veel succes mee.

i

Francesca Van Belleghem:

Dank u wel voor uw antwoorden, minister. Ik heb gisteren toevallig een antwoord ontvangen op een schriftelijke vraag waaruit blijkt dat 3.985 van de gedetineerden illegaal in dit land verblijven. Daarnaast zijn er 1.505 niet-Belgen met een geldige verblijfstatus. Samen vormen zij meer dan 46 % van de gevangenispopulatie. Het aantal niet-Belgen, het aantal vreemdelingen, in onze gevangenissen is dus gigantisch. We moeten dan ook zoveel mogelijk nieuwe immigratie beperken. Illegalen moeten worden teruggestuurd naar het land van herkomst. Voor die 3.985 mensen moeten we er maximaal op inzetten om hen effectief terug te sturen. Ook het uitzitten van straffen moet zoveel mogelijk in het land van herkomst gebeuren, al valt dat uiteraard niet onder uw bevoegdheid. Wat mij verder opviel, is dat meer dan 1.000 van de gedetineerden de Marokkaanse nationaliteit hebben, dus 8 % van de gevangenispopulatie heeft de Marokkaanse nationaliteit, van wie velen illegaal in dit land verblijven. De deal die vorig jaar werd gesloten door de vivaldiregering, waarvoor heel wat vivaldiministers naar Marokko zijn gereisd, kan dus zeker worden aangescherpt. Er moet nog veel sterker worden ingezet op de terugkeer van illegale Marokkanen naar het land van herkomst. En hetzelfde geldt voor Algerijnen, 5 % van de gevangenispopulatie is van Algerijnse afkomst. Ook onder hen verblijft een groot deel, 4,5 %, illegaal in België. Ik zou dan ook willen pleiten voor een nieuwe terugkeerdeal, niet alleen met Marokko, maar ook met Algerije.

De ambulante begeleiding van verzoekers om internationale bescherming zonder opvangplaats

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 2 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Van Bossuyt bevestigt dat Fedasil en Caritas in Brussel laagdrempelige ambulante ondersteuning (medisch, sociojuridisch, voedsel) bieden via een infopunt en Refugee Medical Point, met 3,6 miljoen euro budget in 2025, maar dat federale financiering voor humanitaire hulp ontbreekt en via het Brussels Gewest loopt. Vandemaele betwist de dalende wachtlijsten en benadrukt de kloof tussen beleidsclaims en terreinrealiteit, eist transparantie over cijfers en toegang tot rechten voor dakloze asielzoekers. De discussie draait om effectiviteit, financiering en bereik van noodhulp buiten opvangstructuren.

Matti Vandemaele:

Mevrouw de minister, we hebben het daarnet al even gehad over de ambulante begeleiding van verzoekers om internationale bescherming zonder opvangplaats.

U wil ervoor zorgen dat mensen die geen plaats krijgen in de opvangstructuren toch enige ondersteuning krijgen in hun leven op straat. Dat is toch de ambitie. Vooral in de centrumsteden zorgt dat voor druk. Uiteraard in de eerste plaats in Brussel, maar ook in andere steden zoals uw geliefde Gent, leidt dat onmiskenbaar tot problemen.

We stellen vast dat dat een grote druk legt op hulporganisaties, op de noodopvanginitiatieven en op de sociale diensten. Ik heb zelf een bezoek gebracht aan de Humanitaire Hub in Brussel. Daar wordt men niet gelukkig van. Het is er bijzonder druk en men moet er regelmatig mensen weigeren, gewoon omdat er geen plaats meer is.

In de beleidsnota staat dat er voorzien wordt in ambulante medische en psychosociale begeleiding en dat u wil instaan voor de basisnoden, zoals voedsel. Ik vraag mij af hoe dat concreet wordt aangepakt. Kunt u mij een stand van zaken geven over de uitbouw van die ambulante ondersteuning? Welke actoren zullen daarvoor instaan? Zal Fedasil dat zelf doen of wordt dat door andere spelers gedaan? Welke middelen zijn hiervoor voorzien? Hoe wordt ervoor gezorgd dat de mensen die recht hebben op ondersteuning dat recht ook effectief kunnen laten gelden? Ik kijk uit naar uw antwoord.

Anneleen Van Bossuyt:

Dank u voor uw vraag, mijnheer Vandemaele.

Er is een infopunt van Fedasil geopend in Brussel, in het gebouw aan Bordet. Daarnaast is daar sinds kort ook een Refugee Medical Point voor medische hulp gehuisvest. Op die manier wordt er sociojuridische en medische begeleiding georganiseerd voor mensen die vrijwillig of onvrijwillig buiten de opvangstructuren verblijven. We evalueren nu of deze aanpak verdere uitbreiding behoeft, aangezien het aantal mensen op de wachtlijst aan het dalen is, maar er wel een grote groep vrijwillig buiten de opvangstructuren verblijft.

De begeleiding in het infopunt wordt verzorgd door Fedasil en Caritas. Deze initiatieven zijn laagdrempelig en voorzien in voldoende vrije inloopmomenten. Zoals vermeld in het regeerakkoord, voorzien we in de huidige situatie op het terrein in ambulante sociojuridische en medische begeleiding, evenals in basisnoden zoals voedsel.

De federale overheid financiert de Humanitaire Hub niet. Wel wordt het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gefinancierd voor de organisatie van 2.000 opvangplaatsen voor asielzoekers binnen de Brusselse daklozenopvang. In het kader van de begrotingscontrole 2025 heeft Fedasil een akkoord gevraagd om het Refugee Medical Point en het infopunt duurzaam te kunnen organiseren.

In 2025 is een jaarbudget van 1,7 miljoen euro voorzien voor het Refugee Medical Point en 1,9 miljoen euro voor sociojuridische begeleiding. Dat budget werd al deels ter beschikking gesteld in het kader van de voorlopige twaalfden.

Matti Vandemaele:

Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord.

U zegt dus dat er nog wachtlijsten zijn, maar dat die in dalende lijn gaan. Ik vind dat interessant. Dat strookt niet met wat ik hoor, maar ik ben niet alwetend, dus misschien hebt u wel gelijk. Ik ben benieuwd en zal daarover ook schriftelijke vragen indienen. Ik ben geïnteresseerd in die cijfers over de wachtlijsten en of die al dan niet in dalende lijn gaan.

U zegt dat er geen federale financiering voor humanitaire hulp is voorzien en dat dit via het Brussels Gewest gaat. Ik vind de situatie echt schrijnend. De wachtlijsten dalen bij Fedasil en DVZ, maar dan is de vraag of de mensen wel de weg vinden. Er zit volgens mij een grote discrepantie tussen uw antwoord, waarvan ik graag zou hebben dat het juist is, en de signalen die wij vanop het terrein opvangen.

Ik zal mij de volgende weken en maanden informeren om te zien aan wiens kant de waarheid het meeste ligt en vooral hoe we ervoor kunnen zorgen dat de mensen die er recht op hebben dat recht ook kunnen laten gelden. Dat is immers het allerbelangrijkste.

Anneleen Van Bossuyt:

Misschien kunt u even wachten, want een van de laatste punten op de agenda is een vraag van mevrouw Van Belleghem over de concrete cijfers. Dan zult u meteen uw antwoorden krijgen.

Voorzitter:

Of u kunt het verslag erop nalezen.

Het EC-voorstel over de verlenging van de tijdelijke bescherming voor Oekraïense vluchtelingen

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 2 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België steunt de EU-verlenging van tijdelijke bescherming voor bijna 100.000 Oekraïners (95.351 attestaten sinds 2022) tot maart 2027, met nadruk op gecoördineerde overgang naar andere verblijfsstatuten (werk, studie) en voorkoming van asielstroom. De minister benadrukt ordelijk, vrijwillig retour via een gepland *Unity Hub* (samen met Oekraïne) voor gecentraliseerde informatie en begeleiding, plus EU-financiering (België ontving deel van €15+4 mjd, exacte bedragen onvermeld). Kritisch: vermijden van secundaire migratie en systematisch gebruik van registratieplatforms voor opvolging. Oekraïners krijgen praktische ondersteuning voor terugkeer, maar focus blijft op duurzame EU-bescherming zolang de oorlog duurt.

Victoria Vandeberg:

Madame la ministre, le Conseil de l'Union européenne a approuvé à l'unanimité, le vendredi 13 juin, la prolongation jusqu'au 4 mars 2027 de la protection temporaire que l'Union européenne a accordée depuis mars 2022 à plus de 4 millions d'Ukrainiens ayant fui la guerre d'agression de la Russie. Ils ont pleinement accès au logement, aux soins, à la santé, à l'éducation, à l'emploi, aux services sociaux.

Outre l’objectif humanitaire compréhensible par tous, vu que la guerre d’agression russe perdure, cette procédure permet aux Ukrainiens de ne pas demander l'asile et évite les risques de surcharge des systèmes d'asile nationaux. C'est un problème dont nous parlons assez souvent.

Madame la ministre, combien d’Ukrainiens bénéficient-ils de ce cadre juridique en Belgique?

Les États membres bénéficieront de 4 milliards d'euros supplémentaires au titre des programmes Affaires intérieures, en plus des 15 milliards d'euros déjà débloqués à cet effet au titre du Fonds de cohésion. Quelle somme la Belgique a-t-elle reçue au titre de ces deux programmes, sachant qu’une somme supplémentaire est mobilisée par le gouvernement à travers les fonds russes gelés en Belgique? Quel est également ce montant depuis 2022?

Êtes-vous favorable à une recommandation de la Commission européenne qui propose de promouvoir et de faciliter la transition vers d'autres statuts juridiques comme la possibilité d'accéder à des statuts juridiques nationaux ou européens mieux adaptés à leur nouvelle situation, comme des permis de séjour fondés sur l'emploi, les études, la recherche ou le statut de résident national de longue durée?

Enfin, la Belgique active-t-elle des leviers pour élaborer un concept de retour des Ukrainiens via des visites exploratoires en Ukraine pour guider les décisions des personnes envisageant un retour par exemple?​

Anneleen Van Bossuyt:

Madame Vandeberg, la Belgique peut soutenir la prolongation de la protection temporaire jusqu'en mars 2027. L'agression russe se poursuit sans relâche et l'Union européenne reste déterminée à soutenir l'Ukraine ainsi que ses ressortissants sur le territoire européen. La protection temporaire offre toujours un cadre juridique solide qui peut garantir à des millions de réfugiés ukrainiens une protection harmonisée et une sécurité identique. La directive de 2001 prévoit également la possibilité de mettre fin à la protection temporaire à tout moment par une décision du Conseil adoptée à la majorité qualifiée.

Concernant les chiffres, en 2022, 63 356 attestations de protection temporaire ont été délivrées. Il y en a eu 15 626 en 2023, 13 277 en 2024 et 3 092 de janvier à avril de cette année. Au total, 95 351 attestations – soit presque 100 000 – ont été délivrées par l'Office des é trangers pour la période couvrant les années 2022 à 2025.

L'Union européenne soutient les États membres qui accueillent des personnes déplacées d'Ukraine grâce à des financements européens, notamment au titre des fonds pertinents des Affaires intérieures et de la politique de cohésion. Ces possibilités de financement offrent la souplesse nécessaire pour tenir compte des contextes nationaux spécifiques et des besoins financiers, y compris pour l'intégration des personnes bénéficiant d'une protection temporaire.

La politique de cohésion a fourni 13,6 milliards d'euros de liquidités supplémentaires aux États membres qui accueillent des personnes originaires d'Ukraine et 1,4 milliard d'euros supplémentaires ont été réaffectés dans le cadre des programmes de financement existants afin d'apporter une aide directe aux personnes déplacées originaires d'Ukraine.

La Belgique accueille favorablement la proposition de la Commission. Notre pays a toujours été favorable à une transition coordonnée et à une vision à long terme qui apporte de la clarté aux États membres, aux bénéficiaires de la protection temporaire ainsi qu'aux autorités ukrainiennes.

Les recommandations du Conseil constituent une première étape importante pour établir un cadre commun. Nous examinons les détails du texte, mais souhaitons déjà formuler certaines remarques.

Premièrement, les flux secondaires ou un basculement vers les procédures d'asile doivent être évités à tout prix. Je pense que vous comprenez pourquoi; il nous est matériellement impossible d'accueillir 100 000 personnes de plus.

Deuxièmement, un retour durable, progressif et ordonné doit être l'objectif d'une telle transition dans l'intérêt des personnes déplacées, des autorités ukrainiennes et des États membres.

Troisièmement, la plateforme d’enregistrement doit être utilisée de manière systématique, non seulement pour procéder aux enregistrements, mais également à long terme afin de suivre rigoureusement les retours.

Enfin, la coordination avec les autorités ukrainiennes demeure cruciale tout au long du processus de transition. À cette fin, la création d’un Unity Hub en Belgique est actuellement envisagée. Une page web spécifique détaille d’ailleurs les modalités du retour volontaire aujourd’hui possibles.

La Belgique a été approchée par les autorités ukrainiennes en vue de la mise en place de ce Unity Hub . Ce dernier serait installé et cogéré par les autorités ukrainiennes ( Ministry of National Unity) et les États membres, dans un cadre bilatéral. L’objectif est de constituer un véritable guichet unique à destination des Ukrainiens déplacés désireux d’obtenir des informations sur les possibilités qui leur sont offertes, y compris celles relatives au retour en Ukraine.

À plus long terme, dans l’hypothèse d’une désactivation du dispositif de protection temporaire, la directive prévoit la possibilité de mettre en œuvre des programmes de retour volontaire. La proposition de recommandation du Conseil, publiée récemment par la Commission, élabore plusieurs orientations visant à coordonner ces programmes à l’échelle européenne.

Victoria Vandeberg:

Je vous remercie, madame la ministre, pour vos réponses, notamment concernant les chiffres communiqués. Je suis particulièrement heureuse d’entendre la dernière partie de votre réponse, car outre l’accueil à mettre en place en Belgique avec les moyens que nous connaissons, il est essentiel d’assurer un accompagnement pour la suite du parcours. En effet, certaines personnes expriment le souhait de pouvoir regagner leur pays d’origine. Il est donc important de leur fournir les informations utiles et de leur faciliter la tâche, notamment via des informations regroupées en un seul endroit. Ces situations sont extrêmement stressantes et difficiles à vivre pour les populations concernées. Si la Belgique peut les aider du mieux qu'elle peut, pour au moins obtenir des informations, c'est évidemment primordial. Voorzitster: Maaike De Vreese. Présidente: Maaike De Vreese.

De veiligheid in het Fedasilcentrum te Spa

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 2 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Na een dodelijk mesincident in Spa door asielzoekers uit het lokale Fedasil-centrum bevestigt minister Van Bossuyt dat de daders definitief zijn uitgesloten van opvang en hun dossier prioritair wordt behandeld door CGRA en Dienst Vreemdelingenzaken voor mogelijke uitzetting. Zij benadrukt dat het incident buiten het centrum plaatsvond en dat de veiligheidsmaatregelen (extra personeel, bewaking) voldoende werden geacht, maar openstaat voor verdere suggesties—hoewel het Masterplan Accueil zich vooral richt op infrastructuur, niet op algemene veiligheidsbeleid. Vandeberg dringt aan op gevolgen voor de daders en blijft de procedure volgen.

Victoria Vandeberg:

Madame la ministre, je souhaite attirer votre attention sur un triste fait d'actualité qui s'est déroulé à Spa au début du mois de juin. Un jeune homme s'est vu asséner plusieurs coups de couteau qui ont entraîné son décès. Les personnes avec qui cette altercation a eu lieu seraient hébergées au centre Fedasil de Spa.

Ce centre d'accueil et la sécurité aux alentours ont déjà posé question, d'autant plus que le nombre de personnes accueillies dans les trois centres de la zone de police Fagnes (Spa-Theux-Jalhay) est très élevé, mettant sous pression les services de police, situation que je connais bien grâce à mon mandat de bourgmestre.

Avez-vous été informée de ces faits et quelles mesures avez-vous prises immédiatement?

À plus long terme, comment envisagez-vous la suite de l'encadrement de ce centre Fedasil?

Qu'adviendra-t-il des auteurs des faits et d'un éventuel retour dans leur pays d'origine?

Aussi, vous avez annoncé qu’un Masterplan accueil serait en préparation concernant les bâtiments. Un aspect de ce plan pourrait-il envisager d'étudier la sécurité des personnes accueillies dans ces centres, des travailleurs des centres et également des riverains?

Anneleen Van Bossuyt:

Madame Vandeberg, avant tout, je tiens à exprimer mes condoléances à la famille et aux amis de la victime. Je souhaite également beaucoup de courage aux collaborateurs du centre sur qui cet événement a sans doute eu un impact très profond.

J'ai bien entendu immédiatement été informée de ce fait par Fedasil. La direction du centre est venue directement sur place et le centre a augmenté le nombre de ses travailleurs le week-end. Un gardien a également été rappelé au centre. Le bourgmestre a également été informé de la situation. Les auteurs en question ont été définitivement exclus du réseau d'accueil.

Je déplore profondément de tels incidents, mais ceux-ci ne peuvent être imputés ni au centre ni à son personnel. L'événement s'étant déroulé à l'extérieur du centre, l'encadrement du centre n'est actuellement pas à remettre en cause. D'ailleurs, le centre est resté calme durant tout le week-end et n'a souffert que des répercussions de cet événement, des commentaires dans la presse et sur les réseaux sociaux. Tant la police locale que le bourgmestre ont jugé les dispositions prises par le centre suffisantes.

Les résidents incriminés ont été privés de liberté et mis à la disposition de la justice. Entre-temps, les personnes concernées ont été libérées. Néanmoins, elles se sont vues notifier une décision d'exclusion définitive ou temporaire du réseau d'accueil. L'Office des étrangers, responsable des expulsions du territoire, a été mis au courant. Le CGRA a également été informé de cette situation. Il a reçu les informations relatives aux faits en question et traitera ce dossier en priorité.

Le Masterplan accueil concerne principalement une coopération plus structurelle entre Fedasil et la Régie des Bâtiments. L'objectif est de permettre une collaboration plus efficace en matière d'offre et d'entretien des bâtiments que la Régie met à la disposition de Fedasil pour servir de centres d'accueil.

Je reste bien entendu ouverte aux suggestions visant à améliorer la sécurité des résidents et des employés. Néanmoins, étant donné que ce Masterplan est essentiellement axé sur les infrastructures, il ne constitue pas nécessairement le cadre adéquat pour intégrer une politique de sécurité globale à destination des personnes se trouvant dans ces centres. Des aspects tels que la sécurité incendie et la sécurité générale des bâtiments y trouvent toutefois leur place.

Victoria Vandeberg:

Madame la ministre, je vous remercie pour vos réponses.

J'entends qu'une exclusion du réseau d'accueil a été décidée pour les auteurs. Cela semble évidemment logique, vu les faits qui leur sont reprochés et le décès qui leur est consécutif. Bien entendu, j'attends la suite de la procédure relative à leur présence sur notre territoire. Je suivrai attentivement la décision prise à cet égard par l'Office des é trangers et le CGRA. Il est en effet évident que ces actes ne peuvent rester impunis. Je pense que vous en êtes bien consciente.

Voorzitter:

Vraag nr. 56005887C van mevrouw Maaike De Vreese wordt omgezet in een schriftelijke vraag.

Het terugkeer- en beschermingsbeleid ten aanzien van Syrië en Afghanistan

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 2 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De asielinstroom uit Afghanistan stijgt sterk (30% meer verzoeken in 2025 vs. 2024), met een onnbekende erkenningsgraad (nog niet meegedeeld), terwijl vrijwillige terugkeer minimaal is (4 personen in 2025). Voor Syrië daalt de instroom drastisch (halvering in 2025 vs. 2024), met een tijdelijke opschorting van dossiers en 77,3% bescherming in 2024, maar 83 vrijwillige terugkeringen dit jaar. Gedwongen terugkeer naar Afghanistan wordt onderzocht, maar concrete plannen ontbreken nog. De focus ligt op trends in instroom, erkenning en repatriëring voor beide landen.

Francesca Van Belleghem:

Als ik de onemanshow van de heer Vandemaele wil overtreffen, zal ik nog veel persoonlijke aanvallen moeten doen.

Mijn vraag betreft asielzoekers en illegalen uit Syrië en Afghanistan. Ik heb die in één vraag gebundeld, louter uit efficiëntieoverwegingen. Hoe staat het voor beide landen met de gedwongen en de vrijwillige terugkeer? Is er een daling van de asielinstroom? Wat is momenteel de erkenningsgraad inzake asielbeslissingen voor beide landen?

Anneleen Van Bossuyt:

Dank u wel, mevrouw Van Bellegem. De verschillende mogelijkheden om een terugkeer naar Afghanistan te organiseren worden nog steeds onderzocht. Ik heb al gezegd dat er achter de schermen stappen worden gezet. Sommige denksporen worden concreter, maar op dit moment kan ik daar nog geen specifieke details over geven.

Wat de instroom van verzoekers om internationale bescherming betreft, zien we voor Afghanistan een stijgende lijn. Elke maand lag het aantal ingediende verzoeken door Afghanen hoger dan in dezelfde maand van 2024. In de eerste vijf maanden van 2025 werden 30 % meer verzoeken ingediend dan in dezelfde periode in 2024.

Als u dat wil, kan ik u de exacte cijfers geven, zodat u ze naast elkaar kunt zetten. In 2024 ging het in de maanden januari tot en met mei om respectievelijk 286, 215, 268, 268 en 304 verzoeken. In 2025 waren dat er 355, 338, 285, 378 en 385.

In 2024 waren 53 % van verzoeken eerste verzoeken, in dezelfde periode van 2025 ging het om 54 %. Sinds 1 januari 2025 zijn er 4 personen vrijwillig teruggekeerd naar Afghanistan.

Het aantal verzoeken om internationale bescherming ingediend door Syrische onderdanen is in dalende lijn. Door de tijdelijke opschorting van de dossiers van verzoekers afkomstig uit Syrië kan het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen (CGVS) geen beschermingsgraad voor dit jaar geven. In 2024 bedroeg de beschermingsgraad voor Syrische verzoekers 77,3 %. Ik geef u de aantallen van de verzoeken om internationale bescherming door Syriërs voor de eerste vijf maanden van 2024 in vergelijking met 2025. In 2024 ging het om 433, 403, 400, 370 en 514 verzoeken. In 2025 ging het om 211, 216, 109, 142 en 120 verzoeken. Sinds 1 januari 2025 zijn 83 personen vrijwillig teruggekeerd naar Syrië.

Francesca Van Belleghem:

Mevrouw de minister, dank u wel voor uw uitgebreide antwoorden. Wat is de erkenningsgraad voor mensen uit Afghanistan? Misschien heb ik dat gemist.

Anneleen Van Bossuyt:

Mevrouw Van Belleghem, ik heb wel gezegd hoeveel verzoeken eerste verzoeken waren, maar de erkenningsgraad heb ik niet gegeven. Dat cijfer moet ik u nog bezorgen.

De ontdekking van nieuwe ‘ondetecteerbare’ telefoons in gevangenissen

Gesteld door

lijst: VB Marijke Dillen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 2 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De minister bevestigt dat mini-telefoons (zoals in Frankrijk) in Belgische gevangenissen bekend maar beperkt aanwezig zijn, en dat bestaande opsporingsapparatuur ze detecteert via zendmastconnecties in plaats van metaal. Extra investeringen in detectietechnologie voor inactieve toestellen zijn in voorbereiding, terwijl fouilles de primaire controle blijven. Dillen vraagt om concrete cijfers over betrappingen, maar Verlinden benadrukt dat het risico op ondetecteerbaarheid uitgesloten wordt met de huidige systemen.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, ik verwijs naar de tekst van mijn vraag zoals ingediend.

Gedetineerden in Franse gevangenissen hebben nieuwe 'ondetecteerbare' telefoons gebruikt om te communiceren met de buitenwereld. Volgens Eurojust zijn de telefoons maar zo groot als een aansteker.

Het EU-agentschap meldt dat de toestellen wereldwijd worden verkocht via onlinemarktplaatsen en eenvoudig te verbergen zijn tijdens veiligheidscontroles.

De Franse autoriteiten schatten dat ongeveer vijfduizend van de apparaten in gebruik waren in gevangenissen.

Ik hierbij de volgende vragen:

Is de minister op de hoogte van het bestaan van deze 'ondetecteerbare' telefoons?

Werd er reeds een onderzoek gevoerd in de Belgische gevangenissen naar deze telefoons? Zo nee, waarom niet? En wanneer zal het onderzoek desgevallend plaatsvinden? Indien ja, wat waren de resultaten? Graag enige toelichting.

Welke initiatieven gaat de minister beleidsmatig in concreto uitwerken om tegemoet te komen aan deze problematiek enerzijds, en de controle op de aanwezigheid van deze toestellen anderzijds?

Annelies Verlinden:

Mevrouw Dillen, de telefoons waarnaar u in uw vraag verwijst, zijn ook bij ons bekend, maar komen in mindere mate voor. Sommige modellen blijken niet detecteerbaar te zijn met de reguliere metaaldetectieportieken, wegens te weinig aanwezig metaal. Ook die modellen zijn, voor alle duidelijkheid, wel degelijk detecteerbaar voor onze opsporingsapparatuur.

Van de opsporingsapparatuur werden eerst proefmodellen aangeschaft en getest. Uit de testen bleek inderdaad dat alle items door onze opsporingsapparatuur gedetecteerd worden. Die apparatuur richt zich in eerste instantie niet onmiddellijk op de materiële aanwezigheid van niet-toegelaten communicatiemiddelen zelf, aangezien die controle plaatsvindt via geplande en onvoorziene fouilles van de diverse ruimtes in de gevangenis, maar is gericht op de connectie die de telefoons maken met de zendmasten.

Zoals eerder al toegelicht, nemen we initiatieven om de veiligheid van onze detentie-infrastructuur te verhogen. Met het oog daarop wordt bijkomend geïnvesteerd in opsporingsmateriaal om inactieve of uitgeschakelde communicatiemiddelen te kunnen traceren. De aankoopprocedures daarvoor lopen momenteel.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, dank u voor uw antwoord. Ik weet niet of u kennis hebt van cijfers over eventuele betrappingen die al gebeurd zouden zijn, maar u zegt dus formeel dat we in onze gevangenissen niet het risico lopen dat telefoons niet gedetecteerd kunnen worden en dat onze apparatuur voldoende in staat is om, mochten zulke telefoons circuleren in onze gevangenissen, ze te detecteren.

De problemen met de celdeuren in de nieuwe gevangenis van Dendermonde

Gesteld door

lijst: VB Marijke Dillen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 2 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

In de nieuwe gevangenis van Dendermonde sprongen celdeuren ’s nachts onbedoeld open door defecte sloten, waarna tijdelijk klinken werden verwijderd en deuren gebarricadeerd. Minister Verlinden bevestigde dat het probleem beperkt en snel opgelost werd door de DBFM-aannemer (privaat onderhoudscontract), zonder kosten voor Justitie, en zonder incidenten, maar met strenge opvolging om herhaling te voorkomen. Dillen bevestigde dat de veiligheid nu gewaarborgd is en het technisch mankement volledig verholpen. De verantwoordelijkheid en kosten liggen bij de private partner, zonder financiële gevolgen voor de overheid.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, ik verwijs naar de tekst van mijn vraag zoals ingediend.

Uit berichtgeving blijkt dat in de nieuwe gevangenis van Dendermonde de afgelopen maanden de celdeuren 's nachts willekeurig en ongecontroleerd opensprongen. Cipiers zagen zich genoodzaakt om de deuren te barricaderen met houten palen. Als tijdelijke oplossing werden de klinken aan de binnenkant van de celdeuren eraf gehaald om te vermijden dat de gedetineerden hun celdeuren zelf konden openen. Eerst werd er gedacht aan een softwareprobleem maar het blijkt om een slechte partij sloten te gaan.

Kan de minister hierover meer toelichting geven? Wanneer werd dit gemeld? Hoelang heeft deze situatie zich voorgedaan? Wat was de oorzaak? Hoe werd deze problematiek opgelost?

Wat is hiervan de kostprijs? Gezien het een recente gevangenis betreft, wie is hiervoor verantwoordelijk en kan deze kost worden verhaald op de aannemer?

Kan de minister mij mededelen of deze problematiek tot incidenten heeft gezorgd binnen deze gevangenis? Zo ja, graag een gedetailleerd overzicht.

Annelies Verlinden:

Mevrouw Dillen, het klopt dat er recent een aantal problemen was met de sloten in de nieuwe gevangenis van Dendermonde. Ik wil weliswaar onderstrepen dat dat probleem zich maar een beperkt aantal keren heeft voorgedaan, dat daarop onmiddellijk en correct is gereageerd en dat het technisch probleem inmiddels is verholpen.

De nieuwe gevangenis van Dendermonde is een DBFM-gevangenis, wat impliceert dat de privépartner verantwoordelijk is voor het onderhoud en de vervangingen, en dat geldt voor de duur van het contract, in dit geval 25 jaar. Er zijn dus geen financiële implicaties voor de FOD Justitie.

De situatie heeft niet tot incidenten geleid. Dat neemt niet weg dat alle partners de situatie zeer ernstig hebben genomen. Het gaat immers om de veiligheid binnen de inrichting. Daarom werden een continue opvolging en overleg georganiseerd om een dergelijk probleem in de toekomst te voorkomen.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, dank u vriendelijk voor uw antwoord. De situatie heeft zich dus maar een beperkt aantal keren voorgedaan, zo begrijp ik. Technisch gezien is het probleem volledig verholpen en zijn alle daaraan gekoppelde gebreken weggewerkt. De veiligheid komt dus niet meer in het gedrang.

De klacht van een magistraat wegens de slechte luchtkwaliteit in het Brusselse Justitiepaleis

Gesteld door

lijst: VB Marijke Dillen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 2 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Een Brusselse magistraat diende klacht in wegens slechte luchtkwaliteit en hitte in het Justitiepaleis, gekoppeld aan groeiachterstand bij haar ongeboren kind, met bevestiging door verbetering na verhuizing naar een betere ruimte. Minister Verlinden bevestigt dat Justitie klachten ernstig neemt en belooft actieplannen na onderzoek (metingen, preventieadviseur) samen met de Regie der Gebouwen, maar kan niet ingaan op de lopende procedure. Dillen dringt aan op *hoogdringende* oplossingen voor structurele schendingen van arbeids- en welzijnswetgeving, niet alleen in Brussel maar in verouderde gerechtsgebouwen landelijk, en eist prioritaire aanpak zonder afwachten van de auditeur.

Marijke Dillen:

Een magistraat bij het Brusselse Parket heeft een klacht ingediend bij de Arbeidsauditeur wegens de slechte luchtkwaliteit in het Brusselse Justitiepaleis. Aanleiding was een groeiachterstand bij haar ongeboren baby, vermoedelijk veroorzaakt door de slechte luchtkwaliteit en de hitte in de rechtszaal waar ze werkte.

Toen plots bleek dat de ongeboren baby een groeiachterstand had en de gynaecoloog vergiftiging en zwangerschapsdiabetes had uitgesloten, legde de gynaecoloog een link met de werkplek, zo blijkt. Dat die analyse kan kloppen blijkt ook uit het feit dat sinds de zittingen verhuisd zijn naar een beter geventileerde ruimte de klachten verdwenen.

De neergelegde klacht is gebaseerd op schendingen van de arbeidswetgeving en de welzijnswet.

Is de minister op de hoogte van deze klacht? Wat is haar reactie?

Werden er inmiddels initiatieven genomen om te werken aan oplossingen?

Ook griffiers, rechters, advocaten, tolken, slachtoffers en beklaagden zitten vaak urenlang in oververhitte, slecht verluchte ruimtes. Dit probleem stelt zich niet alleen in het Brusselse Justitiepaleis maar ook in andere vaak oudere gerechtsgebouwen. Heeft de minister kennis van nog andere klachten?

Annelies Verlinden:

Mevrouw Dillen, u geeft zelf aan dat de magistraat een officiële klacht zou hebben ingediend bij de arbeidsauditeur. Ik kan dus niet ingaan op die lopende procedure.

In algemene termen kan ik wel melden dat de FOD Justitie en ikzelf dergelijke zaken en klachten heel ernstig nemen. Als na onderzoek, desgevallend ook metingen en een tussenkomst van de preventieadviseur de klacht gegrond blijkt, stelt de FOD Justitie in overleg met de Regie der Gebouwen een actieplan op om te remediëren.

Wij willen voor alle medewerkers van justitie een aangenaam, veilig en werkbaar werkklimaat. Wij ondernemen dan ook de nodige acties om dat te bewerkstelligen.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, ik vraag geen informatie over de klacht zelf die door de magistraat bij de arbeidsauditeur is ingediend wegens de slechte luchtkwaliteit. Wij zullen wel zien welk gevolg daaraan wordt gegeven. In elk geval kloppen de vaststellingen en staat vast dat er sprake is van schendingen van de arbeidswetgeving en de welzijnswet. U zult bij hoogdringendheid een actieplan moeten uitrollen om de situatie aan te pakken, in het belang van magistraten, advocaten, griffiers, tolken, slachtoffers en beklaagden, kortom iedereen die in die slecht verluchte zalen aanwezig is. Ik hoop dan ook dat u het dossier niet op de lange baan schuift en wacht tot de klacht is afgehandeld bij de arbeidsauditeur, maar dat u er prioritair werk van maakt.

De onhoudbare situatie voor het gevangenispersoneel in de gevangenis van Wortel

Gesteld door

lijst: VB Marijke Dillen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 2 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De gevangenis van Wortel kampt met chronische onveiligheid door overbevolking, drugs, geweld, onderbemanning en verwaarloosde infrastructuur (o.a. defecte veiligheidscellen), wat het personeel tot moedeloosheid en hopeloosheid drijft. Minister Verlinden erkent de crisis, belooft een dringend bezoek en versneld herstel van cellen (maar wijst op bureaucratische vertragingen), terwijl ze overbevolking als hoofdreden aanwijst en structurele oplossingen prioriteit geeft. Dillen eist onmiddellijk ingrijpen, benadrukt wekelijkse zware incidenten (vaak ongerapporteerd) en dringt aan op een concreet, niet-symbolisch bezoek om de ernst ter plaatse te ervaren, met directe actie voor veiligheid van zowel personeel als gedetineerden. De politieke urgentie en middelengebrek blijven de kern van de patstelling.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, dit is een vraag die ik vandaag helaas opnieuw had kunnen indienen, naar aanleiding van de gruwelijke feiten van eergisteren. Mijn vraag was echter al een tijdje hangend in deze commissie. Zonder verwijt, mijnheer de voorzitter.

De situatie raakt daar maar niet opgelost. Enkele weken geleden waren er zware vechtpartijen tussen gedetineerden. Drugs en gsm's worden over de omheining gegooid. De situatie in de gevangenis van Wortel is werkelijk onhoudbaar geworden. Incident na incident, telkens opnieuw moet het personeel de chaos ondergaan.

Er circuleren online voldoende berichten over de ernst van de recente incidenten. Onnodig te zeggen, mevrouw de minister, dat het personeel op zijn tandvlees zit. Ik neem aan dat ik u daar niet van hoef te overtuigen. Men is moedeloos, onderbemand en voelt zich totaal in de steek gelaten. Uit gegevens waarvan ik kennis heb, blijkt dat het gevoel leeft dat de directie het personeel onvoldoende steunt, waarschijnlijk omdat ze zelf te weinig ondersteuning krijgt van het hogere niveau.

Het personeel vraagt dringend actie, mevrouw de minister. Het wil niets liever dan zijn werk te kunnen doen in menswaardige en veilige omstandigheden. Er moet dringend extra ondersteuning komen en er moet eveneens bij hoogdringendheid gewerkt worden aan echte oplossingen om eindelijk een antwoord te bieden op alle problemen in Wortel, die al lange tijd gekend zijn. Het personeel vraagt politieke moed om eindelijk alle problemen op het terrein concreet en daadkrachtig aan te pakken en hiervoor de nodige middelen vrij te maken.

Vandaar mijn vragen. Wat moet er nog gebeuren in deze gevangenis voor er echt geluisterd wordt naar de steeds maar groeiende problemen? Wanneer gaat u eindelijk ingrijpen? Welke initiatieven gaat u bij hoogdringendheid nemen om oplossingen te bieden voor deze ernstige problemen?

We krijgen bijna wekelijks signalen. Ze halen alleen nog de kranten wanneer het werkelijk de spuigaten uitloopt, zoals dat het geval was bij de incidenten van enkele weken geleden en bij de incidenten van eergisteren. Ondertussen worden de cipiers er bijna dagelijks geconfronteerd met onhoudbare situaties.

Uit berichten blijkt dat er een bijzonder verontrustende situatie is inzake de veiligheidscellen, die vaker buiten gebruik dan beschikbaar zijn. Dit heeft rechtstreeks een impact op de veiligheid van zowel het personeel als van de gedetineerden. Wanneer zult u bij hoogdringendheid de nodige herstellingswerken laten uitvoeren, in het belang van de veiligheid?

Er zijn bovendien verschillende structurele gebreken die de dagelijkse werking ernstig belemmeren. Bent u bereid om deze gevangenis te bezoeken, mevrouw de minister, niet voor een kort persmoment, maar om daadwerkelijk te luisteren naar de bezorgdheden van het personeel en om ter plaatse grondig na te gaan hoe ernstig de situatie is? Of u dat al gedaan hebt, zal uit uw antwoord blijken.

Annelies Verlinden:

Ik ben me terdege bewust van de ernst van de situatie. Heel recent deed zich opnieuw een incident voor waarbij enkele personeelsleden gewond raakten. Dat is onaanvaardbaar en dergelijke incidenten laten mij als minister van Justitie nooit onberoerd. Zoals ik al meermaals heb toegelicht, creëert de overbevolking bijkomende onveilige omstandigheden, zowel voor het personeel als voor de gedetineerden, helaas niet alleen in de gevangenis van Wortel. Het is dan ook mijn absolute prioriteit om daaraan te werken. Gisteren hebben we daar al over gesproken in de commissie.

Wat de herstellingen aan de veiligheidscellen betreft, bevinden de dossiers per cel zich momenteel in de fase voorafgaand aan de aanpassingen of herstellingen. De reglementaire termijnen die de administratie moet respecteren in het kader van overheidsopdrachten, samen met de levertermijnen van materiaal en de uitvoeringstermijnen, maken dat de werken niet onmiddellijk kunnen worden aangevat. Mijn administratie volgt echter nauwgezet op dat de procedures zo snel en zo vlot mogelijk verlopen.

Collega Dillen, naar aanleiding van de incidenten heb ik inderdaad al het voornemen uitgesproken en bevestigd om binnenkort een bezoek te brengen aan de inrichting. Daarbij vind ik het effectief belangrijk om zeer nauwgezet en doortastend in overleg te gaan met de directie en het personeel. Ik wil ter plaatse over hun bezorgheden en uitdagingen horen, zodat we samen naar oplossingen kunnen zoeken. Ik heb de afgelopen weken al heel wat bezoeken op het terrein gebracht. De noden zijn groot en ook hier in Brussel zijn er veel activiteiten, maar ik wil zeer graag ter plaatse gaan luisteren en mee zoeken naar manieren om de grootste en urgentste prioriteiten zo snel mogelijk aan te pakken.

Marijke Dillen:

Dank voor uw antwoord, mevrouw de minister. Ik dring er echt op aan dat u hiervan een prioriteit maakt. Dat hoeft niet noodzakelijk op een werkdag te gebeuren, u zou dat eventueel ook in het weekend kunnen doen; de gevangenis ligt niet ver van waar u woont. We krijgen berichten dat er wekelijks – wekelijks, mevrouw de minister – drie tot vijf zware incidenten plaatsvinden, wetende dat de meeste zelfs de media niet meer halen. Het moet tegenwoordig echt al uitzonderlijk ernstig zijn, met zwaargewonden, zoals deze week, toen alles kort en klein werd geslagen en een cel ernstig vernield werd. De cipiers rekenen er echt op dat u eerstdaags een bezoek brengt. Zorg voor een gaatje in uw agenda en ga met eigen ogen vaststellen hoe ernstig de situatie in de gevangenis van Wortel is. Misschien raakt u er dan van overtuigd dat in deze gevangenis prioritair moet worden ingegrepen, in het belang van de veiligheid van het personeel en van de gedetineerden. Ik wil immers niet alle gedetineerden over één kam scheren: niet allemaal maken ze zich schuldig aan dergelijke zware geweldsdelicten. Ook zij zijn uiteraard het slachtoffer van deze ernstige problemen. Het personeel vraagt het en dringt er werkelijk op aan: doe het!

Het gebrek aan contact tussen de FOD en het slachtoffer van verkrachting in de Antwerpse gevangenis

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 2 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Na de verkrachting van een maatschappelijk werkster in de Antwerpse gevangenis (2/9/2024) door een gedetineerde—verergerd door falende veiligheidsmaatregelen—kritiseert Van Hecke de afwezigheid van proactieve steun van Justitie, ondanks de veroordeling van de dader. Minister Verlinden benadrukt dat er wel degelijk contact was (via PSD, lijnmanagement en re-integratievoorstellen), maar op het tempo van het slachtoffer, en bevestigt een toekomstig persoonlijk gesprek plus structurele evaluaties om procedures te verbeteren. Van Hecke blijft sceptisch over de tijdigheid van de acties (contacten pas *na* mediabelangstelling) en vraagt om duidelijkere verantwoordelijkheidslijnen binnen Justitie. Verlinden herhaalt dat slachtofferbegeleiding prioriteit is, maar het vertrouwen in de aanpak blijft wankel door de ervaren gebrekkige communicatie en erkenning.

Stefaan Van Hecke:

Mevrouw de minister, op 2 september 2024 werd een maatschappelijk werkster van de psychosociale dienst verkracht door een gedetineerde in de gevangenis van Antwerpen. De noodknop in het gesprekslokaal werkte niet, en er waren onvoldoende veiligheidsmaatregelen genomen. De dader kreeg vorige week vijf jaar cel opgelegd, maar het slachtoffer en haar advocaat stellen vast dat er geen enkel contact is geweest vanwege de FOD Justitie.

Dit roept ernstige vragen op over de verantwoordelijkheid en betrokkenheid van justitie bij dergelijke incidenten.

Waarom heeft de FOD Justitie geen contact opgenomen met het slachtoffer? Is het niet vanzelfsprekend dat justitie, na zo'n ernstig incident, zelf initiatief neemt om het slachtoffer te ondersteunen en te informeren over de vervolgstappen?

Hoe verklaart u het gebrek aan proactieve communicatie? Het slachtoffer en haar advocaat geven aan dat er "geen enkele interesse" was van justitie. Past dit bij het beleid van uw departement, of is dit een structureel probleem?

Worden incidenten zoals deze systematisch geëvalueerd? Zo ja, waarom is er dan geen actie ondernomen om het slachtoffer te betrekken bij deze evaluatie? Zo nee, hoe garandeert u dan dat lessen worden getrokken?

Hoe zal u ervoor zorgen dat slachtoffers van geweld in gevangenissen in de toekomst wél de nodige ondersteuning en erkenning krijgen van justitie?

Bent u bereid om alsnog in gesprek te gaan met het slachtoffer? Haar advocaat vraagt expliciet om een uitnodiging van justitie. Zal u hieraan tegemoetkomen?

Annelies Verlinden:

Mijnheer Van Hecke, vanzelfsprekend laat een verkrachtingszaak niemand onberoerd. Elk slachtoffer is er een te veel. Alle slachtoffers van seksueel geweld moeten gehoord, gezien en bijgestaan kunnen worden. Vandaar dat naar aanleiding van het incident zowel de centrale psychosociale dienst (PSD), haar diensthoofd als het lijnmanagement met de betrokkene contact hebben opgenomen.

Daarnaast werd de betrokkene uiteraard ook opgevangen in de inrichting waar ze werkt en naar de nodige ondersteuningsdiensten georiënteerd, die structureel optreden bij incidenten. Nadat de eerste contacten hadden plaatsgevonden, werd met het slachtoffer afgesproken dat de verdere contactnames vanuit het gevangeniswezen volgens haar tempo zouden verlopen. Uit respect voor het slachtoffer werd die afspraak zorgvuldig nageleefd.

Elk incident wordt geëvalueerd om daaruit lessen te trekken en na te gaan of er procedures en processen moeten worden bijgestuurd. Die evaluatie start meteen na het incident. Door de ernst van dit incident was en is betrokkene afwezig en wordt zij verder begeleid en ondersteund. De feiten deden zich voor op 2 september. Op 18 december was het dossier voor de juridische ondersteuning in orde.

De begeleidend ambtenaar van het Directoraat-Generaal Penitentiaire Inrichtingen (CG EPI) heeft betrokkene persoonlijk ontmoet op 24 juni en tijdens contacten met de centrale PSD werd betrokkene een passend aanbod gedaan inzake re-integratie op het werk, waar ze ook op in wenst te gaan. Het voorstel ligt sinds 18 juni voor bij de dienst Personeel en Organisatie met het oog op de concrete uitwerking ervan. Betrokkene wenst op 1 september 2025 immers weer aan de slag te gaan.

Ik meen dus te mogen besluiten dat er diverse contactmomenten zijn geweest en dat de diensten van de penitentiaire administratie gepoogd hebben een aanpak op maat te hanteren ten aanzien van de betrokkene, die slachtoffer is van feiten die ik enkel kan betreuren en die nooit hadden mogen plaatsvinden.

Dat doet echter geen afbreuk aan de wijze waarop zij dat ervaren heeft. Het spreekt voor zich dat wij verder zullen bekijken wat in de toekomst mogelijk beter kan. De wijze waarop zij haar terugkeer op de werkvloer zal beleven, zal een extra gelegenheid zijn om voeling te houden met hoe zij zich op dat moment voelt en om te bekijken of er desgevallend nog extra ondersteuning kan worden geboden.

De begeleiding van slachtoffers, in het bijzonder slachtoffers van seksueel geweld, is een prioriteit in onze beleidsverklaring. Als minister, maar ook als mens, hecht ik bijzonder veel belang aan het luisteren naar de slachtoffers zelf. Alleen zo kunnen we hun noden en hun verwachtingen echt begrijpen en samenwerken aan verbeteringen op het terrein en in de procedures. Daarom is in mijn beleidscel een gespecialiseerd adviseur actief, die zich specifiek toelegt op het slachtofferbeleid. Zij had al contact met het betrokken slachtoffer. Daarnaast wens ik ook persoonlijk zelf met haar in gesprek te gaan, uiteraard op haar tempo. Mijn beleidscel is daartoe in overleg met haar raadsman om een geschikte datum voor dat gesprek desgevallend en desgewenst te kunnen vastleggen.

Stefaan Van Hecke:

Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord. Het is pijnlijk om dat interview te lezen. Dat personeelslid van de FOD Justitie heeft een heel traumatische ervaring meegemaakt. U zegt dat er wel contacten zijn geweest, maar de vraag is of dat voor of na het interview is geweest. U spreekt over een overleg met het DG EPI op 18 of 24 juni. Dat lijkt mij na het interview te zijn geweest. Betekent dat dan dat er tussen het moment van de feiten en het interview nauwelijks contacten zijn geweest? U gaf aan dat dit op het ritme van de betrokkene was. Ik blijf met een ongemakkelijk gevoel zitten. Ik kan begrijpen dat er nu wel een en ander is afgesproken, dat er overleg is geweest, dat er wordt overwogen om in september opnieuw aan de slag te gaan en dat er iemand van uw kabinet met haar contact heeft opgenomen, maar ik voel toch een zekere ontgoocheling en frustratie bij het lezen van dat interview en dat is jammer. Ik hoop dat we daaruit lessen kunnen trekken. We weten immers niet of het de gevangenisdirectie is die contact moet opnemen of het DG EPI. Ik kan begrijpen dat u als minister niet onmiddellijk met elk slachtoffer van geweld binnen de organisatie persoonlijk contact kunt opnemen, maar er moet toch wel worden nagedacht hoe we dat in de toekomst beter kunnen doen. Ik vind het pijnlijk om lezen, maar ik hoop dat de contacten die er nu zijn ervoor zullen zorgen dat een en ander opnieuw op de rails kan worden gezet.

De agressie tegen cipiers in de gevangenis van Mechelen
De politieactie in de gevangenis van Mechelen na aanvallen tegen cipiers
Veiligheid en incidenten in de gevangenis van Mechelen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 2 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Marijke Dillen kaart agressie-incidenten in de gevangenis van Mechelen (weigering celinkeer, geweld tegen cipiers en directie, steekpartij) en politieacties in Haren (drugsrazzia) aan, met kritiek op ongelijke politiebehandeling (cipiers vs. directie) en veiligheidsprocedures. Minister Verlinden bevestigt de feiten, ontkent procedurefouten en benadrukt dat politie-interventies afhangen van ernst/urgentie, niet van slachtoffers' functie, terwijl Haren-acties gericht waren op drugsbestrijding (geen direct verband met cipiergeweld). Dillen hamerde op gelijke aanpak en strengere strafvervolging van daders om agressie af te schrikken. De minister wijst op bestaande veiligheidsmaatregelen (celdisciplines, corruptiepreventie) maar blijft vaag over concrete vervolgstappen.

Marijke Dillen:

Even voorafgaandelijk, mijnheer de voorzitter, ik denk dat hier een vergissing is gebeurd. Mijn vraag over de agressie tegen de cipiers gaat over de gevangenis van Mechelen, terwijl de tweede vraag, over die politieactie, over de gevangenis van Haren gaat.

Voorzitter:

Il y a une donc une erreur dans les titres? Car dans les deux titres, il est écrit Mechelen.

Marijke Dillen:

Misschien, ik kan dat hier niet zien. Ik zal beide vragen stellen, maar dan wel los van elkaar.

Voorzitter:

Oké, u kunt uw twee vragen stellen.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, opnieuw waren er zware incidenten, ditmaal in de gevangenis van Mechelen. De cipiers in de gevangenis van Mechelen zijn het beu. Een tiental dagen geleden zette een groep van ongeveer vijftig gedetineerden de boel op stelten, toen zij na hun middagwandeling weigerden terug te keren naar hun cel. Daarbij richtten zij vernielingen aan. Enkele dagen later was het personeel het doelwit. Een mannelijke cipier kreeg een stamp tegen het been. Een vrouwelijke cipier werd in het gezicht geslagen. De cipiers konden gelukkig tijdig ingrijpen en de celdeur sluiten. De zondag daarop vond een gesprek plaats tussen de gedetineerden en de directie, waarbij een gedetineerde de kans greep om een dienstdoend directielid in een wurggreep te nemen. Ook in dat geval konden de cipiers gelukkig tijdig ingrijpen. Daarnaast deed zich blijkbaar ook een incident voor in een van de cellen, waarbij gedetineerden met elkaar op de vuist gingen. Er zou bovendien een steekincident hebben plaatsgevonden.

Naar aanleiding van die feiten worden de veiligheidsprocedures in de gevangenis van Mechelen opnieuw ter discussie gesteld. Die procedures zouden immers niet gevolgd zijn. Het behoeft geen betoog: de opeenstapeling van feiten weegt zwaar op de cipiers.

Bovendien – en dit vind ik toch ook bijzonder ernstig, mevrouw de minister - merken sommigen op dat er een onderscheid wordt gemaakt. Cipiers die het slachtoffer worden van agressie, moeten zelf naar de politie stappen. Wanneer daarentegen iemand van de directie wordt aangepakt, komt de politie naar de gevangenis om verklaringen op te nemen. Een dergelijk onderscheid is eigenlijk niet te verantwoorden.

Vandaar mijn vragen over de gevangenis van Mechelen. Kunt u de feiten die ik heb aangehaald, bevestigen? Wat de poging tot wurging betreft, die in feite onder poging tot doodslag valt, zal de dader daarvoor strafrechtelijk worden vervolgd? Wat gebeurt er met de daders van opzettelijke slagen en verwondingen? Zal de veiligheidsprocedure, die blijkbaar niet werd toegepast, worden herzien? Waarom gaat de politie niet naar de gevangenis bij geweld tegen cipiers, terwijl dat wel gebeurt bij geweld tegen de directie?

Mevrouw de minister, op 15 juni 2025, op dezelfde dag van de incidenten in de gevangenis van Mechelen, vond een grootschalige politieactie plaats in de gevangenis van Haren, waarbij 145 agenten werden ingezet in het kader van een gerechtelijk onderzoek. Het parket stelt terecht dat de strijd tegen corruptie, georganiseerde criminaliteit en drugshandel in Haren een prioriteit is. De gevangenis moet – ik citeer – "een veilige plaats blijven waar criminaliteit niet kan wortelen". Bij die operatie werden blijkbaar een aantal hoeveelheden drugs gevonden, wat aanleiding gaf tot de opening van nieuwe dossiers. De actie zou eigenlijk zijn georganiseerd naar aanleiding van aanvallen op cipiers.

Ten eerste, kunt u daarover meer toelichting geven? Ik neem aan dat u zult antwoorden dat u geen informatie verstrekt over lopende onderzoeken, wat ik begrijp.

Ten tweede, klopt de berichtgeving echter over de aanvallen op cipiers?

Ten derde, de procureur beklemtoont dat de strijd tegen corruptie, georganiseerde criminaliteit en drugshandel een prioriteit is. Welke initiatieven zullen met prioriteit worden genomen?

Ten vierde, een aantal gedetineerden wordt gedagvaard via het snelrecht. Hebt u daar informatie over? Kunt u toelichting geven over het aantal betrokken gedetineerden? Wanneer kunnen concrete uitspraken worden verwacht?

Annelies Verlinden:

Mevrouw Dillen, met betrekking tot de incidenten in de gevangenis van Mechelen kan ik u het volgende meedelen. Op donderdag 5 juni weigerde een groep gedetineerden om na de middagwandeling weer naar binnen te gaan. De politie werd daarop om bijstand gevraagd, maar uiteindelijk keerden de gedetineerden na enige tijd terug naar binnen en kwam de politie niet tussenbeide.

Op vrijdag 13 juni vond een agressie-incident ten aanzien van twee penitentiaire ambtenaren plaats. Op zondag 15 juni was er een agressie-incident, gericht tegen de dienstdoende directeur. Voor die laatste feiten werd een proces-verbaal opgesteld dat werd bezorgd aan het ambt van de procureur des Konings van Antwerpen, afdeling Mechelen. Het is aan het ambt van de procureur om te beslissen over de vervolging van de verdachte.

Na de kritieke incidenten werd een debriefing met de vakbonden en het personeel gehouden, zoals de procedure voorschrijft. De procedures werden geanalyseerd en daaruit blijkt dat ze correct werden toegepast. Er zijn in dat verband dus geen professionele fouten vastgesteld of gemaakt.

Dat werd ook zo tijdens de debriefings besproken. Er bestaat al een beleid inzake het omgaan met agressief gedrag, gebaseerd op een integrale aanpak, die zowel steunt op dynamische veiligheid, die de basis blijft voor een veilig leef- en werkklimaat, als op statische veiligheid. Er lopen nog bijkomende initiatieven, zoals de installatie van beveiligde cellen en het werken aan een oplossingsgerichte cultuur.

Wanneer de politie vanuit de gevangenis om bijstand wordt gevraagd of om vaststellingen van feiten te verrichten, handelt de politie op basis van de ernst en het acute karakter van de gevaarsituatie of de nood, met inbegrip van de verplaatsing naar de gevangenis.

Op zondag 15 juni werd de politie ter plaatse gevraagd wegens de ernst en de context van de feiten enerzijds en de herhaling ervan anderzijds. Dat het slachtoffer een lid van de directie was, heeft bij mijn weten voor de politie geen rol gespeeld.

Met betrekking tot de politieactie in de gevangenis van Haren, er is geen directe link tussen de aanvallen op cipiers en de grootschalige politieactie van 16 juni. De actie was niet bedoeld om een antwoord op de aanvallen te bieden. Tijdens de actie van 16 juni werd vooral gericht gezocht naar drugs- en IT-materiaal, zoals gsm’s en toebehoren.

Wat het verdere gevolg van die actie betreft, kan ik geen commentaar geven wegens het lopende onderzoek.

Over de initiatieven met betrekking tot de strijd tegen de aanwezigheid van drugs in de gevangenissen verwijs ik naar mijn eerdere antwoorden ter zake.

Gedetineerde leden van de georganiseerde misdaad die binnen hun milieu een leidende rol hebben, kan de directeur-generaal in een individueel bijzonder veiligheidsregime plaatsen, zodat zij van anderen kunnen worden afgezonderd.

Wat preventieve acties tegen mogelijke corruptieactiviteiten door medewerkers betreft, werd met toepassing van de wet van 23 maart 2019 op de organisatie van de penitentiaire diensten en het statuut van penitentiair personeel het beschikken over een positief veiligheidsadvies voor nieuwe medewerkers ingevoerd.

Marijke Dillen:

Dank u voor uw uitgebreide antwoord. Mevrouw de minister, de cipiers zelf klaagden erover dat er een verschil in behandeling is, want cipiers zouden zelf naar de politie moeten stappen, terwijl de politie naar de gevangenis komt, wanneer het slachtoffer een directielid is. Zij vinden dat onderscheid eigenlijk niet verantwoordbaar. Misschien kan men dergelijke wrevel vermijden door ervoor te zorgen dat de politie zich voor alle gevallen van agressie zich naar de gevangenis verplaatst, zodat de cipiers niet zelf naar de politie moeten stappen. Onze fractie is duidelijk: iedere vorm van agressie tegen cipiers of ander gevangenispersoneel moet zeer streng worden aangepakt. Daders moeten worden vervolgd en zeer streng bestraft. Er moet een duidelijk signaal zijn: agressie in onze gevangenissen is totaal onaanvaardbaar.

De gevolgen van de protestacties van het openbaar ministerie
De acties van de gerechtelijke actoren
De impact van gerechtelijke protesten en acties

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 2 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Het Hof van Cassatie oordeelde dat het Brusselse OM zichzelf in stelling bracht door adviezen aan strafuitvoeringsrechters te weigeren, wat de rechtszekerheid en openbare veiligheid ondermijnt, terwijl wijdverspreide protesten in de justitiële sector (magistraten, advocaten, penitentiair personeel) draaien om chronisch onderfinanciering (tekort aan 93 rechters, 634 speurders, 442 gevangenismedewerkers) en eroderende werkomstandigheden. Minister Verlinden erkent de crisis, wijst op extra middelen via het Paasakkoord en lopende werkgroepen voor structurele oplossingen, maar concrete maatregelen ontbreken nog, terwijl het veld – gefrustreerd door "dove" regeringsreacties – dreigt met verdere escalatie, met leuzen als *"Justitie in gevaar = democratie in gevaar"*. De kernconflicten: OM-acties blokkeren strafuitvoering niet (Cassatie), maar systeemfalen (vertragingen, onderbezetting, verouderde infrastructuur) en politiek gebrek aan urgentie (vs. miljarden voor defensie) ondermijnen het vertrouwen in de rechtsstaat.

Kristien Van Vaerenbergh:

Het Hof van Cassatie heeft in een arrest van 10 juni het beroep van het Brusselse openbaar ministerie tegen een vonnis van de Nederlandstalige strafuitvoeringsrechtbank verworpen met de motivering dat, als het openbaar ministerie zelf verzuimt om advies te verlenen aan de strafuitvoeringsrechter, het vervolgens niet de niet-naleving van de adviesverplichting kan aanvoeren. In dat geval is het openbaar ministerie immers zelf verantwoordelijk voor de schending van vormvereisten door niet meer deel te nemen aan de zittingen van de strafuitvoeringsrechtbank en geen advies meer te geven aan de strafuitvoeringsrechter.

Deze acties hebben potentieel verregaande gevolgen voor de werking van de strafuitvoering, de rechtszekerheid en het vertrouwen in de rechtsstaat. De strafuitvoeringsrechter en -bank vervult immers een cruciale rol in het vrijwaren van de publieke veiligheid, aangezien deze dient te beslissen over de voorwaarden en de toekenning van de voorwaardelijke invrijheidstelling aan gedetineerden. Het niet-verschijnen van het openbaar ministerie en het ontbreken van hun adviezen dreigt deze besluitvorming te ondermijnen.

Graag had ik volgende vragen gesteld.

Is de minister op de hoogte van het feit dat het openbaar ministerie zijn deelname aan de zittingen van de strafuitvoeringsrechtbank alsook het verlenen van adviezen aan de strafuitvoeringsrechter heeft opschort? Gebeurt dit in alle gerechtelijke arrondissementen of enkel in de hoofdstad?

Wat is de impact van deze protestacties op de besluitvorming van de strafuitvoeringsrechter en -bank? Wat is uw inschatting van mogelijke risico’s voor de openbare veiligheid?

Acht u zulke verregaande vormen van protest eigenlijk toelaatbaar, gelet op de essentiële rol van het openbaar ministerie in de strafrechtspleging en de potentiële gevolgen van zulke protestacties?

Hebt u recent nog overleg gehad met de vertegenwoordigers van het openbaar ministerie om hen tot rede te brengen en de continuïteit van de rechtsbedeling te verzekeren?

Julien Ribaudo:

​Madame la ministre, la semaine dernière, le monde judiciaire s’est de nouveau mobilisé. Ces actions s’ajoutent à une longue série de mobilisations portées par des avocats, des magistrats, des greffiers, des enquêteurs, des agents pénitentiaires — tous tirent la sonnette d’alarme depuis des mois.

Le mercredi 25 juin, une action s’est tenue devant le Palais de justice. Avocats, magistrats, personnel judiciaire ont dénoncé une situation devenue intenable: surcharge de travail, sous-effectifs chroniques, bâtiments délabrés. Plusieurs centaines de personnes étaient présentes.

Deux jours plus tard, le vendredi 27 juin, les premiers présidents des plus hautes juridictions du pays, les procureurs généraux et le procureur fédéral ont tenu une conférence de presse inédite. Leur message est fort: ils demandent que le pouvoir judiciaire soit enfin traité comme un véritable pouvoir d’État et appellent à un refinancement structurel.

Ces quelques chiffres parlent d’eux-mêmes:

Il manque 93 juges.

La police judiciaire fédérale accuse un déficit de 634 enquêteurs — soit près de 15 % des effectifs.

Il manque 442 membres de personnel pénitentiaire.

Il faut 416 jours en moyenne pour clôturer une instruction.

Et ce n’est pas une surprise: cela fait des années que la justice est sous-financée. Le procureur général Frédéric Van Leeuw rappelle qu’il suffirait d’une enveloppe supplémentaire de 400 à 500 millions d’euros pour répondre aux besoins criants du terrain. Ce n’est qu’une fraction des milliards dégagés pour d’autres priorités.

Alors, à un moment, il faut trancher: est-ce qu’on considère enfin la justice comme un pilier pour notre société, ou est-ce qu’on continue à l’asphyxier?

Trois questions très concrètes:

Partagez-vous la demande d’un refinancement structurel du pouvoir judiciaire?

Pouvez-vous nous dire comment se passe la concertation avec les représentants du terrain?

Et surtout: quelles mesures concrètes allez-vous encore prendre pour répondre aux revendications légitimes des avocats, magistrats, greffiers, enquêteurs, et personnel pénitentiaire?

Annelies Verlinden:

Beste collega’s, uiteraard ben ik, net als u, op de hoogte van het feit dat magistraten verschillende acties voeren in het kader van de verdediging van hun pensioenen, evenals hun arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden. Daarbij worden meerdere bezorgdheden naar voren gebracht, zoals de staat van de gebouwen, het traject naar een volledig gedigitaliseerde omgeving en het tekort aan personele middelen. De voorbije weken waren er inderdaad meerdere zichtbare acties van diverse aard.

Aangezien er geen gecoördineerde acties zijn op nationaal niveau en de korpschefs van het OM de magistraten vrij hebben gelaten om individueel te beslissen welke acties zij willen ondernemen, bestaat er momenteel geen alomvattend overzicht van de verschillende acties die daadwerkelijk worden gevoerd bij de strafuitvoeringsrechtbanken. Het is mij echter niet ter ore gekomen dat de strafuitvoeringsrechtbanken volledig zouden zijn lamgelegd door deze acties.

De impact van het arrest van het Hof van Cassatie geeft aan dat de acties van het OM de verdere rechtsgang in de strafuitvoeringsrechtbank niet kunnen belemmeren.

Comme vous le savez, peu après mon entrée en fonction, j'ai formulé une demande de moyens supplémentaires qui a été acceptée dans le cadre de l'accord de Pâques. Ces moyens supplémentaires ne suffisent pas pour résoudre le sous-financement de la Justice, mais je continue à travailler pour faire avancer les choses.

Aller de l'avant ne signifie pas seulement consentir davantage d'investissements, mais aussi définir ensemble les bonnes priorités. Afin de répondre aux besoins les plus urgents de l'organisation judiciaire, j'ai créé quatre groupes de travail composés de représentants de la magistrature assise, du parquet et du personnel judiciaire.

Étant donné que ces travaux sont toujours en cours, je ne suis pas en mesure de vous communiquer leurs conclusions définitives pour l'instant. J’espère toutefois pouvoir les transmettre dans un bref délai.

Ik meen dat we onze bezorgdheden over het functioneren van de rechtsstaat moeten omzetten in positieve, duurzame actie. Voor mij moeten de belangen van de rechtzoekenden en de gerechtigheid altijd vooropstaan. Dat is ook de boodschap die ik in het overleg aan de tafel geef.

Julien Ribaudo:

Madame la ministre, merci pour votre réponse. J'étais à l'action, il y a une semaine. Ce que j'ai entendu, c'était: "On est en colère. On est en colère parce qu'on aime ce qu'on fait. On aime notre métier, mais on ne nous donne plus les moyens de le faire correctement." C'est ce que disent les acteurs de la justice, que ce soit des magistrats, des avocats, du personnel judiciaire. Ils se mobilisent et ils nous le disent, ni par plaisir ni par habitude. Ils disent: "Faire la grève, ce n'est pas dans notre ADN. Mais face à un gouvernement sourd, on n'a plus le choix." Sourd ou, pire, méprisant, quand certains de vos collègues du gouvernement réduisent leur colère à 36 euros de pension en moins. C'est ignorer le malaise profond. J'ai entendu dans votre réponse que vous étiez bien au-delà de la question des pensions. Je vous en remercie. Sur les pancartes ce jour-là, on lisait "Justice en danger égale démocratie en danger", "Un juge qui doit obéir, c'est un droit qui meurt" ou encore "Arizona, c'est le désert qui avance et nos droits qui reculent". Vous l'avez dit, la justice est à bout de souffle. Elle est sous-financée, surchargée, épuisée. Votre gouvernement n'apporte en fait aucune réponse à ce mal-être très fort. Pire, il va affaiblir encore ce pilier fondamental de notre démocratie. Nous avons déjà eu l'occasion d'en discuter. Pour l'armée, il y a des milliards en quelques secondes mais pour une justice accessible et indépendante: circulez, il n'y a pas grand-chose à voir. Vous parlez des quatre groupes de travail. Les gens veulent savoir ce qu’il se passe, à quelle sauce ils vont être mangés. Il serait important d'avoir des réponses très rapidement En tout cas, avec le PTB, nous allons continuer à soutenir le mouvement des acteurs de la justice, parce que la justice mérite mieux et parce qu'elle est un pilier de notre société, sans lequel notre État de droit va s'effondrer.

De defecte beveiligingscamera’s in de gevangenis van Wortel
De defecte camera's in de gevangenis van Wortel
Defecte beveiligingscamera's in gevangenis Wortel

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 2 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De gevangenis van Wortel kampt met acute veiligheidsrisico’s door defecte beveiligingscamera’s (met name bij buitendeuren) en een verouderd serversysteem (niet meer ondersteund sinds 2016), wat leidde tot onopgeloste vechtpartijen door gebrek aan beeldmateriaal. Minister Verlinden bevestigt dat herstellingen risico’s op totale uitval met zich meebrengen en dat een eerdere aanbesteding (één inschrijver, prijs te hoog) is mislukt, maar een nieuw marktconform bestek in voorbereiding is, met financiële dekking door de Regie der Gebouwen (uitvoeringstermijn onduidelijk). Dillen benadrukt de urgentie na incidenten waar daders ongestraft bleven door falende camera’s, maar concrete budgetgaranties of tijdslijnen ontbreken nog. Bevoegdheid ligt bij de Regie der Gebouwen, niet bij Justitie, wat vertraging verklaren kan.

Marijke Dillen:

In de gevangenis van Wortel zijn ongeveer de helft van de beveiligingscamera's defect. Het serversysteem dat een vervaldatum had in 2016 is hopeloos verouderd. De camera's beginnen uit te vallen of staan stil. Minstens 24 camera's vertonen gebreken. Het zijn vooral de camera's aan de buitendeuren, zodat de cipiers niet kunnen kijken wie aan de deur staat.

Begin juni waren er tijdens de avondwandeling zware vechtpartijen maar omdat de camera's niet naar behoren werkten, kon niemand worden geïdentificeerd.

Dit leidt tot een aanzienlijk veiligheidsprobleem. De cipiers zijn bijzonder ongerust en dat is heel begrijpelijk.

Er moeten dringend nieuwe camera's komen want blijkbaar kunnen de technische problemen niet worden opgelost. Welke initiatieven gaat de minister nemen om hier bij prioriteit aandacht aan te besteden en de nodige budgetten vrij te maken om de camerabewaking volledig in orde te brengen?

Annelies Verlinden:

De problemen binnen het aanwezige camerabeveiligingssysteem in de gevangenis van Wortel vinden hun oorsprong in servers en in software die niet meer ondersteund worden door de leverancier van die producten. De huidige onderhoudsfirma liet weten dat de nodige herstellingswerken om de camera's opnieuw actief te maken een groot risico op totale uitval van de camera's inhouden.

De camera's en de werkstations ondervinden technisch geen problemen, maar de visualisatie van de beelden wel. Het dossier voor het herstellen van de servers en de meest recente videomanagementsoftware te integreren werd intern technisch behandeld en positief geadviseerd. De offerte doorloopt op dit moment de administratieve weg. Na goedkeuring door de bevoegde diensten zullen de werken zo snel mogelijk uitgevoerd worden.

U weet dat de dossiers die goedgekeurd moeten worden, aanbesteed moeten worden. De opening vond plaats op 31 maart. Er was maar één inschrijver, wiens offerteprijs ver boven de ramingen lag, waardoor er geen toewijzing plaatsgevonden heeft. Volgens de Regie heeft de reden van de prijszetting te maken met niet-marktconforme ramingsprijzen, de keuze voor een uitvoeringstermijn van 450 dagen en de gebruikte materialen.

Er is een nieuw marktconform bestek opgesteld, dat voor advies aan de Inspectie van Financiën zal worden voorgelegd. De Regie zal de aangepaste investeringskost ten laste nemen. De uitgaven voor de volledige onderhoudsperiode van tien jaar vallen ten laste van Justitie.

Zoals eerder gezegd vallen werkzaamheden van een dergelijke omvang onder de bevoegdheid van de minister bevoegd voor de Regie der Gebouwen. Bijgevolg zijn de raamcontracten voor dit type herstellingen en vernieuwingen niet actief of beschikbaar voor DG EPI. De bestaande raamovereenkomst voor veiligheidsinstallaties, afgesloten door de Regie, is niet toegankelijk als aankoopcentrale. Men kan enkel vanuit de Regie opdrachten afsluiten.

Bovendien vallen de vernieuwingswerken die nodig zijn om de installatie te herstellen niet onder deze opdrachten. Voor meer details over deze raamovereenkomsten moet ik u dus doorverwijzen naar de minister bevoegd voor de Regie der Gebouwen.

Over de budgetten kunnen we enkel zeggen dat de nodige budgetten verdedigd zullen worden bij de komende budgettaire oefeningen.

Marijke Dillen:

Dank u voor uw antwoord, mevrouw de minister. Ik dring er op aan dat u er zo spoedig mogelijk werk van maakt, want dit leidt effectief tot aanzienlijke veiligheidsproblemen. Ik heb het voorbeeld gegeven van een wandeling begin juni, waar zware vechtpartijen plaatsvonden en waar niemand geïdentificeerd kon worden wegens het niet werken van de camera's. Dat mag toch niet de bedoeling zijn.

Voorzitter:

Les questions n° 56006187C et n° 56006188C de Mme De Wit et n° 56006219C de M. El Yakhloufi sont transformées en questions écrites.

De straffen die worden uitgesproken voor via datingapps georganiseerde homofobe agressie

Gesteld door

lijst: MR Anthony Dufrane

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 2 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Een 20-jarige werd tot 7 jaar cel veroordeeld voor homofobe guet-apens via Grindr, met erkend discriminatoir motief, maar de straf blijft onder het gevraagde—wat vraagtekens zet bij de afschrikwekkende werking van straffen bij haatmisdrijven. Minister Verlinden bevestigt dat het discriminatiemotief wel degelijk wordt toegepast in het Belgisch strafrecht (met verdubbeling van minimumpenalen mogelijk), maar ontbrekende langetermijncijfers (sinds april 2024 pas geregistreerd) belemmeren evaluatie van trends of effectiviteit. Sensibilisering van justitie en politie is versterkt via een herziene circulaire (COL 13/2013), maar concrete preventiecampagnes (bv. met datingapps) vallen onder Gelijkheid van Kansen. Dufrane dringt aan op opvolging van data en beleid.

Anthony Dufrane:

Madame la ministre, la justice vient de prononcer une peine de 7 ans de prison ferme à l'encontre d'un jeune homme de 20 ans, reconnu coupable d'avoir, avec un complice de 19 ans, piégé, agressé et racketté plusieurs personnes homosexuelles via l'application Grindr, dans un schéma à répétition assimilable à des guet-apens à caractère clairement discriminatoire.

Le tribunal a retenu le mobile de haine fondé sur l'orientation sexuelle, salué par les parties civiles, et en particulier par Unia, qui s'était constituée partie civile dans ce dossier. Néanmoins, les peines prononcées restent bien inférieures aux réquisitions du parquet, ce qui relance un débat sur la cohérence, la lisibilité et la sévérité des peines dans des dossiers impliquant des violences à motif homophobe.

Ce dossier interroge aussi sur la protection concrète des victimes, le rôle des applications de rencontre, et les messages envoyés en matière de justice répressive lorsque la haine ciblée s'exerce dans des espaces numériques et débouche sur des violences physiques.

Mes questions, madame la ministre, sont: Quel bilan faites-vous de l'application effective des circonstances aggravantes pour mobile discriminatoire prévues dans notre droit pénal? Sont-elles suffisamment utilisées par les parquets? Les peines prononcées dans les affaires à caractère homophobe sont-elles, selon vous, dissuasives? Dispose-t-on de données précises sur les infractions motivées par l'orientation sexuelle en Belgique? Les chiffres sont-ils en recrudescence? Des campagnes de prévention spécifiques sont-elles prévues en partenariat avec les plateformes de rencontre pour limiter les risques de guet-apens ciblant les personnes LGBTQIA+?

Annelies Verlinden:

Le droit pénal belge prévoit effectivement que le mobile discriminatoire aggrave toute infraction. Au vu du verdict de l'affaire que vous mentionnez, nous pouvons donc constater que le droit pénal belge a bien été appliqué. Nous pouvons de plus affirmer que ce mobile a récemment été utilisé dans d'autres affaires. Ce mobile semble donc bien pris en compte par les juges dès lors qu'il est établi.

De plus, la circulaire COL 13/2013 en matière de lutte contre les discriminations a été revue en 2020 et prévoit une sensibilisation des magistrats, du parquet, de l'auditorat du travail, de la police et des services d'inspection sociale concernés à la problématique et à la législation actuelles. Via le mobile discriminatoire, le droit pénal belge permet de prononcer des peines plus lourdes qui peuvent aller jusqu'à doubler le minimum de la peine tout en restant dans la fourchette de peines prévue.

À l'échelle de notre droit pénal, ces changements sont encore assez récents. Dès lors, il est difficile d'évaluer actuellement avec précision cet effet dissuasif. Nous pouvons tout de même supposer que ce risque de peine plus élevé peut avoir un effet dissuasif sur la commission de l'infraction.

Une révision et une réécriture de la circulaire COL 13/2013 relative à la politique d'enquête et de poursuite en matière de discrimination et de crimes de haine ont été effectuées. L'un des objectifs était de disposer de statistiques dans le contexte des crimes de haine, accompagnées de détails sur le motif discriminatoire. Étant donné que les statistiques policières de criminalité les plus récentes sont celles du troisième trimestre 2024, et que les motifs discriminatoires ne peuvent être enregistrés que depuis la fin avril 2024, aucun aperçu cohérent n'est actuellement disponible. Pour cela, des données sur une période plus longue sont nécessaires.

Concernant votre question sur les campagnes de prévention spécifique, je vous renvoie vers le ministre en charge de l' É galité des chances.

Anthony Dufrane:

Merci madame la ministre pour votre précieuse réponse. Je note bien que la loi étant assez récente, vous ne disposez pas encore de chiffres. Je ne manquerai pas de suivre ce dossier et d'éventuellement vous revenir dans le courant de la législature.

De overbevolking van de pps-gevangenissen van Haren en Dendermonde

Gesteld door

lijst: VB Marijke Dillen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 2 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De PPS-gevangenissen Haren (1.176/1.190 plaatsen) en Dendermonde (527/444 plaatsen) kampen met overbevolking, waarbij Dendermonde de 15%-drempel overschrijdt, wat extra kosten (tot €15/dag per gedetineerde) trigger voor onderhoud en diensten—€40.680 (Haren) en €5.141 (Dendermonde) in Q1 2025. De minister bevestigt dat deze meerkosten niet vooraf gebudgetteerd worden en ad-hoc moeten worden opgevangen, zoals in *alle* gevangenissen, maar benadrukt dat geen structurele oplossing wordt geboden beyond volume-afhankelijke bijsturing. Vroegtijdige vrijlating wordt uitgesloten, terwijl de Rekhof-kritiek op duurdere PPS-financiering onbeantwoord blijft.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, ik verwijs naar de schriftelijke voorbereiding van mijn vraag.

De overbevolking stelt zich nu ook in de PPS-gevangenissen van Haren en Nieuw-Dendermonde, gebouwd door de privésector die verder ook verantwoordelijk blijft voor het onderhoud en de exploitatie van het gebouw. De overheid betaalt daarvoor jaarlijks een bedrag. In de contracten staat bepaald voor hoeveel gedetineerden er plaats moet zijn. Dat is logisch want het gebouw lijdt natuurlijk ook als er meer mensen gehuisvest zijn. Voor die extra slijtage is contractueel een meerprijs bepaald met die beperking dat er tot een bezetting van 115 procent kan worden gegaan met een beperkte meerprijs. Pas als de overbevolking meer dan 15 procent wordt stijgt de meerprijs aanzienlijk.

Volgens het Gevangeniswezen komt de meerprijs neer op een extra uitgave van bijna 20 procent. De meerprijs is bepaald op 15 euro per dag per gedetineerde, cijfer dat wordt aangepast aan de index. In haar rapport stelde het Rekenhof dat de financiering van PPS-gevangenissen globaal genomen veel duurder is in vergelijking met gevangenissen die door de overheid gebouwd worden. Die factuur wordt nu door de overbevolking die de 15 procent overschrijdt nu nog veel duurder. Anderzijds is het natuurlijk geen oplossing om de overbevolking aan te pakken door gevangenen (vroegtijdig) vrij te laten.

1. Kan de minister hierover meer toelichting? Hoe groot is de overbevolking in Haren en hoeveel in Nieuw-Dendermonde?

2. Wat zijn de financiële gevolgen voor Justitie?

3. Werd een eventuele meerkost gebudgetteerd in de begroting? Zo nee, wat zijn de gevolgen hiervan voor Justitie in het algemeen, en de PPS-gevangenissen waarvan sprake in het bijzonder?

4. Welke maatregelen worden er genomen om hier een oplossing te bieden teneinde de meerprijs te beperken (zonder evenwel gevangenen (vroegtijdig) vrij te laten)?

Annelies Verlinden:

Mevrouw Dillen, op 27 juni zaten in de gevangenis van Dendermonde 527 gevangenen, terwijl de gevangenis een capaciteit heeft van 444 plaatsen. In de gevangenis van Haren zaten dezelfde dag 1.176 gedetineerden, terwijl er een capaciteit is van 1.190 plaatsen. De situatie in de gevangenis van Haren verschilt van die van de gevangenis van Dendermonde, omdat daar de 15 %-regel wordt berekend per gebouw gezien het zeer uitgebreide karakter van de hele site. Globaal gerekend overschrijdt men daar dus nog niet 15 %, maar is dat slechts in sommige delen het geval, met name in het arresthuis.

De DBFM-overeenkomsten (Design, Build, Finance & Maintain) bepalen dat in geval van een overschrijding van het gevangenisbevolkingscijfer tot 115 % van de basiscapaciteit, er per gedetineerde meerkosten worden aangerekend voor catering en wasserijdiensten. Indien 115 % wordt overschreden, worden extra kosten voor onderhoudsactiviteiten aangerekend, omdat een dergelijke toename van de gevangenisbevolking een impact heeft op de geplande onderhoudswerkzaamheden.

Met toepassing van die regels werden voor het eerste kwartaal van 2025 de volgende bedragen betaald: voor de gevangenis van Haren werd een extra bedrag van 40.680,15 euro betaald en voor de gevangenis van Dendermonde een bedrag van 5.141,97 euro. Op zich wijkt dat mechanisme niet af van wat zich voordoet in niet-DBFM-gevangenissen, doordat bij elke begrotingscontrole en -opmaak rekening wordt gehouden met volume-effecten. Anders gezegd, bepaalde uitgaven voor gedetineerden worden bij elke begrotingsopmaak opnieuw geraamd en bijgestuurd afhankelijk van de reële gevangenisbevolkingscijfers.

Het Commissariaat-generaal Penitentiaire inrichtingen (DG EPI) heeft geen impact op de instroom van gedetineerden. Bijgevolg kan de budgettaire impact niet op voorhand worden geraamd. Bij iedere stijging van kosten dient dus te worden gezocht naar budgettaire oplossingen afhankelijk van de wijzigende volume-effecten. Dat geldt dus niet alleen voor de DBFM-gevangenissen, maar ook voor de andere gevangenissen, wat de algemene kosten betreft.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord.

Met AI gegenereerde beelden van kindermisbruik

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 2 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

AI-gegenereerde beelden van seksueel kindermisbruik nemen wereldwijd explosief toe (stijging van 1.325% bij NCMEC in 2024), met internationale netwerken die deze beelden commercieel exploiteren, ook in België. België gebruikt tools zoals Arachnid om AI-beelden te detecteren en te verwijderen, maar de exacte omvang blijft onduidelijk; samenwerking tussen justitie, Child Focus en Europol verloopt via bestaande kanalen, met aanpassingen in voorbereiding op basis van een aankomende EU-richtlijn die AI-misbruikbeelden expliciet verbiedt. Van Hoecke benadrukt dat AI-beelden even schadelijk zijn als echte beelden (ondanks het ontbreken van een fysiek slachtoffer) en waarschuwt voor een nabije "tsunami" aan AI-materiaal, terwijl Verlinden bevestigt dat het wettelijk kader nog in onderhandeling is (trilogen starten in september) en aangepast moet worden aan EU-normen. De urgente uitdaging ligt in het snel opschalen van opsporing en juridische afdwingen, zonder privacyrisico’s (*"chat control"*-discussie wordt afgedaan als zijspoor).

Alexander Van Hoecke:

Beelden van seksueel kindermisbruik gemaakt door artificiële intelligentie (AI) komen wereldwijd steeds vaker voor. Dat blijkt uit een rapport van de Internet Watch Foundation (IWF), een Britse organisatie die beelden van kindermisbruik op het internet monitort. De organisatie kreeg in 2023 53 meldingen van AI-gegenereerde beelden. In 2024 ging het al om 245 meldingen. Nog verontrustender is het aantal beelden dat die meldingen vertegenwoordigen. In 2024 ging het om 7.644 illegale beelden en video's.

Ook andere organisaties zien een toename. Het National Center for Missing and Exploited Children (NCMEC) bijvoorbeeld, meldt een stijging van maar liefst 1.325 procent in meldingen rond AI-misbruik. Van 4.700 in 2023 tot 67.000 dit jaar.

Beelen van seksueel kindermisbruik, wat hun herkomst ook is, gaan wereldwijd rond. Volgens Yves Goethals, het hoofd van de cel Kindermisbruik bij de federale politie, is er ook in België sprake van een stijging. Goethals spreekt over internationale netwerken die hun eigen AI-platformen ontwikkelen met als doel beelden van seksueel kindermisbruik te maken en die er een verdienmodel van maken.

Europol organiseerde in februari Operatie Cumberland, gericht op het gebruik van AI bij beelden van kindermisbruik. Daarbij werden in 19 landen, waaronder België, 25 verdachten gearresteerd die betrokken waren bij een platform gebruikt om beelden van AI-kindermisbruik te genereren en verspreiden.

Child Focus zegt zelf nog geen grote toestroom aan meldingen gekregen te hebben, maar beseft welke enorme stijging er op hen afkomt.

Zijn er via het opsporingsprogramma Arachnid al AI-gegenereerde beelden van seksueel kindermisbruik gevonden? Zo ja, hoeveel en worden deze op een specifieke manier behandeld?

Welke samenwerking bestaat er vandaag tussen Justitie, Child Focus, Europol en AI-platformen zelf om AI-beelden van kindermisbruik op te sporen en te bestrijden?

In het Europees Parlement werd recent een richtlijn gestemd om een uniform wettelijk kader te creëren in de hele EU om alle vormen van online kindermisbruik te bestrijden. Daaronder valt ook een uniform verbod op het maken, bezitten en verspreiden van AI-gegenereerde beelden. Volstaat het Belgisch wettelijk kader vandaag of zullen er op basis van de richtlijn nog aanpassingen moeten gebeuren? Zo ja, dewelke en hoe en wanneer zullen deze geïmplementeerd worden?

Annelies Verlinden:

Collega Van Hoecke, na een eerdere vraag van uw collega Depoortere, waarin ons Belgische voorstel tijdens het EU-voorzitterschap om op Europees niveau te komen tot een verordening in de strijd tegen seksueel kindermisbruik online werd weggezet als chat control , ben ik vandaag tevreden te vernemen dat u deze strijd als een prioriteit beschouwt. Ik hoop dan ook dat u toekomstige voorstellen voor meer Europese harmonisatie inzake dataretentie en gegevensbewaring in het kader van gerechtelijke onderzoeken zult kunnen steunen.

De situatie is werkelijk schrijnend. Onze ordehandhavingsdiensten worden geconfronteerd met een wildgroei aan steeds extremere beelden van kindermisbruik, die zij moeten bestrijden met een zeer beperkt wettelijk kader. De geavanceerde tool Arachnid detecteert AI-gegenereerde beelden van seksueel misbruik op het internet. Analisten van Child Focus markeren die beelden als AI-gegenereerd. Wanneer het om hyperrealistische beelden gaat, worden ze geclassificeerd op basis van leeftijd en type misbruik, net zoals bij beelden van bestaande kinderen. Zo wordt een snelle en effectieve verwijdering van het materiaal mogelijk gemaakt. De exacte omvang van de gegenereerde beelden is onbekend, aangezien de tool beheerd wordt door het Canadese organisatie Canadian Centre for Child Protection.

Wat betreft uw vraag inzake samenwerking, er is de klassieke samenwerking, zoals overeengekomen in het memorandum tussen Child Focus en DJSOC Child Abuse. De samenwerking met Europol verandert niet. DJSOC Child Abuse blijft inlichtingen uitwisselen en samenwerken in concrete dossiers, waarbij de betrokkenheid van de verschillende lidstaten wordt bepaald door de aard van het internationaal onderzoek.

Wat justitie betreft, hier werd intern overleg over gepleegd en binnenkort zal er ook overleg plaatsvinden met de federale politie. De werkzaamheden inzake de herschikking van de Europese richtlijn seksueel kindermisbruik zijn onlangs een belangrijke laatste fase ingegaan. Op 17 juni heeft de plenaire vergadering van het Europees Parlement namelijk het rapport van de LIBE-commissie goedgekeurd. Die goedkeuring leidt tot de opstart van de triloogfase, waarin het Europees Parlement, de Raad en de Europese Commissie gezamenlijk streven naar een definitieve tekst van de herziene richtlijn.

Het verbod op het maken, bezitten en verspreiden van AI-gegenereerde beelden van seksueel misbruik van kinderen wordt inderdaad in de herziening van de richtlijn vooropgesteld, maar het ligt op dit moment nog ter discussie op welke manier dat zal gebeuren.

Op 24 juni heeft het onderhandelingsteam van de FOD Justitie een vergadering georganiseerd waarin de voortgang van dit dossier werd besproken. Het standpunt van alle experts werd gevraagd ter voorbereiding van de trilogen, die vanaf september op kruissnelheid komen. Zowel het onderhandelingsteam van de FOD Justitie als de bevraagde experts houden uiteraard rekening met de bestaande Belgische wetgeving en trachten tot de best mogelijke compromistekst te komen. Op dit moment zijn de teksten dus nog in volle onderhandeling.

Alexander Van Hoecke:

Dank u wel voor uw antwoord, mevrouw de minister. Wat u juist zegt over chat control is mij niet geheel duidelijk. Het is geen term, voor alle duidelijkheid, die ik heb uitgevonden. Verschillende privacy-experts zijn het erover eens dat daar wel degelijk heel wat risico’s mee verbonden zijn. Ik denk dat het terecht is om daarover bezorgdheden te uiten, maar daar gaat het vandaag helemaal niet over. Ik wil nog meegeven dat ik het heel belangrijk vind – dat doen we ook in dit land – dat we beelden van seksueel kindermisbruik die met AI zijn gemaakt, op geen enkele manier anders zouden behandelen of als minder erg zouden beschouwen dan effectieve beelden van seksueel kindermisbruik. Vaak wordt gedacht dat er geen fysiek slachtoffer is bij AI-beelden en dat het dan iets minder erg is, maar dat is absoluut niet het geval. Ik ga de rest van uw antwoord nog eens heel aandachtig bekijken, maar ik denk dat het zeker iets is waar we ons zorgen over moeten blijven maken. Zo goed als elke organisatie die ermee bezig is, zegt dat ze zich maar al te goed bewust zijn van de golf – de tsunami – van AI-beelden die op ons afkomt en van de uitdagingen die daarmee gepaard gaan. AI zal in de toekomst nog fantastische mogelijkheden bieden, maar net als bij elke vorm van technologie, zoals dat ook het geval was bij het internet, komen er ook heel wat gevaren bij kijken.

De mogelijke opening van een detentiehuis in Schilde

Gesteld door

lijst: VB Marijke Dillen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 2 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Annelies Verlinden ontkent dat er concrete plannen zijn voor een detentiehuis op het voormalige domein van de Paters van Scheut in Schilde, hoewel de eigenaars wel verkennende gesprekken voeren. Ze benadrukt dat elke locatie eerst grondig geëvalueerd moet worden voordat ze in aanmerking komt voor detentiecapaciteit. Marijke Dillen vraagt bevestiging dat er *geen lopende onderhandelingen* zijn met Justitie over deze site, met bijzondere aandacht voor de bescherming van het historische kerkhof op het domein.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, er is al enige tijd groot protest in Schilde en omgeving, ook in uw gemeente, over de mogelijke opening van een asielcentrum op het mooie domein van de Paters van Scheut. Men bericht mij dat de eigenaars van dat domein parallel met de besprekingen met Fedasil ook besprekingen voeren met Justitie en de Regie der Gebouwen om in de voormalige eigendom van de Paters van Scheut een detentiehuis te openen.

Kunt u dat bevestigen en hierover meer toelichting geven? Indien de berichten kloppen, welke gedetineerden komen dan in aanmerking om hier te verblijven? Het betreft een zeven hectare groot domein, waar nog een aantal tekenen en overblijfselen van het christelijk geloof te zien zijn, zoals het kerkhof waar missionarissen begraven liggen. Ik weet niet of u dat al ooit eens heb bezichtigd, maar dat is een heel mooi kerkhof. Indien hier een detentiehuis komt, zullen de graven dan niet worden geruimd, maar wel extra beschermd worden?

Annelies Verlinden:

Collega Dillen, ik kan daar kort over zijn, want ik kan die informatie niet bevestigen. Er ligt momenteel bij mijn weten geen voorstel op tafel om een detentiehuis in Schilde te openen.

Het staat de eigenaars uiteraard vrij om contact op te nemen. De realisatie van detentiehuizen vormt een onderdeel van het actieplan om meer capaciteit te creëren. Elke mogelijke locatie is dan ook welkom, maar uiteraard moet er een grondige analyse plaatsvinden, voordat er gesprekken kunnen worden opgestart. Het spreekt immers voor zich dat niet elke site of locatie, om welke reden dan ook, geschikt is voor een detentiehuis.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, ik begrijp uit uw antwoord dat er op het ogenblik geen gesprekken met Justitie lopende zijn over de oprichting van een detentiehuis op die locatie. U bent wel de bevoegde minister van Justitie.

Voorzitter:

Les questions n° 56006466C de Mme Van Vaerenbergh, n° 56006475C de M. Ribaudo et n° 56006476C de M. Van Tigchelt sont reportées.

De fraude bij het magistratenexamen en de behandeling van de klokkenluiders

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 2 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De fraude bij het magistratenexamen 2024 (waarin een commissielid examenvragen deelde met kandidaten met West-Vlaamse connecties) ondermijnt het vertrouwen in justitie, terwijl klokkenluiders (twee advocaten) risico lopen op vervolging voor hacking en fraudeurs mogelijk geslaagd zijn. Minister Verlinden benadrukt de beperkte bevoegdheid van de uitvoerende macht (autonomie Hoge Raad, scheiding der machten) maar verwijst naar een extern rapport (nov. 2024) met fraudebestrijdingsaanbevelingen, zonder concrete garanties over benoemingen of bescherming van melders. Van Hecke kaart aan dat onrechtvaardige behandeling van klokkenluiders toekomstige meldingen ontmoedigt en vraagt hoe de minister zal reageren bij benoemingen van betrokken fraudeurs—wat onbeantwoord blijft. Geen oplossing voor transparantie, onafhankelijk toezicht of meldpunt fraude.

Stefaan Van Hecke:

Mevrouw de minister, ik verwijs naar de tekst van mijn vraag zoals ingediend.

Mevrouw de minister, de fraude bij het magistratenexamen van 2024 werd door HUMO nauwkeurig gereconstrueerd. We weten dat een lid van de examencommissie de examencasus heeft doorgespeeld aan meerdere kandidaten. Voornamelijk met familiale of professionele connecties in de West-Vlaamse magistratuur.

De feiten kwamen aan het licht dankzij twee advocaten die als klokkenluider optraden. Zij stelden vast dat een stagiair op hun bureau op voorhand toegang had tot de examenvragen.

In plaats van volledige transparantie en bescherming van deze klokkenluiders, riskeert een van hen nu vervolging voor hacking, terwijl kandidaten die mogelijks van fraude profiteerden intussen geslaagd zijn voor hun examen.

De geloofwaardigheid van het examenproces en van justitie zelf dreigt hierdoor zwaar te worden ondermijnd. Hierbij heb ik de volgende vragen:

Deelt u de bezorgdheid dat de behandeling van de klokkenluiders (waaronder een strafrechtelijke vervolging wegens hacking) een afschrikkend effect kan hebben op toekomstige meldingen van wantoestanden binnen justitie?

Moet er een meldpunt zijn voor fraude, waarbij meldingen grondig onderzocht worden?

Welke maatregelen neemt u om te verzekeren dat kandidaten die dankzij fraude slaagden voor het examen, niet alsnog als magistraat aan de slag kunnen gaan?

Wordt er overwogen om het examenproces in de toekomst onafhankelijker te organiseren, bijvoorbeeld met externe validatie, meer transparantie of audits?

Annelies Verlinden:

Mijnheer Van Hecke, opnieuw: gelet op de scheiding der machten kan ik niet ingaan op lopende strafonderzoeken. Het komt de rechterlijke orde toe om, met inachtneming van alle feitelijke gegevens, de gepaste conclusies te trekken inzake de al dan niet vervolging van de betrokkenen.

De fraude die aan het licht is gekomen naar aanleiding van het magistratenexamen, georganiseerd door de Hoge Raad, is in elk geval een zeer ernstig gegeven. Ik denk dat we het er allemaal over eens zijn dat het vertrouwen in Justitie daardoor ernstig is beschaamd. Ik stel evenwel vast dat de rechterlijke orde optreedt via de lopende strafonderzoeken en tuchtprocedures. Ik ga er dan ook van uit dat de bevoegde instanties op gepaste wijze zullen oordelen ten aanzien van de vermeende daders.

De Hoge Raad is een onafhankelijk grondwettelijk orgaan en beschikt exclusief over de bevoegdheid tot organisatie van de magistratenexamens. Dat betekent dat ik, als lid van de uitvoerende macht, niet kan tussenkomen in de concrete organisatie of de inhoudelijke beoordeling van die examens. Die autonomie is essentieel om de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht te waarborgen.

De Hoge Raad heeft naar aanleiding van die zaak de examenprocessen van haar benoemings- en aanwijzingscommissie geëvalueerd. Dat gebeurde onder meer door zes externe deskundigen, onder wie experts in fraudebestrijding. In een rapport stellen zij een aantal concrete aanbevelingen voor die de werking van de Hoge Raad kunnen versterken. Het rapport, dat dateert van 29 november 2024, kan worden geraadpleegd via de website van de Hoge Raad. Uiteraard zullen we daarmee verder aan de slag gaan, omdat alles moet worden vermeden wat het vertrouwen in Justitie kan beschamen of aantasten.

Stefaan Van Hecke:

Mevrouw de minister, bedankt voor uw antwoord. Ik begrijp dat u niet kunt ingaan op het dossier zelf, waarvoor alle begrip. Wat mij echter ook zorgen baart, is de manier waarop wordt omgegaan met de klokkenluiders, met de personen die de melding hebben gedaan. Daaromtrent hebt u niet meteen een antwoord gegeven. Straks komen we mogelijk in een situatie terecht waarin de mensen die de fraude aan het licht hebben gebracht, vervolgd worden, terwijl deelnemers aan het examen mogelijk toch worden benoemd tot magistraat. De vraag is dan ook hoe u daartegenover staat en hoe u daarnaast zult omgaan met de benoemingen.

De voordrachten voor benoemingen gebeuren door de Hoge Raad en worden vervolgens aan u als minister bezorgd, maar hoe zult u reageren mocht blijken dat voorgesteld wordt om magistraten te benoemen die op een of andere manier betrokken waren bij de examenfraude? Ik besef dat het een bijzonder delicate en misschien deels hypothetische vraag is. Toch blijft het een belangrijke kwestie.

De behandeling van de klokkenluiders blijf ik problematisch vinden, omdat het een gevoel van onrechtvaardigheid oproept. Ik denk dat het bijzonder veel moed vergt voor een advocaat om melding te maken van onregelmatigheden bij een stagiair. Uit het artikel in Humo , waarin het hele gebeuren wordt gereconstrueerd, blijkt duidelijk dat dat – als het klopt – geen evidente stap is geweest. Als de aangever vervolgens wordt vervolgd, vrees ik dat werkgevers in de toekomst wel twee keer zullen nadenken voor ze nogmaals zo’n stap zetten als ze iets gelijkaardigs vaststellen.

Voorzitter:

Nous en arrivons à la fin de notre ordre du jour. Mme Vandeberg m'a également demandé le report de sa question 56006509C. Il nous restait donc les questions 56005931C et 56005998C qui ont été transformées en questions écrites. Je n'ai pas reçu d'autres demandes pour les questions 56006484C et 56006502C. En vertu de l'article 127, § 10, du Règlement, je les considère comme retirées. Je tiens à remercier les collègues qui s'en sont référés à leurs questions écrites, ce qui nous a permis de gagner du temps et de pouvoir traiter toutes les questions. Je remercie aussi Mme la ministre qui a donc fait de longs monologues. Cela nous permet de traiter les questions de tout le monde. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 17.13 uur. La réunion publique de commission est levée à 17 h 13.

De slechte staat van het gerechtsgebouw van Mechelen
Het justitiepaleis van Mechelen
Renovatiebehoefte van het Mechelse gerechtsgebouw

Gesteld aan

Vanessa Matz (Minster van Modernisering van de overheid, Overheidsbedrijven, Ambtenarenzaken, Gebouwenbeheer van de Staat, Digitalisering en Wetenschapsbeleid)

op 1 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Het gerechtsgebouw van Mechelen verkeert in ernstig verval (waterinfiltratie, schimmel, muizenplaag), wat gezondheidsrisico’s en onleefbare werkomstandigheden veroorzaakt voor personeel en bezoekers. Volgens minister Matz vallen onderhoudstaken (zoals dakgoten, ongediertebestrijding) onder Justitie (FOD), terwijl structurele herstellingen (renovatie/nieuwbouw) door de Regie der Gebouwen moeten worden gepland via een meerjarig investeringsplan, afhankelijk van budget en prioriteiten. Dillen benadrukt dat dringende structurele werken nodig zijn en eist duidelijkheid over timing, aangezien Mechelen prioritair moet zijn maar nog geen concrete planning kreeg. De verantwoordelijkheidsverdeling en trage budgettaire uitvoering blokkeren een snelle oplossing.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

Voor de derde week op rij hebben de Antwerpse en Limburgse magistraten actie gevoerd tegen de onderfinanciering van Justitie. Deze keer stond de slechte toestand van de gebouwen centraal, in het bijzonder het gerechtsgebouw van Mechelen.

In Mechelen komt het water via elektriciteitsleidingen binnen gesijpeld wanneer het regent en moeten overal emmers worden geplaatst. Verschillende ruiten zijn gebroken. Op vele muren is er schimmel. Er is een muizenplaag. Het zijn maar enkele voorbeelden die de toestand schetsen. Deze toestand is onhoudbaar en heeft ook gevolgen voor de gezondheid van iedereen die hier werkt. Het gebouw moet dringend worden hersteld en onderhouden.

Is de minister op de hoogte van de schrijnende toestand van dit gerechtsgebouw waar dringend de nodige werkzaamheden moeten worden uitgevoerd? Zijn er reeds initiatieven genomen om een overzicht te krijgen van alle werken die dienen te worden uitgevoerd?

Welke initiatieven gaat de minister nemen om hier bij hoogdringendheid het nodige te doen teneinde ervoor te zorgen dat de werkomstandigheden voor iedereen die werkzaam is in dit gerechtsgebouw terug leefbaar worden? Kan u mij een stappenplan bezorgen? Zullen hiervoor de nodige budgetten worden vrijgemaakt om dit ten gronde aan te pakken?

Vanessa Matz:

Mevrouw Dillen, ik dank u voor uw vraag.

De Regie der Gebouwen hanteert een andere klantrelatie waarin de wederzijdse rechten en plichten van de Regie der Gebouwen en haar klanten worden vastgelegd. Er moet daarbij een onderscheid worden gemaakt tussen de werken die onder de verantwoordelijkheid van de eigenaar vallen, de Regie der Gebouwen, en die welke onder de verantwoordelijkheid van de huurder vallen, namelijk de FOD Justitie.

Zo is het verwijderen van onder andere bladeren, mos en ander afval uit de dakgoten ten laste van de FOD Justitie. Dat onderhoud is essentieel om waterinfiltratie te vermijden, zoals bijvoorbeeld in het gerechtsgebouw in Mechelen. Ook maatregelen ter bestrijding van ongedierte vallen onder de verantwoordelijkheid van de FOD Justitie.

De operationele diensten van de Regie der Gebouwen staan bijna dagelijks in contact met de FOD Justitie. Problemen kunnen door de FOD Justitie worden gemeld via een specifieke applicatie. Die meldingen worden eveneens overlopen tijdens de vergaderingen van de operationele taskforce. De Regie der Gebouwen en de FOD Justitie werken dus nauw samen om de problemen op te lossen.

Voor de gerechtsgebouwen waar zich grotere structurele problemen voordoen, wordt een plan van aanpak opgesteld, bijvoorbeeld renovatie of nieuwbouw, dat wordt opgenomen in het meerjarig investeringsplan van de Regie der Gebouwen. Dat gebeurt telkens in samenspraak met de FOD Justitie via de bestaande overlegstructuren. De uitvoering van het meerjarig investeringsplan hangt af van de budgettaire mogelijkheden en neemt de nodige tijd in beslag.

Marijke Dillen:

Dank u vriendelijk, mevrouw de minister. Ik weet dat er een verschil is tussen werken die uitgevoerd moeten worden door de eigenaar, zijnde de Regie der Gebouwen, en die welke uitgevoerd moeten worden door de huurder, Justitie. Voor gewone huurders geldt dat ook. In het gerechtsgebouw van Mechelen moeten echter een aantal fundamentele structurele herstellingen worden uitgevoerd om de werkomstandigheden van het gerechtspersoneel – de magistraten en de griffiers onder andere – en natuurlijk ook de omstandigheden voor de bezoekers en de advocaten, opnieuw aanvaardbaar te maken. Men moet in Mechelen weer op een normale manier kunnen werken. U zegt dat er een meerjarenstappenplan is. Ik heb uit uw antwoord echter niet begrepen wanneer het gerechtsgebouw van Mechelen daarvoor in aanmerking komt. Nochtans is dat prioritair.

De verkoop van een stuk grond naast de gevangenis van Merksplas

Gesteld door

lijst: VB Marijke Dillen

Gesteld aan

Vanessa Matz (Minster van Modernisering van de overheid, Overheidsbedrijven, Ambtenarenzaken, Gebouwenbeheer van de Staat, Digitalisering en Wetenschapsbeleid)

op 1 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Vlaams minister Demir claimde dat de Regie der Gebouwen grond naast gevangenis Merksplas te koop zette, terwijl federale ministers Verlinden en Matz bevestigen dat dit niet klopt: de grond (staatsbezit) staat niet te koop en is door ruimtelijke beperkingen ongeschikt voor gevangenisuitbreiding. Dillen concludeert dat Demir zich vergist heeft.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

In een interview in het Laatste Nieuws verklaarde Vlaams minister van Justitie Zuhal Demir in het kader van de discussie betreffende de overbevolking in de gevangenissen en de financiering van de enkelbanden dat “de Regie der Gebouwen opdracht gegeven heeft om een stuk grond dat naast de gevangenis van Merksplas ligt te koop te zetten. Dit is nochtans een plek die perfect te gebruiken is voor extra capaciteit."

In antwoord op mijn vraag aan Minister van Justitie Verlinden betreffende uitspraken van Vlaams Minister van Justitie Demir antwoordde ze dat ze geen weet heeft betreffende de beweerde verkoop door Vlaams Minister Demir.

Graag had ik toelichting. Heeft de Regie der Gebouwen een stuk grond dat naast de gevangenis van Merksplas ligt in eigendom en wordt dit te koop gezet? Zo ja, waarom?

Indien dit inderdaad eigendom is van de Belgische overheid, is dit een stuk grond dat in aanmerking kan komen voor het bouwen van extra capaciteit? Graag meer toelichting.

Vanessa Matz:

Mevrouw Dillen, naast de gevangenis van Merksplas zijn er inderdaad gronden, eigendom van de Staat, die vandaag geen nut hebben voor de FOD Justitie. Er staan momenteel echter geen terreinen te koop in de nabije omgeving van de gevangenis van Merksplas. Het geldend provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan legt beperkingen op aan de bestemming van de terreinen aanpalend aan de gevangenis van Merksplas, waardoor die niet zomaar in aanmerking komen voor een uitbreiding van de capaciteit van de gevangenis.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, ik dank u voor uw duidelijke antwoord, dat trouwens hetzelfde was is dat van uw collega-minister van Justitie, mevrouw Verlinden. Het komt er dus eigenlijk op neer dat de Vlaamse minister van Justitie zich vergist.

De brand in de gevangenis van Lantin
De brand in de gevangenis van Lantin en het rapport van majoor Charbon uit 2019
De dodelijke brand in de gevangenis van Lantin
Brand in de gevangenis van Lantin en onderzoeksrapporten

Gesteld aan

Vanessa Matz (Minster van Modernisering van de overheid, Overheidsbedrijven, Ambtenarenzaken, Gebouwenbeheer van de Staat, Digitalisering en Wetenschapsbeleid)

op 1 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Na een brand in een gevangenis—waarbij een brandweerman omkwam—blijft de oorzaak onduidelijk door de lopende justitiële onderzoeken, terwijl de stabiliteit van het gebouw nog wordt geëvalueerd. Schlitz benadrukt dat brandweerlieden en gedetineerden onveilige omstandigheden ondervinden door structurele tekortkomingen (o.a. verlengde diensttijd) en eist duidelijke verantwoordelijkheidsafbakening en oplossingen van de overheid. Matz verwijst naar minister Quintin voor veiligheidsaanbevelingen en bevestigt deelname aan een werkgroep, maar biedt geen concrete vooruitgang. De frustratie groeit over gebrek aan actie en coördinatie binnen de regering, met een oproep tot snelle maatregelen voor veiligheid en vertrouwen.

Sarah Schlitz:

Madame la ministre, nous avons déjà abordé ce sujet en plénière lors d'une interpellation. Un mois et demi après l'incident, j'aurais voulu savoir si vous aviez davantage de réponses à m'apporter. Certains aspects n'avaient évidemment pas encore été éclaircis lors de la semaine suivant les faits. Pouvez-vous m'informer du bon déroulement des activités actuellement dans la prison? Sont-elles toujours impactées par les conséquences de l'incendie? Quelles mesures – vous en aviez annoncées – ont pu être prises pour assurer la sécurité du bâtiment? Toute information complémentaire est la bienvenue.

Je vous remercie.

Vanessa Matz:

Madame Schlitz, j’ai eu l'occasion lors d'une interpellation le 12 juin de répondre en détail, et de mettre en évidence certains éléments. Comme vous le savez, l'enquête judiciaire est toujours en cours. Je n'ai donc pas substantiellement d’éléments très neufs à vous apporter, sinon que la Régie est toujours occupée à procéder à des études, notamment sur la stabilité suite aux dommages provoqués par l'incendie et nous ne disposons pas encore des conclusions. Pour le reste, je pense que vous pouvez interroger le ministre Quintin. Il nous a sollicités dans le cadre d’une forme de groupe de travail de réflexion sur l’aspect sécurité afin d’en retirer des recommandations pour le futur. Nous participerons évidemment aux travaux pour lesquels il nous a sollicités.

Sarah Schlitz:

Merci pour les informations. Une enquête judiciaire est en cours, c'est la moindre des choses étant donné qu’un pompier est décédé. Nous interrogeons Mme Verlinden qui nous renvoie vers ses collègues. Vous nous renvoyez vers le collègue Quintin. J'espère qu’au sein du gouvernement, vous collaborez étroitement à la fois pour dégager les responsabilités et pour trouver des solutions. Actuellement, les services de pompiers en ont assez. Le fait qu'il y ait eu un décès dans le cadre d'une intervention somme toute banale est vraiment la goutte d'eau qui a fait déborder le vase. Au-delà des attaques, sur la prolongation du travail des pompiers au-delà de l'âge actuel, toute une série d'éléments font qu'aujourd'hui, ils ne se sentent plus en capacité de faire leur travail en sécurité, dans de bonnes conditions. Ces choix sont faits par le gouvernement fédéral. Il faut donc apporter des réponses à ces personnes, qui sont mobilisées pour sauver la vie des autres, mais pas à n'importe quel prix, ni lorsque l'État est défaillant et met leur vie en danger. Cela devrait être notre première préoccupation. Il en est de même pour la vie des détenus, qui sont dépendants des conditions dans lesquelles ils sont incarcérés, et pour lesquels je ne peux qu'imaginer que c'est extrêmement angoissant de savoir que nous n'avons pas su protéger un pompier lors d'une intervention. Quelle sera la prochaine étape? Aujourd'hui, il y a évidemment le futur pour lequel il faut agir, mais il y a aussi les responsabilités du passé. Je vous remercie pour les suites que vous pourrez donner à ce dossier. Nous y reviendrons à la rentrée, j'imagine.

De gevangenis van Nijvel

Gesteld door

lijst: PS Dimitri Legasse

Gesteld aan

Vanessa Matz (Minster van Modernisering van de overheid, Overheidsbedrijven, Ambtenarenzaken, Gebouwenbeheer van de Staat, Digitalisering en Wetenschapsbeleid)

op 1 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Vanessa Matz erkent dat de gevangenis van Nivelles verouderd is, maar benadrukt dat structurele verwaarlozing al 15-20 jaar aansleept en niet in 5 maanden kan worden opgelost. Dringende werken (douches, keukens, isolatiecellen) zijn gepland vanaf 2026 (kost: €2M+), terwijl recente upgrades (camera’s, caillebotis) al €3,5M kostten, maar verantwoordelijkheidsverdeling (Régie des Bâtiments vs. SPF Justitie) vertraagt actie. Dimitri Legasse wijst op de mensonterende omstandigheden ("*prison poubelle*") en eist structurele renovatie in plaats van lapwerk, met kritiek op het gebrek aan urgente coördinatie tussen instanties. Matz belooft betere samenwerking met Justitie, maar concrete oplossingen blijven vaag.

Dimitri Legasse:

Madame la ministre, "prison poubelle", cela vous parle-t-il? Tel est le vocable utilisé! Voilà comment la prison de Nivelles a été décrite dans le rapport remis par la Commission de surveillance pénitentiaire.

Je souhaitais vous interroger sur cette prison vétuste. Je vous passe les détails du rapport et tous les éléments. Vous les avez sans doute en tête après l'avoir parcouru. C'est certainement ce que l'on peut appeler une honte et singulièrement pour les agents pénitenciers, pour celles et ceux qui y travaillent mais aussi pour celles et ceux qui y sont détenus. Ce sont des êtres humains avant tout.

Dans de telles conditions, la prison, au regard de ce rapport, doit être rénovée et non rafistolée, madame Matz! La Régie des Bâtiments est responsable de l'entretien et des réparations dans nos prisons. Pouvez-vous faire le point sur l'état du bâtiment et les conclusions tirées par la Régie, à la lecture de ce rapport, et sur les travaux urgents et structurels que vous comptez engager? Dans quels délais? Auriez-vous, par ailleurs, une estimation du coût de ces travaux, qui seraient nécessaires, pour ne pas dire indispensables, pour que Nivelles, comme d'autres prisons, ne soit plus rangée dans la catégorie "prison poubelle"?

Vanessa Matz:

Je vous remercie, monsieur Legasse, pour cette question.

Avant toute chose, je rappelle que je suis entrée en fonction il y a cinq mois. Je précise également qu'en ma qualité de parlementaire, j'ai bien évidemment souligné à de nombreuses reprises l'état déplorable de nos prisons. Aussi, je ne saurais pas avoir fait en cinq mois ce que plusieurs gouvernements n'ont pas fait depuis 10, 15 voire 20 ans.

En ce qui concerne l'état de la prison de Nivelles, les systèmes de production de chaleur et d'eau chaude sanitaire sont récents. Quant à l'installation électrique, même si des corrections doivent être apportées, elle est globalement en ordre.

De légères infiltrations ont été constatées très ponctuellement, auxquelles la Régie remédie immédiatement. Le système du réseau caméra et sécurisation vient d'être intégralement rénové pour un budget de plus de 3,2 millions d'euros et les caillebotis sont en cours de remplacement pour un montant de 300 000 euros.

La prison de Nivelles a été partiellement rénovée, fin des années '90 dans la zone administrative ainsi que dans deux ailes. De manière générale, il convient de faire la distinction entre les travaux d'entretien et de réparation liés à l'utilisation normale des locaux, dont la responsabilité incombe à la prison, et les travaux plus importants touchant la structure du bâtiment, dont la responsabilité incombe à la Régie des Bâtiments.

De même, la plupart des équipements de sécurité ainsi que le mobilier sont à la charge du SPF Justice. La gestion des ateliers et des équipements mis à disposition dans les ateliers ne sont pas non plus à charge de la Régie des Bâtiments.

Les projets proposés sur la liste d'investissements en 2025 pour la prison de Nivelles concernent la rénovation des douches de l'aile 3000 pour un montant de 600 000 euros et l'installation d'un nouveau système de communication DECT pour un montant de 80 000 euros. Les principaux travaux prévus à partir de 2026, en fonction des moyens et des ressources humaines qui seront mis à disposition de la Régie, sont la rénovation des douches pour un montant de 600 000 euros, la rénovation des cuisines détenus pour un montant de 500 000 euros, la rénovation des cellules d'isolement pour un montant de 300 000 euros, et la levée des remarques du contrôle des installations basse tension dont l'étude est en cours.

Je reste évidemment attentive à la situation et ne manquerai pas de relayer ces inquiétudes en étroite collaboration avec ma collègue Verlinden. Je vais encore le rappeler, comme je l’ai fait pour Lantin et pour tous les bâtiments de justice, comme un propriétaire, la Régie des Bâtiments, et ce n'est pas pour me dédouaner. Ce n'est tout simplement pas nous qui pouvons le faire.

Nous, c'est la structure et ce sont les obligations qui incombent à un propriétaire. Le locataire, je le mets entre guillemets, c'est le SPF Justice. Il a dans ses obligations un certain nombre de travaux qui incombe à un locataire. Nous allons avoir très prochainement avec la ministre Verlinden des réunions de coordination sur un certain nombre de dossiers concernant les prisons, notamment avec le budget complémentaire dégagé par l'accord de Pâques par ce gouvernement.

Concernant d’autres situations, il est important de savoir qui est concerné: SPF Justice, Régie des Bâtiments, etc. Encore une fois, je me dédouane pas. Il faut que nous sachions quand le SPF Justice fait des demandes. C’est lui qui nous fait part de ses besoins en tant qu'occupant. Quand il s'agit de grosses infrastructures, c'est du domaine de la Régie des Bâtiments. Mais ce n’est pas satisfaisant pour les utilisateurs de manière générale, ni comme réponse que je peux vous donner. L'objectif principal est, je me retourne vers ma cheffe de cabinet adjointe qui suit les dossiers de la Régie, d’avoir la volonté, tout comme le cabinet de la Justice, de collaborer de manière beaucoup plus étroite et ne pas se renvoyer la balle. J'ai été un peu longue mais cela méritait cette explication.

Dimitri Legasse:

La fin de votre intervention, madame la ministre, me réconforte un peu. C'est effectivement très insatisfaisant, et je comprends votre insatisfaction. Je ne sais pas si elle est au moins égale à celle du personnel de la prison de Nivelles, mais elle a l'air sincère. Ceci étant, vous avez raison. Dans une commune, et j'en sais quelque chose en tant que bourgmestre, le citoyen ne cherche pas à savoir quel est le service responsable. Les pouvoirs publics forment un tout, la demande doit être rencontrée et on ne cherche pas à savoir, au final, d'où vient le budget et qui est à l'initiative. Vous parlez d'une grosse rénovation qui a eu lieu à la fin des années 1990, sur deux ailes. Nous sommes en 2025 et, même s'il y a des choses qui ont été effectuées, il reste fort à faire au vu du vocable énoncé dans le rapport: "prison poubelle".

De toekomst van de gevangenissites van Vorst en Sint-Gillis

Gesteld aan

Vanessa Matz (Minster van Modernisering van de overheid, Overheidsbedrijven, Ambtenarenzaken, Gebouwenbeheer van de Staat, Digitalisering en Wetenschapsbeleid)

op 1 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De gevangenis van Vorst staat sinds 2022 leeg en wordt tijdelijk beveiligd via antikraak en een pilootproject met vzw *Negen Vierkante Meter*, terwijl de federale overheid een verkoop voorbereidt in overleg met het Brussels Gewest—tussentijdse initiatieven moeten veilig, haalbaar en behoudend zijn. Voor Sint-Gillis, waar sluiting onzeker is door gevangenisoverbevolking, onderzoekt de Regie der Gebouwen minimale investeringen om de site operationeel te houden, maar een definitieve beslissing ligt bij de federale regering. Samenwerking met Brussel is essentieel, maar concrete kaders en timing ontbreken nog. Korte-termijnacties (zoals tijdelijke invulling) worden overwogen, mits ze de toekomstige herbestemming niet hypothekeren.

Nele Daenen:

Mevrouw de minister, de gevangenissite van Vorst staat al leeg sinds eind 2022, dus meer dan twee jaar, wat een groot risico op verloedering, vandalisme en structurele schade meebrengt. Oorspronkelijk zou de gevangenis van Sint-Gillis eind 2024 sluiten, maar volgens recente berichtgeving is de nieuwe sluitingsdatum nog onduidelijk, terwijl de levensomstandigheden er erbarmelijk zijn.

Ten eerste heb ik vragen over de langetermijnvisie. Wat is uw federaal strategisch plan voor de definitieve herbestemming van de sites van Vorst en Sint-Gillis?

Bestaat er een formele samenwerking met het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in dat verband en tegen wanneer wordt een concreet kader verwacht?

Er is ook veel onzekerheid over de sluiting van de gevangenissite van Sint-Gillis. Kunt u verduidelijken tot wanneer de gevangenis van Sint-Gillis openblijft en welke criteria de planning bepalen? Wat betekent die onzekerheid voor het traject van herbestemming en tijdelijke invulling?

Bent u, gelet op het feit dat de site van Vorst al meer dan twee jaar leegstaat, en gelet op de beperkte antikraakbewoning, bereid om op zeer korte termijn over te gaan tot een tijdelijke invulling? Welke concrete initiatieven acht u mogelijk? Binnen welk tijdskader kunnen ze worden opgestart? Bent u bereid om daarvoor samen te werken met Brusselse actoren?

Vanessa Matz:

De beslissing over een verlenging van de gevangenisactiviteit op de site van Sint-Gillis moet op het niveau van de federale regering worden genomen. In een context die wordt gekenmerkt door de aanhoudende overbevolking in onze gevangenissen, heeft de Regie der Gebouwen de opdracht gekregen om te onderzoeken welke technische en financiële gevolgen een tijdelijke verlenging zou hebben. Het gaat dan vooral om de minimale investeringen die nodig zijn om de gevangenis veilig en werkbaar te houden.

Voor de site van Vorst die sinds 2022 leegstaat, is er in een antikraakbewoning voorzien. Die maatregel helpt om het gebouw te beschermen tegen vandalisme en schade in afwachting van een nieuwe bestemming. Daarnaast werkt de Regie der Gebouwen aan een overeenkomst van tijdelijke bezetting met de vzw Negen Vierkante Meter.

Het pilootproject moet tijdelijk invulling geven aan de site, verenigbaar met de staat van de infrastructuur. De Regie staat ook open voor andere voorstellen voor tijdelijke invullingen, zolang die veilig, juridisch correct en financieel haalbaar zijn.

Het strategische doel blijft om de site van Vorst te verkopen. Door de ligging en de ruimte biedt het terrein veel potentieel voor een nieuwe bestemming. De federale overheid wil die verkoop voorbereiden in overleg met het Brussels Gewest en de betrokken gemeenten. In afwachting van de verkoop zijn tijdelijke projecten welkom, op voorwaarde dat zij bijdragen aan het behoud van het gebouw in goede staat en bij de overgang naar een nieuwe functie passen.

Nele Daenen:

Dank u wel, mevrouw de minister, voor uw uitgebreide toelichting. Indien het noodzakelijk is om de gevangenis van Sint-Gillis langer open te houden, dan moeten er effectief investeringen worden gedaan. Het is dus afwachten wat er met die gevangenis zal gebeuren. Wat de site van Vorst betreft, geeft u aan dat die in afwachting van een definitieve verkoop tijdelijk zal worden gebruikt door de vzw Negen Vierkante Meter. Dat is alvast positief, want u vermijdt leegstand. We zijn ook tevreden dat er strategisch wordt nagedacht over een eventuele verkoop van Vorst.

Beslag op de gemeenschappelijke rekening door de fiscus en economisch partnergeweld

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 1 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sarah Schlitz kaart aan dat belastinginningen onterecht gehele gemeenschappelijke bankrekeningen blokkeren, zelfs als slechts één titularis schuldenaar is, wat vooral vrouwen in kwetsbare posities (bij scheiding of economisch geweld) treft door gebrek aan rechtsbescherming of toegang tot eigen geld. Minister Jambon benadrukt dat de huidige fiscale en gerechtelijke regels (o.a. Code judiciaire) voldoende zijn: bij gezamenlijke rekeningen wordt het volledige saldo geblokkeerd, maar niet-schuldenaars kunnen hun aandeel terugvorderen via een tegenwerping, met extra waarborgen voor *feitelijk gescheiden* echtgenoten (art. 9-10 Recouvrementcode). Hij sluit aanpassingen niet uit maar ziet geen acute noodzaak voor fiscale wijzigingen, aangezien het probleem breder is dan louter belastingschulden. Schlitz dringt aan op concrete actie om herhaling van dergelijke misstanden te voorkomen.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, le droit fiscal belge n’offre actuellement pas de solution satisfaisante aux personnes cotitulaires d’un compte bancaire visé par une saisie fiscale, lorsque celles-ci ne sont ni redevables de la dette fiscale ni codébiteurs.

Plusieurs témoignages font état de situations où le SPF Finances procède à une saisie sur un compte commun, souvent dans le contexte d’une séparation ou d’un conflit conjugal, sans distinguer la part des avoirs appartenant à la personne non concernée par la dette. Cette pratique peut entraîner de lourdes conséquences pour ces personnes: impossibilité de protéger leurs revenus, absence de voie de recours ou de conciliation, et blocage de leur accès à des fonds. Inutile de vous dire que ce sont souvent les femmes qui sont victimes de ce type de violences économiques. Il est donc important d’agir pour faire en sorte que les femmes, qui sont déjà économiquement plus faibles dans notre société, soient protégées de ce type de pratiques.

Pour renforcer la justice fiscale et prévenir les violences économiques, il me semble essentiel d’apporter une réponse structurelle à cette faille juridique. Cette situation soulève donc une série de questions fondamentales.

Monsieur le ministre, quelles garanties existe-t-elles aujourd’hui pour protéger les droits des cotitulaires non débiteurs d’un compte bancaire saisi fiscalement?

Existe-t-il des dispositifs permettant de contester ou de limiter une saisie dans le cas d’un compte indivis ou conjoint?

Le SPF Finances prévoit-il des adaptations réglementaires ou des lignes directrices internes pour mieux protéger ces personnes, notamment dans les cas documentés de violences économiques ou de séparation conflictuelle?

Enfin, envisagez-vous une réforme législative pour clarifier les droits des cotitulaires non concernés par une dette fiscale, et leur donner accès à une procédure de contestation équitable?

Jan Jambon:

Madame Schlitz, comme tout autre créancier, le fisc est tenu de respecter le Code judiciaire. Ce Code relève de la compétence du ministre de la Justice et détermine quels biens et montants ne peuvent pas être saisis, en ce compris les montants crédités sur un compte à vue. Le droit fiscal belge ne règle pas cette matière.

Lorsqu'un créancier pratique une saisie à l'encontre de l'un des titulaires d'un compte commun, cette saisie porte sur l'intégralité du solde disponible à ce moment. La banque doit alors bloquer tous les avoirs. Dans sa déclaration, elle doit indiquer le montant total et préciser la nature du compte. Elle doit informer les autres ayants droit de la saisie afin qu'ils puissent faire valoir leurs droits. Le propriétaire des montants saisis à tort peut s'opposer à la saisie et revendiquer sa part.

Le Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales prévoit toutefois des dispositions particulières pour le recouvrement à l'encontre d'époux effectivement séparés. Les articles 9 et 10 de ce Code prévoient une procédure de recouvrement spécifique selon laquelle l'époux non redevable est informé de manière adéquate avant toute mesure de recouvrement et a la possibilité, sous certaines conditions, de soustraire ses biens propres au recouvrement.

Étant donné que la problématique décrite n'est pas propre au recouvrement des dettes fiscales, je considère que la législation fiscale actuelle ainsi que les directives internes sont suffisantes et ne doivent donc pas être modifiées. Néanmoins, vous soulevez une problématique tout à fait légitime et j'examinerai la question de plus près afin de déterminer si des modifications supplémentaires s'avèrent nécessaires.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, je suis évidemment encline à poser également la question à la ministre de la Justice, si vous pensez que c'est nécessaire. En effet, je pense que les situations que je vous relate sont des situations vécues par des citoyennes de notre pays. Dès lors, il importe manifestement d'œuvrer en la matière pour éviter que ces situations ne se reproduisent plus. Donc, merci pour la fin de votre réponse, qui consiste à examiner de plus près ces situations pour voir si des améliorations ou des modifications pourraient empêcher ces situations de se reproduire. C'est important à mes yeux.

De personeelsversterking en de budgettaire planning voor de fraudebestrijding bij de BBI

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 1 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Jan Jambon bevestigt de aanwerving van 300 extra fraudebestrijders (verdeeld over FOD Financiën, BBI, gerecht en politie), maar de exacte verdeling en timing zijn nog niet concreet—ondanks beloofde meeropbrengsten van 200–600 miljoen euro (2026–2029) via nieuwe maatregelen (o.a. CAP-wijzigingen en een brede antifraudewet). Achraf El Yakhloufi dringt aan op nettotoename (geen vervanging vertrekkend personeel) en budgetgaranties voor de BBI vanaf 2026, benadrukkend dat effectieve handhaving essentieel is voor eerlijke belastingen, maar blijft sceptisch over de haalbaarheid zonder versnelde aanwervingen. De minister erkent de urgentie, wijst op voortgang (o.a. regelmatig overleg in het antifraudecollege), maar concrete plannen en budgetaanpassingen ontbreken nog. Kernpunt: ambitie clashing met onduidelijke uitvoering en budgettaire risico’s.

Achraf El Yakhloufi:

Mijnheer de minister, een sterk anti-fraudebeleid is het sluitstuk voor eerlijke belastingen. Iedereen moet eerlijk zijn bijdrage leveren. Wie fraudeert, fiscaal of sociaal, moet daarvoor gestraft worden. Dat is simpel. Anders wordt onze welvaartsstaat ondergraven. Het regeerakkoord belooft de aanwerving van 300 extra personeelsleden om in te zetten tegen fraudebestrijding.

Desondanks baart het ons zorgen dat, zoals het Rekenhof heeft vastgesteld, het voorziene personeelsbudget voor de Bijzondere Belastinginspectie, BBI, vanaf 2026 daalt tot het niveau van 2023. U gaf aan dat er 300 mensen aan de FOD Financiën worden toegevoegd en dat een groot deel hiervan naar de belastinginspectie zal gaan. Tegelijkertijd gaf uw kabinet aan dat de daling van het personeelsbudget vanaf 2026 te wijten is aan lineaire besparingen, maar dat dit zal worden aangepast zodra de aanwervingen starten.

Kunt u garanderen dat de beloofde 300 extra fraudebestrijders daadwerkelijk een nettotoename van het personeelsbestand zullen zijn en niet deels zullen dienen ter vervanging van vertrekkend personeel, zoals het Rekenhof suggereert? Kunt u ons, gelet op de budgettaire daling vanaf 2026, een concrete en gedetailleerde planning voorleggen voor de aanwervingen? Wanneer zullen die precies starten? Welke specifieke budgettaire aanpassingen zullen er worden doorgevoerd om te verzekeren dat het personeelsbudget van de BBI in lijn is met de beloofde versterking?

In het regeerakkoord voorziet u een pakket aan maatregelen in de strijd tegen fiscale fraude. Vanaf 2026 zou dat leiden tot een bijkomende opbrengst in de strijd tegen de fiscale fraude van 200 miljoen euro. Tegen 2029 zou dit oplopen tot een meeropbrengst van 600 miljoen euro. Hoe ver staat de uitwerking van dat pakket aan maatregelen? Welke timing ziet u hiervoor? Welke maatregelen zijn al vastgelegd?

Alvast bedankt voor uw antwoorden, mijnheer de minister.

Jan Jambon:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer El Yakhloufi, in het regeerakkoord werd inderdaad de aanwerving van 300 personeelsleden voor de bestrijding van fiscale fraude vastgelegd, niet alleen bij de FOD Financiën maar ook bij de BBI, de sociale fraudebestrijding, het gerecht, de politie en justitie. De regering moet nog een beslissing nemen over de verdeling van die 300 personeelsleden over de vier genoemde groepen.

Voor het pakket aan maatregelen in de strijd tegen fiscale fraude zijn reeds wijzigingen opgenomen in de wet diverse bepalingen, meer bepaald met betrekking tot het CAP. Bovendien worden momenteel diverse wijzigingen uitgewerkt in een ruimere wet. Ik heb dat eerder vandaag ook al vermeld bij een van de vragen. Die ruimere wet zal uitvoering geven aan een pakket maatregelen die bepaald zijn in het regeerakkoord. Het College voor de strijd tegen de fiscale en sociale fraude zal bovendien regelmatig samenkomen om te werken aan een verbeterde fraudebestrijding.

We zijn nog maar vijf maanden bezig en we hebben een ongelooflijk ambitieus programma. Er zijn al enorm veel hervormingen doorgevoerd. Voor eind 2025 hebben we nog een heel traject af te leggen. Fraudebestrijding is daarin zonder twijfel een van mijn topprioriteiten.

Achraf El Yakhloufi:

Mijnheer de minister, het is, ten eerste, een goede zaak dat de huidige regering duidelijk vasthoudt aan de belofte van 300 extra fraudebestrijders, ongeacht waar ze terechtkomen. Ik hoop uiteraard dat een aanzienlijk aantal van hen zal worden ingezet voor de strijd tegen fiscale fraude, want we zien dat daarin heel veel middelen omgaan. In de begroting zijn ter zake ernstige meeropbrengsten ingeschreven, namelijk 200 miljoen euro en tegen het einde van de legislatuur zelfs 600 miljoen euro. Waarom geef ik dat mee? Wie eerlijk werkt en bijdraagt, mag verwachten dat wie fraudeert daar niet mee wegkomt. De strijd tegen fiscale fraude is geen bijzaak. Hij is de ruggengraat van een eerlijke fiscaliteit. Daarom is het cruciaal dat, zoals u beloofd hebt, het personeelsbudget vanaf 2026 effectief wordt aangepast, zodat de BBI ook de middelen krijgt om haar job te doen. De aangekondigde maatregelen en de geplande opbrengsten tegen 2026 en 2029 tonen aan dat een kordaat beleid loont. Daarom zal ik dat dossier blijven opvolgen, mijnheer de minister. Zonder een sterke handhaving is er geen rechtvaardige belasting. Mijnheer de minister, 2026 is niet meer veraf. Ik hoop dat u met de regering zo snel mogelijk die mensen kunt aanwerven.

De fraude met pensioenen
De fraude met pensioenen
Pensioenfraude

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 26 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Een Belgisch-Marokkaans echtpaar ontving jarenlang ten onrechte honderdduizenden euro’s aan IGO (inkomensgarantie voor ouderen) terwijl ze permanent in Marokko verbleven, blootgelegd na 20 klokkenluiderbrieven, wat structurele controletekorten aantoont. Minister Jambon kondigt strengere maatregelen aan (meldplicht buitenlands verblijf, verkorte verblijfsduur, schrapping vrijstellingen, 5-jarige verblijfsvoorwaarde) om fraude tegen te gaan, maar concrete wetgeving moet nog komen. Samyn en Raskin benadrukken het gebrek aan proactieve controles, het misbruik door niet-bijdragers en het risico voor draagvlak sociale zekerheid, terwijl ze verwijzen naar eerdere versoepelingen onder PS-bewind. Kernpunt: het IGO-systeem is te kwetsbaar voor fraude en vereist dringend verstrengde handhaving en wettelijke aanpassingen.

Ellen Samyn:

Mijnheer de minister, dit had een aflevering kunnen zijn in de reeks ‘Absurdistan’.

Een Belgisch-Marokkaans echtpaar ontving jarenlang een inkomensgarantie voor ouderen, terwijl het volgens verschillende media permanent in Marokko verbleef. De schade voor onze sociale zekerheid – en dus voor de belastingbetaler – zou intussen zijn opgelopen tot honderdduizenden euro's. Wat deze zaak pas echt hallucinant maakt, is dat de Federale Pensioendienst pas in actie kwam na 20 brieven van een anonieme klokkenluider. 20 brieven, collega's! Hoeveel alarmsignalen zijn er nodig vooraleer het systeem reageert?

Dit dossier roept fundamentele vragen op, niet alleen over de controlemechanismen bij de Pensioendienst, maar ook over het gemak waarmee toegang wordt verkregen tot onze sociale rechten. Mensen die hier nooit hebben bijgedragen, genieten wel van voorrechten waarvoor onze mensen heel hun leven lang moeten werken.

Mijnheer de minister, gaat het hier om een eenmalig geval? Is er inmiddels een onderzoek gestart naar mogelijke andere gevallen van fraude? Worden de controles uitgebreid en verstrengd? Wordt pensioenfraude ondertussen systematischer opgespoord?

Wouter Raskin:

Mijnheer de vice-eersteminister, gisteren las ik, scrollend over HLN.be , dat een echtpaar uit Marokko jaren onterecht een IGO-uitkering kreeg. Het gaat om honderdduizenden euro onterechte pensioenrechten. Het zijn mensen die via gezinshereniging hier beland zijn, die succesvol een naturalisatieprocedure doorlopen hebben en die daarna, met evenveel succes, een IGO aangevraagd hebben en die gekregen hebben. En dit ondanks het feit dat ze al die tijd in Marokko woonden en wonen.

We zijn dit te weten gekomen dankzij een medeburger die de personen in kwestie verklikt heeft. Niet één keer, maar twintig keren. Twintig keer heeft die medeburger aan de alarmbel moeten trekken.

Eergisteren vroeg ik aan de heer Beenders hoe het zit met de Sociale Inspectie? Hij zei dat de Federale Pensioendienst geen eigen sociale inspectiedienst heeft en ook niet structureel betrokken is bij de SIOD. Toen ik in mijn repliek opmerkte dat het klikkende burgers zijn die zulke zaken aan het licht brengen, zweeg hij, maar knikte hij wel bevestigend.

Dit is niet oké. Dit is sociale fraude. De overheid is vandaag niet in staat die te ondervangen. We zijn afhankelijk van klikkende burgers om ze te zien. Ik herinner mij de periode onder de Zweedse regering. In die periode werd 80 % van de gerechtigden gecontroleerd.

Mijnheer de vice-eersteminister, ik voer hier geen pleidooi voor een copy-paste van wat er toen gebeurde, maar ik ben er wel van overtuigd dat het beter kan dan nu. Mijn vraag is heel eenvoudig. Bent u bereid om samen met uw collega, de heer Beenders, een oplossing voor dit soort fraude uit te werken?

Jan Jambon:

Beste collega’s, ten eerste geef ik graag nogmaals de contouren weer van het zogenaamde IGO, het systeem van inkomensgarantie voor ouderen. Zoals het woord het zelf zegt, gaat het om het garanderen van een minimuminkomen voor gepensioneerde 65-plussers. Het betreft dus geen wettelijk pensioen dat men zelf heeft opgebouwd via bijdragen tijdens de loopbaan. Het is geen pensioen waarvoor sociale bijdragen zijn betaald.

Wat is het dan wel? Het is een vorm van sociale bijstand voor 65-plussers die over onvoldoende eigen middelen beschikken om in hun levensonderhoud te voorzien. Dat betekent dat deze inkomensgarantie niet bedoeld is voor mensen die feitelijk niet in ons land wonen. Zij behoren niet tot de doelgroep van deze sociale maatregel. Ze zou dus niet exporteerbaar mogen zijn naar het buitenland, maar moet gekoppeld zijn aan de voorwaarde dat men in België verblijft.

Om de middelen te laten gaan naar wie er echt recht op heeft en niet naar wie manifest fraudeert, hebben we in het regeerakkoord extra maatregelen voorzien, want we weten dat er fraude voorkomt bij het IGO. Wat zijn die extra maatregelen? Ten eerste eisen we een verplichte melding van verblijf in het buitenland. Ten tweede korten we de toegestane verblijfsduur in het buitenland in. Ten derde schrappen we een aantal vrijstellingen op de controle hiervan. Ten vierde voeren we een voorafgaande verblijfsvoorwaarde van minstens vijf jaar in. Die voorwaarde houdt een ononderbroken, werkelijk en wettelijk verblijf op ons grondgebied in. Als daaraan niet is voldaan, zal het recht op sociale bijstand niet worden geopend. Na de goedkeuring van de structurele pensioenhervorming zal ik met voorstellen naar het Parlement komen om die maatregelen in wetgeving om te zetten.

Ellen Samyn:

Mijnheer de minister, wij moeten voorlopig nog wachten op uw initiatieven. Deze affaire roept niet alleen vragen op over de controlemechanismen bij de dienst Pensioenen, maar ook over het gemak waarmee sommigen dit land binnenkomen en nog meer over het gemak waarmee sommigen nog steeds Belg kunnen worden, om zich vervolgens voor honderdduizenden euro’s door de belastingbetaler te laten alimenteren, ook al hebben ze nooit één euro bijdrage geleverd aan de kassen waaruit zij nu graaien en spreken ze zelfs geen enkele landstaal. Il faut le faire . Het is dan ook niet verwonderlijk dat België een magneet is en blijft voor gelukszoekers uit alle windstreken. Zeker in tijden van crisis en besparingen is dit ongehoord, onverantwoord en onbegrijpelijk.

Wouter Raskin:

Mijnheer de vice-eersteminister, zoals ik al zei, de controle kan zeker beter. Ik verwees al naar de Zweedse periode. Helaas hebben we samen moeten vaststellen dat mevrouw Lalieux van de PS in de vorige legislatuur het systeem opnieuw heeft versoepeld. U verwijst naar het regeerakkoord en zegt dat u de hand aan de ploeg zult slaan. Het is uiteraard cruciaal dat de middelen voorbehouden blijven aan wie deze echt nodig heeft, willen wij het maatschappelijk draagvlak voor sociale bijstand en bij uitbreiding onze sociale zekerheid overeind houden. Ik heb uw engagement gehoord. Wij hebben alle vertrouwen.

De doorvoer van militair materieel naar Israël

Gesteld aan

David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)

op 26 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Nabil Boukili beschuldigt de Belgische overheid van medeplichtigheid aan het Israëlische geweld in Gaza door toelating van wapentransit (o.a. F-35-onderdelen) via Bierset, ondanks bestaande wetgeving die dit verbiedt bij schendingen van internationaal recht. Hij eist een interministeriële conferentie voor een militair embargo tegen Israël, maar minister Jan Jambon wijst verantwoordelijkheid af: licenties vallen onder de Régio’s (hier Wallonië), terwijl de federale douane enkel controles uitvoert op basis van risicoanalyses. Boukili noemt de passiviteit "compliciteit met genocide" en verwijst naar eerdere initiatieven (zoals de VLD-minister De Gucht in 2009) die nu ontbreken, ondanks langdurige signalen over wapenleveringen sinds 2003.

Nabil Boukili:

Monsieur le ministre, De Morgen et Le Soir révèlent que du matériel militaire lié à des F-35 a transité par l'aéroport de Bierset à destination d'Israël pour bombarder le peuple palestinien à Gaza, pour contribuer aujourd'hui au génocide.

Ce n'est pas la première fois que sont faites des révélations selon lesquelles du matériel militaire transite par la Belgique. Mon collègue Peter Mertens a fait de telles révélations ici à plusieurs reprises. Des journalistes ont fait des enquêtes menant à de telles révélations. Des associations ont porté plainte contre cela. Des syndicalistes se sont révoltés contre cette situation.

Pourtant, il n'y a eu aucune réaction des différents gouvernements. Aucune. Les différents gouvernements, que ce soit la Région, que ce soit le fédéral, se rejettent la balle. "Ce n'est pas moi, c'est l'autre".

Mais vous savez, monsieur Jambon, que les bombes se foutent de qui est responsable du transit d'armes. Les bombes ne choisissent pas si c'est la Région ou le fédéral qui doit décider.

Aujourd'hui, alors que nous avons une législation qui interdit le transit d'armes vers des pays ou vers des armées qui violent le droit international, pourquoi cette législation n'est-elle pas appliquée contre Israël? S’il y a des flous dans cette législation, pourquoi n'agissez-vous pas pour lever ces flous?

Ma question est très simple, monsieur le ministre. Allez-vous organiser une Conférence interministérielle entre le fédéral et les Régions pour décréter un embargo militaire contre Israël, oui ou non?

Jan Jambon:

Chers collègues, conformément à la décision du Conseil des ministres de mai 2025, dans le cadre de l'accord de coopération de 2007 entre l'État fédéral et les Régions relatif à l'importation, l'exportation et le transit de matériel militaire ou de matériel à double usage et dans le respect des compétences respectives, le cas des exportations d'armes vers Israël et les territoires palestiniens occupés sera évalué avec une attention particulière portée au transit via la Belgique.

Le commerce et le transit des armes en Belgique sont largement régionalisés, ce qui signifie que les licences d'exportation de matériel militaire sont délivrées par les Régions. Lorsqu'elle est légalement requise, la licence de transit pour les armes et les biens militaires est demandée et délivrée par les Régions. Comme il s'agit ici de Liège, c'est donc la Région wallonne qui est compétente.

L'Administration générale des Douanes et Accises n'est compétente que pour le contrôle et la concertation liés au respect des différentes législations. Ce sont les diverses autorités compétentes qui décident du type de biens et de mouvements pour lesquels une licence est nécessaire. Comme pour toutes les autre marchandises, les contrôles sont effectués sur la base d'une analyse de risque liée aux déclarations et à la demande de l'autorité compétente elle-même.

Nabil Boukili:

Monsieur le ministre, je m'attendais à une réponse un peu décevante mais vous avez dépassé mes espérances. En 2009, un ministre fédéral Vld, M. De Gucht, a organisé une réunion avec des ministres régionaux parce qu'il y avait une guerre contre Gaza. Pourquoi le fédéral ne le fait-il pas dans ce cas-ci? Vous dites qu'on envisage et qu'on étudie les risques, mais on révèle depuis 2003 qu'il y a un transit d'armes chez nous vers Israël, pour tuer les Palestiniens. Aujourd'hui, l'inaction du gouvernement belge est une complicité dans le génocide actuel. Vous êtes complice des morts et du génocide. Tous les partis ici pleurent à chaque fois qu'il y a des bombardements à Gaza, à chaque fois que des enfants meurent, mais aujourd'hui, vous êtes complice de ce génocide parce que vous n'agissez pas contre le transit d'armes en Belgique.

Het geweld tegen het personeel van de spoedafdeling van het UMC Sint-Pieter

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 26 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Na een mesaanval op twee medewerkers (waaronder een sociaal assistent) in de spoedgevallendienst van CHU Saint-Pierre bevestigt minister Vandenbroucke dat veiligheid van zorgpersoneel prioriteit is: hij kondigt nationale uitrol van crisisteams (samenwerking psychiatrie/politie), verplichte veiligheidsprotocollen (sinds maart 2024), "rode knop"-alarmering, en verzwaring van strafrechtelijke sancties aan, inclusief psychologische en juridische ondersteuning voor slachtoffers. De Smet benadrukt dat structurele financiering voor preventie (fysiek/digitaal) en samenwerking met gewesten cruciaal zijn om aantrekkelijkheid van onderbetaalde, kwetsbare zorgberoepen te waarborgen, vooral gezien de groeiende psychiatrische noodsituaties bij patiënten. Beide onderstrepen dat normalisering van geweld onaanvaardbaar is en systemische oplossingen dringend nodig zijn.

François De Smet:

Monsieur le ministre, c'est une agression particulièrement violente qui s'est déroulée jeudi dernier au service des urgences de l'hôpital Saint-Pierre à Bruxelles. Un patient a poignardé deux membres du personnel. L'un d'entre eux, un assistant social, a dû subir deux interventions chirurgicales. Aujourd'hui, son état est stable, mais comme vous le savez, toute l'équipe, tout le service, tout l'hôpital Saint-Pierre sont encore sous le choc.

Vous avez réagi rapidement après cette agression en déclarant que c'était tout à fait inacceptable. Je vous en remercie. Il est crucial que le fédéral, garant du droit à la santé, s'investisse face à l'augmentation de ces violences. Néanmoins, cet événement met en lumière la vulnérabilité du corps médico-social face à des actes de violence nouveaux dont nous devrons tenir compte à l'avenir.

Le personnel hospitalier a à cet égard des demandes très claires. Êtes-vous prêt à soutenir, au niveau du gouvernement, la sécurisation des urgences via un appui financier exceptionnel, pour des dispositifs de sécurité et de prévention, en ce compris sur les médias sociaux, et incluant aussi les protocoles et la signalisation? Le fédéral peut-il déclencher un mécanisme d'aide en cas de crise pour soutenir non seulement, évidemment, le CHU Saint-Pierre, mais aussi d'autres hôpitaux confrontés à des problèmes similaires? Le fédéral entend-il travailler avec les Régions pour repenser l'organisation des urgences de manière inclusive, différenciée et sécurisée, afin de prévenir des situations comparables à l'avenir? En tant que garant du droit à la santé, le fédéral envisage-t-il une stratégie nationale visant à protéger le personnel hospitalier et de garantir un accès sûr aux soins?

J'ai une dernière question relative au profil particulier de l'agresseur. Compte tenu de l'importante croissance des troubles de santé mentale parmi les patients, ne devrait-on pas envisager un renforcement du soutien psychologique pour les professionnels exposés à la violence?

Frank Vandenbroucke:

Monsieur De Smet, j'ai aussi appris avec stupeur le terrible incident survenu aux urgences de l'hôpital Saint-Pierre. Hier, j'y ai rencontré une équipe marquée, mais engagée, qui intervient chaque jour auprès d'une population très vulnérable. Malgré des conditions très difficiles, leur engagement m'a vraiment frappé.

Ce drame met en lumière un constat plus large: la violence envers le personnel soignant augmente. C'est inacceptable. La sécurité du personnel soignant est une vraie priorité. Face à une société plus complexe et des crises psychologiques plus aiguës, nous renforçons la collaboration entre psychiatres, médecins, police et services d'urgence pour mieux évaluer les risques d'agression et agir efficacement.

À Bruxelles, un projet pilote permet déjà aux équipes mobiles de crise de soutenir la police et vice versa grâce à une initiative de Philippe Close. Nous prévoyons son déploiement à l'échelle nationale. D'autres mesures sont prises, telles la création d'un code pour demander l'aide policière lors d'interventions risquées, la mise au point et la généralisation du bouton rouge pour alerter la centrale de secours et l'obligation pour tous les hôpitaux de mettre en place des protocoles de sécurité depuis mars 2024.

Nous agissons aussi sur le plan judiciaire. Les peines pour violences contre les soignants ont été renforcées, les plaintes ne pourront plus être classées sans suite, et les victimes bénéficieront d'un accompagnement juridique et psychologique.

On ne peut pas banaliser ce qui est devenu un vécu quotidien dans les services d'urgence. Il faut donc agir et soutenir ce personnel.

François De Smet:

Monsieur le ministre, en toute honnêteté, je ne peux que vous remercier et vous soutenir dans les différentes mesures que vous venez d'annoncer. Je voudrais émettre une dernière réflexion. Nous parlons ici de soignants, mais aussi d’assistants sociaux. Ce sont des personnes qui, au travers de leur profession, ont en commun d’être entièrement au service des autres. Elles exercent aussi des métiers en pénurie. Pour ces raisons, en tant qu’autorités publiques, le gouvernement, le Parlement et les entités fédérées doivent absolument garantir leur sécurité, non seulement pour leur bien-être quotidien, mais aussi pour renforcer l’attractivité de ces professions dont nous aurons de plus en plus besoin. Je vous remercie donc pour le suivi que vous assurez de cet événement et j'espère que d’autres incidents pourront être évités à l’avenir.

De infoavond voor cipiers in een moskee

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 26 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Verlinden verdedigt de wervingsactie in de moskee van Turnhout als lokaal gericht initiatief om personeelstekort in gevangenissen aan te pakken, benadrukkend dat neutraliteit gewaarborgd moet blijven en dat Belgische nationaliteit vereist is voor aanwerving. Van Lommel bestempelt dit als een flagrante schending van kerk-staatscheiding, wijst moskeeën af als niet-neutrale locaties en eist overheidsgebouwen als alternatief, met de vrees dat dit kandidaten afschrikt en de samenleving polariseert. De kern: controversie over neutraliteit versus praktische werving in een krappe arbeidsmarkt.

Reccino Van Lommel:

Mevrouw de minister, telkens wanneer men denkt dat het dieptepunt is bereikt, is er altijd dat tikkeltje meer.

Waar gaat het naartoe met onze samenleving als penitentiaire instellingen jobdagen gaan organiseren in moskeeën? Zo organiseert de directie van de gevangenis van Merksplas overmorgen een infoavond in de moskee van Turnhout voor het aanwerven van bewakers en zorgverleners. Niet alleen het personeel is met verstomming geslagen, maar ook de bevolking die de aankondiging via diverse kanalen mocht vernemen. De mensen zijn diep verontwaardigd en teleurgesteld en wie kan hen ongelijk geven?

Gevangenissen smeken om goed personeel, maar schrikken mensen die een carrièreswitch willen maken naar hun instellingen af doordat wervingscampagnes blijkbaar moeten plaatsvinden in moskeeën. Het is niet omdat maar liefst 43 % van de Turnhoutse bevolking van niet-Belgische origine is, dat die locaties aangewezen zijn. Dit kan voor alle duidelijkheid in geen enkele religieuze instelling, ook niet in kerken of parochiezalen. Zijn er dan geen overheidsgebouwen waar in alle neutraliteit wervingscampagnes kunnen plaatsvinden? Denkt u nu echt dat u hiermee de krapte op de arbeidsmarkt gaat oplossen?

Mevrouw de minister, hoe is het mogelijk dat de scheiding tussen kerk en staat hier flagrant wordt geschonden? Hoe is het mogelijk dat jobdagen worden georganiseerd in de moskee van Turnhout en niet in neutrale gebouwen van de overheid? Wat is het standpunt van de regering?

Annelies Verlinden:

Collega, we zijn voortdurend op zoek naar meer en geschikt personeel om onze gevangenissen operationeel te houden. Zoals ook elders het geval is, zijn de gemakkelijke bereikbaarheid van de werkplaats en een goede balans tussen werk en privéleven voor de meeste mensen belangrijke factoren bij het maken van een beroepskeuze.

Bovendien doen we permanent inspanningen om te rekruteren voor elke specifieke gevangenis en dus ook om lokaal gerichte wervingsacties van diverse aard te organiseren. In dat verband kan ik meegeven dat de FOD Justitie mij vanmiddag, naar aanleiding van uw vraag, heeft laten weten dat er een plan voorligt om een infosessie te organiseren in de ontmoetingszaal van de lokale moskee. Dat is op zich een plaats waar mensen vaak voor allerhande activiteiten samenkomen.

Collega Van Lommel, de essentie is dat men in de regio iedereen, ongeacht geloofsovertuiging, wil bereiken om zoveel mogelijk goede en geschikte kandidaten te informeren en te enthousiasmeren. De strategie om initiatieven te nemen via lokaal verankerde plekken kan efficiënt zijn, maar uiteraard moet dat met de gepaste neutraliteit gebeuren. Ik zal daarom ook aan de FOD Justitie vragen wat de plannen dienaangaande zijn.

Ik wil wel onderstrepen dat dit initiatief er een is naast de vele andere initiatieven die de administratie neemt om nieuwe medewerkers aan te trekken, die voeling hebben met alle verschillende onderdelen en aspecten van de functie die zij moeten opnemen. De moeilijke arbeidsmarkt dwingt ons om ook samen te werken met scholen en lokale besturen en om jobbeurzen te organiseren. Er is ook al campagne gevoerd op festivals.

Bovendien wil ik benadrukken dat het hebben van de Belgische nationaliteit een absolute voorwaarde is en blijft om als penitentiair beambte aan de slag te kunnen gaan, naast de andere noodzakelijke kwalificaties. Ik denk dat we alle initiatieven moeten nemen om de veiligheid in ons land te versterken, maar uiteraard met een (…)

Reccino Van Lommel:

Mevrouw de minister, ik val eigenlijk van mijn stoel. Ik neem akte van het feit dat u zegt dat een moskee een neutrale plaats is. Niets maar dan ook niets kan het goedpraten dat jobdagen voor het aanwerven van gevangenispersoneel doorgaan in moskeeën. Dat is opnieuw van het goede te veel. Er zijn voldoende gebouwen van de overheid waarin dergelijke zaken in alle neutraliteit georganiseerd kunnen worden, daar hebt u de moskee van Turnhout niet voor nodig. Hoe is het mogelijk dat onder uw gezag als minister van Justitie zoiets kan gebeuren? Ik kan nu al zeggen dat dit de mensen helemaal niet zal aantrekken, maar hen net zal ontraden om te kiezen voor een job in de gevangenis van Merksplas. Misschien moet u overmorgen zelf maar eens ter plaatse gaan kijken bij een gezellig kopje thee, als u uw schoenen mag aanhouden tenminste.

De NAVO-top in Den Haag
De NAVO-top in Den Haag
De resultaten van de NAVO-top
Het standpunt van België bij de NAVO
De NAVO-top en het defensiebudget
De NAVO-top in Den Haag
De nieuwe NAVO-uitgavennorm en de top van 24 juni
De NAVO-top
De NAVO-top in Den Haag
De op de NAVO-top van 24 en 25 juni genomen beslissingen
NAVO-top Den Haag, beslissingen en defensiebudget

Gesteld aan

Bart De Wever (Eerste minister), Theo Francken (Minister van Defensie)

op 26 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De NAVO-top leidde tot een 5%-norm (3,5% defensie + 1,5% veiligheid/cyber/infrastructuur) tegen 2035, met 2% in 2029 als eerste mijlpaal, maar België ontwijkt concrete financiering en schuift de last door naar toekomstige regeringen. Kritiek focust op onrealistische budgetten (34 miljard nodig, onduidelijke dekking), gebrek aan Europese defensiesamenwerking (versnipperde aankopen, geen strategie) en sociale gevolgen (besparingen op zorg/pensioenen, belastingverhogingen). Partijen zijn verdeeld: rechts en centrum willen realistisch investeren in personeel/cyberveiligheid, links noemt het onderworpenheid aan de VS en een wapenwedloop, terwijl Europa’s strategische autonomie onderbelicht blijft.

Voorzitter:

Collega's, verschillende vragen werden ingediend ter attentie van de premier, maar het is u bekend dat hij momenteel niet aanwezig kan zijn wegens Europese verplichtingen.

Axel Weydts:

Mijnheer de minister, gisteren was het eindelijk zover: de langverwachte NAVO-top vond plaats. Alle lidstaten zijn eensgezind naar buiten gekomen. Dat was ook nodig, want als dat niet was gebeurd, had maar één iemand champagne ontkurkt: Poetin in het Kremlin.

De NAVO-top heeft geleid tot realistische doelstellingen. Voor Vooruit was het vanaf het begin erg duidelijk: we willen absoluut investeren in onze veiligheid en defensie, maar wel op een realistische manier. 5 % was en is voor ons land immers onhaalbaar.

Laten we de focus daarom verleggen van de percentages naar wat eerder is afgesproken, namelijk dat ons land opnieuw een betrouwbare partner kan worden binnen de NAVO door verstandig te investeren in onze defensie. Ik heb zelf deelgenomen aan twee buitenlandse NAVO-missies, dus ik weet hoe belangrijk het is om te investeren in goed en veilig materieel voor onze mensen, in degelijke infrastructuur om mee te werken en in waardering voor de opofferingen die ons personeel brengt.

Vooruit roept ook al maanden op om te investeren in onze cyberveiligheid. Onze banken, overheidsinstellingen en ziekenhuizen worden nu immers al maandenlang geteisterd door cyberaanvallen uit Rusland. Die moeten we echt prioritair aanpakken.

Het allerbelangrijkste voor Vooruit is echter dat we investeren in ons personeel. Wat is men namelijk met het beste materieel en met al die nieuwe capaciteiten voor onze defensie als men geen personeel heeft om dat materieel te bedienen? We weten dus wat nodig is qua investeringen in onze veiligheid.

Mijnheer de minister, zult u, net als Vooruit, de focus leggen op de hybride dreiging vanuit Rusland en op ons personeel, dat we broodnodig hebben?

Jean-Marie Dedecker:

Mijnheer de minister, al een halve eeuw lang financieren we onze welvaart ook met middelen die oorspronkelijk bestemd waren voor onze veiligheid. Het gevolg daarvan is een doorgeschoven – een doorgesnoven – verzorgingsstaat en een krakkemikkig leger. Onze kazernes zijn ruïnes. Het cliëntelisme heeft geleid tot een tewerkstellingsproject van de politieke partijen, waardoor zelfs de personeelsbezetting van het leger niet op punt staat. Er staan momenteel 127 pantservoertuigen te roesten omdat een minister de verkeerde munitie heeft besteld. We zijn zelfs nooit onze NAVO-verplichtingen nagekomen, terwijl het NAVO-hoofdkwartier zich in Brussel bevindt.

Plots komt er dan een bullebak overgevlogen uit New York, een narcistische bully met, cru gesteld, de mentaliteit van een maffiabaas. Wat zegt die man bij aankomst? “ I can make you an offer you can’t refuse. ” Kent u The Godfather? Die zei dat ook. Vervolgens kust onze slijmjurk, de voorzitter van de NAVO, de ring van die man. Ook onze 32 regeringsleiders slaan de hielen tegen elkaar en likken de kont van die narcistische Amerikaan, uit vrees dat die capo hen zal bestraffen.

Ik heb op zich niets tegen het principe van de 5 %-norm, daar gaat het mij niet om. Zeg me wel hoe u die zult bereiken en om hoeveel geld het gaat. Ik hoor alle partijen daarover al ruziën nog vooraleer hij is teruggevlogen. Moeten er meer F-35's worden gekocht? Nog ander materieel? Over welk bedrag gaat het?

Mijnheer de minister, over hoeveel geld gaat het? Hoe zult u dat realiseren? Zal men daarvoor met een creatieve boekhouding moeten werken?

Mathieu Michel:

Monsieur le ministre, malgré une situation budgétaire qui rend les réformes indispensables, la Belgique a réaffirmé que l'OTAN constitue un socle fondamental pour la sécurité de notre pays. Nous devons être un partenaire loyal, fiable et pleinement engagé au sein de l'Alliance. Dire non à l'OTAN, ce serait faire preuve d'un oubli historique inquiétant mais, plus que tout, ce serait faire preuve d'une naïveté coupable car, aujourd'hui, il ne s'agit pas d'opposer sécurité et solidarité. En voici la preuve par les chiffres: 120 milliards d'euros pour notre sécurité d'ici 2034, 1 200 milliards d'euros pour la solidarité (soins de santé, pensions et aides sociales).

Oui, n'en déplaise à certains, ce gouvernement renforce notre modèle social en lui donnant les moyens de fonctionner mais aussi les moyens de survivre. Nous faisons aujourd'hui ce que tout pays responsable doit faire: protéger ses citoyens sans renoncer à ses valeurs fondamentales et à son modèle social

Protéger ses citoyens est évidemment essentiel. Aussi, je salue la décision historique d'intégrer jusqu'à 1,5 % du PIB en dépenses de sécurité élargies. Vous savez que c'est une grande attention pour ce qui me concerne. Les guerres de demain seront différentes de celles d'hier. Et, aujourd'hui, ce ne sont plus uniquement les dépenses militaires qui comptent. C'est un élément fondamental. Cette évolution appelle à une gouvernance renforcée, au-delà du seul ministère de la Défense, et qui intègre les entités fédérées.

Selon nous, le ministre de la Sécurité devrait être chargé de développer et soumettre une vision stratégique de la sécurité intérieure en lien avec ce 1,5 % de sécurité transversale. Monsieur le ministre, comment voyez-vous concrètement l'évolution de cette coordination intergouvernementale avec, à côté de cette vision stratégique de défense, une véritable vision stratégique de sécurité transversale?

Philippe Courard:

Monsieur le président, monsieur le ministre, cela va coûter 6 000 euros par ménage aux Belges. Deux jours d’escapade à La Haye, et voilà qu’il faut trouver 34,2 milliards d’euros.

Comment les trouver? J’y reviendrai dans un instant. Soyons clairs, je ne suis pas stupide et me rends compte que des moyens supplémentaires sont nécessaires. Il faut bien entendu se défendre. L’Europe et la Belgique doivent répondre aux menaces qui nous entourent. Nous ne devons pas nier la situation géopolitique, mais pas à n’importe quel prix et n'importe comment, monsieur le ministre. Nous ne devons pas dépenser pour dépenser, et certainement pas en faisant porter la charge à nos concitoyens de manière anormale.

Votre politique est paradoxale. Vous préconisez des économies. Il n'y a pas assez d'argent pour la sécurité sociale. Les malades et les pensionnés doivent faire des efforts. Les services publics doivent se serrer la ceinture. Le pouvoir d’achat recule. Les personnes malades et en situation de handicap sont oubliées. Cependant, lorsqu’il s’agit de trouver des milliards, cela se fait en quelques heures. Nous verrons comment, mais ils sont jugés nécessaires.

Pourquoi n'avez-vous pas adopté la position plus raisonnable du premier ministre espagnol? Comment allez-vous financer ces milliards? Le ministre Prévot évoque une nouvelle taxe, le président du MR évite soigneusement le sujet. Allez-vous vendre nos entreprises publiques? Allez-vous faire comme votre prédécesseur, M. Steven Vandeput, avec qui les estimations de montants sont passées de 1,5 milliard à 15 milliards? Je m’interroge et j'aimerais des réponses à ces questions. Comment allez-vous financer ces milliards? Quelles sont vos recettes? Quelles sont vos solutions? Une véritable inquiétude règne au sein de la population. Oui, un effort est envisageable, mais pas au détriment de notre population.

Staf Aerts:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, collega's, ik vond het afgelopen week vooral gênant om te zien hoe de Europese leiders achter president Trump aanliepen om hem toch maar zo veel mogelijk te pleasen, met als top of the bill natuurlijk de uitspraak van secretaris-generaal Rutte: proficiat, mijnheer de president, u hebt Europa doen betalen en het is maar goed ook." Gênant, gênant.

Het was echter ook hier gênant en dat was het daarnet nog. De 5 %-norm is immers belachelijk, krankzinnig, het is collectieve hysterie. Mijnheer de minister, dat verklaarden uw coalitiepartners. Cd&v, Vooruit en de MR, u bent gerold, want de 5 %-norm is wel degelijk beslist afgelopen week.

Dan hoor ik in de wandelgangen dat dat niet erg is, want dat percentage moet pas tegen 2035 worden gehaald. Het is dus niet aan ons, maar aan de volgende generatie om dat te betalen. Het is aan de volgende regering om het probleem op te lossen, terwijl men vandaag zelfs nog niet weet hoe men volgend jaar de 2 % zal financieren.

Wat zien we ondertussen wel? Wie draait op voor de besparingen? De 55-plusser, de pendelaar, wie zorgkrediet opneemt, zij zullen de rekening moeten betalen en daar zullen alleen maar nog mensen bij komen.

5 % defensie-uitgaven blijft echter waanzinnig veel. In 2035 komt dat nog steeds overeen met het volledige budget van Justitie, de politie, de NMBS, Energie en Klimaat samen, maar dat is niet alles. Als de NAVO 5 % uitgeeft, dan geeft ze meer uit dan wat vandaag de hele wereld, dus inclusief Israël, Rusland en India, uitgeeft aan defensie. Ik vind dat onbetaalbaar en dom. Dat is geen investering in meer veiligheid, dat is een investering in een wapenwedloop waarin u ons allemaal meesleurt.

Mijn vraag is en blijft dus: wie zal dat in godsnaam betalen.

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de minister, er heerst bij de coalitiepartners een soort kumbayastemming. Iedereen is tevreden. U bent tevreden, want u hebt een NAVO-akkoord over de 5 %-norm. Belgium is back on track . Dat ik dat uitgerekend van u moet horen, vind ik bijzonder. Ook Vooruit en cd&v zijn tevreden, want er is een akkoord bij de NAVO, terwijl men daar eigenlijk niets mee zal doen. 2% defensie-uitgaven is het plafond, 5% blijft stupide, belachelijk en onzinnig. Ook de eerste minister is tevreden, want hij heeft de uitvoering van de norm over tien jaar kunnen uitsmeren; men kan dat dus voor zich uitschuiven. Après nous le déluge .

Mijnheer de minister, wat is er nu echt afgesproken in de regering? Is er een groeipad richting 3,5% militaire uitgaven in de komende jaren of gaat het, zoals collega Dedecker heeft gezegd, over een creatieve boekhouding? Hoe zult u dat betalen?

Terwijl alle ogen gericht waren op de NAVO-top, bent u naar buiten gekomen met uw investeringsplan van 34 miljard euro, 34 miljard euro aan belastinggeld. De krijtlijnen daarvan hebben we voor het eerst moeten zien op X, op sociale media. Een debat in het Parlement is voorlopig niet nodig. Democratische controle is voorlopig ook niet nodig. Mijnheer de minister, u was tot voor kort zelf nog oppositielid. U zou tegen die werkwijze gefulmineerd hebben. Ik hoop dan ook dat u zeer snel naar het Parlement komt om daar uitleg over te geven.

Mijnheer de minister, wanneer komt u naar het Parlement om uw investeringsplan in de commissie en in de plenaire vergadering te bespreken?

Tot slot, maar zeker niet minder belangrijk, iedereen heeft hier opnieuw de mond vol van Europese samenwerking, maar wat hebt u al ondernomen om de Europese pijler bij de NAVO uit te bouwen?

Annick Ponthier:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, de kogel is door de kerk. Alea iacta est , zou uw premier declameren. De NAVO-top in Den Haag resulteerde in een akkoord om de 5 %-norm te bereiken tegen uiterlijk 2035. Het gaat daarbij om 3,5 % harde defensie-uitgaven en 1,5 % ruimere veiligheidsuitgaven. Spanje, dat protest aantekende tegen die waanzinnige 5 %-norm, is erin geslaagd de tekst te laten versoepelen: niet meer wij, maar de bondgenoten zullen 5 % uitgeven.

Collega’s, mijnheer de minister, dat kan worden gelezen als een vrijstelling. Blijkbaar moesten de lidstaten zich dus niet allemaal gedwee neerleggen bij de ijzeren NAVO-wetten. De vrijstelling geldt echter niet enkel voor Spanje. De tekst is immers van toepassing op alle lidstaten. Echter, zelfs als het bij die 2 % zou blijven, staan wij in dit land alvast voor gigantische problemen. De financiële rampspoed zal immers nog drastisch toenemen, indien de huidige regering haar belofte van 5 % op de NAVO-top wil nakomen.

Ik kom bij mijn vragen.

U maakt zich sterk dat u in 2025 de 2 % kunt bekostigen. Wij weten echter allemaal dat daar Verhofstadtgewijs veel kunst- en vliegwerk voor nodig was. De hamvraag blijft natuurlijk de volgende. Ten eerste, hoe wilt u de 2 %-norm structureel financieren tijdens de huidige legislatuur? Hoe staat u tegenover de nieuwe defensietaks die uw minister Prévot voorstelde?

Ten tweede, het blijft bij 2 % tijdens de huidige legislatuur. Hoe zal het groeipad er vanaf 2029 echter uitzien om naar 2,5 % te gaan tegen 2034? Hoe plant u die enorm steile klim naar 3,5 %?

Nu volgt de vraag van 1 miljard euro. Zal u bijkomende F-35’s (…)

Koen Van den Heuvel:

Mijnheer de minister, de NAVO-Top is inderdaad achter de rug. De teerling is geworpen. Wij van cd&v zijn toch blij. We hebben een aantal pleidooien gehouden voor meer realisme in dit debat en achteraf moeten we toch toegeven dat dit er was. Er zit voldoende flexibiliteit in het pad naar de toekomst. Wat voor ons een prioriteit is en wat we enkele weken geleden al heel duidelijk hadden gesteld, was dat er niet meer dan 2 % gevraagd zou worden in deze legislatuur. Dat is binnengehaald en daar zijn we blij om.

Heel belangrijk ook is hoe we dat pak geld, dat toch nog altijd meer is dan in de vorige jaren, zullen besteden. Voor ons moet dat op een efficiënte en slimme manier. Dat wil zeggen dat niet elk land apart, maar samen investeren in een sterke Europese pijler. Recente studies tonen immers aan dat een gedeelde standaardisatie binnen Europa en gezamenlijke aankopen ons tientallen miljarden zou besparen. In deze budgettaire tijden moeten we daar toch rekening mee houden.

Voor ons is het heel duidelijk. We houden al wekenlang een sterk pleidooi voor minder versnippering en meer standaardisatie. Minder naast elkaar werken, maar echt durven investeren in een sterke Europese pijler. We vinden dat een constante opdracht. Nu mag het in Den Haag wel allemaal koek en ei geweest zijn, met een sterk Atlantisch geloof, maar de basistrend is dat Europa toch meer in eigen sterkte moet investeren. Vandaar dat we geloven in een sterke Europese defensie-unie. We moeten daar niet morgen, maar vandaag werk van maken.

Mijnheer de minister, dat is dan ook onze vraag. Kunnen we rekenen op u en op deze regering om volop te investeren in de versterking van die Europese pijler, in een sterke Europese defensie-unie? Die is immers absoluut nodig voor de toekomst.

Raoul Hedebouw:

Mijnheer de minister, wat een vernedering! Hoe is het mogelijk? Komaan, die 34 Europese eerste ministers luisterden allemaal naar Trump. Onze woordvoerder Mark Rutte stuurde dan een mooi berichtje over hoe die Europese elite vernederd werd door Trump. Hij zegt in zijn berichtje dat het werkelijk buitengewoon was wat Trump deed, iets wat niemand van hen durfde doen, dat hij vliegt naar een volgende succes. Donald, je hebt ons op een heel erg belangrijk moment gebracht. Je zult iets bereiken dat geen enkele andere Amerikaanse president in decennia heeft kunnen verwezenlijken. Donald, Donald, Donald, Europa gaat zwaar betalen, zoals het hoort Donald, en het zal jouw overwinning zijn. Oh, fantastisch.

Magnifique! Regardez ça, cette soumission de l'élite européenne à l'impérialisme américain! C'est du cirage de chaussures industriel. Donald, ne t'inquiète pas, au karcher on nettoie le bazar. C'est incroyable! Et quelle est la prochaine étape, chers amis? La prochaine étape, Donald Trump nous l'a annoncée.

Wat zei Donald Trump? Kiss my ass, dat is de volgende etappe.

Mais comment peut-on accepter cela?

Zoals Rutte zegt, Europa zal zwaar betalen.

L'Europe va payer! Et qui va payer? Ce sont les travailleurs!

De mensen moeten werken tot 67 jaar om hier 2 % van het bbp aan te kunnen besteden. Nu komt er 3,7 % bij en niemand zegt iets. Dat is hypocriet.

Mijn vraag is heel duidelijk, mijnheer de minister. Spanje heeft gezegd geen 5 % te zullen bijdragen. Wat is uw standpunt? Besteden we hier 5 % aan of niet?

Darya Safai:

Mijnheer de minister, beste collega’s, al jaren hebben veel Europese landen, waaronder België, nagelaten om deftig in defensie te investeren. Vanuit het idee dat vrede vanzelfsprekend is, deden die landen aan free riding binnen het NAVO-bondgenootschap. Ze rekenden op de Verenigde Staten om hun eigen veiligheid te garanderen. Nu de VS zich meer op de Indo-Pacific richt, moet Europa zelf meer inspanningen leveren.

Nog voor de aanvang van de NAVO-top bereikten de verschillende lidstaten een principeakkoord over de nieuwe NAVO-norm van 5 % van het bbp. Die geldt voor elke bondgenoot. Concreet gaat het om 3,5 % voor strikt militaire uitgaven en 1,5 % voor defensiegerelateerde domeinen, waaronder infrastructuur en cyberveiligheid. Onze regering verklaarde te mikken op een stapsgewijze opbouw: 2 % tegen 2029, 2,5 % tegen 2034 en 3,5 % tegen 2035.

Mijnheer de minister, op de jongste NAVO-top in Den Haag besprak u de uiteindelijke maatregelen die nodig zijn. Kunt u bevestigen dat de NAVO-norm van 5 % werd vastgelegd? Wat is het tijdsperspectief? In welke modaliteiten wordt voorzien? Welke mijlpalen moeten worden behaald? Welk standpunt hebt u in naam van de regering verdedigd?

Theo Francken:

Vooreerst, de uitspraak op X was redelijk pijnlijk.

Mijnheer de voorzitter, geachte collega’s, de eerste minister heeft gisteren op de NAVO-top duidelijke taal gesproken. Als founding father van de NAVO zal België zich solidair tonen met onze bondgenoten. Dat doen we niet voor de mooie ogen van mister Trump, noch uit angst voor zijn grillen. We doen het om een heldere reden, namelijk om als Europese democratieën zelf te kunnen instaan voor onze eigen veiligheid.

In tegenstelling tot wat vaak wordt beweerd, klopt het niet dat de lat voor defensie-uitgaven wordt opgetrokken naar 5 % van het bbp. Het gaat om 3,5 %, de resterende anderhalve procent betreffen uitgaven in onder meer infrastructuur en brede veiligheid, die vandaag al grotendeels worden gedaan, onder andere ook door de regio’s.

De nieuwe norm komt niet uit de lucht gevallen. Veel bondgenoten behalen die nu al, van de Verenigde Staten over Polen tot Scandinavische en Baltische staten. Dat ook wij die norm nu onderschrijven, is een kwestie van solidariteit en verantwoordelijkheid.

Mesdames et messieurs, la nouvelle norme ne signifie pas que nous devrons atteindre cet objectif demain. Il y a des objections budgétaires à cela, mais aussi des objections pratiques. Si tous les États membres de l'Union européenne dépensaient soudainement 3,5 % de leur PIB pour la défense, il serait impossible pour l'industrie de suivre le rythme des commandes. Le résultat en serait des délais de livraison d'armes et de munitions de 10 ans ou plus, et des prix inacceptables.

Nous avons soulevé tous ces points lors de la concertation diplomatique qui a précédé le sommet de l'OTAN, avec succès. Les États membres disposeront d'un délai de 10 ans (non pas 7 ans) pour atteindre la nouvelle norme, sans augmentation annuelle obligatoire de 0,2 %. L'objectif sera également réévalué en 2029.

Ik beklemtoon dat dat niet de verdienste van Spanje was, maar wel van onze diplomatie. Dat land koos voor de fanfare, wij kozen voor discretie. Hulde aan onze NAVO-ambassadrice, mevrouw Petridis, en haar hele team.

Dames en heren, als politici hebben wij de verantwoordelijkheid om op een serene manier aan de burger uit te leggen waarom de versterking van onze krijgsmacht noodzakelijk is. Sommigen onder ons doen uitschijnen dat er helemaal geen dreiging bestaat. Dat gebeurt dan met lacherige clichés als: er zullen toch nooit Russische tanks door Brussel denderen. Dat is onverantwoord, want daarover gaat het uiteraard totaal niet.

Waarover gaat het dan wel? Ons land komt automatisch in een staat van oorlog met Rusland, als Poetin ook maar één vierkante kilometer van een andere NAVO-lidstaat zou bezetten. Dat vloeit voort uit onze verplichtingen onder het NAVO- en EU-Verdrag. Dat scenario is helaas niet ondenkbaar. Het Poetinregime maakt geen geheim van zijn langetermijnambitie om de Baltische staten, waar omvangrijke Russische minderheden wonen, opnieuw in zijn machtssfeer op te nemen. Onze Baltische provincies, zo noemt Dmitry Medvedev, de voorzitter van de Russische Veiligheidsraad, die EU-lidstaten steevast.

Degenen die volhouden dat Rusland die ambitie niet koestert, beweerden drie jaar geleden ook dat Rusland Oekraïne nooit binnen zou vallen. Bovendien negeren zij volledig dat Rusland vandaag al volop een hybride oorlog tegen Europa voert, ook tegen ons land, dagelijks. Hoe kan men dan nog volharden in de stelling dat er van Rusland geen bedreiging uitgaat?

Tegelijkertijd moeten we nu al rekening houden met de heroriëntering van de Amerikaanse aanwezigheid in Europa naar de Stille Oceaan en Oost-Azië. Meer dan ooit moet Europa klaarstaan om het stuur van de veiligheidsarchitectuur van ons continent zelf in handen te nemen.

Dames en heren, alleen krachtige Europese legers kunnen de veiligheid en onafhankelijkheid van Europa verzekeren. Die hebben we vandaag niet, na decennia van bezuinigingen en afbouw. We moeten ze heropbouwen. Dat is onze verantwoordelijkheid en daar zijn we volop mee bezig.

De nieuwe strategische visie voorziet in een investering van 34 miljard euro, waarvan 27 miljard euro in nieuwe militaire capaciteiten in de komende tien jaar. Ook in het personeel zullen we fors investeren, want zij zijn het kloppende hart van elke defensie, van elke krijgsmacht. Er komt 50 miljard euro op tafel over die tien jaar.

Die inspanningen leveren we niet om oorlog te voeren, maar precies om oorlog te vermijden, want de vrede bewaren zal ons niet lukken door zwakheid te tonen. Daarin zullen we alleen slagen als we samen kracht uitstralen.

Ten slotte, het klopt dat er nog geen officiële beslissing in de Ministerraad is, maar ik heb afgesproken met voorzitter Buysrogge om (…)

Axel Weydts:

Mijnheer de minister, vandaag is opnieuw het verschil duidelijk geworden tussen de communisten van de PVDA en Vooruit. De communisten van de PVDA zijn niet bezig met de veiligheid van de mensen. Wij willen wel investeren in de veiligheid van onze mensen en ook in de veiligheid van mensen die hun eigen veiligheid niet kunnen kopen, zoals de superrijken dat wel kunnen.

Als de wereld in brand staat, dan mag men niet aan de kant blijven staan, dan moet men blussen en zijn verantwoordelijkheid nemen. Dat is wat Vooruit doet. De PVDA wil aan de kant blijven staan. De PVDA wil Poetin bestrijden met een boeket bloemen. De PVDA wil uit de NAVO stappen. Beste vrienden, dat is niet alleen naïef, dat is ook gevaarlijk. Vooruit zal wel investeren in onze veiligheid.

Jean-Marie Dedecker:

Collega’s, ik ben het een beetje beu om de les gespeld te worden door links en door de communisten. Ik lik de schoenen van Trump niet, dat is een maffioso, hij likt die van Poetin.

Wij hebben ons vergist. Laten wij het even hebben over de ideologie van uw regime, namelijk het communistische regime. Honderd miljoen doden in de wereld. Nu is er het regime van de heer Poetin, het neocommunisme. Dat gevaar staat terug voor de deur. In 1989 hebben wij ons vergist. We dachten dat de vrede gekomen was, maar neen. Extreemrechts kwam op, dat roept om een grote leider, net als u.

Wat moeten wij nu doen? Opnieuw betalen voor onze veiligheid. Omdat psychopaat Poetin nu voor de deur staat, moeten wij nu opnieuw inleveren op onze welvaart. Denk daar eens over na, mijnheer Hedebouw. Het is de schuld van uw regimes dat we ons vandaag opnieuw moeten bewapenen.

Mathieu Michel:

Merci monsieur le ministre pour vos réponses. Quoi qu'en pensent certains, nous ne sommes plus dans une ère d'insouciance. Nous sommes entrés dans un temps de bascule où la sécurité n'est plus une donnée implicite de nos sociétés et est redevenue un combat. Cette sécurité a toujours été la première des libertés. C'est elle qui conditionne tout le reste: la démocratie, l'économie, la solidarité, l'éducation, la culture. Sans sécurité, rien ne tient et nous le découvrons avec brutalité une fois encore, après des années où nous avons cru que notre mode de vie était définitivement protégé, presque éternel même. Certains aujourd'hui affichent de façon lancinante cette naïveté coupable.

Ce que nous sommes en train de défendre aujourd'hui, c'est notre façon de vivre, notre humanité, nos libertés et ce fragile équilibre que des générations ont bâti avant nous. Alors oui, c'est un moment historique et nous avons le devoir, au-delà des discours politiques, d'être au rendez-vous.

Philippe Courard:

Monsieur le ministre, je ne suis pas rassuré par vos réponses. Pourquoi céder à l'instable M. Trump? Où est le projet européen dans ce que vous proposez? Et l'armée européenne intégrée? On n'en parle pas du tout.

Quid du retour pour nos entreprises? C'est aussi un sujet que nous n'avons pas traité et qui est important. On ne va pas reproduire les erreurs du passé – je l'espère en tous cas. Comment allez-vous financer cela? Pas de réponse, sinon qu'on va le faire sur dix ans et que la charge sera donc reportée sur les générations futures. C'est exactement la technique que vous avez critiquée ces dernières années. Il reste donc beaucoup de questions, à moins peut-être que la fusion avec les Pays-Bas proposée par M. De Wever soit une réponse.

Concernant la taxe proposée par M. Prévot, pas de réponse non plus. Où allez-vous chercher l'argent? Nous sommes terriblement inquiets. Votre gouvernement d'ingénieurs nous fait très peur, monsieur le ministre.

Staf Aerts:

Mijnheer de minister, ik had maar één vraag gesteld, namelijk wie dat zal betalen, maar u hebt er weer niet op geantwoord, net als in de commissie. Ik had mijn vraag gericht aan de premier, in de hoop nu wel een antwoord te krijgen op de vraag wie die rekening zal betalen. Ik weet immers dat u dat niet interesseert. U wilt gewoon zoveel mogelijk geld kunnen uitgeven aan wapens en u ligt niet echt wakker van wie dat zal betalen.

U zegt dat die 5 % of 3,5 %, welk percentage u ook neemt, niet zomaar uit de lucht komt vallen. Ik wil toch even de geschiedenis schetsen. Het is ondertussen drie jaar geleden dat Rusland Oekraïne binnenviel. In december zegt secretaris-generaal Rutte dat 3 % een mooie ambitie zou zijn. In februari zegt deze regering dat 2 % tegen 2029 wel voldoende zou zijn. Trump schudt iets uit zijn mouw en opeens is het 3,5 % of 5 %.

Ik hoor cd&v en Vooruit zich hier opnieuw verzetten, maar die partijen hebben zich niet verzet, België is akkoord gegaan met die 5 % en we hebben het aan ons been.

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw toelichting. Over de NAVO-norm blijft het alle kanten opschieten. Ik hoor hier weer verzet tegen die 5 % en hoor dat 2 % het plafond wordt genoemd. Over die NAVO-norm van 5 % is momenteel niets duidelijk. De enige zekerheid is dat de rekening betaald zal worden door de volgende regeringen en de volgende generaties.

Ook over de Europese defensie heb ik heel weinig gehoord, behalve dat we het stuur moeten vastnemen, maar als men het stuur vastneemt, moet men wel weten welke richting het met die Europese defensie uit moet. In Europa worden vandaag 19 soorten tanks, 27 soorten fregatten en torpedojagers en 20 soorten gevechtsvliegtuigen geproduceerd. Een kat vindt er haar jongen niet in terug. Maak werk van een Europese strategie en zorg ervoor dat die markten op elkaar zijn afgestemd, zodat we een Europees blok kunnen vormen en strategisch en onafhankelijk kunnen handelen.

Annick Ponthier:

Mijnheer de minister, de 2 % voor deze legislatuur is enkel begroot voor dit jaar. Wat met de structurele financiering voor de komende jaren? Geen antwoord. Defensietaks? Geen antwoord. Er zijn wel historische plannen om geld uit te geven, maar vooralsnog geen idee waar dat geld vandaan moet komen.

Toch hebt u in Den Haag 5 % beloofd tegen 2035. Operatie schone schijn, zo noem ik die NAVO-top, want zelfs met uw maximale flexibiliteit dreigt u ons verder in de schulden te steken en die schulden zullen natuurlijk vooral door de Vlaming worden betaald.

Haal dus het geld voor die 2 % waar u het moet halen. Bespaar op ontwikkelingshulp, op de asielfactuur, op het politieke systeem en op onze bijdrage aan de EU. Ik dank u.

Koen Van den Heuvel:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Laat ons duidelijk zijn, de dreiging is er. Niets doen is absoluut geen optie, maar het is ook belangrijk dat we het draagvlak bij onze mensen behouden, vandaar ons pleidooi sinds weken voor een realistisch en flexibel tijdspad. Dat is er nu, waarvoor dank aan de regering en aan onze diplomatie.

Op die manier kunnen we ook de lagere schoolmaniertjes van mensen als collega Hedebouw gemakkelijker weerleggen. Sketches geven om dat draagvlak te ondermijnen, wij doen daar niet aan mee. Stop alstublieft met die vijfdecolonnemanieren.

Nu is het echter ook absoluut nodig om verder te gaan. Naast het budget moet er ook worden geïnvesteerd in een echte Europese pijler, zodat Europa strategisch kan zijn en op eigen benen kan staan. Ik moedig u aan, samen met de regering, om echt werk te maken van een Europese defensie-unie en van een sterke Europese defensie-industrie.

Raoul Hedebouw:

Chers collègues, on a visiblement fait mal en pointant du doigt la soumission de l'élite européenne à l'impérialisme américain – les Macron, les Bart De Wever, tous ces gouvernements européens qui étaient effectivement à la remorque complète de Trump. C'est bien cela le problème. Votre problème, ce n'est pas le contenu du SMS. C'est qu'il a été révélé au monde. Voilà ce qui pose problème avec ce SMS.

Cette soumission est réelle et ne va pas nous apporter de la sécurité – pour ceux qui se poseraient la question de notre structure de sécurité. L'impérialisme américain est là pour déstabiliser le monde. Qu'est-ce que vous croyez? Que se passe-t-il aujourd'hui avec le génocide du peuple palestinien? On laisse faire. On laisse même transiter les armes. Cela va-t-il nous apporter de la sécurité? Vous êtes contents dans votre coin mais, les bombardements illégaux contre l'Iran, savez-vous ce que cela veut dire? No rules ! La loi du plus fort. C'est l'ouverture vers une troisième guerre mondiale.

Et vous croyez qu'on va y arriver? On entend aujourd'hui que les troupes américaines iront dans le Pacifique. Que va-t-il se passer? Une guerre Chine-Amérique? Allez l'Europe!

Darya Safai:

In de huidige geopolitieke toestand hebben we geen andere keuze dan te investeren in onze veiligheid en defensie. De verhoging van het budget zal gradueel verlopen en over 10 jaar gespreid zijn. We creëren bovendien opportuniteiten voor de Belgische industrie. Als founding father van het sterkste defensiebondgenootschap ooit herstellen wij daarmee ook onze betrouwbaarheid als bondgenoot.

We doen dat niet voor president Trump, collega’s. We doen dat voor de vrede, voor onze veiligheid en die van ons nageslacht. We mogen de veiligheid van Europa niet langer verwaarlozen door gewoon verder te gaan als freeriders. Het zal veel inspanningen vergen, maar we zijn blij dat deze regering er werk van maakt.

Persoonlijk feit

Fait personnel

Voorzitter:

Collega Vandeput liet mij weten gebelgd te zijn, en wel door de uitspraken van de heer Courard, die hem bepaalde zaken voor de voeten heeft geworpen.

Steven Vandeput:

Mijnheer de voorzitter, als 'gebelgd zijn' betekent dat iemand verontwaardigd is, dan moet ik bekennen dat ik dat deels wel ben. Het is immers de zoveelste keer dat de PS uit het rapport van het Rekenhof over de landcapaciteit fout citeert en echte beschuldigingen uit.

Dat doet mij denken aan vroeger. Toen wij met vriendjes speelden en iemand iets kapotgemaakt had, werd gevraagd wie dat had gedaan. De eerste die ontkende, was meestal de dader. Op die manier gaat het ook bij de PS.

Ik heb gezien wat de PS voor defensie kan betekenen. Het kan betekenen dat defensie wagens heeft waar een gewone mens niet in kan. Nog een mogelijkheid is dat aangekochte helikopters ondertussen aan de grond staan, omdat ze gewoon onbetaalbaar zijn. Ook kunnen obussen worden aangekocht die niemand kan gebruiken, zelfs het Belgische leger zelf niet. Dat is de houding van de PS.

Opnieuw kan ik u melden dat het Rekenhof in zijn rapport duidelijk stelt dat de government-to-governmentafspraak die met Frankrijk werd gemaakt, opportuun was. Ter zake was er volledige transparantie over het bedrag van 1,5 miljard euro aan materieelaankopen. Destijds zijn zowel de mensen als de onderhoudskosten opgenomen in de langetermijnbudgetten.

Feit is wel dat na mij opnieuw iemand van PS-signatuur werd aangesteld, die de zaak kennelijk helemaal in het honderd heeft laten lopen. De PS die wij kennen, draagt meestal geen zorgen voor wat zij overgedragen krijgt en al zeker niet voor wat ze moet overdragen. Daarnaast wijst de PS telkens opnieuw naar Vandeput, die nochtans niets anders gedaan heeft dan een government-to-governmentcontract te sluiten. Ik vraag mij daarom af wat de PS in dezen te verbergen heeft.

Voorzitter:

Je voudrais demander à M. Courard de réagir, mais il n'est plus ici.

Er werd ook verwezen naar mevrouw Dedonder. Ik geef haar één minuut om te reageren.

Ludivine Dedonder:

Monsieur le président, je ne comprends pas pourquoi je ne dispose que d'une minute.

Monsieur Vandeput, vous dites que vous n'avez rien fait d'autre. Je dirais plutôt que vous n'avez rien fait du tout! Vous avez laissé les factures au gouvernement précédent. Vous avez acheté les F-35 sans prévoir le personnel nécessaire ni les infrastructures pour les abriter. Vous avez sous-budgété le quartier de l'état-major. Concernant la frégate, rien n’a été prévu: un milliard de déficit.

Vous n'avez rien fait du tout et aujourd’hui vous répétez les mêmes erreurs. Vous allez acheter américain. Vous n'allez absolument pas investir dans le développement économique de notre pays et de l'Europe. Vous n'allez pas soutenir les industries. Vous allez faire travailler le personnel jusqu'à 67 ans. Dans vos 34 milliards, il n'y a même pas un euro pour s'occuper du personnel!

À votre place, je ne donnerais pas de leçons, monsieur "qui n'a même pas atteint 1 % de PIB".

Steven Vandeput:

Dat was mooi ingestudeerd. Ik zal niet reageren op die klinkklare nonsens. Wij erfden Defensie destijds in een staat waarin ze niet capabel was te doen wat moest. We hebben het tij proberen te keren door in mensen en materieel te investeren. Ik vertrouw erop dat deze regering opnieuw zal doen wat nodig is om Defensie slagkrachtig te maken en om de verwachte bijdrage te leveren. Mevrouw Dedonder, u hebt veel gezegd, maar nog altijd niet geantwoord op mijn vraag: wat hebt u te verbergen? Mijnheer de minister, ik wens u heel veel succes met uw strategisch plan.

Sociale fraude met de IVT en/of IT

Gesteld door

lijst: N-VA Wouter Raskin

Gesteld aan

Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)

op 24 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De DG HAN stopzet (niet schorst) uitbetalingen van IVT/IT bij onwettig buitenlands verblijf (>90 dagen) alleen als domicilie in België ontbreekt, maar voert geen actieve controles uit door gebrek aan bevoegdheid—alleen bij meldingen van derden (bv. inspectiediensten) volgt onderzoek. Fraude leidt tot terugvordering (tot 5 jaar), maar structurele controles of cijfers ontbreken, wat Raskin kritiseert als een passief, afhankelijk systeem ("kliklijn") met gaten in handhaving. Hij vraagt zich af of de woonplicht wel voldoende gecontroleerd wordt en wijst op een mogelijke beleidswijziging rond fraudeoverleg, die de minister in zijn nota aankaartte maar nog niet concreet maakte.

Wouter Raskin:

Mijnheer de minister, het antwoord op een schriftelijke vraag die ik u onlangs gesteld heb, was nogal opvallend. Het ging over controles op onwettig verblijf in het buitenland van personen met een beperking die een IVT of een IT ontvangen. De regelgeving is duidelijk. Het recht blijft behouden indien men niet langer dan 90 dagen per jaar, al dan niet opeenvolgend, in het buitenland verblijft.

Mijnheer de minister. ten eerste, in uw antwoord geeft u aan dat de DG Personen met een handicap niet overgaat tot een schorsing van het recht op een IVT of IT bij onwettig verblijf in het buitenland van langer dan 90 dagen. Waarom gebeurt dat niet?

Ten tweede, leidde onwettig verblijf in het buitenland in het verleden dan wel tot schorsing van het recht? Zo ja, waarom en sinds wanneer veranderde de DG HAN het geweer van schouders?

Ten derde, verbindt de DG HAN misschien andere gevolgen aan het onwettig verblijf in het buitenland? Zo ja, welke?

Mijn drie eerste vragen gingen over de schorsing. Mijn vierde vraag gaat over de controle. Worden er controles uitgevoerd op het onwettig verblijf in het buitenland van personen met een IVT of een IT? Hoeveel controles vonden er de afgelopen vijf jaar plaats? Hoeveel inbreuken werden daarbij vastgesteld? Of werden er helemaal geen controles uitgevoerd? Waarom niet?

Rob Beenders:

Mijnheer Raskin, ik vind dat een goede opvolgingsvraag na uw schriftelijke vraag, aangezien ik nu het antwoord op de schriftelijke vraag kan verduidelijken.

Waarom gaat de DG HAN niet over tot schorsing wanneer iemand langer dan 90 dagen in het buitenland verblijft? Het recht op de IVT en de IT kan wettelijk gezien niet worden geschorst, maar wel wordt de uitbetaling ervan stopgezet.

Indien wordt vastgesteld dat de rechthebbende geen domicilie meer heeft in België op basis van informatie uit het Rijksregister, stopt die uitbetaling. Mogelijk kan de woordkeuze in dat verband anders worden geïnterpreteerd. We schorsen dus niet, maar stoppen wel de uitbetaling. Het resultaat is hetzelfde, maar de nuance zit eerder in de woordkeuze. Uiteindelijk komt het erop neer dat de betrokkene geen IVT of IT meer ontvangt.

De DG HAN beschikt niet over formele controlebevoegdheden, noch over controlemiddelen, naar analogie van bijvoorbeeld de sociale inspectie of de inspectiediensten van de POD Maatschappelijke Integratie. Als de DG HAN daarover een melding ontvangt van een derde partij, wordt wel degelijk een onderzoek opgestart. Zo zal een maatschappelijk assistent van de DG HAN op huisbezoek gaan om vast te stellen of iemand effectief op zijn domicilieadres verblijft. Als er ernstige vermoedens blijven bestaan dat de betrokkene niet of niet meer in België verblijft, wordt de betaling van de tegemoetkoming geblokkeerd. Als de betrokkene vaststelt dat hij zijn tegemoetkoming niet langer krijgt uitbetaald, zal hij de DG HAN contacteren, zodat de DG HAN de situatie effectief kan beoordelen. Dat is ook al een aantal keer gebeurd.

In uw tweede vraag vroeg u mij of de DG HAN het geweer van schouder heeft veranderd. Dat is eigenlijk een verwijzing naar de eerste vraag. Er is dus niets veranderd. De DG HAN kan niet schorsen, maar wel de uitbetalingen blokkeren en op die manier antwoorden krijgen of ingrijpen bij misbruik. Er is dus geen wijziging in de door DG HAN toegepaste praktijk.

U vroeg in uw derde vraag of de DG HAN andere gevolgen verbindt aan het onwettig verblijf in het buitenland en zo ja, welke. De wet van 27 februari 1987 bepaalt dat de terugvordering van ten onrechte betaalde tegemoetkomingen na drie jaar verjaart, te rekenen vanaf de datum waarop de uitbetaling is geschied. In geval van fraude worden de ten onrechte uitbetaalde tegemoetkomingen teruggevorderd tot vijf jaar.

In uw vierde vraag polst u of er controles werden uitgevoerd, en zo nee, waarom niet. U vraagt ook of er cijfers beschikbaar zijn. De DG HAN beschikt wettelijk gezien niet over sociale controleurs met bevoegdheden om controles uit te voeren, naar analogie met de sociale inspectie. Voor controle is de DG HAN dus aangewezen op externe diensten, zoals het arbeidsauditoraat of de inspectiediensten van de RVA.

Zoals ik daarnet al heb gezegd, is het wel zo dat als er bij de DG HAN een melding binnenkomt van een derde partij over langdurig verblijf in het buitenland van rechthebbenden op de IT en de IVT, zij zelf een onderzoek zal instellen. Over lopende of afgeronde onderzoeken worden echter geen cijfers geregistreerd. Die kan ik u dus helaas niet bezorgen.

Wouter Raskin:

Mijnheer de minister, dank u voor het antwoord. Dat was redelijk gedetailleerd en uitgebreid, dus ik ga zeker de tijd nemen om het nog eens grondig te herbeluisteren en na te lezen. Ik vind het wel vreemd dat u zegt dat er niet wordt geschorst omdat de DG HAN dat wettelijk niet mag doen. De uitbetaling wordt stopgezet als wordt vastgesteld dat de rechthebbende geen domicilie meer heeft in België. Mensen die wel nog gedomicilieerd zijn in België, kunnen dus vrolijk de IVT of IT blijven genieten, begrijp ik dan. Ik vind dat een beetje vreemd, maar, nogmaals, ik zal uw antwoord in detail herlezen. U zegt ook dat de DG HAN geen controlemiddelen heeft, maar dat ze afhankelijk is van meldingen door derde partijen, onder andere – zo heb ik begrepen uit uw antwoord op mijn vierde vraag – van inspecteurs die in het kader van andere onderzoeken aan de slag zijn en dan op problemen stoten in dezen. Spreken van "derde partijen" lijkt mij wat op een kliklijn. Er wordt van burgers dus gevraagd dat ze andere burgers aangeven als ze zien dat er iets gebeurt. Ik ben er niet zeker van dat dat de beste werkwijze is. Ten slotte, wat uw laatste antwoord betreft, u zegt dat de DG HAN geen wettelijke controleurs heeft en ook niet structureel betrokken is bij het fraudeoverleg, maar ik dacht uit uw beleidsnota begrepen te hebben dat u van plan was om daar op zijn minst over na te denken. Ik dank u voor uw antwoord. Nogmaals, het was gedetailleerd. Ik ga dat nog eens bekijken.

De Belgische inzet voor de oceaanbescherming en de kandidatuur voor het BBNJ-secretariaat

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 24 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België neemt een leidersrol in internationale oceaanbescherming door snelle ratificatie van het BBNJ-verdrag (30% bescherming tegen 2030), kandidatuur voor het secretariaat (gesteund via diplomatie en wetenschappelijke expertise) en actieve inbreng in PrepCom-onderhandelingen. Concrete initiatieven omvatten bilaterale lobby via ambassadeur Van de Voorde, promotie op strategische fora, en wetenschappelijke samenwerking (e-DNA-campagnes, Mercator Ocean, Olympia-verklaring) om data-toegang en veerkracht te versterken. De minister benadrukt samenwerking tussen overheden en internationale allianties (Blue Leaders) als sleutel tot succes. Doel: versneld globaal draagvlak voor oceaanherstel en klimaatadaptatie.

Phaedra Van Keymolen:

Mevrouw de minister, oceaanbescherming stopt niet aan de waterlijn. Ze vereist internationale samenwerking, diplomatieke daadkracht en wetenschappelijke excellentie. In dat opzicht bieden conferenties zoals de derde VN-Oceaanconferentie unieke kansen om samen concrete stappen vooruit te zetten.

Ik hoef u daarvan niet te overtuigen, want onder uw leiding heeft België die kans met overtuiging aangegrepen, niet alleen door als een van de eerste landen het Verdrag inzake de Bescherming van Biodiversiteit op Volle Zee te ratificeren, maar ook door zich kandidaat te stellen om het secretariaat daarvan in België te huisvesten. Daarmee onderstrepen wij onze rol van diplomatiek knooppunt en bakermat van mariene wetenschappelijke expertise. Tegelijk versterken wij onze positie als actieve en ambitieuze speler in de internationale oceaandiplomatie in lijn met ons engagement als stichtend lid van de Blue Leadersalliantie. Mevrouw de minister, u hebt al die troeven voortreffelijk uitgedragen, waarvoor ik zeker mijn waardering wil uitdrukken.

Welke verdere ambities hebt u in het internationale kader op het vlak van oceaanbescherming?

Hoe wilt u onze voortrekkersrol de komende jaren verder vormgeven?

Welke bijkomende initiatieven plant u om de Belgische kandidatuur voor de huisvesting van het BBNJ-secretariaat maximaal te ondersteunen en internationaal te valoriseren?

Ten slotte, hoe ziet u de verdere concretisering van de Belgische inzet rond oceaandata in het kader van de intentieverklaring van Olympia en de samenwerking met Mercator Ocean?

Annelies Verlinden:

Mevrouw Van Keymolen, ons land neemt inderdaad in de internationale bescherming van de oceaan een vooraanstaande rol in. Dat engagement vereist een sterke combinatie van internationale samenwerking, diplomatieke daadkracht en wetenschappelijke excellentie. Ik deel dan ook volledig uw overtuiging dat wij die opportuniteiten met volle overtuiging moeten benutten.

Onze bevoegde diensten staan klaar om die voortrekkersrol niet alleen verder op te nemen, maar, waar mogelijk, ook te versterken. Een belangrijke mijlpaal in dat verband is de recente ratificatie van het BBNJ-Verdrag. Die werd gehaald dankzij een uitstekende samenwerking tussen het federale niveau en de gefedereerde entiteiten en weerspiegelt onze vastberadenheid.

Ik wil, nog even opnieuw verwijzend naar de vraag van daarnet, nog meegeven dat ondertussen al vijftig landen het verdrag hebben geratificeerd. Bij zestig ratificaties zal het verdrag in werking treden.

België blijft intussen sterk vertegenwoordigd in de internationale voorbereidende vergaderingen in New York, de zogenoemde PrepComs, die de weg banen naar de allereerste conferentie van de partijen van het BBNJ-verdrag.

Als actief lid van twee belangrijke Europese onderhandelingsteams en als lid van het bureau van de PrepCom kan ons land invloed uitoefenen op de vormgeving en de snelle inwerkingtreding van het verdrag. België blijft zich onverminderd inzetten voor de wereldwijde realisatie van de ambitieuze 30-by-30-doelstelling, zijnde de bescherming van ten minste 30 % van de oceanen tegen 2030.

Dat is van fundamenteel belang voor het herstel van het mariene ecosysteem, het behoud van de mariene biodiversiteit en het vergroten van de veerkracht van de oceanen tegen onder meer de impact van klimaatverandering.

We blijven dan ook nauw samenwerken met onze internationale partners om onze doelstelling wereldwijd te promoten en te realiseren.

In het verlengde daarvan wil ik ook graag onze kandidatuur voor het BBNJ-secretariaat toelichten. De kandidatuur verloopt vlot en wordt actief ondersteund via onze diplomatieke kanalen. Er worden intussen voortdurend demarches ondernomen om internationale steun te verzekeren en intussen zijn er al enkele reciprociteits–akkoorden tot stand gekomen.

In onze contacten horen we duidelijk dat de troeven waarop onze kandidatuur steunt, waaronder de locatie en de bereikbaarheid, de sterke aanwezigheid van diplomatieke vertegenwoordigingen en wetenschappelijke expertise, breed worden erkend. Om onze kandidatuur maximaal te ondersteunen en onze internationale zichtbaarheid te verhogen, zijn meerdere initiatieven gepland. Zo zal onze speciaal gezant voor klimaat en milieu, ambassadeur Wim van de Voorde, zijn bilaterale gesprekken met internationale partners voortzetten, met specifieke aandacht voor de rol van België in het BBNJ-proces en de troeven van ons land als gastland. Daarnaast zullen we onze kandidatuur blijven promoten op strategische fora in de internationale en multilaterale context.

Ook op wetenschappelijk vlak blijft België actief bijdragen aan internationale samenwerking en kennisdeling. Tijdens de oceaanconferentie ondertekende België een intentieverklaring om mee vorm te geven aan de verdere uitbouw van het Mercator International Center for the Ocean.

Om onze digitale ambities op het vlak van oceaanobservatie kracht bij te zetten, heeft België bij de Europese Commissie een amendement ingediend op het Nationaal Plan voor Herstel en Veerkracht om een uitgebreide e-DNA-staalnamecampagne en bijhorende analyses te kunnen ondersteunen. Op die manier willen we wetenschapsdiplomatie en capaciteitsopbouw bevorderen, onder meer via technologieën die ook voor de burger toegankelijk zijn.

Phaedra Van Keymolen:

Mevrouw de minister, bedankt voor uw uitgebreid antwoord. Ik denk dat wij volledig op dezelfde golflengte zitten en ik wens u veel succes met uw aanpak.

De onderfinanciering van de zorgcentra na seksueel geweld
De zorgcentra na seksueel geweld
De zorgcentra
Financiering en werking van zorgcentra na seksueel geweld

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 24 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De onderhandelingen tussen RIZIV en zorgkoepels over de financiering van zorgcentra voor slachtoffers van seksueel geweld lopen, maar zorgen over ontoereikende middelen (personeel, lonen, werkingskosten) blijven bestaan, ondanks een granulair model (vaste + variabele financiering gebaseerd op slachtofferaantallen) en een budget van 27,1 miljoen euro vanaf 2026. Knelpunten zijn het ontbreken van flexibiliteit (geen aanpassing vte’s artsen bij meer slachtoffers, verouderde loonschalen verpleegkundigen, geen vormingsbudget) en onduidelijkheid over volledige kostendekking, wat de continuïteit en kwaliteit van de centra bedreigt, terwijl Justitie en deelstaten nog niet zijn betrokken. Depoorter dringt aan op verdere aanpassingen, Vandenbroucke benadrukt stapsgewijze evaluatie en overdracht van bestaande middelen (o.a. van IGVM).

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, er lopen momenteel onderhandelingen tussen het RIZIV en de zorgkoepels over de nakende inkanteling van zorgcentra in het RIZIV. Verschillende actoren maken zich grote zorgen over de ontoereikende financiering, die de continuïteit en de kwaliteit van de zorg in het gedrang zou kunnen brengen.

Kunt u een stand van zaken geven van die onderhandelingen? Hoe garandeert u dat de financiering voldoende zal zijn om de zorgverlening op peil te houden, zowel voor de werknemers als voor de patiënten?

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw Depoorter, u kent het kader en de wetgeving uiteraard zeer goed. De in de overeenkomst voorziene financiering van de zorgcentra moet gelden als volledige kostendekking van de gezondheidszorg, die aan alle slachtoffers van seksueel geweld wordt verstrekt.

Op 9 mei werd een eerste werkgroepvergadering omtrent die overeenkomst georganiseerd, in aanwezigheid van de leden van de Overeenkomstencommissie verpleging, richtingen en verzekeringsinstellingen van het RIZIV. De leden konden experten uit het veld uitnodigen om hen bij te staan. Onder hen bevonden zich ook experten van de zorgcentra. Na die vergadering van de werkgroep werd beslist om een tweede vergadering te organiseren, die op 5 juni heeft plaatsgevonden, om verdere suggesties te formuleren en vragen te stellen. Ook daarvoor werden, naast de leden van de Overeenkomstencommissie, experten uitgenodigd, onder wie ook vertegenwoordigers van de Nederlandstalige zorgcentra.

Tijdens de werkgroepvergaderingen werd de inhoud van de financiering en het ontwerp van de overeenkomst en het koninklijk besluit besproken. Er werd tegemoetgekomen aan een aantal bezorgdheden met betrekking tot de verpleegkundige financiering en de werkingskosten.

Het investeringsbudget is alleen voorzien voor zorgcentra na seksueel geweld die nog geen slachtoffers kunnen ontvangen en zich dus nog in een opstartfase bevinden.

Aangaande de financiering voor de samenwerking met een hiv-referentiecentrum, wordt in het ontwerp een vast bedrag per zorgcentrum voorzien. Zo kan het zorgcentrum een beroep doen op de begeleiding en expertise van een hiv-referentiecentrum.

Met betrekking tot het forfait per slachtoffer, het slachtoffer krijgt de nodige zorgen. De wet verbiedt echter elke financiële aanrekening aan het slachtoffer. Met dat forfait per slachtoffer betalen de centra de kosten voor gezondheidszorg die hen ten laste vallen. Het tarief blijft ongewijzigd ten opzichte van de voorgaande overeenkomst met het RIZIV.

De continuïteit van de centra wordt gegarandeerd via een granulair financieringsmodel dat rekening houdt met het aantal slachtoffers in elk centrum. Door de combinatie van vaste en variabele componenten kan het budget beter worden gealloceerd en ingezet waar het nodig is. Ten opzichte van vroeger, toen er slechts kleine en grote zorgcentra bestonden, zal elk centrum in de toekomst een financiering krijgen die beter is afgestemd op het aantal slachtoffers dat zich meldt. De overeenkomst zal nader worden geëvalueerd door het RIZIV en indien nodig bijgestuurd.

Justitie is momenteel niet betrokken bij de interne besprekingen rond het koninklijk besluit, aangezien het louter de overdracht van de medische aspecten van de zorgcentra betreft.

Wat het budget betreft, wordt door de zorgcentra in een overdracht voorzien vanuit het Zorgpersoneelfonds. Bovendien is bepaald dat eventuele kosten die voortvloeien uit de oprichting van extra centra, exogeen zullen worden gedekt.

Er zal ten slotte ook een budget worden overgedragen aan het RIZIV door het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen. Inzake de middelen die dat instituut momenteel gebruikt voor de zorgcentra, geef ik mee dat vanaf 2026, rekening houdend met de index, in totaal 27,1 miljoen euro is ingeschreven om dertien operationele zorgcentra te financieren via de RIZIV-overeenkomst.

Op uw laatste vraag, over de beleidsnota van mijn collega, de minister van Justitie, kan ik antwoorden dat daarover nog geen afstemming werd bereikt tussen het RIZIV en Justitie en evenmin met de deelstaten. Slachtoffers van niet-acuut seksueel geweld kunnen nu al terecht in een zorgcentrum voor een opvanggesprek en zullen door de medewerkers gericht worden doorverwezen naar andere zorg- en hulpverleningsorganisaties.

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, er heeft inderdaad overleg plaatsgevonden, maar ik heb het vermoeden dat u nog niet bent waar de betrokken partijen uiteindelijk willen uitkomen. Er blijft immers heel wat bezorgdheid bestaan op het terrein, bijvoorbeeld over het feit dat er geen aanpassingen gebeuren van het aantal vte’s voor artsen wanneer er meer slachtoffers zijn of het feit dat voor verpleegkundigen nog steeds de oude loonschalen worden gehanteerd in plaats van IFIC 15. De vrees leeft, ten eerste, dat zich op die manier geen nieuwe centra zullen aandienen, en ten tweede, dat de volledige investering nog altijd niet is gedekt. Wij – u, ik, mijn partij, maar ook minister Beenders – zijn er absoluut van overtuigd dat die zorgcentra een heel belangrijke rol spelen. Ze maken het verschil voor slachtoffers en de zorgcomponent binnen de zorgcentra na seksueel geweld is daarbij essentieel. We moeten er dan ook over waken dat voldoende zorg kan worden geboden en tevens op een voldoende flexibele manier. Uit mijn gesprekken met de verschillende zorgcentra en met de diverse actoren uit die centra, wordt telkens heel duidelijk dat de noden binnen de verschillende zorgcentra divers zijn en dat dus een zekere flexibiliteit moet worden ingebouwd. Het is ook nog niet volledig duidelijk of bij de berekening van alle loonschalen rekening gehouden wordt met het aantal slachtoffers, zoals bij het forfait. De werkingskosten blijven 12 % van de totale personeelskosten. Er is in geen extra budget voorzien voor vorming. Ik meen echt dat er nog werk is en dat er verder overlegd kan worden. De voorzitster : Vraag nr. 56005580C van mevrouw Dedonder is uitgesteld. We hebben nog tijd voor één vraag.

De NAVO-top
De NAVO-top en de defensie-uitgaven
NAVO-top en defensie-uitgaven

Gesteld aan

Bart De Wever (Eerste minister)

op 19 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Paul Magnette en Nabil Boukili vallen de regering aan over de explosieve stijging van het Belgische tekort (van 23 naar 40 miljard) en 10-20 miljard extra militaire uitgaven voor de NAVO, zonder duidelijkheid wie dat betaalt: *werkers, pensioenen of zorg*? Ze eisen een *nee* zoals Spanje, en beschuldigen De Wever van opzettelijke budgettaire sabotage om Vlaamse onafhankelijkheid te bespoedigen. De Wever ontwijkt concrete antwoorden, wijst op eerdere toelichtingen in commissies en ontkent elke afbouwplannen van België, maar bevestigt *geen alternatief* voor de NAVO-doelen—terwijl Boukili en Magnette sociale ontmanteling aanklagen om oorlogsuitgaven te financieren, met lange termijnschulden voor toekomstige generaties.

Paul Magnette:

Monsieur le premier ministre, on est content de vous voir! Cela fait 24 heures que nous discutons du budget dans cette Assemblée et on ne vous avait pas encore vu. On a l'impression que le pouvoir d'achat, les pensions, la santé ne vous intéressent pas beaucoup.

En même temps, à la lecture des chiffres, on comprend que vous rasiez les murs. Avant que vous arriviez, le déficit de la Belgique était de 23 milliards. Depuis que vous êtes premier ministre, le déficit de la Belgique file vers les 40 milliards. Il a pratiquement doublé en quelques mois. À tout cela, vous voulez ajouter 20 milliards de dépenses militaires supplémentaires! C'est de la pure folie.

De deux choses l'une, monsieur le premier ministre. Ou bien vous dites non au sommet de l'OTAN; non, on ne suivra pas les plans de l'OTAN. Faites comme le premier ministre espagnol, socialiste, Pedro Sánchez, qui dit non! Ou bien vous avez l'honnêteté de dire aux Belges qui va payer.

C'est la question que nous nous posons ici depuis 24 heures et à laquelle nous n'avons jamais eu de réponse. Qui va payer? Seront-ce encore les travailleurs, les pensionnés, les malades déjà saignés à blanc? Ferez-vous contribuer les secteurs de la justice, de la police, des soignants qui sont tous à bout de souffle? Répondez- à cette question! C'est la question que tous les Belges se posent et à laquelle ils ont le droit de recevoir une réponse. Qui va payer? Wie zal betalen ?

Nabil Boukili:

Monsieur le premier ministre, au sommet de l'OTAN, vous allez décider si les travailleurs vont garder leur droit à une pension décente ou si vous allez sacrifier nos acquis sociaux à une économie de guerre. Le président des États-Unis, Donald Trump, veut imposer à l'Europe 5 % du PIB pour l'armement et les dépenses militaires. Il veut que 5 % des richesses produites par les travailleurs soient dépensés dans la course à l'armement.

Des mots forts ont été prononcés par l'ensemble des partis politiques de l'Arizona pour réagir à cette norme que Trump veut imposer. On a entendu "une hystérie collective" dans le chef du MR. Vous-même, monsieur De Wever, avez dit que c'était de la folie. Pour Vooruit et le cd&v, c'était ridicule, impossible. Pourtant, ces mêmes partis, loin des caméras, en réunion du Conseil des ministres, ont tous donné leur accord pour augmenter les dépenses militaires.

Pour les pensions, il n'y a pas d'argent. Pour les soins de santé, il n'y a pas d'argent. Pour l'enseignement, il n'y a pas d'argent. Mais, pour dépenser 10 milliards d'euros en plus pour la guerre et les armes, il n'y a pas de problème! Monsieur le premier ministre, comment allez-vous financer ces 10 milliards, alors que vous avez déjà du mal aujourd'hui à financer les 4 milliards supplémentaires?

Surtout, vous dites qu'il n'y a pas d'alternative. Pourtant, c'est faux: les États membres restent souverains dans leur politique de défense. Et l'Espagne nous donne l'exemple. Elle menace de déposer un veto contre cette norme de 5 %. Si elle le fait, cette norme n'existera pas.

Monsieur le premier ministre, quelle est votre position? Allez-vous soutenir cette norme de 5 % ou allez-vous, comme l'Espagne, résister et avoir le courage de dire non à ces 5 % pour l'armement?

Bart De Wever:

Monsieur Magnette, vous ne devez pas crier tout le temps. Les micros fonctionnent et je ne suis pas sourd. J'étais présent au début du débat. Nous avions prévu la présence d'un vice-premier au nom du gouvernement. On peut me reprocher de n'être pas présent tout le temps pendant les débats, mais vous m'interrogez sur une question qui me préoccupe et qui demande beaucoup de travail, ce que je ne peux pas faire en passant la journée avec vous. Je m'en excuse. Les débats sont très intéressants, je le sais et je m'excuse.

Concernant votre question, je serai bref. Mardi matin, une commission conjointe s'est tenue, au cours de laquelle j'ai expliqué en détails la position du gouvernement au sujet du sommet de l'OTAN et la vision stratégique, en présence du ministre des Affaires étrangères et du ministre de la Défense. Cette commission a duré trois heures, soit une heure de plus que prévu, parce que nous avons répondu à toutes les questions qui nous ont été posées par les députés présents. Monsieur Magnette, votre groupe était également présent et j'ai pu constater que vos députés ont participé très activement à cette séance.

Comme on l'a expliqué, le gouvernement s'est réuni vendredi passé en Conseil des ministres pour s'accorder sur la position à défendre lors du sommet. Ceci a été expliqué en long et en large lors de la commission qui a eu lieu il y a à peine plus de 48 heures. Depuis lors, le gouvernement ne s'est plus réuni et sa position n'a donc pas évolué. Il n'y a aucun nouvel élément à signaler au nom du gouvernement.

Monsieur Magnette, vous avez motivé votre question avec l'élément d'actualité selon lequel le premier ministre slovaque a récemment suggéré que la Slovaquie pourrait sortir de l'OTAN. M. Boukili a invoqué la position de l'Espagne. Laissez-moi vous rassurer: le gouvernement Arizona n'a aucun projet de chasser les quartiers généraux de l'OTAN de Belgique en quittant l'Alliance. J'espère que vous êtes d'accord à ce sujet. Nous connaissons les amis de M. Boukili, Poutine et Pékin. Monsieur Magnette, vous pourriez peut-être clarifier cela dans votre réplique. Je vous remercie.

Paul Magnette:

Monsieur le premier ministre, vous n'êtes certainement pas sourd, mais vous n'entendez que ce que vous voulez bien entendre. Et, en politique, rien n'arrive par hasard. Et, vous, on le sait, vous êtes nationaliste et vous voulez la fin de la Belgique. Vous ne vous en êtes jamais caché. On peut le reconnaître.

Et, finalement, tout cela vous arrange. Cette semaine, votre gouvernement flamand a acheté un morceau de l'aéroport national de Zaventem. Et, déjà, votre ministre-président nous dit "C'est notre aéroport flamand." Vous êtes en train de chercher les manières de racheter la Belgique par petits bouts.

Et, dans le fond, cette catastrophe budgétaire vous arrange. Vous prenez le prétexte de ces dépenses militaires; 60 milliards d'euros de déficit pour la Belgique. C'est la ruine de la Belgique et vous n'aurez plus qu'à vous pencher pour ramasser les morceaux et atteindre enfin votre Flandre indépendante! Eh bien, nous ne sommes pas dupes et nous ne vous laisserons pas faire!

Nabil Boukili:

Monsieur le premier ministre, je m'attendais à une réponse un peu plus élaborée. Vous vous êtes préoccupé de mes amis, soi-disant. Franchement, vous êtes très mal placé pour dire cela. Si j'avais des amis comme Netanyahu, je me ferais tout petit. Par ailleurs, monsieur le premier ministre, ce sont des milliards d'euros que vous allez prendre à la classe travailleuse, que vous faites travailler plus longtemps et plus dur. Vous supprimez les heures supplémentaires et les primes de nuit pour financer votre politique de guerre, pour financer ces quatre milliards que vous n'arrivez pas à financer. En plus, vous allez défendre 10 milliards supplémentaires que vous ferez payer par les générations futures. Cette société que vous nous construisez, monsieur De Wever, ce n'est pas une société d'avenir. C'est une société qui nous mène tout droit vers la guerre. Cette politique-là, nous allons la combattre avec la société civile pour empêcher cette course à l'armement.

De dodelijke steekpartij op een bus in Antwerpen

Gesteld door

lijst: VB Sam Van Rooy

Gesteld aan

Bart De Wever (Eerste minister)

op 19 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sam Van Rooy kaart het escalerende straatgeweld in Antwerpen en Brussel aan, gelinkt aan migranten uit gewelddadige culturen (messen, hamers, moorden) en eist strengere grencontroles, uitzettingen en hardere straffen voor daders. Minister Quintin bevestigt de dodelijke mesaanval op bus 36 door een illegale Georgiër, kondigt bodycams voor buschauffeurs aan en benadrukt dat veiligheid prioriteit is, maar vermijdt structurele migratiekritiek. Van Rooy hamert op systemisch falend beleid: *"Belgistan"* door onbeheerste migratie en straffeloosheid, en eist onmiddellijke actie tegen *"importcriminaliteit"*. De minister reageert met symbolische maatregelen, geen fundamentele koerswijziging.

Sam Van Rooy:

Stokken, flessen, hamers, stenen, machetes, af en toe zelfs een bijl en veel messen, al dit wapentuig teistert steeds meer wijken in onze door zogenaamde diversiteit zogezegd verrijkte steden, zeker in Brussel, maar ook in Antwerpen, dat aan het verbrusselen is of beter gezegd Antwerpistan aan het worden is.

Een kleine bloemlezing: in april, nota bene op paasmaandag, vielen grote groepen Afghanen en Palestijnen elkaar aan het Centraal Station in hartje Antwerpen herhaaldelijk aan met stokken, messen en een machete. Enkele dagen later werd iemand neergestoken bij een vechtpartij tussen twee groepen mannen, nadat een vrouw werd lastiggevallen. In mei werd een man doodgestoken toen hij een vrouw wilde helpen die werd lastiggevallen.

In juni - en we zijn nog maar de 19de - was er alweer een zware vechtpartij met stenen en diverse andere wapens, viel een Palestijn drie onschuldige mensen aan met een hamer en een fles, werd een 19-jarige neergestoken aan een school in Deurne en afgelopen maandag werd de 76-jarige Henri op bus 36 vermoord, koelbloedig met een mes in de keel gestoken. De dader is een illegale Georgiër die hier nooit had moeten zijn. Eergisteren werd iemand neergestoken in Vorst en daarnet nog werden hier vlakbij twee personeelsleden van het Sint-Pietersziekenhuis neergestoken.

Mijnheer de minister, dit loopt de spuigaten uit en dus willen de burgers weten welke maatregelen u hiertegen neemt.

Bernard Quintin:

Mijnheer de volksvertegenwoordiger, ik heb de beleefdheid om u te groeten, maar u doet dat nooit.

Maandag werd Antwerpen inderdaad opgeschrikt door een bijzonder ernstig incident op het openbaar vervoer. Een man van 76 jaar werd op de bus neergestoken met een mes. Ondanks de snelle hulp van de aanwezige hulpdiensten is het slachtoffer ter plaatse overleden.

Ik wil mijn oprechte medeleven nogmaals betuigen aan de familie en de nabestaanden.

De verdachte probeerde vervolgens ook een tweede man aan te vallen, maar die kon zich verweren en samen met een derde passagier de lijnbus ontvluchten. Het tweede slachtoffer, een 63-jarige man van Algerijnse afkomst, raakte daarbij gewond aan de knie. Ook de buschauffeur verkeerde in shock en werd samen met het gewonde slachtoffer overgebracht naar het ziekenhuis.

Dankzij de snelle en doortastende tussenkomst van het snelleresponsteam van de politiezone Antwerpen kon de verdachte kort na de feiten worden opgepakt. Het gaat om een 38-jarige man van Georgische afkomst, zonder vast adres in ons land. Hij werd aangehouden op verdenking van moord en poging tot moord en blijft voorlopig in de gevangenis. Het parket voert een grondig onderzoek.

Mijnheer Van Rooy, ik veroordeel deze laffe aanval met klem. Geweld op het openbaar vervoer is onaanvaardbaar. Zoals u weet, werk ik aan een wettelijk kader voor het gebruik van bodycams door buschauffeurs, een maatregel die bij de politie zijn nut al bewezen heeft. De veiligheid van reizigers en personeel is een prioriteit voor deze regering.

Sam Van Rooy:

Minister, veruit de meeste gevallen van straatterreur, straatgeweld en steekpartijen worden gepleegd door importtuig dat hier legaal is of hier gewoon ongehinderd illegaal kan rondzwerven. Hiervan zijn alle mensen van goede wil, ook die met een migratieachtergrond, het slachtoffer. België wordt steeds meer Belgistan omdat hier voortdurend massaal en ongecontroleerd mensen worden binnengehaald die zijn opgegroeid in een barbaarse, gewelddadige samenleving. Onze steden zijn topbestemmingen voor messentrekkers uit tribale geweldculturen geworden. Alsof dat nog niet erg genoeg is, krijgen de daders meestal geen serieuze straf of ze worden het land niet uitgezet. Beste regering-De Wever, controleer onze grenzen, stop de illegaliteit, stop de straffeloosheid. Kortom, doe nu eindelijk eens uw werk.

Het gebrek aan meetinstrumenten waarmee de politie de snelheid van e-steps kan controleren

Gesteld door

lijst: Vooruit Niels Tas

Gesteld aan

Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)

op 19 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Niels Tas (Vooruit) kaart het groeiende gevaar van opgevoerde e-steps/fatbikes (tot 100 km/u) aan, die zware ongevallen veroorzaken, en pleit voor snelheidsmeters voor politie om deze voertuigen effectief te controleren—een wijziging in de regelgeving zou volstaan. Minister Crucke bevestigt dat snelheidsnormen onder zijn bevoegdheid vallen, maar homologatie van meettoestellen bij de gewesten ligt, en handhaving onder minister Quintin (Veiligheid); inbeslagnames zijn nu al mogelijk met parkettoestemming. Tas benadrukt dat strengere regels onvoldoende zijn zolang illegale verkopers ze omzeilen en dringt aan op snelle, kosteloze aanpassingen voor betere politiecontroles. Kernpunt: dringende nood aan gecoördineerde actie (wetswijziging + gewestelijke samenwerking) om levensgevaarlijke snelheidsoverschrijdingen tegen te gaan.

Niels Tas:

Mijnheer de minister, op de fiets voorbij gesjeesd worden door een supersnelle e-step of een fatbike, we hebben het allemaal al eens meegemaakt. Politiediensten, ziekenhuizen en experten trekken al langer aan de alarmbel. Volgens onze spoeddiensten blijft het aantal ongevallen met e-steps toenemen, wat leidt tot vreselijke breuken en verwondingen. Chirurgen zijn soms uren bezig om mensen weer enigszins toonbaar te maken, zo getuigde een spoedarts onlangs nog.

Dankzij Vooruit werden de regels voor e-steps al duidelijker en strenger. Er geldt nu een minimumleeftijd van 16 jaar, een verbod om op het voetpad te rijden en een verbod op het gebruik van een e-step met meerdere personen tegelijk. Dat is enorm belangrijk voor onze veiligheid.

Toch ziet de politie een nieuw fenomeen opduiken. Opgedreven e-steps en fatbikes halen vandaag snelheden tot 100 kilometer per uur, in plaats van de toegelaten 25 kilometer per uur. Dat is levensgevaarlijk. Onze politie doet het nodige en voert heel wat controleacties uit, maar de toestellen zijn verouderd. Zo holt de politie achter de feiten aan. Nieuwe snelheidsmeters of speedguns zijn essentieel om opgedreven voertuigen van de weg te kunnen halen.

Beste collega’s, dergelijke toestellen bestaan. In andere Europese landen worden ze al gebruikt, maar bij ons geraakt het niet geregeld. Nochtans, zo stelt Vias institute, kan het probleem met de toevoeging van één simpele zin in onze regelgeving worden opgelost.

Mijnheer de minister, zult u ervoor zorgen dat onze politiediensten snel over de juiste toestellen kunnen beschikken om e-steps en fatbikes die zulke gevaarlijke snelheden halen, van de weg te halen, voor veilig verkeer voor ons allemaal?

Jean-Luc Crucke:

Mijnheer Tas, in de huidige context van de aanzienlijke toename van het gebruik van elektrische steps is het, zoals u hebt aangegeven, essentieel om te waarborgen dat alle weggebruikers op een veilige manier naast elkaar kunnen bestaan. Dat houdt in dat de naleving van de regels, in het bijzonder de snelheidsbeperking, moet kunnen worden gecontroleerd. Het opstellen van snelheidsnormen valt wel degelijk onder mijn bevoegdheid.

Het gebrek aan instrumenten voor de politie om de snelheid van elektrische steps te meten, moet worden besproken met de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, Bernard Quintin. De toestellen voor de controle van de snelheid vallen echter onder de bevoegdheid van de gewesten. De gewestelijke metrologie is dus bevoegd om de curvometers te homologeren die moeten dienen om de snelheid van elektrische steps te meten.

Momenteel kunnen politiecontroles leiden tot de inbeslagneming van elektrische steps die de maximumsnelheid van 25 kilometer per uur overschrijden, mits toestemming van het parket.

Een aanpassing in de wet dient zich aan en ik wil mij daartoe zeker engageren, maar de bevoegdheid over de politie zit, zoals u weet, in handen van collega-minister Bernard Quintin.

Niels Tas:

Mijnheer de minister, veilig verkeer is voor Vooruit, en ook voor u, een topprioriteit. We hebben met Vooruit de regels voor e-steps de voorbije jaren al strenger en duidelijker gemaakt, maar de realiteit is dat de situatie alweer veranderd is en dat illegale verkopers manieren blijven zoeken om die steps toch op de markt te brengen en de wetgeving te omzeilen. We zullen dus moeten samenwerken en snel handelen om dat opnieuw op te lossen, want het aantal ongevallen blijft toenemen. Het komt dus u en ons allemaal in het Parlement toe om ervoor te zorgen dat we kunnen doorpakken. Er is ook goed nieuws, collega’s. In de voorbije uren hebben we al heel wat gedebatteerd over geld. Welnu, deze maatregel kost geen geld, maar zal onze politie wel extra ondersteunen. Voor Vooruit is het duidelijk: iedereen moet veilig de weg op kunnen.

De aankoop van nieuwe F-35's

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 19 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

François De Smet kritiseert het plan om 21 extra F-35’s (€5 mjd) aan te schaffen, wijzend op hoge kosten, Amerikaanse afhankelijkheid voor onderhoud en het alternatief van een hybride vloot (bv. F-35 + Rafale), terwijl hij pleit voor investeringen in moderne hybride oorlogsvoering (drones, cyber) in plaats van dure "20ste-eeuwse" jagers. Minister Francken ontwijkt concrete antwoorden, verwijzend naar een aankomend kernoverleg (17u) en latere toelichting, maar bevestigt geen akkoord in de meerderheid. De Smet hamert op gebrek aan strategische visie en waarschuwt dat coalitiepartners (Vooruit, CD&V, MR, Les Engagés) het plan kunnen blokkeren. Kernpunt: spanning tussen traditionele afschrikking (F-35) en toekomstgerichte defensie.

François De Smet:

Monsieur le ministre, vous étiez cette semaine au salon d'armement du Bourget, en France, pour y faire quelques courses. Vous avez sans doute fait du repérage pour une troisième frégate ou pour un dispositif anti-aérien. Mais vous avez aussi eu l'occasion d'y confirmer votre souhait d'acheter pour la Belgique 21 nouveaux avions F-35. On le sait, ce soir, vous défendrez en kern votre vision stratégique. Il me paraissait intéressant de vous attraper entre le Bourget et le kern pour faire le point sur ces avions. Ce chiffre de 21 circule depuis seulement quinze jours. J'étais resté, comme certains collègues, sur les 11 avions supplémentaires qui se trouvaient dans l'accord de gouvernement.

Pour être clair, je fais partie de ceux qui pensent qu'il fallait faire les 2 % d'investissements en défense en 2025. Je pense même qu'il faut avoir le débat sur les 3,5 %. Ce n'est pas le débat que je mène aujourd'hui. On peut vouloir ces 2 % d'investissements et même plus et pourtant penser qu'il ne faut pas dépenser ou dilapider cet argent dans ces avions-là, pour au moins trois raisons.

La première est leur coût. Rappelons que l'achat de 2018 s'est déjà soldé par une facture de 3,8 milliards. On parle aujourd'hui d'une facture de 5 milliards pour l'achat de ces nouveaux avions.

La deuxième est leur fiabilité technologique. On ne va pas refaire le débat sur le kill switch qui n'existe pas, certes. Par contre, la maintenance technologique de ces avions est entièrement aux mains des États-Unis. Le précédent que nous connaissons avec les F-16, et les difficultés que nous avons, à devoir courir après des pièces détachées pour pouvoir ensuite donner ces F-16 aux Ukrainiens, nous le montrent.

La troisième est qu'il existe des exemples de flottes hybrides. Les Grecs par exemple ont à la fois des F-35 et des Rafale. L'argument qui est le vôtre, et aussi celui du premier ministre, qui revient à dire qu'il faut acheter des F-35 parce que on a déjà acheté des F-35, ne suffit pas. On pourrait avoir une stratégie autre et peut-être plus intelligente en ayant différents œufs dans le même panier.

Ma question est toute simple, monsieur le ministre, y a-t-il aujourd'hui un accord de majorité pour acheter ces nouveaux avions? Si oui, combien, et à quel prix? Je vous remercie.

Theo Francken:

Monsieur De Smet, merci pour votre question. Nous avons déjà eu ce débat à plusieurs reprises. Les positions sont connues. Le gouvernement décidera de la vision stratégique dans les prochains jours. Il y a un kern sur cette question à 17 heures.

Dès qu'une décision sera prise sur la vision stratégique, je la présenterai, comme prévu, à la commission de la Défense de la Chambre. Je me réjouis de nos futurs échanges.

François De Smet:

Merci pour votre réponse, monsieur le ministre, mais vous devriez un peu mieux jouer le jeu parlementaire ici. Vous n'êtes pas juste venu dire "merci, on voit ça à 17 heures et puis je vous reviens". Non, vous avez des arguments pour les F-35. Je ne les partage pas, mais…

Theo Francken:

Je viens lundi.

François De Smet:

Vous venez lundi, très bien. Excusez-moi d'avoir raison trop tôt et d'essayer de vous tirer les vers du nez avant. Une réflexion quand même. Je sais – je crois que vous l'avez évoqué – que des faits internationaux nous montrent que le F-35 arrive à certaines prouesses. D'un autre côté, les Ukrainiens nous montrent qu'il est possible de détruire toute une partie de l'aviation russe avec de simples drones. Un dernier argument, notamment pour vos partenaires de majorité qui ne sont pas encore tout à fait convaincus, je le sens bien. N'y a-t-il pas un côté XX ème siècle, old fashioned , dans l'idée de vouloir tout construire sur des avions de chasse? Les 2 %, d’accord, mais investissez surtout dans la guerre hybride, et non pas simplement sur un effet de dissuasion, qui me paraît coûter très, très cher. C'est surtout un message pour Vooruit, le cd&v, le MR, les Engagés, qui peut-être vous empêcheront d'aller au bout. Merci.

De waterkwaliteit en de besmetting van het mineraalwater van Nestlé
De bewezen fraude door mineraalwaterproducenten in Frankrijk
De bewezen fraude door mineraalwaterproducenten in Frankrijk
De waterkwaliteit en fraude bij mineraalwaterproducenten

Gesteld aan

Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)

op 17 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Een Franse senaatscommissie onthulde dat Nestlé Waters (o.a. Vittel, Perrier) illegale chemische zuiveringen toepaste op water dat als *"natuurlijk"* werd verkocht, met mogelijke deceptieve praktijken ook in België, waar een lopend onderzoek van de Inspectie Economische Zaken dit onderzoekt. Minister Beenders bevestigt dat dergelijke misleiding onder Belgisch recht (Boek VI WER) strafbaar is, maar kan door onderzoeksgeheim geen details geven. Prévot benadrukt bezorgdheid over consumentenbescherming en prijsverschillen (België 50 cent duurder dan Frankrijk), met de belofte het dossier op te volgen na afronding van het onderzoek. Lobbying door Nestlé in België wordt ontkend.

Voorzitter:

Mme Schlitz étant absente, sa question est sans objet.

Patrick Prévot:

Monsieur le ministre, c'est un scandale révélé après le travail d'une commission d'enquête sénatoriale en France: plusieurs minéraliers, dont Nestlé Waters, ont utilisé des systèmes de purification interdits pour décontaminer leurs eaux de source. La commission d'enquête va même jusqu'à blâmer l'État qui aurait délibérément dissimulé cette fraude à grande échelle face au lobbying du géant de l'agroalimentaire.

Au total, au moins 30 % des marques françaises auraient eu recours à des traitements non conformes. Des bouteilles de Vittel, Contrex, Hépar ou encore Perrier produites ont été vendues comme "naturelles" alors que l'eau était passée par des processus de désinfection chimique.

Pour Nestlé Waters, il n'y a eu aucun risque pour les consommateurs, sans en apporter toutefois la preuve. J'ai déposé une question similaire à votre collège David Clarinval qui a la tutelle sur l'Agence fédérale pour la sécurité de la chaîne alimentaire (AFSCA).

Au sein de cette commission, ce qui me préoccupe ici, c’est bien la protection des consommateurs. Depuis toujours, dans les supermarchés proches de la frontière, les Français reconnaissent les Belges à leurs caddies remplis de packs d'eau. Je lis que cet "eldorad'eau" (ce jeu de mots vient du titre d'un article de presse) reste d'actualité pour les Belges. Bien que la France ait récemment augmenté la TVA de 5,5 % à 20 %, le pack de six bouteilles coûte 1,30 euro, soit 50 centimes de moins qu'en Belgique, où le prix moyen d'un tel pack est de 1,80 euro.

Monsieur le ministre, quel impact cette fraude a-t-elle pu entraîner sur la protection des consommateurs belges? Quel suivi comptez-vous donner à ce scandale? La Belgique peut-elle ou va-t-elle d'une quelconque manière réclamer des comptes à l'encontre de Nestlé Waters qui a vendu des produits étiquetés "eaux naturelles" alors qu'elles ne l'étaient pas?

Rob Beenders:

Monsieur Prévot, votre question relative à la sécurité sanitaire des aliments et des boissons, y compris les eaux minérales, porte sur un sujet de santé publique qui relève des compétences de mon collègue le ministre de la Santé publique, M. Vandenbroucke, voire, le cas échéant, de celles du ministre de l’Économie et de l’Agriculture, responsable des contrôles effectués par l'AFSCA, M. David Clarinval.

Vous faites référence aux articles L. 412-2 et suivants du Code de droit économique. Or, ces références correspondent à la législation française. En droit belge, les règles relatives aux pratiques commerciales déloyales sont régies par le livre VI du Code de droit économique, en particulier les livres VI 93 à VI 100.

Une pratique commerciale est considérée comme trompeuse lorsqu’elle contient des informations fausses ou est présentée de manière susceptible d’induire en erreur le consommateur, notamment en ce qui concerne les caractéristiques principales du produit: sa nature, sa composition, ou ses qualités supposées, telle que l’implique l’appellation "eau minérale naturelle". Ainsi, si une eau ayant subi un traitement non autorisé ou dont la pureté originelle a été altérée continue à être commercialisée sous l’appellation "eau minérale naturelle", cela pourrait être qualifié de pratique commerciale trompeuse au sens du Code de droit économique.

Une enquête menée par l’Inspection économique est en cours sur certaines eaux distribuées en Belgique par le groupe Nestlé, mais, compte tenu du secret de l’instruction, il n’est pas possible de vous communiquer davantage d’informations à ce stade. Par ailleurs, à ma connaissance, il n’y a eu aucune pression sur les autorités administratives ou politiques belges de la part du groupe Nestlé.

Patrick Prévot:

Merci, monsieur le ministre, de nous confirmer qu'en Belgique, le lobbying intense du géant de l'agroalimentaire qui a eu lieu en France ne se déploiera pas. Je vous ai interrogé pour le volet dépendant directement de vos compétences et j'ai déposé une question similaire au ministre Clarinval en ce qui concerne le volet sécurité de la chaîne alimentaire. J'entends qu'une enquête du service de l'Inspection économique est en cours. Il est donc tout à fait naturel que vous ne puissiez pas nous révéler d'éléments par rapport à cela. Je ne manquerai pas de revenir vers vous lorsque cette enquête sera clôturée et que vous pourrez nous en dire davantage.

De consumentenbescherming bij Chinese webshops

Gesteld door

lijst: MR Anthony Dufrane

Gesteld aan

Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)

op 17 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België en de EU onderzoeken Chinese e-commerceplatforms zoals Shein en Temu wegens oneerlijke handelspraktijken (valse promoties, misleidende deadlines) en schendingen van het Digital Services Act, met gecoördineerde acties via het Europese CPC-netwerk (waarin België copiloot is). De Inspectie Economie ontvangt klachten en benadrukt dat deze platforms zich moeten houden aan EU-consumentenwetten om eerlijke concurrentie met Belgische/Europese bedrijven te waarborgen. Taxes op pakketten vallen onder een andere bevoegde minister (Jambon), maar de vrees bestaat dat kosten naar consumenten worden doorgeschoven. Dufrane toont tevredenheid met het actieve toezicht en de Europese samenwerking.

Anthony Dufrane:

Monsieur le ministre, les sites chinois de vente en ligne font l'objet d'une surveillance du SPF Économie car ils sont connus pour une série de pratiques illégales, comme des fausses promotions ou la mise en place de faux délais afin d'inciter à l'achat. L'Union européenne s'est par ailleurs récemment penchée sur les géants chinois de la fast-fashion , en particulier Shein, tant il est impossible pour un consommateur de contacter l'entreprise. La Commission européenne, pour sa part, enquête sur le respect des dispositions du Digital Services Act, afin de s'assurer que ces plateformes soient des lieux sûrs et équitables pour les consommateurs. Or, même si des taxes sont évoquées, comme "deux euros de frais par colis", on peut constater que les prix pratiqués restent attirants pour les consommateurs, malgré les fausses promotions. De plus, il est fort à parier que la taxe se répercutera sur les consommateurs.

Mes question sont les suivantes: allez-vous, avec le SPF Économie, surveiller si de potentielles taxes ne sont pas répercutées sur le consommateur? Avez-vous régulièrement des plaintes contre ces sites chinois? Allez-vous entrer en contact avec ces entreprises? Peut-on considérer ces sites comme une plateforme de concurrence déloyale avec nos entreprises belges et européennes.

Rob Beenders:

Monsieur Dufrane, concernant votre première question, je dois vous renvoyer à mon collègue responsable pour les taxes sur le commerce électronique, M. Jambon. Concernant les questions deux et trois, l'Inspection économique reçoit des signalements concernant des sites de commerce électronique chinois et, dans certains cas, comme ceux de Temu et Shein, ces sites de commerce électronique chinois disposent également d'une entité juridique européenne, ce qui facilite les contrats.

Étant donné que d'autres autorités européennes de protection des consommateurs ont également reçu des signalements et ont fait des constatations similaires concernant des pratiques susceptibles de violer le droit européen de la consommation, des actions conjointes ont été mises en place à cette fin dans le cadre du réseau européen CPC des autorités de protection des consommateurs.

Compte tenu de l'importance de ces actions, l'inspection économique belge est copilote des deux actions CPC contre Temu et contre Shein.

En réponse à votre quatrième question, les acteurs étrangers tels que Temu et Shein doivent se conformer à la législation européenne en matière de consommation lorsqu'ils s'établissent sur le marché européen. Cela vise d'une part à protéger les consommateurs et d'autre part à garantir des conditions de concurrence équitable pour les entreprises belges et européennes qui doivent se conformer aux mêmes règles. L'Inspection économique continue de s'investir activement au sein du réseau CPC.

Anthony Dufrane:

Je tiens à remercier monsieur le ministre pour l'ensemble de ses réponses qui me conviennent et le remercier aussi du suivi qu'il semble effectuer sur ce dossier.

Het gebrek aan Belgische steun voor het gemeenschappelijke donorstatement over de hulp voor Gaza
De financiële steun aan UNRWA
De humanitaire hulp in Gaza
Palestina
De erkenning van de genocide in Gaza
Het gelekte EU-rapport over de door Israël gepleegde oorlogsmisdaden
Het schip Madleen van de Freedom Flotilla
De steun van Benjamin Netanyahu aan milities in Gaza
De situatie in Gaza
De deelname van de Israëlische regering aan de EU-Middelandse Zee-top in Brussel
De Gaza Humanitarian Foundation
De Freedom Flotilla Coalition en de arrestatie van de opvarenden door het Israëlische leger
De oorlogsmisdaden in Palestina
De oorlog in Gaza
Humanitaire crisis, oorlogsmisdaden en internationale reacties op Gaza en Palestina

Gesteld aan

Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 17 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Tijdens een parlementsdebat over de genocide in Gaza en België’s rol daarin, drongen oppositiepartijen aan op onmiddellijke sancties tegen Israël, een militair embargo, en de opschorting van het EU-Israël Associatieverdrag, gesteund door massale protesten (100.000 betogers in Brussel) en een intern EU-rapport dat Israël beschuldigt van oorlogsmisdaden zoals uithongering en bombardementen op burgers. Minister Prévot (Buitenlandse Zaken) erkende de misdaden en pleitte voor Europese actie (o.a. sancties tegen extremistische ministers), maar benadrukte dat België’s invloed beperkt is zonder EU-steun en dat interne regeringsverschillen (met name N-VA/MR) verdere stappen blokkeren, terwijl hij humanitaire hulp (luchtbruggen, medische evacuaties) en juridische druk (ICJ, VN-resoluties) blijft afdwingen. Kritiek bleef dat België te afwachtend is en UNRWA-steun handhaaft ondanks Hamas-verbanden, terwijl de oproep tot een tweestatenoplossing en staakt-het-vuren centraal stond.

Voorzitter:

Chers collègues, nous allons commencer cette longue séance de questions au ministre Maxime Prévot par un débat d'actualité sur Gaza. Il y a 14 questions. Je vous suggère un temps de parole de deux minutes par question et de quatre minutes pour ceux et celles qui auraient déposé deux ou trois questions comme c'est parfois le cas.

Staf Aerts:

Mijnheer de minister, afgelopen zondag kwamen er 100.000 mensen op straat in Brussel. De straten kleurden rood. Ik was zelf ook aanwezig, samen met een grote delegatie van onze Groen-Ecolofractie. Al die mensen kwamen in het rood op straat om een rode lijn te trekken en de regering te vragen dat ook te doen – een rode lijn tegen de genocide in Gaza.

Niet iedereen is in Brussel geraakt, maar er waren ook lokaal veel spontane initiatieven. Het was hartverwarmend om te zien dat zoveel mensen zich willen uitspreken tegen die genocide en u en de federale regering oproepen om meer te doen. Dat is logisch want die genocide wordt zowat gelivestreamd in de nieuwsuitzendingen en op de nieuwssites. Het nieuws van vandaag is dat er 45 Palestijnen zijn gedood in de buurt van een voedselbedeling. Gisteren vielen 34 doden.

Mijnheer de minister, uw reactie was pijnlijk, want u verwijst naar wat de regering al onderneemt en vindt eigenlijk dat u goed bezig bent, hoewel 100.000 mensen in Brussel op straat komen en er lokaal nog zovelen de rode lijn willen trekken en u vragen om dat ook te doen tegen de genocide.

U spreekt over 'het kleine België', maar u bent naar ons gevoel niet sterk op de Europese tafel aan het kloppen om meer te ondernemen. Waar is het voluntarisme van uw beleidsverklaring? Daarin verklaart u dat België zich moet profileren als de verdediger van het internationaal recht en dat u met meer ambitie samen met de partners gemeenschappelijke uitdagingen zult aanpakken en onze waarden en belangen verdedigen. Ik mis die ambitie. Ik stel vooral vast dat u zich probeert te verstoppen achter het Europese compromis. Als u echt ambitie wilt tonen, dan moet u verder gaan en dat is ook wat zoveel Belgen vragen.

U kunt een voorbeeld nemen aan Ierland, dat toch ook geen groot Europees land is. De Ierse regering is de eerste die zegt waar het echt op staat, namelijk dat Israël momenteel een genocide pleegt in Gaza. Wanneer zal de Belgische regering zich daarover ook op die manier uitspreken? Een jaar geleden al erkende Ierland de Palestijnse Staat, wat België ook kan doen, maar u hebt beslist om te wachten tot alle Europese landen ermee akkoord gaan.

De Ierse regering voert al een wettelijk verbod in op de handel in producten uit de illegale Israëlische nederzettingen. In ons land is er geen sprake van een dergelijk initiatief. Ierland brengt ook in kaart welke Ierse bedrijven linken hebben met Israël. De Belgische regering doet echter het tegenovergestelde. Minister Francken noemt in dit Parlement de Israëlische defensie een voorkeurspartner van het Belgische leger. Hij doet dat op dit moment nog altijd. Er klinkt daarover geen protest bij de andere meerderheidspartijen. Dat is blijkbaar normaal.

De NMBS maakt aanstalten om een megaopdracht toe te wijzen aan een bedrijf dat treinverbindingen aanlegt van Jeruzalem naar de illegale Israëlische nederzettingen. België vervult dus totaal geen voortrekkersrol.

Ik verwijs naar mijn schriftelijke vragen, maar mijn vragen in deze vergadering zijn de volgende. Zal de Belgische regering luisteren naar het massale signaal van afgelopen zondag? Is de urgentie aangetoond en zal er meer gebeuren dan er tot nog toe is afgesproken? Er bestaat duidelijk een groot draagvlak daarvoor.

Dan heb ik nog enkele andere vragen over de voorbije week en de komende weken. Er is een belangrijk rapport geschreven door de speciale EU-vertegenwoordiger, waarin al werd vastgesteld dat er ernstige problemen zijn en waarin zelfs sprake is van een genocide. Waarom werd dat rapport niet aangewend om het Associatieakkoord stop te zetten? Waarom moet er nog een nieuw initiatief komen?

Er is de komende weken ook een top gepland tussen de EU-lidstaten en hun buurlanden rond de Middellandse Zee. De Israëlische regering zal daarbij aanwezig zijn, maar een Europese functionaris heeft al verklaard dat dit geen forum zal zijn om de aanhoudende oorlog in Gaza te bespreken. Wel zal men spreken over meer samenwerking op verschillende domeinen. Ik hoop dat we daaraan niet zullen meewerken.

Zult u op die top aanwezig zijn? Zult u ervoor zorgen dat de oorlog in Gaza wel besproken wordt? Zult u zich verzetten tegen een verdere versterking van de samenwerking met Israël? Ik denk dat het daar meer dan tijd voor is.

Sam Van Rooy:

Dit weekend kwamen tienduizenden mensen, onder wie heel wat politici, journalisten en bekende Vlamingen op straat om zogenaamd een rode lijn voor Gaza te trekken.

Dat is veelzeggend, want diezelfde mensen vonden het niet nodig om een rode lijn te trekken na 7 oktober 2023, toen de grootste slachting op Joden sinds de Holocaust plaatsvond. Ook trokken zij geen rode lijn toen in dit land de zoveelste jihadistische aanslag werd gepleegd, toen Islamitische Staat massaal Jezidi’s aan het verkrachten en afslachten was, of toen Iran, een andere islamitische staat, weer maar eens vrouwen, dissidenten en homoseksuelen martelde en vermoordde.

We zien hen ook nooit een rode lijn trekken wanneer weer maar eens christenen door moslimterroristen worden vermoord, laat staan dat ze een rode lijn trekken wanneer het gaat om de systematische onderdrukking van christenen en andere niet-moslims in de islamitische wereld. Zelfs de honderdduizenden doden in Jemen en Soedan waren voor de vele Al Jazeera- en Hamasmarionetten in dit land geen reden om een rode lijn te trekken, want no Jews, no news , nietwaar?

Dit gezegd zijnde, op het moment dat Israël ons eindelijk tracht te verlossen van de terroristen en jihadisten van Iran, heeft het land een nieuwe, gedetailleerde lijst vrijgegeven van jihadistische terroristen en leden van terreurorganisaties zoals Hamas, die ook medewerker bij UNRWA zijn. Het gaat in totaal om maar liefst 1.400 moslimterroristen die ook UNRWA-personeelsleden zijn

Mijnheer de minister, ik heb u deze informatie bezorgd. Wat is uw reactie hierop? Pleegt u hierover overleg met Israël? Last but not least, zal België ook na deze onthulling UNRWA, en dus dodelijke jihadterreur, met belastinggeld blijven sponsoren?

Christophe Lacroix:

Monsieur le ministre, j'aimerais revenir avec vous sur ce sujet brûlant d'actualité et notamment vous interroger sur la coopération au développement et l'aide humanitaire à Gaza. Vous aviez dit que c'était l'une de vos priorités avec le cessez-le-feu, or force est de constater que rien n'avance à ce sujet alors que sous le précédent gouvernement, la Belgique avait assumé son rôle via des largages aériens à Gaza grâce aux A400M de la Défense. Bien sûr, cela avait été coordonné par les Affaires étrangères dans le cadre d'une coalition internationale et en accord avec la Jordanie. Cependant, il n'en reste pas moins vrai que dans votre gouvernement, il y a de nombreuses résistances et je n'ai vu aucun volontarisme de la part de votre collègue en charge de la Défense pour mettre à disposition sa flotte pour venir en aide à la population affamée de Gaza.

Donc concrètement, quelle initiative allez-vous prendre et suivant quel calendrier? Avez-vous déjà eu des contacts avec votre collègue de la Défense à ce sujet et comptez-vous prendre l'initiative d'une coalition internationale pour débloquer la situation? Plus surprenant encore, les Américains et les Israéliens ont mis en place l'intervention de la Fondation humanitaire pour Gaza qui est censée y apporter de l'aide humanitaire, mais on voit qu'en fait il y a un gros problème avec cette fondation privée qui est instrumentalisée à des fins essentiellement israéliennes et surtout qui se comporte de telle manière qu'aujourd'hui, les Palestiniens qui se rendent dans les points de rassemblement sont menacés, et même pire car ils perdent la vie. En effet, ils perdent la vie pour avoir de l'eau, ils perdent la vie pour avoir de quoi se nourrir, ils perdent la vie pour nourrir leurs enfants et leurs tout-petits puisqu'il ressort des auditions de l'UNICEF que nous avons eues il y a 15 jours qu'il y avait plus de 15 000 enfants qui ont été tués jusqu'à présent, dont une grande partie de ceux-ci sont des enfants de zéro à un an.

Par conséquent, par rapport à cette Fondation humanitaire pour Gaza, je voudrais savoir quelle est votre position et la position officielle du gouvernement fédéral face à ce contournement par Israël du droit international humanitaire qui compromet la survie de plus de deux millions de Palestiniens car, effectivement, un blocus pour toute aide humanitaire est interdit par le droit international humanitaire. Que prenez-vous donc comme décision? Le gouvernement fédéral a-t-il pris des dispositions pour fournir une aide humanitaire belge aux Palestiniens de Gaza?

J'ai également des questions à vous poser en ce qui concerne la Freedom Flotilla Coalition. La manière dont Israël est intervenu et a arrêté une série de personnes se trouvant sur ce bateau est contraire, une fois de plus, au droit international. Comment avez-vous réagi à ces arrestations illégales et comment comptez-vous apporter votre soutien aux citoyens européens membres de la flottille et qui seraient encore détenus par Israël ou qui subissent aujourd'hui des représailles lourdes de cet État?

Enfin, j'ai des questions relatives à l'évacuation des Belges et ayants-droits de Gaza, mais aussi à leur évacuation du territoire israélien, puisque le conflit s'est transporté en Iran et que nous avons des ressortissants et ayants-droits qui sont en difficulté. J'aimerais connaître la liste des bénéficiaires. Combien de personnes étaient concernées à chaque fois? Peut-il être fait une distinction en fonction de la nationalité? S'agit-il aussi de bénéficiaires nouvellement identifiés? Y a-t-il des changements de politique ou des changements sur le terrain en ce qui concerne l'évacuation elle-même? Quand des évacuations effectives vers la Belgique ont-elles eu lieu cette année, pour combien de personnes et par quels postes-frontières et pays? Je vous remercie.

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, sinds de indiening van mijn vraag is er al heel wat gebeurd op het terrein. De humanitaire situatie blijft ons verontrusten: kinderen sterven en mensen sterven wanneer ze eten gaan halen. Die zaken moeten we absoluut met de grootste zorg behandelen. Vandaar ook dat we in het Parlement een resolutie hebben goedgekeurd waardoor u een mandaat hebt gekregen, ook via de kern in de regering, om deel te nemen aan die voorziene VN-top, georganiseerd door Frankrijk en Saoedi-Arabië. We hebben nota genomen van het feit dat die VN-top uitgesteld is, wat uiteraard ook te maken heeft met de escalatie in Iran, maar daar komen we straks op terug.

Ik verneem graag welke signalen u momenteel ontvangt rond de organisatie van de VN-top die op zoek moet gaan naar vrede en naar een duurzame oplossing, naar een tweestatenoplossing in het Midden-Oosten.

De collega verwees er zonet ook naar dat u volgende week maandag samenkomt met de Europese ministers van Buitenlandse Zaken. Welke visie zult u op tafel leggen? In hoeverre verwacht u maatregelen die de humanitaire situatie kunnen aanpakken? In hoeverre zult u pleiten voor snelle sancties, maar ook voor gesprekken voor vrede op langere termijn? Voorziet u initiatieven om zo snel mogelijk tot een staakt-het-vuren te komen?

Rajae Maouane:

Monsieur le ministre, j'avais déposé plusieurs questions et je vais essayer d'en faire une intervention cohérente, même si, en termes de cohérence, cela devient de plus en plus compliqué. Depuis des mois, vous le savez, Gaza est plongée dans une horreur sans nom: des familles entières sont rayées de la carte, des enfants sont amputés, des camps sont bombardés, des gens boivent de l'eau insalubre faute d'autre chose. On parle d'une population qui est menacée par la famine et qui subit un génocide. Pendant ce temps, les bombes continuent de tomber. C'est une longue litanie que l'on répète depuis des mois.

Récemment, nous avons un peu moins de nouvelles encore, parce qu'Israël, après avoir coupé l'eau et l'électricité, après avoir empêché l'aide humanitaire d'entrer, a coupé toutes les communications, tous les canaux, et cette violence continue dans le noir. Il n'y a plus journalistes, quand ils ne sont pas tués. Il n'y a plus de témoignages, plus d'images, même si les civils continuent à documenter leur propre disparation et leur propre mort en direct. Ce n'est pas tout. Une enquête internationale a été relayée par The Guardian et RTL. Elle révèle qu'Israël finance des milices criminelles pour semer la terreur dans Gaza. Israël finance des groupes armés, payés pour briser les populations civiles, pour terroriser les survivants. C'est une stratégie militaire par milices interposées, délibérée. C'est une nouvelle violation du droit international.

Encore une autre aberration et une autre violation du droit international: la flottille du Madleen, un bateau humanitaire qui avait à son bord des civils et une eurodéputée, a été interceptée en pleine mer, dans des eaux internationales. Nous sommes en présence d'encore une autre violation du droit international, car les passagers ont été emprisonnés.

En parallèle, la grande marche pour Gaza, prévue depuis des semaines, a été empêchée par l'Égypte. Certains organisateurs n'ont même pas pu atteindre Rafah. Je dois dire que c'est vraiment une honte que ces pays, notamment arabes, ne soutiennent pas davantage un processus de paix, et une initiative citoyenne et pacifique.

Monsieur le ministre, vous avez utilisé le mot "génocide" et vous avez raison. Mais ce mot vous engage, et il engage ce gouvernement.

Je me demande ce que nous attendons. Même si je sais que vous avez plaidé au niveau européen pour suspendre les accords de coopération, qu’attendons-nous pour imposer un embargo sur les armes et pour sanctionner les responsables israéliens?

Nous avons d’ailleurs une proposition de résolution sur la table depuis des mois pour reconnaître le génocide et pour sanctionner les responsables.

J’ai plusieurs questions sur ces éléments. La Belgique va-t-elle condamner officiellement l’interception du Madleen dans les eaux internationales et l’arrestation de civils, dont une eurodéputée? Allons-nous condamner l’annulation de la marche pour Gaza par l’Égypte, qui empêche toute solidarité internationale?

La Belgique va-t-elle soutenir l’enquête sur le financement de milices criminelles par le gouvernement israélien? Quand le gouvernement va-t-il rompre avec le double standard qui impose des sanctions concrètes à certains États et pas à d’autres, contre ce gouvernement qui piétine chaque jour un peu plus le droit international? Merci pour vos réponses.

Annick Lambrecht:

Mijnheer de minister, onlangs kwam een vernietigend intern EU-rapport naar buiten dat al sinds november circuleert. Het betreft geen rapport van een ngo, maar een document afkomstig van Europese instellingen zelf, gebaseerd op informatie van de Verenigde Naties, het Internationaal Strafhof en het Internationaal Gerechtshof. Daarin wordt zwart op wit vastgesteld dat Israël zich schuldig maakt aan oorlogsmisdaden: het uithongeren van een volk als oorlogswapen, het bombarderen van ziekenhuizen, scholen en hulpverleners. Ondanks deze zware aantijgingen blijft het echter oorverdovend stil bij de Europese Commissie en loopt het Associatieakkoord met Israël gewoon verder. Israël blijft genieten van voorkeurstarieven, alsof er niets aan de hand is, alsof de regels enkel gelden voor sommige landen.

Mijnheer de minister, een maand geleden kregen we via onze resolutie het mandaat om in de Raad Buitenlandse Zaken van de EU te pleiten voor het onderzoeken van een mogelijke opschorting van dat Associatieakkoord. Ondertussen blijkt er inderdaad een onderzoek te lopen, maar dat blijft aanslepen. Het Associatieakkoord is nog steeds niet geschorst.

Klopt het dat dit rapport al sinds november circuleert? Hebt u het document waarnaar ik verwijs onder ogen gekregen? Waarom wordt Israël nog steeds de hand boven het hoofd gehouden?

Hebt u een update over het aangekondigde onderzoek door de hoge vertegenwoordiger, mevrouw Kaja Kallas? Is er überhaupt nog een onderzoek nodig?

Zult u op de volgende bijeenkomst van de Raad Buitenlandse Zaken van de EU op 23 juni pleiten voor het zo snel mogelijk opschorten van het Associatieakkoord, aangezien nu ook via een rapport van de EU is aangetoond dat Israël zich schuldig maakt aan oorlogsmisdaden tegen het volk van Gaza?

Wij rekenen op u, mijnheer de minister.

Ayse Yigit:

Mijnheer de minister, afgelopen zondag trokken we met meer dan 100.000 mensen door de straten van Brussel. Samen trokken we een rode lijn tegen de genocide in Gaza, tegen apartheid, tegen straffeloosheid en tegen de actieve medeplichtigheid van onze regering en de Europese Unie.

Vandaag stellen al die mensen u een dringende vraag. Wanneer zal België sancties opleggen aan Israël? Wanneer komt er een militair embargo tegen een staat die het internationaal recht openlijk schendt? België hoeft niet te wachten op Europa. We hebben de bevoegdheid en de morele plicht om nú te handelen. Waarom wachten tot er nog meer kinderen van onder het puin worden gehaald?

Op 3 juni lekte een intern rapport uit van de Europese Dienst voor extern optreden. Geen ngo, geen oppositiepartij, maar een officiële dienst van de EU zelf. Zwart op wit bevestigt dit rapport wat we al maanden zeggen: Israël pleegt oorlogsmisdaden in Gaza. Ook de VN-Mensenrechtencommissaris, het Internationaal Gerechtshof en andere VN-instellingen kaarten dit aan. Het ergste nog is dat de Europese Unie dit al wist in november 2024. Ze beschikte over feiten, maar deed niets. Geen sancties, geen actie, alleen maar stilte. Dit is geen neutraliteit, maar wel medeplichtigheid.

Zal België op 23 juni in de Raad Buitenlandse Zaken pleiten voor een opschorting van het EU-Israël Associatieverdrag?

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de minister, de situatie in Gaza blijft bijzonder zorgwekkend en schandalig. Zelfs bij het afhalen van voedsel vallen tientallen doden per dag. Dat is een situatie die we niet kunnen tolereren en die zo snel mogelijk moet stoppen. Hoewel wij met ons land en met de Europese Unie misschien niet cruciaal kunnen zijn in het oplossen van dat conflict, moeten we wel elk signaal uitsturen of elk middel proberen aan te wenden om dat toch te proberen.

Eerlijk gezegd twijfel ik niet aan uw intenties. Ik denk dat die juist zijn. Alleen hebt u uw regering blijkbaar niet mee. Dat is een probleem, want dat betekent dat ons land, onze Belgische regering, op dit moment stil blijft. Die stilte moet worden doorbroken. Het conflict blijft aanhouden. Er vallen dagelijks tientallen doden. Kinderen zijn daar niet veilig. Wij moeten met België onze rol spelen, hoe klein die ook is, ook op het internationale toneel. Dat hebben we altijd gedaan en dat moeten we blijven doen.

Ik heb een aantal concrete vragen, mijnheer de minister. Volgende week maandag is er inderdaad die Europese Raad. Welk mandaat hebt u en waarvoor zult u pleiten? Gaat u op Europees niveau pleiten voor de opschorting van het Associatieverdrag? Ik denk dat dat een goede eerste stap zou zijn. Zult u pleiten voor het uitvoeren van humanitaire droppings? Dat kan men als land afzonderlijk doen. Dat heeft men in 2024 gedaan. Dat zou al zeer veel helpen voor de situatie op het terrein, voor de mensen daar. Dat moet onze eerste bezorgdheid zijn.

Dan heb ik nog een vraag die eigenlijk pas later in het debat thuishoort, maar ik stel ze toch al, omdat ze relevant is. Verschillende landen, waaronder het Verenigd Koninkrijk, Noorwegen, Canada en Australië, hebben sancties aan twee Israëlische regeringsleden opgelegd. Zal de Europese Unie deze sancties ook opleggen? Zult u daar maandag al dan niet voor pleiten? Welke lidstaten blokkeren dit concreet of verzetten zich daartegen? Wat zal België ondernemen om hierin een voortrekkersrol te spelen?

Ik kijk uit naar uw antwoorden.

Voorzitter:

Je donne la parole pour deux minutes à Charlotte Deborsu qui souhaite se joindre à ce débat d'actuallité.

Charlotte Deborsu:

Je souhaite évoquer la conférence internationale qui, sous l’égide de la France et de l’Arabie saoudite, visait à relancer concrètement la solution à deux États. Elle était à l’origine prévue à New York du 17 au 20 juin – soit maintenant – mais a malheureusement été reportée. À titre personnel, je place beaucoup d’espoir dans cette conférence, même si d’aucuns y verront une certaine forme de naïveté.

Officiellement, le report est justifié par des contraintes logistiques et de sécurité, notamment liées aux déplacements de délégations de plusieurs pays arabes. Mais dans les faits, plusieurs observateurs pointent aussi des pressions politiques et diplomatiques, en particulier de la part d’Israël et des États-Unis. Ces derniers souhaitent évidemment que cette initiative n’aboutisse pas à la reconnaissance d’un État palestinien, qui constituerait selon eux un signal diplomatique prématuré et susceptible de renforcer le Hamas.

Dans ce contexte, disposez-vous d’informations complémentaires sur l’organisation concrète de cette conférence? Un report à court terme est-il d’ores et déjà envisagé? Comment la Belgique entend-elle peser pour que cette initiative internationale puisse réellement voir le jour, malgré les réticences de certains acteurs clés? Enfin, comment évaluez-vous l’impact – clairement négatif – de la position israélienne sur la solution à deux États, qui reste pourtant soutenue par une large partie des pays de l’Union européenne?

Voorzitter:

Aucun autre groupe ne souhaite-t-il se joindre à ce débat d'actualité? (Non)

Monsieur le ministre, vous disposez donc de 30 minutes pour vos réponses.

Maxime Prévot:

Je remercie l’ensemble des collègues parlementaires pour leurs multiples et différentes questions. La marche de ce dimanche, avec plus ou moins 100 000 personnes selon les statistiques, reste clairement une mobilisation massive et impressionnante. Bravo aux organisateurs!

À titre personnel, ma formation politique y était également présente, et je m’en réjouis. C’est un signal. Au-delà des 100 000 personnes qui ont participé à la marche, 2 millions de Palestiniens sont en train de mourir de faim: c’est là bien plus qu’un signal, c’est un enjeu moral et légal.

Je l’ai toujours dit avec beaucoup de clarté, et aussi avec beaucoup de lucidité: je me rêverais en Superman de la cause internationale. À mon échelle, avec la magistrature d’influence qui est celle de la Belgique – toute sa magistrature d’influence, mais aussi sa réelle magistrature d’influence –, nous agissons et tentons de faire bouger au maximum les lignes.

C’est la raison pour laquelle, non pas pour me décharger de mes responsabilités, je plaide régulièrement pour que ce soit à l’échelle européenne que les actions soient prises, sans quoi elles sont vides d’effet. Prenons un exemple simple à comprendre: celui des embargos sur les transits d’armes. L’embargo sur la vente existe déjà depuis de nombreuses années. Je suis le premier demandeur pour qu’il y ait un embargo total en Belgique, y compris sur le transit, y compris sur le double usage.

Ces compétences sont régionales. Dans quelques jours, à mon initiative – comme je m’y étais engagé –, une réunion aura lieu pour s’assurer que les Régions se mettent aussi en conformité avec le traité, notamment son article 6 § 3, afin de garantir qu’il n’y ait pas effectivement de situation susceptible de porter atteinte à la sécurité de civils ou de s’inscrire dans un schéma de crimes de guerre. J’espère que chacun alignera sa position.

Cependant, si, à côté de cela, à quelques kilomètres de là – par exemple à Rotterdam – le transit n’est pas interdit, et que, finalement, ce qui passait par Anvers passe désormais par Rotterdam, nous n’aurons pas résolu le problème dans l’intérêt des Palestiniens. C’est pour cette raison qu'une réponse supranationale est nécessaire. C'est donc une question de cohérence, car il ne s'agit pas de dire: "je me lave les mains et je renvoie la balle aux voisins".

Tant mieux si l'Irlande a la capacité d'être encore plus tranchée et audible. Probablement que la composition de son gouvernement facilite la tâche de mon homologue. Vous savez qu'au sein de notre gouvernement, il y a des sensibilités variées et variables sur ce dossier. Il m'appartient de porter le plus fortement et le plus loin possible mes convictions, certes, mais aussi la parole d'un gouvernement tel qu'il est composé avec la pluralité de ses sensibilités, tout comme d'autres ici sur les bancs de l'opposition, sous la Vivaldi, ont aussi dû porter le message d'un gouvernement qui n'était pas nécessairement toujours entièrement aligné avec le message qu'ils auraient souhaité porter.

Mais ce dossier est un concentré d'aberrations, d'indignations, de violations de droits humains et du droit international. On est tout sauf silencieux face à ce dossier. Vous l'avez d'ailleurs aussi lu par voie de presse: je suis personnellement convaincu que les faits à Gaza dont nous sommes témoins pourraient rassembler tous les éléments constitutifs d'un crime de génocide, mais il revient à la justice internationale d'en juger. Cela ne m'empêche ni d'avoir mon opinion ni de la partager. Du reste, à l'attention de ceux qui nous estiment parfois mous, je pense avoir assez des doigts d'une main pour compter le nombre de ministres européens des Affaires étrangères ayant osé prononcer ces mots.

Telkens als we denken dat er eindelijk een einde in zicht is en we misschien van een staakt-het-vuren kunnen spreken, moeten we vaststellen dat voornamelijk een aantal extremistische ministers in de Israëlische regering verklaringen afleggen over de vernieling van Gaza en de Palestijnse bevolking en de humanitaire blokkade blijven verdedigen.

Il faudra d'ailleurs voir comment, le moment venu, les déclarations de ces ministres seront évaluées par les juridictions compétentes et notamment la Cour pénale internationale.

Mijnheer Vander Elst, ik ben een voorstander van het opleggen van Europese sancties in het kader van een mensenrechtenregime tegen de Israëlische ministers Smotrich en Ben-Gvir. Ik ben de eerste minister van Buitenlandse Zaken in Europa die dat heeft gevraagd. Intussen heeft mijn Zweedse ambtsgenoot mijn voorbeeld gevolgd. Het is bovendien een krachtig signaal. Dat voorstel is eind 2024 al ingediend en sommige EU-lidstaten willen het opnieuw op de agenda plaatsen. Het gaat dan niet specifiek over het voorstel inzake die twee ministers, want dat is redelijk nieuw, maar wel over sancties gericht tegen gewelddadige kolonisten. U kunt erop rekenen dat België tijdens de volgende Raad Buitenlandse Zaken zal vragen of dat inderdaad het geval is.

Et, là aussi, soyons transparents! Il y a aujourd'hui 26 pays sur les 27 qui, depuis plusieurs mois, sont prêts à sanctionner des colons violents. Il y en a un, la Hongrie, qui bloque. C'est hyper frustrant, parce qu'évidemment, vu depuis la population ou parfois depuis le Parlement, on a alors le sentiment qu'on ne fait rien, qu'on n'agit pas, qu'on n'est pas sensible, alors qu'on relaie, qu'on dit, qu'on tape du poing sur la table. Dès lors que la règle de l'unanimité est celle qui s'impose et qu'un seul pays bloque, on est effectivement très embêté. Or, puisqu'on me demandait quel mandat allait être celui de la Belgique, la semaine prochaine, notre ambassadeur aura des mots très clairs, très nets sur cette question.

Het uithongeren van een bevolking is duidelijk een oorlogsmisdaad.

Et la Belgique rejette catégoriquement toute initiative visant au déplacement forcé de la population de Gaza, qui constitue une violation grave du droit international humanitaire.

Nous exigeons aussi la libération immédiate et sans condition des otages par le Hamas, qu'ils soient, je l'espère, encore vivants ou même décédés.

Madame Maouane, monsieur Lacroix, le navire humanitaire Madleen était une tentative désespérée et, reconnaissons-le, surtout symbolique d'acheminer de l'aide humanitaire à Gaza. Et, tout comme pour la marche de milliers de volontaires qui devaient partir du Caire pour se rendre à Rafah, le but était de sensibiliser à l'horreur de la situation et à l'obligation d'agir.

Je note d'ailleurs – je l'ai dit en transparence – que plusieurs dizaines de Belges ont été arrêtés par les autorités égyptiennes, non pas en raison du contenu de leur message mais parce qu'ils se rendaient vers le Nord Sinaï qui est une zone interdite en raison de ses dangers. C'est la raison pour laquelle il y a eu ces arrestations et nous avons veillé avec nos diplomates à nous assurer qu'effectivement, tout le monde était traité correctement, qu'il n'y avait pas d'entrave quelconque aux droits humains et qu'il y avait surtout la capacité de collaborer pour pouvoir les libérer au plus vite.

Évidemment, je regrette, à la lumière de ce qu'on a constaté en Égypte ou avec le navire humanitaire, que l'on soit obligé d'en arriver à de telles extrémités et qu'Israël ait même empêché le navire d'arriver à Gaza. Dans ce même esprit, la Belgique reste prête à parachuter de l'aide au-dessus de Gaza, comme M. Lacroix y faisait à nouveau allusion. C'est néanmoins une opération qui ne peut en aucun cas remplacer en volume l'entrée des camions qui sont par centaines, par milliers en train d'attendre. Un largage par avion ne sera qu'un palliatif, outre les difficultés opérationnelles de s'assurer qu'il sera largué au bon endroit, que les vivres ne seront pas captés par le Hamas pour être revendus et se refaire de l'argent, que le largage ne va pas créer lui-même des morts et qu'on arrivera à gérer, au vu de l'extrême famine, la manière dont les populations vont se comporter autour de ce qui aura été largué.

Je n'oublie pas non plus une autre contrainte, c'est l'autorisation donnée par Israël de l'occupation de son espace aérien. La demande a été formulée fin de la semaine dernière. On n'a pas encore reçu de réponse. Mais gardons bien en tête que le principal enjeu, c'est évidemment d'abord de forcer l'acheminement par voie terrestre, un acheminement massif et encadré par des acteurs humanitaires professionnels.

Nous restons évidemment en contact avec les pays partenaires, notamment la Jordanie, ainsi qu’avec mon collègue en charge de la Défense, avec qui, monsieur Lacroix, j’ai effectivement pu me concerter – de même que nos équipes respectives – au cas où les conditions évolueraient de telle sorte que les parachutages pourraient être possibles et utiles.

Entretemps, nous comptons plus de 600 jours de guerre, plus de 55 000 morts à Gaza et une famine qui touche surtout les enfants, les plus innocents. Nous voyons des enfants qui mangent du papier, du plastique et de l’herbe, à défaut de nourriture.

Le nouveau système de livraison d’aide humanitaire mis en place par la Gaza Humanitarian Foundation (GHF) est un exemple de ce qu'il ne faut pas faire. Il est contraire à tous les standards attendus d’une aide humanitaire, qui doit être neutre politiquement et démilitarisée. Le 1 er juin, des tirs ont eu lieu lors d’une distribution d’aide, causant 31 morts confirmés et 200 blessés. Depuis, plusieurs incidents similaires se sont produits, causant des dizaines de morts. Certaines journées, aucune distribution d’aide n'a été possible. Le volume d’aide livré par famille reste par ailleurs très largement insuffisant.

Je le répète, et j’ai fait cette demande formelle encore la semaine dernière auprès d’Israël: l’accès humanitaire aux populations de Gaza doit être garanti, tout comme le respect absolu des principes humanitaires. L’accès terrestre est la priorité, pour laisser entrer ces centaines de camions chargés d’aide, envoyés par la Belgique et par de nombreux pays du monde.

Madame Maouane, monsieur Lacroix, le gouvernement israélien a publiquement admis avoir armé une bande de criminels dirigée par Yasser Abu Shabab à Gaza. Cela explique vraisemblablement en partie le nombre de morts et de blessés pendant la distribution de l’aide. Je suis d'accord avec vous sur le fait qu'il faut absolument condamner ces pratiques. D’ailleurs, armer des bandes criminelles contribue encore davantage à la circulation des armes dans la bande de Gaza.

Depuis début juin, l’armée israélienne a accéléré encore la destruction des bâtiments à Gaza, avec des explosions lourdes qui ont été entendues jusqu’à Tel-Aviv et Jérusalem.

Depuis le 1 er mai, au moins 28 collaborateurs humanitaires ont été tués, portant à 452 le nombre total de décès parmi les travailleurs humanitaires, dont 315 membres du personnel de l'ONU.

Mijnheer Van Rooy, wat UNRWA betreft, verwijs ik naar mijn antwoorden op uw eerdere vragen en naar het rapport-Colonna en de opvolging daarvan door UNRWA. Ik raad u aan om u op de feiten te baseren, in plaats van propaganda door te geven. België blijft het mandaat en de activiteiten van UNRWA steunen, gelet op de cruciale en stabiliserende rol van die organisatie in de regio, en zal dat blijven doen tot er een rechtvaardige en duurzame politieke oplossing wordt gevonden voor de dramatische situatie van de Palestijnse vluchtelingen.

België heeft de donorverklaring waarnaar de heer Aerts verwees wel degelijk mee ondertekend. Aanvankelijk was er sprake van een vergetelheid van het Verenigd Koninkrijk, dat penhouder was, maar dat is inmiddels rechtgezet. Concreet roept België, net als andere Europese lidstaten, de Israëlische regering op om onmiddellijk een vrije, niet-gemilitariseerde en ongehinderde toegang te verlenen voor humanitaire hulp. Die hulp is bestemd voor de burgerbevolking in Gaza en mag niet worden omgeleid.

Mevrouw Depoorter, op 12 juni vond er een spoedzitting plaats van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, waar een nieuwe resolutie werd goedgekeurd met de steun van België. Die had tot doel te komen tot een staakt-het-vuren, na het veto van de Verenigde Staten in de VN-Veiligheidsraad, en tot ongehinderde humanitaire toegang. Mijn formele oproep aan de Israëlische autoriteiten werd gedeeld door het overgrote merendeel van de wereld.

Mevrouw Lambrecht, zoals ik al eerder stelde, heeft België geen probleem met het ondersteunen van onafhankelijke onderzoeken van de Verenigde Naties die bewijs verzamelen voor de verificatie van de vele oorlogsmisdaden. Het probleem is dat Israël geen toestemming geeft voor die onderzoeken.

Entretemps, il faut envisager ce que la Belgique peut faire concrètement sur le terrain. J'ai donc continué de maintenir une pression politique via les canaux bilatéraux, multilatéraux et européens pour qu'Israël lève les obstacles à l'aide humanitaire pour Gaza.

Nous progressons vers de nouvelles sanctions, y compris contre des leaders politiques israéliens et, évidemment, les leaders du Hamas. Nous devrions avoir la semaine prochaine, je l'espère, des nouvelles de l'examen de l'article 2 de l'accord d'association, ce qui pourrait potentiellement mener à la suspension du volet commercial de cet accord avec Israël.

Tout comme vous, madame Lambrechts, je pense que ces rapports ne sont pas utiles, parce qu'il est assez clair qu'il y a, de manière manifeste, des violations des droits humains. La haute représentante de la Commission européenne pour la politique de sécurité, Kaja Kallas, n'a pas dit autre chose sur la base des rapports qu'elle avait déjà pu lire des Nations Unies. Il n'en demeure pas moins que, formellement, il faut faire ce review comme première étape. Je peux imaginer ce que vont être les conclusions, mais, à ce stade, je ne sais pas encore imaginer ce que seront les suites, même de la part de notre gouvernement. C'est un élément que nous devrons clarifier le moment venu.

Dans un autre registre, après avoir déjà fait la demande orale de façon répétée, j'ai aussi pris l'initiative que soit envoyée, cette semaine, une lettre à la haute représentante Kallas, que sept à huit États membres ont déjà accepté de cosigner, afin que la Commission européenne indique les mesures à prendre, le cas échéant, suite à l'avis rendu par la Cour internationale de Justice il y a presque un an. Cet avis reconnaissait de manière très claire que l'occupation par Israël des territoires palestiniens était illégale et qu'il y avait matière à agir, y compris par rapport à l'importation de certains produits de ces territoires ou encore d'autres enjeux de commerce. Mais cela doit donc faire l'objet d'un suivi. Cet avis de la Cour a été rendu. Plusieurs pays ont demandé à en débattre. L'occasion ne s’est jamais présentée. Nous formalisons avec plusieurs pays cette demande.

Mevrouw Yigit, in dat verband hebben mijn diensten het initiatief genomen om maandag een bijeenkomst te organiseren tussen de federale regering en de regio's om na te gaan of ons beleid inzake wapenexport, met inbegrip van de doorvoer van goederen voor tweeërlei gebruik, in overeenstemming is met onze verplichting uit hoofde van het internationaal recht.

Un avion décollera par ailleurs dans les prochains jours vers la Jordanie avec du matériel médical d’une valeur d’un demi-million d’euros, permettant de soigner des blessés et des malades palestiniens.

Mijnheer Aerts, wat de evacuatie van kinderen betreft, gaat het om complexe operaties die worden uitgevoerd in coördinatie met de WHO en die afhankelijk zijn van de veiligheidssituatie. België verwelkomde 9 kinderen met kanker, vergezeld van hun familie, in totaal 25 personen, en evalueert de mogelijkheid van verdere medische evacuaties.

Wat betreft het Europees niveau, kan ik meegeven dat de Belgische diplomatie volop werkt om vooruitgang te boeken.

Le Moyen-Orient figure bien au prochain agenda du Conseil des Affaires étrangères. Le rapport relatif à la situation des droits humains, auquel plusieurs d'entre vous se sont référés, avait circulé sous la législature précédente en préparation d'un dialogue politique avec Israël. Comme vous le savez, celui-ci s'est tenu le 24 février. Du reste, en marge du dialogue, j'ai eu une rencontre bilatérale avec le ministre israélien des Affaires étrangères. Tant en séance plénière qu'en aparté, j'ai évoqué les rapports faisant état de violations des droits humains. J'ai aussi envoyé un message à mon homologue israélien ce week-end pour lui dire que, contrairement à ce que l'un de ses collègues avait affirmé publiquement, la Belgique n'était pas un pays antisémite – rappelant à mon interlocuteur toutes les initiatives qui sont prises par le gouvernement belge depuis déjà de nombreuses années pour lutter ardemment contre toute forme d'antisémitisme.

Mijnheer Aerts, eind deze maand vindt de ministeriële vergadering plaats tussen de EU en de landen van het zuidelijk nabuurschap. Die vergadering wordt op dit moment nog voorbereid. Israël is een van de landen die daarvan deel uitmaken en is een van de genodigden. Deze deelname en de aanwezigheid van minister Sa'ar is dus niet ongewoon. Of dit opportuun is, is een beslissing die uiteraard niet in handen van België is. Wij moedigen niettemin een dialoog aan om oplossingen te vinden. Ik heb bijvoorbeeld al gepleit bij minister Sa'ar voor de actieve deelname van Israël aan de vergadering over de tweestatenoplossing.

Mijnheer Vander Elst, de brief van president Abbas aan president Macron was heel bemoedigend en werd geprezen. Daarin werden verschillende vorderingen aangekondigd met betrekking tot het bestuur van een toekomstige staat Palestina.

Et c'est peut-être l'occasion de faire aussi le lien avec le plaidoyer de madame Deborsu pour une solution à deux États et la reconnaissance de la Palestine sur laquelle elle avait espéré que la réunion prévue cette semaine des Nations Unies puisse déboucher. En tout cas, ça fait du bien de l'entendre de la part d'une mandataire MR, puisqu'on doit bien reconnaître que vous êtes manifestement très peu à attendre le même type de conclusion de cette initiative, alors même que ça pourrait évidemment participer d'une démarche – fût-elle symbolique – qui soit de nature à pouvoir constituer un geste fort, pour autant – ce sont les balises sur lesquelles la résolution du Parlement s'est entendue – qu'il y ait bien libération des otages, une sécurité mutuelle, une démilitarisation du Hamas et une autorité palestinienne crédible. On peut s'interroger sur la faculté de rencontrer ces différentes balises cette semaine comme ce fut initialement envisagé. En tout état de cause, les attaques actuelles entre Israël et l'Iran ont hypothéqué la tenue de ce sommet, mais je ne suis pas sûr que tout le monde, en tout cas dans votre formation politique, attendait la même conclusion que vous de cette initiative. En tout cas je me réjouis de compter des alliés supplémentaires, à nouveau, je le redis, à la lumière des balises que le gouvernement et le Parlement ont souhaité fixer.

Enfin, monsieur Lacroix, vous m'avez posé une rafale – sans mauvais jeu de mots – de questions de nature plus statistique sur le nombre de personnes, le nombre de nationalités, quelle date... Je suis honnêtement incapable de vous improviser cet élément-là en séance, ainsi je vous invite à redéposer ces questions au travers d'une question écrite. Ainsi, vous aurez le loisir de connaître tous les éléments de réponse en temps opportun, car je ne les ai pas sous le coude, j'espère que vous ne m'en tiendrez pas rigueur.

Bref, chers collègues, vous aurez compris que nonobstant ce qu'on peut ressentir comme sentiments, frustration, indignation et colère, quand on voit les images atroces en Palestine, il y a un gouvernement qui est à l'action, un gouvernement qui dit les choses et porte les messages dans les instances où la capacité d'agir est concrète.

Bien sûr, eu égard aux horreurs vécues sur le terrain, nous voudrions pouvoir, nous Belgique et nous Europe de manière collective, aller plus vite, plus fort, plus loin. Nous ne sommes pas seuls maîtres du temps, ni des actions qui sont menées, mais à notre niveau, moi-même également, en conscience, je veille à agir au nom de la Belgique pour rester un État digne de cette défense historique des droits humains et du droit international.

Staf Aerts:

Mijnheer de minister, u benoemde de uithongering als oorlogsmisdaad. U stelde dat het een morele en wettelijke uitdaging is om te handelen. Dat kon ik volgen.

Dan verwees u naar de invloed van België, die beperkt zou zijn. Daar ben ik het niet mee eens. Ik meen dat het aan staten, ook aan Europese staten, is om een pioniersrol op te nemen en om de eerste signalen te geven, zoals Ierland en Spanje al aan het doen zijn. Ik meen dat het belangrijk is om verdere stappen te ondernemen en niet altijd te wachten op een Europees compromis.

U hebt eigenlijk toegegeven wat het probleem is, namelijk dat uw handen gebonden zijn door de regering. Binnen de meerderheidspartijen – en dan kan ik gokken dat het ongetwijfeld om de N-VA en de MR gaat – is er onvoldoende bereidwilligheid om die stappen effectief te ondernemen. Het is wel echt cruciaal dat die stappen ondernomen worden. Al 600 dagen stromen de gruwelbeelden binnen. De genocide blijft doorgaan. De verontwaardiging groeit maar de actie van de internationale gemeenschap, van de regeringsleiders, is nog altijd veel te weinig.

Als ik op straat hoor roepen "boycot Israël", dan meen ik dat het echt hoog tijd is dat dit effectief gebeurt. Dan kunnen wij zelf stappen zetten. Laten we die dappere Belgen zijn die als een van de eersten in Europa hun voet zetten om ervoor te zorgen dat die genocide stopt en dat de druk wordt opgevoerd. Ik meen dat het cruciaal is dat daar meer werk van gemaakt wordt.

Laat ik even ingaan op de EU-raad over nabuurschap, waarover u zei dat we de dialoog moeten aanhouden. Dat klopt, maar als de Europese vertegenwoordiger daar al aanhaalt dat er niet mag worden gesproken over Gaza, word ik ongerust. Daar gaat het immers vooral over meer samenwerking. Dat is net het tegenovergestelde van wat we moeten doen.

Ik hoop dat de kwestie van Gaza wel op tafel gelegd wordt en dat er vooral niet over verdere samenwerking met Israël gesproken wordt. Want dat is wat past bij "boycot Israël" en wat we nodig hebben, zodat er effectief stappen ondernomen worden.

Sam Van Rooy:

Mijnheer de minister, zo goed als alles wat u en de meeste parlementsleden hier hebben gezegd, betreft Pallywoodleugens.

Naji Abdul Aziz is directeur van een UNRWA-school in Gaza en tegelijk lid van een Hamaseenheid die explosieven vervaardigt om onschuldige mensen op te blazen. Hij is slechts een van de 1.400 UNRWA-medewerkers die tegelijk moslimterrorist zijn.

België heeft dus reeds tientallen miljoenen euro bijgedragen aan Hamas en vandaag bevestigt u dat ook de huidige regering zal doorgaan met die bijdragen aan Hamas, dat nota bene schiet op behoeftige Gazanen en voortdurend voedsel steelt om jihadterreur te financieren.

De conclusie is dat de regering-De Wever belastinggeld van de hardwerkende burger gebruikt om het dodelijke islamitische terrorisme van Hamas te financieren. Dat is een grove schande.

Christophe Lacroix:

Monsieur le ministre, je vous souhaite bon courage après les propos que nous venons d'entendre.

Je suis d'accord avec vous quand vous parlez de génocide, de crimes de guerre et de crimes contre l'humanité et quand vous dites qu'il est nécessaire d'imposer des sanctions économiques et d'investiguer pour fixer des sanctions judiciaires à l'égard des responsables de ces faits. Par contre, je ne vous suis plus dans votre logique personnelle souvent développée et je me demande quelle est encore votre place dans ce gouvernement. Je pense que vous y faites un travail assez remarquable. Il est bien dommage que la coalition d'aujourd'hui ne soit pas celle d'hier dans laquelle vous auriez eu légitimement votre place. Si la coalition était très largement différente, nous aurions déjà pu avancer très durablement sur de nombreux points que vous défendez actuellement. En effet, vous êtes bloqué par le MR et la N-VA. Pour adopter des positions humanistes au sens large comme vous le faites, vous devez passer des deals , ce qui est une honte pour ce gouvernement. Néanmoins, je salue votre action.

Ensuite, la première négociation à mon sens doit nous permettre d'aboutir à un cessez-le-feu. Les responsables de l'UNICEF auditionnés nous ont dit que 600 camions par jour entraient pendant le court cessez-le-feu. Ils ont qualifié ce convoi de minimum minimorum . Il faut absolument œuvrer pour un monitoring robuste de l'aide humanitaire avec les Nations Unies car 95 à 98 % de celle-ci va essentiellement aux familles et aux enfants. En outre, il faut évacuer au maximum les enfants malades et gravement blessés.

Pour finir, je pense que de nombreuses fake news circulent. Selon l'UNICEF, il n'y a aucune preuve que l'aide humanitaire soit dérobée par le Hamas.

Kathleen Depoorter:

Collega, Vivaldi en duurzaam overeenkomen… Ofwel is het mij de voorbije legislatuur volledig ontgaan, ofwel bestond het niet.

Het antwoord van de minister was echter heel belangrijk. Ik dank u daarvoor, mijnheer de minister. U geeft duidelijk aan dat deze regering wel iets doet. Deze regering neemt stappen en is sterker wanneer ze samenwerkt met Europa om te bekijken wat de stem is die we moeten hebben in deze crisis.

Wij hebben uiteraard alle empathie met de betogers die zondag hier in Brussel aanwezig waren. Het is echter absoluut belangrijk dat we hen duidelijk maken dat men pas stappen neemt aan de onderhandelingstafel door te reageren. Het onderzoek dat in Europa al is verricht, moet worden afgerond, waarna conclusies kunnen worden getrokken.

Dat is precies wat ook in onze resolutie stond. Wij willen op korte termijn zowel een staakt-het-vuren als de vrijlating van de gijzelaars, maar ook veilige humanitaire hulp verzekeren. Mijnheer de minister, het kan immers inderdaad niet dat men wordt beschoten wanneer men voedsel gaat halen, om het even van waar de wapens komen. Zijn eigen volk beschieten, doet men niet. Zijn eigen volk als menselijk schild gebruiken voor bommen, ook dat doet men niet. Illegale kolonies verderzetten en uitbreiden, ook dat doet men echter niet. U hebt het zelf aangehaald, ook daarvoor zult u op tafel kloppen in Europa en ervoor zorgen dat deze maatregelen vorm krijgen.

Het is belangrijk eveneens aan te geven dat België de nieuwe resolutie in de Verenigde Naties heeft gesteund. Hoewel er een veto was van de Verenigde Staten, is onze stem daar wel degelijk verheven. Wij blijven achter de waarden staan die we altijd hebben verdedigd: de waarden van mensenrechten, diplomatie en humanitair recht.

Rajae Maouane:

Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses détaillées.

Si je reconnais votre volontarisme en la matière, je ne peux que déplorer que vous ayez ces partenaires de gouvernement. Un argument de plus que vous pourriez utiliser pour les convaincre est que, ce week-end, nous étions plus de 100 000 personnes dans les rues à défiler pour réclamer des sanctions et la fin du génocide. Tous les soirs, des centaines et des milliers de personnes se réunissent à 19 h à la Bourse, à Bruxelles, demandant, elles aussi, des sanctions et la fin du génocide.

Pour les amateurs de chiffres, un sondage réalisé par Le Soir /Ipsos, apolitique et non militant, montre que sept Belges sur dix soutiennent l'adoption contre Israël des mêmes sanctions que celles prises contre la Russie. Il ne s'agit pas de gauchistes, mais de sept Belges sur dix, dans toutes les Régions, dans les électorats de tous les partis.

Et, pour convaincre les collègues du MR – je ne parle pas de la collègue qui a eu l'audace d'être un peu plus courageuse que ses camarades –, sachez que 54 % des électeurs du MR veulent des sanctions. Une majorité de Belges demandent et réclament un positionnement fort et, au-delà de cela, des actes concrets, c'est-à-dire des sanctions, la fin du génocide et une intervention pour casser ce blocus qui devient totalement insupportable.

Nous comptons sur vous, monsieur le ministre, pour continuer à porter la voix de la Belgique et qu'elle continue à être parmi les bons élèves au niveau européen.

Annick Lambrecht:

Mijnheer de minister, ik deel uw frustratie, verontwaardiging en woede. Ik hoor u op de radio en ik zou hetzelfde zeggen als u, indien ik daar zou zitten. Ik kan daar niets aan toevoegen. Ik volg u volledig, maar de frustratie blijft, want er zijn nog steeds geen sancties tegen Israël.

Ik blijf dan ook bij mijn vraag over dat vernietigende EU-rapport. Een EU-rapport dat zelf spreekt van oorlogsmisdaden, van het uithongeren van een volk, het bombarderen van ziekenhuizen, van mensen die voedselbedeling nodig hebben. Hoeveel onderzoeken zijn er nog nodig? Ik denk dat we er genoeg hebben. U denkt dat ook, ik weet het, ik deel uw frustratie.

U zei dat u superman zou willen zijn. U bént het een beetje, maar misschien moet u het nog meer zijn. Blijf op uw lijn en pleit op 23 juni hard voor die sancties tegen Israël. Iedereen is het erover eens, u hebt het ook nog eens gezegd, daar vindt een vreselijke genocide plaats, met elke dag nieuwe doden en het enige dat uitblijft, is niet onze verontwaardiging, maar die sancties. Dat is misschien ook het enige wat een beetje soelaas kan bieden.

Mijnheer de minister, ik twijfel niet aan u. Ik zit op uw lijn. We zitten binnen de regering op die lijn, want we hebben die resolutie. Als u op 23 juni verder kunt gaan, dan moet u niet twijfelen om sancties te bepleiten. U hebt die resolutie achter u, u hebt ons achter u, u hebt de regering achter u. U spreekt daar namens de regering. Ga ervoor op 23 juni. Zorg dat u partners vindt om dat Associatieakkoord onmiddellijk stop te zetten en dat er eindelijk sancties komen tegen Israël en tegen de genocide die Netanyahu daar aan het plegen is.

Ik wens u veel moed toe. U kunt op veel steun blijven rekenen. Vergeet dat nooit als het even lastig wordt.

Ayse Yigit:

Mijnheer de minister, er is een voortdurende, gruwelijke genocide aan de gang in Gaza. De Belgische bevolking vraagt om sancties en een militair embargo tegen Israël. Mijn collega Aerts vertelde het ook al. Er zijn wel degelijk maatregelen die wij kunnen nemen, zoals Ierland ons heeft voorgedaan. Men vraagt u ook niet om een militair embargo op te leggen in Rotterdam, maar hier in België.

Verder wil ik u eraan herinneren dat artikel 2 van het Associatieverdrag zowel de Europese Unie als Israël verplicht om de mensenrechten te respecteren. Israël schendt dit artikel op flagrante wijze. Het in stand houden van dit Associatieverdrag komt neer op het normaliseren van oorlogsmisdaden.

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ik dank u voor uw zeer duidelijke en voluntaristische antwoord. U wilt stappen zetten. U bent zeer vocaal en dat is goed. Wij moeten onze stem laten horen. Alleen vrees ik dat uw stem nog iets te vaak ten persoonlijken titel is en niet namens de regering. Die stap moet stilaan echt wel gezet worden.

Er werd in dit Parlement een resolutie goedgekeurd, die niet ver genoeg gaat, maar die wel een stap in de goede richting is. Deze kreeg een meerderheid en ook ik heb die gesteund. Die resolutie is een oproep aan de regering en het Parlement vraagt om deze resolutie uit te voeren. U kunt die gebruiken om verdere stappen te zetten.

Ik waardeer uw standpunt, ik waardeer uw duidelijkheid en ik denk dat u maandag op de Europese Raad op de juiste lijn zult zitten. Ik hoop alleen dat u ook een mandaat van uw regering hebt om die boodschappen in de verf te zetten en om door te duwen. Ik vrees immers dat dit momenteel nog steeds niet het geval is.

Met betrekking tot de sancties tegen kolonisten, het is een goede zaak dat we daar op dezelfde lijn zitten. U zegt dat dit wordt geblokkeerd door één lidstaat, Hongarije in dit geval. Dat is nog maar eens een reden dat van die unanimiteitsregel op Europees niveau moet worden afgestapt en om te evolueren naar een systeem met gekwalificeerde meerderheid. Dat kunnen we hier vandaag niet oplossen, maar het zou er zeker toe bijdragen dat de Europese Unie in de toekomst sneller, beter en efficiënter de tanden kan laten zien. En dat zal de komende jaren alleen maar meer nodig zijn.

Charlotte Deborsu:

Monsieur le ministre, je vous remercie. Même si vous n'avez pas répondu à toutes mes questions, je ne vous en veux pas. Elles étaient plus spontanées et pas prévues. Je vous remercie pour vos considérations. En effet, je le dis sincèrement, j'en attends beaucoup de cette Conférence. Celle-ci ne peut pas et ne doit pas être reportée ad vitam aeternam , puisque la seule solution, c'est une solution à deux États. Monsieur le ministre, je sais que vous en êtes vous-même intimement convaincu. Cette Conférence des Nations Unies peut réellement ouvrir de nouvelles perspectives à ce sujet, même au-delà de la symbolique. En ces temps troubles, je crois qu'on a plus que jamais besoin d'espoir; attendre et reporter systématiquement ne ferait rien d'autre qu'empirer une situation qui est déjà catastrophique. Outre l'urgence humanitaire, il y a aussi urgence pour trouver une solution politique.

De escalatie van het conflict tussen Israël en Iran
De aanval van Israël op Iran en de stabiliteit in het Midden-Oosten
De Israëlische aanvallen op Iran
De militaire escalatie tussen Israël en Iran
De escalatie van het conflict tussen Israël en Iran
De aanval van Israël op Iran
De sluiting van de Israëlische ambassades na de interventie in Iran
Het conflict tussen Iran en Israël
De Israëlische illegale oorlogsdaad tegen Iran
Het escalerende conflict tussen Israël en Iran in het Midden-Oosten

Gesteld aan

Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 17 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om Israëls grootschalige luchtaanval op Iran (13 juni 2025), die nucleaire en militaire doelen trof, met risico op regionale escalatie en wereldwijde gevolgen. België benadrukt diplomatie, non-proliferatie en bescherming van burgers, maar vermijdt partij kiezen; kritiek varieert van veroordeling van Israël (illegale agressie, schending internationaal recht) tot steun voor zijn "preventieve zelfverdediging" tegen Iraans nucleair gevaar. Energiemarkten, veiligheid Belgische diplomaten/burgers en de rol van de EU/VN staan centraal, met oproepen tot de-escalatie en hernieuwde onderhandelingen. De-escalatie en multilaterale oplossingen worden als enige uitweg gezien, maar scepticisme over Iraanse intenties en westerse dubbelstandaarden blijft groot.

Kjell Vander Elst:

Tijdens de nacht van 13 juni heeft Israël een grootschalige luchtaanval uitgevoerd op doelwitten in Iran. Ik zal de laatste zijn om het Iraanse regime te steunen, dat doe ik absoluut niet, het is een verwerpelijk regime, maar het zorgt er wel opnieuw voor dat het Midden-Oosten met een bijkomend conflict wordt geconfronteerd.

De gewelddadige activiteiten nemen toe. Dat zou ertoe kunnen leiden dat de volledige veiligheidssituatie, zowel in het Midden-Oosten als elders in de wereld, opnieuw onder druk komt te staan. We hebben daarnet een discussie gevoerd over de NAVO-norm, over het beveiligen van ons land en van ons continent. Dergelijke conflicten zijn daarbij allesbehalve behulpzaam.

Ik neem geen positie in aan de kant van Israël of Iran. Ik wil ook niet ingaan op de vraag wie de eerste stap heeft gezet. Ik denk dat we daar weinig mee opschieten. Ik wil vooral vragen stellen over de veiligheidssituatie in het Midden-Oosten en de eventuele gevolgen daarvan voor de veiligheid in Europa en in ons land.

Mijnheer de minister, wat is de laatste stand van zaken in het escalerende conflict? Wat is de impact van deze aanval op de onderhandelingen tussen Iran en de Verenigde Staten? Worden Belgische burgers, bedrijven en diplomatieke posten in de regio bijkomend beschermd? Op welk moment zal tot een evacuatie worden overgegaan? Wordt die op dit moment al voorbereid? We hebben allemaal kunnen vaststellen dat ook de president van de Verenigde Staten de G7-top vroegtijdig heeft verlaten. Meer en meer stemmen gaan op dat dit te maken heeft met het conflict tussen Iran en Israël.

Er wordt bovendien steeds meer militair materieel van de Verenigde Staten naar het Midden-Oosten gestuurd. Hoe beoordeelt u dat?

Tinne Van der Straeten:

Ik sluit mij aan bij de inleiding van collega Vander Elst wat betreft het algemene schetsen van de beide regimes. We moeten niet vervallen in een opbod tussen het ene en het andere, maar het debat moet gaan over de stabiliteit van en de veiligheidssituatie in de regio en de impact daarvan op de bredere wereld. Die aanvallen, die nog steeds doorgaan, situeren zich in een context van toenemende spanningen in de regio, ook met de VS, die onvoorspelbaar zijn en zelfs een ontwrichtend beleid voeren. De huidige aanvallen en de escalatie in de regio zullen dus een grotere impact hebben wereldwijd.

Mijnheer de minister, mijn dochter van veertien heeft mij ondertussen al drie keer gevraagd of er een derde wereldoorlog komt. De gebeurtenissen in Rusland, Israël en nu ook Iran, tonen aan dat de tektonische platen al sinds 2022 in beweging zijn. Daarom zou ik willen weten over welke informatie we vandaag beschikken en hoe we op de toekomst zullen anticiperen.

Weten we of deze aanval unilateraal was of niet? Blijkbaar werden zowel Duitsland als de Verenigde Staten verwittigd. Was er een actieve, dan wel passieve betrokkenheid van de VS? Hoe zal ons land zich in Europese context positioneren? Welke houding zal de regering innemen binnen de Europese Unie? Hoe kunnen we toewerken naar meer stabiliteit in de regio? Wat zijn de meest urgente stappen op korte termijn? Wat is de aanpak op middellange en lange termijn? Welke rol kan de EU daarin spelen?

Is er de link met het nucleaire programma van Iran, dat teruggaat tot 2015, het JCPOA. De Verenigde Staten zijn daaruit gestapt. Er wordt nu gesproken over bilaterale akkoorden. Kunnen bilaterale akkoorden wel de veiligheid bieden die we zoeken op het vlak van non-proliferatie van kernwapens?

Wat is de verwachte impact op het vlak van energie, specifiek op het vlak van olie? Wat zijn de gevolgen voor zowel de prijs als de bevoorrading?

Voorzitter:

Chers collègues, je vous remercie d’essayer de respecter le temps de parole car la séance est très longue aujourd’hui.

Michel De Maegd:

Monsieur le ministre, alors que la communauté internationale s’efforce de relancer une cycle de négociations sur le programme nucléaire iranien, le Moyen-Orient vient de basculer dans une nouvelle spirale de violence, avec une série de frappes israéliennes contre des installations militaires et nucléaires iraniennes. Ces frappes ont fait à ce jour de nombreuses victimes, parmi lesquelles de hauts responsables militaires iraniens et des membres du corps des gardiens de la révolution islamique. De nombreuses sommités travaillant sur le programme nucléaire ont été également ciblées mais on dénombre aussi de nombreuses victimes civiles.

Ces frappes ont été présentées par le gouvernement israélien comme une opération préventive, défensive et stratégique. Cette attaque intervient dans un contexte déjà extrêmement tendu, où le risque d’un embrasement régional est réel. L’Iran a promis de riposter et s’y attèle depuis ce week-end, avec encore, hélas, des victimes civiles en Israël cette fois. Le cours du pétrole s’envole, les États-Unis réduisent leur présence diplomatique en Irak, les Nations Unies appellent à une retenue maximale.

Monsieur le ministre, alors que notre pays défend une diplomatie fondée sur le respect du droit international, sur la non-prolifération nucléaire et sur la désescalade des tensions, pouvez-vous nous indiquer la position de la Belgique sur ces frappes? Comment comptez-vous faire entendre, au sein des enceintes diplomatiques, la voix d’une Europe qui appelle au retour des discussions, à la maîtrise des armements et à la protection des populations civiles?

Plus que jamais la stabilité de la Région passe par la relance du dialogue et non par l’escalade militaire. La Belgique fera-t-elle entendre ce message de fermeté diplomatique et d’humanité?

De manière plus concrète, pouvez-vous nous donner des informations sur les Belges actuellement présents en Iran et en Israël? Que savez-vous de leur situation? Ont-ils pu se mettre en sécurité?

Enfin, qu’en est-il de nos ambassades dans les deux pays? Qu’en est-il également de l’ambassade israélienne en Belgique? Fait-elle partie des celles que le pays compte fermer provisoirement par mesure de sécurité?

Christophe Lacroix:

Monsieur le ministre, permettez-moi tout d’abord d’affirmer que le régime iranien actuel est un régime méprisable, qui bafoue les droits humains et qui doit donc être condamné fermement.

Cependant, nous assistons une fois de plus à des frappes revendiquées par Israël, présentées comme des actions préventives contre le risque nucléaire iranien. Les réactions internationales se multiplient. Je comprends pourquoi puisque la légitime défense préventive n’a jamais été consacrée ni dans la jurisprudence internationale ni dans les pratiques internationales.

Il faut condamner fermement la violation de l’interdiction d’attaquer des sites nucléaires, telle qu’énoncée à l’article 56 des Protocoles additionnels aux Conventions de Genève. Sans quoi, nous normalisons un monde dans lequel il serait autorisé de s'en prendre aux sites nucléaires, avec des conséquences potentiellement apocalyptiques. Quid du conflit entre l’Inde et le Pakistan? Quid , plus près de nous, de celui entre l’Ukraine et la Russie?

Monsieur le ministre, comment la Belgique compte-t-elle se positionner face à cette déclaration de guerre d’Israël? Des ressortissants belges sont-ils présents dans la région? L'avis de voyage va-t-il être modifié? Quand la Belgique va-t-elle enfin se positionner pour empêcher Israël de semer la terreur dans la région? Quand des sanctions seront-elles enfin prises, tant au niveau européen qu’au niveau national?

Par ailleurs, je souhaiterais vous interroger sur les répercussions en matière d’approvisionnement énergétique et sur les coûts que cette situation pourrait engendrer pour nos entreprises et pour notre population. Qu’en est-il des risques de résurgence d’attentats terroristes en Union européenne et en Belgique en particulier? Nous savons en effet que certaines cellules dormantes pourraient être activées par l’Iran sur notre territoire.

Darya Safai:

Mijnheer de minister, het zijn belangrijke dagen, niet alleen voor Iran, de Iraniërs of de toekomst van ayatollahs, maar ook voor het Westen. Wat willen wij, Europeanen, westerlingen voor de toekomst? W, Europeanen willen. Wat zal onze belangen dienen? Wij willen goed doen voor de wereld, maar ook voor Europa en zelfs voor de generaties na ons. Welke weg we kiezen, bepaalt inderdaad onze toekomst.

Historisch gezien ligt er nu een unieke kans. Een dergelijke gelegenheid zal zich niet vaak herhalen. Sommigen werpen op dat de acties van Israël ingaan tegen de internationale afspraken en regels. Maar wat denkt u dat zo'n monster zal doen met een nucleair wapen? Het zal ons aanvallen. U zult opwerpen dat het niet tegen ons zal worden gebruikt. Tegen wie dan wel? Als kind moest ik op school elke ochtend op uw vlag stappen. Als kind moest ik u laten zien hoe hard wij u haten. U vindt misschien dat ik overdrijf? Neen, dat is namelijk niet het verhaal van mij alleen, maar het verhaal van miljoenen Iraniërs, die dat nog altijd moeten doen. Verdiep u zich maar in de geschiedenis van Iran en u zult dat vaker zien.

Iraniërs vragen het Westen niet om hen te helpen door Israël te veroordelen. Ze willen een andere vorm van hulp, een die ertoe leidt dat het regime zo zwak wordt dat zij het een laatste slag kunnen toebrengen en het regime faalt.

Voorzitter:

Mevrouw Safai, gelieve af te ronden.

Darya Safai:

Mijnheer de voorzitter, hopelijk kunt u mij als een bron van veel informatie een minuut spreektijd extra toestaan. Ik rond af.

De toekomst van het Westen wordt nu bepaald. Wat bedoelen de westerse landen met diplomatie, dialoog en de-escalatie? Willen zij het probleem alleen maar voor zich uitschuiven? Dan wordt het alleen maar groter en geven we het regime zuurstof om een groter monster te worden.

Of wil men het probleem voor eens en voor altijd oplossen? U praat over diplomatie en dialoog. Ook voor mij behoren diplomatie en dialoog bij de beste karakteristieken van de westerse democratie, maar heeft dat 46 jaar gewerkt of niet? Als dat niet gewerkt heeft, hoe zult u dan nu vermijden dat het regime nucleaire wapens in handen krijgt?

Voorzitter:

Madame Safai, merci de veiller au respect du temps de parole. Vous étiez à près de quatre minutes au lieu de deux!

Annick Lambrecht:

Mijnheer de minister, sinds 13 juni 2025 is de situatie in het Midden-Oosten drastisch geëscaleerd. Israël voert een grootschalige luchtaanval uit op de nucleaire en militaire installaties van Iran en Iran heeft ondertussen massale raket- en droneaanvallen als reactie gegeven. Dat heeft geleid tot honderden doden tot nu toe, wijdverspreide paniek in Teheran en aanzienlijke schade in Israëlische steden zoals Tel Aviv en Haifa.

De diplomatie in de regio moet, zoals de vorige spreekster aangaf, zo snel mogelijk worden hersteld. Dat staat buiten kijf, want elk slachtoffer dat valt, is er een te veel.

Ten eerste, wat is de positie van België over de aanval? Hebt u contact gehad met uw collega-ministers van Buitenlandse Zaken over een gecoördineerd Europees of internationaal antwoord? Wat is de rol van de Verenigde Naties?

Ten tweede, welke maatregelen overweegt u ter bescherming van Belgische burgers en diplomatieke posten in de regio?

Ten derde, in het statement van de G7, waarin de Europese Unie ons vertegenwoordigt, wordt het volgende gesteld. Ik citeer: "Israël heeft het recht op zelfverdediging en Iran is de kernbron van de regionale instabiliteit." Is dat naar uw mening een faire uitspraak? Hoe is die stellingname te rijmen met het feit dat Israël de aanvallen is begonnen?

Ten vierde, hoe kijkt u naar de bewering van Israël dat het om zelfverdediging gaat?

Ten vijfde, hoe zorgt u ervoor dat Israël daardoor de aandacht niet afleidt van de gruwel in Gaza vandaag?

Kathleen Depoorter:

Mensenrechten, vrouwenrechten en democratie staan al jaren onder druk in het theocratische, autoritaire en islamitische Iran. Met dat statement veroordeelden regeringspartijen, daarin door ons bijgetreden, de gijzeldiplomatie en vroegen wij Europa om de IRGC te blacklisten. Daarover werden er ook afspraken gemaakt.

Op 13 juni voerde Israël een aanval uit, daarbij de nucleaire installaties viserend. Uiteraard is elk slachtoffer er een te veel. Mijnheer de minister, dit is het moment om samen met Europese collega’s een standpunt in te nemen, een standpunt voor vrede, voor mensenrechten, voor vrouwenrechten en voor de toekomst.

Ik had graag van u vernomen welk standpunt u zult verdedigen. Welke visie zal België in de vergadering met de Europese ministers van Buitenlandse Zaken op tafel leggen? Welke houding zult u aannemen?

Naar verluidt heeft Israël een oproep gedaan om de ambassades wereldwijd te sluiten. Ik had graag van u vernomen of ook onze ambassade gesloten is of zal worden? Zijn er ondertussen nog goede diplomatieke contacten tussen ons land en Israël en hoe wordt daar desgevallend mee omgegaan? Worden de functies van de ambassade nu geheel of gedeeltelijk overgenomen door de consulaire posten? Is er een verantwoording gegeven?

Tot slot, mijnheer de minister, welke rol ziet u voor de VN en welk standpunt zult u daar innemen?

Ayse Yigit:

Mijnheer de minister, Israël heeft zopas een daad van uitzonderlijke ernst gepleegd, een directe aanval op Iran. De aanval, die zowel civiele als militaire doelwitten trof, is een flagrante schending van het Handvest van de Verenigde Naties en van het internationaal recht. Professor Dimitri Van Den Meerssche onderstreepte het op de VRT: het gaat om illegale agressie en niet om een defensieve daad.

Onder de slachtoffers bevinden zich wetenschappers, gezinnen, kinderen. Hun lichamen liggen onder het puin. De beelden gaan de wereld rond. De operatie was geen reactie, maar een vooraf geplande unilaterale aanval, uitgevoerd met de steun van de Verenigde Staten. Ze past in een bredere strategie van regionale dominantie, waarbij de agressor zich presenteert als slachtoffer, terwijl hij de spanningen in het Midden-Oosten op de spits drijft.

Mijnheer de minister, het internationaal recht verandert niet afhankelijk van wie het overtreedt. Veroordeelt de Belgische regering de Israëlische aanval op Iran?

Bent u het eens met Dimitri Van Den Meerssche dat de aanval van Israël illegale agressie is?

Zult u sancties eisen tegen Israël en elke militaire en economische samenwerking en veiligheidssamenwerking met dat land stopzetten, zolang het openlijk het internationaal recht schendt en conflicten in de regio aanwakkert?

Israël is een van de drie landen wereldwijd die het non-proliferatieverdrag niet hebben ondertekend. Het is de enige kernmacht in de regio. Vindt u dat Israël het non-proliferatieverdrag moet ondertekenen?

Voorzitter:

Madame Maouane, il est possible de vous joindre au débat d'actualité. J'ai d'ailleurs une autre demande du Vlaams Belang.

Rajae Maouane:

Merci monsieur le président. Je le dis en préambule, je ne suis absolument pas fan du régime iranien qui ne respecte pas les droits humains. Nous vivons en ce moment une tension et une escalade inquiétantes avec Israël qui a lancé une attaque directe contre l'Iran. Cette attaque est menée en dehors de tout mandat international, en violation flagrante de la Charte des Nations Unies. C'est un acte de guerre, tout simplement.

Les sites visés étaient à la fois militaires et civils. Parmi les victimes, on trouve des scientifiques, des femmes, des hommes, des enfants. Israël justifie cette agression par une stratégie dite préventive. On voit qu'Israël agit ici en dehors de tout droit. Ce pays refuse toujours de ratifier le traité de non-prolifération nucléaire, tout en poursuivant ses frappes régionales et en se plaçant au-dessus de toute règle commune. Pendant ce temps, on voit que l'Europe hésite ou n'est pas extrêmement claire. J'ajoute qu'Israël refuse toute inspection de l'Agence internationale de l'énergie atomique (AIEA), ce qui est un double standard très dangereux parce que cela fragilise l'ensemble des efforts de désescalade dans la région, y compris les négociations sur le programme nucléaire iranien. Pendant ce temps, le risque d'embrasement régional augmente, tout comme la menace sur l'approvisionnement en énergie et sur la stabilité économique mondiale.

Monsieur le ministre, mes questions rejoignent celles de mes collègues. Le gouvernement belge condamne-t-il fermement cette attaque unilatérale d'Israël contre l'Iran? Que savons-nous du rôle des États-Unis dans cette opération? Quelle position la Belgique va-t-elle défendre au niveau européen dans les jours qui viennent? Comment faites-vous l'analyse de ces attaques et comment vous positionnez-vous pour empêcher une escalade ou une guerre régionale totale? Enfin, quelles sont les conséquences diplomatiques, économiques ou militaires que notre pays envisage à l'encontre d'Israël qui viole encore une fois le droit international?

Voorzitter:

Je précise que dans le cadre d'un débat d'actualité, quand vous n'avez pas déposé de question, vous pouvez prendre la parole, soit dans le débat, soit en réplique, une seule fois.

Mijnheer Van Rooy, wenst u nu het woord te nemen? (Nee)

Dan krijgt u het woord tijdens de replieken.

Dans ce cas-là, nous allons vous céder la parole, monsieur le ministre, pour votre réponse. Trente minutes vous seront accordées à cet effet.

Maxime Prévot:

Monsieur le président, je remercie l'ensemble des collègues pour leurs questions.

Mijnheer Vander Elst, monsieur De Maegd, de manière surprenante, le gouvernement israélien a décidé d'attaquer l'Iran dans la nuit de jeudi à vendredi dernier en présentant ces attaques comme préventives, ainsi que plusieurs d'entre vous l'ont rappelé, et en justifiant de la propre défense d'Israël.

Le premier ministre Netanyahu a déclaré que, ces dernières années, l'Iran avait accumulé assez d'uranium enrichi pour produire neuf bombes nucléaires et que, s'il n'était pas arrêté, ce même pays pourrait produire une bombe "à très brève échéance". Le secrétaire d' État américain Marco Rubio a, lui, qualifié cette initiative israélienne d' "unilatérale" et affirmé que les États-Unis n'étaient pas impliqués. Le ministre iranien des Affaires étrangères estime, pour sa part, que les États-Unis ont été des partenaires dans ces attaques et qu'ils devraient reconnaître une responsabilité, tout en insistant sur le fait que, dans sa riposte, l'Iran n'avait visé qu'Israël, qu'il ne souhaite pas une extension du conflit, que le pays n'a pas quitté la table des négociations et qu'il est prêt à les reprendre. Un sixième round de négociations sur le nucléaire iranien était en effet bel et bien prévu à Oman dimanche dernier, entre les États-Unis et l'Iran. Toutefois, les circonstances ont évidemment conduit à son annulation.

Quant à moi, j'ai immédiatement réagi vendredi, en m'assurant d'abord et avant tout que les Belges dans la région étaient en sécurité et en prenant des nouvelles de mon personnel diplomatique sur place. Heureusement, jusqu'à aujourd'hui, tout le monde se porte bien. Nos avis de voyage pour les pays concernés ont été tout de suite adaptés pour avertir les Belges des derniers événements et les informer de la manière d'y réagir. Dans un premier temps, nos ambassades ont été relativement peu contactées par des compatriotes inquiets. Cependant, soyons honnêtes, le mouvement va à présent crescendo. Nos ambassades gèrent la situation avec calme et professionnalisme. Une évacuation n'est, à ce jour, pas envisagée, mais nous communiquons à ceux qui souhaitent s'en aller les possibilités qui existent. Soyons clairs: nous suivons la situation au jour le jour parce qu'au vu de la tournure des événements, l'absence d'évacuation pour le moment ne signifie pas qu'il ne devrait pas y en avoir demain.

Mevrouw Lambrecht, er waren enkele Belgen aanwezig in Iran, wellicht voor niet-essentiële reizen, ondanks ons reisadvies. Iedereen is veilig. Ik heb toestemming gegeven voor vrijwillig vertrek van de families van onze collega's die in Tel-Aviv en Jeruzalem gestationeerd zijn en wier hardship classification opnieuw is verhoogd, net als voor wie gestationeerd is in Teheran.

Mevrouw Yigit, monsieur Boukili – qui pourra lire le compte rendu –, dès vendredi matin, j’ai exprimé ma profonde inquiétude vis-à-vis des attaques israéliennes, mais aussi des ripostes iraniennes. Il s’agit du pire des scénarios. D’un côté, le risque de toucher des cibles nucléaires; de l’autre de faire des victimes civiles; et cela, alors même que des négociations étaient toujours en cours.

Mevrouw Safai, ik deel uw bezorgdheid, uw woede en uw aanklacht tegen het zeer problematische regime van de Iraanse autoriteiten, een regime dat niet de vriend van België kan zijn, een regime dat geen kernwapens mag bezitten.

Tot heden hebben we geen bewijs dat Iran over kernwapens beschikt. Het land is ook partij bij het verdrag inzake de niet-verspreiding van kernwapens. Niettemin beschouwde het Internationaal Atoomenergieagentschap in zijn meest recente verslag de snelle accumulatie van hoogverrijkt uranium als zeer zorgwekkend. Het Agentschap betreurde het dat het, bij gebrek aan betere samenwerking van de kant van de Iraanse autoriteiten, niet in staat was om de verzekering te geven dat het nucleaire programma van Iran uitsluitend vreedzaam verliep.

België verzet zich tegen de verrijking van uranium door Iran voor militaire doeleinden. Daarom heeft onze regering, naast de gijzelaarsdiplomatie, de wapenleveringen aan Rusland, de schendingen van de mensenrechten, waaronder vrouwenrechten, en de destabiliserende activiteiten in de regio, besloten om de druk op het Iraanse regime op te voeren en tegelijkertijd het Iraanse volk te steunen. België steunt het opleggen van gerichte sancties tegen Iraanse personen en entiteiten op het niveau van de Europese Unie.

Ik geloof de Iraanse minister van Buitenlandse Zaken op zijn woord als hij zegt dat Iran de vijandelijkheden zal staken als Israël hetzelfde doet en dat Iran bereid is om terug te keren naar een diplomatieke oplossing door aanvaardbare voorstellen te formuleren. Ik geloof president Trump ook op zijn woord wanneer hij oproept om een einde te maken aan de dood en vernieling en Iran aanspoort om een deal te sluiten. Ik blijf geloven dat de onderhandelingstafel een veel betere optie is dan het slagveld.

Monsieur Lacroix, nonobstant le fait qu'on a toutes les raisons de pouvoir régulièrement douter des annonces qui sont faites par les ministres iraniens, pour revenir à la question connexe que vous avez évoquée, à savoir celle de la conférence à New York, il est clair que la France et l'Arabie saoudite n'ont pas annoncé l'annulation, mais le report de la conférence prévue cette semaine sur la solution à deux États; et ce, officiellement, pour des raisons, je cite, "logistiques et sécuritaires".

Je comptais effectivement m'y rendre, et dès que la nouvelle date sera connue, je compte bien confirmer à nouveau ma participation active. Je l'ai dit et je le répète, la Belgique s'inscrira dans l'initiative franco-saoudienne à la lumière des considérations déjà partagées.

En attendant, il ne faut pas non plus que cela détourne notre attention du drame humain qui continue de se jouer à Gaza. Israël ne permet toujours pas un véritable accès humanitaire aux populations civiles et continue de tuer des Palestiniens. Le Hamas n'a toujours pas libéré les otages. C'est un scandale, et je continue d'engager la Belgique avec l'Union européenne pour un cessez-le-feu et une solution à long terme, comme nous venons d'en débattre.

Mevrouw Depoorter, ik heb inderdaad in de pers gelezen dat er sprake is van de sluiting van Israëlische ambassades over de hele wereld. Wat de Israëlische ambassade in België betreft, wij zijn niet op de hoogte gebracht van een dergelijke beslissing.

Mevrouw Van der Straeten, mijnheer Lacroix, het nieuws over de Israëlische aanvallen op Iran heeft gevolgen gehad voor de prijs van olie en gas, die gestegen is. De Straat van Hormuz is een wereldwijd energieknelpunt: 20 % van de olie en het lng passeert daar immers. Voor België zijn verstoringen dus mogelijk, zeker als gas- en havenhub. Ook daarom moeten we een escalatie van het conflict en de uitbreiding ervan naar andere landen in de regio voorkomen.

De situatie onderstreept bovendien het belang van diversificatie van de invoerbronnen en van ondersteuning van de Europese inspanningen om de zeeroutes veilig te stellen. We hebben er gisteren tijdens de vergadering van de raad van Bestuur van het Internationaal Atoomenergieagentschap ook aan herinnerd dat nucleaire installaties nooit mogen worden aangevallen, aangezien dergelijke aanvallen ernstige gevolgen kunnen hebben voor de nucleaire veiligheid, beveiliging en waarborgen.

Dat waren, mijnheer de voorzitter, de verschillende elementen van informatie die ik wilde meegeven.

Voorzitter:

Merci, monsieur le ministre. Je cède la parole à M. Vander Elst pour sa réplique de deux minutes.

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. Informatie en communicatie zijn bijzonder belangrijk wanneer zich een dergelijk conflict voordoet. Het is goed dat de ambassade, in samenwerking met de FOD Buitenlandse Zaken, in zeer nauw contact staat met de Belgen ter plaatse, zodat we hen kunnen ondersteunen of helpen, mocht dat nodig blijken.

U gaf daarnet aan dat u de Iraanse minister op zijn woord gelooft. Geloven in het goede van de mens is goed, maar we moeten daar in dit geval toch voorzichtig mee zijn. We mogen niet naïef zijn, want het Iraanse regime is niet zomaar een regime dat we meteen op zijn woord moeten geloven. Laten we zeer waakzaam blijven.

Het is vanop afstand, vanuit België, heel gemakkelijk om kant te kiezen in een internationaal conflict. Het is echter veel moeilijker om vanop afstand naar een oplossing te zoeken. Onze positie daarin is niet eenvoudig. We moeten dat, samen met de Europese Unie, zeer nauwlettend opvolgen. Samen met u hopen we zo snel mogelijk tot een diplomatieke oplossing te komen, want elk slachtoffer in een conflict is er een te veel. We zullen dat conflict vanuit de commissie zeker van nabij blijven opvolgen.

Tinne Van der Straeten:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw verduidelijking. Ik heb twee opmerkingen.

Ten eerste, wat betreft olie en gas, moet er inderdaad diversificatie zijn, maar er moet ook voor worden gezorgd dat we, in dit geval, minder olie nodig hebben. We weten waar de oliereserves zich bevinden, namelijk in Rusland, Iran en de Verenigde Arabische Emiraten. Geen van die drie zijn democratieën. In twee van de drie is er oorlog en, zoals u weet, want u bent er geweest, zijn de Verenigde Arabische Emiraten friends to all and enemies to nobody . Het is zeker een land waarmee we een goede relatie moeten opbouwen, maar het blijft wel een autocratisch regime.

Grondstoffen en energie kunnen enorm ontwrichtend werken en onveiligheid in de hand werken. We hebben dat gezien met de oorlog in Oekraïne. Op korte termijn is diversificatie en zeeroutes veiligstellen inderdaad goed. Op middellange termijn moeten we ervoor zorgen dat we ze gewoonweg niet of minder nodig hebben en dat we energie kunnen gebruiken die we zelf produceren of die we van andere delen van de wereld kunnen laten komen.

Ten tweede, wat betreft het atoomprogramma, de atoomonderhandelingen lijken nu helemaal gedelegeerd te worden en een onderonsje tussen Iran en Trump, tussen Iran en de Verenigde Staten te worden. Dat zat er al aan te komen, ook voor deze aanvallen. Het multilateralisme in de schoot van het IAEA lijkt op dat vlak wel opgegeven te zijn. Dat kan geen goede zaak zijn voor de veiligheid van de wereld, zeker als het gaat over non-proliferatie. Hoe die onderhandelingen evolueren moet worden opgevolgd, maar volgens mij is het ook belangrijk dat dat breder gaat dan een louter bilateraal akkoord. Anders wordt onze wereldwijde veiligheid straks geregeld via bilaterale akkoorden in plaats van via multilaterale akkoorden. U had het in uw beleidsnota toch vaak, en terecht, over multilateralisme, mijnheer de minister.

Michel De Maegd:

Chers collègues, je me permets de répliquer à mon tour.

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse, que je qualifierais d'équilibrée. L'essentiel reste, je pense, notre attachement indéfectible au droit international bien sûr, mais au-delà, à la sécurité collective et à la non-prolifération nucléaire. C'est aussi ce qui fait la force de la diplomatie belge, sa constance, son attachement aux principes, même dans la tourmente.

Mais permettez-moi tout de même d'ajouter une inquiétude. Le Moyen-Orient n'est pas une région comme les autres. C'est un théâtre de tensions anciennes et profondes où chaque geste peut être perçu comme une menace existentielle. Israël est un État démocratique cerné de régimes dont certains continuent d'appeler à sa disparation. L'Iran et son régime obscurantiste qui avilit sa propre population – cela a été rappelé par quelqu'un qui l'a vécu –, soutient des milices hostiles jusque dans son territoire même, poursuit un programme nucléaire clairement opaque et profère régulièrement des menaces explicites d'éradication de l'État d'Israël. Dans ce contexte, il faut reconnaître, sans pour autant justifier, le sentiment d'urgence qui pousse certains États à agir. Une diplomatie crédible ne peut ignorer les peurs réelles. Elle doit entendre les raisons de chacun, même lorsque l'on condamne les moyens qui sont employés.

La Belgique doit rappeler dans les enceintes internationales et sans ambiguïté que la seule sécurité durable passe par la négociation, la transparence et le respect mutuel.

Pour terminer, je rappelle que la sécurité de nos ressortissants et de nos représentations diplomatiques doit, bien sûr, rester aussi une priorité absolue.

Christophe Lacroix:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour le caractère complet de votre réponse.

Ce qui me choque, c'est d'avoir l'impression que le premier ministre israélien est le Machiavel du XXI e siècle. Voilà des années qu'on annonce que l'Iran va se doter de la bombe nucléaire. On prétend chaque fois que c'est imminent. À nouveau, le premier ministre israélien a considéré que c'était imminent, et a déclenché sa guerre. Il l'a déclenchée 60 jours après le délai qu'avait fixé Donald Trump pour négocier avec l'Iran pour justement obtenir un accord sur le désarmement nucléaire. Le premier ministre israélien avait donc une fenêtre d'opportunité pour déclencher cette "guerre préventive" qui est contraire à tout droit international et au protocole additionnel des conventions de Genève.

Pourquoi? Pour se parer de nouvelles médailles et pour détourner l'attention sur le génocide perpétré à Gaza. Sa justification portant sur les sites nucléaires ne constitue qu'un prétexte. Il veut éradiquer le régime iranien. Je peux le comprendre, ce régime iranien est absolument pervers, antidémocratique, horrible, mais, si on veut arriver à abattre un régime, c'est par la voie diplomatique et la voie démocratique avant tout qu'il faut le faire, pas par des "guerres préventives" et en violant le droit international. En s'attaquant à des sites nucléaires, il déclenche une escalade potentielle que d'autres comme l'Inde, le Pakistan, la Russie, l'Ukraine pourraient utiliser demain. C'est un risque majeur pour l'humanité.

Darya Safai:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoorden. U zei dat we nog steeds geen bewijs hebben dat ze een kernwapen hebben. Op het moment dat we dat bewijs wel hebben, is het te laat. Dan kunnen we niets meer doen. Trouwens, de heer Grossi zei al dat ze heel ver staan in het verrijken van uranium, ze zijn er dus bijna. Daarvoor hebben we geen bewijs nodig. Het is al zover, want het Internationaal Atoomenergieagentschap zegt het zelf.

Met betrekking tot de stelling dat Iran nu opnieuw bereid is om te onderhandelen, het spijt me, mijnheer de minister, maar het is te laat. Ze vragen dat nu omdat het hele land in brand staat. Ze zullen ons opnieuw voor de gek houden. Laten we ernstig blijven over die onderhandelingen. Ik garandeer het u, ze zullen opnieuw beweren dat hun doelstellingen vreedzaam zijn, maar dat klopt gewoon niet.

Met betrekking tot Trump en de Amerikaanse "diplomatie", Trump heeft een poging gedaan omdat de Amerikanen hem vragen om geen oorlog te beginnen. Dat is terecht, ik geloof ook in diplomatie, maar niet met Iran. Hij heeft geprobeerd zijn achterban duidelijk te maken dat hij er alles aan gedaan heeft. Nu het zover is, laat hij Israël het vuile werk opknappen. En Israël doet dat nu. De rivier van de revolutie van de mensheid vindt de weg. Zo zal Israël zijn doelen realiseren.

Binnenkort, in de nabije toekomst, zal er een seculaire democratie ontstaan in Iran. En dat is positief, voor u, voor de collega’s, voor ons, voor het Westen, voor iedereen. Laten we die mensen steunen, die nog altijd zo dapper zijn. Mijn mama en zus zeggen: laat het maar gebeuren, dit is een oorlog die uitgevochten moet worden, wij zijn sterk, steun ons en dan komt het goed.

Annick Lambrecht:

Mijnheer de minister, misschien wilt u nog antwoorden, soms doet u dat, omdat ik u vroeg of u akkoord kunt gaan met wat de G7 heeft gezegd. Ik citeer: “Israël heeft het recht op zelfverdediging. Iran is de kernbron van regionale instabiliteit”.

Ik denk niet dat dit te rijmen valt met wat u hier voortdurend tegen ons zegt en met de lijn waarop wij gezamenlijk zitten. Ik zou van u willen horen dat u vindt dat dergelijke uitspraken niet kunnen, zeker niet in onze naam. Het is immers niet alleen Israël dat de aanvallen op Iran is gestart. Ook Iran zaait terreur in de regio en draagt schuld. Ook Trump draagt verantwoordelijkheid. Hij heeft de Irandeal opgeblazen.

We zitten met drie extremen, allemaal overtuigd van hun grote gelijk. Zij denken dat dit conflict zomaar kan worden opgelost. Uitspraken zoals die van de G7 helpen daar niet bij. Ik denk dat het aan ons is, aan de G7 waartoe wij behoren, om het hoofd koel te houden. U kunt daar koelbloedigheid tonen, zoals u dat ook in het Gazadebat doet.

Er is meer dan ooit nood aan dialoog en diplomatie. Dat hebt u zelf gezegd, ook in uw goedgelovige uitspraken over Iran en dergelijke. Ondanks alles wat anderen zeggen, denk ik dat we die weg moeten blijven bewandelen. Meer oorlog is geen optie, want meer oorlog betekent meer doden, duizenden doden, en nog minder toekomst voor onze kinderen en kleinkinderen.

Daarom vraag ik u met aandrang, mijnheer de minister, om u uit te spreken tegen dergelijke statements van de G7 en te kiezen voor dialoog.

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, het Iraanse regime kan inderdaad de vriend van België niet zijn. In 2024 hebben immers 975 executies plaatsgevonden van politieke tegenstanders van het autoritaire, theocratische, islamitische regime. Ik herhaal het: een recordaantal van 31 vrouwen werd geëxecuteerd als gevolg van hun politieke mening. Het is absoluut noodzakelijk, mijnheer de minister, dat we op onze hoede zijn. Dergelijke mensen op hun woord geloven – ik weet dat u dat niet doet – is gevaarlijk voor de democratie en gevaarlijk voor de mensheid.

Wat moeten we dan wel doen? Samenwerken met Europa, een stem laten horen, ervoor zorgen dat we diplomatiek tot akkoorden komen en dat de nucleaire veiligheid in het Midden-Oosten kan worden gegarandeerd. We moeten pleiten voor democratie voor die 90 miljoen Iraniërs, voor vrijheid, voor mensenrechten, voor vrouwenrechten. En, mevrouw Lambrecht, we moeten het terrorisme in het Midden-Oosten stoppen.

Iran is immers al jaren de financiële hulplijn voor Hezbollah, Hamas en de Houthi's en is op die manier de reden van instabiliteit in het Midden-Oosten. Wij kunnen als Europa zeker onze stem daarin gebruiken. We moeten pleiten voor sancties en zeker voor vrijheid, vrede en vrouwen in Iran. Dank u.

Ayse Yigit:

Geachte minister, Israël valt Iran aan vanwege diens mogelijke productie van kernwapens, terwijl Israël zelf over een nucleair wapenarsenaal beschikt. Professor internationale politiek David Criekemans ziet dit als een voorbeeld van de dubbelzinnigheid en schizofrenie van de internationale politiek. Het Internationaal Atoomenergieagentschap bevestigde bovendien dat Iran nog geen stappen heeft gezet richting de productie van kernwapens, zoals u zelf ook aanhaalde.

Ik hoop dat u, mijnheer de minister, niet meedoet aan deze dubbelzinnigheid in de internationale politiek en sterk de agressie van Israël veroordeelt. Het is namelijk telkens de burgerbevolking die de prijs betaalt van een escalatie. Vandaar hoop ik dat België pleit voor een de-escalatie van dit conflict. Dank u.

Voorzitter:

De collega's Van Rooy en De Smet wensen te reageren in dit actualiteitsdebat.

Sam Van Rooy:

Ik ontving gisteren uit Iran dit bericht: "Er vielen hier de afgelopen dagen minder doden dan tijdens de demonstraties van de beweging Women, Life, Freedom voor Mahsa Amini."

De islamitische staat Iran is een meedogenloos en moorddadig islamitisch regime dat aan de lopende band onschuldige mensen terroriseert, martelt en vermoordt. Vrouwen, homoseksuelen, niet-moslims, ex-moslims, dissidenten, schrijvers, kunstenaars enzovoort, niemand is veilig voor de tirannieke ayatollahs. Daarnaast plant en sponsort Iran wereldwijde jihadterreur via Iraanse satellieten zoals Hezbollah, Hamas en de Houthi’s. Ook op ons grondgebied zijn Iraanse dissidenten niet veilig. Denk aan de fatwa tegen schrijver Salman Rushdie. Een atoomwapen in handen van deze moslimterroristen is dan ook pure waanzin, levensgevaarlijk en dus onaanvaardbaar voor de stabiliteit en de wereldvrede.

Israël bewijst de wereld, en dus ook ons, maar evenzeer de tientallen miljoenen vrijheidslievende Iraniërs, waaronder mijn schoonfamilie, een enorme dienst. Terwijl de moedige helden van het IDF en de Mossad geniaal werk leveren, roepen steeds meer Iraniërs: “Dood aan Khamenei!”.

Nog een bericht dat ik uit Iran ontving de voorbije dagen: “Netanyahu is hier zelfs nog populairder dan in Israël.” Het is dan ook even potsierlijk orwelliaans als schandalig dat Israël, dat in tegenstelling tot Iran een democratie en vrije samenleving is, hier al jaren continu wordt gebasht en in verhouding veel zwaarder wordt aangepakt dan het moorddadige jihadistische shariaregime van Iran, dat ons wil vernietigen en islamiseren.

Mijnheer de minister, parlementsleden, wordt nu eindelijk wakker en kies de juiste kant van de geschiedenis, namelijk die van Israël en niet die van de islamitische jihad.

François De Smet:

Monsieur le ministre, merci de nous avoir donné votre point de vue. Ce qui est compliqué dans ce débat, c’est qu’on peut tout à la fois n’avoir aucune sympathie pour le régime iranien et conserver quand même une certaine estime pour le respect du droit international.

La république islamique d’Iran est une théocratie qui réprime les femmes, qui réprime toute personne qui pense autrement, qui prend même en otage des ressortissants étrangers. Nous, les Belges, en savons quelque chose.

Si un jour, les Iraniens parviennent à se débarrasser de ce régime, je pense que nous serons à peu près tous heureux ici.

En même temps, il y a moyen de ne pas cautionner qu'on se fasse justice soi-même, en particulier justice préventive. L'attaque menée par Israël est aussi une attaque d'opportunité, pour diverses raisons qui ont été soulignées. Mais attention, l'inquiétude d'Israël est légitime. L'Iran n'est pas juste un État qui veut se doter de l'arme nucléaire. C'est un État qui, dans son régime actuel, déclare régulièrement qu'Israël devrait être rayé de la carte.

Les efforts de la communauté internationale pour faire en sorte que l'Iran se dénucléarise, ou qu'il n'ait en tout cas pas accès à des capacités militaires nucléaires, sont légitimes.

De toute façon, il faudra que la négociation reprenne le pas – même des petits pays comme le nôtre ont des rôles à jouer – parce que de toute manière, certains sites iraniens sont hors d'accès de certaines attaques. Il n'y a rien à faire, on devra en revenir à une forme de négociation.

Je peux juste simplement voir avec vous que nous sommes dans une tendance de plus en plus prégnante, et nous voyons que dans tous les dossiers, le droit international devient une sorte de décorum, et que la loi du plus fort et de celui qui a besoin de protéger le plus vitalement ses intérêts l'emporte.

Je crois que le rôle de notre pays est en effet de tout faire pour que les négociations reprennent et de montrer que le point de vue le plus juste peut aussi l'emporter autour d'une table de négociations.

Britt Huybrechts:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ik zal u geruststellen. Ik zal geen tien minuten nodig hebben.

Op 2 mei 2025 heeft het Duitse Bundesamt für Verfassungsschutz (BfV), zijnde de binnenlandse veiligheidsdienst, de partij Alternative für Deutschland (AfD) officieel aangemerkt als een rechts-extremistische organisatie en dus als strijdig met de grondwettelijke orde. Die classificatie heeft verstrekkende implicaties voor de partij, haar leden en haar rol binnen het democratische bestel.

Door de beslissing krijgen de veiligheidsdiensten onder meer de bevoegdheid om leden te volgen en af te luisteren, bijeenkomsten te monitoren en informanten in te zetten. Dat is de DDR all over again . Bovendien kunnen ambtenaren die lid zijn van de AfD worden geconfronteerd met disciplinaire maatregelen of zelfs ontslag.

Het gaat hier om een partij die bij de laatste federale verkiezingen in Duitsland nog 20,8 % van de stemmen behaalde en daarmee de op een na grootste politieke formatie van het land werd. De beslissing voelt dan ook als een politiek-juridische afrekening. Binnen de gevestigde partijen, zoals de CDU, Die Grünen en Die Linke, gingen immers eerder al stemmen op om de AfD volledig te verbieden. De nieuwe classificatie door het BfV lijkt de discussie in een stroomversnelling te brengen.

Verschillende juristen en grondwetspecialisten hebben intussen hun bezorgdheid geuit over de juridische onderbouwing van het besluit. Zij stellen dat het partijprogramma van de AfD niet noodzakelijk de etnische benadering bevat die het BfV beweert aan te tonen en dat het evenmin een systematische aanval vormt op de democratische rechtsorde.

Opvallend is ook dat het rapport waarop de classificatie zou zijn gebaseerd naar verluidt meer dan duizend pagina’s zou tellen, maar niet openbaar is gemaakt. Daardoor kan de partij zich moeilijk verdedigen tegen de beschuldigingen. Dat bovendien selectieve informatie uit het rapport wordt gelekt naar bepaalde media, roept vragen op over de transparantie en neutraliteit van het proces. Het BfV valt immers onder de directe verantwoordelijkheid van de minister van Binnenlandse Zaken en werd op het moment van de beslissing geleid door SPD-minister Nancy Faeser, die eerder openlijk kritiek uitte op de AfD.

Dit dan ook fundamentele vragen op over de verhouding tussen de politieke besluitvorming en de juridische objectiviteit. Door de classificatie ontstaat bovendien de mogelijkheid om bijvoorbeeld de overheidsfinanciering van de partij stop te zetten of verdere stappen te zetten richting een partijverbod. Dergelijke maatregelen roepen herinneringen op aan repressieve methodes uit de DDR-tijd en doen vermoeden dat politieke motieven een rol spelen.

Los van de steun aan of de afwijzing van het gedachtegoed van de AfD is het essentieel dat democratische principes worden bewaakt. De onderdrukking van oppositiepartijen op basis van geheime dossiers ondermijnt het vertrouwen in de rechtsstaat. Vanuit die bezorgdheid is het verdedigbaar dat parlementen, waaronder het federale Parlement, hun stem laten horen tegen deze ontwikkeling.

Erkent de regering dat in een democratische rechtsstaat politieke partijen enkel via vrije verkiezingen met elkaar dienen te concurreren en dat het beperken of zelfs het verbieden van partijen door overheidsingrijpen strijdig is met fundamentele democratische principes?

Hoe beoordeelt de regering de beslissing van de Duitse binnenlandse inlichtingendienst om de partij AfD als een antigrondwettelijke organisatie te classificeren en deelt ze de bezorgdheid dat dat een precedent schept dat de vrije politieke meningsuiting en partijwerking ondermijnt?

Zal de regering de classificatie van de AfD als antigrondwettelijke organisatie door de Duitse overheid aldus veroordelen als een inbreuk op de democratische beginselen?

Is de regering bereid om die bezorgdheden, gelet op het belang van de democratische rechtsorde, officieel over te maken aan de bevoegde instanties binnen de Duitse regering?

Ik dien ook nog een motie van aanbeveling in voor verdere opvolging.

Voorzitter:

Monsieur le ministre, vous avez dix minutes pour votre réponse.

Maxime Prévot:

Monsieur le président, je n'en aurai pas besoin.

Mevrouw Huybrechts, ik noteer uw bezorgdheid over de ontwikkelingen in buurland Duitsland. Ik denk dat het aan de Duitse overheid is te oordelen wat te doen met dergelijke verslagen en na te gaan of dergelijke verslagen zijn opgesteld binnen het mandaat van de betrokken inlichtingendienst.

Britt Huybrechts:

Mijnheer de minister, ik snap dat het natuurlijk een proces is dat in Duitsland moet worden gemaakt. Ik heb toch nog de vraag of u erkent dat dit een gevaarlijk principe is, dat misschien vandaag in Duitsland gebeurt, maar morgen misschien in Nederland en overmorgen in België, wie weet zelfs ooit met uw partij. Dus vandaar mijn vraag: erkent u dat dit zeer gevaarlijk is voor de democratie? Ik heb alvast toch een motie van aanbeveling die we hier eventueel ter stemming kunnen brengen.

Moties

Motions

Voorzitter:

Tot besluit van deze bespreking werden volgende moties ingediend. En conclusion de cette discussion, les motions suivantes ont été déposées. Een motie van aanbeveling werd ingediend door mevrouw Britt Huybrechts en luidt als volgt: "De Kamer, gehoord de interpellatie van mevrouw Britt Huybrechts en het antwoord van de minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking, - gelet op artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, waarin de waarden van de Unie worden vastgelegd, waaronder de eerbiediging van de democratie, de rechtsstaat en de mensenrechten; - gelet op artikel 12 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dat de vrijheid van vergadering en vereniging waarborgt, inclusief het recht van eenieder om politieke partijen op te richten; - gelet op de classificatie van Alternative für Deutschland als "rechtsextremistische organisatie" door de Duitse Verfassungsschutz op 2 mei 2025; - gelet op het besluit van de Duitse regering om deze classificatie te bekrachtigen; - gelet op het feit dat de AfD op democratische wijze 20,8% van de Duitse kiezers vertegenwoordigt als tweede partij in de Bondsdag; - gelet op het belang van het beschermen van de rechten van democratisch verkozen partijen, hun vertegenwoordigers en leden; - overwegende dat de classificatie van de AfD als extremistische organisatie een ernstige inbreuk vormt op de democratische rechten van een partij die meer dan een vijfde van het Duitse electoraat vertegenwoordigt; - overwegende dat de Amerikaanse vicepresident JD Vance deze beslissing terecht heeft veroordeeld met de woorden "Dit is hoe een stervende regerende klasse haar macht behoudt. Bureaucraten, niet kiezers, proberen de AfD te vernietigen": - overwegende dat de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, Marco Rubio, de classificatie heeft bestempeld als "geen democratie, maar een vermomdevorm van tirannie"; vraagt de regering: - de erkenning dat in een democratische rechtsstaat politieke partijen enkel via vrije verkiezingen met elkaar dienen te concurreren en dat het beperken of zelfs verbieden van partijen door overheidsingrijpen strijdig is met fundamentele democratische principes. - de beoordeling van de beslissing van de Duitse binnenlandse inlichtingendienst om de partij Alternative für Deutschland als een "anti-grondwettelijke organisatie" te classificeren, te veroordelen en de bezorgdheid te delen dat dit een precedent schept dat de vrije politieke meningsuiting en partijwerking ondermijnt. - de classificatie van Alternative für Deutschland als anti-grondwettelijke organisatie door de Duitse overheid aldus te veroordelen als een inbreuk op de democratische beginselen. - deze bezorgdheden, gelet op het belang van de democratische rechtsorde, officieel over te maken aan de bevoegde instanties binnen de Duitse regerlng. Une motion de recommandation a été déposée par Mme Britt Huybrechts et est libellée comme suit: " La Chambre, ayant entendu l'interpellation de Mme Britt Huybrechts et la réponse du ministre des Affaires étrangères, des Affaires européennes et de la Coopération au développement, - compte tenu de l'article 2 du Traité sur l'Union européenne, qui définit les valeurs de l'Union, dont le respect de la démocratie, de l'État de droit et des droits humains; - compte tenu de l'article 12 de la Charte des droits fondamentaux de l'Union européenne, qui garantit la liberté de réunion et d'association, en ce compris le droit de chacun de créer des partis politiques; - compte tenu de la classification, le 2 mai 2025 par le Verfassungsschutz allemand, de l'Alternative für Deutschland (AfD) comme "organisation d'extrême droite"; - compte tenu de la décision du gouvernement allemand d'entériner cette classification; - compte tenu du fait que l'AfD représente démocratiquement 20,8 % des électeurs allemands, ce qui en fait le deuxième parti au sein du Bundestag; - compte tenu de l'importance de protéger les droits des partis démocratiquement élus, de leurs représentants et de leurs membres; - considérant que la classification de l'AfD comme organisation extrémiste constitue une violation grave des droits démocratiques d'un parti qui représente plus d'un cinquième de l'électorat allemand; - considérant que le vice-président américain, J. D. Vance, a condamné à juste titre cette décision, qu'il a décrite comme étant "la manière dont une classe gouvernante et à l'agonie se maintient au pouvoir", estimant que "ce sont les bureaucrates, et non les électeurs, qui tentent de détruire l'AfD"; - considérant que le secrétaire d'État américain, Marco Rubio, a parlé à propos de cette classification "d'absence de démocratie" et de "tyrannie déguisée"; demande au gouvernement: - d'admettre que, dans un État de droit démocratique, les partis politiques ne doivent se livrer de concurrence que dans le cadre d'élections libres et que la restriction, voire l'interdiction, de partis par des interventions étatiques est contraire aux principes démocratiques fondamentaux; - de condamner la décision prise par le service du renseignement intérieur allemand de classifier le parti Alternative für Deutschland comme organisation anticonstitutionnelle et de partager la crainte que cette décision constitue un précédent qui compromet la liberté d'expression politique et le fonctionnement des partis; - de condamner de ce fait la classification par l'État allemand de l'Alternative für Deutschland comme organisation anticonstitutionnelle parce qu'elle constitue une violation des principes démocratiques; - de faire part officiellement de ces inquiétudes aux instances compétentes au sein du gouvernement allemand, eu égard à l'importance de l'ordre juridique démocratique. Een eenvoudige motie werd ingediend door de heer Benoît Lutgen. Une motion pure et simple a été déposée par M. Benoît Lutgen . Over de moties zal later worden gestemd. De bespreking is gesloten. Le vote sur les motions aura lieu ultérieurement. La discussion est close.

De aanhoudende militaire campagne van Turkije in Noord-Irak

Gesteld door

lijst: VB Ellen Samyn

Gesteld aan

Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 17 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België erkent de aangekondigde ontbinding van de PKK als een positieve stap, maar Turkije zet ondanks het staakt-het-vuren militaire druk in Noord-Irak voort, officieel om de ontwapening af te dwingen—wat Iraakse soevereiniteit schendt. De minister benadrukt verbeterde Turkse-Iraakse relaties en hoopt op vrede, maar Samyn wijst op Turkije’s herhaalde schendingen (bombardementen op infrastructuur) en vraagt zich af of het land betrouwbaar blijft als NAVO-partner. Diplomatieke actie blijft beperkt tot opvolging zonder concrete stappen.

Ellen Samyn:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ik pendel vandaag heen en weer tussen de commissie voor Sociale Zaken en deze commissie en verwijs daarom naar de schriftelijke neerslag van mijn vraag.

Ondanks het feit dat de Koerdische PKK zichzelf ontbonden heeft, verklaarde de Turkse minister van Defensie dat zijn land de aanvallen tegen hen in Noord-Irak zal blijven verderzetten. Ze willen daarmee doorgaan tot naar eigen zeggen “de regio volledig gezuiverd is". Men wil daarbij grotten, wapendepots, infrastructuur etc. blijven bombarderen.

Een militaire campagne tegen een opgeheven vijand heeft veel weg van een platte veroveringsoorlog. Niet toevallig is Noord-Irak, ook wel Iraaks-Koerdistan genoemd, een autonome regio van Irak die door hoofdzakelijk Koerden bewoond en bestuurd wordt.

Turkije wil trouwens in samenwerking met het nieuwe islamistische Syrië en Irak toezicht houden op wapenimport vanuit de reeds ontbonden PKK. Dit zou zonder toezicht van VN-waarnemers gebeuren.

Turkije lijkt de poort open te houden naar verder militair ingrijpen in Noord-Syrië, in de AANES. Zij eisen namelijk dat de YPG zich volledig integreert in de nieuwe structuren van het Syrische leger van Al-Sharaa, dat met Turkse steun aan de macht is gekomen na Assad.

Graag verneem ik van de minister:

1. Heeft u al contact gehad met uw Turkse ambtsgenoot of de ambassadeur rond deze verklaringen over een aanhoudend offensief in Noord-Irak? Zo ja, wat was de inhoud van de gesprekken?

2. Welke diplomatieke initiatieven neemt u om de veroveringsoorlogen van Turkije en de destabiliserende rol die zij spelen in de regio aan te kaarten? Legt u dit op tafel in de relevante bilaterale en multilaterale fora?

3. Kan Turkije, ondanks eigengereid militair optreden in het autonome Iraaks-Koerdistan en alle eerdere militaire aanvallen zonder ruggenspraak met de NAVO een loyale bondgenoot zijn voor ons bondgenootschap? Kunnen zij een strategische partner en zelfs EU-lid worden, ondanks al deze schendingen van het internationaal recht?

Maxime Prévot:

Mevrouw Samyn, na een oproep van haar historische leider, de heer Öcalan, kondigde de terroristische organisatie PKK begin mei een staakt-het-vuren en haar ontbinding aan. De praktische details van die aankondiging zijn eerlijk gezegd nog niet duidelijk, bijvoorbeeld wat betreft het tijdschema voor de ontwapening en de demobilisatie van haar leden. Toch is het een belangrijke en zeer positieve ontwikkeling die een einde zou kunnen maken aan een bloedig conflict dat Turkije en andere landen in de regio al vier decennia lang treft.

Het lijkt op het eerste gezicht paradoxaal dat de Turkse autoriteiten, ondanks het lopende proces, publiekelijk aankondigen dat ze doorgaan met hun acties tegen de PKK in Noord-Irak. De operaties van het Turks leger ter plaatse zijn echter grotendeels gestaakt. Het lijkt mij daarom dat die opmerkingen moeten worden gezien als een wens van de Turkse autoriteiten om druk te blijven uitoefenen op de PKK om haar toezeggingen op het terrein na te komen. Ik heb niet de gelegenheid gehad om de kwestie met mijn Turkse collega te bespreken, maar onze diplomatieke posten volgen de laatste ontwikkelingen in het lopende proces met de PKK uiteraard op de voet.

Als dat proces ooit wordt afgerond, zou het logischerwijs moeten leiden tot een volledig einde van de Turkse militaire operaties in Noord-Irak. Het standpunt van België over die operaties is altijd geweest dat ze de Iraakse soevereiniteit schenden wanneer ze worden uitgevoerd zonder voorafgaande toestemming van de Iraakse autoriteiten. Ik stel echter vast dat de betrekkingen tussen Irak en Turkije de afgelopen twee jaar zijn verbeterd en dat er sindsdien beter overleg plaatsvindt met de Iraakse autoriteiten over de PKK. Ook de autonome Koerdische autoriteiten in Erbil onderhouden correcte betrekkingen met de Turkse staat. Laten we daarom hopen dat het huidig proces door beide partijen zal worden afgerond en dat het zal leiden tot duurzame vrede in de regio.

Ellen Samyn:

Mijnheer de minister, dank u wel voor uw antwoord. U sprak over "paradoxaal." Dat klopt inderdaad, we moeten toch altijd een beetje op onze hoede zijn wanneer het over aanvallen door Turkije gaat. Het is niet de eerste keer dat ziekenhuizen, infrastructuur en dergelijke, in die regio door Turkije worden vernietigd. U eindigde met te zeggen, en daar geef ik u gelijk in, dat we moeten hopen dat er een vredesproces komt dat door beide partijen wordt gerespecteerd.

Het schietincident in Jenin waarbij een diplomatieke delegatie onder vuur genomen werd
Het afvuren van waarschuwingsschoten op diplomaten door Israëlische militairen
Aanval op diplomaten en schietincident in Jenin

Gesteld aan

Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 17 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België veroordeelt het gerichte Israëlische vuur op EU-diplomaten (inclusief een Belg) in Jenin, ondanks vooraf afgestemde routes, als onaanvaardbare schending van diplomatieke onschendbaarheid. Minister Prévot bevestigde direct protest bij de Israëlische ambassadrice, betwistte de Israëlische claim over routeafwijking en benadrukte dat zelfs een afwijking geen schietreden rechtvaardigt, terwijl extra veiligheidsmaatregelen (zoals gepantserde voertuigen) worden onderzocht. Sancties of terugroepen van diplomaten staan niet op tafel, maar verdere opvolging en druk op Israël voor garanties zijn essentieel. De delegatie bezocht de verwoeste, ontvolkte vluchtelingenkampen na Israëlische operaties, wat de escalerende spanningen en straffeloosheid van dergelijke incidenten onderstreept.

Annick Lambrecht:

Mijnheer de minister, enige tijd geleden – maar daarom is het niet minder belangrijk – werd een internationale diplomatieke delegatie, bestaande uit een dertigtal diplomaten uit de EU, Canada en Mexico, en onder hen ook een Belgische vertegenwoordiger, onder vuur genomen tijdens een officieel bezoek aan het vluchtelingenkamp in Jenin. We spreken niet over een verdwaalde kogel of een misverstand. Het waren gerichte schoten van het Israëlische leger op diplomaten, in een herkenbaar konvooi, op een route die vooraf was afgestemd met de Israëlische autoriteiten.

De beelden waren redelijk hallucinant. Diplomaten zijn normaal gezien onschendbaar en zouden niet moeten wegrennen voor hun leven als ze bepaalde situaties willen bekijken.

Welke onmiddellijke stappen hebt u gezet tegenover de Israëlische autoriteiten na dat onaanvaardbare incident?

Waarom is de Israëlische ambassadeur in Brussel nog niet op het matje geroepen? Misschien hebt u dat ondertussen wel gedaan, maar ik kan dat niet inschatten.

Wat zult u ondernemen om de veiligheid van onze diplomaten in conflictzones te garanderen?

We zeggen altijd dat zij onze ogen en oren zijn. Als zij die conflictzones niet meer kunnen bezoeken, wie dan wel?

Anthony Dufrane:

Monsieur le ministre, les tensions entre Israël et l’Autorité palestinienne sont loin de s’apaiser, mais il est inacceptable que les diplomates en fassent les frais. Lors d’une visite à Jénine, au nord de la Cisjordanie occupée, Tsahal a mis en joue un groupe de diplomates, dont un Belge. L’armée israélienne a déclaré que ces tirs de sommation avaient eu lieu après que les diplomates aient dévié de l’itinéraire qui avait été approuvé en amont. Comme évoqué par Mme Kallas, il est inacceptable qu’un pays signataire de la Convention de Vienne attente à la vie de diplomates ou tente de les intimider, même avec des tirs de sommation. Les tensions causées par le conflit ne peuvent être répercutées contre des diplomates étrangers.

Dès lors, il est important que justice soit faite et que des contacts soient établis avec les autorités israéliennes afin de clarifier la situation et de s’assurer que cela ne se reproduira plus, sans quoi des sanctions diplomatiques devraient être prises.

Monsieur le ministre, comment se porte le diplomate en question? Compte tenu du danger, envisagez-vous de rappeler les diplomates présents sur place? Depuis cet incident, avez-vous envisagé un contact avec le gouvernement israélien ou l’ambassadeur israélien en poste en Belgique? Entendez-vous mettre en place des sanctions contre Israël?

Maxime Prévot:

Mijnheer Dufrane, mevrouw Lambrecht, de diplomaat in kwestie verkeert momenteel in goede toestand. Ik ben persoonlijk met hem in contact geweest. Nog iemand anders raakte gewond.

Dès que mes services ont pris connaissance de cet incident, mon chef de cabinet a immédiatement appelé l’ambassadrice israélienne pour lui faire part, assez clairement – pour ne pas dire vertement –, de notre opinion. J’étais personnellement à l’étranger à ce moment-là. Nous avons depuis eu plusieurs échanges avec l’ambassade d’Israël pour obtenir des explications. On nous a répété que la délégation avait dévié de la route convenue; dont acte, mais ce n’est pas confirmé jusqu’à présent. Il est objectivement permis d’en douter étant donné la préparation minutieuse de telles visites. Et quand bien même il y aurait eu déviation, cela ne justifierait de toute façon aucunement des tirs. La visite était organisée par l’Autorité palestinienne, pour les chefs de mission ou les adjoints, et avait pour but de montrer la situation dans le camp de réfugiés à Jénine, ainsi que les effet de l’opération Iron Wall lancée par l’armée israélienne en janvier 2025. Il faut noter que les Nations Unies, et notamment son Bureau de la coordination des affaires humanitaires (OCHA), avaient également organisé une visite parallèle la semaine précédente.

Depuis quelques mois, les 20 000 habitants ont dû quitter le camp, qui est vide, mais occupé par des militaires israéliens. La délégation n’est pas entrée dans le camp, les diplomates sont restés à l’entrée de celui-ci, et c’est là qu’ils ont été visés par des tirs, alors qu’ils s’y trouvaient déjà depuis au moins 15 minutes. Il n’y a donc pas eu d’effet de surprise, et il était facile de vérifier la nature pacifique de cet attroupement.

Bij risicovolle verplaatsingen wordt de veiligheidssituatie ter plaatse opgevolgd in samenwerking met de veiligheidsdiensten en worden de nodige mitigatiemaatregelen uitgewerkt.

Onze collega begaf zich bijvoorbeeld ter plaatse in een gepantserd voertuig. In overleg met het consulaat-generaal te Jeruzalem wordt verder onderzocht welke bijkomende maatregelen kunnen bijdragen tot de algemene veiligheid van de medewerkers.

Annick Lambrecht:

Mijnheer de minister, ik dank u om het gebeurde mede te veroordelen. Ik herhaal dat onze diplomaten de ogen en oren van ons land in het buitenland zijn. Wat Israël daar opnieuw deed, overschrijdt opnieuw een rode lijn.

Men kan niet alles tegen elkaar afwegen, maar het is goed dat we dat streng veroordelen en dat we blijven opvolgen welke bijkomende maatregelen nodig zullen zijn als men in de toekomst durft te schieten op afgebakende trajecten waarvan men op voorhand weet wie er zal passeren.

Anthony Dufrane:

Je remercie M. le ministre pour ses réponses et le bon suivi qu'il a donné par sa réaction ferme et rapide au travers de la condamnation de l'incident.

Hezbollah en de Europese terreurlijst

Gesteld door

lijst: VB Sam Van Rooy

Gesteld aan

Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 17 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Belgisch regeerakkoord pleit voor opheffing van het EU-onderscheid tussen Hezbollahs politieke en militaire vleugel en actualisatie van de terreurlijst, maar minister Prévot benadrukt dat de militaire tak al is opgelijst en er geen consensus of nieuwe bewijzen zijn om de politieke vleugel toe te voegen, ondanks Libanees ontwapeningsstreven. Van Rooy kaart toenemende steun voor jihadistische groepen (waaronder Hezbollah) in België en de EU aan, koppelt dit aan islamitische ideologie en kritiseert het uitblijven van strenge EU-maatregelen als symptoom van "Eurabia". Prévot houdt vast aan EU-procedures (Comet-werkgroep) en afhankelijkheid van nieuwe inlichtingen of gerechtelijke uitspraken. Concrete stappen ontbreken, ondanks regeerakkoordbelofte.

Sam Van Rooy:

Mijnheer de minister, ik citeer: "We pleiten voor het opheffen van het artificiële onderscheid tussen een politieke en militaire vleugel van Hezbollah en voor een Europese terreurlijst die tred houdt met evoluties op het terrein en de verspreiding van gelieerde steunbewegingen in België." Aldus het regeerakkoord.

Hoe staat het daarmee? De tijd dringt immers. Welke stappen werden of zullen worden ondernomen om dit wat artificiële onderscheid tussen de politieke en militaire vleugel van Hezbollah op te heffen? Wanneer zal dat eindelijk gebeuren?

Wat het updaten van de Europese terreurlijst betreft, over welke "evoluties op het terrein" en "gelieerde steunbewegingen in België" – ik citeer opnieuw uit het regeerakkoord – gaat het precies?

Maxime Prévot:

Dank u, mijnheer Van Rooy.

De gewapende vleugel van Hezbollah wordt door de Europese Unie al als terroristisch beschouwd. Hij is sterk verzwakt en steunt officieel het staakt-het-vuren met Israël. De nieuwe Libanese regering wil ook het wapenmonopolie terugwinnen en dus Hezbollah ontwapenen. Dat wordt gesteund door België en ook door landen zoals Qatar.

Het al dan niet terecht zijn van de aanduiding van de politieke vleugel van Hezbollah op de terroristische sanctielijst van de Europese Unie zal het voorwerp blijven van overleg met onze Europese partners. Het toevoegen van de politieke tak van Hezbollah aan de sanctielijst van de EU met restrictieve maatregelen in de strijd tegen terrorisme gebeurt via consensus in de bevoegde Raadswerkgroep Comet, de bevoegde werkgroep binnen de EU. De afgelopen twee jaar heeft in het kader van de semestriële adoptie van deze lijst geen enkele lidstaat een verzoek ingediend om de politieke tak van Hezbollah op te lijsten. Dat komt omdat er geen nieuwe elementen zijn aangebracht, zoals een gerechtelijke uitspraak of pertinente informatie van lidstaten of partnerlanden, die dat zouden rechtvaardigen. Dat is immers een procedurele sine qua non om wijzigingen of toevoegingen te kunnen bewerkstelligen in de Comet.

Mochten zich binnen die werkgroep nieuwe ontwikkelingen voordoen, dan zal België hiermee rekening houden en deelnemen aan de zoektocht naar een Europese consensus.

Sam Van Rooy:

Mijnheer de minister, of het nu gaat over Hezbollah, Hamas, IS, de taliban, Al Qaida, de Iraanse Revolutionaire Garde, Boko Haram, Al Shabab of nog de Moslimbroeders, wat hen bindt is de islam. Zoals islamoloog Halim El Madkouri stelt: "Uit de basisliteratuur van terreurbeweging Islamitische Staat blijkt dat zij niets doet wat ingaat tegen de algemene islamitische leer inzake politiek en oorlogshandelingen". In onze samenleving zijn er dus steeds meer moslims, en tegenwoordig ook niet-moslims, die sympathie hebben voor of zelfs aanhanger zijn van jihadistische organisaties zoals Hezbollah. Dat Hezbollah dus na al die decennia nog altijd niet volledig op de EU-terreurlijst staat en dat tegelijkertijd ook het aantal Hezbollah-aanhangers in de EU en in dit land toeneemt, zegt alles over Eurabia en Belgistan.

De uitsluiting van internationale waarnemers van de zittingen van de militaire rechtbank in Bakoe
De politieke gevangenen in Artsakh
De beperking van mensenrechten en politieke vrijheid in de Zuid-Kaukasus

Gesteld aan

Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 17 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Belgische parlementariërs De Maegd en Samyn uiten ernstige bezorgdheid over Azerbeidzjans weigering om diplomaten, NGOs en internationale waarnemers toe te laten bij gesloten militaire processen tegen gevangenen uit Nagorno-Karabach, wat schendingen van transparantie, eerlijk proces en mensenrechten signaleert. Minister Prévot bevestigt dat België de kwestie bilateraal en via de EU aankaart, maar ontkent concrete kennis van toegangsonthouding, benadrukkend dat het CICR wel toegang heeft en dat de EU haar economische invloed moet gebruiken voor druk. De Maegd en Samyn verwerpen dit standpunt als onvoldoende, eisen een hardere EU-lijn en stellen dat samenwerking met Azerbeidzjan alleen kan bij onvoorwaardelijk respect voor rechtsstaat en grondrechten, wat nu volledig ontbreekt.

Michel De Maegd:

Monsieur le ministre, je sais que vous êtes attentif à la situation des prisonniers du Haut-Karabakh détenus dans les geôles de Bakou. Nous en avons discuté à plusieurs reprises, en commission comme en séance plénière.

Selon des informations récentes, des experts internationaux et des diplomates se sont vu refuser l’accès aux audiences du tribunal militaire de Bakou, alors même que les autorités azerbaïdjanaises affirmaient que ces audiences seraient publiques. Cette situation soulève des préoccupations quant au respect des normes internationales en matière de transparence judiciaire et des droits de l'homme.

Par ailleurs, des défenseurs des droits humains et des représentants d’ONG ont vu leurs demandes d’assister aux audiences rejetées, et des allégations de harcèlement ciblant un chercheur international ont également été rapportées.

La Belgique a-t-elle exprimé ses préoccupations auprès des autorités azerbaïdjanaises concernant l’interdiction faite aux diplomates et observateurs internationaux d’assister aux audiences du tribunal militaire de Bakou? Quelle démarche diplomatique la Belgique envisage-t-elle afin de promouvoir le respect des normes internationales en matière de transparence judiciaire et de droits de l’homme en Azerbaïdjan? La Belgique envisage-t-elle de collaborer avec ses partenaires européens pour adopter une réponse coordonnée face à ces entraves aux droits fondamentaux?

Je vous remercie déjà pour vos réponses et pour le suivi que je sais que vous accorderez à ce dossier.

Ellen Samyn:

Mijnheer De Maegd heeft de situatie correct geschetst. Ik verwijs verder naar de ingediende tekst van mijn vraag.

Volgens recente informatie blijkt dat internationale experts en diplomaten geen toegang krijgen tot de zittingen van het militaire tribunaal in Bakoe, ondanks de bewering van de Azerbeidzjaanse autoriteiten dat deze openbaar zijn. Dit roept ernstige vragen op over de naleving van internationale standaarden voor gerechtelijke transparantie en mensenrechten.

Tijdens de bespreking van de beleidsnota meldde ik reeds dat verzoeken van mensenrechtenactivisten en ngo-vertegenwoordigers om de zittingen bij te wonen werden afgewezen, bijkomend zou er sprake zijn van intimidatie van een internationale onderzoeker.

Graag verneem ik van de minister:

Heeft België zijn bezorgdheid geuit bij de Azerbeidzjaanse autoriteiten over het feit dat diplomaten en internationale waarnemers geen toegang krijgen tot de zittingen van het militaire tribunaal in Bakoe?

Welke diplomatieke initiatieven plant België om de naleving van internationale normen voor gerechtelijke transparantie en mensenrechten in Azerbeidzjan te bevorderen?

Bent u van plan om samen met Europese partners een gezamenlijke reactie te formuleren op deze schendingen van fundamentele rechten?

Maxime Prévot:

Je peux vous assurer à nouveau, comme je l'ai fait en réponse à vos questions précédentes, que la Belgique aborde effectivement les droits humains et le processus de paix avec l'Arménie et les autorités azerbaïdjanaises entre autres, et ce, encore fin mai au niveau de mon chef de cabinet.

De manière générale, et ensemble avec nos partenaires européens, la Belgique plaide pour une signature rapide du texte de l'accord de paix négocié entre Bakou et Erevan en mars dernier. Quant à la question spécifique des prisonniers arméniens en Azerbaïdjan, nous ne disposons pas d'informations concernant un éventuel refus d'accès pour les observateurs diplomatiques. Il nous a été rapporté que les prisonniers continueraient à bénéficier de l'accès du Comité international de la Croix-Rouge (CICR).

Zoals u weet, is de bevordering van de mensenrechten en het respect van de rechtsstaat een algemene prioriteit van het Belgisch buitenlands beleid. In dat opzicht zet ons land zich sterk in op bilateraal, Europees en multilateraal niveau. Mijn diensten en ik blijven dan ook waakzaam tegenover de moeilijke mensenrechtensituatie in Azerbeidzjan, met inbegrip van het recht op een eerlijk proces.

Onze ambassade in Bakoe volgt de ontwikkelingen op, onder meer in samenwerking met de EU-delegatie. Als belangrijkste handelspartner en investeerder in Azerbeidzjan dient de EU haar invloed aan te wenden om vooruitgang te boeken op het gebied van de rechtsstaat en de mensenrechten. We pleiten er in Europese context voor om met die kwestie rekening te houden.

Michel De Maegd:

Merci monsieur le ministre pour votre réponse et pour l'attention que vous continuez à porter à ce dossier.

Les informations divergent manifestement. L'accès au procès n'est pas à mes yeux un simple détail de procédure. C'est un indicateur fondamental de la santé démocratique d'un État, du respect qu'il accorde aux droits humains et de sa volonté réelle de se conformer aux engagements internationaux. L'interdiction faite aux observateurs indépendants, aux ONG et même aux diplomates d'assister à ces audiences n'est pas seulement préoccupante, elle est profondément choquante. Elle alimente le doute, renforce le soupçon d'injustice et nourrit l'impunité.

La Belgique ne peut agir seule mais elle peut et doit jouer un rôle moteur au sein de l'Union européenne pour promouvoir une position active, courageuse et déterminée dans ce dossier. Nous devons rester aux côtés des familles, des défenseurs des droits humains et de toutes celles et ceux qui, dans la région, attendent de la communauté internationale un signal clair, celui que les droits fondamentaux ne sont pas négociables, y compris à Bakou.

Ellen Samyn:

Mijnheer de minister, Azerbeidzjan presenteert zich graag als een stabiele partner op het internationale toneel, maar dat beeld strookt niet met de interne realiteit. Er is ernstige bezorgdheid over de mensenrechtensituatie, met name wat de detentie van politieke tegenstanders, activisten en journalisten betreft. Ook de arrestatie en vervolging van voormalige leiders en burgers uit Nagorno-Karabach roept vragen op over het respect voor het internationaal humanitair recht en het recht op een eerlijk proces.

Mijnheer de minister, het is goed dat u waakzaam blijft en de ontwikkelingen volgt, maar het is onze taak om de situatie blijvend onder de aandacht te brengen. Wij, en bij uitbreiding de internationale gemeenschap, mogen absoluut niet wegkijken van de mogelijke ontwikkelingen. U kent mijn mening over Azerbeidzjan. Ik zou liever geen banden en overeenkomsten hebben met dat ondemocratisch land. Respect voor de grondrechten en de rechtsstaat moeten een voorwaarde blijven voor samenwerking, maar dat ontbreekt volgens mij volledig.

Voorzitter:

Chers collègues, vu que M. Vander Elst a dû nous quitter pour un certain temps pour se rendre dans une autre commission, nous abordons la question jointe suivante prévue à l'ordre du jour.

De risico's voor vrede en stabiliteit in de DRC ingevolge de aankomst van Joseph Kabila in Goma
De aankomst van ex-president Kabila in Goma
De door M23-rebellen gepleegde oorlogsmisdaden
Het rapport over de acties van de M23-rebellen
De humanitaire situatie in de DRC
Politieke spanningen, rebellengeweld en humanitaire crisis in Oost-Congo

Gesteld aan

Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 17 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie focust op de escalerende crisis in Oost-Congo, waar het M23-rebellenbewind (gestuurd door Rwanda) grove mensenrechtenschendingen pleegt (moord, verkrachting, plunderingen) terwijl de internationale gemeenschap te weinig optreedt. België zet in op diplomatieke druk (steun aan Qatarese bemiddeling, EU-lobby voor sancties tegen Rwanda/M23, en pleidooien voor humanitaire toegang), maar sluit sancties niet uit bij falen van vredesonderhandelingen (Doha/Washington). Joseph Kabila’s bezoek aan M23-gecontroleerd Goma verergert de politieke spanningen, terwijl 7,9 miljoen Congolezen honger lijden en civiele slachtoffers toenemen—België handhaaft zijn humanitaire budget voor 2025 en eist ongehinderde hulpverlening. Kernpunt: België wil justitie (via VN-onderzoeken) en politieke dialoog, maar dringt aan op concrete stappen tegen straffeloosheid en Rwandese betrokkenheid.

Michel De Maegd:

Monsieur le ministre, nous avons abondement évoqué, en commission mais aussi en séance plénière, la situation en République démocratique du Congo (RDC). Depuis nos derniers échanges, les événements se sont multipliés.

La première de mes questions concerne l'arrivée de l'ancien président, Joseph Kabila, à Goma, à la fin du mois de mai. Ce déplacement suscite de profondes inquiétudes quant à la stabilité de la région des Grands Lacs et au respect du droit international. L'ancien chef d'État est, en effet, arrivé dans une ville partiellement contrôlée par le groupe armé M23.

Le deuxième volet concerne le dernier rapport sur les actes du M23, justement. Viols, torture, exécutions, disparitions forcées, prise d'otages, et j'en passe. Voici la réalité, désormais documentée, des actions de terreur que commet le M23 dans l'Est de la République démocratique du Congo. Cela fait des mois maintenant que nous tirons la sonnette d'alarme en commission et en séance plénière, que des résolutions sont adoptées dans les parlements nationaux ou au sein de l'assemblée européenne. Pourtant, la situation perdure et la communauté internationale reste relativement silencieuse.

Mais l'urgence est bien là, tout comme elle est là pour les autres situations de conflits dans le monde, des plus médiatisés à ceux totalement oubliés. Rappelons-le, une vie est une vie, et une perte civile est inadmissible, où qu'elle arrive dans le monde.

Dans ce contexte extrêmement préoccupant, pouvez-vous faire un point complet sur la situation et nous faire part de votre analyse de ces derniers événements? Notre pays soutient-il une initiative de médiation internationale afin de prévenir un effondrement total du dialogue congolais et une nouvelle aggravation des violences dans l'Est du Congo?

Comment la Belgique compte-t-elle utiliser son influence diplomatique pour que des sanctions soient envisagées à l'encontre des responsables du M23, ainsi que de tout État tiers qui leur apporterait un soutien logistique, militaire ou politique?

Dans ce contexte de tensions extrêmes, quelles initiatives la communauté internationale peut-elle promouvoir pour renforcer la protection des civils, le respect des droits humains et la lutte contre l'impunité dans cette région en crise depuis plus de 30 ans?

Rajae Maouane:

Il y a quelques jours, une image que nous avons tous vu a circulé. Elle est lourde de symboles mais surtout d'inquiétude. L'image de Joseph Kabila, l'ancien président congolais, en visite à Goma, une ville qui est aujourd'hui sous contrôle du M23, un groupe que l'on sait armé, soutenu par le Rwanda, qui est responsable de graves exactions contre les civils en RDC. Ce déplacement, qui pose question, intervient alors que le M23 continue d'étendre son emprise militaire, que la souveraineté territoriale de la République démocratique du Congo est menacée et que la population congolaise vit dans un climat de violence, d'instabilité et d'impunité persistante, en particulier dans le Nord-Kivu.

Et pendant que certains se déplacent en terrain conquis, les civils, eux, fuient. Des centaines de milliers de personnes sont déplacées, des familles entières sont livrées à elles-mêmes, sans protection ni accès à l'aide humanitaire et on continue à trouver la communauté internationale assez timide. Il y a quelques jours, Amnesty International a d'ailleurs publié un rapport accablant faisant état d'arrestations arbitraires, d'exécutions sommaires, de disparitions forcées et de pillages, beaucoup d'actes qui, selon l'organisation, pourraient constituer des crimes de guerre.

Dans ce contexte, j'ai plusieurs questions à vous poser, monsieur le ministre. Quelle lecture la diplomatie belge fait-elle de la visite de Joseph Kabila à Goma? Est-ce un simple déplacement ou un signal politique inquiétant sur des possibles recompositions internes en RDC? Pouvez-vous rappeler la position du gouvernement belge sur les liens ambigus entre le M23 et le Rwanda, alors que ces liens sont largement documentés, y compris par l'ONU? Compte tenu du rôle historique de la Belgique dans la région et de ses responsabilités en matière de prévention des conflits, quels leviers notre pays est-il prêt à mobiliser pour exiger des enquêtes indépendantes et intervenir sur les crimes commis par le M23? La Belgique va-t-elle continuer à soutenir un processus de justice internationale pour que les responsables de ces exactions répondent de leurs actes? Enfin, envisagez-vous un renforcement de l'aide humanitaire, notamment via les ONG locales et les partenaires multilatéraux, pour soutenir les populations déplacées et renforcer la société civile congolaise?

Lydia Mutyebele Ngoi:

Monsieur le ministre, la crise en RDC continue de s'aggraver et à détruire des vies et l'avenir du peuple congolais. Le M23 et le Rwanda ne montrent aucun signe qu'ils souhaitent la paix et préfèrent prendre des vies, piller les ressources du Congo et violer les femmes.

J'ai reçu à la fois des militants des droits humains en provenance de Goma, des associations de militants samedi dernier, et ils ont demandé que je les cite. J'ai également reçu des délégués syndicaux. Ils me racontent que les militants sont traqués, menacés ou tués. Un très grand musicien de la province, du nom de Idengo, artiste engagé, a été tué en plein tournage après avoir critiqué le M23 à la radio. Il a été exécuté pour en faire un exemple et instaurer la peur parmi les défenseurs des droits humains. Les militaires qui n'ont pas pu fuir sont traqués et tués.

Les rebelles vont même dans les écoles demander aux directeurs les listes d'enfants de militaires pour les traquer à leur tour. Ils sont violentés et menacés. Je n'invente pas toutes ces informations, je les reçois de première main. Ce sont les militants des associations qui me le disent. Ils viennent me voir et font souvent le trajet depuis la RDC pour vous rencontrer. Il est vrai qu'ils rencontrent vos collaborateurs, mais ils aimeraient vous rencontrer personnellement. Cette guerre se déroule en violation des droits humains. La RDC continue de brûler, monsieur le ministre.

Ce sont 7,9 millions de Congolais qui souffrent de la faim. Cette famine est équivalente à la grande crise de la Corne de l'Afrique en 2022. Êtes-vous au courant que le Rwanda a décidé d'augmenter le budget consacré à son armée? Quelles sanctions prononcerez-vous contre le Rwanda et le M23? Pouvez-vous détailler le plan d'action humanitaire de la Belgique? Quelles adaptations ont-elles été faites à la suite de l'aggravation de la situation? Quelle est votre analyse des négociations de paix?

Maxime Prévot:

Merci à toutes et tous. Madame Mutyebele, ce sont des centaines de personnes qui demandent à pouvoir me rencontrer, mais à un certain moment, la réalité physique de l’agenda ne permet tout simplement pas de recevoir personnellement chacun de ceux qui en expriment le souhait. J’en suis sincèrement désolé et j’espère que cela pourra être compris.

En tout cas, mesdames, messieurs les parlementaires, la présence du président honoraire de la RDC, monsieur Joseph Kabila, à Goma soulève effectivement de nombreuses questions. Nous pouvons confirmer sa présence dans cette ville, ainsi que le fait qu’il a entrepris une série de contacts et de consultations avec des acteurs locaux, parmi lesquels le M23 et l’AFC.

Si les intentions exactes de l’ancien président Kabila restent ambiguës, le fait qu’il se soit rendu à Goma – une zone contrôlée par la rébellion du M23 et de l'AFC – est indéniablement un acte de défiance très fort à l’égard des autorités congolaises. À ce stade, nous n’avons toutefois pas constaté que sa présence ait généré une adhésion politique supplémentaire en faveur de l’AFC ou du M23, pour autant que leurs objectifs soient similaires avec ceux de Joseph Kabila.

Pourtant, en tant qu’ancien chef de l’État, ayant lui-même fait face à plusieurs rébellions – dont celle du M23 –, Joseph Kabila pourrait jouer un rôle positif dans la restauration de la cohésion nationale en RDC. Je l’ai moi-même indiqué au président Tshisekedi lors de ma visite à Kinshasa, en soulignant que tous les acteurs politiques d'importance et toutes les forces vives de la nation devraient se retrouver autour de la table pour discuter.

Cependant, l’ambiguïté entretenue par l’ex-président Kabila quant à sa volonté – ou non – de rester strictement dans le cadre d’une opposition non armée et républicaine ne fait qu’ajouter à la confusion ambiante, et n’est pas constructive. Rien ne semble être fait pour se distancier clairement des déclarations de l’AFC-M23, alors même que ce groupe vise à prendre le pouvoir par la force, ce qui, bien entendu, est inacceptable. Au final, cela ne contribue certainement pas à la dynamique de médiation en cours. La critique est normale en démocratie, bien entendu, mais toute démarche d’opposition doit rester inscrite dans l’ordre constitutionnel.

Parallèlement, même si la démarche du président honoraire est loin d’être anodine, je pense sincèrement que les mesures prises par les autorités à l’encontre du parti de Joseph Kabila, de sa famille politique ou de son entourage – ou même à l’encontre de toute autre force d’opposition – n'aident pas non plus à créer un climat serein pour rassembler la nation et favoriser l'apaisement politique.

Je ne suis évidemment pas en possession de tous éléments qui motivent les décisions des autorités. Néanmoins, de manière générale, il me semble qu’au vu du contexte actuel, il serait préférable de chercher à discuter avec l’ensemble des acteurs politiques, même ceux avec lesquels la confiance paraît rompue. C’est d’ailleurs ce que fait la RDC avec le M23 à Doha ou avec le Rwanda à Washington.

En ce sens, des mesures de décrispation de l’espace politique ne seraient pas inutiles.

En tout état de cause, je peux vous assurer que la Belgique reste très mobilisée sur le plan diplomatique dans la recherche de solutions pour stabiliser la région des Grands lacs. Je ne souhaite pas positionner notre pays comme acteur de médiation ou d’une facilitation dans ce conflit. Il faudrait pour cela que nous soyons reconnus comme tels par toutes les parties au conflit, ce qui n’est pas le cas, je l’ai dit très clairement à différentes occasions.

En revanche, cela ne signifie pas que nous n’ayons pas un autre rôle à jouer. La Belgique est, selon moi, parfaitement positionnée pour soutenir les initiatives de médiation, faciliter les contacts et mobiliser la communauté internationale. C’est ce que nous faisons. J’étais encore à Doha il y a une quinzaine de jours. Je m’y suis entretenu avec le ministre d’État qatari aux Affaires étrangères, chargé de la facilitation entre la RDC et le M23. Nous avons eu des échanges approfondis. Il s’agissait pour la Belgique d’aligner ses démarches et ses messages sur ceux du facilitateur qatari. Nous ne voudrions certainement pas prendre d’initiatives qui compliquent sa lourde tâche, que du contraire.

De façon similaire, j’avais échangé quelques jours auparavant avec mon homologue togolais, à Bruxelles. Je constate que notre expertise et nos analyses sont grandement appréciées par ces différents interlocuteurs. Ils souhaitent également clairement nous approcher en tant que relais d’influence au sein de l’Union européenne mais aussi pour notre carnet d’adresses dans la région – et c’est bien normal.

Une des questions abordées durant mes échanges avec mes homologues togolais et qatari était notamment celle de l’organisation d’un processus interne en RDC visant à la cohésion nationale, partant du principe que les initiatives de paix doivent et devront faire l’objet d’une appropriation par la société congolaise. Je pense que cette nécessité fait consensus au sein de la communauté internationale. Nous espérons qu’après les ajustements nécessaires, viendra rapidement le temps d’une initiative qui rassemble les Congolais dans une démarche constructive, pour aborder tous les défis actuels, notamment en matière d’amélioration de la gouvernance, de lutte contre la corruption, d’efficacité de la justice et de respect de la souveraineté et de l’ordre constitutionnel congolais.

Sur la question des relations entre le M23 et le Rwanda, je pense, madame Maouane, que je me suis exprimé sans ambiguïté à de nombreuses reprises à ce sujet. Je me contenterai de rappeler qu’un lien étroit continue d’exister, ce qui est attesté par plusieurs rapports onusiens. C’est évidemment inacceptable et nous appelons, comme de nombreux autres partenaires internationaux, à ce que tout soutien cesse immédiatement et que le Rwanda puisse retirer ses troupes du territoire congolais. Je comprends d’ailleurs que c’est un élément central des négociations qui ont repris la semaine passée à Washington et à Doha. Malgré le chemin qui reste à parcourir pour l’obtention d’un accord acceptable par toutes les parties, nous espérons qu’un accord pourra être trouvé le plus rapidement possible sur ce point et, bien sûr, sur les autres.

Monsieur De Maegd, madame Maouane, madame Mutyebele, vous avez parfaitement raison de souligner que la situation des droits humains dans les zones occupées par l'AFC/M23, avec le soutien du Rwanda, est alarmante. Cela a été confirmé par les rapports d'ONG internationales comme Amnesty International ou Human Rights Watch, mais aussi par la mission d'établissement des faits du Conseil des droits de l'homme, qui a communiqué hier ses conclusions préliminaires. Selon ces dernières, toutes les parties au conflit ont commis des violations ou atteintes aux droits humains – toutes les parties – ainsi que des violations du droit international humanitaire. Alors que les enquêtes se poursuivent, le Haut-Commissaire aux droits de l'homme, Volker Türk, a même estimé que beaucoup de ces violations présumées du droit international et humanitaire pourraient constituer des crimes de guerre.

Au demeurant, je pense avoir lu dans un compte rendu de presse qu'il avait évoqué l'augmentation, dans l'Est du Congo, de près de 400 % des violences sexuelles commises à l'encontre des femmes. Cette situation est évidemment inacceptable. La Belgique condamne tous les crimes et les violences que commet le M23 contre la population et les membres de la société civile, tout comme celles perpétrées par les wazalendo, par certains éléments des FARDC et aussi par le Front de libération du Rwanda, dont je condamne l'action et avec lequel il n'est pas acceptable que les FARDC puissent collaborer. Il incombe à tous, gouvernement comme acteurs armés – et acteurs armés non étatiques – de veiller à la protection des droits humains et au respect du droit international humanitaire.

Lors de ma récente visite en RDC, j'ai eu l'occasion de transmettre ces messages mais également de rencontrer les organisations de la société civile actives en la matière. La Belgique continuera de soutenir le travail de la société civile et du Bureau conjoint des Nations Unies aux droits de l'homme, y compris dans le domaine de la justice transitionnelle. Il s'agit d'une de nos priorités en RDC, tout comme la lutte contre l'impunité. À cette fin, je place notamment l'espoir dans le travail accompli par la mission d'établissement des faits dont je viens de parler. Comme l'a noté Volker Türk, elle a déjà recueilli et analysé une grande quantité de preuves auprès de victimes et de témoins en RDC, au Rwanda, au Burundi, dans d'autres pays ainsi qu'auprès des partenaires des Nations Unies et de la société civile. Ces éléments pourront donc servir de matière aux mécanismes de justice à l'échelle nationale ou internationale. Une commission d'enquête internationale du Conseil des droits de l'homme devrait, du reste, poursuivre le travail de la mission d'établissement des faits dans un second temps. En ayant voté positivement et en ayant coparrainé l'adoption de la résolution instituant les mandats de ces deux instruments, la Belgique a clairement exprimé son soutien à une enquête internationale.

Lors du débat qui s'est tenu hier au Conseil des droits de l'homme, la Belgique a d'ailleurs de nouveau appuyé le travail de la mission d'établissement des faits.

Pour ce qui est des sanctions, elles ne sont, comme tout autre moyen de pression, en rien une fin en soi. Ce qui importe vraiment pour créer les conditions propice à la protection des civils et au respect des droits humains, ce sont les progrès dans les négociations de paix et surtout, à plus court terme, la mise en œuvre de la résolution 2773 du Conseil de sécurité des Nations Unies. Il est clair qu'en cas d'échec des négociations et de retour à une logique qui serait purement militaire, l'instrument des sanctions reste sur la table. Nous serions, au besoin, prêts, avec nos partenaires européens et internationaux, à l'activer pour obliger les différentes parties à se remettre autour de la table.

En ce qui concerne la situation humanitaire dans l'Est de la RDC, elle est effectivement extrêmement précaire. Je demeure inquiet car l'évolution n'est pas favorable et les options pour acheminer de l'aide humanitaire sont toujours très limitées. Nous restons néanmoins très engagés auprès des acteurs humanitaires qui bénéficient du financement belge, notamment à travers nos fonds flexibles.

En 2025, nous souhaitons rester engagés auprès des acteurs humanitaires en RDC au moins au même niveau qu'en 2024, tout en étudiant les autres possibilités de soutien.

En même temps, nous poursuivons un plaidoyer fort pour le respect du droit international humanitaire, un accès humanitaire sûr et sans entrave, pour la protection des civils et la cessation de la violence.

La Belgique a aussi pris le lead des bailleurs de fonds pour demander aux autorités congolaises de définir au plus vite des règles d'engagement des organisations humanitaires et des ONG dans les zones sous contrôle du M23/AFC. Les autorités congolaises ont en effet la responsabilité de donner des directives claires sur la manière dont ces acteurs peuvent continuer d'opérer et d'interagir avec le M23/AFC sans crainte d'être accusés de complicité par Kinshasa, alors même qu'il s'agissait d'ONG déjà présentes dans la zone et qui ne visent qu'à servir les intérêts de la population.

Lors de mon passage à Kinshasa, j'avais moi-même fait part de cette nécessité à Mme la première ministre ainsi qu'à M. le président de la république. Tous deux m'avaient assuré que le gouvernement y travaillait. En l'absence de décision à l'heure actuelle, ce message devra certainement être répété.

En conclusion, je voudrais à nouveau souligner la mobilisation constante de la diplomatie belge sur ce conflit. Malgré de nombreuses autres crises dans le monde, elle reste au cœur de notre action avec l'ensemble des outils à notre disposition.

Michel De Maegd:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour cette réponse très circonstanciée, pour ces précisions et le suivi du travail, notamment lors des discussions de Doha.

Ce qui se joue en République démocratique du Congo dépasse évidemment la seule scène politique congolaise. Il s'agit aussi d'un test pour la crédibilité du droit international et pour notre capacité collective à tenter de prévenir les conflits, défendre les civils et faire barrage à l'impunité. La présence de Joseph Kabila à Goma, dans un contexte aussi inflammable, constitue d'un signal d'alarme. C'est un geste à très haute portée symbolique et politique dans une région où chaque parole, chaque présence, chaque mouvement peut faire basculer la paix.

Vous avez rappelé à plusieurs reprises les efforts que la Belgique déploie, notamment au travers de l'Union européenne et du Conseil des droits de l'homme, mais aussi le dialogue avec vos collègues qataris et du Togo. Nous devons encourager toute initiative sérieuse de médiation mais aussi nous préparer à des actions plus fermes. L'Histoire nous a appris que l'inaction ou les silences peuvent être tragiques.

Rajae Maouane:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses complètes et vos efforts. Comme l'ont dit les collègues, on voit que le peuple congolais subit une guerre que beaucoup ne veulent plus voir ou font semblant de ne pas voir. Et je suis rassurée de voir que la Belgique en prend la pleine mesure.

On ne peut pas laisser la logique des armes remplacer celle du droit et il ne faut vraiment pas abandonner les efforts pour soutenir justement les personnes qui luttent sur le terrain pour la paix, pour la justice, pour la dignité. Vu le passif et le lien historique entre la Belgique et cette région, je pense qu'on a une place plus particulière et plus grande à prendre. Je vois que c'est le chemin que vous prenez au niveau européen et je vous encourage à poursuivre les efforts pour que la communauté internationale – même si on ne sait pas très bien ce qu'elle représente – prenne, elle aussi, pleinement la mesure du drame qui se joue là-bas, puisque c'est un peuple qui est depuis de trop longues années sous tension.

Lydia Mutyebele Ngoi:

Merci, monsieur le ministre, pour votre réponse complète. Et c'est vrai qu'elle est rassurante. Je suis heureuse de vous entendre donner votre position que je salue, une fois n'est pas coutume. Pendant un moment, la communauté internationale semblait s'être réveillée et j'ai constaté que ces derniers temps, elle s'est rendormie sans que la situation ne s'améliore. Vous savez, quand on parle des populations qui sont en train de souffrir, les banques sont fermées dans les zones contrôlées. Les personnes qui ont un peu d'argent peuvent prendre un taxi de Goma jusqu'à Butembo et Beni pour acheter de la nourriture. Le taxi coûte 50 euros. Ils doivent dormir sur place, s'approvisionner et revenir. Mais ce n'est pas toute la population qui a les moyens de faire ce déplacement. Donc, la faim et les maladies sont en train de tuer les gens. Cela signifie qu'il faut continuer, monsieur le ministre, votre travail de pression. Vous devez continuer à mobiliser l'aide humanitaire d'urgence parce que c'est tellement important. Vous avez dit, et je vous rejoins là-dessus, que les sanctions ne sont pas une fin en soi et qu'ils sont en train de négocier la paix. Mais pour l'instant, les exactions et les tueries se poursuivent. L'impunité ne peut pas continuer. M. Kagame et le M23 doivent être punis pour cette invasion. Pour qu'il y ait une paix durable, il faut nécessairement des sanctions et de l'aide humanitaire urgente. S'il est vrai que pour l'instant, la paix est nécessaire, les sanctions le sont encore plus parce qu'elles constituent un message fort qu'on enverra tant à M. Kagame qu'aux rebelles du M23.

De verkrachtingen en het geweld in Soedan
De VN-oproep n.a.v. de onverschilligheid over en straffeloosheid in het conflict in Soedan
De situatie in Soedan
Geweld, straffeloosheid en humanitaire crisis in Soedan

Gesteld aan

Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 17 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie belicht de catastrofale humanitaire crisis in Soedan, waar systematisch seksueel geweld als oorlogswapen wordt ingezet, 30 miljoen mensen noodhulp nodig hebben en straffeloosheid heerst, terwijl internationale aandacht ontbreekt. België steunt flexibele humanitaire hulp (60% via VN-fonds) voor medische en psychologische zorg, veroordeelt obstakels voor hulpverleners en pleit in EU- en VN-verband voor justitie (ICC, VN-onderzoeken) en diplomatieke druk, waaronder sancties tegen externe steun aan strijdende partijen. Structurele oplossingen (3D-benadering) zijn echter onhaalbaar door de instabiliteit, waardoor de focus ligt op acute noodhulp en politieke lobby. Kritiek blijft dat België te weinig leiderschap toont om de EU tot krachtiger actie aan te zetten, terwijl het conflict dreigt uit te groeien tot een regionale brandhaard.

Rajae Maouane:

Je suis contente que l'on ait le temps de parler du Soudan car ce conflit reste sous les radars médiatiques et politiques. Monsieur le ministre, Médecins Sans Frontières a récemment publié un témoignage glaçant: des femmes et des jeunes filles fuyant la guerre au Soudan ont été battues et violées en pleine route, devant témoins, dans une violence extrême, systémique et délibérée.

Ce n’est malheureusement pas un fait isolé. Depuis le début du conflit, les violences sexuelles sont utilisées comme arme de guerre, notamment dans l’ouest du Darfour. Les structures de santé sont totalement débordées, voire inexistantes. L’accès humanitaire est gravement entravé. Ces femmes, souvent très jeunes, n’ont d’autre choix que le silence, la honte ou l’exil, parfois sans soins, sans justice, sans reconnaissance.

Monsieur le ministre, que fait aujourd’hui la Belgique pour soutenir les victimes de ces crimes au Soudan? Avons-nous prévu un renforcement de notre aide humanitaire, notamment dans les domaines de la santé sexuelle et de la prise en charge psychologique? La Belgique plaide-t-elle activement, au sein des instances internationales, pour que ces crimes ne restent pas impunis et que la justice internationale se saisisse de ces cas documentés par des ONG comme Médecins Sans Frontières ou Human Rights Watch?

Michel De Maegd:

Monsieur le ministre, le chef du Bureau de la coordination des affaires humanitaires de l'ONU, Tom Fletcher, a récemment lancé un cri d'alarme bouleversant à propos du conflit qui ravage le Soudan. Trente millions de personnes ont besoin d'aide vitale. Une guerre sans pitié ravage les villes et les campagnes avec son cortège de civils piégés, de femmes victimes de violences sexuelles, de malnutrition aigüe et des épidémies qui se répandent dans l'indifférence quasi générale. Il a qualifié cette guerre d'immense tragédie humanitaire et dénoncé l'indifférence et l'impunité qui sont devenues selon ses mots les tristes emblèmes de notre époque. On ne peut pas détourner le regard.

Quelle est votre analyse politique de cette déclaration et de cet appel à l'action? Notre pays soutient-il les efforts en vue d'un mécanisme d'enquête internationale sur les crimes commis, notamment les violences sexuelles et les attaques contre les civils? Un appui humanitaire belge est-il actuellement mobilisé pour répondre aux besoins urgents sur le terrain? Enfin, comptez-vous relayer l'appel onusien à vos homologues européens pour renforcer la pression diplomatique sur les belligérants et soutenir une transition vers une paix inclusive et durable?

Lydia Mutyebele Ngoi:

Monsieur le ministre, comme mes collègues l'ont dit, c'est un des conflits dont on parle le moins. Pourtant, c’est un des conflits les plus meurtriers. La population souffre à un niveau extrêmement rare. Le directeur de l'OMS a dit que le Soudan est une véritable tempête de crises: 13 millions de déplacés, 25 millions de personnes qui souffrent de faim. Des accusations de génocide, perpétré par les FSR. Cette guerre dure déjà depuis deux ans. C’est une monstruosité humanitaire, qui sème la désolation dans toute la région; un conflit absurde, financé par des parties extérieures aussi cupides qu'opportunistes. C'est la population soudanaise, et les femmes, comme d'habitude, qui en font les plus grands frais. Elles sont violées. Le viol, comme l'a dit ma collègue Rajae Maouane, est utilisé comme arme de guerre, comme en RDC, comme en Palestine. C'est une habitude.

Monsieur le ministre, mes questions sont les suivantes. Quelle est votre analyse de la situation? Que pensez-vous des influences extérieures, qui trouvent intérêt à soutenir les belligérants, principalement les FSR, malgré les crimes qu'ils commettent?

Dans votre note de politique générale, vous disiez vouloir agir en priorité là où les crises sont les plus graves et les plus urgentes. Agissez-vous dès lors en conséquence au regard de la situation que vivent les Soudanais depuis plusieurs années?

Dans le cadre de l'approche 3D, telle que vous l'avez définie et que vous défendez, le Soudan représente une zone stratégique au cœur des jeux politiques complexes d'une région instable. La sécurité de la région est intrinsèquement liée à son développement et à sa bonne gouvernance. Notre rôle en tant que soutien au développement durable et défenseur de la stratégie 3D devrait naturellement s'y appliquer. Quelle stratégie privilégiez-vous pour la région et comment comptez-vous l'appliquer? Merci.

Maxime Prévot:

Mesdames et messieurs les députés, depuis votre dernière question sur le Soudan, fin avril de cette année, la situation dans ce pays ne s'est malheureusement pas améliorée, loin s'en faut. Les combats et les violations graves des droits humains, en particulier contre les femmes et les enfants, se sont poursuivis sans relâche. Alors qu'aucune perspective de sortie du conflit n'est en vue, le droit international humanitaire est massivement bafoué. Sincèrement, je me réjouis de vos questions jointes, parce que c'est un conflit dont on parle trop peu.

Selon les Nations Unies, des rapports de plus en plus nombreux et alarmants font aussi état de violences sexuelles utilisées comme armes de terreur à travers le Soudan. Il est ainsi estimé que plus de 12 millions de femmes et de filles, et de plus en plus d'hommes et de garçons, sont exposés au risque d'agressions sexuelles, soit une augmentation de 80 % par rapport à l'année précédente.

Par ailleurs, le risque de partition du pays sur des bases ethniques apparaît réel, après la proclamation de l'installation de nouveaux gouvernements par chaque camp, tandis que la régionalisation du conflit atteint actuellement des proportions très importantes. Une multitude d'acteurs de la région et du Golfe voient dans ce conflit une opportunité, à des degrés divers, d’avancer leurs intérêts géopolitiques ou géoéconomiques, au détriment des populations locales.

Le 5 juin dernier, à Abou Dhabi, je me suis entretenu avec la représentante spéciale de l’Union européenne pour la Corne de l’Afrique, Mme Annette Weber. Elle m'a confirmé le tableau très sombre au Soudan, tel que décrit aussi par Tom Fletcher, chef du Bureau de la coordination des affaires humanitaires de l’ONU, dans son appel du 12 juin.

Sur le plan humanitaire, il est clair que la situation extrêmement volatile dans le pays exige une approche flexible. L’aide humanitaire belge soutient dès lors la réponse internationale par le biais d'une aide directe et flexible. Je rappelle qu'au moins 60 % de l'appui belge consiste en un financement indirect flexible, non affecté par le biais de notre soutien aux fonds humanitaires mondiaux et aux financements de base de différents acteurs des Nations Unies. Cela permet à ces acteurs, qui sont plus proches de la crise au Soudan, de décider eux-mêmes où la contribution belge peut être utilisée au mieux pour la soutenir. Ces acteurs ont également développé l’expertise nécessaire ou soutiennent des acteurs ayant les connaissances requises pour répondre aux besoins, dans les domaines de la santé sexuelle et mentale, des victimes de violences.

Les entraves à l’acheminement de l’aide humanitaire et les violences envers les acteurs humanitaires restent un sérieux problème. À titre d'exemple, le 2 juin, une attaque d'un convoi humanitaire dans le Nord du Darfour a causé la mort de cinq travailleurs humanitaires. La Belgique, avec l’Union européenne et d’autres bailleurs de fonds, a condamné cette violation du droit international dans les termes les plus forts, à travers une déclaration conjointe.

Sur la question de la lutte contre l’impunité et de la justice internationale, la Belgique soutient le travail de l’expert indépendant sur le Soudan ainsi que la mission d’établissement des faits mandatée par le Conseil des droits de l’homme. Nous regrettons que cette dernière n'ait toujours pas eu accès au territoire soudanais. Il est évidemment crucial qu'il y ait une documentation des faits pour assurer la poursuite des auteurs de ces crimes.

La Belgique continue par ailleurs à encourager le renforcement du mandat de la Cour pénale internationale au Soudan.

Au sein du Conseil des droits de l'homme, la Belgique continuera d'exprimer ses vives préoccupations à l'égard des nombreuses violations et atteintes aux droits humains, en particulier à l'égard des femmes et des enfants, contribuant ainsi à mettre en lumière la situation dramatique qu'endurent les populations civiles et à mobiliser la communauté internationale pour y mettre fin.

Sur le plan diplomatique, la Belgique reste bien évidemment active au sein de l'Union européenne. Elle fait partie d'un petit groupe d'États membres appelés EU Core Group on Sudan , qui vise à maintenir cette crise à l'agenda et à soutenir le travail et les démarches de la représentante spéciale de l'Union européenne pour la Corne de l'Afrique.

Je peux d'ailleurs vous confirmer que des discussions sont en cours au sein de l'Union européenne pour redynamiser l'action diplomatique de l'Union européenne. De nouvelles sanctions, auxquelles la Belgique est favorable, sont sur la table tout comme toute une série d'autres options diplomatiques. Il est clair aussi qu'il faudra intensifier les démarches de l'Union européenne vis-à-vis des pays de la région et du Golfe, afin que tout soutien aux belligérants soit stoppé et que les processus de médiation qui patinent soient revitalisés; ces discussions pourraient déboucher sur l'adoption de nouvelles conclusions du Conseil sur le Soudan.

Enfin, pour répondre à l'interpellation de Mme Mutyebele sur l'approche 3D au Soudan ou dans la Corne de l'Afrique, celle-ci n'est de facto pas d'application dans cette zone, partant du principe que cette approche intégrée est basée sur une présence et un engagement de la Défense et de programmes gouvernementaux de coopération. Dans la situation actuelle, il n'y a pas de perspective à court ou même à long terme pour déployer de tels instruments au Soudan, ce que d'autres partenaires ne font d'ailleurs pas non plus. Étant donné les limites en termes de moyens, il est préférable de se focaliser sur d'autres régions comme l'Afrique centrale ou l'Afrique de l'Ouest. Je vous remercie.

Rajae Maouane:

Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses. Vous avez raison de le rappeler: 12 millions de personnes, c'est environ l'équivalent de la population de la Belgique, qui est en situation dramatique et urgente. L'ONU dit que c'est le plus grand drame humanitaire en ce moment. On sait aussi que le Soudan est un terrain de jeu géopolitique pour des États comme les Émirats arabes unis. Il y a là aussi quelque chose à faire au niveau diplomatique. Mais je vous encourage quand même à aller un pas pour loin pour que la Belgique puisse prendre le lead au sein de l'Union européenne, dans la recherche de solutions. Vous-même et les collègues l'avez à juste titre rappelé: nous sommes vraiment dans une situation de drame humanitaire total. Merci.

Michel De Maegd:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse. Vous avez en effet évoqué des chiffres qui sont absolument effarants sur l'inhumanité qui règne aujourd'hui au Soudan. Nous parlons ici en réalité de 30 millions d'êtres humains qui sont en détresse entre bombardements indiscriminés, d'enfants affamés, de femmes violées et de soignants qui sont aussi tués en missions humanitaires. Le silence ou la tiédeur de la communauté internationale sont en train de devenir les complices involontaires de cette "barbarie" – parce qu'elle n'a que ce nom-là.

Ce que l'ONU demande aujourd'hui c'est une montée en puissance des États qui défendent une certaine idée de l'humanité. Il ne s'agit pas seulement de condamner bien sûr, mais de rehausser le niveau d'exigence et je vous remercie, monsieur le ministre, de porter la voix de la Belgique avec clarté, là encore, de soutenir sans ambiguïté aussi l'ouverture d'un mécanisme d'enquête international et de mobiliser nos partenaires européens pour qu'ils sortent de cette indifférence.

Lydia Mutyebele Ngoi:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse et votre humanité. J'entends que des sanctions sont sur la table. J'espère qu'elles seront effectives très rapidement. Vous avez beaucoup de travail avec les crises qui se produisent partout dans le monde, à des ampleurs que nous observons rarement. Le Soudan souffre et souffre d'autant plus en silence, ce silence qui pèse malgré les accusations de crime de génocide, malgré l'immense crise humanitaire, malgré la crise des réfugiés sans précédent, malgré les viols massifs utilisés comme armes de guerre. Monsieur le ministre, vous devriez savoir à quel point cette situation constitue une poudrière qui risque d'embraser toute la région: le risque d'une guerre civile au Soudan du Sud, les tensions qui grimpent entre l'Érythrée et l'Éthiopie, la famine qui menace en Somalie, les groupes djihadistes qui progressent, des pays étrangers qui multiplient leurs ingérences, la déstabilisation des régimes, etc. Le Soudan devrait faire l'objet d'une attention particulière et j'espère que vous et les organisations internationales pourrez agir parce que le Soudan et les Soudanais méritent la paix. La population mérite de vivre et non pas de mourir dans le silence.

De uitspraken van de Amerikaanse defensieminister over Taiwan
De dreiging van een Chinese invasie van Taiwan
Amerikaanse en Chinese spanningen rond Taiwan

Gesteld aan

Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 17 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België en de EU benadrukken het behoud van de status quo in de Straat van Taiwan als cruciaal voor globale stabiliteit en economie, roepen op tot dialoog en respect voor internationaal recht, maar vermijden een duidelijke juridische erkenning van Taiwans onafhankelijkheid, verwijzend naar het één-Chinabeleid (VN-resolutie 2758). Terwijl de VS waarschuwen voor een mogelijke Chinese invasie tegen 2027 en escalerende militaire druk, blijft België’s strategie vaag: economische banden met Taiwan worden versterkt, maar concrete plannen voor een conflictontwijken ontbreken. Kritiek komt op de schijnbare dubbelstandaard (vs. Palestina) en het ontwijken van een helder standpunt over Taiwans soevereiniteit, ondanks haar democratische en economische (microchips) strategische waarde. De EU focust op weerbaarheid, handel en afschrikking via diplomatieke druk, maar concrete militaire of politieke actie blijft uit.

Michel De Maegd:

Monsieur le ministre, lors du récent sommet sur la sécurité en Asie, le Shangri-La Dialogue à Singapour, le secrétaire américain à la Défense, Pete Hegseth, a averti, je cite, que "la Chine se préparait activement à une invasion de Taïwan d'ici 2027". Il a souligné que la Chine s'entraîne quotidiennement en vue d'une telle opération, ce qui constitue une menace réelle et potentiellement imminente pour la stabilité de la région indo-Pacifique. La Chine a vivement réagi à ces déclarations, accusant les États-Unis de "provoquer des conflits et de perturber la paix régionale".

Cette escalade verbale s'inscrit dans un contexte de tensions accrues, marqué par des exercices militaires chinois autour de Taïwan et des incursions régulières dans sa zone d'identification de défense aérienne. Nous l'avons déjà évoqué régulièrement lors de nos échanges dans cette commission.

Dans ce contexte, j'aimerais vous poser quelques questions. Comment la Belgique évalue-t-elle les risques d'escalade militaire dans la région et leurs implications pour la sécurité internationale?

Quelles initiatives l'Union européenne prend-elle actuellement pour promouvoir la paix, la stabilité et le respect du droit international dans cette région?

Comment la Belgique peut-elle soutenir les efforts diplomatiques visant à prévenir un conflit et à encourager le dialogue entre les parties concernées?

Werner Somers:

Mijnheer de minister, zoals u weet, behoudt de Volksrepubliek China zich het recht voor om Taiwan manu militari bij het Chinese vasteland in te lijven. Voor Xi Jinping, de president van de Volksrepubliek, is de vereniging van Taiwan met China van wezenlijk belang voor de zogenoemde verjonging van de Chinese natie. Daarmee wordt bedoeld dat China de centrale wereldmacht op politiek, economisch en militair vlak moet worden.

De Taiwanese bevolking wordt de laatste jaren met toenemende militaire intimidatie door China geconfronteerd. De militaire druk wordt opgevoerd tot een punt waarop oefeningen nauwelijks nog te onderscheiden zijn van een regelrechte aanval. Dat verhoogt uiteraard aanzienlijk het risico op inschattingsfouten en ongelukken.

Recent verklaarde de Amerikaanse minister van Defensie op een defensietop in Singapore dat een invasie van Taiwan nakend is. Volgens hem beschikken de Amerikaanse inlichtingendiensten over informatie waaruit blijkt dat Xi Jinping de Chinese strijdkrachten heeft aangemaand om de capaciteiten op te bouwen die nodig zijn om tegen 2027 in staat te zijn Taiwan over te nemen.

Mijnheer de minister, hebt u kennisgenomen van de uitspraken van de Amerikaanse minister van Defensie? Hoe waarschijnlijk acht u het dat de Volksrepubliek China uiterlijk in 2027 zal proberen om Taiwan met geweld te veroveren? Op welke wijze bereidt de regering zich voor op een Chinese militaire invasie van Taiwan? Wordt daarover met gelijkgezinde staten overlegd?

Heeft de regering beslist om haar bezorgdheid over de toenemende Chinese militaire intimidatie van Taiwan kenbaar te maken in contacten met de Volksrepubliek? Bent u het eens met de zienswijze dat de Chinese militaire intimidatie van Taiwan strijdig is met het VN-Handvest en dat dit a fortiori geldt voor een blokkade of invasie van het eiland?

Zal de regering eindelijk ondubbelzinnig het standpunt innemen dat Taiwan niet alleen de facto, maar ook de jure geen deel uitmaakt van de Chinese staat?

Maxime Prévot:

Monsieur De Maegd, monsieur Somers, un changement du statu quo de la situation dans le détroit de Taïwan constitue une menace pour la prospérité et la sécurité, également pour l'Europe. Comme vous le notez, Taïwan est devenu un partenaire commercial important pour notre continent et diverses études décrivent l'impact économique en cas d'escalade. Il est donc important que nous ayons une vue claire de nos propres intérêts afin de pouvoir évaluer les conséquences négatives et de nous y préparer.

Cette question est également en discussion au sein de l'Union européenne et avec les pays partageant les mêmes valeurs. Dans sa politique de sécurité et de défense, l'Union européenne continue d'ailleurs de mettre l'accent sur la préservation de ce statu quo dans le détroit de Taïwan. L'Union européenne exprime son inquiétude face aux actions de la Chine qui aggravent les tensions et appelle à la retenue. L'Union européenne reconnaît également l'importance stratégique de Taïwan dans la région indo-Pacifique et encourage l'approfondissement de la coopération et des échanges.

De Europese Commissie legt de focus op het uitbreiden van de handel met en investeringen in Taiwan en hecht belang aan het versterken van de wederzijdse weerbaarheid. Er is aandacht voor de economische veiligheid en het versterken van samenwerking in diverse strategische sectoren.

Les tensions dans le détroit de Taïwan suscitent une inquiétude croissante au sein de la communauté internationale et des appels ont été lancés à plusieurs reprises pour éviter des actions unilatérales qui pourraient conduire à une escalade. Il est dans notre intérêt, avec nos alliés, de contribuer à maintenir un équilibre stable entre les grandes puissances régionales.

Dans ma précédente intervention sur le sujet, j'ai attiré votre attention sur le récent livre blanc sur la préparation de la défense européenne, qui exprime également cette préoccupation et qui aborde en détail les étapes à suivre pour développer les capacités nécessaires et une approche coordonnée afin de garantir notre sécurité.

Net als de EU zal België de duidelijke boodschap blijven uitdragen van het belang van het handhaven van de status quo, het vermijden van unilaterale acties die deze in gevaar kunnen brengen en het benadrukken van de negatieve impact die een escalatie zou hebben op de wereldwijde welvaart en veiligheid. We blijven pleiten voor dialoog en respect voor internationale rechtsregels. Die boodschap wordt voortdurend herhaald in al onze bilaterale contacten.

Wat uw laatste vraag betreft, verwijs ik u graag naar de uiteenzetting van mijn administratie op 27 november 2024, waarin de Belgische positie ten aanzien van de VN-resolutie 2758 werd toegelicht tijdens de bespreking van de inmiddels aangenomen parlementaire resolutie over de toenemende dreiging richting Taiwan. Die resolutie vormt de basis van waaruit het één-Chinabeleid is gegroeid dat door het overgrote deel van de internationale gemeenschap en internationale instellingen wordt gehandhaafd. De resolutie maakt geen melding van het statuut van Taiwan, waardoor we ons niet uitspreken over de territoriale aanspraken van China op Taiwan en we enkel akte kunnen nemen van hun lezing ervan.

Michel De Maegd:

Je vous remercie, monsieur le ministre, pour votre réponse.

Nous sommes à un moment charnière. Je suis d'accord avec vous qu'il s'agit d'un enjeu global aux conséquences négatives. Je les qualifierais de potentiellement dramatiques, pour la paix internationale, l'économie mondiale et l'équilibre des puissances.

Dans ce contexte, l'Union européenne doit s'affirmer comme un acteur de stabilité, de dialogue et de droit. Elle doit adopter une ligne claire, celle du respect du droit international, du rejet de toute modification unilatérale du statu quo et du soutien à toutes les initiatives de désescalade.

La paix commence avec des signaux forts, envoyés à toutes les parties. Oui au dialogue. Non à la provocation et à la menace.

Je vous remercie.

Werner Somers:

Mijnheer de minister, ik heb in uw antwoord weinig concreets gehoord. U sprak over de bezorgdheid van België, dat het status quo moet worden behouden, dat Taiwan van zeer groot economisch belang is en dat u de handel met en investeringen in Taiwan verder wilt opvoeren. Op zich juich ik dat allemaal toe, alleen heb ik niet duidelijk gehoord wat de strategie van België is, en bij uitbreiding van de Europese Unie en de rest van de westerse wereld, voor het geval er inderdaad een groot militair conflict over Taiwan zou uitbreken tegen 2027, of zelfs vroeger. Dat stelt mij allerminst gerust. We weten allemaal dat een recessie op ons zou afkomen en dat de economie wereldwijd met 15 tot 30 % zou krimpen indien de hel losbarst in de Straat van Taiwan. Alleen al onze afhankelijkheid van geavanceerde microchips, die voor 90 % worden geleverd door TSMC, wereldwijd, maakt dat dit een ramp zou worden voor onze steeds meer hoogtechnologische industrie. Ik kreeg eigenlijk ook geen duidelijk antwoord met betrekking tot het standpunt van België over de status van Taiwan. U verwees naar het één-China-beleid, dat België onderschrijft, en naar resolutie nr. 2758 van de algemene vergadering van de VN uit 1971. Beide zijn uiteraard bekend. We stellen een spagaat vast tussen de houding van de regering tegenover Palestina en die tegenover Taiwan. Taiwan voldoet immers duidelijk aan alle criteria om van een staat te kunnen spreken. Het is een perfect democratische staat, een voorbeeld voor de rest van de wereld, zou ik bijna zeggen. Toch verschuilt de regering zich en is men bang om duidelijk te zeggen waar het op staat, namelijk dat er inderdaad één China bestaat, maar dat er ook één Taiwan bestaat. Ook Taiwan heeft het recht om te worden erkend als onafhankelijke en bovendien democratische staat, los van China.

De politieke situatie en de schendingen van de persvrijheid in Burundi

Gesteld door

lijst: MR Michel De Maegd

Gesteld aan

Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 17 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Belgische bezorgdheid over groveschending van democratie en persvrijheid in Burundi na verkiezingen waar de regeringspartij alle 100 zetels won onder massale fraude, censuur en onderdrukking van oppositie en media. Minister Prévot bevestigt ernstige tekortkomingen (ook erkend door lokale bisschoppen) en benadrukt het kritieke belang van pluralisme voor stabiliteit, maar wijst op moeizame diplomatieke contacten met Burundi, ondanks Belgische steun aan onafhankelijke journalisten en aandringen op concrete hervormingen. De Maegd eist een hardere Europese lijn: geen legitimiteit zonder vrije pers en transparante verkiezingen, met duidelijke consequenties voor democratische terugval. Prévot belooft waakzaamheid maar concrete stappen blijven vaag.

Michel De Maegd:

Monsieur le ministre, le 5 juin dernier, le Burundi a organisé des élections législatives qui se sont soldées par un résultat sans appel : le parti au pouvoir, le CNDD-FDD, a remporté la totalité des 100 sièges de l'Assemblée nationale.

Ce résultat suscite évidemment une vive inquiétude quant au respect des principes démocratiques.

De nombreux témoignages font état d'irrégularités massives : bourrages d'urnes, votes forcés, exclusion des observateurs indépendants, arrestations arbitraires et intimidations de l'opposition.

Selon plusieurs médias internationaux et burundais, le pouvoir a également imposé une censure totale aux journalistes locaux lors du scrutin, aboutissant à un véritable blackout médiatique sur les fraudes dénoncées par des observateurs et des journalistes indépendants.

Cette mise sous tutelle de la presse constitue une régression alarmante dans un pays qui, il y a peu encore, était salué pour la vigueur et la liberté de ses médias.

Monsieur le Ministre, face à ces violations apparentes graves des principes démocratiques et de la liberté de la presse au Burundi, je souhaiterais vous interroger.

1. Quelle position diplomatique compte adopter la Belgique vis-à-vis du gouvernement burundais pour dénoncer ces irrégularités et exiger un retour immédiat au pluralisme démocratique?

2. Quelles initiatives concrètes la Belgique pourrait-elle envisager, notamment au sein des instances européennes et internationales, pour soutenir la société civile burundaise et assurer une meilleure protection des journalistes soumis à la censure et aux intimidations?

Je vous remercie pour votre réponse.

Maxime Prévot:

Monsieur De Maegd, le Burundi a en effet organisé des élections législatives et locales le 5 juin dernier. J'ai bien pris note du communiqué du 12 juin rédigé par les évêques du Burundi, qui avaient dépêché une observation à travers la Commission épiscopale "Justice et Paix". Cette observation a couvert environ 2 400 bureaux de vote, soit environ 30 % du total sur l'ensemble du territoire. Les évêques reconnaissent que les élections se sont, dans l'ensemble, déroulées dans un climat relativement calme et que la population y a participé activement. C'est plutôt une bonne chose. Toutefois, ils relèvent de nombreuses irrégularités et dysfonctionnements dans le déroulement du scrutin. C'est évidemment une source indéniable de préoccupation pour moi. Il faudra maintenant voir comment ces problèmes seront examinés par les organes compétents et comment il y sera remédié.

Par ailleurs, selon les résultats provisoires, l'opposition n'obtiendrait plus aucun siège à l'Assemblée nationale, alors qu'elle disposait dans le Parlement sortant de près de 30 % de sièges. Dans un tel scénario, on peut légitimement se poser des questions sur la santé future de la démocratie parlementaire au Burundi. Certes, les partis d'opposition ne seront pas interdits de fonctionner, mais de facto cela obèrera leur capacité à jouer leur rôle de contrepoids, comme dans toute démocratie. Or il faut noter qu'un des acquis de la démocratie au Burundi était le pluralisme politique. J'ai visité le Burundi le 26 avril dernier, car je suis persuadé que ce pays, comme l'Ouganda et les autres pays de la région, ont un rôle majeur à remplir pour assurer la stabilité régionale.

Pour garantir la paix et la concorde, mais aussi pour attirer de nouveaux investissements, le respect des principes de démocratie et de liberté est fondamental. C'est d'autant plus important à l'approche des élections présidentielles de 2027. S'agissant de la presse, lors de ma visite, j'ai eu l'occasion d'échanger avec des journalistes indépendants et de les assurer de notre plein soutien. Ils accomplissent un travail admirable dans des conditions compliquées. Je sais que notre ambassade y est très attentive. Au cours de plusieurs contacts avec les autorités burundaises, y compris le président de la République, j'ai eu l'occasion d'insister sur les questions de droits humains, en soulignant l'importance d'accomplir des actes concrets.

En tant que membre du Conseil des droits de l'homme, le Burundi est aussi doté d'une responsabilité supplémentaire pour protéger les défenseurs des droits humains et les journalistes, ainsi que pour coopérer avec les mécanismes internationaux des droits humains.

Par ailleurs, j'ai essayé de joindre mon homologue burundais ce week-end pour un échange de vues à propos de la situation post-électorale, mais nous ne sommes pas parvenus à entrer en contact.

Michel De Maegd:

Je vous remercie, monsieur le ministre. En effet, un échange de vues avec votre homologue s'impose et je suis ravi d'entendre que vous êtes proactif en la matière. Ce à quoi nous assistons au Burundi, c'est là encore une dérive complète et autoritaire manifeste qui s'accompagne d'un musellement systématique de la presse, d'un effacement total de l'opposition politique et d'une absence d'État de droit. La voie de la Belgique, avec ses partenaires européens, doit être claire: pas de démocratie sans liberté de la presse, pas de légitimité sans élection transparente, pas d'impunité pour ceux qui s'en prennent aux fondements mêmes de la démocratie. Je compte sur votre vigilance.

De NAVO-top en de defensie-uitgaven
Het regeringsstandpunt over de nieuwe NAVO-norm
De NAVO-norm van 5 %
De onenigheid in de regering over de NAVO-norm van 5 %
Het defensiebudget en de NAVO-norm
NAVO-norm en defensiebudget

Gesteld aan

Bart De Wever (Eerste minister)

op 12 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De regering beslist plots en zonder structurele financiering om de defensie-uitgaven naar 5% van het BBP (24 miljard extra) op te trekken—een besluit dat zonder parlementair debat of duidelijke planning lijkt genomen, ondanks eerdere weerstand (inclusief premier De Wever die 3% nog een "horrorscenario" noemde). Critici (oppositie en zelfs coalitiepartners) wijzen op de hypocrisie (geen geld voor zorg/pensioenen, maar wel voor defensie), onhaalbaarheid (2% is al niet structureel gefinancierd) en gebrek aan transparantie, terwijl de premier ontwijkend antwoordt dat de definitieve beslissing na de NAVO-top valt. De drijvende kracht lijkt NAVO-druk (met name de VS en Europese landen die 3,5%+ al halen) en de vrees voor een Amerikaanse terugtrekking, maar concrete plannen en financiering ontbreken. De oppositie noemt het "krijgsbudgetten zonder vredesdividend" en eist een realistisch, langetermijnplan in plaats van politiek opportunisme.

Raoul Hedebouw:

Premier, de ministerraad heeft eergisterenavond een historische beslissing genomen: 5 % van het bruto binnenlands product zal naar defensie gaan. Collega's, ik dacht echt dat dat op een heel groot debat zou uitdraaien vanmiddag, maar dat is helemaal niet het geval. De consensus is zeer groot. Er komt 24 miljard euro extra aan defensie-uitgaven, maar dat leidt hier niet eens tot een groot debat, 24 miljard euro extra voor defensie, maar geen stemming in deze regering. De komende generaties zullen vastgebonden zijn aan een besparingspolitiek.

Het gaat om 24 miljard. Jarenlang werd gezegd dat er geen geld was voor pensioenen. Jarenlang werd gezegd dat er geen geld was voor de gezondheidszorg. Jarenlang werd gezegd dat er geen geld was voor de mensen. Nu is er plots 24 miljard euro. Beste collega's, de vergrijzingskwestie, het afschaffen van het brugpensioen, het moeilijker maken om vervroegd met pensioen te gaan, moeten werken tot 67 jaar, dat alles gebeurt in naam van een verhoging met 2 % van het budget voor de vergrijzing. Nu wordt beslist om het budget met 3 % te verhogen.

Collega's, het is zorgwekkend dat daarover zo’n brede consensus bestaat, dat daarover geen debat plaatsvindt. Twee weken geleden hoorde ik de eerste minister nog zeggen dat het crazy zou zijn om dat te doen. Ik hoorde de heer Sammy Mahdi verklaren dat een militair opbod tot meer oorlog zou leiden. Ik hoorde twee dagen geleden zeggen dat het geld niet aan de bomen groeit. Ik hoorde Conner Rousseau zeggen dat 2 % het maximum was. En eergisteren is iedereen plots overgegaan naar 5 %.

Chers collègues, monsieur le premier ministre, la question est très claire: y aura-t-il un vote sur ces 5 % dans ce Parlement? Pouvez-vous confirmer l'accord de tous les (…)?

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de premier, kent u de televisiequiz Hoger, lager ? Ik vermoed van wel. Het programma stamt immers eerder uit uw tijd dan uit de mijne. Het concept is eenvoudig: deelnemers raden of een budget hoger of lager zal zijn. Zelf kende ik het programma niet, maar het is vandaag bijzonder actueel. Uw regering en uw regeringsleden spelen het immers al maanden.

De minister van Defensie, de heer Theo Francken, stelde dat 5 % een logische keuze is. Hij zei dus "hoger". Vervolgens zei de voorzitter van cd&v dat het militair opbod moet stoppen. Hij zei dus "lager". De heer Prévot trok diezelfde avond nog naar de VN om een coalition of the unwilling op de been te brengen, opnieuw "lager". Minister Vandenbroucke was iets genuanceerder. Hij zei dat er nog niets is beslist. We kennen minister Vandenbroucke intussen echter een beetje. Hij zal dus ook wel "lager" zeggen.

Mijnheer de premier, de voorrondes zijn achter de rug. Het spel is intussen gespeeld en nu volgt de finale. U moet die finale spelen, want u vertrekt over twee weken naar de NAVO-top.

Mijnheer de premier, heel concreet vraag ik u wat het wordt, hoger of lager? Volgt u uw collega Francken of volgt u uw andere coalitiepartners?

Darya Safai:

Mijnheer de eerste minister, in het regeerakkoord staat dat de geloofwaardigheid van België binnen de NAVO hersteld moet worden door in versneld tempo de doelstelling van 2 % te behalen. Zoals het er nu uitziet, wordt die standaard niet alleen behaald, maar komen we zelfs iets hoger uit.

Desalniettemin zien de huidige geopolitieke ontwikkelingen er niet goed uit. Eerder werd al in NAVO-middens verklaard dat er een aanzienlijke verhoging zit aan te komen. Een kleine drie weken geleden werd de goedkeuring gegeven voor nieuwe capaciteitsdoelstellingen. Op donderdag 5 juni gaven, in navolging daarvan, de lidstaten hun fiat aan die doelstellingen, die bepalen waarin eenieder moet investeren in de nabije toekomst.

De contouren van de concrete gevolgen zijn vandaag duidelijk. De secretaris-generaal zal voorstellen dat de respectieve NAVO-leden hun defensiegerelateerde uitgaven optrekken tot 5 % van hun bbp. Daarvan zou 3,5 % bestemd zijn voor directe defensie-uitgaven en 1,5 % voor ondersteunende posten als infrastructuur en cyberveiligheid.

De aanhoudende moordende oorlog in Europa maakt dat we geen andere optie hebben dan onze weerbaarheid te verhogen, om zo onze collectieve defensie opnieuw scherp te krijgen.

Mijnheer de premier, kunt u ons uitleggen hoe men ertoe gekomen is om die doelstelling op 5 % vast te leggen? Hoe wilt u het concreet aanpakken?

Annick Ponthier:

Mijnheer de premier, we weten nog niet hoe we voor dit jaar de extra vier miljard euro om de NAVO-norm van 2 % te halen, zullen financieren. Dat is geen uitspraak van een oppositielid of een journalist, maar van uw eigen vicepremier Maxime Prévot, de minister van Buitenlandse Zaken. Hij staat niet alleen met zijn bedenkingen. 'Dromen mag, maar het moet realistisch blijven". "Men goochelt met schattige percentages, maar daarachter gaan gigantische bedragen schuil". "Aan welke boom groeien die miljarden?" Het zijn maar enkele citaten, maar ze maken duidelijk dat niet iedereen in uw regering op dezelfde golflengte zit, en dat ging nog maar over 2 of 2,5 %.

Het weerhield uw minister van Defensie er alvast niet van om vorige week met veel tromgeroffel aan te kondigen dat België zomaar naar 5 % defensie-uitgaven zal gaan. De regering blijkt kritiekloos mee te stappen in het eindeloze opbod dat de NAVO ons oplegt, terwijl er niet eens een plan is om jaarlijks de 2 %-uitgavennorm structureel te realiseren.

Voor 2025 hangt alles al met haken en ogen aan elkaar. U haalt de budgettaire goocheldoos boven: de verkoop van overheidsaandelen en het opbouwen van de schuld ten koste van de komende generaties. Vanaf volgend jaar kunt u kiezen uit nog meer schulden, nieuwe belastingen, nieuwe besparingen, wie zal het zeggen? Er zijn dus veel vragen en veel onduidelijkheden, ook in uw eigen regering, mijnheer de premier.

Kunt u dus voor eens en voor altijd de ruis op de lijn wegwerken en ons duidelijk maken wat nu eigenlijk het officiële regeringsstandpunt is?

Als de regering effectief 5% van het bbp aan defensie wil uitgeven, hoe wilt u dat in godsnaam structureel financieren?

Staf Aerts:

Mijnheer de premier, wat een chaos in de defensie-uitgaven van ons land. Al vier maanden lang bent u aan het goochelen met miljarden voor defensie, alsof het niets is. Vorige week, op de NAVO-bijeenkomst, vond minister Francken 5 %-defensie-uitgaven voor België helemaal oké. Trump roept, Theo volgt. Maar 5 % is echt te zot om los te lopen. 5 % procent voor defensie is het volledige budget van de federale regering, zonder de sociale zekerheid. Dat omvat dus de uitgaven voor onder andere Justitie, politie, NMBS, energie en klimaat.

Dan blijkt echter dat er helemaal geen akkoord was over die 5 %. Integendeel, verschillende ministers en partijvoorzitters hebben zich daar onmiddellijk tegen verzet, gelukkig maar. Had minister Francken wel een mandaat om op die NAVO-bijeenkomst voor de 5 % te pleiten? Of was dat een soloritje, in de hoop nog eens applaus te krijgen van Trump?

Mijnheer de premier, er is ook nog de lichtzinnige manier waarop de regering omgaat met al die percentages en miljarden. Een maand geleden stuurde u minister Prévot naar een NAVO-bijeenkomst om tegen een verhoging van het defensiebudget te pleiten. U noemde die 3 % zelf een horrorscenario. Wat mij betreft, hebt u daarmee gelijk. Hoe zullen we dat immers betalen? U weet vandaag zelfs nog niet waar u de miljarden zult vinden om volgend jaar 2 % te halen. Zelfs daar hebt u nog geen zicht op. Bij elke toekomstige stijging zal opnieuw geld moeten worden gezocht. Wie zal dat betalen? Wie zult u daarvoor nog verder uitpersen? Zijn dat de politieagenten? Gaat Justitie op de schop? Zullen de pendelaars de rekening moeten betalen? Zijn het de 55-plussers? Vandaag zien al heel wat Belgen de arizonaplannen op zich afkomen en zij weten dat zij de rekening moeten betalen.

Zult u zich op de NAVO-bijeenkomst verzetten tegen die absurde 5 %?

Bart De Wever:

Dank u wel, geachte leden, voor de vragen.

Ik zet graag eerst de feiten op een rijtje. We voorzien dit jaar 2 % van het bbp aan uitgaven voor Defensie. Daarmee komen we een verbintenis na die al in 2014 formeel is aangegaan tijdens de NAVO-top in Wales. Dat was nog onder de regering-Di Rupo. We moeten dus al een aanzienlijke inspanning leveren om te realiseren wat men toen heeft nagelaten en dat is inderdaad al niet evident.

Wat de bestedingen voor de komende jaren betreft, zal de minister van Defensie een strategisch plan voorleggen. Voor alle duidelijkheid, dat plan is in essentie een doorvertaling van beslissingen die al tijdens de vorige legislatuur zijn genomen en die binnen de NAVO al zijn afgeklopt. Het plan omvat capabilities die ons worden opgelegd als gevolg van de eigen beslissingen van de vorige en de huidige regering en de NAVO-verplichtingen. Daarover is dus geen enkele discussie meer mogelijk. De optelsom van die capabilities leidt uiteraard tot budgettaire consequenties. Die capabilities worden nodig geacht als onze bijdrage aan de veiligheid van ons continent.

Met andere woorden, zo'n NAVO-norm komt niet uit de lucht vallen. Het gaat over de kerntaak van overheden, namelijk het veilig houden van hun burgers. Een van de bijdragen die zeker van ons land wordt verwacht – ook daarover is geen discussie meer mogelijk – is het versterken van onze nu al sterke rol in de beveiliging van het Europese luchtruim. Dat zijn zekerheden. Het strategisch plan van de minister van Defensie ligt momenteel ter bespreking voor in de schoot van de regering en zal vervolgens uiteraard zijn weg vinden naar het Parlement voor toelichting en beslissing.

Ik heb al vaak kritiek gekregen op de begrotingssituatie. Ik ben mij er terdege van bewust dat er weinig ruimte is voor nieuwe uitgaven. Die ruimte is er vandaag niet. Wij wilden de 2 %-norm bereiken tegen 2029, maar we moeten dat dit jaar al doen. Dat is een van de factoren die bijdragen tot het slechte rapport dat we krijgen.

Het is dus logisch dat iedereen met een beetje realiteitszin pleit voor voorzichtigheid. Dat hebben wij ook op het internationale toneel consequent gedaan. We hebben onze collega's aangesproken met de boodschap dat dit voor ons heel moeilijk is, niet alleen wat de norm betreft, maar ook inzake de timing. Wanneer moeten we de norm bereiken en volgens welk traject?

Daarover is er momenteel nog geen zekerheid. De komende dagen, tot aan de NAVO-top, zal het diplomatieke verkeer heel druk blijven. De vraag is waar we gaan landen. Waar kunnen we landen? Waarover er valt nog te discussiëren? Over de norm zelf lijkt mij dat heel twijfelachtig, over de modaliteiten hoop ik dat het nog mogelijk is.

Hier werd door sprekers gezegd dat die verhoogde norm ons door Trump wordt gevraagd en dat wij als een knipmes zouden moeten plooien. Dat is uiteraard onjuist. Het grootste probleem lijkt mij op dit moment te zijn dat heel wat Europese landen nu al voorbij de 3,5 % zitten. U weet dat het 3,5 % en 1,5 % is. De tijd ontbreekt om dat toe te lichten, maar u kent het wel. De Scandinavische landen, Denemarken, Polen, steeds meer landen, zitten al voorbij die 3,5 %. Ook Duitsland zal dat zeer zeker doen. Het gevolg is dat die kloof binnen Europa zelf onhoudbaar dreigt te worden. Het zijn precies die landen die ons uitdrukkelijk vragen om bij te benen, zeker de landen die vrezen dat de Verenigde Staten ons als continent de rug lijkt toe te keren. Dat is iets wat ik als Atlantist betreur.

U zult dat wellicht minder betreuren. U roept al de hele tijd dat de VS geen bondgenoot is. Ze zijn dat voor u wellicht nooit geweest of zijn dat niet meer. Laat die illusie varen, zegt u. Stel dat we van dat uitgangspunt vertrekken, dan moet men daar ook consequent in zijn, want dan zal Europa zelf in zijn eigen veiligheid moeten voorzien. In de hypothese dat we morgen niet meer op de Amerikanen kunnen rekenen, is 3,5 % zelfs niet voldoende om de capabilities te ontwikkelen die nodig zijn en waarover we vandaag niet beschikken. Wees dus consequent. Als u het ene zegt, zult u ook het andere moeten zeggen, tenzij u heel andere plannen hebt met de veiligheid van Europa.

Na de NAVO-top in juni, hebben we met de regering afgesproken dat we eerst zullen nagaan wat haalbaar is. Dat is nog niet zeker, dus we moeten voorzichtig zijn. U moet van mij geen definitieve uitspraak verwachten, maar dan zullen we het weten. Dan zullen we samenkomen om te bekijken hoe we een antwoord kunnen bieden op de gevraagde engagementen. Dat zal een antwoord moeten zijn dat oog heeft voor twee zaken die moeilijk te verenigen zijn, enerzijds onze geloofwaardigheid binnen de NAVO als partner, die we pas herwonnen hebben, en anderzijds de geloofwaardigheid van ons begrotingstraject.

Dat wordt een bijzonder moeilijke oefening. Ik verheel dat niet. In tegenstelling tot sommige oppositiefracties beseft deze meerderheid wel degelijk het belang van een gezonde begroting, maar tegelijk ook het belang van veiligheid voor onze burgers en dus ook van een versterkte defensie en van ons lidmaatschap van de NAVO.

Raoul Hedebouw:

Mijnheer de minister, is er eergisteren een vergadering geweest van de vicepremiers? U antwoordt niet op die vraag. U blijft er omheen fietsen, u zegt dat u het nog moet zien en dat de norm nog twijfelachtig is. Die 5 % is toch beslist?

Vous avez topé ainsi, vous avez conclu l'accord pour les 5 %.

U fietst rond de vraag, maar natuurlijk is er een akkoord over die 5 %.

Et cela veut dire en effet beaucoup de choses pour les travailleurs. Pendant des années, le MR nous a dit qu'il n'y avait pas d'argent pour les pensions et que les gens devraient travailler jusqu'à 67 ans! Pendant des années, le MR a dit qu'il n'y avait pas d'argent pour le social! Pendant des années, Les Engagés nous ont fait des promesses pour les soins de santé! Il n'y a rien! Et M. Prévot nous dit même: "Ah! Moi, je ne suis pas favorable à 5 % de la norme". Et puis, quoi? En deux jours, on change d'avis, monsieur Prévot? On opte pour les 5 %, à savoir 24 milliards en plus pour la Défense! Mais à quoi rime ce deux poids deux mesures? Qu'est-ce qui se passe au sein de partis comme le MR et Les Engagés?

Vandaag hebben wij een eerste minister gehoord die beschaamd is over de beslissing inzake de 5 % die hier 48 uur geleden is genomen.

Le vote de ces crédits de guerre ne va pas amener la paix mais va amener (…)

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de premier, ik dank u voor uw antwoord. Bijna niemand in dit halfrond stelt de ernst van de veiligheidssituatie in vraag. Ik heb niet veel plezier om met u het spel hoger, lager te spelen. Maar uw regering en uw regeringsleden spelen dat spel al maandenlang. Terwijl de wereld in brand staat en de veiligheidssituatie onder druk staat, moet u beslissingen nemen en knopen doorhakken. Dat moeten bovendien structurele beslissingen op lange termijn zijn. Die 2 % defensie-uitgaven zijn slechts voor dit jaar gefinancierd en niet eens voor volgend jaar, terwijl de minister van Defensie nu al met veel bombarie verkondigt dat 5 % een logische keuze is.

Mijnheer de premier, het belangrijkste is dat u zowel structurele keuzes maakt als een structurele financiering voorziet. Dat verwacht het Parlement van u en dat verdienen zowel Defensie als de burgers van u.

Darya Safai:

Mijnheer de premier, we moeten ons klaarstomen voor de komende uitdagingen. Dat zal effectief veel moed en inzet vergen van ons allemaal, maar het is broodnodig en dringend. Neen, mijnheer Aerts, we moeten het niet doen voor de Verenigde Staten, maar voor onze eigen veiligheid. Het is voor ons eigen continent en ons nageslacht.

Collega’s, tijdens de Koude Oorlog gaf België ook 3,5 % uit aan defensie. We zitten opnieuw in een koude oorlogssituatie, maar met het grote verschil dat de Amerikanen hun militaire aanwezigheid in Europa zullen afbouwen om ze in te zetten in de Indo-Pacific. Het is nu aan ons om daarvoor een oplossing te vinden. Mijnheer Hedebouw, wij wilden het debat aangaan in de commissie, maar u hebt het simpelweg geblokkeerd. U was er toen eigenlijk tegen.

Annick Ponthier:

Mijnheer de eerste minister, u hebt eigenlijk geen nieuwe antwoorden gegeven, alleen dat voorzichtigheid is geboden. Die mening die delen we alvast.

U verwees ook naar een aantal modaliteiten, zoals de 1,5 % die u wilt halen bij de deelstaten, lees Vlaanderen, en een mogelijke verlenging van de termijn van 7 naar 10 jaar. Momenteel staan wij op 1,3 %. Intussen kleurt de begroting van uw regering bloedrood en toetert uw minister dat het een lieve lust is. Collega's, die 5 % betekent een luttele 30 miljard per jaar.

Mijnheer de eerste minister, u zei hierover zelf onlangs nog dat wat Trump vraagt, compleet crazy is. En nu gaat u het gewoon doen, bij monde van uw minister van Defensie. Dat noem ik pas crazy. Wees alstublieft realistisch, zorg eerst eens voor een structurele financiering van die 2 % en focus op wat echt telt.

Staf Aerts:

Mijnheer de eerste minister, u pleit hier voor voorzichtigheid en realiteitszin. Misschien moet u toch eens uitleggen aan minister Francken wat dat juist wil zeggen. Op het moment dat er in de regering blijkbaar nog debat aan de gang is, niet lang nadat minister Prévot naar de NAVO-bijeenkomst werd gestuurd om voor niet te veel te gaan, zegt minister Francken dat 5 % voor België helemaal oké is. Dat is geen voorzichtigheid en dat is geen realiteitszin. Dat is blind varen, gewoon blind volgen wat Trump ons dicteert.

Als de NAVO-landen 5 % aan defensie gaan besteden, dan is dat meer dan wat vandaag de hele wereld aan defensie besteedt. Ook dat is geen voorzichtigheid, ook dat is geen realiteitszin.

Dus stop met op de NAVO-top alleen maar mee te doen aan het wedstrijdje wie het stoerst met percentages kan gooien. Neen, we moeten het hebben over hoe we samen onze veiligheid strategisch kunnen versterken. Daarbij hoort ook diplomatie, ook ontwikkelingssamenwerking … ( zonder micro )

Voorzitter:

Collega's, ik heb zelf niet gehoord of er aanleiding voor een persoonlijk feit was, de diensten evenmin. Ik zal dus geen persoonlijk feit toekennen.

De detentie van Belgische staatsburgers in Guantánamo

Gesteld aan

Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 12 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de dreigende deportatie van Belgische staatsburgers (onder wie studenten en arbeiders) naar Guantánamo door de VS, een locatie bekend om mensenrechtenschendingen en rechtsloosheid, zonder proces of waarschuwing aan België. Minister Prévot bevestigt geen Belgen in de eerste deportatievlucht, benadrukt samenwerking met de VS om informatie te verkrijgen over betrokkenen, maar erkent gebrek aan zekerheid over aantallen door ontbrekende registratie. Maouane eist onmiddellijke actie: oproep van de Amerikaanse ambassadeur, europese politieke druk en stopzetting van de transfers, terwijl ze de trans-Atlantische relatie in vraag stelt door de unilaterale, inhumane aanpak van Trump. Prévot belooft waakzaamheid maar vermijdt harde confrontatie, wat Maouane onvoldoende noemt gezien de ernstige schendingen van internationaal recht.

Rajae Maouane:

Monsieur le ministre, Guantanamo! Rien que ce nom suffit à faire frissonner: une prison hors-la-loi où l'on peut enfermer sans jugement, torturer sans preuve, oublier des vies entières sans que personne réponde de rien. Ce n'est ni un centre fermé ni une prison ordinaire, mais un trou noir juridique. Guantanamo n'est pas seulement une aberration morale; c'est une violation flagrante de toutes les conventions internationales que la Belgique défend.

Aujourd'hui, nous apprenons que l'administration Trump s'apprête à y transférer jusqu'à 9 000 personnes en situation irrégulière, parmi lesquelles des Belges. Oui, des Belges, des compatriotes, des jeunes parfois en fin de visa étudiant, des mères, des travailleurs, des gens que les États-Unis s'apprêtent à déporter vers une base militaire extraterritoriale sans avocat, ni procès, ni juge. On ne parle pas ici d'une simple reconduite à la frontière, mais bien d'un transfert militaire, d'un enfermement dans un lieu dénoncé par les Nations Unies comme "inhumain, dégradant, arbitraire". Il s'agit, en somme, d'une déportation vers un camp situé hors du droit.

L'administration Trump ne compte même pas nous prévenir du transfert de nos propres concitoyens. C'est comme si notre gouvernement n'existait pas et que la souveraineté belge ne comptait plus. L'objectif affiché est de "choquer, effrayer, bouleverser". Ce sont les mots d'un fonctionnaire américain. Pouvons-nous encore parler d'"allié" quand un pays avec lequel nous entretenons des relations diplomatiques profondes décide unilatéralement de déporter des concitoyens dans une prison hors de toute loi?

Monsieur le ministre, vous avez indiqué avoir pris contact avec les autorités américaines. Pouvez-vous nous en dire plus sur la teneur de ce contact?

Aujourd'hui, monsieur le ministre, nous attendons bien plus qu'un contact. Je vous demande donc clairement de convoquer sans délai l'ambassadeur des États-Unis, d'exiger la suspension immédiate de tout transfert de ressortissants belges vers Guantanamo et de mobiliser nos partenaires européens pour apporter une réponse politique commune à cette dérive gravissime du droit international.

Maxime Prévot:

Madame Maouane, depuis sa mise en place, la nouvelle administration américaine a intensifié la politique d'expulsion de personnes qui, en vertu de la législation américaine, résident illégalement aux États-Unis. Le SPF Affaires étrangères travaille en étroite collaboration avec les autorités américaines pour permettre le retour des compatriotes concernés en Belgique.

À la suite des informations faisant état d'une possible expulsion de citoyens européens vers Guantanamo parues dans la presse – et c'est par ce biais que je l'ai moi-même appris –, mes services ont contacté les administrations américaines compétentes pour faire la lumière sur la situation des éventuels Belges qui pourraient être concernés et rappeler notre disposition à travailler intensivement ensemble sur ce dossier.

Comme mes services ne disposent pas automatiquement d'informations sur le séjour de Belges à l'étranger puisqu'ils s'y rendent sans nécessairement le faire savoir et, quand ils y sont, nous ne connaissons pas nécessairement non plus leur statut de résidence dans le pays d'accueil, il nous est impossible de connaître le nombre exact de ressortissants belges en situation irrégulière à l'étranger. Pour cette raison, nous continuons d'insister auprès des autorités américaines pour connaître la liste des personnes concernées afin de pouvoir, le cas échéant, leur prêter l'assistance nécessaire si elles le demandent.

Je comprends évidemment les inquiétudes, je les partage, et j'insiste encore une fois sur le sérieux avec lequel nous suivons la situation. Je suis en capacité de vous dire que, s'agissant du premier avion affrété ou en passe de l'être, il n'y a aucun Belge à son bord.

Depuis la mise en place de la nouvelle administration américaine, nous avons été plusieurs fois confrontés à son nouveau style. Lorsqu'elle cherche à obtenir quelque chose, nous n'entendons pas hurler avec les loups, mais nous restons vigilants.

Rajae Maouane:

Je vous remercie, monsieur le ministre, pour vos réponses. Je partage votre inquiétude, car ce qui se passe aujourd’hui est grave. Nous assistons à une nouvelle dérive de l’administration Trump. Je m’interroge réellement sur le partenariat avec les États-Unis. Pouvons-nous encore parler d’amitié transatlantique lorsque nos ressortissants risquent un enfermement illégal à huis clos, sans même que notre gouvernement en soit informé? Je compte sur vous pour suivre cette affaire avec le sérieux et le volontarisme qui vous caractérisent.

De screening van jihadistische terreuraanslagen met drones

Gesteld door

lijst: VB Sam Van Rooy

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 11 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Verlinden bevestigt samenwerking met Denemarken over dreigingen maar ontkent acute Hamas-aanslagrisico’s in België, terwijl drone-terreur beperkt maar gemonitord wordt via OCAD-analyses. Van Rooy kaart aan dat preventie ontoereikend is en wijst op groeiende radicalisering (o.a. steun voor Hamas/IS onder Vlaamse moslims), die hij ziet als een onbehandelde "vijfde colonne" die dringend beleidsactie vereist. De discussie draait om structurele dreiging van islamistisch extremisme versus reactieve veiligheidsmaatregelen.

Sam Van Rooy:

Mevrouw de minister, in de week van 19 mei werd in Denemarken een aanslag verijdeld waarbij drones zouden worden ingezet. De verdachte heeft banden met Hamas en zou een jihadistische aanslag mogelijk ook buiten Denemarken hebben willen plegen.

Is hierover contact geweest met de Deense veiligheidsdienst? Was ook België een mogelijk doelwit?

In hoeverre houdt de regering rekening met aanslagen door Hamas of aan Hamas gelieerde groeperingen?

In hoeverre zijn we voorbereid op terreuraanslagen met behulp van drones? Welke maatregelen zijn of worden er genomen om terreuraanslagen met drones te voorkomen?

Annelies Verlinden:

De VSSE heeft op dagelijkse basis een intense samenwerking met haar internationale partners, waaronder ook de Deense partner, inzake dreigingsdossiers. Wegens operationele redenen is het echter niet mogelijk om in te gaan op individuele dossiers.

Algemeen kan worden gesteld dat de inlichtingen- en veiligheidsdiensten een aanslag door Hamas in België eerder onwaarschijnlijk achten.

Met betrekking tot het gebruik van drones door extremistische en terroristische actoren, dit fenomeen is tot nu toe weinig verspreid in België. In elk geval werkt het OCAD samen met de partners om de dreiging vanwege entiteiten, groepen en organisaties die drones zouden kunnen gebruiken te analyseren en te evalueren.

Sam Van Rooy:

Mevrouw de minister, ik zou er toch op willen wijzen dat het dweilen is met de kraan wagenwijd open. Jihadistische terreuraanslagen proberen te vermijden is uiteraard broodnodig, maar uiteindelijk is dat alleen maar symptoombestrijding. Herinnert u zich nog het onderzoek waaruit bleek dat een op de vijf, oftewel 80.000, moslims in Vlaanderen begrip hebben voor Islamitische Staat? Als het gaat over begrip voor Hamas en diens genocidale jihadistische massaslachting van 7 oktober 2023, dan is het wellicht zelfs een veelvoud daarvan. Mevrouw de minister, de vijfde colonne in ons land wordt elke dag groter en militanter. Het is dus hoog tijd dat deze regering dat eindelijk eens ten gronde beseft en actie onderneemt.

Het verheerlijken van Palestijnse jihadterreur op een Brusselse school

Gesteld door

lijst: VB Sam Van Rooy

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 11 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sam Van Rooy beschuldigt een Brusselse school van jihadistische hersenspoeling bij kinderen, gebaseerd op beelden waar leerlingen in Arafat-sjaals dansen op een lied dat volgens hem terrorisme verheerlijkt, met steun van PS-politicus Chahid, en eist actie tegen radicalisering en antisemitisme. Minister Verlinden ontkent dit: haar diensten zien geen aanmoediging van terrorisme in het lied of de dans, en noemt de beschrijving misleidend. Van Rooy blijft volharden, stelt dat de regering islamisering en jihadpromotie op scholen negeert en werpt haar passiviteit tegen. De voorzitter onderbreekt wegens ongebruikelijke beeldtoning tijdens het debat.

Sam Van Rooy:

Mevrouw de minister, op de Brusselse school Marie Popelin in Evere werd op een schoolfeest door de kinderen Palestijnse jihadterreur verheerlijkt. Ik heb u de beelden daarvan bezorgd. Op die beelden ziet u jonge leerlingen getooid in een Arafatsjaal, het vestimentair symbool van de jihadistische kleptocraat Yasser Arafat. Ze dansen daarbij op een Arabisch lied dat de islamitische jihad verheerlijkt.

Dat is compleet verwerpelijk en gevaarlijk, want die kinderen worden daardoor gehersenspoeld en geradicaliseerd, zoals dat in Gaza en bij uitbreiding in de bredere islamitische wereld gebeurt.

Bovendien is dat een flagrante schending van de scheiding tussen kerk en staat, of, moeten we helaas stellen, tussen moskee en staat.

De video werd zelfs met instemming gedeeld door een lid van het Parlement, met name door de PS-voorzitter van de gemeenteraad van Evere, de heer Ridouane Chahid.

Mevrouw de minister, wat is uw reactie daarop? Bent u even verontwaardigd als ik?

Bent u het met mij eens dat hier sprake is van jihadistische hersenspoeling van kinderen die leidt tot antisemitisme en radicalisering?

Wat wordt ondernomen tegen die jihadistische hersenspoeling van schoolkinderen?

Tot slot, wat wordt ondernomen om te voorkomen dat het voornoemde leidt tot daden van antisemitisme en jihadterreur?

Annelies Verlinden:

Mijnheer Van Rooy, op de video op Instagram waarnaar u verwijst in uw vraag zijn kinderen te zien die een keffiyeh dragen en die een traditionele Midden-Oosterse dans uitvoeren. Het lied dat in de video te horen is, is een lied van Mohammed Assaf. In dat lied zou volgens mijn diensten helemaal niet worden aangezet tot terrorisme, jihadisme of antisemitisme.

De omschrijving van die video op Instagram die aangeeft dat in die video kinderen een lied zingen dat terrorisme verheerlijkt, zou dus niet in overeenstemming zijn met de lezing die de diensten aan de inhoud van de video geven. In die zin kan die omschrijving niet beschouwd worden als juiste informatie.

Sam Van Rooy:

Minister, ik heb de misselijkmakende beelden hier bij me. Bekijkt u ze toch nog eens.

(De heer Van Rooy toont de beelden.)

Dit is een school in Brussel, anno 2025. Vandaag is het dus al zover gekomen, wat uw diensten ook mogen beweren, dat niet alleen op straat en in culturele centra jihadistisch terrorisme wordt verheerlijkt, maar dus ook op scholen, zoals hier in Brussel.

We zijn geëvolueerd van een fase waarin leraren met de handen in het haar zaten over jihadistisch denken naar een fase met leraren die zelf jihadistisch denken stimuleren bij hun leerlingen. Op dat moment is de islamisering compleet.

Deze regering – u bevestigt het – staat erbij, kijkt ernaar en maakt zich bovendien ook nog eens zorgen over zogenaamde islamofobie. Proficiat.

Voorzitter:

Pour rappel, il n'est pas coutume de diffuser des vidéos ou des images pendant la séance de questions orales en commission.

Het Veilig Huis in Halle
Het personeelstekort bij het parket Halle-Vilvoorde
Uitdagingen in justitie en hulpverlening in Halle-Vilvoorde

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 11 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Het Veilig Huis Halle-Vilvoorde ligt stil door een acute tekort aan parketcriminologen (laatste vertrok) en structureel personeelsgebrek bij het parket, ondanks de cruciale rol van justitie in de aanpak van intrafamiliaal geweld. Minister Verlinden bevestigt dat een tijdelijke vervanger (12 maanden) is geselecteerd en spoedig start, maar structurele versterking—waar Vlaams minister Demir op hamert—hangt af van het College van het OM en lopende *taskforces* die extra middelen (zonder lineaire besparingen) moeten verdelen, zonder concrete timing of verdeling tot nu toe. Halle-Vilvoorde blijft kwetsbaar door explosieve bevolkingsgroei (+40% verwacht) en onderbemetting (1 magistraat/28.000 inwoners), terwijl het vervallen gebouw in Asse en gebrek aan langetermijnoplossingen de werking verder hypothekeren. De multidisciplinaire samenwerking (politie, hulpverlening) wacht nu op herstel, maar prioritering en budgettaire keuzes blijven onduidelijk.

Alexander Van Hoecke:

Mevrouw de minister, veilige huizen zijn, zoals u weet, samenwerkingsverbanden waarin verschillende diensten zoals politie, justitie, hulpverlening en jeugdzorg samenwerken om hulp te bieden bij intrafamiliaal geweld. De samenwerking met het parket is daarbij bijzonder cruciaal. Zonder parket kunnen er geen nieuwe dossiers worden aangemeld, kan er geen toestemming worden gegeven om informatie te delen, kan er geen risico-inschatting worden gemaakt en kan er geen hulpverlening worden opgestart. De keten valt dan stil.

Het parket van Halle-Vilvoorde ziet zich echter genoodzaakt zich tijdelijk terug te trekken uit de werking van het Veilig Huis in Halle wegens een structureel personeelstekort en door de recente uitval van de laatste parketcriminoloog. Uw collega, Vlaams minister van Justitie Zuhal Demir, gaf in het Vlaams Parlement aan dat zij die situatie onaanvaardbaar vindt en vraagt aan u, de federale minister van Justitie, om in te grijpen. De Vlaamse minister verwijst daarvoor naar het federaal regeerakkoord en wil dat er zo snel mogelijk extra parketcriminologen worden ingezet in Halle-Vilvoorde. Daarom heb ik drie vragen.

Eén, kunt u wat meer toelichting geven bij die situatie?

Twee, uw kabinet heeft laten weten op de hoogte te zijn van de situatie en die met spoed te zullen bespreken met procureur-generaal Van Leeuw. Heeft die bespreking inmiddels plaatsgevonden? Zo ja, wat zijn de resultaten? Zo niet, wanneer wordt die bespreking gepland?

Tot slot, volgens Vlaams minister van Justitie Demir werden de parketten van Halle-Vilvoorde en Leuven tijdens de voorbije legislatuur over het hoofd gezien bij de toekenning van extra parketcriminologen. Toch zette het parket mankracht in en werden medewerkers van andere dossiers ingezet voor het Veilig Huis. Klopt die uitspraak? Graag wat meer toelichting daarbij.

Kristien Van Vaerenbergh:

Mevrouw de minister, uit cijfers die ik eerder schriftelijk had opgevraagd, blijkt dat er sprake is van een sterk stijgend aantal strafzaken bij het parket van Halle-Vilvoorde, dat voornamelijk te wijten is aan de voortdurende bevolkingsgroei, aangewakkerd door de uitdijende hoofdstad. Bovendien blijkt uit een projectie van de bevolkingsevolutie door Statbel dat de verwachte bevolkingsgroei maar liefst 40 % bedraagt voor Halle-Vilvoorde. De criminaliteitscijfers zullen bijgevolg alleen maar toenemen. Het is dan ook aangewezen dat het parket van Halle-Vilvoorde versterkt wordt om de toestroom van de strafdossiers de baas te kunnen. In vergelijking met de andere parketten staat Halle-Vilvoorde immers helemaal onderaan qua capaciteit, met amper 1 magistraat voor ongeveer 28.000 inwoners.

Met betrekking tot de problematiek van het Veilig Huis heb ik u tijdens de begrotingsbespreking in de commissie voor Justitie ondervraagd. U hebt toen bevestigd dat er, in afwachting van structurele versterking voor het parket Halle-Vilvoorde, alvast met hoogdringendheid een parketcriminoloog zal worden aangeworven opdat het parket zo snel mogelijk zijn deelname aan het overleg binnen het Veilig Huis in Halle kan hervatten en zo de werking kan garanderen.

Kunt u verder in detail treden over de stand van zaken van de aanwerving van de parketcriminoloog? Welk budget is hiervoor vrijgemaakt en binnen welke termijn zal de parketcriminoloog aan de slag gaan? Hoe wordt de continuïteit van de multidisciplinaire aanpak van het intrafamiliaal geweld in het Veilig Huis in tussentijd gewaarborgd? Welke middelen worden vrijgemaakt voor het verbeteren van de werkomstandigheden van de parketmedewerkers, meer bepaald wat het vervallen gebouw te Asse betreft? Kunt u toelichten wat u precies bedoelt met structurele versterking voor het parket Halle-Vilvoorde? Welke middelen worden vrijgemaakt en welke profielen zullen worden aangeworven?

Annelies Verlinden:

Collega's, ik wil inderdaad eerst verwijzen naar mijn antwoord op vraag nr. 56004395C , behandeld in de commissie van 14 mei, waarin we het ook al over dit thema hadden.

Zoals toen aangekondigd, heb ik intussen het initiatief genomen om aan te sturen op een snelle oplossing voor het tijdelijk tekort aan criminologen in het parket Halle-Vilvoorde. Ik heb de administratie gevraagd om met hoogdringendheid een dossier te lanceren voor een tijdelijke versterking van het parket Halle-Vilvoorde met één parketcriminoloog met een contract van 12 maanden. De selectie voor deze betrekking werd intussen afgerond en heeft een laureaat opgeleverd. Het contract van de betrokkene is in opmaak bij de administratie, zodat de laureaat de functie op korte termijn kan opnemen.

De afgelopen jaren werden de parketten versterkt met parketcriminologen om de multidisciplinaire aanpak en projecten zoals veilige huizen te bevorderen. Het aantal parketcriminologen is verdubbeld ten opzichte van 2020. Het komt aan het College van het openbaar ministerie toe om te beslissen hoe de beschikbare personeelskredieten worden ingezet en welke parketten precies moeten worden versterkt.

Verder herhaal ik nogmaals dat de regering heeft beslist om, in tegenstelling tot andere departementen, geen lineaire besparing van 1,8 % toe te passen voor Justitie en dat er ook bijkomende kredieten ter beschikking zijn gesteld. In het kader van de taskforces die werden opgericht naar aanleiding van de acties van de magistraten wordt in samenspraak met de diverse actoren van Justitie en mede met het College van hoven en rechtbanken en het College van het OM bekeken op welke wijze die bijkomende middelen het best kunnen worden ingezet om ook zo de werkomstandigheden van magistraten en gerechtspersoneel te verbeteren.

Ik kan u vandaag nog geen detail geven over de exacte verdeling van deze bijkomende kredieten en de finaliteit van de initiatieven die zullen worden opgezet op het niveau van de personeels-, werkings- en investeringskredieten omdat de finale beslissing daarover het resultaat zal zijn van de werkzaamheden van die taskforces op de verschillende domeinen, zoals ik vorige week in de commissie ook heb toegelicht.

Alexander Van Hoecke:

Mevrouw de minister, dank u wel voor uw antwoord.

Kristien Van Vaerenbergh:

Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord. Ik ben tevreden dat het contract in opmaak is en ik hoop dat de continuïteit en de samenwerking tussen het parket en het Veilig Huis zo kunnen worden gegarandeerd. We hebben vandaag nog in de krant gelezen hoe belangrijk het is dat dergelijke huizen bestaan om een oplossing te bieden aan intrafamiliaal geweld. Jammer genoeg doen zich maar al te vaak zeer pijnlijke situaties voor. Verder blijf ik aandacht vragen voor de specifieke situatie van het parket van Halle-Vilvoorde, gelet op de bevolkingsgroei. Ik hoop dat uit het werk van de taskforces zal blijken hoezeer een versterking van belang is.

De veiligheid van de Joodse gemeenschap na de dodelijke antisemitische jihadaanslagen in de VS

Gesteld door

lijst: VB Sam Van Rooy

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 11 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sam Van Rooy kaart de groeiende onveiligheid van Joodse Belgen aan na jihadistische aanslagen (VS/Europa) en vermeende terreurtrainingen in Antwerpen, vraagt om concrete veiligheidsmaatregelen en kritiseert het migratiebeleid dat antisemitisme zou voeden. Minister Verlinden benadrukt verhoogde politiële waakzaamheid en samenwerking met OCAD en de Joodse gemeenschap, maar wijst details af omwille van lopende dossiers. Van Rooy hamert op systematische Jodenhaat in media, onderwijs en politiek, gelinkt aan islamitische immigratie, en noemt dit *"crimineel beleid"*. De kern: spanning tussen dreigingsbeheer en structurele kritiek op antisemitisme en migratie.

Sam Van Rooy:

De dodelijke jihadistische terreuraanslag op een Joods koppel door een zogenaamde pro-Palestina-activist in Washington – intifada, weet u wel –, heeft uiteraard ook een weerklank in België, net als de "Free Palestine!" schreeuwende Mohamed Sabry Soliman, een illegale migrant uit Egypte, die in Boulder Colorado met een zelfgemaakte vlammenwerper een jihadaanslag pleegde op een vredevolle demonstratie voor de Israëlische gijzelaars. Gevolg: twaalf mensen gewond, waarvan enkele zwaargewond, waaronder nota bene een Holocaustoverlever. In Frankrijk werden dan weer Joodse restaurants en synagogen beklad met groene verf, de kleur van Hamas en van de islam. In Engeland, niet toevallig in Londonistan, vonden er Kristallnachttaferelen plaats, die hier wel groot nieuws zouden zijn, mochten de daders geen moslimfundamentalisten maar neonazi's zijn; dat terzijde.

Steeds meer van onze Joodse medeburgers voelen zich onveilig, bang, of op zijn minst zeer ongemakkelijk. Recentelijk werden huiszoekingen gedaan bij Palestijnse inwoners in de provincie Antwerpen. Het gaat om een terreurdossier, want onder andere op een Antwerpse eventlocatie vonden trainingen plaats die als doel het aanvallen van gebouwen zouden hebben. Uiteindelijk zou niemand aangehouden zijn. Wel werd digitaal materiaal in beslag genomen.

Mevrouw de minister, daaromtrent had ik graag meer toelichting.

Werd de Antwerpse politie daarbij betrokken?

Waar bevindt zich de locatie waar de vermeende terreurtrainingen plaatsvonden?

Wat is de stand van zaken in dat onderzoek?

Kwam er vanuit de federale politie of het OCAD veiligheidsadvies voor de Joodse gemeenschap in Antwerpen?

Tot slot, nu de verdachten kennelijk in vrijheid zijn gesteld, hoe worden zij opgevolgd zodat ze geen jihadistische terreurdaad kunnen plegen op de Joodse gemeenschap?

Annelies Verlinden:

Mijnheer Van Rooy, het komt mij als minister van Justitie niet toe om commentaar te leveren op een lopend gerechtelijk dossier.

In een gespannen geopolitieke context volgen de politiediensten, de inlichtingendiensten en het OCAD aandachtig de elementen op die een bedreiging vormen voor de Joodse gemeenschap in België. In samenwerking met het OCAD en het Nationaal Crisiscentrum zorgen de politiediensten voor de bescherming van gevoelige plaatsen en evenementen op ons grondgebied, waaronder evident ook de Joodse belangen. Zowel door de federale als door de lokale politie wordt een verhoogde waakzaamheid toegepast, onder meer door regelmatige patrouilles, en ook door ordediensten. In de zone Antwerpen, maar ook in bijvoorbeeld Brussel, staan de politie en de Joodse gemeenschap in nauw contact, onder meer via vaste aanspreekpunten. Indien nodig en uiteraard na verder overleg met het OCAD, het Crisiscentrum en andere veiligheidsdiensten, worden de veiligheidsmaatregelen, zoals uitgeoefend door de politie, aangepast.

Sam Van Rooy:

Mevrouw de minister, allemaal goed en wel, maar de Joodse gemeenschap in dit land kreunt onder het dagelijks antisemitisme, zowel online als offline op straat. Dagelijks wordt die Jodenhaat gestimuleerd in het onderwijs, door de mainstreammedia, door ngo's en door talloze politici. Hersenloos of hatelijk als ze zijn, papegaaien ze de lasterleugens van Al Jazeera en Hamas, zoals ook nu weer met de Hamas- en Hezbollahboot van Greta Thunberg. Tweeënzeventig procent van de Palestijnen staat achter de grootste slachting op Joden sinds de Holocaust. Veertig procent van de Palestijnen vindt zelfmoordaanslagen gerechtvaardigd. Toch blijft België op grote schaal Palestijnen en andere moslims binnenlaten, die de islamitische haat tegenover Joden en andere niet-moslims met de paplepel hebben meegekregen. Ik vind dat echt – ik zal dat hier blijven zeggen – crimineel beleid.

Gedetineerden die kledij van cipiers dragen

Gesteld door

lijst: VB Marijke Dillen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 11 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Verlinden bevestigt het bestaan van TikTok-video’s waarin gedetineerden zich als cipiers verkleden in een gevangenis, met een lopend tuchtonderzoek naar betrokken beambten en gevangenen. Ze benadrukt structurele maatregelen zoals gsm-jammers, detectietechnologie, speurhonden en strengere controles om smokkel van smartphones en veiligheidsinbreuken tegen te gaan, maar erkent dat dit een hardnekkig probleem blijft. Dillen kaart gebrek aan professionaliteit aan en belooft het dossier strak te volgen, met kritiek op de trage afhandeling en de algehele veiligheidscultuur in gevangenissen.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, ik verwijs naar de schriftelijke voorbereiding.

Het Gevangeniswezen is een onderzoek gestart naar video's die op TikTok circuleren waarin gevangenen zich lijken voor te doen als cipiers.

Het gaat om verschillende video's waarin een aantal gedetineerden zichzelf filmen terwijl ze cipierkledij dragen en daarmee door het gebouw wandelen.

Dit roept tal van vragen op.

Kan de minister het bestaan en de authenticiteit van deze online video's bevestigen?

Hoe is het mogelijk dat gevangenen kledij van cipiers bemachtigen enerzijds, en er bovendien ook nog filmpjes worden gemaakt terwijl deze gevangenen de bemachtigde kledij dragen? Wat is de stand van het gevoerde onderzoek?

Wordt de uitrusting van cipiers bewaakt, al dan niet door camerabeelden? Waarom zijn de feiten waarvan sprake onopgemerkt gebleven?

In welke gevangenissen werden deze filmpjes gemaakt, en van wanneer dateren deze (meest recente) filmpjes?

Zullen de daders hiervoor worden gesanctioneerd?

Welke initiatieven gaat de minister nemen om ervoor te zorgen dat deze feiten zich in de toekomst niet meer kunnen voordoen?

De ene week komen er berichten dat er criminelen zijn die hun criminele organisatie verder kunnen aansturen vanuit de gevangenis. Nu is het dit nieuws. Wanneer gaat de minister eindelijk actie ondernemen tegen de aanwezigheid van smartphones in de gevangenis? Welke acties en wanneer kan er resultaat verwacht worden?

Annelies Verlinden:

Mevrouw Dillen, mijn administratie werd op 3 juni 2025 op de hoogte gebracht van de video's. De dienst Integrale Veiligheid heeft de video's kunnen opslaan en heeft de verwijdering ervan aangevraagd. De betrokken gedetineerde en penitentiair beambte konden worden geïdentificeerd.

Het intern onderzoek loopt nog en op dit ogenblik kan daarover niet meer informatie worden gegeven. Op 5 juni heeft de directeur van de gevangenis de betrokken beambte gehoord en de tuchtprocedure loopt. Het is niet opportuun om hier dieper in te gaan op dergelijke individuele dossiers.

In elke opleiding voor de penitentiair beambten worden lessen over deontologie en integriteit gegeven, alsook over het belang van professioneel handelen, het bewaren van het juiste evenwicht tussen afstand en nabijheid en betrokkenheid. Het is belangrijk dat medewerkers worden aangesproken op hun gedrag wanneer er daaromtrent problemen of bezorgdheden rijzen. Daarin zal blijvend moeten worden geïnvesteerd, want voorkomen en vroegtijdig ingrijpen bieden de meeste garanties dat de grenzen worden gerespecteerd.

Wanneer er zich toch problemen voordoen, moet daaraan een heel duidelijk gevolg worden gegeven. Zoals ik vermeldde, is een tuchtprocedure opgestart. Daarnaast is het een gegeven in België maar ook in andere landen dat gsm's worden binnengesmokkeld in gevangenissen. Ook dat moet worden aangepakt. Daarvoor voert de dienst Integrale Veiligheid screenings uit. Er zijn op verschillende plaatsen al gsm-jammers geïnstalleerd. Die technologieën worden geflankeerd door algemene controlemaatregelen zoals metaaldetectie en fouilles van lokalen en personen.

Er wordt echter ook in nieuwe technologieën geïnvesteerd. De administratie is bezig met het testen van kleine jammers om de signalen te verstoren. Als er positieve resultaten zijn, zullen ze binnen de grenzen van de budgettaire middelen worden geïmplementeerd.

Ook andere nieuwe technologieën worden ingezet, zoals mobiele detectiesystemen en geavanceerde bewakingssystemen om de toegangscontroles tot de gevangenissen te versterken.

We voeren eveneens gesprekken met de federale politie omtrent het eventueel inzetten van speurhonden die ICT-materiaal kunnen opsporen.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, dank u voor uw uitgebreide antwoord op deze vraag. U zult het met me eens zijn dat dat toch heel merkwaardige video's waren die in die gevangenis waren gemaakt. Ik noteer dat het tuchtonderzoek loopt. Ik weet niet wanneer de resultaten mogen worden verwacht, maar in elk geval stroken dergelijke handelswijzen niet met professioneel handelen en de deontologie, wat toch zou mogen worden verwacht. In ieder geval zal ik dit dossier verder agenderen en u binnen afzienbare tijd verder ondervragen inzake de afsluitingsdatum van het dossier.

De personele middelen van het federale parket in de strijd tegen cyberaanvallen

Gesteld door

lijst: PS Marie Meunier

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 11 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De cyberaanvallen op Belgische instellingen (o.a. SPW) en het tekort aan gespecialiseerde magistraten (slechts 2 Nederlandstaligen, 1 Franstalige in aantocht) baarden Marie Meunier zorgen, die pleitte voor een federaal cyberpool voor betere coördinatie. Minister Verlinden bevestigde dat de drie vacatures bij het federaal parket tegen mid-juli ingevuld worden en benadrukte plannen voor gespecialiseerde cyberkamers (zoals in het regeerakkoord), flexibele personeelsinzet en extra budgettaire middelen (o.a. vrijstelling van 1,8% besparing in 2025). Concrete stappen omvatten objectieve verdeling van middelen op basis van werkdruk en een interministeriële reserve voor gericht versterken van justitie, maar formele toewijzing staat nog uit. Meunier bleef kritisch en eist nadrukkelijke opvolging van de cyberinvesteringen.

Marie Meunier:

Madame la ministre, les cyberattaques contre nos institutions se multiplient. Celle qui a récemment frappé le Service public de Wallonie (SPW) en est un exemple parmi d’autres. C’est une problématique qu’il ne faut pas prendre à la légère.

Aujourd’hui, je veux attirer votre attention sur un point particulièrement préoccupant et dont vous êtes plus que probablement au fait: le parquet fédéral ne compte actuellement que deux magistrats spécialisés en matière de cybercriminalité, tous deux néerlandophones. Une recrue francophone est attendue prochainement mais nous restons bien loin de ce qui est mis en place chez nos voisins, alors que ces attaques ne sont pas en voie de diminuer.

Madame la ministre, que pensez-vous de ce manque dans un domaine aussi stratégique et sensible que la cybersécurité?

Quelles mesures concrètes entendez-vous prendre pour renforcer la capacité de notre justice à faire face aux menaces cyber?

Avez-vous étudié la possibilité de créer un pôle fédéral réunissant des magistrats spécialisés afin d’assurer une réponse plus efficace et mieux coordonnée aux attaques contre nos institutions?

Annelies Verlinden:

Madame Meunier, le cadre légal du parquet fédéral prévoit 35 magistrats et, actuellement, 32 magistrats sont désignés. Pour les trois postes vacants, la procédure de nomination est en phase finale. Il est prévu que les arrêtés de nomination puissent être signifiés d'ici à la mi-juillet. Cela permettra au parquet fédéral d'atteindre un effectif complet en ce qui concerne le cadre des magistrats.

L'organisation du service au sein du parquet fédéral ainsi que l'attribution des différentes compétences relèvent bien entendu de la compétence du procureur fédéral. Compte tenu de l'évolution de la société, il est évident qu'un accent particulier doit être mis sur la lutte contre la cybercriminalité.

L'accord de gouvernement met en lumière cet enjeu en prévoyant la possibilité de créer des chambres spécialisées pour traiter les problématiques liées à la cybercriminalité et au cyberharcèlement. Sous le gouvernement précédent déjà, dans le cadre des moyens prévus pour le renforcement de la justice, des efforts avaient été entrepris pour le recrutement de magistrats. Le Collège des procureurs généraux veille évidemment au développement de la politique criminelle.

De manière générale, il est clair que la charge de travail au sein de l'Ordre judiciaire, en particulier au sein du parquet fédéral, est importante et ne peut être maîtrisée qu'au moyen de renforts ciblés et d'une gestion flexible des ressources humaines.

À cet égard, le gouvernement a l'intention de remplacer les cadres légaux de personnel par un modèle d'allocation légale dans lequel les moyens sont répartis selon des paramètres objectifs dans la mesure de la charge de travail.

Dans le cadre de l'élaboration du budget 2025, il a été prévu que l'économie de 1,8 % sur les crédits de personnel ne s'appliquerait pas aux départements de la sécurité tels que la justice. En outre, le gouvernement a prévu des moyens budgétaires supplémentaires pour un renforcement ciblé de l'Ordre judiciaire sous la forme d'une provision interministérielle. Des moyens doivent encore être formellement attribués.

Marie Meunier:

Merci madame la ministre pour vos différentes réponses. Nous serons attentifs à la suite et aux moyens qui seront alloués, manifestement spécifiquement sur ce volet cyber.

De toenemende drugscriminaliteit in Antwerpen
Het Europees drugsrapport 2025
Drugsproblematiek en criminaliteit in Europese steden

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 11 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De Antwerpse magistratuur slaakt een noodkreet over de escalerende drugscriminaliteit en structurele onderbemanning bij Justitie, met recordaantallen drugszaken (1.700 in Antwerpen), geweld door georganiseerde netwerken en dramatische gevolgen voor kwetsbare groepen (kinderen, verslaafden). Minister Verlinden erkent de crisis en wijst op logistieke barrières (havens, luchthavens), technologische inzet (drones, AI) en multidisciplinaire veiligheidsplannen (bv. Stroomplan Antwerpen), maar benadrukt dat een holistische aanpak (samenwerking met gemeenschappen, precursorencontrole, follow-the-money) essentieel is—zonder concrete toezeggingen voor het gevraagde "Pact voor Justitie" (meer personeel, structurele middelen) of Staten-Generaal. Kritiek blijft dat praten en taskforces onvoldoende zijn zonder directe actie en financiële garanties, terwijl het EU-drugsrapport bevestigt dat België een knooppunt is voor synthetische drugs door zijn strategische ligging en zwakke handhaving.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, de magistraten hebben vorige week opnieuw aan de alarmbel getrokken. In de Antwerpse haven luidden op donderdag 5 juni de hoven en rechtbanken van Antwerpen en Limburg symbolisch de noodklok, niet toevallig om vijf voor twaalf. Met deze actie vragen ze dringende aandacht voor de toenemende drugscriminaliteit en het nijpende tekort aan middelen binnen Justitie om die aan te pakken. De georganiseerde misdaad woekert als een schaduwnetwerk door de samenleving met toenemend geweld, overvolle dossiers en een structureel personeelstekort.

Justitie kan de strijd tegen drugs onder de huidige omstandigheden onmogelijk winnen. Er zijn dringend meer personeelsleden en middelen nodig om de strijd tegen de georganiseerde drugscriminaliteit verder te kunnen voeren. De magistraten klagen over de vele drugsdossiers die ze sinds enkele jaren te verwerken krijgen. Zo behandelde de Antwerpse correctionele rechtbank vorig jaar 1.700 drugszaken, veruit het hoogste aantal in het land. Het aantal beklaagden steeg tot 7.400.

De Antwerpse procureur was bijzonder duidelijk, op vijf maanden tijd werden bij de federale gerechtelijke politie meer dan 60 feiten van ernstig drugsgerelateerd geweld geregistreerd. Het gaat daarbij niet om conflicten tussen gebruikers en drugsbendes onderling, maar om internationale handel en grote, georganiseerde criminele netwerken. De uitwassen van deze problematiek zijn overal voelbaar, niet alleen op het niveau van de georganiseerde misdaad, maar ook op het niveau van de gebruikers. Daarvoor moet u toch ook aandacht hebben, mevrouw de minister.

Ook de voorzitster van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen was scherp in haar kritiek. De Antwerpse cijfers voor jongeren onder toezicht zijn dramatisch gestegen, van 400 naar 500 jongeren per jeugdrechter op korte tijd. De impact van de georganiseerde criminaliteit is duidelijk zichtbaar. We zien minderjarige feitenplegers, uithalers van dertien jaar bijvoorbeeld, maar nog veel meer verontrustende opvoedingssituaties: jonge baby’s die onmiddellijk van hun moeder worden weggehaald omdat ze heroïneverslaafd is, kinderen van zes jaar die de ambulance bellen omdat hun moeder niet meer wakker blijkt te worden. We zien peuters op de spoeddienst verschijnen met vergiftigingsverschijnselen omdat ze wiet, die op tafel lag, in hun mond hebben gestopt. Dat zijn slechts enkele voorbeelden die de voorzitter gaf.

De procureur-generaal was snoeihard in zijn kritiek en liet weten dat ze aan het einde van hun krachten zijn. Ze werken namelijk met middelen die voor een groot deel bepaald werden in 1953 en bijgevolg niet voorzien zijn op de complexiteit van de criminaliteit van vandaag.

Mevrouw de minister, ik zal u niet moeten overtuigen van het gegeven dat de georganiseerde misdaad onze maatschappij ontwricht. De drugscriminaliteit is in onze samenleving geïnfiltreerd en de magistratuur heeft veel te weinig middelen om die misdaad te bestrijden. Daarom is een globale aanpak nodig. De procureur-generaal is duidelijk: “De georganiseerd criminaliteit vereist een bredere maatschappelijke aanpak. Dit is geen strijd die Justitie alleen kan voeren. Bij deze oefening is de hele samenleving betrokken, zeker als we kijken naar problemen die uit drugsgebruik voorvloeien. Denk ook aan een samenwerking met private partners, om bijvoorbeeld de georganiseerde misdaad in de haven tegen te gaan.”

Wat is uw antwoord op die niet mis te verstane noodkreet van de rechtbanken en parketten van Antwerpen en Limburg? De war on drugs wint aan belang. Het is onaanvaardbaar dat georganiseerde misdaad de samenleving kan blijven ontwrichten. Wat zult u op zeer korte termijn doen om hierop een antwoord te bieden?

De magistraten pleiten voor een pact voor Justitie met onder andere meer personeel, benoemingen op basis van de objectieve werklast, een coherent hr-beleid en structurele investeringen. Wat zult u doen aan de terechte vraag naar dat pact voor Justitie? Welke initiatieven zult u nemen om een bredere maatschappelijke aanpak van de georganiseerde criminaliteit tot stand te brengen. Hebt u ter zake overleg gehad met de gemeenschappen die hierin een zeer belangrijke verantwoordelijkheid hebben? Is het ook niet de hoogste tijd om een Staten-Generaal met alle betrokken actoren te organiseren om op korte termijn een concreet plan van aanpak uit te werken, uiteraard gekoppeld aan de nodige financiële middelen?

Sophie De Wit:

Mevrouw de minister, mijn vraag is gekoppeld aan de voorgaande, maar ze gaat meer specifiek over het Europese Drugsrapport, dat onlangs verschenen is. Ik zou normaal gezien verwijzen naar mijn schriftelijk ingediende vraag, maar mevrouw Dillen heeft dat onderwerp niet echt aangekaart, dus ik zal mijn vraag, voor de collega's, kort en mondeling stellen. Ik heb geen vijf minuten nodig.

Het is een open deur intrappen te zeggen dat drugs een echte plaag zijn, mevrouw de minister, maar als we kijken naar het Drugsrapport 2025 van het Drugsagentschap van de Europese Unie, zien we toch een heel zorgwekkend beeld van het probleem in Europa en heel concreet, van het drugsprobleem in ons land.

In steden als Antwerpen en Brussel zien we een toename van het gebruik van synthetische drugs als meta-amfetamine, MDMA en amfetaminespeed. Die zijn heel populair. Dat waren ze al, maar ze zijn nog populairder geworden in het uitgangsleven. Het ziet ernaar uit dat cocaïnegebruik ook helemaal niet afneemt.

Als we het Drugsagentschap moeten geloven, wordt de Europese markt vandaag vooral van synthetische drugs voorzien door illegale labo's in Nederland, maar ook in België. De logistiek speelt daarbij natuurlijk een grote rol, mevrouw de minister. België is centraal gelegen, heeft een fijn vertakt wegennetwerk en heeft goede toegang tot havens als die van Antwerpen en Rotterdam. Ik vertel u geen geheimen, meen ik.

Een ander gevolg daarvan en dat heeft mevrouw Dillen wel aangekaart, is dat de drugscriminaliteit meer en meer infiltreert in de samenleving. Het is niet voor niets dat de magistratuur op dat punt aan de alarmbel trekt en meer mensen en middelen vraagt. Vandaar mijn vragen, mevrouw de minister.

Graag verneem ik hoe u de cijfers evalueert die recentelijk gepubliceerd zijn door het Drugsagentschap van de Europese Unie, in het bijzonder in het licht van de situatie in België en meer bepaald in steden als Antwerpen en Brussel?

Welke concrete maatregelen zijn reeds genomen, of worden op korte termijn gepland, om de productie en het gebruik van synthetische drugs en de nieuwe psychoactieve stoffen in te dijken?

Ik weet dat u nog niet zolang bezig bent, maar het is belangrijk dat de strijd niet stilvalt. Hoever staat u met de nultolerantie ten aanzien van drugshandel en met de meer kordate aanpak van drugsgebruikers? De zomer komt eraan. De festivals zijn bezig. Het is belangrijk dat daar controles plaatsvinden.

Beschikt u al over cijfers van de parketten, mevrouw de minister?

Hoe vermijden we dat dit vergif in ons land geproduceerd wordt?

In welke mate worden drones en andere technologie ingezet om drugslabo’s, met name in het grensgebied met Nederland, op te sporen?

Ook niet onbelangrijk is de volgende vraag. Het regeerakkoord voorziet ter zake in een taak voor onze drugscommissaris. Werden door de drugscommissaris al multidisciplinaire vergaderingen georganiseerd om de samenwerking tussen de ondersteunende departementen en de diensten van het repressieve luik te faciliteren? Indien ja, wat was het resultaat?

Annelies Verlinden:

Collega’s, ik dank u voor uw vragen en voor de interpellatie over een heel belangrijk thema.

De cijfers en vaststellingen van het Drugsagentschap van de Europese Unie, EUDA, bevestigen de trend van een wereldwijde toename in het synthetiseren van drugs. Daarbij is het belangrijk vast te stellen dat de productie van cocaïne in Colombia de voorbije jaren is verdubbeld. Colombia blijft met voorsprong het belangrijkste productieland. De cijfers van het Drugsagentschap van de Europese Unie moeten echter in de juiste context worden gelezen en vereisen duiding om tot een correcte interpretatie te komen.

Ons land komt in het rapport na Nederland inderdaad in beeld als productieland van de meest gebruikte synthetische drugs. De onmiddellijke nabijheid van Nederland is daarbij een belangrijke factor. Er is immers sprake van een verplaatsingseffect. Het is dus niet onlogisch dat in dat geval eerst de buurlanden van Nederland in beeld komen.

Ook de afvalwateranalyse vraagt om toelichting voor een correcte interpretatie. Voor steden als Antwerpen en Brussel kan inderdaad met zekerheid worden vastgesteld dat bepaalde drugs aanwezig zijn in het afvalwater. Die bevinding zegt echter niets over het aantal gebruikers of over de eventuele evoluties ter zake. Dat geldt eveneens voor de frequentie van het drugsgebruik en de zuiverheid van de producten.

Het rapport van het EUDA voorziet bijvoorbeeld niet in een doorgedreven analyse van verschillen in zuiverheid tussen de verschillende landen. Daarom is het belangrijk de resultaten te combineren met andere onderzoeksresultaten. Dat kan gaan om bevragingen van gebruikers of gedragsmetingen, teneinde het beeld op die manier te kunnen vervolledigen.

Antwerpen en Brussel zijn bovendien grootsteden die jaarlijks ontelbare mensen aantrekken voor zaken en toerisme. Ook dat geeft een vertekend beeld. Een recente studie van het rioolwater in tal van Vlaamse steden over het gebruik van ketamine, geeft aan dat dit probleem zich niet alleen manifesteert in Antwerpen en Brussel, maar ook in andere steden in ons land. De vlotte beschikbaarheid van synthetische drugs is een belangrijke factor in de toename van het gebruik ervan. Momenteel is er zelfs sprake van een overaanbod van verdovende middelen op de Belgische markt, met historisch lage prijzen tot gevolg.

Daarom zetten we in op de barrières die moeten worden opgeworpen in de logistieke keten. Als we het criminele organisaties logistiek moeilijk maken om hun drugs aan de man en vrouw te brengen, hebben we meteen ook een positieve impact op het drugsgebruik. Dat doen we door in elke logistieke hub een multidisciplinair veiligheidsplan op maat uit te rollen. De middelen uit het zogenoemde drugsfonds worden hiervoor actief en zeer gericht ingezet. Het gaat om het Stroomplan in Antwerpen, het veiligheidsplan van North Sea Port in Oost-Vlaanderen, het luchthavenplan in Zaventem, het veiligheidsplan voor de haven- en cargoluchthaven van Luik en het veiligheidsplan van Port of Limburg, om er maar enkele te noemen. In de haven van Antwerpen werpt het barrièremodel van het Stroomplan vruchten af.

We zien dat criminele organisaties steeds vaker een beroep doen op zeer jonge, kwetsbare uithalers om het risicovolle werk te doen, gelet op de veel hogere pakkans in de haven. Ook stellen we vast dat er meer en meer chemische procedures worden toegepast om drugs in bijvoorbeeld jeansstof of bouwmaterialen te verwerken, met de bedoeling deze zo onopgemerkt op het Europese vasteland te krijgen. De drugscriminelen zijn en blijven vindingrijk en gaan steeds op zoek naar de weg van de minste weerstand. Die tendensen worden door de vele verschillende betrokken diensten nauwgezet opgevolgd.

Het rapport van EUDA vestigt ook de aandacht op de rol van China. Wanneer daar meer controles worden uitgevoerd op de export van bepaalde chemicaliën, zien we een impact op de productie van bepaalde synthetische drugs in Europa. België beschikt over een belangrijke petrochemische en farmaceutische industrie, met legale toepassingen van ingevoerde precursoren. Daarom zijn we ook hier alert voor de ongewenste negatieve effecten van verstrengde controles op chemische grondstoffen uit China. Om die reden blijven we het illegaal gebruik van ingevoerde precursoren op zowel de Europese als de mondiale agenda plaatsen.

Er wordt ook ingezet op het traceren van chemicaliën. Het Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie tracht, met steun van het Drugsfonds, de oorsprong van inbeslaggenomen drugs in kaart te brengen om zo gezondheidsrisico’s in te dijken en belangrijke verbanden te leggen tussen inbeslagnames, productieplaatsen, laboratoria en het dumpen van afvalproducten.

Mevrouw Dillen, met betrekking tot uw vraag over de inzet van technologie kan ik u meegeven dat de federale politie in 2021 deelnam aan het project NarcoView. Dit is een Europees project, geïnitieerd door Nederland, met als doel een platform te ontwikkelen voor de grensoverschrijdende detectie en analyse van drugproductiesites en drugafvaldumpingen. Daarbij wordt gebruikgemaakt van satellietdata, artificiële intelligentie, remote sensing en drones. Het project heeft nog niet het verhoopte resultaat opgeleverd. Er werd vastgesteld dat er nog heel wat technische euvels zijn en dat criminelen ook van antidetectietechnieken gebruikmaken.

Wat de acties vanuit de rechterlijke orde betreft, nam ik de voorbije weken kennis van de bezorgdheden van verschillende magistraten en leden van het gerechtspersoneel over de hoge werkdruk, de infrastructuur, de ondersteuning en de arbeidsvoorwaarden. Ik heb die signalen vanaf mijn aantreden gehoord en vanaf dag een ernstig genomen. Daarom zijn we met de vertegenwoordigers in overleg gegaan. We hebben de beslissing genomen om thematische taskforces op te richten, om zo tot gedragen en haalbare voorstellen te komen. De thema’s daarbij zijn gebouwen, veiligheid, mensen en middelen en de aantrekkelijkheid van het beroep. Dit wordt verder toegelicht in eerder door mij beantwoorde vragen en komt ook vandaag in het antwoord op een aantal vragen aan bod.

We hanteren dus wel degelijk een holistische benadering. Er is tevens opvolging van het Drugscommissariaat. Er wordt ook gewerkt aan plannen om de follow the value-aanpak te volgen, zodat we de verdienmodellen van de criminelen daadwerkelijk kunnen breken.

Marijke Dillen:

Dank u voor uw uitgebreide antwoord, mevrouw de minister. Het zou niet correct zijn om te beweren dat er in het verleden nog niets is gebeurd of dat er tijdens deze legislatuur nog geen initiatieven zijn genomen.

U kent mijn standpunt over de taskforce, ik heb dat vorige week uitvoerig toegelicht in de plenaire vergadering, maar ik blijf er vragen bij hebben. Veel van die problemen zijn immers al lang bekend. In de plaats van jaren te studeren, zou het beter zijn om kordaat op het terrein aan de slag te gaan.

Mevrouw de minister, ik heb geen antwoord gekregen op de uitdrukkelijke vraag van de magistraten naar een pact voor Justitie, dat zij zelf zeer belangrijk vinden. Evenmin kreeg ik een antwoord op mijn vraag in verband met de staten-generaal. In het kader van de volledige aanpak van de drugscriminaliteit rust er immers niet alleen op u en uw collega van Binnenlandse Zaken, maar ook op de gemeenschappen een zeer belangrijke verantwoordelijkheid. Ik verwijs nogmaals naar de uitspraken van mevrouw de voorzitster van de rechtbank van eerste aanleg, in het kader van vaststellingen die almaar vaker gebeuren in de jeugdrechtbank – vaststellingen die overigens bijzonder dramatisch zijn.

Mevrouw de minister, ik vernam niets over de aanpak van gebruikers. U stelt – en het is een feit dat we regelmatig in de media lezen – dat er een overaanbod is en dat de prijs keldert. Toch worden de drugsbendes steeds agressiever. Uit de alarmkreet van de magistraten afgelopen donderdag blijkt dat het aantal drugsbendes zo sterk is toegenomen, dat de georganiseerde criminaliteit niet langer onder controle te houden is. Daarin dragen de gebruikers een zeer grote verantwoordelijkheid, want zij houden de drugscriminaliteit mee in stand. Er is dus nog heel wat werk aan de winkel. Hopelijk bent u bereid om na te denken over het organiseren van die Staten-Generaal.

Mijnheer de voorzitter, tot slot heb ik een motie.

Sophie De Wit:

Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoorden. Het is een zeer belangrijke problematiek, die absoluut prioriteit verdient in het beleid dat u verder zult uitwerken.

Moties

Motions

Voorzitter:

Tot besluit van deze bespreking werden volgende moties ingediend. En conclusion de cette discussion, les motions suivantes ont été déposées. Een motie van aanbeveling werd ingediend door mevrouw Marijke Dillen en luidt als volgt: "De Kamer, gehoord de interpellatie van mevrouw Marijke Dillen en het antwoord van de minister van Justitie, belast met de Noordzee, - overwegende dat de drugscriminaliteit in Antwerpen maar blijft toenemen; - overwegende dat zowel de magistratuur als het Parket voor een zoveelste keer het tekort aan middelen om deze vorm van criminaliteit te kunnen bestrijden, hebben aangekaart; - overwegende dat er bovendien op wordt gewezen dat een deel van de beschikbare middelen niet voorzien is voor de complexiteit van de criminaliteit zoals die vandaag is; - overwegende dat er door de tijd heen vooral veel aankondigingen zijn gedaan teneinde aan deze situatie het hoofd te bieden; - overwegende dat het meer dan tijd wordt dat de aankondigen ook worden gekoppeld aan daden en er tegemoetgekomen wordt aan de terechte verzuchtingen van onder meer de magistratuur en het parket; vraagt de regering - op korte termijn concrete initiatieven te nemen teneinde ervoor te zorgen dat de georganiseerde misdaad de samenleving niet langer kan blijven ontwrichten; - werk te maken, zoals door de magistraten verzocht, van een 'pact voor Justitie', met onder andere meer personeel, benoemingen op basis van objectieve werklast, een coherent HR-beleid en structurele investeringen; - de nodige initiatieven te nemen om, in samenspraak met de gemeenschappen, een bredere maatschappelijke aanpak van de georganiseerde criminaliteit tot stand te brengen en hiervoor de nodige financiering te voorzien. " Une motion de recommandation a été déposée par Mme Marijke Dillen et est libellée comme suit: " La Chambre, ayant entendu l'interpellation de Mme Marijke Dillen et la réponse de la ministre de la Justice, chargée de la Mer du Nord, - considérant que le phénomène de la criminalité liée à la drogue ne fait que croître à Anvers; - considérant que tant la magistrature que le parquet ont, pour la énième fois, indiqué qu'ils manquaient de moyens pour s'attaquer à cette forme de criminalité; - considérant, par ailleurs, qu'il est relevé qu'une partie des moyens disponibles n'ont pas été prévus pour faire face à la complexité de la criminalité actuelle; - considérant qu'au fil du temps, les initiatives visant à faire face à cette situation ont surtout consisté en un grand nombre d'annonces; - considérant qu'il est plus que temps que les annonces soient suivies d'actes et que des réponses soient apportées face aux attentes légitimes exprimées notamment par la magistrature et le parquet; demande au gouvernement - de prendre des initiatives concrètes, à court terme, pour éviter que le crime organisé puisse continuer à déstabiliser la société; - d'élaborer, comme le demandent les magistrats, un "pacte pour la Justice" prévoyant notamment davantage d'effectifs, des nominations fondées sur la charge de travail objective, une politique de RH cohérente et des investissements structurels; - de prendre les initiatives nécessaires, en concertation avec les communautés, pour mettre en place une stratégie sociétale plus globale face au crime organisé et de prévoir le financement nécessaire à cet effet. " Een eenvoudige motie werd ingediend door mevrouw Leentje Grillaert. Une motion pure et simple a été déposée par Mme Leentje Grillaert . Over de moties zal later worden gestemd. De bespreking is gesloten. Le vote sur les motions aura lieu ultérieurement. La discussion est close.

De dodelijke brand in de gevangenis van Lantin en de tuchtsancties tegen drie gedetineerden
Het personeelsbeleid in de gevangenis van Lantin
Gevangenisincidenten en personeelsbeleid in Lantin

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 11 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De dodelijke brand in de gevangenis van Lantin (met 1 dode en 3 zwaargewonde brandweerlieden) leidt tot vragen over veiligheidsprocedures, evacuatieplannen en disciplinaire sancties tegen drie gedetineerden die om hulp schreeuwden maar nu 10 dagen isoleercel kregen – een maatregel die juridisch omstreden is en zware psychologische gevolgen heeft. Minister Verlinden benadrukt dat de veiligheid nooit in het gedrang was, weigert details over individuele sancties (beroepsmogelijkheden bestaan wel), en bevestigt structurele tekorten: 23 vacatures op 609 FTE, onvoldoende opgeleid personeel en lopend onderzoek naar sleutelbeheer en aanwezige agents tijdens de brand. Schlitz kaart scherp aan dat de overheid verantwoordelijkheid ontwijkt en systeemfouten (slechte detentieomstandigheden, onderbezetting, gebrek aan urgente actie) negeert, terwijl de pers al spreekt van "structurele disfunctioneringen" – met de eis dat het federaal niveau onmiddellijk herstelmaatregelen treft om herhaling te voorkomen.

Sarah Schlitz:

Madame la ministre, un grave incendie s'est déclaré le 29 mai dernier à la prison de Lantin, coûtant la vie à un pompier et en blessant trois autres, dont un très grièvement, ce dernier se trouvant encore aujourd'hui aux soins intensifs.

Les circonstances du drame sont plus qu'interpellantes. Vous avez déclaré en commission la semaine dernière: "Mon administration ne manquera pas d'examiner les procédures de sécurité incendie, non seulement dans la prison de Lantin, mais aussi dans l'ensemble des établissements pénitentiaires."

J'ai été quelque peu surprise de lire par ailleurs votre collègue Matz. Selon son avis, les procédures s'étaient déclenchées comme prévu. Je suis déjà interpellée par cet élément-là. Pourriez-vous nous éclairer sur la procédure d'évacuation des détenus qui aurait été enclenchée si l'incendie n'avait finalement pas été maîtrisé comme il a pu l'être? Cette procédure était-elle sur le point d'être activée?

Pendant l'incendie, de la fumée a commencé à entrer dans une cellule, empêchant ses occupants de respirer correctement. Ils se seraient manifestés bruyamment et auraient proféré des insultes dans le but que le volet de leur cellule soit ouvert, afin de dissiper la fumée. Actuellement, ils font l'objet d'une sanction disciplinaire lourde. Pouvez-vous nous indiquer les informations qui ont été communiquées aux détenus au moment de l'incendie? Quelles sanctions ont-elles été prononcées envers ces trois détenus? Quelle en est la justification? Quels objectifs sont-ils poursuivis à travers cette sanction? On a pu entendre, de la bouche de l'avocat des trois détenus en question, qu'on les aurait carrément accusés d'être responsables du décès du pompier. Confirmez-vous ces affirmations? Ce sont des affirmations graves alors que l'enquête est toujours en cours. Mettre le décès d'un pompier sur le dos de trois détenus qui essayaient de respirer dans leur cellule est grave. Le cadre légal permet-il de prononcer ces dix jours de cachot pour ce motif, si vous me confirmez que telle est bien la sanction qu'ils ont subie? Quels recours sont-ils à leur disposition? Pouvez-vous nous indiquer les conséquences psychologiques et physiques de la détention en isolement durant une si longue période? Enfin, une cellule psychologique est-elle mise à disposition des détenus et du personnel pour les accompagner suite à ce drame?

J'en viens à ma seconde question. Nous savons que le personnel pénitentiaire souffre depuis des années, notamment en raison des pénuries de personnel, des difficultés de recrutement et des fortes tensions au sein des prisons. Ces tensions sont liées non seulement à la question de la détention, mais également aux mauvaises conditions de détention et à la surpopulation carcérale, pour lesquelles la Belgique a été condamnée à de nombreuses reprises. À cela s'ajoutent les heures supplémentaires que ces agents doivent enchaîner, sans véritable perspective d'amélioration de leur situation.

Dans ce contexte, madame la ministre, pourriez-vous me dire quel est le cadre du personnel de la prison de Lantin? Est-il rempli? Le personnel est-il formé au plan d’intervention d’urgence de l’établissement? Le jour de l’incendie, les clés se trouvaient-elles à leur emplacement habituel? Les personnes présentes sur place avaient-elles connaissance de leur localisation? Théoriquement, combien de membres du personnel auraient-ils dû être présents ce jour-là? Combien l’étaient réellement? Ces agents avaient-ils été formés au plan d’intervention d’urgence? Combien de personnes savaient-elles exactement où se trouvaient ces clés?

Annelies Verlinden:

Madame Schlitz, en réponse à vos questions concernant l’incident survenu à la prison de Lantin, je tiens à vous rappeler les éléments suivants. Les détenus ont été informés de la situation par les agents pénitentiaires et les unités de vie n’ont jamais été menacées par l’incendie. Par ailleurs, personne n’a dû être évacué et la sécurité des détenus n’a jamais été compromise mais cela n’empêche pas que de telles situations peuvent susciter une certaine inquiétude chez de nombreuses personnes. Par la suite, les détenus ont été invités à en parler avec les membres du personnel, qui pouvaient également les orienter vers d’autres services.

Si des détenus ont été sanctionnés, cela signifie évidemment qu’ils ont commis une infraction disciplinaire en vertu des dispositions de la loi de principes. Nous ne communiquons pas sur les dossiers individuels, par respect pour la vie privée des intéressés. La loi de principes prévoit que l’enfermement en cellule de punition peut être décidé pour une durée maximale de neuf jours en cas d’infraction de la première catégorie et pour une durée maximale de trois jours en cas d’infraction de la seconde catégorie. Tout détenu peut adresser une plainte auprès de la commission des plaintes concernant toute décision prise à son égard par le directeur ou au nom de celui-ci.

Un isolement a toujours des conséquences, qui sont différentes pour chaque individu. Il est important de souligner qu'il ne s'agit pas d'un isolement total. Des modalités sont prévues par la loi pour s'assurer du suivi de l'évolution du détenu. Tous les détenus reçoivent la visite quotidienne du directeur et du médecin. Ils ont également des contacts plusieurs fois par jour avec les agents pénitentiaires de section. Ils conservent le droit d'aller au préau individuel tous les jours et à la visite à carreau à partir du troisième jour. Ils peuvent aussi recevoir des livres.

Concernant votre question sur le soutien psychologique à la suite de ce type d'incident, je tiens à préciser que les détenus peuvent discuter de soutien avec les agents actifs dans les unités de vie. Ils peuvent s'adresser aux différents professionnels et, en particulier, au service psychosocial. Ce type d'accompagnement fait partie de leurs missions. Le personnel peut également demander une aide psychologique individuelle auprès de POBOS. Un débriefing collectif est aussi organisé au sein de la prison.

En ce qui concerne vos questions sur la gestion du personnel de la prison de Lantin, le cadre de la prison de Lantin s'élève à 609 équivalents temps plein dont 585,440 sont actuellement pourvus. Trois personnes qui ont été recrutées récemment entreront en fonction le 1 er septembre.

S'agissant des procédures de recrutement pour la prison de Lantin, une procédure de sélection personnel de base de l'administration sera organisée début juillet pour la Région wallonne. Nous espérons combler les postes restants avec les lauréats de cette procédure. Pour obtenir des chiffres plus détaillés, je vous invite à introduire une question écrite.

La formation du personnel au plan d'intervention d'urgence fait partie des obligations réglementaires. Toutefois, les détails précis concernant la formation des agents présents le jour de l'incendie, le nombre exact d'agents qui auraient dû être ou étaient effectivement présents et la localisation des clés à ce moment-là font l'objet de l'enquête en cours. Il convient donc de ne pas interférer avec cette enquête à ce stade.

Sarah Schlitz:

Merci pour vos réponses, madame la ministre. Je reste assez frustrée par le manque d'implication du gouvernement dans cette affaire. J'entends que vous vous êtes rendue sur place, comme nous avons pu le voir dans les journaux, et que vos collègues étaient présents à l'enterrement. Mais, aujourd'hui, il y a une véritable responsabilité à endosser dans ce qu'il s'est passé. Ce n'était pas un simple accident. Quand on lit dans les circonstances de cet événement dans la presse, de très nombreuses questions se posent. Je suis étonnée que très peu de questions soient posées par mes collègues sur ce sujet. Je pense que, si c'était arrivé à Bruxelles, on en parlerait beaucoup plus. Il y avait deux questions, et pas de la N-VA. Il faut mettre en place tout ce qui est en votre pouvoir pour faire en sorte que cela n'arrive plus jamais. Ici, des erreurs ont été commises, et la presse a cité des dysfonctionnements structurels et fonctionnels à la prison de Lantin. Nous verrons ce que l'enquête en dit. Il est essentiel que des actions rapides soient décidées pour faire en sorte que cela n'arrive plus jamais et que le fédéral assume ses responsabilités dans cette affaire.

Het incident in de gevangenis van Mechelen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 11 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De overbevolking (74% te veel gedetineerden) en personeelstekort in de gevangenis van Mechelen leidden tot luidruchtig protest na het schrappen van avondwandelingen, waarna drie gedetineerden werden overgeplaatst en een tuchtprocedure volgde. Minister Verlinden benadrukt noodzaak van een noodwet en structurele oplossingen om de overbevolking te verminderen, naast lopende fastlane-aanwervingen (5 extra personeelsleden in aantocht) om het tekort aan te pakken. Preventie voor toekomstige incidenten hangt af van combinatie van minder gedetineerden, meer bewakers en snellere aanwervingsprocedures. De rust is hersteld, maar de lange-termijnoplossingen (wetgeving, actieplannen) blijven kritiek.

Alain Yzermans:

Ik kom even terug op de gebeurtenissen van vorige week, toen gedetineerden zich luidruchtig hadden verzet omtrent de werking van de gevangenis van Mechelen, onder andere doordat de avondwandelingen niet doorgingen.

Dat luidruchtig protest hangt ook samen met de grote overbevolking in die gevangenis. Er zijn 84 plaatsen, maar er zitten nu 146 gedetineerden, een overbevolking van ongeveer 74 %. Dat toont op zich aan dat u snel werk dient te maken – wat u ook doet – van die noodwet om daaraan enigszins tegemoet te komen, alhoewel er uiteraard regionale verschillen zijn.

De rust is er weergekeerd nadat drie gedetineerden werden overgeplaatst.

Een andere oorzaak is een onderbezetting van het personeelskader.

Mevrouw de minister, wat zult u doen om dergelijke incidenten in de toekomst te voorkomen?

Welke strategieën kunnen preventief worden ingezet met het oog op de voorspellingen van een lange, hete of moeilijke zomer?

Hoever staat het met de sociale onderhandelingen om onder andere het nijpend personeelstekort aan te pakken?

Annelies Verlinden:

Mijnheer Yzermans, om de omstandigheden van gedetineerden en personeelsleden te verbeteren, moet eerst en vooral de extreem hoge overbevolking naar beneden. Het wetgevend kader waaraan wordt gewerkt, is in dat opzicht van cruciaal belang. Daarnaast is het ook nodig dat we investeren in oplossingen om de gevangenispopulatie structureel en duurzaam te verminderen. U weet dat we daaromtrent aan actieplannen werken.

Wat het concrete incident betreft, werd een tuchtprocedure opgestart tegen de betrokken personen, gelet op de aangerichte schade, de ernstige verstoring van de orde en het feit dat dergelijk gedrag binnen een penitentiaire instelling niet kan worden getolereerd. Ik wens te onderstrepen dat de uitlokkende factor het schrappen van een tweede avondwandeling betrof. Het is dus niet juist dat de gedetineerden helemaal niet hebben kunnen wandelen, althans op de eerste dag. De onlusten hebben er uiteindelijk voor gezorgd dat de daaropvolgende dag alle wandelingen werden geschrapt.

Wat betreft de personeelsbezetting in de gevangenis van Mechelen, bedraagt het kader voor bewaking en techniek momenteel 83 voltijdsequivalenten. Op dit moment zijn 84,10 voltijdsequivalenten ingevuld. Vijf bijkomende personeelsleden zijn reeds aangeworven en zullen binnenkort in dienst treden. De aanstellingsprocedure, zoals de veiligheidsscreening, het medisch onderzoek en dergelijke, is momenteel lopende.

Tot slot maakt de gevangenis van Mechelen momenteel deel uit van een lopende fastlaneprocedure voor aanwervingen. Die procedure werd in het verleden al meerdere keren toegepast voor die instelling en stelt ons in staat om sneller in te spelen op personeelstekorten. Het terugdringen van de overbevolking in combinatie met het aanvullen van het personeelskader zal hopelijk de gemoederen bedaren en stelt ons in staat om dat soort incidenten in de toekomst te voorkomen.

Alain Yzermans:

Bedankt voor uw antwoord.

De zorgcentra na seksueel geweld

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 11 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De wettelijke verankering van Zorgcentra na Seksueel Geweld (ZSG) is een stap vooruit, maar de financieringsoverdracht naar het RIZIV (via een nog op te maken KB) en de tijdige uitrol blijven kritieke knelpunten. Minister Verlinden (Justitie) bevestigt dat Justitie inhoudelijk betrokken blijft via overleg met het IGVM en andere departementen, maar wijst financiële en timingvragen door naar minister Vandenbroucke (Volksgezondheid). Van Tigchelt benadrukt dat de financiering (mogelijk pas in augustus 2025/januari 2026) gegarandeerd moet zijn om de landelijke werking van de ZSG’s te verzekeren. Justitie’s rol beperkt zich tot juridische facilitatie, niet tot budgettaire verantwoordelijkheid.

Paul Van Tigchelt:

Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, ik verwijs voor de efficiëntie naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

Met de wet betreffende de Zorgcentra na Seksueel Geweld werden de ZSG's wettelijk verankerd. Dat is een belangrijke stap in de structurele ondersteuning van slachtoffers van seksueel geweld. Maar de uitvoering laat op cruciale punten nog vragen open.

Artikel 47 van de wet bepaalt dat de financiering van de ZSG's voortaan zal verlopen via het RIZIV, en dat de verdere procedure en voorwaarden vastgelegd worden bij koninklijk besluit, na overleg in de Ministerraad.

Daarom mijn vragen aan u:

Vanaf wanneer is voorzien dat het RIZIV de financiering overneemt? Wanneer ten laatste moet dit KB er zijn?

Wordt het KB momenteel voorbereid, en zo ja, wat is de stand van zaken? Is Justitie actief betrokken bij de onderhandelingen over dit KB? Indien niet, waarom niet?

Zal de voorziene RIZIV-financiering voldoende zijn om de uitrol en werking van de ZSG's over het hele land effectief te garanderen? Over hoeveel middelen spreken we?

In uw beleidsnota stelt u dat ook slachtoffers van niet-acuut of online seksueel geweld de nodige zorg moeten krijgen, al dan niet in een koppeling met de ZSG's, en dat hiervoor overleg wordt gepleegd met de gefedereerde entiteiten.

Hoe garandeert u dat Justitie, ondanks de overdracht van de structurele financiering aan het RIZIV, ook inhoudelijk betrokken blijft bij deze verbreding van het zorgaanbod en de uitbouw van de ZSG's?

Annelies Verlinden:

Collega’s, ik beaam dat de wet van 26 april 2024 een belangrijke rol speelt in de verdere uitrol van de zorgcentra na seksueel geweld over het hele land. Als minister van Justitie kan ik enkel de cruciale rol van die zorgcentra en de multidisciplinaire samenwerking van alle betrokken actoren bevestigen en onderstrepen.

De parketten doen al het mogelijke om constructief samen te werken. Volgens artikel 8 van de wet bevordert en faciliteert de procureur des Konings onder de in de voornoemde wet omschreven voorwaarden de werking van het zorgcentrum. Dat betekent echter niet dat Justitie bevoegd is voor de financiering van de zorgcentra.

De eerste drie vragen legt u dus best voor aan mijn collega van Volksgezondheid, minister Vandenbroucke. Zijn departement stelt onder zijn bevoegdheid het koninklijk besluit over de financiering van de zorgcentra bij het RIZIV op en is verantwoordelijk voor de timing. Dat heeft geen effect op de werking van Justitie in het zorgcentrum.

Inzake de laatste vraag kan ik u wel geruststellen. Justitie werkt beleidsmatig samen met andere departementen en bevoegdheidsniveaus met als doel het zorgcentraproject verder uit te dragen, te verfijnen en uit te rollen. Wij zijn vertegenwoordigd in en nemen actief deel aan de verschillende overlegfora die specifiek voor de zorgcentra worden gecoördineerd door het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen, dat onder de bevoegdheid valt van de minister van Gelijke Kansen, de heer Beenders.

Paul Van Tigchelt:

Mevrouw de minister, ik zal de vraag zeker stellen aan de minister van Volksgezondheid. Naar verluidt wordt als datum voor het KB over de financiering van de zorgcentra via het RIZIV 1 augustus 2025 of 1 januari 2026 vooropgesteld. Het belangrijkste is uiteraard dat de financiering gegarandeerd is.

De alarmbrief van de gerechtelijke actoren in verband met de onderfinanciering van de justitie

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 11 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sarah Schlitz kaart de chronische onderfinanciering van de Belgische justitie aan (0,22% BBP, tekort aan magistraten) die leidt tot verslechterde werkomstandigheden, afnemende aantrekkingskracht van het beroep en dreigende democratische erosie, gesteund door alarmerende signalen van procureurs. Minister Verlinden erkent de problemen (werkdruk, verouderde infrastructuur, onderbezetting), belooft gerichte *task forces* (gebouwen, veiligheid, personeel, aantrekkingskracht) en extra budgettaire middelen (vrijstelling 1,8%-besparing, interministeriële reserve), maar concrete toewijzing en oplossingen moeten nog vorm krijgen via lopende overleggen met justitiële actoren. Schlitz waarschuwt tegen politiek geringschatten van het sectorbelang—geen "kleinburgerlijke statutenstrijd" maar een maatschappelijke noodzaak—en dringt aan op structurele, niet-louter marktconforme hervormingen. De kern: urgentie voor refinanciering en herwaardering van justitie als democratisch fundament, met nog afwachten op daadkrachtige uitvoering.

Sarah Schlitz:

Merci pour votre flexibilité, madame la ministre.

En tant que parlementaire, nous recevons depuis maintenant des semaines des courriers alarmants du monde de la justice. Force est de constater que votre gouvernement semble résumer son action à un seul mot d'ordre: obliger les gens à faire toujours plus avec toujours moins, quoi qu'il en coûte. Le monde de la justice n'échappe pas à cette logique d'austérité permanente.

Aujourd'hui, la justice belge fonctionne avec un budget modique, à peine 0,22 % du PIB, un des taux les plus bas d'Europe. Nos magistrats sont 14,4 pour 11 000 habitants, loin de la moyenne européenne de 22. Cette sous-dotation chronique étouffe peu à peu un pouvoir pourtant fondamental de notre démocratie.

Le résultat est clair: les conditions de travail se dégradent, les vocations s'effondrent et les professionnels peinent à trouver des successeurs prêts à assumer des charges de plus en plus lourdes avec des moyens de plus en plus réduits. Les signaux se multiplient, les magistrats tirent la sonnette d'alarme depuis un moment et le 5 juin dernier, les 15 procureurs du Roi vous ont adressé une lettre ouverte pour dénoncer l'urgence de la situation.

Garantir une justice indépendante, efficace et accessible n'est pas un luxe, c'est un pilier de l'État de droit. Quand l'un des trois pouvoirs de l'État est privé des moyens de fonctionner, c'est son équilibre démocratique et les droits fondamentaux de tous qui vacillent.

Madame la ministre, où en êtes-vous dans la concertation avec magistrats? Allez-vous entendre leurs demandes? Allez-vous refinancer dignement la justice? Pensez-vous que le gouvernement finance de manière proportionnelle ce secteur aujourd'hui? Comment pouvez-vous nous assurer que les task forces thématiques que vous allez mettre en œuvre aboutiront à des solutions concrètes et budgétisées pour ce secteur à bout de souffle?

Annelies Verlinden:

Madame Schlitz, je suis évidemment au courant des différentes actions entamées par l'Ordre judiciaire ces dernières semaines. J'ai pris connaissance des préoccupations exprimées par plusieurs magistrats et membres du personnel judiciaire concernant la charge de travail élevée, les infrastructures, le soutien et les conditions de travail au sein de la justice.

Toutes les expériences et inquiétudes ne sont pas les mêmes, mais il est important d'être à l'écoute de chaque signal. Je prends ces messages au sérieux, comme je l'ai déjà expliqué à plusieurs reprises à la commission. C'est pourquoi je suis en concertation avec des représentants de l'Ordre judiciaire. Nous avons décidé ensemble de créer plusieurs task forces thématiques dans le but de formuler des propositions concertées et réalisables afin d'améliorer les conditions de travail et les conditions d'emploi des magistrats et du personnel judiciaire. Ces task forces se pencheront sur quatre thématiques: bâtiments, sécurité, personnes et moyens, attractivité de la fonction. Les défis sont connus: un manque de personnel, des infrastructures vétustes ou inadaptées, une numérisation qui connaît des difficultés et des carrières sous pression.

Il est donc essentiel d'améliorer les conditions de travail dans un esprit de concertation avec du respect pour le rôle et la réalité de chacun. Pour la mise en œuvre, les moyens nécessaires seront dégagés là où c'est possible et nécessaire. De manière générale, il est clair que la charge de travail au sein de l'Ordre judiciaire est élevée et ne peut être maîtrisée que par des renforcements ciblés et une gestion flexible du personnel.

À cet égard, le gouvernement s'est engagé à rendre les cadres légaux de personnel plus flexibles et à implémenter un modèle d'allocation réglementé par la loi, dans lequel les ressources sont réparties selon des paramètres objectifs, y compris la mesure de la charge de travail. Lors de l'élaboration du budget 2025, il a été prévu que l'économie de 1,8 % sur les crédits de personnel applicables aux autres départements ne s'appliquera pas aux départements de la sécurité tels que la justice. En outre, le gouvernement a prévu des moyens budgétaires supplémentaires pour un renforcement ciblé de l'Ordre judiciaire sous la forme d'une provision interministérielle. Ces moyens doivent encore être formellement alloués.

Je suis actuellement en concertation avec les différents acteurs de la justice, notamment avec le Collège des cours et tribunaux et le Collège du ministère public, afin de déterminer de quelle manière les moyens supplémentaires peuvent être répartis de la manière la plus efficace.

Sarah Schlitz:

Madame la ministre, je connais votre sensibilité pour le secteur. Je vous remercie donc pour cette réponse raisonnable et constructive. C'est moins le cas de certains de vos collègues qui passent leur temps, dans la presse, à jeter l'opprobre sur certains secteurs en prétendant que ceux-ci touchent trop d'argent, qu'ils ne se mobilisent que pour défendre leurs petits droits, leur petit statut, leur petite pension et leur petite personne. Ici, il s'agit de personnes concernées qui ont décidé de choisir cette carrière par vocation et qui aujourd'hui n'en peuvent plus et tirent la sonnette d'alarme pour protéger l'ensemble de la société. C'est aussi le droit des justiciables à obtenir justice qui est en jeu. Merci de continuer ce travail de concertation pour trouver des solutions viables qui ne visent pas uniquement à rapprocher le statut des fonctionnaires de celui du privé. Vous ne prendriez pas une bonne orientation si c'était le cas.

Het plan om gevangenen hun straf in Kosovo te laten uitzitten

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 11 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Belgische regering onderzoekt externalisering van gevangeniscapaciteit (voor niet-EU-detinees zonder verblijfsrecht) naar landen met "sterke rechtsstaat" om celoverbevolking te verlichten, maar Kosovo wordt (nog) niet genoemd en concrete afspraken of budgetten ontbreken. Schlitz kritiseert het plan als dure, onverantwoorde oplossing die mensenrechtenrisico’s (gebrek aan EU-toezicht) en kosten (tot €200/dag/detinee) negeert, terwijl ze pleit voor alternatieven voor hechtenis en aanpak van de cijfermatige gevangenisinflatie in België zelf. Verlinden benadrukt dat mensenrechten centraal staan en dat eerst een juridische haalbaarheidsstudie loopt, maar erkent dat buurlanden (zoals Nederland) zelf kampen met overbevolking. De discussie draait uiteindelijk om ethiek (rechten vs. externalisering) en prioriteiten (investeren in buitenlandse gevangenissen vs. hervorming eigen justitie).

Sarah Schlitz:

Madame la ministre, vous avez évoqué la possibilité pour la Belgique d’envoyer certains de ses détenus purger leur peine au Kosovo, rejoignant ainsi l’exemple du Danemark, qui d’ici 2027 louera des places carcérales dans ce pays. Vous avez confirmé étudier cette piste dans le cadre de la surpopulation carcérale persistante en Belgique. Si la gestion carcérale belge souffre en effet de graves tensions, notamment dans les établissements vétustes ou surchargés, cette externalisation soulève de nombreuses questions fondamentales.

Premièrement, le respect de la dignité humaine et des droits fondamentaux des personnes détenues. Le Kosovo ne fait pas partie de l’Union européenne. Malgré certains progrès récents, le pays reste confronté à des défis structurels en matière d’État de droit, d’indépendance judiciaire, de conditions de détention et de prévention de la torture. Amnesty International a encore récemment signalé des lacunes importantes.

Dès lors, comment le gouvernement belge peut-il garantir que les droits des détenus seront respectés dans un pays tiers, sans surveillance institutionnelle équivalente à celle de l’UE ou du Conseil de l’Europe? Quelle serait la base juridique encadrant cette externalisation, notamment en ce qui concerne les visites, les recours, ou la réinsertion à leur retour?

Deuxièmement, le coût financier de cette opération. Le modèle danois, pour lequel 300 places ont été louées au Kosovo pour 210 millions d’euros sur dix ans, suscite des interrogations: à près de 200 euros par jour par détenu, ce n’est pas un "bon marché" mais un poids financier qu’on pourrait utiliser pour remettre sur pieds notre justice.

À combien est ce que cette opération est-elle estimée pour la Belgique? Comment peut-on justifier ce coût face au secteur de la justice tirant la sonnette d’alarme à propos de leur sous-financement ici, en Belgique?

Annelies Verlinden:

Madame Schlitz, l'ambition de louer ou de créer de la capacité pénitentiaire à l'étranger ne sera pas évidente, mais avec ma collègue en charge de l'Asile et de la Migration, Mme Van Bossuyt, j'ai l'intention d'effectuer à court terme des missions exploratoires dans un ou plusieurs États de droit européens avec lesquels des accords pourraient éventuellement être conclus pour la location, l'achat ou la construction de capacités carcérales à l'étranger. Afin de ne pas compromettre ces négociations, je ne citerai ici aucun pays nommément, mais je peux vous informer qu'une première mission est d’ores et déjà prévue cet été.

Par le passé, nous avons déjà loué des cellules, notamment aux Pays-Bas, mais nos pays voisins, y compris les Pays-Bas, sont aujourd'hui eux-mêmes confrontés à la surpopulation carcérale.

Il s'agira expressément de capacités destinées à accueillir les détenus condamnés ne disposant pas d'un droit de séjour, afin qu'ils puissent y purger leur peine en vue de leur retour dans leur pays d'origine.

Les droits humains des détenus restent au centre de nos préoccupations. Toutes les décisions prises seront examinées à la lumière de la Convention européenne des droits de l'homme et des autres obligations internationales en matière de droits humains. Vous comprendrez que nous ne pouvons pas agir à la légère en la matière.

Aucune négociation formelle n'est en cours actuellement avec quelque pays que ce soit. À ce stade, je ne pourrai donc pas vous fournir plus de détails sur des pays spécifiques ou l'impact budgétaire. En revanche, une analyse juridique a été lancée par le Commissariat général aux réfugiés et aux apatrides (CGRA) afin d'examiner en profondeur la faisabilité de telles formes de coopération. Cette analyse constitue une première étape indispensable sur la base de laquelle des décisions concrètes pourront être prises en ce qui concerne le calendrier, le budget et la mise en œuvre pratique. L'analyse porte notamment sur le cadre juridique, les garanties en matière de droits humains et la faisabilité pratique.

Sarah Schlitz:

Merci pour cette réponse, madame la ministre. Je pense que c’est une fuite en avant qui n'a aucun sens. Nous allons utiliser de l'argent public pour financer des prisons dans des lieux qui, ne faisant pas partie de l'Union européenne, ne permettent pas d'avoir des garanties quant au respect des droits humains comme vous le prétendez. Vous devriez mener des missions exploratoires dans des pays qui n'ont pas de surpopulation carcérale et parviennent véritablement à mettre en place des alternatives à la prison. Cela existe. Nous le savons, madame la ministre. Depuis des années, la Belgique affiche une volonté de faire en sorte que la prison soit le dernier recours. Or, en pratique, nous constatons une inflation carcérale, à la fois dans la réforme du Code pénal récente, dans l'accord de majorité Arizona, mais aussi dans l'application du Code pénal au niveau des cours et tribunaux. Cette inflation carcérale, qui s'accentue chaque année, est aujourd'hui incontrôlable. Madame la ministre, il convient de prendre en compte cet aspect et d'explorer les alternatives à la prison dans notre pays. Ces alternatives, qui contribuent à limiter les récidives et à favoriser la réinsertion des personnes concernées, constituent une piste qu’il faut absolument investiguer. Les montants communiqués par certains pays qui se sont déjà lancés dans cette aventure sont astronomiques. Je me réjouis donc d’obtenir des montants et des éléments plus précis sur le projet en question.

De zorgwekkende staat van de gevangenissen in Waals-Brabant

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 11 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De kamerleden wijzen op alarmerende problemen in de gevangenissen van Ittre (drugs, onderbezetting, onveiligheid door celdeling) en Nivelles (overbevolking, afwezigheid bewakers, "vuilnisbakgevangenis"), gebaseerd op een onlangs rapport van de toezichtscommissie. Minister Verlinden erkent het rapport nog niet ontvangen te hebben en kan daardoor geen concrete maatregelen aankondigen, ondanks mediaberichten over de crisis. De Smet kritiseert haar passiviteit en stelt dat de problemen chronisch zijn, maar belooft terug te komen na ontvangst van het rapport. De discussie eindigt zonder oplossingen of verdere toezeggingen.

François De Smet:

Madame la ministre, la Commission de surveillance des établissements pénitentiaires a rendu son rapport qui relève une augmentation de la capacité de la prison d’Ittre sans accroissement corrélatif du personnel, une consommation de drogues en augmentation significative, et la multiplication des duos de détenus qui entraîne une insécurité croissante.

À Nivelles, le dépassement de la capacité idéale est acté, l’absentéisme des gardiens est croissant, et le rapport dénonce une prison poubelle.

Le sujet a déjà été évoqué à plusieurs reprises en Commission mais ce nouveau rapport sonne comme un signal d’alarme, un de plus.

En conséquence, Mme la ministre peut-elle me faire savoir si elle a pris connaissance du rapport et si des mesures particulières sont envisagées pour ces deux établissements pénitentiaires situés en Brabant wallon?

Annelies Verlinden:

Monsieur De Smet, ce rapport de la commission de surveillance ne nous a pas encore été envoyé. À ce stade, il n'est donc pas possible d'apporter une réponse aux questions et aux problématiques traitées dans ce document.

Dès que ce rapport nous aura été transmis, nous serons bien évidemment disposés à répondre aux questions qui y sont soulevées.

François De Smet:

Madame la ministre, votre réponse est un petit peu plus courte que ce que j'avais prévu. En effet, même sans avoir vu le rapport, vous n'avez pas pu échapper aux titres de presse qui, tant pour la prison de Ittre que pour la prison de Nivelles, sont extrêmement préoccupants, la seconde étant même qualifiée de prison poubelle. Pour la première, ce sont les trafics de drogue qui gangrènent visiblement l'établissement. Je pense dès lors qu'on pouvait espérer une réponse un peu plus développée de votre part.

Je vous reviendrai donc quand vous aurez reçu le rapport, sachant qu'on parle de difficultés qui sont de toute façon endémiques.

Voorzitter:

Les questions n° 56005556C de M. Patrick Prévot, n° 56005557C de Mme Désir et n° 56005600C de M. Cornillie sont considérées comme étant retirées en vertu de l'article 127.10 de notre Règlement. Les autres questions de Mme Marijke Dillen ont été reportées à sa demande. La réunion publique de commission est levée à 16 h 27. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 16.27 uur.

De luchtvaartpolitie
De versoepeling van grenscontroles in Brussels Airport, de luchthaven van Zaventem
De grenscontroles op Brussels Airport
De grenscontroles in Zaventem
De instructie inzake versoepelde paspoortcontroles door de luchtvaartpolitie
De versoepeling van de grenscontroles op Brussels Airport
De grenscontroles door de luchtvaartpolitie
Grenscontroles en versoepelingen op Brussels Airport door de luchtvaartpolitie

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 11 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de versoepeling van grenscontroles op Brussels Airport (Zaventem) via een omstreden interne instructie (art. 9 Schengengrenscode), die illegaal en veiligheidsrisico’s bleek, leidend tot het ontslag van de directeur. Het structurele personeelstekort (23% bij Zaventem, 16% landelijk) en onvoldoende controleboxen veroorzaken lange wachtrijen, terwijl de minister kortetermijnoplossingen aankondigt: Frontex-steun, een zomerplan met extra capaciteit, en beloftes voor recrutering en uitbreiding controleposten. Kritiek blijft op traagheid, gebrek aan transparantie en de nood aan structurele versterking om veiligheid *en* efficiëntie te garanderen.

Ridouane Chahid:

Monsieur le ministre, depuis plusieurs mois déjà et à de nombreuses reprises, nos aéroports font l'objet de files d'attente assez longues aux contrôles policiers à la frontière des différents aéroports. La semaine dernière, j'ai soumis cette question en raison de longues files observées à l'aéroport de Bruxelles-National consécutives, entre autres, aux retours du week-end prolongé. L'attente a parfois atteint plus de 80 minutes. À cet égard, la police fédérale expliquait que cette situation était notamment due à l'afflux important de voyageurs lié en l'occurrence à la période du long week-end et à l'arrivée simultanée de plusieurs vols internationaux. Soit, on sait que cette situation se répète depuis plusieurs mois, pas uniquement en périodes de vacances ou de longs week-ends.

Vendredi dernier, le directeur de la police aéronautique aurait envoyé une communication interne au personnel de Brussels Airport dans laquelle il demande d'assouplir les contrôles aux frontières à l'aéroport de Bruxelles-National lorsque l'affluence y est élevée. Or, des informations qui ressortent de cette note, celle-ci ne semble pas conforme aux lignes directrices en vigueur. Par ailleurs, monsieur le ministre, on apprend que le directeur en question a démissionné de ses fonctions hier parce qu'il ne peut plus exercer ses fonctions "de manière sereine et adéquate". On ne sait pas trop ce que cela veut dire.

Monsieur le ministre, aviez-vous connaissance de cette note interne? Celle-ci est-elle la conséquence du manque d'effectifs à l'aéroport de Bruxelles-National?

Pouvez-vous faire le point sur les effectifs actuels de la police aéronautique des six aéroports Schengen que compte notre pays? Dans quelle mesure le cadre est-il actuellement rempli? Des recrutements sont-ils prévus ou en cours?

Concernant les deux principaux aéroports du pays, Bruxelles-National et Charleroi Bruxelles-Sud, quels moyens humains mais aussi matériels ont-ils été mis en œuvre pour éviter de telles files? Qu'en est-il des portiques automatiques commandés à l'époque par le ministre Jambon et qui ont malheureusement rencontré de nombreux défauts techniques depuis leur mise en œuvre? Leur remplacement était d'ailleurs prévu à partir de 2023. Qu'en est-il?

Enfin, monsieur le ministre, dans quelques semaines, une grande majorité des Belges partiront sans doute en vacances. Dans cette perspective, des dispositions seront-elles prises?

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, ik heb een interpellatieverzoek ingediend over deze onverkwikkelijke zaak, eerst en vooral omdat flagrante schendingen van onze veiligheidsprotocollen nooit te verantwoorden zijn, laat staan dat ze verantwoord zouden worden door commerciële redenen. Ik wil dan ook benadrukken dat de recente onthullingen over de versoepeling van grenscontroles op de luchthaven van Zaventem zeer zorgwekkend waren. Bij de luchtvaartpolitie van Brussel-Zaventem is vorige week intern commotie ontstaan nadat de directeur van de luchtvaartpolitie zijn korps het bevel had gegeven om artikel 9 van de Schengengrenscode structureel en preventief toe te passen bij de aankomstzone.

Artikel 9 van de Schengengrenscode bepaalt dat grenscontroles aan de buitengrenzen alleen in buitengewone en zeer onvoorziene omstandigheden tijdelijk kunnen worden versoepeld, dit alleen na maximale inzet van alle beschikbare middelen. De beslissing tot versoepeling moet bovendien worden genomen door de bevelvoerende grenswachter ter plaatse en mag niet systematisch of preventief worden toegepast.

De bedoeling van deze instructie was om wachtrijen te vermijden, ook wanneer er geen sprake is van onvoorziene omstandigheden of capaciteitsoverschrijding. Uit de interne communicatie bleek bovendien dat het debat over deze toepassing "gesloten is verklaard". Uiteraard snoert men zo onze agenten op het terrein de mond. De klokkenluiders hebben daarop zowel mijzelf als de pers gecontacteerd. Dat mag eigenlijk niemand verbazen, want dit kan absoluut niet door de beugel. Het is volstrekt onwettig en volledig onverantwoord.

Drukte op de luchthaven is geen geldige reden om grenscontroles te verzwakken. Op die manier geeft men een duidelijk signaal: wie slechte bedoelingen heeft of valse papieren gebruikt, hoeft alleen maar op een druk moment aan te komen en wordt zonder meer tot het land en de hele Schengenzone toegelaten. De gevolgen van deze beslissing voor de veiligheid zijn immens. Dat weet u, mijnheer de minister.

De klokkenluiders hebben dit kracht bijgezet, want concreet zouden met de huidige bezetting en de structurele toepassing dagelijks minstens 2.000 à 2.500 passagiers passeren, de zogenaamde derdelanders, die niet aan veiligheidscontroles en inreisvoorwaarden tot de Schengenzone worden onderworpen.

Als dit blijvend zou worden gehandhaafd tijdens de zomerperiode, dan spreken we over 6.000 tot 8.000 passagiers. Ook de vakbonden trekken terecht aan de alarmbel. De luchthaven investeert en breidt uit, maar met de veiligheidsdiensten wordt daarover hoegenaamd geen overleg gepleegd. De noodkreet van de luchtvaartpolitie op het terrein om versterking krijgt geen gehoor.

Mijnheer de minister, het is een oud zeer. Men kampt immers al decennia met personeelstekorten en men is aangewezen op een handvol controleboxen voor paspoortcontroles. Er worden meer controlepunten en extra personeelsleden beloofd, maar die komen er nooit.

Intussen zijn er alweer een aantal dagen verstreken en de situatie werd alleen erger. Na de hele saga die vorige week begon, vond de directie van de luchtvaartpolitie het blijkbaar ook nodig om de politievakbonden ervan te beschuldigen valse informatie te verspreiden. Iedereen die het wou het weten had nochtans de mail in handen waarin zwart op wit werd aangetoond dat de directeur van de luchtvaartpolitie om een versoepeling van artikel 9 had gevraagd. Dat is ontoelaatbaar en het verziekt de sfeer binnen de politie.

Ik ben dan ook verheugd gisterenavond vernomen te hebben dat de directeur van de luchtvaartpolitie zijn verantwoordelijkheid heeft genomen en zijn ontslag heeft aangeboden. In de pers lees ik dat men op zoek is naar een geschikte opvolger.

Ik veronderstel, zoals u trouwens al hebt verklaard, dat het versoepelen van artikel 9 ook voor u onmogelijk door de beugel kan en we dat onmiddellijk zullen blokkeren.

Zal u Brussels Airport Company wijzen op de dringende noodzaak om het aantal grenscontroleposten uit te breiden, zodat bijkomend personeel bij piekmomenten ook effectief kan worden ingezet? U weet, mijnheer de minister, dat er een tekort is aan grenscontroleposten. Om een of andere duistere reden sleept dat dossier al een half jaar aan en wordt er blijkbaar geen vooruitgang geboekt.

Mijnheer de minister, de volgende vraag betreft u. Gaat u extra personeel voorzien voor onze luchthavenpolitie? U hebt daarover tijdens de bespreking van uw beleidsnota en de beleidsverklaring een aantal ballonnetjes opgelaten, maar ik stel vast en hoor ook van mensen op het terrein dat er weinig schot in de zaak komt. Daarvan is eigenlijk nog niets concreets te merken.

Een mogelijke oplossing, mijnheer de minister, is dat er een passende vergoeding, een zogenaamde premie, wordt uitgeloofd voor LPA-agenten. Dat zou perfect wettelijk mogelijk moeten zijn. Dat is trouwens vergelijkbaar met wat andere gespecialiseerde politie-eenheden, zoals de cavalerie, ontvangen. Ook zij krijgen dergelijke premies. Het zou misschien soelaas bieden om extra personeel aan te trekken voor de luchtvaartpolitie op onze nationale luchthaven, maar ook in Charleroi en de andere luchthavens, en die zo op korte termijn te versterken.

Ik kijk alvast uit, mijnheer de minister, naar uw antwoorden op deze vragen.

Voorzitter:

De heer Vander Elst is nog niet aanwezig, dus het woord is aan de heer Vandemaele.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, het leek dit weekend wel een klassieke Vlaamse deurenkomedie. Het ene nieuws was nog niet koud of het volgende was er al. Eerst zouden er afgezwakte grenscontroles komen en kort daarna werd er gezegd dat dit helemaal niet waar was. Nog een beetje later kwam het document met de instructie boven water, waarna de federale politie niet anders kon dan zeggen dat het toch een beetje waar was, maar dat ze het toch niet zou doen en het document zou intrekken. Dit weekend was geen toonbeeld van goed bestuur.

Hoe komt het dat, al dan niet tijdelijk, iemand de instructie gaf voor soepeler grenscontroles? Wie had dat beslist? Was dat enkel van toepassing op Brussels Airport of ook op de regionale luchthavens? Ik heb op een schriftelijke vraag het antwoord gekregen dat er tussen 06.00 uur en 22.00 uur douanecontroles zijn in Wevelgem International Airport. Dat is de max, want daar vertrekken op een topdag wel 17 mensen, maar de douane is daar wel aanwezig omdat sommigen die luchthaven koste wat het kost willen openhouden. Was die minder strakke douanecontrole dus ook op die luchthavens van toepassing?

Wat is de huidige instructie? Verloopt de controle opnieuw zoals wettelijk werd bepaald, namelijk dat men gewoon zijn werk moet doen? Hoe zullen we omgaan met de zomerpiek? We weten dat we binnen enkele weken een heel grote piek zullen krijgen. Voor mijn fractie zijn commerciële belangen in ons land duidelijk altijd ondergeschikt aan de veiligheidsbelangen. Er kan daarover geen discussie bestaan, maar als overheid moeten wij ervoor zorgen dat er voldoende voltijdsequivalenten beschikbaar zijn om die controles te doen. Zult u daarvoor zorgen?

Franky Demon:

Mijnheer de minister, afgelopen weekend raakte bekend dat de federale politie een instructie uitstuurde om op basis van artikel 9 van de Schengengrenscode tijdens piekmomenten de paspoortcontroles op de luchthaven van Zaventem te versoepelen. Die mogelijke versoepeling roept ernstige vragen op over de impact ervan op de nationale veiligheid van ons land. Het zou concreet inhouden dat geseinde of veroordeelde criminelen zomaar in het lang en in het breed bij ons binnen kunnen wandelen.

De politiemensen op het terrein en de vakbonden trokken hiervoor terecht aan de alarmbel. Vanuit de directie van de federale politie werd ontkend dat dergelijke instructie bestond. Later moest men toegeven dat er toch een e-mail verstuurd was en dat er intern onderzoek werd opgestart.

Het vertrouwen tussen de vakbonden en de directie was hierdoor ernstig verstoord. Het ACV diende een stakingsaanzegging in, maar trok die opnieuw in, nadat de directie haar communicatie had bijgestuurd. Intussen raakte bekend dat de directeur van de luchtvaartpolitie naar aanleiding van de heisa opstapt. De federale politie verklaarde dat hij zijn functie niet langer op een geschikte en serene wijze kan uitoefenen.

Ja, mijnheer de minister, de luchtvaartpolitie kampt al een hele tijd met een personeelstekort. In de vorige legislatuur is al geprobeerd om extra personeel toe te voegen. Maar de krapte blijft. Laat ik duidelijk zijn: op de veiligheid van de luchthavenbezoekers en van het personeel mag niet bespaard worden.

Kunt u bevestigen dat de instructie waarvan sprake, definitief niet toegepast is of zal worden? Kunt u toelichting geven bij uw zomerplan om de luchtvaartpolitie op de luchthaven van Zaventem de komende maanden te versterken? Welke concrete maatregelen zult u nemen om de komende maanden lange wachtrijen te voorkomen? Kunt u garanderen dat er op geen enkel moment ingeboet zal worden op de bescherming van de nationale veiligheid?

In welke bijkomende maatregelen voorziet u om op langere termijn het personeelstekort bij de luchtvaartpolitie aan te pakken? Hoe verklaart u de communicatie van de federale politie, waarin het bestaan van de instructie eerst ontkend werd en nadien toch werd bevestigd?

Het vertrouwen tussen de vakbonden en de directie van de luchtvaartpolitie is mijns inziens deels geschaad. Welke maatregelen zult u nemen om de vertrouwensband te herstellen en sociaal overleg weer een kans te geven? Plant u zelf ook een overleg met de vakbonden?

Maaike De Vreese:

Mijnheer de minister, het is niet de eerste keer dat we het in onze commissie over de grenscontroles op onze luchthaven in Zaventem hebben. Jammer genoeg zien we daar bij piekmomenten zeer lange wachtrijen. De grenscontroles duren veel te lang. Dat is niet alleen economisch schadelijk, maar ook nefast voor het imago van onze luchthaven.

Plots gaat dan de instructie rond om toepassing te maken van artikel 9 van het Schengenverdrag, met als doel over te gaan tot soepelere controles aan de grens. Dat is natuurlijk absoluut niet de oplossing. Veiligheid moet altijd prioritair zijn. De rest is daaraan ondergeschikt. Als de politie de grens niet langer op een degelijke manier controleert en personen die voor ernstige feiten gesignaleerd staan, dus ongehinderd het land binnen kunnen, is zij toch niet goed bezig op het vlak van veiligheid, laat staan dat zij iets doet aan de toename van illegalen. Dan neemt zij haar taak niet au sérieux.

We hebben de saga uitgebreid kunnen volgen in de pers, tot en met het ontslag van de directeur. Er loopt ook een intern onderzoek naar de precieze feiten. Er zijn wel degelijk inspanningen geleverd om de capaciteit uit te breiden, maar de uitbreiding is slechts gedeeltelijk uitgevoerd; Wij blijven ook tijdens deze legislatuur inzetten op de versterking van de LPA, omdat we willen dat niet alleen onze nationale luchthaven, maar ook de andere luchthavens vlot grensverkeer garanderen.

Mijnheer de minister, kunt u bevestigen dat er een intern onderzoek loopt? Wat is er volgens u precies gebeurd? Hebt u zelf de instructie gegeven om de controles te versoepelen? In de pers lees ik van niet, maar kunt u dat hier nogmaals bevestigen in de commissie? Helaas lopen wij telkens weer een stuk achter de feiten aan.

Was de uitgestuurde instructie conform de geldende richtlijnen? Werd het artikel nog ingeroepen en wanneer dan precies? Hoe zit het in andere luchthavens? Hoe zit het met Schengengrenscontroles op andere locaties? In Brussel-Zuid voert de spoorwegpolitie ook grenscontroles uit. Hoe zit het daar met de personeelscapaciteit en de wachtrijen? Hoe wordt daar omgegaan met de piekmomenten?

U komt binnenkort met een zomerplan. Hoe zult u de komende zomerpieken opvangen? Bestaat daarvoor een specifiek plan, bijvoorbeeld voor Zaventem of voor Brussel-Zuid? Kan er eventueel geschoven worden met personeel? Hoe verhouden de personeelscapaciteiten zich tot elkaar en is het mogelijk om te schuiven of net niet? We moeten natuurlijk wel vermijden dat we de problemen gewoon verschuiven van de ene locatie naar de andere.

In hoeveel extra personeel voor de LPA werd er de voorbije vier jaar voorzien en hoeveel kwam effectief in dienst? Met welke maatregelen zult u ervoor zorgen dat de ambities bij de LPA ook daadwerkelijk worden waargemaakt?

De directeur heeft ontslag genomen. Ik veronderstel dat er intussen een waarnemend directeur werd aangesteld. Hoe verloopt de verdere procedure? Ik denk dat er zo snel mogelijk een goede chef aan het hoofd moet komen om orde op zaken te stellen.

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de minister, zoals mevrouw De Vreese al aangaf, ook al heb ik mijn vraag nog maar een week geleden ingediend, door de media-aandacht en het feit dat er intussen al heel wat is gebeurd, is zij enigszins achterhaald. Dat betekent niet dat het onderwerp minder belangrijk is geworden. De wachtrijen op de luchthaven van Zaventem vormen niet alleen een veiligheidsprobleem, ze schaden ook het imago van Brussels Airport, de toegangspoort tot onze hoofdstad en tot het hart van Europa.

We moeten er dus alles aan doen om de veiligheid op Brussels Airport te garanderen, zodat alles daar veilig en efficiënt kan verlopen. Het probleem is niet nieuw. Het sleept al jaren aan. Heel wat ministers, zeker de vorige, hebben al gezegd dat ze het probleem bij de luchtvaartpolitie zouden oplossen, dat er extra in geïnvesteerd zou worden en dat er extra personeel zou worden aangeworven, maar het blijft een pijnpunt. Ik denk dat daar de sleutel ligt. Ik veronderstel dat ook u ervan overtuigd bent dat we opnieuw in de luchtvaartpolitie moeten investeren en ervoor moeten zorgen dat daar voldoende personeel beschikbaar is.

Afgelopen weekend zijn een aantal opmerkelijke dingen gebeurd. Zo werd ervoor gekozen soepeler om te gaan met de grenscontroles bij een grote toeloop van passagiers. Het befaamde artikel 9 van het Schengenverdrag werd daarvoor ingeroepen. Dat artikel voorziet in een versoepeling van de grenscontroles bij onvoorziene omstandigheden. Dat is het principe van artikel 9 van het Schengenverdrag, maar ik denk niet dat dat de juiste oplossing is. Ik vermoed dat u daar hetzelfde over denkt.

We mogen de veiligheid niet in het gedrang brengen, ook niet als er lange wachtrijen ontstaan. De veiligheid moet continu gegarandeerd zijn, ook op Brussels Airport. Daarom heb ik drie vragen.

Ten eerste, bent u het met mij eens dat artikel 9 van het Schengenverdrag op het ogenblik niet kan worden ingeroepen door de luchtvaartpolitie? Hoe zult u dat realiseren?

Ten tweede, mijn vraag of u nog overleg met de directeur plant, is intussen zonder voorwerp, aangezien hij ontslag heeft genomen. Maar hoe zult u dan in overleg gaan met de luchtvaartpolitie, opdat de controles opnieuw ordentelijk verlopen en de situatie in orde komt?

Ten derde, hoe zult u het personeelstekort bij de luchtvaartpolitie op korte termijn oplossen, zodat de controles op onze luchthaven opnieuw veilig kunnen worden georganiseerd?

Voorzitter:

Zijn er collega's die wensen aan te sluiten bij dit actualiteitsdebat? (Neen)

Bernard Quintin:

Madame et messieurs les représentants, je vous remercie pour vos questions qui comportent, comme cela apparaît clairement, trois éléments essentiels: la sécurité nationale, le strict contrôle frontalier, notamment pour lutter contre l’immigration illégale, et la qualité du service aéroportuaire aux entrées internationales de notre pays, plus singulièrement à Bruxelles-National – un point qui, vu mon passé récent, me tient particulièrement à cœur.

Je tiens également à préciser, en guise d’introduction, qu’il n’existe, dans mon esprit comme dans mes actions, aucune contradiction entre les intérêts économiques et la sécurité, les deux devant aller de pair.

Il est un fait que la police aéronautique, et plus particulièrement l’entité de l’aéroport de Bruxelles-National, souffre depuis de nombreuses années d’un déficit capacitaire structurel. Le déficit capacitaire actuel global de la direction de la police aéronautique (LPA) s'élève à 16 %. Ce dernier se concentre essentiellement sur Bruxelles-National où il atteint les 23 %, ce qui signifie que l'on compte 408 agents au lieu des 534 prévus au cadre. Je pourrais peut-être vous envoyer les informations concernant le reste des effectifs, mais je peux déjà vous dire que le déficit à Deurne est de 22 %, avec 17 agents au lieu de 22. Nous constatons évidemment que la proportion est très différente en termes de possibilité d’affecter le personnel là où il est nécessaire.

Voor een internationale luchthaven als Brussel-Nationaal, die een onmisbare schakel vormt in het geïntegreerde grensbeheer, is het noodzakelijk dat de luchtvaartpolitie over voldoende capaciteit beschikt om al haar taken uit te voeren. Daarom zal ik de luchtvaartpolitie en haar uitrusting versterken. Dat is nodig om in te spelen op de veranderende aard van de activiteiten op luchthavens, de toename van het aantal vluchten buiten de Schengenzone en de stijging van het aantal passagiers.

Ik ben trouwens op 9 mei ter plaatse geweest om toe te lichten wat we zullen doen voor de luchtvaartpolitie, haar personeelsbezetting en de uitrusting waarmee zij moet werken met het oog op het identificeren van elke passagier, het controleren van alle mogelijke internationale signaleringen en het nagaan van het verblijfsrecht en de geldigheidsduur van de verblijfstitels van personen.

Zoals aangegeven in mijn algemene beleidsnota, zijn er aanvullende begrotingsmiddelen vrijgemaakt. Ondanks talrijke rekruteringsacties blijft het aantal Nederlandstalige kandidaten dat zich via mobiliteit en externe rekrutering bij de LPA op Brussel-Nationaal aandient echter ontoereikend. Er worden eventueel bijkomende maatregelen genomen en versterkt om aan de behoeften van de luchtvaartpolitie te voldoen.

Het eentalig karakter van de functies bij de luchtvaartpolitie op Brussel-Nationaal is een knelpunt dat de verantwoordelijke voor de rekrutering al jarenlang vaststelt. In dat kader heeft de federale politie, naast initiatieven op het vlak van rekrutering, ook een proefproject getest. Momenteel wordt nauwkeurig onderzocht welk kader het best aansluit bij de internationale realiteit van de luchthaven, met strikte inachtneming van de regels.

Wat de grenscontrole betreft, naast de rekrutering van nieuwe politiemensen en de versterking van de opleiding, zodat politiemensen bevoegd zijn voor zowel grenscontrole evenals repatriëring als escorteur, heb ik ook het koninklijk besluit gefinaliseerd ter uitvoering van de Frontexwet, die een jaar geleden, in mei 2024, werd aangenomen. Dat koninklijk besluit is intussen gepubliceerd en heeft ons in staat gesteld om Europese steun aan te vragen in de vorm van Frontexagenten, met name voor Brussel-Nationaal. Dat gebeurt ter ondersteuning en onder leiding van onze politiemensen.

En outre, pour les équipements, des portiques automatiques – les eGates – qui accompagnent le travail de la LPA ont bien été installés à l'aéroport de Bruxelles-National où ils sont opérationnels. Précisément, 18 eGates sont actifs aux arrivées – dont six pour les transferts intra-Schengen – et 18 sont actifs aux départs. Ils ont également été installés à l'aéroport de Charleroi Bruxelles-Sud ou ils sont au nombre de 12, soit 6 aux arrivées et 6 aux départs.

U begrijpt dat dit een van mijn prioriteiten is. Het regeerakkoord voorziet in een verscherping van de waakzaamheid aan onze internationale toegangspoorten. Ik ben daarmee nu al enkele weken bezig om een antwoord te bieden op die structurele uitdaging, ook op heel korte termijn, zodat we een oplossing kunnen vinden voor de situatie tijdens de drukke zomer- en vakantieperiodes.

Om de zomerpieken op te vangen, werkt de federale politie momenteel aan een specifiek versterkingsplan, zodat er voldoende capaciteit is om alle nodige controleposten te bemannen op de zogenaamde oranje en rode dagen. Dat versterkingsplan is nu beslist en zal binnen twee weken in werking treden. Zo wordt de wachttijd aan die posten beperkt en wordt een strikte en volledige grenscontrole gegarandeerd. Dat moet ook het geval zijn in moeilijke omstandigheden, zoals bij vluchtvertragingen die gevolgen hebben voor het vertrek van een andere vlucht buiten de Schengenzone.

Dat afgerond plan omvat capaciteiten die moeten voldoen aan de strenge veiligheidseisen, maar tevens moeten zorgen voor een goed onthaal van de passagiers op Brussel-Nationaal. Dat vereist overigens een gezamenlijke en gecoördineerde aanpak met de uitbater van de luchthaven, die de vluchtplanningen en vooral de dagelijkse wijzigingen moet doorgeven. Bovendien moet worden opgemerkt dat de uitbater ook verantwoordelijk is voor de controle van passagiers en hun bagage. Ik herhaal dat het dus om een gezamenlijke taak gaat en dat er regelmatig overleg plaatsvindt dat op dit niveau nog moet worden versterkt.

Wat betreft het intern onderzoek dat door de directie van de federale politie werd ingesteld naar aanleiding van de richtlijnen die vorige week in Brussel-Nationaal zouden zijn gegeven voor de grenscontrole, heeft de federale politie mij zondag laten weten dat een intern onderzoek wordt ingesteld naar het beheer van de controles. Dinsdag heeft ze mij meegedeeld dat de directeur zijn functie heeft neergelegd en dat een vervanger zal worden aangeduid. Ik geef verder geen commentaar op die individuele situatie, die onder de verantwoordelijkheid van de federale politie valt.

Het spreekt voor zich dat wij ervoor zorgen dat alle passagiers van buiten de Schengenzone systematisch aan een strikte grenscontrole worden onderworpen, met inachtneming van de geldende regels in het kwalitatief kader en via een duidelijk en transparant teammanagement voor de politiemensen van de LPA.

Op heel korte termijn zullen de diensten dus in staat zijn om het zomerplan voor Brussel-Nationaal af te ronden en te implementeren. Dat plan is essentieel in het licht van wat we al veel te lang vaststellen op onze internationale luchthaven Brussel-Nationaal, wat een negatieve invloed heeft op het imago van ons land. Het is ook een belangrijk element van onze economische en commerciële aantrekkingskracht, naast de prioriteit op het vlak van veiligheid en de strijd tegen illegale immigratie.

Pour être tout à fait précis, il est évident que l'article 9 – qui est très utile et important dans le cadre de Schengen – doit répondre à ce à quoi il doit répondre, c'est-à-dire des situations tout à fait exceptionnelles.

L'exemple que j'ai pris ces derniers jours, c'est le début de la guerre d'invasion de la Russie contre l'Ukraine. Face à un afflux à vos frontières de dizaines voire de centaines de milliers de personnes, il est évident qu'à ce moment-là, il faut ouvrir les frontières et faire les contrôles à l'arrière des frontières eu égard à la pression qui est exercée. C'est cela, l'esprit de l'article 9. Il ne peut en aucun cas être invoqué s'il y a une pénurie de personnel. Je n'étais pas informé de cette communication interne qui avait été donnée par le directeur, qui a tiré pour lui-même et pour son service les conséquences de cette situation.

Je souhaite insister sur le fait qu'il est pour moi – en fonction de ma qualité de ministre de la Sécurité et de l'Intérieur mais aussi d'ancien ministre des Affaires étrangères et d'ancien diplomate – évidemment très important que ces questions de files, qui peuvent parfois durer jusque trois heures, soient vraiment résolues. Je peux vous assurer que c'est un point très important dans ma politique pour toutes les raisons que je vous ai données.

Ridouane Chahid:

Monsieur le ministre, merci pour vos réponses assez précises et assez franches. Je suis aussi intéressé par les chiffres que vous avez donnés sur les effectifs. Pourraient-ils être envoyés à toute la commission?

J'entends que vous allez procéder à des recrutements et à un renforcement des contrôles. Nous sommes évidemment d'accord pour dire que la sécurité, surtout aux entrées des aéroports, doit être garantie. Elle ne peut pas être négociable. Il n'y a pas de discussion là-dessus.

J'entends aussi que la note est une initiative personnelle du directeur, qui en a tiré les conséquences. Je pense cependant que s'il a pris l'initiative de le faire, c'est parce que son service était dépassé par les événements et qu'il n'était plus en mesure d’assurer les missions légales qui étaient les siennes, en faisant en sorte que les contrôles soient faits. En soi, c’est une grave erreur. Je dis encore une fois qu'il a tiré les conséquences lui-même de cette erreur.

Je pense que, politiquement, nous devons aussi réfléchir à ce qu'un directeur ne puisse plus prendre cette initiative parce qu'il est en manque d'effectifs et parce qu'il se dit qu'il ne va pas pouvoir assurer les missions légales qui sont les siennes.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw duidelijke antwoorden. Een aantal antwoorden heb ik echter gemist.

Om te beginnen sluit ik me aan bij de vorige spreker. Het zal inderdaad van het grootste belang zijn om het effectieve aantal luchtvaartpolitieagenten op onze luchthavens te versterken en dat zou op zeer korte termijn moeten gebeuren. Verschillende collega's hebben ernaar verwezen: de zomervakantie komt eraan en wij kunnen het ons echt niet meer veroorloven om daarmee te talmen. U verwijst deels naar de taalvereiste, wat een probleem zou zijn. Ik zou u toch willen vragen om dat in acht te nemen. Het moet toch mogelijk zijn om voldoende tweetalig personeel te voorzien om de veiligheid te waarborgen.

U hebt ook gesproken over de inzet van Frontex-agenten. Ik kan daar alleen verheugd over zijn. Het gaat inderdaad over derdelanders die ons land binnenkomen en die wel degelijk systematisch gecontroleerd zouden moeten worden.

Het klopt inderdaad, mijnheer de minister, dat er nu 12 boxen zijn op de luchthaven van Brussel. Van de mensen op het terrein verneem ik echter dat dat veel te weinig is. Men kan personeel voorzien om die boxen te bemannen, maar ze volstaan blijkbaar niet om de verwachte grote toestroom op te vangen. Ik hoop dat u niet alleen bij de directie uw oor te luisteren legt, want ik heb daarin momenteel - toch wat de vorige directeur betreft - niet veel vertrouwen meer. Ik hoop dat u wel naar de politieagenten luistert, die uiteindelijk het werk op de vloer moeten uitvoeren.

Ik heb u een oplossing proberen aan te bieden, namelijk de toekenning van een premie om de versterking van de luchtvaartpolitie in een stroomversnelling te brengen. U hebt daar niets over gezegd. Ik hoop, mijnheer de minister, dat u dat toch in overweging zou durven nemen, want we moeten alles op alles zetten om dat effectief personeelskader, waarbij er nu meer dan 100 agenten te kort zijn, zo snel mogelijk in te vullen.

Ik heb naar aanleiding van uw antwoorden ook een motie van aanbeveling ingediend, waarin ik ongeveer hetzelfde vraag als wat ik in mijn uiteenzetting heb toegelicht, namelijk om de grenscontroleposten uit te breiden, de luchtvaartpolitie te versterken en te garanderen dat een dergelijke situatie zich niet opnieuw kan voordoen.

Verder vraag ik om de buitengrenzen veilig te houden en daarvan een prioriteit te maken binnen het veiligheidsbeleid.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, uw veiligheidsbeleid valt of staat natuurlijk met de buitengrenzen. We kunnen daar niet op toegeven. Ik meen dat het heel belangrijk is voor onze veiligheid dat we ze strikt blijven controleren.

Ik hoorde u op een bepaald moment zeggen dat u over wat er afgelopen weekend in Zaventem gebeurd is niet veel commentaar meer kunt geven en dat dit de federale politie toekomt. U bent baas van de federale politie. Ik ben fan van ministers en regeringen die toch een beetje daadkracht uitstralen. Ik meen dus dat u die mannen moet berispen. Ze maken ons land belachelijk, ze maken de politie belachelijk en ze spelen met onze veiligheid. Ik meen dat we dat niet zomaar blauwblauw mogen laten. Ik hoop dat u, minstens intern, hard op tafel hebt geklopt en dat u gezegd hebt dat het nu wel genoeg is met dat soort onnozelheden.

U verwees ook naar de exploitant van de luchthaven. Nu, de luchthaven van Zaventem exploiteren is zeer lucratief. Er worden tonnen geld verdiend met de exploitatie van de luchthaven. Het is voor de exploitant van de luchthaven dus maar een heel kleine moeite om budgetten vrij te maken en de nodige inspanningen te doen. Klop maar hard op tafel. Ze kunnen daar heel mooie plannetjes maken over hoe de luchthaven er over 20 jaar moet uitzien, maar de exploitant heeft nu ook verantwoordelijkheden. Die moet nu ook ingrijpen. Ik hoop dus dat u daarop aandringt.

Ik hoorde u zeggen dat er vandaag 126 voltijdsequivalenten te kort zijn. Hoe u dat tekort op korte termijn zult oplossen, met de zomervakantie voor de deur, zie ik niet. Ik weet niet hoe het moet, maar ik wens u er veel succes mee. Ik hoop dat het lukt. Anders komen we nog meer in de problemen.

Het wordt een klassieker van mezelf, maar het feit dat we voor zotternijen als Deurne en Wevelgem capaciteit moeten vrijmaken, voor bodemloze putten waar niets gebeurt, stoort me. U zou kunnen zeggen: weet u wat Vlaanderen, als u dat soort zotternijen nog wil, doe het dan zelf. Wij hebben de middelen niet meer. We hebben de capaciteit niet meer. We focussen op luchthavens die rendabel zijn en die een toekomst hebben. Dat is een suggestie van mijn kant.

Franky Demon:

Bedankt, mijnheer de minister. Ik begrijp het probleem. Het personeelsprobleem is immers al enkele jaren oud. Het kader staat open; het komt erop aan om mensen te vinden.

Ik volg de heer Depoorter, die aangeeft dat tweetaligheid de voorkeur geniet. Ik zal echter eerlijk zijn: nood breekt wet. Als het nu mensen zijn die uitsluitend Nederlands of uitsluitend Frans spreken – het zal waarschijnlijk eerder dat laatste zijn, dan zou ik uitzonderlijk toelaten dat zij worden ingezet. Onze veiligheid gaat immers boven alles. Liefst hebben we natuurlijk tweetalige mensen, maar als het niet anders kan...

Ik vind wel dat die poortjes goed functioneren op Zaventem. Als we echter kijken naar de zomerperiode – u zegt dat er rode en oranje dagen zijn – zou ik er toch ook voor pleiten om die dagen door te trekken naar het begin van de lente-, herfst- en krokusvakantie. Ook dan staan er immers lange wachtrijen. We stellen ook elke zomer opnieuw vast dat hetzelfde probleem zich voordoet. Laat ons dus vermijden dat we volgend jaar opnieuw in die situatie terechtkomen en laten we ook voorbereid zijn op onder andere de kerstperiode.

U hebt niet geantwoord op de vraag over de relatie met de vakbond. Ik heb Joery Dehaes van het ACV een aantal keer op het journaal gehoord. Het is belangrijk om die contacten goed te onderhouden. Er kunnen immers acties komen. Die mensen trekken alleen aan de alarmbel als het echt nodig is, want ze weten wat er op dat moment platgelegd wordt: het economische hart van ons land. Ik denk dat we elkaar daarin moeten vasthouden en dat die gesprekken moeten blijven doorgaan.

Ik wens u dus heel veel succes met de moeilijke opdracht om het personeelskader in te vullen.

Maaike De Vreese:

Bedankt, minister, voor uw uitgebreide antwoord. U gaf aan dat u de cijfers over de personeelsbezetting nog zult doorsturen. Ik heb evenwel geen echt antwoord gekregen op mijn derde vraag, over de personeelscapaciteit in Brussel-Zuid en bij de spoorwegpolitie. Dat antwoord mag mij echter gerust schriftelijk worden bezorgd.

Het is goed dat u volop inzet op de uitbreiding van die capaciteit en dat u mensen van Frontex aan onze grens wenst in te zetten. We mogen echter ook niet vergeten dat we voor enorme uitdagingen staan op het vlak van escortes. Er is immers eveneens een probleem om voldoende escorteurs te vinden om terugkeeropdrachten voor illegale vreemdelingen uit te voeren. Ook daarop wil deze regering inzetten. Het komt er dus op aan mensen te vinden – goede mensen, Nederlandstalige mensen – die ook op de luchthaven willen werken.

Het beheersen van de Nederlandse taal is wel belangrijk op de luchthaven van Zaventem in Vlaanderen. Zijn dat mensen die tweetalig zijn, dan is dat des te beter. Zijn ze drietalig, dan is dat nog beter. Voor mij mogen ze tien talen spreken. Dat zijn mensen met enorme capaciteiten. Op een internationale luchthaven kan dat alleen een meerwaarde betekenen voor de werking en de professionaliteit van onze politie.

U sprak ook over het interne onderzoek. Ik vraag me af of wij, zodra dat onderzoek is afgerond, ook het verslag daarvan zullen ontvangen dan wel of wij dat dan apart moeten opvragen. Dat interesseert ons uiteraard ook.

Ik hoop dat de zomerpiek kan worden opgevangen en dat u structurele maatregelen zal treffen om de problemen aan onze grens op te lossen.

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw heel uitgebreide en duidelijke antwoord.

Ik ben blij dat u in dit verband de deur sluit voor het gebruik van artikel 9. Het imago van de luchthaven is belangrijk. Het is ook belangrijk dat grenscontroles snel en efficiënt verlopen. Dat mag echter nooit ten koste gaan van de veiligheid op de luchthaven. Dat mag er ook nooit toe leiden dat de veiligheidsgaranties op Brussels Airport versoepeld worden. Het garanderen van de veiligheid blijft de eerste prioriteit, ook op onze nationale luchthaven.

Het zomerplan komt eraan. Dat is goed. U hebt het koninklijk besluit inzake de inzet van extra Frontex-agenten blijkbaar uitgevaardigd. Dat is ook goed.

Er zijn echter structurele en langetermijnmaatregelen nodig, met name voor het wegwerken van de tekorten bij de LPA. U sprak over een tekort van 23 % op Brussels Airport, wat bijzonder veel is. Dat betekent dat de werking helemaal in het gedrang komt en dat het wel werkende personeel op zijn tandvlees zit. Dat kan niet anders. Het is dus hoog tijd dat daaraan iets gebeurt en dat er een inhaalbeweging komt.

U sprak ook over een proefproject rond het internationale karakter van de luchthaven. U hoeft daar nu niet op te antwoorden. Ik zal daarover een bijkomende vraag indienen om te vernemen hoe dat precies in elkaar zit en wat de finaliteit daarvan is, want ik had er nog niets over vernomen. Hopelijk brengt dat zoden aan de dijk. De prioriteit moet nu echter zijn om zo snel mogelijk personeel te vinden, zodat de problemen niet elke vakantie terugkeren.

Moties

Motions

Voorzitter:

Tot besluit van deze bespreking werden volgende moties ingediend. En conclusion de cette discussion, les motions suivantes ont été déposées. Een motie van aanbeveling werd ingediend door de heer Ortwin Depoortere en luidt als volgt: "De Kamer, gehoord de interpellatie van de heer Ortwin Depoortere en het antwoord van de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, belast met Beliris, - overwegende dat Zaventem een belangrijke internationale toegangspoort is voor reizigers; - overwegende dat we ais Europese lidstaat de plicht hebben om de gedeelde Schengen-grens te bewaken en te beschermen; - overwegende dat Zaventem en Brussel reeds gruwelijke terreuraanslagen te verwerken kregen; - overwegende dat een land het aan haar burgers verplicht is om de veiligheid te garanderen, ook van buitenaf; vraagt de regering - het aantal grenscontroleposten uit te breiden op de luchthaven van Zaventem, in lijn met de uitbreidingsplannen van de luchthaven zelf; - de luchtvaartpolitie te versterken teneinde wachtrijen te kunnen vermijden en de veiligheid te kunnen garanderen; - na te gaan hoe deze gang van zaken betreffende de versoepeling van grenscontroles kon gebeuren, alsook wie daarvan weet had; - te garanderen dat dit in de toekomst niet opnieuw kan gebeuren en van veilige buitengrenzen een prioriteit te maken binnen het veiligheidsbeleid. " Une motion de recommandation a été déposée par M. Ortwin Depoortere et est libellée comme suit: " La Chambre, ayant entendu l'interpellation de M. Ortwin Depoortere et la réponse du ministre de la Sécurité et de l’Intérieur, chargé de Beliris, - considérant que Zaventem est une porte d'entrée internationale majeure pour les voyageurs; - considérant qu'en notre qualité d'État membre européen, nous avons le devoir de surveiller et de protéger la frontière commune de l'espace Schengen; - considérant que Zaventem et Bruxelles ont déjà dû endurer d'horribles attentats terroristes; - considérant qu'un pays a le devoir d'assurer la sécurité de ses citoyens, en ce compris leur sécurité extérieure; demande au gouvernement - d'augmenter le nombre de postes de contrôle frontaliers à l'aéroport de Zaventem, conformément aux projets d'expansion de l'aéroport lui-même; - de renforcer la police aéronautique afin de pouvoir éviter les files d'attente et garantir la sécurité; - d'examiner comment cette situation et l'assouplissement des contrôles frontaliers ont pu se produire, et qui en avait connaissance; - de garantir que cela ne pourra plus se reproduire à l'avenir et de faire de la sécurisation des frontières extérieures une priorité de la politique de sécurité. " Een eenvoudige motie werd ingediend door mevrouw Victoria Vandeberg. Une motion pure et simple a été déposée par Mme Victoria Vandeberg . Over de moties zal later worden gestemd. De bespreking is gesloten. Le vote sur les motions aura lieu ultérieurement. La discussion est close.

De radicalisering binnen onze politie

Gesteld door

lijst: VB Sam Van Rooy

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 11 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sam Van Rooy kaartte een mogelijke jihadistische politieagente (met pro-Hamas/boerkaboodschappen op sociale media) aan en vraagt of zulk extremisme binnen de politie wordt getolereerd, wijzend op risico’s van radicalisering door "diversiteitsdogma’s". Minister Quintin bevestigt een lopend tucht- en strafonderzoek naar de zaak en benadrukt dat neutraliteit verplicht is, maar vermijdt structurele antwoorden. Van Rooy eist een breed onderzoek naar sharia-/jihadsympathieën bij agenten, linkend aan corruptiecijfers en kritiek op De Wevers "te blank" politie-uitspraak. De kwestie blijft onopgelost, met een afwachtende houding van de minister.

Sam Van Rooy:

Mijnheer de minister, op twee foto's die ik u ook heb bezorgd, is een streng gehoofddoekte moslima te zien, die een jas van de federale politie draagt. In die outfit verspreidt zij als influencer met talloze volgers op sociale media een jihadistische boodschap en een boodschap pro Hamas.

Mijn vraag is evident. Is die moslima in dienst van onze politie? Zo ja, kan zo iemand in dienst blijven? In welke mate is er volgens u sprake van radicalisering en islamisering bij onze politiediensten? Hoe verloopt precies de screening naar radicalisering van politieagenten? Mag een politieagent een boodschap pro Hamas verkondigen? Mag een politieagent een boodschap verkondigen dat hij of zij pro sharia of pro jihad is?

Bernard Quintin:

Mijnheer Van Rooy, de federale politie is op de hoogte van de informatie en foto's. Momenteel wordt nagegaan of het hier effectief over een personeelslid gaat. Er kan immers ook veel worden gedaan met behulp van artificiële intelligentie.

Van elke politieambtenaar wordt, conform de deontologische code van de politiediensten, een strikte neutraliteit en onpartijdigheid verwacht. Indien hieraan afbreuk wordt gedaan, kan er een tuchtonderzoek dan wel een strafrechtelijk onderzoek volgen. Ik heb vernomen dat er zowel een klacht- als een strafonderzoek werd opgestart en wacht met vertrouwen het resultaat hiervan af.

Sam Van Rooy:

Mijnheer de minister, dat is heel goed. Ik ben benieuwd naar het resultaat van dat onderzoek.

Uit een Nederlands onderzoek blijkt dat allochtone agenten oververtegenwoordigd zijn in corruptiezaken. Als Antwerpse burgemeester zei eerste minister De Wever "dat het politiekorps te blank is." U hoort het goed, dat waren niet de woorden van de een of andere wokefiguur, maar wel van Bart De Wever. Het is precies dat diversiteitsdogma, dat de infiltratie van jihadisten en jihadistische organisaties, zoals de Moslimbroederschap, en van moslims die sympathie hebben voor de jihad, in onze politie faciliteert.

Het probleem is in wezen veel groter en ook ongrijpbaarder, want hoeveel moslims zijn er eigenlijk in onze politie die sympathie hebben voor de sharia of voor de islamitische jihad van Hamas en co? Ik stel voor dat u daar toch eens een grondig onderzoek naar voert, mijnheer de minister.

Voorzitter:

Vraag nr. 56004914C van de heer Van der Donckt wordt omgezet in een schriftelijke vraag.

De overheveling van beveiligingsagenten
De beveiliging van de nucleaire infrastructuur
Beveiliging van nucleaire infrastructuur en personeel

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 11 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De overdracht van nucleaire sitebewaking van 200 politieagenten (DAB) naar Defensie (gefaseerd vanaf juli 2025) zorgt voor onrust door gebrek aan overleg, verlies van premies en onzekerheid over herplaatsing, terwijl Defensie’s geschiktheid voor deze taak (andere opleiding/mandaat) wordt betwijfeld. Minister Quintin bevestigt het akkoord (10/6) en belooft lopend overleg met vakbonden, maar concrete oplossingen voor sociale gevolgen (mobiliteit, inkomensverlies) of een impactanalyse ontbreken nog. Kwaliteit en veiligheid van de bewaking blijven kritieke vraagpunten, ondanks de politieke steun (Bergers) voor Defensie’s rol bij "kritieke infrastructuur". De overname verloopt stapsgewijs, met herbestemming van agenten naar rechtbankbeveiliging om "meer blauw op straat" te realiseren.

Greet Daems:

Mijnheer de minister, er is veel ongerustheid en onzekerheid bij de Directie Beveiliging ten gevolge van de beslissing, overigens zonder overleg met de vakbonden, dat defensie voortaan de nucleaire sites in Doel, Tihange, Mol en Fleurus zal bewaken, waardoor 200 agenten hun job dreigen te verliezen. De agenten in opleiding hebben namelijk een mail gekregen dat zij voor bijvoorbeeld gevangenentransport of luchthavenbeveiliging moeten kiezen. Hun zes maanden durende opleiding blijkt dus nu nutteloos. Het personeel zelf was, toen ik mijn vraag indiende, nog niet officieel op de hoogte gebracht; er doen wel geruchten de ronde dat zij naar nieuwe teams, vaak ver van huis, zullen worden overgeplaatst. Velen van hen zouden ook hun nacht- en weekendpremies verliezen. De impact is dus niet alleen professioneel groot, maar ook financieel.

Niet alleen de politievakbonden protesteren. Ook bij Defensie is er weinig enthousiasme om die taken over te nemen. Bovendien rijzen er ernstige vragen op operationeel vlak. Militairen hebben een heel andere opleiding, opdracht, en mandaat.

Sinds de indiening van mijn vraag is er wel al een en ander gebeurd. Als ik mij niet vergis, werd het protocol ter zake met Defensie ondertekend en werd de inzet van militairen ook publiek aangekondigd.

Mijn overige vragen blijven wel relevant. Vele betrokkenen blijven immers in onzekerheid. Waarom werd er geen overleg gepleegd met de vakorganisaties?

Wat zijn de resultaten van de impactanalyse of studie naar de gevolgen van de overheveling van de taken?

In welke sociale begeleidingsmaatregelen wordt er voorzien voor de betrokken agenten en het CALog-personeel? Ik denk bijvoorbeeld aan de mobiliteitsvoorwaarden.

Wat betekent de beslissing voor de kwaliteit en de veiligheid van de bewaking aan nucleaire sites, daar militairen een heel andere opleiding genoten hebben en andere consignes hebben dan agenten?

De minister van Defensie sprak over een protocol dat tegen 1 mei gesloten zou worden in afwachting van een permanent juridisch kader. Wat is de inhoud van dat protocol en welke gevolgen heeft het voor het personeel en de bewakingsopdracht?

Is er al een datum bekend voor de overname door Defensie?

Jeroen Bergers:

Mijnheer de minister, de schrapping van de wet op de kernuitstap eindelijk betekent een stap vooruit voor onze energievoorziening, het klimaat en onze kritieke infrastructuur, waaronder de nucleaire infrastructuur, die goed moet worden beveiligd.

Ik was dan ook zeer verheugd toen ik gisteren in de pers het goede nieuws mocht vernemen dat u met minister Theo Francken een akkoord over de beveiliging van de nucleaire sites bereikte. In tegenstelling tot sommige collega’s vind ik het normaal dat onze kritieke infrastructuur door defensie wordt beveiligd. Mijn felicitaties voor dat akkoord.

Ik heb ook gelezen hoeveel personeelsleden daarbij betrokken zouden zijn, dus daar hoeft u voor mij niet verder op in te gaan.

Als u wat meer toelichting kunt geven over de taakverdeling, wie welke opdrachten zal overnemen, dan ben ik u alvast zeer dankbaar, mijnheer de minister.

Bernard Quintin:

Mevrouw Daems, mijnheer Bergers, ik bevestig u dat het protocolakkoord betreffende de hervatting van de bewakingsopdrachten op de nucleaire site door Defensie op dinsdag 10 juni, dus gisteren, rond 13 uur werd ondertekend. De hervatting zal in verschillende fasen verlopen: vanaf 1 juli 2025 voor de nucleaire sites van Tihange en Doel, vanaf 1 december 2025 voor de sites van Mol, Dessel en Geel, en vanaf 1 april 2026 voor de site van Fleurus. De overgang betreft ongeveer 200 personeelsleden van de DAB, alle graden samengenomen. De agenten die momenteel belast zijn met de beveiliging van die sites, zullen voornamelijk worden ingezet om de veiligheidsvoorzieningen van de rechtbanken en hoven van Brussel en Antwerpen te versterken, waar die taken momenteel gedeeltelijk worden uitgevoerd door politie-inspecteurs van het CIK en de DAS-eenheden. Bijgevolg zullen die politie-inspecteurs geleidelijk hun oorspronkelijke taken in hun respectieve diensten kunnen hervatten. Meer blauw op straat is een van de motto’s die ik van collega Van Tigchelt heb overgenomen.

Het overleg met de vakbonden, zowel bij de politie als bij het leger, is aan de gang. Dat geldt ook voor alle aangelegenheden die u hebt aangekaart, mevrouw Daems, waaronder de kwestie van de premies. We zijn aan het onderhandelen.

Ik wil hier van de gelegenheid gebruikmaken om mijn collega, de minister van Defensie, en alle medewerkers van Defensie te bedanken. Ik denk dat het heel belangrijk is dat iedereen samenwerkt voor de veiligheid van België en van de Belgen. Veiligheid belangt iedereen aan. Ik vind het akkoord een goed voorbeeld van samenwerking tussen onze veiligheidsdiensten.

Greet Daems:

Ik dank u voor uw antwoorden.

Jeroen Bergers:

Het is een zeer goede zaak, mijnheer de minister. Bedankt voor uw antwoorden.

Voorzitter:

La question n° 56004917C de M. Dubois est transformée en question écrite, tout comme la question n° 56004918C de M. Kompany. La question n° 56004953C de M. De Smet est retirée. De vragen nrs. 56004957C en 56004958C van de heer Wim Van der Donckt worden omgezet in schriftelijke vragen.

De structurele verwaarlozing van de politie-infrastructuur op de site De Witte de Haelen (Brussel)

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 11 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Quintin bevestigt de ernstige verwaarlozing van de politie-infrastructuur op *Witte de Haelen* (blootliggende bedrading, ratten, niet-functionerende sanitaire voorzieningen) en erkent dat structurele oplossingen dringend nodig zijn, ondanks eerdere deeloplossingen en lopende actieplannen met de Regie der Gebouwen. Hij belooft het dossier prioritair aan te pakken als onderdeel van een breder plan om de aantrekkelijkheid en werkomstandigheden van de politie te verbeteren, maar benadrukt afhankelijkheid van beschikbare middelen. Depoortere dringt aan op onmiddellijke actie en voldoende budget, wijzend op het gebrek aan respect voor veiligheidspersoneel en de noodzaak van een masterplan voor alle verouderde politiegebouwen (o.a. Gent), om veilige werkomstandigheden te garanderen.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, deze mondelinge vraag, over de structurele verwaarlozing van de politie-infrastructuur op de site de Witte de Haelen, klinkt u wellicht bekend in de oren. Ik durfde u de foto's niet door te sturen, maar aangezien ik weet dat u graag op het terrein komt, zou u die site wel eens met eigen ogen moeten zien. Misschien hebt u dat al gedaan?

Wat ik daar aantrof, is echt hallucinant. De plafonds brokkelen af, elektrische bedrading ligt bloot, met gevaar voor elektrocutie, sanitaire installaties functioneren niet meer. Er is slechts één werkende douche voor meer dan honderd personeelsleden en uit sommige lavabo’s kruipen wormen. Onder het gebouw staat water stil, waardoor er ook ratten rondlopen. Het is werkelijk hallucinant.

Dat zou eigenlijk niet mogen gebeuren en toch is het realiteit. Ik ben daar echt door geschokt. Ik hoop dat u evenzeer gechoqueerd bent.

Mijnheer de minister, belangrijk is te vernemen wat u daaraan zult doen. Als ik de mensen hoor die daar gehuisvest zijn, dateren die wantoestanden duidelijk niet van gisteren. Alle gebreken die ik hier opsom, zijn er al jaren. Werd dat dan nooit onderzocht of gesignaleerd? Ik weet dat u nog niet zo lang minister van Binnenlandse Zaken bent, maar heeft geen van uw voorgangers dat ooit opgenomen, laat staan opgevolgd? Werd er nooit gevolg gegeven aan klachten of meldingen?

Is het verantwoord om daar nog personeel te huisvesten? Hebt u een masterplan klaar om die gebouwen op een ordentelijke manier te renoveren? Zoals het er nu aan toe gaat, kan het immers echt niet verder.

Mijnheer de minister, ik hoop dat u mijn bezorgdheden deelt en vooral dat u een oplossing hebt.

Bernard Quintin:

Mijnheer Depoortere, een aantal van de beschreven problemen is inmiddels opgelost, maar de kwesties die nog openstaan, worden momenteel aangepakt door de betrokken partijen om tot passende oplossingen te komen. De federale politie staat in voor de opvolging van die problematiek en brengt de Regie der Gebouwen op de hoogte van de zaken die binnen haar bevoegdheid dienen te worden aangepakt.

Het is een feit dat de ouderdom van die gebouwen, die door de DAB worden gebruikt, vereist dat er op regelmatige basis onderhoudsinterventies plaatsvinden. Daarom pleit de federale politie al jarenlang voor aanzienlijke investeringen in haar infrastructuur door de Regie der Gebouwen, met inbegrip van de site de Witte de Haelen, om zo een structurele oplossing voor de DAB te realiseren. Ik ben er niet zeker van of baron de Witte de Haelen heel trots zou zijn op de kazerne die zijn naam draagt.

Alle meldingen van problemen worden nauwgezet opgevolgd door de diensten van de federale politie. Afhankelijk van de aard van het probleem wordt ook de Regie der Gebouwen betrokken, wat doorgaans het geval is.

Enkele jaren geleden is de FOD WASO ter plaatse gekomen naar aanleiding van problemen met de plafonds. Er werd toen een specifiek actieplan opgesteld, waarna de problematiek werd opgelost. Naar aanleiding van de recentste klachten is de FOD WASO opnieuw ter plaatse geweest. Er is nog steeds contact tussen de federale politie en de FOD WASO over die kwestie.

Ik heb veel informatie bij over blok C, blok L, enzovoort, maar wat ik hier wil zeggen, is dat ik op de hoogte ben. Ik heb enkele beeldopnames gezien. Ik heb ook met een aantal mensen van de DAB gesproken. Ze hebben mij bevestigd dat de situatie ernstig is. Ik vroeg hen: “Is dat echt waar? Is dat echt van vandaag?” Ze hebben mij volmondig ja geantwoord. Ik betwijfel dus niet dat de situatie ernstig is.

Ik ben van plan om die kwestie – niet enkel die van de Witte de Haelen, maar de bredere kwestie van de gebouwen van onze politie – echt in handen te nemen. Dat maakt voor mij deel uit van het debat over de aantrekkelijkheid van het beroep. Het is een van de belangrijke aandachtspunten. Het gaat erom onze politie goede werkomstandigheden te bieden. Dat is niet enkel een kwestie van aantrekkelijkheid; het is voor mij ook een kwestie van respect voor onze politiemensen, maar ik moet dat doen met de beschikbare middelen.

Ik ben op de hoogte en u kunt op mij rekenen om dat dossier ter harte te nemen en mijn best te doen.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Ik geloof best dat u mijn bezorgdheden deelt. Het gaat inderdaad over het respect dat we moeten hebben voor onze veiligheidsdiensten.

Als we willen evolueren naar een veilige samenleving, dan moeten we in de eerste plaats zorgen dat onze eigen veiligheidsdiensten op een veilige manier kunnen werken. Ik hoop en reken erop dat u daar ook effectief de nodige middelen voor zult vinden. Het gaat inderdaad niet enkel over de site de Witte de Haelen. Verschillende andere gebouwen zijn er misschien niet zo erg aan toe, maar worden toch ook al aftands. Ik vernoem de kazerne in Gent, die ik toevallig wat beter ken. Nog een aantal andere sites heeft nood aan een masterplan.

Ik hoop dat u daarvoor de middelen vindt en dat u dat zeker niet op de lange baan zult schuiven. Ik zal het samen met u opvolgen.

Voorzitter:

Les questions n° 56005140C de Mme Sarah Schlitz, n° 56005146C de M. é ric Thiébaut et n° 56005147C de M. Christophe Lacroix sont transformées en questions écrites.

De door de Antwerpse lokale politie uitgevoerde federale taken en de noodzaak van federale steun

Gesteld door

lijst: VB Sam Van Rooy

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 11 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De lokale politie Antwerpen neemt structureel federale taken over (zoals bewaking van rechtbanken, gevangenissen en detentieoverbrengingen) zonder financiële compensatie, wat leidt tot budgettaire druk en besparingen, terwijl de burgemeester ontkent dat kerntaken in het gedrang komen. Minister Quintin bevestigt dat dit wettelijk verplicht is (art. 3 Politiewet) en ook in Brussel (PolBru) gebeurt, maar kan geen concrete cijfers over omvang of VTE’s leveren, wat Van Rooy als onverantwoord en symptomatisch voor prioriteitsvervalsing (diversiteitsbeleid, buitenlandse hulp) aanvalt. De federale politie ondersteunt lokaal (bv. Joodse gemeenschap, detentiebewaking), maar er ontbreekt een structurele oplossing ondanks de regeerakkoordbelofte. Kernpunt: chronisch onderfinancierde politie door onbetaalde taakverschuivingen tussen niveaus, met politieke onwil om transparantie of herstel te bieden.

Sam Van Rooy:

Recent raakte bekend dat de lokale politie van Antwerpen haar zeer omvangrijke reservefonds volledig heeft opgebruikt en een reeks besparingsmaatregelen doorvoert. De korpsleiding verwijst onder meer naar structurele overnames van federale taken, zoals de bewaking van het justitiepaleis en gevangenissen. Dat zou gebeuren zonder structurele compensatie van het federale niveau, dat uiteraard ook krampachtig op zoek is naar geld. Tegelijk verklaarde de burgemeester van Antwerpen dat die besparingen geen impact hebben op de kerntaken van het korps.

Ik wil daarom van u graag expliciet weten wat er effectief aan de hand is, welke federale verantwoordelijkheden hier aan de orde zijn en hoe u als bevoegde minister daarop zult reageren.

Kloppen de uitspraken van de burgemeester van Antwerpen? Kunt u ook bevestigen welke federale taken momenteel structureel worden uitgevoerd door de lokale politie van Antwerpen? Over hoeveel voltijdse equivalenten gaat het? Zijn er nog andere grootstedelijke korpsen, bijvoorbeeld de politiezone Brussel-Elsene, die federale taken hebben moeten overnemen? Heeft dat ook bij die korpsen geleid tot forse lokale besparingen?

Sinds wanneer worden er federale taken systematisch door de lokale politie van Antwerpen of door andere lokale politiezones uitgevoerd? Bestaan daarover formele afspraken of tijdelijke overeenkomsten tussen de federale en lokale politie? Kunt u die toelichten? Wordt er voor de overgenomen federale taken enige federale compensatie of ondersteuning voorzien, bijvoorbeeld via een financiële bijdrage? Zo ja, hoeveel bedraagt die? Zo nee, waarom niet?

Zijn er ook federale politieagenten in Antwerpen actief? Graag krijg ik een lijst met een opdeling per functie of dienst en vermelding van de exacte inzetperiode.

Acht u het normaal dat een grootstedelijk politiekorps als dat van Antwerpen of Brussel op structurele wijze federale taken opneemt zonder dat daar structurele middelen tegenover staan? Op welke manier zult u in het kader van het regeerakkoord maatregelen nemen om die situatie recht te trekken, aangezien er geen significante budgetverhoging is voorzien voor de politie?

Bernard Quintin:

Mijnheer Van Rooy, zowel de politiezone Antwerpen als de federale politie heeft in dit kort tijdsbestek geen gedetailleerde cijfers kunnen verzamelen. Ik nodig u uit om voor de precieze cijfers een schriftelijke vraag te formuleren.

Artikel 3 van de wet op de geïntegreerde politiedienst bepaalt dat de lokale politie naast het verzekeren van de basispolitiezorg instaat voor het vervullen van sommige opdrachten van federale aard. Aldus levert de politiezone Antwerpen sporadisch steun in het raam van de MFO-1, de dwingende richtlijn inzake de handhaving van de orde in de hoven en rechtbanken, de handhaving van de orde en de veiligheid in de penitentiaire inrichtingen, de uithaling en de overbrenging van gedetineerden, minderjarigen en geïnterneerden, en dit om de continuïteit van de openbaredienstverlening te verzekeren.

Dat geldt ook voor andere zones. Zo levert PolBru bijvoorbeeld bijstand in de gevangenis van Haren. Er wordt geen financiële compensatie gegeven, daar de opdracht, die een residuair karakter heeft, aan de lokale politie opgelegd wordt door de voornoemde ministeriële rondzendbrief.

De federale politie voorziet inderdaad ook in steun aan de lokale politie op basis van hetzelfde artikel 3 van de wet. Zo is er dagelijks bijstand voor de bescherming van de Joodse gemeenschap in Antwerpen. De Directie beveiliging stelt ook elk weekend personeelsleden ter beschikking van de lokale politie van Antwerpen voor de opdracht 'bewaking van aangehouden personen'.

Sam Van Rooy:

Mijnheer de minister, dit is natuurlijk een vraag die schriftelijk misschien beter tot zijn recht komt. Als ik evenwel hoor dat u, in wat u een kort tijdsbestek noemt, er niet in geslaagd bent de gegevens die ik u vroeg te verstrekken, dan zakt mijn broek daar wel van af. Ik heb het net nagegaan. Mijn vraag werd ingediend op 22 mei. Dat is 20 dagen geleden. Nu moet ik van u vernemen dat die 20 dagen niet volstaan om een aantal eenvoudige vragen te beantwoorden. Het gaat hier over het aantal voltijdse equivalenten dat vanuit Antwerpen wordt ingezet om de dienst van de federale politie bij te staan. Dat zijn toch heel logische vragen? Het vermoeden rijst bij mij dat u er zich wilt van afmaken, omdat dit natuurlijk een zeer pijnlijk dossier is, zowel voor de Antwerpse als voor de federale politie. Dit land en deze stad zijn in verval. Men vindt nergens nog genoeg geld voor de kerntaken. Men vindt wel genoeg geld om naar Afrika te sturen en voor allerhande diversiteits-vzw's. Wuif maar met uw hand, mijnheer de minister, maar dat is de realiteit in dit land. Onze kerntaken lijden eronder, maar er is wel genoeg geld voor de diversiteitsindustrie en om de moslims in dit land te pamperen. Daar is allemaal geld voor, maar als ik u een paar eenvoudige vragen stel en een paar cijfers opvraag, zegt u dat 20 dagen niet volstaan om ze te verzamelen. Dat is gewoon schandalig, maar het is zeer veelzeggend voor de staat van dit armzalige land.

De politieactie in Ninove

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 11 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Een controversiële politieactie in Ninove (7 mei) tegen drugshandel bij een school leidde tot zware kritiek van leerkrachten: ze spreken van etnisch profileren, stigmatisering en disproportionaliteit, met ernstige schade aan het vertrouwen tussen jongeren en politie. Minister Quintin ontkent de beschuldigingen, wijst op preventieve maatregelen na meldingen van geweld en benadrukt dat meerdere scholen betrokken waren, maar Vandemaele stelt dat de feiten niet kloppen en aankondigt verdere verificatie, suggereert desinformatie of politieke sturing. Kernconflict: tegenstrijdige versies over doel, uitvoering en legitimiteit van de actie.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, het is niet mijn gewoonte om vragen te stellen over zeer lokale, gedetailleerde politieacties, maar in dit geval is er toch sprake van heel wat beroering.

Mijn vraag gaat over een politieactie op 7 mei, in het kader van de aanpak van drugshandel en -gebruik in de stationsomgeving van Ninove. Leerlingen van de school van het gemeenschapsonderwijs, het atheneum, werden daar – hoe zal ik het netjes formuleren – geconfronteerd met dranghekken aan de uitgang van de school. De leerlingen werden na schooltijd als vee weggeleid richting een controle met honden. Er waren daarbij ook zwaarbewapende agenten aanwezig.

Ik heb in mijn vraag de link toegevoegd naar de open brief van de leerkrachten van de school. Daarin zijn ze bijzonder kritisch over die politieactie. Er werd tijdens die actie trouwens zeer weinig aangetroffen, eigenlijk nauwelijks iets. Die leerkrachten zijn verbolgen over de manier waarop de controle is uitgevoerd.

Daarom ben ik echt benieuwd naar uw reactie. Hoe kijkt u naar wat zij daarover zeggen? Het gaat hier om leerkrachten, dus ambtenaren in functie. Zij zeggen dat er sprake was van etnisch profileren. Volgens hen was de actie stigmatiserend en gericht tegen één specifieke school. Ze noemen de actie totaal disproportioneel. Volgens hen was de actie politiek gemotiveerd.

De beschuldigingen zijn niet min. De ondertekenaars zijn allen ambtenaar. Het gaat dus niet over Jan, Pier en Pol. Deze ambtenaren zeggen dat hetgeen een ander onderdeel van de overheid hier gedaan heeft, absoluut niet door de beugel kan. Het was etnisch profileren, het was stigmatiserend en disproportioneel. Zij wijzen er ook op dat de relatie tussen de jongeren en de politie ernstig is geschaad. U hebt al vaak gezegd dat u een goede relatie wilt tussen onze politiemensen en de jongeren in ons land. Daaraan dragen dergelijke acties uiteraard niet bij, integendeel.

Hoe reageert u op die open brief en de klachten die daarin naar voren worden gebracht? Welke acties of verbeterpunten ziet u om ervoor te zorgen dat we in de toekomst dergelijke acties – en de daaruit voortvloeiende open brieven – niet meer hoeven te bespreken in deze commissie?

Bernard Quintin:

Mijnheer Vandemaele, naar aanleiding van uw vraag over de recente politieacties in Ninove heb ik contact opgenomen met de lokale politiezone om meer informatie te krijgen. Zij heeft mij de volgende context geschetst.

Voorafgaand aan de twee interventies op 7 en 14 mei had de politie meldingen ontvangen dat er mogelijk een vechtpartij zou plaatsvinden in de buurt van het station van Ninove of het winkelcentrum Ninia. Om incidenten te voorkomen, is de politiezone met een aanzienlijk aantal politiemensen opgetreden. De politiezone geeft aan dat de informatie afkomstig was van de scholen. Dankzij die informatie kon de politie proactief optreden en een groep jongeren uit Halle identificeren die op weg was naar Ninove om te vechten.

Uit het contact met de politiezone blijkt dat deze acties geen standaardprocedure zijn. Er had wel al een soortgelijke actie plaatsgevonden op 7 mei 2024. De politiezone benadrukt dat beide interventies zijn uitgevoerd in overeenstemming met de omzendbrief CP5 en dat er geen incidenten te betreuren vielen.

De interventie op 15 mei 2025 in het Richtpunt Ninove vond plaats op verzoek van de directeur van de instelling. Bijgevolg werd in het derde jaar van het secundair onderwijs een controle uitgevoerd met een drugshond. Op die datum werden overigens ook twee andere scholen gecontroleerd. Het is dus onjuist te veronderstellen dat de politiezone zich bij deze operatie specifiek op één school richtte.

Wat de evenredigheid van de interventie betreft, tijdens de operatie van 7 mei was één politieagent uitgerust met een lang wapen. Deze beslissing was ingegeven door de specifieke aard van de interventie, die tot doel had controles uit te voeren in en rond het station. Het station is immers een plek waar drugshandel, illegaal middelengebruik en alcoholconsumptie plaatsvinden en wordt door de politiediensten als een risicogebied beschouwd. De operatie werd bovendien uitgevoerd in samenwerking met De Lijn en Securail, wat getuigt van een gecoördineerde aanpak die is afgestemd op de situatie.

Ik verneem dat de politiezone Ninove veel belang hecht aan een goede relatie met de jeugd – ik verheug mij daarover omdat dat aansluit bij mijn eigen politiek – en dat er daarom een speciaal aanspreekpunt is aangeduid om de relatie met de scholen te onderhouden.

Ik dank u.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, ik val ietwat van mijn stoel, omdat alles wat u zegt, in tegenspraak is met de informatie waarover ik beschik. U zegt dat het over meerdere scholen gaat. De mensen die met ons contact hebben opgenomen, spreken echter over één school. U zegt dat het in de stationsbuurt was. Zij zeggen dat mensen uit de school gedreven zijn als vee, ze konden niet naar huis en moesten door die controle. U zegt iets helemaal anders. U zegt dat de actie plaatsvond in het kader van geweld, maar het was een actie in het kader van drugs. U zegt dat de actie plaatsvond op vraag van de school. Die leerkrachten hebben in een open brief melding gemaakt dat dat helemaal niet op vraag van de school is gebeurd, maar is aangestuurd door het college en dat er dus een politieke context is.

Ik weet eigenlijk niet goed wat ik op uw antwoord moet repliceren. Misschien praten we wel over een ander incident? Ik zal me in elk geval opnieuw bevragen bij de vrienden in Ninove, want zij zullen vermoedelijk ook achterover vallen van dit antwoord. Als een volledig lerarenkorps een open brief schrijft naar een lokaal bestuur, een informatievergadering heeft met het bestuur over dat dossier, dan kan dat toch onmogelijk zijn op basis van wat u uiteenzet. Ik val evenzeer achterover. De leerkrachten zeiden ook dat de politiecommissaris enkele dagen voor de actie had verklaard dat er geen problemen waren in de school.

Ofwel word ik opgelicht, ofwel wordt u opgelicht. Het is een van de twee. Ik zal het dus verifiëren. Ik hoop dat ik word opgelicht en niet u, want dan is het nog problematischer. Ik kom zeker op deze zaak terug, want de vraag en het antwoord zijn niet in overeenstemming met elkaar.

Voorzitter:

Vraag nr. 56005210C van de heer Van Quickenborne wordt op zijn verzoek uitgesteld. Ook de samengevoegde vraag en interpellatie nr. 56005291C van de heer Metsu en nr. 56000056I van de heer Van Rooy worden op hun verzoek uitgesteld.

De aanrijding door een politieagent zonder rijbewijs in Brussel

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 11 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Een politieagent zonder geldig rijbewijs (ingetrokken in 2023 na een snelheidsovertreding) veroorzaakte in 2025 een dodelijk ongeval in Brussel, doordat Justitie de politiezone niet informeerde en de agent zijn veroordeling niet meldde, wat leidt tot een tucht- en gerechtelijk onderzoek. De minister bevestigt dat controles ontbreken (geen preventieve raadpleging van gerechtelijke databanken) en benadrukt dat eigen meldplicht door agenten cruciaal is, maar structurele maatregelen (zoals periodieke rijbewijscontroles) blijven onbeantwoord. Depoortere dringt aan op proactieve controles ("voorkomen is beter dan genezen") maar krijgt enkel de belofte dat zijn suggestie "meegenomen" wordt, zonder concrete toezeggingen. Het incident onderstreept systeemfalen in informatie-uitwisseling en interne verantwoordelijkheid, met verkeersveiligheid als "kernwaarde" die hier schipbreuk leed.

Ortwin Depoortere:

Op 11 mei 2025 vond er in de Blaesstraat in de Brusselse wijk Marollen een tragisch ongeval plaats waarbij een scooterrijder om het leven kwam na een botsing met een politievoertuig. Uit recente berichtgeving blijkt dat de politieagent die het politievoertuig bestuurde al twee jaar zonder geldig rijbewijs reed.

Volgens de berichtgeving werd de agent in 2023 veroordeeld voor een snelheidsovertreding, waarbij ook zijn rijbewijs werd ingetrokken. Na deze veroordeling had hij opnieuw examens moeten afleggen om zijn rijbewijs te verkrijgen, maar dit heeft hij kennelijk niet gedaan.

Hoe is het mogelijk dat een politieagent gedurende twee jaar een dienstvoertuig kon besturen zonder in het bezit te zijn van een geldig rijbewijs?

Welke controlemaatregelen bestaan er binnen de politiediensten om na te gaan of agenten beschikken over de vereiste rijbewijzen?

Werd de politiezone Brussel Hoofdstad-Elsene op de hoogte gebracht van de veroordeling van deze agent en de intrekking van zijn rijbewijs?

Indien ja, waarom werd hier geen gevolg aan gegeven? Indien neen, waarom bestaat er geen automatische informatiedoorstroming tussen Justitie en de politiediensten over dergelijke veroordelingen?

Wat staat er te gebeuren met de agent in kwestie?

Welke structurele maatregelen zult u nemen om te verzekeren dat politieagenten die niet aan de wettelijke vereisten voldoen, geen dienstvoertuigen meer kunnen besturen? Overweegt u een periodieke controle van rijbewijzen in te voeren binnen alle politiezones?

Hoe kadert dit incident in het bredere vraagstuk rond de veiligheidscultuur en de naleving van de verkeersregels binnen de politiediensten?

Bernard Quintin:

Uw vraag is volkomen terecht. Ik heb hierover navraag gedaan bij de betrokken politiezone Brussel-Hoofdstad-Elsene. Deze laat mij weten dat ondanks het bestaan van een procedure waarbij het parket de politiezone op de hoogte brengt wanneer een personeelslid bij vonnis wordt veroordeeld, deze informatie niet naar behoren is doorgegeven. Bovendien mag de politiezone geen politionele en gerechtelijke gegevensbanken raadplegen voor preventieve of administratieve doeleinden. Overeenkomstig de deontologische code voor politieambtenaren is elke politieagent uit loyaliteit wel verplicht zijn hiërarchie op de hoogte te brengen van een gerechtelijke veroordeling. In dit geval is deze verplichting echter niet nageleefd door de betrokken agent, wat heeft geleid tot de opening van een tuchtprocedure.

Wat deze specifieke overtreding betreft in verband met het rijden zonder rijbewijs, heeft het parket een gerechtelijk onderzoek ingesteld dat nog steeds loopt.

Wat de rekruteringsprocedure betreft, is het belangrijk te benadrukken dat elke kandidaat-inspecteur in het bezit moet zijn van een geldig rijbewijs categorie B. Bovendien wordt tijdens de basisopleiding bijzondere aandacht besteed aan legaal en ethisch rijgedrag. Verkeersveiligheid is daarenboven een centraal onderdeel van de permanente vorming.

Het naleven van de verkeersregels door de politie zelf wordt beschouwd als een krachtig signaal naar de samenleving en blijft een kernwaarde van het voorbeeldgedrag dat van de politiemedewerkers wordt verwacht.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, u kent misschien het Nederlands spreekwoord "Voorkomen is beter dan genezen". Men moet dergelijke zaken toch vermijden. Een van mijn vragen was om meer te controleren of politieagenten wel voldoen aan alle wettelijke vereisten, maar ik heb daar niet echt een antwoord op gekregen. Ik hoop echter dat mijn suggestie wordt meegenomen en dat er steekproefsgewijs meer gecontroleerd zal worden of politieagenten aan de wettelijke vereisten voldoen. Voor het overige reken ik erop dat het gerechtelijk en het tuchtonderzoek de nodige resultaten zullen opleveren.

Hawala en de financiering van internationale terreurbewegingen

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 11 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België speelt via het illegale hawala-systeem (informeel geldtransfersysteem) een sleutelrol in terreurfinanciering, met Brussel als centraal knooppunt, terwijl het aantal terreurdossiers (80 in 2024) en betrokken minderjarigen (55 dossiers in 2023, verdubbeling op een jaar) alarmerend stijgt. Minister Quintin bevestigt dat minderjarigen prioriteit krijgen in de Strategie T.E.R. via opname in de OCAD-databank (bij geweldslink) en preventieve begeleiding door lokale veiligheidscellen (LIVC’s), met een nieuwe omzendbrief deze week en hernieuwde focus op samenwerking. Hawala is illegaal in België maar moeilijk te controleren, aangezien politie geen bevoegdheid heeft voor toezicht op betalingsvergunningen; concrete maatregelen tegen witwas via dit systeem blijven vaag, ondanks aandacht in het regeerakkoord. Tijdspad en interdepartementale afstemming ontbreken nog.

Jeroen Bergers:

Mijnheer de minister, uit het jaarverslag van het federaal parket blijkt dat ons land een aanzienlijke rol in de financiering van internationale terreur speelt. Via het illegale hawala-systeem blijven veel geldstromen onder de radar, aangezien het geen internationale transacties vergt. Hawaladars uit Brussel zijn, jammer genoeg, de spil in dat internationale netwerk.

Het Belgisch gerecht ontvangt steeds meer verzoeken van buitenlandse recherchediensten om informatie over die geldstromen. Het aantal terreurdossiers bij het federaal parket steeg van 54 in 2022 naar 80 in 2024. Vorig jaar werden meer dan 70 personen in federale dossiers gedagvaard wegens terroristische plannen. Waar het vroeger ging om personen die naar het buitenland wensten te vertrekken, betreft het nu om personen die hier, in ons land, activiteiten willen ontplooien. Wat mij betreft, is dat een zeer zorgwekkende ontwikkeling. Ook de betrokkenheid van minderjarigen stemt tot bezorgdheid. In 2022 waren er 16 dossiers waarbij minderjarigen verdacht werden van terrorisme. Dat aantal steeg naar 24 dossiers in 2023 en 55 dossiers vorig jaar. We zien dus een verdubbeling op één jaar tijd.

Die feiten bewijzen dat de war on terror allesbehalve gestreden is en dat de versterking van onze veiligheidsdiensten die door de regering en door u wordt uitgevoerd, noodzakelijk is.

Zult u extra maatregelen nemen tegen de betrokkenheid van minderjarigen in terreurdossiers?

Het federaal regeerakkoord bevat heel wat maatregelen tegen de witwasindustrie van de georganiseerde criminaliteit. Wordt daarbij ook aandacht besteed aan het hawala-mechanisme?

Kunt u aangeven wanneer we maatregelen mogen verwachten?

Tot slot, hebt u over de hawala-financiering contact met andere ministers binnen de regering?

Bernard Quintin:

Mijnheer Bergers, uit het jaarverslag van het federaal parket en uit dat van de Veiligheid van de Staat blijkt dat er inderdaad steeds meer minderjarigen in terrorismedossiers voorkomen.

Dat is een zorgwekkende evolutie. In onze nationale strategie tegen terrorisme, extremisme en het radicaliseringsproces (Strategie T.E.R.) wordt bijzondere aandacht besteed aan minderjarigen. Het is belangrijk hen te beschermen. Vaak zitten ze in een kwetsbare opvoedingssituatie en we mogen niet blind zijn voor de daaraan verbonden gevaren.

Daarom is voorzien in de mogelijkheid om hen ook op te nemen in de gemeenschappelijke gegevensbank (GGB) van het OCAD, als er een duidelijke link met geweld wordt vastgesteld. De vernieuwde omzendbrief over de GGB, die de werking van de Strategie T.E.R. in de praktijk beschrijft en is aangepast aan de wet die eind vorig jaar werd goedgekeurd, zal ik deze week ondertekenen. Na de handtekening van collega Verlinden zal deze worden verstuurd.

Daarnaast moeten de lokale integrale veiligheidscellen (LIVC’s) jongeren die tijdig op de radar van de preventieve en veiligheidsdiensten verschijnen in verband met radicalisering, een begeleidingsstrategie bieden om hen terug naar veiligere wateren te leiden. Ik zal de komende maanden de werkzaamheden rond het samenwerkingsakkoord over de LIVC’s nieuw leven inblazen.

Hawala is een informeel geldtransfersysteem. Het is wettelijk niet toegelaten, aangezien in België betalingsdiensten enkel mogen worden aangeboden door instellingen of overheden die daartoe wettelijk gemachtigd zijn. Het is niet noodzakelijk een witwassysteem van criminele vermogens, maar de systemen zijn wel interessant voor criminelen, omdat ze zo het preventieve witwassysteem kunnen omzeilen.

De politiediensten zijn niet bevoegd voor de controle op de vergunning voor het aanbieden van betalingsdiensten.

Jeroen Bergers:

Mijnheer de minister, dank u wel.

De dood van een kind van twaalf in een ongeval waarbij de politie betrokken was
De politieachtervolging met dodelijke afloop
Dodelijk politieoptreden en verkeersongevallen met minderjarigen

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 11 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om het dodelijk ongeval met de 11-jarige Fabian tijdens een politieachtervolging in Ganshoren en de structurele aanpak van politie-interventies, met name bij achtervolgingen en het contact met jongeren. Minister Quintin bevestigt dat voertuigen met voorrang (art. 37.4-37.5 Wegcode) afwijken van verkeersregels mogen, mits veiligheid, en werkt aan een duidelijker kader voor achtervolgingen (o.b.v. Comité P-rapporten), met nadruk op proportionaliteit en praktische uitvoerbaarheid (bv. geen overmatige administratie). Vandemaele waarschuwt voor een gevoel van straffeloosheid bij agenten en pleit voor structurele dialoog tussen politie en jeugd(werk), terwijl Chahid benadrukt dat vertrouwen tussen burgers en politie moet worden hersteld, zonder de operationele vrijheid van agenten in gevaar te brengen. De minister belooft snelle follow-up, inclusief een kindtoets en overleg met jeugdraden om de relatie met jongeren te verbeteren.

Ridouane Chahid:

Monsieur le ministre, nous avons eu l'occasion de vous interroger en séance plénière concernant le drame survenu à Ganshoren, qui a eu pour conséquence le décès du petit Fabian. Je vous avais alors adressé une question d'actualité, avec un certain nombre d'interrogations.

Ce matin, le procureur du Roi a déjà donné des informations lors de sa conférence de presse. Je ne vais pas ici réitérer ces questions, qui se retrouvent sans objet. Je voudrais toutefois vous demander si vous pouvez préciser ce que dit le code de la route pour les véhicules prioritaires et dans quelles conditions on doit enclencher une course- poursuite.

J'ai aussi une question subsidiaire. Vous aviez indiqué lors de la séance plénière que vous alliez réunir les différents acteurs pour pouvoir mettre en place un cadre concernant les courses-poursuites, notamment à la suite du rapport et des recommandations qui ont été faits par le Comité permanent de contrôle des services de police (Comité P). Disposez-vous d'un planning à ce sujet? Si vous n'avez pas encore de réponse, ce n'est pas grave.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de voorzitter, op veel van mijn vragen heb ik vandaag al een antwoord gehoord. Het lijkt mij dan ook niet zinvol om deze vragen nog eens te stellen. De vraag die bij mij blijft hangen, is hoe we dit probleem structureel kunnen oplossen. Hoe zorgen we ervoor, of via opleiding of via begeleiding met meldkamers, dat we niet vervallen in een tunnelvisie? We moeten kijken naar hoe we het probleem structureel kunnen oplossen, eerder dan alleen naar het ‘evenementiële’ . Die vraag wil ik dus toch stellen.

Een tweede gedachte is mij pas bij de plenaire vergadering te binnen geschoten, toen ik collega's de vele namen hoorde noemen van jonge mensen die stierven bij politie-interventies. Er zijn steeds omstandigheden, er is steeds een uitleg, er is steeds een reden. Ik wil zeker niet alles op een hoopje gooien. De signalen die wij krijgen vanuit het jeugdwerk en van mensen die dagelijks met jongeren werken, wijzen toch op een gevoel van straffeloosheid bij agenten die betrokken zijn bij politie-interventies waarbij minderjarigen om het leven komen. Dat gevoel leeft sterk onder jonge mensen, vooral in Brussel. Het beleid moet dat signaal capteren. Er moet iets gedaan worden met dat signaal. Dat kunnen we doen door structureel beleid te voeren, vandaar mijn eerste vraag.

Ik wil afsluiten met een suggestie. De aanpak die u voorstaat, ook in uw beleidsnota, vertrekt vanuit een andere relatie met jongeren. Het lijkt mij een goed moment om in Brussel een groot moment te organiseren met de politionele actoren en het jeugdwerk, de jongeren zelf, om elkaar structureel beter te leren kennen en elkaars leefwereld te begrijpen. Zo kan er een duidelijk signaal worden gegeven dat het gevoel van straffeloosheid niet terecht is en dat men er alles aan doet om ervoor te zorgen dat in Brussel iedereen goed kan samenleven, met het nodige respect voor jongeren. Dat is een suggestie waarover u misschien eens kunt nadenken.

Bernard Quintin:

Monsieur Chahid, monsieur Vandemaele, vos questions sont effectivement devenues en partie obsolètes, mes réponses de même, par la communication de ce matin. Je voudrais quand même, en sortant un peu de mon texte, revenir à des éléments que j'ai déjà pu indiquer à la Chambre jeudi en fin d'après-midi mais aussi à différentes occasions.

Iedereen zal het erover eens zijn dat de dood van een elfjarig kind ons allemaal raakt.

Je pense que c'est la première chose à dire.

Je vais répondre de manière plus précise à votre question, monsieur Chahid, sur la réglementation applicable aux véhicules de service de police en mission urgente. Il convient de se référer aux articles 37.4 et 37.5 du Code de la route. Selon l'article 37.4, les véhicules prioritaires peuvent, en utilisant un dispositif sonore spécifique, franchir un feu rouge à une vitesse modérée, à condition que cela ne mette pas en danger les autres usagers de la route. L'article 37.5 prévoit que, lors de l'exécution d'un ordre urgent, le conducteur du véhicule prioritaire n'est pas tenu de respecter toutes les dispositions du Code de la route, sauf celles spécifiquement mentionnées dans cet article.

Het is mijn taak als minister om alles in het werk te stellen om dergelijke drama's in de toekomst te voorkomen. Daarom heb ik de politie onmiddellijk gevraagd om een grondige analyse te maken van de praktijk van achtervolgingen van tweewielers en kwetsbare weggebruikers in steden en gebieden, op basis van de ervaringen op het terrein van de politie en van de bestaande rapporten.

Ik heb het vorige week in de plenaire vergadering al gezegd. Deze steps bestaan nu eenmaal. Ze worden door jonge mensen gebruikt, zelfs als dat niet wettelijk toegestaan is. Dat is nu eenmaal de realiteit.

Il n'est bien sûr pas légal que des jeunes gens de moins de 16 ans utilisent des trottinettes, mais c'est une réalité dont il faut tenir compte dans la pratique.

Je reviendrai vers vous le plus rapidement possible concernant ce travail important qui est fait. Comme je l’ai indiqué, ce dernier vise bien sûr à protéger tous nos concitoyens mais aussi la police dans le cadre de son travail. C’est également mon job de donner à la police un cadre aussi précis que possible, afin qu’ils et elles sachent exactement ce qui peut être fait et dans quelles circonstances.

J’ai entendu plusieurs remarques évoquant notamment le dispatching, mais la réalité du terrain doit aussi être prise en compte: si un agent estime nécessaire de poursuivre une personne ou un véhicule, mais qu’il doit d’abord contacter le dispatching et remplir douze formulaires avant même de savoir s’il peut engager la poursuite, cela ne sert évidemment à rien. Je le dis avec une pointe d’humour qui me permet de tenir le coup émotionnellement face à cette réalité.

En toutes circonstances, il faut penser à l’équilibre permanent entre l’objectif poursuivi et les moyens mis en œuvre, autrement dit le principe de proportionnalité.

In het algemeen vind ik dat dat proportionaliteitsbeginsel heel belangrijk is, maar het kader moet worden verduidelijkt. Ik werk aan die verduidelijking.

Mijnheer Vandemaele, gelukkig hebt u over een gevoel van straffeloosheid gesproken. Ik heb dat goed genoteerd, omdat er geen straffeloosheid is. Ik heb ook veel gehoord over zaken die verschillend zijn. Er is altijd een onderzoek gevoerd en drie of vier van die onderzoeken hebben zelfs tot een gerechtelijke uitspraak geleid. Twee zaken lopen nog, omdat een van de betrokken partijen beroep heeft aangetekend.

Een tweede punt is de band tussen de politie en de jongeren in onze samenleving, in Brussel, maar niet alleen in Brussel. Het was voor mij belangrijk om met de kindtoets te werken. Ik beschik over een tekst die al klaar is, maar nog moet worden verfijnd om er zeker van te zijn dat we een goed en gepast kader bieden aan onze politiemensen, maar ook aan iedereen die zich met onze jeugd bezighoudt, zodat het vertrouwen tussen de politie en onze gemeenschap en onze maatschappij versterkt wordt. U kunt op mij rekenen.

Ridouane Chahid:

Merci monsieur le ministre pour vos réponses. Effectivement, les trottinettes sont une réalité dont il faut tenir compte.

La semaine passée a été une semaine très difficile puisque nous avons perdu un pompier et un enfant. Je pense qu'aujourd'hui plus que jamais, nous avons une responsabilité et une obligation de faire en sorte de réinstaurer la confiance et le respect entre ceux qui représentent l'autorité, c'est-à-dire la police et les services de secours, qui sont là pour assurer notre sécurité et nous secourir quand il y a des difficultés, et les citoyens. Maintenant que je vous côtoie depuis quelques mois, je sais que vous avez cette préoccupation. Vous êtes préoccupé par le fait de concilier une garantie de sécurité et le fait que les citoyens n'aient plus peur de la police mais lui fassent confiance et la respectent.

Je demande qu'on réunisse toutes les conditions pour que la police puisse faire son travail convenablement. Quand il faut faire une course-poursuite, il faut la faire. Quand les citoyens doivent faire l'objet d'un contrôle, ils doivent être contrôlés en toute normalité, sans se sentir agressés ni oppressés.

Matti Vandemaele:

Ik wil u op mijn beurt bedanken voor uw antwoord. De politie moet uiteraard haar taken kunnen uitvoeren. Tijdens een achtervolging kan men inderdaad geen 12 formulieren invullen. Dat kan absoluut niet de bedoeling zijn. Het is echter onze verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat er een degelijk kader is, zowel in opleiding, implementatie als uitvoering. En ik heb inderdaad – u hebt goed geluisterd – gezegd dat er een gevoel van straffeloosheid heerst. Tegelijk bestaat er ook zoiets als een onveiligheidsgevoel. Aangezien er al jaren beleid wordt gevoerd op basis van een onveiligheidsgevoel, denk ik dat we ook dat gevoel van straffeloosheid ernstig moeten nemen. Ik hoor in de contacten die ik heb met jeugdwerkers, jeugdraden en kinderrechtencommissarissen – kortom mensen die elke dag met jongeren werken, voornamelijk in de grootstedelijke context – dat de relatie met die jongeren sterk aan het verzuren is. We lijken een kookpunt te naderen. Het kan niet de bedoeling zijn dat we deze zomer de commissie vervroegd moeten samenroepen naar aanleiding van incidenten. Dat moeten we voorkomen. U verwijst naar uw initiatief met de kindtoets. Dat is een waardevol initiatief. Ik wil graag ook nog eens de nadruk op iets anders leggen. Ik weet dat sommige collega’s daar graag mee lachen, maar in ons land zijn er een Vlaamse Jeugdraad, een Waalse Jeugdraad en een Brusselse Jeugdraad. Dat zijn instanties die tot doel hebben beleidsmakers te adviseren. Zij kunnen ook adviezen geven over federale aangelegenheden – zeker de kinderrechtencommissarissen, die een heel specifieke invalshoek hebben. Dan zijn er ook nog de jeugdwerkorganisaties op het terrein, die elke dag met die jongeren werken. Het is volgens mij van groot belang om de initiatieven die u wilt nemen met hen te bespreken. Nodig hen bijvoorbeeld eens uit op uw kabinet voor een gesprek. Ik wil u desgewenst gerust mijn contactenlijst daarvoor ter beschikking stellen. Ik denk dat dat uw beleid alleen maar sterker kan maken. Dank u wel.

Wanpraktijken bij de federale politie

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 11 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Parlementslid Maaike De Vreese kaart geruchten over wanbeleid, financiële malversaties, pestgedrag en seksueel grensoverschrijdend gedrag binnen de top van de federale politie aan, met vragen over transparantie, bevorderingen, salarissen en de aanstelling van een *chief technical officer*. Minister Quintin bevestigt dat er geen bewijs is voor structureel wanbeleid, benadrukt lopende hervormingen (strategisch plan, integriteitsbeleid, digitale transformatie) en behoudt vertrouwen in commissaris-generaal Snoeck, maar belooft streng toezicht op integriteit en transparantie. De Vreese dringt aan op concrete actie tegen grensoverschrijdend gedrag en verwacht schriftelijke cijfers over personeelsbeleid. Vertrouwen in de top blijft voorlopig staan, maar verdere parlementaire controle volgt.

Maaike De Vreese:

Mijnheer de minister, ik dank u, omdat u nog even in de commissie aanwezig wilt blijven.

We lazen de voorbije tijd in de krant en ook nog afgelopen weekend in Gazet van Antwerpen verschillende geruchten en verwijten aan het adres van de top van de federale politie. Het zou gaan om wanbeleid, financieel wanbeleid, maar ook om pestgedrag op de werkvloer en seksueel grensoverschrijdend gedrag, dat in de doofpot zou zijn gestopt. Er is sprake van vriendjes- en zeker ook vriendinnetjespolitiek, royale verloningen van vertrouwelingen en een angst- en graaicultuur.

De commissaris-generaal beschikt over eigen directies en diensten, gegroepeerd binnen het commissariaat-generaal. Het gaat meer specifiek over zijn kabinet, drie directies, namelijk communicatie, internationale politiesamenwerking, preventie en bescherming op het werk, en zeven diensten, namelijk beleidsondersteuning, interne audit, interne werking, integriteit, innovatie, screening en ISPO. Daarnaast zijn er nog coördinatie- en steundirecties.

Er wordt gesteld dat de commissaris-generaal een hele hofhouding van vertrouwelingen heeft aangetrokken, die hun topsalarissen naar hartenlust aanvullen met overuren. Er worden ook vragen gesteld bij de recente aanstelling van een chief technical officer .

Van de federale politie verwachten we uiteraard onberispelijk en professioneel correct gedrag, zeker van de top en zeker op een moment waarop de federale politie op verschillende vlakken onder druk staat.

Gelet op de artikelen in de pers en het feit dat ik als parlementslid ook via andere kanalen word geïnformeerd en bevraagd, waarbij toch heel wat bezorgdheid doorklinkt, is het in mijn ogen onze taak om u daarover in het Parlement vragen te stellen. Wanneer we dat immers niet doen, blijven die verhalen circuleren. Het is dus nodig om daarbij enige duiding te krijgen. U bent ongetwijfeld op de hoogte, want u leest ook de kranten of u zou dat als minister zeker en vast moeten doen.

Mijnheer de minister, wat is er aan van de geruchten over wanbeleid bij de federale politie, waarover we de laatste tijd worden geïnformeerd?

Op welke manier worden of zijn de aantijgingen onderzocht?

Kunt u op basis van de informatie die u ter beschikking hebt, het vertrouwen in de federale politie en meer bepaald in de commissaris-generaal behouden?

Hoe evolueerde het aantal personeelsleden van het commissariaat-generaal de voorbije twee jaar, uitgesplitst per kabinet, de drie directies en de zeven andere diensten? Hoe ziet de samenstelling van het kabinet van de commissaris-generaal eruit? Hoeveel mensen werden de voorbije twee jaar bevorderd, op basis van welke criteria, en met welke voordelen tot gevolg?

Kunt u meer duiding geven bij de selectie van de chief technical officer ?

Acht u het nodig om maatregelen te nemen om het wanbeleid aan te pakken? Welke maatregelen en met welke timing?

Bernard Quintin:

Mevrouw De Vreese, ik dank u voor uw uitgebreide vragen over de organisatie, het beleid en het beheer van de federale politie. Graag geef ik u een globaal overzicht van de huidige stand van zaken en van de initiatieven die genomen werden. De commissaris-generaal zal die initiatieven uitgebreider toelichten tijdens de hoorzitting van 17 juni.

Allereerst wil ik duidelijk stellen dat de grondige doorlichting van de federale politie; zoals bepaald in het regeerakkoord, gericht is op de evaluatie en evolutie van de structuren en processen binnen de federale politie. Daartoe heb ik samen met mijn collega, de minister van Justitie, de opdracht gegeven aan de commissaris-generaal, samen met zijn directiecomité, om uiterlijk dit najaar een rapport voor te leggen met een grondige analyse van de huidige werking van de federale politie, alsook met concrete voorstellen voor een structurele reorganisatie ter verbetering van die werking.

Daarnaast zal de commissaris-generaal me deze zomer alvast een ontwerp van strategisch plan voor de federale politie bezorgen. Dat plan zal de visie van de organisatie, haar sleutelopdrachten en prioritaire verbeterdoelstellingen binnen de bestaande structuren vastleggen.

Bovendien verwacht ik een voorstel over hoe de capaciteit van de federale politie gedurende de volledige regeerperiode kan evolueren, met inbegrip van de gerichte versterking van onder meer de federale gerechtelijke politie, de speciale eenheden, DSU, en de luchtvaartpolitie, zoals voorzien in ons regeerakkoord.

Binnen de federale politie werden reeds tal van initiatieven genomen om de governance te versterken. Ook werd de operationele continuïteit gewaarborgd.

Er werd een strikter begrotingsbeheer ingevoerd en een oplossing gevonden voor het probleem van de onbetaalde facturen. Daarnaast zijn maatregelen genomen om de interne coördinatie te versterken, zowel op centraal als op gedeconcentreerd niveau. Op het vlak van digitale transformatie werden fundamentele eerste stappen gezet om die beter te structureren.

Tegelijkertijd wordt verder gewerkt aan een ambitieus personeelsbeleid, afgestemd op de noden van de organisatie, en werd het integriteitsbeleid versterkt. Die werven zijn gericht op het uitbouwen van een performante organisatie. Een digital transformation office (DTO) werd gecreëerd. De aanstelling van de chief technical officer (CTO) gebeurde via de gekende procedure van de vzw Smals, het bevoegd orgaan voor de rekrutering van ICT-profielen ten behoeve van de federale overheid. Ervaring en expertise stonden daarbij centraal.

Daarnaast zijn de bevoegdheden van de dienst screening uitgebreid door de overname van de Nationale Veiligheidsoverheid. In dat kader werd het team versterkt.

Een gedetailleerde opsplitsing van de capaciteit van het commissariaat-generaal kan desgevallend schriftelijk worden bezorgd.

Op het commissariaat-generaal wordt aan geen enkel personeelslid een hogere weddeschaal of toelage toegekend. Dat principe wordt consequent toegepast.

Tot slot, wat betreft de geruchten over wanbeleid binnen de federale politie, wil ik benadrukken dat dergelijke aantijgingen heel ernstig worden genomen. De federale politie hecht groot belang aan integriteit, transparantie en verantwoordingsplicht. De operationele werking van de federale politie is volledig gewaarborgd. Ik heb geen aanwijzingen die het vertrouwen in de organisatie of in het leiderschap van de commissaris-generaal ondermijnen, integendeel. De inzet van duizenden politiemensen en van hun leidinggevenden verdient dan ook ons respect en onze steun.

Tegelijk neem ik als minister mijn verantwoordelijkheid om blijvend te waken over een transparante, integere en menswaardige werking van onze politiediensten. Iemand had het over " une police respectée, respectable et respectueuse" , maar ik heb geen tijd gehad om dat in het Nederlands te vertalen.

Dat staat centraal, ook in de hervorming of herstructurering van de federale politie. Elke morgen heb ik een twintigtal minuten om bij mijn koffie kranten te lezen, daarna is het wat moeilijk.

Maaike De Vreese:

Mijnheer de minister, ook voor de N-VA zijn integriteit, verantwoordelijkheid en verantwoording zeer belangrijk. Zeker als het over de top van de federale politie gaat, dan moeten we daarop kunnen rekenen. U verklaart vandaag dat u als minister vast en zeker vertrouwen hebt in de heer Snoeck. U zegt ook dat de aantijgingen over eventueel wanbeleid bij de top niet correct zijn en dat u geen reden hebt om aan zijn integriteit te twijfelen. Ik hoop dat echt.

Ik hoop ook dat grensoverschrijdend gedrag, integriteit en respect voor andere collega's binnen de federale politie ernstig worden genomen, dat er een plan van aanpak komt en dat zaken niet weggeduwd worden. De zaken die ik verneem, zijn serieus. Het is breed gedragen binnen die politie dat daarop een antwoord moet komen, dat er verandering en verbetering moeten komen. We zullen volgende week de commissaris-generaal vragen kunnen stellen. Ook onze fractie neemt dit ernstig. Ik ben dus blij dat u vandaag op de vragen hebt geantwoord.

Ik kijk uit naar de schriftelijke cijfers die ik nog zal ontvangen. Statistieken zijn immers niet eenvoudig om zomaar in de commissie te bespreken. Ik waardeer het dan ook zeer, mijnheer de minister, dat u ons bij mondelinge vragen de informatie ook steeds schriftelijk bezorgt. Bedankt.

Voorzitter:

De vragen nrs. 56005693C, 56005694C en 56005695C van mevrouw De Vreese worden omgezet in schriftelijke vragen.

De re-enactment van 7 oktober 2023 in Brussel
De terreurverheerlijking door Samidoun
Herdenking en verheerlijking van terreurdaden in Brussel

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 11 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Tijdens het Resistance Festival in Sint-Gillis, georganiseerd door Samidoun, werd de Hamas-aanslag van 7 oktober 2023 verheerlijkt via een toneelstuk, terwijl de affiche een gewapende vrouw toonde. Minister Quintin bevestigde dat geen risicoanalyse door OCAD of Crisiscentrum werd aangevraagd door de burgemeester, maar het parket start een onderzoek; hij belooft binnen weken een wetsontwerp voor te leggen om extremistische groepen zoals Samidoun te verbieden. Bergers noemt het onverantwoord dat de burgemeester het evenement toeliet zonder screening en dringt aan op proactieve dreigingsbeoordelingen bij toekomstige Samidoun-activiteiten. Antisemitisme en terrorismeverheerlijking worden unaniem afgekeurd, met nadruk op versnelde wetgeving en gerechtelijk follow-up.

Jeroen Bergers:

Mijnheer de minister, u hebt ongetwijfeld de schokkende beelden gezien van het Resistance Festival dat dit weekend in Sint-Gillis plaatsvond. Op dat festival, uiteraard georganiseerd door Samidoun, werd in een toneelstuk de aanslag die Hamas op 7 oktober 2023 pleegde, nagespeeld door mensen in militaire uniformen met namaakgeweren. Aan het einde van het toneelstuk werden de terroristen geëerd.

Het verheerlijken van terrorisme en oproepen tot geweld gaat echt te ver. Toch gebeurt het in de straten van Brussel. Dat het uit de hand zou lopen, viel bovendien te verwachten. Er zijn eerder al bijzonder veel problemen geweest met manifestaties van Samidoun. Daarom is Samidoun in landen als Duitsland verboden.

Op de affiche van het Resistance Festival werd bovendien letterlijk een vrouw met een geweer afgebeeld. Veel uitleg hoeft ik daar verder niet bij te geven. Daarom heb ik enkele vragen voor u.

Wat is uw analyse van de feiten? Is er voorafgaand aan het evenement een screening met een risicoanalyse gemaakt door het OCAD of door andere veiligheidsdiensten? Kunt u het OCAD opdragen om dat vanaf nu bij elk evenement georganiseerd door Samidoun te doen? Zijn er naar aanleiding van de verheerlijking van terrorisme processen-verbaal opgesteld door onze politie?

U liet eerder al weten dat u werkt aan een wetsontwerp om verenigingen zoals Samidoun ook in ons land te kunnen verbieden, ook vandaag nog trouwens. Dat is echt een cruciaal element van het regeerakkoord en die tekst moet er zo snel mogelijk komen. Ik weet dat het geen evidente wettekst is om op te stellen, maar hebt u enig idee wanneer we die in de Kamer zullen kunnen behandelen?

Bernard Quintin:

Mijnheer Bergers, ik was, net als u, verbaasd te vernemen wat er op dat festival heeft plaatsgevonden. Ik hoop dat filmpje nog te zien.

Ik wil met duidelijke woorden aangeven dat ik het ten stelligste afkeur dat antisemitische uitspraken worden gescandeerd – eender waar en eender wanneer. Het is de bevoegdheid van de burgemeester om te oordelen of een evenement op het grondgebied van zijn gemeente mag doorgaan of niet. De burgemeester kan daarvoor een inschatting van de veiligheidsrisico’s vragen aan de politie of aan het Nationaal Crisiscentrum. Het Nationaal Crisiscentrum kan vervolgens het OCAD vatten voor een dreigingsevaluatie. Noch het Nationaal Crisiscentrum, noch het OCAD werd in dit geval echter bevraagd. Volgens de pers stelt de burgemeester dat de lokale politie geen negatieve elementen heeft aangedragen om het festival te verbieden. Het OCAD meldt dat de feiten op 10 juni besproken zijn in de lokale taskforce en dat het parket van Brussel een onderzoek zal openen.

Wat betreft het verbod op radicale of extremistische groeperingen verwijs ik naar mijn antwoord op uw andere vragen. Voor mij mag dat zo vlug mogelijk komen. Ik moet echter nog een voorontwerp van wet aan de regering voorstellen. Hopelijk zal dat in de komende weken gebeuren.

Jeroen Bergers:

Dank u wel, mijnheer de minister. De komende weken, zegt u. Dat is alvast zeer positief. Als het effectief zo dichtbij is, is dat een goede zaak.

Ik denk dat het ook positief is dat er een gerechtelijk onderzoek naar deze feiten wordt opgestart. Ik weet niet of het binnen uw bevoegdheden ligt, maar ik denk dat het minstens de moeite waard is om te onderzoeken of u het crisiscentrum proactief kunt opdragen om bij alle activiteiten van Samidoun uit eigen beweging een onderzoek op te starten. Ik weet niet of u dat kunt, maar als u het kunt, lijkt het mij absoluut de moeite waard.

Dat de burgemeester, de heer Spinette, dat toelaat en dat hij zelfs het crisiscentrum niet bevraagt, is natuurlijk onverantwoord, zeker als men weet met wat voor een organisatie men te maken heeft, als men weet welke affiche die organisatie gebruikt om reclame voor het festival te maken.

Op het schepencollege in Vilvoorde zie ik alle affiches van organisaties die toelating vragen om iets te organiseren passeren. Dat men een activiteit toestaat, georganiseerd door Samidoun, waarbij er letterlijk een vrouw met een geweer op de affiche staat, dat begrijp ik niet. Dat is echt ongelooflijk. Dat is opnieuw een grote teleurstelling in de burgemeester van Sint-Gillis. Daar kunt u helaas niets aan doen.

Wat ik wel nog wil doen, is u en uw kabinet bedanken om hier te blijven om antwoorden te geven. Ook de voorzitter van de commissie en de Kamerdiensten wil ik bedanken om even over tijd te gaan, om toch met een positieve noot af te sluiten.

Voorzitter:

Vraag nr. 56005720C van mevrouw Maouane wordt omgezet in een schriftelijke vraag. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 18.46 uur. La réunion publique de commission est levée à 18 h 46.

De alarmkreet van de procureurs des Konings

Gesteld door

lijst: VB Marijke Dillen

Gesteld aan

Bart De Wever (Eerste minister)

op 5 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: De procureurs luiden massaal noodklok over de acute crisis in justitie (werkdruk, middelengebrek, drugscriminaliteit) en eisen onmiddellijke structurele oplossingen, maar voelen zich genegeerd door de regering. Minister Verlinden wijst op lopende taskforces en extra budgetten, maar Dillen verwerpt dit als te traag en onvoldoende, dringt aan op directe actieplannen met veel meer middelen en waarschuwt voor gevaarlijke verwaarlozing van veiligheid. De kloof tussen urgentie en regeringsactie blijft onopgelost.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, opnieuw slaat justitie alarm, ditmaal op een nog nooit eerder geziene wijze. Alle procureurs samen, eensgezind, zij aan zij, klagen de bijzonder alarmerende toestand van justitie terecht aan. Zij bundelen hun krachten en pleiten opnieuw voor een effectievere, toegankelijke en kwalitatief betere justitie. Vanochtend nog hebben de parketten van Antwerpen en Limburg symbolisch de noodklok geluid, waarbij zij aandacht vroegen voor de toenemende drugscriminaliteit en het nijpend tekort aan middelen om die te lijf te gaan.

Mevrouw de minister, de magistraten voeren nu al bijna een maand actie om te wijzen op die aanslepende noodsituatie, maar ze worden eigenlijk niet gehoord. Dat is de trieste vaststelling en die zet op het terrein kwaad bloed. Zorgen voor een goed functionerend justitieapparaat is een kerntaak van de overheid, maar deze regering laat na die kerntaak uit te voeren. Waarom wordt er geen staten-generaal georganiseerd, waarbij alle actoren van justitie rechtstreeks in dialoog gaan met de regering en het Parlement? U weet dat de magistratuur hierop aandringt.

Wanneer zal deze regering eindelijk echt luisteren naar deze noodkreet en werk maken van een effectievere, toegankelijke en kwalitatief betere justitie en van bijkomende investeringen? Met andere woorden, wanneer zal zij werk maken van de uitvoering van wat de procureurs u vandaag in hun brief vragen?

Annelies Verlinden:

Collega Dillen, vanmiddag werd inderdaad in Brussel een persconferentie gehouden door de 15 procureurs des konings van ons land. Zij hebben daar een gezamenlijke brief voorgelezen die, voor zover ik het goed begrepen heb, gericht is aan de hele regering. De procureurs wilden hun boodschap graag op een gezamenlijke manier brengen, omdat deze tot nu toe vanuit de verschillende parketten op een meer gefragmenteerde wijze werd gecommuniceerd. Ik heb echter niet gewacht op de persconferentie of de brief – en dat weet u, want daarover hebben we al eerder gesproken in de commissie – om met de zorgen van de justitiemedewerkers en magistraten aan de slag te gaan.

Vanaf mijn aantreden heb ik gepleit voor voldoende middelen voor justitie, want de noden zijn groot en het is mijn overtuiging dat we als regering ambitieus moeten zijn in het versterken van justitie. Daarnaast heb ik herhaaldelijk overleg gehad met de magistratuur, want ik deel hun bezorgdheden over de werkdruk, infrastructuur, veiligheid en digitale ondersteuning.

Om die ambitie te ondersteunen, hebben we intussen met meer dan 50 vertegenwoordigers van de FOD Justitie en de rechterlijke orde de aftrap gegeven van thematische taskforces over de gerechtsgebouwen, veiligheid, mensen en middelen en de aantrekkelijkheid van het beroep. Die taskforces moeten leiden tot een actieplan van en voor de mensen op het terrein. We beloven daarbij geen luchtkastelen te zullen bouwen, maar duurzaam te werken aan een betere en moderne justitie. Intussen heeft ook de Hoge Raad voor de Justitie opgeroepen tot overleg tussen de verschillende machten in dit land. Een eerste overleg daaromtrent is volgende week voorzien.

Dus nee, wij blijven niet bij de pakken zitten. Ik ben ervan overtuigd dat de extra middelen die dit jaar op mijn vraag voor justitie zijn vrijgemaakt, ook in de toekomst zullen moeten worden aangevuld. Aangezien de eerste minister, de hele regering en ikzelf veiligheid hoog in het vaandel dragen, ben ik ervan overtuigd dat er bereidheid zal zijn om de versterking van justitie ook in de komende maanden en jaren waar te maken.

Marijke Dillen:

Dank voor uw antwoord, mevrouw de minister. Het loutere feit dat magistraten nu al bijna een maand actievoeren, is op zichzelf heel uitzonderlijk. Het is geen vijf voor, maar vijf na twaalf. Justitie, mevrouw de minister, heeft geen taskforces nodig die worden opgericht om dikke rapporten op te stellen over problemen die we vandaag allemaal kennen. Wie justitie al jaren volgt, kent de problemen en heeft geen rapporten nodig die waarschijnlijk niemand leest en die nog minder zullen worden uitgevoerd. Nee, er is nood aan een onmiddellijk ingrijpen, met een duidelijk actieplan, gekoppeld aan voldoende middelen, veel meer middelen dan de middelen die u vandaag krijgt. Ik waarschuw u: deze regering speelt een heel gevaarlijk spel door justitie en veiligheid stiefmoederlijk te behandelen. Onze bevolking verdient beter.

De digitalisering van Justitie

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 4 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De ontwikkeling van JustRestart (toegewezen aan de ordes van advocaten en uitgevoerd door Aginco) kostte 5,6 miljoen euro (opgelopen van 4,2 miljoen) en ging live in november 2023 na twee uitstellingen, met verdere updates gepland tot 2025. De financiering (subsidies + retributies) en aanbestedingsprocedure (juridisch advies gevraagd) blijven discussiepunten, vooral door eerdere kritiek van de Inspectie van Financiën op de FOD-bijdrage. De minister benadrukt dat subsidies enkel voor oprichting zijn, terwijl onderhoud via retributies loopt. Functionele eisen en vertragingsboetes werden niet expliciet beantwoord.

Jeroen Soete:

Mevrouw de minister, aanvankelijk had ik deze vraag, zowel schriftelijk als mondeling, nog ter attentie van uw voorganger ingediend, maar dat is tweemaal fout gelopen. Daarom belandt de vraag, die nog steeds relevant is, vandaag bij u.

De vraag gaat over het dossier van JustRestart, meer bepaald over de ontwikkeling van dat platform. In 2016 is ervoor geopteerd om de ordes van advocaten aan te stellen als beheerder van het platform. Zij hebben op hun beurt ervoor gekozen om het platform te laten oprichten en ontwikkelen door de firma Aginco. Er is toen ook gemeld dat zowel in 2022 als in 2023 twee subsidies voor een totaal van 4,3 miljoen euro waren toegekend. Vanaf 2024 zou een jaarlijkse subsidie van 1,2 miljoen euro worden voorzien voor de nadere ontwikkeling van het platform. Uiteraard zou ook de retributie daarvoor dienen. Een deel van de kosten zou de FOD Justitie op zich nemen, een ander deel zou worden gefinancierd via die retributie.

Ik heb ondertussen vernomen dat de Inspectie van Financiën in het verleden een probleem maakte van de financiering door de FOD Justitie voor het verdere onderhoud of de verdere ontwikkeling van het systeem. Ik weet niet of dat probleem al van de baan is. Daarom hebben wij enkele vragen over de ontwikkeling en de wijze waarop alles is gebeurd.

Mevrouw de minister, meer concreet hadden wij graag vernomen of die opdracht de procedure inzake overheidsopdrachten diende te volgen. Indien ja, is die procedure ook gevolgd?

Wat werd exact vooropgesteld als eindproduct? Daarover is immers behoorlijk wat discussie, ook gezien de negatieve adviezen van de Inspectie van Financiën.

Welk budget werd geraamd voor de ontwikkeling van het product?

Welke opleveringstermijnen werden naar voren geschoven? Wat waren desgevallend de boetes in geval van vertraging?

Werden op voorhand de criteria vastgesteld waaraan het product bij de oplevering voor dat bedrag van 4,3 miljoen euro moest voldoen?

Wat valt onder de verdere ontwikkeling? Hoelang zou het contract lopen?

Hoe wordt het onderscheid gemaakt tussen de kosten voor de verdere ontwikkeling en de beheerskosten?

Annelies Verlinden:

Mijnheer Soete, het was in 2016 een bewuste keuze van de wetgever om de ontwikkeling en het beheer van het register toe te vertrouwen aan de beide communautaire ordes van advocaten. Daarvoor wil ik verwijzen naar artikel 1675/21 van het Gerechtelijk Wetboek.

Wat betreft uw vraag of de toekenning van die opdracht door de ordes al dan niet onder de wet op de overheidsopdrachten viel, vraagt de FOD Justitie juridisch advies. De ordes hebben vier verschillende firma's aangezocht om de softwareontwikkelingspartner te selecteren die over de nodige middelen, vaardigheden en kennis beschikte, en zo werd inderdaad de opdracht aan Aginco gegund.

De stuurgroep van Restart stelde een overzicht van functionaliteiten op van de verschillende stakeholders. Die lijst omvatte alle essentiële taken voor de operationele opstart van de applicatie, van de algemene voorbereiding over de technische implementatie tot het change management.

De inschatting van de firma voor de uitvoering van het project bedroeg 4,2 miljoen euro. Bijkomende functionaliteiten, aangevraagd tijdens de uitvoering van de opdracht, hebben geleid tot een verhoging van het gevraagde budget tot 5,6 miljoen euro. De ontwikkelkosten liggen in lijn met andere ontwikkelde applicaties.

De lancering van JustRestart werd al twee keer uitgesteld, eerst in januari 2023 en vervolgens in juni 2023. Uiteindelijk ging het platform online in november 2023.

Voor 2025 omvatten de prioriteiten onder meer de introductie van meervoudige vertegenwoordiging, een verdere ontwikkeling van de module voor aanzuiveringsplannen, integratie met de Dienst Inschrijving Voertuigen en verandering van de leverancier voor digitale handtekeningen.

Zoals bepaald in artikel 1675/27, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek wordt het evolutief onderhoud gefinancierd via een retributiesysteem. De subsidie kan enkel worden gebruikt voor de kosten gelinkt aan de oprichting van het register.

Jeroen Soete:

Mevrouw de minister, ik dank u voor uw heel duidelijk antwoord.

De toename van cybercriminaliteit

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 4 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De stijgende phishingcijfers (50% pogingen, 7% slachtoffers) en dalende aangiftebereidheid door willekeurige parketondergrenzen (500–2.500 euro per arrondissement) zorgen voor onrechtvaardigheid en wantrouwen, aangezien lage bedragen voor kwetsbare groepen zwaar wegen. Minister Verlinden erkent de nood aan harmonisatie via overleg met het College van procureurs-generaal, belooft preventie (samenwerking banken, cybersecurity) en gespecialiseerde teams, maar concrete nationale richtlijnen ontbreken nog. Van Hoecke kritiseert de versnipperde aanpak als onlogisch (bv. 500 euro wel vervolgd in Limburg, niet in Vlaanderen) en dringt aan op snelle uniformering. Lokale initiatieven (snellere detectie, realtime bankensamenwerking) lopen, maar een landelijke, coherentie strategie blijft uit.

Alexander Van Hoecke:

Ik had niet verwacht dat ik vandaag zoveel vragen zou kunnen stellen. Het gaat vooruit.

Uit de veiligheidsmonitor van de federale politie blijkt dat de helft van de bevraagde mensen het voorbije jaar minstens één keer het slachtoffer is geworden van een poging tot phishing. Dat is een stijging met 10 % tegenover de vorige veiligheidsmonitor in 2021. Bijna 7 % wordt ook effectief het slachtoffer van phishing.

Het is verontrustend dat steeds meer mensen het slachtoffer worden van een vorm van internetfraude, maar dat tegelijkertijd ook steeds minder aangifte wordt gedaan. De politie roept in de veiligheidsmonitor op om aangifte te blijven doen, maar het parket werkt volgens mij de aangiftebereidheid niet in de hand, door aan te kondigen dat internetfraude niet meer wordt onderzocht wanneer een slachtoffer niet voor een bepaald bedrag is opgelicht.

Het parket van Oost-Vlaanderen voerde voorbije zomer bijvoorbeeld nog een ondergrens in van 1.000 euro. In West-Vlaanderen werd zelfs een ondergrens van 2.500 euro ingevoerd. In Limburg geldt dan weer een ondergrens van 500 euro. In Leuven werd eveneens een ondergrens ingevoerd, maar daar wil men niet zeggen om welk bedrag het gaat. Wie minder dan die bedragen is kwijtgeraakt, zal niet meer op het parket kunnen rekenen om de zaak te onderzoeken. Die versnippering zorgt er bovendien voor dat er heel weinig vertrouwen is. Ze creëert ook een heel grote vorm van onzekerheid. Voormalig minister van Justitie Vincent Van Quickenborne gaf in 2023 al aan dat hij het College van procureurs-generaal had gevraagd de verschillende praktijken te bundelen in een nationale richtlijn.

Daarom heb ik de hiernavolgende vragen.

Hoe staat u tegenover de verschillende ondergrenzen die door het parket worden gehanteerd?

Hanteren nog andere parketten een ondergrens behalve degene die ik heb genoemd? Op welke bedrag werd die ondergrens vastgelegd?

Werd ooit werk gemaakt van een nationale richtlijn om de verschillende vervolgingspraktijken te bundelen?

Zult u zelf nog stappen zetten die leiden tot een meer coherente vervolging van internetfraude? Indien ja, welke zijn dat en wanneer mogen we ze verwachten?

Ten slotte, welke stappen hebt u sinds uw aantreden al gezet om internetfraude te bestrijden? Wat mogen we nog verwachten?

Annelies Verlinden:

Het is mogelijk dat tussen de verschillende arrondissementen andere vervolgingsprioriteiten bestaan, naargelang de soort criminaliteit die in dat specifiek arrondissement het meeste voorkomt. Het vervolgingsbeleid komt immers primair toe aan het openbaar ministerie.

Dat gezegd zijnde, kan voor bepaalde fenomenen een gecoördineerde aanpak wenselijk zijn. Samen met het College van procureurs-generaal zal ik bekijken of en waar een harmonisering inzake internetfraude mogelijk is.

Ook moeten we als overheid nagaan hoe we kunnen blijven inzetten op preventiecampagnes en hoe we samenwerkingen kunnen opzoeken met onder meer de bankensector en het Centrum voor Cybersecurity Belgium. Zoals aangegeven in mijn beleidsverklaring, blijft cybercriminaliteit een prioriteit. We willen de strijd ertegen opvoeren door onder meer gespecialiseerde kamers op te zetten en door de samenwerking tussen de verschillende diensten te optimaliseren.

Er lopen reeds enkele – zij het enkel vooral lokale – initiatieven om internetfraude effectiever aan te pakken. Zo worden er technische oplossingen ontwikkeld voor het sneller detecteren en verstoren van phishingactiviteiten en wordt er gewerkt aan realtime samenwerking met de financiële sector voor een snellere respons bij frauduleuze transacties.

Ook wordt onderzocht hoe de informatie-uitwisseling tussen de verschillende actoren kan worden verbeterd. Een meer gecoördineerde aanpak van cybercriminaliteitsbestrijding kan ertoe bijdragen dat de expertise en de middelen optimaler worden ingezet, wat ten goede komt aan de effectiviteit van het onderzoek en van de vervolging.

Alexander Van Hoecke:

Dank u wel voor uw antwoord, mevrouw de minister.

In heel die zaak vind ik twee dingen echt ongelooflijk onrechtvaardig.

Ten eerste wordt er een minimumbedrag opgelegd vooraleer het parket gaat vervolgen. Er wordt gedaan alsof dat bedrag voor iedereen een even grote impact heeft. 2.500 euro is voor iemand met een beperkt pensioen een veel groter bedrag dan voor iemand die goed zijn boterham verdient. Zeggen dat men onder dat bedrag niet zal vervolgen, vind ik ongelooflijk bizar. Wat voor een signaal geeft het parket daarmee aan de mensen?

Ten tweede, hoe legt u in godsnaam uit dat phishing voor bijvoorbeeld 500 euro in Limburg wel wordt vervolgd, maar in Oost- of West-Vlaanderen helemaal niet? Daar schort toch iets aan.

Ik ben wel tevreden dat u zult samenzitten met het Collega van procureurs-generaal om te bekijken waar harmonisering mogelijk is. Ik kijk daarnaar uit. Dat lijkt me absoluut noodzakelijk, want er is dringend nood aan een nationale richtlijn om het vervolgingsbeleid gelijk te trekken. Ik begrijp dat wat de vorige minister van Justitie had aangekondigd, niet is gebeurd. Ik hoop dus dat u daar wel in slaagt en dat u werk zult maken van die harmonisering.

Voorzitter:

De samengevoegde vragen nr. 56005311C van mevrouw Dillen en nr. 56005325C van de heer Yzermans worden uitgesteld.

De exponentiële toename van het aantal terreurdossiers met minderjarige verdachten

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 4 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De stijgende betrokkenheid van minderjarigen (soms 12-13 jaar) in jihadistische terreurdossiers (van 24 naar 55 gevallen in één jaar) baart zorgen, met name door hun radicalisering en de coördinatieproblemen tussen lokale parketten en het federaal parket bij gemengde dossiers (volwassenen/minderjarigen). Minister Verlinden benadrukt de nood aan voldoende capaciteit bij parketten en inlichtingendiensten, een geïntegreerde aanpak (veiligheid *en* socio-preventieve opvolging via LTF’s en GGB) en betere informatiedeling tussen diensten, maar geeft geen concrete cijfers over uithandengeving of specifieke ondersteuningsmaatregelen. Van Hoecke waarschuwt dat de dreiging groeit door islamistische infiltratie bij jongeren en dringt aan op blevende waakzaamheid van de hele regering. Preventie en handhaving blijven kritieke knelpunten.

Alexander Van Hoecke:

Mevrouw de minister, ik verwijs naar de tekst van mijn vraag zoals ingediend.

Het federaal parket heeft vorig jaar minstens 80 nieuwe terreurdossiers geopend. In 2023 ging het nog om 70 dossiers. Opvallend daarbij is niet alleen de stijging van het aantal dossiers, maar ook de exponentiële stijging van het aantal terreuronderzoeken waarbij ook minderjarigen onder de terreurverdachten zitten. In maar liefst 55 terreuronderzoeken die het federaal parket vorig jaar opende waren ook minderjarigen betrokken. In 2023 ging het nog om 'slechts' 24 dossiers.

Magistraat Antoon Schotsaert van het federaal parket wijst erop dat er verdachten opduiken van amper 12 à 13 jaar oud. De gemiddelde leeftijd ligt weliswaar rond 15 à 16 jaar. Het merendeel van de minderjarigen heeft jihadistische motieven.

Het federaal parket is zelf niet bevoegd voor terrorismefeiten gepleegd door minderjarigen, tenzij ze uithandengegeven zijn door de jeugdrechter. Wel biedt het federaal parket ondersteuning aan lokale parketten en behandelt het de dossiers waarbij zowel volwassen als minderjarigen in verdenking zijn gesteld. Het federaal parket wijst erop dat dat in sommige gevallen veel coördinatie tussen de verschillende lokale parketten vergt, wanneer meerdere minderjarigen betrokken zijn in één dossier.

Wat is de reactie van de minister op deze verontrustende cijfers en wat zal zij ondernemen om te garanderen dat alle terreurdossiers even grondig onderzocht kunnen blijven worden?

Wat kan de minister ondernemen om de coördinatie tussen de verschillende lokale parketten in terrorismezaken waarbij meerdere minderjarigen betrokken zijn te stroomlijnen?

Kan de minister verduidelijken in hoeveel gevallen (op het totaal aantal dossiers) dat er beslist werd om de minderjarige verdachte uit handen te geven, en aldus als een volwassene te berechten?

Kan de minister verduidelijken op welke wijze er door het federale parket ondersteuning wordt gegeven aan de lokale parketten?

Is er wat betreft de minderjarigen die worden veroordeeld door de jeugdrechter naderhand voldoende opvolging door de staatsveiligheid?

Annelies Verlinden:

Mijnheer Van Hoecke, om de strijd tegen terreur te kunnen voeren, is het van essentieel belang dat de voornaamste betrokken FGP's Antwerpen, Brussel, Gent, Luik en Charleroi, en de inlichtingendiensten, de VSSE en ADIV, over voldoende capaciteit en expertise beschikken om de nodige onderzoeken te kunnen uitvoeren.

Daarnaast is een goede werking van het concept van de JIC/JDC van bijzonder belang. In het kader van de Strategie TER worden personen die worden opgevolgd voor terrorisme besproken binnen de LTF's. Die opvolging gebeurt hoofdzakelijk op basis van hun opname in een van de categorieën van de Gemeenschappelijke Gegevensbank. Aangezien de minimumleeftijd voor opname in de GGB is vastgelegd op 12 jaar, kunnen ook minderjarigen onder dat mechanisme vallen.

De opvolging op het vlak van veiligheid wordt verzekerd door de bevoegde veiligheids- en inlichtingendiensten. Het is belangrijk te benadrukken dat een opvolging binnen de LTF losstaat van eventuele gerechtelijke procedures.

De Veiligheid van de Staat neemt haar rol in dat veiligheids- en maatschappelijk vraagstuk ernstig. Dat wordt uitvoerig toegelicht in het Intelligence Report 2024 , dat in januari 2025 werd gepubliceerd en waarin twee pagina's aan dat onderwerp worden gewijd.

Toch is het veiligheidsluik slechts een aspect van de problematiek. Er moet ook ruimte zijn voor een socio-preventieve opvolging. Tegelijkertijd moet worden gezorgd voor een efficiënte informatiedoorstroming van de socio-preventieve diensten naar de veiligheidsdiensten. Daardoor is een integrale aanpak mogelijk, waarbij zowel veiligheidsaspecten als preventieve en sociale maatregelen worden verankerd.

Alexander Van Hoecke:

Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord. Dat er zoveel minderjarigen opduiken in terrorismedossiers, wijst er niet alleen op dat de dreiging van terrorisme springlevend is, maar dat islamisten ook steeds beter doordringen in de leefwereld van jongeren. Het is niet alleen uw bevoegdheid, want het komt de hele regering toe om waakzaam te blijven op dat vlak. Ik ben ervan overtuigd dat de golf van terrorisme die we hebben gezien en waarvan sommigen dachten dat die wat was ingedijkt, absoluut nog niet voorbij is. Ik roep u dus op om zeker waakzaam te blijven.

De alarmerende toestand van de gebouwen van de justitie

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 4 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De alarmerende staat van justitiële gebouwen (schimmel, veiligheidsrisico’s, ongedierte, structureel onderhoudsgebrek) vormt een acute bedreiging voor werkomstandigheden en veiligheid, met jarenlange onderfinanciering als oorzaak. Minister Verlinden bevestigt een masterplan in ontwikkeling (gerichte rationalisatie, kwaliteitsverbetering, samenwerking met Regie der Gebouwen) en acute oplossingen via onderhoudscontracten, maar benadrukt dat meldingen essentieel zijn voor opvolging. Yzermans waarschuwt dat slechte infrastructuur de motivatie van onderbezet justitiepersoneel verder ondermijnt, ondanks hun hoge productiviteit. Concreet ontbreekt nog een tijdsgebonden actieplan met voldoende middelen.

Alain Yzermans:

Het is genoegzaam bekend dat er de afgelopen maanden een stormvloed aan reacties was over de alarmerende toestand van ons justitieel patrimonium. De prikacties tonen dat aan en zullen vermoedelijk nog wekelijks doorgaan. De problemen zijn legio. Geraakt die zondvloed aan problemen ooit opgelost? Zo ja, op welke manier kunnen we dat aanpakken?

Het gaat om verschillende problemen met het patrimonium en de erbarmelijke fysieke toestand ervan, want veel gebouwen van Justitie zijn in verval door schimmelgroei, vochtproblemen en verzakkingen. Het gaat ook om veiligheidsrisico’s. In Genk werd bijvoorbeeld een rechtbank gesloten. Er zijn gebouwen waar er elektrocutiegevaar heerst. Daarnaast zijn er onveilige situaties door lekkende daken en defecte elektrische systemen. Er zijn ook problemen door ongedierte, een veelvuldig gebrek aan onderhoud en herstellingen, ontbrekende vervangstukken en schade aan elektronische apparatuur door insijpelend regenwater.

Gezien de ongeschikte werkomstandigheden stel ik de vraag of de wet over het welzijn op het werk wordt geëerbiedigd wat betreft gezondheid en veiligheid. Voorts zijn er ook beveiligingsproblemen en toegangscontroles die niet functioneren. Kortom, het gaat om situaties die het personeel en de bezoekers in gevaar brengen. Stilaan wordt het een berg die moeilijk te overzien valt.

Wat zijn de concrete acties? Is er geen groot masterplan nodig? Uiteraard heeft het met middelen te maken. Het is geen probleem dat nu in uw schoot wordt geworpen, maar het gaat om een jarenlange, systematische onderfinanciering en een gebrek aan een globale aanpak voor de patrimoniale waardering, valorisering en onderhoud. Hoe kan dat worden opgelost? Is er crisisoverleg met uw collega-minister bevoegd voor de Regie der Gebouwen? Wat doet u met de meest prangende problemen zoals ongedierte en onhygiënische omstandigheden?

Annelies Verlinden:

Mijnheer Yzermans, Ik heb kennisgenomen van uw vraag betreffende de toestand van de gerechtsgebouwen. Bij mijn aantreden als minister heb ik mij vergewist van de staat van het gebouwenpark en van de vele noden, waarvan vele al meerdere jaren gekend zijn. Sindsdien heb ik mijn diensten de opdracht gegeven om, in nauw overleg met de Regie der Gebouwen, die noden te analyseren en gerichte voorstellen te formuleren voor verbetering en beveiliging. Ik sta daarover ook in voortdurend contact met collega Matz, die als minister onder meer bevoegd is voor het gebouwenbeheer van de staat.

De administratie wil geleidelijk overgaan naar een gebouwenbeleid waarbij de focus ligt op minder, maar wel kwalitatief hoogwaardigere gerechtsgebouwen. Daarmee willen we tegemoetkomen aan de behoeften op het vlak van ruimte en uitrusting voor de rechtbanken en parketten van de toekomst. In dat verband verwijs ik ook naar het regeerakkoord, waarin staat dat het gebouwenpark zal worden gerationaliseerd, met bijzondere aandacht voor de toegankelijkheid en bereikbaarheid van de zittingsplaatsen.

In het licht van het regeerakkoord en van de doelstellingen van de administratie is het aangewezen om de situatie van alle gerechtsgebouwen in het land en de te plannen renovaties en bouwprojecten te bekijken in het kader van de uitwerking van een nieuw masterplan voor de gerechtsgebouwen.

Tot slot kan ik u melden dat een aantal specifieke onderhoudsthema’s, zoals ongedierteproblemen, wordt aangepakt via onderhoudscontracten. Indien dergelijke problemen zich voordoen, moeten ze worden gemeld aan de administratie, zodat zij de juiste opvolging kan verzekeren.

Alain Yzermans:

Mevrouw de minister, ik ben blij te horen dat er uitvoering wordt gegeven aan een grondig overleg over dat patrimonium, dat er een masterplan in de maak is en dat er wordt gewerkt aan de meldingssystemen, meer bepaald het verloop van de communicatie op het terrein, zoals u aangeeft.

Vandaag hebben we al te kampen met een onderbezetting van het aantal rechters en magistraten ten opzichte van het Europese gemiddelde. Zij werken enorm hard – dat weten we allemaal – en hun resultaten zijn sterk. Als de werkomstandigheden echter onder druk komen te staan omdat de gebouwen niet meer up-to-date zijn, komt ook hun motivatie in het gedrang. We moeten daar samen werk van maken.

Voorzitter:

Les questions n os 56005381C et 56005382C de Mme Leentje Grillaert sont transformées en questions écrites.

De brand in de gevangenis van Lantin
De tragische brand in de gevangenis van Lantin en de naleving van de brandveiligheidsnormen
Brand in Lantin-gevangenis en brandveiligheidsnormen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 4 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De dodelijke brand in de gevangenis van Lantin (met 1 dode pompier, gewonden en structurele schade) blootlegt verouderde infrastructuur, ontbrekende brandveiligheidsnormen en niet-uitgevoerde aanbevelingen (zoals een sprinklersysteem uit een 2019-rapport). Minister Verlinden bevestigt dat noodplannen wel werden bijgewerkt (laatst in maart 2024) en belooft veiligheidsaudits in alle gevangenissen, maar wijst voor concrete werken naar de Régie des Bâtiments. Kritiek richt zich op systeemfalendelen: gebrek aan specifieke brandwetgeving voor gevangenissen (in tegenstelling tot ziekenhuizen/scholen), verwaarloosde onderhoudsbudgetten en overbevolking die risico’s verergert. Parlementsleden dringen aan op transparantie (vrijgave van het 2024-rapport) en structurele oplossingen, niet enkel uitbreiding van capaciteit.

Julien Ribaudo:

Bonjour madame la ministre. Je voulais revenir sur l'incendie dramatique survenu jeudi dernier à la prison de Lantin. Le feu a démarré dans la buanderie du bloc Y entre la maison d'arrêt et la maison de peines. Comme vous le savez, il a coûté la vie à un pompier, blessé plusieurs autres et légèrement intoxiqué un agent pénitentiaire. Les détenus, quant à eux, ont été confinés dans leurs cellules par précaution et sans évacuation.

Madame la ministre, pouvez-vous nous informer sur les causes précises de cet indendie? Quelles mesures urgentes ont-elles ou vont-elles être prises pour éviter qu'un tel drame ne se reproduise à l'avenir? Au-delà des pertes humaines, les conséquences concrètes sur le fonctionnement de la prison sont déjà visibles: le personnel de la buanderie devra être relogé dans d'autres espaces et une entreprise privée prendra temporairement en charge le linge. Par ailleurs, la fermeture de la cantine, où les détenus doivent s'approvisionner en produits frais et de première nécessité, risque de provoquer une hausse des tensions à la fois pour les détenus et pour les agents.

Ce drame soulève une question plus large sur la sécurité dans nos prisons, sur l'état des infrastructures et sur les conditions de travail du personnel pénitentiaire comme des services de secours. Selon nos informations, ce sinistre aurait pu être évité, ou du moins contenu. Apparemment, un rapport rédigé en 2019 par le major Laurent Charbon recommandait l'installation d'un système de spinklage dans cette aile, précisément en raison d'un risque incendie identifié. Cette recommandation n'a pourtant, semble-t-il, pas été suivie. Pouvez-vous confirmer l'existence de ce rapport et de cette recommandation et nous expliquer pourquoi cette mesure préventive n'a pas été mise en œuvre à l'époque? Au-delà du cas de Lantin, pouvez-vous nous expliquer la raison pour laquelle il n'existe toujours pas de législation spécifique en matière de sécurité incendie pour les prisons, alors que cela existe pour d'autres structures, comme les hôpitaux, les écoles ou les maisons de repos, ainsi que dans des pays limitrophes.

Khalil Aouasti:

Je vous remercie monsieur le président.

Madame la ministre, vous héritez effectivement d'une situation difficile à la prison de Lantin, qu'on sait malheureusement en mauvais état depuis de trop nombreuses années. Ce mauvais état a notamment mené à un tragique incendie ayant causé la mort de Maxime Coessens, blessé trois de ses collègues pompiers – pour certains, grièvement – et choqué l'ensemble de la Belgique.

Cet accident, qui est gravissime, puisqu'il y a un mort et trois blessés à la clé, soulève un certain nombre de questions. Nous apprenons effectivement que plusieurs établissements pénitentiaires ne répondraient pas aux normes incendies et que les exercices obligatoires annuels ne sont pas organisés. Un rapport de la commission de surveillance de la prison de Lantin notamment, datant de 2015 – il y a donc plus de dix ans – nous le confirme.

Madame la ministre, mes questions pourraient également être adressées à votre collègue en charge de la Régie des Bâtiments.

Pouvez-vous nous en dire davantage sur le respect des normes incendies dans les établissements pénitentiaires et, singulièrement, dans celui de Lantin?

Pourriez-vous nous indiquer à quelle date a été établi et vérifié le dernier plan d'évacuation d'urgence?

Quels sont les travaux réalisés pour assurer son entier fonctionnement?

Quels suivis entendez-vous mener, seule ou avec certains de vos collègues, à la suite de ce drame?

Je vous remercie pour vos réponses.

Annelies Verlinden:

Chers collègues, il s'agit évidemment d'un incident extrêmement tragique à la suite duquel nous perdons un pompier dévoué. Un tel incident nous affecte tous profondément et c'est la raison pour laquelle je me suis immédiatement rendue sur place pour présenter mes condoléances à la famille et aux proches de la victime, mais aussi pour apporter mon soutien aux pompiers grièvement blessés ainsi qu'au personnel pénitentiaire. J'ai directement entamé un dialogue avec eux afin d'examiner comment les accompagner et les soutenir au mieux.

Le parquet mène l'enquête pour déterminer les causes de l'incendie. Il serait actuellement prématuré de se prononcer à ce sujet.

Mon administration ne manquera pas d'examiner les procédures de sécurité incendie, non seulement dans la prison de Lantin mais aussi dans l'ensemble des établissements pénitentiaires. Je peux vous assurer que les ajustements nécessaires seront effectués à la suite de ces analyses.

Dans la prison de Lantin, le compartimentage était effectif et l'alarme s'est déclenchée correctement. Concernant les travaux réalisés dans le but de garantir le bon fonctionnement des processus et d'assurer la sécurité incendie dans les établissements pénitentiaires, je vous renvoie à la Régie des Bâtiments.

Nous pouvons déjà affirmer, notamment sur la base des éléments transmis par les pompiers eux-mêmes, que, depuis 2019, le plan d'intervention d'urgence de la prison de Lantin est régulièrement mis à jour. La dernière actualisation de ce plan a été transmise par mail aux autorités de la zone de police Basse-Meuse le 30 mars 2024. À la page 13 de ce plan, il est fait mention de la particularité du bâtiment et des personnes qui y sont logées, concernant notamment la mobilité réduite et l'espace restreint. Un contact avec le commandement des pompiers a eu lieu en juin 2024 à ce sujet.

Pour conclure, je tiens à souligner que la sécurité en général, y compris la sécurité incendie, constitue une priorité absolue au sein de nos établissements pénitentiaires.

Julien Ribaudo:

Merci madame la ministre pour vos réponses. Effectivement, certaines questions relèvent plutôt de la Régie des Bâtiments.

Je voudrais d'abord vous dire que les retours du terrain, à propos de votre visite et des mesures, sont très positifs. Il faut pouvoir le dire. Mais cette catastrophe nous rappelle l'état de nos prisons, qui sont délabrées, et le fait que la surpopulation les pousse dans leurs plus grands retranchements.

Il ne faut donc pas juste se dire que, comme on va devoir mettre plus de gens encore en prison, on doit créer plus de places. Il va falloir aussi mettre du budget et être très attentif à l'état des prisons, pour pouvoir les réparer à la hauteur des besoins, parce que, sinon, ça ne marchera jamais.

Et puis, il va falloir qu'on réfléchisse à la question d'une réglementation incendie propre au secteur pénitentiaire, laquelle fait actuellement défaut. Je pense que cela permettra aux acteurs de terrain de travailler dans de meilleures conditions.

Khalil Aouasti:

Je vous remercie, madame la ministre, pour vos réponses. Je vais donc interroger également votre collègue, Mme Matz, pour le volet qui la concerne. Vous êtes toutes deux les héritières, finalement, d'un système qui est en train de s'écrouler sur lui-même et qui amène, malheureusement, à ces drames. Vous évoquez un rapport des pompiers qui a été adressé à la zone de police Basse-Meuse en 2024. Serait-il possible, à travers le secrétariat et le président de la commission, de nous le transmettre pour que nous puissions également en prendre connaissance?

De defecte camera's in de gevangenis van Hasselt

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 4 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De dysfunctionerende bewakingscamera’s in gevangenissen (o.a. Hasselt, waar 115 van 220 camera’s defect zijn) vormen een acute veiligheidsrisico voor personeel, gedetineerden en de samenleving, ondanks eerdere beloftes voor een hoogtechnologisch zwakstroomsysteem. Minister Verlinden bevestigt dat het verouderde analoge systeem niet meer repareerbaar is en dat heraanbesteding van een volledig nieuw glasvezelnetwerk (met aangepaste raming na mislukte aanbesteding) de enige oplossing is, maar dat tijdelijke fixes technisch en procedureel onhaalbaar zijn door strenge overheidsopdrachtregels en wifi-beperkingen. Yzermans dringt aan op versnelde uitvoering en herhaalt de noodzaak van veiligheid, maar erken dat wettelijke kaders geen ruimte bieden voor snelle tussenoplossingen. Het dossier blijft vastlopen in bureaucratie en hoge kosten, terwijl de urgente veiligheidslekken aanhouden.

Alain Yzermans:

Mevrouw de minister, een robuust bewakingssysteem, dus een systeem dat erop is gericht alle hoeken, kanten en ruimtes in de gevangenis bijna hermetisch in beeld te brengen, is belangrijk voor de veiligheid in de gevangenissen. Bewakingscamera’s zijn daarvoor de ultieme tools. Wij hebben met een aantal leden de problematiek eind 2024 al aangekaart. De toenmalige minister heeft toen meegegeven dat het systeem zou worden aangepakt en dat een hoogtechnologisch zwakstroomsysteem, dat ook in Leuven geïnstalleerd werd, zou worden ingebouwd. Blijkbaar hebt u tijdens de bespreking van de beleidsnota ook aangekondigd dat het dossier wordt herbekeken. Ondertussen heb ik inzage gehad in een aantal documenten over het aantal camera’s dat functioneert en de camera’s die niet functioneren.

Ik heb ook een bezoek gebracht aan de gevangenis van Hasselt. Hoewel het daar om een goed uitgebouwde gevangenis gaat, die er heel ordentelijk bijligt en die nog niet erg oud is, functioneren 115 van de meer dan 220 camera’s vandaag niet, zijn er enkele uit roulatie gehaald en werken er dus maar een paar digitale camera's, waardoor het hele systeem als het ware in duigen valt.

Het is belangrijk dat de robuustheid van het veiligheidssysteem wordt gevrijwaard. Indien er een nieuw dossier komt, moet wellicht opnieuw worden gewacht op de architectuur. Het gaat immers om moeilijke technologische dossiers. Dat gaat dus heel lang duren. Ondertussen werkt de regiekamer ook maar half. Ik stel mij dan ook vragen. Een aantal procedures wordt gewijzigd wegens het ontbreken van camera’s.

Elke instelling waarbij risico's hoog worden ingeschaald, inclusief de gevangenissen, moet uiteraard voldoen aan een aantal veiligheidsvoorschriften inzake camera’s niet alleen met het oog op de veiligheid van de gevangenen, des te meer gelet op de overbevolking, maar ook met het oog op de veiligheid van het gevangenispersoneel en van de samenleving tout court.

Hoe kan het probleem worden aangepakt? Zijn er geen tijdelijke systemen of kleinschalige firma’s die het probleem kunnen oplossen?

Er bestaan aankoopcentrales. Hoe kunnen we op korte termijn het probleem verhelpen, zodat de veiligheid te allen tijde is gegarandeerd?

Annelies Verlinden:

Mijnheer Yzermans, u vroeg of er tussentijdse oplossingen mogelijk waren. Het betreft hier een verouderd, analoog systeem, waarvoor er geen vervang- of reserveonderdelen meer te verkrijgen zijn. Het zwakstroomdossier ondervangt de bestaande problemen, met als rode draad de aanleg van een nieuwe backbone van glasvezel. Er moest dus in een volledig nieuw systeem worden voorzien. De overheidsopdracht die door de Regie der Gebouwen werd gelanceerd, had bij de opening van de biedingen slechts één inschrijver. Bovendien lag het inschrijvingsbedrag tweeënhalf keer hoger dan de raming.

De combinatie van die elementen, één enkele inschrijver met een beduidend hoog inschrijvingsbedrag, heeft ertoe geleid dat alleen het heropstarten van de procedure met een aangepast ramingsbedrag als een realistische mogelijkheid werd beschouwd. Intussen wordt het dossier met de aangepaste raming opgesteld om aan de IF te worden voorgelegd. Na de goedkeuring wordt het dossier aan de Regie der Gebouwen voorgelegd, met het oog op het lanceren van een nieuwe overheidsopdracht.

Ook alternatieve, tijdelijke oplossingen of tussenoplossingen zijn enerzijds technisch moeilijk te implementeren, bijvoorbeeld wegens de wifi-installaties. Anderzijds vraagt ook een tussentijdse, alternatieve of tijdelijke oplossing dat er een dossier wordt opgesteld, aangezien ook daarvoor de procedure van de overheidsopdracht moet worden gevolgd, en dat kan niet veel sneller worden uitgerold dan de heraanbesteding van het hele project.

Er zijn geen snelle hoogtechnologische oplossingen of aanpassingen binnen de muren mogelijk, onder andere door de onmogelijkheid om het bestaande systeem aan te passen. Hoe dan ook zullen we een en ander zo vlug mogelijk realiseren, omdat we de ambitie hebben om snel de noodzakelijke camera's te installeren.

Alain Yzermans:

Mevrouw de minister, ik ben blij met het antwoord. Ik hoop dat hiervan werk wordt gemaakt. De gevangenis van Hasselt is niet de enige welke met dergelijke problemen kampt. Ik denk dat die instellingen veiligheid verdienen, zoals de maatschappij dat ook verdient.

Het is goed dat u er alles aan doet. Dat het dossier opnieuw werd opgestart, vind ik een goede zaak. Misschien moet nog eens worden onderzocht wanneer tussentijdse onderhoudsoplossingen al dan niet mogelijk zijn, uiteraard conform het wettelijke kader van de overheidsopdrachten.

Voorzitter:

Vraag nr. 56005433C van de heer Van Rooy wordt op zijn vraag uitgesteld.

De zorgwekkende toestand inzake de gezondheidszorg in de gevangenissen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 4 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De catastrofale gezondheidszorg en veiligheidsomstandigheden in Belgische gevangenissen staan centraal, met scherpe kritiek op chronisch tekort aan personeel, ontoereikende medische zorg (inclusief misbruik van isoleercellen) en dodelijke gevolgen (zoals de brand in Lantin waar een brandweerman omkwam door sleutelchaos). Minister Verlinden bevestigt de geleidelijke overdracht van gevangeniszorg naar Volksgezondheid (eerste fase afgerond, tweede in voorbereiding) en belooft strengere controles, maar Schlitz eist radicale transparantie en snellere actie, wijzend op systeemfalen waarbinnen gedetineerden sterven door verzaking en detentie onnodig kwetsbaren treft. De structurele misstanden—internationaal veroordeeld—worden gelinkt aan gebrek aan onafhankelijk toezicht en een cultuur van verwaarlozing.

Sarah Schlitz:

Madame la ministre, il y a quelques semaines, l'Observatoire international des prisons a relaté le témoignage du docteur Verbrugghe, médecin exerçant actuellement à la prison de Haren. Il décrit une situation sanitaire carcérale alarmante, corroborée par des associations telles qu'I.Care, le Réseau Hépatite C Bruxelles ou encore Transit ASBL.

Une carte blanche, parue le 13 mai, appelle à des réponses claires du gouvernement. Comme l'explique ce témoignage, les besoins en matière de soins pour les détenus sont complexes: psychologiques, toxicomaniaques, somatiques, sociaux et culturels. Pourtant, l'expertise et le personnel nécessaires restent insuffisants en l'absence d'un quota minimum, ce qui entraîne fréquemment une externalisation des soins.

Madame la ministre, ces problèmes ne datent pas de hier. Le personnel concerné dénonce régulièrement ces situations. Ceci ne fait que rappeler l’état catastrophique dans nos prisons. Je ne peux d'ailleurs pas poser cette question aujourd'hui sans évoquer l’incendie survenu à Lantin, où un pompier, Maxime Coessens, a perdu la vie. Je tiens d'ailleurs à exprimer mes condoléances à sa famille et à ses proches. La complexité de l’accès aux clés d’urgence et l’absence de personnel capable de les localiser rapidement inscrivent ce drame dans un contexte plus large de délitement de ce qui se passe dans nos prisons. Des interrogations persistent en effet quant à la sécurité de l’établissement, aussi bien pour les services externes et internes que pour les détenus. Ces préoccupations sont soulevées depuis des années par les acteurs de terrain.

Nous ne savons pas assez ce qui se passe dans nos prisons. Nos agents pénitentiaires sont peu formés et à bout. Les droits humains des détenus sont mal respectés en raison d’un manque criant de personnel et de moyens. Nous savons tout cela, notamment en raison des nombreuses condamnations de la Belgique au niveau international sur le plan de la situation dans nos prisons.

Madame la ministre, pourquoi le Conseil national de santé pénitentiaire n'est-il plus actif? Pourquoi n'existe-t-il pas de contrôle indépendant de la qualité des soins? Pourquoi les retours des visites annuelles du Comité international de la Croix-Rouge (CICR) ne sont-ils pas partagés avec les médecins?

Comment justifier les pressions visant à limiter les déplacements vers l’hôpital alors que les soins internes à la prison sont sous-dotés? Selon quelle base légale les médecins peuvent-ils utiliser l'isolement disciplinaire à des fins punitives? Nous avons que cet isolement a des conséquences graves et rapides sur la santé mentale, notamment le risque de suicide.

Pourquoi la gestion des soins reste-t-elle sous l’autorité de la Direction générale des Établissements pénitentiaires (DG EPI) Justice, et non sous celle de la Santé publique, comme le réclament le secteur et les acteurs de terrain depuis des années? Ce transfert est-il prévu? D’ici là, quelles mesures comptez-vous prendre pour remédier aux défaillances actuelles?

Annelies Verlinden:

Madame Schlitz, le Conseil pénitentiaire de la santé n'a pas été formellement dissous. Les activités de cette instance se sont toutefois progressivement éteintes à la suite de la réforme des soins de santé en prison et du fonctionnement ultérieur mis en place dans le cadre de cette réforme. Le conseil est donc libre d'organiser à nouveau des réunions.

Il existe bien un contrôle indépendant via la collaboration avec le Comité international de la Croix-Rouge (CICR) et le Comité européen pour la prévention de la torture (CPT). L'inspection des soins est toutefois organisée au niveau régional. Elle n'est pas compétente dans les prisons et ne dispose pas non plus d'un cadre de référence spécifique pour exercer ce contrôle.

Les résultats des visites du CICR sont partagés avec les personnes responsables au niveau de la direction locale et l'administration centrale. Le renforcement de ce contrôle sera également un thème important dans le cadre du transfert des soins de santé pénitentiaires vers le département de la Santé publique.

En ce qui concerne les visites à l'hôpital, il appartient aux médecins d'évaluer si un examen à l'hôpital est nécessaire. Il n'est pas illogique qu'il y ait une demande de limitation des examens médicaux si la situation de la santé du détenu le permet dans le contexte des impératifs de sécurité. Je tiens avant tout à préciser qu'un médecin n'intervient dans une procédure disciplinaire ou dans des mesures imposées pour des raisons d'ordre et de sécurité que pour se prononcer sur la compatibilité de l'état de santé de la personne concernée avec la mesure en question. En revanche, le médecin est libre de formuler des propositions visant à limiter l'impact de la mesure sur la santé. À aucun moment, le médecin n'intervient dans la procédure elle-même ou ne se prononce sur la légalité ou la proportionnalité de celle-ci. Seul un directeur peut prendre des mesures punitives.

Comme vous l'avez certainement lu dans ma note de politique générale, je suis favorable au transfert des soins de santé pénitentiaires vers le département de la Santé publique. Cela doit toutefois se faire en plusieurs phases. Une première phase a concerné l'intégration dans l'assurance maladie et invalidité de toutes les prestations fournies en dehors des murs de la prison pendant la détention ou encore l'introduction des projets liés à la drogue et à la détention.

La phase 2 est en préparation. Elle concerne l'élargissement de cette action à la drogue et l'examen de l'intégration dans cette assurance de toutes les prestations réalisées à l'intérieur des murs.

De plus, je me suis récemment entretenue avec mon collègue chargé de la Santé publique au sujet d'autres initiatives concernant ce transfert de compétences. Nous étudions actuellement les prochaines étapes à entreprendre et les conditions à mettre en place pour y parvenir. Je vous remercie.

Sarah Schlitz:

Merci pour votre réponse, madame la ministre. Je suis heureuse d'entendre que cette carte blanche, ce cri d'alerte lancé par ce médecin aura tout de même comme effet le transfert de la Justice vers la Santé publique. Cela fait très longtemps que les acteurs du terrain le réclament. Merci pour cette réaction.

Je pense par ailleurs qu'il faut aller plus loin. Il faut en effet des vraies mesures pour faire toute la lumière sur ce qui se passe dans les prisons aujourd'hui. C'est une véritable boîte noire. Cela fait des années que les associations m'alertent.

Déjà quand j'étais membre du gouvernement, des projets financés par mon administration, qui consistaient à étudier la santé mentale des détenus en prison, ne pouvaient pas être menés à bien, alors que c'était du financement fédéral, en raison de l'interdiction d'accès de ces mêmes acteurs à l'intérieur des prisons. C’est quand même un comble. Il doit y avoir beaucoup plus de transparence sur les conditions de détention. Une personne détenue est une personne vulnérable, qui est à la merci de ses conditions de détention. Elle n'a pas d'autre choix.

Vous savez ce que je pense de la détention à tout va, telle qu'elle se déroule dans notre pays. Il y a en effet des personnes qui n'ont rien à faire en prison, parce que leur santé mentale est complètement dégradée et qu’elles devraient plutôt se trouver à l'hôpital ou dans un centre de soins plutôt qu'en prison. On sait aussi à quel point la prison pousse à la récidive et à reproduire des faits illicites.

Aujourd'hui, ce que dit le médecin, c'est que des personnes, en raison du manque de soins, meurent en prison. Est-ce cela la double peine que les détenus doivent subir? C'est un véritable scandale, dans un pays comme la Belgique. Cela ne doit plus jamais se produire.

J’entends qu’il y a un impératif de sécurité, mais il ne peut pas primer sur la vie ou la mort d'une personne, sur la possibilité de sauver la vie d'une personne, ou, ce qui est encore plus grave dans le cas qui nous occupe cette semaine, il ne peut entraîner le décès d'un pompier en raison des conditions de sécurité, des standards de sécurité de la prison.

Je pense que nous reviendrons encore sur cette question, vu l'incendie qui s'est produit, et les différentes failles que cet incendie a révélées, notamment le fait que les pompiers ont été véritablement pris au piège et que personne ne savait mettre la main sur la clé qui aurait permis de les sauver. C'est complètement délirant et j'espère donc que ce sera la dernière fois qu'un tel incident se produira. Je vous remercie pour les différentes initiatives que vous pourrez encore prendre dans le futur, madame la ministre.

Voorzitter:

Merci, madame Schlitz; ceci nous amène à la fin des questions orales pour cet après-midi. En application de l'article 127, 10 e du Règlement, je considère les questions n° 56004890C de M. Ducarme, n° 56005106C de M. Thiébaut, n° 56005236C de M. Metsu, n° 56005280C de Mme Maouane et n° 56005339C de M. Bacquelaine comme retirées. Notre séance est terminée. Je lève la séance. La réunion publique de commission est levée à 16 h 55. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 16.55 uur.

De structurele aanpak van gendergerelateerd geweld

Gesteld door

lijst: Vooruit Funda Oru

Gesteld aan

Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)

op 3 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Na drie recente feminicides (Etterbeek, Eeklo, Bonheiden) benadrukte Funda Oru de urgente nood aan structurele actie tegen gendergerelateerd geweld, met vragen over de uitvoering van de feminicidewet (2023), het wetenschappelijk comité (nog niet operationeel) en het mobiel stalkingsalarm (240 actieve gebruikers). Minister Beenders bevestigde dat het risicotaxatie-KB in voorbereiding is (samenwerking met politie), het comité na de zomer start (onder NICC), en dat statistieken vanaf 2026 jaarlijks gepubliceerd worden, terwijl het alarm enkel bij hoogrisicosituaties wordt toegekend (weigeringen door contact of alternatieve maatregelen). Beide onderstreepten preventie, snelle opschaling en justitiële bescherming als kerndoelen, met een oproep tot blijvende aandacht voor slachtoffers.

Funda Oru:

Mijnheer de minister, toen ik enkele weken geleden mijn vraag indiende, werden kort na elkaar twee vrouwen vermoord door hun partner of ex-partner, namelijk Olivia in Etterbeek op 19 mei en Diana in Eeklo op 21 mei. Een paar dagen later, op 23 mei, werd een derde vrouw, Naskah uit Bonheiden, eveneens het slachtoffer van partnergeweld. Aanvankelijk dacht men dat zij in de brand was omgekomen, maar kort erna ontdekte men dat haar partner betrokken was bij de moord.

In uw beleidsnota, die we de afgelopen weken ook uitgebreid besproken hebben, maakt u heel duidelijk de keuze om gendergerelateerd geweld aan te pakken. De opeenvolgende tragedies tonen pijnlijk aan dat dat geweld nog steeds een schrijnend probleem is in onze samenleving, dat om onmiddellijke en structurele actie vraagt.

In de nota verwijst u naar de oprichting van een wetenschappelijk comité dat onder meer feminicides moet analyseren en opvolgen. Mijnheer de minister, hebt u al een zicht op de oprichting en de werking van dat comité?

Twee jaar geleden, in juli 2023, werd de feminicidewet in het leven geroepen. Zijn er sindsdien al concrete stappen gezet?

In het kader van de strijd tegen gendergerelateerd geweld wordt ook een koninklijk besluit over risicotaxatie-instrumenten voorbereid. Kunt u aangeven hoe ver het staat met de uitwerking en inwerkingtreding van dat besluit?

In de ingediende tekst van mijn vraag heb ik ook een aantal cijfers opgevraagd. U mag die vraag mondeling beantwoorden, maar ik ontvang die gegevens ook graag schriftelijk. Het gaat om gegevens over het aantal vrouwen dat slachtoffer is geworden van partnergeweld, en ook over het mobiel stalkingsalarm, waarvan in de beleidsnota wordt vermeld dat dat structureel verankerd zal worden. Hebt u al zicht op de werking ervan en op het aantal ingediende aanvragen?

Rob Beenders:

Dank u wel, collega, voor uw zeer pertinente vraag over een onderwerp dat de afgelopen weken helaas te weinig in de actualiteit aan bod kwam. De gebeurtenissen van de voorbije periode tonen aan dat de strijd tegen gendergerelateerd geweld en feminicide een absolute prioriteit moet zijn. Dergelijk geweld is niet altijd dodelijk, maar we moeten het maximaal proberen te voorkomen. Ik zal als minister mijn schouders blijven zetten onder de verdere implementatie van de maatregelen uit de feminicidewet.

Om te beginnen, zullen we het koninklijk besluit over risicotaxatie en risicobeheer uitwerken. Mijn administratie heeft reeds samengezeten met belangrijke stakeholders, zoals de politie, om de inhoud van het besluit af te toetsen. De juridisch-technische redactie ervan is lopende. De feminicidewet voorziet erin dat risicotaxatie gebeurt bij alle klachten, meldingen of procedures rond gendergerelateerd geweld, dus ook bij digitale meldingen. In de basisopleiding en de voortgezette opleiding van de politiediensten wordt specifiek aandacht besteed aan feminicides, gendergerelateerde dodingen en het mogelijk voorafgaande geweld. Risicotaxatie is een belangrijk mechanisme om gevaarlijke situaties van intrafamiliaal geweld te herkennen en laat toe sneller op te treden, sneller in te spelen en gepaste beleidsmaatregelen te nemen.

Het mobiel stakingsalarm is in situaties van levensbedreigend intrafamiliaal geweld een uiterst belangrijk mechanisme. Ik zal samen met de andere regeringspartners het systeem zo performant mogelijk maken.

Momenteel worden in België 240 personen door het mobiel stakingsalarm beschermd. Het parket kan beslissen om een mobiel stakingsalarm toe te kennen, als aan de toekenningsvoorwaarden voldaan wordt en als een risicotaxatie op een verhoogd risico op geweld wijst.

Weigeringen kunnen verschillende oorzaken hebben, bijvoorbeeld het slachtoffer en de verdachte hebben nog vrijwillig contact met elkaar of een andere beschermingsmaatregel wordt als voldoende ingeschat. De inschatting gebeurt door het parket, in samenwerking met de politie.

Er wordt een wetenschappelijk comité opgericht dat feminicides en gendergerelateerde dodingen analyseert. De doelstelling is om uit die analyses te leren en aanbevelingen te formuleren, zodat dergelijke feiten kunnen worden voorkomen. Het wetenschappelijk comité beschikt reeds over een juridisch kader. Het voorzitterschap wordt opgenomen door het Nationaal Instituut voor Criminologie en Criminalistiek. Zodra de nodige aanwervingen zijn gebeurd, kan het comité van start gaan. Uiteraard zullen we die evolutie nauwgezet opvolgen. Dat zal na de zomerperiode zijn.

Tot slot voorzien we in een koninklijk besluit om statistieken over feminicide, gendergerelateerde dodingen en het geweld dat eraan voorafgaat, te verzamelen. Het KB moet het Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen in staat stellen om vanaf 2026 jaarlijks statistieken over die vormen van geweld te publiceren.

Voor de huidige statistieken kunt u zich richten tot de ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie.

Funda Oru:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord en voor uw duidelijk engagement. We zijn het Diana, Olivia, Naskah en alle slachtoffers van intrafamiliaal en gendergerelateerd geweld verplicht te blijven investeren in bescherming, preventie en een justitie die vrouwen en kwetsbaren beschermt. Wij blijven de problematiek samen opvolgen om elke vorm van geweld tegen kwetsbare mensen te voorkomen. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 15.37 uur. La réunion publique de commission est levée à 15 h 37.

De marketing inzake gezonde voeding en de bescherming van de jongeren

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 28 mei 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De voedingsindustrie belooft strengere reclameregels voor ongezonde producten gericht op kinderen (tot 16 jaar), maar gezondheidsexperts en minister Vandenbroucke noemen de maatregelen onzeker, te zwak en moeilijk controleerbaar vergeleken met de WHO-normen (leeftijdsgrens 18 jaar, strengere criteria). Hoewel de minister vooruitgang ziet (o.a. hogere leeftijdsgrens, betere handhaving), wijst hij autoregulering af omwille van gebrek aan meetbare doelen en kondigt hij overleg aan voor strengere, transparante afspraken, mogelijk met extra overheidsmaatregelen. Critici, zoals Gatelier (Les Engagés), eisen een totaalverbod op malbouffe-reclame onder 18 (met WHO-standaarden) en wijzen op de dramatische gezondheidseffecten (diabetes, kanker, hartziekten bij jongeren), benadrukkend dat preventie en strenge regelgeving onmiddellijk nodig zijn.

Jean-François Gatelier:

Monsieur le ministre, les acteurs de l'alimentation ont annoncé cette semaine leur engagement à appliquer des règles plus strictes en matière de publicité à destination des enfants et des jeunes pour les aliments et les boissons ne répondant pas à des critères nutritionnels spécifiques. Le secteur estime assumer sa responsabilité et appliquer des règles qui répondent aux attentes de la société. Ils évoquent un signal fort, un pas en avant important.

Toutefois les acteurs de la santé donnent un tout autre son de cloche. Peu de choses vont changer. Les critères pour juger si un aliment est sain ou non sont moins stricts que ceux prescrits par l'Organisation mondiale de la Santé (OMS). Cette différence de classification permet à l'industrie et au commerce de promouvoir une plus large panoplie de produits, dont certains jugés peu sains par les scientifiques. Ils évoquent également la difficulté d'application des critères sur internet et les réseaux sociaux, ainsi que dans l'espace public. Ils critiquent les nombreuses exceptions prévues dans le code et le relèvement de l'âge à 16 ans et non à 18 ans, comme suggéré par l'OMS, et mettent en évidence les limites d'un système d'autorégulation.

Monsieur le ministre, quelle est votre position face à cette initiative? Estimez-vous que l'autorégulation par le secteur est satisfaisante? Si, comme moi, vous la trouvez insuffisante, quelles mesures comptez-vous adopter pour mettre fin à l'exposition de nos enfants et de nos jeunes à un marketing agressif pour des produits néfastes pour leur santé?

Frank Vandenbroucke:

Cher collègue, je suis absolument d'accord qu'une alimentation saine est un enjeu fondamental et que le marketing actuel est un vrai problème.

Pour être très concret, je n'ai pas signé le code proposé par la Fédération des entreprises alimentaires belges (FEVIA) pour une simple raison: les objectifs ne sont pas vraiment testables quantitativement. En tant que ministre, je ne peux donc pas être tenu politiquement responsable d’objectifs dont les progrès ne peuvent être facilement et objectivement vérifiés.

Il est également vrai que mon administration et Sciensano sont critiques quant au contenu, qu'ils jugent insuffisant.

Je tiens tout de même à souligner qu'il y a aussi des progrès dans le code proposé par FEVIA. L'âge limite est augmenté à 16 ans, ce qui est un pas en avant. Ce qui est proposé en matière de publicité est un peu plus strict. Les règles de marketing seront appliquées de manière plus rigoureuse et toutes les entreprises du secteur seront engagées. Ce sont des avancées, même si elles restent insuffisantes.

C'est la raison pour laquelle j'ai invité FEVIA afin de voir comment nous pourrons réaliser ensemble des progrès supplémentaires et faire avancer les choses. Nous pourrions par exemple organiser un suivi vraiment transparent de ce qui est proposé. De plus, nous pourrions prendre des mesures supplémentaires afin de maximiser l'impact réel du code ou développer d'autres initiatives visant à créer un contexte et un environnement plus propices à une alimentation saine, qui est un enjeu vraiment fondamental.

Jean-François Gatelier:

Merci monsieur le ministre pour votre réponse. Effectivement, c'est un bon pas en avant mais ce n'est pas suffisant car nous devons absolument protéger nos enfants, notre jeunesse de cette malbouffe et de cette hypocrisie publicitaire. Je rappelle simplement qu'actuellement les médecins diagnostiquent des diabètes à partir de l'âge de 20 ans; que des études récentes ont montré que les cancers explosaient en dessous de 50 ans – de plus de 78 % – ; que les enfants qui sont en surpoids, en obésité préparent leurs maladies cardiovasculaires et leur premier infarctus à 30 ans alors que ce Parlement a adopté un projet de résolution de lutte contre les maladies cardiovasculaires. Ce n'est pas suffisant. Vous savez que pour les Engagés, la santé est une priorité et que cela commence par une alimentation saine et davantage de prévention. Nous devons absolument interdire la publicité, surtout sur les réseaux sociaux, pour la malbouffe qui cible nos enfants en dessous de 18 ans et nous devons adopter le modèle nutritionnel de l'OMS promu notamment par la Norvège, le Royaume-Uni et le Chili.

Het sociaal overleg bij Defensie

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 28 mei 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Axel Weydts (ex-militair) benadrukt de nood aan erkenning en zekerheid voor militairen, wier motivatie en inzet onder druk staan door onduidelijkheid over pensioenen, werkomstandigheden en toekomst, en vraagt om snel een rechtvaardig sociaal akkoord. Minister Francken bevestigt dat de pittige maar constructieve gesprekken met vakbonden doorgaan (deadline 2 juni voor input, antwoord uiterlijk 6 juni) en streeft naar een geleidelijke pensioenhervorming met aandacht voor de unieke risico’s van het beroep, ondanks bezorgdheden over vergoedingen en tempo. Beide partijen onderstrepen het belang van dialoog om vertrouwen te herstellen en gemotiveerd personeel te behouden, cruciaal voor defensie en nationale veiligheid. Weydts biedt steun vanuit Vooruit voor een krachtig akkoord dat militairen waardeert en oproept tot verdere onderhandelingen.

Axel Weydts:

Mijnheer de minister, voor heel veel militairen is het geen uitzondering maar dagdagelijkse kost om vier maanden van huis te zijn, om vier maanden weg te zijn van partner en kinderen en om vier maanden in een risicovolle operatie onder permanente stress te zitten. U weet dat ik uit eigen ervaring spreek.

Bij Defensie werken zeer gepassioneerde mensen die er voluit voor gaan om de veiligheid van ons allen te garanderen. Net daarom is het zo belangrijk dat we ze koesteren. Deze regering zal met Vooruit fors investeren in defensie en onze veiligheid, want dat is broodnodig. De wereld staat in brand en Europa zal meer dan ooit zijn eigen verantwoordelijkheid moeten opnemen. Investeren in materieel en het aanwerven van duizenden mensen is essentieel.

Mijnheer de minister, wat is men met het beste materieel ter wereld als er geen gemotiveerd personeel is om het te bedienen? Militairen zijn bereid om hun eigen leven te geven voor de veiligheid van ons allemaal. Die unieke opoffering moet erkend en gewaardeerd worden. Ik hoor vandaag heel veel onzekerheid bij de militairen. Er heerst onzekerheid over hun toekomst, over hun pensioen en over hun werkomstandigheden. Die onzekerheid weegt op hun motivatie, op hun gezin en ook op hun inzet.

Mijnheer de minister, deze week zat u samen met onze vakorganisaties. We vernemen dat die gesprekken moeizaam verlopen. Volgens mij is dat logisch aan het begin van het opstarten van een sociaal akkoord. Mijnheer de minister, wanneer zit u opnieuw rond de tafel met de vakbonden? Hoe zult u ervoor zorgen dat u snel tot een krachtig en rechtvaardig sociaal akkoord kunt komen?

Theo Francken:

Dank u, mijnheer Weydts. U hebt heel veel ervaring, ook als militair. Ik heb daar veel respect voor. Dat weet u.

Gisteren zat ik inderdaad samen met de representatieve vakorganisaties om de pensioenregeling van onze militairen te bespreken. Ik moet eerlijk zeggen dat ik verrast was door hun forse communicatie, onder meer via een persbericht waarin werd vermeld dat ze gezamenlijk zijn opgestapt. Mijn beleving was echter geheel anders.

Het gesprek was pittig, maar het verliep hoffelijk en correct. Het werd ook op die manier afgerond, met een handdruk, waarbij de nodige afspraken werden gemaakt over het verdere verloop van het sociaal overleg. Tot 2 juni kunnen de vakbonden bijkomende vragen en opmerkingen schriftelijk indienen, die wij tegen 6 juni zullen beantwoorden. Op basis daarvan zal ik een aangepast voorstel formuleren en het bespreken met zowel mijn regeringspartners als de vakbonden. Mijn doel blijft om de operationele inzet van onze militairen eerlijk te vergoeden en conform het regeerakkoord de pensioenhervorming geleidelijk te laten verlopen. Daarbij wil ik ook de specificiteit van het militaire beroep onderstrepen.

Het militaire beroep, zoals u terecht opmerkt, mijnheer Weydts, is uniek. De verplichtingen, risico’s en beperkingen die onze mensen dagelijks dragen, vragen om een aangepaste en rechtvaardige benadering. Een eerste voorstel om daaraan tegemoet te komen werd gisteren aan de vakorganisaties bezorgd, mondeling toegelicht en besproken. Uit dat overleg blijkt dat er nog werk aan de winkel is. Er zijn voornamelijk bekommernissen over de geleidelijkheid van de maatregelen en over een meer billijke vergoeding voor de prestaties.

Dit is geen eenvoudige oefening. Dat beseffen we allemaal. Het raakt aan fundamentele belangen en roept begrijpelijkerwijs emoties en bezorgdheden op. Frictie in een dergelijk proces is dan ook niet ongewoon. Daar heb ik begrip voor. Ik engageer me echter om dit zo snel mogelijk verder te bespreken met onze coalitiepartners.

Ik begrijp de bezorgdheden van de vakorganisaties en van onze militairen en neem deze zeer ernstig. Ik zal hun belangen en inzet dan ook nooit uit het oog verliezen. Alleen via dialoog en samenwerking kunnen we tot een duurzame oplossing komen en ik plan dan ook (…)

Axel Weydts:

Bedankt, mijnheer de minister. Uw antwoord stemt me tevreden. Onze militairen verdienen een sterk sociaal akkoord. In Vooruit zult u altijd een partner vinden om tot een sterk akkoord te komen dat het vertrouwen herstelt en de militairen de waardering geeft die ze verdienen. Dat is ook in het belang van ons allemaal. Het gaat immers over gemotiveerde militairen die maandenlang in operatie zijn en zorgen voor onze veiligheid. Daarom is het belangrijk om te blijven praten en te werken aan dat sociaal akkoord. Ik roep u en de vakbonden dan ook op om terug aan tafel te gaan om te blijven praten en een sterk akkoord te bewerkstelligen in het belang van onze militairen en de veiligheid van ons allemaal.

De cyberbeveiligingslekken in de energiesector en de uitdagingen voor Defensie

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 28 mei 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie belicht cyberdreigingen in Chinese omvormers (verborgen communicatieapparaten die energie-infrastructuur kwetsbaar maken voor sabotage), wat de afhankelijkheid van Chinese technologie in kritieke sectoren als een nationaal veiligheidsrisico blootlegt. Minister Francken bevestigt dat Defensie, CCB en SGRS risicoanalyses uitvoeren, prioriteit geven aan westerse technologie en samenwerken met andere overheden, maar benadrukt dat cybersécurité een gedeelde verantwoordelijkheid is met beperkte middelen. Lasseaux dringt aan op urgente versterking van Cyber Command en inlichtingen, zelfs ten koste van andere defensie-investeringen (bv. vliegtuigen), en waarschuwt dat energie-uitval de hele samenleving lamlegt. De kernboodschap: cyberverdediging vereist structurele prioriteit, betere coördinatie en meer budget.

Stéphane Lasseaux:

Monsieur le ministre, des chercheurs viennent de découvrir des appareils de communication non autorisés dans des onduleurs chinois qui pourraient contourner des pare-feux et la sécurité informatique. Ces composants cachés ne figurent pas dans les fiches techniques officielles et pourraient permettre à des hackers ou à des États hostiles de désactiver des millions d'installations photovoltaïques, provoquant des pannes électriques massives.

Dans le monde, 80 % des onduleurs chinois sont produits par des fabricants chinois. Ils sont télécommandables à distance via internet, ce qui les rend vulnérables. Il serait possible de créer des canaux de communication vers la Chine, évitant les sécurités informatiques qui sont mises en place.

Ceci démontre les dangers pour la sécurité que représente une trop grande dépendance aux équipements chinois dans les secteurs essentiels de notre économie, tels que l'énergie. Cela démontre aussi que la cybersécurité sera un enjeu fondamental du redéploiement de notre outil défense. Les menaces d'attaques envers notre système énergétique ne viendront pas nécessairement de missiles, de drones ou d'équipements de sabotage, mais aussi de cyberattaques émanant de puissances hostiles.

Monsieur le ministre, la Défense va assurer une responsabilité primordiale dans le cadre de la protection des infrastructures critiques. D'ailleurs, vous allez développer une réserve territoriale. C'est pourquoi le Cyber Command doit aussi être renforcé en urgence.

Existe-t-il une liste de fournisseurs fiables ou dangereux au niveau de la cybersécurité pour les équipements de nos infrastructures critiques ou de la Défense? La Défense pourrait-elle participer à l'élaboration de telles listes?

La Défense met-elle en place des contrôles ou des simulations d'attaques vis-à-vis des équipements essentiels pour la Défense et pour nos infrastructures critiques?

Il est prévu que le Cyber Command soit renforcé, mais il risque d'être rapidement débordé en cas de conflit ou de crise grave. Comment va-t-on s'articuler et articuler la mobilisation de la réserve spécialisée et/ou la réserve territoriale? Une partie de ces réserves sera-t-elle composée (…)

Theo Francken:

Monsieur Lasseaux, je suis en effet compétent pour la cybersécurité, mais je ne suis pas le seul, nous en avons parlé en commission à plusieurs reprises.

La récente couverture médiatique concernant d'éventuels dispositifs cachés dans des onduleurs solaires provenant de pays non européens tels que la Chine touche à une question centrale de notre sécurité nationale, la protection de nos infrastructures critiques contre la menace cybernétique et les menaces liées au renseignement.

Au sein de la Défense, cette menace est reconnue et prise au sérieux. Les institutions de Défense font l'objet d'un contrôle systématique de l'utilisation de technologies susceptibles de présenter des risques, notamment en ce qui concerne l'approvisionnement en énergie, les communications ou le traitement des données.

La sécurité des infrastructures critiques est bien sûr une responsabilité partagée avec les différents Services publics fédéraux (SPF) et cela fait également partie des plans de résilience en cours d'élaboration au sein du Centre de crise national (NCCN). Des normes de sécurité accrues sont appliquées aux installations militaires identifiant non seulement les risques physiques, mais aussi les risques numériques. Dans ce cadre, nos services, en collaboration avec le Service Général du Renseignement et de la Sécurité (SGRS) et le Centre pour la Cybersécurité Belgique (CCB), effectuent des contrôles techniques et des analyses des risques dans les domaines sensibles. Des technologies occidentales contrôlées sont choisies, dans la mesure du possible.

L'interconnexion entre les infrastructures civiles et militaires – réseaux partagés, sources d'énergie – fait que la Défense participe aussi régulièrement à des groupes de travail interdépartementaux sur la cybersécurité et la sécurité énergétique, notamment sur des sujets comme la 5G et Huawei.

Stéphane Lasseaux:

Monsieur le ministre, je vous remercie.

Vous n'êtes évidemment pas le seul à être compétent pour la cybersécurité, mais il est clair que la Défense aura une part importante à jouer en la matière, la cybersécurité étant un enjeu essentiel pour notre pays.

Il est clair aussi que tous les acteurs économiques et les citoyens doivent se rendre compte qu'ils jouent un rôle important dans ce cadre, particulièrement dans le secteur de l'énergie. Sans énergie, pas d'économie, mais également pas de soins de santé, pas de culture, ni tout autre service qui pourrait être développé par l'ensemble de notre communauté.

J'insiste sur le fait que le futur plan de la Défense doit compter un très grand chapitre sur ce point. Vous le savez. Les moyens doivent être renforcés pour pouvoir se défendre. En outre, il faut plus de sécurité et plus de cyber. À un moment ou à un autre, s'il faut décider d'avoir un avion en moins, il faut le faire. Mais, en matière de cybersécurité, il faut renforcer les moyens. Sans bon renseignement, la plus grande armée peut être très vite arrêtée.

Voorzitter:

Ceci clôture la session des questions orales.

Een aantal institutionele en communautaire aspecten van de fusie van de Brusselse politiezones

Gesteld door

lijst: VB Barbara Pas

Gesteld aan

Bart De Wever (Eerste minister)

op 28 mei 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Barbara Pas dringt aan op een fusie van de Brusselse politiezones met garanties voor Nederlandstalige vertegenwoordiging (nu afwezig in politiecollege, verdwijnt in plannen Quintin) en herstel van taaltoezicht door de vicegouverneur, gezien het dalende tweetaligheidsniveau (nu <50%). De Wever bevestigt de fusieplannen (2027) en belooft aandacht voor taal, maar kan nog geen concrete afspraken geven omdat onderhandelingen (IKW-niveau) lopen. Pas kritiseert dat Quintin taalgaranties negeert en noemt De Wever’s antwoord onvoldoende concreet, met de dreiging van verdere achteruitgang voor Nederlandstaligen in Brussel.

Voorzitter:

Vraag nr. 56002804C van mevrouw Pas wordt omgezet in een schriftelijke vraag.

Barbara Pas:

Mijnheer de eerste minister, u weet dat wij al heel lang voorstander zijn van een fusie van de Brusselse politiezones. Het is nodig om meer eenheid van visie en leiding in het Brusselse veiligheids- en politiebeleid te brengen. Toch heb ik een aantal bedenkingen bij de plannen van minister Quintin op dat vlak.

Een gevoelig punt is steeds de vertegenwoordiging van de kleinste taalgroep geweest. De huidige situatie is allesbehalve bevredigend, omdat dit alleen voor de politieraad in beperkte mate verzekerd is, waarbij de keuze van de taalaanhorigheid niet eens waterdicht is. Bij gebrek aan Nederlandstaligen worden er vaak Franstalige vertegenwoordigers aangeduid. In het politiecollege is er absoluut geen gewaarborgde vertegenwoordiging voorzien. In de plannen van minister Quintin zien we dat de enige gewaarborgde deelname van de Brusselse Vlamingen aan het politiegebeuren, in de politieraad dus, volledig verdwijnt.

Een ander punt betreft het toezicht op de taalvoorwaarden. Sinds de fusie van de voormalige gemeentelijke politiekorpsen tot de zes huidige politiezones is er geen controle meer op de tweetaligheid van de politie door de vicegouverneur, hoewel die bij wet is opgelegd. Sindsdien moeten we vaststellen dat de tweetaligheid van de Brusselse politie jaar na jaar achteruitgaat. Ik ondervraag daar elke minister van Binnenlandse Zaken over.

Ten tijde van voormalig minister Jambon bedroeg het tweetaligheidsniveau nog 64 %. Ondertussen is dat blijven dalen tot minder dan de helft van de Brusselse politieambtenaren die een Vlaming in het Nederlands te woord kunnen staan. Dat zou kunnen worden verholpen door de vicegouverneur opnieuw voor dat toezicht bevoegd te maken.

Over die twee elementen in het regeerakkoord met betrekking tot de fusie van de Brusselse politiezones hoor ik graag het standpunt van de regering. Wat is uw standpunt over de vertegenwoordiging van de kleinste taalgroep in de bestuursorganen van de eengemaakte zone? Zullen de aanwervingen opnieuw aan het toezicht van de vicegouverneur worden onderworpen?

Dan heb ik nog een vraag over de politionele bevoegdheden van de Brusselse minister-president en die hoge ambtenaar. Zal er voor die hoge ambtenaar verplichte taalkennis gelden? Die functie is nu uitsluitend Franstalig. Komt er soms een Nederlandstalige adjunct om dat te compenseren?

Bart De Wever:

Ik ben het uiteraard met u eens dat die fusie er moet komen. Wat mij betreft had ze er allang moeten zijn. Er moet een einde worden gemaakt aan de versnippering van het veiligheidsbeleid en eenheid van commando is daarbij cruciaal. Het creëren van de gold commander was een tijdelijke en geen structurele oplossing. Het regeerakkoord voorziet eindelijk in die fusie. Daar zijn we het over eens.

De minister van Binnenlandse Zaken maakt er een prioriteit van. Hij is van plan de fusie tegen 2027 uit te voeren. Dat is uiteraard geen eenvoudige operatie op het terrein. In mijn vergaderingen met hem over deze kwestie moedig ik hem alleen maar aan om die zaak met grote prioriteit te blijven behandelen.

Wat de concrete modaliteiten van de fusie betreft, lopen de gesprekken nog. Die vinden momenteel plaats op IKW-niveau. Daarover kan dus nog niets definitiefs gezegd worden. Het is op dit moment onmogelijk om uitspraken te doen over wat dan ook, aangezien de besprekingen nog lopen. Het spreekt echter voor zich dat het taalaspect een aandachtspunt vormt in die besprekingen. Het regeerakkoord erkent het belang daarvan. Ik verwijs in dat verband naar de passage over de naleving van de taalwetgeving in de Brusselse ziekenhuizen, waar die naleving op bepaalde momenten ook zeer problematisch is. We zullen hier dus nog op moeten terugkomen als ik u meer duidelijkheid kan geven, wat vandaag nog niet het geval is.

Barbara Pas:

Mijnheer de eerste minister, u zegt dat die fusie er allang had moeten zijn. Dat klopt. We hebben hierover in elke legislatuur al een voorstel ingediend, dat telkens door alle meerderheidspartijen en de rest werd weggestemd. Die fusie had er dus al kunnen zijn, laat ik het zo zeggen. Wij voegden daar wel een bepaling aan toe om een minimumvertegenwoordiging van Nederlandstalige leden in de politieraad te voorzien. Dat zal echter niet in het voorstel van de heer Quintin staan. De reden waarom ik u aan de oren trek, is omdat ik hem daar reeds vragen over heb gesteld. Hij heeft duidelijk gemaakt dat hij helemaal geen plannen in die richting heeft. U zegt dat u daar nog niets over kunt zeggen en dat u hem aanmoedigt om er een prioriteit van te maken. Ik zou vooral willen aanmoedigen om het taalaspect niet uit het oog te verliezen, want uit de antwoorden die ik van hem gekregen heb, blijkt dat hij helemaal niet van plan is om daar rekening mee te houden. We komen hier dus zeker nog op terug. Ik kan alleen teleurgesteld zijn over uw nietszeggende antwoord.

De federale taskforce drugscriminaliteit
De federale taskforce tegen drugscriminaliteit
De oprichting van een federale taskforce ter bestrijding van de drugshandel
Federale taskforce tegen drugscriminaliteit en -handel

Gesteld aan

Bart De Wever (Eerste minister)

op 28 mei 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De federale taskforce tegen drugscriminaliteit, geleid door de eerste minister, coördineert sinds mei 2025 de uitvoering van het regeerakkoord via tweewekelijkse overleggen (kabinetten Binnenlandse Zaken, Justitie, Financiën) en driemaandelijkse evaluaties met een stuurgroep, gericht op structurele bestrijding van georganiseerde misdaad (niet enkel incidenten) via samenwerking tussen federale, lokale en justitiële actoren. Kritiekpunten zijn gebrek aan zichtbare voortgang op straatniveau (o.a. onderfinanciering federale politie, onvoldoende bescherming havens) en de dringende nood aan budgettaire versterking voor opsporing, handhaving en financiële ontmanteling van drugskartels (bv. via *stop, take and use the money*-strategie). Europa wordt betrokken als prioriteit, maar lokale besturen eisen meer operationele steun (bv. bestuurlijke handhavingswet, versterkte FGP-antennes in Brussel/Antwerpen). De taskforce mikt op diepgaande ontwrichting van criminele netwerken, maar concrete resultaten en middelen moeten nog vorm krijgen.

Maaike De Vreese:

Mijnheer de eerste minister, de federale taskforce om drugscriminaliteit aan te pakken zal door u geleid worden. Deze taskforce is geen overbodige luxe, want elke week worden hier in de commissie voor Binnenlandse Zaken vragen gesteld over de strijd tegen de drugscriminaliteit. Tot voor kort waren er wekelijks schietpartijen in Brussel, gerelateerd aan drugscriminelen die hun strijd gewoon in het openbaar uitvechten. Het is dus zeer belangrijk om het overzicht te bewaren en de coördinatie in goede handen te houden met betrekking tot alle maatregelen opgenomen in het regeerakkoord. Dat zijn er heel wat.

Het zal voornamelijk ook van belang zijn dat alle verschillende niveaus, de deelstaten en de lokale niveaus, en alle verschillende instanties met elkaar samenwerken om de strijd tegen die criminelen te winnen. Het betreft dus niet alleen de ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie. Zij hebben al verslag uitgebracht aan u, mijnheer de eerste minister. Ook de ministers van Financiën en Defensie zullen daarin een belangrijke rol spelen. Ik zal niet alle maatregelen uit het regeerakkoord opsommen, maar zowel nationaal en Europees als internationaal moeten er belangrijke stappen gezet worden.

Kunt u verslag geven van wat de twee ministers tijdens de ministerraad over die strijd tegen het drugsgeweld in Anderlecht hebben toegelicht? Zit daar ook evolutie in?

Wat is de taak van die taskforce? Hoe zal die concreet werken? Is die al samengekomen? Wat is de regelmaat van samenkomst? Op welke manier zal deze verslag uitbrengen?

Op welke manier zult u deze strijd tot een Europese prioriteit maken? Welke maatregelen mogen we daar nog verwachten? Op welke manier kunt u daar nog meer de aandacht op vestigen?

Welke maatregelen uit het regeerakkoord zullen op korte, middellange en lange termijn worden uitgevoerd? Kunt u tevens meedelen welke middelen voor welke maatregelen zijn voorbehouden?

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de eerste minister, enkele maanden geleden heb ik u naar aanleiding van de afrekeningen en schietpartijen in Brussel ondervraagd tijdens de plenaire vergadering. Toen hebt u inderdaad de oprichting van een taskforce openbaar gemaakt. We zijn intussen enkele weken en maanden verder, maar het blijft stil rond die taskforce. Ik heb daar sindsdien niets meer over vernomen. Ook de heer Quintin, die ik hierover bevraagd heb tijdens de bespreking van zijn beleidsnota, heeft er niet veel meer over gezegd.

Dat kan twee dingen betekenen: ofwel werkt men in alle stilte verder met die taskforce en gebeurt het achter de schermen, ofwel is er nog niets mee gebeurd. Ik hoop dat de eerste optie klopt. Als dat zo is, dan zijn er toch wel een aantal vragen die dringend moeten worden beantwoord opdat er opheldering zou komen.

Ik herhaal de vragen van mevrouw De Vreese. De situatie is bijzonder ernstig, niet alleen in Brussel. Ik verwijs ook naar de noodkreet uit uw stad, Antwerpen, waar enkele dagen geleden op klaarlichte dag een moord is gepleegd. Buurtbewoners getuigen daarover dat ook daar een grote drugsproblematiek heerst. Drugsbendes zijn er actief. Het zijn allemaal tikkende tijdbommen.

Dat stemt niet alleen ongerust, het noopt ook tot concrete maatregelen. Dat is dan ook wat ik van deze regering verwacht. Ik wil een verschil zien met de vivaldiregering. Ik wil dat de woorden van de N-VA van tijdens de vorige regeerperiode nu eindelijk in daden worden omgezet. Daarom heb ik enkele concrete vragen.

Wat is de concrete meerwaarde van deze taskforce? Werden er al maatregelen genomen? Zijn er budgettaire inspanningen voorzien om die drugsproblematiek – of eigenlijk de georganiseerde criminaliteit – op ons grondgebied definitief uit te schakelen?

François De Smet:

Monsieur le premier ministre, le fait que le gouvernement fasse de la lutte contre le narcotrafic une priorité est positif et essentiel. Nous vous soutiendrons dans cette lutte. Le narcotrafic est sans doute l'une des plus grandes menaces qui pèse aujourd'hui sur nos démocraties, et je pèse mes mots. Cette criminalité ronge nos villes, concerne tous les milieux, a des conséquences en chaîne en santé, en justice, en sécurité. Les exemples à l'étranger nous le montrent: une fois que le narcotrafic a pris possession d'un territoire, il est très difficile de l'en extirper.

L'accord de gouvernement mentionne en effet cette task force, avec un certain nombre de composantes et de priorités. Après trois mois, il me semble intéressant de savoir où nous en sommes et si les travaux ont débuté. Cette task force a-t-elle bien été mise en place? Sinon, le sera-t-elle bientôt? Va-t-elle, comme prévu, associer des acteurs du monde judiciaire, essentiels à bien des égards? Je pense à l'activisme bienvenu du nouveau procureur du Roi. Dans quels délais votre gouvernement s'engage-t-il à obtenir des résultats?

Enfin, deux points me paraissent nécessaires pour bien mener cette lutte: l'augmentation des mesures de contrôle humain et technique dans les zones portuaires et aéroportuaires en vue de la détection de stupéfiants, et puis les mesures de protection à proposer aux dockers et au personnel administratif du port d'Anvers, qui sont approchés et menacés par les membres d'organisations criminelles.

Bart De Wever:

Cela fait maintenant plusieurs mois que cette task force a été mise en place. Son objectif principal est de coordonner la mise en œuvre des mesures prévues dans l'accord de gouvernement. Il s'agit entre autres de mesures que vous avez mentionnées, monsieur De Smet, pour protéger les gens qui travaillent dans le port et qui sont approchés par la criminalité organisée.

L'accord de gouvernement contenait en effet de nombreux éléments visant à lutter contre cette problématique et à protéger notre sécurité intérieure en général. Citons par exemple l'approche intégrée en matière de criminalité organisée, le renforcement des départements de sécurité, la relance du Plan Canal, l'élaboration du Stroomplan 2.0, etc. La task force veillera en outre à une collaboration plus intense et à une approche approfondie entre les différentes compétences.

Wij zijn er net als u allen van overtuigd dat dit echt wel nodig is. Wij zullen de krachten moeten bundelen en in verenigde slagorde gecoördineerd moeten optreden. Het regeerakkoord zit op het vlak van de geplande hervormingen goed in elkaar en is ambitieus. Alles moet echter nog doorgevoerd kunnen worden.

Het belang dat wij daaraan hechten, mag ook blijken uit het feit dat ik als eerste minister heb gevraagd om de taskforce zelf te mogen voorzitten. Dat is toch een signaal van het belang dat de huidige regering en zeker ikzelf aan de drugscriminaliteit hechten.

Hoe werken wij? De taskforce bestaat uit vertegenwoordigers van de verschillende kabinetten. Dat is in de kern BiZa of Binnenlandse Zaken, Justitie en de eerste minister. Die vertegenwoordigers zitten elke twee weken samen om op te volgen hoe het regeerakkoord in actie moet worden omgezet. Vrijdag 23 mei 2025 zijn zij voor de derde keer bijeengekomen. Ad hoc kunnen ook nog andere kabinetten aansluiten of uitgenodigd worden. Vorige vrijdag zat het kabinet Financiën mee aan tafel. Wellicht zal dat kabinet nog een heel tijdje of zelfs permanent aan tafel blijven. Wij hebben het immers voor heel veel zaken nodig. Dat is evident.

De taskforce volgt elke hervorming op die in het regeerakkoord is beschreven. De bedoeling is uiteraard om tot een uitrol te komen en op tijd te detecteren indien en waarom dat niet lukt, daaraan te remediëren en het indien nodig te escaleren naar de stuurgroep. Wie is de stuurgroep? Dat ben ikzelf samen met de minister van Justitie en de minister van Binnenlandse Zaken. Wij zien elkaar elke drie maand. Dat hebben wij op die manier afgesproken. Mocht het nodig zijn, dan kan de groep uiteraard altijd samenkomen. Volgende keer zullen wij elkaar op 16 juli 2025 in principe voor het eerst na drie maanden werken zien, teneinde op te lijsten waar wij staan met de uitvoering van het regeerakkoord, na te gaan op welke punten het vlot of niet vlot loopt en te bekijken hoe dat komt. Dat zal op die manier worden gerapporteerd.

Over het gecoördineerde aspect van de hervormingen heb ik het al gehad. Uiteraard kan de stuurgroep ook rapporteren over de vooruitgang, de knelpunten en de moeilijkheden.

Naar mijn smaak verloopt de samenwerking vooralsnog constructief. Het is van uitermate groot belang dat wij op korte termijn de timing voor het uitrollen van de maatregelen uit het regeerakkoord kunnen bepalen en dat wij er bij de opmaak van de begroting over waken dat de nodige budgetten altijd zijn voorzien. Ik reken op de medewerking van mijn collega-ministers, die dankzij de interdepartementale provisie ook middelen zullen helpen vrijmaken.

Tot zover het antwoord. Ik wil daar nog iets aan toevoegen, omdat u dit altijd zo concreet aan het straatgeweld koppelt, wat ik begrijp. Dit is immers bijzonder verontrustend en ontwrichtend in steden zoals Brussel, waar men vaak terreinoorlogen ziet, en Antwerpen, waar het vaak gaat om geweld tussen criminelen onderling op het niveau van de groothandelaars in de plaats van de straatdealers. Dat is natuurlijk slechts de laatste schakel in het geheel van de georganiseerde criminaliteit waarop de taskforce zich richt. Ik denk dat het belangrijk is dat die taskforce in de diepte doorwerkt op de structuren van de criminele organisaties die, wanneer men hen ongemoeid laat, zich jaren later vertalen in gewelddelicten die op straat worden gepleegd.

Het voorbeeld van Nederland spreekt boekdelen. Het feuilleton dat men daar heeft gezien, speelt zich met enige vertraging ook bij ons af. Ik vind het wel belangrijk om niet de misvatting te laten ontstaat dat de taskforce alleen bijeenkomt wanneer er zich een incident voordoet. Zo werkt het uiteraard niet. De taskforce moet vooral in de diepte aan de georganiseerde criminaliteit werken. Dat staat ondertussen niet in de weg dat de minister van Binnenlandse Zaken en zeker ook de lokale verantwoordelijken, zoals de burgemeesters, alles moeten en kunnen doen om de openbare orde te waarborgen. Zij verdienen daarbij uiteraard ook alle steun.

Ik wil niet de misvatting laten groeien dat er voor elk incident op straat onmiddellijk een vergadering van de taskforce of een stuurgroep zou worden bijeengeroepen om zich daar specifiek mee bezig te houden. Het is slechts een onderdeel van een veel groter geheel.

Maaike De Vreese:

Mijnheer de eerste minister, ik dank u voor het antwoord.

Ik ben blij dat u dat ook op Europees niveau op de kaart zet. Dat dit van de eerste minister komt, is een fors signaal. Ik vermoed dat heel wat landen van de Europese Unie met dezelfde problemen te kampen hebben.

Het is belangrijk dat we die structuren vanop het federale niveau diepgaand aanpakken, maar ook het bestuurlijke en het gerechtelijke niveau moeten deze problematiek samen aanpakken. Ik vind de wet betreffende de bestuurlijke handhaving in dat kader heel belangrijk. Geef de lokale besturen de nodige handvaten. Zij zitten immers vaak met de handen in het haar als zij initiatieven willen nemen in bepaalde zaken waarvan ze weten dat die niet in orde zijn, terwijl ze niet weten hoe ze die moeten gaan aanpakken. Het is dus wenselijk om daarop te focussen. Het Parlement kan dan via die stuurgroep extra informatie krijgen wanneer het dat noodzakelijk acht.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de eerste minister, ik dank u voor uw antwoord en voor de verduidelijking.

Die taskforce gaat wellicht veel breder, dieper en coördinerend, veel verder dan de steekvlampolitiek die wij gewoon zijn. Daarover zal ik u dus niet bekritiseren. Iets waar ik wel wat problemen mee heb, is dat er op het terrein zelf te weinig wordt gedaan. Dat is wat de burger aanvoelt en te zien krijgt in zijn wijk, in zijn straat. Daar laat men steken vallen.

U verwijst terecht naar het feit dat de lokale burgemeesters ook een verantwoordelijkheid hebben. Dat is zeker waar, maar u weet evengoed dat de aanpak van de georganiseerde criminaliteit ook een federale component heeft. Ik verwijs naar de federale gerechtelijke politie die deze taak op zich zou moeten nemen, maar die, zoals u weet, onderbemand en ondergefinancierd is. Daarom heb ik u deze vraag gesteld. Neem daarvoor de noodzakelijke budgetten op in uw begroting. Versterk de FGP. Schaf de antennes van de FGP niet af, maar versterk ze, zowel in Antwerpen als in Brussel, waar de nood het hoogst is.

Deze commissie heeft de commissaris-generaal van de federale politie uitgenodigd voor een hoorzitting. Ik hoop dat de heer Snoeck grote kuis zal houden binnen zijn diensten en eindelijk eens de puntjes op de i zal zetten. De situatie is ernstig en moet op een ernstige manier worden aangepakt.

François De Smet:

Monsieur le premier ministre, je vous remercie pour vos réponses. Il est exact que les échanges de tirs entre bandes armées ne constituent que l'écume des choses. D'une certaine façon, c'est le bout de la chaîne. De plus, il est vrai que l'on ne résoudra pas ce problème uniquement avec du bleu dans les rues, mais également – comme je le dis souvent – avec du bleu derrière les écrans. Je pense à une proposition en particulier, qui figure dans votre accord, et je vous invite à aller beaucoup plus loin et plus rapidement en ce domaine, à savoir tout ce qui touche le portefeuille de ces trafiquants. Comme nous le savons, vu les profits vertigineux engendrés par ces trafics et le pouvoir financier et de corruption extraordinaire qui est ainsi conféré à leurs bénéficiaires, il n'y a que cette méthode qui fonctionne. Par conséquent, parmi toutes les mesures que vous êtes en train de prendre, toutes celles qui concernent stop, take and use the money sont, à mon avis, les plus efficaces. Nous vous soutiendrons en ce sens.

Het budgettaire traject van de arizonaregering voor Defensie
Het defensiebudget en de NAVO-norm
Het defensiebudget en de NAVO-norm
Het begrotingstraject van de arizonaregering voor Defensie
Defensiebudget, NAVO-norm en begrotingstraject Arizona

Gesteld aan

Bart De Wever (Eerste minister)

op 28 mei 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De Belgische regering toont onenigheid en verwarring over het defensiebudget: terwijl Defensie 2% (of meer) nastreeft, noemt cd&v dit een plafond en wil Prévot (PS) een *"coalition of the unwilling"* tegen hogere uitgaven—al nuanceerde hij dit later. Premier De Wever bevestigt dat België dit jaar 2% haalt (versneld door geopolitieke druk), maar benadrukt dat verdere verplichtingen (bv. NAVO’s mogelijke 5%-doel) budgettair onhaalbaar zijn zonder drastische gevolgen—een standpunt dat veel bondgenoten delen. Strategische afstemming ontbreekt: Vander Elst kritiseert het publieke pingpongen met cijfers (2% vs. 2,5-3%) en eist duidelijke keuzes voor de NAVO-top in Den Haag, terwijl De Wever wijst op lopend diplomatiek overleg om een gecoördineerd standpunt te vormen—zonder nu concrete beloftes te doen. Kernpunt: België wil *modelbondgenoot* zijn, maar bengelt achteraan in de NAVO en riskeert interne tegenstrijdigheden te exponeren.

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de premier, ik denk dat u soms met een zekere angst de persoverzichten doorneemt. Over Defensie schieten die immers alle richtingen uit. Veel regeringsleden hebben immers uiteenlopende boodschappen over Defensie naar buiten gebracht, die vaak haaks op elkaar staan. De minister van Defensie is zeer uitgesproken en wil erg ver gaan. De cd&v-voorzitter maakte van de 2 %-doelstelling ineens een plafond, omdat het allemaal te veel zou zijn en we nergens zouden kunnen besparen. Daarna kwam uw vice-eersteminister, de heer Prévot, die een coalition of the unwilling op de been wou brengen om ervoor te zorgen dat we als land niet te ver zouden gaan. We mogen immers niet zomaar meelopen in de wapenwedloop. Ondertussen is hij daar in De Zondag al deels op teruggekomen. Hij gaf aan dat hij misschien wat te voortvarend was geweest en dat 2,5 % of 3 % op langere termijn wellicht wel haalbaar is.

Mijnheer de premier, het wordt echt een kakofonie. Het beoogde percentage en het gegoochel met miljarden mogen geen doel op zich zijn, maar dit geeft alleszins een bijzonder slecht beeld van onze visie op Defensie en van het uiteindelijke resultaat. Om de bevolking mee te krijgen, is het belangrijk een duidelijk verhaal met de precieze investeringen in Defensie op te bouwen. Daar gaat het immers uiteindelijk om en niet om het voortdurende pingpongspel met cijfers in de media door uw regeringspartijen.

Hoe hebben onze bondgenoten gereageerd op de poging van minister Prévot om een coalition of the unwilling op te richten? Hoe rijmt u dat met de ambitie uit uw regeerakkoord om opnieuw een modelbondgenoot van de NAVO te worden? Om een modelbondgenoot te zijn, moet men minstens tot het peloton behoren wat de uitgaven betreft. Zelfs met een defensiebudget van 2 % zullen we binnen enkele jaren niet in dat peloton zitten, maar nog steeds achteraan bengelen. Welk budgettair traject voorziet u met Arizona? Met welke boodschap gaat u naar de NAVO-top in Den Haag?

Bart De Wever:

Op zich is het niet abnormaal dat als er heel pertinente en belangrijke problemen opduiken, er verschillende opinies zijn die binnen een coalitie tot uiting komen. Ik weet wel dat dit nooit gebeurde onder de vivaldicoalitie die uw partij heeft geleid, maar ik kan dat echt niet uitsluiten. Dit is nog altijd België, met veel partijen in de regering en twee gemeenschappen. Er zullen wel eens verschillende accenten zijn wanneer er heel prangende problemen opduiken. Tot zolang binnen één partij de ene niet zegt dat defensie hem helemaal niet interesseert en we daar niets aan zullen uitgeven, terwijl het voor de andere niet snel genoeg kan gaan, zitten we nog vrij gerust.

Wat is de stand van zaken? Er is geen coalition of the unwilling . Onze minister van Buitenlandse Zaken heeft in Antalya gewoon de waarheid gezegd, namelijk dat ons land het heel moeilijk zal hebben om het voorstel van de secretaris-generaal te realiseren om binnen 7 jaar 5 % van ons bbp uit te geven aan defensie en veiligheid, als dat de consensus binnen de NAVO zou worden. Op dit moment hebben we geen concreet plan en is er niemand in deze vergadering - en anders mag u mij dat gerust zeggen en het zelfs overnemen - die een plan heeft om dat te realiseren zonder dramatische maatschappelijke en budgettaire gevolgen. Dat is een waarheid als een koe.

Wij staan daar niet bepaald alleen in. Heel wat landen en regeringsleiders benaderen mij en vragen mij of we dat kunnen, hoe we dat zullen aanpakken en hoe dat in elkaar zit. Dat behoort tot de traditionele ruis vooraleer men naar een beslissingsmoment gaat over hoe het eruit zal zien, wat uiteindelijk de eindmeet is, hoeveel procent het zal worden, hoe de split van die 5 % in veiligheid en defensie in elkaar zit, met welke comptabiliteit, periode en budgettair traject dat verbonden zal worden en welke eisen men precies zal stellen.

Daarover wordt op dit moment internationaal ernstig van gedachten gewisseld. Ik heb vanochtend vernomen dat Canada heeft gezegd de 2 % te zullen doen tegen 2030. Zeggen dat wij het buitenbeentje binnen de NAVO zijn als we stellen dat het budgettair niet eenvoudig is, los van de bestaande politieke wil om defensie herop te bouwen, klopt.

Dat gezegd zijnde, deze regering heeft van meet af aan gezegd dat ze de NAVO-norm van 2 % zal halen. We hadden uiteraard gehoopt op een geopolitieke context die het mogelijk zou maken om dat pas in 2029 te realiseren, want er zijn ons reeds voldoende budgettaire problemen nagelaten, maar dat zal u wel weten, mijnheer Vander Elst. Die context is ons echter niet gegeven, dus realiseren we die 2 % dit jaar al. Dat brengt uiteraard buitengewone budgettaire moeilijkheden met zich mee, boven op de bestaande, maar we doen het wel.

Binnen de regering hebben we beslist om die 2 % nu te realiseren. Ik begrijp dat sommige partijvoorzitters dat al moeilijk genoeg vinden en dat zij het daar liefst bij willen laten. Daar heb ik alle begrip voor. We hebben echter ook afgesproken dat we na de NAVO-top zullen samenzitten om kennis te nemen van de daar gemaakte afspraken, uiteraard met de uitdrukkelijke bedoeling om te voldoen aan wat de NAVO ons dan zal vragen. Aangezien we daarover nog geen informatie hebben, willen we op die beslissing niet vooruitlopen. Dit jaar zal 2 % sowieso het maximum zijn dat we kunnen realiseren. Op het moment dat we kennis hebben van het jaartal, het traject, de split, alle condities en de aanrekenbaarheid, zullen we daarover moeten beraadslagen om dat in werkelijkheid om te zetten. Dat zal niet eenvoudig zijn, maar dat weet u ook wel. U mag ervan uitgaan dat het niet bij 2 % zal blijven, het zal meer zijn. Voorlopig is het dus afwachten. Uiteraard nemen we aan het diplomatiek verkeer deel, maar u begrijpt dat daarover momenteel geen openheid van zaken gegeven kan worden. Er wordt heel wat heen en weer gebeld om te beslissen waar we uiteindelijk zullen eindigen, maar het zal meer dan 2 % zijn.

Ik overschrijd de toegestane spreektijd, maar het is wel een ongelooflijk belangrijk debat, dus ik dank u om mij dat even toe te staan, mijnheer de voorzitter.

Immers, zelfs nog los van de pressie vanuit de Verenigde Staten, zien we dat ook binnen Europa een spanning aan het groeien is tussen landen die dicht bij Rusland liggen en nu al voorbij 3 % zitten – Polen schuift al richting 5 %, evenals onder meer de Baltische staten – en verder gelegen landen, met een publieke opinie die ook letterlijk verder van de problematiek staat, zoals Spanje en Italië. Er is een verschil in militaire uitgaven aan het groeien dat niet vol te houden is.

Zelfs los van de pressie vanuit Amerika is dit een debat waar Europa vooruit zal moeten. Vooruit zal betekenen – ik maak mij op dat vlak geen enkele illusie – dat 2 % niet zal volstaan binnen de NAVO. Wij zullen eind juni dus huiswerk krijgen en zullen moeten bekijken tegen wanneer we hoe ver zullen moeten geraken en met welke budgettaire trajecten we rekening zullen moeten houden. Zal het met een gestage groei kunnen? Zal het moeten gebeuren door middel van de hockeystick die men in Wales heeft toegestaan? Daarmee heeft men natuurlijk slechte ervaringen, zeker in dit land. Het is dan uiteindelijk niet gerealiseerd.

Dat zijn allemaal open vragen. Ik kan u daarop niet antwoorden, dat is geen slechte wil, ik weet het gewoon niet. We zullen het weten eind juni en dan zullen we er ongetwijfeld terug over spreken.

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de premier, ik dank u voor uw uitvoerig antwoord. Het is inderdaad een belangrijk onderwerp, maar het is wel zo dat de minister van Defensie in bijna elke commissie gezegd heeft dat er met een standpunt naar de NAVO-top zal getrokken worden. Ik verneem nu van u dat u de NAVO-resultaten zult afwachten en het vervolgens zult bespreken met de regering. Toch heb ik het gevoel dat de minister van Defensie verklaarde dat er binnen de regering bepaald zal worden wat dat standpunt is, om dan vervolgens plaats te nemen aan de NAVO-tafel en eraan proberen te voldoen. U verklaart nu dat u naar de NAVO-top zult gaan en het daarna zult bekijken. Dat hebt u zonet verklaard.

Bart De Wever:

Neen, mijnheer Vander Elst, men bepaalt uiteraard een standpunt. Zoals ik al zei, er loopt heel wat diplomatiek verkeer, dus is het niet verstandig om zomaar te zeggen wat het standpunt is. Men stemt dat best af op anderen die ermee kunnen helpen om zo gewicht aan dat standpunt te geven. Dat is niet tegenstrijdig aan het feit dat men niet weet wat het gewogen gemiddelde binnen de NAVO-familie zal zijn, om daarvan vervolgens kennis te nemen na de top. Dat lijkt me de logica zelve.

Ik herhaal, want het is begrijpelijk dat u daarover klaarheid wilt, dat er op dit moment zeer intensief diplomatiek verkeer is op het niveau van de regeringsleiders om te kijken waar we zouden kunnen landen, welke standpunten we zouden kunnen innemen en waar we op zouden kunnen mikken om resultaten te bekomen. Het ergst denkbare op dit moment in de geopolitiek is dat de NAVO er niet zal uitkomen. U begrijpt het ook wel, zodat niet ons land, als founding father van de NAVO in de Europese Unie, de internationale consensus zal blokkeren. Dat lijkt evident. Voor een stuk zult u moeten doen wat u kunt en voor een stuk zult u het spel moeten ondergaan. Zo gaat het altijd.

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de premier, ik heb helemaal geen probleem met het diplomatieke verkeer op het niveau van de regeringsleiders. Ik heb er zelfs alle begrip voor dat het achter gesloten deuren moet verlopen en dat u daarover niet te veel communiceert op voorhand. Echter, uw regering volgt dat niet. Ik lees in de pers voortdurend het gegoochel met percentages. Wat u op uw niveau doet, is een zeer goede zaak, maar in uw regering schiet het momenteel alle kanten uit. Ik vind dat geen goede zaak. U hebt gesproken over de publieke opinie. Ik denk dat de publieke opinie ervan overtuigd is dat er meer in defensie moet worden geïnvesteerd, omdat dat uiteindelijk ook onze veiligheid ten goede komt. Van wollige high-leveldiscussies en pingpongspelletjes in de media over percentages en miljarden wordt echter niemand beter. We moeten snel strategische keuzes maken. Ik doe dus toch nog een oproep om onderling af te stemmen binnen uw regering, ook met het oog op de komende NAVO-top. Dat zal uw diplomatiek overleg met de regeringsleiders ten goede komen.

De begroting 2025 en de ontvangstenderving door belastingfraude

Gesteld aan

Bart De Wever (Eerste minister)

op 28 mei 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sarah Schlitz kritiseert premier De Wever voor dubbelzinnig beleid rond fraudebestrijding: ondanks beloftes om 300 inspecteurs aan te werven (terugwinst 600 miljoen/jaar) ontbreken concrete plannen, terwijl de ISI-begroting daalt en een nieuwe fiscale amnestie fraudeurs met lage boetes (45-60%) ontziet. De Wever verdedigt de regeling als "geen cadeau" en benadrukt toekomstige budgettaire opbrengsten (vanaf 2026), maar ontwijkt vragen over tijdige uitvoering. Schlitz hamert op de oneerlijke lastenverdeling: kwetsbaren (patiënten, werklozen, pensioenaren) betalen de prijs, terwijl rijke fraudeurs ongestraft blijven.

Sarah Schlitz:

Monsieur le premier ministre, j'ai été heureuse de voir que vous vous promettiez de vous attaquer à la fraude fiscale dans votre accord de gouvernement. Cette fraude représente un manque à gagner annuel d'environ 30 milliards pour le budget de l'État. Vous annonciez ainsi le recrutement de 300 nouveaux inspecteurs afin de faire rentrer 600 millions d'euros par an d'ici 2029. Cependant, aucune information concrète n'a encore été donnée quant au calendrier de ces recrutements ni sur les services concernés. Pire encore, selon plusieurs sources, ces engagements pourraient se limiter une compensation partielle des départs à la retraite.

Dans le même temps, la Cour des comptes dénonce l'absence totale de calculs ou de modélisations sérieuses pour justifier vos objectifs budgétaires. Les moyens alloués à l'Inspection spéciale des impôts (ISI) sont, eux, en baisse sur l'ensemble de la législature de 9 millions d'ici 2029.

Nous ne comprenons plus rien, monsieur le premier ministre. Alors que la fraude fiscale coûte 30 milliards d'euros par an à la collectivité et qu'un inspecteur de l'ISI rapporte en moyenne dix fois plus que ce qu'il coûte, comment justifiez-vous ce double discours, entre promesses ambitieuses faites il y a quelques semaines et l'affaiblissement des moyens au moment du budget? Quand ces 300 agents seront-ils recrutés? Dans quels services? Avec quels objectifs mesurables?

Par ailleurs, dans ce contexte, pourquoi offrir une nouvelle amnistie fiscale permettant à des fraudeurs de blanchir leurs pratiques sans conséquences pénales alors que les citoyennes et citoyens honnêtes paient chaque jour pour les cadeaux que vous offrez à ces personnes?

Bart De Wever:

Concernant le recrutement des 300 inspecteurs, il n'y a pas encore d'accord au sein du gouvernement sur la manière dont ces 300 inspecteurs seront répartis entre les différentes administrations. Cela sera déterminé plus tard.

Mais la lutte contre la fraude sociale et fiscale reste une priorité pour le gouvernement. À partir de 2026, des recettes supplémentaires sont d'ailleurs inscrites dans le budget. Les ministres compétents présenteront au gouvernement leur plan pour mener cette lutte d'ici l'automne.

La régularisation fiscale que vous mentionnez n'est absolument pas un cadeau fait aux riches. Dans la mesure où aucune enquête fiscale ou pénale n'est en cours, un contribuable peut régulariser spontanément des revenus.

Pour les capitaux fiscalement prescrits, un prélèvement de 45 % devra être payé. L'administration fiscale ne peut donc plus taxer ces capitaux, mais le contribuable devra tout de même payer 45 % pour obtenir l'immunité pénale. Je pense que ce n'est pas un cadeau.

Pour les revenus non prescrits fiscalement, l'imposition normale devra être payée, majorée de 30 %. Ce tarif est plus élevé que lors des précédentes opérations de régularisation. Si un précompte mobilier de 30 % aurait dû être payé, après régularisation, il faudra payer 30 % plus 30 %, soit 60 %. Cela représente une augmentation de 100 %. Je pense que ce n'est pas un cadeau.

Ces amendes et majorations sont légitimement très élevées et ne peuvent absolument pas être considérées comme des cadeaux, bien au contraire.

Sarah Schlitz:

Merci, monsieur le premier ministre, pour le partage de votre vision en matière de régularisation des malversations de certains. Vous évitez, comme votre ministre des Finances, l'épineuse question du fameux recrutement des 300 inspecteurs. Comment allez-vous parvenir, sans avancer rapidement sur ces recrutements, à faire rentrer les moyens que vous avez pourtant inscrits dans votre budget pour qu'il soit à l'équilibre? C'est incompréhensible! Au moment de la présentation de votre accord de majorité, vous avez déclaré que nous étions dans une situation difficile et que tout le monde devra contribuer à l'effort. Cependant, nous constatons aujourd'hui, monsieur le premier ministre, que vous avancez très rapidement pour faire payer les malades, les travailleurs licenciés qui toucheront des préavis moins élevés qu'auparavant, les travailleurs de nuit qui n'auront plus de sursalaire quand ils travaillent jusque minuit, les pensionnés qui vont voir leur pension rabotée. Tous ceux-là vont passer à la caisse. Par contre, les fraudeurs, les plus riches ne vont pas contribuer à la hauteur de leurs moyens à l'effort collectif, et c'est un scandale!

Het niet dragen van de veiligheidsgordel

Gesteld aan

Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)

op 27 mei 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De gordeldracht blijft een hardnekkig probleem, met name bij bestelwagenchauffeurs (40%) en jongeren, wat leidt tot vermijdbare dodelijke slachtoffers, ondanks de verplichte wetgeving. De regering overweegt intelligente camera’s voor automatische controles (zoals bij gsm-gebruik), maar stuit op privacybezwaren en juridische haken, terwijl de boetes (€116) en sancties mogelijk verzwaard worden na evaluatie van het nieuwe Wegencodex (2024). Sensibilisering blijft vooral een regionale taak, maar federale samenwerking met Vias en gewesten moet gerichte campagnes (o.a. voor jongeren) versterken, terwijl politiecontroles cruciaal blijven. Kritiek blijft bestaan op de spanningsveld tussen handhavingstechnologie en privacy, met vragen bij de haalbaarheid van camera-inzet.

Irina De Knop:

Uit een recente analyse van Vias institute blijkt dat een significant aantal verkeersslachtoffers geen veiligheidsgordel droeg op het moment van het ongeval. Bij enkelvoudige ongevallen, waarbij slechts een voertuig betrokken was, droeg 27 % van de bestuurders geen gordel. Op snelwegen loopt dat cijfer op tot 33 %. Bij bestuurders van bestelwagens is de situatie nog zorgwekkender: bijna 4 op de 10 bestuurders zou geen gordel dragen op het moment van het ongeval.

Ondanks dat gordeldracht al 50 jaar wettelijk verplicht is en algemeen wordt toegepast, blijft een deel van de bestuurders en inzittenden hardleers de gordel niet dragen, vooral achterin en bij jonge bestuurders. Dat leidt tot vermijdbare slachtoffers en verhoogt de kans op ernstige verwondingen of overlijden aanzienlijk.

Welke maatregelen kan de federale regering nemen om de naleving van de gordelplicht beter te handhaven?

Zijn er plannen om sensibiliseringscampagnes te versterken en extra controles uit te voeren, opdat meer bestuurders en passagiers hun gordel dragen?

Wordt er in het mobiliteitsbeleid onderzocht of strengere sancties noodzakelijk zijn voor personen die zonder gordel rijden? Voor gsm-gebruik gelden er bijvoorbeeld wel strengere boetes.

Welke initiatieven kan de federale overheid nemen om de bewustwording rond gordeldracht bij jonge bestuurders en bestelwagenchauffeurs te verhogen?

Jean-Luc Crucke:

Mevrouw De Knop, wat de handhaving betreft, zal ik in samenspraak met de betrokken partners en in het bijzonder de politie onderzoeken of intelligente camera's in de toekomst kunnen worden ingezet om het niet-dragen van de gordel te detecteren, zoals dat ook al technisch mogelijk is, maar nog niet wettelijk verankerd, voor de detectie van gsm-gebruik achter het stuur.

We willen die technologie op een evenredige en transparante manier gebruiken, die bovendien de privacy respecteert, in de strijd tegen de afleiding in het verkeer, die een belangrijke oorzaak van ongevallen is.

Hierbij dienen beste praktijken uit het buitenland te worden onderzocht. De implementatie van die projecten vraagt echter ook reglementaire aanpassingen, mede ter bescherming van de privacy.

Ook al zijn sensibiliseringscampagnes een regionale bevoegdheid, we zullen naar aanleiding van de nieuwe federale en regionale codes voor de openbare weg samen met Vias Institute en de gewesten een communicatiecampagne opzetten om de wijzigingen en de nieuwe regels voor het voetlicht te brengen.

De nieuwe federale code omvat nieuwe regels met betrekking tot de gordelplicht. Zowel de bestuurder als een volwassen passagier kan voortaan beboet worden, als de passagier geen veiligheidsgordel draagt.

De nieuwe federale codes voor de openbare weg werden gepubliceerd op 20 september 2024. Omdat heel wat onreglementaire tekst hiermee samenhangt, wordt die herwerkt, zodat de verwijzingen naar de code voor de openbare weg worden gecorrigeerd. Heel belangrijk in die context is de aanpassing van het koninklijk besluit van 30 september 2005 tot aanwijzing van de overtreding per graad. Hierbij worden alle overtredingen meteen ook opnieuw geëvalueerd naar ernst en het gevaar dat ze opleveren voor andere weggebruikers of voor inzittenden. De graad van een groot deel van de overtredingen blijft ongewijzigd, maar sommige overtredingen worden zwaarder geëvalueerd.

De analyse is nog niet afgerond. Er is dus nog niet beslist dat de overtreding op de gordelplicht verzwaard zal worden. De overtreding is nu een tweedegraadsovertreding. Daar hangt een boete aan vast ten belope van 116 euro, die onmiddellijk wordt geïnd, exclusief de administratieve toeslag van 10,42 euro. Ter vergelijking, het vervoer van kinderen zonder een gepast en correct gebruikt kinderbeveiligingssysteem is nu al een derdegraadsovertreding.

Sinds de zesde staatshervorming zijn zowel de sensibilisering rond verkeersveiligheid als de verkeerseducatie op school en de rijopleidingen voor het behalen van het rijbewijs regionale bevoegdheden geworden. Ik ben van mening dat alle niveaus de krachten moeten bundelen om de bewustwording over de gevaren van grote killers in het verkeer te verhogen. Ik sta dus open voor interfederale samenwerking, bijvoorbeeld in de vorm van gemeenschappelijke preventiecampagnes.

Irina De Knop:

Bedankt voor uw antwoorden, mijnheer de minister. Ik noteer dat het koninklijk besluit ter zake wordt ge ë valueerd. Dat is zeker een hele goede zaak. We zullen die evaluatie zeker opvolgen. Voorts belooft u te zullen onderzoeken welke moderne technologieën, bijvoorbeeld intelligente camera's, kunnen worden ingezet, weliswaar met respect voor de privacy. Voor onze partij gaan die twee aspecten heel moeilijk samen. Een uitrol van intelligente camera's voor alsmaar meer toepassingen kan de privacy verder uithollen. Dat vinden wij een zeer gevaarlijk precedent. Dat neemt uiteraard niet weg dat de pakkans, net als de sensibilisering, uiteindelijk fundamenteel is. We zullen die zaken samen met u blijven opvolgen. Het is een zeer grote bekommernis dat veel verkeerswetgeving niet goed wordt nageleefd. Er is absoluut nood aan een sterkere controle uiteraard door de politie.

De aanpassingen in het station Dendermonde met het oog op een vlottere verbinding richting Brussel
De aanpassingen in het station Dendermonde voor een vlottere verbinding richting Brussel
De veiligheid aan het station Dendermonde
Verbeteringen aan station Dendermonde voor veiligheid en vlotte verbindingen

Gesteld aan

Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)

op 27 mei 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De NMBS-maatregelen in Dendermonde (spoorwijzigingen IC26 en wachttijd S-trein) werken niet in de praktijk: treinen stoppen nog steeds op verafgelegen perrons (8/9), waardoor overstappen moeilijk blijft, en de beloofde verbeteringen voor Waaslandse pendelaars (zoals behouden reistijd) falen. Van Hoecke eist het herstel van de rechtstreekse verbinding als enige oplossing voor de "dagelijkse miserie". Op veiligheid (na geweldsincidenten) belooft minister Crucke een nationaal actieplan met meer politie, cameratoegang en preventie, maar Troosters betwijfelt de effectiviteit van camera’s en dringt aan op concrete, snelle maatregelen om vertrouwen in het spoor te herstellen.

Alexander Van Hoecke:

Mijnheer de minister, volgens communicatie van de NMBS – inmiddels ruim twee maanden geleden – zou vanaf maandag 14 april de IC26-trein van en naar Brussel in het station van Dendermonde voortaan op spoor 5 stoppen, in plaats van op spoor 8 of spoor 9. Daardoor zouden pendelaars uit Sint-Niklaas, Belsele, Sinaai, Lokeren of Zele vlotter kunnen overstappen. U weet – ik heb het de vorige keer ook aangehaald – dat de overstap in het station van Dendermonde een bijzonder penibele situatie vormt. Als de perrons voor de overstap dichter bij elkaar zouden liggen, zou dat die situatie enigszins kunnen verhelpen.

Beide treinen op hetzelfde perron laten stoppen, werd volgens de woordvoerder van de NMBS grondig onderzocht, maar bleek om operationele redenen onmogelijk. In de praktijk stopt de trein vanuit Brussel echter niet op spoor 5. De trein naar Brussel stopt standaard op spoor 8 of spoor 9. De trein van Brussel stopt normaal gezien wel op spoor 5, maar in de praktijk – althans in mijn ervaring en ik pendel er regelmatig – wordt er zo goed als altijd een spoorwijziging doorgevoerd. Uiteindelijk stopt die trein dus telkens op spoor 8 of spoor 9. In de praktijk verandert er dus niets.

Sinds maandag 22 april is volgens de NMBS de S-trein richting Antwerpen in Dendermonde ook genoodzaakt om 5 minuten langer te wachten op de IC-trein vanuit Brussel, indien die laatste vertraging oploopt. Die maatregel zou volgens de NMBS later worden geëvalueerd.

Waarom wordt die aangekondigde wijziging in de praktijk niet uitgevoerd? Waarom vindt er steeds een spoorwijziging plaats waardoor de trein toch op het verder gelegen perron terechtkomt? Waarom wordt ’s ochtends geen spoorwijziging doorgevoerd? ’s Ochtends is het immers erg druk in het station van Dendermonde. Dat station heeft een bijzonder nauwe gang waar alle pendelaars door moeten, wat soms tot gevaarlijke situaties leidt.

Hoe beoordeelt de NMBS de genomen maatregelen tot nu toe en hoe wordt die evaluatie precies gemonitord? Op basis waarvan gebeurt dat? Is het aantal gemiste overstappen intussen gedaald dankzij die twee maatregelen van de NMBS, of is er in de praktijk nog steeds geen effect merkbaar?

Frank Troosters:

Mijnheer de minister, mijn vraag gaat ook over het station van Dendermonde, zij het vanuit een andere invalshoek. Ze gaat over een zestienjarige jongeman uit Dendermonde die de voorbije week het slachtoffer werd van extreem geweld aan het station van Dendermonde. Blijkbaar is daar al geruime tijd meer aan de hand. Het ging niet om een geïsoleerd feit. Blijkbaar zijn er daar de voorbije tijd meerdere incidenten geweest met vechtpartijen en diefstallen.

Mijn vragen daarover zijn de volgende. Hebt u kennisgenomen van de betreurenswaardige feiten die zich hebben afgespeeld? Hebt u zelf eventueel al maatregelen getroffen om de veiligheid aan het station van Dendermonde te garanderen? Hebt u daarover eventueel overleg gepleegd met uw collega-minister van Binnenlandse Zaken? Is er overleg geweest? Worden er maatregelen getroffen? Indien niet, waarom gebeurt dat niet?

Jean-Luc Crucke:

Mijnheer de voorzitter, collega’s, de aanpassingen die de NMBS en Infrabel recent hebben doorgevoerd, tonen duidelijk aan dat de reiziger centraal staat en dat in functie van wat mogelijk is de nodige aanpassingen gebeuren om in te gaan op de vragen van reizigers.

De spoorwijzigingen zijn doorgevoerd voor één trein elke twee uur. De IC26-treinen Kortrijk-Brussel-Dendermonde hebben een keertijd van 1 u 08. Dat houdt in dat het ene uur de trein aankomt uit Brussel op spoor 5 en de trein naar Brussel vertrekt op spoor 8 of 9. Het andere uur vertrekt de trein naar Brussel op spoor 5 en komt de trein uit Brussel aan op een ander perron. Mijnheer Van Hoecke, uiteraard kunnen er real time nog steeds spoorwijzigingen plaatsvinden, zoals u hebt opgemerkt.

Zoals zij dat voor elk van haar bedieningen doet en gelet op de aanpassingen die zij voor haar reizigers uit het Waasland doorvoert, blijft de NMBS alle ontwikkelingen in haar aanbod opvolgen. In de aanloop naar de volgende fase van het vervoerplan in december 2025 zullen wij de impact van de wijzigingen op zowel de stiptheid als de dienstverlening aan de reizigers kunnen beoordelen.

Mijnheer de voorzitter, in antwoord op uw vraag kan ik u meegeven dat ik mij er ten volle van bewust ben dat het waarborgen van de veiligheid in en rond de stations, ook in het station van Dendermonde, essentieel is om gebruikers een kwalitatief hoogstaand openbaar vervoer aan te bieden in een gastvrije en veilige omgeving, zowel aan boord van de trein als in de infrastructuur in het station. Zoals vermeld in het regeerakkoord, zal een nationaal actieplan voor de veiligheid in de stations en hun omgeving worden opgesteld. Een van de maatregelen die wordt overwogen, is de versterking van de aanwezigheid van politie in de stations evenals de toegang voor de ordediensten tot camerabeelden van de openbare-vervoersoperator.

De NMBS wordt eveneens gevraagd om preventieve maatregelen te nemen, zoals de eventuele uitbreiding van het cameranetwerk. Zoals u in uw vraag benadrukt, moet de minister van Binnenlandse Zaken, belast met Veiligheid, eveneens betrokken worden bij die beveiligingsprocessen. Ik heb minister Quintin reeds ontmoet om de mogelijke synergieën rond dat thema te evalueren.

U kunt dus vaststellen dat de problematiek van de onveiligheid in het station zeer ernstig wordt genomen, zodat iedereen zich veilig kan voelen in en rond die plaats. Ik zal een specifiek verslag vragen over de toestand in Dendermonde. Nu kan ik geen verdere toelichting geven, maar ik zal dat voor u navragen.

Alexander Van Hoecke:

Mijnheer de minister, uw antwoord verbaast mij eigenlijk een beetje. U zegt dat de spoorwijziging slechts bij de helft van de treinen wordt doorgevoerd. Dat strookt volgens mij niet met wat de NMBS twee maanden geleden heeft gecommuniceerd. U zegt ook dat de situatie nog altijd aangepast kan worden, maar als het spoor waarop de trein toekomt zomaar kan wijzigen, vraag ik me af wat het nut is van de remediërende maatregelen die u wilt invoeren.

De rechtstreekse treinverbinding vanuit het Waasland naar Dendermonde is afgeschaft. Nochtans werd beloofd dat de reistijd dezelfde zou blijven. Ook werd beloofd dat niemand zijn aansluiting zou missen. Dat blijkt niet het geval te zijn. De aangepaste maatregelen werken niet, of worden eenvoudigweg niet uitgevoerd. Ik denk dat de pendelaars uit het Waasland beter verdienen. Daarom wil ik u nogmaals vragen ervoor te zorgen dat de rechtstreekse treinverbinding wordt hersteld. Dat is uiteindelijk de enige oplossing om de dagelijkse miserie van al die pendelaars te verhelpen.

Frank Troosters:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Al vaker heb ik gezegd dat, om het even welke dienstverlening, welk comfort, welke stiptheid ook, zelfs al rijden er treinen met gouden zitbanken, als de veiligheid niet gegarandeerd is, zal een reiziger de trein niet nemen. Dat is, zoals u terecht stelt, absoluut essentieel. Veiligheid is een prioritaire voorwaarde voor het succes van het spoorvervoer. Ik verneem dat in overleg met Binnenlandse Zaken overwogen wordt om de politieaanwezigheid in het station van Dendermonde te versterken. Ik hoop dat dat effectief gebeurt. U verwijst ook naar preventieve maatregelen bij de NMBS, zoals het gebruik van camera's. Natuurlijk zijn we daar niet tegen, maar camera’s houden niemand tegen, zoals in het verleden al is gebleken. Ik wil de kost niet geven aan mensen die slachtoffer werden van criminaliteit, ondanks de aanwezigheid van camera’s. Ik hoop dus dat dat nauwgezet wordt opgevolgd en dat er kort op de bal wordt gespeeld in Dendermonde, maar ook elders, want anders zal van de fameuze modal shift naar de trein nooit veel in huis komen.

De partnermoord in Eeklo

Gesteld aan

Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)

op 22 mei 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Na de partnermoord op Diana (39)—ondanks eerdere politie-interventies en noodopvang voor de dader—eist Kathleen Depoorter onmiddellijke verbetering van risicoanalyses, stalkingsalarmen (directe noodcentrale-koppeling) en een slachtofferapp met locatie-alerts om herhaling te voorkomen. Minister Beenders bevestigt dat gendergeweld prioriteit is, verwijst naar de feminicidewet en een nieuw wetenschappelijk comité om systeemfalen te analyseren, maar belooft geen concrete actie op de voorgestelde maatregelen. Depoorter dringt aan op directe uitvoering—zonder wachttijden bij alarmen of contactverboden—om nieuwe slachtoffers te vermijden, met de nadruk op snelle politie-interventie. Kernpunt: systeemtekorten doden, analyse alleen is onvoldoende—dringende implementatie van technische en procedurele oplossingen is cruciaal.

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, Diana, 39 jaar, werd gisteren vermoord door haar partner, vlak nadat ze haar kinderen van 3 en 11 jaar aan de school in Eeklo had afgezet. Partnermoord is de gruwelijkste vorm van intrafamiliaal geweld en toch gebeurt het. In het gezin van Diana had eerder al geweld plaatsgevonden. Ze had zich gemeld bij de politie, die ook had ingegrepen. Haar partner werd ondergebracht in de noodopvang. Toch heeft het niet mogen baten. Diana is gestorven. Ze is niet de enige. Elk jaar sta ik hier wel met een dergelijk verhaal.

Mijn collega Sophie De Wit en ikzelf werken al langer rond het thema en hebben hierover verschillende voorstellen in de Kamer ingediend. We vinden het absoluut noodzakelijk dat er een degelijke risicoanalyse wordt gemaakt wanneer een slachtoffer zich bij de politie meldt. Het risico moet ook worden opgevolgd. Daarnaast is overleg tussen de verschillende hulpdiensten van cruciaal belang. Het stalkingsalarm werkt wel, maar niet altijd. Eigenlijk moet het alarm, zodra een vrouw de knop indrukt, onmiddellijk bij de noodcentrale van de politie afgaan. Een wachtrij is onaanvaardbaar. De hulpdiensten moeten onmiddellijk kunnen optreden. Mijnheer de minister, er moet ook werk worden gemaakt van een ander instrument, een slachtofferapplicatie, een toepassing die aangeeft wanneer een slachtoffer zich in de buurt van een mogelijke dader bevindt, zodat de hulpdiensten meteen kunnen ingrijpen.

Mijnheer de minister, we zijn partners in de regering, maar ook in de strijd tegen intrafamiliaal geweld. Bent u bereid om onze voorstellen mee te nemen wanneer u wetgeving opstelt?

Rob Beenders:

Collega Depoorter, bedankt voor uw vraag. Sta mij toe om ook mijn medeleven te betuigen aan de nabestaanden van Diana, de vrouw die gisteren in Eeklo werd vermoord.

We zijn het er allemaal over eens dat elk slachtoffer van partnergeweld er een teveel is. Helaas, zoals u ook aangaf, betreft het hier geen geïsoleerd geval. De strijd tegen gendergerelateerd geweld is dan ook een absolute prioriteit voor de regering en voor mijn beleid. Het gaat immers om mensenlevens. Slachtoffers moeten een betere bescherming kunnen genieten.

U begrijpt dat ik me over de specifieke zaak niet in detail kan uitspreken, zeker niet over de concrete omstandigheden. Er moet bij de politie zeker worden onderzocht of zij de correcte procedures heeft gevolgd en de regels rond de risico-evaluatie op basis van de omzetbrief heeft nageleefd. Het is aan het Comité P, dat belast is met de controle op de politie, om het dossier verder op te volgen.

In ieder geval moeten we alles doen wat we kunnen om geweld te voorkomen, slachtoffers te beschermen en daders aan te pakken. België was het eerste Europese land met een wettelijk kader ter voorkoming en bestrijding van feminicide. Ik zal de concrete maatregelen in de wet ter zake uitvoeren.

Ingevolge de feminicidewet wordt momenteel het wetenschappelijk comité samengesteld bij het Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie. Het comité heeft de opdracht om feminicides en gendergerelateerde dodingen te analyseren en te onderzoeken wat er precies is fout gelopen. Dat moet leiden tot een verdere verbetering van het huidige systeem, dat verantwoordelijk is voor de preventie en de bestrijding van feminicides en van het voorafgaande geweld. Ik wil daarin namelijk net als u zeer duidelijk zijn: we mogen en kunnen gendergerelateerd geweld nooit tolereren.

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, elk slachtoffer is er een te veel. We moeten nu actie ondernemen. Natuurlijk moeten we analyseren en onderzoeken. Dat is absoluut noodzakelijk, maar ageren is nog veel belangrijker. Noch u noch ik willen hier over een paar maanden opnieuw staan om weer een andere casus aan te kaarten. We moeten ervoor zorgen dat de stalkingsalarmen werken. Als de knop ingedrukt wordt, moeten onze diensten onmiddellijk ter plaatse kunnen komen. Als een dader in de buurt komt van de persoon voor wie hem of haar een contactverbod is opgelegd, dan moeten de politiediensten onmiddellijk worden ingelicht, zodat zij kunnen ingrijpen. Ik, noch u, noch om het even wie in het halfrond wil nog het verhaal brengen dat kinderen hun moeder of hun vader moeten missen vanwege partnergeweld.

Het voorstel van de Europese Commissie tot wijziging van de verordening internationale bescherming

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 22 mei 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België wil de asielprocedure versnellen (van 14 naar 6 maanden) door EU-voorstellen te steunen die renvois naar "veilige derde landen" vereenvoudigen, zonder de mensenrechten te schenden, om zo de instroom te verminderen en uitstroom te vergroten. Minister Van Bossuyt benadrukt dat het bestaande "safe third country"-principe wordt uitgebreid—geen nieuwe maatregel—en wijst kritiek op "rechtenschendingen" af, met steun van de VN-vluchtelingenorganisatie (HCR). Vandeberg (MR) onderschrijft dit als deel van een strikte maar rechtvaardige migratiepolitiek, gekoppeld aan integratiecapaciteit, en roept op tot een ambitieuze Belgische inbreng in de EU-onderhandelingen. Kern: efficiënter asielbeleid via EU-samenwerking, met behoud van rechtsbescherming.

Victoria Vandeberg:

Madame la ministre, 14 mois, c'est le temps moyen que passe un demandeur d'asile dans un centre d'accueil avant d'obtenir une réponse quant à la possibilité ou non de rester sur notre territoire. Ce délai est long, et le MR a toujours défendu un délai de six mois afin de diminuer la pression sur nos structures d'accueil déjà touchées par la crise de l'accueil et l'afflux entrant important.

À ce titre, l'accord de gouvernement est clair et vise à réduire le flux entrant tout en augmentant le flux sortant pour que la migration en Belgique redevienne socialement et économiquement positive. Mais, au-delà des mesures belges que vous êtes déjà en train de prendre, la migration et l'asile doivent être vus au niveau européen.

Cette semaine, la Commission européenne a proposé de modifier le règlement européen sur la procédure commune en matière de protection internationale. Le but est d'y faire disparaître la notion de lien entre le demandeur de protection et le pays tiers sûr dans lequel il pourrait avoir droit à cette protection. Cela suppose d'assouplir certaines conditions, aujourd'hui trop rigides, qui freinent les renvois des demandeurs d'asile en pays tiers, même lorsque la décision d'irrecevabilité est justifiée et respecte évidemment les droits de l'homme, la notion de pays sûr restant centrale. En plus d'augmenter le flux sortant, cela pourrait réduire la charge de travail des collaborateurs et donc raccourcir le délai d'attente.

Madame la ministre, la Belgique est connue pour recourir davantage à une protection internationale, au détriment de la protection subsidiaire, et attire donc une grande partie des demandeurs d'asile. L'accord de gouvernement acte que ce déséquilibre doit être contrôlé. Quelles sont les actions que vous allez entreprendre à cet égard? Pensez-vous que la modification du règlement puisse inverser la tendance? Quelle sera la position que vous défendrez au nom de la Belgique dans ces discussions européennes?

Anneleen Van Bossuyt:

Madame Vandeberg, je salue la proposition de la Commission européenne. Elle témoigne d'un constat qui ne date pas d'hier, comme vous l'avez indiqué, à savoir que le système d'asile en vigueur est à bout de souffle. Je suis disposée à contribuer activement à l'élaboration de solutions visant à limiter l'afflux, tout en augmentant les départs, et à accélérer le traitement des demandes d'asile, car la procédure est aujourd'hui trop longue. Ce traitement, qui permet le retour vers un pays tiers sûr, non seulement allège la pression exercée sur les É tats membres mais peut également envoyer un message dissuasif.

Je lis des réactions alarmistes dans la presse, mais j'appelle à une relativisation des choses. Le concept de "pays tiers sûr" existe déjà dans le droit européen et est déjà appliqué. Certains articles parlent de "dumping" et de "droits de l'homme bafoués", mais je m'oppose à ce genre de démagogie. La Commission européenne et le Haut-Commissariat des Nations Unies pour les réfugiés (HCR) ont confirmé que ce concept était conforme au droit international et européen. En outre, les garanties nécessaires sont prévues pour encadrer ce concept. En réalité, il s'agit ni plus ni moins d'une extension du champ d'application du principe de "pays tiers sûr".

La proposition fait actuellement l'objet de discussions entre les É tats membres au sein du Conseil. La Belgique y contribuera activement et sans tabou.

Victoria Vandeberg:

Madame la ministre, je vous remercie pour vos réponses et je suis heureuse d'entendre que vous êtes disposée à avancer également dans cette direction. Évidemment, le débat reste ouvert mais je suis heureuse d'entendre que c'est la voix qui sera portée par la Belgique au niveau européen.

Au MR, nous croyons que la liberté ne peut exister sans responsabilité. Nous défendons donc une politique d'asile et de migration régulée, juste et compatible aussi avec nos capacités d'intégration. Cela sera peut-être facilité à l'avenir par cet assouplissement qui respecte, comme vous l'avez d'ailleurs souligné avec raison, les droits humains. Il s'agit uniquement d'un élargissement d'un concept déjà existant. C'est l'ambition du gouvernement Arizona et la vôtre, madame la ministre, et vous devez la porter avec lucidité, courage et ambition pour notre pays.

Voorzitter:

Ce n'est pas la première intervention de notre collègue Vandeberg mais sa première question d'actualité. (Applaudissements) (Applaus)

De oprichting van een detentiehuis in Ninove

Gesteld door

lijst: VB Werner Somers

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 21 mei 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De ministerraad besloot in december 2024 een kleinschalig detentiehuis (voor laagrisico-gevangenen met straffen ≤3 jaar) te openen op de voormalige rijkswachtkazerne in Ninove (eind 2026/begin 2027), ondanks lokaal verzet (stad, politie) omwille van de ligging naast een kinderopvang en school en verwachte extra politiebelasting. Minister Verlinden benadrukt dat ervaringen in Kortrijk en Vorst (nabij scholen) positief zijn en dat interventies minimaal blijven, maar belooft geen concrete steun voor lokale politie of heroverleg met het stadsbestuur, ondanks kritiek op gebrek aan overleg en werkdruk. Het nieuwe stadsbestuur en de korpschef eisen herziening van de locatie en betere afstemming, wijzend op praktische en veiligheidsrisico’s.

Voorzitter:

La question n° 56004727C de M. Jeroen Soete est reportée. La question n° 56004750C de Mme Greet Daems est transformée en question écrite.

Werner Somers:

Het masterplan voor een detentie in humane omstandigheden voorziet onder meer in de oprichting van detentiehuizen als alternatief voor de klassieke strafuitvoering in gevangenissen. Detentiehuizen zijn kleinschalige gesloten inrichtingen voor 20 tot 60 gedetineerden. Ze zijn bedoeld voor de opvang van personen die een gevangenisstraf van ten hoogste 3 jaar hebben gekregen. Een van die detentiehuizen zou op de site van de voormalige rijkswachtkazerne aan de Aalstersesteenweg in Ninove komen. Dat werd bevestigd op de ministerraad van 20 december 2024.

Anders dan het oude stadsbestuur is het nieuwe stadsbestuur geen voorstander van de komst van een detentiecentrum op die plaats, onder meer omdat de oude rijkswachtkazerne vlak naast een kinderdagverblijf en tegenover een middelbare school ligt. Ook volgens de korpschef van de lokale politie is een dergelijke locatie onverantwoord. In een brief aan de directeur-generaal van het SAT Justitie, het administratief en technisch secretariaat dat de minister van Justitie adviseert in haar beleids- en beheerbevoegdheden op het gebied van politie, heeft de korpschef de directeur-generaal van het SAT verzocht om er bij u op aan te dringen terug te komen op de plannen om op de betreffende locatie in Ninove een detentiehuis op te richten. Volgens hem blijkt uit navraag bij collega's van politiezones waar een detentiehuis gevestigd is, overigens dat die inrichtingen de lokale politie wel degelijk heel wat extra werk bezorgen. Tevens wijst hij erop dat vaak geen beroep kan worden gedaan op de Directie beveiliging (DAB) van de Federale Politie.

Kunt u preciseren wat de ministerraad precies besliste op 20 december 2024 met betrekking tot de oprichting van een detentiehuis in Ninove? Werd er voorafgaandelijk overleg gepleegd met het stadsbestuur? Zo ja, wanneer vond het overleg plaats en wat kwam er uit de bus? Zo nee, waarom bleef dergelijk overleg achterwege?

Wat is de timing voor de oprichting van een detentiehuis in Ninove?

Bent u het eens met de kritiek van het stadsbestuur en de korpschef van de lokale politie dat het niet wenselijk is dat er een detentiehuis pal naast een kinderdagverblijf en recht tegenover een grote middelbare school zou worden gevestigd?

Bent u ervan op de hoogte dat een detentiehuis heel wat extra werk oplevert voor de lokale politie? Klopt het dat er vaak geen beroep kan worden gedaan op de Directie beveiliging van de federale politie? Zo ja, bent u bereid om daarover overleg te plegen met uw collega die bevoegd is voor Binnenlandse Zaken teneinde ervoor te zorgen dat de betreffende lokale politiezones extra worden ondersteund en op die manier worden ontlast?

Ten slotte, bent u bereid terug te komen op de beslissing om een detentiehuis op te richten op de site van de voormalige rijkswachtkazerne in Ninove en/of om over de aangelegenheid nader overleg met het stadsbestuur te plegen?

Annelies Verlinden:

De opening van het detentiehuis is in principe gepland voor eind 2026, begin 2027 en uiteraard staan de diensten van de Regie en de stadsdiensten met elkaar in contact. Overleg met het stadsbestuur heeft nog niet plaatsgevonden.

We hebben intussen ervaring met twee detentiehuizen. In Kortrijk bevindt het detentiehuis zich in de nabijheid van een hogeschool en een universiteit en er rijzen geen problemen. In Vorst ligt het detentiehuis naast de Europese basisschool en ook daar verloopt, volgens onze informatie, het samenleven zonder moeilijkheden. Ter herinnering, het gaat om veroordeelden die als een laag risico zijn geëvalueerd en van wie de uitstappen beperkt blijven tot acties die kaderen in een re- i ntegratieproces. De ervaring met de twee detentiehuizen toont aan dat de politie-interventies bij detentiehuizen vrij zeldzaam en minimaal zijn. Sinds 2022 waren er 15 politie-interventies in Kortrijk en sinds juni 2023 slechts 5 in Vorst. De interventies worden in die gevallen door de lokale politie uitgevoerd. Het gaat om inrichtingen met een lager beveiligingsniveau, waarvan de bewoners worden gescreend, voordat ze er kunnen verblijven. Het gaat om andere structuren dan klassieke gevangenissen en de tussenkomsten zijn niet te vergelijken met de interventies die nodig zijn in de gevangenissen.

Detentiehuizen worden beschouwd als penitentiaire inrichtingen volgens artikel 2, 7° van de wet van 23 maart 2019. In die zin en krachtens artikel 23 van de wet van 5 augustus 1992 is de Directie beveiliging van de federale politie bevoegd voor de uitvoering en de bescherming bij de overbrenging van gevangenen tussen strafinrichtingen en bij het halen van gevangenen uit strafinrichtingen om ze naar hoven en rechtbanken of naar een andere plaats te brengen.

De regering zal blijven inzetten op kleinschalige detentie en zal blijven investeren in de ontwikkeling van detentiehuizen. De ervaringen in de twee reeds geopende detentiehuizen en hun integratie in de wijk zijn positief. In Ninove gaat het om een kleinschalige infrastructuur waarin veroordeelden uit de regio kunnen worden opgevangen, zodat ze dichtbij hun naasten kunnen verblijven.

Werner Somers:

Mevrouw de minister, u argumenteert dat het gaat om gevangenen met een laag risico, die gescreend worden en die in een re-integratieproces zitten, maar ik blijf toch van mening dat het niet bepaald de geschikte locatie is, vlakbij een kinderdagverblijf en tegenover een middelbare school.

De inplanting van een detentiehuis op die plaats zorgt voor heel wat onrust in de buurt. Ik wil dus vragen dat er verder overleg wordt gepleegd met de lokale overheid en dat er ook rekening gehouden wordt met de extra taken die de lokale politie op zich zal moeten nemen door de aanwezigheid van een detentiehuis op het grondgebied van de gemeente.

De korpschef verwijst in zijn schrijven aan de directeur-generaal van het SAT Justitie naar allerhande extra opdrachten, die de lokale politie zal moeten uitvoeren, zoals het schrijven van kantschriften, het verhoren, de afname van DNA, de administratie inzake de op te volgen voorwaarden, het uitvoeren van risicovolle en van dringende interventies, het optreden ten gevolge van stakingen van gevangenispersoneel en het uitvoeren van sweeps. Ik zal de hele lijst niet opsommen. De lokale politie heeft toch de indruk dat ze een beetje in de steek gelaten wordt, terwijl er met zo'n detentiehuis toch extra werklast gepaard gaat.

Voorzitter:

La question n° 56004923C de Mme Ayse Yigit est retirée. Les questions n os 56004924C et 56004928C de Mme Greet Daems et la question n° 56005005C de Mme Catherine Delcourt sont transformées en questions écrites.

De uitspraken van Vlaams minister Demir over het beleid van de federale regering
De discussie over het elektronisch toezicht
De noodwet betreffende de overbevolking in de gevangenissen
De in de maak zijnde noodwet
Debatten over justitiehervormingen en veiligheidsbeleid in België

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 21 mei 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Zuhal Demir (Vlaams) kritiseert minister Verlinden (federaal) voor traagheid in de prefinanciering van 4.000 enkelbanden en het gebrek aan actie tegen gevangenisoverbevolking (13.000 gedetineerden vs. 11.040 plaatsen), terwijl ze pleit voor een crisismanager en betere samenwerking. Verlinden benadrukt dat juridische belemmeringen (bijzondere financieringswet, tweederdemeerderheid) prefinanciering blokkeren, maar steunt wel aanpassingen zoals jaarlijkse hertellingen en een noodwet (nu in regeringsoverleg) om elektronisch toezicht via strafuitvoeringsrechters (niet directeurs) te versnellen. Demir’s beweringen over gronden bij Merksplas (uitbreidingspotentieel) en gevaarlijke geïnterneerden die vrij rondlopen worden door Verlinden genuanceerd: de Raad van State bevestigt dat rechters (niet directeurs) beslissen over enkelbanden, en justitieassistenten waarschuwen wel, maar definitieve beslissingen liggen bij de strafuitvoeringsrechtbank. Structurele oplossingen blijven afhankelijk van gemeenschapsbevoegdheden en federale financiering.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, in een interview in Het Laatste Nieuws van het voorbije weekend heeft Vlaams minister van Justitie Zuhal Demir in niet mis te verstane bewoordingen snoeiharde kritiek gegeven op uw beleid. “Ik ga niet op mijn eigen diensten besparen om de federale knoeiboel op te lossen." Dat was de rode draad doorheen haar kritiek. Volgens de Vlaamse minister zou u wat betreft het elektronisch toezicht "niet erg gehaast zijn dat te prefinancieren en die financiering zelfs in vraag stellen". Verder zei ze ook dat u een plan hebt, maar dat u nu echt in actie moet komen. Ze voegde eraan toe dat door de overbevolking en de stakingen in de gevangenissen het Vlaams personeel daar niet kan werken aan de re-integratie van gedetineerden, en dat terwijl de gevangenisvloer een werkvloer moet worden en geen wraakvloer. Tot slot suggereerde de Vlaamse minister de aanstelling van een crisismanager die daadkrachtig en operationeel bezig kan zijn.

Wat is uw reactie op deze harde kritiek van een Vlaamse minister? Hebt u inmiddels met haar contact gehad om dit te bespreken?

Wat is uw standpunt betreffende de aanstelling van een crisismanager?

Volgens minister Demir heeft de Raad van State gezegd dat een rechter zal beslissen welke veroordeelden wel en niet een enkelband krijgen. “Ik heb dat altijd al gezegd, maar minister Verlinden vond dat de gevangenisdirecteurs het zelf maar moeten beslissen", aldus minister Demir. Wat is uw reactie op dit standpunt?

Volgens Vlaams minister Demir heeft de Regie der Gebouwen de opdracht gegeven om een stuk grond dat naast de gevangenis van Merksplas ligt te koop te zetten. Dat is nochtans een plek die perfect te gebruiken is voor extra capaciteit. Is dat correct? Zo ja, hebt u overleg gepleegd met de hiervoor bevoegde minister om na te gaan of dit stuk grond niet geschikt is voor het uitbreiden van de capaciteit ?

Tot slot stelde de Vlaamse minister het volgende: “En dan is er nog iets waar ik urgentie mis: de geïnterneerden. Ik hoor van mijn justitieassistenten dat zij wijzen op gevaarlijke geïnterneerden die hun voorwaarden niet naleven en vrij rondlopen, maar als zij de alarmbel luiden, gebeurt daar niks mee." Kunt u mij daarover meer toelichting geven? Klopt het dat justitieassistenten hebben gewaarschuwd voor gevaarlijke geïnterneerden?

Alain Yzermans:

Ik verwijs naar de ingediende vraag.

In 2024 registreerde het Vlaams Centrum voor Elektronisch Toezicht (VCET) een daling van bijna 25% in het aantal enkelbanden, met slechts 5.187 enkelbanden in gebruik vergeleken met 6.767 in 2023. Vooral bij straffen van minder dan drie jaar hebben we een halvering gezien, van 1.100 naar 544. Het dagcijfer vandaag is 1.601 personen onder elektronisch toezicht. Deze daling is bijzonder opvallend en staat in schril contrast met de toenemende overbevolking in de Belgische gevangenissen, waar momenteel ongeveer 13.000 gedetineerden verblijven, terwijl er slechts 11.040 plaatsen beschikbaar zijn. Het dilemma rond de 4.000 enkelbanden en de heftige discussie tussen twee excellenties vraagt om betere en stevigere financiële afspraken tussen het Vlaamse en het federale niveau. Dit is zowel belangrijk in het kader van de afbouw van de wachtlijst, als vanuit een holistische benadering als duurzame oplossing voor de overpopulatie. Het nieuwe Strafwetboek creëert ook extra aandacht voor dit alternatief en zal het belang van enkelbanden alleen maar doen toenemen.

Vragen aan de minister:

Door de bijzondere wet kunt u de enkelbanden niet prefinancieren vanuit de federale overheid zonder een wetswijziging met een tweederde meerderheid in het parlement te laten goedkeuren. Hoe wilt u het probleem van de vermelde factuur aanpakken en is hierover onderhandeld met uw Vlaamse collega?

Hoe ziet u de rol van elektronisch toezicht in de context van de huidige overbevolking, en welke plannen heeft u om het gebruik ervan in de toekomst te bevorderen? Is het bevoegdheidsprobleem geen fundamentele handicap voor een structurele doorstart?

Deze week lag het ontwerp van de noodwet op tafel van de federale regering, gericht op het verlichten van de druk van de overbevolking in de Belgische gevangenissen. Gezien de recente kritiek van de Raad van State, die de bevoegdheid van gevangenisdirecteurs om zelfstandig beslissingen te nemen over vervroegde vrijlating en enkelbanden in twijfel trekt, is er bezorgdheid over hoe de urgente maatregelen nu verder moeten worden vormgegeven. Kunt u toelichten hoe de rol van de strafuitvoeringsrechter zal worden versterkt in het licht van de nieuwe wijzigingen en wat dit betekent voor de rechten van gedetineerden?

Vragen aan minister Annelies Verlinden:

Wat zijn de belangrijkste doelstellingen van de noodwet en in hoeverre denkt u dat deze wet daadwerkelijk zal bijdragen aan het verminderen van de overbevolking in de gevangenissen? Wat is het resultaat van de onderhandelingen deze week?

Er zijn zorgen vanuit verschillende actoren dat de gewijzigde noodwet nauwelijks impact zal hebben. Hoe weerspreekt u deze bezorgdheid en wat zijn de meetcriteria voor het succes van deze wet?

Hoe passen deze maatregelen in een langetermijnplan om de overbevolking tegen te gaan? Wat zijn de langetermijnplannen van de regering om de structurele problemen rond gevangenisoverbevolking aan te pakken, naast de maatregelen die nu worden voorgesteld?

Dank.

Paul Van Tigchelt:

Ik vrees in herhaling te zullen vallen, dus ik verwijs ook naar de ingediende vraag.

In de discussie over uw beleidsnota stelde ik al vragen over de aanpak van de overbevolking in onze gevangenissen en de ambitie om een noodwet te maken. Ik kreeg toen geen duidelijk antwoord. Recente uitspraken van uw Vlaamse collega, minister Demir, werpen echter bijkomende vragen op. Zij zou u hebben aangeboden om 4.000 criminelen onder elektronisch toezicht plaatsen, maar volgens uw N-VA-collega bent u niet gehaast om dat te prefinancieren.

In een interview spreekt minister Demir zich ook uit tegen alternatieve straffen en stelt zij dat de Raad van State oordeelde dat rechters, en niet gevangenisdirecteurs, moeten beslissen wie een enkelband krijgt. Wij vernemen dat een gewijzigde noodwet intussen is besproken in het kernkabinet en opnieuw naar de Raad van State gaat voor advies.

Mijn vragen zijn daarom als volgt:

Wat is de stand van zaken met betrekking tot de voorgestelde noodwet om de overbevolking aan te pakken?

Hoe zit het met de prefinanciering van het elektronisch toezicht waar minister Demir om vraagt?

Kwamen er soortgelijke engagementen vanuit de andere gemeenschappen?

Wat is uw reactie op het advies van de Raad van State over wie beslist over elektronisch toezicht? Welke stappen onderneemt u?

Wat is de timing om de noodwet aan het parlement voor te leggen?

Annelies Verlinden:

Bedankt, collega's. Dit is inderdaad een uitloper van het debat dat we daarstraks al hadden.

Bij de zesde staatshervorming, in 2015, werden de bevoegdheden inzake elektronisch toezicht, dus de enkelbanden, en de justitiehuizen overgeheveld van het federale niveau naar de gemeenschappen. Daarbij werden duidelijke afspraken gemaakt omtrent de financiering die juridisch werden verankerd in de bijzondere financieringswet. Die bijzondere financieringswet voorziet aldus in een federale dotatie aan de deelstaten voor de uitvoering van het elektronisch toezicht. Er werd bepaald dat deze dotatie jaarlijks wordt toegekend en driejaarlijks kan worden herzien op basis van een telling van het aantal ingezette enkelbanden. De bijzondere financieringswet bepaalt bovendien dat deze dotatie enkel kan stijgen en dus niet kan worden verlaagd, zelfs als er sprake zou zijn van een vermindering van het aantal enkelbanden bij die driejaarlijkse telling.

Sinds 2015 is de dotatie op basis van cijfers van het Rekenhof al tweemaal verhoogd. In 2024 bedroeg de dotatie voor Vlaanderen 86,2 miljoen euro.

De laatste jaren was er ingevolge de uitvoering van het aantal straffen tot drie jaar in de gevangenissen een daling van het aantal enkelbanden. In 2024 kregen 5.187 veroordeelden een enkelband aangesloten door het Vlaams Centrum voor Elektronisch Toezicht, terwijl dat er in 2023 nog meer dan 6.700 waren. Dat is dus, als we snel rekenen, een vermindering met ongeveer 23 % en de dotatie bleef zoals ik al zei ongewijzigd ingevolge de afspraken die gemaakt werden.

Deze regering werkt aan een reeks noodmaatregelen om de acute overbevolking, maar ook mensonwaardige omstandigheden in de gevangenissen aan te pakken. Een van deze noodmaatregelen houdt in dat bepaalde categorieën van veroordeelden tot een gevangenisstraf tot drie jaar vlotter in aanmerking zouden kunnen komen voor strafuitvoeringsmodaliteiten zoals elektronisch toezicht en voorwaardelijk invrijheidstelling.

Op 24 april heeft de Raad van State zijn advies uitgebracht. De Raad stelt dat overeenkomstig artikel 157 van de Grondwet de strafuitvoeringsmodaliteiten enkel door een strafuitvoeringsrechter kunnen worden toegekend. Naar aanleiding van dat advies van de Raad van State werd het voorontwerp aangepast. Die aangepaste teksten liggen momenteel nog ter bespreking voor binnen de regering.

De Vlaamse minister van Justitie heeft aangegeven voor de strafuitvoeringsmodaliteit elektronisch toezicht eerst over prefinanciering te moeten beschikken. De aanpassing van de financiering van de deelstaten vereist, zo stellen de adviezen van de Inspectie van Financiën, een wijzing van de bijzondere financieringswet, die alleen kan geschieden met een bijzondere tweederdemeerderheid in het federaal Parlement. Dat blijkt uit de adviezen van de Inspectie van Financiën, van zowel Vlaamse, Waalse als federale inspecteurs, alsook van grondwetspecialisten.

De vereiste bijzondere meerderheid vormt overigens bewust een waarborg die werd ingebouwd door de wetgever om te vermijden dat aan de financiering van de deelstaten zou kunnen worden geraakt zonder dat daaraan een bijzondere meerderheid in het kader van een staatshervorming voorafgaat.

Ik heb van bij aanvang van deze discussies in de ministerraad gezegd akkoord te kunnen gaan met een verhoging van de financiering voor de deelstaten, zoals mogelijk ook een prefinanciering, voor zover daarvoor een sluitend wettelijk kader kan worden gevonden of opgezet en uiteraard ook voor zover de nodige federale middelen daarvoor worden gevonden.

Handelen binnen een wettelijk kader getuigt eerder van behoorlijk bestuur dan van op de rem te gaan staan. Onze rechtsstaat is ook niet gebaat bij een debat waarbij men zich moet verantwoorden omdat men het wettelijk kader, nochtans de basis van onze rechtsstaat, wil respecteren. Als de wetgevende macht het daarmee niet eens is, zal het wettelijk kader moeten worden veranderd.

Het is dus helemaal geen zaak van slechte wil of talmen. Wij willen een manier vinden om die juridische context voor een toch wel aanzienlijke financiering vanuit de federale overheid ten aanzien van de deelstaten aan te passen. Ik stel ook alleen vast dat niemand vandaag het sluitend wettelijk kader daarvoor heeft aangedragen.

Ik wil nog even meegeven dat de hertelling van het aantal enkelbanden, in het kader van die driejaarlijkse hertelling, in principe in november van dit jaar zal gebeuren, waardoor een aanpassing van de dotatie zou plaatsvinden vanaf januari 2026. Hierdoor spreken we nu nog over een periode van goed zes maanden, afhankelijk van het aantal beslissingen met betrekking tot enkelbanden dat door de strafuitvoeringsrechter zal worden genomen. Dat is de variatie waarover we spreken. In die context moet dat worden bekeken.

Het is bovendien een bevoegdheid van de deelstaten. Ik heb ter zake geen bevoegdheid. Dat is ook voor andere elementen het geval. Er is trouwens in het verleden ook al een verhoging geweest van het aantal enkelbanden in de tussentijd van die driejaarlijkse periode. Ook toen is dat conform de bevoegdheidsallocatie opgenomen door de gemeenschappen, zonder op dat moment een prefinanciering te vragen.

Zoals ik daarnet al gezegd heb, voorziet het regeerakkoord wel in een hervorming van de dotatieregeling door over te schakelen op een jaarlijkse telling van de enkelbanden, zodat de aan de gemeenschappen toegekende federale middelen zo accuraat mogelijk kunnen blijven en de budgetten nauwkeurig kunnen worden afgestemd op de reële noden. Ook voor die hervorming van de dotatieregeling conform het regeerakkoord zal de eerste minister op mijn constructieve steun kunnen rekenen.

Mevrouw Dillen, op basis van de beperkte informatie in uw vraag over Merksplas is het niet mogelijk te bepalen over welk terrein het precies gaat. Er werden in de buurt van de gevangenis van Merksplas verschillende terreinen gescreend voor de bouw van detentiehuizen en voor unitbouw. Daarnaast werd nagegaan of sommige functiewoningen omgebouwd konden worden tot detentiehuizen. De renovatiekost voor de woningen is echter zeer hoog in vergelijking met de beperkte bijkomende capaciteit die er gecreëerd zou kunnen worden. Ook zijn sommige panden en landschappen beschermd, wat een en ander nog complexer maakt. Zoals gezegd, het is echter niet duidelijk over welk terrein de minister het precies had.

Inzake uw vraag inzake geïnterneerden, de opvolgrapporten van de justitieassistenten over geïnterneerde personen in vrijheid op proef en dus onder voorwaarden gedurende de proeftermijn, worden rechtstreeks bezorgd aan de Kamer voor de Bescherming van de Maatschappij van de strafuitvoeringsrechtbank, die daarover dan onafhankelijk en autonoom kan oordelen. Ik kan daarover geen uitspraken doen. Het parket, en bij nieuwe feiten ook de onderzoeksrechter, kan de persoon uiteraard wel voorlopig aanhouden.

Marijke Dillen:

Dank u vriendelijk voor uw antwoord, mevrouw de minister. Uit uw uitvoerige antwoord blijkt toch, als ik zo vrij mag zijn, dat uw Vlaamse collega in haar weekendinterview een aantal bijzonder gratuite opmerkingen heeft gemaakt. Het was zij die zei dat er naast Merksplas gronden te koop liggen en dat de federale regering er maar zorg voor moest dragen dat er bijkomende capaciteit zou worden gebouwd.

Het zijn niet mijn woorden. Ik heb haar letterlijk geciteerd, mevrouw de minister. U zult dat interview ook wel gelezen hebben. Daar ga ik van uit. Het was zij die zei dat die gronden naast de gevangenis van Merksplas liggen. Ik zal in elk geval ter info een vraag stellen aan de minister die bevoegd is voor de Regie der Gebouwen.

Ten tweede, het was ook minister Demir die opmerkte dat de Raad van State stelt dat een rechter moet beslissen welke veroordeelden een enkelband krijgen, maar dat u de mening toegedaan was dat de gevangenisdirecteurs dat moeten doen. Ik heb ondertussen enig opzoekwerk gedaan om na te gaan of u in een of ander interview een dergelijke uitspraak zou hebben gedaan. Ik heb dat niet teruggevonden. U hebt hier vandaag ook bevestigd dat het de rechter is die dat moet beslissen.

Het was ook de Vlaamse minister die aangaf dat haar justitieassistenten wijzen op gevaarlijke geïnterneerden die hun voorwaarden niet naleven en zomaar vrij rondlopen binnen de gevangenissen. De justitieassistenten luidden de alarmbel. In uw antwoord lees ik dat die situatie blijkbaar vrij beperkt is. Ik zal daarover misschien nog een schriftelijke vraag stellen om meer cijfergegevens te krijgen. Ik ga er echter van uit dat u ter voorbereiding van uw antwoord op deze vraag ook een en ander hebt nagekeken.

Mevrouw de minister, ik heb alleen geen antwoord gekregen op de vraag over het pleidooi van minister Demir voor het aanstellen van een crisismanager.

Voorzitter:

Mijnheer Yzermans, hebt u een repliek? (Neen)

Paul Van Tigchelt:

Mevrouw de minister, het was een heel volledig antwoord, waarvoor ik u dank. Wij kunnen alleen hopen dat het over-en-weergeschiet, al dan niet uit de heup, ophoudt en dat er oplossingen komen voor de problematiek. Daarvoor moet er worden samengewerkt.

Het Centraal Register van bescherming van de personen

Gesteld door

lijst: VB Marijke Dillen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 21 mei 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Het CRBP kampt sinds het KB van 18 mei 2024 met een inefficiënte tijdelijke Excel-oplossing voor de vergoedingsberekening van bewindvoerders, die dubbel werk en extra administratie veroorzaakt, terwijl een beloofde update uitblijft. Minister Verlinden bevestigt dat de analyse voor een uniforme nationale invoermethode klaar is maar nog niet is gevalideerd, en dat arrondissementen nu nog eigen systemen hanteren in afwachting van consensus over een eengemaakt model. Dillen benadrukt de urgentie van een uniforme aanpak om kwetsbare beschermde personen gelijkwaardig te behandelen en vraagt of het dossier niet al in de vorige legislatuur was voorbereid, om vertraging te voorkomen. De minister erkent de noodzaak maar geeft geen concrete termijn voor de afronding.

Marijke Dillen:

Het Centraal Register van Bescherming van Personen (CRBP) is een digitale tool die door de FOD Justitie ter beschikking is gesteld om de procedure voor bescherming van personen te vereenvoudigen en toegankelijker te maken.

Als gevolg van het KB van 18 mei 2024 was het CRBP niet meer geschikt om de vergoeding voor de bewindvoerder door de Vrederechter te laten begroten Als tijdelijke oplossing hebben de Vrederechters een Excel-bestand ontwikkeld waarin de bewindvoerder alle bedragen (de netto-inkomsten van de beschermde persoon) ter berekening van zijn vergoeding moet ingeven.

De tijdelijke oplossing, met name het gebruik van een Excel-bestand, bestaat vandaag nog steeds en betekent in praktijk dat de bewindvoerder drie keer de netto-inkomsten van de beschermde persoon moet ingeven. Een eerste keer geeft de bewindvoerder dat in zijn eigen boekhouding in, een tweede keer bij de neerlegging van het jaarlijks verslag in het CRBP en een derde keer voor de berekening van het ereloon. Deze manier van werken is ontegensprekelijk inefficiënt en geeft bovendien aanleiding tot een nutteloze, bijkomende werklast voor de bewindvoerder.

Bij de inwerkingtreding van het KB van 18 mei 2024 op 1 juli 2024 werd meegedeeld dat het werken met een Excel-bestand een tijdelijke oplossing zou zijn en dat de ontwikkelaar van het CRBP een update zou doorvoeren zodat het Excel-bestand zou verdwijnen en niet meer zou moeten worden ingevuld door de bewindvoerder. Tot op vandaag is de aangekondigde update blijkbaar nog niet gebeurd.

Kan de Minister meedelen wanneer het CRBP volledig up-to-date zal zijn?

Annelies Verlinden:

Mevrouw Dillen, uw vraag over het centraal register gaat over de ontwikkeling en de ingebruikname van een vernieuwde invoermethode voor de taxatie in het CRBP. Dat zou in meerdere stappen gebeuren. De analyse werd intussen door de ontwikkelaar uitgevoerd op basis van de input van de expertengroep en werd ook aan hen voorgesteld. Deze analyse werd nog niet op nationaal niveau gevalideerd.

Momenteel heeft elk arrondissement zijn eigen afspraken gemaakt. Men blijft een daarop afgestemde Excel gebruiken, totdat er een consensus over een nationale, uniforme ingebruikname van de nieuwe invoermodule wordt bereikt.

De vraag tot validatie van de analyse en dus tot het nationaal gebruik van één model zal opnieuw aan de conferentie van de voorzitters van de vredegerechten en de politierechtbanken worden voorgelegd. Er wordt ook gekeken hoe eventueel op een uniform formulier binnen het CRBP kan worden ingezet, dat de ingaven en berekeningen in afwachting van de eindoplossing alvast gebruiksvriendelijker kan maken.

Marijke Dillen:

Ik dank u voor uw antwoord, mevrouw de minister, maar ook dit is een urgent dossier. Tot op vandaag werkt elk arrondissement, misschien zelfs elke vrederechter, met een eigen systeem. Dat is absoluut niet de bedoeling. Het is heel belangrijk om zo spoedig mogelijk tot een nationaal gebruik van één model te komen, in het belang van een uniforme behandeling van al die bewinden binnen dat centraal register. Ik hoop dat u ook hier de nodige urgentie aan de dag zult leggen.

Ik besef dat dit een heel technische zaak is en dat het misschien niet allemaal evident is, maar ondertussen is er toch al enige tijd verstreken. Het KB dateert van 18 mei 2024 en trad op 1 juli in werking.

Ik zou dezelfde vraag kunnen stellen die ik naar aanleiding van de bespreking van uw regeringsnota heb gesteld, mevrouw de minister. Hebt u ook hier geen dossier van uw voorganger gekregen? Dat dossier werd immers in de vorige legislatuur opgestart. Het zou handig zijn om niet opnieuw al het werk te moeten doen, maar om voort te werken op basis van wat aan u zou zijn overhandigd.

Dit betreft geen politiek dossier, mevrouw de minister. Dit gaat niet over politieke intenties. Dit gaat over een zeer kwetsbare groep. Ik hoop dat u toch al enige basis hebt om op verder te werken. Ik hoop ook dat u hiervan een prioriteit gaat maken.

Voorzitter:

La question n° 56005106C de M. Thiébaut est reportée à sa demande.

De besparingen bij de federale gerechtelijke politie van Antwerpen

Gesteld door

lijst: VB Marijke Dillen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 21 mei 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De federale gerechtelijke politie (FGP) Antwerpen kampt met extreme bezuinigingen (zelfs op koffie, thee en flesjeswater), wat leidt tot absurde situaties zoals agenten die kraanwater uit toiletten drinken en zelf koffieapparaten aankopen, terwijl ze cruciale taken (zoals drugsbestrijding) uitvoeren. Minister Verlinden erkent het probleem, benadrukt het belang van personeelswelzijn en belooft kortetermijnoplossingen en structurele verbeteringen (zoals werklastmeting), maar wijst op budgettaire beperkingen. Dillen hamert op de onwaardige omstandigheden (geen drinkbaar water, ondervragingslokalen zonder ramen) en eist directe extra middelen, wijzend op de symbolische lage kosten van basisvoorzieningen. De discussie ontaardt in kritiek op het parlementsgedrag: veel vragen worden herhaaldelijk uitgesteld, wat de efficiëntie en respect voor de minister ondermijnt.

Marijke Dillen:

Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, de besparingen bij de federale politie worden nu wel heel draconisch. In een interne richtlijn klinkt het dat de chef van de federale recherche van Antwerpen wil besparen op koffie, water en thee. Het aanbieden van koffie en thee wordt alleen nog toegestaan bij vergaderingen met externe partners, zo lees ik. Verder zou er in de richtlijn ook nog vermeld worden dat bij wedersamenstellingen alleen water verkrijgbaar is voor verdachten en niet voor agenten.

De ongeveer 400 personeelsleden weten niet of ze moeten lachen of huilen. Het geld is echt helemaal op, zo klinkt het in een mededeling: "Als er zulke richtlijnen komen, weet je dat de federale gerechtelijke politie zowat failliet moet zijn." Verder lees ik: “Dat water waarvan ze spreken, dat is flesjeswater. Op onze dienst vind men ook drie waterbidons, maar die staan soms weken leeg. En dus gaan we aan het kraantje in het toilet drinken. De koffie? Veel collega's hebben een eigen Senseo op hun bureau, betaald met hun eigen geld."

Het zijn nota bene die speurders die onder meer de maatschappijbedreigende drugsmaffia in de Antwerpse haven moeten aanpakken.

Wat is uw reactie op de besparingsronde bij de FGP Antwerpen, waarbij er blijkbaar moet worden bespaard op water, koffie en thee, en anderzijds de melding dat de FGP de facto failliet is?

Vindt u dat dergelijke acties, waarbij leden van de FGP dit zelf en met eigen middelen moeten aankopen, een stimulerend effect hebben op de dienst en dat dat anderzijds potentiële werkwilligen stimuleert om bij de FGP te solliciteren?

Zullen er extra middelen worden voorzien voor de FGP Antwerpen, zodat aan deze praktijk een einde kan worden gesteld? Het gaat hier echt niet over bijzonder grote budgetten.

Welke initiatieven bent u bereid te nemen? Wanneer kunnen wij resultaten verwachten?

Annelies Verlinden:

Collega, het welzijn van de medewerkers is een prioriteit voor de federale politie en dus ook voor de FGP van Antwerpen en mezelf. In deze tijden waarin veiligheid cruciaal is, moeten we ervoor zorgen dat de medewerkers die zorgen voor veiligheid goed omkaderd worden en dat die jobs aantrekkelijk zijn.

In de huidige budgettaire context is het wel belangrijk om de beschikbare middelen verstandig te beheren, met bijzondere aandacht voor het welzijn van het personeel. Dat geldt voor de hele federale politie. Ik begrijp dat in geen enkele FGP het verstrekken van koffie of andere dranken standaard voorzien is, behalve bij de organisatie van vergaderingen.

Naast deze logistieke kwesties werken we momenteel, in overeenstemming met het regeerakkoord, aan de ontwikkeling van een instrument om de werklast van de medewerkers van de FGP te meten, met als doel hun capaciteiten te verfijnen en te versterken. Daarnaast worden er maatregelen onderzocht om de aantrekkelijkheid van de FGP te vergroten en het welzijn van het personeel te verbeteren. Ik heb hierover overleg met mijn collega van Binnenlandse Zaken.

Tot slot wil ik aangeven dat zulke berichten me niet vrolijk stemmen. We moeten uiteraard bekijken wat we op korte termijn kunnen realiseren om het verschil te maken in de werkomstandigheden van de medewerkers van de FGP.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, ik begrijp uiteraard – en ik ben ook heel blij dat u dat bevestigt – dat dat bericht u absoluut niet vrolijk stemt. Het welzijn van het personeel moet een absolute prioriteit zijn. Ik begrijp ook dat u zegt dat beschikbare middelen verstandig moeten worden beheerd.

Een tijd geleden ben ik tweemaal in een andere hoedanigheid op de Noordersingel geweest voor ondervragingen. Die ondervragingen hebben uren geduurd in een lokaal zonder ramen. Ik weet niet of u ondertussen dat gebouw al hebt bezocht. Er waren geen ramen, er was geen water. We mochten alleen water van de kraan drinken. Toegegeven, de ondervragers hebben de verdachte en mij een kop koffie aangeboden die ze zelf met eigen middelen hadden bekostigd. Het kraantjeswater in Antwerpen is, zeker in een aantal buurten, absoluut niet te drinken. U weet ook dat daar bepaalde concentraties van onder andere cocaïne in zitten. Het mag echt niet de bedoeling zijn dat het personeel dat moet drinken.

Ik begrijp dat er bespaard moet worden en dat u zorgzaam moet omspringen met de financiële middelen, maar water kost toch niet zoveel. Er moeten toch absoluut budgetten zijn om bidons water aan te kopen en om een kop koffie aan te bieden aan de gedetineerden en de advocaten, die daar soms urenlang voor ondervragingen zitten en niet altijd zelf waterflessen of een thermos koffie bij zich hebben. Men moet nagaan hoe men die situatie kan verhelpen.

Voorzitter:

Je reviens à la question n° 56004890C de M. Denis Ducarme, qui m'a entre-temps demandé le report de celle-ci. Nos questions sont donc épuisées pour aujourd'hui. De nombreuses questions ont été transformées en questions écrites ou ont été reportées, car beaucoup de collègues sont occupés dans d'autres commissions. Néanmoins, je suis ravi que l'on ait quand même pu tenir une séance de questions orales et je remercie la ministre également pour cela.

Marijke Dillen:

Mijnheer de voorzitter, neem mij niet kwalijk, maar ik wil toch even het woord voeren.

Ik begrijp dat het vandaag heel druk is. Er zijn heel veel commissies. Ik heb het even nagekeken. Ze zijn niet meer bezig. De commissie van de heer Ducarme is wel nog bezig.

Er zijn vandaag negen vragen uitgesteld. Het wordt in de commissie voor Justitie steeds meer de gewoonte dat een aantal leden vragen indienen. Ik heb alle respect voor mevrouw de minister en haar diensten, die de vragen moeten voorbereiden. Ze worden volgende week opnieuw ingediend en opnieuw uitgesteld.

U kan dit zelf niet doen, maar ik zou willen vragen dat u aan uw fractieleider vraagt om in de Conferentie van voorzitters erop aan te dringen dat wanneer een vraag wordt ingediend, de leden het respect zouden hebben om naar de commissie te komen, hun vragen te stellen en naar het antwoord van de minister te luisteren.

Het loopt de laatste tijd echt de spuigaten uit. Ik meen dat u mijn mening deelt, indien u eerlijk bent. Daarin moet echt verandering komen. Een andere mogelijkheid is dat ze van bij het begin schriftelijke vragen indienen. Daarmee heb ik geen probleem. De huidige gang van zaken is echter overdreven.

Ik herhaal het. De heer Ducarme is nog bezig. Daarover heb ik het dus niet.

Voorzitter:

Madame Dillen, effectivement, en ce qui me concerne, lorsqu'un collègue demande le report de sa question, je le lui accorde. Je n'ai pas eu l'impression qu'il y ait eu tellement de reports à chacune des commissions. Aujourd'hui, cela me semble particulièrement spécifique. On peut éventuellement sensibiliser les collègues à ce sujet. J'entends que c'est toujours embêtant pour les services de la ministre mais on peut toutefois dire que ce qui est fait n'est plus à faire. Même si une question est reportée, la réponse est déjà là. Je voulais en tout état de cause remercier chacun et chacune pour les débats qu'on a pu mener, Mme la ministre pour sa présence et les services qui nous ont permis de tenir la commission aujourd'hui dans l'hémicycle. La réunion publique de commission est levée à 17 h 17. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 17.17 uur.

De NAVO-top en de defensie-uitgaven

Gesteld aan

Bart De Wever (Eerste minister)

op 15 mei 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

CD&V benadrukt dat België 2% bbp voor defensie (17 mjd extra) al dit jaar haalt, maar waarschuwt tegen cijferfetisjisme (3-5% eisen) zonder structurele financiering en duidelijke bestedingsplannen. Premier De Wever bevestigt dat 2% verplicht is via NAVO-afspraken, maar dat hogere percentages onrealistisch zijn door krappe begroting—efficiëntie en Europese samenwerking zijn cruciaal. Beide pleiten voor realisme: eerst financiering en prioriteiten regelen, dan pas over extra percentages praten. NAVO-top in juni zal richting bepalen, maar België kiest voor voorzichtigheid als gastland van het NAVO-hoofdkwartier.

Koen Van den Heuvel:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de eerste minister, collega's, in de aanloop naar de NAVO-top heb ik de indruk in een Turkse bazaar terecht te komen, niet om af te dingen deze keer, want ik hoor alleen maar alsmaar hogere cijfers: 2 %, 2,5 %, 3 %, 5 % van het bbp moeten we aan defensie besteden.

Begrijp me niet verkeerd: wie de geopolitieke situatie kent, kan niet anders dan concluderen en verdedigt ook dat we extra investeren in een slagkrachtige en een geloofwaardige defensie. We hebben dan ook een paasakkoord gesloten dat onmiddellijk, nog dit jaar, 2 % van het bbp zal besteden aan defensie. Voor heel de legislatuur gaat het om 17 miljard euro extra, een ongeziene inspanning dus.

De heropbouw van defensie vraagt naast investeringen ook een draagvlak bij onze bevolking. Ik heb, beste collega's, de indruk dat dat er is. Onze burgers begrijpen dat we extra moeten investeren in veiligheid en ze steunen dat ook. Tegelijk beseffen ze heel goed dat er ook aandacht voor de andere noden in onze samenleving moet zijn.

Voor ons is het duidelijk. Laten we stoppen met dat cijferfetisjisme, laten we stoppen met dat opbod. Voor cd&v is het duidelijk: wij pleiten voor realisme in het debat. Laten we de kar niet voor het paard spannen. Voordat we beginnen te goochelen met extra en verhoogde percentages, moeten we eerst nagaan hoe we de extra 2 % structureel zullen financieren in deze legislatuur en, mijnheer de eerste minister, moeten we vooral weten waaraan en hoe we de extra miljarden zullen besteden. Vandaar onze vraag waar uw regering staat met de aanpak van de dubbele uitdaging wat betreft de structurele financiering en de (…)

Bart De Wever:

Mijnheer Van den Heuvel, bedankt voor uw vragen, oprecht.

De inspanningen die we nu al gepland hebben, zijn inderdaad stevig. We hadden niet gedacht dat we dit jaar al meteen de 2%-norm moesten halen, maar toch zullen we die inspanning moeten leveren. De 2 % is opgenomen in de beleidsnota ven de minister van Defensie, waarover de besprekingen in de commissie lopen. De procedures zijn opgestart.

De minister stelt een strategisch plan voor. Daarover blijkt soms wat onduidelijkheid te bestaan. Voor alle duidelijkheid, dat plan is in essentie de doorvertaling van beslissingen die tijdens de vorige legislatuur in de NAVO zijn afgeklopt en bevat de capabilities die ons ten gevolge van die beslissingen door de NAVO worden opgelegd. Daar is geen vrije stemming aan verbonden; dat is wat we móeten doen. Dat plan zal in de regering worden doorgesproken en vervolgens ter goedkeuring aan het Parlement worden voorgelegd.

Het spreekt voor zich dat die uitgaven maximaal moeten renderen voor onze veiligheid. De capability gaps moeten worden opgevuld. Daarin hebben we geen keuze, maar we willen uiteraard elke euro maximaal inpassen in efficiëntie voor onszelf en voor de hele samenleving, zo breed mogelijk, en in de samenwerking met de Europese bondgenoten en de NAVO-bondgenoten. Dat is de enige manier om zinvol uit te geven.

Wat nu de extra's betreft, mijn antwoord op de vraag over de begrotingssituatie laat weinig ruimte voor verbeelding. We hebben geen bewegingsruimte. We hebben eigenlijk zelfs niet de ruimte om de 2 %-norm te behalen, laat staan dat we snel bewegingsruimte zouden hebben om dat percentage nog voorbij te gaan. Logischerwijze pleiten wij dus bij onze partners voor realiteitszin over dat traject. Minister Prévot is om die reden momenteel in Turkije. Men kan veel cijfers noemen, 3 %, 5 %, nog meer, periodes van zeven jaar, nog korter, maar hoe dat vervolgens allemaal effectief budgettair waargemaakt moet worden zonder drama's te veroorzaken, hoe dat efficiënt mogelijk is, is maar zeer de vraag. Op dat vlak pleiten wij daarom voor realisme.

De NAVO-top in juni komt eraan en we zullen zien waar de teller eindigt. Dan komt de regering bijeen om daar een antwoord op te bieden. Het lijkt me logisch dat ons land, dat het NAVO-hoofdkwartier op zijn grondgebied heeft en dat een founding father is, de nodige voorzichtigheid aan de dag legt.

Koen Van den Heuvel:

Mijnheer de eerste minister, ik dank u en ben blij dat ik het woord realisme hoor. Voor realisme pleiten wij immers absoluut ook in het huidige debat over hogere defensie-uitgaven. Voor ons zijn er daarbij twee belangrijke zaken, namelijk dat u op zoek gaat naar structurele financiering van de extra miljarden euro voor het Defensiebudget, zonder dat u de andere noden in onze samenleving wegduwt en dat u de extra miljarden euro's efficiënt besteedt. Het wordt hoog tijd dat wij een nieuwe strategische visie op de militaire aankopen ontwikkelen. Het is absoluut nodig dat dossier efficiënt aan te pakken met meer Europese samenwerking en zeker en vast ook met meer samenwerking met onze buurlanden om de Europese pijler in de NATO uit te bouwen.

De ontsnappingen uit gevangenissen
De ontsnappingen uit gevangenissen
Gevangenisontsnappingen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 15 mei 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De recente golf aan gevangenisontsnappingen (Brugge, Gent, Saint-Hubert) en misbruik van enkelbanden (5% doorgeknipt, 700+ schendingen) ondermijnen het vertrouwen in Justitie, zo benadrukken Sophie De Wit (N-VA) en Paul Van Tigchelt. Minister Verlinden belooft strafbaarstelling van ontsnappingen, extra beveiliging (drones, camera’s) en analyse per incident, maar erkent dat capaciteitsuitbreiding (55 miljoen euro) onvoldoende is voor de regeerakkoorddoelen—kritiek op vorige regeringen inbegrepen. De Wit dringt aan op snelle wetgeving ("quick win") en wijst op structurele nalatigheid, terwijl Van Tigchelt concrete plannen eist voor de extra middelen en vreest voor politiek gekibbel. Alle ontsnapte gevangenen zijn inmiddels ingerekend, maar systeemherstel blijft urgent.

Sophie De Wit:

Mevrouw de minister, collega's, bij Justitie is er nooit een saaie dag, elke dag gebeurt er wel iets. Bovenop alle andere gekende problemen is het momenteel blijkbaar in om uit de gevangenis te ontsnappen. Vorige week zaterdag liep er in Brugge iemand de deur uit, maandag maakten twee mannen een gat in de muur van hun cel en gisteren zijn er zes gevangenen in de vrije natuur verdwenen in Saint-Hubert. Met een beetje slechte wil, mevrouw de minister, zou men bijna kunnen zeggen dat men tegenwoordig sneller de gevangenis uit kan lopen dan dat men opgesloten wordt. Ik overdrijf natuurlijk, maar u begrijpt wat ik bedoel.

Trouwens, collega's, misschien weet u het niet, maar 5 % van de enkelbanden wordt doorgeknipt. Dat ging vorig jaar alleen al over 245 personen. Daarnaast worden voorwaarden gelinkt aan de enkelband niet nageleefd. Meer dan 700 personen zijn buiten de cirkel gegaan waar ze mochten komen. Ook dat is ontsnappen. Die situatie mogen we eigenlijk niet aanvaarden, mevrouw de minister. Het is niet goed voor het imago van de overheid en van Justitie. De politiediensten moeten opnieuw het werk doen, terwijl die eigenlijk hun handen al vol hebben. Er ontstaat een gevoel van onveiligheid, een gevoel van straffeloosheid. Bovendien kosten die enkelbanden elke keer opnieuw veel geld.

Het is gek, maar ontsnappen op zich is in dit land niet strafbaar. De N-VA-fractie pleit er al jaren voor om ontsnappen wel strafbaar te maken. Dat werd nu ook eindelijk in het regeerakkoord ingeschreven.

Ik heb enkele eenvoudige vragen. Ik zou graag willen weten of iedereen al gevat is.

Zult u onderzoeken hoe die ontsnappingen konden gebeuren, met de bedoeling die te voorkomen? Ze mogen immers niet voor herhaling vatbaar zijn.

Er is heel veel werk aan de winkel binnen Justitie, maar dit is een quick win. Wij hebben teksten, u ook vermoed ik. Mevrouw de minister, kunnen we die alstublieft zo snel mogelijk bespreken in dit Parlement? Ik dank u.

Paul Van Tigchelt:

Mevrouw de minister, ontsnappingen uit gevangenissen zijn niet fijn voor een minister van Justitie. Ik veronderstel dat het voor sommigen simpel zal zijn en dat het de schuld is van de vorige regering of de vorige minister van Justitie. Nee, het Parlement verdient beter. We weten dat het niet zo simpel is.

Ik weet wel dat er door bepaalde partijen van de arizonaregering hard is geroepen om een kordate strafuitvoering. Intussen zit deze regering, als ik goed heb geteld, 102 dagen in het zadel en gisteren hebben we tot bijna middernacht de beleidsnota van Justitie mogen bespreken. Mevrouw De Wit was daar ook bij, uiteraard. Wat daarin werd aangekondigd aan extra gevangeniscapaciteit voor 2025 is het detentiehuis in Olen en het transitiehuis in Hamme en voor 2026 de gevangenis van Antwerpen. Dat zijn beslissingen van de vorige regering, dames en heren, en wat de gevangenis in Antwerpen betreft, dat is een beslissing van 2008. Als ik mij niet vergis, was Jo Vandeurzen toen minister van Justitie.

Met het paasakkoord werd een noodwet aangekondigd om de uitstroom te verhogen, maar gisteren in de commissie was er bij mijn weten geen sprake meer van die noodwet, laat staan dat er sprake was van concrete plannen voor bijkomende capaciteit door bijvoorbeeld unitbouw. Er was geen concreet stappenplan, geen ambitie. Met de 55 miljoen euro die u hebt gekregen voor de strafuitvoering kunt u inderdaad niet veel bijkomende capaciteit voorzien. Dat is ook wat u gisteren zei in de commissie voor Justitie. Het is onvoldoende om alle ambities uit het regeerakkoord te realiseren.

Mijn vragen, mevrouw de minister, zijn simpel. Net zoals collega De Wit wil ik graag weten wat u kunt zeggen over de omstandigheden van de ontsnapping. Een serieuze bocht, ik geef het toe.

Gaat deze regering nu extra gevangeniscapaciteit voorzien? Wat is het plan met de 55 miljoen euro extra middelen? We mogen dat stilaan weten.

Voorzitter:

Dank u wel, collega Van Tigchelt. Het onderwerp van uw vraag was ontsnappingen uit de gevangenis. Gelukkig hebt u over dat laatste woord toch wel iets gezegd. Over de ontsnappingen ging het wat minder.

Annelies Verlinden:

Mevrouw De Wit en mijnheer Van Tigchelt, gisteren hadden we het bij de bespreking van mijn beleidsnota gedurende tien uur over hetgeen we met de middelen willen doen. Daarover is het laatste woord zeker nog niet gezegd, maar dat we ambitieus zijn in de creatie van capaciteit, onder meer door het inzetten op terugkeer, door het aandacht besteden aan geïnterneerden en door het voorzien in bijkomende plaatsen, staat als een paal boven water. Het is dus iets te kort door de bocht te beweren dat wij geen ambitie op het vlak van capaciteit aan de dag zouden leggen. Integendeel, we zullen in tegenstelling tot vroeger de daad bij het woord voegen.

Wanneer gevangenen uit de gevangenis ontsnappen, roept dat grote bezorgdheid en frustratie op, ook bij mij. Ik ben mij er terdege van bewust dat elke ontsnapping het vertrouwen in het gevangenissysteem kan aantasten. Gisterenavond, tijdens onze bespreking, kwam het bericht van de ontsnapping van de gevangenen in Saint-Hubert. Het vertrouwen en de verantwoordelijkheid die aan gedetineerden met een laag risicoprofiel in een open instelling als Saint-Hubert met het oog op hun re-integratie wordt gegeven, werd in dit geval door een aantal gedetineerden misbruikt.

Mevrouw De Wit, gelukkig konden alle voortvluchtigen dankzij het snelle en accurate optreden van de penitentiaire beambten, justitie en politie, inmiddels worden ingerekend. Dat was ook het geval bij de recente ontsnappingen uit de gevangenissen van Brugge en Gent. In Gent konden de vluchtende gedetineerden nog binnen de gevangenismuren worden gevat.

Na elke ontsnapping en ook pogingen daartoe wordt een onderzoek naar de oorzaken gevoerd, mevrouw De Wit. Alle mogelijkheden tot verbetering worden na die analyse zo snel mogelijk in de praktijk gebracht om nieuwe incidenten te vermijden. Daarnaast worden de betrokken gedetineerden in veel gevallen naar een andere gevangenis overgebracht of aan een ander regime onderworpen. Eveneens wordt geëvalueerd of het algemene regime in de instelling, in dit geval de open gevangenis in Saint-Hubert, moet worden bijgestuurd. Het waarborgen van veiligheid is immers essentieel, ook van degenen die in de gevangenis werken.

Samen met de regering wil ik een vuist tegen het fenomeen, omdat het afbreuk doet aan het vertrouwen in het gevangenissysteem. We werken daarom aan een wettekst om ontsnappingen uit de gevangenis, sabotage van de enkelband en het overtreden van de voorwaarden strafbaar te stellen. De eerste pennentrekken om dat in een wet te gieten, zijn al gezet en hopelijk kunnen we snel de bespreking in de commissie voeren.

Daarnaast zetten we in op de uitbreiding van het aantal extra beveiligde cellen voor gedetineerden met een hoog of een verhoogd ontvluchtingsrisico. We willen ook technologie inzetten, zoals drones en camera's, om het toezicht en de veiligheid in en rond de gevangenissen te versterken.

Onze ambitie is heel duidelijk. Dat hebben we gisteren heel duidelijk besproken. Terwijl de reclassering en de re-integratie in de samenleving in detentie desgevallend al moet kunnen worden voorbereid, zullen we er tegelijkertijd alles aan doen om ontsnappingen te vermijden en streng optreden tegen ontsnappingen en de sabotage van enkelbanden. Dat is voor mij immers ook een onderdeel van een rechtvaardige justitie.

Sophie De Wit:

Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord.

Ik ben eigenlijk van mijn melk door het schaamteloze bochtenwerk dat ik van uw voorganger heb gehoord. Ik kan daar niet van over. De puinhoop die u moet opruimen, is door hem veroorzaakt. Mijnheer Van Tigchelt, u hebt 15 detentiehuizen beloofd en 2 afgeleverd. Hoeveel gevangenissen hebt u in de steigers gezet voor de volgende regering? Geen enkele.

Mevrouw de minister, er ligt nog veel werk op de plank, maar vele handen maken licht werk. Wij willen u helpen. Onze teksten om ontsnappingen strafbaar te stellen, liggen al klaar en wij kunnen daar volgende week mee naar het Parlement komen. Laten we dat gewoon doen. Dat is een quick win en dan kunt u zich focussen op de andere problemen.

Paul Van Tigchelt:

Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord. De mirakeloplossing bestaat niet en die verwachten we ook niet. Ik moet het gisteren dan toch niet goed gehoord hebben. Ik weet niet wat er zal gebeuren met de 55 miljoen euro. Gaat die naar extra detentiehuizen? Eén detentiehuis kost 15 miljoen euro. Of gaat die naar de prefinanciering van de enkelbanden, zoals door uw Vlaamse collega Demir wordt gevraagd? Het enige wat wij vragen, is concrete acties die overeenstemmen met de door de arizonacoalitie gedane beloftes. Ik heb daarnet het debat over Gaza gevolgd. Ik heb daar geen ploeg gezien, maar wel politieke partijen die een verschillende taal spreken. Ik hoop dat u dat niet zal overkomen bij Justitie, want dat is niet wat Justitie verdient. Ik wens u veel succes.

De Brussels Pride en de lgbtqia+-rechten
De Pride Week en de strijd voor een inclusievere en veiligere samenleving voor iedereen
Lgbtqia+-rechten en inclusieve veiligheid

Gesteld aan

Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)

op 15 mei 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie belicht de alarmerende toename van anti-LGBTQIA+-geweld in België (o.a. valse afspraken via datingapps, 35% haatincidenten bij Unia) en dalende tolerantie, vooral bij jongeren, terwijl de overheid Unia’s budget met 25% verkleint. Minister Beenders belooft een interfederaal actieplan (tijdlijn: eind 2024), versterkte steuncentra voor slachtoffers en samenwerking met Justitie, maar kritiek blijft: te weinig concrete maatregelen en tegenstrijdig beleid (symboliek vs. bezuinigingen). De oproep is dringend actie in plaats van plannen, met nadruk op veiligheid en inclusie.

François De Smet:

Monsieur le ministre, ce samedi, dans les rues de Bruxelles, ce sera la Pride. Nous allons évidemment célébrer la diversité. Nous allons célébrer la protection des droits des personnes LGBTQIA+, avec une pensée pour les endroits où ces droits sont sous pression. Je pense par exemple à la Hongrie de Viktor Orbán, où on sait qu'il n'y aura peut-être même pas de Pride. En tout cas, les gens se battent là-bas pour qu'elle puisse avoir lieu.

Mais ces droits sont aussi sous pression ici en Belgique. Cette semaine, pas plus tard qu'hier en fait, ont comparu devant le tribunal correctionnel de Bruxelles des individus qui ont piégé des personnes homosexuelles au moyen d'applications de rencontres, dans ce qu'on peut appeler des guets-apens. C'est un processus relativement nouveau, violent et qui ne vise pas simplement à tabasser des personnes gays mais à envoyer un message d'intimidation qui est de dire: "N'utilisez pas de telles applications. Ne vous rencontrez pas. Ne soyez pas libres." Cela, évidemment, est inacceptable.

Ce ne sont pas des cas isolés. Ainsi, quand on regarde les chiffres 2024 d’Unia – cette institution à qui vous avez eu la riche idée de prendre 25 % de ses ressources –, on voit que 35 % de dossiers concerneraient des actes de haine à caractère homophobe, lesbophobe ou biphobe, avec la particularité que les discours et les actes de haine y sont plus nombreux que pour les autres critères protégés par la loi.

Enfin, dernier signal alarmant, il apparaît que la tolérance envers les personnes LGBTQIA+ est en baisse, en ce compris chez les jeunes. C'est ce qui ressort d'une étude réalisée en Flandre par la Jeugdonderzoeksplatform, une plateforme qui regroupe l’université de Gand, la KU Leuven et la VUB.

En résumé, il s'agit de faits plus nombreux et plus violents et d'un climat général de moins de tolérance. Je crois que cela doit vraiment nous alerter. Il faut voir les choses en face. Nous sommes dans une phase de recul des droits fondamentaux, dans une phase de repli et de conservatisme qui, par simplisme, tend à tout confondre.

Au-delà des slogans un peu creux et de la baisse de 25 % de l'organisme supposé aider à les défendre, quelles sont les mesures que vous allez prendre, l’Arizona et ce gouvernement, pour aider ces personnes?

Anne Pirson:

Monsieur le ministre, je voudrais aussi parler de ces agressions, qui ne sont pas des faits divers. Chaque semaine, des personnes LGBTQIA+ sont passées à tabac. On leur tend des guet-apens via des applications de rencontre. Pourquoi? Parce que leur identité, leur liberté ne conviennent pas à certaines personnes.

Il y a quelques semaines, je vous ai interrogé sur le harcèlement en rue et le sentiment d'insécurité vécu par les femmes. Les chiffres de 2024 quant aux violences contre les personnes LGBT ne sont pas meilleurs. Le 12 mai dernier, le Centre interfédéral pour l’égalité des chances (Unia) et l'Institut pour l’égalité des femmes et des hommes (IEFH) ont à nouveau tiré la sonnette d'alarme. Ces faits de violence et de discrimination sont des attaques contre les droits fondamentaux, droits qui sont remis en cause un peu partout dans le monde, mais aussi chez certains de nos voisins qui sont membres de l'Union européenne.

La Belgique a toujours été précurseur en la matière. Elle doit continuer à montrer l'exemple et doit rester inclusive et sûre pour tout le monde. Il s'agit vraiment d'un combat de tous les jours. L'accord de gouvernement se positionne clairement en faveur des personnes LGBT. Dans votre note de politique générale, vous indiquez votre volonté de mettre en place un plan interfédéral à ce sujet, depuis longtemps demandé par Unia.

Monsieur le ministre, quelle est votre stratégie pour mettre en place ce plan interfédéral avec les autres niveaux de pouvoir? Quel est votre timing? Quelles actions prioritaires comptez-vous mettre en place avec vos collègues de l'Intérieur et de la Justice?

Rob Beenders:

Monsieur De Smet et madame Pirson, je vous remercie pour vos questions.

La Belgique passe en effet de la troisième à la deuxième place de la Rainbow Map – classement européen annuel des droits LGBTI+ – publiée cette semaine par European Region of the International Lesbian and Gay Association Europe (ILGA-Europe). Pourtant, la Pride Week reste un événement nécessaire, même en 2025.

Les chiffres de la tolérance sont en effet en recul. Ce phénomène touche le monde entier. Citons Trump aux États-Unis, Orbán en Hongrie et Meloni en Italie. Notre pays n’est pas épargné. Comme l’a révélé cette semaine l’étude d’Unia, 135 faits liés à l’orientation sexuelle ont été signalés l’an dernier. Cette estimation est d'ailleurs largement inférieure à la réalité car de nombreuses victimes n’osent pas signaler les faits.

Ce qui m’inquiète le plus, c’est que cette tendance touche principalement les jeunes. C’est précisément dans cette tranche d’âge que la tolérance envers les personnes LGBTI+ est en baisse.

En tant que pouvoir public, notre mission est de les protéger. Je prendrai donc mes responsabilités en tant que ministre de l’Égalité des chances. Une société dans laquelle chacun et chacune se sent en sécurité quel que soit son genre, son orientation sexuelle, sa religion, son handicap ou son origine est ma priorité absolue.

Le harcèlement de rue, les discours de haine en ligne et la violence homophobe ne doivent jamais être tolérés. Depuis l’adoption de la loi "sexisme" en 2014, les formes de harcèlement de rue sont punissables par la loi.

Ce problème nécessite une approche globale et systématique. La prévention, la protection et l'application sont essentielles. Je m’y emploierai en élaborant un plan d’action national contre les violences de genre, en collaboration étroite avec les ministres de la Justice et de l’Intérieur.

Durant cette législature, nous renforcerons également les Centres de Prise en charge des Violences Sexuelles, en portant une attention particulière aux personnes LGBTI+. Les victimes doivent pouvoir accéder plus facilement à ces centres car, dans la pratique, ce n’est pas toujours le cas. C'est une priorité!

Enfin, nous travaillerons sur un nouveau plan interfédéral pour garantir la protection des droits des personnes LGBTI+ et promouvoir leur inclusion.

En collaboration avec mon administration, nous sommes en train d'élaborer une proposition de méthodologie commune et des rétroplanning à partir des évaluations du plan précédent et des contributions de la société civile.

En termes de timing, nous souhaitons aboutir avant la fin de l'année à un cadre méthodologique commun et des propositions concrètes de mesures et d'actions fédérales.

Mais je ne pourrai mener ce combat seul. D'où l'importance de la Brussels Pride et aussi d'autres Pride. Il y en a aussi une dans le Limbourg en juillet – vous êtes tous invités. Ce n'est pas seulement une fête mais c'est aussi un signal fort de solidarité et je vous invite tous à Bruxelles ce samedi pour célébrer cela ensemble.

François De Smet:

Merci monsieur le ministre pour votre réponse que je trouve, pour être honnête, très convenue et très cosmétique. Je connais ce secteur depuis très longtemps. Je vous entends parler, vous-même ou vos prédécesseurs, de plans, de plans d'action, de plans nationaux. Ça manque peut-être juste un peu de task force . Comme ça, nous aurions eu le catalogue complet. Il faut beaucoup plus d'actions.

Je crois que les faits auxquels nous nous référons et que vous connaissez, où des gens prennent le temps d'utiliser des applications de rencontre pour piéger intentionnellement et tabasser des personnes gays, doivent vraiment nous alarmer sur le fait que la tolérance est fortement en baisse. Je ne doute pas de vos bonnes intentions mais quel paradoxe entre les bonnes intentions que vous mettez en avant, même dans votre accord de gouvernement, et les moyens dont vous vous dotez! En effet, votre principal allié pour lutter contre cette discrimination, à savoir Unia, vous le punissez d'emblée, dès 2025, en le privant d'un quart de ses ressources. Ce n'est pas le bon signal, mais nous attendrons de voir vos plans pour juger sur pièces.

Anne Pirson:

Merci monsieur le ministre pour vos réponses. Il est en effet toujours inacceptable pour nous qu'aujourd'hui, on ait toujours peur d'assumer ce que l'on est, qu'on n'ose pas marcher main dans la main dans la rue ou embrasser la personne que l'on aime.

Nous pensons vraiment que ce gouvernement signera la fin des grandes promesses et que nous allons enfin passer aux actes. En tout cas, vous pourrez compter sur Les Engagés pour passer aux actes avec vous. J'ai entendu parler du timing. Nous serons présents au niveau de la symbolique – et donc présents à la Pride samedi – mais nous serons aussi présents pour soutenir toutes les actions politiques. Nous prendrons aussi nos responsabilités en déposant des propositions. Nous vous soutiendrons dans toutes les mesures qui sont en faveur des libertés, de nos droits fondamentaux, de la liberté d'expression et qui mèneront à une société plus sûre pour tout un chacun.

Voorzitter:

Collega’s, wat de geheime stemming betreft hebben we nog niet het vereiste aantal deelnemers bereikt. We hebben nog een goed half uur. Gelieve daarvan gebruik te maken.

De stakingsacties van magistraten
De acties van de magistratuur
De actie van de magistraten
De gevolgen van de maatregelen van Arizona voor de magistratuur, de rechtsstaat en de veiligheid
Het protest van de parketmagistraten
De resultaten van het overleg met de magistraten en de open brief van de jonge magistraten
Acties en reacties van magistraten op maatregelen en overleg.

Gesteld aan

Bart De Wever (Eerste minister), Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 30 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De diepe crisis in de rechtsstaat draait om onderfinanciering, pensioenhervormingen en het gebrek aan vertrouwen tussen politiek en magistratuur: magistraten voeren ongekende acties (stakingen, uitgestelde zaken) door chronische onderbezetting, verouderde infrastructuur, onveilige werkomstandigheden en een gevoelde aanval op hun onafhankelijkheid via de geplande pensioenkortingen (tot 30% voor sommigen), die ze zien als een symbolische degradatie van hun statutaire bescherming. De regering (met name ministers Verlinden en Jambon) benadrukt dat extra middelen (o.a. uit het Paasakkoord) en hervormingen onderweg zijn, maar wijst op de erfenis van jarenlange verwaarlozing door vorige regeringen, terwijl ze dialoog blijft eisen ondanks lopende acties – een benadering die oppositie en magistraten te defensief en onvoldoende concreet vinden. Het kernconflict is of de pensioenmaatregel (deels) de druppel was of een afleiding van diepere structurele problemen: overbevolkte gevangenissen, digitale achterstand, onderbetaald personeel en een cultuur van minachting (van beide kanten), waarbij magistraten vrezen voor een exodus en politici de rechtsstaat zien verzwakken door hun acties.

Paul Van Tigchelt:

Mijnheer de minister, een rechter die beklaagden naar huis stuurt, is dat een normale rechtsgang of is dat rechtsweigering? Waar is het controlerecht van de wetgevende macht wanneer het openbaar ministerie weigert te antwoorden op parlementaire vragen? Hoe rijmen we een procureur die in financiële zaken enkel nog corruptie wil onderzoeken met artikel 151 van de Grondwet?

De acties van de magistratuur roepen vele vragen op. Ik ben zelf meer dan 20 jaar magistraat geweest en heb zoiets nooit meegemaakt. Magistraten zetten hun rechterlijke macht in om de uitvoerende macht aan te vallen. Maar ook omgekeerd – en ook dat hebben we nooit meegemaakt – zetten politici rechters weg als wereldvreemd, maken ze uitspraken belachelijk, beschimpen ze en hebben ze het over 'werkstrafjes'. Ik denk niet, collega's, dat Montesquieu dat voor ogen had met zijn trias politica.

En de regering zwijgt. Ik hoor de minister van Justitie niet, ik hoor de premier niet en ik hoor u niet. Spreken is zilver, zwijgen is goud. Af en toe hoor ik iemand natuurlijk wel roepen dat het allemaal de schuld is van de vorige regering, maar u weet dat dat niet klopt. De herfinanciering van Justitie is begonnen en we hebben daar resultaten geboekt. Ik vrees echter dat er de voorbije maanden veel is misgelopen in het overleg en dat de magistraten niet worden gehoord. Ze werden niet gehoord door de onderhandelaars tijdens die zeven maanden onderhandelingen en ze worden blijkbaar ook nu nog niet gehoord. Als ik het namelijk moet geloven, kan er nog steeds geen volledig correcte berekening van de pensioenplannen worden voorgelegd.

Ik heb dus een simpele vraag. Wat zal deze regering doen om het vertrouwen met de rechterlijke macht te herstellen? Dat is immers broodnodig in een rechtsstaat.

Leentje Grillaert:

Collega's, 11.000 plaatsen voor 13.000 veroordeelden. Zelfs mijn jongste dochter van acht jaar weet dat die rekensom niet klopt. De gevolgen zijn ernstig.

Vanuit cd&v staan we pal achter het principe dat er voor straffeloosheid in onze maatschappij geen plaats is. De gevolgen zijn nefast, niet alleen voor het vertrouwen in Justitie, maar ook voor de veiligheid in de samenleving. Mevrouw de minister, u hebt extra middelen gevraagd en ook gekregen voor dit jaar om een aantal extra werven aan te pakken.

Cd&v wil de straffeloosheid aanpakken op een verstandige manier om werk te maken van de werven die u vooropstelt, mevrouw de minister. Die inspanningen verdienen steun, geen sabotage. Het is echt spijtig dat het gevangeniswezen nog meer onder druk wordt gezet door acties die ervoor kunnen zorgen dat het systeem ontspoort, want ook dat kost de samenleving veel. Het gaat niet noodzakelijk over euro's, maar wel over vertrouwen, veiligheid en stabiliteit.

Begrijp me ook niet verkeerd, collega's. Ik hoor andere collega's van alles vertellen. Ik denk dat hun kortetermijngeheugen en hun langetermijngeheugen hun in de steek laten. We moeten de zorgen van de magistratuur niet zomaar wegwuiven. Hun werkomstandigheden zijn vaak schrijnend, met onderbezetting, bedreigingen en gerechtsgebouwen die onvoldoende beveiligd zijn. Magistraten staan voortdurend onder druk door de grote werklast en de complexiteit van procedures en onderzoeken. Ook zij hebben recht op duidelijkheid over hun pensioenen.

Het doel moet echter zijn samen te bouwen aan een Justitie die werkt, beschermt en vertrouwen geeft. Er is maar een weg daarnaartoe en dat is via dialoog, collega's, tussen de politiek en de magistratuur. Daar moeten we aan werken. Mevrouw de minister, ik weet dat u een hardwerkende minister bent (…)

Ismaël Nuino:

Madame la ministre, monsieur le vice-premier, depuis plusieurs jours, un mouvement sans précédent traverse le monde judiciaire. Des grèves ont été annoncées dans plusieurs parquets.

Ce que les magistrats expriment aujourd'hui, c'est un appel au secours. Nous devons être capable de l'entendre. Défendre la magistrature, ce n'est pas défendre des intérêts particuliers mais bien défendre un pouvoir de notre État de droit. Ce sont les juges, les magistrats, les greffiers et tous les autres qui y travaillent et qui empêchent que nos conflits ne dégénèrent en violence. Ils garantissent aussi, dans une société de plus en plus traversée par des tensions, que le droit continue de faire autorité.

Mais il faut le dire clairement aussi, cette mobilisation n'est pas née des dernières annonces. Elle est nourrie par des conditions de travail qui sont intenables depuis des années, des juridictions à bout de souffle, un manque criant de personnel administratif, un arriéré judiciaire qui ne cesse de s'aggraver et des difficultés à attirer de nouveaux talents.

Madame la ministre, la situation dont vous héritez est complexe. J'ai entendu dire que les magistrats attendaient de la concertation. Ce n'est pas cela qu'ils attendent! Depuis des années, ils attendent des actes! Des actes, l'Arizona en amène avec l'accord de gouvernement, avec les accords de Pâques et les millions qui ont été débloqués. Voilà les actes qui vont arriver. Aujourd'hui, les magistrats attendent ces actes. Nous sommes au gouvernement, et c'est précisément ce que nous sommes en train de réaliser. Les accords conclus aujourd'hui sont les plus importants en termes de réinvestissement dans la Justice.

Ils attendent concrètement, ils attendent des actes et c'est ce que nous allons apporter. Vous avez obtenu des moyens supplémentaires, nous vous avons soutenus pour les obtenir.

Concrètement, comment allez-vous utiliser ces moyens supplémentaires? À quelle vitesse? Comment pouvez-vous rassurer ces juridictions et ces parquets, au-delà des seules prisons, pour qu'ils puissent enfin respirer et fonctionner dignement?

La tâche est immense, mais vous pouvez compter sur nous car pour Les Engagés et pour l'Arizona, la Justice est une priorité.

Khalil Aouasti:

Madame la ministre de la Justice, je suis désolé. Le constat est là, la Justice est dans un état déplorable.

Depuis cinq législatures, le département de la Justice est géré par la droite. Avec quel bilan? Magistrats débordés, des justiciables excédés par une attente de plusieurs années avant de voir leur dossier traité, des cadres non remplis, des détenus entassés, des agents pénitentiaires agressés, et aujourd'hui une atteinte inédite à l'attractivité de la profession de magistrat pour laquelle vous peinez déjà à recruter.

L'Arizona s'est faite sur la promesse d'un travail mieux payé et mieux valorisé pour toutes et tous. En lieu et place, pour les magistrats, c'est une réduction de près de 30 % de leur pension qui leur est annoncée. Contrairement à ce qu'on essaie de nous faire croire et à ce qu'a dit le premier ministre, ce n'est pas une question de grosses pensions. Quelle insulte pour la magistrature!

Après des critiques à peine voilées contre le gouvernement des juges, après des tentations exprimées de limiter les fonctions de magistrat à des mandats de cinq ans, en s'attaquant aujourd'hui aux pensions des magistrats, c'est le fonctionnement, l'indépendance de la justice, de ce troisième pouvoir constitutionnel que vous attaquez. Et à travers lui, c'est l'État de droit que vous attaquez.

Aujourd'hui, il y a des lettres ouvertes d'associations représentatives, des cartes blanches signées par 800 magistrats, des sorties dans la presse de chefs de corps, des remises de dossiers à plus d'un an. Et on dit quoi? "Ils n'ont rien compris." "Il y a de l'argent, mais ils n'ont rien compris."

Madame la ministre, la justice n'est pas une institution désincarnée. Pour reprendre les termes de votre propre majorité, les magistrats ne sont pas des fonctionnaires.

Pour que la justice soit efficace, pour qu'elle serve nos justiciables, elle doit être composée d'hommes et de femmes qui sont engagés et motivés dans leurs fonctions. Or cette décision suscitera une vague de départs et la mise en difficulté de la magistrature.

Ma question à tous les deux: quel investissement garantissez-vous dans les droits acquis, dans le service aux justiciables et dans le troisième pouvoir qu'est l'institution judiciaire?

Kristien Van Vaerenbergh:

Mevrouw de minister, mijnheer de minister, justitie bevindt zich in bijzonder zwaar weer op dit ogenblik. De problemen die worden aangekaart, zijn niet nieuw en spelen al verschillende legislaturen. Onze fractie heeft die in de voorbije legislaturen ook aangekaart. Er is de overbevolking van de gevangenissen, de digitalisering die nog altijd niet het gewenste resultaat oplevert, maar ook het verouderde patrimonium en de jarenlange structurele onderfinanciering. Al deze jarenlange frustraties komen nu samen tot een kookpunt door de aangekondigde hervorming van de pensioenen van de magistraten.

Die plannen leiden tot ongeziene acties bij de magistratuur. Het begon vorige week met de actie van het Openbaar Ministerie, waarbij duizenden gevangenen opnieuw naar de gevangenis worden gestuurd, ondanks de overbevolking. Gisteren hoorden we een politierechter in Gent die zaken een jaar uitstelt. Ook bij het federaal parket in Brussel worden er acties aangekondigd.

Mevrouw de minister, we hebben uiteraard veel respect voor de magistratuur. Heel veel magistraten doen dag in, dag uit hun best om voor justitie te werken, ondanks de moeilijke omstandigheden. Het is echter wel zo dat zij een bijzondere functie hebben. Zij vormen een van de drie machten van ons land. Zij hebben het voorrecht om samen met de andere machten de rechtsstaat vorm te geven. Ik denk dat zij zich met de acties die de laatste weken zijn ondernomen op bijzonder glad ijs begeven.

Mevrouw de minister, op welke manier zult u de situatie ontmijnen? Hoe lopen de gesprekken? Die zijn er de afgelopen dagen immers wel degelijk geweest.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, mijnheer de minister, de magistraten kunnen en willen - en terecht, mevrouw de minister - de slechte financiële en materiële toestand waarin ze moeten werken niet langer aanvaarden. Heel wat jonge magistraten twijfelen nu zelfs aan hun beroepskeuze, ten gevolge van de aangekondigde hervorming. In hun open brief zijn ze duidelijk: "Hoe lang laten we justitie nog verder afbrokkelen voor we reageren en haar de middelen geven om sterk en doeltreffend te zijn?"

Ze hebben voor het beroep van magistraat gekozen uit overtuiging, gedreven door het maatschappelijk belang. Ze willen niet liever dan hun functie met waardigheid en onafhankelijkheid uitoefenen. Dat is vandaag echter onmogelijk geworden. De aangeklaagde wantoestanden bij justitie zijn niet meer te overzien. De digitalisering is niet of nauwelijks ingezet, zo getuigt het rapport van het Rekenhof. In sommige arrondissementen is het een luxe om over een telefoonlijn of een printer te beschikken. Ze moeten werken in beschimmelde kleine bureaus. Middelen om de gebouwen te renoveren of informaticamaterieel aan te kopen zijn er niet. Er is geen budget voor een koffiemachine, nietjesmachine of zelfs toiletpapier.

Daarenboven worden de werkweken steeds langer door de chronische onderbezetting. Er is een personeelstekort van 40 % bij de magistraten om alles binnen een redelijke termijn af te handelen. De werkdruk wordt dan ook onaanvaardbaar.

Hoe lang moeten de magistraten dit nog aanvaarden? Wanneer zal er eindelijk voldoende budget worden vrijgemaakt om dit alles aan te pakken en eindelijk – ook ten aanzien van collega Van Tigchelt - orde op zaken te stellen bij justitie?

Jan Jambon:

Geachte Kamerleden, ik had meer vragen over de pensioenen van de magistraten verwacht. Daarom zal ik mijn antwoord limiteren en de vloer volledig aan mijn goede collega Verlinden laten.

Ik moet wel zeggen dat ik ten zeerste de individuele en collectieve acties van de magistratuur betreur, aangezien we gisteren nog samengezeten hebben voor overleg. Ook vorige week vond reeds overleg plaats en begin mei staat nog overleg gepland. Gisteren hebben we samen de cijfers doorgenomen. We bevinden ons dus volop in overleg. Ik heb een ander begrip van overleg en actievoeren. Als overleg tot niets leidt, kan men actievoeren, maar actievoeren terwijl het overleg nog volop loopt, vind ik raar.

Er is een pensioenhervorming op til en ik vind dat iedereen in die pensioenhervorming moet participeren, iedereen naar eigen kunnen. Niemand staat boven de wet. Dat geldt voor zelfstandigen, voor werknemers, voor ambtenaren, voor ons als politici maar ook voor de magistraten.

Vaak hebben we horen spreken over de indexsprong.

Nous avons entendu beaucoup de choses sur le saut d'index. Examinons les chiffres. Cela ne concerne que les pensions les plus élevées, soit au-dessus de 5 250 euros. Pour la moitié des juges, la pension s'élève à 7 400 euros. Prenons la somme de 7 000 euros, si nous y appliquons un index de 2 %, cela fait 140 euros. Nous allons réduire ces 140 euros pour arriver à 36 euros. Au lieu d'une augmentation de 140 euros, ils percevront une augmentation de 36 euros. Et ça serait une grande attaque vis-à-vis de leur pension! Je ne suis pas d'accord.

In een grote pensioenhervorming moet iedereen een bijdrage leveren, dus ook de magistratuur. Ik hoop echt dat de onrust en het ongenoegen bij deze hooggeplaatste dienaren van de democratie, die beladen zijn met een grote verantwoordelijkheid, in proportie blijven met de beperkte inspanningen die van hen gevraagd worden.

Annelies Verlinden:

Goeiemiddag, collega’s. Collega Van Tigchelt, ik had vanmiddag van veel mensen vragen verwacht, maar niet van u. De nodige dosis lef kan men u alvast niet ontzeggen.

Ce que je retiens de mes nombreux contacts avec la magistrature, c'est que ces actions traduisent aussi et surtout un mécontentement de longue date concernant le financement de la Justice de manière générale.

De rechtsstaat is ons allemaal dierbaar, of zou dat in elk geval moeten zijn. Het is echter heel duidelijk dat hij onder druk staat. Als we willen dat de rechtsstaat overleeft en versterkt, zijn we verplicht erin te investeren.

Het zal niemand ontgaan zijn dat ik van bij mijn aantreden gepleit heb voor onze binnenlandse veiligheid. Ik heb aan de collega's in de federale regering een overzicht bezorgd van de budgettaire behoeften van Justitie, niet enkel voor dit jaar, maar met een noodzakelijk groeipad voor de hele legislatuur.

En examinant de manière globale les tâches qui incombent à la justice et à nos magistrats, force est de constater que leur charge de travail a explosé. Cette situation s'explique par les évolutions sociales dans le domaine du droit des personnes et de la famille, par le recours accru à la justice, par des demandes toujours plus nombreuses en matière de soins et de soutien psychosocial, par la complexité croissante des enquêtes pénales ou encore par le succès remporté dans la lutte contre la criminalité organisée.

Je rejoins donc pleinement les revendications de la justice pour de meilleures conditions de travail, des moyens supplémentaires et des lieux de travail plus sûrs. Dans l'intérêt de notre démocratie, la Justice doit rester un employeur attractif pour les magistrats et elle doit pouvoir continuer à aider les citoyens à des moments souvent déterminants dans leur vie.

De recente beslissing over de automatische indexering van hun pensioenen was duidelijk de druppel die de emmer deed overlopen. Vele magistraten hebben mij bevestigd dat ze solidair willen zijn met de toekomstige generaties en hun recht op een degelijk pensioen zodat er zeker begrip is voor de noodzakelijke toekomstgerichte hervormingen van deze arizonaregering. Ze geven weliswaar aan dat hun onrust groot is vanwege de onzekerheid over de totale omvang van de hervormingen, wat naar ik vermoed ook geldt voor andere beroepsgroepen. Zoals de minister van Pensioenen echter net al heeft aangegeven, worden en zullen de discussies hierover worden verdergezet.

In mijn opdracht als minister van Justitie voorzie ik de komende jaren bijkomende middelen ter versterking van het openbaar ministerie en de hoven en rechtbanken. Ik heb ook van bij het begin de magistratuur betrokken bij alle werkzaamheden. De magistraten weten dus dat hun bezorgdheden ook de mijne zijn, naast de vele andere uitdagingen, zoals het wegwerken van structurele betaalachterstanden – waarover vorige week ook nog uitvoerig bericht is in de media – maar ook de aanpak van de overbevolking in de gevangenissen, die ons, als we ze niet oplossen, op termijn bijzonder veel geld zal kosten, maar ook de veiligheid van de medewerkers in de gevangenissen.

Je m'entretiendrai étroitement avec la magistrature afin de déterminer comment nous pourrons, dans les mois à venir, agir le plus efficacement possible pour renforcer l'attractivité et le respect de la carrière, mais aussi pour améliorer les conditions de travail, et ce, dans l'intérêt du rôle fondamental que jouent les magistrats dans notre démocratie. Le réalisme et la crédibilité devront ici être nos fils conducteurs communs, car les conséquences du sous-financement qui perdure depuis des années ne peuvent être gommées d'un coup de baguette.

De verhalen die ons van de andere kant van de oceaan bereiken, leren ons hoe belangrijk het is om allemaal ambassadeurs van de rechtsstaat te zijn. De echo’s van die verhalen zouden voor mij als een duidelijke oproep aan iedereen moeten klinken, zeker aan zij die deel uitmaken van een van de drie machten, om ter zake geen enkel compromis te sluiten.

Ik wil dan ook blijven geloven dat ook de magistraten zelf de rechtsstaat vertrouwenwekkend en met zorg zullen blijven behandelen. Ik blijf alvast met hen overleggen en werk in het belang van onze binnenlandse veiligheid samen met en voor hen aan een weg die ons tot oplossingen kan brengen. Ik hou daarbij een quote van Ruth Bader Ginsburg voor ogen: “ Fight for the things that you care about but do it in a way that will lead others to join you. ” Kom op voor wat je belangrijk vindt, maar doe het op een manier die anderen mee in beweging kan brengen.

Paul Van Tigchelt:

Mijnheer en mevrouw de minister, bedankt voor uw antwoorden. Als een open oorlog plaatsvindt tussen de uitvoerende en rechterlijke macht, heb ik geen lef nodig om hier te spreken, dan is het gewoon mijn plicht als parlementslid om mijn stem te verheffen. Dat heeft niets met meerderheid of oppositie te maken.

Niemand is gebaat bij een oorlog tussen de uitvoerende en rechterlijke macht, zeker niet de magistraten. Het merendeel van de magistraten – ik kan ervan getuigen – levert meer dan voortreffelijk werk in vaak moeilijke omstandigheden. Ik hoop dat het groeipad, dat door de vorige regering ingeslagen is, wordt aangehouden, want uw regeerakkoord belooft op dat vlak niet veel goeds.

Met het paasakkoord zijn enkele financieringen vooruitgeschoven, maar het gaat niet alleen over extra budget, collega Dillen, we moeten ook hervormen, durven hervormen. Op dat vlak is de vervroegde invrijheidsstelling van criminele illegalen, zoals in het paasakkoord staat, geen goed voorbeeld. Sorry dat ik het zeg.

Leentje Grillaert:

Ik sta een beetje perplex door de repliek van mijn collega, die echt wel wat werk heeft met het kortetermijn- en langetermijngeheugen.

Het heeft volgens mij echt geen zin om hier op de bühne te zeggen dat er een open oorlog heerst. Daarnet heb ik gezegd dat dialoog belangrijk is. We moeten zelf, de magistratuur en de politiek samen, aan de slag om die dialoog te voeren. De retoriek die u aanhoudt, collega, vind ik eigenlijk niet oké en ik denk dat ik daarmee de mening van velen vertolk.

( applaus bij de meerderheid )

Bepaalde bezorgdheden vanuit de magistratuur zijn zeker terecht. Daarvoor moeten we oog en oor hebben, maar de ruis op de lijn moet weg. Van mevrouw en mijnheer de minister hoor ik dat de dialoog plaatsvindt, dat ze samen rond de tafel zitten. Dat is de weg die we moeten bewandelen. De noodkreet is aangekomen en ik heb er alle vertrouwen in, mevrouw en mijnheer de minister, dat u constructief met de magistratuur aan tafel gaat zitten en dat we in deze legislatuur (…)

Ismaël Nuino:

Que les choses soient claires: depuis le départ, l'Arizona a en effet annoncé que nous allions devoir fournir des efforts, oui, pour laisser un É tat viable aux prochaines générations. Mais je ne peux pas entendre dire ici que l'Arizona décide de sacrifier la justice. Ce n'est pas vrai! Comme pour la sécurité et la santé, depuis le début, nous avons annoncé qu'aucune économie ne serait réalisée dans la justice. C'est même un réinvestissement qui a été obtenu pour 2025.

Répétons-le: le plus grand problème des magistrats n'est pas leur pension, mais les nombreux et immenses chantiers qui ont été laissés par le précédent gouvernement. De même, plusieurs mesures qui avaient été prises ont complètement fait craquer le système carcéral. En tout cas, soyons de bon compte, ce n'est pas en trois mois que nous allons résoudre tous les problèmes de la justice. Mais les moyens et la volonté sont là. Voilà enfin un gouvernement qui prend ses responsabilités!

Khalil Aouasti:

Madame et monsieur les ministres, merci pour vos réponses parce qu'au moins on voit que, dans l'Arizona, tout est clair.

Le ministre des Pensions nous dit: "Circulez, il n'y a rien à voir! C'est comme cela, et je ne discute plus. Pas de concertation." La ministre de la Justice nous répond que, pour continuer à faire fonctionner la justice, des concertations seront nécessaires pour que, malgré tout, les audiences puissent se tenir. Nous avons ensuite Les Engagés…

Jan Jambon:

(…)

Khalil Aouasti:

Monsieur le ministre, vous avez répondu; laissez-moi répliquer!

Jan Jambon:

(…)

Khalil Aouasti:

Ik versta wel Nederlands, mijnheer de minister. Geen probleem.

Et puis, donc, nous avons un membre des Engagés qui, lundi par voie de presse, nous a annoncé publiquement: "Je vais écrire au ministre des Pensions pour faire en sorte que les magistrats sortent de la réforme des pensions." Or ce parti nous dit aujourd'hui que le problème n'est pas la pension des magistrats, mais leurs conditions de travail. Mais alors, personne n'a jamais rien compris ici, en fait! Les travailleurs qui devaient gagner 500 euros de plus n'ont rien compris! Les magistrats qui perdent leur pension, non plus! Le monde de la justice n'a rien compris! Les Belges ne comprennent jamais rien avec l'Arizona!

Kristien Van Vaerenbergh:

Mevrouw de minister, mijnheer de minister, dank u wel voor uw antwoord. Er is inderdaad overleg en we kijken uit naar het verdere verloop daarvan. Zoals de minister van Pensioenen ook zegt, moet deze regering hervormingen doen en iedereen moet een deel ervan op zich nemen, ook de gerechtelijke wereld. Dat is niet meer dan normaal.

Er zijn natuurlijk veel problemen op het vlak van justitie, maar die zijn er niet van vandaag op morgen gekomen, die dateren uit het verleden. Ook de vorige regering heeft daar een aanzienlijke aandeel in.

Ik wens u veel succes met het verdere overleg. Deze regering investeert wel degelijk in justitie. Er komt aanzienlijk wat geld bij, zodat justitie naar behoren kan functioneren in de toekomst. Justitie is immers een kerntaak van de overheid.

Marijke Dillen:

Dank voor uw antwoord. Collega’s, om goed te werken en vertrouwen te verdienen heeft justitie nood aan magistraten die zich gerespecteerd en gewaardeerd voelen. Dat is vandaag niet het geval en daar moet verandering in komen. De opeenvolgende regeringen hebben decennialang geen aandacht besteed aan justitie, laat staan hiervoor de nodige budgetten vrijgemaakt. Geen van de vorige ministers heeft aangevoeld hoe hoog de frustraties zaten en zitten bij de magistratuur. Deze regering moet eindelijk werk maken van een duurzaam, toekomstgericht beleid bij justitie, gekoppeld aan voldoende middelen. Daarvoor is veel meer nodig, mevrouw de minister, dan de extra’s die vandaag beloofd worden. Als er een miljard euro kan worden vrijgemaakt voor Oekraïne en vier miljard voor Defensie, dan moet dat ook kunnen voor justitie en politie.

De alarmsignalen van de Veiligheid van de Staat die genegeerd werden in Hoei
De vermoedens van Chinese inmenging in de Belgische politiek
Veiligheidsrisico's en buitenlandse inmenging in Belgische politiek

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 30 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Een Belgisch ex-burgemeester (PS) in Huy werd tweemaal gewaarschuwd door de Veiligheid van de Staat voor problematische banden met China, inclusief het doorspelen van gegevens over Ouïgoerse activist en volksvertegenwoordiger Samuel Cogolati, maar bleef ongestraft actief in lokale politiek. Minister Verlinden bevestigt de reële dreiging van Chinese inmenging (via diplomatie, economie, spionage) en benadrukt de cruciale rol van de Veiligheid van de Staat in detectie en preventie, maar geeft geen concrete maatregelen tegen de betrokkene, wat Maouane scherp kritiseert als democratisch falen en mensenrechtenrelativisme (met verwijzing naar Ouïgoeren, Gaza en Congo). Jadoul pleit voor versterkte sensibilisering van openbare actoren, gebaseerd op de nieuwe anti-ingereniewet (2024), maar ook hij krijgt geen duidelijke gouvernementele actieplannen. Kern: systemisch gebrek aan sancties ondanks waarschuwingen, terwijl China’s strategische infiltratie in België onverminderd doorgaat.

Rajae Maouane:

Madame la ministre, je ne sais pas vous mais, moi, ce matin, en découvrant les médias, j'ai halluciné. J'ai halluciné parce qu'un ancien bourgmestre faisant fonction à Huy a été mis en garde non pas une fois mais deux fois par la Sûreté de l'État pour ses liens jugés problématiques avec l'ambassade de Chine. Et malgré cela, il a continué ces contacts. Il les a même entretenus et il aurait transmis des informations sur un député fédéral belge, Samuel Cogolati, qu'on connaît bien ici, qui a été ciblé et même sanctionné par le régime chinois pour son travail sur le génocide des Ouïgours.

Ce qui continue à m'halluciner, madame la ministre, c'est l'absence de sanctions. En effet, pendant ce temps, ce monsieur a été réélu tranquillement à Huy où il siège toujours au conseil communal. Il brigue même la présidence de l'hôpital régional. En mars dernier, l'ambassadeur chinois était accueilli en grande pompe et à bras ouverts à Huy par le bourgmestre.

Madame la ministre, comment voulez-vous que les gens fassent confiance à la démocratie si un élu peut aller à l'encontre de nos services de renseignement sans la moindre conséquence, sans la moindre sanction? C'est une affaire de sécurité nationale, ce n'est pas juste un fait divers local.

Mes questions seront dès lors très claires et très directes. Quelles informations précises ont été transmises par cet élu à l'ambassade de Chine et en échange de quoi? La Sûreté de l'État a-t-elle informé, oui ou non, les autorités du parti de ce bourgmestre, à savoir le Parti Socialiste? Si tel est le cas, quand et avec quelles demandes? Si le PS était au courant, pourquoi cette personne est-elle encore en poste? L'actuel bourgmestre, Christophe Collignon, était-il lui aussi au courant? Si oui, pourquoi continue-t-il à fricoter comme cela avec Pékin? Enfin, quand un élu ignore sciemment les alertes de nos services, que prévoit votre gouvernement? Maintenant que ces faits sont publics, que comptez-vous faire concrètement pour empêcher ce genre d'ingérence et pour garantir que cet élu – ou d'autres – ne puisse plus nuire à la sécurité de notre pays?

Pierre Jadoul:

Madame la ministre, comme ma collègue Maouane, j'ai lu la presse ce matin et une enquête journalistique fait état d'éléments préoccupants quant à des relations qui sont jugées problématiques entre un ancien échevin et bourgmestre faisant fonction de la ville de Huy et des représentants officiels chinois. La Sûreté de l'État a effectivement à deux reprises mis ce mandataire socialiste en garde. Il ressort des articles de presse que le président du Parti Socialiste a même été informé de la difficulté rencontrée mais ces mises en garde sont demeurées lettre morte, elles n'ont donné aucun effet.

Le dossier n'a à l'époque pas été transmis à la Justice puisqu'il n'y avait pas de base légale suffisante que pour permettre ce transfert. Aujourd'hui, il semble que la Sûreté de l'État a estimé que les échanges observés relevaient d'une forme d'ingérence, d'espionnage et il y a un arsenal législatif qui a été mis en place en 2024 et qui, sans doute, permettrait aujourd'hui d'avoir un suivi sur ce terrain-là.

La Chine, on le sait, ne se contente pas de réprimer sur son propre territoire. Sa stratégie d'intimidation dépasse les frontières. Certains, en ce compris en Belgique – notamment le président de la Belgium Uyghur Association –, ont vu leurs familles menacées en Chine à cause d'activités en Europe. On sait qu'il y a là un vrai problème.

Madame la ministre, la Sûreté de l' É tat dispose-t-elle encore à ce jour d'informations ou d'analyses concernant cette affaire ou d'autres cas similaires? Quels sont les dispositifs mis en place pour prévenir, détecter ce type d'ingérence? Comment votre ministère travaille-t-il avec la Sûreté de l'État et le Comité R pour s'assurer qu'aucun maillon des pouvoirs publics, local ou national, ne soit infiltré ou instrumentalisé par une puissance étrangère? Enfin, des dossiers ont-ils été ouverts sur base de la nouvelle incrimination instaurée en 2024 concernant l'ingérence effective?

Annelies Verlinden:

Chers collègues, nous avons tous lu les articles de presse parus ce matin à ce sujet. Je ne peux évidemment faire aucun commentaire sur ce dossier spécifique. Cependant, ces faits mettent une nouvelle fois en lumière la potentialité d'activités hostiles de certains États à l'égard de notre démocratie. Nous constatons ainsi que différentes menaces peuvent peser sur la Belgique, que ce soit en termes de cyberespionnage, d'ingérence, de risques pour notre potentiel économique et scientifique ou encore de tentatives de contrôle de la diaspora, par exemple.

Il revient alors à la Sûreté de l' é tat (VSSE) de détecter ces menaces, d'en informer les décideurs et de sensibiliser les différents acteurs belges, qu'ils soient étatiques, universitaires ou issus du monde économique, aux risques auxquels ils sont exposés.

Nous devons dès lors être attentifs au fait que des pays comme la Chine, qui est à la fois un partenaire mais aussi un rival stratégique, puisse exercer ses menaces de manière subtile au moyen de tous les vecteurs possibles, c'est-à-dire par voie diplomatique, économique, sociale, culturelle ou, évidemment, par le renseignement. C'est ce que l'on appelle l'approche globale. Dans le cadre de celle-ci, une combinaison d'activités légitimes et d'activités clandestines est souvent observée. L'approche globale, selon laquelle tout acteur, étatique ou non, est obligé de collaborer avec les services de renseignement de certains pays tiers, complique naturellement le travail de la VSSE dans la détection des activités de renseignement. Cela rend le travail de conscientisation des acteurs belges sur la menace encore plus crucial, afin d'augmenter notre résilience et de permettre ainsi à chacun d'évaluer correctement la menace.

Pour conclure, je dirais que la menace est réelle. Il faut donc des services de renseignement et de sécurité forts et efficaces qui soient capables de répondre à cette menace. Dans ce contexte, la Sûreté de l'État joue un rôle clé. Son renforcement sera donc un chantier important de cette législature.

Rajae Maouane:

Madame la ministre, je vous remercie pour vos réponses qui n'en sont pas vraiment. Vous avez pris deux minutes pour faire un bel exercice de langue de bois, mais je comprends que vous ne puissiez pas tout dire.

Cette histoire nous montre une chose en tout cas: détourner le regard de ce qui se passe en Chine pour les Ouïghours, fait les affaires de l'État, mais pas des droits humains.

J'aurais aimé vous entendre dire, en tant que démocrate, qu'on ne peut pas accepter que des parlementaires, quels qu'ils soient, soient mis sous la menace de quelque régime que ce soit.

Quand nous voyons ce qui se passe avec les Ouïghours, en Palestine avec le génocide perpétré par Israël, en République démocratique du Congo avec le génocide vécu en direct, j'aurais voulu vous entendre vous exprimer là-dessus comme démocrate et affirmer qu'il est inacceptable que ce genre de digue cède, et que, comme toujours et à chaque fois, notre seule boussole doit être le respect des droits humains et du droit international.

Pierre Jadoul:

Je vous remercie, madame la ministre, pour ces éléments. Il faut en tout cas en tirer la conclusion que cela n'arrive pas qu'aux autres. Cette menace existe chez nous et nous devons être vigilants. Dans ma vie professionnelle antérieure, en tant que recteur d'université, j'ai été contacté par la Sûreté de l'État pour m'alerter sur un certain nombre de dangers qui nous menaçaient. Je suis profondément reconnaissant pour cette démarche proactive de leur part. Nous avons participé avec la commission de la Justice à une visite de la Sûreté de l'État, au cours de laquelle cette problématique est revenue dans les débats. Je pense qu'un vrai rôle d'information, et je dirais même d'éducation, incombe, en ce compris, à cet organisme quant aux dangers qui nous menacent tous.

De toekomst van de politiezones in Waals-Brabant
De fusie van de zes Brusselse politiezones
De plannen van de minister voor een eengemaakte Brusselse politiezone
De open brief van Brusselse agenten over de fusie en hun werkomstandigheden
De fusie van de Brusselse politiezones
De hervorming van de financiering van de lokale politiezones
De fusie van de politiezones in Brussel
De door de arizonacoalitie gewenste fusie van de Brusselse politiezones
De fusie van de politiezones
De fusie van de politiezones
Hervorming en fusie van politiezones in Brussel en Waals-Brabant

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 29 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de geplande fusie van politiezones, met focus op Brussel (6 zones → 1 in 2027) en mogelijke uitrol in Vlaanderen/Waals Brabant, waar lokale weerstand heerst (bv. Brabantse MR-burgemeesters die fusie afwijzen maar wel voor Brussel stemmen). Hoofdpunten: - Doel: Efficiëntere bestrijding van criminaliteit via centraal commando, betere coördinatie en schaalvoordelen, maar nabijheidspolitie moet behouden blijven (bv. via lokale kantoren). - Bezwaren: Democratisch tekort (opheffen politieraden ten voordele van burgemeesterscolleges, waar oppositie minder invloed heeft), taalgelijkheid (garanties voor Nederlandstaligen in Brussel ontbreken), en financiering (schuldovername door federale overheid, maar onduidelijkheid over KUL-normhervorming en extra middelen). - Tijdpad: Wetsontwerp tegen juli 2024, operationeel in 2027; gouverneurs moeten fusieplannen voor Vlaanderen/Wallonië indienen, maar lokale autonomie blijft gevoelig (bv. Waalse gemeenten willen geen opgelegde fusies). Minister Quintin benadrukt concertatie (overleg met burgemeesters, korpschefs, justitie) maar kritiek blijft op gebrek aan transparantie en risico’s van centralisatie.

Dimitri Legasse:

Monsieur le président, au risque de vous dédire, je n'aborderai pas uniquement la question de Bruxelles. En effet, je vais surtout vous parler du Brabant wallon. Du reste, monsieur le ministre est venu à Waterloo pour inaugurer un magnifique commissariat. Si j'ai bien compris la bourgmestre libérale, qui siège à nos côtés, ainsi que son homologue brainois, de la zone monocommunale voisine qui ne bénéficie pas d'un aussi beau commissariat, ils ne partagent pas tout à fait l'avis de M. Quintin quant à la fusion des zones de police. Je dirais même qu'ils y sont tout à fait opposés. Ces deux collègues brabançons libéraux siègent à nos côtés et pourraient donc nous en parler.

Monsieur le ministre, dans l'accord de gouvernement, vous indiquez notamment envisager des zones de police "plus grandes et efficaces". Encore plus grandes, toujours plus grandes et toujours plus éloignées des citoyens. En complément aux questions de mes collègues lors de votre exposé d'orientation politique, pouvez-vous m'indiquer si vous envisagez la fusion des zones de police en Brabant wallon, comme il semble en être question entre Ottignies, Louvain-la-Neuve et Wavre?

Il n'y a qu'une seule zone de secours en Brabant wallon. Envisage-t-on une seule grande zone de police? C'est une question que je vous pose très directement. En effet, la transversalité de notre province n'est pas si évidente que cela, et certainement pas en matière de circulation. Nous pouvons plutôt parler d'immobilisme. Et je ne vous parle pas du carrefour Léonard ni de Zaventem, bien que nous pourrions en discuter, mais ce n'est pas le lieu aujourd'hui. Comptez-vous rencontrer les autorités locales, dont je fais partie, puisque je suis bourgmestre d'une commune située dans la zone Ouest Brabant wallon?

Vous parlez également de financement plus élevé, flexible et transparent. Cela signifie-t-il, par exemple, qu'il viendrait en aide aux communes, qui souffrent déjà d'autres mesures envisagées par le gouvernement? Ce financement plus élevé serait-il conditionné à des fusions de zones?

Maaike De Vreese:

Mijnheer de minister, u hebt in de paasvakantie inderdaad verder gecommuniceerd over uw concrete plannen inzake de fusie van de zes bestaande Brusselse politiezones tot één geïntegreerde politiezone. De wil om te fusioneren stond al in het regeerakkoord, maar nu hebt u uw concrete plannen voorgelegd, aan de pers althans, want in het Parlement hebben we nog geen concrete teksten gezien. Die zullen er binnenkort wel komen, denk ik.

U weet dat wij als N-VA een zeer grote voorstander zijn van de fusie van de politiezones en daar al heel wat jaren voor pleiten. Die hervorming is noodzakelijk voor een verhoogde efficiëntie, betere coördinatie, eenheid van commando en dus ook eenduidige communicatie in crisissituaties.

Verder pleitte u ook voor fusies van politiezones in Vlaanderen en Wallonië. Nu blijken lokale korpsen namelijk vaak niet opgewassen tegen bepaalde vormen van moderne criminaliteit. U hebt de gouverneurs de opdracht gegeven om met een rapport te komen en u verklaarde ook dat in bepaalde gevallen de regering zou kunnen beslissen om fusies te verplichten. Om fusies aan te moedigen, wil u de schulden van de betrokken politiezones overnemen.

U hebt heel wat gecommuniceerd: over budgettaire zaken, over de KUL-norm, over uw voornemen om de metropolitie in de lokale politie te integreren en over de rol van de gouverneurs.

Wat is de concrete stand van zaken met betrekking tot de geplande fusie van de zes Brusselse politiezones? Zijn er al wetgevende teksten?

Op welke manier worden de Brusselse burgemeesters en lokale korpschefs verder betrokken bij het fusieproces?

Hoe zal de democratische controle op het politiewerk worden georganiseerd binnen de gefuseerde zone?

Hoe zult u ervoor zorgen – dat stond immers wel in het wetsvoorstel van de N-VA – dat ook de vertegenwoordiging van de Nederlandstaligen wordt gegarandeerd, bijvoorbeeld in de politieraad?

Hoe verloopt de verdere timing van het fusieproject?

U pleit voorts voor verdere fusies in Vlaanderen en Wallonië en wil bij fusies de schulden van de betrokken politiezones overnemen. Hoeveel budget is hiervoor voorzien? Bent u al gecontacteerd door zones die willen fuseren en welke zijn dat dan?

De gouverneurs moeten met een plan komen. Wat is hun precieze opdracht en tegen wanneer verwacht u hun plan op tafel?

U wil in bepaalde gevallen beslissen om fusies te verplichten. Op basis van welke criteria wil u dat doen en welke zones hebt u hierbij in gedachten? ​

Ik heb dus toch wel een aantal vragen waarop ik vandaag graag wat antwoorden zou krijgen.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, ik heb twee vragen ingediend, maar wat collega De Vreese reeds heeft opgesomd, zal ik niet herhalen. We hebben kennis kunnen nemen van uw plannen om de Brusselse politiezones te fuseren. Met Vlaams Belang zijn wij daar grote voorstander van. Omtrent de concretisering ervan blijven wel wat vragen hangen. In uw plan voorziet u een overname van de schulden van de Brusselse politiezones door de federale overheid en, niet onbelangrijk, een hervorming van de KUL-norm. Ook is er sprake van de oprichting van een metropolitiekorps onder de nieuwe eengemaakte zone. De negentien Brusselse burgemeesters zouden dan elk een rol krijgen in het politiecollege.

Wat in onze ogen voorlopig ontbreekt in uw plan, is de figuur van een hoofdstedelijke minister van Veiligheid. Daar pleiten wij alleszins voor. Daarnaast vragen wij ons af hoe de versterking voor de agenten op het terrein vorm zal krijgen, want daar moet het uiteraard toe leiden. Die fusie moet tot efficiëntie leiden en moet ook ten goede komen aan de gewone politieman en politievrouw in de straat.

Mijnheer de minister, eerst en vooral wil ik het tijdspad bevragen. U spreekt van 1 januari 2027 om die fusie gefinaliseerd te krijgen. Is dat tijdspad realistisch en haalbaar? Zal dat niet leiden tot een halfslachtige hervorming? Als er hervormd wordt, kan dat best meteen grondig gebeuren, niet halfslachtig.

Hoe zal de hervorming van de KUL-norm in de praktijk eruitzien? Dat zal geen gemakkelijke oefening zijn, want het gaat uiteraard niet enkel over de Brusselse politiezones, maar ook over de vele andere politiezones in ons land.

Collega De Vreese heeft al aangehaald dat de tweetaligheid van de politiekorpsen in Brussel gegarandeerd moet blijven en worden. Daarover had ik ook graag wat duidelijkheid.

Mijn tweede vraag gaat over een element dat ik ook al in de plenaire vergadering heb aangehaald tijdens de vragensessie. U krijgt niet enkel de steun van de Nederlandstalige partijen, maar ook van de gewone politieman en politievrouw op straat. Daarvoor verwijs ik naar de open brief waarin Brusselse agenten expliciet hun steun uitspreken voor de fusie van de Brusselse politiezones.

We lezen echter ook een aantal zorgwekkende waarschuwingen. Zo schrijven de agenten dat ze in sommige zones misbruikt worden voor politieke of persoonlijke doeleinden. Wij hebben dat al meermaals ondervonden, zowel bij activiteiten van mijn partij in Brussel als bij wat men kan bestempelen als rechtsgeoriënteerde conferenties, in sommige gemeenten in Brussel, waar burgemeesters toch wel zeer activistisch te werk gaan. We zijn al naar de Raad van State moeten gaan om ons gelijk te halen. Ook in de brief waarschuwen agenten voor politieke inmenging. Wij moeten die waarschuwing ernstig nemen, dat moet ons ook zorgen baren.

Hoe zult u die nieuwe eengemaakte zone beschermen tegen deze politieke inmenging en misbruik? Zullen we dit kunnen terugvinden in de wetteksten? Zal in de wetteksten staan dat de politie in de toekomst niet langer oneigenlijk kan worden ingezet en zich zal kunnen focussen op de echte politionele taken?

Wordt er overwogen om bepaalde elementen van de politiezones gedecentraliseerd te laten? Zo ja, welke?

Zult u een onafhankelijk en grondig onderzoek naar de verschillende opgesomde wanpraktijken bevelen?

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, onze fractie is ook groot voorstander van de fusie. We zijn blij dat er stappen vooruit worden gezet. Die fusie biedt heel wat voordelen, maar er zijn ook een aantal valkuilen. Ik heb twee aanbevelingen die ik als vragen heb verpakt.

Ten eerste, op welke manier zal de democratische controle georganiseerd worden? Tot nu toe wordt gesteld dat de burgemeesters hierbij betrokken zouden worden. Het is inderdaad belangrijk om de burgemeesters erbij te betrekken in een soort politiecollege. Omdat er in de huidige structuur van een lokale politiezone een politieraad en een politiecollege zijn, is het belangrijk dat er ruimte wordt gemaakt voor een vorm van een politieraad. Ik spreek me niet uit over welke vorm dat moet zijn. Het is belangrijk om niet alleen de burgemeesters te betrekken bij het beleid, maar ook de raadsleden uit de verschillende gemeenteraden van de Brusselse gemeenten te betrekken bij een vorm van een politieraad. Vanuit het oogpunt van democratische controle is dat absoluut belangrijk.

Ten tweede is voor mijn fractie de nabijheid heel belangrijk. U hebt al enkele keren verklaard dat nabijheid voor u ook heel belangrijk is. De vraag is dan hoe we dat gaan organiseren. Zullen we nabijheid op niveau van de gemeenten organiseren? Het is perfect mogelijk om voor één politiezone in één post per gemeente te voorzien. Op die manier is de politie gedecentraliseerd aanwezig. Een aantal Brusselse politiezones werken echter nu al veel gedecentraliseerder op het gebied van hun gemeente. De vraag is dan of we die manier van werken gaan overnemen dan wel of we toch richting één ankerpunt per lokaal bestuur gaan.

U voelt aan mijn vraag aan dat ik er nogal voorstander van ben om echt lokaal te werken en die nabijheid maximaal in te vullen en dus niet te reduceren tot één kantoor per gemeente. Dat is een terechte bezorgdheid van veel partners.

Paul Van Tigchelt:

Mijnheer de minister, ik vind het een kwalijke tendens dat iedereen zomaar anoniem brieven naar de pers begint te schrijven, want wie vertegenwoordigen die mensen? Ik geef geen kritiek op de politieambtenaren in kwestie, wel op de tendens om anoniem naar de pers te stappen en daar allerlei zaken aan de kaak te stellen. Begin er maar aan om daar als minister op te reageren. Ik vind dat een tendens die we niet per se moeten toejuichen. Ik vind dat we in het Parlement misschien ook een beetje afstand van dergelijke praktijken moeten nemen.

Ik ben helemaal aan het afwijken van mijn vraag, mijnheer de minister, waarvoor mijn excuses.

De analyses zijn gekend. Er is een gebrek aan efficiëntie. We missen één kapitein op het schip in de Brusselse politiezones. We weten dat. We weten ook dat het in ons land moeilijk is om effectief te hervormen. U doet dat nu en verdient daarvoor alle krediet. Dat meen ik ook. Het is goed dat we dit debat in het Parlement kunnen voeren.

Ik heb een aantal praktische vragen over het budgettaire tijdpad. U hebt gecommuniceerd dat er een schuldovername zal worden gedaan. De Brusselse politiezones worden al gesubsidieerd door de FOD Binnenlandse Zaken. Wat betekent die schuldovername precies? Hoe zit het met de fusiebonus?

We gaan dezelfde oefening, op een minder verplichtende manier, hopelijk ook in Wallonië en Vlaanderen doen. We gaan daar ook politiezones fuseren. Is daar budgettaire ruimte voor? Hebt u een budgettair kader om te werken aan die KUL-norm, aan de fusie van de politiezones, ook in Vlaanderen? Dat is nodig.

Dat zijn mijn belangrijkste vragen, mijnheer de minister. Ik vroeg dus naar het budgettaire kader voor Brussel. Hoe ziet u de fusies in Vlaanderen? Welke budgetten zijn daarvoor eventueel ter beschikking?

Ridouane Chahid:

Monsieur le ministre, la question de la fusion des zones de police suscite beaucoup de débats au sein même de votre formation politique, puisque deux députés-bourgmestres membres de votre formation politique s'opposent à cette fusion lorsque cela les concerne. Je suis bien curieux de voir si ces deux députés-bourgmestres vont voter la fusion de la zone de police à Bruxelles, alors qu'ils la refusent pour leurs communes. Ce sera drôle de voir si c'est une question de conviction, si la sécurité est une question à deux vitesses au MR ou si c'est un cadeau institutionnel plutôt qu'une réponse opérationnelle.

Vous avez annoncé dans la presse votre plan visant à fusionner les six zones de police, en faisant un grand corps de plus de 7 700 personnes (6 400 opérationnels et plus de 1 300 CALog). Vous avez également plus ou moins dessiné l'architecture institutionnelle de cette future zone de police, avec un chef de corps, des bourgmestres, le ministre-président, etc.

La question qu'on se pose, c'est la question du calendrier. Pourriez-vous être plus précis par rapport au calendrier de cette réforme? Vous avez parlé de janvier 2027, mais quel est exactement le timing de la mise en place de cette nouvelle zone de police?

Vous avez parlé des concertations avec les autorités communales. Je parlerais d’information plutôt que de concertation puisqu'il nous revient qu'un certain nombre de choses n'ont pas été dans un sens de négociation ou de dialogue. Y a-t-il aussi eu une concertation avec les autorités judiciaires? Il y a les communes, il y a évidemment les chefs de corps mais le parquet aussi est partie prenante dans cette fusion des zones de police.

Le modèle de gouvernance que vous prévoyez ne parle pas du conseil de police. Il est question du grand collège de police. Qu’en est-il du débat démocratique? Nous savons tous que dans les collèges, c'est la majorité qui est représentée. Dans les conseils de police, il y a aussi l'opposition. Quel rôle aura l'opposition dans le débat démocratique de cette zone de police?

Nous avons parlé du budget, du financement. Quid du financement supplémentaire du fédéral pour absorber la dette mais aussi en ce qui concerne le fonctionnement? On l'a dit, la question concerne surtout le fonctionnement de la zone.

Un avis a été rendu sur une proposition de l'Open Vld sous la précédente législature. Le Conseil d'État émet un certain nombre de remarques par rapport à l'autonomie et à la possibilité de toucher à l'autonomie des communes. Avez-vous connaissance de cet avis du Conseil d'État? Avez-vous pu l'examiner? Avez-vous une réponse?

Monsieur le président, j'ai encore une suggestion pour vous. Vous vous rappelez que j'avais fait une demande pour que la commission puisse visiter safe.brussels. J'y reviens car j'ai entendu des collègues parler de la question de la gestion de la crise à Bruxelles et dire "on ne sait pas comment ça se passe", etc. Un organe gère la crise à Bruxelles. Il y a safe.brussels avec une plate-forme. Quatre zones de police ont transféré leurs images et les caméras à safe.brussels. Je pense qu'il serait intéressant que la commission aille sur place pour qu'elle se rende compte qu'en temps de crise, un commandement unique existe déjà à Bruxelles.

Voorzitter:

Ik neem de suggestie mee. Mevrouw Maouane is niet aanwezig.

Xavier Dubois:

Monsieur le ministre, la nouvelle majorité s'est positionnée en faveur de la création d'une zone de police unique à Bruxelles. Vous aviez annoncé, lors de l'examen de votre note d'orientation politique, qu'un projet de loi sur les fusions serait prêt d'ici l'été. Vous vous êtes engagé à rencontrer les acteurs de terrain, les 19 bourgmestres ainsi que les six chefs de zone. C'est une bonne chose. C'est essentiel.

Entre-temps, des voix parmi les policiers des zones concernées se sont exprimées anonymement en faveur de la création de la zone de police unique. À leurs yeux, la fusion des zones de police, je cite, "représente indéniablement une opportunité d'améliorer l'efficacité du travail des policiers et faciliterait notamment l'échange d'informations entre zones". Ces policiers déplorent la stature d'opposition de certains chefs de corps et bourgmestres envers cette fusion.

Monsieur le ministre, la deadline de l'été prochain approche à grands pas, d'autant plus que vous vous êtes engagé également à accompagner cette réforme d'une autre réforme tout aussi importante – si pas plus –, celle de la nouvelle norme de financement des zones de police.

Comment comptez-vous mener à bien simultanément ces deux projets d'ici la fin de l'été? Quel est le planning concret envisagé? Avez-vous entre-temps pu rencontrer tous les acteurs de terrain? Pouvez-vous détailler comment se sont passées ces rencontres? Vu l'opposition ferme à la réforme de certains d'entre eux, comment comptez-vous les faire évoluer dans le sens souhaité?

La presse a relayé l'expression de certains policiers en faveur de la réforme. Avez-vous également d'autres témoignages en ce sens? Quels sont leurs points de vue? Que vous ont-ils partagé?

François De Smet:

Je vous plains, monsieur le ministre, car je pense que tant que cette réforme n’aura pas abouti, certains collègues néerlandophones continueront de vous mettre la pression pour que le dossier avance, et certains collègues francophones continueront de vous expliquer pourquoi ce n’est pas une bonne idée.

La dynamique m’inquiète parce qu'au début de la législature – il y a deux mois –, vous disiez que vous prendriez le temps de faire les choses raisonnablement. Or on constate aujourd’hui que vous êtes de plus en plus mis sous pression pour que le dossier avance. Je m’inquiète de l’énergie folle que cette réforme vous prend déjà, et j'espère que cela ne vous distrait pas du reste de votre travail.

Pour le reste, j’ai pu constater l’opposition assez marquée de nos deux collègues députés-bourgmestres – puisque tant le MR que le PS cumulent les mandats en Wallonie et ailleurs – qui ont affirmé qu’ils ne fusionneraient pas. J’aimerais savoir ce que vous en pensez. J’aurais également voulu connaître l’avis de Mme Reuter et M. Scourneau. Car ce qui est insupportable, c’est une fois de plus le caractère contraint. Ces deux bourgmestres-députés MR vont voter pour forcer les Bruxellois à procéder à une fusion qu’eux-mêmes n’accepteront pas en Brabant wallon. Qu’est-ce qui justifie que les Flamands et les Wallons puissent librement décider de fusionner, et que l’on estime visiblement que les édiles bruxellois seraient moins à mêmes de le faire?

Je dois également admettre que je comprends de moins en moins la position du groupe Les Engagés. M. Prévot affirme qu’il s’agit d’une réforme opérationnelle qui ne comporte pas d’aspect communautaire. Le bourgmestre de la commune de Woluwe-Saint-Pierre vient de réaffirmer que la fusion est une très mauvaise idée et qu’il s’y opposera de toutes ses forces. Or, ici, son collègue va dans le sens contraire. Tout part dans tous les sens.

La question du contrôle démocratique, notamment des élus de l’opposition, demeure. Au vu des mécanismes mis en place – un ministre-président, dix-neuf bourgmestres, un kern décisionnel, des chefs de corps –, il me paraît très difficile de concilier la volonté de fusion des partis néerlandophones d’une part, et la volonté de contrôle démocratique des bourgmestres et des chefs de corps bruxellois de l’autre. Je suis curieux de savoir comment vous entendez vous y prendre.

Bernard Quintin:

Monsieur le président, madame et messieurs les députés, je vous remercie beaucoup pour ce nouveau débat d'actualité. De fait, je pense que ce n'est pas le dernier mais je me réjouis de participer à la vitalité du débat démocratique ici. Cette vitalité du débat démocratique se passe parfois au sein même des partis, ce qui ne me parait pas forcément être une mauvaise chose.

Pour ce qui est de la fusion des zones de police, je voudrais insister sur le fait que – c'est ma vision des choses –c'est un projet destiné à renforcer la sécurité pour tous nos concitoyens, en commençant en effet par Bruxelles.

Ce n'est pas une réforme, mais bien un plan de fusion. Ce n'est pas une réforme au sens où nous ne réformons pas la police intégrée à deux niveaux. D'autres projets sont en cours de ce point de vue-là.

Il s'agit d'un plan de fusion pour toutes les zones de police, commençant par la capitale car la situation l'exige. Pour ce faire, nous instaurerons un commandement unique qui permettra d'avoir une vision de sécurité globale pour l'ensemble de la capitale et de pouvoir agir vite et fort lorsqu'un problème de sécurité se présente.

Il me paraît utile de rappeler le processus de concertation que j'ai lancé dès mon entrée en fonction sur ce dossier. Durant les mois de février et mars, j'ai pris mon bâton de pèlerin et je suis allé à la rencontre de tous les bourgmestres bruxellois afin de les entendre sur leurs priorités, mais aussi, il est vrai, leurs inquiétudes relatives à la fusion des six zones de police. Trois arguments sont revenus systématiquement au cours de ces dix-huit entretiens, d'une vingtaine d'heures au total: la nécessité de maintenir une police de proximité, l'impérieuse nécessité d'opter pour une gouvernance agile et l'indissociabilité d'une réforme structurelle avec la question du financement.

Sur cette base et en concertation avec plusieurs acteurs, j'ai élaboré les contours d'un projet de réforme que j'ai présenté au premier ministre, aux bourgmestres bruxellois, aux six chefs de corps, au directeur de la communication de la police fédérale, à la Commission Permanente de la Police Locale (CPPL) et aux syndicats. Je pense que l'on ne peut pas me prendre en défaut de concertation, de ce point de vue.

L'actualité récente nous a montré qu'il est essentiel de pouvoir lutter plus rapidement et plus fortement contre les criminels, du plus petit au plus grand. À cet égard, j'ai pour ambition que le projet de fusion des six zones bruxelloises serve d'exemple à l'échelle du royaume. Je pense que nous serons d'accord entre Bruxellois pour penser que Bruxelles pourrait retrouver un rôle d'exemplarité dans le royaume.

Cependant, comme je l'ai déjà indiqué, ce projet de fusion ne concerne pas uniquement notre capitale mais vise également à encourager les fusions à l'échelle nationale, comme le prévoit d'ailleurs l'accord de coalition fédéral. Pour ce faire, j'ai mandaté les gouverneurs afin qu'ils me transmettent deux fois par an une trajectoire de fusion.

À ce stade, je peux vous informer que des principes de gouvernance intègrent la création d'un bureau au sein du Collège de police avec une représentation territoriale équilibrée, un équilibre décisionnel durant les processus de fusion ainsi que la suppression des conseils de police au niveau national au profit d'un contrôle démocratique renforcé par le premier organe démocratique local qui est le conseil communal, dans lequel, il me semble, à moins que je sois mal informé, qu'il y a une majorité et une opposition représentées de manière équilibrée en fonction du résultat des élections communales.

Wij zullen uiteraard de gelegenheid hebben de modaliteiten te bespreken zodra u de tekst in handen hebt, evenals de fusiecriteria en het mechanisme voor de schuldovername die ik in de wet wil opnemen. Dat mechanisme is geïnspireerd op de decreten van het Vlaams en het Waals Gewest die in een schuldovername voorzien in het kader van de fusies van de gemeenten. Bij de berekening van de schuldovername wordt rekening gehouden met de verhoging van de categorie van de politiezone die fuseert en met het aantal personeelsleden dat door de fusie wordt getroffen.

En outre, le projet de loi révisera la base juridique de la dotation de fusion qui existe actuellement dans la loi et qui doit être révisée sur le plan juridique après avoir été contestée devant le Conseil d' É tat.

Deze dotatie zal op een intelligente manier worden gekoppeld aan het mechanisme voor de schuldovername dat ik voor alle zones voorstel en zal dienen om een deel van de kosten van het fusieproces te dekken, ongeacht of deze vrijwillig of opgelegd zijn.

Wat betreft de vragen van mevrouw De Vreese, een voorontwerp van wet wordt momenteel afgerond. De verschillende formele raadplegingen gaan volgende week van start, met adviesaanvragen bij onder meer de VCLP, de Raad van burgemeesters, de federale politieraad, de VVSG en de Inspectie van Financiën en uiteraard een budgettaire goedkeuring.

Zodra deze adviezen en het akkoord zijn verkregen, moet het voorontwerp vóór 21 juli op de agenda van de ministerraad worden geplaatst, zodat het zo snel mogelijk in de Kamer kan worden behandeld.

Pour répondre aux questions posées sur le calendrier, notamment par M. Chahid, je précise qu'après ce vote, il faudra que le Roi décide par arrêté de créer la zone unifiée et, dans un second temps, via un autre arrêté royal, que le Roi institue la zone nouvellement créée. Il va de soi qu'un délai entre ces trois moments permettra d'opérationnaliser cette fusion. Mon objectif reste à ce jour d'instituer la zone unifiée au 1 er janvier 2027.

Par ailleurs, l'opérationnalisation des fusions relève des autorités locales des zones de police concernées. Elles peuvent compter sur le soutien plein et entier de moi-même, de mon cabinet et de mes administrations. Je fais confiance aux gouverneurs, aux bourgmestres et aux chefs de corps qui connaissent parfaitement leur territoire pour accompagner et mettre en œuvre la fusion de manière optimale. J'ai pris connaissance que des premières réunions internes ont eu lieu à la demande des bourgmestres bruxellois pour d'ores et déjà avancer sur l'opérationnalisation.

J'en profite pour répondre sur la question des témoignages anonymes. Je partage ce qui a été dit avec toute la réserve dont l'exécutif doit faire preuve à ce sujet-là. Je signale tout de même que lors de ces auditions au Parlement bruxellois, un chef de corps a dit tout le bien qu'il pensait de cette fusion, et ces propos sont aussi entendus.

Ridouane Chahid:

(…)

Bernard Quintin:

Si, Bruxelles Nord, cela vous concerne!

Ridouane Chahid:

(…)

Bernard Quintin:

Moi, j'écoute ce qu'il a dit au Parlement bruxellois.

Het staat vast dat een eengemaakte zone zal leiden tot de harmonisering van de praktijken, zowel op het vlak van opleiding als op het vlak van de voordelen voor het politiekorps. De aantrekkelijkheid van het beroep staat centraal in mijn huidige reflectie, omdat die de verschillen tussen de personeelsformatie en de werkelijke situatie in de zones gedeeltelijk verklaart.

Mijnheer Van Tigchelt en mijnheer Vandemaele, wat de nabijheid betreft, zou het koninklijk besluit van 12 oktober 2001, dat de organisatie en werkingsnormen van de lokale politie vaststelt teneinde een gelijkwaardige minimale dienstverlening aan de bevolking te verzekeren, kunnen worden herzien om de nabijheid te versterken. Er wordt ook nagedacht over de integratie in de bestuursmechanismen van garanties inzake de toewijzing van het kader om de nabijheid te verzekeren en tegelijkertijd de interventiecapaciteit bij onverwachte gebeurtenissen te versterken.

Le plan de sécurité zonal, qui doit être élaboré et piloté par le Conseil de sécurité zonal, intégrera cette dimension et les spécificités locales. Ce Conseil zonal comprend déjà les autorités judiciaires, et cela ne changera évidemment pas à l'avenir.

Mijnheer Depoortere en mijnheer Dubois, ik wil snel vooruitgang boeken in dit dossier. Zoals reeds aangegeven, heb ik echter de tijd genomen voor het noodzakelijke overleg et je vais continuer d'ailleurs .

Ik ben ervan overtuigd dat mijn collega-ministers net zoals ik de noodzaak erkennen om de situatie in de hoofdstad te verbeteren en dat deze fusie daarvoor een belangrijk element is. Wat de specifieke kwestie van het gebruik van de talen van de hoge ambtenaar betreft, herinner ik u eraan dat het om een gewestelijk ambtenaar gaat en dat zijn statuut door de gewestelijke overheid wordt bepaald.

Un autre volet, non moins important, est celui de la réforme de la norme KUL, soulevée par certains d'entre vous, qui est également une autre de mes priorités en ce début de législature. Cette réforme sera traduite par un arrêté royal déterminant de nouvelles variables de calcul actualisables, plus simples, plus lisibles et beaucoup plus en phase avec la réalité des zones de police.

Cette réforme vise à une meilleure équité des moyens qui sont alloués, et ce, dans une enveloppe budgétaire que le gouvernement veut voir renforcée. La commission multidisciplinaire que j'ai réactivée se penche sur la question. Les travaux sont en cours, à un rythme soutenu, et je mène de conserve les deux dossiers.

À côté de la question des révisions territoriales des structures que je souhaite lier aux questions de financement, je n'oublie pas un élément fondamental, à savoir l'attractivité de la fonction que je souhaite voir renforcée.

Tot slot, ik wens met jullie in de komende maanden vastberaden te debatteren over dit belangrijke project van het federale regeerakkoord, een project dat efficiëntie en doeltreffendheid, overleg en dialoog combineert en dat naar mijn mening beantwoordt aan een dringende noodzaak voor ons land, voor onze hoofdstad en voor onze medeburgers.

Monsieur Legasse, je pense que j'ai répondu à la plupart de vos questions. Je voulais peut-être insister sur le fait qu'il s'agit bien d'un plan de fusion des zones de police au niveau national, avec une première mise en œuvre à Bruxelles. Comme j'aime à le dire, je ne suis pas rousseauiste, donc je ne crois pas que l'homme soit bon par nature. Par contre, je crois en l'intelligence et je suis persuadé qu'en bonne intelligence, nous pourrons mener à bien les réformes qui sont nécessaires pour les questions de sécurité dans le respect, bien entendu, de la majorité et de l'opposition.

Dimitri Legasse:

Merci, monsieur le président. La suppression des conseils de police est marquée noir sur blanc dans un document envoyé par vos services et présenté aux bourgmestres bruxellois. Les compétences des conseils de police seront transférées au collège de police et certaines décisions seront notifiées aux conseils communaux. Je pense donc que quelqu'un se trompe. Peut-être est-ce moi.

En ce qui concerne "l'agilesse" ou "la soupleté" dont vous faites preuve, elles sont "surprenifiantes" – pardonnez-moi le français un peu détourné, ce sont des mots sympathiques. Cependant, il n'est pas question ici d'agilité mais de fusion pour aller vers une police plus unitaire, plus unique, plus commandée, plus autoritaire. Quand on parle d'anonymat et qu'on considère que les expressions anonymes valent davantage que les expressions au Parlement, qui sont contredites le lendemain, j'avoue que j'ai un peu de mal. Quand on considère que l'on fait confiance aux bourgmestre mais que l'on ne fait pas confiance aux bourgmestres libéraux du Brabant wallon, je n'ai pas moins de mal. Certaines choses sont un peu dérangeantes dans l'expression.

La norme KUL originale, calculée par une université, prévoyait des financements qui n'ont pas été adaptés depuis. Dans ma zone par exemple, on n'a pas tenu compte d'un club de football en Division 2, on n'a pas tenu compte d'une prison nouvellement ouverte, etc. L'injustice a duré 24 ans puisque cela date de 2001. Maintenant, les choses vont être rectifiées, on ne sait pas comment. J'attends de voir. La base est-elle maintenant de 1 000 plutôt que de 150, pour prendre une référence chiffrée en termes de personnel occupé? Autant de questions ouvertes pour lesquelles je n'ai pas de réponse. Vous ne les avez pas encore, j'entends bien. On y travaille ardemment.

M. De Smet disait qu'il vous plaignait. Je vous plains davantage, très sincèrement. Quand il s'agit de concertation, en tous cas au niveau de ma zone, il y a zéro concertation. J'ai envie de dire aussi zéro information. C'est parce que je suis parlementaire que j'ai quelques informations. J'ai donc envie de dire police, zéro, Pâques, zéro, parce que dans les accords de Pâques, il n'y a pas un franc.

Maaike De Vreese:

Mijnheer de minister, de voorbij weken en maanden konden we vaststellen hoe noodzakelijk het is dat de Brusselse politiezones fuseren. Sommige partijen zitten nog in de ontkenningsfase, maar de brede bevolking en het overgrote deel van de politieagenten steunen die beleidsoptie.

Ik zie dat u stappen doet, vooruitgang boekt en communiceert. Dat is noodzakelijk, opdat de burger geïnformeerd is en meestapt in het verdere proces. We wachten nu natuurlijk de teksten af hier in het Parlement.

Voor ons als partij zijn garanties voor de tweetaligheid van de politie alvast heel belangrijk. We moeten dus ook zeker en vast inzetten op de vertegenwoordiging van Nederlandstaligen, zodat de politieke democratische controle gegarandeerd is. Dat beseffen gemeenteraadsleden of bestuurders – en de meeste onder ons oefenen dergelijke mandaten uit – maar al te goed. Bij ons in Brugge staat het thema bijvoorbeeld ook op de agenda van de gemeenteraad, zodat men er de nodige vragen over kan stellen. Kortom, er moet een manier worden gevonden, zodat de Brusselse politiek controle kan uitvoeren op wat er bij de politie gebeurt. Daarop kan echter zeker en vast een antwoord worden gevonden.

Ik heb u niets horen zeggen over de integratie van de metropolitie in de lokale politie, een zijsprong in uw communicatie. Het metronet moet inderdaad veilig zijn, inclusief in en buiten de stations, conform trouwens het regeerakkoord, maar er mag geen dubbel op zijn. Op het moment is er echter onduidelijkheid over wie waar instaat voor de veiligheid.

Tot slot moeten we er ook voor zorgen dat niet een van de 19 burgemeesters in het ene politiecollege de hele boel via een vetorecht kan blokkeren. Ik ben benieuwd naar de manier waarop dat in uw ontwerp omschreven staat. Ik heb er op het moment geen zicht op. Hiermee heb ik al een paar zeer belangrijke aspecten voor uw ontwerp meegegeven; wij zijn in blijde verwachting ervan.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, ik wil u vooreerst bedanken voor uw heldere antwoord.

Het verheugt mij dat er niks op de lange baan wordt geschoven en dat u binnenkort met een wetsontwerp naar het Parlement zult komen. Hopelijk zullen wij dat ontwerp in het nieuwe werkjaar vanaf september-oktober 2025 hier in de commissie voor Binnenlandse Zaken, Veiligheid, Migratie en Bestuurszaken kunnen behandelen. Ik kijk alvast uit, net zoals u, naar het debat daarover. U hebt wel al een tipje van de sluier gelicht. The proof of the pudding is in the eating . De concrete teksten zou ik dus wel even onder ogen willen krijgen.

Mijnheer de minister, u zult niet enkel in Brussel maar in alle politiezones niet te veel werk hebben om de geesten in Vlaanderen te kneden. Vlaanderen heeft al de gewoonte om over te gaan tot efficiëntere structuren. U kunt het gerust vergelijken met de fusies van de gemeenten, waarin Vlaanderen veel verder staat dan Wallonië. Ik vrees dat u in Wallonië wel wat werk zult hebben om iedereen te overtuigen van de noodzaak om tot grotere fusies te komen, niet enkel op gemeentelijk vlak maar zeker ook op politioneel vlak.

Het misverstand dat de nabijheidspolitie zou verdwijnen door een fusie, slaat nergens op. De nabijheidspolitie blijft. Ik ben ook blij dat u dat vandaag onderstreept.

Net zoals voor mevrouw De Vreese is de taalwetgeving voor mijn partij van heel groot belang.

Ten slotte geef ik graag mee dat ik in tegenstelling tot de heer Van Tigchelt wel graag klokkenluiders hoor, ongeacht of ze al dan niet anoniem zijn. Signalen moeten steeds ernstig worden genomen. Politieambtenaren hebben soms ook geen andere manier dan een en ander anoniem via open brieven te melden. Er moet minstens geluisterd worden naar de signalen en ze moeten worden onderzocht. Mijnheer de minister, ik hoop dat u dat zult doen.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, het is een breed gedeelde zorg, zowel hier in commissie als op het terrein – u gaf toe dat dit in al uw gesprekken met lokale politiebestuurders naar voren kwam – dat de politie nabij moet zijn. U argumenteert dat u daartoe het koninklijk besluit zou kunnen herzien. Ik vind dat zeer voorwaardelijk. Voor mijn partij is nabijheid een voorwaarde om tot de fusie te kunnen overgaan. Ik wil u dus oproepen de processen parallel te doen verlopen. We voeren de fusie uit, maar parallel bouwen we een veiligheid in waardoor de nabijheid gegarandeerd is. Dat kunnen we doen door het koninklijk besluit aan te passen, zoals u zelf zei. Nabijheid is een absolute voorwaarde.

Een ander element van mijn vraag betrof de democratische controle. U sust dat er inderdaad plaats is voor de gemeenteraadsleden. Ik vind die keuze zeer belangrijk, want nu al wordt er te vaak tijdens de vergaderingen van de gemeenteraad in dat verband opgeworpen dat men veiligheidsthema's niet kan bespreken, omdat de bevoegdheid ter zake aan de politieraad toekomt. Dat hoeft geen probleem te zijn, zolang de gemeenteraden deftig vertegenwoordigd zijn in die politieraad. Als de democratie op die manier verzekerd is en de oppositie ook daarin een stem krijgt, kan ik daar perfect mee leven.

We kijken alvast uit naar de teksten. We zullen het project steunen, want voor ons gaat het de goede richting uit.

Paul Van Tigchelt:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. De ambitie is duidelijk en u koppelt daar een pak voluntarisme en vooral actiebereidheid aan, wat goed is. U blinkt op dat vlak uit, wat niet kan worden gezegd van al uw collega's in de arizonaregering, waar ik vaak meer twijfel opmerk.

We zullen het dossier goed opvolgen. We hebben in dit land 51.000 politieambtenaren, waarvan meer dan 6.500 in de 6 Brusselse politiezones en we willen die beter inzetten ten dienste van de bevolking. Dat is uw doel en daarvoor verdient u onze steun.

Ridouane Chahid:

Monsieur le ministre, vous n'avez pas répondu à une de mes questions. Il s'agit de la question relative à l'avis du Conseil d'État qui a été rendu sur la proposition de l'Open Vld. Celui-ci indique clairement que le Parlement bruxellois doit se positionner par rapport à un accord, conformément à l'article 50 de la loi spéciale du 12 janvier 1989. Avez-vous pris connaissance de cet avis relatif à la question de la fusion des zones de police? Avez-vous une réponse concernant cet avis qui est clair?

Par ailleurs, j'entends des collègues s'inquiéter de la représentativité garantie des néerlandophones. Dans l'état actuel des choses, les élus néerlandophones bruxellois ne sont pas représentés dans cette fusion des zones de police. Ainsi, aucun élu néerlandophone ne pourra siéger puisque les collèges, comme vous le voulez, sont représentés par des bourgmestres francophones. Il n'y aura donc pas d'élus néerlandophones. La question de la démocratisation et du débat démocratique n'aura pas lieu.

Avec tout le respect que j'ai pour vous, monsieur le ministre, la question de la sécurité, en tout cas à Bruxelles, relève exclusivement du bourgmestre. Il peut donc y avoir un débat au conseil communal mais il n'est pas obligatoire. Le conseil de police et le Collège de police sont aujourd'hui les seuls à être en droit d'adopter la note d'orientation de la zone de police sur les questions de sécurité. Le conseil de police peut interroger les bourgmestres sur les questions et les orientations de sécurité. En tant qu'ancien bourgmestre, je peux vous dire que j'ai déjà refusé des débats de sécurité au conseil communal. En effet, bien que le conseil communal puisse évoquer l'intérêt général, le bourgmestre a le droit de statuer qu'une question doit être évoquée au sein de la zone de police. Si un élu néerlandophone n'est pas représenté à la zone de police, il n'aura pas le droit de regard et il n'aura pas droit à des réponses sur les questions qu'il aura posées.

Finalement, je reste toujours sur ma faim concernant la question des moyens. Vous êtes favorable à la fusion, mais fusionner sans renforcer le cadre et en conservant le même personnel policier n'apportera pas les réponses en matière de sécurité que vous espérez tant.

Je vous remercie, monsieur le ministre.

Xavier Dubois:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses. J'entends tout le travail qui est déjà mené et qui va encore l'être. Le timing est serré, mais votre ambition est de le tenir. Vous avez mis en avant toutes les initiatives de concertation que vous avez prises. Il faut le noter et le souligner.

Notre position est claire et n'a pas changé: nous souhaitons que cette réforme soit entreprise de manière intelligente et de manière concertée. Elle doit représenter une réelle plus-value pour tous les acteurs de terrain et, surtout, pour tous les citoyens bruxellois, qui attendent fort légitimement davantage de sécurité dans leur vie quotidienne.

Pour répondre au collègue De Smet, il faut entendre avec beaucoup d'humilité ce que disent les policiers de terrain. Quand ils disent eux-mêmes que cette fusion est une occasion à saisir pour améliorer leur travail et faciliter l'échange d'informations entre zones, ils font preuve de réalisme et d'optimisme. Il faut donc y travailler intelligemment et ne pas en faire n'importe quoi. À vous de concrétiser ce projet important, monsieur le ministre, et de répondre aux attentes des policiers et des citoyens. C'est nécessaire.

Bernard Quintin:

Monsieur le président, comme c'est un débat, débattons!

Ik zal later terugkomen op de metropolitie, aangezien ik uw vraag daarover niet heb beantwoord. We moeten voor de basis naar de Spoorwegpolitie (SPC) kijken en daarbij de specifieke kenmerken van het metronet, met name een spoor voor vervoer in de stad, in acht nemen. Nogmaals, de achterliggende idee is efficiëntie. Dat is ons motto.

Concernant les affirmations de M. Legasse, je tiens à souligner ici que je m’insurge et m’inscris en faux par rapport à l’idée que notre ambition est de mettre en place une police autoritaire. Je ne peux pas le laisser dire et j’affirme très clairement que je n’accepte pas ce procès d’intention.

S’agissant des conseils de police et du conseil communal, dès lors que le conseil de police est supprimé, il reviendra au conseil communal de reprendre les choses en main. Si vous affirmez que le bourgmestre ne peut pas être interrogé sur les questions de police, ce n’est donc pas moi qui mets en place des structures autoritaires, mais d’autres personnes. Il faut un contrôle démocratique, il doit être organisé. Le conseil de police est l’émanation de conseils communaux, de manière d'ailleurs peu égalitaire. Je souligne toutefois avec satisfaction votre intérêt pour la défense des néerlandophones à Bruxelles. C’est la ligne que je suis également.

Par rapport aux propos de M. Vandemaele et à la proximité, nous allons en effet revoir l’arrêté royal. Il me paraît toutefois important de noter ici que one size does not fit all . Dans les normes que nous établissons, et dans le travail de réforme de la norme KUL, nous cherchons d’ailleurs justement à être flexibles. On pourrait décider d’établir une norme, par exemple de compter un policier pour 2 000 citoyens. Or, la situation à La Panne n’est pas comparable à celle d’Evere ou de Bastogne. Mes équipes et moi-même essayons donc de mettre en place des réformes qui collent le mieux à la réalité, et qui peuvent être adaptées. Car en effet, il y a des évolutions. M. Legasse parlait de stades de football; prenons l’exemple de la Royale Union Saint-Gilloise qui est passée de provinciale en première division ou d’autres clubs qui ont été déclassés. Nous pourrions aussi penser aux grands festivals qui n’existaient pas il y a 25 ans. J’accepte volontiers la contradiction, car c’est là que l’on peut pêcher de bonnes idées. Mais je souligne que nous cherchons à faire une réforme qui colle au mieux à la réalité et qui, surtout, soit évolutive.

Voorzitter:

U mag zeker nog repliceren, mijnheer Chahid.

Ridouane Chahid:

Monsieur le ministre, sur le dernier élément, personne ne vous enlèvera que vous essayez de trouver des solutions. Nous ne sommes pas d'accord sur la question de la fusion de zones de police mais je peux vous rejoindre sur un certain nombre d'éléments, tels les inspecteurs de quartiers, repris par ailleurs dans votre note d'orientation.

Quand on a créé les zones de police et qu'on a transféré la question de la sécurité des conseils communaux aux conseils de police, c'est justement pour que le débat ait lieu dans ces instances.

En supprimant le conseil de police, vous faites en sorte qu'il n'y ait plus de débat démocratique entre l'opposition et la majorité. Aujourd'hui, seule la majorité pourra diriger les questions de sécurité sans avoir un contre-pouvoir qui est l'opposition démocratique. Et je vous donne un petit exemple. À la suite des élections communales, dans ma zone de police, il n'y avait pas de conseiller de police néerlandophone dans le conseil de police. Nous avons dû, comme la loi le permet, voter et coopter des conseillers communaux néerlandophones dans le conseil de police, de façon à ce qu'il puisse y avoir cette représentativité et cette garantie linguistique.

Alors, je vous répète qu'on est contre la fusion des polices. La question n'est pas là. Mais, si vous allez vraiment dans cette direction-là, la garantie de la minorité à Bruxelles, telle qu'on l'a voulue depuis la création de la Région bruxelloise, est existentielle et vous ne pouvez pas faire en sorte que tant l'opposition que l'autre régime linguistique ne soient pas représentés dans les instances qui vont décider du budget de la zone de police, de la note d'orientation de la zone de police et des effectifs qui seront dispatchés dans les différentes communes à Bruxelles.

Voorzitter:

Zijn er nog leden die het woord wensen voor een repliek? ( Neen )

Het competentieprofiel van bewakingsagent - uitgaansmilieu
De opleiding inzake de bestrijding van seksueel geweld voor bewakingsagenten in het uitgaansmilieu
Veiligheid en preventie in het uitgaansmilieu voor bewakingsagenten

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 29 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Een koninklijk besluit om het competentieprofiel van bewakingsagenten in uitgaansmilieus aan te scherpen—met focus op grensoverschrijdend gedrag (inclusief spiking), slachtofferopvang en proactief ingrijpen—is in voorbereiding, inclusief verplichte (bij)scholing voor nieuwe *en* bestaande agenten. Multilevel-maatregelen (federale CPVS-centra, Vlaamse *Veilig Huis*, Waalse *DIViCo*, Brusselse *EVA-cellen*) en een online preventiegids ([besafe.be](https://besafe.be)) moeten seksueel geweld in uitgaansleven bestrijden, met betere registratie, samenwerking en slachtofferbegeleiding. Spiking wordt indirect aangepakt via signaalherkenning, maar een directe rol voor privébewaking hierin blijft onuitgewerkt. Politieke steun voor versnelde implementatie is duidelijk, met nadruk op gelijke uitgangsveiligheid voor alle geslachten.

Brent Meuleman:

Mijnheer de minister, in het regeerakkoord staat dat de regering overweegt de bevoegdheden van privébewakingsdiensten op openbaar terrein uit te breiden. Het wettelijk kader zou daarvoor aangepast worden, zodat de gemeenten via een politiereglement bepaalde zones in uitgaansbuurten onder het toezicht van die diensten kunnen plaatsen.

Het is natuurlijk essentieel dat die bewakingsagenten goed opgeleid zijn. Uw voorgangster, minister Verlinden, zou normaal het initiatief nemen om het competentieprofiel ‘bewakingsagent uitgaansmilieu’ te versterken. De focus lag vooral op het herkennen van en het reageren op grensoverschrijdend gedrag, specifiek op seksueel grensoverschrijdend gedrag, en op de opvang en doorverwijzing van slachtoffers. Het opleidingsprogramma zou op dit nieuwe profiel gebaseerd zijn en daaraan aangepast worden. Gelet op de recente meldingen van spiking heb ik volgende vragen voor u.

Ten eerste, is het nieuwe competentieprofiel al van kracht en zijn de opleidingen al aangepast?

Ten tweede, bent u van plan dit profiel nog aan te passen?

Ten derde, lijkt het u niet nuttig om deze opleidingen uit te breiden met bovengenoemde competenties, zeker gelet op de geplande uitbreiding van de bevoegdheden van private bewakingsdiensten?

Ten vierde en tot slot, ziet u een rol weggelegd voor de privébewakingsdiensten om spiking tegen te gaan?

Caroline Désir:

Monsieur le ministre, je vous remercie d'avoir accepté que ma question soit jointe, parce qu'elle porte effectivement sur le même sujet.

Les beaux jours annoncent l'arrivée prochaine de la saison des festivals dans notre pays, mais, hélas, comme cela a été le cas pour de nombreux autres événements, les festivals ont aussi été dans notre pays le théâtre de plusieurs agressions sexuelles par le passé. Ce sont des faits graves qui soulèvent une nouvelle fois la question de la prise en charge des victimes de violences sexuelles en milieu festif.

Face à des faits à ce point inacceptables, plusieurs initiatives ont déjà été prises, notamment au niveau des forces de police mais aussi du grand public et du secteur horeca en matière de sensibilisation. En décembre 2021, et suite au mouvement "Balance ton bar", ma collègue Chanelle Bonaventure avait pris l'initiative de déposer, avec mon groupe, une proposition de loi visant à introduire une formation contre le harcèlement et les violences sexuelles pour les agents de gardiennage qui travaillent dans le milieu des sorties. Sur la base de cette proposition et des auditions qui avaient eu lieu à l'époque, votre prédécesseur avait annoncé une réforme globale menée avec le secteur pour intégrer ces nouvelles compétences dans les matières actuelles de manière transversale, tant pour les futurs agents que pour les anciens, au travers de la formation continue.

Monsieur le ministre, pouvez-vous nous faire le point sur l'adaptation de la formation des agents de gardiennage dans ce sens? Par ailleurs, et dans une approche plus globale et transversale, pouvez-vous nous indiquer les autres initiatives que vous avez prises, en concertation avec vos collègues tant du niveau fédéral que régional, afin de mieux lutter contre les violences sexuelles dans le milieu des sorties et assurer l'accompagnement et le dépôt de plainte des victimes? Enfin, en concertation avec le secteur, une réflexion est-elle menée afin de mieux enregistrer ces faits dans le milieu des sorties et d'améliorer la situation qui prévaut actuellement?

Bernard Quintin:

Collega's, we bereiden momenteel een koninklijk besluit voor waarin een wijziging van het competentieprofiel voor bewakingsagenten in het uitgaansmilieu is voorzien. De vereiste adviezen werden reeds ingewonnen en we bekijken nog de laatste elementen om meteen eventuele specifieke verbeteringen aan het koninklijk besluit te kunnen aanbrengen.

In de beoogde wijziging is voorzien dat een bewakingsagent in het uitgaansmilieu een situatie specifiek aan het uitgaansmilieu moet kunnen beoordelen, een veiligheidsrisico kan inschatten, risicovolle plaatsen kan bepalen, grensoverschrijdend gedrag kan herkennen, gepast kan reageren, slachtoffers correct kan opvangen en doorverwijzen en ten slotte proactief kan optreden in geval van signalen van grensoverschrijdend gedrag.

Elke nieuwe bewakingsagent die in het uitgaansmilieu wenst te werken, zal hierover in de verplicht voorafgaande opleiding gevolgd worden. Voor de personen die in het verleden een opleiding volgden om als bewakingsagent in het uitgaansmilieu te werken en voor wie nu actief is in deze sector is voorzien dat zij een verplichte bijscholing zullen moeten volgen met betrekking tot dit thema.

Spiking is vaak een voorafgaande handeling die seksueel misbruik of grensoverschrijdend gedrag mogelijk maakt of vergemakkelijkt. Door bewakingsagenten op te leiden om signalen van grensoverschrijdend gedrag te herkennen, vergroten we hun vermogen om snel en adequaat in te grijpen bij verdachte situaties, slachtoffers beter te beschermen en daders te ontmoedigen of op heterdaad te betrappen.

Dans une approche plus globale et transversale, en concertation avec mes collègues tant au niveau fédéral que régional, pour mieux lutter contre les violences sexuelles dans le milieu des sorties et assurer l'accompagnement et le dépôt de plainte des victimes, nous avons développé un guide numérique de lutte contre le sexisme et les violences sexuelles.

La Direction générale Sécurité et Prévention du SPF Intérieur a élaboré un guide d'inspiration pour la prévention des violences sexuelles et sexistes dans l'espace public, disponible sur le site besafe.be. Ce guide approfondit les différents phénomènes ventilés par lieu et rassemble diverses actions que les villes, les communes, les zones de police, les ASBL et les organisations développent en leur sein pour endiguer le phénomène. Il met également l'accent sur les ateliers et formations qui peuvent être donnés pour sensibiliser à cette problématique.

Sur ce site, on trouve un cadre théorique ainsi que toutes les initiatives répertoriées. Ce guide a été alimenté régulièrement durant plusieurs semaines. Une section dédiée aux actions entreprises dans le milieu festif répertorie des initiatives menées un peu partout en Belgique.

Par ailleurs, dans une approche plus globale et transversale, plusieurs initiatives sont actuellement déployées en concertation avec mes collègues tant au niveau fédéral que dans les entités fédérées pour renforcer la lutte contre les violences sexuelles, notamment dans le milieu festif. Je vais vous en citer quelques-unes.

Au niveau fédéral, les Centres de Prise en charge des Violences Sexuelles (CPVS) financés par l'État fédéral restent l'instrument central. Leur mission est d'assurer un accueil pluridisciplinaire – médical, psychologique et judiciaire – des victimes dans un cadre sécurisé. La finalisation de l'arrêté royal – sous la houlette de l'Institut pour l'égalité des femmes et des hommes – relatif au financement de la contribution policière à ces centres est en préparation.

En Flandre, le réseau des anciens Family Justice Centers, désormais appelés Veilig Huis , est en cours de structuration dans le cadre d'une approche de chaîne coordonnée contre les violences intrafamiliales, avec la présence de policiers de liaison. Le SPF Intérieur participe désormais aux travaux de l'Intersectorale Stuurgroep Veilig Huis, dont la prochaine réunion aura lieu le 9 mai prochain.

En Wallonie, un dispositif similaire existe sous le nom de DIViCo (Dispositif Interdisciplinaire de lutte contre les Violences dans le Couple) en collaboration avec les zones de police locale.

Enfin, à Bruxelles, les cellules EVA (Emergency Victim Assistance) ont été mises en place dans cinq des six zones de police, avec le soutien de la Région bruxelloise, pour assurer une prise en charge spécialisée des violences intrafamiliales et sexuelles.

Brent Meuleman:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Veilig op stap kunnen gaan, zou de normaalste zaak van de wereld moeten zijn. Ik ben dan ook verheugd te horen dat u onmiddellijk werk maakt van een koninklijk besluit ter zake. Opleiding zal, zoals ik al zei, heel belangrijk zijn.

Ik kan u ook nog meegeven dat u in de strijd tegen geweld, in het bijzonder tegen seksueel geweld, in Vooruit altijd een partner zult vinden.

Caroline Désir:

Monsieur le ministre, je vous remercie parce que vous semblez prendre cette thématique vraiment à cœur. Je crois que c'est absolument nécessaire. Il suffit d'interroger des jeunes filles autour de soi pour se rendre compte que, malheureusement, tant les cas de harcèlement que de spiking sont ultra-fréquents. On se doit de protéger nos jeunes filles et de leur permettre de sortir en toute liberté, à l'instar des jeunes hommes. Nous resterons évidemment attentifs à la situation, à son évolution, à l'arrêté royal que vous nous annoncez. J'irai voir également le guide numérique dont vous nous avez parlé sur besafe.be. Je pense vraiment que nous devons continuer à agir à tous les niveaux, tant en prévention qu'en matière de prise en charge des victimes.

De toekomst van het politieonderwijs en de bevoegdheidsverdeling m.b.t. de politiescholen

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 29 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De Vlaamse regering stelde in haar Defensieplan onverwacht voor om politiescholen (inclusief financiering) van federaal naar deelstaatsniveau over te hevelen, hoewel dit niet in regeerakkoorden stond. Minister Quintin bevestigde dat er geen concreet overleg over overdracht was, maar benadrukte wel samenwerking met hoger onderwijs (via pilootprojecten) om de kwaliteit van politieopleidingen te verbeteren, met behoud van federale regie. Vandemaele noemde het Vlaamse voorstel "gebakken lucht", aangezien de federale overheid geen intentie tot overheveling heeft en er geen onderhandelingen lopen. De federale rol blijft centraal, met mogelijke aanpassingen enkel in overleg met vakbonden en gemeenschappen.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, wat doen mensen in het weekend? Welnu, ik heb het Vlaams Defensieplan doorgenomen en daarin stonden toch een aantal bijzonderheden. Een van die bijzonderheden is dat de Vlaams regering een overleg met de federale regering wil opstarten om te onderzoeken of en hoe de politiescholen kunnen worden overgeheveld van het federale niveau naar het niveau van de deelstaten, inclusief de bijbehorende financiering. Ik vroeg mij af vanwaar dat plots komt, want dat had ik precies in het regeerakkoord gemist, dat stond er volgens mij niet in, noch in het Vlaams, noch in het federaal regeerakkoord. Wie heeft dat konijn uit zijn of haar hoed getoverd? Ik hoorde u nochtans hier eerder bij de bespreking van de beleidsverklaring verklaren dat het uw ambitie is om het politieonderwijs te aligneren op het hoger onderwijs in ons land.

Mijnheer de minister, was u daarvan op voorhand op de hoogte? Hebt u daarover op voorhand overleg gehad? Of bent u net als ik geschrokken toen u in uw vrije tijd kennisnam van de betreffende passage in het Vlaams Defensieplan?

Acht u het een goede suggestie om het politieonderwijs van het federale niveau naar de deelstaten over te hevelen? Hoe kijkt u daarnaar? Was er al overleg? Komt er een overleg over die ambitie van de Vlaamse regering? Hoe ziet u de rol van de federale overheid in het politieonderwijs?

Bernard Quintin:

Mijnheer Vandemaele, het klopt dat ik tijdens mijn beleidsverklaring heb beklemtoond dat politieopleidingen een prioriteit zijn en dat die zullen evolueren. In de periode 2023-2024 hebben enkele politiescholen deelgenomen aan het pilootproject om de samenwerking tussen politieopleidingen en het hoger onderwijs te testen, in samenwerking met de gemeenschappen, die verantwoordelijk zijn voor onderwijs.

Het doel is natuurlijk om de kwaliteit van de politieopleiding te verbeteren, zodat we beter kunnen inspelen op de grote uitdagingen voor onze samenleving waarmee politiemensen dagelijks te maken krijgen.

Ik kan u verzekeren dat het pilootproject een succes is. We zullen die samenwerking met instellingen voor hoger onderwijs voortzetten in overleg met de bevoegde overheden.

Wat uw vraag over mogelijk overleg met de Vlaamse Gemeenschap over de overdracht van bevoegdheden betreft, kan ik bevestigen dat de enige samenwerking met de gemeenschappen tot nu toe betrekking heeft op de kwestie van beroepsbekwaamheid door middel van een systeem van erkenning van onderwijsprogramma's. In het licht van de rationalisering en de verbetering van de kwaliteit van opleidingen, zijn wij bereid alle mogelijkheden die een positieve bijdrage kunnen leveren aan die doelstellingen, te onderzoeken.

Ten slotte, de federale regering zal ook in de toekomst een centrale rol in de organisatie en het aanbieden van politieopleidingen blijven spelen. Uiteraard zullen wijzigingen steeds in overleg met de verschillende actoren, waaronder de vakbonden, worden aangebracht.

Voor het overige, ik heb geen vrije tijd.

Matti Vandemaele:

Het is jammer dat u geen vrije tijd hebt, mijnheer de minister, en u zult dus niet kunnen ingaan op mijn uitnodiging om snel eens samen naar een voetbalwedstrijd met KV Kortrijk te gaan, zolang de club nog in eerste klasse speelt.

Mijnheer de minister, ik hoor u spreken over de verbetering van de kwaliteit, in samenwerking met het hoger onderwijs. Dat lijkt mij allemaal logisch en ik veronderstel dat niemand daartegen kan zijn.

Wel stel ik vast dat wat in het Vlaams defensieplan staat, gebakken lucht is. Er wordt daarin stoer aangekondigd dat de politieopleiding wordt overgeheveld, maar er heeft daar geen overleg over plaatsgevonden, er zijn geen intenties geuit en het federaal niveau heeft ook niet de intentie om daarop in te gaan. Als diplomaat hebt u mijn vraag mooi en braaf beantwoord, maar de realiteit is dat het gebakken lucht is, meer niet. Dat moet u aan uw Vlaamse collega's misschien eens doorgeven, mijnheer Bergers, want er komt geen overheveling van het politieonderwijs naar het Vlaamse niveau. Dat is in ieder geval een duidelijk antwoord, waarvoor dank, mijnheer de minister.

Voorzitter:

Vraag nr. 56004350C van de heer Depoortere wordt ingetrokken en verwezen naar de minister van Mobiliteit.

De organisatie van sociale verkiezingen bij de politievakbonden

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 29 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de afwezigheid van sociale verkiezingen binnen de politiediensten, ondanks vragen van syndicale collectieven zoals *Police Unifying Movement (PUM)*. Minister Quintin bevestigt het standpunt van zijn voorganger: een hervorming is enkel haalbaar binnen een algemene aanpassing van het syndicale statuut voor de hele publieke sector (loi 1974), niet losstaand voor de politie. De Smet kritiseert impliciet de blokkade, maar er komt geen concrete toezegging voor wijziging onder deze legislatuur. Het coalitieakkoord’s defensieve houding ten opzichte van vakbonden blijft een struikelblok.

François De Smet:

Monsieur le ministre, j ’ai été interpellé par un collectif représentant des membres de différents corps de police au sujet de l’organisation d’élections sociales au sein des syndicats policiers.

La loi du 24 mars 1999 organisant les relations entre les autorités publiques et les organisations syndicales du personnel des services de police, actuellement , ne déroge pas au droit commun du secteur public en la matière à savoir la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats des agents relevant desdites autorités.

À cet égard, il n’existe toujours pas d’élections sociales au sein du secteur public.

L’accord de coalition fédérale par ailleurs adopte une posture assez défensive voire hostile aux syndicats.

Votre prédécesseur, Mme Verlinden, avait considéré qu’en la matière une proposition visant à introduire des élections sociales pour les services de police ne pouvait être envisagée que dans un cadre global relatif au droit commun syndical au sein du secteur public.

En conséquence, M. le ministre peut-il me faire savoir s'il a pris connaissance de ce dossier? Dans l’affirmative, une réflexion peut-elle être menée sous la présente législature concernant l’organisation d’élections sociales dans le secteur public, via une réforme de la loi de 1974 et, plus particulièrement, au niveau des services de police?

Bernard Quintin:

Monsieur De Smet, je vous remercie pour votre question sur l'organisation d'élections sociales au sein des syndicats de services de police. Je vous confirme que je suis bien informé de ce dossier. Cette question a été initialement soulevée par le collectif Police Unifying Movement (PUM), qui demande l'adaptation du statut syndical au sein des services de police en vue d'organiser des élections sociales. Ma prédécesseure a d'ailleurs répondu à cette demande dans une communication en date du 16 décembre 2022.

Conformément à la volonté initiale du législateur, il a été décidé d'opter pour une conformité maximale de la réglementation syndicale au sein des services de police avec le droit commun applicable au secteur public.

En conséquence, je me vois contraint de souscrire à la position exprimée par ma prédécesseure, à savoir que la proposition d'introduire des élections sociales dans les services de police ne peut être envisagée sans un débat global sur le droit syndical commun dans le secteur public.

François De Smet:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse qui, à défaut d'être satisfaisante, est très claire.

De inzet van militairen voor de bewaking van kerncentrales
Het gebrek aan sociaal overleg over de taakverschuiving voor de bewaking van nucleaire sites
De bewaking van nucleaire sites
Militaire inzet en sociaal overleg over nucleaire sitebewaking

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 29 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De overdracht van kerncentralebeveiliging van de DAB-politie naar militairen vanaf juni 2025 botst op juridische onduidelijkheid (ontbrekend kader), tijdschaalconflicten (geen concrete planning ondanks media-aankondigingen) en sociaal wantrouwen door gebrek aan transparant overleg met vakbonden, die staking aankondigden. Kritiek richt zich op het negeren van DAB-specialisatie (200 agenten herplaatst met loonverlies) en het risico op structurele militarisering van politietaken, terwijl de territoriale reserve (3.000 militairen tegen 2029) pas vanaf 2026 wordt opgebouwd. Ministers benadrukken lopend overleg en een "domino-effect" om politie vrij te maken voor kernopdrachten, maar concrete afspraken over juridisch statuut (wet/KB?), kostendekking en langetermijnvisie ontbreken. Vakbonden en oppositie eisen respect voor arbeidsomstandigheden en duidelijke communicatie, niet via media.

Matti Vandemaele:

We konden in de media lezen dat militairen vanaf juni de kerncentrales van Doel en Tihange zullen beveiligen. Daarover zou er tegen begin mei een 'passend juridisch kader' moeten zijn. Dat stond al in het regeerakkoord, evenwel zonder timing. Nu is die er dus wel.

Ik heb die woorden echter naast de uitspraken gelegd van de heer Francken tijdens zijn beleidsverklaring. Hij zei toen namelijk dat er enkel onder speciale voorwaarden en op niet-structurele wijze interne veiligheidsopdrachten kunnen worden uitgevoerd. Er was ook sprake van de op te richten territoriale reserve in functie van die statische binnenlandse bewakingsopdrachten. Tijdens de bespreking van de beleidsverklaring zei hij ook nog: "Er zijn twee zaken noodzakelijk, een territoriale reserve – een zogenaamde homeguard , en die hebben we momenteel niet – en een helder juridisch kader waarbinnen zij opereren – en dat is er ook nog niet."

Ik stel dus vast dat de twee voorwaarden die de heer Francken enkele weken geleden in de commissie voor Landsverdediging heeft aangehaald niet vervuld zijn. Ik lees wel dat we de militairen vanaf juni al zullen inzetten. Ik hoorde de heer Francken ook zeggen dat hij die territoriale reserve wil opbouwen tot 3.000 mensen tegen 2029. Hij zou daar zo snel mogelijk aan beginnen, zeker vanaf september 2026. Het is nu april 2025, dus er zit wat ruis op de timings en verklaringen van de verschillende ministers.

Wat is de juiste timing? Wanneer zullen de militairen er zijn en onder welk statuut zullen ze opereren?

Wat is volgens u de timing voor de uitbouw van de territoriale reserve?

Wanneer wordt het juridische kader afgeklopt? Welke vorm zal dat kader aannemen? Wordt dat een wet, een instructie, een ministerieel besluit of misschien een koninklijk besluit? Zal het Parlement daarover nog iets kunnen zeggen? Wat voor statuut zal dat worden?

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, ik ben geen tegenstander om alle veiligheidsdiensten in ons land efficiënter te laten werken en te laten samenwerken. In dat opzicht kan ik begrip opbrengen voor uw plannen daaromtrent, met betrekking tot de DAB en de inzet van militairen bij statische bewakingsopdrachten. Uiteraard moet er een wettelijk kader zijn, anders staat men nergens.

Mijn vraag gaat veeleer over de manier waarop deze plannen naar buiten worden gebracht. De relatie van de vivaldiregering met de politievakbonden begon niet goed en eindigde ook niet goed. Ik hoop dat deze regering niet in dezelfde valkuilen zal trappen.

Er moet dus sociaal overleg plaatsvinden. Volgens mij, op basis van de verklaringen die ik daarover kon lezen, is dat niet gebeurd. Anders zouden de representatieve vakbonden, het VSOA en het NSPV geen stakingsaanzegging naar aanleiding ervan hebben ingediend. Ze vragen zich af waarom er geen voorafgaand overleg is geweest.

Los van de plannen, waarvan ik voor alle duidelijkheid geen tegenstander ben, zult u dit vertrouwen met de politievakbonden, met de mensen op het terrein, terug opbouwen, u als man van het overleg, die graag op het terrein staat? Zult u deze dialoog terug opstarten met de politievakbonden? Is er plaats voor een overlegcultuur?

Zal men eventueel tegemoetkomen aan de eisen om die DAB-medewerkers te herscholen, een andere invulling te geven? Het betreft dan werkzekerheid, omscholing of verdere sociale begeleiding.

Éric Thiébaut:

Monsieur le Ministre,

Une nouvelle fois, la spécialisation de la Police fédéral et de ses agents est mise à mal. Une nouvelle fois, c'est le retour du « militaire bon à tout faire » que nous avions connu sous le gouvernement MR-NVA. On apprend en effet que les militaires reprendront prochainement en charge de manière durable la sécurité statique des centrales nucléaires afin, officiellement, de « libérer » les policiers de la DAB actuellement chargés de cette mission. Une mission qui revient pour des raisons évidentes de spécialisation à cette direction de la police fédérale.

Selon la décision du Kern, votre SPF et le Ministère de la Défense doivent désormais finaliser d'ici le 1er mai un protocole qui permettra d'assurer ce déploiement.

Nous ne sommes pas dupes. L'objectif véritable de cette mesure est de combler le déficit en personnel de la police fédérale notamment pour le transfèrement des détenus qui est également une compétence de la DAB. On parle de 1350 emplois pourvus sur un cadre de 1690 prévus.

Les conséquences du retrait de la DAB se situent à plusieurs niveaux:

Sur le plan humain, plus de 200 policiers vont se voir réaffectés vers d'autres unités partout en Belgique et ce en perdant plusieurs centaines d'euros;

Sur le plan qualitatif, la DAB est une unité spécialisée contrairement à la Défense qui ne dispose d'aucune compétence policière telles que l'arrestation, la fouille, le contrôle d'identité, l'identification de véhicule, etc.

Sur le plan local avec, une nouvelle fois, un report de charge pour les zones concernées.

Monsieur le Ministre,

Comment expliquez-vous le recours à des militaires plutôt qu'à la DAB pour assurer la sécurité de nos centrales nucléaires ? Quel sera le coût pour le SPF Intérieur?

Selon quelle concertation avec les syndicats policiers cette décision a été prise?

Quelles garanties offrez-vous pour préserver les conditions de travail et la rémunération des agents de la DAB?

Quelle est votre vision à long terme pour la sécurisation de nos sites nucléaires ? Quelle concertation avez-vous menée avec les autorités locales concernées?

Ce transfert de missions vers la Défense doit-elle également s'étendre à d'autres sites et d'autres missions de la DAB et si oui selon quel calendrier?

Je vous remercie d'avance pour vos réponses.

Bernard Quintin:

Mijnheer de voorzitter, messieurs les députés, merci beaucoup pour vos questions qui me permettent de faire rapidement le point sur ce sujet.

D’abord, pour répondre à un certain nombre de questions, je rappelle que le remplacement des agents de sécurisation de la DAB présents sur les sites nucléaires par du personnel de la Défense n’est pas une nouveauté. Ce sujet a déjà été abordé à plusieurs reprises, tant lors de ma première intervention en commission que par la suite.

Je note que ma lecture de l’accord de gouvernement, sur les différents phasages et les différents endroits où les militaires doivent remplacer la police pour un certain nombre de missions de surveillance statique, a été renforcée par ce qu’on a appelé "l’accord de Pâques".

Zoals ik al heb toegelicht, zal de geleidelijke reaffectatie van het DAB-personeel een domino-effect hebben, waardoor politie-inspecteurs vrijkomen die vervolgens worden ingezet voor taken die verband houden met de criminele fenomenen waarmee wij worden geconfronteerd en voor andere prioriteiten.

Les concertations syndicales sont en cours.

Het overleg is volop bezig. Ik heb ook gelezen dat er geen overleg is. Dat is niet waar. Er is overleg.

Mes collaborateurs et moi-même poursuivons activement les échanges avec les organisations syndicales en fonction de nos agendas respectifs, dans un esprit de dialogue constructif et dans l'intérêt commun de garantir la sécurité, tant des citoyens que des policiers. Ensemble, nous envisageons les différentes mesures qui peuvent être prises.

Op dit moment is er nog geen concrete of vastgelegde kalender voor de vervanging van het personeel. Ik kan u dan ook geen datum geven, maar ik kan u zeggen dat het in de praktijk zo vlug mogelijk zal zijn, ook volgens het overleg dat wij met de syndicaten hebben. Ik kan u echter verzekeren dat we ons volledig bewust zijn van de wettelijke kaders voor de interventie van Defensie en dat het bevoegde kabinet hier actief aan werkt.

Matti Vandemaele:

Dank u wel, mijnheer de minister, voor uw antwoord. Het is een bijzonder antwoord. Het is uiteraard goed dat er overleg is. Ik had van u niks anders verwacht, maar u kunt dus geen kalender geven. Er was nochtans wel al een kalender. In de commissie voor Landsverdediging is een kalender voorgesteld. In de media heb ik een andere kalender gelezen. Nu zegt u dat er geen kalender is, dus de conclusie is dat er in juni geen militairen aan onze kerncentrales zullen staan. Ik denk dat dat duidelijk is.

Op mijn tweede vraag over hoe we ervoor zullen zorgen dat een passend juridisch kader afgeklopt wordt, heb ik eigenlijk ook geen antwoord gekregen. Ik wil u dus bedanken voor de uitgesproken woorden. Ik kan het niet echt een antwoord noemen, maar we gaan het zeker opvolgen. Het is duidelijk dat er nog geen doorbraak is in dit dossier.

Ortwin Depoortere:

Dank u wel, mijnheer de minister, voor uw antwoord. Ik zou zelfs meer zeggen dan collega Vandemaele: er is geen doorbraak in het dossier en er wordt ook enorm slecht gecommuniceerd. We lezen van alles in de media en blijkbaar klopt het verhaal niet. Er is geen kalender. De vakbonden zeggen dat er geen overleg is, terwijl u vandaag verklaart dat er wel overleg is. Misschien hangen die twee ook wel wat samen. Dat zou me niet verwonderen, maar ik zou alleszins willen oproepen om minder te communiceren via de media als de zaak nog niet afgeklopt is. Het is een oproep aan iedereen.

We staan allemaal voor hetzelfde doel. Ik denk dat het beter is om rustig achter de schermen, inderdaad in overleg, met de politievakbonden te werken. Ik hoop dat die boodschap tot u is doorgedrongen om het vertrouwen van de politievakbonden, dat toch zeer noodzakelijk is, te herstellen en in stand te houden de komende vier, vijf jaar.

Éric Thiébaut:

Monsieur le ministre, je dois dire que je suis quand même assez surpris par la démarche. Il faut revenir à la genèse de cette DAB. Au départ, nous avions des militaires dans la rue, chargés de sécuriser plusieurs sites sensibles dans un contexte de risque terroriste. C'est en effet à ce moment-là qu'on a fait descendre nos militaires dans la rue. Et puis, c'est le ministre de l'Intérieur de l'époque, Jan Jambon, qui a eu l'idée de créer la DAB, à savoir un service spécialisé dans la sécurisation des sites sensibles et des palais de justice. À cette fin, on a lancé un appel pour recruter des militaires ayant envie de devenir policiers. La DAB a été chargée de protéger les sites nucléaires. À présent, on annonce qu'on va remettre des militaires à la place de la DAB. Ce n'est donc pas logique envers le personnel de terrain.

Nous avons des policiers qui se sont inscrits dans une logique institutionnelle suivant laquelle ils travaillent à la DAB et organisent leur vie en ce sens. Vous savez bien comment cela va: les enfants sont à l'école, on déménage pour habiter tout près de son travail, etc. Et puis, on dit à ces policiers qu'ils ne travailleront plus là, puisqu'on va les remplacer par des militaires. Il faut se mettre à la place des travailleurs. Nous pouvons comprendre votre démarche: vous souhaitez ainsi récupérer de la capacité. Certes, mais ce sont seulement des chiffres. Derrière ceux-ci, il y a des hommes et des femmes qui travaillent sur le terrain et auxquels on doit un certain respect lorsqu'on prend des décisions politiques. Je vous invite par conséquent à prêter attention à toutes ces considérations.

Voorzitter:

Vraag nr. 56004527C van de heer Bergers wordt op zijn verzoek omgezet in een schriftelijke vraag.

Een nieuwe schietpartij in Anderlecht en de taskforce tegen drugsgeweld

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 29 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sinds 1 januari 2025 telde Brussel 23 schietpartijen (20 in Brussel-Zuid), met onverminderd drugsgerelateerd geweld als voorbeeld. De federale taskforce onder leiding van de premier coördineert acties tussen Binnenlandse Zaken, Justitie en Financiën, maar concrete resultaten blijven vaag, terwijl de minister verlengde federale politiesteun en 30 extra onderzoekers voor Brussel aankondigde. Een gezamenlijk onderzoeksteam (lokaal + federaal) moet de bestrijding van georganiseerde misdaad versterken, maar de impact op het terrein is nog onduidelijk. Structurele oplossingen ontbreken, ondanks verhoogde zichtbaarheid en samenwerking.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

Donderdagochtend 17 april 2025, rond 2.30 uur 's nachts vond opnieuw een schietpartij plaats nabij de metrohalte Clemenceau in de Brusselse gemeente Anderlecht. Twee personen liepen verwondingen op, waarvan een met levensgevaarlijke verwondingen werd afgevoerd. De avond van de vorige dag, woensdag, werd in Anderlecht ook een man neergestoken met een mes.

De burgemeester, de heer Cumps, gaf aan u om een verlenging van de federale politiebijstand te vragen.

De federale regering kondigde eerder dit jaar ook andere maatregelen aan. Namelijk de oprichting van een taskforce tegen drugsgeweld, onder leiding van de premier. Sinds de oprichting hebben we de premier hierover niet meer gehoord. Ook sinds de eerste golf van schietpartijen begin dit jaar is er weinig veranderd op het terrein. Deze zoveelste schietpartij is daarvan het voorbeeld.

Hoeveel schietpartijen vonden er ondertussen plaats sinds 1 januari 2025?

Kunt u een stand van zaken geven over de federale taskforce van de premier?

Wat voerde dit taskforce al uit? Waar is de premier in deze?

Welke maatregelen op het terrein werden genomen om onze burgers te beschermen?

Wat is ondernomen om georganiseerde drugsmisdaad en deze drugsoorlog een halt toe te roepen?

Bernard Quintin:

Mijnheer Depoortere, sinds 1 januari 2025 werden er 23 schietpartijen geregistreerd in de hoofdstad, waarvan 20 in de zone Brussel-Zuid. De oprichting van een federale taskforce onder leiding van de eerste minister is inderdaad een van de belangrijkste initiatieven om de situatie globaal aan te pakken. De taskforce coördineert de inspanningen van verschillende ministeries waaronder Binnenlandse Zaken, Justitie, en Financiën, om concrete en snelle maatregelen te nemen.

Tegelijkertijd heb ik bij mijn aantreden maatregelen genomen om de politiezone te ondersteunen, gelet op de gebeurtenissen en de algemene situatie. De ondersteuning van de federale politie voor de politiezone wordt regelmatig geëvalueerd op basis van de evolutie van de criminaliteit. In dat verband kan ik u meedelen dat ik de ondersteuning aan de politiezone verlengd heb.

Naast de zichtbare aanwezigheid op het terrein door beveiligingspatrouilles zijn er nog andere vormen van ondersteuning. Zo werd er een gezamenlijk onderzoeksteam, een joint investigation team , van de verschillende politiezones en de federale gerechtelijke politie van Brussel, onder leiding van de procureur des konings opgezet. Dat initiatief heeft tot doel de samenwerking te versterken om de criminaliteit op een meer gestructureerde manier te bestrijden.

In die geest heb ik ook de capaciteit van de FGP van Brussel met een dertigtal mensen versterkt om de onderzoeken te versnellen. We hebben allemaal hetzelfde doel voor ogen: de criminaliteit op een efficiënte en duurzame manier bestrijden.

Ortwin Depoortere:

Dank u wel, mijnheer de minister, voor uw antwoord.

Het drugsgeweld in Antwerpen

Gesteld door

lijst: PS Ridouane Chahid

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 29 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Een woning in Antwerpen-Wilrijk werd opgebazen, waarschijnlijk gekoppeld aan druggerelateerd geweld, waarbij burgers een verdachte moesten aanhouden omdat de politie te laat ter plaatse was. Minister Quintin bevestigt intensieve samenwerking tussen federale en lokale politie via het *Stroomplan* (onder leiding van het Anvers parket) en internationale projecten om drugnetwerken te ontmantelen, met speciale focus op de haven als knooppunt. Hij benadrukt regelmatig overleg met het Anverse stadsbestuur en gouverneure, maar gaat niet in op concrete uitbreiding van het Brusselplan naar Antwerpen. De zaak blijft onder judicieel onderzoek.

Ridouane Chahid:

Monsieur le ministre, la semaine dernière, une habitation, située dans le quartier Valaardreef dans le district anversois de Wilrijk, a été la cible d'une attaque à l'explosif dans la nuit. La porte d'entrée a été fortement endommagée mais, heureusement, aucun blessé n'est à déplorer. Il s'agit d'un nouveau fait grave qui vient s'ajouter aux nombreuses violences liées vraisemblablement au trafic de drogue qui touche les grandes villes de notre pays, principalement Anvers.

La police s'est lancée à la recherche d'éventuels auteurs, mais en vain. Un fait interpellant, c'est que ce sont des habitants du quartier qui ont poursuivi et appréhendé un jeune homme. La police a alors interpellé la personne en question.

Sans vouloir déborder sur l'enquête en cours, monsieur le ministre, quelles informations pouvez-vous nous communiquer concernant ces faits graves et les suites à donner? Comment expliquez-vous que ce soient des citoyens qui aient dû appréhender un des auteurs présumés au lieu de la police locale? Quels sont les contacts entre la police fédérale et la zone d'Anvers et les moyens mis en œuvre dans la lutte transversale contre la violence liée à la drogue? Quelles sont les actions de la police de proximité afin de préserver les habitants de ce genre de violences graves? Avez-vous eu un contact avec la bourgmestre ou la gouverneure d'Anvers à ce sujet? Avez-vous l'intention d'élargir le plan d'action déjà mis en place pour Bruxelles pour assurer et ramener la sécurité dans les quartiers d'Anvers?

Bernard Quintin:

Monsieur Chahid, en introduction à ma réponse, je rappelle, pour autant que de besoin, que les questions de sécurité sont évidemment au cœur de mon agenda où que ce soit au sein de notre royaume, en ce compris à Anvers qui, on le constate tous les jours, fait face à des expressions de criminalité assez particulières par rapport à d'autres endroits du royaume. Comme vous l'avez dit vous-même, une enquête est en cours. Je ne vais donc pas me prononcer ou donner des éléments par rapport à l'enquête qui se poursuit. Le dossier est entre les mains de la justice et nous espérons évidemment tous que les auteurs pourront être appréhendés. En revanche, concernant vos autres questions, je peux vous confirmer qu'il existe une étroite coopération entre la police judiciaire fédérale d'Anvers et la police locale d'Anvers, notamment dans l'approche de la violence liée au trafic de drogue, une coopération qui s'inscrit pleinement dans le Stroomplan qui est lui-même sous la direction du procureur du Roi d'Anvers. Je suis également en contact avec les autorités anversoises, que ce soit au niveau de la ville d'Anvers ou du gouvernorat. Pour ce qui concerne votre dernière question, je vous confirme que les services de police travaillent en synergie afin de lutter efficacement contre les phénomènes de trafic de drogue, tant au sein du port d'Anvers que dans la région anversoise, avec les spécificités liées au port d'Anvers et au trafic de drogue qui est lui-même lié au port d'Anvers et qui déteint sur toute la région anversoise. De plus, plusieurs projets internationaux sont actuellement menés au sein de la police intégrée dans le but de mieux comprendre les réseaux à l'origine de la violence liée au trafic de drogue à Anvers et ailleurs.

De weerslag van de keuzes van de federale overheid op de veiligheid in Charleroi

Gesteld door

lijst: PS Hugues Bayet

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 29 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Hugues Bayet kaart het chronisch politietekort in Charleroi aan, veroorzaakt door gebrek aan federale versteviging, prioriteit voor Brussel/Anwerpen en bezuinigingen (plan Oxygène, geschrapte premies), wat de criminaliteit verergert. Minister Quintin ontkent verwaarlozing, wijst op lokaal verantwoordelijke recruitment en federale steun *op aanvraag* (CIKNO, reserve), maar benadrukt dat inzet afhangt van analyses door het commissariaat-generaal. Bayet dringt aan op transparantie over prioritering en belooft steun voor meer "blauw op straat", mits concrete oplossingen voor alle grote steden. Kernpunt blijft de spanningsveld tussen lokale behoeften en federale middelenverdeling.

Hugues Bayet:

Monsieur le ministre, je voulais vous interroger sur les répercussions des choix du fédéral sur la sécurité à Charleroi.

Comme vous le savez, le 16 avril dernier, un fait divers faisait la une de l'édition de SudPresse à Charleroi: "Une bande terrorise la ville haute à l'aide de machettes! Les habitants et les commerçants ont l'impression d'être abandonnés à leur triste sort malgré tous les efforts de la police locale."

C’est vrai que, à l'instar d'autres grandes villes du Royaume, ce contexte est aggravé par un manque d'effectifs policiers chronique. Selon mes informations, plusieurs facteurs contribuent à ce déficit, notamment le fait que Charleroi n'a pas bénéficié de renforts fédéraux significatifs depuis les patrouilles de sécurisation de 2001-2002. Cela date quand même. La PJF Charleroi est régulièrement sollicitée pour soutenir Bruxelles, notamment pour le trafic de drogues, tandis que les unités spécialisées sont également détachées vers Bruxelles, à l'inverse des PJF flamandes, me dit-on. La réserve fédérale est systématiquement engagée à Anvers et à Bruxelles, mais pas à Charleroi, malgré les répercussions du trafic anversois sur la plus grande ville wallonne.

Vous le savez aussi, le plan Oxygène en Région wallonne restreint la capacité de recrutement et de paiement des heures supplémentaires de nos policiers, ce qui exacerbe évidemment ce problème. Enfin, les primes pour les nouvelles recrues ont été supprimées, rendant la carrière policière un peu moins attractive.

Monsieur le ministre, ces constats m'amènent à vous poser plusieurs questions. Avez-vous décidé d'abandonner les autres phénomènes criminels relevant également du niveau fédéral et tout aussi importants que le trafic de drogue par manque de moyens?

Quelle est votre approche spécifique pour épauler les grandes villes du pays face à leurs réalités propres? Comptez-vous demander d'engager la réserve fédérale à Charleroi? Comptez-vous y rétablir les patrouilles de sécurisation? Comptez-vous répondre à ce problème de sous-effectif chronique? Je vous remercie pour vos réponses, monsieur le ministre.

Bernard Quintin:

Monsieur le député, cher monsieur Bayet, je tiens d'abord à vous rassurer: je n'ai en aucun cas abandonné Charleroi, ni aucune autre ville du pays, au profit de Bruxelles, d'Anvers ou d'autres villes ou villages de notre beau Royaume. Pour lutter efficacement contre la criminalité dans notre pays, il est essentiel que notre attention soit portée sur toutes les villes.

Je l'ai dit tout à l'heure en débat d'actualité, la révision de la norme KUL est prévue et c'est dans ce cadre que j'adopte mon approche pour soutenir en particulier les grandes villes du pays.

Concernant la réserve de la police fédérale, et conformément aux dispositions de la police intégrée, la police fédérale est un soutien à la police locale. Dans ce contexte, c'est à l'autorité administrative, et tout d'abord à la police locale, d'en faire la demande et non l'inverse.

En ce qui concerne les patrouilles de sécurisation, je me permets de vous informer que le CIKNO apporte un appui ponctuel à la zone de police lors des opérations ou sur demande de patrouilles de sécurisation. À ce titre, le bourgmestre et son chef de corps peuvent toujours solliciter l'intervention du CIK et organiser des opérations. Il y a d'ailleurs des mécanismes de concertation qui existent entre la police locale et la police fédérale.

Pour ce qui concerne le sous-effectif chronique, il faut s'adresser à la zone de police concernée, car c'est cette dernière qui détermine sa politique de recrutement. Par rapport à votre question sur la police fédérale, c'est vrai qu'un système de solidarité est mis en œuvre en fonction des nécessités, pour les polices judiciaires fédérales. Quand il s'agit de renforcer une zone, tout cela est mis en place par le commissaire général et ses équipes sur la base d'éléments d'analyse. L'objectif n'est évidemment pas de déforcer certaines zones pour en renforcer d'autres, mais de pouvoir agir en fonction des nécessités.

Je ferai un dernier point pour vous dire un mot sur le recrutement. Vous n'étiez pas encore là quand j'en débattais.

La question de l'attractivité de la fonction de police est aussi au cœur de mon mandat. Nous conviendrons tous que ce n'est pas un débat facile et un sujet qui doit être simplement isolé sur les questions de police ou de sécurité. C'est en tout cas une question beaucoup plus globale qui touche toute notre société: l'attractivité de l'emploi, la relation entre la vie privée et la vie professionnelle, la mobilité. Toutes ces questions, qui sont de vraies questions de société, que j'essaie d'appréhender et de comprendre le mieux possible, touchent aussi les services de sécurité, et singulièrement la police.

Hugues Bayet:

Monsieur le ministre, merci beaucoup. Je suis très heureux de constater que vous n'abandonnez pas Charleroi. Cela me rassure. Pour le reste, je vous laisse évidemment le bénéfice du doute. Nous reviendrons donc attentivement sur les propositions que vous nous soumettrez, que ce soit la révision de la norme KUL ou l'attrait du métier de policier chez les plus jeunes. Je remarque cependant que, s'agissant des transferts de la réserve fédérale, vous nous dites que c'est le commissaire général qui décide sur la base de certaines analyses. Il serait judicieux que celles-ci soient davantage partagées. De la sorte, nous pourrions comprendre la raison de ces mouvements. Or, à l'heure actuelle – et je le dis sous toute réserve –, ces analyses n'étant pas connues, nous ne comprenons pas toujours l'intérêt de certains déplacements. Cela mériterait donc d'être fait. Pour le CIK, je vérifierai les informations que vous m'avez apportées et verrai s'il y est bien fait appel. En tout cas, comme vous l'avez dit, la sécurité est l'une de vos priorités. C'est une préoccupation que nous partageons, monsieur le ministre. Je vous le dis avec un peu d'humour. Nous sommes au moins d'accord sur quelque chose. Pour une fois que le PS est d'accord pour avoir un peu plus de bleu dans les rues, n'hésitez pas, monsieur le ministre. Faites-le. Nous serons à vos côtés. En tout cas, il faut trouver des solutions pour l'ensemble des grandes villes et, plus généralement, pour la sécurité partout en Belgique. Je vous remercie.

De veiligheids- en grenscontroles op de luchthavens van Zaventem en Charleroi
De veiligheid op de luchthavens
Veiligheid en grenscontroles op Belgische luchthavens

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 29 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De lange wachtrijen en veiligheidsproblemen (o.a. tekort aan beveiligers, slechte explosievendetectie en overlast door daklozen) op Zaventem en Charleroi schaden België’s imago en economie, ondanks geplande investeringen van 500 miljoen euro in Zaventem. De luchtvaartpolitie (LPA) zet extra agenten en opleidingen in voor de zomer, maar structurele oplossingen (beter spreiden van vluchten, versterkte explosievencontroles) blijven uit door beperkte bevoegdheden (DGLV/Mobiliteit) en wereldwijde tijdssloten. Concrete cijfers en langetermijnmaatregelen ontbreken, hoewel de minister het belang van efficiëntie en veiligheid benadrukt voor economische groei. Kritiek blijft op gebrek aan coördinatie tussen politie, private beveiliging en luchthavens.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, zowel op de luchthaven van Charleroi als op de luchthaven van Zaventem liepen nogal wat reizigers vertragingen op. In Zaventem stonden reizigers soms meer dan een uur aan de grenscontrole. Blijkbaar kan onze federale politie de instroom niet bolwerken met de huidige middelen en personeelsinzet. Wij moeten proberen om dergelijke toestanden te vermijden gezien de drukte die de komende zomer wellicht nog op ons afkomt.

Ik hierover enkele vragen. Kunt u op korte termijn concrete maatregelen treffen om het probleem op te lossen? Kunt u meegeven of er extra agenten zullen worden aangeworven bij de luchthavenpolitie en wanneer zij operationeel zullen zijn? Is er overleg met de luchthavens en de vluchtoperatoren om de piekmomenten beter te spreiden? Overweegt u een screening uit te voeren van de veiligheidsprotocollen op de luchthavens om te bekijken of ze efficiënt verlopen?

Ik dank u alvast voor uw antwoord.

Jeroen Bergers:

Mijnheer de minister, de luchthaven van Zaventem heeft uitbreidingsplannen. Er zal voor het project 500 miljoen euro worden geïnvesteerd in de capaciteit en de kwaliteit van de infrastructuur, zowel voor de reizigers als voor de medewerkers. Dat is een enorm goede zaak. De luchthaven van Zaventem is namelijk de op een na grootste motor van ons land en zorgt voor enorm veel jobs. In het kader daarvan is het belangrijk dat ook de veiligheid van de passagiers en de medewerkers kan worden gegarandeerd.

We weten dat er een aantal problemen zijn die aandacht verdienen. Tijdens de paasvakantie bleek dat er voor de zoveelste keer te weinig politie aanwezig was voor een efficiënte controle van passagiers uit niet-Schengenlanden, waardoor ze meer dan een uur moesten aanschuiven. Ook in het verleden waren er vaak problemen, met enorm lange wachtrijen door een gebrekkige capaciteit voor controles.

Op de luchthaven van Zaventem zijn ook regelmatig problemen met daklozen die, meestal onder invloed van alcohol of drugs, zowel medewerkers als passagiers lastigvallen.

Ten slotte bleek vorige maand op de RTBF - want ik volg ook Franstalig nieuws - dat er problemen zijn met de detectie van explosieven, zowel op de luchthaven van Zaventem als op die van Charleroi, maar ik zie dat de collega van de PS al vertrokken is. Zo werden ongeveer de helft van de testexplosieven tijdens de controles niet opgemerkt. Die veiligheidsproblematieken zorgen niet alleen voor overlast en mogelijk heel dramatische situaties, ze zorgen er ook voor dat de eerste kennismaking van reizigers met ons land heel gebrekkig is en kunnen zo de economie afremmen.

Hebt u contact gehad met de luchthaven van Zaventem over de huidige veiligheidsnoden en de uitgebreide noden die deze extra investering teweeg zal brengen?

Welke maatregelen zult u nemen voor een efficiëntere paspoortcontrole op de luchthaven?

Op welke manier wil u de luchtvaartpolitie versterken deze legislatuur? Waar ligt voor u de focus? Welke rol speelt het nieuwe Kanaalplan daarin?

Wil u ook maatregelen nemen om de rol die private veiligheidsactoren op de luchthaven spelen, bijvoorbeeld bij de controle op explosieven, te versterken?

Bernard Quintin:

Mijnheer Bergers, de recente lange wachttijden in Charleroi waren te wijten aan een tekort aan beveiligingsagenten die instaan voor de veiligheidsscreening op beide luchthavens. Deze screening gebeurt immers door een privéfirma en niet door de politie. Desalniettemin zal de luchtvaartpolitie (LPA) weer een beroep doen op de personeelsleden van de regionale luchthavens van Bierset, Deurne, Oostende en Wevelgem om de grenscontroles in Brussel Nationaal te versterken.

Daarenboven heeft de LPA nog extra opleidingssessies voor grenscontroleur georganiseerd voor de zomermaanden. Op die manier kan het personeel maximaal worden ingezet. Desnoods zal ook een beroep worden gedaan op andere eenheden om de LPA te versterken op de meest cruciale momenten.

De LPA vraagt al jaren om de vluchten beter te spreiden, zeker tijdens de ochtendpiek in Brussel Nationaal, maar dat blijft moeilijk. De tijdssloten zijn immers wereldwijd bepaald in functie van de verschillende allianties van luchtvaartmaatschappijen en de aansluitende vluchten.

De screening van de passagiers behoort tot de bevoegdheden van het Directoraat-Generaal Luchtvaart (DGLV), dat onder de minister van Mobiliteit ressorteert. Ik verzoek u dus om uw vragen te richten aan mijn collega bevoegd voor Mobiliteit.

Ik ben momenteel niet van plan om bijstand te vragen van Defensie om de veiligheid in de luchthavens van Brussel Nationaal en Charleroi te verzekeren.

Wij hebben in andere antwoorden al gehoord dat het op andere plaatsen ook moeilijk is. Ik wil eraan toevoegen dat ik alle luchthavens bezocht heb, waaronder Brussels Airport. Ik zal op 9 mei de LPA bezoeken om hun werk beter te kunnen begrijpen.

Mijnheer Bergers, ik ben het volledig met u eens dat het een kwestie van gemak is, maar ook van het imago van België. Aangezien ik voor mijn ministerschap diplomaat was, begrijpt u dat ik daar veel belang aan hecht.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, ik stel een zekere wil vast om er iets aan te verhelpen, zeker wat uw bevoegdheid voor de LPA betreft. Diensten van de LPA zouden naar Zaventem en Charleroi worden verschoven. Er zouden nieuwe opleidingen voor de zomermaanden komen. Verder zouden er eventueel andere federale eenheden kunnen worden ingeschakeld. Ik heb echter niet gehoord over hoeveel manschappen het nu gaat en hoeveel er effectief nodig zijn om die lange wachtrijen te voorkomen. Misschien wacht u daarmee totdat u het terrein bezocht hebt. We zijn het erover eens dat die lange wachtrijen in onze luchthavens voor toeristen voor imagoschade zorgen.

Jeroen Bergers:

Ik dank u voor het antwoord, mijnheer de minister. De problemen met de controles van paspoorten, de problemen met mensen onder invloed, daklozen onder invloed, die reizigers en medewerkers lastigvallen en de problemen met de detectie van explosieven zijn gevaarlijk. Dit verdient onze aandacht, zoals u zelf ook zegt. Dit is niet alleen schadelijk voor het imago van ons land, maar ook voor de manier waarop we toeristen aantrekken en ook bedrijfsleiders en economische actoren om in ons land te investeren. Dit is gevaarlijk.

We moeten hier echt voor oplossingen zorgen, zeker na het goede nieuws dat er een gigantische investering in de luchthaven van Zaventem zal gebeuren. Dit zal voor extra jobs in alle regio's van ons land zorgen. Ik denk dat het belangrijk is dat we er met het federaal Parlement en de federale regering mee voor zorgen dat de luchthaven zo efficiënt en zo veilig mogelijk kan functioneren. Dit zal jobs met zich meebrengen, het versterkt de luchthaven en we kunnen een meer welvarende economie in ons land realiseren.

Voorzitter:

Vraag nr. 56004642C van mezelf wordt omgezet in een schriftelijke vraag.

Het Vlaamse Defensieplan

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 29 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De Vlaamse regering wil via haar *defensieplan* structureler betrokken worden bij federale veiligheids- en weerbaarheidsplannen, terwijl de federale overheid al gewestelijke inbreng verzekert via uitnodigingen (geen verplichtingen) en het Overlegcomité (april 2024) dit formeel verankert. Het Vlaamse burgerweerbaarheidsprogramma is een eigen initiatief, maar wordt afgestemd met federale instanties (o.a. Crisiscentrum) en sluit aan bij federale plannen voor lokale vrijwilligerskorpsen (bijstand bij rampen zoals overstromingen), met focus op opleiding, coördinatie en burgerbetrokkenheid. Vertraging door Vlaanderen wordt voorkomen door de bestaande constructieve samenwerking met gewesten, die al actief deelnemen aan crisisoverleg. Civiele bescherming wint aan kracht door betere burgervoorbereiding en logistieke ondersteuning via vrijwilligers, geïnspireerd op buitenlandse modellen.

Matti Vandemaele:

Op 4 April stelde de Vlaamse regering haar 'Vlaams defensieplan' voor. Daarin wordt een aantal keer verwezen naar de Federale bevoegdheden waar u als minister van Binnenlandse Zaken bevoegd bent.

Zo lezen we in het hoofdstukje 'crisisparaatheid en weerbaarheid' o.a. het volgende: "we gaan hiertoe in overleg met de federale bevoegde entiteiten zodat we als volwaardige partner mee aan tafel zitten bij de opmaak en uitvoering van veiligheids- en weerbaarheidsstrategieën en -plannen".

Enkele vragen:

Welke rol nam Vlaanderen op bij de opmaak van de vorige veiligheids- en weerbaarheidsstrategieën en -plannen? Zal hier iets aan veranderen?

En hoe voorkomen we dat Vlaanderen de opmaak vertraagd en/of bemoeilijkt? Hebben de andere deelstaten een zelfde wens geuit?

Verder lezen we ook: We richten een Vlaams burgerlijk weerbaarheidsprogramma op, in afstemming met de federale overheid, waarvan de lokale overheden de coördinatie opnemen.

Hier zijn mijn vragen:

Kan u meer toelichting geven over het Burgerlijk weerbaarheidsprogramma? Werd het federale niveau vooraf gecontacteerd en is deze actie een gezamenlijk initiatief?

Wat is de relatie met de uitdagingen waar de civiele bescherming staat?​

Bernard Quintin:

Mijnheer Vandemaele, bij de opmaak van nationale noodplannen is het reeds een gewoonte om de gefedereerde entiteiten te betrekken. Zo werd bijvoorbeeld in het koninklijk besluit van 26 april 2024 tot vaststelling van het nationaal noodplan meermaals opgenomen dat de gefedereerde entiteiten worden uitgenodigd in het kader van de vergaderstructuur van noodplanning en crisisbeheer. In de federale regelgeving is het niet mogelijk om verplichtingen op te leggen aan gefedereerde entiteiten, vandaar de terminologie 'uitnodigen'. We zien in de praktijk dat de gewestelijke crisiscentra effectief zeer regelmatig ingaan op deze uitnodigingen, wat de uitwerking van de plannen ten goede komt.

Voor de weerbaarheidsplannen werken we momenteel aan de eerste iteratie en implementatie van het Belgisch Nationaal Weerbaarheidsplan. De deelstaten worden reeds betrokken in de werkzaamheden en de overlegstructuren ter zake. Deze betrokkenheid wordt in april 2024 formeel verankerd via een beslissing van het Overlegcomité. In de verdere uitwerking van deze plannen is het de uitdrukkelijke bedoeling om de deelstaten verder structureel en actief te blijven betrekken. Er is vanuit de gewesten een duidelijke bereidheid om constructief mee te werken. Die positieve houding biedt een solide basis voor een versterkte samenwerking in de toekomst.

Wat uw vragen over burgerweerbaarheid betreft, kan ik stellen dat ook het federale regeerakkoord voorziet in initiatieven. De federale regering zal de lokale autoriteiten immers aanmoedigen hun inwoners uit te nodigen om zich aan te sluiten bij een lokaal vrijwilligerskorps. Dit lokale korps kan de lokale besturen en operationele diensten van de civiele veiligheid, met name de brandweer en de civiele bescherming, bijstaan bij het beheer van bepaalde incidenten, zoals overstromingen.

Ik heb mijn administratie opgedragen de mogelijkheden te onderzoeken voor de organisatie en mobilisatie van de vrijwilligerskorpsen in het kader van de meer eenvormige operationele logistiek en ondersteunende taken, geïnspireerd door buitenlandse modellen en goede praktijken. Mijn administratie zal in dat verband nadere initiatieven nemen, omdat dergelijke vrijwilligerskorpsen verschillende voordelen bieden die wij moeten kunnen consolideren en uitbreiden, namelijk een betere voorbereiding van de bevolking bij grote incidenten, een betere coördinatie van de solidariteit en een sterkere band tussen de bevolking en de hulp- en interventiediensten. Wij denken bijvoorbeeld aan opleiding en oefeningen.

Een Vlaams burgerlijk weerbaarheidsprogramma wordt een initiatief van hun kant. Ik sta achter het initiatief dat al werd genomen om de weerbaarheidsacties en mogelijke samenwerking binnen dat programma te bespreken tussen het Crisiscentrum van de Vlaamse overheid en het Nationaal Crisiscentrum, net zoals dat waar nodig het geval zal zijn voor samenwerking met de andere gefedereerde entiteiten.

Matti Vandemaele:

Ik dank u voor het antwoord.

Voorzitter:

Vragen nrs. 56004717C en 56004718C van mevrouw Delcourt worden uitgesteld. Vraag nr. 56004722C van mevrouw Désir is reeds beantwoord. Vraag nr. 56004731C van de heer Van Rooy wordt uitgesteld. La question n° 56004746C de Mme Maouane est reportée.

De scanners en de veiligheid van de haven van Antwerpen

Gesteld aan

Vincent Van Peteghem (Minister van Begroting)

op 29 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Jan Jambon bevestigt technische problemen met haven-scanners (zowel vaste als mobiele), maar benadrukt dat de douane nooit zonder capaciteit viel. Vaste scantunnels worden de komende twee jaar vervangen (geen uitbreiding, wel modernisering), terwijl acht van de negen nieuwe mobiele scanners pas eind juni 2025 operationeel zijn na testfase—volledige inzet vraagt dus nog geduld. Scanners draaien nu op 17% van de drugsonderscheppingen, als onderdeel van een gecombineerde risicoanalyse (details geheim om veiligheidsredenen). Vandemaele aanvaardt het antwoord zonder verdere discussie.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de voorzitter, ik heb mijn tekst nog niet voor mij liggen, maar ik zal mijn vraag uit het hoofd stellen.

Mijnheer de minister, ik werd recent gecontacteerd door een aantal medewerkers uit de haven, die aangaven dat de scanners waarmee zij moeten werken, regelmatig stuk zijn. Ze vertonen regelmatig technische problemen. Blijkbaar zijn ook nog niet alle scanners up and running . Een aantal stukken zit nog in een testfase. Mijn vragen zijn heel concreet.

Ten eerste, klopt het verhaal dat er een probleem is met de scanners? Ten tweede, hoe ver staat de testcase? Ten derde, wat zijn de vooruitzichten de komende maanden en jaren, zodat de scanners optimaal kunnen worden gebruikt?

Jan Jambon:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer Vandemaele, wanneer de douane een drugtransport controleert in de haven van Antwerpen, wordt telkens een risicoanalyse uitgevoerd. Daarbij worden tal van parameters in rekening genomen. Ook andere veiligheidspartners zijn bij die analyse betrokken. Daarover kan om veiligheidsredenen natuurlijk niet worden gecommuniceerd. De modus operandi voor drugtransport wordt gekozen in functie van het resultaat van de risicoanalyse.

Met de scanapparatuur, zowel de vaste scantunnels als de laatst aangekochte mobiele cargoscanners, zijn er de voorbije maanden inderdaad enkele technische problemen geweest, die steeds zo vlug mogelijk werden opgelost. Ik wil benadrukken dat de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen nooit zonder scancapaciteit is geweest. Een aantal scanners heeft echter inderdaad niet op volle capaciteit kunnen draaien.

Alle vaste scantunnels worden de komende twee jaar vervangen. De overheidsopdrachten daartoe zijn in opmaak. Het gaat daarbij niet om een uitbreiding van het aantal vaste scantunnels, maar wel om een vervanging van de bestaande door nieuwere technologie.

Van de laatste negen aangekochte mobiele cargoscanners is nog maar één scanner opgeleverd. De acht andere mobiele scanners zijn nog in de testfase. Die fase zal uiterlijk eind juni 2025 eindigen, waarna de scanners volledig in gebruik zullen worden genomen. Ik vraag u dus nog even geduld vooraleer we op volle capaciteit zullen draaien.

Zoals daarnet al toegelicht, wordt bij de onderschepping van drugs vaak een combinatie van opspoortechnieken gebruikt, zowel in 2024 als in 2025. Tot op vandaag speelden de scanners een rol in ongeveer 17 % van de onderscheppingen.

Mijnheer de voorzitter, dat was mijn antwoord.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw duidelijke antwoord.

De NMBS en de deportaties tijdens de Tweede Wereldoorlog
Het rapport van de Groep van Wijzen over de verantwoordelijkheid van de NMBS bij deportaties
De aanbevelingen betreffende de rol van de NMBS in de deportatie van Joden en Roma
De rol van de NMBS bij deportaties tijdens de Tweede Wereldoorlog

Gesteld aan

Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)

op 29 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De SNCB’s historische rol in de deportatie van >25.000 Joden, Roma en verzetsleden tijdens WOII staat centraal, met bevestigde betalingen door nazi-Duitsland en passieve medewerking onder het "mindere-kwaad"-beleid. Het rapport van de Groep der Wijzen (jan. 2025) beveelt officiële excuses, herstelmaatregelen (o.a. educatieve projecten, tentoonstellingen in Train World) en een herdenkingsdag aan, waarvoor de SNCB-raad al groen licht gaf—excuses volgen in 2025, met steun van HR Rail (Infrabel aarzelt nog). De regering analyse momenteel de juridische en budgettaire haalbaarheid van de 30 aanbevelingen (o.a. herstelbetalingen voor de 50 mln. frank ontvangen in 1942-’44), terwijl kritiek blijft op het risico van minimumacties en het ontbreken van structurele inclusiebeleid (bv. wettelijk verankeren van diversiteit bij SNCB). Parlementariërs benadrukken dat herdenking gepaard moet gaan met weerstandsverhalen en waarschuwen voor hedendaagse dreigingen (antisemitisme, autoritarisme).

Christophe Lacroix:

Monsieur le ministre, c'est un plaisir de vous retrouver cette fois-ci dans un rôle inversé. Nous nous croisons depuis 2014 et ensuite 2017 mais c'est la première fois que je vais avoir l'honneur et le plaisir de vous poser une question. Cela me rappelle un temps où c'est vous qui étiez à ma place et qui m'"asticotiez" au gré de votre bon vouloir mais assidûment avec beaucoup d'intelligence et d'acuité.

Le sujet est ici fondamentalement sérieux. En janvier dernier, le Groupe des Sages mis sur pied par le gouvernement fédéral a présenté au Sénat ses propositions sur les initiatives à prendre suite à l'implication des chemins de fer belges dans l'organisation de convois de déportation qui ont mené plus de 25 000 Juifs, Roms, prisonniers politiques et travailleurs forcés vers les camps durant la Seconde Guerre mondiale.

En décembre 2023 déjà, une étude du CegeSoma apportait des éléments concrets sur l'implication des chemins de fer belges dans cette déportation. Il en ressortait notamment que la SNCB avait reçu "quasi à coup sûr" des fonds allemands pour déporter des Juifs.

Le rapport des Sages formule 30 recommandations. Parmi elles figurent les excuses aux victimes: "En ce qui concerne la reconnaissance des victimes, la SNCB doit non seulement exprimer des regrets mais aussi présenter des excuses officielles pour le rôle joué par les chemins de fer belges de l'époque dans l'organisation des convois ferroviaires de déportation", peut-on ainsi lire. La SNCB est également invitée à mettre en œuvre diverses initiatives mémorielles et à organiser une journée du souvenir afin de rappeler le drame des déportations.

Je souhaiterais donc faire le point sur les initiatives concrètes prises par la SNCB depuis lors. Quels budgets sont ou seront débloqués à cette fin? Plus largement, quelles suites comptez-vous donner au sein du gouvernement aux différentes recommandations et à leur mise en œuvre? Une collaboration entre la SNCB et le War Heritage Institute (WHI) est-elle envisagée en ce sens notamment dans la politique muséale fédérale?

Aurore Tourneur:

Monsieur le ministre, le 17 janvier dernier, le Groupe des Sages a rendu un rapport sur l'implication des chemins de fer belges dans l'organisation de convois de déportation, mettant en lumière la responsabilité collective de l'État belge et de la SNCB dans ces événements.

Je sais, monsieur le ministre, toute l'importance que vous accordez à ce dossier. Vous y faisiez déjà référence dans votre exposé d'orientation générale à juste titre. Et ce rapport a une résonance d'autant plus lourde dans un contexte politique marqué par des tensions mémorielles mais aussi par la montée inquiétante des actes d'antisémitisme au sein de notre société.

Selon le communiqué du gouvernement du 15 avril dernier, le Conseil des ministres a pris acte des recommandations du rapport et vous a chargé de préparer la mise en œuvre des recommandations formulées par le Groupe des Sages en intégrant les analyses budgétaires et juridiques nécessaires.

Monsieur le ministre, quelles sont les perspectives de travail de votre ministère en concertation avec la SNCB concernant les analyses budgétaires et juridiques? D'un point de vue pratique, comment comptez-vous veiller au suivi de la mise en œuvre de ces recommandations? Par ailleurs, pourriez-vous nous indiquer si la SNCB est prête à reconnaître publiquement sa responsabilité, à présenter ses excuses dans un avenir proche? Envisagez-vous d'organiser un acte officiel symbolique en présence des représentants des survivants et des communautés concernées afin de renforcer la portée de cet acte de reconnaissance?

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, ma question porte sur l'état d'avancement de la mise en œuvre par la SNCB, Infrabel et HR Rail des recommandations du Groupe des Sages par rapport au rôle joué par la SNCB dans la Déportation de Juifs et Roms pendant la seconde guerre mondiales.

Entre 1942 et 1944, la SNCB a organisé 28 convois de déportation depuis Malines vers Auschwitz, transportant 24 906 Juifs et 353 Roms. Des recherches menées par le CegeSoma grâce au financement assuré par votre prédécesseur ont révélé que la SNCB a été rémunérée pour ces transports par le Mitteleuropäisches Reisebüro, recevant environ 50 millions de francs belges de l'époque. La direction de la SNCB n’a pas protesté contre ces déportations, s’inscrivant dans une politique dite du « moindre mal ».

Un Groupe des Sages a été constitué à l’initiative de votre prédécesseur pour réfléchir à la façon de donner suite au résultat de ces recherches, aboutissant à la formulation en janvier 2025, de 30 recommandations articulées autour de trois axes : vérité, transmission et réparation.

Il importe à présent de mettre en œuvre ces recommandations, ce qui depuis lors a fait l’objet, selon la presse, d’une décision du gouvernement et d’une délibération du conseil d’administration de la SNCB.

Monsieur le ministre, pouvez-vous nous faire un état des lieux de ce dossier? Les décisions prises impliquent-elles la formulation future par la SNCB d’excuses par rapport à sa responsabilité historique? Quand et dans quel cadre seront-elles formulées? Qu’en est-il de l’action et de l’implication d’Infrabel et d’HR Rail également héritières de la SNCB de l’époque? Est-il également prévu de les impliquer dans ce cadre? Ce point sera-t-il également porté à l’ordre du jour de leur conseil d’administration? Qu’en est-il des 50 millions de francs belges perçus à l’époque par la SNCB? Feront-ils l’objet d'un acte de réparation à poser par la SNCB conformément aux recommandations du Groupe des Sages? Vous engagez-vous personnellement à tout mettre en œuvre pour faire aboutir ce dossier?

Jean-Luc Crucke:

Je remercie les députés pour les quelques mots qui font référence à notre passé commun au sujet duquel les débats, je vous le confesse, n’ont pas toujours été aussi agréables. Même si j’ai compris que je vous asticotais de temps en temps, ce n’était évidemment pas le but, puisque le but est d’avancer.

Le 17 janvier 2025, le Groupe des Sages a remis au gouvernement son rapport "Vérité, Transmission, Réparation - La SNCB et les déportations durant la Seconde Guerre mondiale ". Le Groupe a estimé que ses travaux ne pouvaient pas se limiter au passé de guerre de la SNCB mais qu’il devait aussi s’attacher à dégager des enseignements pour le présent et le futur. Partant d’une responsabilité historique collective, il contient au total 30 recommandations à l’attention du gouvernement fédéral pour faire connaître la vérité, assurer la transmission et proposer des formes de réparation. Il précise que si la plupart des recommandations sont adressées au gouvernement fédéral, les conclusions de l’étude historique et les principaux enseignements doivent également interpeler les autres niveaux de pouvoir et le secteur privé.

Sur les 30 recommandations, 11 concernent la SNCB. Celle-ci travaille activement à leur mise en œuvre. Dans l’attente des suites qui seront accordées par le gouvernement aux recommandations du Groupe des Sages, le conseil d’administration de la SNCB a déjà marqué son accord sur une série d’actions actuellement en préparation et qui sont également reprises dans les recommandations du Groupe des Sages, dont:

- l’actualisation de la scénographie permanente du musée Train World consacré à la Seconde Guerre mondiale pour y intégrer les résultats des recherches de Nico Wouters et du CegeSoma. Elle devrait être terminée puisqu’elle était prévue pour mars 2025;

- l’organisation d’une exposition temporaire à Train World, intitulée "La SNCB occupée, entre collaboration et résistance". Cette exposition se tiendra à Train World de septembre 2025 à juin 2026 et est réalisée avec l’appui de Nico Wouters et du CegeSoma;

- l’organisation d’un programme de conférences pendant la durée de l’exposition temporaire, comprenant aussi bien des témoignages de survivants que des exposés historiques;

- la création de paquets éducatifs à destination des écoles primaires et secondaires permettant une réflexion sur le thème de la responsabilité, illustrés au travers du rôle de la SNCB durant la Seconde Guerre mondiale. Ces paquets éducatifs seront disponibles à partir du lancement de l’exposition temporaire à Train World en septembre 2025 et sont réalisés avec le soutien de Kazerne Dossin et du World Heritage Institute;

- l’organisation d’ateliers éducatifs par des animateurs spécialisés, soit dans les écoles soit à Train World. Ces ateliers éducatifs seront disponibles à partir du lancement des expositions temporaires à Train World en septembre 2025 et sont réalisés avec le soutien de Kazerne Dossin et du World Heritage Institute;

- la mise en place d'un site web dédié regroupant toutes les ressources disponibles – archives, documentation, collections historiques en lien avec la SNCB durant la Seconde Guerre mondiale. Ce site web dédié sera lancé en septembre 2025.

La SNCB, à travers son soutien aux activités de Train World, a libéré les moyens humains et financiers nécessaires à la préparation et la mise en œuvre des actions mémorielles reprises ci-dessus. Au sein du gouvernement fédéral, le Conseil des ministres a pris acte des recommandations du rapport du Groupe des Sages le 11 avril dernier. Le gouvernement m'a chargé de préparer la mise en œuvre des recommandations formulées par le Groupe des Sages en intégrant les analyses budgétaires et juridiques nécessaires. Suite à cette décision, mes services examinent actuellement les 30 recommandations au regard des implications induites de ces dernières pour différents niveaux de pouvoir.

De plus, considérant que les réglementations sont adressées à différents acteurs publics et privés, il est nécessaire d'étudier les conséquences juridiques et budgétaires pour l'État. Lorsque cette analyse sera finalisée, je redéposerai un dossier sur la table du gouvernement.

Sur la question des excuses, je peux vous dire que le conseil d'administration de la SNCB a donné son accord pour exprimer publiquement ses excuses lors de sa réunion du 24 janvier dernier. Le conseil d'administration de HR Rail a répondu favorablement à la sollicitation de la SNCB de se joindre à ces excuses. Quant à Infrabel, la réponse du gestionnaire de l'infrastructure est encore à l'étude.

D'autre part, j'ai pu constater que la rédaction du rapport du Groupe des Sages n'avait pas mis fin à toute polémique sur cette douloureuse problématique. C'est ainsi que la question relative à la responsabilité éventuelle de l'État n'a pas été juridiquement instruite. Sachant que sur le plan de la recherche historique, l'ouvrage de Nico Wouters Le rail belge sous l'Occupation peut être considéré comme la synthèse précise des faits de cette période critique de l'histoire belge, j'envisage de demander à une équipe de juristes compétents d'analyser la question et de me faire ensuite rapport.

J'ai moi-même rencontré l'historien Nico Wouters qui m'a confirmé accepter de se mettre à disposition desdits juristes pour tout document ou explication complémentaire dont ils auraient besoin. Ledit rapport sera, dès sa réception, soumis à la lecture du gouvernement, sachant qu'il dépasse stricto sensu la compétence de la Mobilité sur laquelle j'ai la tutelle.

Je peux vous donner mon engagement quant au fait que je suis pleinement investi dans le suivi de ce dossier, pour apporter évidemment à cet essentiel et primordial travail de mémoire toutes les réponses nécessaires.

Christophe Lacroix:

Monsieur le ministre, merci pour la qualité et la précision de vos réponses. Je crois qu'il est important de rappeler que le travail de mémoire, indépendamment du rapport des Sages, on ne le fait pas parce qu'il le faut, mais parce qu'on le doit et parce qu'on doit être convaincu de transmettre un relais aux nouvelles générations qui n'ont pas connu ces temps troublés, mais qui pourraient les connaître avec la situation internationale actuelle.

Deuxièmement, il y a la mémoire sur la déportation et sur les responsabilités historiques, mais il ne faut jamais faire oublier et il faut mettre en relation la mémoire de la Résistance. Parce qu'à côté de celles et ceux qui ont collaboré avec l'ennemi, il y a aussi celles et ceux qui ont résisté au prix de leur vie. Et là aussi, on aura besoin de rappeler toute l'importance de résister aux dictatures de quelque bord qu'elles soient.

Troisièmement, une des craintes formulées par certaines associations actives dans le domaine de la mémoire était que la SNCB se contente – pour caricaturer et être simple – du strict minimum syndical, sans associer continuellement dans la perspective des travaux les secteurs de la société civile qui sont spécifiques au travail sur la mémoire, et évidemment les familles des victimes de cette déportation.

Je terminerai en rappelant que je porte une proposition de loi sur la reconnaissance du fort de Huy comme mémorial national de la Résistance. Je peux vous dire qu'il est très compliqué de faire passer ce dossier ici au Parlement, il y a de nombreuses réticences, en ce compris parfois et de manière assez étonnante dans le gouvernement. Je pense que vous pouvez être le fer de lance d'un changement radical pour faire comprendre à toutes et tous que la responsabilité échoit à tous les démocrates.

Aurore Tourneur:

Merci, monsieur le ministre, pour votre réponse étayée qui témoigne d'un engagement sincère sur ce dossier d'une portée historique et humaine considérable.

Ce rapport n'est pas une fin en soi, c'est un point de départ. La responsabilité historique ne doit pas être seulement un constat: elle doit permettre des actes visibles, durables et partagés. Nous comptons sur vous pour mener ce travail avec tout le sérieux qui vous caractérise.

Sarah Schlitz:

Merci, monsieur le ministre. Je ne partage pas tout à fait l'enthousiasme de Mme Tourneur sur la passion qui vous anime dans ce dossier. Je comprends que la séance est longue aujourd'hui, mais la lecture un peu fastidieuse de la réponse ici ne permet pas d'avoir un éclairage très complet du dossier. La responsabilité de la SNCB dans cette affaire est pleine et entière. C'est dingue que ce soit seulement en 2024 qu'on ait enfin fait la lumière sur ce dossier grâce à la volonté de Georges Gilkinet, qui a lancé cette étude. En effet, ce n'est que d'un début. Je vous invite non seulement à mettre en œuvre les recommandations en question qui ont déjà été lancées, mais aussi à, vous-même, mettre en place une série d'actions pour aller plus loin et à continuer à mettre en place une robustesse au niveau de la SNCB pour faire en sorte que ce genre de chose n'arrive plus jamais. Il peut s'agir du sujet de la guerre 40-45, mais ça peut être dans d'autres domaines aussi. Pour moi deux choses doivent être faites. Il y a évidemment la mise en place des recommandations et on peut voir comment aller plus loin dans ce dossier. D'autre part, il faut faire en sorte que la SNCB soit un acteur qui construise une société inclusive qui permet de faire en sorte que la haine et l'horreur de la guerre 40-45 ne se reproduisent pas. Je pense en particulier aux questions de diversité et d'inclusivité dont on a beaucoup parlé ces derniers temps avec les attaques de Trump envers les entreprises qui pratiquent des politiques inclusives. Monsieur le ministre, vous pourriez par exemple réviser la loi de 1991 pour faire en sorte que les politiques d'inclusion et de diversité qui sont actuellement menées à la SNCB soient inscrites dans la loi et ne puissent donc pas être détricotées par des régimes futurs qui seraient hostiles à ce type de politique, comme c'est le cas aujourd'hui aux États-Unis. Je vous remercie.

Spoorlopen
De maatregelen tegen kabeldiefstallen op het spoor
Het blijvende gevaar dat spoorlopen inhoudt voor de veiligheid en stiptheid op het spoor
Veiligheid en preventie op het spoor

Gesteld aan

Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)

op 29 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie focust op twee hoofdproblemen op het Belgische spoor: kabeldiefstallen (vooral in Wallonië, met 255 gevallen in 2024, 1,6 miljoen euro schade en zware vertragingen) en intrusies op spoorwegen (646 incidenten in 2024, 5 doden, stijgende vertragingen). Infrabel zet in op technologie (GPS-trackers, drones, slimme hekken, camera’s), sensibilisering (VR-campagnes, escape games, getuigenissen) en repressie (boetes tot €500, samenwerking met politie en justitie), met lokale hotspots als prioriteit (bv. Walibi, stations in Henegouwen/Luik). De minister benadrukt versterkte grensoverschrijdende samenwerking (met Frankrijk/Nederland, EU-brede afstemming) en uitbreiding van surveillancetechnologie, maar erkent dat georganiseerde criminaliteit en mobiliteit van daders blijvende uitdagingen zijn. Concrete acties zijn onder meer extra camera’s in 2025, meer Securail-agenten en gerichte controles bij evenementen.

Gilles Foret:

Monsieur le ministre, les vols de câbles continuent de nuire gravement à la sécurité et à la ponctualité ferroviaires. Le réseau belge, bien que pionnier en matière de modernisation, reste régulièrement ciblé. Début février 2025, un vol de câbles à Quévy a paralysé la circulation entre Mons et la frontière française. En novembre 2024, le même phénomène avait déjà touché la ligne Charleroi-Erquelinnes. En mars dernier, une opération conjointe franco-belge a permis la saisie de 3,6 tonnes de câbles volés dans des entreprises de recyclage, dont une partie appartenait à la SNCB. Ces faits ne sont malheureusement pas isolés.

Si Infrabel se réjouit d'une baisse notable du nombre de vols – passant de 451 en 2023 à 255 en 2024 – le fléau persiste, particulièrement en Wallonie, qui concentre près de 60 % des incidents, notamment dans les provinces de Liège (73 faits) et du Hainaut (69). Le préjudice financier reste lourd : 1,6 million d'euros en 2024, auxquels s'ajoutent 10.781 minutes de retards cumulés sur l'année.

Face à cela, Infrabel déploie plusieurs solutions : remplacement du cuivre par de l'aluminium, détection par boîtiers dissimulés, plaintes systématiques et poursuites judiciaires. En 2024, 22 condamnations ont été obtenues, avec des peines allant jusqu'à deux ans de prison.

Monsieur le ministre, quels moyens supplémentaires le gouvernement prévoit-il de mobiliser pour renforcer la prévention et la répression de ces vols? Le recours à la technologie (capteurs, drones, surveillance nocturne) va-t-il être intensifié à l'image de ce que fait la SNCF? Une meilleure coopération transfrontalière, notamment avec la France ou les Pays-Bas, est-elle envisagée pour endiguer ces réseaux souvent mobiles et organisés? Enfin, une campagne de sensibilisation est-elle prévue pour souligner les risques encourus et les conséquences de ces actes pour les auteurs comme pour les usagers?

Monsieur le ministre, les intrusions sur les voies ferrées restent une problématique sérieuse, tant du point de vue de la sécurité que de celui de la ponctualité du trafic ferroviaire. Début avril, Infrabel a tiré la sonnette d'alarme : en 2024, 646 intrusions ont été recensées sur le réseau, un chiffre en légère hausse par rapport à 2023 (632). Cette augmentation est en partie liée à une amélioration de la détection grâce à l'installation de nouvelles caméras et dispositifs de surveillance.

Derrière ces chiffres, ce sont surtout des vies humaines perdues. Cinq décès ont été déplorés en 2024, ainsi que trois blessés graves. En parallèle, l'impact sur le réseau est lourd : en moyenne, près de 11 heures de retards par jour ont été enregistrées, soit une hausse de 9 % sur un an. Ces incidents engendrent des conséquences importantes pour les usagers et pour la fluidité du trafic.

La répartition régionale est également interpellante: près de la moitié des signalements concernent la Flandre (48 %), contre 34 % en Wallonie et 18 % à Bruxelles. Infrabel et la Police des chemins de fer collaborent pour intervenir en flagrant délit, avec une attention accrue cette année sur les zones proches des événements à grande affluence comme les concerts ou parcs d'attractions.

L'accord de gouvernement met l'accent sur la sécurité ferroviaire, la modernisation des infrastructures et la prévention. Dans ce cadre, cette problématique mérite une attention prioritaire.

Monsieur le ministre, mes questions sont les suivantes:

Quelles mesures sont actuellement mises en œuvre pour renforcer la prévention des intrusions, notamment autour des zones à risque identifiées?

La couverture du réseau par les systèmes de surveillance sera-t-elle élargie, et selon quel calendrier?

Existe-t-il un plan de sensibilisation à destination des jeunes et du grand public pour rappeler les dangers de tels comportements?

La coordination entre Infrabel, la police et les communes pourrait-elle être renforcée pour prévenir ces actes, particulièrement en période d'événements publics?

Jean-Luc Crucke:

Monsieur Foret, aussi bien les intrusions sur les voies que les vols de câbles entraînent des répercussions négatives sur le réseau ferroviaire. La ponctualité pâtit encore parfois d'éléments extérieurs aux sociétés ferroviaires. La réduction de ces externalités négatives constitue donc une priorité pour garantir le service ferroviaire aux voyageurs et voyageuses.

En ce qui concerne les intrusions sur les voies, Infrabel envisage dans son plan d'action trois types de mesure. Outre les dispositifs de prévention relatifs à la sécurisation physique de l'infrastructure, caméras et clôtures, Infrabel prend un grand nombre de mesures visant la sensibilisation au danger que constituent les intrusions sur les voies. Le volet en rapport avec la répression complète ce plan d'action.

Sont tout d'abord prévues des mesures préventives, avec l'installation de clôtures intelligentes le long des voies et entre celles-ci: des tapis obstacles, des blocs de béton et des caméras. En 2024, Infrabel a équipé plusieurs gares et points d'arrêt de caméras de détection d'intrusions, comme Morlanwelz, Bockstael et Han. De plus, des opérations de contrôle ciblées sont menées en collaboration avec la police des chemins de fer. La couverture du réseau par des systèmes de surveillance sera étendue. En 2024, Infrabel a installé 607 mètres de clôtures et de portails pour sécuriser les hotspots des zones telles que L15 Herentals, L35 Holsbeek et L58 Gand. Le projet d'installation de caméras de détection d'intrusions va se poursuivre cette année. Cette extension est basée sur des études de sécurité réalisées en vue d'identifier et sécuriser les zones potentiellement critiques.

Infrabel prend également un grand nombre de mesures visant à sensibiliser au danger des intrusions sur les voies. Les actions suivantes sont entreprises:

- campagne basée sur la réalité virtuelle dans les écoles à proximité des hotspots ;

- campagne Not Spot réalisée à la fin 2024 et diffusée sur l'ensemble des réseaux sociaux à destination du grand public afin de sensibiliser au fait de ne pas se trouver à proximité d'un domaine ferroviaire;

- le jeu Code Rails . Infrabel propose un escape game sur son site internet, jeu d'aventure coopératif à destination des 12-18 ans;

- La parole à ceux qui restent . Infrabel a recueilli le témoignage de six personnes ayant vécu de près des drames liés aux comportements dangereux aux abords des voies. Ces témoignages sont disponibles sur la chaîne YouTube.

En termes de répression, Infrabel collabore activement avec la SNCB, Securail et la police ferroviaire (direction de la police des chemins de fer SPC) pour agir dans les hotspots afin de verbaliser les comportements incorrects et dangereux. Depuis 2025, la police des chemins de fer, en concertation avec Infrabel, lance ses contrôles répressifs à proximité des centres de loisirs et de parcs à thème, ce qui a par exemple été le cas il y a quelques semaines à proximité directe de Walibi.

Je tiens à rappeler que les personnes prises en flagrant délit d'intrusion sur les voies et dans les parties d'infrastructures ferroviaires non accessibles au public s'exposent à une lourde amende de 300 à 500 euros, en cas de récidive. Pour les mineurs, le montant peut atteindre 175 euros.

En ce qui concerne la coopération transfrontalière, je me suis entretenu la semaine dernière avec le CEO d'Infrabel en demandant qu'une analyse soit réalisée sur les pratiques des pays au sein de l'Union européenne. Ce retour sera pour moi une occasion d'identifier les différents éléments qui pourraient être portés au niveau de l'Union européenne en matière de coopération.

En ce qui concerne les vols de câbles, Infrabel poursuit ses importants efforts, notamment le recours à différentes technologies, ce qui inclut l'utilisation des traceurs GPS pour faciliter l'intervention rapide des forces de l'ordre. Ces traceurs ont d'ailleurs montré toute leur utilité en permettant, en collaboration avec les forces de police, l'arrestation de voleurs il y a quelques semaines de cela. Infrabel plaide également pour l'utilisation de drones pour des missions de surveillance plus efficaces. Un panel important de dispositifs est mis en place pour améliorer la détection et la prévention des vols de câbles sur les réseaux ferroviaires.

Étant donné l'implication des bandes organisées qui franchissent parfois les frontières, la coopération internationale peut constituer un élément pour anticiper et réprimer ces délits de manière plus efficace. Il est en tout cas certain qu'une bonne coopération avec les forces de l'ordre constitue un élément important pour mieux anticiper et réprimer les délits de vol de câbles. Les retours d'expérience des années passées montrent que la collaboration avec la police et la justice a déjà permis de réduire temporairement le nombre de vols. Comme je l'ai dit plus tôt, je me suis entretenu avec le ministre de l'Intérieur, M. Quintin, de manière à pouvoir utiliser les agents de Securail dans le cadre d'une meilleure collaboration entre l'Intérieur et la Mobilité.

Infrabel transmet régulièrement des informations aux forces de l'ordre et plaide pour une utilisation accrue de moyens de détection plus précis et de drones. Des actions coordonnées dans les zones les plus touchées ont également montré leur efficacité. Enfin, Infrabel prévoit des campagnes de sensibilisation pour renforcer la vigilance des citoyens, en particulier des riverains du domaine ferroviaire. Infrabel mène en outre, via une pluralité de canaux, de très nombreuses campagnes de sensibilisation aux dangers de l'intrusion sur les voies. Je souhaite encourager le gestionnaire à poursuivre et intensifier autant que possible ses programmes de sensibilisation à la problématique des intrusions sur les voies et à lutter contre les fléaux que constituent le vol de câbles et autres atteintes à l'infrastructure ferroviaire.

Gilles Foret:

Merci monsieur le ministre pour vos réponses.

De stavaza inzake en de perspectieven voor de beveiliging van de overwegen in de Luikse regio

Gesteld door

lijst: MR Gilles Foret

Gesteld aan

Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)

op 29 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sinds 2019 verwijderde Infrabel 119 spoorniveauovergangen (waaronder 12 in Luik), geprioriseerd op gevaar, vertragingen en kostenefficiëntie, met extra maatregelen zoals obstakeldetectie-camera’s en LED-verlichting op risicolocaties (o.a. L40, L43, L44). Budget, vergunningen en spooronderbrekingen bepalen het tempo; lokaal overleg met gemeenten zorgt voor alternatieve mobiliteitsoplossingen, terwijl sensibiliseringscampagnes (social media, scholen, buschauffeurs) het gedrag van weggebruikers moeten verbeteren. Geen vast tijdschema, maar lopende studies voor verdere sluitingen (o.a. L34, L36) en technologische upgrades. Doel blijft veiligheid, met nadruk op samenwerking met lokale overheden en gedragsverandering.

Gilles Foret:

Monsieur le ministre, la sécurité ferroviaire est un enjeu majeur pour les usagers et les autorités locales, en particulier dans les zones où subsistent encore de nombreux passages à niveau. Les récents incidents dans la province de Liège illustrent une réalité préoccupante: le 19 mars 2025 à Wandre, un train a percuté une voiture, entraînant l'interruption du trafic entre Visé et Bressoux. Quelques mois plus tôt, en décembre 2024, un accident similaire s'était produit à Corswarem (Berloz), provoquant l'arrêt de la circulation ferroviaire entre Landen et Waremme. Et en octobre 2024, deux passages à niveau particulièrement accidentogènes à Esneux (Colonster et chemin de halage) ont été supprimés, après avoir enregistré 21 incidents en 20 ans.

Ces événements rappellent à quel point la sécurisation de ces infrastructures est cruciale. Infrabel poursuit un programme de suppression progressive des passages à niveau au profit d'ouvrages d'art plus sûrs, comme le récent pont à Tilff. Pourtant, 1 600 passages à niveau restent encore actifs sur le réseau belge.

L'accord de gouvernement souligne l'importance d'un réseau ferroviaire sûr, moderne et accessible. Dans ce cadre, la suppression des passages à niveau dangereux, la concertation avec les communes concernées, ainsi que les investissements dans des alternatives efficaces sont essentiels.

Monsieur le ministre, quel est le bilan des suppressions de passages à niveau réalisées depuis 2019, notamment dans la province de Liège, et selon quels critères sont-elles priorisées? Quels sont les projets en cours ou à l'étude pour sécuriser les passages à niveau encore problématiques dans cette région? Infrabel dispose-t-elle des moyens humains et financiers suffisants pour accélérer le rythme des suppressions, et un calendrier précis est-il prévu? Quelle concertation est-elle menée avec les autorités locales afin de garantir des solutions de mobilité alternatives pour les riverains concernés? Enfin, quelles campagnes de sensibilisation sont-elles envisagées pour renforcer la vigilance des conducteurs à proximité des passages à niveau encore actifs? Je vous remercie, monsieur le ministre, pour votre engagement en faveur d'un réseau ferroviaire plus sûr et pour vos éclaircissements sur les perspectives de sécurisation dans les zones les plus à risque.

Jean-Luc Crucke:

Monsieur Foret, depuis 2019, Infrabel a supprimé un total de 119 passages à niveau dans diverses communes, dont plusieurs en province de Liège: 2 à Herstal en 2020, 5 à Juprelle, Welkenraed, Visé, Esneux et Pepinster en 2021, 1 à Cheratte en 2022, 1 à Tilff en 2023 et 2 à Glons et Tilff en 2024.

Les priorités sont fixées par une analyse multicritères de leur dangerosité et de leur impact sur la ponctualité, complétée par plusieurs éléments: un business case permettant d'objectiver la période de retour de l'investissement initial en tenant compte des coûts annuels d'exploitation et d'entretien; la nécessité de moderniser la signalisation existante aux passages à niveau dont les coûts sont parfois du même ordre de grandeur que l'ouvrage de franchissement ou la voirie à créer pour une suppression; l'opportunité d'intégrer les travaux de suppression dans une massification de travaux dans le cadre d'une modernisation de ligne, par exemple; une opportunité apparue, par exemple, lors d'une étude de mobilité réalisée en collaboration avec la ou les communes concerné(es).

Infrabel a mis en place plusieurs mesures pour sécuriser les passages à niveau problématiques, notamment l'installation de caméras de détection d'obstacles, l'installation de panneaux d'avertissement, de lampes LED clignotantes sur les barrières et de caméras ANPR pour enregistrer les plaques d'immatriculation des véhicules en infraction.

Des projets spécifiques pour la province de Liège incluent l'installation de caméras de détection d'obstacles et de lampes LED à certains passages à niveau, notamment sur certains points de la L40, L44 et L43. Des études sont également en cours dans le cadre de la suppression potentielle de différents points sur la L34, L36, L43 et L44.

Infrabel dispose des moyens humains et financiers nécessaires pour mener à bien des suppressions de passages à niveau, mais le rythme de ces suppressions dépend des budgets alloués, de l'octroi des permis et des coupures de voies disponibles.

Un calendrier précis n'est pas toujours prévu car chaque projet de suppression est étudié en fonction de la situation spécifique du site et des consultations avec les parties prenantes. Infrabel mène des concertations avec les autorités locales dès le début du processus de suppression des passages à niveau. Des discussions sont organisées avec toutes les parties prenantes concernées pour trouver des solutions de mobilité optimales soutenues par toutes les parties. Un scénario cible est ensuite déterminé en concertation avec les autorités locales pour la fermeture ou le remplacement de passages à niveau.

Infrabel s'engage à sensibiliser les conducteurs aux dangers des passages à niveau au travers de diverses campagnes de communication sur les réseaux sociaux et d'actions de sensibilisation dans les écoles. Il importe cependant toujours de rappeler que ce ne sont pas les passages à niveau qui sont dangereux, mais bien le comportement de certains conducteurs à leur approche.

Par ailleurs, fin 2025 aura lieu également une deuxième vague de communication autour du numéro 1711, sur les médias sociaux vers le grand public. En outre, des concertations bilatérales seront organisées avec les sociétés de transport public pour sensibiliser leurs chauffeurs de bus aux règles à suivre aux passages à niveau.

Gilles Foret:

Merci, monsieur le ministre, pour les différentes réponses et les précisions apportées. Nous ne pouvons que saluer les efforts entrepris par Infrabel et insister sur la poursuite du processus de suppression des zones les plus accidentogènes. Il est aussi crucial d'associer les communes. Manifestement, le processus est bien enclenché, puisque dans les différents critères s'intègre le contexte local.

Bosbranden en de veiligheid langs het spoorwegnet

Gesteld door

lijst: MR Gilles Foret

Gesteld aan

Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)

op 29 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om incendies langs spoorwegtaluds in Luik tijdens droogte, met vragen over preventieve maatregelen van Infrabel. Minister Crucke benadrukt dat Infrabel risicoactiviteiten (zoals lassen) strikt reguleert, taluds onderhoudt als brandwerende zone en samenwerkt met hulpdiensten, maar dat het recente vuur op privéterrein lag en geen spoorinfrastructuur trof. Hij kondigt een federaal klimaatrapport aan om regio’s en federale actoren beter voor te bereiden op toekomstige bosbranden door klimaatverandering. Foret onderstreept het belang van proactieve coördinatie tussen overheden en sectoren om risico’s te beperken.

Gilles Foret:

Vous avez perçu un bon petit rapport! Cela fait toujours du bien de rire à cette heure-ci!

Monsieur le ministre, ma question se rapporte à différents incendies qui se sont déclarés en région liégeoise, dont certains aux abords des talus du réseau ferroviaire.

Quelles sont les mesures prises pour y remédier? Nous connaissons actuellement des épisodes de grande sécheresse. Bien évidemment, les talus sont propices à ces différents départs de feu, puisque des étincelles peuvent provenir de l'activité ferroviaire ou de certains travaux. C'était l'occasion de pouvoir faire le point avec vous et de connaître les réponses qu'Infrabel pourrait nous apporter en précisant les précautions qu'elle prend en la matière.

Jean-Luc Crucke:

Monsieur Foret, l’incendie que vous évoquez a débuté dans un bois privé, à proximité d’un chantier géré par la commune de Vielsalm. Ce chantier consistait en la pose de clôtures et n’impliquait aucune ressource d’Infrabel. L’infrastructure ferroviaire n’a subi aucun dommage.

Le plan de maintenance d’Infrabel prévoit des visites périodiques de la voie et de ses abords. Ces visites visent notamment à identifier les zones à désherber, les pistes et la plateforme de la voie, ainsi que les arbustes à couper, notamment sur les talus, par les équipes d’entretien.

En outre, concernant la prévention des incendies, Infrabel a identifié les activités à risque et, en corollaire, les mesures de prévention à appliquer. Parmi ces activités à risque figurent le soudage et le meulage des rails. Pour ces activités, les fiches de travail définissent les modes opératoires et les équipements à prévoir, tels que la présence d’extincteurs pour les opérations de soudage ou d’une citerne d’eau pour le train meuleur.

Enfin, le personnel de surveillance d’Infrabel est formé pour appeler les services de secours ou le centre de dispatching en charge de la coordination entre les services secours et les autorités compétentes.

Le modèle organisationnel d’Infrabel repose sur 11 régions couvrant l’ensemble du réseau ferroviaire. Ces régions assurent un rôle de proximité et de centralisation avec les différentes autorités concernées et sont aptes à intervenir en cas d’urgence.

Infrabel collabore régulièrement avec le DNF. Le domaine ferroviaire est par ailleurs considéré comme un coupe-feu vu l'absence de végétation qui caractérise la plateforme ferroviaire.

Plus fondamentalement encore, mon administration du Climat a sorti un rapport assez intéressant sur les risques d'incendie liés à la sécheresse et la lutte contre le réchauffement climatique. Je vais demander à cette cellule de mon cabinet de communiquer ce document à l'ensemble des Régions, de manière à ce qu'elles puissent prendre les mesures d'adaptation nécessaires, car ce phénomène va se poursuivre, j'en suis persuadé. Cela vaut également pour le fédéral. La SNCB est, comme vous l'avez vu, déjà engagée en la matière. Cela me permettra également d'avoir une vue globale sur l'ensemble des compétences fédérales en termes d'adaptation aux incendies de forêt.

Gilles Foret:

Merci pour vos réponses. Nous devons en effet adapter notre territoire et nos processus à ces changements climatiques. Les incendies en font partie: même s'il y en a déjà eu par le passé, ils vont malheureusement s'accélérer. Il est important d'avoir des processus qui anticipent et qui permettent une coordination efficace entre les différents acteurs concernés. Je vous remercie d'avoir intégré cette problématique dans votre approche plus globale en termes d'adaptation du territoire et de la prévention des risques liés aux incendies liés à la sécheresse.

Het aantal seinvoorbijrijdingen door treinen en de perspectieven voor meer veiligheid

Gesteld door

lijst: MR Gilles Foret

Gesteld aan

Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)

op 29 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

In 2024 registreerde België 51 signaloverschrijdingen (daling t.o.v. 2023), vooral door menselijke fouten (distractie, observatie, routine), met ETCS als cruciale veiligheidsbarrière die collisies voorkwam. Het systeem dekt nu 79% van het hoofdnet en moet tegen december 2025 100% operationeel zijn, met verplichte compatibiliteit voor alle treinen via het *AR Sillons*-kader. Naast technologische upgrades ligt de focus op risicobeheer en menselijke factoren, met aangepaste trainingen (via *SSICF*) en tweemaandelijkse werkgroepen (Infrabel) om kennisuitwisseling en bewustwording bij spooroperators te versterken.

Gilles Foret:

Monsieur le ministre, en 2024, 51 trains ont franchi un signal rouge sur les lignes principales du réseau ferroviaire belge, sur un total d'environ 1,5 million de circulations. S'il s'agit d'une légère diminution par rapport à 2023 (54 cas), chaque franchissement représente un risque majeur en matière de sécurité ferroviaire.

Parmi ces incidents, 14 se sont produits à hauteur d'intersections, où le risque de collision devient critique. Heureusement, aucun accident n'a été à déplorer, notamment grâce à l'intervention du système européen de contrôle des trains (ETCS), qui a permis de stopper les trains avant qu'ils ne deviennent dangereux.

La Belgique reste l'un des pays les plus avancés en Europe pour le déploiement de l'ETCS : à la fin 2024, 79 % des lignes principales (soit plus de 5.000 km) en étaient déjà équipées. Ce système, capable de surveiller la vitesse et d'intervenir automatiquement sur les freins, a prouvé son efficacité : selon Infrabel, il a empêché toute collision lors de franchissements accidentels de signaux rouges.

L'accord de gouvernement prévoit la poursuite des investissements dans la sécurité ferroviaire et l'accélération de la modernisation du réseau, notamment par l'extension de l'ETCS à l'ensemble du territoire d'ici 2025.

Monsieur le ministre, mes questions sont les suivantes:

Pouvez-vous dresser un bilan précis des franchissements de signaux rouges en 2024, en détaillant les causes principales et les types de trafic concernés (voyageurs/fret)?

Quels enseignements tirez-vous de l'efficacité de l'ETCS dans la prévention des accidents, et dans quelle mesure les objectifs de couverture totale pour fin 2025 seront-ils respectés?

Quel accompagnement est prévu pour les opérateurs ferroviaires afin de s'assurer que tous les véhicules roulants soient compatibles avec l'ETCS dans les délais?

Enfin, quelles campagnes de sensibilisation ou dispositifs de formation sont envisagés pour renforcer la vigilance des conducteurs de train face à ce type d'incident, même en présence de systèmes automatisés?

Je vous remercie, monsieur le ministre, pour vos réponses et pour votre engagement à garantir un réseau ferroviaire toujours plus sûr pour les passagers, les marchandises et les personnels de terrain.

Jean-Luc Crucke:

En 2024, 51 franchissements de signaux rouges se sont produits en voie principale, dont sept franchissements de trains de travaux, 15 franchissements de trains de marchandises et 29 franchissements de trains de voyageurs.

Sachant que plusieurs causes peuvent être à l'origine d'un seul franchissement, 90 causes ont été identifiées pour ces 51 franchissements. Les causes principales sont, par ordre de grandeur, une erreur de distraction (38), une erreur d'observation (16) et une erreur due à l'habitude (15). Les contributions des autres causes sont limitées à une à cinq par cause.

Le système ETCS, comme vous l'avez dit, contribue à réduire le nombre d'atteintes du point dangereux lors d'un franchissement de signal.

Au 31 décembre 2024, 79 % des voies principales étaient déjà équipées de l'ETCS. L'objectif reste d'atteindre 100 % d'équipement des voies principales d'ici au 14 décembre 2025, comme indiqué dans l'arrêté royal du 6 décembre 2020 déterminant les exigences applicables au matériel roulant pour l'utilisation des sillons, en abrégé l'AR sillons. L'AR sillons détermine, dans le point 12.2.1 de son annexe, les systèmes de sécurité et les dates limites permises aussi bien au niveau de l'infrastructure qu'à bord du matériel roulant de tous les opérateurs.

Cet arrêté royal prévoit depuis 2018 que le seul système de sécurité autorisé à partir du 14 décembre 2025 est l’ETCS. Il y a trois technologies d'ETCS prévues en Belgique, notamment l'ETCS L1 LS, l'ETCS L1 FS et l'ETCS L2 FS.

La carte technologique de l'infrastructure est publiée par Infrabel. L'opérateur est responsable pour la vérification et la compatibilité de son matériel utilisé avec l'itinéraire prévu.

L'introduction de l'ETCS entraîne en effet une modification de risque. L'ETCS fournit une intervention technologique qui réduit considérablement le risque d'une collision de train et le risque de déraillement suite à une survitesse. Pour que ces technologies soient pleinement efficaces, il est nécessaire d'adapter la gestion des risques des utilisateurs ferroviaires.

En outre, il y a un changement d'orientation vers plus d'attention pour les facteurs humains et organisationnels, en particulier pour les situations qui peuvent causer une défaillance d'une ou de plusieurs fonctionnalités ou interventions appropriées dans leurs établissements. Il s'agit d'une tâche pour les usagers du rail qui conduit également à une adaptation substantielle de la formation des conducteurs de train, en mettant particulièrement l'accent sur la sensibilisation aux nouveaux facteurs de risque. Le Service de Sécurité et d'Interopérabilité des Chemins de Fer (SSICF), également connu sous le nom de NSA Rail Belgium, placé sous la tutelle de ma collègue Mme Matz, joue un rôle important de sensibilisation et de formation à cet égard.

Infrabel organise par ailleurs deux fois par an un groupe de travail dédié au franchissement de signaux rouges auquel toutes les entreprises ferroviaires sont invitées à participer. Cette réunion essentielle exerce un impact positif offrant une occasion précise d'échanges constructifs ainsi que de partages de connaissances et de méthodes.

Gilles Foret:

Merci, monsieur le ministre, pour la précision de vos réponses. J'en profite aussi pour remercier vos équipes pour l'ensemble des réponses qui ont été apportées aux différentes questions. Je vous souhaite une excellente soirée.

Voorzitter:

Vraag nr. 56004606C van mevrouw Gielis werd omgezet in een schriftelijke vraag.

Het opnemen van uitgaven voor spoorweginfrastructuur in de Belgische defensie-uitgaven

Gesteld aan

Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)

op 29 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België wil militaire uitgaven (2% BBP-doel OTAN) gedeeltelijk besteden aan strategische spoorinfrastructuur, zoals versterkte bruggen, tunnels, toegang tot havens/luchthavens en capaciteit voor lange militaire treinen. Een werkgroep (Defensie, Infrabel, SNCB) identificeerde prioritaire projecten, maar deze tellen *nog niet* mee als defensie-investering—onderzoek loopt om dubbel gebruik (civiel/militair) te laten meetellen, ook via EU-financieringskanalen zoals *CEF*. Financiering en budgettaire impact (bv. 60/40-regel) zijn onduidelijk, maar de minister bepleit integratie op nationaal *en* Europees niveau. Concreet besluitvormingstijdstip ontbreekt.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, un des grands objectifs budgétaires de ce gouvernement est d’augmenter à 2 % du PIB les dépenses militaires.

Quoi qu’on pense du bien fondé de cet engagement, il importe qu’une partie la plus importante possible de ces dépenses puisse également servir à des objectifs civils, par exemple dans le domaine ferroviaire, où les besoins en infrastructure sont très importants, ne serait-ce que pour assurer la sortie du Port d’Anvers ou pour finaliser les travaux du RER vers Ottignies et Nivelles ainsi que la modernisation de la ligne Bruxelles-Luxembourg.

Monsieur le ministre, est-il envisagé d’intégrer des dépenses d’infrastructure ferroviaire à l’effort d’augmentation à 2 % des dépenses fédérales en matière de Défense? Qu’avez-vous entrepris dans cet objectif.

Le cas échéant, quels projets, quelles portions du réseau seront concernés?

Comment seraient financés ces travaux ? Des moyens supplémentaires pourront-ils être obtenus?

Ou, au contraire, risquent-ils d’être prélevés sur d’autres budgets inscrits au Plan Pluriannuel d’Investissement d’Infrabel?

Ces budgets devront-ils respecter la règle de répartition 60/40?

Quel est le calendrier de décision sur cette question importante?

Jean-Luc Crucke:

Je partage entièrement votre point de vue sur l’importance de pouvoir intégrer la Mobilité dans les dépenses militaires prévues. Cette question est importante, étant donné que le rail constitue un mode de transport stratégique, autant pour le transport de troupes que pour celui du matériel militaire.

Jusqu’hier, cette information demeurait assez confidentielle, mais nous avons assisté lundi à une première européenne: des militaires anglais en route vers la Lettonie ont transité par Bruxelles. Pour des raisons que vous pouvez bien imaginer, tout cela devait rester confidentiel. L'ensemble du transport s’est parfaitement bien passé.

Un groupe de travail réunissant la Défense, Infrabel et la SNCB est actif sur ce dossier. La coopération entre ces acteurs existait déjà mais est maintenant approfondie. Une liste détaillée des investissements prioritaires liés aux corridors de mobilité militaire a été établie.

Ces investissements concernent plusieurs types d’infrastructures prioritaires: le renforcement des ponts ferroviaires, l’élargissement et le rehaussement des tunnels ferroviaires, l’amélioration de l’accès ferroviaire aux terminaux portuaires et aéroportuaires ainsi que amélioration et l’extension des capacités d’accueil des trains longs.

Actuellement, les investissements dans le réseau ferroviaire ne sont pas pris en compte dans l’effort de défense destiné à atteindre le seuil de 2 % d’investissement fixé par l’OTAN. La possibilité de comptabiliser les investissements à double usage comme dépenses de défense est actuellement à l'étude par la Défense.

Je plaide également pour la même approche au niveau européen, dans le cadre du plan ReArm Europe de la Commission européenne. Je serai particulièrement attentif au lancement du nouvel appel à projets du Connecting Europe Facility (CEF).

Soyez assurés de mon engagement pour faire en sorte que la Mobilité soit prise en compte dans les investissements importants qui sont prévus.

Sarah Schlitz:

Je vous remercie pour cette réponse volontariste, monsieur le ministre. Il me semble fondamental, alors que des milliards vont être investis dans la défense, que le rail ne soit pas oublié.

Par ailleurs, nous savons à quel point ces investissements sont stratégiques en matière de défense. Il serait donc incompréhensible qu’ils ne soient pas pris en compte. Affaire à suivre!

Voorzitter:

De vraag nr. 56004785C van de heer Julien Matagne wordt omgezet in een schriftelijke vraag.

De impact van de VS-invoertarieven op de Belgische kmo's
Het effect van de Amerikaanse invoerheffingen
De ondersteuning van kmo's die door de Amerikaanse invoerheffingen getroffen worden
De verwachtingen inzake en de mogelijke antwoorden op de impact van de handelsoorlog op de kmo's
De gevolgen van Amerikaanse invoertarieven voor Belgische kmo's en mogelijke maatregelen

Gesteld aan

Eléonore Simonet (Minister van Middenstand, Zelfstandigen en KMO’s)

op 29 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De Amerikaanse invoertarieven (tot 145% op China) bedreigen Belgische kmo’s die naar de VS exporteren, met stijgende kosten, vertragingen en afzetverlies, terwijl Chinese bedrijven hun focus naar Europa verschuiven. Minister Simonet overlegt met sectoren (farma, tech, voeding) en plant structurele maatregelen (fiscale stimulansen, lagere energiekosten, marktdiversificatie, vereenvoudigde administratie) via het PME-plan en Make 2025-2030, met een volgend overleg in juni; ze waarschuwt voor Europese tegenmaatregelen die kmo’s kunnen schaden en benadrukt contractuele bescherming via het nieuwe imprvisie-artikel (5.74 BW). Van Lommel ziet kansen voor strategische autonomie maar wijst buitenlandse arbeid af, terwijl Pirson (Les Engagés) snelle, concrete actie en Europese de-escalatie eist om onzekerheid bij kmo’s te beperken.

Voorzitter:

De heer Van Quickenborne is niet aanwezig om zijn vraag nr. 56003343C te stellen.

Reccino Van Lommel:

Mevrouw de minister, begin april voerde de Amerikaanse president Trump hoge invoertarieven in voor zowat alle landen ter wereld. Voor China gaat het zelfs om een tarief van 145 %. Dat heeft een invloed op de Belgische kmo's die hun producten in de VS willen verkopen, en dwingt hen om op zoek te gaan naar nieuwe afzetmarkten. Uit een rondvraag van UNIZO blijkt dat heel wat Belgische bedrijven een effect verwachten van ie invoertarieven. U hebt een persmededeling gedaan over de invoertarieven, die ik met bijzonder veel aandacht heb gelezen. Ook landen buiten Europa worden met dezelfde problematiek geconfronteerd en zij bekijken hoe ze hun afzetmarkt kunnen verschuiven richting Europa. Vooral Chinese bedrijven, die nu een afzet in de Verenigde Staten hebben, zullen nog meer proberen hun afzet te verschuiven naar Europa.

Welke gevolgen van de Amerikaanse importheffingen ziet u voor Belgische bedrijven die vooral naar de VS exporteren? Welke maatregelen acht u aangewezen? U hebt aangekondigd te willen overleggen met de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de KMO, de FOD Economie, de RSVZ en de vertegenwoordigers van de getroffen sectoren om de behoeften in kaart te brengen. Wat heeft dat overleg reeds opgeleverd? U wilt samen met de betrokken partijen een inventaris maken van de problemen en een gezamenlijk actieplan opstellen. Welk tijdspad hebt u daarvoor voor ogen?

Belgische bedrijven kunnen wellicht niet concurreren met de Chinese producten, zoals ik in het verleden al vaker heb gezegd. Welke maatregelen overweegt u dienaangaande? Welke strategie acht u aangewezen? Kiest u ervoor om Chinese investeerders aan te trekken dan wel om de Belgische bedrijven te ondersteunen?

Tot slot, welk overleg hebt u al gehad met de deelstaten? Dat is niet onbelangrijk, want sinds de zesde staatshervorming werden heel wat bevoegdheden overgeheveld naar de deelstaten.

Anne Pirson:

Madame la ministre, la guerre commerciale déclenchée par les États-Unis, notamment à travers l’instauration de nouveaux droits de douane, entraîne des répercussions directes et profondes sur notre tissu économique, en particulier sur les petites et moyennes entreprises (PME). Près de 92 % des 5 617 entreprises belges exportant vers les États-Unis sont des PME. Pour elles, cette instabilité se traduit par des hausses de coûts, des retards de livraison, une baisse de la demande et, dans certains cas, un risque de délocalisation. Ces entreprises semblent partager la position du gouvernement selon laquelle personne ne gagne dans une guerre commerciale et qu’il est préférable de construire des ponts plutôt que de dresser de nouvelles barrières.

À la suite de cette décision des États-Unis, vous avez lancé une première série de consultations avec les représentants des secteurs concernés, avec l’ambition d’élaborer des mesures concrètes intégrées au futur plan PME. Si cette démarche est bien évidemment saluée, les attentes du terrain sont fortes: soutien structurel, compétitivité renforcée, sécurité contractuelle et, surtout, clarté sur la position européenne pour éviter une escalade commerciale.

Madame la ministre, quelles priorités ressortent-elles de la première consultation et de l’inventaire des difficultés rencontrées par les PME, et comment ces constats guideront-ils les mesures à intégrer dans le plan PME?

Certaines entreprises appellent à des outils juridiques plus robustes pour sécuriser leurs relations commerciales. Envisagez-vous d'encourager ou de soutenir l'intégration de clauses de révision, d’imprévision ou de renégociation dans les contrats commerciaux des PME, face à ce type de risques géopolitiques?

Enfin, quelle est votre position, et celle que vous défendez auprès de la Commission européenne, concernant une réponse européenne à cette guerre commerciale, alors même que 87 % des PME sondées s’opposent à une escalade douanière?

Eléonore Simonet:

Mevrouw Pirson, mijnheer Van Lommel, op 24 april heb ik grondige gesprekken opgestart met de voornaamste economische actoren over de impact van de Amerikaanse importtarieven op onze kmo's. De interprofessionele organisaties UNIZO, UCM en NSZ waren aanwezig, net als de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de KMO, Beci en vertegenwoordigers van strategische sectoren zoals de farmaceutische en de biotechnologische sector, de technologische sector, de voedingssector, de drankenhandel, de brouwerijsector en de diamantsector. Zij beklemtoonden allemaal een cruciaal punt: het onzekerheidsniveau is hoog en de bezorgdheid neemt toe. Zelfs in de sectoren die nog niet zwaar getroffen zijn, vertraagt de vraag. De productiekosten stijgen. Leveringen ondervinden vertragingen en de mogelijke langetermijneffecten veroorzaken terechte vrees.

Het is ook belangrijk op te merken dat sommige kmo's, hoewel zij niet in de export- of importstatistieken staan, een indirecte impact ondervinden, omdat ze deel uitmaken van het ecosysteem van exporterende bedrijven. De vertegenwoordigers van de organisaties die ik heb ontmoet, roepen op tot concrete acties en vooral tot structurele maatregelen. Ik begrijp die vraag. Zij pleiten voor een gezond investeringsklimaat, een versterkte ondersteuning van onderzoek en innovatie en een ambitieus anders beleid, zowel door een protectionistische reflex in de Europese Unie, te vermijden, als door een open dialoog met de VS te behouden, een cruciale handelspartner. Ter herinnering, de arizonaregering bestemt 1,7 miljard euro voor de concurrentiekracht van bedrijven, waarvan 200 miljoen euro specifiek voor kmo's. Dat is mogelijk door onder andere een verlaging van de lasten op lage en middelhoge lonen en door een plafonnering van de bijdrage op hoge lonen.

Diverses mesures ont été envisagées durant cette première réunion: des incitants fiscaux, l’évitement de la surtransposition ( gold plating ), la réduction des coûts salariaux et énergétiques et le soutien actif à l’exploration de nouveaux marchés. La simplification administrative, notamment pour attirer des talents étrangers, a également été citée. Les mesures seront analysées par mon administration, et j’entreprendrai ensuite une concertation avec les ministres compétents afin d’en intégrer dans le volet résilience du plan PME.

Overigens sta ik voortdurend in contact met de vertegenwoordigers van de kmo's. Er is trouwens een nieuw overleg voor eind juni gepland. Regelmatige communicatie is essentieel, zodat wij onze strategie zo goed mogelijk kunnen afstemmen op de realiteit op het terrein. De kmo's willen ook snel worden geïnformeerd over tariefontwikkelingen en willen betrokken worden bij de uitwerking van begeleidingsmaatregelen. Ik zal erop toezien dat hun verzoek wordt ingewilligd.

In ieder geval, de situatie is uiterst volatiel en de positie van het Witte Huis kan van de ene dag op de andere radicaal veranderen. Indien nodig, zouden we tijdelijke maatregelen, zoals tijdens de brexitcrisis, kunnen nemen. Ik denk onder andere aan een overbruggingsrecht en aan sociale en fiscale maatregelen om de zwaarste impact te verzachten.

Concernant les contre-mesures européennes, il convient d'être très vigilant, car mal calibrées, elles pourraient occasionner autant, sinon davantage, de dommages à nos propres entreprises. Là encore, je serai particulièrement attentive à ce que les intérêts de nos PME soient pleinement pris en compte.

Enfin, permettez-moi de rappeler que cette crise, aussi déstabilisante soit-elle, peut aussi représenter une opportunité; une opportunité pour nos PME de diversifier leurs marchés, pour l'Europe de renforcer son autonomie économique, et pour la Belgique d'accélérer certaines transitions stratégiques.

Dans ce cadre, et en plus du plan PME susmentionné, le plan Make 2025-2030 a pour but de revitaliser notre industrie. Ces deux outils sont complémentaires et essentiels pour préparer notre tissu économique aux défis de demain.

En ce qui concerne la protection de nos commerçants contre de tels risques géopolitiques, je signale d'abord que le Code civil, notamment le livre 5 sur les obligations, prévoit maintenant dans son article 5.74 une disposition sur le changement de circonstances. Cette disposition octroie le droit au débiteur, en cas de situation d'imprévision, de demander au créancier de renégocier le contrat en vue de l'adapter ou d'y mettre fin. Une hausse soudaine et énorme des droits d'exportation pourrait être qualifiée d'une telle situation d'imprévision.

En cas de refus ou d'échec des renégociations dans un délai raisonnable, le juge peut, à la demande de l'une ou l'autre des parties, adapter le contrat afin de le mettre en conformité avec ce que les parties auraient raisonnablement convenu au moment de la conclusion du contrat, si elles avaient tenu compte du changement de circonstances, ou alors mettre fin au contrat.

Des clauses qui excluraient cette possibilité peuvent en outre être qualifiées de clauses abusives dans le cadre des règles impératives protégeant les entreprises contre des clauses abusives, c'est-à-dire des clauses qui créent un déséquilibre manifeste entre les droits et obligations des parties.

Ik rond af. Ik neem de impact van de spanningen op het vlak van de handel op onze ondernemingen ernstig en sta helemaal klaar om onze kmo's te verdedigen.

Reccino Van Lommel:

Mevrouw de minister, u schetst vrij algemene maatregelen, maar die moet u ook nemen los van de invoerheffingen. Ik heb het onder andere over de versterking van de concurrentiekracht, de aanmoediging van onderzoek en ontwikkeling en maatregelen om de energiekosten te verminderen en gold-plating te vermijden. Ik ben het er niet mee eens dat u buitenlandse arbeidskrachten moet aantrekken. Daar hebben wij een heel andere visie op.

Ik ben alvast tevreden met uw verklaring dat we heel voorzichtig moeten zijn met tegenmaatregelen. Dat klopt, want de vraag is hoelang de handelsoorlog zal aanslepen. De soep wordt nooit zo heet gegeten als ze wordt opgediend, zegt men in Vlaanderen, dus we zullen nog wel zien hoe ver de maatregelen reiken en hoelang ze van toepassing zijn.

Het is echter inderdaad een kans voor de Europese, Vlaamse en Belgische economie, want de crisis opent politici de ogen om werk te maken van strategische investeringen en strategische autonomie. Daar wordt nu al zoveel jaren over gesproken, maar men blijft het antwoord schuldig wanneer men vraagt om de betrokken sectoren te definiëren. Er is daarrond veel te weinig ondernomen. De handelsoorlog met invoerheffingen moet een eyeopener zijn voor iedereen van ons om onze economie veel strategischer te bekijken en daarbij te streven naar strategische autonomie, zonder daarom rond ons land een muur te bouwen.

Anne Pirson:

Je vous remercie, madame la ministre, pour ces éléments de réponse.

La démarche engagée à travers les consultations sectorielles et l'intégration des dispositifs adaptés aux risques géopolitiques sont des signaux encourageants. Le contexte exige des intentions mais aussi des mesures concrètes et des échéances claires. C'est effectivement compliqué dans un contexte où l'on sait que, du jour au lendemain, la situation peut varier. Toutefois, il est vrai que les PME ne peuvent pas se permettre d'attendre alors qu'elles sont dans l'incertitude, une incertitude qui, parfois, mine leur activité.

Au nom du groupe Les Engagés, nous vous encourageons donc à poursuivre cette concertation de manière resserrée. Une nouvelle concertation aura d'ailleurs lieu en juin, comme vous l'avez indiqué. Nous vous encourageons également à défendre une vision européenne tournée plutôt vers la désescalade et la protection de notre tissu économique.

Voorzitter:

Collega's, ik merk op dat Parlementsleden de regering via mondelinge vragen kunnen controleren. Het getuigt van beleefdheid als de parlementsleden die vragen indienen, dan ook aanwezig zijn, wanneer die behandeld worden. Ik betreur dat er vraagstellers afwezig zijn. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 14.32 uur. La réunion publique de commission est levée à 14 h 32.

Het personeelstekort bij de federale politie
De reorganisatie van de federale politie
Herstructurering en personeelsuitdagingen bij federale politie

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 24 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de verslechterde veiligheid in België door drugscriminaliteit, onderbemanning (5.500 tekort bij federale politie) en structurele tekorten, terwijl het governement Arizona hervormingen aankondigt (zoals fusie van Brusselse politiezones en inzet van militairen bij kerncentrales) zonder concrete budgetverhogingen. Minister Quintin benadrukt dat analyses lopen en belooft transparantie, maar stelt dat het probleem attractiviteit (niet middelen) is, terwijl oppositie (Thiébaut, Depoortere) directe budgetverhogingen en duidelijkheid eist om vertrouwen en slagkracht te herstellen. De spanning situeert zich tussen beloften over prioriteiten en het ontbreken van tastbare actie, met vrees voor chaos door gebrek aan overleg en onzekerheid bij politiepersoneel.

Éric Thiébaut:

Monsieur le président, monsieur le ministre, la sécurité n'est ni de gauche ni de droite. C'est un droit élémentaire pour chaque citoyen, qu'il habite dans n'importe quelle région ou ville du pays. Malheureusement, aujourd'hui, ce droit n'est plus respecté, n'est plus assuré dans certaines parties de notre pays.

Les faits sont là. Vous avez de la violence et des crimes liés à la montée du trafic de drogue dans les grandes villes. Vous avez des prisons insalubres qui débordent. Vous avez des magistrats qui dénoncent un manque de moyens, qui n'arrivent plus, nous disent-ils, à poursuivre les criminels, et ils ne sont pas entendus par le gouvernement fédéral.

Telle est la situation sur le terrain.

Et, pendant ce temps-là, que fait le gouvernement Arizona? Il propose de réformer des structures. Il propose de fusionner les zones de police à Bruxelles. Il propose de remplacer nos policiers par des militaires pour surveiller les centrales nucléaires. Et, surtout, il fait peser toute la charge de la gestion de la sécurité sur les zones de police et donc sur les villes et communes.

Monsieur le ministre, nos policiers n'ont pas besoin de nouvelles réformes. Ils ont besoin de moyens supplémentaires. Aujourd'hui, il manque 5 500 policiers à la police fédérale, dont 800 enquêteurs spécialisés. C'est énorme! Alors, monsieur le ministre, augmenterez-vous clairement le budget de la police fédérale? Augmenterez-vous les dotations aux zones de police? Quels sont vos engagements pour rétablir la sécurité dans les rues de notre pays?

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, u zult het wellicht druk hebben met de fusie van de Brusselse politiezones. Ik wens u daar veel succes bij. Ik hoor positieve signalen van politieagenten op het terrein die wel voorstander zijn van de eenmaking van de Brusselse politiezones.

Vergeet echter ook het grotere plaatje niet. Daarmee kom ik bij de reorganisatie van de federale politie. U weet hoe dat gaat: het is bijna een wetmatigheid dat plannen lekken. Ook deze keer is dat het geval. Er is een plan en een aantal elementen daaruit veroorzaakt grote ongerustheid binnen de politie.

Ik noem er een aantal op. De directeurs-coördinator, die instaan voor de coördinatie binnen de provincies en een interventiekorps onder zich hebben, zouden in de toekomst verdwijnen. Het interventiekorps zou worden overgeheveld naar de algemene reserve in Brussel. De toekomst van de arrondissementele informatiekruispunten is onzeker. Dat zorgt voor ongerustheid bij het personeel, dat geen zekerheid heeft over wat hen te wachten staat. Wat worden hun nieuwe werkomgeving en werkomstandigheden? Er is ook ongerustheid, zoals collega Thiébaut het schetste, bij de lokale politiezones, want ook zij steunen voor een groot stuk voor hun lokale veiligheid op de inzet van de federale politie.

Kunt u hierover duidelijkheid scheppen, mijnheer de minister, niet enkel budgettair, maar ook wat de plannen van de reorganisatie betreft? Zo zullen de mensen op het terrein, zowel de politieagent als de burger, weten waar we voor staan.

Bernard Quintin:

Monsieur le président, honorables députés, je vous remercie pour vos questions qui témoignent, si quelqu'un en doutait encore, que la sécurité de tous nos concitoyens est autant la priorité du gouvernement Arizona, et la mienne, que celle des parlementaires. Je ne peux à cet égard que saluer votre assiduité sur le sujet.

Zoals bepaald in het regeerakkoord en zoals ik heb bevestigd in mijn beleidsverklaring is het mijn intentie, samen met de minister van Justitie, om de werking van de federale politie te optimaliseren. Via een grote analyse willen we vooral nagaan hoe we de slagkracht en de inzetbaarheid van de operationele diensten structureel en effectief kunnen verhogen.

Op dit moment is het belangrijk om te benadrukken dat er nog geen definitieve beslissingen zijn genomen. We bevinden ons nog in de fase van analyse en overleg. Dat lijkt mij redelijk te zijn na drie maanden in het ambt. Om die reden is het op dit moment nog te vroeg om in detail in te gaan op de concrete invulling of de gevolgen van eventuele hervormingen, dus ook op de impact op het personeel of de rol van de directeurs-coördinatoren.

Ik begrijp de vragen en bezorgheden hierover volkomen. Ik engageer mij dan ook om het Parlement tijdig en op transparante wijze te informeren, zodra er verdere stappen worden gezet of concrete voorstellen worden uitgewerkt.

Comme vous le soulignez, la situation sécuritaire à Bruxelles est l'élément qui justifie cette question d'actualité. Comme le procureur du Roi de Bruxelles l'a mentionné encore cette semaine, 30 enquêteurs ont rejoint, et rejoindront dans les deux semaines, la police judiciaire fédérale de Bruxelles afin de contribuer à la lutte contre le trafic de drogue. Ces mêmes enquêteurs ont d'ailleurs permis des arrestations et des saisies.

Je l'ai déjà dit et je l'ai répété: ma priorité pour Bruxelles et pour toutes les autres villes du pays est que nos villes soient sûres pour leurs habitants, pour celles et ceux qui y travaillent et pour celles et ceux qui les visitent. C'est ce qui guide l'esprit de la fusion des zones de police, qui n'est pas une réforme. C'est une fusion des zones de police qui, certes, demande une réforme de la loi. J’aurai l'occasion d'exposer plus avant, devant ce Parlement, les éléments pratiques que je mets sur la table et qui répondent, entre autres, à des soucis de financement. Il s'agit de la réforme de la fameuse norme KUL à laquelle nous travaillons également.

Les défis se posent partout, tout comme le nécessaire recrutement. À cet égard, je vous confirme que les procédures sont ouvertes, que ce soit à Bruxelles ou dans le reste du pays. Ce n'est pas un problème de moyens. C'est d'abord un problème d'attractivité. Le monde du travail a changé, les attentes du personnel aussi. C'est un élément dont nous devons tenir compte.

C'est un chantier prioritaire de cette législature, que je mènerai avec la détermination nécessaire et en concertation avec les acteurs et les partenaires sociaux, pour tendre partout en Belgique à remplir les cadres policiers existants et à garantir à la population un nombre suffisant d'agents, tant au niveau de la police locale que de la police fédérale. Il ne s'agit pas uniquement d'une question de cadre. Le cadre est suffisant. L'augmentation des moyens humains comme des moyens financiers est une priorité pour ce gouvernement et pour ma propre politique.

Par ailleurs, je tiens à rappeler que le fait de recourir à des militaires pour la surveillance des centrales nucléaires est prévu par l'accord de gouvernement. Cela se faisait jusqu'il y a quelques années encore. En outre, ce n'est en aucun cas une mesure d'économie, car tout se paie à un moment ou à un autre. Pour moi, c'est une mesure de bonne gouvernance, qui me permet de récupérer du personnel, singulièrement de la DAB qui est affectée à ces centrales nucléaires, pour faire le travail d'accompagnement et le travail normal de la DAB. Cela me permet de récupérer des inspecteurs de police, qui peuvent faire d'autres choses que la DAB, pour faire ce travail.

Éric Thiébaut:

Merci, monsieur le ministre. J'ai vu que vous vous êtes souvent rendu sur le terrain depuis votre nomination. Après quatre mois maintenant, vous devez donc être vraiment au fait de la situation, des difficultés, des attentes du monde de la police ainsi que des magistrats. Il est donc aujourd'hui temps d'agir, d'être concret. Or, pour l'instant, vous êtes toujours dans les intentions. Vous parlez d'une priorité du gouvernement. On sait bien que la sécurité est votre priorité, sauf que jusqu'à présent, nous n'avons pas encore vu un seul euro supplémentaire inscrit dans le budget pour notre police fédérale et pour les zones de police. Qu'attendez-vous pour nous dire clairement si, oui ou non, vous allez augmenter le budget?

C'est déjà la troisième fois que je vous pose la question. Vous dites toujours que cela va arriver mais que pour l'instant, vous n'êtes pas en mesure de nous fournir la réponse. Je suis réellement impatient de vous entendre à ce sujet, parce que, comme vous le savez, il y a d'énormes attentes pour garantir notre sécurité.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, veiligheid is een basisrecht. In ons land is het de politie die daarvoor moet instaan. Ik wil u één raad geven. Vermijd de fout die de vivaldiregering gemaakt heeft, waardoor het vertrouwen tussen de regering en de politie volledig zoek was. Dat kwam door een gebrek aan overleg. Zorg dus voor dat overleg. Zorg ervoor dat de politieman en de politievrouw weten waar ze staan, en waar uw plannen voor staan. Een politie die overhoop ligt, kan immers onmogelijk de strijd tegen deze criminelen winnen. Stop dus de chaos en schaf duidelijkheid over uw veiligheidsbeleid. Schep duidelijkheid over uw reorganisatie, zowel voor de politieman als voor de burger.

De verhoging van het defensiebudget
Het defensiebudget
Het percentage van het bbp dat aan Defensie besteed wordt
De begroting en het defensie-akkoord
Het paasakkoord en de hervorming van de werkloosheidsregeling
De vervanging van de DAB-agenten door militairen voor de bewaking van de kerncentrales
Het paasakkoord
Het paasakkoord en de beslissingen inzake asiel en migratie
Het paasakkoord, de hervorming van de werkloosheidsregeling en de uitgaven voor herbewapening
Het uitstellen van de indexering van de sociale uitkeringen
De hervorming van de werkloosheidsuitkeringen en de impact ervan op de OCMW's
De toepassing van het recht op een loopbaandoorstart
De plannen voor de hervorming van de pensioenen van de magistraten
De hervormingen in het gevangeniswezen en de middelen voor Justitie
De hervorming van het DBI-stelsel en de verduidelijking van het begrip 'financiële vaste activa'
Het gebruik van het systeem van de flexi-jobs per sector
Het opvangbeleid van de regering
De data-analyse inzake doktersattesten voor langdurig zieken
De beperking van de werkloosheidsuitkering in de tijd
Defensiebegroting, paasakkoord, sociale hervormingen en justitiehervormingen

Gesteld aan

Bart De Wever (Eerste minister)

op 23 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draaide rond het paasakkoord van de regering, met als kernpunten: hervormingen in sociale zekerheid (werkloosheid, pensioenen, langdurige ziekte), defensie-investeringen (NAVO-norm van 2% BBP), migratiebeleid en fiscaliteit. De regering (Arizona-coalitie) verdedigde het akkoord als noodzakelijk voor economische groei, concurrentievermogen en begrotingsdiscipline, met maatregelen zoals tijdsbeperking werkloosheidsuitkeringen, verhoogde defensie-uitgaven (gefiancieerd via Russische tegoeden en Belfius-dividend), en strengere asielregels. Oppositiepartijen (PTB, Groen, PS, Vlaams Belang) bekritiseerden het als sociaal onrechtvaardig (lasten op middenklasse, pensioenen, zieken) en budgettair onverantwoord (onvoldoende structurele financiering, schuldenopbouw). MR en Les Engagés steunden selectieve maatregelen (bv. "droit au rebond"), maar stelden vragen bij uitvoering en financiering. Kernconflicten: sociale rechtvaardigheid vs. economische hervormingen en korte-termijnmaatregelen vs. structurele oplossingen.

Voorzitter:

Goedemorgen, collega's. Ik dank de eerste minister voor zijn aanwezigheid.

De beslissing om een commissievergadering over het paasakkoord te organiseren, kwam er naar aanleiding van het verzoek van Open Vld en de PS op 12 april. Ik heb de beschikbaarheid van de eerste minister door het commissiesecretariaat doen nagaan en vandaag kunnen wij er dus van gedachten over wisselen.

Wij hebben voor de gedachtewisseling tijd tot 12 uur, de tijd die de agenda van de eerste minister hem toelaat. Er komt een integraal verslag en er kan dus dus achteraf daar geen discussie over zijn.

Ik stel voor dat de eerste minister zelf eerst een korte inleiding geeft en dat daarna de fracties binnen een tijdsspanne van 10 minuten, te verdelen onder de fractieleden, de eerste minister in een eerste ronde ondervragen.

We zullen zien of de tijd het toelaat alsnog een tweede ronde in te lassen, maar ik vrees, gelet op het grote aantal fracties, dat we onze best zullen moeten doen alles op 3 uur klaar te krijgen.

Ik wil de fractieleden die mondelinge vragen hebben ingediend, vragen ze te incorporeren in hun interventie. De toegevoegde vragen zullen na de vergadering als behandeld worden beschouwd.

Bart De Wever:

Mijnheer de voorzitter, geachte collega's, we zullen het vandaag hebben over het paasakkoord dat dateert van de vergadering van de regering van 11 april. De teksten van het akkoord zijn momenteel bij de Raad van State en zullen nog voor een tweede lezing terugkomen. Uiteraard zullen ze daarna in het Parlement worden ingediend en zal er dus nog ampel gelegenheid zijn om ten gronde over de definitieve teksten te discussiëren. Uiteraard ben ik erover verheugd dat u niet zo lang wilt wachten en dat u stond te popelen om uw licht hierover al te laten schijnen. Ik stel mij dan ook graag te uwer beschikking om dat te doen.

De bedoeling is dat het akkoord uiteindelijk uitmondt in een programmawet met een aantal sociaal-economische hervormingen. De defensie-uitgaven zullen ook worden verhoogd om dit jaar reeds de NAVO-norm van 2 % te halen, wat ondertussen ongeveer alle Europese landen gezegd hebben te trachten te doen, voor zover ze die norm nog niet haalden. Het akkoord omvat ook maatregelen ter versterking van de interne veiligheid en maatregelen op het vlak van asiel en migratie.

U hebt mij uitgenodigd – en ik heb uw woorden goed begrepen, mijnheer de voorzitter – om daarover zeer kort iets te zeggen. Dat is natuurlijk wel een uitdaging. We hebben immers 300 bladzijden wetgeving voorbereid met 500 artikelen. Probeer daarover maar eens zeer kort iets te zeggen. Ik heb daartoe gisteren een poging gewaagd, maar ik vrees dat die zeer lang is uitgevallen. Ik zal er dus stevig in wieden en schrappen en proberen enkel bij de essentie stil te staan.

Hoofdstuk 1 omvat de programmawet zelf met de sociaal-economische hervormingen in het kader van de begroting van 2025. Het gaat daarin over een eerste golf maatregelen. Er zullen er uiteraard nog volgen, want niet alles van het regeerakkoord is omgezet. Het was bijvoorbeeld niet gepland dat sommige zaken al in 2025 effect zouden hebben en die zijn dus uiteraard nog niet opgenomen in de komende programmawet. Dat is ook logisch.

Er zit wel nu al meer dan voldoende in om een serieuze kluif aan het Parlement te kunnen geven. Het gaat over maatregelen om de concurrentiehandicaps weg te werken, de arbeidsmarkt te hervormen en de fiscaliteit te verduurzamen en hopelijk ook rechtvaardig te maken. Dat is dus een eerste vertaalslag van het regeerakkoord en de ambities daarin. We plannen ook een aantal hervormingen te doen, waar dit land al heel lang op zit te wachten.

Over de hervorming van de werkloosheid is veel gesproken. Ik heb die het koninginnenstuk genoemd. Ik denk dat ik dat ook wel mag zeggen, omdat we nu eindelijk in een situatie zullen komen die de rest van de westerse wereld altijd heeft gekend of minstens al zeer lang kent en die dus mag gelden als de situatie van het gezond verstand.

Dat gezond verstand geeft het signaal dat werken loont en dat het een antwoord biedt op de vraag van de ondernemingen, waarvoor ondanks de moeilijke economische toestand nog altijd tienduizenden vacatures openstaan. Het is een verhaal waarin wordt ingezet op economische groei. Daarvoor is die maatregel noodzakelijk maar uiteraard zijn er nog vele andere maatregelen, zoals het aanpakken van de loonkostenhandicap, het uitbreiden van de flexibiliteit en het stimuleren van investeringen.

Ik overloop de belangrijkste punten. Het eerste luik gaat over het concurrentievermogen. Het concurrentievermogen van onze bedrijven moet een absolute prioriteit zijn. Ondernemers zijn de spil van onze economie. Zij scheppen de banen en de welvaart. Dat doet niet de politiek; dat doen zij. Zoals bepaald in het regeerakkoord, versterken wij het concurrentievermogen door de loonkosten te verlagen met de focus op de lage en de middelhoge lonen. Voor de hogere lonen herstellen wij een plafond om de patronale bijdragen, de kosten van de hoge lonen voor werkgevers, te verlagen. Die maatregelen zullen hopelijk helpen om de loonhandicap van onze bedrijven ten opzichte van onze buurlanden te verminderen en internationaal concurrerende sectoren te ondersteunen, teneinde opnieuw en gemakkelijker talent naar België te halen. Zeker met alles wat nu in de wereld gebeurt, is het pertinent dat wij daarop inzetten.

Behalve de loonkosten zijn er ook de hoge energieprijzen, die zeker voor de energie-intensieve bedrijven, met name onze industrie, een strop rond de nek zijn. Voor hen zal werk worden gemaakt van een korting op de transmissienettarieven. De bedoeling is die nog dit jaar, dus in 2025, in te voeren, zoals dat is vastgelegd in het regeerakkoord, teneinde hen zuurstof te geven en het concurrentienadeel in te perken waaronder zij vandaag lijden.

De regering wil ook investeringen stimuleren en aanmoedigen. Daarom wordt de aftrekbeperking van de overgedragen investeringsaftrek geschrapt. Dat zal investeren aantrekkelijker maken. Ook worden de tarieven van 30 % voor de grote ondernemingen en 40 % voor de kleine ondernemingen voor duurzame investeringen geharmoniseerd naar 40 % voor iedereen. Op die manier worden die tarieven eenduidiger.

Wij steunen niet alleen de grote en middelgrote bedrijven. Er is ook aandacht voor de zelfstandigen, die uiteraard een cruciale rol spelen in de economie en zeker ook in de lokale werkgelegenheid. Daarom zullen wij hen extra ondersteunen door een verdubbeling van de bestaande incentive voor eigen middelen, zijnde het belastingkrediet dat ondernemers met een eenmanszaak kunnen krijgen bij de verhoging van de eigen middelen. Dat belastingkrediet wordt verrekend met de verschuldigde personenbelasting, waarbij een eventueel positief saldo terugbetaalbaar is.

Tot slot, wat de mobiliteit betreft, is een overstap naar 100 % elektrische wagens nog niet voor iedereen mogelijk. De daarvoor opgestelde timetable was iets te optimistisch. Er stellen zich nog heel wat problemen met het opladen van die wagens. Vaak zijn ze niet handig voor werknemers, ondernemers en zelfstandigen die lange afstanden moeten afleggen.

Volledig elektrische auto's zijn fiscaal aantrekkelijk, wat ook zo zal blijven, maar zijn helaas niet voor iedereen nu al een oplossing. Om de vernieuwing van het wagenpark te stimuleren, zullen daarom de meest milieuvriendelijke hybride auto's tot eind 2027 voor 75 % fiscaal aftrekbaar blijven. Daarna wordt die aftrekbaarheid geleidelijk afgebouwd om in 2030 pas te verdwijnen.

Voilà pour le volet compétitivité. J'en viens au marché du travail. Nous prenons une série de mesures pour activer le plus grand nombre possible de personnes en bonne santé qui sont en capacité de travailler. La limitation des allocations de chômage à deux ans est probablement la réforme la plus marquante de l'ensemble de ces mesures. Elle vise à faire des allocations de chômage un véritable système assurantiel et un instrument de remise rapide à l'emploi. Elle entrera en vigueur le 1 er juillet 2025 pour livrer ses effets à partir du 1 er janvier 2026. Une exception est prévue pour les personnes âgées de plus de 55 ans ayant déjà une carrière de plus de 30 ans derrière elles. Afin de lutter contre la pénurie dans les soins de santé, une exception sera également prévue pour certaines formations.

Nous avons également concrétisé le droit au rebond. Un travailleur qui souhaite se réorienter sur le marché du travail pourra, une fois dans sa carrière et après un minimum de 10 ans de carrière, démissionner sans être financièrement sanctionné.

Concernant la dispense existante d'un certificat médical pour le premier jour d'incapacité de travail, nous limitons cette possibilité à deux fois par année civile, au lieu de trois. Par ailleurs, la question des malades de longue durée constitue aujourd'hui le plus grand défi de notre marché du travail: plus de 500 000 personnes sont concernées, et le coût pour la collectivité devient insoutenable. C'est pourquoi nous mettons en œuvre le plan le plus ambitieux jamais élaboré en la matière. L'objectif est clair: accompagner ces personnes de la manière la plus rapide et la plus efficace vers un retour à l'emploi. Ce plan repose sur la responsabilisation de tous les acteurs concernés: employeurs, employés, médecins et mutualités, chacun devant prendre pleinement sa part. La responsabilité constitue le fil rouge de cette nouvelle approche renforcée.

Enfin, nous rendons le marché du travail plus flexible et accessible, notamment via l'extension des flexi-jobs. Le plafond non indexé de 12 000 euros par an passe ainsi à 18 000 euros – montant qui, lui, sera indexé.

Le troisième volet est le coût du vieillissement de la population. Pour en maîtriser l'explosion, nous plafonnons l'indexation des pensions les plus élevées, permettant de la sorte une économie d'environ 200 millions d'euros d'ici 2029. À partir de l'année prochaine, nous remplacerons le bonus pension par un bonus-malus pension.

En ce qui concerne les soins de santé, la norme de croissance est fixée à 2,5 % au-dessus de l'index en 2025 pour atteindre 3 % en 2029, afin de pouvoir continuer à répondre à la demande croissante de soins de qualité.

Dans tous les domaines de la sécurité sociale, des réformes sont nécessaires, y compris dans les soins de santé. Le vieillissement de la population nous impose une sérieuse dose de réalisme. Malgré une situation budgétaire extrêmement difficile, des investissements supplémentaires seront indispensables dans les années à venir.

Ce gouvernement fait toutefois le choix délibéré de ne pas couper dans les dépenses qui protègent les plus vulnérables de notre société. Cela ne signifie pas pour autant un laisser-aller. La facture du vieillissement est immense et l'absence de réformes durant des décennies nous oblige aujourd'hui à agir. Le secteur des soins de santé n'échappera donc pas non plus à une réforme en profondeur.

Le quatrième volet concerne la fiscalité. Ce gouvernement accorde également une grande importance à la justice fiscale. Nous partons du principe de la bonne foi. Lorsqu'une irrégularité est constatée lors d'un contrôle, le contribuable ne sera plus automatiquement sanctionné par une majoration d'impôts. Nous intensifions la lutte contre la fraude fiscale. Grâce au datamining , les inspecteurs pourront mieux détecter et analyser les irrégularités flagrantes.

Par ailleurs, nous réduisons la TVA de 21 % à 6 % à partir du 1 er juillet 2025 pour la livraison d'une habitation propre et unique d'une superficie maximale de 175 m² dans le cadre de la démolition et de la reconstruction. Cela permet notamment de répondre à la crise du logement, à la crise du secteur de la construction et d'accélérer la transition vers un parc immobilier plus durable.

Enfin, acquérir la nationalité belge deviendra plus coûteux. La taxe pour l'obtention de la nationalité passera de 150 euros à 1 000 euros.

Hoofdstuk 1 was de programmawet.

Nu kom ik tot hoofdstuk 2, het defensieplan. Ook dat is een belangrijk onderdeel geworden van het paasakkoord. U weet dat wij ambitie hadden om de 2 % te bereiken in 2029, maar dat de geopolitieke realiteit ons dwingt om dat dit jaar al te doen. Daarmee zullen wij de belofte om de NAVO-norm te halen, meer dan tien jaar nadat die in Wales door toenmalig premier Di Rupo werd uitgesproken, eindelijk realiseren. Vooral ook geven we een signaal aan de internationale gemeenschap, en met name aan onze Europese bondgenoten, dat men op ons kan rekenen en dat wij naast onze bondgenoten staan. We laten zien dat wij ook pro-Oekraïne blijven en in staat willen zijn om aan alle initiatieven deel te nemen om dat land te ondersteunen en alle initiatieven om onze westerse wereld en onze Europese hemisfeer veilig te houden.

Het vergt wel een serieuze extra inspanning. Voor dit jaar gaat het over 3,9 miljard euro. Dat zullen we bereiken via bijkomende financiering, gebaseerd op de vennootschapsbelasting op de bevroren Russische tegoeden. Dat schatten we op ongeveer 1,2 miljard euro aan inkomsten, die we uiteraard zullen omzetten in bilaterale militaire hulp voor Oekraïne. Het lijkt me ook maar logisch dat dat geld naar Oekraïne gaat. Daarnaast is er een dividend van Belfius van 500 miljoen euro dat zal worden gevraagd en waarvan de bank ons garandeert dat dit geen probleem betekent. Tot slot zal een deel buiten de begrotingsdoelstelling worden gehouden, binnen de marges die ons door Europa in het kader van de ReArm Europe-beslissingen zijn toegestaan. Het is natuurlijk de bedoeling dat dit aandeel, dat eigenlijk niet in de begroting is voorzien, in loop van de legislatuur wordt afgebouwd en omgezet in structurele financiering om zo naar een nulpunt te dalen tegen 2029. Een gezonde begroting blijft immers een absolute prioriteit voor deze regering.

De extra defensie-uitgaven zijn noodzakelijk, maar uiteraard beschouwen we dat niet alsof ons cadeaus worden gegeven. We zullen dus de financiering zoeken om die tijdelijke hogere tekorten op te lossen via optimalisering van onze overheidsactiva, maar altijd met het oog op goed huisvaderschap. Er is ruim en uiteraard ook terecht op gewezen dat het weinig zin heeft om activa te verkopen die ons op lange termijn meer kosten dan we er op korte termijn opbrengsten uit kunnen halen; dat is uiteraard niet de bedoeling.

De minister van Financiën krijgt de opdracht om voor 1 juli een Defensiefonds op te starten dat op termijn gefinancierd kan worden met publieke activa, maar ook met private middelen. Dat moet een instrument worden dat toelaat om strategisch te investeren in hightech, innovatie en industrie. Ik denk dat hier ook echt wel opportuniteiten voor ons land liggen die we op korte termijn kunnen grijpen.

De regering is zich ervan bewust dat de kans reëel is dat de norm van 2 % binnen de NAVO op korte termijn zal worden verhoogd. Daarom zullen we na de NAVO-top in Den Haag in juni bekijken wat het nieuwe traject zal zijn, welke termijnen er aan gebonden zijn en welke gevolgen we daaraan moeten geven.

Ondertussen zal de minister van Defensie voor 1 juli ook met een strategisch plan komen over hoe de bijkomende uitgaven in 2025 precies zullen worden besteed. In grote lijnen zullen de extra investeringen worden gebruikt om vorm te geven aan de Europese defensiepilaar en de capaciteitsdoelstellingen te bereiken die ons door de NAVO worden opgelegd. Het is blijkbaar nog de illusie in veel fracties dat men een soort vrije beschikking heeft. Dat is uiteraard niet waar. Er zijn capabilities die de NAVO ons oplegt en die we zullen moeten realiseren.

Tegelijk met deze internationale inspanningen en verplichtingen zal Defensie ook een rol opnemen in de binnenlandse veiligheid. Dat was ook altijd zo voorzien in het regeerakkoord. Op korte termijn zal zich dat vertalen in de beveiliging van gevoelige nucleaire sites. Gezien dreigingsniveau 3 is dat conform het regeerakkoord ook perfect mogelijk en kunnen we daarmee de politiediensten ontlasten, wat uiteraard ook een bonus is voor onze binnenlandse veiligheid. De bedoeling is dat Defensie daarover tegen 1 mei – dat is dus zeer binnenkort – een protocol met Binnenlandse Zaken zal sluiten om dat praktisch op te nemen.

Le troisième chapitre concerne la sécurité intérieure. Pour garantir les investissements nécessaires en matière de sécurité intérieure, le budget prévu dans l'accord de gouvernement pour le renforcement des services de sécurité et de la politique de retour sera utilisé de manière flexible. Cela signifie que les crédits d'engagement et de liquidation disponibles pourront être transférés entre les exercices budgétaires 2025, 2026, 2027, 2028 et 2029 en fonction des besoins budgétaires concrets par exercice budgétaire sans dépasser l'enveloppe totale cumulée à la fois par service de sécurité et au total. Concrètement, cela permettra de dégager plus de 150 millions d'euros supplémentaires cette année pour renforcer nos services de sécurité et notre politique de retour, notamment aussi pour accélérer les investissements dans la cybersécurité.

Les task forces chargées de lutter contre la surpopulation carcérale poursuivront leurs travaux et élaboreront conformément à l'accord de gouvernement un plan d'action qui sera soumis à l'appropriation du Conseil des ministres d'ici la mi-mai 2025.

L'une des principales priorités sera de renvoyer dans leur pays d'origine les détenus qui n'ont pas le droit de rester sur notre territoire. Le gouvernement a également l'intention de prendre des mesures concrètes à court terme pour utiliser la capacité des prisons à l'étranger.

Pour mettre en œuvre ce plan d'action global, une enveloppe unique, avec un minimum de 55 millions d'euros en 2025, sera libérée en crédits d'engagement et de liquidation. La ministre de la Justice, en concertation avec les ministres responsables des différents groupes de travail, joindra une proposition de répartition de cette enveloppe au plan d'action. La mise en œuvre de ce plan fera l'objet d'un suivi semestriel et d'un rapport au Conseil des ministres.

Het vierde en laatste hoofdstuk gaat over asiel en migratie. Er is een maatregelenpakket inzake asiel en migratie goedgekeurd. Het gaat om ingrepen die de instroom naar ons land zou moeten laten dalen. Asielzoekers die in een ander Europees land bescherming hebben gekregen, zullen geen recht op opvang in dit land meer hebben. Het misbruik van de asielprocedure via minderjarigen wordt aangepakt. Wie na een eerdere afwijzing via zijn kind een nieuwe aanvraag zonder nieuwe elementen indient, zal geen opvang meer krijgen.

De inkomensgrens waaraan een gezinshereniger moet voldoen, zal worden omhooggetrokken en verder stijgen naargelang het aantal betrokken personen. Wie zijn gezin wil laten overkomen, moet dus bewijzen dat hij of zij daarvoor zelf financieel kan instaan. Ook zullen er wachttijden van 1 tot 2 jaar gelden voor gezinshereniging of gezinsvorming, afhankelijk van het verblijfstatuut. Tot slot zorgen we ervoor dat een asielaanvraag geen toegangsticket tot de sociale bijstand is. Wie geen opvang krijgt, zal geen aanspraak op leefloon kunnen maken.

Deze maatregelen zijn getoetst aan de Europese rechtspraak. Volgens ons voldoen ze daaraan. Hopelijk zullen ze de druk op het asielsysteem verlagen, zodat wij kunnen voldoen aan de plichten jegens asielaanvragers die wel voldoen aan de voorwaarden om hier te mogen verblijven en van opvang te kunnen genieten.

Tot zover de belangrijkste punten van het akkoord van 11 april. Het was maar een grabbel uit het geheel. Ik luister graag naar uw opmerkingen. Ik zal alvast zeggen dat precieze, gedetailleerde, concrete vragen een beetje vroeg komen. U moet die ook stellen aan de bevoegde ministers in de commissies. Ik luister uiteraard wel graag naar uw algemene bedenkingen. Ik zal in de mate van het mogelijke repliceren. Ik ben uiteraard zeer benieuwd of u zich iets zal aantrekken van deze laatste woorden. Ik maak mij daarover geen enkele illusie, maar ik dank u voor uw aandacht.

Voorzitter:

Dank u wel voor uw bondige uitleg over het paasakkoord, mijnheer de eerste minister.

Axel Ronse:

Mijnheer de voorzitter, ik zal mijn spreektijd delen met collega De Vreese.

Ik vergelijk de situatie van het land bij de start van de arizonaregering met die van het bijbelse Egypte dat te maken kreeg met tien plagen: hoge schulden, heel veel uitkeringen, korte loopbanen, de kortste van Europa, veel langdurig zieken en dus ongelooflijk veel ziekteverzuim, evenveel als in Duitsland, hoge loonkosten, hoge energiekosten, sterke vergrijzing, die een bom legt onder onze pensioenen, een spilzucht van jewelste, migratie die druk legt, heel veel ondernemers en werknemers die tevergeefs op zoek zijn naar collega's, ongeacht een relatief lage werkzaamheidsgraad, waardoor economische groei gefnuikt wordt, zeker in het zuiden van het land. Dan hebben we nog de ontzettend grote geopolitieke uitdagingen, die forse investeringen vragen in ons veiligheidsapparaat en defensie. Het is dus bijna onmogelijk – we hebben het hierover al een tijdje geleden gehad – om dit land in vijf jaar tijd op orde te krijgen.

We bevinden ons in een immense crisissituatie. Als we het politiek landschap van vandaag bekijken, dan kan men nog moeilijk over rechts en links spreken. Als wij hier de keuze zouden mogen maken tussen een Amerikaans systeem van sociale zekerheid, waarbij alles verzekerd, peperduur en moeilijk toegankelijk is, en ons systeem, dat gebaseerd is op herverdeling, dan denk ik dat iedereen voor ons systeem zou kiezen.

De vraag die vandaag moet worden beantwoord, is hoe we de sociale zekerheid kunnen redden, wat meteen ook een politieke keuze inhoudt. Er zijn dan drie politieke stromingen. Volgens de eerste politieke stroming, vertegenwoordigd door de PS, de PTB, Groen en Ecolo, die van de sociale strijd, moeten we maar de ogen sluiten voor de tien plagen, vooral op zoek gaan naar een Vlaamse liberaal die dat bootje, de Titanic wil leiden en laten doorvaren, en zullen we wel zien – après nous le déluge –, de volgende generaties zullen de schuld wel aflossen.

Ten tweede is er het team kookwekkertje, dat zegt om vooral te applaudisseren voor dat team, en te zien hoe de boel verder verziekt wordt en hoe welvaart en ondernemerschap nog eens vijf jaar lang verder vernietigd wordt, zeker in Vlaanderen.

En dan is er, ten derde, het arizonateam. Dat behoort tot de politieke generatie die wil verbinden en verenigen om de sociale zekerheid te redden, om dit land en wie hier geboren wordt, nog een deftige toekomst te geven, hopelijk een toekomst die beter is dan de onze.

Het regeerakkoord overtrof al mijn verwachtingen, maar het paasakkoord is werkelijk fenomenaal. Het paasakkoord betekent de verrijzenis van onze welvaart. Na 25 jaar nauwelijks deftige hervormingen hebben we nu eindelijk een regering, die doorpakt. Eerlijk gezegd, ik was bang. Toen ik het regeerakkoord verdedigde, vroeg ik mij af hoe we dat allemaal konden waarmaken en of we wel voor de zomer al die maatregelen en hervormingen konden rondkrijgen. Kijk eens aan, hier is een paasakkoord dat onze verwachtingen overtreft.

Het is het arizonateam op zijn best. Met betrekking tot de loonkosten gaan we naar een ongeziene lastenverlaging op de patronale RSZ. Met betrekking tot de uitkeringen, we beperken de werkloosheidsuitkeringen in de tijd. We flexibiliseren onze arbeidsmarkt. Het plafond voor flexijobs wordt opgetrokken. We breiden ook het toepassingsgebied uit. Met betrekking tot energie, om de energiekosten te verlagen, komen er transmissienettarieven. Met betrekking tot korte loopbanen en vergrijzing wordt een pensioenmalus ingevoerd. We hervormen onze pensioenen grondig. We zorgen ervoor dat mensen in de toekomst ook nog een deftig pensioen krijgen. Met betrekking tot zieken is het pakket maatregelen ongezien. Er komt responsabilisering voor huisartsen, werkgevers en werknemers. Eindelijk wordt er echt werk gemaakt van de re-integratie van langdurig zieken op onze arbeidsmarkt. Eindelijk sluiten we onze ogen daar niet meer voor. Tegelijk is de coalitie in zeer moeilijke tijden, budgettair vreselijke tijden, erin geslaagd om via moeilijke maatregelen toch middelen te vinden om minstens op vlak van defensie ons al te verzekeren van vrede en om op de veiligheidsdepartementen het nodige te doen.

Mijnheer de eerste minister, kortom, onze fractie is ongelooflijk trots op het vele werk dat u en uw regering hebben verricht. Wij zullen met veel aandacht de programmawetten en alle andere wetgevende initiatieven doornemen, bespreken en natuurlijk ook goedkeuren, zodat de sociale zekerheid en de toekomst van dit land verzekerd blijven.

Maaike De Vreese:

Mijnheer de eerste minister, het is niet voor niets dat een aantal toppers binnen onze partij het boek Puinhopen van Vivaldi hebben geschreven. Op die puinhopen moet Arizona nu het moeilijke werk doen.

Als we kijken naar de geopolitieke toestand en naar de interne veiligheid, dan zien we dat we daar voor enorme uitdagingen staan, eerst en vooral inzake Defensie. Wat een prestatie, eindelijk zullen we na zoveel jaar de NAVO-norm van 2 % halen. Bovendien, gelet op de belofte die we net hoorden, zullen we die norm waarschijnlijk ook moeten herzien. Er komt dus een nieuwe, moeilijke oefening aan, collega's, maar één ding is zeker: we staan naast onze bondgenoten en we houden onze broek zelf op.

Dat is ook waar wij als partij en als regering voor staan: investeren in de veiligheidsdepartementen. Net zoals in de Zweedse regering gaan we eindelijk weer van veiligheid en van een strikt asiel- en migratiebeleid een topprioriteit maken. Iedere week spreken we in de commissie voor Binnenlandse Zaken over de grote uitdaging waar we voor staan. Denk maar aan de strijd tegen de georganiseerde drugscriminaliteit. Ik kan eigenlijk al niet meer benoemen hoeveel feiten er zich de voorbije dagen in Brussel hebben voorgedaan. We zullen de budgetten dus flexibel, gericht en efficiënt moeten inzetten op het moment en op de plaats waar ze nodig zijn.

Kijken we dan naar de erfenis die we inzake Justitie hebben gekregen met de overbevolking in de gevangenissen. Ik zie de collega's Van Tigchelt en Van Quickenborne zitten, maar ik zou eigenlijk stilletjes vol schaamte thuisblijven, want de erfenis die we daar krijgen, is dramatisch. Dat horen we ook van de mensen die daar werken. Ook in Brugge is er een overbevolkte gevangenis. De werkomstandigheden daar voor het personeel zijn niet houdbaar. Dat is de erfenis van onze twee collega's.

Nu zullen we terecht maatregelen nemen tegen de overbevolking van de gevangenissen, bijvoorbeeld door in te zetten op de repatriëring van mensen in illegaal verblijf, van criminelen die in onze gevangenis zitten. Dat is ook wat ik hoor van de mensen op de straat. Zij vragen om dat prioritair aan te pakken.

Bovendien, mijnheer de eerste minister, moet u ook eens bekijken waar er nog marges zijn, want we focussen in dit paasakkoord voornamelijk op de mensen die hun straf uitgezeten hebben, maar er is ook een mogelijkheid om de straf uit te zitten in het land van herkomst. Daarom zou ik u willen vragen om te bekijken welke marges er daar nog zijn, bijvoorbeeld voor onderdanen van de Europese Unie en onderdanen van visumvrije landen, waarmee we toch hele goede terugnameakkoorden hebben. Misschien kunnen we daarmee nog goede overeenkomsten sluiten.

U spreekt ook over de gevangeniscapaciteit in het buitenland. Dat is een piste die we in het verleden ook hebben bekeken. Zijn die pistes al onderzocht? Kunt u daar al een tipje van de sluier oplichten?

Interne veiligheid heeft niet alleen betrekking op politionele veiligheid, maar ook op strategische autonomie, weerbaarheid, energie, mobiliteit. Zijn er ook op dat vlak plannen?

Dan kom ik bij asiel en migratie. Het is ongelooflijk. Twee maanden na de eedaflegging komen we al met crisismaatregelen om de instroom werkelijk in te perken. De prognose is dat we dit jaar naar 50.000 asielzoekers gaan. Dat betekent dat we daadwerkelijk zullen moeten optreden. Communicatie is daarbij zeer belangrijk, mijnheer de premier. Dit nieuws gaat in de diaspora als een lopend vuurtje rond. Het is belangrijk dat we maatregelen nemen die we werkelijk kunnen uitvoeren en die ook de rechterlijke toets doorstaan. Ook dat zou in de diaspora als een lopend vuurtje rondgaan. Dit zijn dus geen losse flodders. Daarop zetten we met Arizona in: een realistisch, streng, zeer streng migratiebeleid.

Ik wil ook een dikke pluim geven aan de cabinetards achter de schermen, die hier heel hard voor gewerkt hebben, en natuurlijk aan de hele arizonaregering.

Barbara Pas:

Mijnheer de eerste minister, voor een regering die er haar prioriteit van maakt om de cijfers op orde te hebben, vind ik het wel bijzonder opmerkelijk dat we nog geen enkel budgettair kader hebben gezien, op dat ene A4'tje bij uw regeringsverklaring na, die ene begrotingstabel, waar het Vlaams Belang trouwens nog fouten uit heeft gehaald.

We hebben nadien de beleidsverklaringen per minister gehad. Zij waren reglementair verplicht om daar een budgettair kader bij te geven. Geen van hen heeft dat gedaan. Toen kregen we te horen: u zult de beleidsnota's bij de begroting krijgen. Uiteraard is dat niet hetzelfde. Beleidsnota's bij de begroting gaan over één jaar. Bij de beleidsverklaringen zou dat budgettair kader de hele legislatuur moeten omvatten. Maar goed, wij keken dus reikhalzend uit naar die beleidsnota's.

Ik weet niet of u het weet, maar de deadline voor al die beleidsnota's is reeds verstreken, want die verviel op 11 april. Ik weet dat u niet graag detailvragen krijgt, maar ik zal u meteen het antwoord geven op de vraag hoeveel beleidsnota's vandaag al ter beschikking zijn voor de Kamerleden. Het zijn er welgeteld drie: Administratieve Vereenvoudiging, Begroting en Mobiliteit. Voor een premier die orde op zaken ging stellen, ook budgettair, maar bij wie het budgettair kader al maanden uit blijft, kunnen we niet anders dan vaststellen dat het een financieel rookgordijn is. Collega Ronse mag dan wel bijzonder lyrisch zijn over wat hij een fenomenaal paasakkoord noemt, maar het is niet gefinancierd, want de financiering is een rookgordijn.

Inzake de defensie-uitgaven zegt u dat eindelijk de 2 %-norm van het bbp behaald zal worden. Daar pleiten wij al heel lang voor. Het is wel heel kort door de bocht om de terechtwijzing voor die puinhoop alleen naar de vivaldiregering te richten, zoals collega De Vreese doet, want er wordt al veel langer bespaard op Defensie. Het historisch dieptepunt was 0,9 % van het bbp onder de Zweedse regering, onder toenmalig N-VA-minister Steven Vandeput. Het is dus goed dat die uitgaven eindelijk naar die 2%-norm gaan, maar op welke manier haalt u dat? Niet door een structurele financiering, want u houdt 2 miljard buiten de begroting, met andere woorden: schulden maken, doorschuiven naar de volgende Vlaamse generatie. Dat is exact waarvan uw minister van Begroting enkele weken geleden nog zei dat hij uitgerekend dat niet wilde doen.

Ik permitteer het me om nog een detailvraag te stellen, al is het misschien geen vraag naar een detail. Ik wil namelijk graag weten of het klopt dat u camouflagetechnieken toepast, mijnheer de eerste minister. In de pers lees ik namelijk dat heel wat normale uitgaven nu plots in een militair jasje worden gestoken om toch maar aan die 2 % te geraken. Voorbeelden zijn uitgaven voor de Veiligheid van de Staat, voor het Europees Ruimtevaartagentschap, voor onze beveiligde datanetwerken en voor normale infrastructuurwerken aan bruggen. Dat zouden nu plots allemaal defensie-uitgaven zijn. De pers lees ik altijd met voorbehoud, vandaar dat ik u vraag of dat überhaupt klopt.

Mijnheer de eerste minister, uw paasakkoord is alleszins geen verrijzenis van politieke moed. U hebt niet de politieke moed gehad om voor een structurele financiering en structurele hervormingen te kiezen, maar dat wisten we al. Daarvoor hebt u institutionele hervormingen nodig, maar die weigert u door te voeren.

Over de eigenlijke pensioenhervorming hebt u niet gesproken. Blijkbaar is die pas voor het najaar. Omtrent de maatregelen inzake de pensioenhervorming die al voor de zomer goedgekeurd zouden moeten worden, konden we vandaag plots lezen dat uw coalitiepartner Vooruit nu eerst nog bijkomende eisen stelt vooraleer die te steunen.

Los van het feit dat wij van de pensioenmaatregelen ook nog geen budgettair kader kennen, dat het Federaal Planbureau alle plannen nog helemaal moet doorrekenen en dat u zich volledig stoelt op hypotheses, had ik graag – dit is geen detailvraag – uw reactie gekregen op het feit dat coalitiepartners tachtig dagen na het sluiten van het regeerakkoord plots nog bijkomende eisen vaststellen.

U hebt het kort over asiel gehad. Daarover kan ik ook heel kort zijn. U hebt enkele maatregelen genoemd om de instroom te beperken. U had er veel meer moeten noemen indien u werkelijk de instroom deftig zou willen tegenhouden. U hebt bovendien vooral geen enkele maatregel genoemd die de uitstroom zal opkrikken, mijnheer de eerste minister. Geen woonstbetredingen, geen heropening van terugkeercentra voor gezinnen en geen druk op derdelanden om hun illegale en criminele onderdanen terug te nemen. Dat is nochtans exact wat wij nodig hebben voor Justitie en de overbevolkte gevangenissen. Dat ontbreekt echter volledig.

Het enige dat met het paasakkoord lijkt te zijn verrezen, is Vivaldi, Verhofstadt en De Croo. U gebruikt extra leningen, lucky shots en eenmalige inkomsten als begrotingstrucs. U schuift de problemen door. Ondertussen stijgt de staatsschuld nog en beweert u dat de regering dat zal oplossen tegen 2029. Tegen dat jaar zou er een structurele financiering komen. Ik weet niet wie u daarmee in het ootje meent te nemen. Door alle daadkrachtige maatregelen uit te stellen, alsof het vijgen na Pasen zijn, maakt u zich allerminst geloofwaardig.

Voorzitter:

Neemt nog iemand het woord namens het Vlaams Belang?

Annick Ponthier:

Mijnheer de premier, ik zal mij beperken tot het segment Defensie. Zoals reeds gezegd, is deze regering aangetreden met de doelstelling om orde op zaken te stellen. Als parlementsleden beschikken wij op dit moment over geen enkel budgettair kader, ook niet voor het segment Defensie.

U weet dat het Vlaams Belang al jaren pleit voor het optrekken van het Defensiebudget tot de 2 %-norm. We zijn uiteraard blij dat die norm in dit paasakkoord vervat zit. Wat echter de financiering daarvan betreft, hebt u een aantal cijfers opgesomd, maar die gaan voornamelijk over de financiering voor dit jaar. Wat betreft de structurele inspanningen voor Defensie, daar blijft u luchtkastelen bouwen en blijven wij op onze honger met betrekking tot een deftige financiering.

Mevrouw De Vreese vindt die 2 % een ongelooflijke prestatie. Ik wil haar vragen hoe lang die euforie zal aanhouden. Ik denk dat dat maar tot juni zal zijn, tot de NAVO-top in Den Haag. Dan zullen wij onze broek al niet meer zelf kunnen ophouden, dan zal die 2 %-norm meteen achterhaald zijn en zullen onze capaciteitsdoelstellingen door de NAVO hoger worden gelegd.

Mijnheer de premier, ik wil u dus vragen hoe u die structurele inspanningen op het vlak van Defensie in de toekomst zult behalen en onderbouwen. U rekent ook op de deelstaatregeringen. Uw coalitiepartner, de MR, heeft zich altijd sterk gemaakt dat deze regering geen nieuwe belastingen zou heffen. Nochtans zien we dat u zou rekenen op de inspanningen van de deelstaten, meer bepaald van de Vlaamse regering, inzake de kilometerheffing. Als dat klopt, dan moet u het met mij eens zijn dat opnieuw de Vlaming het gelag zal moeten betalen. Ook op dat vlak vraag ik u dus om duidelijkheid te verschaffen.

Ik zal het hierbij houden en het woord laten aan mijn collega, mevrouw Van Belleghem.

Francesca Van Belleghem:

Mijnheer de premier, vorig jaar telden we 50.000 gezinsmigranten, 40.000 asielmigranten en regularisatie van bijna 5.000 illegalen. 80 % van de Vlamingen is het ermee eens dat u de toestroom van die mensen moet stoppen.

Hoe doe u dat? Eerst neemt u een pakket van snelle maatregelen, nu dus. Ondertussen werkt u verder aan een langetermijnoplossing. Voor de snelle crisismaatregelen hebt u twee opties. Optie een is een bazooka van makkelijke maatregelen. Ik heb er een boek over geschreven met 106 mogelijke voorstellen, gebaseerd op wat Zweden al twee jaar doet en wat werkt. Voor het eerst zullen er in Zweden immers meer mensen vertrekken uit Zweden dan er immigreren naar Zweden.

Uw tweede optie, een nieuwe mogelijkheid en mijn favoriet, is aankloppen bij de EU, bij uw vriendin Ursula von der Leyen. U kunt haar zeggen, verwijzend naar artikel 72 van het Werkingsverdrag van de EU dat stelt dat als de openbare orde en de nationale veiligheid in gevaar zijn, men EU-regels buitenspel kan zetten, dat we nu een asiel- en gezinsherenigingsstop nodig hebben, aangezien onze openbare orde en de nationale veiligheid door de massa-immigratie in gevaar zijn. Dan bent u in de EU de voortrekker om massa-immigratie te stoppen. We zien nu echter dat het paasakkoord helemaal geen maatregelen in die zin bevat.

Premier, zult u dus tot bezinning komen en nog zo'n maatregel invoeren?

Voorzitter:

U bleef mooi binnen de tijd.

Le groupe MR dispose de 10 minutes.

Catherine Delcourt:

Monsieur le premier ministre, le groupe MR se réjouit de cet accord historique que l'Arizona a conclu très récemment. Nous aurons évidemment aussi quelques questions. Nous sommes conscients que certains de vos ministres devront répondre, mais nous voudrions avoir votre position sur toute une série d'aspects que nous allons relever ici.

Nous nous félicitons de l'accord capital qui fait aboutir, sous notre impulsion, une mesure phare et essentielle pour ce gouvernement. Il s'agit de la limitation du chômage dans le temps. Cette mesure clé permettra de porter l'économie belge, ses travailleurs, ses entreprises et son modèle social.

Cette décision n'a pas été prise à la légère. Elle marque un tournant décisif dans notre politique sociale et économique. Elle est le fruit d'une volonté commune de renforcer notre économie tout en protégeant notre modèle social. Cette réforme vise à encourager le retour à l'emploi et à responsabiliser les acteurs impliqués dans la réintégration des chômeurs de longue durée.

Le gouvernement a adopté des mesures concrètes pour soutenir nos entreprises, avec un investissement de près de 1 milliard d'euros à l'horizon 2029. L'objectif, que le MR partage résolument, est de stimuler l'embauche et de renforcer la compétitivité de nos entreprises.

Sur le plan fiscal, le gouvernement prend des mesures ciblées pour soutenir l'investissement, encourager le travail et accompagner la transition écologique. Les indépendants, moteurs de notre économie, bénéficieront d'un crédit d'impôt renforcé lorsqu'ils investissent dans leurs fonds propres. Il s'agit d'une mesure concrète pour renforcer leur résilience.

En matière de logement, le taux de la TVA est ramené à 6 % pour les projets de démolition-reconstruction destinés à devenir des habitations principales, ce qui favorise l'accès à un logement durable et performant sur le plan énergétique.

Le gouvernement oriente aussi sa fiscalité vers une mobilité plus propre. La déductibilité fiscale des voitures hybrides les plus écologiques est prolongée jusqu'en 2027. Cela permettra un renouvellement progressif du parc automobile.

En outre, le plafond de revenus dans le cadre des flexi-jobs est augmenté et désormais fixé à 18 000 euros par an. Enfin, le relèvement du plafond des revenus autorisés pour rester fiscalement à charge permettra aux étudiants de travailler davantage sans que leurs parents perdent leurs avantages fiscaux.

Ce changement s'inscrit dans la volonté de favoriser le travail étudiant tout en tenant compte des réalités économiques.

La sécurité est une priorité absolue de l'Arizona comme elle l'est pour le MR. Là encore, l'accord de Pâques prévoit des mesures importantes comme la sécurisation des sites nucléaires par des militaires, ce qui libère de la capacité opérationnelle, à savoir 350 policiers qui pourront se recentrer sur leurs tâches essentielles.

L'enveloppe supplémentaire de 1,2 milliard pour l'ensemble des départements de sécurité prévue en marge de l'accord prévoit une enveloppe d'un milliard supplémentaire. Elle est maintenant annoncée sur l'ensemble de la législature. Ce serait évidemment intéressant de déterminer les postes qui seront visés à court et moyen terme par ces budgets conséquents.

Je veux également souligner l'engagement de concrétiser prioritairement certaines mesures primordiales pour le MR en termes de lutte contre l'impunité et le renforcement de la sécurité, notamment l'élargissement de la sanction de déchéance de nationalité ou l'alourdissement des peines liées au trafic de drogue et d'armes, au blanchiment d'argent et à la criminalité organisée, en particulier lorsqu'elle implique des mineurs.

S'agissant du dossier de la surpopulation carcérale, la ministre Verlinden a obtenu un budget de 150 millions d'euros, qui seront notamment investis dans des unités modulaires.

En matière migratoire, la politique sera renforcée afin de sortir la Belgique du rôle de maillon faible de l'Europe. En effet, l'accord de Pâques prévoit un durcissement des conditions de regroupement familial et un recentrage de l'aide sur l'essentiel, dans le but de réduire la pression constante de l'accueil.

Personne ne l'ignore, les dépenses de la défense atteindront les 2 % du PIB. Ce renforcement structurel est fondamental pour assurer notre souveraineté et contribuer à la sécurité collective au sein de l'OTAN. Nous devons confirmer la fiabilité de la Belgique comme partenaire de sécurité sur la scène internationale.

En ce qui concerne les finances, monsieur le premier, nous saluons pleinement l'ambition de cette loi-programme, des mesures fortes qu'elle porte, notamment en matière fiscale. Nous relevons plusieurs avancées en faveur de la transition. La baisse du taux de la TVA à 6 % est un point majeur. Nous souhaiterions savoir si des mesures transitoires sont prévues, tant pour la hausse de la TVA sur les chaudières que pour la baisse à 6 % pour les projets de démolition-reconstruction, afin de sécuriser les contrats et les devis déjà établis avant le 1 er juillet 2025. Pouvons-nous nous attendre à une circulaire ou à un arrêté d'exécution qui précise la date déterminante pour l'application du taux?

Par ailleurs, nous souhaiterions connaître la clé de répartition du 1,2 milliard alloué aux services de sécurité. Quel pourcentage ira-t-il à la Justice et surtout à quels postes? Mme Verlinden annonce notamment l'achat de modules cellulaires. Pouvez-vous nous en dire plus quant à la concrétisation de ces mesures? Comment les montants seront-ils répartis ?

Ces derniers jours, nous avons entendu le mécontentement de la magistrature debout, qui exprime des revendications par rapport à la pénurie de personnel et à ce que les magistrats considèrent comme des atteintes à leur carrière et à leurs pensions. Des dispositions sont-elles envisagées à court terme pour redorer cette fonction qui est essentielle dans un État de droit et éviter que le magistrat devienne le prochain métier en pénurie?

Concernant le retour au travail des personnes malades de longue durée, nous aurions souhaité connaître le regard que vous portez sur les contrôles des certificats médicaux. Sont-ils suffisants à vos yeux? Dès le 1 er juillet, il est prévu de passer aux certificats électroniques. Des moyens supplémentaires seront-ils prévus pour renforcer ces contrôles?

Concernant l'emploi, il y aura une limitation du chômage à deux ans avec une progressivité. On passe dans un système assurantiel. Si nous pouvons vraiment applaudir cette mesure, une question subsiste sur l'exception pour les travailleurs des arts. Le statut des artistes est particulier. Votre gouvernement a choisi de le maintenir en l'état pour l'instant tout en luttant contre les abus. Pouvez-vous dire comment vous comptez lutter contre ces abus?

En ce qui concerne la fiscalité, une augmentation du plafond des flexi-jobs aura lieu. Celui-ci passera à 18 000 euros. Nous applaudissons encore une fois cette mesure, mais allez-vous étendre les flexi-jobs à l'ensemble des secteurs dès maintenant ou dans un second temps?

Enfin, votre accord de Pâques comprend une avancée majeure pour la pension des indépendants, que mon parti soutient résolument. A partir du 1 e juillet 2025, les indépendants qui poursuivent leurs activités après l'âge légal de la pension auront la possibilité de se constituer des droits supplémentaires à la pension.

Ceux qui préfèrent rester soumis au régime actuel à cotisation réduite conserveront cette option sans ouverture de nouveaux droits. Dès lors, les indépendants qui souhaitent continuer à travailler plus tard continueront à se constituer des droits. Avez-vous déjà une idée du nombre d'indépendants qui pourraient bénéficier de ce système?

Voorzitter:

Je donne la parole aux membres du groupe PS qui dispose de 10 minutes.

Pierre-Yves Dermagne:

Monsieur le président, je partagerai mon temps de parole avec M. Courard, Mme Désir et Mme Meunier, de sorte que j'essaierai d'être bref.

Monsieur le premier ministre, chers collègues, vous ne serez pas étonnés que je ne partage pas l'euphorie qui est celle de votre premier apôtre. Un accord historique, comme cela a été souligné à maintes reprises. Alors oui, il est historique. Je pense effectivement que cet accord de Pâques, qui n'est jamais que la transposition d'une partie de votre accord de gouvernement, est historique, puisque jamais dans l'histoire de notre pays, un effort n'a été consenti par une si grande partie de la population. En effet, 95 % de l'effort vont être supportés par la classe moyenne. C'était déjà ce qu'on pouvait déduire de votre accord de gouvernement, et c'est confirmé aujourd'hui avec ce prétendu accord de Pâques.

Vous allez précariser la classe moyenne avec – même si vous n'osez pas le dire – une augmentation des impôts, avec une augmentation de la fiscalité pour cette classe moyenne, notamment par la suppression de toute une série d'avantages. Je pense à la réduction de la déductibilité pour les dons aux associations, je pense à la réduction de la déductibilité pour les pensions alimentaires, la hausse de la TVA sur les chaudières à mazout ou au gaz, et je pourrais en citer toute une série d'autres.

Un affaiblissement de la classe moyenne, qui va devoir payer les efforts que vous lui imposez alors que les 5 % les plus riches de la population sont, quant à eux, majoritairement épargnés. Un affaiblissement de la classe moyenne, un affaiblissement des travailleurs et des travailleuses, un affaiblissement des pensionnés, ainsi qu'un affaiblissement des malades de longue durée, alors que vous immunisez à nouveau les plus grosses fortunes de ce pays, les multinationales ou encore le secteur bancaire, dont on sait qu'il se porte particulièrement bien chez nous après des années de bénéfices records.

Vous donnez les premiers coups de griffe au mécanisme d'indexation automatique des salaires et des allocations. Vous définancez le secteur des soins de santé, alors que des partis de votre majorité avaient sanctuarisé ce secteur en assurant le respect de cette norme de croissance des soins de santé et en prenant même l'engagement d'aller au-delà. Vous irez en-deçà, et vous économiserez donc sur le dos des soignants et des patients.

Vous supprimez les prépensions, malgré la situation économique actuelle et le choc vécu par toute une série de travailleuses et de travailleurs comme ceux de Cora ou d'Audi Forest. Vous augmentez la TVA sur l'installation des chaudières à gaz et à mazout. Et vous allez aussi, par toute une série de mesures, renforcer les inégalités qui frappent encore aujourd'hui de manière scandaleuse les femmes dans notre société, notamment avec la suppression de la pension de survie.

C'est un accord historique, aussi, car il y a quelque chose qu'on ne trouve pas dans cet accord de Pâques. Je pensais pourtant très sincèrement que nos camarades de Vooruit allaient exiger que cela figure dans cet accord. Il s'agit de la taxation des plus-values. Elle a déjà fait couler beaucoup d'encre et on a perçu que les approches étaient très différentes selon les partis de votre majorité. Elle ne figure pas dans cet accord de Pâques. Pour nous, ce n'est pas totalement une surprise, puisque vous faites peser 95 % de l'effort sur la classe moyenne et vous épargnez les épaules les plus larges.

On nous avait promis un gouvernement d'ingénieurs et plus de poètes. Constatons ici que nous sommes dans un flou artistique total. Un flou artistique sur la trajectoire budgétaire. Nous ne savons toujours pas quelle est la trajectoire budgétaire de ce gouvernement. Nous avions compris, avec M. Ronse, que la fin de la législature ne constituerait pas le bout du chemin s'agissant de l'effort que vous allez imposer à 95 % de la population, mais bien la deuxième ou la troisième législature.

Vous utilisez le contexte géopolitique international pour repousser systématiquement l'engagement et la crédibilité budgétaire de votre gouvernement. Du flou artistique pour un gouvernement impressionniste! Du flou au niveau du financement de la Défense, de la pérennisation de ces éléments et sur toute une série de mesures. Un gouvernement à côté de la plaque, dont les mesures en matière d'économie et de compétitivité tirent à côté et dont la réduction linéaire des cotisations sociales laisse les fédérations patronales relativement circonspectes.

Ces mesures ont en outre prouvé leur inutilité par le passé. Je vous renvoie vers l'analyse de la Cour des comptes sur la mesure "zéro cotisation" ou sur les études universitaires.

Au final, l'accord jette à nouveau à la poubelle les engagements de campagne et les promesses des partis de l'Arizona. Il n'y a toujours rien sur l'augmentation de 500 euros nets pour les travailleurs, qu'ils soient salariés, indépendants ou fonctionnaires. Il n'y a pas de trace de cette norme de croissance XXL dans les soins de santé. Que du contraire, des économies à fournir dans le secteur!

Monsieur le premier ministre, cet accord est historique dans les déséquilibres qu'il porte et qui ne sont que la transcription de votre accord de gouvernement. Cet accord laisse toute une série de personnes et d'acteurs dans le flou artistique.

Monsieur le premier ministre, je vous donne rendez-vous dans quelques semaines lorsque nous aurons les tableaux budgétaires et les notes de politiques générales de l'ensemble des membres du gouvernement.

Philippe Courard:

Monsieur le premier ministre, j'aborderai rapidement la Défense. Vous avez-vous-même indiqué "qu'il faut aller chercher le financement". C'est fort inquiétant. On peut vous rejoindre sur cette norme de 2 % mais pour quoi faire, avec quel argent? Au sein de votre majorité, il subsiste un désaccord total quant aux secteurs où trouver l'argent pour mener à bien ces 2 %. Où comptez-vous trouver cet argent?

Pourquoi ne pas vous inspirer du ministre espagnol S á nchez qui a dit qu'il ne toucherait pas aux impôts ni aux dépenses sociales et qu'il n'augmenterait pas le déficit public. Quand j'entends M. Francken dire qu'il veut acheter de F-35, je pense que ce sont plutôt des mirages dont il parle!

Caroline Désir:

Monsieur le premier ministre, j'interviens sur un point spécifique de votre accord de Pâques, le report d'un ou deux mois de l'indexation des prestations sociales et des traitements des fonctionnaires. Au total, vous annonciez dans le budget présenté au Parlement en février dernier 956 millions d'efforts sur l'ensemble de la législature. Pourriez-vous nous dire de quelles prestations sociales il s'agit précisément?

Contrairement à ce qui avait été soutenu par plusieurs partis de la majorité, vous vous attaquez bien au principe même de l'indexation automatique. On le voit par exemple au travers de la limitation de l'indexation des plus hautes pensions publiques. Vous vous attaquez directement à différents secteurs, en menaçant leur attractivité et la spécificité de certaines professions, notamment les magistrats, professeurs d'université et chercheurs.

Pour ce qui est des allocations, cela ne vous suffit pas de les limiter dans le temps, vous allez en plus faire perdre des revenus aux plus fragiles en reportant l'indexation.

Monsieur le premier ministre, avez-vous calculé l'impact de cette mesure sur les allocations et traitements des fonctionnaires? Avez-vous estimé la perte de recettes que le report de l'index pourrait engendrer en matière de cotisations sociales et de précompte professionnel?

Marie Meunier:

Monsieur le premier ministre, je ne reviendrai pas sur le ton de vainqueur de votre gouvernement pour annoncer l'exclusion de 100 000 personnes du chômage en janvier mais plutôt sur votre silence quant à la manière dont vous allez réellement accompagner ces personnes à trouver un emploi. Comment allez-vous aider les CPAS à accueillir ces personnes dans huit mois? Concrètement, comment pourront-ils matériellement recevoir et aider ces personnes? Où est la compensation que vous promettiez? Savez-vous qu'il n'y a aujourd'hui déjà pas assez d'assistants sociaux pour faire face au travail et savez-vous qu'il s'agit d'un métier en pénurie? Quelles mesures concrètes prendrez-vous pour aider ces institutions qui sont fondamentales?

Raoul Hedebouw:

Mijnheer de premier, u hebt jarenlang in alle politieke debatten verklaard dat er geen alternatief was, dat er geen geld meer was en dat de begroting in orde moest zijn. Besparingen waren geen politieke keuze, maar het was gewoon een objectief gegeven dat budgettaire maatregelen van de Europese Commissie op alle sociale uitgaven in ons land moeten worden toegepast. U hebt uw hele verkiezingscampagne gevoerd met de verklaring: "There is no alternative." Nu vindt u in vijf minuten 4 miljard euro voor defensie. Het was dus toch wel een politieke keuze. U verklaarde dat er geen geld was voor de gepensioneerden, de langdurig zieken, de openbare diensten, maar eigenlijk was er wel geld. De arizonaregering heeft vier miljard euro in vijf minuten gevonden. Het was dus wel politiek, mijnheer de premier.

Ik ga er op politiek vlak natuurlijk niet mee akkoord dat u geld haalt bij de gepensioneerden om miljarden te investeren in defensie. Dat is de keuze van de arizonaregering. Vandaag moeten gepensioneerden in België al rondkomen met een klein pensioentje. Ze kunnen nu al hun rusthuis niet betalen. In vergelijking met Duitsland, Nederland en Frankrijk zijn de Belgische pensioenen al heel laag.

De arizonaregering beslist nu om de indexering van de pensioenen drie maanden uit te stellen. HOGent en het ACV berekenden dat de gepensioneerden 68 euro minder pensioen krijgen. Het is logisch dat de N-VA met dat plan komt, want het is een koude, asociale partij, maar hoe durven de collega's van Vooruit de gepensioneerden zo aanvallen! Het is gemakkelijk om op de sociale media de boodschap te verspreiden dat Vooruit de index redt. Voor de gepensioneerden wordt de indexering echter drie maanden uitgesteld. Voor de ambtenaren geldt hetzelfde, de indexering wordt drie maanden uitgesteld. Is dat linkse politiek? Kom aan!

Collega's van Vooruit, hoe kunt u meegaan met zo'n verhaal in dat paasakkoord? Hoe durft u! In dat akkoord gaat het over de pensioenen, beste collega's. Hoe zit het nu met de maluspensioenen? Er zal een malus worden ingevoerd die oploopt tot 5 % minder pensioen per jaar dat men vroeger stopt met werken. Wat is er nu beslist, mijnheer de eerste minister? U legt tegenstrijdige verklaringen af in interviews. Worden ziekteperiodes nu meegerekend? Wordt technische werkloosheid meegerekend voor de malus? Geef daarop eens een duidelijk antwoord, mijnheer de eerste minister.

Er is eindelijk een blokkering in de regering. Een van uw regeringspartners, Vooruit, blokkeert de pensioenhervorming als men niet aan de privileges van de politici raakt. Dat gebeurt nu eindelijk, het was tijd. Dat klaagt de PVDA al maanden aan. Vindt u het logisch, collega’s, dat het pensioen van parlementsleden berekend wordt op hun laatste jaarloon? Voor de ambtenaren is het 45 jaar, geen probleem, maar voor de politici – open bar – op het laatste jaar. De afscheidspremie wordt gewoon meegerekend in de pensioenberekening: geen probleem, politici, open bar . Bepaalde collega's kunnen hier nog op hun 62e vertrekken: geen probleem, open bar .

Eindelijk, eindelijk worden die privileges een probleem. Nu wil ik dus weten, mijnheer de minister, hebt u nog een akkoord rond de pensioenmalus of niet? Hebt u nog een akkoord rond de pensioenen? Vanmiddag vergadert het Bureau, en ik hoop dat Vooruit woord houdt.

Blokkering van de matiging op pensioenen, dat gaan we van heel dichtbij volgen, mijnheer de premier, van heel dichtbij. De PVDA vindt het namelijk niet juist dat er vandaag miljarden voor de wapenindustrie gezocht worden bij de pensioenen, bij de langdurig zieken, bij de werklozen, bij al die mensen in onze samenleving die het nodig hebben. Daar gaat het over in dit paasakkoord.

Parce que la question, monsieur le premier ministre, c'est cela! C'est cela, la question! Qu'allez-vous faire avec ces milliards? J'entends ici, aujourd'hui, que dans les plans, c'est décidé: nous allons acheter du F-35 américain.

Pendant des semaines, nous avons entendu que l'Europe devait être autonome. L’Europe devait tracer son propre chemin indépendant des intérêts américains. Et puis, que décide-t-on aujourd'hui? On va prendre des milliards pour investir dans le F-35. Un avion dont les Américains peuvent décider du jour au lendemain qu'il ne décollera plus. Il suffit que l’update informatique ne soit plus transmis à la Défense belge pour que tous ces avions restent sur le tarmac. Mais nous voulons notre indépendance.

C'est cela, chers collègues, la vision stratégique de l'Union européenne! C'est cela, aujourd'hui, ce qu'on nous avait promis. Allez, arrêtez un petit peu de rigoler, s'il vous plaît!

Au niveau du chômage, monsieur le premier ministre, ah, on est fiers! On va exclure 100 000 travailleurs sans emploi. Quelle fierté! Que vont-ils devenir, ces gens-là? Un tiers dans la nature, un tiers au CPAS. Qu'aura-t-on résolu ainsi? Rien!

Les CPAS, vous le savez très bien, ne sont pas mieux outillés que le Forem et l’ONEM aujourd'hui pour remettre les gens au travail. Que du contraire! Ce n'est pas leur job, normalement. Donc, on ne va pas réactiver les gens. La seule volonté ici, monsieur le premier ministre, c'est d'exclure des gens, pour des raisons budgétaires. C'est pousser les gens dans la misère. Cela ne va rien résoudre.

Vous le savez en plus: les gens qui sont dans la misère pensent à une seule chose: survivre, pas à chercher un boulot. Les études internationales le montrent. Quand on survit, on n'a plus d'énergie pour encore aller chercher un boulot en dehors.

Ma dernière question porte sur le niveau budgétaire. Je ne comprends pas, monsieur le premier ministre.

U zegt, mijnheer de eerste minister, dat er geen geld is voor de pensioenen. Dat ze niet meer betaalbaar zijn. Onze sociale zekerheid zou het niet meer zien zitten… En wat beslist u een week geleden? Om 1 miljard euro minder in de pensioenkas te storten, 1 miljard minder sociale bijdragen… Waar hebben jullie het besef gehad dat 1 miljard euro minder in de sociale zekerheid de pensioenproblematiek zal oplossen?

Ça ne tient pas la route, mathématiquement.

Jarenlang gaat u 16 miljard euro uit de sociale zekerheid halen, met heel veel kortingen enzovoort, en dan zegt u dat er geen geld meer is om de pensioenen te betalen. Als er niet genoeg geld is, zou ik behouden wat er nu naar de sociale zekerheid gaat.

Monsieur le premier ministre, vous l'aurez compris: en ce qui concerne votre accord de gouvernement de Pâques, je ne rejoins pas du tout l'enthousiasme de votre groupe. La chasse contre la fraude fiscale est une cinquième DLU. Pour les auditeurs qui nous écoutent aujourd'hui, une DLU est une déclaration libératoire unique. Cela permet aux fraudeurs de dire après quelques années: "J'ai fraudé, mais je vais trouver le fisc pour voir s'il y a moyen d'un peu régulariser le bazar". Et Didier Reynders, un homme doté d'une grande éthique en politique, qui aime jouer au Lotto, – mais chacun ses hobbies, on ne va pas juger ici les hobbies de chacun –, avait dit, il y a quelques années: "On va faire une déclaration libératoire unique". Unique, cela signifiait qu'elle aurait lieu une seule fois. Chers collègues, cette déclaration libératoire unique a déjà eu lieu cinq fois.

En fait, elle est permanente! En Belgique, c'est open bar! Quand vous êtes un petit indépendant, vous avez droit à un contrôle fiscal et à un contrôle TVA. Clac, on vous coince. Mais quand vous êtes un grand fraudeur et que vous avez des milliards, pas de problème! Installez-vous, prenez un petit café au SPF Finances, on va discuter tranquillement de la manière dont on peut régulariser cela. Il n'y a pas de problème, détendez-vous, monsieur, la Belgique est un pays qui va régulariser tout cela sans problème! C'est cela, le deux poids, deux mesures, d'un point de vue fiscal, dans ce pays. Les gros poissons sont tranquilles, les déclarations sont libératoires à répétition, mais on va contrôler le petit indépendant sur sa TVA. Et quoi, chers collègues, qu'est-ce que cela signifie au MR? Le MR aide-t-il les petits avec de telle mesures?

Voici mon dernier point sur cet accord de Pâques. Le MR, pendant toute la campagne électorale, a promis 500 euros de différence de pouvoir d'achat. Il n'y a rien dans cet accord, monsieur Georges-Louis Bouchez! Vous avez menti. Vous êtes un minteu comme on dit chez nous. Vous avez menti. Qu'avez-vous dit? Que vous alliez diminuer les allocations de chômage. Cela, oui, vous l'avez dit! Il y aura 500 euros de différence. On va pousser les chômeurs dans la misère. Mais les travailleurs qui ont un emploi? Niks ! C'est cela, la politique belge, c'est cela le mensonge! Tout cela, chers collègues, avec des ministres dont le salaire de 11 000 euros par mois leur permet de vivre tranquilles. La vie, elle est peinarde! Mais chez les malades de longue durée, clac, on prend!

En dan mijn laatste punt, beste collega’s, over de langdurig zieken. Hoe durven jullie? Hoe durven jullie afkomen met die kliklijn voor dokters door werkgevers? Cd&v, hoe hebben jullie daar mee kunnen instemmen? Vooruit, hoe hebben jullie daarmee kunnen instemmen? Dokters die vinden dat hun patiënten om medische redenen niet terug aan het werk mogen, kunnen via een kliklijn aangeduid worden door werkgevers als ze vinden dat bepaalde dokters hun job niet goed doen. U gaat druk leggen op dokters en mutualiteiten om mensen gedwongen terug aan het werk te zetten. Is dat een linkse, sociale politiek? Ik had van mijnheer Vandenbroucke toch iets anders verwacht.

Mijnheer de eerste minister, ik heb heel concrete vragen gesteld rond uw akkoord. Ik stel voor dat jullie op dat paasakkoord terugkomen. Het heeft niks, helemaal niks met sociale politiek te maken, maar alleen met koude, budgettaire maatregelen om de militaire uitgaven te kunnen opkrikken in de volgende maanden. Die gaan helemaal geen vrede brengen, maar oorlog. Wie oorlog voorbereidt, krijgt ook oorlog. En wie vrede voorbereidt, krijgt vrede.

Voorzitter:

Le groupe Les Engagés dispose de 10 minutes.

Aurore Tourneur:

Monsieur le premier ministre, le gouvernement est en place depuis trois mois. C'est le premier accord, et nous avons déjà le sentiment qu'on fait le bilan de toute l'année. Laissons les ministres travailler! Et en effet, dans ce nouveau gouvernement, on travaille, on n'est pas d'accord, ça frotte et puis on trouve des solutions. Selon moi, c'est bien cette mission qui nous a été confiée par le citoyen. Soyons donc à la hauteur des enjeux!

Au rayon des bonnes nouvelles tant attendues, nous avons un réinvestissement dans la santé avec une norme de croissance de 2,5 % en 2025 et assurée d'atteindre 3 % en 2029 avec 4 milliards supplémentaires au-delà de l'inflation. Nous avons aussi une valorisation du travail et une pérennisation de la sécurité sociale et de nos pensions avec une limitation des allocations de chômage à deux ans mais aussi avec une augmentation des montants perçus les six premiers mois; avec un statut des artistes qui est intégralement préservé; avec un renforcement du budget de notre Justice et de notre Défense; avec une politique de transition énergétique et climatique avec une baisse de la TVA sur la démolition-reconstruction et une feuille de route pour réduire l'impact environnemental et carbone de nos bâtiments.

Parmi ces avancées que je viens de citer, une nous tient particulièrement à cœur car elle constitue un des marqueurs forts des Engagés; il s'agit du droit au rebond qui incarne une mesure socialement utile, économiquement responsable et humainement moderne. Permettre à un travailleur de quitter son emploi de manière encadrée tout en bénéficiant temporairement des allocations de chômage, c'est reconnaître la réalité de parcours professionnels qui peuvent à certains moments s'essouffler, sans pour autant sombrer. Ce mécanisme vise à éviter les situations de rupture brutale, comme les arrêts maladie de longue durée ou les licenciements conflictuels, tout en encourageant la mobilité professionnelle dans un cadre clair et limité.

C'est une solution que les Engagés ont toujours défendue et portée haut et fort. C'est une mesure de santé mentale au travail, de fluidité sur les marchés de l'emploi et de respect mutuel entre travailleur et employeur. Loin d'être une brèche dans notre sécurité sociale, c'est une véritable soupape intelligente pour la renforcer. Alors, nous soutenons cette orientation, mais des clarifications s'imposent pour s'assurer que cette mesure tienne ses promesses sans créer de déséquilibre ou d'effet pervers.

Monsieur le premier ministre, j'ai plusieurs questions relatives à ce beau projet. Au niveau de l'encadrement du dispositif, quelles balises concrètes seront-elles mises en place pour éviter les détournements ou les démissions de convenance? Un accompagnement systématique des bénéficiaires est-il prévu, notamment en matière de formation, d'orientation ou de reconversion?

Au niveau de l'impact sectoriel et des métiers en tension, ce droit est-il modulé ou adaptable en fonction de la situation dans les secteurs en pénurie? Quels dispositifs d'anticipation ou de concertation sont-ils prévus pour éviter que des secteurs déjà sous pression ne voient partir leurs talents sans aucune relève?

Monsieur le premier ministre, depuis la semaine dernière, une fronde profonde agite le pouvoir judiciaire. La réforme des pensions a agi comme un détonateur. Et il ne s'agit pas d'un simple sursaut corporatiste, mais bien d'un signal d'alarme qui est lancé par un pouvoir constitué de notre État de droit démocratique. Il est de notre responsabilité collective de ne pas l'ignorer.

Les Engagés reconnaissent pleinement, comme je l'ai déjà souligné, la nécessité d'une réforme des pensions dans un souci d'équilibre budgétaire et de solidarité pour les générations futures. Nous rappelons que toute réforme doit être menée avec nuance et proportionnalité. Une justice sous contraintes économiques ne peut être ni sereine ni solide.

Par ailleurs, face à une criminalité de plus en plus organisée et décomplexée, il est essentiel que cette dernière perçoive que le monde politique se soucie de bâtir une magistrature forte. L'autorité de la Justice se construit aussi à travers des signaux envoyés par le pouvoir politique. Indépendance et qualité ne peuvent rester de simples déclarations de principes. Elles doivent s'incarner dans des actes concrets et visibles.

En outre, un magistrat sur quatre va partir à la retraite dans les dix prochaines années. Or, comme le souligne le Conseil supérieur de la Justice, le processus de nomination est long et le recrutement déjà difficile, malgré les campagnes ambitieuses telles que la semaine de la magistrature. Il convient aussi de rappeler que, contrairement à d'autres fonctions, les magistrats sont soumis à une interdiction stricte d'exercer toute activité professionnelle parallèle. La perspective d'une pension stable reste donc l'un des rares leviers d'attractivité pour une fonction essentielle mais peu concurrentielle face au secteur privé.

Nous saluons les engagements pris dans l'accord de gouvernement visant à renforcer l'attractivité de la magistrature, notamment par la création d'un deuxième pilier. Mais force est de constater que la réforme en projet risque de potentiellement contrarier ces objectifs en tarissant les vocations, en asséchant les recrutements et en fragilisant dès lors nos piliers démocratiques.

Monsieur le premier ministre, mes questions sont peut-être trop précises et seront ultérieurement posées aux ministres compétents s'il échoit. Pouvez-vous confirmer que les magistrats retraités et futurs retraités pourraient perdre jusqu'à 40 % de leur pouvoir d'achat? La réforme des pensions s'appliquera-t-elle également aux juges de la Cour constitutionnelle ainsi qu'aux magistrats du Conseil d' É tat? Une étude d'impact a-t-elle été menée concernant les effets pervers de ces mesures sur l'indépendance du pouvoir judiciaire et sur l'attrait de la magistrature, notamment en tenant compte des effets cumulatifs des différentes dispositions? À la suite de la concertation sociale du 22 avril avec les représentants du pouvoir judiciaire, pouvez-vous faire état à la Chambre des conclusions et du suivi qui est prévu? Entendez-vous poursuivre un dialogue structuré et approfondi avec les instances représentatives telles que le Conseil consultatif de la magistrature, l'entité de cassation, le Collège des cours et tribunaux et le Collège du ministère public? Enfin, pouvez-vous confirmer que les ministres des Pensions et de la Justice travaillent en étroite coordination afin d'appréhender la magistrature non comme une simple variable d'ajustement budgétaire, mais bien comme un pilier fondamental de notre É tat de droit qu'il convient de préserver, de valoriser et de renforcer dans un esprit de dialogue et de concertation véritable? Je vous remercie déjà, monsieur le premier ministre.

Brent Meuleman:

Mijnheer de premier, bedankt voor uw toelichting bij het paasakkoord. Deze regering neemt een volgende noodzakelijke etappe met een akkoord dat verre van evident, maar wel noodzakelijk was.

Vooruit stapte in deze regering met een heel duidelijke opdracht: verantwoordelijkheid nemen. Niet aan de zijlijn staan roepen, maar mee beslissen. Niet weglopen van de uitdagingen, zoals sommigen doen, maar er recht op afgaan, omdat de toekomst van onze welvaart op het spel staat, omdat de wereld in brand staat. Als het brandt, dan moet er geblust worden. Ik stel vast dat aan de linkerzijde enkel de socialisten hun laarzen aantrekken en de mouwen opstropen.

Collega's, dit paasakkoord is een compromis in moeilijke omstandigheden. Het zijn moeilijke tijden. Mensen zijn bezorgd om hun job, om hun pensioen, om betaalbare zorg en om hun energiefactuur. Meer dan ooit heeft ons land nood aan daadkracht en aan politici die verantwoordelijkheid nemen. Meer dan ooit is het nodig om het verschil te maken voor gewone mensen die elke dag hun stinkende best doen.

Ik licht graag vier concrete zaken uit het paasakkoord toe die voor Vooruit heel belangrijk zijn.

Ten eerste, meer mensen in de zorg. De zorgsector kreunt onder de druk. Iedereen ziet het. Meer dan ooit hebben we mensen nodig die willen en kunnen zorgen. Daarom zorgen we ervoor dat wie een opleiding tot zorgkundige of verpleegkundige volgt, zijn of haar werkloosheidsuitkering behoudt. Zo zorgen we niet alleen voor het zorgpersoneel van vandaag, maar ook voor dat van morgen.

Ten tweede, alle pensioenen krijgen een index. In plaats van helemaal geen index komt er dan toch een indexering voor de sterkere pensioenen. Het is niet meer dan fair om ook de koopkracht van die mensen te beschermen. Pensioenen worden geïndexeerd. Punt. Zo investeren we in de koopkracht van onze gepensioneerden.

Ten derde, de fiscale fraude strenger aanpakken. Wie fraudeert, die raakt aan onze samenleving. Daarom komt er een turbo op de strijd tegen fraude van grote vermogens. Door datamining op het vermogenskadaster van financiële vermogens mogelijk te maken, zullen inspecteurs fiscale fraude sneller kunnen opsporen en aanpakken.

Ten vierde is het heel belangrijk voor Vooruit dat het kunstenaarsstatuut gered is, of dat het kunstwerkattest, zoals het vandaag heet, behouden blijft. Daar hebben we met Vooruit keihard voor gestreden. Met het kunstwerkattest bieden we kunstenaars een volwaardige sociale bescherming. Onze cultuursector heeft al zeer zware klappen gekregen en toch bleef die overeind en bleef die verbinden. Vandaag zorgen we voor sociale bescherming, voor waardering en voor zekerheid voor mensen die onze samenleving verrijken met creativiteit en schoonheid. Dat is geen detail, collega's, dat is beschaving.

Collega's, de keuze die wij maken, is een keuze voor vooruitgang. We maken het verschil, niet met grote woorden, maar met concrete maatregelen, niet door slogans, maar met inhoud. In deze onzekere tijden hebben mensen veel vragen.

Omdat er helaas ook veel fake news wordt verspreid, maak ik nog eens heel duidelijk dat we investeren in zorg en opleidingen, dat we mensen hun pensioenen beschermen, dat we fiscale fraude aanpakken en dat we cultuur niet laten vallen.

Collega's, de volgende jaren beloven moeilijk te worden – niemand ontkent dat – maar wij kiezen ervoor om niet te verzinken in cynisme of in stilstand. Wij geloven dat we samen vooruit kunnen. Laat dat ook het kompas blijven voor iedereen hier, niet de waan van de dag volgen, maar op een duurzame manier het verschil maken in het leven van de gewone mensen.

Franky Demon:

Mijnheer de eerste minister, de regering is van start gegaan met de belofte een hervormingsregering te zullen worden. Het regeerakkoord bevat daartoe ons inziens absoluut de nodige krachtlijnen.

Met het zogenaamde paasakkoord dat u en uw regering vlak voor het reces konden bereiken, worden nu ook enorm belangrijke stappen gezet om die ambities uit het regeerakkoord te vertalen in effectief beleid. Als we onze welvaart en sociale zekerheid voor de lange termijn willen beschermen, moeten we actie ondernemen.

De regering wil daarom zoveel mogelijk mensen aan de slag krijgen. Dat doen we door de werkloosheidsuitkering te beperken in de tijd. Daarbij was het voor cd&v wel belangrijk dat oudere werknemers beschermd zouden worden. Daarom voorziet het akkoord dat 55-plussers hun uitkering niet in de tijd beperkt zien, op voorwaarde natuurlijk dat ze 30 jaar beroepsverleden hebben kunnen aantonen.

Wie wil werken en bijdragen aan de maatschappij en een opleiding volgt voor een knelpuntberoep, mag wat onze fractie betreft evenmin worden afgestraft. Daarom hebben we ervoor gestreden dat die mensen hun opleiding kunnen afmaken.

Met het paasakkoord werken we ook een aantal ongelijkheden weg. Pleegouders verdienen ons allergrootste respect. Hun inzet en toewijding zijn exemplarisch.

Cd&v heeft er dan ook voor gestreden dat ook zij voortaan aanspraak kunnen maken op ouderschapsverlof. Het eerste wetsvoorstel ter zake van mevrouw Lanjri ligt hier al een tijdje voor, namelijk sinds het jaar 2000.

Ook inzake pensioenen nemen wij onze verantwoordelijkheid. Cd&v kwam reeds tijdens de vorige legislatuur met een pensioenplan dat langer werken aanmoedigde zonder de pensioenleeftijd te verhogen. Dat is exact wat deze regering ook doet, onder meer door zelfstandigen die na hun pensioen doorwerken de mogelijkheid te geven om verder pensioen op te bouwen.

Als partij van de lokale besturen zijn wij voorts tevreden dat alle besturen ondersteuning zullen blijven krijgen voor het betalen van de responsabiliteitsbijdragen indien zij in aanvullend pensioen voorzien voor hun contractuele ambtenaren.

Het paasakkoord voorziet tevens in een investering in nabije zorg. In totaal voorzien wij daarvoor tijdens deze legislatuur 5 miljard euro extra. Collega’s, ik herhaal het, 5 miljard euro extra.

De regering focust ook op een betere work-life balance . Daarom worden grotere bedrijven ertoe aangezet om in te zetten op werkbaar werk, zodat het aantal langdurig zieken daalt. Onze fractie is daarom tevreden met de maatregel dat werkgevers, uitgezonderd kmo’s, een bijdrage van 30 % moeten betalen op de ZIV-uitkering in de tweede en derde maand ziekte van de werknemers, uitgezonderd voor de oudere werknemers.

Mijnheer de eerste minister, een eerlijke fiscaliteit is voor cd&v steeds een topprioriteit geweest. Wij zorgen er met het paasakkoord voor dat grotere vermogens een extra bijdrage betalen. Er wordt een antimisbruikbepaling ingevoerd om de ontwijkingsmogelijkheden voor de effectentaks in te perken. De belastingaangifte wordt vereenvoudigd. Er komen minder codes, minder absurde aftrekposten en er komt meer duidelijkheid voor de burger.

De keuze tussen slopen of renoveren moet afhangen van de staat en het potentieel van de woning en niet van het fiscale regime. Daarom wordt het verlaagde btw-tarief op sloop en heropbouw uitgebreid naar sleutel-op-de-deurwoningen.

In een internationaal gespannen context en met een oorlog op het Europese continent neemt ons land zijn verantwoordelijkheid en versterkt het zijn inspanningen voor het waarborgen van de Europese veiligheid.

We honoreren onze verplichtingen ten aanzien van de NAVO en gaan versneld richting de 2 %, maar we doen dat op een realistische manier die zowel op het vlak van investeringen als schuldimpact op maat van ons land is.

Voor onze partij was het enorm belangrijk om naast buitenlandse veiligheid ook in binnenlandse veiligheid te investeren. Minister van Justitie Annelies Verlinden streed daarom succesvol voor bijkomende middelen voor haar departement om de overbevolking in de gevangenissen te kunnen aanpakken en om de georganiseerde criminaliteit een halt te kunnen toeroepen. Deze regering maakt werk van effectieve strafuitvoering en een correcte reclassering van gedetineerden en zet in op een beperking van recidive. Minister Verlinden wil investeren in jammers, zodat drugscriminelen hun activiteiten niet meer kunnen verderzetten vanuit de gevangenis.

Het plaatstekort in onze gevangenissen is geen nieuw probleem. Voorgaande ministers van Justitie wisten dat er onvoldoende ruimte was om straffen korter dan drie jaar volledig uit te voeren, maar toch lieten ze toe om die extra capaciteit te creëren, waardoor ons inziens in het verleden straffeloosheid toenam. Met haar extra middelen kan minister Verlinden voorzien in containercellen, oude gevangenissen langer openhouden en versneld werk maken van een ketenaanpak om gedetineerden in onwettig verblijf sneller het land uit te zetten. Het siert gewezen minister Van Tigchelt dan ook dat hij in een krant gisteren nog zei: we hebben ons voor een stukje mispakt aan de strafuitvoeringsrechters. Dat siert hem.

Last but not least wil ik ook stilstaan bij de afspraken die gemaakt werden aangaande het beleidsdomein Asiel en Migratie. We zijn tevreden dat er snel werk gemaakt zal worden van het wetgevend werk, dat gunstig moet bijdragen aan de instroom en waardoor ook het steeds hoger aantal verzoekers om internationale bescherming verder kan worden ingeperkt.

Dit kan onder meer door de toegang tot het opvangnet te beperken voor asielzoekers die reeds in een andere EU-lidstaat bescherming genieten en door de verzoeken van aanvragers die in een andere lidstaat reeds een definitieve beslissing kregen als een volgend verzoek te beschouwen. Ook inzake gezinshereniging worden er nieuwe maatregelen genomen. Denk bijvoorbeeld aan de inperking van de grace period voor erkende vluchtelingen, waarvoor ik zelf nog een wetsvoorstel had ingediend.

Hervormingen op korte termijn volstaan voor ons echter niet. We moeten nog een stap verder gaan. We waren heel verbaasd dat we in de eerste documenten van de minister van Asiel en Migratie niets zagen staan over het Migratiewetboek. We hebben in deze commissie meerdere keren aan minister Van Bossuyt gevraagd om dat daarin op te nemen en het siert u en uw regering dan ook dat u daarrond nu duidelijke afspraken hebt gemaakt. Voor cd&v is het duidelijk. Wij vragen u om erover te waken dat het nieuwe Migratiewetboek zeker tegen begin 2027 naar dit Parlement komt. Dit is een instrument waarmee we verder kunnen werken. We zullen erop toezien dat het engagement dat werd aangegaan in het paasakkoord ook geremunereerd wordt.

Mijnheer de premier, er ligt een ambitieus akkoord voor dat werk maakt van de hervormingen waaraan ons land grote nood heeft. U zult in cd&v een constructieve partner vinden om deze hervormingen de komende weken en maanden te vertalen in concrete wetteksten. We kijken alvast uit naar de verdere behandeling van de programmawet, de begrotingswet en de diverse beleidsnota's.

Voorzitter:

Ik geef nu tien minuten spreektijd aan de Ecolo-Groenfractie. Mijnheer Van Hecke, u hebt het woord.

Stefaan Van Hecke:

Mijnheer de premier, bedankt voor de toelichting en uw komst naar de commissie. Ik zie en ik hoor dat sommigen superenthousiast zijn, zoals van nature uit de heer Ronse, die het een fenomenaal akkoord vindt. En natuurlijk was ook de heer Francken superenthousiast, want de minister van Defensie en Oorlog kreeg 21,3 miljard euro extra investeringen, waarvan 16,8 miljard via dit paasakkoord.

De heer Francken schuwde de grote woorden niet. Het ging om de “grootste investering in Defensie in veertig jaar”. Maar dit budget lijkt eerder de slechtst gefinancierde begroting in veertig jaar, als we naar de cijfers kijken, die eigenlijk luchtkastelen zijn.

Collega's, die 4 miljard euro, die 2 % die we normaal over verschillende jaren zouden bereiken, moet dit jaar al gehaald worden. Om dat even in perspectief te brengen: dat is acht keer het werkbudget van Buitenlandse Zaken, dat is vier keer het federaal budget voor Ontwikkelingssamenwerking. En dat bedrag komt er elk jaar bij.

Wat gaan jullie doen met die 4 miljard euro dit jaar? Dat zouden jullie pas weten tegen 1 juli. Maar de markten, collega's, zijn oververhit geraakt. De prijzen van het militair materieel zijn zeer hoog. Gaan jullie dus vlug enkele aankopen doen? Vlug enkele bestellingen plaatsen? Ik denk niet dat dat echt heel slim zou zijn.

De grote vraag blijft hoe de regering dit gaat betalen? Hoe gaat dit gefinancierd worden? Volgens de cijfers en de tabellen rekent u in de eerste plaats op Euroclear en Belfius. Op Euroclear rekent u tot in 2029. In 2025, in 2026, in 2027, in 2028, in 2029: elk jaar 1,2 à 1,3 miljard euro. Rekent u er dan op dat de oorlog in Oekraïne gaat duren tot 2029? Als er een vredesakkoord zou zijn in 2025 of in 2026, en een aantal maatregelen wordt opgeheven, wat gaat u dan doen met die voorgenomen inkomsten uit Euroclear? Via Belfius rekent u tweemaal op 500 miljoen euro.

Dan moet u nog op zoek gaan naar welke uitgaven eventueel onder die NAVO-norm kunnen vallen. En dat loopt op: in 2028 tot 500 miljoen en in 2029 tot 750 miljoen. Dat is echt nattevingerwerk. Hoe komt u daarbij? Hoe hebt u dat berekend? Er is geen enkele garantie dat de uitgaven van bijvoorbeeld gewesten of andere departementen door de NAVO zullen worden erkend.

Er is ook nog de post 'structurele financiering'. Daar bent u nog niet uitgeraakt, maar die loopt op tot 1 miljard euro in 2029. Waar zal de regering die structurele financiering vinden? Zelfs met die structurele financiering van 1 miljard euro komt u nog altijd 5 miljard euro tekort. Dat is nog een zeer optimistische schatting. Dat zijn budgettaire luchtkastelen die u aan dit Parlement voorstelt, maar volgens de heer Ronse van de N-VA is het 'fenomenaal'. Waar zal de regering die 5 miljard euro vinden? Het zal trouwens veel meer zijn.

Zal de regering dan opnieuw besparen op ontwikkelingssamenwerking, de sociale zekerheid – zoals bepaalde coalitiepartners wensen –, de pensioenen, de gezondheidszorg? Het zou heel dom zijn om overheidsparticipaties te verkopen, omdat ze ons soms flink wat geld opbrengen. De premier klinkt toch wel voorzichtig. Het heeft inderdaad geen zin om die participaties te verkopen die geld opbrengen. Of gaat de regering toch nog extra schulden aan? In dat financieringsverhaal horen we niets over de bijdrage van de grootste vermogens. De regering kijkt daar niet naar, maar wel naar de sociale zekerheid.

Het gaat niet alleen over dat bedrag van 16,8 miljard euro. De regering zal in totaal 21,3 miljard euro moeten vinden. In juni kan de NAVO beslissen om de norm van 2 % van het bnp te wijzigen in 3 % of 3,5 %. Hoe zullen we dat dan kunnen klaren? Dat is nog eens 6 à 7 miljard euro per jaar extra die zal moeten worden gevonden.

Het spijt me dat ik altijd naar dezelfde persoon verwijs, maar minister Francken communiceert heel veel. Het lijkt wel of hij de uitgaven voor defensie gebruikt als een hefboom om zaken die hem niet bevallen, weg te besparen. Hogere defensie-uitgaven worden gebruikt als een soort breekijzer om zaken af te breken, die sommigen om ideologische redenen willen afschaffen: deftige pensioenen, ontwikkelingssamenwerking, zelfs betaalbare tandzorg. Hij vond het nodig om een vergelijking te maken met de Verenigde Staten, waar men jarenlang fors heeft geïnvesteerd in de defensie-uitgaven, maar de mensen wel 1.000 euro voor tandzorg betalen. Is dat het beeld van onze sociale zekerheid dat bij sommige mensen van de N-VA leeft? Willen ze dat verwezenlijken? Men wil meer geld voor defensie. Als tandzorg 1.000 euro kost, dan is dat zo, in de Verenigde Staten doet men dat ook. Dat is niet het beeld dat wij willen. Het is duidelijk waar sommigen naartoe willen gaan. De budgettaire ruimte, collega's, is beperkt. Volgens de laatste cijfers bedroeg die in 2023 op federaal niveau ruim 14 miljard euro. Hoe zult u dan nog 6 miljard extra vinden als we naar 3 % moeten gaan? Waar zult u dat geld dan vinden? Dit zal een sociaal bloedbad worden, collega's.

Ik zal proberen af te ronden, want mijn collega zal ook nog een aantal zaken zeggen. Ook voor andere zaken is het akkoord immers heel ontgoochelend, bijvoorbeeld wat de klimaatambities van deze regering betreft. Er is geen klimaatstrategie, geen groene taxshift. De vliegtaks bedraagt ocharme 5 of 10 euro per vlucht. In andere landen is dat een pak meer. Er is ook een inconsistent btw-beleid op het vlak van verwarming. Over Justitie zullen we nog wel een apart debat hebben met de minister van Justitie, want het extra geld dat ze gekregen heeft, heeft ze ondertussen al vijf keer uitgegeven.

Sarah Schlitz:

Merci, monsieur le président. Monsieur le premier ministre, je vais intervenir en complément de ce que vient de dire mon collègue. Je vous ai entendu parler de la compétitivité des entreprises et dire à quel point ce sont les entreprises qui font la prospérité de notre pays. En fait, monsieur le premier ministre, vous n'êtes pas un CEO. Vous êtes justement le premier ministre. Ce qu'on attend de vous, c'est d'être le garant de cet équilibre entre les droits des travailleurs et cette fameuse compétitivité, pas de faire des cadeaux aux entreprises et d'accéder à toutes leurs demandes sans respecter le bien-être de votre population.

Par ailleurs, qui travaille dans les entreprises? Des chats? Sont-ce des chats qui travaillent dans les entreprises? Monsieur le premier ministre, ce sont des travailleurs et des travailleuses qui font la prospérité de ces entreprises. Donc, aujourd'hui, ce qui est important d'après vous, c'est d'atteindre un taux d'emploi de 80 %. Mais pourtant, ici, on ne voit pas le début d'une mesure qui va permettre d'atteindre ce taux d'emploi. En effet, quand on crée des flexi-jobs, quand on continue à étendre le travail étudiant, on crée des emplois qui ne rentrent pas dans le cadre des 80 % et vous le savez très bien, étant donné qu'il s'agit d'emplois qui ne financent pas la sécurité sociale. Ce sont des travailleurs qui ne cotisent pas pour leur sécurité et leur pension. C'est donc un vrai problème à long terme.

Monsieur le premier ministre, j'ai quelques questions précises. Je commencerai par le droit à la démission. C'est évidemment une bonne idée. Nous portons d'ailleurs une proposition en la matière depuis des années. Mais des balises importantes sont à mettre en place, notamment pour éviter que des travailleurs soient poussés à la démission pour éviter à l'employeur de payer un préavis. Allez-vous mettre en place des balises par rapport à cela?

Dans le cadre de la réforme qui limite l'accès aux allocations de chômage à deux ans, qu'en est-il des personnes qui sont actuellement en formation pour un métier en pénurie, avec une allocation de l'ONEM? Pourront-elles terminer leur cursus sans perte de revenu, même si la formation dépasse deux ans? Par ailleurs, selon quels critères les formations autorisées seront-elles sélectionnées? Comment garantissez-vous que l'accès à ces dispenses reste effectif et équitable à travers les Régions? Allez-vous, de manière explicite, vous baser sur les listes établies par les services régionaux de l'Emploi?

Toujours par rapport à l'exclusion des chômeurs, quelles compensations sont-elles prévues pour les CPAS et, surtout, à partir de quelle date? J'ai lu comme nous tous, que l'exclusion des chômeurs aurait lieu dès le 1 er janvier 2026, mais par contre, ce qui m'inquiète fortement est que le financement compensatoire pour les CPAS ne viendrait qu'à partir du 1 er janvier 2027. Confirmez-vous cette information?

Par ailleurs, le président d'un parti de votre majorité a déclaré que les personnes qui possèdent une seconde résidence et qui bénéficient d'allocations de chômage seront sanctionnées et contrôlées. Pouvez-vous être un peu plus explicite sur cette mesure, monsieur le premier ministre? Seules les personnes qui possèdent une maison au Maroc seront-elles passées au screening? Ou bien celles qui possèdent une maison dans les Ardennes le seront-elles aussi? On aimerait bien avoir un peu plus d'informations par rapport à cela.

Pour ce qui concerne le statut des travailleurs des arts, on a aussi entendu votre ministre de l'Emploi nous dire à quel point il y avait des abus et qu'il fallait lutter contre ces abus. Pouvez-vous nous en dire un peu plus sur les abus auxquels vous pensez? Quels montants souhaitez-vous récupérer de cette manière-là?

Quant aux périodes de maladie, confirmez-vous qu'elles ne seront plus assimilées dans le calcul de la pension? Par exemple, les personnes qui ont été atteintes du covid ou du covid long ne pourront-elles pas assimiler ces périodes-là dans le calcul de leur pension?

Qu'en est-il des dates "P"? Elles ne sont toujours pas disponibles sur le site. Or les écoles doivent s'organiser, notamment par rapport à la DPPR, savoir quels profs seront disponibles ou pas. Cela devient extrêmement urgent d'avoir une réponse pour toutes ces personnes qui sont dans l'expectative.

Enfin, on n'a toujours pas de fumée blanche concernant la taxation des plus-values. On ne comprend donc vraiment plus où se trouve, chers collègues des groupes Les Engagés et Vooruit, l'équilibre dans cet accord de Pâques. Je vous remercie.

Alexia Bertrand:

Mijnheer de voorzitter, ik zal mijn tijd delen met mijn collega, Paul Van Tigchelt.

Mijnheer de premier, dank u voor uw aanwezigheid vandaag, op onze aanvraag. Het was tijd dat u uw paasakkoord kwam toelichten. Ik ben blij dat u de primeur van uw persconferentie voor het Parlement hebt voorbehouden. Jammer genoeg moet ik vaststellen dat het een bisnummer is of misschien zelfs wel een ternummer, want eigenlijk zijn al de delen die u hebt toegelicht, puur de uitvoering van uw regeerakkoord met onder andere de beperking van de werkloosheid in de tijd, de aanpassing van de pensioenen, de fiscaliteit. U hebt die maatregelen al een paar keer verkocht.

Wat wel nieuw is, is uw defensieplan om de 2 %-norm te halen. Wij staan achter de 2 %-norm, zoals wij altijd hebben gezegd. U zwijgt echter over de financiering ervan, mijnheer de premier, en dat is natuurlijk de kern van het verhaal, jammer genoeg.

U vindt zogezegd 4 miljard euro extra voor defensie, maar eigenlijk is een deel daarvan, 2 miljard euro, gewoon niet gefinancierd. U zult die lenen. U zult extra schulden opbouwen. U zult de kosten dus doorschuiven naar de volgende generatie. Dat zijn geen structurele maatregelen. Uw defensieplan is dus niet gefinancierd. Dat zegt de heer Bouchez ook. Het is niet structureel.

Het is uw eerste daad op het vlak van de begroting, mijnheer de premier. Het is 100 % uw beleid. Het beste bewijs is dat er een zomerakkoord moet komen. Dat lezen wij al in de pers. Uw lenteakkoord is net achter de rug en we zien al dat er nood is aan een zomerakkoord. Dat is het beste bewijs dat het plan niet gefinancierd is.

Wat is uw balans na tien weken arizonaregering? Ik ben het ermee eens dat het paasakkoord historisch is, zoals sommigen proclameren. Het is inderdaad historisch op sommige vlakken en zeker op het vlak van de begroting. U hebt namelijk op tien weken tijd een extra begrotingstekort van meer dan 7 miljard euro gecreëerd, mijnheer de premier. Ik licht dat even toe. U hebt geen enkele structurele maatregel ter financiering gevonden.

U hebt opnieuw het beeld gecreëerd dat de overheid de meest onbetrouwbare aandeelhouder ooit is. Er is geen enkel overleg met Belfius en tot nu toe geen steun van haar raad van bestuur. U hebt totale onzekerheid bij de burgers gecreëerd. Zij weten niet hoe uw plan gefinancierd zal worden. Misschien doet u dat via extra belastingen, zoals uw coalitiepartners dat nu al aangeven. Onder andere de heren Mahdi en Seuntjens zeggen dat het plan door extra belastingen moet worden gefinancierd.

Waar komt de 7,5 miljard extra tekort vandaan? Ik licht dat toe op basis van een aantal documenten. Bij de aanvang van uw regering overhandigde u uw begrotingstabellen. U gaf zelf toe dat u begon met een gat van 2,2 miljard euro in 2025. U verslechtert dus uw basis met 2,2 miljard. In maart kregen wij het rapport van het Monitoringcomité. Dat zegt dat de situatie verslechterd is en dat het tekort verder oploopt met 2,4 miljard euro, maar dat hebt u niet rechtgezet met extra maatregelen.

Ik ga verder met uw tabellen voor Defensie. Hoe financiert u dat? U financiert dat met een defensiefonds van een kleine 800 miljoen euro. Dat staat in het paars, omdat het buiten begroting is, wat dus extra schulden betekent. Dat defensiefonds bestaat echter nog niet. Er zijn nog geen overheidsparticipaties verkocht en zelfs als dat gebeurt tegen het einde van het jaar – we zullen nog wel zien -, dan nog is dat niet structureel. Dat zijn oneshotmaatregelen.

En dan, the cherry on the cake , uw paasakkoord is een ongedekte cheque voor Defensie van 2 miljard euro, terwijl uw minister van Begroting een paar weken geleden er nog op hamerde dat alles gecompenseerd moest zijn. U wil het dividend van Belfius ten belope van tweemaal 500 miljoen euro, maar dat is zeker geen structurele maatregel. Dat moet bovendien nog goedgekeurd worden door de ECB en de raad van bestuur van Belfius. Het blijft een tijdelijke maatregel.

Ik ben eigenlijk nog terughoudend wanneer ik zeg dat u een bijkomend tekort van 7,5 miljard hebt gecreëerd, want waarschijnlijk is het nog meer.

U houdt rekening met de Russische tegoeden, maar in het verslag van het Monitoringcomité lezen we op pagina 27 dat die opbrengsten al meegenomen waren in de basisberekening van het Monitoringcomité. U bent het geld dus gewoon twee keer aan het uitgeven, mijnheer de premier. Het Monitoringcomité heeft daar wel rekening mee gehouden, in tegenstelling tot de FOD Financiën. Dat geld moest dienen voor andere uitgaven.

U hebt dus absoluut geen 1,2 miljard euro gevonden, u hebt een niet-gefinancierd defensieplan. Onze grote bezorgdheid – en die werd al gedeeld door uw coalitiepartners en is ook mijn enige vraag – is wie ervoor zal betalen. Bevestigt u wat uw coalitiepartners, cd&v, Vooruit, Les Engagés, in de pers vertellen, namelijk dat de factuur door de belastingbetaler, de hardwerkende en ondernemende mensen, de spaarders zal worden betaald?

Paul Van Tigchelt:

Mijnheer de premier, ik zal de komende minuten proberen voorbij de slogans te kijken. We hebben het namelijk allebei goed voor met Justitie.

Ik heb mij de afgelopen maanden koest gehouden. Dat hoort ook zo voor een voormalige minister van Justitie. Dat is intussen meer dan een jaar geleden – time flies when you’re having fun –, toen de vorige regering volheid van bevoegdheden had. Nu neem ik echter het woord, omdat ik mij zorgen begin te maken. Ik maak mij zorgen over het justitiebeleid, want ik zie stilaan een kloof tussen de woorden van de arizonaregering – het moest strenger, het moest kordater en wel meteen – en de daden.

Laten we eerlijk zijn: de sense of urgency , waar veel arizonapartijen het over hadden, was niet terug te vinden in het regeerakkoord. Er komen amper extra middelen voor Justitie in 2025. Er komen geen dringende investeringen in meer gevangeniscapaciteit. Nochtans werd daarover heel luid geroepen. Dat de nieuwe minister van Justitie na enkele weken naar extra middelen kwam vragen, is het bewijs van het gebrek aan een sense of urgency bij de arizonapartijen.

Men zal nu investeren in unitbouw, in modulaire units, een dossier dat werd voorbereid door de vorige regering. Dat is goed, want dat is realistischer dan een gevangenis bouwen in het buitenland. Een gevangenis bouwen in het buitenland of capaciteit huren in het buitenland klinkt stoer, maar, geloof me, zal aankondigingspolitiek blijven.

Voor het dossier van de unitbouw worden nu via frontloading extra middelen vrijgemaakt. Wat ik daarbij mis, is een concreet plan binnen welke termijn de extra capaciteit ter beschikking zal zijn. Daarentegen zie ik wel een concreet plan om de uitstroom te verhogen via de zogenaamde noodwet.

We hebben ons de moeite getroost om die noodwet en de beslissingen van het paasakkoord uit te vlooien. Overigens was dat niet gemakkelijk, want de communicatie daarover was nogal warrig, wazig en fragmentarisch, maar dat is nu eenmaal de taak van de oppositie en die hebben we ter harte genomen. Wat stellen wij daarin vast? We zien dat het de bedoeling is dat gedetineerden die tot drie jaar gevangenisstraf krijgen, na een derde automatisch vervroegd in vrijheid worden gesteld en dat ze zes maanden daarvoor nog elektronisch toezicht kunnen krijgen.

Premier, ik heb begrip voor die noodmaatregelen. Ik moest immers soortgelijke noodmaatregelen nemen. Een schoonheidsprijs verdienen die maatregelen niet, maar een mirakeloplossing bestaat ook niet. Wat wij echter niet hebben gedaan, maar wat u wel zult doen, is dezelfde maatregel van vervroegde invrijheidstelling toepassen op illegale criminelen. Dat is prima als ze kunnen worden uitgewezen, naar Marokko bijvoorbeeld, dankzij het akkoord dat wij in 2023 met dat land sloten. De voorlopige in vrijheidstelling – ik heb het goed gelezen – zal echter ook plaatsvinden, als de gedwongen uitwijzing niet mogelijk is. Die illegalen komen met andere woorden vrij met een bevel om het grondgebied te verlaten en we weten dat dat papier geen garantie is dat ze het land zullen verlaten. Dat, premier, vinden wij een gevaarlijke maatregel. Ze komen vrij na één derde, verdwijnen in de natuur en we verliezen elke controle. Dat staat bovendien haaks op al wat uw partij de voorbije jaren en maanden heeft gezegd en aangekondigd. U hebt het gezegd in uw uiteenzetting: u bent streng voor asielzoekers, maar blijkbaar niet voor illegale criminelen. Nogmaals, dat hebben wij niet gedaan.

François De Smet:

Monsieur le premier ministre, votre accord de Pâques est la parfaite transcription de votre accord de gouvernement, et donc nous ne pouvons vous prendre en délit d'incohérence. On a compris l'idée: remettre tout le monde au travail, y compris les chômeurs, les vieux, les malades, tout le monde, même ceux qui ne veulent pas travailler – pourquoi pas – et ceux qui ne peuvent pas travailler – ça c'est plus problématique, avec une seule injonction, la responsabilisation, comme si tout était question de bonne volonté, comme si tous nos problèmes venaient de la paresse et que les conditions macroéconomiques qui gouvernent notre monde n'existaient pas.

On connaît votre logique arithmétique, 100 000 personnes exclues prochainement du système, comme l'exprimait avec une fierté quand même un peu étrange votre ministre de l'Emploi, et 175 000 emplois dans les métiers en pénurie. On connaît votre recette: on va couper le robinet, et ces personnes sans emploi vont, par magie, se transformer en enseignants, en infirmières, en chauffeurs de bus, etc.

Dans le vrai monde, ce n'est pas comme ça que ça va marcher. Bien sûr, il y a des fraudeurs et des profiteurs, mais il y a aussi, dans ces 100 000 personnes que vous allez exclure, des gens qui cherchent du travail et n'en trouvent pas ou n'ont pas les bonnes qualifications. Sans doute, allez-vous pousser quelques fraudeurs à se prendre en main, très bien, mais avec cette même arme aussi peu nuancée, vous allez aussi envoyer des personnes vers la précarité, sans leur donner les outils pour rebondir.

Vous allez faire exploser le taux de pauvreté avant de faire grimper le taux d'emploi. Pour une seule raison, vous renoncez quasi structurellement à toute politique ambitieuse en termes de formation, d'orientation et d'innovation, parce que l'angle mort de votre politique de l'emploi, c'est la formation. Vos partenaires pourtant, le cd&v ou Vooruit, avaient proposé qu'on fasse exception à votre limitation pour les personnes qui choisissent un métier en pénurie.

Vous limitez cette possibilité au 1 er janvier 2026, sauf pour les métiers du secteur de la santé. Mais on ne manque pas que de gens dans les métiers de la santé, on manque aussi d'enseignants et de gens dans des tas d'autres fonctions. Et donc – la question reste pendante –, comment allez-vous transformer des dizaines de milliers de personnes, par exemple, en chauffeurs de bus?

Vous préservez le statut d'artiste – Vooruit vient de confirmer qu'il a fallu se battre et que nombreux étaient ceux qui voulaient purement et simplement le supprimer autour de la table –, mais vous annoncez vouloir lutter contre les abus. Mais quels abus, grands dieux? Le système est déjà conçu comme un système anti-abus. Votre ministre de l'Emploi a pris l'exemple d'un emploi de barman dans un théâtre, ce qui ne ressortit pas du tout au statut d'artiste. Et donc, outre la question de la maîtrise du dossier par le gouvernement, j'ai une question toute simple: pourriez-vous me citer un exemple d'abus de statut d'artiste contre lequel le gouvernement entend lutter?

Une inquiétude a été soulevée par une autre collègue quant aux compensations pour les pouvoirs locaux. Le président du CPAS de Liège, par exemple, affirme que, d'après ses tableaux budgétaires, le soutien aux CPAS en compensation de ces mesures n'interviendrait qu'en 2027, ce qui voudrait dire que, durant un an, les CPAS de ce pays devraient accueillir un public nouveau sans recevoir de moyens. Le confirmez-vous?

Alors, à propos des 526 000 personnes en arrêt maladie, on ne peut que vous rejoindre dans l'idée d'une responsabilisation générale, même si la manière dont vous comptez contrôler les médecins laisse perplexe. Il est d'ailleurs frappant de voir que vous pariez sur la bonne foi et le droit à l'erreur pour le contribuable, à raison, mais pas pour le malade ni pour le médecin.

Voilà qui m'amène au point commun entre vos mesures sur les demandeurs d'emploi et sur les malades. C'est qu'il s'agit d'un contrat de méfiance entre le gouvernement et le citoyen. À part la bonne foi du contribuable, vous ne pariez sur la bonne foi de personne, ni des demandeurs d'emploi, ni des médecins, ni des malades.

Vous ne pariez pas non plus sur l'énergie des citoyens. Sur les allocations de chômage, la presse a pu trouver facilement l'exemple d'une série de citoyens que vos mesures vont toucher de plein fouet et qui, pourtant, n'ont rien à se reprocher. Des accidentés de la vie, des mères célibataires, parfois des personnes qui se forment à un métier en pénurie. Et c'est là que le bât blesse. Une économie qui tourne, une société qui fonctionne, ça réclame de la confiance de la part des entreprises, des travailleurs et du gouvernement. Et vous avez décidé d'être un gouvernement de la défiance.

Si nous avons autant de personnes sans emploi, si nous avons un demi-million de personnes en arrêt maladie, c'est pas parce que nous serions un pays de fainéants, c'est parce qu'il y a une crise sur le sens du travail, c'est parce que de nombreux citoyens ne sont pas heureux de ce qu'ils font. À tout ceux-là, parce que vous ne misez ni sur la formation, ni sur l'orientation, ni sur l'innovation, vous ne dites rien. Vous dites en gros "bougez-vous et allez faire quelque chose que vous détestez, vous réfléchirez au sens de la vie quand vous serez morts".

Avant de conclure, j'aimerais revenir sur deux éléments. Tout d'abord, vous avez mis en avant avec une certaine fierté la taxe de 1 000 euros sur l'accès à la nationalité. Moi, je regrette que l'Arizona ait inventé la nationalité censitaire. On pourrait se réjouir de voir l'accès à la nationalité belge acquérir subitement une si grande valeur pour la N-VA, vous qui avez un jour déclaré que, si vous pouviez mourir en tant que Néerlandais du Sud, vous mourriez plus heureux qu'en tant que Belge.

Or, nous savons qu'en fait, il s'agit d'un argument purement dissuasif. Pourquoi faire payer 1 000 euros l'accès à la nationalité? C'est là une vraie question, que j'ai d'ailleurs déjà posée à Mme Van Bossuyt et je n'ai jamais obtenu de réponse. Qu'on demande la réussite d'un parcours d'intégration ou la maîtrise d'une ou plusieurs langues nationales, pourquoi pas, je le comprends et je trouve même cela très bien. Mais je ne comprends pas bien la philosophie qui consiste à demander des sommes exorbitantes à quelqu'un qui remplit toutes les conditions pour rejoindre notre communauté nationale. C'est purement dissuasif et, là encore, c'est tout l'inverse d'un contrat de confiance.

Enfin, sur la Défense, c'est le grand flou. Vous allez chercher 2 milliards d'euros sur un emprunt hors budget à rembourser ensuite par la vente d'actifs. Je crois que nous avons tous compris que c'est un tour de passe-passe que vous êtes obligé de faire parce que vous ne pourrez vendre des actifs que pour diminuer un endettement. Dès lors, vous êtes obligé de commencer par l'endettement. Nous sommes en droit de comprendre ce que va nous coûter réellement cet endettement.

Par ailleurs, vous placez dans l'équation un dividende exceptionnel de Belfius qui, par définition, ne peut pourtant pas être structurel. Cela manque de transparence.

En ce qui concerne la manière de dépenser cet argent, je ne peux que vous encourager, une fois encore, à ne pas investir dans de nouveaux F-35. Si vous n'êtes pas convaincu par les arguments de dépendance technologique vis-à-vis des USA, qui sont pourtant évidents, tenez compte de la fragilité logistique. Vous êtes allé à Kiev et vous êtes donc bien placé pour savoir que, si nous sommes incapables de livrer nos vieux F-16, c'est parce que nous courons après des pièces détachées qu'il est impossible de trouver. Ces difficultés logistiques vont être multipliées si vous vous engagez encore sur des F-35. S'il vous plaît, ne continuez pas dans cette folie financière et stratégique.

J'en ai fini, monsieur le président.

Voorzitter:

Merci, monsieur De Smet, d'avoir été aussi bref.

Mijnheer de eerste minister, het is gebruikelijk dat het Parlement het laatste woord krijgt, dus ik zou u willen vragen om bondig te antwoorden, zodat er nog tijd rest om te repliceren.

Bart De Wever:

Monsieur le président, j'essayerai d'être bref, mais ce ne sera pas facile, étant donné qu'on m'a posé des centaines de questions.

Ik zal proberen zo snel mogelijk door die vragen te lopen.

Met betrekking tot het budgettair kader kan ik u zeggen dat ten laatste in de week van 28 april de begroting zal worden ingediend. Ik heb uiteraard alle begrip voor uw ongeduld, maar we werken zo snel als we kunnen. De regering is helaas pas na acht maanden tot stand gekomen, in een lopend budgetjaar. Het is niet dat wij per se cijfers willen achterhouden, we werken zo snel we kunnen. Het komt eraan.

Er werden veel vragen gesteld over de NAVO-normering. Voor alle duidelijkheid, er is geen camouflage van uitgaven. Het gaat over de regels die de NAVO zelf hanteert met betrekking tot wat militaire uitgaven zijn, wat binnen die normering valt. Het betreft ook vragen die de NAVO stelt. De NAVO is geen organisatie van amateurs. Het is niet zo dat men allerlei kosten kan labelen en dan kan zeggen dat die kosten nu militair zijn.

Er zijn echter wel mogelijkheden om in die NAVO-normering bijvoorbeeld enablement te schuiven. Daarover werden ook heel concrete vragen gesteld. In die zin moet men natuurlijk ook de betrokkenheid van de deelstaten lezen. Mevrouw Ponthier, u sprak over die kilometerheffing. Dat is totaal nieuw voor mij, ik weet niet waarover het gaat. Als een deelstaat bijvoorbeeld in infrastructuur investeert, die ook op het vlak van enablement , dus de mobiliteit van de NAVO-troepen, aangerekend kan worden, zou het eigenlijk dwaas zijn om het niet in het defensiebudget te stoppen. Dat staat nog los van het feit of men daarmee naar 2 % of zelfs voorbij 2 % zou gaan.

Het is zelfs een opportuniteit om de 3RX, de IJzeren Rijn, voor wie hier al wat langer zit, te realiseren, aangezien de NAVO die ook als kritieke infrastructuur voor de west-oostbeweging, de snelle beweging van troepen, heeft aangemerkt. Dat geldt ook voor bijvoorbeeld de investering in haveninfrastructuur. Dat zit op het niveau van de deelstaten en dat zou dan NAVO-aanrekenbaar zijn. Andere inspanningen van de deelstaten, laat staan fiscale inspanningen, hebben wij niet gevraagd en zijn niet bekend.

Ook medische weerbaarheid zou dan NAVO-aanrekenbaar kunnen zijn. Er zitten daarin twee elementen. Men kan de begroting navlooien. Collega's hebben opgemerkt dat het een stijgende lijn is. Men kan ze navlooien op welke dingen die we doen, NAVO-aanrekenbaar zijn. Let op, het betreft geen nieuw geld. Het is gewoon een uitgave die al gepland en gebudgetteerd is, die dan NAVO-aanrekenbaar wordt. Er zit echter ook een tweede element in. Onder het stijgende budget van Defensie worden uitgaven mogelijk die niet gebudgetteerd zijn, waarvoor geen centen waren, maar die met defensiegeld kunnen worden gefinancierd.

Dat is natuurlijk heel interessant, zeker als zaken daarvan ook voor civiel gebruik nuttig kunnen zijn. Daarbij denk ik aan bijvoorbeeld een stock inzake medisch materiaal of medische capaciteit, die in geval van militaire conflicten militair aangewend kan worden, maar die nu niet voorzien is in de begroting. In mijn ogen zou het nogal dwaas zijn om dat nu, in een stijgend defensiebudget, niet te voorzien. Ook denk ik aan zaken waarbij defensie voor binnenlandse veiligheid kan worden ingezet. In veel Europese landen bestaat die traditie, maar wij kennen die minder, al hebben we dat incidenteel gedaan. Het is onze intentie, zoals in het regeerakkoord is voorzien, om defensie daarvoor structureel in te zetten, in een welbepaald in het regeerakkoord omschreven kader, en het zou desgevallend raar zijn om de NAVO-norm, die voorzien is, daarvoor niet te gebruiken.

Misschien weet u het niet, maar een van de grootste achteruitgangen in de Belgische defensie, puur budgettair bekeken, qua comptabiliteit, was de afschaffing van de rijkswacht, aangezien dat een militaire uitgave was. Met de afschaffing van de rijkswacht zijn we tienden gezakt in de NAVO-ranking. Ik pleit niet voor de militarisering van de politie, don't worry , dat is niet voorzien, ik zeg alleen dat het over zulke dingen gaat inzake de NAVO-norm. Ik vrees dus dat u daar dingen in leest waardoor uw fantasie een beetje op hol is geslagen.

Ik spring enigszins van de hak op de tak, waarvoor mijn excuses, maar nu kom ik tot de pensioenhervorming voor de parlementsleden. Het is een traditie en ook onvermijdelijk dat de wetgever de pensioenen van de samenleving reguleert en dat het Parlement zich daaraan vervolgens confirmeert. In de periode dat ik parlementslid was, is dat nooit anders geweest, en ik heb al wel wat pensioenhervormingen in het statuut meegemaakt. Toen ik begon, was het stelsel echt nog zeer gunstig, want met de tantièmes had men na twintig jaar als parlementslid een volledig pensioen. Ik heb op die manier met mijn eerste tien jaar als parlementslid al de helft van mijn pensioen. Dat dit niet echt meer evident is in onze samenleving, aangezien wij helaas door de stijging van de sociale uitgaven maatregelen moeten nemen, is een logica die niemand zal ontkennen. Ook de nu op handen zijnde pensioenhervorming zal doorgetrokken moeten worden en een vertaalslag moeten krijgen in de parlementaire pensioenen. Dat kan een grote ontdekking genoemd worden of men kan er grote controverse rond maken, maar ik zie dat niet. Wel dient het Parlement zichzelf te reguleren, niet de regering of een regeerakkoord. Het komt u als parlementsleden toe.

Maak dus alstublieft geen grote populistische controverse – dat is niet nodig – van de sequens waarbij het Parlement de samenleving volgt en zich schikt naar de inspanningen die we van de samenleving vragen, met de nodige moeilijkheden, want het statuut is een statuut sui generis. Dat is dus altijd een beetje schipperen. Het lijkt me de logica zelve, maar het is aan u om dat te doen. Ik denk dat de nodige werkzaamheden daarvoor ook al lang gepland zijn. Het is eigen aan eenieder om zich te profileren in dat soort zaken – dat begrijp ik – maar laat ons toch een beetje sereen blijven in dat soort dingen. Ik heb hier niemand, tenzij u me nu gaat tegenspreken, horen zeggen dat parlementsleden geen inspanningen moeten doen, dat ze niet gaan volgen en dat ze alles wat ze hebben, linea recta willen behouden. Het andere uiterste is de race to the bottom . Die vind ik ook verwerpelijk en daar heb ik ook wel echo's van gehoord in deze commissie.

Wat asiel en migratie betreft – sorry voor de hak op de tak –, maatregelen inzake de uitstroom ontbreken inderdaad. Dit is uiteraard de eerste uitvoering van het regeerakkoord. De maatregelen op korte termijn die ik kan nemen, zijn uiteraard bij uitstek op de instroom gericht. Er staat in het regeerakkoord heel wat over de uitstroom en dat zal heus nog wel worden gerealiseerd, maar dat zijn, als men realistisch is, maatregelen die niet evident zijn, die tijd vergen en die geen toverstokje zijn. Sommigen zeggen om gewoon naar de Europese Commissie of naar Ursula, zoals sommigen het nogal kinderlijk voorstellen, te gaan met de boodschap dat het een noodgeval is en alles dan opgelost is. Als men dat wil geloven, doe dat dan gerust, maar dat is niet de realiteit. Als het zo eenvoudig was, dan zouden heus wel wat Europese landen dat hebben gedaan.

Wij zijn ondertussen als België op basis van ons regeerakkoord uitgenodigd bij de club van de eerder kritische landen over het Europese migratiemodel, die bij elkaar komen en die met name inzake de uitstroom ideeën uitwerken en die trachten om van die ideeën Europese beslissingen te maken. Zeggen dat dat een proces is dat met een vingerknip verloopt, is helaas echter niet waar. Ik wou dat het waar was.

Madame Delcourt, vos questions sur le contrôle des certificats médicaux sont précises et je vous invite à les poser aux ministres responsables. M. Vandenbrouke a annoncé qu'il créerait une banque de données et qu'il organiserait un datamining sur la politique de prescription. Mais il doit encore travailler sur ce sujet et devra présenter son projet avant le 1 er juillet de cette année, si je ne m'abuse. L'affaire est donc à suivre.

De nombreuses questions ont été posées sur le statut d'artiste, notamment par les collègues francophones. Nous avons parlé des abus et de la façon de lutter contre ceux-ci. M. De Smet a même prétendu qu'il n'y en avait pas. C'est possible! La lutte contre les abus est une compétence régionale. Ce débat doit être mené au sein des parlements régionaux. Dire qu'il n'y a pas d'abus, c'est possible, mais je suis étonné par les chiffres. Il y a de grosses différences entre les Régions, notamment en Région de Bruxelles-Capitale où, si je ne me trompe, 50 % d'entre eux résident. La ville est peut-être très artistique, je ne l'exclus pas, mais nous avons peut-être aussi découvert des brèches dans le système qui pourraient correspondre à ce que l'on nomme des abus. Je n'en sais rien et c'est aux Régions de travailler sur ce thème.

Madame Delcourt, vous avez demandé quand nous comptions élargir le systèmes des flexi-jobs à d'autres secteurs? Ce n'est pas prévu dans l'accord de Pâques, mais bien dans l'accord de gouvernement.

En ce qui concerne les indépendants, nous estimons que 356 indépendants sont intéressés chaque année par le paiement de cotisations plus élevées afin d'obtenir des droits à la pension plus élevés.

Monsieur Dermagne, vous avez beaucoup mentionné la classe moyenne et cela m'étonne un peu.

Si nous regardons le bilan du gouvernement Vivaldi, je pense qu'il est difficile de dire que c'était un gouvernement qui a défendu la classe moyenne.

Pierre-Yves Dermagne:

(…)

Bart De Wever:

Je ne vous ai pas interrompu! Je pense que cela relève même du non-sens.

Vous avez évoqué les impôts qui pèsent sur les épaules de la classe moyenne. Das Wahre ist das Ganze , comme on le dit en allemand. L'accord de gouvernement est très clair. Il y a du positif et du négatif mais au final, la pression fiscale sur la classe moyenne va fortement diminuer à l'horizon 2029.

Vous avez parlé d'économies dans les soins de santé, ce qui m'étonne, car nous avons encore prévu une norme de croissance au-dessus de l'index. Cela ne semble pas être de véritables économies. Si nous parvenons à maintenir une norme de croissance supérieure à l'index, il ne faut pas, selon moi, parler d'économies.

Vous avez affirmé que nous épargnions les épaules les plus larges alors que plus de deux milliards de revenus proviendront de leur part. C'est tout de même considérable. Il faut examiner ces chiffres au prorata. Il n'y a pas tant d'épaules larges dans notre pays. Je dirais donc que deux milliards de revenus supportés par leurs épaules ne sont pas négligeables.

Vous avez évoqué la crédibilité budgétaire. J'espère que vous ne m'en voudrez pas, mais c'est un peu l'hôpital qui se moque de la charité. Le PS parle de crédibilité budgétaire alors qu'il a dominé le gouvernement Vivaldi et a toujours géré la Région bruxelloise. À votre place, j'éviterais de parler de crédibilité budgétaire.

Monsieur Courard, vous avez demandé d'où proviendront les 2 % pour la défense. M. Di Rupo aurait peut-être dû se poser cette question lorsqu'il a fait cette promesse au Pays de Galles en 2014. Dans l'intervalle, nous n'avons jamais eu de réponse du PS.

Mme Désir a demandé si le report de l'index était une mesure nécessaire. C'est en effet le cas. Il est inévitable de prendre des mesures comme celle-ci, notamment sur les pensions les plus élevées. Nous prévoyons également une mesure qui pèse sur l'indexation des pensions les plus élevées, donc sur les épaules les plus larges. Il est injuste de me reprocher de ne rien faire à l'égard des épaules les plus larges pour ensuite nous critiquer lorsque nous mettons en place une mesure qui affecte les plus hautes pensions. Il s'agit de pensions atteignant 7 000 ou 8 000 euros par mois.

C’est l’un ou l’autre!

Mijnheer Hedebouw, u hebt Frans en Nederlands door elkaar gesproken. Ik noteer alleen in het Nederlands, ik ben een slechte tweetalige.

Je ne me souviens plus de ce que vous avez dit en néerlandais ou en français.

Dus zal ik antwoorden in de taal die in mij opkomt.

Raoul Hedebouw:

Un vrai Belge.

Bart De Wever:

Ik kan daar veel op zeggen, maar ik zal zwijgen. (Hilariteit)

Op vijf minuten tijd hebben we 4 miljard euro voor defensie gevonden, zegt u. Ik wou dat het waar was. Ik weet niet of u de collega's hebt gehoord die ons net hebben verweten dat we dat niet hebben gedaan en dat het allemaal een groot mysterie is waar dit vandaan moet komen. De waarheid heeft haar rechten. Er is in een pad voorzien, met een opdrachtentabel, begroting per begroting. Het zal niet gemakkelijk zijn om die middelen te vinden.

Uiteraard zijn er collega's die zullen zeggen om dat niet uit de sociale zekerheid te halen. Er zijn collega's die zullen zeggen om dat niet uit de belastingen te halen. Er zijn collega's van de N-VA die zullen zeggen om geen extra schulden te maken. Iedereen heeft daar zijn waarheid. De optelsom van dat alles is uiteraard onmogelijk. A l'impossible nul n'est tenu . Dat wordt dus niet gemakkelijk. Dat zal ik niet ontkennen, maar zeg niet: u hebt dat zo gevonden, dus u gaat dat voor de sociale zekerheid ook zo kunnen vinden.

Ik vind die vergelijking trouwens nogal grotesk. De sociale uitgaven in dit land evolueren naar 200 miljard euro bij een ongewijzigd beleid in 2030. U weegt dat af tegen de defensie-uitgaven. Dat is bijna een cijfer achter de komma, zoals wij onze defensie hebben verwaarloosd. Zeggen dat als defensie kan groeien, dat dan de sociale zekerheid op hetzelfde ritme kan groeien, is populisme. Dat is onzin.

Wat telt mee in de pensioenmalus? Het regeerakkoord is duidelijk over wat erin zit en wat er niet in zit. Op de vraag over de privileges voor parlementaire pensioenen heb ik geantwoord.

Zullen we nieuwe F-35's kopen?

Je vous ai expliqué que les capacités imposées par l’OTAN ne nous laissent pas le choix. Je suis sûr que nous devrons encore élargir notre flotte d’avions de chasse. Puisque nous avons déjà acheté les F-35, nous devrons acheter des avions de ce type. Ce seront des avions construits en Italie. Ce n’est pas parce que M. Trump pense qu’il peut mener une guerre de droits de douane contre tout le monde qu’il peut d’un coup faire disparaître la globalisation de l’économie. Le F-35 est devenu un projet multilatéral.

U zegt dan dat men voor die technologie militair afhankelijk is van wie men ze koopt. Dat is echter voor elke militaire technologie zo. Dat is evenzeer het geval voor wapensystemen die we in Europa kopen of elders in de wereld. Men is altijd deels afhankelijk van de producent. Dat is een reden te meer om in Europa de juiste beslissingen te nemen over de consolidatie van een Europese defensie-industrie. Wij hebben dat verwaarloosd, maar daar bent u ook altijd tegen. Dat is ook van twee zaken een. U wilt dat niet, want we moeten in vrede investeren. Volgens u moeten we bloemenperken aanleggen aan de grenzen met Rusland. We hebben bloemenperken, regenbogen en eenhorens nodig, die de Russen zullen overtuigen van onze goede intenties. Dan zullen ze zeker hun agressie stoppen.

Ik ben het daarmee helemaal eens. Als men in een fantasiewereld leeft, kan dat allemaal wel lukken. Als men echter in wapensystemen moet investeren, heeft men ook een militair industrieel complex nodig. Maar daar bent u ook tegen. U zegt dat we dan nu de F-35 moeten kopen. Misschien hebben we die echter moeten kopen omdat we in het verleden net dat niet gedaan hebben in Europa. Dat zijn dure lessen die we nu moeten trekken, maar dat zijn geen lessen die we op vijf minuten opgelost krijgen.

En ce qui concerne les chômeurs de longue durée et les CPAS, un montant a été prévu dans le budget pour compenser les CPAS. En effet, on sait qu'ils auront plus de travail en raison de la limitation dans le temps des allocations de chômage.

M. Hedebouw, je pense, a dit que les CPAS n'ont pas comme tâche d'activer les chômeurs. Je ne suis pas d'accord. J'ai un autre avis. Dans ma ville, le CPAS fait beaucoup d'efforts pour activer les gens. Je pense que c'est leur tâche de le faire, qu'ils sont même mieux placés que les services régionaux d'accompagnement pour activer les gens qui sont à une certaine distance du marché du travail.

Si des gens disparaissent dans la nature, c'est peut-être qu'ils n'ont pas besoin d'allocations de chômage, qu'ils ont assez de revenus pour vivre et n'ont pas besoin de la sécurité sociale.

Dat is dus een maatregel die ik altijd zal blijven verdedigen. Dat is trouwens in de hele wereld de normaalste zaak. Waarom zou dat dan bij ons onmogelijk en een sociaal drama zijn? Overal in de wereld, in Frankrijk en overal, wordt dat op die manier toegepast.

Wij zullen 1 miljard euro minder in de pensioenkas storten. Dat is een heel rare manier om competitiviteitsmaatregelen voor te stellen. Dat is natuurlijk een ideologisch verschil. Ik ga ervan uit dat, wanneer onze ondernemingen qua competitiviteit niet worden versterkt, de effecten op de pensioenkas veel erger zullen zijn. Dat is een kwestie van wakker worden en koffie ruiken, zoals dat in het Engels wordt genoemd, over onze economische situatie en over de situatie van onze industrie, die in heel Europa maar zeker in ons land krimpt terwijl wij ernaar kijken. Mensen zonder job betalen geen bijdragen. Dat zou voor de sociale zekerheid de catastrofe zijn die wij nu moeten vermijden.

Het paasakkoord bevat inderdaad honderden miljoenen euro aan competitiviteitsmaatregelen. U stelt dat voor als minderopbrengsten voor de sociale zekerheid. Dat is een ideologisch verschil. Daarover zullen wij het nooit eens worden. Dat is misschien maar goed ook. De fiscale regularisatie stelt u voor als straffeloosheid. Ik ben het daar niet mee eens. Dat is geen straffeloosheid. Ik moet echter wat opschieten.

"Les 500 euros de différence, net ou brut, pour ceux qui bossent est un mensonge." Ce n'est pas vrai. Il faut consulter le calendrier des mesures tel qu'il a toujours été prévu dans l'accord de gouvernement, avec la baisse des impôts en faveur de ceux qui travaillent, et dont la vitesse de croisière sera atteinte en 2029.

Volgens mij zullen we dan die 500 euro zeker halen en misschien zelfs overschrijden.

“Een kliklijn voor langdurig zieken, hoe durft u?”, zegt u. U noemt dat een kliklijn, wij noemen dat responsabilisering.

Nous avons autant de malades de longue durée que l'Allemagne. Or celle-ci est un tout petit peu plus grande que la Belgique. Donc, je pense que la question de la responsabilisation est à l'ordre du jour.

Alle actoren, ook de werkgevers, zullen geresponsabiliseerd worden. Dat zijn dan extra inkomsten voor de sociale zekerheid, mijnheer Hedebouw. Het lijkt mij evenwel evident dat ook de dokters, ook de ziekenfondsen en dus ook de langdurig zieken zelf aangesproken kunnen worden.

Madame Tourneur, vous m'avez posé une question concernant le droit au rebond et le risque d'abus. Ce risque est relativement limité en raison de la nature de la mesure. Il s'agit d'un droit unique. Cette allocation de chômage dure six mois et s'adresse à des salariés ayant travaillé au moins dix ans. Le droit au rebond s'inscrit dans un ensemble cohérent de mesures mises en place par le gouvernement pour soutenir les individus dans leur recherche d'emploi. Le risque d'abus est donc très faible, voire quasiment inexistant.

Votre deuxième question porte sur les pensions des magistrats. D'autres collègues ont également posé des questions à ce sujet. Je vais être clair: il n'est absolument pas question d'une perte de 40 % du pouvoir d'achat des magistrats retraités en conséquence de la réforme des retraites menée par ce gouvernement. Les calculs publiés par la magistrature la semaine passée reposent sur l'hypothèse de prolongation indéfinie de l'indexation limitée des pensions les plus élevées alors que cette mesure est explicitement définie comme temporaire, tant dans l'accord de gouvernement que dans l'avant-projet de loi-programme. Elle est prévue uniquement pour cette législature, c'est-à-dire jusqu'en 2029. La Cour constitutionnelle et le Conseil d'État, étant indépendants des pouvoirs exécutif, législatif et judiciaire, sont également concernés par cette réforme, leur régime de retraite étant également réglementé par la loi.

Troisièmement, la réforme des retraites n’a aucun impact sur l’indépendance du pouvoir judiciaire. Monsieur Dermagne, cela a été confirmé par la Cour constitutionnelle dans un arrêt de 2013, suite à un recours déposé par les magistrats contre une précédente réforme des retraites, menée notamment sous le gouvernement Di Rupo.

Quatrièmement, une réunion constructive s’est tenue hier entre les représentants des magistrats et les ministres des Pensions. Cette rencontre a permis d’éclaircir plusieurs points, notamment en ce qui concerne les calculs d’impact des différentes réformes des retraites et la nature temporaire de l’indexation limitée des pensions les plus élevées. Il a été établi que les estimations d’une perte de pension de 30 à 40 % reposaient sur des hypothèses d’indexations limitées pour une durée indéterminée.

Mijnheer Van Hecke, u vroeg naar de gelden van de Russische tegoeden. U wilt weten wat er gebeurt als er vrede komt in Oekraïne en de Euroclearmiddelen wegvallen. Ook daarmee is rekening gehouden in het paasakkoord en dat zal dan inderdaad een extra inspanning vergen.

Ik denk wel dat als er morgen vrede wordt gesloten in Oekraïne, dat nog niet betekent dat morgen ook die Russische tegoeden vrijgemaakt worden. Dat is een bijzonder, bijzonder complexe aangelegenheid. Er zijn wel andere hypotheses die internationaal besproken worden over wat er met die sovereign assets moet gebeuren. Er zijn namelijk de sovereign assets en de andere assets, die bevroren zijn. De sovereign assets zijn in feite geïmmobiliseerd. Het gaat in deze context vooral over die gelden van de Russische Centrale Bank.

Mogelijk worden er multilateraal andere beslissingen genomen en dat zou dan op iets kortere termijn op ons af kunnen komen, maar dat valt nog af te wachten. In alle contacten die ik hierover heb en dat zijn vooral internationale contacten met de buurlanden en met Oekraïne zelf, gaat het in elk geval steeds weer over een buitengewoon riskante en juridisch ingewikkelde zaak met enorm grote repercussies, zelfs op de euro als munteenheid. Mijn persoonlijke inschatting – maar ik kan mij vergissen – is dat we daar op korte termijn niet heel veel beweging in zullen zien. Het lijkt mij heel ingewikkeld.

Uiteraard zullen we dat monitoren en we zullen ons ook niet verzetten tegen andere multilaterale oplossingen, ook al stelt zich dan voor onze bilaterale militaire hulp aan Oekraïne wel een bijkomend budgettair probleem. Aangezien dit ook in de NAVO-norm ingecalculeerd is, zal dat dan sowieso gecompenseerd moeten worden.

Over de oplopende NAVO-norm en over de structurele financiering heb ik geantwoord.

Madame Schlitz, vous avez dit: "Les efforts pour la compétitivité sont des cadeaux aux entreprises." À mon humble avis, cela témoigne d'un certain manque de connaissance de la réalité économique, mais c'est peut-être une différence idéologique que nous n'allons pas résoudre aujourd'hui ni même jamais.

J'en viens aux formations pour les emplois en pénurie. Tous ceux qui commenceront une formation avant le 1 er janvier 2026 seront exemptés de la mesure. S'agissant des soins de santé, il incombe au ministre de présenter une liste de formations qu'il veut exclure. Donc, je vous propose de développer cette discussion en commission de la Santé.

Quant au contrôle des ressources, je pense que vous confondez celui qui vise le chômage avec celui qui s'intéresse au revenu d'intégration.

Sarah Schlitz:

(…)

Bart De Wever:

Je pense que oui. Je ne vous ai pas interrompue. Vous pourrez encore répliquer.

Vous avez cité un président de parti – je suppose qu'il s'agit de M. Bouchez – qui avait parlé d'un contrôle des ressources, mais il évoquait un contrôle visant ceux qui ont des biens à l'étranger et qui touchent un revenu d'intégration, pas une allocation de chômage. Pour les allocations de chômage, aucun contrôle des ressources n'est ni ne sera prévu dans cet accord de gouvernement.

Pour la taxation sur les plus-values, vous avez dit: "Nous n'en savons rien." C'est normal, puisque l'impact de cette mesure a toujours été prévu en 2026. Notre intention n'a jamais été de l'intégrer dans la loi-programme relative au budget 2025.

Mevrouw Bertrand, u zegt dat er geen overleg met Belfius is geweest. Er is wel degelijk informeel geverifieerd of de zaken die wij plannen realistisch zijn, dus ik maak mij daar niet te veel zorgen over. U zegt dat er paniek ontstaat bij de burgers die zich afvragen hoe we dit allemaal zullen betalen. Ik moet toegeven dat post-Vivaldi paniek budgettair gewettigd is. Toen ik de realiteit van de cijfers zag die ú hebt achtergelaten, was paniek ook de eerste emotie die ik voelde.

Ik vind het sterk dat u zegt dat het Monitoringcomité stelt dat het tekort oploopt tot 2,4 miljard. Dat is uw beleid, dat is het gevolg van het ongewijzigd beleid van Vivaldi, waarbij de put alsmaar dieper werd, tot hallucinante bedragen. U kent die bedragen, want u was er verantwoordelijk voor. Nu zeggen dat we u in vrije val hebben achtergelaten en dat u uw vleugels niet op tijd kunt uitslaan, u bent toch de slechtst denkbare persoon om die kritiek te uiten, zelfs binnen uw eigen partij. Ik zou iemand anders zoeken om die kritiek te uiten. Dat de cheque voor Defensie ongedekt is…

Alexia Bertrand:

Dat is gemakkelijk.

Bart De Wever:

Gemakkelijk, zegt u. Wat u hebt nagelaten, is alleszins niet gemakkelijk, ook niet op het vlak van Defensie. U doet nu alsof die 2 % uit de lucht komt vallen. Het Russisch geld dat dubbel besteed wordt, dat is een foute lezing. Die zit in de basishypothese, maar die was niet bestemd. Wij hebben die gelden nu bestemd, dus er is geen sprake van een dubbeltelling.

Wat het betoog van de heer Van Tigchelt betreft, geen slogans over Justitie, dat ondersteun ik ten volle. Wat dat betreft, hebben wij bijna eenheid van inzicht en beseffen we allebei dat die situatie altijd heel moeilijk is geweest en vandaag nog steeds heel moeilijk is. Roepen wat er allemaal met één vingerknip moet gebeuren, heeft weinig zin. Als u zegt dat u zich als oud-minister koest moet houden, dan vraag ik mij af of dat dan ook niet geldt voor de oud-staatssecretaris bevoegd voor Begroting. U moet het binnen uw fractie misschien eens hebben over wie zich koest moet houden en wie niet.

Het gebrek aan urgentie van Arizona, dat mag u zeggen, maar ik ben het daar niet mee eens. Er is bij alle besparingen die aan de departementen worden opgelegd altijd voorzien in een uitzondering voor de veiligheidsdepartementen en zelfs een groeipad. Is dat groeipad niet groot genoeg? Ik ben zelfs geneigd om het daarmee eens te zijn, gezien de grote noden, maar men kan niet enerzijds zeggen dat we budgettair in vrije val zijn en anderzijds dat we nog een berg aan nieuwe middelen moeten voorzien.

We hebben ons uiterste best gedaan en nog een extra inspanning geleverd, gezien de acute situaties die er bestaan. Het volgende moet mij echter van het hart wat betreft het gebrek aan urgentie dat ons vandaag wordt verweten. Iedereen moet in de spiegel kijken wat dat betreft, ook zij die in vorige legislaturen de zaken hebben waargenomen.

Zo veel nieuw opgestarte bouwdossiers onder Vivaldi heb ik ook niet echt gevonden. Wat er nog van dossiers is, is van de regering daarvoor. De detentiecentra die Vivaldi voor de kortgestraften heeft uitgebouwd, hebben niet bepaald een verschroeiend tempo aangenomen. Dat is geen verwijt. Ik weet hoe moeilijk dat is en hoeveel tijd dat vergt, maar vandaag komen zeggen dat ik de urgentie niet zie, vind ik iets te gemakkelijk.

Ik apprecieer wel dat u zegt dat u begrip hebt voor de noodmaatregelen die op korte termijn moeten worden genomen omdat er geen oplossingen zijn, tenzij oplossingen die binnen de gevangenis aanleiding geven tot toestanden die ons in een structurele overtreding brengen van de mensenrechten die vandaag al bestaan. U kent de situatie. Ik ken ze ook. Wie dat ooit met eigen ogen heeft gezien, kan dat heel moeilijk vergeten en is hopelijk bevrijd van alle populistische neigingen ter zake. Dit gaat niet over u, voor alle duidelijkheid.

J'ai déjà répondu à la question concernant le statut d'artiste, monsieur De Smet. Le fait de dire que nous sommes un gouvernement de méfiance m'étonne, d'autant plus que c'est dit de la part d'un Bruxellois! Quand on connait la situation budgétaire à Bruxelles et celle du CPAS d'Anderlecht, il me semble que ce n'est pas la vérité.

Notre gouvernement n'est pas un gouvernement de méfiance mais se veut être un gouvernement de responsabilisation, et celle-ci est nécessaire si l'on tient compte de la réalité budgétaire à laquelle nous sommes confrontés.

Le prix pour obtenir la nationalité belge est de 1 000 euros et vous dites que ce prix est exorbitant. Je pense que l'inverse est vrai! Les 150 euros demandés par le passé étaient exorbitants quand on sait qu'au Royaume-Uni, le montant est quasiment de 2 000 euros tandis qu'aux Pays-Bas, il est de 1 091 euros. Si vous voulez mourir en tant qu'Hollandais, c'est encore plus cher! Nous sommes restés en dessous du niveau hollandais! C'est un minimum. Si pour devenir Hollandais, il faut payer 1 100 euros, on peut bien devenir Belge pour 1 000 euros! Cela me semble raisonnable.

Voorzitter:

Er resten ons nog een goede 20 minuten voor de replieken. Ik vraag dus om het bij korte replieken te houden, want de debatten zullen in de toekomst ongetwijfeld nog worden gevoerd met de vakministers wanneer de uiteindelijke teksten in het Parlement verschijnen. Ik stel dus twee minuten per fractie voor de replieken voor.

Axel Ronse:

Mijnheer de voorzitter, ik voel mij ongelooflijk dankbaar. Ik kwam hier met een open blik. Ik vond het paasakkoord fenomenaal en na zeer aandachtig luisteren, vooral naar alle oppositiepartijen, vind ik het nog fenomenaler. Na de repliek van de eerste minister, met uitzondering van het verhaal over de Hollandais , vind ik het nog fenomenaler. Onze fractie is dus alleszins enorm overtuigd.

Wat heb ik gehoord van de oppositie? PTB, Groen, Ecolo en de PS hebben heel veel kritiek op het feit dat het paasakkoord de tien plagen de wereld uit tracht te helpen, want het is allemaal onmenselijk, maar ik hoor geen enkel alternatief. Het betreft allemaal maatregelen om onze sociale zekerheid en ons systeem van herverdeling stand te doen houden. We zijn ook ontzettend fier dat we dat met de arizonacoalitie kunnen verwezenlijken. We zijn heel dicht bij de concretisering en de stemming ervan. Als u systemen die alleen hier nog bestaan, zoals de onbeperkte werkloosheidsuitkering in de tijd, nog voor de generatie van vandaag wilt behouden, dan maakt u de sociale zekerheid kapot en blaast u ze op voor de toekomstige generaties. Uw kritiek daarover overtuigt dus allerminst.

Andere partijen hadden het vooral over de effecten van hun beleid van de voorbije vijf jaar, met de verwoestende budgettaire koers, die gevaren werd – dank ook aan collega Bertrand om dat nog een keer op slides te tonen – en die wij nu aan het omkeren zijn. Ze hebben bovendien dan ook nog eens kritiek op het feit dat we 4 miljard euro op een bbp van 600 miljard euro investeren in defensie, in vrede. Mocht ik aan mijn overleden grootmoeder vertellen dat daar kritiek op komt, zou ze het niet geloven. Ze heeft de Tweede Wereldoorlog en de Koude Oorlog meegemaakt en zou zeggen dat dat budget om de vrede te bewaren, een badje is.

Francesca Van Belleghem:

Premier, tijdens de verkiezingen was het uw prioriteit om budgettair alles op orde te zetten, maar we hebben nog altijd geen budgettair kader gezien. Door eenmalige begrotingstrucs toe te passen, bevestigen jullie alleen maar dat jullie Vivaldi 2.0 zijn. Deze regering zorgt niet voor een structurele financiering van onder meer Defensie. Het enige structurele zijn nieuwe belastingen, zoals de vliegtaks en de meerwaardebelasting.

De zes kleine migratiemaatregelen in het paasakkoord zijn echte tjevenmaatregelen, echte vivaldimaatregelen. U zegt dat het kinderlijk is om naar de Europese Commissie te gaan en een asielstop en een gezinsherenigingsstop te onderhandelen. Vindt u Oostenrijk dan kinderlijk? Zij stoppen gezinshereniging met erkende asielzoekers tegen alle Europese richtlijnen in. Ze dwingen het af bij de EU. Vindt u Polen kinderlijk? Zij hebben een asielstop afgedwongen en de toestroom van asielzoekers in Polen is zelfs niet de helft zo hoog als hier. Als dat allemaal kinderlijk is, dan ben ik graag kinderlijk.

U zegt dat u deel uitmaakt van het clubje migratiekritische landen, maar u hinkt zwaar achterop, want Polen en Oostenrijk steken u vlot langs rechts voorbij. Uw crisismaatregelen hebben als doelstelling de categorie van asielzoekers die recht hebben op opvang te beperken. Maar asielzoekers zijn hier niet voor de asielopvang, ze zijn hier omdat illegalen niet teruggestuurd worden, ze zijn hier voor onze sociale woningen, ze zijn hier voor onze leeflonen zodra ze die verblijfstitel binnen hebben.

Uw vijgen-na-Pasen-akkoord bevat geen deftige maatregelen om die asielinstroom te doen dalen en om de terugkeer van illegalen te verhogen. Integendeel, u laat criminele illegalen na een derde van hun gevangenisstraf vrij, zonder dat u de druk verhoogt op derde landen om hun illegalen terug te nemen. Heel jammer.

Catherine Delcourt:

Monsieur le premier ministre, je vous remercie pour vos réponses. Je ne manquerai évidemment pas d'interroger les ministres compétents.

Cet accord de Pâques, à travers la loi-programme, comprend des éléments forts que le MR a soutenus: des moyens en plus pour la sécurité, pour la Défense, la Justice, pour lutter contre la surpopulation carcérale; des militaires sur les sites sensibles, libérant 300 policiers. C'est aussi le chômage limité à deux ans, un milliard pour la compétitivité de nos entreprises, des éléments fiscaux intéressants, notamment pour les indépendants, et un durcissement des règles de migration.

Nous le soutenons pleinement et nous vous remercions pour votre intervention.

Pierre-Yves Dermagne:

Monsieur le premier ministre, merci pour les quelques éléments d'information que vous avez daigné nous donner.

Vous aviez annoncé la couleur. Vous aviez d'ores et déjà renvoyé vers les ministres compétents en commission, vers le budget qui devrait arriver un jour ou l'autre. On espère toujours. Cela recule de semaine en semaine. Je pense que ce sera effectivement le juge de paix.

Vous avez balayé d'un revers de la main les questions sur la crédibilité budgétaire de cet exercice, sur la trajectoire budgétaire, sur l'endroit où vous irez effectivement chercher l'argent. Comme on l'a dit, ce sera en toute grande majorité auprès de la classe moyenne, dans les poches de la classe moyenne, sur les comptes en banque de la classe moyenne, que vous irez chercher cet argent, qui s'inscrit dans un exercice qui ne tient pas la route d'un point de vue budgétaire.

Vous pouvez utiliser un argument d'autorité renversée en disant: "Mais comment le PS peut-il parler de crédibilité budgétaire?" Nous attendions mieux de vous, monsieur le premier ministre. Vous, non pas l'historien, mais l'ingénieur, l'homme de chiffres, l'homme de précision, de détails. Nous avons uniquement des éléments, des effets de manche. Vous êtes assez disert sur les éléments idéologiques qui vous tiennent à cœur, mais sur tout le reste, sur tous les détails, pas une seule réponse concrète.

Peut-être un point quand même. Sur le statut d'artiste, vous n'avez pas pu vous empêcher d'avoir une lecture communautaire. Chassez le nationaliste, il revient au galop! Et c'est le cas ici. Vous avez une lecture communautaire sur ce dossier, notamment sur la répartition du nombre de bénéficiaires du statut d'artiste. Il n'est pas anormal que dans un pays, la capitale, qui compte toute une série d'institutions culturelles importantes, voie le nombre de bénéficiaires de ce statut plus important que dans d'autres Régions. Cela n'a rien d'insupportable! Cela n'a rien de surprenant, monsieur le premier ministre du Royaume de Belgique! C'est effectivement une ville capitale qui vit, qui choie sa scène culturelle, ses secteurs culturels. Il n'est donc pas anormal qu'il y ait plus de bénéficiaires de ce statut.

Bart De Wever:

Il n'y a pas d'artiste à Anvers?

Pierre-Yves Dermagne:

Je n'ai pas dit cela.

Ayez une vision plus large. Vous n'êtes plus le bourgmestre de la belle Ville d'Anvers, monsieur le premier ministre. Vous êtes le premier ministre du Royaume de Belgique. Et, à ce titre, vous devez traiter les Flamands, les Bruxellois et les Wallons sur un même pied d'égalité.

Bart De Wever:

(…)

Pierre-Yves Dermagne:

Je ne vous ai pas interrompu tout à l'heure, monsieur le premier ministre. S'il vous plaît, laissez-moi terminer!

En ce qui concerne le statut d'artiste, votre ministre de l'Emploi a évoqué des abus. Cela transparaissait d'ailleurs très clairement à travers l'exposé des motifs et sa première mouture de la loi-programme qui a fuité dans la presse, avec effectivement uniquement un regard budgétaire qui partait du principe de mauvaise foi de la part de celles et ceux qui bénéficient de ce statut réformé.

Vous avez dit qu'il s'agissait d'une responsabilité des Régions, monsieur le premier ministre. Mais non, la réforme du statut d'artiste de 2022 a précisé que la disponibilité active, passive et adaptée était spécifique pour les travailleurs et les travailleuses du secteur des arts. Et, justement parce qu'on les considèrent comme travailleurs à part entière, quand ils bénéficient du statut, le Forem, le VDAB et Actiris ne doivent pas les considérer comme des chercheurs ou des demandeurs d'emploi. C'était un des éléments fondamentaux et centraux de la réforme.

Par vos propos, monsieur le premier ministre, qui confirment la crainte que nous avons et que les artistes ont par rapport au maintien du statut, vous évoquez effectivement une réforme de ce statut, un durcissement des règles et des conditions, faisant en sorte que celles et ceux qui bénéficient aujourd'hui de ce statut dont on doit être fiers seront demain menacés. Nous y reviendrons, monsieur le premier ministre.

Raoul Hedebouw:

Mijnheer de eerste minister, ik vind het wel interessant. U probeert gewoon om het hele debat weg te wuiven. Ideologisch bestond uw hele denkwijze op budgettair vlak in begrotingsdiscipline, begrotingsdiscipline en nog eens begrotingsdiscipline. Dat wordt nu volledig aan de kant geschoven in vijf minuten. Dat toont aan dat het ging om begrotingsdiscipline voor de gepensioneerden, de langdurig zieken, de openbare diensten. Als het echter om andere uitgaven, militaire uitgaven gaat, dan geldt er geen begrotingsdiscipline. Dat is gewoon waar. Dat is in vijf minuten politiek beslist. Het moet binnen de N-VA moeilijk zijn, omdat uw denkwijze de laatste jaren alleen maar focuste op het Duitse model en begrotingsdiscipline. Dat wordt volledig aan de kant geschoven, mijnheer Ronse. Op de vragen daarover wordt gewoon niet geantwoord.

Ten tweede, antwoordt u niet op de vragen over de pensioenmalus, mijnheer de eerste minister. In het regeerakkoord staat dat ziektedagen niet meetellen. Er zijn sancties. De minister van Pensioenen antwoordt het tegenovergestelde in de plenaire vergadering. Wat is het nu juist?

Troisièmement, monsieur le premier ministre, vous n'avez pas répondu à ma question sur les pensionnés. En Belgique, nous vivons déjà avec des pensions relativement faibles par rapport à la France, l'Allemagne et les Pays-Bas. Les pensionnés ont du mal à payer leur maison de repos. Et vous décidez – vous n'avez pas répondu à cette question – de postposer l'indexation des pensions de trois mois. Cela va coûter 68 euros à un pensionné qui reçoit 1 700 euros bruts, 68 euros que vous retirez des pensions!

Je m'y attendais de la part de la N-VA. Mais Les Engagés? Vous qui deviez être un parti qui allait faire du social, vous trouvez cela logique de viser une nouvelle fois les pensionnés? De postposer l'indexation des pensions? Cela vous amuse d'aller chercher l'argent chez les pensionnés? Pourquoi n'allez-vous pas le chercher chez les super riches? Pourquoi n'allez-vous pas chercher l'argent vers le haut pourquoi sont-ce une nouvelle fois les pensionnés qui doivent payer? Dans votre programme électoral, vous promettiez d'aider les pensionnés. Mensonge! Mensonge!

Le MR allait sauver les travailleurs, allait sauver le pouvoir d'achat. On ne retrouve rien de tout ça! J'ai demandé au premier ministre combien cette mesure allait rapporter et il n'a pas répondu, parce que vous êtes tous mal à l'aise à cet égard. Répondez! Combien cela va-t-il rapporter, monsieur le premier ministre? Eh bien voilà, cela ne répond pas! Je le dis, c'est parce que vous avez honte de toucher une nouvelle fois les pensionnés. C'est facile d'aller chercher l'argent chez ces gens-là, mais vous n'osez pas aller le chercher chez les gens qui ont des grands patrimoines, parce que vous n'avez aucun courage politique.

Aurore Tourneur:

Monsieur le premier ministre, je vous remercie pour les précisions apportées à nos questions et votre calme face aux propos populistes.

Le droit au rebond représente une nouvelle philosophie de chômage, qui n'est plus seulement un filet de sécurité passif, mais aussi un outil actif de reconversion au service de l'épanouissement professionnel et du maintien en emplois. Nous continuerons de suivre la mise en œuvre de ce droit au rebond avec une attention particulière, car nous croyons profondément en son potentiel – j'ai entendu que d'autres collègues de l'opposition y croyaient aussi, et cela me fait très plaisir – pour renforcer le bien-être au travail, encourager les transitions professionnelles choisies et soutenir une sécurité sociale durable et moderne.

Quant au suivi des demandes légitimes des magistrats, nous serons aussi présents pour veiller à ce qu'une véritable concertation sociale soit menée et que la réforme, certes nécessaire, ne se fasse jamais au prix d'un affaiblissement de notre É tat de droit.

Comme toujours, nous serons au rendez-vous pour faire vivre les ambitions de l'accord de gouvernement dans l'esprit constructif de dialogue, de vigilance, de cohérence et de responsabilité qui nous anime.

Brent Meuleman:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de eerste minister, ik dank u voor uw toelichting. Ik zal het korter houden. De collega’s van de PS hebben hun spreektijd verdubbeld. Ik zal de mijne halveren.

Voor Vooruit is het heel belangrijk dat wij met het paasakkoord investeren in zorg en opleiding, dat wij de pensioenen van de mensen beschermen, dat wij de fiscale fraude aanpakken en dat wij zorgen voor een volwaardige sociale bescherming voor de kunstenaars.

Mijnheer de voorzitter, voor het overige verwijs ik naar mijn eerdere uiteenzetting.

Voorzitter:

Ik dank u. De heer Demon is ook al vertrokken. Dat bespaart ons ook al twee minuten.

Wij komen nu bij de replieken van Ecolo-Groen.

Sarah Schlitz:

Monsieur le premier ministre, vous le dites vous-même: un milliard pour les entreprises afin de stimuler leur compétitivité. Si ce n'est pas un cadeau, alors je ne sais pas ce qu'il faut aux entreprises pour qu'on puisse parler de cadeau!

Par ailleurs, j'ai très bien compris où vous vouliez en venir. Votre projet est d'acculer les gens pour qu'ils acceptent n'importe quel boulot à n'importe quel prix. C'est le projet de l'Arizona. En revanche, ce qui est vrai c'est que les matières sociales sont extrêmement techniques. Vous faites de l'enfumage et jouez sur l'incapacité des gens à comprendre à quelle sauce ils vont être mangés pour avancer à un rythme effréné dans vos réformes. Laissez-moi vous dire que nous ne vous laisserons pas faire et que nous continuerons à mettre en exergue les mesures antisociales que vous êtes en train de prendre au détriment des plus fragiles et en faisant des cadeaux aux plus riches.

Vous nous dites que vous voulez responsabiliser tous les acteurs, mais il en est un que vous oubliez: ce sont justement les employeurs. Vous prétendez que toute la chaîne va s'activer pour contrôler. Mais à quel moment vous tracassez-vous du bien-être au travail et du travail qui rend malade? Vos mesures vont amplifier les maladies, avec la flexibilisation, l'appauvrissement, l'insécurité de l'emploi, le travail de nuit et le travail dominical. Monsieur le premier ministre, ce sont des conditions de travail qui rendent malade et qui constituent une véritable bombe à retardement pour notre système.

Stefaan Van Hecke:

Mijnheer de premier, u was absoluut niet duidelijk over de budgetten, maar u was wel heel duidelijk over de pensioenen van de parlementsleden. U hebt verklaard dat als die wetgeving voor iedereen wordt gewijzigd, het logisch is dat die wijzigingen ook worden doorgevoerd voor de parlementsleden. Dat is helder. Is dat uw persoonlijk standpunt of het standpunt van de meerderheid? Dat is niet duidelijk.

Bart De Wever:

Mijnheer Van Hecke, het Parlement is autonoom.

Stefaan Van Hecke:

Mijnheer de eerste minister, dat is juist, maar ik sprak over de meerderheidspartijen.

Ten slotte was u over Euroclear ook helder. U geeft toe dat uw budget niet sluitend is, want als er een vredesakkoord zou komen in 2026, 2027 of 2028, kampt u met een budgettair probleem. U geeft ook aan dat u dan nieuwe budgettaire maatregelen zult moeten nemen. Zelfs als u de inkomsten vijf jaar lang op 1,2 à 1,3 miljard euro zou kunnen houden – meer dan 6 miljard euro – zult u dat niveau van inkomsten niet kunnen aanhouden, want de intresten zijn aan het dalen. De conclusie is nog altijd dat uw regering een paasakkoord aflevert met een 'fenomenaal' gat in de begroting, mijnheer Ronse. Dat zal binnen enkele maanden en jaren blijken.

Alexia Bertrand:

Mijnheer de premier, ik vrees dat president Trump ook al een invloed heeft op ons land en ons beleid, want feiten zijn blijkbaar minder van belang. Ik zal u drie feiten geven. Het gaat niet over mij, maar over de feiten. Ten eerste, ik heb één begroting opgesteld als staatssecretaris voor Begroting. Dat was de begroting voor 2024. Ik ben op zoek gegaan naar een extra budget van 3 miljard euro. Ik heb een extra structurele inspanning gedaan. Ik had meer willen doen en we zaten op dezelfde golflengte op dat vlak, maar de coalitie liet dat niet toe. Het resultaat was dat we in 2024 op 2,7 % zijn geland voor entiteit 1. Dat is een feit. Uw ambitie is om tegen het einde van de legislatuur minder dan 3 % voor entiteit 1 te halen. Als dat uw ambitie is, dan moet u of uw minister van Begroting zich vragen stellen.

Ik geef u een tweede feit. Met voormalig minister van Defensie Vandeput zaten we op 0,9 % voor defensie-uitgaven, het laagste niveau ooit. U bent vergeten dat u zelf een minister van Defensie hebt geleverd.

Dan kom ik aan het derde feit. U hebt niet geantwoord op de vragen die u lastig vindt. Het gaat dan over de 2,2 miljard, die put in uw eigen tabel, over de 770 miljoen euro, over de 2 miljard van uw paasakkoord. U kunt achteruit blijven kijken en u zult dat nog een tijdje doen, maar dit zijn uw eigen gaten. U bent uw eigen gaten aan het creëren in de begroting, mijnheer De Wever. Dat is een feit.

Paul Van Tigchelt:

Mijnheer de eerste minister, ik dank u voor uw eerlijke antwoorden maar u bent één zaak uit de weg gegaan, namelijk het feit van de illegale criminelen die vervroegd vrijkomen op beslissing van de administratie na een derde van hun straf. Dat doet de leuze "het strengste migratiebeleid ooit" wel een beetje als een holle slogan klinken, als ik mij dat mag permitteren.

Ik vraag mij dan af of u dat niet gezien hebt. Heeft uw kabinet dat niet gezien? Kwatongen beweren dat u de minister van Justitie hebt laten staan op de binnenkoer van de Wetstraat. Misschien moet u haar nog eens in de ogen kijken en daarover een gesprek voeren met haar. Die maatregel is namelijk gevaarlijk. Ik herhaal dat.

François De Smet:

Monsieur le premier ministre, s'agissant du statut d'artiste, je n'ai pas dit qu'il n'y avait aucun abus. J'ai dit que le système protégeait déjà énormément contre les abus et la preuve en est que le seul exemple d'abus sorti de la bouche de votre ministre de l'Emploi était au minimum fantaisiste – l'histoire du barman dans le théâtre. Pour le reste, une information pour vous: l'activation est certes régionale mais sauf erreur, la politique de sanction revient toujours à l'ONEM. À moins que l'Arizona ait régionalisé l'ONEM sans nous le dire, ce que je ne pense pas, le fédéral reste compétent pour ce qui concerne les abus. Il n'est pas anormal de trouver 50 % des artistes vivant à Bruxelles vu l'importance de la vie culturelle. Même si vous l'avez dit sous l'angle de l'humour, il est douteux de vouloir installer un rapport permanent entre Bruxelles et la fraude. Cette musique ne sonne pas. En ce qui concerne les F-35, il y a des pays qui combinent l'achat de F-35 avec d'autres appareils tels que des Rafale. La Grèce le fait! Je ne vois pas pourquoi vous êtes condamnés à réinvestir dans des F-35. Enfin, s'agissant de la taxe à 1 000 euros, je suis ravi d'entendre que vous voulez rester belge puisque cela coûtera 91 euros de moins que de mourir en Hollandais. Parfait, c'est une information. Mais l'argument de dire qu'on le fait parce que d'autres le font ne tient pas. La vraie réponse est que vous souhaitez décourager le plus d'étrangers possible de rejoindre notre communauté nationale. Autant l'accès à la nationalité doit être rationalisé par des arguments de parcours d'intégration et de maîtrise de langue, autant le fait de diviser l'accès entre les plus riches et les plus pauvres est vraiment dommage. C'est un message réducteur. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 11.59 uur. La réunion publique de commission est levée à 11 h 59.

De financiering van Defensie
De budgettaire plannen inzake defensie
De bijdragen van de deelstaten
De verhoging van het defensiebudget
Het defensiebudget en de NAVO-norm
De geopolitieke ontwikkelingen en het defensiebudget
Het percentage van het bbp dat aan Defensie besteed wordt
Het paasakkoord over Defensie
De weerslag van het paasakkoord op Defensie
De impact van het paasakkoord op de defensiebegroting
Het paasakkoord en het extra defensiebudget
De verhoging van de defensiebegroting
Het defensiebudget
Het defensiebudget, financiering en geopolitieke impact in België

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 23 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om Belgiës haastige invoering van de NAVO-norm van 2% BBP voor Defensie in 2024, met kritiek op eenmalige, niet-structurele financiering (Russische tegoeden, Belfius-dividend, EU-leningen) en boekhoudkundige trucs (herclassificatie uitgaven). Structurele verankering ontbreekt, terwijl de NAVO-norm waarschijnlijk zal stijgen (naar 2,2%+ in 2029), wat extra druk legt op toekomstige begrotingen. Belangrijkste bezorgdheden: gebrek aan transparantie over bestedingsplannen (4 miljard in 2024), spanningsveld met sociale uitgaven (pensioenen, gezondheidszorg), en samenwerking met deelstaten (Vlaams defensiefonds, mobiliteitsprojecten). Prioriteiten liggen bij personeel, cyberveiligheid, Europese defensie-industrie en dual-use investeringen, maar concrete plannen ontbreken nog.

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de minister, ik begin met het goede nieuws: u hebt een akkoord. Ik feliciteer u daarvoor. Het is goed dat er een traject komt om de 2%-norm te halen en dat er extra wordt geïnvesteerd in defensie. Mijn fractie en ikzelf zijn daarvan voorstander en zijn een partner voor u om dat te verwezenlijken, mocht dat nodig zijn.

Het ronduit slechte nieuws is dat het heel vaak over eenmalige ingrepen gaat, zonder veel structurele financiering. Ik lees dat het gaat over opbrengsten van de Russische tegoeden. Dat is een eenmalige financiële injectie, maar geen structurele financiering. Het gaat over een uitzonderlijk dividend van Belfius van ongeveer 500 miljoen. Opnieuw, dat is een eenmalige financiering, niets structureel. Eventueel zal het gaan over de verkoop van overheidsparticipaties. Ook dat is een eenmalige ingreep, maar er is nog geen idee welke, wanneer en hoe. We zullen misschien wat lenen bij de Europese Unie, maar waarvoor, wanneer en hoe, ook daarover heeft men nog geen idee.

Voorts lees ik – dit is toch opmerkelijk – dat men de uitgaven zal normeren. Ik heb opgezocht wat dat precies betekent. Dat zou betekenen dat we bij andere overheidsdepartementen zoeken naar wat er misschien nog onder het petje van militaire uitgaven kan worden bijgeteld. Dat is niet meer of niet minder dan een boekhoudtruc, waarmee onze krijgsmacht niets is. Ik ben er voorstander van dat we kijken wat er met de gewesten en de gemeenschappen kan worden georganiseerd inzake militaire mobiliteit en investeringen waarvan de Belgische defensie kan profiteren, maar gemaakte uitgaven die al jaar en dag onder een bepaald petje vallen, nu onder militaire uitgaven inschrijven, is een boekhoudtruc waarmee onze krijgsmacht niets is.

Er is dus geen structurele verankering, zelfs dit jaar niet. Er zijn eenmalige financiële injecties voor dit jaar, maar zelfs die volstaan momenteel nog niet om aan 2 % te geraken voor 2025, laat staan voor 2026, 2027, 2028 en 2029. Dan zal immers heel dat circus, heel die carrousel opnieuw moeten draaien.

Mijnheer de minister, ik ben een partner in de zoektocht naar de structurele verankering van de ondergrens van de 2 %-norm voor de financiering voor onze strijdkrachten. ik vind dat bijzonder jammer en bijzonder teleurstellend dat u, nadat u 8 maanden hebt onderhandeld en 11 weken over defensie hebt heronderhandeld, nu met eenmalige injecties, zonder structurele financiering voor de 2%-norm komt, terwijl de geopolitieke situatie, die al bijzonder ernstig was, op ons continent nog veel erger is geworden.

Waar komt de 4 miljard extra voor dit jaar vandaan? Wat is daarvan structureel? Wat is daarvan eenmalig? Wat valt binnen en wat valt buiten de begroting? Graag kreeg ik daarover wat duidelijkheid.

Hebt u op zijn minst al een idee hoe u het in 2026, 2027, 2028 en 2029 zult aanpakken om de structurele verankering mogelijk te maken? Ik zou graag zien dat ook na 2029 de ondergrens van 2 %, die in juni nog zal worden opgetrokken; op zijn minst gehandhaafd kan blijven. Hebt u daarover al nagedacht?

Wanneer zult u naar het Parlement komen met een plan hoe de middelen zullen besteed worden? Ik begrijp dat nog niet alles afgeklopt kan worden. Ik begrijp ook dat uw strategische visie nog niet klaar is. Er wordt echter elke week in de pers een nieuw idee geponeerd, terwijl hier in het Parlement op nog geen enkele manier gesproken is over de 4 miljard. Met 4 miljard dit jaar kan men heel veel doen. We hebben hier in het Parlement nog op geen enkele manier duidelijkheid gekregen waaraan die middelen besteed zullen worden. Hebt u daarvan al een idee? Wanneer zult u met dat plan voor dit jaar naar het Parlement komen?

Ten slotte, ik heb al veel gehoord over de bijdrage van de deelstaten. In het regeerakkoord staat ook dat onderzocht zal worden in hoeverre de deelstaten kunnen betrokken worden. Vlaams minister-president Diependaele heeft al opgeworpen dat zulks niet mogelijk is, aangezien uitgaven voor initiatieven van de deelstaten niet in rekening kunnen worden gebracht voor de NAVO-norm.

Wij weten niet hoe het federaal defensiefonds eruit zal zien, maar de Vlaamse regering heeft wel al een Vlaams defensieplan opgesteld en een Vlaams defensiefonds opgericht. Ik heb de indruk dat de bevoegdheidsniveaus gewoonweg naast elkaar werken, langs elkaar leven. Daarom vraag ik u hoe het zit met de bijdragen van de deelstaten. Wat hebt u aan de deelstaten concreet gevraagd? Wat mogen we van de deelstaten verwachten? Hoe ziet u de samenwerking en coördinatie tussen het Vlaams en federaal defensiefonds? Ik zie op het moment door de bomen het bos niet meer. Men neemt allerhande maatregelen, maar er is op het moment geheel geen structuur. Ik had daarover graag wat duidelijkheid.

Annick Ponthier:

Dank u, mijnheer de voorzitter. Mijnheer de minister, het paasakkoord, waarvan het defensieakkoord een onlosmakelijk onderdeel is, heeft een aantal positieve punten naar voren gebracht. Zonder het over de rest van de inhoud te hebben, wil ik hier even dieper ingaan op de punten die met defensie samenhangen.

Al jaren is het Vlaams Belang er pleitbezorger van om de 2%-norm te halen. Al van toen de heer De Crem minister van Defensie was – waar is de tijd? – pleiten wij daarvoor. Het budget bleef echter alsmaar ongeveer hetzelfde, ook onder minister Vandeput zaten we op 0,97%, als ik me niet vergis.

Het is dus hoog tijd. Dit akkoord wordt geen dag te vroeg voorgesteld. Toch hebben wij, zoals ook de vorige vraagsteller al aangaf, nog heel veel vragen, met name over de invulling van de plannen. We hebben minstens evenveel vragen als het aantal aankondigingen op dat vlak in de media en dat waren er heel wat. Ten eerste, waar blijft het budgettair kader? Daarover hadden we het zonet al tijdens de regeling der werkzaamheden. Als parlementsleden tasten we eigenlijk, buiten de mededelingen in de media weliswaar, in het duister. We vangen allerlei verhalen op, we horen van overzichtstabellen en dergelijke, maar concreet weten we nog altijd niet waar deze regering de aangekondigde 3,9 miljard euro voor dit jaar zal halen.

Daarnet hoorden we premier De Wever in de commissie voor Binnenlandse Zaken. Hij had het over 1,2 miljard euro aan vennootschapsbelasting op de Russische tegoeden, waarvan al meteen 1 miljard euro naar Oekraïne vloeit. We hebben ook gesproken over de dividenden van Belfius voor een bedrag van 500 miljoen euro en dan hadden we het nog over de 2 miljard euro die buiten de EU-begroting wordt gehouden. Daar valt wel wat over te zeggen. U weet dat wij daar geen voorstander van zijn. We vinden het niet correct dat die factuur op de lange baan wordt geschoven, naar de volgende generaties. Ik weet dat minister Van Peteghem dat tot voor kort ook niet correct vond, maar blijkbaar is hij van mening veranderd. Wij denken dat er andere alternatieven zijn om dat budget te halen, niet alleen voor dit jaar, maar ook voor de komende jaren. Wat betreft de structurele uitgaven blijven wij dus op dit moment op onze honger zitten. Het budgettair kader ontbreekt. Dat is een eerste element.

Ten tweede, collega De Vreese heeft het vanmorgen in de commissie voor Binnenlandse Zaken gehad over een topakkoord. Eindelijk wordt de 2 %-norm gehaald. Ik heb haar echter gezegd dat die euforie misschien wel heel kort zal duren, want in juni komt er een NAVO-top aan waar de lat al meteen veel hoger zal worden gelegd. Op dat moment zullen we onze broek dus niet meer zelf kunnen ophouden, om het met de woorden van de eerste minister te zeggen.

Voorzitter:

Kunt u afronden, mevrouw Ponthier?

Annick Ponthier:

Ik vraag u om duidelijkheid te scheppen in de commissie, mijnheer de minister. Wat met de hocuspocus omtrent de andere uitgaven die u aankondigt inzake militaire mobiliteit en andere, wat met de structurele inspanning naar 2029 toe en daarna, en wat met betrekking tot de akkoorden die u hebt gesloten met de deelstaten of die u nog zult sluiten?

Robin Tonniau:

Mijnheer de minister, de arizonapartijen zijn het alvast over één zaak eens: dit jaar moet de NAVO-norm van 2 % gehaald worden. Hoe dat geld er komt of vanwaar het komt, maakt blijkbaar niet zoveel uit. Een deel zou komen uit tijdelijke en eenmalige investeringen, maar het grootste deel daarvan, 2 miljard euro, zou volgens de eerste minister buiten de begroting worden gehouden.

De Standaard publiceerde vandaag een tabel waaruit moet blijken dat er deze legislatuur maar liefst 4,8 miljard euro gewoonweg niet gefinancierd is. We zullen morgen kunnen controleren of dat klopt, wanneer u uw tabellen publiceert.

Wanneer het over pensioenen, het klimaat of ons openbaar vervoer gaat, krijgen we telkens opnieuw te horen dat er geen budgettaire ruimte is, maar voor de structurele aankoop van wapens en gevechtsvliegtuigen gaan alle sluizen open. Is dat nu orde op zaken stellen, zoals de N-VA belooft? De regering raakt het nog niet eens over waar dat geld vandaan moet komen en hoe we die 2 % zullen financieren, maar toch ligt er al een voorstel op tafel om naar 2,2 % van ons bbp te gaan tegen 2029. Men moet zich geen illusies maken, na die 2,2 % komt er 2,3 %, 3 % en wie weet ook de 5 % die Trump vraagt.

Mijnheer de minister, hoe kunt u verklaren dat het voor de structurele aankoop van wapens mogelijk is om dat buiten de begroting te doen, terwijl het onmogelijk is om de pensioenen of de klimaatcrisis aan te pakken of om ons openbaar vervoer te verbeteren? Waar zult u die jaarlijkse structurele budgetten voor defensie eigenlijk halen? Vanaf welk percentage van ons bbp geven wij volgens u genoeg uit aan defensie?

Binnen Arizona stellen de heren Mahdi, Prévot en Vandenbroucke voor om de sterkste schouders mee de factuur te laten betalen. Hoe staat u daartegenover? Kan dat voor u?

Peter Buysrogge:

Mijnheer de minister, we nemen een risico door hier nu al een klein debat te voeren hoewel we eigenlijk de bespreking van de beleidsnota en het budget zouden moeten afwachten, maar anderzijds is er een akkoord, dus is het goed dat we hierover toch al een actualiteitsdebat kunnen voeren.

De geopolitieke omstandigheden vereisen dat er inspanningen gebeuren, dat de huidige regering inspanningen levert. De regering heeft dat bij het afsluiten van het regeerakkoord ook al gedaan en heeft een duidelijk traject afgesproken om die 2 % tegen het einde van de legislatuur te halen. Nu worden die ambities nog opgetrokken en nog versterkt. Dat is volgens mij ook noodzakelijk, allereerst om ons defensieapparaat verder te kunnen versterken en ten tweede om solidair te zijn met onze partners in de huidige geopolitiek moeilijke omstandigheden. Eindelijk, zou ik zeggen. Mevrouw De Vreese heeft dat blijkbaar deze morgen ook al gezegd en ik herhaal het.

De ambities van de huidige regering staan toch wel in schril contrast met die van de regering-De Croo, die op dat vlak niet thuis gaf. Er is heel wat tijd verloren gegaan om naar dat heldere traject van 2 % te evolueren. Er bestond een vaag traject tegen 2035, dat aan vele voorwaarden gekoppeld was en budgettair niet hard kon worden gemaakt. Het is dan ook redelijk ironisch dat net nu de collega van Open Vld u hier de les komt spellen.

Mijnheer de minister, ik heb de volgende, heel concrete vragen voor u. Kunt u duiding geven bij het akkoord? Welke opschalingen zullen er met dat extra budget gebeuren, zowel op korte termijn als op middellange termijn, om defensie te versterken? Hoe zult u het Parlement verder bij het traject betrekken? Ik kijk uit naar uw antwoorden.

Philippe Courard:

Monsieur le ministre, nous ne remettons pas du tout en cause les 2 %. Je l'ai toujours dit: nous faisons partie du parlement de l'OTAN. Les messages sont clairs: il y avait, en effet, un retard à rattraper. Nous sommes donc favorables aux 2 % mais la question est de savoir comment y arriver.

Par le passé, des coupes importantes ont été effectuées sous le gouvernement Michel. La situation était devenue fort compliquée. Ensuite, Mme Dedonder avait peu à peu repris l'investissement. Mais le contexte international actuel nous pousse à atteindre les 2 %, "voire davantage", nous a dit le premier ministre. C'est effectivement le message que nous entendons de certains alliés.

Mais la question que nous nous posons vraiment est de savoir comment les financer?

Le premier ministre vient de dire que nous irions chercher les financements. Il ne faudrait pas trop toucher aux bijoux de famille car si nous les consommons maintenant, nous ne les aurons plus demain. Ce serait de la mauvaise gestion. Différents partenaires de la majorité s'expriment en disant: "Oui pour ceci mais pas cela…" Cela démontre une absence d'entente au sien du gouvernement pour atteindre l'objectif des 2 %.

Je pense aussi , à l'instar de la publication aujourd'hui dans De Standaard – et ce n'est pas le PS qui le dit! –: " Federale Defensie plan komt bijna vijf miljard euros te kort! " Manifestement, monsieur le ministre, notre inquiétude est grande et nous voudrions savoir d'où viendra cet argent et comment cet effort nécessaire sera financé dans la durée.

Je terminerai en indiquant que le premier ministre espagnol – socialiste que notre gouvernement ne considérera pas comme une référence, mais qui pour moi l'est beaucoup – a dit qu'"il atteindrait les objectifs, trouver les milliards nécessaires, sans toucher aux impôts, ni aux dépenses sociales et sans augmenter le déficit public". Il s'agirait, me semble-t-il, de s'en inspirer! Si vous venez avec des volontés d'achat de F-35, je pense qu'il s'agit plutôt d'un mirage!

Axel Weydts:

Beste collega's, ik denk dat het niet veel zin heeft om te verwijzen naar voorgaande regeringen. De afspraak om 2 % van ons bbp te besteden aan defensie dateert al van de NAVO-top van Wales in 2014, tien jaar geleden. Elke partij hier aanwezig heeft dus boter op het hoofd. In een van die regeringen van de afgelopen tien jaar zat ook een Defensieminister van N-VA-signatuur, die ook niet in de richting van die 2 %-norm is gegaan. Ik wil dus oproepen om te stoppen met de discussie over hoeveel vorige regeringen al dan niet hebben geïnvesteerd in defensie. We hebben allemaal boter op het hoofd.

In de discussie over de 2 %-norm zal ik blijven herhalen dat 2 % het middel is. Het doel is dat we meer veiligheid bereiken in ons land en in Europa. De discussie moet veeleer daarover gaan. Wat zullen we exact doen? Waaraan zullen we de extra middelen besteden? Hoe zorgen we ervoor dat ons land terug veilig is, dat ons land terug air defense -systemen kan krijgen, dat ons land de strijdt aanbindt met de hybride oorlogsvoering die tegenwoordig volop bezig is? Voor Vooruit is het belangrijk dat een deel van het beschikbare budget dat nu voor defensie wordt vrijgemaakt, ook geïnvesteerd wordt in het personeel, waarvan we straks een inspanning vragen op het vlak van pensioenen, terwijl er heel veel vragen zijn om het statuut van het militair personeel te verbeteren voor de toekomst. Zullen er alstublieft ook middelen voorzien worden voor een sociaal akkoord daaromtrent?

Mijnheer de minister, ik heb nog een kleine bijvraag over iets wat me een beetje stoort. In de beleidsverklaring lees ik – terecht – dat een en ander gebaseerd zal worden op het NDPP, het NATO Defense Planning Process, dat volop in ontwikkeling is. In de beleidsverklaring lees ik letterlijk dat er ook nieuwe verbintenissen zullen worden aangegaan, die met name voortvloeien uit de capaciteitsdoelstellingen, vastgelegd in het kader van het lopende NDPP-proces. Dan komt de zin waarover mijn vraag gaat: "Defensie is reeds op de hoogte van de gevraagde inspanningen." Uit goede bron weet ik ook dat Defensie daarvan reeds op de hoogte is. Zo werkt het ook, want er vinden gesprekken plaats tussen de NAVO en onze Belgische Defensie, om te bekijken welke capaciteiten wij moeten voorzien. Wat mij een beetje stoort, is dat Defensie daarvan al op de hoogte is, maar dat wij daarover in het Parlement nooit voorafgaand kunnen debatteren. Eigenlijk is dat op zich een debat waard. We moeten dat vandaag niet oplossen, maar die manier van handelen klopt democratisch gezien niet helemaal.

Voorzitter:

Collega François De Smet is afwezig en niet verontschuldigd.

Darya Safai:

Mijnheer de minister, ik ben tevreden dat we, ook al komt u binnenkort met uw beleidsnota, vandaag al over het budget van gedachten kunnen wisselen, want dat is nodig om de plannen te realiseren. Vandaag zullen we het dus hebben over het resultaat van de onderhandelingen.

Mijnheer de premier, alvast dit, wij staan achter de planning. Waar een wil is, is een weg. We moeten de middelen allemaal samen vinden en we zullen dat ook zeker doen.

De geopolitieke omstandigheden zijn veranderd en we hebben eigenlijk geen andere keuze dan het budget van Defensie heel snel op te schroeven. We zullen die middelen wel vinden, waar dan ook. Dat moeten we ook, want bij de top van Den Haag zal de 2 %-norm al achterhaald zijn. Dat is gewoon de realiteit. De oorzaak daarvan is dat de vorige regering gewoon niks heeft gedaan voor extra investeringen in Defensie, terwijl de oorlog in Oekraïne al meer dan twee jaar bezig is. In godsnaam, dat moest al eerder gebeuren. De arizonaregering is er dus mee bezig, maar dat is uiteraard een heel moeilijke taak. We zeggen niet dat het gemakkelijk is, maar we zijn hier allemaal – ik hoor hetzelfde verhaal van andere collega's – om de middelen te vinden.

Ik luister dan ook graag naar uw antwoord op de vragen over het paasakkoord, mijnheer de minister.

Luc Frank:

Monsieur le ministre, le gouvernement a décidé dans l'accord de Pâques de porter le budget de la Défense au niveau exigé par l'OTAN, soit 2 % du PIB, dès cette année. Il faut nous en féliciter. Je suis d'accord avec le collègue Weydts sur le fait qu'il ne sert à rien de toujours regarder vers le passé. Il est positif que nous ayons pris cette décision.

Cet accord comprend deux volets. L'un concerne le financement de ces 2 % et l'autre porte sur l'utilisation des fonds ainsi rendus disponibles. Pour ce qui est du financement, l'accord doit encore être précisé, notamment en ce qui concerne l'optimisation des actifs, mais cela relève des compétences du ministre des Finances ou du ministre du Budget.

J'ai néanmoins une question à ce sujet. Un certain nombre de dépenses qui ne sont pas prises en compte actuellement dans les dépenses de Défense le seront, afin d'atteindre plus facilement ces 2 %. Cependant, cela ne va pas renforcer nos capacités en tant que telles. Pourriez-vous nous donner des exemples de ces dépenses? A-t-on une idée du montant total des dépenses qui est espéré comme pouvant être pris en compte?

Pour ce qui est de l'utilisation de ces fonds, je tiens à rappeler que Les Engagés accordent une grande importance à la participation de la Belgique aux divers projets européens qui se mettent en place pour le moment. Nous espérons que cette participation fera partie des dépenses prioritaires, afin notamment de combler les lacunes capacitaires identifiées par le livre blanc. Pouvez-vous nous expliquer la façon dont ces objectifs européens seront pris en compte dans les dépenses à effectuer cette année?

D’autre part, avez-vous déjà une idée des équipements ou des munitions qui pourront être achetés cette année et qui pourront être comptabilisés par l’OTAN?

Mathieu Michel:

Monsieur le ministre, je profite de ces deux minutes pour vous dire que j'ai une grande chance – que je partage avec M. Van den Heuvel – d'être à la fois en commission de la Défense et en commission du Budget. Et je pense effectivement, comme vous l'avez rappelé, que toute une série de questions ne se posent pas à vous mais au ministre du Budget. En l'occurrence, il y a les deux questions essentielles de savoir où on va trouver les moyens – cette question sera posée en commission du Budget – mais surtout de savoir à quoi on va dépenser ces moyens.

Alors, je vous ai lu. Vous pensez que la première chose, c'est avoir les moyens. La deuxième, c'est avoir une vision stratégique. Et la troisième, vous l'avez évoquée et j'en suis rassuré, c'est aussi penser au personnel. C'est une préoccupation que je partage avec le collègue Weydts également.

Au sujet des dépenses, je souhaite vous rendre attentif à la vision de mon parti qui est de considérer que la défense ne se limite pas aux dépenses militaires mais aussi à la sécurité intérieure et aux nouvelles formes de guerres, y compris les guerres hybrides. Dès lors, la question essentielle pour nous, au-delà du fait de savoir où nous trouverons les moyens pour honorer ces 2 % d'engagement, est de savoir à quoi vont être dépensés ces montants pour qu'ils soient les plus utiles possible.

Monsieur le ministre, comment compte-t-on répartir ces quatre milliards supplémentaires de dépenses d'ici la fin de l'année 2025, notamment en termes d'achat de munitions, de nouveaux matériels et autres? Peut-on détailler aujourd'hui la répartition des dépenses belges de défense en équipements, opérations extérieures, cyberdéfense et éventuellement protection de sites stratégiques civils? Pouvez-vous nous préciser quelle part de ces dépenses sont consacrées justement à cette sécurité intérieure et avec quelle forme de concertation avec votre collègue Quintin, notamment en matière de cybersécurité et de protection des infrastructures critiques? En ce qui concerne les questions de budget, je les poserai au ministre du Budget.

Koen Van den Heuvel:

Mijnheer de voorzitter, ik heb een heel korte vraag.

Zoals de vorige sprekers al hebben aangegeven, leven wij in een andere tijd. Ik ben altijd enigszins verrast door de toon van sommige aanwezigen hier die doen alsof wij in een andere wereld leven. Wij leven niet meer in de jaren negentig of tweeduizend, waarin wij discussieerden over het vredesdividend. Wij leven nu in een totaal andere geopolitieke situatie. Er is ook een zekere urgentie. Het is al opgemerkt, 2014 is tien jaar geleden. Als wij geloofwaardig willen blijven, moeten wij de bijdrage van 2 % absoluut halen.

Er wordt ook beweerd dat die bijdrage concurrentie voor de sociale uitgaven is. Ik wil toch even herhalen dat wij het nu over 4 miljard euro hebben. Dat is 4 miljard euro, maar er komt niet elk jaar 4 miljard euro bij. In de pensioenuitgaven komt er elk jaar 4 miljard euro bij. In 2029 zijn de pensioenuitgaven dus niet 4 miljard euro hoger dan vandaag maar bijna 20 miljard euro hoger. Voor de gezondheidszorg is dat ruim 3 miljard euro elk jaar erbij. In het huidige regeerakkoord is immers de groeinorm voor de gezondheidszorg bewaard.

Eerlijkheidshalve moet ik dus de leden tegenspreken die beweren dat Defensie concurrentie is voor de sociale uitgaven. Dat klopt niet. Het gaat hier om een en-enverhaal, waarover wij ook waken. Het is niet meer dan oprecht dat ter zake de juiste cijfers worden gebruikt.

Belangrijk is wat de heer Michel zich hier in de commissie heeft afgevraagd. Wat zal er met het extra budget gedaan worden? Die prioriteiten zullen wij graag van de minister horen. Wij zullen ze de komende weken horen. Dat is vandaag nog niet aan de orde. Voor ons is de grote uitdaging dat de extra miljarden euro op de juiste manier worden gebruikt. Verder moet ook de rol van de deelstaten de komende weken duidelijk uitgeklaard worden.

Theo Francken:

Merci beaucoup pour toutes vos questions. Je pense qu'il s'agit là d'un débat intéressant et essentiel.

Ten eerste, hier wordt geïnsinueerd dat ik een tabel zou gelekt hebben aan de pers en dat ik dus in die zin het Parlement de primeur zou ontnemen. Ik heb me er zelf in het verleden nogal dik over gemaakt wanneer dat gebeurde. Het zou nogal hypocriet zijn, mocht ik dat zelf doen. Ik heb dat niet gedaan. Daar ben ik heel formeel over. Het komt niet van mij. Ik heb dat niet gelekt naar de pers. Ik doe dat niet. Ik vind dat niet correct. Ik vind dat het Parlement als eerste geïnformeerd moet worden over zo'n belangrijke budgettaire kwestie.

Ten tweede, ik heb gezegd dat de begroting morgen wordt ingediend, volgens mijn informatie waar ik op dit moment over beschik. Dat heb ik gezegd. Ik wil dat nog eens heel duidelijk zeggen. Ik kan me voorstellen dat morgen bij het begin van de plenaire vergadering gezegd zal worden dat de minister van Defensie zei dat het er zou zijn, maar dat men die tabel nog niet gekregen heeft. Volgens de informatie waarop ik op dit moment beschik, als bescheiden minister van Defensie en dus niet als minister van Begroting of als vice-eersteminister of eerste minister, zal dat morgen gebeuren. Mocht het pas vrijdag of maandag of dinsdag gebeuren, dan moet u daarvoor bij de minister van Begroting zijn. U moet daarvoor niet bij mij zijn, want de tabellen die ik moest indienen zijn volledig klaar.

Bonjour à toutes et tous. Avant les vacances de Pâques, le gouvernement a conclu un accord important pour renforcer la crédibilité internationale et la sécurité de notre pays. Il s'agit d'un accord portant sur l'accélération du mouvement de renforcement de notre défense.

L'accord de gouvernement prévoyait déjà une accélération de cinq ans par rapport au programme de gouvernement précédent, dans le sens où l'objectif d'un effort de défense équivalent à 2 % du PIB devait être atteint d'ici la fin de cette législature, en 2029. Compte tenu du contexte géopolitique actuel, il va sans dire que cette mesure est insuffisante.

Dat is hier ook door verschillende collega's gezegd.

C'est pourquoi nous avons pris les mesures nécessaires pour garantir d'atteindre cette norme de 2 % dès cette année.

Wij behoren tot de slechtste leerlingen van de klas. Ook Italië en Spanje deden het niet goed. Spanje heeft vandaag aangekondigd dat het de 2 % zal bereiken. Hoe het die zal financieren enzovoort, laten we daar nog even op wachten. Ze zeggen dat het niet zal gebeuren via besparingen maar alleen door nieuwe belastingen te heffen. Dat wil ik wel allemaal nog even afwachten. Ik meen dat daar ook in Spanje nu nog geen duidelijkheid over is.

Hetzelfde geldt voor Italië. Italië heeft vorige week beslist dat het die 2 % dit jaar wil behalen, net als Spanje. Ik meen dat zo iedereen die 2 % bevestigd heeft, of zo goed als iedereen. Misschien Luxemburg nog niet, maar ik heb begrepen van mijn collega dat men ook daar binnen de regering volop aan het bespreken is om nog voor de NAVO-top een move te doen. We zullen zien hoe dat afloopt.

Dat betekent dus eigenlijk dat wat wij doen echt wel nodig was. Anders zouden we het enige land geweest zijn dat voor de NAVO-Top geen 2 % haalde. Dat zou bijzonder beschamend zijn en het zou alleen maar pijnlijker worden. Dan zou u vandaag heel andere vragen stellen, bijvoorbeeld hoe het in godsnaam kan dat iedereen samenkomt om die 2 % nog dit jaar te behalen behalve wij en of we soms blind zijn. Op welke planeet leeft men dan? Ik meen dat we het juiste hebben gedaan.

Daarmee zal dit land eindelijk voldoen aan een belofte die het ondertussen al meer dan een decennium geleden deed aan onze NAVO-bondgenoten. Dit is de grootste investering in defensie in 40 jaar. Hiermee herstellen we niet alleen de geloofwaardigheid van onze defensie, maar ook de diplomatieke geloofwaardigheid van ons land.

Ce gouvernement veut envoyer un signal clair à la communauté internationale: elle peut compter sur nous! Nous sommes aux côtés de nos alliés et de l'Ukraine, prêts à faire notre part pour assurer la sécurité du monde occidental.

Het gaat om een grote extra inspanning, die voor dit jaar ongeveer 3,9 miljard euro bedraagt. We zullen dat verwezenlijken via extra financiering via ten eerste de vennootschapsbelasting op de zogenoemde frozen assets . Er wordt beweerd dat het om eenmalige inkomsten gaat, maar dat klopt niet, want die belasting wordt al verschillende jaren geheven en dat zou nog enkele jaren kunnen duren. Dat zullen we nog bekijken. Het is natuurlijk ook niet oneindig.

Vervolgens gaat het om extra financiering via een dividend van Belfius, via een juistere normering van onze uitgaven, zodat die worden aangerekend voor de NAVO-norm, en via een tijdelijk hoger tekort. Deze legislatuur zal de schuldgraad evenwel niet stijgen. Een gezonde begroting blijft voor de regering evenzeer een absolute prioriteit.

In verband met de NAVO-top in juni en het traject vanaf 2026 zal de regering in de ministerraad beslissen hoe aan een eventuele – maar hoogst waarschijnlijke – hogere NAVO-doelstelling gevolg gegeven zal worden. We zullen die beslissing afwachten. Er wordt gesproken over 3 % en 3,5 %. Sommigen spreken over 5 %. De vraag is ook welk tijdstraject voor de nieuwe doelstelling zal gelden. De 2 %-norm moest binnen tien jaar na de ondertekening in Wales gehaald worden. Nu zal het akkoord in Den Haag worden ondertekend. Men moet het percentage en het tijdstraject samen bekijken. Er lopen veel onderhandelingen. We wachten de resultaten in juni af.

De minister van Financiën krijgt de opdracht om vóór 1 juli een defensiefonds op te starten, op termijn gefinancierd met publieke activa en private middelen. Dat wordt een instrument dat het mogelijk maakt om strategisch te investeren in hightech, innovatie en industrie. Zo bouwen we mee aan een modern defensie-ecosysteem met oog voor economische groei en werkgelegenheid.

Sinds mijn aantreden als minister van Defensie heb ik aan talrijke vergaderingen op internationale fora deelgenomen. In die vergaderingen en in de pers circuleren verschillende percentages die onder andere de secretaris-generaal van de NAVO en de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken naar voren schoven. Wat die percentages gemeen hebben, is dat ze allemaal hoger liggen dan 2 %. Het lijkt me dan ook duidelijk dat de NAVO-norm van 2 % bbp weldra zal worden verhoogd. Daarom zullen we binnen de regering na de NAVO-top in Den Haag bekijken hoe we aan een eventuele hogere NAVO-doelstelling en het groeipad daar naartoe gevolg kunnen geven.

De besteding van die middelen door Defensie zal in eerste instantie worden uitgewerkt in mijn beleidsnota die samen met de begrotingsdocumenten en -tabellen zal worden ingediend in het Parlement. Normaliter zal ik die presenteren in de loop van volgende week of de week daarna. Dat moeten we met de Kamerdiensten bekijken. Daarna zal ik v óór 1 juli een strategische visie voorstellen waarin zal worden toegelicht hoe de bijkomende middelen besteed zullen worden. In grote lijnen zullen de extra investeringen worden gebruikt om de capaciteitsdoelstelling te bereiken die aan België door de EU en de NAVO zijn opgelegd.

Cette vision stratégique sera soumise au Parlement par le biais de la loi de programmation militaire. Les différents dossiers relatifs aux achats seront bien entendu soumis à la commission chargée du Contrôle des achats et des ventes militaires.

Het is evident dat dit een commissie achter gesloten deuren is, maar een aantal andere aankopen zullen gewoon in openbare vergadering worden besproken. Daar is niets mis mee. We hebben straks nog een actualiteitsdebat over de F-35 en er zijn nog andere aankopen, maar u weet dat de prijs, de concurrentie en andere zaken in een besloten vergadering moeten worden besproken. Daarover bestaan er duidelijke regels.

We streven daarbij naar investeringen die een positief effect hebben op zowel de nationale als de Europese economie. Daarnaast zal er ook aandacht zijn voor het personeel, de hoeksteen van onze organisatie. Met de specificiteit van het militair statuut zal terdege rekening worden gehouden om een sociaal akkoord te bereiken met de vakorganisaties.

Het spreekt voor zich dat als de regering beslist om na de NAVO-top te voldoen aan een hoger NAVO-percentage, de minister van Defensie een aangepaste strategische visie aan de ministerraad zal voorstellen. Het zal geen nieuwe strategische visie zijn maar een soort annex. Er komt nu 21 miljard bij, maar als er daar nog bij zou komen, dan zult u mij vragen waarvoor dat extra geld zal dienen. Dan zal ik daarmee naar het Parlement komen en zal dat worden aangepast. Dat zal dan in het najaar zijn.

Ik meen dat we toch beter al met iets komen vóór de NAVO-top, ook wat betreft de strategische visie en het aankoopprogramma. Ik zou kunnen zeggen dat ik alles pas in het najaar zal doen, omdat dat we dan een volledig zicht op het budget zullen hebben, maar ik heb altijd gezegd dat we het vóór 21 juli in de Kamer zouden bespreken en ik zal proberen mij daaraan te houden. Mocht de Kamer daarover een ander oordeel hebben, laat het mij dan weten, dan kan ik mijn mensen een paar versnellingen lager doen schakelen.

Wat betreft de NAVO-norm an sich, zal ik samen met de minister van Begroting aan alle federale en regionale departementen vragen welke lopende en toekomstige uitgaven, inclusief investeringen en dual-useprojecten, onder de NAVO-norm kunnen worden gebracht. Deze oefening kan breder gaan dan louter defensie-uitgaven, maar moet gaan over uitgaven die inzake normering tellen voor de NAVO-norm. De discussie over de NAVO-norm is helder. Er wordt soms gezegd dat het ene land dit en het andere land dat doet, maar het is vrij duidelijk wat men onder de NAVO-norm kan brengen en wat niet. Dat is geen rocketscience.

We zullen in deze oefening ook onderzoeken welke wijzigingen er moeten gebeuren om lopende en toekomstige uitgaven en investeringen te structureren zodat ze wel onder de NAVO-norm vallen. Ik heb van in het begin de opdracht gegeven om nog eens met de luizenkam door alle federale uitgaven te gaan om te bekijken wat we mogelijks kunnen aanrekenen als NAVO-uitgaven. Daar zitten wel dingen tussen.

Er worden vragen gesteld. Als we bijvoorbeeld het kustwachtvliegtuig aankopen – dat zit een ander project – in een aanbesteding of een parallelle tender, kunnen we dat dan aanrekenen als NAVO-uitgave als we daar een defensiestempel op zetten? Dat is natuurlijk een interessante zaak. Dat is voor de kustwacht, maar als we dat militair aankopen, kunnen we dat wel aanrekenen voor de NAVO volgens de definitie.

Ik heb het ook gehad over de pensioenen van de miliciens. Dat is een bedrag van 180 miljoen euro, dat tot nu toe nog nooit werd meegeteld. Dat zouden we wel kunnen doen. Dat is geen extra operationeel budget voor Defensie, maar we moeten proberen dat te laten meetellen voor de NAVO-normering als we 2 % of misschien zelfs nog meer moeten halen en reeds grote budgettaire problemen hebben in dit land. Als we dat niet doen, is dat immers redelijk dwaas. Dus natuurlijk moeten we dat doen. Het is toch evident dat men eerst bekijkt wat we allemaal al doen? Het is immers niet zo dat we geen groot overheidsbeslag hebben in dit land. We geven al redelijk wat geld uit. Dus misschien kunnen we eerst eens bekijken naar wat we kunnen aanrekenen als NAVO-uitgave.

Gaat dat over miljarden? Nee, dat gaat over honderden miljoenen. Dit jaar is het bijvoorbeeld 125 miljoen. Zullen we die hebben? Ja, we zullen die vinden. De komende jaren zal dat wat meer zijn. Zullen we dat proberen te vinden? We zullen dat moeten proberen. We zullen er alles aan doen.

Wat met de regio's? De regio's doen bepaalde dingen die NAVO-aanrekenbaar zijn, zoals enablement . Bij het aanpassen van een brug zodat er diepladers met tanks door kunnen, opdat er oostwaartse mobiliteit kan plaatsvinden, kan het stuk voor de forward mobility aanrekenbaar zijn voor de NAVO-norm. Als een brug versleten is en men wil gewoon een nieuwe brug, dan is dat niet NAVO-aanrekenbaar, want dat heeft niets te maken met de mobiliteit van militaire eenheden. Dat gaat dan gewoon over een versleten brug. De aanpassing van een kaai voor het gemakkelijk laten landen van troepen en faciliteren van troepentransport is als specifiek luik NAVO-aanrekenbaar. De aanleg van een nieuwe kaai voor alle mogelijke containerschepen is dat natuurlijk niet. Het moet wel specifiek met een militaire doelstelling gebeuren. Daarvoor moet er verder worden gepraat, ook met de deelstaten.

Het defensieplan van de deelstaten in Vlaanderen is heel goed. Daar zitten zaken in die NAVO-aanrekenbaar zijn, maar niet alles. Het aankopen van een bedrijf of het inkopen in een defensiebedrijf is niet NAVO-aanrekenbaar. Zo niet zouden we de aankoop van FN Herstal kunnen meetellen en dan zou ons probleem bijna opgelost zijn. Sommige zaken zijn dus NAVO-aanrekenbaar en andere zaken niet. Een defensiefonds dat participaties neemt in start-ups, in scale-ups, in defensiebedrijven, om dat kapitaal te versterken en om ze sterker te maken in het kader van de Europese ontwikkelingen zijn niet NAVO-aanrekenbaar.

Dat neemt niet weg dat men dat moet doen. Ik denk dat het daartoe het geschikte moment is. Dat kan mijns inziens op de lange termijn heel lucratief zijn voor de overheid. Kortom, niet elk debat gaat over de NAVO-aanrekenbaarheid, ook al vormt dat wel het belangrijkste thema.

We moeten twee zaken doen. Ten eerste, we moeten de NAVO-norm halen. We moeten ervoor zorgen dat we dat op een goede manier doen, door met de luizenkam door de uitgaven te gaan en te controleren wat NAVO-aanrekenbaar is. Van welke uitgaven hebben we vroeger niet gezien dat ze dat zijn en die moeten we erbij tellen. Ten tweede, we moeten onderzoeken hoe we onze industrie kunnen versterken. Als initiatieven ter zake NAVO-aanrekenbaar zijn, is dat goed. Als het niet aanrekenbaar is, moeten we dan niets doen? Neen, dat mag ons er niet van weerhouden om nu te schakelen. Er lopen twee parallelle sporen waarvoor de regering duidelijke instructies heeft gegeven aan zowel Jan Jambon als aan mezelf.

De richtlijnen van de NAVO inzake normering zijn duidelijk. De vraag is evenwel of wij in het verleden te conservatief in verband met de normering waren. Daarbij rijst de vraag of regionale uitgaven ook voor de verwezenlijking van de norm kunnen meetellen. De NAVO is daar in haar richtlijnen expliciet over: dat kan niet. Er wordt echter tegelijkertijd in een voetnoot marge gelaten. Dus moeten we dat onderzoeken. Dan gaat het – ik herhaal het – niet over nieuwe uitgaven, ook geen regionale, maar wel over bestaande uitgaven. Voor de NAVO tellen uitgaven van deelstaten, van regionale overheden, niet, maar er is een uitzondering, onder andere in het kader van forward mobility . In die zin zijn er toch nog mogelijkheden. We zijn dat verder aan het onderzoeken en we hebben dat allemaal onder controle. We zijn daar volop mee bezig.

Gezien de algemene dreiging, die door het OCAD werd vastgesteld op niveau 3, het huidige capaciteitstekort van de Directie Beveiliging (DAB) van de federale politie en de wil van de regering om Defensie te betrekken bij binnenlandse veiligheidstaken, onder meer om politiediensten vrij te maken voor de versterking van de strijd tegen criminaliteit, zal Defensie met Binnenlandse Zaken een protocol sluiten vóór 1 mei. We hebben dus nog een paar dagen. Het ligt nu weer bij de diensten van minister Quintin.

Zo kunnen we, in afwachting van het passende juridisch en operationeel kader en de oprichting en de operationalisering van de territoriale reserve, zo snel mogelijk instaan voor de beveiliging van bepaalde gevoelige nucleaire sites. Ook daarover is een akkoord gesloten. Ik zal binnen de kortst mogelijke tijd met een passend juridisch kader komen omwille van de veiligheid en de rechtszekerheid van onze militairen. Ik heb daar gisteren nog lang over vergaderd en dat is vrijwel klaar. Ik zal dat zo snel mogelijk aan de regering voorleggen, waarna ik de tekst als wetsontwerp in het Parlement zal indienen.

Conclusie, het is een compromis. Ben ik chaud om de beveiliging van de nucleaire sites opnieuw over te nemen? Neen. U kent mijn mening daarover. Het regeerakkoord is duidelijk. Ik ben wel heel gevoelig voor de problematiek, onder andere in Anderlecht en gisteren nog in Schaarbeek, en voor het feit dat er bijna geen federale reserve en federale politie beschikbaar is om in Brussel extra ondersteuning te bieden in die probleemwijken. We moeten de minister van Binnenlandse Zaken steunen. Ik heb ook begrepen dat verschillende partijen opriepen om onze militairen niet in Oekraïne in te zetten, maar ze hier de straat op te sturen. We zullen de militairen op de sites inzetten en de taak van politiemensen gedeeltelijk overnemen, zodat die laatsten in Brussel op straat de veiligheid kunnen handhaven. Dat zal vrij snel gebeuren: op 1 juli zullen zij al de beveiliging op de eerste sites op zich nemen.

Er moet tegelijk parallel absoluut een duidelijk inzetkader komen. Dat is bijna klaar en ik zal dat aan de regering voorleggen. De inzetregels zijn immers niet duidelijk en het is heel frustrerend voor onze troepen dat ze dergelijke taken moeten overnemen. De territoriale reserve wordt opgebouwd en uitgebouwd. Vanaf september beginnen we met de jongeren, maar daarnaast is ook de reserve in aantrek. Ook op dat vlak komt er een versoepeling van de regels, bijvoorbeeld inzake leeftijd en medische voorwaarden. Daar zijn we ook mee bezig. Wij zijn dus parallel bezig met een aantal punten.

Mijnheer Vander Elst, nogmaals, ik sta honderd procent achter het Vlaams defensiefonds en wij zullen onderzoeken of initiatieven in dat verband al dan niet NAVO-aanrekenbaar is. Het is echter niet omdat wij zaken zullen doen via de FPIM dat geen zaken via de PMV kunnen gebeuren. Ik heb er helemaal geen probleem mee dat Vlaanderen het licht ziet inzake defensie en naar een meer realistischere koers switcht. Ik zal de eerste zijn om dat toe te juichen. In het verleden waren de exportvergunningen nooit een gemakkelijke kwestie voor Vlaanderen. Wanneer er ter zake enig realisme aan de dag wordt gelegd, is dat goed. Ik ben ervan overtuigd dat de minister-president dezelfde visie is toegedaan. Ik heb een officieel onderhoud met hem gehad. Dat was een van de conclusies.

Mijnheer Weydts, inzake de NDPP’s wil ik er toch even aan herinneren dat ik tijdens de vorige legislatuur specifiek daarover een voorstel van resolutie heb ingediend met het oog op meer transparantie in dat proces en vooral in de uitkomst. Aangezien het daarbij om geheime documenten gaat, kan ik die niet delen hier. Nederland doet dat wel. Wat is echter het punt? Bij het begin van een proces moet worden aangekondigd dat de documenten publiek zullen worden gemaakt in het Parlement. Voor de NDPP’s 2025 zijn wij dus te laat. Dat proces is immers een paar jaar geleden begonnen. Nu zouden wij dus een brief moeten sturen naar de NAVO om te melden dat wij met de volgende NDPP’s zoals Nederland publiek naar buiten zouden komen en transparantie zouden geven aan de Kamer en dus aan alle inwoners van het land. Dat betekent dat ik de komende weken of maanden een brief zou moeten sturen aan de NAVO om te melden dat NDPP 2025 is afgerond en dat wij met NDPP 2029 publiek naar buiten zullen treden. Ik zou dus moeten aangeven dat de NAVO moet weten dat wij een deel publiek zullen maken en in het Parlement zullen bespreken omwille van de transparantie en de democratische controle.

Ik zal inderdaad die brief naar de NAVO sturen. Ik zal proberen consequent te zijn met het voorstel van resolutie dat ik tijdens de vorige legislatuur heb ingediend. Het is niet altijd gemakkelijk om consequent te zijn met voorstellen die men zelf heeft gedaan. Dat is een bijzonder moeilijke evenwichtsoefening. Het is aan de oppositie om een en ander goed in de gaten te houden; zij zal er ongetwijfeld veel plezier aan beleven om een en ander onder mijn neus te duwen.

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. U hebt nog eens goed uiteengezet dat alle NAVO-partnerlanden de 2 %-norm zullen halen. Wie nu nog denkt dat dat voor ons te veel of overbodig is, of dat we in andere zaken moeten investeren, hallucineert volgens mij. We moeten mee.

Dat moet weliswaar op een structurele manier gebeuren en daaromtrent blijf ik wat op mijn honger. Ik weet dat ik wellicht de beleidsnota en de tabellen moet afwachten om te bekijken waar precies de financiële middelen naartoe gaan en vanwaar ze zullen komen. In de opsomming die u maakt, hebt u het over de Russische tegoeden. Die zullen nog wel een aantal jaren lang een bron van inkomsten zijn. Dat klopt zeker, maar dat zijn geen structurele middelen waarop u kunt rekenen, waarop u kunt bouwen, waarmee u de strategische visie die u plant, kunt uitwerken voor de komende vijftien tot twintig jaar. Dat gaat gewoon niet. Er moet dus meer werk gemaakt worden van een structurele financiering en op dat vlak blijf ik echt op mijn honger.

Wat het NDPP (NAVO-defensieplanningsproces) betreft, heb ik ook een mondelinge vraag ingediend, maar die komt vandaag wellicht niet aan bod, aangezien die helemaal onderaan de agenda staat. Ik ben blij dat u een stap zet naar openheid en transparantie in het Parlement. Dat vind ik een goede zaak, waarvoor ik zeker applaus wil geven. Wat de financiële middelen en de structurele verankering betreft, kijk ik uit naar de beleidsnota, maar ik vrees voor heel veel eenmalige ingrepen. Volgens het regeerakkoord zou ons land opnieuw een modelbondgenoot binnen de NAVO worden en het paasakkoord spreekt over een solidaire bondgenoot, maar zonder structurele financiële verankering vrees ik dat we financieel niet solidair genoeg zullen zijn, waardoor we op dat vlak nog steeds een ongeloofwaardige bondgenoot zijn. Hopelijk worden we deze legislatuur ten minste een structurele bondgenoot, maar daarvoor kijk ik uit naar uw beleidsnota.

Annick Ponthier:

Mijnheer de minister, dank u voor uw uitgebreide en gedetailleerde antwoord.

Het moet worden gezegd, onze geloofwaardigheid op internationaal vlak staat op het spel. U weet dat ongetwijfeld. Dat we die 2 %-norm behalen tegen de NAVO-Top in Den Haag in juni lijkt me een zekerheid. Die vraag is dus niet aan de orde. De manier waarop die norm wordt bereikt, is natuurlijk wel een vraag. Op dat vlak blijven we op onze honger.

U hebt de middelen voor dit jaar toegelicht. Daarvoor wordt de trukendoos bovengehaald. Ik heb het al gehad over de EU-middelen die buiten de begroting zullen worden gehouden. U zegt dat de schuldgraad deze legislatuur niet zal stijgen, maar dat is natuurlijk pertinent onjuist. Dat weet u ook. De schuldgraad wordt opgebouwd doordat u die 2 miljard uit de begroting houdt. Zo bouwt u schulden op voor de toekomstige generaties. Nochtans is dat iets waarvan deze regering initieel gezegd had dat ze het niet zou doen. Op dat vlak stelt u dus wel teleur.

Een tweede vraag die we ons moeten stellen, is waaraan het geld wordt uitgegeven. We wachten uw beleidsnota natuurlijk af, maar ik vind dat we onze eigen veiligheid moeten vooropstellen: onze cyberveiligheid en de beveiliging van onze kritieke infrastructuur. Dat lijkt me echt wel een dringende nood.

U zegt ook dat u met een luizenkam door de overheidsuitgaven wil gaan. U kent onze voorstellen ter zake. Wij pleiten voor het besparen op onze EU-bijdrage. We moeten korting bedingen op dat vlak. Nederland probeert dat te doen door te onderhandelen. Wij hebben het ook over besparen op ontwikkelingshulp en dergelijke, en over een efficiëntere overheid. Op dat gebied is er nog wat werk aan de winkel de komende jaren. We volgen dat zeker op.

Robin Tonniau:

Mijnheer Francken, u hebt al duidelijk gemaakt dat we morgen dan toch geen begrotingstabel mogen verwachten. Hopelijk krijgen we die dan volgende week. Het debat ging eigenlijk vooral over de vraag waaraan we ons defensiebudget willen spenderen. Ik heb die vraag bij verschillende fracties gehoord. Kopen we veel munitie aan? Gaan we voor die 35 extra fregatten luchtafweergeschut? Willen we ook investeren in personeel? Daarvan ben ik zelf voorstander.

We hebben de vakbonden hier in onze commissie gehoord. De lonen zijn bijzonder laag voor de uren die worden geklopt en de werkomstandigheden zijn absoluut ondermaats. Dus ja, we moeten investeren in het personeel van Defensie. Waar moet dat geld evenwel vandaan komen? Dat is de vraag die u moet beantwoorden en die u nog altijd niet kunt beantwoorden. Waar denkt u die miljarden te halen? U wilt die onder meer halen bij het personeel van Defensie. Onder uw ministerschap zal het personeel van Defensie langer moeten werken voor een lager pensioen. Dat zijn de feiten.

U schrijft op uw sociale media: "Defensie is business." Ik geef u gelijk, Defensie is big business. De winstmarges van Rheinmetall gaan door het plafond. Die zijn fenomenaal, tot zelfs 1.850 %. Dat zijn ook de krachten die hier spelen. De industrie speelt hier op ons in om de sluizen open te zetten voor Defensie. Er is bijna geen concurrentie. Het kan niet op. Die kracht speelt hier en dat voelt men, maar het is een kracht waartegen wij zullen vechten.

Peter Buysrogge:

Mijnheer de minister, ik wil eerst ingaan op het laatste punt van collega Tonniau. Het is belangrijk om na te gaan hoe we onze eigen industrie hierin kunnen betrekken. Dat is ook goed voor alle arbeiders die in die fabrieken werken. We moeten niet alleen kijken naar wat er internationaal geïnvesteerd moet worden – wat moet er in Frankrijk of Amerika worden geïnvesteerd – maar moeten ook proberen na te gaan hoe onze eigen Vlaamse, Waalse en Brusselse industrie daar ook van kan genieten en hoe ook de medewerkers die in die industrie werken, daarvan kunnen genieten.

Mijnheer de minister, proficiat met uw stevig akkoord. Het is belangrijk dat de regering een stevige versnelling plaatst om Defensie op te schalen en dat we op die manier ook aantonen dat we solidair zijn in internationaal verband, waar we achterophinkten met al onze budgettaire beperkingen. Het is dus goed dat die inspanning gebeurt.

Er moeten nog verder worden uitgeklaard hoe dat allemaal kan worden geconcretiseerd en hoe dat structureel kan worden verankerd. Voor mij als voorzitter is het wel van belang om de betrokkenheid van het Parlement te kunnen garanderen met een deftige bespreking van de beleidsnota gekoppeld aan het budget, met een actualisatie van de strategische visie, met een aanpassing van de militaire programmeringswet, met concrete dossiers die in een besloten commissie besproken worden en met wetsontwerpen. Kortom, collega's, ik denk dat er ook voor ons de komende maanden nog heel wat werk op de plank ligt en ik kijk uit naar een goede samenwerking.

Philippe Courard:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos nombreuses réponses. Toutefois je reste sur ma faim concernant la problématique du financement. Je suis inquiet. Où trouvera-t-on cet argent? Comme indiqué dans l'article, il est question de 5 milliards de trop. Comptabilise-t-on les 4 milliards nécessaires à l'allongement de carrière des militaires? Car la traduction claire de cet allongement de carrière engendrera un certain coût pour la Défense.

Je suis aussi inquiet pour la défense européenne. Certes, le discours est clair, mais comme il est question de racheter des F-35 aux é tats-Unis, mettrons-nous véritablement l'accent sur cette défense européenne?

Vous avez évoqué la nécessité et l'importance d'une santé budgétaire, et cela fait partie des points d'attention du gouvernement. Cependant, j'ai malgré tout l'impression que ce sera la classe moyenne qui devra casquer pour atteindre les objectifs précités, et c'est ce que je déplore.

Axel Weydts:

Dank u, mijnheer de minister, voor uw omstandige antwoorden. Ik vond het heel interessant. Vooruit is heel blij dat er ook middelen zullen worden besteed aan het statuut van het personeel. We weten allemaal wat er moet gebeuren. De vragen van de vakorganisaties zijn zeer duidelijk. Het is dus een heel goede zaak dat we ook in die richting kijken en dat een groot deel van het voorziene extra budget voor Defensie ook naar het personeel kan vloeien. Men mag capaciteit aankopen zoveel men wil, maar zonder gemotiveerd personeel om dat te bedienen, staat men nergens.

In datzelfde kader ben ik het ook volledig met u eens dat er zo snel mogelijk een juridisch kader moet komen voor de inzet van de militairen bij statische bewakingsopdrachten. Laten we de frustratie die al heel lang leeft, zo snel mogelijk wegwerken. Ook de oprichting van de territoriale reserve zal een belangrijke zaak zijn. Ik weet dat u dat niet van vandaag op morgen kunt oprichten. Het zal tijd vragen, maar zal ook belangrijk zijn.

Ik ben ook heel tevreden met het feit dat er meer transparantie komt richting het NDPP (NATO Defence Planning Process), wat heel belangrijk is voor het Parlement en onze democratie. Er kunnen ook zaken achter gesloten deuren worden besproken. Als zaken niet vatbaar zijn om openbaar te worden gemaakt, dan kunnen we in dit Parlement democratische transparantie bieden achter gesloten deuren.

Darya Safai:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, het geld dat we in Defensie pompen, is niet per se verloren geld. We kunnen daar ook veel uithalen. Investeren in onze Defensie zal ook geld opbrengen, evenals werkgelegenheid. Het is een goeie zaak voor onze economie.

Diplomatie is vandaag niet meer genoeg om een relatie met andere landen op te bouwen. Autocratieën, zoals Rusland en Iran, werken niet meer alleen via diplomatie. De actualiteit duwt ons richting een sterkere Defensie, zodat we onszelf kunnen verdedigen.

Volgende week zetten jullie deze debatten voort. Spijtig genoeg zal ik er dan niet bij zijn. Ik ga met het NAVO-parlement naar Turkije voor een rapport over Iran en de nucleaire ambities van Iran. Dat is enorm belangrijk. Ik wil gewoon benadrukken dat we de budgetten moeten opschroeven en klaar moeten zijn voor een wereld die heel sterk aan het veranderen is.

Luc Frank:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour toutes vos réponses.

Pour mon groupe, l'augmentation du budget de la Défense est un signal fort adressé à la population, à nos alliés, à nos partenaires, mais aussi – et c'est là un élément essentiel, selon moi – à nos agresseurs, parce que nous sommes agressés chaque jour. La Belgique respecte enfin ses obligations internationales et répond aux bouleversements géopolitiques de ces dernières années ainsi qu'aux ambitions de puissances agressives. Par ce biais, la Belgique met en place une réelle capacité de défense qui doit lui permettre de mieux participer à la défense territoriale du continent européen et, partant, de notre propre terre.

Par le biais de l'OTAN, cela doit mener à la constitution d'un pilier européen solide au sein de cette alliance ainsi qu'au développement de l'autonomie stratégique européenne. C'est pourquoi ce nouveau budget va servir à reconstruire nos capacités militaires et à créer celles que nous partagerons avec nos alliés européens. Dans l'immédiat, il faut faire fonctionner ce dont nous disposons, compléter nos équipements et acheter suffisamment de munitions pour pouvoir se défendre.

Mathieu Michel:

Monsieur le ministre, merci pour vos réponses ainsi que pour l'énergie que vous consacrez à la réalisation de cet objectif de 2 %. En fin de compte, l'essentiel est de savoir à quoi nous allons dépenser cet argent. Merci aussi pour vos explications quant aux dépenses éligibles au niveau de la norme OTAN. Vous avez souligné qu'outre les dépenses actuellement éligibles, il faut entamer une réflexion sur d'autres types de dépenses telles que les investissements dans des start-up de défense et autres. Il s'agit là, selon moi, d'un élément essentiel.

Je pense qu'on peut également s'interroger sur les positions que la Belgique prend au sein de l'OTAN et sur l'attention à accorder au caractère évolutif des guerres. La guerre d'hier n'est pas celle de demain, et c'est dès aujourd'hui qu'il faut investir dans les guerres à venir, et ce, en matière d'intelligence artificielle, de cybersécurité ou encore de manipulation des fausses informations. Dès lors, il est plus que jamais essentiel d'investir dans la guerre du futur et de ne pas se laisser distraire par les dépenses d'hier. Je vous invite donc à prendre conscience que la menace évolue et que la guerre de demain ne sera certainement pas celle d'aujourd'hui.

Koen Van den Heuvel:

Dank u wel voor uw antwoord, mijnheer de minister. Het is heel duidelijk dat we voor de geloofwaardigheid van ons land absoluut die 2 % moeten behalen, gelet op de geopolitieke context.

Voor ons is het ook belangrijk dat het geld op de juiste manier wordt besteed. We kijken dus uit naar de volgende weken. Wat telt, is dat het op een efficiënte manier gebeurt. Dat wil zeggen: zoveel mogelijk via Europese samenwerking, die moet worden versterkt.

Dual-use is eveneens een absolute prioriteit voor ons. Zoals daarnet gezegd, moeten we de deelstaten zoveel mogelijk betrekken bij deze uitdaging.

Voorzitter:

Dank u wel. Daarmee is dit actualiteitsdebat afgerond.

De conclusies van de Europese top van 20 en 21 maart 2025 inzake defensie
De Europese defensietop van 27 maart 2025 in Parijs
De Europese defensietop van 27 maart 2025 in Parijs
De gevolgen van de Europese top over Oekraïne voor de Belgische defensie
De Europese top over Oekraïne
De reis van premier De Wever en de ministers van Defensie en Buitenlandse Zaken naar Oekraïne
Het bezoek aan en het steunpakket voor Oekraïne
De steun aan Oekraïne
De zending naar Oekraïne
De Europese defensietop van 27 maart in Parijs en de oorlog in Oekraïne
Europese defensie- en steuninitiatieven voor Oekraïne in maart 2025

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 23 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België bevestigt zijn sterke, langetermijnsteun aan Oekraïne (1 miljard euro extra in 2025, inclusief F-16-leveringen vanaf 2026) en zet in op Europese defensie-integratie via het *ReArm Europe*-programma, gezamenlijke aankopen (40% doel) en industriële samenwerking, met nadruk op munitieproductie in Oekraïne zelf (bv. Thales’ raketfabriek). Praktische uitdagingen (verzekeringen voor defensiepersoneel, afhankelijkheid van VS/NAVO) en strategische spanningen (Franse autonomie vs. Europese eenheid, dubbele jagerprogramma’s) blijven knelpunten, terwijl België zich proactief opstelt in een toekomstige *coalition of the willing* voor vredeshandhaving—mits NAVO-steun en duidelijke mandaten. Transparantie over wapenleveringen blijft beperkt om veiligheidsredenen, maar details volgen achter gesloten deuren.

Darya Safai:

Op 20 en 21 maart bogen de Europese leiders zich in Brussel over de Europese defensie en de steun aan Oekraïne. U verklaarde eerder dat op de vorige Europese top een belangrijk signaal werd gegeven door de bevestiging dat de Europese defensie stelselmatig zal worden opgebouwd.

Op 27 maart organiseerde de Franse president Macron een Europese defensietop in Parijs. Eerste minister Bart De Wever vertegenwoordigde er ons land. Na een eerste editie in Londen begin maart kwam de nieuwe top er na de onderhandelingen in Saoedi-Arabië geleid door de Verenigde Staten met Rusland en Oekraïne over een beperkt staakt-het-vuren. Macron en de Britse premier Starmer proberen samen een coalition of the willing op poten te zetten om Oekraïne te steunen. Voor Macron moeten nu de verschillende niveaus van steun voor Oekraïne worden gedefinieerd, voor wanneer er een vredesakkoord gesloten is. Het gaat om steun aan het Oekraïense leger en eventueel een ontplooiing van troepen.

Tijdens de Europese top herbevestigden de staatshoofden en regeringsleiders hun engagement om extra te investeren in defensie. Ze willen de Europese defensie versterken en verzekeren dat ze Oekraïne kunnen blijven steunen.

Hoe passen deze beslissingen binnen het ReArm Europe-programma, dat de Europese Commissie voorstelde? Hebt u kennisgenomen van het witboek rond de Europese defensie? Welke zijn voor u de voornaamste aandachtspunten? Welke engagementen werden door ons land aangegaan? Wat zijn de gevolgen voor Defensie op korte en lange termijn?

Axel Weydts:

Mijnheer de minister, de beslissing van de regering om de steun aan Oekraïne niet alleen voort te zetten, maar ook op te trekken, stemt mij zeker tevreden. Dat is een teken van internationale solidariteit. Het is niet te min om te stellen dat Oekraïne op het moment ook onze oorlog aan het uitvechten is. De Oekraïners vechten voor wat wij in Europa belangrijk vinden, voor de waarden van Europa, voor vrije democratie. Dus elke euro die we uitgeven aan Oekraïne, is inderdaad welbesteed. Op dat vlak ben ik het volledig eens met de eerste minister.

Mijnheer de minister, voor de detailvragen verwijs ik naar de tekst van mijn vraag zoals ingediend. Ik heb wel nog een bijkomende vraag. Acht u het mogelijk om meer in detail bekend te maken welke steun wij effectief aan Oekraïne geven? Nederland doet dat ook. We hebben het daarstraks al gehad over wat Nederland publiek maakt inzake het NDPP. Ik heb een infografiek van de Nederlandse krijgsmacht bij die heel duidelijk en tot in detail uitlegt welke middelen voor Oekraïne worden uitgetrokken. De meningen zijn wat verdeeld over de vraag of dergelijke informatie publiek gemaakt moet worden. Sommigen stellen dat men moet tonen wat men uitgeeft. Anderen vinden dat die informatie gevaarlijk kan zijn, omdat ook de vijand te zien krijgt over welke middelen Oekraïne beschikt, waardoor de vijand gemakkelijker kan inschatten hoelang Oekraïne nog sustainable is en nog verder oorlog kan voeren. Ik stel u daarom een open vraag, waar ik zelf nog niet helemaal uit ben. In hoeverre kunnen we de effectieve steun die wij aan Oekraïne leveren, gedetailleerd publiek maken? Met die informatie kan het draagvlak bij de bevolking mogelijk ook vergroot worden. Dat vind ik een debat op zich waard, maar omdat ik niet correct kan zeggen of dat publiek gemaakt moet worden, wil ik graag uw inschatting vernemen.

Staf Aerts:

Mijnheer de minister, de vragen die nu aan de orde zijn, gaan over beslissingen op Europese toppen die intussen al meer dan een maand achter ons liggen. In deze snelle tijden lijkt dat soms een eeuwigheid, maar niettemin is het van belang om een duidelijk zicht te krijgen op de steun die we ook vanuit ons land aan Oekraïne geven.

Het is belangrijk om steun te blijven geven, aangezien Oekraïne vecht voor onze waarden. Oekraïne voert uiteindelijk een strijd voor onze democratie. Dat land moet dus echt absoluut op onze steun kunnen blijven rekenen.

Zijn wij op die Europese toppen nieuwe engagementen aangegaan? Heeft de keuze om de middelen van Euroclear of de interesten ervan als NAVO-middelen op te nemen, een effect op de steun die wij bieden? Betekent het dat wij van humanitaire steun naar militaire steun overgaan? Op welke manier positioneren we ons in de debatten over een sterkere Europese defensie en de financiering daarvan? Welke Belgische prioriteiten horen daarbij?

Op de Europese top ging het niet alleen over Oekraïne en defensie en Europese defensie, maar ook over het Midden-Oosten. Op welke manier acht u het aangewezen om de hefbomen uit de EU-Israël-associatie-overeenkomst over de schending van de mensenrechten toe te passen, omdat Israël dat continu aan het doen is. Werd dat ook op de Europese defensietop besproken? Welk standpunt neemt u daarover namens België in?

Voorzitter:

Mevrouw Maouane is afwezig.

Annick Ponthier:

Mijnheer de minister, uw bezoek aan Oekraïne, samen met de minister van Buitenlandse Zaken en de eerste minister, stond enerzijds in het teken van steun aan Oekraïne en anderzijds in het teken van de steun aan onze Europese defensiebedrijven. Zij zien in de bewapening van Oekraïne een kans om te investeren in fabrieken in dat land. Met hetzelfde geld kan men in Oekraïne namelijk meer wapens maken. Volgens rekenwerk van denktank Bruegel liggen de productiekosten van drones er bijvoorbeeld rond de 500 euro per stuk. Dat is tot drie keer lager dan in Europa.

U hebt ook een aantal mensen van defensiebedrijven naar Oekraïne meegenomen. We hebben gezien dat Thales, John Cockerill en FN Herstal mee zijn afgereisd. Werden ook Vlaamse defensiebedrijven uitgenodigd om hun mogelijkheden in Oekraïne te bekijken. Welke? Waarom waren ze er wel of niet? Wat is de uitkomst van uw bezoek aan Kiev? Kijkt u zelf ook naar het opstarten van productiesites op defensievlak in Oekraïne over afzienbare termijn? Welke opties werden ter zake besproken? Met welke bedrijven zou dat zijn?

Tot slot, wat is er besproken rond het steunpakket van 1 miljard euro? Wat zal Oekraïne daar concreet mee doen? Ik dank u alvast voor uw antwoorden.

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de minister, collega Ponthier heeft al gezegd dat u samen met de eerste minister en de minister van Buitenlandse Zaken bent afgereisd naar Oekraïne. Ook mijn fractie en ikzelf erkennen ten volle het belang van de solidariteit met de steun aan Oekraïne in zijn strijd tegen de Russische agressor. Het is niet alleen een strijd tussen Oekraïne en Rusland, het is ook een strijd voor onze normen en waarden, voor democratie, voor veiligheid en voor vrijheid, ook voor ons.

Via de pers konden we vernemen dat er dit jaar een nieuw militair steunpakket van 1 miljard euro aan Oekraïne wordt gegeven. Er reisden ook een aantal defensiebedrijven mee, wat een zeer goede zaak is. Het is belangrijk dat we de industrie zoveel mogelijk betrekken, vandaar de volgende vragen.

Mijnheer de minister, wat valt er exact binnen het steunpakket van 1 miljard euro aan Oekraïne? Er zijn een aantal collega's die al gewezen hebben op wat we kunnen zeggen en wat we niet kunnen zeggen, maar er zijn toch al een aantal dingen gezegd. Ik vraag me dan ook af waar we de grens trekken van wat wel en wat niet mag worden meegedeeld in het Parlement of in de media.

Wanneer vertrekken de eerste twee F-16's voor reserveonderdelen? Zijn de leveringen van die twee gevechtsvliegtuigen voor 2026 het minimum? Zal die levering plaatsvinden in het voorjaar of in het najaar?

Voor de overige leveringen van F-16's zijn we afhankelijk van de levering van de F-35 aan België, waar blijkbaar toch wel wat vertraging op zit. Wat is nu de tijdslijn voor de leveringen van de 34 F-35's aan ons land? Wanneer zal de nieuwe vloot gevechtsvliegtuigen volledig zijn?

In verband met de defensiebedrijven, welke akkoorden werden gesloten tussen de Belgische defensiebedrijven en Oekraïne? Het zou onder andere gaan om gezamenlijke wapenproductie en investeringen in productie op Oekraïens grondgebied. Wat is de return van die investeringen voor België? Zijn er bepaalde afspraken gemaakt die ook de defensie-industrie en de productie in ons land zullen versterken?

Ik wil nog even terugkomen op de vennootschapsbelasting op de bevroren Russische tegoeden. Er was sprake van dat we die zullen meetellen voor de defensie-uitgaven hier. Er was eerder ook al sprake van dat we die zouden meetellen voor het militair steunpakket aan Oekraïne. We kunnen dat geld natuurlijk geen twee keer uitgeven. Hoe zit dat nu juist? Waar vallen de bevroren Russische tegoeden juist onder?

Philippe Courard:

Monsieur le ministre, vous êtes allé avec le ministre des Affaires étrangères et le premier ministre en Ukraine, accompagnés de chefs d'entreprises belges du secteur de la défense. Cela me donne l'occasion de rappeler ici que mon groupe est tout à fait favorable au soutien à l'Ukraine. Il est important, capital, et on ne le répète peut-être pas assez. Je tiens à le redire parce qu'une partie de l'opinion publique se lasse un peu de cette guerre-là. Une partie de l'opinion publique ne comprend pas, par égoïsme, que ce qui se passe en Ukraine a des répercussions chez nous, et que si demain l'Ukraine devait être abandonnée, les conséquences seraient incommensurables pour l'Europe et pour notre pays en particulier. Il faut donc inlassablement rappeler cette nécessité de défendre la liberté et de défendre l'Ukraine. C'est aussi nous protéger de problèmes futurs.

Monsieur le ministre, pouvez-vous rapidement faire un débriefing de cette mission? Des engagements ont-ils été pris par votre département? Les sociétés qui vous ont accompagnés étaient-elles heureuses d'être sur place? Des contacts ont-ils eu lieu? Un bilan est-il à tirer de ces visites?

Robin Tonniau:

Mijnheer de minister, ik val een beetje in herhaling als ik zeg dat er op 27 maart in Parijs topoverleg plaatsvond met enkele Europese leiders, waar de oorlog in Oekraïne en de situatie met Rusland werd besproken. Ook onze premier was bij dat overleg aanwezig. Tijdens die bijeenkomst kwamen drie pijlers voor een veilig Europa naar voren: een sterk Oekraïens leger, een Europese veiligheidsmacht en een beter georganiseerde Europese defensie. De conclusie van dat topoverleg was dat we er alles aan moesten doen om de druk op Rusland hoog te houden. De premier zei niet te geloven dat de woorden van Rusland oprecht zijn, noch dat Rusland zich aan de gemaakte afspraken zou houden. We hopen, aldus de premier, dat ook de Verenigde Staten snel tot die conclusie zullen komen.

President Zelensky voegde daaraan toe dat de Amerikanen voortdurend de voorwaarden aanpassen van de mineralendeal die zij willen sluiten. Ook Amerika blijkt dus geen betrouwbare partner te zijn.

Vandaag zien we dat de oorlog met Rusland financieel voordelig blijkt te zijn voor de arizonaregering, meer in het bijzonder voor het Defensiebudget. Vijf jaar lang rekent Arizona namelijk op meer dan een miljard euro aan jaarlijkse belastinginkomsten uit de bevroren tegoeden geparkeerd bij Euroclear. De regering vertrekt dus van de aanname dat de sancties en daarmee ook het voortdurend conflict met Rusland nog minstens vijf jaar zullen aanhouden.

Mijnheer de minister, ik heb drie vragen voor u. Heeft Europa eigenlijk diplomatieke initiatieven genomen om een vredesakkoord te bereiken op die toppen? Zijn er binnen de coalition of the willing ook veiligheidsopties overwogen die inzetten op duurzame vrede zonder te focussen op de verdere opbouw en inzet van militaire macht? Hoe gaan we dat conflict beëindigen als men niet eens met Rusland aan tafel wil zitten?

Koen Van den Heuvel:

Mijnheer de minister, heel kort wil ik vanuit onze fractie zeggen dat het ook voor ons een absolute prioriteit is om Oekraïne te blijven ondersteunen. Dat is absoluut nodig om onze westerse democratie op een stevige manier te verdedigen. Het is ook goed dat ons land heeft toegezegd mee te zullen werken binnen een Europese context, want dat vind ik absoluut de weg die we moeten kiezen. Het is een Europees verhaal. Volle steun voor Oekraïne vinden wij duidelijk de juiste weg vooruit en wij gaan ook volledig akkoord met het bedrag van 1 miljard.

Theo Francken:

Merci beaucoup pour vos questions.

Je retiens de vos questions trois grands thèmes: premièrement, le Livre blanc européen; deuxièmement, le Sommet européen des 20 et 21 mars; troisièmement, la visite en Ukraine. Je vais donc répondre thème par thème.

Ten eerste, over het witboek. Het witboek heeft als doel de Europese Defensie klaar te stomen tegen 2030, zodat we beter gewapend zijn tegen alle mogelijke bedreigingen. De voorgestelde maatregelen moeten de lidstaten aanzetten tot hogere defensie-investeringen, gezamenlijke aankopen stimuleren en beter inspelen op de noden van de industrie.

La Belgique approuve les sept capacités phares prioritaires que les É tats membres de l'Union européenne devraient développer ensemble.

Daarnaast wordt het voorstel gedaan van een defensieomnibus, bedoeld om administratieve procedures en regels te vereenvoudigen en de kruiscertificiëring van defensieproducten te bevorderen. Tevens bevat het witboek een strategie om de militaire strategie aan Oekraïne op te voeren op basis van het voorstel van de Hoge Vertegenwoordiger van de EU, Kaja Kallas. Quote: verhoogde militaire steun voor Oekraïne.

Dit pleit voor de integratie van Oekraïne in de militaire mobiliteit van de EU-defensie-industrieprogramma's en Pescoprojecten. België draagt hieraan al bij via het Kallasplan, onder meer door onze steun aan het Tsjechische munitie-initiatief. Voorts voorziet het witboek in een leenfaciliteit van 150 miljard, onder de naam Securitiy and Action for Europe (SAFE,) ter ondersteuning van gezamenlijke aankopen. Daarnaast is het mogelijk de nationale ontsnappingsclausule in het Stabiliteits- en Groeipact te activeren voor defensie-uitgaven tot 1,5 % van het bbp, verspreid over 4 jaar. Bovendien geldt er een gezamenlijke inkoopdoelstelling van minstens 40 %.

België ziet in deze vlaggenschipprojecten een kans voor zowel onze krijgsmacht als voor onze economie. Dit geldt in het bijzonder voor domeinen als militaire mobiliteit, luchtafweersystemen, systemen voor diepe precisieaanvallen, cyberveiligheid en de bescherming van kritieke infrastructuur.

Voor de Belgische defensiebedrijven betekent de defensieomnibus een belangrijke stap vooruit. De kruiscertificiëring van de capaciteit biedt eveneens voordelen. Maatregelen die gericht zijn op de overgang naar een gemeenschappelijke Europese defensiemarkt, zoals de herziening van de EU-richtlijnen inzake defensieaanbestedingen en intra-Europese overdrachten, zijn bovendien cruciale stappen die aansluiten bij enkele van de ambities uit het regeerakkoord. Als we de Europese defensiemarkt willen verbeteren en minder types van bepaalde producten willen, want het is soms echt belachelijk hoeveel types er bestaan, zullen we de kruiscertificiëring moeten doen en ook een aantal richtlijnen aanpassen. Daar is men nu mee bezig.

Wat niet betekent dat het dan allemaal opgelost zal zijn. Ik wil toch nog even in herinnering brengen dat het interessant is te kijken naar de hoorzitting met de baas van Dassault, vorige week in de Franse Senaat. Ik zal het fragment online zetten waarin hij over het SCAF-project zegt dat de Franse strategische autonomie van het hoogste belang is. Hij had het dus niet over de Europese strategische autonomie. De Franse strategische autonomie! Ik wil dat toch even zeggen. Voor sommige Europese lidstaten, en zeker voor Frankrijk, is alles wat defensie aanbelangt gewoon een essentieel onderdeel van hun buitenlands beleid en van hun internationale veiligheidsbelangen. En dus het delen van bepaalde technologieën en geheime sleutels enzovoort ... Het is ook daarom dat zij zo ongeveer de enigen zijn die inzake nucleaire capaciteit volledig autonoom kunnen opereren. Dat vloeit voort uit de beslissing van generaal De Gaulle, lang geleden, naar aanleiding van de Suezcrisis, waarvan de Fransen nu zeggen: “Zie je wel dat we gelijk hadden? Zie je wel dat we altijd gelijk hebben gehad?” Ik denk dus niet dat we er al helemaal zijn. De beste voorbeelden daarvan zijn volgens mij het Future Combat Air System (FCAS) en het Tempestprogramma, twee Europese programma's. We gaan een nieuwe fighterjet maken, sixth generation .

Iedereen praat maar over Europese defensie. Voor sommigen is dat zelfs het absolute walhalla. Als we dat bereiken, dan kunnen de NAVO en die Amerikanen overboord. Nu, voor de huidige president Trump bestaat er natuurlijk weinig steun in het land, maar om dan maar te zeggen dat alles van Europa moet komen. Het grootste ontwikkelingsprogramma op Europees niveau? Dat is er niet één, dat zijn er twee. We weten immers allemaal dat luchtmachtprogramma's de duurste zijn. Dat zijn er dus twee: het Frans-Duitse SCAF/FCAS en het Brits-Italiaanse Tempest. Misschien kunnen we beginnen met daar één programma van te maken. De ontwikkelingskosten bedragen 60 miljard euro per programma. Voor 350 toestellen per programma. Reken maar uit! Een F-35 is een koopje in vergelijking met de volgende generatie fighterjets !

Het moet en het zal echter Europees zijn en voor sommigen mag dat tegen elke prijs. “We betalen dat, want het is Europees, joepiejee!” Ik denk toch dat we nog heel veel werk hebben en dat we vooral met onszelf moeten beginnen. Misschien moeten we maar eens minder naar de andere kant van de Atlantische Oceaan verwijzen en beginnen in Europa. Voor mij is dan de hoogste inzet één ontwikkelingsprogramma – één, geen twee – voor de volgende generatie fighterjets , straaljachten of jachtvliegtuigen, pardon. Excuse me for my English , dat niet altijd even goed is.

Het volgende thema is de trip naar Oekraïne en de Belgische militaire steun aan Oekraïne. Wat is de stand van zaken en wat zijn de toekomstplannen?

Tijdens het bezoek aan Kiev en de ontmoeting met president Zelensky kondigde België een nieuw militair steunpakket van 1 miljard euro aan voor 2025. De details van dit pakket worden momenteel verder uitgewerkt, maar het omvat onder meer directe bilaterale militaire steun, evenals bijdragen aan diverse internationale capaciteitscoalities. Exclusief dit nieuwe pakket heeft België sinds 2022 al voor 1,25 miljard euro aan militaire uitrusting aan Oekraïne geleverd. Inclusief humanitaire hulp stijgt dit bedrag tot 2,2 miljard euro.

België blijft gerichte steun verlenen via internationale coalitiemechanismen. Dit omvat onder meer gespecialiseerde training van F-16-technici en ondersteuning bij het F-16-beheer. In 2025 zal België reserveonderdelen van 1 à 2 F-16’s doneren, gevolgd door de levering van de eerste twee operationele straaljagers in 2026. De inzet is helder, zodra België F-35’s ontvangt, krijgt Oekraïne F-16’s.

Wat betreft internationale capaciteitscoalities levert België al bijdragen aan zes van de acht bestaande coalities, waaronder die voor luchtmacht, luchtverdediging, artillerie, marine, IT en mijnopruiming. Recent werd de Belgische steun hernieuwd voor de door Tsjechië geleide munitiecoalitie. Twee weken geleden heb ik de Tsjechische minister ontvangen in het NAVO-hoofdkwartier, of eigenlijk ben ik door hun delegatie ontvangen. Maar dat geldt ook voor de door Estland geleide IT-coalitie. Twee weken geleden heb ik die brief met de Estse collega ondertekend, want de vorige regering had dat nog niet opnieuw bevestigd.

De Europese EUMAM-missie wordt door België gezien als het primaire platform voor de militaire training van Oekraïense strijdkrachten. België ondersteunt het Europese voorstel om deze missie in Oekraïne zelf verder uit te breiden.

Daarnaast onderschrijft België het voorstel van de Europese Commissie, zoals opgenomen in het witboek, om Oekraïne te behandelen als een de facto EU-lidstaat bij gezamenlijke defensieaankopen en subsidiëring. België pleit voor nauwere business-to-business relaties tussen Oekraïense en Europese ondernemingen, met bijzondere aandacht voor kleine en middelgrote bedrijven. In dit kader steunt België ook de opname van Oekraïne in het European Defence Industry Programme (EDIP), dat in 2025 gelanceerd wordt.

België toont zich ook tevreden over het Memorandum of Understanding voor militair-technische samenwerking, dat op 24 januari 2024 werd ondertekend om de samenwerking tussen de Oekraïense en Belgische defensie-industrieën te versterken.

Tijdens het bezoek aan Oekraïne reisden tien prominente Belgische defensiebedrijven mee die allen reeds actief waren in dat land. In Kiev werden concrete overeenkomsten gesloten, waaronder – dit is niet exclusief, maar dit zijn de overeenkomsten die kunnen worden bekendgemaakt – een letter of intent tussen Sabena Engineering en Ukranian Defence Industry GSC voor het onderhoud van F-16’s in Oekraïne. Een tweede overeenkomst betreft een memorandum of implementation of MOI tussen Thales Belgium en SDB AME voor de productie van 70 mm-raketten ter ondersteuning van de strijd tegen drones.

Dat is inderdaad een productiefaciliteit in Oekraïne. Ik zal ze binnenkort proberen te bezoeken. De faciliteit zou de moeite zijn. Dat bezoek is niet gelukt tijdens de trip, omdat de heer Prévot een veel te drukke agenda in België had. Hij moest dus tijdig terug zijn in België. Anders waren wij sowieso daar ook langs geweest. Dat was nu niet mogelijk, maar ik zal dat zeker nog doen.

Les entreprises qui ont participé à cette journée de l’industrie de défense belgo-ukrainienne sont Sabena Engineering, Thales Belgium, Patria Belgium Engine Center, John Cockerill Defense, FN Browning, Sioen, OIP, Exail, ILIAS et K&S Belgium.

Daar zijn dus ook Vlaamse bedrijven bij. Het zijn de grote jongens, die het graag wilden. Het zijn bedrijven die al handel drijven met Oekraïne. Het event is heel goed verlopen. Tijdens de terugreis op de trein ben ik samen met de eerste minister en minister Prévot bij al die mensen langsgegaan. Wij hebben een goed gesprek kunnen voeren met al die bedrijfsleiders. Ik denk dat zij het erg gewaardeerd hebben dat ze even met de eerste minister hebben kunnen praten.

We hebben ter plaatste een goede persconferentie gegeven in een kelder. Men gaat daar constant van kelder naar kelder. We hebben een demonstratie gekregen van wat de Oekraïners hebben aan drones. Dat was indrukwekkend. Dat materiaal stond opgesteld in kelders onder hotelgebouwen aan -2 °à -5 °C en wordt verhuisd in de stad. Het is ongelooflijk wat daar allemaal ondergronds gebeurt. Ze zijn natuurlijk heel bang van raketten uit Rusland.

We hebben daar een groot rondetafelgesprek georganiseerd. De pers was uitgenodigd. We hadden geen pers meegenomen. Er waren enkele cameraploegen die zelf op accreditatie ter plaatse waren geraakt. Wij hadden ervoor gekozen geen persmensen mee te nemen. De eerste minister wou dat absoluut niet. Ikzelf had daar geen problemen mee, maar bon, hij wou dat niet … (Hilariteit in de zaal)

We hebben nog veel werk met de defensie-industrie. U moet begrijpen dat de bedrijfsleiders hun industrie willen uitbouwen in Oekraïne, maar er bestaan enkele praktische problemen. Onze bedrijfsleiders uit de defensiesector gaan ter plaatse, maar de vraag is of zij verzekerd zijn. Wat gebeurt er indien zij worden aangevallen of wanneer iemand sterft wegens een raket- of een droneaanval? Vannacht was er nog een aanval in Odessa. Constant wordt er nog aangevallen. Het gaat eigenlijk om een staakt-het-vuren op papier. Dus wie verzekert die werknemers? Bijna niemand wil dat doen.

Wij zijn daarvoor een oplossing aan het zoeken. De vraag werd gesteld of die werknemers als reservist ingeschreven konden worden. Men kan ze echter niet als militair sturen, want dan is men betrokken bij een oorlog, als iets misloopt. Daar moet dus goed over worden nagedacht. Het gaat om kleine, praktische zaken die gemakkelijk op te lossen lijken. Niet alleen ons land, maar ook andere landen kampen met die problemen. Een goede verzekering is nodig, dat is evident.

Veel werknemers staan niet te springen om naar Oekraïne te gaan, eerlijk gezegd. Ze verkiezen hier in hun bedrijf te blijven dan in Oekraïne gedurende zes maanden een productie-eenheid op te starten. Dat is begrijpelijk. Het gaat om een land in oorlog. Wij zijn dat niet gewoon, veel van die werknemers zijn dat ook niet gewoon.

Er is dus nog veel werk aan de winkel. De benadering was volgens mij zeer positief. Ik denk dat president Zelensky dat miljard heeft gewaardeerd, maar nog veel meer het feit dat we met die bedrijfsleiders ter plaatse zijn gegaan. We hebben goodwill getoond om samen business te doen en expertise uit te wisselen. Ik hoop dat dat zo goed zal blijven lopen.

President Zelensky heeft ons zeer hartelijk onthaald en heeft veel tijd voor ons uitgetrokken, voor de eerste minister natuurlijk. We hebben daar tijdens een lunch over heel wat gepraat. Het gesprek was zeer openhartig, in tegenstelling tot wat ik had verwacht. President Zelensky heeft echt diepgaand gepraat over issues waarover men dagelijks in de krant leest. Ik kan niet alles onthullen, maar zijn openhartigheid en transparantie zijn me sterk bijgebleven.

Tot slot was het derde thema de coalition of the willing en de bijeenkomst in Parijs. Er was twee weken geleden ook een bijeenkomst in het kader van de NAVO waarop ik aanwezig was. De gesprekken in Parijs rond de coalition of the willing stonden in het teken van de versterking van de steun aan Oekraïne en de voorbereiding van mogelijke vredeshandhavingsmaatregelen. De bijeenkomst werd op 27 maart bijgewoond door vertegenwoordigers van 31 landen en had tot doel de concrete bijdrage van elk land af te stemmen en te coördineren. Ter verduidelijking, ik was niet aanwezig op die vergadering. Ik was wel aanwezig op de vergadering van de zogenaamde Ramsteingroep hier in het NAVO-hoofdkwartier.

Die Ramsteingroep werd altijd geleid door de Amerikanen. Zij willen dat echter niet meer doen en nu zijn het de Britten en de Fransen die dat gezamenlijk doen. Een centraal discussiepunt was de mogelijkheid om Europese veiligheidstroepen naar Oekraïne te sturen zodra er een vredesakkoord met Rusland is bereikt. Hoewel er nog geen definitieve beslissingen zijn genomen, bestaat er brede steun voor het principe dat elk akkoord gepaard moet gaan met robuuste veiligheidsmaatregelen ter bescherming van Oekraïne. Hoe deze maatregelen per land ingevuld worden, verschilt echter sterk.

België is bereid verantwoordelijkheid te nemen binnen de coalitie, op voorwaarde dat er brede steun voor en actieve deelname aan een militaire inzet is. België vraagt ook dat de NAVO en de VS logistieke en inlichtingenondersteuning voorzien, evenals een backstop voor de eventuele inzet van troepen op het terrein. Een heel grote discussie is natuurlijk wat er gebeurt wanneer de troepen worden aangevallen. Zal men dan Rusland de oorlog verklaren of wat gaat er dan gebeuren? Welke rol België precies op zich zal nemen binnen een mogelijke vredes- of regeneratiemissie hangt af van de uiteindelijke invulling, noden en vorm van de operatie en wordt momenteel verder onderzocht en besproken. Zoals ik heb gezegd, gebeurt dat onder leiding van de Fransen en de Britten samen met alle CHOD's van de betrokken landen. Om veiligheidsreden en uit discretie kunnen hierover geen verdere details worden gegeven.

De Europese inspanningen hangen ook sterk samen met het mogelijke succes van de Amerikaanse bemiddeling in het streven naar een full ceasefire met Rusland. Vandaag is daarvoor een heel belangrijke dag, dus we wachten af wat er verder zal uitkomen.

Le président français Emmanuel Macron a appelé à l'unité européenne et a souligné que le soutien à l'Ukraine devait être maintenu aussi longtemps que nécessaire. Selon lui, le maintien des sanctions contre la Russie reste également crucial pour faire pression. Le chancelier allemand Olaf Scholz a partagé ce point de vue et a mentionné que la levée des sanctions serait une grave erreur.

Voorts werd besproken op welke manier de coalitie Oekraïne bijkomend kan ondersteunen met militaire training en materieel om de verliezen van het Oekraïense leger aan te vullen. Dat is essentieel voor het versterken van de Oekraïense eerste verdedigingslinie tegen toekomstige Russische agressie.

De coalition of the willing is vastberaden om Oekraïne blijvend te ondersteunen. Tegelijk is het duidelijk dat een bijkomende concretisering nodig is om de geplande maatregelen te verfijnen en op te schalen.

Collega’s, basically is België behoorlijk forward-leaning om deel te nemen aan een dergelijke coalition of the willing . Ik weet dat sommige partijen dat totaal niet zien zitten. Wij zijn daar wel voorstander van. Ik blijf dat zeggen. Ik heb dat helemaal in het begin verklaard in een interview. Daarvan is behoorlijk wat misbruik gemaakt om te beweren dat wij Vlaamse jongens en zonen zouden laten sterven in Oekraïne. Een en ander is echter in het kader van een vredesakkoord en een ceasefire .

Dat standpunt is ondertussen bevestigd door de eerste minister. Er is minder fuzz over dan toen. Het standpunt is echter niet gewijzigd. Ik blijf bij wat ik toen heb verklaard. Wij zijn forward-leaning . Wij zullen zien wat wij doen. Komt er een vredesakkoord? Komt er een ceasefire ? Komt er een inzet van een coalition of the willing ? In dat geval zullen wij bekijken wat wij gaan doen. Nu wordt volledig uitgewerkt wat wij kunnen doen, wat de verschillende scenario’s zijn en welke capaciteit wij kunnen leveren. Dat is militair geheim en kan ik hier dus niet delen. Een en ander is echter heel concreet.

Als er deze week een akkoord zou komen, dan zal er ook onmiddellijk worden gepraat over veiligheidsgaranties en zullen de Fransen en de Britten de lead nemen van een dergelijke coalition of the willing , waarbij het gaat over een inzet die er relatief snel kan komen. Hoogstwaarschijnlijk zal er daarbij ook een Belgische deelname zijn.

Mijnheer de voorzitter, zodra dat dat moment er is, moet een en ander worden beslist binnen de regering. Zodra dat in de regering is beslist, zal ik natuurlijk zo snel mogelijk naar het Parlement komen om toelichting te geven. Dat is evident. Dat zal in de commissie voor de opvolging van de militaire missies zijn maar waarschijnlijk ook in de commissie voor Landsverdediging, deels publiek en deels achter gesloten deuren, om toelichting te geven bij wat wij daar exact zullen doen, waar wij gestationeerd zullen zijn en welke militaire inzet wij juist zullen leveren. Dat proces is volop bezig. U hoort er misschien minder over, maar die gesprekken zijn heel hard bezig achter de schermen.

Darya Safai:

Mijnheer de minister, ik val in herhaling als ik zeg dat ik blij ben met de steun van ons land aan Oekraïne. Collega's, beschouw dit als een les voor de toekomst. Als wij in 2014 een duidelijk en sterk antwoord hadden gegeven op de invasie van Rusland in de Krim, dan was dit vandaag misschien niet gebeurd. Wij moeten Oekraïne blijven steunen en autocratieën als Rusland, Iran, China en Noord-Korea duidelijk laten zien dat wij samen sterker dan ooit staan en dat wij ons ook kunnen verdedigen.

Axel Weydts:

Mijnheer de minister, mij is in dit actualiteitsdebat niet duidelijk geworden wat nu eigenlijk het standpunt is van het Vlaams Belang over de steun aan Oekraïne. Dat is wel heel vreemd. Men stuurt persberichten uit zeggende dat de steun aan Oekraïne onverantwoord en gevaarlijk is. Ik heb mevrouw Ponthier dat hier vandaag niet horen herhalen. Het is heel duidelijk dat het Vlaams Belang daar een beetje op twee benen hinkt. Dat op zich is gevaarlijk. De steun aan Oekraïne in twijfel trekken en persberichten uitsturen om het draagvlak daarvoor bij de bevolking te proberen onderuit te halen is echt gevaarlijk.

Het is onze taak als democratische politici om mensen uit te leggen waarom het belangrijk is dat wij de steun aan Oekraïne voortzetten. Die mensen zijn momenteel aan het vechten voor de waarden die wij in Europa verdedigen. Dat mogen we nooit vergeten. Dat is absoluut heel belangrijk. We zullen dat moeten blijven doen de komende jaren, zolang het nodig is.

Ik ben ook heel tevreden dat we momenteel niet veel horen over de specificiteit van de inzet van mogelijke troepen bij een eventueel vredesakkoord. Dat is een teken dat daar achter de schermen goed aan gewerkt wordt. Het zou heel dom zijn om dat nu voor de schermen te doen.

Het is echter evident dat het ook voor Vooruit een kwestie van solidariteit is. Als die vraag ooit komt – en laten wij hopen dat die er zo snel mogelijk komt – dan moet België daarin zijn rol spelen en moeten wij solidair zijn met onze partners en vooral met Oekraïne.

Mijnheer de minister, met betrekking tot de details verwees ik naar een infographic van de Nederlandse krijgsmacht. U bent daar niet verder op ingegaan. Dat is misschien iets voor een verder debat, daarover kunnen we het later nog hebben. Ik had graag geweten – maar het kan later – of het verstandig is om dergelijke dingen tot in detail te delen.

Theo Francken:

Dat is door meerdere collega's gevraagd. De tabel met wat we precies zullen leveren, is nog niet 100 % afgeklopt. Op het moment dat die is afgeklopt, kan die eventueel achter gesloten deuren worden gedeeld, of openbaar, maar dat moet ik bespreken met mijn adviseurs.

Voorzitter:

Of in de commissie Opvolging van de militaire missies.

Axel Weydts:

Dank u. Dat lijkt mij heel verstandig.

Staf Aerts:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. We moeten Oekraïne blijven steunen. Dat wordt door veel partijen gedragen en er bestaat daarover bij de grote meerderheid geen discussie.

We moeten verder gaan en durven kijken naar hoe we ervoor kunnen zorgen dat we minder afhankelijk worden van onder andere Rusland op het vlak van olie en gas. Daarop besparen en die omslag maken, zal ook een belangrijk instrument zijn om onrechtstreeks de oorlogskas van Rusland te treffen. We kunnen daarop nog meer inzetten dan we vandaag al doen.

Op mijn vraag over de steun en de rol die de middelen van Euroclear daarin spelen, heb ik, tenzij ik het gemist heb, geen antwoord gekregen. Betekent dit dat die steun, die vandaag ook naar humanitaire projecten in Oekraïne gaat, wegvalt nu die onder de NAVO-norm wordt gezet? Ik zal daarover dus opnieuw vragen moeten indienen tot we daar zicht op krijgen. Hetzelfde geldt voor het lijstje van zaken waarin we zullen investeren, maar evengoed met welke middelen en welke humanitaire steun we blijven bieden. Ik vind het belangrijk dat we Oekraïne op die manier blijven steunen.

Wat betreft uw vragen over meer Europese samenwerking, het is mij niet helemaal duidelijk of u voor meer Europese samenwerking bent of niet en of dat u dat nog totaal onmogelijk acht, maar ik meen dat dit toch echt the way to go is.

Theo Francken:

Ik ben daarvoor, maar ik ben realistisch. Ik zeg u dat het grootste Europese onderzoeksprogramma dat loopt heel verdeeld is, heel duur en heel slecht loopt en geen goed voorbeeld is. In die zin denk ik dat we goed moeten kijken hoe we dat kunnen verbeteren. Ik hoop dat dit de komende weken zal gebeuren.

Ik kijk enorm uit naar het toekomstige Duitse regeerakkoord en zal het luik defensie aandachtig lezen. Duitsland maakt immers deel uit van SCAF. Wat zullen de Duitsers doen? Als we het effectief zo zullen aanpakken dat we twee projecten doen met 350 toestellen, dan is dat onbetaalbaar. Dat kan zo niet verder. Nogmaals, luister naar wat de baas van Dassault vorige week in de hoorzitting van de Franse Senaat zei over het strategisch belang van de wapenindustrie in Frankrijk en hoe dat precies wordt gepercipieerd bij Dassault. Basically zei hij dat Dassault dat toestel helemaal alleen kan maken, dat het daarvoor niemand nodig heeft. Hij vroeg zich af waarom hij al die geheimen zou moeten delen met andere landen, waarmee hij voor alle duidelijkheid Europese naties bedoelde. Bij grote industriële bazen – Dassault is geen kleine speler, maar echt een van de grote jongens in Europa – is er dus nog altijd veel weerstand. We moeten ons goed realiseren dat we enerzijds een politiek discours hebben van meer Europese samenwerking, maar anderzijds soms een heel ander discours op het terrein tussen de grote defensiebonzen, tussen de technologische strijders. Daarvan moeten we ons bewust zijn.

Ik ben voorstander van Europese samenwerking, want ik vind het heel vreemd dat uit mijn uitspraken geconcludeerd zou kunnen worden dat ik daar tegen ben; dat is absoluut niet juist. Wel ben ik realistisch en ik probeer mij te informeren op basis van dossierkennis en over hoe een en ander effectief werkt op het terrein. In dat opzicht zie ik een groot verschil tussen het politiek discours en datgene wat op het terrein gebeurt, en dat betreur ik, voor alle duidelijkheid.

Staf Aerts:

Mijnheer de minister, bedankt voor de opheldering, dat u voor meer Europese samenwerking bent. Dat is prima. Het realisme, de voetnoot die u daarbij plaatst, mis ik wel zodra het gaat over de F-35 en de Amerikaanse steun. De Amerikaanse president zegt namelijk dat hij minderwaardige toestellen zal leveren aan de partners, of dat hij dat alleszins overweegt. Ik vraag me af of de Europese Unie in zijn ogen zelfs nog een partner is. Ik vind dat we daarin evengoed realistisch moeten zijn en een evenwicht moeten blijven bewaren. Maar ik ben zelf ook absoluut voor meer Europese samenwerking. Daar kan ik mij geheel achter scharen.

Annick Ponthier:

Mijnheer de minister, dank voor uw uitgebreid antwoord. Het staat buiten discussie dat de defensie-industrie, zeker ook op Europees vlak, maximaal ondersteund moet worden. Ook is het goed dat er op het terrein productiesites worden opgezet, waarvan we binnenkort zullen zien wat dat concreet zal inhouden. Het opzetten van die productiesites is goed, al was het maar om de afhankelijkheid van andere internationale partners waar mogelijk af te bouwen.

Ik heb niet precies begrepen of de Vlaamse bedrijven, onder andere Sioen en OIP, al dan niet concrete deals hebben afgesloten.

Theo Francken:

Niet alle deals konden publiek gemaakt worden.

Annick Ponthier:

Goed, daar valt dus nog wel wat te onderzoeken. Ik denk dat het belangrijk is dat u de Vlaamse industriepartners op dat vlak niet uit het oog verliest, opdat zij zich ook maximaal kunnen inschakelen in verschillende elementen van het samenwerkingsakkoord. We weten immers dat Vlaamse defensiebedrijven ook zeer belangrijke innovatieve en hoogtechnologische defensietoepassingen uitwerken. Op dat vlak mogen we geen kansen onbenut laten.

Collega Weydts, ik weet niet waar u het haalt. Wij hebben vanaf dag één Oekraïne ondersteund. U kunt dat nakijken in alle debatten die hier in dit Huis hebben plaatsgevonden. U kunt ons natuurlijk ook de vraag stellen. We zijn collega's. U kunt altijd verduidelijking vragen. Mocht u een bepaald persbericht fout begrepen hebben, wil ik dat uiteraard voor u uitklaren. Maar nogmaals, wij hebben Oekraïne vanaf dag één ondersteund, in alle initiatieven die deze regering heeft genomen. De steun van 1 miljard die hier voorlag, is natuurlijk van een andere orde. Daar valt wel een en ander over te zeggen. Dit terzijde.

Ik dank nogmaals de minister voor de concretisering van zijn antwoorden. We zullen dit sowieso verder opvolgen.

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de minister, dank u voor uw duidelijke en uitgebreide antwoord.

Ik heb vernomen dat de details van het steunpakket nog worden uitgewerkt, maar dat die ons, hetzij publiekelijk, hetzij achter gesloten deuren, later meegedeeld zullen worden zodra ze afgeklopt zijn. Dat is een goede zaak.

Over de tijdslijn van de F35 hebt u niet geantwoord, maar ik moet eerlijk toegeven dat dit thuishoort in een ander debat, maar dat zal voor een andere keer zijn.

Wat de bedrijven betreft, hebt u gezegd dat er 10 bedrijven mee geweest zijn en dat er 2 akkoorden afgesloten zijn, maar dat het geen exclusieve lijst betrof. Ik meen dat dit een zeer geslaagde zet was. Als we het immers over de rol van de Europese Unie hebben, gaat het voor mij in de eerste plaats daarover, namelijk de defensiebedrijven in Europa op elkaar afstemmen en samenwerken. Sommige collega's horen dat niet graag. Maar onze economie moet ook draaien. In Europa moet die ook draaien. Dat is een deel van de strategische autonomie. We moeten op eigen benen kunnen staan, ook met onze defensie-industrie. Het is dus goed dat er 10 bedrijven mee geweest zijn en dat er akkoorden afgesloten zijn. Ik hoop daar in de toekomst nog wat meer details over te vernemen.

Philippe Courard:

Monsieur le ministre, je vous remercie. Je pense que vous avez eu des réponses assez complètes sur l’ensemble des questions.

Je profite quand même de l’occasion pour rappeler que l’Europe ne peut compter que sur elle-même. Les Américains, malheureusement, nous l’ont démontré au quotidien depuis quelques mois, depuis l’arrivée notamment de M. Trump. Nous avons été lâchés par les Américains. Cela nécessite véritablement une défense européenne de qualité.

Je voudrais aussi souligner, comme député fédéral belge, que quand on parle des entreprises, certains évoquent toujours certaines entreprises situées dans une Région plutôt que dans une autre. Je pense que nous devons avoir une approche globale sur l'ensemble du pays.

S'il y a un bénéfice à tirer pour l'emploi et pour les entreprises, c'est sur l'ensemble du pays qu’il faut compter. Toutes les entreprises sont de qualité et peuvent offrir les services qui sont nécessaires par les temps qui courent. Certains qui font parfois des reproches au Sud du pays en termes d'emploi, de chômage, etc., devraient se réjouir que les entreprises du Sud du pays soient performantes en matière de défense.

Robin Tonniau:

Mijnheer de minister, u sprak over gesprekken achter de schermen over eventuele vredestroepen. Ik hoop dat de gesprekken achter de schermen ook over vrede mogen gaan, over echte vredesonderhandelingen, niet alleen achter de schermen, maar ook voor de schermen, want ik maak me eigenlijk zorgen over het voortzetten van deze oorlog. Hoe lang gaat die nog duren?

De regering rekent immers op de inkomsten van Euroclear. Nog vijf jaar lang rekent men zich rijk met de inkomsten van Euroclear. Met andere woorden, men gaat er precies van uit dat de oorlog nog vijf jaar zal duren of vijf jaar moet duren. Onlangs, vandaag ook, heeft Rusland de intentie getoond om de wapens kortstondig neer te leggen tijdens een paasbestand van 30 uur. Jan Balliauw van het Egmont Institute en een ex-VRT-journalist, zei daarover dat dat bestand hem niet erg serieus lijkt en dat Poetin vooral wil tonen dat Rusland nog altijd bereid is om verder te praten over een bestand. Dat zijn zijn woorden.

Momenteel aast de VS eigenlijk op de grondstoffen in Oekraïne, terwijl Trump Poetin opnieuw aan de onderhandelingstafel probeert te krijgen, bijvoorbeeld met als voorwaarde het bevriezen van nieuwe wapenleveringen. Wat doen wij? Wij trekken 1 miljard euro uit voor militaire steun, terwijl extra wapenleveringen de oorlog zullen verlengen. Meer wapens zijn meer doden, meer economische en milieuschade. Jan Balliauw voegde daaraan toe dat de Europese Unie en Rusland dringend en beter met elkaar moeten communiceren. Ik citeer hem opnieuw: "De communicatie van Europa gaat nu te vaak alleen nog maar over het bewapenen tegen Rusland."

Ik sluit mij daarbij aan. Onderhandelingen zijn noodzakelijk om tot een duurzame vrede te komen. Verdere bewapening is niet de oplossing voor deze verschrikkelijke oorlog. Ik hoop van harte dat er heel snel werk kan worden gemaakt van een echt vredesakkoord.

Luc Frank:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses. Je reviens à la date du 27 mars, date à laquelle le Conseil européen réaffirmait le soutien de l'Union européenne à l'Ukraine. Malheureusement, une fois de plus, la Hongrie, en mouton noir, a refusé de se joindre au consensus et a préféré soutenir M. Poutine. On peut d'ailleurs se poser la question de savoir comment la coopération avec la Hongrie reste possible en matière de défense. Face au risque d'arrêt de l'aide militaire américaine, il était essentiel que les Européens réaffirment leur soutien et tant pis si cela irrite certains membres de l'administration américaine. C'est pourquoi je suis heureux que la mission en Ukraine du premier ministre et des ministres des Affaires étrangères et de la Défense ait été un tel succès. Il est important que des contrats aient été conclus entre des sociétés de notre industrie de l'armement et des sociétés ukrainiennes. Dans une perspective d'élargissement de l'Union européenne à l'Ukraine, il est bien d'intégrer nos industries du secteur de la défense. Je suis également content d'entendre que la Belgique prendra ses responsabilités en cas d'accord de paix en Ukraine. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 12.18 uur. La réunion publique de commission est levée à 12 h 18.

De financiering van de Palestijnse Autoriteit
De jongste ontwikkelingen in het conflict tussen Hamas en Israël
De situatie in Gaza
De update van het pay-for-slayprogramma en duurzame vrede
De demarche van België bij het ICJ over de genocide in Gaza
De situatie in Gaza
De luchtaanvallen van Israël op Libanon
De sancties tegen Israël
De opheldering van het regeringsstandpunt over Israël en Palestina
De Israëlische aanvallen op ziekenhuizen en ambulances in Libanon
De situatie in Gaza
De aanvoer van humanitaire hulp naar Gaza
Het systematisch inkrimpen van het grondgebied van de Gazastrook voor de Palestijnse bevolking
Het verder escalerende geweld van Israël tegen de inwoners van Gaza
De oorlog in Gaza
Het Israëlisch-Palestijns conflict, Gaza, humanitaire crisis en internationale reacties

Gesteld aan

Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 23 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de escalerende crisis in Israël-Palestina, met focus op Gaza, de Westbank en Libanon, en de rol van België en de EU. België wordt bekritiseerd voor dode woorden zonder daden: ondanks herhaalde oproepen tot staakt-het-vuren, humanitaire hulp (geblokkeerd sinds 2 maart), sancties tegen Israël (o.a. opschorting associatieakkoord EU-Israël) en erkenning van een Palestijnse staat, blijft concrete actie uit. Minister Prévot bevestigt wel diplomatieke druk (VN, EU) en financiële steun (27M€ in 2024, 70M€ via Enabel), maar sancties (bv. wapenembargo) en erkenning Palestina (symbolisch vs. strategisch moment) blijven onderwerp van intern en Europees dispuut. Pay-for-slay (beloningen voor terroristen) zou hervormd zijn, maar wantrouwen blijft over de Palestijnse Autoriteit. Libanon dreigt als nieuw front, met vragen om VN-onderzoek naar oorlogsmisdaden en steun aan FINUL.

Sam Van Rooy:

Mevrouw de voorzitster, mijnheer de minister, door de focus op de oorlog met de jihadisten van Hamas in Gaza zou men bijna vergeten hoe verderfelijk ook Mahmoud Abbas van de Palestijnse Autoriteit is. Mahmoud Abbas, ook wel bekend als Abu Mazen, is de antisemitische president van de Palestijnse Autoriteit op de zogenaamde Westbank, die eigenlijk Judea en Samaria heet. Deze Arabische tiran en kleptocraat is al 20 jaar aan de macht en weigert verkiezingen te organiseren.

Abbas is in wezen een jihadist in maatpak. Pas nog verklaarde hij financiële beloningen te zullen blijven uitbetalen aan moslimterroristen die onschuldige mensen in Israël afslachten. "Al is het onze laatste cent", voegde Abbas eraan toe. Concreet gaat het om het uitbetalen van maandelijkse salarissen aan Palestijnse moslimterroristen en hun families om hen te belonen voor een jihadistische moordpartij of terreuraanslag.

Dat is het zogenaamde pay-for-slay-systeem. Daarmee worden Palestijnse moslims door de Palestijnse Autoriteit van Abbas gestimuleerd om zoveel mogelijk onschuldige joden te vermoorden en een zogenaamde martelaar te worden. Adolf Hitler zou er trots op zijn.

Israël heeft dan ook elke dag de handen vol met het verijdelen van jihadistische aanslagen die worden gepland en georganiseerd vanuit de zogenaamde Westbank. Israël moet dan ook constant proberen om moorddadige moslimterroristen tegen te houden die vanuit de zogenaamde Westbank Israël proberen te infiltreren.

Mijnheer de minister, wat is uw reactie daarop?

Hoeveel geld vloeit er jaarlijks rechtstreeks en onrechtstreeks vanuit België naar de Palestijnse Autoriteit en naar projecten van de Palestijnse Autoriteit op die zogenaamde Westbank?

Last but not least, zal de regering eindelijk de geldstroom naar die Palestijnse terrorismesponsor stopzetten?

Michel De Maegd:

Monsieur le ministre, je vais synthétiser les deux questions que je vous avais adressées.

Depuis notre dernier échange, la situation à Gaza reste extrêmement grave. Après la rupture du cessez-le-feu par Israël, les bombardements ont repris de plus belle et s'intensifient de jour en jour, et le nombre de victimes ne cesse d'augmenter.

La position de mon groupe à cet égard n'a pas changé. Depuis le début de ce conflit, nous continuons à plaider plus que tout pour la fin des hostilités, pour l'accès immédiat de l'aide humanitaire et pour la libération inconditionnelle de tous les otages encore détenus à Gaza. Telles sont les trois priorités absolues. Le décompte quotidien des victimes civiles est une tragédie sans nom et nous déplorons l'ensemble de celles-ci. Nous continuons à plaider pour une solution à deux É tats, seule voie, selon nous, pour une paix durable et juste. Dans ce contexte, la reconnaissance de l' É tat palestinien sera indispensable.

C'est le sens de l'histoire, mais cette reconnaissance ne doit pas être purement symbolique. Cette reconnaissance doit être en lien avec d'autres pays européens et avoir lieu au moment le plus opportun pour produire des effets réels, pour contribuer à la paix et à la reconnaissance mutuelle de l'ensemble des peuples. Nous suivrons donc de près les discussions européennes d'ici le mois de juillet et de juin.

Je rejoins donc vos propos à ce sujet, il y a deux semaines, en séance plénière. Dans ce vaste contexte, pouvez-vous faire le point sur la situation actuelle? Pouvez-vous nous dire quelle a été votre action récente au sein des différents cénacles internationaux en faveur de la paix, de la diplomatie et du respect du droit international par tous au Proche-Orient?

Nabil Boukili:

Monsieur le ministre, la semaine dernière, le ministre israélien de la Défense a affirmé clairement que "bloquer l'aide humanitaire est l'un des principaux leviers de pression". Par ailleurs, il y a quelques jours, le ministre des Finances d'Israël a déclaré, quant à lui, que "le retour des otages n'est pas la chose la plus importante pour Israël".

Hier encore, le général de l'Office de secours et de travaux des Nations unies pour les réfugiés de Palestine dans le Proche-Orient (UNRWA), Philippe Lazzarini, a interpellé la communauté internationale en lui posant la question suivante: "Combien de temps encore faudra-t-il pour que des paroles creuses de condamnation se transforment en actes concrets pour lever le siège, rétablir un cessez-le-feu et sauver ce qu'il reste de l'humanité? Cela fait 50 jours que le siège de Gaza, imposé par les autorités israéliennes, se poursuit."

M. Lazzarini ajoute: "La faim se propage et s'aggrave de manière délibérée et causée par l'homme. Gaza est devenue une terre de désespoir. Deux millions de personnes, en majorité des femmes et des enfants, subissent une punition collective. Des blessés, les malades et des personnes âgées sont privés de soins médicaux et de médicaments.

Pendant ce temps, des organisations humanitaires ont de l'aide prête à entrer à Gaza, notamment près de 3 000 camions de l'UNWRA contenant une aide vitale. Les produits de première nécessité destinés aux personnes dans le besoin expirent. L'aide humanitaire est utilisée comme monnaie d'échange et comme arme de guerre. Le siège doit être levé. L'aide doit pouvoir entrer. Les otages doivent être libérés et le cessez-le-feu doit reprendre."

Monsieur le ministre, je ne vais pas commenter ces citations. Je vais juste vous poser des questions très claires et très directes, en espérant des réponses tout aussi claires. Je reprends ici la phrase de M. Lazzarini. "Combien de temps encore faudra-t-il pour que les paroles creuses de condamnation se transforment en actes concrets?" Combien de temps encore la Belgique va-t-elle se contenter de mots? Quand plaiderez-vous, au niveau européen, pour la suspension des accords entre l'Union européenne et Israël, pour l'imposition des sanctions et d'un embargo militaire? Alors, monsieur le ministre, combien de temps encore?

Darya Safai:

De Palestijnse Autoriteit heeft sinds de jaren 90 een systeem waarbij veroordeelde terroristen en hun families maandelijks uitkeringen ontvangen. Dat systeem staat bekend als het pay-for-slayprogramma en houdt in dat hoe zwaarder de door de betrokkene gepleegde terreurdaad is – lees 'hoe meer doden en gewonden' – hoe hoger de financiële beloning is.

Vanuit moreel perspectief is dat systeem en de opzet erachter verwerpelijk, maar het vormt ook een directe stimulans voor terrorisme. Door terroristen en hun families te compenseren, geeft de Palestijnse Autoriteit immers het signaal dat geweld, vernielingen en moorden worden beloond. Dat druist in tegen alle principes van internationale rechtvaardigheid en vredesopbouw.

De Palestijnse autoriteiten hebben beloofd om het systeem te hervormen. Recente berichten doen echter serieuze vragen rijzen bij die aankondiging van president Mahmoud Abbas. Het ziet er immers naar uit dat de hervorming slechts schijn is. President Abbas vertelde op 21 februari dat de betalingen aan terroristen zullen doorgaan, zelfs als er nog maar één cent over is. We vermoeden dus dat de Palestijnse Autoriteit Amerikaanse sancties wil ontlopen, maar in plaats daarvan middelen van de Europese Unie zal inzetten.

Ik heb daarom enkele vragen voor u, mijnheer de minister.

Wat zijn uw plannen voor het uitwerken van een duurzame vrede in het gebied als dat allemaal gewoon wordt tegengewerkt?

Hebt u een update over het pay-for-slayprogramma, dat door de Palestijnse Autoriteit wordt gehanteerd binnen het martelarenfonds?

Welke belangen hecht u aan de verklaringen van de heer Abbas nadat hij zei dat hij het programma wil blijven doorzetten?

Kunt u bevestigen of ontkennen dat Belgische steun bij dat programma terechtkomt?

Wat zijn volgens u de gevolgen van de stopzetting van de Amerikaanse steun USAID aan de Palestijnse gebieden?

Christophe Lacroix:

Monsieur le vice-premier ministre, le 11 mars 2024, votre prédécesseuse, Hadja Lahbib, annonçait l'intention de la Belgique d'intervenir devant la Cour internationale de Justice (CIJ), celle-ci alertant sur un risque de génocide à Gaza, dans l'affaire opposant l'Afrique du Sud à Israël. Cette intervention était pleinement légitime et fondée sur l'article 63 du statut de la Cour, qui permet à tout État signataire de la convention sur le génocide de se joindre à la procédure en tant qu'intervenant.

Depuis, un an s'est écoulé. Entre-temps, la situation a connu de nombreuses mutations et plusieurs États ont déjà transformé leurs déclarations en actes. Effectivement, plus d'une dizaine de pays ont officiellement exprimé leur volonté d'intervenir devant la Cour internationale de Justice dans l'affaire Afrique du Sud contre Israël. Douze États ont déjà déposé une demande formelle auprès de la CIJ. Parmi eux, l'Espagne, pays européen, qui a soumis sa demande officielle le 28 juin 2024, démontrant ainsi une prise de position claire et concrète.

Pourtant, malgré son annonce précoce, la Belgique demeure au stade des intentions. Aucune information publique n'a été communiquée sur les démarches entreprises pour officialiser cette intervention, ni sur les raisons de cette inertie. Alors que d'autres États européens ont déjà franchi le cap, notre absence d'action soulève des interrogations. J'ai, d'ailleurs, interrogé le premier ministre à ce propos, il y a une quinzaine de jours, mais il ne m'a même pas répondu quant à l'intention du gouvernement.

Je reviens donc vers vous, avec les questions suivantes.

Quelles démarches concrètes la Belgique a-t-elle entreprises depuis l'annonce de son intention d'intervenir devant la Cour internationale de Justice?

Quels obstacles expliquent-ils l'absence de demande officielle d'intervention, alors que d'autres États, y compris européens comme l'Espagne, ont franchi cette étape?

La Belgique entend-elle toujours aller au bout de cette démarche et, si oui, selon quel calendrier?

Je poursuis avec ma deuxième question.

La présidente : Votre temps de parole est limité à deux minutes, car nous avons calqué les règles de ce débat sur celles de la séance plénière. Mais nous avons déjà procédé autrement par le passé.

Christophe Lacroix:

Je n'avais pas compris. Veuillez m'excuser. Je me suis référé aux commissions précédentes, lors desquelles on fusionnait le temps et nous en disposions, dès lors, davantage pour développer notre question. Sinon, cela n'a aucun sens de faire un débat d'actualité! Franchement! Dès lors j'aurais géré mon temps différemment évidemment.

La présidente : Bien entendu! Vous pourrez résumer votre question. Normalement, vous disposez de deux minutes. J'ai vu le papier ici.

Christophe Lacroix:

Et le papier, c'est le Règlement?

La présidente : Oui, c'est cela! J'ai vérifié, mais nous sommes maîtres du déroulement de nos travaux. Je croyais que vous aviez déjà posé la question, mais ce n'est pas le cas. Je résumerai donc ma deuxième question, si vous me le permettez.

Christophe Lacroix:

Sur le sujet de l'accès de l'aide humanitaire à Gaza, on s'aperçoit du blocage en raison de l'attitude de l'État d'Israël.

Monsieur le ministre, quelle(s) mesure(s) forte(s) la Belgique mettra-t-elle en place pour rétablir l'accès de l'aide humanitaire et cela tant au sein de l'Union européenne, ou autres instances internationales, que seule? J'insiste sur ce point car nous pouvons déjà mettre en place une série de mesures en tant qu'État. Quelle(s) sanction(s) envisagez-vous face à l'État d'Israël face aux perturbations et crimes commis en Palestine et son attitude envers la Cisjordanie?

Annick Lambrecht:

Mijnheer de minister, de gruwelijke beelden en rapporten uit Libanon laten geen ruimte voor twijfel: Israël voerde in september-oktober 2024 en tot heden systematisch aanvallen uit op ziekenhuizen, ambulances en hulpverleners. Dat gebeurde niet per ongeluk, niet als collateral damage, maar doelgericht. Artsen werden vermoord terwijl ze levens probeerden te redden, ziekenhuizen werden gebombardeerd terwijl ze patiënten hielpen en ambulances die gewonden vervoerden werden door luchtaanvallen getroffen.

Volgens de WHO zijn er in Libanon verhoudingsgewijs zelfs meer gezondheidswerkers en patiënten omgekomen dan in Oekraïne en Gaza. Oorlogsmisdaden gepleegd in alle openheid, zonder enig gevolg voor de daders. Hoelang blijft de internationale gemeenschap nog wegkijken? Hoelang blijft België alleen maar bezorgdheid uiten zonder echt in actie te komen? De federale regering zegt dat ze het internationale recht verdedigt, maar woorden volstaan niet. Er moet ook actie komen.

Wat zal België concreet doen om de straffeloosheid te doorbreken?

Bent u bereid om binnen de VN-Mensenrechtenraad te pleiten voor een VN-onderzoekscommissie voor Libanon? Bent u van plan om de Libanese regering aan te moedigen om het Internationaal Strafhof jurisdictie te geven?

Bent u bereid om op Europees niveau te ijveren voor individuele sancties tegen de verantwoordelijken voor deze aanvallen en een herziening van het associatieakkoord tussen de EU en Israël te eisen?

Els Van Hoof:

Mijnheer de minister, de oorlog in Gaza woedt in alle hevigheid verder. Ik las vandaag in de krant dat er officieel geen enkele plek meer veilig is, ook niet de zone van Al-Mawasi. Sinds 2 maart komt er ook geen humanitaire hulp meer toe. De situatie is dus heel onveilig, het internationaal humanitair recht wordt geschonden. Dat moet ons nopen tot concrete acties op Europees vlak met het oog op een permanent staakt-het-vuren en een structurele tweestatenoplossing.

De erkenning van de Palestijnse staat geraakt intussen hoger op de agenda, nu ook president Macron heeft aangekondigd om daar een onderwerp van te maken tijdens de VN-conferentie in New York over het Israëlisch-Palestijns conflict. Er is ook de Global Alliance for the Implementation of the Two-State Solution in Rabat. Ons land heeft aangegeven om in mei aan die vergadering deel te nemen.

Wat is er gezegd tijdens de jongste bijeenkomst van de Raad Buitenlandse Zaken op 14 april? Is de opschorting van het associatieakkoord ter sprake gekomen? Hoe zit het met de evaluatie door de Commissie ter zake?

De EU heeft steun van 1,6 miljard euro aangekondigd. Waarvoor zal dat geld dienen? Hoe zit het met de voorbereiding van België inzake de schriftelijke tussenkomst voor het Internationaal Gerechtshof? Op welke manier zullen wij onze positie bepalen inzake de tweestatenoplossing en de erkenning van de Palestijnse staat?

Staf Aerts:

Mevrouw de voorzitter, ik bedank u voor uw soepelheid. Er is ondertussen ook een vergadering van de commissie voor Landsverdediging en ik probeer in beide zo goed mogelijk aanwezig te zijn.

Mijnheer de minister, het Israëlisch geweld in de Gazastrook blijft aanhouden. Ondertussen wordt de humanitaire hulp al vijftig dagen geblokkeerd. Eerder deze maand werd een ziekenhuis aangevallen. Bij het bombardement vielen geen slachtoffers, maar bij de verplichte evacuatie vielen wel drie doden, waaronder een twaalfjarig kind. Dat toont aan hoe erg de situatie is en wat het probleem is als men humanitaire installaties zoals ziekenhuizen bombardeert.

Vergeten we evenmin de hele saga over de neergeschoten hulpverleners. In het begin was het verhaal niet waar, dan waren de hulpverleners in de borst geschoten, daarna in het hoofd. Daarop is een schuldige aangewezen. Maar mijns inziens is de enige grote schuldige het Israëlische beleid tegenover de mensen in de Gazastrook, dat alle verbeelding tart. Het humanitair notificatiesysteem is geschrapt. De humanitaire hulp wordt tegengehouden. Mensen verkeren in hongersnood, een man-made starvation . Dat is echt verschrikkelijk. Ik vraag me af hoelang de wereldgemeenschap zal blijven toekijken. Ik hoop dat België misschien opnieuw de voortrekkersrol opneemt in acties tegen Israël.

Mevrouw Van Hoof heeft verwezen naar het investeringsplan van de Europese Unie. Zal België zich daarbij aansluiten? Zal ons land ook extra inspanningen leveren?

Hoe kijkt u naar artikel 79 van de associatieovereenkomst? Zult u dat aangrijpen om binnenkort actie te ondernemen of te bepleiten vanuit de Europese Unie? Het is hoog tijd daarvoor.

Bent u ook bereid om vanuit België zelf stappen te zetten en acties te ondernemen en niet te blijven afwachten tot er in de Europese Unie unanimiteit is? We kunnen onze ogen toch niet blijven sluiten voor al dat geweld?

Rajae Maouane:

Madame la présidente, je renvoie à la version écrite de mes questions.

​ Monsieur le Ministre,

Dans un silence assourdissant : la famine menace Gaza, et l’ONU vient d’annoncer que ses réserves d’aide alimentaire seront épuisées d’ici deux semaines.

Deux semaines. Deux semaines avant que des milliers d’enfants, de femmes, de personnes âgées ne soient plus en mesure de survivre. Deux semaines avant que la catastrophe humanitaire ne devienne un crime par inaction.

Et pendant ce temps, les convois humanitaires sont bloqués, les bombardements se poursuivent, et les infrastructures vitales – hôpitaux, points d’eau, écoles – sont détruites ou inaccessibles.

Face à cela, la Belgique ne peut pas se contenter de déclarations prudentes. Elle a un devoir d’action, un devoir de cohérence, un devoir d’humanité.

Je vous pose donc les questions suivantes, Monsieur le Ministre :

Quelles initiatives diplomatiques urgentes la Belgique prend-elle – seule ou avec ses partenaires européens – pour exiger un accès humanitaire immédiat, sûr et sans conditions à Gaza ? Allez-vous soutenir au Conseil européen ou à l’ONU l’ouverture de corridors humanitaires permanents, y compris par voie maritime si nécessaire ?

La Belgique est-elle prête à augmenter immédiatement sa contribution humanitaire aux agences onusiennes et ONG actives à Gaza, notamment au PAM, à l’UNRWA et à l’OCHA ? Si oui, de quel montant parle-t-on ? Et selon quel calendrier ?

Allez-vous appeler publiquement à un cessez-le-feu immédiat, comme le demandent les agences de l’ONU et la société civile ? Et allez-vous exiger que le droit international humanitaire soit respecté par toutes les parties, y compris l’armée israélienne, dont les restrictions actuelles aggravent la crise ?

Enfin, quelles garanties exigez-vous de vos interlocuteurs diplomatiques quant à la fin des blocages délibérés de l’aide ? Et quelles conséquences diplomatiques envisagez-vous vis-à-vis de ceux qui, de fait, empêchent aujourd’hui l’acheminement de nourriture dans une zone où l’on meurt de faim ?​

Merci pour vos réponses

Monsieur le Ministre,

Alors que la catastrophe humanitaire se poursuit à Gaza, avec des milliers de morts civils, des hôpitaux à l’arrêt, des enfants affamés, voilà qu’un nouveau front de guerre s’active : le Liban.

L’armée israélienne a bombardé le Liban malgré la trève. Ces affrontements viennent s’ajouter à des mois de tension croissante à la frontière sud du Liban, avec le risque bien réel d’un embrasement régional.

Et pendant ce temps-là, ce sont toujours les civils qui paient le prix. Des familles libanaises et israéliennes qui vivent dans la peur, des déplacés, des blessés, des zones entières en insécurité.

Et pourtant, la communauté internationale, y compris l’Union européenne, semble paralysée.

Monsieur le Ministre,

La Belgique doit parler avec une voix claire : celle du droit international, celle de la diplomatie active, et celle de la solidarité avec les populations civiles, qu’elles soient palestiniennes, israéliennes ou libanaises. Car le silence n’est pas une neutralité : c’est un abandon.

Je vous pose donc les questions suivantes :

Quelle position la Belgique défend-elle aujourd’hui au sein de l’Union européenne et du Conseil de sécurité des Nations Unies face au risque d’escalade entre Israël et le Liban ? Y a-t-il des démarches diplomatiques en cours pour obtenir une trêve immédiate, et quels sont les partenaires privilégiés pour y parvenir ? Soutenez-vous la relance du rôle de la FINUL dans cette médiation ?

Quelles mesures concrètes la Belgique compte-t-elle soutenir ou proposer pour garantir la protection des civils des deux côtés de la frontière, et exiger un strict respect du droit humanitaire, notamment de la part de l’armée israélienne, dont les frappes sont aujourd’hui sans discernement ?

Sur le plan humanitaire, quelle aide la Belgique est-elle prête à mobiliser, en particulier au Liban, où les infrastructures médicales sont déjà affaiblies et où une crise sociale profonde rend les populations encore plus vulnérables ?

Une aide d’urgence est-elle prévue via Enabel, le SPF Affaires étrangères, ou nos partenaires multilatéraux ?

Et de quelle marge de manœuvre budgétaire disposons-nous pour répondre à une crise humanitaire élargie au Liban ?​

Merci de vos réponses

Monsieur le Ministre,

La situation en Palestine, et plus particulièrement dans la bande de Gaza, atteint un seuil de gravité extrême. L’offensive israélienne en cours a considérablement réduit la taille de ce territoire déjà exigu, l’appauvrissant et le dévastant jusqu’à le transformer en une zone de plus en plus invivable. Les bombardements incessants ont non seulement détruit des infrastructures essentielles mais ont aussi conduit à l’éviction forcée de millions de Palestiniens qui se retrouvent désormais confinés dans un espace toujours plus restreint. Cette réduction progressive du territoire disponible pour la population palestinienne soulève des questions fondamentales sur les conditions de vie et la protection de leurs droits humains.

La bande de Gaza, autrefois une région déjà sous pression, devient aujourd’hui un espace où la liberté de circulation, les droits à la santé, à l’éducation et même à l’existence sont de plus en plus remis en question. L’ONU évoque un "écrasement" progressif du territoire, où des milliers de Palestiniens sont privés d’accès aux services de base, à l’eau, à la nourriture et aux soins médicaux. De plus, les impacts de cette réduction territoriale, non seulement en termes de géographie, mais aussi sur le plan psychologique et social, sont dramatiques pour la population locale.

Dans ce contexte, la Belgique et l’Union européenne doivent prendre une position ferme et active face à ce processus de réduction systématique du territoire de Gaza, qui semble viser à rendre la vie insoutenable pour les habitants, voire à effacer la présence palestinienne de ce territoire.

Mes questions sont les suivantes :

Quel est le point de vue du gouvernement belge sur la politique israélienne de réduction de la bande de Gaza et ses conséquences humanitaires dramatiques pour la population palestinienne ?

Concrètement, quelles actions la Belgique compte-t-elle entreprendre pour dénoncer et stopper cette réduction du territoire de Gaza, qui prive de plus en plus de Palestiniens de leurs droits fondamentaux et d’un espace de vie viable ?

La Belgique, au sein de l’Union européenne, soutiendra-t-elle des sanctions ou des mesures diplomatiques visant à contraindre Israël à respecter les principes du droit international, en particulier concernant les droits humains des Palestiniens et le maintien de leur territoire ?

Quelle position la Belgique adoptera-t-elle sur les plans de réinstallation et de déplacement forcé des populations palestiniennes dans cette zone, et quelles démarches compte-t-elle entreprendre pour faciliter la protection de ces populations ?

Maxime Prévot:

Mesdames et messieurs les députés, merci pour vos nombreuses questions par rapport à la situation au Proche-Orient. Ne tournons pas autour du pot, oui, la situation est dramatique et elle ne cesse d'empirer, surtout à Gaza.

Nous comptons à ce jour plus de 51 000 morts. L'aide humanitaire est bloquée depuis le 2 mars et 69 % de ce territoire, à peu près grand comme la côte belge, est déclaré no go zone par l'armée israélienne. Plus de deux millions de Gazaouis sont donc coincés dans un espace réduit, sans accès à la nourriture ni à l'eau.

Le dernier hôpital fonctionnel à Gaza, un hôpital chrétien, a également été bombardé le dimanche des Rameaux. Comme l'aide humanitaire n'entre plus, les gens meurent également par manque de médicaments et de traitements. La grande majorité des agences humanitaires ont dû arrêter leurs opérations à cause de l'insécurité et du manque de matériel à distribuer.

Les Nations Unies estiment qu'environ 350 000 personnes sont entrées dans la phase 5 de famine, le niveau le plus élevé. J'ai personnellement appelé déjà plusieurs fois à un accès humanitaire sûr et sans entrave, et je continue à le faire dans toutes les instances possibles. J'en ai parlé directement à l'ambassadrice d'Israël que j'avais demandé à voir, lui rappelant expressément – comme je l'ai fait publiquement à la Chambre – que ces entraves inacceptables à l'aide humanitaire constituaient des violations manifestes du droit international humanitaire voire même des crimes de guerre.

Mais à l'heure actuelle, aucun pays n'est parvenu à convaincre le gouvernement d'Israël de permettre à l'aide humanitaire de rentrer. Pire même, des ministres du gouvernement israélien ont encore affirmé récemment qu'aucune aide humanitaire n'entrerait à Gaza, car ils veulent augmenter la pression sur le Hamas pour qu'il libère les otages. Ces déclarations reviennent à appeler à la punition collective d'une population civile, ce que le droit international humanitaire interdit formellement.

Vous pouvez être rassurés sur le fait que la diplomatie belge réalise de nombreuses interventions au niveau de l'Union européenne, des Nations Unies et ailleurs, dans lesquelles nous appelons au cessez-le-feu, au respect du droit international humanitaire, à la libération des otages et à l'accès humanitaire immédiat et sans condition.

De executie van 15 humanitaire hulpverleners, van wie 1 medewerker van de Verenigde Naties en 8 medewerkers van de Palestijnse Rode Halve Maan op 23 maart in Gaza, verdient bijzondere aandacht.

De Israëlische regering geeft intussen toe dat er ernstige fouten zijn gemaakt. Initieel werd beweerd dat de voertuigen en de medewerkers onvoldoende gemarkeerd waren en dat de medewerkers gewapende Hamasstrijders waren. De vrijgegeven videobeelden spreken dat echter duidelijk tegen. Een intern onderzoek werd ingesteld en de Deputy Commander werd ontslagen.

Deze respons is weliswaar ruimschoots onvoldoende. Het is essentieel dat de verantwoordelijken voor dit soort ernstige en onaanvaardbare incidenten bestraft worden. Een onafhankelijk onderzoek van de Verenigde Naties – waartoe de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten, Volker Türk, opriep in de VN-Veiligheidsraad – zou zeker op Belgische steun kunnen rekenen. Het valt echter nog af te wachten of Israël de Verenigde Naties zal toelaten tot Gaza om een onderzoek te voeren.

J'ai condamné les propos tenus par le président Trump à propos de possibles déplacements forcés et je condamne tout autant la rhétorique incendiaire de hauts responsables israéliens concernant la saisie ou l'annexion de territoires ainsi que le déplacement de Palestiniens hors de Gaza. Cela va à l'encontre de principes fondamentaux du droit international, qui interdit l'acquisition de territoires par la force et le déplacement forcé de populations civiles.

Le Conseil de sécurité des Nations Unies a rejeté en juin dernier – résolution 2735 – toute tentative de changement démographique ou territorial dans la bande de Gaza, y compris toute action visant à réduire le territoire de Gaza. La situation en Cisjordanie, y compris à Jérusalem-Est, est de même extrêmement alarmante. Les opérations israéliennes dans le Nord de la Cisjordanie ont causé des centaines de morts, détruit des camps de réfugiés entiers ainsi que des centres médicaux de fortune et déplacé plus de 40 000 Palestiniens.

L'annonce de l'interdiction du retour des habitants pendant un an suscite de vives inquiétudes quant à des déplacements massifs à long terme. L'expansion illégale des colonies se poursuit, tandis que certains ministres israéliens plaident pour la souveraineté israélienne dans le territoire occupé.

Nous regrettons par ailleurs la répression et le manque d'accès aux lieux saints pour les chrétiens pendant la période de Pâques. En Israël, la répression sévère de l'espace civique, notamment contre les organisations de défense des droits humains, est également alarmante. Il y a de nombreuses manifestations dans les rues de Tel-Aviv et ailleurs. Il faut reconnaître et saluer à ce sujet le soutien de l'Union européenne aux organisations qui travaillent en faveur des droits humains et de la médiation en Israël.

La Belgique continue de soutenir la réponse humanitaire à Gaza et en Cisjordanie, incluant Jérusalem-Est. En 2024, le financement direct alloué à des acteurs humanitaires actifs en territoire palestinien occupé représentait 14 % du budget total dédié à l'aide humanitaire, soit 27 millions d'euros.

En 2025, notre contribution flexible à l'UNRWA a déjà été payée et d'autres financements sont en cours de préparation. Plusieurs de nos financements en 2024 sont toujours en cours, notamment ceux du Comité international de la Croix-Rouge, d'UNRWA, du West Bank Protection Consortium, d'Oxfam et de Humanity & Inclusion.

Lors de ma récente rencontre avec le premier ministre palestinien, celui-ci exhortait l'Union européenne à rapidement libérer ces fonds pour pouvoir payer le personnel palestinien encore actif à Gaza. J'ai joint ma parole à la leur en demandant à deux reprises à la Commission européenne la libération de ces fonds, ce qu'elle tarde à faire de manière incompréhensible.

En sus, Israël refuse de verser à l'Autorité palestinienne les taxes dues en vertu du protocole de Paris, ce qui représente des sommes cumulées considérables, affaiblissant l'Autorité palestinienne, alors même que chaque fois que celle-ci est affaiblie, c'est le Hamas qui s'en trouve renforcé.

Mes services et moi-même sommes attentifs aux mesures qu'Israël entend appliquer à l'aide humanitaire à Gaza, qui pourraient être en contradiction avec les principes humanitaires, notamment le principe d'impartialité. La nouvelle loi israélienne sur l'enregistrement des ONG internationales pose également question en ce qui concerne l'accès humanitaire des ONG internationales aux territoires palestiniens occupés, en raison des critères d'appréciation établis par cette loi.

Les acteurs humanitaires tirent la sonnette d'alarme sur ces deux aspects que nous suivons avec attention, que ce soit à Tel-Aviv, à Jérusalem ou à Bruxelles.

In het kader van de bilaterale samenwerking met Palestina voert België via Enabel een programma van 70 miljoen euro uit, dat gericht is op de ondersteuning en empowerment van jongeren, via onderwijs en toegang tot werkgelegenheid in een duurzame omgeving.

Na het verergeren van de crisis en de enorme bijkomende behoeften die zijn ontstaan in Gaza, maar ook op de Westelijke Jordaanoever, met inbegrip van Oost-Jerusalem, heeft België besloten de Palestijnse Autoriteit verder te steunen in haar plannen om het land opnieuw op te bouwen. Meer specifiek werd 5 miljoen euro toegevoegd aan het bilaterale programma, via een gezamenlijke financieringsovereenkomst, om de uitvoering van het Palestijnse plan voor de onderwijssector te ondersteunen en zo bij te dragen tot het bredere proces van stadsopbouw. In Gaza werden de activiteiten van Enabel weliswaar on hold gezet kort na het uitbreken van de gevechten, maar het agentschap houdt zich klaar om zijn activiteiten aldaar te hernemen zodra de veiligheidssituatie dat toelaat.

De Palestijnse wetgeving voor de betalingen aan Palestijnen die werden gevangen of gedood door Israël, bestaat nog, maar de implementatie van de uitkering van voordelen aan gevangenen is wel effectief ingetrokken. In de plaats ervan komt een systeem dat op basis van armoede-indicatoren zal bepalen wie recht heeft op sociale ondersteuning, net zoals andere gezinnen die onder de armoedegrens te leven of bijvoorbeeld te maken hebben met een gehandicapt kind of alleenstaande moeder. PLO's Prisoners' Commission zal niet zetelen in de nieuwe structuur van sociale zekerheid die wordt opgericht.

Het hele proces werd gecoördineerd en verwelkomd door de Verenigde Staten. Israël werd geïnformeerd over de hervormingen. Hierop heeft de Palestijnse Autoriteit alvast aan de Verenigde Staten gevraagd om de (…) Taylor Force Act te bekomen. Die Act voorziet als voorwaarde het stopzetten van betalingen aan martelaren.

Ik geef nog mee dat België en de EU nooit hebben bijgedragen aan het martelaarsfonds.

De afschaffing ervan is, samen met de hervorming van de schoolboeken, een voorwaarde van de Europese Unie om een hulppakket aan de Palestijnse Autoriteit vrij te geven. Dat is intussen gebeurd. De Europese fondsen werden steeds nauwgezet opgevolgd en dat zal ook in de toekomst zo zijn. Er bestaat al een rigoureus analysesysteem met bijhorende vetting. Het wegvallen van de Amerikaanse financiering via USAID heeft daarop geen invloed.

Pour ce qui concerne la Cour internationale de Justice, le Conseil des ministres a décidé en mai 2024 que la Belgique interviendrait dans deux affaires pendantes relatives à la convention pour la prévention et la répression du crime de génocide. Cette décision a donc été prise sous le précédent gouvernement. Les deux affaires en question – Gambie versus Myanmar et Afrique du Sud versus Israël – soulèvent des questions similaires concernant l'interprétation de la Convention et plus particulièrement en ce qui concerne le concept d'intention propre au crime de génocide.

Ainsi, la Belgique examinera la question de savoir si le fait pour une partie à un conflit armé d'invoquer des considérations militaires pour justifier son action constitue nécessairement ou pas un obstacle à l'existence d'une intention génocidaire. Dans l'affaire Gambie versus Myanmar, la Belgique a adressé à la Cour internationale de Justice une demande d'intervention en décembre 2024. La Cour doit encore se prononcer sur la recevabilité de cette demande et, partant, sur la participation de la Belgique à la suite de la procédure.

Le dépôt d'une demande d'intervention analogue dans l'affaire Afrique du Sud versus Israël est actuellement en préparation. Ce dépôt interviendra avant la date fixée par la Cour pour la clôture de la procédure écrite, initialement fixée au 28 juillet 2025 mais reportée au 12 janvier 2026 conformément au règlement de la Cour. Il s'agit ici pour la Belgique, fidèle et reconnue pour son attachement au droit international, d'intervenir sur des éléments qui ressortissent de ce droit, et non pas d'instrumentaliser politiquement ces affaires, ni pour nier un éventuel génocide s'il était avéré, ni pour en déclarer un précipitamment ou de manière juridiquement infondée s'il n'y avait pas lieu.

Le droit, tout le droit et rien que le droit! Les 18 derniers mois de violence ont clairement démontré qu'il n'existait pas de solution militaire à cette crise. La seule voie à suivre est un règlement politique fondé sur deux États vivant côte à côte avec une égalité de dignité et de droit, conformément au droit international, notamment les résolutions adaptées au niveau de l'ONU.

La Belgique est donc impliquée dans l'alliance globale pour la mise en œuvre de la solution à deux États. Vous savez que nous en avons accueilli la deuxième réunion à Bruxelles en novembre dernier. La prochaine réunion se tiendra au Maroc au mois de mai et mes services y participeront.

L'initiative de la France et de l'Arabie saoudite d'organiser une conférence en faveur de la solution à deux États dans le cadre des Nations unies est encore en train de prendre forme. Elle est pour l'instant planifiée du 17 au 20 juin à New York, mais tant les objectifs concrets que le format précis sont encore à définir.

Les expressions publiques ont été plurielles et parfois contradictoires: tantôt nous évoquons une volonté d'un grand mouvement de reconnaissance de l'État palestinien en contrepartie de plusieurs reconnaissances arabes en faveur de l'État d'Israël, tantôt nous entendons que cette approche relève du fantasme et tantôt que la reconnaissance de l'État palestinien ne pourrait s'envisager que dans le cadre d'une reconnaissance mutuelle avec Israël. Bref, l'agenda des objectifs poursuivis lors de cette conférence n'est pas encore clair.

À ce stade, le gouvernement n'a donc a fortiori pas encore eu à connaître du contenu des enjeux ni à se pencher sur la position à adopter. Nous en saurons plus à l'issue d'une réunion préparatoire qui devrait être convoquée par les deux co-organisateurs dans le courant du mois de mai. En même temps, nous sommes en contact aussi via l'Union européenne avec nos partenaires arabes par rapport au plan arabe pour Gaza.

Néanmoins, la sécurité, un cessez-le-feu stable et un horizon politique durable sont primordiaux avant que nous ne puissions parler d'une reconstruction.

En marge de la dernière réunion du Conseil des Affaires étrangères, l'ensemble des ministres des Affaires étrangères de l'Union européenne ont tenu un dialogue de haut niveau avec la Palestine. C'était, entre autres, l'occasion de parler du programme pluriannuel d'aide 2025-2027 et de l'état d'avancement des réformes menées par l'Autorité palestinienne.

In grote lijnen bestaat het hulppakket aan de Palestijnse Autoriteit uit drie blokken ten bedrage van 1,5 miljard euro. Zo is er budgetsteun voor een bedrag van 620 miljoen euro, gelinkt aan een hervormingsmatrix; 560 miljoen euro voor infrastructuur en economische ondersteuning, inclusief de steun aan het UN Relief and Works Agency for Palestine Refugees (UNRWA), en tot slot 400 miljoen euro voor leningen aan de privésector, banken en bedrijven. Ik heb van de gelegenheid gebruikgemaakt om een bilateraal onderhoud te hebben met de Palestijnse premier Mustafa.

Le cessez-le-feu demeure notre priorité. Le premier ministre Mustafa m'a répété que l'Autorité palestinienne mettait en oeuvre les réformes demandées par l'Union européenne et était prête à se réengager dans la gouvernance à Gaza. De mon côté, je l'ai assuré du fait que la Belgique continuerait à aider le peuple palestinien, notamment via notre agence de développement Enabel.

Op het vlak van sancties wordt er op Europees niveau verder onderhandeld over hoe we de lijst van individuen kunnen uitbreiden, zowel wat Hamas betreft als wat gewelddadige kolonisten betreft.

Si d'autres sanctions n'ont pas encore été décidées, je reste clairement ouvert à d'éventuelles discussions sur le sujet. Lors de la réunion du Conseil d'association Union européenne-Israël du 24 février dernier, j'ai d'ailleurs fait savoir que nos relations riches et fructueuses étaient malheureusement menacées par les nombreuses allégations de violations graves par Israël de l'article 2 de l'accord d'association. Tant les crimes de guerre présumés résultant d'un usage disproportionné de la force à Gaza que les obstacles à l'action humanitaire, essentielle, de l'UNRWA nous amènent à clairement nous interroger sur le respect de cet article par Israël.

La perspective subsiste donc de sanctions destinées à manifester notre totale désapprobation quant aux excès de la réaction israélienne et, a fortiori , tant que nous serons confrontés à une volonté manifeste d'empêcher l'octroi de l'aide humanitaire la plus essentielle. Nous nous situons là dans l'indignité totale.

À propos de la reconnaissance de la Palestine, elle est acquise a priori . La question est de savoir quand. L'accord de gouvernement indique que nous soutenons les pays dans leur quête d'institutions démocratiques et d'une bonne gouvernance, en respectant le droit à l'autodétermination, la souveraineté du peuple et l'intégrité territoriale et que nous cherchons, toujours dans cet accord de gouvernement, à parvenir à une solution à deux É tats qui garantisse à la fois la sécurité d'Israël et qui permette la reconnaissance de la Palestine. Par cette phrase, le gouvernement considère donc inéluctable que cette reconnaissance advienne. L'enjeu est bien le momentum . Quand cette reconnaissance se révélera-t-elle appropriée aux fins de faciliter la paix, et non d'aggraver les conflits? Et quand la sécurité d'Israël sera-t-elle également garantie? Je l'ai dit lors de la dernière séance plénière: je crois que cette démarche peut contribuer à un effet d'emballement international favorable à la Palestine et susceptible d'aider ce peuple. Toutefois, nous ne devons pas simplement le postuler en considérant qu'une reconnaissance, bien qu'elle satisfera probablement la majorité de notre Assemblée, sera de nature à apaiser les choses.

Les enjeux de contexte de la conférence à venir à New York ne sont donc pas à négliger. Nous devrions faire profiter l'Autorité palestinienne de cette reconnaissance face au Hamas. Il est néanmoins légitime de s'interroger en conscience sur cet acte symbolique fort à poser au moment où le gouvernement Netanyahu, sous l'influence de l'extrême droite notamment, ne semble plus guère connaître de limites dans l'escalade de l'horreur, parfois pour honteusement détourner le regard de politiques intérieures turpides allant jusqu'à menacer même l'existence de la Palestine. Et si des Palestiniens défilent désormais dans la rue pour dénoncer le Hamas, ne perdons pas de vue que nombre d'Israéliens ne se reconnaissent pas non plus dans l'attitude de leur gouvernement.

S'agissant du Liban, la Belgique plaide également pour le respect du droit international. La Belgique soutient et appelle à la pleine mise en œuvre du cessez-le-feu. En outre, nous prêtons une grande attention aux développements au sein du Conseil de sécurité, bien que notre pays n'en soit pas membre à l'heure actuelle.

Il est évident que le cessez-le-feu doit être respecté par toutes les parties. Il s'agit là du chemin vers la stabilité et la paix. À cet égard, les forces armées libanaises et la Force intérimaire des Nations Unies au Liban (FINUL) sont, bien sûr, des partenaires clés. La Belgique a déjà soutenu les forces armées libanaises par le passé et encore récemment au niveau européen au travers de la Facilité européenne pour la paix, à hauteur de 60 millions d'euros. Nous, Belgique, continuerons de plaider pour un soutien européen aux forces armées libanaises. La Belgique continuera également de soutenir le mandat de la FINUL.

De internationale gemeenschap moet aandacht blijven besteden aan de situatie ten zuiden van de Litani. Het staakt-het-vuren moet worden gerespecteerd, net als de territoriale integriteit van Libanon en resolutie 1701 van de Veiligheidsraad. Dat staat duidelijk in het regeringsakkoord. Dat betekent dat de aanvallen moeten stoppen en dat de wederopbouw moet beginnen.

Tegelijkertijd moeten politieke en economische hervormingen worden aangemoedigd om de rechtsstaat te consolideren en ervoor te zorgen dat de Libanese staat volledig controle heeft over zijn grondgebied. Wat de aanvallen op ziekenhuizen en ambulances in Libanon betreft, zou België een onafhankelijk onderzoek van de Verenigde Naties kunnen steunen.

We zijn ons bewust van de humanitaire situatie en onderzoeken de mogelijkheden voor steun dit jaar. Zoals u weet, bevinden we ons in een moeilijke budgettaire context en dus bekijken we onze bestaande verbintenissen en hoe we die basis kunnen versterken. Dit jaar heeft België op verschillende manieren bijgedragen aan de humanitaire hulp in Libanon door middel van flexibele financiering. Dat is een algemene financiering voor een aantal humanitaire actoren die snel konden reageren en hun activiteiten in Libanon konden opschalen. De totale financiering voor die humanitaire actoren bedraagt 39,8 miljoen euro voor dit jaar. Het belang en de relevantie van flexibele financiering is in deze crisis opnieuw aangetoond. Het stelt humanitaire actoren in staat om snel en effectief te reageren wanneer situaties snel veranderen en verergeren.

Het Belgisch ontwikkelingsagentschap Enabel richt zich uitsluitend op het uitvoeren van ontwikkelingsprogramma's en niet op het verstrekken van humanitaire hulp.

Madame la présidente, voilà les éléments de réponse aux diverses et nombreuses questions posées par nos collègues.

Sam Van Rooy:

Mevrouw de voorzitster, mijnheer de minister, net zoals elke Arabisch-islamitische tiran en kleptocraat is ook Mahmoud Abbas fundamenteel onbetrouwbaar. Hij is een jihadist in maatpak. Van 2019 tot 2024 heeft Abbas 1 miljard dollar uitbetaald aan moslimterroristen om hen te belonen voor het vermoorden van onschuldige mensen in Israël. Hoe meer dode joden, hoe groter de financiële beloning. Laat die mindset, dat typisch islamitische martelaarsdenken, nu toch eindelijk eens goed tot u doordringen. Welke naïeveling gelooft dat het zal stoppen? U gelooft dat blijkbaar.

Beseffen de traditionele partijen in dit land eigenlijk wel dat zij al decennialang direct of indirect financieel bijdragen aan dodelijk antisemitisme en aan dodelijke islamitische terreuraanslagen? Vandaag wordt nogmaals duidelijk dat hier in het Parlement vrijwel niemand beseft met welke vijand wij en Israël te maken hebben. Ongeacht of dat nu via Palestijnse media, Palestijns onderwijs of via financiële beloningen gebeurt, al van kindsbeen worden Palestijnse moslims, ook op de zogenaamde Westbank, aangezet en gestimuleerd om zoveel mogelijk onschuldige joden dood te steken, op te blazen, dood te rijden of de keel over te snijden.

Mijnheer de minister, Adolf Hitler zou daar trots op zijn. Met vele miljoenen euro belastinggeld zal ook de huidige regering daaraan blijven bijdragen. Dat is werkelijk te ziek voor woorden.

Ten slotte, over de ambulances wil ik opmerken dat Israël van een fout spreekt en actie onderneemt. U spreekt van een executie. Vervolgens stelt u dat er nog een onderzoek moet gebeuren. Het is dus duidelijk welke kant de huidige Belgische regering kiest, namelijk de kant van de islamitische jihad.

Michel De Maegd:

Merci, monsieur le ministre, pour vos éléments de réponse et votre engagement personnel dans ce dossier aussi douloureux qu'essentiel.

Je voudrais, dans ce débat d'actualité, humblement rappeler que derrière chaque chiffre, chaque bilan, chaque terme diplomatique que nous utilisons, il y a tout d'abord des vies, des enfants, des familles et des espoirs anéantis. C'est à eux que nous pensons avant tout, quelle que soit leur nationalité ou leur confession. Chaque mort de civil est insupportable.

Cela dit, et sans aucunement disculper les différente parties au conflit, en ce compris le gouvernement Nethanyahu, de leurs responsabilités pour des crimes de guerre, voire des crimes contre l'humanité que devra objectiver la justice internationale, et des faits qui devront bien sûr être condamnés, parce que les mots ont un sens, je voudrais saluer votre mesure par rapport à l'usage du terme "génocide", monsieur le ministre, et rappeler ici l'analyse pointue que nous a procurée le professeur de droit international Pierre d'Argent, il y a à peine deux mois, dans notre commission. Pierre d'Argent fut, je le rappelle, membre de la Cour internationale de Justice comme premier secrétaire. Il nous disait mot pour mot: "la Cour internationale de Justice n'a pas dit qu'il y avait un risque de génocide. Elle a dit qu'il y avait un risque de préjudice irréparable, plausible, et un droit du peuple palestinien à Gaza de ne pas être exposé à des actes prohibés par la Convention. Dire qu'il y a un risque de génocide est un raccourci de ce que la Cour internationale de Justice a dit. La différence est très fine, mais il faut être précis sur ce que la Cour a dit."

Voilà pour cette précision! Dans cette tragédie sans fin, ce que nous devons viser, ce n'est pas une trêve temporaire ou une accalmie précaire, mais une paix juste, durable, fondée sur le respect du droit international, de la justice et de la dignité humaine. La reconnaissance de l'État palestinien dans un cadre européen à un moment opportun, comme vous l'avez mentionné, monsieur le ministre, sera un pas vers cette justice. Je vous encourage donc à continuer à œuvrer dans tous les espaces où notre pays peut peser, à faire entendre une voix claire et humaine. Car au fond, ce que nous devons à toutes les victimes, en ce compris les otages du Hamas, c'est de ne pas détourner le regard, ni aujourd'hui, ni demain.

Nabil Boukili:

Monsieur le ministre, vous avez commencé en disant que vous n'alliez pas tourner autour du pot. Vous ne l'avez pas fait quand vous avez parlé des crimes de guerre et des crimes contre l'humanité commis par l'armée israélienne contre les Palestiniens. Vous avez reconnu qu'il y avait une politique de punition collective. Et vous avez décrit de manière assez exhaustive la barbarie de l'armée israélienne et de la politique de l'État colonial contre le peuple palestinien.

Et puis, vous êtes arrivé au chapitre des sanctions. Et là, vous n'avez pas juste tourné autour du pot. Vous l'avez fait en faisant des galipettes. Vos mots étaient en effet significatifs. Vous avez dit: "Les crimes de guerre nous poussent à nous interroger sur notre relation avec Israël et sur le respect de l'article 2." Et: "Nos relations riches et fructueuses sont menacées."

Monsieur le ministre, par rapport à ce que vous avez dit précédemment, comment pouvez-vous tirer ces conclusions-là, sans avoir de condamnations claires et surtout sans appeler à des sanctions claires? Vous êtes encore au stade de vous interroger sur le respect de l'article 2. Ce sont vos paroles. Vous vous interrogez sur le respect de cet article par l'État d'Israël. Vous n'avez pas appelé à suspendre l'accord d'association du fait que l'article 2 n'est pas respecté. Il n'est pas respecté! Vous avez dit vous-même que le droit international n'est pas respecté, qu'il y a des crimes de guerre et une punition collective. Quelle conclusion en tirez-vous? Pourquoi n'appelez-vous pas à des sanctions directement?

Quant à la reconnaissance de l'État de la Palestine, vous parlez de l'équilibre sur la sécurité de l'État d'Israël. Mais aujourd'hui, c'est la sécurité de l'existence même du peuple palestinien qui est menacée. Le problème est là aujourd'hui et vous ne prenez aucune sanction!

Ma question était claire et visait à savoir si vous alliez passer des paroles aux actes? Vous êtes toujours dans la parole. Il n'y a toujours aucun acte concret prenant des sanctions claires, un embargo militaire clair contre l'État génocidaire d'Israël à l'égard du peuple palestinien.

Et, pour ce qui est de remettre en question le génocide, je n'y répondrai même pas. L'histoire jugera, monsieur le ministre!

Christophe Lacroix:

Monsieur le vice-premier ministre, il n'est pas facile d'être dans votre rôle quand vous avez affaire à des points de vue parfois tellement divergents.

Je vais essayer de rester dans la mesure, tout en gardant mes convictions et mes valeurs. Tout d'abord, nous sommes effectivement face à une volonté manifeste du gouvernement israélien, que je distingue bien de l'État d'Israël et de son peuple, de liquider la cause palestinienne une fois pour toutes. Ils veulent éradiquer les Palestiniens de la terre, en ce compris en assassinant leurs dirigeants pour ne plus avoir d'interlocuteurs.

Le fait d'avoir sorti l'Office de secours et de travaux des Nations unies pour les réfugiés de Palestine dans le Proche-Orient (UNRWA) d'Israël consiste à empêcher toute possibilité de retour des Palestiniens un jour sur leur terre natale, en ce compris également ce qui est la terre d'Israël pour les Israéliens. Il y a des violations du droit international humanitaire, du droit international, des crimes de guerre, un risque d'intention de génocide. Il y a des violations avérées de l'article 2 de l'Accord d'association.

Pour une fois, nous avons un ministre qui condamne assez clairement ces événements; plus que clairement et plus que ses prédécesseurs, il faut le reconnaître. Deuxièmement, nous avons un ministre qui nous annonce un calendrier sur certains points, notamment sur l'intention de la Belgique de se joindre à l'affaire devant la Cour internationale de Justice. Vous avez annoncé 2025, et puis début 2026.

Manifestement, face aux "turpitudes" – je vous cite – du gouvernement Netanyahou, qui a tout intérêt à ce que la guerre se poursuive pour des motifs sombres de politique, mais également pour des motifs sombres d'intérêts personnels liés à des problèmes de corruption intense dans ce gouvernement et liés à la présence de l'extrême droite – car, s'il y a des islamistes en costume, il y a aussi des petits nazis en costume, en ce compris dans cette enceinte, vous l'aurez bien compris aujourd'hui monsieur le ministre –, il faudra aller plus loin et je compte sur vous pour faire bouger l'ensemble du gouvernement, parce que je crois que vous n'avez pas encore fini.

Nous reviendrons vous interroger sur davantage que les intentions et les autres aspects, dont les sanctions, et sur le calendrier, que vous nous avez déjà donné concernant l'intention de la Belgique de se joindre à l'État d'Afrique du Sud contre Israël devant la Cour internationale de Justice.

Rajae Maouane:

Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses. Merci d'avoir également dit quelques mots sur le Liban; je pense qu'il est aussi important d'évoquer ce pays et le drame qui se joue là-bas.

Vos prises de parole sur la situation à Gaza sont fortes et, dans le contexte actuel, elles sont presque courageuses, surtout quand on entend les déclarations de certains de vos collègues de coalition, comme le premier ministre ou encore un certain président de parti. Aujourd'hui, les mots sont importants et ils ont un sens, mais ils ne suffisent plus. Les populations civiles sur place ont besoin d'actes concrets et forts, qui soient à la hauteur de l'urgence. Parmi les actes concrets, il y a des sanctions. À ce sujet, je vous ai trouvé moins engageant ou moins engagé que sur le reste de vos réponses. Nous voulons des sanctions économiques et diplomatiques, mais un autre geste fort est le boycott économique, diplomatique, culturel, sportif, comme il a été pratiqué pour la Russie.

En effet, cela fait des mois qu'un génocide – oui, je le redis, un génocide – se déroule sous nos yeux avec, depuis la rupture du cessez-le-feu, le déchaînement des enfers, pour reprendre certains termes. Des centaines d'enfants ont été assassinés. Le collègue Lacroix évoquait l'assassinat des dirigeants pour ne plus avoir d'interlocuteurs. Mais on assassine aussi les enfants, comme cela il n'y a plus de descendance. Pour pouvoir éradiquer de la surface de la terre tout un peuple, des enfants sont assassinés, des femmes et des civils sont massacrés. On interdit de faire rentrer l'eau, les médicaments, la nourriture, l'électricité, on parle de famine, on parle d'épuration. Malheureusement, le monde regarde, et vous l'avez déploré également. On n'a pas trouvé de gouvernement suffisamment fort pour arrêter l'État d'Israël. Il faudra m'expliquer comment un seul pays peut mettre à genoux comme cela l'ensemble des pays et le droit international.

Concernant la solution à deux États, celle-ci est effectivement fondamentale, mais elle ne sera jamais crédible tant que la Belgique ne reconnaîtra pas pleinement l'État de Palestine. Pour une solution à deux États, il faut reconnaître la Palestine. Vous parlez de la sécurité d'Israël. Effectivement, les Israéliens et les Israéliennes ont droit à la sécurité, mais les Palestiniens et les Palestiniennes également ont droit à la sécurité, le droit d'avoir un État, et celui de circuler librement.

En ce qui concerne le timing, je pense qu'il faut avancer le plus rapidement possible. On sait que le président Macron n'est pas le plus grand défenseur de la cause palestinienne, mais récemment il s'est prononcé en faveur d'une reconnaissance rapide, d'ici le mois de juin. D'autres pays européens l'ont fait ou s'y préparent. Je pense qu'on arrive à un momentum pour pouvoir avancer.

Enfin, un autre élément est important. On parle beaucoup de paix, mais on ne pourra pas avoir de paix sans justice. Il n'y aura pas de paix sans comptes à rendre, sans mettre fin à l'impunité.

Pour qu'il y ait de la paix, il faut de la justice, et pour cela, il faut que l'on puisse se joindre aux actions, que la Justice puisse faire son travail et punir les criminels de guerre. C'est maintenant qu'il faut du courage politique, parce que les personnes là-bas n'en peuvent plus.

Annick Lambrecht:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord over Libanon.

U zegt terecht dat België een staakt-het-vuren blijft vragen en dat de territoriale grenzen moeten worden gerespecteerd. U zei ook dat u in de VN-Mensenrechtenraad blijft pleiten voor een onderzoekscommissie, opdat de mensen die de daden pleegden, kunnen berecht worden voor het Internationaal Strafhof. We kunnen immers niet langer toelaten – en ik denk dat u zeker op dezelfde lijn zit als Vooruit – dat artsen, patiënten, maar ook hulpverleners afgeslacht worden zonder dat er gevolgen zijn voor de wandaadplegers zelf. Net als u kiest Vooruit resoluut de kant van de burgerslachtoffers en het internationaal recht.

We moeten wel opletten dat het niet bij woorden blijft, maar dat er ook acties komen. Daarom pleit ik nog eens, mijnheer de minister, om op Europees niveau veel harder op tafel te kloppen met betrekking tot die individuele sancties tegen de verantwoordelijken van die wandaden en met betrekking tot de herziening van het associatieakkoord tussen de EU en Israël.

Mijnheer de minister, ik breng hulde aan u, omdat u in plenum al explicieter bent geweest dan de eerste minister. Ik steun u in uw strijd om de hele regeringsploeg mee te krijgen in uw visie. We moeten er echter voor zorgen dat het niet bij moedeloosheid en woorden blijft en dat België ook wel effectief overgaat tot meer actie dan nu het geval is.

Staf Aerts:

Mijnheer de minister, ik wil u danken om duidelijk te benoemen wat er gebeurt in Israël. Dat is zeer belangrijk. U zei het heel expliciet. U hebt het geweld veroordeeld. U hebt over de hongersnood gesproken. U hebt in woorden veroordeeld, ook richting de Israëlische ambassadeur, en gezegd dat het zo niet verder kan. Dat is goed.

Bij de rest van het verhaal blijf ik echter op mijn honger. Temeer, dit zijn uw woorden, maar ondertussen lees ik verklaringen van meerderheidsparlementsleden, vanuit N-VA bijvoorbeeld, die stellen dat Israël een rechtvaardige oorlog voert. U kunt dan zeggen dat dat slechts de mening van een parlementslid is. U zei echter ook dat België gekend staat voor het respecteren van het internationaal recht. Sinds onze eerste minister het aanhoudingsbevel van het Internationaal Strafhof naar de prullenband heeft verwezen, mag u in de verleden tijd spreken: België stond gekend als voorvechter van het internationaal recht. Die uitspraak is de wereld rondgegaan, dat imago zijn we kwijt.

Blijft het alleen maar bij woorden? Neen, want minister Francken, onze minister van Defensie, vindt Israël vandaag nog steeds een voorkeurspartner en wil ook samenwerken met de Israëlische defensie-industrie. Ondanks alle woorden die u hebt uitgesproken met betrekking tot Israël, wil hij dat vandaag nog steeds.

U en uw coalitiepartners zitten wat dat betreft in een totale spreidstand. Dat maakt dat het voor een groot stuk bij woorden blijft, want ook al is er nog altijd financiële steun voor de heropbouw, we moeten die heropbouw stopzetten, zo zegt u zelf, wegens het Israëlische geweld.

Echte sancties heb ik hier vandaag niet gehoord. We hebben een voorstel van resolutie met een heel aantal maatregelen ingediend, die we ook vanuit België kunnen nemen. Ik hoop echt dat daarvoor steun komt en dat het niet alleen bij woorden blijft. Ik hoop dat de parlementssteden zich expliciet uitspreken om echt sancties op te leggen. We kunnen niet blijven doen alsof er niks aan de hand is. Er zijn al meer dan 50.000 doden, rechtstreeks door het geweld. Volgens Amerikaanse schattingen zijn het er zelfs nog veel meer dan dat.

Nu waarschuwt u dat de goede relaties met Israël in het gedrang komen, maar voor mij zijn ze al heel lang in het gedrang. Het is zeer belangrijk dat de Belgische regering meer doet. Er is meer nodig dan alleen maar de woorden van een minister van Buitenlandse Zaken, die ik zeer steun op dat vlak. We hebben nood aan meer actie, meer daden. Het is hoog tijd.

Els Van Hoof:

Mijnheer de minister, ik denk dat de doelstellingen van de Israëlische regering sinds 7 oktober duidelijk waren, namelijk de liquidatie van Hamas. Daarvoor kunnen we begrip opbrengen. Het is een terroristische organisatie. We kunnen echter geen begrip opbrengen voor het verdrijven van het Palestijnse volk, waarvoor ze geen enkel middel schuwt. Als ze zelf niet vertrekken, worden ze uitgemoord. Ze kunnen ook niet vertrekken. Er worden oorlogsmisdaden gepleegd. Ze worden uitgehongerd tot op de dag van vandaag. Wij veroordelen dat streng.

Ik hoor dat uw engagement heel sterk is, op internationaal en op bilateraal vlak tegenover Israël. Ik denk dat België een belangrijk statement maakt. We blijven ook de humanitaire hulp steunen. Er is ook een duidelijk engagement van de Europese Unie en van België. Enabel en UNRWA laveren en doen daar wat nog mogelijk is.

De strijd tegen de straffeloosheid aldaar is een work in progress. Alles gebeurt daar inderdaad redelijk straffeloos. Er wordt wel opnieuw over individuele sancties onderhandeld. U hebt de opschorting van het associatieakkoord op 14 april op tafel gelegd, maar u erkent dat men dat niet alleen kan doen. Daarvoor is een Europese consensus nodig. Als men in Europese middens verblijft, begrijp ik heel goed hoe moeilijk dat is. Hoeveel doden er ook vallen, men blijkt daarvoor blind voor te zijn. Wij mogen daar in België niet blind voor zijn. We hebben een grote Palestijnse gemeenschap in België. Wij voelen dat ook aan de mensen, aan de niet-Palestijnen. De mensen kunnen niet meer kijken naar de gruwel waarvan op tv en in de kranten wordt getuigd. Ze vragen aan de parlementsleden: doe iets!

De erkenning van Palestina staat in het regeerakkoord. Het klopt dat daarvoor het juiste moment moet worden gekozen en dat de veiligheid van Israël ook belangrijk is. Mijns inziens is het momentum juni. Ik hoop dat we ons dan inderdaad, ook al is het symbolisch, kunnen aansluiten bij verschillende andere lidstaten.

Actie is heel erg belangrijk, want er sterven elke dag honderden kinderen, bij bosjes, en dat kunnen we niet aanvaarden.

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, het conflict in Gaza is verschrikkelijk. De menselijke tol is zeer groot. Het is inderdaad het moment bij uitstek om te blijven pleiten voor de vrijlating van alle gijzelaars en ontwapening enerzijds – de weg van de vrede die wij met het regeerakkoord zijn ingeslagen, is absoluut de te volgen weg – en anderzijds de tweestatenoplossing, oplossing waar wij als N-VA absoluut achterstaan.

Mijnheer de minister, u had het over de erkenning van Palestina in combinatie met de garantie van de veiligheid van Israël. Het is absoluut noodzakelijk dat de koppeling tussen die twee zaken aangehouden blijft. Een symbolische erkenning van Palestina zonder dat de veiligheid van Israël kan worden gegarandeerd, is voor ons als N-VA echt wel moeilijk. We moeten de totaliteit bekijken. Beide volkeren zijn in nood en zien af. We moeten daarvoor dan ook pleiten.

U hebt terecht de protestacties aangehaald die niet alleen in Israël maar ook in Palestina plaatsvinden. Het maakt mij inderdaad ten zeerste bezorgd dat een jongeman gefolterd werd, omdat hij geprotesteerd heeft tegen Hamas en dat mensen levend in brand gestoken worden, zo vertellen beelden van CNN ons. Dat is natuurlijk casuïstiek, maar dat neemt niet weg dat we ook daarvoor oog moeten hebben.

U hebt aangegeven dat er geen betaling voor de fondsen van de martelaren is gebeurd door ons land, noch door de Europese Unie. Dat stemt mij tevreden. Hebt u echter ook onderzocht of er via UNWRA geen middelen naar zijn gegaan? We zijn in het regeerakkoord overeengekomen dat we de werking van UNWRA zullen blijven ondersteunen, zolang de mensenrechten worden gegarandeerd en het internationaal recht wordt gegarandeerd. We moeten immers 100 % zeker zijn dat er geen middelen foutief worden besteed.

Wat de aanval op de zorgverstrekkers betreft, ga ik helemaal akkoord om in de Europese Unie te pleiten voor een onafhankelijk onderzoek via de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties. Misschien is het ook een idee om in de Europese Unie als Europese lidstaten een onderzoek te bepleiten naar wat er gebeurd is met de zorgverstrekkers. Israël heeft inderdaad acties ondernomen, maar onafhankelijke bronnen zouden onze visie nog meer kunnen versterken.

Pierre Kompany:

Monsieur le ministre, merci pour vos réponses. La boussole de notre gouvernement est le droit international, c'est ce qui doit déterminer nos positions. C'est la seule façon de soutenir toutes les populations palestiniennes et israéliennes. C'est pourquoi il est essentiel notamment que, premièrement, les otages soient libérés. Deuxièmement, toute opération militaire doit respecter le droit international humanitaire. Troisièmement, l'accès à l'aide humanitaire doit être garanti. Le Hamas, en maintenant son activité, permet à Israël de se conforter dans l'injustifiable au niveau des opérations militaires, ne respectant pas le droit international humanitaire. C'est pourquoi votre action, celle de l'Union européenne et celle de vos partenaires doivent se concentrer sur la reprise du cessez-le-feu, quitte à tordre le bras au protagoniste. C'est une nécessité essentielle pour les populations qui souffrent sous les bombardements et qui attendent leurs proches retenus ou qui attendent leurs proches retenus en otage. Vous devez faire comprendre à nos partenaires européens que des sanctions contre ceux qui incitent à la violence, d'un côté comme de l'autre, doivent s'étendre. Monsieur le ministre, il s'avère que depuis le lancement de l'actuel gouvernement, la voix de la Belgique porte haut dans les enceintes internationales et c'est une fierté grandement ressentie. Ne vous lassez pas de voir s'imposer la cohabitation des deux É tats libres, Israël et la Palestine.

De politieke gevangenen in Cuba
Cuba en de lijst van landen die terrorisme steunen
De rol van België in het faciliëren van geldtransfers naar Cuba
België, Cuba, mensenrechten en internationale sancties

Gesteld aan

Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 23 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België bevestigt ernstige zorgen over mensenrechtenschendingen in Cuba, waaronder 1.148 politieke gevangenen (nov. 2024), marteling, medische verwaarlozing en onderdrukking van opposanten, maar ontkent kennis van geblokkeerde gevangenisuitkeringen. Het land kritiseert Cuba bilateraal en via de EU (o.a. in de jaarlijkse mensenrechtendialoog) en verwerpt het Amerikaanse embargo als contraproductief, terwijl het alternatieve betalingssystemen steunt om de humanitaire impact te verzachten. Cubaanse diaspora en NGO’s (Prisoners Defenders, HRW) benadrukken systematische repressie, maar België houdt vast aan constructieve dialoog met Havana. Boukili linkt het embargo aan Amerikaanse hypocrisie (vs. wapenleveringen aan Israël) en pleit voor EU-actie tegen de ‘terrorisme-listing’, die de Cubaanse economie verstikt.

Ellen Samyn:

Mijnheer de minister, naar verluidt telt Cuba sinds 11 juli 2021 meer dan 1.800 politieke gevangenen, waaronder activisten, opposanten van het regime, kunstenaars en journalisten. Er wordt melding gemaakt dat een aanzienlijk deel van hen wordt gemarteld in de gevangenis. Zo zouden 650 gevangenen lijden aan medische aandoeningen die veroorzaakt en/of verergerd zijn door mishandeling in de gevangenis.

Mijnheer de minister, ik heb een aantal vragen voor u.

Naar verluidt zouden gevangenen in Cuba recht hebben op een gevangenisuitkering, maar deze wordt systematisch geweigerd aan politieke gevangenen. Klopt deze informatie? Hebt u informatie over onderdrukking van opposanten van het regime door de Cubaanse autoriteiten?

Hebt u informatie over martelingen, mensonwaardige omstandigheden en het niet of onvoldoende toedienen van medicatie aan politieke gevangenen in Cubaanse gevangenissen?

Zijn de schendingen van mensenrechten door de Cubaanse autoriteiten besproken op internationaal niveau? Zo ja, welk standpunt werd er ingenomen door de Belgische regering?

Hebt u hierover contact gehad met uw Cubaanse ambtgenoot of met de Cubaanse ambassadeur? Wat was de inhoud van de gesprekken?

Nabil Boukili:

Monsieur le ministre, dans ses derniers jours en tant que président des États-Unis, Joe Biden a annoncé le retrait de Cuba de la liste des "États soutenant le terrorisme" du Département d’État américain, annulant ainsi la décision de Donald Trump qui avait inscrit Cuba sur cette liste en 2021. On connaît tous les positions de M. Trump qui ne sont pas toujours mesurées. Pourtant, dès son premier jour en fonction, le nouveau président américain a immédiatement rétabli cette désignation, revenant sur la mesure prise par son prédécesseur moins d’une semaine auparavant.

L'objectif de cette désignation est clair: durcir la répression économique contre Cuba, augmenter les sanctions et l'isolement économique du pays qui dure depuis plus de 58 ans pénalisant davantage les familles cubaines. Elle s'ajoute à un ensemble de sanctions unilatérales sur une île déjà soumise à un blocus meurtrier qui a conduit à de multiples crises humanitaires. En plus de son impact direct, cette désignation a des effets indirects graves, ostracisant Cuba du commerce mondial et entraînant des pénuries de biens essentiels.

Chaque année, tous les pays votent une résolution destinée à lever complètement ce blocus meurtrier. Tous? Non, pas les USA et Israël! Ces deux pays s'y sont encore opposés en octobre de l'année dernière contre la volonté de 187 pays.

Dans ce contexte, nous souhaiterions poser les questions suivantes: la Belgique envisage-t-elle d’agir au sein de l’Union européenne pour présenter un front uni contre cette désignation et plaider pour son retrait, en soulignant les effets dévastateurs de cette politique sur les familles cubaines et la population civile en général? Car, monsieur le ministre, ces sanctions économiques extraterritoriales imposées par les USA ont un impact considérable sur les relations commerciales et financières entre l'Europe et certains pays ciblés tels que Cuba.

Ces restrictions limitent notamment les possibilités de transfert de fonds vers ces pays y compris par des ressortissants vivant en Europe ce qui aggrave l'isolement économique de leur famille restée sur place. En réaction, certaines initiatives européennes ont vu le jour comme INSTEX, un mécanisme de troc destiné à faciliter les échanges commerciaux sans passer par le dollar ou le système bancaire américain.

Dans ce contexte géopolitique complexe, la Belgique, en tant que membre actif de l'UE, pourrait jouer un rôle important. Quelles mesures pourrait-elle soutenir pour faciliter la mise en place de systèmes de paiement alternatifs comme INSTEX afin de contourner les restrictions imposées par les USA et permettre, entre autres, l'envoi de fonds des ressortissants cubains vivant en Belgique vers Cuba réduisant ainsi les conséquences de l'isolement économique désastreux?

Maxime Prévot:

Mevrouw de voorzitster, mevrouw Samyn, ik deel uw bezorgdheden omtrent de situatie van de gevangenen in de Cubaanse gevangenissen. Zoals u weet, verspreiden de Cubaanse autoriteiten geen informatie hieromtrent. Dat leidt ertoe dat mijn diensten voor indicatieve gegevens aangewezen zijn op het werk van lokale organisaties.

Volgens het recentste rapport van de ngo Prisoners Defenders werden er in november 2024 nog 1.148 politieke gevangenen vastgehouden in Cubaanse gevangenissen. Via mijn diensten op het hoofdbestuur en onze ambassade ter plaatse, volgen wij de situatie nauwgezet op. Mijn diensten zijn niet op de hoogte van de gevangenisuitkering waarnaar u refereert.

De mensenrechtensituatie in Cuba baart ons zorgen, net daarom is het belangrijk om met de autoriteiten in gesprek te blijven. België stelt zich constructief, maar kritisch op in onze contacten, zowel tijdens bilaterale gesprekken met Cuba als in multilaterale fora, waarbij we systematisch het belang benadrukken van het waarborgen van de eerbiediging van de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat.

Ik herinner eraan dat ons land tijdens het laatste universele periodiek onderzoek van Cuba in Genève in 2023 vier aanbevelingen heeft geformuleerd over de vrijwaring van het recht op vrije meningsuiting en vreedzame bijeenkomst, de verdere inperking van de vrijheid van meningsuiting, de bescherming van journalisten en het geweld tegen vrouwen in het land. De Cubaanse autoriteiten hebben alleen de vierde en laatste aanbeveling aanvaard.

België is ook actief op Europees niveau. Onze actie past binnen het optreden van de Europese Unie en ons land dringt er bij de EU op aan om onze bezorgdheid over de mensenrechten onder de aandacht van de Cubaanse autoriteiten te brengen, met name via de jaarlijkse mensenrechtendialoog. De laatste vond plaats op 23 en 24 november 2024 in Havana. In 2025 zal deze opnieuw plaatsvinden.

Monsieur Boukili, notre pays avait salué la brève suppression par l'administration Biden du placement de Cuba sur la liste des pays parrainant le terrorisme et regrette la décision de l'administration Trump de revenir en arrière.

En effet, la position de la Belgique sur l'embargo américain et la présence de Cuba sur la liste des sponsors du terrorisme est claire et identique à celle de l'Union européenne. Les effets extraterritoriaux des sanctions unilatérales sont contreproductifs, contraires au droit international et constituent un risque majeur pour les investissements européens. Ils sanctionnent les entreprises belges et européennes qui coopèrent avec Cuba sur la base de leurs intérêts économiques basés aux É tats-Unis. Nous exprimons d'ailleurs régulièrement cette opinion lors de nos discussions avec les É tats-Unis à Bruxelles, Washington, New York ou Genève.

La Belgique ainsi que tous les autres É tats membres de l'Union européenne et la quasi-totalité des membres de l'ONU s'opposent également au blocus économique de Cuba et le condamnent officiellement chaque année au sein de l'Assemblée générale des Nations Unies en votant pour la résolution annuelle sur la nécessité de lever le blocus économique, commercial et financier imposé à Cuba par les É tats-Unis d'Amérique. Pour faire face aux différentes sanctions économiques imposées par les É tats-Unis, les autorités cubaines ont élaboré plusieurs systèmes de financement alternatifs tandis que la population cubaine fonctionne majoritairement par l'intermédiaire de circuits financiers parallèles et de tiers pour transférer des fonds à Cuba.

Enfin, il n'existe pas en Belgique de restriction particulière sur l'obtention de visas spécifiques aux citoyens cubains. Le nombre élevé de refus de visa – essentiellement à but touristique – est le résultat de statistiques élevées de citoyens cubains qui demandent l'asile une fois arrivés à destination. Votre question relève néanmoins de la compétence de la ministre chargée de l'Asile et la Migration.

Ellen Samyn:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw bezorgdheid.

Ik krijg wekelijks mails van mensen uit de Cubaanse diaspora die hun bezorgdheid over de situatie in Cuba uiten en de repressie van het Cubaanse regime tegen opposanten. U hebt zelf verwezen naar het rapport van Prisoners Defenders en het rapport van Human Rights Watch. Die organisaties rapporteren over de aanhoudende mensenrechtenschendingen in Cuba, met name tegen politieke gevangenen en activisten. In de rapporten ziet men een patroon van willekeurige arrestaties en oneerlijke processen, de slechte gevangenisomstandigheden, repressie van vreedzame opposanten van het regime en een trend van systematische onderdrukking in Cuba.

Uit uw antwoord verneem ik dat u in gesprek bent met de Cubaanse autoriteiten en dat u zich daarbij constructief, doch kritisch opstelt. Dat stemt me tevreden. Ik reken op uw blijvende engagement om de Cubaanse autoriteiten op de vingers te tikken en bij hen het belang van de mensrechten te blijven aankaarten. Alvast bedankt daarvoor.

Nabil Boukili:

Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses claires et précises, qui confirment la position de la Belgique dans les instances internationales, ainsi que l'absurdité de la politique américaine, surtout la position de M. Trump contre le peuple cubain. Je rappelle que ce blocus est meurtrier, qu'il empêche Cuba d'avancer, d'évoluer. S'il était appliqué chez nous, nous ne tiendrions pas 48 heures et notre économie serait à genoux. Je tiens ici à exprimer tout mon soutien et ma solidarité avec le peuple cubain dans sa lutte contre ce blocus, depuis plus de 58 ans. Je voudrais surtout rappeler que cette politique agressive américaine contre le peuple cubain n'est pas du tout motivée par les soi-disant défenses des libertés ou des droits de l'homme. C'est de la foutaise, parce que ce même pays qui impose le blocus contre le peuple cubain envoie plus de 20 milliards d'armes à l'État d'Israël, qui massacre le peuple palestinien. Si les motivations sont la défense des droits humains et du droit international, les États-Unis se trompent complètement de cible et ces sanctions devraient être appliquées à un pays responsable de génocide et pas à un peuple qui lutte pour sa liberté depuis plus de 50 ans.

De aanwezigheid van de Syrische interim-president Al-Sharaa op een donorconferentie in Brussel
De politieke situatie in Syrië en de Europese steun in dat verband
De interim-grondwet in Syrië
De slachtpartijen in Syrië
Europese betrokkenheid bij de Syrische politieke crisis en mensenrechtenschendingen

Gesteld aan

Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 23 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om kritiek op EU-steun aan Syrië’s islamitische interim-regering onder Al-Sharaa, die via een tijdelijke grondwet een sharia-gebaseerde staat nastreeft en massa-executies pleegt tegen minderheden (o.a. alawieten, christenen). België/EU verdedigen hun 5,8 miljard euro steun (waaronder 18 miljoen van België) als noodzakelijk voor humanitaire hulp en transitie, maar critici (Safai, Samyn) waarschuwen voor financiering van een nieuw islamitisch regime (vergelijkbaar met Iran) en eisen strengere voorwaarden, zoals mensenrechtengaranties en uitsluiting van terroristen. Boukili benadrukt voorzichtigheid, terwijl de minister juridische stappen en monitoring belooft om straffeloosheid tegen te gaan.

Darya Safai:

Mijnheer de minister, Ahmad al-Sharaa, de voormalige Al-Qaedastrijder en militieleider, kan misschien zijn kleren verwesteren, maar zijn ideologie en politieke overtuiging blijven geïnspireerd door de sharia.

Al-Sharaa, die Kaja Kallas, de Hoge Vertegenwoordiger van de EU voor Buitenlandse Zaken, de hand niet wilde schudden omdat ze een vrouw is en die aan vrouwen vraagt om zich te bedekken als ze met hem op de foto willen, is een islamist. Een islamist discrimineert niet alleen vrouwen, maar ook religieuze minderheden. Hij stuurde zijn gemaskeerde milities naar de gebieden waar de alawieten wonen. Die milities maken geen onderscheid tussen ongewapende aanhangers van Assad en onschuldige ongewapende alawieten. Net zoals IS de Jezidi's en christenen vermoordde, zijn nu de alawieten het slachtoffer van blinde haat. Minstens 300 alawieten werden reeds geëxecuteerd en er zouden in totaal al meer dan 800 alawieten zijn vermoord. Video's van deze gruweldaden worden verspreid om nog meer terreur te zaaien. Ook heeft hij in de grondwet nu verankerd dat het land binnen vijf jaar een islamitisch bewind zal krijgen.

De Europese Commissie maakte bekend dat de Syrische interim-president al-Sharaa is uitgenodigd voor een donorconferentie in Brussel op 17 maart. De EU veroordeelde de aanvallen van de regeringstroepen, maar rept met geen woord over de executies van minderheden. Wat is uw reactie op deze communicatie van de Europese Commissie?

Welk belang hecht u aan de intentieverklaring die getekend werd door de Syrische regering en de Koerdische SDF? Welke steun heeft de Europese Unie toegezegd aan de Syrische regering en onder welke voorwaarden gebeurt dit? Hoe kadert dit in de wederopbouw van het land? Vallen deze voorwaarden samen met het aannemen van de tijdelijke grondwet in Syrië?

Hoe rijmt u de militaire actie tegen de talrijke burgerslachtoffers onder de alawieten met het bezoek van de interim-president van Syrië?

Ons land heeft ook een pakket van 17 miljoen euro aangeboden aan Syrië. Is dit een juist signaal volgens u, net na de executies en moord op onschuldige mensen?

Ellen Samyn:

Mijnheer de minister, op 13 maart ratificeerde de nieuwe Syrische president Ahmed al-Sharaa een interim-grondwet. Die tekst moet dienen als een legitimatie voor een islamitisch bestuur gedurende een vijfjarige transitieperiode. Het is nu kristalhelder welke ideologische lijn de nieuwe president en zijn regering voor het nieuwe Syrië uitzetten: een shariastaat naar het voorbeeld van IS of de Taliban.

Tijdens de debatten over de beleidsverklaring werd duidelijk dat verschillende traditionele partijen, waaronder ook die van u, de situatie in Syrië nog steeds als een historische kans op weg naar een democratische transitie beschouwen. Het nieuwe islamitische bestuur van al-Sharaa, een aftakking van terreurbeweging al-Nursa, hielp ons zeer snel uit die illusie. Hun willekeurige militaire geweld en de massa-executies gericht tegen Syrische minderheden, waaronder christenen, alawieten, druzen en Koerden, wijzen veel meer op een nieuw Afghanistan dan op een democratische overgang. Daar komt die islamitische grondwet bovenop.

Mijnheer de minister, wat is uw standpunt over die interim-grondwet? Hebt u daarover al contact gehad met de Syrische ambassadeur of uw Syrische ambtgenoot? Zo ja, wat was de inhoud van de gesprekken?

Bent u nog steeds van mening dat het nieuwe bestuur een historische kans biedt voor de democratisering van Syrië?

Wat is uw standpunt rond de opheffing van het sanctieregime tegen Syrië? Die opheffing werd door bepaalde collega's geopperd tijdens de debatten over de beleidsverklaring, maar zou in de huidige context een historische vergissing zijn.

Bent u bereid om de geplande 18 miljoen euro aan financiering voor Syrië te herzien? De kans is immers zeer reëel dat we aldus het nieuwe islamitische regime mee ondersteunen.

Maxime Prévot:

Madame la présidente, M. Boukili étant absent, il pourra certainement se référer au compte rendu intégral de mes propos pour trouver réponse aux questions qu'il m'avait adressées.

Beste parlementsleden, de afgelopen weken is Syrië het slachtoffer geweest van een zorgwekkende toename van geweld. Na een reeks incidenten in het zuiden van het land is het kustgebied in het noordwesten van het land het doelwit geweest van gewelddadige aanvallen van aan het Assadregime gelieerde elementen tegen de veiligheidstroepen. Die aanvallen leidden tot een cyclus van geweld, die resulteerde in gruwelijke misdaden tegen burgers, waaronder standrechtelijke executies gepleegd door elementen die banden hadden met het voormalige regime van Assad, leden van de veiligheidstroepen van de overgangsautoriteiten en niet-geïdentificeerde daders. Die aanvallen hebben honderden slachtoffers geëist en zijn de meest gewelddadige botsingen in het land sinds de val van het Assadregime in december 2024.

Dergelijk geweld is onaanvaardbaar. België heeft die daden scherp veroordeeld, zonder een onderscheid te maken tussen de daders. Ik heb dat op 9 maart 2025 publiekelijk geuit, in naam van België. Ons land steunde vervolgens op 11 maart 2025 een verklaring van de Hoge Vertegenwoordiger namens de Europese Unie, waarin het geweld werd veroordeeld. Tegelijkertijd reisde onze ambassadeur in Beiroet, die verantwoordelijk is voor Syrië, naar Damascus, waar hij persoonlijk de diepste bezorgdheid van België kon overbrengen aan de Syrische interim-minister van Buitenlandse Zaken.

Enkele dagen later, op 17 maart 2025, kon ik de krachtige veroordeling van dat geweld door België ook rechtstreeks overbrengen aan mijn Syrische ambtgenoot tijdens een bilaterale ontmoeting in Brussel in de marge van de Conferentie van Brussel over Syrië.

La Belgique a profité de chacune de ces occasions pour souligner la nécessité absolue de tenir compte de tous les auteurs présumés responsables de leurs actes.

Il a été souligné qu'un système judiciaire rapide, transparent et impartial, conforme aux normes internationales, est essentiel pour empêcher que de tels crimes se reproduisent et pour garantir que tous les Syriens, sans aucune distinction, puissent vivre sans peur dans la nouvelle Syrie. Une justice transitionnelle globale est nécessaire à la réconciliation et à la construction d'une Syrie pacifique.

La lutte contre l'impunité en Syrie est un objectif de notre accord de gouvernement. La Belgique soutient en particulier le travail de l'International, Impartial and Independent Mechanism, Syria (IIIM). La Belgique a joué aussi un rôle de pionnier dans la création de l'Independent Institution on Missing Persons in the Syrian Arab Republic

Mes services réfléchissent actuellement à un appui dans ce cadre afin d'aider notamment à recueillir et à préserver les preuves liées aux violations du droit international humanitaire et des droits humains.

Na vijf decennia dictatuur is Syrië een land met een verwoeste economie en een gefragmenteerde samenleving. Dit geweld illustreert de enorme uitdagingen en verantwoordelijkheid die een vreedzame, duurzame en inclusieve transitie betekent voor de overgangsregering.

De Syrische autoriteiten hebben erkend dat er fouten zijn gemaakt, maar er zijn ook bemoedigende signalen. De toezeggingen van de overgangsregering en in het bijzonder de oprichting van een onderzoekscommissie zijn stappen in de goede richting. Op 25 februari werd een politiek transitieproces in gang gezet met de nationale dialoog. Op 13 maart werd een voorlopige grondwet goedgekeurd en op 29 maart werd de overgangsregering benoemd die de derde fase van dit proces vormt.

De interim-grondwet schaft de functie van premier af en versterkt daarmee de concentratie van de uitvoerende macht rond de president. Er wordt echter wel rekening gehouden met een aantal aanbevelingen van de Verenigde Naties, bijvoorbeeld de verwijzing naar de mensenrechten en het internationaal recht.

Wat de nieuwe regering betreft, hoewel de meerderheid van de ministers soennitische moslims zijn, wat de demografie van het land weerspiegelt, telt de nieuwe regering ook vier ministers uit minderheidsgroepen – een druzische, een Koerdische, een alawitische en een christelijke vrouw –, hoewel zij niet in sleutelministeries zijn benoemd.

Het akkoord dat op 10 maart werd bereikt tussen de overgangsautoriteiten en de Syrisch democratische strijdkrachten in het noordoosten van Syrië om alle civiele en militaire instellingen van het autonome Koerdische bestuur te integreren in het kader van de Syrische staat is ook een positieve ontwikkeling. Deze overeenkomst kan de weg vrijmaken voor meer stabiliteit en een betere toekomst betekenen voor veel Syriërs, hoewel de uitvoering ervan een grote uitdaging blijft.

Ons land zal uiterst waakzaam blijven voor de manier waarop deze toezeggingen worden geïmplementeerd en hoe ze evolueren. We hebben de Syrische autoriteiten eraan herinnerd dat de opschorting van de beperkende maatregelen deel uitmaakt van een geleidelijke en omkeerbare aanpak en dat de Europese Unie en haar lidstaten de relevantie van deze opschorting zullen blijven onderzoeken op basis van een nauwgezette monitoring van de situatie in het land.

De huidige transitieperiode in Syrië blijft zeer fragiel en de Syrische bevolking heeft de volle ondersteuning van de internationale gemeenschap nodig. Dat is niet alleen een morele plicht, maar ook een essentiële voorwaarde om tot stabiliteit in het land en de gehele regio te komen. Als internationale gemeenschap en als Belgen mogen we deze historische kans niet missen.

Het is in die context dat op 17 maart de negende internationale conferentie ter ondersteuning van Syrië plaatsvond. De conferentie was een cruciaal platform om het gezamenlijke internationale engagement voor een inclusieve, vreedzame en door Syrië geleide transitie opnieuw te bevestigen. De conferentie bracht de belangrijkste belanghebbenden bijeen om tegemoet te komen aan de veranderende behoeften van Syrië, essentiële financiële steun te mobiliseren en de rol van het maatschappelijk middenveld te ondersteunen.

Als duidelijk bewijs van dit engagement kondigde de Europese Unie een substantiële toezegging van bijna 2,5 miljard euro aan voor 2025 en 2026.

Samen met andere internationale partners werd er in totaal 5,8 miljard euro opgehaald om het overgangsproces van Syrië en het socio-economische herstel van het land te ondersteunen en tegelijkertijd de dringende humanitaire behoeften aan te pakken, zowel in Syrië als in de gastgemeenschappen in Jordanië, Libanon, Irak, Egypte en Turkije.

De Europese Unie en haar lidstaten blijven de grootste donor voor Syrië en de buurlanden die Syrische vluchtelingen opvangen. Het gaat om een totaalbedrag van bijna 3,4 miljard euro.

België beloofde 18 miljoen euro voor humanitaire hulp vrij te maken in 2025. Die financiering zal bestaan uit zowel flexibele als geoormerkte financiering en zal zich richten op de bescherming van de getroffen burgers, zowel op het volledige grondgebied van Syrië als de Syrische vluchtelingen in de buurlanden en hun gastgemeenschappen. Daarnaast heeft België ook 475.000 euro vrijgemaakt voor ontmijningsprojecten.

Subsidieovereenkomsten voorzien telkens in een clausule die de organisaties verplicht de administratie op de hoogte te stellen van elke vorm van fraude, van elke onregelmatigheid of praktijk van corruptie. De internationale humanitaire organisaties moeten de rapporten en audits van de uitvoering voorleggen.

De conferentie werd voor de eerste keer georganiseerd in aanwezigheid van vertegenwoordigers van de Syrische interim-regering. Aangezien het een ministeriële conferentie was, nam de Syrische minister van Buitenlandse Zaken Al-Shabani, en dus niet de Syrische interim-president Al-Sharaa, eraan deel op officiële uitnodiging van Hoge Vertegenwoordigster Kallas en eurocommissaris Lahbib. In de marge van de conferentie had ik dus een bilaterale ontmoeting met hem om de eerder uiteengezette boodschappen van de Belgische positie over te brengen.

Darya Safai:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

Uiteraard is het belangrijk dat wij invloed blijven uitoefenen op een land dat, hopelijk, in ontwikkeling is. Wij krijgen echter ook duidelijke signalen dat we voorzichtig moeten zijn met de richting die men daar kiest. Ik maak een parallel met het regime in Iran. De stichting ervan in 1979 herinneren velen ons zich niet, maar de geschiedenis moet nog verder worden geschreven. Het was in het begin ook niet duidelijk dat het zo erg zou worden. Het regime zou alles anders en beter doen. Uiteindelijk wil een islamist echter de sharia uitvoeren. Die uitvoering daarvan heeft niets te maken met een democratie. Het is een theocratie.

Wij moeten dus heel goed opletten waarin wij investeren. Uiteindelijk is het onze bedoeling om die landen mee te trekken naar de waarden en normen die wij de onze noemen, zoals het respect voor de mensenrechten. Het land is ook heel divers.

Net een week nadat de gruweldaden hebben plaatsgevonden naar Europa komen en doen alsof er niets aan de hand is, op een paar woorden na… Men had een ander signaal kunnen geven. Wij mogen eisen dat zoiets niet gebeurt of dat er anders geen sprake kan zijn van een relatie of geld. Europa geeft miljarden euro's. Dat is veel geld. Dat moeten wij op zo'n manier besteden dat we zelf geen tweede islamitische republiek van Iran in de regio creëren, ditmaal met ons eigen geld.

Die belangrijke punten wou ik u nog meegeven. Ik dank u voor uw antwoord.

Ellen Samyn:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

Hoewel u beweert waakzaam te blijven ten aanzien van het Syrische regime, mag u het mij niet kwalijk nemen dat ik u naïef blijf vinden, wat het nieuwe regime in Syrië betreft.

We spreken over een historische kans op een democratische transitie. Dat is ijdele hoop. President en islamterrorist Al-Sharaa heeft recent op een kristalheldere manier duidelijk gemaakt welke ideologische lijn het nieuwe Syrië zal volgen, met een interim-grondwet die voor de komende vijf jaar Syrië van een islamitisch bestuur verzekert.

De sharia en democratie gaan niet samen. Dat weet ondertussen iedereen.

Wat de miljoenen euro steun betreft, hoe weet u en hoe kunt u verzekeren dat de humanitaire hulp daadwerkelijk terechtkomt bij de noodlijdende en meest kwetsbare bevolking?

Ik stel me nog steeds de vraag wat we daar eigenlijk zullen financieren. U kent onze mening: de wederopbouw van Syrië vereist menselijk kapitaal. In plaats van geld te sturen, is het beter om de terugkeer aan te moedigen van de hier verblijvende Syriërs die van hieruit het nieuwe regime toejuichen. We moeten in elk geval verhinderen dat de vele jihadterroristen in Syrië via welke weg dan ook naar België afzakken, want ze vormen een groot veiligheidsrisico.

Nabil Boukili:

Monsieur le ministre, je vous prie tout d'abord d'excuser mon retard, mais je pense que vous avez reçu ma question, à laquelle je fais référence. J'ai bien entendu votre réponse, et je pense qu'après ce qu'a vécu le peuple syrien sous le régime meurtrier d'Assad, l'arrivée d'un nouveau régime n'est pas une garantie automatique de la paix pour le peuple syrien. Nous devons rester vigilants et attentifs, notamment pour ce qui concerne notre politique de soutien ou de financement - que ce soit à travers l'Union européenne ou d'autres - le respect des droits des peuples syriens, le respect des droits humains, ainsi que le respect de la dignité humaine sur le territoire syrien. Tel est notre devoir, surtout après les massacres auxquels nous venons d'assister sous le nouveau régime. De tels actes montrent bien que ce n'est pas parce qu'on a remplacé un régime meurtrier par un nouveau régime que ce dernier est automatiquement plus humain. Nous devons rester attentifs à la question, surtout dans le cadre de notre politique internationale.

De bescherming van de mensenrechten in de DRC
De humanitaire crisis in de DRC en de heropening van de luchthaven van Goma
Het bezoek van de minister aan de DRC
Mensenrechten, humanitaire crisis en diplomatieke betrekkingen in de DRC

Gesteld aan

Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 23 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De crisis in Oost-Congo wordt gekenmerkt door massale mensenrechtenschendingen (moorden, verkrachtingen, gedwongen rekrutering) en een humanitaire ramp (1 miljoen ontheemden, geblokkeerde hulp via gesloten luchthaven Goma), veroorzaakt door Rwandees-M23-agressie en grenzconflicten. België (via minister Prévot) benadrukt diplomatieke oplossingen (dialogue, regionale bemiddeling) en humanitaire steun (€1,3 mjd in 2024, focus op seksueel geweld), maar concrete actie (sancties tegen Kagame, heropening luchthaven) blijft uit—kritiek van oppositielid Ngoi, die directe druk (bevriezen Rwandeese activa in België, prioriteit grensveiligheid boven intern dialogue) en meer middelen eist, analoog aan de Oekraïne-steun. Prévot bevestigt een bezoek aan Oost-Congo (25-29/4) voor overleg met lokale actoren en belooft lobbyen voor hulptoegang, maar wijst op beperkte EU-sanctiebereidheid en interne Congolese hervormingsnoodzaak; Ngoi kaart dit af als afleiding van de Rwandeese bezetting. Visumvertragingen (door EU-bureaucratie, niet ambassade) en media-stilte verergeren de crisis.

Lydia Mutyebele Ngoi:

Monsieur le ministre, la situation à l'Est de la République démocratique du Congo (RDC) est aujourd'hui catastrophique. Depuis l'occupation de la ville de Goma, de Bukavu, de Bunagana, de Walikale par les troupes rwandaises et le M23, les conditions de vie des populations civiles se sont fortement dégradées et les affrontements ont détruit les infrastructures de base, notamment les écoles, les hôpitaux ainsi que l'aéroport.

Depuis cette occupation, les libertés fondamentales sont étouffées, les droits humains sont bafoués, l'insécurité est totale. Les activistes sont traqués, arrêtés ou tués. Les jeunes sont enrôlés de force. Les femmes et les filles sont victimes de violences sexuelles. Les enfants sont privés de soins, de nourriture, et j'en passe. Mais malheureusement, les médias ne parlent pas trop de ce conflit. Il y a plus d'un million de déplacés, des morts par milliers, des milliers de viols, des épidémies.

Cette crise est l'une des plus catastrophiques parmi les crises humanitaires actuelles parce qu'elle frappe particulièrement les plus vulnérables, les personnes handicapées, les personnes âgées, les femmes, les enfants.

La fermeture de l'aéroport de Goma constitue un obstacle majeur à l'acheminement de l'aide humanitaire. La seule voie rapide et sécurisée d'accès à cette région reste à ce jour non opérationnelle. Un convoi humanitaire de 44 tonnes envoyé depuis le Kenya par l'Union européenne reste bloqué. Ce convoi est contraint d'emprunter une route terrestre difficile et dangereuse.

Parlons aussi des fonds d'assistance humanitaire qui sont largement insuffisants. Rappelons qu'en 2024, la RDC a reçu à peu près 1,3 milliard de dollars d'aide internationale, dont 910 millions – soit près de 70 % - de l'Agence des é tats-Unis pour le développement international (USAID). Le vide laissé par le démantèlement de cette institution n'a pas été comblé par nos États européens, même si la Norvège a annoncé prendre des mesures. Mais la Belgique reste honteusement inactive.

Tandis que le gouvernement préfère investir massivement dans la Défense, vous nous disiez dans votre exposé d'orientation politique que la stratégie belge repose sur une approche intégrée dite 3D (Défense, Diplomatie, Développement). Il me semble essentiel et urgent de réfléchir à l'opportunité de réserver une partie de ces moyens afin de renforcer notre coopération au développement dans la région des Grands Lacs, qui est une priorité de votre action politique et diplomatique selon vos propres mots. Malgré tout, la réponse belge est très insuffisante tandis que le monde occidental se détourne de plus en plus de ses engagements en matière de coopération au développement.

Monsieur le ministre, quelles mesures le gouvernement cherche-t-il à mettre en place pour obtenir la réouverture de l'aéroport de Goma? Quelle est la situation du convoi humanitaire bloqué? La Belgique renforcera-t-elle son soutien humanitaire?

Dans le passé, des fonds flexibles ont été créés. Votre prédécesseur, Mme Gennez, avait lancé le Civic Space Fund afin de soutenir les organisations de défense des droits humains. Au niveau de la coopération au développement, avez-vous pensé à proposer à votre homologue une stratégie concrète permettant de consacrer une partie de ces moyens de défense à la coopération au développement? Quelles sont les prochaines étapes envisagées pour mettre fin à cette crise?

J'en viens maintenant à des questions concernant la société civile qui a lancé un appel très fort concernant la situation dramatique des défenseurs des droits humains dans les zones contrôlées par le M23. Les défenseurs sont de véritables cibles des rebelles parce qu'ils nous alertent sur les crimes perpétrés par le M23. Je suis moi-même alertée par plusieurs lanceurs d'alerte qui fuient, se cachent. J'ai des témoignages et des vidéos. Si nous sommes au courant des crimes innombrables sur ce territoire, c'est grâce aux lanceurs d'alertes.

Ce sont des femmes et des hommes qui sont les plus grandes victimes, avec une explosion des cas de violences sexuelles. Des femmes de tous âges sont touchées. Et ceux qui osent informer le monde de ces violences honteuses sont traqués.

Que fait l'Union européenne pour sécuriser ces défenseurs des droits humains dans les zones occupées? ê tes-vous disposé à mettre en place un mécanisme de soutien et d'accueil pour ces personnes dont la vie est gravement en danger? Je répète encore la question que je vous avais posée le mois passé. Y aura-t-il enfin des sanctions individuelles contre M. Kagame et son gouvernement? En effet, nous avons des preuves de nombreux crimes et de nombreuses exactions. Il faut agir. Va-t-on finalement décider, à l'instar de ce qui a été fait à l'égard de la Russie, de sanctionner ce gouvernement sanguinaire?

Par ailleurs, j'ai appris dernièrement que vous vous rendrez en RDC pour une visite très importante. J'espère que cette mission vous permettra de percevoir l'ampleur de la crise que traverse ce pays. Je suis curieuse de connaître les détails de votre programme ainsi que les objectifs de ce déplacement. Bien entendu, les raisons de ce voyage peuvent être nombreuses, mais je m'interroge sur les motifs officiels qui le justifient. Allez-vous rencontrer les principaux acteurs de la gouvernance congolaise ainsi que ceux de la société civile? Si votre emploi du temps le permet, je formulerai quelques recommandations.

Plusieurs ressortissants congolais m'ont fait part de quelques critiques à l'égard de l'ambassade de Belgique en RDC, notamment la grande lenteur dans le traitement des visas, même quand toutes les conditions sont réunies et que les dossiers sont complets. Quand une personne est très malade, ou même quand une personne est en droit de venir en Belgique, elle peut attendre deux ans avant même d'avoir une réponse. Il me semble qu'interroger les services concernés sur les causes de ces détails administratifs est important.

Monsieur le ministre, s'agissant de votre voyage, quelles personnes avez-vous prévu de rencontrer? Dans quelles zones vous rendrez-vous? Avez-vous prévu de rencontrer les acteurs de la société civile et les groupes humanitaires qui pourraient témoigner sur les droits humains, et sur la crise humanitaire que traverse l'Est de la RDC? Pourriez-vous aussi interroger le consulat et l'ambassade sur la question de la délivrance des visas, qui sont soumis à des délais excessivement longs?

Maxime Prévot:

Madame la députée, je partirai effectivement ce jeudi soir en mission de travail en Afrique centrale pour poursuivre les efforts diplomatiques de la Belgique afin de contribuer à une solution durable au conflit dans l'Est de la RDC.

La mission se déroulera du 25 au 29 avril – précisément, je vais rentrer la nuit du 29 au 30 avril. Je me rendrai successivement en Ouganda, au Burundi et en République démocratique du Congo. Les trois pays visités sont des parties prenantes importantes pour trouver des solutions durables au conflit dans l'Est de la RDC.

J'aurais voulu également me rendre dans d'autres pays de la région, qui y jouent un rôle important. Je pense à l'Angola, à la Tanzanie, au Congo-Brazzaville, au Kenya, à l'Afrique du Sud ou encore au Togo, sans que ce ne soit exhaustif. Les contraintes de temps ne m'ont pas permis de m'arrêter dans ces pays cette fois-ci. Je maintiendrai toutefois un contact étroit sur le plan diplomatique avec les pays concernés dans les semaines à venir, et je projette déjà un nouveau déplacement dans les prochaines semaines pour me rendre dans les capitales de ces pays.

Une étape au Rwanda n'est évidemment plus possible dans l'état actuel des choses, du fait de la rupture de nos relations diplomatiques.

Je vous confirme que lors de cette visite, j'aurai rendez-vous avec les plus hautes autorités politiques de ces États, mais que je me porterai également à l’écoute du terrain, à la rencontre des acteurs humanitaires, des acteurs associatifs et des acteurs économiques, pour prendre le pouls d'un maximum d'interlocuteurs, y compris celles et ceux que nous finançons par la coopération au développement.

Les objectifs de la mission sont multiples et consistent, notamment, à rappeler l'importance du dialogue sur le plan interne ainsi que les efforts qu'il convient de consentir au sein même de la RDC. Il est certain que la situation à l'Est du Congo crée des difficultés humanitaires et juridiques majeures, mais cela ne doit pas nous empêcher de jeter un regard critique sur les réformes internes à mener et le dialogue national à réaffirmer.

Je souligne également l'importance du dialogue régional, l'objectif étant réellement d'être à l'écoute mais aussi de prendre des initiatives pour favoriser la perspective d'une paix durable dans la région. J'ai d'ailleurs expressément demandé, lors de ma présence en RDC, à ne pas me contenter d'une visite à Kinshasa, et j'ai souhaité que mon programme prévoie expressément un déplacement à l'Est du Congo, parce que je pense que la dimension symbolique est extrêmement forte et qu'il faut être au contact des acteurs locaux.

La médiation et le dialogue sont essentiels pour trouver une solution au conflit et à la crise humanitaire dans l'Est de la RDC. Pour cette raison, je souhaiterais également, dans mes contacts, expliquer directement aux interlocuteurs les prises de position belges dans les différentes enceintes internationales.

En outre, il faudra consolider nos relations personnelles et politiques, écouter les perspectives des autorités locales, mais aussi celles des membres de la société civile et de la population, visiter les projets financés par la Belgique, qu'ils relèvent de la coopération directe, indirecte ou multilatérale, et surtout souligner l'appui humanitaire apporté par la Belgique dans cette région. Enfin, j'aimerais aussi m'informer des besoins réels qui subsistent et qui doivent encore être comblés.

Nous savons tous qu'il n'existe pas de solution basée sur les armes. Nous devons trouver une solution durable en nous attaquant aux causes profondes du conflit. Ma mission sera donc l'occasion de soutenir les initiatives de médiation en cours. Il importe que le leadership reste entre les mains des acteurs de la région.

En ce qui concerne d'éventuelles forces de maintien de la paix, après un accord éventuel entre les parties – il est encore trop tôt pour se prononcer –, il appartiendra aux acteurs régionaux de déterminer, le moment venu, la meilleure formule, que ce soit par le biais de la Mission de l'Organisation des Nations Unies pour la stabilisation en République démocratique du Congo (MONUSCO) et/ou d'une force régionale.

Les sanctions ne sont pas une fin en soi. Le but est de changer les comportements. Personne ne peut nier que ces sanctions ont eu un effet entre-temps. Ces dernières semaines, un nouvel élan s'est manifestement signalé pour négocier. De nouvelles sanctions individuelles ne sont pas actuellement discutées au sein de l'Union européenne. Cependant, nous continuons à préconiser l'activation efficace des leviers disponibles à l'échelle européenne dans le but d'encourager les parties impliquées à engager un dialogue et à respecter leurs engagements.

Selon nous, la suspension du protocole d'accord entre l'Union européenne et le Rwanda reste justifiée jusqu'à ce que le Rwanda prenne des mesures pour assurer la traçabilité et la transparence.

Lors de ma visite en RDC, outre mes contacts avec les autorités congolaises et la communauté belge sur place, j'aurai aussi de nombreux contacts avec le monde de l'entreprise, la société civile, les acteurs humanitaires et je chercherai également à échanger avec les personnes directement affectées par la crise actuelle.

Il va de soi que les deux préoccupations reprises dans vos questions, à savoir les droits humains et la situation humanitaire dramatique, feront partie intégrante de mon plaidoyer durant ma mission, d'où mon souhait de me rendre à l'Est.

Comme vous le soulignez, la situation des droits humains à l'Est de la RDC, en particulier en ce qui concerne les violences sexuelles et basées sur le genre, les violences à l'égard des enfants mais également à l'égard des défenseurs des droits humains et journalistes, est alarmante.

Le rôle des journalistes et des défenseurs dans toute société, y compris donc en RDC, est particulièrement important et doit être soutenu. Je regrette et condamne les pressions, intimidations et attaques que ceux-ci subissent quotidiennement pour avoir exercé leur travail de rapportage et de contre-pouvoir. Cette position, la Belgique ainsi que l'Union européenne l'ont à maintes reprises exprimée publiquement, y compris dans les enceintes onusiennes.

Début février, au sein du Conseil des droits de l'homme, la Belgique et l'Union européenne ont soutenu la création d'une mission d'établissement des faits, demandée par les autorités congolaises, afin que toute la lumière soit faite sur les violations et atteintes aux droits humains à l'Est, y compris celles à l'égard des défenseurs des droits humains.

Depuis lors, les rapports nous parvenant de la société civile congolaise et internationale continuent de dépeindre une situation dramatique.

Mes services, tant à Bruxelles que sur place, continuent de suivre de près la situation et restent en contact avec la société civile locale. Nous collaborons étroitement avec le bureau des Nations Unies aux droits humains et l'Union européenne pour veiller à la protection et à la promotion des défenseurs des droits humains.

La Belgique ne dispose pas d'un mécanisme national de relocalisation des défenseurs des droits humains, mais nous veillons à aiguiller les personnes en danger vers le mécanisme européen ainsi que ceux mis en place par un consortium d'ONG. Une de ces organisations est d'ailleurs soutenue par des financements belges et je veillerai à m'entretenir et faire le point avec elle durant ma mission.

En ce qui concerne vos questions sur la situation humanitaire à l'Est de la RDC, je suis bien évidemment très inquiet des dernières évolutions. Mon département se concerte étroitement à ce sujet avec nos partenaires, car il est primordial de pouvoir acheminer de l'aide humanitaire à Goma et dans les alentours. Par ailleurs, Goma étant la plateforme et le hub logistique humanitaire qui dessert toute la région, nous soutenons pleinement les négociations menées par l'Union européenne et l'ONU en vue de la réouverture de l'aéroport de Goma ainsi que toutes les autres options qui permettront d'acheminer de l'aide humanitaire.

Le convoi humanitaire de Nairobi à Goma avec les 44 tonnes de stock de l'Union européenne est arrivé sur place le 21 mars. Le transport a duré trois semaines en raison de blocages et de procédures administratives.

Une seconde cargaison de 100 tonnes de stock est en cours. L'Union européenne offre également un soutien logistique aux partenaires humanitaires à Goma concernant les procédures administratives d'importation, le stockage et la livraison des cargaisons. La RDC reste pour la Belgique le premier pays partenaire bénéficiant de son aide publique au développement et de l'aide humanitaire.

Une part importante de notre aide humanitaire est destinée à l'Est du Congo et aux activités de protection, notamment contre les violences sexuelles. Comme vous le savez, nous travaillons dans un contexte budgétaire contraint. En 2025, nous souhaitons rester engagés auprès des acteurs humanitaires en RDC au moins au même niveau qu'en 2024, tout en étudiant les autres possibilités de soutien.

La Belgique veille à ce que la RDC ne reste pas une crise oubliée en gardant ce dossier à l'agenda international. La Belgique plaide systématiquement pour une coordination efficace des acteurs humanitaires, aussi bien envers nos partenaires qu'au sein des divers forums internationaux auxquels la Belgique est représentée, tels que l'Union européenne et le système de coordination dans le pays que nous soutenons via le bureau des Nations Unies pour la coordination des affaires humanitaires.

Nous menons également un plaidoyer fort pour le respect du droit international humanitaire, un accès humanitaire sûr et sans entrave, la protection des civils et la cessation de la violence afin que l'aide humanitaire puisse protéger et être fournie à ceux qui en ont besoin.

Enfin, en ce qui concerne la délivrance de visas à Kinshasa, d'après les informations qui m'ont été adressées, je peux vous communqiuer que le délai de traitement moyen d'une demande est de cinq jours ouvrables. Par traitement, nous entendons la délivrance d'office ou la soumission à l'Office des étrangers pour décision. Le délai appliqué par l'ambassade est donc conforme voire meilleur à ce que prévoit le Code européen des visas. Mais les délais appliqués par l'Office des étrangers ne sont en revanche pas du ressort de mon département. C'est probablement là que le délai est extrêmement long avant que nous ne recevions le feedback nécessaire. Ce n'est pas intrinsèquement une responsabilité de notre ambassade ni des Affaires étrangères.

Le calendrier des rendez-vous du Centre européen des visas, qui réceptionne les demandes, est ouvert pour une période successive de cinq semaines, ce qui correspond au délai maximum pour obtenir un rendez-vous.

Les rendez-vous sont libérés quotidiennement à J+5 semaines. Cependant, ils sont rapidement accaparés car la majorité du temps, les requérants transmettent leurs accès à des agences de voyage en échange d'une rémunération. Ces agences réservent alors les rendez-vous en masse à la place des requérants, ce qui grippe tout le système. Nous sommes bien conscients de ce problème et travaillons afin de trouver des solutions pour y remédier.

Lydia Mutyebele Ngoi:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse, qui était longue et détaillée, mais sans surprise. Je ne peux pas vous dire que j'en sois satisfaite à 100 %, car je le suis à 20 %. Vous êtes relativement engagé.

S'agissant de la situation dramatique en RDC, nous attendons plus de gestes concrets que de discours. Il faut du courage et de l'engagement politique pour participer à la résolution de cette crise, mais les personnes qui sont dans les camps ont besoin d'eau, de tables, de vêtements, de médicaments, bref de tout. Il est donc nécessaire que vous vous y rendiez. Leurs besoins sont connus, puisque cette crise dure depuis trente ans.

Je ne veux pas hiérarchiser les conflits, mais la participation de la Belgique au conflit entre la Russie et l'Ukraine coûte plus de deux milliards d'euros. Je sais que le Congo est très loin et que nous ne sommes pas directement liés, puisque les Congolais ne sont pas des Européens, mais je m'attendais à plus.

Au-delà des principes, au-delà des gestes, au-delà de la condamnation, je m'attendais à voir des choses beaucoup plus concrètes.

Vous avez parlé du dialogue interne, qui est indispensable, mais j'ai l'impression que quand on parle du dialogue interne, on veut un peu détourner les choses. Le vrai problème actuellement, c'est qu'il s'agit d'un conflit international. Le Congo est agressé. Avant de parler de dialogue interne ou de réconciliation en interne, il faut que les frontières soient sécurisées. Il ne faut plus la guerre! Mais là, j'ai souvent l'impression qu'on veut aller en sens inverse. Quand on parle de ce conflit en RDC, toute la communauté internationale vient avec cette histoire de dialogue interne. Certes, le dialogue interne est important, mais on doit d'abord commencer par régler la situation à l'international et ensuite on réglera la situation à l'interne.

Souvent, on entend que les Tutsis du Congo sont attaqués, etc. Quand vous irez au Congo, j'aimerais que vous puissiez vous entretenir avec un des ministres du gouvernement qui est tutsi.

Il est important de parler également avec les personnes tutsies congolaises et de comprendre l'histoire. Vous verrez que le vrai problème n'est pas le dialogue interne, mais la convoitise du Rwanda vis-à-vis des ressources congolaises.

Je vous remercie, en tout cas, parce que vous êtes un défenseur des droits humains. Mais j'insiste sur le fait qu'il faut agir concrètement au-delà des discours. C'est tout ce que je peux dire à ce niveau.

La présidente : Si vous avez un élément très bref à ajouter, vous pouvez répliquer, monsieur le ministre.

Maxime Prévot:

Je voulais juste quand même apporter quelques perspectives. Bien sûr, étant députée de l'opposition, je ne m'attends pas à satisfaire 100 % de vos attentes. Quand bien même ce serait le cas, vous ne le diriez pas!

Je veux, en outre, mettre les choses en perspective, parce que la comparaison avec l'Ukraine est, à mon avis, malvenue, puisque je rappelle quand même que les moyens qui sont débloqués pour soutenir l'Ukraine le sont parce que nous ponctionnons de l'argent sur des avoirs russes qui sont gelés. Argent que nous ne pourrions pas ponctionner ou utiliser dans un autre cadre, nécessairement pour un autre conflit. Donc, la comparaison n'est pas pertinente.

Enfin, nous figurons parmi les plus grands contributeurs financiers de soutien à la RDC. Donc, laisser penser que nous négligeons ce partenaire historique est contraire à la vérité. C'est la première source de soutien que nous octroyons, y compris dans l'action, y compris matériellement, y compris humanitairement, y compris dans la formation des militaires.

Je crois que si nous n'avions pas été aussi engagés et impliqués aux côtés de la cause de la RDC, nous n'aurions probablement pas subi de rupture aussi radicale des relations diplomatiques avec le Rwanda. On peut probablement nous faire beaucoup de procès. Il y a certainement une manière de faire toujours mieux. Je crois d'ailleurs que la situation aux frontières doit certainement être réglée. Elle ne doit pas pour autant se dédouaner de réformes à mener en interne sinon cela sert aussi de prétextes à des attaques illégitimes de l'extérieur. Travaillons concomitamment! La première urgence à résoudre dans les meilleures conditions possibles est d'abord d'ordre humanitaire et guerrière à l'Est du Congo.

La présidente : Vous avez le dernier mot, madame Muytebele Ngoi.

Lydia Mutyebele Ngoi:

S'agissant justement des avoirs, je vous l'ai dit à plusieurs reprises: les membres du gouvernement rwandais en ont ici, leurs femmes et leurs enfants vivent ici. Certains perçoivent même du CPAS. Donc, si l'on peut saisir les avoirs des Russes, on peut aussi saisir ces avoirs-là. Je sais, mais continuez à plaider en ce sens. Les membres du gouvernement rwandais qui vivent ici sont très nombreux. C'est le cas de la sœur de M. Paul Kagame. Donc, s'il vous plaît, continuons pour mener cette même opération! Et enfin, nous pourrons alors aussi ponctionner leurs richesses. Je n'attends que cela. Nous disons la même chose de manière différente, mais je ne réclame que cela! Voilà!

De oorlog en de hongersnood in Soedan
De Europese verantwoordelijkheid in de oorlog in Soedan
De massale plundering van natuurlijke rijkdommen in Soedan
De evolutie van de situatie in Soedan
Humanitaire crisis, buitenlandse betrokkenheid en uitbuiting in Soedan

Gesteld aan

Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 23 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De Belgische discussie over de humanitaire en politieke crisis in Soedan benadrukt de catastrofale situatie: een burgeroorlog met 12+ miljoen ontheemden, hongersnood, massale mensenrechtenschendingen en risico op landsdeling door een parallelle regering van de *RSF-milities*. België steunt EU-sancties tegen oorlogspartijen, pleit voor onbelemmerde humanitaire hulp (€1 miljard EU-bijdrage) en CPI-onderzoeken naar straffeloosheid, maar erkent dat buitenlandse inmenging (Rusland, VAE) en EU-steun aan milities in het verleden (via migratiedeals) het conflict verergeren. Kritische punten zijn ontbrekende traçabiliteit van Soedanese grondstoffen (gom arabicum, goud) en risico’s op wapenleveranties ondanks EU-embargo’s.

Rajae Maouane:

Madame la présidente, monsieur le ministre, merci pour votre temps.

Vous le savez, le Soudan est aujourd'hui dévasté par une guerre. Il est déchiré par une guerre civile qui dure depuis plus de deux ans. Plus de 12 millions de personnes sont déplacées, fuient les combats, la famine, les atrocités commises par les belligérants. Des camps de réfugiés sont attaqués, des enfants sont malheureusement violés, des femmes sont tuées.

Les forces de soutien dirigées par le général Mohamed Hamdan Daglo ont annoncé la formation d'un gouvernement parallèle, ce qui exacerbe le risque de partition du pays.

C'est une situation vraiment tragique qui survient dans un pays qui est déjà marqué par des décennies de conflits internes et des divisions ethniques. La communauté internationale, y compris l'Union européenne, ne peut rester silencieuse face à cette tragédie. Il est impératif que la Belgique, en tant que membre de l'Union européenne, prenne des mesures concrètes pour soutenir le peuple soudanais et œuvrer en faveur d'une paix durable.

Monsieur le ministre, mes questions sont les suivantes. Quelle est la position du gouvernement belge concernant la formation d'un gouvernement parallèle par les FSR et le risque de partition au Soudan? Quelles actions la Belgique envisage-t-elle pour fournir une aide humanitaire concrète aux populations déplacées et touchées par le conflit? La Belgique, par votre voix au sein de l'Union européenne, va-t-elle soutenir des sanctions ciblées contre les responsables des violations des droits humains au Soudan? Elles sont nombreuses. Est-ce que la Belgique va plaider pour une initiative internationale qui vise à faciliter un dialogue inclusif entre toutes les parties prenantes au Soudan? Quelles mesures la Belgique propose-t-elle pour prévenir la propagation du conflit au-delà des frontières du Soudan et garantir la stabilité régionale? Merci pour vos réponses.

Nabil Boukili:

Monsieur le ministre, merci pour votre temps et merci d'avoir accepté de nous accorder quelques minutes supplémentaires.

Le Soudan traverse actuellement une situation pire que jamais. Comme l'a alerté Elise Nalbandian, responsable régionale du plaidoyer chez Oxfam, le pays fait face à la plus grande crise humanitaire, à la plus grande crise de déplacement et à la plus grande crise de faim. Tous les mauvais records sont battus. Depuis avril 2023, le pays est en proie à un conflit armé brutal entre les Forces de soutien rapide (RSF) et les forces armées soudanaises, provoquant ce que les Nations Unies qualifient de plus grave crise humanitaire actuelle.

Près de 13 millions de personnes ont été déplacées, des centaines de milliers sont menacées par la famine, et des dizaines de milliers ont déjà perdu la vie. Le pays est brisé, à genoux, après trois ans d'une guerre civile impitoyable.

Le 10 avril, l'Union européenne a annoncé une aide humanitaire de 160 millions d'euros pour faire face à cette crise. Il est cependant extrêmement important de rappeler notre responsabilité dans les plus grandes crises humanitaires mondiales.

Dans le cadre du processus de Khartoum, l'Union européenne a coopéré avec le régime d’Omar Al-Bachir, poursuivi pour génocide, en finançant des programmes sécuritaires ayant notamment bénéficié aux RSF, dirigées par le général Mohamed Hamdan Daglo (Hemetti). Cette milice est issue des tristement célèbres janjawids responsables du génocide du Darfour. Ce soutien indirect, mais réel, a permis à Hemetti de consolider son pouvoir militaire, de contrôler les routes migratoires et de devenir un acteur central dans le conflit sanglant que nous dénonçons aujourd'hui.

Monsieur le ministre, alors que la communauté internationale appelle à un cessez-le-feu et promet 800 millions d'euros d'aide humanitaire, comment justifier cet élan de solidarité aujourd'hui, quand des politiques européennes ont indirectement contribué à armer et à légitimer les milices responsables de l'actuel chaos?

De plus, un rapport confidentiel de l'ONU, cité par Bloomberg et The Guardian, révèle que le conflit est alimenté par des économies de guerre reposant sur le pillage massif des ressources naturelles, telles que l'or et la gomme arabique.

Entre janvier et juin 2024, les RSF auraient détourné pour 14,6 millions de dollars de gomme arabique, avec jusqu'à 70 000 tonnes expédiées vers le Tchad. Or, cette substance, utilisée dans de nombreux produits de consommation courante – tels que les sodas, les cosmétiques, les médicaments ou les confiseries – provient à 70 % du Soudan, notamment de zones actuellement sous contrôle des RSF.

Cela veut dire qu'une partie de l'économie mondiale, y compris, potentiellement, européenne, pourrait, aujourd'hui, contribuer involontairement au financement de ce conflit par le biais de ces importations.

Dans ce contexte, il est légitime de se poser quelques questions, notamment par rapport à la Belgique. La Belgique importe-t-elle actuellement de la gomme arabique ou de l'or en provenance du Soudan? Existe-t-il des mécanismes de traçabilité fiables permettant de garantir que ces produits n'alimentent pas indirectement le conflit armé en cours? Voilà mes questions, monsieur le ministre. J'espère que les réponses seront assez claires à ce niveau-là.

Pierre Kompany:

Monsieur le ministre, lors de ma précédente intervention, j’avais interrogé la ministre de l'époque sur la position de la Belgique face à la guerre civile au Soudan, en demandant quelles démarches notre pays avait entreprit pour soutenir les efforts diplomatiques, sanctionner les responsables et appuyer l’action de la Cour pénale internationale.

Depuis, la situation a connu une dégradation dramatique.

Désormais plus de 24,6 millions de personnes, près de la moitié de la population soudanaise, sont confrontées à une insécurité alimentaire aiguë, dont 638 000 vivent des conditions proches de la famine. La famine est confirmée dans au moins 10 régions, dont le Darfour, Khartoum et Kandahar. 1/3 des enfants souffrent de malnutrition aiguë.

Le nombre de victimes continue de croître: selon les estimations les plus récentes, entre 20 000 et 150 000 personnes auraient été tuées directement du conflit, et 12 millions de personnes ont dû fuir leur foyer, dont près de 760 000 réfugiés au Tchad, majoritairement des femmes et des enfants.

Sur le plan international, les ingérences étrangères s’intensifient: la Russie, l’Iran, l’Égypte et les Émirats arabes unis continuent de soutenir activement les belligérants, souvent en violation de l’interdiction de fournitures d’armement décidée par l’ONU. L’Union européenne a prolongé jusqu’en octobre 2025 ses sanctions ciblées contre des acteurs des deux camps, mais la dynamique de guerre persiste.

Au vu du contexte qui empire depuis les dernières questions:

1) Quelles sont les nouvelles actions diplomatiques qui vont être entreprises par la Belgique pour encourager une sortie de crise?

2) Quelles initiatives notre pays a pris et continuera de prendre, en matière humanitaire, dans les zones frappées par la famine?

3) Notre nouveau gouvernement soutient-il un élargissement du régime de sanctions, y compris à l’encontre des États tiers impliqués dans des transferts d’armes?

4) Comment notre diplomatie va-t-elle continuer de soutenir le travail de la cour pénale internationale et la lutte contre l’impunité pour les crimes commis au Darfour et ailleurs?

Je vous remercie.

Maxime Prévot:

Mesdames et messieurs les députés, je vous remercie pour vos questions sur l'un des conflits les plus graves, qui est aussi l'un des plus négligés à ce jour. Cette guerre civile qui a débuté il y a plus de deux ans continue d'engendrer des souffrances incommensurables à la population civile et déstabilise toute la région. La poursuite sans relâche des combats et des exactions de masse sont très préoccupantes. Le risque de partition du pays et les annonces de mise sur pied du gouvernement de façon non consensuelle et unilatérale doivent aussi nous inciter à agir.

Il va de soi que nous sommes préoccupés par ce type de développement et que nous sommes fortement attachés à la préservation de l'unité et de la souveraineté du pays. La dégradation continue de la situation sécuritaire et humanitaire résulte en grande partie de l'absence de volonté politique des belligérants d'engager un processus inclusif et durable.

Nous pouvons aussi constater qu'il existe des intérêts divergents entre les différents acteurs régionaux. C'est ce qui explique l'échec relatif de la Conférence de Londres, du 15 avril, qui avait pour but d'aligner l'ensemble de la communauté internationale autour des mêmes objectifs, à savoir la réponse à la crise humanitaire, le règlement négocié du conflit et la mise sur pied d'un processus de transition vers un gouvernement civil.

Il est impérieux que tout acteur extérieur mette fin à tout soutien visant à alimenter le conflit. La Belgique reste active au sein de l'Union européenne sur ce dossier et fait partie d'un petit groupe d'États membres qui visent à maintenir cette crise à l'agenda et à soutenir le travail de la représentante spéciale de l'Union européenne pour la Corne de l'Afrique, Mme Weber. Le lundi 14 avril dernier, le Conseil des Affaires étrangères de l'Union européenne s'est à nouveau penché sur ce grave conflit. J'y ai pris la parole afin de plaider pour le maintien d'un engagement fort et constant de l'Union européenne en soutien aux efforts de médiation.

J'ai appelé à rester mobilisé afin de répondre à l'urgence humanitaire, à défendre les droits humains et à lutter contre l'impunité. Depuis janvier 2024, des sanctions de l'Union européenne ont été adoptées ciblant des individus et des entités liées aux Rapid Support Forces et à l'armée soudanaise, qui sapent les efforts de paix et qui se rendent coupables de violations graves des droits humains. Vu les évolutions sur le terrain, la Belgique soutient pleinement l'adoption de nouvelles mesures restrictives afin de faire pression sur les partis. Des discussions intra-européennes ont débuté à cet effet.

Le rétablissement d'un gouvernement civil demeure la seule perspective à moyen terme. Une solution durable doit inclure les civils soudanais. L'Union européenne continue de prendre des initiatives visant à construire un consensus parmi les acteurs civils et soutenir des coalitions civiles inclusives qui sont au cœur de toute transition politique.

La crise humanitaire est sans précédent. Le service de la Commission européenne à la protection civile et aux opérations d'aide humanitaire a ouvert un bureau à Port-Soudan. L'Union européenne et les États membres, y compris la Belgique, contribuent à hauteur de près d'un milliard d'euros à l'aide humanitaire, ainsi qu'à hauteur de 467 millions d'euros au programme de développement.

Nous continuons de plaider en faveur d'un accès humanitaire sans entrave à toutes les frontières. Nous soutenons également les efforts de la représentante spéciale, Mme Weber, pour protéger les infrastructures critiques, en particulier l'approvisionnement en électricité, condition indispensable à la protection des civils. Nous restons profondément préoccupés par la persistance des violations et atteintes aux droits humains, et par l'impunité répandue dans le pays.

Nous encourageons le renforcement du mandat de la Cour pénale internationale (CPI) au Soudan et une coopération accrue avec la mission d'enquête du Haut-Commissariat aux droits de l'homme.

La Belgique avait par ailleurs soutenu la création de ce mandat d'enquête lors d'une précédente session au Conseil des droits de l'homme. Un rapportage indépendant est essentiel pour rendre compte de la situation dramatique sur place et faire en sorte que les auteurs de violences soient poursuivis pour leur acte.

Concernant les éventuelles importations en Belgique d'or et de gomme arabique provenant du Soudan, je vous invite, monsieur Boukili, à poser ces questions au Service public fédéral Économie, Direction générale des Analyses économiques et de l' é conomie internationale, pour une réponse documentée et circonstanciée.

Sachez toutefois que le groupe d'experts sur le Soudan des Nations Unies est mandaté pour examiner toutes les sources de financement, qu'elles soient locales, nationales ou internationales, des groupes armés actifs au Darfour. Leur dernier rapport n'a pas encore été publié, mais il a entre-temps été soumis au Conseil de sécurité. Il faudra voir s'il contient des éléments pertinents à cet égard.

Pour ce qui est des mécanismes de traçabilité des ressources naturelles dans les chaînes d'approvisionnement internationales, la Belgique continue de soutenir leur renforcement, afin de s'assurer que les flux commerciaux ne contribuent pas au financement de quelconque conflit.

Rajae Maouane:

Monsieur le ministre, merci pour cette prise de parole claire sur la situation dramatique au Soudan, que l'ONU qualifie comme le plus grand drame humanitaire au monde actuellement.

Nous sommes dans un contexte où ce conflit reste largement ignoré. Il passe sous les radars médiatiques et diplomatiques. C'est un soulagement de voir que la Belgique fait partie des pays qui ne détournent pas le regard sur la situation qui est d'une ampleur sans précédent, avec des millions de déplacés, la famine, des violences systématiques. Ce silence ambiant est de plus en plus insupportable. Il est donc important pour nous de mettre ce conflit et ce drame à l'agenda. Je me réjouis de voir que la Belgique continue à le faire. C'est là aussi que la diplomatie peut montrer son utilité.

Néanmoins, on voit aussi qu'il y a une "guerre" des puissances étrangères par rapport à ce qui se passe au Soudan. Des armes européennes se retrouvent au Soudan alors qu'il y a un embargo. Il y a là quelque chose à creuser. Nous ne pouvons pas être ainsi complices de ce qu’il se passe sur place.

Dès lors, je pense qu'il y a effectivement moyen de creuser davantage au niveau européen et d'entamer une réflexion sur la présence sur place d'armes fabriquées, notamment, en Bulgarie.

Merci pour vos réponses.

Nabil Boukili:

Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses. Je ne manquerai pas de poser la question en commission de l' É conomie pour obtenir plus de détails.

On parle beaucoup des deux généraux qui sont en lutte aujourd'hui, mais on oublie un acteur fondamental dans ce qui se passe au Soudan, à savoir le peuple soudanais, qui s'est révolté et qui a mis fin au régime d'el-Bechir, et j'aimerais ici lui porter tout mon soutien et toute ma solidarité dans la crise humanitaire qu'il traverse aujourd'hui.

De même, monsieur le ministre, en ce qui concerne l'aide financière que nous apporterons au Soudan, vers qui cette aide ira-t-elle? En matière de pouvoir officiel, je pense qu'il importe de définir un itinéraire propre pour cette aide, afin d'éviter qu'elle ne tombe entre les mains des milices armées et qu'elle ne finance pas ces milices, qui sont aujourd'hui coupables et responsables des massacres des populations civiles.

Nous allons suivre de près cette situation et j'espère qu'on aura l'occasion d'en rediscuter. Encore merci, en tout cas, d'être resté pour ce débat.

Pierre Kompany:

Monsieur le ministre, si nous devions faire le bilan de cette journée, il resterait toujours positif pour un ministre actif. Tout le monde souhaite que vous poursuiviez dans cette voie.

Je pourrais même divaguer un instant sur le Congo. Votre commune de Namur a opté pour un jumelage avec une commune de Kinshasa. Si vous allez à Kinshasa, passez-y! Cette commune de Masina est appelée la Chine populaire car il s'agit de la plus peuplée de Kinshasa. Faites-le!

Ils vous verront en ministre très actif. Sachez que, dans tous ces pays, on vous suit et on est content de vous entendre.

Mais, pour ce qui est du Soudan, je reviens à l'histoire. Le jour où vos enfants, nos enfants, apprendront d'où vient le Soudan, je crois qu'ils seront horrifiés, quelle que soit la couleur de leur peau. Le Soudan, c'est ce pays d'où sont partis les pharaons. Le Soudan, c'est ce pays où il y a plus de pyramides que dans d'autres pays dans le monde parce qu'ils avaient commencé par de petites pyramides. Aujourd'hui, c'est le grand vide. Monsieur le ministre, vous êtes quand même conscient de l'histoire, tout le monde vous décrit ainsi que votre parti comme humaniste.

C'est cela qui vous différencie, dans la prise des décisions, de ceux qui tergiversent. Mais ce n'est pas toujours facile. Alors, n'oubliez jamais qu'il y a 200 ans, Champollion déchiffrait les hiéroglyphes. Et c'est là que, petit à petit, on commençait à découvrir les vérités cachées, ces pharaons noirs qui ont fait l' É gypte.

Je ne vais pas vous comparer à un pharaon, mais je dis simplement que vous êtes très apprécié et que tout le monde veut que vous continuiez dans cet élan afin que l'international écoute la voix de la Belgique. Nous sommes un petit pays, mais nous sommes écoutés, même si nous ne faisons pas ce que nous voulons.

Alors, continuez dans cette voie, monsieur le ministre, et merci beaucoup.

De voorzitster : Dank u wel mijnheer de minister om zo lang hier aanwezig te zijn en respect te hebben voor al de leden hier.

Maxime Prévot:

Avec plaisir, madame la présidente. J'aurais encore une question, pour satisfaire ma curiosité. Comme certaines questions n'ont pas pu être posées, sont-elles automatiquement reportées à la prochaine réunion? Ou bien sont-elles transformées en questions écrites? La présidente : Les questions n° 56004066C de Mme Kathleen Depoorter, n° 56004521C de M. Staf Aerts, n° 56004102C de M. Staf Aerts, n° 56004147C de Mme Rajae Maouane, n° 56004540C de M. Nabil Boukili, n° 56004546C de M. Christophe Lacroix, n° 56004125C et n° 56004301C de Mme Annick Lambrecht, n° 56004471C de M. Staf Aerts, n° 56004507C de M. Christophe Lacroix, n° 56004524Cde Mme Lydia Mutyebele Ngoi, n° 56004530C de M. Staf Aerts, n° 56004538C de Mme Els Van Hoof, n° 56004619C de M. Christophe Lacroix, n° 56004539C de Mme Els Van Hoof, n° 56004555C de M. Anthony Dufrane, n° 56004592C de M. Nabil Boukili et n° 56004610C de Mme Els Van Hoof sont reportées. Si les membres le souhaitent, ils peuvent aussi les transformer en questions écrites. Cela dépend de chacun, en fonction de l'actualité ou non de leur question respective. La réunion publique de commission est levée à 17 h 51. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 17.51 uur.

Het rapport van de Staatsveiligheid over de opvolging van de diensten

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 23 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie gaat over Russische spionage- en ondermijningsdreigingen via freelance-agenten (gerekruteerd via sociale media) en verdachte scheepsbewegingen in de Noordzee, beide signaleren de Veiligheid van de Staat als groeiend risico. Minister Verlinden bevestigt dat politie en inlichtingendiensten (via het CCIV) zijn ingelicht over de nieuwe Russische methodes en samenwerken binnen hun wettelijke bevoegdheden, met focus op spionage, sabotage en computersabotage, terwijl het Maritiem Informatieknooppunt (MIK) de Noordzee bewaakt via gecoördineerde acties van kustwacht, defensie en douane. Concrete gevallen in België ontbreken nog, maar preventieve afstemming en internationale kennisuitwisseling zijn versterkt. De Vreese benadrukt dat intensievere, gestructureerde samenwerking tussen diensten cruciaal is om gaten in de veiligheid te voorkomen.

Maaike De Vreese:

Mevrouw de minister, mijn vraag werd opgesteld na de publicatie van het jaarverslag van de Veiligheid van de Staat. Ik had ze aan minister Quintin gericht, maar hij heeft me naar u doorverwezen.

Uit het jaarverslag van de Veiligheid van de Staat blijkt dat de Russische veiligheidsdiensten nieuwe methodes gebruiken om geheime agenten en tussenpersonen te rekruteren in andere landen – ook in landen van de Europese Unie – via sociale media, zoals Telegram. Er worden opdrachten wijd verspreid aan freelancers voor spionage- of sabotageacties. Dat maakt de taak van onze inlichtingen- en veiligheidsdiensten zeer complex. De geronselde mensen hebben door deze dispatchingsystemen immers geen directe band met Russische inlichtingendiensten.

Volgens de Veiligheid van de Staat zijn er hier nog geen bevestigde gevallen van spionage en ondermijnende acties uitgevoerd door freelance agenten of organisaties in opdracht van Russische inlichtingendiensten. De Veiligheid van de Staat maant wel aan om ons hierop voor te bereiden.

Daarnaast is de Noordzee, met onze kritieke infrastructuur - van strategisch belang door de verschillende datakabels, energiekabels en gaspijpleidingen – natuurlijk een belangrijk aandachtspunt voor de Veiligheid van de Staat. Uit het jaarrapport blijkt ook dat er in de Noordzee steeds meer verdachte bewegingen worden vastgesteld van schepen die soms ook illegale trajecten volgen.

Ik had meer bepaald de vraag in welke mate en wanneer onze politiediensten ingelicht zijn over deze nieuwe rekruteringsmethode. Waren de diensten zich bewust van deze werkwijze en hoe gaan ze hiermee aan de slag? Op welke manier werken onze politiediensten actief mee aan de bestrijding van dit fenomeen?

Welke instructies hebt u gegeven aan de diensten waarvoor u bevoegd bent? Welke rol speelt de Veiligheid van de Staat in het kader van de bescherming van de strategische omgeving van de Noordzee, waarvoor toch heel veel actoren bevoegd zijn? Wat is specifiek de bevoegdheid van de Veiligheid van de Staat en op welke manier werkt zij samen met de andere bevoegde diensten?

Annelies Verlinden:

Collega, uw vraag gaat over twee verschillende onderdelen van het rapport van de Veiligheid van de Staat. Enerzijds gaat het over de wegwerpagenten die door Rusland worden gerekruteerd om opdrachten uit te voeren als onderdeel van hun strategie om het Westen te destabiliseren en anderzijds de verdachte bewegingen van schepen in de Noordzee. Tot heden zijn er geen aanwijzingen dat die verschillende verhaallijnen strikt met elkaar verbonden zouden zijn, hoewel ze allebei met Rusland te maken hebben.

De verwachtingen ten aanzien van onze veiligheids- en inlichtingendiensten zijn duidelijk. Het is nodig om een zo betrouwbaar mogelijk beeld van dreigingen te krijgen en om samenwerking tussen de diensten te bewerkstelligen, zodat er snel en doeltreffend kan worden gereageerd wanneer er signalen of feiten worden ontdekt die als misdrijf kunnen worden gekwalificeerd.

Wat betreft het samenwerken met de politie inzake de nieuwe methodologie van Rusland om acties door wegwerpagenten te laten uitvoeren, werden alle diensten die bij het CCIV aanwezig zijn, inclusief de federale politie, door de Veiligheid van de Staat over deze nieuwe modus operandi gebriefd. Binnen de platformen van het CCIV worden informatie en expertise tussen de diensten uitgewisseld en worden ook concrete gevallen of incidenten besproken.

Onze politie-, veiligheids- en inlichtingendiensten werken elk binnen hun eigen wettelijk kader en de daarin bepaalde opdrachten. Voor de politie is dat voornamelijk de bestrijding van strafbare feiten die verband houden met spionage, inmenging of mogelijke sabotageacties ten nadele van onze essentiële belangen. Doordat de bepalingen inzake spionage en inmenging recent zijn gewijzigd in het Strafwetboek en gelet op de geopolitieke situatie, gebeurt dat voornamelijk op het verzoek van de bevoegde gerechtelijke overheden. Op het vlak van computersabotage of corruptie is er uiteraard al langer expertise bij de politiediensten aanwezig.

In het kader van het opstellen van een nieuwe kadernota inzake integrale veiligheid en een Nationaal Veiligheidsplan, zal samen met de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken worden bekeken welke prioriteit hieraan moet worden gegeven. De verdachte bewegingen van schepen in de Noordzee worden opgevolgd door de verschillende Belgische diensten in het Maritiem Informatieknooppunt. Het MIK is een onderdeel, zoals u weet, van de kustwachtcentrale in België. In het centrum in Zeebrugge bundelen de douane, de scheepvaartpolitie, Defensie en de cel Maritieme Beveiliging van de FOD Mobiliteit hun kracht en bevoegdheden om informatie te verzamelen, te analyseren en ook te delen.

Ze werken zowel preventief als reactief om de veiligheid in de havens en op zee te verhogen. De Veiligheid van de Staat staat continu in contact met het MIK en daarnaast wisselt de Veiligheid van de Staat informatie over de problematiek uit op internationale fora, om zo kennis over specifieke modi operandi te vergaren.

Maaike De Vreese:

Mevrouw de minister, bedankt voor uw uitgebreide antwoord. Ik meen dat het duidelijk is dat we ook op het vlak van veiligheid met heel wat nieuwe fenomenen te maken krijgen. Nieuwe aanpakken en nieuwe samenwerkingen zijn dus noodzakelijk, zeker en vast doorgedreven samenwerkingen tussen al de verschillende diensten, met een duidelijke afstemming van wie wat doet, zodat er geen dubbel werk geleverd wordt. Maar liever nog dubbel werk dan dat er soms iets over het hoofd gezien wordt dat cruciaal is voor onze binnenlandse veiligheid.

De overbevolking in de gevangenissen en de samenwerking met Kosovo
Het huren of bouwen van gevangenissen in het buitenland (Kosovo)
Gevangenisoverbevolking en buitenlandse detentieoplossingen met Kosovo

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 23 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België onderzoekt twee pistes om gevangenisoverbevolking (17,5% overbezet, 203 grondslapers) aan te pakken: versnelde uitzetting van illegale gedetineerden naar gesloten centra (uitbreiding met 900 plaatsen gepland) en gevangeniscapaciteit in het buitenland (o.a. Kosovo, naar Deens model), maar concrete akkoorden ontbreken nog. Mensenrechten (EVRM, non-refoulement) zijn voorwaarde, met individuele beoordeling per zaak, en juridische haalbaarheid wordt onderzocht—Denemarken toont aan dat realisatie jaren kan duren (eerste overbrengingen pas in 2027). Doelstelling: maandelijkse uitzetting verhogen van 120 naar 170 personen via versnelde tussenstaatse overbrengingen, samenwerking met landen als Marokko, en wetgevend kader blijft ongewijzigd. Noodmaatregelen (extra capaciteit, langer openhouden bestaande gevangenissen) liggen ter advies bij de Raad van State, met spoedige parlementaire behandeling voorzien.

Alain Yzermans:

Mevrouw de minister, ik verwijs naar de ingediende vraag.

U onderzoekt momenteel met uw collega Minister van Asiel en Migratie twee belangrijke pistes om de overbevolking in de Belgische gevangenissen aan te pakken. De eerste optie betreft het doorschuiven van illegale gevangenen naar gesloten centra van de Dienst Vreemdelingenzaken, met als doel hen sneller uit te wijzen naar hun land van herkomst. De tweede piste richt zich op het creëren van gevangeniscapaciteit voor sans-papiers in het buitenland, waar veroordeelde gedetineerden zonder verblijfsrecht hun straf kunnen uitzitten.

Vragen aan de Minister van Justitie;

1 Hoe waarborgt u de mensenrechten van gedetineerden die worden doorgeschoven naar gesloten centra en in het buitenland?

2. Wat zijn de specifieke criteria en procedures voor het terugsturen van illegale gevangenen naar hun land van herkomst, is hier aanpassing van wetgeving nodig

3 Welke concrete stappen worden er ondernomen om de capaciteit van de gesloten centra uit te breiden, en hoe snel kunt u deze uitbreiding van circa 900 plaatsen realiseren?

4. Wat is de verwachte tijdlijn voor het realiseren van de samenwerking met buitenlandse gevangenissen, zoals die in Kosovo, en welke garanties heeft u dat deze plannen haalbaar zijn? Denemarken is hier al jaren mee bezig en volgens ingewijden is hier geen plaats meer?

5. De algemene overbevolking zit momenteel aan 17,5 % (+3,1% , sinds het aantreden van de nieuwe federale regering ). Het aantal grondslapers is 203 ( + 37 ). Welk plan van noodmaatregelen is er in de maak ?

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, in een poging tot het aanpakken van de problematiek van de overbevolking in onze gevangenissen staat in het regeerakkoord dat de regering zal proberen om overeenkomsten met andere Europese rechtsstaten te sluiten om daar gevangenissen te bouwen of te huren. Als we de media mogen geloven, kijkt u onder meer naar Kosovo om daarover een akkoord te sluiten.

Ons land zal niet het eerste land zijn dat dit doet. Denemarken heeft in 2021 een gelijkaardig akkoord gesloten. Wij weten dat dit in de praktijk niet echt een succes is. Het plan stuit hier op kritiek, maar ook in Kosovo zelf, waar men ook met overbevolking kampt. Ook daar komt er kritiek op de vraag of met dit plan van ons land de mensenrechten niet onder druk komen te staan.

Mevrouw de minister, ik kreeg hierover graag een toelichting. Met welke landen wordt er heden onderhandeld om daar gevangenissen te bouwen of te huren? Wat is de stand van zaken van deze onderhandelingen? Op welke manier denkt u resultaten te kunnen boeken? Denkt u dat het realistisch is om binnen deze legislatuur nog een gevangenis in het buitenland gebouwd te krijgen? Voor zover Kosovo tot deze landen zou behoren, wat is uw antwoord op de kritiek van bepaalde groeperingen dat de mensenrechten van de gevangenen daar al onder druk zouden staan? Hoeveel financiële middelen zullen er voorzien worden om dit te kunnen realiseren?

Annelies Verlinden:

Dank u wel, collega’s. Over jullie vragen over het huren of bouwen van gevangenissen in het buitenland kan ik alvast meedelen dat zoals in het regeerakkoord voorzien is, we overeenkomsten trachten te sluiten met andere Europese rechtsstaten met betrekking tot het huren, kopen of bouwen van gevangeniscapaciteit in het buitenland, waar veroordeelde gedetineerden zonder verblijfsrecht in ons land hun straf kunnen uitzitten, om dan bij voorkeur ook van daaruit te kunnen worden uitgewezen naar hun land van herkomst.

Samen met de ministers van Asiel en Migratie en van Buitenlandse Zaken knopen we hiervoor onderhandelingen aan met één of meerdere Europese rechtsstaten, zoals overigens andere Europese landen ons dat hebben voorgedaan. De eerste diplomatieke contacten werden al gelegd, maar er zijn op dit moment nog geen formele onderhandelingen lopende met één of meerdere landen.

Er is wel een juridische analyse opgestart om de haalbaarheid van een dergelijke samenwerkingsvorm te onderzoeken. Die analyse vormt uiteraard de noodzakelijke eerste stap, waarna eventuele concrete stappen gezet kunnen worden. Binnen die analyse kijken we onder meer naar het juridische kader, het waarborgen van de mensenrechten en de praktische uitvoerbaarheid. De optie Kosovo, waar Denemarken eerder al een samenwerking mee opstartte, wordt ter zake mee onderzocht. Er is op dit moment evenwel geen sprake van een formeel akkoord of van onderhandelingen.

Alle opties worden getoetst aan de fundamentele vereisten van de rechtsstaat. Dat betekent dat er enkel samenwerking zal zijn met landen die aantoonbare garanties bieden inzake het respect voor de rechten van gedetineerden. Op korte termijn plan ik ook zendingen naar een aantal landen die hiervoor mogelijk in aanmerking komen.

Ik ben mij ervan bewust dat er bezorgdheden zijn geuit over de mensenrechten en die nemen we uiteraard ernstig. Het spreekt echter voor zich dat onze toekomstige overeenkomsten als basisvoorwaarde zullen hebben dat de detentie op een menswaardige en degelijke manier moet verlopen en ook in overeenstemming moet zijn met het EVRM, de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en met andere internationale mensenrechtenverplichtingen.

Mevrouw Dillen, u vroeg of het realistisch is om binnen deze legislatuur nog een gevangenis te bouwen of te huren in het buitenland. Het is wel degelijk de bedoeling om binnen deze legislatuur nog een concreet project op te starten. We zijn ons uiteraard bewust van de complexiteit van dit dossier en gaan daarom stapsgewijs te werk met een grondige juridische en diplomatieke voorbereiding.

Ik wil u ook alleen meegeven dat Denemarken, dat ook die ambitie zal realiseren, reeds vele jaren bezig is met een gelijkaardig project en dat pas in 2027 de eerste gedetineerden vanuit Denemarken zullen worden overgebracht.

Mijnheer Yzermans, wat betreft uw vraag over de mensenrechten van gedetineerden die eventueel zouden worden overgebracht naar deze buitenlandse gevangenissen, wil ik nogmaals benadrukken dat dit een fundamentele toetssteen is die binnen elke piste onderzocht wordt. Het zal noodzakelijk zijn om een systeem te overwegen waarbij elke zaak individueel wordt beoordeeld, met respect voor de proportionaliteit en de persoonlijke situatie van de betrokkene, inclusief zijn privé- en familieleven, overeenkomstig artikel 8 van het EVRM.

Voor personen die internationale bescherming hebben aangevraagd, zouden bijkomende waarborgen moeten worden bestudeerd, in het bijzonder betreffende het non-refoulementprincipe. Niemand mag worden teruggestuurd naar een land waar hij een reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM, in lijn met de vaste rechtspraak van het Europees Hof. Ten slotte zal ook worden bekeken welke vormen van toezicht en monitoring eventueel zouden kunnen worden ingesteld.

Daarnaast wil ik graag ingaan op uw vraag aangaande de procedure voor het terugsturen van illegale gevangenen. We staan in nauw overleg met de partners verantwoordelijk voor de aanpak van het aantal gedetineerden zonder recht op verblijf in onze gevangenissen. Dat is voor mij, maar ook voor de hele regering een duidelijke prioriteit. Zoals ik al zei, werd er daartoe een taskforce opgericht waarin onder meer wordt bekeken hoe we meer en snellere tussenstaatse overbrengingen kunnen uitvoeren.

U vroeg ook naar de criteria en de procedures voor het terugsturen. Dat kan onder drie vormen. De eerste is de tussenstaatse overbrenging van een veroordeelde persoon, wat inhoudt dat een gedetineerde met een andere nationaliteit dan die van het land waar hij definitief veroordeeld is tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel fysiek naar zijn of haar land van herkomst wordt overgebracht om aldaar de straf die werd opgelegd in het land verder uit te zitten. Het betreft in dat geval dus in feite een overdracht van straf.

Een tweede vorm is de verwijdering of uitzetting. Daar gaat het om een in principe vrij persoon zonder verblijfsrecht, die wordt gedwongen om terug te keren naar zijn of haar land van herkomst. Dat gebeurt altijd op basis van een bevel tot het verlaten van het grondgebied, dat wordt uitgevaardigd door de Dienst Vreemdelingenzaken.

Ten slotte kan het gebeuren door de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied als strafuitvoeringsmodaliteit. Dit wordt toegekend door de rechter of de strafuitvoeringsrechtbank. Dat betekent concreet dat een veroordeelde voor het einde van zijn of haar straf in vrijheid wordt gesteld onder bepaalde voorwaarden en het land dient te verlaten. De betrokkene krijgt voorwaarden die moeten worden nageleefd voor een bepaalde periode, maar omdat de betrokkene geen verblijfsrecht heeft in België, zal de persoon de proeftijd dus in een ander land moeten ondergaan.

U vroeg ook nog naar de noodzaak van aanpassingen van het wetgevend kader. De actuele situatie vereist geen aanpassingen aan de vigerende Belgische en Europese wetgeving of verdragen. We willen wel prioritair en maximaal inzetten op een terugkeer van gedetineerden naar hun land van herkomst.

We trachten de terugkeer naar Europese landen of landen met terugkeerovereenkomsten, zoals Marokko, waarmee al goed wordt samengewerkt, nog verder te verhogen. Voor alle andere landen zullen bilaterale contacten moeten worden uitgerold om de besluitvorming en de doorstroming te verbeteren. We zullen uiteraard ook streven naar duurzame samenwerkingsverbanden.

Het is de collectieve ambitie van deze regering om binnenkort in plaats van 120 mensen per maand maandelijks 170 mensen te kunnen terugsturen. Daarvoor is nauwe samenwerking nodig met de collega's van onder meer Asiel en Migratie, Binnenlandse Zaken en Buitenlandse Zaken.

U vroeg ook naar de andere inspanningen om de overbevolking aan te pakken. Uw vraag werd ingediend voor het bereiken van het paasakkoord. Ik vermoed dat u inmiddels op de hoogte bent van de concrete plannen, onder meer met betrekking tot bijkomende capaciteit, maar ook inzake het langer openhouden van bestaande capaciteit.

Het voorontwerp van wet dat die capaciteitsproblemen wil aanpakken, werd in eerste lezing goedgekeurd in de ministerraad en ligt momenteel voor advies voor bij de Raad van State. Ik hoop dit na een tweede lezing zo snel mogelijk ook met u in het Parlement te kunnen bespreken.

Alain Yzermans:

Dank u wel.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, dank u voor uw antwoord. U doet heel veel aankondigingen. Het zal u niet verwonderen dat we dit dossier heel nauwgezet zullen opvolgen.

De IT-problemen bij de Veiligheid van de Staat

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 23 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De vakbonden bij de Veiligheid van de Staat klagen aanhoudend over dysfunctionerend IT-systeem Atlas (crashes, foutieve data, chaotische werkomgeving) en stijgend ziekteverzuim, ondanks eerdere waarschuwingen in 2023. Minister Verlinden bevestigt kennis van de problemen, benadrukt regelmatig overleg met vakbonden en administrateur-generaal, en stelt dat geen acuut veiligheidsrisico bestaat dankzij alternatieven en extra controles. De Veiligheid van de Staat werkt continu aan verbeteringen (kwaliteit databank, personeelswelzijn), maar concrete oplossingen en budgettaire gevolgen blijven onduidelijk. Transparantie over voortgang ontbreekt, ondanks herhaalde signalen en parlementaire vragen.

Alexander Van Hoecke:

Mijnheer de voorzitter, de vakbonden bij de Veiligheid van de Staat maken melding over aanhoudende IT-problemen en andere interne perikelen. Er werd een brief gericht aan het Comité I. Volgens de bonden is het nieuwe IT-platform Atlas niet betrouwbaar en is er sprake van een chaotische werkomgeving. Er wordt daarbij ook gewezen op een stijgend langdurig ziekteverzuim bij het personeel.

Het is niet de eerste keer dat aan de alarmbel wordt getrokken over het nieuwe IT-systeem. Eind 2023 maakten medewerkers van de Veiligheid van de Staat ook al gewag van de onbetrouwbaarheid van Atlas. Er werd toen beweerd dat Atlas regelmatig foutieve informatie weergeeft, dat het systeem bijna onwerkbaar zou zijn en meermaals zou crashen. Ik las dat dit werd tegengesproken door de Veiligheid van de Staat.

Het is alleszins niet de eerste keer dat een brief wordt gericht aan het Comité I. Een jaar geleden werd de situatie ook aangekaart, maar er is volgens de vakbonden nog steeds geen verbetering merkbaar. Ik weet dat alles wat te maken heeft met de Veiligheid van de Staat en met het IT-systeem een bepaalde mate van vertrouwelijkheid heeft, maar ik heb toch een aantal vragen hierover.

Werd u eveneens gecontacteerd door de bonden bij de Veiligheid van de Staat over de problemen? Zo ja, hoe hebt u hierop gereageerd?

Bent u in gesprek gegaan met hen of met de administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat? Indien u samenzat met de administrateur-generaal, wanneer was dat en wat was de conclusie van dit overleg?

Brengen de problemen met Atlas volgens u een veiligheidsrisico met zich mee?

Hoe zullen de problemen zo snel mogelijk verholpen worden? Zal hiervoor extra budget nodig zijn?

Annelies Verlinden:

Ik wil er eerst op wijzen dat uw collega, de heer De Smet, mij voor het paasreces over dit onderwerp in de laatste plenaire vergadering al een identieke vraag heeft gesteld. Ik wil dan ook integraal verwijzen naar het antwoord dat ik toen heb gegeven.

Ik bevestig hier opnieuw dat ik inderdaad van de zorgen van de vakbonden in kennis werd gesteld. De communicatie vond zowel via officiële briefwisseling als via overleg met de vakbonden en de dienst plaats.

Er is inderdaad zeer regelmatig contact tussen de Veiligheid van de Staat en mijn beleidscel en ook tussen de administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat en mezelf. Daarbij was de Veiligheid van de Staat steeds transparant over de IT-hervorming en ook over de problematieken en kinderziekten in dat verband.

De administrateur-generaal heeft het Parlement hierover overigens zelf geïnformeerd tijdens contacten met de commissies voor Justitie, Binnenlandse Zaken en Asiel en Migratie eerder dit jaar.

De conclusie van het recent overleg met de directie was dat de directie de nodige stappen onderneemt om oplossingen te vinden om de kwaliteit van de databank te verbeteren en ook om het welzijn van het personeel te versterken. Deze stappen worden ook genomen. Het IT-team van de Veiligheid van de Staat werkt continu aan de verbetering van de databank.

Volgens de huidige inschatting vormen de problemen met Atlas op dit moment geen veiligheidsrisico's. Er bestaan alternatieven voor de getroffen processen. Er worden ook extra controles uitgevoerd om de juistheid van gegevens te waarborgen.

Alexander Van Hoecke:

ik dank u voor het antwoord, mevrouw de minister.

De verspreiding van een videoboodschap door een jihadist vanuit de gevangenis

Gesteld door

lijst: VB Sam Van Rooy

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 23 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Verlinden bevestigt dat een jihadistische video uit een Belgische gevangenis afkomstig is, maar benadrukt dat deze door een bezoeker (niet de gedetineerde) werd opgenomen tijdens een toegelaten videogesprek. Smartphones zijn verboden, maar controles en sancties (zoals beperkt bezoekrecht) worden verstrekt, terwijl de veiligheidsdiensten de extremistische inhoud onderzoeken in kader van de Strategie T.E.R. Van Rooy kaart het brede probleem van islamisering in gevangenissen aan, wijzend op de oververtegenwoordiging van moslims in criminaliteit en terrorisme en de link tussen criminaliteit (gerichte "kafir"-haat) en jihadfinanciering, met de eis om harder op te treden tegen dergelijke propaganda.

Sam Van Rooy:

Mevrouw de minister, in een video die online wordt verspreid, is te zien hoe een jihadist een islamitische boodschap verspreidt vanuit een gevangenis in België. Blijkbaar werd de video, die is gericht aan moslims, opgenomen en via sociale media verspreid tijdens de ramadan. Ik heb de link naar de video toegevoegd. De video is, zoals u kunt zien, ondertiteld en op de achtergrond klinkt islamitisch gezang.

Kunt u bevestigen dat die video inderdaad in een Belgische gevangenis werd opgenomen en zo ja, in welke gevangenis?

Hoe verklaart u dat gedetineerden in onze gevangenissen blijkbaar zonder problemen via smartphones video's kunnen opnemen en verspreiden via sociale media?

Loopt er een onderzoek naar dat specifieke incident? Welke sancties kunnen desgevallend worden opgelegd?

Wat wordt er ondernomen om dat soort van islamitische propaganda vanuit onze gevangenissen tegen te gaan?

Annelies Verlinden:

Collega Van Rooy, ik begrijp dat het gaat om een toegelaten videogesprek tussen een gedetineerde in een Belgische gevangenis en een bezoeker. Het zou de bezoeker zijn die het gesprek opnam.

Het bezit van smartphones in de gevangenis is voor gedetineerden niet toegelaten, maar vormt inderdaad een probleem. We willen daarvoor de nodige maatregelen nemen en er worden ook in alle gevangenissen regelmatig sweepings uitgevoerd en ook specifieke zoekingen gedaan. In dit geval gaat het, op basis van de informatie waarover ik beschik, evenwel niet om een opname via een smartphone van een gedetineerde zelf.

Er kan een tuchtsanctie worden opgelegd of een ordemaatregel worden genomen lastens de gedetineerde, waarbij de toegang tot het videobezoek wordt ingeperkt. De manier waarop gedetineerden communiceren met de buitenwereld is gebonden aan voorschriften. Boodschappen op deze manier verspreiden is niet toegestaan.

De inhoud van de boodschap werd voorgelegd aan de veiligheidspartners in het kader van de Strategie Extremisme en Terrorisme (Strategie T.E.R.). De bevoegde diensten zullen over het vervolg van deze zaken en dit incident beslissen.

Sam Van Rooy:

Dank u voor de opheldering, mevrouw de minister. Ja, ik trek het breder, dat weet u. De islamisering van gevangenissen is een fenomeen in heel West-Europa, in België en zeker ook in onze buurlanden Duitsland, Nederland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. Moslims zijn immers sterk oververtegenwoordigd in de criminaliteit en het terrorisme en dus in onze gevangenissen. Criminaliteit en jihadistisch terrorisme zijn ook vaak met elkaar verbonden. De criminaliteit, die uiteraard bewust gericht is tegen de niet-moslim, de kafir, dient dan om islamitische terreuraanslagen te financieren. Islamitische video’s opnemen en verspreiden vanuit de gevangenis is een onderdeel van die islamisering. Wees dus keihard, mevrouw de minister, en zorg ervoor dat dit onmogelijk wordt. Voorzitster: Kristien Van Vaerenbergh Présidente: Kristien Van Vaerenbergh

De incidenten aan gevangenissen in Frankrijk
De aanvallen op gevangenissen in Frankrijk en het verband met België
Gevangenisincidenten en -aanvallen in Frankrijk en België

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 23 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Na gecoördineerde aanvallen op Franse gevangenissen (brandstichting, schietpartijen, drugscriminaliteit en mogelijke extremistische betrokkenheid) drongen parlementsleden aan op versterkte veiligheidsmaatregelen in Belgische gevangenissen. Minister Verlinden kondigde psychologische ondersteuning voor personeel, extra veiligheidscellen, gsm-jammers, drones en IT-speurhonden aan om criminaliteit en agressie tegen cipiers te bestrijden, maar ontweek concrete grensoverschrijdende samenwerking met Frankrijk, verwijzend naar lopende gerechtelijke geheimhouding. Kritiek bleef op het ontbreken van een taskforce tegen drugsnetwerken en duidelijke afstemming met Frankrijk, ondanks vergelijkbare dreigingen. De focus ligt op technologische en infrastructurele opwaardering, maar de link met drugscriminaliteit en extremisme blijft onduidelijk en onderbelicht.

Alain Yzermans:

Mevrouw de minister, als het regent in Parijs, druppelt het in Brussel of waar dan ook. Het is wat ongezien dat er in de nachten van zondag 13 tot en met dinsdag 15 april negen gecoördineerde aanvallen zijn geweest op gevangenissen in Frankrijk. Uiteraard wordt de zaak nog onderzocht. Voertuigen werden in brand gestoken, er werd geschoten met oorlogswapens, er was vandalisme en er werd graffiti aangebracht.

De Franse minister van Justitie meent op voorhand te kunnen stellen dat er misschien enig verband mag worden gelegd met de verhoogde strijd tegen drugscriminaliteit. Opmerkelijk is dat er blijkbaar ook penitentiaire voertuigen al dan niet bewust zijn beklad met de inscriptie 'DDPF' (rechten van of voor Franse gevangenen), een soort van anticomité. De situatie roept vragen en bezorgdheden op die wij ook kennen. De vraag is wat de kip was en wat het ei. De voorbije maanden zijn wij geconfronteerd met zware problemen.

Wat zijn, ten eerste, de maatregelen om de veiligheid van onze gevangenissen te waarborgen? Zijn er lessen getrokken of te trekken uit de escalatie in Frankrijk? Wat zijn de resultaten van het overleg met de vakbonden de voorbije weken en maanden rond veiligheid en beveiliging van ons personeel? Welke extra, anticiperende beschermingsmaatregelen zijn genomen?

Ten slotte kan men leren door overleg en informatie-uitwisseling. Hebt u op dat vlak met uw Franse ambtgenoot contact opgenomen of hebben de diensten dat gedaan?

Marijke Dillen:

Ik verwijs naar de schriftelijk ingediende vraag.

Mevrouw de minister, in Frankrijk zijn verschillende gevangenissen aangevallen. In Toulon heeft een gewelddadige aanval plaatsgevonden waarbij de gevangenis werd beschoten met zware wapens vanuit een wagen. Ook andere gevangenissen waren het doelwit van aanvallen. Op andere plaatsen in de nabijheid van gevangenissen zijn auto's in brand gestoken en werden cipiers bedreigd. Andere voertuigen van cipiers zijn gevandaliseerd met anarchistische slogans. “Het gaat duidelijk om terroristische aanvallen", stelt de Franse Minister van Justitie. De link met extreem links wordt er onderzocht gezien het aanbrengen van anarchistische slogans. Maar vooral de link met het drugsmilieu krijgt aandacht van de Franse speurders gezien ook in Frankrijk er een verhoogde aandacht is voor de aanpak van drugcriminaliteit. Ook in Frankrijk wordt blijkbaar meer en meer duidelijk dat drugcriminelen hun activiteiten vanuit de gevangenissen verderzetten.

De drugscriminaliteit in Frankrijk is volledig vergelijkbaar met deze criminaliteit in ons land. Heeft de Minister kennis van druggerelateerde dossiers waar er ook een verband is met druggerelateerde dossiers in Frankrijk? Zijn er gezien de situatie in Frankrijk initiatieven genomen om dit bij hoogdringendheid te onderzoeken?

Heeft de Minister een initiatief genomen om meer informatie op te vragen betreffende deze feiten bij de Franse Minister van Justitie? Dit in het bijzonder betreffende mogelijke verbanden met drugsdossiers die in ons land gekend zijn? Zo ja, wat zijn de resultaten?

Annelies Verlinden:

Collega’s, het gevangenispersoneel en in het bijzonder de bewakingsagenten worden helaas regelmatig geconfronteerd met agressie. De problematiek van incidenten zowel binnen als buiten de gevangenissen neemt toe. We worden geconfronteerd met een nieuwe realiteit. Wij stellen daarbij alles in het werk om een gepaste reactie te bieden en de slachtoffers van dergelijke gebeurtenissen te ondersteunen.

Als eerste initiatief werd het project Psychologische Hulp ingevoerd. De sociale dienst neemt daarbij contact op met het slachtoffer om een luisterend oor te bieden en praktische informatie te geven over het beschikbare aanbod van psychologische ondersteuning. Daarnaast wordt ook psychologische hulp via een externe partner aangeboden. Medewerkers kunnen tot tien sessies krijgen via die externe partners. Medewerkers ontvangen binnen een termijn van drie werkdagen opvolging.

Wegens de toename van geweld en bedreigingen tegen het personeel, ook in de privésfeer, worden concrete en onmiddellijke maatregelen getroffen om hun veiligheid te garanderen, maar ook om nieuwe incidenten te voorkomen. Wij zullen zo werk maken van meer veiligheid in de detentie-infrastructuur door het voorzien in beveiligde cellen voor de meest agressieve gedetineerden. De bedoeling is het aantal veiligheidscellen jaar na jaar te laten toenemen. In eerste instantie wordt het aantal veiligheidscellen beperkt tot 45 om hun impact op het leef- en werkklimaat in de rest van de afdelingen te beperken.

Om de veiligheid binnen de gevangenismuren te verbeteren, maar ook om de strijd tegen de criminaliteit binnen de gevangenismuren te intensifiëren, zal materiaal worden aangekocht om gerichtere controles uit te voeren op de aanwezigheid van gsm-toestellen, tracers en drones. Er zullen ook bijkomende IT-speurhonden bij de Directie hondensteun van de federale politie worden opgeleid, waardoor wij die honden, net als drugshonden, meer zullen kunnen inzetten in de gevangenissen. Ook zullen toestellen worden aangekocht die signalen van gsm-toestellen kunnen jammen. Uiteraard blijven wij in samenwerking met de politie ook inzetten op sweepings en controles.

Het project drone-in-a-box zal nader worden getest en uitgebreid. Het moet zorgen voor een betere beveiliging in de onmiddellijke omgeving van de gevangenis door de inzet van drones, onder meer rond de personeelsparkings. Evident zal ook worden voorzien in de opleiding van personeel, zodat zij met de nieuwe technologieën en middelen aan de slag kunnen gaan. Wij zullen ook de traceerbaarheid van gevangenismedewerkers inperken door de zichtbare persoonsinformatie op identificatiebadges aan te passen.

Tot slot wordt een specifiek budget vrijgemaakt om die maatregelen uit te voeren. De genoemde initiatieven maken ook onderwerp uit van het sociaal overleg. In dat verband heb ik de vakbonden twee weken geleden nog gesproken.

Hoewel de incidenten waarnaar u verwijst zich buiten onze landsgrens hebben voorgedaan, volgen wij de situatie uiteraard op de voet op in samenwerking met onze veiligheidspartners. Zoals steeds bij een incident in het buitenland heeft het Crisiscentrum onmiddellijk contact opgenomen met alle betrokken partners om de impact op ons land te evalueren. Onlangs heeft zich inderdaad een aantal incidenten en bedreigingen voorgedaan ten aanzien van penitentiair personeel. Daarbij heeft het Crisiscentrum al veiligheidsmaatregelen genomen in samenwerking met alle betrokken partners. Elk nieuw incident wordt opgevolgd en geanalyseerd met het oog op het bepalen van passende veiligheidsmaatregelen, om zo de slachtoffers en het penitentiair systeem te beschermen.

Mevrouw Dillen, de feiten die zich hebben voorgedaan in Frankrijk zijn inderdaad bijzonder verontrustend. Het komt uiteraard de Franse gerechtelijke overheden toe om die tot op de bodem te onderzoeken en ook de redenen ervan te achterhalen. Over het algemeen stellen we vast dat het moeilijk is om duidelijke verbanden te leggen tussen handelingen tegen die gevoelige locaties en bepaalde criminele organisaties. Men mag dus geen overhaaste conclusies trekken en we moeten vertrouwen hebben in het werk van onze veiligheidsdiensten.

Door het uitgesproken grensoverschrijdend karakter van criminaliteit moeten we inderdaad bijzondere aandacht hebben voor eventuele linken tussen criminele organisaties in Frankrijk en in België. Veel gemeenschappelijke gerechtelijke dossiers hebben in het verleden aangetoond dat de samenwerking efficiënt verloopt. U zult willen begrijpen dat als er gezamenlijke gerechtelijke dossiers zijn, de geheimhouding daaromtrent en de noodzaak om het optimaal slagen van operaties in dat kader te garanderen, me vandaag beletten om daarover uitspraken te doen.

Alain Yzermans:

Dank u wel voor de antwoorden, mevrouw de minister. Een veilige maatschappij vraagt veilige instellingen, zeker bij instellingen als de gevangenissen, die ons moeten beschermen. Het personeel moet in alle omstandigheden op een veilige manier kunnen werken. Het is belangrijk dat er maatregelen worden aangekondigd inzake infrastructurele en technologische inspanningen en, wat betreft de slachtoffers, de begeleiding van het gevangenispersoneel en de cipiers.

Ik heb een paar weken geleden nog eens opgeworpen om na te denken over een soort taskforce om de drugsnetwerken en de relaties tussen gevangenen daarin verder te onderzoeken, want die leiden meestal tot extern geweld en geweld in de privésfeer. De link naar drugscriminaliteit bevindt zich altijd in de omgeving.

Marijke Dillen:

Dank u voor uw antwoord, mevrouw de minister. Ik heb geen antwoord gekregen op de vraag of u een initiatief hebt genomen om meer concrete informatie op te vragen bij uw collega. Ik begrijp dat u niet over een dossier wilt spreken, mevrouw de minister. Dat is geen enkel probleem. We weten echter allemaal dat de drugscriminaliteit in Frankrijk vergelijkbaar is met de drugscriminaliteit in ons land. De Franse minister van Justitie heeft onmiddellijk gesproken over een terroristische aanval. Hier in ons land, mevrouw de minister, weten we met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid dat veel van de aanvallen tegen cipiers, zowel in het professionele leven als in de privésfeer, te maken hebben met drugscriminaliteit. In Frankrijk werd echter ook onmiddellijk de link gelegd met extreemlinks gezien er anarchistische slogans werden aangebracht. Dat wordt verder onderzocht. We kunnen alleen hopen, mevrouw de minister, dat ook dat aspect niet naar ons land overwaait, want we hebben al genoeg zorgen met de criminaliteit vanuit het drugsmilieu.

De tijdbom onder het gevangenissysteem
De aankondiging v.d. magistraten om 4.000 veroordeelden naar de overbevolkte gevangenissen te sturen
De reactie van het gevangeniswezen op de protestactie van het openbaar ministerie
Het protest bij de magistratuur
De problemen bij Justitie
Overbevolking en spanningen in het Belgische gevangenis- en justitiesysteem

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 23 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De gevangeniscrisis en magistratuurprotesten tegen pensioenhervormingen domineren de discussie: minister Verlinden kondigt noodmaatregelen aan (elektronisch toezicht, voorlopige invrijheidsstelling voor straffen <3 jaar, uitzonderingen voor gewelds- en zedendelinquenten) om de overbevolking (60%!) en 4.000 wachtende gevangenen te managen, maar benadrukt dat structurele oplossingen (nieuwe gevangenissen, digitalisering, terugkeer illegalen) tijd en extra middelen vragen—die deels uit het paasakkoord komen, maar onvoldoende zijn volgens oppositie. De magistraten, woedend over koopkrachtverlies (tot 40%) door pensioenaanpassingen, blokkeerden massaal strafuitvoeringen, wat de crisis verergert; Verlinden pleit voor dialoog en wijst op de noodzaak van gerechtelijke hervormingen, maar erkent dat de werkdruk en capaciteitstekorten (personeel, infrastructuur) acute risico’s vormen voor veiligheid en rechtsstaat. Critici (o.a. Van Quickenborne, Dillen) wijten de chaos aan decennialang falend beleid (onder beide regeringskleuren), met name onderfinanciering, uitgestelde infrastructuur (slechts 2 van 15 beloofde detentiehuizen geopend) en tegenstrijdige migratiebeleid (vroegtijdige vrijlating illegalen). Verlinden ontkent niet de erfenis, maar hamert op realisme: zonder samenwerking tussen justitie, politiek en sociale partners dreigt instorting—met stakingen, straffeloosheid en onveilige gevangenissen als direct gevolg. Kern: Korte-termijnpatches (tijdelijke opschorting straffen, taskforces) moeten langetermijnplannen (capaciteit, digitalisering, pensioenakkoord) overbruggen, maar politieke polarisatie en middelengebrek blijven de grootste obstakels.

Alain Yzermans:

Mevrouw de minister, het dossier met betrekking tot de gevangenissen, dat dagelijks evolueert, vormt een tikkende tijdbom en daar gooide de magistratuur vorig weekend met haar vrij merkwaardige uitspraken uitspraken nog een bovenop. Hoe zult u de kwestie met de 4.000 wachtenden aanpakken? Wat denkt u over de reactie daarop?

Anderzijds begrijp ik zeer goed dat de overbelasting en de druk op alle gerechtssystemen vanuit alle hoeken wordt aangekaart. Daarbij uit men zijn frustratie niet alleen over de fameuze pensioenhervorming, maar ook over de financiële druk.

Hoe wilt u die tijdbom ontmijnen? Wat zult u doen met de 4.000 veroordeelden?

Wij kijken uit naar de concrete uitwerking van het paasakkoord om de overbevolking aan te pakken.

Voorzitter: Ismaël Nuino.

Président: Ismaël Nuino.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, het openbaar ministerie is zeer snel in actie gekomen tegen de beslissing in het paasakkoord om in de pensioenen van de magistraten en het gerechtspersoneel te snijden. De magistraten vrezen immers voor een koopkrachtverlies tot wel 40 % , zo blijkt uit hun berichten. Het heeft daarom de drastische en ongeziene beslissing genomen om de maatregelen tegen de overbevolking naast zich te leggen en 4.000 criminelen op de wachtlijst van de overbevolkte gevangenissen in één beweging naar de cel te sturen. Volgens procureur-generaal Van Leeuw zouden de gevangenisbriefjes al de deur uit zijn. Dat is toch wel heel duidelijk een bom op het gevangenissysteem, want er is geen plaats.

Die actie van de magistraten hypothekeert het hele gevangeniswezen en zal zeker het penitentiair personeel treffen, die vandaag al worden geconfronteerd met overvolle gevangenissen en alle hieraan gekoppelde problemen, zoals agressie van gedetineerde grondslapers. Ik heb begrepen dat zij onmiddellijk het signaal van het openbaar ministerie van antwoord hebben gediend en de gedetineerden die zich al hebben aangemeld, weer naar huis hebben gestuurd.

Mevrouw de minister, kunt u hierover meer toelichting geven? Wat is de stand van zaken betreffende de aankondiging van het openbaar ministerie? Vond over de actie voorafgaandelijk overleg plaats? Zo ja, wat waren de resultaten? Zo neen, zult u zelf initiatieven ter zake nemen?

Hoeveel gevangenisbriefjes werden inmiddels al verzonden, met een overzicht per gevangenis? Als u daarop vandaag nog geen antwoord kunt geven, zal ik een schriftelijke vraag indienen.

Wat zult u doen om een antwoord te bieden op die toch wel drastische actie van de magistraten? U hebt vandaag al een aantal keren gezegd dat er in het paasakkoord ook initiatieven zijn genomen om de overbevolking van de gevangenis uit de wereld te helpen, maar we moeten realistisch zijn: de aangekondigde maatregelen zijn zeker nog niet voor morgen.

De actie is een tijdbom onder het gevangeniswezen. Uit de media heb ik begrepen dat de gevangenisdirecteurs alle veroordeelden die zich aanmelden, naar huis stuurt. Indien dat niet gebeurt, moet u maatregelen nemen om de al bijzonder zware werkdruk op het penitentiair personeel te verminderen.

Vincent Van Quickenborne:

Mevrouw de minister, het protest bij de magistraten is redelijk ongezien, maar het doet me denken aan de periode toen ik minister van Pensioenen was, in 2011 en 2012. Toen beslisten wij om voor magistraten de tantième, de loopbaanbreuk, te verhogen van 1/30ste naar 1/48ste. Toen had ik ook een ontmoeting met de voorzitters van de Raad van State, het Hof van Cassatie en het Grondwettelijk Hof. Ik raadde hen toen stellig af om publiek actie te voeren, omdat die actie waarschijnlijk als een boemerang in hun gezicht zou terugkeren.

Deze keer heeft men anders gereageerd en is men wel publiek gegaan. Ik heb deels begrip voor de magistraten als ze verwijzen naar de aanvallen die de voorbije jaren zijn gelanceerd op de magistratuur, onder meer vanuit de politiek. Er waren met name de verwijten dat magistraten wereldvreemd zouden zijn en bepaalde politici hebben zich laatdunkend uitgelaten over gerechtelijke uitspraken.

Echter, de methode die ze hier hanteren roept natuurlijk vragen op. Ik heb twee sets vragen voor u, over de magistraten en over het gevangeniswezen.

Gisteren hebt u een ontmoeting gehad met de magistraten. Wat is het resultaat daarvan?

De magistratuur kondigde eventuele verdere acties aan als ze niet tevreden waren met de uitkomst van het overleg van gisteren. De vraag is: gaan die acties door of hebt u hen intussen kunnen geruststellen?

Het openbaar ministerie klaagt aan dat er geen overleg is geweest om tot de huidige maatregelen te komen. Bent u van plan daar verandering in te brengen en hen te betrekken bij de ingrepen die een invloed kunnen hebben op hun pensioen en loopbaan?

Klopt het dat gepensioneerde magistraten 30 tot 40 % van hun koopkracht zullen verliezen?

Het gevangeniswezen wordt intussen ongewild geconfronteerd met een onhoudbare positie. Wat is uw reactie op de uitspraak van het gevangeniswezen dat men zich genoodzaakt ziet 4.000 veroordeelden terug naar huis te sturen, ondanks een gerechtelijk bevel om zich aan te melden?

Welke richtlijnen of instructies hebt u gegeven aan gevangenisdirecteurs om met die situatie om te gaan? Wat moeten ze zeggen tegen mensen die zich aanbieden?

Wat zijn de gevolgen voor het gevangenispersoneel, dat zich nu letterlijk tussen twee vuren bevindt? Wordt het personeel voldoende juridisch en praktisch ondersteund?

Hoe tracht u te bemiddelen tussen het openbaar ministerie en het gevangeniswezen?

Sophie De Wit:

Mevrouw de minister, ik trap een open deur in wanneer ik zeg dat Justitie zich vandaag in bijzonder zwaar weer bevindt. Er is de overbevolking in de gevangenissen, er is de personeelsuitval bij cipiers, die volgende week ook zullen staken, en er zijn protesterende magistraten en onbetaalde facturen. Ik kan zo nog even doorgaan.

In de media hebt u verwezen naar de enorme puinhoop die u van uw voorgangers hebt geërfd. Ik zal dat ook niet betwisten, mevrouw de minister. Er waren wel middelen, namelijk meer dan 2 miljard, maar als men nu ziet wat er allemaal aan de hand is en gebeurt, vraag ik me toch af wat er met dat geld allemaal gebeurd is, behalve heel wat aankondigingen. Ik geef een paar voorbeelden. Er werden 15 detentiehuizen gepland, maar er zijn er slechts 2 geopend, en er zitten meer dan 3.000 illegale veroordeelden in de gevangenissen.

Mevrouw de minister, vorige week werd u in de krant een aanzet tot straffeloosheid verweten. Als we dan weten dat onder diezelfde voorgangers veroordeelden met een gevangenisstraf tot vijf jaar zich niet meer moesten aanmelden – wat u dus hebt teruggeschroefd –, vind ik dat toch allemaal maar kras.

Het feit is dat u nu de taak en de zware opdracht hebt om minister van Justitie te zijn en uiteindelijk die puinhoop op te ruimen. We moeten daarvoor binnen Arizona de verantwoordelijkheid opnemen. Ik heb dus een aantal vragen voor u, mevrouw de minister.

Er is een paasakkoord. Kunt u kort toelichten wat het paasakkoord zal betekenen voor Justitie? Welke middelen worden voorzien en waaraan zult u deze prioritair besteden?

Hebt u inmiddels ook overleg kunnen plegen met de parketmagistraten, die de stock van 4.000 veroordeelden in één keer naar de gevangenis wil sturen? Wat was daarvan het resultaat?

Welke pistes zult u nog verder hanteren om te proberen de illegale gedetineerden uit onze cellen te krijgen en elders hun straf te laten uitzitten? Kunt u garanderen dat die niet zomaar in de natuur zullen verdwijnen?

Dan heb ik nog een vraag over een gevangenis in het buitenland. Wat zijn daarvoor uw plannen, hoe ziet u dat en wat is uw timing?

Ten slotte heb ik ook begrepen dat u een audit zou willen uitvoeren over het beleid van uw voorgangers, mevrouw de minister. Kunt u dat toelichten en werden daartoe reeds voorbereidingen getroffen?

Annelies Verlinden:

Dank u wel voor uw zeer actuele vragen, collega’s. Ik heb al gezegd dat een veilige samenleving een prioriteit, een speerpunt is. Daarom is het mijn absolute wil en ambitie om de afspraken uit te voeren die we in het regeerakkoord gemaakt hebben voor een betere Justitie als belangrijke schakel in de veiligheidsketen. Om die reden heb ik van bij mijn aantreden onmiddellijk gewerkt aan een zeer noodzakelijke correcte strafuitvoering. Op die manier wil ik een oplossing zoeken voor de prangende overbevolking, die allicht nog groter is dan ingeschat werd tijdens de onderhandelingen. Daarnaast wil ik zo ook de stelselmatige straffeloosheid wegwerken.

Bij mijn aantreden werd duidelijk dat gevangenisstraffen tot vijf jaar niet werden uitgevoerd. Mensen werden dus niet opgeroepen om naar de gevangenis te gaan door de overbevolking op dat moment. Daarnaast werd er ook verlengd penitentiair verlof uitgesproken omdat er geen plaats was in de gevangenis, ook niet voor langgestraften.

Om dat allemaal te kunnen veranderen zijn er bijkomende middelen nodig om die verschillende structurele werven op te starten waardoor Justitie belangrijke stappen voorwaarts kan zetten. Alles hangt met elkaar samen. Een betere strafuitvoering hangt samen met een versterking van de rechterlijke orde van de magistratuur, hangt samen met een betere digitalisering, hangt samen met goede afspraken met partners in de regering en daarbuiten, met de deelstaten, maar ook met het buitenland. Als we de bijkomende middelen niet evenwichtig inzetten op elk van deze schakels, zullen we Justitie niet kunnen verbeteren.

Ik ben dan ook blij dat we met het paasakkoord overeenstemming hebben gevonden over verschillende maatregelen en dat we dit jaar meer bijkomende middelen voor Justitie krijgen. Zo werd met het paasakkoord onder meer beslist dat iedere veroordeelde, ook die met een gevangenisstraf tot drie jaar, zich opnieuw zal moeten aanmelden in de gevangenis. Dat was niet de situatie die ik aantrof toen ik begon op 3 februari.

Om dat mogelijk te maken en tegelijk op de extreme overbevolking vandaag in te grijpen, wordt er ingezet op elektronisch toezicht en op de voorlopige invrijheidsstelling van gedetineerden met een gevangenisstraf tot drie jaar. Dat systeem kenden we voor de inwerkingtreding van de wet betreffende de externe rechtspositie, die tot de huidige overbevolking aanleiding heeft gegeven.

Het voorontwerp van wet ligt momenteel voor advies bij de Raad van State. Ik hoop dat we het ontwerp spoedig in de commissie kunnen bespreken, omdat een snelle goedkeuring ervan de straffeloosheid tegengaat door de uitvoering van ondertussen meer dan 4.000 gevangenisstraffen, waarvoor veroordeelden vandaag niet worden opgeroepen.

Ondertussen heb ik samen met de ministers bevoegd voor asiel en migratie, buitenlandse zaken, binnenlandse zaken en volksgezondheid taskforces opgericht, die de verschillende werven om de overbevolking tegen te gaan, Iedereen moet nu eenmaal zijn steentje bijdragen, want er is geen magische oplossing om de problematiek aan te pakken en op korte termijn de capaciteit te verhogen.

We willen uiteraard ook dat er meer gedetineerden in onwettig verblijf naar hun land van herkomst terugkeren. Voorts is het cruciaal dat we in aangepaste plaatsen voor geïnterneerden voorzien. Er zijn vandaag meer dan duizend geïnterneerden in onze gevangenissen en die krijgen niet de gepaste zorg, waardoor we de ellende en de onveiligheid alleen maar vergroten. Het is dus goed dat ik de regering ervan kon overtuigen om bijkomende middelen uit te trekken voor een justitie die steeds complexer wordt.

Dat brengt mij bij uw vragen over het protest van de magistratuur inzake de pensioenhervormingsplannen. Het is een duidelijke keuze van de arizonaregering – dit hebben we al herhaaldelijk besproken in het Parlement – om de levensstandaard van onze kinderen en kleinkinderen te blijven beschermen. Daarvoor is een inspanning van iedereen noodzakelijk, die bovendien rechtvaardig is verdeeld. Ook de magistratuur begrijpt dat. Uiteraard heb ik begrip voor de bezorgdheden van de magistratuur, onder andere over de aantrekkelijkheid van het beroep van magistraat. Maar de aantrekkelijkheid heeft niet alleen te maken met het pensioen, maar ook met de werkomstandigheden.

Dat de regering hervormingen onder andere aan de pensioenen wil doorzetten, is precies omdat we willen kunnen blijven investeren in de kerntaken van de overheid, waaronder uiteraard veiligheid en justitie, en omdat wij ervoor willen zorgen dat ook toekomstige generaties een pensioen kunnen genieten. Dat betekent dat we de koopkracht moeten beschermen en blijven inzetten op een samenleving waar rechten en plichten gelden, omwille van de veiligheid. Ik ben er namelijk van overtuigd dat, als we niet investeren in justitie, de factuur ons op andere manieren zal worden gepresenteerd.

Omdat ik de bezorgdheid begrijp en tegelijkertijd de inspanningen onderschrijf die de regering moet leveren, zal ik blijvend in overleg treden met alle betrokkenen. Ik heb de magistratuur, zowel het college van de zetel als het openbaar ministerie, al vaak gesproken en dus gisterenavond naar aanleiding van de aankondiging van de acties opnieuw, nadat ik eerder met minister Jambon had gesproken. Ik heb dat zelf als een constructief gesprek ervaren, waarbij tal van hun bezorgdheden zijn besproken, onder andere de aantrekkelijkheid van de loopbaan van magistraat. Ook veel andere sectoren worstelen ermee om de juiste mensen met de juiste expertise en kwaliteiten te vinden. Ik heb alvast bij de vertegenwoordigers van de magistraten mijn ambitie herhaald om justitie te versterken en in te zetten op elke schakel van de keten.

Kortom, de extra middelen die we kunnen vrijmaken, komen niet alleen het gevangeniswezen ten goede; we zullen die ook inzetten om de rechterlijke orde, dus het openbaar ministerie en de rechtbanken en de hoven, te versterken en aantrekkelijker te maken. Het staat me voor dat we op de ingeslagen weg van dialoog en overleg verder moeten en alzo een zo realistisch en geloofwaardig mogelijke antwoord op de bezorgdheden en vraagstukken bieden met respect voor alle justitieactoren. Het is mijn overtuiging dat we goed moeten samenwerken, de maatregelen op mekaar afstemmen en de juiste evenwichten zoeken. Daar zal ik als minister van Justitie zoveel mogelijk op inzetten.

De druk op het gevangeniswezen is bijzonder groot. Bij elke actie moeten we dus oog hebben voor de evenwichten: in een al overvolle gevangenis kunnen niet nog meer gedetineerden worden opgesloten. Dan vraagt men alleen maar om meer onveiligheid en mee problemen. Intussen heb ik de maatregelen ter wegwerking van de overbevolking, die ik van mijn voorganger had geërfd en wegens capaciteitstekort moest verlengen, nog eenmaal verlengd tot 7 juni 2025, tot wanneer de noodwet die wij hier in de commissie en in plenaire vergadering zullen bespreken, in werking treedt. Anderzijds heb ik beslist om de opschorting van aanvang van gevangenisstraffen tussen de drie en de vijf jaar ongedaan te maken en die te beperken tot gevangenisstraffen tot drie jaar, waarmee ik probeer de straffeloosheid toch deels in te perken.

Let wel dat sommige veroordeelden met straffen tot drie jaar zich toch in de gevangenis moeten aanbieden en hun straf uitzitten. Het gaat dan om gedetineerden die al voor andere feiten zijn opgesloten en om veroordeelden wegens zware geweldmisdrijven, intrafamiliaal geweld, zedenmisdrijven en terroristische misdrijven en veroordeelden in wiens dossier er concrete aanwijzingen zijn dat hij of zij een onmiddellijk gevaar kan betekenen voor de veiligheid van de slachtoffers of van de maatschappij. Het klopt dus zeker niet dat alle veroordelingen tot drie jaar worden opgeschort.

Kortom, collega’s, ondanks de actie van de magistraten van het openbaar ministerie blijft de instructie tot 7 juni 2025 van toepassing. Ze wordt ook opgevolgd.

Ten slotte, mijnheer Van Quickenborne, voor de meer technisch-financiële vragen over de impact van de hervorming van de pensioenen, specifiek van die van de magistraten, en de daarmee samenhangende precieze berekeningen, verwijs ik u door naar collega-minister Jambon.

Uit de communicatie heb ik begrepen dat de minister van Pensioenen de berekeningen die door de magistraten waren voorgehouden, zal toetsen om na te gaan of men hetzelfde begrip heeft omtrent de impact van de aangekondigde hervorming.

Alain Yzermans:

Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord. We appreciëren dat u dit dossier aanpakt en een aantal oplossingen formuleert om in een uitzichtloze situatie een houvast te krijgen.

Het is belangrijk dat we dit ondersteunen. Het gaat niet om een overbevolking van 17 %. Wanneer men de recente cijfers optelt met de verlengde penitentiaire verloven en de 4.000 mensen die op de wachtlijst staan, dan ziet men dat het gaat om een overbevolking van 60 %. Dat is extreem hoog.

Ik weet dat de globale oplossing ligt in een totaalaanpak en dat u weet waaraan u begint. U moet de instructies bijsturen in de strafrechtketen op het vlak van de termijnen en een fijnmazig net creëren met alle actoren en partners. Verder moet u ook op infrastructureel vlak kijken of er extra capaciteit kan bijkomen en moet u de begeleiding van de gevangenen bekijken om het aspect van de overbevolking ten gronde aan te pakken.

Alles heeft te maken met middelen en ik denk dat we ook met een beperking van middelen kunnen bekijken hoe we dit samen kunnen oplossen. Vooruit steunt u daarin. Wij pleiten voor een veilige samenleving. De staat van de gevangenissen is een graadmeter van hoe wij omgaan met mensen. Dit moet streng waar het kan, maar ook op een juiste manier, zodat we het personeel gemotiveerd kunnen houden en de cipiers in alle opzichten ondersteunen.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, dank u voor uw antwoord. Ik denk dat iedereen hier in de commissie, over alle partijgrenzen heen, erkent dat Justitie op dit ogenblik door zeer zwaar weer gaat. Er zijn talrijke problemen op diverse fronten, getuige alleen al een aantal vragen over diverse materies die vandaag aan bod gekomen zijn.

Het is bijzonder belangrijk om bijkomende middelen te krijgen, mevrouw de minister, om, zoals u zegt, nieuwe werven op te starten. Dat zijn de woorden die u daarnet in uw antwoord hebt gebruikt. Het zal echter niet alleen gaan over het opstarten van nieuwe werven. U mag niet naïef zijn. Wat u krijgt, zal zelfs absoluut onvoldoende zijn om de huidige structurele problemen in de diverse domeinen op te lossen.

U stelt terecht dat het belangrijk is te investeren in een van de grote kerntaken van de overheid, namelijk veiligheid en justitie, en u hebt de ambitie om Justitie te versterken, waarbij u ook volledig terecht aandacht zult besteden aan de rechtelijke orde. Dat is immers absoluut nodig. Vandaag zijn er op heel veel plaatsen al veel magistraten te kort, waardoor de werkdruk van de werkende magistraten aanzienlijk is toegenomen. Veel magistraten denken er zelfs aan om te stoppen.

Naar aanleiding van het wetsontwerp over de beslissingen die genomen zijn in het fameuze paasakkoord dat u spoedig in de commissie behandeld wenst te zien, zullen we daar zeer uitvoerig van gedachten over kunnen wisselen.

Het moet me echter wel van het hart dat het heel gemakkelijk is om verwijten te formuleren aan het adres van uw voorgangers. Ik zeg niet dat u met modder gooit – dat zou te straf uitgedrukt zijn – maar de laatste tijd komen er toch wel heel veel verwijten met de boodschap dat zij een enorme puinhoop hebben achtergelaten.

Mevrouw de minister, u moet ook eerlijk zijn. De problemen van bijvoorbeeld de overbevolking slepen al decennialang aan. Ik ben in 1991 een eerste keer in dit Parlement beland. Dat is al heel lang geleden. Toen al waren er overbevolkte gevangenissen, toen al was dat een van de grote problemen binnen Justitie.

Ondertussen hebben veel ministers van Justitie elkaar afgelost, maar ook verschillende ministers van uw partij, mevrouw de minister, dragen daarin een belangrijke verantwoordelijkheid. Nog in een relatief recent verleden, in de voorlaatste legislatuur, was onze sympathieke oud-collega Geens minister van Justitie, een sympathieke collega van uw partij die ook bevoegd was voor Justitie. Ik kan nog een aantal andere namen noemen, maar dat zou mij te ver drijven. Het heeft dus geen enkele zin om alleen uw voorganger te beschuldigen. Het betreft een probleem dat zich al jaren, al decennialang stelt en we moeten allemaal samen zoeken naar een structurele oplossing.

Vincent Van Quickenborne:

Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoorden. Justitie is waarschijnlijk een van de moeilijkste departementen in de Wetstraat. Het is goed om zich daarvan bewust te zijn.

U hebt niets gezegd over de fameuze audit. Het is veelzeggend dat u daar niets over zegt. Ik ben het niet vaak eens met het Vlaams Belang, maar de verklaring van mevrouw Dillen daarnet zijn juist, want de erfenis die men van de voorganger bij Justitie krijgt, is nooit een aangename erfenis. Toen ik minister van Justitie werd en ik voormalig minister Geens mocht opvolgen, had de helft van de magistraten geen computer en de andere helft een computer met het besturingsprogramma Office 7, dat twee jaar voordien uit werking is genomen. Ik heb toen geen audit gevraagd of verwijten gemaakt. Men moet ervoor zorgen dat justitie voldoende aandacht en voldoende middelen krijgt.

Een vorige spreker verklaart dat er 2 miljard euro extra voor justitie is vrijgemaakt de voorbije legislatuur. Dat is juist en met dat geld is ook veel gebeurd. Er zijn met die middelen twee nieuwe gevangenissen geopend, namelijk in Haren en Dendermonde. Het gaat om 1.200 extra plaatsen. Met die middelen is het personeel van de Staatsveiligheid verdubbeld, is een nieuw strafwetboek opgesteld, is nieuw seksueel strafrecht tot stand gekomen, is in zorgcentra in alle provincies voorzien, zijn extra magistraten en personeel aangeworven en is er gedigitaliseerd. Wanneer ik u hoor antwoorden op een vraag van een collega van de meerderheid dat maar zes digitaliseringsprojecten al 100 miljoen euro aan terugverdieneffecten hebben opgeleverd, dan is dat dankzij die middelen. Wil dat zeggen dat we u de mooiste erfenis hebben nagelaten? Absoluut niet. Wil dat zeggen dat justitie eenvoudig is? Absoluut niet.

Het is alleszins opvallend dat de arizonaregering in minder extra middelen voorziet voor justitie dan de vorige regering. Dat is de realiteit. U hebt in het paasakkoord extra middelen verkregen. Dat blijken middelen te zijn waarin later in de legislatuur was voorzien, maar die naar voren zijn geschoven. De vraag is of dat voldoende zal zijn. U wilt bijvoorbeeld gebruikmaken van mobiele cellen, waarin wij met de vorige regering hebben voorzien. Het raamcontract werd in december 2024 goedgekeurd, maar voor de bouw van 1.000 mobiele cellen is 400 tot 500 miljoen euro nodig en die hebt u niet.

Ik heb er ook alle begrip voor dat u in deze moeilijke omstandigheden noodmaatregelen neemt. Maar het zijn maatregelen die de vorige regering niet heeft willen nemen, onder andere de maatregel die erin bestaat om criminele illegalen die niet naar hun land van herkomst teruggestuurd kunnen worden, automatisch na een derde van hun straf vrij te laten met een bevel om het grondgebied te verlaten. Dat staat in schril contrast met de belofte van het strengste migratiebeleid ooit. Het is trouwens een ronduit gevaarlijke beslissing, want die mensen verdwijnen in de natuur. Doordat ze illegaal zijn, zullen ze waarschijnlijk weer in de criminaliteit verzeild geraken. Het kan gaan om illegale criminelen die wegens diefstallen met geweld tot drie jaar gevangenisstraf werden veroordeeld. De arizonaregering laat hen dus na een derde van de straf automatisch vrij, terwijl ze niet naar hun land van herkomst teruggestuurd kunnen worden. Mochten wij die beslissing ooit genomen hebben, dan was het kot te klein geweest. De beide dames die hier zitten, hadden dan waarschijnlijk nog de hulp van andere collega's ingeroepen. Intussen hebt u die beslissing wel aanvaard en geslikt. Het is ongezien en bewijst nog maar eens de grote kloof tussen beloftes voor de verkiezingen en daden na de verkiezingen.

Sophie De Wit:

Mevrouw Dillen, ik wil eerst toch even meegeven dat wij onder de Zweedse regering met Theo Francken de overbevolking tot 10.000 gedetineerden hebben teruggedrongen. De overbevolking is een oud probleem, maar daar is in het verleden wel al aan gewerkt. Mevrouw de minister, ik dank u voor het antwoord. Ik denk dat we hierover nog veel debatten zullen voeren. Het laatste woord is nog niet gezegd. De vorige spreker wierp op dat de vorige regering de gevangenis van Haren dankzij de 2 miljard euro kon openen, maar laten we eerlijk zijn, die is door de regeringen daarvoor in de steigers gezet. Het was collega Geens die de voorzet gaf voor het nieuwe Strafwetboek en wat de digitalisering betreft, verwijs ik naar de audit van het Rekenhof en dan is de discussie snel gesloten. Zijn hele verhaal stoort mij een beetje. Wij zijn allemaal voor de uitvoering van de korte straffen. Wij zaten in de vorige legislatuur in de oppositie en hebben ook al gewezen op het capaciteitsprobleem. Wij zouden er ons nu gemakkelijk vanaf kunnen maken met een I told you so . Het is heel ironisch om nu van de twee voormalige ministers in het groot in de sociale media en in de krant te moeten lezen dat het hier gaat om straffeloosheid, terwijl zij tot de uitvoering van korte straffen zijn overgegaan, zonder daarvoor in de nodige capaciteit te voorzien. Er werden 720 plaatsen in detentiehuizen beloofd. Er zijn twee detentiehuizen geopend. Daarmee kwam u er niet. Dan ontstaan dergelijke situaties. Dat vind ik heel cynisch. Ik heb er geen probleem mee dat u het probleem aankaart, maar de vorige regering is wel mee verantwoordelijk. Dat getuigt van een onbeschrijfelijke schaamteloosheid. U geeft het voorbeeld van de illegalen. Onder de vorige minister was er een stock opgebouwd van niet-uitgevoerde straffen tot vijf jaar. Ook veroordeelde illegalen met een straf van drie tot vijf jaar mochten wachten op hun briefje. Dan komt u hier toeteren over straffeloosheid en komt u ons hier de les spellen. Ik vind dat niet kunnen. Mevrouw de minister, er is gigantisch veel werk aan de winkel. Ik zal u ook al eerlijk zeggen dat ik niet elke compromismaatregel even hard zal toejuichen, maar ik besef dat bepaalde zaken nodig zijn. We zullen op verschillende fronten tegelijkertijd moeten werken, we zullen samen moeten oversteken, zodat de overheid zich ten volle kan bezighouden met haar kerntaak, namelijk het verzekeren van de veiligheid, zowel binnen als buiten de gevangenissen. Het wordt geen walk in the park , maar ik vind dat we wel allemaal een zekere intellectuele eerlijkheid in het verhaal aan de dag moeten leggen.

De toenemende agressie in de gevangenis van Wortel

Gesteld door

lijst: VB Marijke Dillen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 23 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De toenemende agressie tegen cipiers in gevangenis Wortel – met name fysiek geweld, bedreigingen en verbale uitbarstingen – baart zorgen, verergerd door onderbezetting en de versnelde terugkeer van 4.000 gedetineerden, wat de druk verder opvoert. Minister Verlinden erkent het probleem (oorzaken: drugs, psychiatrische gevallen, overbevolking elders) en kondigt maatregelen aan zoals tuchtprocedures, time-outafdelingen, veiligere cellen, drugdetectie en psychologische ondersteuning, maar centrale cijfers over vervolgingen ontbreken en huidige acties blijken ontoereikend. Dillen dringt aan op specifieke actie voor Wortel (waar agressie sneller stijgt dan elders, ondanks *minder* overbevolking) en strafrechtelijke hardheid: *elke* aanval op cipiers moet *verplicht* vervolgd worden, met zware sancties, om een duidelijk signaal af te geven dat geweld nooit getolereerd wordt.

Marijke Dillen:

Mag ik eerst, mevrouw de minister, nog eens vragen om iets trager te spreken, in het belang van de tolken? Het is moeilijk werken voor die mensen. U zou eens met hen moeten gaan praten, dan zult u begrijpen dat het voor hen echt moeilijk is.

De agressie tegenover het personeel in de gevangenis van Wortel is de afgelopen periode enorm toegenomen, in het bijzonder de fysieke agressie. De situatie op dit ogenblik is ronduit verontrustend. Steeds vaker worden cipiers geconfronteerd met gewelddadige incidenten, bedreigingen en zware verbale uitbarstingen. Dat heeft uiteraard zeer negatieve gevolgen voor de werksfeer. Daarenboven leeft het gevoel bij het personeel dat ze niet gesteund worden en dat ze er alleen voor staan.

We hadden het al over de beslissing van de magistraten om vierduizend veroordeelden versneld naar de gevangenissen terug te sturen. Die actie krijgt wel begrip van het personeel, maar de gevolgen zullen zeer zwaar zijn. Dit zal zonder twijfel leiden tot nog meer spanningen, verhoogde agressie en meer druk op het reeds zwaar onderbemande korps.

Bent u op de hoogte, mevrouw de minister, van de toenemende agressie tegenover het personeel in de gevangenis van Wortel? En dit vind ik een belangrijke vraag. Gedetineerden die zich schuldig maken aan deze feiten moeten zwaar gestraft worden, want dit is absoluut onaanvaardbaar. Kunt u mij een overzicht geven van de gevolgen die er werden en zullen worden gegeven aan deze verschillende vormen van agressie in de gevangenis van Wortel? In hoeveel gevallen werden er gedetineerden vervolgd voor deze feiten en ook daadwerkelijk bijkomend gestraft?

Nogmaals, mevrouw de minister, cipiers moeten in veilige omstandigheden kunnen werken. Wat gaat u specifiek doen voor het personeel in Wortel om hen te beschermen en de veiligheid te waarborgen?

Annelies Verlinden:

Ik deel uiteraard de bezorgdheid over de toenemende agressie ten aanzien van het personeel in de Belgische gevangenissen. Helaas geldt dat immers niet alleen voor die van Wortel.

De toename kent verschillende oorzaken. Vooreerst is er het hoge aantal gedetineerden en het aantal gedetineerden met een psychiatrische of psychische problematiek. Een op drie gevallen van ernstige agressie wordt veroorzaakt door geïnterneerden. Daarnaast is het gebruik van drugs, in het bijzonder designerdrugs, een bijkomende aanleiding. Ten slotte valt uiteraard ook niet te ontkennen dat de overbevolking een rol speelt.

Onze penitentiaire beambten moeten hun werk kunnen uitvoeren in veilige en respectvolle omstandigheden. Uiteraard is elk incident er één te veel. Het is absoluut onaanvaardbaar dat onze penitentiaire beambten het voorwerp worden van fysiek of verbaal geweld.

Wat betreft de gevolgen voor de daders en uw vragen daaromtrent, kan ik u toelichten dat wanneer er sprake is van agressie, een tuchtprocedure wordt opgestart. De gevangenisdirecteur beslist dan conform de basiswet over de gepaste tuchtsanctie. Indien het gaat om strafbare feiten, worden deze steeds gemeld aan het parket voor een eventuele strafrechtelijke vervolging. De administratie beschikt vandaag niet over een centraal overzicht van de effectieve vervolgingen of bijkomende straffen.

Wat de maatregelen ter bescherming van het personeel betreft, krijgen de penitentiaire personeelsleden voorafgaand aan hun indiensttreding een opleiding met daarin specifieke modules over het omgaan met agressie, herkenning van conflictsituaties, de-escalerend werken, omgaan met psychisch gestoord gedrag, maar ook communicatietechnieken voor crisissituaties.

Bij ernstige incidenten wordt de procedure 'kritiek incident' toegepast die zich richt op de concrete afhandeling, maar ook de communicatie. Na afloop volgt een analyse op basis waarvan zowel lokaal als nationaal verbetervoorstellen kunnen worden geformuleerd. Daarnaast wordt bij elk incident het lokaal opvangteam geactiveerd voor ondersteuning en emotionele bijstand. Die eerste opvang door eigen collega's heeft een zeer positief effect op het slachtoffer, maar ook op de verwerking en het kunnen plaatsen van een incident. Daarnaast kunnen medewerkers altijd een beroep doen op het aanbod van POBOS, een externe organisatie voor psychologische begeleiding.

Dat is echter kennelijk allemaal niet voldoende. Daarom willen we investeren in meer veiligheid. Zo implementeren we het project 'installatie van een geweldloze cultuur' in de gevangenissen, dat zowel gericht is op agressiebegeleiding voor gedetineerden als het aanrijken van handvaten en coaching van personeel om met agressie om te gaan. Dat project zal starten in Wortel. We willen ook streven naar een beter beheer van gedetineerden en geïnterneerden die agressief gedrag stellen, door zowel te zorgen voor een betere spreiding van de gedetineerden alsook een tijdelijke plaatsing in een specifiek daarop gerichte time-outafdeling.

We starten met de inrichting van beveiligde cellen, zodat medewerkers op een veilige manier in interactie kunnen treden met gedetineerden en geïnterneerden die agressief gedrag stellen. Voor de opsporing van drugs via DrugDetect hebben we 20 toestellen aangekocht, maar ook drugtesten voor niet-therapeutische doeleinden zijn belangrijk.

Ook de problematiek van het overgooien en binnensmokkelen is een aandachtspunt. Daarvoor werken we samen met de politie en de private sector en onderzoeken we nieuwe technologieën om onze perimeter te beveiligen. Ik wil nogmaals onderstrepen dat de personeelsleden er niet alleen voorstaan. We nemen de signalen bijzonder ernstig en zullen alles in het werk stellen om hun veiligheid te garanderen.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord. U hebt hoofdzakelijk een algemeen antwoord gegeven betreffende alle gevangenissen, waar jammer genoeg wordt vastgesteld dat agressie almaar toeneemt. Blijkbaar is die agressie, volgens de signalen die ik heb gekregen, op dit ogenblik specifiek in de gevangenis van Wortel aanzienlijk gestegen. In tegenstelling tot andere gevangenissen, zoals die in de Begijnenstraat in Antwerpen, is in de gevangenis van Wortel niet zoveel sprake van bijvoorbeeld overbevolking. Ik zou u toch willen vragen, mevrouw de minister, om zeer specifiek naar die gevangenis eens te gaan kijken en daarover informatie te verzamelen om na te gaan op welke manier de cipiers er kunnen worden ondersteund en meer bescherming kunnen krijgen. Werken in veiligheid moet toch absoluut gewaarborgd worden. Ik heb nog één bedenking betreffende mijn tweede vraag. Ik had gevraagd wat er met gedetineerden gebeurt die zich schuldig hebben gemaakt aan dergelijke feiten. Ik betreur dat u in uw antwoord stelt dat ze 'eventueel' strafrechtelijk vervolgd zullen worden. Welnu, mevrouw de minister, de verschillende parketten zouden een heel duidelijk signaal moeten geven dat dat absoluut onaanvaardbaar is in onze gevangenissen. De cipiers verdienen een betere bescherming. Als ze het slachtoffer zijn van agressie, van welke aard ook, dan moet dat worden vervolgd. Die gedetineerden moeten extra gesanctioneerd worden.

De dreiging van een aantal takeldiensten om snelwegen te blokkeren
De aangekondigde acties van de takeldiensten die voor Justitie werken
Stakingen en blokkades door takeldiensten bij justitie en op snelwegen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 23 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Justitie kampt met chronische betalingsachterstand (tot 50.000 euro per factuur) bij takeldiensten, slotenmakers, tolken en andere essentiële dienstverleners, wat leidt tot dreigende acties (zoals inbeslaggenomen wagens gebruiken) en demotivatie bij speurders die zelf kosten voorschieten. Minister Verlinden belooft prioritaire afhandeling via extra leidinggevenden in Limburg/Leuven, geautomatiseerde factuurverwerking en overleg met beroepsverenigingen, maar concrete bedragen en tijdlijnen ontbreken—eerdere betalingsplannen bleven immers onuitgevoerd. De dringendheid wordt benadrukt: vertragingen hinderen gerechtelijke operaties (bv. wegslepen drugswagens) en ondermijnen Justitie’s voorbeeldrol. Snelle oplossingen en transparantie over openstaande schulden blijven cruciaal, maar worden nog niet geleverd.

Alain Yzermans:

We hebben de vraag al verschillende keren gehoord, telkens in het kader van achterstallige facturen en betalingen door Justitie. Het is een belangrijk probleem.

Takeldiensten vervullen een essentiële taak, meestal voor gerechtelijke diensten of voor de politie. Wanneer auto's in beslag worden genomen, is het belangrijk dat die ondersteunende dienst zijn werk behoorlijk kan uitvoeren. Daarnaast is er ook het principe van loon naar werken, terwijl de betrokkenen, zoals ik onlangs nog hoorde, soms facturen tot wel 50.000 euro open hebben staan.

Het is belangrijk dat deze mensen gemotiveerd blijven om het werk te blijven doen. Het gaat niet alleen over takeldiensten, maar ook over slotenmakers, experts, tolken en zelfs taxichauffeurs. Iedereen wacht op zijn geld binnen Justitie en dat is een oud zeer, het is vandaag verschillende keren gezegd.

We moeten goed nadenken hoe we dit degelijk kunnen aanpakken. Ik hoor dat speurders gedemotiveerd raken omdat zij een aantal zaken met eigen middelen moeten betalen. Als ze bijvoorbeeld met de deurwaarder langs moeten gaan bij arrestanten en de slotenmaker weigert te komen, dan moeten ze de deur zelf intrappen. Dat zijn toestanden die wij ons niet kunnen indenken. Hier moet grondig werk van worden gemaakt, maar de aankondigingen op dat vlak zijn in elk geval hoopvol.

Wat zult u doen om een escalatie tegen te gaan? Wordt er overlegd met de betrokkenen in Limburg om ervoor te zorgen dat hun actie niet plaatsvindt? Er wordt zelfs gedreigd om in beslag genomen wagens te gebruiken voor de acties. Zoiets lijkt mij ondenkbaar.

Nu is het wachten op nieuw opgeleid personeel, waarbij dossiers zouden worden overgeheveld naar andere medewerkers. Hoever staat dat proces? Is er al een ritme van afbetaling op dat terrein?

Tot slot een heel specifieke vraag: wat is het openstaande bedrag precies? Ik heb het vandaag gelezen in de media, maar ik wil het nog even bevestigd zien. Om hoeveel openstaande facturen gaat het in totaal voor deze diensten?

Marijke Dillen:

Ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn ingediende vraag.

De takeldiensten die voor Justitie opdrachten uitvoeren trekken opnieuw aan de alarmbel en kondigen acties aan omwille van de almaar oplopende onbetaalde facturen die maar niet worden betaald. Het gaat om omvangrijke kostenstaten.

De minister had een betalingsplan aangekondigd om de achterstand weg te werken maar dit wordt blijkbaar niet uitgevoerd. Justitie zou nochtans een voorbeeldfunctie moeten hebben en facturen die worden uitgeschreven voor opdrachten die deze diensten uitvoeren moeten binnen een redelijke termijn worden betaald. Deze diensten staan immers letterlijk dag en nacht ter beschikking van Justitie voor opdrachten die vaak bij hoogdringendheid moeten worden uitgevoerd. Denken we bijvoorbeeld aan een luxewagen van een drugscrimineel die de speurders weten staan en die snel dient te worden weggesleept of het voertuig is verdwenen.

Het is dan ook terecht dat ze snelle oplossingen eisen en niet langer bereid zijn te wachten op betalingen.

Welke initiatieven gaat de minister bij hoogdringendheid nemen om deze omvangrijke kostenstaten eindelijk te betalen?

Heeft er inmiddels overleg plaatsgevonden met de beroepsverenigingen van de takeldiensten om deze omvangrijke kostenstaten te optimaliseren?

Kan de minister mij een volledig overzicht geven van de openstaande facturen bij de takeldiensten met graag een opsplitsing per provincie?

Annelies Verlinden:

Collega's, we nemen, zoals ik al zei, de situatie van de takeldiensten zeer ernstig en daarom zijn meerdere acties gevraagd van de administratie om de situatie te regulariseren. In alle vestigingen van de taxatiebureaus zijn instructies gegeven om de dossiers van de takeldiensten met voorrang te verwerken. In een aantal arrondissementen zijn al contacten en afspraken gemaakt met de diensten van het parket om de afhandeling van die dossiers te optimaliseren.

Vooral in de vestigingen in Limburg en Leuven werden specifieke problemen vastgesteld, waardoor nu verschillende acties bij zowel politie als Justitie moeten worden ondernomen voordat bepaalde facturen kunnen worden betaald. Wegens een gebrek aan leidinggevenden in de vestigingen van Limburg en Leuven hebben wij een leidinggevende van een ander taxatiebureau belast met het toezicht op en de coördinatie van de afhandeling van de dossiers van de takeldiensten voor die vestigingen. Die leidinggevende is verantwoordelijk voor het in kaart brengen van de situatie en zorgt er ook voor dat de dossiers snel en efficiënt kunnen worden verwerkt.

Bovendien wordt intensief overleg gepleegd tussen de FOD Justitie, de gerechtelijke autoriteiten en het COIV om de knelpunten op te helderen en procedures te herzien die de tussenkomst van takeldiensten op verzoek van de gerechtelijke autoriteiten vereisen. Om de ontvangst en verwerking van facturen van takeldiensten te vergemakkelijken, wordt in overleg met de beroepsvereniging een procedure voor het geautomatiseerd versturen van facturen van takeldiensten onderzocht.

Wat betreft uw vragen met betrekking tot het aantal openstaande kostenstaten, heb ik heel wat informatie. Ik kan u ook een schriftelijk antwoord bezorgen. Ik heb voor de verschillende dossiers de kostenstaten, de openstaande kostenstaten en een overzicht van de dossiers. Ik kan u die info nu meegeven.

Alain Yzermans:

Misschien kunt u het totale bedrag vermelden?

Annelies Verlinden:

Nee, dat heb ik niet.

We zullen u de info per mail bezorgen. Voor de tolken zijn al die cijfers, al die dossiers, misschien nogal moeilijk.

Alain Yzermans:

Dank u wel.

Marijke Dillen:

Dank u voor uw antwoord, mevrouw de minister. U hebt nu aangekondigd dat er op korte termijn initiatieven komen om de achterstallige facturen te betalen. In het verleden was er al een betalingsplan aangekondigd om de achterstand weg te werken, maar dat werd niet uitgevoerd. De openstaande facturen van de takeldiensten zijn niet alleen een Limburgs probleem, collega Yzermans, want het doet zich voor in verschillende gerechtelijke arrondissementen. Ik wil nogmaals het belang van hun functie beklemtonen. Zelfs ’s nachts worden zij opgetrommeld voor dringende opdrachten, bijvoorbeeld om een mooie luxewagen van een drugscrimineel die men op het spoor is of die men aan het ondervragen is, op te halen. Als dat voertuig niet snel wordt weggesleept, zal het heel vlug verdwenen zijn, en dat mag niet de bedoeling zijn. U kunt dus respect aan de dag leggen voor die mensen door snel hun facturen te betalen.

De klachten van FIDEX over de verslechterende toegang tot de gevangenis van Haren

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 23 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Verlinden bevestigt de ernstige toegangsklachten van Fidex in gevangenis Haren (door overbevolking en logistieke problemen) en onderzoekt oplossingen met de lokale directie. Om herintegratie en overbevolking aan te pakken, zet ze in op extra detentiebegeleiders, reclasseringsprojecten (bv. Fenixafdeling voor zedendelinquenten), drugsvrije afdelingen, gevangenisarbeid gekoppeld aan opleidingen, en betere psychosociale zorg en samenwerking met gefedereerde entiteiten om wachtlijsten te verkorten. Doorstroomverbetering (vlottere voorwaardelijke invrijheidstelling, versterkte justitieassistentie) en capaciteitsdrukverlichting zijn cruciaal, maar vereisen gezamenlijke verantwoordelijkheid van alle betrokken overheden. Kernpunt: systeemwijzigingen om detentie menswaardiger *en* maatschappelijk veiliger te maken.

Alain Yzermans:

Mijnheer de voorzitter, ik verwijs naar de schriftelijke voorbereiding van mijn vraag.

In Brussel luidt de Fidex, de federatie van organisaties die zich inzetten voor gedetineerden en ex-gedetineerden, de alarmbel over de verslechterende toegang tot gevangenissen, met name in de gevangenis van Haren. Ze ervaren aanzienlijke problemen bij het ontmoeten van gedetineerden, wat hun begeleiding en de herintegratieprojecten ernstig belemmert. Door een gebrek aan toegang tot bezoekruimten en interne communicatiemiddelen kunnen hulpverleners vaak niet ingrijpen wanneer dat nodig is. Regelmatig kunnen ze simpelweg de gedetineerden die zij begeleiden niet zien. Dit leidt tot onnodige vertragingen en zorgt ervoor dat gedetineerden die in aanmerking komen voor voorwaardelijke vrijlating, onterecht langer in detentie blijven. De overbevolking in de gevangenissen verergert de situatie nog verder volgens de Fidex , wat de dringende behoefte aan een heroriëntatie van het penitentiaire beleid op dit vlak benadrukt.

Vragen aan de Minister van Justitie:

1. Kent u de klachten van Fidex met betrekking tot de gevangenis van Haren? Hoe kan dit worden verbeterd?

2. Welke beleidswijzigingen overweegt u om ervoor te zorgen dat gedetineerden betere kansen krijgen op herintegratie?

3. Indien we zorgen voor betere omstandigheden en minder druk op de capaciteit, zou het leefbaarder worden voor de gedetineerden en komt er meer tijd vrij voor de begeleiders om hun werk te doen. Een correcte uitstroom via een voorwaardelijke invrijheidstelling die volgens planning verloopt, leidt ook tot minder extra druk op de overbevolking. Hoe kan dit worden aangepakt?

Annelies Verlinden:

Mijnheer Yzermans, mijn administratie nam inderdaad kennis van de signalen die de federatie FIDEX over de situatie in de gevangenis van Haren gaf. De melding over de moeilijke toegang tot gedetineerden voor externe hulpverleners nemen wij ernstig. Er wordt momenteel in overleg met de lokale directie bekeken hoe wij het probleem kunnen aanpakken.

Zoals u terecht opmerkt, heeft de overbevolking een negatieve impact op de dagelijkse werking van onze penitentiaire instellingen. Ze legt daarmee een immense druk op het personeel, op de infrastructuur, alsook op het aanbod van hulp- en dienstverlening binnen de gevangenissen. Daardoor komt ook de begeleiding in het kader van de reclassering en de voorbereiding op een eventuele voorwaardelijke invrijheidstelling onder druk te staan.

Om die reden heb ik van bij mijn aantreden gewerkt aan maatregelen met het oog op een correcte strafuitvoering en het wegwerken van de overbevolking en heb ik gezocht naar bijkomende middelen.

U vroeg hoe we ervoor zullen zorgen dat gedetineerden betere kansen op herintegratie krijgen. Voor het antwoord verwijs ik graag naar de initiatieven die reeds werden genomen om de overbevolking aan te pakken. Bovendien zullen wij ook meer oog hebben voor de zorg voor gedetineerden en hun re-integratie. Immers, een goed uitgewerkt reclasseringsplan moet altijd het einddoel zijn en houdt onze samenleving veiliger.

Werken aan re-integratie is een fundamenteel onderdeel van het penitentiaire traject. Dat doen we door het inzetten van detentiebegeleiders in de verschillende gevangenissen, door het op het getouw zetten van projecten zoals de Fenixafdeling voor zedendelinquenten in Dendermonde Hulp, en door te investeren in drugsvrije afdelingen en begeleidingsprogramma’s, forensische detentiecentra en betere psychologische en medische zorg. Wij zullen bovendien de gevangenisarbeid versterken en koppelen aan opleidingen voor knelpuntberoepen, zodat gedetineerden meer kansen krijgen op werk na hun straf.

Wij streven, tot slot, naar een betere door- en uitstroom, onder meer door de versterking van de psychosociale diensten en een vlottere inzet van justitieassistenten, ook tijdens de detentie, in nauwe samenwerking met de gefedereerde entiteiten. Immers, de hulp- en dienstverlening binnen de gevangenissen is de verantwoordelijkheid van de gefedereerde entiteiten, maar die is niet altijd afgestemd op de omvang en de behoeften van de gevangenispopulatie. De wachtlijsten worden trouwens alsmaar langer. Het is dus belangrijk dat wij de uitdagingen in partnerschap aangaan en dat elke partner zijn verantwoordelijkheid neemt.

Alain Yzermans:

Ik dank u voor het antwoord.

Het niet naleven van een beslissing van de beroepscommissie van de gevangenis van Haren

Gesteld door

lijst: VB Marijke Dillen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 23 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Een gedetineerde in de gevangenis van Haren werd ondanks politiële vertrouwelijke veiligheidsinformatie (door de directie als risicovol beoordeeld) door de Franstalige beroepscommissie en later de Brusselse rechtbank gedwongen overgeplaatst naar een normaal regime, onder dreiging van een dwangsom van €5.000/dag—wat inmiddels is uitgevoerd. Minister Verlinden bevestigde dat de gevangenisleiding nieuwe veiligheidsmaatregelen trof om de overplaatsing tegen te houden, maar de rechter handhaafde zijn besluit, ondanks aanhoudende veiligheidszorgen. Marijke Dillen noemde de rechterlijke tussenkomst op zondag (in kortgeding, thuis bij de voorzitter) "bizar" en betwistte de bewijsweging, benadrukkend dat vertrouwelijke politie-inlichtingen zwaarder zouden moeten wegen dan procedurele formaliteiten. De gedetineerde zit nu in een regulier regime binnen de meest gesloten afdeling, maar de spanning tussen justitiële autonomie en veiligheidsbelangen blijft onopgelost.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, de Staat is vorige zondag door de Brusselse rechtbank veroordeeld om een beslissing van de beroepscommissie van de gevangenis van Haren onmiddellijk uit te voeren op straffe van een dwangsom van 5.000 euro per dag. De beroepscommissie van de gevangenis van Haren had op vrijdag 18 april de directie van de instelling bevolen om een gedetineerde over te plaatsen van een bijzonder veiligheidsregime naar een normaal regime. Maar de gevangenisdirectie had hieraan geen onmiddellijk gevolg gegeven, waarop de advocaten van de betrokken gedetineerden naar de burgerlijke rechtbank van Brussel trokken in kortgeding en die heeft de Staat veroordeeld.

Kunt u meer toelichting geven over deze veroordeling? Waarom was de betrokken gedetineerde in een bijzonder veiligheidsregime geplaatst? Ik ga ervan uit dat daarvoor goede redenen waren. Werd de beslissing van de Brusselse rechtbank inmiddels uitgevoerd?

Annelies Verlinden:

De betrokken gedetineerde was onder een bijzonder individueel veiligheidsregime geplaatst op basis van vertrouwelijke informatie van de politie.

Afgelopen vrijdag heeft de Franstalige beroepscommissie deze plaatsingsbeslissing vernietigd en zij oordeelde dat deze informatie onvoldoende bewijs leverde voor het feit dat de gedetineerde een bedreiging vormde voor de veiligheid. Nadat de beroepscommissie het besluit om de gedetineerde onder een bijzonder regime te plaatsen nietig had verklaard, besloot de penitentiaire administratie nieuwe speciale veiligheidsmaatregelen op te leggen om te voorkomen dat de betrokkene zou terugkeren naar het normale detentieregime. De directie oordeelde dat er nog steeds een bezorgdheid bestond over de bedreiging, aangezien zij alle beschikbare bewijsstukken daartoe in overweging genomen had.

Afgelopen zondag heeft de raadsman een eenzijdig verzoekschrift ingediend bij de voorzitter van de Franstalige rechtbank van eerste aanleg. De Belgische Staat werd gelast om onmiddellijk alle maatregelen tegen de betrokkene te staken en hem onder het gewone regime te plaatsen op straffe van een dwangsom. Sindsdien is het bevel van de voorzitter van eerste aanleg uitgevoerd en is de betrokken gedetineerde teruggekeerd naar een regulier detentieregime in de meest gesloten afdeling van de gevangenis van Haren.

Marijke Dillen:

Dank u, mevrouw de minister, voor uw antwoord. Ik blijf erbij dat dat toch wel een bijzonder merkwaardige beslissing is van de Franstalige voorzitter van de rechtbank. Volgens de beroepscommissie zou er onvoldoende bewijs zijn, maar ik ga er toch wel van uit dat die beslissing door de gevangenisdirectie niet lichtzinnig is genomen. U spreekt van vertrouwelijke informatie van de politie. Er waren ernstige bezorgdheden omtrent de veiligheid. Ik vind het bijzonder, bijzonder bizar en ik vermoed dat u het met mij eens bent, maar u gaat dat niet toegeven. Als minister is het veel moeilijker om dat toe te geven. Ik begrijp absoluut niet dat een voorzitter in kortgeding op zondag die mensen bij hem thuis kan ontvangen, die advocaat bij hem thuis kan ontvangen. Juridisch is dat correct, maar ik begrijp niet dat op die eis van de gedetineerde is ingegaan. Het gaat over iemand die een veiligheidsrisico vertegenwoordigt en die hoort dan ook thuis in het bijzonder veiligheidsregime.

De verdere uitbouw van de zorgcentra na seksueel geweld
De oprichting van een ZSG in Picardisch Wallonië
Het hr-beleid en de arbeidsomstandigheden bij de ZSG's
De financiering van de ZSG's
De infrastructuur van de ZSG's
De zichtbaarheid van de ZSG's
Ontwikkeling, beleid en financiering van zorgcentra na seksueel geweld (ZSG's)

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 22 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De Zorgcentra na Seksueel Geweld (ZSG/CPVS) worden structureel verankerd via de wet van april 2024, met 13 centra (1 per gerechtelijk arrondissement) die vanaf 1 januari 2026 onder RIZIV-beheer vallen, gefinancierd met 26,4 miljoen euro (waarvan 11,7 miljoen uit het *Fonds Blouses Blanches*). De selectieprocedure voor nieuwe centra (o.a. Bergen, Waals-Brabant, Halle-Vilvoorde) start in 2025, met locaties afhankelijk van ziekenhuiskandidaturen—geen garantie voor Tournai (CHwapi) zonder openbare oproep. Evaluaties van de bewustmakingscampagne (2023) en impact op aanmeldingen worden doorverwezen naar minister Beenders (Gelijke Kansen), evenals verdere communicatieplannen. Vertragingen in uitrol wijt men aan administratieve voorbereiding (conventies, Koninklijke Besluiten) en personeelsoptimalisatie op basis van slachtofferaantallen.

Irina De Knop:

De strijd tegen seksueel geweld blijft een prioriteit. Daarom werd besloten om centra op te richten waarin multidisciplinaire zorg aan slachtoffers van seksueel geweld en advies aan hun steunfiguren wordt geboden onder één dak door een speciaal daartoe opgeleid team. In 2017 werden de eerste drie Zorgcentra na Seksueel Geweld (ZSG) geopend. Sindsdien werden er nog zeven andere ingehuldigd, het voorlopig laatste in Aarlen op 8 november 2023.

Om deze ZSG bekend te maken bij zowel het brede publiek als de slachtoffers werd in november 2023 een brede informatiecampagne op gang getrokken.

Het werk is nog niet af. Want in de federale begroting 2024 werden er drie nieuwe centra in Bergen, Waals-Brabant en Halle-Vilvoorde opgenomen. Het was immers de bedoeling ervoor te zorgen dat elk slachtoffer een ZSG kan vinden op minder dan een uur rijden van de woning.

In antwoord op eerdere samengevoegde vragen (nrs. 56000976C, 560000982C), in de commissie van 18 december jl. wees de voormalige staatssecretaris erop dat op 1 januari 2025 de ZSG-wet in werking zou treden. Deze wet maakt het RIZIV bevoegd voor de selectie van de ziekenhuizen, zowel voor de arrondissementen waar reeds een ZSG is, als voor de drie arrondissementen waar nog een ZSG moet worden geopend. Het RIZIV en het instituut werken nauw samen om een inwerkingtreding in 2026 voor te bereiden.

Mijn vragen aan de minister:

1) Wat is de impact geweest van de informatiecampagne om de ZSG bekend te maken bij het brede publiek en de slachtoffers?

Werd deze campagne geëvalueerd? Welke waren de conclusies?

2) Heeft deze campagne aantoonbaar effect gehad op het aantal aanmeldingen in 2024?

3) Worden er nog nieuwe initiatieven genomen om de ZSG bekend te maken?

4) Kan de minister een stand van zaken, een timing en een uitleg over de oorzaken van de vertraging geven van de verdere uitbouw van de geplande ZSG in Waals-Brabant, Halle-Vilvoorde en Bergen?

5) Waar in Waals-Brabant en Halle-Vilvoorde zal het geplande ZSG worden geopend?

Op basis van welke criteria werden of worden die vestigingsplaatsen bepaald?

6) De begroting 2025 zoals vastgelegd door de ministerraad op 28 februari jl., voorziet in 17,5 miljoen euro voor zorgcentra na seksueel geweld.

Zit in dat bedrag ook de financiering voor de nog op te richten centra of zal dat bedrag maar worden voorzien in de ZIV-begroting 2026?

Zo neen, welk bedrag zal worden voorzien in 2026?

Ludivine Dedonder:

Monsieur le ministre, les Centres de Prise en charge des Violences Sexuelles (CPVS), désormais consacrés par la loi du 18 avril 2024, constituent un dispositif essentiel dans l'accompagnement des victimes. Ils assurent une prise en charge pluridisciplinaire, humaine et rapide.

Aujourd'hui, une victime de violences sexuelles dans la région de Tournai doit encore être accompagnée jusqu'au CPVS de Charleroi. Cette situation allonge considérablement les délais de prise en charge et mobilise les services de police locale pour des trajets parfois longs, et ce, dans un moment de détresse – ne l'oublions pas – pour la victime.

Il m'a été rapporté que le Centre Hospitalier de Wallonie Picarde (CHwapi) aurait remis une candidature dans le cadre de l'extension du réseau CPVS.

Monsieur le ministre, pouvez-vous confirmer que le CHwapi a bien remis un dossier de candidature pour l'ouverture d'un CPVS à Tournai?

Quel est le calendrier prévu pour la sélection des hôpitaux candidats à l'ouverture des trois nouveaux CPVS annoncés pour 2026?

Quels critères objectifs seront-ils retenus par l'INAMI pour sélectionner les établissements hospitaliers? Une attention particulière sera-t-elle portée à la couverture géographique actuelle du réseau afin d'éviter des zones blanches, comme c'est le cas aujourd'hui à Tournai?

Enfin, pouvez-vous nous assurer que les CPVS existants ne devront pas réintroduire une candidature complète, mais qu'une transition souple vers la nouvelle gouvernance INAMI sera assurée, afin de préserver leur stabilité et la continuité de l'accueil des victimes?

La présidente : Monsieur le ministre, Mme Meunier étant absente, je vous cède la parole.

Frank Vandenbroucke:

(…) ont été intégrés structurellement dans notre politique via la loi du 26 avril 2024 relative aux CPVS. Cette loi énonce que le Comité de l'assurance de l'INAMI doit conclure une convention avec l'hôpital qui souhaite devenir partenaire du CPVS. Cette loi est entrée en vigueur le 1 er janvier de cette année, mais, étant donné le temps limité dont disposait l'INAMI pour effectuer le transfert de connaissances, ainsi que la rédaction de la convention et des arrêtés royaux associés, la conclusion de la convention avec l'INAMI a été reportée au 1 er janvier 2026 via un arrêté royal du 16 janvier 2025.

Au cours de cette année, 13 conventions INAMI seront conclues dans ce cadre avec une date de début fixée au 1 er janvier 2026. Le contenu des arrêtés royaux et de la convention est en cours d'élaboration.

Concernant les ressources humaines, par l'intermédiaire de l'Institut pour l’égalité des femmes et des hommes (IEFH) nous avons appris que plusieurs CPVS ont demandé une évaluation de la gestion du personnel. L'INAMI a pris en compte ces demandes dans les travaux préparatoires et s'efforcera d'y répondre. Il sera tenté d'optimiser le financement du personnel en tenant davantage compte du nombre de victimes que chaque CPVS recevra. En outre, des sessions d'intervision et de supervision, ainsi que des formations continueront d'être proposées pour améliorer la résilience et le bien-être du personnel. L'INAMI est actuellement en train de structurer le financement, dont une grande partie sera consacrée aux coûts de personnel.

Nous devons veiller à ce que les victimes de violences sexuelles puissent à tout moment se rendre dans les CPVS et recevoir un soutien et des soins de santé de qualité. Ce n'est possible que si le personnel est motivé et se sent suffisamment fort pour accueillir les victimes. La formation du personnel des CPVS est assurée par l'IEFH. Si vous avez des questions supplémentaires concernant le contenu et le développement de ces formations, je vous recommande de contacter le membre du gouvernement chargé de l'Égalité des chances, M. Rob Beenders.

J'en viens aux questions sur le financement. En effet, chaque victime mérite une prise en charge complète, rapide et de qualité. Comme déjà mentionné dans le cadre du futur financement par l'INAMI, le financement sera davantage lié au nombre de victimes que chaque CPVS recevra. De cette manière, nous espérons que le financement pourra suivre suffisamment l'évolution du nombre de patients par CPVS. Un financement structurel a été prévu, par la loi, via un transfert de 11,7 millions d'euros provenant du Fonds blouses blanches. En outre, un budget d'environ 8,9 millions d'euros sera transféré à l'INAMI par l'IEFH. Il s'agit d'une dotation de fonds que l'Institut utilise actuellement pour financer la structure CPVS dans les hôpitaux. Cela n'a pas encore été prévu dans le budget, car le transfert de fonds n'aura lieu qu'à partir de 2026. Enfin, il est également prévu que les coûts éventuels découlant de la création de centres supplémentaires soient couverts de manière exogène. à cet effet, un financement supplémentaire de 5,8 millions d'euros est prévu. Au total, 26,4 millions d'euros sont actuellement prévus pour financer 13 sections opérationnelles de CPVS dans les hôpitaux via cette convention avec l'INAMI.

Er zullen dus 13 overeenkomsten worden gesloten met startdatum 1 januari. Ze zullen worden geselecteerd in de parketten van de volgende procureurs des Konings: Antwerpen, Waals-Brabant, Brussel, Charleroi, West-Vlaanderen, Oost-Vlaanderen, Halle-Vilvoorde, Luik, Limburg, Leuven, Luxemburg, Bergen en Namen. Er zal dus 1 zorgcentrum per parket worden gekozen. Het RIZIV heeft de selectieprocedure nog niet vastgesteld. Ze zal in de loop van 2025 worden aangekondigd.

Het is onmogelijk om nu aan te geven waar de zorgcentra in Waals-Brabant, Halle-Vilvoorde of Bergen zich zullen bevinden, vermits de oproep tot kandidaatstelling open is voor alle ziekenhuizen die aan de voorwaarden voldoen. De selectiecriteria zijn dus nog niet vastgesteld, maar we zullen die in de loop van de volgende maanden, samen met de procedure, aankondigen.

Madame Dedonder, en ce qui concerne votre question concernant un CPVS à Tournai, étant donné que l’appel à candidatures n’a pas encore été publié, l'INAMI n'a pas encore reçu le dossier du CHwapi pour sa candidature à un CPVS à Tournai. L'appel sera lancé dans chacun des parquets mentionnés ci-dessus. Il est donc impossible de prédire où le CPVS ouvrira dans le parquet de Mons. Cela dépend entièrement des candidatures des hôpitaux de parquet.

Étant donné que la gestion des CPVS est transférée de l'Institut pour l'égalité des femmes et des hommes à l'INAMI, un appel à candidatures sera également lancé dans les parquets où un CPVS est déjà établi. Les hôpitaux qui exploitent actuellement un CPVS sont bien entendu libres de soumettre à nouveau leur candidature à l'INAMI. De cette manière, 13 accords seront conclus entre 13 hôpitaux et l'INAMI, avec une date de début au 1 er janvier.

En ce qui concerne la question des études et évaluations déjà réalisées à ce sujet, je vous recommande de poser cette question au membre du gouvernement chargé de l'Égalité des chances, M. Beenders.

S'agissant des infrastructures, l'INAMI collabore étroitement avec l'Institut pour l'égalité des femmes et des hommes (IEFH) pour façonner le futur financement de l'INAMI. L'IEFH partage les expériences des CPVS actuels et a déjà soumis à l'INAMI des propositions d'amélioration du financement basées sur les expériences.

L'IEFH a attiré l'attention de l'INAMI sur le fait que certains CPVS ont effectivement signalé que le financement des infrastructures pouvait être amélioré. L'INAMI examine actuellement comment cela peut être ajusté en tenant compte de l'expérience acquise jusqu'à présent.

Les modalités et le contenu du financement des infrastructures n'ont pas encore été établis dans le cadre de la convention.

Sur la visibilité des CPVS, il est important et essentiel que les victimes trouvent leur chemin vers les CPVS. Cela peut se faire d'une part en faisant connaître au grand public la fonction des CPVS et d'autre part en sensibilisant suffisamment les acteurs locaux et les partenaires du réseau de collaboration. L'IEFH a déjà lancé des campagnes à cet effet. Elle gère la convention pour le réseau de collaboration et continuera à le faire à l'avenir.

Wat betreft de vragen van mevrouw De Knop over de campagne en de nieuwe initiatieven om de zorgcentra bekend te maken, die zijn inderdaad belangrijk, maar ik verwijs u ook daarvoor graag naar mijn collega Beenders.

Ludivine Dedonder:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses. Je n'ai pas entendu de réponse précise quant à l'appel. Vous me confirmez qu'il va être lancé tout prochainement. Je reviendrai donc vous interroger à ce sujet. La présidente : La question n° 56003506C de Mme Petra De Sutter est reportée à sa demande.

De voorgestelde besparingen op de sociale zekerheid voor de financiering van de defensieuitgaven

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 10 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sarah Schlitz kritiseert het plan om 4 miljard uit sociale zekerheid en gezondheidszorg te halen voor herbewapening, terwijl de sector al onder druk staat en pensioenen/kwaliteit zorg erop achteruitgaan. Minister Vandenbroucke benadrukt dat verdediging nodig is, maar bevestigt dat de sociale zekerheid (kern van de democratie) *niet* mag worden uitgekleed voor wapenaankopen, en pleit voor *parallelle investeringen* in beide domeinen. Schlitz stelt voor om eerst efficiënter te besteden (Europese samenwerking, geen F-35’s) en belastingen op vermogen/kapitaal in te voeren (tot 6 miljard opbrengst) in plaats van "altijd dezelfde" te laten opdraaien. Kernpunt: conflict tussen defensie-urgentie en behoud welvaartsstaat, met tegenstrijdige financiële prioriteiten.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, on nage en plein délire. Hier soir, nous avons entendu Theo Francken expliquer tranquillement qu'il suffirait d'aller chercher l'argent dans les caisses de la sécurité sociale et des soins de santé pour financer le réarmement de la Belgique. Eh bien, c'est vraiment une super idée! Alors que votre gouvernement va déjà chercher deux milliards dans les soins de santé, il en puiserait à présent quatre milliards. Allons-y! Pendant ce temps, les pensionnés tirent le diable par la queue; il n'y a pas moins d'obtenir un rendez-vous médical parfois avant un an; on ne parvient pas à recruter des infirmières parce que les salaires de misère proposés ne le permettent pas. Tandis qu'on n'arrête pas de dire à tout bout de champ qu'il n'y a pas d'argent, que les économies sont nécessaires, que ce sera difficile pour tout le monde, que nous allons nous mettre au régime tous ensemble, tout à coup on va chercher l'argent dans les soins de santé et la sécurité sociale.

Professeur Vandenbroucke, vous savez comme moi que la sécurité sociale n'est pas un Bancontact. Il faudrait peut-être expliquer à votre collègue Theo Francken qu'en réalité, c'est une caisse à laquelle les Belges contribuent pour pallier les risques de la vie. Par exemple, les travailleurs et travailleuses de Cora qui vont perdre leur boulot vont pouvoir percevoir un revenu de remplacement grâce à la sécurité sociale et donc pouvoir continuer à rembourser leur emprunt, à payer leur loyer et ne pas se retrouver sans logement. C'est à cela que sert la sécurité sociale, et non à acheter des F-35 américains pour Theo Francken.

Monsieur le ministre, demain, vous en discuterez en kern. Me confirmez-vous que l'argent de la sécurité sociale et des soins de santé va servir de variable d'ajustement pour financer le réarmement de la Belgique ou bien allez-vous défendre une autre position?

Frank Vandenbroucke:

Madame Schlitz, pour assurer notre sécurité, notre liberté, il faut renforcer notre défense et donc augmenter les dépenses. C'est une évidence, hélas.

Vous me connaissez, on en discute en kern, mais je n'anticipe jamais les discussions du gouvernement fédéral. Permettez-moi quand même une question. Que défendons-nous contre Poutine? Nous défendons notre démocratie, qui est politique et sociale, qui est basée intrinsèquement sur la sécurité sociale, sur des soins accessibles à tout le monde, sur des valeurs de justice. C'est ce que nous défendons. Je crois donc que la réponse est évidente. Nous n'allons tout de même pas renoncer à ce que nous défendons en démantelant notre État-providence.

Michael De Cock l'a dit dans De Standaard , avec des mots absolument justes: "Nous ne pouvons pas arrêter la course à l'armement en Europe, mais nous pouvons éviter qu'elle se fasse au détriment de ce qui nous distingue en tant qu'êtres humains". Voilà la réponse. En même temps, nous investissons et nous réformons dans le domaine de la protection sociale, pour la préserver, pour la renforcer. Pas pour l'armement.

Voilà le défi de taille de ce gouvernement dans lequel je me suis engagé.

Sarah Schlitz:

Merci, monsieur le ministre. Le contexte international nous oblige aujourd'hui à agir pour travailler à notre autonomie. C'est une évidence. Mais ce que nous devons faire en priorité, c'est mieux dépenser l'argent. On doit travailler à des économies d'échelle. Nous devons mutualiser avec les autres États européens notre matériel en vue de la défense. Aujourd'hui, il y a à travers tous les pays européens 15 modèles différents de chars. C'est complètement absurde. Et par ailleurs, nous devons aussi acheter européen. Acheter des F-35 américains n'a aucun sens. Monsieur le ministre, j'entends votre réponse et j'espère que vous arriverez à protéger notre sécurité sociale. Mais ce que je n'entends pas, c'est que vous irez chercher l'argent là où il est. Parce qu'aujourd'hui, vous allez à nouveau mettre les mêmes au régime, plutôt que d'aller chercher l'argent en mettant en place une vraie taxation des plus-values, qui peut rapporter jusqu'à deux milliards, en taxant les plus gros patrimoines, qui peuvent rapporter jusqu'à quatre milliards, ou encore en taxant un euro des revenus du capital comme un euro (...)

De door de vakbonden aan de kaak gestelde alarmerende situatie bij de Veiligheid van de Staat

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 10 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De Sûreté de l'État kampt met dysfunctionele IT (Atlas-platform) die tijdsverlies, demotivatie en informatielekken veroorzaakt, en met managementproblemen na de Remix-hervorming, terwijl menselijke inlichtingen – cruciaal tegen extremisme – naar de achtergrond verdwijnen. Minister Verlinden erkent de IT-tekortkomingen (verbeteringen lopen, extra IT’ers aangeworven) en ontkent structurele operationele falen, maar De Smet benadrukt dat het geen middelen- maar een organisatiecrisis is, met name rond terreinwerk, en eist snelle oplossingen voor vertrouwen in de dienst.

François De Smet:

Madame la ministre, que se passe-t-il donc à la Sûreté de l'État? Une lettre envoyée au Comité R par un front commun syndical jette le trouble.

D'une part, on évoque une plateforme informatique, Atlas, qui est toujours considérée comme peu fiable, parce qu'elle occasionne des pertes de temps et de motivation du personnel, et qu'elle engendre visiblement des pertes d'informations, des pertes de messages de correspondants. C’est quand même gênant, vous l'admettrez, pour un service de renseignement. D'autre part, on évoque un manque de clarté dans le fonctionnement managérial, depuis la mise en place de la fameuse réforme Remix et la mise en concurrence de plusieurs lignes hiérarchiques.

Mais ce qui m'inquiète le plus dans le contenu de cette lettre, c'est l'apparente mise au second plan du renseignement humain. La Sûreté consacrerait moins de temps et moins d'énergie au développement et au maintien des contacts qui permettent de récolter des renseignements sur le terrain. Dans la lettre, on évoque même le blocage de certains dossiers considérés comme trop sensibles.

Je comprends que l'augmentation récente du personnel et du cadre entraîne un renouveau managérial. Je comprends aussi qu'on investisse énormément, dans le monde où nous sommes, dans les nouvelles technologies. Mais nous savons tous qu'en matière de renseignement, rien ne remplacera le renseignement humain, singulièrement pour contrer des menaces extérieures, comme l'extrême gauche, l'extrême droite ou l'extrémisme religieux, qui elles-mêmes se méfient de plus en plus des nouvelles technologies.

Madame la ministre, il n'est pas courant qu'au sein d'une institution généralement discrète, par nécessité et par tradition, des travailleurs fassent entendre leurs voix pour exprimer un malaise. Je pense que cela ne concerne pas seulement le Comité R, qui est le destinataire de ce courrier. Je crois que les pouvoirs de tutelle, dont vous-même, devez également vous en saisir. Nous avons plus que jamais besoin, en ces temps troublés, d'une Sûreté de l'État qui a confiance en elle, qui a confiance en ses outils informatiques, qui a confiance en ses hommes et en ses femmes.

Madame la ministre, mes questions sont simples. Avez-vous eu connaissance de cette lettre? Quelle suite comptez-vous y donner? Avez-vous eu un contact avec la direction pour traiter les problèmes qui y sont évoqués?

Annelies Verlinden:

Cher collègue De Smet, j'ai pris connaissance des préoccupations soulevées par les syndicats auprès du Comité R. Je les ai d'ailleurs déjà rencontrés au sein de mon cabinet. La réforme IT a été menée pour différentes raisons, qui restent toujours d'actualité. Cette question a également été abordée lors des différentes réunions avec l'administratrice générale de la Sûreté de l'État.

Il est primordial qu'une organisation comme la Sûreté de l'État dispose de la flexibilité nécessaire pour s'adapter à l'évolution des enjeux sociaux et des nouvelles technologies. Il était donc urgent de mettre à jour la base de données utilisée précédemment. La Sûreté de l'État n'a jamais nié que la nouvelle base de données ne répondait pas encore aux exigences de qualité souhaitées. Cependant, je tiens à préciser que cette difficulté ne l'empêche pas de remplir ses missions.

La direction générale a pris des mesures face à ce problème, notamment en recrutant de nouveaux informaticiens et en associant activement les membres du personnel au processus d'amélioration de la base de données. Ces efforts prennent évidemment du temps et, comme beaucoup d'autres administrations, la Sûreté de l'État rencontre des difficultés pour engager du personnel qualifié en informatique.

Les adaptations liées à l'aspect proactif du travail de renseignement ainsi que les procédures et une partie de la structure sont en cours de révision. Ce travail sera achevé avant la fin de l'année. Les informations sur les turnover et les maladies de longue durée communiquées par les syndicats sont erronées. Tant avant qu'après la réforme, le nombre moyen d'absences de longue durée est resté stable.

Cher collègue, la Sûreté de l'État exerce aujourd'hui ses fonctions avec soin et professionnalisme. Les nombreux dossiers dont j'ai été informée, dont certains relayés par la presse, en témoignent. J'accorde toute ma confiance à la Sûreté de l'État et je continuerai à suivre de près son fonctionnement interne à chaque moment de concertation.

François De Smet:

Madame la ministre, je vous remercie pour votre réponse claire aux différents points du courrier. Nous sommes souvent confrontés, vous et moi, ainsi que le reste de l'opposition, à des demandes de moyens, tant de la justice et de la police que des prisons, et ce, à juste titre. En l'occurrence, ce qui me frappe dans ce courrier, c'est qu'il n'est absolument pas question d'une demande de moyens, parce que les moyens existent et ils sont octroyés. Ce personnel a l'air de nous dire qu'il ne demande pas d'argent – ce n'est pas le problème – mais qu'il a des soucis d'organisation non seulement informatiques mais aussi au niveau du renseignement de terrain, qui est la dimension sur laquelle vous n'avez peut-être pas répondu. C'est assez rare pour être souligné. Si vous dites vrai, ce malaise devrait pouvoir être dissipé rapidement. Si ce n'est pas le cas, madame la ministre, je reviendrai vers vous pour voir ce qu'il est possible de faire. On a vraiment besoin d'une Sûreté de l'État solide et qui a confiance en elle.

De overbrenging van gedetineerde illegalen naar gesloten terugkeercentra

Gesteld door

lijst: VB Marijke Dillen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 10 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Verlinden bevestigt dat 4.000 illegale gedetineerden de structurele overbevolking in Belgische gevangenissen (13.000 vs. 11.000 plaatsen) verergeren en benadrukt versnelde terugzending als oplossing, via bestaande samenwerking met DVZ, justitie en politie (nu ~120/mnd). Dillen (Vlaams Belang) wijst media-aankondigingen over doorschuiven naar gesloten centra af als populistisch en onhaalbaar (DVZ ontkent capaciteit en bevoegdheid) en eist dwingende terugkeerakkoorden met herkomstlanden, gekoppeld aan sancties zoals stopzetten ontwikkelingshulp. Kernconflict: Verlinden focust op bestaande repatriëringstrack, Dillen wil hardere diplomatieke druk en snellere uitzetting. DVZ-centra als alternatief wordt ontkend door beide partijen, maar Verlinden houdt vast aan intensivering huidige processen.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, er zitten bijna 13.000 gedetineerden in onze gevangenissen, waar er maar plaats is voor 11.000. Bijna 40 % van die gedetineerden beschikken niet over onze nationaliteit en 70 % daarvan is illegaal. We hebben daarover zowel hier als in de commissie al zeer vaak van gedachten gewisseld.

Nu komt u met een plan, althans als we de media mogen geloven. We hebben mogen lezen dat u in de strijd tegen de overbevolking van de gevangenissen de gevangenen die hier illegaal verblijven wil doorschuiven naar de gesloten terugkeercentra van de Dienst Vreemdelingenzaken. Ik stel me vragen over de haalbaarheid daarvan. U zei in de krant dat er op dit moment duidelijke afspraken worden uitgewerkt met de DVZ.

Mevrouw de minister, dat klopt niet. Dat blijkt niet waar te zijn. De DVZ is duidelijk: deze centra – die zoals u weet ook al overbevolkt zijn – zijn geen alternatief voor een gevangenis. In een gesloten centrum mag iemand alleen administratief aangehouden zijn en er verblijven met het oog op repatriëring. Die termijn is tevens beperkt tot vier maanden, zo valt te horen. Daarenboven weet u nog veel beter dan ik dat het personeel dat in die centra tewerkgesteld is niet opgeleid is om de taak van cipier op zich te nemen.

Met andere woorden, hoe vallen de kritieken van de DVZ te rijmen met uw grootse aankondigingen in de media? Mijn vraag is of dit standpunt doorgesproken werd met de bevoegde minister, minister Van Bossuyt. Zij is immers de enige bevoegde minister voor de dossiers van de gesloten opvangcentra.

Annelies Verlinden:

Collega Dillen, dankzij meer en doorgedreven onderzoeken van politie, parketten en onderzoeksrechters en rechterlijke uitspraken in dossiers van georganiseerde criminaliteit verblijven er vandaag ongeveer 4.000 personen zonder wettig verblijf in onze Belgische gevangenissen. De aanwezigheid van een dergelijke grote groep mensen zonder wettig verblijf vergroot enorm de druk op het gevangenislandschap, dat al jarenlang kampt met een structurele overbevolking. Er is plaats voor ongeveer 11.000 gedetineerden, terwijl er intussen ongeveer 13.000 gedetineerden zijn. De impact daarvan op het dagelijks leven in de gevangenis is gigantisch.

Het terugsturen van gedetineerden zonder verblijfsrecht naar hun land van herkomst is dan ook een duidelijke prioriteit van deze federale regering. Dat is niet alleen rechtvaardig, het is ook een essentiële stap om de druk op onze gevangenissen te verlichten. De samenwerking tussen de DVZ, het gevangeniswezen, justitie en politie is hiervoor cruciaal en trouwens allesbehalve nieuw.

Momenteel worden maandelijks gemiddeld 120 gedetineerden zonder recht op verblijf teruggestuurd. Dat proces loopt, maar we nemen nu de nodige stappen om dit proces nog verder te versnellen en te intensiveren, om zo nog meer gedetineerden zonder recht op verblijf te kunnen terugsturen. De samenwerking met al mijn bevoegde collega-ministers is daar onmisbaar voor. Er bestaat trouwens een taskforce.

Laat me duidelijk zijn, dit gaat niet over het zomaar doorschuiven van gevangenen naar gesloten centra, zoals sommige kranten schrijven. Het gaat wel over het gepast organiseren van een overdracht met het oog op de verwijdering van ons grondgebied, zoals dat vandaag al gebeurt. Dat we bij een toename van het aantal verwijderingen goede afspraken moeten maken met de beheerders van de gesloten centra, lijkt me evident.

Collega's, wanneer ons gevangeniswezen, en daarmee ook de hele justitiële keten, onder de kolossale druk kraakt en de gevolgen daarvan voelbaar zijn in de hele samenleving, moet iedereen zijn verantwoordelijkheid nemen, in het belang van onze gevangenismedewerkers en de gedetineerden, maar vooral ook van de veiligheid van onze samenleving. U kunt op mij rekenen om vanuit Justitie alles op alles te zetten om de veiligheid in ons land te verbeteren.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, wat u zegt is juist, illegalen horen niet thuis in onze gevangenissen. Zo heeft u vandaag nogmaals bevestigd. Het Vlaams Belang is dan ook heel blij dat u een standpunt dat wij hier al decennialang verkondigen eindelijk tot het uwe maakt. Wees dan echter consequent en doe wat u echt moet doen. Daarvoor is er maar één oplossing: stuur hen versneld terug naar hun landen van herkomst om daar hun straf te gaan uitzitten. Neem versneld initiatieven om met die landen tot afspraken te komen.

Als zij weigeren, mevrouw de minister, dan zijn daar oplossingen voor. Koppel dat bijvoorbeeld aan het afnemen van de ontwikkelingssteun. Koppel dat aan het terugschroeven van handelsverdragen. Wat u vandaag met veel tromgeroffel in de media heeft verkondigd, getuigt eigenlijk van pure populistische aankondigingen. U bent immers niet de bevoegde minister voor die sector.

De voorzitter:

Collega's, de geheime stemming waarvoor u in zaal 4 uw stem kunt uitbrengen, loopt nog een half uur. Ik wil u daar even opmerkzaam op maken.

De afschaffing van de nabijheidsbrigades in de Brusselse politiezone Zuid
De anonieme brief van agenten van de politiezone Zuid over de nabijheidsbrigades
Herstructurering politiezone Zuid brigades

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 10 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De opheffing van nabijheidsbrigades in de Brusselse politiezone Midi (Anderlecht, Forest, Sint-Gilles) door PS-burgemeesters in 2021 leidde tot een explosie van druggerelateerd geweld (70% van Brusselse schietpartijen) en verzwakte de preventieve druk op dealers, bevestigt minister Quintin. Hij benadrukt dat nabijheidspolitie cruciaal is in de strijd tegen georganiseerde criminaliteit, maar dat lokale verantwoordelijken (burgemeesters, korpschef) de beslissing moeten verantwoorden—terwijl hij fusie van Brusselse zones blijft voorstaan om schaalvoordelen en betere coördinatie te realiseren. Parlementsleden eisen een hoorzitting voor de betrokken burgemeesters en wijzen op hun tegenstrijdigheid: enerzijds verzet tegen fusie (met als argument verlies van nabijheidspolitie), anderzijds actieve afschaffing ervan.

Catherine Delcourt:

Monsieur le ministre, les brigades de police de proximité créées pour enrayer le deal de rue et les vols associés ont été supprimées par les bourgmestres PS de la zone de police Midi, qui regroupe les communes de Forest, Saint-Gilles et Anderlecht, cette dernière ayant été le théâtre de nombreuses fusillades à l'issue dramatique.

Ces brigades de proximité jouent un rôle essentiel dans la lutte contre le trafic de drogue, puisque les policiers présents dans ces quartiers exercent une pression constante destinée à déstabiliser le commerce de stupéfiants, à identifier les dealers, à confisquer la marchandise. Tout ceci pour rendre les quartiers aux citoyens et empêcher une installation pérenne de ce commerce illégal et violent aux conséquences désastreuses.

En supprimant certaines brigades de proximité au motif de certains dysfonctionnements constatés ou de pressions de collectifs, on se prive d'un outil essentiel à la lutte contre le trafic de drogue, puisqu'on diminue la présence sur le terrain et la capacité d'action préventive. Le travail de quartier, c'est la base du travail de policier. Lorsque la police n'agit plus de manière résolue face à ce phénomène sur décision des bourgmestres, ce sont les dealers qui prennent possession du territoire, avec toute la violence qui en découle.

Monsieur le ministre, je vous sais respectueux de l'autonomie communale, mais pouvez-vous néanmoins nous donner votre avis sur la situation? Existe-t-il un lien entre la suppression de ces brigades de proximité et l'explosion du nombre de fusillades sur le territoire de la zone de police Midi? Enfin, dans quelle mesure cet état de fait renforce-t-il votre volonté de fusionner les zones de police à Bruxelles?

Jeroen Bergers:

Mijnheer de minister, agenten uit de politiezone Brussel Zuid trekken via een anonieme brief aan de alarmbel over de verdwijning van de nabijheidsbrigades. Die nabijheidsbrigades pakten in burger dealers rechtstreeks aan. Zij waren inderdaad niet perfect, maar ze waren wel doeltreffend. Volgens de politieagenten die de anonieme brief stuurden, is het geen toeval dat sinds de schrapping van de nabijheidsbrigades 70 % van de schietpartijen in Brussel in hun zone plaatsvindt.

Het is enorm verontrustend dat mensen die in de frontlinie staan in de strijd tegen de georganiseerde misdaad, anoniem aan de alarmbel moeten trekken, niet uit vrees voor vergelding vanwege de drugsmaffia, maar uit vrees voor vergelding vanwege hun eigen PS-burgemeesters. De drie burgemeesters van die zone staan aan het hoofd van de politie en moeten hun verantwoordelijkheid nemen en voor hun eigen deur vegen.

Mijnheer de minister, schaalvergroting is de oplossing. Die zal zorgen voor een betere solidariteit tussen de wijken en voor meer capaciteit waar die het meeste nodig is, en zal ervoor zorgen dat wanpraktijken zoals deze niet meer mogelijk zijn. Elke dag opnieuw wordt bewezen dat een fusie van de Brusselse politiezones broodnodig en dringend is.

Mijnheer de minister, vindt u het normaal dat agenten via een anonieme brief aan de alarmbel moeten trekken, nadat ook in Anderlecht andere sectoren al anoniem aan de alarmbel trokken?

Zijn de nabijheidsbrigades essentieel in de strijd tegen de georganiseerde misdaad?

Hoe staat het met de invulling van het politiekorps in de zone Brussel Zuid ten opzichte van het theoretisch kader? Wie draagt de verantwoordelijkheid voor de correcte invulling?

Welke schaalvoordelen ziet u specifiek voor de wijken in een fusie van de Brusselse politiezones?

Bernard Quintin:

Madame et monsieur les députés, merci pour vos questions. J'ai donc bien lu l'article.

Ik heb de anonieme brief niet gekregen, maar ik ben wel op de hoogte van de situatie vanaf dag twee van mijn ambtstermijn.

Les choix qui ont été formés l'ont été par les responsables de la zone de police Bruxelles-Midi, qui sont en effet les bourgmestres et le chef de corps, lesquels ont décidé en 2021 de la suppression de ces brigades. Pour le dire très clairement, il me paraît assez évident que supprimer ce qu'on appelle dans le jargon la VIP – Very Irritating Police – n'a certainement pas contribué, pour recourir à un euphémisme, à lutter efficacement contre le trafic de drogue. Il n'y a qu'à voir la situation actuelle dans la zone. La suppression de cette brigade de proximité permet en effet d'avoir des points de deal fixes au lieu d'obliger les dealers à se déplacer et donc de rendre leur travail, si je puis m'exprimer ainsi, plus difficile.

Nabijheidsbrigades zijn essentieel. Daarmee wil ik niet gezegd hebben dat one size fits all , want de realiteit van elke politiezone verdient een eigen aanpak, maar de nabijheidsbrigades zijn absoluut essentieel in onze strijd tegen drugscriminaliteit.

Ce que je regrette aussi dans la décision qui a été prise en 2021, c'est qu'on a voulu résoudre quelques problèmes ponctuels, qui sont d'ailleurs examinés aujourd'hui par les autorités judiciaires compétentes, en prenant des mesures linéaires générales. Prendre des mesures linéaires générales pour résoudre un problème ponctuel, ce n'est absolument pas ma ligne de travail parce qu'on jette le bébé avec l'eau du bain, comme on dit.

Quels étaient les motifs pour le faire? C'est une question qu'il faut poser aux responsables de la zone de police locale Midi que sont les bourgmestres et le chef de corps.

Je peux ajouter que les renforts fédéraux qui ont été mis à disposition de la zone Midi sont encore là pour une bonne partie, en ce compris le renforcement de la police judiciaire fédérale à Bruxelles par une trentaine d'unités venant d'autres zones. Cela porte ses fruits – et je le dis avec beaucoup de prudence et d'humilité – en termes de sécurité et aussi en termes d'arrestations dans le cadre des fusillades qui ont eu lieu en février et en mars.

De invulling van het politiekorps van die zone is, nogmaals, vooreerst de verantwoordelijkheid van die zone. De precieze cijfers moet ik u later meedelen, want die heb ik nu niet bij.

La fusion amènera en tout cas – c'est l'objectif – une unité de commandement et – c'est aussi essentiel et c'est la dynamique fondamentale que je veux insuffler dans cette fusion – une meilleure répartition des efforts entre capacité d'intervention et police de proximité. Les deux sont absolument nécessaires. Il faut une capacité d'intervention renforcée à Bruxelles, certainement pour la zone Midi. Cela se fera par une mutualisation des efforts mais sans porter atteinte à la police de proximité.

Nabijheidspolitie is absoluut essentieel voor die interventies, maar ook voor de gerechtelijke onderzoeken, om goede inlichtingen te verkrijgen.

Pour moi, cette capacité d'intervention et la police de proximité sont les deux jambes absolument indispensables pour le marathon de la lutte contre le crime organisé.

J'en voudrais de ne pas terminer en saluant les efforts qui sont faits tant par la police locale que par la police fédérale pour lutter contre le crime organisé.

Catherine Delcourt:

Merci monsieur le ministre pour vos réponses. La lutte contre le trafic de drogue passe évidemment par le travail de quartier et de proximité, ce qui s'inscrit pleinement dans votre politique de sécurité globale. Les raisons qui ont poussé à la suppression des brigades de proximité sont trop floues et nécessitent des clarifications. C'est pourquoi une demande d'audition des bourgmestres de la zone de police Midi a été introduite par le MR afin de faire la lumière sur ces choix incompréhensibles.

J'aimerais souligner par ailleurs l'ambivalence entre d'une part un discours qui est opposé à la fusion des zones de police bruxelloises, au motif que dans une grande zone de police unifiée on ne pourrait plus faire de police de proximité, et d'autre part la décision concrète et lourde de conséquences de supprimer les brigades de proximité. Les bourgmestres de la zone Midi qui ont délibérément choisi de dissoudre ces brigades ne peuvent ignorer les conséquences de leur décision. Les responsabilités doivent être prises.

Jeroen Bergers:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw duidelijke antwoord. Ik denk dat het inderdaad essentieel is dat er nabijheidsploegen zijn in de strijd tegen de georganiseerde misdaad. Het is zeer onduidelijk en betwijfelbaar of die nabijheidsbrigades in de zone Brussel-Zuid om de juiste redenen zijn geschrapt. Het is heel belangrijk dat wij werk maken van de fusie van de Brusselse politiezones. Het is minstens opmerkelijk te noemen dat de zone die daarbij het meeste te winnen heeft zich daar hard tegen verzet en zelfs dreigt om te stoppen met investeren in politie, terwijl schietpartijen in die zone bijna dagelijkse realiteit zijn geworden. De burgemeesters moeten hun eigen verantwoordelijkheid opnemen. Zij moeten voor hun eigen deur vegen. Het is ook daarom dat wij de vraag steunen om de drie burgemeesters uit de zone Brussel-Zuid uit te nodigen voor een hoorzitting in het Parlement. Iedereen moet kiezen tussen eigen machtsspelletjes spelen of de veiligheid van de bevolking dienen. De keuze van Arizona is in elk geval duidelijk.

De stavaza betreffende de Duitse pensioenen voor Belgische voormalige militaire collaborateurs
De regeling inzake pensioenen voor Belgische voormalige militaire collaborateurs
Pensioenregelingen voor Belgische voormalige militaire collaborateurs

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 9 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de uitvoering van een resolutie (2019) die eist dat België gegevens deelt met Duitsland over Belgische oorlogscollaborateurs die na WOII Duitse pensioenen ontvingen, om deze onrechtmatige uitkeringen stop te zetten. Minister Jambon (Pensioenen) stelt dat zijn dienst geen relevante gegevens bezit en dat de pensioenen onder Duitse verantwoordelijkheid vallen, verwijzend naar eerdere antwoorden van Buitenlandse Zaken en Justitie. De Smet (DéFI) kritiseert het gebrek aan voortgang en belooft de druk op te voeren, ook bij andere ministers, om de resolutie alsnog te doen naleven. Kernpunt: juridische en administratieve blokkades belemmeren actie, terwijl de politieke wil om collaborateurspensioenen aan te pakken onveranderd blijft.

François De Smet:

Monsieur le ministre, le 14 mars 2019, était adoptée, à l’initiative de mon parti DéFI, une résolution visant à clarifier et à abroger le régime des pensions octroyées aux anciens collaborateurs militaires belges du régime national-socialiste allemand durant la Seconde Guerre mondiale.

Sous la précédente législature, nous avons interrogé à plusieurs reprises le ministre de la Justice quant au suivi à assurer à cette résolution.

Lors de ma dernière intervention sur ce sujet , le 17 décembre 2024, le ministre de la Justice m’avait assuré que le point 1 de la résolution avait été exécuté, en dépit des problèmes juridiques. Pour rappel, il s'agissait de requérir auprès des autorités de la Rhénanie du Nord-Westphalie toutes les informations pouvant faire la clarté sur les pensions actuelles et passées accordées par l’Allemagne à d’anciens collaborateurs belges.

Mais la résolution comporte un deuxième volet, à savoir "envoyer aux autorités de la Rhénanie du Nord-Westphalie les données concernant les collaborateurs belges et les collaborateurs de nationalité étrangère résidant en Belgique durant la Seconde Guerre mondiale, condamnés en Belgique pour faits de collaboration avec l’occupant nazi".

Le ministre de la Justice m'a répondu que les objectifs de l'échange d'informations sont liés au statut de pension des personnes concernées et m'a donc renvoyé vers vous.

Je suis conscient du caractère délicat de la question, mais il importe de pouvoir avancer dans ce dossier qui tend à réparer une injustice profonde que constitue le régime des pensions accordées aux collaborateurs belges par l’Allemagne.

Monsieur le ministre, confirmez-vous la prise en charge de l’exécution de ce deuxième point de la résolution? Quels écueils juridiques et factuels pourraient-ils retarder cette transmission de données?

Jan Jambon:

Monsieur De Smet, le Service fédéral des Pensions (SFP) ne dispose d'aucune donnée concernant une condamnation pour collaboration pendant la Seconde Guerre mondiale pour des Belges ou des personnes de nationalité étrangère résidant en Belgique.

En outre, le SFP n'est pas responsable de l'octroi ou du paiement des pensions de retraite à cet égard. Ces pensions ont été octroyées et versées par l'État allemand et ne relèvent pas de la compétence du SFP.

Je vous renvoie également à la réponse de l'ancienne ministre des Affaires étrangères, Mme Hadja Lahbib, du 15 février 2023, ainsi qu'à la réponse de l'ancien ministre de la Justice, M. Vincent Van Quickenborne, du 31 mai 2022. Je partage ces réponses.

François De Smet:

Merci, monsieur le ministre, mais je vois que le carrousel continue. Nous avons déjà interrogé le ministre des Affaires étrangères, mais nous allons le refaire. Je prends note du fait que le Service fédéral des Pensions n'a pas les informations nécessaires, mais il faudra quand même que quelqu'un dans ce gouvernement aide à exécuter cette résolution. Nous remonterons donc aussi haut que nécessaire.

De voedselveiligheid en de recall van Coca-Colaproducten wegens een te hoog chloraatgehalte
Chloraat in Coca-Colaproducten
De verontreiniging van frisdranken van Coca-Cola met chloraat
Voedselveiligheid en chloraatverontreiniging in Coca-Cola frisdranken

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid), David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)

op 9 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De contaminatie van Coca-Cola met chloraat (door een fout van een leverancier bij waterdesinfectie) werd ontdekt via het eigen autocontrolesysteem van het bedrijf, dat de AFSCA waarschuwde, waarna een terugroepactie volgde met risicoanalyse en opvolging. Kritiekpunten bleven de gebrekkige transparantie (niet-vrijgegeven chloraatgehaltes) en de afhankelijkheid van zelfcontroles door bedrijven, hoewel de AFSCA de procedures en traçage bevestigde als correct maar verbeterbaar via strengere opvolging en actieplannen. De volksgezondheidsrisico’s van suikerrijke dranken (obesitas, diabetes) werden aangestipt, maar doorverwezen naar bevoegd minister Vandenbroucke.

Anthony Dufrane:

Monsieur le ministre, le récent rappel des boissons Coca-Cola dû à une contamination au chlore soulève des inquiétudes concernant les contrôles sanitaires effectués avant leur mise sur le marché. Cet incident met en lumière des failles potentielles dans les contrôles alimentaires.

Quels contrôles sanitaires ont-ils été effectués avant la commercialisation des lots de Coca-Cola concernés, et comment la contamination au chlore a-t-elle pu passer inaperçue? Quelles mesures le gouvernement envisage-t-il pour renforcer les protocoles de contrôle et prévenir de telles contaminations à l’avenir? Existe-t-il un suivi des rappels de produits alimentaires pour évaluer leur efficacité et améliorer les procédures en cas de crise alimentaire?

Katleen Bury:

Mijnheer de minister, ik kan grotendeels verwijzen naar de ingediende vraag.

Bijkomend heb ik nog een vraag over de interne analyses. Die zijn uitgevoerd zonder de exacte meetwaarden van het chloraat openbaar te maken. Hoe beoordeelt u dat specifieke geval eigenlijk? Is het voor de consument niet belangrijk om daarover geïnformeerd te worden?

We kijken ook naar precedenten zoals het fipronilschandaal van 2017. Daarom is de vraag naar de gedetailleerde cijfers ook belangrijk.

Hebt u tot slot nog een beoordeling van de standaardprocedure voor bedrijven als Coca-Cola, om dat in de toekomst anders te behartigen?

Jean-François Gatelier:

Monsieur le ministre, comme vient de le dire mon collègue Anthony Dufrane, nous avons appris que Coca-Cola avait procédé, fin janvier, au retrait de plusieurs lots de ses boissons en Belgique, en raison d'une contamination au chlorate, une substance classée comme indésirable, notamment pour ses effets potentiels sur la fonction thyroïdienne et sur la santé mentale. Cette situation interpelle à plusieurs titres.

D'une part, elle met en lumière la vulnérabilité de certains produits très consommés, notamment par les jeunes, alors qu'ils sont déjà problématiques sur le plan nutritionnel en raison de leur teneur élevée en sucres ajoutés, de leur effet acidifiant et de leur contribution à l'obésité, au diabète et aux autres pathologies chroniques.

D'autre part, cette contamination au chlorate pose des questions de sécurité alimentaire, de traçabilité des ingrédients et de contrôle des procédés industriels, d'autant plus que Coca-Cola est une marque massivement distribuée sur notre territoire – et d'ailleurs aussi dans cette institution.

Monsieur le ministre, avez-vous été informé officiellement du retrait de ces produits? Des analyses indépendantes ont-elles été demandées pour vérifier l'ampleur de la contamination? Comptez-vous, en concertation avec le ministre de la Santé publique, adopter des mesures pour renforcer la surveillance de ce type de boissons, à la fois en matière de sécurité sanitaire, mais aussi dans une logique de santé publique, au vu de leur nocivité bien documentée? Si oui, lesquelles?

David Clarinval:

Madame la présidente, je vous prie d'excuser mon petit retard, mais j'étais retenu par une réunion importante et je n'ai malheureusement pas pu être ici à l'heure.

Madame et messieurs les députés, tout opérateur qui met des produits sur le marché est responsable de ces produits et doit disposer d'un système d'autocontrôle qui lui permet d'en garantir la sécurité.

L'Agence fédérale pour la sécurité de la chaîne alimentaire (AFSCA) contrôle les systèmes d'autocontrôle. La non-conformité – en l'occurrence, une teneur trop élevée en chlorate ؘ– a été identifiée par l'opérateur Coca-Cola lui-même suite à une analyse effectuée dans le cadre de son système d'autocontrôle. Coca-Cola l'a ensuite communiquée officiellement à l'AFSCA. La cause de l'incident provient du biocide l'hypochlorite de soude utilisé par Coca-Cola pour la désinfection de l'eau employée comme ingrédient dans ses différentes boissons. Il s'agit d'une erreur du fournisseur qui a entraîné un surdosage du biocide. Cela a eu comme conséquence une teneur trop élevée en chlorate dans les boissons produites par Coca-Cola.

À la suite de cet incident, Coca-Cola a pris contact avec le fournisseur du biocide. L'AFSCA a immédiatement pris des mesures après la notification de Coca-Cola. Une analyse de risques a été réalisée afin d'évaluer correctement ce risque. Un suivi actif a été effectué auprès de l'opérateur concerné afin de lui rappeler sa responsabilité d'organiser un rappel de produits et de publier un communiqué de presse. La traçabilité des produits chez l'opérateur a été suivie afin de s'assurer que le rappel avait été correctement effectué. Enfin, l'analyse des causes de la contamination et les mesures préventives mises en place ont également été suivies afin d'éviter qu'un tel incident ne se reproduise.

Concernant la fréquence des contrôles, l'AFSCA, en tant qu'organisme de contrôle, effectue des contrôles chez chaque opérateur à une fréquence basée sur le risque lié au type d'opérateur. Les analyses requises dépendent de l'origine de l'eau, de l'analyse des dangers et des volumes d'eau utilisés.

Dans le cadre de son système d'autocontrôle, Coca-Cola assure un suivi de la teneur en chlorate du biocide fourni. Cette analyse n'est pas exigée par loi, mais elle est effectuée pour identifier les tendances possibles. Le programme d'analyses de l'opérateur prévoit également des analyses de routine mensuelles de l'eau, complétées par une analyse complète trois fois par an. Pour cet incident, l'exploitant a lui-même pris les mesures nécessaires.

L'AFSCA effectue des contrôles sur l'eau potable de deux manières. D'une part, dans le cadre du programme de contrôle basé sur les risques, elle prélève des échantillons d'eau pour vérifier le respect de la législation en vigueur. D'autre part, des contrôles physiques sont également effectués en vérifiant les rapports d'analyse de l'eau. Lorsqu'un opérateur identifie un risque lié à la consommation de ses produits, il est dans l'obligation de notifier l'AFSCA. Il doit aussi effectuer une analyse de risques, informer ses clients et mettre en place une procédure de rappel. Si l'Agence confirme la présence d'un risque avéré, l'opérateur est tenu d'en avertir les consommateurs via un communiqué de presse.

Ik kan u geruststellen, het FAVV houdt actief toezicht op de hele voedingsketen op basis van het traceerbaarheidsonderzoek. De verschillende sectoren van de verschillende betrokken lokale controle-eenheden worden op de hoogte gebracht van de distributie van de teruggeroepen producten. Ook de distributie in het buitenland wordt opgevolgd via de creatie van de RASFF-melding.

Als er fouten worden vastgesteld in de traceerbaarheid van de terugroeping, gaat het FAVV de oorsprong ervan na en controleert het of er corrigerende maatregelen zijn genomen. Deze fouten kunnen beschouwd worden als een inbreuk die eventueel kan leiden tot een proces-verbaal van inbreuk voor die operatoren. Het FAVV voert geen nieuwe analyses uit op de producten betrokken in een melding van een levensmiddelenbedrijf, omdat de niet-conformiteit ervan al werd vastgesteld.

In geval van een risico voor de consument moet er snel geschakeld worden, zonder de nodige maatregelen te vertragen door bijkomende analyses. Toch zal er in het kader van de opvolging van het niet-conforme dossier samen met de operator een actieplan worden opgesteld, zoals de herziening van zijn autocontrolesysteem, om de veiligheid van de voedselketen te verzekeren.

Wat betreft de communicatie ten aanzien van de consument, daar kan best altijd zorgvuldig mee worden omgesprongen. Het is van belang om een duidelijke en nuttige boodschap mee te geven aan de consument. De boodschap bij een terugroeping moet precies, kort en doeltreffend zijn: "Dit product is niet geschikt voor consumptie en kan teruggebracht worden naar de winkel."

Monsieur Gatelier, vous m'avez posé deux autres questions. Il s'agit en réalité de politique nutritionnelle, laquelle relève de la compétence de mon collègue Frank Vandenbroucke.

Anthony Dufrane:

Monsieur le ministre, je tiens à vous remercier pour la qualité de vos réponses et pour toute la transparence que vous avez apportée.

Je peux noter que les analyses qui ont été réalisées avec les différents opérateurs et l'AFSCA ont bien fonctionné et ont directement relevé ce qui n'allait pas. De même, je peux constater que la procédure fonctionne tant sur le plan du contrôle que sur celui de la communication vers les consommateurs. Je ne serai pas plus long et vous remercie de vos réponses, monsieur le ministre.

Katleen Bury:

Mijnheer de minister, dank voor uw antwoorden. U hebt de frequentie van de controles goed uiteengezet en dat is blijkbaar een interne zaak. Hopelijk komt het bedrijf er altijd mee naar buiten. Als Coca-Cola het zelf moest meedelen aan het FAVV omdat de situatie duidelijk te ernstig was, zal het in de andere gevallen misschien net niet ernstig genoeg geweest zijn om ermee naar buiten te komen.

U hebt het ook over een actieplan om de zaak op te volgen. Dat is heel belangrijk om te belijken hoe de veiligheid voor de consumenten gegarandeerd kan worden. Ik volg dat zeker verder op.

Spijtig genoeg is er geen antwoord gekomen over de exacte cijfers en het chloraatgehalte, want dat is eigenlijk nooit vrijgegeven. Waarom is dat niet gebeurd? Dat is trouwens niet zomaar een kleine bemerking.

Jean-François Gatelier:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse. Je suis heureux d'apprendre que les procédures mises en place sont efficaces et ont permis de retirer rapidement les produits contaminés de la consommation. J'aime à rappeler que les taux de chlorate sont un élément important. Nous ne sommes pas spécialistes en ce domaine, mais nous savons qu'il importe de connaître les dosages dans ce type d'application. Certes, une partie du dossier dépend du ministre de la Santé, M. Vandenbroucke. Je rappelle néanmoins que ce produit fait l'objet de nombreux débats, étant en lui-même un concentré de problèmes de santé publique. Le hasard veut, monsieur le ministre, que les surtaxes douanières imposées par le président Trump entrent en vigueur aujourd'hui. Nous devrions en profiter pour qu'un produit aussi fort qui représente nos partenaires américains puisse être surtaxé abondamment par la Commission européenne. Je suis sûr que vous ne manquerez pas de courage – je vous connais – pour peut-être poser un geste fort suite à cette question.

Het protest tegen de voeding en de vechtpartij in de gevangenis te Hasselt

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 9 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De gevangenis van Hasselt kampt met acute problemen door overbevolking (40%): slechte voedingskwaliteit (dagbudget €5,02 zonder variatie of voldoende fruit), ontbrekende tandzorg (geen vaste tandartsen, mobiele oplossingen in studie) en geweld (vechtpartij door groepsspanningen, daders overgeplaatst). Minister Verlinden bevestigt dat budgettaire beperkingen en infrastructuurtekorten structurele oplossingen blokkeren, maar zoekt naar praktische aanpassingen (bv. mobiele tandzorg) en dringt aan op extra middelen. Yzermans benadrukt dat basiszorg (voeding, gezondheid) niet onderhandelbaar is en pleit voor budgetherziening, ondanks de technische antwoorden. Overbevolking blijft de kernoorzaak van alle spanningen, zorgtekorten en veiligheidsrisico’s.

Alain Yzermans:

Mevrouw de minister, de gevangenissen komen als thema regelmatig terug, maar ik wil toch een vraag stellen over de incidenten die in de voorbij twee weken gebeurden in de gevangenis van Hasselt. Een protestwandeling vond plaats vanwege voeding. Mensen klagen dat het eten niet meer gezond is, wellicht door de lage dagprijs. Dat is iedereen bekend. Dat protest was zichtbaar. Een tweede aspect is de situatie omtrent de tandverzorging, die achterwege blijft. Een verzorgend team is nu niet meer actief, waardoor mensen onder meer met tandpijn rondlopen. Zowel inzake de gezondheid, meer bepaald de voeding, als de tandverzorging zijn er op dit ogenblik dus zeer acute vragen. Vorige week is dat nog opgevolgd met een vrij gewelddadige vechtpartij tijdens de wandeling, maar die had niet met die acute situaties te maken. Ik heb de vragen gebundeld.

Mevrouw de minister, hebt u een plan van aanpak? Er wordt bijvoorbeeld ook te weinig of geen fruit meer gegeten, dus een heel evenwichtige, gevarieerde maaltijd is vandaag niet voorhanden voor die mensen. Ik vind het toch belangrijk dat we daarop blijven letten. Met een dagprijs van 5 euro en een overbevolking van 40 % in de gevangenis van Hasselt zijn gezonde maaltijden ook moeilijk na te komen. Die keuken is ook vrij klein. Daarvan ben ik mezelf gaan vergewissen. Wordt dat bedrag van 5 euro in de toekomst aangehouden? In Nederland is de prijs het dubbele. Het budget is ook veel hoger, maar het land is natuurlijk ook groter. Toch denk ik dat het belangrijk is om daarop te blijven inzetten.

Hebt u voor de tandheelkundige zorg zicht op een ander zorgaanbod? Hebt u een plan ter zake?

Hoever staat het onderzoek inzake de vechtpartij die nadien, vorige week, plaatsvond?

Annelies Verlinden:

Collega Yzermans, de zaakvoerder van elke gevangenis moet dagelijks de kwaliteit van het voedsel in de gevangenis controleren. Het arresthuis in Hasselt wordt net als andere arresthuizen momenteel geconfronteerd met een zeer grote overbevolking. Dergelijke omstandigheden verhogen uiteraard de werkdruk en vergen veel aanpassingen en inventiviteit van alle betrokkenen om de logistieke processen goed te kunnen uitvoeren, zoals bijvoorbeeld het bereiden van maaltijden of het wassen van linnen en kledij. De klachten tijdens de actie gingen, naar ik verneem, over het niet voldoende frequent serveren van frieten bij de maaltijd. Het is correct dat Hasselt momenteel niet over toereikende infrastructuur beschikt om de huidige populatie geregeld van gefrituurd eten te voorzien. Er zijn op heden weliswaar geen problemen om de gedetineerden te voorzien van gekookt, gestoomd en gebakken voedsel.

Het spreekt voor zich dat de verhouding tussen de beschikbare middelen en de infrastructuur enerzijds en de gevangenisbevolking anderzijds ervoor zorgt dat het aanbieden van gezonde en gevarieerde maaltijden niet altijd evident is. De kosten voor de voeding berekend voor 2025 bedragen 5,02 euro per gedetineerde per dag. Het goedgekeurd budget voor 2025 laat een aanpassing van deze dagprijs vooralsnog niet toe. Justitie in het algemeen, en daarmee vertel ik niks nieuws, maar ook de gevangenissen in het bijzonder, staan voor belangrijke uitdagingen met een heel grote budgettaire impact. In het licht daarvan zal worden bekeken of een aanpassing van de dagprijs in de toekomst tot de mogelijkheden zou behoren.

Voor de tandheelkundige zorg in de gevangenis neemt de penitentiaire administratie op dit moment verschillende initiatieven om die beter georganiseerd te krijgen. Het vinden van tandartsen is niet eenvoudig. Zoals u ongetwijfeld weet, hebben veel tandartsen in de vrije samenleving een patiëntenstop ingelast. De tandartsen beschikken dan ook niet over de mogelijkheid om nog zeer ruim in gevangenissen te komen werken. Daarom wordt inderdaad ook aan de piste van mobiele tandartsen gedacht. Op dit moment worden de verschillende klachten in Hasselt opgelijst om na te gaan welke concrete oplossingen mogelijk zijn.

Ik kom tot uw vraag over de aanleiding voor een massale vechtpartij. Een beperkte groep gedetineerden zou tijdens voorgaande wandelmomenten intimiderend en grensoverschrijdend gedrag gesteld hebben ten aanzien van een andere groep gedetineerden. Dat heeft geleid tot oplopende spanningen en de vechtpartij van 2 april waarover u sprak. Een aantal gedetineerden die aan de basis van het probleem liggen, konden worden geïdentificeerd en werden naar een andere penitentiaire inrichting georiënteerd. Een significante toename in het aantal gedetineerden in een inrichting heeft een toename van onder meer voedsel en medische zorgen tot gevolg. Tegelijkertijd creëert een dergelijke toename ook veel meer spanningen, bemoeilijkt die toename het toezicht en heeft die een impact op de werk- en leefomstandigheden van het personeel en de gedetineerden.

We zullen dus enerzijds werk maken van de meer praktische aspecten en anderzijds zal het ook zaak zijn om stappen te zetten om de overbevolking in de gevangenissen aan te pakken.

Ik kan u en uw collega's alleen maar oproepen om die boodschap aan de regering over te brengen. Zonder bijkomende middelen zullen we de voeding, maar ook andere problemen die met overbevolking te maken hebben, niet op een adequate manier kunnen aanpakken.

Alain Yzermans:

Mevrouw de minister, ik hoop dat u toereikende middelen vindt. Ik zal de boodschap ook doorgeven. Ik vind uw antwoord ook vrij technisch. Volgens mijn informatie gaat het naast gezonde voeding ook over een gebrek aan variatie in de maaltijden. De syndicaten zijn hier ook mee bezig. Men krijgt nu 5 tot 6 euro ter beschikking voor elementaire zorg. Ik denk toch dat het budget moet worden herbekeken of herschikt. Voeding is immers een basiszorg. Dit is geen luxeproduct. Als men mensen voorziet van bed, bad, brood dan moet dit minstens aan de basisvoorwaarden voldoen. Dat zou toch eens moeten worden bekeken. Met betrekking tot de tandheelkundige zorgen ben ik blij te horen dat u gaat bekijken welke formules met mobiele tandartsen mogelijk zijn. Ik denk dat het heel belangrijk is dat die mensen bij hun basiszorgen worden begeleid. De spanningen door de overbevolking zijn groot en complex, maar we kunnen daarin kleine stappen zetten.

De nood aan een betere communicatie door Justitie
Een betere communicatie over vonnissen en arresten
De verkrachtingszaak in Leuven en de straffeloosheid van seksueel geweld
De verkrachtingszaak in Leuven en de klassenjustitie
Gebrekkige justitiecommunicatie, klassenjustitie en straffeloosheid seksueel geweld

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 9 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de maatschappelijke verontwaardiging over het Leuvense verkrachtingsvonnis (opschorting ondanks schuld) en structurele tekortkomingen in justitiecommunicatie, slachtofferbegeleiding en klassenjustitie. Minister Verlinden belooft betere transparantie (databank geanonimiseerde vonnissen, sociale media, gespecialiseerde kamers) en meer ondersteuning voor slachtoffers, maar concrete budgetten en timing ontbreken, wat kritiek uitlokt op dralend beleid en gebrek aan urgentie. Kernpunten: behoefte aan snellere, begrijpelijke communicatie (naar Nederlands model), onderzoek naar klassenjustitie, en directe investeringen in zorgcentra en daderbegeleiding om straffeloosheid te bestrijden.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, we zijn het er allemaal over eens dat in een rechtsstaat rechterlijke beslissingen uitgevoerd moeten worden, maar er kan ook kritiek op komen en er kan een maatschappelijk debat ontstaan. Zeker in zedenzaken raakt het maatschappelijk debat snel oververhit. Het is echter onmogelijk om te oordelen, als men de juiste context niet kent. Rechtspreken is maatwerk.

Naar aanleiding van de Leuvense verkrachtingszaak pleit de magistratenvereniging Magistratuur en Maatschappij in een open brief voor een betere communicatie door Justitie. Wie de context niet kent, kan de rechtvaardigheid van een vonnis niet beoordelen. Het is dan ook belangrijk dat er voldoende duiding wordt gegeven over uitspraken van rechters en dat er een brug wordt geslagen tussen het oordeel van de rechters en de publieke opinie. Niet iedereen moet het immers telkens eens zijn met rechterlijke beslissingen. Er moet ruimte blijven voor kritiek.

Op het vlak van communicatie heeft Justitie de voorbije jaren al een aantal stappen gezet, maar er is nog veel werk aan de winkel. De magistraten verwijzen naar het Nederlands model, waar massaal wordt ingezet op betere communicatie, onder meer via de sociale media.

Wat is uw standpunt met betrekking tot het pleidooi van de magistratenvereniging Magistratuur en Maatschappij om meer in te zetten op een betere communicatie van Justitie? Bent u bereid om initiatieven te nemen om te werken aan betere communicatie en hiervoor de nodige middelen vrij te maken? Dat laatste blijft immers de essentie, zoals in veel dossiers in uw bevoegdheid.

Kristien Van Vaerenbergh:

Mevrouw de minister, er is de voorbije weken inderdaad heel wat maatschappelijke commotie ontstaan rond het vonnis van de rechtbank in Leuven waarbij een 24-jarige student gynaecologie weliswaar schuldig werd bevonden aan verkrachting, maar de gunst van opschorting van de veroordeling door de rechtbank werd toegekend. De ophef hierover is ook het gevolg van het gebrek aan duiding en toegankelijke communicatie over het vonnis.

We hebben nadien heel wat meningen gehoord in verschillende media. Ook magistratenvereniging Magistratuur & Maatschappij pleit in een open brief voor een verbeterde communicatie door het gerecht, met name door het actief inzetten van sociale media, en verwijst daarvoor naar buurland Nederland. Debat is goed, maar dan wel op basis van een geïnformeerde mening en met kennis van de feiten en de context.

Wat is de huidige communicatiestrategie van justitie ten aanzien van het publiek, specifiek met betrekking tot het toelichten van vonnissen in maatschappelijk gevoelige zaken? Hoe evalueert u die strategie?

In welke mate maken de hoven en de rechtbanken vandaag gebruik van sociale media? Worden er bijvoorbeeld systematisch samenvattingen van uitspraken gepubliceerd op sociale media?

Zijn er plannen om de communicatie van justitie naar Nederlands model te optimaliseren, bijvoorbeeld door rechterlijke uitspraken onmiddellijk en geanonimiseerd te publiceren en actiever gebruik te maken van sociale media?

Toevallig stelde ik recent een schriftelijke vraag aan u over de communicatie. U antwoordde toen dat er via het College van hoven en rechtbanken nu persattachés zijn. U sprak in uw antwoord ook over het feit dat er eventueel een gedeeld beroepsgeheim zou kunnen komen tussen persrechters en persattachés, zodat rechters zich niet geremd voelen om hun vonnis al voor de uitspraak aan de persattaché mee te delen, zodat die uitspraak onmiddellijk goed kan gekaderd worden door journalisten, des te meer gelet op de snelle verspreiding van berichten onder andere door de medai.

Welke concrete maatregelen zult u nemen om de transparantie bij Justitie nog meer te bevorderen?

Ayse Yigit:

Mevrouw de minister, de verkrachtingszaak in Leuven heeft het debat over seksueel geweld opnieuw doen oplaaien. Een man werd schuldig bevonden aan verkrachting, maar kreeg geen straf. Zonder opvolging of begeleiding mag hij gewoon verder met zijn leven. De motivatie luidde dat hij een beloftevolle gynaecoloog zou zijn.

Het betreft geen losstaand geval. De verontwaardiging op straat en van de mensen thuis is geen toeval: ze zien een patroon. Seksueel geweld wordt nog steeds niet ernstig genoeg genomen. Het recht lijkt vaker de toekomst van daders te beschermen dan die van slachtoffers.

De zaak in Leuven roept pijnlijke herinneringen op. In 2021 gingen twee daders vrijuit na een verkrachting in een Gentse discotheek. In Brussel en Kortrijk lopen daders van spiking en verkrachting nog steeds vrij rond, ondanks tientallen meldingen. Vorige week nog kreeg een twintigjarige man opschorting van straf na de verkrachting van een dertienjarig meisje. Het zijn geen uitzonderingen. Het is het systeem.

Volgens het openbaar ministerie is het aantal dossiers van seksueel geweld in vijf jaar met 20 % gestegen. Toch blijft meer dan de helft zonder gevolg. Amper 4 % van de slachtoffers doet überhaupt aangifte. Het vertrouwen in justitie is laag en uitspraken zoals in Leuven helpen daar allesbehalve bij.

Mevrouw de minister, het gaat vandaag niet alleen over Leuven, al verdient die uitspraak ook in beroep de nodige aandacht. Wat telt, zijn structurele oplossingen. Voorstellen van het middenveld en experts liggen al jaren op tafel. Sommige staan zelfs in het regeerakkoord. De vraag is dus wanneer de daad bij het woord wordt gevoegd en met welk budget. Vrouwen horen immers niet met angst te leven. Ze horen niet te vechten voor geloofwaardigheid. Al veel te lang worden ze aan het lijntje gehouden. Worden de investeringen in hulp en ondersteuning voor slachtoffers eindelijk verhoogd? Hoe snel breidt u de zorgcentra en EVA-cellen uit en met welk budget? Wanneer komen er meer gespecialiseerde magistraten?

Straffeloosheid stoppen vraagt ook om een goede opvolging en begeleiding van daders. Waarin voorziet u in dat verband?

Welke ondersteuning biedt de regering voor Paarse Punten in het uitgangsleven? Paarse Punten zijn veilige plekken waar slachtoffers terechtkunnen en waar preventie centraal staat.

Het vonnis van de verkrachtingszaak in Leuven roept fundamentele vragen op over klassenjustitie in ons rechtssysteem. Vele vragen zich af of, als de dader een metser of iemand van buitenlandse afkomst was geweest, hij dan ook strafvermindering had gekregen. Mevrouw de minister; vindt u het aanvaardbaar dat afkomst of sociale status een rol spelen in vonnissen?

Het regeerakkoord belooft van alles over gelijke kansen, maar is iedereen wel echt gelijk voor de wet? Werd onderzocht of mensen met een bevoorrechte achtergrond systematisch milder worden behandeld?

Als iemand gynaecoloog wil worden en dus vrouwen in kwetsbare situaties moet begeleiden, is dat dan niet juist een reden om wel in een grondige gerechtelijke en psychologische opvolging te voorzien?

Annelies Verlinden:

Geachte Kamerleden, ik zeg niets verrassends, wanneer ik stel dat de feiten met betrekking tot de verkrachtingszaak niemand onberoerd laten. Ik heb dan ook het grootste begrip voor de maatschappelijke beroering naar aanleiding van de zedenzaak in Leuven en alle andere zedenzaken en gendergerelateerd geweld. Elk slachtoffer van seksueel geweld is er een te veel. Alle slachtoffers van seksueel geweld, of ze al dan niet onmiddellijk aangifte doen, moeten gezien, gehoord en bijgestaan worden.

De strijd tegen seksueel geweld is een absolute prioriteit voor mij en daarom werken we aan concrete maatregelen met aandacht voor zowel slachtoffers, die in het hele justitieapparaat centraal moeten staan, als voor de begeleiding van daders, precies om recidive te voorkomen. Zo zullen we in het hele land zorgcentra na seksueel geweld uitrollen en nagaan hoe we hun werking nog kunnen versterken.

Samen met de gefedereerde entiteiten verbeteren we de behandeling van seksuele delinquenten om het risico op herval te verminderen. We ondersteunen slachtoffers in hun aangiftebereidheid, ook bij seksueel geweld online, met respect voor de rechten van verdediging. Daarnaast bereiden we gespecialiseerde kamers voor, specifiek voor dossiers inzake intrafamiliaal en seksueel geweld, naar het voorbeeld van de drugbehandelingskamers.

In ons beleid de komende jaren zullen we de noden en behoeften van de slachtoffers centraal stellen, zodat we hun een zo goed mogelijke juridische en psychologische begeleiding kunnen geven. Ook zullen we de gerechtsgebouwen inrichten op hun maat.

Slachtoffers herkennen en goed omkaderen zijn belangrijke opdrachten voor Justitie, waar we sterk op inzetten. Gisteren nog had ik hierover een gesprek met professor Seksueel strafrecht Liesbet Stevens.

Daarnaast is er in de opleiding tot magistraat de afgelopen jaren op dat vlak heel wat vooruitgang geboekt. Sinds de wet van 31 juli 2020 worden alle magistraten verplicht opgeleid omtrent intrafamiliaal en seksueel geweld. Die opleidingen worden door het Instituut voor Gerechtelijke Opleiding (IGO) georganiseerd en zijn er voornamelijk op gericht om rechters en parketmagistraten hieromtrent beter inzicht te geven.

Preventie blijft overigens onontbeerlijk in de strijd tegen seksueel geweld. We moeten blijven inzetten op preventie-initiatieven, die kunnen vermijden dat mensen slachtoffer worden, zoals de Ask for Angelacampagne of We Need to Talkinitiatieven op festivals.

Collega's, als minister kan en mag ik me niet uitspreken over de inhoud van een specifieke rechterlijke uitspraak, die in casu overigens ook nog niet definitief is, aangezien het parket hoger beroep zal instellen. In onze rechtsstaat is het essentieel dat rechters hun werk in alle onafhankelijkheid kunnen doen. Rechters wikken en wegen in alle onafhankelijkheid de concrete feiten en stukken in een dossier en de toepassing van het juridische kader op dat concrete dossier. Ik roep collega-politici daarom ook op tot dezelfde terughoudendheid. De rechtsstaat is een kostbaar goed en het is onze gezamenlijke verantwoordelijkheid om die goed te beschermen.

Onlineheksenjachten en ongenuanceerde clickbaitberichtgeving in de media en op sociale media dragen evenmin bij aan een gezond maatschappelijk debat. Integendeel, ze ondergraven het vertrouwen en polariseren precies waar meer duiding en dialoog nodig zijn. In vele gevallen zijn het de slachtoffers zelf, die oproepen tot kalmte en sereniteit. Laten we uit respect voor hen die oproep uitermate ernstig nemen.

Dat neemt niet weg dat ik begrip heb voor en mijn medewerking geef aan de oproep voor een transparante en duidelijke communicatie vanuit Justitie. Vonnissen zijn het resultaat van een onafhankelijke en zorgvuldige beoordeling van feiten en wetgeving. Die context is voor het brede publiek niet altijd zichtbaar. Om aan de terechte vraag naar transparantie tegemoet te komen, bouwen we verder aan een databank met gepseudonimiseerde rechterlijke uitspraken, conform het regeerakkoord.

Tegelijk moeten we voorzichtig blijven, zeker in zedenzaken. Dergelijke vonnissen bevatten vaak uiterst intieme details, zowel in het feitenrelaas als in de motivering van de rechter. Het volledig openbaar maken online kan slachtoffers misschien ongewild bijkomend schaden en leiden tot secundaire victimisatie. Dat moeten we absoluut vermijden.

We moeten daarom overwegen in welke mate we elementen van identificatie of niet-relevante details bij de communicatie kunnen weglaten, zodat de impact voor de slachtoffers zo beperkt mogelijk blijft. In de betreffende zaak beschikten journalisten reeds snel over het geanonimiseerde vonnis. Toch bleek dat niet te volstaan voor sommigen om bij te dragen aan een sereen publiek debat. Absolute transparantie alleen is dus niet genoeg.

In dossiers die de samenleving diep raken, is ook heldere, inhoudelijke duiding nodig. Juridische taal vraagt in delicate zaken om een vertaling naar begrijpelijke en maatschappelijke termen. Hoewel de storm van de afgelopen week dat opnieuw op scherp stelt, leeft het besef bij Justitie al langer dat professionele duiding essentieel is, niet om uitspraken te verantwoorden, maar wel om ze beter te kaderen en het vertrouwen in Justitie te versterken.

De voorbije jaren zijn al belangrijke stappen gezet in de professionalisering van de communicatie van het parket en van onze hoven en rechtbanken. Op elk parket is een professionele woordvoerder actief en tal van persmagistraten zetten zich boven op hun reguliere taken vrijwillig in voor communicatie. Daarnaast zijn er sinds kort in onze hoven en rechtbanken ook vijf communicatiemedewerkers actief. Hun inzet maakt vandaag al een verschil, maar zal nog meer zichtbaar worden.

Bovendien moeten we inderdaad nadenken over het gedeeld beroepsgeheim met het oog op een snellere communicatie. Zodra een vonnis bij een advocaat zit, kan de verdere publieke bekendmaking daarvan starten. Ik ben er daarom ook van overtuigd dat we aan een overkoepelend communicatiebeleid bij Justitie moeten werken en roep alle betrokken actoren ook op om daar werk van te maken. Vanuit mijn positie als minister van Justitie zal ik hen daarbij ondersteunen en stimuleren. Zo zullen we onderzoeken of er nood is aan de aanpassing van het wettelijk kader voor persmagistraten en bekijken hoe we het netwerk van woordvoerders nog kunnen versterken. Een duidelijk handelingskader voor Justitie in maatschappijgevoelige dossiers is mijns inziens aangewezen.

Sociale media maken vandaag integraal deel uit van elk communicatiebeleid. Het OM communiceert vandaag al uitgebreid via sociale media, maar ook onze hoven en rechtbanken erkennen de nood om naast de traditionele communicatiekanalen ook op sociale media actief te zijn Ik kan u hier vandaag meedelen dat er al concrete plannen zijn om op korte termijn in samenwerking met het IGO onze hoven en rechtbanken beter te vormen omtrent het gebruik van sociale media op basis onder meer van goede praktijken uit het buitenland.

Collega's, ik wil graag mijn oproep in het kader van de bespreking van de beleidsverklaring herhalen. Onze rechtsstaat staat onder druk en daarom moeten we hem samen blijven beschermen. Magistraten, politici, journalisten, burgers, elk daarin kan zijn verantwoordelijkheid nemen. Elk doet dat vanuit de eigen rol, maar wel allemaal samen als ambassadeurs van de rechtsstaat.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, bedankt voor uw antwoord. Voor alle duidelijkheid, ik heb geen vragen gesteld over het individueel dossier, omdat dergelijke vragen ongepast zijn. Tegen de uitspraak werd overigens, als we de media mogen geloven, hoger beroep aangetekend. Zonder een lesje in recht te geven, hoger beroep betekent dat het dossier van nul af aan moet beginnen en dat er op het ogenblik eigenlijk geen vonnis is. Het is dan ook bijzonder belangrijk om daarin de nodige terughoudendheid aan de dag te leggen, zeker op de sociale media. Ik betreur dan ook ten zeerste dat een influencer, wiens naam mij nu ontsnapt, ondanks dat hij voor gelijkaardige feiten al eens werd veroordeeld, het nodig vond om op een platvloerse manier de naam van de dader van het vonnis in Leuven bekend te maken. De man heeft duidelijk zijn les niet geleerd en ik hoop dat het parket daar op een strenge manier de nodige gevolgen aan geeft.

Ik ben het met u eens dat de feiten en de veroordeling in het maatschappelijk debat, dat tegenwoordig jammer genoeg al te veel op de sociale media wordt gevoerd, niemand onberoerd laten. De strijd tegen seksueel geweld moet inderdaad absoluut een prioriteit zijn. In het algemeen, geheel los van het fameuze Leuvense dossier, is het toch wel bijzonder belangrijk om te werken aan een transparante communicatie bij Justitie. U hebt besproken dat u voort werk zult maken van de oprichting van de databank, die in de vorige legislatuur al was aangekondigd. Ik vind dat u wat dat betreft een tandje moet bijsteken. Wat in Nederland kan, moet ook hier kunnen.

U bereidt de oprichting van kamers voor de behandeling van intrafamiliaal en seksueel geweld naar het voorbeeld van de fameuze drugopvolgingskamers in Antwerpen en Gent voor. Hoe ver staat het daarmee? Hebt u uw voornemen al in uitvoering gebracht of bent u nog bezig met het voorbereidende werk?

Mevrouw de minister, ik heb geen antwoord gekregen op de belangrijkste vraag, namelijk die met betrekking tot het budget. Uw financiële middelen zijn zodanig beperkt dat vrijwel elke mondelinge vraag in de commissie voor Justitie over bijkomend budget gaat, bijvoorbeeld ook de vraag van collega Yzermans daarnet. Bent u bereid om binnen uw beperkte financiële middelen voor die belangrijke materie toch de nodige middelen vrij te maken? Mooie aankondigingen zonder dat er financiën aan gekoppeld zijn, helpen Justitie immers geen stap verder.

Kristien Van Vaerenbergh:

Mevrouw de minister, u hebt terecht heel wat initiatieven waarmee de jonste jaren de strijd tegen seksueel geweld in zedenzaken wordt opgevoerd, opgelijst. Maar u moet inderdaad werk worden gemaakt van een verbetering van de communicatie, inzonderheid de toelichting bij vonnissen, zodat het publiek die ook begrijpt. We wachten al heel lang op de databank van vonnissen en ik hoop dat die uiteindelijk toch in werking wordt gesteld.

Daarnaast moet er werk gemaakt worden van het gedeeld beroepsgeheim en van de verhoging van het aantal woordvoerders om rechtspraak goed uit te leggen. Wij moeten er ook rekening mee houden dat communicatie via onder andere sociale media heel snel gaat. Wij moeten inderdaad vaststellen dat de jeugd via dergelijke kanalen maar flarden van vonnissen lezen er er dan een eigen verhaal aan breien, terwijl het zo delicaat is om over individuele zaken te oordelen en er daarvoor meer nodig is dank enkele flarden op sociale media. Ik hoop dat daarop effectief wordt ingezet en dat hoven en rechtbanken ook actief op sociale media worden. Die kanalen bereiken nu eenmaal heel veel mensen, vooral de jeugd, die zich vandaag in mindere mate tot de klassieke communicatiekanalen wendt.

Ayse Yigit:

Mevrouw de minister, we zien dat u begaan bent met de veiligheid van vrouwen. Ik twijfel niet aan uw intenties, maar ik ben nog niet gerustgesteld. Dat zult u gezien de jarenlange onderinvestering en hoge cijfers van seksueel geweld vast wel begrijpen.

Wat ik vandaag vooral mis, is urgentie. U wilt inzetten op betere transparantie en communicatie van het gerecht om het vertrouwen te herstellen. Daarmee gaan we helemaal akkoord. Heel wat mensen die het vonnis gelezen hebben, zien daarin de bevestiging dat er nog te veel straffeloosheid is en dat niet iedereen gelijk is voor de wet. Het probleem zit dus dieper.

U zegt dat u alle vertrouwen hebt in het gerecht. De rechtelijke macht moet uiteraard in alle onafhankelijkheid haar werk doen. Als volksvertegenwoordigers moeten we onze controlerende taak opnemen. Het lijkt ons dus zeker het onderzoek waard om te bekijken of er sprake is van klassenjustitie in ons rechtssysteem. Daarover hebt u echter niets gezegd.

Bovendien, als we echt willen breken met straffeloosheid en wantrouwen in onze rechtstaat, moeten de juiste budgetten op tafel komen, niet straks, niet later, maar nu.

We komen hier zeker op terug tijdens de budgetbespreking.

Voorzitter:

Op verzoek van de heer Van Hoecke wordt zijn interpellatie nr. 56000032 en zijn vraag nr. 56004191C uitgesteld. La question n° 56004209C de M. Ribaudo est transformée en question écrite.

De federale taskforce tegen drugscriminaliteit

Gesteld door

lijst: VB Marijke Dillen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 9 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Verlinden bevestigt de oprichting van een federale taskforce (onder leiding van de premier) om georganiseerde criminaliteit (niet enkel drugs) aan te pakken via betere coördinatie van bestaande plannen zoals het Stroomplan en Nationale Veiligheidsplan, met inbreng van actoren zoals de drugscommissaris. Ze pleit voor extra middelen voor Justitie en veiligheidsdiensten, maar kan nog geen concrete toezeggingen doen, aangezien budgettaire beslissingen in de regering lopen. Dillen (oppositie) benadrukt dat structurele middelenverhogingen (geen "peanuts") cruciaal zijn voor impact en belooft de taskforce en budgetvragen scherp te blijven volgen, met parlementssteun voor Justitie’s vraag.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, we hebben vernomen in de media dat er een federale taskforce wordt opgericht in de strijd tegen drugscriminaliteit onder leiding van de eerste minister. Jarenlang hebben opeenvolgende regeringen de drugsproblematiek doen ontsporen door een te lakse aanpak, open grenzen en een gebrek aan een kordaat justitiebeleid. De misdaad heeft intussen haar tentakels diep in onze samenleving verankerd, in het bijzonder in steden als Antwerpen en Brussel.

In het regeerakkoord en in uw beleidsverklaring, staan heel veel aankondigingen, voornemens en plannen. Over een concrete budgettaire en planmatige uitwerking is echter weinig bekend. Vandaar dat ik u enkele vragen wil stellen.

Wat zal de inbreng zijn vanuit Justitie in deze federale taskforce? Wat is de concrete meerwaarde naast alle andere initiatieven? Zal er gehoor worden gegeven aan de oproep om meer middelen te geven aan de federale veiligheidsdiensten en Justitie? Zo ja, in welke mate? Kunt u mij een gedetailleerd overzicht geven van alle betrokken partijen bij deze federale taskforce? Wat zal hun concrete inbreng zijn?

Annelies Verlinden:

Het is inderdaad zo, collega Dillen, dat de premier, nadat wij naar aanleiding van de schietpartijen in Anderlecht aan de alarmbel hadden getrokken voor een gecoördineerde aanpak, de oprichting van een federale taskforce heeft aangekondigd die gericht is op de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit. Het doel van die taskforce is om te waken over de verschillende plannen met betrekking tot de georganiseerde criminaliteit, zoals het Stroomplan, het Kanaalplan en het Nationale Veiligheidsplan. De taskforce moet ervoor zorgen dat alle partijen die daarbij betrokken zijn, worden samengebracht en dat de maatregelen die we moeten nemen ook snel en adequaat kunnen worden uitgevoerd. Het gaat onder meer over maatregelen die zijn opgenomen in het regeerakkoord voor de strijd tegen georganiseerde criminaliteit. Het gaat dus niet alleen over drugscriminaliteit.

De politieke stuurgroep van de taskforce, onder leiding van de premier en met deelname van mijn collega van Binnenlandse Zaken, is vorige week een eerste keer samengekomen. Voor de taskforce zelf zullen de deelnemers uitgenodigd worden naargelang de thematiek. Voor alles wat de strijd tegen de drugscriminaliteit betreft, lijkt het mij bijvoorbeeld evident dat de nationale drugscommissaris nauw wordt betrokken, zodat ook haar gecoördineerde ideeën en beleidsadviezen kunnen worden meegenomen.

Ik heb inderdaad een meervraag voor Justitie op tafel gelegd. U vroeg immers ook naar de middelen. Ik vind namelijk dat binnenlandse veiligheid even belangrijk is als buitenlandse veiligheid.

Het is, bijvoorbeeld, logisch en terecht dat de eerste minister samen met de ministers van Buitenlandse Zaken en Defensie tijdens hun bezoek aan Kiev gisteren blijvende steun aan Oekraïne hebben toegezegd. Ik begrijp ook dat die vraag naar bijkomende middelen voor defensie voorligt, maar evenzeer hoor ik elke dag in alle vergaderingen die ik bijwoon en in alle bezoeken die ik breng, dat er bijkomende middelen nodig zijn voor binnenlandse veiligheid in het algemeen en justitie in bijzonder.

U weet, en dat heb ik hier de voorbije commissie ook al gezegd, dat de vraag op tafel ligt. U weet echter ook dat ik niet kan vooruitlopen op die besprekingen in de regering. Ik kan alleen maar alles doen wat in mijn macht ligt om mijn collega's in de regering te overtuigen en ik ga ervan uit dat de collega's van de meerderheidspartijen die hier zitten, ook die boodschap zullen doorgeven aan hun collega's in de regering.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, dank u voor uw antwoord. Ik zal me niet uitspreken. Ik heb een licht vermoeden dat er morgen een debat in de plenaire zal plaatsvinden over de grote steun die gisteren door de eerste minister aan Oekraïne is toegezegd. Dat heeft natuurlijk met deze vraag absoluut niets te maken en ik spreek mij daar dan ook niet over uit. Ik blijf echt, en u zal daarvoor wel op onze steun kunnen rekenen, samen met u vechten voor meer middelen voor justitie en voor politie. Enkel wanneer er meer middelen, heel veel meer middelen komen, geen peanuts, zoals volgens de media voorlopig aan u zouden zijn beloofd, zult u een steen in de rivier kunnen verleggen. Het moet gaan over een fundamenteel debat over een verhoging van middelen, want anders, mevrouw de minister, zal er weinig aan bod kunnen komen. Die taskforce, waarover mijn vraag ging, zal ik blijven opvolgen. We zullen daarover in de commissie ook op regelmatige tijdstippen meer informatieve vragen stellen.

De plaatsing van een antismokkelveiligheidsnet in de gevangenis van Andenne

Gesteld door

lijst: VB Marijke Dillen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 9 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Het antismokkelveiligheidsnet in de gevangenis van Andenne werd in 2023 hersteld maar moest nu vervangen worden omdat verdere reparatie onmogelijk was, om het veiligheidsniveau te behouden. De procedure vereist dat gevangenissen eerst herstelling aanvragen via de FOD Justitie, die bij onherstelbaarheid de Regie der Gebouwen inschakelt voor vervanging. Voor nieuwe netten geldt een gelijkaardig traject, waarbij de FOD de noodzaak beoordeelt alvorens de Regie te betrekken. Overleg over prioritering in andere gevangenissen werd niet expliciet bevestigd.

Marijke Dillen:

Ik verwijs naar mijn ingediende vraag.

De Regie der Gebouwen liet een nieuw antismokkelveiligheidsnet plaatsen in de gevangenis van Andenne. Ook nog andere werken werden uitgevoerd of zijn gepland. Uiteraard is elke verbetering aan de infrastructuur van een gevangenis positief, zeker als het de veiligheid van het penitentiair personeel bevordert alsook de leefomstandigheden van de gedetineerden.

Kan de minister mij mededelen waarom hieraan prioriteit werd gegeven gezien in 2023 de nodige herstellingswerken werden uitgevoerd?

Heeft er overleg plaatsgevonden met de collega bevoegd voor de Regie der Gebouwen om na te gaan in welke andere gevangenissen in dit land dergelijk antismokkelveiligheidsnet dient te worden geplaatst of bij hoogdringendheid te worden vervangen indien het in een slechte staat zou zijn?

Annelies Verlinden:

Collega Dillen, het betrokken antismokkelveiligheidsnet in de gevangenis van Andenne werd in 2023 inderdaad hersteld, maar diende nu te worden vervangen omdat het, naar ik begrijp, niet meer verder kon worden hersteld.

Uitstel van de vervanging zou het gewenste veiligheidsniveau verzwakt kunnen hebben. Het herstellen of vervangen van een net verloopt als volgt. Wanneer een gevangenis opmerkt dat een net moet worden hersteld, kan de gevangenis contact nemen met de gespecialiseerde firma. Ze dient de centrale administratie van de FOD Justitie hiervan op de hoogte te brengen. De FOD neemt immers de financiering van de herstelling ten laste. Indien blijkt dat het net niet meer kan worden hersteld, dient de gevangenis een aanvraag in die na validatie door de bevoegde diensten van de FOD Justitie wordt overgezonden aan de Regie der Gebouwen, opdat die laatste de vervanging ten laste zou nemen.

Wanneer een gevangenis een net wenst te plaatsen, neemt ze contact op met de bevoegde diensten van de FOD, die de relevantie van de aanvraag zullen analyseren. In geval van een positief antwoord is de procedure dezelfde al voor de vervanging van het net, zoals net toegelicht.

Marijke Dillen:

Dank voor uw antwoord.

De veroordeling van de Belgische Staat voor de overbevolking van de gevangenis in Bergen
De ongezonde leefomstandigheden in de gevangenis van Bergen
Gevangenisomstandigheden en overbevolking in Bergen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 9 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De prison van Mons kampt met extreme overbevolking (136%), onsanitaire omstandigheden (schimmels, bedwantsen, ratten) en verouderde infrastructuur, wat al jaren wordt aangeklaagd maar nauwelijks structureel is opgelost, ondanks een recente veroordeling door het hof van beroep (maart 2025). Minister Verlinden bevestigt plannen voor een nieuwe gevangenis (300 plaatsen) via het *Masterplan 3bis* en zet in op kleinschalige detentiehuizen (o.a. in Tournai en Luik), maar concrete kortetermijnoplossingen voor de acute crisis ontbreken, terwijl sluiting door de burgemeester dreigt zonder alternatief voor 400 gedetineerden. Kritiekpunten blijven de trage uitvoering van bouwplannen en het gebrek aan directe maatregelen om de mensonwaardige omstandigheden en overbevolking onmiddellijk te verlichten, met risico op stakingen en systeemontwrichting.

Éric Thiébaut:

Madame la ministre, une nouvelle fois, l’État belge est condamné pour sa politique carcérale, en particulier pour la surpopulation à la prison de Mons. Dans son arrêt du 27 mars 2025, la cour d’appel de Mons a rappelé ce que de nombreux observateurs, dont moi-même, dénoncent depuis longtemps: les conditions de détention et de travail à la prison de Mons sont dégradantes et aucune mesure structurelle n’est mise en place depuis des années pour y mettre fin. Je dois vous dire que je suis ce dossier depuis 2007 et que rien n'a vraiment changé depuis.

Depuis 10 ans, après une première assignation en justice – car à l’époque, le taux de surpopulation était déjà de 130 %; on avait déjà 400 détenus pour 307 places –, la cour constate que la situation s’est même détériorée.

Aujourd’hui, la prison de Mons connaît un nombre record de 417 détenus, soit une surpopulation de 136 %. À cela, s’ajoute l’état de vétusté de l’enceinte, des cellules infestées de punaises et de champignons, sans oublier l’odeur nauséabonde qui y règne, ce qui renforce le caractère inhumain des conditions de détention et de travail.

Madame la ministre, je sais que vous vous êtes rendue récemment sur place, j’imagine que vous avez donc pu vous rendre compte de la situation. Ma collègue Marie Meunier et moi-même y sommes allés il y a quelques semaines.

Quelles suites comptez-vous donner à l’arrêt de la cour d’appel de Mons qui exhorte l’État belge à prendre les mesures structurelles pour mettre fin à la surpopulation à la prison de Mons? Depuis longtemps, nous sommes nombreux à plaider pour la construction d'une nouvelle enceinte à Mons. Pourriez-vous m'indiquer si vous soutenez ce projet? Si oui, quelles sont les initiatives que vous comptez prendre pour que le projet aboutisse dans des délais raisonnables?

Parmi les solutions plus rapides à mettre en place, nous appelons avec mon groupe politique à la création de maisons de détention qui permettraient de désengorger la prison de Mons plus rapidement. Êtes-vous favorable à ce type de construction, en particulier dans la région de Mons?

Marie Meunier:

Madame la ministre, voici quelques semaines, nous sommes allés visiter la prison de Mons. Ce que nous avons pu constater, vous avez également pu le voir puisque vous vous y êtes aussi rendue. Vous savez comme nous que l’établissement est insalubre: il y a de l’humidité, des rats, des punaises de lit et j’en passe.

Le bourgmestre de Mons a annoncé qu'il pourrait être contraint de faire constater l’insalubrité de la prison dans le cadre de sa responsabilité en matière de maintien de l'ordre public et d'ordonner sa fermeture totale ou partielle, ce qui imposerait l’évacuation de tout ou partie des 400 détenus. Mais où iraient-ils? Le système carcéral belge est déjà saturé. Un tel scénario provoquerait une désorganisation totale et mettrait en danger l’ensemble de la chaîne pénitentiaire.

Madame la ministre, allez-vous attendre que le bâtiment s’effondre pour agir? Quelles mesures urgentes comptez-vous prendre afin de prévenir une telle déclaration d’insalubrité? Quelles mesures prendriez-vous si une telle décision devait s'imposer au bourgmestre de Mons? Quelles sont les mesures à plus long terme que vous entendez adopter afin de mettre fin définitivement à cette situation inhumaine pour les détenus, mais également pour les agents qui y travaillent dans des conditions qui sont actuellement totalement indignes?

Annelies Verlinden:

Chers collègues, permettez-moi de commencer par confirmer que la situation à la prison de Mons est effectivement préoccupante. Lors de ma récente visite, j'ai pu constater les conditions difficiles dans lesquelles se trouvent les détenus et le personnel. La surpopulation ainsi que les infrastructures parfois très vétustes ne sont pas propices au bien-être de notre personnel et des détenus.

Ces dernières années, plusieurs initiatives ont été prises pour maximiser la capacité des prisons belges. De nouvelles capacités ont été mises en service grâce au Masterplan. Des capacités obsolètes ont été temporairement maintenues plus longtemps en service et des efforts supplémentaires ont été déployés en matière de détention à petite échelle. Nous continuerons à nous concentrer sur ce point au cours de cette législature.

Cela dit, nous sommes toujours confrontés à des chiffres inquiétants. Le taux d'occupation des prisons ayant récemment dépassé les 13 000 détenus, nous avons l'intention de prendre des mesures temporaires pour réduire la surpopulation carcérale, y compris à court terme de la prison de Mons. Ces mesures sont actuellement discutées au sein du gouvernement. La réalité de la surpopulation actuelle complexifie la réduction de la population détenue à Mons. Nous restons néanmoins attentifs à la situation afin de réduire les préjudices de cette surpopulation dans cet établissement.

La prison de Mons étant un établissement vétuste, une décision a été prise l'année dernière concernant la construction d'un nouvel établissement. Le 25 mars 2024, le Conseil des ministres a validé les aménagements du Masterplan 3bis, qui indique que la Régie des Bâtiments Régie des Bâtiments est chargée de rechercher un nouvel emplacement approprié pour remplacer l'établissement actuel. Il s'agira d'un nouvel établissement pouvant accueillir 300 détenus. La Régie des Bâtiments doit à nouveau soumettre un dossier détaillé au Conseil des ministres expliquant l'état actuel des choses.

Pour plus de détails, je vous renvoie vers ma collègue chargée de la Régie des Bâtiments.

La détention à petite échelle constitue une initiative importante dans le contexte d'une politique différenciée. Que ce soit sous forme de maisons de détention ou de maisons de transition, elle est également incluse dans l'accord de gouvernement. J'ai donc la ferme intention de développer encore cette forme de détention de qualité dans les années à venir.

Quant à votre question, monsieur Thiébaut, concernant une maison de détention à Mons, je peux d'ores et déjà vous indiquer quelles sont les maisons de détention en projet. Il s'agit de Olen, Genk, Jemeppe-sur-Sambre, Anvers, Ninove, Liège et Tournai. Nous comptons les mettre en place le plus rapidement possible. Je peux vous transmettre le nombre de places envisagées pour chacune.

Éric Thiébaut:

Madame la ministre, merci pour votre réponse assez complète. Je note que vous avez confirmé la volonté du gouvernement de construire une nouvelle prison à Mons. C'est déjà quelque chose de positif.

Vous nous informez que c'est la Régie des Bâtiments qui est chargée d'instruire le dossier, de trouver un terrain et de construire cette prison. Il serait effectivement intéressant d'interroger maintenant votre collègue en charge de la Régie des Bâtiments, pour savoir exactement où on en est à ce niveau-là.

Par ailleurs, le souci, c'est que même si on construit une nouvelle prison à Mons, cela va prendre du temps, beaucoup de temps. Et en attendant, il y a toujours de la surpopulation. Nous allons devoir revenir vers vous pour vous demander de prendre des mesures concrètes pour revenir à un niveau de population plus raisonnable et plus supportable, à la fois pour les détenus et pour le personnel.

Pour l'instant, ça devient intenable. Le risque est grand qu’il y ait à nouveau des mouvements de grève dans les semaines et les mois qui viennent. Vous savez qu'à partir de là, c'est toujours difficile à gérer. Vous l'avez connu dans d'autres départements.

Je vous fais a priori confiance par rapport au problème. Je vous félicite d’être directement allée sur place, parce que M. Van Quickenborne, à qui j’avais très longtemps suggéré de s’y rendre, n'y est jamais allé. Vous avez vraiment bien fait de le faire. Cela permet de donner toute sa dimension au problème et de sentir les choses concrètement.

Nous reviendrons vers vous pour voir s'il y a des mesures concrètes pour revenir à une situation plus supportable.

Marie Meunier:

Merci madame la ministre pour vos différentes réponses. Je suis à la fois contente et triste d'apprendre que vous aussi vous constatez l'état dans lequel se situe la prison de Mons actuellement. Si vous avez en partie répondu à la question de mon collègue sur la surpopulation carcérale, je suis par contre un peu frustrée de n'avoir eu aucune réponse. Si, demain, le bourgmestre de Mons prend un arrêté selon lequel la prison, en tout ou partie, doit fermer parce qu'il n'est plus possible d'y accueillir des détenus, je n'ai entendu aucune réponse quant à cette possibilité-là et aux solutions qui pourraient être apportées à un tel arrêté. Vous ne m'avez pas répondu. Si, aujourd'hui ou demain, la prison de Mons devait fermer en tout ou partie, on ne sait pas où on mettra les détenus. La prison de Mons est dans un état lamentable. Mon collègue, qui suit le dossier depuis 2007, l'a dit. Je suis jeune députée, je ne le suis que depuis le mois de juillet de l'année dernière. En tant que députée, en tant que locale, c'est un petit peu différent. On est systématiquement confrontés à ces problématiques en tant que citoyen. Je suis un peu désolée des réponses que je n'ai pas eues et je ne manquerai pas de vous revenir régulièrement parce qu'à un moment donné, le bourgmestre va devoir prendre la décision et il faudra faire quelque chose des 400 détenus et des travailleurs.

Het voornemen van Hamas en Iran om aanslagen te plegen tegen Joden en Israëli's buiten Israël

Gesteld door

lijst: VB Sam Van Rooy

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 9 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de toenemende jihadistische dreiging tegen Joodse en Israëlische doelen in België, gestuurd door Hamas en Iran, met concrete waarschuwingen uit Israël en recente aanslagen in Europa. Minister Verlinden bevestigt dat veiligheidsdiensten de risico’s monitoren, informatie uitwisselen met internationale partners (inclusief Israël) en dreigingsniveaus aanpassen via OCAD en het Crisiscentrum, maar verwijst voor operationele maatregelen naar Binnenlandse Zaken. Van Rooy benadrukt de acute noodsituatie in Antwerpen, met dagelijkse antisemitische incidenten, onvoldoende politiebeveiliging bij Joodse locaties en recente arrestaties van jihadisten bij de grens, waarschuwend dat een aanslag onvermijdelijk is zonder drastische opvoering van zichtbare veiligheid.

Sam Van Rooy:

Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, nu de positie van Hamas in de Gazastrook gelukkig en eindelijk verslechtert, wil de jihadistische terreurorganisatie aanslagen plegen op Israëli’s in het buitenland en op Joden in de diaspora. Daarvoor hebben Israëlische veiligheidsfunctionarissen begin april 2025 gewaarschuwd. In een rapport stelt de Nationale Veiligheidsraad van Israël, NSC, dat Hamas vastbesloten blijft om Joodse en Israëlische doelen in het buitenland aan te vallen. De raad voegt eraan toe dat de islamitische terreurgroep, nu ze in Gaza steeds meer verzwakt, in toenemende mate interesse toont voor aanslagen op Joden en Israëli’s in het buitenland. De NSC waarschuwde in dat verband ook voor gelijkaardige jihadaanslagen door de islamitische staat Iran.

Het aantal aanvallen op Israëlische en Joodse doelen buiten Israël is toegenomen sinds het einde van het staakt-het-vuren in Gaza in maart 2025. Er waren bijvoorbeeld aanvallen op meerdere Joodse scholen en synagogen in Montreal en Toronto, een poging tot bomaanslag op een synagoge en brandstichting op een Joodse kleuterschool in Australië.

Sinds 7 oktober 2023 zijn een aantal door Hamas georkestreerde terreurplannen in Europa verijdeld, waaronder geplande aanslagen in Denemarken, Duitsland, Bulgarije en Zweden. In 2023 werden meerdere door Iran georkestreerde terreurplannen verijdeld, waaronder pogingen tot jihadaanslagen op Israëlische ambassades in Zweden en België.

Mevrouw de minister, was u op de hoogte van die informatie? Erkent u dat Israëlische en Joodse actoren en instellingen in België, met name in Antwerpen en Brussel, in toenemende mate een jihadistisch doelwit zijn voor de moslimterroristen van Hamas en Iran? Staan onze veiligheidsdiensten daarover in contact met de Israëlische NSC of een andere Israëlische veiligheidsdienst? Wat wordt ondernomen om de veiligheid van Israëlische en Joodse actoren en instellingen op ons grondgebied te garanderen?

Annelies Verlinden:

Collega, uiteraard zijn de diensten goed op de hoogte van de rapporten van het NSC.

De gebeurtenissen van oktober 2023 en de nasleep ervan houden risico's in voor de Joodse en Israëlische belangen op ons grondgebied. Onze diensten brengen die risico's sindsdien, en ook al eerder uiteraard, zo goed mogelijk in kaart. Ik kan u verzekeren dat de evaluatie van Israëlische en Joodse belangen in België steeds wordt bijgewerkt op basis van alle beschikbare concrete en evolutieve informatie.

De Veiligheid van de Staat staat in contact met tientallen diensten wereldwijd om informatie uit te wisselen over bedreigingen waarvoor de dienst bevoegd is. Het belang van deze contacten verschilt van dienst tot dienst, afhankelijk van de belangen en de criteria die door de Nationale Veiligheidsraad in ons land werden goedgekeurd.

Alle inlichtingen- en veiligheidsdiensten zijn alert en geven desgevallend informatie door aan het OCAD en het Nationaal Crisiscentrum. Het OCAD bepaalt dan vervolgens het niveau van de dreiging. De in functie van het dreigingsniveau te nemen maatregelen zullen door het Nationaal Crisiscentrum worden bepaald.

Voor de politionele maatregelen verwijs ik u door naar de minister van Binnenlandse Zaken.

Sam Van Rooy:

Mevrouw de minister, ik dank u voor het antwoord. Nu het buiten warmer wordt, begint het aantal antisemitische incidenten en aanvallen snel toe te nemen. Dagelijks, ik herhaal, dagelijks is er in Antwerpen minstens een antisemitisch incident. Zo werd gisteren nog een jonge Joodse vrouw op straat geslagen door twee jonge moslims. Enkele dagen geleden nog werden vlak bij de Belgische grens moslimterroristen opgepakt die een jihadaanslag wilden plegen. Hun doelwitten waren de Joodse gemeenschap, restaurants en nachtclubs. Het gaat dus om de typisch islamitische haat tegen Joden en tegen onze vrije, niet-islamitische samenleving. Wanneer er veel Joden samenkomen in een park, aan scholen en synagogen is er, ik zie dat met mijn eigen ogen in Antwerpen, veel te weinig zichtbare politie. Mevrouw de minister, of het nu gaat om een jihadaanslag, aangestuurd door Hamas of Iran, of een jihadistische lone wolf , met zo weinig beveiliging van politie aan Joodse instellingen en synagogen, is het helaas een kwestie van tijd alvorens het weer eens fout loopt.

Het gevoelig terugschroeven van de middelen voor Unia
Homofobe agressie en de krimpende financiering van Unia
De besparingen bij Unia
Unia en de column van Herman Brusselmans
Bezuinigingen op Unia en gevolgen voor antidiscriminatiebeleid

Gesteld aan

Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen), Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 8 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de omstreden besparing van 25% op Unia’s budget, besloten in het regeerakkoord zonder duidelijke rechtvaardiging, wat door critici wordt gezien als een politieke afstraffing van een tegenmacht in plaats van een zuivere bezuinigingsmaatregel. Minister Beenders (Gelijke Kansen) benadrukt dat Unia’s kerntaken (bestrijding discriminatie, racisme, LGBTQIA+-geweld) behouden blijven en dat de inkrimping geleidelijk ingaat eind 2024, zonder de samenwerkingsovereenkomst met deelstaten aan te passen, maar erkent dat de impact op personeel en werking onvermijdelijk is. Kritiek richt zich op de tegenstrijdigheid tussen de gereduceerde middelen en de groeiende nood aan antidiscriminatiebeleid—met name door stijgende haatmisdrijven, antisemitisme en druk op minderhedenrechten—en op Unia’s selectieve aanpak (o.a. beschuldigd van blindheid voor islamitisch extremisme of "antiblank racisme"). Oppositie eist herstel van het budget, wijzend op Unia’s cruciale rol in monitoring, rechtsbijstand en beleidsadvies, terwijl de minister belooft de impact eind 2024 te evalueren en samenwerking met justitie te versterken.

François De Smet:

Monsieur le ministre, nous connaissons la situation d'Unia depuis l'accord de gouvernement, qui prévoit de diminuer de 25 % les moyens de cette institution sans manifestation de justification en fait ou en droit. Alors que d'autres coupes bien plus légères dans les administrations sont expressément motivées par la contribution à l'effort budgétaire nécessaire, la réduction appliquée à Unia n'est pas motivée et est lapidaire. Cette réduction ne peut donc s'interpréter à ce stade, non comme une mesure de simple économie, mais comme une sanction délibérée, infligée par un gouvernement à un contre-pouvoir. En dépit du fait que le travail d'Unia est parfois critiquable – il m'arrive de ne pas être d'accord avec eux sur tout, et c'est une institution que je connais bien –, son travail la rend incontournable car elle lutte avec détermination contre le racisme et les discriminations qui sont des réalités.

Vous avez toutefois fait part du fait qu'une concertation allait avoir lieu avec Unia, ce qui semble être la moindre des choses. Comment justifiez-vous ces décisions de diminution des moyens d'action autrement qu'en avançant la lapidaire formule de l'accord de gouvernement? Quand a eu lieu ou se tiendra cette concertation et sur quels éléments portera-t-elle? À partir de quand cette sanction sera-t-elle appliquée, dès 2025 ou plus tard?

Khalil Aouasti:

Monsieur le ministre, je vais tout d'abord un peu me détacher de ma question parce qu'elle a été introduite il y a près de deux mois, à un moment auquel la lutte contre les discriminations et contre l'incitation à la haine et les lois anti-discrimination étaient encore de la compétence du ministre de la Justice. Or, je découvre, d'une part à travers les transferts de questions et à travers des questions posées à votre collègue de la Justice, qu'elle ne se chargera plus en réalité de la lutte contre l'incitation à la haine et de lois anti-discrimination, mais que ce sera vous à l'avenir, et que par ailleurs vous êtes même chargé d'une évaluation des lois anti-discrimination prévue l'été prochain, comme cela a été déclaré la semaine passée suite à une question concernant l'affaire Brusselmans.

Je trouve qu'il s'agit d'un dangereux précédent, à savoir dissocier les choses et considérer que cette législation ne relève plus de la justice, mais de l'égalité des chances. Je pense au contraire qu'il y a tout un processus nécessaire au département de la Justice. Et je lie cela à ma question: nous étions dans le cadre d'une agression homophobe qui a eu lieu dans des transports publics, alors que personne, dans nos villes et nos campagnes, en Belgique, ne devrait craindre de marcher dans la rue, de prendre des transports publics, de s'asseoir sur un banc avec celui ou celle qu'il aime.

L'homophobie, la transphobie, toutes les formes de discriminations et d'incitation à la haine sont des discriminations contre lesquelles nous devons lutter fermement et qui ne s'envisagent pas que sous l'angle du constat, mais dans le cadre de l'ensemble de la chaîne pénale. Comment ne pas s'inquiéter face à la montée en puissance des voix de ceux qui incitent à la haine, quelle qu'elle soit? Comment ne pas craindre pour sa vie quand le simple fait d'être soi-même est un motif en soi d'agression? Et comment ne pas craindre qu'un organisme comme Unia, qui a constaté et peut-être poursuivi ces faits, ne puisse plus le faire, quand on entend qu'il est définancé à hauteur de 25 %?

Comment peut-on prétendre lutter contre les discriminations en affaiblissant Unia? Pourquoi réduire ce financement? Que pouvons-nous espérer de votre ministère concernant Unia, mais aussi l'évaluation des lois anti-discrimination? De manière plus globale, quel plan entendez-vous nous proposer?

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, ik heb mijn vraag ingediend op 28 februari. Intussen hebt u al een en ander toegelicht in uw beleidsverklaring, maar ik wil toch nog even dieper ingaan op de besparingen bij Unia.

Voor mijn toelichting verwijs ik naar de schriftelijke versie van mijn vraag. Ik zal mij beperken tot het stellen van de vragen.

Mijnheer de minister, op welke basis werd bepaald dat de middelen van Unia met een kwart moeten dalen? Gaat die afname van 25 % meteen in of is er sprake van een afbouwscenario tegen het einde van de legislatuur?

Worden er met de vermindering van de middelen ook nieuwe parameters voor financiering uitgewerkt? Indien ja, welke? Zal dat aanleiding geven tot een herziening van de reductie van de middelen voor Unia en van de bijdrage van de deelstaten? Werd er nagegaan wat de concrete impact is van de afname van 25 % van de middelen op de werking en het personeelsbestand van Unia?

Hebben u en Unia al het kerntakendebat gevoerd naar aanleiding van de beslissing in verband met de middelen? Welke taken blijven voor u belangrijk? Welke taken zullen eventueel worden afgestoten?

Sam Van Rooy:

Unia heeft zich dan toch geen burgerlijke partij gesteld in de zaak rond de column van Herman Brusselmans. Herman Brusselmans schreef :"Ik wil iedere jood die ik tegenkom een puntig mes los door de keel rammen." Wij proberen ons de reactie van Unia, vele politici en journalisten voor te stellen, als niet een geliefde BV, maar wel een Vlaams Belanger had geschreven dat hij iedere moslim die hij tegenkomt, een puntig mes los door de keel wil rammen.

De verontwaardigingsdiscrepantie in de zaak-Brusselmans is van een zelden vertoonde hypocrisie. De dubbele moraal die mainstream media, traditionele politici en Unia over de zaak-Brusselmans tentoongespreid hebben, is even weerzinwekkend als veelzeggend. Antisemitisme is in dit land meer dan ooit politiek correct. Dat zagen we gisteren nog in De Tafel van Gert en dat merken we ook alsmaar vaker in het Parlement.

Als het is om de onderdrukkende islamitische hoofddoek te pushen, stelt Unia zich gretig burgerlijke partij of gaat het zelfs zijn boekje te buiten, zoals in de zaak tegen het hoofddoekverbod van de Antwerpse organisatie Moeders voor Moeders. Als het echter gaat over de expliciet gepubliceerde geweldsfantasie om iedere jood dood te steken, loopt Unia plots op eieren, zeker als de dader een geliefde bekende Vlaming is. Alsof dat nog niet erg genoeg is, hebben we Unia ook niet gehoord over de grote Palestijns-islamitische manifestatie in Brussel, waar in het Arabisch werd opgeroepen de Joden te verbranden.

Mijnheer de minister, u bent bevoegd voor Unia. Graag hoor ik uw reactie hierop.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, j'attends surtout des réponses aux questions que nous avons posées pendant les débats concernant les notes d'orientation politique. Quelles sont les raisons pour lesquelles Unia va être amputée de 25 % de ses moyens? Quelles sont les justifications? Selon quels règles et principes cette amputation aura-t-elle lieu?

De nos jours, on voit à quel point la défense des droits est essentielle. On voit les attaques aux États-Unis qui se répercutent directement sur nos entreprises et donc sur les droits de nos travailleurs et de nos concitoyens. Unia est plus que jamais nécessaire dans la défense des droits de toutes et tous. Je me demande pour quelles raisons votre gouvernement a décidé de procéder à ces coupes budgétaires.

Rob Beenders:

Mesdames et messieurs les députés, nous avons déjà beaucoup discuté sur la manière dont nous allons collaborer avec Unia, notamment lors du débat concernant l'accord de gouvernement.

Over Unia hebben we al veel gesproken tijdens de bespreking van de beleidsverklaring. Ik heb al gezegd dat die 25 % een beslissing is van tijdens de onderhandelingen en dat het ons nu toekomt om daarover samen met Unia een akkoord te sluiten. Als minister van Gelijke Kansen wil ik wel duidelijk maken dat ik absoluut een verdediger ben van de strijd tegen de verdrukking die we vandaag alsmaar meer zien, komende van tal van extremen. Als ik zeg dat de rechten van minderheden wereldwijd onder druk staan, dan trap ik daarmee geen open deur in.

Ik zal me blijven verzetten tegen alle soorten vormen van discriminatie, waaronder racisme, antisemitisme, geweld tegen lgbti+-personen, genderongelijkheid, noem het maar op. Met deze regering zullen we een duidelijke streep trekken tussen wat we wel en niet tolereren. In onze beleidsverklaring en ook in het regeerakkoord stellen we heel duidelijk dat er daarvoor geen plaats is in onze samenleving.

Om de strijd tegen die ongelijkheid en discriminatie te voeren, zijn gelijkheidsorganen zoals Unia absoluut broodnodig.

Monsieur Aouasti, je partage vos préoccupations quant aux menaces auxquelles sont malheureusement encore exposées aujourd'hui les personnes LGBTQIA+. Il est évident que chacun et chacune devrait pouvoir vivre librement et en toute sécurité dans notre société, quelle que soit son orientation sexuelle ou son identité de genre.

Dans le cadre de mon mandat, je souhaite appuyer les autres membres du gouvernement dans leurs compétences respectives en vue de donner une importance particulière à la lutte contre les violences envers les personnes LGBTQIA+, d'améliorer l'accueil et le suivi des victimes à chaque étape de la procédure et d'agir de manière cohérente contre les auteurs. C'est pourquoi je travaillerai en collaboration avec les ministres compétents à l'élaboration de mesures de lutte contre la discrimination et les violences à l'égard des personnes LGBTQIA+ dans le cadre d'un plan d'action interfédéral. Ces mesures seront développées sur la base des évaluations des précédents plans d'action, des recommandations de la société civile et des outils développés au niveau européen.

Je souhaite que ces mesures se concentrent particulièrement sur l'abaissement du seuil pour le dépôt de plainte en cas de faits discriminatoires, notamment par des mesures de sensibilisation du grand public et des formations à destination des publics vulnérables, par la formation des acteurs concernés aux problématiques relatives aux droits des personnes LGBTQIA+ et par l'amélioration de l'accueil et du soutien des victimes. Je m'emploierai à soutenir les collègues compétents en vue de la réalisation de ces mesures.

Mevrouw De Knop, mijnheer Aouasti, met betrekking tot basis van de besparingen van Unia, we hebben tijdens de onderhandelingen - en ik praat nu echt voor mijn partij - hard gevochten om Unia te kunnen behouden met de werking van vandaag. Tijdens een onderhandeling moeten er echter compromissen gesloten worden. Zoals u weet is dit een besparings- en hervormingsregering, waarin iedereen zijn steentje moet bijdragen. We zullen ervoor blijven strijden dat Unia zijn kerntaken kan blijven uitvoeren.

Voor het afbouwscenario van 25 % kijken we naar een afbouw van de middelen tegen het einde van dit jaar. Op dit moment bekijken we geen nieuwe parameters voor de financiering. Normaliter, zoals de gesprekken nu verlopen, kan deze besparing van 25 % plaatsvinden zonder dat we aan de samenwerkingsovereenkomst van Unia moeten raken. We kijken dus alleen naar de bedragen die buiten de bijdrage van het samenwerkingsakkoord vallen. Unia kan dus nog steeds zijn belangrijkste kerntaken blijven uitvoeren. We zijn ook de bijdrage van de deelstaten niet aan het herbekijken.

We hebben al verschillende vergaderingen gehad om de samenwerking te bespreken met Unia, vooral om te kunnen garanderen dat de werking kan blijven voortbestaan. Uiteraard heeft een besparing van 25 % impact op de manier waarop Unia georganiseerd is, maar het is aan hen om te bekijken hoe ze dit intern vertalen. Tegen het einde van het jaar kunnen we dan samenzitten om de impact te evalueren.

Mijnheer Van Rooy, ik kom aan uw vraag over Herman Brusselmans. Unia heeft een klacht ingediend als reactie op die column van Herman Brusselmans. Het parket werd gevraagd om een onderzoek in te stellen, maar op basis van het verhoor van de heer Brusselmans heeft Unia geoordeeld dat er geen sprake was van kwaadwillig opzet, waardoor er onvoldoende juridische grond was om zich burgerlijke partij te stellen. Die beslissing werd onafhankelijk door Unia genomen, louter op basis van juridische argumenten. Unia blijft wel de gewelddadige en antisemitische beeldspraak in de column van Brusselmans veroordelen en blijft ook joodse organisaties steunen in hun strijd tegen antisemitisme en onverdraagzaamheid.

Het voorbije jaar heeft Unia 15 keer gerechtelijke stappen ondernomen in andere dossiers over antisemitische inbreuken, zoals in de rechtszaak tegen Schild en Vrienden. Unia neemt antisemitisme dus serieus.

Ook deze regering blijft strijden tegen antisemitisme. Ik zal daarom het interfederaal coördinatiemechanisme voor de strijd tegen antisemitisme blijven steunen.

Unia legt verantwoording af aan het Parlement. Voor verdere toelichting over de aanpak van Unia van antisemitisme en de verhouding met de vrije meningsuiting staat het u dus vrij om Unia uit te nodigen in het Parlement voor verdere toelichting.

François De Smet:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse qui, je l'avoue, m'effraie un peu dans le récit. Vous vous êtes battu pour garder Unia. Cela veut donc dire qu'autour de la table, certains voulaient sa disparition. On s'en doutait, mais c'est tout de même une confirmation de votre part que je trouve effrayante. C'est fou de faire des compromis de ce genre. S'il y en a un à table qui dit qu'il veut faire disparaître l'institution et que l'autre ne veut pas, allez, hop, moins 25 %. On va faire disparaître l'institution, mais seulement d'un bras, d'une jambe. Je trouve ça fou! C'est sans doute le prix à payer pour gouverner avec certains partis. Mais cela, après tout, c'est votre problème et celui de votre parti.

Pour la fin de l'année, dès 2025, vous amputez donc de 25 % un organisme qui avait un budget 2025 forcément pris en 2024 et qui, tout à coup, doit improviser une coupe. Je trouve que ce n'est pas très loyal. À tout le moins, un délai aurait été nécessaire.

Je note que vous ne voyez pas où est la contradiction quand vous nous dites de manière très ouverte qu'on va lutter contre les discriminations et, dans les faits, diminuer cette lutte d'un quart des moyens. Forcément, quand on ampute 25 % de moyens à un organisme, cela ne peut pas se faire sans casse sur l'emploi et donc notamment sur l'expertise et l'accueil des victimes. Je trouve vraiment déplorable que la lutte contre les discriminations et l'accueil des victimes se fasse sur le dos d'un compromis politique. C'est bien triste. Merci tout de même, monsieur le ministre, pour votre réponse.

Khalil Aouasti:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses. J'ai envie de dire que je ne suis pas totalement en confiance. En effet, d'une part, on n'envisage les luttes contre l'incitation à la haine, les discriminations, le racisme, la xénophobie, l'antisémitisme, l'islamophobie que par un seul angle: l'égalité des chances. Comme mon collègue l'a indiqué, cet angle est amputé de 25 % et on ne sait toujours pas où on va encore amputer. Est-ce le bras, la jambe ou un autre organe? Et cela alors même que l'on se trouve dans un monde qui, en six semaines, délai entre le moment où j'ai déposé ma question et aujourd'hui, a par ailleurs complètement changé.

On a des instructions qui sont données par un président outre-Atlantique qui demande à des organisations en Europe et en Belgique de remettre en cause leur politique de diversité, leur politique d'égalité pour maintenir des contrats commerciaux et où donc, en réalité, il y aura une tension entre d'un côté l'économique, dont on sait combien il peut être important, et les valeurs pour lesquelles je pense qu'on partage un combat commun.

Or, dans cette période et dans ce brouillard, ce qu'il faut c'est l'inverse. C'est multiplier et même démultiplier les moyens: police, justice, organisations indépendantes comme Unia, afin de permettre d'assurer que les valeurs ne soient pas bradées sur l'autel de l'économie, ou sur l'autel d'autres impératifs qui trahiraient les valeurs que l'on défend et que l'on a tenté de construire pour avoir le modèle que l'on a depuis des décennies.

C'est donc effectivement une réponse qui m'inquiète, d'autant plus que cette collaboration ne vous permet pas d'aborder l'ensemble des maillons de la chaîne. Dès lors, j'interrogerai tout de même le gouvernement – votre homologue de la Justice et vous-même –, sur, outre la collaboration, la question de savoir comment s'assurer qu'il n'y ait pas de défauts de communication dans cette chaîne importante entre la prévention, le constat et la répression.

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, dank u wel voor uw antwoorden, al is er natuurlijk een verschil tussen woord en daad. Enerzijds zegt u in woorden heel duidelijk hoe belangrijk u de taken van Unia vindt en hoe belangrijk u het vindt dat Unia kan strijden tegen ongelijkheid, racisme, discriminatie enzovoort. Anderzijds moet Unia dat doen met een kwart minder middelen, in een tijdsgewricht waar onze verworven vrijheden almaar meer onder druk staan. Het is immers een tijdperk waarin het niet meer zo evident is om je te outen als homo of lesbienne. Gender en zoveel meer zaken staan onder druk. Het lijkt mij meer dan ooit belangrijk om daar een sterk Unia tegenover te stellen, maar we zijn integendeel wat Muskiaans bezig om de diensten die daarover moeten waken verder te ontmantelen. Als ik minister met uw bevoegdheden zou zijn, dan zou ik uiterst waakzaam en echt op mijn hoede zijn. Het lijkt erop dat u wel zeer ambitieus bent, u wil vliegen maar de vleugels zijn er niet.

Sam Van Rooy:

Mijnheer de minister, ik volg Unia al meer dan tien jaar en Unia heeft een gigantische blinde vlek voor antiblank racisme en islamitische discriminatie en antisemitisme. Meer zelfs, Unia staat op de bres voor de islam, de meest onderdrukkende, meest gewelddadige, meest discriminerende zogenaamde religie op aarde. Unia geeft ook geen moer om Vlaams Belangers als ze worden gediscrimineerd, bijvoorbeeld als ze uit de vakbond worden gegooid. Unia doet met andere woorden dus niet aan de bestrijding van discriminatie, Unia discrimineert zelf. Daarvoor blijft Unia van u jaarlijks miljoenen euro's krijgen, mijnheer de minister. De regering-De Wever gebruikt dus belastinggeld van de hardwerkende burger om discriminatie te subsidiëren. Het is gewoonweg degoutant.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, merci pour votre franchise. Je ne doute pas des combats que vous avez livrés et que vous devez encore mener. J'ai pu suivre attentivement les intentions de la N-VA envers Unia, puisqu'elle est parvenue à en faire sortir la Flandre. La conséquence est que les gens qui y vivent sont moins bien protégés qu'avant, à cause de cette réforme et de la création d'un institut spécifique pour la Flandre. Cela dit, aujourd'hui, j'ai envie de vous donner quelques conseils et quelques arguments destinés à convaincre vos collègues. On sait aujourd'hui que l'homophobie explose, en particulier en Flandre. Ainsi, 18 % des jeunes trouvent qu'il est acceptable d'agresser des personnes homosexuelles. La discrimination continue à plomber la vie de nombreuses personnes qui n'arrivent pas, à diplôme égal, à trouver un boulot. Par exemple, les personnes d'origine subsaharienne sont quatre fois plus discriminées sur le marché de l'emploi que les autres. On sait aussi qu'un tiers des entreprises de titres-services acceptent de discriminer à la demande des clients. Les discriminations sont donc aujourd'hui plus présentes que jamais. Vous, en tant que gouvernement, si vous voulez sincèrement atteindre votre objectif de 80 % de taux d'emploi, vous avez besoin d'un organisme qui s'occupe du monitoring des discriminations pour pouvoir soutenir et accompagner les groupes qui sont le plus éloignés du marché de l'emploi et ainsi leur permettre d'obtenir les opportunités auxquelles ils ont droit, mais également de répondre à des métiers en pénurie qui ne sont toujours pas remplis, notamment en raison des discriminations. Pour toutes ces raisons, je pense que vous disposez à présent de tous les éléments pour convaincre vos collègues de la nécessité de maintenir un Centre pour l' égalité des chances qui soit fort. Je vous remercie;

De bescherming van minderheden na de beslissing om te stoppen met factchecken op sociale media
De beslissing van Meta om het moderatiebeleid stop te zetten en de gevaren ervan voor het samenleven
De impact van Meta's moderatiebeleid op kwetsbare groepen en maatschappelijke cohesie

Gesteld aan

Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)

op 8 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om Meta’s stopzetting van fact-checking op Facebook/Instagram, wat dreigt te leiden tot verspreiding van desinformatie en haat tegen minderheden (LGBTQIA+, vrouwen, racisme-slachtoffers), ondanks de Europese Digital Services Act (DSA) die platforms verplicht dit te bestrijden. Minister Beenders benadrukt dat de DSA (met boetes tot 6% omzet) cruciaal is, maar wijst op de noodzaak van betere handhaving, lagere drempels voor klachten en een interfederaal actieplan tegen online haat, met steun aan de Europese Commissie voor sancties. Kernpunt: *DSA biedt kader, maar effectiviteit hangt af van strenge toepassing en samenwerking met justitie en maatschappelijke actoren.*

François De Smet:

Monsieur le ministre, la fin du fact checking sur les réseaux sociaux Facebook et Instagram annoncée par le groupe Meta en ce début janvier risque, sous le prétexte de protéger la liberté d’expression, d’abolir la distinction entre information et désinformation. Cela peut avoir des conséquences sur les minorités déjà considérablement opprimées sur les réseaux sociaux.

En supprimant ces règles de modération, Meta laisse le champ libre aux fausses informations sur les communautés LGBTQIA+, les femmes et les personnes victimes de racisme. Ces fausses informations peuvent alors proliférer et être perçues par les utilisateurs comme des vérités, ce qui pourrait entraîner une banalisation accrue des discours de haine envers les personnes issues de minorités. Or, dans le contexte qui est le nôtre et qui renforce les inégalités, les règles modérant les comportements humains sont absolument nécessaires pour faire respecter l’égalité entre les individus et la dignité de chacun et chacune.

En Europe, les changements seront a priori moins visibles puisque le règlement européen juridiquement contraignant appelé Digital Services Act, applicable depuis février 2024, contraint les entreprises de réseaux sociaux à lutter contre la désinformation et à protéger les droits fondamentaux de tous les utilisateurs.

Directement applicable dans les États membres sans transposition préalable, il contraint les entreprises ne respectant pas ces règles à s'exposer à des sanctions pouvant aller jusqu’à 6 % de leur chiffre d'affaires annuel mondial. Dès lors, des contacts ont-ils été entrepris avec vos homologues européens afin de veiller au respect de l’application du DSA et à assortir les manquements de sanctions? Les différentes associations représentatives des minorités ont-elles déjà été reçues depuis cette annonce? Enfin, un plan spécifique sera-t-il mis en place?

Caroline Désir:

Monsieur le ministre, j'aimerais à mon tour, et comme mon collègue François De Smet, me faire ici le relais des préoccupations de Prisme, la Fédération wallonne LGBTQIA+. Dans une lettre qui nous a été adressée, Prisme s'inquiète en réalité de la décision du groupe Meta, propriété de Mark Zuckerberg, de mettre fin au fact checking et à ses collaborations avec les modérateurs de contenu de Facebook et Instagram.

En effet, le discours de Mark Zuckerberg est aujourd'hui similaire à celui de MM. Trump et Musk, pour qui la liberté d'expression ne doit se voir opposer aucune limite, avec ce risque dramatique de permettre aux opinions de se mélanger aux faits et que la distinction entre information et désinformation ne s'effondre. Comme l'indique Prisme, "Les règles modérant les comportements humains sont absolument nécessaires pour garantir l'égalité entre les individus et leur dignité, quels que soient leurs origines, couleur de peau, sexe, identité ou expression de genre, orientation sexuelle, condition. En supprimant ces règles de modération, Meta permettra aux fausses informations sur les communautés LGBTQIA+, sur les femmes et les personnes racisées, entre autres, de proliférer et d'être perçues par les utilisateurs et utilisatrices comme des vérités. Il devient alors prévisible de s'attendre à une banalisation accrue des discours de haine envers les personnes issues de minorités, des stéréotypes toujours plus tenaces et, en bout de course, une reproduction forte des oppressions et discriminations déjà existantes."

Monsieur le ministre, en Europe, les changements seront en effet a priori moins visibles puisque le règlement européen, le Digital Services Act, entré en vigueur le 16 novembre 2022 et applicable depuis le 17 février 2024, contraint les entreprises de réseaux sociaux à lutter contre la désinformation et à protéger les droits fondamentaux de tous les utilisateurs et utilisatrices. Ce règlement contraint ainsi les plateformes à prévenir et à supprimer les contenus punissables par la loi.

Par conséquent, estimez-vous que le DSA est un outil suffisant pour protéger les minorités sur les réseaux sociaux? Quelles sont les sanctions pour les entreprises qui ne respecteraient pas ces règles? Quelle position comptez-vous adopter au niveau européen dans ce cadre? Enfin, quelles actions et mesures spécifiques envisagez-vous pour protéger les droits fondamentaux de l'ensemble des utilisateurs et utilisatrices pour lutter contre la désinformation et les discours de haine, et comment comptez-vous encourager les victimes à porter plainte?

Rob Beenders:

Madame Désir, monsieur De Smet, je partage votre préoccupation concernant les risques liés à la désinformation et à la haine en ligne et l'impact de la décision du groupe Meta.

Vous m'avez interrogé sur le fait de savoir si le DSA constitue un outil suffisant pour garantir la protection des minorités sur les réseaux sociaux. Personnellement, je suis convaincu que le DSA est un outil essentiel à notre disposition pour combattre les risques croissants liés à la désinformation, à une liberté d'expression débridée et à la prolifération des discours haineux en ligne. Le cadre du DSA fonctionne en interrelation avec les autres lois et règlements qui protègent ces groupes et définissent ce qui est illégal. Ainsi, le DSA intervient en appui des différentes lois anti-discrimination qui interdisent certains discours, aussi bien en ligne que hors ligne.

Vous m'avez demandé quelles sont les sanctions pour les entreprises qui ne respectent pas ces règles. Dans le cadre du DSA, le coordinateur des services numériques – l'Institut belge des services postaux et des télécommunications (IBPT), pour la Belgique – ou la Commission européenne peuvent imposer des amendes. En cas de non-respect des obligations, ces amendes peuvent atteindre un montant maximal équivalent à 6 % du chiffre d'affaires mondial annuel réalisé au cours de l'exercice précédent par le fournisseur des services intermédiaires concernés. Le coordinateur des services numériques ou la Commission européenne sont également en mesure d'imposer des astreintes.

Pour plus de détails concernant les activités de l'IBPT et sa position sur la question posée, je vous invite à interroger directement ma collègue Mme Vanessa Matz, ministre en charge du Numérique, des télécommunications et de la société de l'information.

Vous vouliez en outre savoir quelle position je comptais adopter au niveau européen dans ce cadre. Pour ma part, je pense qu'il est de notre devoir de soutenir la Commission européenne dans sa mission de surveillance, notamment dans l'exercice de ses pouvoirs d'enquête concernant le respect des obligations par les fournisseurs de très grandes plateformes en ligne et de très grands moteurs de recherche en ligne.

Le cas échéant, si un manquement est constaté, il conviendra d'apporter notre plein soutien à la Commission dans l'application des sanctions prévues par le DSA.

Vous me demandez ensuite, d'une part, quelles sont les mesures et actions spécifiques envisagées pour protéger les droits fondamentaux des utilisateurs et utilisatrices pour lutter contre la désinformation et les discours de haine et, d'autre part, comment je compte encourager les victimes à porter plainte. L'efficacité du DSA dans la protection des droits de ces personnes en ligne dépend de notre capacité à mobiliser ces instruments juridiques européens. Cela implique que les acteurs du monde judiciaire doivent avoir les moyens nécessaires pour poursuivre les infractions. Je peux en discuter avec les collègues du gouvernement.

Par ailleurs, je souhaiterais que l'un des principaux axes stratégiques du futur Plan d'action interfédéral de lutte contre le racisme et les discriminations se concentre sur la lutte contre les violences et l'abaissement du seuil pour les dépôts de plainte en cas de fait discriminatoire, notamment par la formation des acteurs concernés, ainsi que par l'amélioration de l'accueil et du soutien des victimes. Les actions proposées pourront s'inspirer, en outre, des recommandations de l'étude sur l'antisémitisme en ligne, dont les résultats sont attendus cette année-ci.

François De Smet:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse et ne peux que vous encourager à vous occuper activement du suivi à l'intérieur du gouvernement, de même qu'au plan européen, comme vous semblez vous y engager. C'est très bien.

Caroline Désir:

Monsieur le ministre, merci de votre réponse. Nous sentons en effet votre engagement sur cette question et nous continuerons à suivre ce dossier de près, parce qu'il nous semble prioritaire sur le plan du respect des droits de chacun. Je suivrai aussi votre suggestion d'interroger votre collègue Matz sur le sujet. Je vous remercie.

De verdere uitbouw van de zorgcentra na seksueel geweld
De verdere uitbouw van de zorgcentra na seksueel geweld
De opening van drie nieuwe ZSG's
Uitbreiding zorgcentra na seksueel geweld

Gesteld aan

Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)

op 8 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De zorgcentra na seksueel geweld (CPVS) groeiden van 3 naar 10 locaties, met plannen voor 3 extra centra (Bergen, Waals-Brabant, Halle-Vilvoorde) om dekkingsgraad te optimaliseren—realisatie hangt af van INAMI/RIZIV-selectie (2025) en vertraagt door procedurele stappen. Campagnes verhoogden naamsbekendheid (3x meer websitebezoeken, +15% bereidheid tot bezoek), maar de stijging in meldingen (95% in 2022, 28% in 2023) komt ook door betere samenwerking met politie en doorverwijzingen. Toekomstige acties richten zich op kwetsbare groepen (meertalige folders, gebarentaalvideo’s) en lokale zichtbaarheid (festivals, opleidingen), terwijl financiering (€17,5 mln in 2025) nog onduidelijk is voor de nieuwe centra. Bevoegdheidsverdeling tussen Gelijke Kansen en Volksgezondheid bemoeilijkt concrete antwoorden over locaties en timing.

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, de strijd tegen seksueel geweld blijft een prioriteit. Nog vorige week hebben wij gemerkt hoe sterk het thema leeft in onze samenleving. In 2017, dus al een tijd geleden, werden de eerste drie zorgcentra na seksueel geweld, waar een speciaal opgeleid multidisciplinair team aan slachtoffers van seksueel geweld en hun steunfiguren zorg biedt, geopend. Sindsdien werden nog zeven andere centra ingehuldigd. Ondertussen kunnen wij beamen dat de zorgcentra iedere dag absoluut hun nut hebben bewezen.

Het werk is zeker niet af. Wij waren dan ook blij te zien dat in de federale begroting van 2024 de oprichting van drie nieuwe centra werden opgenomen, namelijk eentje in Bergen, eentje in Waals-Brabant en eentje in Halle-Vilvoorde. Daarmee komt men tegemoet aan het streefdoel elk slachtoffer een zorgcentrum na seksueel geweld op minder dan een uur rijden van de woning kan vinden.

Het beleid blijkt ook zijn vruchten af te werpen. Ik las vorige week immers in de pers dat in Antwerpen ondertussen per week vijf vrouwen aangifte doen van verkrachting. Dat is een enorme groei. Wellicht stijgt niet zozeer het aantal feiten dan wel de aangiftebereidheid of verbetert de toegang tot de aangifte. Wij zijn ervan overtuigd dat de zorgcentra na seksueel geweld daartoe bijdragen.

Om die reden moeten we nu eindelijk werk maken van de drie laatste nieuwe centra en blijven inzetten op informatie rond de zorgcentra na seksueel geweld, zodat die bekend zijn slachtoffers en het brede publiek. Het is belangrijk voor slachtoffers dat zij gehoor vinden, dat de verkrachting of het misbruik erkend wordt en dat dat opgevolgd wordt.

Mijnheer de minister, wat was de impact van de informatiecampagne over de zorgcentra bij het brede publiek en slachtoffers? Werd die campagne reeds geëvalueerd en wat waren daarvan de conclusies? Heeft de campagne volgens u ook aantoonbaar een effect gehad op het aantal meldingen in 2024?

Welke initiatieven worden er nog genomen om de zorgcentra bekend te maken?

Hoe ver staat het met de bouw van de drie extra zorgcentra? Wat is de timing? Wat zijn de oorzaken voor de vertragingen in de drie regio's?

Waar precies in Waals-Brabant en Halle-Vilvoorde komt het nieuwe zorgcentrum? Op basis van welke criteria worden vestigingsplaatsen bepaald?

De begroting voor 2025, zoals vastgelegd door de ministerraad op 28 februari, voorziet in 17,5 miljoen euro voor de zorgcentra na seksueel geweld. Moeten die middelen ook dienen voor de financiering van de nog op te richten centra opgenomen? Zo neen, welk bedrag zal daarvoor dan worden uitgetrokken in de komende begroting?

Sarah Schlitz:

Je renvoie à la version écrite de ma question.

Monsieur le ministre,

Votre Gouvernement s'est engagé à poursuivre l'action du précédent Gouvernement en ouvrant 3 CPVS supplémentaires.

Pourriez-vous nous indiquer où cela en est? Quelles étapes ont été franchies depuis votre entrée en fonction? Quelles sont les prochaines étapes dans les différents dossiers?

Rob Beenders:

Mevrouw De Knop, mevrouw Schlitz, het dossier van de zorgcentra na seksueel geweld is belangrijk, getuige de expliciete vermelding van de centra in het regeerakkoord.

Il existe actuellement dix CPVS et l'objectif est d'en ouvrir trois de plus, afin de disposer d'un CPVS dans chaque arrondissement judiciaire. Concrètement, un CPVS sera ouvert dans les arrondissements de Hal-Vilvorde, de Mons et du Brabant wallon, comme le confirme l'accord du gouvernement.

Vu l'entrée en vigueur de la loi relative aux CPVS le 1 er janvier 2025, l'INAMI est compétente pour la sélection des hôpitaux. Elle détermine les critères de sélection et le calendrier ainsi que leur financement en ce qui concerne l'aspect médical. Pour les questions à ce sujet, il convient de s'adresser à mon collègue en charge de la Santé publique, qui est compétent pour l'INAMI.

Mevrouw De Knop, de meest recente campagne liep tot 28 februari. Op dit moment zijn we die campagne nog aan het evalueren, maar we weten wel al dat de website van de zorgcentra drie keer zoveel werd bezocht tijdens die campagne, tot gemiddeld 4.500 bezoekers per week. Daarnaast lag het aantal personen dat overwoog om in geval van nood een zorgcentrum te bezoeken, 15 % hoger dan bij een controlegroep die de campagne niet had gezien. Het doel van de campagne was de naambekendheid te vergroten, niet zozeer het aantal meldingen te doen stijgen. De zorgcentra richten zich immers op opvang en zorg in acute situaties van seksueel geweld.

Sinds de opstart van de zorgcentra is het aantal meldingen sterk gestegen, zoals u al aangaf in uw vraag. In 2022 was er een stijging met 95 %, in 2023 een stijging met 28 % ten opzichte van 2022. Die stijging is niet alleen maar toe te schrijven aan campagnes. De samenwerking met bijvoorbeeld de politie werd namelijk versterkt, wat ook geleid heeft tot meer doorverwijzingen van slachtoffers naar de zorgcentra.

Op dit moment is er geen algemene campagne concreet gepland, maar werken we wel aan specifiek materiaal voor personen die zich in een kwetsbare positie bevinden. Het gaat bijvoorbeeld over folders in verschillende talen met aangepast beelden voor sociale media of zelfs video's met gebarentaal. Die materialen worden nu in overleg met de organisaties en de verschillende doelgroepen uitgewerkt. In de volgende maanden zullen we die communicatiemiddelen verspreiden, onder andere via tal van maatschappelijke organisaties, maar ook via medische centra, apotheken, ziekenhuizen en lokale overheden.

Daarnaast werken we ook permanent aan de bekendmaking van de zorgcentra. De zorgcentra nemen lokaal een belangrijke rol op. Zij organiseren zelf informatiesessies bij verschillende organisaties. Ze nemen ook een actieve rol op bij festivals, door daar aanwezig te zijn. Er wordt bijvoorbeeld ook gevraagd om opleidingen te geven.

Voor de vragen over de timing en de selectie van de zorgcentra in het gerechtelijk arrondissement Halle-Vilvoorde en Waals-Brabant, moet ik u doorverwijzen naar mijn collega Frank Vandenbroucke, omdat het RIZIV de selectie doet en ook de financiering van de ziekenhuizen verder opvolgt. Ik verwijs naar de wet van 1 januari 2025.

Irina De Knop:

Mevrouw de voorzitster, Ik wil mij graag even tot u richten. Mijn twee vragen werden samengevoegd, precies omdat we wisten dat die bevoegdheden verdeeld waren tussen de minister bevoegd voor Gezondheid en de minister bevoegd voor Gelijke Kansen. Als dat mogelijk is, zou ik toch graag mijn vraag aan minister Vandenbroucke stellen, zonder dat ik die opnieuw moet indienen. Ik zal mij richten tot het secretariaat om dat even praktisch te regelen, maar ik merk dat ze hier samengevoegd werden om dan toch geen antwoord op mijn vraag te krijgen.

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoorden over de campagne. We zullen dit zeker verder opvolgen.

La présidente : Monsieur le ministre a un complément de réponse.

Rob Beenders:

Het RIZIV is op dit moment bezig met de selectie van die criteria en met de oproep, zodat de dossiers kunnen binnenkomen daar waar het kan worden georganiseerd. We kunnen nog niet concreet zeggen waar dat doorgaat en wanneer, omdat die oproep momenteel bij het RIZIV in opmaak is.

La présidente : Mme Meunier pourra en témoigner: elle a déjà posé des questions sur le sujet à plusieurs personnes et tout le monde se renvoie la balle.

Sarah Schlitz:

Merci pour vos réponses, monsieur le ministre. Le projet des CPVS a été un énorme chantier de déploiement sous la précédente législature: nous sommes passés de trois projets pilotes à un véritable réseau de dix centres, qui permet à une victime d'y avoir accès en moins d'une heure de chez elle. Je suis heureuse que vous ayez pérennisé la volonté du gouvernement précédent d'ouvrir trois centres supplémentaires pour garantir un maillage le plus optimal possible. Pour la suite, je ne doute pas que les administrations – très compétentes – sont en train de suivre le dossier et que l'attribution se fera en toute objectivité. C'est le plus important, pour que les victimes soient reçues dans les meilleures conditions à chaque endroit où elles se rendront. Je vous remercie.

Het Nationaal Actieplan ter bestrijding van gendergerelateerd geweld

Gesteld door

lijst: PS Marie Meunier

Gesteld aan

Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)

op 8 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De Belgische overheid evalueert het huidige PAN 2021-2025 tegen gendergerelateerd geweld, waar de Plateforme nationale (maatschappij) tekortkomingen signaleert in de uitvoering van afspraken. Minister Beenders bevestigt dat kritiek en aanbevelingen (via tussentijdse rapporten en rondetafelgesprekken in 2024) zijn doorgespeeld aan het interdepartementaal overleg (GID) en betrokken partijen, met een tweede overleg gepland voor het definitieve rapport eind 2025. Voor het toekomstige PAN 2026-2030 belooft hij versterkte samenwerking met het maatschappelijk middenveld, verankerd via een koninklijk besluit (okt. 2023) dat de Plateforme structureel betrekt bij ontwerp, uitvoering *en* evaluatie. Concrete maatregelen voor de overgangsperiode worden niet genoemd, maar dialogue en coördinatie blijven centraal.

Marie Meunier:

Monsieur le ministre, en Belgique, les violences fondées sur le genre demeurent une problématique majeure, nécessitant une réponse efficace et coordonnée des autorités. Le Plan d'action national de lutte contre les violences basées sur le genre, plus couramment appelé PAN couvre la période 2021-2025.

La Plateforme nationale représentative de la société civile belge, instance fédérale composée d'associations flamandes, francophones et germanophones, chargée de suivre la mise en œuvre du PAN pour la période 2021-2025, a récemment indiqué qu'il n'a pas été satisfait à plusieurs engagements repris dans ce dernier.

Dans l'attente du rapport final qui devrait être transmis fin 2025, il apparaît dès lors nécessaire de déjà se pencher sur les constats et recommandations formulés par cette instance et d'en tirer des enseignements pour l'adoption prochaine du PAN couvrant la période 2026-2030.

Monsieur le ministre, avez-vous déjà pu prendre connaissance des remarques émises par la Plateforme nationale dans le cadre du PAN actuel? Comment ce gouvernement compte-t-il agir pour remédier aux problématiques soulevées dans l'évaluation du PAN 2021-2025? Des mesures spécifiques sont-elles envisagées d'ici l'élaboration du futur plan d'action? Quel processus comptez-vous mettre en place dans le cadre de l'élaboration du futur plan et quelles concertations comptez-vous menez dans ce cadre?

Rob Beenders:

Madame Meunier, comme vous le savez, la Belgique déploie actuellement sa politique en la matière à travers le Plan d'action national de lutte contre les violences basées sur le genre (PAN) 2021-2025. Le suivi et la mise en œuvre de ce plan sont assurés par un groupe interdépartemental (GID), qui rassemble des représentants des cabinets ministériels et des administrations concernées par l'application du PAN tant au plan fédéral que communautaire et régional. Il collabore régulièrement avec la Plateforme nationale de la société civile.

En janvier 2024, à l'occasion de la présentation du rapport intermédiaire, une table ronde a été organisée entre ces deux instances pour discuter des mesures prises et répondre aux questions adressées par la société civile. Par ailleurs, les recommandations issues du processus d'évaluation indépendant réalisé par la Plateforme ont été transmises aux membres du GID en novembre 2024. Une deuxième table ronde sera organisée cette année pour discuter du rapport final du PAN et des recommandations de la Plateforme pour le prochain Plan d'action national.

Nous sommes pleinement conscients que la lutte contre les violences de genre repose sur l'engagement et la coopération de nombreux acteurs. Nous veillons donc à une concertation active avec la société civile, notamment à travers la Plateforme. Son existence et son financement sont garantis par un arrêté royal du 2 octobre 2023, qui concrétise la consultation de la Plateforme dans la conception, la mise en œuvre et l'évaluation du Plan d'action national de lutte contre les violences basées sur le genre.

Soyez donc assurée, madame Meunier, que mon engagement à poursuivre ce dialogue est total, tant pour le Plan actuel que pour le prochain.

Marie Meunier:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos différentes réponses.

Het seksueel geweld in het studentenmilieu en meer bepaald de casus bij de KU Leuven

Gesteld aan

Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)

op 8 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Na een verkrachting op de KU Leuven-kampus benadrukt Sarah Schlitz de nood aan verplichte EVRA-sensibilisatie (consentement, respect) van kleuter tot universiteit, inclusief selectiecriteria voor toekomstige gynécologen, en pleit voor verplichte vormingen (zoals in Québec) om studies veilig te maken. Minister Beenders verwijst naar bestaande campagnes, tools en samenwerkingen (o.a. met Plan International) voor veilig uitgaan en slachtofferopvang, met een geplande campagne over consentement en alcohol eind 2024. Schlitz dringt aan op concrete actie: verplichte ongescoorde cursussen, brieven aan rectoraten voor strengere opname-eisen in medische opleidingen, en structurele middelen om seksueel geweld op campussen uit te bannen. Kernpunt: systeemwijziging in onderwijs en selectie om cultuur van straffeloosheid te doorbreken.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, une jeune femme a été victime d'un viol sur le campus de l'université de Leuven. Cet événement terrible met une nouvelle fois en exergue la question des violences sexuelles qui se produisent dans les milieux festifs estudiantins sur nos campus belges. Ce phénomène n'est pas nouveau; il a été très fortement mis à l'agenda grâce à des collectifs militants, bénévoles, comme Balance ton bar, Balance ton folklore, qui ont interpellé les politiques pendant des années pour obtenir des avancées.

Alors, évidemment, il y a eu des avancées ces dernières années: la création de centres de prise en charge des violences sexuelles, plusieurs campagnes menées au niveau des Régions, des Communautés mais aussi au niveau fédéral pour renforcer la sensibilisation et mieux faire connaître la question du consentement. Mais, visiblement, ce n'est pas encore suffisant.

Monsieur le ministre, avez-vous pris contact avec le rectorat de Leuven pour aborder la question de la prévention et de la sensibilisation des étudiants? En ce qui me concerne, je suis convaincue que l'EVRAS, les politiques qui permettent d'avoir une éducation à la vie sexuelle, relationnelle et affective, doivent être données de la maternelle jusqu'à l'université et dans les hautes écoles.

Quand on débarque à 17 ans dans un campus et qu'on découvre la liberté, c'est un moment crucial, notamment dans sa vie intime. C'est donc le bon moment pour donner ce type de sensibilisation. Et pourtant, beaucoup d'universités continuent à être frileuses par rapport au fait d'imposer ce type de programme dans le cadre des études.

Monsieur le ministre, comptez-vous aborder ce sujet avec les autorités de la KU Leuven? Prévoyez-vous aussi de débloquer des moyens pour soutenir des campagnes sur les campus belges? D'autres actions sont-elles prévues? Par ailleurs, ce qui est très interpellant dans le cas qui nous occupe, c'est le fait que l'auteur n'est autre qu'un futur gynécologue. Cela me paraît particulièrement interpellant d'imaginer qu'une personne a réussi à franchir les sélections pour devenir gynécologue, alors que les candidats et les candidates ne manquent pas, et que cette personne n'ait pas conscience des limites relatives au consentement

C'est une énorme lacune dans la procédure de sélection des candidats gynécologues. D'autres spécialités sont aussi concernées, mais avouons que cette situation est extrêmement choquante. Les universités pourraient, dès lors, intégrer cette dimension spécifique dans leur processus de sélection.

Rob Beenders:

Madame Schlitz, l'Institut pour l' égalité des femmes et des hommes a déjà pris diverses initiatives par le passé pour rendre la vie nocturne, les festivals et l'enseignement supérieur plus sûrs. Par exemple, de la fin octobre 2022 à la fin octobre 2023, une collaboration s'est établie avec Plan international et le Plan SACHA. Toutes sortes d'outils ont été développés pour rendre les sorties plus sécurisées et prendre en charge les victimes. Nous avons également travaillé sur la sensibilisation et la prévention en étant présents lors des festivals et en dehors. Des rencontres ont été organisées avec des associations étudiantes et des organisateurs ou organisatrices d'événements. Un guide pratique a également été élaboré.

L'Institut mène également des campagnes de sensibilisation. Entre 2023 et 2025, il a ainsi lancé deux grandes campagnes sur les CPVS, en mettant l'accent sur les mineurs. Il étudie, par ailleurs, la possibilité d'en lancer une sur le consentement et l'alcool pour la fin de l'année.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, je vous remercie. En effet, sous la précédente législature, nous avons lancé plusieurs initiatives avec des moyens à la clef pour mieux faire connaître le consentement et sensibiliser en milieu festif. Maintenant, comme je vous l'ai déjà dit, ne faites pas le coucou, mais essayez de développer vos propres actions et d'aller chercher des moyens pour empêcher que ce type de phénomène se reproduise. Le milieu festif est festif pour toutes et tous. Ce n'est pas festif pour les uns et dangereux pour les autres. Cela, c'est inacceptable. Ce message doit mieux passer. Il existe notamment des exemples concrets au Québec où, pour pouvoir valider sa première année, il est obligatoire d'avoir suivi une formation relative au consentement et au principe de respect de l'autre. Eh bien, je continue de penser que toutes les universités et hautes écoles devraient imposer ce test. Il ne serait pas coté, mais obligatoire pour pouvoir valider ses crédits en fin d'année. D'autres pays le font, et je ne vois pas pourquoi nous ne pourrions pas mettre en place un tel dispositif. Subir une agression sexuelle, subir un viol pendant ses études, c'est compromettre sa réussite et donc son avenir. Je ne vais pas vous apprendre que ce sont majoritairement des femmes qui sont les victimes de ces agressions. Il est donc indispensable, aussi pour une question d'égalité, de garantir que les études soient safe pour toutes et tous. Par ailleurs, je ne vous ai pas entendu sur la sélection des futurs gynécologues. J’imagine que c’est un sujet qui doit être discuté avec le ministre de la Santé et avec les ministres des entités fédérées. J’entends que vos collègues, au niveau de la Défense et de la Santé, ont envoyé un courrier aux rectorats pour faire savoir qu’ils souhaitaient que la médecine de guerre soit une obligation à partir d’aujourd'hui dans le cursus des urgentistes. Je vous suggère d’envoyer un courrier à tous les recteurs et rectrices de ce pays pour leur demander de renforcer la dimension du consentement et la prévention des violences sexuelles dans les parcours des médecins, et en particulier des gynécologues. Je vous remercie.

De voorbereidende NAVO-top en het traject voor de defensie-uitgaven naar 2 % en meer

Gesteld aan

Bart De Wever (Eerste minister)

op 3 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Kjell Vander Elst (N-VA) dringt aan op structurele defensie-investeringen (2% NAVO-norm) en kritiseert de regering voor tijdelijke boekhoudtrucs en gebrek aan concrete plannen, terwijl coalitiepartijen hervormingen en verkoop staatsdeelnemingen blokkeren. Premier De Wever bevestigt dat 2% dit jaar gehaald wordt en dat er miljarden extra nodig zijn, maar wijst op lopende onderhandelingen over financiering en mogelijke verscherpte NAVO-eisen (zelfs 5%), met focus op steun aan Oekraïne als sleutelinvestering. Vander Elst blijft sceptisch en eist duidelijke, permanente budgetkeuzes in plaats van "luchtkastelen" en uitstel. De urgentie is hoog: de NAVO-deadline en veiligheidsrisico’s dwingen tot snelle, transparante beslissingen.

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de eerste minister, de NAVO vormt de hoeksteen van onze veiligheid. Wij moeten in dat partnerschap als land ons deel doen. Hier staat naast u uw grootste bondgenoot vanuit de oppositie voor bijkomende defensie-investeringen.

Enkele weken geleden stelde ik u hier dezelfde vraag en antwoordde u dat we een spurtje zouden trekken voor onze defensie-uitgaven. Ik steun u in uw zoektocht naar bijkomende middelen. Laat een zaak wel duidelijk zijn: ik steun uw zoektocht naar structurele budgetten. Met eenmalige goocheltrucs zullen we er niet geraken en dat is precies wat u momenteel met uw regering aan het doen bent. U bouwt budgettaire luchtkastelen.

Als het gaat over structurele budgetten voor Defensie, hoor ik alleen maar veto's: voor hervormingen of besparingen in de sociale zekerheid, bijvoorbeeld in de gezondheidszorg, geldt een veto van Vooruit, voor de verkoop van overheidsparticipaties, de kroonjuwelen van de Belgische Staat, is er het veto van Les Engagés, en ik kan zo nog een tijdje doorgaan. Het enige wat echt concreet is, zijn boekhoudkundige truken van de foor om allerlei uitgaven ineens onder de koepel van defensie-uitgaven te brengen. Dat zijn geen structurele defensie-investeringen. Daar worden ons leger en dus ook de veiligheid van onze burgers niet beter van.

Mijnheer de eerste minister, de tijd dringt. Volgende week moet u uw ei leggen. Welke keuzes zult u maken om de defensie-uitgaven structureel en zo snel mogelijk te verhogen?

Bart De Wever:

Collega Vander Elst, het regeerakkoord had al een pad uitgetekend om de huidige NAVO-norm van 2 % tegen 2029 te halen. Het is geen groot geheim dat op het moment in de coalitie en in de regering wordt besproken hoe we dat een pak sneller moeten doen. We hebben geen keuze. Het moet. Dat betekent dus dat er vele miljarden euro's aan nieuwe uitgaven moeten komen, waarvoor inderdaad afspraken over de financiering moeten worden gemaakt. Dat vergt een grondige bespreking. Die is nog niet afgerond. Ik zal graag antwoorden op uw kritiek, zodra dat akkoord rond is. Wij werken naar de deadline om het budget te kunnen indienen bij de NAVO. Daarna zullen alle vragen transparant worden beantwoord, niet alleen over de financieringswijze, maar ook over de plannen om die middelen te besteden.

U zegt dat u mijn grootste bondgenoot bent. Ik ben blij dat te vernemen. Ik hoop dat dat voor alle leden van uw partij ook zo is, want dat is niet altijd even duidelijk. Ik herinner me immers nog een radio-interview uit 2015 met mevrouw Rutten, met wie ik samen in de Zweedse coalitie zat. Zij vroeg zich in dat interview af waarom we drie militaire componenten, namelijk de luchtmacht, landmacht en zeemacht, nodig hadden en of we niet zonder de marine konden. Ik hoop dat uw volledige partij geëvolueerd is wat dat betreft.

De neuzen van de arizonacoalitie staan op dat vlak wel in dezelfde richting. Wij zullen in ieder geval 2 % dit jaar realiseren, daar zijn we het allemaal over eens. Wij spreken ook al over de zeer waarschijnlijke eventualiteit dat de NAVO ons de komende zomer een nog strakkere norm zal opleggen. We moeten rekening houden met die mogelijkheid. De heer Rubio is er morgen en hij spreekt over 5 %. Ik hoop dat het dat percentage niet wordt, maar het lijkt me bijna zeker dat het meer dan 2 % wordt.

Binnen dat kader willen wij onze bilaterale militaire hulp in Oekraïne behouden en, indien mogelijk, opdrijven. De beste investering in onze veiligheid is een sterk Oekraïens leger. Daar hebben we ons onlangs in Parijs ook voor geëngageerd.

Met het oog op een duurzame vrede en met het oog op de vrijwaring van het multilateralisme en de principes van het charter van de Verenigde Naties zullen we doen wat we moeten doen.

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de premier, bedankt voor uw antwoord. U verwijst graag naar het verleden, maar dat had ik verwacht, aangezien u historicus bent. Als ik u een raad mag geven, zet die plaat af. U hebt gezegd dat u een spurtje voor de defensie-uitgaven zou trekken, maar momenteel bent u aan het zigzaggen tussen excuses en uitvluchten. Defensie heeft geen boodschap aan uw budgettaire luchtkastelen, maar heeft nood aan structurele en doordachte investeringen. Dat is wat militairen verdienen, dat is wat Defensie van u verwacht. Mijnheer de premier, Pasen komt eraan. Het is tijd om uw ei te leggen.

De door de VS opgelegde importheffingen
De verhoging van de Amerikaanse importheffingen
De Amerikaanse importheffingen
De door Trump gevoerde handelsoorlog
De reactie van België op het agressieve handelsbeleid van de VS
De Amerikaanse importheffingen
De door de importheffingen van Trump geboden opportuniteiten
De Amerikaanse douanerechten
Amerikaans handelsbeleid en -heffingen

Gesteld aan

Bart De Wever (Eerste minister)

op 3 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om Trumps importheffingen (20% op EU-producten), die de Belgische economie, koopkracht en jobs bedreigen, met name in exportgerichte sectoren zoals staal en farma. Kernstandpunten: Europa moet onderhandelen met tegenmaatregelen (proportionele tarieven, versterkte interne markt) maar conflict vermijden, terwijl kritiek klinkt op Trumps protectionisme als wapen voor superrijken (tech-oligarchen) en de afhankelijkheid van de VS. Sommigen pleiten voor strategische autonomie (relocalisatie, "Made in Europe", defensie-investeringen), anderen voor globale samenwerking met slachtoffers van Amerikaans imperialisme. Eindpunt: Europa’s eenheid en economische soevereiniteit zijn cruciaal, maar concrete actie ontbreekt.

Annick Lambrecht:

Mijnheer de eerste minister, extremen bedreigen onze welvaart, dat wordt vandaag nog eens goed duidelijk. De energiecrisis die Poetin ontketende toen hij Oekraïne binnenviel, staat nog vers in ons geheugen. We voelden de effecten onmiddellijk met torenhoge energiefacturen. In veel huizen ging de verwarming lager of zelfs uit.

Ook vandaag zien we tot wat extreme denkbeelden leiden: een ware handelsoorlog, die onze koopkracht bedreigt en onze prijzen zal doen stijgen. Onze staalindustrie kreeg al klappen en nu valt Trump heel Europa en ook de rest van de wereld aan met hoge importtarieven, voor de EU maar liefst 20 % op alle producten.

Dit raakt ons allemaal direct. Voor Vooruit is het dan ook heel duidelijk: we moeten onze mensen en bedrijven zo goed mogelijk helpen, net zoals we dat deden tijdens de energiecrisis. Ook toen namen we maatregelen om de koopkracht van de mensen te beschermen.

De Europese Commissie staat klaar met tegenmaatregelen, maar benadrukt ook het belang van blijven onderhandelen. Mijnheer de eerste minister, deze handelsoorlog zal een direct effect hebben op de koopkracht van iedereen. Mensen rekenen op een sterke overheid.

Zult u met Europa in gesprek gaan om te kijken hoe we onze koopkracht en onze jobs kunnen beschermen?

Koen Van den Heuvel:

Mijnheer de premier, het is niet langer wachten op het spelletje Hoger, lager van Trump: het is hoger geworden. Vanaf nu is Liberation Day het symbool van de ware America first -politiek, die de portefeuille van onze ondernemers en onze mensen doet bloeden.

De effecten daarvan zijn dramatisch voor Europa en voor de hele wereld. Collega's, ze zijn echter ook dramatisch voor Amerika en de Amerikanen zelf. Dat is voor ons nog eens heel duidelijk het bewijs van hoe nefast populistische extremisten kunnen zijn voor de gewone man en vrouw in de straat eens ze aan de macht zijn.

In ons land zijn er heel wat sectoren, zoals de farmasector, waarvoor Amerika heel erg belangrijk is. Elke dag werken mensen en bedrijven samen met Amerikaanse bedrijven en die Amerikaanse bedrijven werken ook heel graag samen met ons. Zij doen hun best en het is dan ook onbegrijpelijk dat een Amerikaanse president dit allemaal op het spel durft te zetten.

De vraag is echter welke reactie wij hebben. Speak softly and carry a big stick , dat moet het devies zijn. We moeten onderhandelen, maar als Trump niet luistert moeten we ook tegenmaatregelen durven nemen. Een goede trans-Atlantische samenwerking is in het belang van Europa. Het moet niet zozeer een anti-Amerikaans verhaal worden, het moet een pro-Europees verhaal worden om onze Europese interne markt te versterken en komaf te maken met de belemmeringen en onnodige regeltjes die de Europese handelsroute belemmeren. Ook onze extra 17 miljard euro aan defensie-uitgaven moeten in Europa worden besteed. Meer made in Europe is voor cd&v the way to go .

Beste premier, ik ga er vanuit dat u deze lijn mee zult bewaken en dat u ook een taskforce zult oprichten (...)

Katrijn van Riet:

Mijnheer de eerste minister, toen ik gisteravond naar het livebetoog van president Trump luisterde over de importheffingen die de Verenigde Staten zullen heffen, overviel mij een ongemakkelijk gevoel. De supersonische snelheid waarmee de regering-Trump de heffingen wil laten ingaan, maar ook het gebrek aan logica bij de berekening ervan tarten alle verbeelding.

Wij staan dus voor enorme uitdagingen. De Verenigde Staten zijn een van de belangrijkste handelspartners van België. Na de Europese Unie zijn zij zelfs de belangrijkste partner. België, maar zeker ook Vlaanderen, is een heel exportgerichte regio. De heffingen zullen onze regio en ons land dus veel geld kosten. Minder export betekent minder omzet, minder winst, een lagere tewerkstelling en minder groei. Met andere woorden, minder export betekent lagere inkomsten uit belastingen op arbeid en op winst van de bedrijven voor de overheid en veel hoge kosten voor onze eigen bevolking. Volgens VOKA zouden de maatregelen de Belgische economie ongeveer 12 miljard euro kosten.

Moeten wij de demarche van de regering-Trump beschouwen als een onderhandelingspoging van die regering of is het haar werkelijk menens?

Wordt er een spiegelbeeld aan maatregelen getroffen door de Europese Unie? Er was reeds een pakket tegenmaatregelen voorzien op 13 april 2025. Dat pakket lijkt echter nu al achterhaald. Zo snel gaat het tegenwoordig. Wat komt er nu? Wat kunnen wij nu doen in eigen land?

Wij willen geen inflatoire handelsoorlog starten. Zo'n oorlog kent immers enkel verliezers. Wij zijn anderzijds wel van mening dat Europa ook eens de rug mag rechten.

Ik kijk uit naar uw antwoord.

Robin Tonniau:

Mijnheer de premier van België, de VS hebben geen bondgenoten, ze hebben alleen belangen. Al jaren waarschuwen wij met de PVDA tegen het imperialisme van de VS, maar niemand luisterde naar ons. Wij werden hier in een hoekje als anti-Amerikaans weggezet.

‘De VS zijn de belangrijkste partners voor het verdedigen van gedeelde fundamentele waarden en wereldwijde veiligheid.’ Zo staat het in uw regeerakkoord. Het moet dus een pijnlijk ontwaken voor u geweest zijn, mijnheer de premier, als Atlantist in hart en nieren, maar het zal een nog pijnlijker ontwaken voor de gewone hardwerkende mensen zijn geweest, want de werkende mensen in Europa zullen zwaar worden getroffen. Onze industrie kreunde al onder de peperdure energie uit de VS en dat zal nu alleen maar verergeren.

De werkende klasse gaat de rekening twee keer betalen. Niet alleen verliezen zij mogelijk hun werk, als Europa meegaat in de sanctieoorlog zullen ook alle producten hier duurder worden. Trump bedreigt ook alle andere en opkomende economieën. Uiteindelijk blijft niemand gespaard, want ook voor de Amerikanen zelf is dit geen goed nieuws. Ook voor hen zullen de prijzen stijgen. Het is duidelijk wie de prijs betaalt.

Sinds de Tweede Wereldoorlog is heel onze economie op die van de Amerikanen afgestemd. Nu laten ze Europa vallen, maar laat ons het hoofd koel houden, mijnheer de premier. Laat ons de hand reiken naar de rest van de wereld, naar alle slachtoffers van het Amerikaans imperialisme, maar wel op gelijke voet.

Mijnheer De Wever, hoe zult u de werkende klasse tegen deze handelsoorlog beschermen? Reikt u de hand uit naar het globale zuiden?

Mathieu Michel:

Monsieur le premier ministre, chers collègues, depuis quelques mois, nous voguons de sidération en sidération. Il est effectivement parfois difficile de reconnaître les États-Unis, il est même permis de se demander si le libéralisme a encore cours dans ce pays. En se repliant sur eux-mêmes et en voulant imposer une vision unilatérale des relations mondiales, ils s'éloignent des fondements qui en ont fait le pays de la liberté, de l'ouverture sur le monde et aussi de la diversité culturelle.

Ce repli semble terriblement en contradiction avec les valeurs de tolérance et de progrès qui ont historiquement fait la force des États-Unis. Pire, il induit une relation d'adversité et de méfiance, qui prend de plus en plus des allures d'une nouvelle forme de guerre dont nous sortirons tous perdants, et certainement en Belgique.

Monsieur le premier ministre, disposez-vous déjà d'une première estimation de l'impact direct et indirect des mesures sur l'économie belge, nos entreprises et notre emploi, des secteurs d'activité les plus affectés, mais aussi de la manière dont nous pouvons davantage soutenir nos entreprises en matière de compétitivité?

Il est essentiel que nous travaillions avec l'Europe pour apporter des réponses efficaces et pertinentes, à la fois en termes de négociations avec les États-Unis, de contre-mesures, aussi non tarifaires; mais également via de nouveaux accords à réaliser. On ne répétera jamais assez à quel point les traités de libre-échange sont ce qui nous protège le mieux de ce genre de dynamique.

Enfin, notre unité est indispensable en la matière. Comment allons-nous négocier ensemble pour peser collectivement, au-delà même des 27, sur les discussions à avoir avec les États-Unis?

Meyrem Almaci:

We horen hier iedereen over elkaar buitelen, moord en brand schreeuwend over hoe dom deze handelsoorlog is, maar het zou wel eens kunnen dat er een methode zit in de waanzin. Miskijk u niet in de retoriek in de Rozentuin, maar kijk naar wie belang bij dat alles heeft. Follow the money .

Trumps focus op het opleggen van heffingen aan de wereld is veel minder gedreven door handelsoverwegingen, maar vooral vanuit het eigenbelang van een zeer select clubje superrijken. De invoerheffingen worden daarbij gebruikt als een onderhandelingstactiek om staten rond de tafel te dwingen. Die superrijken rond Trump hebben namelijk knarsetandend gezien hoe 38 OESO landen een minimumbelasting voor multinationals hebben beslist. De techboys hebben gezien dat er een AI-act van kracht is in Europa. Ze zien en ze voelen aan hun water dat de digitaks eraan komt. Daar zijn ze niet van gediend en dus gaat Trump all-in. Hij weet zeer goed dat die handelsoorlog overal ter wereld onder de bevolking slachtoffers zal maken, maar hij is bereid dat te doen, louter om zijn clubje te helpen.

Mijnheer de premier, voor mij is het eenvoudig. Achter die handelsoorlog staat een losgeslagen 1 % die geen enkele democratische belemmering wil. Het is de walgelijke wetteloosheid van een groepje gigarijke mannen, de tech-oligarchen die vinden dat de wereld naar hun pijpen moet dansen en die de rest van de wereld als hun digitale lijfeigenen zien. Het is die groep die de belastingen ontwijkt. Het is die groep die verkiezingen manipuleert, AfD in Duitsland. Het is die groep die op hun platformen vrijelijk haat laat verspreiden tegen vrouwen, tegen minderheden, om voor hun eigen gewin mensen tegen elkaar op te zetten.

Europa heeft nu de kans om voor haar democratische waarden op te staan en duidelijk te maken dat die agenda niet zal passeren. Mijn vraag is dus heel simpel. Zult u in de onderhandelingen namens ons land eisen dat Europa elke uitholling van de OESO-minimumbelasting en de digitaks zal blokkeren? Want we tolereren geen race to the bottom, niet op vlak van democratische rechten en niet op vlak van rechtvaardige belastingen.

Simon Dethier:

Monsieur le premier ministre, à chaque crise son opportunité! L'augmentation des droits de douane et la guerre commerciale lancées par les États-Unis remettent en question les principes de fonctionnement du commerce international. Cela aura un coût économique important pour les entreprises et pour les citoyens, des deux côtés de l'Atlantique. Bien avant ces taxes, la majorité a décidé de prendre ses responsabilités, d'agir pour améliorer le quotidien et d'avoir le courage de changer notre société. Nous pouvons et nous devons développer notre pays et l'Europe sur la base de nos propres forces, en affrontant les nombreuses menaces.

Parmi ces menaces, la guerre commerciale nous force à nous détacher de nos pratiques du passé. Par ailleurs, nos pratiques sont également bousculées par la nécessaire lutte contre le changement climatique, et les enjeux peuvent se rejoindre. Les menaces sont là, mais c'est une opportunité pour encourager le développement des circuits courts, du commerce local, de la souveraineté de nos territoires, et le développement d'une industrie européenne forte qui crée de la valeur. Nous devons défendre une Europe cohérente, simplifiée mais ambitieuse, qui favorise la consommation durable, locale et souveraine, notamment en taxant les biens importés qui détruisent notre santé, notre cadre de vie et notre environnement.

Monsieur le premier ministre, je vous invite à agir avec conviction en ce sens. Dans cette guerre commerciale, comment comptez-vous agir avec cohérence pour la souveraineté de nos territoires, en lien avec nos engagements climatiques? Si la transition est une opportunité économique pour de nombreux acteurs, comment le gouvernement va-t-il développer notre territoire, soutenir les entreprises, le pouvoir d'achat, le commerce et les industries dans ce contexte économique?

Patrick Prévot:

Monsieur le premier ministre, Moi, le reste du monde et les 15 salopards , c'est le titre qu'on pourrait donner à la guerre commerciale menée par Trump. Dans ce mauvais film, en tant que membre de l'Union européenne, nous faisons malheureusement également partie de ces 15 salopards. Mais nous ne sommes évidemment plus à une insulte près.

Après s'être retiré de l'OMS, après avoir trahi ses alliés en Ukraine, après avoir menacé le Groenland, le président Trump lance aujourd'hui une nouvelle offensive en imposant 10 % de droits de douane sur toutes les importations et 20 % sur celles venant de l'Union européenne.

Ce n'est donc pas un jour de libération, mais un jour de plus où Trump joue aux dés sur le dos des travailleurs.

Face à cela, monsieur le premier ministre, pas de panique, mais de la fermeté. Je ne veux évidemment pas vous entendre vous lamenter sur l'impact pour nos entreprises du secteur pharmaceutique ou de la chimie, mais plutôt y voir une opportunité. Une opportunité de relancer notre industrie. Une opportunité de relocaliser notre économie, et peut-être même également de renforcer notre souveraineté industrielle.

Le 27 février, dans cette même assemblée, j'ai interrogé le ministre Clarinval. Qu'avez-vous mis en place, lui demandais-je, depuis? Pour l'instant, malheureusement, monsieur le premier ministre, je ne vois que des mauvaises réponses. Vous limitez les investissements publics de 4 à 3 %. Vous vous apprêtez à vendre des parts de Proximus et bpost. À qui?  Peut-être, demain, à des fonds européens. Et vous persistez, comme un âne qui chute systématiquement sur la même pierre, à vouloir acheter des F-35, renforçant par ailleurs notre dépendance militaire.

Monsieur le premier ministre, on connaît votre admiration sans faille pour les États-Unis. Mais aujourd'hui, quelle est votre analyse de la décision de Trump? Quel sera l'impact pour notre économie? Quelle sera la riposte européenne? Et surtout, quelle sera la réponse concrète de notre gouvernement fédéral?

Bart De Wever:

Chers collègues, nous avons appris hier soir que les États-Unis allaient augmenter leurs droits de douane sur les produits en provenance de l'Union européenne mais aussi du reste du monde.

J'ai regardé une bonne partie de l'annonce du président Trump en direct et je dois reconnaître que c'était plutôt inédit. Les États-Unis relèvent leurs tarifs d'importation à un niveau qui pourrait devenir le plus élevé depuis un siècle. Pour les produits européens en particulier, un tarif général de 20 % est instauré à partir du 9 avril. Cela représente une énorme augmentation du tarif moyen actuel.

En 2024, les États-Unis étaient le principal marché d'exportation de la Belgique après nos pays limitrophes. Nous avons exporté pour environ 33 milliards d'euros vers les États-Unis, soit 5 % de notre PIB. L'impact sera donc considérable pour notre pays. Monsieur Michel, il est encore trop tôt pour le chiffrer précisément. Il est toutefois important de noter qu'à l'heure actuelle, un certain nombre d'exceptions s'appliquent au tarif général; cela concerne entre autres les produits pharmaceutiques, les semi-conducteurs et les métaux précieux. L'exception pour le secteur pharmaceutique est particulièrement pertinente pour notre pays, compte tenu de l'importance de ce secteur dans nos exportations vers les États-Unis.

Donc Koen, pas de souci pour Puurs, tu peux encore exporter ton Viagra! (Rires) .

Men kan niet alles zelf consumeren.

Contrairement à ce que nous avions craint, les nouveaux tarifs ne s'additionnent heureusement pas à ceux qui avaient déjà été introduits ou annoncés sur l'acier et les automobiles. Ce ne sont toutefois que quelques minces rayons de soleil à travers de sombres nuages car, soyons clairs, au final, c'est une véritable catastrophe pour l'économie mondiale!

Ik denk dat het ook voor de Verenigde Staten geen Liberation Day zal blijken, maar een Inflation Day, want de facto gaat het om de grootste belastingverhoging voor de Amerikaanse consumenten in de recente geschiedenis. Volgens economische waarnemers zouden de nieuwe tarieven Joe Sixpack jaarlijks duizenden dollars kunnen kosten. Ik zal hier niet opnieuw Ronald Reagan citeren, ik zou het graag doen, maar deze keer het Amerikaans adagium over handelsoorlogen dat opnieuw waarheid dreigt te worden: ‘ No one ever wins, and consumers always get screwed .’ Het valt te hopen dat de Verenigde Staten dat snel opnieuw zullen inzien en dat de ratio kan wederkeren.

Om die reden ondersteun ik de houding van Commissievoorzitter Ursula von der Leyen, die deze week gecommuniceerd heeft en die ik vooraf bilateraal heb kunnen spreken. Logischerwijze zal er een proportioneel Europees pakket aan tegenmaatregelen worden voorzien. Maar evenzeer ondersteun ik voor de volle honderd procent haar doelstelling om zo snel mogelijk toe te werken naar een negotiated solution . Want beste collega's, het atlantisme is ouder en het is groter dan Trump en een oplossing in plaats van een conflict is in ieders belang.

Als ik sommigen hier aanhoor, kunnen ze blijkbaar niet wachten om de strijd aan te gaan. Dan denk ik dat de huidige situatie voor hen maar een aanleiding is. Répondre à la stupidité avec de la stupidité , dat is niet verstandig, collega's, maar sommigen zitten hier blijkbaar te popelen.

Ik zal dat niet doen. Dat is de boodschap die ik morgen zal overbrengen aan secretary of state Marco Rubio ter gelegenheid van zijn bezoek aan Wetstraat 16.

Ik ben natuurlijk niet naïef. Op korte termijn zal dit in dovemansoren vallen. We zullen eerst de realiteit van die tarieven moeten ondergaan, aan de twee kanten, voor men het belang van vrijhandel opnieuw zal weten te waarderen. Ik kan alleen maar hopen, samen met velen onder u, zij het niet allen, dat de Westerse wereld zal afzien van welvaartsvernietigende protectionistische waanzin.

In de tussentijd zullen we er op Europees niveau voor pleiten zo snel mogelijk werk te maken van een versterking van de interne markt. Europe is in this together, meer dan ooit. Laten we daarnaar handelen, elkaar steunen, en onze eigen competitiviteit versterken.

Het lijkt me het uitgelezen moment om als Europa assertief vrijhandelsakkoorden af te sluiten met nieuwe partners over de hele wereld, met landen die vandaag meer dan ooit naar ons kijken. Want als een grootmacht de wereld de rug toekeert, moet Europa meer dan ooit aangeven dat het open for business is .

Ik ben van nature geen optimist, maar: in the midst of every crisis lies great opportunity . Dat is hier door velen ook gezegd. Die crisis zullen we krijgen door de huidige Amerikaanse attitude. Laten we als Europeanen dus de opportuniteiten in die crisis zien en ze trachten te grijpen.

Annick Lambrecht:

Mijnheer de eerste minister, ik dank u voor uw antwoord.

Inderdaad, geen zonnestralen. Europa was van meet af aan bereid te onderhandelen. Maar het moet tegelijkertijd al klaarstaan om te reageren. Gaan we in dialoog of gaan we in tegenzet? Oplossingen, in plaats van conflicten, zegt u. En ik zeg: oef! Die keuze zal essentieel zijn om onze koopkracht te blijven beschermen. De Verenigde Staten zijn onze vierde handelspartner. We moeten er dus alles voor doen, voor onze jobs en voor onze gezinnen.

In Vooruit, mijnheer de eerste minister, zult u altijd een partner vinden om de koopkracht van de mensen te beschermen. Daar kunt u op rekenen. Laat de ratio terugkeren.

Koen Van den Heuvel:

Mijnheer de eerste minister, het is inderdaad duidelijk dat we werk moeten maken van een assertief Europees verhaal. We mogen niet vervallen in een goedkoop en contraproductief anti-Amerikanisme, maar moeten een sterk pro-Europees verhaal schrijven. Wij moeten de belemmeringen tussen de Europese landen afbouwen om die importtarieven te compenseren. Ook moeten we werk maken van strategische autonomie binnen Europa, zeker ook op defensievlak.

Het gaat hier niet alleen over de farma-industrie. U gaf mij daarnet een hint, als u ook nog een beetje van dat geneesmiddel nodig hebt, kunt u mij steeds een appje sturen. Het zal direct geleverd worden, Puurs ligt niet ver van Antwerpen. Geef een belletje en het komt er snel aan.

Voor ons is het heel duidelijk, meer made in Europe is the way to go voor cd&v. Ik hoop dat u daarvan mee werk zult maken.

Voorzitter:

Hij heeft mij meegedeeld dat het aanbod geldt voor iedereen. Hij is steeds beschikbaar om zijn voorraad te delen met de collega's.

Katrijn van Riet:

Mijnheer de eerste minister, we moeten inderdaad de Europese kaart trekken, maar als ik u goed begrijp, is het ook hoog tijd om extra door te pakken met Arizona. We moeten zo snel mogelijk door middel van arizonamaatregelen de arbeidsmarkt in België hervormen. De loonkost moet dalen voor bedrijven. De nettolonen voor de werknemers moeten stijgen. We moeten mensen aan het werk houden en ze moeten langer werken.

Collega's van dit Parlement, ik roep u op om deze maatregelen later mee te steunen. Mijnheer de eerste minister, Ik wens u heel veel succes met het uitvoeren ervan.

Robin Tonniau:

Mijnheer de premier van België, het is goed dat u de deur naar internationale samenwerking openzet, maar u bent eigenlijk wel super naïef als u denkt dat de VS na Trump van positie zal veranderen. De VS is geen bondgenoot meer en zal dat na Trump ook niet meer worden. Daarom moeten we de banden met de rest van de wereld nu versterken. We moeten inzetten op die internationale relaties met de slachtoffers van het Amerikaans economisch imperialisme.

U blijft de VS gewoon volgen, terwijl we vandaag zien hoe onbetrouwbaar ze zijn. Ze dienen alleen hun eigen belang en ook de belangen van hun wapenindustrie. Arizona wil nog altijd miljarden spenderen aan hun oorlogseconomie. Die F-35's zullen met onze pensioenen worden betaald. Stop daar alstublieft mee, mijnheer de premier.

Mathieu Michel:

Merci pour votre réponse, monsieur le premier ministre.

Il n'est évidemment plus besoin de rappeler à quel point l'Europe doit compter davantage sur elle-même et sur son marché intérieur. Mais surtout, nous ne devons pas répondre à l'isolement par l'isolement. Nous devons dès aujourd'hui renforcer – vous l'avez mentionné – nos coopérations internationales avec celles et ceux qui sont convaincus que le libre-échange est un vecteur de prospérité et de paix qui est essentiel pour soutenir les démocraties dans le monde. Si les é tats-Unis veulent être seuls, eh bien qu'ils le soient!

L'histoire nous a démontré que l'économie de marché et le libre-échange restent à ce jour la meilleure façon de stabiliser les relations internationales et de réduire les risques de conflits. Mais nous ne devons absolument pas oublier que dans un contexte géopolitique déjà compliqué, une guerre commerciale est excessivement tendue pour notre compétitivité. Dès lors, ce marathon qui s'est accéléré très clairement aujourd'hui ne doit pas se faire avec des morceaux de pierre en plus dans le sac à dos de nos entreprises, parce que préserver la compétitivité de nos entreprises, c'est aussi préserver le pouvoir d'achat de nos concitoyens. Alors surtout qu'elles ne soient pas les victimes collatérales de (…)

Meyrem Almaci:

Collega's, weet u wat triest is? Dat het enige wat u, en wellicht alle mensen die nu aan het kijken zijn, zullen onthouden van dit debat het grapje over een blauw pilletje is, terwijl de situatie wel wat meer ernst verdient dan dat.

Mijnheer de premier, ik heb leiderschap gemist, ook in het antwoord. Ik mis daadkracht. U kunt ontwijkend antwoorden en zeggen dat het erg zal worden, maar ik mis een premier die rechtstaat en die niet zal toelaten dat een losgeslagen autocraat onze bedrijven aanvalt en onze bevolking verarmt. Waar is die vechtlust waarmee u zult zeggen dat we de digitaks niet zullen loslaten, dat we de minimumbelasting van de OESO niet zullen loslaten? Waar is de vechtlust waarmee u zult zeggen dat we zullen opkomen voor onze democratische waarden, of het nu Rubio of een andere Amerikaan is die komt. Die daadkracht, waarmee u pal staat voor uw waarden, heb ik daarnet niet gehoord, maar grapjes, die heb ik genoeg gehoord.

Er ontspint zich een debat zonder micro tussen mevrouw Almaci en de heer Bouchez.

Voorzitter:

Mag ik mevrouw Almaci, de heer Bouchez en alle anderen vragen om aandacht te besteden aan de repliek van de heer Dethier?

Simon Dethier:

Monsieur le premier ministre, je vous remercie pour vos éléments de réponse.

La majorité demande un redéploiement de l'économie avec une attention particulière pour notre tissu économique local. Il y a une opportunité claire à utiliser la réplique en droits de douane pour avancer sur nos objectifs climatiques, locaux, d'emploi et surtout de souveraineté.

Notre réponse doit être de continuer à défendre le multilatéralisme et la collaboration. L'Europe doit montrer son unité en restant ferme sur sa souveraineté, ses principes et ses engagements.

Patrick Prévot:

Monsieur le premier ministre, la décision de Trump est un tournant. Il veut assurément extorquer des concessions à ses alliés qu'il voit désormais comme ses adversaires et votre réponse, malheureusement, n'a pas été à la hauteur. Je m'y attendais. Vous avez parlé d'accords commerciaux débridés. C'est un modèle que nous ne défendons pas. Et puis, vous avez beaucoup ironisé sur le Viagra avec le collègue du cd&v. Si cela pouvait seulement faire durcir votre discours à l'égard de Trump, ce serait déjà une belle avancée, monsieur le premier ministre. Votre fascination pour les États-Unis vous aveugle complètement. Dans ma question, je vous ai dit qu'il fallait faire de cette crise une opportunité, que l'Europe avait le talent nécessaire mais également les moyens pour répondre à cette attaque. Malheureusement, votre réponse a été faiblarde et sans ambition. Malheureusement, sur ce sujet comme pour d'autres, vous n'êtes pas à la hauteur de l'enjeu.

Online kindermisbruik

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 3 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België nam deel aan Operatie Stream, de grootste Europol-actie ooit tegen Kidflix, een internationaal platform met 1,8 miljoen gebruikers dat kindermisbruikbeelden verspreidde via cryptobetalingen. Minister Verlinden bevestigde Belgische betrokkenheid (zowel gebruikers als politiële inzet), maar kon geen details geven over aantallen verdachten, slachtoffers of concrete acties, aangezien het onderzoek nog loopt en gericht is op betalingsstromen en beeldmateriaal. Van Vaerenbergh benadrukte de nood aan snelle vervolging, betere internationale samenwerking en implementatie van eerdere aanbevelingen uit de onderzoekscommissie misbruik, terwijl Verlinden pleitte voor versterkte EU-maatregelen, strengere verantwoordelijkheid voor techbedrijven en blijvende investeringen in opsporingstechnologie. De kern: grootschalig misbruiknetwerk blootgelegd, maar Belgische rol en resultaten nog onduidelijk—met urgente oproep tot snellere justitiële afhandeling en EU-brede aanpak.

Kristien Van Vaerenbergh:

Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, gisteren werd bekend dat speurders uit 35 landen het zogenaamde Kidflix hebben opgerold. Dat is een internationaal platform met tienduizenden beelden van kindermisbruik. Het platform werd blijkbaar opgericht in 2021 door een cybercrimineel die daaraan goed heeft verdiend. Volgens Europol werd het al snel een van de meest populaire platformen onder kindermisbruikers. Het gaat over maar liefst 1,8 miljoen gebruikers die er video’s downloadden en streamden in ruil voor cryptomunten.

Via Operatie Stream, de grootste operatie die Europol ooit uitrolde in de strijd tegen kindermisbruik, werden de voorbije weken 1.400 verdachten geïdentificeerd, waarvan er ook 79 effectief werden opgepakt. Bij de operatie waren 35 landen betrokken, waaronder de meeste Europese landen. Blijkbaar was er echter ook een link naar België. Er waren immers ook Belgische gebruikers betrokken bij het dossier.

Mevrouw de minister, kindermisbruik en het maken, bekijken en verspreiden van beelden van kindermisbruik zijn een van de meest gruwelijke misdaden en moeten zo kordaat mogelijk worden aangepakt. Ik heb de hiernavolgende vragen voor u.

Waren ook de Belgische politiediensten betrokken bij het door Europol gecoördineerde onderzoek, Operatie Stream genaamd? Tijdens de operatie werden ook 39 kinderen veiliggesteld. Waren daarbij ook Belgische kinderen betrokken?

Hoeveel dossiers werden doorgestuurd naar de Belgische politiediensten? Werden al verdachten geïdentificeerd en/of opgepakt? Van welke feiten worden zij precies verdacht?

Ik dank u alvast voor uw antwoorden.

Annelies Verlinden:

Bedankt, collega Van Vaerenbergh. Het doorgedreven speurwerk van internationale politiediensten, waaronder ook Belgische, in het Kidflixonderzoek toont opnieuw pijnlijk aan hoe wijdverspreid kindermisbruik is en hoe eenvoudig beelden van online misbruik kunnen worden verspreid.

Het Kidflixonderzoek loopt onder coördinatie van Europol en er zijn inderdaad mogelijk Belgen betrokken. Ik kan daarover nu geen details geven. Verdere analyse van betalingen via een platform en van de beelden die zouden zijn verspreid, vinden nu plaats. We moeten dit uitzoeken tot op het bot om paal en perk te stellen aan deze vreselijke misdrijven.

Ik heb het al vaker herhaald, in Europa blijft vandaag een grote black box bestaan als het gaat over de circulatie van extreem shockerende beelden van kindermisbruik, vaak met zeer jonge kinderen en baby's. We moeten er alles aan doen om dit te stoppen.

In 2024 ontvingen Europese politiediensten een hallucinant groot aantal meldingen van online kindermisbruik en dat zijn enkel de bekende gevallen. Ondanks het nog steeds groot zijnde dark number , zien we elk jaar opnieuw een stijging van het aantal meldingen. Ik zal dan ook bij mijn Europese collega's blijven aandringen op een versterkte en doortastende aanpak binnen de Europese Unie. Daarom roep ik ook mijn collega, de minister van Binnenlandse Zaken, op om samen met onze Europese partners actief mee te werken aan het Europees kader dat we nodig hebben en op dit moment onderhandelen in de Europese Raad.

We kunnen niet langer aanvaarden dat criminelen zich verschuilen achter de vrijblijvendheid van technologiebedrijven en platformen. We moeten ervoor zorgen dat we grensoverschrijdend de slachtoffers en mogelijke slachtoffers beter beschermen, verdachten opsporen, beelden offline halen en misbruik voorkomen.

Een veilige onlineomgeving is essentieel. In ons eigen land zullen we dan ook onze politiediensten en Justitie blijven ondersteunen in hun strijd tegen kindermisbruik. Dat doen we met investeringen in technologie en wetgeving, zodat we er alles aan kunnen doen om de offline- en onlinewereld voor onze kinderen veilig te maken.

Kristien Van Vaerenbergh:

Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord.

1,9 miljoen gebruikers van dergelijke sites is inderdaad gigantisch veel. Het is walgelijk dat er zoveel gebruikers zijn. Ik hoop dat het onderzoek snel en kordaat kan worden gevoerd, zodat de daders snel voor de rechtbank kunnen worden gebracht. Tegen kindermisbruik moet streng worden opgetreden. Ik hoop dat de informatiedoorstroming tussen de verschillende diensten, maar ook tussen de verschillende landen op een goede manier zal gebeuren, want dat blijft een pijnpunt bij Justitie.

Verder hoop ik dat u de strijd tegen kindermisbruik hoog op de agenda zult blijven plaatsen. Wij hebben de vorige legislatuur een onderzoekscommissie misbruik gehad, die een aantal aanbevelingen heeft geformuleerd. Ik hoop dat u die aanbevelingen ook in de praktijk zult omzetten.

Voorzitter:

Collega's, vooraleer ik het woord geef aan de volgende vraagstellers wordt mij meegedeeld dat een aantal collega's zijn stem nog niet heeft uitgebracht. U kunt dat doen in zaal 3.

De leningen in het kader van het witboek voor defensie
De financiering van de verhoogde defensie-uitgaven
De onduidelijkheid over de rol van de deelstaten in de financiering van de defensie-uitgaven
De defensie-investeringen
De transparantie over de defensie-uitgaven
De verkoop van overheidsparticipaties in het kader van de verhoging van de defensiebegroting
De budgettaire uitzondering voor defensie-uitgaven
De impact van eurobonds op de Belgische begroting
De stand van zaken m.b.t. de overheidsparticipaties
Financiering, transparantie en budgettaire impact van defensie-uitgaven en overheidsdeelnemingen

Gesteld aan

Vincent Van Peteghem (Minister van Begroting)

op 2 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de financiering van de verhoogde defensie-uitgaven (naar 2% BBP tegen 2029), waarbij minister Van Peteghem (Begroting) zijn eerdere belofte om deze volledig te compenseren loslaat en inzet op Europese flexibiliteit (ontsnappingsclausule) en eenmalige bronnen (Belfius-dividend, Russische tegoeden voor Oekraïne). Kritiek is dat de regering structurele oplossingen uitstelt, schulden doorschuift, en geen duidelijke plannen heeft voor de benodigde 17,2 miljard euro, terwijl de NAVO-norm en budgettaire houdbaarheid onder druk staan. De oppositie wijst op boekhoudkundige trucs en een gebrek aan politieke steun binnen de coalitie voor echte compensatie.

Wouter Vermeersch:

Mijnheer de voorzitter, ik moet vaststellen dat hier maar liefst zes vragen op een hoop worden gegooid. Enerzijds gaat het om vragen over de Europese aspecten van de defensiefinanciering en anderzijds gaat het om vragen over de begrotingsaspecten van België met betrekking tot defensie. Ik heb alles herwerkt tot een reeks van vragen, mijnheer de minister, maar ik reken er uiteraard op dat alle vragen wel degelijk zullen worden beantwoord.

Als ik de pers mag geloven, zou de begroting van 2025 in de schoot van uw regering ondertussen rond zijn, maar twee van de belangrijkste losse eindjes zijn helemaal nog niet opgelost. Het gaat om de modaliteiten van de zogenaamde meerwaardebelasting, dat zijn wellicht vijgen na Pasen, en de meeruitgaven voor defensie. Hierover gaat deze reeks vragen.

In het licht van de plannen van de federale regering om de defensie-uitgaven te spijzen, zei u tijdens een zondagmiddaguitzending in het VTM Nieuws dat de meeruitgaven voor defensie, in uw woorden, moeten worden gecompenseerd. U somde in de studio van VTM toen vier opties op. Ik heb daarover telkens een aantal vragen.

Optie één, de verkoop van overheidsparticipaties. De recente koersstijging van onder andere BNP Paribas heeft de waarde van het Belgische overheidsbelang in de bankgroep tot ruim 5 miljard euro opgetrokken. Dit heeft opnieuw het debat aangewakkerd over de kans om een deel van deze participatie te verkopen.

Mijnheer de minister, acht u in het licht van uw uitspraken in het VTM Nieuws de huidige waardering van BNP Paribas een geschikte kans om een deel van die overheidsparticipatie te verzilveren? In de commissie voor Financiën heeft de minister van Financiën bij de beleidsverklaring benadrukt dat strategische overwegingen en dividendopbrengsten bij dergelijke beslissingen in rekening moeten worden genomen. Hoe weegt de regering de strategische waarde van deze participaties af tegen de behoefte aan bijkomende financiering voor defensie? Wordt er binnen de regering ook gekeken naar andere potentiële verkopen van overheidsparticipaties zoals Belfius? Welke randvoorwaarden stelt u daarbij op?

De tweede optie die u schetste, was extra besparingen. Hoe zult u garanderen dat de financiering van de verhoogde defensie-uitgaven niet ten koste gaat van noodzakelijke investeringen in binnenlandse veiligheid en in essentiële sociale voorzieningen als pensioenen en gezondheidszorg. Welke structurele besparingen worden concreet overwogen en welke sectoren zullen erdoor getroffen worden? Als het alternatief is dat er nieuwe belastingen overwogen worden, welke specifieke maatregelen liggen dan op tafel en welke impact zullen ze hebben op burgers en bedrijven in dit land?

De derde optie die u schetste, was de vennootschapsbelasting op de geblokkeerde Russische tegoeden bij Euroclear. Daar kom ik straks nog op terug.

De vierde optie was extra geld halen bij de deelstaten. Nu heeft de minister van Defensie, Theo Francken, gesuggereerd dat uitgaven voor bijvoorbeeld havenbescherming en infrastructuuraanpassingen meegerekend kunnen worden als defensie-uitgaven. Echter, de Vlaamse minister-president, Matthias Diependaele, stelt dat de NAVO-richtlijnen dergelijke regionale uitgaven expliciet uitsluiten. Dat roept natuurlijk vragen op over de haalbaarheid van de federale strategie en de reële impact op de begroting.

Hoe verhouden uw uitspraken in de VTM-studio, mijnheer de minister, zich tot de bewering van de Vlaamse minister-president dat regionale uitgaven niet meetellen als defensie-uitgaven? Gelet op het standpunt van de Vlaamse regering, hoe realistisch acht u de beoogde samenwerking met de deelstaten in de financiering van de defensie-uitgaven? Indien de Vlaamse uitgaven niet kunnen worden meegerekend, welke alternatieve compensatiemaatregelen zal de federale regering nemen om de miljarden aan extra defensie-uitgaven niet te laten doorwegen op de federale schuld?

Mijnheer de minister, u maakte er in het VTM-nieuws een punt van dat de extra defensie-uitgaven niet mogen worden doorgeschoven naar de volgende generatie en dat ze dus moeten worden gecompenseerd. Collega Bertrand heeft het daar daarnet ook al over gehad. Gisteravond konden we allemaal vaststellen dat de regering die uitgaven wel zal doorschuiven en ze dus niet zal compenseren. Er is een kleine 4 miljard euro nodig. Voor 1,2 miljard wordt gerekend op de extra vennootschapsbelasting die Euroclear betaalt, omdat het extra winst maakt dankzij het beheer van de bevroren Russische tegoeden.

Daarnaast rekent de regering op een extra dividend van Belfius, goed voor een bedrag van een half miljard euro. Er zal ook worden gekeken welke bestaande investeringen die nu nog niet het label 'defensie' dragen, voortaan kunnen meetellen in de berekening.

De regering wil dus voor het grootste deel, zijnde zowat 2 miljard euro, althans dit jaar, gebruikmaken van de mogelijkheid van de Europese Commissie om met die extra defensie-uitgaven geen rekening te houden bij de beoordeling of België de begrotingsdoelstellingen haalt. Daarom zal in de komende jaren het aandeel van de structurele financiering van het defensiebudget, dus met echte besparingen of nieuwe belastingen, alleen maar toenemen. Dan zullen uiteraard de klassieke tegenstellingen weer opduiken in uw regering. Die discussie probeert de premier vandaag natuurlijk te vermijden, maar vroeg of laat komen die ongetwijfeld op tafel.

Hoe rijmt u uw eigen uitspraken dat de defensie-uitgaven moeten worden gecompenseerd met het feit dat uw regering nu voor het grootste deel van de financiering, zowat 2 miljard euro, zal lenen en dus extra schulden daadwerkelijk doorschuift naar de toekomstige generaties. Is het nu al duidelijk, mijnheer de minister, waar uw regering in 2029 wil landen? De defensie-uitgaven bedragen nu 1,3 % van het bruto binnenlands product. Er is blijkbaar al een akkoord om dat percentage dit jaar nog te verhogen tot 2 %. Zal dat 2,2 %, 2,5 % of 3 % – die nu bij de NAVO circuleert – zijn in 2029? Wat is uw ambitie als minister van Begroting?

Mijnheer de voorzitter, ik wil nog ingaan op de Europese aspecten van mijn vragen over defensie.

Ten eerste is de mogelijkheid om nieuwe defensie-uitgaven buiten de begroting te houden aan een aantal voorwaarden onderworpen. Ik heb die ook uiteengezet in mijn schriftelijk ingediende vraag. In hoeverre wenst de regering gebruik te maken van die door de Europese Commissie verleende flexibiliteit? Gaat dat om het bedrag van 2 miljard euro, dat ik zopas vermeldde?

In hoeverre ziet de regering het haalbaar om aan de voorwaarden voor de activering van die nationale ontsnappingsclausule te voldoen, in het bijzonder de voorwaarde met betrekking tot de budgettaire houdbaarheid op middellange termijn? Bij die houdbaarheid kunnen een aantal vragen worden gesteld.

Een tweede Europees aspect betreft de Europese lening. Eind maart 2025 publiceerde de Europese Commissie haar ‘Witboek voor de toekomst van de Europese defensie’. Daarin staat ook de mogelijkheid om te lenen via de EU volgens het principe van ‘eerst komt, eerst maalt’. Aangezien de voorwaarden voor de leningen als gunstig worden verondersteld, rijst natuurlijk de vraag of de regering gebruik wil maken van deze leningen. Kunt u dat even beantwoorden, mijnheer de minister?

Wat een derde en laatste Europees aspect betreft, heeft de Europese Commissie als onderdeel van het ReArm Europe-plan, ‘Paraatheid 2030’, een pakket financiële hefbomen voorgesteld aan de Europese lidstaten om investeringen in defensie te stimuleren. De Europese Unie overweegt daarbij ook de invoering van zogenaamde eurobonds, euro-obligaties. Daarbij zouden alle lidstaten collectief garant staan voor nieuwe schulden, wat vooral landen met een stabiele economie en een lage rente nadelig kan treffen. Onder andere Nederland, maar ook Oostenrijk verzetten zich al fel tegen deze maatregel. Zij vrezen dat de gezamenlijke schuldopbouw de begrotingsdiscipline ondermijnt en financiële risico's verschuift naar economisch sterkere landen.

Ik heb daarbij nog een drietal bijkomende vragen, mijnheer de minister. Welke positie neemt België in ten aanzien van het voorstel om gezamenlijke Europese schulden aan te gaan? Werd die positie ook doorgesproken en overeengekomen met de deelstaten? Zo niet, wat is bijvoorbeeld het standpunt van de Vlaamse regering? Eerder week dat namelijk toch wel wat af van het federale standpunt.

Acht u het wenselijk dat België zou bijdragen aan schulden van andere Europese lidstaten, terwijl het zelf kampt met een aanzienlijke schuldgraad? In hoeverre vreest u dat eurobonds of euro-obligaties de begrotingsdiscipline in de EU verder zullen verzwakken, waarvoor Nederland en Oostenrijk waarschuwen?

Frédéric Daerden:

Monsieur le ministre, l'accord de gouvernement prévoit une augmentation additionnelle du budget de la Défense afin d'atteindre 2 % du PIB d'ici à 2029. Depuis, de nombreuses formations politiques au sein de la majorité se sont positionnées pour anticiper cette trajectoire dès 2025, ce qui aurait un impact de 17 milliards d'ici à 2029. Dans le tableau budgétaire transmis par le gouvernement, les investissements supplémentaires en Défense sont neutralisés.

Monsieur le ministre, pourriez-vous rappeler les grands éléments d'accord au niveau européen concernant la neutralisation des dépenses en Défense et les aides apportées aux États membres?

Savez-vous déjà quels investissements vont être immunisés de la procédure de déficit excessif au niveau de la Défense? Pour combien d'années cet accord est-il valable?

Comment seront ensuite prises en compte les dépenses de Défense dans le calcul du déficit excessif?

Quels sont les investissements déjà consentis en Défense qui intègrent le calcul de 2 % du PIB, et comment sont estimés les milliards d'investissements nécessaires sur les prochaines années pour atteindre 2 % du PIB dès 2025?

Concernant le fonds Défense, serait-il possible d'avoir un éclaircissement concernant les différents schémas d'investissement envisagés par le gouvernement et sa contribution à l'effort global?

Vu la nécessité d'investissement pour de nombreux pays européens et le différentiel en termes de situation entre les uns et les autres, comptez-vous plaider auprès des instances européennes pour la création de garanties ou d'un fonds européen quelconque?

Alexia Bertrand:

Mijnheer de minister, ik heb u deze vraag al eens gesteld, maar u mag mij het antwoord ook schriftelijk bezorgen. Kunt u mij gedetailleerd toelichten hoe u tot het bedrag van 17,2 miljard bent gekomen? Na een snelle berekening kom ik uit op 20 of 21 miljard euro om aan 2 % te geraken, maar blijkbaar hebt u al rekening gehouden met een aantal voorafgaande verbintenissen. Kunt u dat toelichten?

Mijn kernvraag is wel of u uw uitspraken kunt bevestigen. Dat is mij immers nog minder duidelijk na uw antwoord op mijn eerste vraag. Kortom, bevestigt u vandaag dat alle nieuwe uitgaven moeten worden gecompenseerd? Zo ja, betekent het dat u geen gebruik zal maken van de flexibiliteit die Europa zal bieden, dus van de ontsnappingsclausule? Die vraag is echt belangrijk.

Overweegt u nog steeds om de opbrengsten van de Russische tegoeden te gebruiken? Kijkt u nog steeds naar bijdragen van de deelstaten? Hoe ver staat het op het vlak van de verkoop van overheidsparticipaties? Ik heb die vragen in het verleden al gesteld, maar toen moest de regering en het kernkabinet daarover nog vergaderen. Ik begrijp dat dat ondertussen gebeurd is. Ik hoop een update van u te krijgen.

Vincent Van Peteghem:

Collega's, ik zal eerst ingaan op het Europees kader en vervolgens zal ik eventueel wat dieper ingaan op het Belgisch plan waaraan we momenteel werken.

In eerste instantie staat ons land voor een cruciale strategische keuze in een sterk veranderende geopolitieke realiteit. De oorlog tussen Rusland en Oekraïne en de daaruit volgende dreigingen voor onze Europese veiligheid vereisen een verhoogde paraatheid en een versterking van onze internationale engagementen. In dat licht zal ons land zijn verantwoordelijkheid nemen en zich engageren om die defensie-inspanningen substantieel te verhogen.

Die inspanning wordt maximaal in lijn gebracht met het initiatief Readiness 2030 van de Europese Commissie, eerder bekend onder de naam ReArm Europe Plan, waar men enkele weken geleden nog over sprak. Die Readiness 2030 beoogt de militaire capaciteit van de Europese Unie aanzienlijk te versterken door tot 800 miljard euro te mobiliseren voor defensie-inspanningen en -investeringen. Het vertrekt eigenlijk vanuit een aantal belangrijke begrotingspijlers.

De eerste is de invoering van een nieuw Europees financieringsinstrument, de zogenaamde safe lening, waarbij de Europese Unie tot 150 miljard euro zal ophalen op de kapitaalmarkt om lidstaten via leningen te ondersteunen bij het versterken van de defensie-investeringen.

Mijnheer Vermeersch, u sprak daarnet over first come, first served . Of we daar gebruik van zullen maken, zal afhangen van de percentages en interestvoeten die betaald moeten worden en van de voorwaarden van terugbetaling. Ik wil benadrukken dat er nog geen duidelijk kader over is. Het is inderdaad het idee van first come, first served . Ook daar is het mogelijk dat er met bepaalde percentages per lidstaat zal worden gewerkt. De Raad zal die zaken nog moeten vastleggen en we werken momenteel verder met een voorstel van de Commissie.

In tweede instantie is er uiteraard ook de mogelijkheid tot activering van de nationale ontsnappingsclausule, die national escape clause . Dat geeft lidstaten de kans om extra budgettaire ruimte te nemen binnen het stabiliteits- en groeipact, het SGP, om de defensie-uitgaven te verhogen

Ten derde, we zullen defensie-investeringen ook stimuleren in onze Europese begroting, waar gekeken wordt naar versoepelingen en financiële stimulansen binnen ons cohesiebeleid. Ik denk onder andere aan het feit dat Europa vandaag heeft gezegd dat men cohesiemiddelen ook kan gebruiken om defensie-uitgaven te financieren. Op die manier zullen we de defensiesector in dit land ondersteunen.

La Commission propose de prévoir la possibilité d'activer la clause dérogatoire nationale du Pacte de stabilité et de croissance, telle que prévue à l'article 26 du règlement.

Cette clause dérogatoire nationale permet de s'écarter de la trajectoire des dépenses nettes approuvées en cas de circonstances exceptionnelles échappant au contrôle de l'État membre. Elle s'applique lorsque ces circonstances ont une incidence majeure sur les finances publiques, pour autant que la viabilité de ces dernières ne soit pas mise en péril.

Om dus de impact op de begrotingspositie van de lidstaten te beperken en extra defensie-uitgaven aan te moedigen, stelt de Commissie een gecontroleerd gebruik van die ontsnappingsclausule voor. Dat houdt in dat de lidstaten de vraag dienen te stellen, wat toegelaten is tot maximaal 1,5 % van het bbp met als referentiejaar 2021. Dat betekent dat de defensie-uitgaven in 2021, het jaar voor de oorlog, vergeleken worden met het percentage vandaag. De lidstaten krijgen de mogelijkheid om dat bedrag maximaal buiten het opgelegd groeitraject van de netto-uitgaven te plaatsen.

Hormis cette flexibilité pour les dépenses de défense supplémentaires, le cadre budgétaire continuera de fonctionner normalement. Cela signifie que les États membres ne doivent pas soumettre de nouveau plan budgétaire structurel. Seuls les écarts par rapport à la trajectoire des dépenses nettes liés à l'augmentation des dépenses de défense sont couverts par cette clause dérogatoire nationale.

Gezien de huidige hoge schuldgraad van ons land en het snel oplopende begrotingstekort bij ongewijzigd beleid is een blanco cheque echter onmogelijk. Vandaar dat we het defensieplan momenteel bespreken binnen de regering.

Het cijfer waarnaar vaak wordt verwezen, is inderdaad die 17,2 miljard euro, waarbij de reeds afgesproken engagementen, inclusief wat er in het regeerakkoord staat, worden afgemeten ten opzichte van de 2 % die volgens de NAVO-normen moet gehaald worden. Als men het verschil tussen die twee percentages omzet in bbp en euro's, boven op wat er in het regeerakkoord en in het verleden reeds werd afgesproken om de komende jaren te doen, komt men dus aan die inspanning van 17,2 miljard euro over een periode van vijf jaar, tot 2029, het einde van deze legislatuur.

Betekent dit dat we gehouden zijn aan die 2 %? U vraagt hoe ver we nu zitten en wat er wordt gevraagd. Dat wordt momenteel binnen de regering besproken. Dat kan hoger zijn, maar dan begrijpt u ook meteen wat de impact daarvan zal zijn op het bedrag dat daarmee overeenstemt.

Bij die verschillende pistes kijken wij inderdaad naar verschillende bronnen. Ik heb verwezen naar die overheidsparticipaties, naar extra structurele inspanningen, naar de middelen die via de vennootschapsbelasting van Euroclear worden ingebracht en ook, waar mogelijk, naar extra inspanningen van de deelstaten. Ik verwees daarnet naar de discussie over de cohesiefondsen. Ik verwijs naar inspanningen die eventueel NATO-aanrekenbaar zouden kunnen zijn van investeringen die op deelstaatniveau gebeuren, hoewel dat bijzonder ingewikkeld ligt bij de NAVO zelf.

Het is logisch dat we zullen moeten kijken wat er daarmee zal gaan gebeuren. Over Euroclear heb ik in het verleden reeds gezegd dat die middelen moeten gebruikt worden voor ondersteuning van Oekraïne. Dat is ook het standpunt dat door de regering wordt gedeeld.

Betekent dit, met de elementen die ik aanhaal, dat we geen gebruik zullen maken van de flexibiliteit die Europa ons biedt? Neen, we zullen daar wel gebruik van maken, net omwille van het feit dat ik ook altijd aangegeven heb, namelijk dat we door die flexibiliteit wel wat in de tijd kunnen schuiven met de compensaties. Ik geef het heel eenvoudige voorbeeld van een overheidsparticipatie die verkocht wordt. Het is niet altijd interessant om de verkoop in het lang en breed aan te kondigen. Men weet immers dat dit een negatieve impact heeft op de prijs en op de opbrengst die men kan behalen uit die participatie.

Daar wordt rekening mee gehouden bij de verdere voltooiing via die flexibiliteit en via de opening die in het National Escape Clause gelaten is door de Europese Commissie. Daar gaan we in dat defensieplan dus uiteraard maximaal gebruikmaken van de budgettaire flexibiliteit in het Europese kader, zonder uiteraard de Belgische schuld, het tekort ongeremd te laten oplopen.

Momenteel zijn daar nog besprekingen over aan de gang binnen de regering, maar zodra er overeenstemming is, zal ik uiteraard met veel plezier de gemaakte keuzes bespreken in deze commissie.

Wouter Vermeersch:

Mijnheer de minister, ik stel vast dat u voor het Europese kader rond die defensie-uitgaven eigenlijk niet veel verder komt dan het aflezen van de persberichten van de Europese Commissie. Ik heb die ook gelezen en op basis daarvan heb ik een aantal gedetailleerde vragen gesteld. U beantwoordt die niet vandaag, voor een deel omdat die niet te beantwoorden zijn. Het Europees kader staat nog in de stellingen. Er zijn veel woorden uitgesproken op Europees niveau, maar de concrete invulling is heel onduidelijk, ook van die 800 miljard euro, dat is meer een doorschuifoperatie.

Wat het binnenlandse aspect betreft, de begroting, hoorden wij deze week bijvoorbeeld minister van Defensie Theo Francken zeggen: “Ik wil heel wat extra mensen aanwerven, nieuwe militairen, een nieuwe brigade oprichten.” U weet als minister van Begroting dat een luchtafweersysteem kopen een hele investering is, een eenmalige uitgave, maar een nieuwe brigade stichten, dat is nieuw personeel, dat is een structurele uitgave.

Het is vandaag helemaal niet duidelijk hoe deze regering die structurele meeruitgaven zal financieren. Het is trouwens ook niet duidelijk in hoeverre deze regering tot eenmalige investeringen of structurele uitgaven zal overgaan. Minister van Defensie Francken heeft helemaal nog niet gezegd waar hij die vele miljarden aan zal uitgeven.

Ik kan vandaag alleen maar vaststellen dat de regering-De Wever een rookgordijn ophangt rond die defensie-uitgaven en het defensiebudget.

Iedereen is het erover eens, ook mijn partij, dat die defensie-uitgaven significant de hoogte in moeten. We hebben echter nog maar twee oplossingen in de pers gezien en gehoord. Een eerste oplossing zijn de extra miljoenen die voortkomen uit de geblokkeerde Russische tegoeden. Dat is ondertussen een golden oldie geworden, een schijf die blijft draaien. Dat was immers ook al zo tijdens de vivaldiregering. De tweede oplossing is het extra, eenmalige, megadividend van Belfius. Dat is dus zeker niet gegarandeerd voor de komende jaren.

De regering-De Wever hanteert dus een soort camouflagetechniek voor die defensie-uitgaven: bestaande uitgaven worden zo veel mogelijk gecamoufleerd en in een militair jasje gestoken om ze te doen lijken op defensie-uitgaven. Naast militaire manoeuvres doet u ook een aantal boekhoudkundige manoeuvres. U gaat niet voor structurele inkomsten, niet voor structurele zaken. U schuift de hele discussie over besparen of extra belasten door naar volgend jaar en misschien zelfs naar een volgende regering.

Mijnheer de minister, in de studio van VTM hebt u zich sterk gemaakt dat al die meeruitgaven voor defensie zouden moeten worden gecompenseerd. Ze mochten niet worden doorgeschoven naar toekomstige generaties. Vandaag stellen we echter vast in de pers dat uw regering net het omgekeerde doet. U schuift ze wel door naar de volgende jaren en zult ze op dit moment niet fundamenteel, niet structureel compenseren.

U herhaalde hier ook dat u zou 'schuiven met compensaties'. Dat is weer een ander woordgebruik. 'Schuiven met compensaties' betekent dat u die discussie rond de defensie-uitgaven, over hoe ze structureel zullen worden gefinancierd met minder uitgaven of meer belastingen, doorschuift naar een volgend jaar, wellicht naar een volgende regering en volgende generaties. U weet immers beter dan wie ook als minister van Begroting dat de schulden van vandaag de belastingen zijn van morgen.

Uw regering is gestart met de ambitie om de begroting op orde te krijgen, maar tot op vandaag hebben we onder andere met de begrotingstabellen van de regering gezien dat er veel mist hangt over de terugverdieneffecten. U rekent zich rijk. Ook in de begrotingsdiscussie rond de defensie-uitgaven hangt er heel wat onduidelijkheid, heel wat mist. Tot op vandaag weten we eigenlijk niet hoe u dat alles zult financieren. De hete aardappel wordt gewoon doorgeschoven naar een volgende begrotingsbespreking in 2026, maar ook naar de volgende regeringen en dus naar de volgende generaties.

Mijnheer de minister, wij blijven daaromtrent dus op onze honger zitten. Ik kondig u alvast aan dat de meer gedetailleerde vragen die niet zijn beantwoord, ook schriftelijk zullen worden gesteld in de hoop zo toch een duidelijk antwoord te krijgen.

Frédéric Daerden:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos différentes réponses. À ce stade, cela reste relativement flou, notamment en termes d'impacts. Même, pour ce qui est du montant des 17 milliards d'euros, on se réjouira de voir comment cela se calcule de manière précise. Je suppose que le gouvernement clarifiera tout cela dans le cadre du budget prochain.

Il est clair que les impacts pour les finances publiques seront importants. Au-delà, je pense qu'il faut vraiment que des solutions stratégiques qui bénéficient à notre activité économique soient également trouvées.

Alexia Bertrand:

Mijnheer de voorzitter, het is jammer dat de vaste voorzitter niet aanwezig is. U doet het heel goed, maar hij had anders het belang van de vragensessies kunnen zien. Wij hebben vandaag heel veel geleerd. Wij hebben acht weken moeten wachten, mijnheer de minister, maar in militaire termen, de aftocht is begonnen. U hebt net een bocht van 180 graden gemaakt. U zult de defensie-uitgaven niet meer compenseren. Dat hebt u ons net verteld.

Vincent Van Peteghem:

(…)

Alexia Bertrand:

U hebt ons net meegegeven dat u gebruik zult maken van de leningen van Europa. U hebt niet bevestigd dat u die uitgaven zult compenseren. U hebt ons net verteld dat u het geld van de Russische tegoeden toch zult gebruiken voor Oekraïne, nadat u op VTM Nieuws had verklaard dat die tegoeden een financieringsbron waren voor de defensie-uitgaven.

Ik ben gerustgesteld; Ik ben blij dat te horen. Het omgekeerde was immers immoreel. Ook wat dat betreft hebt u echter uw kar gekeerd.

Mijnheer de minister, er blijft niets over van uw plan. U hebt wel extra geld gevraagd voor Justitie, waarvoor er na het regeerakkoord eigenlijk niets is veranderd, in tegenstelling tot Defensie, waarover de uitgaven inderdaad moeten stijgen.

U moet durven te hervormen. Kijk naar de gezondheidszorg. Onder de Zweedse regering heeft Maggie De Block de groeinorm beperkt. U kunt daar miljarden euro's halen, zonder te raken aan de patiëntenrechten.

Het is mij nog steeds niet duidelijk hoe het zit met de bedragen. Ik zou heel graag een schriftelijk antwoord krijgen. In uw begrotingstabellen staat immers maar 996 miljoen euro. Ik zie dus nog steeds niet waar het verschil vandaan komt tussen het bedrag van 20 à 21 miljard euro en het bedrag van 17,2 miljard euro. Wat behelzen de voorafgaande verbintenissen?

Wat de Europese ontsnappingsclausule betreft, waarom vergelijkt u met 2021? De regering-De Croo is van 1,05 % naar ongeveer 1,3 % gegaan. Dat betekent dus dat een vergelijking begint vanaf 1,05 % en niet vanaf 1,3 %. Waarom gaan wij zo ver terug in de tijd? Dat geeft u nog een extra voordeel, hoewel dat gewoon een groeipad was, vastgelegd in het STAR-plan.

Volgens mij is dus vandaag de conclusie dat u een bocht hebt genomen, tenzij u nu verklaart ten overstaan van de commissie – en u krijgt die kans – dat de uitgaven voor Defensie volledig gecompenseerd moeten worden.

Vincent Van Peteghem:

Mevrouw Bertrand, u vertelt hier allemaal foute dingen en vergelijkt onder andere percentages bij ongewijzigd beleid. Wij vergelijken met 2021, omdat Europa dat jaartal zelf naar voren schuift. Dus ja, wij stellen onze defensieplannen op binnen dat kader, goed beseffend dat ons land een ongelofelijke grote schuld torst en we het begrotingstekort duurzaam moeten verkleinen. Ik zal die plannen hier met heel veel plezier komen toelichten, zodra ze afgeklopt zijn.

Alexia Bertrand:

Mijnheer de minister, wij wachten al echt weken op die uitleg en u hebt net bevestigd dat u uw uitspraken van in VTM Nieuws niet herhaalt. U hebt niet gezegd dat de uitgaven volledig gecompenseerd moeten worden. Integendeel, u hebt net bevestigd dat u gebruik wilt maken van de flexibiliteit van Europa. Ik denk dat iedereen dat heel duidelijk en helder gehoord heeft.

Vincent Van Peteghem:

Mevrouw Bertrand, in het persbericht heb ik onderstreept dat we van de flexibiliteit van Europe gebruik zouden maken om te vermijden dat we maatregelen nemen die minder opbrengen dan we willen. Ik hoef u toch niet te verduidelijken dat, als we vandaag aankondigen dat we een participatie willen verkopen, we daar geen deftige prijs voor krijgen? Dan is het misschien beter om die participatie in plaats van dit jaar volgend jaar of het jaar nadien te verkopen. Op dat ogenblik zullen we inderdaad en uiteraard gebruikmaken van de flexibiliteit. Het zou pas slecht bestuur zijn, als we alles per se in dat ene jaar willen compenseren. Dit is exact ook de idee achter de enveloppe die we voorgesteld hebben, namelijk vermijden dat we de schuld verder laten oplopen.

De discussies daarover in de regering zijn momenteel aan de gang. Wanneer het plan is afgeklopt, zal ik het hier met veel plezier komen toelichten.

Alexia Bertrand:

Mijnheer de minister, dat u de verkoop in de tijd spreidt, is een zaak, maar dat heeft niets te maken met het principe dat de uitgaven moeten worden gecompenseerd. U hebt dat niet willen herhalen. Qui ne dit mot, consent. Iedereen heeft duidelijk begrepen dat u terugkomt op uw uitspraken in VTM Nieuws , want u hebt moeten plooien in het kernkabinet.

Wouter Vermeersch:

Mijnheer de voorzitter, ik wil, in CD&V-termen, slaan en zalven tegelijk. De minister heeft gelijk: de mogelijkheid om de defensie-uitgaven buiten de begroting te houden, komt met een aantal voorwaarden van de Europese Commissie. Een van die voorwaarden is dat de toename in de defensie-uitgaven ten belope van maximaal 1,5 % van het bbp, berekend wordt met 2021 als basis. 2021 als referentie is een duidelijke voorwaarde. De minister heeft eerder wel verklaard dat de uitgaven gecompenseerd moesten worden. Vandaag raakt de regering echter niet verder dan te zeggen dat ze de honderden miljoenen euro's aan vennootschapsbelastingen op de geblokkeerde Russische rekeningen ter financiering zal gebruiken, wat de vivaldiregering ook ieder jaar opnieuw deed. U zult ook het dividend van Belfius gebruiken, maar dat is een eenmalige financieringsbron, want er is geen garantie dat Belfius zoals dit jaar ook volgend jaar op een boerenjaar kan rekenen. Dat is geen structurele compensatie. De minister maakte zich in VTM Nieuws sterk dat hij de uitgaven zou compenseren, maar wat is het echte probleem? In het kernkabinet krijgt hij daar geen steun voor. De andere ministers zeggen helemaal niet dat zij de uitgaven willen compenseren. Hij staat alleen met dat standpunt. Hij krijgt dat helemaal niet verkocht. Dit is het echte probleem: hij doet beloftes waarvoor er geen back-up is van de andere regeringspartijen en waarmee ze duidelijk niet akkoord gaan. Zijn partij staat met dat standpunt helemaal geïsoleerd in de regering.

De opbrengst van de fiscalefraudebestrijding

Gesteld aan

Vincent Van Peteghem (Minister van Begroting)

op 2 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Daerden vraagt om verduidelijking over belastingfraudebestrijding, met name de budgettaire baten (200–400 mln in 2026–2029) en de onderliggende berekeningsmethode. Van Peteghem bevestigt een raming van 300 mln vanaf 2026, maar stelt concrete uitvoering uit tot de begrotingsdiscussie 2026. De kwestie blijft onbeantwoord, met Daerden die afwachtend reageert. Kern: transparantie-tekort over fraudebeleid en opbrengstprognoses.

Frédéric Daerden:

Monsieur le ministre, la lutte contre la fraude, et en particulier la fraude fiscale, est évidemment essentielle pour garantir le respect des normes et renforcer le contrat social qui lie tous les citoyens.

Le tableau budgétaire transmis à la Chambre reprend une ligne de recettes supplémentaires liées à la lutte contre la fraude fiscale à hauteur de 200 millions en 2026 et 400 millions en 2029.

Pourriez-vous apporter des précisions sur cette ligne budgétaire et la méthode de calcul? Comment le rendement a-t-il été évalué et sur quelle base, monsieur le ministre?

Vincent Van Peteghem:

Les tableaux budgétaires prévoient en effet un produit de la lutte contre la fraude fiscale à partir de 2026 à hauteur de 300 millions d'euros. La mise en œuvre concrète de cette mesure pour 2026 sera discutée dans le cadre de l'élaboration du budget 2026, qui sera bien sûr aussi déposé à la Chambre plus tard cette année.

Frédéric Daerden:

Nous n'avons plus qu'à attendre.

De rechtspraak met betrekking tot het aanzetten tot haat, discriminatie en geweld

Gesteld door

lijst: PS Khalil Aouasti

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 2 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Khalil Aouasti kritiseert de vrijspraak van Herman Brusselmans—die via "humoristische satire" opriep tot geweld tegen Joden—als een gevaarlijk precedent dat haatzaaien tegen beschermde groepen normaliseert, ondanks bestaande antidiscriminatiewetten. Minister Verlinden benadrukt dat ze de rechterlijke onafhankelijkheid respecteert, maar wijst op verstrengingen in het nieuwe Wetboek van Strafrecht (2026), waar discriminatoire motieven strakker bestraft zullen worden, en verwijst naar een lopende evaluatie van antidiscriminatieregels door collega-Beenders. Aouasti stelt dat de kernkwestie—de grens tussen satire en haatzaaien—onbeantwoord blijft, omdat de huidige wetgeving (ook met aangescherpte straffen) geen soelaas biedt als humor als dekmantel voor geweldsopruiing dient. De discussie draait om de noodzaak om juridische kaders te herzien om satirescherm misbruik voor haatdiscours tegen te gaan, zonder de expressievrijheid aan te tasten.

Khalil Aouasti:

Madame la ministre, dans une chronique publiée dans le magazine flamand Humo, l'écrivain Herman Brusselmans a écrit que la vue d'un enfant palestinien hurlant devant sa mère ensevelie sous des décombres le mettait tellement en colère qu'il souhaitait "enfoncer un couteau pointu dans la gorge de chaque Juif qu'il rencontre". M. Brusselmans, au terme d'une procédure judiciaire, a été acquitté au motif que son écrit serait qualifié de critique humoristique. S'il convient de respecter cette décision de justice, il convient également, à mon sens, de l'analyser et d'en effectuer la critique.

En effet, le jugement rendu renvoie un signal préoccupant. La satire, qui doit pouvoir être défendue en démocratie, pourrait admettre un appel explicite à la violence contre un groupe protégé par la loi. Une extrapolation de cette jurisprudence pourrait nous amener à considérer que malgré les textes qui protègent contre le racisme, le sexisme et les autres formes de discrimination, de tels propos couverts par la satire pourraient être tenus, et nous pourrions remplacer le mot "Juif" par "des femmes", "des homosexuels" ou d'autres porteurs de convictions confessionnelles ou philosophiques.

Madame la ministre, si un jugement doit être respecté et exécuté, il doit aussi nous permettre de nous interroger sur le cadre législatif protecteur que nous avons souhaité mettre en œuvre démocratiquement, dès lors que celui-ci ne semble plus assuré. Nous ne pouvons donc pas rester silencieux face à ce précédent, face à cette décision de justice. Il y va de la protection de toutes les composantes de notre société, qu'il s'agisse de Juifs ou non.

Madame la ministre, quelle analyse faites-vous de cette décision de justice et quelle suite – éventuellement législative – entendez-vous y donner afin de garantir qu'il n'y aura aucune impunité face à l'incitation à la haine et à la violence ici en Belgique? Je vous remercie.

Annelies Verlinden:

Cher collègue, le principe de la séparation des pouvoirs, un principe fondamental de l'État de droit, m'empêche de commenter les décisions de fond du pouvoir judiciaire. En tant que ministre de la Justice, je ne peux interférer avec l'ordre judiciaire et je m'abstiens, de ce fait, de toute opinion sur le jugement en question.

Cependant, je tiens à souligner que le droit à la liberté d'expression, garanti par la Convention européenne des droits de l'homme, n'est pas absolu et peut être soumis à certaines restrictions moyennant le respect de conditions. Il existe en Belgique un cadre juridique solide visant à protéger les citoyens contre toute forme de discours de haine ou d'incitation à la discrimination, à la haine ou la violence, qui est appliqué de manière indépendante par les tribunaux. Je vous informe également que le nouveau Code pénal, qui entrera en vigueur le 8 avril 2026, prévoit, pour certaines infractions, que le mobile discriminatoire sera considéré comme un élément aggravant. De ce fait, l'infraction est sanctionnée d'une peine plus élevée. Cette peine passe donc à un niveau supérieur de peine. Pour toutes les autres infractions, un mobile discriminatoire pourra être considéré comme un facteur aggravant que le juge devra prendre en considération lors du choix de la peine ou de la mesure, et de la sévérité de celle-ci, sans pouvoir prononcer une peine supérieure à la peine maximale prévue pour l'infraction.

Le nouveau Code pénal prévoit une section spécifique concernant les infractions relatives à la répression de la discrimination, c'est-à-dire aux incitations à la haine et au négationnisme. Conformément à l'article 250 du nouveau Code pénal, l'incitation à la discrimination et à la haine raciale sera sanctionnée par une peine de niveau 2.

Enfin, je précise que mon collègue, le ministre de l'Égalité des chances, prévoit de lancer, au cours de la présente législature, une évaluation des législations fédérales anti-discrimination. Je vous renvoie vers lui pour davantage d'informations à cet égard.

Khalil Aouasti:

Je vous remercie pour votre réponse, madame la ministre. L'objectif, comme je le disais, n'était pas de critiquer une décision de justice. Celle-ci est prise et doit être respectée pour ce qu'elle est. L'objectif était une analyse critique du cadre de la décision de justice, comme cela se fait tous les jours et toutes les semaines dans une série de revues de doctrine où des décisions de justice sont commentées et critiquées. Une décision de justice n'est en effet pas sacrée ni intouchable. Or, ici, nous devons constater, et vous prenez appui sur le Code pénal, que les incriminations du Code pénal ne sont pas mises en cause. Je pense que la réponse passe à côté de la question. En effet, ces incriminations n'auraient pas pu mener à la condamnation de M. Brusselmans puisqu'elles sont les mêmes que celles qui existent aujourd'hui. Si le mobile discriminant constitue effectivement un facteur aggravant pour toute une série d'infractions, et c'est une avancée dont on peut se réjouir, cela n'aurait pas amené ici à une décision distincte.

Ici, l'angle qui a été pris est de considérer que le droit à l'humour et à la satire, qui sont des dérivés du droit à la liberté d'expression et qui doivent pouvoir être protégés en démocratie, permettent dans un cas tout à fait problématique et singulier de propager des discours de haine et des appels à la violence. C'est là où, à mon sens, il peut être nécessaire d'évaluer ces législations. J'entends que vous renvoyez vers votre collègue Beenders à ce sujet. Je l'interrogerai donc sur le sens de cette évaluation et sur la manière dont il entend analyser l'affaire Brusselmans et, en tout cas je l'espère, lui donner des effets concrets. Je vous remercie.

Voorzitter:

Comme je vois que les trois orateurs suivants ne sont pas encore présents, je déplace leurs questions à la fin de notre ordre du jour.

De gerechtelijke aanpak van spiking

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 2 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De spiking-problematiek (het ongemerkt toedienen van drugs via drank) groeit maatschappelijk, maar opsporing en vervolging zijn moeilijk door snelle afbraak van stoffen in het lichaam en late aangiftes. Minister Verlinden benadrukt forensische verbeteringen (zorgcentra na seksueel geweld, haaranalyses, Code 37-project) en preventie, maar erkent dat gebrek aan specifieke cijfers het probleem onduidelijk maakt. Van Hoecke dringt aan op betere dataverzameling en massale preventiecampagnes, inclusief innovatieve hulpmiddelen (bv. detecterietjes), om slachtoffers sneller te laten handelen. Samenwerking tussen overheden en focus op bewustmaking zijn cruciaal, maar bewijslast blijft een structurele uitdaging.

Alexander Van Hoecke:

Bij spiking krijgen slachtoffers drugs of medicatie toegediend zonder dat ze daarvan op de hoogte zijn. Meestal gebeurt dat door drugs te mengen in een drankje in een club of café. De verschrikkelijke feiten die vorige week aan het licht kwamen in Kortrijk doen de maatschappelijke bezorgdheid rond spiking opnieuw toenemen en dat is terecht.

Vandaag kunnen we in de krant lezen dat nog meer vrouwen slachtoffer zijn geworden van spiking in Kortrijk en dat ze een klacht hebben ingediend. Het parket van West-Vlaanderen zegt dat die vrouwen van in het begin steeds serieus werden genomen. De woordvoerder bij het parket wijst er wel op dat het opsporen van spiking allesbehalve evident is. Men luistert steeds naar de slachtoffers, maar als niets kan bewezen worden, is het zeer moeilijk om met die klacht iets te doen.

Slachtoffers doen trouwens vaak pas dagen of weken na de feiten een melding van de spiking. Vaak duurt het ook een paar dagen vooraleer zij ten volle beseffen wat er gebeurd is of wat er gebeurd zou kunnen zijn. Dat zorgt er natuurlijk voor dat het middel dat gebruikt werd bij de spiking, niet meer traceerbaar is in het lichaam van de slachtoffers.

Mevrouw de minister, hoeveel onderzoeken naar spiking heeft het parket de voorbije vijf jaar geopend? Wordt het meer onderzocht? Zijn er meer klachten? Zijn er meer meldingen? Hoe vaak ging men ook daadwerkelijk over tot vervolging? Hoeveel veroordelingen werden er uitgesproken?

Hoe kijkt u naar de problemen bij de opsporing van spikingmiddelen en dus de problemen op het vlak van de bewijslast? Plant u initiatieven te nemen om daaraan tegemoet te komen?

Bent u bereid om initiatieven te nemen om de problematiek van spiking meer onder de aandacht te brengen? Ik denk dan voornamelijk aan preventie, wijzen op potentiële gevaren en jongeren informeren dat het bij een vermoeden van spiking, zodra zij denken dat er iets fout zou kunnen gelopen zijn, van essentieel belang is om zo spoedig mogelijk medische vaststellingen te laten doen en zich te laten onderzoeken, vooral in het kader van de bewijslast.

Annelies Verlinden:

Mijnheer Van Hoecke, vooreerst maken de databanken van het openbaar ministerie het niet mogelijk om binnen de druggerelateerde misdrijven die gevallen te isoleren waarbij drugs zouden zijn geïnjecteerd of aan een glas toegevoegd zonder medeweten van het slachtoffer. Het is daarom niet mogelijk om daarover cijfers te geven.

Verder merkt u terecht op dat dergelijke feiten vaak moeilijk vast te stellen zijn. Daarvoor bestaan verschillende redenen. Een daarvan is dat sporen van bepaalde drugs snel verdwijnen uit het menselijk lichaam, waardoor de detectie en het bewijs van het misdrijf worden bemoeilijkt als het slachtoffer niet onmiddellijk aangifte doet. Er zijn heel wat acties ondernomen om daaraan tegemoet te komen. Zo werden de zorgcentra na seksueel geweld gecreëerd, waarbij slachtoffers dadelijk psychologische, medische en forensische bijstand kunnen krijgen. Die centra zorgen ervoor dat het tijdsverloop tussen de feiten en de staalafname zo kort mogelijk wordt gehouden. Het zorgcentrum na seksueel geweld in Antwerpen vraagt ook al proactief de bloed- en urinestalen op, die werden afgenomen op bijvoorbeeld de spoeddienst of bij de arts alvorens het slachtoffer naar het zorgcentrum kwam. Dat wordt ook gedaan om de tijdsvork zo beperkt mogelijk te houden.

Ook werd het zogenaamde Code 37-project nationaal uitgerold, waardoor er forensisch adviseurs beschikbaar zijn voor de magistraten om hen bij te staan bij het bepalen van de optimale onderzoeksstrategie in het kader van onder andere zedendossiers.

In gevallen van mogelijke spiking waarbij bloed- of urinestalen negatief zijn of wanneer er geen stalen binnen een relevante tijdsvork konden worden afgenomen, stelt de dienst Forensisch Advies altijd een haaranalyse voor toxicologische screening voor. Daarin heeft het Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminalogie (NICC) al vele jaren geïnvesteerd en die analysemogelijkheid zal nog verder worden uitgebreid. Haaranalyses zijn veeleer geschikt voor het aantonen van chronisch gebruik van verdovende middelen, psychotrope medicatie of alcohol, maar voor bepaalde stoffen zal zelfs een eenmalige inname of toediening al kunnen worden gedetecteerd in het haar. Om de impact van haaranalyse te evalueren, is een onderzoek gestart bij de dienst Forensisch Advies en Toxicologie van het NICC.

Initiatieven voor het onder de aandacht brengen van spiking zijn bijzonder waardevol. Ik ben dan ook bereid daarin mijn rol te spelen in samenwerking met de andere federale ministers en de gefedereerde entiteiten die bevoegd zijn voor het onderdeel preventie.

Alexander Van Hoecke:

Dank u wel voor uw antwoord, mevrouw de minister. U verklaart dat de databanken van het openbaar ministerie het niet mogelijk maken om gevallen van spiking te isoleren. We moeten daarover misschien wel eens nadenken. Het probleem leeft maatschappelijk enorm en neemt naar mijn gevoel ook toe. Ik heb het gevoel dat hoe meer het probleem bekend geraakt, hoe meer daders de neiging hebben om ernaar op zoek te gaan en het te proberen. We moeten ervoor zorgen dat we daarover ook data hebben. Ik wist niet dat de centra na seksueel geweld proactief bloed- en urinastalen opvragen. Dat is een heel goede zaak, zeker in het kader van de bewijslast. We moeten ons er een klein beetje – nooit volledig natuurlijk – bij neerleggen dat de bewijslast altijd zeer moeilijk zal zijn in geval van spiking. We moeten dus volop focussen op preventie. Er bestaan heel wat – vaak private – initiatieven. Vorige week verscheen in de media nog een artikel over studenten die rietjes hadden ontworpen die op een bepaalde manier een toxische stof kunnen identificeren en dan van kleur veranderen. Preventie is zeer belangrijk. Dat is niet alleen uw opdracht, maar ook die van uw collega's in de regering. We moeten daarvoor massaal inspanningen leveren. Ten tweede wil ik herhalen dat het echt heel belangrijk is om te beschikken over cijfers inzake spiking, zodat we niet in het ijle varen zonder te weten over hoeveel gevallen het eigenlijk gaat en hoe groot het probleem in onze samenleving juist is.

De brandweerverslagen in opdracht van de Regie der Gebouwen voor de gevangenis van Hoogstraten

Gesteld door

lijst: VB Marijke Dillen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 2 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De gevangenis van Hoogstraten, met name het penitentiair schoolcentrum, kampt met ernstige brandveiligheidsinbreuken, waarbij paviljoenen ongunstige brandweerkeuringen kregen en dringende maatregelen vereist zijn om openblijven tot sluiting te garanderen. Minister Verlinden bevestigt dat Justitie (als "huurder") en Regie der Gebouwen (als "verhuurder") gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor de oplossingen, met dringend overleg en een technisch onderzoek naar behoud van de site, maar concrete acties blijven vaag. Dillen benadrukt dat tijdelijk openhouden enkel mogelijk is bij volledige naleving van brandveiligheidsnormen. De klemtoon ligt op de urgentie, maar een duidelijk tijdspad of budget ontbreekt.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, de Regie der Gebouwen heeft brandweerverslagen ontvangen met opmerkingen wegens inbreuken op de brandveiligheid, onder andere inzake de gevangenis van Hoogstraten, in het bijzonder het penitentiair schoolcentrum. Op 19 juni 2024 heeft daar een rondgang plaatsgevonden in aanwezigheid van de Regie der Gebouwen, de FOD Justitie en brandweerzone Taxandria. Het verslag was voorwaardelijk gunstig voor paviljoenen A en D, maar voor de overige gebouwen was het verslag werkelijk ongunstig.

Op 29 januari 2025 ontving de Regie der Gebouwen een nieuw brandweerverslag, waarin de brandweer verschillende noodzakelijke ingrepen aanhaalt. Belangrijk daarbij is dat, volgens het verslag, die maatregelen genomen dienen te worden om het complex open te kunnen houden tot aan de sluiting.

Mevrouw de minister, bent u op de hoogte van dat ongunstige verslag? Heeft er ter zake reeds overleg plaatsgevonden met uw collega bevoegd voor de Regie der Gebouwen over dringend te nemen maatregelen?

Welke maatregelen vallen onder de bevoegdheid van Justitie en welke onder de Regie der Gebouwen?

Uit het antwoord van de voormalige staatssecretaris voor Regie der Gebouwen aan mijn collega Britt Huybrechts blijkt dat “indien het de intentie is om het complex niet te sluiten of de sluiting nog uit te stellen met een aantal jaren, dit verslag komt te vervallen en het ongunstige besluit van kracht blijft". De beslissing om de sluiting uit te stellen heb ik in uw beleidsverklaring kunnen lezen. Welke initiatieven zijn er genomen om de verschillende noodzakelijke ingrepen die onder uw verantwoordelijkheid vallen bij hoogdringendheid uit te voeren?

Annelies Verlinden:

Collega Dillen, mijn administratie is op de hoogte van dit verslag en heeft dat ook al aangekaart bij de Regie der Gebouwen. Het verslag beschrijft een aantal punten die gedeeltelijk tot de verantwoordelijkheid van Justitie behoren en gedeeltelijk tot de verantwoordelijkheid van de Regie der Gebouwen. De verdeling van de bevoegdheden tussen Justitie en de Regie wordt beschreven in de handleiding klantenrelaties van de Regie en kan grosso modo worden omschreven als de opsplitsing van de verantwoordelijkheden tussen een huurder en een verhuurder. Er werd alleszins contact opgenomen met de Regie, waarbij een beschrijving van alle punten en verantwoordelijkheden werd bezorgd. Op verschillende niveaus wordt gehamerd op het belang en de dringendheid daarvan.

Tot slot klopt het dat wij de ambitie hebben het deel van de site buiten het kasteel te behouden. De Regie werd gevraagd dat verder technisch te onderzoeken.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, we zullen dat uiteraard opvolgen. Indien u deze gevangenis effectief tijdelijk wilt openhouden, is het belangrijk dat de brandveiligheid in orde is met de regels.

De resultaten van het overleg met de vakbonden van het gevangeniswezen
De incidenten in de gevangenis van Haren
Vakbondsoverleg en incidenten in gevangenissen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 2 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De escalerende agressie tegen cipiers in overbevolkte gevangenissen leidt tot stakingen en dringende eisen van vakbonden, zoals meer veiligheidscellen (minimaal 45, maar onvoldoende volgens vakbonden), strengere sancties voor agressieve gedetineerden, koppeling van voorwaardelijke invrijheidstelling aan gedrag, en intensievere drugscontroles. Minister Verlinden kondigt technologische maatregelen (drones, gsm-jammers, IT-speurhonden) en budgettaire inspanningen aan, maar benadrukt dat structurele oplossingen (overbevolking, zorg voor geïnterneerden) en concrete uitvoering tijd vragen, terwijl vakbonden en oppositie onmiddellijke, forsere actie en extra budget eisen. Sociaal overleg start voor de zomer, met een sociaal akkoord gepland tegen 2026, maar de korte-termijnmaatregelen worden als onvoldoende en te traag bestempeld. Een motie dringt aan op versnelde uitvoering en bijkomende middelen.

Marijke Dillen:

Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, de cipiers zijn de stijgende agressie in de overbevolkte gevangenissen beu en eisen een snelle en daadkrachtige aanpak. Vorige week werd er wederom gestaakt en ik heb begrepen dat er een overleg plaatsvond met de vakbonden van het gevangeniswezen.

De eisen van de vakbonden zijn duidelijk en al lang gekend. Zo pleiten ze onder meer voor meer veiligheidscellen met een dubbele deur voor agressieve gedetineerden, strengere sancties voor gedetineerden die zich misdragen, een koppeling van de voorwaardelijke vrijlating aan iemands gedrag tijdens detentie, meer drugscontroles in de gevangenissen enzovoort. Zij vragen concrete acties met een onmiddellijke impact op het terrein.

Kunt u meer toelichting geven met betrekking tot de concrete resultaten van het overleg?

Zijn alle gedane beloftes realistisch – want dat is niet onbelangrijk –, heel specifiek wat de budgettaire impact betreft? Kunt u meer toelichting geven over wat er op korte termijn concreet zal gebeuren? Graag kreeg ik ook een duidelijke timing.

We vernamen in de media dat er onder meer in het hele land 45 veiligheidscellen moeten bij komen, wat volgens de vakbonden een positief signaal is maar veel te weinig. Waarom kan dit aantal niet verhoogd worden, wat noodzakelijk is gezien de steeds toenemende en zwaardere agressiegevallen?

De vakbonden vinden de maatregelen een stap in de goede richting, maar missen nog een fors signaal van de overheid, de politie en Justitie: “Gedetineerden die hun criminele activiteiten voortzetten en cipiers bedreigen, moeten worden opgespoord en aangepakt." Zult u initiatieven nemen om daarvan bij hoogdringendheid werk te maken?

Ten slotte, kunt u meer toelichting geven betreffende de budgettaire impact van de gemaakte afspraken en beloftes? U hebt volledig terecht bijkomende budgetten gevraagd aan de regering, maar we wachten nog steeds op een beslissing. Nogmaals, is de budgettaire impact realistisch binnen het bestaande budget voor Justitie?

Alain Yzermans:

Mevrouw de minister, ik sluit aan bij mijn vragen van de voorbije weken. Er zijn regelmatig incidenten. Afgelopen weekend kregen opnieuw drie penitentiair beambten in Haren klappen tijdens de wandeling. Dat was een zwaar incident. De procedure 'kritisch incident' werd opgestart met alle gevolgen van dien. Er konden zondag bijvoorbeeld geen activiteiten doorgaan.

Deze escalatie is al weken aan de gang. De vraag is natuurlijk wat we daaraan structureel kunnen doen. U hebt een heel stappenplan opgesteld, dat de voorbije weken aan ons werd meegegeven. Treft u echter nog bijkomende veiligheidsmaatregelen om dat tegen te houden?

De spanningen leiden uiteraard tot een gevoel van straffeloosheid, ook intern bij de cipiers. Zij grijpen naar een staking, maar worden telkens geconfronteerd met een nieuw incident.

Wat me ook interesseert zijn de gesprekken met de vakbonden. Mijn vragen daarover sluiten aan bij wat mijn collega net heeft gevraagd. Zijn er plannen rond een sociaal akkoord? Liggen de stappen naar de onderhandelingen vast?

Ten slotte is er ook nog het hele aspect rond drugscriminaliteit in de gevangenissen. Er werd een suggestie gedaan om, zoals in andere landen, regelmatig een sweep te houden. Hebt u ook al gedacht aan deze maatregel in het kader van de drugsbestrijding in onze penitentiaire instellingen?

Annelies Verlinden:

Bedankt, collega's. Op donderdagavond 27 maart ging een 24 urenstaking van start in de gevangenissen uit protest tegen agressie ten aanzien van het gevangenispersoneel. Op zondagavond 30 maart vond vanaf 22 uur opnieuw een actie plaats door de deelname van het personeel aan de nationale stakingsdag. De minimale dienstverlening kon niet in alle penitentiaire instellingen worden gegarandeerd, waardoor op tal van plaatsen een inzet nodig was van de lokale politie, al dan niet ondersteund door de federale politie. Deze inzet heeft uiteraard een enorme impact op de reguliere werking van onze politiediensten en zo ook op de dienstverlening aan de bevolking.

Vrijdag 28 maart hebben in het licht van de 24 urenstaking verschillende vakbondsleden zich verzameld voor mijn kabinet. Nadat er al eerder overlegmomenten hadden plaatsgevonden, ben ik ook afgelopen vrijdag in gesprek gegaan met die vertegenwoordigers van de verschillende vakorganisaties.

Het is duidelijk dat de schrijnende overbevolking in onze gevangenissen een humaan detentiebeleid in de weg staat en dat dat een impact heeft zowel op de personeelsleden als op de gedetineerden. De werk- en leefomstandigheden dragen bij aan frustraties en geweldincidenten. De reacties van de personeelsleden, waarbij na incidenten het regime wordt aangepast of het werk wordt neergelegd, versterken bij de gedetineerden de frustraties, wat maakt dat er een vicieuze cirkel ontstaat die nog moeilijk te doorbreken blijkt. De impact van daden van fysiek of verbaal geweld op de gevangenismedewerkers is groot en ik wens in het bijzonder ook de mentale weerslag van dergelijke feiten te onderstrepen, ook op de familieleden van onze penitentiair beambten. Niemand vertrekt naar het werk met het idee die dag niet naar huis te kunnen terugkeren, maar in plaats daarvan de nacht te moeten doorbrengen in een ziekenhuis.

Uiteraard, collega's, is het onaanvaardbaar dat veroordeelde criminelen hun business draaiende kunnen houden vanachter de gevangenismuren, terwijl ze verondersteld worden gestraft te zijn. Drugssmokkel en andere criminele activiteiten moeten worden gestopt en daarmee ook de bedreigingen die worden geuit ten aanzien van onze penitentiair beambten, maar evenzeer magistraten, politiemensen, douaniers, havenpersoneel en advocaten, zoals we vanochtend helaas hebben moeten vaststellen. De toename van geweld en bedreigingen ook in de privésfeer van de gevangenismedewerkers, is voor mij een grote bezorgdheid en de aanpak ervan een prioriteit.

Dat heb ik in deze commissie al herhaald meegegeven en we voegen ondertussen ook de daad bij het woord. Ik heb tijdens het overleg met de vakbondsvertegenwoordigers vorige vrijdag een aantal maatregelen aangekondigd.

Zo zullen we werk maken van meer veiligheid in de detentie-infrastructuur door het voorzien van beveiligde cellen voor de meest agressieve gedetineerden, met de bedoeling het aantal veiligheidscellen jaar na jaar te laten toenemen. In eerste instantie wordt het aantal veiligheidscellen beperkt tot 45 om hun impact op het leef- en werkklimaat in de rest van de afdelingen te beperken.

Om de veiligheid binnen de gevangenismuren te verbeteren, maar ook om de strijd tegen criminaliteit binnen de gevangenismuren te intensiveren, zal materiaal worden aangekocht om gerichtere controles uit te voeren op de aanwezigheid van gsm-toestellen, tracers en drones. Er zullen bijkomende IT-speurhonden bij de Directie hondensteun van de federale politie worden opgeleid, waardoor we die honden, net als de drugshonden, meer zullen kunnen inzetten binnen de gevangenissen. Ook zullen toestellen worden aangekocht die signalen van gsm-toestellen kunnen jammen. Uiteraard blijven we ook in samenwerking met de politie inzetten op controles en sweepings .

Het project drone-in-a-box zal verder worden getest en uitgebreid en moet zorgen voor een betere beveiliging in de onmiddellijke omgeving van de gevangenis door de inzet van drones, bijvoorbeeld op de personeelsparkings. Uiteraard zal worden voorzien in de opleiding van personeelsleden, zodat zij met de nieuwe technologie en middelen aan de slag kunnen gaan.

De maatregelen die ik net heb overlopen, hebben we becijferd en we zullen de nodige stappen zetten om daarvoor budgetten vrij te maken.

Weliswaar gebiedt de realiteit me vast te stellen dat de aankoop van technische middelen, de installatie ervan en de opleiding van personeelsleden tijd vraagt en uiteraard gebonden is aan procedures. We moeten dat dus ook realistisch benaderen. De nodige initiatieven zullen spoedig worden genomen, maar de concrete uitwerking en realisatie ervan op het terrein zal mogelijk nog even op zich laten wachten.

We zullen ook de traceerbaarheid van de gevangenismedewerkers inperken, meer bepaald door de zichtbare personeelsinformatie op identificatiebadges van de medewerkers aan te passen.

Conclusie, door de problematiek van de overbevolking, de aanwezigheid van agressieve profielen, de meer dan duizend geïnterneerden in onze gevangenissen die nood hebben aan gespecialiseerde zorg en de drugshandel, zien onze penitentiaire instellingen zich vandaag geconfronteerd met tal van uitdagingen. De vele veroordelingen, zowel nationaal als internationaal, wijzen ons daarop. Ik heb heel goed geluisterd naar de noden en de zorgen van de vakorganisaties. Met de aangekondigde maatregelen wil ik alvast tegemoetkomen aan enkele zeer terechte bezorgdheden, maar het weze duidelijk dat het evolueren naar een humaan detentiebeleid meer zal behoeven dan de net besproken maatregelen. U weet dat mijn voorstel voor het indijken van de overbevolking en mijn budgettaire meervraag voorligt bij de regeringscollega's. De gesprekken die daarover vorige week al werden gevoerd, zullen worden verdergezet.

Mijnheer Yzermans, zoals voorzien in het regeerakkoord zullen we tegen 1 januari 2026 een sociaal akkoord met de vakbonden onderhandelen. De gesprekken daartoe zullen nog voor de zomer worden opgestart.

Marijke Dillen:

Dank u vriendelijk voor uw antwoord, mevrouw de minister. De maatregelen die u hebt aangekondigd, kunnen uiteraard al onze steun krijgen, maar ik vrees dat ze absoluut niet zullen volstaan.

Er zullen in eerste instantie 45 veiligheidscellen komen, bevestigde u vandaag. Dat is volgens de vakbonden absoluut onvoldoende. Mevrouw de minister, u zult inspanningen moeten doen om dat aantal op korte termijn op te trekken om de veiligheid in de gevangenissen te waarborgen. De vraag is dan natuurlijk ook hoe u die 45 veiligheidscellen wilt spreiden. We weten immers allemaal dat er een aantal gevangenissen zijn waar er gelukkig weinig gevallen van agressie zijn, maar ook een aantal andere – ik heb u daar vorige week nog over ondervraagd, mevrouw de minister – waar er geen sprake is van overbevolking, maar waar er wel zeer zware vormen van agressie zijn. Het is dus belangrijk om de cellen op een juiste wijze te spreiden.

Ten tweede zegt u dat u de maatregelen becijferd hebt. Kunt u daar meer toelichting over geven? Hebt u becijferd welke exacte budgetten u graag ter beschikking zou krijgen? Ik vrees namelijk dat dat binnen de bestaande budgettaire ruimte absoluut niet haalbaar is. U zegt dat u binnen de regering overlegt om bijkomende budgetten te krijgen, maar ten eerste bent u niet de enige minister die graag bijkomende budgetten wil, en ten tweede zijn die eventuele bijkomende budgetten uiteraard bedoeld voor uw totaalpakket aan bevoegdheden en niet enkel en alleen voor het gevangeniswezen. We weten allemaal dat er binnen het totaalpakket van uw bevoegdheden zeer grote noden zijn.

Nog een laatste opmerking, mevrouw de minister. De vakbonden pleitten uitdrukkelijk voor strengere sancties voor gedetineerden die zich misdragen en voor de koppeling van de voorwaardelijke vrijlating aan iemands gedrag tijdens detentie. Ik heb van u spijtig genoeg geen antwoord gehoord op die terechte vraag van de vakorganisaties.

Tot slot heb ik een motie ingediend.

Alain Yzermans:

Dank u voor de antwoorden.

Moties

Motions

Voorzitter:

Tot besluit van deze bespreking werden volgende moties ingediend. En conclusion de cette discussion, les motions suivantes ont été déposées. Een motie van aanbeveling werd ingediend door mevrouw Marijke Dillen en luidt als volgt: "De Kamer, gehoord de interpellatie van mevrouw Marijke Dillen en het antwoord van de minister van Justitie, belast met de Noordzee, - overwegende dat aan de stijgende agressie tegenover cipiers in de gevangenissen paal en perk dient te worden gesteld; - overwegende dat ondanks het feit dat deze problematiek bijzonder ernstig is en al geruime tijd aansleept, nog geen adequate maatregelen zijn genomen om de veiligheid van de penitentiaire beambten te benaarstigen, laat staan te garanderen; - overwegende dat hier dan ook met prioriteit werk dient van gemaakt te worden; - overwegende dat in die zin ook de vakbonden hun eisenpakket op tafel hebben gelegd; vraagt de regering - per kerende, en voor zover als nodig, de nodige regelgevende en praktische initiatieven uit te werken voor onder meer de bouw van voldoende veiligheidscellen met een dubbele deur in de strijd tegen agressieve gedetineerden, strengere sancties voor gedetineerden die zich misdragen, een koppeling van de voorwaardelijke vrijlating aan iemands gedrag tijdens de detentie en meer drugscontroles in de gevangenissen; - hiervoor bijkomend budget te voorzien zodat voormelde initiatieven binnen een korte termijn kunnen gerealiseerd worden. " Une motion de recommandation a été déposée par Mme Marijke Dillen et est libellée comme suit: " La Chambre, ayant entendu l'interpellation de Mme Marijke Dillen et la réponse de la ministre de la Justice, chargée de la Mer du Nord, - considérant qu’il faut mettre un frein à l’augmentation du nombre d’agressions commises contre des gardiens dans les prisons; - considérant que malgré la gravité particulière de ce problème et sa persistance depuis un certain temps, aucune mesure adéquate n'a encore été prise pour veiller à la sécurité des agents pénitentiaires, et encore moins pour la garantir; - considérant qu'il faut s'atteler en priorité à cet élément; - considérant que les syndicats ont également présenté leur cahier de revendications dans ce sens; demande au gouvernement - de prévoir, sans délai et pour autant que nécessaire, les initiatives réglementaires et pratiques nécessaires pour, entre autres, la construction d'un nombre suffisant de cellules de sécurité équipées d'une double porte pour lutter contre l’agressivité des détenus, des sanctions plus dures à l’égard des détenus qui se comportent mal, un couplage de la libération conditionnelle au comportement de l'intéressé durant sa détention et l'augmentation du nombre de contrôles antidrogue effectués dans les prisons; - de prévoir un budget supplémentaire afin que les initiatives susmentionnées puissent être mises en œuvre à brève échéance. " Een eenvoudige motie werd ingediend door de heer Steven Matheï. Une motion pure et simple a été déposée par M. Steven Matheï. Over de moties zal later worden gestemd. De bespreking is gesloten. Le vote sur les motions aura lieu ultérieurement. La discussion est close.

Inbreuken op de brandveiligheid in het gerechtsgebouw van Nijvel

Gesteld door

lijst: VB Marijke Dillen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 2 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Het gerechtsgebouw in Nijvel is gesloten wegens acute brandveiligheidsrisico’s (overbelaste zolders/kelders met papieren archieven en gebrekkige compartimentering), waarvoor de Regie der Gebouwen en FOD Justitie een actieplan opstelden. Verwijdering van de archieven (via een aanbestede overheidsopdracht) is gepland in Q2 2025, met lopende offerte-analyses en kredietvastlegging, terwijl een taskforce (met brandweer, stad, rechtbanken) de uitvoering monitort. Minister Verlinden bevestigt overleg met collega Matz (Regie) en plant een terreinbezoek volgende week, maar concrete timing blijft onzeker. Dillen benadrukt de urgentie en vraagt om specifieke resultaten voor Nijvel, met de opmerking dat brandveiligheidsproblemen in andere justitiële gebouwen beperkt lijken.

Marijke Dillen:

Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, ik verwijs naar de tekst van mijn vraag zoals ingediend.

De Regie der Gebouwen heeft brandweerverslagen ontvangen wegens inbreuken op de brandveiligheid voor het gerechtsgebouw in Nijvel op het Albert I-plein dat op bevel van de burgemeester gesloten werd na het negatief verslag van de dienst Service Régional d'Incendie. De belangrijkste redenen voor de sluiting zijn een brandbare overbelasting van de zolderverdieping en de kelders, te wijten aan de grote opslag van documenten op papieren dragers en een onvoldoende compartimentering.

De Regie der Gebouwen heeft een actieplan overgemaakt aan de dienst New Infra van de FOD Justitie, zo blijkt uit het antwoord van voormalig staatssecretaris voor de Regie der Gebouwen aan mijn Collega Britt Huybrechts.

1. Is de minister op de hoogte van dit actieplan? Heeft er inmiddels overleg plaatsgevonden met de minister bevoegd voor de Regie der Gebouwen betreffende de uitvoering van dit actieplan, meer bepaald wat betreft de bevoegdheidsverdeling voor de uit te voeren werken? Zo ja, wat zijn de resultaten? Zo neen wordt dit nog gepland?

2. De FOD Justitie is o.m. blijkbaar bevoegd voor het verwijderen van de opgeslagen archieven in de zolderverdieping en de kelders wat zorgt voor een brandbare overbelasting. Werden er reeds initiatieven genomen om deze werken uit te voeren?

Annelies Verlinden:

Mevrouw Dillen, het actieplan waarnaar u verwijst, is het resultaat van overleg tussen de Regie der Gebouwen en de FOD Justitie. Dat plan en de uitvoering ervan worden regelmatig opgevolgd door een taskforce bestaande uit vertegenwoordigers van de Regie, de FOD Justitie, de rechtbanken, de balie, de stad Nijvel en ook de regionale brandweer.

Het is inderdaad de bedoeling dat de omvangrijke archieven op de zolders worden verwijderd. Het technisch personeel van het directoraat Buildings & Facilities is daarvoor verantwoordelijk en heeft daartoe alvast de nodige stappen gezet. Het verwijderen van de archieven van de gehele zolder en van de twee gewelfde kelders naar het algemeen archief van het Koninkrijk te Bergen dient weliswaar het voorwerp uit te maken van een overheidsopdracht. Momenteel werken de operationele diensten aan de analyse van de offertes die naar aanleiding van de aankondiging van die opdracht werden ontvangen, met het oog op de vastlegging van de nodige kredieten.

In het licht van het voorgaande is het op dit moment moeilijk om een concreet tijdschema voor de verwijdering van de archieven te bepalen. De diensten beogen de realisatie daarvan in het tweede kwartaal van 2025, indien alles volgens een regelmatig schema verloopt.

Volgende week heb ik met collega Matz, bevoegd voor de Regie, ook een bezoek gepland om mij ter plaatse van de stand van zaken in Nijvel te vergewissen.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, bedankt voor uw antwoord. Ik stel vast dat er toch al een aantal dringende initiatieven genomen worden, want over de brandveiligheid dient natuurlijk nauwgezet te worden gewaakt. Uit het uitvoerige antwoord dat de voormalige staatssecretaris voor de Regie der Gebouwen aan mijn collega heeft gegeven, heb ik begrepen dat het kennelijk nog meevalt, wat de brandveiligheid in de gevangenissen en gerechtsgebouwen betreft, want enkel de gevangenis van Hoogstraten en het gerechtsgebouw te Nijvel werden vermeld. Ik ben wel benieuwd wat er specifiek uit de bus zal komen omtrent het gerechtsgebouw in Nijvel.

De oude gevangenis in Dendermonde

Gesteld door

lijst: VB Barbara Pas

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 2 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De gevangenis van Dendermonde kampt met onmenselijke omstandigheden (overbevolking, verouderde infrastructuur, brandgevaar) en veiligheidsrisico’s voor zowel gedetineerden als cipiers, bevestigd door advocaten die de toestand vergelijken met "totalitaire regimes". Minister Verlinden erkent de problemen maar houdt de oude gevangenis open tot het FPC longstay in Oost-Vlaanderen operationeel is, wegens landelijke overbevolking; kleine renovaties (elektriciteit, cellen) volstaan niet. Pas hamert op structurele oplossingen voor overbevolking (ook in de *nieuwe* gevangenis, waar 520 detineerden zitten ipv 444) en noemt de huidige maatregelen dweilen met de kraan open. Concreet plan en budget volgen pas in Masterplan 4, zonder duidelijke timing.

Barbara Pas:

Mevrouw de minister, maandag was een stakingsdag en niet voor de eerste keer stond er ook een stakingspiket aan de oude gevangenis in Dendermonde. Er werd in eerste instantie gestaakt omwille van de erbarmelijke levensomstandigheden daar. De cipiers krijgen alvast gelijk van de advocaten. Vorig jaar ging een aantal stafhouders van de Vlaamse balies op bezoek in verschillende gevangenissen, waaronder ook de oude gevangenis in Dendermonde. Daar zagen ze heel wat problemen, zoals de overbevolking en vooral de verouderde infrastructuur.

Die advocaten hebben daar recent opnieuw op gereageerd Ik geef enkele citaten mee van de stafhouder van Dendermonde: "De isoleerruimten deden mij denken aan gevangenissen van totalitaire regimes. Dit past niet in een rechtsstaat zoals België. De leefomstandigheden zijn er zo dramatisch dat er van zorg geen sprake meer is. Maak er een museum van, want een gevangenis kan je dit niet meer noemen. Deze gevangenis kan geen functie meer hebben om er gedetineerden te gaan in opsluiten".

Er stonden ook stakingspiketten toen de oude gevangenis vóór de verkiezingen met heel veel show werd heropend door toenmalig minister Van Tigchelt. Op dat moment was er nog een negatief advies van de brandweer. Ondertussen zijn er al wat aanpassingen gebeurd, maar vorige week nog was er een brand die werd veroorzaakt door de slechte staat van de elektriciteitsvoorzieningen. Daarbij werd het centrum van de stad voor de helft afgesloten. Dat zijn situaties die niet voor herhaling vatbaar zijn.

Mevrouw de minister, wat is uw reactie op de bevindingen van de Stafhouder van de balie van Dendermonde? Worden er initiatieven genomen om de situatie daar te verbeteren? Zo ja, welke? Welke concrete werken en aanpassingen zijn daar nog gepland op korte, middellange en lange termijn? Welk budget is er daarvoor voorzien?

Wat ondertussen met de overbevolking in de oude gevangenis van Dendermonde? Zal die in deze omstandigheden open blijven? Wat zijn de plannen desbetreffend, rekening houdend met de onmenselijke situatie voor de gevangenen en de onveilige situatie voor zowel de gedetineerden als de cipiers?

Annelies Verlinden:

Mevrouw Pas, ik erken uiteraard de uitdagingen die in de gevangenis van Dendermonde bestaan. De situatie in die penitentiaire inrichting wordt net als in de andere inrichtingen nauwgezet opgevolgd. Er zijn verschillende initiatieven genomen om de leef- en werkomstandigheden maximaal te verbeteren. Het klopt dat in het verleden werd beslist om de oude gevangenis te sluiten zodra de nieuwe gevangenis operationeel zou zijn, omdat de infrastructuur van de oude gevangenis niet meer voldoet aan de hedendaagse standaarden.

Door de aanhoudende overbevolkingsproblematiek in de Belgische gevangenissen was de vorige regering echter genoodzaakt de oude gevangenis alsnog open te houden met een lagere bezetting. Wij hebben beslist de oude gevangenis minstens open te houden tot de opening van het FPC longstay in Oost-Vlaanderen. Gezien de problematiek van de huidige overbevolking, zal u willen begrijpen dat het niet mogelijk is om bestaande capaciteit te sluiten.

Vooraleer de oude gevangenis in gebruik werd genomen, werden een aantal renovatie- en opfrissingswerken uitgevoerd. Voor die werken kan ik verwijzen naar de aanpassing van de elektriciteit, de modernisering van de sanitaire leidingen en de opfrissing van een deel van de cellen.

Over de toekomst van de site is momenteel een analyse lopende. Een voorstel over de budgetten en de timing van de eventuele verdere werken zal worden geformuleerd in het kader van het Masterplan 4, dat momenteel in voorbereiding is samen met de Regie der Gebouwen.

Barbara Pas:

Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord. Ik ben mij ervan bewust dat er renovatie- en opfrissingswerken zijn gebeurd. Er zijn hier en daar wat likjes verf gegeven en aanpassingen gedaan, maar dat is uiteraard onvoldoende. U hebt niet gereageerd op de uitspraken van de stafhouder van de balie in Dendermonde. Hij heeft echter gelijk. De omstandigheden zijn erbarmelijk, uiteraard door de overbevolking. Dat is niet alleen in de oude gevangenis het geval maar ook in de nieuwe gevangenis in Dendermonde. In plaats van de voorziene 444 gedetineerden zitten er in die gevangenis momenteel 520 gedetineerden, ook met grondslapers en alle gevolgen van dien voor de veiligheid van de cipiers. Ook daar schort er wat aan de infrastructuur. Deuren schieten plots open. Als de cipiers dat geluid horen, moeten zij gaan checken welke deur ’s nachts is opengegaan vooraleer een gedetineerde zou kunnen buitenwandelen. Zij moeten die deur met hout stutten in afwachting dat iemand de deur met een sleutel opnieuw dichtdraait. Dat zijn geen houdbare situaties. Pak dus de overbevolking aan in plaats van die zaken te laten aanslepen. Dat komt immers de gedetineerden niet ten goede en de cipiers al zeker niet.

De Veiligheid van de Staat en de onlinerekrutering van Belgen door Rusland

Gesteld door

lijst: MR Anthony Dufrane

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 2 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België ziet een toename van Russische *"agenten jetables"*—online gerecruteerde burgers (vaak via Telegram) die voor kleine bedragen in cryptovaluta lichte opdrachten uitvoeren, zoals propagandistische acties of dataverzameling—uitsluitend gelinkt aan Russische inlichtingendiensten. De Sûreté de l’État monitort dit als onderdeel van haar strijd tegen Russische spionage en inmenging, maar ziet (nog) geen bewijs dat andere staten (bv. China) soortgelijke methodes gebruiken; cyberaanvallen blijven het werk van georganiseerde groepen, niet van deze losse agenten. De profielen die worden geronseld zijn vaak financieel gemotiveerd, soms crimineel of ideologisch beïnvloed, maar niet altijd bewust van hun Russische banden; details over specifieke maatregelen of fichering blijven geheim om operaties te beschermen.

Anthony Dufrane:

Madame la ministre, la Sûreté de l’État évoque dans son dernier rapport annuel la hausse des "agents jetables" employés par la Russie. Ce sont des citoyens recrutés via des messageries comme Telegram à qui la Russie confie des petites missions contre une somme d’argent en cryptomonnaies.

Ces missions peuvent aller de la pose d’autocollants insultant l’OTAN dans le quartier européen à la collecte d’adresses mail de journalistes belges. Selon la VRT , ce groupe de hackers pro-russes serait aussi lié au piratage de nombreux sites communaux et gouvernementaux belges lors de précédentes périodes électorales.

Ces pratiques sont courantes à l’étranger mais elles sont relativement récentes sur notre territoire. La présence d’institutions européennes et internationales n’est évidemment pas étrangère au phénomène. Il est néanmoins préoccupant de voir de telles tentatives de déstabilisation russes, en plus des cas d’espionnage ou d’ingérence déjà répertoriés.

Madame la ministre, comment la Sûreté de l’État lutte-t-elle contre ces militants pro-russes recrutés en ligne? Craignez-vous que ce type de pratiques se généralise? Autrement dit, d’autres États, tels que la Chine, ont-ils recours à ces pratiques sur notre territoire? Y a-t-il une hausse des tentatives de piratage informatique contre les sites gouvernementaux? Quelles mesures sont prises afin de remonter ces filières? Avez-vous connaissance des types de profils recrutés par les hackers russes et sont-ils fichés par la Sûreté de l’État?

Annelies Verlinden:

La lutte contre le phénomène des agents jetables recrutés en ligne par la Russie fait partie intégrante du suivi par la Sûreté de l'État (VSSE) de l'espionnage et de l'ingérence russes. La Sûreté de l'État surveille ce phénomène de différentes manières mais elle ne peut entrer dans les détails afin de protéger les enquêtes.

Le phénomène des agents jetables tel que décrit dans le rapport annuel de la VSSE a été identifié comme un mode opératoire actuellement utilisé sous cette forme spécifique uniquement par les services de renseignement russes. Nous n'avons pas encore d'exemple de cyberattaque menée par des agents jetables. Les cyberattaques sont généralement perpétrées par des groupes mieux organisés qui ne correspondent pas au profil des agents jetables.

La plupart d'entre eux sont recrutés pour des actions de petite envergure. Ils sont motivés principalement par les modestes compensations financières qui leur sont promises. Ils ne sont pas toujours conscients qu’ils travaillent pour la Russie.

Des exemples étrangers montrent que certains d’entre eux font également partie du milieu de la petite criminalité. Les recruteurs ciblent parfois des milieux soupçonnés d’avoir des sympathies idéologiques pour les idées véhiculées par la propagande russe et le modèle idéologique dominant en Russie.

En ce qui concerne vos questions relatives aux tentatives de piratage informatique, je vous invite à vous adresser au premier ministre. Ces questions relèvent des compétences du Centre pour la Cybersécurité Belgique (CCB).

Anthony Dufrane:

Madame la ministre, je vous remercie pour vos réponses. Hormis le côté confidentiel relatif aux enquêtes en cours, je suis satisfait des réponses que vous m’apportez. Je ne manquerai pas d'interroger le premier ministre pour les questions qui relèvent de ses compétences.

720 iftarpakketten voor de gedetineerden in de Antwerpse Begijnenstraat

Gesteld door

lijst: VB Sam Van Rooy

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 2 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sam Van Rooy kritiseert de islamisering van gevangenissen en noemt de uitdeling van 700 iftarpakketten door het Marokkaanse consulaat in Antwerpen een gevaarlijke normalisering, die radicalisering bevordert. Minister Annelies Verlinden benadrukt dat veiligheidscontroles (HACCP) en neutraliteit (aanbod voor *alle* gedetineerden) vooropstaan, maar staat niet fundamenteel afwijzend tegenover religieuze initiatieven. Van Rooy eist een hardere lijn, suggereert repatriëring van Marokkaanse criminelen en beschuldigt de overheid van naïviteit in de omgang met islamitische invloed. De kern: spanningsveld tussen religieuze vrijheid en veiligheidsrisico’s in detentie.

Sam Van Rooy:

"Waarom 700 gedetineerden in Antwerpen mogen smullen van lekkers, bereid in het Marokkaans consulaat. Zo'n iftarpakket kan hen even een positief gevoel geven. De geur van vers bereide harirasoep en zoete chebakia vult de keuken van het Marokkaanse consulaat aan de Boomsesteenweg in Wilrijk. De 750 voedselpakketten die hier bereid worden, maken geen deel uit van een alledaagse iftar, maar zullen verdeeld worden onder 720 gedetineerden en 30 personeelsleden in de Begijnenstraat in Antwerpen. “Met zo’n halve kilo dadels kunnen zij een week verder”, glimlacht de Marokkaanse consul-generaal Mounir Qtitou. We worden hartelijk verwelkomd door consul-generaal Mounir Qtitou, de officiële vertegenwoordiger van Marokko in Antwerpen. Met een warme glimlach vertelt hij…"

Zo'n propaganda-artikel zou men verwachten in een Marokkaanse krant, maar dit staat gewoon in Het Laatste Nieuws . Het artikel werd niet toevallig geschreven door iemand die Ghadija Akouk heet. Ook de islamisering van de mainstream media, minister, is volop bezig.

Minister, wat vindt u ervan dat het Marokkaanse consulaat iftarpakketten uitdeelt aan de gedetineerden in de Antwerpse Begijnenstraat? Worden of werden deze iftarpakketten gecontroleerd?

De Marokkaanse consul-generaal heeft gezegd dat hij nu ook iftarpakketten wil uitdelen in andere gevangenissen. Vindt u dat een goed idee, minister? Steunt u dat?

Tot slot, mogen dan vanaf nu, als u dit steunt, vanuit elke religie of ideologie massaal culinaire leveringen worden gedaan aan gevangenen in dit land?

Ik kijk zeer uit naar uw antwoorden.

Annelies Verlinden:

Beste collega, de administratie heeft met het Marokkaanse consulaat afgesproken hoe het uitdelen van iftarpakketten logistiek op een veilige manier kon worden geregeld. Alles wat binnenkomt in de penitentiaire inrichtingen, ongeacht de oorsprong, wordt gecontroleerd op veiligheid. De HACCP-normen dienen te worden gerespecteerd omdat het om voedingswaren gaat. Dat geldt uiteraard ook voor de iftarpakketten.

Wanneer er een aanbod is vanuit een erkende religie, zal per aanbod worden bekeken welke organisatie die aanbiedt, wat het aanbod is en wat de mogelijkheden zijn en of er op het aanbod wordt ingegaan. Een belangrijke voorwaarde hierbij is dat het aanbod aan alle gedetineerden wordt gedaan, ongeacht de religie.

Sam Van Rooy:

Minister, de oververtegenwoordiging van moslims en meer bepaald Marokkaanse moslims in onze gevangenissen is al erg genoeg. Dat dit land en u nu zelfs toestaan dat het Marokkaanse consulaat massaal iftarpakketten uitdeelt in onze gevangenissen is, laat dat duidelijk zijn, te gek voor woorden. De islamisering van onze gevangenissen is volop bezig en leidt tot radicalisering, geweld en terreur. Aan de Marokkaanse consul-generaal zou ik zeggen als hij dan toch zo graag onze gevangenissen wil bezoeken, minister, dat hij dan zijn vele criminele en terroristische landgenoten meeneemt naar Marokko. Ik zou graag hebben, minister, dat ook u die boodschap aan hem overmaakt.

De tiende verjaardag, op 20 maart 2025, van de oproep van de gerechtelijke actoren

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 2 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Een symbolisch proces aan de ULB oordeelde dat de Belgische staat schuldig is aan structurele tekortkomingen in de rechtspraak (onderfinanciering, traagheid, schendingen van de rechtsstaat), terwijl de justitie zelf als onschuldig werd beschouwd. Minister Verlinden bevestigde de urgentie, beloofde extra budget, vereenvoudigde procedures, slachtoffercentrering en herintegratie van gedetineerden, en benadrukte langetermijnsamenwerking met het veld om complexe problemen op te lossen. Ze onthaalde de open brief van magistraten positief en zette in op autonomie voor de rechterlijke macht en continue overleg. De oppositie toonde zich tevreden met haar concrete toezeggingen en betrokkenheid.

François De Smet:

Madame la ministre, le mercredi 19 mars dernier s’est tenu à l’ULB un procès fictif "Justice contre État belge", fictif sur la forme, mais bien réel sur le fond et qui visait à dénoncer les dysfonctionnements, les manques de moyens et la lenteur de la justice ainsi que les nombreuses violations de l’État de droit. Dans son introduction, la magistrate Manuela Cadelli a rappelé que le monde judiciaire a lancé son cri d’alarme il y a dix ans, le 20 mars 2015.

À l’issue de ce procès et des échanges avec le public, pas moins de 500 personnes ont été amenées à voter simultanément pour rendre le verdict. Appelé à se prononcer sur la culpabilité de Justice et de l’État belge, le jury a rendu une décision sans ambiguïté: l’État belge est jugé coupable à 96 % tandis que la Justice est déclarée innocente à 77,9 %.

Une lettre ouverte vous a été remise le lendemain par sept acteurs clés du monde judiciaire qui tire la sonnette d’alarme en faveur d’une justice indépendante, démocratique, accessible, efficace et humaine, et qui est déclinée sous forme de pétition.

Le jeudi 20 mars 2025 marque en effet le dixième anniversaire de la "Journée de la Justice".

L’important n’est pas le verdict-symbolique , Madame la Ministre, car je sais votre volontarisme et votre détermination à prendre à bras le corps ce département qui en a bien besoin – votre exposé d’orientation politique en atteste –mais bien de votre écoute à l’égard du secteur et du pouvoir judiciaire en général

En conséquence, madame la ministre peut-elle me faire savoir:

- si elle entend répondre aux arguments de cette lettre ouverte de manière circonstanciée?

- si elle confirme surtout l’étroite concertation qu’elle entend mener avec le monde judiciaire dans la législature qui vient?

Annelies Verlinden:

Cher collègue, je partage l'inquiétude pour notre État de droit qui ressort de votre question et de la lettre ouverte. En tant que ministre de la Justice, le renforcement de notre État de droit constitutionnel est bien sûr l'une de mes principales missions. J'ai lu attentivement la lettre ouverte et j'adhère à son contenu.

Bon nombre des questions soulevées dans la lettre figurent également dans mon exposé d'orientation politique. Par exemple, nous introduirons progressivement l'autonomie de gestion pour l'ordre judiciaire, nous simplifierons les procédures juridiques et utiliserons un langage clair et compréhensible. De même, nous donnerons autant que possible la priorité aux besoins de la victime, et nous maximiserons les efforts pour réintégrer les détenus dans la société.

J'ai également demandé à mes collègues du gouvernement fédéral un budget supplémentaire pour la Justice, car je sais que les besoins sont considérables et que la situation est grave dans différents domaines. De nombreux points évoqués dans la lettre sont complexes et ne peuvent être résolus à brève échéance, mais nous mettrons tout en œuvre pour avancer de manière cohérente dans la bonne direction, afin de résoudre à terme ces problèmes complexes. Je suis tout à fait consciente que la concertation avec le monde juridique est essentielle pour parvenir à des solutions largement soutenues.

Nous allons dès lors solliciter au maximum les acteurs qui sont confrontés quotidiennement à certains problèmes sur le terrain. Merci.

François De Smet:

Merci, madame la ministre, pour votre réponse que je trouve exhaustive et engagée. Nous en ferons aussi le suivi.

Voorzitter:

Monsieur Jadoul, vous avez la parole pour votre question n° 56003969C.

Pierre Jadoul:

Monsieur le président, ma question a été transformée en question écrite à la demande du cabinet de Mme la ministre, qui devait disposer d'un certain délai pour rassembler plusieurs informations; ce à quoi je n'ai rien à objecter.

Voorzitter:

Très bien. La question n° 56003969C de M. Pierre Jadoul est donc transformée en question écrite.

De buitengerechtelijke echtscheiding door onderlinge toestemming

Gesteld door

lijst: MR Pierre Jadoul

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 2 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België plant dejudiciarisering van echtscheiding bij onderlinge toestemming (zonder rechter, via ambtenaar van de burgerlijke stand) uitsluitend voor koppels zonder minderjarige kinderen, om rechtbanken te ontlasten en procedures te versnellen. Garanties (gelijke onderhandelingspositie, verplichte advocaten/bemiddeling) worden onderzocht, maar concrete maatregelen en timing zijn nog onduidelijk. Een verplicht *ouderschapsplan* (afspraken over opvoeding, zorgregeling) moet bij scheiding met kinderen het kindbelang centraliseren, terwijl de recent aangepaste wetgeving (2024) de stem van het kind al versterkt—verdere aanpassingen worden bestudeerd. Kritiek op mogelijke machtsongelijkheid blijft onbeantwoord.

Pierre Jadoul:

Madame la ministre, l'accord de gouvernement prévoit de rendre légal le divorce par consentement mutuel extrajudiciaire, c'est-à-dire sans l'intervention d'un juge. Cette déjudiciarisation permettrait de supprimer un nombre d'affaires relativement substantiel qui, actuellement, mobilisent le Parquet et le Tribunal de la Famille, dans une procédure devenue en principe écrite et où le juge n'a plus qu'une fonction d'homologation.

Vous souhaitez donc, et vous l'avez confirmé dans votre exposé d'orientation politique, faire en sorte que, dans le futur, l'accord de divorce puisse être entériné par un officier de l'état civil. Ce serait cependant possible que dans les cas où il n'y a pas d'enfant mineur concerné.

Face à l'augmentation du nombre de divorces en Belgique, l'objectif est principalement de désengorger les tribunaux. Plus de la moitié des couples optent aujourd'hui pour un divorce par consentement mutuel.

Madame la ministre, comment et quand comptez-vous mettre en œuvre cette mesure de déjudiciarisation de la procédure de divorce par consentement mutuel?

Si la plupart des acteurs semblent voir le divorce par consentement mutuel extrajudiciaire comme une évolution positive, certains spécialistes ont toutefois des craintes. Une personne dans le couple pourrait se faire abuser par la capacité de négociation de l'autre. Certaines personnes pourraient aussi être mal informées. Comprenez-vous ces craintes? Si oui, comment comptez-vous y remédier?

Le rapport ULB/VUB sur le fonctionnement du Tribunal de la famille recommande que les conventions soient obligatoirement rédigées par deux avocats – un par partie – et un notaire. Cela permettrait de préserver au mieux les droits des deux parties. Allez-vous suivre cette recommandation?

L'accord de gouvernement prévoit aussi que "Nous poursuivons également la mise en place d'un plan parental, dans lequel les parents qui se séparent se mettent d'accord au maximum sur l'éducation ultérieure de leur enfant". Pouvez-vous nous en dire plus sur ce "plan parental"? Quel en sera concrètement son contenu?

En ce qui concerne les divorces par consentement mutuel avec des mineurs concernés, le rapport ULB/VUB recommande de donner une plus grande place à la parole de l'enfant. Envisagez-vous certaines initiatives à ce sujet?

Annelies Verlinden:

Monsieur Jadoul, j'ai en effet l'intention de prévoir, conformément à l'accord de gouvernement, la possibilité de divorcer sans l'intervention d'un juge. Cela ne sera possible que pour un divorce par consentement mutuel, sur la base d'un accord préalable réglant toutes les conséquences du divorce.

Mon administration étudie actuellement les modalités selon lesquelles le divorce extrajudiciaire peut être introduit dans notre législation. Il est évidemment important de prévoir des garanties suffisantes à cet égard, notamment pour assurer l'égalité entre les parties. Dans cette analyse, mon administration tiendra également compte des commentaires que j'ai déjà reçus à ce sujet de la part de différents acteurs. Les recommandations faites dans le rapport d'évaluation relatives au fonctionnement du tribunal de la famille à ce sujet seront également analysées.

Comme vous l'avez indiqué, un divorce extrajudiciaire ne sera possible que s'il n'y a pas d'enfant mineur. Si le couple a des enfants mineurs, l'affaire devra être traitée par le tribunal de la famille et sa recevabilité pourrait être conditionnée à la conclusion préalable d'un plan de parentalité.

Le but du plan de parentalité sera de ramener l'intérêt des enfants au centre des débats. Au moment de leur séparation, les parents devraient s'entendre sur une série de questions relatives à leurs enfants. Il est encore trop tôt pour en définir le contenu avec précision. Le plan devrait au moins définir les grandes orientations de leur éducation. Mon administration est en train d'analyser cette thématique en profondeur.

Concernant le rapport ULB-VUB qui recommande de donner une plus grande place à la parole de l'enfant, je peux vous communiquer ce qui suit. La législation relative à l'audition du mineur et la prise en compte de sa parole a été modifiée par la loi du 27 mars 2024. Les recommandations faites à ce sujet dans le rapport d'évaluation sur le fonctionnement du tribunal de la famille, qui est antérieur, ne s'inscrivent donc plus dans le même cadre légal.

Mon administration analysera sur la base des différents projets et rapports à ce sujet de quelle manière la législation doit encore être plus adaptée afin d'assurer une place suffisante à la parole de l'enfant dans le cadre des procédures judiciaires qui le concernent.

Pierre Jadoul:

Madame la ministre, je vous remercie pour ces éléments de réponse. Effectivement, je pense que tout ce qui peut désengorger nos tribunaux ne peut être que bienvenu dans le contexte actuel que nous connaissons, avec effectivement les balises de sauvegarde que vous évoquez et auxquelles je ne doute pas que vous serez attentive.

De detentiehuizen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 2 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De minister bevestigt dat gevangenissen zoals Forest enkel laagrisicogedetineerden opnemen na streng screening, maar erkent dat praktische druk (overbevolking in Haren) soms leidt tot uitzonderingen—zonder de selectieprocedure te omzeilen. Ze verdedigt dat ook detineerden met straffen tot 5 jaar (in plaats van 3) worden toegelaten als ze geschikter blijken voor resocialisering dan hoogrisicogedetineerden met kortere straffen, mits succesvolle eerdere proefverloven. Ribaudo betwist dat deze "uitzonderingen" structureel en problematisch zijn voor de kernmissie van de detentiehuizen (reïntgratie via lage-drempelomkadering) en eist concrete garanties—wat de minister niet afdoende beantwoordt. De voorzitter benadrukt nogmaals de procedurele druk door late vraagstelling.

Julien Ribaudo:

Bonjour madame la ministre. Il y a quelques semaines, j'ai eu la chance de visiter la maison de détention de Forest et j'ai vu les opportunités qu'offrent les maisons de détention dans l'accompagnement des détenus, dans leur encadrement et dans le travail contre la récidive, même si les capacités sont encore au-dessus de ce que préconisent les acteurs de terrain. Toutefois, quand on lit les textes, les maisons de détentions sont censées accueillir uniquement des personnes à faible risque de sécurité et – c'est là que c'est important –, sélectionnées sur la base de critères stricts. Ce screening est un élément essentiel lorsqu'on parle des maisons de détention et, pourtant, lors de la visite, il nous a été rapporté que dans le cadre de la surpopulation carcérale actuelle et afin de désengorger la prison de Haren, des détenus seraient envoyés vers la maison de détention de Forest sans aucun véritable screening préalable comme cela est fait en règle générale.

Si la situation est avérée, madame la ministre, cette pratique pose un réel problème parce que certains détenus qui y sont transférés ne correspondent ni à la philosophie, ni au mode de fonctionnement de ces structures et cela met en péril l'objectif même des maisons de détention. Des sources nous indiquent que cela se produirait également, dans une moindre mesure toutefois, à la maison de détention de Courtrai.

D’autre part, les maisons de détention ont initialement été conçues pour accueillir des détenus condamnés à des peines allant jusqu’à trois ans. Pourtant, on observe aujourd’hui qu’elles reçoivent également des détenus purgeant des peines pouvant aller jusqu’à cinq ans, ce qui risque de modifier en profondeur leur équilibre et leur approche.

Madame la ministre: pouvez-vous confirmer ou infirmer que des détenus de la prison de Haren sont envoyés vers les maisons de détention dans un souci de désengorgement, mais sans bénéficier d’un screening approfondi? Quelles mesures comptez-vous mettre en place pour garantir un meilleur processus de sélection des détenus envoyés en maison de détention afin de préserver leur mission spécifique? Comment le gouvernement entend-il prévenir à l’avenir ces dérives et s’assurer que ces structures restent fidèles à leur objectif initial? Enfin, quelle est votre position sur l’élargissement du public accueilli en maison de détention, notamment avec l’intégration de détenus condamnés à des peines allant jusqu’à cinq ans? Ce changement a-t-il été évalué et encadré pour en limiter les risques?

Annelies Verlinden:

Collègue Ribaudo, je tiens d'abord à faire une petite remarque. J'ai constaté que vous attendez systématiquement le mardi vers 10 h 50 pour introduire vos questions. Je me demande s'il y a une raison spécifique. Même si le règlement le prévoit, le fait d'attendre le délai final pour soumettre vos questions exerce une grande pression sur l'administration et risque de détériorer la qualité de nos débats.

Ceci étant dit, pour répondre à vos questions, les maisons de détention représentent en effet une alternative innovante à la détention plus classique, dont l'approche est essentiellement axée sur la réintégration.

L'administration pénitentiaire a le souci de désengorger la prison de Haren, mais certainement pas au détriment de la sécurité.

La maison de détention de Forest accueille principalement des détenus bruxellois, ainsi que ceux ayant pour projet de se réinsérer dans la région bruxelloise. C'est la principale raison pour laquelle une part importante des résidents de la maison de détention viennent de la prison de Haren, puisqu'il s'agit de la maison d'arrêt principale de la région bruxelloise.

Chaque décision de placement en maison de détention est l'aboutissement d'une procédure rigoureuse d'évaluation des risques. Cette procédure tient compte notamment du risque d'évasion ou de récidive. Les capacités de vie en communauté et la volonté de travailler sur des perspectives de réinsertion sont également évaluées. Cette manière de travailler est essentielle à la réussite de ce projet et sera poursuivie.

Il est toutefois nécessaire d'optimiser l'utilisation de cette capacité en veillant à ce que la maison de détention soit continuellement pourvue de bons profils. En d'autres termes, il convient de rechercher un équilibre constant entre une occupation complète et le recrutement de bons profils. La procédure de sélection locale joue un rôle central à cet égard.

Je confirme donc que les maisons de détention accueillent des personnes à faible risque de sécurité. C'est d'ailleurs la raison pour laquelle il peut arriver que certains détenus condamnés à une peine comprise entre trois et cinq ans soient préférés à des condamnés dont la peine est inférieure à trois ans, mais dont le risque pour la société est plus élevé.

Avec l'expérience, nous constatons que les condamnés à une peine de trois ans ou moins peuvent présenter des difficultés à respecter un cadre de vie communautaire et moins rigide que dans les prisons classiques. Nous considérons alors qu'il est préférable d'offrir cette opportunité à des condamnés dont le total des peines n'excède pas cinq ans et qui ont déjà démontré une capacité à respecter les règles via la réussite préalable d'autres modalités d'exécution de la peine, telles que des permissions de sortie ou des congés pénitentiaires.

C’est d’ailleurs presque exclusivement le cas à la maison de détention de Forest. Pour rappel, la maison de détention de Forest a été aménagée à partir de l’ancienne prison pour femmes de Berkendael. Par conséquent, le bâtiment possède des éléments liés à la sécurité passive contrairement aux autres maisons de détention actuelles et à venir, notamment un mur d’enceinte de barreaux.

À Forest, le voisinage de la maison de détention n’a montré aucune résistance par rapport à son installation. Au contraire, des projets de collaboration ont rapidement vu le jour. Enfin, il faut souligner que les incidents dans les maisons de détention restent exceptionnels et qu’ils sont essentiellement gérés en interne par le personnel.

Pour l’avenir, l’administration pénitentiaire a prévu de maintenir un screening préalable et de rester vigilant sur les profils qui y sont envoyés. La sécurité reste bien entendu notre priorité. Par ailleurs, cet aspect deviendra encore plus important à l’avenir, compte tenu de notre ambition de mieux différencier les différentes maisons de détention. Nous devons réussir à utiliser la spécificité de chaque maison de détention comme une force tout en visant un taux d’occupation maximal. Ces démarches sont dans l’intérêt du concept, de son déploiement ultérieur, des conditions de travail du personnel et d’une réinsertion réussie de nos détenus.

Julien Ribaudo:

Merci madame la ministre pour votre réponse. À chaque fois, je veux tellement profiter de votre venue que je mets beaucoup de temps à me décider sur la question la plus opportune à vous poser.

Maintenant, je sais que si je veux une vraie réponse, je dois vous la poser beaucoup plus tôt. Je n’ai eu aucune réponse mise à part pendant les 10 dernières secondes sur ce que vous appelez "exceptionnels" mais qui est, dans les faits, très difficile à gérer pour les maisons de détention. Par conséquent, je vous renverrai la question sous forme écrite pour que vous ayez plus de temps pour me donner de vraies réponses. Je vous remercie.

Voorzitter:

Je me permets d'insister auprès des quelques collègues encore présents sur le fait que le règlement permet en effet de déposer les questions jusqu'à 11 h la veille. Mais il est évident que plus la question est importante, plus il est pertinent de la déposer tôt dans la mesure du possible, ce qui permet de diminuer la pression sur les administrations qui doivent répondre. Cela demande des ressources humaines et du temps. C'est la liberté de chaque parlementaire et elle est parfaitement respectée. Mais dès que c'est possible c'est certainement mieux de respecter cette façon de faire.

De overbevolking van de gevangenissen en de brief van de FOD Justitie aan de eerste minister

Gesteld door

lijst: PS Khalil Aouasti

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 2 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De surpopulation carcérale in België bereikt een kritiek punt met 13.000 gedetineerden (waaronder 250 op de grond) en onmenselijke omstandigheden, terwijl de minister bewust vonnissen negeert die dit aanpakken. Verlinden wijst op structurele oplossingen (nieuwe strafwet, capaciteitsuitbreiding, focus op terugkeer illegale gedetineerden) en noodmaatregelen, maar Aouasti benadrukt dat budgettaire bezuinigingen (1,8%) en gebrek aan concrete plannen de crisis verergeren, met veiligheidsrisico’s voor personeel als direct gevolg. De minister belooft constructief overleg, maar geeft geen duidelijke timing of budgettaire garanties. De spanning tussen urgente noodzaak en politiek uitstel blijft onopgelost.

Khalil Aouasti:

Madame la Ministre,

Nos prisons sont surpeuplées.

Nous incarcérons trop et nous ne sommes pas en mesure d’éviter aux détenus des traitements inhumains et dégradants. Plus de 13 000 personnes dont près de 250 personnes dorment à terre. C’en est assez.

Il y a deux semaines vous m’avez indiqué publiquement que vous ne respecterez pas l’arrêt de la Cour de Bruxelles après ne pas avoir respecté celui de Liège faisant le choix délibéré d’une détention inhumaine et dégradante.

Outre la situation des détenus, c’est la sécurité du personnel qui est impactée par les conditions de détention désastreuses. Intimidation, insécurité, maladies et absences deviennent le quotidien dans des prisons déjà surpeuplées.

Désormais, c’est votre administration, le SPF Justice, qui tire la sonette d’alarme en adressant directement une lettre au premier ministre.

Madame la Ministre,

- Que pouvons-nous attendre du Kern de ce mercredi?

- Que comptez-vous mettre en place pour assurer des conditions de travail et de sécurité optimales au personnel pénitentiaire ?

- Quel sera le sort des courtes peines?

Je vous remerci​e.

Annelies Verlinden:

Collègue Aouasti, la surpopulation carcérale est un problème complexe qui perdure depuis très longtemps. Cela ne signifie toutefois pas que nous éludons le défi de trouver une solution. Le nouveau Code pénal entrera en vigueur dans un an, ce qui aura certainement un impact sur les peines prononcées étant donné que les peines d'emprisonnement de moins de six mois disparaîtront en tant que peines principales.

Par ailleurs, nous travaillons à un Code de l'exécution des peines destiné à moderniser l'ensemble du système d'exécution des peines en Belgique. Des mesures structurelles sont également prises pour lutter contre la surpopulation carcérale, notamment en augmentant la capacité d'accueil des prisons et en mettant davantage l'accent sur le retour des détenus sans droit de séjour.

À court terme, cependant, nous sommes confrontés à une situation inacceptable. C'est pourquoi nous travaillons activement à des mesures d'urgence visant à améliorer la situation à brève échéance. Je ne puis anticiper des discussions au sein du gouvernement, mais nous examinerons de manière constructive avec nos partenaires la meilleure voie à suivre. La nécessité des mesures d'urgence n'est remise en cause par personne.

Concernant l'amélioration des conditions de travail et la sécurité du personnel, je vous renvoie vers la réponse que j'ai donnée à l'interpellation de Mme Dillen.

Khalil Aouasti:

Merci madame la ministre. Je vous ai posé cette question parce que votre administration a directement interpellé le premier ministre concernant la surpopulation carcérale et les dangers encourus par les agents pénitentiaires dans cette situation.

Nous sommes en plein conclave budgétaire et, hier, le premier ministre a indiqué que, alors qu'il devait y avoir une immunisation des départements de sécurité au sens large, ce ne serait que le département de la police qui serait immunisé, le reste étant soumis à une norme de 1,8 % d'économie. Cela veut dire que votre département sera également touché, contrairement à ce qui avait été annoncé lors de débats préalables. Ces économies accentueront encore les difficultés pour trouver des ressources afin de pouvoir gérer la situation.

Je vous invite à nous indiquer de la manière la plus précise et la plus rapide possible les solutions envisagées et les budgets dégagés pour résoudre cette situation qui devient totalement explosive.

Voorzitter:

Conformément à l'article 127 du Règlement, les questions n° 56003788C de Mme Irina De Knop et n° 56003797C de Mme Rajae Maouane sont retirées car elles n'étaient pas présentes et n'en ont pas demandé le report. La réunion publique de commission est levée à 15 h 52. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 15.52 uur.

De inzet van militairen voor politionele opdrachten
De oprichting van een begrotingsfonds CrimOrg
Het Kanaalplan
Het budget voor de geïntegreerde politie
Het budget voor de hulpverleningszones en de Civiele Bescherming
De schietincidenten in Brussel en de bekogelde treinen
De aanhoudende schietincidenten in Brussel
De fusie van de Brusselse politiezones
De restcapaciteit van de Brusselse politiezones bij een fusie
De oprichting van een federale taskforce in de strijd tegen de drugscriminaliteit
De door de arizonaregering voorgenomen fusie van de Brusselse politiezones
Het budget voor de FOD Binnenlandse Zaken en de Civiele Veiligheid
Drugs(sporen) in het rioolwater van Vlaamse steden en gemeenten
De war on drugs
De coördinatie van het veiligheidsbeleid in Brussel
De oprichting van een drugsfonds en een fiscale en financiële opsporingsdienst
Veiligheidsbeleid, politiehervormingen en bestrijding van drugscriminaliteit in België

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken), Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 2 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Het actualiteitsdebat over de drugscriminaliteit draait om drie kernthema’s: de bestrijding van drugsgeweld en -handel (via het versterkte *Kanaalplan 2.0*, een *taskforce*, en de inzet van *militairen* voor statische bewaking om politiecapaciteit vrij te maken), de fusie van de 19 Brusselse politiezones (omstreden door gebrek aan lokale steun en vrees voor verlies van *proximiteitspolitie*, maar door de minister verdedigd als noodzakelijke hervorming met behoud van lokale bevoegdheden), en financiële middelen (o.a. een *drugsfonds* voor herinvestering van crimineel geld, *follow-the-value*-aanpak, en budgettaire immunisering van veiligheidsdiensten, hoewel concrete cijfers nog ontbreken). Critici benadrukken tekorten aan middelen, coördinatie en urgentie, terwijl de minister stapsgewijze plannen aankondigt (o.a. 200-250 extra politiemensen via defensie-inzet, uitrol Kanaalplan *eerst in Brussel*, en overleg met burgemeesters), maar concrete timing en budgetten blijven vaag tot de *beleidsnota (29/4)*. De ketenaanpak (van productie tot gebruiker) en samenwerking met justitie worden als cruciaal bevestigd, maar actie op het terrein blijft uit.

Voorzitter:

Collega's, het eerste punt op de agenda is een actualiteitsdebat met vragen, die het kabinet samengevoegd heeft, over de strijd tegen drugs. Er zijn verschillende invalshoeken. Alle vragen werden samengevoegd.

Éric Thiébaut (PS): Monsieur le président, vous indiquez que le débat a pour thématique la problématique du trafic de drogue mais sa portée est beaucoup plus large, puisque j'ai notamment des questions sur la Protection civile.

Voorzitter:

Je fais le même constat que vous mais cela relève du choix du cabinet.

Maaike De Vreese:

Minister, door de beleidsverklaring is het een tijdje geleden dat we gewone vragen hebben kunnen stellen in de commissie. Daarom zijn er enkele gebundeld. Mijn eerste vraag gaat over drugsgerelateerd geweld in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Samen met de regering heeft de eerste minister beslist om een federale taskforce op te richten om de strijd tegen de drugscriminaliteit nog te versterken. Ook in het regeerakkoord staat een hele resem maatregelen met hetzelfde doel. Ik ga ze niet allemaal opnoemen. Wie meer details wil lezen, verwijs ik naar mijn ingediende vragen.

De vragen gaan over verschillende zaken: de schietincidenten, het Kanaalplan, de fusie van de Brusselse politiezones en de oprichting van het drugsfonds.

Kunt u iets meer zeggen over de taskforce? Welke maatregelen worden er genomen op korte, middellange en lange termijn? Op welke manier wordt er afgestemd met de Brusselse Veiligheidsraad, de Veiligheidscel en de initiatieven van de lokale besturen? Hoe worden in de strijd tegen de drugscriminaliteit de FGP’s van Antwerpen en Brussel versterkt op het vlak van middelen en mensen? Wat is de huidige federale steun in het algemeen en aan het lokale politiekorps in Brussel-Zuid? Zult u die steun aanhouden?

De vraag is ook hoe witwaspraktijken effectiever en efficiënter aangepakt kunnen worden. Hoe gebeurt de handhaving op bestuurlijk en gerechtelijk niveau? Zult u daar ook nieuwe technologie voor inzetten? Hoe kunnen de inbeslagnames verbeterd worden? We kunnen daarvoor de mosterd halen in bijvoorbeeld Frankrijk en andere Europese landen? Zult u dat bekijken of doet u dat nu al?

Kunt u toelichten hoe het Belgische systeem voor de ontneming en confiscatie van vermogensbestanddelen eruit zal zien? Hoe wordt de aanpak follow the value versterkt en geoptimaliseerd?

Voor statische bewakingsopdrachten zouden militairen ingezet worden, zodat er politionele capaciteit vrijkomt en er dus meer blauw op straat komt. Het regeerakkoord is daar zeer duidelijk over.

Er zijn een aantal cumulatieve voorwaarden waaraan voldaan moet worden om de mensen van defensie in te zetten, namelijk bij een OCAD-dreiging niveau 4, na een risicoanalyse, na een regeringsbeslissing en binnen een duidelijk gedefinieerd juridisch en operationeel kader. Dat kader is er op dit moment nog niet. De territoriale verdedigingsreserve moet eveneens nog gevormd worden.

Als de territoriale verdedigingsreserve gevormd is en de nodige kaders uitgewerkt zijn, hoeveel militairen zouden dan volgens u de statische beveiligingsopdracht uitvoeren? Ik wil met die vraag gewoon nagaan hoeveel politiemensen er op die manier zouden vrijkomen om meer veiligheid in onze straten te garanderen. Voor welke taken zou u de vrijgekomen politiecapaciteit gebruiken? In welke specifieke buurten wil u extra mensen inzetten? Is er nog overleg geweest met de minister van Defensie? Wat is het resultaat van dat overleg? Plant u een dergelijk overleg nog in de komende weken?

Naar het Kanaalplan zijn wij heel erg benieuwd, zeker en vast naar het Brusselse gedeelte. Ik weet niet of mijn collega, de heer Bergers, daarover ook nog iets zal vragen. Voor welke steden zal dit Kanaalplan uitgerold worden? Welke ondersteuning zal er voorzien worden? Binnen welke termijn zal het versterkte federale Kanaalplan uitgerold worden? Met welke middelen zal dat gebeuren?

Ik kom dan bij de fusie van de politiezones. U weet dat wij zeker en vast grote voorstander van die fusie zijn. Mijn vraag is opgesteld op het moment waarop uw collega Annelies Verlinden gecommuniceerd had dat de fusie er op middellange termijn moet komen. Wat is die middellange termijn? Voor ons is de fusie geen project dat op heel korte termijn kan worden uitgevoerd. Voor ons moet van de huidige regering er wel absoluut prioriteit aan geven. U hebt zelf ook aangegeven dat u daar werk van zult maken. Wat is de stand van zaken ter zake? Hoe ziet u bijvoorbeeld het verruimde politiecollege en de politieraad? Hebt u daarop al meer zicht?

U hebt ook overleg met de negentien burgemeesters. Hebt u ze ondertussen al alle negentien gesproken? Kan u meer toelichting geven bij de algemene lijnen die op dat overleg zijn besproken? Wat maakt u op uit het overleg? Hebt u ook overleg gehad met het Brussels Hoofdstedelijk Gewest? Kunt u hen ook van het belang overtuigen?

Welke concrete stappen zult u zetten en wat is het tijdschema, want u kunt wel starten met het wetsontwerp, maar hoe zit het met de rest?

De nationale drugscommissaris zou de opdracht hebben gekregen om een drugsfonds uit te werken teneinde misdaadgeld via dat fonds te laten terugvloeien naar bijvoorbeeld hulpverlening, politie en justitie. De regering wil ook een multidisciplinaire fiscale en financiële opsporingsdienst oprichten. Die dienst moet zich focussen op het opsporen, analyseren en lamleggen van criminele circuits en op de strijd tegen fraude. Kunt u bevestigen dat de nationale drugscommissaris die opdracht heeft gekregen? Wat is de precieze opdracht? Hoe staat het drugsfonds ten opzichte van de op te richten fiscale en financiële opsporingsdienst?

Wat zijn de ambities om bij de jaarlijkse begrotingsopmaak de meeropbrengsten in te zetten om de budgettaire noden en investeringen bij de veiligheidsdepartementen Binnenlandse Zaken en Justitie op te vangen? Hoe zullen die middelen worden verdeeld?

Het betreft heel wat vragen, maar we moeten hieraan de nodige aandacht besteden gezien de problematiek en de bezorgdheid bij veel burgers, niet alleen in Brussel maar ook in andere steden en gemeenten, over drugs en drugscriminaliteit.

Khalil Aouasti:

Monsieur le ministre de l'Intérieur, cette question revient effectivement régulièrement, car depuis de très nombreuses années, nous constatons malheureusement une forte augmentation des faits de violences liés au trafic de drogue et aux réseaux nationaux et internationaux.

Parallèlement, comme en témoignent les discussions des deux dernières semaines sur les notes d’orientation, la justice et la police fédérale souffrent d'un manque de moyens. Les services de la police judiciaire fédérale et les parquets ont demandé à maintes reprises d'être refinancés et d'avoir davantage de moyens, notamment pour la mise en œuvre du plan DGJ 3.0.

Lors de la législature précédente, mon groupe avait déjà déposé une proposition de loi visant à mettre en place un fonds "Crime org", qui est effectivement une exception budgétaire à la manière dont sont allouées les recettes de l'État, avec la volonté de pouvoir, grâce à ce fonds "Crime org", avoir une destination précise et refinancer ces départements spécifiques nécessaires notamment à la lutte contre ces narcotrafiquants.

Ce fonds avait reçu un accueil assez positif, bien que certains aient suggéré de l’étendre à d'autres services, tels que l’OCAM, qui œuvrent également dans cette chaine complexe de la lutte contre la criminalité organisée. Il avait bénéficié du soutien d’un ministre à l’époque.

Monsieur le ministre de l’Intérieur, pourriez-vous nous indiquer votre position quant à cette proposition de créer un fonds "Crime org" notamment mais pas exclusivement au bénéfice de la PJF? Pouvez-vous nous faire le point sur les moyens additionnels qui seront dégagés dans le cadre de la lutte contre le crime organisé pour réaliser et mettre en place ce plan DGJ 3.0? Je vous remercie.

Éric Thiébaut:

Merci, monsieur le président. J'ai quelques questions à poser, ayant essentiellement trait au budget de votre département. Je ferai tout d'abord une petite précision. Lors des débats parlementaires sur la déclaration du gouvernement, votre collègue Vanessa Matz a précisé que les départements liés à la sécurité seraient immunisés contre les économies prévues par l'ensemble du gouvernement. Me le confirmez-vous? En effet, visiblement, ce qui me revient des discussions dans d'autres commissions est que l'immunisation ne concernerait que le budget police, et pas l'ensemble des départements Justice et Intérieur. C'est d'autant plus important qu'hier, nous avons entendu le premier ministre, qui était assis physiquement à votre place. Il était interrogé par rapport à la Chancellerie et il nous a précisé à nouveau que l'objectif était des augmentations structurelles de 1,8 % dans tous les départements. J'aimerais donc savoir si ce 1,8 % va être appliqué aussi à tout ce qui concerne le SPF Intérieur et à la Sécurité civile.

Par rapport à la Sécurité civile, j'aimerais savoir si vous progressez dans votre projet, dont vous avez parlé lors de votre précédente présentation, sur l'indexation automatique des dotations fédérales. Vous savez qu'il y a une grosse attente au niveau des zones de secours par rapport à cette disposition qui avait déjà été envisagée lors de la précédente législature. Planifiez-vous également une augmentation des dotations aux zones de secours? L'attente est grande parce que dans la déclaration du gouvernement, il est indiqué que l'on tendra vers le 50/50, ce qui était prévu dans la loi de 2007 qui a créé les de secours, comme vous le savez. Toutes les zones de secours du pays sont donc dans l'attente d'un refinancement.

Vous savez que la Protection civile est un domaine qui m'inquiète beaucoup depuis des années. Comptez-vous réinvestir dans ce département-là, qui est en souffrance depuis la réforme du ministre Jambon avec la suppression de quatre casernes sur six?

Et puis, pour parler de la police, puisque visiblement on est certain que le département sera immunisé des économies qui seront imposées par l'Arizona, avez-vous déjà une idée des budgets qui y seront consacrés? Mon collègue, Khalil Aouasti, a évoqué une partie de la question.

On est dans une police structurée à deux niveaux. Il y a donc le refinancement de notre police fédérale avec de gros besoins qui ont été exprimés par différents PJF. Ensuite, il y a évidemment l'attente des zones de police. Dans votre exposé de politique, vous avez parlé de revoir la norme KUL. On en parle depuis longtemps et c'est une très bonne idée. Mais vous avez dit aussi, et je m'en suis réjoui, que cette révision de norme KUL irait de pair avec une augmentation de l'enveloppe.

Il est clair que, si on redéfinit la façon de calculer la répartition de cette enveloppe dans les zones du pays, certaines zones auront plus qu'avant mais d'autres auront moins qu'avant. Et cela va clairement vous poser un problème politique.

Bernard Quintin:

Encore un de plus!

Éric Thiébaut:

Si j'ai bien compris, votre idée est d'augmenter l'enveloppe. Mais envisagez-vous un système de cliquet, de telle sorte que finalement l'augmentation de l'enveloppe avec le nouveau mode de calcul fera que certaines zones auront plus et que d'autres, peut-être, vont rester au même niveau qu'avant mais ne vont pas perdre, si vous voyez ce que je veux dire. Voilà, en synthèse, monsieur le ministre, l'ensemble de mes questions.

Jeroen Bergers:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, mijn vraag gaat vooral over het Kanaalplan, naar aanleiding van alle schietincidenten in Brussel. Tussen Vilvoorde en Schaarbeek werd ook een trein bekogeld. Het blijft jammer genoeg actueel, want vandaag was er weer een aanslag, deze keer in Antwerpen. Het blijft dus een heel actueel feit.

Ik heb hierover al gesproken tijdens het debat over de beleidsverklaring al gezegd in de plenaire vergadering. U wil de problematiek aanpakken, waarvoor ik u zeer dankbaar ben. De N-VA zal u daarin steunen. Het is echter tijd om ook maatregelen te treffen en we mogen niet te veel tijd verliezen met discussies.

Hebt u een tijdlijn klaar? Kunt u al wat meer zeggen over de timing voor de uitrol van dat versterkt Kanaalplan? Welke politiezones zullen op extra steun voor ondersteuning van dit Kanaalplan kunnen rekenen? Welke middelen voorziet u daarvoor? Op welke manier wil u dit Kanaalplan precies inzetten tegen de drugscriminaliteit?

Hebt u al contact gehad met de zones die vroeger onder het Kanaalplan vielen, namelijk de Brusselse politiezones, de luchtvaartpolitie en de politiezone VIMA, over de uitwerking van dit plan. Ik heb gisteren de korpschef van VIMA nog gesproken. Hij wil er ook invliegen, want hij vindt het verschrikkelijk dat hij de problematiek nu moet aanpakken met een tekort van 30 vte's. In de politiezone VIMA zijn momenteel 30 vte's van het kader niet ingevuld en slechts twee mensen in de politiezone kunnen ingezet worden tegen drugscriminaliteit. Zult u ook contact opnemen met de politiezone Zennevallei en/of andere politiezones die ik nog niet vermeld heb?

François De Smet:

Monsieur le ministre, ma question ne porte pas sur le trafic de drogue, même si ce sujet m'intéresse beaucoup, mais sur la fusion des zones. Ceci dit, cela ne m'étonne pas que vous ayez regroupé ces deux thèmes, parce que je sais bien que tout le wording du gouvernement consiste à tenter absolument d'établir un lien entre les deux et de suggérer que si on se tire dessus dans les rues de Bruxelles, c'est parce qu'il y aurait six zones de police. Non, si on se tire dessus, c'est parce qu'il y a du trafic de drogue, que la drogue arrive par l'aéroport de Bierset, ou surtout par le port d'Anvers, et que les polices judiciaires d'Anvers et de Bruxelles manquent de moyens. Au contraire, on peut légitimement se dire que, noyés dans une structure massive et bureaucratique, l'efficacité de terrain des zones de police locale sera compromise.

Mais ma question porte davantage sur les modalités de l'accord. L'accord de gouvernement, que nous connaissons par cœur désormais, est assez sobre. Il explique: "Nous fusionnons les zones." Punt aan de lijn . Heureusement, certains de vos collègues sont plus bavards. Jan Jambon a dit, dans la presse, que l'accord de gouvernement prévoyait que chacune des zones de police actuelles pourrait garder 75 % de ses capacités pour les tâches locales, les autres étant mutualisées.

Il y a d'autres déclarations, par exemple celle des Engagés – ceux qui veulent défendre la fusion –, qui insiste sur le fait que les 19 bourgmestres garderont leur pouvoir dans la future zone unique. Ce qui m'intrigue un peu, c'est que sauf erreur, je ne trouve nulle part dans un document officiel les deux éléments que je viens de citer. Je ne les trouve ni dans l'accord de gouvernement ni dans votre note d'orientation.

Il faut donc se rendre à l'évidence: il semble exister un accord, un document qui traduit de manière plus opérationnelle cette fusion que la seule ligne qui explique dans l'accord de gouvernement le fait de fusionner les zones.

Monsieur le ministre, mes questions sont simples. Existe-t-il un tel accord décrivant les modalités de cette future zone unique? Si oui, il me paraît évident que le Parlement pourrait en avoir connaissance. Par ailleurs, puisque vous êtes un homme ouvert et que vous rencontrez en ce moment les différents acteurs pour les convaincre, êtes-vous aussi ouvert à la possibilité que ce soit eux qui vous convainquent que cette fusion n'est finalement pas une bonne idée?

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, ik heb zelf ook twee vragen ingediend die eerder drugsgerealateerd zijn.

De eerste gaat over de taskforce die is opgericht in de schoot van de regering naar aanleiding van de toch zeer zware incidenten, de aanslagen, in Brussel.

Deze taskforce valt onder de auspiciën van de eerste minister, maar intussen is de oprichting al geleden van 21 februari, en nu is het begin april. Ik moet eerlijk zeggen, mijnheer de minister, dat ik daar niet veel meer over gehoord heb.

Dat kan twee dingen betekenen. Ofwel is er weinig gebeurd, en is er weinig te zeggen, o. Ofwel werkt die taskforce in alle stilte aan de strijd tegen drugs.

Wellicht zult u mij overtuigen van het tweede, maar ik wil toch de vraag stellen hoe die taskforce in elkaar zit, wat die taskforce van plan is te doen, en vooral welke maatregelen er zullen worden genomen. U weet dat de nood zeer hoog is, zowel bij de politiediensten als bij jJustitie. Ik was eerder voorstander van een Nationale Veiligheidsraad, maar ik hoop dat die taskforce, waarbij andere ministers zich kunnen aansluiten wanneer het nodig is, resultaten zal behalen.

Ik hoor de noodkreet van de minister van Justitie. Ook zij heeft een tekort aan middelen om jJustitie op het juiste spoor te zetten.

Wordt dit ook besproken binnen de taskforce? Het gaat inderdaad om een ketenaanpak. Het kan niet dat enkel de politie de strijd tegen drugs aangaat, en dat jJustitie niet volgt. Omgekeerd geldt uiteraard hetzelfde.

Zijn de budgettaire inspanningen op dit moment dus voldoende? Zal er in bijkomende middelen worden voorzien? Zo ja, op welke termijn?

Mijn tweede vraag die ik aan u wil stellen, mijnheer de minister, is een vraag die intussen al een tijdjeenigszins gedateerd is.

U hebt wellicht gelezen dat het Europees Drugsagentschap (EDA) onderzoek doet naar drugsresidu's in het drinkwater. Men moet spijtig genoeg vaststellen dat Antwerpen de slechtste leerling van de klas is in Europa. Ik ken er zelf wetenschappelijk niet zoveel van, maar ik lees wat ik lees, en ik zie dat daar bijna 200.000 microgram cocaïne per 1.000 inwoners per dag werd aangetroffen.

U zult mij wellicht kunnen uitleggen of dat zeer dramatisch of gewoon dramatisch is. Dramatisch is het alleszins als men de slechtste leerling van Europa is. Brussel staat ook in de top tien van Europese steden. Voorts blijkt uit dat onderzoek ook dat er meer wordt aangetroffen in de weekends, van vrijdag tot en met zondag, wat er eigenlijk op wijst dat het recreatief gebruik stijgt.

Mijnheer de minister, heeft de overheid hier een zicht op? Hebt u deze cijfers volledig tot uw beschikking? Welke maatregelen kunt u daar tegenover zetten?

Er wordt hier en daar luidop geroepen dat men het drugsgebruik strenger moet aanpakken. Het is nu eenmaal een feit dat als er vraag is, dat er ook aanbod is. Als men de vraag kan tegengaan en beteugelen, dan zal het aanbod ook verminderen. Mijnheer de minister, zult u het drugsgebruik aanpakken? Op welke manier zult u dat doen? Zult u strenger bestraffen?

Ik vind - dat is de stelling van mij en mijn partij - dat wij als ambtenaren en politici een voorbeeldfunctie hebben, maar misschien hebben ook de publieke instellingen dat. Als er verplichte drugstests van publieke functionarissen zouden worden afgenomen, dan zou ik dat een goede zaak vinden.

Ridouane Chahid:

Monsieur le ministre, je reviens sur la question de la fusion des zones de police. Vous le savez, que ce soit au cours d'auditions à la Chambre ou lors de différentes prises de parole dans la presse, l'ensemble du monde policier et judiciaire bruxellois s'oppose à la fusion de ces zones de police.

Une étude de l'Université de Gand – sur laquelle je ne m'étendrai pas – indique clairement qu'il n'y a aucune plus-value en la matière. Comme je l'ai déjà dit, cette fusion répond surtout à des objectifs idéologiques, voire communautaires, et non opérationnels et mettra à mal la police de proximité et le service aux citoyens.

Cette fusion qui est annoncée dans votre accord de gouvernement sans concertation est imposée à l'ensemble des acteurs bruxellois et aux bourgmestres. Vous avez fait le tour des 19 bourgmestres de la capitale. Il me revient que vous les avez beaucoup écoutés mais que vous n'avez pas entendu leurs préoccupations, notamment quant aux conséquences négatives de cette fusion. Parmi ces préoccupations, demeure entière la question de l'impact de la fusion sur les politiques de proximité, sur le manque de policiers pour assurer une réelle sécurité au sein des 19 communes bruxelloises ou encore sur les priorités qui diffèrent d'une commune à une autre.

Vous n'avez pas évoqué avec eux la question qui fâche, à savoir le budget, l'argent, la quote-part de chaque commune dans le cadre de cette fusion et l'apport financier de votre gouvernement. Vous n'avez pas abordé non plus une question qui revient assez souvent par rapport aux petites communes bruxelloises, à savoir: comment garantirez-vous à ces petites communes qu'elles puissent disposer d'un vrai poids de négociation dans l'élaboration des stratégies RH, d'investissement ou encore sur les orientations politiques au niveau budgétaire? Je rappelle qu'un Collège ou un Conseil de police gère le fonctionnement de la zone, il ne gère pas le maintien de l'ordre public. Comment donc garantirez-vous aux bourgmestres, qui ont, eux, cette prérogative dans la loi, de pouvoir continuer à maintenir et garantir l'ordre public sur leur territoire en disposant des policiers nécessaires pour ce faire?

Monsieur le ministre, quel est le calendrier précis de la réforme? Qu'en est-il exactement des concertations que vous avez eues avec les différents acteurs concernés? Quel modèle de gouvernance post-fusion sera-t-il mis en place?

Concernant le financement apporté actuellement par les communes, celles-ci continueront-elles à financer la zone de police? Quid de l'apport du fédéral en la matière?

Voorzitter:

M. Xavier Dubois étant absent, nous passons à la réponse du ministre.

Bernard Quintin:

Mesdames et messieurs les députés, merci pour vos questions, et d'avoir accepté le regroupement de celles-ci selon une certaine logique. Aux questions liées à la drogue et à la fusion, j'ai ajouté celles concernant le budget, car je ne vais pas pouvoir vous dire grand-chose sur ce troisième sujet. En effet, les négociations budgétaires sont en cours, et je vais très bientôt présenter la note de politique générale dans laquelle il y aura davantage d'informations concernant les échéances, le calendrier et les budgets. En rhétorique, il est bon de commencer par les points faibles pour après continuer avec les plus forts.

Ik kom dan bij het Kanaalplan, de vragen van mevrouw De Vreese en de heer Bergers. In overeenstemming met het regeerakkoord zal er een nieuw Kanaalplan, een Kanaalplan 2.0, met een nieuwe naam die nog niet bekend is, worden ingevoerd teneinde een concreet operationeel plan op te stellen met het oog op de bestrijding van de verschillende vormen van criminaliteit in en rond Brussel. Het eerste Kanaalplan had voornamelijk terrorisme en extremisme als insteek. We moeten er evenwel voor zorgen dat we wendbaar zijn en dat we kunnen inspelen op andere en opkomende fenomenen.

CrimOrg is ons startpunt voor dat nieuwe Kanaalplan. Brussel is ook ons startpunt, maar het plan zal voor heel België moeten gelden, wat een andere aanpak dan in het Kanaalplan 2015-2016.

Tijdens de presentatie van de beleidsverklaring die binnenkort, zal plaatsvinden, als ik me niet vergis op 29 april, zal ik de verschillende aspecten die we in het kader van dat nieuwe Kanaalplan willen aanpakken gedetailleerd uiteenzetten. Ik deel zeker uw bekommernissen en ik zal uw vragen zo snel mogelijk proberen te beantwoorden.

Om een goed nieuw plan te kunnen opstellen, hebben wij evenwel een goed beeld van de situatie nodig.

J'avais demandé cette image à la police fédérale, qui me l'a fournie vendredi dernier. Je vais donc relire le document. Nous allons organiser un séminaire, un workshop , avec tous les acteurs concernés pour voir comment nous pouvons utiliser cette image qui reflète la situation.

Dat was ook nodig om een nuttig, nodig en goed plan te kunnen opbouwen.

Dan kom ik bij de vragen van mevrouw De Vreese en de heer Aouasti. Geld is inderdaad de drijvende kracht achter een criminele organisatie. De effectieve bestrijding van de activiteiten van een organisatie vereist daarom een follow-the-money-aanpak, al is dat nu meer een follow-the-value -aanpak geworden.

Daarvoor zijn vier zaken nodig. Ten eerste, de identificatie van het criminele vermogen. Ten tweede, een inbeslagname en verbeurdverklaring van het vermogen. Ten derde, een efficiënt beheer van de inbeslaggenomen en/of verbeurdverklaarde goederen om hun waarde te behouden. Ten vierde, ervoor zorgen dat de criminelen betalen voor de schadeloosstelling van de slachtoffers, voor de versterking van de diensten die deze criminele verschijnselen bestrijden en voor het opbouwen van de veerkracht van de samenleving.

Het nationaal drugscommissariaat heeft als doelstelling om voorstellen aan de regering voor te leggen om de follow-the-value- keten in haar geheel te versterken en een systeem te ontwikkelen voor het correct gebruik van het geld en de criminele activa die via deze versterkte follow-the-value -aanpak worden teruggevorderd.

Het regeerakkoord maakt eveneens, zoals mevrouw De Vreese aanhaalt, gewag van de oprichting van een multidisciplinaire fiscale en financiële opsporingsdienst. De oprichting hiervan valt evenwel onder de gedeelde bevoegdheid van de minister van Financiën en de minister van Justitie.

Les moyens supplémentaires octroyés dans le cadre de la lutte contre la drogue par décision du Conseil des ministres d’octobre 2023 ont déjà permis de financer 22 projets couvrant les différents aspects de la lutte contre ce phénomène: résilience des principaux hubs logistiques, renforcement et professionnalisation du processus de saisie de drogue, outils de détection et d’analyse de données, renforcement des outils pour l’approche "follow-the-value", prise en charge de l’accompagnement des consommateurs, etc.

Les crédits octroyés sont en cours d’utilisation par les différents bénéficiaires et un suivi est assuré par le Commissariat national aux drogues qui est également chargé d’analyser l’impact des différents projets financés. Pour conclure et pour répondre à votre dernière question, Monsieur Aouasti, comme vous l’avez dit, la police judiciaire a connu une réorganisation majeure en 2014. C’était la DGJ 2.0 avec la réduction des arrondissements judiciaires et la décentralisation de certaines ressources et fonctions.

Aujourd’hui, pour accomplir sa mission, elle évolue vers un nouveau cadre: la DGJ 3.0. Elle sera structurée autour de cinq piliers: 1.enquête spécialisée; 2.renseignements; 3.techniques et technologies; 4.coordination, 5. stratégie. Ce gouvernement s’est engagé à renforcer la police fédérale judiciaire pour soutenir la mise à œuvre de cette stratégie.

Je pourrais y revenir aussi dans des discussions sur la note de politique générale et aussi sur la question du fonds "Crime org" et son organisation. C’est en effet une possibilité. Cela existe dans différents ministères d’avoir des articles particuliers permettant de déroger au principe de l’unicité du budget de l’ État. La commissaire nationale aux drogues doit nous faire une proposition en ce sens.

Vervolgens is er de inzet van militairen. Ik wil graag mijn intentie bevestigen om de bepalingen in het regeerakkoord uit te voeren, namelijk het overdragen van bepaalde opdrachten aan Defensie, die momenteel door de politie, de DAB, worden uitgevoerd. Mijn doel is om op dit vlak concrete stappen te zetten door middel van een protocolakkoord met de minister van Defensie. Dit protocol zal ons in staat stellen om snel vooruitgang te boeken bij het hervatten van bewakingsopdrachten op gevoelige sites. Hierbij krijgen kerncentrales de hoogste prioriteit.

Er moet worden opgemerkt dat dit protocol voor de overdracht van bevoegdheden geen wetswijzigingen vereist. Het maakt deel uit van hetzelfde kader dat Defensie in staat heeft gesteld om de bewakingsopdrachten tot 1 mei 2024 over te nemen. Deze operatie zal mij in staat stellen om meer dan 200 politiemensen elders in te zetten. Ze zullen onder meer worden ingezet bij de diensten van de hoven en rechtbanken en voor de overbrenging van gevangenen.

Ik had het over de DAB. Door het domino-effect zal dit mij in staat stellen om een vergelijkbaar aantal inspecteurs op het terrein aan te stellen. Wij zullen dit stap voor stap doen. Ik wil graag met de kerncentrales beginnen. Ik kan een 250-tal mensen van de DAB inzetten. Dit zal al een eerste stap in de goede richting zijn.

We hebben een voorstel van protocolakkoord aan het kabinet van Defensie bezorgd. Het overleg met de diensten is bezig. We hopen dat naarmate dit dossier evolueert, we in staat zullen zijn om onze politiemensen te reoriënteren naar meer essentiële missies.

Monsieur Thiébaut, en ce qui concerne les questions relatives au budget de la police intégrée, ainsi que les autres questions que vous avez posées à ce sujet, sachez que pour le moment nous sommes en train d’analyser tous les éléments pour voir comment opérationnaliser les objectifs de l’accord de gouvernement au sein des services de police.

Des discussions budgétaires sont en cours ainsi que la préparation de ma note de politique générale. Ces études me permettent de voir comment on peut réaliser l’indexation et augmenter les dotations des zones de secours dans un contexte plus large de restructurations et de réformes. Je vous garantis que mon intention est bien de réinvestir dans la sécurité civile plus largement et en particulier dans la protection civile.

Pour ce qui concerne les 1,8 % d’économies linéaires, des discussions sont également en cours au sein du gouvernement. La police fédérale est en soi immunisée de ces économies et le SPF est lui aussi en grande partie immunisé mais pas dans toutes ses parties.

Ces discussions sont encore en cours au sein du gouvernement autour de la confection du budget. Le concept est d’immuniser autant que possible les départements de sécurité tout en considérant (ce qui est la volonté du gouvernement) qu’il faut mettre de l’ordre dans les finances publiques. Des économies doivent aussi y être faites. Vous connaissez mieux que moi ce genre de discussions: ce n’est pas facile mais nous le faisons de bonne volonté.

Wat de taskforce betreft, is het niet zo dat wij niets doen. Wij zijn bezig en we hebben vanmorgen onze eerste vergadering met de eerste minister, de minister van Justitie, mijzelf en onze ploegen gehad. Dat betekent niet dat we voor deze vergadering niets gedaan hebben. We hebben die vergadering voorbereid, om zeker te zijn dat we een goed kader hebben.

Je rappelle que l'objectif de cette task force n'est pas de créer une nouvelle couche ou un nouveau système, mais bien de nous assurer que la lutte contre le crime organisé, qui figure au cœur de l'accord de gouvernement et qui constitue l'une de mes tâches principales en tant que ministre de la Sécurité et de l'Intérieur, soit – et vous avez parlé de ketenaanpak – partagé évidemment par tout le monde, chacun à son niveau de responsabilité dans cette approche de la lutte contre le crime organisé. Donc, de ce point de vue, le travail avance.

Monsieur le président, je vais parler un peu plus que les douze minutes qui me sont assignées, mais c'est pour aborder la fusion des zones de police à Bruxelles, qui se fera de manière en effet non volontaire – contrairement au reste du pays. Pour sortir de mes notes, je puis vous annoncer avoir rencontré 18 des 19 bourgmestres. Celle de Molenbeek étant malade, je n'ai pu la voir. Malgré deux demandes, on ne m'a pas indiqué une autre personne que je pourrais rencontrer. Cela dit, je reste à la disposition et je réintroduira ma demande. Mon objectif était bien de faire le tour, comme je l'ai dit, pour exposer les éléments à ma disposition relativement à la fusion de ces zones de police, mais aussi, monsieur Chahid, pour écouter. J'ai ainsi écouté très attentivement les 18 bourgmestres. Nos rendez-vous ont chaque fois duré entre une petite heure et une bonne heure pour écouter leurs préoccupations que j'ai bien entendues et que vous avez, du reste, relayées. Ils ont évoqué, et M. De Smet vient d'en parler également, l'importance de la proximité et les questions budgétaires. Pour être très clair, nous travaillons sur ces dernières, comme sur le reste.

S'agissant de la police de proximité, monsieur De Smet, il n'y a pas, à ma connaissance, d'accord secret ou d'Atoma. Pour être très honnête, en tout cas, je n'en dispose pas. Par conséquent, je me sens parfaitement libre de conduire cette réforme. J'ai bien entendu également ce que mes collègues du gouvernement ont pu en dire, mais – jusqu'à preuve du contraire – c'est un projet qui est piloté par le ministre de la Sécurité et de l'Intérieur, pas par le ministre des Finances ni par un autre ministre fédéral. C'est moi qui vais m'en charger. Dans les deux semaines à venir, je présenterai mon plan au premier ministre pour voir si nous sommes sur la même longueur d'onde. J'avance relativement vite. Une fois que j'aurai pu fine-tuner , pour parler en bon français, ce plan avec le premier ministre, je reprendrai langue avec les bourgmestres, probablement avec la Conférence des bourgmestres pour le faire en une fois. Je vous avoue que je ne vais pas recommencer le pèlerinage alors que j'ai déjà établi mon top 3 des plus beaux bureaux de bourgmestre bruxellois.

Mais j'ai donc bien l'intention de continuer cette concertation. Ce que je voulais quand même dire, c'est que la zone de police Bruxelles-Ville/Région – je ne sais pas quel nom elle prendra – reste une zone de police locale, au même titre que les autres zones de police locales du Royaume. Cela signifie également que je ferai des propositions en termes d'organisation mais le rôle du ministre de la Sécurité et de l'Intérieur s'arrête à un certain moment dans ce qui est de l'organisation et du fonctionnement des zones de police locales.

Je ne suis pas bégueule: c'est une zone de police locale avec 19 communes, ce sera donc clairement la zone de police locale pluri-communale la plus grande du Royaume. Elle devra toutefois continuer à assumer les 7 fonctionnalités de la police locale au même titre que toutes les autres zones de police locale du Royaume tout en faisant face à un certain nombre de spécificités de la ville de Bruxelles.

Mes deux mois de fonction comme ministre de la Sécurité et de l'Intérieur me font dire qu'il y a des spécificités tant géographiques, politiques que de sécurité qui doivent être prises en compte pour déterminer ce que cette future zone de Bruxelles-Ville/Région – de nouveau, ce n'est pas à moi à déterminer le nom qu'elle prendra – devra faire. Mais je sais que nous y reviendrons certainement très prochainement.

In verband met het cocaïnegebruik is ook een ketenaanpak nodig, du producteur au consommateur . De drugsgebruikers moeten hun verantwoordelijkheid nemen en krijgen. Dat is dus een belangrijk deel van onze aanpak.

Maaike De Vreese:

Minister, dat laatste is inderdaad belangrijk. Ook de drugsgebruiker heeft een enorme verantwoordelijkheid. Als er geen gebruikers zijn, zijn er ook geen dealers en zonder dealers is er geen overlast. Daar moet je dus zeker op inzetten maar er is nog een lange weg te gaan.

Coördinatie van de taskforce en overleg zijn natuurlijk belangrijk, maar nog liever zien wij de stappen, de veranderingen die op het terrein gezet en waargemaakt worden. Er is sprake van om 200 tot 250 inspecteurs vrij te maken via het domino-effect, door militairen in te zetten. Dat zal inderdaad een belangrijke stap zijn. Ik ben benieuwd wanneer die mensen effectief op straat hun werk zullen kunnen doen.

Ik hoor u graag zeggen dat u volop bezig bent met de fusie en dat u daaraan voortwerkt. Natuurlijk blijft er dan een lokale politiezone, met alle bijbehorende verantwoordelijkheden die daarbij te pas komen.

We willen graag meedenken over een nieuwe naam voor het Kanaalplan, want u bent daar al een tijdje op aan het sjieken. We willen daar dus gerust mee over brainstormen.

Khalil Aouasti:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre brève réponse, et pour l'ouverture que j'ai pu entendre sur la question du fonds "Crim org". J'entends que les débats budgétaires ne sont pas clos; en effet, on ne sait pas quel périmètre sera concerné, quel périmètre sera ou ne sera pas impacté par les 1,8 %.

En tout cas, la proposition de notre groupe est là. Elle est discutable. Elle permet d'offrir une solution concrète de financement à des services essentiels. Je sais et j'entends que Mme la commissaire nationale aux drogues fera également une proposition, vraisemblablement dans les semaines à venir. Je pense qu'il est urgent, dès lors qu'il y a un accord pour financer ces services-là, de se mettre autour de la table avec des textes, qu'il s'agisse du nôtre ou d'autres. Je suis totalement ouvert. Pour moi, le principe est important. La nécessité d'affecter des moyens à ces politiques et à la lutte contre ces criminels est vraiment capitale.

Je salue l'ouverture et je vous donne rendez-vous dans au maximum quelques semaines, juste après votre note de politique générale et les budgets qui y correspondent, pour revenir avec notre texte.

Jeroen Bergers:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

Het is heel goed dat u met nagenoeg elke burgemeester in Brussel al hebt gesproken over het Kanaalplan en dat u contact hebt opgenomen met de federale politie om u een stand van zaken te geven.

Ik wil een warme oproep doen om ook met de politiezones in de Vlaamse Rand die ik al heb aangehaald samen te zitten, alsook met de luchtvaartpolitie. Voor een plan dat de lokale opvolging van de criminaliteit moet verbeteren is het belangrijk dat niet alleen de federale politie gehoord wordt maar ook de lokale zones. Daartoe wil ik een warme oproep aan u doen.

Ik kan altijd helpen om dat ten minste in mijn eigen zone te faciliteren. U moet echter zeker niet alleen met de politiezone VIMA spreken. Ik sprak al over de zone Zennevallei maar ook over andere zones die heel relevant zijn. U kan die zones ook horen. Ik ben minder goed geplaatst om dat daar te faciliteren.

Ten slotte, ik heb het misschien niet goed begrepen, omdat alles op een hoopje wordt gegooid, maar u zei dat u wou beginnen met de uitrol van het Kanaalplan in Brussel en in de omgeving van Brussel en dus de Vlaamse Rand, maar dat het de bedoeling was om via dat plan in het hele land tot een aanpak te komen. Dat lijkt mij zeker nuttig om de drugscriminaliteit in het hele land strenger aan te pakken. Ik was echter enigszins bezorgd over de manier waarop u dat verwoordde. Het Kanaalplan heeft immers de vorige keer extra vte's op het veld gebracht. Ik ben uiteraard voorstander van meer rekruteringen en van het voornemen om in het hele land meer politiemensen te hebben. Wij moeten dat echter ook koppelen aan de realiteit. Wij zullen dit de komende maanden wel nog bekijken, maar ik vroeg mij in dat verband af hoe u dat voornemen concreet zag. Ik wil ook oproepen om echt te focussen op de plaatsen waar de noden het hoogst zijn.

François De Smet:

Merci, monsieur le ministre, pour votre réponse assez claire.

Il n'y a pas de carnet Atoma. Donc lorsque un ministre affirme que chacune des six zones pourra conserver 75 % de ses capacités, il se peut qu'il ait inventé cette information. En tout cas, ce n'est pas confirmé. Dont acte.

Bernard Quintin:

Je n'ai pas vu de carnet Atoma.

François De Smet:

Vous n'en avez pas vu? Sans doute faut-il être croyant et non pratiquant.

Et quand Les Engagés nous disent que 19 bourgmestres pourront garder leurs prérogatives, ce n'est pas non plus confirmé!

Vous dites que vous allez présenter votre plan au premier ministre puis à la Conférence des bourgmestres. Nous pourrions nous demander s'ils auront une marge de manœuvre et s'il y aura une vraie discussion. Tant mieux si vous êtes prêt à faire des amendements.

Vous dites que "la zone de Bruxelles-Ville/Région reste une zone de police locale". Je trouve cela très intéressant. J'adore cette phrase, mais ne vous prouve-t-elle pas l'absurdité de ce qui s'annonce? Bruxelles est en effet une Région composée 19 communes et de beaucoup de quartiers extrêmement différents. Vous dites que des spécificités géographiques doivent être prises en compte. Nous en sommes bien conscients. C'est d'ailleurs la raison pour laquelle il y six zones de police, et non une seule.

Nous marchons donc sur la tête. Je continue à dire que nous nous retrouvons avec une concession irrationnelle, simplement parce qu'une série de partis flamands et le MR voulaient absolument cette fusion. Les Bruxellois ne la demandent pas.

Vous êtes en train, avec beaucoup de consultations et de sympathie, de chercher des arguments pour justifier cette fusion. Vous allez tenter de la réaliser contre l'avis, mais surtout contre l'intérêt des Bruxellois. Je ne désespère pas de vous convaincre avant qu'il ne soit trop tard.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, ik blijf wat op mijn honger. Op 21 februari is er een taskforce opgericht en de eerste vergadering gaat door op 2 april. Men heeft dus een maand de tijd nodig gehad om een vergadering voor te bereiden en dat noemt u vooruitgang. Ik hoor echter vooral geen enkele concrete maatregel. Ik hoor niets over wat er op het terrein zal gebeuren. Ik zie of hoor ook niet welke budgetten daarvoor uitgetrokken worden. Het blijft wachten op uw beleidsnota en op de budgetten die daarin hopelijk zullen worden voorgesteld.

Uiteraard moeten we die ketenaanpak in acht nemen en de vraagzijde verminderen om het aanbod te doen dalen. Ik heb echter uw visie op ons voorstel niet gehoord, namelijk om verplichte drugstests op te leggen aan ambtenaren en ook politici – waarom niet? We hebben een voorbeeldfunctie en het Vlaams Belang is daar zeer duidelijk over. We zullen dit voorstel nog voorleggen in het Parlement. Als de regering het niet zelf doet, moeten we het heft in eigen handen nemen en een verplichte drugstest opleggen aan politici, maar ook aan andere beroepscategorieën zoals de magistraten.

Ridouane Chahid:

Monsieur le ministre, vous nous dites que vous avez rencontré 18 des 19 bourgmestres et que vous les avez écoutés. Nous verrons dans la proposition de fusion que vous allez transmettre au Parlement si vous les avez entendus, car là réside notre principale demande: avez-vous entendu les bourgmestres? Je rappelle, comme j'ai déjà eu l'occasion de vous le dire, qu'un bourgmestre a des prérogatives légales avec des conséquences pénales s'il ne les remplit pas. Si vous ne donnez pas les conditions qui lui permettent de remplir ses missions de bourgmestre, la question est de savoir à qui revient la faute, notamment en termes de sécurité. Je rappelle aussi, et vous l'avez dit d'ailleurs dans votre réponse, qu'il y a 19 réalités différentes. Lorsque, demain, une seule zone de police concentrera l'ensemble de ses moyens sur des quartiers plus difficiles que d'autres, comment ferez-vous en sorte que la sécurité soit assurée dans des quartiers où la sécurité se traduit par des réalités hétérogènes, où on parle plus de sécurité routière que de cambriolage ou de trafic de drogue? Par exemple dans une commune comme la mienne, la présence de véhicules garés en double-file dans une rue est plus préoccupant que dans d'autres communes puisque nous n'avons pas les mêmes problèmes de sécurité. Je sais que vous avez reçu de la part de bourgmestres un certain nombre de motions, de documents, d'études. J'espère que vous pourrez en tenir compte et revenir sur un certain nombre de choses que j'ai pu lire dans la presse. Je sais aussi que votre préoccupation est que la sécurité soit assurée partout. Nous sommes évidemment d'accord. Sur ce point, nous vous suivrons et serons toujours derrière vous. Il reste à voir les modalités de ce projet de loi. Je vous remercie, en tout cas, des réponses que vous avez apportées.

De kerntaken van de politie
De kerntaken van de politie
De kerntaken van de politie

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 2 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de herstructurering en financiering van de Belgische politie, met focus op taakverdeling tussen federale en lokale politie, efficiëntere middeleninzet en privatisering van niet-kerntaken. De Vreese dringt aan op grotere politiezones, herziening van het HyCap-solidariteitssysteem, duidelijke kerntaken voor federale politie (bovenlokaal/gespecialiseerd) en overdracht van niet-politionele taken aan privé of andere overheden, met concrete vragen over timing (vóór de zomer) en budgettaire oplossingen. Minister Quintin beaamt de noodzaak maar stelt concrete antwoorden uit tot na de begrotingsopmaak, benadrukkend dat de staat het monopolie op geweld behoudt en enkel ondersteunende taken gepivatiseerd kunnen worden. Spoorweg- en scheepvaartpolitie blijven knelpunten door capaciteitstekorten en onduidelijke bevoegdheden.

Maaike De Vreese:

De regering zal een bijkomende inspanning doen om nieuw beleid te voeren en te financieren. Natuurlijk moeten er ook extra financiële middelen voor de veiligheidsdepartementen uitgetrokken worden, zodat die hun kerntaken opnieuw volwaardig kunnen uitvoeren, en de politie moet kunnen focussen op haar kerntaken.

We moeten dus in de eerste plaats de taak- en bevoegdheidsverdeling van de federale en de lokale politie opnieuw scherpstellen en waar nodig actualiseren. De lokale politie heeft behoefte aan grotere lokale politiezones en meer interzonale samenwerkingsverbanden. Het solidariteitssysteem van de gehypothekeerde capaciteit (HyCap) moet worden herbekeken en de federale politie moet meer kunnen focussen op gespecialiseerde en bovenlokale opdrachten.

Mijnheer de minister, die zaken zijn natuurlijk niet nieuw. Ze worden al jaren aangekaart en deze legislatuur hopen we daar echt verandering in te brengen.

Tevens dienen we de juridische belemmeringen weg te werken die de uitoefening van bepaalde niet-politionele taken door privéactoren, ter ondersteuning van de politiediensten, momenteel nog in de weg staan. Op die manier willen we inderdaad zoveel mogelijk blauw op straat krijgen.

Daarnaast moeten we zorgen voor een optimale benutting van de al bestaande mogelijkheden binnen het huidige wettelijke kader om niet-politionele taken te laten uitvoeren door privéspelers. Bepaalde taken kunnen zeker ook worden overgeheveld naar andere overheidsdiensten, zowel lokaal als federaal.

Tot slot stel ik opnieuw een vraag over de financiële middelen voor de politiediensten in de komende legislatuur in dit land. Waarschijnlijk kan ik daar hetzelfde antwoord op verwachten, maar ik stel ze toch maar.

Hoe moet de toekomstige taak- en bevoegdheidsverdeling van de federale en de lokale politie eruitzien? Hoe zit het met de kerntaken?

Op welke manier wilt u grotere lokale politiezone stimuleren? Welke wijzigingen aan het solidariteitssysteem van de HyCap wilt u doorvoeren? Wat zijn volgens u de gespecialiseerde en bovenlokale opdrachten van de federale politie?

Welke mogelijkheden ziet u binnen het huidige wettelijke kader om niet-politionele taken te laten uitvoeren door privéspelers? Welke nieuwe mogelijkheden wilt u creëren?

Welke taken kunnen volgens u worden overgeheveld naar andere overheidsdiensten? Kunt u dat in uw antwoord opsplitsen naar het lokale en het federale niveau?

Bernard Quintin:

Mevrouw De Vreese, ik begrijp voor een stuk uw visie met betrekking tot het opnieuw toewijzen van essentiële taken aan de politie, evenals het overdragen aan de privésector van bepaalde taken die momenteel door de politie worden uitgevoerd. Ik deel ook uw mening over het belang van het verhogen van de middelen voor de lokale politie en het verbeteren van de solidariteit, met name door middel van het HyCap-model, een solidariteitsmechanisme tussen lokale politiezones.

Zoals u weet, ben ik bezig om aan deze zorgen tegemoet te komen door de KUL-norm te herzien en door de taken te bestuderen die aan de privésector zouden kunnen worden overgedragen. Het is echter nog te vroeg om u nu al een precies antwoord te geven. Daarom nodig ik u uit om mij uw vraag opnieuw te stellen zodra onze begroting is opgesteld.

Ik deel echter uw bezorgdheid over de verduidelijking van de missies van de politie en de creatie van een goed kader voor het aandeel van de privésector daar. L'Etat doit rester le seul détenteur de la légitimité de la force. Dat is terzelfder tijd mijn leidraad en mijn rode lijn.

Maaike De Vreese:

Op het terrein speelt er heel wat op het vlak van de bevoegdheidsverdeling tussen de federale en de lokale politie. Ik heb straks ook nog een vraag in verband met de scheepvaartpolitie en de manier waarop er met de lokale politie moet worden samengewerkt.

Er zijn ook heel wat vragen over de spoorwegpolitie in West-Vlaanderen. Wat zijn hun taken en hoe kunnen zij die in godsnaam goed uitvoeren zonder over de daarvoor nodige capaciteit te beschikken? Ik kijk dus enorm uit naar de gesprekken over de begroting en naar de herziening van de KUL-norm. Komt u al voor de zomer met een voorstel daarrond? Aangezien het een bijkomende vraag is, zal ik die misschien later of tijdens de begrotingsbesprekingen stellen. Ik volg het alleszins op.

Voorzitter:

Het antwoord zal in de toekomst duidelijker worden, veronderstel ik. Vraag nr. 56002290C van de heer Troosters wordt omgezet in een schriftelijke vraag.

Het onrechtmatige gebruik van e-mailadressen van de politiediensten

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 2 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De deontologische code voor politieambtenaren (20 jaar oud) wordt herzien na kritiek op verouderde regels, onder meer door een tuchtzaak over privégebruik van politie-emails. Minister Quintin bevestigt dat de herziening in 2025 verdergaat (na COVID-vertraging) om de code aan te passen aan hedendaagse maatschappelijke en operationele uitdagingen, met aandacht voor internationale best practices. Hij benadrukt dat de huidige regels *duidelijk* zijn (geen structureel misbruik) maar modernisering nodig is. Depoortere steunt het initiatief en verwacht de resultaten af.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, deze vraag was eigenlijk gericht aan uw voorgangster, mevrouw Verlinden. Ze is dus misschien enigszins gedateerd.

Het Comité P heeft agenten berispt omdat ze hun e-mailadres onrechtmatig gebruikt zouden hebben in de privésfeer. Ze zouden een officiële waarschuwing gekregen hebben. Naar aanleiding daarvan hebben heel wat mensen uit de sector, maar ook uit de academische wereld ervoor gepleit om de deontologische code voor politieambtenaren te moderniseren, want die is intussen al meer dan 20 jaar oud.

Zult u die deontologische code op termijn actualiseren?

Bernard Quintin:

Ik wil het besluit van de tuchtoverheid ten volle respecteren. Ik ga ervan uit dat die rekening heeft gehouden met alle elementen van de zaak. Het is niet aan mij om commentaar te leveren op die beslissing.

Wat de problematiek van de deontologische code betreft, wijst niets erop dat het gaat om een breder of structureel probleem van illegaal gebruik van politiemiddelen. De deontologische code is op dat punt heel duidelijk. Personeelsleden mogen voor privédoeleinden geen middelen gebruiken die door de politieorganisatie ter beschikking worden gesteld, zoals voertuigen, apparatuur of software.

De deontologische commissie is eind 2019 bijeengekomen voor de mogelijke herziening van de deontologische code. Door de covidpandemie werd het werk van de werkgroep opgeschort. De werkzaamheden van de deontologische commissie werden in het najaar van 2024 hervat en worden in 2025 voortgezet. De commissie overweegt om de deontologische code te actualiseren om die zo in lijn te brengen met de huidige maatschappelijke context en de complexiteit van het politiewerk. De herziening van de deontologische code is een delicate oefening, waarbij goede praktijken, in België en internationaal, niet uit het oog mogen worden verloren.

Ik kan u nog geen precieze datum geven voor de voltooiing van de herziening, maar de werkgroep zet zijn werk voort. De volgende bijeenkomst is op 27 mei 2025 gepland.

Ortwin Depoortere:

Dank u voor uw antwoord, mijnheer de minister. Ik kan mij daar helemaal bij aansluiten. Ik ben blij dat u en de deontologische commissie daar werk van maken. Ik kijk alvast uit naar het resultaat daarvan.

De vraag om bijstand van de scheepvaartpolitie in Zeebrugge
De inzet van de scheepvaartpolitie in Zeebrugge
Optreden van de scheepvaartpolitie in Zeebrugge

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 2 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De Brugse burgemeester kritiseerde de scheepvaartpolitie Zeebrugge omdat zij weigert in te grijpen bij lokale overlast (bv. jongeren) ondanks hun 24/7-beschikbaarheid, terwijl de lokale politie te traag ter plaatse is. Minister Quintin bevestigde dat de scheepvaartpolitie enkel bevoegd is voor havenzaken, maar dat er sinds 2002 een samenwerkingsprotocol met Brugge geldt—laatst geëvalueerd op 8 oktober 2024 zonder aanpassingen—waarin dringende hulp wel verplicht is. De Vreese vindt de burgemeesterskritiek onterecht als het protocol ongewijzigd blijft en benadrukt de toekomstige uitdagingen (bv. Russische schepen) voor de scheepvaartpolitie. Conclusie: de taakverdeling staat, maar de communicatie tussen partijen faalt.

Voorzitter:

De heer Demon is afwezig.

Maaike De Vreese:

Minister, in de Brugse gemeenteraad werd op 16 december 2024 het fenomeen van overlast door jongeren in de Zeebrugse woonkern aangekaart. De lokale politie is bereid om de wijkwerking uit te breiden, maar heeft 's nachts geen permanentie in Zeebrugge. De rijtijd van het Brugse politiehuis naar Zeebrugge voor een interventie bedraagt 20 minuten.

De Brugse burgemeester was tijdens die gemeenteraadszitting opvallend kritisch over de werking van de scheepvaartpolitie in Zeebrugge: “Er staat daar een zeer uitgebreide en mooie kazerne in Zeebrugge van de scheepvaartpolitie, die dag en nacht beschikbaar is met perfecte voertuigen en manschappen. Maar als de mensen zelf - de buurtbewoners - binnenlopen om te zeggen dat er iets gebeurt, is het antwoord van de scheepvaartpolitie 'Dat is niet onze taak. Wij dienen voor de haven en voor niets anders dan de haven'. Ze hebben een tijdlang rond transmigranten hun deel gedaan, maar er zijn quasi geen transmigranten meer in Zeebrugge, dus dat probleem is van de baan. En in andere zaken komen zij gewoon niet tussen… Die scheepvaartpolitie heeft uiteraard een aantal taken die met de haven te maken hebben, maar die hebben ook wel wat tijd, zeker 's nachts."

Ik citeer hem letterlijk omdat ik aangedaan was door de manier waarop de burgemeester van de op twee na grootste stad in Vlaanderen, die op een constructieve manier zou moeten samenwerken met de federale politie, met een zekere minachting over die dienst spreekt. Nochtans is hij vragende partij voor bijstand van de scheepvaartpolitie bij incidenten, in afwachting van de komst ter plaatse van de lokale politie.

Ik vind dat de belangrijkste taak van een burgemeester is om ervoor te zorgen dat de veiligheid op zijn grondgebied gegarandeerd is en dat zijn politiediensten op tijd ter plaatse kunnen zijn, waar zij zich ook bevinden. Het grondgebied is misschien iets groter, maar hij moet ervoor zorgen dat de politiemensen op tijd bij de inwoners van Brugge geraken. Dat is zijn eerste prioriteit als burgemeester.

Mijnheer de minister, hoe is de verstandhouding tussen de verschillende diensten en niveaus met betrekking tot de situatie in Zeebrugge? Wanneer ging er overleg door met de verschillende actoren? Wat was de conclusie van dit overleg?

Bent u bereid om te bekijken hoe de samenwerking tussen de scheepvaartpolitie en de lokale politie beter kan, zodat er in moeilijke situaties bijstand kan worden verleend? Wat is de huidige personeelscapaciteit van de Zeebrugse afdeling van de scheepvaartpolitie? In welke mate kan die 24/7 ingrijpen? Zitten zij daar 's nachts inderdaad met hun vingers te draaien of hebben ze iets te doen? Ik vind de toon van de burgemeester namelijk echt niet kunnen.

Bernard Quintin:

Mevrouw De Vreese, ik was daar niet, maar ik ben het met u eens. De toon is belangrijk, net als de dienstverlening.

Het voorzien in een gelijkwaardige en kwaliteitsvolle politiezorg over het volledige grondgebied is een van de kernwaarden van de geïntegreerde politie en dit al sinds de oprichting, meer dan 20 jaar geleden. Het concept van onze geïntegreerde politie voorziet twee niveaus. De lokale politie is verantwoordelijkheid voor de basispolitiezorg op het grondgebied van de politiezone, terwijl de federale politie met toepassing van de beginselen van subsidiariteit en specialiteit de gespecialiseerde politiezorg en -steun waarborgt.

De scheepvaartpolitie is in principe inderdaad alleen actief op de waterwegen en in de havens. De politiezone Brugge is verantwoordelijk voor de politionele dienstverlening op haar territorium. Omwille van de specifieke plaatsgesteldheid in Zeebrugge, waar de woonkern met het havengebied verweven is, heeft de scheepvaartpolitie echter sinds 1 januari 2002 een samenwerkingsprotocol met de politiezone Brugge, waarin onder meer de territoriale verdeling is opgenomen. Dit protocol werd op 1 januari 2023 nog vernieuwd en wordt regelmatig geëvalueerd. De laatste evaluatie dateert van 8 oktober jongsleden, waarbij werd geconcludeerd dat er geen aanpassingen of bijsturingen nodig waren. De volgende evaluatie van deze structurele samenwerking is voor 20 mei 2025 gepland.

Los van dit protocol moet natuurlijk elke politiedienst en elke politieman of -vrouw optreden voor dringende noodhulp, tot en met het moment waarop de relevante diensten ter plaatse kunnen komen. Ook voor het onthaal van hulpzoekende burgers volgt het protocol het geldende juridische kader. Personen die zich met een dringende vraag om hulp bij hun politiepost aanbieden, worden onmiddellijk geholpen. Indien de hulpvraag niet dringend is, wordt de persoon naar de meest adequate dienst doorgestuurd. Bij de volgende evaluatie van het protocol zal deze taakverdeling opnieuw kunnen worden besproken indien ze niet naar wens van een of meerdere stakeholders is.

Maaike De Vreese:

Mijnheer de minister, ik vind het dan nog frappanter dat als er op 8 oktober 2024 nog overleg geweest is over het protocol en de conclusie van beide partijen daar luidde dat er niets hoeft te worden veranderd, er op 16 december op die manier zo'n sneer wordt uitgedeeld. Als men rond de tafel zit, moeten de problemen op dat moment besproken worden en niet in de gemeenteraad van Brugge. De scheepvaartpolitie staat nog voor grote, nieuwe uitdagingen om controle uit te oefenen op de kritieke infrastructuur en de Russische schepen die in de buurt daarvan varen. Ik hoop dat u die politiemensen volop ondersteunt.

De bescherming van kritieke infrastructuur

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 2 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De toename van Russische schepen (166 in 2024, +50% vs. 2023) bij de West-Vlaamse kust en dreiging van sabotage aan kritieke Noordzeeinfrastructuur (kabels, windparken) baart zorgen, geïnspireerd door eerdere Oostzee-incidenten. Minister Quintin bevestigt geen concrete schade of Russische betrokkenheid, maar benadrukt verhoogde waakzaamheid via samenwerking met NAVO, ADIV en NCCN, en wijst op de noodzaak om "hybride dreigingen" als reële fysieke risico’s te behandelen. De Vreese dringt aan op innovatieve bescherming (bv. privésector-drones) en betere coördinatie tussen Defensie, crisiscentra en veiligheidsplannen. Geen harde cijfers of nieuwe maatregelen werden gepresenteerd, wel beloftes van opvolging en schriftelijke verantwoording.

Maaike De Vreese:

Mijnheer de minister, we zien alsmaar meer Russische schepen voor onze West-Vlaamse kust opduiken. Het maritime operations center van de Belgische marine spotte vorig jaar 166 Russische schepen voor onze kust, vijftig procent meer dan in 2023. Het gaat zowel om vrachtschepen en militaire schepen als zogenaamde onderzoeksschepen uit Rusland. De Belgische marine stuurde vorig jaar 63 keer een van haar patrouillevaartuigen uit om Russische schepen te schaduwen of om ze te escorteren.

De situatie in de Oostzee, met de recente beschadigingen aan cruciale kabels door vermoedelijk Russische schepen, roept absoluut op tot waakzaamheid. Door de verschillende sabotageacties heeft de NAVO besloten om zijn militaire aanwezigheid in de Oostzee te versterken. Ook in onze Noordzee heeft Defensie de special forces ingezet om de beveiliging van kritieke infrastructuur op de Noordzee zoals windmolenparken of onderzeese kabels te testen. Rusland stelt zich steeds agressiever op tegenover ons land. We moeten op onze hoede zijn voor de sabotage van kritieke infrastructuur op de Noordzee door Rusland, zoals eerder in de Baltische Zee gebeurde.

Op een eerdere parlementaire vraag kreeg ik als antwoord te horen dat het Nationaal Crisiscentrum (NCCN) het beleid coördineert, het OCAD de dreigingsanalyses uitvoert en de politie de veiligheidsoperaties beheert. Voor dat laatste aspect komt u in the picture. Defensie ontwikkelt samen met het NCCN en andere actoren nationale plannen, zoals het nationaal verdedigingsplan en het weerbaarheidsplan. Defensie heeft een ondersteunende rol en opereert binnen het wettelijk kader met de coördinatie van het maritiem informatiekruispunt en het maritiem operatiecentrum. Dit land implementeert ook de EU-strategieën en ondersteunt de NAVO-inspanningen daaromtrent.

Aangezien u als minister van Binnenlandse Zaken medeverantwoordelijk bent voor de bescherming van onze kritieke infrastructuur, heb ik enkele vragen voor u.

Hoeveel verdachte incidenten werden er geregistreerd in 2023 en 2024? In hoeveel van die gevallen leidde dat tot schade? Hoeveel van die gevallen werden rechtsreeks gelinkt aan Rusland? Hebt u ook al gegevens van eventuele incidenten in 2025?

Welke acties onderneemt u om de kritieke infrastructuur nog beter te beschermen? Welke stappen zet u om dergelijke incidenten aan te pakken en te voorkomen?

Welke acties onderneemt het NCCN? In welke veiligheidsplannen werd de bescherming van onze infrastructuur opgenomen? Hoe bereidt het NCCN ons voor op noodsituaties, indien er kritieke infrastructuur wordt beschadigd?

Kunt u de samenwerking met Defensie en andere actoren omtrent het nationaal verdedigingsplan en weerbaarheidsplan toelichten? Ik heb die vraag toegevoegd naar aanleiding van het antwoord dat ik van Defensie ontving.

Bernard Quintin:

Mevrouw De Vreese, mijn antwoord, dat ik u nog zal bezorgen, beslaat wel zes pagina's, maar iedereen vindt de bescherming van onze mooie kust nu eenmaal heel belangrijk.

Het Maritiem Informatiekruispunt (MIK) beschikt niet over cijfers van incidenten die als verdacht kunnen worden beschouwd. Het MIK heeft geen informatie van enige schade aan kritieke infrastructuren door militaire schepen of zogenaamde onderzoeksschepen in de Noordzee. Bijgevolg zijn er ook geen bevestigde verbanden met Rusland. We volgen die zaak evenwel met alle diensten op en nemen ze zeer ernstig.

We spreken over hybrid threats . Ik heb al gezegd dat we van die term af moeten. Die dekt de lading niet. Het gaat om concrete acties op zee, bijvoorbeeld in de Baltische Zee. We moeten het probleem dus echt serieus nemen en dat doen we ook met alle diensten, onder andere bij de NAVO, de Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid (ADIV), de FOD Mobiliteit en het Nationaal Crisiscentrum. Ik kan u geruststellen dat wij alles op de voet volgen.

Maaike De Vreese:

Bedankt, mijnheer de minister. Als het zo verder gaat, heb ik tegen het einde van de dag een boek te lezen.

Er zijn inderdaad voor verschillende spelers en ministers belangrijke taken weggelegd, als het gaat over onze kritieke infrastructuur. Laten we daarbij niet vergeten dat ook de privésector over bepaalde middelen beschikt. Dan denk ik bijvoorbeeld aan onderwaterdrones die eventueel voor onderzeese kabels ingezet kunnen worden. We moeten out of the box nagaan hoe we onze kritieke infrastructuur zo goed mogelijk kunnen beschermen. Wij blijven de kwestie zeker opvolgen.

Voorzitter:

Vraag nr 56002448C van de heer Raskin wordt in een schriftelijke vraag omgezet. De heer Freilich is niet aanwezig om zijn vraag nr. 56002585C te stellen.

De scanners en de veiligheid in de haven van Antwerpen

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 2 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Matti Vandemaele kaart aan dat scanners in de Antwerpse haven vaak defect zijn, wat drugscontroles bemoeilijkt, en vraagt om concrete cijfers over defecten, vernieuwing (budget/timing) en onderscheppingsresultaten. Minister Quintin bevestigt dat risicoanalyses en samenwerking (douane/politie) prioriteit zijn, maar verwijst voor technische en budgettaire details naar de minister van Financiën (Douane). Vandemaele dringt aan op snelle coördinatie tussen bevoegde ministers om de operationele tekortkomingen op te lossen en veiligheid te garanderen. Geen antwoorden op technische staat, testfase x-ray-systemen of onderscheppingscijfers.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, ik had enige tijd geleden een schriftelijke vraag ingediend, die nog door uw voorganger werd beantwoord. Ik polste toen naar het niet-functioneren van de scanners in de haven van Antwerpen. Ik kreeg daar een - ik zal proberen het proper te omschrijven - nogal ontwijkend antwoord op. Ik was namelijk geïnformeerd, door mensen die het kunnen weten, dat die scanners vaak kapot zijn, niet goed functioneren en dat er heel veel passeert zonder dat die scanners worden ingezet. De mensen die daar moeten scannen, zitten met andere woorden een beetje met de handen in het haar omdat die toestellen vaak niet goed werken. Omdat mijn schriftelijke vraag niet goed werd beantwoord, wilde ik mijn vraag mondeling stellen om te zien of de antwoorden dan beter zijn.

In het schriftelijke antwoord stond dat er een risicoanalyse wordt gemaakt. Wie maakt die risicoanalyse? Wat is de rol van de politie en van de douane? Welk deel van de scanapparatuur is de afgelopen maanden defect geweest? Hoeveel scantunnels zijn er het afgelopen jaar inactief geweest? Ik vraag dit heel expliciet omdat ik daarop vorige keer geen antwoorden heb gekregen.

De scantunnels lopen blijkbaar ook naar het einde van hun levensduur. Ze moeten dus vernieuwd worden. Wanneer moet die vernieuwing gebeuren? Is daarvoor al een budget vastgelegd? Kunt u mij daar iets over vertellen?

Ook de x-ray scansystemen waren nog niet volledig operationeel. Men zat daar in de testfase. Hoe verlopen de testen? Is de testfase nog bezig of gaat men al over tot de echte implementatie? Worden er na die testfase ook extra toestellen in gebruik genomen?

Kunt u een overzicht geven van de hoeveelheid drugs die werd onderschept? Welke technieken werden daar gebruikt? Wat is het aandeel van die scanners daarin?

Bernard Quintin:

Mijnheer Vandemaele, de risicoanalyse en de selectie van de controle van goederen waarmee verdovende middelen naar België zouden worden gesmokkeld vormen een prioritaire taak van de douane. In de haven van Antwerpen werken de federale politie, de scheepvaartpolitie Antwerpen, de federale gerechtelijke politie Antwerpen en de douane volgens een specifiek operationeel samenwerkingsmodel. Het gaat om een operationeel driehoeksmodel.

Het is evident dat bij die samenwerking operationele informatie-uitwisseling plaatsvindt, die de diensten versterkt in de uitvoering van hun prioritaire opdrachten.

Mijnheer Vandemaele, ik zal u jammer genoeg moeten teleurstellen, maar de andere vragen vallen buiten mijn bevoegdheidsdomein en kunt u aan de minister van Financiën richten.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, ik zal dat doen. In tussentijd lijkt het me echter raadzaam dat u vanuit uw bevoegdheid ook al eens contact opneemt met de minister van Douane, omdat de scanners van fundamenteel belang zijn om drugs en andere foute bestanddelen op te sporen die ons land binnenkomen. Als die niet goed werken, vis ik daar niet naar om dan achteraf te kunnen zeggen dat het in Antwerpen grote miserie is, maar wel omdat ik graag zou hebben dat de mensen die met die toestellen moeten werken over goed materiaal beschikken, omdat we op die manier de veiligheid in ons land kunnen verhogen. In afwachting van uw vraag aan de minister zal ik deze kwestie daar ook al agenderen en die minister bevragen.

Voorzitter:

Vraag nr. 56002604C van de heer Metsu wordt omgezet in een schriftelijke vraag. Vraag nr. 56002643C van de heer Raskin wordt omgezet in een schriftelijke vraag. De samengevoegde vragen nr. 56002736C van de heer De Smet en nr. 56002925C van mevrouw Maouane worden uitgesteld.

Het politiepersoneel

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 2 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Alain Yzermans pleit voor volledige toegang tot lopende tuchtdossiers en functioneringsnota’s in politiemobiliteitsprocedures, om integriteit te waarborgen en te voorkomen dat selectiecommissies beslissingen nemen zonder cruciale informatie over lopende onderzoeken. Minister Bernard Quintin wijst dit af wegens gebrek aan wettelijke basis en het vermoeden van onschuld, aangezien alleen afgeronde tuchtzaken in dossiers mogen worden opgenomen. Yzermans blijft aandringen op een wettelijke aanpassing, benadrukkend dat dit in specifieke gevallen essentieel is voor verantwoorde mobiliteitsbeslissingen. De kern: spanning tussen transparantiebehoefte en juridische beperkingen in politiepersoneelsdossiers.

Alain Yzermans:

Mijnheer de minister, in het kader van de mobiliteitsprocedure is toegang tot het volledige personeelsdossier essentieel voor het waarborgen van de integriteit bij de selectie van politiepersoneel, vooral in situaties waarin er tucht- of gerechtelijke onderzoeken aan de orde zijn. Politiebeambten kunnen tijdens hun loopbaan van werkplaats veranderen. De selectiecommissie heeft alleen toegang tot het mobiliteitsdossier, dat gebaseerd is op elementen uit het persoonlijk dossier, zoals tuchtstraffen. Dit dossier bevat echter enkel uitgesproken straffen en geen lopende zaken, wat soms zorgt voor problemen.

Het is cruciaal dat de politiezone die de kandidaat aanwerft inzage heeft in het volledige personeelsdossier. Als er bijvoorbeeld een vooronderzoek inzake tucht loopt tegen een personeelslid zal deze informatie niet zichtbaar zijn in het mobiliteitsdossier of het persoonlijk dossier. Pas wanneer een tuchtstraf definitief is, wordt deze opgenomen in het gedeelte 'Tuchtstraffen' van het persoonlijk dossier.

Een bijzondere situatie doet zich voor wanneer een personeelslid tijdens een lopende tuchtprocedure van werkplek verandert. Dan is er geen informatie over deze procedure beschikbaar in het mobiliteitsdossier. Dat betekent dat de selectiecommissie geen kennis kan nemen van deze belangrijke informatie zolang het onderzoek loopt. Bovendien kan het dat een al gestart tuchtonderzoek na de mobiliteit van een kandidaat door de nieuwe werkgever moet worden voortgezet.

Mijnheer de minister, er zijn voor de verschillende politiediensten verschillende tuchtoverheden. Kunt u de verplichting opleggen dat alle lopende tuchtdossiers worden gecentraliseerd in een databank die raadpleegbaar is voor deze tuchtoverheden? Dat zou immers een wezenlijke verbetering zijn van deze mobiliteitsprocedure. Kan er in het belang van de integriteit van kandidaten volledige inzage verkregen worden, waarbij alle lopende tuchtonderzoeken en alle functioneringsnota's bij het mobiliteitsdossier worden gevoegd? Die bevatten immers heel interessante informatie.

Bernard Quintin:

Mijnheer Yzermans, op dit moment is er geen wettelijke basis om een lopende tuchtzaak in een persoonlijk dossier op te nemen tot het onderzoek is afgerond. Om deze redenen en vanwege wettelijke verplichtingen kan ik als minister een dergelijke maatregel niet opleggen. Mobiliteitsdossiers worden opgesteld in overeenstemming met het statuut, dat voorziet in een zekere mate van discretie met betrekking tot feiten, gebeurtenissen en klachten die eerst moeten worden onderzocht voordat ze aan politiepersoneel kunnen worden toegeschreven en die, indien van toepassing, in een personeelsdossier kunnen worden opgenomen.

Zoals u weet, zijn het beginsel van het vermoeden van onschuld en de rechten van de verdediging ook van toepassing in tuchtzaken in overeenstemming met artikel 57 van de tuchtwet van 13 mei 1999.

Alain Yzermans:

Ik blijf toch aanklagen dat in bepaalde zones… Het is een specifieke situatie en ik stel ook niet dit in het algemeen een wijdverspreid probleem zou zijn. Om mobiliteitsdossiers van politiebeambten oordeelkundig te kunnen behandelen, is het belangrijk alle informatie te kennen. Daarzonder zou men immers een andere beslissing kunnen nemen. Het is daarom belangrijk daarover na te denken en eventueel een wetgevend initiatief daarvoor te nemen. Er wordt daar immers luid en veelvuldig naar gevraagd.

De digitale pamfletten waarin wordt opgeroepen tot het plegen van terreuraanslagen
Online oproepen om islamitische terreuraanslagen te plegen in Antwerpen en Brussel
Digitale oproepen tot islamitische terreuraanslagen in Belgische steden

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 2 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sam Van Rooy kaart aan dat jihadistische pamfletten oproepen tot aanslagen in Antwerpen en Brussel en vraagt om extra veiligheidsmaatregelen, wijzend op België’s aantrekkingskracht als doelwit door zijn centrale ligging, instellingen en radicale moslimgemeenschappen. Minister Quintin benadrukt dat het dreigingsniveau (3/4) ernstig is, maar waarschuwt tegen overreactie op propaganda, terwijl inlichtingendiensten elke dreiging analyseren en gerichte maatregelen nemen via het Crisiscentrum. Van Rooy linkt de hoge dreiging aan decennia "politiek correct" migratie- en islambeleid, stelt dat 27.000 Antwerpenaren potentieel radicaal zijn, en eist remigratie van terrorisme-vergoelijkers om de dreiging te beteugelen. Quintin bevestigt de ernstige aanpak maar ontwijkt de structurele kritiek op immigratiebeleid.

Sam Van Rooy:

Mijnheer de minister, jihadistische pamfletten roepen online op tot het plegen van islamitische terreuraanslagen in Antwerpen en Brussel. Het OCAD minimaliseerde de terreurdreiging. Ik citeer: "Meestal wordt aan een dergelijke oproep tot het plegen van jihadterreur geen gehoor gegeven." 'Meestal', dat woord vind ik zeer frappant, want zoals wij ondertussen toch zouden moeten weten, is één Allahoe akbar-schreeuwer die wel gehoor geeft aan een dergelijke jihadistische oproep genoeg om heel veel ellende aan te richten en dodelijke slachtoffers te maken.

Mijn vraag is dus evident, mijnheer de minister. Wat is de stand van zaken? Welke extra veiligheidsmaatregelen werden of worden desgevallend genomen?

Ik heb deze vraag ook gesteld aan de burgemeester van Antwerpen, maar ik kreeg helaas geen antwoord. Ik hoop dat van u wel te krijgen, want in het toch wel beperkte rijtje van steden dat werd genoemd in dat jihadistische pamflet om islamitische aanslagen te plegen, staan dus niet minder dan twee steden van dit land, namelijk Brussel en Antwerpen.

Mijnheer de minister, hoe verklaart u dat België blijkbaar zo'n gegeerd doelwit is voor islamitische terreur, voor jihadaanslagen? Heeft dat vooral te maken met de centrale ligging van België in Europa? Heeft het te maken met de internationale politieke instellingen die zich hier bevinden? Wordt het getriggerd door een bepaalde politiek die België voert? Of zou het ook te maken kunnen hebben met het feit dat jihadisten en moslimterroristen wereldwijd weten dat er in dit land veel orthodoxe moslims wonen, die potentieel gehoor zouden kunnen geven aan zo'n jihadistische oproep om een terreuraanslag te plegen?

Ik ben heel benieuwd naar uw antwoord, mijnheer de minister.

Bernard Quintin:

Dank u voor uw vraag, mijnheer Van Rooy. De inlichtingendiensten en het OCAD waren op de hoogte van de propaganda van deze pamfletten. Het OCAD minimaliseert dergelijke dreigingsberichten niet.

Elke melding wordt op basis van de beschikbare informatie geanalyseerd. Als er geen concrete dreigingsinfo is, dan moeten we het hoofd koel houden en niet in het spel van terroristische propaganda meegaan, dat net als doel heeft om het onveiligheidsgevoel te verhogen.

Het dreigingsniveau bedraagt drie op een schaal van vier. Dat betekent dat de dreiging ernstig is. De maatregelen worden door het Nationaal Crisiscentrum en de politie bepaald, afhankelijk van de plaats, de persoon en de aard van het evenement. Dat is een ernstig werk.

De inhoud van de propaganda is soms een recyclage van oude boodschappen, soms nieuw, en speelt vaak in op de internationale actualiteit. Niet zelden gaat het om boodschappen die door zogenaamde fanboys worden gemaakt en verspreid, boodschappen die dan hun weg naar allerhande officieuze IS-kanalen vinden.

Vanwege hun verspreiding op het internet en het gebruik van versleutelde applicaties, is het niet altijd gemakkelijk om te bepalen van wie of uit welk land een dreiging afkomstig is. De gebruikte verspreidingskanalen zijn onder andere Telegram, X, TikTok en Discord.

Ik kan niet zeggen dat de situatie van België en het feit dat wij bepaalde internationale instellingen op ons grondgebied hebben geen rol spelen, maar ik kan u verzekeren dat de diensten, het OCAD en andere, dit ernstig nemen.

Sam Van Rooy:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. U zegt het zelf, het terreurdreigingsniveau in dit land is onverminderd hoog, namelijk drie op een schaal van vier. Dat betekent dat de terreurdreiging ernstig is. Na 60 jaar politiek correct beleid van ongecontroleerde massa-immigratie en islamgepamper, is een ernstige terreurdreiging in dit land helaas het nieuwe normaal geworden. Volgens onderzoek heeft een op de vijf moslims in Vlaanderen begrip voor de dodelijke jihadterreur van Islamitische Staat. Alleen al in Antwerpen, de stad waar ik woon, gaat het over zo'n 27.000 potentieel gevaarlijke moslims. Als dit soort vergoeilijkers van dodelijke islamterreur niet het land worden uitgezet – remigratie –, zal de terreurdreiging in dit land alleen maar toenemen. Het wordt hoog tijd dat u en deze regering dat onder ogen zien.

De financiering van de politiezones en de ZSG's

Gesteld door

lijst: PS Marie Meunier

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 2 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de financiering en capaciteitsdruk op politiezones (met name Mons-Quévy) door de uitbreiding van Centra voor Opvang van Seksueel Geweld (CPVS), die 24/7 pluridisciplinaire hulp bieden maar extra politie-inzet vereisen (o.a. twee agenten per slachtofferbegeleiding). Minister Quintin bevestigt dat de CPVS gefinancierd worden via bestaande kanalen (gelijkheidsinstituut, slachtofferhulp) en dat gespecialiseerde inspecteurs de taak dragen, zonder extra middelen voor lokale politiezones, ondanks hun huidige overbelasting door federale taakdelegatie. Meunier stelt vast dat dit betekent dat politiezones (zoals Mons) zonder verlichting de extra last moeten dragen, ook bij begeleiding naar CPVS in andere steden (bv. Charleroi), wat hun kernTaken onder druk zet. De kern: geen structurele oplossing voor de politiecapaciteit, ondanks groeiend CPVS-netwerk.

Marie Meunier:

Monsieur le ministre, les Centres de Prise en charge des Violences Sexuelles (CPVS), désormais inscrits dans la loi, sont un pilier essentiel pour soutenir les victimes de violences sexuelles en leur offrant une approche pluridisciplinaire et adaptée. Avec 10 CPVS opérationnels et un budget prévu pour trois centres supplémentaires, il apparaît que l'extension de ce réseau soit sur la bonne voie, ce qui est très positif et que je tiens à saluer.

Dans le cadre de la création de trois nouveaux centres, l'un d'eux sera créé à Mons et j'ai récemment rencontré les responsables de la zone de police Mons-Quévy qui sont déjà sous pression et qui m'ont fait part de leurs difficultés et de leurs inquiétudes concernant la prise en charge des victimes de violences sexuelles. Il faut savoir qu'un CPVS implique une collaboration étroite avec la police pour assurer les gardes, l'accueil et l'accompagnement des victimes vers les CPVS, et cela 24 heures sur 24. Cela représente une charge de travail non négligeable et un besoin en effectifs de police assez conséquent.

Comme beaucoup de zones de police locales, la zone de police Mons-Quévy est déjà sous pression en raison de la délégation croissante des missions fédérales sans augmentation en parallèle de moyens. C'est en tout cas ce qu'ont pu me dire les représentants que j'ai eu l'occasion de rencontrer. Votre prédécesseuse nous avait répondu que la prise en charge des victimes faisait partie des missions des agents de police mais, en réalité, c'est une charge conséquente qu'ils doivent supporter en plus de leurs missions de base.

J'ai eu l'occasion de visiter le CPVS de Charleroi et c'est aussi ce qui nous revenait du terrain. C'est encore plus vrai pour les petites zones de police qui ne disposent que parfois de deux policiers pour une garde, sachant que la prise en charge d'une victime nécessite d'office deux agents.

Monsieur le ministre, dans le cadre de l'ouverture des trois nouveaux CPVS, notamment celui de Mons, et le renouvellement des CPVS existants, quels moyens additionnels sont prévus pour soutenir les zones de police et leur permettre d'assurer ces missions supplémentaires sans porter préjudice à leurs missions de base et sans augmenter la pression et la charge de travail de nos policiers?

Bernard Quintin:

Merci pour votre question. Comme vous l'avez dit, les CPVS assurent une permanence 24 heures sur 24 et sept jours sur sept, et les services de police y sont intégrés. L'assistance des victimes est assurée par des inspecteurs spécialisés et, pour remplir cette mission et garantir une permanence quotidienne, le service comprend deux inspecteurs spécialisés en matière de violences sexuelles. Cette garde est assurée par la police locale avec le soutien de la police fédérale. Je ne me prononcerai pas sur le fait qu'il y a des missions supplémentaires ou pas qui sont confiées aux zones de police locales. À cet égard, les inspecteurs exerçant dans ces CPVS sont spécialisés en violence.

Ces structures sont financées, d'une part, par l'Institut pour l'égalité des femmes et des hommes et, d'autre part, par le service de l'assistance aux victimes. Pour ce qui est de la situation de Mons-Quévy, il existe effectivement un projet d'un centre CPVS au niveau de l'arrondissement judiciaire de Mons-Tournai qui, avec deux autres, nous permettra de compléter le maillage de ces CPVS sur l'ensemble du territoire.

Marie Meunier:

Merci monsieur le ministre pour vos réponses. J'entends qu'il n'y a pas actuellement de volonté de financer les zones de police de manière complémentaire pour ce projet spécifique. Voilà ce que je peux en conclure. Je vais vous donner un exemple concret. Aujourd'hui, il existe pour la province de Hainaut un CPVS à Charleroi. Lorsqu'une victime arrive à Mons, c'est la zone de police de Mons qui doit accompagner cette victime à Charleroi. Demain, ce sera la même chose si ça arrive à Mons. La victime devant être accompagnée, deux agents de police doivent être détachés de la zone de police de Mons vers le CPVS qui se situe à Charleroi. Par conséquent, c'est toujours la police de Mons-Quévy qui doit s'occuper de la victime et qui doit assurer le suivi. Dès lors, si j'entends bien, il n'y a pas de volonté de consacrer des moyens financiers à l'engagement de deux policiers supplémentaires. Voilà la réponse à ma question.

Het rapport van het FANC i.v.m. de veiligheidsvereisten voor nucleaire installaties
Het nieuwe rapport van het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle (FANC)
Veiligheidsrapporten van het FANC over nucleaire installaties

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken), Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 2 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de mogelijke levensduurverlenging van kerncentrales Doel 1/2 en Tihange 1 na 2025, na schrapping van het kernuitstap-artikel. Het FANC-raport (benchmarks veiligheidsnormen met andere landen) bevestigt dat een tienjaarlijkse *periodic safety review* vereist is voor verdere uitbating, maar de minister kan er nog niet inhoudelijk op ingaan omdat het rapport nog bestudeerd wordt. Ravyts dringt aan op snelle toegang tot het volledige rapport (via hoorzitting in de subcommissie Nucleaire Veiligheid) en snelle gesprekken met exploitanten (ENGIE Electrabel), terwijl de minister benadrukt dat veiligheid prioriteit blijft en het FANC zelf het rapport spoedig publiceert.

Kurt Ravyts:

Mijnheer de minister, even een tussendoortje, we gaan van de politionele veiligheid naar de nucleaire veiligheid.

Gisteren was een heuglijke dag. Gisteren werd eindelijk, althans in eerste lezing, het artikel geschrapt dat de kernuitstap in dit land regelt. Het wordt nu mogelijk - mogelijk zeg ik wel - om andere levensduurverlengingen dan de lopende levensduurverlengingen te organiseren.

U zei in uw beleidsverklaring dat tegen 31 maart, op vraag van de regering, het FANC met een analyse zou komen, een benchmark zoals dat in het wetstratees heet, over hoe de veiligheidsvereisten voor onze nucleaire installaties zich verhouden tot deze in landen met vergelijkbare technologie.

Het antwoord werd eigenlijk gisteren al gegeven, maar ik ben een beleefde jongen en ik wil het u laten vertellen. Het FANC is gisteren al met de samenvatting van het rapport op de proppen gekomen. Mij valt het besluit op. Als een verdere uitbating na 2025 van Doel 1 en 2 en/of Tihange 1 - dat zijn er drie die nog in aanmerking zouden kunnen komen voor een levensduurverlenging - gewenst zou zijn, dan is het uitvoeren van een periodic safety review, een tienjaarlijkse veiligheidsherziening vereist. Alleen met zo'n periodic safety review kan het FANC bepalen of een eventuele uitbating na 2025 op veiligheidsvlak toelaatbaar is. Uw collega Bihet heeft dus veel werk. Hij moet in gesprek gaan met de exploitanten als ze dat zouden willen doen. Ik geef u hier echter de kans om toch iets meer over het rapport te vertellen.

Een belangrijke vraag die ik heb is of u het rapport aan de commissie wil bezorgen. Het betreft een officiële opdracht aan het FANC vanwege de regering. Is het mogelijk om het rapport, de benchmark, aan de commissie te bezorgen? Ik en de heer Van Rooy zijn beiden trouwens ook lid van de subcommissie Nucleaire Veiligheid. De commissieleden zullen ook daar die vraag aan u richten.

Bernard Quintin:

Mijnheer Ravyts, in overeenstemming met het regeerakkoord heb ik het FANC formeel gevraagd om in zijn hoedanigheid van toezichthouder en onafhankelijke veiligheidsautoriteit tegen 31 maart 2025 een rapport voor te leggen waarin de veiligheidsvereisten in België met die van landen met vergelijkbare technologie worden vergeleken. Het is cruciaal dat nucleaire veiligheid en beveiliging centraal staan in alle toekomstige projecten en ontwikkelingen, zodat de bescherming van de Belgische bevolking, de werknemers en het milieu gegarandeerd blijven.

Hierbij bevestig ik dat ik het rapport heb ontvangen, maar het is te voorbarig om hierop inhoudelijk in te gaan, aangezien mijn diensten pas onlangs het rapport van het FANC hebben gekregen en ze dat momenteel bestuderen. U verwijst naar het persbericht van het FANC, wetend dat het FANC zijn verslag de komende dagen zal publiceren.

Overigens is het voor u perfect mogelijk om een hoorzitting met het FANC aan te vragen in de subcommissie Nucleaire Veiligheid, waarvan uw collega Coenegrachts lid is.

Kurt Ravyts:

Mijnheer de minister, zoals dat in het leven vaak het geval is, ben ik weer wat te vroeg. Mijnheer Vandemaele, ik kom altijd te vroeg aan. Mijnheer de minister, er is bij het FANC al een samenvatting beschikbaar. U zegt dat het FANC het volledige rapport in de toekomst zou publiceren. Ik zal als plaatsvervangend lid - of anders de heer Van Rooy - aan de voorzitter vragen om zo snel mogelijk een hoorzitting met het FANC over dit belangrijke rapport te organiseren, omdat het van cruciaal belang is, ook voor minister Bihet, om zo snel mogelijk gesprekken met uitbater ENGIE Electrabel of andere geïnteresseerde uitbaters te kunnen organiseren over de kerncentrales die jammer genoeg nog maar enkele maanden openblijven.

De opvang en de begeleiding van slachtoffers van seksueel geweld door de politie

Gesteld door

lijst: PS Marie Meunier

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 2 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de beperking van zeven dagen voor politiebegeleiding van slachtoffers van seksueel geweld naar Centra voor Opvang van Seksueel Geweld (CPVS). De minister bevestigt dat de wet enkel acute gevallen (≤7 dagen) dekt, terwijl slachtoffers in latere fasen (8-30 dagen of >30 dagen) zelfstandig moeten handelen—wat drempels oplevert. Meunier benadrukt dat gebrek aan middelen politieoptreden in de praktijk verder beperkt en pleit voor wetsaanpassing en betere financiering, gezien het succes van CPVS (80% aangiftebereidheid). De minister wijst op lopende evaluaties maar sluit directe wijzigingen niet uit.

Marie Meunier:

Monsieur le ministre, vous aurez compris aisément aujourd'hui que je porte une attention toute particulière aux Centres de Prise en charge des Violences Sexuelles (CPVS). Je ne reviendrai pas sur l'importance de ces centres, ni sur leur implication étroite avec la police.

Par contre, il me revient du terrain que, dans l'état actuel des choses, les victimes qui se présentent dans un commissariat ne seraient accompagnées par la police vers un CPVS que si elles signalent les faits dans un délai de sept jours. Cela signifie que passé ce délai, elles ne peuvent plus bénéficier de cet accompagnement et doivent se rendre par leurs propres moyens dans un CPVS, ce qui peut constituer un frein supplémentaire à leur prise en charge.

Il semble que si une victime se rend directement dans un CPVS mais que les faits ont été commis il y a plus de sept jours, la police ne se déplace pas non plus jusqu'au CPVS pour prendre la plainte de la victime sur place. La victime doit à la fois s’adresser au CPVS et retourner à la police pour porter plainte.

Monsieur le ministre, pouvez-vous me confirmer que cette limitation à sept jours est aujourd'hui une réalité et que, en pratique, la police n'accompagne plus les victimes au-delà de ce délai et ne se déplace plus pour enregistrer les plaintes? Si tel est le cas, envisagez-vous une adaptation de la loi afin de permettre un accompagnement par la police vers les CPVS au-delà des sept jours, dans l'intérêt des victimes? Dans la négative, prévoyez-vous une évaluation de la législation actuelle, en concertation avec les acteurs de terrain, afin d'examiner l'impact de cette règle et d'éventuelles autres améliorations à y apporter?

Bernard Quintin:

Madame Meunier, merci pour vos questions sur un sujet qui me paraît absolument fondamental.

Comme vous le savez, la loi du 26 avril 2024 relative aux CPVS est une réelle et très importante avancée pour les victimes. C'est un accueil multidisciplinaire au sein duquel les services de police ont une part importante à prendre – et c'est bien le cas sur le terrain – aux côtés des professionnels de la santé et du ministère public. Encore très concrètement cette année, on le voit avec les récentes formations qui sont en cours pour l'ensemble des policiers et les inspecteurs des mœurs.

Pour répondre précisément à votre question, les dispositifs de la loi ont fait l'objet de longues réflexions et d'échanges entre professionnels et experts de ces violences basées sur le genre. Il en est ressorti une articulation spécifique, faisant des distinctions importantes en fonction de la situation et du degré d'urgence de celle-ci. En effet, la loi s'articule autour de la différence voulue par le législateur entre les victimes de violences sexuelles qui, au moment de l'admission au sein de la structure CPVS, ont eu lieu il y a sept jours ou moins, dites phase aiguë. Je m'excuse d'emblée pour la terminologie, mais c'est celle-là. Je comprends que du côté des victimes, elle soit plus difficile à entendre, mais c'est le vocabulaire agréé. Entre huit et trente jours après, c’est la phase post-aiguë. Après trente jours, c’est la phases non aiguë.

Le fait que la police n'accompagne pas, dans le cadre des CPVS, les victimes de violences sexuelles au-delà d'un délai de sept jours, c'est-à-dire les victimes de violences sexuelles en phase post-aiguë et non aiguë, est la conséquence directe de ce travail préparatoire législatif, et donc de l'application de la loi.

En effet, la loi citée prévoit en son article 11 que si une victime de violences sexuelles en phase aigüe se présente aux services de police et n'est pas en mesure de se rendre par elle-même à la structure CPVS, les services de police l'accompagnent dès que possible à la structure en question. L'article 12 de la loi prévoit, quant à lui, que les services de police assurent l'audition des victimes de violences sexuelles en phase aigüe au sein du CPVS.

En résumé, il ressort expressément de la loi que les services de police n'accompagnent à la structure CPVS et n'auditionnent dans une telle structure que les seules victimes de violences sexuelles en phase aigüe. Pour les victimes de violences sexuelles en phase post-aigüe et non aigüe qui se présentent auprès d'une structure CPVS, les services de police assurent la coordination et l'organisation d'une assistance policière en dehors de ladite structure. Une victime de violences sexuelles en phase post-aiguë et non aigüe est toujours informée de la possibilité de déposer une plainte. Par ailleurs, je rappelle que l'ensemble des policiers reçoivent des formations et ont accès à des outils d'information et de sensibilisation sur les violences liées au genre.

Certes, il convient de poursuivre les efforts en interne mais cela va clairement dans le bon sens. Nous poursuivrons donc nos efforts afin d'assurer systématiquement un accueil toujours meilleur de la victime de telles violences par les services de police, que l'on se trouve au sein d'un CPVS ou d'un commissariat ou encore en intervention policière.

Il me semble important d'indiquer qu'une évaluation scientifique effectuée par l'International Centre for Reproductive Health Belgium de l'Université de Gand confirmait déjà en 2018 que le modèle CPVS comme prévu à ce jour présente une valeur ajoutée significative pour la prise en charge de victimes de violences sexuelles.

Enfin, pour ce qui est de l'évaluation, vous aurez certainement vu dans la loi que cette mission est coordonnée et assurée par l'Institut pour l'égalité des femmes et des hommes. Les services de police y participeront le cas échéant.

Marie Meunier:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses. Lorsque j'ai déposé mes questions, je ne savais pas que je devrais les poser les unes derrière les autres. Mais la problématique que je vous explique ici dépend aussi du financement.

Effectivement, comme vous l'avez indiqué, il existe différentes phases. Aujourd'hui, dans les faits, même si un détachement complémentaire est prévu dans la phase post-aigüe, la police n'intervient plus dans les CPVS parce qu'elle n'a plus les moyens d'y détacher du personnel complémentaire. Elle s'en tient stricto sensu à ce qui est écrit dans la loi.

Un travail est à effectuer pour augmenter ce délai dans l'intérêt des victimes. Nous avons maintenant le recul nécessaire lié à l'élaboration des CPVS. On sait que 80 % des victimes qui passent leurs portes déposent plainte. Un suivi de leur agression est fait. Ces outils permettent aux victimes de s'en sortir et sont positifs.

Il faut donner l'ensemble de ces moyens aux victimes pour qu'elles puissent déposer plainte et être suivies dans leur parcours. Vous vous en doutez, je serai fort attentive à la suite et je ne manquerai pas de vous revenir.

Voorzitter:

Vraag nr. 56002913C van mevrouw Dedonder is omgezet in een schriftelijke vraag. Vraag nr. 56002985C van mevrouw De Vreese is eveneens omgezet in een schriftelijke vraag. La question n° 56003042C de M. Patrick Prévot est sans objet car il est absent. Les questions jointes n° s 56003079C et 56003080C de M. Hervé Cornillie sont sans objet car il est absent également.

De strategische veiligheids- en preventieplannen

Gesteld door

lijst: PS Ridouane Chahid

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 2 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De minister bevestigt dat de huidige Plannen Strategische Veiligheid en Preventie (PSPP) tot eind 2025 lopen, maar streeft naar een hervorming met duurzamere, doelgerichtere financiering vanaf 2027, via meerjarige akkoorden die samenwerking tussen gemeenten en innovatieve aanpakken stimuleren. 2026 dient als overgangsjaar om gemeenten voor te bereiden op budgettaire aanpassingen en alternatieve financiering, terwijl de hervormingslijnen in 2025 worden uitgewerkt. Overleg met alle gemeenten (zowel huidige PSPP-deelnemers als niet-gesubsidieerde) loopt om behoeften en criminaliteitsproblemen breed in kaart te brengen. Het budget en de exacte invulling volgen uit deze concertatie en veldanalyse.

Ridouane Chahid:

Monsieur le Ministre, en juillet 2024, votre prédécesseuse a fait approuver par le Conseil des Ministres un projet d'arrêté royal qui visait à prolonger pour un an les Plans stratégiques de sécurité et de prévention 2023-2024 jusqu'au 31 décembre 2025. Ces Plans jouent un rôle particulièrement important notamment pour les autorités locales.

Dans l'attente d'une réforme de la politique de subventionnement de la prévention, cette prolongation avait pour but de permettre de garantir la continuité sur le terrain, ainsi qu'un impact minimal sur la charge de travail administrative tant pour les autorités locales que pour l'administration.

Monsieur le Ministre, pouvez-vous m'indiquer quelles sont vos intentions concernant les Plans stratégiques de sécurité et de prévention au-delà du 31 décembre de cette année? Avez-vous lancé une initiative quant à la réforme de ceux-ci? Si oui, selon quel calendrier? Quelle est la concertation avec les autorités locales? Quels budgets comptez-vous y consacrer?

Bernard Quintin:

Monsieur Chahid, comme indiqué dans l'accord de gouvernement et dans ma déclaration de politique, je souhaite m'engager en faveur d'un soutien financier plus durable et ciblé aux pouvoirs locaux dans le cadre de leur rôle de régisseur de la politique de sécurité locale.

Nous devons abandonner la politique de financement fragmenté actuelle et évoluer vers plus de transparence et d'objectivisation, ainsi que vers la promotion de la coopération au sein d'entités de sécurité plus grandes. Pour une politique de financement efficace, stimulante et innovante, il faut donc miser sur un instrument qui soutient le développement d'une politique de sécurité intégrale et durable.

Les plans stratégiques de sécurité et de prévention (PSPP) courent jusqu'à fin décembre 2025. En 2025, les lignes directrices de la proposition de réforme devront donc être élaborées. Une période de préparation et un éventuel phasing out doivent être intégrés pour permettre aux communes bénéficiaires actuelles de revoir leur planification budgétaire et de réorienter, si nécessaire, le personnel, les projets financés et/ou de rechercher des sources de financement alternatives.

Je prévois donc 2026 comme année de transition pour ensuite conclure, à partir de 2027, de nouveaux accords pluriannuels avec les administrations locales afin de les soutenir dans le développement d'une politique locale de sécurité et de prévention où la coopération, au-delà des frontières communales, et les initiatives innovantes concernant les phénomènes criminels prioritaires sont encouragées.

Je poursuivrai la concertation en cours avec les associations des villes et communes et recueillerai également les informations nécessaires sur le terrain.

Outre la concertation avec les communes qui disposent actuellement d'un PSPP, je souhaite également entendre les pouvoirs locaux qui ne bénéficient pas actuellement de la subvention mais qui sont confrontés à des phénomènes criminels similaires à ceux des communes contractantes.

Voorzitter:

M. Chahid ne souhaite pas répliquer.

De agressie tegen treinbegeleiders
De veiligheid in de stations
Veiligheid en agressie in het openbaar vervoer

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 2 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Na een hevige agressie op een treinbegeleider in Mons (maart 2025) en 2.298 incidenten in 2023 eist Éric Thiébaut versterkte veiligheid in openbaar vervoer, met meer Securail- en spoorwegpolitiepersoneel en strengere strafrechtelijke maatregelen. Minister Quintin belooft tolerantie nul, met directe politietoegang tot bewakingsbeelden (SNCB, De Lijn, STIB, TEC), betere samenwerking tussen diensten via een herziene taakverdelingscirculaire (2002), en een video-muur in Brussel (2025) voor snellere interventies, maar benadrukt pragmatisme boven structurele hervormingen. Thiébaut waarschuwt echter voor gevaarlijke centralisatieplannen (bv. opheffing spoorwegpolitie in Mons ten voordele van Charleroi), die specialistische kennis (veilig interveniëren op spoorwegen) en snelle respons in gevaar brengen, en pleit voor behoud van lokaal geschoolde eenheden in plaats van verdere verschuiving naar lokale politiezones.

Éric Thiébaut:

Monsieur le ministre, les agressions contre le personnel des transports publics, tant dans les trains, les bus ou les trams, sont malheureusement très fréquentes.

Tout récemment, en gare de Mons, dans la nuit du 25 mars 2025, un accompagnateur a été violemment agressé par un voyageur. Ces faits sont évidemment inacceptables. Ce dernier s'est retrouvé avec des lésions physiques au visage, au cou, au dos, aux poignets et aux genoux et a été contraint de suivre un accompagnement psychologique.

Bien qu'interpellé par la police, l'agresseur a été aussitôt relâché, provoquant la colère des accompagnateurs du dépôt de Mons.

Face à ces situations qui se multiplient (2 298 agressions en 2023), une réponse forte doit être apportée pour mieux les protéger. C'est une des raisons pour laquelle, au cours de la précédente législature, j'avais déposé et fait adopter à l'unanimité une proposition de résolution pour renforcer la police des chemins de fer.

Monsieur le ministre, face à la recrudescence d'agressions contre le personnel des transports en commun, plus spécifiquement à la suite de celle intervenue en gare de Mons, un renforcement des effectifs de Securail et de la police des chemins de fer est-il prévu? L'accord de gouvernement prévoit que vous repreniez la tutelle de Securail. Quelles sont vos priorités en la matière et comment s'organisera la collaboration avec la police des chemins de fer? Plus généralement, envisagez-vous une collaboration avec votre collègue chargée de la Justice, afin de renforcer le cadre pénal pour poursuivre les auteurs d'agressions sur le personnel des transports publics?

Bernard Quintin:

Monsieur Thiébaut, je vous remercie pour votre question. Permettez-moi d'abord d'exprimer toute ma solidarité à cet accompagnateur de train spécifique, mais je dirais à travers lui aussi aux autres victimes. Comme vous l'avez cité vous-même, il y a eu, en 2023, 2 298 cas rapportés de gravité évidemment différente. Mais, qu'il n'y ait pas de doute, et je l'ai répété à plusieurs reprises, c'est non seulement inacceptable mais il est dans mes intentions de mettre en œuvre une politique de tolérance zéro par rapport aux agressions envers les policiers, les pompiers, les ambulanciers, les accompagnateurs de train et toutes les personnes qui sont au service de la communauté. Cela figure d'ailleurs dans l'accord de gouvernement.

Il faudra donc apporter une réponse forte à la hauteur des enjeux. Plusieurs initiatives concrètes sont en cours ou en préparation pour renforcer la sécurité dans les transports publics et, plus particulièrement, dans les gares.

Premièrement, nous finalisons actuellement la mise en œuvre de l'accès en temps réel des services de police aux images de vidéosurveillance de la SNCB. Cet accès permettra à la police d'agir plus rapidement et efficacement lors d'incidents car elle aura directement accès aux images relatant les faits.

Nous prenons également les initiatives nécessaires pour élargir cet accès en temps réel aux images des autres sociétés de transport en commun comme De Lijn, la STIB et le TEC.

Deuxièmement, je cherche à réviser la circulaire ministérielle du 15 avril 2002. Cette révision visera à clarifier et optimiser la répartition des tâches entre la police locale, la police des chemins de fer et Securail. Il s'agit de mieux coordonner les efforts, de renforcer les synergies et d'utiliser au mieux les capacités disponibles pour garantir la sécurité des voyageurs et du personnel.

Comme vous le savez, je fais le tour de tous les services qui dépendent de moi. J'avais déjà rencontré la police des chemins de fer pour avoir renforcé la présence dans le métro bruxellois. Je pense que, là, il faut s'autoriser à sortir des schémas habituels pour effectuer des révisions. Pour plusieurs questions, j'aurais pu répondre que des projets de réforme de la police fédérale sont en cours.

Pour répondre votre question sur Securail, je suis en contact avec mon collègue Jean-Luc Crucke, dont ce service dépend encore. Comme j'ai eu l'occasion de le dire en commission il faut privilégier le pragmatisme au dogmatisme. Voyons comment organiser, de la manière la plus pragmatique et surtout la plus efficace possible, la coopération entre l'ensemble de ces services.

Pour renforcer l'efficacité des poursuites, je compte évidemment sur ma collègue chargée de la Justice qui est compétente en la matière. Cela fait partie de cette chaîne de la sécurité dont nous avons déjà parlé.

À Bruxelles, nous prévoyons d'installer en 2025 un mur vidéo au Centre d'Information et de Communication (CIC) de Bruxelles pour améliorer le suivi en direct de la situation dans les gares bruxelloises et réagir plus rapidement. Cela s'étend bien sûr en termes d'attention, sinon en termes de technologie, à toutes les gares, y compris celle de Mons.

Toutes ces mesures traduisent ma volonté d'agir avec fermeté et pragmatisme pour protéger celles et ceux qui assurent un service public essentiel au quotidien. Je répète que je ne veux laisser aucun doute sur ma volonté de faire en sorte que ces personnes puissent travailler dans un environnement apaisé.

Éric Thiébaut:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses. La question de la police des chemins de fer me préoccupe depuis déjà plusieurs années, et même plusieurs législatures, puisque c'est le ministre Jambon qui avait entrepris une réforme qui n'a pas été abandonnée par la ministre Verlinden. En clair, il est prévu de recentrer la police des chemins de fer en certains endroits. Ainsi, en province du Hainaut, on la supprime à Mons pour recentrer tout le monde à Charleroi. À mon sens, cela pose de gros problèmes. En effet, comme pour la protection civile, l'éloignement provoque des désagréments. Quand un incident se produira en gare de Tournai, s'il faut venir de Charleroi pour y remédier, il est bien évident que ce seront les policiers de la zone de Tournai qui interviendront bien avant ceux des chemins de fer. Vous allez me rétorquer: "Bon, ce sont quand même des policiers." Oui, mais il ne faut pas oublier une chose, qu'on ne vous a peut-être pas encore dite, à savoir que les agents de la police des chemins de fer reçoivent une formation spécifique relativement au risque d'intervention dans ce milieu bien particulier, par exemple quand il faut courir après quelqu'un sur des lignes ferroviaires en tenant compte de l'électrification, avec aussi le risque d'être percuté par un train. Ce sont des gens qui sont formés pour intervenir sur les voies et dans les gares. Il ne faut donc pas le perdre de vue ni partir sur un nouveau transfert de charges vers les zones locales, qui est déjà en cours depuis quelques années. Par conséquent, je vous demande d'y rester attentif. En tout cas, il est bon d'envisager d'ores et déjà les concertations entre Securail, la police des chemins de fer et les zones.

Spiking in Kortrijk

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 2 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om spiking-gevallen (opzettelijke vergiftiging) en hoe politie en overheid hier beter op kunnen reageren. Anonieme aangifte (nu niet mogelijk via *Police-on-web*) en snel, deskundig onthaal van slachtoffers zijn cruciale knelpunten, vooral omdat bewijsmateriaal snel verdwijnt en slachtoffers (vaak jongeren) schaamte ervaren. Lokale politiezones zijn verantwoordelijk voor vorming, maar privatisering van onthaal (zoals in Kortrijk) baart zorgen over kwaliteit en snelheid. Preventie (o.a. via communicatie naar evenementen) en bewustmaking bij de bevolking over spoedmelding blijven prioriteiten, met herhaalde acties vanuit Binnenlandse Zaken.

Matti Vandemaele:

Ik stel deze vraag in navolging van de vragen in de plenaire vergadering van vorige week. Toen ik mijn vraag indiende, waren er 41 gevallen, maar ondertussen zijn het er al meer dan 50, volgens de media. Het lijkt het topje van de ijsberg.

Ik zal u geen vragen stellen over de situatie in Kortrijk, want daar loopt momenteel een gerechtelijk onderzoek. Er zijn echter wel een aantal elementen opgedoken waarover ik mij vragen stel. Een van de deeloplossingen zou bijvoorbeeld de mogelijkheid kunnen zijn om anoniem aangifte te doen. Hoe kijkt u daarnaar? Hebt u ambitie in die richting? Zo ja, op welke termijn zal dat mogelijk zijn? Ook onlineaangiftes kunnen een oplossing bieden. Ziet u daar brood in? Zo ja, binnen welke termijn?

Ik ben een Kortrijkzaan en er doen bij ons wel wat verhalen de ronde over het eerste onthaal van een aantal slachtoffers. Ik heb die niet geverifieerd bij de politie. Ik wil dus heel duidelijk zeggen dat dat verhalen zijn die de ronde doen. Een van die verhalen gaat echter over mensen die weggestuurd werden.

U zei tijdens de plenaire vergadering dat er vorming voorzien is. De vraag is echter of vorming voldoende is wanneer dat eerste contact niet vlot verloopt. Als dat verhaal dus waar zou zijn, wat kunnen we dan nog meer doen om onze politiemensen heel attent te maken op een goed onthaal van de slachtoffers?

Dat hangt echter ook samen met het feit dat het meeste bewijsmateriaal vrij snel uit het bloed verdwijnt. Het is dus heel belangrijk dat de politie snel ageert. De politie weet dat, maar slachtoffers weten dat niet. We moeten dus op een of andere manier ook duidelijk maken aan de brede bevolking dat heel snel contact opnemen met de politie zeer belangrijk is wanneer zoiets gebeurt, omdat bewijsmateriaal anders verloren dreigt te gaan. Hebt u daarvoor specifieke acties in gedachten of is dat iets voor de lokale besturen?

Mijn volgende vraag hangt daarmee samen. Veilig uitgaan is een recht voor alle jongens, meisjes, mannen en vrouwen in ons land. Plant u extra acties zodat we met een gerust hart onze kinderen kunnen laten uitgaan, zonder dat we moeten bang zijn voor dat soort spikingzaken. Ik kijk alvast uit naar uw antwoorden.

Bernard Quintin:

Mijnheer Vandemaele, om op uw eerste twee vragen te antwoorden, ga ik ervan uit dat u verwijst naar het Police-on-webplatform, waarmee men bepaalde incidenten online kan melden. Op dit moment laat het Police-on-webplatform anonieme meldingen niet toe. De mogelijkheid om feiten van spiking online te melden, maakt nog geen deel uit van de huidige roadmap van de Police-on-webapplicatie. Er moeten momenteel nog juridische en operationele obstakels worden weggewerkt.

Met betrekking tot uw vraag over de onthaalopleiding van het personeel binnen de lokale politiezones, wil ik benadrukken dat dit precies onder de bevoegdheid van het lokale niveau valt, dat afhankelijk van de specifieke context beslist over de meest geschikte manier om indien nodig een adequaat en aangepast initiatief te nemen. Ik beschik echter niet over een globaal overzicht van wat er binnen de lokale politiezones van het land wordt georganiseerd. Op mijn niveau heb ik wel een vorming georganiseerd.

Wat uw laatste vragen betreft, zoals u wellicht weet, zijn drugspreventie en preventie een gemeenschapsbevoegdheid. Niettemin worden via de verschillende strategische en veiligheidsplannen ook middelen toegekend aan de lokale overheden om initiatieven uit te werken in het kader van de drugsproblematiek. Daarnaast vertrok vanuit Binnenlandse Zaken, met name het Crisiscentrum, bij de start van de festivals en evenementen en in het kader van de noodplanning in juni 2022 een communicatie naar de organisatoren van evenementen en de lokale en supralokale overheden met informatie, advies en sensibilisering inzake spiking. Gezien de recente feiten, moeten we dat zeker herhalen.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord.

Wat de anonieme meldingen betreft, ik vind het belangrijk dat u die mogelijkheid laat onderzoeken. Een aantal van de slachtoffers heeft behoorlijk veel schaamte. Verschillende slachtoffers zijn ook nog jong, wonen nog thuis en durven daarover maar moeilijk te communiceren met hun ouders. Mij lijkt het belangrijk dat we die doelgroep minstens de kans geven om tot politionele actie over te gaan. Dat moet u misschien toch eens bekijken.

Een tweede punt gaat over het onthaal. In de politiezone VLAS, waartoe Kortrijk behoort, werd het onthaal enkele jaren geleden uitbesteed aan een private firma. Concreet betekent dit dat het onthaal bij de lokale politie niet meer gedaan werd door lokale politiemensen, maar door medewerkers van een private firma. Omdat dat niet meer toegelaten is, werd die werkwijze stopgezet. Dat is een aandachtspunt, zeker in zo'n gevoelige materie.

Als u ervoor kiest om taken te privatiseren en toelaat dat lokale politiezones het onthaal niet meer zelf uitvoeren, als lokale politiezones het onthaal uitbesteden aan private firma's, zoals in het verleden al gebeurd is en wat de politiezone VLAS – net als vermoedelijk vele andere – onmiddellijk opnieuw zal doen als het toegelaten wordt, dan moet men er wel voor zorgen dat onthaalmedewerkers van een private firma voldoende gevormd zijn om zeer snel en zeer goed te handelen in geval van zulke delicate zaken.

Voorzitter:

Vraag nr. 56003794C van mevrouw De Vreese is omgezet in een schriftelijke vraag.

Het incident met politiegeweld tijdens de betoging van 13 januari in Brussel
Het incident met gewelddadige politieagenten tijdens de betoging van 13 januari in Brussel
De onthullingen van ACOD Politie met betrekking tot het politiegeweld
Politiegeweld en onthullingen tijdens Brusselse betoging van 13 januari

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 2 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De CGSP Police (een politiesyndicaat) kaart herhaalde politiegeweldpleging aan binnen de Brusselse politie en het INT-teams (inclusief agressie tegen collega’s en brandweerlieden), met beschuldigingen van brassardverwijdering om ontraceerbaar te blijven, straffeloosheid en een crisis in leiding en vertrouwen. Minister Quintin ontkent de feiten op basis van een interne controleonderzoek (dat volgens kritiek nooit plaatsvond of partijdig was), bevestigt een "nul-tolerantiebeleid", maar wijst slachtoffers naar het Comité P of justitie voor verdere stappen. Parlementsleden Boukili en Maouane eisen een onafhankelijk onderzoek, wijzen op institutionele doofpotcultuur en tegenstrijdige informatie, en benadrukken dat systematische geweldpleging door agenten – ook tegen eigen rangen – de staatsautoriteit ondermijnt en dringend sancties vereist.

Nabil Boukili:

Monsieur le ministre, comme vous le savez, la confiance des citoyens envers nos forces de l'ordre est indispensable et très importante pour une cohésion sociale et pour une relation sereine et saine entre la population et la police.

Malheureusement, cette confiance est mise à mal par des comportements inacceptables au sein de la police de Bruxelles et du service INT. Une minorité d'individus salit l'image de l'ensemble du corps policier en multipliant des agressions, comme l'a révélé Le Soir dans son article. Je cite: "La CGSP Police dénonce des violences policières récurrentes à Bruxelles". La CGSP Police, ce sont des policiers qui dénoncent eux-mêmes des violences commises par d'autres policiers.

Le plus choquant, c'est que ces policiers ne se limitent pas à des violences contre la population. Ils ont également agressé leurs propres collègues en civil. Pire encore, la réponse de l'autorité policière à la demande des syndicats est édifiante car selon elle, la seule raison de cette agression serait que le policier en civil ne portait pas son brassard.

On se demande où on va, monsieur le ministre. D'un côté, l'autorité reconnaît les faits, et de l'autre, elle semble légitimer ces violences en donnant carte blanche à cette catégorie de policiers pour frapper ceux qui ne portent pas de brassard. Faut-il être policier pour ne pas être frappé par le service INT?

Monsieur le ministre, cette impunité est inacceptable. Quelles mesures immédiates comptez-vous prendre pour identifier et sanctionner ces agents qui abusent de leur autorité, y compris contre leurs propres collègues?

Comment expliquez-vous que l'autorité policière ne condamne pas fermement ces agissements, mais semble au contraire les justifier? Quelles garanties pouvez-vous donner pour mettre fin à cette impunité et assurer un contrôle rigoureux des comportements déviants au sein de la police?

Rajae Maouane:

Monsieur le ministre, nous avons appris dans la presse des événements extrêmement graves. Ce n'est pas une ONG, ce n'est pas une association militante, ce n'est même pas un comité de quartier ou de citoyens, c'est la CGSP Police elle-même, un syndicat de policiers, qui dénonce des violences policières récurrentes, en particulier lors des manifestations du 13 janvier et du 26 février derniers.

Quand une partie du corps policier accuse une autre partie "d'avoir déshonoré l'uniforme", je pense que cela appelle une réponse politique immédiate et sérieuse. La CGSP parle de brutalité injustifiée, de mauvaise gestion du maintien de l'ordre, de policiers non identifiables qui retirent leur brassard pour échapper à toute forme de traçabilité, de collègues travaillant en civil dans le même peloton que les forces en uniforme, et de blessés parmi les pompiers – qui ne sont pas des manifestants mais qui sont des agents publics. À ce niveau-là, ce n'est plus une bavure mais c'est une crise de commandement et de confiance.

Pire encore, certains éléments de ce peloton, le service INT, auraient récidivé à plusieurs reprises ces dernières années sans aucune sanction.

Monsieur le ministre, quelles suites allez-vous donner aux accusations de la CGSP Police? Une enquête interne a-t-elle été lancée? Si oui, a-t-elle été confiée à une autorité indépendante ou reste-t-elle dans les mains de ces mêmes hiérarchies policières qui sont déjà mises en cause? Confirmez-vous que des policiers ont retiré volontairement leur brassard d'identification en intervention? Si ce fait est avéré, quelles sanctions seront prises à l'encontre de ces agents et de leurs supérieurs?

On sait que le service INT est pointé du doigt régulièrement depuis plusieurs années pour un usage excessif de la force et de la dissimulation de ses membres. Allez-vous faire un audit externe sur ses pratiques, sa formation ou ses modalités d'engagement? Allez-vous mettre en œuvre des mesures claires de traçabilité, d'identification obligatoire pour tous les agents engagés en maintien de l'ordre, y compris ceux en civil? Nous avons déjà eu le débat sur la question de la respectabilité de la police. Pour que la police soit respectée, il faut qu'elle soit absolument respectable. Je vous vois opiner du chef.

Bernard Quintin:

Madame Maouane, j'opinais sur le fait que tout le monde doit être respectable. Cela me paraît d'une telle évidence, mais il faut parfois la rappeler.

Madame Maouane, monsieur Boukili, merci pour vos interventions et questions sur ce sujet. J'ai pris pleinement connaissance des déclarations du syndicat policier CGSP que la presse a rapportées. À ce sujet, j'ai sollicité les informations nécessaires auprès de la zone de police concernée. Il ressort qu'une enquête a été menée par les services de contrôle interne de la zone de police dans un cadre impartial tel que fixé par la loi. Cette enquête n'a révélé aucune mauvaise gestion au cours de cette manifestation ni de comportements répréhensibles de la part de policiers. Je souligne que les plaignants disposent évidemment de la possibilité de saisir le Comité P et la Justice s'ils estiment disposer de nouveaux éléments susceptibles de corroborer les déclarations de la CGSP.

À la suite de l'enquête effectuée par la zone de police et selon les informations qui m'ont été transmises, je puis vous informer qu'aucun brassard n'a été volontairement retiré afin d'échapper à une identification lors des interventions des policiers en civil.

Cela dit, je souhaite conclure en étant parfaitement clair. Comme je l'ai déjà dit à plusieurs reprises, c'est mon intention d'appliquer une politique de tolérance zéro. Et cela s'applique évidemment à tout le monde et, en premier lieux, à celles et ceux qui doivent assurer l'ordre. Donc, je ne tolérerai aucun cas de violence, bien sûr si elles sont commises contre les forces de l'ordre, mais aussi si elles viennent de celles-ci. Nous avons des cadres légaux et disciplinaires pour gérer ces situations. Je puis vous assurer que je reste vigilant et que j'applique cette politique de tolérance zéro en ce qui relève de mes compétences.

Nabil Boukili:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses.

Vous affirmez qu'une enquête a été menée en interne. D'après les informations dont nous disposons, l'enquête a été refusée en interne. Je crains donc que l'on vous ait menti. Mais peut-être avez-vous des éléments matériels prouvant l'existence de l'enquête? Selon les éléments qui nous ont été fournis notamment par les syndicalistes, il n'y a pas eu d'enquête. C'est la raison pour laquelle la CGSP a recouru à la presse pour dénoncer ce fait et demander une enquête du Comité P.

Au-delà du fait de couvrir des collègues et de refuser de mener une enquête indépendante et sérieuse, on vous ment à vous, monsieur le ministre de l'Intérieur. C'est très grave. La réponse que vous donnez ne correspond pas à la réalité. Ce n'est pas de votre faute, mais c'est la version que l'on vous a donnée. Vous devez demander des éclaircissements car ce n'est pas normal.

Monsieur le ministre, plus généralement, si l'on veut que la police soit respectée, il faut qu'elle soit intransigeante avec ce genre de comportements. Si l'on ne veut pas entendre parler de violences policières, il faut que les policiers violents soient sanctionnés. De tels comportements ne peuvent passer inaperçus et rester sans sanction, que ce soit au niveau de la police ou de celui des politiques.

Une enquête indépendante est nécessaire, même si elle doit être menée en interne, notamment par le Comité P. J'espère que vos services feront tout pour élucider cette situation. En l'occurrence, on parle d'un collègue qui n'a pas repris le travail et qui est toujours en incapacité de travail. C'est lui qui est à la base de la dénonciation. C'est très grave, monsieur le ministre!

Rajae Maouane:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses. Ce que vous dites sur l'enquête de police ne correspond pas aux informations que nous avons lues et que nous détenons. Vous parlez d'une enquête de police interne impartiale. Peut-être… En tout cas, l'enquête ne peut pas être menée par les personnes qui sont mises en cause. Je ne sais pas si on peut parler d'impartialité. Il y a un dysfonctionnement sévère, qui a conduit la CGSP à dénoncer les faits publiquement. Nous savons que l'esprit de corps est très présent. Trop souvent des dérives sont tolérées derrière une espèce de flou hiérarchique ou derrière un silence institutionnel. Je vous invite peut-être à revoir et à réclamer des informations sur le sujet car nous ne disposons pas des mêmes informations. Je suis rassurée sur le fait que vous parlez de tolérance zéro. Je suis aussi partisane de ce concept. Tolérance zéro pour les personnes qui commettent des violences envers la police, mais aussi tolérance zéro envers les agents des forces de l'ordre qui commettent des violences. Sur ce sujet, nous devons absolument être intransigeants, puisque nous sommes face à des représentants de l'État et de la force publique. Je reste un peu sur ma faim car cette réponse ne correspond pas aux informations que nous détenons.

De cel Kunst en Antiek bij de federale politie

Gesteld door

lijst: PS Éric Thiébaut

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 2 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de onvoldoende gespecialiseerde aanpak van kunst- en antiekcriminaliteit binnen de federale politie. Minister Quintin bevestigt dat er weliswaar een tweemanscel binnen de DJSOC bestaat met expertise en toegang tot databanken (o.a. Interpol), maar geen eigen middelen heeft; toekomstige budgetten zijn nog onduidelijk. Thiébaut benadrukt dat dit te mager is voor een sector die criminele geldstromen faciliteert en pleit voor een dedicated, beter uitgeruste dienst om aan Europese verplichtingen te voldoen. De kloof tussen ambitie (bestrijding georganiseerde criminaliteit) en huidige capaciteit blijft onopgelost.

Éric Thiébaut:

Monsieur le Ministre,

Sous la précédente législature, à plusieurs reprises, mon collègue Jean-Marc Delizée a interrogé votre prédécesseuse sur le sort de la cellule art et antiquités de la Police fédérale.

Celle-ci avait notamment assuré que le processus opérationnel, notamment judiciaire, restait bien assuré par les services de police locale ou fédérale. Pour ce type de crimes, elle a également assuré que les capacités d'analyse et d'enquête au sein de la police intégrée étaient maintenues.

Pour mon Groupe, le besoin d'une véritable cellule spécialisée au niveau de la Police fédérale n'est pourtant plus à démontrer. La lutte contre ce trafic demande une véritable spécialisation et expertise notamment dans la lutte contre la criminalité organisée et le blanchiment d'argent. Si l'on peut saluer le travail des autres SPF – dont le SPF Economie – dans la lutte contre les trafics notamment d'art, ceux-ci ont besoin du bras armé de la PJF. La Belgique doit également respecter ses obligations européennes et internationales en la matière de manière centralisée.

Monsieur le Ministre, pourriez-vous m'indiquer ce qu'il en est réellement des moyens humains, budgétaires, matériels et informatiques destinées à cette cellule à l'heure actuelle depuis nos précédentes questions et surtout les moyens prévus au niveau de la police fédérale – dont c'est la tâche – à l'avenir ainsi que les mesures que vous comptez prendre? Quelles sont vos ambitions en la matière?

Je vous remercie d'avance pour vos réponses.

Bernard Quintin:

Merci M. Thiébaut pour votre question sur la cellule Art et Antiquités de la police fédérale. Il existe effectivement une cellule au sein de la Direction centrale de lutte contre la criminalité organisée (DJSOC), spécialisée dans les biens culturels et la gestion des bases de données spécialisées, tant au niveau national, avec la base de données "artistes", qu'international, en collaboration avec Interpol.

Cette cellule est composée de deux experts spécialisés dans ce domaine. Elle soutient les enquêtes en apportant son expertise, mais elle peut également mener ses propres missions opérationnelles dans ce secteur. C'est un sujet que j'ai abordé avec le secrétaire général d'Interpol quand je l'ai reçu dans mon bureau il y a une dizaine de jours.

En termes de moyens, la cellule ne dispose pas de ressources propres, étant intégrée au service DJSOC. Toutefois, elle bénéficie de l'infrastructure de la police fédérale dans son ensemble, tout en ayant accès à des outils spécifiques tels que la base de données "artistes" dédiée à l'enregistrement des biens culturels volés en Belgique.

Quant aux futurs moyens budgétaires alloués à cette cellule, je vous invite à revenir vers moi une fois le budget établi.

Éric Thiébaut:

Merci, monsieur le ministre. Le trafic d'œuvres d'art peut représenter pas mal d'argent et je crois qu'on devrait vraiment se pencher sur cette problématique. Mon prédécesseur sur cette question, Jean-Marc Delizée, n'a pas été réélu à la Chambre. Il souhaitait proposer de créer un service spécifique pour le trafic des œuvres d'art. Ma question concernait donc les moyens alloués à cette cellule, mais aussi la création d'un tel service, étant donné l'utilité que cela pourrait avoir quant à la circulation d'argent sale. La réunion publique de commission est levée à 17 h 48. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 17.48 uur.

Het personeelsbestand en de veiligheid bij het spoor
Het gevaar voor een personeelstekort
Risico's voor spoorpersoneel en veiligheid

Gesteld aan

Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)

op 2 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sarah Schlitz vraagt zich bezorgd af over personeelstekort en spoorveiligheid bij SNCB/Infrabel, wijzend op vertrekkende medewerkers door aantrekkelijkere voorwaarden elders (bv. Lineas) en de impact van de Arizona-hervorming op kennisbehoud en dienstverlening. Minister Crucke ontkent een massale uitstroom en benadrukt dat werving nog goed verloopt, maar erkent dat de toekomstige impact van de hervorming onduidelijk is omdat de plannen nog niet definitief zijn. De attractiviteit van spoorbanen blijft een knelpunt, met concurrentie om gespecialiseerd personeel, terwijl Schlitz waarschuwt voor groeiende ontevredenheid en dreigende vertrekken. Kern: spanning tussen behoud van expertise en externe concurrentie, met onzekerheid over de gevolgen van beleidswijzigingen.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, ma première question porte sur les effectifs et la sécurité ferroviaire. En l'absence de nouvelles embauches sous statut et avec le recours accru aux contractuels, comment garantirez-vous la sécurité du réseau ferroviaire et la pérennité du savoir-faire technique interne à la SNCB et à Infrabel?

Jean-Luc Crucke:

On s'emmêle un peu tous dans les questions et les réponses.

Voorzitter:

Ce sont deux questions jointes de madame Schlitz: l'une, sur la pénurie de personnel et l'autre, sur la sécurité férroviaire

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, le métier de cheminot souffre déjà d'un manque d'attractivité. Les recrutements ne sont pas toujours simples, ce sont des profils qui sont très recherchés. On a vu, avec le ministre Gilkinet, les difficultés rencontrées à trouver les perles rares. Avez-vous estimé combien d'agents supplémentaires quitteront le rail en anticipant leur départ à cause des mesures prévues par l'Arizona? Quel impact cela aura-t-il sur la continuité du service public et, donc, in fine, sur les voyageurs? Pas plus tard que ce matin, j'ai reçu d'une personne de l'interne l'information selon laquelle des travailleurs de la SNCB sont déjà en train de quitter la SNCB pour aller vers des secteurs qui offrent des conditions plus favorables, notamment chez Lineas. Monsieur le ministre, pouvez-vous me dire si vous avez déjà remarqué en interne un mouvement de départ collectif ou massif de la SNCB et d'Infrabel?

Jean-Luc Crucke:

Merci, chère collègue, pour votre question. Faire des emplois, des postes attrayants reste toujours un objectif important, mais il est encore trop tôt pour mesurer l'éventuel impact de la réforme sur notre afflux de candidats. D'autant plus que les contours de ces réformes n'ont pas encore été strictement définis. Nous constatons que nos sélections se déroulent bien et que de nombreux candidats sont encore intéressés. Nous suivons cela en permanence et ajustons régulièrement nos pratiques pour rester compétitifs sur le marché du travail. J'ai cité tout à l'heure des chiffres dans la question identique que me posait M. Bayet sur les perspectives en termes d'emploi pour le secteur ferroviaire. Les services ne constatent, aujourd'hui, aucune désaffection ni même, dans le cadre de l'offre et de la demande, aucune diminution de la demande.

Sarah Schlitz:

En effet, les informations dont je vous parlais sont toutes récentes et nous suivrons donc la situation de près. En effet, vu le mécontentement grandissant dans les rangs de la SNCB, que des personnes puissent être tentées de quitter la SNCB ne semble pas complètement dénué de sens et de lien avec la réalité. Affaire à suivre!

De veiligheid bij de spoorwegen en een mogelijk hoog personeelsverloop

Gesteld aan

Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)

op 2 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sarah Schlitz waarschuwt dat afschaffing van de spoorwegstatuten kan leiden tot personeelsinstabiliteit, hoger verloop en veiligheidsrisico’s doordat gekwalificeerd en gemotiveerd personeel verdwijnt, wat onderhoud en expertise ondermijnt. Minister Crucke benadrukt dat er geen definitief besluit is, maar wel onderhandelingen gaande zijn over een verschuiving naar contractueel werk, waarbij geen details worden vrijgegeven om misinterpretatie te voorkomen en volledige akkoorden af te wachten.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, il s'agit à nouveau d'un sujet qui préoccupe très fortement les cheminots, qui m'ont demandé de vous interroger.

La suppression des statuts ne risque-t-elle pas de générer une instabilité du personnel, avec un turnover élevé, préjudiciable à la sécurité ferroviaire à long terme?

J'ai discuté lundi avec un technicien du rail, qui m'a expliqué que, par le passé, les statuts permettaient de se projeter bien plus longuement dans une carrière. En effet, avoir des statutaires permet de former un personnel qui devient, par la suite, très qualifié pour le métier et motivé à rester dans la fonction. Selon ce technicien, le fait de détricoter les statuts aura tendance à provoquer une plus grande mobilité du personnel et donc à générer des véritables difficultés au niveau de l'entretien du matériel.

Monsieur le ministre, avez-vous déjà un avis à ce sujet?

Jean-Luc Crucke:

Chère collègue, bien que j'aie un avis sur de nombreuses questions, ce qui importe avant tout en cette matière, c'est l'avis du gouvernement. Ceci dit, les mesures que vous évoquez font, aujourd'hui, l'objet de négociations avec les organisations syndicales. Il n'y a donc pas, stricto sensu , de disparition affirmée du statut, même s'il y a une volonté d'aller vers de l'emploi contractuel. Toutes les modalités liées à cette problématique sont en cours de discussion avec les syndicats. Nous avons convenu, avec les syndicats et les représentants des entreprises publiques – y compris les trois CEO –, de ne pas communiquer sur les mesures. Des accords sont en train d'être conclus, mais ils restent partiels et ne couvrent pas l'ensemble des enjeux. Plusieurs semaines de négociations sont encore nécessaires. Nous avons convenu de ne pas communiquer sur le fond des négociations afin d'éviter toute interprétation partielle, ou parfois même partiale, comme cela peut se produire dans certains cas.

Fiscale fraude en procedurefouten

Gesteld door

lijst: VB Lode Vereeck

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 1 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Het hof van beroep in Gent vernietigde een fiscale boete omdat de BBI-inspecteurs via een zijingang (open garagepoort) binnendrongen en toestemming vroegen aan een onbevoegde medewerker, wat als grove procedurefout werd beschouwd. Minister Jambon benadrukte dat de wet geen specifieke ingang voorschrijft en dat onaangekondigde controles toegestaan zijn voor fraudebestrijding, maar bevestigde dat toestemming van een bevoegde persoon (of diens gemachtigde) vereist is—al hoeft deze niet fysiek aanwezig te zijn. Vereeck stelde voor de sancties voor procedurefouten (zoals ingangskeuze) te verzachten in plaats van boetes volledig kwijt te schelden, en pleitte tegen agressieve "fiscale raids" bij kmo’s, terwijl hij aanpassingen in de wetgeving steunt om dergelijke discussies te vermijden. De regering onderzoekt een wettelijk kader voor onrechtmatig bewijs (zoals in het regeerakkoord beloofd), maar houdt vast aan de medewerkingsplicht en grondslag van het visitatierecht in het huidige Wetboek.

Lode Vereeck:

Mijnheer de minister, de fiscale administratie mag een fiscale controle bij een bedrijf enkel uitvoeren als ze toestemming vraagt voor dergelijke controle en als ze via de hoofdingang het bedrijfspand betreedt. De BBI controleerde onlangs de boekhouding van een machinebouwbedrijf. Omdat de hoofdingang gesloten was, zijn de inspecteurs via een zijingang, een openstaande garagepoort, binnengegaan. Daar bevond zich een administratief bediende, die niet op de hoogte bleek van een mogelijke fiscale controle.

Het hof van beroep te Gent veroordeelde deze aanpak en stelde dat de BBI via de hoofdingang naar binnen had moeten gaan. Daarnaast volstond de toestemming van een onwetende administratieve medewerker niet. Het hof besliste daarom de fiscale boete volledig kwijt te schelden wegens grove onachtzaamheid van de fiscale administratie.

Wie wordt er aangemerkt als bevoegd persoon waaraan toestemming voor een fiscale controle moet worden gevraagd? Hoe kan een BBI'er deze persoon identificeren en contacteren? Kan een bedrijf een gevraagde fiscale controle weigeren? Wat zijn daarvan de gevolgen?

Hoeveel tijd op voorhand moet een fiscale controle worden aangevraagd? Wat is de reden of oorzaak dat de fiscale inspecteurs van de BBI de wettelijke procedures, in casu het gebruik van de hoofdingang en de toestemming vanwege een bevoegd persoon, niet hebben gevolgd? Werd er een analyse gemaakt? Is het niet 100 % op de hoogte zijn misschien een hiaat in de opleiding? Wat is de te volgen procedure voor een fiscale controle als de hoofdingang gesloten is en de bevoegde persoon afwezig is?

Onrechtmatig verkregen bewijs, bijvoorbeeld door foltering of huisvredebreuk, kan afbreuk doen aan de rechtmatigheid van het bewijs, waardoor het recht op een eerlijk proces wordt geschonden. Brengt het gebruik van een openstaande zijingang het recht op een eerlijk proces in het gedrang? Zo ja, waarom? Zo nee, zal de regering de fiscale wetgeving dienovereenkomstig aanpassen?

Brengt de afwezigheid van een bevoegd persoon het recht op een eerlijk proces in het gedrang? Zo ja, waarom? Zo nee, zal de regering de fiscale wetgeving dienovereenkomstig aanpassen? Ter info, voor mij is wetgeving de uitkomst van een toevallige parlementaire meerderheid. Wij zijn uiteindelijk de wetgevende macht.

Welke andere procedurele voorschriften voor fiscale controles acht de regering niet schadelijk voor het recht op een eerlijk proces en zal zij dienovereenkomstig aanpassen?

Jan Jambon:

Mijnheer Vereeck, mijn administratie heeft kennisgenomen van de arresten en analyseert ze momenteel, maar gelet op het beroepsgeheim waartoe mijn diensten gehouden zijn, mag de administratie geen specifieke informatie meedelen over individuele dossiers. Ik zal uw vragen dus in algemene zin beantwoorden om de privacy niet te schenden.

Wat uw vragen één tot en met vijf betreft, wijst de administratie erop dat het Wetboek van de inkomstenbelastingen een medewerkingsplicht voorziet, waardoor de belastingplichtige gehouden is de bevoegde ambtenaar vrije toegang te verlenen tot de beroepslokalen. Wat het visitatierecht betreft, stipuleert het Wetboek van de inkomstenbelastingen immers het volgende, ik citeer: "Natuurlijke of rechtspersonen zijn gehouden aan de ambtenaren vrije toegang te verlenen tot de beroepslokalen, teneinde aan die ambtenaren enerzijds de mogelijkheid te verschaffen de werkzaamheden vast te stellen en het bestaan, de aard en de hoeveelheid na te zien van de voorraden en voorwerpen en anderzijds de bovenbedoelde ambtenaren in staat te stellen om alle boeken en bescheiden die zich in de voornoemde lokalen bevinden, te onderzoeken."

Op grond van voormelde bepalingen is de administratie gerechtigd om, naast aangekondigde bezoeken ter plaatse, ook onaangekondigde controles uit te voeren. In het kader van fraudebestrijding zijn onaangekondigde controles vaak noodzakelijk. De administratie stelt steeds alles in het werk om de bevoegde personen gedurende de voorbereiding van controles te identificeren. In geval van afwezigheid van de belastingplichtige tijdens de controle ter plaatse zal de administratie onmiddellijk proberen contact met hem op te nemen om zijn toestemming of die van een andere naar behoren gemachtigde persoon te verkrijgen voor de uitvoering van de controle. De rechtspraak heeft immers bevestigd dat de belastingplichtige niet noodzakelijk fysiek aanwezig hoeft te zijn tijdens de controle, op voorwaarde dat hij of zij zijn of haar akkoord heeft gegeven voor de uitvoering ervan.

Overeenkomstig de voormelde bepaling inzake visitatierecht dient de belastingplichtige vrije toegang te verlenen tot de beroepslokalen of de lokalen waar rechtspersonen hun werkzaamheden uitoefenen, zoals kantoren, fabrieken, werkplaatsen, werkhuizen, magazijnen, bergplaatsen en garages of tot hun terreinen die als werkplaats, werkhuis of opslagplaats van voorraden dienstdoen.

De wet stelt niet langs welke ingang de bevoegde ambtenaren verplicht toegang moeten nemen. Bij weigering tot medewerking aan de fiscale visitatie kan een administratieve boete worden opgelegd of een dwangsom worden gevorderd. De administratie hecht een uiterst groot belang aan het naleven van de wettelijke bepalingen die de fiscale procedure, inclusief haar controle- en onderzoeksbevoegdheden, regelen. Daartoe wordt binnen de administratie een zeer grondige cursus over de fiscale procedure gegeven en wordt steeds ingezet op permanente opleidingen om de kennis up-to-date te houden.

In de praktijk verlopen de meeste fiscale visitaties trouwens zonder incidenten en werkt de belastingplichtige mee.

Wat uw zesde tot en met achtste vragen betreft, het recht op een eerlijk proces, gewaarborgd door artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, bestaat uit een burgerrechtelijk en een strafrechtelijk aspect. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft bevestigd dat alleen het strafrechtelijk aspect van dit recht van toepassing is op fiscale zaken en dan nog enkel als de belastingplichtige gegronde redenen heeft om te vrezen dat de fiscale procedure zal leiden tot sancties van strafrechtelijke aard.

Er wordt verwezen naar pagina 46 van het regeerakkoord, waar expliciet staat dat de problematiek inzake onrechtmatig verkregen bewijs in een duidelijk wettelijk kader moet worden opgenomen. Zoals reeds vermeld, bepalen de artikelen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen en het Wetboek belasting toegevoegde waarde wie bij een fiscale controle toegang moet verlenen tot de professionele lokalen, maar ze specifiëren niet via welke ingang de ambtenaren van de administratie naar binnen moeten gaan.

In het kader van de toetsing van de conformiteit van deze artikelen met het recht op de eerbiediging van het privéleven heeft het Grondwettelijk Hof bevestigd dat deze artikelen voldoende duidelijk en precies zijn in het licht van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.

Lode Vereeck:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. Ik ben een sterk gelover in de rechtsstaat. Dat wil zeggen dat mijn partij en ikzelf de uitspraken van rechtbanken altijd accepteren, maar dat betekent niet dat men het daarmee eens moet zijn. Dat is een andere vraag. Ik meen uit uw antwoord te hebben begrepen dat het feit dat men niet langs de hoofdingang was binnengegaan geen reden mocht zijn om deze controle te annuleren. Ik begrijp ook dat u een aantal aanpassingen zult doen aan de wetgeving. Ik ben absoluut geen voorstander van fiscale raids bij kmo's waarover ik soms hoor, waarbij de inspecteurs van de Btw-administratie of de RSZ binnenvallen en daar de boel bijna platleggen met hun controles. Ik ben uiteraard ook geen voorstander van het binnenbreken via een raampje. Dat begrijp ik allemaal, maar via een openstaande deur, zoals in dit geval, moet inderdaad wel kunnen. U zult dat dus aanpassen. Ik wil voorstellen om de sanctie ten aanzien van de BBI aan te passen. Een fiscale boete volledig kwijtschelden vanwege een procedurefout vind ik een brug te ver. Er kunnen misschien bepaalde zaken in mindering worden gebracht. Ik weet niet of dat juridisch mogelijk is. Dit vind ik echter geen reden om de boel volledig te annuleren. Misschien kunt u bij het herschrijven van de wetgeving bepalen welke fiscale boete een eerder milde procedurefout moet krijgen.

De Europese top van 6 maart en de Europese strategische autonomie
De steun aan Oekraïne
Een vooruitblik op de Europese top
De conclusies van de Europese top van 20 en 21 maart 2025 inzake defensie
De top over Oekraïne
De Europese top over Oekraïne
Het vredesproces in Oekraïne en het Belgische defensiebudget
De top van bondgenoten van Oekraïne
De Europese defensietop van 27 maart 2025 in Parijs
Europese tops, defensie, strategische autonomie en steun aan Oekraïne

Gesteld aan

Bart De Wever (Eerste minister)

op 1 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om Europa’s strategische autonomie en defensie-investeringen in een veranderende geopolitieke context, met focus op Oekraïne, de VS (Trump), en de 2%-NAVO-norm. België bevestigt onwrikbare steun aan Oekraïne (soevereiniteit, "peace through strength") maar benadrukt realisme: Europa moet zelfredzamer worden, gezien de onbetrouwbaarheid van Trump (handelsoorlogen, wapenstop) en Russische agressie. De 2%-doelstelling (nu 7,4 mjd, doel 17 mjd) moet gehaald worden via diverse financieringsbronnen (dividenden Belfius, goudreserves, bezuinigingen), maar concrete afspraken ontbreken nog. F-35-aankopen blijven noodzakelijk (gebrek aan Europees alternatief), ondanks pleidooien voor meer Europese defensiesamenwerking (bv. toekomstige 6e-generatie jagers). Kritiek punt op gebrek aan transparantie (parlementair debat over troepeninzet, sancties Israël) en tegenstrijdigheden: multilateralisme wordt bepleit, maar VS-afhankelijkheid (F-35, handel) en selectieve toepassing internationaal recht (Oekraïne vs. Palestina) ondermijnen die claim. Kernvraag: Kan Europa zowel VS-eisen volgen *als* eigen strategische autonomie opbouwen?

Voorzitter:

Collega's, de minister kan blijven tot 18.00 uur. We doen ons best om er vaart achter te zetten. De vragen die vandaag niet kunnen worden behandeld, worden sowieso uitgesteld naar de volgende vergadering.

Christophe Lacroix:

Monsieur le premier ministre, force est de constater que jour après jour, le monde change et qu’on ne sait pas très bien comment adopter une position définitive et résolue.

Votre déclaration de politique gouvernementale était déjà dépassée de fait puisqu’elle était résolument atlantiste et que nous constatons aujourd'hui que les différents épisodes liés à la versatilité de Donald Trump font qu’il faut s’adapter. Il faut que l’Union européenne s’adapte, que la Belgique s’adapte face à la guerre commerciale, aux menaces que fait peser le président Trump sur la sécurité européenne.

Il a voté à l’ONU une résolution contre la paix en Ukraine avec la Russie, la Corée du Nord, l’Iran, la Biélorussie et toute la bonne compagnie qui préside à une version un peu noire du monde. Depuis lors, la riposte se prépare. D’une part, l’Union européenne et la présidente de la Commission annoncent 800 milliards – qui sont plutôt 150 milliards européens et 650 autres milliards à trouver dans les financements nationaux. D'autre part, quelle est votre position quant au budget Défense de 2 % du PIB? Vous avez annoncé qu'un kern aura lieu tout à l'heure. En conséquence, je suppose que je ne recevrai pas le détail des solutions et/ou propositions que vous ferez pour atteindre ces 2 %. Comment les atteindrons-nous et qui va payer?

J’ai plusieurs questions à vous poser concernant la réunion à laquelle vous avez récemment participé à Paris, sur la coalition des volontaires pour l’Ukraine – une trentaine de pays – destinée à finaliser des garanties de sécurité pour Kiev dans un éventuel déploiement militaire européen, dans le cas d'un hypothétique accord avec la Russie.

Nous, Européens, et nous, parlementaires, nous ne voyons pas très bien quelles sont les positions des Américains et des Russes. Les États-Unis sont surtout intéressés par les minerais rares. Mais les Russes, dans leur position pour une négociation de paix, pourraient menacer la sécurité européenne. Si, par exemple, ils réclament le départ de Zelensky, la démocratie en Ukraine est disloquée. S’ils réclament le départ des forces militaires de l’OTAN dans les pays baltes et la Pologne, c’est une insécurisation accrue de l’Union européenne.

Pouvez-vous nous en dire plus sur les positions de négociation des uns et des autres? De quelle manière la Belgique entend-elle peser sur ce débat?

La Belgique pourrait prendre part à une potentielle mission en Ukraine. Quelle forme prendrait notre participation? Quelles seraient les conditions posées par la Belgique? À quelles implications parlementaires vous engagez-vous? Quelles sont les règles d'engagement qui seraient définies pour la participation de la Belgique et peut-être de sa force armée dans le déploiement d'une force en Ukraine ou dans des États limitrophes de l'Ukraine? Avez-vous également énoncé des propositions concernant la contribution volontariste de la Belgique à l'autonomie stratégique européenne?

Finalement, nous sommes face à une dislocation de nos certitudes et face à un président américain qui a repris la phrase de Hobbes: " Bellum omnium contra omnes". Comment vous positionnez-vous et comment comptez-vous positionner l'Union européenne face à ces nouveaux défis?

Staf Aerts:

Mijnheer de eerste minister, het zijn al zeer bewogen maanden geweest op het internationale toneel. De hallucinante beelden van de ontmoeting tussen de presidenten Trump en Zelensky gaan nog altijd de wereld rond en hebben heel veel mensen gechoqueerd. Dat is ook niet zonder gevolgen gebleven. Meteen bleek hoe wispelturig de VS-politiek momenteel is: van de ene dag op de andere werden de wapenleveringen aan Oekraïne stopgezet, net als de inlichtingen. Die beslissingen werden ondertussen wel teruggedraaid. Ook dat toont echter aan hoe instabiel de situatie is.

Hetzelfde geldt voor de F-35's. President Trump heeft nog maar net verklaard dat de VS de capaciteiten voor hun bondgenoten wat zullen terugschroeven omdat ze niet weten of we wel bondgenoten zullen blijven. Morgen is het ook Liberation Day, zoals het in de VS genoemd wordt: de lancering van een grote ronde van wereldwijde importheffingen. Een handelsoorlog lijkt in de maak. Het zijn dus zeer verontrustende tijden.

Voor ons als groenen moet daarop een Europees antwoord worden geboden. We pleiten voor meer Europese samenwerking, ook op het vlak van defensie. U hebt de afgelopen weken aan verschillende Europese toppen deelgenomen, al dan niet binnen de constellatie van de Europese Unie. U had ook een ontmoeting met president Zelensky. Welke concrete steun hebt u op die verschillende Europese toppen aan Oekraïne toegezegd, zowel op militair als op economisch vlak? We moeten daarbij immers rekening houden met het feit dat we sinds de invasie door Rusland nog altijd meer geld hebben uitgegeven aan fossiele Russische brandstoffen en Russische nucleaire brandstof dan aan financiële steun voor Oekraïne. Is dat iets wat op tafel gelegen heeft tijdens de verschillende ontmoetingen? We moeten ook sterker Europees samenwerken op het vlak van defensie. Welke standpunten hebt u daarover ingenomen? Zult u kiezen voor een meer Europese koers?

Ik wil daarbij toch nog eens verwijzen naar het hele debat over de F-35's. Onze minister van Defensie heeft al een aantal keer gezegd dat ons Belgisch leger te klein is om meer dan een type jachtvliegtuig te hebben. Net dat toont echter aan dat we dat op Europees niveau moeten bekijken, niet alleen op nationaal niveau. Als we dat Europees bekijken, gaat het immers over een bestelde vloot van 500 F-35's. Dat maakt het misschien toch wel mogelijk om te diversifiëren, zoals India en Canada van plan zijn. Zij willen namelijk in Europese jachtvliegtuigen investeren. Aangezien iedereen roept om meer investeringen in de Europese defensie-industrie en om die industrie meer kansen te geven, moeten we dat zeker overwegen. Zeker wanneer er sprake van is die F-35's te downgraden omdat men niet weet of we bondgenoten zullen blijven.

Dat zijn mijn bemerkingen over het luik defensie, dat de debatten overheerst.

Uit de conclusies van de Europese Raad van 20 maart 2025 had ik echter ook begrepen dat eveneens zou worden ingegaan op de situatie in het Midden-Oosten. Ik was enigszins teleurgesteld: Israël werd niet bij naam genoemd en er werden geen stevige conclusies getrokken. Nochtans zijn de genocide en de schendingen van het humanitair recht, of hoe u het ook wilt noemen, ondertussen al 17 maanden aan de gang. Het is echter overduidelijk dat het humanitair recht daar heel duidelijk wordt geschonden.

Wat is er de voorbije tien dagen sinds de Europese top immers allemaal niet gebeurd? Ik bedoel niet dat de Europese top de oorzaak was, maar er zijn sindsdien wel 322 kinderen gedood door Israëlische bombardementen. Dat blijkt uit cijfers van UNICEF. Gisteren werden de lichamen van 14 hulpverleners opgegraven. Ze waren samen met de kapotgeschoten ziekenwagens begraven. Er is ook nog een Israëlisch evacuatiebevel voor heel Rafah uitgesproken.

Is er op die Europese Raad ook gesproken over de hefbomen die wij in handen hebben met de associatieovereenkomst met Israël? Acht u het ook geen tijd om dat op de volgende top aan bod te brengen, aangezien de situatie keer op keer onveranderd blijft en de schendingen zich blijven opstapelen?

Voorzitter:

Mevrouw Safai, u hebt twee vragen ingediend over Oekraïne.

Darya Safai:

Mijnheer de eerste minister, op 27 maart 2025 organiseerde de Franse president Macron een Europese defensietop in Parijs. De nieuwe top, na een eerste editie in Londen begin maart 2025, kwam er na door de Verenigde Staten geleide onderhandelingen met Rusland en Oekraïne over een beperkt staakt-het-vuren. Die onderhandelingen vonden plaats in Saoedi-Arabië.

President Macron en Brits eerste minister Starmer proberen samen een coalition of the willing op poten te zetten om Oekraïne te steunen, nadat de Amerikaanse president Donald Trump een maand geleden zijn Oekraïnebeleid omgooide. Voor president Macron moeten de verschillende steunniveaus voor Oekraïne nu worden gedefinieerd, met, nadat er een vredesakkoord is, steun aan het Oekraïense leger en eventueel een ontplooiing van troepen.

Tijdens de Europese top herbevestigden de staatshoofden en regeringsleiders hun engagement om extra te investeren in defensie. Zij willen zowel de Europese defensie versterken als verzekeren dat Europa Oekraïne kan blijven steunen.

Mijnheer de premier, welke beslissingen aangaande Defensie werden er genomen? Welke engagementen is ons land aangegaan? Hoe passen die beslissingen binnen het programma ReArm Europe, dat de Europese Commissie voorstelde?

Welke nieuwe ondersteuning zou Oekraïne ontvangen?

Wat zijn de gevolgen voor Defensie bij ons op korte en lange termijn?

Rajae Maouane:

Monsieur le premier ministre, je souhaite revenir sur deux sujets étroitement liés, à savoir le sommet européen sur l'Ukraine et l'augmentation du budget de la Défense.

Le sommet de Paris, convoqué à l’initiative du président Macron, a marqué une étape décisive. Mais ce sommet a aussi vu émerger des propositions lourdes de conséquences, avec la création d'une coalition de pays "volontaires" pour offrir un soutien renforcé à l'armée ukrainienne via le déploiement de troupes, non combattantes certes mais bel et bien présentes sur le terrain ukrainien. C'est une présence dans des zones dites "stratégiques" en dehors de la ligne de front. Cela représente un changement profond dans l'engagement européen et donc belge dans ce conflit. Or c'est un changement de cap, monsieur le premier ministre, qui ne peut pas se faire en catimini ou sans débat démocratique, sans transparence sur les engagements pris et sans éclaircissements sur la stratégie de notre pays.

Et, dans le même temps, on apprend que, pour financer l'objectif de 2 % du PIB pour la Défense, votre ministre de l'Économie, M. Clarinval, exclut toute création de taxe mais ouvre la porte à des pistes inquiétantes: vente de participations publiques, notamment de Belfius, cession de réserves d'or de la Banque nationale ou encore économies dans d'autres secteurs de l'État, sans qu'on sache lesquelles. Or, hier, dans la rue, des milliers de personnes protestaient contre ces économies dans des départements qui sont essentiels. Tout cela, sans réel débat public, sans consultation du Parlement et sans évaluation de l'impact de ces mesures sur notre souveraineté économique, sociale et financière.

Monsieur le premier ministre, je souhaiterais dès lors vous poser plusieurs questions précises. Quels résultats concrets retenez-vous de ce sommet de Paris? Quelles étaient les priorités défendues par la Belgique? Et, surtout, quels engagements avez-vous pris au nom de notre pays?

Partagez-vous l'idée avancée par le président Macron selon laquelle l'envoi de troupes sur le territoire ukrainien, même en soutien logistique, serait désormais une option crédible et envisageable? Une telle inflexion dans la nature de notre engagement militaire ne nécessite-t-elle pas selon vous un débat démocratique approfondi ici même au Parlement? Vous engagez-vous à consulter cette Assemblée avant toute décision d'une telle ampleur? Par ailleurs, au-delà de la seule réponse militaire, quelle est aujourd'hui la stratégie belge en matière de diplomatie active, de coordination des sanctions, de soutien humanitaire et de pression internationale sur la Russie? Il est en effet impératif de renforcer aussi notre capacité politique à peser sur l'évolution du conflit.

Concernant le financement de cette hausse du budget de la Défense, quelle est votre position sur les pistes évoquées par le ministre de l'Économie? Que pouvez-vous nous dire? En particulier, quelle serait la plus-value ou quel serait le risque d'une vente de 20 % des parts de Belfius ou d'une cession de nos réserves d'or?

Monsieur le premier ministre, monsieur le président, je vous remercie car j'ai un peu dépassé mon temps de parole.

Voorzitter:

Madame Maouane, avez-vous combiné vos deux questions? Pour le premier ministre, ce n'est pas facile.

Rajae Maouane:

Monsieur le président, je pourrais la reposer après. Il n'y a pas de problème. Je pense que le premier ministre va répondre quelque part à ces questions.

Voorzitter:

J'espère pour vous.

Rajae Maouane:

Si je n'ai pas de réponse, je reposerai ma question. Cela ne pose pas de problème.

Bart De Wever:

Je vais tirer mon plan, monsieur le président.

Rajae Maouane:

Je n'en doute pas, monsieur le premier ministre.

Nabil Boukili:

Monsieur le premier, j'ai moi aussi une question prévue plus tard à l'agenda sur le budget militaire. Voulez-vous que je la pose maintenant ou plus tard? Les deux options me vont. Je ne sais pas laquelle vous convient le mieux.

Bart De Wever:

(Comme vous voulez)

Nabil Boukili:

Dans ce cas, je vais poser les deux, comme la collègue qui m'a précédé.

Monsieur le premier ministre, les questions ont été soumises voici plusieurs semaines déjà mais je souhaiterais également aborder quelques autres points.

Les négociations pour un cessez-le-feu et un processus de paix en Ukraine sont en cours. Toutefois, de nombreuses incertitudes subsistent. Se profile par exemple la menace d'une escalade dans l'Arctique en raison des plans américains visant à annexer le Groenland.

Ce qui est clair, en revanche, c'est que Trump veut imposer un accord qui fasse supporter les coûts de la guerre à l'Europe, tandis que les É tats-Unis acquerront via un nouveau fonds le contrôle de l'extraction des ressources et minerais ukrainiens. Trump veut traiter l'Ukraine comme une colonie, à l'image de nombreux pays du Sud global. Cela confirme que cette guerre n'a jamais été une question de valeurs comme on l'a toujours prétendu mais, comme toutes les guerres, une question d'intérêts géopolitiques et de ressources. Attisée par ces intérêts, la guerre en Ukraine a déjà coûté d'innombrables vies et jeté des millions de personnes sur les routes.

L'idée que davantage d'armes apporteraient la paix est une illusion dangereuse, mais c'est une illusion qui reste malheureusement fortement ancrée chez les dirigeants européens. La semaine dernière, une réunion s'est tenue lors du sommet de Paris, où vous étiez également présent. M. Macron a pris les devants dans les discussions. Il souhaitait demander à chaque représentant de chaque pays ce qu'il pouvait concrètement apporter en vue d'un possible cessez-le-feu en Ukraine, quelles troupes ou quel soutien militaire pourraient être fournis.

Monsieur le premier ministre, quelle a été précisément votre position lors de ce sommet? La Belgique enverra-t-elle des troupes ou du matériel? Concernant le budget, le gouvernement veut dépenser plus de quatre milliards d'euros supplémentaires en dépenses militaires d'ici l'été pour atteindre, à l'horizon de la fin de cette législature, la norme de l'OTAN de 2 % du PIB. Il s'agit de 17 milliards d'euros.

Mais l'Arizona n'a toujours pas d'accord concret parce que vous n'osez pas admettre qu'il faudra encore plus d'économies pour financer la guerre.

Le MR et votre ministre de la Défense sont bien sûr plus honnêtes à ce sujet que les autres. Selon la presse, un accord pourrait éventuellement être bientôt conclu. Nous connaissons déjà plus ou moins ses grandes lignes. Ces 4 milliards seraient répartis en trois parts égales. La première partie proviendrait des recettes exceptionnelles, notamment des taxes que la Belgique prélèverait sur les avoirs russes gelés et déposés chez Euroclear. Cela rapporterait près d'un milliard d'euros. Cinq cents millions supplémentaires proviendraient de dividendes exceptionnels de la banque publique Belfius.

Un deuxième tiers serait puisé dans le futur fonds Défense. L'objectif est d'y regrouper les participations publiques, les actions belges dans Belfius, BNP Paribas et Ethias par exemple, avec un double but: d'une part, encaisser les dividendes et d'autre part, céder, même partiellement, les participations non stratégiques.

Le débat politique se concentre sur le dernier tiers de l'effort: les mesures structurelles en plus des recettes exceptionnelles et des dividendes. Sur ce point, le consensus semble encore loin d'être trouvé.

Monsieur le premier ministre, un accord a-t-il été trouvé entre-temps? Pouvez-vous confirmer qu'il y aura encore des économies?

La discussion sur la manière dont ces milliards supplémentaires seront dépensés n'a pas non plus beaucoup avancé. Quand aurons-nous plus d'informations à ce sujet?

Voorzitter:

Geen andere leden wensen aan te sluiten bij de vragen in dit actualiteitsdebat.

Bart De Wever:

Geachte Kamerleden, ik zal trachten om eerst een soort van update te geven van wat zich allemaal heeft afgespeeld op het internationaal forum en dan op concrete vragen terugkomen of in de marge van die update trachten uit te wijken naar precieze antwoorden op de gestelde vragen.

Sinds de vorige ontmoeting in de commissie voor Binnenlandse Zaken vergaderde de Europese Raad op 20 maart. In die Europese Raad hebben wij via videoverbinding eerst president Zelensky gehoord, die ons een update heeft gegeven, vooral van de situatie op het terrein, en een inschatting van de capaciteit die Oekraïne nog heeft om zich te verdedigen in diverse scenario's, actueel en in de nabije toekomst. U zult begrijpen dat ik daar om evidente redenen niet verder over kan uitweiden. In eerste instantie wilde president Zelensky de steun van de Europese Unie herbevestigd zien en dat is gebeurd vanwege 26 van de 27 lidstaten. Die situatie is bijzonder in die zin dat de steun aan Oekraïne niet unaniem wordt toegekend, maar dat de lidstaat die niet akkoord gaat de consensus van de 26 andere lidstaten ook niet blokkeert.

De principes die op die vergadering zijn herbevestigd, zijn erg belangrijk en ik denk dat u ze kent. Het eerste principe gaat over de soevereiniteit en territoriale integriteit van Oekraïne binnen de erkende grenzen. Dat is uiteraard gebaseerd op het charter van de Verenigde Naties. Het is wel essentieel dat eender welke uitkomst dat conflict mag kennen, de onafhankelijkheid en soevereiniteit erkend blijven en dat Oekraïne niet herleid wordt tot een vazalstaat. Dat laatste is wellicht de meest acute dreiging in elk toekomstscenario over de korte termijn, niet alleen voor de veiligheid van Oekraïne, maar ook van de rest van Europa.

Het tweede principe is peace through strength .

Mijnheer de voorzitter, ik wil u vragen of mij enige latitude in de spreektijd is gegund, gelet op de hoeveelheid vragen die werd gesteld.

Voorzitter:

Mijnheer de premier, ik stel u meteen gerust. Per ingediende vraag krijgt u twee minuten om te antwoorden, waardoor u in totaal 16 minuten spreektijd hebt.

Bart De Wever:

Mijnheer de voorzitter, ik kan gerust stellen dat ik capabel ben om zelfs die spreektijd ver te overschrijden, maar ik zal trachten om dat niet te doen.

De nombreux collègues m’interrogent pour savoir si nous bénéficions encore du soutien des États-Unis dans le principe de " Peace through strenght ". On me demande ce qu’il se passera si ce n’était pas le cas et que M. Trump décide de conclure un accord avec M. Poutine qui leur convient à tous les deux, mais qui ne convient pas à l’Ukraine ou à l’Europe. C’est un scénario dangereux et à éviter. Je comprends que certains collègues estiment que les déclarations quotidiennes de M. Trump sont quelque chose d’à la fois nouveau et pas forcément très agréable, comme lorsqu’il annonce pour demain le " Liberation Day ", une nouvelle guerre commerciale contre l’Union européenne. Ce ne sont pas des conditions très amicales. Il profère également des menaces envers le Danemark et le Canada. Nous vivons dans un monde plein de surprises, qui ne sont malheureusement pas belles.

Ceci dit, tout le monde est conscient qu’il faut mener un dialogue constructif avec les États-Unis, et qu’il faut tâcher de le maintenir. Je dois bien admettre que ce n’est pas si facile et que cela se complique de plus en plus. C’est toutefois essentiel car, si l’on adhère au principe de " P eace through strenght ", il faut avoir conscience du fait que l’Europe n’a pas aujourd’hui la force nécessaire pour s’asseoir à la table des négociations. Et comme le veut le dicton: "Si vous n’êtes pas à table, vous serez au menu". Il faut donc à tout prix éviter que l’Europe et l’Ukraine soient au menu de MM. Poutine et Trump et il nous faut donc réagir avec réalisme. Je peux comprendre l’envie de faire des déclarations fortes et émotionnelles, mais ce n’est pas l’attitude à adopter. Tout le monde autour de la table européenne partage cette idée. C’est là le deuxième principe.

Le troisième principe est que si l’on obtient la paix, celle-ci doit être équitable et durable, basée sur la charte des Nations Unies et sur le droit international.

Dat blijven de drie principes waarop de Europese strategie gebaseerd is. Die zijn onwankelbaar, maar staan onder druk. We moeten daar realistisch in zijn. We moeten als Europeanen trachten op de beste manier daar door te komen en daar de nodige maatregelen aan te koppelen voor Oekraïne en voor onszelf.

Wat we daarvoor moeten doen, was dus het tweede onderwerp.

En tout cas, il faut étendre l'aide bilatérale à l'Ukraine. Beaucoup d' É tats membres sont déjà en train de prévoir les budgets nécessaires. J'espère aussi que nous pourrons nous mettre d'accord à propos d'un budget de la Défense qui puisse être élargi de manière à inclure l'aide militaire bilatérale à l'Ukraine. J'espère m'y rendre en visite au début du mois, en principe le 7 avril. C'est pourquoi je ne tiens pas à y débarquer les mains vides. M. Zelensky nous a décrit sa vision de ce qu'il lui fallait. Je n'entrerai pas dans le détail puisque le sujet est sensible, mais nous ambitionnons d'être un partenaire fiable de l'Ukraine, tout comme les autres pays européens. L'aide à l'Ukraine constitue un élément clé de la sécurité de toute l'Europe.

La deuxième tâche est de renforcer notre propre position en matière de sécurité et de Défense. M. Lacroix a évoqué les 800 milliards, en estimant que 650 proviennent des É tats membres, tandis que le reste émanerait de l'Union européenne. Je dois vous dire que ce n'est pas le cas. Les 650 sont une invitation lancée aux É tats membres en vue de dépenser plus. Il est possible d'invoquer l' Escape Clause . Quant aux 150, ils proviennent également des É tats membres. Ne vous méprenez pas: ce sont des emprunts des É tats membres, mais que l'Union européenne va garantir. Donc, il n'y a pas d'argent européen au sens strict. Cela étant, les emprunts peuvent être facilités, grâce aux conditions européennes très intéressantes. De plus, l' Escape Clause peut aider chaque É tat membre à parvenir aussi vite que possible aux 2 % ou, pour certains, d'aller au-delà de ce taux. En effet, certains ont presque atteint 5 %, telle la Pologne qui se situe à 4,8 %, car c'est un grand pays. Vous comprenez tous que c'est intenable. Dans la famille européenne, nous sommes aussi membres de l'OTAN, laquelle nous demande de dépenser 2 %. M. Di Rupo l'avait déjà promis en 2014 lors d'un Sommet qui se tenait au Pays de Galles. Or cet objectif n'a pas été atteint. Bref, nous sommes membres d'un club, mais nous ne versons pas notre cotisation. Ce n'est pas honnête. Il faut donc le faire. En outre, les 2 % ne resteront plus très longtemps la norme de l'OTAN.

Je crains que d’ici l’été, nous allons être confrontés à une norme de 3 %, ou au-delà de 3 % - peut-être 3,5 %. Nous devons donc, aussi vite que possible, arriver dans le peloton de pays qui font 2 %, pour ne pas être totalement isolés.

Il y a aussi la divergence, dans la famille européenne, avec ceux qui payent presque 5 %, et qui s'occupent de notre sécurité, qui sont proches de la Russie, qui sont des voisins de la Russie. C'est intenable, non seulement dans l'OTAN, mais dans la famille européenne, la famille de l'Union européenne, de dire: "Vous n’avez pas de chance. Vous êtes tout proches de la Russie. Vous devez dépenser 5 %. Mais nous, les autres, nous nous cachons derrière votre dos." C'est intenable, chers collègues.

Nous devrons en tout cas faire un exercice budgétaire. Je comprends que vous vouliez en connaître chaque détail. Vous avez déjà donné un tableau. C'est très intéressant, monsieur Boukili. Je devrais vous inviter au kern. Vous avez beaucoup d’idées très intéressantes. Je comprends les questions. Vous allez me comprendre quand je vous dis que je pourrai vous donner tous les détails dès que nous aurons trouvé un accord au sein du kern et dans le gouvernement. Nous devons arriver aux 2 %. Il n'y a aucun parti dans la coalition qui dise le contraire. Tout le monde dit que nous devons y arriver. Je ne connais pas la position des partis dans l'opposition, mais je pense qu’il est inévitable que nous arrivions aux 2 %. Je serais intéressé de vous entendre si vous dites l'inverse, et quelle est votre motivation pour ne pas le faire. Les 2 %, c'est le minimum des minimums, que nous avons déjà promis au Pays de Galles en 2014.

Mais il n’est pas question de signer un chèque en blanc qui entraînerait des dettes impossibles à couvrir sur le long terme. Compte tenu de la situation budgétaire de notre pays, nous ne pouvons pas nous le permettre. Les Allemands le peuvent, la Belgique ne le peut pas. Le gouvernement, en tout cas, assurera le financement de ces nouvelles dépenses et étudie actuellement comment y parvenir. "Actuellement", vous pouvez prendre cela très littéralement. Si je dois partir à 18 h, c'est pour une réunion du kern consacrée à cette question.

Quoi qu'il en soit, la priorité reste toujours, pour moi, un budget sain. Nous allons revenir là-dessus aussi vite que possible. Mais en tout cas, c’est le deuxième grand sujet.

Le premier sujet était l’aide à l'Ukraine, et les principes que nous allons continuer à suivre dans un monde qui est compliqué. On nous complique les choses, pas seulement à Moscou, mais aussi à Washington.

Le deuxième sujet, c’est que nous devons arriver aux 2 %. Nous avons pris connaissance du livre blanc sur l'avenir de la défense européenne, Readiness 2030 . Il y a un consensus sur le fait que nous devons dépenser plus et que nous devons aussi mettre en avant des principes clairs.

Le premier principe est buy more , acheter davantage. Il ne s’agit pas seulement de dépenser davantage, mais aussi d’efficacité et de coordination, et d’éviter de gaspiller de l’argent. Cela nécessite à mon sens un débat sur l’intégration des capacités (les capabilities ) et l’interopérabilité. Il faut également un débat sur la consolidation, au niveau européen, de la défense de l’industrie, comme le modèle Airbus. Pour dépenser de manière efficace, il faut le faire de la manière la plus intégrée possible. Ce n’est pas facile, mais nous devons avancer sur ce point aussi vite que possible. Je constate qu’il existe là-dessus un accord autour de la table européenne. Or s’il y a un accord sur le principe, il n’est pas si facile de le mettre en pratique, même si c'est nécessaire. Il nous faut également avancer sur l'Union pour l'épargne et l'investissement (le savings and investments Union ou SIU ). Cela me semble très urgent. La question est évoquée depuis des années, mais j’espère nous pourrons enfin y arriver. Une crise représente aussi toujours une opportunité, et avancer sur l’intégration des marchés financiers en est une, de même que l’intégration dans le domaine de l’industrie de la défense et dans celui des capacités et de l’interopérabilité. B uy more , donc, mais de manière intelligente.

Le deuxième principe est b uy together , acheter ensemble. Il faut veiller à des conditions équitables entre les États membres qui ont des marges budgétaires importantes et ceux dont la marge budgétaire est réduite.

Troisième principe: buy european , acheter européen. Nous devons atteindre une autonomie stratégique, tout le monde s’accorde sur ce point. Si cela représente un retour maximal sur investissement, je plaide également pour un peu de réalisme. Par rapport aux avions F-35 par exemple, il faut être réaliste: il n’y a pas d’avion comparable sur le marché. Il y a l’ambition de développer au niveau européen un avion de chasse Airbus de la sixième génération. C’est une bonne décision et, si c’est possible, notre pays devrait participer à un tel projet. Toutefois, cet avion ne sera pas sur le marché demain; cela prendra au moins dix ans. Le F-35 est le meilleur avion disponible. Nous en avons déjà acheté conjointement avec les Pays-Bas. Nous avons en effet un force aérienne totalement intégrée avec les Pays-Bas. Si, cet été, l’OTAN nous impose des capability targets – il ne s’agit en effet pas d’un choix, l'OTAN vous impose les capacités à développer – je n’exclus pas que l’on nous demande d’acheter davantage d’avions de chasse et que ce soient des F-35, car pour l'instant il est inimaginable d'avoir deux systèmes.

Si on parle d'intégration au niveau européen, on parle d'une réduction des systèmes d'armes et pas d'encore plus compliquer les choses. Buy european , tout le monde est d'accord, mais il faut un peu de réalisme à ce sujet.

Ik zou er nog aan kunnen toevoegen dat we op die Europese top ook veel over competitiviteit hebben gesproken. Aangezien u daarover geen vragen hebt gesteld, ga ik er niet op in. Weet dat het wel een pertinent thema wordt, wanneer we zonder twijfel met een tarievenoorlog worden geconfronteerd en morgen de Europese Unie doubledigittarieven worden opgelegd, om nog niet te spreken van het feit dat we ons ook aan specifieke reshoring strategieën van president Trump mogen verwachten, die volgens mij op economische waanzin gebaseerd zijn. Ik wik mijn woorden, want we proberen constructief te blijven, maar af en toe moet men toch nog zijn idee daarover kunnen geven. Het is dus volgens mij economische waanzin – Ronald Reagan draait zich om in zijn graf – te denken dat men met specifieke tarieven voor automotive , staal, metaal, halfgeleiders en farma erin zou slagen de eigen industriële capaciteit op te bouwen. Dat leidt nergens toe.

U zult dus begrijpen dat wij aan de Europese tafel ook van gedachten hebben gewisseld rond competitiviteit en reactie op een eventuele handelsoorlog. Het is ook interessant, beste collega's, als ik mij de bedenking mag permitteren, dat de pro-Oekraïnecoalitie enerzijds kleiner is dan de Europese Unie - er zijn maar 26 landen echt aan boord -, maar anderzijds ook groter en dat landen zoals Canada, het Verenigd Koninkrijk, Australië, Japan en IJsland in die pro-Oekraïnecoalitie niet toevallig ook slachtoffer zijn van een eventuele handelsoorlog en net als wij wakker werden in een wereld waarin het multilateralisme als principe weer ter discussie wordt gesteld. Aangezien ook een land als India op het moment naar de wereld kijkt en op dat gebied in beweging kan komen - het is wel een vraagteken of China mee de imperialistische toer zal opgaan, de toer van de ongeremde rivaliteit met brutale macht, of toch veeleer zal kiezen voor het multilateralisme en een wereld die gebaseerd is op regels – ligt daar een werkelijke opportuniteit voor Europa.

Mevrouw Lagarde, die op de Europese Raad aanwezig was, heeft zich de beeldspraak gepermitteerd – ik vond die wel treffend - van de poolster. In de duistere nacht vaart men op de poolster. Europa moet proberen die poolster te zijn van het multilateralisme, van rechtszekerheid, van een wereld die op regels is gebaseerd en waar men niet wordt geconfronteerd met politieke leiders die elke dag van de week van de ene dag op de andere een nieuwe verrassing of een of andere fantastische wending of radicale omkeringen van ideeën of het soort economische policies die de wereld op zijn kop zetten, brengen. Ik vind dat juist.

Die pro-Oekraïnecoalitie levert ons ook een ad-hocframework aan met het oog op een gezonde basis voor het multilateralisme, die enerzijds wat kleiner is dan de Europese Unie, maar anderzijds ook veel groter om beslissingen op te kunnen funderen en ons desgevallend te verdedigen.

Trouwens, ook de heer Guterres, die op het afsluitend diner van de Raad een soort status quaestionis vanuit het perspectief van de Verenigde Naties voorstelde, sprak heel duidelijk in die richting. In elke crisis ligt een opportuniteit en ik denk dat het voor ons misschien deze zou kunnen zijn. In die zin zijn alle onderwerpen uiteraard aan elkaar gebonden.

Mijnheer de voorzitter, mag ik nog even voortgaan of houdt u streng aan de spreektijd? Het thema is ongelooflijk interessant.

Voorzitter:

Mijnheer de eerste minister, alles hangt inderdaad samen met mekaar; ik veronderstel dat u een aantal uren kunt debatteren over het onderwerp.

Bart De Wever:

Je voulais simplement conclure avec les questions qu'on m'a posées au sujet du sommet convoqué par M. Macron à Paris. Je comprends que l'on me demande si nous avons promis d'envoyer des troupes en Ukraine dans un certain cadre. Je peux vous rassurer: ce n'est pas le cas. Ce que nous avons dit, c'est que, si ce monde multilatéral décidait de lancer une mission de paix, nous devrions y participer. Je pense que c'est notre devoir. Et la Belgique est ouverte à participer à une telle mission. Mais ce sera sur la base d'un mandat international multilatéral, qui devra être clair et qui n'existe pas actuellement. Et c'est loin d'une évidence de voir comment, par qui et à qui un tel mandat sera donné. Cela doit s'inscrire dans le cadre d'une paix durable, cela veut dire une situation de paix acceptée tant par l'Ukraine que par l'Europe.

Chers collègues, je n'exagère pas quand je vous dis que nous sommes encore très loin d'une telle situation; au contraire, nous semblons nous en éloigner de jour en jour avec la réalité sur le terrain de l'agression de la Russie qui ne cesse pas et M. Poutine qui n'est ni un homme de paix ni un homme de parole.

Nous ne pouvons qu'espérer que M. Trump constate que Poutine n'est pas fiable, que par conséquent aucun deal honorable ne peut être conclu et que le monde occidental – l'Union européenne, les pays tiers et les États-Unis – se retrouve sur la même longueur d'onde. C'est à espérer, mais malheureusement, je ne m'attends pas à ce que les conditions d'une paix durable qui permettraient d'envoyer des troupes pour une mission de paix soient remplies d è s demain. Nous en sommes encore très loin.

Als die situatie zich voordoet, lijkt het mij evident dat we daarover een normaal democratisch debat voeren, dat we niet alleen in de regering maar ook in het huis hier bekijken wat dat betekent voor ons land, welke capaciteiten we kunnen sturen en wat er van ons wordt verwacht.

Wat ik wel niet verhul, is dat die situatie wordt voorbereid. De CHOD's van de coalition de pays volontaires , de coalition of the willing , hebben elkaar ook al gezien.

Ils se sont déjà rencontrés à Paris pour analyser la disponibilité des capacités.

La situation de notre pays est délicate puisque nos capacités sont limitées. Nous investissons beaucoup moins que nécessaire dans la Défense, alors même que nous sommes déjà impliqués dans le Nordic Policing et que nous venons de renforcer notre présence au sein de la mission KFOR. À court terme, notre pays ne dispose donc pas de grandes capacités disponibles à envoyer en Ukraine. Il n'y a aucun souci à ce sujet.

Cependant, nous sommes en train de planifier, d'examiner et de discuter avec nos alliés pour évaluer quel pourrait être l'effort de notre pays, ainsi que celui des autres pays, en vue d'une paix ou d'un armistice durable. La situation pourrait varier selon que l'on bénéficie ou non du soutien des États-Unis et qu'il s'agisse d'une mission en Ukraine ou ailleurs. De nombreux cas de figure restent encore possibles. Je crains malheureusement que nous soyons encore loin d'une décision concrète à ce sujet.

Monsieur Lacroix, vous avez cité Thomas Hobbes qui a popularisé l'expression latine bellum omnium contra omnes . Nous devons absolument tout mettre en œuvre pour ne pas nous réveiller dans un tel monde, qui serait véritablement infernal.

Vous m'avez demandé quelle position j'ai défendue lors du sommet européen ainsi que lors du sommet de Paris. La position de la Belgique est de toujours rester fermement engagée dans le camp du multilatéralisme, des nations qui aspirent à un monde fondé sur des règles, et non sur la force ou la violence. Je pense que c'est la seule position que ce pays peut adopter et j'espère qu'elle est soutenue par vous tous.

Excusez-moi d'avoir pris un peu trop de temps pour mes explications, mais je considère ce sujet comme étant d'une importance capitale.

Voorzitter:

Over dat laatste zal iedereen het wel eens zijn.

Christophe Lacroix:

Monsieur le premier ministre, je vous remercie pour avoir effectivement répondu très largement mais les sujets le méritaient.

Vous rejetez le monde de Thomas Hobbes – je suis heureux de le vérifier avec vous – et vous vous positionnez dans le camp du multilatéralisme, du respect du droit international. C'est bien en ce qui concerne l'Ukraine mais c'est moins bien lorsque cela concerne le droit des Palestiniens où on sent un peu moins d'importance accordée au sujet du droit international.

Le deuxième élément que je veux souligner, c'est votre appel au réalisme: "Il faut arrêter d'être romantique." Je crois que c'est vous quelque part le romantique qui avez toujours cru aux États-Unis et qui êtes déçu que cette histoire d'amour se termine. Aujourd'hui, il faut que l'Europe se réveille et se prenne en main. Certes, cela ne se fera pas du jour au lendemain mais ce n'est pas en continuant à croire qu'après Donald Trump, cela ira mieux que l'histoire d'amour avec les États-Unis va reprendre.

Notre souveraineté européenne et fondamentale doit être construite, bâtie dès aujourd'hui avec un temps moyen, court et long terme. Vous dites qu'il faut acheter européen en matière de défense mais par réalisme, on va continuer à acheter américain et vous faites un plaidoyer extraordinaire pour le F-35. Mais que font les Anglais, les Italiens, les Allemands, les Espagnols, les Turcs qui ont des Eurofighters? Que font les Suédois qui ont des Gripen? Que font les Français avec le Rafale, les Grecs qui ont une flotte composée à la fois de Rafale et de F-35? Bref, à un moment donné, il y a beaucoup de contradictions dans votre positionnement et le réalisme, je ne sais pas où il se trouve. On doit prendre acte des positions américaines. Elles ne changeront plus. Elles ont été annoncées par Barak Obama, de manière plus douce que par Donald Trump. Mais Donald Trump comme Vladimir Poutine sont des brutes épaisses avec qui on ne négocie plus.

Staf Aerts:

Mijnheer de eerste minister, ik dank u voor de toelichting en ook omdat u een en ander duidelijk hebt geschetst.

U zegt dat wij met de Verenigde Staten enerzijds een constructieve dialoog moeten blijven behouden. U bent echter ook eerlijk geweest, toen u zei: “pas de conditions amicales” . Dat is wel het minste wat wij kunnen stellen. Wij moeten dus ook vraagtekens bij die band plaatsen.

Mij valt op dat, wanneer het over buy European gaat, die stelling voor de F-35 nog altijd moeilijk ligt. U hebt verwezen naar de partners buiten de Europese Unie en naar de grotere coalitie die voor het multilateralisme wil gaan. Net die nieuwe partners, zoals Canada en India, willen echter investeren in Europese gevechtsvliegtuigen, om niet meer alleen in F-35’s te gaan investeren. Ik begrijp dus niet waarom Europa dan niet hetzelfde zou doen, om dat naast elkaar te laten bestaan. Het is cruciaal om daarmee op die manier aan de slag te gaan, zodat wij ook onafhankelijker zijn, met zowel F-35’s als andere wapensystemen. Ik kan mij niet voorstellen dat zoiets op Europese schaal onmogelijk zou zijn, aangezien India en Canada dat wel kunnen.

Ik ben blij met het pleidooi voor multilateralisme. Ik wil echter nogmaals benadrukken dat multilateralisme ook vraagt om te blijven investeren in diplomatie en in ontwikkelingssamenwerking. Op dat vlak maakt deze regering natuurlijk andere keuzes. Er zal bijvoorbeeld op ontwikkelingssamenwerking zwaar worden bespaard.

Ik ben het ook helemaal met u eens als u stelt dat een en ander op regels gebaseerd moet zijn. Voor Groen zullen het internationaal humanitair recht en de mensenrechten altijd het kompas zijn. Ik stel echter vast dat dit voor de arizonapartijen tot nu toe niet het kompas is, toch niet als het over Israël gaat. Het is bijzonder pijnlijk om vast te stellen dat er steeds met fluwelen handschoenen met hen wordt omgegaan en dat Israël telkens opnieuw alle regels naast zich neer mag leggen. Bovendien stelt onze minister van Defensie nog altijd dat voor ons leger de Israëlische Defensie nog altijd een betrouwbare partner is. Dat begrijp ik niet. Doe dat voor iedereen, gebaseerd op regels en op het internationaal humanitair recht. In dat geval zal u aan ons een partner hebben.

Darya Safai:

Mijnheer de voorzitter, ik denk dat ik vier minuten spreektijd heb voor mijn repliek, aangezien ik twee vragen had ingediend.

Voorzitter:

Mevrouw Safai, in de repliek hebt u één minuut per vraag.

Darya Safai:

Ja, dat is waar.

Mijnheer de premier, bedankt voor de uitleg. We leven inderdaad in een andere wereld en het wel belangrijk om te beseffen dat landen zoals Rusland, Iran, China en Noord-Korea proberen de wereldorde te veranderen. Die wetenschap moet ons in deze moeilijke tijden samenhouden.

U hebt gesproken over het principe van peace through strength , want wij hebben geen andere manier om onze vrede en tevens solidariteit met elkaar in de Europese Unie, wat ook heel erg belangrijk is, te behouden. Op dit moment is de 2 %-regel nog van kracht, maar we weten niet of dat binnen een paar dagen of maanden verandert. Ook wij moeten daar klaar voor zijn, niet omdat we oorlogszuchtig zijn, maar omdat wij gewoon onze vrede willen behouden.

De tijden zijn aan het veranderen en wij kunnen niet echt voorspellen wat Amerika gaat doen binnen een paar dagen of maanden. Dat geldt evenzeer voor Palestina en Israël, waarover veel collega's spreken. In die context wil ik een misschien toch wel belangrijk punt aanhalen. Ik hoor namelijk geen enkele collega, ook niet in de commissies voor Landsverdediging of voor Buitenlandse Betrekkingen, praten over het feit dat Iran bezig is met de ontwikkeling van een nucleair wapen, waarover het land mogelijk binnenkort beschikt. De enige landen in de hele wereld die aankondigen dat ze dat zullen tegenhouden, zijn net Amerika en Israël. Zijn wij minder angstig als het gaat over de nucleaire wapens van een theocratisch totalitair land als het Iran van de ayatollahs? Dat snap ik echt niet. Wij houden ons veel en terecht bezig met wat er in de wereld gaande is, maar dat stuk valt altijd weg.

Mijn boodschap is dus dat we klaar moeten zijn. Wij moeten voor onze vrede en voor ons nageslacht zorgen. Ik ben blij dat u op het vlak van defensie en in al die toppen de boodschap van vrede aanhoudt.

Rajae Maouane:

Merci, monsieur le premier ministre, pour vos réponses parfois rassurantes, parfois un peu moins. J'entends les collègues parler de droit international et c'est très bien, c'est un rappel essentiel. Mais il faut, pour que le droit international continue à être cohérent, être aussi cohérent et plaider pour son respect, quel que soit le conflit, pas seulement dans certaines régions du monde. Il faut qu'on puisse plaider avec la même cohérence partout.

Monsieur le premier ministre, vous serez d'accord avec moi pour dire que la paix, la défense et la souveraineté ne peuvent être dissociées de la démocratie. Ici, ce n'est pas simplement une question de stratégie ou de chiffres, c'est aussi une affaire de vision. C'est de cette vision que je vous demandais de débattre ici. Je comprends parfaitement qu'à certains moments, certaines discussions doivent avoir lieu de manière discrète. Mais une de mes questions était de savoir si l'inflexion de notre engagement militaire – qu'il soit financier ou autre – nécessitait un débat démocratique approfondi et si vous alliez vous engagez à consulter notre Assemblée avant toute décision de grande ampleur. Je vous avais posé ces questions et je n'ai malheureusement pas eu de réponse. Si vous pouviez y répondre à un moment donné, ce serait bien.

Nabil Boukili:

Merci, monsieur le premier ministre, pour vos réponses qui étaient très importantes. J'essayerai d'y répliquer mais deux minutes seront bien sûr insuffisantes. Il y a une chose avec laquelle je suis tout à fait d'accord et que je trouve très importante, c'est quand vous dites que la Belgique doit être inscrite dans le multilatéralisme et qu'elle doit être non alignée, avec une diplomatie qui ait sa propre voix et sa propre vision du développement industriel, dans le respect du droit international. Cette politique non alignée s'ouvrirait sur le reste du monde et ses géants, qu'il s'agisse des États-Unis, de l'Inde, du Brésil ou de la Chine. Sur ce sujet, je vous rejoins. En effet, le multilatéralisme garantirait un dialogue avec l'ensemble des peuples du monde. Vous avez parlé de continuer le dialogue constructif avec les Américains, mais cela devient compliqué maintenant que l'Europe découvre la violence de l'impérialisme américain, qui a toujours été aussi violent et agressif envers le reste du monde, sauf que l'Europe était du bon côté à ce moment-là. Maintenant qu'elle passe de l'autre côté du ring, nous ressentons la violence de l'impérialisme américain; cela se concrétise en Ukraine. Vous avez parlé du fait qu'il faut défendre, dans les accords de paix, les intérêts de l'Ukraine et de l'Union européenne. J'aimerais demander quels sont les intérêts de l'Union européenne. On pourrait croire, comme vous l'avez dit, qu'il s'agit de la défense du droit international ou de nos valeurs, mais je suis très sceptique par rapport au fait que ce serait notre seule motivation. En effet, le droit international n'est pas appliqué dans d'autres conflits comme lorsqu'Israël reste un allié privilégié de l'Union européenne ou que le Rwanda le soit resté jusqu'à très récemment. J'aimerais donc bien savoir quelles sont les motivations réelles. Pour les Américains, nous savons qu'il s'agit des minerais. Pour les Européens, s'agit-il de l'agriculture, des minerais? Ou d'autres éléments? J'ai du mal à croire que cela se limite au seul respect du droit international. Par contre, en ce qui concerne les 2 %, vous avez dit qu'on avait un retard à rattraper. Mais vous parlez comme si on n'avait jamais augmenté notre budget militaire auparavant, alors que de 2017 à 2024, on est passé quand même de 3,8 milliards à 7,4 milliards d'euros en termes de budget Défense. On a donc toujours augmenté notre budget Défense. Ces 10 dernières années, l'Europe a doublé son budget défense. Or on parle comme si on n'avait pas augmenté notre budget militaire. C'est juste qu'on ne l'a pas augmenté autant que les Américains le veulent. Et les 2 % dont vous parlez, c'est ce qu'exigent les Américains. D'un côté, on dit qu'il faut de l'autonomie stratégique et se protéger des Américains parce qu'ils deviennent agressifs et, de l'autre côté, on fait exactement ce qu'ils nous imposent et ce qu'ils nous demandent, en achetant en plus leurs propres armes, notamment les F-35. Il y a donc une incohérence totale dans ce discours-là. Même si je comprends les éléments que vous avancez, vous représentez dans votre discours l'ambiguïté européenne sur ces questions. Il serait bien de clarifier ces éléments de manière un peu plus concrète.

De aanpak van corruptie bij de overheid
De strijd tegen corruptie in de politiek
Bestrijding van corruptie in overheids- en politieke sectoren

Gesteld aan

Bart De Wever (Eerste minister)

op 1 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België zakte zes plaatsen op de corruptie-index van Transparency International, wat vragen oproept over het ontbreken van concrete anti-corruptiemaatregelen in het regeerakkoord—behalve 300 extra fraudebestrijders en een sectie financiële criminaliteit bij het parket. De eerste minister wijst GRECO-aanbevelingen (zoals een lobbyregister of vermogensverklaringen) af als parlementszaak, terwijl oppositie het gebrek aan ambitie hekelt, verwijzend naar leeggeleverde rapporten en internationale achterstand (bv. Frankrijk/Zweden). Kritiek richt zich op het ontbreken van transparantie voor politici en ambtenaren, ondanks herhaalde schandalen (o.a. Reynders), en het simpelweg kopiëren van vorige regeerbeleid. De discussie onthult een patstelling: regering ziet corruptiebestrijding als justitiële prioriteit, oppositie eist structurele integriteitsmaatregelen.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de eerste minister, België is zes plaatsen gezakt op de corruptie-index van Transparency International. We scoren net geen 70 op 100. Dat is uiteraard niet uw verantwoordelijkheid, want die cijfers zijn gebaseerd op vorig jaar. Schandalen zoals die in Anderlecht en de beschuldigingen aan het adres van de heer Reynders hebben echter natuurlijk geen goed gedaan aan het imago van de politiek en de overheid. Het is dus belangrijk om daarop in te zetten.

Ik heb eens in het regeerakkoord gekeken om te zien wat daarin staat over integriteit en corruptie bij de overheid. Ik vond echter niet meteen iets terug. Misschien heb ik er over gelezen. Er zal in elk geval niet zo heel veel in hebben gestaan. We staan op dat vlak echter ook voor uitdagingen en ik kijk naar u als hoofd van de ploeg om bijvoorbeeld de aanbeveling van de GRECO om te zetten in beleid.

Om de collega's ook nog vragen te laten stellen voor 18.00 uur, zal ik voor de rest verwijzen naar mijn vraag zoals ze schriftelijk werd ingediend.

Voorzitter:

Mijnheer Vandemaele, ik begrijp dat u nieuw bent hier, maar in principe kan dat niet. Ofwel verwijst u in het begin naar de schriftelijke voorbereiding van uw vraag ofwel stelt u gewoon uw vraag. U kunt de twee echter niet combineren, want dat is niet mogelijk voor de verslaggeving.

Matti Vandemaele:

Ik zal ze dan heel kort voorlezen.

Zult u werk maken van een lobbyregister voor regeringsleden en hun medewerkers? Zult u de wet openbaarheid van bestuur in lijn brengen met de deelstaten en internationale aanbevelingen? Komen er bijkomende middelen voor politie en Justitie om dit thema serieus te nemen?​

Sofie Merckx:

Monsieur le premier ministre, le fait que la Belgique recule dans l'indice de corruption est assez inquiétant.

L'accord de gouvernement propose peu de mesures concrètes pour lutter contre la corruption au sein de l'exécutif. Parmi celles qui pourraient être envisagées, et qui vous concernent, je pense notamment au registre des lobbies ou à la déclaration de patrimoine.

Je tiens à rappeler que depuis que cette question a été introduite, le rapport de l'OCDE a été publié, mettant en lumière une évaluation négative de la lutte contre la corruption en Belgique. En principe, la Belgique et la Chambre auraient dû soumettre au GRECO, avant le 1er avril, un rapport sur l'état d'avancement des mesures prises contre la corruption.

Je répète que nous constatons que la Belgique a été contrainte d'envoyer une feuille blanche, notamment en ce qui concerne les contacts avec les lobbyistes, l'intégrité des membres des cabinets, les cadeaux, la déclaration de patrimoine, les sanctions en cas d'infraction aux règles de déontologie, ainsi que l'augmentation du contrôle sur le cumul des activités et les fameuses portes tournantes dans les cabinets ministériels.

Quelles sont les ambitions de votre gouvernement à ce niveau-là?

Bart De Wever:

Mijnheer Vandemaele, inzake de GRECO-aanbevelingen (Group of States against Corruption) is het de visie van de regering dat dat een zaak is voor het Parlement. We kijken uit naar uw werkzaamheden dienaangaande.

Het lijkt me niet correct dat corruptiebestrijding niet is vermeld in het regeerakkoord. Er staat daarin een duidelijke passage over de oprichting binnen het federaal parket van een sectie Financiële criminaliteit, waaronder dus ook corruptie. Die zal specifiek zicht houden op fiscale fraude en corruptie. Dat staat expressis verbis in het regeerakkoord, met het idee dat wij onze financiële capaciteit of kennis in de crime fighting van dit land moeten versterken. Dat gaat dan over georganiseerde criminaliteit, maar evenzeer over corruptie en beide komen elkaar vaak tegen.

Bovendien is er een passage waarin duidelijk is gesteld dat fraudebestrijding een absolute prioriteit van de regering zal zijn, met daaraan concrete maatregelen gekoppeld, zoals de aanwerving van 300 extra personeelsleden voor fraudebestrijding en de ambitie om fors te investeren in financiële-fiscale kennis en gespecialiseerde capaciteit bij de diensten van Justitie en de politie, vooral de gerechtelijke politie.

Regels rond fraude en corruptie gelden uiteraard ook voor politici, die, zeker in ons land, terecht al onder redelijk strenge regels vallen.

Concernant un registre des lobbies ou une déclaration de patrimoine, notre gouvernement va appliquer les mêmes normes que le gouvernement précédent.

Matti Vandemaele:

Uw corruptiebestrijding zat misschien toch wat in uw regeerakkoord verborgen. De vraag ging specifiek over ambtenaren en politici. Ik wil daarmee niet dezelfde toon als mijn collega aanslaan.

Ik denk dat er uitdagingen en aanbevelingen zijn. We hebben met de vorige regering inderdaad geprobeerd om daarin een volgende stap te zetten. Daar was geen meerderheid voor. Het is betreurenswaardig dat er ook in deze regering geen meerderheid te vinden is. Nochtans is een lobbyregister helemaal niet zo spectaculair. Noteren met wie men contact heeft over bepaalde dossiers zou in een democratie eigenlijk geen probleem mogen zijn. In die zin betreur ik uw antwoord.

Sofie Merckx:

Tout d’abord, le mot "corruption" apparaît effectivement une fois dans l’accord de gouvernement, avec les 300 membres du personnel supplémentaires. Ces 300 membres du personnel, on nous les sort dans toutes les commissions possibles et imaginables. Tout ce qu’ils vont devoir faire, c'est vraiment impossible. À l'impossible, nul n'est tenu. En ce qui concerne le fait de dire que pour le GRECO, c'est l'affaire du Parlement, je tiens à vous informer que, pour le moment, le Parlement n'a rien fait du tout. C'est quelque chose qu'on nous sort à chaque fois, mais force est de constater que votre gouvernement va faire comme le gouvernement précédent. Que ce soit la déclaration de patrimoine, que ce soit un registre de lobbies efficace, que ce soit pour le gouvernement ou pour le Parlement, nous ne sommes nulle part. Or, ce n'est pas les affaires de corruption qui manquent dans notre pays. C’est quand même en Belgique que nous avons encore eu l'affaire Reynders, récemment. Nous faisons très régulièrement la une des journaux pour des affaires de corruption. Je pensais que vous auriez peut-être été un peu plus ambitieux à ce niveau-là. Mais force est de constater que ce qui se fait dans d'autres pays... Par exemple, en France, pour l'élection présidentielle, une déclaration de patrimoine est faite tout à fait normalement. En Suède, vous pouvez consulter tout le patrimoine et les revenus des politiques, tout à fait normalement. Et en Belgique, il n'y a rien. Nada . C'est l'omerta. C'est décevant, mais je n'attendais pas mieux de votre part. De voorzitter : Vraag nr. 56002782C van de heer Khalil Aouasti wordt omgezet in een schriftelijke vraag. De vragen nrs. 56002804C en 56002807C van mevrouw Barbara Pas worden op haar vraag uitgesteld.

De bescherming van de gezondheid van sekswerkers

Gesteld door

lijst: PS Marie Meunier

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 1 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De federale overheid financiert via het INAMI gezondheidszorg voor sekswerkers, waaronder Espace P (actief in Henegouwen, Luik, Namen, Luxemburg en Brussel), met €846.000 voor basiswerking, €219.081 voor verslavingszorg (sinds 2023) en €296.162 voor PrEP-behandelingen (sinds 2024). Vandenbroucke bevestigt dat vier centra sinds 2022 gestructureerd worden ondersteund, met focus op medische consulten, vaccins en sociale begeleiding. Meunier informeert naar de concrete situatie in Bergen en de federale middelen, maar krijgt een landelijk financieel overzicht zonder regionale verdieping. Ze belooft opvolgvragen na analyse van de cijfers.

Marie Meunier:

Monsieur le ministre, la récente loi encadrant le travail du sexe souligne l'importance d'une approche globale incluant la protection de la santé des travailleuses et des travailleurs concernés. À Mons, Espace P joue un rôle clé dans l'accompagnement et le soutien des travailleuses et travailleurs du sexe avec, entre autres, des financements issus de l'INAMI.

Monsieur le ministre, mes questions sont très simples. Pouvez-vous nous dresser un état des lieux de la situation en matière de protection de la santé des travailleurs du sexe, en particulier dans la région de Mons? Quels sont les moyens financiers actuellement mobilisés par le fédéral, notamment via l'INAMI, pour soutenir les initiatives comme Espace P et garantir l'accès aux soins et à la prévention pour ces travailleuses et travailleurs?

Frank Vandenbroucke:

Madame Meunier, l'INAMI finance le fonctionnement de plusieurs centres depuis 2012. Ce financement couvre les frais médicaux nécessaires, qui comprennent plusieurs vaccins, des consultations médicales et un soutien social. Espace P est l'un de ces centres. Il opère dans les provinces du Hainaut, du Luxembourg, de Namur et de Liège. En outre, Espace P est également actif dans la Région de Bruxelles-Capitale.

Actuellement, l'INAMI intervient dans plusieurs centres médico-sociaux pour les travailleurs du sexe. Un budget total de 846 000 euros est prévu par l'article 56 § 2 pour le financement de base du fonctionnement d'un centre médico-social. En 2022, l'INAMI a lancé un appel. Quatre candidatures ont été introduites et retenues. De plus, depuis 2023, les quatre centres disposent d'un financement complémentaire au titre des assuétudes pour les personnes vulnérables. Leur budget total s'élève à 219 081,10 euros. Depuis 2024, une intervention est également prévue pour le traitement PrEP des personnes non assurées, en particulier les travailleurs du sexe. Le montant total de cette intervention pour les quatre centres est de 296 162, 67 euros. J'espère vous avoir transmis les informations que vous cherchiez.

Marie Meunier:

Merci beaucoup monsieur le ministre pour vos différentes réponses. Je n'hésiterai pas à revenir avec des questions complémentaires après analyse de ces différents chiffres.

Sociale fraude in tandartspraktijken

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 1 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Vandenbroucke bevestigt dat 1,8% van de actieve Belgische tandartsen (185) een visum heeft maar geen RIZIV-nummer, waardoor ze geen vergoede zorg kunnen declareren, wat frauderisico’s met zich meebrengt. Hij kondigt wetswijzigingen aan om RIZIV-nummers in te kunnen trekken bij fraude en versterkt handhaving via het Actieplan 2024-2026, met extra inspectiecapaciteit in de zorgsector, maar concrete verdeling van de 300 nieuwe fraude-inspecteurs staat nog niet vast. De recente Brusselse fraudezaak (sociale fraude, witwassen, uitbuiting) toont aan dat controles plaatsvinden, maar systematische risicoanalyses en meldingen blijven cruciaal. Gijbels benadrukt de nood aan strengere sancties en transparantie om het vertrouwen in de sector te herstellen en pleit voor scherper toezicht op tandartsen *zonder* RIZIV-vergoedingsrecht.

Frieda Gijbels:

Mijnheer de minister, op dinsdag 13 februari werden in Brussel drie tandartspraktijken en twee privéwoningen doorzocht in het kader van een gerechtelijk onderzoek naar sociale fraude, witwaspraktijken, zwartwerk en mensenhandel. Naast de geschatte schade aan de sociale zekerheid, die meer dan 600.000 euro zou bedragen, is er sprake van uitbuiting van personeel, waarbij werknemers zonder arbeidscontract zouden zijn ingezet.

Deze zaak roept vragen op over het toezicht op tandartspraktijken in België en toont de noodzaak aan van een strenge handhaving binnen de zorgsector en meer bepaald binnen de tandheelkunde. Om een beter inzicht te krijgen in de controlemechanismen en de beleidsmaatregelen die hierop volgen, stel ik u graag enkele vragen.

Hoeveel tandartsen zijn er momenteel actief in België met een visum, maar zonder RIZIV-nummer? Kan deze fraudezaak onder deze problematiek worden gesitueerd? Hoeveel RIZIV-nummers werden in 2024 ingetrokken wegens sociale fraude? Zou u hierbij ook een overzicht kunnen geven van de geografische spreiding? Overweegt u om een strenger regelgevend kader in te voeren voor tandartsen die een visum hebben, maar geen RIZIV-nummer?

Op welke manier wordt er momenteel gecontroleerd of tandartsen zich bezighouden met frauduleuze praktijken? Worden deze controles aangescherpt naar aanleiding van deze recente zaak?

De federale regering heeft de ambitie om de strijd tegen sociale fraude en witwaspraktijken op te voeren. Hoe vertaalt zich dit concreet naar de gezondheidszorg en meer specifiek naar de tandheelkundige sector? Wordt er binnen de voorziene aanwerving van 300 extra inspecteurs voor de strijd tegen sociale fraude specifiek voorzien in extra capaciteit voor de opsporing van fraude binnen de zorgsector?

Frank Vandenbroucke:

Eind maart 2025 telde het register van gezondheidswerkers 14.794 werkgerechtigde tandartsen, waarvan er 1.463 geen RIZIV-nummer hebben, wat neerkomt op 9,9 %. Dit cijfer omvat alle in België afgestudeerde tandartsen. Indien we dit beperken tot de in België gedomicilieerde beroepsbeoefenaars onder de 70 jaar, dan zijn er 10.012 werkende tandartsen, waarvan er 185 geen RIZIV-nummer hebben, wat neerkomt op 1,8 %.

U verwijst in uw vraag naar een dossier in Brussel. Dat specifieke dossier betreft een lopend onderzoek, in samenwerking met het arbeidsauditoraat. Gelet op het geheim van het onderzoek kan daarover niet gecommuniceerd worden.

Dan kom ik bij uw tweede vraag. Momenteel bestaat er geen wettelijk kader om een RIZIV-nummer in te trekken. Het intrekken van een visum is alleen mogelijk als de tandarts fysiek of psychisch niet geschikt is om de tandheelkunde uit te oefenen, als de tandarts niet aan de kwaliteitscriteria voldoet of als zijn praktijken een gevaar vormen voor de patiënten. Naast het beroepsverbod, dat door een rechter wordt uitgesproken, bestaat er momenteel geen wettelijk kader om het RIZIV-nummer van een tandarts in te trekken. In het Actieplan handhaving in de gezondheidszorg 2024-2026 van de antifraudecommissie van het RIZIV willen we wel werk maken van de mogelijkheid tot intrekken van het RIZIV-nummer. Daarvoor is wetgeving nodig en ik zal met een wetsontwerp komen. Het regeerakkoord legt immers heel sterk de nadruk op handhaving.

Dan kom ik bij uw derde vraag. Tandartsen met een visum mogen wel de tandheelkunde uitoefenen. Als de tandarts geen RIZIV-nummer heeft, kan er niet aangerekend worden aan de verplichte ziekteverzekering. Dat is op zich zeer duidelijk in de regelgeving. Er zijn veel fraudeplegers die hun gedrag na een controleonderzoek niet aanpassen of de opgelegde sancties niet naleven. Deze mensen moet structureel verhinderd worden om verder te frauderen. Ik zal daartoe ook de wettelijke aanpassingen die nodig zijn om het handhavingsbeleid te versterken introduceren.

De Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle zal samen met de Federale Toezichtcommissie bekijken hoe dit het best wordt aangepakt zonder dat de patiënten er nadeel van ondervinden. Daarom is het bijkomend belangrijk dat de verzekerden en de algemene bevolking geïnformeerd worden over de zorgverleners die geschorst of geschrapt zijn of desgevallend niet langer mogen aanrekenen.

Dan kom ik bij uw vierde vraag. De DGEC start onderzoeken na externe meldingen of op eigen initiatief, via een systematische risicoanalyse. Uiteraard moet men hier prioriteiten bepalen. Alle middelen alleen op tandzorg richten kan uiteraard niet, maar de recente berichtgeving waarnaar u verwijst, toont net aan dat er actief gecontroleerd wordt, door zowel de parketten en de DGEC als de Toezichtcommissie.

Dan kom ik aan bij vijfde vraag. In het Actieplan handhaving in de gezondheidszorg 2024-2026 bundelen de verschillende directies van het RIZIV en de FOD Volksgezondheid, met name de Federale Toezichtcommissie, samen met de verzekeringsinstellingen, het Nationaal Intermutualistisch College en het IMA hun middelen om de naleving van de regelgeving te versterken via preventie, via analyse en detectie en via gerichte actie.

Ik herhaal dat wij bij de vorming van de regering overeengekomen zijn om daar een absolute prioriteit van te maken. In de komende maanden zullen we dan ook werken aan een omvattende strategie rond fraude en doelmatigheid. Dat is natuurlijk een breed continuüm, maar ik denk dat we dat continuüm zo moeten bekijken. De uitvoering van dat Actieplan 2024-2026, dat al deze instanties samen op punt hebben gesteld, hoort daarbij, maar daarnaast willen we ook onze instrumenten van handhaving versterken. Zoals gezegd, op dat punt wil ik echt wel snel wetgeving voorleggen.

Nu kom ik tot uw laatste vraag. Het regeerakkoord voorziet dat er 300 personeelsleden aangeworven zullen worden voor fiscalefraudebestrijding, met name bij de BBI, de socialefraudebestrijding, de gerechtelijke politie en justitie. Dat contingent is nog niet verdeeld tussen de verschillende diensten. Bij de verdeling van het contingent voor de strijd tegen sociale fraude zal ik erover waken dat het RIZIV versterkt wordt, om fraude in de zorgsector beter aan te pakken.

Frieda Gijbels:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Ik vind het altijd spijtig als ik zulke verhalen lees, want ik vind tandarts een heel mooi beroep, maar dat dient natuurlijk met de nodige ernst en beroepsfierheid te worden uitgeoefend. Aan die beroepsbeoefenaars mogen we ook hoge eisen stellen. Het is natuurlijk een goede zaak dat dergelijke frauduleuze praktijken worden opgespoord, maar als ze aan het licht komen, plaatst dat de hele beroepsgroep in een slecht daglicht. Ik hoop daarom dat er goed en flink tegen wordt opgetreden, want in de genoemde situatie is het een zaak van zware fraude, van echte oplichting en ook van misbruik van vertrouwen van burgers. Van onze kant hebt u alle steun om daar hard tegen op te treden. De vraag die ik stelde over het aantal tandartsen met visum maar zonder RIZIV-nummer, stelde ik ook omdat ik daarover eerder al vragen had gesteld. Uit de antwoorden leid ik af dat er de jongste jaren relatief meer tandartsen werkzaam zijn die wel een visum hebben, maar geen RIZIV-nummer. Aangezien die tandartsen geen behandelingen kunnen aanrekenen aan het ziekenfonds, vraag ik me af welke behandelingen zij uitvoeren. Ik pleit dan ook voor extra waakzaamheid op dat vlak.

Fraude in wetenschappelijk onderzoek

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 1 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Fraude in wetenschappelijk onderzoek (met name kankerstudies) en misleidende "wondermiddelen" worden bestreden via EU-regels voor markttoelating (EMA, FAGG, verplichte registratie klinische proeven) en ethische codes (Sciensano, universiteiten, FWO), met sancties zoals financieringsverlies of ontslag. Federale toezicht op onbewezen behandelingen verloopt via het RIZIV en de Toezichtcommissie, terwijl palliatieve zorg en patiëntenorganisaties (CEBAM, Kankercentrum) informatieverspreiding en klachtenafhandeling moeten versterken. Nieuwe initiatieven zoals een meldpunt voor misleidende claims (via Antikankerfonds) en strengere peer review worden voorgesteld, maar veel acties vallen onder regionale/gemeenschapsbevoegdheden (onderwijs, onderzoek). Kwetsbare patiënten (uitbehandelde kankerpatiënten) blijven een doelwit, ondanks bestaande wetgeving en sensibiliseringscampagnes.

Frieda Gijbels:

Mijnheer de minister, recent verscheen een bericht in de media dat naar schatting 2 % van alle wetenschappelijke studies frauduleus zou zijn en dat kankeronderzoek daar het vaakst in betrokken zou zijn. Dat werd ook bevestigd door het Antikankerfonds. Dit zou komen omdat sommige onderzoekers er in de zoektocht naar financiering voor kiezen om niet noodzakelijk de correcte maar wel de positieve resultaten te publiceren. Het is natuurlijk ook een gekend fenomeen dat wetenschappelijke artikels die positieve resultaten brengen gemakkelijker worden gepubliceerd dan onderzoek dat geen of negatieve resultaten genereert. Daarnaast blijkt het vaak moeilijk om frauduleuze publicaties in te trekken, waardoor misleidende informatie blijft circuleren.

Sommige commerciële ziekenhuizen zouden hiervan misbruik maken door patiënten valse hoop te geven en hen dure onbewezen "wondermiddelen" aan te bieden, zonder wetenschappelijke onderbouwing. Dit zou de patiënt duizenden euro's kunnen kosten, terwijl er geen enkele wetenschappelijke garantie op effectiviteit is.

Mijnheer de minister, bestaat er vandaag federale wetgeving om op te treden tegen fraude in wetenschappelijk onderzoek? Zo ja, welke wetgeving? Worden hieraan ook bepaalde sancties gekoppeld?

Hoe verloopt de samenwerking tussen de federale overheid en wetenschappelijke instellingen zoals Belspo om deze problematiek aan te pakken? Werkt de federale overheid hieromtrent ook samen met andere onderzoeksinstellingen? Welke initiatieven neemt de federale overheid om te verhinderen dat ziekenhuizen of zorgverstrekkers in de ambulante zorg wetenschappelijk onbewezen behandelingen aanbieden? Zijn er wetgevende kaders om dat tegen te gaan? Is daarover overleg met de gemeenschappen?

Op welke manier tracht de federale overheid patiënten beter te informeren over misleidende claims van niet-wetenschappelijk onderbouwde wondermiddelen? Zijn er gevallen bekend van frauduleuze onderzoeken met betrekking tot gezondheidszorg in ons land?

Zijn er volgens u bijkomende federale wetgevende initiatieven nodig om patiënten te beschermen tegen misleidende claims? Waaraan zou u in dat geval denken?

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw Gijbels, ik wil een onderscheid maken tussen fraude in wetenschappelijk onderzoek in de aanloop naar het krijgen van een marktvergunning en fraude in wetenschappelijke publicaties.

Wat betreft maatregelen tegen fraude in wetenschappelijk onderzoek wat nodig is in het kader van een marktvergunning, moet ik zeggen dat kankermedicijnen alleen op de markt komen met een marktvergunning via de Europees gecentraliseerde procedure van het EMA. De transparantieregels voor klinische proeven werden in 2023 aangescherpt. Bedrijven en onderzoekers moeten vooraf primaire en secundaire eindpunten registreren in het Clinical Trials Information System, zodat negatieve resultaten niet kunnen worden achtergehouden. Klinische proeven worden goedgekeurd door nationale bevoegde autoriteiten, zoals het FAGG in België, en moeten aan strikte normen voldoen. Elke studie kan worden geïnspecteerd in geval van twijfel of inconsistenties in de gegevens. De EU Clinical Trial Regulation verplicht de registratie vooraf van alle studies in een centraal systeem, waardoor fraude wordt ontmoedigd.

Fraude in wetenschappelijke publicaties wordt vooral aangepakt via ethische codes en integriteitsregels, eerder dan via specifieke federale wetgeving. In België geldt een ethische code voor wetenschappelijk onderzoek. Veel financieringsinstanties, zoals het FWO, hanteren integriteitsclausules. Binnen Sciensano is er een deontologische code en een integriteitscomité. Universiteiten hebben vaak meldpunten en commissies voor wetenschappelijke integriteit. In Vlaanderen kan de Vlaamse Commissie voor Wetenschappelijke Integriteit een tweede opinie geven.

Sancties voor fraude variëren van een publieke melding tot het verlies van financiering of ontslag, afhankelijk van de ernst van de inbreuk. Hoofdredacteurs en uitgevers kunnen voor advies terecht bij het Committee on Publication Ethics. Grote uitgevers zoals Elsevier en Springer onderschrijven deze richtlijnen.

Wat betreft uw tweede vraag over de samenwerking, er wordt actief samengewerkt tussen Sciensano, de Hoge Gezondheidsraad en het KCE om procedures uit te werken die de wetenschappelijke integriteit versterken. Zo werd er bijvoorbeeld in 2024 een nieuwe procedure opgestart binnen Sciensano om belangenconflicten te melden op basis van een gezamenlijk uitgewerkte algemene belangenverklaring en een gezamenlijke wens van zowel de Hoge Gezondheidsraad, het KCE als Sciensano.

In antwoord op uw derde vraag kan ik om te beginnen zeggen dat er welomschreven procedures bestaan binnen het RIZIV om te bepalen welke behandelingen terugbetaald worden. Daarvoor moet aan strenge wetenschappelijke standaarden voldaan worden.

De niet-terugbetaalde behandelingen zijn moeilijk op te volgen. Voor de vergoeding van iatrogene schade is een wet van kracht. Het is duidelijk dat kankerpatiënten, vooral wanneer ze uitbehandeld zijn in het traditioneel zorgsysteem, een kwetsbare groep vormen. Een mogelijke strategie om misbruik van die kwetsbaarheid tegen te gaan, kan zijn inzetten op betere palliatieve zorg vanaf het begin van elke behandeling. In Vlaanderen is er geïnvesteerd in netwerken voor palliatieve zorg, zoals u weet.

Zorgverstrekkers die bewust, of misschien niet helemaal bewust, onbewezen wetenschappelijke behandelingen aanbieden, kunnen daarop worden aangesproken door de Federale Toezichtcommissie naar aanleiding van een klacht of een melding of op initiatief van de Toezichtcommissie zelf.

In uw vierde en vijfde vraag hebt u het over informatie over zogenaamde wondermiddelen. Ik denk dat patiëntenorganisaties daarin een belangrijke rol spelen. Ze worden actief betrokken bij de werking van het Kankercentrum binnen Sciensano, via de zogenaamde European Beating Cancer Plan Mirror Group, team Burger- en Patiëntenparticipatie, en de deelname aan het Patiënt Expert Center. CEBAM, u ook wel bekend, lanceerde Gezondheid en wetenschap, een website en podcast gericht op het verspreiden van onderbouwde wetenschappelijke kennis naar het bredere publiek. Infosanté doet hetzelfde aan Franstalige kant.

Op uw zesde vraag, kleinschalige fraude zoals harking en onterecht auteurschap zal altijd voorkomen, omdat onderzoekers blijkbaar soms niet aan de verleiding kunnen weerstaan. Het doctoraat van Simon Godecharle over integrity en fraude in biomedical research van 2018 toonde onder andere aan hoe vaak fraude nog voorkomt. Het is belangrijk om continu in te zetten op integere onderzoekspraktijken.

Dan kom ik bij uw laatste vraag, over bijkomende federale wetgevende initiatieven. We kunnen de Europese agenda misschien versterken door proactief onderzoek naar fraude met gezondheidsproducten op Europees grondgebied en de coördinatie daarvan door het EMA op de agenda te zetten. We kunnen een meldpunt misleidende claims voorzien voor patiënten en zorgverleners bij het Antikankerfonds, de Stichting tegen Kanker, Kom op tegen Kanker. We kunnen sterker inzetten op de sensibilisering met betrekking tot risico's van niet-erkende buitenlandse therapieën. Ik denk dat we de wetenschappelijke integriteit en de deontologie die daarbij hoort sterker kunnen proberen aan te brengen op verschillende momenten in de onderzoeksloopbaan van onderzoekers. We kunnen peer review opwaarderen, zodat de reviewers grondiger nalezen.

U voelt het natuurlijk ook aan, dat ligt voor een stuk buiten de federale bevoegdheden, want het heeft steeds met opleiding en onderzoeksbeleid te maken. We moeten hier vooral rekenen op wat reeds gebeurt op het niveau van Sciensano, de Hoge Gezondheidsraad, het KCE en het EMA wat onze bevoegdheden betreft.

Frieda Gijbels:

U gaf het ook aan, het zijn vooral kankerpatiënten die in het reguliere circuit uitbehandeld zijn die kwetsbaar zijn op dat vlak. Ik vind het een belangrijke problematiek. Sensibiliseren en laagdrempelige, goed begrijpbare informatie verspreiden via websites, zoals Gezondheid en wetenschap, is heel goed. Het meldpunt dat u voorstelt om misleidende claims te verzamelen zou ook een heel goede zaak zijn. We moeten we er dan vooral op vertrouwen dat mensen zelf ook vertrouwen hebben in die websites en vooral daar informatie gaan zoeken.

De cyberveiligheid in de zorgsector
De cyberaanvallen op ziekenhuizen
Digitale beveiliging in de gezondheidszorg

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 1 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De NIS2-richtlijn plaatst ziekenhuizen die voldoen aan de criteria van middelgrote of grote ondernemingen onder essentiële dienstverleners, met strengere cyberveiligheidseisen, meldingsplicht (sinds 18 oktober) en mogelijke sancties bij non-conformiteit. 20-40 miljoen euro aan budget (2022-2024) ondersteunt ziekenhuizen via risicoanalyses, sensibilisering, gedeelde kennis (o.a. via *Shield ASBL*) en penetratietests, maar kleine zorgverstrekkers buiten ziekenhuizen vallen (nog) niet onder dezelfde regels, wat een potentieel risico vormt. Cyberaanvallen kostten Belgische ziekenhuizen de afgelopen jaren 300.000 tot 5 miljoen euro per incident (o.a. CHRSM, Heilig Hart Mol), terwijl slechts enkele ziekenhuizen nu al voldoen via ISO 27001-certificering. Toezicht en handhaving focussen op geleidelijke verbetering, met sancties als laatste redmiddel.

Frieda Gijbels:

Mijnheer de minister, in een eerdere vraag vroeg ik u al naar de noodzaak van de verbetering van de cyberveiligheid in onze ziekenhuizen, want we hebben te maken met een digitalisering van de zorg. Dat is goed, dat brengt efficiëntiewinsten met zich mee, maar dat houdt natuurlijk ook in dat er een steeds grotere dreiging ontstaat van cyberaanvallen waaraan we het hoofd moeten bieden.

Door de omzetting van de NIS2-richtlijn vallen ziekenhuizen onder de leveranciers van essentiële diensten – althans als ik dat goed heb begrepen – waardoor ze voortaan ook een meldingsplicht hebben en aan strengere cyberveiligheidsvoorwaarden moeten voldoen. Bijgevolg brengen die nieuwe en strengere voorwaarden ook de nodige aanpassingen voor de gezondheidssector met zich mee.

Kunt u bevestigen dat ziekenhuizen door de omzetting van de NIS2-richtlijn naar nationale wetgeving voortaan tot de leveranciers van essentiële diensten behoren?

Worden ziekenhuizen ondersteund in de voorbereiding op de strengere voorwaarden die de NIS2-richtlijn met zich meebrengt? Zo ja, op welke manier? Worden er, bijvoorbeeld, ook opleidingen voorzien voor het zorgpersoneel of voor veiligheidsmedewerkers om hen te leren werken met de verplichtingen die de richtlijn met zich meebrengt?

NIS2 bepaalt ook dat er voortaan een meldingsplicht is voor ziekenhuizen. Zijn de ziekenhuizen op de hoogte gesteld van de praktische implementatie daarvan? Is er een bepaalde termijn vastgelegd tegen wanneer alle ziekenhuizen daaraan zouden moeten voldoen? Zijn er ziekenhuizen die al conform zijn, die al in orde zijn en de meldingsplicht al toepassen? Zo ja, wordt daarover een rapport uitgebracht dat eventueel ook beschikbaar wordt gesteld?

Hoeveel ziekenhuizen zijn momenteel al volledig in overeenstemming met de eisen die voortvloeien uit de NIS2-richtlijn? Hoe zal er worden omgegaan met ziekenhuizen die achterblijven op het vlak van de implementatie?

Valt de volledige zorgsector onder de nieuwe wetgeving, dus ook de extramurale diensten? Zijn de voorwaarden en de implementatie van NIS2 voor alle onderdelen van de zorgsector dezelfde of wordt er in een specifiek regime voorzien?

Ludivine Dedonder:

Monsieur le ministre, dans le contexte géopolitique instable que nous connaissons, nous avons pu voir que les cyberattaques étaient régulières et qu'elles pouvaient aussi cibler des infrastructures civiles.

Ces dernières années, nous avons assisté à cette recrudescence d'attaques visant également des infrastructures hospitalières belges. Cela met forcément en péril la continuité des soins ainsi que la sécurité des données des patients. De plus, ces incidents mettent en évidence la vulnérabilité de notre système de soins face aux menaces numériques et soulèvent la question des mesures de prévention et de réponse mises en place. Par ailleurs, outre les perturbations directes des services médicaux, ces cyberattaques ont un coût financier non négligeable pour les établissements, sans compter les conséquences pour les patients et pour le personnel hospitalier.

Monsieur le ministre, quelles actions concrètes ont-elles été mises en place pour renforcer la résilience des systèmes informatiques de nos hôpitaux et éviter de nouvelles paralysies du système de soins à l'avenir?

Disposons-nous d'une estimation chiffrée de l'impact financier des cyberattaques sur les hôpitaux belges au cours des cinq dernières années?

Des moyens supplémentaires sont-ils prévus pour soutenir les hôpitaux dans la sécurisation de leurs infrastructures numériques? Profitez-en, monsieur le ministre, la Défense aura beaucoup de moyens! La défense, c'est aussi protéger nos infrastructures hospitalières.

Frank Vandenbroucke:

Collega's, de omzetting van de NIS2-richtlijn in Belgische wetgeving voorziet dat die van toepassing is op elke rechtspersoon of andere instantie die op het Belgische grondgebied wettelijke gezondheidszorg verstrekt en daarbij voldoet aan de criteria van een middelgrote onderneming of die overstijgt.

Ziekenhuizen met de hoedanigheid van middelgrote onderneming zullen als een belangrijke entiteit worden erkend. Ziekenhuizen die de plafonds van middelgrote ondernemingen overstijgen, zullen als een essentiële entiteit worden erkend.

Madame la présidente, vous avez raison de dire qu'il s'agit d'un enjeu important – et je dirais même essentiel – dans le contexte géopolitique actuel. Le secteur a déjà bénéficié d'un effort budgétaire du gouvernement pour renforcer la cybersécurité. Pour rappel, un budget de 20 millions d'euros a été alloué pour la période 2022-2023, et à partir de 2023, 15 millions d'euros récurrents ont été prévus pour soutenir le programme cyber, avec une injection supplémentaire de 40 millions d'euros en 2024.

Ce programme vise à prévenir de nouvelles paralysies en s'assurant que l'ensemble du secteur atteint un niveau de maturité équilibré. Les hôpitaux étant de plus en plus interconnectés, la sécurité du secteur dépend du maillon le plus faible. Il est donc fondamental d'accompagner à la fois les entités les moins avancées et celles qui disposent déjà d'un bon niveau de maturité en matière de cybersécurité.

Les priorités définies en collaboration avec le secteur se concentrent sur les thématiques suivantes: la mise en place d'une équipe pour répondre aux incidents; la sensibilisation à la cybersécurité; le partage des connaissance et des documentations; le test de pénétration des systèmes d'information; l'assistance à la réalisation d'une analyse de risques.

L'objectif est de poser les bases d'une amélioration continue et collective pour renforcer la résilience et la sécurité du secteur. Par exemple, grâce à ce budget, un partenariat entre les hôpitaux (Shield ASBL) a également été initié par Ziekenhuis Oost-Limburg (ZOL) – un hôpital dans la province de Limbourg –, dans le cadre duquel des cahiers de charges centraux sont émis pour divers services de cybersécurité.

Wat de meldingsplicht betreft, bij de invoering van NIS2 werden de entiteiten die onder deze regelgeving vallen op de hoogte gebracht van de meldingsplicht bij incidenten. Die meldingsplicht is van toepassing sinds 18 oktober. Enkele ziekenhuizen en zorginstellingen hebben al melding gedaan van een incident.

Mevrouw Gijbels, de naleving van de NIS2-regelgeving valt onder de verantwoordelijkheid van de bestuurders van de entiteit. De ziekenhuizen kunnen een beroep doen op ondersteuning voor het uitvoeren van een risicoanalyse om zo hun werkpunten met betrekking tot het voldoen aan NIS2 te identificeren.

Al vóór NIS2 werd ingevoerd, hebben verschillende ziekenhuizen de regeling van hun informatieveiligheid laten certificeren volgens het ISO 27001-kader. Die certificatie kan, mits ze bevestigd wordt door een conformiteitsbeoordelingsinstantie erkend door het Centrum voor Cybersecurity België, gebruikt worden om conformiteit aan te tonen.

De ziekenhuizen die erkend worden als essentiële entiteiten zullen op een regelmatige basis worden gecontroleerd op de naleving van de regelgeving. De NIS2-regelgeving voorziet naast toezicht ook sancties voor entiteiten die de regelgeving niet correct naleven. Die sancties dienen echter beschouwd te worden als laatste middel nadat het ziekenhuis corrigerende maatregelen heeft kunnen nemen, daarbij al dan niet gesteund door de sectorale overheid voor de ziekenhuizen aangesteld binnen de NIS2-regelgeving.

Zoals vermeld onder punt 1 is de NIS2-regelgeving van toepassing op elke rechtspersoon of andere instantie die op het Belgische grondgebied wettelijke gezondheidszorg verstrekt en daarbij voldoet aan de criteria van een middelgrote onderneming of die overstijgt. NIS2 voorziet een risicogebaseerde aanpak, waarbij onder andere criteria zoals kosten en maatschappelijk risico in overweging worden genomen. Afhankelijk daarvan kunnen entiteiten gepaste maatregelen nemen om het risico op incidenten op een aanvaardbaar niveau terug te brengen.

Madame Dedonder, il est à vrai dire difficile de fournir une estimation chiffrée précise de l'impact financier des cyberattaques sur les hôpitaux belges au cours des cinq dernières années, notamment parce que ces institutions ont également dû gérer une crise sanitaire majeure pendant cette période. À cela s'ajoute le fait que certains hôpitaux n'ont pas eux-mêmes procédé à une estimation précise des coûts engendrés par les attaques qu'ils ont subies.

Parmi les exemples documentés, le Heilig Hartziekenhuis de Mol a estimé le coût de la cyberattaque de février 2021 à un montant compris entre 700 000 euros et 1 million d'euros, soutenu par une cyberassurance. La clinique Saint-Luc de Bouge a signalé une perte, suite à une attaque en octobre 2021, d'environ 1 million d'euros, tandis que la clinique André Renard de Herstal a évalué l'impact d'une attaque en janvier 2022 à 300 000 euros. Pour d'autres établissements, comme le CHU de Liège, Vivalia, le CHC MontLégia, le CHU Saint-Pierre ou encore l'AZ Herentals, aucune estimation précise n'a été communiquée. Enfin, le CHRSM a indiqué que la remise en service suite à la cyberattaque de mai 2022 a nécessité un budget compris entre 3 et 5 millions d'euros. On parle donc de montants très conséquents.

Telles sont les informations dont je dispose. Il s'agit aussi d'un enjeu très important pour les politiques à mener par le gouvernement actuel.

Frieda Gijbels:

Mijnheer de minister, het is goed dat u ook verwijst naar het Shieldinitiatief van het ZOL, het Jessa Ziekenhuis en de UHasselt. Dat is echt een goed initiatief, dat misschien ook als voorbeeld kan worden gebruikt voor andere zorginstellingen en onderwijsinstellingen.

U wees zelf ook op de interconnectiviteit tussen ziekenhuizen en een mogelijke zwakke schakel daarin. Ik vraag mij dan ook af hoe we moeten kijken naar andere zorgverstrekkers die niet in instellingen werken en die waarschijnlijk ook iets minder maatregelen nemen voor cyberveiligheid. Ik ben daar technisch niet erg in onderlegd, maar ik kan me voorstellen dat dat ook een zwakke schakel in het systeem zou kunnen zijn. Ik pleit zeker niet voor heel strenge voorwaarden voor alle individuele zorgverstrekkers, maar op het niveau van het ziekenhuis moeten daarvoor wellicht maatregelen worden genomen.

Ik kijk dus graag mee uit naar die ontwikkelingen. Zoals mijn collega ook al zei, zouden gezien de geopolitieke situatie ziekenhuizen weleens een doelwit kunnen zijn. Dat is dus zeker iets om goed in de gaten te houden.

Ludivine Dedonder:

Pour ma part, je suis convaincue que cette guerre hydride est la menace principale pour notre pays. Vous l’avez dit, le coût d’une cyberattaque peut varier entre 300 000 euros et 4 millions d’euros. Souvenons-nous également des chiffres qui avaient été évoqués quand les départements gouvernementaux ont été attaqués; le montant de leur réparation s’élevait à des chiffres colossaux. Il faut donc donner les moyens aux hôpitaux pour faire de la prévention, pour créer des pare-feux suffisamment puissants pour éviter de telles attaques. Vous avez d’ailleurs évoqué des chiffres. Il ne faut surtout pas faire d’économies dans ce cadre, puisqu’elles se paieraient deux fois plus cher par la suite. En ce qui me concerne, la défense, la sécurité, la protection des citoyens doivent aussi être exercées dans ce cadre. Je compte sur votre vigilance.

Spiking
Spiking en veiligheid
Spiking
Spiking
Spiking
De nieuwe reeks verkrachtingen onder invloed van drugs
Spiking, drugs, verkrachting, veiligheid

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie), Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 27 maart 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de spiking- en verkrachtingsgolf in Kortrijk (41+ slachtoffers, vooral vrouwen gedrogeerd met ketamine) en de structurele falen in preventie, repressie en slachtofferopvang. Politici eisen strengere straffen (o.a. verzwaring Wet-Lejeune), betere politiecontroles, laagdrempelige aangifte (digitaal/anoniem), sensibilisering (horeca, uitgaanders) en meer middelen voor zorgcentra en politie, maar kritiek blijft dat lokale besturen (Kortrijk) te laat reageerden en daders vaak ongestraft blijven door gebrek aan bewijs en capaciteit. Ministers Verlinden en Quintin beloven integrale aanpak (preventie, opsporing, opvang), maar oppositie noemt dit onvoldoende concreet zonder extra budget of snelle justitiële verbeteringen.

Voorzitter:

Ik zie mevrouw De Vreese niet. Misschien kan de heer Demon eerst zijn vraag stellen?

Franky Demon:

(…) 20 jaar en geniet volop van haar studentenleven. Ze zou zonder zorgen met haar vrienden en vriendinnen moeten kunnen uitgaan en genieten van een drankje. Ik zeg wel degelijk: zou. De verhalen uit Kortrijk tonen aan dat zorgeloos uitgaan jammer genoeg niet vanzelfsprekend is. Uit de cijfers die ik recentelijk heb opgevraagd, blijkt dat het aantal meldingen van aanranding en verkrachting na spiking in de afgelopen jaren verdubbeld is. En die cijfers geven misschien nog maar het topje van de ijsberg weer. Zorg er alstublieft voor dat mensen laagdrempelig en digitaal een aangifte kunnen doen.

Mijnheer de minister, cd&v vraagt een veiligheidsbeleid op maat van de uitgangsbuurten. Zorg ervoor dat de politie zeer laagdrempelig aanspreekbaar is. Voorzie in elke studentenstad in een studentenflik en zet alstublieft ook in op sensibilisering. Werk samen met de horeca en met het middenveld. Er zijn enorm veel goede praktijkvoorbeelden.

Voor wie zich echt niet kan gedragen, meen ik dat we keihard moeten zijn, mevrouw de minister. Maak vandaag indien mogelijk, liever dan morgen, werk van een verstrenging van de Wet-Lejeune voor daders van seksueel misbruik. Het zou onze eigen dochter kunnen zijn, of de dochter van één van de collega's. Ik heb dan ook maar één vraag. Voor cd&v is veilig uitgaan immers een absolute prioriteit. Hoe pakt u samen het fenomeen spiking aan?

Maaike De Vreese:

Ministers, walgelijk, er is maar één woord voor, het is walgelijk en ook zo extreem laf. Collega's, jonge vrouwen worden gedrogeerd om daarna aangerand, verkracht te worden. Meer dan veertig slachtoffers hebben zich ondertussen al gemeld. De omvang van die zaak in Kortrijk is gigantisch groot.

Wat moeten we daarmee doen? Ja, streng straffen, natuurlijk streng straffen. Repressie is het eerste wat in ons opkomt en de daders moeten zeer streng gestraft worden. Daarnaast doen we al zoveel zaken op het vlak van preventie. Denk bijvoorbeeld aan Ask for Angela en ook aan de app 112, die nog veel meer bekend moet geraken. Met de app 112 kunnen slachtoffers met een druk op een knop laten weten dat zij slachtoffer zijn van een incident en via gps weet de politie ook onmiddellijk waar de slachtoffers zich bevinden. Er zijn onder andere door innovatie bovendien al manieren om zelf drugs te detecteren. Een rietje in het glas kan, bijvoorbeeld, aantonen dat er drugs in dat glas zitten. Nog veel belangrijker is dat men veel meer controleert, dat men drugscontroles uitvoert in onze uitgaansbuurten.

Jongeren, ik roep u op om op elkaar te letten, voor elkaar te zorgen, samen uit te gaan en niemand achter te laten in een moeilijke situatie. Weet evenwel dat het nooit jullie schuld is. Het is nooit de schuld van het slachtoffer. Dus doe ook aangifte en zorg ervoor dat de daders er niet zomaar mee wegkomen. Probeer daartoe de moed te vinden om uiteraard andere slachtoffers te voorkomen.

Ministers, gezien de verschrikkelijke omstandigheden en ook gezien de schaal van het fenomeen en de verdubbeling van het aantal slachtoffers, hoe zult u zorgen voor de veiligheid in onze uitgaansbuurten? Hoe zult u die spiking aanpakken?

Funda Oru:

Mevrouw de minister, mijnheer de minister, een leuke avond verandert in een drama. Je voelt je misselijk. Je weet niet meer waar je bent. Je weet helemaal niks meer. Dat is het effect van spiking. Geen enkele vrouw wil zoiets meemaken, maar helaas is dat vandaag voor heel wat jonge vrouwen nog altijd een realiteit in het uitgaansleven, zoals vandaag bleek in Kortrijk, waar 41 en misschien zelfs meer jonge vrouwen, dochters, vriendinnen, werden aangerand, misbruikt of verkracht.

Wie denkt te helpen door die jonge vrouwen hiervan zelf de schuld te geven, heeft het mis, want iedereen, ook jonge vrouwen, hebben het recht om overal veilig te zijn, zeker ook in het uitgaansleven. Zeggen dat men zijn drankje maar beter in de gaten moet houden, is hetzelfde als zeggen dat men geen korte rokjes meer mag dragen als men uitgaat.

Laat het duidelijk zijn, het zijn de daders die we moeten viseren en niet deze jonge vrouwen. Dat is ook de reden waarom wij inzetten op de omstaandertrainingen, want alleen lossen we dit niet op. Het is aan de samenleving om ervoor te zorgen dat iedereen die zich in een kwetsbare positie bevindt, beschermd is.

Voor Vooruit is het duidelijk dat we deze daders moeten straffen en dat we ervoor moeten zorgen dat iedereen veilig is in het uitgaansleven. Heel belangrijk is ook de eerste opvang van slachtoffers, om te voorkomen dat een dergelijk drama tot een levenslang trauma leidt.

We weten allemaal dat het veel van onze politieagenten vraagt om op een uitgaansavond alle uitdagingen het hoofd te bieden, maar wij verwachten van hen dat ze een goede en deftige steun aan de slachtoffers geven. Zij hebben daar recht op. Zij rekenen dan ook op een sterke overheid en de steun aan onze agenten. Dat is voor ons de solidariteit waarop onze samenleving gebaseerd is.

Mijnheer de minister, mevrouw de minister, wat zal deze regering doen om een betere ondersteuning te geven (…)

Wouter Vermeersch:

Collega De Vreese, ik hoor u graag bezig, maar er moet mij toch iets van het hart. U weet ongetwijfeld dat Kortrijk werd en nog steeds wordt bestuurd door de N-VA, de liberalen en de socialisten. Reeds in de lente van 2022 voerde mijn partij in Kortrijk actie rond spiking en waarschuwde ze voor de gevaren ervan, maar we werden weggelachen en afgewimpeld, ook door uw vertegenwoordigers. Ondertussen zijn er 41 slachtoffers en wellicht nog veel meer.

Als de politieke verantwoordelijken in 2022 kordaat hadden ingegrepen, dan konden veel slachtoffers vermeden worden. Die verantwoordelijken zitten ondertussen allemaal in dit Parlement. Mijnheer de voorzitter, ik zal geen namen noemen om geen persoonlijk feit uit te lokken, maar de fractieleider van de N-VA was op dat moment schepen. De Kortrijkzaan van de Open Vld-fractie was uitvoerend en titelvoerend burgemeester. De zelfverklaarde defensiespecialist van Vooruit was toen ook schepen.

Allemaal dragen ze een verpletterende verantwoordelijkheid. De passiviteit van hun stadsbestuur heeft slachtoffers gemaakt. Het stadsbestuur kan immers lokaal concrete maatregelen nemen om spiking en seksueel geweld tegen te gaan: striktere sancties en handhaving, verhoogd toezicht en politiecontroles, intensievere samenwerking tussen lokale politie en justitie - Kortrijk leverde op dat moment zelfs de minister van Justitie, sensibiliseringscampagnes en een betere ondersteuning van slachtoffers.

Ook federaal kan er veel meer gebeuren. Dit is immers niet louter een Kortrijks probleem. Naast preventie is het cruciaal dat de politie sneller bewijzen verzamelt. Momenteel duren de onderzoeken veel te lang, waardoor daders ongestraft blijven en slachtoffers in de kou blijven staan. Mijnheer de minister, bent u bereid om meer bevoegdheden, middelen en mensen te voorzien om spiking effectiever aan te pakken?

Voorzitter:

Ik behandel een persoonlijk feit nadat de vragen beantwoord zijn. Het komt mij voor dat elke fractie slechts één fractievoorzitter telt.

Mevrouw Eggermont, u hebt het woord.

Natalie Eggermont:

Collega's, probeer het u even voor te stellen: u gaat uit met vriendinnen, drinkt amaretto-icetea en ineens gaat het licht uit. Uw vriendinnen zoeken u overal tevergeefs. Om vijf uur 's ochtends wordt u wakker op straat, opgepakt door de politie en gearresteerd voor openbare dronkenschap. U belandt in de cel. Dat is een waargebeurd verhaal. Later bleek dat meisje het slachtoffer te zijn geworden van spiking. Ze werd gedrogeerd en daarna verkracht.

Er vielen ondertussen al minstens 41 slachtoffers in Kortrijk. Dat is nog maar het topje van de ijsberg voor heel het land. Dat raakt heel veel mensen. Ik kom zelf ook uit Kortrijk. Als vrouw moeten we bang zijn om gewoon iets te gaan drinken met vriendinnen. Ik ben ook mama, ik heb een dochter. Ik vraag me echt af in welke wereld zij moet opgroeien.

Wat mij het meest verontwaardigt is de kloof tussen de ernst van wat er gaande is en de lichtzinnigheid waarmee er daarmee wordt omgegaan. De slachtoffers worden namelijk nog altijd niet serieus genomen, collega's. Ik heb de laatste maanden verhaal na verhaal gehoord van meisjes en vrouwen die aangifte doen en hulp vragen, maar worden weggestuurd. Ze worden onvriendelijk behandeld en niet geloofd. Wist u dat een van die 41 meisjes aangifte had gedaan bij het Rode Kruis? Ze werd weggestuurd. Daarop ging ze naar de politie en werd ze weer weggestuurd.

Wat was de respons van de politiek op dat moment in november, toen we er de eerste keer over discussieerden? "Er moeten geen verdere maatregelen worden genomen", zei de burgemeester van Kortrijk. Wat was de respons van het parket? "Meisjes, zorg voor elkaar." Vandaag wordt dat hier opnieuw gezegd: "Zorg voor elkaar". Alsof het hun verantwoordelijkheid is!

Collega's, die meisjes zijn het slachtoffer. Zij moeten worden beschermd, gehoord en geholpen. De daders moeten aangepakt en gestraft worden en dat is uw verantwoordelijkheid als ministers en hoofd van de politie en justitie.

Mijn vragen zijn dus heel duidelijk. Wanneer gaat u eindelijk wakker worden? Wat gaat u concreet doen om de veiligheid van vrouwen echt de prioriteit te geven die (…)

Voorzitter:

Bedankt, mevrouw Eggermont.

Catherine Delcourt:

Madame la ministre, monsieur le ministre, c'est avec beaucoup d'émotion que j'évoque les 41 victimes, des femmes droguées et violées. Il y a 5 auteurs. Cela se passe à Courtrai.

Mais cela s'est aussi passé ailleurs. Cela s'est passé au cimetière d'Ixelles et au bois de la Cambre. J'avais d'ailleurs interrogé le ministre de la Justice précédent sur ces faits.

Quarante et une victimes. Le chiffre est glaçant. On pourrait presque toutes les connaître par leur prénom. Au fond, elles rejoignent un nombre beaucoup plus important de victimes de violences sexuelles sous soumission – hommes et femmes, d'ailleurs.

On sait que, dans ce genre de cas, il est fondamental de signaler les faits très rapidement, sinon il est difficile de détecter la substance utilisée et d'identifier les auteurs. Il est très important de réagir vite et fermement.

Monsieur le ministre, quelles actions avez-vous entreprises lorsque vous avez eu connaissance de ces faits qui se sont déroulés à Courtrai? Avez-vous pris contact avec les autorités? Des mesures concrètes ont-elles été mises en place sur le terrain pour sécuriser les lieux, pour permettre aux femmes de sortir en toute liberté et en toute sécurité?

Quelle politique comptez-vous mener par rapport à ce phénomène de violences sexuelles, et dans ce cas-ci, sous soumission? Quels conseils peut-on donner aux femmes et aux hommes qui sont victimes de ce genre d'actes et qui ne savent généralement pas ce qu'ils doivent faire? Quels conseils peut-on leur donner pour les inviter à se signaler rapidement et être pris en charge de manière globale, et pour que leur situation soit reconnue et traitée comme il se doit?

Annelies Verlinden:

Collega's, uitgaan, op café gaan en van het nachtleven genieten zou vanzelfsprekend veilig en onbezorgd moeten kunnen gebeuren. Iedereen moet zich veilig voelen om uit te gaan, zonder angst of achterdocht.

De recente berichten uit Kortrijk en eerder uit andere steden in ons land tonen helaas heel pijnlijk aan dat dat nog lang niet altijd het geval is. Tientallen vrouwen werden aangerand en verkracht nadat er clandestien drugs in hun drankje werd gedaan. Wat zij meemaakten is afschuwelijk. Bovendien heeft dat inderdaad een gigantische impact op het hele sociale leven.

Als minister van Justitie, maar ook als mens, raakt mij dat ontzettend. Ik voel mee met alle slachtoffers en alle betrokkenen. Spiking is op zich al een criminele en laffe praktijk. Als dat dan ook nog eens gepaard gaat met seksueel geweld, is dat uiteraard ronduit traumatisch. Het is vreselijk, want wie uitgaat, is geen doelwit. Seksueel geweld mag nooit gebagatelliseerd of geminimaliseerd worden.

Het gerechtelijk onderzoek naar de incidenten in Kortrijk loopt. Er zijn al vaststellingen en arrestaties gedaan. Ik heb er het volste vertrouwen in, aangezien alles in het werk wordt gesteld om alle daders te identificeren en gepast te straffen. Tegelijkertijd moeten de slachtoffers alle mogelijke ondersteuning en bescherming krijgen.

Daders moeten streng worden gestraft. Daarover bestaat niet de minste twijfel. Voor het fenomeen van spiking voorzagen we bij de herziening van het seksueel strafrecht in het bijzonder in een verzwaring van het misdrijf. Indien daders van verkrachting hun slachtoffers weerloos maken door het toedienen van stoffen, staan daar maximumstraffen tot 20 jaar op.

In een rechtvaardige samenleving volstaat het echter niet alleen om daders aan te pakken. We hebben ook de plicht om slachtoffers beter te beschermen, te erkennen en te begeleiden. Wanneer het om seksueel geweld gaat, moeten we hun noden en hun kwetsbaarheid centraal stellen in de manier waarop Justitie, maar ook onze samenleving werkt.

Jongeren geven elkaar tips om veilig uit te gaan: de hand boven het glas houden, zijn of haar drankje meenemen naar het toilet en geen drank van vreemden aanvaarden. Ze zijn goedbedoeld en soms nodig, maar we mogen nooit – dat wil ik ten stelligste onderstrepen – de verantwoordelijkheid voor veiligheid bij de slachtoffers of de uitgaanders leggen. We dragen als samenleving een cruciale rol.

Als minister van Justitie zal ik samen met mijn collega's binnen de huidige regering mijn rol opnemen. Zo blijven we investeren in de zorgcentra na seksueel geweld. We willen die inrichten in het hele land, zodat afstand nooit een aanleiding kan zijn om niet te worden geholpen. We willen ook onderzoeken hoe we de werking van die zorgcentra kunnen verbreden, om ervoor te zorgen dat ook slachtoffers van online seksueel geweld kunnen worden opgevangen. Tevens willen we de mobiele stalkingalarmen en andere technologieën verder uitrollen, zodat slachtoffers zich te allen tijde en overal veilig kunnen voelen.

Bovendien kunnen we slachtoffers pas goed beschermen als adequate sturing van daders het risico per geval beperkt. Dat gaat uiteraard over streng straffen, maar ook over samenwerken met de gefedereerde entiteiten om goed te werken aan de opvolging en begeleiding van seksuele delinquenten. Rechters krijgen bovendien de mogelijkheid om een omgangsverbod van die daders met minderjarigen op te leggen wanneer ze een hoog recidiverisico hebben. We willen ook andere maatregelen invoeren, zoals bijkomende beperking bij elektronisch toezicht, om slachtoffers nog beter te beschermen. Ook zullen we de risicotaxatiesystemen verbeteren, zodat rechters bij hun inschatting van een concreet dossier de beoordeling nog beter en adequater kunnen maken.

Zoals jullie suggereerden, willen we ook de aangiftemogelijkheden zo laagdrempelig mogelijk houden. Dat doen we onder meer door online aangifte mogelijk te maken via Police-on-web. Op die manier kan bovendien anoniem aangifte worden gedaan. Vele slachtoffers willen immers dat het stopt en dat daders niet kunnen hervallen. Daarom zullen we samen ook werken aan een veilige uitgaansbeleving. Ik werk samen met collega Quintin aan een gecoördineerde aanpak met politie en parket.

Het is ook een breder maatschappelijk probleem, dat we samen in handen moeten nemen. Daarom is preventie belangrijk. U sprak al over Ask for Angela en de campagne Appelle Alice . We moeten dergelijke acties blijven doen en feestvierders ook aanzetten om te zorgen voor elkaar, niet omdat zij hun verantwoordelijkheid moeten nemen, maar wel omdat we absoluut voor hun veiligheid willen zorgen. Zorg dragen voor elkaar moeten we samen doen. Het gaat over respect. Het gaat over opvoeding. Het gaat over hoe we met elkaar spreken en omgaan, hoe we zorg dragen voor elkaar, thuis of online, maar zeker ook bij elke feestgelegenheid.

Het zou heel mooi zijn mochten we de feesten en festivals komende zomer zorgeloos tegemoet kunnen treden. (…)

Bernard Quintin:

Mijnheer de voorzitter, dames en heren volksvertegenwoordigers, sta mij toe te beginnen met het volgende heel duidelijk te stellen. Deze feiten in Kortrijk en overal in België, zijn onaanvaardbaar en verdienen onze en ook mijn strengste veroordeling. Waarvan akte.

De strijd tegen drugs is mijn topprioriteit. Het regeerakkoord en mijn beleidsverklaring waren duidelijk. Er is geen plaats voor dergelijke criminelen in onze samenleving. U kent de rode draad van mijn politiek op het vlak van druggebruik. We moeten zowel de gebruikers als de producenten van drugs aanpakken, ook in ons land.

Ketamine is sinds de jaren '90 aanwezig in Europa. Volgens het European Union Drugs Agency wordt de meeste in beslag genomen ketamine geïmporteerd uit India, Pakistan en China.

Il n'existe actuellement aucune réglementation européenne uniforme, ce que je déplore. Cela constitue un défi pour la politique européenne en matière de drogue et sa mise en œuvre.

La Belgique a inscrit les questions relatives à la kétamine à l'ordre du jour du programme EMPACT d'Europol dès 2023.

Uit een onderzoek van Sciensano blijkt dat ketamine in de top 4 staat van meest gebruikte drugs, naast cannabis, cocaïne en MDMA. In Kortrijk zou het gaan om spiking waarbij slachtoffers met ketamine zouden zijn verdoofd. Volgens de politie is er ook sprake van zedenfeiten, tegen de wil van slachtoffers in. Er zijn minstens 41 slachtoffers geïdentificeerd, van wie het merendeel vrouwen. De politie heeft inmiddels vijf verdachten opgepakt.

Si la drogue peut être obtenue facilement et à bon marché, il devient plus facile de commettre des délits tels que les délits moraux graves et le dopage. Le slogan du commissariat national aux drogues offre une stratégie claire à cet égard. Lorsque nous misons sur l'offre et brisons le modèle de gain des criminels, nous avons un impact sur les victimes de la criminalité liée à la drogue et sur la consommation des drogues telles que la kétamine.

Een groot struikelblok bij spiking is de bewijslast. Snel reageren is cruciaal, want sporen van drugs verdwijnen vaak al na zes tot acht uur uit het bloed en na twaalf uur uit de urine. Daarom is het cruciaal dat slachtoffers zo snel mogelijk naar een ziekenhuis gaan voor een bloedonderzoek en aangifte doen, zodra er vermoedens zijn van spiking, om een strafonderzoek te starten.

Ce sont des conseils que nous donnons déjà aux victimes et que nous devons amplifier.

Het recent ontwikkelde rietjessysteem aan de hogeschool UCLL in Leuven kan een belangrijke bijdrage leveren aan meer waakzaamheid en weerbaarheid bij potentiële slachtoffers. Het is belangrijk dat we dit soort technische hulpmiddelen aanmoedigen – ik doe dat – maar tegelijkertijd moet het duidelijk blijven, zoals u en mijn collega hebben gezegd, dat de verantwoordelijkheid nooit bij het slachtoffer ligt, nooit. Enkel en alleen de daders zijn verantwoordelijk voor dit misbruik.

Je m'inscris complètement dans la politique intégrale et intégrée qui y est et sera encore menée en concertation avec les différentes parties prenantes de la chaîne de sécurité: prévention, ordre – c'est ma part –, répression et suivi.

Je m'assure que l'action de la police, qu'elle soit fédérale ou qu'il s'agisse des polices locales – avec lesquelles je suis en contact permanent –, soit menée dans un esprit de contribution performant et adéquat. Cela se traduit concrètement dans l'assistance aux victimes – via les centres de prise en charge de violences sexuelles dont j'ai annoncé que nous allions compléter le réseau avec les trois centres qui manquent encore dans le pays –, la recherche, la formation des policiers et policières – nous venons de lancer un module obligatoire pour les policiers et les policières à la formation à l'accueil des victimes de violences sexuelles – et aussi bien sûr la sensibilisation qui existe déjà et sur laquelle on doit encore plus mettre l'accent.

J'ai demandé à mes services de mettre en œuvre une campagne de publicité sur l'application 112 et l'intérêt qu'il y a à la télécharger sur son téléphone et à l'utiliser. Comme je l'ai déjà affirmé à maintes reprises, chaque personne et singulièrement chaque femme, a le droit de sortir où elle veut, quand elle veut et de le faire en toute sécurité. Je m'y emploierai pendant mon mandat.

Maaike De Vreese:

Collega's, ministers, de studententijd zou eigenlijk de tijd moeten zijn dat men mooie herinneringen voor het leven maakt. Voor deze vrouwen wordt dat een traumatische herinnering in hun leven. Als men iets met vriendinnen gaat drinken, moet dat veilig zijn. Dat zou een evidentie moeten zijn.

Wat in Kortrijk en op nog andere plaatsen in dit land is gebeurd, toont aan dat de strijd tegen seksueel geweld tegen vrouwen absoluut niet gestreden is. Integendeel, de spikingproblematiek stijgt nog.

Daarom moeten we inderdaad preventief en repressief optreden, maar we moeten ook voor die slachtoffers zorgen. We moeten ervoor zorgen dat ze goed worden ondersteund, dat zij zich laagdrempelig kunnen aanmelden en dat zij op elk moment in het proces worden ondersteund.

Collega's, wij kunnen het absoluut niet toelaten dat die walgelijke daders het leven van jonge meisjes compleet (…)

Franky Demon:

Dank u wel, ministers. Zoals mevrouw Verlinden duidelijk zei, is de campagne Asking for Angela ook een goed voorbeeld, maar ik denk dat Angela stilaan verschillende gezichten aan het krijgen is. Iedereen kent wel een vriendin, een ouder, een buurmeisje die met het fenomeen te maken heeft gehad.

Onze fractie vraagt hier actie, maar ik vraag dat ook als vader. We kunnen dit niet pikken. We kunnen het probleem alleen samen aanpakken, met een sterk en duidelijk beleid.

Funda Oru:

Mijnheer en mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord en voor de inspanningen om daders strenger te straffen, slachtoffers beter te ondersteunen en het uitgaansleven veiliger te maken. Elke ouder moet erop kunnen rekenen dat zijn kind veilig kan uitgaan. Als jonge mama weet ik hoe het voelt om vol bezorgdheid te wachten op je kind. Minuten duren dan uren.

Het is extra pijnlijk dat het personeel dat zou moeten beschermen, zoals in Kortrijk, de dader blijkt te zijn. Hoe kunnen we van jonge meisjes en van jongeren verwachten dat ze hulp zoeken als ze niet eens meer weten wie ze moeten vertrouwen? Daarom is het personeel in het uitgaansleven essentieel. Voor Vooruit is veiligheid altijd een topprioriteit geweest en zal het dat ook blijven. Iedereen, en zeker jonge meisjes, moeten altijd en overal, zeker tijdens het uitgaan, veilig zijn. Ik sluit af met de woorden van de minister: veiligheid, preventie, orde en opvolging.

Wouter Vermeersch:

Mijnheer en mevrouw de minister, uw mooie woorden en loze beloftes zullen niet volstaan. De meest vreselijke verhalen blijven maar komen. De politiek neemt dit probleem al jaren niet ernstig. Slechts 1 dossier op 100 leidt tot een effectieve veroordeling van de dader. Verkrachting is in België en in Vlaanderen een misdaad die de facto onbestraft blijft.

Die straffeloosheid is onaanvaardbaar. Onze vrouwen, onze dochters moeten opnieuw veilig kunnen uitgaan. Het Vlaams Belang zal blijven strijden voor een kordate aanpak en voorstellen blijven formuleren, lokaal en nationaal, om onze steden en onze uitgaansbuurten opnieuw veilig te maken. Dit was, is en blijft een absolute topprioriteit.

Natalie Eggermont:

Mijnheer en mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord. Veel mooie woorden en verklaringen, maar ook heel veel gebrek aan concrete actie en middelen. U zegt nog steeds niet hoe belangrijk het is dat vrouwen voor elkaar zorgen, geen drank aannemen van vreemden en hun hand boven hun glas houden. U verwijst naar de campagne Ask for Angela, waarbij men naar de bar gaat om aan de barman hulp te vragen, maar in dit verhaal zijn de barmannen de daders.

We moeten echt verder gaan dan dat. Er zijn initiatieven voor de politie, maar die kampt met een gebrek aan mankracht en middelen om dat allemaal te kunnen doen. We krijgen zoveel signalen. Er zijn wel trainingen en vormingen, maar er is personeel te kort. Die taken komen bovenop hun takenpakket, terwijl het water hen nu al aan de lippen staat. Dat zal dus niet lukken. Er moeten extra middelen komen. Anders zijn dat loze woorden en daar hebben vrouwen echt niets aan.

Catherine Delcourt:

Madame la ministre, monsieur le ministre, merci pour vos réponses. Monsieur le ministre, on vous sait extrêmement volontaire et actif en matière de lutte contre le trafic de drogue. Et le trafic de drogue, ce sont aussi ces faits de viols sous soumission chimique. Nous ne pouvons pas considérer que c'est un phénomène collatéral, il est au cœur de la lutte contre le trafic de drogue.

Les victimes ont le droit d'être reconnues, prises en charge, aidées, accompagnées. Nous devons en faire une priorité pour la sécurité de tous ceux et de toutes celles qui sortent, qui en profitent, qui vivent et qui doivent pouvoir le faire en toute sécurité. La prévention, la répression – madame la ministre a été claire sur la fermeté et la dureté des peines – et, évidemment, l'accompagnement des victimes doivent être au cœur de votre politique. Je vous remercie d'accorder la priorité à ces faits.

Persoonlijk feit

Fait personnel

Voorzitter:

Ik heb een vraag gekregen inzake een persoonlijk feit. Het was weliswaar omfloerst meegedeeld, mijnheer de ondervoorzitter van de Kamer, waarmee ik niemand in het bijzonder bedoel, maar ik meen dat de N-VA-fractie maar één fractievoorzitter heeft.

Ik herhaal de regel dat het noemen van een naam niet volstaat voor een persoonlijk feit. In dezen werden verwijten gemaakt die te maken zouden hebben – ik houd me op de vlakte – met het beleid van de betrokkene.

U kent de regels, mijnheer Vermeersch. U krijgt nog de mogelijkheid tot repliek.

Axel Ronse:

Ik ben eigenlijk nog altijd bijzonder geëmotioneerd door de feiten. Ik heb zelden in mijn leven zoiets ergs meegemaakt. Het gaat om twee cafés die vrij bekend zijn in onze stad. Het zijn walgelijke beesten die aan de lopende band onschuldige dames hebben vergiftigd, verdoofd en verkracht. Ze hebben hen vies achtergelaten.

Mijnheer Vermeersch, als zou blijken dat ik als cultuurschepen in de periode tussen 2018 en 2024 ook maar iets meer gedaan kon hebben om de slachtoffers te beschermen, stop ik onmiddellijk met politiek. Onmiddellijk.

Ik meen, collega's, dat we onszelf geen blaasjes mogen wijsmaken. Walgelijke beesten zijn van alle tijden. Wij als politici zullen altijd het beste van onszelf moeten geven en vernieuwend moeten zijn om hen af te stoppen. Ze zullen echter altijd slimmer, vuiler of wat dan ook zijn dan we ons ooit kunnen inbeelden.

Ik zal u zeggen dat we er in Kortrijk nu voor hebben gezorgd dat er 40 extra politieagenten komen en dat er een afzonderlijke drugscel komt om de daders te pakken. Ik stel voor om hierover vooral geen politieke spelletjes te spelen, maar om eendrachtig samen, van links tot rechts, tegenover die walgelijke beesten te staan en er alles aan te doen om ze op te sporen, om ze te straffen en vooral om te verhinderen dat zulke walgelijke beesten nog kunnen doen wat ze gedaan hebben.

Ik zal u alle illusies besparen. Helaas lopen er nog in alle steden en dorpen van dit land zulke beesten rond. Het is onze grootste verantwoordelijkheid om hen te pakken en dergelijk gedrag te vermijden.

Voorzitter:

Mijnheer Vermeersch, wilt u nog repliceren?

Wouter Vermeersch:

Collega Ronse, wijzen op politieke verantwoordelijkheid is geen politieke spelletjes spelen. Als burgemeester en schepenen hebben jullie natuurlijk een collectieve verantwoordelijkheid voor de veiligheid in de straat, opdat onze vrouwen en dochters veilig over straat kunnen en kunnen uitgaan. In mei 2022, drie jaar geleden beste collega's, hebben wij actie gevoerd rond spiking in onze stad, op de straat vlak voor het stadhuis, zodanig dat u het zeer goed zou zien en weten. We hebben vervolgens ook geïnterpelleerd in de gemeenteraad rond spiking in de stad, maar er zijn geen acties gevolgd. Er is een verpletterende politieke verantwoordelijkheid. Het stadsbestuur heeft die feiten niet aangegrepen om kordaat in te grijpen en heeft drie jaar verloren laten gaan, drie jaar waarin er extra slachtoffers konden worden gemaakt door de beesten die u benoemt. Een stadsbestuur kan wel degelijk acties ondernemen. Ik heb ze ook opgesomd. U kon veel meer controles uitvoeren in de uitgaansbuurt. U kon de politie aansturen en meer sancties treffen. U kon zorgen – zeker de burgemeester kon dat doen, maar u zit samen met haar in het schepencollege – voor een betere samenwerking tussen de lokale politie en justitie. U kon zorgen voor sensibiliseringscampagnes en een betere ondersteuning van de slachtoffers. De collega van de PVDA heeft immers heel juist gezegd dat de slachtoffers onvoldoende gehoord en ondersteund zijn. Het stadsbestuur heeft een verpletterende verantwoordelijkheid, want zijn passiviteit heeft extra slachtoffers gemaakt. Dat is en blijft mijn bewering. Was er drie jaar eerder ingegrepen, dan waren er minder slachtoffers gevallen. U hebt uw verantwoordelijkheid daar niet genomen. Wij zullen als politieke partij geen spelletje spelen daarrond, maar te gepasten tijde zullen we u op die verantwoordelijkheid blijven wijzen.

De handelsoorlog tussen Europa en de VS

Gesteld aan

David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)

op 26 maart 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Clarinval betreurde Trumps protectionistische staaltarieven en waarschuwde voor negatieve gevolgen voor Belgische sleutelsectoren (staal, chemie, auto’s). Hij steunt de proportionele EU-tegenmaatregelen en benadrukt diversificatie via bestaande en nieuwe vrijhandelsakkoorden (o.a. schone technologie/energie) om afhankelijkheid te verminderen. Coenegrachts onderstreept het risico op eigen schade en pleit voor voorzichtige escalatie en versterking van handelspartnerschappen buiten de VS, cruciaal voor België’s exportafhankelijke economie. Beide benadrukken vrijhandel als basis voor welvaart, maar waarschuwen voor escalatie.

Steven Coenegrachts:

Mijnheer de minister, Amerikaans president Trump heeft importtarieven op staal ingevoerd. Europa reageerde daarop met tegenmaatregelen, waardoor er niet meer veel nodig is om van een handelsoorlog te spreken. We weten allemaal tot wat dat leidt: meer protectionisme zorgt voor minder economische groei en minder welvaart.

Hoe evalueert u de protectionistische houding van president Trump? Welke gevolgen verwacht u voor onze economie? Steunt u de tegenmaatregelen of ziet u andere oplossingen?

Wat kunt u doen om te voorkomen dat we verstrikt raken in een escalerend handelsconflict? Zijn er manieren om de vrijhandel met andere regio’s te versterken? Zou dat het verlies aan handel met de VS kunnen compenseren?

David Clarinval:

Mijnheer Coenegrachts, gezien de langdurige trans-Atlantische vriendschap betreur ik de ongerechtvaardigde tarieven, die een impact zullen hebben op consumenten en bedrijven aan beide kanten van de oceaan.

De Amerikaanse maatregelen en de tegenmaatregelen van de EU zullen een impact hebben op de Belgische economie. We hebben nu al een paar kritieke sectoren geïdentificeerd, waaronder de chemie-, de farma-, de metaal- en staalindustrie, kritieke grondstoffen, de automobielsector, transportmiddelen en machines en elektronische apparaten. We volgen de gevolgen van de maatregelen van nabij op via economische impactanalyses om onze belangen zo goed mogelijk te verdedigen.

Ik steun de Europese Commissie volledig in haar proportionele reactie op de Verenigde Staten. We zullen onderhandelen wanneer dat mogelijk is en we zullen terugslaan wanneer dat nodig is. Wat het handelsconflict betreft, verwijs ik naar de minister van Buitenlandse Zaken, Maxime Prévot, die hiervoor bevoegd is.

De versterking van onze toeleveringsketens en de vermindering van onze afhankelijkheid vereisen solide partnerschappen. De EU beschikt over een enorm netwerk van vrijhandelsakkoorden dat 76 landen dekt of bijna de helft van haar handel. Om onze toeleveringsketens te blijven diversifiëren en versterken, stelt de Europese Commissie een nieuwe reeks Clean Trade and Investment Partnerships voor. Zo kunnen we ook onze bevoorrading inzake grondstoffen, schone energie, duurzaam transport van brandstoffen en schone technologie van over de hele wereld veiligstellen. België steunt deze aanpak.

Steven Coenegrachts:

Mijnheer de minister, het betreft inderdaad unilaterale beslissingen van de Verenigde Staten, waarop Europa reageert. We moeten toch voorzichtig blijven, zorgen dat we niet meer in eigen vel snijden dan nodig is en goed kijken naar alternatieve vrienden in de wereld, met wie wij handel kunnen drijven. Goede relaties zijn immers de kern van onze welvaart en vrijhandel is de hoeksteen ervan. Een land dat sterk afhangt van export zoals het onze, kan niet zonder overzeese connecties. Wij moeten dat aandachtig in de gaten blijven houden en met veel zorg bekijken.

De daling van het aantal uitgezette illegale gedetineerden

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 26 maart 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De overbevolking in gevangenissen en dalende uitzettingen van illegale gedetineerden (van 1.511 in 2022 naar 1.261 in 2024) zijn rechtstreeks gelinkt aan de striktere uitvoering van korte straffen, waarbij vervroegde vrijlating moeilijker wordt en repatriëring vertraging oploopt door administratieve knelpunten en gebrek aan terugkeerakkoorden. Minister Van Bossuyt benadrukt dat de regering het aantal uitzettingen wil opvoeren via meer gesloten centra, extra terugnameakkoorden (gekoppeld aan visabeleid, handel en veiligheid) en betere samenwerking tussen Justitie en DVZ, maar een wetswijziging (bevoegdheid Justitie) is nodig om de vertraging door de externe rechtspositiewet aan te pakken. De Vreese hamert op versnelde tussenstatelijke overbrengingen (straf uitzitten in herkomerland) als meest efficiënte oplossing, maar wijst op capaciteitsgebrek bij de bevoegde dienst en pleit voor versterking ervan. De focus ligt op praktische afspraken met herkomstlanden om repatriëring vanaf detentie te vereenvoudigen.

Maaike De Vreese:

Mevrouw de minister, onlangs verschenen er heel wat artikels in de pers over de overbevolking in onze gevangenissen. Een thematiek die daarbij op de voorgrond trad, was het aantal gedetineerde illegalen, ongeveer 30 %, en de problematiek van hun repatriëring. Dat is blijkbaar een ongewenste bijwerking van de striktere uitvoering van de korte gevangenisstraffen tot drie jaar. Sinds de invoering van die wet is het aantal verwijderingen van gedetineerden gedaald van 1.511 in 2022 tot 1.261 in 2024.

Volgens de DVZ zijn de voornaamste oorzaken dat gedetineerden in onwettig verblijf vaker hun volledige straf uitzitten en het dus langer duurt vooraleer ze kunnen worden verwijderd. Sinds de uitvoering van de kortere straffen moet een rechter oordelen over de vrijlating in plaats van de gevangenisdirecteur en dat pas na een verzoek van de gedetineerde zelf. Rechtbanken zouden minder geneigd zijn om een vervroegde vrijlating toe te kennen en gedetineerden zijn minder happig om de procedure aan te vragen, in tegenstelling tot vroeger toen gedetineerden vervroegd werden vrijgelaten met het oog op onmiddellijke repatriëring. De wet op de externe rechtspositie werd op dat vlak heel strikt aangepast, waardoor gedetineerde illegalen voor geen enkele gunstiger strafuitvoeringsmaatregel in aanmerking komen. Zij kunnen enkel vervroegd vrijkomen als ze meewerken aan hun terugkeer en er een laissez-passer is.

Verder vormt ook de overbevolking van de gevangenissen een groot probleem. Door de verschillende noodmaatregelen zitten meer veroordeelden, gedetineerden in onwettig verblijf incluis, hun straf buiten de gevangenis uit. Daardoor is het moeilijker voor de DVZ om hen te verwijderen. De DVZ heeft immers schriftelijke toestemming en politiebijstand nodig om een woonst te betreden voor de repatriëring.

Bovendien, als iemand zijn straf thuis uitzit, wat primeert er dan? Het bestuurlijke, om die persoon terug te sturen naar zijn land van herkomst, of het feit dat hij strafrechtelijk zijn straf nog moet uitzitten? Daardoor ontstaan er vaak hallucinante situaties tussen de administraties en tussen justitie en de DVZ, bijvoorbeeld als iemand die zijn straf uitzit met een enkelband aangetroffen wordt op het grondgebied en de DVZ niet goed weet wat te doen.

Wat is uw standpunt met betrekking tot deze laatste ontwikkelingen en het perverse effect van de wet waardoor er minder gedetineerden illegalen worden uitgezet? Er lopen daarover gesprekken binnen de regering. Op welke manier kunnen wij dat aantal uitzettingen opkrikken? Welke opties zijn mogelijk en welke stappen zult u hiervoor ondernemen? Wanneer bent u hierover in overleg gegaan met uw collega-minister van Justitie? Welke stappen zult u ondernemen om meer terugkeerakkoorden met anderen landen te sluiten om de illegale criminelen rechtstreeks vanuit de gevangenis terug te sturen naar hun land van oorsprong?

Anneleen Van Bossuyt:

Mevrouw De Vreese, de gesprekken hierover binnen de regering zijn bezig. De regering heeft absoluut de intentie om het aantal gedetineerden in illegaal verblijf dat terugkeert te verhogen. Mijn departement zit samen met Justitie in de periodieke COTER-werkgroep (Coördinatie Terugkeer) om de concrete samenwerking op operationeel en strategisch vlak te bespreken. We willen de terugkeercijfers van illegale criminelen verhogen door het aantal plaatsen in gesloten centra te verhogen en door extra terugnameakkoorden te sluiten. Zoals het regeerakkoord voorschrijft, zullen we die terugnameakkoorden samen met andere departementen maken volgens de whole-of-government approach . Het is zeer belangrijk om op dit vlak met één stem te spreken. Inreisvisa, samenwerking inzake veiligheid en defensie en samenwerking inzake handel en economie zullen aan het sluiten van die terugnameakkoorden worden gekoppeld. Dat is een groot verschil met het verleden.

De vermindering van het aantal verwijderingen uit de gevangenissen betekent niet dat deze gedetineerden niet verwijderd zullen worden. Ingevolge de huidige wet op de externe rechtspositie van gedetineerden worden zij later verwijderd dan voordien mogelijk was. Als men dat wil aanpassen, dan is een wetswijziging noodzakelijk. Hiervoor verwijs ik naar de voor deze materie bevoegde minister, de minister van Justitie.

De Dienst Vreemdelingenzaken optimaliseerde de interne werking om sneller en meer te kunnen inzetten op de verwijdering van personen die aan het einde van hun straf zijn. Het DG Penitentiaire inrichtingen (DG EPI) en de DVZ houden regelmatig bilateraal overleg op operationeel en strategisch niveau om de samenwerking te optimaliseren. Tot slot, de tussenstatelijke overbrengingen van gedetineerden ressorteren ook onder de bevoegdheid van de minister van Justitie.

Maaike De Vreese:

Bedankt, mevrouw de minister. Die tussenstatelijke overbrengingen, waarbij iemand in illegaal verblijf zijn straf uitzit in het land van herkomst, zijn eigenlijk de eerste stap die zou moeten worden gezet. Dat is eigenlijk dé manier om mensen al heel vroeg in het proces terug te krijgen naar hun land van herkomst. Dan komt de Dienst Vreemdelingenzaken daar zelfs niet meer aan te pas. Die dienst bestaat momenteel maar uit een beperkt aantal mensen. De minister van Justitie moet dus eens goed bekijken op welke manier die dienst versterkt kan worden en op welke manier die het meest efficiënt kan werken. Dat is namelijk een dienst die zeer veel kennis in huis heeft. Ook bij het onderhandelen over terugnameakkoorden en in de contacten is het zeer belangrijk dat die tussenstatelijke overbrengingen aan bod komen, zodat het gemakkelijker wordt om die mensen terug te laten nemen. U stelt dus een terechte prioriteit voor deze regering. Veel succes daarmee en hopelijk zien we die cijfers binnenkort opnieuw stijgen.

De conclusies van de Europese Raad Justitie en Binnenlandse Zaken inzake asiel en migratie
De Raad Justitie en Binnenlandse Zaken en de externe dimensie van het migratiebeleid
De Europese Raad en de terugkeerhubs
Europese migratie- en asielbeleid, externe dimensies en terugkeermaatregelen

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 26 maart 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Tijdens de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken (5 maart 2025) lag de focus op terugkeerbeleid (Syrië, Afghanistan), EU-grensbeheer (Schengen, Eurodac) en het EU-migratiepact, met als kernpunt dat grootschalige terugkeer naar Syrië nog prematuur is, maar lidstaten welwillend zijn om vrijwillige en gedwongen terugkeer te faciliteren via *go-and-see-missies* en financiële steun (cash-uitkeringen door gebrek aan lokale partners). België steunt een gecoördineerd EU-beleid, inclusief de hervorming van de terugkeerrichtlijn (2008 → verordening 2025) voor snellere procedures, maar concrete terugkeerhubs blijven omstreden door juridische bezwaren (o.a. socialisten) en praktische obstakels. Secundaire migratie (M-statushouders) en Afghaanse terugkeer (beperkt door talibanbeleid) werden bilateraal besproken met Frankrijk, Nederland en Denemarken, zonder directe EU-afspraken. Nationale plannen (noodplan opvang, migratiestrategie) moeten tegen 12 april bij de Commissie ingediend worden.

Maaike De Vreese:

Mevrouw de minister, op 5 maart 2025 kwam de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken bijeen. In het kader van die bijeenkomst zouden de ministers van Asiel en Migratie ook overleg plegen. Op de agenda stonden onder meer het EU-grensbeheer, de EURODAC-databank, Syrië en de Schengenevaluatie. Het was het uitgelezen moment om ook enkele andere dossiers aan te kaarten. Denk aan de terugkeerakkoorden en meer specifiek de gedwongen terugkeer van Afghanen in EU-context, alsook aan de problematiek waarbij migranten met M-status, ondanks dat ze reeds een internationaal beschermingsstatuut kregen in Griekenland, toch doorreizen naar ons land om hier nogmaals asiel aan te vragen.

Kunt u toelichting geven over de recente vergadering van de Raad? Wat waren de voornaamste conclusies?

Welke collega's hebt u gesproken en welke samenwerkingen zullen hieruit voortvloeien?

Welk standpunt hebt u ingenomen inzake de terugkeer van Syriërs? Welke stappen zal de EU hieromtrent nemen?

Op welke manier zullen er concrete stappen worden genomen om het terugkeerproces te verbeteren?

Wat is de jongste stand van zaken van de uitrol van het EU-migratiepact?

Welke stappen worden er genomen voor de gedwongen terugkeer van Afghanen in een EU-context?

Hebt u gesproken over de problematiek van de M-statussen? Hebt u hieromtrent extra afspraken gemaakt?

Matti Vandemaele:

Mevrouw de minister, ik zal een korte versie brengen, gezien het vergevorderde uur.

Tijdens de vorige vragensessie gaf u aan dat de externe dimensie, waaronder de terugkeerhubs, een belangrijk agendapunt op de vergadering van de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken zou zijn. In het korte verslag daarover vinden wij niets terug, maar dat kan aan ons liggen.

De Europese Commissie heeft ondertussen een nieuw pakket aan maatregelen voorgesteld voor een eengemaakt terugkeerbeleid. Wat was het Belgisch standpunt in de Raad over de terugkeerhubs? Hoe zijn de gesprekken over de terugkeerhubs tot een conclusie gekomen? Is het werken aan terugkeerhubs nog steeds een standpunt van de regering? Welke juridische en praktische obstakels ziet u bij het opzetten van terugkeerhubs in derde landen?

Wanneer wordt het nieuwe pakket maatregelen besproken in de Raad en wanneer wordt het Belgisch standpunt bepaald?

Hoe zal België tijdens de onderhandelingen garanderen dat de terugkeerhubs geen rechteloze zones worden?

Hoe verhoudt het eengemaakt Europees terugkeerbevel zich tot het terugkeercontract van de regering? Het gaat immers over twee verschillende instrumenten en ik zie niet in hoe zij compatibel zijn met elkaar, maar u zult mij dat uitleggen.

Francesca Van Belleghem:

Op 5 maart kwam de Raad van ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken bijeen om verschillende migratiedossiers te bespreken, waaronder de zogenaamde terugkeerhubs. Op 11 maart werden die terugkeerhubs ook besproken in de Europese Commissie. Bovendien zouden ze zijn vermeld in de voorlopige tekst van de ontwerpverordening over het terugkeerbeleid.

Wat is het standpunt van de regering over de terugkeerhubs? Kunnen alle regeringspartijen zich in dat standpunt vinden of moet er nog naar een meerderheid worden gezocht? De totstandkoming van die terugkeerhubs vergt natuurlijk ook een meerderheid in het Europees Parlement, maar de socialistische leden zouden zich in het verleden al kritisch hebben uitgelaten over het principe van de terugkeerhubs. Vorige week maandag zou de socialistische fractie in een persbericht hebben laten weten dat de hubs geen deel kunnen uitmaken van de aanpak. Hebben de linkse partijen in de arizonaregering dezelfde bezorgdheden geuit?

Anneleen Van Bossuyt:

De vergadering van de Europese Raad van ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken was heel interessant en ik zal een vrij uitgebreid antwoord geven op uw vragen. Er werden daar heel belangrijke discussiepunten aangekaart en volgende conclusies vloeiden eruit voort.

Aangaande het grensbeheer en Schengen governance werden monitoring en aanpak van verschuivende migratiedruk, weerbaarheid tegen onrustwekkende hybride dreigingen en de verhoogde waakzaamheid ten opzichte van conflicten in het Midden-Oosten als belangrijkste prioriteiten benoemd.

Lidstaten legden hun focus bovendien sterk op verbetering van terugkeer in afwachting van het nieuwe terugkeervoorstel, dat ondertussen op 11 maart door de Europese Commissie werd gepubliceerd.

Aangaande het Entry/Exit System, Eurodac en algemene interoperabiliteit werd de geleidelijke en gecoördineerde implementatie doorgesproken en ook goedgekeurd

Wat de externe dimensie betreft, spitste de discussie zich toe op Syrië, waarbij de opties van go and see visits , waarover hier al vragen zijn gesteld, vrijwillige terugkeer en gedwongen terugkeer in het kader van openbare orde werden verkend.

We kunnen concluderen dat het nog te vroeg is voor grootschalige terugkeer, maar dat er wel een grote bereidheid is onder de lidstaten om terugkeer te faciliteren en dat ze nog van mening verschillen over de richting van de gecoördineerde Europese aanpak.

De Commissie en de internationale agentschappen werken samen om zo snel mogelijk pistes op tafel te leggen, op basis waarvan dan de discussie concreter gevoerd kan worden.

In de marge van de raadsvergadering heb ik bilaterale gesprekken aangeknoopt met enkele collega-ministers, namelijk van Luxemburg, Frankrijk, Nederland, Zweden en Denemarken. Ik heb ook informeel kennisgemaakt met Europees commissaris Brunner.

Intussen zijn we door verschillende collega's uitgenodigd het beleid verder bilateraal af te stemmen, waar we natuurlijk met veel plezier op zullen ingaan. De inhoud van de gesprekken ligt nog niet vast, laat staan de mogelijke samenwerkingen die eruit voort kunnen vloeien. Maar laat het duidelijk zijn, België steunt de gecoördineerde Europese initiatieven inzake de vrijwillige en de gedwongen terugkeer naar Syrië en Afghanistan.

Een zeer concrete stap was de publicatie op 11 maart van het voorstel tot herziening van de terugkeerrichtlijn van 2008. Om het Europese terugkeerbeleid te hervormen, deed de Commissie nu een voorstel tot terugkeerverordening, wat absoluut noodzakelijk is. België is al lange tijd voorstel van die hervorming, zeker omdat terugkeer de grote ontbrekende component was in het Europese Asiel- en Migratiepact. Het doel is te komen tot een snellere en efficiëntere terugkeer.

De meerderheid van de lidstaten heeft ondertussen zijn nationaal implementatieplan overgezonden naar de Commissie.

Collega De Vreese, u vroeg naar de stappen die ondertussen gedaan zijn met het oog op het Europese Asiel- en Migratiepact. België zal, zoals overeengekomen werd met de Commissie, zeer binnenkort een nieuwe versie van zijn nationaal implementatieplan sturen, waarin de nieuwe politieke richting zal worden weerspiegeld, en waarin duiding zal worden gegeven over het financiële aspect.

Ondertussen werken de lidstaten, inclusief België, aan hun nationaal noodplan inzake opvang en asiel, dat op 12 april aan de Europese Commissie overgezonden moet worden. Dat noodplan heeft als doel een weerbaarder opvang- en asielsysteem te creëren.

Tot slot starten de lidstaten met de uitwerking van hun nationale asiel- en migratiebeheerstrategie. Die strategie moet een omvattend en whole-of-governementbeleid inzake asiel en migratie beschrijven voor de komende vijf jaar.

De Commissie en de lidstaten zijn het eens over het belang van Eurodac voor een volledige en tijdige implementatie van het gehele pact. De Commissie roept de lidstaten dan ook op om nauw samen te werken met eu-LISA, het European Union Agency for the Operational Management of Large-Scale IT Systems in the Area of Freedom, Security and Justice.

Op Belgisch niveau wordt momenteel volop onderzocht hoe de technische en inhoudelijke aspecten van de nieuwe databank zullen worden uitgewerkt. België wordt, net als andere naburige landen, verhoudingsgewijs ten opzichte van het totaal aantal verzoeken om internationale bescherming, bijzonder zwaar getroffen door secundaire migratiestromen. In dat verband zien we de jongste jaren een tendens waarbij verzoekers om internationale bescherming al in een andere lidstaat een beschermingsstatus genieten. De toestroom van die personen, met M-status, die in feite in België geen nood hebben aan bescherming, aangezien zij die in een andere lidstaat genieten, verhoogt de dossierachterstand en draagt bij aan onze actuele opvangcrisis. Die problematiek kwam niet aan bod tijdens de ministerraad, maar werd wel aangekaart in het bilateraal overleg dat ik had met de Franse en Nederlandse ministers, die met gelijkaardige uitdagingen kampen.

Mijnheer Vandemaele, met het terugkeercontract zoals vervat in het regeerakkoord, beklemtonen wij de plichten die de te verwijderen derdelander heeft, vooral wat de samenwerking met de Belgische autoriteiten inzake de terugkeer betreft en verbinden wij sancties aan niet-medewerking. Die aspecten zijn reeds vervat in onze nationale wet betreffende het aanklampend terugkeerbeleid en zijn ook vervat in het wetgevend voorstel van de Europese Commissie.

Voor onze Belgische positie verwijs ik naar het regeerakkoord en naar het feit dat onze eerste minister reeds aan tafel zat met de zogenaamde gelijkgestemde partners, dus de migratierealistische landen. Naast het Europees asiel- en migratiepact zullen we pleiten voor een versterking van de externe dimensie van het migratiebeleid door meer en op verschillende manieren samen te werken met herkomst- en doorreislanden, alsook door andere nuttig geachte pistes te verkennen.

Wat de vrijwillige terugkeer naar Syrië betreft, Fedasil organiseerde dat al in eigen beheer. Sinds 17 maart jongstleden kan terugkeer ook worden georganiseerd via Frontex Application for Return. De terugkeerder ontvangt een re-installatiepremie van 350 euro per volwassene en 125 euro per kind. Momenteel is er geen re-integratiepartner aanwezig waarmee Fedasil samenwerkt, en ontvangt de terugkeerder 1000 euro re-integratiesteun in cash en 500 euro per kind. De samenwerking met een re-integratiepartner in Syrië is in voorbereiding.

Damascus is de enige luchthaven die open is. Indien de terugkerende persoon verder moet reizen in Syrië, is een bijkomende ondersteuning van 50 euro voor onwoard transportation mogelijk.

Voor de terugkeer dient de persoon in kwestie in het bezit te zijn van een geldig reisdocument. Dat kan een Syrisch paspoort zijn of een laissez-passer, uitgereikt door de Syrische vertegenwoordiging in Brussel. Die kan verlopen paspoorten verlengen door middel van een stempel, maar zij kan geen nieuwe paspoorten afleveren. Om een laissez-passer te verkrijgen, is in principe een boeking van een ticket nodig. Voor ieder vertrek worden de reisdocumenten ook doorgestuurd naar Emirates voor een dubbele check. Fedasil onderzoekt dossier per dossier of een vrijwillige terugkeer kan worden georganiseerd. Sinds 1 januari 2025 zijn 61 personen vrijwillig teruggekeerd naar Syrië.

Daarnaast organiseert Fedasil de vrijwillige terugkeer naar Afghanistan in eigen beheer. Sinds september 2021 is er geen vrijwillige terugkeer naar Afghanistan mogelijk via IOM. Dat kan alleen voor personen met een geldig paspoort. Het talibanregime aanvaardt niet langer de reisdocumenten die de ambassade in België verstrekt. Wij onderzoeken momenteel op welke manier wij de vrijwillige terugkeer toch kunnen organiseren.

De terugkerende persoon ontvangt een re-installatiepremie van 350 euro per volwassene en 150 euro per kind. Re-integratie in Afghanistan kan niet worden aangeboden door de twee partners van Fedasil. IOM heeft alle activiteiten met betrekking tot Afghanistan opgeschort. Caritas is niet aanwezig in Afghanistan.

De terugkerende persoon ontvangt 1.000 euro re-integratiesteun in cash en 500 euro per kind. Fedasil blijft de mogelijkheden verkennen om samen te werken met een re-integratiepartner in Afghanistan.

Fedasil onderzoekt dossier per dossier of een vrijwillige terugkeer mogelijk is. Momenteel zijn er niet veel aanvragen om vrijwillig terug te keren naar Afghanistan. Negentien personen keerden vrijwillig terug naar Afghanistan in 2024 met het programma voor vrijwillige terugkeer van Fedasil. Sinds 1 januari 2025 keerden twee personen vrijwillig terug. Er staan nog twee vertrekken gepland.

Voorzitter:

Dat was een volledig antwoord.

Maaike De Vreese:

Mevrouw de minister, uw antwoord was zeer volledig, waarvoor dank.

Matti Vandemaele:

Ik heb vandaag geleerd dat al mijn collega's boeken schrijven. Misschien moet ik ook maar eens een boek schrijven, bijvoorbeeld over het EU-implementatieplan, met als titel Hoe geraak ik eraan? . Dat zou een bundeling van al mijn uiteenzettingen tot nu toe kunnen zijn.

U zei dat de geüpdatete versie binnenkort verstuurd zal worden. Misschien is het een goed idee om die daarna ook met de parlementsleden te delen. Op de Europese Raad over de externe dimensie van migratie ging het dus voornamelijk over Syriërs en Afghanen. België moest nog geen standpunt innemen over de terugkeerhubs en ik veronderstel dat dat er ook nog niet is. Daardoor is de rest van mijn vraag zonder onderwerp. Ik zal u de vraag daaromtrent daarom later opnieuw stellen.

Francesca Van Belleghem:

U zou niet alleen het nationaal implementatieplan, maar ook het nationaal noodplan dat u tegen 12 april zult moeten indienen, aan het Parlement moeten bezorgen.

U hebt gezegd dat re-integratiesteun voor Syriërs en Afghanen cash wordt uitbetaald. Is het gebruikelijk om die steun contant uit te betalen? Ik dacht dat de uitbetaling van re-integratiesteun via partners verliep bijvoorbeeld in de vorm van hulp om een zaak op ge starten, en dat men niet gewoon flappen contant geld. Wordt de re-integratiehulp voor Syriërs en Afghanen uitzonderlijk cash uitbetaald bij gebrek aan partners?

Anneleen Van Bossuyt:

Dat klopt. De partners waarmee wij samenwerkten in die landen, waaronder IOM en Caritas, zijn daar niet meer.

Francesca Van Belleghem:

Dank u voor de verduidelijking.

Voorzitter:

Vraag nr. 56003362C van de heer Aouasti is zonder voorwerp. Vraag nr. 56003386C van mevrouw Van Belleghem wordt op haar verzoek uitgesteld. De vragen nrs. 56003389C en 56003399C van de heer Van Rooy worden op zijn verzoek uitgesteld.

De overbrenging van Europese gedetineerden naar hun land

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 26 maart 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om het transfer en de identificatie van Europese gedetineerden in België: minister Van Bossuyt bevestigt dat EU-burgers wel degelijk traceerbaar zijn (346 gevallen in 2024) en na vrijlating worden teruggestuurd, maar transfers voor strafuitzitting vallen onder Justitie, niet onder het Vreemdelingenoffice. Dubois stelt vast dat de opmerking van de Brusselse procureur over ontbrekende data onjuist is en kondigt aan Justitie hierover te bevragen. Samenwerking tussen justitie, politie en het Vreemdelingenoffice wordt benadrukt als cruciaal voor efficiënte terugkeer van illegale gedetineerden.

Xavier Dubois:

Je vous remercie monsieur le président. Je vais faire mon possible pour que ma question soit courte et concrète.

Madame la ministre, ma première question concerne les détenus européens dans leur pays d'origine. Bien que ce sujet ait déjà été abordé dans le cadre de l'exposé, ma question vise à apporter un éclairage plus précis sur une intervention du procureur du Roi de Bruxelles, lors des débats sur la problématique des violences liées au trafic de drogue à Bruxelles.

Il a mis en avant qu'il n'existait pas une image précise du nombre de détenus ressortissants européens qui pourraient faire l'objet d'un transfert dans leur pays d'origine. Il rappelle que le cadre européen permet ce transfert offrant la possibilité aux détenus de purger leur peine dans leur pays d'origine. Il a également mentionné que les autres pays de l'Union européenne n'hésitent pas à transférer en Belgique les ressortissants belges condamnés à l'étranger.

Ce que ce que le procureur du Roi a dit est-il correct: n'y a-t-il pas la possibilité d'avoir une vision précise du nombre de citoyens européens dans nos prisons qui pourraient faire l'objet de ce transfert? Si c'est le cas, pourquoi et comment pourrait-on répondre à cette difficulté?

De manière plus concrète, concernant la lutte contre les trafiquants de drogue, quelle est la marge de manœuvre et la collaboration que l'Office des étrangers peut apporter, spécifiquement par rapport aux trafiquants d'origine étrangère?

Anneleen Van Bossuyt:

Monsieur Dubois, je vous remercie pour votre question.

L'éloignement des détenus en séjour illégal est une priorité absolue pour ce gouvernement. Nous travaillons en étroite collaboration avec la ministre de la Justice car une bonne coopération entre nos services est cruciale pour atteindre cet objectif.

Les ressortissants de l'Union européenne sont en général facilement identifiables, même lorsqu'ils sont détenus.

Si un transfert interétatique est impossible, ils sont renvoyés dans l' État membre compétent au moment de leur libération conditionnelle ou anticipée, voire à la fin de leur peine . En 2024, cela concernait 346 ex-détenus condamnés provenant d'un autre État membre.

Comme vous le savez, l'éloignement du territoire des détenus en séjour illégal relève d'une compétence partagée. D'une part, l'Office des étrangers organise l'éloignement après que la personne a été libérée par la justice. L'intéressé est libre dès son arrivée dans son pays d'origine. D'autre part, la justice organise l'éloignement du territoire des individus qui doivent encore purger leur peine dans leur pays d'origine. Ils restent privés de liberté et sont transférés en prison pour y purger le reste de leur peine.

Je suppose que la question posée par la procureure générale de Bruxelles concerne spécifiquement la compétence du ministre de la Justice, puisqu'il s'agit de transférer des détenus afin qu'ils poursuivent leur peine dans leur pays d'origine. Par conséquent, vous devriez plutôt vous adresser à ma collègue de la Justice. Je puis vous confirmer que l'Office des étrangers ne se heurte à aucun problème pour éloigner les détenus sans droit de séjour qui ont été libérés par la justice vers des pays tels que les Pays-Bas, l'Italie ou la France.

L'Office des étrangers entretient de bons contacts avec le parquet de Bruxelles ainsi qu'avec les services de police locaux et fédéraux. Une collaboration renforcée et un échange d'informations avec les parquets et les services de police ont également été inclus dans la circulaire 08/2023 du Collège des procureurs généraux. Si des ajustements sont nécessaires à cet égard, je veillerai à l'en informer.

Xavier Dubois:

Madame la ministre, je vous remercie de votre réponse. Tout d'abord, une information me rassure, puisque l'on peut quand même déterminer précisément combien de ressortissants européens se trouvent dans nos prisons. Dès lors, je m'étonne de la remarque du procureur du Roi. J'entends ensuite que cette question relève davantage de la compétence de la ministre de la Justice, étant donné qu'il s'agit en l'occurrence d'individus qui devraient encore purger leur peine dans leur pays d'origine. Par conséquent, je ne manquerai pas d'interroger la ministre en la matière. J'y reviendrai en fonction de la réponse que votre collègue aura apportée.

Het gebruik van smartphones en corruptie in gevangenissen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 26 maart 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Verlinden bevestigt dat gsm-gebruik door gedetineerden (voor criminële doeleinden) toeneemt en kondigt versterkte detectie, brouiling en controles (met speurhonden en politie) aan, maar ziet geen alarmerende stijging van corruptie—wel scherper screeningsbeleid voor nieuw personeel. De Smet dringt aan op strengere anticorruptiemaatregelen (o.a. een onafhankelijk inspectieorgaan zoals in Frankrijk), wijzend op kwetsbaarheden door personeelstekort en de corruptiekracht van drugskartels, ondanks Verlindens relativering. Beide benadrukken technologische oplossingen (brouilers, detectie) als sleutel, maar De Smet blijft sceptisch over de effectiviteit zonder structurele controle.

François De Smet:

Madame la ministre, nous avons reçu la visite du procureur du Roi de Bruxelles en commissions de l’Intérieur et de la Justice le 11 mars dernier. Celui-ci a déploré avec vigueur le fait que les dirigeants des organisations criminelles condamnés à de lourdes peines et emprisonnés au sein de nos établissements pénitentiaires disposaient visiblement de trop de latitude pour mener des opérations criminelles au départ de leur cellule, notamment via l’utilisation de leur smartphone, parlant d’éventuelles complicités, voire de faits de corruption, au sein même des prisons.

À raison, M. Moinil a estimé que les priver de toute possibilité de contact avec des comparses à l’extérieur par la voie d’un GSM ne constituerait pas une violation manifeste des droits humains et des détenus en particulier. Par ailleurs, il a dit regretter qu’il n’existe pas, comme en France, d’organe d’inspection de l’administration pénitentiaire.

Madame la ministre, corroborez-vous les propos tenus par le procureur du Roi de Bruxelles quant à l’utilisation à des fins criminelles des téléphones portables par certains détenus? Dans l’affirmative, considérez-vous que pareille privation constituerait une mesure de nature à endiguer une criminalité galopante?

Avez-vous connaissance de faits de corruption grandissants au sein de nos prisons? Considérez-vous qu’un système d’inspection tel que l’Inspection Générale de la Justice (IGJ) française, à l’égard des administrations pénitentiaires en Belgique, serait nécessaire?

Annelies Verlinden:

Cher collègue De Smet, nous constatons effectivement une augmentation du nombre de téléphones portables dans les prisons. Tout moyen de télécommunication qui n'est pas mis à la disposition des détenus par l'administration pénitentiaire est pourtant interdit; cette mesure est essentielle afin d'empêcher les détenus d'utiliser les GSM à des fins criminelles. Afin de les empêcher de poursuivre leurs activités criminelles en prison, l'administration pénitentiaire s'est engagée à renforcer les contrôles par le biais de dispositifs de détection des téléphones portables, dont 20 ont été achetés fin 2024, et de brouillage des téléphones portables. Après une évaluation positive du projet pilote, cette application sera encore étendue.

Nous travaillons également avec la police locale pour effectuer régulièrement des contrôles à grande échelle comme des fouilles ou des sweepings . En collaboration avec la police, nous étudions comment utiliser davantage les chiens renifleurs de matériel de télécommunication.

Les faits de corruption constatés ces dernières années ne connaissent pas une hausse importante. De plus, afin de les prévenir, nous mettons en place un screening du personnel plus poussé à l'entrée en fonction.

En Belgique, les instances de contrôle se situent au niveau des directions locales et des directions régionales. Actuellement, nous n'envisageons pas la création d'un organe de contrôle similaire à celui existant en France.

François De Smet:

Madame la ministre, je vous remercie pour votre réponse. S'agissant des téléphones portables, les expériences à l'étranger nous montrent que les dispositifs de détection et de brouillage constituent visiblement la meilleure des solutions. J'entends les dispositions qui ont été prises fin de l'année dernière. Elles vont dans le bon sens. Je me permettrai de vous réinterroger pour voir quel en est le suivi. Pour ce qui est de la corruption, je crois vraiment que ce phénomène ne doit pas être sous-estimé. J'ai moi-même visité une prison récemment. Il nous est apparu que les processus de formation et d'entrée d'un certain nombre d'agents pénitentiaires, en raison de la pénurie, sont parfois vus comme relativement légers. Par ailleurs, nous avons affaire à des narcotrafiquants qui ont une puissance corruptive et financière extrêmement importante. Je continue donc à penser que des moyens plus forts de lutte contre la corruption des agents, en ce compris un service d'inspection, seraient bien utiles.

De poging tot wurging van een vrouwelijke cipier in de gevangenis van Andenne

Gesteld door

lijst: VB Marijke Dillen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 26 maart 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Na een zware aanval door een psychisch kwetsbare gedetineerde in de gevangenis van Andenne raakten drie cipiers gewond (nu stabiel, thuis in herstel), wat de structurele agressieproblematiek tegen gevangenispersoneel benadrukt. Minister Verlinden bevestigt dat de dader bekendstond om eerdere agressie maar dat extra maatregelen niet nodig werden geacht door de psychiater, en kondigt een geïntegreerde aanpak (preventie, nazorg, repressie) aan om veiligheid te garanderen. Tien afwezige medewerkers in Andenne weerspiegelen het nationale gemiddelde, terwijl elk incident strikt gerapporteerd wordt en tot sancties *moet* leiden—een eis die Dillen nadrukkelijk herhaalt om zero tolerance af te dwingen. De focus ligt op snellere, strengere reacties en betere werkomstandigheden, met aandacht voor psychologische ondersteuning.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, opnieuw vond een zeer triest incident met zware agressie plaats, ditmaal in de gevangenis van Andenne, waar een gevangene, toen hij vorige zaterdag de cel voor een veiligheidscontrole binnenging, een vrouwelijke cipier heeft proberen te wurgen. Volgens de media zou de gedetineerde met psychische problemen kampen, maar u zult daarover meer info geven. Twee andere cipiers trachtten hun collega te redden, waarna de eerste cipier zwaargewond naar het ziekenhuis werd gebracht, maar ook de twee andere werden met verwondingen naar het ziekenhuis gebracht. De dader is inmiddels in de strafcel geplaatst.

Uit berichten blijkt dat er in de gevangenis van Andenne geen overbevolking is, maar dat die gevangenis meer en meer te maken krijgt met steeds zwaardere profielen van gedetineerden, zoals mensen met psychische problemen, onder meer ten gevolge van drugverslaving.

Mevrouw de minister, kunt u meer toelichting over die feiten geven? Heel belangrijk ook, hoe is het op dit ogenblik gesteld met de gezondheidstoestand van de drie betrokken cipiers?

Als het klopt dat van de gedetineerde bekend was dat hij psychische problemen heeft, waarom werden er dan geen bijzondere maatregelen genomen ter bescherming van de cipiers wanneer ze de cel moeten binnengaan?

Volgens de woordvoerder van het gevangeniswezen zitten op dit ogenblik tien personeelsleden, werkzaam in de gevangenis van Andenne, thuis na agressie-incidenten. Ook daarover kreeg ik graag meer toelichting. Ligt dat aantal afwezigen hoger dan het gemiddelde in andere gevangenissen? Niet onbelangrijk, welke gevolg werd aan al die agressie-incidenten gegeven?

Annelies Verlinden:

Mevrouw Dillen, de toename van geweld en bedreigingen tegen medewerkers van gevangenissen, ook in hun privésfeer, is een grote bezorgdheid en een permanent aandachtspunt voor mij. Ik heb dat ook uitdrukkelijk benoemd tijdens de gesprekken die, zoals ik vanochtend al zei, onlangs op mijn kabinet hebben plaatsgevonden met de vakorganisaties van het gevangeniswezen. Ik zal dat vrijdag herhalen in een nieuw gesprek.

Ik deelde hier daarstraks ook al mee dat ik zal inzetten op een aanpak die preventie, nazorg, bescherming en repressie combineert, met de bedoeling om zo veilig mogelijke werkomstandigheden te creëren voor alle medewerkers. Uiteraard zal ik de Kamerleden daarvan op de hoogte houden.

De ernstige feiten van afgelopen weekend in Andenne hebben mij bereikt. Via deze weg wens ik de slachtoffers een spoedig herstel toe. Meteen na het agressie-incident werden de gewonde medewerkers verzorgd en naar de verpleegkundige dienst van de inrichting overbracht, waar hun de eerste zorgen werden toegediend. Daarna werden ze overgebracht naar het ziekenhuis voor een grondig medisch onderzoek en verdere opvolging. Heden is hun toestand stabiel en zijn ze thuis, herstellend. Ze kunnen een beroep doen op de psychologische ondersteuning die hun wordt aangeboden.

De gedetineerde in kwestie was reeds bekend voor eerdere gevallen van agressie jegens het personeel. Ten gevolge van diverse disciplinaire rapporten en plaatsing onder een bijzondere veiligheidsmaatregel heeft de inrichting die informatie bezorgd aan de psychiater, die geoordeeld heeft dat het niet nodig was om de genomen veiligheidsmaatregel aan te passen.

In de gevangenis van Andenne zijn op dit moment inderdaad tien personeelsleden afwezig wegens arbeidsongeschiktheid. Helaas stemt dat aantal overeen met het nationaal gemiddelde.

Elk incident leidt tot een rapport en kan leiden tot disciplinaire sancties voor de betrokken gedetineerde. We gaan niet licht over agressie ten aanzien van personeel. U moet er niet aan twijfelen dat de directie ook in dit geval kordaat zal optreden en de nodige maatregelen zal nemen. Uiteraard willen we in de toekomst de werkomstandigheden van de penitentiaire beambten verder verbeteren.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, dank u vriendelijk voor uw antwoord. We moeten inderdaad met zijn allen – helaas – vaststellen dat de agressie tegen cipiers, zowel binnen als buiten de werksfeer, blijft toenemen. Een veilige werkplek en veilige werkomstandigheden zijn daarom heel belangrijk. U zei dat elk geval van agressie gerapporteerd wordt en kan leiden tot sancties. Ik durf erop aan te dringen om het woord "kan" te vervangen door "moet." Er moet een heel duidelijk signaal komen vanuit het gevangeniswezen, vanuit Justitie, dat geen enkele vorm van agressie tegen cipiers aanvaardbaar is.

Alternatieve straffen en elektronisch toezicht
Het bereiken van de kaap van 13.000 gedetineerden
De beslissing van Vlaams minister Demir om in bijkomende enkelbandaansluitingen te voorzien
Alternatieve straffen, elektronisch toezicht en detentiebeleid in Vlaanderen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 26 maart 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De overbevolking in Belgische gevangenissen (nu 13.000+ gedetineerden, tekort van 6.000 plaatsen) leidt tot mensonwaardige omstandigheden en dreigt straffeloosheid door niet-uitgevoerde vonnissen. Minister Verlinden wil kortetermijnoplossingen (elektronisch toezicht voor straffen tot 3 jaar, 4.000 extra enkelbanden via Vlaanderen) maar benadrukt dat structurele aanpak (budget: 140 miljoen euro voor 2025, holistisch overleg met deelstaten) cruciaal is om net widening (meer gevangenen door alternatieven) te vermijden. Vlaams minister Demir kondigde eenzijdig 4.000 enkelbanden aan zonder federaal overleg, wat financiële en bevoegdheidsconflicten blootlegt—Verlinden bevestigt dat geen akkoord bestaat en wetgeving nog moet bepalen wie in aanmerking komt. Kritiek blijft op elektronisch toezicht als "gunst" (Dillen) versus volwaardig alternatief (Yzermans), terwijl langetermijnplannen (infrastructuur, strafrechtdebat) ontbreken.

Stefaan Van Hecke:

Mevrouw de minister, deze vraag heb ik al een tijd geleden ingediend en de actualiteit sinds maandag heeft mijn vraag dan ook wat ingehaald. Mijn ingediende vraag ging over het gegeven dat de overbevolking in onze gevangenissen voor mensonwaardige situaties blijft zorgen. Op het moment dat ik de vraag indiende, waren er volgens de cijfergegevens 12.380 gedetineerden, maar deze week is dat aantal al opgelopen tot meer dan 13.000. U had aangegeven dat u op dat vlak geen cadeaus hebt geërfd van uw liberale voorgangers, die ervoor hebben geopteerd om ook de zeer korte straffen effectief te laten uitvoeren, terwijl daarvoor in de gevangenissen geen plaats was. U riep terecht op om meer in te zetten op alternatieve straffen en om, voor de gevallen waarin dat veilig kan, ook meer gebruik te maken van elektronisch toezicht.

Het Vlaams Centrum voor Elektronisch Toezicht, dat onder de bevoegdheid valt van uw Vlaamse collega, mevrouw Demir, gaf aan dat het federaal probleem van de overbevolking niet naar de regio's moet worden doorgestuurd. Maandag gaf minister Demir echter toch aan om een aantal maatregelen te nemen.

Mevrouw de minister, hoe kijkt u daarnaar? Hoe beoordeelt u het antwoord van minister Demir? Hebt u ondertussen ook met haar overlegd? Wat hebt u samen precies afgesproken om dat probleem aan te pakken?

Alain Yzermans:

Mevrouw de minister, mijn vraag sluit daarbij aan. Ik wil de cijfers toch nog eens herhalen, omdat ze sprekend zijn. Volgens de recentste gegevens zijn er 13.018 gedetineerden, waarvan 267 grondslapers. Deze voormiddag hebt u die problematiek al benoemd en gezegd dat dat woord niet meer zal voorkomen in uw lexicon. Daar kijk ik kijk mee naar uit. Voorts zijn er 3.400 kortgestraften, de zogenaamde stock, en 713 penitentiaire verloven. Opgeteld resulteert dat in een tekort van 6.091 plaatsen, wat de overbevolkingsgraad niet op 17 à 18 %, maar eerder richting 55 % brengt.

U hebt noodmaatregelen aangekondigd, zoals het elektronisch toezicht, de enkelbanden voor straffen onder de drie jaar en de voorlopige invrijheidstelling voor gedetineerden die op zes maanden van het einde van hun straf zitten. Die noodmaatregelen tonen aan dat er op korte termijn een tussenoplossing moet komen, zoals u hebt gezegd, of bijna een noodplan, denken wij, om die aantallen in te dijken, aangezien er intussen bijna 1.000 gedetineerden bij gekomen zijn. Voor het perspectief worden ook de oude gevangenissen opengehouden, omdat het niet anders kan. U staat voor een enorm moeilijke taak.

De media melden dat de Centrale Toezichtsraad voor het Gevangeniswezen het getal van 1 miljard euro oppert. Vandaag is dat uiteraard utopisch, al zult u toch over grote bedragen moeten beschikken als u alle problemen zelfs maar gedeeltelijk wenst op te lossen.

De Centrale Toezichtsraad hekelt eveneens de idee van minister Demir om het elektronisch toezicht als tijdelijke maatregel uit te breiden totdat er voldoende bijkomende capaciteit beschikbaar is, omdat de raad vreest dat het net widening effect of het aanzuigeffect daardoor toeneemt. De Toezichtsraad zegt dat er geen tekort is aan gevangenissen, maar dat er te veel gevangenen zijn. Dat wordt een welles-nietesspelletje over de aanpak.

Wie de bijkomende enkelbanden door de uitbreiding van het elektronisch toezicht zal financieren, blijft onbeantwoord. Een gewestelijke minister spreekt over een financiering door de federale overheid. Hoe zult u dat aanpakken?

Ziet u het elektronisch toezicht als een volwaardig substituut, als vervangmiddel? Bij mijn bezoek aan het Vlaams Centrum voor Elektronisch Toezicht heb ik vastgesteld hoe het dragen van een enkelband een impact heeft, in die zin dat het in bepaalde gevallen echt wel op een gevangenis lijkt. Sommige beklaagden mogen niet naar buiten, zelfs niet hun eigen tuin in. Dat gaat verder dan de coronamaatregelen. Ik wens het elektronisch toezicht op dit moment niet goed te praten, maar ik vind het wel een volwaardig substituut. Wat vindt u daarvan?

Al die zaken vertel ik met het oog op een aanloop naar een evenwichtige aanpak, waarin zowel elektronisch toezicht als bijkomende infrastructuur nodig zullen zijn om de voorlopige ratio naar beneden te krijgen.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, maandag heeft uw Vlaamse collega van Justitie met heel veel poeha aangekondigd meer dan 4.000 bijkomende enkelbanden te zullen voorzien voor criminelen waarvoor er in de gevangenis geen plaats is vanwege de problematiek van de overbevolking.

Onze fractie vindt enkelbanden niet de oplossing. Voor veroordeelden tot een effectieve gevangenisstraf is het krijgen van een enkelband echt een gunst. Ik hoor collega Yzermans zeggen dat elektronisch toezicht nog erger is dan ten tijde van corona. Tijdens de coronapandemie hebben wij er echter niet voor gekozen om opgesloten te worden, terwijl het voor het elektronisch toezicht gaat om mensen die ervoor kiezen om strafbare feiten te plegen. Daarbij komt dat, vooraleer veroordeeld te worden tot een effectieve gevangenisstraf, men in dit land al wel wat moet uitspoken.

Collega Yzermans heeft al gewezen op de cijfers, dus ik zal ze niet herhalen. Het moet echter heel duidelijk zijn dat een straf ook daadwerkelijk dient te worden uitgezeten.

Mevrouw de minister, graag had ik wat meer toelichting bij de aankondiging van mevrouw Demir. Heeft er daarover overleg plaatsgevonden? Ik vond de communicatie van Vlaamse kant, die ook vanmorgen reeds aan bod kwam, immers heel opmerkelijk. De Vlaamse minister van Justitie had duidelijk kritiek aan uw adres. Als er overleg heeft plaatsgevonden, welke krijtlijnen werden daarin dan besproken en welke beslissingen werden er genomen?

De Vlaamse minister van Justitie heeft aangekondigd 4.000 enkelbanden te zullen aankopen. Welke veroordeelden zullen daarvoor in aanmerking komen? Die beslissing komt immers niet de Vlaamse minister toe.

Hebt u kennis van een termijn binnen dewelke die enkelbanden kunnen worden geïnstalleerd? Zullen die personen ook worden opgevolgd? Moet er daarvoor extra personeel worden aangeworven? Die opvolging en dat extra personeel zijn weliswaar niet uw bevoegdheid. Is er een stappenplan afgesproken met de Vlaamse minister van Justitie?

Wat betreft de financiering, ik vind het heel gemakkelijk om met veel poeha 4.000 extra enkelbanden aan te kondigen, terwijl het federaal niveau die aankoop dan maar moet betalen. Mevrouw Demir is echter niet geplaatst om te beslissen over de portemonnee van de federale minister van Justitie. Ook daarover krijg ik graag duidelijkheid.

Annelies Verlinden:

Mijnheer Van Hecke, mijnheer Yzermans, mevrouw Dillen, de ambitie van deze regering, zoals vorige week en ook vanochtend nog besproken, is zeer duidelijk. Alle straffen die door een rechter worden uitgesproken, moeten effectief en ook op kwalitatieve wijze worden uitgevoerd. Zo staat het in het regeerakkoord. Dat is de ambitie, maar dat is inderdaad minder gemakkelijk gedaan dan gezegd. De prangende problematiek van de overbevolking bemoeilijkt niet alleen de humane detentie, maar sinds enkele maanden ook de effectieve uitvoering van gevangenisstraffen.

Het is geen geheim dat ik op korte termijn maatregelen wil nemen om de overbevolking in onze gevangenissen terug te dringen met het oog op het uitvoeren van de opgeschorte straffen en ook het terugdringen van straffeloosheid. Ik wil daarvoor inderdaad meer inzetten op elektronisch toezicht voor korte straffen, tot en met drie jaar, om ervoor te zorgen dat de massale straffeloosheid, die is gecreëerd door de inwerkingtreding van de wet houdende externe rechtspositie, een halt toe te roepen.

Die maatregelen worden momenteel besproken, zowel binnen de regering als met de deelstaten. Ik heb voor het eerst sinds lang het initiatief genomen om de deelstaten mee uit te nodigen, om te kijken naar die holistische benadering. We zullen immers iedereen nodig hebben om het probleem van de overbevolking op te lossen en om samen te bekijken wat mogelijk is.

Momenteel is er nog geen akkoord over de maatregelen. In Vlaanderen is men alvast, zo blijkt uit de communicatie van de minister in de pers maandag, bereid om de straffen in elektronisch toezicht uit te voeren, waarvoor klaarblijkelijk 4.000 bijkomende enkelbanden zullen worden voorzien. De precieze voorwaarden daaromtrent en het concrete plan van aanpak zullen met de deelstaten, maar ook met het OM en de penitentiaire administratie worden besproken. Dat plan moet verhinderen dat er een plotse onbeheersbare instroom komt van veroordeelden die onder elektronisch toezicht moeten worden geplaatst, omdat elk dossier uiteraard ook opvolging verdient.

Mevrouw Dillen, bij wet zal worden bepaald wie in aanmerking kan komen voor die maatregelen. De bijzondere wet met betrekking tot de zesde staatshervorming is duidelijk: de federale overheid bepaalt de opdrachten die de justitiehuizen of de andere diensten van de gemeenschappen uitoefenen in het kader van de gerechtelijke procedure of de uitvoering van gerechtelijke beslissingen.

Collega Yzermans, er zijn mij geen specifieke stappen bekend van de Centrale Toezichtsraad ten aanzien van de premier. De Centrale Toezichtsraad is een autonoom en onafhankelijk controleorgaan en het komt mij als minister niet toe om een standpunt in te nemen betreffende de adviezen van dat orgaan.

Ik deel echter wel de bezorgdheid van de Toezichtsraad dat de maatregelen die we nemen om de overbevolking aan te pakken geen aanzuigeffect mogen hebben of tot een net widening mogen leiden. U merkt terecht op dat die ongewenste gevolgen heel vaak worden vastgesteld. Een debat ten gronde over het strafrechtelijk beleid en het strafuitvoeringsbeleid als sluitstuk van de strafrechtketen is inderdaad vereist als we de overbevolking structureel willen aanpakken. Ik zie het als een zijsprong.

Ik ontmoette gisteren een homoloog uit de UK, waar het strafbeleid eveneens wordt geanalyseerd, precies vanuit dezelfde overwegingen. Wat is een gepaste straf om ons strafrecht te doen naleven?

Voor onder meer de aanpak van de overbevolking en de strijd tegen de georganiseerde en drugscriminaliteit heb ik inderdaad een bijkomend budget gevraagd. Ik heb die taskforces, zoals we vanochtend bespraken, ook in het leven geroepen, precies om heel concreet de uitvoering van het regeerakkoord mogelijk te maken en de stappen daarvoor voor te bereiden. Dat gaat gepaard met een bijkomende investering, die noodzakelijk is om in capaciteit te voorzien in de gevangenis- en detentiehuizen voor de geïnterneerden, maar ook voor de terugkeer van de niet-Belgen in onze gevangenissen. Het bedrag dat we nu voor 2025 hebben genoemd, is 140 miljoen euro, maar dat zeg ik onder voorbehoud van de verdere bespreking in de regering.

Stefaan Van Hecke:

Mevrouw de minister, uit uw antwoord meen ik af te leiden dat er nog geen overleg heeft plaatsgevonden sinds de aankondiging van mevrouw Demir maandag. Heb ik het correct?

Annelies Verlinden:

Ik heb haar niet gehoord, maar er zijn wel werkgroepen waarbij ook de deelstaten betrokken zijn.

Stefaan Van Hecke:

Wij hebben haar wel allemaal gehoord op de radio. U hebt haar ongetwijfeld ook gehoord, maar dan niet in een persoonlijk gesprek. Dat zegt veel.

Alain Yzermans:

Een holistische benadering klinkt zeer waardevol. Dat is inderdaad het te bewandelen pad wanneer we gaan voor een en-enreflex op alle niveaus.

De overbevolking leidt tot onhoudbare spanningen tussen personeel en gevangenen, soms met geweld tot gevolg, ook buiten de muren. Ze zorgt ook voor spanning tussen het personeel en soms tot demotivatie. Overbevolking kan eveneens leiden tot extern geweld. Als het probleem niet wordt aangepakt, dreigt een ernstig drama.

U wilt op korte termijn de druk wat wegnemen, maar dat is een plan voor de korte termijn. Ik had graag van u zo snel mogelijk – misschien bij de voorstelling van uw beleidsnota - een globaal plan dat de overbevolking op korte, middellange en lange termijn moet wegwerken, gekregen, zodat we een duidelijk beeld krijgen van de aanpak van de overbevolking op de verschillende niveaus.

Op middellange termijn is overleg met Vlaanderen zeker nodig, misschien via een brede rondetafelconferentie, om met alle actoren tot afspraken te komen voor de hele strafrechtketen.

Ik wil ook een duidelijk beeld van de financiële mogelijkheden voor zowel de kleine gedifferentieerde aanpak als de infrastructuur op lange termijn. We moeten in dat verband onderzoeken hoe we de bestaande gevangenissen die toe zijn aan herstellingen, kunnen opwaarderen.

Collega Dillen, ik vergelijk de situatie van de gedetineerden onder elektronisch toezicht helemaal niet met die onder de coronacrisis. Ik zeg alleen dat tijdens de coronacrisis iedereen binnen zat. Een enkelband kan onder bepaalde voorwaarden goed functioneren als bewakingsmiddel. Voor slechts 3 % van de enkelbanden is er sprake van uitval. In 97 % van de gevallen zorgt het elektronisch toezicht via de enkelband voor resultaat. In goede omstandigheden kan de enkelband dus een goed substituut of een aanvulling zijn. Het gaat inderdaad dus over een en-enoplossing.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, het is belangrijk om snel een planning aan onze commissie voor te stellen. Wat plant u op korte, middellange en lange termijn? U vindt de uitvoering van gevangenisstraffen zeer belangrijk om straffeloosheid tegen te gaan. Ik volg u daar volledig in. Men moet echter al aardig wat hebben uitgespookt om in dit land tot 3 jaar celstraf te worden veroordeeld. Zo'n straf wordt niet zomaar opgelegd. Het is dus een brug te ver om aan al die gedetineerden d'office de gunst van het elektronisch toezicht te geven. Collega Yzermans, in de praktijk moeten de gedetineerden met een enkelband 24 op 24 uur moeten binnenblijven. Velen onder hen krijgen voorwaarden en mogen overdag gaan werken. Ik geef daar voor alle duidelijkheid op zich geen kritiek op. In de praktijk is het dus niet zo dat zij tussen vier muren zitten gekluisterd. Mevrouw de minister, uw antwoord is bijzonder opmerkelijk na de uitvoerige communicatie van Vlaams N-VA-minister Zuhal Demir. Zij doet grote aankondigingen in de media. U hebt werkgroepen die rond de problematiek werken, maar het is toch erg bizar dat de Vlaamse minister van Justitie de media daar luidkeels over informeert, zonder met u daarover overlegd te hebben. Dat zegt bijzonder veel.

De aangekondigde stakingsacties in alle gevangenissen

Gesteld door

lijst: VB Marijke Dillen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 26 maart 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Het gevangenispersoneel kondigt een 24-uurs staking op donderdag aan tegen intimidatie, geweld en terreur in gevangenissen, los van de nationale staking, en eist snelle, krachtige maatregelen van minister Verlinden. De minister bevestigt al lopende actieplannen (isolatie agressieve gedetineerden, strenge controles op gsm’s, drugs en samenwerking met politie) en belooft vervolgoverleg met vakbonden op vrijdag, maar geeft nog geen concrete budgettaire toezeggingen. Dillen dringt aan op snelle, kostenefficiënte oplossingen waar de gevangenisleiding nu afhankelijk is van externe partijen, en vraagt om duidelijke stappen zonder vertraging. Verlinden benadrukt veiligheidsprioriteiten (drugsbestrijding, communicatieverstoring) maar blijft vaag over middelen en timing.

Marijke Dillen:

Niet op maandag 31 maart samen met de nationale staking, maar volgende donderdag zal er in de gevangenissen ook een 24 urenstaking plaatsvinden, niet wegens de argumentatie van de nationale staking, maar wegens de voortdurende intimidatie, het voortdurende geweld tegen de penitentiaire beambten en de nood aan een snelle en krachtige aanpak van de terreur. Dat wil het gevangenispersoneel onder de aandacht brengen van de beleidsmakers in het algemeen en van u als minister in het bijzonder. We zijn het er allemaal over eens dat die situaties in de gevangenissen onaanvaardbaar zijn. Daarom kunnen we alleen maar begrip opbrengen voor de aangekondigde actie.

Mevrouw de minister, u zult dadelijk meer toelichting geven over het sociaal overleg. De vakbonden zeggen dat het overleg te weinig zou hebben opgeleverd. Dat hebben we althans in de media kunnen lezen. Ze willen ook terecht dat er sneller stappen worden gezet die weinig of geen budgettaire middelen vereisen voor zaken waarbij de directeur-generaal nu van externe partners afhankelijk is. Ik had daarover graag wat meer toelichting gekregen.

Ik heb inmiddels wel begrepen, na indiening van mijn vraag, dat er komende vrijdag overleg met de vakbonden zal plaatsvinden. Vanochtend heb ik ook vernomen dat het geen eerste overleg zal zijn en dat u sinds uw aantreden als minister van Justitie reeds overleg hebt gevoerd. Daarover krijg ik graag wat meer toelichting.

Bent u bereid in het kader van de betreffende problematiek om snel de nodige middelen vrij te maken en de nodige initiatieven te nemen?

Annelies Verlinden:

Collega's, afgelopen maandag vond er een overleg tussen de penitentiaire administratie en de vakbonden plaats. Tijdens dat overleg heeft de administratie een plan toegelicht om de meest agressieve gedetineerden onder te brengen in speciaal beveiligde cellen om zo te verhinderen dat gedetineerden hun criminele activiteit vanuit de gevangenis voortzetten. Dat doen we uiteraard in samenwerking met al onze veiligheidspartners. We blijven daarbij inzetten op de bestaande veiligheidsmaatregelen, zoals het opsporen en verstoren van illegale communicatie door gedetineerden onder meer aan de hand van gsm-detectietoestellen, gsm-jamming en meer screenings en controles in samenwerking met de politie.

De opsporing van drugs blijft een prioriteit, gelet op de duidelijke link tussen het gebruik van drugs en de onvoorspelbaarheid van het gedrag en de agressie. Dat doen we met de hulp van gespecialiseerde detectietoestellen en drugshonden en in nauwe samenwerking met de politiediensten.

Vrijdag vindt op mijn kabinet inderdaad opnieuw een overleg plaats met de vakbonden. Dan zullen we de gesprekken op korte termijn voortzetten. Ik kan daar uiteraard niet op vooruitlopen, maar we bereiden ons er wel goed op voor.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, dank u voor uw antwoord. Ik kan alleen maar hopen dat het overleg vrijdag constructief zal zijn en positieve resultaten zal hebben. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 15.03 uur. La réunion publique de commission est levée à 15 h 03.

De concrete herfinanciering van de justitie

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 20 maart 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De kernproblemen in de Belgische justitie—overbevolkte gevangenissen (met risico op nieuwe veroordelingen voor onmenselijke omstandigheden), tekort aan magistraten en middelen, en strafuitvoering onder de 3 jaar—eisen dringende hervormingen en extra financiering, benadrukt Simon Dethier (Les Engagés). Minister Annelies Verlinden bevestigt de crisis (erger dan gedacht) en belooft een concreet actieplan (inclusief cijfermatige voorstellen voor overbevolking en refinanciering), maar waarschuwt dat ambitieuze gouvernementele plannen zonder extra budget onhaalbaar zijn. Ze zet in op samenwerking met justitieactoren en een hardere aanpak van georganiseerde criminaliteit (o.a. druggerelateerd geweld), maar onderstreept dat structurele oplossingen gouvernementele steun vereisen. Dethier toont zich constructief-kritisch: steun voor hervormingen, mits snelle en effectieve uitvoering.

Simon Dethier:

Madame la ministre, l'enjeu de la justice est un enjeu de sécurité intérieure et de santé de notre système démocratique. Depuis plusieurs années, les questions d'arriéré judiciaire, de manque de magistrats et de ressources humaines, de surpopulation carcérale et des conditions de détention suscitent de vives inquiétudes.

Aujourd'hui, l'action menée par les professionnels du droit pour la Journée de la Justice n'est qu'une conséquence de cet état des lieux.

Les récentes condamnations de la situation dans les prisons de Haren et de Saint-Gilles et les lourdes astreintes qui en découlent rendent encore plus problématique la reprise de l'exécution des peines de moins de trois ans. La situation risque encore de se détériorer.

Dans ce contexte, le combat du groupe Les Engagés est clair. Nous voulons une réforme en profondeur de notre système carcéral et nous serons également là pour soutenir le refinancement de la justice et donner les moyens nécessaires à son bon fonctionnement. Le chantier de la justice doit être prioritaire.

L'accord de gouvernement est ambitieux et nous nous en réjouissons. Il est crucial maintenant qu'il soit mis en œuvre rapidement et efficacement.

Madame la ministre, quelles initiatives comptez-vous mettre en place pour garantir la conformité de nos établissements et éviter de nouvelles condamnations? Par ailleurs, comment abordez-vous le besoin de refinancement nécessaire de la justice pour garantir son bon fonctionnement?

Annelies Verlinden:

Monsieur Dethier, la tâche qui nous attend à la Justice est particulièrement grande. Lorsque j'ai pris mes fonctions, il est apparu que la surpopulation carcérale était encore plus importante qu'estimée. Cette situation conduit à l'impunité, à l'insécurité et a déjà valu à notre pays plusieurs condamnations pour des conditions de détention inhumaines. Les violences incessantes, conséquences de la criminalité organisée liées à la drogue dans certains quartiers, nécessitent également une approche plus ferme.

Ces dernières semaines, j'ai écouté très attentivement de nombreux acteurs de la justice, y compris le procureur du Roi de Bruxelles, ainsi que les questions et les besoins du procureur du Roi d'Anvers. J'ai bien sûr aussi entendu la police judiciaire fédérale. Cet après-midi encore, j'ai reçu à mon cabinet une délégation de différents acteurs du monde de la justice.

Je comprends les appels et les cris de détresse concernant la surpopulation carcérale qui s'expriment aussi publiquement car, chers collègues, les besoins sont considérables. En tant que ministre de la Justice, il est de mon devoir de les traduire dans un plan d'action réaliste. Avec l'Arizona, nous nous sommes engagés à renforcer la sécurité intérieure et à garantir une justice équitable qui resserre les liens et qui accorde une place centrale aux victimes.

C'est pourquoi chaque maillon de la chaîne de sécurité doit être solide. Permettez-moi d'ajouter que les défis de la justice ne se limitent évidemment pas à lutter contre la criminalité liée à la drogue et à éliminer l'impunité. Nous avons rédigé un accord de gouvernement très ambitieux.

Sachez que je m'investirai pleinement à le mettre en œuvre, mais cela nécessite plus de moyens que nous n'en avons aujourd'hui. J'ai soumis un plan chiffré et mesuré à mes collègues du gouvernement ainsi qu'un plan pour remédier à la surpopulation carcérale. Ces plans devront être discutés au sein du gouvernement.

Dans tous les cas, sachez que vous pouvez compter sur moi pour travailler d'arrache-pied à une justice résolue.

Simon Dethier:

Merci madame la ministre pour toutes ces réponses. Je suis rassuré de savoir que vous rencontrez régulièrement l'ensemble des acteurs. Il s'agit d'un enjeu déterminant pour notre système démocratique. Comptez sur Les Engagés pour être soutenants et constructifs mais également exigeants sur cette thématique, et porter les combats nécessaires au bon fonctionnement de la justice, en concertation avec l'ensemble de ses acteurs.

De blijvende veiligheidsproblemen en terreurdreiging negen jaar na de aanslagen

Gesteld door

lijst: VB Sam Van Rooy

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 20 maart 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sam Van Rooy hekelt de islamitische terreuraanslagen van 22 maart 2016 als gevolg van falend migratie- en veiligheidsbeleid, wijst op toenemende jihadistische dreiging (o.a. recente oproepen in Antwerpen/Brussel) en kritiseert de lakse explosievendetectie op luchthavens. Minister Quintin benadrukt verbeterde antiterreurmaatregelen (OCAD-dreigingsniveau 3, sociopreventie, infodeling) en erkent blijvende risico’s, maar stelt dat de regering alert is. Van Rooy kaart regeringssteun aan Syrië (€18 miljoen) en ramadan-gerelateerd jihadgeweld (1.609 doden in 19 dagen) aan als bewijs van naïviteit en medeplichtigheid. Kern: ideologische tegenstelling over islam, veiligheid en overheidsverantwoordelijkheid.

Sam Van Rooy:

Mijnheer de minister, dames en heren, we herdenken vandaag de islamitische terreuraanslagen van 22 maart 2016 in Zaventem en Brussel. Met de Koran en de Hadith in de hand hebben vijf Allahoe akbar schreeuwende moslims toen 35 onschuldige mensen vermoord. Daarbij raakten ook 340 mensen gewond, vaak zwaar verminkt voor het leven. Het was de dodelijkste terroristische aanslag in de Belgische geschiedenis.

Dat deze terreuraanslagen hier hebben kunnen plaatsvinden, is een ware schande. Hoe diezelfde overheid nadien de slachtoffers heeft behandeld – of mishandeld – is al even schandalig. Deze islamitische aanslagen waren het gevolg van het decennialang gevoerde globalistische pamperbeleid. Ze waren het resultaat van de open grenzen, van het oikofobe en islamofiele diversiteitsdogma en van een laks en soft veiligheidsbeleid.

Sindsdien is de islamitische terreurdreiging helaas alleen verder toegenomen. Dat is ook logisch, want dat is nu eenmaal wat de islam voorschrijft. Het aantal moslims met orthodoxe of zelfs jihadistische opvattingen in dit land neemt elke dag toe. Pas nog riepen moslims op om terreuraanslagen te plegen in Antwerpen en Brussel. Vandaag, negen jaar na de Belgische 9/11, de Belgische 7 oktober, blijkt dat de detectie van explosieven op de luchthavens van Charleroi en Zaventem zo lek als een zeef is. Bij een test werden minstens de helft van de explosieven niet eens opgemerkt.

Mijnheer de minister, hoe is dit in godsnaam mogelijk? Welke stappen zet u om de veiligheid van de reizigers en onze burgers te garanderen?

Bernard Quintin:

Mijnheer Van Rooy, bedankt voor uw vraag, die mij de gelegenheid geeft terug te komen op de tragische gebeurtenissen die België negen jaar geleden hebben getroffen.

Ik was op post in Rio toen het gebeurde en ik zal me altijd mijn Spaanse collega herinneren die mij onmiddellijk de condoleances van zijn land overbracht, met de emotie van iemand die in 2004 de aanslagen in Madrid van dichtbij had meegemaakt. Ik begreep toen onmiddellijk dat 22 maart 2016 voor altijd de dag zal blijven waarop België is toegetreden tot de trieste kring van democratieën die hard getroffen werden door terrorisme.

De regering is zich er volledig van bewust dat de terroristische dreiging in welke vorm dan ook aanwezig blijft, want 16 oktober 2023 is de datum van de laatste aanslag op ons grondgebied. Sindsdien blijft de oorlog in Gaza een triggerevent en blijft het dreigingsniveau dus op 3. Gelukkig waren er sindsdien geen incidenten. Het aantal dreigingen is ook genormaliseerd volgens het OCAD.

De concrete aanbevelingen van de onderzoekscommissie Terroristische Aanslagen waren een leidraad. Veel aanbevelingen zijn uitgevoerd, maar we kijken welke nog relevant zijn. De infodeling is gigantisch toegenomen en de strategie tegen terrorisme is ontwikkeld. We zien wel dat er meer minderjarigen in dossiers voorkomen met een onlinelink. Ik zal ervoor zorgen dat de sociopreventieve opvolging op het niveau van de regering gebracht wordt de komende weken.

Het nulrisico bestaat natuurlijk niet, maar ik heb alle vertrouwen in onze diensten om ons te beschermen tegen deze dreiging. Ik volg ook de situatie in de luchthaven op de voet. Dat was gisteren ook een belangrijk deel van mijn beleidsnota.

Sam Van Rooy:

Mijnheer de minister, één mes, één vuurwapen, één explosief of zelfs een auto in de handen van een jihadistische moslim volstaat. Uit de beleidsverklaringen blijkt dat deze regering vooral wakker ligt van islamofobie. Tijdens de ramadan zijn er traditioneel nog meer islamitische aanslagen. Terwijl jullie gaan 'iftarren' worden er wereldwijd elke dag meer dan acht islamitische aanslagen gepleegd. De afgelopen 19 ramadandagen werden er in totaal 1.609 mensen vermoord door jihadisten. Die islamitische jihad wordt nu zelfs gesponsord door deze Belgische regering, die 18 miljoen euro van ons belastinggeld naar Syrië stuurt. Dat is dom, schandalig, weerzinwekkend en moorddadig.

De bestrijding van de onveiligheid van vrouwen die worden lastiggevallen op straat

Gesteld aan

Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)

op 20 maart 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Anne Pirson kaart aan dat vrouwen nog steeds dagelijks te maken krijgen met straatintimidatie en geweld, ondanks versterkte wetgeving (o.a. de *Pekindeclaratie*), en benadrukt dat mentaliteitsverandering via educatie, preventie en mannelijke verantwoordelijkheid cruciaal is. Minister Beenders bevestigt dat een nationaal actieplan in de maak is, gericht op preventie, bescherming (bv. alarmsystemen), straffere handhaving en betere samenwerking tussen justitie, binnenlandse zaken en maatschappelijke actoren. Pirson voegt toe dat dadergerichte aanpak (via het *Comité voor Sociale Emancipatie*) essentieel is voor effectieve preventie en slachtofferhulp. De minister belooft aandacht voor aanbevelingen, maar concrete maatregelen blijven vaag.

Anne Pirson:

Monsieur le ministre, la presse relaie aujourd'hui, une nouvelle fois, la réalité rencontrée par de trop nombreuses femmes chez nous. Celles-ci sont confrontées à des comportements inappropriés, à des interactions non sollicitées, insistantes, intrusives voire menaçantes. Elles doivent éviter certaines rues, rentrer en taxi, serrer leurs clés entre leurs doigts et appeler à l'aide quand elles en ont encore la possibilité.

Cette réalité rejoint les conclusions du rapport des Nations Unies sur l'évaluation de la Déclaration de Pékin. C'est un plan visionnaire pour l'égalité des femmes adopté en 1995. Elle est évaluée en ce moment à New York à l'occasion de la Commission de la condition de la femme aux Nations Unies à laquelle j'ai eu l'occasion de participer la semaine dernière.

Depuis 1995, la législation pour protéger les femmes a été renforcée dans de nombreux pays mais, visiblement, cela ne suffit pas. Aujourd'hui, ce sont toujours les femmes qui portent la charge du problème et qui modifient leur comportement. Ceci me fait dire que changer les mentalités, c'est parfois plus difficile que de changer les lois. Changer les mentalités, cela passe par l'éducation des jeunes, la sensibilisation, la prévention et la responsabilisation des hommes.

Monsieur le ministre, vous vous êtes engagé avec le gouvernement pour lutter contre le harcèlement. Voici mes quatre questions. Lorsque vous aurez pris connaissance du rapport des Nations Unies, comptez-vous prendre des initiatives pour tenter d'éradiquer enfin ce phénomène? C'est à un changement des mentalités que nous devons travailler. Comment comptez-vous sensibiliser les hommes à changer de comportement? Pourriez-vous nous éclairer sur les concertations que vous comptez mener avec le ministre de l'Intérieur et celui de la Justice pour permettre à chaque citoyen de se sentir à l'aise dans l'espace public? Comptez-vous travailler avec vos collègues pour proposer des mesures qui pourraient être discutées lors de la prochaine Convention des femmes qui aura trait à la justice l'année prochaine?

Rob Beenders:

Madame Pirson, je vous remercie pour votre question, qui est très importante.

Avoir une société dans laquelle chacun et chacune se sent en sécurité – quel que soit son genre, son orientation sexuelle, sa religion, son handicap ou son origine – est ma priorité absolue en tant que ministre de l' é galité des chances. Le sexisme et le harcèlement de rue n'ont pas leur place dans notre société. Ils demandent une approche globale. Par ailleurs, depuis l'adoption de la loi sexisme de 2014, les formes de harcèlement de rue sont punissables par la loi.

Conjointement avec mes collègues, je vais élaborer un plan d'action national ambitieux de lutte contre les violences liées au genre. Ce plan mettra l'accent sur la prévention, la protection, les poursuites et la coordination des politiques.

J'agirai sur plusieurs fronts: réduire les obstacles au signalement des faits, lutter contre le sous-signalement des faits, développer des outils d'évaluation et de gestion des risques, renforcer les mesures de protection, comme l'alarme anti-harcèlement, et sensibiliser ainsi que former les acteurs publics et le grand public. Nous veillerons aussi à poursuivre le déploiement des Centres de Prise en charge des Violences Sexuelles (CPVS).

La lutte contre le sexisme et les violences liées au genre concerne tout le monde. Nous devrons agir à tous les niveaux et dans toutes les compétences.

Anne Pirson:

Merci, monsieur le ministre. Qui dit prise en charge des violences dit aussi se concentrer sur les auteurs.

Le comité d'avis pour l'Émancipation sociale à la Chambre travaille en ce moment sur la thématique des violences sexuelles et intrafamiliales sous l'angle des auteurs de ces violences. Travailler sur les auteurs, c'est aussi travailler sur la prévention, et donc l'aide aux victimes. L'objectif du comité d'avis est de proposer au gouvernement une résolution, et j'espère que vous serez attentifs à toutes nos recommandations.

Voorzitter:

Nous pouvons conclure les questions d'actualité. Je remercie le ministres et les collègues qui ont posé des questions. Ik nodig de collega's van de commissie voor Financiën en Begroting uit om het amendement te bespreken in zaal Popelin.

Grensarbeiders die ook vrijwillige brandweerman of reservist bij Defensie zijn

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 19 maart 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sinds een Belgische wetswijziging in maart 2020 (uitbreiding beroepsziektebescherming voor vrijwillige brandweerlieden) worden deze vrijwilligers als gelijkgestelde ambtenaren beschouwd, wat voor grensarbeiders (België-Nederland) leidt tot wijziging van het toepasselijke socialezekerheidsstelsel—met hoge kosten voor buitenlandse werkgevers en risico op stopzetting van vrijwilligerswerk. België en Nederland onderhandelen sinds januari 2024 over een pragmatische oplossing via artikel 16 van de EU-coördinatieverordening, maar Nederland houdt vast aan de strikte letter van de wet, terwijl België pleit voor soepelheid om vrijwilligerscapaciteit in grensregio’s te behouden. Een structureel akkoord is nog niet bereikt, ondanks politiek en administratief overleg. De minister benadrukt de urgentie, maar een tijdslijn ontbreekt.

Eva Demesmaeker:

Mijnheer de minister, heel wat mensen zetten zich naast hun werk ook in als vrijwilliger voor de lokale brandweer of als reservist bij Defensie. Wanneer het over Belgische en Nederlandse grensarbeiders gaat, knelt die nevenactiviteit met het toepasselijke socialeverzekeringsrecht. Als een Belgische inwoner met een privaatrechtelijke dienstbetrekking in Nederland daarnaast een taak opneemt bij het vrijwillige brandweerkorps van zijn woonplaats in België, of als een Nederlandse inwoner met een privaatrechtelijke dienstbetrekking in België daarnaast een taak wenst op te nemen bij het vrijwillige brandweerkorps van zijn woonplaats in Nederland of als reservist bij de Nederlandse Defensie, dan worden die neventaken in beide landen aangemerkt als een functie in de zin van een publiekrechtelijke dienstbetrekking, waardoor het toepasselijke socialeverzekeringsrecht wijzigt. Dat leidt tot onwenselijke situaties voor de privaatrechtelijke werkgever en de werknemer, en kan erin resulteren dat de neventaak zelfs stop wordt gezet.

In het verleden werden op grond van artikel 16 van de coördinatieverordening inzake sociale zekerheid nr. 883/2004 afwijkingen op het toepasselijke recht toegestaan, zodat het socialeverzekeringsrecht van de vestigingsstaat van de privaatrechtelijke werkgever, respectievelijk Nederland of België, van toepassing kon blijven.

Zowel de Sociale Verzekeringsbank als de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid weigert die uitzonderingen blijkbaar nog toe te staan. Gelet op het tekort bij vrijwillige brandweerkorpsen in de grensstreek en Defensie lijkt dat geen wenselijke ontwikkeling.

Waarom staan de Belgische en Nederlandse overheid geen afwijking meer toe op de coördinatieverordening inzake sociale zekerheid voor grensarbeiders die in hun woonstaat de taak van vrijwillige brandweerman of reservist bij Defensie opnemen? Is dat ten gevolge van een gewijzigd standpunt van de RSZ of van uw beleid dan wel een reactie op een gewijzigd standpunt van de Nederlandse overheid?

Gaat u ermee akkoord dat, gelet op het belang van de invulling van taken bij de vrijwillige brandweer en Defensie, het meer dan wenselijk is dat een grensarbeider met een privaatrechtelijke dienstbetrekking niet van socialezekerheidsstelsel verandert? Zult u erop aansturen dat de Belgische autoriteit op basis van artikel 16 van de coördinatieverordening een akkoord sluit met de Nederlandse autoriteit om het probleem op te lossen? Hoelang denkt u dat een nieuw akkoord op zich zal laten wachten?

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw Demesmaeker, het betreft hier inderdaad een ingewikkeld probleem als gevolg van de specifieke eigenschappen van de Europese coördinatie.

Ik geef eerst de historiek. Met de uitbraak van de covidpandemie werd reeds in maart 2020 beslist om de vrijwillige leden van het operationele personeel van de hulpverleningszones sociale bescherming voor beroepsziekten te bieden. Dat heeft ertoe geleid dat die vrijwilligers niet langer als een vrijwilliger worden aangezien bij de toepassing van de Europese regels die bepalen welke lidstaat bevoegd is voor de sociale zekerheid. Ze worden voortaan als een gelijkgestelde ambtenaar gekwalificeerd.

Voordien werden die vrijwillige activiteiten niet in aanmerking genomen voor de aanwijzing van de bevoegde lidstaat, maar door de wetswijziging van maart 2020 werd België de bevoegde lidstaat, waardoor de buitenlandse werkgever zich moet aansluiten bij de RSZ en de Belgische sociale bijdragen moet betalen, omdat het ambtenarenstatuut daarin doorslaggevend is.

De Nederlandse werkgever in dit geval wenst uiteraard geen Belgische sociale bijdragen te betalen, waardoor de werknemer voor een zeer vervelende keuze komt te staan: ofwel een andere job zoeken, ofwel de vrijwilligersactiviteit bij de brandweer of in de hulpverleningszone opgeven. Dat hypothekeert natuurlijk het engagement van die vrijwilligers en de capaciteit van de diensten die op hen een beroep doen. Men kan die mensen niet zomaar vervangen. De pool van vrijwilligers is ook niet zo groot.

Om tot een structurele oplossing te komen, heeft de RSZ al verschillende keren met onze Nederlandse tegenhanger, de Sociale Verzekeringsbank, overlegd. Omdat dat overleg op administratief niveau nog niet tot een oplossing heeft geleid, heb ik de problematiek in september vorig jaar ook al bij mijn Nederlandse collega van Sociale Zaken, minister van Hijum, aangekaart.

Door onze aanhoudende vraag om tot een oplossing te komen, hebben de Nederlandse en de Belgische administraties in januari opnieuw rond de tafel gezeten om een onderhandelde oplossing uit te werken die gunstig is voor alle betrokken partijen. De RSZ heeft uitvoerig geantwoord op de vragen van de Nederlandse administratie en heeft toelichting gegeven bij de oorsprong en de gevolgen van het probleem. Onze Nederlandse collega's onderzoeken het dossier nu verder en leggen het voor aan de Nederlandse minister.

Eva Demesmaeker:

Iedereen doet dus zijn deel, maar het is een moeilijk probleem waarvoor de oplossing nog even op zich zal laten wachten.

Frank Vandenbroucke:

Wij dringen bij de Nederlandse collega's aan op pragmatisme. De Europese verordening bepaalt dat de lidstaat van de ambtenaar die nog een ander statuut heeft, alle bijdragen moet innen voor alle activiteiten van de ambtenaar. Met andere woorden, indien iemand ook een private werkgever heeft in Nederland, Duitsland, Frankrijk of een ander land, dan zal die bijdragen betalen aan de Belgische sociale zekerheid. Zo is het bepaald in de Europese regelgeving. Dat is vervelend, maar de Nederlanders willen de letter van de wet toepassen en wij proberen hen tot een pragmatischere benadering te bewegen, aangezien we de regelgeving inzake beroepsziekten van toepassing hebben gemaakt op vrijwilligers in een hulpverleningszone.

Eva Demesmaeker:

Mijn dank om u daarvoor in te zetten. De voorzitster : Vraag nr. 56003149C van de heer Ronse wordt uitgesteld. Vraag nr. 56003499C van mevrouw Samyn wordt behandeld tijdens de bespreking van de beleidsverklaring. De behandeling van de vragen eindigt om 10.32 uur. Le développement des questions se termine à 10 h 32.

De zoektocht naar 17 miljard euro voor Defensie
De formatie 2.0 en de budgettaire keuzes voor België
Het bijkomende budget voor Defensie
De impact van de 17 miljard euro op de begroting
De verhoging van het Belgische defensiebudget
Belgische defensiebegroting: uitdagingen en impact.

Gesteld aan

Bart De Wever (Eerste minister), Theo Francken (Minister van Defensie)

op 13 maart 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België moet 17 miljard euro vrijmaken om de NAVO-defensienorm (2% BBP) te halen, maar de regering botst op diepe meningsverschillen over financiering: verkoop staatsdeelnemingen (omstreden als "kroonjuwelen"), belastingsverhogingen (weerstand bij cd&v/Vooruit), besparingen (niet op sociale zekerheid), of schulden (afgewezen om toekomstige generaties te belasten). De Wever benadrukt urgentie en eensgezindheid over het *doel* (veiligheid, Europese autonomie), maar geen consensus over *hoe*—kritiek op "cacofonie" en gebrek aan leiderschap, terwijl oppositie (ptb, Groen) vreest voor nieuwe besparingen op arbeiders en sociale voorzieningen. Kernpunt: defensie als hefboom voor begrotingsherziening, met risico op politieke polarisatie en sociale spanning.

Alexia Bertrand:

Mijnheer de premier, de wereldorde is de laatste weken compleet veranderd. Dat heeft ook implicaties voor België. We zullen niet meer kunnen schuilen onder de paraplu van de Amerikanen, dus er moeten meer aandacht en middelen naar defensie gaan. Via VTM Nieuws vernamen we dat er 17,2 miljard euro gezocht wordt. Dat heeft uw minister van Financiën gezegd.

Er lijkt wel eensgezindheid te zijn. De minister van Begroting heeft gelijk, daarover lijkt wel eensgezindheid te bestaan. Er is echter helemaal geen consensus binnen uw regering over waar het geld vandaan moet komen en wie het zal betalen. Iedereen spreekt elkaar tegen. De minister van Financiën heeft gezegd dat het volledig gecompenseerd moet worden.

(…) : (…)

Alexia Bertrand:

Nee, budget! Ja, voilà, ziet u. De minister van Begroting zei dus dat het volledig gecompenseerd moet worden. Vooruit zegt echter nee. Volgens Vooruit zijn de codewoorden 'buiten de begroting'. Dat bestaat echter niet, dat weet u net zo goed als ik. De schuld blijft oplopen. Iemand moet dat wel betalen.

De minister van Begroting heeft echter een oplossing. Hij heeft vier financieringsbronnen geïdentificeerd.

Ten eerste zullen de overheidsparticipaties verkocht worden. Toch niet, zegt de heer Prévot.

"Pas si vite" dit M. Prévot, "il faut être prudent avec les bijoux de l'État, les joyaux de la Couronne".

"Dat is niet erg, wij hebben een andere oplossing. We gaan het geld aan de regio's vragen," zegt de minister van Begroting.

"Zeker niet, njet," zegt de heer Diependaele, "absoluut niet! Wij gaan daar niet voor betalen. Wij willen niet op de Vlaamse begroting besparen voor een federale bevoegdheid. No way, ik weet van niets!"

Dat is niet erg, er is een derde oplossing, namelijk de Russische tegoeden. "Dat is immoreel, mijnheer de eerste minister. De Russische tegoeden daarvoor gebruiken, is immoreel."

"Wel, dan gaan we besparen."

"Besparen? Niet op de sociale zekerheid," zeggen Vooruit en cd&v.

"Nee, we gaan belasten!", zeggen Les Engagés. "Wij gaan de meerwaardebelasting verdubbelen. Belasten!"

Wat is het nu, mijnheer de minister, waar komt het geld vandaan? (…)

Voorzitter:

Dank u, mevrouw Bertrand.

Vervolgens mag mevrouw Merckx wellicht een soortgelijk pleidooi houden. (Gelach)

Sofie Merckx:

Monsieur le premier ministre, il y a près de deux mois, vous nous avez présenté votre accord de gouvernement. Vous avez dit: "Il faut mettre le pays au régime. Il n'y a plus d'argent". Dans votre accord, vous avez fait en sorte que l'effort budgétaire, pour 95 %, tombe sur les travailleurs, les malades et les chômeurs.

Aujourd'hui, en fait, vous mettez cet accord à la poubelle. Vous recommencez des négociations pour le gouvernement; et vous voulez faire pire, soi-disant parce qu’il faut trouver 4 ou 17 milliards en plus pour la Défense.

Ce qui est dingue, c'est ce que dit l'Europe. Mme von der Leyen a dit: "Il y a 800 milliards d'euros pour les États, il n'y a pas de problème, vous pouvez dépenser pour la Défense".

Quand c'est pour nos pensions, quand c'est pour nos services publics, il n'y a pas d'argent. Mais quand c'est pour la Défense, il n'y a pas de problème, c'est open bar. C'est ce que nous voyons vraiment.

Et que voyons-nous quant à vos nouvelles négociations? Qu’y a-t-il sur la table? Des sanctions encore plus sévères pour les mutuelles concernant les malades de longue durée. D'autres, comme M. Van Peteghem, disent: "Il faut faire plus d'économies". Va-t-on encore économiser plus dans nos services publics?

Il paraît aussi que vous allez rediscuter du malus pension, parce que le dernier mot n'aurait pas été dit. Si c'est pour aller chercher de l'argent, je suppose que les choses vont empirer.

Il paraît aussi, à propos de la taxe sur les plus-values, que le mot "plus-values" ne figurerait plus dans la note de M. Jambon.

Monsieur le premier ministre, les questions que je vous adresse sont très claires. Quel est votre timing? Qu’y a-t-il réellement sur la table en vue d’aller chercher de l'argent? Allez-vous faire payer la classe travailleuse à 100 %?

François De Smet:

Monsieur le premier ministre, si nous voulons porter un effort de guerre en ce compris vis-à-vis de la population, il faut d’abord rappeler la réalité de la menace.

J’entends des discours qui nous disent que "l'Ukraine, c'est loin, qu'il n'y aura jamais de chars russes place de Brouckère". C'est vrai. Il n'en reste pas moins que la Russie de M. Poutine constitue une menace impérialiste qui attaque ses voisins. Hier, la Géorgie et l'Ukraine. Demain peut-être la Pologne, les États baltes, la Moldavie. La menace n'est pas purement militaire au sens classique. Ce régime empoisonne ses opposants. Ce régime n'hésite pas à court-circuiter et à tenter de pirater les élections dans les pays démocratiques et même à financer et à soutenir des partis extrémistes dans nos pays.

Chers collègues, que l'on aime ou que l'on n'aime pas ce gouvernement, désolé, désormais notre génération devra faire les efforts qui n'ont pas été consentis depuis 40 ou 50 ans, non pas pour faire la guerre, mais pour rester en paix.

Ceci dit, en effet, dans votre gouvernement et en dehors, cela tire dans tous les sens. Différentes sources sont possibles. Il faut faire la différence avec les entreprises publiques. Que l'on se désengage de certaines banques, pourquoi pas? Je ne crois pas que l'État belge ait pour vocation de gérer des banques. Si nous sommes propriétaires, en tout ou en partie, de banques, c'est parce que nous avons voulu les sauver en 2008.

Par contre, je ne voudrais pas que le combo magique des nationalistes flamands au 16 rue de la Loi, aux Finances et à la Défense fasse en sorte que l'on se sépare de certains bijoux de famille comme Proximus et bpost parce que ces entreprises publiques ont une plus-value stratégique, une plus-value pour le citoyen, en ce compris pour l'État belge.

Enfin, monsieur le premier ministre, notre ministre de la Défense, qui est extrêmement volubile, nous fait part de ses analyses géostratégiques à peu près tous les jours. Je crois que vous êtes la seule personne dans l'hémisphère Nord à avoir un peu d'influence sur lui pour le moment. Peut-être pourriez-vous le délivrer un peu de son "trumpisme" pro-américain parce qu'avec ces 17 milliards, il ne faut pas acheter de l'américain mais du belge et de l'européen!

Steven Matheï:

Mijnheer de premier, 17,2 miljard euro is nodig om de NAVO-norm te halen. Dat is een zeer hoog bedrag, iets wat niet zomaar uit de lucht komt vallen en een doordacht plan vereist dat zeker rekening houdt met onze hoge staatsschuld en onze hoge belastingdruk.

Op zich heeft men nu twee keuzes. We kunnen die 17,2 miljard euro betalen door schulden op te bouwen en de factuur naar de volgende generaties door te schuiven, met alle gevolgen van dien, ofwel nemen we onze verantwoordelijkheid en gaan we ook op zoek naar compenserende maatregelen, zodat de schuld binnen de perken blijft. De minister van Begroting heeft een voorstel van budgettair kader op tafel gelegd waarin er enerzijds voor wordt gezorgd dat er een broodnodige versnelling kan komen om de NAVO-norm te halen en waarin anderzijds ook wordt gezorgd voor een mix van compenserende maatregelen, zodat onze schuld niet stijgt.

Daarom is onze vraag aan u heel eenvoudig. Zal uw regering ervoor zorgen dat de extra, broodnodige uitgaven ook worden gecompenseerd, zodat onze schulden niet verder stijgen?

Voorzitter:

Collega Matheï, het onderwerp van de vragen is '17 miljard euro', maar u maakt er 17,2 miljard euro van. Ik had uw vraag eigenlijk ongeldig moeten verklaren.

Georges-Louis Bouchez:

Monsieur le premier ministre, je pense qu'il est maintenant clair pour tout le monde que l'Europe doit arrêter d'être naïve, doit arrêter de se plaindre et de pleurer, et qu'elle doit agir. J'entends certains dire qu'on va trouver de l'argent pour la Défense plutôt que pour nos hôpitaux et nos politiques sociales. Mais, si nous ne sommes pas capables d'assurer notre sécurité, il n'y aura plus d'hôpitaux, plus de politiques sociales, plus de bien-être! Ne pas être à côté de l'histoire, c'est aussi prendre ses responsabilités au moment où cela s'impose, plutôt que de choisir la facilité.

Monsieur le premier ministre, il y a un enjeu en termes de Défense, mais également sur d'autres aspects, sans doute encore plus dangereux pour l'Europe. Ce sont ceux de la guerre commerciale, de la guerre industrielle et de la protection numérique. Nous avons aujourd'hui beaucoup plus de risques de subir une attaque numérique qui relègue notre pays au Moyen-Âge que d'avoir des chars russes sur la Grand-Place de Bruxelles.

Monsieur le premier ministre, dans les 2 % que nous devons consacrer dès cette année à la Défense – certains partenaires nous ayant empêchés par le passé de le faire sur la durée, nous sommes obligés de faire aujourd'hui des efforts beaucoup plus stricts –, est-il prévu que des moyens et surtout une stratégie puissent être développés pour garantir une autonomie commerciale, une autonomie industrielle, une autonomie numérique à l'Union européenne? Car c'est à ce prix que nous pourrons conserver notre sécurité. Aujourd'hui, s'équiper militairement afin de respecter nos engagements vis-à-vis de l'OTAN est fondamental, mais faire en sorte de préserver notre bien-être et notre sécurité intérieure l'est tout autant.

Voorzitter:

Dat betekent dat de eerste minister 5 minuten heeft om te reageren op deze reeks vragen.

Bart De Wever:

Chers collègues, comme vous le savez, le gouvernement a déjà prévu une importante trajectoire de croissance pour nos dépenses en défense; nous visons 2 % d’ici la fin de cette législature. De cette manière, ce gouvernement ferait enfin ce qui a été négligé au cours de ces dernières décennies: honorer nos engagements internationaux, et montrer que ce pays est un allié fiable pour l’OTAN. L’effort déjà prévu était considérable, surtout dans le contexte budgétaire désastreux dont nous avons hérité. Cependant, les derniers développements géopolitiques nous obligent à accélérer cette trajectoire de croissance. Avec le sommet de l’OTAN prévu cet été, un effort supplémentaire sera nécessaire pour montrer à nos partenaires que notre pays veut apporter sa juste contribution pour garantir la sécurité de notre continent européen.

À ce sujet, je constate une unanimité claire au sein de notre gouvernement, et je m’en réjouis. Je pense en effet que M. Bouchez a raison: la menace est existentielle, elle est claire. À moins d’appartenir à la cinquième colonne de Poutine, tout le monde le voit. Cela nécessite effectivement – et évidemment – un ajustement de la trajectoire budgétaire pour les prochaines années. Nous souhaitons bien entendu l’intégrer le plus rapidement possible, c’est-à-dire dans le budget que nous soumettrons pour ce qui reste de cette année. Les détails ne pourront évidemment n’être communiqués qu’une fois un accord trouvé au sein du gouvernement. Il est vrai que j’ai déjà pu lire de nombreuses déclarations à ce sujet de la part des partenaires de la coalition, ce dont je me réjouis un peu moins, mais passons. Cependant, d’après mes premiers contacts avec ces partenaires de la coalition, j’ai bon espoir qu’un tel accord pourra être trouvé rapidement.

Ik wil wel volgende duidelijkheid scheppen. De regering leeft in het besef dat men een euro slechts één keer kan uitgeven en dat geld niet zomaar uit de printer rolt. Misschien is het een goede zaak dat Europa de komende jaren iets minzamer zal kijken naar de uitgaven voor defensie. Dat ontslaat ons echter niet van de verantwoordelijkheid om een duurzaam begrotingstraject te bewandelen. En verschrikkelijk veel marge heeft dit land uiteraard niet. We kunnen niet fel buiten de lijntjes kleuren, want we hebben nog moeite om de lijntjes te bereiken.

Ik heb dinsdag ook een goed gesprek gehad met de ambtsgenoten uit Vlaanderen en Wallonië. We hebben het onder meer gehad over gemeenschappelijke mogelijkheden en opportuniteiten, ook inzake defensie. Ik kan u zeggen dat we zeer eensgezind zijn en dat alle collega's doordrongen zijn van de uitdagingen waarvoor we staan, maar ook van de opportuniteiten die deze bieden.

De komende tijd zullen de deelstaten zeker inspanningen leveren, dat heb ik hun ook gevraagd en dat waren ze ook van plan, om hun regelgeving inzake de defensie-industrie te versoepelen. Het zou immers ontzettend dom zijn, collega's, om niet te proberen met onze eigen bedrijven maximaal te profiteren van de groeiende defensiebehoeften in Europa en de wereld. In elke crisis ligt een opportuniteit en ik roep derhalve alle overheden, maar ook heel ons bedrijfsleven, op om de kansen van een groeiende defensie-industrie in Europa te zien en te plukken. Op die manier zullen wij bijdragen tot de veiligheid van onze burgers en tot de veiligheid van Europa en tegelijk tot de versterking van ons economisch en industrieel weefsel.

Dit is geen tijd voor naïviteit, dit is geen tijd voor afwachten, het is een tijd om te kiezen en om te handelen. En dat zal deze regering zeer binnenkort doen.

Alexia Bertrand:

Mijnheer de eerste minister, u bent niet gelukkig met de uitspraken van verschillende leden van uw regering, maar het is uw taak als eerste minister om ervoor te zorgen dat alle neuzen in dezelfde richting staan. En dat is uw probleem: u hebt een regering, maar u hebt geen ploeg. U hebt de partijvoorzitters moeten samenroepen, en dat al na zeven weken. Na zeven weken hebt u de partijvoorzitters al nodig. U staat onder curatele van de partijvoorzitters.

Ik zeg het u al, collega's, luister goed: Defensie wordt het excuus voor de begroting. Dat wordt het codewoord: begroting, tekort, Defensie. Dat zal het zijn.

Let goed op, het wordt het rookgordijn voor de begroting.

Sofie Merckx:

Aujourd'hui, l'Europe dépense déjà plus que la Russie pour sa défense.

Nous nous posons donc en effet la question du bien-fondé de la décision d'y injecter des milliards supplémentaires. Nous ne sommes d'ailleurs pas seuls: ce week-end , Mme Rutten de l'Open Vld a exprimé ses interrogations quant à cette décision.

Monsieur De Wever, lorsque vous dites qu'on ne peut dépenser l'argent qu'une seule fois, nous pouvons déjà deviner la direction que cette affaire prendra. Le problème est que vous voulez tirer parti de cet effort et de ce climat pour réaliser des économies encore plus drastiques aux dépens de la classe travailleuse, alors que certaines mesures que vous avez proposées sont inacceptables. C'est le cas, par exemple en ce qui concerne les pensions.

C'est pour ces raisons que, ce 31 mars, nous serons en grève avec l'ensemble des travailleurs du pays.

François De Smet:

Monsieur le premier ministre, je vous remercie pour votre réponse, même si nous n'avons pas appris grand-chose.

La cacophonie qui vous désole porte malheureusement un nom qui ne va pas vous faire plaisir: elle rappelle un peu la Vivaldi. En tout cas, c'est ainsi que cela avait commencé. Bonne chance!

En ce qui concerne les entreprises publiques, il s'agit de choix stratégiques. En tant que député, je ne voudrais pas que nous nous réveillions un matin en découvrant que toute une série d'entreprises publiques a été vendue sans que nous le sachions. Cela mérite un débat parlementaire, même à huis clos, puisque je comprends le caractère de confidentialité.

Je suis très heureux que vous puissiez aider le développement des industries de défense en Wallonie, en Flandre et en Europe. Il ne faudrait pas que ce réflexe s'arrête aux munitions et aux chars. Cela concerne également, potentiellement, les avions de chasse. Si les Européens sont capables de construire des avions de ligne comme les Airbus, il n'y a aucune raison que d'ici 10, 15, 20 ou 30 ans, nous ne soyons pas aussi capables de construire des avions de chasse.

Steven Matheï:

Mijnheer de premier, u onderstreept terecht dat er aanzienlijke inspanningen nodig zijn om onze investeringen in defensie de NAVO-norm te laten halen. We benadrukken wel dat het belangrijk is om die factuur niet door te schuiven naar de volgende generaties. Tegelijkertijd ontplooit er zich een soort hybride oorlog in ons land en daarom moeten we ervoor zorgen dat de interne veiligheid in ons land ook gewaarborgd blijft. Dat zal een verhaal voor de komende weken en maanden zijn.

Georges-Louis Bouchez:

Monsieur le premier ministre, je vous remercie pour vos réponses. Je pense qu'un angle n'a pas eu l'occasion d'être abordé, c'est la question de l'autonomie sur le plan commercial et numérique, qui, à mon sens, est vraiment un enjeu au moins tout aussi important. Pour le reste, en ce qui concerne le financement des 2 %, puisque certains ont demandé un peu de clarté, je peux d'ores et déjà donner la position de notre formation politique. C'est que vous ne pouvez pas avoir les chefs d'État et de gouvernement de l'Union européenne qui, devant toutes les caméras, disent que, potentiellement, une guerre est à nos portes et faire croire aux gens que rien ne va changer dans les budgets. À un moment donné, vous devez consacrer vos moyens aux besoins qui sont des besoins impériaux et vitaux pour la survie de notre pays et de l'Union européenne. Il ne faut pas d'impôts en plus dans le pays le plus taxé. Il faut du financement structurel! Il faut du courage politique! Je vous remercie.

De EU-top van 6 maart over defensie en de steun aan Oekraïne
De Belgische positie in het internationale veiligheidsbeleid
De Europese defensietop na de recente wijzigingen van het Amerikaanse beleid ten aanzien van Oekraïne
Het ReArm Europe-plan, de defensietop van 6 maart en de steun aan Oekraïne
De besluiten en de uitwerking van de EU-top van 6 maart te Brussel
EU-top 6 maart: defensie, Oekraïne-steun, internationaal veiligheidsbeleid

Gesteld aan

Bart De Wever (Eerste minister)

op 13 maart 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om Europese defensieautonomie en financiering na Trumps onbetrouwbare VS-beleid en Poetins agressie, met België onder druk om 4 miljard extra te investeren. Magnette (PS) eist dat Poetin (niet burgers) betaalt en waarschuwt voor dure, inefficiënte Amerikaanse wapenaankopen (bv. F-35’s), terwijl De Wever (N-VA) en Van den Heuvel (CD&V) pleiten voor Europese samenwerking, industriële integratie en strategische autonomie—zonder versnippering of paniek. Critici (Aerts, Ponthier) vrezen ongedekte cheques en escalatie, terwijl Safai (N-VA) het EU-plan *"ReArm Europe"* (800 mjd) als historisch scharniermoment omarmt.

Paul Magnette:

Monsieur le premier ministre, l'heure est grave! Depuis son retour à la tête des États-Unis, Donald Trump sème le désordre partout. Il sème le désordre autour des États-Unis avec ses projets d'annexion du Groenland et du Canada. Il sème le désordre au Proche-Orient avec ses projets délirants pour la bande de Gaza et son soutien inconditionnel au gouvernement Netanyahou. Il sème le désordre chez nous avec ses mesures douanières qui menacent notre économie et nos emplois. Et il sème le désordre à nos frontières avec son alliance à peine cachée avec le dictateur Poutine et le lâchage en rase campagne de Zelensky et du peuple ukrainien. Trump met le feu au monde! Il est aujourd'hui la première menace pour notre sécurité.

Les Européens doivent prendre leur sort en main. Ils commencent à le faire timidement. Après l'invasion de l'Ukraine par Poutine, en quelques mois, nous nous sommes débarrassés du gaz russe. Nous devons désormais nous passer des armes américaines. Cela impose, c'est vrai, un investissement massif en matière de sécurité, mais pas à n'importe quelle condition. Il faut d'abord tirer les leçons du passé.

Voici 10 ans, le premier gouvernement MR/N-VA a acheté des avions américains, fasciné par le soutien américain.

Ces F-35 nous ont coûté une fortune, 5 milliards, et peut-être ne décolleront jamais. Et votre ministre de la Défense veut à nouveau investir massivement dans de l'armement américain. Il ne faut pas refaire cette erreur. Les investissements doivent profiter à notre économie et à nos emplois.

Et puis, il y a bien sûr la question que tous les Belges se posent. Qui va payer? Qui va payer? Pour nous, la réponse est très claire. Ce ne doit pas être les travailleurs, ce ne doit pas être les pensionnés. Le responsable de la guerre, c'est Poutine et c'est Poutine qui doit payer.

Ma question est donc claire, monsieur le premier ministre. Êtes-vous prêt à vous rallier aux Européens qui veulent saisir les avoirs (…)

Koen Van den Heuvel:

Beste collega's, vandaag is er grote onzekerheid op wereldvlak, zoals we ook hier al gehoord hebben. Een wispelturige Amerikaanse president, die blijkbaar heel goed bevriend is met de Russische beer, dwingt ons in Europa tot keuzes om de veiligheid van onze gezinnen te waarborgen en de democratie van morgen veilig te stellen. Daarbij moeten we een gezonde ambitie tonen, want de tijd is rijp om als Europeanen onze verantwoordelijkheid op te nemen en onze strategische autonomie binnen Europa te versterken.

De extra veiligheidsinvesteringen in defensie zijn nodig. Daarbij telt niet alleen de kwantiteit, maar ook de kwaliteit. We moeten die middelen op de juiste, de meest efficiënte en strategische manier gebruiken. Het is niet de bedoeling dat we met onze goedgevulde portemonnee wereldwijd gaan shoppen. Ik denk dat we de juiste keuzes moeten maken. Dat wil zeggen dat we komaf moeten maken met de versnippering van de militaire investeringen binnen Europa. Gedaan met twaalf verschillende typen tanks, terwijl Amerika één tank heeft. Wij moeten kiezen voor meer Europese samenwerking, we moeten kiezen voor meer strategische autonomie binnen Europa en we moeten kiezen voor een sterke uitbouw van een goede innovatieve Europese defensie-industrie.

Mijnheer de premier, de voorbije weken nam u regelmatig deel aan Europees topoverleg, en dat zal in de toekomst nog meer gebeuren. Vandaar onze vraag welke boodschap u op Europees niveau zult brengen. Hoe ziet u de versterking van de militaire samenwerking binnen Europa? Hoe ziet u de uitbouw van een innovatieve, sterke Europese defensie-industrie? In welke mate speelt in uw ogen de Atlantische samenwerking daarin nog een versterkende rol?

Voorzitter:

Dan zijn er drie vragen die in de commissie werden ingediend en hier worden toegevoegd. De eerste vraag is van collega Aerts.

Staf Aerts:

Mijnheer de eerste minister, collega's, ik neem jullie even mee naar mijn keukentafel van afgelopen maandag. Ik heb drie kinderen van 11 jaar, 15 jaar en 17 jaar. De jongste, Kasper, vroeg, heel ongerust: "Zal mijn grote broer, die volgend jaar 18 wordt, naar het leger moeten gaan en moeten gaan vechten in Oekraïne?" Zo ongerust zijn onze kinderen dus aan het worden. Die ongerustheid is er niet alleen bij onze kinderen, maar in onze hele samenleving.

Ik begrijp dat grotendeels, want de vernederende manier waarop Trump Zelensky vorige week in de hoek heeft gezet, tart alle verbeelding. Poetin is al langer een agressor, maar de VS toont zich echt als een ongelooflijk grote onbetrouwbare speler.

Wat ondertussen niet helpt om die onrust te bedaren, zijn politici die opgaan in het opbod, waarbij ze komen met meer miljarden, met F-35's die men wil bijkopen, Amerikaanse dan ook nog, en met drones. Iedereen heeft noodpakketten nodig. Net nog hoorde ik: pas op, want straks staan de Russische troepen hier op de Grote Markt in Brussel.

Dat gaat de onrust niet wegnemen. Neen, wat wij nodig hebben, zijn politici die niet panikeren maar organiseren, die het hoofd koel houden en die doordacht en samen met Europese partners het gesprek aangaan. Dat betekent meer Europese samenwerking, meer samenwerking, want anders gaan we de fouten maken die we al tientallen jaren aan het maken zijn. Elk land investeert in zijn eigen kleine legertje en internationaal staan we nergens. Dat betekent niet alleen investeren in defensie, maar ook in eerlijke vrede en veiligheid. Dat doen we met meer diplomatie, met meer ontwikkelingssamenwerking. Dat is net hetgene waarop u wil gaan besparen.

Mijnheer de eerste minister, hoe gaat u ervoor zorgen dat we met België volop voor meer Europese samenwerking gaan op al die domeinen van veiligheid?

Darya Safai:

Mijnheer de premier, de 27 lidstaten van de Europese Unie zijn het op de speciale Europese top in Brussel eens geworden over een ambitieus plan voor het versterken van de Europese defensie. Het plan, 'ReArm Europe', is goed voor 800 miljard euro.

Deze top zal de geschiedenis ingaan als de dag waarop Europa eindelijk wakker werd, de dag waarop wij onze harde veiligheid eindelijk opnieuw ernstig namen en de dag waarop onze defensie ontwaakte. Het is een scharniermoment waarop toekomstige generaties zullen terugkijken.

Nu moeten we belangrijke beslissingen nemen. Wij kunnen Europees wegen, op voorwaarde dat we over onze eigen schaduw heen stappen en met een duidelijke visie naar buiten komen. Een juiste visie vergt ook investeringen in defensie.

Mijnheer de premier, zoals u al eerder hebt gezegd, moeten er miljarden euro worden gezocht. Dat is juist. Ik ben blij dat u zich inzet om zo snel mogelijk de minimumnorm van de NAVO te bereiken en de geloofwaardigheid van dit land te herstellen.

Mijnheer de premier, wat zijn de voornaamste conclusies die u trekt na afloop van de Europese top?

Hoe ziet u de verdere Europese samenwerking en de opbouw van de strategische autonomie?

Annick Ponthier:

Mijnheer de premier, de geopolitieke veranderingen komen in sneltempo voorbij. Eerst was er de aangekondigde terugtrekking van de VS-steun aan Oekraïne en aansluitend daarop vond vorige week de Defensietop plaats, waarop Ursula von der Leyen het ReArm Europe plan lanceerde ten belope van 800 miljard euro. Het merendeel daarvan, 650 miljard, zou moeten komen van extra uitgaven van de lidstaten en de rest van leningen.

Wat vaststaat, is dat de sense of urgency wat betreft de versterking van onze nationale en Europese defensiecapaciteit bij vrijwel iedereen begint te dagen. Intussen ligt er een voorstel tot staakt-het-vuren op tafel, met de steun van de VS en Oekraïne en vernemen we vandaag dat het Russische regime zijn eigen eisen ter zake stelt. In elk geval lijkt de diplomatie het op dit moment te halen van de oorlogsretoriek. Dat verhinderde uw minister van Defensie echter niet om tijdens het bilateraal overleg met president Zelensky maar liefst 1 miljard euro extra militaire steun te beloven.

Er blijven nog veel vragen onbeantwoord over de verdere afwikkeling van dit conflict en ik wil u dan ook graag de volgende vragen stellen. Wat betekent het ReArm Europe plan voor België en de inspanningen of het vlak van defensie? Wat betekent dit voor onze defensie-industrie? Wat als er effectief een staakt-het-vuren komt of op termijn een vredesakkoord? Welke rol zal België dan volgens u moeten spelen?

Bart De Wever:

Monsieur Magnette, je comprends votre manque d’enthousiasme à l’égard de M. Trump, mais dire, en tant que pays membre de l’OTAN, que les États-Unis sont la première menace pour notre sécurité est un non-sens dangereux. Tout comme l’est le fait de dire qu’il suffirait simplement de saisir les avoirs gelés, et je pense que vous le savez. J’appelle tout le monde au calme, à rester serein et à dire moins d’inepties.

Le 6 mars s’est tenu un Conseil européen extraordinaire. L’ordre du jour portait sur deux grands thèmes: l’Ukraine et la défense européenne. Cette réunion faisait suite à la réunion informelle en matière de défense de février, au cours de laquelle il fut question de renforcer la capacité de l’Union européenne à faire face aux menaces sécuritaires actuelles et futures.

Permettez-moi de commencer par les conclusions relatives à la défense. Il est clair que la capacité de défense européenne doit être renforcée. L’Union européenne prévoit dès lors des possibilités pour encourager les États membres à dépenser davantage en matière de défense. Elle présentera des décisions concrètes à ce propos au cours du Conseil européen du 20 mars. Comme je viens de l’exposer, nous devrons en tout cas accélérer l’augmentation de notre budget.

In de Raad hebben alle leiders unaniem de wil uitgesproken om onze strategische afhankelijkheden te verminderen en de kritieke capaciteitsgaten op te vullen. Sommigen menen blijkbaar dat dit heel eenvoudig is, maar het zal tijd vergen. We moeten in de toekomst maximaal op onszelf kunnen rekenen bij bedreigingen van onze veiligheid. Tot zolang zou ik alle anti-Amerikaanse statements eerlijk gezegd achterwege laten. Minstens tot zolang.

Om dat te realiseren, zal de Europese defensie-industrie zich dus maximaal moeten gaan ontplooien. Daarbij zullen inderdaad – mijnheer Van den Heuvel, u hebt dat aangeraakt – moeilijke maar levensnoodzakelijke keuzes gemaakt moeten worden inzake de integratie van die industrie op Europees niveau, en dus ook inzake de integratie van militaire capaciteiten. We weten dat allang. Het is een moeilijke weg, maar de dingen bewegen nu wel heel snel.

Voor de financiering van al die ambities wordt de Europese Investeringsbank vanaf nu niet langer ontmoedigd, maar gestimuleerd om te investeren in de defensiesector. Daarnaast zal er zeker mobilisatie nodig zijn van privékapitaal. Dit onderstreept eens te meer de noodzaak van een kapitaalmarktenunie om investeringen efficiënter en sneller te laten doorstromen. Ook hier, we weten dat allang, vergt dit moeilijke keuzes die vandaag echter snel noodzakelijk worden.

Commissievoorzitter Von der Leyen komt zeer binnenkort, normaal gezien volgende week, met een witboek over de toekomst van de Europese defensie, op basis waarvan de Raad naar ik hoop snel de nodige beslissingen zal kunnen nemen.

En ce qui concerne l'Ukraine, 26 É tats membres de l'Union, à l'exception de la Hongrie, ont réaffirmé leur soutien indéfectible à ce pays et à son intégrité territoriale.

Ik mag eigenlijk hopen dat we daar allemaal achter staan, dat we allemaal achter de steun voor Oekraïne staan; tenzij we tot de vijfde colonne van Poetin zouden behoren.

L'Union continuera de soutenir l'Ukraine par tous les moyens possibles: politiques, financiers, humanitaires et aussi militaires. Et j'en suis fier! En parallèle, l'Union maintiendra la pression sur la Russie grâce aux sanctions et à leur application renforcée. L'objectif reste qu'une Ukraine aussi forte que possible puisse s'asseoir à la table des négociations, parce que c'est clair pour nous et pour l'Union européenne: l'Ukraine doit être pleinement impliquée dans les négociations sur son propre avenir. Cela s'inscrit dans le principe plus large de la paix par la force, peace through strength . Ce n'est qu'en étant fortes qu'une Ukraine et une Europe résilientes pourront obtenir une paix durable et juste.

Al de rest lijkt mij ook naïeve onzin die we hier beter niet zouden vertellen. Op 15 maart zal ik deelnemen aan de virtual of leaders meeting on Ukraine op initiatief van de Britse eerste minister Keir Starmer. Op 20 maart zal ook de Europese Raad opnieuw samenkomen. Oekraïne en defensie zullen opnieuw op de agenda staan, samen met een aantal andere cruciale thema’s, zoals de versterking van de Europese competitiviteit, economische veerkracht, migratie, buitenlandse relaties, het beleid rond oceanen en milieu en de laatste ontwikkelingen in het Midden-Oosten. Daarnaast zal deze Europese Raad een eerste aanzet geven tot de opmaak van het volgend meerjarig financieel kader, waar ongetwijfeld ook meer ruimte voor defensie zal moeten worden voorzien. Dat is de stand van zaken.

Paul Magnette:

Monsieur le premier ministre, votre réponse – comme vous éludez l'essentiel des questions, je ne sais pas si c'en est vraiment une – ne nous rassure pas. Dans une interview récente, vous avez déclaré que vous alliez augmenter les dépenses de 4 milliards et que vous alliez essayer, je cite, de "ne pas faire trop mal aux Belges". Mais vous faites déjà très mal aux Belges!

Vous faites déjà mal aux travailleurs, qui ne toucheront que quelques dizaines d'euros en plus dans quatre ans, et qui devront travailler plus longtemps, pour une plus petite pension. Vous faites mal aux pensionnés qui, en moyenne, perdront 1 000 euros par an. Vous faites mal aux invalides, aux personnes en situation de handicap, qui eux aussi, en moyenne, perdront 1 000 euros par an. Vous faites mal aux patients, qui subiront les conséquences de 2 milliards d'économies dans les soins de santé.

Et, aujourd'hui, vous n'apportez aucune réponse à la question de savoir qui va payer. Vous vous cantonnez à des déclarations extrêmement vagues. En vous écoutant, on ne comprend pas qui payera cet effort de guerre. Les Belges ne sont pas responsables des délires de Trump et de Poutine. Ce n'est pas à eux de payer, c'est inacceptable, et nous continuerons à nous y opposer, avec toutes nos forces!

Koen Van den Heuvel:

Mijnheer de premier, bedankt voor uw antwoord. Het is heel duidelijk, er zal in de toekomst heel wat meer geld naar defensie gaan. Toch is niet enkel de kwantiteit belangrijk, maar ook de kwaliteit. Voor ons is het heel duidelijk: wij willen niet langer een versnippering van militaire investeringen in Europa, maar wel een grotere Europese samenwerking, een grotere strategische autonomie binnen Europa en een sterkere Europese defensie-industrie.

Mijnheer de premier, we kunnen daar misschien als klein land een heel constructieve rol in spelen om het Europese orkest harmonieuzer te laten klinken. Ik wens u daarmee veel succes!

Staf Aerts:

Mijnheer de premier, collega's, vrede en veiligheid moeten voorop staan. We zullen dus meer moeten investeren in defensie. We kunnen ons immers niet verdedigen tegen Poetin met mes en vork. We moeten wel slim, strategisch en effectief investeren, niet in het wilde weg of holderdebolder.

Premier, ik heb uw oproep goed gehoord. U roept iedereen op om sereen en kalm te blijven, maar ik hoop dat uw minister van Defensie die oproep ook gehoord heeft. Hij is immers ballonnetje na ballonnetje aan het lanceren om het defensiebudget hoger te krijgen.

Waar dat geld vandaan zal komen, is vandaag echter nog niet geweten. Dat is nog een grote ongedekte cheque. Daarover moet echter zeer goed nagedacht worden. Laat ons die cheque ook niet opblazen door alleen maar op een slechte manier te investeren. Volg dus de oproep van de cd&v-collega's om in te zetten op meer efficiëntie en meer samenwerking binnen de Europese Unie. Dat is wat we vandaag absoluut nodig hebben in deze ongeruste wereld.

Darya Safai:

Dank u wel, premier, voor uw antwoorden, voor uw inzet en voor alle maatregelen die u treft voor onze veiligheid en onze toekomst.

Collega’s, in de huidige geopolitieke toestand mogen we geen freerider meer zijn. Wij moeten extra inspanningen leveren voor onze eigen veiligheid als gevolg van het non-beleid van de vorige regering. Nu het nieuwe Amerikaanse bestuur andere beslissingen neemt, komt de beslissing van de Europese Unie op een cruciaal moment voor Oekraïne en de Europese veiligheid. Zoals u zei, is het belangrijk dat we Oekraïne blijven steunen. Dat is trouwens ook goed voor onze eigen vrede en voor de welvaart in Europa.

Collega’s, elke crisis brengt opportuniteiten met zich mee. De huidige moeilijke tijden kunnen ons in staat stellen om ons beter voor te bereiden op de komende uitdagingen. Samen kunnen we die uitdagingen aan.

Annick Ponthier:

Mijnheer de premier, de vredesonderhandelingen die momenteel plaatsvinden en die een sprankeltje hoop op vrede in Oekraïne en op veiligheid in Europa bieden, moeten volgens ons alle kansen krijgen. We moeten dan ook uiterst omzichtig omspringen met beslissingen die een escalatie kunnen uitlokken of die het vredesproces kunnen dwarsbomen. Wat ons betreft, hebben we alle miljarden nodig om eerst onze eigen defensiecapaciteit herop te bouwen en onze samenleving en onze mensen veilig te stellen. Dus versterking van onze eigen defensiecapaciteit, ja. Versterking van onze eigen defensie-industrie, ja. Toekomstige generaties opzadelen met een gigantische schuldenberg via dat ReArm Europe plan, neen. Daartoe zullen een aantal heilige huisjes moeten sneuvelen. De oplossing ligt voor de hand: bespaar snel op migratie, bespaar op de politieke factuur en bespaar op de miljardentransfers.

De situatie van de Armeense gevangenen in Azerbeidzjan

Gesteld door

lijst: MR Michel De Maegd

Gesteld aan

Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 13 maart 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Belgische minister van Buitenlandse Zaken Prévot bevestigt dat België de schendingen van mensenrechten en willekeurige detentie van 23 hooggeplaatste gevangenen uit Nagorno-Karabach (waaronder twee ex-ministers en Nobelprijsgenomineerde Ruben Vardanyan, nu in hongerstaking) veroordeelt, maar geeft toe geen direct contact met Azerbeidzjan te hebben gehad—wel belooft hij dat alsnog te doen en via EU-kanalen en de Raad van Europa druk uit te oefenen. De Maegd dringt aan op onmiddellijke actie: sancties, ambassadeursontbieding en harde EU-condemnatie, waarschuwend voor Azerbeidzjans escalerende agressie (wapenopbouw, dreiging tegen Armenië) en de hypocrisie van Europa’s gasafhankelijkheid ondanks Russische embargo-omzeiling. De urgentie ligt bij het redden van levens en het verdedigen van internationale rechtsnormen, parallel aan de steun voor Oekraïne.

Michel De Maegd:

Monsieur le ministre des Affaires étrangères, imaginez qu'un jour la Belgique soit envahie par un pays voisin, dirigé par un dictateur qui, au mépris du droit international et humanitaire, ferait fuir tous les Belges vers un autre pays. Dans la foulée, ce dictateur vous enlèverait. Vous, ministre des Affaires étrangères, vous seriez détenu pendant des mois et torturé. Dans une parodie de procès tenue dans une langue que vous ne maîtrisez même pas, vous seriez accusé de préventions grotesques.

Chers collègues, vous me direz que ce scénario est ubuesque. Monsieur le ministre, c'est pourtant ce qui arrive en ce moment à deux de vos homologues, deux ministres des Affaires étrangères du Haut-Karabakh, territoire annexé par Bakou suite à une guerre effroyable.

Cette agression a été condamnée par la Cour internationale de Justice (CIJ) mais aussi présentée clairement comme une épuration ethnique par la Cour pénale internationale (CPI). Depuis maintenant 470 jours, Bakou emprisonne 23 personnalités de haut rang: vos homologues, un ministre de la Défense, des ministres d'État, mais aussi trois ex-présidents de la République du Haut-Karabakh.

Jusqu'ici l'Union européenne a réagi timidement car elle a besoin de gaz azéri. Cette hypocrisie est sans nom, puisque nous savons que ce gaz vient en grande partie de la Russie, officiellement sous embargo. Le comble est que la COP29 a été organisée à Bakou, sans un regard pour la tragédie que vivent ces prisonniers. L'un d'eux, Ruben Vardanyan, un homme de paix, nominé pour le prix Nobel de la paix l'an dernier, entame sa quatrième semaine de grève de la faim. Sa vie est clairement en danger.

Monsieur le ministre, nous avons déjà échangé en commission sur ce drame. Avez-vous entre-temps eu des contacts avec les autorités azéries? Avez-vous des nouvelles récentes de la santé des détenus?

Aujourd'hui, le Parlement européen approuve une résolution qui exige la libération immédiate et inconditionnelle de ces prisonniers. Monsieur le ministre, je vous demande également de faire tout ce qui est en votre pouvoir pour qu'une pression maximale et rapide puisse faire libérer ces innocents.

Voorzitter:

De laatste seconden zijn u inderdaad onterecht ontnomen.

Maxime Prévot:

Monsieur De Maegd, je répondrai de manière très transparente. Depuis la question que vous m'avez posée en commission, je n'ai pas eu à titre personnel l'occasion de prendre contact avec une quelconque autorité de l'Azerbaïdjan. Je m'engage à ce qu'il en soit autrement dans les jours qui viennent. Des contacts ont peut-être eu lieu à l'échelle de notre réseau diplomatique et à l'initiative de membres de mon administration. Je ne peux l'exclure mais je n'en ai pas l'information.

Je souhaite me pencher sur ce sujet. En effet, vous avez eu raison de souligner combien toute démarche d'emprisonnement abusif, de mépris des droit humains est à condamner. La Belgique a toujours condamné cela et elle continuera de le faire. C'est d'ailleurs un des éléments fondateurs de nos relations internationales. Le plaidoyer constant pour le respect du droit international et des droits humains fait partie intégrante des points que vous retrouverez dans mon exposé d'orientation politique.

En dehors de ces éléments, et à chaque fois que l'occasion nous en est donnée dans l'ensemble des fora internationaux auxquels nous participons, nous rappelons nos préoccupations quant à la situation au Haut-Karabagh et, de manière générale, en Azerbaïdjan.

Nous avons pu prendre une part active au Conseil des droits de l'homme pour l'Examen périodique universel qui s'est déroulé à l'égard de l'Azerbaïdjan fin 2023, avec des enjeux clairs en termes de liberté d'expression, de violence domestique et de mise en œuvre des arrêtés de la Cour européenne des droits de l'homme.

Nous souhaitons également jouer au sein du Conseil de l'Europe un rôle de vigile sur cette question et bien au-delà du constat, être actifs et veiller à ce que l'action donne des résultats.

C'est un élément sur lequel je me ferai un plaisir de revenir à votre attention prochainement.

Voorzitter:

Mijnheer De Maegd, ik zal u een volle minuut toewijzen, want ik heb daarnet op de verkeerde knop geduwd.

Michel De Maegd:

Merci monsieur le ministre pour votre transparence. Permettez-moi tout de même d'insister. L'urgence est là, et ce sont les vies de ces 23 hauts dignitaires qui sont en jeu. Nous-mêmes, parlementaires belges, avons suspendu ici depuis de longs mois nos relations avec nos homologues azéris. Vous avez des leviers, vous pouvez convoquer l'ambassadeur azéri en Belgique, prendre langue avec le ministre azéri des Affaires étrangères, mais aussi et surtout convaincre vos homologues de l'Union européenne de brandir des sanctions à l'égard de Bakou. Je suis d'autant plus inquiet, chers collègues, que je me suis entretenu avec plusieurs ambassadeurs de la région ces dernières heures, ainsi que de nombreux analystes et, dans les visées expansionnistes de Bakou, tous les signes avant-coureurs d'un nouveau conflit sont perceptibles vers l'Arménie. Bakou fait venir de nombreux avions et cargos chargés d'armes, en provenance d'Israël. L'heure n'est donc plus aux atermoiements ou à une diplomatie soft. Je sais que je peux compter sur vous, monsieur le ministre. Comme en Ukraine, ce sont là nos valeurs universelles qui sont en jeu.

De schietpartij in Vorst
Het drugsgeweld in Brussel
Geweldsmisdrijven in Brussel

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 13 maart 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de escalerende druggerelateerde fusillades in Brussel (11 in 2025, 90 in 2024) en de dringende oproep tot hardere, snellere actie tegen narcotraficanten, met focus op politiecapaciteit, strafuitvoering en structurele hervormingen. Minister Quintin benadrukt investeringen in politie (honderden miljoenen), fusie van Brusselese politiezones en betere samenwerking, maar erkent dat werving en aantrekkelijkheid van de job cruciale knelpunten zijn—naast de nood aan een verenigd Brussels bestuur en nationale/grensoverschrijdende aanpak. Kritiekpunten zijn onderbezetting bij politie/parket (43 openstaande vacatures), tekortschietende strafuitvoering (criminelen opereren vanuit gevangenissen) en gebrek aan daadkrachtig leiderschap, terwijl Nuino en Vandemaele eisen dat alle regeerakkoordmaatregelen versneld worden uitgevoerd om het "kanker van narcotrafic" te bestrijden voordat het escalatie zoals in Latijns-Amerika bereikt. De urgentie ligt bij concrete stappen nu: kaders invullen, salarissen/statuten verbeteren, trafieken ontmantelen via financiële en operationele druk.

Ismaël Nuino:

Monsieur le ministre, je vais vous poser une question aujourd'hui mais, malheureusement, j'aurais pu le faire toutes les semaines depuis le début de l'année.

Cette semaine, c'était la 11 e fusillade que connaissait Bruxelles et, l'année passée, il y en a eu 90. Alors, je ne fais évidemment pas ici le bilan de l'Arizona, et ce n'est pas ce qu'a dû faire le procureur du Roi en commission cette semaine. Évidemment que non. Mais je vous questionne aujourd'hui sur les mesures que vous comptez prendre et à quelle vitesse vous allez les prendre.

Je ne dois pas vous expliquer ce dont il s'agit. Chaque année, chaque semaine, chaque jour pratiquement maintenant, des gens se réveillent en ayant entendu des coups de feu. Il y a des balles dans des vitres d'appartements, dans des voitures, dans des commerces et, on l'espère, jamais perdues dans la chambre d'une personne qui dort.

La sécurité, monsieur le ministre – ce n'est pas à vous que je dois le dire –, est un droit fondamental. Personne ne doit sortir en rue en ayant peur. Personne! Et je vous ai entendu dire à raison que la peur devait changer de camp. Mais on doit aller plus loin que cela. Aujourd'hui, ce qu'on doit faire, c'est mener la guerre aux narcotrafiquants, mener la guerre au trafic, les traquer dans leur portefeuille et couper la tête à ces trafics. Pourquoi "couper la tête"? Cela peut paraître fort. Parce que le narcotrafic, c'est un cancer qui commence à un endroit, qui se métastase, qui lance de la corruption et qui mène à la violence partout, tout le temps. Nous ne pouvons le tolérer.

Alors, l'accord de gouvernement, je le salue, prévoit des dizaines de mesures contre le narcotrafic. L'Arizona est au rendez-vous. À quelle vitesse allez-vous mettre en place ces mesures? Où en êtes-vous dans la mise en place, même si je sais que cela ne fait qu'un mois que vous êtes là? Qu'avez-vous déjà pu faire? Et que comptez-vous faire dans les semaines et les mois à venir?

Le temps presse. Je ne vous apprends pas que les habitants de Bruxelles attendent des mesures concrètes.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, na een korte onderbreking van een week was het deze week opnieuw raak. Het lijkt wel of er elke week een nieuwe schietpartij is. Een nieuwe week, een nieuwe schietpartij.

Het straffe is dat dit nu net gebeurd is in Vorst in een wijk waar er korte tijd geleden grote politieacties zijn geweest. Ik moet u dat eigenlijk niet vertellen, want u was aanwezig op die politieactie. U zei daar dat wij de straat moeten teruggeven aan de mensen en de criminelen in de gevangenis moeten steken. Dat is een ambitie die wij met Ecolo-Groen alvast ondersteunen.

Deze week kwam de procureur des Konings van Brussel in de commissie voor Binnenlandse Zaken vertellen over het druggerelateerde geweld. Hij zei dat 43 van de 309 plaatsen niet zijn ingevuld. Bij de lokale politiezones zijn heel veel plaatsen niet ingevuld. U zou kunnen denken dat die man meer volk kwam vragen. Neen, het enige wat hij vroeg, was om de wettelijk voorziene kaders in te vullen. Dat is een logische, redelijke vraag, denk ik.

Het tweede element dat hij aanhaalde, was de flipflop in de strafuitvoering. Hij zei dat criminelen naar elkaar berichtjes sturen waarin staat dat men in België al heel veel moet doen om in de gevangenis te geraken, en als men erin geraakt, dan kan men gewoon de trafiek voortzetten.

Mijnheer de minister, wat zult u doen om voldoende handen en hoofden te leveren, zodat al het werk dat moet gebeuren, kan gebeuren? Ten tweede, zult u die kaders volledig invullen? Ten derde, wat zult u doen, samen met mevrouw Verlinden, om ervoor te zorgen dat men vanuit de gevangenis niet verder kan werken, maar dat men daar effectief zijn straf uitzit?

Beste collega's, dit moeten we allemaal weten. De mensen uit de wijken zijn de eerste slachtoffers van wat gebeurt in die wijken.

Bernard Quintin:

Mijnheer de voorzitter, collega’s, ik dank jullie voor de vragen die mij toelaten hier in dit forum terug te komen op de schietpartij van voorbije maandag, 10 maart 2025, in Vorst. Een man werd neergeschoten. Ik twijfel er niet aan dat het parket het dossier op de voet volgt.

De maatregelen die wij hebben getroffen, moeten worden behouden. Er is vooruitgang geboekt in het onderzoek. Er zijn arrestaties geweest door de politie. Wij mogen er echter niet van uitgaan dat wij een probleem van een dergelijke omvang op enkele weken tijd zullen oplossen. Al onze diensten blijven dus volledig gemobiliseerd.

De vraag over de gevangenissen is echter een vraag voor mijn collega-minister van Justitie.

J'aimerais revenir sur deux points.

Premièrement, je suis d'accord avec vous monsieur Nuino, il est important que nous investissions tant dans notre défense extérieure que dans notre défense intérieure. Comme le mentionne l'accord de gouvernement, l'Intérieur et la Justice seront bien refinancés. Pour la police, nous parlons de plusieurs centaines de millions d'euros sur l'ensemble de la législature. Il faudra en effet investir pour remplir le cadre, mais ce n'est pas quelque chose qui se décrète. Le cadre existe, mais il faut pouvoir recruter. Ce n'est pas, en l'occurrence, une question de moyens mais une question d'attractivité.

Wij moeten de aantrekkelijkheid van de job verhogen en dat is niet zo gemakkelijk.

Mais avec mes services, je m'y emploie à temps plein.

Deuxièmement, comme je l'ai exprimé publiquement à plusieurs reprises, ma volonté est de parvenir rapidement à la fusion des zones de police bruxelloises. Mon rôle est d'assurer que les services de sécurité soient organisés de la manière la plus efficace possible sur l'ensemble du territoire, dans le respect des compétences de chacun. Je rappelle que je suis directement responsable pour la police fédérale et que la police fédérale soutient les polices locales.

Je suis convaincu qu'à Bruxelles, un leadership unifié permettra d'améliorer de manière structurelle la sécurité des Bruxellois. En effet, les criminels doivent savoir qu'ils seront poursuivis, peu importe où ils se trouvent dans la capitale. Vous avez parlé de cancer. J'aime aussi évoquer une hydre à plusieurs têtes: il faut couper les têtes; on se rappellera que, pour qu'elles ne repoussent pas, il faut les brûler et que la dernière, qui est d'or, doit être enterrée.

J'espère, en parlant de leadership, pouvoir compter le plus rapidement possible sur un gouvernement bruxellois de plein exercice, essentiel pour répondre ensemble aux défis auxquels la capitale fait face. La sécurité des Bruxellois, dont je suis, doit passer avant d'autres calculs et intérêts. J'espère que d'aucuns en prendront enfin conscience et que nous pourrons travailler ensemble à justement améliorer la situation sécuritaire, non seulement des Bruxellois mais aussi de tous les Belges.

In fine , on doit travailler sur Bruxelles, bien entendu, mais nous serons tous d'accord pour dire que c'est quelque chose qui doit être attaqué au niveau de tout le Royaume, et même au-delà. J'ai eu l'occasion ce matin de participer à une conférence avec l'ambassade de France sur des questions de sécurité transfrontalière, que j'ai pu aussi aborder lors de ma visite à la zone de police Westkust, qui travaille beaucoup sur la question des transmigrants et d'autres crimes.

Ismaël Nuino:

Merci monsieur le ministre pour vos réponses.

Vous avez parlé d'autres pays. Je voudrais rappeler à chacun et chacune ici qu'il y a d'autres pays dans lesquels le narcotrafic s'est installé, et dans lesquels des citoyens, des magistrats, des journalistes, des responsables politiques qui ont les mêmes discussions que celles que nous avons ici se font tuer par les narcotrafiquants. Par pitié, n'en arrivons jamais là!

Nous devons agir vite et fort. Vous avez parlé de l'accord de gouvernement, dans lequel se trouve ce point sur la fusion des zones de police, mais d'autres également. Je vous invite, monsieur le ministre, à travailler sur les multiples mesures de l'accord de gouvernement, rapidement, pour les prendre toutes en charge le plus vite possible.

En attendant, soyez assuré de notre soutien plein et entier pour mener cette mission, pour apporter et ramener la sécurité à Bruxelles et pour s'assurer que chacun et chacune qui souhaite sortir dans la rue à Bruxelles puisse le faire en toute tranquillité.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Ik hoop dat het voluntarisme dat hier vaak in de zaal aanwezig is wanneer het gaat over ons verdedigen tegen buitenlandse mogelijkheden, ook aanwezig zal zijn wanneer het gaat over de veiligheid in onze straten. Ik heb een beetje het gevoel, mijnheer Quintin, als ik lees wat de media schrijven of als ik hoor wat er gezegd wordt in hoorzittingen, dat de ideetjes alle richtingen uitgaan. Maar we hebben nood aan een kapitein, aan iemand die duidelijk de leiding neemt. Ik hoop dat u dat zult doen. Ik hoor, ook van de procureur bijvoorbeeld, dat er op dit moment gewoon niet genoeg mensen zijn om alle controles te doen die noodzakelijk zijn, dat er niet genoeg mensen zijn om de onderzoeken op een goede manier uit te voeren. Dan zult u natuurlijk meer mensen moeten aanleveren en de kaders vullen. U zult daarvoor de job aantrekkelijker moeten maken. Ik meen echter dat dit in tegenspraak is met de ambities van het regeerakkoord. U zult het statuut moeten verbeteren, niet verminderen. Het enige (…)

De hybride oorlogsvoering vanwege Rusland

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 13 maart 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Russische hybride oorlogsvoering in België en Europa escaleert via stickers, sabotage (bv. verffabriek in Polen), cyberaanvallen en sociale-media-manipulatie, vaak gecoördineerd via Telegram en cryptobetalingen, met kritieke infrastructuur (energie, havens, defensie) als hoofddoel. Francken bevestigt verhoogde waakzaamheid—zo monitorde de marine al 27 Russische schepen dit jaar—en wijst op samenwerking tussen Veiligheid van de Staat, Defensie (Cyber Command) en politie, maar benadrukt dat de dreiging diverser en agressiever wordt. Weydts (Vooruit) eist structurele actie van alle overheidslagen, niet enkel Defensie, en ziet veiligheid als topprioriteit, met focus op moderne infiltratietechnieken (lokaal geronselde burgers, digitale werving). Beide onderstrepen dat hybride dreigingen nu al dagelijkse realiteit zijn, van de Noordzee tot cyberruimte.

Axel Weydts:

Wie door de Brusselse wijken wandelt, ziet vaak een sticker met de slogan 'Weg met de NAVO' hangen. Die sticker lijkt misschien onschuldig, maar is dat helemaal niet, want het betreft een actie van de Russische geheime dienst. Collega's, wie dacht dat het om een actie van de communisten van de PVDA gaat, heeft het deze keer mis. Via Telegram worden namelijk mensen geronseld om dergelijke acties uit te voeren tegen het Westen en tegen onze maatschappij.

Dat klinkt onschuldig, maar dat is het zeker en vast niet. Journalisten uit heel Europa hebben het van de week aangetoond. Het begint met iets kleins als het kleven van een sticker, maar het kan eindigen met ernstige sabotageacties tegen onze installaties, elektriciteitsvoorzieningen, waterzuiveringsinstallaties en havens. In Polen stond iemand zelfs op het punt om voor 4.000 dollar een verffabriek in de fik te steken.

Beste mensen, voor Vooruit is het heel duidelijk, we moeten de veiligheid van onze mensen beschermen. Het is dan ook goed dat deze regering, met Vooruit, gaat investeren in defensie, maar we moeten er ons ook van bewust zijn dat dit geen strijd is van defensie alleen. We zullen op vele terreinen moeten vechten en we moeten dat vandaag al doen. Het gebeurt nu al in de Noordzee. Onze kritieke infrastructuur daar wordt geviseerd. We krijgen dagelijks te maken met cyberaanvallen van Russische organisaties op onze instellingen. We moeten ons weerbaar maken tegen dergelijke hybride dreigingen.

Mijnheer de minister, wat zult u doen om de mensen tegen die dreiging te beschermen?

Theo Francken:

Mijnheer Weydts, het is heel goed dat er eindelijk ruime publieke belangstelling is voor de hybride dreiging tegen Europa en tegen ons land. Die is al geruime tijd gaande, is bijzonder divers qua methodiek en escaleert. Dat gaat van cyberaanvallen tot pogingen tot sabotage, onder andere van defensiebedrijven en het zaaien van maatschappelijke onrust via sociale media.

De Russische staat wijdt daar veel financiële middelen en personeel aan. We hebben op dat vlak nog maar het begin gezien. Hybride aanvallen kunnen zowel onze defensie, onze overheidsinstellingen, onze kritische energie- en communicatie-infrastructuur als onze grote banken en systemen voor betaalverkeer tot doelwit hebben.

Om het hoofd te bieden aan deze hybride dreiging zijn verschillende overheidsdepartementen verantwoordelijk, zoals de Veiligheid van de Staat en de politie, maar ook Defensie staat klaar. Zo werkt de militaire inlichtingendienst nauw samen met de Veiligheid van de Staat en is onze marine extra waakzaam wanneer er een Russisch schip door de Noordzee vaart, of het nu gaat om een schaduwschip of een echt schip. Zoals u weet, bestaat er immers een grote Russische schaduwvloot.

Die waakzaamheid is nodig, want vorig jaar passeerden 155 Russische schepen langs onze kust, een enorme stijging. Dit jaar zijn er tot op vandaag al 27 schepen gepasseerd en is een patrouilleschip van onze marine, de Castor of de Pollux, maar liefst 18 keer uitgevaren om die doortochten te monitoren. Alle andere schepen werden elektronisch gemonitord.

Ook werd in 2019 een Cyber Command opgericht bij Defensie dat deze bedreiging het hoofd biedt. De focus van deze eenheid ligt niet alleen op de bescherming tegen cyberaanvallen, maar ook op het herstellen van onze netwerken wanneer het zover is.

Wij zijn dus volop bezig en we zullen ook de komende jaren daaraan blijven werken.

Axel Weydts:

Mijnheer de minister, spionage en infiltratie verlopen vandaag niet meer zoals in een oude film uit de tijd van de Koude Oorlog, met mannen met lange jassen en vreemde accenten. Nee, het gaat over mensen van bij ons die via Telegram en cryptomunten worden verleid tot het plegen van dergelijke sabotageacties. Het is goed dat wij verbonden zijn met de wereld, maar dat houdt ook risico's in. Dat is de afgelopen weken heel duidelijk gebleken. Niemand twijfelt eraan dat het ingewikkeld is, mijnheer de minister. Het zal inderdaad een werk van alle departementen zijn, niet alleen van Defensie. Daarom is het juist zo belangrijk dat deze regering het verschil maakt. Voor Vooruit is onze veiligheid een topprioriteit en dat zal altijd zo blijven. Wij kijken uit naar de resultaten die u zult boeken in de strijd tegen de hybride oorlogsvoering.

De keuze van de F-35
De evaluatie van de F-35
Gevechtstoestellen F-35

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 13 maart 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De PVDA bekritiseert de aankoop van F-35’s als een Amerikaanse afhankelijkheidsval (kill switches, logistieke controle, sabotage via software/onderdelen) en noemt ze te duur, onbetrouwbaar en strategisch riskant, terwijl minister Francken (N-VA) de F-35 verdedigt als technisch superieur, soeverein inzetbaar en essentieel voor NAVO-interoperabiliteit, met Europese onderhoudsnetwerken als waarborg tegen Amerikaanse dominantie. Buysrogge (N-VA) ontkracht "fake news" over de *kill switch* en benadrukt dat Europese defensieautonomie alleen haalbaar is via meer budget en samenwerking, niet door afzien van de F-35, terwijl Tonniau (PVDA) wijst op groeiend internationaal wantrouwen (Canada, Denemarken, UK) en eist een Europese alternatief om strategische autonomie te garanderen.

Robin Tonniau:

Mijnheer Francken, de PVDA stelt al jaren dat de Belgische regering moet stoppen met de Amerikanen achterna te lopen. Jullie willen echter niet luisteren. Jullie doen gewoon voort. Zelfs met iemand als Trump als president blijven jullie het Amerikaanse imperialisme steunen door de aankoop van F-35-gevechtsvliegtuigen.

Landen als Canada en Denemarken, die vandaag bedreigd worden door de Verenigde Staten, beseffen vandaag pas dat zij met de F-35 het paard van Troje hebben binnengehaald. Wie immers meent zelf te kunnen beslissen wanneer, hoe en vooral tegen wie een F-35 kan worden ingezet, is ofwel naïef, ofwel een stroman van de Verenigde Staten. Mijnheer Francken, welke van beide bent u?

U stelt dat er geen kill switch op de F-35 zit. Mijnheer Francken, in feite zijn er honderden. Elk onderdeel van het proces is en blijft in handen van de Amerikanen: de logistiek, de bewapening, de opleiding, de software en de radarsystemen. De hele technologische en logistieke keten wordt door het Pentagon gecontroleerd. De Amerikanen verkopen ons wapensystemen, maar weigeren de broncodes mee te geven. U weet dat maar al te goed. Kijk naar wat zij doen met de F-16’s in Oekraïne. Zij saboteren de boel vanop afstand.

Er zijn voldoende objectieve criteria om vooral niet te kiezen voor de F-35. Ze zijn niet betrouwbaar, ze zijn de duurste in aankoop, de duurste in gebruik en de duurste in onderhoud. De toeleveringsketen van de reserveonderdelen is bovendien één grote chaos.

Mijnheer de minister, u hebt al gezegd dat u met ons belastinggeld extra F-35’s wil bestellen bij Trump. Worden wij daardoor niet volledig afhankelijk van de Verenigde Staten of is dat net uw bedoeling?

Peter Buysrogge:

Mijnheer de minister, ik zal een iets andere toon aanhouden. In 2018 nam de toenmalige regering een belangrijke beslissing over de aankoop van nieuwe jachtvliegtuigen. Er werd gekozen voor de F-35's, die technisch en militair superieur zijn ten opzichte van andere voorliggende Europese projecten. Al van bij het begin verkondigden tegenstanders een hoop fake PVDA-news over technische fouten en zeiden ze dat er van alles fout liep. Telkens kon dat worden weerlegd.

Nu is er sprake van de zogenaamde kill switch , alsof president Trump in het Witte Huis over een of andere knop beschikt om dat toestel onklaar te maken. Het is jammer dat iemand als Elon Musk die geruchten ook voedt. Het is niet alleen belachelijk, maar ook onjuist.

Er doken ook andere mogelijke problemen op deze week, namelijk dat de Amerikanen geen wisselstukken zouden leveren en dat er geen updates van die toestellen zouden gebeuren. Mochten de Amerikanen zoiets doen - Europa kan ook beslissen om geen wisselstukken aan Amerika te leveren, iets waar ik voor alle duidelijkheid niet op aandring - dan zou dat niet alleen de vertrouwensband tussen Amerika en Europa schaden, maar dan zou dat er ook voor zorgen dat geen enkel land nog die F-35 koopt. Ik weet niet of de Amerikaanse industrie daarop zit te wachten.

Mijnheer de minister, in het regeerakkoord staat duidelijk dat er extra jachtvliegtuigen aangekocht zullen worden. Voor ons is dat gewoon een uitbreiding van de F-35-vloot, maar dan moeten er wel duidelijke antwoorden komen op de kwesties die hier nu populistisch worden aangekaart. Bestaat er zo’n kill switch ? Kunt u het fake news van de alliantie Musk-PVDA weerleggen en hoe ziet u de samenwerking in het kader van de F-35 verder verlopen?

Theo Francken:

Geachte Kamerleden Tonniau en Buysrogge, de afgelopen dagen werd er veel fake news verspreid over de F-35. Ik zal uitleggen waarom de F-35 de voor de hand liggende keuze is en blijft voor onze luchtmacht. Het toestel is met voorsprong het beste op de markt, zowel qua prestaties als qua prijs-kwaliteitsverhouding. Het beschikt over geavanceerde stealth- en radarkwaliteiten, waarover geen enkel ander toestel momenteel beschikt. Daarenboven biedt het enorme voordelen qua interoperabiliteit met onze bondgenoten, onder meer qua onderhoud. Maar liefst 13 verschillende Europese landen kozen immers onafhankelijk van elkaar voor die F-35.

Ervaren gevechtspiloten benadrukken keer op keer dat dit gevechtsvliegtuig hun voorkeur geniet in geval van een conflict. Bovendien blijkt uit virtuele oefengevechten dat de F-35 met een ratio van 20 tegen 1 wint tegen andere vliegtuigen zoals de Rafale en de Eurofighter.

Rusland en China zouden niets liever willen dan dat België afziet van de aanschaf van bijkomende exemplaren, gezien deze essentieel zijn voor het behalen van luchtoverwicht. Daarenboven is er in de komende decennia geen Europees alternatief beschikbaar voor de F-35 en is het vanuit logistiek oogpunt onzinnig voor een land als België om twee verschillende types gevechtsvliegtuigen aan te schaffen.

Ik zal nu iets zeggen over de zogenaamde kill switch waarmee de VS vanop afstand onze F-35 zou kunnen lamleggen. Dat is een hoax, dames en heren. Het is een mythe, die in deze woelige tijden wordt aangeblazen door zij die liever niet zien dat dit land een performante luchtmacht heeft of door zij die er commercieel belang bij hebben.

De F-35 is geen uitsluitend Amerikaans programma, maar een multinationaal programma waaraan ook Japan, Zuid-Korea, Australië, Canada en tal van Europese landen deelnemen.

België kan de F-35 op soevereine wijze inzetten voor operationele missies. De F-35 kan volledig autonoom worden gebruikt. Voor langdurig onderhoud en de levering van reserveonderdelen werd voorzien in een samenwerking met andere Europese F-35-gebruikers. Op onze basissen zijn reserveonderdelen beschikbaar, ondersteund door de Europese industrie. Ook zijn er Europese onderhouds- en reparatiefaciliteiten voor onze F-35's, onder meer in Nederland en Italië. Ik was deze week nog bij de Italiaanse minister om onder andere daarover te spreken.

Het partnerschap rond de F-35 creëert zo een wederzijdse afhankelijkheid tussen alle deelnemende landen. Die kan niet eenzijdig worden verbroken zonder gevolgen voor alle gebruikers, inclusief de Amerikaanse. Ten slotte wens ik erop te wijzen dat de insinuatie van zo'n deloyale houding bij de Verenigde Staten inzake de F-35 op niets is gebaseerd. Ondanks forse en soms tegenstrijdige politieke verklaringen uit de Verenigde Staten is er momenteel geen sprake van een Amerikaanse terugtrekking uit de NAVO. Vorige week nog kwam een nieuwe Amerikaanse brigade aan in onze haven van Antwerpen. Laten we allemaal het hoofd wat koeler houden. Dank u.

Robin Tonniau:

Mijnheer Francken, het valt me op dat u uw verklaring in de pers niet meer durft te herhalen. Gaan we F-35's bijbestellen of niet? U hebt het gezegd, in het regeerakkoord staat gevechtsvliegtuigen, los van het feit of dat F-35's zullen zijn. Dat hebt u niet durven te herhalen.

Het klopt, onze bondgenoten en wijzelf hebben F-35's besteld. Maar wat zien we vandaag? Er is overal debat over. We zien dat in Canada, we zien dat in Denemarken, we zien dat in Duitsland, we zien dat in Zwitserland, we zien dat in Turkije. Zelfs in Groot-Brittannië is er een debat over: gaan we verder met die F-35's of kiezen we voor onze eigen Typhoons?

Behalve hier. Hier is het taboe. Hier is het F-35's of niets. U moet echter weten dat als u bij de Amerikanen bestelt, u afhankelijk bent van de Amerikanen. Dan doet u met hun materieel niet wat u wilt. Met andere woorden, als u strategische militaire autonomie wil opbouwen, moet u vooral niet bij de Amerikanen zijn en niet kiezen voor F-35's.

Peter Buysrogge:

Mijnheer de minister, dank u wel voor uw duidelijke antwoord en voor het weerleggen van al dat fake news. Ook in het debat met de eerste minister hoorden we daarnet dat de samenwerking met Amerika zowel op economisch vlak als op defensievlak toch wat onder druk staat. Laten we hopen dat de rede snel kan zegevieren aan beide kanten van de Atlantische Oceaan, bijvoorbeeld ook op het vlak van jachtvliegtuigen. Laten we niet naïef zijn. Laten we werken aan de Europese autonomie. Laten we die pijler verder versterken. Dat kan echter niet anders dan via extra budgetten, extra investeringen in defensie, met een versterkte samenwerking met onze defensie-industrie. Uit de uitleg van daarnet kan ik afleiden dat u op de PVDA niet kunt rekenen, maar op ons alvast wel. Ik kijk uit naar het debat dat we volgende week ongetwijfeld zullen voeren naar aanleiding van uw beleidsverklaring.

Een sociaal plan voor militairen
De betoging van de militairen
Het sociaal plan en de pensioenhervorming voor de militairen
De deelname van duizenden militairen aan de nationale actiedag
Het militaire personeel dat de straat opging voor zijn pensioen
De dienstvrijstelling voor militairen die aan de nationale staking van 13 februari wilden deelnemen
De plannen voor de pensioenhervormingen
Militairenprotesten en sociaal-pensioenhervormingen

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 12 maart 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de pensioenhervorming voor militairen en de noodzaak deze te koppelen aan een hervorming van hun statuut, loopbaanvoorwaarden en arbeidsomstandigheden om uitstroom te voorkomen. Minister Francken bevestigt dat de pensioenleeftijd stapsgewijs verhoogd wordt tot 67 jaar (vanaf 2027), maar belooft een sociaal plan (eind 2024) met flankerende maatregelen—zoals aanpassingen aan woon-werkverkeer, loopbaanflexibiliteit en erkenning van operationele inzet—in overleg met vakbonden, die eisen dat het *volle statuut* (inclusief compensatie voor 7 onbetaalde dienstjaren en zware werkomstandigheden) heronderhandeld wordt. Kernpunt: Militairen voelen zich miskend door eenzijdige pensioenmaatregelen zonder tegemoetkomingen, wat dreigt te leiden tot massale uitstroom (vakbonden vrezen verdrie- tot vervijfvoudiging) en rekruteringsproblemen, terwijl Defensie juist 29.000 personeelsleden wil halen tegen 2030. Francken benadrukt budgettaire noodzaak (Belgische pensioenlast stijgt sneller dan EU-gemiddelde) maar erkent dat motivatie en waardering (bv. betere verloning, loopbaanperspectieven) essentieel zijn om Defensie aantrekkelijk te houden.

Voorzitter:

Collega's, ik verontschuldig mij voor de iets te late start van deze vergadering, veroorzaakt doordat de voorgaande vergadering, de commissie voor de Opvolging van de militaire missies, een beetje uitgelopen is.

Vandaag is een extra vergadering ingelast om mondelinge vragen te kunnen beantwoorden, zoals expliciet werd gevraagd bij het einde van de vorige vergadering. Zo kunnen nog mondelinge vragen behandeld worden voorafgaand aan de bespreking van de beleidsverklaring, die volgende week geagendeerd is. Op voorwaarde dat wij de beleidsverklaring tijdig ontvangen, vindt volgende woensdag een debat plaats waarin de minister zijn beleidsverklaring zal toelichten.

Ik durf in te schatten dat wij vandaag niet tot het einde van de vragenlijst zullen geraken, maar ik stel wel voor om ermee te starten. We zien wel hoe ver we komen.

Annick Ponthier:

Mijnheer de voorzitter, vandaag kunnen waarschijnlijk inderdaad niet alle vragen behandeld worden. Daarover maak ik mij geen illusies. Wat gebeurt er met de onbeantwoorde vragen? Worden die verwerkt in de bespreking van de beleidsverklaring of is er nog een andere mogelijkheid?

Voorzitter:

De minister heeft gezegd dat hij voor vragen die vandaag niet beantwoord worden, alleszins volgende week tijdens zijn toelichting het antwoord zal verschaffen. De antwoorden komen dus uiterlijk volgende week, tijdens zijn toelichting.

Theo Francken:

Vandaag staan heel veel vragen op de agenda, waarvan verschillende gebundeld in actualiteitsdebatten. Ik zal proberen om die vragen goed te beantwoorden. Vanwege een afspraak om 12.30 uur moet ik deze vergadering ten laatste om 12.15 uur verlaten, zoals ik al heb laten weten. Volgende week woensdag ben ik de hele dag ter beschikking voor het Parlement, zonder einduur, voor mijn part tot donderdagochtend, en dan zal ik alle nog openstaande vragen mee integreren in mijn toelichting, zodat iedereen normaal gezien een antwoord zal hebben gekregen op de lopende vragen, al kan een parlementslid natuurlijk van mening zijn dat het geen goed antwoord is. Het onderwerp van de vragen is heel diffuus. Doordat ik die volgende week beantwoord, kunnen we daarna met een schone lei starten voor de mondelinge vragen.

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de minister, zoals u weet, is er wat ongerustheid bij de militairen over de pensioenhervorming. U kondigde ook aan dat er een sociaal plan komt. U zei tijdens het debat over de regeerverklaring dat als er aan het einde van de loopbaan wordt gesleuteld, er ook moet worden gekeken naar de volledige loopbaan. U zei in de pers dat we meer materieel nodig hebben, maar dat we zonder personeel niets aan dat materieel hebben. De aandacht voor het personeel en voor de militairen is dus bijzonder belangrijk.

Op 26 februari hebben we hier in het Parlement van gedachten gewisseld met de vakbonden, voornamelijk over het statuut en over de pensioenhervorming. Zij lieten heel duidelijk blijken dat er een opening is om die pensioenleeftijd te verhogen, maar dat er dan naar het statuut moet worden gekeken. Dat is een goede zaak, dat moet in één adem bekeken worden. Als we de pensioenleeftijd verhogen, moeten we ook naar dat statuut kijken. Dat militaire statuut kent immers nadelen ten opzichte van andere veiligheidsberoepen en dat kan uiteindelijk niet de bedoeling zijn.

Mijnheer de minister, wilt u bij de uitwerking van uw sociaal plan ook het statuut van de militairen aanpassen, in samenspraak met de defensievakbonden?

Is volgens u de timing van 2027 om de verhoging van die pensioenleeftijd, samen met een hervorming van dat statuut, door te voeren haalbaar?

Op welke manier wilt u Defensie aantrekkelijker maken voor nieuwe rekruten en er vooral voor zorgen dat er geen grote uitstroom bij Defensie plaatsvindt omdat de pensioenleeftijd wordt verhoogd zonder flankerende maatregelen? Welke flankerende maatregelen voorziet u?

U zat ook al samen met de defensievakorganisaties. Hoe verliep het overleg met de vertegenwoordigers van die vakorganisaties?

Christophe Lacroix:

Monsieur le ministre, il y a eu effectivement des militaires en rue pour témoigner non pas de leur inquiétude, mais plutôt de leur panique par rapport à la réforme des pensions que votre gouvernement veut leur imposer de manière assez unilatérale puisque les concertations n'ont pas eu lieu avant l'accord de gouvernement, semble-t-il. D'autre part, nous avions demandé, avant que l'accord de gouvernement ne soit signé, que les syndicats soient auditionnés devant cette commission. Nous les avons entendus avant de vous poser les questions et nous avons pu voir des hommes et des femmes responsables et qui nous ont simplement rappelé qu'il y avait un contrat social passé entre eux et l'État et que toucher à un élément du contrat social, c'est-à-dire la retraite, cela revenait à toucher à tout.

Ils ne nous ont pas dit qu'ils ne voulaient pas travailler un peu plus longtemps; ils nous ont simplement dit: "tenez compte du fait que notre engagement va jusqu'à donner notre vie pour notre pays et nos valeurs". Ils sont donc demandeurs de renégocier l'ensemble du statut du militaire et donc de renouer un nouveau contrat social avec l'État belge. Vous avez annoncé par ailleurs qu'il y aurait des négociations à ce sujet et que vous les ouvririez. Mes questions portent donc sur celles-ci et sont les suivantes: quand? comment? et enfin, avec quels moyens? – parce qu'au niveau des moyens budgétaires, je n'ai rien vu dans les déclarations d'intention dans le cadre de la déclaration de politique gouvernementale et nous savons très bien que le budget de l'État belge ne sera proposé à la sagacité des députés qu'à partir du mois de mai 2025. Je voudrais donc en savoir plus et aller au-delà des intentions qui vous ont été prêtées ou que vous-même avez tenues dans le cadre de vos différentes interventions soit au Parlement soit dans la presse.

Annick Ponthier:

Mijnheer de minister, om de verwachte negatieve gevolgen van de pensioenhervorming te remediëren – wat absoluut noodzakelijk is – wilt u een sociaal plan opstellen. De vakbonden hebben al veel eerder gewaarschuwd voor een eventuele hogere uitstroom omdat de pensioenhervorming onlosmakelijk verbonden is met de loopbaan van de militairen. De bezorgdheid bestaat dat die loopbaan minder aantrekkelijk zou kunnen worden voor eventuele nieuwe rekruten en voor de mensen die noodzakelijk zijn op het terrein.

Het is dus belangrijk dat men heel omzichtig omspringt met die pensioenhervorming. Het effect op het personeelsbestand moet goed worden opgevolgd, vooral als we de doelstelling willen halen die u hebt uitgesproken in het regeerakkoord, namelijk om tegen 2030 te evolueren naar minstens 29.000 personeelsleden bij Defensie. Zoals ik al eerder heb gezegd, is personeel het grootste kapitaal van ons defensieapparaat. Zonder dat personeel hebben die bijkomende investeringen en middelen weinig zin.

De militairen voelen zich momenteel te weinig gehoord. Het is erg dat de vakbonden zelf moesten vragen om in dit Huis te worden gehoord tijdens een hoorzitting van enkele weken geleden. U hebt aangekondigd in overleg te zullen gaan met de vakbonden. Hoe ver staat u met de ontwikkeling van het sociaal plan? Binnen welk tijdsbestek wilt u dat voorleggen aan onze commissie?

Er werd meermaals gesteld dat een pensioenhervorming niet los kan worden gezien van een loopbaanhervorming. In welke mate bent u bereid om daarin mee te gaan? U hebt in het regeerakkoord gezegd dat u rekening zult houden met de specificiteit van het militaire beroep. Wat is daarvan aan op dit moment? Hoe bereidt u zich voor op die eventuele lagere instroom en hogere uitstroom als de voorziene pensioenhervorming wordt doorgevoerd?

Staf Aerts:

Mijnheer de minister, een maand geleden kwamen 100.000 Belgen op straat tegen de asociale arizonaplannen. Tijdens die nationale actiedag viel de belangrijke aanwezigheid van militairen op. Duizenden militairen en de militaire vakbond zelf waren aanwezig. Ze wilden een duidelijk signaal geven, omdat ze zich in de steek gelaten voelen en omdat ze de geplande wijzigingen, volgens hun eigen communicatie, 'als een mes in de rug' beschouwen.

Tot dan toe dacht ik altijd dat hun ongenoegen enkel de pensioenleeftijd betrof. Tijdens de hoorzitting met de vakbonden twee weken geleden is evenwel tot me doorgedrongen dat het om veel meer gaat. Het gaat namelijk om de leefomstandigheden, die vaak ongezond zijn, het gebrek aan grip op de eigen loopbaan, de plaats van tewerkstelling die kan variëren, met heel lange woon-werkreistijden als gevolg. Voor 10 % van de militairen bedraagt die reistijd drie uur en meer. Dat is dus gigantisch veel. Ook gaat het over het zeven jaar gratis werken dat ze leveren. Als men nu ook nog de pensioenregeling afschaft, waarom zou dan nog iemand bij het leger blijven werken? De militairen beschouwen die regeling als hun allerlaatste voordeel, dat nu dreigt te verdwijnen.

De stafchef zelf zou hebben berekend dat attritie, de uitval door de pensioenmaatregel, zou vervijfvoudigen. De vakbonden zijn behoudsgezind en spreken van een verdrievoudiging, maar geven wel aan dat u op die manier het leger niet kunt uitbreiden.

Hoe verloopt het overleg met de vakbonden? Welke engagementen gaat u daarbij aan? Zijn die ruimer dan de pensioenmaatregelen? Hoe zult u ervoor zorgen dat werken bij het leger wel aantrekkelijk blijft?

Robin Tonniau:

Mijnheer de minister, mijn collega's hebben al aangehaald dat op 13 februari 100.000 mensen de straat op kwamen om te protesteren tegen de gekende antisociale maatregelen van Arizona. Onder de demonstranten bevonden zich ook enkele duizenden militairen. Hoewel u hun dienstvrijstelling had ingetrokken, waren ze toch massaal aanwezig op de betoging. Ik heb hen daar gezien en dat was best indrukwekkend.

U bent wel van plan om miljarden euro's extra te investeren in materieel, maar de militairen laat u in de kou staan. De militairen voelen zich verkocht. Ze manifesteren samen met de vakbond tegen uw pensioenhervorming, tegen het feit dat ze langer zullen moeten werken voor een lager pensioen, tegen het optrekken van de pensioenleeftijd naar 67 jaar, tegen het aanpassen van de referentiewedde, tegen het aanpassen van de tantièmes en tegen de pensioenmalus. Dat zijn allemaal maatregelen die hen en de rest van de werkende klasse hard zullen raken.

Twee weken geleden hebben wij hier de militaire vakbonden gehoord. Militairen werken vandaag een 66-urige werkweek. Zij werken over hun hele carrière 7 jaar gratis en nog is dat niet genoeg voor u. Nog wil Arizona hen straffen door hen langer te laten werken. De lage pensioenleeftijd is eigenlijk een zeer logische compensatie voor de opofferingen die militairen doen tijdens hun carrière: veel werkuren zonder overloon, geen vaste standplaatsen en gezinnen die bereid moeten zijn te verhuizen voor het werk van een van de ouders. De vakbonden vertelden dat 40-plussers bij Defensie nog moeilijk aan de bak komen. Zij kampen bijvoorbeeld met gezondheidsklachten als artrose. Tegelijkertijd zijn de uitbolfuncties van vroeger verdwenen of geoutsourcet aan privébedrijven.

Mijnheer de minister, u zei over de dienstontheffing van voormalig minister van Defensie Dedonder dat de militairen werden misbruikt als een politiek wapen. Staat u nog altijd achter die uitspraak? Ze waren immers met een paar duizenden aanwezig op de betoging.

Zult u de eisen van de vakbonden inwilligen, bijvoorbeeld een beter mobiliteitsplan, een correcte betaling van de gepresteerde uren en respect tonen voor de pensioenleeftijd?

Hoe zult u ervoor zorgen dat oudere militairen nog kunnen werken zonder hun gezondheid in gevaar te brengen? Zullen de vele extra werkuren zonder vergoeding eindelijk worden vergoed, nu de compensatie van een lagere pensioenleeftijd voor militairen wegvalt?

Denis Ducarme:

Monsieur le ministre, je suis très heureux de vous poser ma première question. J'étais tellement heureux de vous poser des questions que j'en ai déposées cinq, comme vous l'avez vu.

La première question est importante parce qu'elle touche à la mauvaise décision de la ministre Dedonder qui visait à octroyer aux militaires une dispense de service afin de leur permettre de faire grève. Il s'en était suivi une certaine polémique du fait que c'était une décision à caractère politique. Les motivations de la ministre de la Défense étaient politiques. À travers cet octroi de dispense de travail, elle s'engageait contre l'accord de l'Arizona en cours de discussion à l'époque.

Cette décision avait été prise en période d'affaires courantes, sans aucune urgence notable impliquant cette prise de décision. Il n'y avait pas eu non plus de concertation organisée avec le Conseil des ministres. Et cette décision était même irrégulière, sinon illégale. En effet, cette dispense générale de service octroyée aux militaires afin qu'ils puissent participer à une manifestation organisée dans le cadre d'une grève ne respecte pas au fond l'interdiction stricte visant les militaires pour ce qui concerne leur participation à un mouvement collectif de cessation de travail. Cette décision contrevient à l'article 175 de la loi du 28 février 2007 fixant le statut des militaires. Et donc, cette décision était même passible de poursuites. La justice pourrait s'y intéresser, devrait s'y intéresser. Vous avez dès lors eu parfaitement raison de revenir sur cette décision pour respecter le droit.

Monsieur le ministre, pourriez-vous nous informer du nombre de militaires qui ont pris congé le 13 février 2025? Pourriez-vous aussi nous informer des dispositions que vous souhaitez prendre – parce qu'on ne fait jamais que passer en politique – pour qu'une telle décision prise de manière unilatérale et sans concertation avec le Conseil des ministres ne soit plus possible?

Peter Buysrogge:

Mijnheer de minister, we hebben tijdens de bespreking van het regeerakkoord al gedebatteerd over het eventueel optrekken van de pensioenleeftijd, wat voor heel wat zenuwachtigheid zorgt. Zoals een aantal collega's al heeft gezegd, hebben we de vakorganisaties twee weken geleden gehoord. Die hebben ons gewaarschuwd voor de mogelijke gevolgen van een dergelijke beslissing.

In het regeerakkoord en in uw verklaringen ervoor en erna hebt u gewezen op het specifieke karakter van de opdrachten van de militairen. Het is belangrijk om dat mee in ogenschouw te nemen. Het is niet voor niets – en ik vermoed dat we het er volgende week wel over zullen hebben – dat in het regeerakkoord en vermoedelijk ook in uw beleidsverklaring staat dat het personeel van Defensie het hart van Defensie moet vormen. Dat is het eerste lemma in het hoofdstuk Defensie in het regeerakkoord. Dat zal ongetwijfeld ook aandacht krijgen in uw beleidsverklaring.

U hebt in de media al aangegeven dat u werkt aan een sociaal plan, specifiek met betrekking tot pensioenen, maar het gaat ook ruimer. Collega Aerts heeft gelijk als hij zegt dat de vakbonden hebben gewezen op een aantal zaken waarmee ze nu al geconfronteerd worden. Men zou het in negatieve zin kunnen interpreteren als zijnde een afrekening van de vorige regering en de vorige minister. Dat is niet helemaal correct, want de vorige minister heeft ook op het vlak van personeel heel wat inspanningen geleverd waaraan we nu verder moeten werken. We moeten rekening houden met het specifieke aandachtspunt dat een eventuele verhoging van de pensioenleeftijd zou kunnen leiden tot een bijkomende attritie.

Mijnheer de minister, hoe ziet u de pensioenhervorming? Op welke termijn ziet u die hervorming, eventueel in combinatie met het aangekondigde sociaal plan? Hoe verloopt het overleg met de vakbonden?

Voorzitter:

Collega Weydts wenst aan te sluiten bij dit debat.

Axel Weydts:

Ik ben een klein beetje verwonderd dat er collega's zijn die verwonderd zijn dat de bezorgdheid over meer gaat dan de pensioenen alleen. Daarom is het goed dat we vakorganisaties hebben en dat die uitgenodigd worden in onze commissie, zodat we kunnen luisteren naar wat er leeft onder onze militairen en welke de problemen zijn waarmee onze militairen al jaren kampen.

Dit wil ik toch ook gezegd hebben, de vorige regering heeft ernstig gesleuteld aan het statuut van de militairen. Ze heeft veel aandacht gehad voor het personeel van Defensie. Ik ben ervan overtuigd dat ook deze regering hetzelfde zal doen. Defensie kan immers, het is hier al een aantal keren gezegd, niet draaien zonder het menselijk kapitaal dat aanwezig is binnen de organisatie.

Men moet echter niet alleen personeel hebben, men moet ook gemotiveerd personeel hebben. Wie is immers bereid aan een operatie deel te nemen? Daarstraks hebben we het daarover gehad in de commissie voor de Opvolging van de militaire operaties. Honderden militairen worden ingezet in het buitenland. Ze zijn lange tijd weg van thuis, met gevaar voor eigen leven enzoverder. Ik hoef niet uit te leggen dat het aspect motivatie van het personeel zo mogelijk nog belangrijker is dan het aantal personeelsleden dat effectief onder de wapens is.

Vandaar dat het heel belangrijk is dat er effectief gewerkt wordt aan dat sociaal akkoord. U hebt ook al aangekondigd, mijnheer de minister, dat u daar echt werk van wilt maken. Het regeerakkoord is duidelijk, ook over de pensioenleeftijd enzoverder, maar het is ook heel erg duidelijk dat er nog heel veel besognes zijn van de militairen naast die over hun pensioen.

Mijn vraag is dan ook heel concreet of u bereid bent om daar verregaand in mee te gaan en echt te luisteren naar wat er binnen Defensie leeft op de werkvloer. Bent u bereid om straks niet alleen te investeren in materieel, maar ook een deel van de binnenkort verhoogde budgetten voor defensie te gebruiken om te werken aan een beter statuut van ons militair personeel?

Theo Francken:

Mijnheer de voorzitter, collega's, over de pensioenen, maar ook over het militaire beroep in bredere zin zijn er hier in de commissie inderdaad hoorzittingen geweest. Ik heb ook de vakorganisaties ontmoet. Ik heb die samen ontvangen. Ik zal ze in de komende weken ook apart ontmoeten. Morgen of overmorgen zal ik de eerste organisatie al ontvangen.

Ten eerste, collega’s, wij moeten ons rekenschap geven van de sociale realiteit. De aan de vergrijzing gerelateerde sociale uitgaven stijgen in België met 4,1 % van het bruto binnenlands product in de periode 2023-2070. In 2070 zullen die uitgaven in België 30 % van het totale bruto binnenlands product uitmaken, wat een aanzienlijke toename is. Ter vergelijking, in het gemiddelde EU-land stijgen de aan de vergrijzing gerelateerde sociale uitgaven in de periode 2022-2070 slechts met 1,2 % van het bruto binnenlands product, tot 25,6 % van het bruto binnenlands product in 2070. Dat verschil illustreert de unieke uitdaging waarmee België wordt geconfronteerd op het gebied van vergrijzingskosten.

Die pensioenlasten zullen terechtkomen op de schouders van onze jongeren. Wij kunnen en mogen de facturen niet blijven doorschuiven naar de volgende generaties in de hoop dat zij het probleem wel zullen oplossen. Wij moeten hervormen om de pensioenen betaalbaar te houden, de welvaartsstaat overeind te houden en de intergenerationele solidariteit intact te houden.

Het regeerakkoord voorziet daarom in een globale pensioenhervorming, waarvan de militaire pensioenen een onderdeel uitmaken. Het regeerakkoord bevat verschillende maatregelen die betrekking hebben op de pensioenen van militairen. Ik geef de belangrijkste weer. De pensioenleeftijd van militairen zal geleidelijk worden opgetrokken tot de wettelijke pensioenleeftijd van andere werknemers en ambtenaren. Vanaf 2027 wordt hun pensioenleeftijd geleidelijk verhoogd met één jaar per jaar, met respect voor de legitieme verwachtingen van mensen die vlak voor hun pensioenleeftijd staan. Daartoe voorzien wij in voldoende overgangsperiodes en -maatregelen, in overleg met de vakorganisaties.

La pension par limite d'âge sera transformée en pension à la demande. À l'avenir, les militaires pourront prendre leur retraite anticipée en fonction de leur carrière et de leur âge.

Voor actieve diensten zoals Defensie blijft de verhogingscoëfficiënt 1,05, met een jaarlijkse afbouw van 0,005 vanaf 2027 tot 1,025 in 2032. Dat blijft dan ook daarna 1,025. Concreet zullen militairen sowieso twee jaar vroeger kunnen uitreden en vanaf 2032 een jaar vroeger. Zij die 42 effectieve loopbaanjaren hebben, kunnen in de toekomst op 60 jaar met pensioen gaan. Wie 35 loopbaanjaren van 156 dagen met effectieve arbeidsprestaties en 7.020 effectief gewerkte dagen of langer gewerkt heeft, kan nog steeds op vervroegd pensioen zonder malus. De berekening van het pensioen van statutaire ambtenaren gebeurt momenteel op basis van het loon van de laatste 10 jaar en evolueert geleidelijk naar het loon van alle loopbaanjaren zoals voor andere werknemers en zelfstandigen.

Cette réforme entrera progressivement en vigueur avec un an supplémentaire chaque année, passant de 10 ans en 2027 à 45 ans en 2062. Étant donné que l'âge du départ à la retraite augmente et que cette réforme se déroule progressivement, la perte de pension restera limitée, vu aussi que davantage de droits à la retraite seront accumulés sur un salaire plus élevé à la fin de la carrière.

Dat zijn de modaliteiten die in het regeerakkoord zijn opgenomen, dames en heren. Het regeerakkoord stipuleert echter ook dat we de specificiteit van het militaire statuut erkennen en de deelname aan externe missies en operationele eenheden positief willen herwaarderen en in rekening brengen. Dat is belangrijk, dames en heren, want het militaire beroep heeft een aantal specifieke vereisten en verplichtingen die uniek zijn op de arbeidsmarkt. Daarover wil ik met de erkende vakorganisaties expliciet in overleg gaan.

Ik begrijp het ongenoegen en de frustratie die momenteel in de rangen heersen, ook al worden dat ongenoegen en de frustraties gevoed door voorbarige en soms misleidende informatie. Ik heb bepaalde bedragen van pensioenvermindering gehoord die in mijn ogen overdreven zijn en die niet kunnen worden gestaafd op basis van de berekeningen die wij maken.

Dans ce même contexte, 5 177 militaires ont demandé et obtenu un congé lors de la manifestation du 13 février dernier.

5.177 militairen hebben verlof aangevraagd en gekregen. Een aanzienlijk deel van hen zal mee gaan betogen zijn. Verschillende collega's zeiden al dat er veel militairen aanwezig waren. 5.177 hebben dus die verlofdag aangevraagd en de meesten onder hen zijn gaan manifesteren op 13 februari.

Je ne pense pas qu’il faille prendre des mesures spécifiques pour éviter qu'une décision comme celle de la fameuse dispense de service se reproduise. Il suffit que chaque ministre de la Défense fasse son travail au sein du gouvernement en toute transparence et collégialité.

Daar is het een beetje fout gelopen.

Ik wil een sociaal plan uitwerken dat rekening houdt met de specificiteit van het militaire statuut, dat maatregelen inhoudt inzake aangepast en werkbaar werk en promotiekansen, en dat het werk van onze militairen valoriseert. Ik herhaal wat ik heb gezegd tegen de staf van Defensie tijdens mijn bezoek in Evere. Ik zal bij de regering aandringen op respect voor de grondwettelijke specificiteit van het militaire beroep. Militairen stellen zichzelf bloot aan vele grote risico's. Ze zetten hun leven zelf ten dienste van de natie. Dat engagement mag en moet worden gehonoreerd.

Pour ce faire, j'ai déjà organisé une première prise de contact avec les délégués des organisations syndicales représentatives le 18 février dernier dans mon cabinet. Ils ont pu clairement exprimer leurs opinions. Au cours des prochaines semaines, j'entamerai une série de consultations avec chacune des organisations afin d'arriver, si possible, à un compromis. Les propositions et mesures concrètes y seront discutées. Afin de donner toutes les chances au dialogue social, je n'entrerai pas dans les détails pour le moment.

Dat zult u wel begrijpen. Het sociaal overleg loopt. Ik hoop een sociaal akkoord te kunnen sluiten met de vakorganisaties, of minstens met de meeste vakorganisaties, en ik hoop dat te kunnen bereiken tegen het einde van het jaar, dus ik geef mezelf daar nog iets meer tijd voor. Uiteraard zal ik verslag uitbrengen in de Kamer als daarover vragen worden gesteld. Ik ben ter beschikking.

Ik ga in op nog twee punten. Ik hoor hier beweren dat de stafchef gezegd zou hebben te verwachten dat de attritie maal vijf gaat met dit pensioenakkoord. Ik weet niet waar die informatie vandaan komt, ik heb dat niet gehoord, misschien heb ik dat gemist. Wel heb ik horen spreken over de attritie tijdens de loopbaan. We hebben hier al vaker besproken dat de attritie tijdens de opleiding hoog is. Daaromtrent loopt een actieplan, waarvan de eerste resultaten redelijk positief zijn, maar er is nog veel werk te doen. Tijdens de loopbaan echter hebben we een zeer lage attritie bij Defensie, namelijk van maar 1 à 2 %. Op het moment dat zij hun opleiding hebben afgerond, blijven de mensen doorgaans echt wel bij Defensie. Concreet blijft 98 tot 99 % bij het leger, bij Defensie. Er vertrekken dus heel weinig mensen. In de privésector is de attritie meer dan 10 %, dus minstens vijf keer hoger. Dat heb ik horen zeggen. Ik heb echter niet horen zeggen – maar mogelijk heb ik dat gewoon niet gehoord, dat kan – dat de CHOD verwacht dat de attritie plots vijf keer hoger zou zijn door deze maatregelen. Ik denk niet dat hij dat heeft gezegd, maar ik kan niet namens hem spreken. Ik heb het alleszins nergens gehoord of gelezen.

Ik denk dat het belangrijk is om te weten dat ik samen met de CHOD ook een communicatie heb uitgebracht op het militaire intranet, gericht tot alle militairen, over dat dossier, want het is een heel belangrijk dossier. Ik heb ook begrepen dat de CHOD alle kazernes zal bezoeken, naar de eenheden zal gaan om over heel wat dingen te spreken, natuurlijk ook over het punt van de pensioenen.

In een tweede punt ga ik in op de vraag of ik bij mijn standpunt blijf over de algemene dispersie, eigenlijk een dag congé, om te staken of te gaan betogen. Ik blijf erbij dat die toekenning werd misbruikt als politiek wapen. Dat standpunt houd ik aan. Dat instrument dient daarvoor naar mijn mening niet. De manier waarop dat werd beslist, heeft overigens veel zorgen gewekt in de toenmalige regering. Alexander De Croo, toenmalig premier in lopende zaken, stuurde een brief naar de toenmalige minister van Defensie met de vraag om haar beslissing in te trekken, maar dat heeft zij niet gedaan. Ik heb die beslissing ingetrokken. Ik denk dat veel partijen alleszins die mening deelden. In het parlementaire debat daarover meende ik alleszins een brede consensus te kunnen vaststellen. Niet iedereen was het ermee eens, maar veel partijen vonden dat het niet de juiste manier was.

Meer dan 5.000 militairen hebben verlof aangevraagd om te gaan betogen. Dat is een heel duidelijk en helder signaal. Het betreft dus heel veel militairen die dat hebben gedaan zoals het moet, namelijk verlof aanvragen en gaan manifesteren. Ik zal niet zeggen dat dat verwaarloosbaar is of een klein aantal, integendeel, het zijn heel veel militairen en het is een heel duidelijk signaal, waarnaar de regering moet luisteren. Ik zal dat proberen te doen en ik hoop mijn collega's in de regering te overtuigen van een goed sociaal akkoord waaraan ik nu eerst zal werken, samen met de vakorganisaties.

Ik herhaal dat er veel prachtig nieuw materieel is. Zo heb ik maandag de CaMo-voertuigen in Evere kunnen schouwen. Dat ziet er heel goed uit en er zal nog veel materieel worden geleverd. Dat is allemaal heel fijn en we zullen nog veel kunnen kopen, maar zonder personeel kan men er niets mee aanvangen. Men heeft dus zowel goed materieel en een goede infrastructuur als gemotiveerd personeel nodig, dat daadwerkelijk ter beschikking staat van de natie, want de militairen doen een ongelooflijke en harde job.

We moeten de militairen echt honoreren, valoriseren en danken. Dat doen we veel te weinig. In de Verenigde Staten bestaat er veel meer een cultuur van dankbaarheid – op alle mogelijke manieren – voor mensen die een dienst hebben bewezen aan het land. Zo krijgen veteranen op een Amerikaanse luchthaven voorrang voor de eerste zitplaatsen, voor de gate. Ik vind dat allemaal fantastische initiatieven. In het regeerakkoord staan een aantal initiatieven. We moeten ook in ons land nadenken over hoe we militairen kunnen valoriseren voor de dienst die ze aan onze natie leveren.

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de minister, dank om duidelijkheid te scheppen. Die pensioenfactuur moet worden aangepakt. Ik denk dat het overgrote deel van de bevolking het daarmee eens is. Het overgrote deel van de militairen beseft volgens mij ook dat iedereen zijn steentje zal moeten bijdragen om de pensioenfactuur onder controle te houden. Ik meen zelfs dat de vakbonden dit, weliswaar in andere bewoordingen, hier twee à drie weken geleden ook gezegd hebben. Verder moet ook dat statuut aangepast worden, onder meer op het vlak van het woon-werkverkeer en de arbeidsomstandigheden.

De pensioenhervorming staat zeer gedetailleerd in het regeerakkoord, zo blijkt ook uit uw toelichting. Over het statuut van de militair bent u echter minder in detail gegaan, maar u zou tegen het einde van het jaar proberen te landen. Die strakke timing is een goede zaak. Het is immers logisch dat militairen ongerust zijn bij het lezen van een zeer uitgewerkt pensioenplan dat voorziet in langer werken, maar nog niet in hervormingen van het statuut.

Ik blijf daarom bij mijn oproep om dat in één adem, in één beweging te doen. Ik vrees namelijk dat de uitvoering van de pensioenhervorming zonder de aanpassing van het statuut toekomstige rekruten zal afschrikken, terwijl die echt nodig zullen zijn. Verder vrees ik dat we daarmee de huidige militairen in dienst vervroegd naar de uitgang zullen duwen. Me dunkt zijn we het er allemaal over eens dat dit niet de juiste weg is.

Christophe Lacroix:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses détaillées. Je prends note du fait que vous vous engagez à mener une concertation avec les syndicats ainsi qu’au sein du gouvernement. Je vous souhaite bonne chance au gouvernement car la déclaration de politique gouvernementale vous laisse peu de portes à ouvrir!

Si vous avez besoin de compter sur le Parti Socialiste pour améliorer le statut social des militaires, vous pouvez compter sur nous pour poursuivre le travail de Mme Dedonder avec vous.

Ensuite, sur les chiffres du surcoût budgétaire du département de la Défense lié à l’allongement de la durée de carrière, l’état-major évoque 4 milliards d’euros alors que les syndicats parlent eux de 3 milliards. Sur l’effet multiplicateur en termes d’attrition, les chiffres de l’état-major sont plus négatifs que ceux des syndicats. Il me semble qu’une vérification doit être faite avec l’état-major.

Enfin, je suis heureux de vous entendre mais inquiet d’entendre votre partenaire MR, dont la priorité semble être de prolonger la carrière des militaires de 10 ans et de régler ses comptes avec Mme Dedonder. Je trouve hallucinant que, pendant que le monde s’embrase, l’on vienne ici poser une question pour simplement régler des comptes politiciens!

Annick Ponthier:

De door ons gekende capaciteitsdriehoek personeel, investeringen en budget is cruciaal en moet in evenwicht zijn. Ik herhaal nogmaals dat het grootste kapitaal van ons defensieapparaat het militaire personeel is. Zonder dat personeel dienen die grote investeringen en die verhoogde budgetten tot niet veel.

De signalen die de militairen hebben gegeven, mogen absoluut niet op een koude steen vallen. Zij moeten gehoord worden. We mogen hier vooral geen politiek spel van maken. Ondanks de heersende verbolgenheid bij het personeel, bestaat er heus wel marge in de toegeeflijkheid van de militairen. Zoals we allemaal weten, staan militairen in operatie 24/7 paraat voor onze veiligheid, maar zij worden daar veel te weinig voor vergoed. Zonder dan nog te spreken over die 7 jaar niet-vergoede dienst in een gemiddelde militaire loopbaan.

Het is duidelijk dat het pensioendebat voor militairen een loopbaandebat moet zijn. De specificiteit van het beroep van militair moet voorop staan. Een verhoging van de pensioenleeftijd, zoals u voorstelt, kan en mag niet los worden gezien van grondige aanpassingen aan de loopbaanvoorwaarden. Indien u die aanpassingen niet doorvoert, pleegt u eigenlijk eenzijdig contractbreuk en ontkent u de inzet die militairen dag in dag uit tonen met een voor hen kenmerkende can do -mentaliteit.

Wat de positieve valorisering en de concretisering van het sociaal plan betreft, zegt u dat die onderwerp van het sociaal overleg zullen zijn. We zullen daar ongetwijfeld later op terugkomen. Het Vlaams Belang hoopt alvast dat het sociaal overleg een positief resultaat zal opleveren en er geen negatieve gevolgen zullen optreden voor de inzet van onze Defensie en voor onze veiligheid in het algemeen, die zoals u weet momenteel ongemeen onder druk staat.

Staf Aerts:

Dank u wel voor uw antwoorden, mijnheer de minister. U hebt zelf benadrukt dat 5.571 militairen een verlofdag hebben aangevraagd voor die nationale stakingsdag. Dat is bijna een op de vier en dat terwijl militairen niet echt de traditie hebben om op straat te komen. Het toont aan hoe ongerust die mensen zijn over hun verdere traject.

Theo Francken:

5.177.

Staf Aerts:

5.177, dan is het een op de vijf. Maar dan nog is het een gigantisch signaal.

Ik meen dat daar echt werk van gemaakt moet worden. Er staat wel een titel in het regeerakkoord dat het personeel van Defensie het hart is van Defensie, maar er is geen antwoord gekomen op alle belangrijke bekommernissen die toen door de vakbonden zijn aangehaald. Over de pensioenhervorming staat niets in die titel van het regeerakkoord. Waarover gaat die paragraaf vooral? Over reservisten en over de vrijwillige legerdienst.

Theo Francken:

(…)

Staf Aerts:

Woon-werk staat er inderdaad in, maar over heel wat andere zaken staat er niets in vermeld.

Wat de vrijwillige legerdienst betreft, bijvoorbeeld, meen ik dat die hard aangekomen moet zijn. We hebben te horen gekregen dat een sergeant met 9 jaar ervaring 2.200 euro netto verdient. U communiceert dan heel fier, om het aantrekkelijk te maken, dat men voor de vrijwillige legerdienst 2.000 euro netto krijgt. Een vrijwilliger krijgt blijkbaar dus nagenoeg evenveel als een sergeant met 9 jaar ervaring. Dan meen ik dat er nog heel wat werk aan de winkel is om het pensioen aantrekkelijk te houden en om de hele loopbaan aantrekkelijk te maken.

Het kapitaal van het leger zijn overduidelijk de militairen. Zonder hen kan het wapentuig niet bediend worden. We zullen dus absoluut verder op militairen moeten inzetten. Ik ben niet gerustgesteld door het regeerakkoord, maar dat zal u niet verbazen.

We zullen absoluut blijven opvolgen of uw woorden effectief in daden worden omgezet.

Theo Francken:

Een vrijwilliger is een militair. Die 2.000 euro is wat een militair krijgt als hij binnenkomt. Waarom zouden jongeren die op 18 jaar binnenkomen en 12 maanden dienen, minder betaald moeten worden? Dat snap ik niet, hoor. Ik meen dat u dat nog eens goed moet bekijken.

Robin Tonniau:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoorden.

Meer dan 5.000 militairen die een van hun weinige verlofdagen opofferen om mee te komen betogen in Brussel, is een heel sterk signaal. Ik herinner mij dat Bouchez in de Kamer verklaarde dat alle mensen die op straat komen, betaald zijn door de vakbonden en dat het allemaal om betaalde militanten gaat. Hij vergist zich daarin. Ik heb de betrokkenen gezien die op straat kwamen. Dat waren niet allemaal mensen die voor de vakbond werken. Dat bewijzen de cijfers van Defensie ook.

Tijdens de hoorzitting met de vakbonden heeft het ACV het mooi verwoord: “De overheid en de maatschappij hebben schuld opgebouwd bij elke militair, door hen, zoals hiervoor gepresenteerd, specifiek te behandelen en te gebruiken. Die schuld wordt tot op heden vereffend op het einde van de loopbaan via de pensioenen, omdat ze niet vereffend kan worden tijdens de loopbaan. Als die schuld plots wordt betwist, zullen veel militairen eruit stappen en hun boots aan de haak hangen.”

U investeert inderdaad veel in Defensie, maar vooral in materieel. De vakbonden werpen op dat er vandaag niet genoeg personeel is om alle nieuwe materieel te bedienen dat zal binnenkomen. In dat geval is er geen Defensie. De ACMP merkte ook op dat begrotingsgewijs de meerkosten voor de pensioenplannen van Arizona voor Defensie ons geld zullen kosten. Dat zal ons 140 miljoen euro kosten. Het is dus quatsch dat het om een besparingsmaatregel gaat. Het zal ons geld kosten. Wat zullen de militairen die hun job niet meer kunnen uitoefenen zoals het moet, immers elke dag doen?

Denis Ducarme:

Monsieur le ministre, vous nous apportez au moins trois bonnes nouvelles. La première, c'est celle liée aux pensions. Vous voulez vous engager dans le cadre du dialogue social. Vous précisez que le métier de militaire et certaines catégories de militaires sont bien spécifiques. Nous n’allons pas demander à des militaires de 64 ans de sauter en parachute ou de se trouver sur un théâtre d'opération. Il est clair que, par rapport à cela, il existe une dimension du métier de militaire que vous souhaitez prendre en compte dans le cadre des réformes nécessaires en matière de pensions.

La deuxième bonne nouvelle, c'est celle liée au nombre de militaires qui ont demandé congé. Mme Dedonder avait mis en grève 100 % des militaires. C'est ce qu'elle avait fait en octroyant cette dispense de service. Finalement, ce n'étaient pas 100 % qui avaient demandé congé, mais seulement 20 %. Les militaires ont leur libre arbitre et sont en mesure de décider par eux-mêmes, parce que ce sont des gens intelligents. Ils savent s'ils veulent manifester ou pas. Ils n'ont pas besoin d'un ministre socialiste pour cela.

La dernière excellente nouvelle, c'est qu'à la différence de votre prédécesseur, vous allez travailler, comme vous l'avez indiqué, dans la collégialité. Vous concerterez un certain nombre de décisions, ce que votre prédécesseur n'avait pas fait. Je me réjouis naturellement de l'avenir dans cette perspective.

Peter Buysrogge:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. U geeft aan dat het personeel essentieel is voor Defensie. Ik denk dat dit ons aller bezorgdheid is. Het personeel vormt het hart van Defensie. Als we zien wat er allemaal gebeurt op geopolitiek vlak en hoe alles evolueert, dan hebben we dat personeel meer dan ooit nodig. Het is dan ook goed dat het regeerakkoord daarvan uitgaat en dat u dat ook verkondigt, maar nog belangrijker zijn uw daden. U moet daaraan bijkomend prioriteit geven, maar ik twijfel er niet aan dat dit ook het geval is.

Mijnheer Aerts, het klopt uiteraard niet dat er bijna niet wordt gesproken over het personeel en dat er enkel maar over die pensioenhervorming wordt gesproken. Zowel u in uw inleiding als de vakbonden hebben bijvoorbeeld verwezen naar de bijzondere problematiek van het woon-werkverkeer. In het regeerakkoord staat dat daarvan prioritair werk moet worden gemaakt.

Collega's, willen we een pensioenhervorming doorvoeren? Hoe men het draait of keert, dit is nu eenmaal een maatschappelijke realiteit. Niets doen, is geen optie. Het is ons aller verantwoordelijkheid om de hervorming effectief door te voeren en het lijkt mij dan ook relevant om elke vorm van fakenieuws tegen te spreken als dat zou leiden tot een massale uitstroom. Een jongere kiest niet voor Defensie omdat hij op zijn 56ste of een andere leeftijd met pensioen kan gaan. Het statuut is belangrijk, maar nog belangrijker voor die jongere is te kunnen kiezen voor die veiligheid, te kunnen kiezen om te werken aan de geopolitieke omgeving, te kunnen werken met modern materieel en aantrekkelijke uitdagingen aan te gaan bij Defensie. Daarvoor kiest een jongere. Er is op dit moment heel veel interesse bij de jongeren. Dat zien we op de infodagen. Defensie is belangrijk en ik denk niet dat de pensioenhervorming op dat vlak een impact heeft.

Mijnheer de minister, neem dat sociaal overleg ernstig. Werk met alle vakbonden een akkoord uit en betrek het Parlement daarbij als het gaat over de hervorming van het sociaal statuut van de militairen.

Axel Weydts:

Mijnheer de minister, als ik spreek met mijn collega's van destijds bij Defensie, dan is hetgeen wat op dit moment voor hen het zwaarst weegt de onzekerheid. Wat komt er op ons af? Daarom zijn wij met Vooruit heel blij dat u er werk van maakt om tot dat sociaal plan te komen. U zult daarvoor in ons een bondgenoot vinden, ook in de regering.

Maak daar alsjeblieft snel werk van. Probeer die onzekerheid zo snel mogelijk weg te werken. Dat is wat echt van u wordt verwacht. U hebt in uw antwoord duidelijk gemaakt dat u hiervan echt werk wilt maken, waarvoor dank.

Darya Safai:

Bedankt voor uw uitleg, mijnheer de minister. Het is inderdaad onze bedoeling, vanuit een grote bezorgdheid, om de sociale zekerheid, die met de dag groeit, onder controle te houden. Wij moeten daar met de regering een oplossing voor zoeken.

Ik ben blij dat u verwijst naar de specificiteit van het militaire beroep, want onze soldaten staan dag en nacht paraat om onze veiligheid te garanderen. Dat vergt twee dingen van onze kant. Ten eerste, dankbaarheid. We moeten tonen dat we respect hebben voor dit beroep. Ten tweede, we moeten zorgen voor onze militairen. Daarom ben ik ook zo blij dat u minister van Defensie bent, want u hebt al bewezen dat u een groot hart voor onze defensie en de verdediging van dit land hebt. Ik ben heel blij dat u daar zit.

Ik wil zelf van hieruit ook mijn dankbaarheid voor onze defensie uiten. Ik ben blij dat wij samen met de vakorganisaties zullen zoeken naar een oplossing die de beste is voor onze militairen.

Stéphane Lasseaux:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses aux questions qui ont été posées par mes collègues. Tout d'abord, vous aviez annoncé votre intention d'organiser une concertation avec les membres du personnel. C'est quelque chose que nous estimons nécessaire en tant qu'Engagés, car nous en avons certainement bien besoin. Par ailleurs, la rencontre syndicale à laquelle nous avons participé dernièrement nous a permis de pouvoir entendre qu'il existait d'autres préoccupations que la pension. Je pense, entre autres, au transport, comme plusieurs collègues l'ont évoqué. De plus, une reconnaissance des militaires doit se manifester au sein de notre population. Toutefois, il faut veiller à ne pas déstructurer le calcul des pensions. Le personnel actif doit en effet pouvoir bénéficier d'un temps réduit, mais il est toujours nécessaire de disposer d'un personnel administratif, car nous en avons également besoin en cas de conflit afin de soutenir toutes ces personnes qui sont au combat. La carrière militaire est une très belle profession, et il ne faut certainement pas le négliger. C'est un choix qui est formé et qui correspond à une nécessité dont chaque militaire est conscient en sachant qu'il remplit plusieurs fonctions. En effet, un militaire va exercer plusieurs métiers au cours de sa vie professionnelle, puisqu'il ne restera pas forcément en fonction en permanence. C'est aussi pourquoi il choisit une telle profession, parce que, dans beaucoup de métiers, vous n'occupez pas quarante ans d'affilée le même poste. Chez les militaires, vous évoluez régulièrement. C'est ce qui permet de les motiver. Encore une fois, un tout grand merci pour les négociations qui sont en cours. Nous vous faisons confiance et nous vous laissons œuvrer. Vous avez bien raison de ne rien vouloir communiquer pour l'instant. Nous devons vous laisser accomplir le travail nécessaire.

Het Defensiefonds
Oekraïne en de defensie-inspanningen van België
De militaire hulp aan Oekraïne
De herziening van het defensiebudget als gevolg van de internationale druk
Het Belgische standpunt met betrekking tot de oorlog in Oekraïne
De Europese strategische autonomie
De krijtlijnen van de Europese top van 6 maart
Het ReArm Europe-plan, de defensietop van 6 maart en de steun aan Oekraïne
De onduidelijkheid over de voorgenomen verhoging van de defensie-uitgaven tot 2 % van het bbp
De pistes om de voorgenomen verhoging van de defensie-uitgaven tot 2 % van het bbp te financieren
Het investeringsplan voor defensie en de strategische prioriteiten
De Europese defensietop van 6 maart en de versnelde verhoging van de uitgaven tot 2 % van het bbp
De versnelde verhoging van de Belgische defensie-uitgaven
België, Europese defensie en militaire steun aan Oekraïne

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 12 maart 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om Belgiës versnelde defensie-investeringen om de NAVO-norm van 2% BBP (nu al tegen eind 2024 in plaats van 2029) te halen, met focus op financiering, Europese strategische autonomie en steun aan Oekraïne. Kernpunten: De regering zoekt 17 miljard euro extra (4 miljard dit jaar) via een Defensiefonds (dividenden/verkoop staatsdeelnemingen) en Europese flexibiliteit (ReArm Europe-plan, schulden buiten begroting). Twistpunten: verkoop strategische bedrijven (bv. Proximus), afhankelijkheid van VS (F-35), en Oekraïne-steun (1 miljard euro, maar onduidelijkheid over vredesonderhandelingen en gebiedsafstand). Kritiek op gebrek aan structurele oplossingen en risico’s van schuldenstijging. Francken benadrukt NAVO-loyaliteit, maar erkent nood aan Europese defensiesamenwerking—zonder volwaardig Europees leger.

Christophe Lacroix:

Monsieur le ministre, je vais vous poser plusieurs questions, parce que, depuis l'accord de gouvernement, vous avez fait de nombreuses déclarations. La situation internationale a changé, s'est complexifiée et est devenue encore plus dangereuse. Mais, surtout, je trouve que vous n'êtes pas très aidé par les partenaires de votre coalition.

Sur le Fonds Défense, par exemple, vous avez déclaré qu'il y aura une vente d'actifs et qu'il faudra définir quels sont les actifs stratégiques et non stratégiques. Je vous dis déjà qu'au niveau du Parti Socialiste, nous ne sommes pas d'accord sur le principe de vendre des entreprises publiques pour financer l'achat d'armes. Par ailleurs, j'ai entendu M. Van Peteghem dire que "si c'est neutralisé par l'Europe, il faudra quand même payer". Il n'a pas l'air très ouvert à votre proposition. J'aimerais donc vous entendre à ce sujet.

Puis, une autre idée est venue des Engagés visant à doubler la taxe sur les plus-values. Mais deux fois zéro, en 2025, cela reste quand même zéro! Monsieur le ministre, comment voyez-vous les choses avec vos partenaires?

Et ensuite, je vois à l'agenda d'aujourd'hui, dans le cadre de ce même débat, une question du MR sur le flou autour de l'objectif des 2 % du PIB dédiés à la Défense. Je vous souhaite déjà bonne chance pour ramener la sérénité dans l'équipe gouvernementale autour de vos objectifs.

Je vais être un peu moins taquin vis-à-vis des autres et je vais un peu vous ennuyer, monsieur le ministre. Nous nous connaissons depuis longtemps, depuis 2012. En 2012, j'avais porté au nom du PS une résolution sur l'Europe de la Défense, dont on parle beaucoup aujourd'hui. J'ai repris les commentaires de l'époque et je vous cite, monsieur le ministre: "Une défense européenne demeure un rêve lointain qui n'est pas réalisable. La piste actuelle d'une défense européenne dans un avenir lointain ne mène à rien."

Heureusement, depuis 2012, je vous ai vu évoluer et vos dernières déclarations me rassurent quelque peu. Cependant, j'aimerais que vous confirmiez résolument votre attachement et votre ambition à mener une politique européenne en la matière et donc à faire en sorte que nous participions à l'autonomie stratégique européenne à 100 %. Je m'étonne également des déclarations, toujours d'un partenaire de votre majorité, en l'occurrence M. Charles Michel, qui, après un long congé, revient en disant qu'on va continuer à acheter des F-35, qu'il faut continuer à acheter américain parce que Donald Trump n'est là que pour quatre ans.

Le débat n'est pas Donald Trump, le débat, c'est l'autonomie stratégique de l'Europe. Allons-nous continuer à se mettre pieds et poings liés dans les intérêts américains ou allons-nous assumer nos souverainetés stratégiques sur le plan de la défense, de l'économie, de la production énergétique? Allons-nous continuer business as usual ?

Par ailleurs, à quoi vont servir effectivement les milliards annoncés par l'Europe à travers son plan ReArm Europe qui est déjà contesté aux Pays-Bas? J'ai lu la presse. La Chambre basse aux Pays-Bas s'oppose au plan européen de réarmer l'Europe. Or, j'avais cru comprendre que nous avions une collaboration avec les Pays-Bas en matière de marine. Donc qu'est-ce que cela signifie pour vous? Quel est le signal donné par les Pays-Bas en la matière?

Face à l'annonce américaine de stopper l'aide à l'Ukraine – elle vient d'être reprise puisqu'il y a un cessez-le-feu –, quelle position défendez-vous? Pouvez-vous nous faire le point sur l'aide belge à l'Ukraine? Je parle d'un cessez-le-feu, mais il s'agit plutôt d'une tentative de cessez-le-feu, car il faudra que les Russes l'acceptent.

Quelles sont les conséquences des décisions prises par vos homologues européens? Je vous demande de bien vouloir confirmer que vous êtes attaché à 100 % à un pilier européen au sein de l'OTAN et à une autonomie stratégique de l'Europe au sein de sa défense.

Darya Safai:

Mijnheer de minister, gisteren vond een gesprek plaats tussen Amerikaanse en Oekraïense delegaties in Jeddah, Saoedi-Arabië. Wij hebben dit met heel veel belangstelling gevolgd, aangezien het de eerste ontmoeting was na het verschrikkelijke incident tussen de twee landen, tussen Trump en Zelensky. Het resultaat van het overleg is dat Oekraïne akkoord gaat met het voorstel van de Verenigde Staten over een voorlopig staakt-het-vuren. We moeten nu wachten op de reactie van Rusland, dat vanochtend niet erg enthousiast was, maar we moeten nog afwachten.

Die vooruitgang neemt niet weg dat Europa de rug moet rechten en de defensie-uitgaven moet opschroeven. Dat is iets waarvoor u ook steeds pleit. In de media verklaarde u dat binnen de regering besproken zal worden hoe we eerder tot die 2 % kunnen komen. In het regeerakkoord staat dat die 2 % bereikt moet worden tegen 2029. De eerste minister zei ook dat hij miljarden euro zoekt. Vanochtend kwamen de partijvoorzitters bijeen om te bekijken waar dat geld het best kan worden gevonden.

Op 6 maart werd er een Europese top georganiseerd waar de situatie in Oekraïne besproken werd, evenals de toekomst van de Europese defensie in de NAVO. Ik benadruk dat laatste. President Zelensky had een onderhoud met de Belgische regering voor deze top van 6 maart. Een dag eerder sprak president Macron over Franse nucleaire afschrikking bij de bescherming van Europese bondgenoten. Ik veronderstel dat dit werd meegenomen op die top.

Mijnheer de minister, hoe verliep het contact met president Zelensky voor de aanvang van de top? Wat zijn de voornaamste conclusies die u trekt na afloop van de Europese top? Hoe ziet u verdere Europese samenwerking met betrekking tot de opbouw van strategische autonomie? Welke conclusies trekt u op het vlak van de bereidheid van de Europese partners om de defensie-industrie op te schalen? Welke besluiten werden er genomen op het vlak van financiering?

Werd de nucleaire afschrikking die de Franse president op tafel bracht, meegenomen in een bredere discussie?

Mijn laatste vraag gaat over het budget dat wij uittrekken voor de NAVO. De Verenigde Staten dringen erop aan dat elke NAVO-lidstaat, net als zijzelf, ongeveer 5 % van het bruto binnenlands product aan defensie zou besteden. Wij hebben anders besloten, maar binnen welke termijn moeten de inspanningen volgens u gebeuren? Wat vindt u een realistische doelstelling?

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de minister, de afgelopen dagen en weken heb ik veel informatie opgevangen via de pers. U geeft veel interviews, u staat vaak in de krant, ik ben er zelf een beetje jaloers op. Ik lees die artikels zeer aandachtig, al blijf ik het jammer vinden dat, in de geopolitieke situatie waarin we zitten en die elke dag grondig wijzigt, mijn vraag om de commissie bijeen te roepen niet werd ingewilligd. Zoals we weten, kan in 24 uur de situatie volledig wijzigen. Ik vind dus dat de discussie hier moet worden gevoerd, hoe belangrijk en leuk het ook is om dat in de krant en op X te doen. Maar goed, we zijn hier vandaag samen om dit te behandelen.

Het gevolg van al die informatie in de pers is dat een aantal van de vragen die ik had ingediend intussen al enigszins achterhaald zijn. Dat komt natuurlijk door de geopolitieke situatie, die telkens grondig wijzigt, maar tegelijk roept dat ook weer nieuwe vragen op. Ik wil ingaan op twee punten in dit debat: de financiering van defensie en Oekraïne.

Mijn eerste punt betreft de financiering van onze Belgische defensie. We hebben veel mogen lezen over of die uitgaven binnen of buiten de begroting moeten gebeuren, met een uitgebreide discussie op Europees niveau. Het mag nu dus buiten de begroting en er zullen geen EU-sancties volgen, maar dat is meteen het enige positieve. Ik denk dat u dat ook wel weet, mijnheer de minister, buiten de begroting, dat bestaat natuurlijk niet. De uitgaven voor defensie zullen oplopen en dat zal ervoor zorgen dat het begrotingstekort groter wordt, waardoor ook de schuldgraad zal stijgen.

Die rekening zal uiteindelijk betaald moeten worden. Het enige positieve is dat we geen EU-sancties zullen krijgen. In de Nederlandse Tweede Kamer werd het plan gisteren al weggestemd, dus we moeten nog zien hoe dat allemaal zal lopen. We moeten een kat een kat blijven noemen. We moeten heel wat centen vinden voor defensie, of dat op papier nu binnen of buiten de begroting zal zijn.

Mijn tweede punt gaat over de middelen voor defensie. Naar aanleiding van de regeerverklaring hebben we daar ook al over gesproken. Toen was de situatie zo dat we naar 2 % zouden evalueren tegen 2029 en dus had u nog 3 à 4 miljard euro nodig die u zou financieren met het defensiefonds. Dat was het plan om structureel de 2 % te bereiken tegen 2029.

Nu is het zo dat die 4 miljard euro voor de zomer gehaald moet worden. Dat betekent dat de 4 miljard euro die we gingen spijzen via het Defensiefonds nu voor de zomer, dus binnen drie maanden, op tafel moet liggen. Daarnaast hebben we van de minister van Begroting gehoord dat we in totaal 17 miljard euro nodig hebben om de 2 % tussen de zomer van dit jaar tot en met 2029 te halen. Dat betekent dat we nog 13 miljard euro moeten vinden en dan spreken we nog niet over de vraag wat er na 2029 moet gebeuren, want die 2 % van het bbp zou een structurele inspanning moeten zijn. Die 17 miljard euro gaat enkel over de periode van nu tot en met 2029.

Mijnheer de minister, u staat voor een huzarenstuk om die middelen te vinden. Ik hoor op dit moment bijzonder veel gegoochel met cijfers in de kranten en in tv-studio's. De ideeën vliegen in het rond, vandaar mijn concrete vragen.

Mijnheer de minister, hoe en waar zult u de 4 miljard euro aan middelen voor defensie voor de zomer vinden? Hoe en waar zult u de overige 13 miljard euro tegen 2029 halen en hoe zult u ervoor zorgen dat die middelen structureel verankerd zijn, zodat we dat niveau kunnen aanhouden na 2029?

Het tweede punt dat ik wil aanhalen, is Oekraïne. We hebben straks – of het zal misschien tijdens een volgende vergadering zijn – nog vragen over de concrete militaire en financiële steun. Ik wil nog kort ingaan op het standpunt van de federale regering over het vredesproces in Oekraïne.

U bent altijd zeer vocaal geweest over dit conflict. U hebt gezegd dat de Belgische boots on the ground bij vredesoperaties de logica zelve zijn. Daarna stelde u ineens dat Oekraïne zeer realistisch moet zijn. Afstand doen van door Rusland veroverde gebieden zou bij zo’n vredesproces horen, maar na uw ontmoeting met Zelensky afgelopen week lazen we weer wat anders. Slava Ukraini! Ook de financiële steun werd weer teruggebracht naar 1 miljard euro. Het Open Vld-standpunt is dat de Europese Unie en België met één stem moeten spreken en dat zij zich onvoorwaardelijk achter Oekraïne moeten scharen. Er is geen ruimte om in deze fase al tegemoet te komen aan de Russische agressor. In een onderhandeling waarvan de EU momenteel zelfs geen deel van uitmaakt, is dat strategisch niet verstandig.

Wat is het officiële en volledige standpunt van deze federale regering? Ik vraag naar uw mening als minister, niet naar uw mening als politiek analist of commentator.

Annick Ponthier:

Mijnheer de minister, er is de laatste weken al zeer veel gezegd over de extra middelen die Defensie nodig heeft. Die zijn van cruciaal belang om het beoogde defensieapparaat uit te kunnen bouwen. Het regeerakkoord stipuleert om voor Defensie naar 2 % van het bbp te evolueren. U wordt nu in snelheid gepakt door de snel wijzigende geopolitieke situatie. Dat is niets nieuws natuurlijk. Die 2 %-norm tegen 2029 is intussen compleet achterhaald. Die 2 % moet onder druk van de NAVO en alle internationale partners sneller, tegen deze zomer, gehaald worden. Daarom wordt de trukendoos bovengehaald. Ik hoop alleszins dat het geen trukendoos zal zijn. Er wordt out of the box gedacht en dat is ook wel echt nodig.

Iemand zal echter de rekening moeten betalen. Of we het nu hebben over het plan-Van Peteghem of het buiten de begroting houden van de middelen van de Europese Unie, iemand zal de rekening moeten betalen. Die plannen lijken op dit moment echter onvoldoende financieel onderbouwd te zijn. Ik hoop dat u dat zo meteen kunt toelichten.

Mijn vragen zijn tweeledig, maar hangen onlosmakelijk samen.

Wat zal het groeitraject inhouden richting de 2 %-norm tegen deze zomer? Wat betekent die norm concreet cijfermatig?

In deze commissie hebben we het al gehad over de inhoud van het Defensiefonds, die niet zo structureel lijkt als wordt voorgesteld. Zult u het Defensiefonds inhoudelijk herbekijken, gezien de huidige noden?

Welke impact zal de defensie-inspanning van België hebben op onze internationale betrouwbaarheid? Momenteel staat die betrouwbaarheid immers zeer sterk onder druk, om het eufemistisch uit te drukken.

Vervolgens heb ik een vraag over de defensietop van 6 maart jongstleden waarop Ursula von der Leyen het ReArm Europe Plan voorstelde. Vorige week was internationaal zeer bewogen. U hebt een overleg gehad met president Zelensky tijdens hetwelk u bepaalde beloftes hebt gedaan, ook op budgettair vlak. Ik heb het niet over de inzet, maar echt over budgettaire afspraken die u hebt gemaakt. U zou een bod hebben gedaan van 1 miljard euro, opgesplitst in steun voor grond-luchtbescherming, munitie en dergelijke. Misschien zult u dat zo meteen specificeren.

Kunt u verduidelijken wat er tijdens dat overleg precies is gezegd inzake de budgettaire inspanningen? Hoe rijmt u dat met uw eerdere uitspraken over de vredesonderhandelingen en de gebiedsafstand die Oekraïne zou moeten doen om tot een onderhandeld vredesakkoord te komen? De eerste minister heeft uw uitspraken tegengesproken. Ik zou daar dus graag verduidelijking over krijgen.

Wat is de budgettaire impact van de beloofde steun aan Oekraïne van 1 miljard euro voor onze Belgische Defensie en onze defensiecapaciteit? Welke geplande aankopen of investeringen zouden daardoor misschien on hold worden gezet? Hoe verantwoordt u dat? Wat is de impact daarvan op het bereiken van de door u aangehaalde 2 %-norm?

Wat het ReArm Europe Plan betreft, wat is uw visie op het feit dat de desbetreffende middelen buiten de begroting zullen gehouden worden en op de eventuele verschuivingen op het vlak van budgettaire inspanningen in België of tijdens de regeringsonderhandelingen? Hoe zal de Belgische defensie-industrie worden betrokken bij het ReArm Europe Plan? Hebt u daarover reeds contacten gehad? Wat zal ter zake de communautaire verdeling inhouden? Welk aandeel zou België voor zijn rekening nemen in de nog geplande militaire steun aan Oekraïne? Wat zal daarvan de budgettaire impact zijn?

Charlotte Deborsu:

Monsieur le ministre, la situation géopolitique actuelle ne nous laisse plus le choix: la Belgique doit accélérer son effort en matière de défense. Notre pays est depuis des années à la traîne derrière ses partenaires de l’OTAN avec un budget sous-financé, très loin du seuil de 2 % du PIB.

Aujourd’hui, un consensus semble émerger quant à cet objectif, mais les annonces récentes des uns et des autres laissent paraître un certain flou quant à la méthode et au calendrier. Vous et le premier ministre êtes sur la même longueur d’onde. À l’inverse, le ministre des Affaires étrangères émet des doutes quant à la faisabilité budgétaire d’une telle accélération.

Quelle est la position officielle du gouvernement? L’objectif est-il bien de parvenir aux 2 % dès 2025 et selon quel calendrier. Au-delà des chiffres, il y a la priorité stratégique. La semaine dernière, vous évoquiez un plan d’investissement qui sera soumis en Conseil des ministres.

En parallèle, la Commission européenne envisage via son projet ReArm Europe de ne pas inclure certaines dépenses militaires dans le calcul des déficits. Quels seront les axes principaux de ce plan d’investissement? Quelles capacités seront-elles renforcées en premier lieu? La cyberdéfense? Les opérations extérieures? L’armée de terre? Les forces spéciales?

Dans un contexte où chaque euro compte, comment garantir que ces fonds seront utilisés de manière efficace et stratégique? Avant d’augmenter le budget, ne faudrait-il pas un audit précis de nos dépenses actuelles pour éviter tout gaspillage et optimiser les futurs investissements.

Il reste la question cruciale du financement. Plusieurs pistes ont été évoquées. Un plan détaillé a-t-il été arrêté pour financer cette montée en puissance? Quelles alternatives durables envisagez-vous pour assurer un financement stable et pérenne de notre Défense au vu de ces nouveaux délais?

Denis Ducarme:

Au niveau du MR, nous avons passé des dizaines d'heures ensemble, monsieur Francken, pour négocier cet accord en matière de Défense. Nous sommes satisfaits car il existe au moins deux engagements clairs, que je voudrais souligner dans le cadre de mon intervention.

Enfin, il y a un engagement du gouvernement belge à atteindre l'investissement de 2 % du PIB en matière de Défense dans le courant de la législature. C’est ce qui est écrit dans cet accord de gouvernement. C'est évidemment une bonne chose, une bonne nouvelle. Il aurait été impossible de déterminer un tel objectif avec une participation socialiste ou écologiste dans ce gouvernement. Enfin, nous allons pouvoir avancer, même peut-être plus vite. Souvent, on reporte les dates mais ici, compte tenu de la situation géopolitique, nous les avançons. Vous nous direz sans doute qu'une part des idées et des propositions doivent être débattues d’une manière plus précise et plus profonde au Conseil des ministres.

Évidemment, vous nous direz la manière dont on va pouvoir profiter du plan ReArm Europe. Vous nous direz peut-être aussi, parce que j'ai vu une déclaration de votre collègue Lecornu, la manière dont la Belgique va pouvoir profiter ou non des intérêts des avoirs russes gelés. M. Lecornu disait qu'il y avait 200 millions d'intérêts qui allaient pouvoir participer, au départ de cette manne, à l'effort français de défense.

Donc, nous devons aller plus vite. Tout le monde est d'accord. Nous ne devons sans doute pas nous précipiter. Le débat aura lieu cette semaine au gouvernement. Vous pourrez sans doute nous en dire quelques mots, monsieur le ministre.

Robin Tonniau:

Mijnheer de minister, de arizonaregering heeft beslist deze zomer versneld de NAVO-norm van 2 % van het bruto binnenlands product te bereiken om de Russische dreiging af te wenden. Uit de cijfers blijkt dat Europese NAVO-lidstaten vandaag al twee tot drie keer meer uitgeven aan defensie dan Rusland. We investeren dus samen al lange tijd volop in defensie, meer dan Rusland.

Desondanks stelt minister Van Peteghem dat we de komende vier jaar 17,2 miljard euro extra in defensie moeten investeren. De aandeelhouders van de grote wapenbedrijven zijn de gelukkigen. Via het project ReArm Europe krijgen EU-lidstaten de mogelijkheid om die uitgaven buiten de begroting te houden. De heer Conner Rousseau vindt dat plots een goed idee. Nochtans is dat heel hypocriet. Uitgaven in de defensie-industrie worden buiten de begroting gehouden, terwijl besparingen op de sociale zekerheid en de pensioenen binnen de begroting blijven. De heer Georges-Louis Bouchez ziet zijn kans. Na de aanval op de pensioenen en de vrouwen valt hij nu zelfs de kinderbijslag aan, die binnen de begroting valt.

Mijnheer de minister, u bent het waarschijnlijk eens met de heer Georges-Louis Bouchez. U hebt zelf al eerder gesteld dat onze sociale zekerheid te vet staat en dat besparingen binnen de sociale zekerheid niet per se onmenselijk zijn.

Tijdens de vorige commissievergadering van amper een paar weken geleden hebt u uitgelegd dat de arizonaregering binnen de begroting een inhaaloperatie van het STAR-plan zal uitvoeren om tegen 2029 een structurele verhoging van 1 miljard euro voor Defensie te realiseren. Nu wilt u dat doel evenwel deze zomer al bereiken. Hoe denkt u dat budget op zo'n korte termijn vrij te maken?

De verkoop van overheidsparticipaties verlaagt de structurele inkomsten door het verlies via dividenden en winsten. U had gepland om het grootste deel van de defensie-investeringen via uw Defensiefonds te realiseren. Nu wil de arizonaregering na ruim drie maanden die 2 %-norm al bereiken. Hoe zult u dat realiseren met een fonds dat nog niet eens bestaat?

Hoe kunt u verklaren dat de structurele aankoop van wapens buiten de begroting valt, terwijl dat onmogelijk is voor de pensioenen, de klimaatcrisis of pakweg het openbaar vervoer?

Axel Weydts:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, de discussie is enigszins voorbarig. Indien ik mij immers niet vergis, moeten deze week de kern en de regering nog passeren in het hele traject richting de bewuste 2 %. Vooruit heeft al publiekelijk verklaard dat wij absoluut geen probleem hebben met een versnelde verhoging van het defensiebudget. Dat zal ook nodig zijn, gelet op de toenemende dreiging. Op dat vlak hebben wij dus geen probleem.

Het enige waarover wij ons enigszins zorgen maken, is de vraag op welke manier u die verhoging meent te zullen realiseren. Het is immers soms verwarrend. Soms wordt gesteld dat tegen de zomer van 2025 met een plan naar buiten zal worden gekomen om richting 2 % te gaan tegen eind 2025. Soms horen wij in de pers, tenzij een en ander anders is vertaald door de media, dat tegen de zomer van 2025 die 2 % moet zijn uitgegeven.

Ik ben geen begrotingsexpert, maar ik zie niet voor mij op welke manier u dat zult doen. Ik zie niet in hoe u op 4 maanden tijd effectief 4 miljard euro uitgegeven zult hebben, het materieel geleverd zult krijgen en de facturen betaald zult hebben. Ik ben geen expert, maar dat alles zou wel heel erg snel zijn. Kunt u voor de commissie toelichten hoe u de situatie ziet en hoe u denkt op zo'n korte termijn zoveel geld te kunnen uitgeven?

Een tweede punt zijn de prioriteiten die worden gegeven. Het is heel duidelijk dat er een aantal prioriteiten zijn die door weinig partijen in vraag worden gesteld, zoals munitie en luchtverdediging , maar ook de hybride dreiging die vandaag heel actief is. Die dreiging is niet altijd heel zichtbaar, maar ze is vandaag wel bezig. Vandaag zijn wij de facto verwikkeld in een hybride oorlog met Rusland. Ziet u ook de strijd tegen de hybride dreiging als een van de belangrijkste prioriteiten bij het versneld verhogen van ons defensiebudget?

François De Smet:

Monsieur le ministre, bien qu'étant dans l'opposition, je trouve qu'il est absolument nécessaire de parvenir à ces 2 %, et même davantage, rapidement, si possible cet été. Nous vous soutenons là-dessus.

Je crois par contre qu'il y a un effort de pédagogie à faire vis-à-vis de la population. Il faut expliquer qu'il ne s'agit pas tant d'éviter que des chars russes se retrouvent sur la place de Brouckère demain que de lutter contre la guerre hybride. Il faut expliquer ce qu'est la guerre hybride, la lutte contre le piratage informatique, etc.

Je voudrais placer deux balises. D'abord, sur l'alimentation de ce fonds, pour passer de 8 à 12 milliards extrêmement rapidement. Je ne voudrais pas que cela soit l'occasion d'expédier un peu trop facilement certains bijoux de famille. Il faut faire la différence entre deux types de participation. Il y a les participations dans les banques, pour lesquelles tout le monde comprend que l'État n'a pas vocation à rester propriétaire de banques. Nous le sommes uniquement parce que, en 2008, il a fallu les sauver à tout prix. Donc, si on dirige les dividendes et des actifs, comme Belfius le demande elle-même, ou BNP Paribas, pour alimenter notre fonds de défense, c'est de la bonne gestion.

Par contre, je ne voudrais pas qu'on utilise le combo magique d'avoir des nationalistes flamands au 16 rue de la Loi, aux Finances et à la Défense pour se séparer d'actifs stratégiques comme Proximus et bpost. Non seulement parce que, en raison de la valeur actuelle de l'action, ce ne serait vraiment pas le moment, mais surtout parce que ce sont des entreprises qui ont une haute valeur stratégique de service public.

Ensuite, il y a la destination de cet argent. Qu'allons-nous en faire? La revitalisation de l'industrie belge et européenne représente évidemment des bonnes solutions. Par contre, notre ministre de la Défense, avec tout le respect que je lui porte, est plutôt dans un fort tropisme pro-américain. Et il y a le fameux dossier des F-35, qui est sans doute le choix le moins visionnaire des 10 dernières années – on le disait déjà il y a 10 ans. Notre ministre confirme-t-il qu'il veut persister dans cette erreur visant à nous rendre dépendants des États-Unis? Bien sûr qu'il n'y a pas de bouton on/off à la Maison-Blanche, mais toute la logistique de ces avions dépend des Américains.

Theo Francken:

Merci beaucoup pour toutes ces questions, qui portent sur beaucoup de sujets.

Ik zal proberen er een antwoord op te geven. Daarna zal ik op een paar individuele punten reageren.

Sinds de Russische inval in Oekraïne heeft de oorlog daar al enorm veel schade aangericht, mensen op de vlucht gejaagd en duizenden doden geëist. Dat is verschrikkelijk. Er moet dus zo snel mogelijk een staakt-het-vuren komen, gevolgd door een rechtvaardige vrede.

Een rechtvaardige vrede, wat is dat? Dit is mijn standpunt. Dat is niet hetzelfde als een analyse.

Ten eerste, Rusland verlaat alle gebieden die het illegaal en gewelddadig heeft ingenomen.

Ten tweede, Rusland vergoedt Oekraïne voor de geleden schade, zowel menselijk als materieel en moreel.

Ten derde, het Russische politiek-militaire leiderschap, verantwoordelijk voor de gruwelijke inval in Oekraïne, wordt internationaal berecht voor de misdaad van agressie en voor andere internationale misdrijven, waaronder oorlogsmisdrijven.

Daarnaast is het van belang dat Oekraïne in elk akkoord gekend wordt en dat er niet boven hun hoofd beslist wordt.

Il s'agit de mon opinion en tant qu'être humain et en tant que ministre de la Défense.

Cependant, en ma qualité de ministre de la Défense, si je devais répondre à la question sur la manière dont j'analyse l'issue du conflit en Ukraine aujourd'hui ou dans un avenir proche – avec toutes les connaissances que j'ai acquises et tout ce qui s'est passé ces dernières semaines, mois et années –, je vous dirais que ce ne sera pas le résultat que j'attendais. Je pense que cette assemblée partagera mon opinion.

Analisten zien op het terrein, ondanks Amerikaanse en Europese steun, geen realistisch pad naar een militaire overwining. Dat is wat de Amerikaanse minister van Defensie ook zei in zijn toespraak op de NAVO-defensietop. Er is geen realistisch pad naar een militaire overwinning in Oekraïne.

De Russische luchtmacht heeft geen grote verliezen geleden. De marine heeft een paar grote schepen verloren, maar is verder nog altijd bijzonder operationeel. Rusland produceert ook meer wapentuig dan het opgebruikt. Het is zelfs terug stocks aan het aanleggen. Ondanks gruwelijke verliezen blijft het voldoende soldaten mobiliseren om te blijven, blijven, blijven aanvallen.

Dat is wat ik heb gezegd. Dat is een analyse op basis van informatie. Ik denk dat het belangrijk is om dat mee te geven aan de publieke opinie. U krijgt veel vragen daarover, in uw familiesfeer, in uw electorale achterban, in uw partij. Ik krijg die ook. Ik denk dat we allemaal op een goede en correcte manier moeten informeren.

Mijn standpunt is duidelijk, mijnheer Vander Elst. Mevrouw Rutten moet ik eigenlijk zeggen, want u zit hier als een handpop van mevrouw Rutten. Mevrouw Rutten instrueert u. U had de moed om op de Kamerlijst te gaan staan, u hebt fantastisch werk geleverd en u hebt die zetel binnengehaald. Ik denk niet dat mensen die gemakshalve op de Vlaamse parlementslijst gaan staan, waar zetels in Vlaams-Brabant gemakkelijker worden gegeven, u moeten instrueren. Ik zou dat niet pikken als ik u was, maar goed, dat is voor uw rekening. Dat is uw partij, gelukkig niet de mijne.

Het standpunt van de regering is heel helder. Elke vierkante centimeter die op illegale wijze door de Russen is ingenomen moet aan Oekraïne worden teruggegeven. Zij moeten de schade vergoeden. Zij zouden als oorlogsmisdadigers moeten worden berecht. Dat is zeer helder. Ik denk dat dat ook het standpunt is dat uw premier De Croo altijd heeft verdedigd. Als u mij echter vraagt wat volgens mijn inschatting de kans is dat dat ook daadwerkelijk zal gebeuren in de komende weken en maanden, dan zal ik u zeggen dat ik denk dat die kans niet zo groot is. Dat is mijn inschatting.

U zegt dat ik dat niet mag zeggen, omdat dat mijn onderhandelingspositie verzwakt. Dat is niet echt mijn ervaring. Maar goed, ik denk dat we nog uren kunnen discussiëren over het feit of ik zoiets al dan niet mag zeggen. Ik vind dat ik dat mag zeggen. Ik vind zelfs dat ik dat moet zeggen. Ik vind dat ik de mensen op een correcte manier moet informeren. Met alle briefings en informatie waar ik over beschik, mag ik prima zeggen hoe ik de situatie inschat.

Heb ik daarmee gezegd dat ik vind dat Oekraïne zijn grondgebied moet afstaan aan Rusland? Dat heb ik nooit gezegd. Wie beweert dat ik dat gezegd heb, is van kwade wil en is aan het stoken, vanuit een parlement waarin men niet eens verkozen is, om op een pathetische manier aan politiek te doen over een verschrikkelijk gruwelijk conflict. Er is niets zo erg als oorlog. Politieke spelletjes spelen op die oorlog? Doe maar, voor wie denkt dat dat leuk is. Het is nog vijf jaar tot de volgende verkiezingen. Ik trek dus geen sprint, ik loop een marathon. Ik denk dus dat men daarmee moet oppassen, maar goed, iedereen moet maar vooral doen en blijven doen wat men denkt dat nodig is"

Si vous ne pouvez pas emporter la victoire militaire, vous devez rechercher un compromis diplomatique. Cela implique que tout le monde soit prêt à faire des concessions. Voilà mon évaluation de ce qui se passe actuellement et de ce que prévoient les Américains dans les négociations en Arabie saoudite.

Deze regering blijft Oekraïne steunen zolang dat nodig is, voor 100 %. Slava Ukraini! Dat is geen bochtenwerk, ik zeg dat al jaren. Toen de oorlog uitbrak, ben ik meegereden met een medisch konvooi met drie vrachtwagens vol medisch materiaal, als een van de eersten en als enige, denk, ik in deze zaal. Ik zal de Oekraïners altijd blijven steunen. Laat dat heel duidelijk zijn. Dat weten zij maar al te goed. De ophef die u en sommigen hier wilden maken, is er diplomatiek niet gekomen omdat ze goed weten dat ik heel sterk in mijn schoenen sta als het gaat over Oekraïne en over mijn steun aan Oekraïne.

Teneinde hen in een zo goed mogelijke onderhandelingspositie te plaatsen, zullen we Oekraïne blijven steunen. Daarom gaan we met de eerste minister, de minister van Buitenlandse Zaken en de top van onze defensie-industrie binnen enkele weken naar Kiev om die steun verder uit te bouwen en te concretiseren. Woorden zijn immers goedkoop, maar daden zijn wat duurder en ook wat belangrijker.

Ondanks de aanzienlijke hervormingen waar deze regering voor staat, wordt er deze legislatuur toch flink geïnvesteerd in defensie. Het regeerakkoord voorziet een groeipad om tegen 2029 de NAVO-norm van 2 % van het bbp aan defensie-uitgaven te behalen. Dit wordt deels gefinancierd via de begroting en deels via een speciaal Defensiefonds dat wordt gevoed door dividenden van overheidsbedrijven en de verkoop van niet-strategische overheidsparticipaties. Aangezien het zou kunnen gaan over beursgenoteerde bedrijven, zal ik daar niet verder op ingaan. Ik heb dat al meermaals gezegd en ik heb gezien dat iedereen dat begrijpt en respecteert.

Cependant, depuis la rédaction de l'accord de gouvernement, la situation géopolitique ne s'est pas améliorée. Et la pression de nos alliés sur notre pays pour atteindre les 2 % plus rapidement est très élevée, et à juste titre.

Daarom werkte ik samen met de defensiestaf een plan uit om dit jaar nog de 2 %-norm te halen. Bedoeling is dat dit plan tijdens de NAVO-top in Den Haag kan worden voorgesteld. Het plan is klaar en ligt ter bespreking voor binnen de regering, onze eerste minister is daar heel hard mee bezig. We bekijken of er daarover een consensus kan worden gevonden. De financiering en de opbrengst van het Defensiefonds worden besproken in en beslist door de regering.

Er waren collega's die vroegen hoe die 2 %-norm dit jaar nog kan worden vereffend. Dat moet niet gebeuren tegen de top, het moet vereffend zijn tegen 31 december. We hebben dus nog heel het jaar. Dat kan. Het betreft munitiebestellingen en een aantal voorafbetalingen voor grote militaire wapentuigen. Er zijn dus wel degelijk heel concrete dingen die kunnen. Dat is allemaal voorbereid. Er is de voorbije dagen en weken al heel veel gebeurd. De mensen van de stafdiensten werken continu om dat rond te krijgen. Er is dus een concreet plan en dat wordt nu verder besproken met alle collega's.

Momenteel circuleren er inderdaad verschillende andere streefpercentages, maar voorlopig blijft de 2 %-norm de officiële NAVO-norm. Het ziet er nu naar uit dat deze norm op de komende NAVO-top in Den Haag zal worden opgetrokken. De regering zal dan bekijken hoe en op welke termijn dit land aan die nieuwe norm zal voldoen. Hoe Defensie deze middelen zal gebruiken, zal meer in detail beschreven worden in het strategisch plan, dat momenteel in opmaak is en dat normaliter voor de NAVO-top in Den Haag klaar moet zijn.

Le moment venu, je présenterai à la commission chargée du Contrôle des achats et des ventes militaires le programme d’investissement en matériel majeur.

Dat is het militaire plan. Er werd gevraagd over welke capaciteiten het gaat. In het regeerakkoord staan al een aantal dingen. Het gaat over luchtverdediging, over een fregat, over extra jachtvliegtuigencapaciteit enzovoort.

De betrouwbaarheid van een land wordt niet alleen gemeten aan de defensie-inspanning. De internationale bijdragen aan de operaties in een NAVO-kader worden sterk gewaardeerd. In 2025 zullen we onder meer met een F-16-detachement de Air Policing van IJsland verzekeren, landeenheden ontplooien in het kader van de Forward Land Forces in Roemenië en Litouwen, een mijnenjager en fregat inzetten binnen de maritieme taskforces, onder andere nu in de Baltische Zee, naast een reeks andere inzetten van beperktere omvang.

Deze morgen hebben we onder het voorzitterschap van de heer Weydts lang gepraat over de militaire missies. Dat is geheim, maar we zijn zeer operationeel. We zijn met heel veel bezig en dat zal zo blijven.

Onze partners binnen de NAVO zullen bovendien zien dat België een extra inspanning doet om de 2 %-norm zo snel mogelijk te halen. Samen met onze inzet maakt dat dat België op internationaal niveau als een betrouwbare partner beschouwd wordt. Het gaat dus niet alleen over budget, maar ook over inzet. Laat dat wel duidelijk zijn.

Het budget was heel moeilijk de voorbije jaren. De inzet is er altijd wel geweest, maar ik denk dat we beide moeten verzekeren, want als we blijven onderinvesteren, dan gaat op den duur ook de inzet naar beneden, omdat men gewoon de capaciteiten en de mensen niet heeft.

Cependant, il va sans dire que l'accroissement du budget de la Défense est essentiel pour restaurer la capacité militaire de la Belgique. Les investissements se concentrent sur l'achat de systèmes d'armes et de munitions ainsi que sur la construction d'infrastructures stratégiques, afin que la Défense soit mieux adaptée à la réalité géopolitique actuelle.

Outre les renforcements matériels, des efforts sont également déployés dans le domaine du développement des connaissances et de l'innovation. La guerre moderne nécessite des technologies avancées telles que l'intelligence artificielle, la cybersécurité et la technologie spatiale. En collaboration avec les universités et les entreprises belges, la Défense peut se préparer de manière optimale aux défis futurs.

Le raz-de-marée géopolitique de ces dernières semaines à l'OTAN et à la conférence de Munich sur la sécurité souligne à quel point il est crucial pour l'Europe d'accroître rapidement ses capacités de défense. Des initiatives ont déjà été annoncées, par exemple en matière de défense aérienne, d'antimissiles intégrés et de cyberdéfense. C'est dans cette optique qu'il a été décidé, lors du sommet européen du 6 mars dernier, d'instaurer un plan dénommé ReArm Europe, à hauteur de 800 milliards d'euros.

Op die top hebben de Europese leiders de lijst van prioritaire actiegebieden aangevuld met onder andere gezamenlijke Europese projecten voor artilleriesystemen, missiles en munitie, unmanned aircraft systems , randcapaciteiten, bescherming van kritieke infrastructuur, militaire mobiliteit, artificiële intelligentie en elektronische oorlogsvoering.

Même si de nombreux éléments restent à préciser, ce plan offrira une marge de manœuvre bien plus large pour financer les investissements dans la Défense et l'industrie de défense.

Het belangrijkste is de activering van de nationale escapeclausule van het Stabiliteitspact. Dit wil zeggen dat de defensie-uitgaven mogen afwijken van de normen van het Stabiliteitspact. Zoals jullie weten, zal het erop neerkomen dat we gemaakte schulden buiten de begrotingsdoelstelling kunnen houden. Ik zeg niet dat deze regering dat zal doen, enkel dat de Europese Unie die optie nu mogelijk maakt. Hoe we het zullen aanpakken, dat is te beslissen door de regering in de komende weken. Daar zijn verschillende meningen over.

Er komt ook een nieuw financieel instrument dat leningen verstrekt voor EU-uitgaven. Er komen incentives voor investeringen in de defensie-industrie. En de Europese Investeringsbank zal haar scope aanpassen. Er is nog niet gedefinieerd hoe, maar het zal onder andere over single-use en over investeringen in munitieproductie gaan, enzoverder. Ik meen dat het nu alleen voor dual-use geldt, niet voor single-use .

Activering van privéspaargeld wordt vooropgezet, door de eenmaking van de Europese kapitaalmarkt.

Concernant l'utilisation des revenus des avoirs russes gelés, le gouvernement prendra bientôt une décision. J'ai demandé à pouvoir disposer d'une partie de ces revenus afin de réaliser des achats pour soutenir l'Ukraine.

De gebeurtenissen van de laatste weken en maanden maken duidelijk dat we als Europeanen meer moeten doen voor de verdediging van ons eigen continent. De Amerikanen vragen al decennia van ons dat we nauwer samenwerken en dat we onze eigen defensie-industrie consolideren en versterken. Daarvoor lopen de nodige overlegmomenten op het niveau van regeringsleiders, ministers van Defensie en stafchefs. Ik was gisteren nog in Italië, waar ik mijn collega Guido Crosetto onder andere ook specifiek daarover heb gesproken.

Tegelijkertijd moeten we het hoofd koel houden en kalm blijven. Ondanks forse en soms tegenstrijdige politieke verklaringen uit de Verenigde Staten is de NAVO verre van dood. Er zijn nog vele tienduizenden Amerikaanse soldaten gestationeerd in Europa. De parlementsleden die erbij waren in de haven van Antwerpen vorige week, hebben zelf kunnen zien hoe een hele gevechtsbrigade van het Amerikaanse leger werd ontscheept, dus de NAVO is niet dood. Ter attentie van degenen die dat hopen – ik mag hopen dat niemand dat hoopt, alhoewel er misschien een paar zijn – zeg ik dat dit zeker nog niet het geval is.

Ik denk dat het heel goede nieuws is dat er opnieuw een akkoord is tussen president Trump en president Zelensky. Ik hoop echt dat dit een nieuw begin kan zijn, een nieuwe start. Het is namelijk een feit dat maatregelen die de Amerikanen beslissen een directe impact hebben op het slagveld, en die impact is niet positief. Ik meen dus dat wij er echt alles aan moeten doen opdat de banden tussen die twee landen goed blijven. Voor wie denkt vanuit Europe first of vanuit Europese interesses, dus als we denken vanuit ons eigen belang vanuit Europa of België, is het volgens mij ook echt in ons eigen belang dat Oekraïne en de Verenigde Staten elkaar op het hoogste niveau goed blijven verstaan. Ik hoop dan ook echt dat die onderhandelingen zullen slagen.

De Russen hebben voorlopig nog afwachtend gereageerd. We zullen zien wat daar verder nog uitkomt. Een staakt-het-vuren en mogelijk zelfs een vredesakkoord zouden echt fantastisch zijn. Dat brengt weer een heel ander verhaal mee ter bespreking, namelijk de vragen of wij meedoen aan die vredesoperatie, hoe die eruit zal zien, welke de rules of engagement zijn en welke capaciteiten we zullen inzetten. Maar dat is iets voor de toekomst.

De hybride dreiging is zeker en vast ook heel belangrijk. Met de aanpak daarvan zijn we constant bezig.

Ik licht even toe wat ik over het Europese leger heb gezegd.

Monsieur Lacroix, en ce qui concerne la défense européenne, j'ai dit que je ne croyais pas en une armée européenne.

Ik blijf daarbij. Meer Europese integratie, meer Europese coöperatie, meer samengevoegde en samenwerkende industrie is wat wij moeten bewerkstelligen.

Nous devons avoir davantage d’intégration, de coopération et d’interopérabilité européennes ainsi qu'une industrie plus unifiée et collaborative. C’est la priorité absolue pour les années à venir.

Pour ce qui est de la stratégie d’autonomie, je suis d’accord que nous devons faire plus.

Il est vrai qu'avec l’OTAN, ce n'est pas facile. Quelques propositions et déclarations de l’autre côté de l’Atlantique n’étaient pas faciles à entendre. Quand quelqu'un traite M. Zelensky de "dictateur", je ne suis pas d’accord. Et même plus, je suis fâché que l'on dise une telle bêtise.

Au final, c’est le but qui compte. Je pense qu’hier nous avons fait un pas dans la bonne direction, et pas dans la mauvaise direction.

Wat Nederland betreft, ik heb ook gezien dat het plan daar is weggestemd.

Si j’ai bien compris, le vote concernait surtout les dettes européennes.

Het debat in Nederland gaat vooral over de schulden en niet zozeer over meer samenwerking en de defensie-industrie enzovoort. De grote discussie in Nederland, en die is niet nieuw, betreft de gemaakte Europese schulden. Daar is in Nederland veel over te doen. Het is een heel interessant en belangrijk debat, dat we ook hier moeten voeren. Volgens mij heeft dat debat de stemming beïnvloed. De regeringsleider daar komt daardoor inderdaad in een moeilijke positie terecht.

We zijn volop met het plan bezig. Hopelijk komt men komende week of komend weekend tot een akkoord. Indien we een akkoord bereiken, zal ik dat hier volgende week samen met de beleidsverklaring kunnen voorstellen. We zullen dat dan uitvoerig kunnen bespreken. The stakes are high . We moeten ervoor zorgen dat er voldoende budget wordt uitgetrokken.

Uiteraard zullen we het personeel niet vergeten. Wanneer we praten over een sociaal akkoord, kost dat natuurlijk geld. Misschien ontstaan er dus extra mogelijkheden, indien bijkomende middelen worden voorzien.

Christophe Lacroix:

Monsieur le ministre, je pense que vous faites partie de ceux qui se réveillent douloureusement et qui constatent que les États-Unis nous ont presque mis la tête dans la guillotine et qu'en nous entêtant dans une vision purement otanienne, nous nous retrouvons aujourd'hui pris au piège et complètement coincés. Or, depuis 2009, donc indépendamment de Donald Trump, les États-Unis nous avaient prévenus qu'ils basculaient vers le Pacifique-Sud. D'où l'importance de construire, dès le départ, une Europe de la Défense, quelle qu'en soit la forme. Nous pouvons en effet réfléchir à la manière dont celle-ci doit avancer, notamment quant à la nature de la protection nucléaire: doit-elle être française? C'est une question essentielle. Et c'est justement pour cette raison que je vous dis que continuer à acheter américain, en l'occurrence des F-35, alors que nous savons très bien que leur chaîne logistique continue d'être le fait des Américains et que, tous les 30 jours, il faut une mise à jour du logiciel pour continuer à utiliser ces F-35, c'est à nouveau nous placer dans les mains des Américains.

Donc, nous devons prendre la direction d'une autonomie stratégique européenne en faisant participer non pas la classe moyenne au financement de cette industrie européenne de la défense, mais en saisissant les avoirs russes et en nous servant des capitaux des amis de Poutine pour réarmer l'Union européenne et lui accorder la souveraineté stratégique afin qu'elle défende nos intérêts et notre projet européen, qui est bien différent de celui de Donald Trump.

Darya Safai:

Ik wil graag nog terugkomen op het feit dat ik zo blij ben dat het budget eindelijk werd verhoogd. Wat wij in een paar maand hebben gedaan, moest de afgelopen jaren reeds gebeurd zijn. Het is wel heel positief dat we eindelijk zo ver zijn, ook al zal het niet genoeg zijn voor de komende top in Den Haag.

Zoals u zei, is echter niet alleen het budget belangrijk, maar ook de inzet. Wij tonen die inzet. Wij tonen dat we een betrouwbare partner kunnen zijn in het kader van de NAVO. Het is dus ook een zeer goede beslissing dat wij Oekraïne blijven steunen. Dat is een positief signaal.

Ik ben het ook niet volledig eens met collega Lacroix. Aangezien wij de F-35's nu gekocht hebben, moeten we dat systeem blijven steunen. Anders zullen we meerdere budgetten hebben. We zitten ook niet vast, voor komende investeringen kunnen we nog steeds meer richting Europa kijken. Voor de F-35 is het echter al te laat. Trouwens, het is ook niet zo dat Amerika een bondgenoot is van Poetin en Rusland. Trump eist nu gewoon de beëindiging van de oorlog.

We zullen het samen verder opvolgen.

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de minister, u hebt duidelijk uw standpunt en uw analyse geschetst.

Ik heb u twee weken geleden een vraag gesteld. Ik heb die vraag daarna aan de Kamervoorzitter en aan de commissievoorzitter gesteld, omdat ik, toen ik het artikel las, het verschil niet zag tussen uw standpunt en uw analyse. Dat kan aan mij liggen. U legt nu heel duidelijk uw standpunt en uw analyse uit. Ik heb dus een vraag gesteld. Dat mag ik toch nog doen? Mag ik nog vragen stellen? Ik ben lid van de Kamer, ik speel hier mijn rol van parlementslid door u te ondervragen. Er wordt geïnsinueerd dat ik van kwade wil zou zijn. Ik heb vandaag negen vragen op de agenda staan. Ik voer op een constructieve manier oppositie. Ik meen dat u dat moet onderschrijven. Ik pik het dus niet dat ik hier van kwade wil wordt beticht. Dat is absoluut niet mijn bedoeling. Ik zit hier niet uit kwade wil of om vuurtjes te stoken. Ik probeer op een constructieve manier oppositie te voeren. Mijnheer de minister, voor veel thema’s trekken wij zelfs aan hetzelfde zeel.

Los daarvan voel ik mij niet aangesproken. U spreekt immers over iemand die hier niet zit. U spreekt over mevrouw Rutten. Ik zie haar hier momenteel niet zitten. Ik ben iemand anders. Ik kom wel uit dezelfde kieskring, maar u en ik komen ook uit dezelfde kieskring. Ik stel dus voor dat u de X- en twitterdiscussies en de persoonlijke vetes voor X houdt. Aarschot en Lubbeek liggen niet ver van elkaar. Spreek desnoods eens met elkaar af. Mijnheer de minister, ik zit hier als parlementslid. Ik stel u vragen en ik wil daarop gewoon antwoorden. Dat is alles wat ik doe.

Ik kom nu tot de inhoud.

Los daarvan heb ik vrij veel vragen gesteld over het budget. U zegt dat de regeringsdiscussies nog moeten beginnen en dat u hoopt op een snel akkoord. Ik kijk uit naar uw beleidsverklaring en verwacht daar vrij veel van. U zegt dat die 4 miljard tegen het einde van het jaar moet worden gevonden. Na 2025 komen er echter nog jaren en u moet nog veel miljarden vinden, dus ik hoop dat we op een constructieve manier heel snel en heel veel kunnen discussiëren in de commissie over dit heel belangrijke onderwerp. Ik zal u namelijk vragen blijven stellen.

Voorzitter:

Mijnheer de minister, ik wil mee waken over die constructieve dialoog.

Theo Francken:

Ik zeg niet dat u stookt. Natuurlijk mag u vragen stellen en ik mag ook antwoorden. Zo werkt dat nu eenmaal in een parlementaire democratie. Laten we dat vooral zo houden.

Ik heb geen vete met iemand, zeker niet met iemand uit Aarschot, maar als er uit kwade wil constant op die manier wordt gehandeld, zeker rond zoiets gevoeligs als Oekraïne en mijn persoonlijk engagement ten opzichte van dat land en die bevolking, dan krijgt u mij wel op mijn paard. Dat heeft zij goed door en ze zal dat ook blijven doen. Ik vind het bijzonder jammer dat zij u daarvoor instrumentaliseert. Zij is geen Kamerlid, maar het is heel bizar. Zij zegt dat u daarover vragen moet stellen. Dat zijn zaken die ik lees en dat irriteert mij inderdaad.

Voorzitter:

Mijnheer de minister, u hebt uw punt gemaakt.

Annick Ponthier:

Mijnheer de minister, u communiceert veel en u communiceert snel. Er heerst op dit moment echter wel een overvloed aan communicatie, zowel op Europees vlak als op nationaal vlak. De concrete uitwerking en de inhoud van het Defensiefonds waren al onduidelijk. Dat hebben we hier al besproken. Nu wordt de trukendoos volledig bovengehaald om de 2 %-norm versneld te halen. De EU wordt in snelheid gepakt en reageert met ReArm Europe. Ook uw coalitiepartners lijken dus overtuigd van meer middelen voor Defensie en voor creatieve oplossingen op dat vlak. Eindelijk, zou ik zeggen.

Het ergste is eigenlijk dat iedereen verrast lijkt, terwijl dit scenario – zelf onze broek ophouden, om de eerste minister te citeren – er al jaren zat aan te komen. Men hoeft daar echt niet verrast over te zijn.

Ik kom tot de essentie. Het buiten de begroting houden van de extra middelen voor Defensie lijkt voor sommigen een mirakeloplossing. Dat is het echter niet. Dat wil ik toch nog eens benadrukken in mijn repliek. Die middelen moeten nog altijd gevonden worden. Ze zullen dus via extra schulden gefinancierd worden, bijvoorbeeld via de defensiebonds van minister Van Peteghem.

De overheidsschuld zal daardoor dus enorm oplopen. Ik herinner me de debatten van voor de verkiezingen. Toen zei men dat voor elke minuut dat er werd gedebatteerd de overheidsschuld verder opliep. Als we dat plan nu evenwel aanhouden zonder bijkomende maatregelen te nemen, dan zal de overheidsschuld tegen 2050 oplopen van bijna 130 % van het bbp naar 170 %. Dat moeten we durven te erkennen.

Daarom pleiten wij voor meer middelen voor Defensie, maar ook voor andere oplossingen dan dit scenario alleen.

Wij pleiten voor gezonde keuzes op korte termijn. Overtuig uw coalitiepartners niet alleen van meer middelen voor Defensie, maar overtuig hen ook om te besparen op de migratiefactuur, de miljardentransfers die nog altijd onaangeraakt blijven in dit land, de politieke factuur en de ongecontroleerde subsidiestromen, die blijkbaar 66 miljard euro bedragen en waarvan men soms de bestemming zelfs niet kent. Daar liggen ook opportuniteiten voor extra middelen voor Defensie, buiten die fictieve trukendoos. Dat zal dus moedige keuzes vergen. Ik wens u alvast veel succes.

Charlotte Deborsu:

Merci monsieur le ministre pour vos différentes réponses. La sécurité de notre pays, de l'Europe, c'est crucial, c'est un enjeu fondamental et il faut éviter la surenchère politique. Je pense qu'on a besoin avant tout d'un débat serein et clair au vu du sujet extrêmement sensible que cela représente. L'urgence impose des décisions réfléchies et pragmatiques et surtout un cadre budgétaire soutenable. Il ne faut donc pas non plus se précipiter.

Je suis évidemment contente que vous travailliez à un consensus, même si c'est votre rôle. Je ne doute pas que le résultat sera à la hauteur de nos espérances. Il faut augmenter le budget mais il faut aussi, comme je le disais dans ma question, mieux gérer ce que nous avons déjà. Je vous donne un exemple: un camion devait partir vendredi, on le sait depuis des mois, et puis on s'aperçoit qu'il est hors service. On a donc un chauffeur mobilisé pour rien qui se préparait depuis des semaines pour cette mission et on a finalement du matériel qui n'arrive pas sur le terrain avec des soldats qui ne peuvent même pas s'entraîner correctement. Ce n'est donc pas juste une question de moyens, c'est aussi une question de gestion et d'organisation.

Avec les milliards qui vont arriver, je pense qu'il est important d'avoir notre attention là-dessus puisqu'on sait que quand de gros budgets sont débloqués, on a parfois l'impression que c'est Byzance et l'attention sur la dépense diminue.

Il faut vraiment éviter cet écueil. Il faut qu'il y ait une stratégie derrière chaque euro pour qu'il soit dépensé de la manière la plus optimale possible.

Il faut bien sûr une vision stratégique, une rigueur budgétaire, malgré le budget qui sera débloqué, et surtout une coordination européenne efficace. Je suis tout à fait d'accord avec vous sur ce sujet.

Robin Tonniau:

Ik blijf het hypocriet vinden om defensie-uitgaven buiten de begroting te houden. We weten allemaal bij wie de factuur …

Theo Francken:

Ik heb nooit gesproken over 'buiten de begroting houden', het betreft 'buiten de begrotingsdoelstelling'. Het is een nuance, maar die is heel belangrijk. De officiële term is 'buiten de begrotingsdoelstelling'.

Robin Tonniau:

Het is de officiële term, maar we weten allemaal bij wie de factuur terecht zal komen, namelijk bij de gewone mensen. De besparingen op het vlak van pensioenen zullen wel degelijk binnen de begrotingsdoelstelling vallen.

Er zijn gelukkig nog kritische stemmen over de NAVO. Ik citeer een van die stemmen: "De NAVO die uiteenvalt, is het beste dat ons kan overkomen." De heer Karel De Gucht zei dat een paar weken geleden in een interview in Het Nieuwsblad . Verder zei hij ook nog: "Amerika is geen bondgenoot meer. Het is een land dat tegen onze belangen ingaat en zelf vindt dat het ons regels kan opleggen. Dat is echt gevaarlijk." Er bestaan dus inderdaad nog kritische stemmen over de NAVO, gelukkig maar. Merci, Karel.

Voorzitter:

De heer De Gucht en de PVDA vormen één front.

Axel Weydts:

Na dit merkwaardige front van communisten en liberalen heb ik toch nog een kleine bedenking, mijnheer de minister. U zei dat u van plan bent om ook een aantal voorafbetalingen te doen inzake materieel dat al besteld is. Dat is een techniek die kan worden gebruikt, maar we mogen onszelf daar niets mee wijsmaken. Daarmee is onze readiness niet verhoogd. Daarmee hebben we hoogstens een factuur die later zou volgen, al voor een stuk betaald, maar we hebben dat materieel nog niet, laat staan dat het al kan worden ingezet, dat er een doctrine is en dat we er al mee aan de slag kunnen gaan. We mogen onszelf dus geen blaasjes wijsmaken.

Ik heb nog een kleine bedenking, mevrouw Safai. Trump is inderdaad misschien geen bondgenoot van Rusland, maar gebaseerd op wat we de afgelopen dagen hebben gezien, met het afsnijden van de intel ten aanzien van de Oekraïners – we hebben daarnet in de commissie voor de Opvolging van de militaire missies gehoord welke gevolgen dat heeft – kunnen we toch ook niet echt zeggen dat hij een grote bondgenoot van Oekraïne is. Het is echt ongezien en verschrikkelijk erg wat er is gebeurd. Gelukkig worden de violen nu weer gestemd, maar ik ben er toch niet zo gerust op na wat we in de afgelopen dagen hebben gezien.

François De Smet:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses.

Sur les actifs, vous n’avez pas répondu. Je continue à dire que se séparer d’actifs stratégiques comme Proximus ou bpost serait une grave erreur. Même si vous êtes tenu par des cours de bourse, je pense qu’il y a un moment où le Parlement, même à huis clos, devrait légitimement être consulté.

Par ailleurs, je pense que nous reparlerons des F‑35. Comme mon collègue M. Lacroix, je continue à penser que c’est un choix stratégique vraiment difficile à assumer. La logistique est aux mains des Américains. On ne peut pas changer cela.

Darya Safai:

Dat is ook niet wat ik gezegd heb. Trump heeft het uiteraard heel slecht aangepakt, maar Trump is niet heel Amerika. Dat bedoelde ik.

In de toekomst zullen we onze manier van doen natuurlijk gewoon kunnen veranderen.

Theo Francken:

Je n'ai pas répondu à propos des F-35 car cela n'était pas vraiment l'objet de ce débat d'actualité. Un débat très intéressant sur les F-35 se tiendra la semaine prochaine. J'en suis sûr.

Voorzitter:

Dat brengt ons bij het einde van de vergadering, collega's. Volgende week houden we het debat over de beleidsverklaring, als die tijdig wordt ingediend tenminste. We hebben daarvoor de hele dag uitgetrokken. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 12.50 uur. La réunion publique de commission est levée à 12 h 50.

Het vermoeden van sociale fraude bij het OCMW van Anderlecht
De wanpraktijken bij het OCMW van Anderlecht
Fraude en cliëntelisme bij het toekennen van een leefloon in het OCMW van Anderlecht
Misstanden bij het OCMW van Anderlecht

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 12 maart 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om het OCMW-schandaal in Anderlecht, waar fraude, wanbeheer en cliëntelisme aan het licht kwamen via *Pano*-reportages en hoorzittingen. Vincent Van Quickenborne stelt vier juridische kernvragen (o.a. over 1-op-1-ontvangsten zonder maatschappelijk werker, terugdraaien van beslissingen zonder nieuwe elementen, en druk op medewerkers), maar minister Anneleen Van Bossuyt geeft geen directe antwoorden, verwijst naar toekomstige sancties (bonus-malussysteem), strengere controles (inspectie zomer 2025) en belooft schriftelijke verduidelijking. Ellen Samyn benadrukt structurele tekortkomingen (werkdruk, gebrek aan verantwoordelijkheidscultuur) en eist transparantie en verantwoording, terwijl de oppositie concrete wettelijke kaders blijft afdwingen. De minister erkent de ernst van de zaak maar blijft vaag over directe oplossingen, wat tot kritiek en scepsis leidt over effectieve verandering.

Wouter Raskin:

Mevrouw de minister, de commissie voor Sociale Zaken heeft zich de voorbije maanden gebogen over wat in Anderlecht is gebeurd en wat aan het licht kwam door een reportage van het VRT-programma Pano . Helaas hebben de getuigenissen tijdens de recente hoorzittingen niet altijd concrete antwoorden opgeleverd, maar het is duidelijk dat er heel wat speelt in Anderlecht.

Zijn er sinds het losbarsten van het schandaal nog bijkomende wanpraktijken aan het licht gekomen of onregelmatigheden aan u gemeld? Zo ja, welke? Hebt u reeds acties gepland naar aanleiding van dit dossier? U hebt daarover daarnet al een tipje van de sluier gelicht met uw antwoord op de eerste vraag.

Vincent Van Quickenborne:

Mevrouw de minister, ik ben blij u te mogen verwelkomen in deze commissie.

Dit is de eerste keer dat we u kunnen horen over het schandaal in Anderlecht, dat u, uw diensten en uw kabinet ongetwijfeld hebben gevolgd. Dankzij de inspanningen van de voorzitter en deze commissie hebben we daarover al heel wat hoorzittingen kunnen organiseren. Ik heb daarover straks nog een aantal andere vragen.

We zijn heel benieuwd naar de houding van de regering, maar ook naar uw houding ten aanzien van wat daar is gebeurd. We hebben intussen gedurende meer dan 60 uur hoorzittingen gehouden en een werkgroep zal de werkzaamheden voortzetten en met aanbevelingen komen voor de commissie voor Sociale Zaken en de regering. Vanuit de oppositie werken we daar graag aan mee.

Ik heb een aantal specifieke en concrete vragen naar aanleiding van het schandaal in Anderlecht. Het zijn er maar vier, maar ik wil er graag een concreet antwoord op krijgen.

Ten eerste, de toenmalige OCMW-voorzitters hebben mensen ontvangen zonder aanwezigheid van een maatschappelijk werker. Kan dat of niet?

Ten tweede, blijkbaar bestond er in Anderlecht een systeem waarbij er hoorzittingen werden georganiseerd nadat het bijzonder comité voor de sociale dienst (BCSD) beslissingen had genomen en dat zonder dat er nieuwe elementen waren opgedoken. Kan dat of niet?

Ten derde, kan het dat na de hoorzittingen die werden georganiseerd door het BCSD een beslissing van het BCSD wordt teruggedraaid zonder nieuwe elementen? In een openbare vergadering werd het voorbeeld gegeven van iemand die 28.000 euro aan leefloon moet terugbetalen en waar er uiteindelijk slechts 534 euro is teruggevorderd. Dat is een van de vele voorbeelden die we hebben gehoord.

Ten vierde, kan het dat medewerkers onder druk worden gezet om documenten te ondertekenen waarin ze beschuldigd worden van insuffisance professionelle (professionele onbekwaamheid)? Kan dat of niet?

Dat zijn vier eenvoudige vragen waarop ik hopelijk vier duidelijke antwoorden krijg.

Ellen Samyn:

Mijnheer de voorzitter, ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn mondelinge vraag.

De OCMW-Anderlecht saga komt maar niet ten einde. Eerst bleek dat er reeds in mei een stijging van onterecht uitgekeerde steun was. En zelfs in 2021 werd er al gesuggereerd een anti-fraude cel op te richten. Er was al langer sprake van mogelijke fraude. “Wel fouten, geen fraude" luidt de verklaring van de ex-voorzitters van het Anderlechts OCMW. Als er duidelijke signalen komen vanuit de organisatie dat er belastinggeld onterecht wordt toegekend, en er wordt geen actie ondernomen, dan is dat verhindering van de oplossing, niet zomaar 'een fout'. Daarbovenop blijkt dat de ex-voorzitter in de hoorzitting tegenstrijdige antwoorden gaf die niet kloppen met wat medewerkers en andere geïnterviewden zeggen. De ex-voorzitter verklaarde dat “er niet de intentie was te frauderen", waarmee hij enerzijds niet ontkent dat er sprake is van fraude en anderzijds lijkt te geloven dat je onvrijwillig kan frauderen. Het verschil tussen een 'technische fout' waarbij je geld stort naar de verkeerde persoon en 'fraude' is dat het ene per ongeluk is, en het andere moedwillig.

Is het toegestaan dat de OCMW-voorzitter leefloonaanvragers 1-op-1 ontvangt?

Bestaat er een controlemechanisme zodat een medewerker of voorzitter niet mag beslissen over de uitkering aan familie of vrienden?

Welke stappen kunnen er genomen worden om de interne werking van het OCMW efficiënter en transparanter te maken, alsook om een verantwoordelijkheidszin in te bouwen en gepaste sancties bij misbruik?

Neemt de minister genoegen met het antwoord 'Er was niet de intentie te frauderen'?

Zijn er responsabiliseringsmechanismen of incentive-structuren die opgezet kunnen worden om ervoor te zorgen dat de OCMW's en hun voorzitters doelgericht werken naar het activeren en integreren van leefloners?

Als er sprake is van fouten door hoge werkdruk, hoe is de situatie zo ver kunnen komen? M.a.w. hoe komt het dat de werkdruk verhoogd is, door grote instroom, of door wegvloeien personeel, en waarom is hier eerder niets aan gedaan?

Anneleen Van Bossuyt:

Mijnheer de voorzitter, mevrouw Samyn, mijnheer Raskin, mijnheer Van Quickenborne, ik dank u voor de interessante vragen.

Naar aanleiding van de verschillende onthullingen die door de VRT zijn gedaan in de aangehaalde reportage, zijn er aanvullende controles uitgevoerd bij het OCMW van Anderlecht. Ik heb naar aanleiding van uw vragen nogmaals navraag gedaan bij de POD MI, die mij heeft gemeld dat er sindsdien geen bijkomende meldingen zijn geweest.

Ik blijf de evolutie van de situatie vanzelfsprekend van dichtbij volgen. De onthulde wantoestanden omtrent de individuele dossiers en het politieke cliëntelisme bij het OCMW van Anderlecht zijn immers onverantwoord en schandalig. Ik zou nog een hele reeks andere woorden daaraan kunnen toevoegen.

Ik zal daarom werk maken van een duidelijke responsabilisering van de OCMW’s via een bonus-malussysteem waarmee we via in- en outputgerichte financiële prikkels OCMW’s zullen stimuleren maximaal in te zetten op intensieve, aanklampende begeleiding, activering en maatschappelijke integratie van de leefloongerechtigden.

Ik werk ook een strenger controle- en sanctiekader uit, zoals al in de vorige antwoorden is meegegeven. Mijnheer Van Quickenborne, de details in het antwoord op uw vragen zullen in het kader van de verdere uitwerking meer duidelijkheid krijgen.

Een volgende periodieke inspectie zal plaatsvinden tijdens de zomer van 2025. De diensten van de POD MI, met name de inspectie, zijn in regelmatig contact met het OCMW van Anderlecht.

Er komen nog een aantal vragen over de kwestie. Ik ben ervan overtuigd dat zeker niet het laatste woord daarover is verteld. U hebt zelf een werkgroep opgericht, waaruit een aantal zaken onze richting zullen uitkomen. Ik hoop vooral dat we ter zake kunnen samenwerken om dergelijke toestanden in de toekomst te vermijden.

Wouter Raskin:

Dank u voor uw antwoord, mevrouw de minister.

Naast het strengere sanctiekader dat u wilt uittekenen, zoals u al antwoordde op de eerste vraag, verwijst u nu naar responsabilisering. Ik denk dat dat nodig is. Het slechte voorbeeld van Anderlecht heeft bewezen dat er op zijn minst één OCMW geresponsabiliseerd moet worden, en wellicht meerdere. Op die manier zullen ze gedwongen worden om correcter met openbare middelen om te springen.

Ik zie ook dat men van plan is om deze zomer opnieuw een grondige inspectie te organiseren in Anderlecht. Dat is een goed idee. Het klopt, mevrouw de minister: de werkgroep die wij gisteren opgericht hebben, zal u niet alleen nogmaals wijzen op de maatregelen die in het regeerakkoord staan, maar zal ook met andere stevige aanbevelingen komen. Daar mag u van op aan. Dank u wel.

Vincent Van Quickenborne:

Mevrouw de minister, ik begrijp en deel uw verontwaardiging. U verwijst ook naar een aantal zaken uit het regeerakkoord, maar ik heb u vier duidelijke vragen gesteld. Die hangen niet af van wat u al dan niet wilt doen met het regeerakkoord.

Als ik u de vraag stel: "Kan het dat een OCMW-voorzitter mensen ontvangt zonder maatschappelijk werker erbij?", dan hangt het antwoord niet af van een toekomstig sanctiepakket, wel van de vraag of het volgens de wet kan of niet kan. Ik heb dezelfde vraag gesteld over het organiseren van hoorzittingen na een bijzonder comité zonder nieuwe elementen. De heer Van Schuylenbergh – die u misschien kunt consulteren voor uw kabinet – is komen zeggen dat dat eigenlijk niet kan.

Ik zou dus van u willen weten: kan dat of kan dat niet? Het is toch normaal dat een parlementslid die vraag stelt aan een minister, die de wetgeving moet uitvoeren. U antwoordt daar niet op. Het hangt niet af van een strenger sanctiepakket; de vraag is eenvoudigweg: "Kan het of kan het niet?" Hetzelfde geldt voor de vraag over beslissingen die teruggedraaid worden en het feit dat medewerkers onder druk worden gezet. Ik denk dat u zelf ook wel inziet dat uw antwoord gebrekkig is en tekortschiet. Het zijn vier concrete vragen over vier vaststellingen: kan het of kan het niet? Ik blijf die vraag herhalen en ik hoop dat u mij zo meteen antwoordt.

Voorzitter:

Madame la ministre, je vous propose de répondre par écrit.

Vincent Van Quickenborne:

Ik begrijp dat u de antwoorden niet onmiddellijk kunt geven, al komen de vragen niet bepaald uit de lucht vallen, want ik had ze u op voorhand bezorgd. Ze gaan overigens over het wetgevend kader: "Kan het of kan het niet?" Ik zou het dus zeer appreciëren als u mij de antwoorden schriftelijk kunt bezorgen.

Voorzitter:

C’est toujours le problème des questions jointes. Ce que je vous propose, madame la ministre, c’est que vous vous engagiez à répondre par écrit précisément aux questions posées.

Ellen Samyn:

Ik zou inderdaad ook graag een schriftelijk antwoord krijgen op een deel van mijn vragen. Mevrouw de minister, ik begrijp u. U hebt dit dossier geërfd. Indien het een echte erfenis was, had ik ze verworpen, want ik zou er niet blij mee zijn. U zit er echter mee opgezadeld. Ik hoor in uw antwoord dat er momenteel geen bijkomende meldingen zijn. Waarover ik mij wel nog zorgen maak, is de werksfeer en de werkdruk op die maatschappelijke assistenten. Daaraan is namelijk weinig veranderd. Ik hoor ook dat er een periodieke inspectie zal plaatsvinden in de zomer van 2025. Ik ben echter niet zo opgetogen over de werkgroep. Ik hoop dat die zoden aan de dijk zal brengen, maar ik sta er eerder wat sceptisch tegenover. Ik zal mij echter zeker inzetten en hoop dat we goede aanbevelingen zullen kunnen formuleren. Wat ik echter zeker hoop, is dat de aanbevelingen van de commissie echt zullen worden uitgevoerd en effectief zullen leiden tot een positief resultaat. We moeten immers niet alleen naar de cliënten kijken, maar ook naar degenen die daar werken. U kunt zich namelijk niet voorstellen in welke sfeer die mensen moeten werken. Ik hoop dus dat heel die stal wordt uitgemest en dat er opnieuw kan worden begonnen met een propere lei. Ik hoop eveneens dat zoiets in de toekomst niet meer kan gebeuren, niet in Anderlecht en ook niet in de andere Brusselse OCMW's of elders. Hopelijk haalt het dus ook iets uit.

Het geweld tegen medewerkers van het Molenbeekse OCMW

Gesteld door

lijst: VB Ellen Samyn

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 12 maart 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

OCMW-medewerkers worden steeds vaker slachtoffer van agressie, zoals een recent azijnincident in Molenbeek aantoont, wat vragen oproept over hun veiligheid en werkomstandigheden—met name door mogelijke federale besparingen op uitkeringen die het geweld kunnen verergeren. Minister Van Bossuyt deelt de bezorgdheid maar wijst de verantwoordelijkheid af: veiligheidsmaatregelen en agressiebeheer vallen onder de bevoegdheid van de gemeenschappen, niet onder haar federale portefeuille. Ze verwijst naar algemene regeerakkoordmaatregelen tegen agressie op hulpverleners, maar biedt geen concrete oplossingen of budgetten. Samyn benadrukt dat structurele bescherming dringend is, maar moet de kwestie nu bij de gemeenschapsministers neerleggen.

Ellen Samyn:

Mijnheer de voorzitter, ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn mondelinge vraag.

De minister van Maatschappelijke Integratie is verantwoordelijk voor het Openbare Centrum voor Maatschappelijk Welzijn (OCMW), de werking ervan en de medewerkers. Het aantal agressiegevallen naar medewerkers van de OCMW's is ernstig. Vandaag legden medewerkers van het Molenbeekse OCMW het werk neer nadat een collega op straat werd gevolgd door een misnoegde leefloonaanvrager, ze kreeg azijn over zich heen en werd uitgescholden, aldus de VRT. De mensen die bij het OCMW werken proberen mensen te helpen in moeilijke situaties, ze zetten zich in voor diegenen die minder hebben of kunnen in deze maatschappij. Zij verdienen niet alleen een veilige werkomgeving maar ook respect. De mogelijkheid bestaat dat de plannen van de federale regering om te besparen op uitkeringen nog een verdere stijging in het aantal geweldplegingen naar OCMW-personeel kan teweegbrengen.

Acht de minister het werkbaar dat de OCMW-medewerkers in zulke werkomstandigheden moeten werken?

Heeft de minister plannen om de veiligheid van OCMW-kantoren te verhogen door het inzetten van (private) veiligheidspersoneel?

Zal de minister budgetten vrijmaken om de veiligheid en werksituatie van OCMW-medewerkers te versterken?

Welke maatregelen zal de minister nemen ter preventie van een stijging van geweld tegenover het OCMW-personeel?

Welke gevolgen en sanctionering kunnen de OCMW's opleggen aan klanten die geweld plegen, of disruptief zijn?

Anneleen Van Bossuyt:

Mevrouw Samyn, net als u ben ik getroffen door het geweld dat de medewerkers van het OCMW van Molenbeek hebben moeten ondergaan. Nu ging het over één specifiek zwaar geval daar. Dit soort incidenten zijn absoluut onaanvaardbaar. Geweld tegen medewerkers die zich dagelijks hard inzetten is nooit gerechtvaardigd. Mijn medeleven gaat dan ook uit naar het slachtoffer en de naasten.

De regering neemt deze problematiek ernstig en heeft in het regeerakkoord ook maatregelen opgenomen om de veiligheid van het overheidspersoneel en van de maatschappelijke werkers te versterken en misbruik en agressie tegen hulpverleners tegen te gaan. U kunt gerust mijn collega die hiervoor bevoegd is ondervragen, want dit valt niet onder mijn bevoegdheid.

Agressie tegen medewerkers van OCMW's dient niet aan mijn administratie te worden gemeld, aangezien de werking van het OCMW, inclusief het beheersen van agressie tegen het personeel van het OCMW, een aangelegenheid is die tot de bevoegdheid van de respectieve gemeenschappen behoort.

Ik heb alle begrip voor uw vraag en voor uw bezorgdheid en ik deel die ook, maar ik raad u aan om de vragen aan de bevoegde gemeenschapsministers te stellen.

Ellen Samyn:

Mevrouw de minister, dank u voor uw duidelijke antwoord. Ik zal dat zeker doen, als er vanmiddag al geen plenaire vragen in het Vlaams Parlement over zijn gesteld. Zeker in een omgeving waar men mensen helpt, zou men veilig moeten zijn. Dit is niet het eerste incident en het zal helaas ook niet het laatste incident zijn. Ik hoop dat bij de gemeenschappen ook wordt bekeken hoe we die OCMW-medewerkers het best kunnen beschermen.

De hervorming v.h. OCMW-beleid (minder papierlast, efficiënter maatwerk, minder politieke inmenging)

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 12 maart 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Professor Marjolijn De Wilde (KU Leuven) signaleerde drie structurele OCMW-problemen: overbelaste maatschappelijk werkers door te veel dossiers, een onhoudbaar maatwerksysteem voor leefloon (176.000 begunstigden vs. oorspronkelijk kleine doelgroep), en politieke inmenging in individuele dossiers. Minister Van Bossuyt belooft administratieve vereenvoudiging (digitale verwerking, Only Once-wet) en uitbreiding van GPMI-begeleiding, maar verdedigt politieke vertegenwoordiging in BCSD’s als democratische legitimatie—al pleit ze wel voor betere expertise. Van Quickenborne dringt aan op een 50/50-mix van politici en onafhankelijke experts (naar model Grondwettelijk Hof) en kritiseert gebrek aan digitalisering en cliëntelisme in lokale OCMW’s. Huisbezoeken blijven verplicht bij dossieropening, maar jaarlijks volstaat.

Vincent Van Quickenborne:

Mevrouw de minister, u weet dat wij hoorzittingen hebben georganiseerd naar aanleiding van de gebeurtenissen in het OCMW van Anderlecht. Mevrouw Marjolijn De Wilde was een van onze gasten. Mevrouw Marjolijn De Wilde is professor aan de KU Leuven. Naar mijn persoonlijke mening was dat een heel interessante dame, die een uiteenzetting kwam geven over het OCMW-beleid, niet alleen over de problematiek van Anderlecht maar ook over een bredere kijk op de dossiers.

Zij kaartte drie fundamentele problemen aan waarmee OCMW’s worden geconfronteerd, ten eerste de overbelasting van maatschappelijk werkers, een fenomeen dat niet alleen in Anderlecht opduikt maar op vele plaatsen. Er is ten tweede wat zij de onhoudbaarheid van het maatwerksysteem voor het leefloon noemt. Er is ten derde de politieke inmenging in individuele dossiers.

Ik heb voor u een vijftal vragen.

Ten eerste, de hoge werkdruk bij maatschappelijk werkers is er volgens mevrouw De Wilde omdat maatschappelijk werkers te veel dossiers moeten behandelen en vaak enkel brandjes moeten blussen. Voor trajectbegeleiding is er nauwelijks tijd. Hoe wilt u ervoor zorgen dat de maatschappelijk werkers zich vooral met begeleiding kunnen bezighouden en minder met de administratieve afhandeling?

Ten tweede, over het maatwerksysteem gaf ze in een interessante beschouwing mee dat het huidige leefloonstelsel oorspronkelijk voor een kleine groep mensen was bedoeld. Toen het stelsel decennia geleden werd ingevoerd, ging het over een kleine groep mensen. Vandaag gaat het echter over ongeveer 176.000 mensen die een leefloon genieten. Het kunnen er ook meer zijn. Volgens haar is een aanpak op maat daardoor onhoudbaar geworden. Zij pleit dan ook voor meer administratieve verwerking van dossiers, teneinde tijd vrij te maken voor de moeilijkste gevallen. Steunt u dat voorstel? Hoe zou u dat willen aanpakken?

Ten derde, er was ook een heel interessant debat over de mogelijke politieke inmenging in socialesteundossiers. U weet dat het bijzonder comité voor de sociale dienst is samengesteld door politici. Zij stelde voor dat af te schaffen en een ander systeem in te voeren. Nederland werkt blijkbaar met een systeem met ambtenaren. Ik moet echter bekennen dat die vraag veeleer een vraag voor de deelstaten is en niet voor u, maar misschien hebt u daarover een beschouwing. Ik zie u twijfelen. Dat wordt dus interessant.

Ten vierde, mevrouw De Wilde pleit ook voor enige vereenvoudiging. Bijvoorbeeld, een dossier voor een aanvullend leefloon moet vandaag verplicht maandelijks worden voorgelegd aan het bijzonder comité. Zij geeft aan dat mocht worden bepaald dat in dergelijke dossiers een princiepsbeslissing zou kunnen worden genomen en dat de inkomsten na een bepaalde tijd zouden worden verrekend, dit een pak minder rompslomp zou betekenen. Wat is uw mening daarover?

Ten slotte, mevrouw De Wilde pleit ook voor minder huisbezoeken. Ze zegt dat een huisbezoek niet meer verplicht zou worden voorgeschreven voorafgaand aan de beslissing over de aanvraag, maar enkel afhankelijk wordt van de inschatting van de maatschappelijk werker. Uiteraard zou een jaarlijks huisbezoek nog steeds verplicht zijn. Wat vindt u van dit voorstel?

Anneleen Van Bossuyt:

Mijnheer Van Quickenborne, het klopt dat de werkdruk voor maatschappelijk werkers hoog is. We hebben het daarover al gehad bij het begin van deze vergadering. Situaties zoals bij het OCMW van Anderlecht, waar maatschappelijk werkers soms elk 200 dossiers behandelen, zijn niet houdbaar. Door de administratieve vereenvoudiging verder te zetten, wil ik ervoor zorgen dat er kostbare tijd wordt gewonnen, die dan kan worden gebruikt voor de begeleiding van de begunstigden van het OCMW.

Ik zal bijzondere aandacht hebben voor de maatschappelijk werkers en in overleg gaan met de deelstaten wat betreft de diplomavoorwaarden voor hen. Dat zal ook gepaard gaan met een betere toegang tot gegevens die noodzakelijk zijn voor het sociaal onderzoek. Het is immers noodzakelijk dat de OCMW's toegang hebben tot de verschillende gegevens, meer bepaald in het kader van de Only Once-wet.

Wat betreft de hervorming van het maatwerksysteem, begeleiding op maat is essentieel. Zo vind ik het geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie (GPMI), dat een persoonlijk begeleidingstraject is, een goed instrument. Het moet OCMW-gerechtigden activeren, hen helpen volwaardig deel te nemen aan de samenleving en hen begeleiden naar werk. Daarom zal ik het GPMI dan ook uitbreiden naar alle begunstigden die een leefloon of een equivalent ontvangen, met uitzondering van degenen die niet kunnen werken om billijkheids- of gezondheidsredenen.

Ik begrijp dat er vragen rijzen over de rol van lokale politici in individuele steundossiers, zeker gezien de wantoestanden bij het OCMW van Anderlecht, waar er sprake is van cliëntelisme. Nogmaals, dat is onaanvaardbaar. Natuurlijk roept deze situatie vragen op over de politieke vertegenwoordiging in het BCSD, maar laten we het kind niet met het badwater weggooien. Er zetelen ook heel wat competente en alerte mensen in die bijzondere comités, ongetwijfeld ook van uw partij.

Het zou niet correct zijn om hen over dezelfde kam te scheren.

Die politieke vertegenwoordiging zorgt er eveneens voor dat de lokale gemeenschap via haar politieke vertegenwoordigers betrokken blijft bij de sociale hulpverlening. Hierdoor wordt vermeden dat de sociale steun verder gebureaucratiseerd wordt, terwijl er tegelijk toch een democratische legitimatie blijft bestaan.

Ik pleit ook voor administratieve vereenvoudiging. Die brengt ook een snellere digitale verwerking met zich mee, maar begeleiding op maat blijft essentieel.

U had ook een vraag over huisbezoeken. Het huisbezoek maakt deel uit van het sociaal onderzoek. Het is een essentieel element om een inschatting te kunnen maken van de behoeftigheid van de hulpaanvrager. Via een huisbezoek kan het OCMW een totaalbeeld krijgen van de situatie van de hulpaanvrager en zijn verklaring toetsen aan de realiteit, teneinde te kunnen beslissen over de meest geschikte maatschappelijke dienstverlening.

Het huisbezoek wordt uitgevoerd bij de opening van het sociaal dossier en daarna telkens wanneer het OCMW dat nodig acht, maar ten minste eenmaal per jaar.

Vincent Van Quickenborne:

Mevrouw de minister, ik dank u voor het antwoord.

Het is wel opvallend dat men in vele OCMW's vandaag heel moeilijk een antwoord krijgt als men als lid van het bijzonder comité voor de sociale dienst vragen stelt, bijvoorbeeld over statistieken. Dat is natuurlijk een lokale verantwoordelijkheid, maar ik wil erop wijzen dat er in veel OCMW's voor dossiers en dossierbehandeling nog altijd maar weinig gedigitaliseerd is. Als men vandaag wil weten hoe de zaken evolueren, is men vaak aangewezen op handmatige tellingen. Dat heb ik vernomen van onze leden van het bijzonder comité. De voormalige voorzitter van het OCMW van Kortrijk, de heer De Coene van Vooruit, zal dat ook kunnen bevestigen.

Wat betreft de politieke vertegenwoordiging, zegt u dat we het kind niet met het badwater mogen weggooien, maar het is toch opvallend dat vandaag bijna uitsluitend politici zetelen in het bijzonder comité voor de sociale dienst.

Ik heb in 2018 voor mijn partij iemand afgevaardigd die geen politicus was, een professor bestuursrecht uit Gent. Hij heeft op basis van zijn ervaringen in het bijzonder comité trouwens een aantal interessante artikels geschreven in het tijdschrift Lokaal .

Ik denk dat een goede mix van politici en niet-politici, van politici en experts op het vlak van maatschappelijke integratie en armoedebestrijding, veel beter zou zijn dan de nu vaak voorkomende samenstelling van – excusez le mot – gebuisde politici die net niet verkozen zijn in de gemeenteraad en die dan een plaatsje krijgen in die bijzondere comités. Ik wil ze natuurlijk niet allemaal over dezelfde kam scheren, maar het zou goed zijn als u samen met de collega’s voor de deelstaten voor een goede mix zou pleiten, opdat de expertise in die bijzondere comités toeneemt. Dat zal de leefloners zeker ten goede komen.

Anneleen Van Bossuyt:

Mijnheer Van Quickenborne, ik vermoed dat uw interpretatie van het begrip politicus beperkt is. U bedoelt met politici waarschijnlijk mensen die zowel in de gemeenteraad als in het BCSD zitten. Dat hoeft echter niet zo te zijn.

In Gent heeft de N-VA bijvoorbeeld ook geen gemeenteraadsleden in het BCSD. Namens de N-VA zetelen er een persoon die twee hotels heeft in Gent en iemand die in de sociale sector werkt. Dat wordt mijns inziens dus al zeer vaak op die manier gedaan.

Vincent Van Quickenborne:

Politici zijn voor mij mensen die weliswaar aan de gemeenteraadsverkiezingen hebben deelgenomen, maar die niet verkozen zijn. Politici zijn voor mij een breder begrip dan enkel gemeenteraadsleden. Ik spreek dus over mensen die niet aan een politieke partij verbonden zijn, maar die over een bepaalde expertise beschikken. Dat kan dan bijvoorbeeld iemand met veel kennis van armoede en armoedebestrijding zijn. Men zou bijvoorbeeld de helft van de leden van zulk bijzonder comité uit experts kunnen laten bestaan, naar analogie van het Grondwettelijk Hof, waar de ene helft van het Hof uit voormalige politici bestaat en de andere helft uit mensen met een juridische achtergrond. Door een verdeling in een helft politici en een helft experts vergroot men het draagvlak. Het is vergelijkbaar met onafhankelijke bestuurders in een raad van bestuur. Die onafhankelijke bestuurders zijn vaak interessanter dan de bestuurders zelf. Dat zou volgens mij het debat in een bijzonder comité veel interessanter maken dan nu het geval is. Het is maar een suggestie. Piet Van Schuylenbergh en mevrouw De Wilde hebben die suggestie ook gedaan.

De toegankelijkheid voor PBM's, de netheid en de onveiligheid in het station Luik-Guillemins
De toegankelijkheid van het station Luik-Guillemins
De bereikbaarheid van het station Luik-Guillemins per fiets
Toegankelijkheid, netheid en veiligheid van station Luik-Guillemins

Gesteld aan

Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)

op 12 maart 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De gare Liège-Guillemins kampt met chronische storingen aan roltrappen en liften, wat de toegankelijkheid voor kwetsbare groepen ernstig beperkt, vooral naar belangrijke perrons zoals spoor 3. De SNCB belooft herstel tegen Q1 2025 (met uitzondering van twee roltrappen) en onderzoekt contractuele claims tegen de onderhoudsaannemer, maar concrete deadlines ontbreken nog. De fietsverbinding (Laveu-Cointe) start in lente 2025 met een looptijd van 1,5 jaar, na jarenlange vertraging. Kritiek blijft dat daden (snelle oplossingen, betrouwbare infrastructuur) ontbreken ondanks "goede wil", wat het treingebruik ontmoedigt.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, à peine arrivé, vous êtes déjà interpellé par les Liégeois. Et, pour cause, la gare des Guillemins est l'une des plus belles gares de Belgique. Pourtant, son accessibilité cause d'énormes problèmes.

Le matériel de type escalators et ascenseurs est perpétuellement en panne, causant de graves difficultés aux personnes à mobilité réduite, aux personnes avec poussette, aux personnes qui se déplacent difficilement, aux personnes avec enfants pour pouvoir accéder aux quais. En plus, ce sont souvent les escalators qui donnent vers les quais les plus utilisés qui sont en panne.

Monsieur le ministre, un plan de rénovation est-il prévu? Quel sont les montants nécessaires? Cette gare n'étant pas vieille, il est anormal que ce matériel, qui – vous me le direz peut-être – a dû coûter un certain montant, soit déjà obsolète. J'ai carrément entendu parler de remplacement car ce ne serait plus réparable. Serait-il possible de se retourner contre les fabricants au vu de la durée de vie très courte des appareils en question?

Les plans initiaux de la gare des Guillemins prévoyaient un accès à la gare à vélo depuis les quartiers du Laveu et de Cointe. Malheureusement, sur l'ensemble des travaux qui ont été réalisés, seul cet accès n'a pas été concrétisé. On nous a dit, année après année, qu'il n'y avait plus à convaincre la SNCB sur les enjeux cyclables, que c'était vraiment dans le pipeline et que cela allait arriver. Cela fait maintenant six ans que j'entends cela. Monsieur le ministre, disposez-vous d'éléments tangibles qui peuvent nous permettre de croire que cette liaison sera bien réalisée un jour – j'espère dans pas très longtemps?

Jean-Luc Crucke:

Chère collègue, merci pour votre question.

Vous savez, j'aime bien Liège. Je vous avais vue dans la gare, où vous vous occupiez d'une personne sans domicile fixe. Je vous félicite pour cela.

À la gare de Liège-Guillemins, l'accès aux quais est facilité par entre autres 50 escalators et trottoirs roulants ainsi que 12 ascenseurs. Depuis 2009, ces équipements font l'objet d'un entretien régulier pour garantir leur bon fonctionnement pendant toute leur durée de vie. Ces dernières semaines, jusqu'à 19 de ces dispositifs ont été indisponibles à la suite de pannes, ce qui a fortement affecté le confort des voyageurs, en particulier les personnes à mobilité réduite, et confirme votre propos.

Il s'avère que le prestataire externe, chargé de leur maintenance, rencontre des difficultés pour assurer leur bon fonctionnement. S'il est vrai que certaines pièces doivent parfois être fabriquées, ce motif ne justifie qu'une petite minorité des retards dans les interventions. L'entretien de ces ascenseurs et escalators est primordial. La SNCB considère cette situation comme inacceptable et mène depuis plusieurs semaines des discussions intensives avec le prestataire concerné.

Un plan d'action a été mis en place et commence déjà à porter ses fruits. Au cours du premier trimestre 2025, il est prévu que tous les équipements soient à nouveau opérationnels, à l'exception de ces deux escalators dont la réparation est retardée par un problème d'approvisionnement en pièces détachées. La SNCB continue de suivre la situation de très près, tout en veillant à ce que le prestataire respecte ses engagements contractuels. L'objectif est un retour à la normale dans les plus brefs délais et une disponibilité optimale des équipements sur le long terme.

Concernant la propreté des gares, la SNCB y porte une grande attention et la considère comme une priorité. Le niveau de propreté est évalué régulièrement selon une norme européenne en vigueur dans le domaine du nettoyage. Conformément au contrat de service public, la SNCB doit atteindre un score de qualité minimum de 86 %. La gare de Liège-Guillemins dépasse systématiquement ce seuil, avec des évaluations allant de 80 à 92 % au cours des six derniers mois.

À propos de la sécurité des parkings, la SNCB met en place des mesures structurelles pour améliorer en permanence cette sécurité, notamment à Liège-Guillemins. Cela passe par un renforcement progressif des dispositifs de surveillance, incluant l'installation de caméras supplémentaires, un meilleur éclairage du site et de ses accès ainsi que des contrôles d'accès plus efficaces.

De plus, les patrouilles préventives de Securail ont été renforcées afin d'assurer une présence dissuasive sur le terrain. La sécurité dans et autour de la gare a fait l'objet d'un suivi attentif de la part de la SNCB. Un plan de sécurité intégré a été élaboré pour répondre aux problématiques spécifiques du site, en concertation avec toutes les parties concernées: autorités communales, services sociaux, SPC, police locale, etc.

La sécurité sur le chemin de et vers le parking extérieur dépend de plusieurs facteurs qui, pour la plupart, ne relèvent pas de la responsabilité de la SNCB. Toutefois, elle collabore étroitement avec les autorités locales et leurs services de police.

Concernant l'accessibilité cyclable de la gare de Liège-Guillemins, à partir du printemps 2025, des travaux de liaison RAVeL à l'arrière de la gare de Liège-Guillemins devraient débuter pour une durée d'environ un an et demi, améliorant ainsi, comme vous le souhaitez, l'accessibilité cyclable vers la gare.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, merci pour vos réponses. Tout cela me ne dit pas si c’est le 21 mars ou le 21 juin. Je connais la technique. On espère en tout cas que cela sera fait avant l'été et pourra être opérationnel assez rapidement. Pour le reste, je suis heureuse d'entendre qu'il y a un plan d'action pour l'accessibilité. Au-delà des personnes qui sont concernées tous les jours et qui n'ont pas d'autre choix que de prendre le train, ne pas pouvoir accéder facilement et confortablement aux quais est un élément dissuasif, voire un empêchement pur et simple de prendre le train. C'est souvent d'ailleurs les escalators de la voie 3 qui permettent de prendre les grandes lignes comme celles pour Namur et Bruxelles qui sont concernés. Ne pas avoir accès à ce confort est un immense problème pour le switch modal. J'espère que des initiatives volontaristes et rapides pourront être mises en place. J'entends souvent de la bonne volonté, et c'est tant mieux. Mais il faut aujourd'hui que les problèmes se résolvent et qu'il n’y ait plus de mauvaises surprises en arrivant aux Guillemins.

De weigering van toegang tot gevangenissen voor wetenschappelijk onderzoek

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 12 maart 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De minister bevestigt geen algemene blokkering, maar strengere selectie van wetenschappelijk onderzoek in gevangenissen vanaf 2025: enkel goedgekeurd bij directe meerwaarde voor de organisatie, koppeling aan subsidie of verzoek van de inrichting zelf, met evaluatie eind 2025. De Smet benadrukt dat fundamenteel onderzoek (bv. mensenrechten) hierdoor riskeert uitgesloten te worden en kondigt verdere opvolging aan. De maatregel is een reactie op operationele druk door overbevolking, maar sluit niet alle academische toegang uit. Kritische noot: prioritering efficiëntie dreigt maatschappelijk relevante studies te marginaliseren.

François De Smet:

Madame la ministre, il m’est revenu que la Direction générale des Établissements pénitentiaires (EPI), Direction Soutien logistique, refuserait désormais toute nouvelle autorisation d’accès aux prisons dans le cadre de recherches scientifiques ou de recherches en vue d’un mémoire. Cette mesure serait justifiée par la nécessité de donner la priorité aux besoins opérationnels essentiels pour gérer les effets de la surpopulation carcérale.

Je ne disconviens pas que la situation actuelle dans nos prisons est difficile mais il est dommageable que des établissements pénitentiaires ne puissent plus faire l’objet d’accès pour toutes celles et tous ceux qui souhaiteraient en étudier le fonctionnement et l’enjeu sociétal qu’ils constituent.

Madame la ministre, cette interdiction est-elle réelle? Celle-ci est-elle valable pour toute la durée de la législature? Des exceptions existent-elles? Si oui, de quel ordre?

Annelies Verlinden:

Monsieur De Smet, il convient de souligner qu'il ne s'agit pas d'une interdiction générale mais d'une restriction. Toutes les demandes de recherche ne sont donc pas refusées. Un filtre plus strict est utilisé pour les demandes de recherche. Ainsi, l'approbation n'est accordée que si cela ajoute réellement de la valeur à l'organisation et/ou si cela est lié à des subventions. Une recherche peut également se poursuivre à la demande de l'établissement pénitentiaire si cela correspond à sa charge de travail. Cette mesure entrera en vigueur en 2025 et sera évaluée en fin d'année.

François De Smet:

Madame la ministre, je vous remercie pour votre réponse. Je reviendrai peut-être avec une autre question pour en savoir plus sur les critères. J'entends bien les critères que vous mentionnez quant à la plus-value sur l'organisation ou au lien avec des subventions mais il y a peut-être d'autres motifs pour faire des études universitaires, par exemple, sur les droits fondamentaux des détenus. Nous veillerons sur ce dossier à l'avenir et essaierons d'avoir plus de précisions.

Vrijgelaten gedetineerden uit het buitenland

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 12 maart 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De overbevolking in Belgische gevangenissen wordt verergerd doordat 44% van de gedetineerden buitenlands is (waarvan 31,5% illegaal verblijft), met twee derde van vrijgelaten buitenlanders die spoorloos raakt. Minister Verlinden benadrukt bestaande oplossingen: versnelde terugkeer via samenwerking met Marokko (232 repatriëringen in 2023, waarvan 132 uit gevangenissen) en het unieke gedwongen overbrengingsverdrag met Marokko, maar met strikte voorwaarden. Voor Europese gedetineerden scoort België hoog in vrijwillige/gedwongen overbrengingen, maar veel voldoen niet aan de criteria (verblijfsrecht, familiale banden). Concrete acties: eerdere identificatie door DVZ, ketenaanpak met Asiel & Migratie, en verdere optimalisering van bestaande samenwerkingsverdragen.

Alain Yzermans:

De overbevolking in onze Belgische gevangenissen is een prangend probleem. Die plaat wordt grijsgedraaid in deze commissie, maar dat betekent niet dat we hieraan geen blijvende aandacht moeten geven. We moeten blijven onderstrepen dat hiervoor oplossingen moeten worden gezocht.

In de toelichting die u enkele weken geleden gaf, viel me een getal op. Het grote aantal mensen van buitenlandse afkomst speelt ons namelijk parten in de globale oefening om onze gevangenissen te ontlasten. De cijfers waarover ik vandaag beschik, gaan zelfs nog verder. Zo is 44 % van de gedetineerden in onze gevangenissen afkomstig uit het buitenland en heeft 31,5 % van de totale populatie zelfs geen geldige verblijfsvergunning.

Die onwettigheid vertaalt zich dan ook bij de gevangenen die worden vrijgelaten. Ongeveer twee derde van de gevangenen die worden vrijgelaten, verdwijnt spoorloos en een derde wordt teruggestuurd. Dat zijn verontrustende cijfers voor een stabiele en evenwichtige samenleving. U hebt daaraan aandacht besteed in het regeerakkoord, waaruit ik een aantal passages heb gelezen.

Mevrouw de minister, welke specifieke maatregelen zult u nemen om de sans-papiers in de gevangenissen in kaart te brengen? Ik pleit voor een en-en-enoplossing, maar we zullen al die fenomenen goed in kaart moeten brengen, de samenwerkingsovereenkomsten goed moeten onderzoeken en nagaan welke er werken en welke niet en waar we nog kunnen uitbreiden. Dat alles samen kan immers leiden tot evenwichtigere populatie in onze gevangenissen.

Annelies Verlinden:

Mijnheer Yzermans, voor uw eerste vraag verwijs ik u graag door naar mijn collega Van Bossuyt.

Verder is het van belang om een onderscheid te maken tussen de terugkeer vanuit de gevangenis, die mogelijk is vanaf zes maanden voor het strafeinde, waarvoor we samenwerken met de Dienst Vreemdelingenzaken, en de tussenstaatse overbrenging, waarbij een gedetineerde de rest van zijn straf uitzit in een derde land, doorgaans het land van herkomst.

België is het enige land ter wereld dat een verdrag met Marokko heeft gesloten dat een tussenstaatse overbrenging zonder instemming van de betrokkene toelaat. Dit verdrag legt echter ook zeer strikte voorwaarden op voor een overbrenging zonder instemming, waardoor niet alle gedetineerden met de Marokkaanse nationaliteit in aanmerking komen voor een overbrenging.

Daarnaast werkt de FOD Justitie samen met de Dienst Vreemdelingenzaken aan de terugkeer vanuit de gevangenissen. Die is mogelijk vanaf zes maanden voor strafeinde. Door de heropstart van de relatie met Marokko in 2024 konden vorig jaar 232 mensen zonder recht op verblijf worden teruggestuurd, waarvan 132 vanuit de gevangenissen. Op die weg moeten we mijns inziens verder blijven gaan. Door de versterking van de samenwerking met Marokko, die niet alleen justitie maar ook asiel en migratie aanbelangt en ook een ketenaanpak vraagt, moeten we de terugkeer van Marokkanen in onwettig verblijf vanuit onze gevangenissen nog verder kunnen verhogen.

Samen met mijn collega bevoegd voor Asiel en Migratie, zal ik ook bekijken of de DVZ de identificatie en de voorbereiding van de terugkeer nog vroeger zou kunnen opstarten, zodat een snellere terugkeer wordt verwezenlijkt en we op die manier ook de druk op onze gevangenissen kunnen verlichten.

U vroeg mij ten slotte ook naar de terugkeer van mensen met een Europese nationaliteit vanuit onze gevangenissen. Eerst en vooral wil ik onderstrepen dat België sinds 2013 in de top vijf staat op het vlak van het aantal uitgaande overbrengingen naar andere Europese lidstaten en daarmee zelfs landen als Duitsland, Frankrijk en Spanje voorafgaat. Dit gezegd zijnde moeten we ook vaststellen dat niet alle Europese onderdanen in onze gevangenissen in aanmerking komen voor een tussenstaatse overbrenging. Velen onder hen hebben weliswaar een andere nationaliteit, maar hebben bijvoorbeeld wel recht op verblijf, zijn in België geboren, hebben hier een sterke familiale binding of komen niet in aanmerking omdat de doorlooptijd om een overbrenging te realiseren te kort is.

Daarnaast komen Europese burgers in onwettig verblijf in onze gevangenissen eveneens in aanmerking voor vrijwillige of gedwongen terugkeer. Ook daarvoor zal ik uiteraard samenwerken met mijn collega voor Asiel en Migratie en de DVZ, die verantwoordelijk zijn voor de terugkeer van mensen in onwettig verblijf.

Alain Yzermans:

Mevrouw de minister, dank u voor het antwoord.

De hacking van mailsystemen bij de Veiligheid van de Staat
Het onderzoek naar datadiefstal bij de Staatsveiligheid door een Chinese groep hackers
De Chinese cyberaanval op de Staatsveiligheid (VSSE)
Chinese cyberaanvallen op de Belgische Staatsveiligheid

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 12 maart 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Tussen 2021 en mei 2023 onttrokken vermoedelijk Chinese hackers via een lek in Barracuda-software 10% van de e-mails van de Belgische Staatsveiligheid, zonder dat gecodeerde data werden blootgesteld, maar wel met risico’s voor personeelsgegevens en gevoelige informatie. De Sûreté de l'État schakelde over naar een nieuw systeem, diende klacht in en volgde aanbevelingen van de APD en cybersecurity-experts, terwijl het gerechtelijk onderzoek loopt en China elke betrokkenheid ontkent, ondanks verdachtmakingen door beveiligingsfirma Mandiant. Parlementsleden benadrukten de nood aan strenge opvolging, waaronder diplomatieke druk op China, versterkte cyberbeveiliging (o.a. verbod op Chinese apps zoals Temu op overheidsapparaten) en bescherming van personeel tegen potentiële chantage, terwijl de minister geen direct overleg met de Chinese ambassadeur bevestigde. De kwetsbaarheid bij Barracuda werd gepatcht, maar het incident onderstreept de aanhoudende dreiging en structurele alertheid die vereist is.

Khalil Aouasti:

Monsieur le président, je vous remercie pour avoir inversé les questions, ce qui m'a permis d'arriver.

Madame la ministre, nous apprenions dans le journal Le Soir que un courriel sur 10 qui entrait ou sortait de la Sûreté de l'État aurait été détourné entre 2021 et 2023 par un groupe de hackers lié à la Chine et qui exploitait la faille d'un logiciel de sécurité de la firme américaine Barracuda. Il s'agirait du plus grave incident de sécurité qu'ait connu le service civil de renseignement.

Si les données classifiées ne seraient pas concernées – j'emploie le conditionnel –, ce hacking est inquiétant car il a touché vraisemblablement des données à tout le moins sensibles. L'enquête interne ne permettrait pas, à notre connaissance, de savoir avec précision quels courriels ont été siphonnés, et donc quelles identités du personnel de la Sûreté ont potentiellement été compromises.

Par ailleurs, nous apprenons que la Sûreté de l'État a porté plainte et que le Comité R a pour sa part produit un rapport dont le contenu est classifié, en ce compris pour la commission d'accompagnement dont je fais partie.

Madame la ministre, tout en garantissant éventuellement la confidentialité qui s'impose, pouvez-vous me communiquer les informations en votre possession concernant cette attaque informatique, ses impacts potentiels sur nos services et leur personnel? Les questions indirectes sont importantes. Quelles mesures ont-elles été prises pour remédier à ces failles et à leurs conséquences? Concernant les auteurs de cette attaque, quelles mesures sont-elles prises, tant sur le plan judiciaire et sécuritaire que diplomatique, le cas échéant?

Alexander Van Hoecke:

Mijnheer de voorzitter, de omstandigheden zijn al uitvoerig geschetst dus ik zal het heel kort houden.

Tussen 2021 en 2023 werden gegevens van de Veiligheid van de Staat gestolen. Naar alle waarschijnlijkheid is dat gebeurd door een hackerscollectief dat spioneert voor de Chinese overheid. De hackers slaagden erin om in die tijdsperiode een op tien e-mails bij de Veiligheid van de Staat te onderscheppen. Het zou gaan om het zwaarste veiligheidsincident binnen de Veiligheid van de Staat ooit.

Wanneer werd die datadiefstal precies ontdekt en hoe? Was u daarvan als minister al langer op de hoogte? Of was een van uw voorgangers op de hoogte?

Wat heeft de Veiligheid van de Staat ondertussen ondernomen om de cybersecurity te verbeteren? Ik begrijp dat u daarover niet al te zeer in detail kunt gaan, maar het zou wel interessant zijn om te weten in welke richting er stappen ondernomen zijn om ervoor te zorgen dat dit niet opnieuw kan gebeuren.

Zijn er de afgelopen jaren nog andere pogingen tot datadiefstal geweest bij de Veiligheid van de Staat? Zo ja, uit welke hoek kwamen die pogingen dan? Hebben we daarover vermoedens of weten we het zeker? Waren die pogingen succesvol of niet?

De Chinese ambassade reageerde eerst niet op de berichtgeving. Vervolgens ontkende ze dat ze achter de hacking zat. Hebt u de ambassadeur persoonlijk om uitleg gevraagd over het incident? Zo niet, zult u dat nog doen? Zo ja, wat leverde het gesprek precies op?

Sophie De Wit:

Mijnheer de voorzitter, ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

Recent is aan het licht gekomen dat vermoedelijke Chinese hackers tussen 2021 en 2023 gevoelige gegevens van de Staatsveiligheid hebben gestolen. Via een kwetsbaarheid in de beveiligingssoftware van het Amerikaanse softwarebedrijf Barracuda kregen de hackers toegang tot zowat 10 % van de inkomende en uitgaande e-mails van de VSSE.

Deze diefstal van gevoelige informatie, waaronder persoonlijke gegevens van personeelsleden, is bijzonder zorgwekkend, ook gezien eerdere incidenten waarbij Chinese hackers Belgische overheidsdiensten hebben geviseerd. Er werd een klacht ingediend bij het federaal parket maar intussen ontkent de Volksrepubliek China in alle toonaarden en spreekt ze van “valse informatie over zogenaamde Chinese hackers en de vermeende dreiging vanuit China”.

Kan u bevestigen dat er inderdaad gevoelige informatie, waaronder persoonlijke gegevens van personeelsleden, buitgemaakt werd door de hackers?

Welke stappen werden sinds de ontdekking van de cyberaanval ondernomen om de schade te beperken en verdere datalekken te voorkomen?

Zijn er specifieke maatregelen genomen om de beveiliging van de communicatie en gegevens binnen de VSSE te versterken?

In welke mate is het Amerikaanse bedrijf Barracuda medeverantwoordelijk voor deze hacking? Werd de ‘kwetsbaarheid’ in het systeem intussen verholpen en hoe wordt het systeem verder geoptimaliseerd?

Werden al mogelijke diplomatieke stappen besproken binnen de regering ten aanzien van de Chinese Volksrepubliek, in reactie op deze en eerdere cyberaanvallen op Belgische overheidsdiensten?

Annelies Verlinden:

Chers collègues, fin mai 2023, la Sûreté de l'État a découvert la présence d'une vulnérabilité dans le système de sécurité des e-mails de Barracuda qu'elle utilisait. Cette faille active du 4 février 2021 au 31 mai 2023 aurait pu permettre un accès non autorisé aux communications traitées par ce système. Il importe de souligner que les données classifiées ne transitent pas par ce canal, limitant ainsi l'impact potentiel sur la sécurité de nos services.

Dès la détection de la faille, plusieurs mesures correctives ont été mises en œuvre. Le système de passerelle de sécurité e-mail vulnérable a été entièrement remplacé par une autre solution. En outre, la Sûreté de l'État a appliqué strictement les recommandations de son data protection officer et de l'Autorité de protection des données (APD).

De verantwoordelijkheid blijkt inderdaad mede te liggen bij het Amerikaanse bedrijf Barracuda, waarvan de Veiligheid van de Staat klant was. Het Barracudasysteem wordt intussen niet meer gebruikt. De vorige minister van Justitie en het Comité I werden in 2023 meteen geïnformeerd door de Veiligheid van de Staat, die geen andere poging tot datadiefstal heeft vastgesteld. De attributie aan een Chinese hackersgroep komt van de beveiligingsfirma Mandiant, die spreekt van “suspected links to China”. De Veiligheid van de Staat heeft zelf geen sluitende attributie kunnen doen.

Het gerechtelijk onderzoek naar dit alles is lopende en u zult daarom willen begrijpen dat ik daarover geen verdere uitspraken kan doen.

Khalil Aouasti:

Je vous remercie, madame la ministre, pour les réponses.

J'entends que plusieurs volets sont classifiés et suis rassuré d'apprendre que nous n'utilisons plus ce système mais bien un autre système. J'ose espérer que le nouveau système ne comporte pas de porte dérobée qui nous rend susceptible de revivre les mêmes choses.

Au-delà des informations classifiées, nous savons que dans les incidents de sécurité, la question du personnel est primordiale. À partir du moment où des identités de personnel ont pu être dévoilées, il s'agit de voir et de s'assurer que, dans la gestion de ces incidents de sécurité et dans la protection de notre personnel et des pressions potentielles pouvant s'exercer sur lui indirectement pour obtenir certaines informations classifiées, tout soit mis en œuvre pour éviter ce genre d'incident. À cet égard, la sécurité est vraiment capitale.

Pour votre information, madame la ministre, j'ai été étonné ce matin de recevoir un courriel de l'ambassade de Chine qui était apparemment informée de la question que j'allais poser aujourd'hui et qui m'a envoyé un plaidoyer m'indiquant qu'elle était elle-même victime de ces tentatives de piratage et qu'elle vous encourageait à combattre ce phénomène avec nous.

Alexander Van Hoecke:

Ik heb hetzelfde mailtje van de Chinese ambassade in mijn mailbox ontvangen.

Mevrouw de minister, het was mij niet duidelijk of u al dan niet overleg hebt gehad met de Chinese ambassadeur. (Nee) Ik vraag het gewoon voor de duidelijkheid.

Het is enigszins geruststellend dat de impact beperkt is. Er is het mailtje dat ik heb gekregen, waarin de Chinese ambassade stelt totaal niet achter de zaak te zitten en zegt dat zij zoiets nooit zou doen. Laten we onszelf echter niets wijsmaken, zelfs al zou de ambassade met die zaak niets te maken hebben, dan nog weten we hoe die praktijken in hun werk gaan of waar het probleem ligt. We weten dat de dreiging reëel is en we dragen de verantwoordelijkheid om daarover te waken. In uw hoedanigheid van minister van Justitie draagt u mee de verantwoordelijkheid om daarover te waken.

Ik zou u daarom willen oproepen om de cyberbeveiliging van nabij op te volgen en regelmatig met de Veiligheid van de Staat samen te zitten om de specifieke cyberdreiging te bespreken. Implementeer ook aanbevelingen zoals de aanbevelingen van het Centrum voor Cybersecurity.

Eerste minister De Wever verklaarde twee weken geleden nog dat er blijkbaar een aanbeveling van het Centrum voor Cybersecurity is geweest om Chinese apps zoals Temu niet te installeren op apparaten van het overheidspersoneel. Leg dat op tafel binnen de regering en implementeer die maatregel minstens binnen Justitie. Dat lijkt mij een kwestie van gezond verstand te zijn en vooral ook laaghangend fruit voor de beveiliging van onze data.

Sophie De Wit:

Ik dank u voor uw antwoord, mevrouw de minister. Ik zal mijn mailbox toch eens dubbelchecken op mails van de ambassade. Dat is misschien bij de spamberichten terechtgekomen. Alle gekheid op een stokje, de les die men daaruit moet leren is dat men heel voorzichtig moet zijn en alles in het werk moet stellen om te voorkomen dat vertrouwelijke gegevens en gegevens over veiligheid zomaar te grabbel zouden kunnen worden gegooid. Daarover moeten we waken, ongeacht wie het zou zijn geweest. Dat is de belangrijkste les die we uit dergelijke zaken moeten trekken. Het zal niet de eerste keer zijn dat zoiets gebeurt en ik vrees ook niet de laatste keer.

De vlucht van een veroordeelde crimineel uit het Brusselse Justitiepaleis

Gesteld door

lijst: VB Marijke Dillen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 12 maart 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Een veroordeelde mensenhandelaar (3 jaar cel, onmiddellijke aanhouding) ontsnapte op 27 februari 2025 uit het Brusselse justitiepaleis doordat de federale politie (DAB) niet was ingelicht over de geplande aanhouding en dus afwezig was in de zittingszaal—ondanks dat dit bij zware zaken standaardprocedure is. De minister bevestigde dat de vluchteling nog steeds wordt opgezocht en bij aanhouding direct zal worden opgesloten, terwijl Dillen kritiseerde dat justitiële vertraging (2019–2025) en procedurele tekortkomingen dit mogelijk maakten. Het incident toont een coördinatiefalen tussen rechtbank en politie bij hoogrisicovonnissen.

Marijke Dillen:

Mijnheer de voorzitter, ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

Mevrouw de minister, donderdag 27 februari jl. is een man die veroordeeld werd tot een effectieve gevangenisstraf van 3 jaar in een dossier rond mensenhandel en uitbuiting van prostituées waarbij het Openbaar Ministerie zijn onmiddellijke aanhouding vroeg en de Rechtbank daarop inging, erin geslaagd meteen na de veroordeling te vluchten. Blijkbaar was er geen Politie in de zittingszaal aanwezig om de veroordeelde meteen in de boeien te slaan.

Dat leidde onmiddellijk tot een zoekactie in het Brusselse Justitiepaleis waarbij de Politie het ganse gebouw doorzocht maar de man werd niet gevonden. Hij werd onmiddellijk geseind.

Kan de Minister meer toelichting geven betreffende deze feiten?

Waarom was er geen Politie in de zittingszaal? Dit is nochtans gebruikelijk teneinde een veroordeelde tegen wie de onmiddellijke aanhouding wordt bevolen in de boeien te kunnen slaan.

Werd de veroordeelde crimineel inmiddels terug gevat? En zo ja, werd hij onmiddellijk naar een gevangenis gebracht?

Annelies Verlinden:

Mevrouw Dillen, de Franstalige correctionele rechtbank van Brussel heeft op 27 februari 2025 een gevangenisstraf van drie jaar met onmiddellijke aanhouding opgelegd wegens feiten van mensenhandel, prostitutie en uitbuiting, gepleegd in 2019. Teneinde de beslissing van de rechtbank uit te voeren, werd de Directie beveiliging (DAB) van de federale politie opgeroepen. De DAB werd evenwel vooraf niet op de hoogte gebracht van de mogelijke onmiddellijke aanhouding, waardoor ze had kunnen anticiperen op de aanhouding en voor politieaanwezigheid in de zittingszaal zorgen op het ogenblik van de uitspraak.

Normaal gezien wacht de rechter tot er politiepersoneel in de zittingszaal aanwezig is alvorens een vonnis uit te spreken. De betrokkene heeft van de situatie gebruikgemaakt om de zittingszaal en het gerechtsgebouw te verlaten. Hij wordt nog steeds opgespoord en zal worden opgesloten zodra hij gevat wordt.

Marijke Dillen:

Dank u voor uw antwoord, mevrouw de minister. Eerst een bedenking die niet op de vraag zelf slaat. Begrijp ik goed dat het gaat over feiten van 2019? Het is toch betreurenswaardig dat het zes jaar duurt vooraleer een dergelijk zwaar dossier kan worden behandeld en gevonnist, maar dit terzijde. Ik betreur dat er geen politie aanwezig was. Het is toch gebruikelijk dat vonnissen in correctionele zaken bij het begin van de zitting worden uitgesproken. Bij zware zaken weet men van tevoren dat de kans groot is dat de procureur de onmiddellijke aanhouding vraagt en dat de rechtbank dat ook bevestigt. Nu is de veroordeelde met de noorderzon verdwenen, begrijp ik uit uw antwoord. Ik hoop in elk geval dat de nodige inspanningen worden geleverd opdat hij zo spoedig mogelijk kan worden aangehouden.

De bevindingen en beleidsimplicaties van het Intelligence Report 2024 van de Staatsveiligheid

Gesteld door

lijst: N-VA Sophie De Wit

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 12 maart 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Verlinden bevestigt de toegenomen hybride dreigingen (met name van Rusland) en benadrukt samenwerking tussen inlichtingendiensten, overheid en privésector, plus uitwijzing van Russische spionnen om hun capaciteit te beperken. Radicalisering bij jongeren vraagt een brede ketenaanpak (onderwijs, geestelijke gezondheid, sociale media-algoritmen), terwijl buitenlandse inmenging wordt tegengegaan via waarschuwingsbriefings voor parlementsleden en taalspecifieke aanwervingen (Russisch, Chinees, Arabisch). De Wit dringt aan op extra middelen en personeel gezien de groeiende dreigingen, maar Verlinden wijst op recente versterkingen zonder concrete toezeggingen voor verdere uitbreiding.

Sophie De Wit:

Mijnheer de voorzitter, ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn mondelinge vraag.

Geachte minister, het recent gepubliceerde en in de commissie Justitie voorgestelde Intelligence Report 2024 van de Staatsveiligheid schetst een verontrustend beeld van de veiligheidsuitdagingen waarmee ons land wordt geconfronteerd. Het rapport wijst op de toenemende dreiging van hybride aanvallen door buitenlandse mogendheden, de aanhoudende terroristische dreiging, met name onder jongeren, en de invloed van buitenlandse inmenging in het Belgische politieke landschap.

Graag had ik hieromtrent de volgende vragen gesteld.

Hoe beoordeelt u de toename van hybride dreigingen, zoals sabotage en spionage, en welke concrete maatregelen worden genomen om vitale infrastructuur en nationale belangen beter te beschermen?

Wat zal deze regering concreet ondernemen om radicalisering, met name bij minderjarigen, doortastend aan te pakken?

De Staatsveiligheid meldde een aantal gevallen van buitenlandse inmenging in de Belgische politiek. Hoe worden politieke partijen, mandatarissen en instellingen beschermd tegen dergelijke invloeden?

Beschikt de Staatsveiligheid volgens u over voldoende middelen en personeel om deze complexe dreigingen aan te pakken? Zijn er voldoende medewerkers die bijvoorbeeld de Chinese, Russische of Arabische taal beheersen?

Hoe verloopt de samenwerking met zowel Europese als internationale partners om grensoverschrijdende veiligheidsdreigingen, zoals spionage en terrorisme, efficiënt aan te pakken?

Annelies Verlinden:

Collega De Wit, zoals u hebt kunnen lezen in het Intelligence Report, worden de ontwikkelingen van de situatie sinds het uitbreken van het conflict in Oekraïne nauwgezet opgevolgd. Door de hybride aanpak via moeilijk definieerbare daders is het niet eenvoudig om dergelijke acties met zekerheid ook toe te wijzen. Dat is immers het doel van die hybride dreiging: het lanceren van activiteiten die schade veroorzaken zonder veel risico op een reactie. Er zijn veel aanwijzingen dat Rusland het voorbije jaar zijn hybride acties in Europa heeft opgeschaald. Het vermoedelijke doel van Rusland is daarbij niet alleen om onze steun aan Oekraïne te dwarsbomen, maar ook om de westerse samenlevingen te destabiliseren.

Elke actor heeft op het terrein een rol te spelen. In België werkt de Veiligheid van de Staat op dit vlak nauw samen met het Crisiscentrum, ADIV, de federale politie, OCAD en het CCB, maar ook met bedrijven uit de privésector.

Bovendien hebben sinds de grootschalige invasie in Oekraïne honderden klassieke Russische inlichtingenofficieren de Europese Unie en partnerlanden als het Verenigd Koninkrijk en Noorwegen moeten verlaten. Deze inlichtingenofficieren hadden doorgaans een officieel statuut als diplomaat bij de Russische vertegenwoordigingen. In België waren dat de Russische ambassade en de missie bij de Europese Unie in Brussel, alsook het consulaat-generaal in Antwerpen. De uitwijzingen in 2022 en 2023 gebeurden grotendeels door hen persona non grata te verklaren. Ons land zorgde er zo voor dat tientallen Russische inlichtingenofficieren gedwongen werden om naar Moskou terug te keren. Op die manier werd de capaciteit en bewegingsvrijheid van Russische inlichtingendiensten op Europese bodem ernstig beperkt.

Wat betreft uw vraag inzake radicalisering bij minderjarigen, is de vaststelling dat dat een veelzijdig fenomeen is waarop de antwoorden divers zijn en gecoördineerd moeten worden. Geweld door minderjarigen dat religieus of ideologisch gemotiveerd is, vereist een ketenaanpak niet alleen tussen de inlichtingendiensten of gerechtelijke instanties, maar ook in samenwerking met domeinen zoals geestelijke gezondheid, onderwijs en nieuwe technologieën, en dus over de verschillende bevoegdheidsniveaus heen. In bredere zin moet de impact van sociale netwerken actiever worden aangepakt. Het debat concentreert zich vaak uitsluitend op het modereren van gewelddadige inhoud, maar er moet een bredere reflectie plaatsvinden, met name over hoe de algoritmen van deze platformen bijdragen aan blootstelling aan radicale inhoud.

In het kader van haar opdracht om inmengingsactiviteiten in en rond het Parlement te helpen voorkomen, hanteert de Veiligheid van de Staat zowel een victim-based als een actor-based approach . Victim-based impliceert dat de Veiligheid van de Staat briefings geeft over waakzaamheid voor contraspionage, actor-based impliceert dat de Veiligheid van de Staat statelijke actoren en hun agenten in België opvolgt. In dat verband gaven de Veiligheid van de Staat en ADIV recent, op 10 december vorig jaar, nog een briefing aan het federaal Parlement met als doel awareness te creëren met betrekking tot buitenlandse spionage en inmenging ten aanzien van Belgische parlementsleden.

Recente aanwervingen bij de Veiligheid van de Staat hebben ervoor gezorgd dat bepaalde afdelingen binnen de inlichtingketen versterkt zijn met profielen die over specifieke taalvaardigheden beschikken, met name op het gebied van bestrijding van spionageactiviteiten en van inmenging.

De Veiligheid van de Staat is geïntegreerd in verschillende bilaterale en multilaterale internationale partnerschapecosystemen binnen haar bevoegdheden. Ze geniet daar een reputatie als een betrouwbare en efficiënte partner waarmee dagelijks inlichtingen worden uitgewisseld. Dit netwerk draagt zo volledig bij aan de veiligheid van België alsook aan de inwoners en de belangen van ons land.

Sophie De Wit:

Bedankt voor uw antwoord, mevrouw de minister. U zei onder meer dat er recente aanwervingen zijn gebeurd. Misschien is mijn vraag voorbarig aangezien u nog maar net deze moeilijke functie hebt opgenomen, maar denkt u dat er nood is aan nog meer aanwervingen? De uitdagingen zullen immers steeds groter worden, dus ik denk dat het nodig is om te bekijken of er wel voldoende middelen en medewerkers zijn om alles te kunnen beheersen.

De bedreigingen en het geweld tegen cipiers in hun privésfeer
De nieuwe aanslag met een molotovcocktail buiten de gevangenismuren
Het oplaaiende geweld tegen penitentiair beambten
Geweld en bedreigingen tegen penitentiair personeel binnen en buiten de gevangenis

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 12 maart 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De escalerende geweldsgolf tegen cipiers, zowel binnen als buiten gevangenissen (molotovcocktails, brandstichtingen, trackers onder voertuigen), wordt gelinkt aan georganiseerde criminaliteit, drugshandel en ontoereikende bescherming van personeel. Minister Verlinden kondigt dringende maatregelen aan: beperkte traceerbaarheid (anonieme badges, technologie tegen tracking), versterkte veiligheidscontroles (jammers, drugshonden, ICT-speurhonden), speciale afdelingen voor agressieve gedetineerden, en nauwere politiële samenwerking om bedreigingen op te sporen, met inspiratie uit Nederlandse en Franse best practices. Dillen en Yzermans eisen strenge repressie tegen daders (370 incidenten in 2024) en radicale anonimiteit (zelfs fictieve namen op badges), terwijl De Wit benadrukt dat de huidige cijfers (1+ incident/dag) onaanvaardbaar blijven. De focus ligt op geïntegreerde preventie, nazorg en hard optreden, maar de urgentie blijft hoog.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, er komt maar geen eind aan. Opnieuw is een cipier het slachtoffer geworden van ernstig geweld en bedreigingen in de privésfeer. Vorige week donderdag werd een molotovcocktail naar binnen gegooid in de woning van een vrouwelijke cipier die werkt in de gevangenis van Haren. We kunnen het er allemaal over eens zijn dat dit werkelijk onaanvaardbaar is.

Dit is het zoveelste gewelddadig incident en voor een tweede keer werd er daarbij gebruikgemaakt van een molotovcocktail. Eerder werd er ook al een brandbom gegooid in de wagen van een cipier en werd de wagen van een andere cipier in brand gestoken. Het gaat om een verontrustende trend, zo stelde de woordvoerder van het gevangeniswezen duidelijk. De situatie is totaal ontspoord.

Gevangenisbewakers kunnen veel te gemakkelijk getraceerd worden, onder meer aan de hand van de badge die ze moeten dragen, maar criminelen gaan verder dan alleen maar wat opsporingswerk op sociale media. Zo werden er in de gevangenissen van Antwerpen en Beveren al trackers geplaatst onder de wagens van gevangenispersoneel.

Cipiers kunnen die extra bedreiging er absoluut niet meer bij hebben. Ze worden binnen de gevangenismuren al bijzonder zwaar beproefd door de moeilijke werkomstandigheden, en dat in combinatie met de tot agressie leidende overbevolking door het nijpende personeelstekort, waardoor ze geen vakantiedagen kunnen opnemen, en de aftandse ondermaatse infrastructuur. Dit zijn maar enkele redenen, maar u zult daarop volgende week wel een aantal antwoorden geven in uw beleidsverklaring.

De cipiers hebben het 'advies' gekregen om niet meer in uniform naar het werk te komen. Dat is de zogenaamde goede raad om geweld te voorkomen. We moeten er niet flauw over doen, de cipiers worden niet lastiggevallen door toevallige voorbijgangers op straat, het gevaar komt van de criminele bendes en van een aantal criminelen dat opgesloten zit.

Welke efficiënte en concrete maatregelen zult u bij hoogdringendheid nemen ter bescherming van de cipiers, om eindelijk een halt toe te roepen aan die onaanvaardbare bedreigingen en het geweld? Bent u bereid om daarvoor de nodige budgetten vrij te maken?

Alain Yzermans:

Mevrouw de minister, zijn er acties gepland met betrekking tot het gebruik van drugs en de daaraan gelinkte netwerken? Zijn er voldoende politieacties gepland? De vakbonden vragen dat. Zijn er sweeps? Dat is in het verleden getest. Zijn er gemotiveerde fouilles? Dat zijn allerlei instrumenten die kunnen worden ingezet om meer greep en zicht te krijgen op het fenomeen in de gevangenissen.

Sophie De Wit:

Aangezien mevrouw Dillen de context al ruim geschetst heeft, verwijs ik naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

Geachte minister, de veiligheid van ons gevangenispersoneel komt steeds vaker onder druk te staan. Recente incidenten, waarbij zelfs molotovcocktails werden gebruikt, tonen aan dat het geweld tegen penitentiaire beambten ook steeds ernstigere vormen aanneemt. Deze aanvallen en bedreigingen, die vaak gerelateerd zijn aan georganiseerde misdaad en drugshandel binnen de gevangenismuren, hebben een ernstige impact op de veiligheid, het welzijn en de werkomstandigheden van ons gevangenispersoneel.

Vakbonden en personeelsorganisaties hebben al herhaaldelijk gewezen op het toenemend geweld binnen maar ook buiten de gevangenissen en roepen op tot betere bescherming alsook strengere maatregelen tegen daders van dergelijke bedreigingen.

Ik had u graag de volgende vragen gesteld.

1. Wat is uw reactie op deze aanvallen in de privésfeer van ons gevangenispersoneel? Werden er al daders geïdentificeerd en vervolgd? Zo ja, hoeveel en voor welke feiten?

2. Wat zijn de recente cijfers van geweld en agressie tegenover penitentiair beambten? Hoe vaak vinden deze plaats buiten de gevangenismuren?

3. Welke maatregelen worden genomen om het gevangenispersoneel beter te beschermen tegen geweld en intimidatie, zowel binnen als buiten de gevangenis?

4. Worden er extra veiligheidsmaatregelen voorzien in onze gevangenissen, zoals een verhoogde screening op gsm’s en drugs?

5. Welke stappen onderneemt de regering om te voorkomen dat men uit angst het beroep verlaat?

Annelies Verlinden:

Geachte leden, de toename van geweld en bedreigingen tegen medewerkers van de gevangenissen, ook in hun privésfeer, is een zeer grote bezorgdheid, die ik met u deel. Ik heb de zaak vanochtend nog benoemd en besproken op mijn kabinet tijdens een overleg met de vakorganisaties van de penitentiaire beambten. Laat het dus duidelijk zijn dat we ook deze regeerperiode maximaal willen inzetten op betere werkomstandigheden voor het gevangenispersoneel en bijdragen aan een zo veilig mogelijke werkomgeving. Daarom zullen we verder onderzoeken welke bestaande maatregelen kunnen worden geïntensiveerd of bijgesteld en welke bijkomende maatregelen of acties we kunnen nemen.

Daartoe zullen we de beveiligingsmaatregelen voor het gevangenispersoneel versterken, onder meer door hun traceerbaarheid te beperken. Zo zal de zichtbare persoonsinformatie op identificatiebadges worden beperkt, waarbij het evenwicht behouden blijft tussen anonimiteit en noodzakelijke identificatie. Daarnaast intensiveren we de veiligheidscontroles door de bestaande procedures strikt toe te passen en gerichte controles rond de penitentiaire instellingen op te voeren. We bekijken of er nieuwe technologieën kunnen worden ingezet, zoals mobiele detectie- en geavanceerde bewakingssystemen, om de toegangscontroles tot de gevangenissen te versterken.

Preventie en nazorg in het geval van gerichte aanvallen blijven een topprioriteit. Elke penitentiaire instelling zal beschikken over een goed opgeleide medewerker, die snel zal kunnen optreden bij ernstige feiten.

De bescherming van het personeel buiten de gevangenismuren zal worden verbeterd door een nauwere samenwerking met de politiediensten en de gerechtelijke autoriteiten om bedreigingen tegen penitentiaire beambten te detecteren, waar mogelijk te voorkomen en bij vaststelling van feiten alle beschikbare informatie samen te brengen zodat politie en parket de nodige opsporingen kunnen doen. Een strikte incidentopvolging zal ervoor zorgen dat fenomenen kunnen worden geanalyseerd, zodat we daarop beter kunnen anticiperen.

Daarnaast zullen we ook nagaan hoe onze buurlanden omgaan met geweldsfeiten en de bescherming van medewerkers. Daartoe zullen we best practices delen met Frankrijk, maar ook met Nederland.

Tegelijkertijd intensiveren we de strijd tegen agressie en criminaliteit binnen de gevangenismuren. De bedoeling is om de veiligheidscellen in verschillende gevangenissen in te richten en om een specifieke afdeling op te richten voor de meest agressieve gedetineerden, waar ze onder begeleiding kunnen staan van speciaal opgeleid personeel.

De strijd tegen smokkel- en drugshandel in de gevangenis zal eveneens worden opgevoerd met verscherpte controles op de aanwezigheid van mobiele telefoons, de inzet van jammers en drugshonden, maar ook de inzet en de vorming van ICT-speurhonden, wat tot een betere drugsdetectie en ICT-detectie moet leiden.

Daarnaast zal het personeel extra trainingen krijgen in conflictbeheer en communicatietechnieken om crisissituaties beter het hoofd te bieden. Voor alle agressie-incidenten worden de politie en het parket op de hoogte gebracht en worden de nodige onderzoeken gevoerd. Over de inhoud van lopende onderzoeken kan ik geen informatie geven.

Laat ons duidelijk zijn, collega's, dat we samen moeten inzetten op die geïntegreerde aanpak van preventie, nazorg en repressie, met de bedoeling zo veilig mogelijke werkomstandigheden te creëren voor alle medewerkers, in het bijzonder penitentiair beambten.

Mevrouw De Wit, in 2024 waren er ten aanzien van het personeel meer dan 70 gevallen van agressie met een arbeidsongeschiktheid tot gevolg. Voor gedetailleerdere cijfers kunt u een schriftelijke vraag stellen.

Mijnheer Yzermans, voor uw vraag inzake het verstoren van de communicatie tussen gedetineerden en de buitenwereld verwijs ik graag naar mijn antwoord op de samengevoegde vragen nrs. 56003328C en 56003377C van uzelf en mevrouw Dillen.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, ik dank u voor uw uitvoerige antwoord.

Ik denk dat het inderdaad een grote bezorgdheid is die iedereen deelt.

Ik heb begrepen dat u vanochtend met de vakorganisaties hebt samengezeten om in te zetten op betere werkomstandigheden binnen de gevangenis. Dat is heel belangrijk en daar zullen wij u in steunen. Dat weet u, maar dat lost natuurlijk niks op in deze zeer ernstige problematiek. Wat dit aspect betreft – nogmaals, inzake de werkomstandigheden zal ik u steunen – is het van bijzonder belang om ervoor te zorgen dat de traceerbaarheid en de identificatie zo minimaal mogelijk worden. Eigenlijk moeten we ons de vraag stellen of die niet volledig kunnen worden uitgesloten.

Wat mij betreft, mevrouw de minister, is het nergens voor nodig dat cipiers op dit ogenblik een badge dragen, zeker niet met hun naam erop. Men kan daar misschien een fictieve naam op zetten zodat, als er problemen of discussies zouden zijn met gedetineerden, de cipier met badgenaam A, maar die eigenlijk de naam B heeft, door de gevangenisdirectie zou kunnen worden geïdentificeerd. De gedetineerden moeten daar echter niet van op de hoogte zijn.

U zegt dat u nieuwe technologieën zult inzetten om de toegang beter te controleren, maar ook daar zit volgens mij het probleem niet, wat dit aspect betreft. Het probleem is te situeren bij de zware criminelen die binnen zitten, ofwel bij hun netwerk in de samenleving. Ik ben heel benieuwd naar de best practices die u wilt opdoen in Nederland en Frankrijk.

Wanneer de daders van deze gruwelijke feiten – het gaat over 370 gevallen, wat veel te veel is – gepakt worden, geldt er maar één antwoord en dat is zeer, zeer strenge repressie.

Alain Yzermans:

Het verheugt me deze concrete batterij aan maatregelen te horen. We hebben die vraag hier de voorbije maanden al verschillende keren gesteld en het is de eerste keer dat er een zeer uitgebreid pakket wordt opgesteld. De best practices interesseren mij ook, want geweld is maatschappelijk niet wenselijk en destabiliserend. We kijken uit naar de uitvoering en we zullen dat consciëntieus opvolgen.

Sophie De Wit:

Mevrouw de minister, het is eigenlijk huilen met de pet op. Het is een heel grote uitdaging. Meer dan 370 gevallen op een jaar tijd, dat is meer dan een per dag en dus meer dan een per dag te veel. Er is dus jammer genoeg werk aan de winkel.

De maatregelen ter verstoring van de communicatie binnen de gevangenissen
De verderzetting van criminele activiteiten in de gevangenissen
Gevangeniscommunicatie en criminele netwerken binnen detentie

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 12 maart 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Verlinden bevestigt dat gedetineerden uit georganiseerde misdaad vanuit gevangenissen de Brusselse drugsoorlog blijven aansturen via gesmokkelde gsm’s, en kondigt een gerichte aanpak aan: pilootprojecten met lokale jammers (eerste resultaten positief, uitrol volgt na evaluatie), meer gsm-detectieapparatuur (20 extra toestellen in 2024), ICT-speurhonden (samenwerking met politie, maar opleiding vereist tijd) en dronedetectie voor betere perimeterbeveiliging. Risicogedetineerden worden geïsoleerd of overgeplaatst met een strenger regime, terwijl veiligheidspartners risicoprofielen monitoren—niet alle gevangenissen krijgen verhoogde maatregelen, maar wel geselecteerde locaties op basis van dreigingsanalyses. Financiële middelen (voor technologie, infrastructuur, training en corruptiebestrijding) zijn nog niet vrijgemaakt en moeten bovenop het bestaande budget komen, wat kritische vragen oproept over haalbaarheid. Korte-termijnoplossingen (zoals jammers) hebben voorrang, maar structurele maatregelen (zoals hondeninzet) vragen langere implementatietijd.

Alain Yzermans:

Mevrouw de minister, ik hou het bij de schriftelijke versie van mijn ingediende vraag. Daarop is deels geantwoord, maar ik wil de volledige opsomming van de maatregelen.

Ook binnen de muren van de gevangenis lijkt de Brusselse drugsoorlog te worden aangestuurd. Recente berichten suggereren dat criminelen in detentie hun activiteiten voortzetten door middel van mobiele telefoons die illegaal de gevangenis binnenkomen. U kondigde recent een batterij aan maatregelen aan om de nefaste situatie aan te pakken, waaronder het inzetten van jammers en ICT-honden. Deze initiatieven zouden moeten helpen om de communicatie van criminelen te verstoren en de drugsoorlog effectiever te bestrijden.

Vragen voor Minister van Justitie Annelies Verlinden:

1. Kunt u meer uitleg geven over de specifieke maatregelen die u wilt nemen om de communicatie van criminelen in de gevangenis te verstoren? Kunt u ons meer vertellen over het pilootproject met kleinere jammers en wanneer we de uitrol naar andere gevangenissen kunnen verwachten?

2. Hoe effectief zijn de ICT-honden tot nu toe gebleken in het opsporen van ICT-materiaal, en hoeveel honden zijn er nodig om het probleem adequaat aan te pakken?

3. Hoeveel gedetineerden zijn reeds geïsoleerd in het kader van drugsgerelateerde criminele activiteiten? Staan hier nog andere tuchtsancties tegenover?

Marijke Dillen:

Ik verwijs ook naar de schriftelijke versie van vraag en begrijp dat de minister alleen nog antwoord geeft op de vragen die daarnet bij de vorige vraag niet beantwoord zijn.

Er zijn sterke aanwijzingen dat de drugsoorlog in Brussel ook mee wordt aangestuurd door criminelen die in de gevangenis zitten. Ze gebruiken hun mobiele telefoons die binnengesmokkeld worden om hun criminele activiteiten verder te zetten. Dit is geen nieuw probleem en is niet beperkt tot de drugsoorlog in Brussel. Dringende maatregelen zijn nodig om hieraan paal en perk te stellen. De minister heeft aangekondigd een plan klaar te hebben met verschillende maatregelen.

Kan u meer toelichting geven betreffende dit plan van aanpak? Werd dit reeds door de regering goedgekeurd?

Zal dit plan beperkt blijven tot criminele feiten die druggerelateerd zijn of wordt dit van toepassing op alle criminele activiteiten die gestuurd worden vanuit de gevangenissen?

Zal dit plan van aanpak worden uitgerold in alle gevangenissen in dit land?

Wat zijn de financiële gevolgen en worden er hiervoor de nodige bijkomende budgetten vrijgemaakt?

De minister heeft aangekondigd initiatieven de zullen nemen om gsm's gericht te blokkeren. Zo zullen er o.a. jammers worden ingezet die mobiele communicatie verstoren. In het verleden is dit ook reeds gebeurd maar dit zorgde voor een verstoring van de bredere communicatie van hulp- en veiligheidsdiensten. Thans is er blijkbaar een pilootproject met kleinere jammers. Kan de minister hierover meer toelichting geven?

Wanneer zal dit breed uitgerold kunnen worden?

Ook zal er worden ingezet op speurhonden die ICT-materiaal kunnen opsporen. De federale politie heeft zulke honden maar het inzetten van deze honden in gevangenissen vraagt bijkomende opleiding en vergt dus tijd. Kan de minister hierover meer toelichting geven? Binnen welke periode kunnen deze honden ook daadwerkelijk worden ingezet?

Het isoleren of overplaatsen van bepaalde gevangenen waarvan blijkt dat ze hun criminele activiteiten verderzetten binnen de gevangenismuren al dan niet met behulp van andere gevangenen of bezoekers is ook een mogelijke oplossing. Wat is hier het standpunt van de minister? Werden er ter zake al initiatieven genomen?

Annelies Verlinden:

Mijnheer Yzermans, mevrouw Dillen, om de context te schetsen, gedetineerden die kunnen worden gelinkt aan georganiseerde misdaad en drugsgerelateerd geweld vormen een dreiging, ook in de gevangenis. Het kan gaan om corruptie, vluchtgevaar, gebruik van medegedetineerden of nog de voortzetting van hun criminele activiteiten, zowel binnen als buiten de inrichtingen.

In eerste instantie is het belangrijk om goed af te stemmen met alle veiligheidspartners om duidelijk te identificeren wie moet worden opgevolgd binnen de gevangenissen. Daarvoor worden de nodige overlegstructuren opgezet. De analyse en opvolging van die profielen hebben betrekking op zowel het juridisch en veiligheids- als psychosociaal vlak. Er moet ook een nationale monitoring worden opgezet van die risicoprofielen.

Ook op infrastructureel vlak moet er worden ingegrepen. Onze cellen zullen moeten worden aangepast aan die risicoprofielen. We zullen ook verder inzetten, zoals ik inderdaad in antwoord op de vorige vraag al zei, op de jamming van gsm's. Daarvoor is een pilootproject lopende, waarbij de effectiviteit van de technologie, maar ook de eventuele impact ervan op de communicatie van buurtbewoners en hulp- en veiligheidsdiensten wordt getest. De eerste evaluaties zijn wel positief en we bekijken de uitbreiding ervan om die communicatie te blokkeren.

We moeten eveneens investeren in gerichte controles op gsm-bezit. Dat doen we door meer gsm-detectietoestellen in te zetten. Eind 2024 werden 20 extra toestellen aangekocht. Ook kan, zoals ik daarnet al zei, de inzet van ICT-honden van de federale politie nuttig zijn. We bekijken samen met de politie hoe die optimaal kunnen worden ingezet. We onderzoeken verder ook de mogelijkheid om dronedetectie te implementeren, om de perimeter van de gevangenissen nog beter te beveiligen.

Het is niet realistisch en ook niet noodzakelijk om de verhoogde veiligheidsmaatregelen in elke gevangenis in te voeren. Daarom zal het plaatsings- en transferbeleid voor die profielen worden bepaald in samenspraak met de veiligheidspartners. Het isoleren van bepaalde gevangenen van wie blijkt dat ze hun criminele activiteiten voortzetten binnen de gevangenismuren gaat gepaard met een strikter detentieregime en dat wordt vandaag ook al toegepast. We zullen onderzoeken of er nog aanpassingen nodig zijn op basis van die best practices.

Verder zullen we in de opleiding van medewerkers ook meer aandacht schenken aan preventieve aspecten. Het kan dan gaan over hoe er moet worden omgegaan met profielen of hoe er correct moet worden gebruikgemaakt van nieuwe detectietechnologieën. Uiteraard gaat dat hand in hand met de maatregelen die zullen worden ingezet voor een betere bescherming van medewerkers die worden bedreigd, maar ook de strijd tegen corruptie bijvoorbeeld.

Het is evident dat er financiële gevolgen verbonden zijn aan dit plan, onder meer op het vlak van het informaticasysteem voor de monitoring, de vorming van de medewerkers, de infrastructurele aanpassingen, de middelen voor jamming en dronedetectie of nog de nieuwe technologieën voor de perimeterbewaking. Dat zal dus eerst nauwkeurig in kaart moeten worden gebracht.

Mijnheer Yzermans, wij kunnen om veiligheidsredenen geen precieze cijfers geven over het aantal gedetineerden dat geïsoleerd is vanwege drugsgerelateerde activiteiten, maar het gebeurt vandaag wel al.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, ik heb twee kleine opmerkingen. Ten eerste, u hebt aangekondigd dat u zult inzetten op speurhonden die ICT-materiaal kunnen opsporen. Dat is een positief initiatief, maar ik heb wel gelezen in de commentaren van de politie dat die honden daarvoor moeten worden opgeleid. Ik begrijp heel goed dat dit niet van vandaag op morgen kan. Die maatregel kan in de toekomst misschien interessant zijn, als er voldoende medewerking is bij de politie, maar dat is dus geen oplossing voor morgen. Ten tweede, u zult heel veel verschillende nieuwe technologieën inzetten; zo blijkt duidelijk uit uw antwoord. U zei ook dat het prijskaartje bijzonder hoog zal zijn. U moet dat zelfs nog in kaart brengen. We weten dat uw middelen jammer genoeg beperkt zijn, dus ik hoop dat u er bij de begrotingsbesprekingen in slaagt uw collega-ministers te overtuigen hiervoor bij prioriteit financiële middelen vrij te maken boven op uw budget. Het zal boven op uw budget moeten zijn, want uw ambities, die ik in het regeerakkoord heb gelezen, zijn heel groot. Dat is terecht en ik heb u daarin grotendeels gesteund tijdens de bespreking in de plenaire vergadering, weliswaar kritisch. Uw ambities zijn heel groot, maar uw middelen zijn beperkt. Voor dit soort zaken zult u om bijkomende budgetten moeten vragen en ik hoop dat uw collega's daartoe bereid zullen zijn.

De toegankelijkheid van het Brusselse Justitiepaleis

Gesteld door

lijst: CD&V Franky Demon

Gesteld aan

Vanessa Matz (Minster van Modernisering van de overheid, Overheidsbedrijven, Ambtenarenzaken, Gebouwenbeheer van de Staat, Digitalisering en Wetenschapsbeleid)

op 11 maart 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Het justitiepaleis in Brussel is ontoegankelijk voor personen met beperkte mobiliteit (o.a. rolstoelgebruikers), wat hun recht op toegang tot justitie ondermijnt, ondanks eerdere regeerakkoordafspraken over inclusiviteit. Minister Matz bevestigt dat een toegankelijkheidsdiagnose voor 70 Brusselse federale gebouwen (inclusief het justitiepaleis) pas in 2025 start, met een tijdelijke platformlift (eind 2025) als noodoplossing, terwijl een volledige renovatie afhangt van een haalbaarheidsstudie (klaar in 2025) en samenwerking met toegankelijkheidsexperts. Demon benadrukt de urgente noodzaak, maar stelt vast dat zelfs basistoegang nu ontbreekt, wat "beschamend" is voor een publiek gebouw. Concreet actieplan blijft vaag, met eerste stappen pas over jaren, ondanks beloftes over versnelling.

Franky Demon:

Mevrouw de minister, enige tijd geleden probeerde paralympisch atleet Francis Rombouts zijn rechtszaak voor de ontoegankelijkheid van de NMBS bij te wonen in het justitiepaleis in Brussel. Er was echter een probleem. De vooraf aangevraagde toegankelijke rechtszaal bleek helemaal niet toegankelijk te zijn. Het zou eigenlijk een goede Belgenmop kunnen zijn, die ik u even zal vertellen.

In plaats van de toegankelijkheid te garanderen voor iedere burger, lijkt het justitiepaleis eerder op een hindernissenparcours voor personen met een beperkte mobiliteit. Personen in een rolstoel dienen de achteringang te gebruiken om toegang te krijgen tot het justitiepaleis. Daar moeten ze bellen voor assistentie. Alleen is die bel buiten werking en hangt de vervangbel veel te hoog voor personen in een rolstoel. Bovendien moet men ook nog een trapje op om de vervangbel te kunnen gebruiken. Eenmaal binnen in het gebouw blijken de deuren van de rechtszaal niet helemaal open te kunnen, waardoor ze te smal zijn voor personen in een rolstoel. Alsof dat eigenlijk nog niet genoeg is, gaf de griffier ook aan dat het justitiepaleis eigenlijk niet over mobiele oprijplaten beschikt, waardoor personen in een rolstoel niet tot vooraan in de zaal, die meerdere kleine trapjes bevat, geraken.

In het regeerakkoord hebben we afgesproken dat de inspanningen zullen worden opgedreven om de toegankelijkheid van de gebouwen van de Regie te garanderen. Uit vragen die ik aan uw voorganger stelde, bleek dat een toegankelijkheidskadaster nog zeer lang op zich kan laten wachten. Ik heb toen al gereageerd dat dat wat ons betreft sneller zou moeten kunnen. Het toegankelijk maken van onder andere het justitiepaleis lijkt mij immers alvast een prioriteit te zijn. Het valt immers toch niet uit te leggen dat personen met een beperkte mobiliteit hun eigen rechtszaak niet kunnen volgen of erin zouden kunnen getuigen? Het betreft namelijk een publiek gebouw waarin een publieke dienstverlening wordt geboden waarop een hele groep mensen vandaag geen beroep kunnen doen.

Bent u op de hoogte van de ernstige situatie rond de toegankelijkheid? Wat zult u concreet ondernemen om de gebouwen van de Regie toegankelijker te maken? Op welke manier worden de inspanningen hiervoor opgedreven? Zult u de opmaak van het toegankelijkheidskadaster versnellen? Welke aanpassingen dienen te gebeuren om het justitiepaleis toegankelijker te maken? Welke timing voorziet u daarvoor? Zult u een beroep doen op de expertise van gespecialiseerde toegankelijkheidsorganisaties?

Vanessa Matz:

De verbetering van de toegankelijkheid van federale overheidsgebouwen is een constante bezorgdheid van de Regie der Gebouwen. De Regie der Gebouwen werkt momenteel aan de ontwikkeling van een elektronisch formulier voor de diagnose van de toegankelijkheid van federale overheidsgebouwen voor personen met een beperkte mobiliteit. Via dit formulier zal een overheidsopdracht aan gespecialiseerde ondernemingen worden toevertrouwd. Voor elk gewest wordt een aparte opdracht gelanceerd, gezien de verschillende regelgevingen in de verschillende gewesten.

Er zal binnenkort een studiebureau worden aangesteld, dat in de tweede helft van 2025 zal starten met de diagnose van de toegankelijkheid van 70 gebouwen in het Brusselse Gewest die eigendom zijn van de federale Staat en door de Regie der Gebouwen worden beheerd. Bij de diagnose van de toegankelijkheid van 70 gebouwen in het Brusselse Gewest zullen ook de bevindingen en aanbevelingen van de toegankelijkheid van het justitiepaleis volledig in kaart worden gebracht. Er is in 2023 ook een extern studieteam aangesteld voor een haalbaarheidsstudie over de toekomstige renovatie, restauratie en herinrichting van de volledige binnenkant van het justitiepaleis. Daarbij wordt ook de toegankelijkheid van het gebouw voor rolstoelgebruikers geanalyseerd, omdat dit een grote impact op de architectuur van het gebouw heeft.

De haalbaarheidsstudie zal in 2025 afgerond zijn en een beeld geven van de impactplanning en kostprijs van de toekomstige werken. Bij de volgende stappen voor de voorbereiding van de toekomstige renovatie, restauratie en herinrichting van de binnenkant van het justitiepaleis zal ook met andere types van handicaps rekening moeten worden gehouden, waarbij verplicht zou moeten worden samengewerkt met een toegankelijkheidsadviseur die gespecialiseerd is in de inclusie van personen met een handicap.

In afwachting van een globale definitieve oplossing van de toegankelijkheid van het justitiepaleis, worden er voorlopige ingrepen voorzien. Zo zal de Regie der Gebouwen in het kader van de lopende restauratie van de hoofdgevel van het justitiepaleis aan het Poelaertplein een platformlift plaatsen in het portiek Cassatie, het linker gedeelte van de voorgevel. Via deze lift kunnen personen met beperkte mobiliteit de trappen overbruggen van de erekoer naar het peristilium.

Voor de installatie van die lift moet een vergunning aangevraagd worden, maar de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen heeft alvast een gunstig advies verleend. De werken voor de lift zullen worden voltooid in de eindfase van de restauratiewerken aan de hoofdgevel, eind 2025.

Franky Demon:

Mevrouw de minister, ik volg de Regie der Gebouwen al jaren op. U hebt geen cadeau gekregen, gezien de toestand van onze federale gebouwen. Ik ben blij dat u zegt dat u met een formulier zult starten. Daarover ging het immers, er moet worden gestart met de evaluatie van de toegankelijkheid van alle gebouwen. Ik ben ook blij te horen dat er eind 2025 een speciale lift zal komen, zodat de mensen toch in het gebouw kunnen geraken. Het is echter beschamend dat mensen met een beperking, hier specifiek iemand met een rolwagen, hun rechten niet kunnen vervullen. Dat raakt mij. Ik ben blij dat tegen het einde van dit jaar met een tijdelijke ingreep dit euvel verholpen zal worden.

Het groeiende risico op cyberaanvallen door de snelle toename van het aantal batterijen

Gesteld door

lijst: VB Sam Van Rooy

Gesteld aan

Mathieu Bihet (Minister van Energie)

op 11 maart 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sam Van Rooy waarschuwt voor de groeiende kwetsbaarheid van het elektriciteitsnet door cyberaanvallen op slimme batterijen en Chinese marktdominantie, die via gerichte hackaanvallen landelijke stroomuitval kunnen veroorzaken, vooral door versnelde elektrificatie en internetgekoppelde energiesystemen. Minister Bihet benadrukt dat België proactief risico’s analyseert, cyberveiligheidswetgeving versterkt en technische maatregelen neemt om de impact van aanvallen te beperken, zonder concrete details over specifieke beschermingsplannen. Van Rooy blijft skeptisch, wijzend op eerdere falende beveiliging (bv. Antwerpen) en vreest dat pas na een grote aanval daadkrachtig zal worden opgetreden. De kernspanning draait om de balans tussen energietransitie en beveiliging tegen cyberdreigingen in een snel digitaliserend net.

Sam Van Rooy:

Mijnheer de minister, de snelle toename van het aantal batterijen, zoals thuisbatterijen, batterijparken en elektrische wagens, maakt ons elektriciteitsnet kwetsbaarder voor cyberaanvallen. Door de razendsnelle en naar mijn mening roekeloze elektrificatie wordt het opslaan van energie steeds belangrijker. Daardoor zal het aantal zogenaamd slimme batterijen, die ook met het internet verbonden zijn, de komende jaren alleen maar toenemen. Niet alleen betekent dat een aanslag op het milieu als we denken aan al de grondstoffen die daarvoor moeten worden ontgonnen, ook worden we daardoor kwetsbaarder voor hackers die al dan niet werken in opdracht van buitenlandse mogendheden of terroristen.

De wereldwijde batterijmarkt wordt vandaag, nota bene met hulp van de Europese Unie, gedomineerd door Chinese fabrikanten. Door grote batterijen op afstand bijvoorbeeld de opdracht te geven te laden op het moment dat het elektriciteitsnet al aan de maximumstroomvraag zit, zou dat tot een algemene stroomuitval kunnen leiden.

Peter Palensky, hoogleraar smart grids aan de Technische Universiteit Delft, zegt: "Een verstoring via een batterij of grote groep zonnepanelen kan een kettingreactie veroorzaken. De kwetsbaarheid zit vooral in hoe je de batterij inpast in het energiesysteem en de veiligheidsmaatregelen die je al dan niet neemt. Een hackersaanval zou nu alleen nog lokaal impact kunnen hebben, maar over vijf of tien jaar kan die impact regionaal of zelfs landelijk zijn." Dat is een zorgwekkend citaat.

Mijnheer de minister, hoe reageert u daarop? Hoe wapent België zich daartegen?

Mathieu Bihet:

Mijnheer Van Rooy, mijn administratie heeft de opdracht om proactief de impact van nieuwe technologieën op het net te analyseren en eventuele risico's in kaart te brengen. Verschillende cyberwetgevende initiatieven versterken de veiligheid van de onderdelen van het energiesysteem en helpen zo de dreiging en het risico op incidenten te beperken.

Naast de verschillende wetgevende kaders om de beveiliging te verbeteren, zijn er echter ook verschillende maatregelen die de stabiliteit van het energienet beschermen tegen onverwachte incidenten. Die maatregelen zorgen ervoor dat de impact van de incidenten beperkt blijft en dat de gebruikers van het net in de meeste gevallen geen enkele impact zullen voelen, bijvoorbeeld bij een cyberaanval op een van de energieoperatoren.

De thematiek wordt dus nauwlettend opgevolgd door mijn administratie, alsook de te nemen beveiligingsmaatregelen om de energiebevoorradingszekerheid van België te garanderen en zo een robuuste, duurzame en veilige energietoekomst op te bouwen.

Sam Van Rooy:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw summier antwoord. Ik weet niet of wat u te berde brengt, mij volledig geruststelt, temeer omdat uit het recente verleden is gebleken dat de lokale en bovenlokale overheden wel degelijk te maken krijgt met hackersaanvallen. Ik denk bijvoorbeeld aan de cyberaanval in Antwerpen, waartegen de stad blijkbaar niet genoeg beveiligd was. Daarom stel ik deze vraag. We moeten inderdaad anticiperen op de toenemende dreiging via hoogtechnologische middelen en de toenemende kwetsbaarheid die we zelf in de hand werken door alles zo dwangmatig en volgens mij overdreven snel te elektrificeren en dus doorgaans ook te verbinden met het internet. Ik zal dat verder blijven opvolgen en hoop dat we niet, net zoals in Antwerpen, eerst moeten voelen en een grote aanval moeten meemaken alvorens er, zoals dat vaak gaat in dit land, actie wordt ondernomen.

Een vooruitblik op de volgende week geplande Europese Raad van Defensieministers
Steun aan de economie en de bedrijven gezien de mogelijke verhoging van de Amerikaanse douanerechten
De door Donald Trump gevoerde geopolitiek
De Europese reactie op de verhoging van de douanerechten door de Verenigde Staten
De handelsoorlog met de Verenigde Staten
De door Donald Trump aangekondigde invoerheffingen op Europese producten
De douanerechten en het Europese concurrentievermogen
De grote impact op de farmasector van de Amerikaanse invoertarieven op Europese producten
Oekraïne en de defensie-inspanningen van België
Europese reacties op Amerikaanse handelsbeleid en defensie-strategieën.

Gesteld aan

Bart De Wever (Eerste minister), David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw), Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 27 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om Europa’s strategische autonomie en reactie op de dubbele dreiging van Amerikaanse handelstarieven (25% op EU-producten) en de escalerende defensieverplichtingen (NAVO’s 2%-bbp-eis). De kernpunten: (1) Defensie: België moet dringend het 2%-doel halen (voor de zomer) en structurele financiering regelen, met nadruk op Europese samenwerking binnen de NAVO, maar *concrete plannen en timing ontbreken nog*. (2) Handelsoorlog: De VS bedreigen de EU met tarieven, wat de Belgische export (o.a. farmacie, auto) raakt—Europa moet *eengemaakt en proportioneel* reageren, zonder in een escalatiespiraal te belanden, maar met focus op industriële soevereiniteit (innovatie, herindustrialisering) en diversificatie van handelspartners. (3) Critici (o.a. PTB) waarschuwen voor *blind volgen van de VS* en pleiten voor een *niet-gebonden Europa* dat partnerschappen met het Globale Zuiden zoekt, terwijl anderen (N-VA, CD&V) benadrukken dat *veiligheid (via NAVO) voor welvaart gaat*. Actiepunten: België speelt een *verenigende rol* in de EU, maar *concrete maatregelen* (bv. taskforce, budgetten) blijven vaag—urgentie domineert.

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de eerste minister, volgende week vindt er een extra EU-top plaats, over de situatie in Oekraïne en defensie. Dat is absoluut noodzakelijk. De geopolitieke situatie is immers zorgwekkend en verandert razendsnel. De wereld staat in brand en Europa heeft veel te lang aan de zijlijn gestaan, zonder de mond open te doen.

Het is dus hoog tijd om te blussen. Mijnheer de eerste minister, om te blussen heeft men echter blusmateriaal nodig. En laat net daarover, over die structurele middelen en financiering van defensie, bijzonder veel onzekerheid bestaan. Hoe zullen we het Defensiefonds structureel financieren? Nog geen idee. Extra uitgaven voor defensie binnen of buiten de begroting? Nog geen idee. Wat gaat de Europese Unie doen? Gaat zij dat toestaan of niet? Nog geen idee. Er moet duidelijkheid komen, want we verliezen tijd. NAVO-baas Mark Rutte heeft het heel duidelijk gezegd. Die absolute ondergrens van 2 % van het bbp moet er komen nog voor de zomer.

Mijnheer de eerste minister, u bent historicus en ik weet dat u graag over het verleden spreekt. Mea culpa, het is juist dat de voorbije decennia heel veel partijen hier aanwezig, ook die van de Zweedse regering, te weinig hebben geïnvesteerd in defensie. We leven vandaag echter in een andere wereld. De wereld is de voorbije jaren grondig door elkaar geschud en grondig gewijzigd. We moeten dus stoppen met achterom te kijken en moeten vooruitkijken en schakelen.

Ik wil van u weten wat de regering vandaag en in de toekomst zal doen. Wat zal het standpunt van uw regering zijn op de komende EU-top? Hoe en wanneer zult u de 2 % voor defensie halen?

Patrick Prévot:

Monsieur le premier ministre, messieurs les ministres, votre gouvernement n'a que quelques semaines et déjà, malheureusement, les promesses s'effritent.

Vous aviez promis un taux d'emploi de 80 %, mais, monsieur le premier ministre, vous avez dit cette semaine que ce ne sera pas pour cette législature. Il aurait peut-être fallu être honnête d'emblée, et non pas quelques semaines après le vote de confiance. Vous aviez évoqué les 8 milliards de recettes mais, là aussi, vous avez estimé que les effets retours semblaient incertains. Bref, on l'avait dit, vous ne nous avez pas cru, ces promesses, c'était du vent.

Pendant ce temps-là, monsieur le premier ministre, messieurs les ministres, de l'autre côté de l'Atlantique, le président américain, Donald Trump, lance une guerre économique et annonce que des droits de douane de 25 % sur nos produits pourraient être pratiqués. Face à cela, allez-vous rester passif ou allez-vous avoir une attitude proactive? L'accord de gouvernement parle d'un plan de relance industriel, mais avec moins d'investissements publics – ce que nous déplorons vivement, comme nous vous l'avons dit lors des débats – et peu de vision à long terme.

La Commission européenne, de son côté, propose un pacte pour une industrie propre mais son budget de 100 milliards semble largement insuffisant. Concrètement, avez-vous votre plan pour la relance industrielle? Quel est-il? Soutiendrez-vous nos secteurs stratégiques et nos entreprises? Allez-vous, oui ou non, garantir des emplois de qualité? Une task force a-t-elle été mise en place pour avoir cette vision proactive? Si oui, qui en fait partie? Si cette task force existe, comptez-vous associer les entreprises, les travailleurs, les syndicats, les ONG et la société civile à l'élaboration de cette politique industrielle?

Je vous remercie d'avance de vos réponses.

Raoul Hedebouw:

Monsieur le premier ministre, pendant des mois, on a mis en garde tous les partis politiques que suivre aveuglément l'impérialisme américain allait détruire l'Europe et notre économie. Pendant des mois, vous avez ri du PTB et de sa vision géopolitique!

Regardez ce qui se passe maintenant! Les Américains sont en train d'humilier l'Europe. Avez-vous vu le comportement de Macron quand il est allé chez Trump? Il était en train de lui cirer les chaussures en lui racontant des petites blagues. C'est pourtant la survie et la stratégie de l'Europe qui sont actuellement en jeu.

Monsieur le premier ministre, je vous avais prévenu que ça n'allait pas marcher.

De Amerikanen gaan altijd voor hun eigen business.

Il suffit d'analyser l'accord sur les minerais. Tout est clair maintenant!

De grondstoffen van Oekraïne gaan direct in de zakken van de Amerikaanse imperialisten!

La situation est similaire en ce qui concerne l'énergie. Les Américains nous ont vendu leur gaz de schiste trois ou quatre fois plus cher pour se faire de l'argent. Nous avons, bien entendu, dit dès le départ qu'il fallait condamner Poutine. C'était évident! Cependant, il fallait aussi défendre les intérêts de l'Union Européenne, ce que vous ne faites pas!

Monsieur le premier ministre, allons-nous continuer à suivre les Américains? La déclaration gouvernementale n'en a d'ailleurs que pour eux. Comment pouvez-vous continuer à être aussi naïfs? Comment pouvez-vous continuer à leur acheter pour des milliards d'armements? Ils ne pensent qu'à l'argent.

Chers collègues, Trump n'est pas un homme de paix. Pourquoi retire-t-il ses troupes aujourd'hui? Pourquoi retire-t-il ses intérêts d'Ukraine? Pour attaquer la Chine? Il le fait pour préparer la guerre de demain!

La question que l'Europe doit se poser est de savoir si nous devons suivre les Américains docilement comme des petits chiens, ou enfin développer une Europe indépendante et stratégique à l'échelle mondiale. C'est de cela dont nous avons besoin.

(…): (…)

Voorzitter:

Mijnheer Hedebouw, u zou het niet op prijs stellen indien uw tussenkomst op deze manier zou worden onderbroken. Ik neem aan dat u dat dan ook niet zult doen voor collega Deborsu.

Charlotte Deborsu:

Monsieur le premier ministre, l'Union européenne aurait été créée pour entuber les États-Unis. On en apprend tous les jours avec le professeur Trump. Monsieur le premier ministre, connaissant votre amour pour l'histoire, j'imagine que vous avez failli tomber de votre chaise en entendant cela comme nous tous.

Mais au-delà du grotesque, il y a une réalité. Les États-Unis annoncent vouloir taxer à hauteur de 25 % toute une série de produits européens. Cette mesure complètement anti-libérale risque d'avoir un impact direct sur nos entreprises et nos emplois en Belgique et en Europe. À l'heure actuelle, l'Union européenne a une balance commerciale positive avec les États-Unis de 150 milliards sur les biens.

Monsieur le premier ministre, mes questions sont dès lors les suivantes: avez-vous déjà la liste des produits européens qui seraient concernés?

Comment mesurez-vous l'impact de cette décision pour la Belgique? Allez-vous donner des instructions au ministre du Commerce extérieur afin qu'il prenne des mesures, en coopération avec toutes les Régions, pour contrer les effets de cette décision?

Jusqu'à présent, la Commission européenne a préparé des mesures "au cas où". Jugez-vous qu'elles sont suffisamment crédibles et dissuasives pour convaincre le président américain de revenir sur cette décision?

Comment jugez-vous l'unité politique des Européens et la proactivité de la Commission sur ce dossier?

Les États-Unis nous voient désormais comme un adversaire commercial. Nos relations ont changé, dont acte. Quelles sont dès lors vos stratégies pour diversifier notre commerce extérieur au bénéfice de nos entreprises et de notre taux d'emploi? C'est une véritable priorité pour notre groupe.

Je vous remercie déjà pour vos réponses.

François De Smet:

Monsieur le premier ministre, dans son style délicat habituel, M. Trump a annoncé des droits de douane de 25 % sur les produits européens. Nous savions déjà que nous vivions un tournant historique en géopolitique, du point de vue militaire, mais ce tournant est aussi commercial. Nous savons désormais aussi que nous devrons assumer notre défense seuls et sur ce plan-là, comme je l'ai déjà dit, et je n'ai pas de problème à le redire, votre accord de gouvernement va dans le bon sens.

Concernant l'énergie, nous vivons une hyper-dépendance. Nous serions aujourd'hui incapables de nous séparer à la fois du gaz russe et du gaz liquéfié américain. Et sur le plan économique, bien qu'étant le premier marché du monde, la présidence Trump nous confirme avec franchise ce que nous savons déjà: nous sommes des consommateurs de la mondialisation et non plus des acteurs de celle-ci.

Le point faible de l'Europe, chers collègues, a un nom: l'innovation. Nous fermons aujourd'hui notre avant-dernière usine automobile, ce qui nous rappelle que nous avons manqué le virage industriel. Nous, Européens, n'avons créé aucun des outils technologiques qui dirigent le monde aujourd'hui. Nous ne sommes pas les meilleurs en ce qui concerne l'esprit d'entreprise et l'initiative, et nous ne parvenons pas à favoriser l'innovation.

Même votre accord de gouvernement, je le crains, manque le cap. Votre programme est clair: forcer tout le monde à travailler plus sans vraiment gagner plus, que ce soient les demandeurs d'emploi, les malades, les jeunes ou les plus vieux, etc. Très bien, sauf que l'on n'a pas seulement besoin de davantage de travailleurs. On a aussi besoin de davantage d'entrepreneurs, de créateurs, de gens qui peuvent créer de la richesse, créer de l'emploi, prendre des risques en étant encouragés à l'innovation. Sur ce plan-là, votre accord de gouvernement est décevant.

La question qui est le sujet maintenant est de savoir comment faire pour affronter cet allié qui tend à devenir un adversaire, les États-Unis. Comment faire pour s'affirmer davantage comme marché européen, alors que nous sommes le premier marché du monde? Comment défendons-nous nos entreprises? Comment allons-nous faire de ce pays et de ce continent des acteurs clés de l'innovation? Comment faire pour qu'ils redeviennent un véritable poumon industriel, un acteur de l'économie mondiale et non un simple client? Dans l'immédiat comment allons-nous réagir à cette hausse douanière brutale de 25 %?

Meyrem Almaci:

" The European Union was formed in order to screw the United States. That’s the purpose of it. " Die uitspraak is grotesk, zoals we Trump kennen, de man van het recht van de sterkste, die alle regels aan zijn laars lapt.

Na Gaza en Oekraïne richt hij nu de pijlen op de economie van Europa met zijn aankondiging dat hij 25 % invoerheffingen overweegt op auto’s, halfgeleiders, chips en medicijnen. Op de vraag of hij geen schrik had van een forse tegenreactie, antwoordt hij het volgende: " They can try, but they won’t ." We weten al langer dat de huidige president in een alternatieve realiteit leeft. We weten ook dat hij in Europa zijn fans heeft, om onze minister van Defensie niet te noemen, die al meermaals lovend sprak over de man.

"They can try, but they won’t ." Voor ons is het eenvoudig: Yes, we can and we will . Dat is niet van harte, maar als het moet, moet het. Een bullebak als Trump begrijpt immers alleen maar de taal van geld en macht. Ik was tevreden de eerste reactie van Europa te lezen, namelijk dat Europa een partner was, indien de regels werden gevolgd.

De vraag is nu de volgende: wat is de positie van de huidige regering? Immers, handelsoorlogen produceren alleen maar verliezers. Dat is belangrijk om te onthouden met bedrijven als Volvo in ons land en de sterke farmasector. Waakzaamheid is echt geboden.

Hoe zorgen we er dus voor dat de verdeel-en-heersstrategie van Trump bij ons geen voet aan de grond krijgt? Hij heeft immers geprobeerd bij Oekraïne. Hoe zorgen we ervoor dat de expertise, efficiëntie en ontwikkeling hier blijft?

Mijnheer de eerste minister, hebt u al contacten gehad met de collega’s in Europa om één front te vormen? Hebt u al contact gehad met de Wereldhandelsorganisatie? Bent u bereid fors te reageren op de woorden van Trump en op welke manier wilt u dat dan doen in uw hoedanigheid van eerste minister van alle Belgen?

Simon Dethier:

Monsieur le premier ministre, messieurs les ministres, cette semaine, les États-Unis ont menacé l'Union européenne de droits de douane de 25 % sur les produits européens.

Au même moment, l'Union européenne a présenté un plan qui a pour ambition d'améliorer la compétitivité des entreprises européennes tout en préservant les objectifs climatiques. L'Europe et la Belgique se trouvent actuellement face à une situation complexe.

D'un côté, la transition vers la neutralité carbone est nécessaire. Nous avons vu les impacts du réchauffement climatique sur notre société. Il est indispensable d'agir. Nous ne sommes pas encore sur la trajectoire de cette neutralité. Il faudra donc redoubler de volontarisme et d'inventivité.

D'un autre côté, comme l'a dit le ministre du Climat, un État en faillite ne peut pas agir pour le climat. Les craintes d'une guerre commerciale et les difficultés d'approvisionnement en énergie plombent la compétitivité des entreprises belges. Il est du devoir de l'ensemble de veiller à préserver nos objectifs climatiques tout en maintenant la compétitivité.

J'aimerais dès lors vous poser deux questions. Comment veillez-vous à préserver les emplois et la compétitivité des entreprises? Comment veillez-vous à soutenir et à aider les entreprises à garder le cap de la neutralité carbone?

Koen Van den Heuvel:

Heren ministers, beste collega's, Trump steekt zijn middenvinger op naar Europa en naar ons en dat mogen we niet onbeantwoord laten. Trump kondigt aan dat hij 25 % invoertarieven op Europese producten zal heffen. Dat is nefast voor Europa en voor onze Belgische economie, want Amerika is nog altijd een heel belangrijke afzetmarkt, de vierde grootste, voor ons. Jaarlijks exporteren we voor meer dan 33 miljard euro goederen naar Amerika.

Vooral de farmasector speelt daarin een belangrijke rol en is verantwoordelijk voor meer dan de helft van die export. Deze sector is van strategisch belang voor de toekomst. Ze innoveert, ze is duurzaam en ze heeft, tegen de industriële trend in, de voorbije vijf jaar 6.000 extra arbeidsplaatsen in de industrie gecreëerd. Deze sector en al onze exportbedrijven mogen we niet in de steek laten, want we zijn in Europa en in België gevoelig voor invoertarieven. Trump probeert op deze manier Amerikaanse bedrijven te dwingen om hun productie vanuit Europa terug naar Amerika te verplaatsen, maar hij ontketent op die manier een wereldwijde handelsoorlog waar niemand bij wint.

We moeten in Europa stevig en onmiddellijk reageren, want we kunnen onze exportbedrijven en onze farmasector op dit moment niet in de steek laten. Collega's, de toekomst van Europa staat op het spel. Met deze Trumpiaanse manier van doen, met een spelletje duimen omhoog-duimen omlaag, probeert men ons lot te bepalen.

Collega's, we moeten sterk genoeg zijn. We moeten met Europa het heft in eigen handen houden. Het is niet Amerika dat de Europese toekomst zal bepalen. Mijnheer Hedebouw, het zijn ook niet uw Chinese vrienden die het lot van Amerika zullen bepalen!

Darya Safai:

Mijnheer de premier, in Saoedi-Arabië zijn gesprekken opgestart tussen de VS en de Russische Federatie over het conflict in Oekraïne. Dat de Europese landen zich gepasseerd voelen, is een understatement. Cruciaal voor het slagen van eender welke oplossing is de aanwezigheid van Oekraïne aan de onderhandelingstafel.

De Amerikaanse regering liet duidelijk verstaan dat Europa niet hoeft te rekenen op Amerikaanse steun en dat de Europese uitgaven voor defensie sterk moeten worden opgeschroefd. De Verenigde Staten dringen er ondertussen op aan dat elke NAVO-lidstaat ongeveer 5 % van het bruto binnenlands product aan defensie zou besteden. Mark Rutte, de secretaris-generaal van de NAVO, dringt erop aan om tegen de zomer 2 % te halen. In de regering wordt er gesproken over het bijsturen van het defensieplan. Afgelopen donderdag verklaarde u dat er miljarden gezocht moesten worden. Dat is een duidelijke boodschap.

Mijnheer de premier, binnen welke termijn moeten volgens u de inspanningen gebeuren? Wat is volgens u een realistische doelstelling? U verklaarde stappen te zetten naar een meer Europees geïntegreerde defensie in de NAVO, onder meer op het vlak van militaire aankopen. Graag krijg ik wat meer duiding over de plannen.

Bart De Wever:

Chers collègues, je vous remercie pour toutes ces questions. Je vais essayer d'y répondre en cinq minutes. Comme vous le savez, mes chers collègues Prévot et Clarinval complèteront ma réponse.

Depuis la séance de la semaine dernière, j'ai eu, comme vous pouvez l'imaginer, de très nombreux contacts internationaux concernant les derniers développements géopolitiques.

Lundi dernier, j'ai participé au sommet sur la sécurité organisé par l'Ukraine où j'ai confirmé la poursuite de notre soutien à l'Ukraine. Mardi après-midi, j'ai eu un entretien téléphonique avec le président Zelensky au cours duquel j'ai réaffirmé et concrétisé ce message. En outre, j'ai eu de nombreux contacts avec les dirigeants européens et le président du Conseil européen. Hier matin, un Conseil européen a eu lieu en vidéoconférence et le président Macron a fait un débriefing sur sa visite à Washington. Vous comprendrez, je l'espère, que je dois rester discret à ce sujet. Je comprends les nombreuses questions très détaillées mais il n'est pas réaliste de développer chaque élément ayant été discuté. Néanmoins, je peux vous dire que la position des partenaires européens reste inchangée.

Premièrement, l'Europe continuera à soutenir l'Ukraine et renforcera sa position dans les négociations de paix car " if you are not at the table you are on the menu " et cela est inacceptable. Deuxièmement, la participation de l'Ukraine et de l'Europe est nécessaire pour parvenir à une paix durable. Troisièmement, l'Europe doit intensifier ses investissements dans la défense. Le temps où notre continent pouvait se reposer sur un dividende de paix est malheureusement révolu. L'Europe doit pouvoir assurer entièrement sa propre sécurité le plus rapidement possible. La Belgique, en tant que membre fondateur de l'Union européenne et de l'OTAN, doit aussi apporter sa contribution. Cela est déjà prévu dans l'accord de gouvernement mais il ne faut pas exclure qu'à court terme, des efforts supplémentaires soient nécessaires.

Ik begrijp uw waarschuwing om niet achterom te kijken, mijnheer Vander Elst,. "Kijk vooral niet achterom" zal waarschijnlijk ook de slagzin worden van uw partij. Dan ziet u namelijk hoe u het hebt nagelaten: rampzalig. We zullen dus een spurtje moeten trekken en dat zal gebeuren.

L'Europe et ses partenaires doivent prendre rapidement des décisions pour renforcer les trois points cruciaux que je viens d'esquisser. Le 6 mars, le Conseil européen se réunira à ce sujet, mais je vous demande de rester très discrets sur cette date, car ma famille pense encore que nous serons ensemble en vacances. C'est la raison pour laquelle je l'ai dit en français. (Rires dans l'assemblée)

Op de bijeenkomst van de Europese Raad gisteren werd afgesproken om een constructieve dialoog met de Verenigde Staten te blijven voeren. Ik begrijp dat collega’s zich opwinden. Er zijn immers wel wat krasse dingen gezegd en hun hart mag koken, maar de consensus onder de Europese regeringsleiders was om het hoofd koel te houden. Vandaag is Keir Starmer in het Witte Huis, morgen is Zelensky aan de beurt. We zullen zien wat het wordt, maar het valt niet te ontkennen dat de verklaringen van de Amerikaanse regering ons zeer ongerust hebben gestemd. Dan gaat het niet alleen over onze Europese partners, maar ook over aantal andere internationale partners, niet het minst Canada.

Uiteraard stelt niemand – ik hoop ook hier niet – het NAVO-bondgenootschap ter discussie, want dat zou buitengewoon dom zijn. Waakzaamheid is zeker geboden. De dreigementen met nieuwe handelstarieven zouden ons als exportnatie ernstige zorgen moeten baren. De Verenigde Staten zijn een zeer belangrijk exportland voor ons. De farmasector, en niet alleen die in Puurs, is zeer afhankelijk van die export. Ik heb gisteren in de marge van de industrietop gesproken met mensen uit die sector en zij zijn bijzonder ongerust. Vooralsnog moeten we een handelsoorlog tussen de meest verweven handelsblokken ter wereld proberen te vermijden. Dat is onze kortetermijndoelstelling.

Madame Deborsu, vous avez de nombreuses questions détaillées sur ce que nous allons faire et comment nous allons réagir. J'en ai parlé hier avec Mme von der Leyen, mais il est encore trop tôt pour élaborer une réponse. Il est toutefois certain que l'Europe devra, le cas échéant, réagir très vite et très clairement.

Tot slot, u leest ongetwijfeld de berichten over een economisch akkoord tussen Oekraïne en de Verenigde Staten. Van die berichten wordt men niet blij. Europa zal in dat licht Oekraïne moeten blijven steunen om het in zijn positie te versterken, en de ontwikkelingen zeer goed moeten opvolgen. Zolang de definitieve modaliteiten van dat akkoord niet bekend zijn, is het evenwel moeilijk om daar precies op te reageren.

Mijnheer de voorzitter, als u mij nog vijf seconden gunt, dan rond ik mijn antwoord af.

Ik doe hier een oproep aan alle fracties in het halfrond om ondubbelzinnig de kant van Europa, de kant van het vrije Westen te kiezen en die te verdedigen.

On peut bien dire que Trump n'est pas un homme de paix, mais vous avez oublié de dire que Poutine est un homme de guerre!

Dat is wel heel belangrijk. ( Luid applaus )

Voorzitter:

Uw interpretatie van vijf seconden is wel bijzonder breed. Dat wordt afgetrokken van de spreektijd van de andere ministers.

Bart De Wever:

Voorzitter, ik kan het ook niet helpen dat er stormachtig applaus is wanneer ik spreek. Dat kost mij spreektijd.

Hoe dan ook moeten we ondubbelzinnig zijn: we moeten de kant van Europa en van het vrije Westen kiezen. We mogen niet naïef zijn. Als kleine en economisch sterke exportnatie is het onze taak vandaag maximaal aan die verbondenheid bij te dragen.

Voorzitter:

Het thema is natuurlijk bijzonder belangrijk. Dat blijkt ook uit de vele interventies erover, maar ik wil de regering toch aanmanen om de tijdslimieten te respecteren.

David Clarinval:

Mesdames et messieurs, chers députés, depuis l'investiture du président Trump, les relations transatlantiques sont mises en effet sous pression. Nos relations commerciales n'y échappent pas. Le président Trump a en effet annoncé son intention d'imposer des tarifs douaniers de 25 % aux importations en provenance de l'Union européenne.

Nous devons veiller à ce que l'on apporte une réponse commune et proportionnée aux décisions prises par l'administration Trump.

Het doel van de Amerikaanse president bestaat erin de vermeende ovenwichtigheden in de handelsbetrekkingen weg te werken. Hij verwijt de Europese Unie normen en regels op te leggen die de toegang tot de Europese markt moeilijker maken voor Amerikaanse producten, terwijl Europese producten genieten van een relatief vrije toegang tot de Amerikaanse markt.

De Verenigde Staten kondigden aan vanaf 12 maart 25 % douanerechten te zullen heffen op de import van staal en aluminium afkomstig uit de Europese Unie. Een volgende ronde maatregelen zou begin april worden aangekondigd.

La présidente de la Commission européenne a exprimé son profond regret face à cette décision et a réaffirmé que l'Union prendrait des contre-mesures fermes et proportionnées pour protéger ses intérêts économiques.

Au niveau belge, dans le cadre du processus de concertation DGE, nous avons initié depuis plusieurs semaines déjà une réflexion afin de définir une position commune, qui se veut assertive et qui tient compte des intérêts belges.

Il faut néanmoins savoir que toutes les mesures américaines ne sont pas encore précisément connues. Par ailleurs, nous attendons encore la proposition que la Commission pourrait faire pour répondre aux mesures américaines annoncées.

La Belgique entretient des relations commerciales fortes avec les États-Unis, tant du côté de l'offre que de la demande. En 2023, les exportations de biens belges vers les États-Unis ont représenté plus de 28 milliards d'euros alors que les importations de biens en provenance des États-Unis s'élevaient à près de 25,8 milliards d'euros.

Sur la base de plusieurs analyses, nos principaux secteurs sensibles ont été identifiés. Il s'agit de la chimie, du secteur pharmaceutique, du secteur métallurgique, de certaines matières critiques, du secteur automobile, des machines et des appareils électroniques.

Dans les semaines à venir, je veillerai, en tant que ministre de l'Économie, avec mon collègue des Affaires étrangères, à défendre au mieux les intérêts stratégiques de la Belgique. Notre position sera largement concertée avec les différentes Régions du pays. Nous veillerons à faire entendre les intérêts des plus petites économies comme la nôtre.

Sur le plan européen, nous plaiderons pour l'unité des États membres face à la politique commerciale menée par le président Trump. Face aux tentatives américaines d'approcher les États membres séparément, il sera en effet essentiel de rester sur la même ligne pour renforcer la cohérence de nos messages et notre position face à l'administration Trump.

Par ailleurs, il me semble aussi urgent de pouvoir développer au niveau européen et belge une stratégie de défense des industries et des entreprises confrontées à la concurrence internationale. Les annonces d'hier, en marge de la conférence d'Anvers sur le Clean Industrial Deal, semblent aller dans le bon sens. Nous devons les mettre en œuvre avec volontarisme et célérité, notamment au travers du plan interfédéral de développement des industries prévu dans notre accord de gouvernement. Je vous remercie pour votre attention.

Maxime Prévot:

Monsieur le président, c'est en ma qualité de ministre des Affaires étrangères et, à ce titre, compétent pour la diplomatie économique et la politique commerciale européenne que je vais compléter les propos du premier ministre et de mon collègue Clarinval.

Les États-Unis sont en train de faire fausse route. En annonçant imposer des droits de douane à tout-va, ils se mettent à dos une bonne partie du monde. Et nous ne voyons aucune justification à l'imposition de tels droits sur nos exportations. Comment peuvent-ils imaginer une seule seconde que cela va leur bénéficier? Comment peut-on penser que l'Union européenne constituerait une menace pour leur sécurité nationale?

De Amerikaanse tarieven zullen economisch contraproductief zijn, vooral gezien de diep geïntegreerde trans-Atlantische toeleveringsketens. Door tarieven op te leggen, zullen de Verenigde Staten hun eigen burgers belasten, de kosten voor hun eigen bedrijven verhogen en de inflatie aanwakkeren. Bovendien zullen de Amerikaanse tarieven waarschijnlijk ontwrichtende effecten hebben op het wereldwijde handelssysteem als geheel.

Die aankondigingen zullen niet onbeantwoord blijven. We moeten echter zeker niet proberen op elke provocatie te reageren. De bedoelingen van president Trump en zijn regering, of ze nu betrekking hebben op Europa, Groenland, Oekraïne of de Gazastrook, kunnen aanleiding geven tot veel berichten op X, die we kunnen betreuren. We moeten echter reageren op tastbare maatregelen, die op dit moment niet erg talrijk zijn.

J'ai demandé à mes services de travailler d'arrache-pied sur comment faire face et redéfinir notre relation avec les États-Unis, tous aspects confondus, le commerce, bien sûr, mais aussi le climat, l'énergie, la diversité, les droits sexuels et reproductifs, le digital, les migrations, l'éthique, la santé, et j'en passe. Ce travail est fait en coordination avec les autres membres du gouvernement et les autres gouvernements du pays. On ne peut pas réagir sur un coup de tête. Ne faisons pas nous-mêmes du Trump en réaction à Trump!

Nous ne devons pas nous arrêter à une posture ébahie, prendre note de chacune des annonces et décisions américaines. Le monde change très vite et nous devons nous montrer proactifs et ne pas seulement agir sur la défensive. Nous devons arrêter la naïveté. Quittons cette posture de victime pour reprendre notre place sur la scène internationale!

We moeten de Europeanen samenbrengen om dit antwoord te bepalen. België moet opnieuw zijn rol als vereniger spelen om een verenigd front te vormen tegenover de nieuwe geopolitieke omwentelingen. We hebben een sterk, veerkrachtig, autonoom en soeverein Europa nodig, dat in staat is de uitdagingen van vandaag en morgen aan te gaan. Dat vereist dat we beter, efficiënter en sneller samenwerken. Een verenigend maar ook assertiever beleid ter verdediging van onze belangen in een wereld waarin de machtsverhoudingen intens zijn, is dan ook precies wat ik sinds mijn aantreden heb gevoerd. We moeten onze verantwoordelijkheid nemen.

En matière de défense, comme cela a été précisé par le premier ministre, une paix juste, globale et durable en Ukraine ne fera bien sûr pas disparaître la menace russe. Nous devons donc renforcer d'urgence nos capacités industrielles de défense, et nous devons assurer la compétitivité de nos entreprises tous secteurs confondus. Le ministre Clarinval l'a rappelé, nous avons le devoir de protéger nos citoyens et nos entreprises contre ces décisions américaines. Non seulement les protéger, mais agir aussi pour augmenter leur compétitivité.

D atzelfde ambitieniveau moet ons drijven als het gaat om het aangaan van de uitdaging van de klimaattransitie. Ik zal u daaraan ook herinneren wanneer ik mijn beleidsverklaring presenteer, want dat zal een constante zijn in het beleid dat ik plan te voeren.

Dans le même temps, la recherche d'un agenda positif avec la nouvelle administration américaine doit rester notre objectif premier. Nous avons tout à gagner dans un partenariat transatlantique fort. Nous devons rester ouverts aux collaborations avec les autorités américaines sur nos priorités communes en matière de prospérité et de sécurité internationale, notamment. Pensons par exemple à la lutte contre le crime organisé, ou contre les drogues, ou contre les trafics d'êtres humains. J'entends poursuivre les discussions entamées par mon prédécesseur à ce sujet avec le secrétaire d'État Rubio.

La relation de la Belgique avec les États-Unis est la plus importante économiquement hors d'Europe, avec plus de 75 milliards d'échanges par an et des investissements soutenant 250 000 emplois.

Die omwentelingen moeten ons ook uitnodigen om nieuwe bondgenoten te vinden. We moeten partnerschappen op intelligente en consequente manier diversifiëren. Ik dank u.

Kjell Vander Elst:

Bedankt, mijnheer de premier. Ook wij staan aan de kant van Europa en van het vrije Westen. Daarop mag u rekenen.

We moeten dan wel ons deel doen. U hebt niet geantwoord op de vraag hoe we tegen de zomer de 2 % die de NAVO ons oplegt, zullen behalen. U noemt het een sprintje trekken. Ik vrees dat dat niet zal volstaan.

Premier, u hebt een zeer ambitieuze minister van Defensie. Er staan zeer goede zaken op papier, maar het budget moet dan ook wel volgen. We spreken elkaar dus in april tijdens de begrotingsbesprekingen en zullen dan zien of u die woorden zult omzetten in daden.

Patrick Prévot:

Malgré le fait que vous ayez envoyé une armée mexicaine pour me répondre, vous avez scrupuleusement répondu aux questions que je n'avais pas posées.

Monsieur le ministre de l'Économie, en rapport avec la question que j'avais posée concernant la task force , je vous signale qu'il y a eu une action symbolique devant votre SPF en marge d'une réunion sur la politique industrielle. J'espère que vous étiez au courant. Les syndicats et les ONG déploraient le fait qu'ils n'étaient pas invités et que vous aviez choisi quelques entreprises. Ma première demande formelle est que vous les invitiez autour de la table.

Monsieur le premier ministre, messieurs les ministres, il faudra évidemment être beaucoup plus offensifs. Quand on vise 80 % de taux d'emploi – même si personne n'y croit –, il va évidemment falloir mener une politique d'investissements publics beaucoup plus ambitieuse. Le pacte pour une industrie propre s'élève à 100 milliards alors que le rapport Draghi en préconisait 800. Plus que jamais, il faut viser un taux d'investissement public (…)

Voorzitter:

Collega’s, het noemen van een naam volstaat niet om er een persoonlijk feit van te maken.

Raoul Hedebouw:

Mijnheer de premier, u hebt hier geantwoord en u gaat blijkbaar door. Wij zeggen al maanden dat blindelings de Amerikanen volgen Europa kapot zal maken en u gaat daar gewoon mee door. U verstaat niet wat er aan het gebeuren is.

Bien sûr que Poutine est à condamner! Évidemment, il est synonyme de guerre. Poutine, c'est la guerre. Mais le monde libre est-il synonyme de paix? Les bombardements américains au Vietnam, c'est la paix? Les bombardements américains en Libye, en Syrie, c'est la paix? Les bombardements américains en Irak: un million de morts! Un million de morts en Irak, est-ce la paix? Comment peut-on continuer à être aussi naïf?

Vous avez raison, monsieur Prévot. L'Europe doit chercher de nouveaux partenaires. Le Sud global est en train de se réveiller aujourd'hui. Pour la première fois depuis la Deuxième Guerre mondiale, une puissance économique mondiale est en train de se faire dépasser par d'autres puissances du Sud.

Si l'Europe veut survivre, il faut arrêter d'être naïf comme ici aujourd'hui et tendre la main. Une Europe non-alignée doit tendre la main aux pays du Sud pour arrêter d'être naïf et se faire détruire (…)

(De heer Hedebouw maakt zwembewegingen.)

Voorzitter:

Voor het verslag, de heer Hedebouw zwemt terug naar zijn plaats.

Charlotte Deborsu:

En tout cas, Trump est ce qu'il est, mais il aura réalisé un grand exploit aujourd'hui. Réussir à amener la gauche à promouvoir le libre marché et à s'opposer aux taxes douanières, chapeau à lui!

Monsieur le premier ministre, je vous pardonne de ne pas avoir répondu à toutes mes questions, qui étaient peut-être un peu trop précises. Face à cette offensive protectionniste, l'Europe ne peut pas trembler, la Belgique ne peut pas trembler. L'Union européenne a les moyens d'agir et la Belgique doit être à l'avant-garde de cette riposte. Nos entreprises doivent être protégées, nos travailleurs soutenus, notre souveraineté économique défendue et même déployée. Et le meilleur moyen d'y arriver est de mener une réelle stratégie de réindustrialisation de l'Europe, pour plus de souveraineté. L'enjeu est là. Profitons de l'occasion pour enfin nous réveiller. Wake up, Europe!

François De Smet:

Merci pour vos réponses.

Les comparatifs entre MM. Trump et Poutine sont intéressants, parce que je crois qu'ils ont beaucoup de points communs. Ils sont imprévisibles, ils sont dangereux, ils ne respectent que le rapport de force et ils font un pari immodéré sur la faiblesse des Européens. Or, M. Poutine a eu tort, au moins en partie. Les Européens ont été solidaires de l'Ukraine. Nous devons continuer à l'être et nous vous soutiendrons évidemment à ce sujet.

De la même manière, il faut que M. Trump ait tort lorsqu'il parie qu'il peut diviser les Européens, et éventuellement mener des négociations pays par pays. Cela veut dire qu'il ne faudra pas juste répliquer par des droits de douane aussi forts ou par une guerre commerciale. Il faudra surtout devenir aussi forts que les États-Unis et d'autres pays, en termes de recherche et d'innovation, parce qu'il n'y a que dans cette indépendance-là que nous arriverons à ne plus être de simples consommateurs de la mondialisation.

Meyrem Almaci:

Mijnheer de eerste minister, de samenvatting van uw antwoord was eigenlijk eendracht maakt macht, in België en in Europa. Ik heb u vroeger wel iets anders horen zeggen. Het kan verkeren.

Het klopt natuurlijk wel. Het is in ons aller belang dat we ons nu niet uit elkaar laten spelen en lijdzaam de agressie ondergaan van een man die leeft in zijn eigen realiteit. Het is het moment voor Europa om zelf maatregelen te nemen en te investeren in innovatie, verduurzaming en groene industriële transitie. De groenen geloven in een samenleving waar niet het recht van de sterkste regeert, maar waar iedereen meegetrokken wordt in een partnerschap met een duidelijke koers en humanistische waarden, met een koel hoofd en een warm hart, in Europa, maar ook in ons land.

Wat dat laatste betreft, verdient ook het project van de arizonaregering de nodige verbeteringen, zowel op het vlak van mensbeeld als van onderzoek en investeringen.

Simon Dethier:

Merci, monsieur le premier ministre, messieurs les ministres, pour ces éléments de réponse qui apportent des informations éclairantes quant à l'orientation du gouvernement pour l'avenir.

Préserver la compétitivité des entreprises, c'est permettre aux citoyens, aux commerçants, aux entrepreneurs et aux travailleurs d'exercer leur métier et maintenir l'emploi. Maintenir le cap climatique, c'est veiller à notre avenir aujourd'hui et pour les générations futures. Les changements ne sont jamais faciles à aborder et je tiens à exprimer tout mon soutien et mon respect aux entreprises et aux citoyens qui œuvrent pour développer notre économie, créer des emplois dans un contexte exigeant, instable, incertain et en profond changement. Ne faisons pas du Trump, saisissons les opportunités de la transition climatique pour une économie résiliente et prospère.

Voorzitter:

Je félicite M. Dethier pour sa première intervention.

(Applaus)

(Applaudissements)

Koen Van den Heuvel:

Mijnheer de eerste minister, heren ministers, dank u voor uw zeer stevige antwoorden. Die stemmen mij blij. U ziet volop de ernst van de situatie in. Als cd&v moedigen we u aan opdat België een duidelijke, constructieve rol in de Europese Unie opneemt om een stevig antwoord te formuleren.

Mijnheer de premier, het antwoord mag niet agressief zijn, maar evenmin naïef. Ga voor een slim en assertief Europees antwoord, want onze Belgische export, onze Belgische farmaceutische industrie verdienen dat. We rekenen dus echt op u.

Darya Safai:

Mijnheer de premier, ik ben blij met uw stelling dat wij als Europeanen de rug moeten rechten. Daarom moeten wij, zoals u hebt gezegd, meer investeren in onze defensie. De Europese landen zullen veel meer moeten samenwerken om hun rol in de NAVO te kunnen opnemen. Wij moeten inderdaad Oekraïne blijven steunen. Dat land is immers de poort van Europa. Capitulatie voor een vijand zoals Poetin mag nooit een optie zijn. Voor de N-VA luidt het motto: geen welvaart zonder veiligheid. Samen kunnen wij het aan.

Het recordaantal meldingen van beelden van kindermisbruik op sociale media

Gesteld door

lijst: Vooruit Funda Oru

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 27 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De alarmistische cijfers (25.000 meldingen, 3.000 strafbare feiten) tonen aan dat online kindermisbruik op platforms zoals Snapchat, TikTok en Roblox escaleert, terwijl ouders en overheid de digitale dreiging niet beheersen. Minister Verlinden belooft meer zedeninspecteurs, technologie voor opsporing en Europese samenwerking om daders aan te pakken en slachtoffers te beschermen, maar erkent dat meldcultuur en grensoverschrijdende actie cruciaal zijn. Oru (Vooruit) benadrukt dat overheidsingrijpen dringend is, omdat sociale media te vrijblijvend opereren en de samenleving achterloopt op misdadigers. De focus ligt op versnelde uitvoering van het regeerakkoord met concrete middelen en specialisten.

Funda Oru:

Mevrouw de minister, elke dag stellen ouders in dit land zich een heel belangrijke vraag: wat gebeurt er op de telefoon van mijn kind? Dat is een heel terechte vraag, een terechte bezorgdheid, want vandaag bleek dat er waanzinnig veel meldingen zijn van kindermisbruik op sociale media. Meer dan 25.000 meldingen op een jaar waren er, waarvan er meer dan 3.000 zelfs strafbaar zijn. Laat dat cijfer even bezinken. In dit kleine landje zijn er meer dan 3.000 strafbare meldingen over misbruik van minderjarige kinderen op sociale media.

Het is duidelijk dat onze kinderen vandaag op digitale media en op onlineplatforms niet veilig zijn. Het is echter nog veel duidelijker dat vandaag misdadigers vaker en beter dan ouders weten waar kinderen digitaal rondhangen. Er zijn livestreams op TikTok en er worden naaktfoto’s gevraagd op Roblox. Nergens zijn er ook zoveel meldingen als op Snapchat.

Ouders doen er alles aan om hun kind te beschermen. Wij leren ze veilig de straat over te steken en een helm te dragen wanneer zij fietsen. Wij leren hun ook om zeker niet met vreemden mee te gaan. Als ouders hun kind hiertegen willen beschermen, dat lukt hen dat niet alleen. Voor Vooruit en deze regering is het helder, een sterke overheid beschermt onze kinderen, ook zeker online. Dat is niet eenvoudig, maar als we willen dat politieagenten misdadigers kunnen oppakken, moeten we zeker ook investeren in onlinespecialisten en internationale samenwerking.

Mevrouw de minister, u hebt een heel duidelijke opdracht gekregen in het regeerakkoord om die specialisten aan te werven. Hoe gaan we een versnelling hoger schakelen? Hoeveel specialisten komen er? Wanneer gaan zij aan de slag?

Annelies Verlinden:

In 2024 was er inderdaad een onnoemelijk groot aantal meldingen van onlinekindermisbruik. Ondanks een groot dark number zien we nog altijd een stijging van het aantal meldingen.

Ik roep ook iedereen op om meldingen te blijven doen, omdat we die nodig hebben. Het is ook moeilijk te onderscheiden hoe groot het dark number vandaag nog is. Hoe meer meldingen we hebben, hoe beter we ze kunnen opvolgen, hoe meer verschillende analyses en onderzoeken we kunnen doen en hoe meer slachtoffers er geïdentificeerd en geholpen kunnen worden.

Naast het blootleggen van de actieve netwerken waarbinnen kindermisbruik en onlinebeelden worden gedeeld, moeten we absoluut de positie van de slachtoffers centraal plaatsen. Dat is ook de keuze die wij in het regeerakkoord maken, niet alleen bij het onthaal bij de politie en bij justitie, maar zeker ook in de fysieke ruimte, onder meer in de justitiepaleizen.

Een van de belangrijke initiatieven die ik wil blijven nemen, is bij de Europese collega's aandringen op een gezamenlijk initiatief, omdat ook heel veel beelden Europees gedeeld worden. Het kan niet zijn dat die misdadigers, die kindermisbruikers, zich blijven verschuilen achter de vrijblijvendheid van technologieplatformen om hun daden te kunnen voortzetten. We moeten ervoor zorgen dat we grensoverschrijdend slachtoffers kunnen identificeren en bijstaan.

Ook in ons land zullen politiediensten versterkt worden. Zo zullen bij Binnenlandse Zaken meer zedeninspecteurs worden opgeleid, die ter beschikking zullen staan van de slachtoffers. We zullen hen uitrusten met de noodzakelijke technologie, zodat onze federale gerechtelijke politie en alle speurders achter dat onlinekindermisbruik kunnen aangaan. We willen immers dat kinderen kunnen opgroeien in een veilige wereld, zowel fysiek als uiteraard ook in de onlinewereld.

Funda Oru:

Mevrouw de minister, fijn dat u hiermee aan de slag gaat. Laat er helemaal geen twijfel over bestaan, voor Vooruit is de onlineveiligheid van onze kinderen een absolute prioriteit. Daarvoor hebben we keihard gestreden in het regeerakkoord. Als mama weet ik heel goed dat het heel moeilijk is om te controleren wat een kind online allemaal doet. Sterker nog, vanochtend werd dus pijnlijk duidelijk hoe vuil en gevaarlijk het internet kan zijn, zelfs als men zich goed beschermt. Het gevoel dat onze samenleving achter de feiten aanloopt, dat we dit niet onder controle krijgen, is beangstigend. Helaas zijn we vandaag ook te veel afhankelijk van de goodwill van socialemediabedrijven. Het is nu meer dan tijd om hierop te reageren. We hebben een sterke overheid nodig, die de veiligheid van onze kinderen zowel offline als online beschermt.

De diefstal van gegevens van de Veiligheid van de Staat door Chinese hackers

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 27 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Een Chinese hackersgroep exploiteerde tussen 2021-2023 een onbekende kwetsbaarheid in Barracuda’s e-mailbeveiliging van de Belgische Staatsveiligheid (VSSE), waardoor 10% van de mails (inclusief gevoelige gegevens van 500 agenten) werd buitgemaakt. De lek werd in mei 2023 ontdekt, waarna het systeem direct werd vervangen en een klacht bij het federaal parket werd ingediend, maar China gerichte acties blijft België (vooralsnog) uit. Minister Verlinden benadrukt dat cyberveiligheid prioriteit is, met extra middelen voor versterking van inlichtingen- en veiligheidsdiensten, terwijl Dubois waarschuwt dat cyberoorlog realiteit is en lokaal bestuur eveneens kwetsbaar.

Xavier Dubois:

Monsieur le président, madame la ministre, chers collègues, nous l'avons appris par le presse hier, les services de la Sûreté de l'État (VSSE) ont été victimes d'une cyberattaque menée par un groupe de pirates chinois.

Cette cyberattaque a apparemment été perpétrée entre 2021 et 2023. Elle a attaqué une faille d'un système, peut-être mal nommé Barracuda, qui devait veiller à la sécurité des services de la Sûreté de l'État. Cela a siphonné 10 % des mails qui sont sortis et entrés entre 2021 et 2023, il s'agit donc vraiment d'une quantité importante d'informations. Parmi celles-ci, certaines sont certainement en lien avec des échanges avec les différentes administrations, la police, la justice, peut-être des ambassades, des organisations internationales mais aussi des données personnelles de différents agents de la Sûreté de l'État. On parle de 500 agents concernés. C'est particulièrement interpellant puisqu'il s'agit de la sécurité de ses propres agents.

Lorsqu'on entend ce type de nouvelles au journal, on pourrait se dire qu'il s'agit de l'annonce d'un nouveau film ou roman d'espionnage. Cependant, ce n'est pas le cas, il s'agit bien d'une réalité qui se passe chez nous. Ce n'est pas malheureusement le pitch d'un nouveau James Bond; on est vraiment en Belgique. Et cette problématique de sécurité est bien présente.

Madame la ministre, mes questions par rapport à cette situation concernent tout d'abord la manière dont cette fuite a été détectée. Quelles sont les actions qui ont été prises de manière directe et immédiate pour assurer la sécurité des services de la Sûreté de l'État? Quelles sont les actions à moyen et long terme? Est-ce qu'il y a un plan de renforcement de la sécurité qui a été élaboré? Je pense que c'est nécessaire. Une question plus précise et interpellante concernant la sécurité des agents concernés: est-ce que des mesures particulières doivent être prises pour assurer leur sécurité puisque leurs données ont été d'une certaine manière révélées et compromises? Enfin, ma dernière question concerne l'information de la presse disant que cette attaque a été perpétrée par un groupe de pirates chinois: est-ce que vous pouvez confirmer cette information et le cas échéant, est-ce que le gouvernement envisage d'interpeller les autorités chinoises à ce sujet? Merci, madame la ministre.

Annelies Verlinden:

Cher collègue, les médias ont effectivement récemment rapporté un incident en matière de protection des données impliquant des e-mails externes non classifiés de la Sûreté de l'État. Cet incident a été découvert fin maiؘ 2023. Il concerne des e-mails envoyés et reçus entre le 4 février 2021 et le 31 mai 2023. Il résulte d'une vulnérabilité jusque-là inconnue dans la solution Email Security Gateway de l'entreprise américaine Barracuda. Il est impossible de déterminer précisément quelles données ont été compromises. La Sûreté de l'État considère donc que tous les e-mails de cette période sont potentiellement compromis.

Depuis le 1 er juin 2023, le système est à nouveau considéré comme sécurisé. Selon des sources ouvertes, le groupe de hackers à l'origine de cette attaque serait lié à la République populaire de Chine. Il n'existe cependant aucune indication que la Sûreté de l'État était spécifiquement ciblée par ce groupe. L'incident semble en effet être le résultat d'une exploitation opportuniste de la vulnérabilité du système Barracuda. Dès la découverte de l'incident, le système Barracuda Email Security Gateway a été remplacé par une nouvelle solution.

La procédure en matière d'incidents liés à la protection des données a été suivie et l'incident a été signalé à l'Autorité de protection des données. De plus, une plainte pénale a été déposée auprès du parquet fédéral. Les collaborateurs ont évidemment été informés en détail.

Dans le contexte géopolitique actuel, il est clair que notre pays peut être la cible de menaces externes. Ce gouvernement fait donc de la cybersécurité une priorité. Il continuera de renforcer nos services de sécurité et nos services de renseignement en coopération avec nos partenaires européens.

Xavier Dubois:

Madame la ministre, je vous remercie pour vos réponses. Vous me dites que c'est une priorité du gouvernement et je pense que c'est le cas. La lutte contre la cybercriminalité doit être une priorité fondamentale à tous les niveaux de pouvoir, au niveau fédéral mais aussi dans nos pouvoirs locaux, puisque l'on sait que nos communes, nos CPAS peuvent être malheureusement aussi attaqués. Cet incident nous démontre que la cyberguerre est bien présente et que nos ennemis essayent de profiter de n'importe quelle faille, aussi petite soit-elle, pour nous attaquer et nous affaiblir. N'en déplaise notre camarade Hedebouw, qui n'est pas présent, l'attaque ne vient pas des États-Unis mais bien de Chine. Il est important de le préciser. Il est aussi important de souligner que, dans le cadre de l'accord de gouvernement, des moyens supplémentaires ont été prévus pour les services de sécurité, la police et notre défense. J'espère qu'une part importante de ces moyens sera consacrée à la lutte contre la cybercriminalité dans les différents niveaux de notre appareil d'État.

De versterking van het Belgische industriële weefsel inzake defensie
De herbestemming van de voormalige Audi-site in Brussel
Herindustrialisering Belgisch defensieweefsel

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 27 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de urgente versterking van de Europese en Belgische defensie-industrie om strategische autonomie te bereiken, met focus op samenwerking tussen gewesten, schaalvergroting van lokale productie (o.a. Audi-site Brussel) en het wegnemen van juridische, financiële en administratieve belemmeringen. Minister Francken benadrukt concrete plannen—zoals een defensie-liaison bij gewestelijke kabinetten, vereenvoudigde regelgeving en Europese fondsen benutten—maar waarschuwt voor harde concurrentie binnen Europa en VS-afhankelijkheid. Kritische punten zijn eerlijke verdeling van contracten tussen gewesten (Vlaamse vs. Waalse bedrijven) en haalbaarheid binnen EU-staatssteunregels. De noodzaak van snelle, gecoördineerde actie—zowel federaal als regionaal—wordt breed onderschreven als antwoord op de geopolitieke dreiging.

Mathieu Michel:

Monsieur le ministre, je pense qu’il n’est pas utile de rappeler le contexte géopolitique excessivement compliqué et très incertain que nous traversons. Dans ce contexte, il est évident que renforcer davantage la défense européenne est essentiel. Cette défense européenne doit notamment être davantage respectée au sein de l'OTAN.

Deux éléments m'apparaissent complètement essentiels. Le premier, c'est renforcer nos capacités opérationnelles dans le cadre d'une meilleure collaboration en matière de défense européenne. Le deuxième – je sais que vous y êtes particulièrement attentif et je m'en réjouis –, c'est solidifier notre industrie de défense, qui est essentielle. On se rend compte aujourd'hui que dans l'augmentation massive des budgets en matière de défense, trop de budgets partent hors de l'Union européenne. C'est inacceptable. Je sais que nous partageons cette inquiétude.

Aujourd'hui, il y a une véritable urgence à sortir d'une forme de naïveté qui a fait que, ces dernières années, investir dans l'industrie de défense, soutenir l'industrie de défense, c'était mal. Toute une série d'obstacles au soutien de cette industrie ont été mis en place, à la fois juridiques mais aussi financiers.

J’ai constaté avec beaucoup de plaisir qu'au-delà d'être un ministre de la Défense, vous êtes aussi un ministre de l'Économie de la défense. Nous en avons clairement besoin. C’est avec beaucoup de plaisir que j'ai vu que vous faisiez le tour des Régions. Dans le contexte institutionnel compliqué de la Belgique, il est clair que c'est la mobilisation de l'ensemble des acteurs belges, au sein de la mobilisation de l'ensemble des acteurs européens, qui est essentielle. Je tiens à vous remercier et à vous féliciter pour cela. Je pense que l'effort doit continuer.

Monsieur le ministre, j’ai quelques questions. D’abord, par rapport à l’importance de l'autonomie stratégique, que contiendront ces accords de coopération avec les Régions?

Comment comptez-vous augmenter les acquisitions européennes en matière de défense afin d'augmenter cette autonomie stratégique? Comment comptez-vous également – et c'est important – réduire les freins actuels au développement, au soutien, à l'émancipation de cette industrie de défense? Et enfin, comment envisagez-vous (…)

Kristien Verbelen:

Mijnheer de minister, het versterken van onze defensie is vandaag een topprioriteit. Gezien de geopolitieke situatie – we hebben het hier vandaag al gehoord – is strategische autonomie op het vlak van industrie en productie cruciaal. Uit uw verklaringen en uit het regeerakkoord blijkt dat we, in theorie, op dezelfde golflengte zitten wat dat betreft.

Mijn vraag is iets concreter. U sprak over de site van Audi Brussel als mogelijke locatie voor defensieproductie. Hebt u al een concreter beeld van wat daar precies allemaal kan gebeuren? Misschien hebt u wel interessante contacten gelegd op de Veiligheidsconferentie van München.

De vraag rijst ook hoe die defensiecontracten dan zullen worden verdeeld tussen de deelstaten. De Vlaamse veiligheids- en defensiesector is veelbelovend. Zullen de Vlaamse bedrijven kunnen rekenen op een eerlijke kans? We willen immers niet hebben dat alles naar FN Herstal of naar buitenlandse groepen zou gaan.

Ook uw voorstel om militaire domeinen via concessies toe te wijzen, roept vragen op. Zou het niet beter zijn om die sites om te vormen naar productiecentra voor wapens, munitie en dualusetechnologie, zowel voor civiel als voor militair gebruik? Hoe ziet u daar dan de verdeling tussen de deelstaten? Hoe garandeert u dat die plannen niet botsen met de Europese regelgeving inzake staatssteun en concurrentie?

Mijnheer de minister, uw plannen klinken allemaal heel ambitieus, maar zijn ze ook praktisch, economisch en juridisch haalbaar?

Theo Francken:

Mijnheer de voorzitter, geachte Kamerleden, bedankt voor uw vragen.

La situation géopolitique est plus tendue que jamais elle ne l'a été depuis la guerre froide. Cela nous oblige à nous réarmer et à développer notre résilience. Cela nécessite également que nous ayons une industrie de défense performante. La Belgique dispose d'excellentes entreprises de défense.

Zowel in Vlaanderen als in Wallonië en in Brussel.

Elles peuvent relever ce défi, j'en suis sûr! Elles peuvent saisir les opportunités qui se présentent. En termes de qualité, nos entreprises peuvent rivaliser avec les meilleures. Mais ces entreprises manquent de moyens pour produire à plus grande échelle. Nous avons trop de fragmentation. Il faudra donc changer cela. Nos entreprises doivent être capables d'offrir du volume; augmenter la production est essentiel pour saisir les opportunités.

À cet égard, les autorités régionales jouent un rôle clé. Ce virage ne pourra réussir que si elles facilitent au maximum cette mise à l'échelle. Je les invite à mener une politique plus souple en matière de permis de construire, de permis environnementaux et de permis d'exportation; à abolir des réglementations et des charges administratives; et à aider les entreprises dans la recherche de terrains pour des usines et des facilités de production.

Dans ce cadre, j'ai rendu visite hier au gouvernement wallon à Namur. La Wallonie possède une industrie d'armement importante, ce qui présente un atout pour tout le pays. Le gouvernement wallon nous a promis de faire tout son possible pour faire de ce défi une réussite pour les entreprises wallonnes et pour tous les Wallons.

Concernant les accords de coopération, j'ai l'intention d'avoir un officier de liaison de la Défense au sein du cabinet du ministre-président. Nous travaillerons en vue d'aboutir à cet accord de coopération pour la fin de l'été de cette année.

Dames en heren, gelijkaardige gesprekken heb ik ondertussen ook gevoerd met de Vlaamse minister-president, de heer Diependaele, die me eveneens zijn volle samenwerking aanbood om de kansen die er zijn te benutten.

Wanneer zal onze missie geslaagd zijn? Wanneer we de productie zelf maximaal in België, in Vlaanderen, in Wallonië en in Brussel kunnen behouden. Dat wordt niet gemakkelijk. Er gaat vandaag veel aandacht en veel geld naar de Amerikaanse wapenindustrie, maar ook binnen Europa is er een zeer sterke concurrentie. Die concurrentie is bikkelhard. Andere Europese lidstaten willen ook een maximale economische return van hun investeringen in defensie en zullen ons daarbij geen cadeaus doen. Laten we vooral niet naïef zijn.

Dames en heren, er staat veel op het spel in dit dossier. We hebben hierbij bijzonder veel te winnen. Er komen voor miljarden euro's aan Europese defensiefondsen aan, zowel in productie als in technologische innovatie. We hebben evenwel ook veel te verliezen, mochten we die trein missen. Onze bedrijven moeten daarom op de afspraak zijn. Zowel de federale regering als de deelstaatregeringen moeten hen daarbij maximaal ondersteunen. Ik heb VOKA ontmoet deze week. Ik zal verder ook overleggen met alle werkgeversfederaties, om dit op scherp te zetten.

Tot slot, het klopt dat ik actief bekijk hoe we de site van Audi Vorst kunnen inschakelen in defensieverband. Er lopen inderdaad gesprekken. Er zijn gesprekken geweest in München, maar ook op andere plaatsen. Indien we er op deze manier kunnen voor zorgen dat een deel van de tewerkstelling gevrijwaard wordt en dat de site opnieuw een stabiele toekomst krijgt, zal dat een grote meerwaarde hebben. Meer details kan ik u nu echter nog niet geven.

Voorzitter:

Perfect binnen de tijd, mijnheer de minister. Gelukkig kwamen er geen details.

Mathieu Michel:

Merci beaucoup pour votre réponse, monsieur le ministre. Sophie Wilmès disait il y a quelques jours que si nous voulons éviter la guerre, il faut être capables de montrer que nous pourrions la gagner. Pour être capables de la gagner, plus que jamais, l'Europe doit pouvoir compter sur elle-même et certainement sur chacun d'entre nous.

Dans ce contexte, l'énergie et la motivation de chacun seront essentielles, les vôtres comprises, monsieur le ministre. Nous devons évidemment nourrir ce partenariat essentiel en matière de défense européenne, mais nous devons absolument, comme vous le suggérez aujourd'hui, renforcer cette industrie de défense, c'est-à-dire activer nos leviers. Vous avez évoqué les leviers régionaux. Je pense que les leviers fédéraux, notamment au niveau de la SFPI pour les investissements stratégiques, sont essentiels. Aujourd'hui, l'Europe a véritablement rendez-vous avec son histoire. Chacun de nous a véritablement l'obligation d'être à la hauteur de ce rendez-vous.

Kristien Verbelen:

Mijnheer de minister, ook wij zien de voordelen van een sterke defensie-industrie in Europa. Jobs, innovatie, strategische autonomie, wie kan daar tegen zijn? Wat voor ons voorop moet staan, is dat de deelstaten ook inspraak krijgen en voldoende betrokken worden. Als de laatste weken iets duidelijk geworden is, dan is het wel dat Europa ook op het vlak van defensie-industrie zijn eigen boontjes zal moeten doppen en dat we onze afhankelijkheid van de Verenigde Staten waar mogelijk moeten herbekijken. In ieder geval staan nog heel wat vragen open over de praktische uitrol na uw aankondigingen. Dat zal dan ook een heel belangrijk debat vormen in de komende jaren. Het Vlaams Belang zal ook op dat vlak de vinger aan de pols blijven houden en erover waken dat Vlaanderen ook zijn deel krijgt.

De controles op vluchten uit Griekenland door de luchtvaartpolitie en de DVZ

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 26 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Belgische luchtvaartpolitie en Dienst Vreemdelingenzaken voeren sinds november gerichte controles op vluchten uit Griekenland (en beperkt ook Cairo/Istanboel) om erkende vluchtelingen (vooral Palestijnen met M-status) te weren die in België een tweede asielaanvraag indienen, wat de overbelaste asielcentra verder onder druk zet. 86 (2024) en 108 (2025) personen met Griekse beschermingsstatus werden geïdentificeerd, waarvan een deel ongeldige documenten had of een nieuwe aanvraag deed; terugsturing naar Griekenland gebeurt via digitale scans van verblijfspapieren, maar gezinscijfers ontbreken. De Vreese drong aan op uitbreiding van controles naar andere risicolanden en bestrijding van smokkelnetwerken via samenwerking met Griekenland, inclusief ontradingscampagnes om herhaalde asielpogingen te ontmoedigen. Minister Van Bossuyt bevestigde verder overleg op EU-niveau en met Binnenlandse Zaken om de controles te verlengen, maar concrete afspraken met Griekenland staan nog open.

Maaike De Vreese:

Onlangs stond er in de pers dat de luchtvaartpolitie en de Dienst Vreemdelingenzaken sinds november controles uitvoeren op aankomende vluchten uit Griekenland. Het doel van die controles is het moeilijker te maken voor erkende vluchtelingen om in België een nieuwe asielaanvraag in te dienen. Dat gaat natuurlijk over de mensen met een M-status, waaronder heel wat Palestijnen. Daarover hadden we het daarnet.

De aanleiding voor die controles was de sterke stijging van asielaanvragen door personen die al in een ander Europees land als vluchteling erkend waren. Er zouden ook aanwijzingen zijn dat mensensmokkelaars gebruikmaken van vluchten om mensen vanuit Griekenland naar dit land te krijgen.

Reizigers met ongeldige documenten worden naar een gesloten centrum gebracht en zouden naar Griekenland worden teruggestuurd. Van personen met Griekse verblijfspapieren wordt een digitale scan van de documenten gemaakt. Indien die personen hun papieren na aankomst zouden vernietigen of kwijtraken, helpt de digitale kopie om een terugkeer naar Griekenland makkelijker te laten verlopen.

Het is onverantwoord dat personen die erkend zijn in andere landen in ons land ook bescherming aanvragen, zeker als men weet dat onze asielcentra volledig vol zitten. We merken bij de lokale besturen ook dat het draagvlak volledig weg is. Toen deze regering werd gevormd, kreeg ik onmiddellijk de vraag van allerlei burgemeesters en schepenen: ons asielcentrum zal toch als een van de eerste gesloten worden? Die vragen zullen ook bij u terechtgekomen zijn, mevrouw de minister. Ik kan geen enkel asielcentrum in West-Vlaanderen noemen, behalve dat in Poelkapelle, dat er al jaar en dag is, dat een uitbreiding wil of open wil blijven. Er is dus werk aan de winkel. Het is belangrijk om die instroom te beperken, want daar hebt u vat op.

Mevrouw de minister, kunt u toelichting geven over die controles? Hoeveel personen werden gevat sinds het begin van de controles? In hoeveel gevallen hadden die personen ongeldige reisdocumenten? In hoeveel gevallen hadden ze reeds Griekse verblijfspapieren? Over welke nationaliteiten gaat het? Hoeveel werden er overgebracht naar een gesloten centrum? Hoeveel werden er al teruggestuurd? Zitten daar ook gezinnen tussen?

Kunt u toelichting geven over de samenwerking met de federale luchtvaartpolitie? Hoelang zullen die controles duren? Zult u dit ook uitbreiden naar andere hoogrisicovluchten uit andere landen waarvoor hetzelfde risico heerst?

Anneleen Van Bossuyt:

Dank u wel, mevrouw De Vreese, voor uw vragen. Ik heb een heel aantal cijfers, die ik u zal meegeven.

In 2024 controleerde de luchthavenpolitie gedurende 24 dagen vluchten van en naar Griekenland. In 2025 vonden tot nu toe gedurende veertien dagen controles plaats. Daarbij waren bijvoorbeeld ook vijf vluchten uit Cairo en één vlucht uit Istanboel. De verslagen van de controles werden doorgestuurd naar de Dienst Vreemdelingenzaken.

Bij de controles in 2024 werden er 86 personen aangetroffen die in het bezit waren van een internationaal beschermingsstatuut in Griekenland. Dat zijn de zogenaamde M-statussen. Die personen reizen met het reisdocument dat hun door Griekenland werd afgeleverd, vaak ook met de verblijfstitel die ze er verkregen hadden. Wat de nationaliteiten van die 86 personen betreft, ging het in 2024 over drie personen met de Egyptische nationaliteit, twee met de Libische nationaliteit en 81 Palestijnen. Dat brengt het totaal op 86. 31 personen van die 86 aangetroffen personen hadden een lopende procedure internationale bescherming, waren erkend als vluchteling of waren uitgeprocedeerd. In totaal dienden 50 personen een nieuw verzoek in tot internationale bescherming.

Bij de controles in 2025, in de korte periode van 1 januari tot 12 februari, werden volgens de recentste cijfers in totaal 108 personen met een internationaal beschermingsstatuut in Griekenland aangetroffen. Dat zijn er dus al meer dan in 2024. Ze reisden met het reisdocument dat hun door Griekenland werd afgeleverd, vaak ook met de verblijfstitel die ze er verkregen hadden. Wat de nationaliteiten van die 108 personen betreft, het ging over twee personen met de Afghaanse nationaliteit, drie uit Eritrea, een uit Ethiopië, een uit Pakistan, 57 uit Palestina, een uit Soedan, twee uit Somalië, vijf staatlozen, 34 uit Syrië en twee uit Jemen. Dat brengt het totaal op 108. Daarvan waren 34 personen ofwel in procedure, ofwel erkend vluchteling, ofwel uitgeprocedeerd. Acht hebben naderhand een verzoek om internationale bescherming ingediend en 66 hebben geen procedure ingediend.

Personen met een vluchtelingenstatuut kunnen visumvrij reizen als ze in het bezit zijn van een geldig reisdocument dat werd afgeleverd door een Schengenlidstaat en hun verblijfstitel aldaar.

Wat uw bijkomende vraag over de gezinnen betreft, we hebben momenteel geen cijfergegevens of er daar gezinnen bij waren.

Maaike De Vreese:

Mevrouw de minister, verdere controles zijn absoluut noodzakelijk. Ik zou die zo breed mogelijk doen, want daar is winst op te behalen als men ziet dat er daarvan toch vrij veel mensen gebruikmaken.

We moeten de focus leggen op de mensensmokkelnetwerken die daarachter zitten. Ik weet niet of er contacten kunnen worden gelegd tussen u en de politiediensten en of er eventueel een verbindingsambtenaar van de politie in Griekenland is, maar ik denk dat het voor u heel interessant zou zijn om met uw Griekse collega afspraken te maken en om daar ontradingscampagnes op te zetten. Men moet duidelijk maken dat het geen enkele zin heeft om naar ons land te komen als men een M-status heeft en erkend is in Griekenland of een procedure lopende heeft. Dat kan heel ontradend werken ten aanzien van die smokkelnetwerken.

Anneleen Van Bossuyt:

U hebt het over contacten met de Griekse collega's. Ik zal proberen om volgende week op de Europese ministerraad al met verschillende collega's contact te leggen over verschillende elementen en we zullen ook met de minister van Binnenlandse Zaken bekijken of die controles kunnen worden verdergezet.

Maaike De Vreese:

U bent heel goed bezig, mevrouw de minister.

De uitspraken van de procureur-generaal over het Brusselse drugsgeweld

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 26 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Matti Vandemaele waarschuwt dat 3.000 alleenstaande asielzoekers op straat – zonder opvang, eten of onderdak – kwetsbaar worden voor criminaliteit en mentale problemen, wat volgens federaal procureur Van Leeuw een zelfgecreëerd veiligheids- en kostendilemma is. Minister Van Bossuyt benadrukt dat prioriteit ligt bij kwetsbaren en eerste asielaanvragers, maar dat de disproportioneel hoge instroom (stijging van 12% vs. EU-daling) eerst moet dalen voordat opvang kan worden uitgebreid, terwijl ze bestaande initiatieven (medische punten, Bruss'help) aanhaalt. Vandemaele houdt vol dat straatleven de problemen verergert (hogere maatschappelijke kosten, rekrutering door criminelen) en pleit voor onmiddellijke opvang als kostenefficiëntere en veiligere oplossing. Beide erkennen de noodzaak om instroom te beperken, maar botsen op tijdelijkheid vs. structurele opvang en de verantwoordelijkheidsverdeling (EU-regels, vorige regering).

Matti Vandemaele:

Mevrouw de minister, ik ben de derde West-Vlaming op rij, maar met een iets ander geluid. Ik weet niet of de voorzitter zich nog identificeert als West-Vlaming. Mevrouw de minister, ook van mijnentwege trouwens nog felicitaties voor uw aanstelling als minister. U zult gemerkt hebben dat er heel veel werk aan de winkel is.

Het eerste dat ik met u wil bespreken, is een uitspraak van federaal procureur Van Leeuw in Knack . Hij zegt dat het ons eigenlijk niet hoeft te verwonderen dat als we duizenden alleenstaande mannen de straat op sturen, criminele netwerken daarin een heel gemakkelijke bron zien om te rekruteren voor criminele handelingen. Hij zegt dat die alleenstaande mannen vroeger gespreid werden over het land, maar tegenwoordig en masse in Brussel worden losgelaten. Als ze in Brussel worden losgelaten zonder onderdak, eten of kledij, dan moeten ze overleven op straat. Het is wat naïef om te denken dat ze zelf terug de Middellandse Zee zullen overvaren om het probleem op te lossen. De beslissing van de federale overheid om die mannen niet op te vangen, zorgt er eigenlijk voor dat wij hen in handen van die criminelen duwen.

Mevrouw de minister, het zal u niet verwonderen dat mijn partij zowel morele bezwaren heeft als juridische problemen ziet in het op straat zetten van mensen. In de voorgaande regering hebben wij veel pogingen ondernomen om onze coalitiepartners te overtuigen, maar dat is niet gelukt. Mea culpa alvast daarvoor, dat zeg ik liever zelf dan dat u het mij moet zeggen.

Mevrouw de minister, deelt u de analyse van de procureur-generaal, die zegt dat we denken een probleem op te lossen, maar eigenlijk een nieuw probleem creëren?

Hebt u de ambitie om de mensen die momenteel de straat op gestuurd zijn van straat te halen? Ik heb u horen aankondigen dat u de opvang zult afbouwen nadat de instroom is gestopt. Waar zitten de 3.000 mannen die alleen op straat leven in dat verhaal? Zult u de instroom afbouwen, dan die 3.000 mannen van straat halen en pas dan de opvang afbouwen, of waar moet ik die 3.000 mannen in dat verhaal zien?

Een laatste element zijn de schaduwkosten. In de afgelopen maanden ben ik, in afwachting van een nieuwe minister, vaak op het terrein geweest. Zowel medewerkers van de DVZ als van ngo's geven aan dat de schaduwkosten die ontstaan door mannen voor een lange periode alleen op straat te sturen, eigenlijk gigantisch zijn. Eigenlijk zorgen we ervoor dat opvang verder in het traject duurder wordt, doordat we ervoor kiezen om hen eerst een aantal maanden op straat te laten leven.

U bent natuurlijk niet verantwoordelijk voor de huidige situatie. Ik weet dat ook, dus mijn vraag is vooral oplossingsgericht. Ik kijk uit naar uw aanpak van deze kwestie.

Anneleen Van Bossuyt:

Dank u wel, mijnheer Vandemaele, voor uw vragen en uw gelukwensen.

Voor ik in detail op het antwoord inga, wil ik eerst iets zeggen. Wat we niet mogen vergeten, is dat heel veel van die alleenstaande mannen in een andere lidstaat al een aanvraag hebben ingediend of zelfs al bescherming hebben gekregen. Daar is de Europese en de internationale regelgeving toch wel heel duidelijk over, dus dat mag zeker niet vergeten worden.

Het is zo dat Fedasil er alles aan doet om alleenstaande mannen zo snel mogelijk op te vangen door hen uit te nodigen zodra er een plaats vrijkomt in het reguliere opvangnetwerk. De bereidheid van het agentschap om oplossingen te vinden, blijkt onder meer uit de samenwerking met andere actoren, zoals de opvangplaatsen in het kader van de overeenkomst met Brussel. Ik denk aan de daklozenopvang, waar de begeleiding georganiseerd wordt onder leiding van Bruss'help.

In verband met de medische begeleiding hebben ze, zoals andere verzoekers die vrijwillig niet in het opvangnetwerk verblijven, recht op medische begeleiding. In Brussel bestaat daar al enige tijd het Refugee Medical Point voor, dat eerstelijns medische zorg biedt aan verzoekers om internationale bescherming die geen huisvesting hebben in opvangplaatsen die georganiseerd of gefinancierd zijn door de federale overheid.

Bovendien is er het Infopunt in Brussel, naast het Refugee Medical Point, waar de verzoekers om internationale bescherming buiten het opvangnetwerk terechtkunnen voor informatie. In dat infopunt geven Fedasil en Caritas informatie en verwijzen ze ook door naar de juiste diensten.

Fedasil ziet in de opvang een toename van ernstige mentale gezondheidsproblemen die een meer langdurige en gespecialiseerde zorg nodig hebben. Dat zorgt voor een toename van de kosten voor mentale en middelenafhankelijke gezondheidszorg. Dat kan meerdere verklaringen hebben, bijvoorbeeld wat iemand in zijn thuisland heeft meegemaakt of tijdens zijn doortocht door andere Europese lidstaten enzovoort.

Het is belangrijk dat alle verzoekers die recht hebben op opvang die krijgen maar, zoals in het regeerakkoord staat, er wordt prioriteit gegeven aan de meest kwetsbaren en aan degenen die een eerste asielaanvraag indienen en niet aan degenen die al bescherming in een andere lidstaat krijgen. Dat kan alleen lukken als de instroom naar België, die disproportioneel hoog ligt, daalt. Het is disproportioneel ten opzichte van onze buurlanden. Als men weet dat in de Europese Unie in het algemeen de aanvragen met 12 % zijn gedaald en ze in België met 12 % zijn gestegen, dan zitten we daar met een probleem.

Ik vind het eerlijk dat u zegt dat ik de toestand heb geërfd. Er is inderdaad veel werk aan de winkel. Ik erf een situatie die ik zelf niet heb veroorzaakt, maar uw partij zat in de vorige regering wel mee aan de knoppen en heeft jammer genoeg nagelaten om maatregelen te nemen om die instroom te beperken, waardoor we met de huidige toestand zitten. We zullen er alles aan doen wat we kunnen. Onze drie punten zijn duidelijk: de instroom beperken, de uitstroom verhogen en ervoor zorgen dat de opvang die er wel is menselijker is. Ik denk dat u daar alleen maar achter kunt staan.

Matti Vandemaele:

Mevrouw de minister, ik dank u voor het antwoord. Het is niet mijn ambitie om hier de volgende jaren het spel te spelen over wat de vorige regering al dan niet heeft nagelaten. Het Europese migratiepact is door de vorige regering goedgekeurd, met mijn partij. Er zijn nooit meer opvangplaatsen gecreëerd dan met de regering waar mijn partij in zat. We kunnen het daar gerust over hebben. Ik wil dat op café met veel plezier doen, maar ik zou het hier willen hebben over hoe we zaken oplossen. Die 3.000 mensen die op straat leven, hebben niet allemaal een M-status. Die zitten ertussen, absoluut. Ik begrijp uw standpunt daarover. Het punt dat de procureur maakt en dat ik hier wil ondersteunen, is dat op straat niemand beter wordt. Na de rugzak uit het thuisland en de rugzak van de reis naar hier, komt de rugzak van het leven op straat erbij. Dat zorgt niet alleen voor meer problemen bij die mensen zelf – wat u in uw antwoord aangeeft – maar ook voor hogere kosten voor ons als samenleving. Daarin kunnen we elkaar wel vinden, want u wilt die kosten naar beneden. Door mensen van de straat te halen, wordt het op termijn ook goedkoper. Dat is dus bijzonder belangrijk. Het tweede element dat de procureur-generaal aanhaalt, is dat we een groep op straat zetten die heel kwetsbaar is om gerekruteerd te worden voor criminele handelingen. Iedereen van ons heeft immers een overlevingsdrang, maar dat brengt de veiligheid van ons allen ook in gevaar. Vandaar mijn oproep om zo snel mogelijk die mensen van de straat te halen, zodat we minstens die instroom kunnen droogleggen.

De fraude bij studiemigratie

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 26 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De publicatie van studiemigratiecijfers is tijdelijk stopgezet door mankrachtsgebrek maar wordt in 2024 hervat, terwijl fraude bij studentenvisa moeilijk aan te tonen is door beperkte weigeringscriteria (enkel bij bewijs van valse documenten of ander migratiedoel). Kameroense studenten vormen de grootste groep met twijfelachtige dossiers en hoge schooluitval, maar misbruik komt breder voor; strengere regels (zoals in het regeerakkoord) worden onderzocht om misbruik via privé-instellingen (waaronder vertraagde studies, asielaanvragen of gezinsvorming) tegen te gaan, hoewel juridische beperkingen blijven bestaan. Van Belleghem dringt aan op snelle wetgeving om fraude en asielinstroom via studiemigratie in te dijken, met focus op betere controle van privé-scholen.

Francesca Van Belleghem:

Mevrouw de minister, ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag, zodat we wat kunnen opschieten.

Al enige tijd worden geen actuele cijfers meer gepubliceerd inzake studiemigratie (https://dofi.ibz.be/nl/figures/access-and-stay/studenten). Zult u het engagement hernemen om tijdig deze cijfers te publiceren?

Volgens de directeur-generaal van de Dienst Vreemdelingenzaken is het aantal fraudegevallen in geval van studiemigratie, waarbij men ondanks het statuut als 'student', niet naar hier komt om te studeren, onvoldoende afgenomen. Kunt u verduidelijken hoe vaak deze vormen van fraude bij studiemigranten voorkomen? Gaat het nog steeds voornamelijk om studenten uit Kameroen? Welke maatregelen zult u nemen om fraude tegen te gaan? Binnen welke termijn?

Volgens de directeur-generaal wordt nog “veel schooluitval vastgesteld bij Kameroense studenten". Kunt u verduidelijken wat “veel" is door hier een aantal op te plakken? Komt dit ook voor bij studenten met andere nationaliteiten? Zo ja, dewelke?

Er zou een groot verschil merkbaar zijn tussen enerzijds officiële instellingen en anderzijds privé-instellingen. Omwille van rechtspraak (vrijheid van onderwijs) kan studiemigratie niet beperkt worden tot officiële instellingen. Welke maatregelen zult u nemen om misbruik bij privé-instellingen tegen te gaan?

Anneleen Van Bossuyt:

Mevrouw Van Belleghem, ten eerste, de DVZ meldt mij dat de publicatie van cijfers over studiemigratie on hold werd gezet vanwege een gebrek aan mankracht. Het is de bedoeling de publicatie dit jaar te hervatten. Het merendeel van de informatie blijft wel beschikbaar en u kunt die terugvinden in het activiteitenverslag van de Dienst Vreemdelingenzaken en op de website in de rapporten over de visumaanvragen.

Ten tweede, de voorwaarden voor een studentenvisum zijn momenteel niet streng. Als er een attest van inschrijving of toelating en een tenlasteneming is, is de beslissingsmarge van de DVZ beperkt. Enkel als er fraude kan worden aangetoond in de voorgelegde documenten of als er kan worden aangetoond dat er een ander migratiedoel is dan studies, kan het visum worden geweigerd.

De mogelijkheden om de wetgeving te verstrengen, worden momenteel bestudeerd. Dat is ook opgenomen in het regeerakkoord. Zoals u allicht hebt gelezen, staan er daarin heel wat verstrengingen met betrekking tot de voorwaarden om met een studentenvisum hierheen te reizen. Tot zo lang is een studentenvisum echter een gemakkelijke toegangspoort tot de Europese Unie. Eenmaal binnen kan men bijvoorbeeld zijn studies zo lang mogelijk rekken, een partner zoeken, een gezin stichten of een verzoek om internationale bescherming indienen. Het bewijzen van fraude in de strikte zin van het woord is dan ook niet zo eenvoudig. Ik kan u hierover geen cijfers bezorgen, want die zijn niet bekend bij de DVZ.

De voorbije tien jaar waren de Kameroense studenten in de meerderheid. Het is dan ook logisch dat er bij hen het meest twijfelachtige dossiers voorkomen, maar het is zeker niet zo dat enkel die groep misbruik maakt van het studentenvisum voor andere migratiedoeleinden.

Ten derde, wat de schooluitval bij de Kameroense studenten betreft, de DVZ heeft geen globale analyse gemaakt van de academische migratie. Er duiken echter zo vaak dossiers op waarin vragen kunnen worden gesteld over de studie-intenties dat de directeur-generaal werd geïnformeerd over het probleem. De DVZ is dus op de hoogte van het probleem.

Officiële en private instellingen voor hoger onderwijs mogen niet allemaal over dezelfde kam geschoren worden. Sommige instellingen werken zeer correct, andere doen dat niet en die hebben veel succes bij buitenlandse studenten. Die laatste instellingen worden nauwlettend in het oog gehouden. De juridische mogelijkheden om de aanvragen systematisch te weigeren, zijn echter beperkt.

Ik geef u enkele cijfers voor 2022, 2023 en 2024 over de privéscholen voor hoger onderwijs. Het aantal aanvragen voor een studentenvisum lag in 2022 op 1.611, in 2023 waren er 1.430 en in 2024 1.175. In 2022 werden er 433 toegekend, in 2023 540 en in 2024 650. Het aantal weigeringen lag in 2022 op 801, in 2023 op 1.222 en in 2024 op 789.

Francesca Van Belleghem:

Dank voor uw uitgebreide antwoord en het cijfermateriaal. We hebben vandaag al vaak gehoord dat een en ander onderzocht wordt en dat is ook logisch, want u staat aan het begin van uw termijn als minister. Ik hoop toch dat er gestaag wetsontwerpen in het Parlement zullen worden ingediend, want er moeten heel snel maatregelen worden genomen, zeker om de instroom van asielzoekers te beperken, de terugkeercijfers te verhogen en de aangehaalde fraudegevallen aan te pakken. Ik hoop dat er specifieke wetgevende initiatieven komen om frauderende privéinstellingen beter te kunnen viseren.

De bestraffing van gedetineerden

Gesteld door

lijst: VB Marijke Dillen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 26 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Marijke Dillen kaart aan dat wangedrag van gedetineerden (drugs, wapens, geweld) te weinig bestraft wordt, cipiers bedreigd raken en tuchtrapporten zonder gevolg blijven, terwijl tuchtcommissies directiebeslissingen vaak verwerpen—wat orde en veiligheid ondermijnt. Minister Verlinden ontkent gebrek aan opvolging, wijst op wettelijke klachtenprocedures en noemt genomen maatregelen (agressiebeheersing, drugdetectie, psychologische ondersteuning) om wangedrag preventief en reactief aan te pakken. Dillen blijft kritisch, verwijzend naar vakbondsklachten over onvoldoende sancties en afwezigheid van ordehandhaving, en dringt aan op concrete cijfers over teruggefloten tuchtbeslissingen. De minister belooft verdere inspanningen maar geeft geen direct antwoord op de gevraagde overzichten.

Marijke Dillen:

Mijnheer de voorzitter, ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

Gedetineerden die zich misdragen in de gevangenissen moeten ernstig worden gestraft, denken we o.m. aan het bezit en dealen van drugs, aan het bezit van verboden voorwerpen zoals een gsm en wapens, aan het posten van filmpjes op sociale media, aan het bezit van alcohol, aan het plegen van gewelddaden, enzovoort.

Dit gebeurt helaas te weinig, zo bleek duidelijk tijdens de hoorzittingen met de vakbonden betreffende de problematiek van de overbevolking in de gevangenissen. En cipiers die verboden voorwerpen opsporen in de cellen, worden hierbij vaak bedreigd.

Wanneer dergelijke feiten plaatsvinden wordt er door de cipier een rapport opgesteld maar vaak wordt hieraan niet het nodige gevolg gegeven. En als er al eens streng wordt opgetreden, wordt de gevangenisdirecteur vaak teruggefloten door de Tuchtcommissie.

Dit heeft tot gevolg dat cipiers vaak geen rapport meer schrijven omdat er toch geen gevolg aan wordt gegeven maar hun naam wel vermeld staat op het rapport, wat ook het risico inhoudt dat ze moeten vrezen voor vergeldingsmaatregelen in hun private sfeer door de omgeving van de betrokken gedetineerden.

Als er geen bestraffing volgt op feiten gepleegd door de gedetineerden, is er geen sprake meer van orde en tucht. Streng en kordaat optreden tegen wangedrag door gedetineerden moet de enige boodschap zijn. Alleen wanneer dit gebeurt kunnen cipiers terug op een veiligere manier werken.

Is de minister van deze problematiek op de hoogte? Kan u hierover meer toelichting geven? Welke maatregelen werden er deze legislatuur genomen om het gevangeniswezen te versterken in hun opdracht om streng en kordaat te kunnen optreden tegen iedere vorm van wangedrag door een gedetineerde?

Is de minister op de hoogte van het gegeven dat wanneer er dan toch ernstig wordt opgetreden door de gevangenisdirecteur, deze vaak wordt teruggefloten door de Tuchtcommissie? Kan de minister mij een overzicht geven van de gevangenissen waar de Tuchtcommissie dergelijke lakse houding aanneemt?

Annelies Verlinden:

Ik zou vooreerst de bewering willen nuanceren dat niet het nodige gevolg zou gegeven worden aan door de penitentiair beambten opgelegde tuchtrapporten. Dat is niet correct. Wel gebeurt het frequent dat gedetineerden beslissingen van de directeur aanvechten voor de klachtencommissies, waaronder ook tuchtbeslissingen.

Zowel de tuchtprocedure ten aanzien van de gedetineerden als het klachtenrecht zijn bij wet geregeld in de basiswet van 12 januari 2005. De directie kan tijdens de procedure haar beslissing verdedigen, maar de klachtencommissie en de beroepscommissie beoordelen autonoom de ontvankelijkheid en gegrondheid van de klacht en ook het gevolg dat daaraan moet worden gegeven.

Tegen agressie van gedetineerden wordt ook effectief opgetreden. Zo werden al belangrijke inspanningen geleverd om op een efficiënte manier te reageren op ongepast en agressief gedrag, zowel preventief als reactief. Hierna geef ik graag een aantal voorbeelden van dergelijke maatregelen.

Het gaat om het meerjarenproject rond het ontwikkelen en bevorderen van een conflictloze cultuur, met zowel programma’s voor agressiebeheersing voor gedetineerden als institutionele interventies met het oog op een conflictarme cultuur; de strafbaarstelling van het overgooien van voorwerpen die ook gevaar kunnen opleveren; de opleiding van de interventieteams en de modules rond conflict- en agressiehantering die in de basisopleiding van het bewakingspersoneel zijn vervat; het aanbod van drughulpverlening in de gevangenissen maar ook toestellen voor drugdetectie; het testen van jamming ; het aanwerven van eerstelijnspsychologen voor de medische diensten om reeds bij het onthaal van de gedetineerden eventuele psychische en emotionele problemen te kunnen vaststellen; de uitbreiding van de zorgequipes voor de geïnterneerden die in gevangenissen verblijven in afwachting van hun plaatsing in de extrapenitentiaire forensische zorg.

Het spreekt uiteraard voor zich dat deze inspanningen ook deze legislatuur zullen worden verdergezet.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, de klachten die ik in deze vraag heb geformuleerd, zijn heel duidelijk door verschillende vakbonden geformuleerd tijdens de hoorzittingen van enkele weken geleden naar aanleiding van de overbevolking in de gevangenissen. Zij zeggen dat er aan hun rapporten vaak niet het nodige gevolg wordt gegeven. Feiten gepleegd door de gedetineerden worden te weinig bestraft. Zij hebben aangeklaagd, mevrouw de minister, dat er op die manier geen sprake is van orde en tucht. Het zal u niet verwonderen dat ik hieromtrent ga terugkoppelen, want ik vind het merkwaardig dat u dat vandaag heel erg nuanceert. Ik heb geen antwoord gekregen, mevrouw de minister, op mijn vraag naar het aantal klachten waarbij er wel ernstig is opgetreden door de gevangenisdirecteur, maar waar die teruggefloten is door de tuchtcommissie. Ik begrijp dat u mij daarvan vandaag geen volledig overzicht kan geven. Ik zal een schriftelijke vraag indienen en kom daarop later nog terug.

De kritiek van de SURB op de noodmaatregelen om de overbevolking van de gevangenissen aan te pakken
De wachtlijsten in de gevangenissen voor personen die veroordeeld zijn tot minder dan 5 jaar cel
De impact van de noodmaatregelen met betrekking tot het penitentiair verlof
De veroordeling van België voor de overbevolking en onmenselijke omstandigheden in de gevangenissen
De resolutie van de Brusselse balie over de overbevolking van de gevangenissen
De (stopzetting van de) uitvoering van de korte gevangenisstraffen
De nota met aanbevelingen van de FOD Justitie
Uitdagingen en kritiek op gevangenisbeleid en detentieomstandigheden in België

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 26 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De kern van de discussie draait om de chronische overbevolking in Belgische gevangenissen, verergerd door onuitgevoerde korte straffen (≤3 jaar), onwettig verlengd penitentiair verlof (VPV) en structureel capaciteitstekort. Minister Verlinden bevestigt dat 2.500–3.000 veroordeelden niet worden opgeroepen door gebrek aan plaats, ondanks wetten die uitvoering verplichten, en kondigt noodmaatregelen aan om de onwettige praktijken (VPV-misbruik, wachtlijsten) te stoppen, maar benadrukt dat structurele oplossingen (extra capaciteit, modulaire gevangenissen, betere samenwerking met deelstaten) tijd vragen. Kritiekpunten zijn de straffeloosheid die slachtoffers en veiligheid schaadt, het falend beleid van voorgangers (geen nieuwe gevangenissen, slechte voorbereiding korte-straffen-wet), en de dringende nood aan alternatieven (enkelbanden, terugkeer illegale gedetineerden, Europese samenwerking) om de EVRM-condemnaties (dwangsommen tot €2.000/dag) en onmenselijke omstandigheden te voorkomen.

Voorzitter:

Madame Dillen, je propose, si vous l'acceptez, que vous joigniez toutes vos questions et les posiez en une seule fois. Pour cela, vous disposerez d'une dizaine de minutes. Si cela vous convient aussi, madame De Wit, vous pourrez poser vos deux questions en une seule fois également. (Assentiment)

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, de FOD Justitie heeft kennelijk op uw verzoek een plan opgemaakt om de overbevolking in de gevangenissen tegen te gaan. Als we de media mogen geloven – vandaag lezen we daarin overigens dat u betreurt dat dit uitgelekt is –, zou de overbevolking volgens de FOD Justitie onmiddellijk gerelateerd zijn aan de uitvoering van celstraffen tot en met drie jaar en zou de uitvoering van de korte gevangenisstraffen weer op de schop moeten. Ik denk dat er belangrijkere oorzaken van de overbevolking in onze gevangenissen zijn, mevrouw de minister, meer bepaald het aantal illegalen, maar dat is een andere discussie.

Het was jaren wachten, namelijk tot minister Van Quickenborne, uw voorganger, op een beleid waarbij ook de korte celstraffen zouden worden uitgevoerd, en de uitvoering ervan wordt dan ook nog eens over verschillende jaren gespreid. Nu komt men af met het tegenovergestelde, althans volgens de media, want er zou een plan op tafel liggen om de criminelen die tot relatief korte gevangenissen zijn veroordeeld, te belonen. Daardoor komen de slachtoffers opnieuw in de kou te staan en zal de straffeloosheid weer zegenvieren. Het zal u niet verwonderen wanneer ik zeg dat dat voor onze fractie onaanvaardbaar is.

Ik had graag wat meer uitleg gekregen over de inhoud van het advies van de FOD Justitie. Deelt u de mening om korte celstraffen niet meer uit te voeren? In welke mate zal het advies een invloed op de regelgeving hebben? Bent u van plan om in te grijpen in de regeling? Kunt u dat toelichten?

Is een eventuele afschaffing of schorsing van de korte gevangenisstraffen eigenlijk geen negatief signaal tegenover de samenleving, waardoor criminaliteit wordt gefaciliteerd en straffeloosheid in de hand wordt gewerkt?

Dan heb ik nog een vraag die ik aan uw voorganger wilde stellen, maar hij is een aantal weken niet op vragen komen antwoorden. Daarom staan er vandaag ook zo veel vragen op de agenda.

Mevrouw de minister, naar aanleiding van de noodmaatregelen die door uw voorganger werden aangekondigd, trok de strafuitvoeringsrechtbank (SURB) namelijk aan de alambel. Volgens de SURB vormen de noodmaatregelen een bedreiging voor de veiligheid van de samenleving, inzonderheid die van de slachtoffers, en worden zijn vonnissen ook volledig genegeerd.

Wanneer de SURB elektronisch toezicht of een voorwaardelijke invrijheidsstelling weigert vanwege een te hoog risico op herval, krijgt de veroordeelde verlengd penitentiair verlof. Zelfs als het elektronisch toezicht of de invrijheidsstelling wordt herroepen wegens schending van de voorwaarden, toch ook niet onbelangrijk, kent de gevangenisdirectie dat verlof alsnog toe. Daardoor vervallen alle voorwaarden en ontbreekt elke vorm van controle. Dat zijn niet mijn woorden, mevrouw de minister, het is wel de ernstige, maar volgens mij terechte kritiek van de SURB.

De SURB klaagde voorts aan dat gevangenisdirecteurs verlengd penitentiair verlof vrijwel onbeperkt toekennen met nauwelijks voorwaarden en zonder controle of opvolging, ook wanneer de SURB een voorwaardelijke invrijheidsstelling weigert of heeft herroepen. Dat heeft tot gevolg dat veroordeelden worden vrijgelaten en maanden thuis doorbrengen zonder verplichte begeleiding of zonder verplichte arbeid.

Ondertussen zijn verschillende veroordeelden die op verlengd penitentiair verlof waren, opnieuw aangehouden wegens het plegen van nieuwe feiten. Ook dat brengt de belangen van een veilige samenleving en de belangen van de slachtoffers in gevaar.

Mevrouw de minister, wat is uw standpunt over die mijns inziens terechte kritiek van de SURB? U bent nog maar een korte periode in uw huidige functie, maar heeft er inmiddels al overleg plaatsgevonden met de vertegenwoordigers van de SURB? Hebt u al initiatieven genomen of zult u initiatieven nemen om te voorkomen dat vonnissen van de SURB volledig worden genegeerd door de gevangenisdirecteurs?

Heel belangrijk is een striemende kritiek van de SURB: veroordeelden komen vrij en plegen nieuwe feiten. Kunt u daarover meer cijfers geven? Indien u dat vandaag niet kunt, zal ik ze schriftelijk vragen.

Tijdens een hoorzitting over de crisis in de gevangenissen vernamen we dat gedetineerden die een gevangenisstraf lager dan vijf jaar hebben gekregen en niet in voorlopige hechtenis zitten, op een wachtlijst belanden wanneer zij zich moeten aanmelden in de gevangenis. Een van de sprekers stelde zelfs: "Tegenwoordig gaan alle gestraften van minder dan drie jaar daadwerkelijk de gevangenis in, maar de veroordeelden krijgen na enkele dagen of weken penitentiair verlof. Nu, gezien de overbevolking, worden veroordeelden tot minder dan vijf jaar die niet in voorlopige hechtenis zitten, zelfs niet meer opgesloten, maar komen ze op de wachtlijst terecht. Stelt u zich dat eens voor. Dat overboekingsbeleid is ontstaan binnen de penitentiaire instellingen. Deze situatie, die al twee maanden duurt, maakt dat de gevangenisadministratie niet eens meer weet hoeveel veroordeelden er zijn in afwachting van de opsluiting." Bent u daarvan op de hoogte? Graag kreeg ik meer toelichting. Hebt u een idee over welke gevangenissen en over hoeveel gedetineerden het gaat?

Zolang de instroom van gedetineerden groter is dan de uitstroom en de gevangeniscapaciteit niet toeneemt, zal het probleem groter worden. Daardoor komt de strafuitvoering nog meer in het gedrang en zal het gevoel van straffeloosheid alleen maar toenemen. Welke waarborgen worden er gegeven dat de op de wachtlijst opgenomen veroordeelden uiteindelijk toch hun gevangenisstraf zullen uitzitten?

Mevrouw de minister, het hof van beroep van Brussel veroordeelde de Belgische Staat opnieuw en voor de zoveelste maal voor de overbevolking en onmenselijke omstandigheden in de gevangenissen van Haren en Sint-Gillis, hoewel de gevangenis van Haren anderhalf jaar na de opening nog steeds niet op volledige capaciteit draait.

Eind december waren er in Haren al 1.148 mensen opgesloten, op een ogenblik dat Haren wel haar volledige capaciteit had. Ook daar zou al sprake zijn van overbevolking. U zult die wel toelichten.

Daarnaast heeft het hof opgemerkt dat het personeel voor de nieuwe gevangenis van Haren niet op tijd aangenomen en opgeleid werd. Het hof van beroep veroordeelt de Belgische Staat nu voor die overbevolking tot een dwangsom van maar liefst 2.000 euro per dag per gevangene die de maximumcapaciteit overschrijdt. Wat is uw reactie op dat arrest van het hof van beroep?

Wat zult u op korte tijd ondernemen om ervoor te zorgen dat het probleem in Haren opgelost wordt, zodat de dwangsom, 2.000 euro per gedetineerde per dag, – reken maar uit wat dat op een maand kan kosten – vermeden kan worden?

Sophie De Wit:

Mevrouw de minister, ik kan het nu korter houden, omdat mevrouw Dillen al veel zaken heeft aangehaald. Zo sluit ik mij aan bij haar vraag over de noodkreet van de SURB.

Ik heb het hier over de nota die afgelopen weekend in de media is verschenen, nadat u vorige donderdag had aangekondigd meer op alternatieve straffen en elektronisch toezicht te zullen inzetten. Mevrouw de minister, wat hebt u geërfd?! De voormalige minister van Justitie, die dan nog het verwijt rondstuurt dat de nieuwe regering de straffeloosheid in de hand zal werken, schoot in dat verband wel de hoofdvogel af. Onze fractie staat volledig achter de maatregel om straffen onder de drie jaar uit te voeren. Ik vind dat een correcte maatregel, maar die is helemaal niet voorbereid. Hoeveel detentiehuizen zijn er? Er zijn er slechts 2, terwijl er 27 beloofd waren. Meer zijn er niet.

Uiteindelijk is het wat het is. De strafkorting met zes maanden was bovendien niet eens wettelijk, zo blijkt, met alle problemen van dien. U hebt nu inderdaad een stock aan openstaande straffen, nu straffen tot vijf jaar niet worden uitgevoerd.

De vorige minister is dus heel slecht geplaatst om verwijten te maken. Men moet intellectueel altijd eerlijk blijven en vooral consequent met zichzelf. Dat zal ik ook proberen in mijn vraagstelling.

In de gelekte nota staat een advies om personen die tot een celstraf van minder dan drie jaar veroordeeld zijn, niet naar de cel te sturen en een alternatieve straf via een enkelband te geven. Daarmee keren we terug naar de situatie van vroeger. Er wordt ook aanbevolen om het verlengd penitentiair verlof, zoals dat nu bestaat voor de laatste zes maanden, af te voeren, omdat die maatregel onwettig zou zijn. Dat verbaast mij natuurlijk niet.

Ik denk, mevrouw de minister – ik ben consequent met mezelf –, dat de uitvoering van de korte straffen niet goed voorbereid is door de vorige minister. Maar op zich is het wel een correcte maatregel. De strafrechter spreekt de straf uit en gaat ervan uit dat die ook wordt uitgevoerd. Zo niet krijgen we een strafinflatie en een opeenstapeling van korte straffen. Keert men terug naar de situatie van vroeger waarbij er alternatieve straffen worden gegeven, dan schuift u de problemen gewoon door naar de deelstaten, terwijl die al ongelooflijk veel hebben bijgedragen aan de oplossing van de overbevolking met de toekenning van 6.700 enkelbanden en de aanzienlijke stijging van het aantal werkstraffen.

We moeten erover waken dat we het probleem van de overbevolking in de gevangenissen niet oplossen door problemen buiten de gevangenissen te creëren. Het is dus inderdaad nodig dat er conform het regeerakkoord op alle fronten wordt gewerkt en dat wil ook zeggen dat er extra capaciteit wordt gecreëerd, bijvoorbeeld in modulaire constructies.

Mevrouw de minister, hebt u de nota al met de stakeholders kunnen bespreken? Hoe werden die aanbevelingen daar onthaald?

De niet-uitvoering van de korte straffen strookt niet met de letter en de geest van het regeerakkoord en het probleem wordt deels doorgeschoven naar de deelstaten. Bent u het daarmee eens?

In het regeerakkoord staat ook dat er een nulmeting zou gebeuren. We zitten nog in uw eerste weken, maar hebt u daarvoor al bepaalde stappen kunnen zetten? De bestaande capaciteit zou inderdaad objectief in kaart moeten worden gebracht. Zo kunnen we misschien beter spreiden.

Hoever staat het met de modulaire constructies? Hoe snel kunnen zulke projecten worden geïmplementeerd?

Een volgende niet onbelangrijke vraag gaat over de vele illegale gedetineerden. 30 % van onze gevangenisbevolking is namelijk illegaal in ons land en daarvoor hebben we natuurlijk terugnameakkoorden nodig. We hebben echter ook heel veel Europese gevangenen, mevrouw de minister, waarvoor die akkoorden niet moeten worden gesloten. Zij kunnen hun straf ook in hun thuisland uitzitten. Denk bijvoorbeeld aan de bijna 500 Nederlanders en 250 Fransen. Misschien moeten we ook die piste bekijken. Er stond daarover vandaag trouwens een artikel in de krant. Ik denk dat ik die vraag een paar weken geleden ook heb gesteld.

Ten slotte, mevrouw de minister, heb ik nog een vraag over de problematiek in de gevangenissen. Kunt u ons nog wat meer vertellen over het personeelstekort, het aantal zieken en het absenteïsme binnen de gevangenissen, en hoe we daaraan tegemoet kunnen komen? Misschien kan dat door private actoren in de gevangenissen in te schakelen om de ergste noden in het werk, ook van onze penitentiair beambten, te ledigen?

Sarah Schlitz:

Madame la ministre, à l'occasion de la visite des prisons par l'ensemble des bâtonniers du royaume, le 10 décembre dernier, le conseil de l'Ordre français des avocats du barreau de Bruxelles a adopté une résolution qui appelle les autorités à réviser drastiquement la politique pénitentiaire en Belgique afin de réduire la surpopulation carcérale, d'améliorer les conditions de détention, de repenser les alternatives à l'incarcération et de favoriser la réinsertion des détenus afin de protéger au mieux la société.

Par ailleurs, le conseil souligne que la stratégie du tout à la prison ne permet pas de lutter contre la criminalité. Elle coûte cher à l'État et génère de la récidive. Ce n'est pas nouveau. En outre, il rappelle les nombreuses condamnations de l'État belge, tant au niveau national qu'international, pour les conditions de détention considérées comme un traitement inhumain et dégradant au sens de l'article 3 de la Convention européenne des droits de l'homme.

Manifestement, les négociateurs de l'Arizona n'ont pas reçu cette résolution. Je vous invite donc à la consulter sur leur site. Les mesures proposées visent toutes à lutter contre une aggravation constatée de la situation. Madame la ministre, ce portefeuille ministériel n'est en effet pas un cadeau.

Comment allez-vous mettre en œuvre cet accord de majorité, qui est axé sur la répression, tout en agissant contre la surpopulation carcérale? C'est un véritable casse-tête!

Une évaluation de la réforme du Code pénal amenée par le gouvernement Vivaldi et initiée par le ministre Koen Geens est-elle prévue? Il me semble en effet prioritaire de d'abord évaluer la réforme précédente – qui n'a même pas encore pu dévoiler tous ses effets – avant d'en réaliser une nouvelle.

Enfin, quelles concertations avec les acteurs de terrain prévoyez-vous de mettre en place?

Voorzitter:

Mevrouw de minister, u krijgt 10 minuten voor uw antwoord.

Annelies Verlinden:

Collega's, dank u wel voor uw vragen, bedenkingen en inzichten bij dit zeer prangende probleem. Drieënhalve week geleden, toen ik mijn mandaat opnam, heb ik inderdaad een heel groot dossier aangetroffen.

Ik heb tijdens de hoorzitting van 11 februari in deze commissie al toegelicht dat het probleem van de overbevolking in de gevangenissen weegt op ons hele gerechtelijke systeem. Ik heb toen ook gezegd, en ik zal dat nu herhalen, dat het onmogelijk is dat op te lossen met holle slogans of met grootspraak. Het is niet eenvoudig op te lossen. Overigens, als u met mijn voorgangers spreekt, erkennen zij het probleem.

Wat ik wel gezegd heb, is dat ik meteen de handschoen zou opnemen om de situatie te verbeteren, uit respect voor de vele penitentiaire beambten, maar ook voor de andere actoren in het gevangeniswezen, en alle partners, zeker in het licht van een humane detentie voor de gedetineerden.

Mevrouw De Wit, ik kan u zeker bijtreden, ik vind ook dat alle gevangenisstraffen moeten worden uitgevoerd. Als we een Strafwetboek opmaken met bepaalde strafmaten erin en als we een heel gerechtelijk systeem optuigen om tot veroordelingen te komen, dan is het niet meer dan logisch dat we die ook uitvoeren. Anders moeten we dat niet doen. Dan moeten we eerlijk zijn met onszelf en andere afspraken maken in het Strafwetboek.

In het nieuwe Strafwetboek, dat vanaf het voorjaar van volgend jaar in werking zal treden, mogen wij wel niet van de veronderstelling uitgaan dat een gevangenisstraf de enige oplossing is in geval van een misdrijf. Dat hebben we ook aangeduid. Het zou goed zijn, zeker bij bepaalde misdrijven, niet allemaal, te kijken naar administratieve straffen.

Dat is de boodschap die ik heb willen geven in de communicatie waarover ik bevraagd ben in de afgelopen weken. Het gaat er niet zozeer om dat de omzetting van een gevangenisstraf naar een alternatieve straf mijn grote wens is, maar wel dat we bekijken hoe we ook met alternatieve straffen misdrijven kunnen beteugelen.

Dat is trouwens geen onlogische veronderstelling, gelet op de detentiegraad in België vergeleken met de detentiegraad in de ons omliggende, en zeker in meer noordelijke, landen, waar die lager is en waar ook feller wordt ingezet op alternatieve straffen.

Ik heb wel geschetst dat in de situatie die ik heb aangetroffen er een groot verschil is tussen de theorie en de praktijk. Mevrouw Dillen, daarmee kom ik terug op wat u zei. De wetten die in werking getreden zijn in de vorige legislatuur zijn eigenlijk de logica zelf. Alleen is er vandaag een heel groot verschil tussen enerzijds de theorie van die wetten en wat we ermee beogen, en waar we uiteraard achter staan, en anderzijds de praktijk, waaruit blijkt dat heel veel veroordeelden vandaag uiteindelijk niet naar de gevangenis worden opgeroepen omdat er geen plaats is wegens de overbevolking.

Bovendien is er de vaststelling, die mevrouw De Wit ook heeft geduid, dat de verlengde penitentiaire verloven (VPV's) op een bepaalde manier worden toegepast met het oog op de ontlasting van de gevangenissen, maar daarvoor bestaat geen wettelijk kader. Die problematiek moeten we oplossen.

Uiteraard moeten we de overbevolking ook oplossen, maar het feit dat een zeer groot aantal veroordeelden vandaag niet naar de gevangenis wordt opgeroepen, alsook dat de VPV's niet volgens het wettelijk voorziene regime verlopen, is een probleem. Dat moeten we nu op korte termijn oplossen. Daarom hebben we uit respect voor alle betrokken actoren de koppen bij elkaar gestoken.

Ik heb dus effectief op vrijdag 21 februari 2025 alle actoren samengeroepen, want het is een dringend probleem. Het College van procureurs-generaal kaartte aan dat er procedures worden gevoerd, maar finaal worden er geen oproepingen voor de gevangenissen verstuurd. U weet dat de vorige minister met tijdelijke instructies geprobeerd heeft een antwoord te bieden op die situatie, maar dat is natuurlijk niet houdbaar. We kunnen niet met die tijdelijke instructies blijven werken op de lange termijn. Kennelijk was het lang geleden dat ook de deelstaten waren uitgenodigd voor zo'n overleg. Dus we hebben naast het openbaar ministerie, de rechtbanken en de hoven en de FOD Justitie, in het bijzonder de directie van het gevangeniswezen, ook met de kabinetten en de administraties van de gemeenschappen samengezeten.

We hebben daar effectief aan de hand van een vertrouwelijk werkdocument – zo gaat dat als men een besluitvorming wil voorbereiden – een aantal voorstellen op tafel gelegd en besproken die kunnen bijdragen aan het wegwerken van de onwettige oplossingen die er vandaag zijn voor de aanpak van de overbevolking in de gevangenissen. Dat is het probleem dat ik wil aanpakken, met name die onwettige benadering.

Ik heb dan inderdaad betreurd dat dat werkdocument de weg gevonden heeft naar de pers. Ik zou aan de veroorzakers van dat lek de vraag willen stellen of ze echt een deel willen zijn van de oplossing dan wel liever stokken in de wielen steken van de besluitvorming. Dat heeft geleid tot berichtgeving op televisie en in de online en geschreven pers, waarbij één specifiek aspect onder de aandacht gebracht werd, met name: de uitvoering van de zogenaamde korte straffen.

Ik wil u ook zeggen dat de berichtgeving in de pers vaak ongenuanceerd is – ik heb daar zelfs begrip voor, het is een zeer complexe problematiek –, maar volgens mij moeten we hier, in de politieke debatten, proberen de juiste bewoordingen voor die problematiek te vinden.

Het gaat niet zozeer over het loslaten van de ambitie om korte straffen niet meer uit te voeren. Integendeel, het gaat wel degelijk over het oplossen van een onwettige situatie en – u hebt dat ook gehoord – over een stock van 2.500 tot 3.000 veroordeelden die niet worden opgeroepen naar de gevangenis, ondanks de wetten die in werking zijn getreden.

Los van de vaststelling dat tijdens dat overleg iedereen ons erkentelijk was omdat we het initiatief hebben genomen om voor het eerst alle partijen op die manier samen te brengen, om iedereen ruimschoots de mogelijkheid te hebben geboden zijn of haar visie en overwegingen toe te lichten en om het vertrouwelijke werkdocument van commentaar te voorzien, heb ik ook vooral gemerkt dat iedereen zich bewust is van de verschillende oorzaken van de problematiek en van de fenomenen.

Het is natuurlijk mijn opdracht nu – daarom was dat een vertrouwelijk document – om dat verder op het niveau van de federale regering en met de federale beleidsorganen te bespreken, alvorens we daarover definitieve beslissingen kunnen nemen en daarover kunnen communiceren. Het is uiteraard ook mijn wens om hier met u op tijd en stond in gesprek te gaan over de voortgang van het dossier en over de voorstellen die op tafel liggen. Het is nu te vroeg om alles in detail toe te lichten omdat, zoals gezegd, het voorstel nog niet definitief is.

Om alle misverstanden te vermijden, geef ik aan het begin van deze legislatuur alvast mijn ambitie mee om met Arizona en het regeerakkoord duidelijk in te zetten op een effectieve strafuitvoering en een adequate opvolging. Iedereen die een straf of een maatregel opgelegd krijgt, moet die straf binnen een aanvaarbare termijn voelen, en dat alvorens er kan worden gekeken naar alternatieven. Als minister van Justitie zal ik op de best mogelijke manier mijn bijdrage leveren aan de uitvoering van dat punt uit het regeerakkoord. Dat betekent dat we inzetten op minder straffeloosheid en meer veiligheid.

Veroordeelden die vandaag zelfs niet worden opgeroepen om naar de gevangenis te gaan, is uiteraard ook een vorm van straffeloosheid die niet bijdraagt aan een veiligere samenleving, welke wetten er in theorie ook worden gestemd in dit Parlement. De eerdere beleidsbeslissing uit de vorige legislatuur en de daaruit voortvloeiende genomen maatregelen maken inderdaad dat er vandaag wel degelijk straffeloosheid heerst voor die korte straffen tot drie jaar. Dat moet absoluut anders.

Ik vraag u echter voor ogen te houden dat er in de vorige legislatuur geen initiatieven zijn genomen die ertoe hebben geleid dat er vandaag een groot aantal bijkomende gevangenis- en detentieplaatsen beschikbaar zouden zijn. Eén gevangenis opende haar deuren, maar die stond al sinds een vorige legislatuur in de steigers. Er is effectief een raamovereenkomst in een gunningsprocedure gezet voor de bestelling van modulaire constructies. Dat betekent evenwel niet dat die infrastructuur beschikbaar is, dat daarvoor vergunningen zijn toegekend en dat het hele traject is doorlopen. Ik tref dus geen gevulde pijplijn aan qua detentie- en gevangenisplaatsen. Dat is de situatie waarin we werken.

We bedenken dus een aantal maatregelen met het oog op het wegwerken van de straffeloosheid en het zoeken naar oplossingen voor een veiligere samenleving. Morgen krijg ik immers niet de sleutel van nieuwe gevangenisstructuur. In het regeerakkoord staat uiteraard dat we werk willen maken van bijkomende infrastructuur in het buitenland, maar die oplossing is niet meteen voor morgen. De Denen bijvoorbeeld proberen dat al zeer lang te realiseren, maar dat geraakt niet van de ene dag op de andere beslecht.

De strafuitvoering is een van de sluitstukken van de strafrechtketen. We willen uiteraard niet dat de talrijke inspanningen van alle actoren leiden tot straffeloosheid, zoals die vandaag voor veel kortgestraften bestaat. Ik wil wel nog even onderstrepen dat die maatregel niet voor alle kortgestraften geldt. Een heel aantal gestraften zitten al in de gevangenis na de voorlopige hechtenis en andere gestraften voor bepaalde misdrijven zullen naar de gevangenis worden gestuurd.

De huidige situatie is een kwalijke erfenis die in het bijzonder voor de slachtoffers onaanvaardbaar is. Bovendien brengt die situatie de openbare veiligheid in het gedrang, zoals het openbaar ministerie al heeft gezegd. We willen daar samen aan werken.

Dat probleem kan trouwens niet alleen door Justitie worden opgelost. Ook Volksgezondheid, Asiel- en Migratie, Ambtenarenzaken, Binnenlandse Zaken, Defensie, Buitenlandse Zaken en de Regie der Gebouwen moeten oplossingen aandragen. Samenwerking met de deelstaten is daarbij eveneens noodzakelijk.

Tijdens het overleg van vrijdag heb ik vooral geluisterd naar de bemerkingen van het openbaar ministerie. Ik ken de opmerkingen geformuleerd door de strafuitvoeringsrechtbanken. Het is frustrerend dat men soms speelt op het verlengd penitentiair verlof en liever niet naar de strafuitvoeringsrechtbank gaat om daar dan voorwaarden of modaliteiten opgelegd te krijgen. In bepaalde gevallen gaan de beslissingen voor verlengd penitentiair verlof zelfs in tegen modaliteiten van een strafuitvoeringsrechtbank. Zo wordt het systeem op zijn kop gezet. Ik wil opnieuw het onderscheid maken tussen de theorie en de praktijk in de huidige uitvoering.

Dat is zeker iets wat we tegen het licht moeten houden, onder meer in het licht van de scheiding der machten. Zoals u ook al zei, is er voor dat verlengd penitentiair verlof zoals het vandaag wordt gehanteerd evenmin een wettelijk kader voorhanden.

Mijnheer de voorzitter, ik besef dat ik over de tijd ga, maar het is natuurlijk een belangrijk dossier.

Op basis van de huidige telling in de gevangenissen is er plaats voor 11.040 personen. Op 25 februari, gisteren dus, verbleven er 12.840 personen in de gevangenis, van wie er 178 op de grond slapen. Als er geen VPV-maatregel zou zijn, zoals die vandaag wordt toegepast, zouden er nog eens 704 personen extra opgesloten zijn.

Het is duidelijk dat die graad van overbevolking een impact heeft op de manier waarop de taken door de penitentiaire beambten, en door iedereen binnen het gevangeniswezen, worden uitgevoerd. De situatie heeft ook een impact op de werkomstandigheden van de vele medewerkers; er staan straks nog vragen op de agenda over agressie en tucht van gedetineerden. Uiteraard hangt dat allemaal met elkaar samen en is dat iets wat zeker mijn aandacht zal krijgen. Ik heb immers een bezoek gebracht aan de hulpgevangenis van Leuven en er staat een werkbezoek aan de gevangenis van Bergen op mijn programma. Uiteraard zullen andere bezoeken volgen. Ik ontmoet ook de vakorganisaties en heb al heel veel mensen gesproken binnen Justitie. De tijd gaat snel, maar uiteraard zal ik in overleg blijven met de mensen op het terrein.

Bovendien, en dat is hier ook al aangehaald, zijn we al veroordeeld voor het schenden van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), recent nog door het hof van beroep in Brussel. Ik heb dat ook gezegd tijdens onze hoorzitting van 11 februari. Dat arrest is gelijkluidend aan een eerder arrest van het hof van beroep van Luik met betrekking tot de gevangenis van Lantin en van de rechtbank van eerste aanleg in Bergen voor de gevangenis van Bergen. Die arresten zijn momenteel nog niet betekend. De uitgesproken dwangsommen bedragen 2.000 euro per dag per gedetineerde in overtal van de capaciteit van de gevangenissen van Haren en Sint-Gillis, en 1.000 euro per vaststelling van een onmenselijke en vernederende behandeling in de gevangenis van Sint-Gillis. Ik geef u voor de volledigheid mee dat de gevangenis van Sint-Gillis momenteel niet overbevolkt is.

De huidige capaciteit van de gevangenis van Haren bedraagt 1.035 plaatsen. Daar verblijven momenteel 1.151 gedetineerden. Er wordt door de administratie elke dag een overbrenging uitgevoerd om het aantal te verminderen. Bovendien hebben we dagelijks contact met het openbaar ministerie om de inkomende gedetineerden te kunnen spreiden, wat een huzarenstuk is, aangezien heel veel penitentiaire instellingen overbevolkt zijn.

Ter verduidelijking, er waren die tijdelijke instructies, telkens geldend voor twee weken, van de vorige minister van Justitie. De laatste instructie liep tot 4 februari 2025. Om daarna geen problematiek aan de gevangenispoorten te doen ontstaan, moest ik de maatregelen noodgedwongen verlengen. Dat is gebeurd vanaf 5 februari 2025. Wat wij wel al hebben gedaan voor de veiligheid en uit respect voor eenieder, is de maatregel niet langer van toepassing maken voor veroordeelden tot een gevangenisstraf tussen drie en vijf jaar. Die categorie veroordeelden zit niet langer in de noodmaatregel, waardoor de situatie al is verbeterd.

Ik herhaal dat voor een aantal veroordeelden voor zware geweldmisdrijven, feiten van intrafamiliaal geweld, zedenmisdrijven, terroristische misdrijven en zeker ook dossiers waarin de veroordeelde een onmiddellijk gevaar zou betekenen voor de veiligheid van de maatschappij of voor de slachtoffers, die maatregelen ook niet van toepassing zijn.

Je voudrais encore répondre à la question de Mme Schlitz, qui n'est plus parmi nous dans cette salle. Je vais quand même répondre pour le rapport. Dans le nouveau Code pénal qui entrera en vigueur le 8 avril 2026, la peine d'emprisonnement est conçue comme le recours ultime et ne pourra être prononcée que lorsque les objectifs de la peine ne peuvent être atteints d'une autre manière. Le nouveau Code énumère explicitement les objectifs de la peine à prendre en compte lors du choix de la peine, parmi lesquels figure le fait de favoriser la réhabilitation et la réinsertion sociale de l'auteur. L'accent est davantage mis sur les sanctions autonomes qui peuvent être prononcées par le juge en alternative aux peines d'emprisonnement et qui peuvent atteindre les objectifs de protection de la société ainsi que ceux de réhabilitation et de réinsertion du délinquant.

Le nouveau Code supprime les courtes peines d'emprisonnement pour les infractions les moins graves. Le législateur envoie ainsi un signal clair au juge pénal pour qu'il soit plus économe avec la peine de prison. En élargissant la possibilité pour les juges de fond de prononcer une autre peine que l'emprisonnement, cette nouvelle option permet d'espérer une réduction du recours à la détention et d'avoir un impact sur la diminution de la surpopulation carcérale.

Voorzitter:

Bedankt, mevrouw de minister, voor uw antwoord.

Mevrouw Dillen, u hebt ongeveer vijf minuten om te repliceren.

Marijke Dillen:

Ik zal kort zijn, mijnheer de voorzitter.

Bedankt voor uw antwoorden, mevrouw de minister.

Zoals ik daarnet zei, waren een aantal vragen nog gericht aan uw voorganger. Ik ga ervan uit dat we binnen enkele weken de kans zullen krijgen om hierop uitvoerig in te gaan tijdens de bespreking van uw beleidsnota.

Ik erken ook, mevrouw de minister, dat dit niet uw verantwoordelijkheid is. U zit hier immers nog maar enkele weken. De problematiek van de gevangenissen en de overbevolking binnen de gevangenissen is geen eenvoudig dossier. Het is ook niet uitsluitend de schuld van uw beide voorgangers, al is het niet aan mij om hen te verdedigen. Ik zat hier al in 1991 en dat was toen ook al een probleem. U erft dat probleem nu. De bevolking, en zeker de penitentiaire beambten, verwachten echter dat er deze legislatuur eindelijk eens iets fundamenteels zal veranderen.

Immers, de overbevolking geeft niet alleen een gevoel van onveiligheid, het zorgt ook effectief voor onveiligheid wanneer door de verschillende noodmaatregelen, zoals dat verlengd penitentiair verlof, honderden veroordeelden hun straf moeten uitzitten buiten de gevangenis. Dat is, mevrouw de minister, in het belang van de slachtoffers absoluut onaanvaardbaar.

U hebt daarnet gezegd dat u verplicht was om de maatregelen tijdelijk verder te zetten, maar dat het niet meer geldt voor hen die veroordeeld zijn voor straffen tussen de drie en de vijf jaar. Ik heb deze week echter ter voorbereiding van dit debat mijn oor te luisteren gelegd bij mijn collega-strafpleiters in Antwerpen. Ze hebben mij allemaal bevestigd dat ook veroordeelden boven de vijf jaar momenteel, nadat ze een korte tijd in de gevangenis hebben doorgebracht, voorlopig in vrijheid zijn gesteld. Mevrouw de minister, om veroordeeld te worden tot vijf jaar moet men wel al iets op zijn kerfstok hebben!

Annelies Verlinden:

U verwijst naar de VPV, maar dat is een andere silo dan de korte straffen tussen de drie en de vijf jaar waarover ik het had.

Marijke Dillen:

Dat klopt, maar het gaat over de totaliteit, ongeacht het systeem waaronder ze vallen. Iemand die een effectieve gevangenisstraf van meer dan vijf jaar krijgt, moet al wat op zijn kerfstof hebben. Zo'n straf is niet voor een of andere kleine vorm van criminaliteit, voor zover 'kleine' al bestaat. Het gaat om zeer zware vormen van criminaliteit. Dat zijn allemaal zaken die de veiligheid van onze samenleving in gevaar brengen. Een straf moet een straf blijven, ik ben blij dat u dat bevestigt. Dat was immers de stoere taal van voormalig minister Van Quickenborne in het begin van zijn mandaat. U hebt gelijk dat de maatregel is genomen op een ogenblik dat hij veel te weinig voorbereid was. Ik kan het standpunt van voormalig minister Van Quickenborne volledig onderschrijven, maar men had dat beter moeten voorbereiden.

Mevrouw de minister, u hebt nu vierenhalf jaar om daar iets aan te doen. Ik hoop dat u de koe bij de horens vat. Een aantal oplossingen staan in het regeerakkoord. De terugkeer van illegalen is een van de grote problemen. Van de 12.800 gedetineerden zijn er vandaag 4.038 die niet over een verblijfsrecht beschikken. Hun terugkeer zou al voor een behoorlijke oplossing zorgen.

Ik ben heel benieuwd naar uw beleidsverklaring en zal ook dit hoofdstuk met veel interesse kritisch analyseren.

Sophie De Wit:

Mevrouw de minister, ik bedank u voor uw antwoord.

U hebt niet op elke vraag geantwoord, maar we zullen wellicht nog de gelegenheid krijgen om het debat te voeren.

U verklaarde dat een gevangenisstraf niet de enige oplossing is, maar dat er ook alternatieven zijn. Dat is vandaag al het geval, ze zijn opgenomen in het nieuwe Strafwetboek. De waaier aan mogelijkheden waarover een rechter beschikt is vandaag al immens. Daarom is het belangrijk dat, als de rechter oordeelt dat iemand naar de cel moet, dat ook mogelijk is. U zult daarvoor moeten zorgen, samen met de minister bevoegd voor de Regie der Gebouwen, want we hebben gevangeniscapaciteit nodig.

Vlaanderen heeft vandaag nog nooit zoveel alternatieve straffen, enkelbanden en werkstraffen begeleid en uitgevoerd. Door de overbevolking van de gevangenissen blijft het evenwel heel moeilijk om in de gevangenissen begeleiding te organiseren, wat ook cruciaal is. Dat toont nogmaals het belang van de gevangeniscapaciteit aan.

Het is een beetje gemakkelijk om de schuld af te wenden op de regio's, terwijl die al heel veel op zich nemen. Zij nemen niet alleen de enkelbanden en werkstraffen op zich, maar proberen ook nog waar mogelijk in de cel te begeleiden. Dat is in de huidige context niet eenvoudig, zoals u wel kunt begrijpen.

Daarom is die extra capaciteit zo belangrijk. Ik ben blij dat u zelf bevestigt dat er de vorige legislatuur geen enkel initiatief is genomen ter wille van extra capaciteit, de twee detentiehuizen terzijde gelaten. Dat is iets dat ik meermaals heb aangekaart en dat werd altijd ontkend, maar het blijkt effectief zo te zijn. De gevangenis die is geopend, is een uitvoering van een plan dat nog door de Zweedse regering in de steigers is gezet. Collega Geens zei altijd dat elke regering een dossier klaarmaakt voor de volgende, maar vandaag ligt er geen nieuw dossier klaar. Het masterplan heeft enorm veel achterstand opgelopen en nochtans is dat heel belangrijk, want de capaciteit is hard nodig. Het is niet sexy om te investeren in gevangenissen, maar onder de Zweedse regering is dat wel gebeurd.

Echter, als we de veiligheid willen blijven garanderen, dan is dat cruciaal. Als we onze rechtsstaat niet in gevaar willen brengen, dan is dat cruciaal. Als we de slachtoffers ernstig willen nemen, dan is dat cruciaal. Als we onze rechters en ook de gedetineerden willen helpen, dan moeten we dat doen. Pas met voldoende capaciteit kan er ook binnen de celmuren worden ingezet op reclassering en begeleiding, zoals dat zou moeten zijn.

Er wacht u een heel grote uitdaging, mevrouw de minister. Ik hoop dat u die met open vizier tegemoet treedt en het aspect capaciteit, hoe moeilijk ook, niet uit het oog verliest.

U hebt niet geantwoord op mijn vraag over de Europese veroordeelden. Dat zijn er heel wat. Ik denk dat we gemakkelijk aan 1.000 personen komen, als er al bijna 500 Nederlanders in onze cellen zitten. Misschien kunt u bekijken of die hun straf niet in eigen land kunnen uitzitten? De uitstroom moet niet altijd gebeuren door bepaalde straffen niet meer uit te voeren of ze om te zetten, het kan ook door Europese gedetineerden hun straf te laten uitzitten in hun thuisland binnen Europa. U hebt daarvoor geen terugnameakkoorden nodig. Bekijk ook die piste, zodat we voor iedereen die hierbij betrokken is, ook voor de mensen die binnen het gevangeniswezen werken, iets kunnen doen aan deze verschrikkelijke situatie.

Moties

Motions

Voorzitter:

Tot besluit van deze bespreking werden volgende moties ingediend. En conclusion de cette discussion, les motions suivantes ont été déposées. Een motie van aanbeveling werd ingediend door mevrouw Marijke Dillen en luidt als volgt: "De Kamer, gehoord de interpellatie van mevrouw Marijke Dillen en het antwoord van de minister van Justitie, belast met de Noordzee, - overwegende dat er in 2006 een wet werd gestemd die de uitvoering van de korte straffen moest garanderen; - overwegende dat de inwerkingtreding van deze wet maar liefst twaalf keer werd uitgesteld; - overwegende dat er uiteindelijk werd beslist om de wet in voege te laten treden, weliswaar in twee fases, waarbij in een eerste fase de uitgesproken straffen tussen de twee en de drie jaar zouden worden uitgevoerd (vanaf 1 september 2022) en in een tweede fase de straffen van maximaal twee jaar (vanaf 1 september 2023); - overwegende dat iets meer dan een jaar na de invoering van die wet er een plan op tafel zou liggen dat ervoor zou zorgen dat er komaf wordt gemaakt met de wet houdende de uitvoering van de korte straffen, minstens dat de uitvoering ervan zou worden beperkt; - overwegende dat iedere beperking tot uitvoering van de wet waarvan sprake, een bijzonder slecht signaal is aan de maatschappij omdat niet alleen criminelen worden 'beloond' (minder of niet gestraft) voor de door hen gepleegde misdrijven, en bovendien (het gevoel van) straffeloosheid wordt versterkt; - overwegende dat de invoering van een eventuele beperking aan de wet die de uitvoering van de korte straffen regelt bijzonder nefast is voor de slachtoffers van een misdrijf en de slachtoffers hierdoor in de kou blijven staan, hetgeen diametraal staat op het regeerakkoord, waarbij immers bezwaarlijk kan worden aangenomen dat de 'centrale rol voor alle slachtoffers' waarvan sprake, in die zin zoals voormeld dient geïnterpreteerd te worden; - overwegende dat elke straf dan ook dient te worden uitgevoerd; vraagt de regering - per kerende af te zien van de invoering van de regelgeving die de uitvoering van de korte straffen in het gedrang brengt of zou kunnen brengen. " Une motion de recommandation a été déposée par Mme Marijke Dillen et est libellée comme suit: " La Chambre, ayant entendu l'interpellation de Mme Marijke Dillen et la réponse de la ministre de la Justice, chargée de la Mer du Nord, - considérant qu'une loi visant à garantir l'exécution des courtes peines a été votée en 2006; - considérant que l'entrée en vigueur de cette loi a été reportée pas moins de douze fois; - considérant qu'il a finalement été décidé de faire entrer en vigueur la loi, mais ce en deux phases: dans une première phase, les peines prononcées comprises entre deux et trois ans seraient exécutées (à partir du 1er septembre 2022), et dans une deuxième phase, celles de maximum deux ans (à partir du 1er septembre 2023); - considérant qu'un peu plus d'un an après l'entrée en vigueur de cette loi, il serait envisagé d'abroger la loi sur l'exécution des courtes peines, ou au moins de limiter sa mise en œuvre; - considérant que toute limitation de la mise en œuvre de la loi en question constitue un très mauvais signal à l'égard de la société, dès lors qu'elle a non seulement pour effet de "récompenser" les criminels (par un allègement ou une levée de la peine) pour les délits qu'ils ont commis, mais également de renforcer l'impunité (ou le sentiment d'impunité); - considérant que l'instauration d'une éventuelle restriction à cette loi réglant l'exécution des courtes peines serait particulièrement néfaste pour les victimes d'un délit, qui se verraient ainsi laissées pour compte, ce qui irait diamétralement à l'encontre de l'accord de gouvernement, sachant qu'il est difficilement imaginable que le "rôle central" qu'il prévoit d'accorder à "toutes les victimes" doive être interprété en ce sens; - considérant que toute peine doit dès lors être exécutée; demande au gouvernement: - de renoncer à l'instauration d'une réglementation compromettant ou susceptible de compromettre l'exécution des courtes peines. " Een eenvoudige motie werd ingediend door de heer Steven Matheï. Une motion pure et simple a été déposée par M. Steven Matheï . Over de moties zal later worden gestemd. De bespreking is gesloten. Le vote sur les motions aura lieu ultérieurement. La discussion est close.

De live chat over geweld en drugs door een youtuber in de gevangenis van Lantin

Gesteld door

lijst: VB Marijke Dillen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 26 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Een Nederlandse YouTuber in de Belgische gevangenis van Lantin deelde via een illegale gsm ongefundeerde verhalen over geweld, drugs en corruptie in een live chat, wat leidde tot een tuchtprocedure (details blijven privégerechtvaardigd) en media-ophef. Minister Verlinden bevestigde dat de beweringen geen concrete feiten bevatten en benadrukte dat gsm’s verboden zijn, maar binnensmokkel moeilijk te voorkomen is, terwijl live media-contacten strijdig zijn met de Basiswet 2005 (die enkel traditionele media vermeldt). Dillen drong aan op aanpassing van de Basiswet om het grijs gebied rond sociale media (zoals live chats) weg te werken, maar kreeg geen toezegging voor wettelijke verduidelijking.

Marijke Dillen:

Mijnheer de voorzitter, ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

Een Nederlandse YouTuber is verwikkeld in een tuchtprocedure nadat hij via zijn telefoon deelnam aan een live chat vanuit de gevangenis in Lantin waarin hij volgens de media “verhalen over geweld, drugdeals en corruptie deelde". Het volledige gesprek werd nadien door zijn broer op YouTube geplaatst en er verschenen ook fragmenten op TikTok. Zijn beweringen veroorzaakten veel ophef, zowel binnen als buiten de gevangenismuren. Het gevangeniswezen benadrukte dat gedetineerden toegang hebben tot telefoons, waarbij gesprekken niet worden afgeluisterd. “In een privégesprek kan iedereen zeggen wat hij wil. Dat verandert wanneer de inhoud via media wordt verspreid", zo luidde het.

Kan de minister meer toelichting geven betreffende deze feiten? Werden er onderzoeken gedaan naar de beweringen die in deze live chat werden geformuleerd?

Er werd een tuchtprocedure opgestart waarin de gedetineerde zich voor zijn uitspraken moet verantwoorden. Werd deze tuchtprocedure inmiddels afgerond? Zo ja, wat zijn de resultaten?

De Belgische Basiswet uit 2006 verbiedt interviews met gevangenen zonder toestemming. Maar sociale media, zoals live chats, bestonden toen nog nauwelijks en staan niet in de wet. Daardoor vallen dit soort gesprekken in een grijsgebied. Gaat de minister vooralsnog een initiatief nemen om de Basiswet in die zin aan te passen teneinde deze grijze zone weg te werken en duidelijkheid te creëren?

Annelies Verlinden:

De beweringen van de gedetineerde in kwestie tijdens de zogenaamde LiveChat berusten, op basis van de informatie waarover wij beschikken, op geen enkel concreet feit. Hij heeft enkel zaken gemeld die hem werden meegedeeld, zonder daarbij zelf aan de beweerde feiten te hebben deelgenomen.

De geijkte procedure voor tucht, zoals bepaald in de basiswet van 2005, werd in deze zaak gevolgd. Ik kan hierover echter geen details verschaffen daar het om een individueel dossier gaat en de privacy van de betrokkene gerespecteerd moet worden. De basiswet bepaalt echter dat een gedetineerde toestemming nodig heeft voor contacten met de pers, diverse media en journalisten. Het is duidelijk dat het live delen van informatie daarmee niet in overeenstemming is. Daarnaast zijn gsm's formeel verboden in de gevangenis, wat de kans op het live delen van dergelijke inhoud verkleint. Weliswaar kan dit niet volledig worden uitgesloten, dat weet u ook, aangezien er vaak gsm's worden binnengesmokkeld in de gevangenis.

Marijke Dillen:

Ik dank u voor uw antwoord, mevrouw de minister. Ik heb echter geen antwoord gekregen op het volgende. Ik verwees naar de basiswet van 2005, die heel duidelijk is: interviews met gevangenen zijn zonder toestemming verboden. In die wet is echter geen sprake, logisch voor dat ogenblik, van sociale media als LiveChat; dat bestond toen nog niet. Er bestaat dus een risico dat, wanneer zo'n gesprek aanleiding geeft tot gerechtelijke procedures, er een grijs gebied blijft bestaan. Ik durf erop aan te dringen dat u een initiatief neemt om de basiswet in die zin aan te passen.

De onrust in de gevangenis van Wortel

Gesteld door

lijst: VB Marijke Dillen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 26 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Op 26 januari braken 50 gedetineerden in gevangenis Wortel in rel na een avondwandeling: ze vernielden omheiningen, camera’s, sportmateriaal en staken textiel in brand, na klachten over ongelijke behandeling, gebrek aan werk/tabak, trage psychosociale dienst en respectloos personeel. De politie en directie herstelden de rust via onderhandelingen, waarna een tuchtprocedure werd gestart tegen geïdentificeerde daders, met mogelijke sancties na een hoorzitting. De schade betrof met name de draadomheining, zoomcamera’s, parlofoon en sportinfrastructuur, terwijl de wandelzone tijdelijk gesloten werd. Aanleidingen waren vooral percepties van onrechtvaardigheid en ontevredenheid over gevangenisomstandigheden.

Marijke Dillen:

Mijnheer de voorzitter, ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

Zondag 26 januari jl. was er onrust in de gevangenis van Wortel. 30 gedetineerden wilden niet terug naar hun cel na de avondwandeling. Ze maakten amok, brachten vernielingen aan en staken textiel in brand. De politie kwam massaal ter plaatse en ging samen met de gevangenisdirectie in gesprek met de gedetineerden waarop de rust terugkeerde.

Kan de minister meer toelichting geven betreffende dit incident? Wat was de aanleiding van deze onrust?

Wat is de omvang van de schade ?

Welk gevolg wordt er gegeven aan deze feiten? Zullen de betrokken gedetineerden een sanctie krijgen?

Annelies Verlinden:

Op zondagavond 26 januari bleven ongeveer 50 gedetineerden van vleugel A buiten na het einde van de wandeling. Gedetineerden die wensten binnen te komen, werden in eerste instantie tegengehouden door anderen en een aantal gedetineerden beukten met een van de voetbalgoals tegen de draadomheining, waardoor een kleine opening ontstond in de draad. Er werden ook andere beschadigingen toegebracht aan de draadomheining. Daarnaast werden een zoomcamera en een parlofoon vernield. Er werden vervolgens ook een vuilnisemmer en enkele kledingstukken in brand gestoken. Ten slotte werden ook de sportvloeren en de voetbalgoals beschadigd. De wandeling van vleugel A werd tijdelijk buiten gebruik verklaard. In de andere afdelingen bleef het wel rustig.

De lokale politie en de speciale eenheid van Turnhout kwamen ter plaatse om de situatie mee op te volgen. De politie en de technisch-deskundige bewaking (TDB) waren het slachtoffer van ongepaste gedragingen. Nadat een aantal gedetineerden hadden aangegeven naar binnen te willen gaan en na een gesprek met de TDB, de politie en de directie is iedereen rustig naar binnen gegaan.

De gedetineerden haalden verschillende beweringen aan om buiten te blijven, met name dat gedetineerden zonder recht op verblijf langer in de gevangenis moeten blijven dan diegenen met recht op verblijf, het vermeende gebrek aan tewerkstelling, een beweerd gebrek aan sociale kantine en te weinig tabak, de beweerde te trage werking van de psychosociale dienst, het beweerde gebrek aan antwoord van de directie op vragen en het beweerde respectloos gedrag van het personeel.

Voor de betrokken geïdentificeerde gedetineerden zal een tuchtprocedure worden opgestart. De sanctie zal worden bepaald na het opstellen van een rapport aan de directeur en een tuchtrechtelijke hoorzitting. Daarnaast werd ook een verslag opgesteld door de aanwezige politie met het oog op het opstellen van een proces-verbaal.

Marijke Dillen:

Dank u voor uw antwoord, mevrouw de minister.

De moeilijkheden die gedetineerden die een opleiding volgen ondervinden door personeelstekorten

Gesteld door

lijst: VB Marijke Dillen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 26 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Marijke Dillen kaart aan dat gevangenispersoneelstekorten gedetineerden beletten externe opleidingen te volgen, wat hun re-integratie hindert, gebaseerd op vakbondssignalen. Minister Verlinden ontkent directe problemen bij externe opleidingen (geen begeleiding nodig via uitgaansvergunning) maar bevestigt occasionele annuleringen van interne opleidingen door personeelsgebrek, met pogingen tot flexibele oplossingen. Dillen betwist dit en dringt aan op overleg met vakbonden, wijzend op hun concrete klachten. Kernpunt: tegenstrijdige visies op impact personeelstekort op opleidingscontinuïteit.

Marijke Dillen:

Mijnheer de voorzitter, ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

Tijdens de hoorzittingen betreffende de crisis in onze gevangenissen ten gevolge van de overbevolking hebben de vakbonden aangekaart dat gedetineerden die een opleiding volgen buiten de gevangenismuren regelmatig niet naar de opleiding kunnen gaan wegens gebrek aan voldoende personeel.

Nochtans is het volgen van opleidingen belangrijk in het kader van een zinvolle detentie en de toekomstige re-integratie in de samenleving.

1. Is de minister op de hoogte van deze problematiek? Werden er maatregelen genomen om tegemoet te komen aan deze problematiek?

2. Kan de minister mij een overzicht geven van de gevangenissen waar deze problematiek zich stelt?

Annelies Verlinden:

Mevrouw Dillen, wat betreft de opleidingen die buiten de gevangenissen plaatsvinden, is er naar wij begrijpen geen rechtstreekse link vastgesteld tussen personeelstekorten en de mogelijkheid voor gedetineerden om die externe opleidingen te volgen. De gedetineerden die aan de vereiste voorwaarden voldoen, krijgen immers een uitgaansvergunning voor het volgen van die opleidingen en dat vergt geen begeleide transfer naar de opleidingsplaats. Tot heden zijn mij dus geen moeilijkheden gemeld voor het volgen van die opleidingen ingevolge de personeelsproblemen waarmee de gevangenissen kampen.

Aangaande opleidingen binnen de gevangenismuren bestaat er geen precies en volledig overzicht van de penitentiaire inrichtingen waar zich problemen voordoen, maar het komt soms wel voor dat die opleidingen worden geannuleerd of uitgesteld door een gebrek aan personeel. Ook onderbrekingen van een opleiding gelinkt aan specifieke omstandigheden komen occasioneel voor. Het DG EPI erkent dat en de directies doen al het mogelijke om ervoor te zorgen dat activiteiten toch maximaal kunnen plaatsvinden, onder meer door een flexibele invulling van de posten.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord, dat mij wel enigszins verwondert. Net zoals voor mijn eerste vraag, heb ik voor deze vraag de informatie volledig gehaald uit de aanklachten die de vertegenwoordigers van de vakbonden geformuleerd hebben tijdens hoorzittingen. Ze hebben hier aangekaart dat gedetineerden die een opleiding volgen buiten de gevangenismuren daar regelmatig niet naartoe gaan. Wanneer u het een beetje rustiger krijgt, denk ik dus dat u in een volgend gesprek met de vakbonden eens over dit aspect en ook over mijn eerste vraag moet praten. Ik ga er immers van uit dat de vertegenwoordigers dat hier niet zomaar gratuit beweerd hebben.

Het raamcontract voor de aankoop van woonunits voor detentiehuizen

Gesteld door

lijst: VB Marijke Dillen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 26 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Verlinden bevestigt dat 600 van de 1.100 geplande modulaire detentieplaatsen (via De Meeuw/DETOO Architects) bestemd zijn voor detentiehuizen, maar dat vergunningscomplexiteit vertraging veroorzaakt. Concrete plannen omvatten 40-60 plaatsen in Jemeppe, Genk, Antwerpen, Ninove, Grivegnée en Doornik (2024-2026), plus klassieke gebouwen in Oostende en Kortrijk (afhankelijk van budgettaire goedkeuring), met Olen als eerste operationele locatie dit jaar. Tijdelijke units moeten de capaciteit snel vergroten, terwijl personeelswerving (zowel intern als extern) loopt voor de nieuwe sites. De vorige regering realiseerde slechts 2 van de 10 geplande provinciale detentiehuizen.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, in het kader van de aanpak van de overbevolking in de gevangenissen heeft de vorige regering beslist om binnen een termijn van 3 jaar 720 plaatsen in detentiehuizen te creëren. In het regeerakkoord werd ook daarnaar verwezen. De intentie was om minstens één detentiehuis per provincie te openen, maar zover is uw voorganger niet geraakt. Hij slaagde er slechts in om twee detentiehuizen te openen, in Kortrijk en in Vorst. In afwachting van de renovatie, aankoop of bouw van sommige sites, werd op het einde van de vorige legislatuur beslist om voor een deel van de capaciteit tijdelijke modulaire units te plaatsen om zo snel voldoende plaatsen te creëren.

Welke initiatieven zijn er de afgelopen drie jaar genomen om geschikte locaties te kiezen? Hoeveel voorstellen werden er gedaan? Welke voorstellen worden er nog onderzocht? Welke voorstellen werden afgewezen en waarom? Op welke manier zullen die modulaire units in de praktijk worden geplaatst en ingericht? Hoeveel bijkomende capaciteit zal daarmee worden gecreëerd?

Annelies Verlinden:

Mevrouw Dillen, de Regie nam op vrijdag 10 januari de beslissing om het raamcontract voor de modulaire woonunits te gunnen aan de groep De Meeuw en DETOO Architects. Voor meer informatie, ook over de financiële aspecten en de kostprijs, verwijs ik u graag door naar collega Matz, die bevoegd is voor de Regie der Gebouwen.

Het is in elk geval de bedoeling dat 600 van de 1.100 plaatsen worden voorbehouden om te dienen als detentiehuis. De verdeling van de overige 500 plaatsen wordt momenteel nog verder onderzocht. In elk geval wordt de voorbereiding van die plaatsen voor detentiehuizen ook voortgezet. Het betreft complexe vergunningsprocedures en dus is die infrastructuur ook niet morgen beschikbaar.

Ik geef u graag een stand van zaken met betrekking tot de detentiehuizen. Volgende detentiehuizen bestaande uit units zullen worden geopend. In Jemeppe-sur-Sambre zullen in het nieuwe unitdetentiehuis 40 plaatsen beschikbaar komen tussen nu en begin 2026. Hetzelfde geldt voor Genk, waar eveneens in 40 plaatsen wordt voorzien. In een volgende fase is er een detentiehuis in Antwerpen voorzien, met 40 plaatsen en een in Ninove met 25 plaatsen. Mijn diensten werken nauw samen met de Regie om die in de loop van het jaar 2026 te kunnen openen.

Daarnaast wordt in de komende jaren nog de opening van andere detentiehuizen gepland, waaronder dat in Grivegnée, dat 60 bewoners zal kunnen ontvangen, en dat van Doornik met 40 plaatsen. Ook in Oostende zal een detentiehuis komen met ongeveer 20 plaatsen. Eveneens wordt een detentiehuis voorzien in Kortrijk. Voor de detentiehuizen in Oostende en Kortrijk wordt het akkoord van Begroting nog afgewacht.

In Grivegnée, Doornik en Oostende gaat het wel om klassieke gebouwen en niet om units. In dat verband kan ook worden verwezen naar het detentiehuis in Olen, het eerste detentiehuis dat dit jaar zal openen. Dat is evenmin een modulaire constructie, maar wel een vast gebouw.

Met betrekking tot het noodzakelijke personeel voor de detentiehuizen kan ik meedelen dat voor bepaalde in te vullen functies al mensen zijn aangeworven. Het spreekt voor zich dat andere profielen nog zullen worden gerekruteerd, hetzij via een interne oproep, hetzij via een externe aanwervingsprocedure.

Marijke Dillen:

Dank u voor uw antwoord.

De jihadistische moord op Salwan Momika

Gesteld door

lijst: VB Sam Van Rooy

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 26 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

In België is het verbranden van religieuze boeken zoals de koran niet expliciet verboden, maar kan wel vervolgd worden als haatspraak of aanzetting tot discriminatie, afhankelijk van de context en rechterlijke beoordeling. Politiebescherming voor bedreigde islamkritische dissidenten hangt af van een risicoanalyse door veiligheidsdiensten (zoals OCAD), maar is niet gegarandeerd, ondanks groeiende dreigingen. Sam Van Rooy benadrukt dat islamkritische stemmen—zoals de vermoorde Salwan Momika—systematisch onvoldoende beschermd worden, terwijl islamitisch geweld en zelfcensuur toenemen door angst voor represailles. Annelies Verlinden bevestigt opvolging door inlichtingendiensten maar wijst op juridische afwegingen per geval, zonder structurele oplossingen voor de vrijheid van meningsuiting onder druk.

Sam Van Rooy:

We kunnen het niet genoeg in herinnering brengen, maar enkele weken geleden werd in Zweden Salwan Momika vermoord door moslimterroristen. Momika was een Assyrisch-Iraakse christen die nota bene in Irak had gestreden tegen Islamitische Staat, tegen jihadterreur dus, en als vluchteling naar Zweden was gekomen. Daar liet hij zich overtuigend uit tegen de islam, die hij als ervaringsdeskundige natuurlijk zeer goed kende, en was hij voor de vrijheid van meningsuiting. Dat gaat natuurlijk hand in hand. Soms verbrandde hij openlijk een koran om die visie kracht bij te zetten. Hij werd daarvoor juridisch vervolgd, helaas, en hij kreeg, zoals dat dan gaat, talloze doodsbedreigingen uit islamitische hoek. Dat is helaas het nieuwe normaal in West-Europa.

Toch werd hij niet door de politie beveiligd. De Zweedse politiechef wilde niet toelichten waarom, maar ik vind het wel frappant dat ze eraan toevoegde dat het "natuurlijk tragisch is dat wij als samenleving deze mensen niet kunnen beschermen". Dat is inderdaad zo. Ook in België ken ik mensen die zich niet meer durven uitspreken over hun afvalligheid van de islam, die hun islamkritiek anders verwoorden of zelfs niet uiten, omdat ze weten dat ze uiteindelijk vogelvrij zijn en ze niet de nodige bescherming zullen genieten.

Mevrouw de minister, graag hoor ik uw mening over deze zorgwekkende stand van zaken. Ik vraag mij af hoe dit eigenlijk in België zit. Mag men in België een exemplaar van de koran of eender welk al dan niet religieus of heilig boek, verbranden? Zou iemand als Salwan Momika in België dan wel door de politie worden beveiligd?

Annelies Verlinden:

Ik kan u bevestigen dat dergelijke gebeurtenissen door onze veiligheids- en inlichtingendiensten zeer nauwgezet worden opgevolgd. Er bestaat in ons land geen officiële lijst van beschermde boeken, waarvan bijvoorbeeld de verbranding specifiek wordt beschouwd als aanzetten tot haat. Weliswaar vallen onder meer strafbare haatspraak, haatmisdrijven en discriminatie onder het materiële toepassingsgebied van de antidiscriminatiewetgeving in ons land. Het zal dus aan de feitenrechter toekomen om op basis van in het bijzonder die wetgeving en het precieze, concrete strafrechtelijk dossier te oordelen. Daarbij kan ik nog toelichten dat de strafmaat voor deze gedragingen herbekeken wordt in het nieuwe Strafwetboek.

In ons land worden beveiligingsmaatregelen toegekend op basis van een risicoanalyse die wordt uitgevoerd door de bevoegde veiligheidsdiensten. Factoren zoals de ernst van de bedreiging, het publieke profiel van de persoon en de potentiële impact op de openbare orde worden daarbij onder meer in overweging genomen. Specifiek in de gevallen van terrorisme, gewelddadig extremisme of radicalisering kan het OCAD een dreigingsanalyse uitvoeren. Op basis van die risicoanalyse of die specifieke analyse zal het Nationaal Crisiscentrum al dan niet de nodige operationele beveiligingsmaatregelen voor de betrokken personen opleggen.

Sam Van Rooy:

Hoever is het niet gekomen dat dissidenten uit de islamitische wereld, zoals Salwan Momika, ook in West-Europa de facto niet meer veilig zijn? Gemiddeld worden er per dag wereldwijd niet minder dan vijf islamitische aanslagen gepleegd. De islam roept inderdaad letterlijk op tot het vermoorden van diegenen die de islam bespotten of beledigen, van diegenen die de islam verlaten en van diegenen die zich niet aan de islam onderwerpen. Recent nog werd hier in Brussel de boekvoorstelling van een islamkritisch boek geannuleerd na islamitische dreigementen. Censuur en zelfcensuur, mevrouw de minister, nemen al jaren toe. Het aantal moslimfundamentalisten in dit land blijft stijgen en dus blijft onze samenleving islamiseren en helaas onvrijer worden.

Crimineel geld
Structurele maatregelen in het kader van de drugsoorlog
De oprichting van een drugsfonds
Het radicale plan ter bestrijding van de misdaad via de confiscatie van crimineel vermogen
De recente drugsgerelateerde schietpartijen in Brussel en de reactie van het gerecht
Bestrijding van drugscriminaliteit en crimineel vermogen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 26 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België spoorde in 2024 ruim €232 miljoen crimineel vermogen op (licht stijgend vs. 2023), met Limburg als koploper dankzij gespecialiseerde plukteams en financiële onderzoeken naar witwassen, fraude en drugscriminaliteit. Prioriteit is het doorbreken van criminele geldstromen via een multidisciplinaire fiscale opsporingsdienst (in voorbereiding) en hergebruik van verbeurdverklaarde gelden voor politie/justitie—hoewel de drugscommissaris ook preventie wil financieren, wat discussie uitlokt. Structurele tekorten (mankracht, IT-specialisten, datagedreven analyses zoals Sky ECC) en samenwerkingsgaten tussen lokale/federale diensten blijven knelpunten, ondanks beloftes voor extra investeringen. Drugsgeweld (Antwerpen/Brussel) en internationale criminele netwerken vragen om verscherpte aanpak, maar concrete timing en verdeling van middelen blijven onduidelijk.

Alain Yzermans:

Mevrouw de minister, de recente prestaties van de federale gerechtelijke politie van Limburg in de strijd tegen georganiseerde criminaliteit hebben vooral door het opgespoorde recordbedrag van 30,6 miljoen euro crimineel vermogen in 2024 veel aandacht getrokken. Dat is bijna een verdubbeling tegenover 2023 en de trend zet zich door dankzij de inspanningen van een gespecialiseerd plukteam en de groeiende expertise van de onderzoekers. Financiële onderzoeken en de aanpak van witwaspraktijken, fictieve facturaties, beleggingsfraude en fiscale fraude leveren het meeste geld op.

Wat was het totale bedrag aan crimineel vermogen dat in België in 2024 werd opgespoord en hoe verhoudt dat zich tot de cijfers van de voorgaande jaren?

Zijn er specifieke trends te observeren in de aard van de criminele activiteiten?

Hoe wordt de samenwerking tussen de federale en de lokale politiediensten en het nationaal drugscommissariaat versterkt om de efficiëntie van de opsporing van crimineel vermogen te verbeteren volgens het principe van follow the money ?

Zijn er plannen om extra middelen of investeringen vrij te maken voor de federale gerechtelijke politie op het landelijke niveau, zodat meer plukteams kunnen worden ontwikkeld, gezien de positieve resultaten?

Hoe ziet u de toekomst van de strijd tegen crimineel vermogen in ons land en welke prioriteiten stelt u voorop?

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, de drugsoorlog woedt niet langer hoofdzakelijk in Antwerpen, ook in Brussel wordt een ware drugsoorlog uitgevochten tussen criminele bendes, met talrijke schietpartijen en dodelijke slachtoffers. Ook op het terrein dringen onder andere de politie en het parket erop aan dat de aanpak van die problematiek de absolute prioriteit krijgt. Dat vereist alvast veel meer middelen en mankracht.

We hebben heel wat namen van potentiële daders, maar we missen een duidelijk overzicht en middelen om actie te ondernemen. We willen elk feit onderzoeken, maar er zijn te weinig mensen om resultaten te boeken. Dat zijn niet mijn woorden, mevrouw de minister, maar dat zijn de woorden van de procureur van Brussel. Volgens hem moet er absolute prioriteit worden gegeven aan structurele maatregelen in de strijd tegen de drugsoorlog. Een van de maatregelen is de in beslag genomen en verbeurdverklaarde gelden en middelen te investeren in politie en justitie voor de strijd tegen de georganiseerde misdaad.

Mevrouw de minister, de opbrengsten van de drugscriminaliteit en de georganiseerde misdaad zijn werkelijk aanzienlijk. Ik verwijs hier naar de hoorzitting in vorige legislatuur met de toenmalige federale procureur Van Leeuw, die dat zeer uitvoerig illustreerde met verschillende filmpjes. Voor de nieuwkomers in de commissie voor Justitie is het zeker de moeite waard om die hoorzitting te herbeluisteren via het archief.

Het regeerakkoord voorziet in de mogelijkheid om de aangeslagen verbeurdverklaarde vermogensbestanddelen prioritair in te zetten om de budgettaire noden en investeringen bij de veiligheidsdepartementen Binnenlandse Zaken en Justitie op te vangen. Dat is volledig terecht. Het Vlaams Belang heeft daar in de voorbije legislatuur al herhaaldelijk voor gepleit. Dat pleidooi is ook regelmatig teruggekomen in de mercuriales van verschillende procureurs-generaal. De nationale drugcommissaris werd een mandaat gegeven om een vermogensrecuperatieprocedure uit te werken en om de opbrengsten van het criminele vermogen te investeren in de strijd tegen de georganiseerde misdaad.

Welke opdracht werd er juist gegeven? Is het de bedoeling om de middelen bij prioriteit in te zetten voor politie en justitie, die ze zeer goed zullen kunnen gebruiken? Ik was wel een beetje verbaasd over de verklaring van de nationale drugscommissaris dat ze er voorstander van is om die middelen te investeren in samenlevingsopbouw en preventie, twee bevoegdheden die hoofdzakelijk gemeenschapsbevoegdheden zijn. Daarover had ik graag uw standpunt gehoord.

Sommige procureurs-generaal en de voormalige federale procureur hielden een pleidooi om al die middelen in een afzonderlijk drugsfonds onder te brengen en om die dus exclusief aan te wenden om de slagkracht van politie en justitie te versterken. Ik hoop dat u dat standpunt mee wilt verdedigen.

Ten slotte, procureur-generaal Van Leeuw pleit voor een onmiddellijke versterking van de federale gerechtelijke politie. Om zicht te krijgen op de structuur van de bendes, kan verder onderzoek van de gekraakte Sky ECC-telefoons helpen. Die info ligt daar, mevrouw de minister. We moeten dan wel met andere middelen en andere profielen te werk gaan. Er moeten andere profielen worden aangeworven bij de FGP, zoals analisten, die al die gegevens kunnen kruisen en een correct beeld kunnen geven, aldus de heer Van Leeuw. Dergelijke onderzoeken kosten zeer veel geld, om nog maar te zwijgen van de specialisten, die dure vogels zijn. Bent u bereid om gevolg te geven aan de toch wel duidelijke oproep van de procureur-generaal en ook op dat vlak een initiatief te nemen?

Sophie De Wit:

Mevrouw de minister, ik was een beetje verrast toen ik in het begin van de maand vernam dat de nationale drugscommissaris de opdracht had gekregen om een zogenaamd drugsfonds uit te werken, zodat in beslag genomen misdaadgeld via het fonds naar de hulpverlening, politie en justitie terug zou kunnen vloeien. In het regeerakkoord is er namelijk sprake van een andere denkpiste, weliswaar met dezelfde finaliteit. Men wil namelijk een multidisciplinaire fiscale en financiële opsporingsdienst oprichten, die zich moet focussen op het opsporen, analyseren en lamleggen van criminele circuits. Bijzondere aandacht zou daarbij gaan naar de recuperatie van criminele vermogens van die organisaties, follow the value .

Daarmee wil men beletten dat crimineel geld kan worden witgewassen. De opsporingsdienst zal eveneens focussen op de strijd tegen fraude. De meeropbrengsten, die meer efficiënte vervolgingen teweeg zullen brengen, zullen bij de jaarlijkse begrotingsopmaak worden ingezet om de budgettaire noden en de investeringen in de veiligheidsdepartementen, Binnenlandse Zaken en Justitie, op te vangen.

Kortom, dat zijn twee manieren om achter het criminele geld aan te gaan. Mevrouw de minister, bevestigt u dat de drugscommissaris de opdracht heeft gekregen een dergelijk drugsfonds uit te werken? Kunt u de opdracht nader toelichten?

Hoe zal het drugsfonds zich verhouden ten opzichte van de fiscale en financiële opsporingsdienst die volgens het regeerakkoord zou moeten worden opgericht?

Mevrouw de minister, misschien is het nog te vroeg en kan een en ander pas ter sprake komen bij de bespreking van de beleidsnota’s.

Wat zijn echter de concrete ambities en projecties inzake de meeropbrengsten om die bij de jaarlijkse begrotingsopmaak in te zetten om de budgettaire noden en investeringen in de veiligheidsdepartementen Binnenlandse Zaken en Justitie op te vangen? Hoe zullen ze kunnen worden verdeeld?

Wat is de timing voor de oprichting van de multidisciplinaire fiscale en financiële opsporingsdienst?

Wat is, aansluitend daarbij, de timing voor de hervorming van het huidige Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en Verbeurdverklaring (COIV) tot een volwaardig federaal incassobureau?

Voorzitter:

M. Jadoul m'a indiqué qu'il ne pouvait être présent et qu'il s'excusait de son absence.

Annelies Verlinden:

Geachte Kamerleden, het klopt inderdaad dat we in het arizonaregeerakkoord de strijd tegen de drugscriminaliteit willen voortzetten en absoluut willen inzetten op alle mogelijke middelen die daarvoor te onzer beschikking staan of nog ontwikkeld moeten worden. Een daarvan is dat we nog meer dan vroeger willen inzetten op het blootleggen van de criminele geldstromen, zodat de criminele gelden en andere vermogensvoordelen in beslag genomen kunnen worden. Op die manier kunnen we het verdienmodel doorbreken, waardoor de drijfveer van die criminele organisaties wordt weggenomen en de aantrekkelijkheid van hun activiteiten, zeker ook ten aanzien van jongeren, zoveel mogelijk wordt verminderd. Maandag laatstleden heeft de federale politie in mijn aanwezigheid haar jaarverslag voorgesteld. Daarbij werd nog toegelicht dat in 2024 bijna 232 miljoen euro aan crimineel vermogen door de federale gerechtelijke politie in beslag genomen werd. De gerapporteerde contra-indicatieve waarden bedragen voor 2024 in totaal 249.081.941 euro. Dat is 2 miljoen meer dan in 2023. Het gaat natuurlijk om enorme cijfers.

Ook is het de bedoeling van de arizonaregering om een systeem uit te werken om meeropbrengsten uit financiële strafsancties rechtstreeks toe te wijzen aan de veiligheidsdepartementen. Daardoor zal ook een band tussen de misdaadbestrijding en de resultaten zichtbaar worden in de statistieken, iets wat vandaag nog niet het geval is. De minister van Binnenlandse Zaken en ikzelf hebben op de ministerraad vorige week vrijdag aan de regering voorgesteld om de nationale drugscommissaris te belasten met het voorbereiden en het uittekenen van dat proces, wat wel belangrijk is om te onderstrepen, mevrouw De Wit. We kunnen een wetgevend kader voorzien over hoe we die criminele geldstromen nog meer kunnen blootleggen. Dat is de opdracht die aan de nationale drugscommissaris zal worden gegeven. Het zal verder worden besproken in de schoot van de regering. Ter inspiratie voor het uittekenen van dat model en van dat proces kunnen we een beroep doen op buitenlandse voorbeelden waar die methode al veel langer bestaat, zoals in Frankrijk en in Italië. Ook in Canada en in de Verenigde Staten bestaat al heel wat expertise.

Ook voorziet het arizonaregeerakkoord in de oprichting van een multidisciplinaire fiscale en financiële opsporingsdienst. Het is de bedoeling dat die onder de voogdij van de minister van Financiën en de minister van Justitie zal vallen. Met die bijzondere opsporingsdienst, en in het bijzonder de doorgedreven specialisatie van de leden die van die dienst deel zullen uitmaken, doelen we op het realiseren van meeropbrengsten door het recupereren van criminele vermogens.

Om het verdienmodel te doorbreken, moeten we dus niet alleen kunnen rekenen op het werk van politie en parket, en op termijn op de multidisciplinaire fiscale en financiële opsporingsdienst. Ook vanuit bestuurlijke invalshoek moet daarop worden ingezet. We hebben vanochtend nog gehoord dat de politie in Anderlecht is binnengevallen in een aantal handelszaken en dat er tot arrestaties werd overgegaan. Welnu, dat heeft ook te maken met die bestuurlijke aanpak.

Ik wil graag verwijzen naar de wet betreffende de bestuurlijke handhaving, waartoe ik in de vorige legislatuur de nodige wetgevende en operationele initiatieven heb genomen, omdat die wet toelaat om de strijd aan te gaan tegen ondermijnende criminaliteit en zo ook tegen oneerlijke concurrentie in de winkelstraten. Het is uiteraard duidelijk dat die criminaliteit, die zo georganiseerd is, een grote impact heeft op onze economie en dat vaak handelszaken worden gebruikt om geld wit te wassen. Daarom zijn de lokale besturen ook een belangrijke schakel in onze strijd. Ze weten immers als geen ander waar de criminaliteit zich schuilhoudt. Met de wet betreffende de bestuurlijke handhaving kunnen burgemeesters daadkrachtig, effectief, maar ook preventief optreden tegen malafide handelszaken in onze winkelstraten.

Het is duidelijk dat hier ook een belangrijke rol is weggelegd voor de ARIEC's, die vanuit hun expertise en adviesfunctie nog meer kunnen inzetten op de kruisbestuiving tussen de gerechtelijke en de bestuurlijke aanpak. Het zou dan ook goed zijn, mochten vele lokale besturen gebruikmaken van de wet.

Als we specifiek kijken naar aspecten inzake fraude, dan zien we in het kader van de georganiseerde criminaliteit vooral socialezekerheidsfraude, maar ook fraude met inkomsten en belastingen, verschillende soorten van internetfraude, frauduleuze faillissementen en georganiseerde btw-fraude. Het komt de procureur des Konings toe om binnen zijn of haar ambtsgebied de prioriteiten te bepalen en van daaruit de nodige instructies te geven aan de federale gerechtelijke politie of de recherchedienst van een lokaal politiekorps. Logischerwijs worden dan de vervolgingsstrategieën bepaald op basis van die prioriteiten en wordt een lokaal beeld gemaakt van de verschillende aanwezige fenomenen.

Wat het inzetten op die fenomenen betreft, dus het voeren van onderzoeken, weten we dat die meer en meer de inzet van nieuwe technologieën vereisen. Onder meer in het Sky ECC-onderzoek is dat exemplarisch tot uiting gekomen. Onderzoeken zijn steeds meer gebaseerd op complexe analyses van grote hoeveelheden data uit verschillende bronnen. De hoeveelheid neemt exponentieel toe, wat de onderzoekers voor enorme uitdagingen plaatst op het gebied van het verzamelen, maar ook het opslaan en het verwerken van informatie. Daarnaast stellen we vast dat onderzoeken datagedreven zijn. Technologieën en tools kunnen immers een snelle identificatie van verbanden tussen informatie toelaten.

Dat draagt bij aan een beter beeld van de criminaliteitsfenomenen die met elkaar verband houden. Druggerelateerd geweld is daar een duidelijk voorbeeld van, want er is bijvoorbeeld een link tussen druggeweld en illegale wapenhandel.

Sinds Sky ECC werden maatregelen genomen en is binnen de federale gerechtelijke politie een inhaalbeweging begonnen voor wat betreft de nodige capaciteit aan specifieke profielen voor een datagedreven en intelligencegestuurde werking.

Wat de rol en de bevoegdheden van het nationaal drugscommissariaat betreft, is het duidelijk dat het commissariaat niet tussenkomt in lopende onderzoeken die worden gevoerd door de politiediensten en door de parketten. Het drugscommissariaat is een neutrale partner voor alle actoren en diensten over de bevoegdheidsdomeinen en de niveaus heen die inzetten op de strijd tegen drugs. Daartoe deelt het best practices en verleent het adviezen aan de verschillende beleidsniveaus. Ook faciliteert het drugscommissariaat de contacten tussen de verschillende diensten, publiek en privaat, die misschien zonder die aansporing minder of zelfs niet met elkaar in contact zouden treden in het kader van de misdaadbestrijding.

We nemen, collega's, met Arizona dus heel duidelijke maatregelen in de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit.

We hebben wel degelijk ook inhoudelijke realiteitszin en realiteitszin op het vlak van communicatie nodig. Ik steun de premier dus wanneer hij vorige week stelde dat men niet kan beloven dat het drugsgeweld op korte termijn volledig kan worden gestopt. Wat we weliswaar niet mogen doen – dat heb ik nooit gedaan en dat zal ik ook niet doen – is ons bij de situatie neerleggen. Met elke aanhouding, elke veroordeling, elke inbeslagname van crimineel geld of andere vermogensvoordelen, elke witwashandel die wordt gesloten, elk ton cocaïne of drugs die wordt onderschept, destabiliseren we namelijk criminele activiteiten en dat zullen we blijven doen. We zullen dus ook blijvend investeren in die strijd. Zo staat het ook in het regeerakkoord en zo is het ook afgesproken binnen de arizonaregering.

Alain Yzermans:

Het verheugt me dat u het follow-, use- en take-the-moneyprincipe volop zult hanteren en zult laten uitwerken door het nationaal drugscommissariaat, om daarrond goede wetgeving te maken. Dat zal leiden tot een nieuwe rechercheaanpak voor het zoeken naar crimineel geld. Die moet ook leiden tot kleine en misschien grotere overwinningen.

Alleszins zullen de criminele syndicaten en netwerken ons altijd een stapje voor blijven. Het is dus de kunst om doorgedreven te blijven investeren. Zij maken ook gebruik van versleutelde boodschappen. Sky ECC heeft evenwel bewezen dat we hier en daar een doorbraak kunnen forceren.

Soms behalen we resultaten, met vallen en opstaan, maar de initiatieven die door de arizonaregering worden genomen, kunnen daarin grote stappen vooruit betekenen. Een kleine 230 miljoen, dat is niet niets, maar laten we hefbomen zoeken om dat te versterken en te vergroten.

Zoals u zegt, moeten de investeringen inderdaad gericht zijn op het verder verfijnen van innovatieve IT en politionele technologie die nodig is om ook technologisch aanklampend te kunnen blijven werken. Een geïntegreerde aanpak tussen de politiediensten, zowel op nationaal als op lokaal vlak, moet steeds voorop worden gesteld. Specialisatie, en zeker fiscale spitstechnologie, is noodzakelijk, net zoals internationale samenwerking om best practices uit te wisselen.

De bestuurlijke aanpak die op veel plaatsen ingang vindt, moet een reflex worden, zowel binnen de ARIEC's op regionaal niveau als binnen de GIEC's op gemeentelijk niveau. Die kunnen belangrijke stappen zetten in het uitwisselen van informatie, omdat het hoge principe daar ook geldt, namelijk dat ambtenaren op de werkvloer links zien tussen bepaalde dossiers. Dat moet leiden tot betere informatie, wat gecentraliseerd binnen de totale technologie ook zal leiden tot nog meer successen.

Ik hoorde veel positivisme in uw betoog.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord.

Over de drugsstrijd zal in deze commissie en ook in de plenaire vergadering het laatste woord nog niet zijn gezegd. Het is heel belangrijk dat deze regering verhoogde inspanningen levert om criminele geldstromen bloot te leggen en het criminele verdienmodel te doorbreken. Nogmaals, dat kost heel veel geld. Het pleidooi van de procureur om meer gespecialiseerde profielen in te schakelen is een terecht pleidooi, maar u weet evengoed, en waarschijnlijk nog beter dan ik, dat dat soort profielen bijzonder hoge eisen stellen. Zij worden in de privésector tewerkgesteld en verdienen daar heel veel geld, dus het moet voor hen ook aantrekkelijk zijn om voor de overheid te komen werken.

Er is iets dat ik mis in uw antwoord, mevrouw de minister. De grote mannen zitten niet in Antwerpen of Brussel, maar elders. Hun namen zijn ook bekend; ze staan op de lijst van gerechtelijke onderzoeken in Antwerpen en Brussel. Het lijkt me ook van belang om verhoogde inspanningen te doen om hen terug naar ons land te halen en zo een einde te maken aan het luxeleven dat zij in het buitenland op dit ogenblik nog altijd vrij gerust kunnen leiden.

Het grote verdrag van oud-minister Van Quickenborne dateert immers van 2021. Dat werd toen door de minister met heel veel poeha voorgesteld, maar we zijn ondertussen meer dan drie jaar verder en er zijn welgeteld twee mensen uitgeleverd aan ons land.

Ik had nog een vraag over het mandaat dat gegeven is aan de nationale drugscommissaris. U zei dat dat al besproken werd in de ministerraad en dat de opdracht zou worden gegeven. Ik neem aan dat die opdracht, in tegenstelling tot wat in de media is verschenen, nog niet effectief is gegeven en dat dat iets is voor de toekomst.

Ik heb ook geen antwoord gekregen op een andere vraag, mevrouw de minister. In de gerechtelijke wereld, onder andere bij de procureurs-generaal, is altijd een pleidooi gehouden om de opbrengsten te investeren in de veiligheidsdepartementen, meer bepaald Binnenlandse Zaken en Justitie.

De drugscommissaris vindt echter dat die besteding veel ruimer moet zijn en dat dat geld ook onder meer naar preventie moet gaan. Nogmaals, dat is geen federale bevoegdheid. Ik had daarover graag uw standpunt gekregen, maar ik denk – daarmee rond ik af – dat we tijdens de bespreking van uw beleidsnota misschien meer informatie zullen krijgen en dat we dan ook de gelegenheid zullen hebben om over dat thema een uitvoerig debat te voeren.

Sophie De Wit:

Dank u voor uw antwoorden, mevrouw de minister. Aangezien er verschillende vragen zijn samengevoegd, heb ik niet op alles een antwoord gekregen, maar dat is niet erg. Ik heb echter goed begrepen dat het niet zozeer gaat over de ontwikkeling van een drugsfonds, maar dat de drugscommissaris het kader en het proces moet uitwerken. Zo heb ik het toch goed begrepen? Dat neemt mijn verbazing en de contradicties tussen beide al voor een stuk weg.

De lange doorlooptijden binnen het Belgische gerechtelijke apparaat

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 26 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De grote regionale verschillen in gerechtelijke doorlooptijden (bv. 1.000 dagen in Brussel vs. 213 in Antwerpen) ondermijnen het vertrouwen in justitie, aldus Kristien Van Vaerenbergh, die snellere actie en uniformering eist. Minister Annelies Verlinden wijst op lopende projecten (nulmeting achterstand, digitalisering, extra personeel) en regionale initiatieven (bv. bijstand Brussel), maar erkent personeelstekorten en trage implementatie. Digitalisering (e-dossiers, videoconferentie) en efficiëntere procedures moeten versneld worden, met aandacht voor alternatieve geschillenbeslechting. Van Vaerenbergh blijft kritisch: de verschillen tonen aan dat versnelling mogelijk is, maar concrete resultaten blijven uit.

Kristien Van Vaerenbergh:

Ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

Geachte mevrouw de minister,

De doorlooptijden binnen de Belgische justitie variëren aanzienlijk, afhankelijk van het type zaak en de locatie. Volgens een analyse van 54.586 zaken die tussen 2011 en 2015 door de Belgische correctionele rechtbanken werden behandeld, bedroeg de gemiddelde doorlooptijd ongeveer 2,5 jaar. Er zijn echter significante regionale verschillen. In 2022 overschreed de gemiddelde doorlooptijd in Brussel de 1.000 dagen, terwijl deze in Antwerpen ‘slechts’ 213 dagen bedroeg.

De lange doorlooptijden blijven aldus een grote uitdaging, aangezien deze leiden tot vertraging in rechtshandhaving, frustratie bij burgers, en de geloofwaardigheid van ons rechtssysteem ernstig ondermijnen. Immers, “justice delayed is justice denied”.

Ik had u hieromtrent graag de volgende vragen gesteld.

Hoe wordt omgegaan met de grote regionale verschillen in doorlooptijden? Zijn er specifieke strategieën om deze ongelijkheden aan te pakken?

Zijn er voldoende middelen en personeel beschikbaar in de Belgische rechtbanken om de werkdruk te verlichten en processen efficiënter te maken?

Welke rol speelt digitalisering en het gebruik van moderne technologie in het verkorten van doorlooptijden? Zijn er plannen om de digitalisering van gerechtelijke procedures te versnellen?

In welke mate wordt er samengewerkt met andere actoren in het rechtssysteem, zoals advocaten en parketten, om knelpunten in het proces aan te pakken?

Bedankt voor uw antwoorden.

Annelies Verlinden:

Wat de doorlooptijden betreft, is het van belang dat men zich bewust is van de talloze aangelegenheden waarover onze hoven en rechtbanken zich buigen. Waar het gaat om regionale verschillen, is het een lastige opgave om één aangelegenheid naar het voorplan te halen ten opzichte van een andere. Dat maakt het ingewikkeld om een correct en precies antwoord op uw vraag te geven.

Daarom wil ik veeleer dan een algemeen antwoord te formuleren, graag een overzicht geven van de acties die onder meer door het College van de hoven en rechtbanken op dat vlak zijn ondernomen. Zo is er het project Doorlooptijden. Dat bevat het instellen van een nulmeting van de gerechtelijke achterstand op basis van een eenvormige nationale en objectieve definitie, waardoor het mogelijk wordt om de omvang van het probleem van de doorlooptijden in het kader van de gerechtelijke achterstand met kennis van zaken te omschrijven. Dat gebeurt in samenwerking met de verschillende actoren in het veld. Daarnaast is er het project AMAI, dat de berekening van de werklast inhoudt. Voorts is er nog het project Cleaning Stock tussen 2022 en 2023. De dienst Statistiek van het College heeft een project uitgezet met het oog op de opschoning van hangende nog vatbaar zijnde zaken die nog niet waren afgesloten of weggelaten via een specifieke codering door het personeel van de verschillende entiteiten. De bedoeling was om een zuivering door te voeren in zaken die waren opgenomen in de berekende stocks, en de bijhorende duur.

Tegelijkertijd is uiteraard reeds actie ondernomen op het terrein. Zo stelde het hof van beroep te Brussel een actieplan op, stuurden arbeidshoven in de rest van het land bijkomende magistraten naar het arbeidshof van Brussel en ondernemen de rechtbanken zelf dagelijks acties.

Ik stel ook vast dat de begroting en het personeelsbestand van de rechterlijke orde is toegenomen. Uit een werklastmeting van 2022-2023 is een duidelijk tekort gebleken van personele middelen, zowel voor de magistratuur als voor de griffie, om de werklast te kunnen verwerken en de werkdruk te verlichten.

Er werden recent verschillende nieuwe stappen gezet om Justitie verder te digitaliseren, al blijft het belangrijk om de nodige uitvoeringsmaatregelen te nemen, zodat de wetgeving ter zake volledig kan worden geïmplementeerd. Zo werd de mogelijkheid om stukken in een bestaande zaak elektronisch over te leggen of om op elektronische wijze een nieuwe zaak aanhangig te maken door elektronische indiening van een verzoekschrift definitief verankerd in de regelgeving, evenals de elektronische gerechtelijke communicatie naar de betrokken partijen.

Er werd daarnaast een wettelijk kader gecreëerd voor het centrale beheer van digitale dossiers, alsook het authentieke digitaal dossier van de rechtspleging in strafzaken. Voorts werd het gebruik van videoconferentie in gerechtelijke procedures wettelijk verankerd, zodat een efficiënter beheer van de zittingsagenda mogelijk is geworden. Er wordt dus verder werk gemaakt van de digitalisering van de gerechtelijke procedure, wat een belangrijke schakel is in de weg naar een efficiëntere en snellere justitie.

Tot slot voorziet het regeerakkoord ook in een evaluatie van de procedureregels om na te gaan waar het efficiënter en sneller kan, opdat de duur van de procedures nog kan worden ingekort. Daarnaast zal en moet er ook worden ingezet op alternatieve geschillenbeslechtingsprocedures.

Kristien Van Vaerenbergh:

Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord, ook al geeft u veeleer een algemeen antwoord. Er worden wel stappen gezet, maar het is toch opvallend dat er heel veel regionale verschillen zijn met betrekking tot de doorlooptijd. In 2022 bedroeg de gemiddelde doorlooptijd in Brussel 1.000 dagen, terwijl dat in Antwerpen slechts 213 dagen was. Dat grote verschil bewijst dat het mogelijk moet zijn om de doorlooptijden naar omlaag te halen. Men moet in Brussel toch wel een tandje bijsteken. Wij volgen de kwestie op en ik hoop dat er verder wordt gewerkt aan de digitalisering, meer uniforme processen en uitwisseling van best practices tussen de verschillende rechtbanken. De lange duurtijden voor justitie frustreren heel veel rechtzoekenden. Dat is geen goede justitie.

De voortdurende problemen in de gevangenis van Haren
De overbrenging van gedetineerden vanuit Haren naar het Justitiepaleis te Brussel
Gevangenisproblemen en gedetineerdenvervoer in Haren en Brussel

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 26 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De gevangenis van Haren kampt met structurele administratieve chaos en personeelstekorten (44/71 administratieve krachten, slechts 2 operationele transportvoertuigen), wat leidt tot te late of foutieve overbrengingen van gedetineerden, lege zittingen en gerechtelijke achterstand—zelfs ten onrechte vrijlatingen (geen exacte cijfers, maar "uitzonderlijk" volgens de minister). Minister Verlinden bevestigt de problemen, wijst op lopende aanwervingen en efficiëntere logistiek (o.a. DAB-kantoren in Haren), maar magistraten en advocaten blijven kritisch over onvoldoende verbeteringen, ondanks herstructureringen sinds juni 2024. Het gebruik van rechtszalen in Haren (bestaand maar onbenut door terughoudendheid) en een mogelijke herbestemming van Sint-Gillis voor arrestanten blijven onopgeloste knelpunten, met een oproep tot dringend overleg met vakbonden.

Marijke Dillen:

Mijnheer de voorzitter, ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

Uit berichten blijkt dat er administratief in de gevangenis van Haren een aantal zaken fundamenteel mislopen. Gedetineerden die niet of te laat worden overgebracht naar het Brusselse justitiepaleis, met als gevolg tijdverlies, lege hoorzittingen en stijgende gerechtelijke achterstand, gedetineerden die verwisseld worden, aangehoudenen die maanden aan een stuk geen rechter te zien krijgen en zelfs gedetineerden die ten onrechte worden vrijgelaten, het zijn maar enkele voorbeelden.

Al sinds de opening is er kritiek. Volgens de Toezichtraad zijn personeelsleden niet voldoende opgeleid en is de opening er overhaast gekomen.

Kan de minister meer toelichting geven betreffende deze problemen?

Klopt het dat op de administratieve dienst van deze gevangenis er maar 44 man als administratieve kracht werken, wat een tekort is van 27? Wat is hiervan de oorzaak?

Welke initiatieven zullen er op korte termijn worden genomen om dit tekort weg te werken?

Door dit gebrek aan personeel worden er administratieve fouten gemaakt. Vrijwel iedere advocaat aan de Brusselse Balie heeft cliënten die zijn vrijgelaten door een administratieve fout, zo melden strafpleiters. Kan de minister mij mededelen hoeveel gedetineerden er sinds de opening ten onrechte zijn vrijgelaten omwille van administratieve fouten? Graag een overzicht op jaarbasis.

Ook zijn er blijkbaar dossiers verdwenen van gedetineerden zodat de betrokken advocaten niet te weten komen hoe lang hun cliënten nog moeten zitten. Over hoeveel dossiers gaat dit?

De voorzitter van de commissie Strafrecht van de Franstalige balie pleit ervoor om de gevangenis van Sint-Gillis die momenteel gebruikt wordt voor kortgestraften, te gebruiken als arresthuis voor mensen die nog niet veroordeeld zijn. Dit betekent een grote tijdswinst, want zij moeten het vaakst worden overgebracht. Wat is hier het standpunt van de minister? Is de minister bereid hier een initiatief te nemen?

Ondanks de open brief, geschreven zes maanden geleden door magistraten, griffiers en advocaten van de Franstalige balie te Brussel waarin de problemen aan de kaak werden gesteld, is er weinig of niets veranderd op het terrein. Kan de minister mij een overzicht geven van de initiatieven die sinds deze open brief werden genomen? Graag een gedetailleerde toelichting.

Sophie De Wit:

Mijnheer de voorzitter, ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

Op 11 februari verschenen in het weekblad Humo allerlei schrijnende anekdotes over dagelijkse chaos in het justitiepaleis, die het gevolg is van het feit dat men er blijkbaar vanuit de gevangenis te Haren niet in slaagt om dagelijks zowat 80 gedetineerden correct en tijdig te verzamelen en over te brengen naar het Brusselse justitiepaleis. Ofwel dagen de gedetineerden niet of pas laattijdig op, ofwel worden de foute gedetineerden overgebracht naar het justitiepaleis. In het artikel wordt gesteld dat vrijwel elke advocaat aan de Brusselse balie cliënten heeft die zijn vrijgelaten omwille van een administratieve fout.

De directeur van de gevangenis van Haren erkent de problemen bij de overbrenging. Hij stelt dat het, met de middelen die hij ter beschikking heeft, mathematisch onmogelijk is om 80 gedetineerden tegen 9 uur in het justitiepaleis te krijgen. Zo telt de administratieve dienst van de gevangenis, die instaat voor het verzamelen van de gedetineerden die naar de rechtszaal moeten, maar 4 van de 25 personeelsleden. Er zouden volgens het artikel ook maar 2 groene bestelwagens beschikbaar zijn voor gevangenentransport, waardoor er constant heen en weer moet worden gereden.

Ik had u graag de volgende vragen gesteld.

1. Kan u de problemen bij de overbrenging van gedetineerden vanuit Haren, en de impact daarvan op de rechtspraak in het justitiepaleis, bevestigen?

2. Waarom worden de zittingszalen, die in de gevangenis van Haren voorzien zijn, niet gebruikt? Werkt u hiervoor aan een oplossing?

3. Hoe komt het dat het personeelsbestand in de gevangenis, bijv. bij de administratieve dienst, niet ingevuld wordt? Is dit omwille van financiële redenen of is er een andere verklaring?

4. Zijn er effectief slechts 2 bestelwagens beschikbaar voor gevangenentransport?

5. Welke maatregelen zal u nemen om de organisatorische en veiligheidsproblemen in de gevangenis van Haren aan te pakken?

Annelies Verlinden:

Collega's, de overbrenging van gedetineerden naar het Justitiepaleis vanuit de gevangenis van Haren verloopt inderdaad moeizaam. Het parket van Brussel verwacht iedereen ofwel om 9.00 uur ofwel om 14.00 uur op het paleis. Praktisch blijkt het echter zeer moeilijk om 80 gedetineerden op het Poelaertplein te krijgen tegen 9.00 uur.

De Dienst beveiliging (DAB), die instaat voor de overbrengingen, kampt net als de gevangenis van Haren met personeelstekorten. Voor meer toelichting betreffende de problematiek kunt u zich richten tot de minister van Binnenlandse Zaken. Vanuit de directie van de gevangenis van Haren vernemen we dat er momenteel slechts twee vervoersmiddelen operationeel zijn om de gevangenen te vervoeren.

De gevangenis van Haren beschikt inderdaad over vijf rechtszalen, die voldoen aan de normen. De magistraten stellen zich echter vrij terughoudend op tegenover zetelen in de gevangenis zelf. De rechtszalen bevinden zich net buiten de gevangenisperimeter. Sommige magistraten gaan op afroep naar de raadszaal waar ze hun zaak behandelen en keren vervolgens terug naar hun respectieve kantoren in het gerechtsgebouw. Hierbij preciseer ik graag dat de gevangenis van Haren naast de rechtszalen ook over de nodige ruimte beschikt waar griffiers, magistraten en advocaten kunnen werken in afwachting van de zitting. Uiteraard moet ook rekening worden gehouden met de rechten en de positie van slachtoffers en benadeelden en burgerlijke partijen voor het houden van zittingen in de nabijheid van de gevangenis.

Omwille van een voor alle betrokkenen haalbare en aanvaardbare werkwijze lijkt het mij in elk geval nuttig dat we in dialoog gaan, zodat de problematiek en de mogelijke oplossingen kunnen worden besproken. Dat is overigens ook in lijn met het regeerakkoord, waarin is ingeschreven dat zittingen voor de raadkamer en de KI, die vaak slechts enkele minuten duren, in de praktijk maximaal moeten plaatsvinden in faciliteiten bij de detentieplaatsen en/of via videoconferentie.

De regering uit in het regeerakkoord ook de ambitie om gedetineerden zo min mogelijk te verplaatsen. Uitzonderingen hierop dienen te worden gemotiveerd en de ingeroepen omstandigheden moeten verband houden met de rechten van verdediging of het ontbreken van gepaste infrastructuur.

Voorts zal de DAB op korte termijn over kantoren, een eigen vestiaireruimte en eigen parkeerplaatsen beschikken in de gevangenis van Haren. Dat betekent concreet dat de DAB-agenten die belast zijn met de overbrengingen, hun dienst niet langer zullen aanvangen op het Poelaertplein maar in de gevangenis. Dat zal zonder twijfel leiden tot efficiëntere overbrengingen naar het Justitiepaleis.

Met betrekking tot uw vraag inzake het personeelsbestand, de sollicitatiegesprekken voor bijkomend Nederlandstalig en Franstalig administratief personeel voor de gevangenis van Haren zijn lopende. Zodra de aanwervingsprocedure is afgesloten, doen we het nodige voor een snelle indiensttreding.

Het is in dat verband relevant dat de gevangenis van Sint-Gillis nog steeds operationeel is. Heel wat ervaren personeelsleden hebben ervoor gekozen om daar te blijven werken. Daarom moest men voor Haren op zoek gaan naar nieuwe medewerkers die doorgaans geen of te weinig ervaring hebben.

Mevrouw Dillen, sinds juni 2024 zijn er in Haren leidinggevenden aangesteld en werd de griffie heringericht en gereorganiseerd. Sindsdien valt er een verbetering vast te stellen in het dossierbeheer. Mijn administratie beschikt in elk geval niet over cijfers over vrijlatingen ten gevolge van administratieve fouten. Als er al fouten zijn gemaakt, zal het om hoogst uitzonderlijke gevallen gaan. Evenmin kan men bevestigen dat volledige dossiers zijn verdwenen. Hoewel het papieren dossier door de grootschalige verhuizing van gedetineerden en eventuele transfers van gedetineerden misschien niet altijd volledig op de griffie ter beschikking was, bleef het digitale dossier wel steeds voorhanden.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, opnieuw, ik vind dit bizar. Ik zei dat al in verband met twee vorige vragen: nadat de vakbonden hier een kwestie komen aankaarten, wint u daarover informatie in op het terrein – u kunt niet alles weten – en blijkt er niets aan de hand te zijn. Ik doe nogmaals een oproep om de problematiek grondig te bespreken met de vakbonden en na te gaan wat er al dan niet waar is. Als het wel waar is, moet het worden verholpen.

Sophie De Wit:

Mevrouw de minister, bedankt voor uw antwoorden. Niet alles is me even duidelijk, maar ik zal daarop in een volgend debat terugkomen.

Een nieuw geval van zware agressie in de gevangenis van Hasselt
De recente incidenten in de gevangenissen van Haren en Hasselt
De zorgwekkende onveiligheid in de gevangenis van Haren
Geweld en onveiligheid in Belgische gevangenissen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 26 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Na een zware agressie door een gedetineerde in Hasselt (drie gewonde cipiers, één zwaargewond) eisen vakbonden strengere maatregelen dan de huidige tuchtsancties (bv. intrekken vervroegde invrijheidstelling), omdat die onvoldoende afschrikken en het geweld—versterkt door overbevolking—escaleert, ook buiten de gevangenis. Minister Verlinden bevestigt nultolerantiebeleid, meldt dat de dader een tuchtsanctie kreeg, verplaatst werd en juridisch vervolgd kan worden, en benadrukt betere opvang (psychologische ondersteuning, standaardprocedure na incidenten). Dillen en Yzermans (vakbonden) dringen aan op systematische correctionele vervolging en concrete straffen met afschrikwekkend effect, plus structurele oplossingen voor overbevolking en personeelstekort om de vicieuze cirkel van geweld en demotivatie te doorbreken.

Marijke Dillen:

Op 9 februari vond opnieuw een ernstig geval van agressie plaats in de gevangenis van Hasselt, gepleegd door een gedetineerde en gericht tegen drie cipiers die helaas gewond raakten. Een van die cipiers was zelfs zwaargewond en is naar het ziekenhuis moeten gaan. De vakbonden zijn zeer duidelijk en ik citeer: ʺDe h uidige maatregelen wegen niet genoeg door. De straffen na agressie zijn minder waard. Sommige gedetineerden laat het koud dat ze zes maanden extra cel krijgen. Als ze kijken hoeveel celstraf ze al hebben, kan dat er nog wel bij. (…) Als we gewoon blijven verder doen, schiet er over vijf jaar niet veel meer over van de gevangenissen. ʺ De vakbonden dringen dus aan op strengere en andere maatregelen.

Mevrouw de minister, kunt u meer toelichting geven over de toestand van de drie cipiers? Kunt u ook meer toelichting geven over hun verwondingen? Welke sanctie hebben de betrokken gedetineerden gekregen?

De vakbonden vragen andere maatregelen die wel een impact hebben. Ze stellen dat ze al jaren voorstellen doen om de zaken anders aan te pakken. Zo wordt er bijvoorbeeld verwezen naar de vervroegde invrijheidstelling en wordt de vraag gesteld of die niet kan wegvallen als men niet met de handen van het personeel kan blijven. Gedetineerden zouden dan misschien twee keer nadenken vooraleer ze tot daden overgaan.

Bent u bereid om initiatieven te nemen met het oog op strengere maatregelen voor gedetineerden die zich schuldig maken aan zware agressie tegen cipiers?

Alain Yzermans:

Het geweld binnen en zelfs buiten de muren van de gevangenissen is schering en inslag. Er zijn netwerken actief. De directie neemt soms een bepaalde houding aan die niet altijd bevorderlijk is om het vertrouwen van het personeel te herwinnen. Men moet overgaan tot een aantal actiemaatregelen. De vakbonden hebben daarover voorstellen.

In uw inleiding zei u dat u tijdens uw overleg met de vakbonden contact zult hebben naar aanleiding van de overbevolking. Het is belangrijk dat de vakbonden echt worden gehoord. Zij hebben een aantal pertinente vragen en kunnen goede voorstellen doen om het geweld uit de gevangenis te krijgen. Het geweld verplaatst zich nu naar buiten. Wanneer mensen worden belaagd, verliezen ze hun motivatie om te gaan werken. De werkomstandigheden worden desastreus. Families worden buiten soms ook nog bedreigd.

Er dreigt een groot personeelstekort te ontstaan. Het statuut moet dan ook worden verbeterd. Dat zal altijd aanleiding geven tot stakingen en dan komen we in een vicieuze cirkel terecht. De druk op het personeel en de druk op de gedetineerden zelf zijn communicerende vaten. Dat heeft allemaal te maken met de overbevolking. Er zijn echte maatregelen nodig. De vakbonden hebben goede voorstellen. De oplossing is te vinden in de driehoek personeel, gedetineerden en een humaan beleid, uiteraard ook met de directies. We moeten naar de noodkreet van de vakbonden luisteren.

Welke maatregelen zult u treffen? Wat is de stand van zaken van de incidenten met het personeel?

Annelies Verlinden:

Collega's, ik ben het met u eens dat agressie ten aanzien van personeel onaanvaardbaar is. Zoals in het regeerakkoord bepaald is, zullen we het nultolerantiebeleid verder aanscherpen en daarvoor de nodige maatregelen nemen.

Bij het geval van agressie in Hasselt vertoonde de betrokken gedetineerde fysiek agressief gedrag ten aanzien van de eerste beambte. Een tweede beambte en de ploegchef die tussenbeide wilden komen, liepen eveneens verwondingen op. Om redenen van privacy kan ik geen verdere details geven over de verwondingen van de personeelsleden. Ik kan wel meedelen dat ze enige tijd arbeidsongeschikt waren. De betrokken personeelsleden kunnen een beroep doen op psychologische ondersteuning. Er werd intussen ook een tuchtprocedure opgestart en de betrokken gedetineerde kreeg een tuchtsanctie. De gedetineerde werd ook uit de gevangenis van Hasselt verwijderd.

Wanneer gedetineerden zich schuldig maken aan strafbare feiten in de gevangeniscontext, wordt die informatie ook altijd aan het parket overgemaakt. Op basis daarvan kan worden vervolgd en kunnen bijkomende gevangenisstraffen of andere straffen worden uitgesproken.

In samenspraak met de vakbonden werd een standaardprocedure na een kritiek incident ontwikkeld. Die procedure zorgt voor een uniforme afhandeling van de kritieke incidenten en houdt ook voldoende ondersteuning en aandacht voor het slachtoffer en de andere betrokken personeelsleden in. Die procedure werd toegepast bij de incidenten in Haren en Hasselt en heeft goed gewerkt: het informeren van de vakbonden, de overbrenging van gedetineerden naar een andere gevangenis, de opvang en ondersteuning van slachtoffers en de opstart van een tuchtprocedure.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord.

Nultolerantie moet nultolerantie zijn, zonder enige uitzondering. Het is heel belangrijk om alle vormen van agressie, zowel kleine agressie – in de mate waarin die bestaat, omdat voor mij agressie agressie is – als heel zware vormen van agressie aan te pakken.

Dat moet niet enkel gebeuren met een tuchtsanctie. Ik hoorde immers in de kritiek van de vakbonden dat de gedetineerden en criminelen absoluut niet voor een tuchtsanctie terugdeinzen. Het is heel belangrijk dat elke vorm van agressie tegen cipiers niet alleen met een strafsanctie wordt gesanctioneerd, maar dat ze ook leidt tot een correctionele vervolging. De parketten moeten daaraan voorrang geven.

Alain Yzermans:

Ik sluit mij aan bij de oproep tot nultolerantie, wat een heel complex begrip is en niet gemakkelijk te handhaven. Het is echter een heel goede norm die kan worden gesteld. Nultolerantie moet natuurlijk vertaald worden in de wijze waarop ze wordt meegenomen als sanctie en straf. Men moet veel strikter zijn, ook vanuit de directie, om personeelsleden daarin als belangrijke werknemers te zien die recht hebben op die bescherming in al haar vormen.

Het proefproject inzake de beveiligde cellen
De agressie tegenover het gevangenispersoneel
Beveiliging en agressie in detentieomgevingen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 26 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Yzermans vraagt naar de stand van zaken rond 5 miljoen euro voor camerabeveiliging in Hasselt, 200.000 euro voor onderhoud en het actieplan tegen geweld op cipiers, met focus op de gespecialiseerde beveiligde cellen. Minister Verlinden bevestigt een proefproject met vier pilootgevangenissen voor deze cellen (met aanpassingen zoals verankerd meubilair), maar criteria, procedures en timing zijn nog onbepaald; het actieplan tegen agressie loopt via overleg met vakbonden. Camerabewaking in Hasselt blijft onbeantwoord, Yzermans belooft een schriftelijke navraag. Geen concrete budgetuitvoering of tijdslijn voor onderhoud of cellen.

Voorzitter:

De heer Matheï is verontschuldigd.

Alain Yzermans:

Ik denk dat ik opnieuw hetzelfde betoog kan houden, mevrouw de minister, maar ik ga dat niet doen. Ik was ook wel geïnteresseerd in de gespecialiseerde cellen die zijn aangekondigd.

Ook heeft de voormalige minister enkele maanden voor zijn vertrek aangekondigd dat 5 miljoen euro in het gevangeniswezen zou worden geïnvesteerd, voornamelijk in de camerabeveiliging van de gevangenis van Hasselt. Het lijkt mij interessant om daarop in te gaan. DE FOD Justitie zou ook 200.000 euro extra investeren in het herstel en het onderhoud. Hoever staat het met die plannen?

Er was ook sprake van een actieplan tegen het geweld tegen cipiers. Hoever staat men daarmee? Het zal wel een gelijkaardig antwoord zijn. Vooral de vragen over die investering en die cellen interesseren mij wel.

Annelies Verlinden:

Mijnheer Yzermans, ik begrijp inderdaad dat uw vraag gaat over de extra beveiligde cellen. Er is een proefproject opgestart in vier pilootgevangenissen waar beveiligde cellen worden uitgebouwd. We onderzoeken nog in welke pilootgevangenissen dat project zal worden uitgerold, en vervolgens zal de infrastructuur van de geselecteerde cellen worden aangepast.

Ook de invulling van de cellen en de modaliteiten worden nog bestudeerd. Niet alle elementen daarvan werden bepaald. Het gaat hierbij onder meer over verankerde meubelen en vandaalbestendige elementen. Behalve naar de infrastructuur wordt ook gekeken naar de noodzakelijke procedures en regimes. De gedetineerden zullen worden ingedeeld in deze cellen aan de hand van criteria die eveneens nog nader te bepalen zijn.

De agressie en de kans op agressief gedrag worden uiteraard mee in rekening genomen. Er wordt bekeken wanneer deze personen in de beveiligde cellen kunnen worden geplaatst, maar ook op basis van welke criteria er een beweging ‘out’ zal plaatsvinden.

De testfase en de duurtijd ervan zullen worden bepaald zodra de voormelde elementen vastliggen. Voor enige evaluatie is het in dit stadium dan ook te vroeg.

In uw vraag linkt u de beveiligde cellen ook aan het onderhoud van de gevangenissen. De beveiligde cellen zijn weliswaar niet inbegrepen in dit onderhoud, en evenmin in het budget voor het onderhoud.

Inzake het actieplan tegen agressie kan ik u tot slot toelichten dat er overleg met de vakbonden is. Dit project is gericht tegen geweld tegen het bewakend personeel en bij uitbreiding tegen elk personeelslid dat in contact komt met de gedetineerden.

Alain Yzermans:

Ik blijf een beetje op mijn honger zitten wat betreft de camerabewakingssystemen die niet functioneerden in de gevangenis van Hasselt. Wellicht kan ik die vraag opnieuw stellen via een schriftelijke vraag.

Alleszins ben ik blij met uw zeer concreet antwoord over de volgende stappen die opgestart worden inzake de beveiligde cellen.

Voorzitter:

Vraag nr. 56002666C van de heer Coenegrachts wordt op zijn verzoek omgezet in een schriftelijke vraag.

De lokale aanpak van de drugscriminaliteit

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 26 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de effectiviteit en coördinatie van de Belgische "war on drugs", met politiezone CARMA (Limburg) als succesvol voorbeeld dankzij grenscontroles en lokale samenwerking. Minister Verlinden benadrukt de nationale en internationale dimensie van drugscriminaliteit, de 500 miljoen euro extra investeringen (o.a. voor het nationaal drugscommissariaat) en het belang van samenwerking tussen overheden, justitie en ARIEC’s (bestuurlijke handhaving tegen witwaspraktijken in handelszaken). Obstakels zijn gebrek aan uniforme aanpak en middelen, maar de nieuwe wet bestuurlijke handhaving en landsdekkende ARIEC’s moeten dit oplossen. Yzermans pleit voor uitrol van CARMA’s aanpak als blauwdruk, versterkte samenwerking (o.a. tegen motorbendes) en concrete voorbeelden in hoorzittingen.

Alain Yzermans:

Mijnheer de voorzitter, ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

De recente uitspraken van de politiezone Carma over hun voorbereiding op een mogelijke drugsoorlog hebben de aandacht gevestigd op de noodzaak van een gecoördineerde aanpak in de strijd tegen drugscriminaliteit. De leiding benadrukt de effectiviteit van hun methoden, waaronder frequente controles en nauwe samenwerking met lokale besturen. Dit roept enkele belangrijke vragen op over de globale rol en de doeltreffendheid van bestaande strategieën met betrekking tot de "war on drugs".

Vragen aan de minister;

1. De regering spreekt van grotere betrokkenheid van lokale besturen in de “war on drugs”. Is er volgens u behoefte aan een globaal plan dat de succesvolle aanpak in politiezones, zoals politiezone Carma, kan implementeren in andere regio's?

2. Hoe evalueert u de huidige samenwerking tussen de lokale politie, gemeentelijke diensten en de federale overheid, inclusief het nationaal drugscommissariaat, in de strijd tegen drugscriminaliteit?

3. Wat zijn de belangrijkste obstakels die u ziet in de implementatie van een uniforme aanpak tegen drugscriminaliteit in heel België?

4. Hoe denkt u dat de lokale politie effectiever kan worden ondersteund in hun preventieve controles om de kans op druggerelateerde geweldsincidenten te verkleinen?

5. Zijn er aanvullende middelen of strategieën die u overweegt om de effectiviteit van de strijd tegen drugsgebruik en -handel in cafés en andere handelszaken te verbeteren? Of in het kader van een bestuurlijke aanpak (cfr ARIEC ) ?

Annelies Verlinden:

De politiezone CARMA, een van de lokale politiezones binnen de provincie Limburg, is mede door de ligging – grenzend aan Nederland – inderdaad vertrouwd met de drugsproblematiek. Het korps zet al jarenlang in op de strijd tegen drugs en doet dit op een heel succesvolle manier. Ik ben hen dan ook dankbaar voor de vele volgehouden inspanningen. Ook de FGP Limburg wijdt heel wat capaciteit aan de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit. Ook worden aan de grote grensovergangen op regelmatige basis controleacties georganiseerd door de federale wegpolitie. Dat gebeurt vaak samen met de Nederlandse politiediensten.

De actualiteit en het extreme geweld maken dat vooral Antwerpen en Brussel in verband worden gebracht met drugscriminaliteit, maar ik weet heel goed, ook uit mijn ervaring als minister van Binnenlandse Zaken, dat de drugsproblematiek een nationale en internationale problematiek is. Het is dan ook niet voor niets dat er mede onder mijn impuls in de vorige legislatuur maar liefst 500 miljoen euro extra werd geïnvesteerd in Binnenlandse Zaken. Met die extra middelen hebben we ook werk gemaakt van een nationaal drugscommissariaat.

Niet enkel politie en justitie hebben een rol te spelen. Er zijn ook de preventieve aspecten, grootstedelijke thema's en volksgezondheid. Er moet vooral worden samengewerkt, met alle neuzen in dezelfde richting. Juist daarom hebben we de nationale drugscommissaris de opdracht gegeven om samenwerking te bevorderen tussen de betrokken diensten van de deelentiteiten, de federale en de lokale overheden en de private partners, alsook de internationale partners.

U had het eveneens over de ARIEC's. Laat me van de gelegenheid gebruikmaken om het ARIEC Limburg te benoemen. Het is al actief sinds 2017 en daardoor een van de voorlopers op vlak van ondersteuning van de lokale besturen in de detectie van criminele fenomenen die ook vanuit de bestuurlijke handhaving kunnen worden aangepakt. Hun expertise is baanbrekend. Ik vond het dan ook belangrijk om eindelijk, na vele verwoede en telkens gestrande pogingen, in de vorige legislatuur werk te kunnen maken van de wet inzake bestuurlijke handhaving. Dat gebeurde met de bedoeling de lokale besturen en de ARIEC's te ondersteunen. Het misdaadmilieu gebruikt immers handelszaken als dekmantel om geldsommen van criminele herkomst wit te wassen en deze zo in het legale circuit te brengen. Dat ontwricht ook onze gemeenschap en economie.

De handelszaken die daarvoor worden opgericht of gebruikt, zijn daarenboven al lang een doorn in het oog van vele steden en gemeenten. Met het wettelijke kader dat ik heb gecreëerd, kan hiertegen daadkrachtig worden opgetreden. Bovendien heeft dat ervoor gezorgd dat in heel het land ARIEC's worden opgericht, zodat die informatie en expertise nu landsbreed beschikbaar is. Door samenwerking en coördinatie kunnen we elke dag het verschil maken, zo ook door de dagelijkse inzet van de politiemedewerkers van de politiezone CARMA.

Alain Yzermans:

Ik kan het alleen maar toejuichen. Ik zou misschien al exemplarisch spreken dat wij als trendzetters daarin, zeker binnen de politiezone CARMA, voortgang zouden krijgen en ook een aantal voorbeelden kunnen brengen in een hoorzitting of in een commissie. Het is belangrijk dat ook de aanpak van de motorbendes in dat verband wordt onderstreept, net als de voorbije successen rond Sky ECC. Het is nodig om die samenwerking te versterken. De wet inzake bestuurlijke handhaving geeft ons daartoe alle kansen. Laat ons met dit voorbeeld verdergaan op de ingeslagen weg.

De nieuwbouw van detentiehuizen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 26 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De nieuwbouwplannen voor detentiehuizen in Genk (modulaire wooneenheden) lopen vertraging door juridische procedures, maar startten recent met een geplande operationele ingebruikname in begin 2026, samen met andere locaties zoals Antwerpen. Het Leopoldsburg-dossier ligt tijdelijk stil door een lopende juridische procedure bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen en afwachten van een aangepast provinciaal ruimtelijk plan (PRUP), waardoor een nieuwe planning pas later kan worden vastgelegd. Yzermans benadrukt dat infrastructuurinvesteringen alleen niet volstaan en pleit voor een gedifferentieerde aanpak binnen het ultimum-remediumbeleid, waarbij het Genkse project hieraan bijdraagt. Concreet tijdschema en details vereisen een schriftelijke vraag.

Alain Yzermans:

Mevrouw de minister, ik heb een specifieke Limburgse vraag over twee dossiers die al enkele jaren lopen, met name de nieuwbouwplannen voor de straf- en detentiehuizen in Leopoldsburg en Genk. Ik heb daarnet al iets vernomen over de situatie van de stad Genk, maar misschien kunt u hierop toch nog een antwoord geven.

Annelies Verlinden:

Mijnheer Yzermans, met betrekking tot de detentiehuizen heeft het aanbestedingsdossier voor de modulaire wooneenheden inderdaad vertraging opgelopen door juridische procedures. Inmiddels werd een opdrachtnemer aangesteld en wordt de opdracht volop uitgevoerd.

De eerste locaties waar de werkzaamheden van start gaan, zijn Genk en Jemeppe-sur-Sambre, met als doel een operationele ingebruikname begin 2026. Tegelijkertijd zullen ook andere locaties, zoals Antwerpen, gefaseerd worden opgestart en in de loop van 2026 worden opgeleverd.

Het dossier over de nieuwe gevangenis van Leopoldsburg werd opgestart. De selectie van kandidaten vond plaats en een eerste analyse van de eerste offertes werd uitgevoerd. Momenteel staat het vervolg van het dossier on hold door de juridische procedure voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Ik begrijp dat de provincie Limburg momenteel bezig is met het opstellen van een aangepast provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan (PRUP). De Regie der Gebouwen beoogt het dossier een doorstart te geven zodra groen licht volgt met betrekking tot het PRUP. Pas op dat moment kan een nieuwe en realistische timing worden opgesteld. Voor meer gedetailleerde cijfers inzake de uitvoering van de nieuwbouwprojecten wil ik u vriendelijk verzoeken om een schriftelijke vraag in te dienen.

Alain Yzermans:

Ik kan dat alleen maar toejuichen. Enkel investeren in infrastructuur is niet het volledige antwoord in het beleid dat u vooropstelt met het ultimum remedium. Een gedifferentieerde aanpak is zeer belangrijk. Dergelijke initiatieven, zeker dat in Genk, dragen hiertoe bij.

Voorzitter:

La question n° 56002938C de M. De Smet est reportée à sa demande, ainsi que sa question n° 56002352C.

De verhoging van de begroting voor Justitie
De herfinanciering van de justitie
Financiering en begrotingsaanpassingen van Justitie

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 26 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De 200 miljoen euro extra budget voor Justitie tegen 2029 wordt ingezet voor modernisering (digitalisering, personeel, gevangenissen), maar concrete cijfers over aanwervingen (magistraten, griffiers, bewakers) en vulgraden ontbreken nog—die volgen in de beleidsnota. Infrastructuurkosten (gevangenissen, gerechtsgebouwen) vallen onder de Régie des Bâtiments, waarvan het budget echter al met 250 miljoen is gekort, wat de uitvoering van plannen bedreigt. Minister Verlinden benadrukt samenwerking en transparantie met de rechtelijke macht, maar Aouasti uit zorgen over financiële haalbaarheid en eist gedetailleerde budgettaire toewijzing.

Khalil Aouasti:

Madame la ministre, l'accord de gouvernement prévoit une augmentation du budget du département de la Justice de 200 millions d'euros à l'horizon 2029. Cet accord contient aussi de très nombreux engagements. Le collègue Yzermans vient d'en parler à propos des maisons de détention. Pourriez-vous, dès lors, me donner les grandes lignes de l'affectation de ces 200 millions?

En particulier, j'aimerais avoir des objectifs chiffrés. Combien de magistrats au siège, de magistrats au parquet, de greffiers, d'agents pénitentiaires allez-vous recruter? Votre intention est-elle bien de remplir les cadres à 100 %?

Me confirmez-vous que les investissements en matière immobilière – les prisons, les palais de justice – relèveront bien du budget de la Justice ou d'un autre budget? Je voudrais connaître le détail de ces 200 millions pour pouvoir mettre une ligne budgétaire spécifique derrière chaque engagement pris dans le cadre de la déclaration de politique générale.

Annelies Verlinden:

Cher collègue, les défis de la Justice sont, en effet, nombreux, aussi bien sur le plan du personnel que des investissements dans les technologies de l'information et de la communication et les bâtiments. La note de politique générale relèvera les plans d'action que j'aimerais entamer pendant les années à venir. Il est clair que la Justice a besoin d'un budget conséquent afin de faire évoluer l'administration, les établissements pénitentiaires et l'ordre judiciaire vers des organisations modernes et prêtes pour l'avenir.

Je vous fais remarquer que le logement des services des administrations fédérales relève de la compétence et donc du budget de la Régie des Bâtiments. La rénovation des palais de justice et autres infrastructures immobilières fera l'objet d'un travail commun entre les représentants des autorités judiciaires, qui préciseront leurs besoins: la Régie des Bâtiments qui gère les moyens budgétaires du parc immobilier et les coûts de rénovation, et l'administration du SPF Justice, qui prendra en charge le suivi administratif de ces travaux.

En outre, j'attire votre attention sur le fait que l'accord de gouvernement fait indirectement référence au projet de loi "autonomie", qui a été élaboré par mon prédécesseur avec les représentants des trois piliers du pouvoir judiciaire. Comme l'indique l'accord de gouvernement, nous réexaminerons cette question. En effet, de tels changements majeurs ne peuvent réussir que s'ils sont réalisés ensemble, en toute transparence et confiance avec nos partenaires du système judiciaire. Je souhaite donc avoir une relation de confiance forte avec le pouvoir judiciaire.

Nous sommes aujourd'hui confrontés à plusieurs défis, comme le demandent de plus en plus de magistrats, la surpopulation des prisons, la digitalisation, etc., qui nécessitent tous un refinancement. Nous examinerons donc les priorités qui peuvent être fixées et la meilleure façon de répartir le refinancement selon les besoins.

Khalil Aouasti:

Merci, madame la ministre, pour votre réponse. Vous me renvoyez au débat en note de politique générale pour que je puisse obtenir des réponses à mes questions. En tout cas, il y a une question à laquelle vous répondez déjà, c'est que vous soustrayez, notamment, les bureaux liés à l'administration de la Justice et certains départements à la Régie des Bâtiments – où, dans les tableaux budgétaires que vous nous avez communiqués, vous supprimez 250 millions d'euros en linéaire – et qui sera vraisemblablement dans l'incapacité de réaliser les investissements que vous préconisez puisqu'elle est elle-même définancée d'un montant plus important que le montant de refinancement du département de la Justice à lui seul à l'horizon 2029. C'est donc extrêmement inquiétant.

Je vais donc attendre les débats en note de politique générale pour obtenir cette ventilation que j'appelle de mes vœux et pour avoir aussi la transparence la plus grande, puisque, comme vous l'avez dit, les enjeux sont importants et qu'il s'agit de faire la clarté sur les enjeux prioritaires.

En conclusion de ma réplique, je voudrais simplement vous remercier. La critique est facile, mais je tiens également à remercier Mme la ministre d'être restée jusqu'au bout des questions orales. Il était important de le dire. J'ai exprimé en commission tout à l'heure mon souhait de voir cet engagement respecté. Vous le faites, il faut pouvoir le souligner ici aussi. Merci madame la ministre.

Voorzitter:

La question n ° 56003108C de M. Ribaudo est transformée en question écrite. Sa question n ° 56003110C est, quant à elle, reportée.

Trump, Netanyahu en België
De plannen van Donald Trump voor de Gazastrook
De uitspraken van president Trump over de overname van de Gazastrook
De escalatie op de Westelijke Jordaanoever
De humanitaire hulp en de duurzame heropbouw in Gaza
Rechtvaardigheid in Gaza en de druk op Israël
De recente verklaringen van Israël en de VS over de toekomst van Gaza
Het Israëlische verbod op UNRWA
De overwogen sancties met betrekking tot de situatie in Gaza en op de Westelijke Jordaanoever
De uitspraken van president Trump over Gaza
Het nieuwe rapport over de hongersnood in Gaza
Het Belgische standpunt in de Associatieraad EU-Israël
De Israëlische mensenrechtenschendingen in Gaza en de Associatieraad EU-Israël
Israël en Palestina
De situatie in Gaza
De Associatieraad EU-Israël
Het Belgische standpunt in de Associatieraad EU-Israël
Palestina en een militair embargo
Internationale spanningen en humanitaire crisis in Gaza en de Westelijke Jordaanoever

Gesteld aan

Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 26 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De Belgische parlementariërs kritiseren scherp het gebrek aan concrete actie tegen Israël’s schendingen van internationaal recht, ondanks herhaalde oproepen tot sancties, opschorting van het EU-Israël-associatieverdrag (art. 2, mensenrechtenclausule) en erkenning van Palestina. Minister Prévot (BZ) benadrukt weliswaar het belang van dialoog, het respect voor internationaal recht en humanitaire steun (o.a. aan UNRWA), maar wijst opsorting van het verdrag af als "prematuur" door gebrek aan EU-unanimiteit, ondanks aanhoudende beschuldigingen van genocide, etnische zuivering en oorlogsmisdaden in Gaza en de Westelijke Jordaanoever. België bevestigt wel gehoor te zullen geven aan ICJ-arrestatiebevelen (o.a. tegen Netanyahu) en roept op tot een tweestatenoplossing, maar stelt geen harde maatregelen (bv. handelsembargo’s, sancties tegen nederzettingen) voor, wat parlementsleden als "dubbele standaard" (vs. Rusland) en "compliciteit" bestempelen. Kritiek richt zich ook op de passiviteit tegen Trumps plannen (deportatie Palestijnen, "Gaza Riviera") en de weigering om Palestina eenzijdig te erkennen, ondanks ICJ-adviezen en voorbeelden van Ierland/Spanje.

Nabil Boukili:

Monsieur le ministre, j'ai plusieurs questions sur ce sujet.

Je vais commencer par la situation concernant M. Trump et M. Netanyahou sur la question de la Palestine. Je vous rappelle qu'au début du mois de février, Donald Trump a reçu Benjamin Netanyahou, bien que ce dernier soit un criminel de guerre poursuivi par la Cour pénale internationale et faisant l'objet d'un mandat d'arrêt.

Cette rencontre n'était pas seulement une accolade politique, mais un soutien explicite à l'occupation illégale de Gaza et au nettoyage ethnique du peuple palestinien. Trump a apprécié, je cite, que "la bande de Gaza serait remise aux États-Unis par Israël à la fin des combats", ajoutant que "d'ici là, les Palestiniens", je cite encore, "auraient déjà été réinstallés dans des communautés bien plus sûres et plus belles, avec des maisons neuves et modernes dans la région". C'est ce qu'on appelle un soutien explicite au nettoyage ethnique.

Hier soir, Trump a mis en ligne une vidéo réalisée par l'intelligence artificielle intitulée "Riviera de Gaza", dans laquelle on voit Netanyahou prendre un bain de soleil. Le clip présente une chanson dont les paroles sont les suivantes: "Donald Trump vous libérera. Apporte la vie pour que tout le monde puisse l'avoir. Plus de tunnels, plus de peur. La Gaza de Trump est enfin là".

C'est comme si nous étions dans une série de mauvais goût, sauf que c'est le président de la première puissance mondiale qui fait ces déclarations! Nous n'avons malheureusement pas vu, sauf erreur de ma part – et j'espère me tromper – de condamnation claire et ferme de la Belgique à ce sujet.

Je me demande comment la Belgique réagirait si, par exemple, M. Poutine avait mis en ligne une vidéo similaire à propos de l'Ukraine. Je pense qu'à ce moment-là, il y aurait eu, sans la moindre hésitation, des condamnations fermes et justifiées. Nous vous aurions alors soutenu, monsieur le ministre.

Mais quand il s'agit d'Israël ou de Trump, c'est le silence. C'est vraiment déplorable!

L'histoire se répète. Nous constatons que l'Occident agit avec fermeté contre la Russie ou contre ses adversaires stratégiques, en imposant des sanctions. Je pense que nous en sommes au seizième paquet de sanctions contre la Russie, au nom du droit international. Et je ne comprends toujours pas, comme les dizaines de milliers de citoyens qui ont manifesté ces derniers mois pour un cessez-le-feu et la paix en Palestine, les raisons de ce deux poids, deux mesures, et pourquoi il n'y a aucune sanction contre Israël.

Une réunion a eu lieu concernant le traité d'association entre l'Union européenne et Israël et, là encore, cet accord n'est toujours pas suspendu. Vous avez déclaré que "cet accord offre de nombreuses opportunités de coopération bénéfiques dont nous souhaitons continuer de profiter mutuellement. Une solution pacifique de long terme ne pourra se façonner qu'à travers des collaborations politiques franches et constructives". Nous nous demandons donc si un accord pareil est possible avec un État qui est accusé de génocide et qui est responsable de crimes de guerre. Cette décision reste incompréhensible.

Monsieur le ministre, quelle est votre position sur cet accord d'association, en tant que ministre belge des Affaires étrangères? Cet accord doit-il être maintenu ou suspendu? C'est la seule question que je pose, pour laquelle je souhaite recevoir une réponse très claire.

Rajae Maouane:

Monsieur le ministre, encore félicitations pour votre prise de fonctions. Je vous l'avais dit: c'est une très belle fonction, un très beau poste qui appelle de belles responsabilités.

Il y a beaucoup de choses à dire sur ce débat, puisqu'une actualité en chasse une autre. J'avais envie de vous entendre sur les propos sidérants du président Trump, qui continue à vouloir provoquer le chaos. En effet, il veut faire de la bande de Gaza une marina, une espèce de Saint-Tropez du Moyen-Orient, après avoir déplacé les Palestiniens vers l'Égypte ou la Jordanie.

Ces deux pays ont refusé ce plan, mais je voulais vous entendre aussi, parce que prendre la population d'un territoire occupé ou contrôlé pour l'expulser ailleurs, à travers des frontières internationales, cela s’appelle une déportation, un nettoyage ethnique.

Monsieur le ministre, je n'ai pas l'impression d'avoir vu une réaction explicite de la Belgique. Je pense que cela doit être une condamnation ferme et sans équivoque de la Belgique, puisque la Belgique s'est toujours positionnée comme un défenseur du droit international, de la démocratie et des droits humains.

Avez-vous entrepris ou allez-vous entreprendre des démarches concrètes au sein des institutions internationales pour exiger justement le respect du droit international et réclamer la fin de l’impunité? Comment la Belgique utilise-t-elle ou compte-t-elle utiliser son influence diplomatique pour défendre une position forte et cohérente sur cette question?

Un autre enjeu sur lequel j'avais envie de vous entendre est une actualité plus récente. C'est ce lundi, monsieur le ministre, que s'est tenue à Bruxelles une réunion du conseil d'association Union européenne-Israël. C'est le plus haut niveau de dialogue politique entre l'Union européenne et Israël. Vous avez d'ailleurs qualifié cet échange de franc et sans tabou.

Cela m'intéresse, puisque la position sur laquelle les 27 se sont mis d'accord en amont de la réunion montre qu'au lieu de centrer les débats sur le respect par Israël de l'article 2 de l'accord d'association, soit sa clause de respect des droits humains, l'Union européenne semble, au contraire, vouloir approfondir ses relations dans un certain nombre de domaines.

Pour nous, cela pose extrêmement question, puisque la littérature juridique et les avis, les ordonnances de la Cour internationale de Justice, les mandats d'arrêt émis par la Cour pénale internationale et d'autres rapports internationaux sont autant de preuves qu'Israël continue à violer le droit international et les droits humains.

Si l'Union européenne veut rester crédible aux yeux du monde, elle doit tirer les conséquences de ces violations en suspendant son accord d'association avec Israël.

Dans son accord de coalition, le gouvernement Arizona (votre gouvernement) s'engage à défendre vigoureusement l'ordre international ancré dans le droit international et les accords multilatéraux, et je vous cite: "car nous pensons qu'il s'agit de la seule voie vers une paix et une sécurité durables."

Hier dans un tweet, vous rappeliez que l'accord d'association UE-Israël doit reposer sur le respect des principes démocratiques et des droits humains et vous dites que "cet accord offre de nombreuses opportunités de coopération bénéfiques dont nous souhaitons continuer de profiter mutuellement. Une solution pacifique de long terme ne pourra se façonner qu'à travers des collaborations franches et constructives". Cela me semble contrevenir au respect du droit international.

Avez-vous rappelé à Israël la réalité, à savoir un non-respect du droit international et qu'il doit, à tout prix et très rapidement, se conformer à celui-ci?

Quel a été le message principal porté par l'UE à l'égard d'Israël durant la réunion? Quelle position belge avez-vous défendue? À la suite du conseil d'association et au vu des violations persistantes du droit international et des droits humains par Israël, quelle sera la position de la Belgique au sein du conseil de l'UE?

Soutiendrez-vous la suspension de l'accord d'association qui est pour nous la seule voie possible? La Belgique envisage-t-elle d'agir au sein du conseil des États membres qui partagent le même attachement et que je sais être le vôtre au regard du droit international?

Annick Lambrecht:

Mijnheer de minister, onze ogen zijn gericht op Gaza met de vraag of het staakt-het-vuren zal standhouden. Netanyahu's extreemrechtse regering flirt met de herstart van de oorlog en blijft het internationaal recht voortdurend schenden. Ook Israëls recente pogingen om de controle over de Westelijke Jordaanoever te vergroten, doen vragen rijzen over Israëls intenties.

De gruwelijke vijandigheden tussen Israël en Hamas en de bombardementen op de Palestijnse bevolking zijn dan wel voor het grootste gedeelte tijdelijk een halt toegeroepen, de noden van de Palestijnse bevolking blijven schrijnend en urgent. De humanitaire crisis duurt voort met verwoeste infrastructuur en amper toegang tot basisvoorzieningen zoals gezondheidszorg.

De Palestijnen zijn een volk dat al decennialang gebukt gaat onder dit conflict, terwijl de onderliggende problemen onopgelost blijven. De voortdurende uitbreiding van illegale nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever, de willekeur van Israëlische veiligheidsdiensten in de behandeling van Palestijnse burgers en de blokkade van Gaza zijn maar enkele van de vele kwesties die een tweestatenoplossing onmogelijk maken.

Israël trekt met een dominante positie economisch, politiek en militair aan het langste eind in dit conflict en verdient het om verantwoording te moeten afleggen. Zonder internationaal ingrijpen zal het staakt-het-vuren slechts een adempauze blijken in een eindeloze cyclus van geweld. Ook het onwezenlijke voorstel van president Trump – dat eigenlijk oproept tot de deportatie van de Palestijnen uit Gaza – helpt niet en versterkt de noodzaak van een duidelijke Europese reactie.

Welke stappen zal België zetten voor meer humanitaire hulp?

Wat zal België doen om een heropbouwplan voor Palestina op te zetten?

Welke rol kan België spelen in duurzame vredesonderhandelingen met kans op slagen?

Wil België verdergaan dan alleen maar diplomatieke verklaringen om druk te zetten op Israël? Plant u bijvoorbeeld de sancties tegen Israëlische kolonisten uit te breiden?

Vindt u dat de federale regering een rol heeft te spelen om het wapenembargo tegen Israël beter te handhaven?

Zal België de arrestatiebevelen van het Internationaal Gerechtshof uitvoeren? Zal België nog interveniëren in de genocidezaak, ingesteld door Zuid-Afrika?

Vindt u, mijnheer de minister, de associatieovereenkomst met Israël nog een goede zaak? Vindt u dat de handel met Israëls illegale nederzettingen toelaatbaar is?

De voorzitster : De heer De Maegd is afwezig.

Staf Aerts:

Welkom mijnheer de minister, in uw nieuwe hoedanigheid. Zoals u weet, is er een tijdelijk staakt-het-vuren in Israël en vooral in Gaza. Daar dreigt een eind aan te komen. Meer nog, Israël zet intussen zijn nederzettingenpolitiek op een agressieve wijze voort op de Westelijke Jordaanoever.

Voor dat tijdelijk staakt-het-vuren werden er tal van rapporten gepubliceerd over oorlogsmisdaden die door Israël werden begaan, over misdaden tegen de menselijkheid en zelfs genocide. Er lopen ook een aantal procedures, maar intussen is er nog steeds een associatieovereenkomst tussen de EU en Israël. Die overeenkomst bevat evenwel ook een mensenrechtenclausule. Meer dan 250 Europese parlementsleden – waaronder leden van deze commissie – hebben samen met een brede internationale coalitie van ngo's opgeroepen om die mensenrechtenclausule te gebruiken om Israël onder druk te zetten en intussen de samenwerking grotendeels op te schorten.

Een maand geleden vertelden vertegenwoordigers van de FOD Buitenlandse Zaken tijdens een hoorzitting in de Kamer dat artikel 2 van de associatieovereenkomst wordt geschonden door Israël. Dat was een duidelijk statement. We moeten daar dus gevolgen aan verbinden.

Ondanks die verschillende oproepen – ook van onze eigen diensten – blijkt de Associatieraad van afgelopen maandag business as usual te hebben toegepast. Er wordt wel met woorden naar het laakbaar gedrag van Israël verwezen, maar de daden wijzen eerder op een verdere intensifiëring en een warme verwelkoming van een verdere samenwerking, wat bijzonder pijnlijk is.

Mijnheer de minister, u had zelf een bilateraal overleg met de Israëlische minister van Buitenlandse Zaken. Ik ben ook benieuwd naar de Belgische houding tijdens de Associatieraad EU-Israël. Ik hoop oprecht dat België zich moedig heeft opgesteld en het primaat van het internationaal recht volop heeft verdedigd.

Welke positie hebt u ingenomen in de plenaire vergadering en tijdens de bilaterale ontmoeting met minister Sa'ar? Hoe evalueert u de Israëlische reactie op die positie?

Ondersteunt België het verzoek van Spanje en Ierland aan de Europese Commissie om de associatieovereenkomst met Israël te herzien? Pleit u ook voor een opschorting van die overeenkomst zolang Israël artikel 2 blijft schenden?

Bent u, gelet op het gebrek aan unanimiteit binnen de EU, bereid te pleiten voor een opschorting van de handelsbepalingen van de overeenkomst? Daarvoor volstaat een gekwalificeerde meerderheid. Het lijkt me immers belangrijk dat we niet alleen woorden blijven produceren richting Israël, maar ook daden.

Ik heb ook enkele vragen over UNRWA, de organisatie voor wie de steun werd opgeschort.

Israël heeft de activiteiten van UNRWA verboden. Welke stappen onderneemt de Belgische regering daartegen? Hebben we dat in onze gesprekken ook aangekaart?

Hoe zullen we UNRWA blijven ondersteunen? Is er een mogelijkheid om UNRWA extra steun te bieden? Het is immers overduidelijk – daarvan getuigen de beelden die blijven binnenstromen sinds het tijdelijk staakt-het-vuren in Gaza – dat er meer dan ooit steun nodig is om Gaza te heropbouwen en om opnieuw een menswaardig leven te bieden aan de Gazanen.

Christophe Lacroix:

Monsieur le ministre, je vous avais déjà félicité en séance plénière lors du débat de plus de 40 heures. Je vais aujourd'hui réitérer officiellement mes félicitations, mais votre tâche va être ardue. Non pas parce que vous avez affaire à Christophe Lacroix mais parce que vous avez affaire à un monde en perdition totale, et j'espère que vous pourrez être l'un des facteurs de régulation et de redressement de la folie de ce monde.

En ce qui concerne la Cisjordanie, Gaza, la Palestine et Israël, depuis 2014, la Belgique a fait un chemin qui est celui de reconnaître, à terme, une solution à deux É tats comme seule issue juste et durable au conflit israélio-palestinien. Et pourtant, depuis plus de dix ans maintenant, malgré toutes les résolutions successives de l'ONU et la reconnaissance de l' É tat de Palestine par un nombre croissant de pays européens, notre pays n'a toujours pas franchi le pas d'une reconnaissance officielle.

Cette absence de décision apparaît d'autant plus incompréhensible que la Cour internationale de Justice, dans son avis consultatif du 19 juillet 2024, a réaffirmé l'illégalité de l'occupation israélienne et l'urgence d'y mettre fin dans les plus brefs délais. Selon moi, par "urgence", il faut entendre douze mois. L'argument du moment opportun avancé par l'ancien ministre Reynders date de plus de dix ans mais, malgré cela, la situation sécuritaire en Cisjordanie et la catastrophe humanitaire à Gaza ne cessent de s'aggraver. Depuis le 7 octobre 2023, on dénombre 49 000 morts et 118 000 blessés. L'expansion des colonies israéliennes en territoire palestinien se poursuit à un rythme accéléré, en violation flagrante du droit international.

Or l'accord de gouvernement ne prévoit ni sanctions ni mesures de pression à l'égard d'Israël. La Belgique ne peut plus se contenter d'un soutien de principe. Je crois qu'il faut à présent prendre ses responsabilités et adopter une position claire et cohérente à la hauteur de nos engagements et de notre rôle historique en matière de diplomatie et de défense des droits fondamentaux.

Face à ces violations répétées du droit international et en cohérence avec les principes belges, le gouvernement belge entend-il reconnaître officiellement l' É tat de Palestine, comme l'ont fait l'Irlande, l'Espagne et la Norvège? Dans la négative, pourquoi? Quelles sont les véritables raisons?

Quelles sanctions la Belgique compte-t-elle prendre vis-à-vis d'Israël concernant la situation sécuritaire à Gaza et en Cisjordanie afin de garantir le respect du droit international?

En ce qui concerne le conseil d'association Union européenne-Israël – le 24 février se tenait à Bruxelles une réunion du conseil d'association –, la position sur laquelle les 27 se sont mis d'accord en amont de la réunion montre qu'au lieu de centrer les débats sur le respect par Israël de l'article 2 de l'accord d'association, soit sa clause de respect des droits humains, l'Union européenne semble au contraire vouloir approfondir ces relations dans un certain nombre de domaines.

Or, dans une carte blanche publiée samedi, des représentants et représentantes d'organisations de la société civile belge dénoncent cette pratique business as usual de l'Union européenne avec Israël. Vous-même – même si je sais que vous n'aimez pas trop tweeter –, vous avez écrit un tweet dans lequel vous dites que vous réitérez le fait que l'accord Union européenne-Israël doit être basé sur le respect des principes démocratiques et des droits humains, mais vous parlez également du fait que cet accord privilégie le respect des droits humains et la coopération mutuellement bénéfique.

Monsieur le ministre, quelle est votre priorité? Est-ce le respect des droits humains ou la coopération mutuellement bénéfique? Le conseil d'association s'est réuni. Quelle a été la position de la Belgique lors de cette rencontre? Soutiendrez-vous la suspension de l'accord d'association Union européenne-Israël? Envisagez-vous d'agir au sein du conseil avec les États membres qui partagent le même attachement au respect du droit international?

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de minister, ik sluit me voor het overgrote deel aan bij de vragen die mijn collega's al hebben gesteld.

Mijn vraag is iets specifieker en gaat over de uitspraken van Trump over Gaza en het Palestijnse volk.

De president van de Verenigde Staten heeft aangekondigd de controle over de Gazastrook te willen overnemen en de Palestijnse bevolking permanent te willen verplaatsen naar buurlanden als Jordanië en Egypte, om zo het gebied om te vormen tot de 'Rivièra van het Midden-Oosten'. Hij heeft die uitspraken vandaag nog wat kracht bijgezet door AI-beelden te laten maken waarop hij in een strandstoel zit aan de grote 'Rivièra van het Midden-Oosten'. Zo zou Gaza eruitzien als hij zijn zin zou mogen doen.

Ik vind het pure waanzin dat een president van een grootmacht als de Verenigde Staten van Amerika zo omgaat met een gebied, met een bevolking. Dat is die mensen in hun gezicht uitlachen. Het ondermijnt ook de tweestatenoplossing, die toch nog altijd het doel moet zijn voor ons land. Wat de president van de Verenigde Staten over Gaza en de Palestijnse bevolking durft te zeggen is echt pure waanzin.

Zijn plan stuit ook op hevig verzet bij landen in de buurt. Zo hebben Jordanië en Egypte al laten weten dat ze daar niet zullen aan meewerken. Trump wil eigenlijk die Palestijnse bevolking verplaatsen naar die buurlanden, maar die hebben al te kennen gegeven dat ze geen Palestijnen wensen op te nemen. De VN waarschuwt dat dit plan mogelijk in strijd is met het internationaal recht en als etnische zuivering kan worden gezien.

Daarom heb ik volgende vragen voor u.

Mijnheer de minister, wat is het standpunt van de Belgische regering over deze uitspraken? Welke impact verwacht de regering dat dit plan zal hebben op de stabiliteit en de veiligheid in het Midden-Oosten en specifiek op de relaties tussen Israël, de Palestijnse gebieden en de buurlanden, zoals Jordanië en Egypte? Heeft België al initiatieven genomen of zal het dat doen om binnen de EU een formeel standpunt in te nemen over het voorstel van Trump voor Gaza? De VN heeft gewaarschuwd dat het plan van Trump mogelijk neerkomt op een etnische zuivering. Hoe beoordeelt de Belgische regering die juridische kwalificatie?

Darya Safai:

Mijnheer de minister, dit weekend kregen we alweer een barbaars tafereel uit Gaza te zien waarbij leden van Hamas vier lijkkisten droegen in de menigte die de moord op onschuldige kinderen vierde.

Twee kinderen van de familie Bibas werden vermoord door Hamas. Dit soort propaganda en machtsvertoon is niets nieuws, maar dat Hamas zo wreed is om kinderen van 1 en 5 jaar te vermoorden, toont wat voor monsters ze zijn. Hamasterroristen willen niets anders dan oorlog, anders zouden ze in een periode van staakt-het-vuren toch niet zo wreed provoceren. Ze zijn oorlogszuchtig en wensen geen einde aan deze wrede oorlog. Integendeel, ze willen het vuur van de oorlog doen oplaaien tot Israël totaal vernietigd is. Uiteraard maken ze de mensen van Gaza hierbij ook tot slachtoffers. Dit staakt-het-vuren kan niet lang duren als ze de gegijzelde mensen en zelfs de kinderen beginnen te vermoorden.

Wat is uw mening over deze recente ontwikkelingen? Wat is uw visie over dit staakt-het-vuren? Denkt u dat dit duurzaam kan zijn?

Hoe kan ons land iets betekenen voor de duurzaamheid van het staakt-het-vuren? Hoe kunnen wij Hamas duidelijk maken dat het niet met vuur mag spelen en dat dit moet stoppen?

Gisteren had u een ontmoeting met de minister van Buitenlandse Zaken van Israël, meneer Gideon Sa'ar. Hij meldt op X dat hij een goede ontmoeting met u had en dat het tijd is om een pagina om te slaan als het gaat over de relatie tussen Israël en België.

Hoe beschrijft u die ontmoeting en hoe bekijkt u de toekomstige relatie met Israël? Dank u wel.

Els Van Hoof:

Mijnheer de minister, de wapenstilstand in Gaza blijft voorlopig van kracht, ondanks de dreigende taal vanuit de VS en Israël en de groteske vertoningen van Hamas. Ook president Trump gooit nog meer olie op het vuur.

We moeten de druk blijven opvoeren. Ook op de Westelijke Jordaanoever blijft het geweld escaleren, recent nog met de ontruiming van een aantal vluchtelingenkampen die het Israëlische leger in handen lijkt te willen houden. Bij dergelijke invallen wordt heel wat vernietigd, zoals wegen en waterleidingen. Op sociale media wordt melding gemaakt van vernielingen aan door Europese landen gefinancierde infrastructuur in de Masafer Yattaregio. De Belgische regering heeft dergelijke vernielingen in het verleden al meermaals veroordeeld en neemt een actieve rol op binnen het West Bank Protection Consortium, dat systematisch compensaties vraagt van Israël.

Mijnheer de minister, de collega's hebben al verwezen naar uw ontmoeting van maandag. Wat is de houding van België, wat de opschorting van de associatieovereenkomst betreft? Indien wij niet pleiten voor een opschorting, pleit ons land dan voor een formele beoordeling van Israëls naleving van zijn verplichtingen onder artikel 2 van de associatieovereenkomst?

Welke concrete maatregelen werden op de Raad Buitenlandse Zaken besproken inzake humanitaire noden en duurzame vrede?

Kunt u bevestigen of bij de recente vernielingen op de Westelijke Jordaanoever ook infrastructuur werd vernietigd die werd gefinancierd met Belgisch donorgeld? Zo ja, heeft België officieel compensatie geëist voor die vernielingen?

Tot slot, kunt u bevestigen dat ons land desgevallend gehoor zal geven aan het arrestatiebevel van het Internationaal Strafhof tegen Netanyahu en oud-defensieminister Gallant?

De voorzitster : Zijn er collega's die zich hierbij willen aansluiten? Dat is immers altijd mogelijk in een actualiteitsdebat. (Nee)

Dan geef ik het woord aan de minister.

Maxime Prévot:

Mesdames Van Hoof, Lambrecht, Safai, et Maouane, messieurs Aerts, Lacroix, Vander Elst et Boukili, je vous remercie pour vos questions et pour vos aimables paroles d'introduction concernant ma prise de fonctions.

Monsieur Boukili, je n'ai pas la vidéo dont vous avez parlé, qui aurait été, selon vos dires, postée hier soir. En réponse à vos questions sur les déclarations du président Trump par rapport à la bande de Gaza et sa putative riviera, la Belgique a réagi publiquement aux propositions du président Trump le 5 février, via mon département des Affaires étrangères, pour s'offusquer du propos. Je me suis moi-même exprimé clairement sur le sujet, y compris en début de semaine face aux Israéliens.

Le déplacement forcé de populations à Gaza et en Cisjordanie constitue une grave violation du droit international humanitaire. La stabilité au Moyen-Orient demande le plein respect du droit international et la mise en œuvre d'une solution à deux États. Nous souhaitons que le chemin pour y arriver ne soit dès lors pas jonché d'obstacles.

Quelles qu'en soient les intentions, les propositions du président Trump sont problématiques et pourraient mener à une situation de nettoyage ethnique. Je le répète, les déplacements forcés de populations sont des crimes de guerre. Les Gazaouis ont le droit de rester à Gaza. L'accord de cessez-le-feu doit être respecté. Il faut rapidement fournir de l'aide humanitaire en suffisance aux populations civiles et pouvoir reconstruire les infrastructures de base.

J'ai insisté sur ces points lors d'une discussion bilatérale sans tabou que j'ai eue lundi avec le ministre israélien des Affaires étrangères. Nous ne sommes évidemment pas d'accord sur tout mais nous maintenons le dialogue. C'est le travail par essence de la diplomatie et c'est fondamental si on veut faire entendre les messages de la Belgique.

Nous l'avons évoqué lundi lors du Conseil européen des Affaires étrangères, l'Union européenne doit accorder une attention particulière aux propositions alternatives qui sont en cours d'élaboration par les États arabes. Ceux-ci ont prouvé, depuis l'initiative arabe de paix de 1992, qu'ils étaient des acteurs constructifs pour la paix dans la région. Ces propositions devraient être présentées lors du sommet de la Ligue arabe au Caire, le 4 mars prochain.

Nous soutenons une solution sans le Hamas, mais qui soit sous leadership palestinien, tant à Gaza qu'en Cisjordanie et à Jérusalem-Est. L'Autorité palestinienne doit être réformée en profondeur et l'action du premier ministre Mustafa est encourageante dans ce sens car ne perdons pas de vue qu'une Autorité palestinienne faible ou défaillante, c'est le risque accru d'un Hamas fort.

J'ai salué publiquement le geste posé récemment, celui de la signature d'un décret qui tourne la page du système de paiement des prisonniers, que certains appelaient pay for slay ou le Fonds des Martyrs.

De Palestijnse Autoriteit maakte in de uitbetaling geen onderscheid tussen families van terroristen, enerzijds, en echte slachtoffers van de Israëlische bezetting, anderzijds, bijvoorbeeld kinderen die werden gedood op weg naar school. Mevrouw Safai, ik kan u op dat punt echter geruststellen. België heeft dat fonds nooit gesteund.

Je salue également les progrès effectués par l'Autorité palestinienne dans la réforme des programmes scolaires. Ces avancées positives, que nous encourageons, devraient permettre des progrès rapides dans l'adoption du paquet d'aide européen pour la Palestine et inciter Israël à procéder au transfert des taxes prélevées au profit de l'Autorité palestinienne.

In antwoord op uw vraag over een wapenembargo kan ik herhalen wat mijn voorgangers al meegaven. De regio’s zijn bevoegd voor de exportlicenties. Sinds 2009 werd beslist dat geen wapens meer worden uitgevoerd naar Israël. Het is aan de regio’s om dat op te volgen.

Wat een handelsembargo betreft voor producten en diensten uit de nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever, België heeft de Europese Commissie gevraagd een analyse te maken en Europese aanbevelingen op te stellen. Op de Europese eengemaakte markt kan België immers niet alleen optreden. Het advies van het Internationaal Gerechtshof van juli 2024 is nochtans duidelijk over de import uit en handel met de nederzettingen. We wachten nog steeds op de analyse en de aanbevelingen en pleiten voor een debat op EU-niveau over de mogelijke gevolgen van het advies.

België herhaalt het voorgaande regelmatig in de verschillende comités van de Europese Raad. Naast de juridische aspecten is het belangrijk om een Europese aanpak te promoten. Het zou immers weinig zin en weinig impact hebben, mochten de producten niet via België maar via onze buurlanden in Europa aankomen.

Concernant le conseil d'association entre l'Union européenne et Israël, j'y ai participé lundi avec tous les ministres des Affaires étrangères de l'Union européenne et d'Israël. La Belgique avait plaidé pour que ce conseil se tienne afin d'avoir un dialogue franc et sans tabou avec Israël et l'ensemble des États membres de l'Union européenne qui aborde absolument tous les aspects de la relation, autant les aspects positifs que les aspects négatifs, y compris la situation à Gaza et les accusations de violations du droit international et des droits humains. Et c'est exactement ce qu'il s'est passé. Personne, du reste, ne demande la suspension ou le rejet de ce dialogue.

J'ai exprimé ma solidarité avec les otages israéliens et leurs familles, me réjouissant des libérations récentes, mais j'ai aussi interpellé le ministre Saar sur les droits et sur la souffrance des Palestiniens.

Monsieur Boukili, l'accord d'association entre l'Union européenne et Israël n'encourage pas les exportations d'armes vers Israël. Il permet d'exploiter des aspects bénéfiques de notre relation, pour autant – et je l'ai rappelé sans la moindre ambiguïté – qu'il repose sur le respect total des principes démocratiques et des droits humains. Or les nombreuses accusations de crimes de guerre ou d'obstacles à l'action humanitaire à Gaza, notamment celle de l'UNRWA, soulèvent des questions quant au respect par Israël de l'article 2 de l'accord d'association.

Sa suspension nécessite néanmoins, vous le savez, l'unanimité des États membres, et celle-ci est loin d'être acquise.

L'Espagne et l'Irlande ont questionné l'Union européenne pour savoir si, oui ou non, Israël avait enfreint cet article 2. Nous soutenons par principe toute initiative qui vise à vérifier la situation des droits humains, mais évoquer une suspension de l'accord semble précoce à ce jour, malgré les préoccupations majeures exprimées.

J'ai insisté sur le respect absolu par toutes les parties du droit international humanitaire et des droits humains. J'ai rappelé le soutien à la solution à deux États et demandé au ministre Saar qu'Israël participe au travail de l'Alliance globale pour la mise en œuvre de la solution à deux États.

Tout en saluant l'importance des relations commerciales entre l'Union européenne et Israël, j'ai rappelé que la Belgique respectait la politique de différenciation qui ne reconnaît Israël que dans ses frontières de 1967. J'ai réitéré notre ferme engagement contre le terrorisme et contre l'antisémitisme et appelé au respect de toutes les religions à Jérusalem. De même, j'ai pu, lors d'une discussion bilatérale très franche avec mon homologue israélien, l'interpeller sur la violence des colons et sur les opérations militaires en Cisjordanie. Je lui ai également fait part de mon inquiétude face à un projet de loi de la Knesset, qui envisage de surtaxer les ONG de défense des droits humains financées par l'Union européenne.

Nous suivons de près le débat entre ceux qui cherchent à préserver Israël en tant que démocratie locale et ceux qui prônent des restrictions aux libertés fondamentales des Israéliens et des Palestiniens. La Belgique se tient fermement aux côtés du premier groupe. Nous souhaitons coopérer, mais sur la base de valeurs démocratiques et de respect des droits humains. Suspendre aveuglément toute coopération entre l'Union européenne et Israël reviendrait à sanctionner de façon indiscriminée les Israéliens dont nous ne partageons pas les valeurs et ceux avec lesquels, au contraire, nous voulons travailler.

Sachez – et la Belgique y tient – qu'un dialogue de haut niveau est également prévu dans les prochaines semaines entre l'Union européenne et l'Autorité palestinienne.

Mevrouw Van Hoof, de strijd tegen straffeloosheid is een belangrijk onderdeel van het regeerakkoord. Ik kan u bevestigen dat ons land desgevallend gehoor zou geven aan het arrestatiebevel van het Internationaal Strafhof tegen Netanyahu en oud-minister van Defensie Gallant.

J'ai aussi participé dimanche à un dîner avec le commissaire Lazzarini, en charge de l'UNRWA, et Sigrid Kaag, Coordinatrice spéciale des Nations Unies. Les mêmes standards d'accès humanitaire et de protection sont d'application en Cisjordanie, à Gaza et ailleurs.

Daarom zijn wij ongerust dat de anti-UNRWA-wetten op 1 januari toch in werking zijn getreden. Voorlopig probeert UNRWA haar mandaat uit te voeren in Gaza en de Westelijke Jordaanoever, ondanks de beperkingen die worden opgelegd door het contactverbod tussen het agentschap en de Israëlische autoriteiten. De visa voor de internationale staf zijn geannuleerd door Israël, terwijl Israël betreurt dat er niet genoeg buitenlandse personeelsleden zijn in vergelijking met het aantal leden van de lokale staf. De stopzetting van hulp via USAID zal de humanitaire inspanningen nog verder beperken.

In Oost-Jeruzalem, waar UNRWA het bevel heeft gekregen zijn activiteiten te staken en het grondgebied te verlaten, is het hoofdkwartier in Sheikh Jarrah volledig geëvacueerd. Op 18 februari werden UNRWA-studenten en personeelsleden in Oost-Jeruzalem mishandeld en onder dwang geëvacueerd uit scholen en klinieken, in strijd met het recht op onderwijs en de voorrechten en immuniteiten van de Verenigde Naties.

België heeft zijn hulp aan UNRWA nooit stopgezet, maar we besteden veel aandacht aan de uitvoering van het Colonnarapport door het agentschap. De overdracht van de bevoegdheden van UNRWA aan andere agentschappen van de Verenigde Naties of zelfs aan particuliere actoren zou buitengewoon moeilijk zijn, zou gepaard gaan met een drastische daling van de efficiëntie, zou de kosten de hoogte in drijven en zou niet meer dan vandaag kunnen garanderen dat lokale medewerkers geen Hamassympathieën hebben. Andere VN-agentschappen runnen zelf geen scholen noch ziekenhuizen en zijn niet in staat om ze over te nemen.

Op het EU-dinner met UNRWA op zondag 23 februari gaf commissaris-generaal Lazzarini van UNRWA mee dat hij met Israël samenwerkte, maar dat de vele beschuldigingen over deelname van UNRWA-personeel aan Hamasoperaties tot nu toe nog niet gestaafd werden met bewijzen.

Nog belangrijker dan de dienstverlening is de politieke kwestie van het statuut van UNRWA-vluchtelingen. In tegenstelling tot de vluchtelingen die onder het mandaat van UNHCR vallen, kunnen de UNRWA-vluchtelingen tot vandaag niet naar hun land terugkeren. Daarom kan het mandaat niet worden verwaterd of afgeschaft totdat er een politieke oplossing voor het Israëlisch-Palestijnse conflict is gevonden.

Onze steun, de betaling van core funding , werd in januari overgemaakt. Dat werd zeer gewaardeerd door UNRWA. We pleiten er ook voor dat onze partners, vooral de Arabische landen, ook zelf meer zouden investeren. België initieerde in dat verband een non-paper met de vraag tot hernieuwde Europese structurele steun. We werden grotendeels gesteund door veel andere lidstaten.

De bijdrage van België aan UNRWA is niet de enige manier waarop we humanitaire hulp bieden aan de Palestijnse bevolking. We financieren ook het Palestinian Humanitarian Fund beheerd door OCHA, het Internationaal Comité van het Rode Kruis, Handicap International, Oxfam en het West Bank Protection Consortium. Ons land draagt meer dan zijn steentje bij. Zoals u weet, zijn er naast het grote programma van Enabel ook een aantal Belgische ngo’s actief op de Westelijke Jordaanoever om de toekomst van de Palestijnen te verbeteren. Het rapport van UK Lawyers for Israel is me bekend, maar het gaat niet om een neutrale organisatie. Voor ons zijn de Verenigde Naties en het Internationaal Comité van het Rode Kruis (ICRC) de meest betrouwbare bronnen.

Depuis le cessez-le-feu, l'ONU a traité 60 000 enfants souffrant de malnutrition sévère. Nombre d'entre eux sont décédés malheureusement. Nous continuons de plaider pour que l'accès humanitaire et la distribution de nourriture et d'eau se poursuivent et s'améliorent encore. Notre préoccupation actuelle est la consolidation du cessez-le-feu. Israël et le Hamas doivent négocier la deuxième phase de l'accord. C'est une question de vie ou de mort pour des millions de personnes à Gaza surtout, mais également en Israël.

La présidente : Chers collègues, le temps de parole pour la réplique est de deux minutes. Je donne la parole à M. Boukili.

Nabil Boukili:

Madame la présidente, répliquer en deux minutes va être compliqué, mais nous allons essayer d'être concis.

Monsieur le ministre, dans vos réponses, certaines choses attirent l'attention et sont surprenantes. D'abord, concernant M. Trump et les États-Unis, votre ministère a certes réagi en disant que ces déclarations prêtent à s'offusquer et sont déplacées, qu'elles ne respectent pas le droit international. Jusque-là, je suis tout à fait d'accord et je partage la description que vous avez donnée. Ce que je ne partage pas, c'est le fait qu'elles n'ont pas été condamnées par le gouvernement belge. Le problème est là. Il y a là une apologie des crimes de guerre et du nettoyage ethnique, et nous, la Belgique, nous ne condamnons pas cette position parce que, tout simplement, les États-Unis sont un allié. C'est le fond du problème. S'il s'était agi d'un autre pays, nous aurions condamné ces déclarations. Mais vu que ce sont les États-Unis, nous ne le faisons pas. Et c'est dit clairement dans l'accord de gouvernement: "Nous restons attachés à des partenariats avec des pays partageant les mêmes idées, notamment en continuant à renforcer les liens transatlantiques entre autres, par exemple, avec les États-Unis et le G7, qui sont des partenaires clés dans la défense des valeurs fondamentales communes et de la sécurité mondiale. Dans d'autres enceintes multilatérales, nous plaidons également en faveur de l'ordre international fondé sur des règles."

Mais quand nous disons que ce sont des partenaires clés pour défendre nos valeurs, de quelles valeurs parlons-nous? Des valeurs défendues par Trump aujourd'hui? Aller annexer le Groenland, le Canada, etc.? Sont-ce ces valeurs que nous défendons? Nous ne nous sommes pas distanciés de ces valeurs-là, de manière officielle. Et je pense que le problème est là.

Ensuite, sur l'accord d'association, vous dites que c'est précoce et qu'on a fait des déclarations vis-à-vis de l'État d'Israël sur le non-respect du droit international. Mais cela fait des mois que nous disons à Israël qu'il ne faut pas bombarder les hôpitaux, et ils bombardent les hôpitaux. Qu'il ne faut pas bombarder les écoles, et ils bombardent les écoles. Qu'il ne faut pas tuer les enfants, et ils tuent les enfants. La parole ne sert donc à rien. Il faut des actes. Et dans les actes, l'accord d'association – dont vous dites que c'est un partenariat économique – participe à l'effort de guerre. Le premier partenaire économique d'Israël, c'est l'Union européenne. Cette économie est aujourd'hui orientée vers la guerre contre les Palestiniens. Nous aidons donc de manière explicite la guerre contre les Palestiniens.

Sur les deux points, nous devenons complices avec notre position. Quand nous disons que c'est un partenaire stratégique et clé pour défendre nos valeurs, cela veut dire que nous cautionnons les valeurs défendues par M. Trump aujourd'hui. Et quand nous ne suspendons pas l'accord d'association, nous cautionnons la politique israélienne (…)

De voorzitster : Ik denk dat de minister geantwoord heeft.

Maxime Prévot:

J’ai répondu.

Nabil Boukili:

Vous êtes pour, alors? Vous avez dit que c'était précoce. "Précoce", cela veut dire que vous n’êtes pas pour la suspension. Ce deux poids, deux mesures est inexplicable et inacceptable.

De voorzitster : Collega's, ik verzoek u zich aan de spreektijd te houden.

Rajae Maouane:

Merci pour vos réponses, monsieur le ministre. Je suis un peu rassurée d'entendre que vous êtes aussi ahuri que nous par les propos de Trump. J'aimerais que nous passions à l'étape suivante, à savoir l'action, mais cela fera l'objet d'autres discussions.

Concernant l'accord d'association, nous touchons à un point essentiel. Nous sommes nombreux et nombreuses à dénoncer ce business as usual de l'Union européenne avec Israël. Nous sommes nombreux à le dénoncer sur les bancs du Parlement, tout comme une série de représentants et de représentantes de la société civile belge.

Ces rencontres sont prévues tous les ans dans le cadre de l'accord d'association entre l'Union européenne et Israël, mais elles n'ont plus eu lieu depuis 2013 – sauf en 2022, je pense –, parce qu'il y avait beaucoup trop de violations du droit international et des droits humains par Israël en territoire palestinien occupé.

Depuis octobre 2023 et l'offensive sanglante d'Israël sur la bande de Gaza, on a des preuves de crimes de guerre, de crimes contre l'humanité, un génocide répertorié par les ONG et les rapports internationaux à Gaza. En Cisjordanie, la colonisation continue de manière infatigable et le premier ministre israélien fait l'objet d'un mandat d'arrêt international.

Et pourtant, il est décidé de maintenir cette réunion. Qu'est-ce qui justifie la tenue de cette réunion à ce moment-là? En dépit de ce tableau accablant, on constate que l'Union européenne prend quelque part position en maintenant un rapport économique avec Israël. Là était ma question, et je n'ai pas totalement obtenu satisfaction.

Annick Lambrecht:

Mijnheer de minister, ik dank u voor de vele antwoorden.

België mag inderdaad niet aan de zijlijn blijven staan. We hebben een verantwoordelijkheid om actief bij te dragen aan een rechtvaardige maar ook duurzame oplossing, waarin het internationaal recht gehandhaafd moet worden.

Wij rekenen op u, mijnheer de minister, om van het toch vrij uitgebreide regeerakkoord geen lege doos te maken, maar respect voor het internationaal recht om te zetten in concrete daden, met telkens vier krachtlijnen. Ik meen die te hebben gehoord, maar neem ze nog even door.

Ten eerste moeten we aan de kant blijven staan van de onschuldige slachtoffers, waarmee we alle onschuldige slachtoffers bedoelen. Ten tweede moet er onmiddellijk een staakt-het-vuren worden afgekondigd en gerespecteerd. Ten derde moeten de gijzelaars onverwijld worden vrijgelaten. Ten vierde moet er eindelijk werk worden gemaakt van de tweestatenoplossing voor Palestina. Zo niet zal er nooit een duurzame oplossing zijn. Sommige collega's hebben er al naar verwezen, de video die president Trump vandaag heeft gepost zal helemaal niet helpen. Integendeel, daarmee zetten we 20 stappen achteruit.

Staf Aerts:

Mijnheer de minister, er zijn 45.000 dodelijke slachtoffers, waarvan 15.000 kinderen. Daarbovenop komt nog de dodentol door de ontberingen, de hongersnood. Negen kinderen op tien verkeren vandaag in een staat van ernstige voedselarmoede. Meer dan 2 miljoen mensen zijn op de vlucht. Huizen, wegen en ziekenhuizen zijn totaal vernield.

De beelden spreken voor zich, ze tonen een totale verwoesting. Israël begaat oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid. Er is een genocide aan de gang. Ondertussen noemt minister Francken – een van de leden van de arizonaregering – Israël wel een belangrijke handelspartner voor militaire samenwerking en leveringen.

Mijnheer de minister, u pleit voor internationaal recht, maar u verklaart ook dat de blindelingse opschorting van samenwerkingen niet goed zou zijn. Het lijkt u nog te vroeg om de associatieovereenkomst op te schorten. Wanneer zijn er genoeg Gazanen de dood ingejaagd? Blijkbaar is 45.000 niet genoeg, dat is te vroeg om actie te ondernemen. Is 75.000 of 100.000 doden dan wel genoeg?

Wanneer is het genoeg? We laten Israël gewoon doen. De Belgische regering legt wel verklaringen af en zegt wel dat ze dat niet zo flink vindt van Israël, maar ze stelt geen echte daden. Ze heeft zelfs niet de moed om zich bij onder andere Spanje aan te sluiten. Dat doet ze niet, want het is te vroeg. Ondertussen doet Israël gewoon voort. Het neemt nota en doet gewoon voort.

Wanneer zal deze Belgische regering eens fors neen zeggen, en niet alleen iets zeggen maar daar ook daden aan koppelen? Het is hoog tijd. Ik wil niet wachten tot er 75.000 of 100.000 doden vallen; ik weet niet welk getal deze regering in gedachten heeft. Het is hoog tijd voor actie en niet alleen maar voor woorden.

Christophe Lacroix:

Monsieur le ministre, merci pour vos réponses. Néanmoins, je reste en partie sur ma faim du fait que vous ne vous êtes pas prononcé sur un délai pour reconnaître l'État palestinien. Vous avez parlé de solution à deux États. Vous parlez d'initiatives prises par la ligue arabe dont j'attends le 4 mars pour voir ce qu'il en ressortira.

Pourquoi est-ce que j'attache tant d'importance à la reconnaissance de l'État palestinien? C'est qu'à partir du moment où on reconnait l'État palestinien, ce n'est pas que symbolique, on lui donne de manière régalienne les pouvoirs de négocier d'égal à égal avec l'État d'Israël car ils devront faire la paix ensemble, mutuellement, sous l'égide des Nations Unies et avec, je l'espère, une stratégie bien plus ambitieuse de l'Union européenne car la mer Méditerranée, c'est un monde européen. Et on a vu les échecs ou la pusillanimité de l'Union européenne par rapport à l'Ukraine, à quel point aujourd'hui on regrette de ne pas avoir été proactifs.

On m'a toujours dit qu'on devait apprendre de ses erreurs. J'espère donc que l'Union européenne va se ressaisir. Je sais la difficulté de faire parler les 27 d'une seule et unique voix. Je sais que ça ne sera pas facile. Mais, je pense qu'avec l'Espagne, avec l'Irlande, avec la Norvège, si la Belgique se joint à ce groupe d'États qui est beaucoup plus volontariste en la matière, on peut activer un levier important. Important et comme le disait Dominique de Villepin, qui n'est pas du tout de ma famille politique, "parce que l'Union européenne doit réincarner le sens de la justice". À côté d'une stratégie politique, elle doit incarner le sens de la justice. Et cette fameuse boussole du droit international, elle doit valoir pour tous les interlocuteurs et pour toutes celles et tous ceux qui le violent. Que ce soit Vladimir Poutine, que ce soit Israël en l'occurrence. Et l'avis consultatif de la Cour internationale de Justice du 19 juillet 2024 dit très bien que l'occupation d'Israël est illicite et qu'il faut donc y mettre fin, sans délai.

Darya Safai:

Mijnheer de minister, ik heb niet veel antwoorden gekregen op de vragen die ik heb gesteld. Ik vraag me wel af waarom de vragen over pay for slay niet zijn toegevoegd aan dit debat, mevrouw de voorzitster, want zij zijn terecht beantwoord geweest.

Ik wil het nog even hebben over pay for slay , mijnheer de minister. Ik ben blij dat België nooit heeft bijgedragen aan zulke betalingen, ook al kunnen we dat nooit helemaal zeker weten. Heel belangrijk is dat de FOD Buitenlandse Zaken op 14 februari heeft verklaard dat dit soort betalingen niet meer zal gebeuren door de Palestijnse Autoriteit, maar Mahmoud Abbas heeft op 21 februari publiekelijk op tv gezegd dat zelfs als er nog maar 1 cent over is, ze het zal blijven doen. Dat is dus nog niet afgesloten. Ik vermoed dat de Palestijnse Autoriteit het niet meer met Amerikaans geld zal doen, aangezien daarop sancties zullen gelden, maar ze zal het wel beginnen te doen met het geld van de Europeanen. Het is belangrijk dat we dat echt in het oog houden, want het is niet de bedoeling dat ons geld naar mensen gaat als beloning voor het vermoorden van Israëli's. Dat moeten we koste wat het kost vermijden.

Els Van Hoof:

Mijnheer de minister, het is goed dat u bevestigt dat er gehoor wordt gegeven aan het arrestatiebevel tegen Netanyahu en oud-minister van Defensie Gallant. U sprak ook over etnische zuivering, oorlogsmisdaden, schendingen van het internationaal humanitair recht. Dat is de positie van België. U hebt dat maandag ook voor de voeten gegooid van de Israëlische minister van Buitenlandse Zaken. Dat is een goede zaak. De associatieovereenkomst dient ook om die bezorgdheden te uiten, wat u hebt gedaan. We kunnen de associatieovereenkomst niet eenzijdig opzeggen, maar we moeten duidelijk maken dat het geen business as usual meer is en dat we de relaties met Israël in de associatieovereenkomst niet mogen verdiepen. Ze zijn veel te ver gegaan. U noemt het voorbarig om de associatieovereenkomst op te schorten. We kunnen dat ook niet eenzijdig doen, maar het mag geen business as usual zijn. We moeten ook stellen dat bepaalde nieuwe zaken niet meer aan de orde kunnen komen en moeten een stap verder durven gaan. U zegt ook te wachten op de analyse en de aanbevelingen van de Europese Commissie inzake de importban. Ik hoop dat die er snel zullen komen. Ook daar zijn er mogelijkheden, want de nederzettingen worden constant belaagd. Volgens het internationaal recht is het illegaal om handel te drijven met gebieden waar er nederzettingen zijn als er schendingen zijn. Ik heb geen antwoord gekregen op de vraag of de infrastructuur die wij gefinancierd hebben vernietigd is. Hebt u daar weet van? Wordt daarvoor compensatie gevraagd? Misschien heeft de ambassade daar geen zicht op, maar het is wel goed om dat in het oog te houden. Als er infrastructuur vernietigd is die betaald is door de Belgische ontwikkelingssamenwerking, dan moet die gecompenseerd worden. Het is ook goed dat u blijvende steun hebt gevraagd voor UNRWA, ook op Europees vlak.

De situatie in Goma en Oost-Congo
De aanval op de Belgische ambassade en de ambassades van andere westerse landen in de DRC
De humanitaire crisis in Oost-Congo
De noodsituatie op de luchthaven van Goma
De opschorting van het bilaterale samenwerkingsakkoord door Rwanda n.a.v. de situatie in de DRC
Het seksueel geweld in de Democratische Republiek Congo
De situatie in Oost-Congo en Rwanda
De humanitaire situatie in het oosten van de DRC
De ontwikkelingssamenwerking tussen België en Rwanda
De Democratische Republiek Congo
De situatie in Congo
De situatie in de DRC
Het conflict in Oost-Congo
De reactie van de internationale gemeenschap op de Rwandese agressie
De conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken en de maatregelen tegen Rwanda
De situatie in de DRC
Crisis in Oost-Congo, DRC en Rwanda: conflict, geweld en humanitaire noodsituatie

Gesteld aan

Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 26 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België neemt een duidelijke en actieve houding in tegen de Rwanda-gesteunde M23-opmars in Oost-Congo, met focus op humanitaire hulp, sancties en diplomatieke druk. De minister bevestigt opschorting van het EU-grondstoffenakkoord met Rwanda, stopzetting van defensiedialoog, en individuele sancties (afhankelijk van staakt-het-vuren), maar stuit op EU-weerstand voor volledige breuk. Humanitaire steun wordt verhoogd via VN-fondsen en herbestemming van bevroren Rwandese middelen, terwijl België druk zet op VN-resoluties, justitie voor oorlogsmisdaden (inclusief seksueel geweld) en regionale diplomatie stimuleert. Critici eisen snellere, strengere maatregelen (bv. visa-bevriezing, UCI-boycot WK 2025) en hekelen EU’s "dubbele standaard" versus Oekraïne/Palestina.

Annick Lambrecht:

Mijnheer de minister, terwijl de wereld gefocust blijft op andere mondiale conflicten, escaleert de situatie in Oost-Congo. De M23-rebellen, gesteund door Rwanda, hebben strategische steden zoals de miljoenenstad Goma ingenomen. De gevechten creëren duizenden nieuwe ontheemden, terwijl al miljoenen mensen in onmenselijke omstandigheden leven. Er is een ernstig gebrek aan voedsel, drinkbaar water, medische hulp en sanitaire voorzieningen. Zoals bij elk conflict, zijn burgers opnieuw het eerste slachtoffer. De exploitatie van grondstoffen, zoals coltan, wordt door de M23-rebellen gebruikt om hun oorlogsinspanningen te financieren. Toch lijkt deze crisis grotendeels vergeten bij het grote publiek en ontbreekt elk uitzicht op structurele oplossingen.

Zal België concrete stappen nemen om de humanitaire situatie in Oost-Congo te verlichten?

Zal België aandringen op een versterkte VN-vredesmissie, gezien de ontoereikendheid van de huidige blauwhelmoperatie?

Hoe ziet België zijn rol in de ondersteuning van structurele oplossingen voor de situatie in Oost-Congo, zowel wat betreft politieke stabiliteit als economische vooruitgang? Bent u van mening dat er momenteel voldoende gebeurt?

Welke gerichte maatregelen neemt België tegen Rwanda, zodat de illegale Rwandese militaire aanwezigheid in Oost-Congo zo snel mogelijk wordt beëindigd?

Welke initiatieven kan België ondernemen om de illegale exploitatie van Congolese grondstoffen te bestrijden? Die dragen immers vaak bij aan de financiering van het conflict en aan de instabiliteit van de regio.

Charlotte Deborsu:

Toutes mes félicitations pour votre nomination, monsieur le ministre. Cela suscite en moi une émotion particulière depuis ces bancs car, il y a encore quelques mois, nous étions collègues de la plus belle ville du monde, Namur, vous en tant que bourgmestre et moi jeune échevine. Nous avons travaillé ensemble durant six belles années pour le bien de notre tant aimée ville de Namur.

Aujourd'hui, nous avons rejoint d'autres cieux puisque vous voilà ministre des Affaires étrangères et moi députée fédérale au sein de la commission Relations extérieures. Mes responsabilités ont changé, mais l'envie d'agir reste intacte. Je ne doute pas que nous continuerons à collaborer avec le même engagement.

La situation en République démocratique du Congo est plus alarmante que jamais. Le M23 soutenu par le Rwanda continue son avancée après la prise de Bukavu plongeant l'Est du pays dans la violence et pas n'importe quelle violence!

Des témoignages accablants rapportent que des groupes armés utilisent le viol comme arme de guerre - tactique de terreur - et des déplacements forcés, malheureusement ancrés dans l'histoire de cette région. Ce sont des crimes de guerre: ils brisent des vies et dévastent des communautés entières.

Le 13 février dernier, la directrice de l'Unicef alertait sur l'ampleur inédite de ces violences sexuelles dans les provinces du Nord et du Sud-Kivu.

Quelles actions concrètes la Belgique peut-elle entreprendre pour soutenir la population congolaise face à ces crimes de guerre et atténuer leur impact humanitaire? Envisagez-vous personnellement de plaider auprès des Nations unies et de l'UE pour des initiatives diplomatiques et des mesures concrètes pour mettre fin à ces exactions et garantir la justice aux victimes?

Staf Aerts:

De situatie in Oost-Congo is natuurlijk rampzalig. Opnieuw zijn heel veel mensen op de vlucht. Basisvoorzieningen zoals water, voedsel en medische zorg zijn nauwelijks beschikbaar. Zonder dringende hulp dreigt de bevolking overgeleverd te worden aan hongersnood en ziektes. De rebellen lijken hun opmars niet te willen stopzetten. Ook het Rwandese leger blijft zijn steun uitspreken.

Ondertussen heeft het Europees Parlement een standpunt ingenomen, gesteund door een zeer grote meerderheid, om een einde te maken aan het akkoord rond de zeldzame grondstoffen en aan de financiering van het leger. Nu ligt de bal in het kamp van de Raad en van de lidstaten. Sinds de indiening van mijn vraag heeft Rwanda ook al aangegeven dat het geen ontwikkelingssamenwerking meer wil. Wat was de reactie? Wat is de algemene teneur binnen de Europese Unie met betrekking tot de stopzetting van het grondstoffenakkoord en de militaire samenwerking?

Welke stappen zullen België en de Europese Unie op korte termijn nog zetten ten aanzien van Rwanda?

Wat kan België doen voor de humanitaire situatie in Oost-Congo? Worden er naar aanleiding van het conflict extra middelen aan Congo toegekend om die humanitaire ramp te vermijden?

Misschien kunnen we creatief uit de hoek komen. Rwanda wil onze steun immers niet meer. Het is misschien op dit moment ook gepast dat we die steun niet uitkeren. Kunnen we diezelfde steun echter niet investeren in Congo, want daar zijn de noden alleen maar groter geworden door toedoen van Rwanda?

Ten slotte, het is ondertussen wat ondergesneeuwd, maar er gingen ook heel wat stemmen op om Rwanda geen gastland te laten zijn voor het WK wielrennen. Dat zou niet langer te rechtvaardigen zijn. Hoe staat u daar tegenover? Kunnen we dat nog wel toelaten gezien die zeer penibele houding van Rwanda ten aanzien van Congo?

Lydia Mutyebele Ngoi:

Monsieur le ministre, je réitère mes félicitations, comme l'ont fait mes collègues. Les mots ne suffisent plus pour décrire la situation humanitaire dans l'Est de la République démocratique du Congo, une situation catastrophique, cataclysmique, dramatique. Tous ces mots ne permettent même plus d'appréhender ce que subit la population congolaise depuis la résurgence du M23, grâce à l'appui du président rwandais, M. Kagame.

Qu'il s'agisse de l'accès à l'eau, à la nourriture, aux soins de santé, ou de n'importe quel besoin essentiel, les Congolais sont dépouillés de leur dignité et de leurs droits fondamentaux par ces rebelles qui ont définitivement abandonné toute humanité. La mort vient sous plusieurs formes: par balles, par la faim, par des maladies telles que le choléra, qui est en train de se propager par les eaux souillées que les habitants sont contraints de boire.

Soulignons également la situation dramatique des femmes et des jeunes filles congolaises, qui sont les principales victimes de ce conflit. Elles sont battues, violées, malades et se retrouvent seules dans cet enfer. Le viol est aujourd'hui une arme de guerre, et l'insécurité, qu'elle soit sexuelle ou sanitaire, est devenue le quotidien de ces femmes.

Oxfam nous a alertés la semaine passée sur la nécessité d'intensifier l'aide humanitaire afin d'apporter un soupçon de soulagement aux habitants de l'Est de la RDC. Les défis pour acheminer cette aide tant demandée sont nombreux, mais le premier est le manque de soutien financier. Les besoins sont énormes et, pourtant, l'aide n'arrive pas.

Comment comptez-vous débloquer un budget spécifique pour soutenir l'aide humanitaire envers ces populations civiles? Pouvez-vous nous assurer de votre volonté d'user de toute votre influence pour pousser l'Union européenne à augmenter son rôle humanitaire dans la région?

Par ailleurs, en ce qui concerne le Rwanda, le principal coupable de cette crise, nous avons appris la semaine passée que Kigali a décidé de suspendre unilatéralement sa coopération au développement avec la Belgique. Une décision qui intervient après des années de dénonciation de ces criminels en République démocratique du Congo. Je trouve regrettable que le Rwanda ait pris cette initiative avant même que votre gouvernement ait pu prendre ses responsabilités.

Nous savons tous ce qui se passe dans l'Est de la RDC. Depuis l'attaque de Goma, pas moins de 150 femmes ont été violées et brûlées vives dans la prison de Munzenze et, la semaine passée, l'ONU a accusé le M23 d'exécuter des enfants. Aujourd'hui, les jeunes Congolais sont contraints de s'enrôler dans l'armée par le M23 et ont exécuté cinq jeunes ce matin à Bukavu. Il est temps de prendre des sanctions claires, monsieur le ministre, à l'instar de ce que le Royaume-Uni a pris comme sanctions contre le gouvernement du Rwanda et le M23.

Quel est l'impact de cette rupture unilatérale de la coopération sur les populations civiles rwandaises qui sont appauvries? Nos programmes seront-ils suspendus. Le Rwanda va-t-il dicter notre agenda ou la Belgique va-t-elle enfin adopter des sanctions fermes contre le régime de Paul Kagamé, comme celles qui ont été prises vis-à-vis d'autres pays agresseurs, comme la Russie? Enfin, nous savons que l'Union européenne et la communauté internationale appliquent la politique du double standard. Lors de votre réunion de lundi, un seizième paquet de sanctions a été adopté contre la Russie, mais aucune sanction n'a été adoptée contre le Rwanda parce que l'Europe estime devoir attendre le moment opportun. Quel est, selon vous, ce moment opportun? Devons-nous attendre que le conflit arrive à Kinshasa? Devons-nous attendre que des femmes soient encore enterrées vivantes, comme il y a 20 ans? Devons-nous attendre encore plus de tueries, de viols, de pillages, de morts d'enfants? Quel est, monsieur le ministre, ce moment opportun?

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, over de schrijnende situatie in Oost-Congo konden we in de plenaire vergadering vorige week al van gedachten wisselen. Wellicht weet u ook dat wij daarnet een resolutie hebben goedgekeurd, die morgen in de plenaire vergadering wordt besproken, teneinde de regering aan te sporen een aantal concrete acties te ondernemen ter ondersteuning van de bevolking, maar vooral om een einde aan dat bloedbad te bepleiten.

Nu wil ik met u graag even inzoomen op de situatie van de vrijwilligers, de hulpverleners in Congo. We krijgen namelijk signalen dat medewerkers van Artsen Zonder Grenzen zwaargewond raakten. Ook hulpverleners van Zuid-Afrika werden getroffen. Het is absoluut noodzakelijk dat humanitaire hulpverleners in conflictgebieden veilig kunnen werken.

Mijnheer de minister, welke maatregelen zullen u en de regering nemen om landgenoten in de getroffen gebieden effectief te ondersteunen? In welke mate kan hun veiligheid worden gegarandeerd? Op welke manieren gebeurt dat?

Dan kom ik tot de rol van Burundi, dat hier al aangehaald werd door een collega. De Burundese eenheden zijn ondertussen weg uit Congo, nadat hun inzet aan de zijde van het Congolees leger niet heeft geleid tot het terugdringen van de M23-rebellen. Mijnheer de minister, wat is uw inschatting van de impact van die terugtrekking in het licht van de volledige geopolitieke dynamiek in de regio?

In een laatste punt wil ik de rol van Oeganda aanhalen, aangezien het Oegandees leger zich begint te mengen. Hoe schat u dat in?

Ellen Samyn:

Mijnheer de minister, sta mij toe u ook namens onze fractie welkom te heten in deze commissie.

De situatie in Congo is op zijn zachtst gezegd onrustwekkend. De door Rwanda gesteunde rebellen van M23 hebben de miljoenensteden Goma en Bukavu ingenomen en gebruikten daarbij gruwelijk geweld tegen burgers. Daarvan werden al heel veel voorbeelden aangehaald. De provincie Noord-Kivu is al grotendeels in handen van M23. De Congolese regeringstroepen lijken niet in staat hun opmars te stuiten. Bondgenoot Burundi wil de confrontatie met Rwanda en M23 vermijden en trok zijn troepen weg uit Congo.

M23 gebruikt bij de veroveringen brutaal geweld en schendt alle principes van het internationaal humanitair recht. We hebben ook gezien dat hulpverleners worden geviseerd. Een medewerker van Artsen Zonder Grenzen is bijvoorbeeld levensgevaarlijk gewond geraakt. De Belgische ambassade in Kinshasa raadt ondertussen de landgenoten aan om te vertrekken uit de verschillende provincies.

Ik heb dan ook een aantal vragen.

Kan Buitenlandse Zaken garanderen dat alle landgenoten in Congo op veilige bestemmingen geraken?

Hebt u recent nog contact gehad met de ambassadeur en/of uw ambtsgenoot in Congo?

Het debat over de spoedresolutie over de situatie in Congo werd hier ook al aangehaald. Ons amendement voor de opschorting van de ontwikkelingshulp aan Rwanda werd niet aangenomen. Het regeerakkoord is echter vrij duidelijk: er worden strengere criteria verbonden aan ontwikkelingssamenwerking. Overweegt België Rwanda als partnerland van de Belgische Ontwikkelingssamenwerking te schrappen wegens zijn rol in het geweld in Congo? Zal Enabel zijn samenwerking met Rwanda herzien? Zo ja, op welke manier?

De spoedresolutie was ook redelijk duidelijk over de Belgische boycot van culturele en sportieve evenementen. Kan de situatie implicaties hebben voor het WK wielrennen dat in Kigali zou worden georganiseerd in 2025?

Nabil Boukili:

Monsieur le ministre, depuis que j'ai introduit ma question, la situation a évolué. Le Parlement européen demande de suspendre l'accord avec le Rwanda sur les minerais, de geler toute assistance militaire et d'arrêter l'envoi d'armes au Rwanda.

Mon collègue Marc Botenga était coauteur de ce texte, qui était inimaginable il y a un an. Aujourd'hui, les mentalités évoluent, heureusement, et on avance sur ces questions.

En outre, on a appris que le Rwanda refuse aujourd'hui la coopération au développement belge. Par ailleurs, nous avons voté, en début d'après-midi, une résolution qui appelle à des sanctions et à la suspension de cet accord.

Avec tous ces éléments, comment le gouvernement belge mettra-t-il en œuvre ces positions parlementaires? Comment la Belgique défendra-t-elle ce vote du Parlement européen au sein du Conseil? Ce vote au niveau européen sera-t-il suivi d'actes et de réelles sanctions?

Au niveau belge, suite à la résolution qui sera votée en séance plénière demain, comment la Belgique mettra-t-elle en œuvre ce travail sur le terrain? Pour ce qui est de la coopération et des sanctions, comment s'assurer que le peuple rwandais ne soit pas sanctionné, mais plutôt les responsables de ces exactions, de ces violations et de ces crimes à l'Est du Congo?

Ce sont toutes des questions sur les modalités pratiques de positions politiques qui ont été exprimées par le Parlement européen ou le Parlement belge. Si possible, pourrions-nous avoir une feuille de route sur la façon dont tout cela se mettra en place dans les semaines à venir?

Els Van Hoof:

Mijnheer de minister, de internationale gemeenschap kan niet blind blijven voor de rol van Rwanda in dit conflict. Rwanda heeft zelf de Belgische ontwikkelingssamenwerking opgeschort. De Raad Buitenlandse Zaken bereikte gisteren een politiek akkoord over sancties tegen Rwanda, afhankelijk van de evoluties op het terrein. Ook zijn de EU-defensieconsultaties met Rwanda reeds opgeschort en verklaarde hoge vertegenwoordiger Kallas dat het memorandum of understanding (MoU) rond kritieke grondstoffen under review is.

De vraag is of de EU niet meer financiële en diplomatieke hefbomen kan inzetten om Kagame onder druk te zetten en het brutaal geweld en de schaamteloze plunderingen in Oost-Congo te stoppen. De spoedresolutie die we daarnet hebben aangenomen, heeft daar alvast voor gepleit.

Welke positie heeft België ingenomen op de Raad Buitenlandse Zaken? Welke concrete verdere stappen zullen worden gezet om de sancties concreet invulling te geven? Het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten zijn daar ver in gegaan. Zal ook de Europese Commissie die rol opnemen en ervoor zorgen dat ook individuele sancties worden opgelegd ten aanzien van Rwanda?

Wat betekent de review van de MoU rond kritieke grondstoffen concreet? Hoe wordt die invulling gegeven? Hoe verliep het debat daarover?

Daarnet hadden we ook een debat over de opschorting van de Belgische ontwikkelingssamenwerking. Wat betekent dat concreet? Welke positie nam België in ten aanzien van Rwanda inzake ontwikkelingssamenwerking? Hoe zullen de vrijgekomen middelen worden herbestemd om bijvoorbeeld de humanitaire crisis in Oost-Congo effectief aan te pakken?

Pierre Kompany:

Monsieur le ministre, nous n'en sommes qu'à la deuxième question, mais je peux d'ores et déjà vous féliciter pour vos interventions dans les débats qui viennent d'avoir lieu.

Depuis que je vous ai posé une question d'actualité sur l'agression rwandaise dans l'Est du Congo, la semaine dernière, il y a eu des évolutions positives. Le Conseil de sécurité des Nations Unies a enfin réagi en adoptant la résolution 2773 sur la base du chapitre VII de la charte. Cette résolution exige le respect de l'intégrité territoriale de la République démocratique du Congo, la cessation des hostilités, la conclusion d'un cessez-le-feu et le retrait immédiat du M23 ainsi que de ses alliés rwandais des territoires congolais occupés depuis un certain temps, notamment Goma et Bukavu.

Monsieur le ministre, quelles mesures seront-elles adoptées par la Belgique et par la communauté internationale pour faire respecter la résolution 2773?

Pouvez-vous expliquer les raisons de l'absence de consensus au sein du Conseil de l'Union européenne?

Quelles démarches supplémentaires la Belgique compte-t-elle faire pour convaincre ses partenaires européens de la nécessité de mesures fortes?

L'Union européenne compte-t-elle prendre des mesures supplémentaires pour aider les populations de l'Est du Congo?

Je termine en disant que le monde entier a pu voir la violence sanguinaire que promeut M. Kagame depuis plus de deux décennies au Congo.

Rajae Maouane:

Monsieur le ministre, la situation humanitaire au Congo est vraiment catastrophique, les collègues l'ont rappelé. Des centaines de milliers de personnes sont en fuite avec des services de base tels que l'eau, la nourriture, les soins médicaux qui sont à peine disponibles, si pas inaccessibles. Sans une aide médicale urgente et sans une aide urgente, la population risque d'être livrée à la famine et aux maladies.

Lors des combats autour de Goma et de Bukavu, le chef des rebelles a annoncé de manière glaciale son intention de marcher jusqu'à la capitale Kinshasa. Dans le même temps, l'armée rwandaise continue de participer ouvertement aux combats aux côté des rebelles du M23 alors que l'Union européenne maintient toujours une coopération militaire avec le Rwanda et des accords avantageux sur l'importation de matières premières rares qui sont largement volées en République démocratique du Congo.

La semaine dernière, le Parlement européen a adopté, à une très large majorité, une résolution qui demande la fin immédiate de cet accord sur les ressources et la fin du financement de l'armée rwandaise. La décision revient aujourd'hui au Conseil de l'Union européenne et donc aux États membres mais la réponse du Conseil de l'UE tarde à venir. Ceci alors qu'on a l'impression, en tout cas c'est la mienne, que la Belgique semble un peu prudente sur cette question cruciale. On ne peut pas continuer à fermer les yeux sur la responsabilité du Rwanda dans cette guerre et encore moins de la récompenser avec des accords commerciaux et des événements internationaux prestigieux. Il est vraiment grand temps d'assumer nos responsabilités et d'adopter une politique ferme et claire.

Dès lors, quelles sont les mesures concrètes que la Belgique défend au sein de l'Union européenne pour sanctionner le soutien du Rwanda aux rebelles du M23? La Belgique va-t-elle s'engager à suspendre toute forme de coopération économique et militaire avec le Rwanda, en ligne avec les demandes du Parlement européen? Que fait ou que fera la Belgique pour améliorer la situation d'urgence et la situation humanitaire dans l'Est du Congo? Des fonds supplémentaires seront-ils alloués pour éviter une catastrophe humanitaire qui menace et qui est déjà quasiment là? Enfin, quel est l'impact de la décision unilatérale du Rwanda de mettre fin à la coopération au développement?

Maxime Prévot:

Mesdames et messieurs les députés, je vous remercie pour vos questions et, pour celles et ceux qui se sont à nouveau prêtés à l'exercice, pour vos félicitations. J'imagine qu'après les deux ou trois premières questions, chacun aura eu l'occasion de me féliciter. Cela permettra comme ça de ne plus devoir le réitérer, mais ça fait toujours plaisir.

Plus sérieusement, au vu de la nature du débat, je partage bien entendu les graves préoccupations que vous exprimez. Et je pense que, s'il y a un procès qu'on ne peut pas faire à la Belgique, c'est d'avoir manqué de clarté à l'égard du positionnement que nous adoptons dans ce dossier.

Comme vous le savez, depuis la résurgence du M23 en 2022, la Belgique n'est restée ni silencieuse ni inactive. Bien au contraire, notre pays s'est prononcé de façon très claire et à de très nombreuses reprises pour condamner les violences commises par toutes les parties contre les populations civiles, pour dénoncer les offensives du M23 et de l'armée rwandaise sur le sol de la République démocratique du Congo et exiger son retrait immédiat, ainsi que pour appeler à un cessez-le-feu, au dialogue et au respect des droits humains.

Je l'ai dit devant vous en séance plénière la semaine passée et je l'ai répété face à mes homologues européens lundi à Bruxelles et devant le Conseil des droits de l'homme hier encore à Genève. Notre position ferme sur cette crise tient à une conviction simple mais profonde: le droit international doit s'appliquer selon les mêmes critères partout, que ce soit à l'Est du continent européen ou à l'Est de la RDC.

Le respect de l'intégrité territoriale d'un État souverain ne se négocie pas, peu importe sa position géographique. Aucun prétexte ne peut justifier d'agresser militairement un voisin, de l'occuper et d'infliger des violences intolérables à sa population civile. C'est la raison pour laquelle, dans la lignée de mes prédécesseurs, j'ai œuvré à mobiliser la communauté internationale, en particulier l'Union européenne, afin de la convaincre d'agir et de dépasser les condamnations parfois stériles. Il faut mettre la pression nécessaire sur les protagonistes afin de contribuer à les ramener autour de la table des négociations. Il y a des responsabilités du côté congolais – j'y reviendrai – mais dans l'immédiat, l'urgence est de stopper les offensives du M23 et du Rwanda sur le territoire congolais.

Ces avancées militaires se sont en effet poursuivies sans relâche ces dernières semaines, aboutissant à la prise de deux capitales provinciales que sont Goma et Bukavu, malgré les appels unanimes de la communauté internationale, y compris de l'Union africaine, de stopper les combats. Alors que l'armée congolaise est en retraite sur plusieurs fronts, nous constatons désormais que le territoire contrôlé par le M23 et le Rwanda en RDC est environ aussi grand que la taille de la Flandre.

Ces combats ont des conséquences humanitaires inacceptables, tout en induisant des risques accrus de déstabilisation régionale. À cet égard, je dois dire que nous suivons de près la situation au Burundi et le déploiement de troupes ougandaises dans le Nord-Kivu et en Ituri.

De urgentie is dus groot en we kunnen niet passief blijven. Daarom heb ik er tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 24 februari 2025 sterk voor gepleit om felle en concrete maatregelen te nemen. Het ging over de volgende acties.

Ten eerste, bijkomende individuele sancties gericht tegen verantwoordelijken die betrokken zijn bij het conflict en de illegale exploitatie van natuurlijke rijkdommen in Oost-Congo.

Ten tweede, de opschorting van het memorandum of een stemming over kritieke grondstoffen met Rwanda. Dit MoU heeft voor ons geen waarde zonder de implementatie door Rwanda van de cruciale aspecten over de traceerbaarheid en de transparantie.

Ten derde, de opschorting van de dialoog op het gebied van veiligheid en defensie met Rwanda.

Ten vierde, de herziening van de ontwikkelingssamenwerking tussen Rwanda en de EU.

Ten vijfde, de opschorting van de Europese steun aan het Rwandese leger voor zijn ontplooiing in Mozambique.

Na afloop van de Raad kan ik rapporteren dat men een politiek akkoord heeft gevonden om de twee eerste maatregelen, met name de individuele sancties en de herziening van het MoU over kritieke grondstoffen, te activeren afhankelijk van het al dan niet handhaven van een staakt-het-vuren en de vooruitgang van de regionale bemiddelingsinspanningen.

Er is op vrijdag een regionale ministeriële conferentie in Harare gepland, die een belangrijke indicator zal zijn. Bovendien wordt de dialoog over veiligheid en defensie onmiddellijk opgeschort.

Over de twee laatste maatregelen, namelijk de ontwikkelingssamenwerking met Rwanda en de steun voor het Rwandese leger in Mozambique, zijn de gesprekken binnen de Europese Unie nog lopende.

Ik geef toe dat wij niet alle maatregelen hebben aangenomen waarvoor we gepleit hadden, maar we zijn op zoek naar een collectieve aanpak en dat vergt tijd. Ik zie het glas dus liever als halfvol, wat een goede basis is voor de toekomstige stappen. We zullen blijven aandringen op krachtige maatregelen binnen de EU en andere internationale fora.

J'aurais effectivement souhaité aller plus loin. L'Angleterre a désormais la possibilité de décider seule, tandis que nous devons rechercher un consensus au niveau européen. Mais là où on peut agir seul, la Belgique l'a fait. La Belgique a été claire car notre rôle au sein de l'Union européenne sur les Grands Lacs n'est pas d'être dans le gruppetto mais bien dans le peloton de tête, même s'il nous arrive aussi d'être dans des échappées.

Je vous annonçais la semaine passée en plénière que la Belgique n'était pas isolée.

Ik ben verheugd dat onze ondubbelzinnige standpunten door veel landen binnen de EU en door andere partners worden gedeeld. Ik merk bijvoorbeeld op dat de VN-Veiligheidsraad vorige week unaniem een resolutie heeft aangenomen waarin Rwanda krachtig wordt veroordeeld. Onze toekomstige diplomatieke actie zal in lijn zijn met de oproepen die in deze resolutie worden gedaan.

De Verenigde Staten hebben ook sancties opgelegd tegen de rechterhand van president Kagame, terwijl het Verenigd Koninkrijk gisteren een reeks belangrijke maatregelen heeft aangekondigd op het gebied van ontwikkelingssamenwerking, militaire samenwerking en handelspromotie.

En ce qui concerne notre propre coopération bilatérale avec le Rwanda, vous avez certainement suivi les annonces de la semaine passée. Le Rwanda a décidé de suspendre le programme bilatéral gouvernemental 2024-2029, ce que nous nous apprêtions à faire. C'est d'ailleurs le signe que le message que j'ai porté a été très clair et bien reçu jusqu'à Kigali. Il y a donc, oserais-je dire, convergence de vues.

J'ai demandé à mon administration de se concerter avec Enabel, l'agence belge de coopération qui est chargée d'exécuter le programme bilatéral, afin de faire des propositions de mise en œuvre de cette décision et d'en analyser l'impact. Il s'agit évidemment de faire cela en concertation intelligente avec les autorités rwandaises afin que cela se fasse de manière aussi ordonnée que possible, non seulement pour préserver les acquis de notre coopération de longue date, mais surtout pour préserver les bénéficiaires finaux, la population elle-même, qui n'a pas à pâtir du différend politique qui oppose nos gouvernements.

Dans la lignée de la suspension de la coopération bilatérale, je confirme aussi que nous n'avons pas l'intention d'annoncer de nouveaux engagements financiers pour le Rwanda, que nous limiterons notre participation de haut niveau à des événements organisés par le gouvernement rwandais et que nous continuerons à nous coordonner avec nos partenaires au sein des institutions financières internationales.

Comme je l'ai déjà dit, nous sommes convaincus qu'il n'y a pas de solution militaire à ce conflit. Seul le dialogue peut permettre d'aboutir à une paix durable. C'est pourquoi la Belgique soutient pleinement les efforts diplomatiques régionaux visant à résoudre cette crise. Nous sommes d'ailleurs en contact étroit sur le plan diplomatique avec de nombreux partenaires africains qui apprécient notre rôle proactif et nous demandent de rester particulièrement engagés en faisant passer des messages forts tant à Kinshasa qu'à Kigali.

Depuis le sommet conjoint de la Communauté d'Afrique de l'Est et de la Communauté d'Afrique australe du 8 février, nous observons des développements qu'il faut encourager. L'appel à un cessez-le-feu immédiat et à la fusion des processus de médiation de Luanda et de Nairobi a été endossé par l'Union africaine le 14 février. Nous verrons dans quelle mesure ces efforts diplomatiques se traduiront effectivement en un cessez-le-feu, un retrait des forces rwandaises et une relance du dialogue entre les parties.

Dans le même ordre d'idées, il nous semble extrêmement important que les autorités congolaises saisissent maintenant et rapidement les opportunités du dialogue, sur le plan régional et sur le plan interne. La cohésion nationale doit être renforcée face à un péril extérieur.

Nous pensons que différents formats peuvent être envisagés, qui pourraient correspondre aux visions des uns et des autres.

Selon notre compréhension, il ne s'agit pas de préparer un énième partage de postes ou de lancer un exercice cosmétique mais bien d'arriver à renouveler le vivre ensemble congolais et de s'accorder de manière consensuelle et pacifique sur les grands chantiers à réaliser en matière de gouvernance, de justice, de développement durable et d'autorité de l'État.

Cela permettrait également de traiter les causes profondes du conflit actuel. De manière plus immédiate, il convient de stopper toute collaboration avec l'armée régulière de la RDC et les Forces démocratiques de libération du Rwanda (FDLR), et de lutter contre les discours de haine, comme nous le plaidons depuis des années.

MONUSCO is bezig met een proces van terugtrekking, in overeenstemming met het verzoek van de Congolese autoriteiten. Een versterking van haar mandaat staat niet op de agenda en hangt vooral af van de intenties van de DRC en van de leden van de Veiligheidsraad, waarvan België geen lid is. In ieder geval moet MONUSCO haar mandaat volledig en ongehinderd kunnen uitoefenen. Spijtig genoeg staat MONUSCO sterk onder druk, onder meer door onaanvaardbare aanvallen van de M23, gesteund door het Rwandese leger. De uitvoering van haar mandaat in Goma is beperkt, evenals haar bewegingsvrijheid. Het richt zich op crisisbeheersing, onder meer voor de bescherming van het eigen personeel.

Met betrekking tot de illegale exploitatie van de natuurlijke grondstoffen van Congo, wil ik u eraan herinneren dat de Europese Unie in 2017 een verordening heeft aangenomen over de invoer van mineralen en metalen uit conflictgebieden, zodat de banden worden verbroken tussen conflicten en de illegale winning van tin, tantalium, wolfraam en goud. Vanaf 1 januari 2021 is de verordening volledig van toepassing op EU-importeurs van de genoemde mineralen en metalen.

De EU beschikt ook over een arsenaal aan wetgeving dat ervoor moet zorgen dat grondstoffen die de Europese en Belgische markt binnenkomen, voldoen aan vastgestelde normen op het gebied van milieu, duurzaamheid, mensenrechten en goed bestuur. België draagt bij tot de verbetering van het goed bestuur op dit gebied door de financiering van het Extractive Industries Transparency Initiative en het Extractives Global Programmatic Support Multi-Donor Trust Fund van de Wereldbank. België steunt ook het werk van ngo's zoals IPIS, dat actief is in het in kaart brengen en sensibiliseren van problemen rond grondstoffen en hun banden met gewapende conflicten in de regio.

Wat de wapenexport betreft, deze kwestie werd op ons verzoek in februari besproken door COARM, de EU-werkgroep voor non-proliferatie en wapenexport. We zijn niet op de hoogte van wapenexporten van België naar Rwanda in de afgelopen tien jaar.

La question relative à la coopération militaire entre la Belgique et le Rwanda doit être adressée à mon collègue chargé de la Défense.

Wat betreft het UCI-wereldkampioenschap voor wielrennen dat eind september 2025 in Kigali zal plaatsvinden, dit zal uiteindelijk een beslissing van de Internationale Wielerunie zijn. Wat betreft de deelname van de Belgische ploeg is de overheid niet betrokken bij de besluitvorming. Dat is een zaak van de sportfederatie.

De kwestie van de veiligheid van de renners en de ploegen zal aan de orde komen, maar het is in dit stadium niet mogelijk om zeven maanden voor het kampioenschap definitieve conclusies te trekken. De politieke en veiligheidsanalyse zullen dichterbij het evenement moeten worden uitgevoerd. In dit stadium moet worden opgemerkt dat het reisadvies van de FOD Buitenlandse Zaken reizen naar de districten langs de landgrens met Congo sterk afraadt.

De humanitaire situatie in Kivu is heel zorgwekkend. In overleg met onze partners volgen wij de ontwikkelingen op de voet. Gezien de enorme humanitaire noden en de vele uitdagingen roepen wij op tot humanitaire toegang en bescherming van burgers, stopzetting van het geweld en respect voor de internationale humanitaire rechten.

Il est primordial de pouvoir acheminer de l'aide humanitaire. Goma étant la plateforme et le hub logistique humanitaire qui dessert toute la région, nous soutenons pleinement les négociations menées par l'Union européenne et l'ONU en vue de la réouverture de l'aéroport de Goma ainsi que toutes les autres options pour l'acheminement de l'aide humanitaire.

La RDC est un pays prioritaire de l'aide humanitaire belge. Nous intervenons dans la réponse à cette crise à travers nos contributions aux fonds flexibles à couverture mondiale, tels que le Fonds central d'intervention d'urgence du Bureau des Nations Unies pour la coordination des affaires humanitaires qui vient de libérer 17 millions de dollars US. La Belgique contribue également au Fonds humanitaire pour la RDC.

La flexibilité budgétaire permise dans les programmes de développement et humanitaires permet en outre une réorientation des activités pour mieux répondre à cette période de crise et d'instabilité et apporter une aide plus appropriée dès que la nouvelle loi budgétaire sera votée. Les possibilités de financement pour 2025 seront étudiées.

Il n'est pas prévu d'activer B-FAST qui est un mécanisme de réponse aux catastrophes naturelles. C'était aussi l'une des interrogations de la longue liste de questions qui a été jointe à ce débat.

Wat betreft essentiële infrastructuur, zoals ziekenhuizen die verzadigd zijn door de massale toestroom van mensen, dragen wij bij aan de noodhulp door ngo's en internationale organisaties zoals het internationale Rode Kruis te financieren. Zij verlenen medische zorg aan patiënten en zorgen voor water- en elektriciteitsvoorzieningen.

Betreffende de reactie op seksueel en gendergerelateerd geweld steunt België de activiteit van het Internationaal Comité van het Rode Kruis (ICRC) en Dokters van de Wereld in een holistische benadering van het probleem, van preventie tot de reactie op de slachtoffers van seksueel en gendergerelateerd geweld, maar ook in het versterken van de toegang tot en de kwaliteit van de zorg in Zuid-Kivu. Een aspect van die activiteit wordt uitgevoerd in samenwerking met het Hôpital Général de Référence van Panzi door snelle doorverwijzing van slachtoffers en technische ondersteuning. De strijd tegen seksueel en gendergerelateerd geweld en straffeloosheid is ook een transversaal thema van de activiteit van Enabel in Zuid-Kivu.

En tant que membre du Conseil des droits de l'homme, la Belgique a aussi soutenu et coparrainé la résolution sur la situation des droits humains à l'Est de la RDC adoptée à l'issue de la session spéciale du 7 février dernier. Cette résolution a décidé de l'établissement d'urgence d'une mission d'établissement des faits sur les graves violations des droits humains et du droit international humanitaire commises dans les provinces du Nord-Kivu et du Sud-Kivu. Une commission d'enquête indépendante sera ainsi créée, ce qui permettra de contribuer à la lutte contre l'impunité.

Enfin, je souhaite revenir sur les épisodes de violence survenus à Kinshasa à la fin du mois de janvier qui ont ciblé certaines ambassades dont la nôtre, ainsi que sur la sécurité de nos ressortissants en RDC.

Le 28 janvier dernier, suite à la prise de Goma, des groupes de manifestants visiblement instrumentalisés et coordonnés ont attaqué notre chancellerie et le Centre européen des Visas géré par la Belgique avec l'intention manifeste d'y pénétrer. Ils ont tenté de forcer les portails et ont incendié ce qu'ils pouvaient aux entrées.

Je pense que nous avons tous été choqués par ces images. Je salue le grand sang-froid de notre personnel sur place ainsi que celui du détachement d'agents de sécurité (les DAS) affectés à la protection de l'ambassade. Grâce à l'intervention efficace de ces derniers, les manifestants ont été repoussés en utilisant du matériel non létal en attendant l'arrivée de la police nationale.

Aucun membre du personnel n'a été mis directement en danger. Les caméras de surveillance ont été endommagées sans compter d'autres dégâts matériels. Sans l'intervention des agents de sécurité, les manifestants auraient probablement pu s'introduire dans la chancellerie, avec des conséquences encore bien plus importantes. C'est pourquoi nous prenons ces évènements très au sérieux.

En bonne collaboration avec la Défense que je remercie, nous avons renforcé notre propre dispositif de sécurité, depuis fin janvier, à Kinshasa et à Lubumbashi. Nous avons également veillé à ce que les moyens de sécurité physiques de l'ambassade et du Centre européen des Visas soient à nouveaux opérationnels dans des délais très courts.

Lors de tous mes contacts récents avec les autorités de la RDC à différents niveaux, je n'ai jamais manqué de rappeler que la RDC a des obligations internationales en matière de protection du personnel et des bâtiments diplomatiques et j'ai souligné que ces attaques étaient inacceptables. J'ai aussi demandé à ce que soient poursuivis leurs auteurs et leurs commanditaires pour dissuader toute récidive. Il serait dangereux de minimiser ces évènements. Ils surviennent dans un contexte où se développe un sentiment anti-occidental alimenté par de la désinformation et de la mésinformation.

Sinds deze ernstige incidenten hebben de Congolese autoriteiten de aanwezigheid van veiligheidselementen in onze gebouwen versterkt en ons verzekerd dat de nodige maatregelen zijn genomen om ervoor te zorgen dat dit niet meer kan gebeuren.

Pour assurer la sécurité de nos compatriotes présents dans la région, mes services sont en contact permanent avec nos ambassades et consulats concernés, en RDC même et dans plusieurs pays voisins. Lors des réunions de coordination conjointement avec la Défense, la situation sécuritaire dans l'ensemble du pays et ses conséquences potentielles pour nos compatriotes est examinée.

Sur cette base, les conseils de voyage pour la région sont adaptés si nécessaire, et lorsque cela paraît pertinent, des messages sont envoyés par SMS et/ou par mail à tous les Belges qui ont signalé leur présence. En outre, nous disposons des plans de crise nécessaires qui sont activables en cas de nécessité. Enfin, comme le mentionne notre avis de voyage, nous avons recommandé à nos ressortissants de quitter les provinces du Nord- et du Sud-Kivu par leurs propres moyens, s'ils jugent que c'est possible sans se mettre davantage en danger.

Concernant les provinces du Haut-Katanga, du Lualaba, du Tanganyika et du Haut-Lomami, il est recommandé à nos ressortissants et aux voyageurs de réévaluer la nécessité de leur présence.

Annick Lambrecht:

Mijnheer de minister, uiteraard ook van de Vooruitfractie felicitaties voor uw aanstelling als minister van Buitenlandse Zaken.

Dank u voor de antwoorden. Ik waardeer die positieve antwoorden en het engagement om actie te ondernemen, wat ik toch uit uw betoog kan opmaken.

Het beëindigen van het geweld in Congo vereist dringende en doortastende maatregelen en geen ad-hocmaatregelen. Ik ben verheugd dat België zijn verantwoordelijkheid zal nemen.

De miljoenen ontheemden kunnen niet langer wachten op hulp. De internationale gemeenschap moet haar rol opnemen om verdere escalatie te voorkomen. Laten we niet wegkijken en alles doen wat we kunnen om bij te dragen aan het stoppen van dit geweld, met respect voor de Congolese grenzen en de mensenrechten.

Ik volg ook wat u hebt gezegd over dialoog en diplomatie, die hier uiterst belangrijk zijn.

Charlotte Deborsu:

Monsieur le ministre, merci pour vos explications.

Vous avez raison lorsque vous dites que le positionnement de la Belgique est clair. J'entends également que vous faites pression sur les scènes européenne et internationale en vue de dégager un plan d'action concret que vous avez exposé. C'est positif.

Pour ce qui concerne ma question plus spécifique sur les actions que vous pourriez mener en matière de violences sexuelles, j'apprends qu'une collaboration a été entreprise avec la Croix-Rouge ainsi qu'avec un hôpital sur place. C'est un bon début, bien sûr, mais vu le nombre extrêmement élevé de viols et de victimes, je doute que ces dispositifs soient suffisants. Il faudrait également veiller à ce que justice soit rendue aux victimes, car l'ampleur des atrocités fait qu'il est urgent d'agir.

Pour rappel, quelque 30 % de ces victimes sont des enfants. Il s'agit là d'une réalité insoutenable. Les crimes de guerre commis par le M23 appellent une réponse ferme et des mesures concrètes, et je pense que vous en êtes bien conscient. La Belgique doit mobiliser tous ses leviers diplomatiques et européens pour soutenir ces victimes et mettre fin à cette impunité.

Staf Aerts:

Mijnheer de minister, ik ben blij dat u op een aantal punten sterk voor actie hebt gepleit. Dat was natuurlijk net mijn oproep in het vorige debat over Israël en Palestina. Mocht daarin dezelfde bereidwilligheid worden betoond, dan zou u een minder kritisch parlementslid aan mij hebben. Het internationaal recht is overal van toepassing: in Europa, in Afrika, en dus ook in het Midden-Oosten. In dit dossier kan het dus blijkbaar wel om actie te ondernemen; wat ik toejuich, dat is immers belangrijk voor Congo. Laat ons dat echter ook breder toepassen.

Het is goed dat er individuele acties zijn en dat de opschorting van de overeenkomst met de kritieke grondstoffen er ook komt. Dat is goed nieuws.

Ik wil nog twee elementen meegeven.

U gaf aan de internationale samenwerking te willen heroriënteren. U hebt het naar mijn gevoel echter vooral gehad over waar de steun vandaag binnen Congo naartoe gaat. Wij moeten dat naar het regionale niveau trekken, zodat de geweigerde ontwikkelingssamenwerking door Rwanda geen besparing wordt op ontwikkelingssamenwerking. Het is meer dan ooit duidelijk dat de regio extra ondersteuning nodig heeft. Laat ons de middelen die voor Rwanda zijn bestemd dus heroriënteren richting Congo.

Ten slotte, het is inderdaad aan de Internationale Wielerunie zelf om te beslissen over de organisatie van het WK. We moeten ook niet onmiddellijk druk zetten op de Belgische wielerbond. De Belgische regering kan echter misschien wel druk zetten op de UCI, zodat zij, ook van de Belgische regering, een duidelijk signaal krijgt. We hebben immers een aparte stem en misschien wel een sterkere stem wanneer het over Congo gaat. We mogen verwachten dat de Internationale Wielerunie haar beslissing neemt om het WK niet in Rwanda te laten doorgaan, zodat onze Belgische wielerbond niet in moeilijke papieren komt en moeilijke beslissingen moet nemen. Dat zou goed zijn voor het imago van de sport in het algemeen. België kan daar alleen maar wel bij varen.

Lydia Mutyebele Ngoi:

Merci monsieur le ministre pour vos réponses.

Je vous crois quand vous dites que vous avez fait de votre mieux au sein de l'Union européenne pour imposer des sanctions. Malheureusement, vous devez être conscient que l'Union européenne a perdu toute sa crédibilité diplomatique depuis le conflit de Gaza, en affichant ce double standard quand il s'agit de l'Afrique, de la Palestine, ou de l'Ukraine, de la Syrie. S'agissant du Rwanda, il est difficile de prendre des sanctions.

Monsieur le ministre, vous ne pouvez effectivement pas comparer la Belgique à l'Angleterre, qui peut décider de ses sanctions. Mais, en Belgique, vous pouvez aussi prendre vos propres sanctions! Il y a, par exemple, beaucoup d'autorités rwandaises qui ont des enfants qui étudient en Belgique. Si vous gelez leurs avoirs bancaires, ce sera une sanction qu'elles vont sentir.

Il y a aussi beaucoup de personnes du M23 ou du Rwanda qui sont en train d'envoyer leur famille ici. Ils tuent à Bukavu, à Goma, mais leur famille vient se réfugier ici. Là également, on peut geler les visas de ces personnes. Je ne vous donnerai pas de noms ici, mais je sais qu'il y a de grandes autorités du M23 dont les femmes et les enfants sont en Belgique. M. Nangaa a même des acolytes au M23 qui sont belges, dont les familles résident sur notre territoire. Et, là, on peut agir et prendre directement des sanctions!

Le problème du conflit à l'Est de la République démocratique du Congo n'est pas un problème du vivre-ensemble congolais. C'est la dialectique que le Rwanda a implantée depuis des années. Ils font les Calimero dès qu'on les met face à leurs responsabilités. C'est vrai qu'il y a eu un horrible génocide, et nous en soutiendrons toujours les victimes. Mais, est-ce une raison pour que le Rwanda attaque des femmes et des enfants depuis 30 ans? La Belgique peut prendre des sanctions contre ces Rwandais et contre le gouvernement rwandais.

Quant à l'aide humanitaire, vous avez parlé de 17 millions, mais les Nations Unies ont prévu 2,6 milliards d'euros pour à peu près 6 millions de personnes qui vivent en Ukraine. Je constate donc un double standard pour le pauvre petit Congo qui recevrait 17 millions! Je ne comprends pas non plus pourquoi il est impossible que nous activions B-FAST. Je suis contente qu'on soutienne la Croix-Rouge, mais j'aimerais aussi connaître le montant que la Belgique lui octroie.

Enfin, je me réjouis qu'une commission d'enquête soit diligentée sur place. C'est une très bonne nouvelle, et j'espère que nous allons également interpeller les instances de justice internationale pour pouvoir poursuivre ces criminels de guerre que sont M. Kagame et M. Corneille Nangaa.

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord.

Ik noteer dat er vrijdag opnieuw een regionale vergadering plaatsvindt. Ik vind het goed dat u in de Raad Buitenlandse Zaken al heel duidelijk het standpunt van ons land hebt verdedigd.

U zegt ook dat we onmiddellijk de militaire samenwerking of steun zullen stopzetten. Het zou natuurlijk nog beter zijn dat we onmiddellijk kunnen overgaan tot de stopzetting van het akkoord over de minerale grondstoffen. Het is als staat namelijk net iets te gemakkelijk om op grondstoffen, waarvan men honderd procent zeker weet dat ze in het buurland ontgonnen zijn, belastingen te heffen en vervolgens daarmee de eigen bevolking en eigen werking te financieren. U veroordeelt dat en dat moeten we ook veroordelen, maar we moeten dat ook echt een halt toeroepen. Daartoe hebt u ook opgeroepen, net als tot bijkomende sancties. U zegt dat het afhangt van het al dan niet respecteren van het staakt-het-vuren. Aangezien dat geschonden is, denk ik dat we daar absoluut voor moeten gaan.

In uw vierde en vijfde punt had u het over de herziening van de ontwikkelingssamenwerking voor Rwanda en het einde van de Europese steun voor het leger. Ook dat zijn zaken waarop we naar mijn mening absoluut moeten verdergaan. We moeten doorzetten.

Als u onze resolutie, die vandaag in de commissie is goedgekeurd en waarover morgen in de plenaire vergadering wordt gestemd, nog eens doorneemt, dan zult u zien dat u daarin door het volledige Parlement wordt gesteund. Ik doe dus een warme oproep om heel duidelijk te zijn.

Wat de extra middelen betreft, moet er humanitaire hulp zijn voor de vluchtelingen. De bevroren middelen voor ontwikkelingssamenwerking, waarmee president Kagame het eens is, kunnen worden verschoven zodat de vluchtelingen effectief geholpen worden.

Ellen Samyn:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw vrij uitgebreid en ook stevig antwoord. Hopelijk keert het tij spoedig, want de situatie in Oost-Congo is de afgelopen weken steeds slechter geworden.

Geweld tegen burgers, kwetsbare groepen als vrouwen en kinderen, humanitaire hulpverleners en minderheden is een onaanvaardbare schending van het internationaal humanitair recht. U formuleerde het daarnet duidelijk: het internationaal recht moet worden gerespecteerd. We hopen dat alle partijen stoppen met die grove mensenrechtenschendingen en dat ze hun verplichtingen onder het internationaal humanitair recht zullen naleven.

Nabil Boukili:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse détaillée.

Oui, un vote a eu lieu au Parlement européen et ici aussi. Il faut donc tout mettre en œuvre pour que ces textes soient appliqués et que l'Union européenne arrête de pratiquer ce deux poids deux mesures hypocrite et un droit international à géométrie variable. Il est temps de retrouver la crédibilité que nous avons perdue ces derniers mois à cause de nos positions hypocrites. C'est donc le moment de reprendre le droit chemin et de redevenir crédibles, s'il n'est pas trop tard.

Els Van Hoof:

Mijnheer de minister, bedankt voor u antwoord.

U hebt op de Europese Raad in verband met de vijf aangehaalde thema's een correcte en krachtige positie ingenomen, zeker wat de economische sancties en militaire samenwerking betreft.

Het MoU was nooit een goed idee. Destijds rezen daarover hier in de commissie ook al heel wat kritische vragen. We waren destijds blijkbaar ook het enige land dat die positie innam in de Europese Raad. Ik hoop ook dat we naar een vol glas gaan in plaats van het halfvolle glas waarover u het had.

Rwanda pleegt geweld en valt de soevereiniteit van Congo aan met aanvallen op Oost-Congo. Dat kan niet en we mogen nooit aanvaarden dat Rwanda dergelijke daden stelt. Ik hoop ook dat we alle samenwerking met Rwanda zullen stopzetten. Het is een goed idee om een analyse van de ontwikkelingssamenwerking te maken. Als wij projecten opschorten, brengt dat immers kosten met zich mee gelet op de lopende contracten. Ik hoop dat er dan nog middelen over zullen zijn om ze te heroriënteren naar humanitaire samenwerking met Oost-Congo. Hopelijk komt die analyse er snel.

U zegt dat we een voortrekkersrol spelen in de internationale gemeenschap met betrekking tot het formuleren van een kritische positie ten opzichte van Rwanda. Laten we ook een koppositie innemen wanneer het gaat over sportevenementen. Natuurlijk beslist de UCI, maar we moeten het debat wel aangaan.

We moeten kritisch zijn voor die sportwashing door autoritaire staten. Als financierders moeten we durven aan te dringen op een nog kritischere benadering dan de huidige. Er nemen bijvoorbeeld ploegen deel die deels gefinancierd worden door de Nationale Loterij. Is het aanvaardbaar dat wij wielerploegen daarheen sturen?

Het is belangrijk dat België in het regionale debat krachtiger optreedt. We hebben een ambassadeur en gezant voor de Grote Meren, Marc Pecsteen. Misschien is het ook een idee om hem uit te sturen voor consultaties in de regio en zo aan te tonen dat België betrokken is.

Pierre Kompany:

Monsieur le ministre, je vous ai entendu. Vous êtes bien déterminé en ce qui concerne le respect de l'intégrité du territoire de la République démocratique du Congo et vous dites que cela ne se négocie pas. Nous vous suivons et jamais, je dis bien jamais, on ne peut accepter actuellement qu'un pays décide comme le fait le Rwanda. Vous avez aussi parlé de quelque chose d'intéressant: le vivre ensemble congolais. Il doit être entretenu. Ils doivent rester ensemble et trouver des solutions pour que le pays avance dans le sens non conflictuel.

Mais le problème qui se pose aussi est celui-ci: jusque quand tiendra la résilience congolaise car les décapitations que Kagame perpètre, les viols, les massacres d'enfants? Toutes ces choses sont des conditions réunies pour qu'un peuple généreux se pose des questions et qu'on amène la résilience congolaise à ses limites. Alors, on parlera facilement de discours de haine, de discours d'inconscience pour certains, mais qui accepterait que dans sa maison, on tue sa famille et quand il reste seul, il se dise: lui, il est le champion du vivre ensemble avec les autres ou il est le champion du non réel? Alors, faites vite monsieur le ministre, le temps presse, et ceci afin que se taisent les misères, se taisent les familles qui pleurent à l'Est du Congo et dans le Congo entier.

Rajae Maouane:

Monsieur le ministre, je vous ai écouté attentivement et je vous rejoins sur un point, à savoir la défense du droit international et la souveraineté des peuples. Ainsi, vous avez évoqué l'Est de l'Europe et l'Est du Congo, mais je pense que vous avez oublié le Proche-Orient et, d'après moi, c'est cette cohérence-là qui est recherchée. Je ne peux que constater – peut-être pas de votre part – une espèce de prudence ou de gêne lorsqu'il s'agit d'évoquer des sanctions contre le Rwanda. Alors que nous sommes capables d'imposer des sanctions massives contre Moscou, nous devrions pouvoir faire de même contre Kigali. Bien sûr, la Belgique n'est pas sur une île isolée et a malgré tout une responsabilité historique dans la région. Nous avons d'ailleurs voté un texte à l'unanimité en commission ce midi, et il ne faut pas que ce soit un coup dans l'eau. Nous avons pris fermement position, il faut maintenant que les actions suivent. Je pense que vous êtes bien placé pour concrétiser ces actions. Comme le disait M. Kompany, faites vite, monsieur le ministre.

De onderhandelingen tussen Trump en Poetin over Oekraïne
Het vredesplan van Trump en Poetin voor Oekraïne
De besprekingen tussen Trump en Poetin over de oorlog in Oekraïne, en de plaats van Europa
De positie van Europa tussen de VS en Rusland
Oekraïne
Oekraïne
Rusland, VS en Europa in Oekraïne-conflict

Gesteld aan

Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 26 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België en de EU verwerpen de eenzijdige vredesonderhandelingen van Trump en Poetin over Oekraïne, die territoriale concessies en NAVO-uitsluiting afdwingen zonder Europese of Oekraïense inbreng, en benadrukken dat geen besluit over Oekraïne zonder Oekraïne en de EU kan. België bevestigt onverminderde militaire (o.a. gevechtsvliegtuigen, pantservoertuigen) en financiële steun aan Kiev, wijst het omstreden VS-grondstoffenakkoord (500 miljard dollar, onjuist bedrag) af, en dringt aan op Europese strategische autonomie, inclusief versterkte defensie-investeringen en een 16e sanctiepakket (o.a. Russische schaduwvloot, aluminium, chemische export). De minister noemt het VN-stemgedrag van de VS ("schande") en hamert op een Europese vredesarchitectuur met Oekraïne als volwaardige partner, terwijl hij bilaterale deals tussen Kiev en Washington niet kan blokkeren maar wel Europese alternatieven wil uitwerken. Urgente eensgezindheid op de EU-top van 6 maart is cruciaal om een Munich-achtig scenario te vermijden.

Annick Lambrecht:

Mijnheer de minister, de Amerikaanse president Trump heeft zonder enige afstemming met Europese bondgenoten het initiatief genomen om vredesbesprekingen over Oekraïne op te starten. In een verrassende wending heeft hij directe onderhandelingen met de Russische president Poetin geïnitieerd en daarbij aangegeven dat Oekraïne mogelijk territoriale concessies moet doen en dat het NAVO-lidmaatschap voor Oekraïne niet realistisch is. Voorts draaide hij de waarheid om door Oekraïne te verwijten de oorlog te zijn gestart en stelde hij dat president Zelensky een dictator is.

Die situatie roept grote vragen op over de positie en de invloed van Europa in het conflict en over de strategische autonomie van de Europese Unie. Terwijl Trump en Poetin de toon zetten met betrekking tot de toekomst van Oekraïne, lijkt Europa opnieuw grotendeels aan de zijlijn te staan, afgezien van het feit dat president Macron en premier Starmer bij Trump mogen langsgaan.

Wat is uw reactie op het feit dat België en de EU als geheel niet formeel zijn betrokken bij de onderhandelingen?

Welke diplomatieke initiatieven zal België nemen, zowel bilateraal als in de EU, opdat Europa toch een volwaardige stem aan de onderhandelingstafel krijgt?

Welke garanties biedt België dat het Oekraïne zal blijven steunen, zowel op militair als op civiel vlak?

Hoe zal België in de EU pleiten voor een onderhandelingskader waarin Oekraïne zelf volledig maar ook volwaardig wordt betrokken, om te voorkomen dat er boven het hoofd van Oekraïne beslissingen worden genomen over de soevereiniteit en veiligheid, zoals nu wellicht gebeurt door de nieuwe grondstoffendeal met Trump?

François De Smet:

Monsieur le ministre, comme je n'ai pas encore eu l'occasion de vous le dire en commission, je tiens à vous féliciter pour votre poste et à vous souhaiter le meilleur dans cette belle fonction.

Depuis le coup de fil du 13 février dernier entre MM. Trump et Poutine au sujet de l'Ukraine, l'histoire s'accélère. Si nous en croyons les déclarations du président américain et de son secrétaire d' É tat à la Défense, les É tats-Unis considèrent déjà que l'Ukraine devra faire des concessions territoriales et ne pourra jamais faire partie de l'OTAN.

Je crois qu'il faut voir les choses en face: nous avons affaire à une administration américaine imprévisible et pro-russe. Elle est même à deux doigts d'estimer que c'est l'Ukraine qui devrait presque s'excuser d'avoir été attaquée.

Tout indique que nous nous dirigeons vers un règlement de paix en l'absence des principaux intéressés, à savoir les Ukrainiens, mais aussi les Européens. Tout indique aussi qu'après des années de lutte soutenues par les Occidentaux, l'Ukraine sera abandonnée et forcée à une paix qui n'en sera pas vraiment une.

Si l'Ukraine se retrouve à devoir accepter le dépeçage de son pays, si elle doit accepter que la loi du plus fort l'emporte sur le respect des frontières et du droit international, alors c'est l'ensemble de nos valeurs qui sera bafoué.

Comme je l'ai souvent répété durant la dernière législature, notre pays fait partie des États européens qui auraient dû aider davantage et mieux l'Ukraine.

Nous avons certes fourni de l'aide, mais en retenant toujours quelque peu notre effort, contrairement à d'autres pays comparables, comme les Pays-Bas par exemple. C'est la raison pour laquelle nous sommes toujours considérés comme appartenant à la seconde division de l'aide militaire.

Quelle sera l'attitude la Belgique, face à ce tournant important?

Quelle sera notre position face à ce qui se dessine comme, au mieux, un nouveau Yalta et, au pire, un nouveau Munich, dont les Européens apparaissent pour l'instant comme les grands absents et les grands exclus?

Quelle position allons-nous adopter au sein du concert des nations européennes?

Si jamais la paix ne se réalise pas, ce que nous ne devons pas exclure, continuerons-nous à aider financièrement et militairement, peut-être plus que jamais, les Ukrainiens qui ont vocation à rejoindre à terme l'OTAN ainsi que notre Union européenne?

Christophe Lacroix:

Monsieur le ministre, la conférence de Munich, c'était une étape, mais je pense que nous sommes déjà beaucoup plus loin dans la rhétorique et dans l'action brutale du président Trump en concertation avec Vladimir Poutine pour, quelque part, se repaître du cadavre. Nous voyons également à quel point ils essaient de contraindre le président Zelensky à conclure un accord sur les terres rares et les minerais précieux en Ukraine pour rembourser l'aide militaire des États-Unis, on parle d'un marché de 500 milliards.

Négociations de paix sur un territoire souverain sans que ni le gouvernement de ce territoire souverain, ni l'Union européenne, les alliés traditionnels et historiques des États-Unis, y soient associés. Tout cela remet sur un plateau, quelque peu honoré aujourd'hui, Vladimir Poutine.

Le risque de voir l'Ukraine et l'Europe mises devant le fait accompli est aujourd'hui réel, d'autant que Washington semble, désormais, considérer comme irréaliste l'adhésion de l'Ukraine à l'OTAN et un retour aux frontières d'avant 2014. Alors que l'Europe doit jouer un rôle accru dans la gestion des crises internationales, il est impératif que la voix de nos institutions et de nos partenaires soit entendue. Dans ce contexte, il me semble essentiel que notre pays défende une approche cohérente et équilibrée.

Dès lors, quelle est la position officielle et claire de la Belgique face à ces récentes évolutions et au risque d'un accord négocié en dehors du cadre européen et ukrainien? Quelles initiatives la Belgique peut-elle soutenir pour garantir que l'Ukraine et l'Union européenne restent pleinement impliquées et que leurs intérêts soient préservés? Et pourquoi avoir seulement regretté amèrement et non pas avoir condamné le double vote qui a été amené entre la Russie et les É tats-Unis sur l'Ukraine, lâchant totalement à la fois les Ukrainiens mais également les alliés européens?

Kathleen Depoorter:

Ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

Via verschillende kanalen vernemen we dat de Verenigde Staten en Oekraïne bijna een akkoord hebben bereikt waarbij de VS toegang krijgen tot Oekraïense zeldzame aardmetalen. In ruil hiervoor zou de VS militaire steun blijven verzekeren. Het is dit akkoord dat de achterliggende reden zou zijn van de spanningen tussen de Amerikaanse president Trump en de Oekraïense president Zelensky. President Trump bekritiseerde president Zelensky openlijk in niet te verstane bewoordingen toen Oekraïne terughoudend was om het akkoord te ondertekenen. De Britse krant The Telegraph zou het document met de grondstoffen-“deal” in haar bezit hebben of minstens hebben kunnen inzien. Het zou gaan om een kleine 500 miljard dollar in waarde, waarvan de VS exclusieve toegang zou krijgen.

In Frankrijk verklaarde president Macron na overleg met negentien landen, waaronder België, dat er een eensgezind standpunt van de betrokken Europese landen is over Oekraïne. Dat standpunt legt de nadruk op duurzame vrede en robuuste garanties. Indien dit klopt, zou dit kunnen betekenen dat Europa zich in bredere zin positioneert tegenover de geopolitieke implicaties van het mogelijke akkoord tussen de VS en Oekraïne. Daarnaast wordt een nieuwe ronde van sancties tegen het Russische regime voorbereid.

Mijn vragen voor de minister:

Gezien deze ontwikkelingen en de potentiële impact op zowel de Europese als Belgische belangen, verneem ik graag wat de officiële positie van België is ten aanzien van het voorgestelde grondstoffenakkoord tussen de VS en Oekraïne?

Hoe beoordeelt de Belgische regering de mogelijke gevolgen van dit akkoord voor de Europese veiligheid en economie?

Indien het klopt dat de animositeit tussen president Trump en president Zelensky haar oorsprong vindt in het dispuut over de grondstoffen: wat is de positie van de Europese landen hierin?

Klopt volgens u de bewering van president Trump dat de VS meer hulp aan Oekraïne heeft gestuurd dan de Europese landen? Wat is volgens u de verhouding tussen beiden?

President Trump staaft de exclusieve toegang tot Oekraïense grondstoffen op het feit dat de VS het meest hebben bijgedragen in de steun. Hoe rijmt u dat met het antwoord op de vorige vraag? Klopt het circulerende bedrag van 500 miljard dollar?

Zeldzame metalen en grondstoffen vormen de inzet op geopolitiek vlak: onder andere China probeert deze in Afrika te controleren en de Europese landen hebben er steeds moeilijker toegang toe. Werd er door de Europese landen gesproken over een alternatieve grondstoffen-“deal” ten voordele van de Europese landen?

Het Verenigd Koninkrijk kondigde nieuwe sancties aan tegen de Russische Federatie. Vanuit Europa zou eenzelfde pakket onderweg zijn: wat zijn hiervan de contouren en welke sectoren van de Russische Federatie worden hier in het vizier genomen?

Wordt er op Europees niveau onderzoek gedaan naar de zogenaamde “grijze” of “schaduwvloot” van de Russische Federatie? Onderzoekt men hoe deze vloot tot stand kwam met behulp van mogelijk Europese bedrijven?

Els Van Hoof:

Ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

Mijnheer de minister, het Amerika van Trump lijkt wel een bondgenoot van Poetin. Met zijn uitspraken lijkt Trump Zelensky en Oekraïne te laten vallen als een baksteen. Anderzijds lijken de Verenigde Staten wel geïnteresseerd in de Oekraïense grondstoffen. Onderhandelingen voor een deal rond grondstoffen zouden zich in een finale fase bevinden.

Zoals u aangaf in de marge van Europese Raad op maandag, blijft het cruciaal dat ook Oekraïne en Europa mee aan tafel zitten om de toekomst van Oekraïne vorm te geven. Tegelijk blijft het cruciaal om het lot van Oekraïne én Europa zelf in handen te nemen. Op de afgelopen Raad Buitenlandse Zaken kwam Oekraïne alvast aan bod, waar een zestiende sanctiepakket tegen Rusland werd aangenomen. Ook kondigde commissievoorzitter von der Leyen alvast 3,5 miljard euro extra financiële steun aan voor Oekraïne.

Ik heb daarom voor u de volgende vragen:

Welke concrete maatregelen werden op de Raad Buitenlandse Zaken genomen om Oekraïne zonder de VS verder te ondersteunen, zowel op diplomatiek vlak als wat betreft veiligheids- en economische samenwerking? Welke stappen heeft u daartoe verdedigt op de Raad?

Welke concrete stappen zal de Europese Unie nemen om haar eigen veiligheidsarchitectuur verder te versterken, nu de VS niet langer als een betrouwbare bondgenoot kan worden beschouwd?

Welke bilaterale steun van België aan Oekraïne is nog gepland? Waaruit bestaat die steun concreet?

Maxime Prévot:

Collega’s, u stelt allen terechte vragen inzake deze toch wel bijzondere wending in de houding van de Amerikaanse partner en bondgenoot. Wat de uitsluiting van Europa en Oekraïne betreft, is onze houding altijd geweest dat geen beslissing over Oekraïne kan worden genomen zonder Oekraïne daarbij te betrekken en dat niets over de EU kan worden beslist zonder de EU.

Et c'est d'autant plus le cas aujourd'hui, au moment où la nouvelle administration américaine semble défendre des positions qui vont à l'encontre de nos principes. Depuis trois ans, l'Ukraine se bat pour sa survie face à l'envahisseur russe. Nous ne pouvons accepter que les responsabilités de Moscou dans cette guerre d'agression soient minimisées ou relativisées à la lumière d'une lecture biaisée de l'Histoire. Aucun accord relatif à l'avenir de l'Ukraine ne sera durable ou acceptable sans que l'Union européenne et l'Ukraine y soient pleinement associées.

Sinds 2022 hebben de EU en haar lidstaten 134,5 miljard euro steun verleend aan Oekraïne, waaronder 48,5 miljard euro militaire bijstand. Gezamenlijk heeft de EU in 2024 meer dan de helft van alle militaire steun aan Oekraïne verstrekt. Volgens cijfers die onlangs door het Kiel Institute zijn gepubliceerd en door The Economist zijn overgenomen, bedraagt de hulp van de Verenigde Staten aan Oekraïne 114 miljard euro. De schuld van 500 miljard dollar die de regering-Trump de afgelopen dagen heeft genoemd, lijkt op basis van mijn informatie onjuist en schromelijk overschat.

De EU is niet betrokken bij bilaterale besprekingen over de exploitatie van zeldzame mineralen in Oekraïne. Dat is een gesprekwonderwerp tussen Oekraïne en de VS.

Nous regrettons les démarches américaines unilatérales, non concertées avec les alliés européens, ainsi que leur approche éminemment transactionnelle, qui semble guider l'administration Trump à ce stade.

J'en viens à l'épisode de lundi à New York, aux Nations Unies. On a dû compter sur une mobilisation européenne massive, à défaut d'être unanime, pour contrecarrer la proposition de résolution américaine qui ne parlait pas de violation de l'intégrité territoriale de l'Ukraine et qui parlait du conflit russo-ukrainien, plaçant les deux parties sur un même pied, en oubliant d'identifier qui est l'agresseur et qui est la victime. Cela a été évidemment un épisode marquant, et je dis même choquant.

La résolution proposée par les Européens et l'Ukraine, avec les amendements qui ont été apportés, a pu être soutenue majoritairement à l'Assemblée générale, mais elle n'a pas connu le même sort, hélas, au Conseil de sécurité des Nations Unies, quelques heures plus tard.

Je redis ici ce que j'ai condamné publiquement hier à Genève, ayant eu l'opportunité de m'exprimer juste après mon homologue le ministre des Affaires étrangères de Hongrie, qui n'avait pas nécessairement, pour le dire pudiquement, la même lecture des évènements que moi. Le vote intervenu au Conseil de sécurité des Nations Unies est une honte. Je pense qu'il ne peut pas y avoir de révision de l'Histoire au point, finalement, que l'Ukraine soit salie par des propos visant à assimiler son dirigeant à un dictateur, au point que l'Ukraine soit salie par des propos visant à sous-entendre qu'elle pourrait avoir suscité ou généré le conflit. L'Ukraine ne peut pas être méprisée ni abandonnée. La Belgique est d'une clarté limpide sur ce sujet. Nous sommes et nous resterons des alliés de l'Ukraine.

Les évènements des derniers jours doivent donc nous pousser à faire preuve de réalisme et de lucidité. Qu'on le veuille ou non, nous devons urgemment développer une politique et une approche qui nous garantiront une place à la table des négociations.

Daarom zijn de initiatieven die de Franse president Macron, de voorzitter van de Europese Raad Costa en de ministers van Buitenlandse zaken van de 27 lidstaten nu ontwikkelen van groot belang.

Il est absolument indispensable d'apporter une réaction européenne unanime, rapide et vigoureuse pour garantir un processus de paix qui inclut toutes les parties prenantes dont la Belgique. On sait que cette unanimité n'est aujourd'hui pas acquise.

Il est également clair que les garanties de sécurité d'un éventuel accord devront être développées par l'Europe tant pour assurer le respect de l'accord en question que pour garantir notre propre sécurité. Notre pays prendra ses responsabilités en la matière et ceci passera probablement par une hausse, à court terme, des dépenses de défense.

Pour rappel, l'accord bilatéral de sécurité signé entre l'Ukraine et la Belgique, en mai de l'année dernière, lie nos deux pays pour une période de dix ans. Il symbolise notre engagement à soutenir durablement l'Ukraine dans le domaine militaire et prévoit, entre autres, la livraison d'avions de combat, de véhicules blindés modernes et d'équipements divers. Une coopération est également prévue dans les domaines de l'industrie de la défense, du renseignement, de la cybersécurité ou de la lutte contre la désinformation.

La diplomatie belge reste pleinement mobilisée. Le premier ministre et moi-même avons multiplié les contacts avec nos homologues ukrainiens, européens et américains afin de plaider pour une paix juste et durable. Mon collègue en charge de la Défense a également eu des contacts avec son homologue. Seule l'Ukraine, en étroite coopération avec ses alliés, est en mesure de déterminer si le contexte est propice à l'ouverture de négociations. La Belgique a toujours fait partie des contributeurs importants en matière d'aides à l'Ukraine. C'est à ce titre que le premier ministre De Wever a récemment été contacté par le président Macron. Ces derniers jours, le Royaume-Uni, le Canada, la Norvège et l'Islande ont confirmé qu'ils partageaient la vision européenne du conflit et certainement pas l'obtention de la paix par la force.

Wat ik vandaag ook kan meegeven, is het besef van urgentie en de nood aan een flexibele modus operandi in de EU, die ook België bepleit. We moeten op korte termijn concrete resultaten boeken. In de afgelopen maanden zijn bepaalde Europese hulpmechanismen voor Oekraïne geblokkeerd of gegijzeld door bepaalde EU-lidstaten. Dit is niet langer acceptabel. De tijd is tegen ons.

Pour qu'il n'y ait pas de mauvaise compréhension, il est clair que les pays que j'ai évoqués partagent cette vision européenne du conflit, avec la nécessité – au besoin, par le soutien militaire constant à apporter à l'Ukraine – d'obtenir par la force la cessation du conflit, même s'il y a lieu de déployer tous les efforts diplomatiques afin de parvenir à cette cessation par la négociation.

Het zestiende pakket EU-sancties tegen Rusland werd op 24 februari 2025 goedgekeurd. Het bevat bijkomende oplijstingen van personen en entiteiten die de Russische oorlogseconomie ondersteunen en nadere exportverboden op gevoelige goederen die de Russische oorlogseconomie ondersteunen, zoals chemicaliën, CNC-software en chroom. Ook worden verdere maatregelen getroffen tegen de Russische transport- en infrastructuursectoren. Daarbovenop wordt een importverbod van aluminium uit Rusland toegevoegd. Verder zijn er veel technische wijzigingen die dienen om sanctieomzeiling tegen te gaan en de uitvoering te vereenvoudigen.

In het zestiende pakket worden ook meer dan 70 schepen uit de Russische schaduwvloot gesanctioneerd. Verder worden de bewegingen van die schaduwvloot nauw gevolgd door de maritieme autoriteit van lidstaten en door de Europese Commissie. Landen die aan de Noordzee of Baltische Zee grenzen, waaronder België, zijn zich erg bewust van de mogelijke dreiging die uitgaat van die schaduwvloot. Zij werken samen om die schepen stil te leggen en de uitbreiding van de vloot tegen te gaan. Daarbij wordt ook actief samengewerkt met de zogenaamde vlaggenstaten wereldwijd.

Diplomatiek overleg is nog volop aan de gang om de volgende stappen te bepalen die de Europese Unie zou kunnen nemen. De komende Europese Raad van 6 maart 2025 zal zich over dat thema buigen.

Annick Lambrecht:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoorden.

Het is inderdaad van cruciaal belang dat Europa niet buitenspel wordt gezet in dit conflict en dat wij gezamenlijk blijven opkomen voor de soevereiniteit en de veiligheid van Oekraïne. Ik ben blij dat u binnen maar ook met de Europese Unie blijft aandringen op een volwaardige rol aan de onderhandelingstafel. Enkel door een sterke, eensgezinde Europese houding kunnen wij voorkomen dat beslissingen over Oekraïne zouden worden genomen zonder Oekraïne. Het is essentieel dat onze steun aan Oekraïne, zowel militair als humanitair, onverminderd doorgaat. Het is zoals u zegt, België blijft een bondgenoot van Oekraïne. Dat is meer dan nodig.

Christophe Lacroix:

Monsieur le ministre, franchement, je voudrais vous féliciter pour votre réponse. Vous rendez honneur à ce pays, à l'Union européenne et à la victime, l'Ukraine. Je vous remercie pour cela.

Cependant, vous êtes quelque part coincé, au sein de cette majorité, avec la vision pro-atlantiste qui était dans la déclaration de politique gouvernementale et qu'il va falloir rapidement corriger. Je serai attentif à ce que le sommet européen du 6 mars donnera, car je suis convaincu, comme vous, que c'est l'occasion de construire une nouvelle feuille de route européenne, sans se résigner. Construisons cette feuille de route et réorientons notre politique économique, diplomatique, notre stratégie militaire également, sur le long terme. Abandonnons la centralité américaine comme point de référence!

Les États-Unis étaient nos alliés. Je croyais qu'ils allaient rester nos partenaires. Je me demande s'ils ne vont pas devenir, bientôt, un jour, nos adversaires. Je vous encourage, en tout cas, à faire tout ce que vous pouvez pour que nous soyons fermes. Je pense que Poutine, comme Trump sont des gens brutaux qui ne comprennent que les rapports de force et partagent très peu de valeurs morales et humaines. Bien sûr, on ne conduit pas le monde simplement sur des valeurs, il y a des rapports de force, mais l'Union européenne ne se laissera pas faire. Vous en avez été le témoin, ici, et je vous remercie d'avoir utilisé deux expressions importantes à propos du vote intervenu aux Nations Unies. Vous l'avez condamné publiquement et vous avez dit que c'était une honte. Je vous remercie pour cela.

François De Smet:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos propos assez forts sur ce qui s'est produit à l'ONU.

Non, nous ne pouvons pas accepter, au XXI e siècle, que la force entérine des frontières en Europe. C'est impossible, de sorte qu'on a raison d'en faire une question de principe. Non, nous ne pouvons pas accepter la lecture actuelle des É tats-Unis, et nous devons nous en émanciper. J'ai l'impression que les Européens sont en train de se diviser en deux blocs: ceux qui pensent qu'il est encore possible de raisonner M. Trump en allant le voir et en lui expliquant la réalité de la situation, et les autres, qui, eux, ont conscience que cet homme est imprévisible.

Or, si on fait preuve de lucidité face à ses propos et à ses intentions ainsi qu'à ceux de ses proches, il y a un tropisme pro-russe qu'il faut pouvoir intégrer avec cette administration. En tout état de cause, nous pensions tous que le premier Trump serait une parenthèse, et il ne faut pas faire l'erreur de penser que le deuxième en sera une également, même si nous espérons tous pouvoir un jour reprendre nos partenariats avec les Américains.

Nous ne sommes pas encore autour de la grande table européenne en raison de la faiblesse de notre aide militaire, mais nous avons une compensation sous la forme de notre vaste réseau diplomatique – vous en êtes désormais à la tête – qui permet à la Belgique, aux moments clés de l'histoire, de jouer un rôle essentiel. Je ne peux donc que vous encourager à continuer à mettre un pied dans la porte et à continuer à ne pas exclure la possibilité que la guerre se poursuive. En effet, il est tout à fait possible que les efforts de paix n'aboutissent pas. Dans un tel cas, nous devrons être au rendez-vous et apporter l'aide militaire à l'Ukraine.

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, de steun van ons land aan Oekraïne moet inderdaad krachtig en duidelijk zijn. Oekraïne misprijzen door te roepen dat het een conflict zou hebben uitgelokt, kunnen wij niet aanvaarden. Het is goed dat dat hier wordt veroordeeld.

Als N-VA-fractie zullen wij de zoektocht naar middelen voor defensie blijven ondersteunen. Minister Francken is daar op het moment al mee bezig. We moeten ervoor zorgen dat we klaar staan om onze toch bijna buur, Oekraïne, verder te helpen.

Ik ben verheugd over de rechtzetting in verband met de middelen. Als Europa effectief 134 miljard steun heeft gegeven aan Oekraïne en de VS 114 miljard, zoals u nu zegt, dan moeten we er rekening mee houden dat men zich aan de andere kant van de Atlantische Oceaan een beetje rijk aan het rekenen is. Hoezeer we ook een partner blijven van de Verenigde Staten, het kan niet dat ze zich rijk rekenen op de rijkdommen en de mineralen die in Oekraïne aanwezig zijn. Het factchecken van de cijfers is belangrijk. We zullen dat moeten blijven doen.

Zoals u aangaf, is het heel belangrijk dat een vredesakkoord onderhandeld wordt met de partners aan tafel. Het kan niet anders dan dat Oekraïne en de Europese Unie daarbij aanwezig zijn. U krijgt al onze steun om er met eerste minister De Wever voor te gaan en om het vredesakkoord te bepleiten met de mensen die echt aan zet zijn.

Els Van Hoof:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw krachtig antwoord. Er kan inderdaad geen duurzame vrede zijn zonder Oekraïne aan de tafel, en ook niet zonder de Europese Unie die in veiligheidsgaranties zal moeten voorzien. Het is ook belangrijk dat we blijven inzetten op militaire en humanitaire steun en dat er in de Europese Unie eensgezindheid bestaat, zodat we een krachtig signaal kunnen geven en ons lot in eigen handen kunnen nemen, samen met Oekraïne. Ik heb Kiev twee keer bezocht tijdens de oorlog en het is me bijgebleven dat de miljarden euro's die we hebben gegeven nog altijd niet voldoende zijn. Ik herinner me heel goed het discours aldaar: Oekraïne moet kiezen waar ze één kogel kunnen inzetten om hun grondgebied en hun burgers te beschermen tegenover zes kogels voor Rusland. Dat is onaanvaardbaar. We moeten steun blijven geven en mogen ons niet voorhouden dat het genoeg is. Onze regering is in dat verband eensgezind, net als de oppositie.

Ahmadreza Djalali
De repressie tegen politieke gevangenen in Iran
De vrijlating van professor Djalali
De situatie van professor Djalali en de andere gedetineerden in Iran
De huidige toestand van Ahmadreza Djalali
Ahmadreza Djalali
Het engagement van België met betrekking tot de mensenrechtensituatie in Iran
De zaak van Ahmadreza Djalali en politieke gevangenen in Iran

Gesteld aan

Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 26 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België en de EU veroordelen scherp de systematische mensenrechtenschendingen in Iran, waaronder politieke executies (880+ in 2024), marteling en willekeurige detenties zoals die van Ahmadreza Djalali (9 jaar gevangen, doodvonnis) en drie andere politieke gevangenen (Ehsani, Hassani, Azizi) wier executie dreigt. België zet diplomatieke druk (bilateraal, via VN/EU), eist vrijlating, betere detentieomstandigheden en een moratorium op de doodstraf, en steunt EU-sancties tegen Iraanse veiligheidsdiensten, maar kritiek blijft dat gijzelingsdiplomatie (ruil van gevangenen) en theocratische hardleersheid om hardere maatregelen vragen, zoals versterkte sancties en een eengemaakte Europese aanpak. De Belgische regering benadrukt discrete maar aanhoudende actie, maar parlementsleden dringen aan op meer daadkracht en publieke verontwaardiging.

François De Smet:

Monsieur le ministre, vous parlez de la répression des prisonniers politiques en Iran. Vous n'êtes pas sans savoir que les opposants au régime iranien sont soumis à la torture et à une répression aveugle. Les ONG, comme Amnesty International, nous relatent la condamnation à mort au terme d'un procès manifestement inéquitable devant la Cour suprême de trois prisonniers politiques dont l'exécution serait imminente.

Il y a Behrouz Ehsani, 69 ans, prisonnier politique des années 80 qui a été arrêté à Téhéran en décembre 2022 et Mehdi Hassani, 48 ans, qui a été arrêté en octobre 2022. Tous deux ont été transférés au quartier 209 de la prison d'Evin où ils ont été soumis à des tortures physiques et psychologiques. Ils étaient membres de la campagne des mardis "Non aux exécutions". Il y a aussi le cas de Mme Azizi, 40 ans, travailleuse sociale et prisonnière politique kurde.

Ces trois exemples, et nous savons qu'il y en a d'autres, soulignent que les droits de l'homme sous leur forme la plus élémentaire sont toujours bafoués de manière sanglante en dépit des appels à l'aide et des campagnes menées avec courage par les ONG. Rappelons que l'année dernière, pas moins de 1000 exécutions ont été recensées dans ce pays où règne un régime de terreur. Les Iraniens et les Iraniennes ont besoin d'un soutien international fort. Ils doivent savoir qu'ils ne sont pas seuls. En l'occurrence, toute voix compte, y compris celle de la Belgique.

Monsieur le ministre peut-il me faire savoir si l'ambassadeur d'Iran en Belgique a récemment été convoqué sur ces affaires? La Belgique entend-elle relayer les appels à cesser toute exécution et en particulier, celles d'opposants politiques, et la diplomatie au niveau de l'Union européenne compte-elle réagir pour dénoncer cette escalade effroyable? Je vous remercie.

Ellen Samyn:

Mijnheer de minister, met grote bezorgdheid volg ik de berichten over de situatie van de Iraanse wetenschapper Ahmadreza Djalali, die al bijna negen jaar onterecht vastzit in een Iraanse gevangenis, in mensonwaardige omstandigheden. De laatste maanden gaat zijn gezondheidstoestand zienderogen achteruit, zowel fysiek, door ondervoeding en martelpraktijken, als mentaal, door de constante dreiging met de doodstraf.

Kunt u een laatste stand van zaken geven? Hebt u een zicht op de gezondheidstoestand van professor Djalali? Kan hij door een arts worden bezocht?

Hebt u regelmatig contact over dit dossier met uw Zweedse ambtsgenoot of met de Zweedse ambassadeur? Welke diplomatieke stappen heeft België, al dan niet in samenwerking met de EU, ondernomen om de Iraanse autoriteiten te verzoeken om de onmiddellijke vrijlating van Ahmadreza Djalali?

Wat zal België doen om de mogelijke executie van professor Djalali tegen te gaan? Hebt u daarover gesprekken gehad met uw Iraanse ambtsgenoot en/of de Iraanse ambassadeur?

Hebt u deze situatie recent op internationale fora aangekaart? Zo ja, wat was de conclusie?

Dat Iran gijzelingsdiplomatie gebruikt om zijn terroristen terug te halen, is geen geheim. Deze week nog werd een Nederlandse toergids die onder valse aantijgingen vastzat in de Evingevangenis geruild met een Iraniër die vastzat in Nederland, van wie de VS blijkbaar ook de uitlevering vroegen. Werd de gijzelingsdiplomatie recent nog aangekaart op verschillende internationale fora? Zo ja, welke internationale maatregelen en/of middelen zullen er in dat kader genomen worden?

Annick Lambrecht:

Mijnheer de minister, de heer Djalali is een Iraans-Zweedse professor die acht jaar lang onderzoek deed voor het Karolinska Instituut in Stockholm. Tijdens een lezingtour doorheen Iran werd hij op 25 april 2016 gearresteerd in Teheran. Iran beschuldigde hem van spionage voor Israël. Een jaar later werd de heer Djalali veroordeeld tot de doodstraf, wat felle kritiek opleverde, zowel bij de EU als bij de VN. Sindsdien blijft de situatie van de professor uitzichtloos.

Ook na de vrijlating van Olivier Vandecasteele en twee andere gevangenen in juni 2023, wil Iran niet spreken over een vrijlating van de heer Djalali.

In een geluidsfragment onlangs zei de heer Djalali dat hij nog steeds hulpeloos is en voortdurend het risico loopt om geëxecuteerd te worden. Hij zit momenteel al negen jaar vast in de beruchte Evingevangenis, waar ook Olivier Vandecasteele een jaar heeft vastgezeten. Hij werd onlangs 53 jaar en spreekt over een zeer verslechterde gezondheidstoestand.

Mijnheer de minister, is de Belgische regering nog bezig met het dossier van de heer Djalali, zodat ook hij kan worden vrijgelaten?

Welke diplomatieke stappen zette België tot nu toe, al dan niet in samenwerking met de EU, om de Iraanse autoriteiten te verzoeken de heer Djalali onmiddellijk vrij te laten?

Els Van Hoof:

Mijnheer de minister, mijn vraag is exact dezelfde als die van mevrouw Lambrecht, dus ik verwijs naar de tekst van mijn vraag zoals schriftelijk ingediend.

Mijnheer de minister, half januari dook een nieuw geluidfragment op van professor Djalali op de Zweedse omroep SVT. Hij riep hierbij de Zweedse regering op om hem te helpen en thuis te brengen. Djalali zit intussen al bijna 9 jaar vast in schrijnende omstandigheden. In het geluidsfragment zegt hij hulpeloos te zijn en nog steeds voortdurend het risico lopen om te worden geëxecuteerd. Hij zou ook last hebben van een maagvliesontsteking, galstenen en een hartritmestoornis. Het is dan ook van cruciaal belang aandacht te blijven besteden aan zijn onterechte vasthouding.

Ik heb voor u dan ook de volgende vragen:

Welke stappen heeft ons land concreet nog ondernomen om de vrijlating van Djalali bij Iran te bepleiten en erop aan te dringen zijn fundamentele rechten te eerbiedigen met adequate medische zorg?

Welke concrete stappen werden hiertoe nog op Europees niveau ondernomen?

Charlotte Deborsu:

Monsieur le ministre, la situation des droits humains en Iran est plus que jamais alarmante. Behrouz Ehsani et Mehdi Hassani, deux prisonniers politiques, risquent d'être exécutés d'un moment à l'autre. À l'issue de procès totalement biaisés, la décision de leur condamnation à mort a été prononcée en septembre 2024, basée sur des accusations absurdes: "guerre contre Dieu" et "corruption sur Terre". Leur demande de révision du procès a été rejetée par la Cour suprême iranienne le 23 février 2025.

En 2024, plus de 1000 opposants politiques ont été exécutés. Il n'y en a jamais eu autant au cours des 30 dernières années.

Cette vague de répression dépasse les frontières iraniennes et touche également des ressortissants étrangers. L'Europe et la Belgique en ont fait l'expérience avec la détention arbitraire d'Olivier Vandecasteele pendant 15 mois dans des conditions inhumaines, ou encore avec l'arrestation de la journaliste italienne Cecilia Sala le 19 décembre dernier. Cette dernière a heureusement été libérée le 8 janvier. D'autres Européens sont encore en danger. C'est notamment le cas du professeur irano-suédois Ahmadreza Djalali, condamné à mort depuis huit ans.

Monsieur le ministre, quelles nouvelles initiatives diplomatiques la Belgique compte-t-elle entreprendre, tant au niveau bilatéral qu'au sein des instances européennes et internationales, pour condamner ces pratiques et plaider en faveur du respect des droits humains en Iran?

Maxime Prévot:

Beste collega's, in antwoord op uw vragen in verband met dokter Ahmadreza Djalali en de repressie van politieke tegenstrijders, wens ik de volgende elementen te benadrukken.

De situatie van dokter Djalali blijft zorgwekkend na bijna negen jaar in de gevangenis. België blijft zijn aanhoudende detentie van nabij opvolgen, in samenwerking met onze Zweedse collega's. In dergelijke gevallen is discretie vaak synoniem met efficiëntie. Maar ik kan u vertellen dat er nog eergisteren contact was met zijn advocaten en dat zijn gezondheid zorgwekkend is.

We blijven de situatie van dokter Djalali bespreken wanneer we de kans daartoe krijgen. De Belgische positie is zeer duidelijk: we verzoeken de Iraanse autoriteiten om dokter Djalali vrij te laten, zijn doodstraf nietig te verklaren en zijn detentieomstandigheden dringend te verbeteren. We blijven eisen dat het doodsvonnis waartoe hij is veroordeeld, niet wordt uitgevoerd.

Het lot van dokter Djalali wordt regelmatig met de Zweedse collega's besproken. Ik kan ook bevestigen dat mijn diensten de situatie van dokter Djalali de voorbije maanden verschillende keren opnieuw aan de orde hebben gesteld, zowel in Brussel als in Teheran.

Hoewel het niet aan mij is om commentaar te geven op de bilaterale relatie tussen Zweden en Iran en hun consulaire zaken, blijft het een feit dat de kwestie van Europese onderdanen die willekeurig in Iran worden vastgehouden, een zeer belangrijk punt van zorg en actie blijft voor onze regering, zoals duidelijk bevestigd in het regeerakkoord van de federale regering. Zoals u weet, zet de Belgische regering zich in voor andere EU-onderdanen, zoals het geval was met de drie Oostenrijkse en Deense staatsburgers die in 2023 samen met onze landgenoot Olivier Vandecasteele werden vrijgelaten.

België steunt ook de collectieve Europese aanpak ten aanzien van de chantagepolitiek van de Iraanse autoriteiten. Dat vertaalde zich in verschillende verklaringen over Iran van voormalig hoge vertegenwoordiger Josep Borrell namens de Europese Unie, die willekeurige detentie als onaanvaardbaar en onwettig beschouwt. België stond en staat volledig achter deze verklaringen. We zullen de nieuwe hoge vertegenwoordiger ook steunen in soortgelijke verklaringen. Voorts werden ook EU-sancties genomen en het regeerakkoord voorziet ook in verdere initiatieven.

De Iranaanpak heeft ook duidelijk gevolgen voor ons reisadvies en de evolutie van onze bilaterale betrekkingen. Naast dokter Djalali zijn er vandaag nog verschillende onschuldige Europanen in Iran opgesloten. We blijven ijveren voor hun vrijlating.

België blijft samenwerken met zijn Europese partners om deze praktijk te bestrijden. Mijn diensten en ik blijven de algemene situatie van de Europese gedetineerden in Iran aandachtig volgen, evenals de specifieke situatie van dokter Djalali.

S'agissant de la répression des opposants politiques en Iran, de manière plus large, l'abolition universelle de la peine de mort est une priorité de la politique belge en matière de droits humains. La Belgique soulève régulièrement cette question dans diverses enceintes internationales notamment au sein de l'UE, du Conseil des droits de l’homme (CDH) et de la Troisième Commission de l'Assemblée générale de l'ONU.

Dans le cadre de notre mandat actuel au CDH, notre pays s'est engagé à accorder une attention particulière, entre autres, à l'abolition de la peine de mort dans le monde. J'ai pu le répéter moi-même avec force à Genève pas plus tard qu'hier. La Belgique suit de près la situation extrêmement préoccupante des droits humains en Iran, y compris le recours à la peine de mort.

Les situations de Behrouz Ehsani, Mehdi Hassani et Pakhshan Azizi illustrent la répression continue du régime iranien et l'absence de liberté d'expression dans le pays. Selon les chiffres dont disposent mes services, 880 personnes auraient été exécutées en 2024. Cette tendance est à la hausse ces dernières années.

La Belgique a fermement condamné à plusieurs reprises les actions de l'Iran et exprimé sa profonde inquiétude dans les fora multilatéraux, en particulier au Conseil des droits de l'homme et notamment à nouveau, en septembre dernier, à l'occasion du débat général sous point 4 lors de la 57 ème session du CDH.

Lors du dialogue interactif du CDH avec la mission d'établissement des faits pour l'Iran, notre pays a notamment soulevé en 2023 la question des exécutions par l'Iran avec l'appel à l'instauration d'un nouveau moratoire et à l'interdiction de l'exécution de la peine de mort sur les mineurs.

En 2024, nous avons évoqué les violations des droits humains et crimes commis à l'encontre des manifestants pacifiques en Iran. En décembre dernier, la Belgique a également coparainé la résolution de l'Assemblée générale de l'ONU sur la situation des droits de l'Homme en république d'Iran.

En outre, nous soutenons le mandat du rapporteur spécial des Nations unies sur la situation des droits de l'homme en Iran. Ce 24 janvier, à l'occasion de l'examen périodique universel de l'Iran, la Belgique a, entre autres, appelé l'Iran à adopter un moratoire sur les exécutions en vue d'abolir la peine de mort.

Nous avons également soulevé des questions à ce sujet ainsi que concernant l'exercice pacifique et sans entrave par les journalistes, défenseurs des droits humains et autres membres de la société civile de leurs activités. Au-delà des condamnations publiques, la Belgique soulève régulièrement ses vives inquiétudes lors de discussions avec ses interlocuteurs iraniens. Nous insistons sur l'universalité des droits humains et l'importance de la liberté d'expression et de réunion, qui doit être garantie partout et pour tous. La situation en Iran est régulièrement évoquée lors de mes contacts européens et a fréquemment fait l'objet de discussions lors des derniers conseils des Affaires étrangères.

Vous voyez que la Belgique n'est pas en reste et que, partout où elle le peut, dans toutes les instances internationales au sein desquelles les lignes peuvent bouger, des décisions peuvent être prises ou des condamnations peuvent être prononcées, nous agissons. Toujours dans le cadre européen, la Belgique soutient activement les sanctions européennes adoptées à l'encontre des membres et des organes de l'appareil sécuritaire à la manœuvre dans la répression des manifestations en Iran.

Notre pays a régulièrement coparrainé ces propositions de sanctions en tant que co-auteur. Mes services et moi-même restons donc extrêmement attentifs à l'évolution de la situation sur place, et nous continuerons à relayer ces messages auprès des interlocuteurs iraniens et autres partenaires européens.

Ellen Samyn:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord.

Professor Djalali zit ondertussen precies 3.229 dagen vast in Iran. We weten allemaal dat het Iraanse regime hem als pasmunt gebruikt. Elke keer er in het Westen een Iraniër terechtstaat, bericht het terreurregime dat men Djalali binnenkort zal executeren. Bijna negen jaar wordt professor Djalali in onmenselijke omstandigheden vastgehouden, fysiek en psychisch gemarteld, en wordt hem zelfs medische hulp ontzegd.

Dat Iran niet kan worden beschouwd als een normaal land, bewijst het land zelf telkens opnieuw. Iran voerde midden december vorig jaar de strenge hoofddoekenwet in. Vrouwen riskeren hierdoor zware cel- en doodstraffen. Het regime sluit zelfs vrouwen die zich niet houden aan de kledingvoorschriften op in psychiatrische klinieken wegens mentaal instabiel.

We moeten ons inderdaad zorgen maken over de executies. Uit een recent mensenrechtenrapport blijkt namelijk dat er vorig jaar minstens 975 executies plaatsvonden, waaronder zelfs executies van minderjarigen.

Uit uw antwoord leer ik dat u moeite onderneemt en ik dank u daarvoor oprecht. Onze vrees blijft echter dat oproepen vanuit België en oproepen vanuit de Europese Unie weinig impact zullen hebben en weinig indruk zullen maken op het Iraanse regime. U haalde het zelf al aan: het regime zet haar gijzelingsdiplomatie immers gewoon verder.

François De Smet:

Merci, monsieur le ministre, pour votre réponse.

On a raison de s'impliquer comme nous le faisons pour les ressortissants européens. Par solidarité pour ces gens qui sont détenus par une politique de chantage, le mot est juste, mais la situation des Iraniens qui sont prisonniers dans leur propre pays doit nous accompagner aussi à chaque instant.

Indépendamment de la peine de mort, le seul fait qu'il s'agisse d'opposants politiques, de gens emprisonnés pour des raisons politiques, heurte aussi nos valeurs. La lutte contre la peine de mort, c'est une valeur universelle et européenne. C'est pareil pour le fait de s'opposer au fait qu'on puisse détenir des gens pour leur position politique.

Nous avons affaire à une théocratie. Il est très difficile de négocier avec une théocratie, parce qu'elle n'a aucun scrupule. La Belgique en a fait les frais, comme d'autres pays. Nous devons, j'en suis sûr, hausser encore plus le ton vis-à-vis de l'Iran, notamment au niveau des sanctions et au plus haut niveau, parce que c'est un pays qui ne comprend rien d'autre que le rapport de force.

Els Van Hoof:

Mijnheer de minister, u zegt dat discretie en efficiëntie van belang zijn. Er is echter nog een derde aspect van belang. We moeten permanent onze vragen kracht bijzetten, wat ons posthoofd en onze diensten ter plaatse trouwens ook doen. We moeten zijn toestand en detentieomstandigheden blijven aanklagen. We moeten blijven zijn vrijlating eisen en de doodstraf ter discussie stellen.

Als dat echter niet helpt – het regeerakkoord is daarover duidelijk –, zijn er ook sancties nodig. U kaart dat op verschillende niveaus aan en ik kan u alleen maar aanmoedigen om dat te blijven doen, want het is onaanvaardbaar wat er gebeurt. Als dialoog niet helpt, zijn er daden nodig.

Charlotte Deborsu:

Merci monsieur le ministre pour votre réponse et l'attention que vous portez à cette situation dramatique. Cela me soulage de constater que le nouveau gouvernement en fait une priorité et ne ferme pas les yeux sur ces pratiques inhumaines en Iran. Face à l'intensification de la répression en Iran, il est effectivement impératif d'agir, parce que l'Iran ne se contente pas de réprimer son propre peuple – ce qui est déjà particulièrement horrible – mais prend également en otage des citoyens européens afin de négocier, comme cela a été le cas avec Olivier Vandecasteele, qui a été échangé contre un terroriste condamné ici en Belgique. Aujourd'hui, ces pratiques se poursuivent avec M. Djalali, qui est en attente de son exécution dans le couloir de la mort. Ces méthodes doivent cesser. La Belgique a su se mobiliser avec force pour Olivier Vandecasteele et doit poursuivre dans cette voie. Il faut continuer à faire pression en vue d'obtenir une réponse européenne ferme et coordonnée, car il y va de nos valeurs mais aussi de la sécurité de nos citoyens. Je vous remercie pour les démarches que vous entreprendrez à cet égard.

De Armeense krijgsgevangenen in Azerbeidzjan
De toestand van de in Azerbeidzjan vastgehouden ex-premier van Nagorno-Karabach, Ruben Vardanyan
De aankondiging van Azerbeidzjan met betrekking tot een aantal Armeense gevangenen
Het proces tegen Armeense gevangenen in Azerbeidzjan
Armeense gevangenen en hun rechtszaken in Azerbeidzjan

Gesteld aan

Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 26 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Belgische parlementariërs Ellen Samyn en Els Van Hoof uiten ernstige bezorgdheid over de oneerlijke berechting en mensonwaardige detentie van voormalig Artsakh-minister Ruben Vardanyan (470+ dagen gevangen, 340 dagen in isole, 42 aanklachten zonder toegang tot vertaalde documenten) en andere Armeense politieke gevangenen in Azerbeidzjan, waaronder dwang, marteling en geforceerde verklaringen. Minister Prévot bevestigt dat België via bilaterale (ambassade Bakoe), EU- (Politiek en Veiligheidscomité) en VN-kanalen (Mensenrechtenraad) pleit voor vrede, mensenrechten en een duurzaam akkoord, maar heeft geen directe toegang tot detentieomstandigheden; 32 gevangenen werden vrijgelaten na Azerbeidzjans COP29-toekenning. Samyn en Van Hoof hameren op structurele schendingen (cultureel erfgoed, territoriale inbreuken) en eisen concrete EU-actie, met kritiek op Azerbeidzjans gebrek aan vredeswil ondanks Europese ambities.

Ellen Samyn:

Mijnheer de minister, ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

Voormalig minister van Artsakh, Ruben Vardanyan, wordt sinds 27 september 2023 (meer dan 470 dagen) vastgehouden in Azerbeidzjan. Hij werd en wordt in mensonwaardige omstandigheden vastgehouden waarvan 340 dagen in eenzame opsluiting en 23 dagen in een strafcel.

Vandaag 17 januari zou er een rechtszitting over zijn zaak gepland zijn. Naar verluidt staat hij terecht voor 42 aanklachten, waarvan sommigen tot levenslang kunnen leiden. Noch hijzelf, noch zijn advocaat hebben de kans gekregen om de officiële aanklacht volledig in te zien. Komt bij dat de aanklachten uitsluitend in het Azerbeidzjaans werden opgesteld en men onvoldoende tijd heeft gekregen om de documenten te vertalen in het Russisch. De detentie van Ruben Vardanyan en de andere politieke gevangenen door de Azerbeidzjaanse autoriteiten geeft aanleiding tot ernstige bezorgdheid over de eerbiediging van de grondrechten en de waarborgen voor een eerlijk proces.

Heeft u informatie over de detentieomstandigheden van de Armeense politieke gevangenen in Azerbeidzjan? Werden zij recent nog bezocht door het ICRC?

Heeft u over de detentieomstandigheden van deze politieke gevangenen contact gehad met de Azerbeidzjaanse autoriteiten en/of de ambassadeur van Azerbeidzjan? Zo ja, wat was de inhoud van de gesprekken?

Kaart u deze problematiek aan op internationaal niveau? Zal er gezamenlijk actie worden ondernomen opdat het proces van de voormalig minister van Artsakh, alsook van alle andere politieke gevangenen, eerlijk zal verlopen?

Els Van Hoof:

Mijnheer de minister, ik verwijs ook naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

Mijnheer de minister, op 17 januari startte in Azerbeidzjan het proces tegen 16 Armeniërs die gevangen werden genomen bij het militaire offensief tegen Nagorno-Karabach in september 2023. Onder hen ook Ruben Vardanyan, de voormalige premier van Nagorno-Karabach en drie voormalige presidenten van Nagorno-Karabach. Het spreekt voor zich dat zij geen eerlijk proces zullen krijgen. In een verklaring verspreid door zijn familie verklaart Vardanyan dat hij slechts een zeer korte termijn kreeg om de beschuldigingsakte door te nemen, en pas een Russische vertaling kreeg 9 dagen voor het proces. Er zou ook druk op hem zijn uitgeoefend om vervalste documenten en fictieve verhoorverslagen te ondertekenen.

Amnesty International roept de internationale gemeenschap dan ook op om het proces nauwgezet te monitoren om te verzekeren dat hij een eerlijk proces krijgt. De Armeense regering verklaarde dan weer inlichtingen te hebben dat Armeense gevangenen in Bakoe verboden stoffen toegediend krijgen om hen te dwingen verklaringen af te leggen die de situatie in de regio nog kunnen doen escaleren.

Ik heb voor u de volgende vragen:

Welke concrete stappen heeft u ondernomen om de vrijlating van alle Armeense gevangenen in Azerbeidzjan te bepleiten en hun fundamentele rechten te doen naleven?

Welke concrete maatregelen worden op EU-niveau ondernomen om de vrijlating van de Armeense gevangenen te bepleiten en hun fundamentele rechten te laten naleven? Heeft ons land hiertoe concrete maatregelen bepleit op EU-niveau?

Maxime Prévot:

Dames Samyn en Van Hoof, in antwoord op uw vragen over Armeense gevangenen in Azerbeidzjan en hun processen, kan ik meedelen dat de nieuwe regering deze bezorgdheden bekijkt vanuit de ruimere invalshoeken van het vredesproces tussen Armenië en Azerbeidzjan en de bescherming van fundamentele en mensenrechten. België heeft immers geen rechtstreekse toegang tot de detentielocatie van de leiders van het vroegere Opper-Karabach, dat niet erkend werd volgens het internationaal recht.

De heer Ruben Vardanyan zou volgens mijn informatie naast de Armeense ook de Russische nationaliteit hebben.

In bilaterale contacten met Azerbeidzjan op politiek en diplomatiek niveau door onze ambassade in Bakoe en met de ambassadeur van Azerbeidzjan in Brussel, pleit België systematisch voor het afsluiten van een duurzaam vredesakkoord op basis van de VN-principes van territoriale integriteit, soevereiniteit en respect voor de rechten van de bevolking. Zo werden tijdens de politieke consultatie tussen België en Azerbeidzjan in oktober 2024, op het niveau van directeurs-generaal en vice-eersteministers, het vredesproces en de mensenrechten aangekaart.

De spanningen tussen Armenië en Azerbeidzjan werden niet besproken op de Raad Buitenlandse Zaken van 24 februari, die focuste op de Russische agressie tegen Oekraïne en op het Midden-Oosten. De Zuidelijke Kaukasus werd recent wel besproken op het niveau van het Politiek en Veiligheidscomité van de EU.

Op multilateraal vlak worden de beschikbare instrumenten eveneens actief ingezet. België nam binnen de Mensenrechtenraad deel aan de Universal Periodic Review van Azerbeidzjan, eind 2023, met aanbevelingen inzake vrijheid van meningsuiting, huiselijk geweld en de uitvoering van arresten van het EHRM. Ook binnen de Raad van Europa speelt België een actieve rol.

In het bredere VN-kader van de toekenning aan Azerbeidzjan van de COP29, werden in december 2023 reeds 32 Armeense gevangenen vrijgelaten.

Ik kan u verzekeren dat België in zijn bilaterale, Europese en multilaterale relaties blijft pleiten voor verdere constructieve stappen richting vrede.

Ellen Samyn:

Dank u wel voor uw antwoord, mijnheer de minister.

Ik zou toch nog iets willen vragen: hebt u toevallig informatie dat het ICRC de gevangenen heeft bezocht? Uw voorganger heeft daar immers wel informatie over verstrekt. Anders zal ik die vraag schriftelijk stellen.

Mijnheer de minister, ik vrees dat Azerbeidzjan niet bekendstaat voor het respecteren van de rechten van de bevolking, zeker niet als het over de rechten van de bevolking in Artsach gaat. We hebben gezien hoe het geleid heeft tot een exodus van de mensen van Artsach naar Armenië. We zien nu ook welke grove schendingen er bestaan ten aanzien van hun cultureel erfgoed. Azerbeidzjan zal ook niet nalaten om op internationale fora grove uitspraken te doen tegenover de Armenen die daar ook aanwezig zijn. Ik vrees dus dat Azerbeidzjan zich nog niet in de toestand bevindt om een vredesoffensief te starten met Armenië en respect te tonen voor de bevolking in Artsach.

We volgen het verder mee op en ik zal dan nog een berichtje sturen.

Els Van Hoof:

Ook ik dank de minister voor zijn antwoord. Ik kan alvast meegeven dat het conflict tussen Armenië en Azerbeidzjan de voorbije legislatuur veelvuldig aan bod is gekomen en ook deze legislatuur weer op de agenda staat. We blijven het dus opvolgen, zeker vanuit deze commissie, en we zullen blijven aanklagen hoe Azerbeidzjan de territoriale integriteit van Armenië niet respecteert, niet alleen in Nagorno-Karabach, maar ook op andere plaatsen in Armenië, waar Azerbeidzjan grondgebied probeert in te nemen. Dat is onaanvaardbaar, net zoals het onaanvaardbaar is voor Oekraïne, Congo enzovoort. Beide landen liggen niet ver van ons en bepleiten ook meer en meer het Europese lidmaatschap. Er is een referendum geweest waaruit duidelijk bleek dat daarvoor een draagvlak is. Vandaar dat de houding van Azerbeidzjan wat betreft de Armeense gevangenen van nabij wordt opgevolgd. Ik heb uw antwoord gehoord over Vardanyan. Hij heeft inderdaad ook de Russische nationaliteit, maar dat neemt niet weg dat zijn proces oneerlijk verloopt, hij kreeg slechts negen dagen voor het proces een vertaling. Ook wordt er druk uitgeoefend met vervalste documenten en fictieve verhoorverslagen. We moeten de druk blijven aanhouden, zeker als het gaat over de politieke gevangenen die vandaag nog vastzitten in Azerbeidzjan.

De belofte om 300 personeelsleden aan te werven voor fiscalefraudebestrijding
De ambities op het vlak van de fiscalefraudebestrijding
De middelen die worden ingezet in de strijd tegen belastingfraude
Fraudebestrijding
Versterking van fiscale fraudebestrijding met personeel en middelen

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 25 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de plannen voor fraudebestrijding met 300 extra medewerkers en een verwachte opbrengst van 600 miljoen euro tegen 2029, wat kritiek oogstte omdat dit slechts 2% van het geschatte jaarlijkse verlies (30 miljard) dekt. Minister Jambon benadrukte dat besparingen elders in Financiën mogelijk zijn zonder de fraudebestrijding te ondermijnen, maar gaf geen concrete verdeling of methodiek voor de opbrengstberekening. Kritiekpunten: te laag ambitieniveau, ontbrekende transparantie over budgetten en IT-bezuinigingen, en twijfel aan de haalbaarheid door tegenstrijdige signalen in het regeerakkoord.

Hugues Bayet:

Monsieur le ministre, il est prévu dans l'accord de gouvernement de recruter "300 membres du personnel pour la lutte contre la fraude fiscale, en particulier au sein de l'ISI, de la lutte contre la fraude sociale, de la police judiciaire et de la justice". Vous annoncez également une spécialisation au sein des services. Je pense en effet que les moyens humains et la formation sont au cœur des priorités en matière de lutte contre la fraude fiscale. Néanmoins, l'efficacité de cette mesure dépendra notamment de la répartition de ces moyens humains. Il conviendra également de déterminer si ces moyens ne seront pas, en fin de compte, affectés à d’autres fins, comme c'est souvent le cas à la police judiciaire fédérale.

Pourriez-vous d’ores et déjà me communiquer la clé de répartition de ces recrutements, les délais endéans lesquels les postes seront ouverts ainsi que les formations que votre gouvernement compte dispenser?

Quelle enveloppe utiliserez-vous pour le recrutement et la formation? Je n’en ai vu aucune trace dans les tableaux budgétaires.

Par ailleurs, les tableaux font état de recettes supplémentaires liées à la lutte contre la fraude fiscale à hauteur de 200 millions d’euros en 2026 et de 400 millions en 2029. Pourriez-vous apporter des précisions sur cette ligne budgétaire et sur la méthode de calcul? Comment le rendement a-t-il été évalué et sur quelles bases?

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, d'ici 2029, vous prévoyez 600 millions de recettes supplémentaires liées à la lutte contre la fraude fiscale, 400 millions dans le tableau budgétaire et 200 millions dans le tableau "réforme fiscale". Si je salue bien entendu cet objectif, on pourrait être encore plus ambitieux sachant que la fraude et l'évasion fiscales constituent un manque à gagner estimé à 30 milliards par an en Belgique, selon des études réalisées par Oxfam – notamment grâce aux dons des citoyens qui la soutiennent.

Monsieur le ministre, comment avez-vous estimé ces 600 millions de recettes supplémentaires? Quels moyens et politiques supplémentaires allez-vous déployer pour atteindre ces objectifs?

Plus spécifiquement, j'apprends qu'une réduction des moyens IT est prévue au sein de l'administration. Cela ne semble évidemment pas aller dans le sens d'un renforcement des moyens d'action de l'administration. Comment ces réductions impacteront-elles les fonctionnaires en charge de la lutte contre la fraude fiscale? Seront-ils épargnés par ces réductions au détriment d'autres services?

Par ailleurs, l'accord de gouvernement indique le recrutement prévisionnel de 300 personnes pour la lutte contre la fraude fiscale, en particulier au sein de l'ISI, de la lutte contre la fraude sociale, de la police judiciaire et de la justice. Quel est le timing pour ces engagements et quel retour supplémentaire attendez-vous par nouvel engagement?

Kemal Bilmez:

Mijnheer de minister, mijn vragen liggen in dezelfde lijn. In de budgettaire tabellen wordt gesproken over een geschatte opbrengst uit de strijd tegen fiscale fraude van 600 miljoen euro tegen 2029. Op zich is dat een peulenschil in vergelijking met het geschatte verlies aan inkomsten, dat volgens professor fiscaliteit Michel Maus oploopt tot 12 miljard euro per jaar.

Wij lezen dat, om de doelstellingen te halen, onder meer 300 extra personeelsleden zouden worden aangeworven. Er zou ook worden geïnvesteerd in gespecialiseerde kennisopbouw en in meer samenwerking tussen verschillende diensten. Tegelijk lezen we in het regeerakkoord echter ook dat er op personeel van verschillende overheidsdiensten voor een bedrag van 1,8 miljard euro per jaar zal worden bespaard. Dat zijn ten minste tegenstrijdige signalen.

Ten eerste, kunt u de cijfers bevestigen?

Ten tweede, hoe is de regering aan een bedrag van 600 miljoen euro gekomen? Welke berekening schuilt achter dat bedrag?

Ten slotte, kunt u aangeven in welke dienst de bijkomende personeelsleden zullen worden aangeworven? Hoe rijmt dat met de geplande besparingen bij de FOD Financiën?

Jan Jambon:

Chers collègues, comme vous pouvez le lire dans l'accord de gouvernement, nous avons en effet un programme ambitieux de lutte contre la fraude. Tout un chapitre y est consacré, et reprend de nombreuses mesures en la matière.

Concernant les recettes pour 2026, mon administration développe de nouvelles initiatives législatives, conformément à cette liste de mesures reprise dans l'accord de gouvernement. Les rendements qui sont estimés l'ont été par les administrations et sont conformes aux législatures précédentes.

Het regeerakkoord voorziet inderdaad in de aanwerving van 300 personeelsleden voor fiscale- en socialefraudebestrijding en bij de gerechtelijke politie en Justitie. In een grote administratie zoals die van Financiën is het niet onmogelijk globaal te besparen maar toch meer mensen in te zetten voor fraudebestrijding. Dat is niet tegenstrijdig. Men kan in bepaalde departementen besparen en tegelijkertijd de fraudebestrijding toch versterken.

De regering moet later nog een beslissing nemen met betrekking tot de verdeling onder de diensten van fiscalefraudebestrijding, socialefraudebestrijding, gerechtelijke politie en Justitie.

Hugues Bayet:

Monsieur le ministre, merci pour vos réponses. Je trouve qu'en termes de fraude fiscale, nous aurions pu faire plus et mieux, d’autant que vous annoncez quand même quelques économies dans le département des Finances.

S'agissant notamment des recrutements, nous allons quand même être relativement précis et surveiller le travail que vous allez mettre en place avec nos administrations pour s'assurer qu'il y ait vraiment des retombées. En effet, je continue à penser que les épaules les plus larges doivent aussi contribuer à l'effort, et pas uniquement les travailleurs, les pensionnés ou les allocataires sociaux.

Sarah Schlitz:

Merci, monsieur le ministre. Nous attendrons plus d'éléments concrets par rapport à cet enjeu fondamental pour la justice fiscale dans notre pays, notamment dans votre note d'orientation politique, que nous suivrons évidemment avec attention.

Kemal Bilmez:

Als ik het goed begrijp, is de berekening voor 600 miljoen gebaseerd op de beslissingen van de vorige regering. Tegelijk zult u wel enorm investeren in fraudebestrijding. U hebt niet echt geantwoord op de vraag hoe u aan die 600 miljoen euro zult komen. Voor ons is dat opnieuw het bewijs dat de begroting niet serieus is. U doet zich graag voor als een goede huisvader die budgettair orde op zaken zal stellen, maar dat blijkt niet uit de manier waarop u uw oefeningen maakt. Nogmaals, de opbrengsten getuigen ook van heel weinig ambitie. Wanneer u slechts 7,5 % van de totale geschatte verliezen ten gevolge van fiscale fraude recupereert, kunt u moeilijk zeggen dat fiscale fraude een absolute topprioriteit is van de regering.

De bijeenroeping van de Nationale Veiligheidsraad n.a.v. het drugsgeweld in Brussel
Het regeringsbeleid in het licht van de onveiligheid en de drugshandel in Brussel
De schrijnende situatie in Brussel
De nood aan een gecoördineerde actie tegen het toenemende drugsgeweld in Anderlecht
De schietpartijen en de onveiligheid in Brussel
Het toenemende drugsgeweld in Brussel
De impasse in Brussel
De war on drugs
Het toenemende drugsgeweld in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
De schietpartijen en de onveiligheid in Brussel
Brusselse drugsgeweld en onveiligheid

Gesteld aan

Bart De Wever (Eerste minister)

op 20 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De dramatische drugsoorlog in Brussel, met meerdere dodelijke schietpartijen in twee weken, domineert het debat, waarbij structurele onderfinanciering van politie en justitie (100 ontbrekende onderzoekers, verouderd materieel) en gebrek aan coördinatie tussen lokale, federale en Europese niveaus centraal staan. Premier De Wever belooft een integrale aanpak (van productie tot straatdealers, geldstromen en wapenhandel) via bestaande regeerakkoordplannen (o.a. fusie Brusselse politiezones, Kanaalplan, Stroomplan 2.0), maar critici – waaronder procureurs, politievakbonden en oppositie – wijzen op jarenlange bezuinigingen (MR/N-VA) en eisen concrete middelen nu (meer gespecialiseerde eenheden, betere loon- en werkomstandigheden, sociale preventie). Polarisatie heerst: repressieve partijen (N-VA, Vlaams Belang) pleiten voor hard optreden (legerinzet, razzia’s, strengere straffen), terwijl linkse stemmen (PTB, Vooruit) sociaaleconomische oplossingen (jeugdwerk, armoedebestrijding, alternatieven voor dealers) en langetermijninvesteringen in justitie/politie benadrukken. Brusselse politieke verantwoordelijken (o.a. PS) worden mede schuldig bevonden door nalatigheid (openbare drugspanden, gebrek aan lokale samenwerking), maar federale regeringspartijen ontlopen hun eigen verantwoordelijkheid voor chronisch onderbeleid niet. Uiteindelijk blijft de vraag: wie voert de regie? – met oproepen tot eenheid (Arizona-coalitie) die botsen op wederzijds wantrouwen en partijpolitieke schuldvragen.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de premier, de toestand in Brussel is dramatisch. Ik heb het dan niet enkel over de politieke impasse, maar vooral over de drugsoorlog die volledig uit de hand aan het lopen is. Criminelen lopen rond met oorlogswapens en drugsdealers promoten hun koopwaar publiek.

Voor het geval dat u het nieuws misschien niet zou hebben gevolgd de afgelopen weken, geef ik u even een lijstje mee. Op 5 februari waren er schietpartijen in de Weidestraat en aan metrostation Clemenceau. Op 6 februari was er opnieuw een schietpartij aan Clemenceau met een gewonde. Op 7 februari was er een nieuwe schietpartij in de Peterboswijk met een dodelijk slachtoffer. Op 15 februari was er weer een schietpartij aan metrostation Clemenceau met opnieuw een dodelijk slachtoffer. Op 16 februari was er een schietpartij aan metrostation Sint-Guido en op 18 februari was er een bij een transportbedrijf in Anderlecht. Op 19 februari werden er nog meer aanslagen en schietpartijen aangekondigd via Snapchat.

Ik voeg daar de reacties aan toe van de mensen op het terrein, die moeten instaan voor onze veiligheid. De reacties komen zowel van mensen van Justitie als van de politie. Ik citeer de procureur des Konings, Julien Moinil: "Het is rampzalig. Het is tijd om wakker te worden. De lokale politiezone Zuid moet nu het onderzoek doen met beperkte middelen terwijl er oorlogswapens worden gebruikt." Ik citeer nu de politievakbonden: "De politie is de afgelopen jaren veel te veel verwaarloosd." De korpschef van Brussel-Zuid, Jurgen De Landsheer, voegt eraan toe: "De oplossing kan niet enkel bij de politie liggen."

De hamvraag vandaag is: waar blijft deze regering? Ik kwam niet verder dan wat wollige uitspraken van de nieuwe minister van Binnenlandse Zaken. Ik citeer: "We zullen de maatregelen die reeds zijn voege zijn herbekijken, om te zien welke maatregelen eventueel moeten worden versterkt." Mijnheer de premier, waar bent u? Waarom ziet u de ernst van de situatie niet in? Waarom hebt u (…)

Rajae Maouane:

Monsieur le premier ministre, les Bruxelloises et les Bruxellois sont inquiets, très inquiets! Et moi aussi. On tire dans la rue, on tire à proximité des stations de métro, on tire sur des maisons, et la réponse de votre gouvernement, c'est plus de police. Or vos solutions ne fonctionnent pas. Les fusillades continuent, alors que la police est omniprésente. Nos enfants restent en danger parce que vous ne vous attaquez pas aux réels problèmes, aux véritables causes, et cette situation ne peut plus durer.

Comment en sommes-nous arrivés là, monsieur le premier ministre? J'ai une devinette pour vous. Qui a dit: "ll n'y a pas assez d'enquêteurs, pas assez de policiers de proximité, pas assez de ressources pour la justice, et il y en a marre des effets d'annonce"? Ce n'est pas moi, ce n'est pas un gauchiste, mais il s'agit du procureur du Roi de Bruxelles. Et, comme lui, j'en ai marre des effets d'annonce de la droite.

Encore aujourd'hui, nous payons les conséquences des coupes du gouvernement MR-N-VA dans la justice et dans la police. Rien qu'à Bruxelles, il manque au moins 100 enquêteurs pour la police judiciaire. La police locale, qui connaît le quartier, qui a la confiance du quartier, manque aussi de soutien. Vous avez aussi affaibli les douanes: Anvers, Zaventem, Bierset n'ont plus les moyens humains ou les moyens techniques pour faire face à l'afflux de marchandises illégales.

À Bruxelles, nous subissons les conséquences directes de ce trafic. La précarité alimente la criminalité, en laissant le terrain libre aux narcotrafiquants. Sans perspectives, certains jeunes tombent dans ces réseaux par défaut. Il faut leur offrir des opportunités, il faut leur offrir des perspectives pour lutter contre la misère, le décrochage et l'abandon. La sécurité de toutes et tous est nécessaire et elle exige une réponse forte, une réponse durable; et non des opérations éphémères ou des effets d'annonce.

Alors, monsieur le premier ministre, quelle est votre stratégie à long terme? Allez-vous renforcer la prévention, soutenir les associations, investir dans la santé mentale et les services sociaux pour couper l'herbe sous le pied aux trafiquants?

Allez-vous donner à la police et à la justice plus de moyens pour agir sur le long terme?

Alexia Bertrand:

Mijnheer de premier, ik moet er geen tekening bij maken, u hebt de beelden gezien. We hebben allemaal de beelden gezien en die zijn schrijnend. We zagen een man met een kalasjnikov in het Brusselse metrostation Clemenceau.

De voorbije jaren trok u terecht hard aan de alarmbel in Antwerpen. U weet als geen ander wat de impact is van drugsgeweld op wijken, op een stad en op de bewoners. Toen Antwerpen in brand stond, naar aanleiding van één dode, heeft de vorige federale regering onmiddellijk overleg gepleegd met u. Ze heeft alles op alles gezet. Er was onmiddellijk overleg. Wat is er gebeurd? De Nationale Veiligheidsraad kwam samen. De federale politie in Antwerpen werd versterkt met 100 agenten. De scheepvaartpolitie ging van 90 naar 215 agenten. Het parket en de correctionele rechtbank in Antwerpen werden versterkt. We hebben de haven extra beveiligd, met meer controles en meer boots on the ground. Er is een nationale drugscommissaris aangesteld, naar aanleiding van één dode. Dat was ook het juiste om te doen.

Nu zien we zeven schietpartijen en twee dodelijke slachtoffers. Als burgemeester – u weet hoe nauw Antwerpen mij aan het hart ligt – had u gelijk. U verwachtte snelle en kordate actie. Brussel en de rand verwachten dat van u vandaag, als premier. Dat geweld is immers een olievlek. Mijnheer de premier, we hebben u echter niet gezien, we hebben u niet gehoord.

U verwees twee jaar geleden naar het contrast tussen de middelen voor Antwerpen en voor Brussel. U vroeg meer middelen omdat Antwerpen met een crisissituatie kampte. Gaat u vandaag dezelfde logica toepassen voor Brussel? Wat gaat u concreet doen? Er waren zeven schietpartijen, met twee doden, mijnheer de premier.

Brent Meuleman:

Het ene moment loop je rustig naar je vaste metrohalte, kind aan de hand, klaar om aan de dag te beginnen, het volgende moment ben je terechtgekomen in een oorlogszone. Gelach wordt gegil. Dat is niet ver van ons gebeurd, niet lang geleden, hier vlakbij in Brussel.

Mijnheer de eerste minister, het is niet de eerste keer dat dit gebeurt. In het afgelopen jaar hebben er meer dan 80 schietincidenten plaatsgevonden. Het drugsgeweld word almaar driester, almaar bloediger. Executies op straat, kalasjnikovs die kogels afschieten.

Dat kan niet meer, mijnheer de eerste minister! De mensen verwachten van ons dat er opgetreden wordt. Als het zo fout gaat, stellen we ons de vraag wat we hieraan gaan doen. Gaan we de lokale besturen met de vinger wijzen, zoals minister Verlinden gedaan heeft in de afgelopen week, of gaan we de verantwoordelijkheid opnemen die we kunnen opnemen?

Laat het duidelijk zijn, de lokale besturen spelen een cruciale rol wanneer het gaat over veiligheid. Dat hoeft men mij en alle burgemeesters in het land niet te komen vertellen. Wij weten dat. De verantwoordelijkheid afschuiven en doorverwijzen naar de lokale besturen, dat helpt echter niemand vooruit.

Voor Vooruit is veiligheid een absolute topprioriteit. Wie veel geld heeft, koopt zijn veiligheid, met hoge poorten, dure alarmsystemen, veel camera's en noem maar op. Wie echter een normale job heeft en in een normale wijk woont, zoals in Anderlecht, die rekent voor zijn veiligheid en voor de veiligheid van zijn kinderen op een sterke overheid. We moeten dus doen wat moet. Ook nu moet de federale gerechtelijke politie ingrijpen. Ook nu moet de justitie drugscriminelen snel opvolgen. Ook nu moeten we haast maken met het samenvoegen van de politiezones in Brussel.

De mensen in Anderlecht vragen (…)

Julien Ribaudo:

Monsieur le premier ministre, sept fusillades en deux semaines! Je voudrais d'abord prendre du temps pour apporter mon soutien aux victimes et à leurs proches, mais aussi aux habitants d'Anderlecht et de Bruxelles qui vivent dans l'angoisse. Il y a un an, jour pour jour, une fusillade éclatait à dix mètres de l'école de mes filles.

Monsieur le premier ministre, la sécurité est un droit, et même un droit fondamental, mais vous échouez à le garantir. Les gros trafiquants de drogue s'enrichissent et se sentent en totale impunité. La priorité doit aller à la lutte contre le crime organisé et le trafic de drogue. Il faut les arrêter. Pour ce faire, il importe de les toucher là où cela leur fait le plus mal: leur portefeuille. Voilà la priorité. Dans ce but, nos services publics doivent pouvoir accomplir leur travail. "Comment voulez-vous que j'arrête des auteurs si je n'ai pas d'enquêteurs spécialisés?" C'est ce qu'a déclaré à la presse le procureur du Roi de Bruxelles, en ajoutant qu'il en avait marre des effets d'annonce. Car, aujourd'hui, oui, vous faites des annonces à propos de moyens supplémentaires. Or ceux-ci sont trop faibles au regard des coupes que vos partis, le MR et la N-VA, ont opérées sous le gouvernement Michel.

Et puis, monsieur le premier ministre, j'ai aussi lu dans l'accord de gouvernement que les renforts seraient surtout destinés à Anvers, mais c'est partout qu'ils sont nécessaires! Cela m'incite à dire que vos moyens sont déjà insuffisants.

Il est essentiel de s'attaquer aux barons de la drogue, mais ces gens vivent de la misère d'autrui. Et vous, vous voulez mettre notre pays au régime pendant dix ans! Comment voulez-vous éradiquer ce fléau si vous ne parlez que d'austérité? Ce n'est pas d'austérité que nous avons besoin, mais d'investissements: dans la jeunesse, dans le travail social, dans la santé et l'enseignement. Il faut donc donner aux travailleurs les moyens de ne pas laisser la jeunesse dans les mains de ces trafiquants.

Monsieur le premier ministre, je reprendrai la question du procureur du Roi: combien d'enquêteurs la police judiciaire fédérale (PJF) va-t-elle recevoir?

Sammy Mahdi:

Mijnheer de eerste minister, in de eerste plaats wil ik u bedanken voor de extra politie, die het de minister van Binnenlandse Zaken meteen mogelijk heeft gemaakt om kordaat op het terrein op te treden. Wij weten allemaal dat er geen magische oplossing bestaat. Er bestaat niet één maatregel die alles oplost, iedereen zal zijn steentje moeten bijdragen, en dus ook de burgemeesters, de PS-burgemeesters die vandaag in Brussel vzw's hun ding laten doen, die vandaag nalaten pizzeria's waar geen pizza's worden verkocht maar drugs worden verhandeld, te sluiten. Zij moeten optreden en ervoor zorgen dat daaraan iets wordt gedaan.

Als we ervoor willen zorgen dat iedereen zijn deel doet, dan spreekt dat misschien toch in het voordeel van de Nationale Veiligheidsraad, waarbij we niet alleen kijken naar het federale niveau, maar ook naar de regio's. To take back control. Wij moeten weer controle krijgen over onze straten. Er moet een versterking komen van de federale politie en van de federale gerechtelijke politie. Dat zijn allemaal zaken die we federaal kunnen doen

Tegelijkertijd moeten ook de andere politieke niveaus worden geresponsabiliseerd. Kijk naar Brussel momenteel. Hoe kunnen we de strijd tegen drugs voeren, als er gebruikersruimtes zijn, waarvan de Brusselse regering vindt dat het normaal is dat die er zijn? Dat krijg je mij niet uitgelegd.

Er is geen magische oplossing, behalve misschien de volgende: geen gebruiker betekent geen dealer; geen dealer betekent geen schietpartij. Het normaliseren van drugs in onze samenleving moet een halt toegeroepen worden. In films, Netflixseries en ook Vlaamse series wordt drugs overal beschouwd als iets positiefs. Dat moet gestopt worden. En wij moeten op het federale niveau de strijd tegen drugs voeren.

Mijnheer de eerste minister, welke maatregelen zullen wij nemen to take back control over onze straten?

Maaike De Vreese:

Mijnheer de eerste minister, collega's, elk nadeel heb zijn voordeel, zei ooit een groot filosoof. Met de arizonaregering stellen wij orde op zaken, met de neuzen in dezelfde richting, met een minister die onmiddellijk op het terrein was om actie te ondernemen, met een minister van Justitie die onmiddellijk daar was om mee het spoedoverleg in gang te steken.

Brussel is inderdaad al twee weken lang het strijdtoneel van drugsbendes, maar als we dat willen aanpakken, zullen we dat op de verschillende niveaus, van het lokaal niveau tot het internationaal niveau, moeten aanpakken. Dat is wat hier in de discussie ontbreekt.

Kijk naar het arizonaregeerakkoord. Alle maatregelen staan daar al in; we waren ons daarvan al bewust we moeten inderdaad de gerechtelijke politie versterken; we moeten inderdaad de politiezones in het Brusselse fusioneren; we moeten inderdaad de criminelen heel hard straffen en aanpakken; we moeten de focus leggen bij de drugsgebruikers. Zonder drugsgebruikers, geen afzetmarkt. Daar moeten we die criminelen treffen; in the pocket . We moeten hen treffen waar het geld zit. Ook op dat vlak zijn heel wat maatregelen gepland, die in deze legislatuur zullen worden uitgevoerd.

Mijnheer de eerste minister, we kunnen hier inderdaad met de vinger naar iedereen wijze, al degenen die de voorbije decennia volledig in het debat afwezig waren, maar dat mogen we vandaag net niet doen. Vandaag moeten alle neuzen in dezelfde richting.

Mijnheer de eerste minister, hoe zult u die eenstemmigheid tot stand brengen? Hoe zult u het lokaal niveau en het gewest meekrijgen? Hoe zult u de kwestie ook internationaal op de kaart zetten?

Ridouane Chahid:

Monsieur le premier ministre, je vous plains, parce que vous avez des partenaires de majorité qui sont amnésiques. Vous avez un président de parti qui vient nous expliquer ici que ce sont les bourgmestres socialistes qui sont responsables d'une compétence de Justice et d'Intérieur. Un président de parti qui a eu la compétence de la Justice sous l'Arizona; de l'Intérieur sous la Vivaldi, et de la Justice sous la Suédoise.

Qu'avez-vous donc fait pour régler les problèmes en matière de Justice et d'Intérieur? Ça, c'est la vraie question. Aujourd'hui, M. Mahdi, nous avons un procureur du roi qui vous rappelle qu'il manque 100 enquêteurs spécialisés pour résoudre des problèmes de fond. Ça, c'est la vérité mais évidemment le socio-démocrate que vous êtes ne se retrousse pas les manches. Vous rejetez la faute sur les autres. Alors, M. le premier ministre, les prisons débordent, la Justice ne sait plus où donner du pied tellement elle manque de moyens. Aujourd'hui, à la police fédérale, allez y faire un tour, M. Mahdi, il y a des voitures qui ne démarrent pas. Elles ne savent pas démarrer parce qu'elles sont en panne. Elles ne savent pas démarrer parce que vous n'avez pas mis les moyens nécessaires. Cela, c'est la vérité! Mais où étiez-vous quand on a commencé à désinvestir dans la police et la justice pendant quatre ans d'affilée. Ça, c'est la réalité. Aujourd'hui, le cancer de nos quartiers, vous n'y avez pas trouvé de solution. (Vives protestations de MM. Bouchez et Mahdi) Ça c'est la réalité, M. Mahdi, alors ne venez pas rejeter la responsabilité sur les autres! Et ne vous excitez pas, M. Bouchez, votre tour viendra!

Alors, monsieur le premier ministre: Quelle réponse allez-vous donner à la police judiciaire, à la justice? Et surtout, étant donné que l'on sait tous que le problème des narcotrafiquants est un problème européen, allez-vous initier une réunion du Conseil européen sur la matière pour faire en sorte que la lutte contre le trafic de drogue soit une question (...)

(Clameurs échangées hors micro entre M. Bouchez et les bancs du PS)

Voorzitter:

Mijnheer Bouchez en anderen, ik wil er nogmaals op wijzen dat wij ons hier niet op de jaarmarkt van een of andere Waalse gemeente bevinden. Ik heb immers de indruk dat die sfeer stilaan in het Parlement begint door te dringen. Dat kan trouwens ook op Vlaamse jaarmarkten weleens het geval zijn.

Er is hier een bepaalde manier van werken. Die bepaalde manier van werken stelt dat wie zich opgeeft om de vraag te stellen aan de eerste minister, zich op de sprekerslijst laat plaatsen. Dat is bijvoorbeeld het geval voor de heer De Smet, die nu zijn twee minuten spreektijd krijgt.

Ik verzoek u hem gedurende die tijd ook te laten uitspreken.

François De Smet:

Merci, monsieur le président.

Monsieur le premier ministre, nous devons tous être un peu plus humbles dans ce débat. Il en va de même pour vous, monsieur Mahdi! Franchement, si j'étais le président du parti qui a géré la sécurité de ce pays au cours des cinq dernières années, je serais un peu plus humble sur ce sujet. En effet, les fusillades actuelles à Bruxelles résultent principalement de l'échec des deux gouvernements précédents, à savoir la Vivaldi et la Suédoise.

Nous sommes dix à intervenir sur ce sujet aujourd'hui, c'est très bien. Pour ma part, je suis intervenu tout au long de la dernière législature pour tenter d'alerter sur le fait que notre pays devenait un narco-État. Les autorités judiciaires ont fait de même, mais nous n'avons pas été écoutés.

Rappelons les faits. Les problèmes de drogue et de grand banditisme sont d'abord du ressort de la police judiciaire fédérale. Comme les polices judiciaires à Anvers et à Bruxelles n'ont pas assez d'enquêteurs, les polices locales bruxelloises se retrouvent face à des kalachnikovs. Voici la vérité!

Même si vous arrêtez cinq fois, dix fois, vingt fois ces dealers qui se tirent dessus pour un bout de trottoir et pour un territoire, nous savons tous qu'ils seront remplacés du jour au lendemain. Ce phénomène ne pourra pas être endigué si vous ne frappez pas les têtes, si vous ne frappez pas les portefeuilles, si vous ne confisquez pas l'argent, si vous ne confisquez pas les voitures de luxe et si vous ne démantelez pas les réseaux de trafic d'armes, de corruption et de blanchiment d'argent.

Il faut plus de bleus dans les rues, mais il en faut surtout plus derrière les écrans. Je reconnais que cela peut sembler contre-intuitif. Une vision simpliste et populiste du dossier consiste à dire: "Il suffit d'arrêter les gens et il suffit d'avoir des solutions simplistes, comme par exemple la fusion forcée de zones de police." Cela ne marchera pas! Si vous voulez aider les zones de police locale, revoyez la norme de financement – cela tombe bien, c'est prévu dans votre accord – et faites-le vite! Pour le reste, laissez-les tranquilles et aidez plutôt le procureur du Roi de Bruxelles en lui donnant les moyens qu'il demande! Continuez également à apporter votre aide au procureur du Roi d'Anvers! Mais surtout, il est grand temps d'aider les riverains de Bruxelles, fatigués de ce genre d'effets d'annonce, qui veulent être secourus maintenant!

Youssef Handichi:

Monsieur le premier ministre, je suis le dernier à vous poser la question. Je suis le dernier, mais je ne serai pas le premier à faire un jeu de devinettes. Je ne vais pas faire la liste des tirs. La situation est beaucoup trop dramatique. Les gens et les travailleurs dans ces quartiers, monsieur Chahid – je pense que nous venons du même quartier, ou pas très loin –, à Anderlecht, veulent vivre en paix. Ils veulent prendre les transports en commun en sécurité. À 2 h ou à 7 h du matin, ils veulent vivre en paix. Les premières actions qui ont été menées sur le terrain vont dans ce sens-là. Il s'agissait d'apporter une réponse forte.

Monsieur le premier ministre, vous avez une majorité qui vous soutient dans vos actions. Nous soutenons notre ministre de la Sécurité et de l'Intérieur dans les premières actions qui ont été menées. Sont-elles suffisantes? Nous sommes tous d'accord pour dire, non, elles ne le sont pas. C'est la question principale que j'ai à vous poser, monsieur le premier ministre: quelle est la suite de ces actions?

Effectivement, les Bruxellois, les Anderlechtois vous regardent, les trafiquants vous regardent. À un moment donné, on devra cesser cette politique visant à demander qui a fait quoi, et on devra mener des actions concrètes. Il faut taper fort. Tolérance zéro vis-à-vis de ces crapules. Monsieur le premier ministre, nous sommes vraiment impatients de comprendre, de savoir et d'aller chercher ces crapules pour les mettre en prison et assurer la paix à tous les Bruxellois.

Bart De Wever:

Chers collègues, je vais commencer par donner raison à M. De Smet. Face à la criminalité organisée, je pense que tout le monde devrait être humble et serein. Il s'agit d'un fléau mondial et il n'y a pas de réponse facile. C'est la vérité. Comme vous le savez, notre niveau de menace est actuellement au niveau 3 sur une échelle de 4. Les services se trouvent donc déjà dans un état de vigilance renforcée.

Le Conseil national de sécurité est un organe de coordination des politiques et non une entité opérationnelle. Le ministre de la Sécurité et de l'Intérieur ainsi que la ministre de la Justice sont en contact étroit avec les différents services et le parquet. Ils me tiennent régulièrement informés. Demain, ils feront un nouveau point de la situation lors du Conseil des ministres où, comme vous le savez, siègent également tous les membres permanents du Conseil national de sécurité. Si à un moment donné, nous constatons qu'il est nécessaire de convoquer un Conseil national de sécurité pour une coordination supplémentaire, je ne manquerai évidemment pas de le faire.

Wat we de afgelopen weken hebben gezien aan Clemenceau is helaas geen onbekend tafereel. Het gaat hier over een bendeoorlog, waarbij bendes op straat met elkaar in de clinch gaan en daarbij grof geweld gebruiken. Dat is een tafereel dat helaas in heel wat Europese steden een trieste realiteit is geworden. We zien ook wat er in Nederland gebeurt, namelijk dat het drugsgeweld zich niet meer beperkt tot de steden, maar zich verder verspreidt. Dat is waarvoor ik in mijn vorige bevoegdheid inderdaad altijd heb gewaarschuwd.

Het goede nieuws is dat er deze keer wel een plan klaarligt. Als u zegt dat de Nationale Veiligheidsraad moet bijeenkomen om een plan te maken, dan antwoord ik u van niet, want de bestrijding van de georganiseerde misdaad komt heel uitgebreid aan bod in dit regeerakkoord. Er is een plan en de middelen van de veiligheidsdepartementen zullen ook worden opgedreven.

Het is mijn uitdrukkelijke ambitie om een integrale aanpak uit te rollen ten aanzien van de georganiseerde misdaad en in het bijzonder van de drugscriminelen. U zult begrijpen dat dit mij heel na aan het hart ligt. Het gaat over bronland of productiesite, logistiek, invoerhavens of luchthavens, geldstromen, ondermijning, bendevorming tot en met straatdealers en uiteraard ook over het geweld dat daarmee gepaard gaat. Dat moet allemaal aangepakt worden.

Daarin past het heropnemen van zowel het Kanaalplan als het Stroomplan 2.0 en ook de fusie van de Brusselse politiezones zal bijdragen aan een efficiëntere bestrijding van de georganiseerde misdaad in onze hoofdstad. Ik hoop dus op de medewerking van alle burgemeesters. De lokale politie kan heel veel betekenen, zeker als het gaat over straatbendes en ondermijning. Ik denk dat ik heel goed geplaatst ben om u dat te vertellen. Het is dus zaak om het regeerakkoord resoluut uit te voeren.

Deze problematiek vereist een structurele aanpak. Het geweld dat men vandaag in Brussel ziet, is niet het begin, maar wel het eindresultaat, het trieste gevolg van een lange criminele pijplijn. We moeten de droevige waarheid onder ogen zien, namelijk dat niemand kan beloven dat men dit op korte termijn structureel kan doen stoppen. Sereniteit is in deze echt wel geboden. Als we het structureel willen stoppen, dan zal iedereen moeten meewerken. Elke overheid zal moeten samenwerken.

Ik ben daarvoor – letterlijk – al de wereld rond geweest. Ik heb met havens, overheden, anti-corruptiediensten en Justitie in diverse landen gesproken en de havens verenigd. Er is al zoveel voorbereidend werk verricht en er ligt zoveel klaar. Ik heb altijd goed en nauw samengewerkt met de vorige ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie. Er is al enorm veel voorbereid, nationaal en internationaal, waarvan ik nu hoop dat wij de vruchten zullen kunnen plukken. Ik heb tijdens mijn eerste meeting met de heer Costa al gezegd dat dit ook een Europese prioriteit moet worden, anders duwen wij het probleem alleen maar naar elkaar toe. Dat is echter helaas helemaal nog niet het geval. Wij hebben daarvoor iedere overheid nodig.

C’est pourquoi je déplore également qu’il n’y ait toujours pas de gouvernement de plein exercice à Bruxelles pour mettre en œuvre des réformes structurelles de manière décisive avec nous. J’appelle encore une fois chacun à arrêter les jeux politiques et à assumer ses responsabilités pour la sécurité de nos citoyens. Merci.

Ortwin Depoortere:

Wie dacht dat met de N-VA in de regering veiligheid prioriteit nummer 1 zou worden, is eraan voor de moeite. Terwijl Antwerps premier Bart De Wever enkele jaren geleden zelf opriep om het leger in te zetten, blijft het nu oorverdovend stil. Hij gaat liever naar een patserfilm en zegt dat de drugsproblematiek is wat ze is.

Mijnheer de premier, als het u menens is met de veiligheid van onze burgers, dan moet u de oplossingen van het Vlaams Belang in de praktijk omzetten, structureel en op korte termijn. Wij stellen een totaalaanpak voor met inzet van alle veiligheidsdiensten, desnoods ook met het leger, en een versterking van de gespecialiseerde politie-eenheden om de jarenlange onderfinanciering tegen te gaan. Houd desnoods grootschalige razzia's in die wijken, ga van deur tot deur, pak die criminelen op. Zet criminelen die hier illegaal zijn het land uit. Zorg opnieuw voor veilige straten voor onze bevolking!

Rajae Maouane:

Monsieur le premier ministre, je vous remercie pour vos réponses.

J'ai été un peu frustrée parce que j'aurais aimé entendre que ce dont on a besoin, ce sont des services publics qui tiennent debout. J'aurais aimé entendre qu'on a besoin d'une police bien formée et présente au quotidien dans les quartiers, d'une justice qui a les moyens d'enquêter et d'un véritable travail de prévention. J'aurais aimé entendre qu'il faut protéger les quartiers, que les quartiers populaires aussi ont droit à la sécurité et que la réponse ne peut pas être seulement répressive.

Malheureusement, votre gouvernement Arizona détricote le statut des policiers et diminue aussi la capacité à recruter des agents et des agentes.

Le procureur du Roi n'a pas demandé plus de police et plus de chefs de police. Il a demandé davantage d'inspecteurs à la police fédérale. Il n'y en avait pas qui étaient disponibles. C'est un vrai problème.

Et, quand j'entends certains partis qui sont au pouvoir depuis 25 ou 30 ans sans discontinuer, je continue à être inquiète et je me demande comment on va faire pour la suite. Parce qu'en fait, la sécurité ne se construit pas à travers des effets d'annonce; elle ne se construit pas à travers des opérations coup de poing, mais à travers de la répression, de la prévention et un travail main dans la main (...)

Alexia Bertrand:

Mijnheer de eerste minister, u hebt veel plannen. Wij willen echter concrete actie. Wij hebben u geholpen met concrete actie in Antwerpen. Welke middelen hebt u opgenomen in uw begrotingstabellen voor 2025 voor de politie? Dat is 26 miljoen euro. Dat staat in schril contrast met de 100 miljoen euro voor 2024, die wij hebben ingeschreven. Mijnheer de eerste minister, wij hebben u geholpen in Antwerpen. In Brussel zien of horen wij u niet. Wij hebben vier keer zoveel middelen uitgetrokken in 2024 dan u voor 2025 inschrijft.

Brent Meuleman:

Mijnheer de eerste minister, ik dank u voor uw antwoord en voor uw oproep tot sereniteit. Het Vlaams Belang kan daarvan nog wat leren.

Collega’s, laten we alle theater achterwege laten, want dat komt ten koste van de veiligheid van de mensen. Laat het duidelijk zijn: iedereen moet zijn steentje bijdragen.

Voor Vooruit is veiligheid een absolute topprioriteit. Hoe brengen mensen hun kinderen in godsnaam naar school, als zij elk moment in een schietpartij terecht kunnen komen? De inwoners van de betrokken wijken voelen zich niet veilig. Net om die reden hebben de regeringspartijen afgesproken dat meer centen en meer middelen naar Justitie en naar politie zullen gaan.

Immers, collega’s, alleen door nu samen op te treden, zullen wij het geweld een halt kunnen toeroepen en ervoor kunnen zorgen dat de mensen opnieuw in leefbare wijken wonen en er veilig kunnen opgroeien.

Julien Ribaudo:

Monsieur le premier ministre, vous avez parlé de sérénité. Alors, moi, je m'amuse de voir la droite s'exciter comme ça sur les bancs, bien que vous ayez eu les dix derniers ministres de l'Intérieur.

Monsieur le premier ministre, vous avez dit avoir un plan. Mais nous vous avons posé des questions concrètes et votre réponse était vague, très vague.

Avez-vous écouté le procureur du Roi hier, quand il a parlé de donner plus de moyens? Les chiffres parlent d'eux-mêmes: à Bruxelles, il manque 137 policiers à la police judiciaire fédérale, sur 722; à Anvers, il en manque 95 sur 508. Et même la police locale, qui doit se charger de la police de proximité, est en sous-effectif. Comment voulez-vous lutter contre le narcotrafic si vous démantelez les services publics et si vous détériorez les conditions de travail de la police?

Monsieur le premier ministre, vous ne pourrez pas lutter efficacement contre le crime organisé, ni garantir la sécurité des citoyens, si vous poursuivez dans cette direction.

Sammy Mahdi:

Dank u, mijnheer de eerste minister. U hebt terecht gezegd dat we verder kordaat moeten optreden.

Mijn laatste boodschap geef ik in het Frans.

Ce message s'adresse à certains jeunes de quartiers.

À toi, petit dealer, qui essaies d'avoir de l'argent facile en trafiquant de la drogue. Toi, le petit dealer, alors que tes grands-parents et tes parents se sont cassé le dos pour travailler dans cette société, aujourd'hui, tu te retournes contre cette société. À toi, petit dealer, qui peut-être écoutes certains partis de gauche qui te disent que tu n'as aucune opportunité dans cette vie, je veux te faire passer un message. C'est qu'il y a deux options. Ou bien tu t'intègres, tu t'investis et tu prends les opportunités qui existent au sein de cette société. Ou bien tu feras face à un pouvoir politique qui ne tolérera pas qu'aujourd'hui, des jeunes menacent la sécurité pour eux-mêmes, pour les autres jeunes de quartiers et pour les parents. Pas avec nous, pas avec ce gouvernement! J'espère que tu l'as bien entendu!

Maaike De Vreese:

Het is fake news, mevrouw Bertrand. U zou beter moeten opletten en even luisteren. U verkoopt hier in het Parlement fake news. Dat weet u. U moet leren optellen. Het gaat om 110 miljoen erbovenop.

Ik kan u één ding zeggen, collega's. De bendes hebben een heel slecht moment uitgekozen. Die criminelen hebben een slecht moment uitgekozen. Want wij zullen er staan. Arizona zal er staan, als één blok. Wij zullen zorgen voor een eenheid van commando. Het is met ons of het is tegen ons. Wie niet horen wil, zal voelen.

We zullen dit allemaal samen doen. Daarom is het zo belangrijk en vraag ik ook die lokale besturen en het gewest om zich achter dat blok te scharen en zich niet weg te steken, maar om de strijd samen met ons aan te gaan.

De voorzitter:

Het zal u bekend zijn, mevrouw Bertrand, dat eventuele tussenkomsten of persoonlijke feiten aan bod komen na afloop van het debat.

Ridouane Chahid:

Monsieur le premier ministre, merci pour les réponses, mais vous n'avez pas répondu à un certain nombre de questions. Au mieux, vous avez lu la déclaration de gouvernement que vous aviez déjà lue il y a quelques jours. Mais la question est la suivante: est-ce vraiment avec 75 millions d'euros que vous allez apporter une réponse face à des narcotrafiquants qui brassent des milliards?

Vous avez parlé de la police locale. Aujourd'hui, les polices locales, les sections locales de recherche se mettent à disposition pour aider la police fédérale, pour faire en sorte de trouver des solutions et de régler des problèmes de fond.

L'appel du procureur du Roi est donc simple. Ce n'est pas une fusion des polices qui va régler le problème, mais c'est engager des enquêteurs. Il manque plus de 100 enquêteurs à la police judiciaire fédérale. C'est ce qu'ils attendent de vous.

François De Smet:

Monsieur le premier ministre, merci pour vos réponses. Il y a de bonnes choses. Mais sur la fusion des zones de police, pour rappel, les six zones bruxelloises font déjà partie du top 12 des zones les plus denses. Si vous les fusionnez de force, vous allez déstructurer une police de proximité, qui est une des rares choses qui fonctionnent dans l'ensemble.

Non seulement les 19 bourgmestres, toutes couleurs confondues, sont contre. Le procureur du Roi vous dit que c'est une mauvaise idée. Le procureur général vous dit que c'est une mauvaise idée.

De grâce, arrêtez avec ce qui ressemble de plus en plus à un nouveau BHV, à un totem communautaire absolument irrationnel, qui n'a pas de plus-value. Arrêtez de vous attaquer aux zones de police; attaquez-vous aux narcotrafiquants.

Youssef Handichi:

Tout d'abord, un petit message au PTB: au lieu de se poser la question de qui a eu quoi comme ministères ces 30 dernières années, peut-on être d'accord sur le fait que vous, vous n'avez jamais rien eu dans les mains? C'est un premier point.

Ensuite, je m'adresse aux camarades de la gauche. Il faudrait peut-être faire la liste de vos compétences et voir où se trouve aujourd'hui M. Vervoort. Il est aux abonnés absents. M. Cumps à Anderlecht fait des effets d'annonce, mais où est la police locale?

Effectivement, nous avons renforcé la présence des bleus. C'est une première réponse qui est nécessaire. Pas du tout de la prévention, mais de la répression. Comme je vous l'ai dit, à un moment donné, la peur doit changer de camp, monsieur le premier ministre. Vous avez une majorité qui vous soutient dans ce sens-là. Merci.

Persoonlijk feit

Fait personnel

Alexia Bertrand:

Het was uiteraard een persoonlijk feit, mijnheer de voorzitter. Wie vertelt hier nu fake nieuws? Ik heb hier de tabellen. Daar staat voor de ministerraad van 23 oktober 2020: plus 100 miljoen euro in 2024 voor de politie. Bij jullie is dat 26 miljoen euro. Dat is vier keer minder, bovenop natuurlijk. Wij zijn het eens, mijnheer Ronse. Het is 100 miljoen euro bovenop de middelen die voorzien waren. Wij hebben dus vier keer meer gedaan dan wat jullie gaan doen in 2025. Dat is een feit.

Voorzitter:

Het woord is aan mevrouw De Vreese. Het Reglement bepaalt dat de aangesprokene repliektijd krijgt. (Protest op de Open Vld-banken)

Collega's, het zou fijn zijn als u allemaal het Reglement even bekijkt. Ik geef dus het woord aan mevrouw De Vreese.

Maaike De Vreese:

Collega Bertrand, u zou als geen ander de begroting moeten kennen. De verhoging van Vivaldi is natuurlijk mee in de begroting opgenomen. Daar doen we dit nog eens bovenop. Het is natuurlijk jammer en pijnlijk voor Open Vld om dit te horen, maar wij doen het er dus nog bovenop, dit in een context waarin uw partij een desastreuze begroting heeft achtergelaten. U gaat ons nu lesjes leren over de manier waarop wij in veiligheid moeten investeren, terwijl u in de voorbije legislatuur een put hebt achtergelaten. Het is een schande dat u op die manier durft tussen te komen.

Voorzitter:

Ik verwijs even naar artikel 55. Het is altijd toegestaan het woord te vragen voor het beantwoorden van een persoonlijk feit. De toelichting van het persoonlijk feit en het eventuele antwoord van een ander lid of een lid van de regering mogen samen niet meer dan vijf minuten van de tijd in beslag nemen.

Het Europese overleg over Oekraïne en de Europese defensie
Het Europese overleg over Oekraïne
Europese veiligheidsstrategie

Gesteld aan

Bart De Wever (Eerste minister)

op 20 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om Europa’s afhankelijkheid van de VS en de dreiging van Trump’s pro-Russische houding, waarbij kritiek is op plannen voor extra Amerikaanse wapeninkopen (F-35’s) en de passiviteit tegenover Trump’s verdeel-en-heersstrategie (o.a. Oekraïne, Groenland). De Wever benadrukt meer Europese defensie-investeringen en eensgezindheid (steun aan Oekraïne, "vrede door kracht"), maar ontwijkt concrete antwoorden over wapenbestellingen. Mertens en Van Hoof waarschuwen voor blind vertrouwen in de VS en pleiten voor strategische autonomie, zonder de trans-Atlantische band volledig te verbreken. Kernpunt: Europa moet zelf veiligheid garanderen, maar blijft verdeeld over hoe om te gaan met Amerikaanse en Russische belangen.

Peter Mertens:

Mijnheer de eerste minister, in De Tijd zegt minister van Defensie Francken dat we ons beter wat zouden inspireren op het Amerikaanse model, dat de sociale zekerheid iets voor wussies is en dat we beter nog wat meer Amerikaans materiaal zouden bestellen.

Ik heb het gevoel dat er in Europa een soort Stockholmsyndroom heerst, want sinds de eerste dag dat Donald Trump opnieuw president is geworden, heeft hij alleen maar gehandeld alsof de Europese lidstaten niet van tel zijn. Dat was al duidelijk in de Groenlandkwestie, een land vol mineralen dat al 800 jaar bij Denemarken hoort en waarvan Theo Francken trouwens zegt dat de Verenigde Staten het best mogen hebben. Er kwam daarop zo goed als geen reactie.

Dat was ook duidelijk met de inmenging van Elon Musk in de politieke aangelegenheden in Europa, met name in Duitsland. J.D. Vance heeft dat nadien nog eens overgedaan. Er kwam daarop enkel een erg flauwe reactie. Dat is vandaag opnieuw het geval met de deal tussen Trump en Poetin over Oekraïne, waarbij Trump wil dat Europa de oorlogskosten draagt en hij met de kostbare grondstoffen kan gaan lopen. Get real , Trump is niet de vriend van de Europese Unie en zal dat ook niet worden. Het is niet door meer materiaal te bestellen bij Lockheed Martin dat Trump van mening zal veranderen.

Mijn vraag aan u en aan deze regering is of deze regering nog steeds van plan is om, zoals Theo Francken beweert, extra F-35's in de Verenigde Staten te bestellen, F-35's die trouwens niet kunnen opstijgen zonder de toestemming van het Pentagon. Is ons land nog steeds van plan om meer militaire bestellingen bij de VS te plaatsen in de hoop dat Trump daardoor kalmeert?

Els Van Hoof:

Mijnheer de premier, de mensen liggen wakker van de dagelijkse onheilsberichten die de wereld op zijn kop zetten. Donald Trump heeft duidelijk geen gebrek aan fantasie: Zelensky is een dictator en Oekraïne is verantwoordelijk voor de oorlog. Er is duidelijk een open lijn tussen Moskou en Washington. Trump lijkt wel een Russische onderhandelaar, bijna een communist, mijnheer Mertens.

Moskou kan zich geen beter openingsbod indenken. Het vredesplan van Trump is duidelijk een capitulatie, terwijl we net nood hebben aan veiligheidsgaranties, zowel voor Oekraïne als voor Europa. Als kers op de taart lijkt het erop dat Oekraïne verdeeld wordt in Russische en Amerikaanse wingewesten, terwijl Oekraïne en de Europese Unie lijdzaam moeten toekijken. We vragen ons dus af of de Verenigde Staten nog een bondgenoot zijn.

We hebben vandaag nood aan een Europese sense of urgency en aan eensgezindheid. Daarnaast zijn er meer investeringen in veiligheid en meer investeringen in defensie nodig. Ik ben het dus niet eens met de communistische partij hier. We moeten de duidelijke boodschap brengen dat er geen Oekraïense vrede komt zonder Oekraïne en dat er geen Europese veiligheidsregeling komt zonder Europa.

Mijnheer de premier, wat werd er besproken tijdens de al dan niet virtuele digitale top in Parijs? Welke boodschap zal Macron brengen in Washington? Als er geen eensgezindheid is tussen de 27 lidstaten, is er dan bereidheid tot samenwerking tussen gelijkgezinde staten?

Bart De Wever:

Bedankt, collega Van Hoof, om alle vragen te stellen waarover wij gezworen hadden te zullen zwijgen. Ik zal mijn best doen.

Mijnheer Mertens, het viel mij op dat er een langgerekte aanval op Trump was – daar is misschien een reden voor, het is nog altijd een NAVO-bondsgenoot – maar geen kwaad woord over Vladimir Poetin. Dat viel me wel op in uw tussenkomst.

De eerste twee weken van mijn premierschap, dat nog twintig jaar zou moeten duren, waren alleszins redelijk vermoeiend. Er was de defensietop, er waren heel wat bilaterale contacten met regeringsleiders, er was een gesprek met de voorzitter van de Europese Raad, er was een onderhoud met de Oekraïense premier en gisteren was er de informele top van Macron in Parijs. Het waren drukke weken, met als voornaamste onderwerp uiteraard het onderwerp van uw vraag.

In het laatste overleg in Parijs was de pertinente vraag die iedereen bezighield hoe een duurzame vrede er nu uit zou zien. Hoe kan die eruit zien? Wat is daarvoor nodig? Het is natuurlijk een zaak om die oorlog te doen stoppen, het is een andere om te verzekeren dat Rusland geen nieuwe aanvallen op Oekraïne of op het Westen zou kunnen lanceren. Ik herinner u aan de Minskakkoorden van 2014-2015, zeven jaar later door Rusland versnipperd met een brutale invasie.

Het is dus alleszins zeker dat ons land meer defensie-inspanningen zal moeten leveren, om bij te dragen tot de veiligheid van ons continent. Inderdaad, ons defensiebudget zal stijgen en wij zullen op een verstandige manier met die centen omgaan, mijnheer Mertens.

Ik denk dat in Europa heel wat beslissingen, die anders misschien heel veel tijd vragen, met betrekking tot de integratie van de markten, tot minder wapensystemen, tot intelligente keuzes over de eigen productie en intelligente keuzes over de aankoop weleens op korte termijn zouden kunnen worden genomen, maar het moet gebeuren.

Ik moet discreet blijven over het overleg in Parijs, maar ik zal u de principes meegeven, waarvan iedereen wel weet heeft en die voor alle deelnemende naties enorm belangrijk zijn.

Ten eerste moeten we de steun aan Oekraïne volhouden. Daarover waren we het allemaal eens. Ten tweede zal een deal zonder Oekraïne en zonder Europa nooit een aanvaardbare optie zijn en nooit tot een gewenst resultaat leiden. Men kan de Europeanen niet vragen een vredesbestand te verdedigen aan hun buitengrens waarover zij geen zeggenschap hebben gehad. Ik moest terugdenken aan de 18 e eeuw, namelijk aan 1713 en de vrede van Utrecht met Melchior de Polignac: "Nous traiterons de vous, chez vous, sans vous". Die vernedering weerklinkt nog altijd in de geschiedenis en die mag zich niet herhalen. Ten derde en ten slotte was iedereen het erover eens dat de Europese landen en bijkomende partners zoals Canada, het Verenigd Koninkrijk, Noorwegen en IJsland op korte termijn beslissingen moeten nemen om die posities kracht bij te zetten: peace through strength .

President Macron heeft aangegeven de nodige contacten hiervoor te leggen. Hij heeft een leiderschapsrol opgenomen en zou coördineren met de EU en de NAVO. We zullen de lijnen met die partners heel kort houden.

Het is alleszins zeker dat agressie richting Europa niet mag worden getolereerd en dat Rusland de agressor en Oekraïne het slachtoffer is. Het vrije democratische westen heeft maar een keuze, als het trouw wil blijven aan zijn waarden: Oekraïne steunen op weg naar een door hen aanvaardde en duurzame vrede. Dat zal ook de boodschap zijn die ik morgen uitspreek, wanneer ik president Zelensky zal spreken. Ik hoop dat ik die boodschap kan geven met de ondubbelzinnige steun van ieder lid in dit halfrond. Slava Ukraini! (Applaus)

Peter Mertens:

Mijnheer de eerste minister, het valt mij op dat u in het regeerakkoord heel veel spreekt over Poetin en wellicht is dat terecht. Over de Verenigde Staten staat er één belangrijke zin in dat regeerakkoord, namelijk dat het onze belangrijkste en beste bondgenoot voor wereldwijde stabiliteit is. Wel, ik mag hopen dat u noteert wat de president vindt over bijvoorbeeld Panama, dat u noteert wat hij vindt over bijvoorbeeld Groenland, een deel van de Europese Unie nota bene, dat u noteert wat de president denkt over Gaza, dat hij wil opkopen, en dat u beseft wat hij nu aan het doen is met Poetin, namelijk het onderling verdelen van Oekraïne en het roven van de grondstoffen. Dat is hetgeen gebeurt.

Ik had een beetje zelfreflectie van de Europese leiders verwacht. Ook in ons land had ik een klein beetje zelfreflectie verwacht. Is het wel strategisch voor Europa om ons wagonnetje aan dat van de Verenigde Staten te blijven hangen? Is het wel strategisch om daar nieuw materiaal te bestellen? Daarop hebt u trouwens niet geantwoord en dat is heel duidelijk.

Els Van Hoof:

Mijnheer de premier, om toch al een tipje van de sluier te lichten, ik nam in mijn vraag dezelfde positie in al u. Wat we nodig hebben en dit is wat mensen willen, is duurzame vrede. Mijnheer Mertens, mensen willen veilig zijn. Dat betekent ook investeren in Europese defensie. Wij moeten onze eigen belangen kunnen behartigen. Moeten we daarom de trans-Atlantische bruggen opblazen? Nee, maar we moeten wel onze eigen boontjes kunnen doppen, want het is heel duidelijk dat Europa solidair moet blijven met Oekraïne. Europa kan namelijk niet veilig zijn zonder een veilig en soeverein Oekraïne. Het is onze morele plicht om die waarden te verdedigen, zoals we altijd hebben gedaan, en we mogen Oekraïne dus niet in de steek laten.

De politieke patstelling in Brussel en de nefaste impact ervan op België

Gesteld aan

Bart De Wever (Eerste minister)

op 20 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Bouchez (MR) hekelt het 20-jarige links bestuur in Brussel (PS) vanwege institutionele blokkade, financieel wanbeleid (1,6 miljard tekort), verwaarloosde veiligheid (90 schietpartijen in 2024) en migratiebeleid dat georganiseerde criminaliteit voedt, terwijl symbolische moties (bv. Israël-sankties) de echte problemen maskeren. De Wever (N-VA) bevestigt de acute crisis: acht maanden zonder regering, quasi-faillissement, en kondigt federale ingrepen aan zoals poliezonesamenvoeging, strenger CPAS-toezicht en een Plan Canal 2.0 om de veiligheid en het budget te herstellen, met een oproep tot "eindelijk verantwoordelijkheid" bij alle partijen. Bouchez benadrukt de ironie dat een Vlaams-nationalistische premier meer institutioneel respect toont dan de linkse 'landsliefhebbers' en waarschuwt dat Brussel zonder dringende hervormingen riskeert onder federale tutelle te vallen. Kern: Brussel als ongbestuurbaar, onveilig en financieel onhoudbaar door links beleid, met federale reddingsplannen als enige uitweg.

Georges-Louis Bouchez:

Monsieur le président, je voudrais commencer en proposant une devinette aux collègues. Connaissez-vous la différence entre la gauche et la droite? Quand la droite perd les élections, elle se tait, elle va au Parlement et elle fait son travail d'opposition. Quand la gauche perd les élections, elle fout le feu à la rue, elle crée du bordel partout dans la société; et en plus, maintenant, elle bloque totalement une Région sur le plan institutionnel. C'est une grande différence.

Cette Région est pourtant dans de graves difficultés. Malgré les graves difficultés de cette Région, nous avons pu voir récemment un vote, par exemple, pour sanctionner Israël et ne plus lui livrer des armes depuis Bruxelles. Cela tombe bien: il n'y a pas d'entreprise d'armement à Bruxelles. C'est vraiment un texte d'une utilité majeure.

Pendant ce temps-là, cela leur permet de ne pas évoquer toute une série de vrais sujets comme la violence. Il y a eu 90 fusillades en 2024 à Bruxelles. Le ministre-président, Rudi Vervoort – pour lequel il faut d'ailleurs peut-être lancer un avis de recherche, monsieur le premier ministre –, nous expliquait qu'il n'y a pas de problème de sécurité à Bruxelles.

Tout à l'heure, le PS voulait savoir quelle était sa responsabilité. Ils gèrent cette Région depuis 20 ans. Eh bien, figurez-vous, monsieur Chahid, que vous avez des collègues bourgmestres qui ne savent même pas qui réside dans certains logements. Le fait d'avoir favorisé l'immigration illégale par un soutien social fait qu'aujourd'hui, une partie des membres de cette immigration illégale alimente le crime organisé.

Cette Région, dominée par la gauche depuis 20 ans, a un risque de pauvreté qui est le double de la moyenne nationale. Nous sommes aussi dans une Région où, sur un budget d'un peu plus de 7 milliards, le déficit est aujourd'hui de 1,6 milliard.

Monsieur le premier ministre, ma question est très simple. Tous ces enjeux pour notre Région capitale comportent des risques pour la Belgique, des risques par rapport à notre statut de capitale des institutions européennes, des risques aussi sur le plan du budget. À ce titre-là, je voudrais les connaître et savoir la réponse que nous pouvons y apporter.

Bart De Wever:

Cher collègue, cher Georges-Louis, je vous remercie pour cette question. La formation d'un gouvernement bruxellois dure depuis plus de huit mois. C'est sans précédent!

Le formateur bruxellois, David Leisterh, fait une ultime tentative pour mettre en place un gouvernement bruxellois. Comme vous le savez, chaque groupe linguistique doit former une majorité pour obtenir ce gouvernement. C'est une réalité constitutionnelle que chacun doit accepter et respecter, surtout le parti qui ose accuser les autres de se lancer dans des aventures communautaires. Il faut arrêter ce sketch!

Les limites ont été largement dépassées, en termes de délai et en ce qui concerne la situation même à Bruxelles. La Région est virtuellement en faillite et risque même de ne plus pouvoir se financer. J'appelle donc à ce que le bon sens l'emporte et qu'un gouvernement bruxellois soit mis en place, engagé à être réformateur afin que le budget puisse enfin être assaini.

Bruxelles a besoin de réformes structurelles fondamentales, non seulement sur le plan social et économique mais surtout en matière de sécurité. Les récentes fusillades en témoignent. Comme je l'ai annoncé tout à l'heure, le gouvernement fédéral prend les choses en main.

L'accord de gouvernement fédéral prévoit notamment que les six zones de police actuelles fusionneront en une seule zone. De plus, nous allons développer et mettre en œuvre un Plan Canal 2.0. En outre, nous avons l'ambition d'avoir un contrôle beaucoup plus strict sur les CPAS, ce qui me semble particulièrement pertinent à Bruxelles.

Il est temps de remettre de l'ordre dans la capitale! Il faut en finir avec le laxisme et la politique du laissez-faire. L'image de la capitale en souffre tant à l'intérieur du pays qu'au niveau international. J'en appelle au sens des responsabilités de tous les partis concernés.

Georges-Louis Bouchez:

Merci monsieur le premier ministre pour votre réponse claire. Je pense que nous vivons un moment d'histoire assez particulier où un premier ministre, issu d'un parti nationaliste flamand, est beaucoup plus respectueux des institutions et du fonctionnement institutionnel de ce pays que des socialistes, que des gens de gauche qui soit-disant répètent sans cesse aimer le pays et vouloir le faire fonctionner.

Vous l'avez évoqué, M. le premier ministre, les réformes sont majeures. Et à cet égard, puisqu'on parlait des fusillades à Anderlecht, je tiens quand même à dire que le bourgmestre de cette commune, s'il était soutenu aussi par un gouvernement régional, pourrait faire autre chose que de distribuer des aides aux CPAS qui en l'occurrence sont indues plutôt que de lutter contre l'insécurité. Et aujourd'hui, mesdames et messieurs, je veux dire à tous les démocrates de ce pays que si l'on veut que Bruxelles ne rime pas avec tutelle, il est grand temps que la classe politique bruxelloise, dans son intégralité, prenne ses responsabilités car il est minuit moins une. Je vous remercie.

Voorzitter:

Bedankt, mijnheer de eerste minister, daarmee hebt u een hele reeks collega's al dan niet tevreden gesteld. Er is nu een kleine verschuiving in de volgorde. Minister Crucke moet vandaag eerder het Halfrond verlaten. We zullen de vragen voor de heer Crucke dus even naar voren schuiven.

De defensiebegroting
Het Defensiefonds
De uitspraak van de Secretary of State van de VS over de investering van 5 % van het bbp in defensie
De modaliteiten van het Defensiefonds en de weg naar de 2 %-norm
Het Defensiefonds
De uitspraken van de minister van Defensie in de pers
Het Defensiefonds
Financiering, begroting en investeringen in defensie

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 19 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De nieuwe minister van Defensie, Theo Francken, bevestigt de NAVO-doelstelling van 2% BBP voor defensie tegen 2029 (nu ~1,3%), gefinancierd via een Defensiefonds (dochter van SFPIM) en structurele budgetverhogingen (1 miljard extra tegen 2029). Het fonds, gevuld met opbrengsten uit verkoop van staatsdeelnemingen (bv. Proximus, bpost) en dividenden, moet 2,4-3 miljard opleveren, maar kritiek blijft over de structurele houdbaarheid en mogelijke afbouw sociale zekerheid—wat Francken ontkent, ondanks eerdere uitspraken over "Amerikaanse keuzes". Kernpunten: financieringsonzekerheid (beurswaarden laag, EU-budgetregels onduidelijk), spanningsveld met sociale uitgaven (tegenstand Vooruit), en druk om naar 3-5% BBP te gaan (NAVO-top Den Haag). Oppositie eist parlementair toezicht op verkoop staatsactiva en Europese defensie-autonomie, terwijl Francken praktische samenwerking en transparantie via commissiebezoeken belooft.

Voorzitter:

Minister Francken, ik heet u als nieuwe minister van Defensie van harte welkom. Het is alvast een goed begin. De eerste week dat wij u oproepen om vragen te komen beantwoorden, komt u daar meteen aan tegemoet. Houd dat zeker vol. Op de agenda staan vragen over thema's die we ongetwijfeld tijdens de behandeling van uw beleidsnota dieper kunnen bespreken, maar enkele eerste reflecties zijn wellicht welgekomen.

Nabil Boukili:

J’ai deux questions dans ce débat que je vais regrouper. Monsieur le ministre, félicitations pour votre nouveau poste. Depuis que vous êtes désigné comme ministre de la Défense, vous avez été présent dans les médias et notamment la semaine dernière. Plusieurs de vos déclarations ont d'ailleurs fait froncer les sourcils.

Je vais prendre quelques citations tirées de votre entretien avec le journal De Tijd . Je vous cite: "Pendant des années, on s’est moqué des Américains pour leur pauvreté, leurs addictions, leur manque de filet social ou le fait qu’ils doivent payer 1000 dollars chez le dentiste. On ne voulait pas y vivre parce qu’ils consacraient tout leur argent à la sécurité dure. Il est évidemment bien plus agréable de dépenser de l’argent pour les pensions, le chômage, un système de santé cubain où pour 13 euros, on peut sortir de la pharmacie avec un grand sac de médicaments, mais qui a raison aujourd’hui?"

Vous éprouvez également beaucoup de compréhension envers les ambitions impérialistes de Trump au Groenland et là, je vous cite encore: "les Danois sont peut-être de courageux vikings mais ils restent petits. Je préfère que les Américains gardent la situation bien sous contrôle là-bas".

Tout cela, monsieur le ministre, témoigne d’une vision et d’une logique assez dangereuse qui ne nous rapprochera en rien de la paix, d’une Europe de plus en plus militarisée et agressive et d’une Belgique où les droits sociaux sont sacrifiés au nom de la militarisation. Au lieu de notre sécurité sociale, vous privilégiez comme vous dites la sécurité dure, à l’américaine: moins de sécurité sociale pour les travailleurs et les pensionnés, toujours plus d’argent pour les multinationales de l’armement.

Le gouvernement Arizona a décidé d'augmenter fortement le budget de la Défense au cours de la prochaine législature. Ainsi, l'accord de coalition et les tableaux budgétaires prévoient qu'il sera porté à 2 % du PIB d'ici 2029 et même à 2,5 % du PIB d'ici 2034, pour répondre à la norme de l'OTAN. Le STAR-plan sera davantage financé et il y aura également un Fonds de défense. L'objectif est de vendre des participations publiques dans des entreprises pour investir dans l'industrie de la défense belge. Vous avez dit que ces 2 % signifieront 12 milliards d'euros; c'est structurellement 4 milliards de plus qu'aujourd'hui. Et là, vous indiquez déjà que vous ne voulez pas vous arrêter là.

Dès lors, monsieur le ministre, jusqu'où voulez-vous aller, jusqu'à 3 % ou bien 5 % comme le proposent aujourd'hui les États-Unis – ce qui représente 30 milliards par an, selon vos propres mots? Et nous savons où vous allez trouver cet argent. Vous comptez couper dans la sécurité sociale. À ce sujet, vous êtes assez honnête.

Monsieur le ministre, savez-vous ce que cela va coûter aux gens et aux travailleurs? Un économiste de l'Université de Gand l'a calculé. Atteindre les 2 % coûtera 1 000 euros à chaque famille. Autre exemple, si on applique le taux de 3,5 %, comme le souhaite Mark Rutte, chef de l'OTAN, uniquement aux pensions, cela signifie que l'on réduit de 20 % les pensions versées aux travailleurs.

Monsieur le ministre, est-ce là l'avenir que vous envisagez pour la Belgique? Voulez-vous vraiment que la Belgique s'oriente vers un modèle américain de sécurité sociale et de soins de santé? La ministre flamande, Caroline Gennez, qui appartient à un parti de votre coalition, a déclaré vendredi dernier sur la VRT: "Avant tout, n'abusons pas de nos investissements dans la Défense pour démanteler l'État providence et la sécurité sociale". C'est la ministre Gennez qui le dit.

Voorzitter:

Pouvez-vous terminer, s'il vous plaît, monsieur Boukili?

Nabil Boukili:

Oui, monsieur le président, je suis en train de conclure. C'est ma dernière question.

Monsieur le ministre, confirmez-vous que vous la contredisez et que vous voulez encore réduire la sécurité sociale pour les travailleurs en Belgique?

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de minister, gefeliciteerd met uw aanstelling. Ik kijk uit naar een constructieve samenwerking over meerderheids- en oppositiegrenzen heen.

Ik heb een vraag over het Defensiefonds. Onze krijgsmacht staat of valt met het budget. We weten allemaal dat defensie al jaren op haar tandvlees zit en dat het nodig is om er extra in te investeren. Op pagina 8 van het regeerakkoord staat dat het grootste deel van de extra financiering van Defensie zal gebeuren via het nieuwe Defensiefonds. Tijdens het nachtelijke debat van 6 februari hebt u aangegeven dat dit een cruciaal element is om de doelstelling van 2 % van het bbp te halen. Het plan is om dit fonds te spijzen met de verkoop van geselecteerde overheidsparticipaties. Tijdens dat debat hebt u ook aangegeven dat in de komende weken of maanden het Defensiefonds zal worden opgericht en dat dit bij koninklijk besluit bevestigd zal worden.

Ik steun de ambitie in het regeerakkoord om 2 % van het bbp te halen. Dat is slechts een stap in de goede richting, maar het is wel een noodzakelijke stap. Alleen is het me op dit moment nog onvoldoende duidelijk waar de regering die middelen vandaan zal halen. De bedragen die nu in de budgettaire tabel staan, volstaan niet. Ik begrijp echter dat het Defensiefonds het verschil zal dichtrijden.

Ik heb hierover een aantal vragen voor u. Kunt u de werking van het Defensiefonds kort toelichten? Kunt u toelichten over welke geselecteerde overheidsparticipaties het gaat? Waar staat men nu met de oprichting van het Defensiefonds? Zijn er al gesprekken geweest met de SFPIM?

U schat dat het Defensiefonds ongeveer 2,4 miljard zal moeten opleveren, als men ervan uitgaat dat het bbp niet meer wijzigt tussen nu en 2029. Houdt u rekening met een stijging? Zal die er dan voor zorgen dat ook het budget van het Defensiefonds zal stijgen?

In de budgettaire tabel voorziet men in middelen voor rattrapage van het STAR-plan en voor extra middelen. Komen die middelen ook uit het Defensiefonds of zijn ze al afgesproken binnen de huidige begroting? Kunnen we erop rekenen dat die middelen alvast genoteerd staan tot en met 2029?

Hoe zal het Defensiefonds een structurele oplossing bieden op lange termijn? De verkoop van geselecteerde overheidsparticipaties zorgt voor een eenmalige opbrengst. We kunnen wel rekenen op dividenden enzovoort, maar hoe zal het Defensiefonds ertoe leiden dat we de NAVO-norm op een structurele manier kunnen halen?

François De Smet:

Mijnheer de minister, allereerst proficiat! Félicitations. Ce n'est pas un secret, nous sommes souvent d'un avis différent. Cependant, il y a toujours eu du respect et je sais combien vous êtes motivé par cette mission, combien vous êtes préparé dans cette mati è re qui vous passionne. En ces temps difficiles, je crois qu'il en va de l'intérêt général que vous réussissiez. Ce sont des temps à la fois ardus et passionnants pour être ministre de la Défense.

Le 13 février, vous avez fait connaissance de votre homologue américain, Pete Hegseth, lors d'une rencontre à l'OTAN à Bruxelles. Ce dernier est revenu sur les déclarations de son président, M. Trump, exigeant que les pays de l'OTAN consacrent 5 % de leur PIB aux dépenses militaires, disant qu'il a raison. Personnellement, je soutiens fortement la fameuse marge des 2 %. Il faut être réaliste et prendre conscience du monde dans lequel nous basculons. Sur ce point, franchement, l'accord de gouvernement est bon. Mais nous savons combien atteindre cette marge des 2 % est déjà difficile pour de nombreux pays européens, dont la Belgique. La plupart des partenaires à cette réunion auraient quand même déjà indiqué que ces 5 %, c'est irréaliste. Et certains font valoir que même les États-Unis n'y sont pas.

Monsieur le ministre, faut-il prendre, selon vous, ce chiffre de 5 % au sérieux? Avez-vous eu l'occasion de discuter avec le secrétaire d'État américain des efforts que vous comptez entreprendre pour atteindre déjà les 2 %?

S'agissant du Fonds défense, nous sommes toujours dans l'expectative. D'après l'accord de gouvernement, une première tranche de vente de certains actifs serait prévue déjà cette année. Quand? Quoi? Pour combien? On ne sait pas. J'ai beau être un fervent partisan de l'investissement vers les 2 %, je ne voudrais cependant pas que cela se fasse dans une précipitation qui braderait nos actifs. Donc, il y a un vrai sujet. Je ne voudrais pas que la nécessité d'un Fonds défense soit une occasion de liquider prestement quelques bijoux de famille de l'État belge. Qui va décider? Est-ce un dialogue avec votre collègue Mme Matz? Y a-t-il une vision stratégique précise pour ne pas brader des actifs à un mauvais moment? Quand atteindrons-nous ce cap des 2 %?

Annick Ponthier:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ik heb het al aangegeven, u hebt met Defensie een mooi en uitdagend departement voor uw rekening mogen nemen. Ik wil u daarmee oprecht succes toewensen.

U hebt in een van uw eerste toelichtingen ook gesteld dat u met de huidige regering de 2 %-norm tot doel stelt tegen 2029. Dat is natuurlijk beter dan niets, maar het is uiteraard onvoldoende om aan de NAVO-verwachtingen te voldoen en onze eigen defensiecapaciteiten te actualiseren, wat u ook al hebt bevestigd.

U hebt zich, indien ik u mag citeren, vorige week de oren moeten laten wassen op het eerste overleg met de Amerikaanse minister van Defensie. U zou in een Defensiefonds voorzien om zo snel mogelijk naar de 2 %-norm te evolueren. Dat fonds zou de regering financieren door de verkoop van overheidsparticipaties. Er wordt in dat verband gesproken – u zult dit misschien bevestigen – over Proximus en bpost.

Het probleem is echter dat hun aandelen op een historisch laag peil staan. De cijfers die wij tijdens de bespreking van het regeerakkoord hebben gekregen, met name de begrotingstabellen en de tabellen die ons toen werden bezorgd, brachten naar onze mening alvast geen soelaas. Met 1,1 miljard euro extra komt de regering er niet. Ze zal uit het Defensiefonds naar mijn mening – u kunt dit misschien bevestigen – maar liefst 2,4 miljard euro nodig hebben. De verkoop van de geselecteerde overheidsparticipaties zal daartoe niet volstaan.

Ik heb de volgende vragen.

Kunt u op dit moment al een soort status quo over het Defensiefonds geven? Kunt u een groeitraject voorleggen voor de stijving van het fonds?

Hoeveel zou de verkoop van die overheidsparticipaties naar schatting opbrengen? Hoeveel zou de verkoop de Staat en de burger kosten? De verkoop van aandelen tegen lage waarden betekent een verliespost voor de Staat.

Zal de verkoop van de participaties volgens u voldoende zijn om de geschatte 2,4 miljard euro op te leveren? Zijn er bijkomend andere financieringsmogelijkheden uitgewerkt om het traject te halen? Is er al definitief beslist dat de participaties waarvan sprake zullen worden verkocht? Wat is de langetermijnvisie qua financiering van de bijkomende middelen voor Defensie?

Ten slotte, mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, hoe zult u rekening houden met een stijging van het Belgische bruto binnenlands product en dus met een verhoging van de eventueel benodigde 2,4 miljard euro uit het Defensiefonds? Hoe zult u rekening houden met de verwachte hogere NAVO-budgetnormen tegen 2029, waarvan zowel secretaris-generaal Rutte als president Trump al gewag heeft gemaakt?

Staf Aerts:

Mijnheer de minister, ook ik wil u van harte welkom heten in onze commissie in uw nieuwe functie. Het thema van het Defensiefonds kwam ook al aan bod tijdens de nachtelijke bespreking van het regeerakkoord, omdat het de aanzienlijke stijging van de defensiemiddelen moet helpen financieren. Zolang we daarop geen zicht hebben, dreigt uw beleid met al uw maatregelen aankondigingspolitiek te blijven. Ik heb dus een aantal belangrijke vragen over het Defensiefonds.

Hoe ziet u het Defensiefonds concreet? Welke timing voorziet u voor de uitrol?

Op welke manier zult u ervoor zorgen dat het fonds na een jaar niet uitgeput is? Als we het fonds immers met eenmalige inkomsten stijven, kunnen we dat geld ook maar eenmalig uitgeven. Ik ben dus zeer benieuwd naar uw aanpak opdat het Defensiefonds de structurele uitgaven, goed voor 2 %, in de praktijk consequent zal financieren.

U gaf tijdens het debat aan dat het voor een deel van de uitgaven nog niet duidelijk was of ze binnen of buiten de begrotingsdoelstellingen zouden worden aangerekend. Daarover zou op Europees vlak snel duidelijkheid komen. Is die duidelijkheid er al? Moeten die uitgaven binnen of buiten de begroting worden gerekend?

Verder spreekt men van 2 %, 2,5 % en 2,7 %, maar hoeveel miljarden vertegenwoordigen die percentages concreet? Dat bedrag werd al eens genoemd in de pers, maar het is ook van belang om dat hier in het Parlement te zeggen, zodat we daarop een duidelijk en ondubbelzinnig antwoord hebben.

Er moet ook 600 miljoen voor enablement en force mobility komen. Het gaat daarbij over investeringen in bruggen, wegen en havenkaaien, zodat het materiaal snel op zijn bestemming komt en de troepen zich snel kunnen verplaatsen. Dat gaat echter vooral om gewestelijke investeringen. Gaat dat over nieuwe middelen of worden daarvoor bestaande investeringen geherclassificeerd? Zijn daarvoor ook al akkoorden gemaakt met de gewesten? Nemen zij die kosten op zich en is dat dan al in hun budgetten ingeschreven?

Rajae Maouane:

Monsieur le ministre, félicitations pour votre nouvelle fonction. Nous vous souhaitons beaucoup de succès, même si nous ne manquerons pas de souligner les débats et les contradictions.

Le gouvernement a annoncé une augmentation significative du budget de la Défense au cours de la prochaine législature. Vous êtes l'un des rares ministres à pouvoir bénéficier d'une telle augmentation. Je vous en félicite! L'objectif est d'atteindre 2 % du PIB d'ici 2029 et même 2,5 % d'ici 2034 afin de répondre aux exigences de l'OTAN.

Comme l'ont mentionné les collègues, il s'agit d'un renforcement budgétaire qui passe notamment par le financement accru du plan STAR et la création d'un Fonds de défense destiné à investir dans l'industrie de la défense belge. Ce fonds, selon l'accord de votre gouvernement, sera alimenté par la cession de certaines participations publiques dans des entreprises. Cependant, la vente d'actifs publics constitue une mesure ponctuelle qui ne garantit pas forcément des ressources structurelles à long terme.

Cela soulève une question fondamentale: comment le gouvernement entend-il assurer la pérennité financière de ce fonds tout en évitant que nous soyons dépouillés de nos structures publiques? Mon collègue a évoqué les enjeux liés à la Région. Y a-t-il eu des discussions avec la Région concernant le budget annuel de 600 millions d'euros qui serait consacré à la mobilité militaire?

Plusieurs zones d'ombre subsistent sur la trajectoire budgétaire. Quel est le pourcentage actuel du PIB consacré à la Défense et à combien cela correspond-il en milliards d'euros? Quel budget serait-il nécessaire pour atteindre 2 % du PIB en 2029? Quels achats supplémentaires sont-ils prévus dans le cadre du plan STAR? Quelles participations publiques seront-elles vendues et quelles entreprises ou industries seront-elles ciblées par ces investissements?

Étant donné l'importance de ces enjeux, les contacts avec le niveau européen sont cruciaux. Avez-vous déjà obtenu l'aval de la Commission européenne concernant l'impact budgétaire de ces investissements? Dans le cas contraire, avez-vous déjà eu des contacts avec cette dernière?

Voorzitter:

Alle vraagstellers zijn aan het woord gekomen. De collega's Safai en Lacroix wensen ook het woord te nemen.

Darya Safai:

Mijnheer de minister, in de eerste plaats wil ik u verwelkomen in onze commissie in uw hoedanigheid van minister. Het zijn cruciale tijden. We zijn wel enorm blij dat iemand als u, met een groot hart voor defensie, deze functie mag opnemen. Ik hoop dat er heel veel zal gebeuren dat in de goede richting gaat voor onze defensie.

U hebt in deze commissie steeds gepleit voor het herbouwen van onze defensie. Heel veel collega's van andere partijen zagen ideologisch die noodzaak niet. Soms deden ze zelfs schertsend erover. Maar goed, wij worden hier nu met de neus op feiten gedrukt. In het verleden hebben we zelfs de tanks uitgefaseerd, we zouden alleen nog humanitaire missies doen, zo heette het toen. Daarom hebben wij nu een achterstand. Dit grenst aan nalatigheid. Ik ben blij dat u dit nu wilt aanpakken.

Het is duidelijk dat de budgettaire toestand van ons land en van Defensie geen eenvoudig vraagstuk is. De begroting op orde zetten, de arbeidsmarkt hervormen en herinvesteren in onze defensie zijn uitdagingen. Ik ben wel blij te vernemen dat deze regering, en u in het bijzonder, streeft naar een verhoging van ons defensiebudget, om minstens aan de huidige verplichtingen van de NAVO te voldoen.

Wij worden echter allemaal in snelheid genomen door de recente ontwikkelingen, laatst nog door de uitspraken van mevrouw Kallas, de Hoge Vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken. Mijnheer de minister, de vraag is dan wat realistisch haalbaar is. Wij vernemen vanuit Europese hoek dat voor defensie-uitgaven een uitzonderlijke situatie van toepassing moet zijn. Wat is voor u realistisch?

Christophe Lacroix:

Monsieur le ministre, à mon tour, je voulais vous féliciter pour votre accession à ce ministère qui, je pense, vous tenait à cœur, déjà depuis longtemps comme député. Je vous ai prévu un petit cadeau. Ce n'est ni un Manneken Pis, ni une petite paire de baskets. C'est un ouvrage en néerlandais: la dernière biographie sur Churchill. Je sais que vous appréciez ce personnage, et je pense que dans les heures sombres que nous traversons en Europe...

De voorzitter : Nu krijgt u wel 15 seconden extra!

Christophe Lacroix:

Dank u wel. Il y aura des cadeaux à chaque question!

Dans les heures sombres que nous traversons, et après la conférence de Munich, je crois, monsieur le ministre, que vous devrez faire preuve, comme Churchill, de beaucoup de courage et de persévérance, et ne pas laisser les Daladier et les Chamberlain remporter la victoire ici en Europe. Sinon, nous aurons et la guerre et le déshonneur.

Je voulais aussi vous remercier, parce que lorsque je suis devenu moi-même ministre en 2014, vous m'aviez gentiment envoyé une lettre de félicitations. Ça ne se savait pas. Je le dis aujourd'hui car certains peuvent dire que vous avez beaucoup de testostérone mais, moi, je sais aussi que vous avez du cœur. Je tiens à le dire, parce qu'en dehors des conflits politiques, il faut savoir rappeler quand même qu'il y a des personnes derrière tout cela.

J'en viens à ma question. Monsieur le ministre, l'accord de gouvernement prévoit une augmentation additionnelle du budget de la Défense afin d'atteindre 2 % du PIB d'ici 2029. Nous avons eu des débats très longs en séance plénière sur l'accord de gouvernement.

Deux informations sont, semble-t-il, apparues. Tout d'abord, le gouvernement aurait décidé de neutraliser les investissements en matière de Défense, en présupposant ou en anticipant une décision en ce sens – totalement hypothétique à ce stade – de l'Union européenne. Ensuite, il a la volonté de créer un Fonds de défense financé par la vente d'actifs. Je comprends qu’il s’agit de la vente de biens de l'État fédéral.

Ces annonces soulèvent, et c'est bien légitime, de nombreuses questions. Pouvez-vous me faire le point sur l'augmentation du budget militaire telle qu'elle figure dans l'accord de gouvernement? Sur quelle base auriez-vous décidé de neutraliser certaines dépenses? Comment et selon quel timing cette augmentation aura-t-elle lieu? Surtout, comment fonctionnera ce Fonds de défense? Savez-vous déjà quels actifs seront vendus pour l'alimenter?

Enfin, dans cette augmentation budgétaire, avez-vous pris en compte l'impact du prolongement de la carrière des militaires jusqu'à 67 ans? Votre prédécesseur avait chiffré cet impact à plusieurs milliards d'euros.

Axel Weydts:

Mijnheer de minister, ook van mijn kant wens ik u van harte proficiat met uw aanstelling. Het doet deugd om te zien dat het departement Defensie een minister krijgt die gepassioneerd en gemotiveerd is. Dat is in het verleden anders geweest. Ik wens u veel succes. Fair winds and following seas , zoals men bij de marine zegt.

Collega's, de wereld staat in brand en investeren in defensie is noodzakelijk. Investeren in onze internationale veiligheid is meer dan noodzakelijk. Dat is wat ook in het regeerakkoord staat. Vandaag verwacht de NAVO al dat wij 2 % investeren, maar wij zitten op 1,27 %, afgerond 1,3 %, als ik mij niet vergis. Er is dus een serieuze gap op te vullen richting de 2 %, die eigenlijk vandaag al door de NAVO wordt gevraagd en die op de NAVO-top in Wales een aantal jaren geleden eigenlijk ook werd afgesproken.

Ik denk dat ik een open deur intrap als ik zeg dat er na de top van Den Haag wellicht een hoger percentage zal worden gevraagd of afgesproken. Ik wil daarop niet vooruitlopen, maar we hebben deze week de kans gehad om in de parlementaire assemblée van de NAVO onze oren te luisteren te leggen. Iedereen voelt aan zijn theewater dat de vraag wellicht zal komen om naar een hoger percentage te gaan.

Collega's, we zitten in ons land ook met een enorme budgettaire uitdaging, die ongezien is en waaraan deze regering het hoofd moet bieden. Die twee met elkaar matchen, is absoluut niet evident. Hoe zult u de budgettaire situatie van ons land matchen met de vraag naar massaal meer investeringen, mijnheer de minister? Als men in de middelen voorziet, dan moet men ook in voldoende personeel en voldoende infrastructuur voorzien om die middelen en dat personeel ook te huisvesten.

Mijnheer de minister, hoe zult u die twee verenigen? Kunt u al een tipje van de sluier oplichten over de 2 % en het tijdspad van de verhoogde investeringen bij Defensie?

Voorzitter:

Mijnheer de minister, na al die liefdesverklaringen geef ik u het woord.

Theo Francken:

Dank u, collega's. Merci beaucoup, chers collègues. Merci aussi, monsieur Lacroix, pour vos mots chaleureux.

Ik zal mijn best doen als minister. Het is mij een eer om dat mandaat uit te oefenen. Ik heb daar lang aan gewerkt. Alleszins ga ik aan de slag net tijdens een heel interessant tijdsgewricht. We zullen zien hoe de situatie de komende maanden en jaren zal evolueren.

Il me paraît très important d'inclure aussi la commission de la Défense nationale, car il est nécessaire que vous voyiez en pratique comment cela fonctionne. Vous avez déjà participé à beaucoup de visites. Je pense que la Défense va encore vous inviter plus souvent, comme je l'ai demandé au CHOD.

Ik heb aan de CHOD gevraagd om u geregeld uit te nodigen, uiteraard als dat vanuit het oogpunt van de operational security mogelijk is. Wat bijvoorbeeld militaire mobiliteit betreft, vindt er binnenkort een Fort to Port plaats in Antwerpen. Normaliter zullen wij daarnaartoe kunnen gaan. Momenteel zijn veel zaken aan de gang. Het is de bedoeling dat de commissie daarbij wordt betrokken. Ik hoop u dan ook maximaal bij die evenementen te ontmoeten. Uw parlementaire werk en uw dossierkennis kunnen er enkel wel bij varen, wanneer u niet alleen in deze prachtige commissiezaal zult zitten en vragen zult stellen, maar wanneer u ook met de boots on the ground op het terrein zult komen kijken wat er gebeurt bij de eenheden, wat de internationale samenwerking inhoudt en welk materiaal we hebben.

We krijgen de komende weken en maanden veel materieel binnen: de Griffons, de MQ-9B en de F-35’s komen eraan. Zowel mevrouw Dedonder als de heer Vandeput heeft veel materieel besteld. De levering had vertraging opgelopen, maar nu zal er heel veel materieel binnenkomen. Het kan dan ook interessant zijn om de commissieleden uit te nodigen, indien dat in het kader van de operational security mogelijk is. Als Defensie aangeeft dat een bezoek niet veilig is of dat de context een bezoek niet toelaat, dan moeten we uiteraard bepaalde regels respecteren. Dat is dus mijn ambitie.

Met de voorzitter van de commissie heb ik al een aantal aspecten voor een goede samenwerking kunnen bespreken. De parlementaire controle moet hard zijn, u moet de regering controleren, u moet ons op de vingers tikken, indien nodig, maar in een dermate moeilijke en geopolitiek gevaarlijke tijd zouden we ook over de partijgrenzen heen moeten kunnen samenwerken.

Je comprends très bien qu'il y a une opposition et une majorité, mais les conflits et la situation géopolitique sont un peu au-dessus de la mêlée politique dans notre petit pays. Je le pense, mais je peux toujours me "Trumper".

Geachte Kamerleden, ik breng nu de elementen uit het voorbereide antwoord. Daarna zal ik nog enkele andere aspecten aanhalen.

Dames en heren, ondanks de aanzienlijke budgettaire uitdagingen waarmee deze regering kampt, wordt er resoluut geïnvesteerd in defensie. België heeft zich gecommitteerd om uiterlijk tegen 2029 de NAVO-norm van 2 % van het bbp aan defensie-uitgaven te behalen. De financiering daarvan komt deels uit de begroting, waarin we stapsgewijs evolueren naar een structurele verhoging van 1 miljard euro voor defensie tegen 2029. Dat omvat een dubbele inspanning, vooreerst een rattrapage , dus een inhaaloperatie in mooi Nederlands, om de onderfinanciering van het STAR-plan te corrigeren, en daarnaast een bijkomende budgettaire injectie boven op dat STAR-plan.

Concreet betekent dit jaarlijkse stijgingen van de defensiebudgetten met 770 miljoen euro in 2025, 720 miljoen rattrapage en 50 miljoen extra, 763 miljoen euro in 2026, 663 miljoen rattrapage en 100 miljoen extra, 798 miljoen euro in 2027, 598 miljoen rattrapage en 200 miljoen extra, 900 miljoen euro in 2028, 550 miljoen euro inhaalbeweging en 350 miljoen euro extra, en 996 miljoen euro in 2029, 596 miljoen rattrapage en 400 miljoen extra. Er komen dus zoals u ziet structurele budgetten bij. Dat gaat naar 1 miljard euro, 996 miljoen euro in 2029, dus toch een miljard euro dat er structureel bij komt in deze legislatuur.

Nous créons, en outre, un fonds spécial dédié à la défense et qui fonctionnera comme une filiale de la Société Fédérale de Participations et d'Investissement (SFPI). L'apport annuel de ce fonds renforcera significativement notre effort de réinvestissement. De la sorte, en le combinant au budget ordinaire, nous pourrons concrétiser une trajectoire de croissance orientée tout d'abord vers 2 % du PIB, puis vers 2,5 %. Cet apport annuel supplémentaire sera principalement généré par des dividendes provenant de participations stratégiques et par l'avance de participations publiques non stratégiques.

Ce mécanisme devra garantir que nous nous alignions chaque année sur la nouvelle trajectoire de croissance telle qu'elle sera définie dans la mise à jour de la Vision stratégique. Le premier financement est prévu dans l'accord de gouvernement et doit être finalisé au plus tard le 31 décembre de cette année. Étant donné qu'il s'agit souvent d'entreprises cotées en Bourse, je ne peux évidemment pas fournir plus de détails sur les participations spécifiques.

Ik hoor een aantal zaken zeggen, maar ik zal daar niet op ingaan. Het gaat over een aantal beursgenoteerde bedrijven. Het zijn niet altijd bedrijven die het fantastisch doen op de beurs, dus ik zal dat ook niet zeggen. Dat heeft geen zin en ik denk ook niet dat u dat verwacht. Het zou dom zijn en dat zal ik dus niet doen.

De oprichting van dat fonds is wel heel belangrijk en moet zo snel mogelijk gebeuren. Deze namiddag heb ik daarover al een belangrijke vergadering en er zijn al informele contacten geweest. De minister van Financiën is uiteraard op de hoogte en volledig mee betrokken in dit verhaal, net als de premier. Wij zullen zeker niet talmen met dat koninklijk besluit en de dochteronderneming, want de eerste inkomsten moeten er al zijn vóór 31 december 2025. Dat betekent dat die verkoop al rond zal moeten zijn en dat we ons dus moeten haasten.

Deze operatie is geen loutere uitverkoop, maar een gerichte heroriëntering van overheidsparticipaties met een nadrukkelijkere focus op veiligheid en defensie. Ze zal tegelijkertijd gepaard gaan met een versterking van onze belangen in cruciale sectoren binnen ons veiligheidsweefsel. Het Defensiefonds is dus niet alleen een financieringsmiddel, maar ook een actief investeringsinstrument. Bovendien is het geen eenmalig initiatief, maar een structurele maatregel die op lange termijn zal blijven bijdragen aan zowel onze defensiecapaciteit als onze industriële en strategische positie.

We zullen vanuit de SFPIM een aantal participaties naar de dochteronderneming overhevelen. Een aantal zal verkocht worden, maar een groot deel zal niet verkocht worden en zal jaarlijks een pak dividenden opleveren. Die blijven in dat fonds en zijn dus structurele inkomsten, zoals SFPIM-inkomsten begrotingswijs al jaren worden beschouwd. Ze kunnen wel wat schommelen, maar zijn toch vrij stabiel.

Van die opbrengsten zullen we 90 % gebruiken voor strategische aankopen. Dan heb ik het over zaken die in het regeerakkoord staan, zoals extra jachtvliegtuigen. We zullen ook bekijken wat we voor de marinecomponent moeten doen, hoeveel aanwervingen we nodig hebben voor onze landmacht en welke munitie we moeten aankopen. Pin mij nu niet vast op die 90-10, want dat moet nog worden besproken, maar dat zal vermoedelijk in die grootteorde zijn. Dat is althans mijn voorstel. Dat zal worden gebruikt voor investeringen in industriële en strategische posities en in de defensie-industrie. Dat kunnen zowel nieuwe als bestaande initiatieven zijn. Het Defensiefonds heeft dus twee doelstellingen: ten eerste strategische aankopen en het versterken van onze strijdkrachten en ten tweede het ondersteunen van de defensie-industrie, met de intentie een ecosysteem daarrond te bouwen.

Je sais que l'on a déjà cela en Wallonie. On a une tradition. En Flandre, on a cela beaucoup moins. Je pense donc que c'est nécessaire d'avoir les deux et de voir comment on peut vraiment soutenir les deux Régions.

Je tiens cependant à être très clair. Vu la situation budgétaire, il n'est actuellement pas possible d'obtenir des moyens financiers supplémentaires pour la Défense sur la seule base du budget ordinaire. Mais à terme, il faudra pouvoir faire plus et ceci impliquera en tout état de cause d'augmenter structurellement le budget ordinaire de la Défense, en plus du fonds dédié à la Défense.

Ik begrijp dat het defensiebudget van 8 miljard euro naar 12 à 12,5 miljard euro moet stijgen en dat het budget met slechts 1 miljard euro structureel wordt verhoogd, via de inhaalbeweging met het STAR-plan en nieuwe middelen. De overige vereiste 3 miljard euro moeten uit het fonds gehaald worden. In tegenstelling tot wat u zei, zijn die middelen grotendeels wel structureel. Het klopt echter dat een deel ervan afkomstig zal zijn van de verkoop van aandelen. Aangezien die uit de aandelenportefeuille van de overheid verdwijnen, zal men daarvoor geen dividenden meer ontvangen. Knack schrijft dat ik wanhopige pogingen doe om het defensiebudget te verhogen, maar ze hadden mij beter eens gebeld alvorens zoiets te schrijven.

Ik had liever 4 miljard euro extra structurele middelen in het defensiebudget gehad, maar het was niet evident om daar overeenstemming over te vinden. Er zijn immers nog andere partijen in de arizonacoalitie en in het Parlement en er zijn nog andere maatschappelijke vragen. We zullen het hier dus mee moeten stellen. Gelet op de budgettaire situatie van ons land ben ik daar eerlijk gezegd blij mee. Er ligt echter nog veel werk op de plank, er is onzekerheid en we zullen moeten uitzoeken hoe we een en ander zullen aanpakken. We zullen daaraan moeten werken, maar daarvoor word ik goed betaald. We zullen in de regering bespreken of er nog bijkomende middelen nodig zijn. Me dunkt is niemand in de commissie hier blind voor de geopolitieke situatie.

Op de komende NAVO-top in Den Haag zal het huidige 2 %-doel onvermijdelijk naar boven worden bijgesteld. Momenteel circuleren percentages tussen 3 % en 5 % en hoewel het nog te vroeg is om te zeggen wat het officiële NAVO-standpunt wordt, is een ding duidelijk: de internationale druk op Europese landen zal exponentieel toenemen. Dat is nu al het geval. Momenteel telefoneert de eerste minister met president Zelensky en vanmiddag zal een overleg met een aantal Europese regeringsleiders plaatsvinden. Ik meen dat daar ook defensie en de defensie-uitgaven aan bod zullen komen. We bevinden ons niet langer in de situatie van 2014. Er werden toen wel engagementen aangegaan, maar er werd met de voeten gesleept voor de uitvoering ervan. Die tijd is voorbij. De geopolitieke realiteit vereist een directe en substantiële inspanning. De aan België gerichte vraag van onze bondgenoten om meer bij te dragen zal niet alleen toenemen, maar ook dwingender dan ooit worden.

Een aantal partijen hebben gezegd dat de verkoop van aandelen nooit zal kunnen volstaan om het beoogde budget te halen. Bepaalde politici die geen lid zijn van de commissie hier, maar hier wel graag zitting hadden gehad, poneren die stelling ook op sociale media. Dat moeten ze dan maar doen. Ik ben twee weken bezig. Ik denk toch dat iedereen een eerlijke kans verdient. Geef mij misschien de mogelijkheid om eerst eens te kijken of we dat fonds opgericht krijgen, hoeveel kapitaal er dan vanuit de SFPIM wordt overgeheveld, wat dan juist die strategische participaties zijn die we aanhouden en welke niet-strategische participaties we te gelde maken. Ik vraag u gewoon even tijd. Ik denk niet dat het te zot is om dat te vragen na twee weken in office.

Moeten de extra defensie-uitgaven binnen of buiten de begroting aangerekend worden? Heb ik daarover contacten gelegd met de Europese Commissie? Ikzelf niet, maar andere collega's in de regering hebben natuurlijk wel contacten over het budget en het stabiliteitspact. Misschien hebt u ook de doorstep van collega Van Peteghem voor de Eurogroep afgelopen maandag gezien? Ik denk dat het daarover is gegaan. Het thema kwam ook ter sprake op de informele defensietop waar de eerste minister vorige week maandag aan deelnam. Het debat is dus volop bezig. Werd de knoop al doorgehakt? Neen, dat is niet gebeurd tot nu toe, maar dat zal misschien toch niet zo lang duren.

Ik heb begrepen dat commissaris Kubilius in maart met een whitepaper over het Europese Defensiebeleid zou komen. Zal het budgettaire kader daaraan worden gekoppeld? Komt dat vroeger, gelet op de geopolitieke urgentie? Dat weet ik niet. Alleszins is de positie van de Belgische regering, zoals verwoord door de eerste minister, dat er voor ons wel degelijk vragen zijn. We zitten met een heel moeilijke budgettaire situatie. Ons budget zit echt diep in het rood. We moeten kijken wat we kunnen doen in het kader van de Maastrichtnorm en het stabiliteitspact. Dus men is ermee bezig.

Wat militaire mobiliteit betreft, hopelijk komt er binnenkort een bezoek aan de operatie Fort to Port in Antwerpen. Dan zal ik daarover misschien ook nog wat meer uitleg kunnen geven. Wat is het belangrijkste om te weten? Zal ik in overleg gaan met de deelstaten om te kijken wat er kan worden aangerekend in het kader van de militaire uitgaven voor de NAVO? Als een brug bijvoorbeeld moet worden verhoogd, zodat er een tanktransport onder kan, dan komen de kosten voor die verhoging in aanmerking voor de NAVO-2 % norm. Zulke zaken moeten worden bekeken. We hebben dat in het verleden nogal gedaan. We zullen dat natuurlijk opnieuw doen. Dat betreft niet alleen Vlaanderen; ik zal de Waalse minister-president binnenkort ook ontmoeten en met hem daarover overleggen.

Er doen ook verhalen de ronde dat Defensie taken van de politie en van de Veiligheid van de Staat op zich zou nemen, maar die komen niet van mij of mijn kabinet. Dat staat ook niet in het regeerakkoord. Ik heb wel gezegd dat we nog eens met de luizenkam door alle uitgaven van de federale overheid moeten gaan, om te kijken of bepaalde uitgaven toch niet NAVO-aanrekenbaar zijn. Ik heb bij mijn weten nooit over politie gesproken. Ik denk dat het toen over onze grensbewaking ging, onder andere in de havens en op de luchthavens. Over de staatsveiligheid heb ik zeker niet gesproken. Ik weet helemaal niet waar dat verhaal vandaan komt.

Mevrouw Dedonder en de heer Vandeput hebben ooit al de oefening gemaakt, maar misschien zijn bepaalde kleine uitgaven toch aan de NAVO aanrekenbaar. Dat zullen we nog eens grondig bekijken. Ik heb daarover om 14.00 uur een belangrijke vergadering met de generale staf.

Voorzitter:

Mijnheer de minister, ik dank u alvast voor uw aanbod om de commissie te betrekken via plaatsbezoeken. Dat zal vermoedelijk op enthousiasme onthaald worden door de commissie. Wij gaan er graag op in en zullen daartoe een en ander op elkaar afstemmen.

Nabil Boukili:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses.

J'ai écouté attentivement. Vous avez expliqué votre plan de financement de la Défense, et comment vous allez augmenter son budget. J'espérais une réponse par rapport à la contradiction qui vous a été exposée par Mme Gennez concernant sa déclaration. Elle dit que cela ne peut pas être au détriment de la sécurité sociale alors que vous avez affirmé le contraire. Comme parti de coalition, comment allez-vous gérer cette contradiction avec Vooruit si la ligne de Vooruit est représentée par Mme Gennez? À mon avis, c'est une parole qui pèse chez Vooruit.

Par ailleurs, je n'ai pas eu de réponse claire sur le sacrifice de notre sécurité sociale et de notre modèle social, et sur le rapprochement avec le modèle américain. Voulez-vous aller vers le modèle social américain? Est-ce cela que vous voulez pour la Belgique? À ce sujet, je n'ai pas eu de réponse claire non plus.

Theo Francken:

Mijnheer Boukili, ik wil daar graag nog op reageren.

Ten eerste, wat u zegt in verband met mevrouw Gennez heb ik niet gelezen en ik ben daarvan niet op de hoogte. We zullen de besprekingen in de ministerraad voeren, daar zijn collega's van Vooruit bij. Zo zal ik dat aanpakken, want zo werkt het meestal in de regering. Het is dan weliswaar de federale ministerraad, waarin federale ministers zitten. Dat lijkt mij de beste manier van werken.

Ten tweede, wat u aanhaalt over het Amerikaanse sociale model, hebt u toch verkeerd gelezen, want ik heb daar ook helemaal niet voor gepleit. Ik denk dat het belangrijk is dat u dat opnieuw leest. Tussen het Amerikaanse sociale beschermingsmodel en het Belgische sociale beschermingsmodel ligt misschien toch nog een klein beetje marge. Dus misschien is het niet of A of B, al kan ik me natuurlijk vergissen. Ik denk daarom dat u dat het best nog eens opnieuw kunt lezen, want nu is het echt mauvaise foi . Met slechte wil kunt u allerlei zaken lezen in wat ik zeg en verschillende collega's doen dat met veel plezier, maar ik heb dat niet op die manier gezegd.

Nabil Boukili:

Au contraire, monsieur le ministre. Pour ce qui concerne Mme Gennez, celle-ci a fait ces déclarations à la VRT. Quant à vos déclarations sur le modèle social, je vous ai très bien lu et c'est pourquoi je vous ai adressé cette question.

Vous avez mis en avant le fait que les Américains avaient pris la bonne décision en adoptant ce modèle social-là, parce qu'aujourd'hui, ils ont investi dans leur armement et dans la défense. C'est comme ça qu'on aurait dû faire. Vous avez aussi mis en avant le fait qu'on dépense trop d'argent dans les pensions et dans le modèle social. C'est vous qui le dites. Je ne fais que reprendre votre interview. Il y a donc une prise de position à ce niveau-là et je voulais avoir une confirmation à cet égard.

Certes, il y a une marge. Mais jusqu'où peut-on aller vers le modèle américain? Ce n'est pas clair. Par ailleurs, vous investissez de plus en plus dans la Défense sans qu'il y ait une vision au niveau européen. Vous vous mettez ici aux normes de l'OTAN, alors qu'il y a une tension aujourd'hui, notamment avec Trump et les États-Unis, sur la question de la vision de l'avenir. Et, en même temps, comme vous l'avez déclaré et regretté, vous appliquez ce que les Américains demandent ou imposent aux pays européens. Il y a dès lors dans votre gestion une contradiction sur laquelle j'aurais souhaité avoir plus d'éclaircissements. Nous aurons certainement d'autres occasions d'en rediscuter.

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoorden. U hebt geantwoord op de vragen die u kon beantwoorden. Ik verwacht ook niet op elke detailvraag een antwoord, aangezien u nog maar twee weken bezig bent. We zullen op bepaalde vlakken moeten afwachten hoe het evolueert.

Ik kijk uit naar de oprichting van het Defensiefonds. Dat is zeer belangrijk. Het is immers een zeer belangrijk aspect van uw financiering van defensie. Dat zal dus goed in elkaar moeten zitten en er zal een goed evenwicht moeten worden bewaard tussen het aankopen, verkopen en het behouden van een aantal activa. U legt immers veel miljarden in dat mandje en ik begrijp dat ook. De budgetten zijn ontoereikend. Het is dus belangrijk dat dat Defensiefonds goed in elkaar zit.

Ik wil nog één ding toevoegen. U spreekt over 2,4 miljard. Ik hoorde u daarnet 3 miljard zeggen. Houd er rekening mee dat we er dan van uitgaan dat het totale bbp tussen 2024 en 2029 niet wijzigt. Met 2,4 miljard komen we dan aan 2 %. De kans is echter onbestaande dat het totale bbp in België niet zal stijgen. Dat budget zal dus ook moeten stijgen als u die 2 % wilt halen. Houd daar dus rekening mee en schuif het probleem niet verder voor ons uit.

Nogmaals bedankt voor uw antwoorden. U was zeer volledig. Ik aanvaard ook uw uitgestoken hand naar de commissie en het Parlement. Er zullen heel veel begrotingsdiscussies komen in de volgende jaren. Als men naar de uitspraken van Kallas en anderen luistert, zal het namelijk niet 2 % maar minstens 3 % worden. Dan hebt u steun nodig in die begrotingsdiscussies. Kijk dus af en toe ook eens naar de oppositie, want wij zijn bereid die steun te leveren.

François De Smet:

Merci, monsieur le ministre pour vos réponses. Il y a des éléments d'information. C'est positif que le Fonds de défense soit aussi un fonds d'investissement. Il n'y a donc pas seulement une vente d'actifs, il y a aussi une affectation de dividendes existants au Fonds de défense.

Sur son alimentation et la nature des actifs, je comprends votre discrétion. D'un autre côté, il n'y a pas beaucoup d'options, surtout si vous indiquez qu'il y a des entreprises publiques faibles en bourse. La vente d'actifs pose tout de même aussi une question budgétaire et démocratique. J'entends qu'il y a une discussion entre le premier ministre, vous-même et le ministre des Finances. Il me semble que dans le dispositif manque la ministre des Entreprises publiques, Mme Matz. J'espère que c'est prévu. Et j'espère – c'est aussi plus sain à mon avis – qu'il n'y a pas qu'un seul parti de la coalition...

Theo Francken:

L'ensemble du gouvernement sera impliqué. Je ne peux pas faire cela seul.

François De Smet:

Très bien, c'est plus clair comme ça.

Même si une certaine discrétion est compréhensible, je crois qu'il y a un moment où vous ne pouvez pas prévenir le gouvernement après coup ou juste avant. Parce que dans la responsabilité du contrôle parlementaire, il y a aussi le fait de pouvoir voir si le jeu en vaut la chandelle, si la nature des cessions vaut bien l'investissement. Selon un dispositif à voir, à huis clos le cas échéant, le Parlement ne doit pas être prévenu après coup ou au dernier moment de la nature des actifs cédés, sinon le contrôle parlementaire ne sera pas complet.

Annick Ponthier:

Mijnheer de minister, dank u voor uw zeer uitgebreide antwoord.

Ik treed collega Safai bij. Het is altijd mooi om te zien hoe snel de geesten kunnen rijpen. Ik herinner me dat onze fractie hier in het verleden een motie van aanbeveling heeft ingediend om zo snel mogelijk naar minstens 2 % te evolueren. Ik herinner me ook dat bijna iedere partij hier aanwezig dat voorstel toen heeft weggestemd. Daar was zogezegd geen nood aan. Nu blijkt de situatie toch anders te zijn, zowel bij Ecolo-Groen, als misschien zelfs een beetje bij de PVDA-PTB, maar goed dat is van een andere orde.

U zegt dat die 2 % het minimum minimorum is. We moeten daarnaar evolueren. Heel snel zal er waarschijnlijk de vraag komen om meer te investeren. We mogen dus niet meer dralen. Dat hebt u trouwens bevestigd. Ik wil u daarvoor danken. De geopolitieke situatie is zo onzeker en kan heel snel evolueren, zodat we zeer snel moeten kunnen schakelen. Bijkomende investeringen en bijkomende middelen lijken me op dit moment cruciaal.

U hebt gesproken over de timing van het Defensiefonds waarvoor de eerste inkomsten dit jaar moeten binnenkomen. U hebt aangegeven dat het niet om eenmalige inkomsten gaat. We vreesden natuurlijk een soort van ‘verhofstadtiaans’ initiatief. Los daarvan, staat vast dat u toch nog rekent op de beursgenoteerde bedrijven waarvan de aandelenkoers momenteel zeer onzeker is. We zullen dat allemaal nog een beetje moeten afwachten. De structurele inspanning waarover u spreekt, is cruciaal om eventuele schokken daaromtrent op te vangen. De concrete invulling van de verdeling 90 %-10 % valt nog af te wachten.

Ik betreur dat u mijn laatste vraag, met name hoe u een eventuele stijging van het Belgische bbp en dus een verhoging van de vooropgestelde inschattingen in aanmerking zou nemen, niet hebt beantwoord.

Theo Francken:

We zullen daar rekening mee houden. Ik hoop vooral dat het bbp niet krimpt, want gezien de geopolitieke situatie is dat niet ondenkbaar. Laten we vooral hopen dat het bbp blijft stijgen. We zullen daar zeker rekening mee houden.

Annick Ponthier:

We moeten momenteel inderdaad met alles rekening houden. Dat spreekt voor zich.

Ik zal u geen cadeau geven. Vergeef me dat. Ik geef u echter wel een opdracht. Stel de veiligheid van onze mensen op de eerste plaats, maar ook van onze defensie, van ons defensieapparaat. Dat spreekt voor zich.

Hoe u tegen het eind van de legislatuur aan die 2 % raakt, blijft momenteel nog koffiedik kijken, niet alleen voor ons, maar ook voor een aantal defensiewatchers die vragen stellen bij uw voorstellen. Onze conclusie is: eerst zien en dan geloven.

Voorzitter:

Mijnheer Aerts, gelooft u?

Staf Aerts:

Mijnheer de voorzitter, dat is een heel persoonlijke vraag. Ik zal het vandaag niet over de godsdiensten hebben.

Het is cruciaal dat niet alleen de woorden ‘we zullen daarin investeren’ er zijn. Ik heb op twee weken tijd al een aantal beloftes gehoord. Er moeten extra F-35’s komen. Er moeten troepen naar Oekraïne worden gestuurd. Dat kan allemaal goed zijn, maar dan moet er ook worden geïnvesteerd in financiën die dat mogelijk maken. Dat mag niet ten koste gaan van alle andere mogelijke investeringen. Wij leven vandaag in een wereld die in brand staat. Wij moeten dan ook investeren in veiligheid.

Wat echter heel pijnlijk is, is het volgende. Ik zal het ook blijven herhalen. In het regeerakkoord staat dat moet worden geïnvesteerd in de drie poten van een veiligheidsbeleid, dus behalve in Defensie ook in Ontwikkelingssamenwerking en in diplomatie. Volgens mij komen er voor diplomatie echter besparingen aan. Voor Ontwikkelingssamenwerking is het al overduidelijk dat daarop zwaar wordt bespaard. Over die evenwichten zullen wij altijd mee blijven waken.

Ik hoorde tijdens een bezoek aan Skyes met de commissie voor Mobiliteit gisteren dat nog meer op de F-35’s moet worden ingezet. Ik merk dat daarover ook nog een vraag wordt gesteld. Ik krijg echter ook te horen dat het totale luchtruim in heel België moet worden stilgelegd op de momenten waarop met die toestellen wordt geoefend.

We moeten dus vooral zien dat we slim investeren, niet overinvesteren, en rekening houden met wat er in de Europese Unie gebeurt. We mogen niet dezelfde fouten maken als voorheen. Er is afstemming nodig op het Europese niveau.

Mijnheer de minister, ik onthoud vandaag de uitgestoken hand. Ik hoop dat die niet alleen voor u geldt, maar ook voor uw collega’s van de arizonapartijen, ook wanneer het over wetgevend werk gaat en u niet aanwezig bent. Het lijkt mij cruciaal om daarover te blijven nadenken. U zult in ons alvast een partner vinden die zal blijven nadenken, ook over de vraag op welke manier wij, zelfs in de huidige tijden, de weg naar vrede kunnen vinden. Vrede en nadenken over de manier waarop die kan worden bereikt, moeten uiteindelijk altijd het doel blijven.

Gisteren nog maar heeft iemand gesteld dat het mensdom op dit moment enorme risico’s neemt. Zelfs in de huidige tijden moeten wij opnieuw blijven inzetten op wapencontrole en op ontwapening. Dat is een belangrijke boodschap die wij niet mogen vergeten. Ze komt niet van mij of van een pacifist. Ze komt van een voormalige NAVO-chef.

Als we extra zullen investeren in fondsen voor Defensie en in meer defensie-industrie, dan moeten we continu blijven waken over de bestemming van de gegevens en vooral over de weg naar vrede. Dat is namelijk nog altijd het uiteindelijke doel. In dat geval zult u in ons een partner vinden.

Theo Francken:

Ik wil nog even kort drie punten aanhalen.

Ten eerste, ik heb daarnet een prachtige ochtendwandeling gemaakt met onze ambassadeur in Moskou. Ik heb het met hem gehad over ontwapening en wapenprogramma's. Hij kon het antwoord niet meteen geven op de vraag of Rusland bereid is om in een ontwapeningsscenario te stappen. Ik denk dat dit eerlijk gezegd niet zo evident is op dit moment. Ik hoop met u dat het wel weer mogelijk wordt. Op dat vlak geef ik u zeker gelijk. Dat zou minstens op de onderhandelingstafel moeten komen, maar daarover zullen we het straks nog hebben.

Ten tweede, wat ontwikkelingssamenwerking betreft, heb ik gezien dat Rwanda de ontwikkelingssamenwerkingshulp van België eenzijdig opzegt. Dat vind ik een goede besparing. Dat is interessant.

Ten derde heb ik een feitelijke rechtzetting. Ik zei dat de eerste minister met president Zelensky spreekt, maar in werkelijkheid gaat het om een gesprek met de premier. Waarschijnlijk is dat gesprek intussen afgelopen. Onze eerste minister heeft in elk geval om 10 uur gebeld met de premier van de regering-Zelensky. Ik had me dus versproken. Bij deze is dat rechtgezet.

Rajae Maouane:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses ainsi que pour votre volonté de collaborer avec la commission. C'est important de le souligner.

Je n'ai pas eu de réponses à quelques questions. C'est normal et compréhensible étant donné que, bien que vous soyez préparé à cette matière, vous n'occupez cette fonction que depuis quelques jours.

En ce qui concerne le volet européen, je n'ai pas eu de réponses vraiment claires ni sur les contacts ni sur notre positionnement. Nous voyons que l'Union européenne semble incapable de faire face à une menace extérieure.

Il faut développer un pilier de défense qui soit fort, crédible et capable d'actions autonomes. J'espère que c'est ce que vous défendrez également dans vos contacts à l'échelon européen. Nous aurons l'occasion d'y revenir.

Nous serons attentifs aux noms des entreprises publiques. Je comprends que vous ne puissiez pas les donner tout de suite. Mais nous serons attentifs à l'endroit où vous irez ponctionner de l'argent, même s'il n'y a pas mille solutions et que vous avez donné certains indices. J'espère que ce ne sera pas au détriment d'autres départements.

Darya Safai:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord.

Mijnheer de voorzitter, ik wil twee kleine opmerkingen maken ter attentie van de collega's van andere partijen. Ik vind dit heel erg belangrijk, want wij leven in een turbulente wereld. Ik wil de collega's graag vragen om te stoppen met het voor te stellen alsof de sociale zekerheid en de ziekteverzekering altijd tegengesteld zijn aan investeringen in het Defensiefonds of het defensiebudget. Voor de publieke opinie is dat wel zeer belangrijk. Wij hebben al duidelijk gemaakt dat wij gewoon een Defensiefonds zullen opbouwen, terwijl we momenteel van de andere kant afblijven. Mocht het echter ooit nodig zijn, wil ik wel dat de publieke opinie weet dat een wereld in oorlog minder sociale zekerheid geniet. Het is dus zeker belangrijk om ook in harde defensie en in harde zekerheid te blijven investeren.

Uiteraard moeten we altijd denken aan de weg naar vrede, maar de weg naar vrede passeert via kracht, macht en force. We kunnen bijvoorbeeld ontwapening nastreven. Met landen als Rusland kunnen we wel in gesprek of onderhandeling gaan, waarmee ik aansluit bij het hiernavolgende actualiteitsdebat over Oekraïne. Ik ben echter blij dat onze drones eindelijk bewapend zijn. In deze wereld is het heel naïef en belachelijk als we dat niet zouden mogen doen. Dat zijn mijn twee opmerkingen voor de collega's.

Christophe Lacroix:

Merci, monsieur le ministre, pour les réponses que vous avez bien voulu apporter.

Je relève deux ou trois éléments. Premièrement, j'ai l'impression que vous êtes un peu prisonnier de la déclaration de politique gouvernementale qui était résolument atlantiste. Or nous voyons que, depuis quinze jours, nous aurions mieux fait d'être un peu plus prudents et pro-européens dans cette vision touchant les relations extérieures, mais également la Défense. Donc, je compte sur vous pour, comme nous le demandons depuis longtemps, faire émerger un pilier européen très fort au sein de l'OTAN, car nous devrons peut-être nous préparer à des décisions importantes de l'administration Trump en la matière.

Vous avez répondu au sujet du fonds d'investissement. J'y vois un peu plus clair. Je comprends votre souci de discrétion, mais nous pourrions envisager un format à huis clos, si nécessaire, et pourquoi pas avec les commissions des Entreprises publiques et des Finances. Peut-être pourrions-nous aussi auditionner M. Koen Van Loo, qui est le patron de la SFPIM, à des fins de vérifications. Je voudrais en effet savoir quelles participations vous considérez comme "stratégiques" et "non stratégiques". Nos visions vont sans doute diverger sur ce point. De même, je serai très attentif aux investissements financés par ce fonds, car l'industrie de la défense est importante en Wallonie. Je compte bien que ce fonds puisse également l'alimenter.

Par ailleurs, j'attire votre attention sur la réforme des pensions des militaires et ses conséquences budgétaires. J'ai une question à ce sujet. Votre prédécesseur, sur la base de chiffres fournis par l'état-major, avait calculé que le coût pour la Défense, en tenant compte des économies en matière de pensions, pouvait atteindre 2 milliards d'euros durant la période 2025-2043. Cela fait quand même beaucoup de millions à ajouter.

S'agissant enfin de la neutralisation par l'Union européenne, je n'ai pas obtenu non plus de réponse précise. En tout cas, j'attends aussi de Mme von der Leyen et de la Commission davantage de précisions.

Je terminerai brièvement, monsieur le président. Nous nous trouvons face à des menaces de guerre, y compris sous une forme hybride. Dès lors, pour garantir une résilience de la population, il faut une sécurité sociale forte. Nous ne réussirons pas à nous opposer à des ennemis si nous n'avons pas, derrière nous, une population protégée non seulement par une Défense active mais également par une défense sociale active.

Axel Weydts:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw duidelijke antwoorden. Ik apprecieer uw stijl van antwoorden en ik aanvaard zeker de hand die u deze commissie reikt.

Als voorzitter van de commissie voor de Opvolging van de militaire missies zou ik graag hebben dat we ook die commissie voldoende stofferen en regelmatig samenkomen. Indien mogelijk zou ik ook graag een bezoek brengen aan een operationeel theater waar militairen aan het werk zijn. Dat kan nuttig zijn. Toen ik destijds zelf in operatie was in Kosovo kregen we de commissie voor Landsverdediging op bezoek. Ik vond dat een verrijking, voor de militairen ter plaatse, maar zeker ook voor de commissieleden die zagen hoe het eraan toe ging in een operationeel theater. Ik wil daarvoor pleiten, maar ik merk aan uw lichaamstaal dat u het met mij eens bent en dat we daarop de komende weken zeker en vast nog zullen terugkomen.

Robin Tonniau:

Mijnheer Francken, ik wens u proficiat met uw aanstelling als minister van Defensie. Ik heb u zien glimlachen tijdens het debat over de begroting van Defensie. Dat is logisch, want u bent de enige minister die een zak geld heeft gekregen. U zult het geld kunnen laten rollen, zoveel is duidelijk. Het buffet van De Wever is opgediend. De ministers van Pensioenen, Mobiliteit, Klimaat, Volksgezondheid en Ontwikkelingssamenwerking hebben allemaal een boterham met confituur gekregen, maar u krijgt een all-you-can-eatbuffet. Mijnheer Francken, ik ga ervan uit dat u een grote eter bent, maar daarmee eet u wel het bord leeg van al die andere noodzakelijkheden in onze samenleving. U zult fors investeren in defensie, behalve in de militairen zelf, want zij zullen langer moeten werken voor een lager pensioen. Dat zijn politieke keuzes waar wij niet achter staan.

Het forfait voor de zorgcentra na seksueel geweld

Gesteld door

lijst: CD&V Nawal Farih

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 18 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De financiering van zorgcentra na seksueel geweld blijft problematisch ondanks een stijging van 28% aanmeldingen (4.226 in 2023), waarbij het forfait van €150 per slachtoffer volgens het Instituut voor Gelijkheid *voldoende* is voor zorgkosten, maar structurele onderfinanciering (personeel, specialistische zorg) blijft bestaan. Minister Vandenbroucke bevestigt dat het RIZIV in 2025 een structurele conventie moet uitwerken voor langetermijnfinanciering, na een informatiesessie (31/01) met ziekenhuizen, maar concrete resultaten of tijdelijke oplossingen ontbreken nog. Farih dringt aan op versnelde actie, hogere anciënniteitseisen (nu 10 jaar) voor gespecialiseerd personeel en extra budget om kwalitatieve zorg te garanderen, aangezien ziekenhuizen nu nog zelf bijpassen—wat slachtoffers soms alsnog kosten oplegt. De politieke urgentie om de kloof tussen nood en financiering te dichten blijft onbeantwoord.

Nawal Farih:

Mijnheer de minister, ik heb al vaker vragen gesteld over de financiering van de zorgcentra na seksueel geweld. Vorig jaar meldden maar liefst 4.226 mensen zich aan bij een zorgcentrum na seksueel geweld, een stijging van 28 % ten opzichte van het jaar ervoor. Dat toont aan dat er een grote nood wordt ingevuld en dat er meer bekendheid is. Ik hoor van de zorgsector echter dat er nog steeds uitdagingen zijn, die ik vandaag nog eens wil aankaarten.

Aanvankelijk werd een forfait van 100 euro voorzien per slachtoffer dat zich aanmeldt in een zorgcentrum. Dat forfait dient voor de mogelijke onderzoeken, zodat het slachtoffer zelf geen kosten moet dragen. Het gaat dan over zorggerelateerde kosten. In 2021 steeg dat forfait van 100 naar 150 euro. Hiermee worden vooral de medische en forensische zorgen verleend vanuit het zorgcentrum, zodat het slachtoffer gratis bediend kan worden in het zorgcentrum na seksueel geweld. Naast de zorggerelateerde kosten zijn er ook de personeelskosten van onder andere de forensisch verpleegkundigen en de psychologen, die gefinancierd vanuit het Zorgpersoneelfonds.

Ik stelde u vorig jaar al een parlementaire vraag hieromtrent, onder meer over het feit dat verschillende zorgcentra aangaven systematisch ondergefinancierd te zijn, waardoor er telkens bijgepast moet worden door het ziekenhuis zelf. U vermeldde toen dat u een evaluatie zou doen van het forfait, die door het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen zou gebeuren, onder meer om te bekijken welke kosten nu precies onder het forfait vallen en hoeveel het forfait zou moeten bedragen om een slachtoffer holistisch verder te helpen.

U vermeldde toen ook dat vanaf 2024 tien jaar anciënniteit in rekening zal worden gebracht in plaats van de vijf jaar die eerder gold. Ook gaf u mee dat alle opmerkingen inzake de financiering meegenomen zouden worden naar een bespreking om het structureel financieel kader voor de zorgcentra te re-evalueren.

Is de evaluatie van het forfait door het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen intussen gebeurd? Wat waren de conclusies?

Hoeveel bedraagt het forfait voor elk slachtoffer dat zich vandaag in een zorgcentrum na seksueel geweld meldt?

Vond de bespreking met oog op een structureel financieel kader voor de zorgcentra intussen al plaats? Wat waren de opmerkingen van de zorgcentra zelf?

Wanneer mogen ze een nieuw financieel kader verwachten? Daar is echt een grote nood aan. Er zijn ziekenhuizen die centen bijpassen, andere ziekenhuizen doen dat niet. Uiteindelijk komt de zorg dan voor rekening van het slachtoffer. Ik vind dat de politiek daar snel op moet reageren.

Frank Vandenbroucke:

Het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen heeft een evaluatie uitgevoerd van het forfait dat toegekend wordt per slachtoffer dat zich aanmeldt in een zorgcentrum na seksueel geweld. De conclusie was dat het huidige forfait van 150 euro per slachtoffer voldoende is om de zorggerelateerde kosten te dekken.

Het proces om te komen tot een structurele financiering van de zorgcentra na seksueel geweld, in overeenstemming met de bepalingen die al opgenomen zijn in de wet erover, is opgestart. Het Instituut organiseerde op 31 januari in samenwerking met het RIZIV een informatiemoment voor de ziekenhuizen, met als doel uit te leggen waarom het nodig was een formele wetgeving over dat onderwerp aan te nemen en ook de nieuwe elementen van de wet toe te lichten. De planning van het proces om te komen tot een structureel financieel kader zou op dat moment ook aandacht krijgen.

Het RIZIV zal in de loop van 2025 verder werk maken van het inkantelen van de zorgpijler van de zorgcentra na seksueel geweld binnen een conventie van het RIZIV. Dat vraagt de nodige voorbereiding. Die stap is belangrijk in het structureel maken van de financiering van de zorgcentra, die helaas heel belangrijk zijn. Het RIZIV werkt hiervoor samen met het Instituut om expertise over te dragen zodat alles zo vlot mogelijk kan lopen voor de centra en dus ook voor de patiënten.

Nawal Farih:

Mijnheer de minister, dank u wel. Uw antwoord was heel beknopt. Ik begrijp dat uw antwoord al enige tijd geleden is voorbereid, maar ik had vandaag feedback willen krijgen over die informatiesessie van 31 januari. Wat zijn de resultaten daarvan? Het is belangrijk om zo snel mogelijk een antwoord te bieden op de signalen uit de zorgsector. U hebt het anciënniteitsniveau voor de forensisch verpleegkundigen verhoogd naar tien jaar, maar het gaat om zeer kwetsbare vrouwen en mannen die in een situatie zijn beland waarin ze liever niet waren terechtgekomen en die goede begeleiding nodig hebben. Ik wil nogmaals een lans breken voor gespecialiseerd personeel van het hoogste niveau om de slachtoffers een degelijke en kwaliteitsvolle begeleiding te bieden. De anciënniteitsgraad van tien jaar mag dus echt worden verhoogd. Daarvoor moet ook in de nodige financiering worden voorzien.

De toekomst van de Europese veiligheid

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 13 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De VS verschuiven hun focus naar Azië (Pacific Pivot) en dwingen Europa tot meer eigen verdedigingsverantwoordelijkheid, met duidelijke waarschuwingen van Trump en Hegseth dat Europa alleen kan komen te staan tegen Rusland en uitgesloten wordt van vredesonderhandelingen over Oekraïne. België en de EU moeten dringend investeren in defensie (2% BBP tegen 2029), met plannen voor uitbreiding capaciteit, weerbaarheid en inzetbaarheid, ook in Oekraïne, om afschrikking te garanderen en een plaats aan de onderhandeltafel te behouden. Frank benadrukt: alleen een sterke verdediging kan Poetins agressie afschrikken, de democratie beschermen en Europa’s stem in internationale machtsverhoudingen verzekeren—oorlog is duurder dan investeren nu. Jambon bevestigt: het Amerikaanse veiligheidspakket is voorbij, Europa moet zelfstandig optreden, maar blijft onvoorwaardelijk steunen Oekraïne.

Luc Frank:

Sehr geehrter Herr Präsident, sehr geehrter Herr Minister! Depuis hier, le système de sécurité européen connaît un bouleversement profond. Les discours et interventions du secrétaire d'État à la Défense américain Pete Hegseth et du président américain Donald Trump ont clairement indiqué que l'Europe devait prendre une responsabilité plus grande et importante pour sa sécurité.

En fait, ils laissent craindre qu'elle se retrouve rapidement seule face à la Russie, seule pour assurer la paix en Ukraine en cas d'accord. Non seulement seule, mais aussi exclue des grandes décisions qui pourraient fixer une paix précaire sur le continent européen. En effet, comment penser que le régime du président Poutine puisse respecter des accords éventuels? Il ne l'a jamais fait.

En raison de ce bouleversement, une défense totale deviendra donc l'objectif que nous devons poursuivre, et cela en Belgique, dans l'Union européenne et avec nos partenaires de l'OTAN. La Défense deviendra donc un des départements les plus importants dans les années, si pas les décennies à venir. Ce sera indispensable si nous voulons protéger notre État, notre démocratie, nos citoyens et nos valeurs.

Monsieur le ministre, où en est la préparation de la Défense à un éventuel déploiement en Ukraine? Quel calendrier envisagez-vous pour l'adoption des trois plans prévus dans l'accord de gouvernement, soit le plan de défense, le plan d' enablement et le plan de résilience? Les événements de ces dernières heures démontrent la nécessité d'être prêts au plus vite. Enfin, quelle campagne de communication est envisagée pour expliquer à nos citoyens à quel point l'époque a changé?

Jan Jambon:

Ich hätte die Antwort auf Deutsch gegeben, aber Herr Francken hat sie mir nur auf Französisch hinterlassen. Deshalb muss ich Französisch verwenden, um Ihnen zu antworten.

Monsieur Frank, les déclarations du président américain Donald Trump et de son ministre de la Défense sur leur plan de paix en Ukraine constituent un véritable signal d'alarme pour l'Europe. Le message sous-jacent est que les États-Unis déplacent leur attention vers la région du Pacifique et que les États européens devront désormais assumer davantage leur propre défense et leur sécurité collective. Ce message n'est pas nouveau. Le Pacific Pivot date déjà de la présidence d'Obama. Ce qui est nouveau, en revanche, c'est la clarté et la fermeté avec lesquelles il est exprimé.

Nous, Européens, devront plus que jamais prendre nos responsabilités et assurer nous-mêmes notre propre sécurité et défense. L'époque où nous pouvions à moindre coût nous abriter sous les généreux parapluies de sécurité des États-Unis semble désormais définitivement révolue. Nous devrons investir dans nos forces armées en moyens, en effectifs et en matériel. L'accord de gouvernement prévoit à cet égard une trajectoire de croissance ambitieuse pour notre pays. Le gouvernement fédéral s'est engagé à porter les dépenses de défense à 2 % du PIB d'ici 2029.

Le contexte sécuritaire en Europe reste cependant en pleine évolution. Il est actuellement impossible de prévoir ce que nous réserve l'avenir proche et encore moins le moyen ou le long terme. Ce qui est certain, c'est que notre Défense doit être préparée à toutes les éventualités. Nous prendrons nos responsabilités et nous nous inscrirons dans les efforts de défense européens aux côtés de nos partenaires de l'OTAN. La paix en Europe passera par la paix par la force.

Enfin, je tiens à réaffirmer clairement que nous continuerons à soutenir l'Ukraine. Notre solidarité est inébranlable. Nous ne nous déroberons pas à nos responsabilités. Nous resterons aux côtés de l'Ukraine sans hésitation, sans faille.

Voorzitter:

Omdat de minister spreekt namens een andere minister, heb ik niet ingegrepen. Hij heeft immers geen macht over wat hij moet antwoorden.

Luc Frank:

Sehr geehrter Herr Minister, vielen Dank für die Antwort. Sie können dem Kollegen, dem Verteidigungsminister, natürlich ausrichten, dass die Antwort zufriedenstellend war. J’ai trois éléments de réponse. D’abord, seule une Défense forte permettra de dissuader M. Poutine. Nous devons le comprendre et investir massivement. Ensuite, dissuader Poutine de se lancer dans d'autres aventures, c'est protéger notre démocratie, notre système social et notre prospérité. Une guerre serait mille fois plus coûteuse. L'Europe, donc l'OTAN et l'Union européenne, doit enfin prendre ses responsabilités. Enfin, avoir une Défense forte permet aussi d'avoir une place à la table, comme les rapports de force sont la monnaie courante des relations internationales. Ich danke Ihnen für Ihre Aufmerksamkeit. Vielen Dank.

De vervroegde vrijlating van een tweevoudige moordenaar

Gesteld door

lijst: VB Marijke Dillen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 13 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Benjamin Wisniewski, veroordeeld tot 25 jaar voor moord en foltering en unaniem bestempeld als gevaar voor de samenleving, kwam na acht jaar vrij en pleegde opnieuw een dodelijke steekpartij, wat leiden tot verontwaardiging over de te vroege invrijheidstelling door de strafuitvoeringsrechtbank. Minister Verlinden benadrukte dat beslissingen gebaseerd zijn op expertadviezen en risicoanalyses, maar erkende de nood aan strikter strafuitvoeringsbeleid via de recidivemonitor en proefprojecten, zonder de wet-Lejeune af te schaffen. Dillen eist afschaffing van de wet-Lejeune en effectieve 25-jarige straffen voor zware criminaliteit, wijzend op onacceptabele straffeloosheid door vervroegde vrijlating. De regering wil recidive beperken via betere monitoring, maar houdt vast aan humane detentie als preventie.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, in 2017 moesten negen beschuldigden zich voor het hof van assisen verantwoorden voor het opsluiten, folteren en vermoorden van twee personen, wier lichamen waren verzwaard en in het kanaal gegooid. Een van de beschuldigden, Benjamin Wisniewski, werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 25 jaar. Niettegenstaande dat de experten tijdens zijn proces geen psychopathische diagnose stelden, waren ze wel unaniem van oordeel dat hij een gevaar voor de samenleving vormde. Ik citeer: "Hij vormt een gevaar voor de samenleving vanwege onder meer zijn gebrek aan kritisch vermogen ten opzichte van ernstige feiten." Duidelijker kan niet.

Nog geen acht jaar na zijn veroordeling, komt Wisniewski vrij uit de gevangenis. De experten kregen helaas gelijk: hij was nog maar tien dagen op vrije voeten en hij sloeg opnieuw toe. Over de inhoud van de feiten bestaat nog wel onduidelijkheid, maar wat wel vaststaat, is dat hij iemand heeft doodgestoken en door de raadkamer is aangehouden. De intentie om te doden, is aangehouden en er is ook sprake van voorbedachtheid.

Mevrouw de minister, hoe is het mogelijk dat iemand die tot 25 jaar cel veroordeeld is en een gevaar voor de samenleving betekent, na acht jaar kan vrijkomen? Dat begrijpt werkelijk niemand. Voor ieder weldenkend mens geldt het principe dat 25 jaar effectieve gevangenisstraf ook 25 jaar is, zeker voor zulke zware vormen van criminaliteit. Het liefst wordt die straf dan nog gekoppeld aan de levenslange terbeschikkingstelling.

Annelies Verlinden:

Mevrouw Dillen, het parket van Bergen heeft in verband met de aangehaalde vreselijke feiten meegedeeld dat in de nacht van 5 op 6 februari een steekpartij heeft plaatsgevonden naar aanleiding van een ruzie in Quaregnon. De man die gestoken werd, is later overleden in het ziekenhuis. Intussen werd een verdachte aangehouden. Ik kan geen verdere details geven over het lopende gerechtelijke onderzoek inzake die feiten. Het is wel duidelijk voor iedereen dat het drama een groot menselijk leed en veel verdriet bij familie en vrienden van het slachtoffer veroorzaakt.

Daarnaast beroert het incident begrijpelijkerwijze de publieke opinie gelet op de eerdere veroordeling en het eerder verblijf van de verdachte in de gevangenis. Ik heb uiteraard veel begrip voor de verontwaardiging, maar sta me toe in antwoord op uw vraag toch even in te gaan op de mechanismen en de regelgeving voor de beslissingen die strafuitvoeringsrechtbanken nemen. Inderdaad, strafuitvoeringsrechtbanken gaan niet over een nacht ijs bij het nemen van een beslissing. Er worden adviezen van experts ingewonnen, de betrokkenen worden gehoord en er wordt een risicoanalyse gemaakt van de recidiverisico's die gepaard zouden gaan met een eventuele vervroegde invrijheidstelling of het opleggen van een enkelband. Ik heb geen enkele aanwijzing dat dat in het betreffende dossier niet zou zijn gebeurd.

Hoe dan ook heeft de regering het vaste voornemen om de strafuitvoering te verbeteren en meer inzicht te krijgen in recidive via de recidivemonitor, waarvoor al een eerste aanzet gedaan is. Er loopt een aantal proefprojecten en die moeten we duidelijk voortzetten om de risico's te beperken. De regering wil dus strikter inzetten op straffen en op strafrechtelijk beleid. Tegelijk legt ze de nadruk op humane detentie, omdat inhumane detentie heel vaak een aanleiding is tot recidive.

Ik dank alle actoren voor hun inspanningen. We moeten een rechtvaardig strafrechtelijk beleid voeren. We moeten een veilige samenleving mogelijk maken. Ik zal dan ook bekijken hoe we dat verder kunnen (…)

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, ik vraag niet naar details uit een lopend onderzoek. Ik vraag hoe het mogelijk is dat iemand die een gevaar betekent voor onze samenleving, veroordeeld tot 25 jaar, al na 8 jaar vrijkomt ondanks de duidelijke waarschuwing van de experts. Dergelijke praktijken, mevrouw de minister, leiden tot onaanvaardbare straffeloosheid. Een strenge aanpak van zulke zware vormen van criminaliteit is noodzakelijk. Mevrouw de minister, ik heb gelezen dat in het regeerakkoord de intentie staat de wet-Lejeune te verstrengen. U koppelt dat dan wel aan de aanpak van de overbevolking van onze gevangenissen. Wanneer zal dat dan gebeuren? Wij van het Vlaams Belang vragen geen verzwaring van de wet-Lejeune; wij vragen om de wet-Lejeune volledig af te schaffen, in het belang (…)

De alcoholcontroles voor meer verkeersveiligheid

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 13 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om verstrengde alcohol- en drugcontroles in het verkeer na schokkende Pano-cijfers (40% nachtelijke weekendongelukken gerelateerd aan middelen). Minister Quintin belooft meer controles, een centrale databank voor uniformiteit en nultolerantie, terwijl Vandemaele (Groen) benadrukt dat gelijkmatige handhaving en hogere pakkans cruciaal zijn voor een cultuuromslag, met extra aandacht voor slechtpresterende politiezones. Beide partijen onderstrepen dat elk slachtoffer er één te veel is en pleiten voor gecoördineerde, datagestuurde actie. Nultolerantie is een nieuw, onverwacht regeerakkoordpunt.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, we herinneren ons allemaal de Pano -reportage van eind vorig jaar waaruit bleek dat 40 % van de ongevallen die 's nachts in het weekend gebeuren alcohol- of drugsgerelateerd zijn. Elke dag zijn elf mensen betrokken bij een ongeval waarin drugs of alcohol een rol speelt. Dat gaat natuurlijk over mensenlevens, over echte mensen.

Velen van ons zullen zich ook herinneren dat korpschef Nicholas Paelinck toen zei dat hij helemaal geen fan van cijfers en statistieken is, omdat men daarmee alles kan bewijzen. Hij lachte het eigenlijk gewoon weg. Het gaat nochtans niet over cijfers, mijnheer Paelinck. Het gaat over mensenlevens.

Ik lees in het regeerakkoord, mijnheer de minister, dat elk slachtoffer er een te veel is en dat dat een absolute prioriteit wordt van deze regering. Groen zal u volmondig ondersteunen in die meer dan terechte ambitie. Ik lees dat u datagestuurde controles zult doen op specifieke plaatsen en in specifieke tijdvorken en dat er ook een databank zal komen waarin alle alcoholcontroles voor eens en voor altijd verzameld worden, zodat er een overzicht is. Ook daar zijn we voorstander van.

Een databank zal echter niet volstaan, want er moet gewoon meer volk op het terrein. Alle experts en alle politierechters zijn het erover eens dat er meer moet worden gecontroleerd. De pakkans moet omhoog, want dat is de enige manier om een cultuuromslag te realiseren.

Ik heb in dat verband cijfers van de verschillende politiezones opgevraagd bij uw voorgangster. Blijkbaar bestaan er gigantische verschillen. In de ene politiezone wordt veel meer gecontroleerd dan in de andere.

Ik heb hierover dan ook een aantal vragen voor u.

Het staat niet in het regeerakkoord, maar komen er meer of minder alcoholcontroles onder uw bewind? Hoe zult u het verschil tussen de lokale politiezones aanpakken? Hoe zult u hen stimuleren?

Bernard Quintin:

Mijnheer Vandemaele, alcohol en rijden gaan niet samen. Ik heb de cijfers over het aantal alcoholcontroles in 2023 ook gezien. Ik ben het met u eens dat het over mensen gaat en niet louter over cijfers. De cijfers tonen aan dat de politie, zowel de lokale politie als de wegpolitie, in het kader van onder andere de bobcampagnes grote inspanningen levert.

Deze regering zal strenger optreden tegen alcohol- en drugsgebruik achter het stuur. Elk ongeval en elk verkeersslachtoffer is er een te veel. Daarom zal de politie het aantal alcoholcontroles opdrijven. In het regeerakkoord is ook een geïntegreerde databank opgenomen om een overzicht van alle alcoholcontroles in België te krijgen. Op die manier zullen we de inspanningen van alle politiezones in dit land op hetzelfde niveau kunnen brengen.

Als minister van Binnenlandse Zaken wil ik de pakkans voor alcohol achter het stuur verhogen. Mijnheer Vandemaele, zoals u weet, is het beeld genuanceerd. Er zijn ook zones die goed scoren op het vlak van alcoholcontroles, maar toch zijn er chauffeurs die door de mazen van het glippen.

La conduite sous influence représente la première cause d’accidents mortels sur nos routes.

Daarom gaan we met deze regering nultolerantie hanteren voor alcoholgebruik in het verkeer.

Nous ne relâcherons jamais nos efforts dans cette lutte. Chaque victime de la route est une victime de trop, plus que jamais... Drinken en rijden gaan niet samen. Boire ou conduire, il faut choisir.

Matti Vandemaele:

Dank u voor uw bevredigende antwoord. U zegt dat men de co ntroles zal opdrijven. Dat is een heel goede zaak. Mensen moeten om het even wanneer, op om het even welke plaats, op om het even welk moment van de dag gestopt kunnen worden om te blazen. Alleen op die manier kunnen we een cultuuromslag bewerkstelligen. De meeste politiezones doen inderdaad hun best, ze doen absoluut wat ze moeten doen. Toch zijn er enkele slechte leerlingen en die zou men een signaal moeten geven en overtuigen om meer te doen. Collega’s, ik hoop dat we daar samen aan kunnen werken. Veel mensen zeggen hier in het debat dat we moeten durven, dat we moeten doorpakken. Dat kan niet anders. We zijn het verplicht aan onze burgers. Als het over verkeersveiligheid gaat, zijn we het ook verplicht aan onze burgers. Ik dank u dus alvast. Ik heb u horen spreken over nultolerantie in het verkeer. Ik had dat nog niet gelezen. Dat is een nieuw element waarmee we heel blij zijn.

De schietincidenten in Brussel
Het (drugs)geweld in Brussel
De drugsdealers en de herhaalde schietpartijen met kalasjnikovs aan het metrostation Clemenceau
De dodelijke schietpartijen in Brussel
De schietincidenten en de fusie van de politiezones in Brussel
De schietincidenten in Brussel
De dodelijke schietpartijen in Brussel
Het drugsgeweld
De schietincidenten in Brussel
De schietpartijen aan het Brusselse metrostation Clemenceau
Het geweld en de schietpartijen in Anderlecht
De coördinatie tussen de verschillende beleidsniveaus
De ondersteuning van de slachtoffers van drugscriminaliteit
Geweld, schietpartijen en drugscriminaliteit in Brussel en omgeving

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 12 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De gedachtewisseling in de Kamer draaide rond de escalerende drugsgerelateerde schietpartijen in Brussel, met name in Anderlecht, en de structurele aanpak van georganiseerde criminaliteit en drugshandel door de nieuwe minister van Binnenlandse Zaken, Bernard Quintin. Quintin benadrukte een nultolerantiebeleid, versterkte politieaanwezigheid (o.a. 24/7-patrouilles op hotspots), samenwerking met Justitie en Defensie (voor statische bewaking), en een ketenaanpak (van productie tot consumptie), maar erkende dat structurele oplossingen (zoals fusie van Brusselse politiezones, financiële ontmanteling van bendes en preventie) tijd en gecoördineerde inspanningen vereisen. Kritische punten waren tekort aan middelen, snelle inzetbaarheid van militairen (omstreden door minister Francken), en de rol van Justitie om straffeloosheid tegen te gaan, terwijl oppositiepartijen meer repressie en concrete timing eisten.

Voorzitter:

Ik verwelkom de nieuwe minister van Binnenlandse Zaken en Veiligheid, de heer Bernard Quintin. Ik feliciteer hem nogmaals met zijn aanstelling.

Ik heb tot deze gedachtewisseling beslist naar aanleiding van de verzoeken van de Vlaams Belangfractie en de fractie van Les Engagés met toepassing van artikel 24. Er worden ook vragen en een interpellatie aan toegevoegd.

Ik stel de volgende werkwijze voor. De minister zou graag een korte inleiding willen geven van een tiental minuten. Daarna zou ik de fracties aan het woord laten in volgorde van de grootte. Daarna kan de minister antwoorden en kan er worden gerepliceerd.

Mijnheer de minister, mag ik u vragen om binnen die tijd te blijven? Er zijn ook zeer veel fracties hier vertegenwoordigd, dus ik zou willen vragen om de uiteenzettingen van de fracties te beperken tot 10 à 15 minuten. Ik ben daarin nogal soepel, maar in der Beschränkung zeigt sich der Meister .

Bernard Quintin:

Mijnheer de voorzitter, dames en heren volksvertegenwoordigers, bedankt voor de flexibiliteit. Ik wil u vooreerst bedanken om mij in uw commissie te verwelkomen als nieuwe minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, belast met Beliris. Uw rol en die van alle leden van de Kamer is voor mij essentieel. Ik verheug me dan ook om samen met u van gedachten te wisselen en kijk uit naar onze samenwerking.

Évidemment sans me faire trop d’illusions, car je sais que nous ne serons pas toujours d’accord et que nos débats seront vifs mais c’est précisément ce qui fait la richesse de notre démocratie. Une chose toutefois nous rassemble au-delà de nos divergences: notre pleine volonté de mieux garantir la protection et la sécurité de nos concitoyens. Sur ce point, vous pouvez compter sur mon engagement total.

Venons-en aux faits qui se sont déroulés la semaine dernière. Le mercredi 5 février dans les premières heures du matin, deux fusillades ont eu lieu dans la capitale. Une première à Saint-Josse-ten-Noode aux alentours de 1 h 25 avec deux blessés et une seconde à la sortie de la station de métro Clemenceau à 6 h sans faire de blessés. Le lendemain, le jeudi 6 février, une nouvelle fusillade a eu lieu à Clemenceau. Une personne a été blessée et s’est trouvée quelques jours dans un état critique. Ce vendredi 7 février, une fusillade a eu lieu dans le quartier anderlechtois du Peterbos. Une personne y a perdu la vie.

Enfin, selon les informations dont je dispose à l’heure actuelle, hier soir aux alentours de 22 h 00, un individu armé d’une arme longue est sorti d’un véhicule à proximité de la station Clemenceau où se trouvait une équipe de police en poste statique. À la vue de celle-ci, l’individu est remonté dans son véhicule et a pris la fuite. Cet évènement démontre l’importance de la présence policière renforcée dans nos rues.

Na de gebeurtenissen van vorige week trad ik onmiddellijk in contact met de betrokkenen en stond ik aan de zijde van de politieteams ter plaatse. Daarvoor wil ik hen bedanken. Eerst en vooral had ik een gesprek met de burgemeester van Anderlecht, de heer Fabrice Kumps, en de procureur des Konings, de heer Moinil. Vorige week had ik ook ontmoetingen met nationaal drugscommissaris, mevrouw Ine Van Wymersch, en de commissaris-generaal van de federale politie, de heer Eric Snoeck.

Toujours vendredi matin, après les événements dans le quartier du Peterbos, une réunion d'urgence a eu lieu au cabinet de la ministre de la Justice, ma collègue Annelies Verlinden, en présence du commissaire général de la police fédérale, des représentants des forces de police locales, de la commissaire nationale aux drogues, du parquet général et du procureur du Roi de Bruxelles. Il s'agissait d'une réunion importante et utile pour faire le point sur la situation mais surtout pour mettre tous les acteurs concernés autour de la table et coordonner les informations récoltées.

Gisteren heb ik met de burgemeester van Brussel de Gewestelijke Veiligheidsraad van Brussel bijgewoond. Het belangrijkste doel van die ontmoetingen was de identificatie van concrete en snelle maatregelen voor de verhoging van de veiligheid van onze burgers, wat vandaag nog steeds onze absolute prioriteit is. Ze boden ook de gelegenheid om de balans op te maken en te onderzoeken hoe we de aanwezigheid van de politie in en rond de metrostations en in de politiezone Zuid kunnen versterken.

Ces échanges ont été l’occasion de témoigner mon soutien et ma gratitude envers les forces de l’ordre, dont l’engagement sans faille mérite d’être salué. J’ai été profondément touché par la détermination et la persévérance des agents rencontrés sur le terrain, et je tiens à leur adresser ici une fois encore mes plus sincères remerciements.

Mes pensées vont aussi évidemment aux concitoyens innocents, directement ou indirectement affectés par ces violences. Je mesure pleinement leur crainte et leur sentiment d’insécurité qui est d'ailleurs, pour la plupart d’entre eux, plus qu’un sentiment. Il faut leur dire que nous entendons leur appel à plus de sécurité. Ils veulent vivre en sécurité et en paix dans leur quartier. Ils peuvent compter sur ma détermination et celle de l’ensemble du gouvernement pour agir.

Samen zullen we ons onvermoeibaar blijven inzetten om de situatie te verbeteren. Ik herhaal het keer op keer: de straten zijn niet van de dealers, maar van onze medeburgers.

Comme vous le savez, le problème lié au phénomène de vente de stupéfiants en Belgique n'est pas nouveau. Notre pays est connu pour être devenu un hub logistique pour l'Europe. Deux points d'entrée principaux ont été identifiés: le port d'Anvers et l'aéroport de Liège-Bierset, lesquels permettent l'importation de cocaïne et de drogues de synthèse. Ces dernières années, la vente de drogue s'est structurée sous la tutelle des mafias étrangères, notamment au sein du quartier Peterbos.

Het gebruik van verdovende middelen is ook veranderd. Voor 2020 werd de politie voornamelijk geconfronteerd met cannabishars. Sinds de structurering van de drugsnetwerken zien we een toename in de verkoop van cocaïne, die blijft stijgen vanwege de rentabiliteit op de drugsmarkt. Een straatverkoper verdient veel meer met de verkoop van cocaïne dan met de verkoop van cannabishars, waardoor meer verkopers die drug aanbieden.

Notre service de police de recherche a déjà pu identifier plusieurs réseaux de trafiquants présents dans plusieurs régions de notre pays. À Anvers, ce sont des narcotrafiquants liés et sous la tutelle de la Mocro Maffia et de la mafia albanaise. À Liège, les réseaux de stupéfiants sont moins structurés et disposent de moins de capacités logistiques, comme par exemple l'accès aux armes à feu. Cependant, cela n'empêche pas une guerre de territoire avec les différentes organisations qui se conclut par des règlements de comptes violents à l'arme blanche.

Depuis la fin de l'année 2021, nous faisons le triste constat de l'augmentation de la violence avec armes à feu dans les rues de Bruxelles. Les différentes organisations se livrent, aux yeux de tous, à des règlements de comptes dans les rues de nos quartiers. Ce que nous avons vu la semaine dernière n'est que la pointe de la partie émergée de l'iceberg.

Ik kan u verzekeren dat ik niet zal blijven stilzitten in mijn bureau, maar dat ik bij onze ordediensten op het terrein zal zijn. Het regeerakkoord is duidelijk. Il faut le souligner . De veiligheid in onze straten en het einde van de straffeloosheid zijn de prioriteiten voor alle actoren, ook voor de mensen die ik sinds vorige week heb ontmoet.

Vous allez me demander, à juste titre, quelles mesures seront prises. Nous allons décliner notre approche en deux phases.

Premièrement, il est impératif de regagner l'espace public. Afin d'atteindre cet objectif, la Zone de police Midi a été renforcée, depuis le 28 octobre 2024, par six inspecteurs qui composent trois patrouilles de sécurisation du service DAS de la police fédérale présents 24 sur 7. Ils sont venus en renfort sur les six hotspots de la Zone de police Midi: Peterbos, Cureghem-Aumale, Gare du Midi, Porte de Hal, Square Jacques Franck, et Saint-Antoine.

Depuis les fusillades de la semaine dernière, un renfort supplémentaire a été déployé dans le cadre d'un mécanisme de coopération policier renforcé, notamment par l'appui de la Zone de police Bruxelles Capitale Ixelles et de la police fédérale: 20 inspecteurs en appui sur les lieux identifiés comme hotspots au sein des zones de police assurent des patrouilles 24 sur 7, et 30 inspecteurs au service de la police des chemins de fer (SPC) renforcent la sécurité dans les stations de métro. Parallèlement, des enquêtes judiciaires approfondies sont menées, afin de cibler les responsables de ce trafic.

Deuxièmement, une série de mesures visant le démantèlement des réseaux doivent être envisagées de manière structurelle et pérenne. Je vous en liste quelques-unes que je compte étudier.

Je voudrais d'abord un renfort supplémentaire qui sera destiné aux zones confrontées au trafic de drogue, pour des patrouilles de sécurisation.

Comme inscrit dans l'accord de gouvernement, j'entends étudier la manière dont nous pouvons organiser nos formations au sein des écoles de police de manière plus concrète et efficace. Mon attention se portera notamment sur le bon fonctionnement des directions de la police judiciaire fédérale, afin que les enquêteurs puissent travailler de manière plus optimale.

Je vais renforcer le travail commun avec les SPF Justice, Asile et Migration, Finances ainsi qu'avec la commissaire nationale aux drogues, pour nous attaquer ensemble à toutes les chaînes du trafic.

In overeenstemming met het regeerakkoord zullen bewakingsopdrachten op gevoelige locaties, zoals kerncentrales en ambassades, uiteindelijk overgenomen worden door Defensie. Hierdoor kunnen de agenten die nu gemobiliseerd zijn weer in hun oorspronkelijke diensten worden opgenomen, zodat ze zich op hun primaire opdracht kunnen toeleggen. Ik ben daarover in overleg met mijn collega van Defensie, de heer Theo Francken. Wij hebben allebei de vaste wil om dit te doen conform het regeerakkoord.

Om de drugshandel te bestrijden moeten we ook de gebruikers bewuster maken. In het belang van de openbare veiligheid, gezondheid en rust zullen administratieve maatregelen worden genomen tegen kopers van verdovende middelen.

Mesdames et messieurs les députés, je mettrai tout en œuvre pour éradiquer le trafic de drogues de nos rues. Toutefois, cette lutte ne pourra être menée efficacement et sur le long terme qu'avec l'implication de tous les pouvoirs compétents. Je pense ici aux autorités locales, mais également aux autorités régionales ainsi qu'à mes collègues de la Justice, de l'Asile et de la Migration, ou encore des Affaires étrangères. Nous serons en contact régulier et coordonnerons nos actions.

Samen zullen we een eenvoudig principe toepassen: nultolerantie ten opzichte van criminaliteit. Over de rust in onze wijken en de veiligheid van onze inwoners valt niet te onderhandelen. Er is geen diplomatie tegenover criminaliteit of, met andere woorden, geen diplomatie met dealers. Ook – en dit wil ik benadrukken – wordt geweld tegen onze politieagenten, brandweerlieden en ambulanciers niet getolereerd.

Inutile de revenir en détail sur le bilan de la nuit de la Saint-Sylvestre, mais une chose est certaine, celles et ceux qui s'engagent chaque jour pour protéger nos concitoyens doivent pouvoir remplir leurs missions en toute sécurité et ceux qui s'attaquent à eux doivent être punis fermement.

Monsieur le président, mesdames et messieurs les députés, je suis conscient que le travail qui nous attend est un parcours de longue haleine qui nécessitera un plein engagement et une bonne dose de persévérance et de patience. J'y suis prêt, tout comme l'ensemble des acteurs concernés.

Al na één dienstweek zie ik een sterke bereidheid om samen vooruitgang te boeken. Ik kijk er dan ook naar uit om dat werk constructief met jullie voort te zetten.

Voorzitter:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw inleiding. Het woord is aan de fracties.

Maaike De Vreese:

Mijnheer de minister, collega's, op drie dagen tijd vonden vier schietpartijen plaats in Brussel, waarmee we echt een escalatie van het drugsgeweld in onze hoofdstad zien. Een dode en een gewonde zijn de ons bekende slachtoffers, maar er zijn heel wat meer slachtoffers van die incidenten, want door die incidenten heerst een onveiligheidsgevoel bij de burgers, bij mama's en papa's die hun kinderen naar school moeten brengen, bij oma's en opa's die gewoon met hun hondje op straat willen wandelen. Al die mensen zijn slachtoffers van het drieste drugsgeweld in de straten van Brussel.

Op beelden zien we mannen gewapend met kalasjnikovs op straat, bij de metro. Dat is geen onveiligheidsgevoel meer, maar onveiligheid. Mensen zijn niet meer veilig op straat. In de kranten lees ik dat het slachtoffer dat in het been geschoten werd op het verkeerde moment op de verkeerde plaats geweest zou zijn. Daardoor stellen mensen zich natuurlijk de vraag 'wat als ik mijn wandelingetje maak over straat'?

Of het nu overdag of 's nachts is, de straten in Brussel moeten veilig worden. We moeten law-and-order bereiken. Daarvoor zijn verenigde krachten nodig, mijnheer de minister, daarmee ga ik akkoord. Als minister van Binnenlandse Zaken kunt u dat niet alleen doen. Ik ben dan ook zeer blij dat u ondertussen al zoveel stappen hebt gezet om met verschillende partners aan tafel te gaan zitten en ook om met collega-ministers te spreken. Dat zal ook in de komende maanden, zelfs jaren, noodzakelijk zijn.

Hoe moeten we de veiligheid herstellen? Daarop is niet slechts één antwoord mogelijk. Met N-VA hebben we al vaker een fusie van de politiezones in het Brusselse aangekaart. Ik denk dat we moeten komen tot een efficiënte politie, tot een politiezone die niet versnipperd, maar echt slagkrachtig en flexibel is en die zeer aanwezig kan zijn op de nodige momenten.

Er moet meer blauw op straat zijn door samen met de minister van Defensie te bekijken welke andere opdrachten eventueel aan militairen kunnen worden gegeven. Ik hoor dat er nog wel wat werk aan de winkel is voordat men hiermee van start kan gaan. Daar zal ik u straks een aantal vragen over stellen. Een gecoördineerd veiligheidsbeleid is ook nodig. Er zijn zoveel structuren, overleggroepen, taskforces en dergelijke die allemaal op elkaar moeten worden afgestemd.

Wat zero tolerance betreft, een harde aanpak is absoluut noodzakelijk. Het gaat hier niet meer om een kleine drugsdealer, een jongetje van negentien dat wat zakgeld wil verdienen. Het gaat om zware drugscriminelen en georganiseerde criminaliteit waarvoor we een nationaal actieplan nodig hebben. Dit deint immers ook uit naar andere steden en gemeenten. Door dat nationale actieplan zal de veiligheid van onze stations en onze steden er fel op vooruitgaan.

Om die georganiseerde bendes te raken, moeten we inderdaad aan de centen zitten. Dit komt nu misschien niet onmiddellijk op de voorgrond, maar is minstens even belangrijk. De nationale drugscommissaris wijst er ook telkens op: follow the value . In het regeerakkoord is er ook sprake van de FIOD, de multidisciplinaire fiscale en financiële opsporingsdienst. Dat is immers wat we moeten doen, namelijk het lamleggen van de criminele circuits en beletten dat crimineel geld wordt witgewassen, waarna alles gewoon verdergaat.

We zijn in de Zweedse regering gestart met de uitrol van een volledig kanaalplan. Ook nu staat in het regeerakkoord dat daar fors op ingezet zal worden om de criminele circuits op ieder niveau actief en gericht tegen te gaan. Dat brengt mij bij mijn vragen, mijnheer de minister.

Kunt u bijkomende uitleg aan ons geven over de geplande fusie in Brussel? Wij zijn er immers van overtuigd dat zo'n fusie veel voordelen biedt. Dat wordt trouwens ook bevestigd door wetenschappelijk onderzoek.

Er zullen uiteraard heel grote uitdagingen mee gepaard gaan. We moeten er echter niet voor terugdeinzen om zo snel mogelijk stappen vooruit te zetten. Deelt u die mening? De brandweerzones zijn immers gefusioneerd en tonen aan dat een bepaalde manier van werken in de toekomst mogelijk is.

Meer blauw op straat brengt ons ook bij wat de DAB binnen de politie doet. Hoe verhouden die zaken zich tegenover elkaar, namelijk de DAB ten opzichte van de militairen die op straat komen? Op dat vlak blijf ik nog met een aantal vragen zitten. Hoeveel mensen komen vrij bij de politie, mochten de militairen worden ingezet voor statische bewakingsopdrachten? Dat is heel strikt omschreven in het regeerakkoord. Hoeveel militairen zijn daarvoor nodig? Hebt u nu al een zicht daarop en kunt u dat aan ons meegeven?

Ik hoor dat er overleg is geweest met uw collega-minister van Defensie, Theo Francken. Kan er daarover al meer worden medegedeeld?

Er is een taskforce bij het parket van Brussel. Wat is de rol van de lokale en federale politie in die taskforce? Hoe worden de zaken op elkaar afgestemd?

Inzake zero tolerance ben ik er echt van overtuigd dat er een kordaat lik-op-stukbeleid moet komen met een onmiddellijke reactie en een nultolerantie ten opzichte van drugs. De federale politie levert inderdaad gerichte steun, onder meer bij het identificeren en ontmantelen van druggerelateerde bendes, natuurlijk in overleg met de lokale politie. De samenwerking zou echter in december 2024 worden geëvalueerd. Hebt u extra informatie voor ons daarover? Welke conclusies en aanbevelingen hebben de evaluatie van de samenwerking tussen de federale en de lokale politie in Brussel opgeleverd?

Welke acties worden opgenomen in het Nationaal Actieplan voor de veiligheid in de stations en in de grote steden? Hoeveel middelen hebt u daarvoor beschikbaar?

Hoe wilt u heel concreet werk maken van een kordaat lik-op-stukbeleid met een onmiddellijke reactie en nultolerantie, natuurlijk ook tegen het geweld aldaar? Hoe zullen we er zeker en vast voor zorgen dat onze politiediensten tegen het geweld gewapend zijn?

We hebben de agressie en het geweld gezien tijdens de rellen op oudejaarsnacht. We hebben hier toen ook een enorme discussie gevoerd in de commissie. Op welke manier zorgen wij ervoor dat de politie zelf krachtig genoeg kan optreden tegen dergelijk enorm agressief geweld?

Ik heb nog een bijkomende vraag. Kunt u wat meer uitleg geven over de SIOD? Ook de drugscommissaris heeft daarover een aantal zaken in de pers medegedeeld, met name dat ze ook de opdracht heeft gekregen om een drugsfonds uit te werken. Hoe verhouden die twee zich tot elkaar? Klopt het dat die opdracht al is gegeven?

Mijn collega Jeroen Bergers – nieuw in de commissie en schepen in Vilvoorde – was samen met collega’s uit de Vlaamse Rand betrokken bij het federale Kanaalplan. In hoeverre zult u dat federale Kanaalplan verder uitrollen? Zult u ervoor zorgen dat het niet uitdijt naar de Brusselse en Vlaamse Rand? Want dat is een echte bron van ongerustheid.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, als u me toestaat zal ik vanop mijn voorzittersstoel de tussenkomst houden voor de Vlaams Belangfractie. Ik spreek dus niet in mijn hoedanigheid van commissievoorzitter, waarin ik een neutrale rol opneem.

Terwijl we deze gedachtewisseling aan het voeren zijn, komt er een recent krantenartikel binnen waarin staat dat er opnieuw een man met een kalasjnikov is opgedoken aan hetzelfde metrostation, Clemenceau. Hij is weggevlucht en nog steeds voortvluchtig. Misschien kunnen mevrouw De Vreese en de meerderheidspartijen u veel lof toezwaaien voor uw snelle aanpak, maar veel impact heeft die blijkbaar nog niet gehad op het terrein, gezien het nieuwe incident gisteren. Ik wil niet in herhaling vallen. Mevrouw De Vreese heeft de gebeurtenissen beschreven, de situatie is duidelijk en vooral ernstig en is helaas niet tot Brussel beperkt.

Mevrouw De Vreese, u bepleit terecht ook een aanpak buiten Brussel, zodat het niet uitdijt naar de Rand, maar ik vrees dat het te laat is. Ik zeg niet dat het de schuld is van de huidige meerderheid, maar we hebben het veiligheidsthema niet enkel in Brussel maar ook in andere grootsteden al veel te lang verwaarloosd. Ik verwijs ook naar de vele aanslagen van de afgelopen jaren in Antwerpen. Er is dringend nood aan versterking van het repressief apparaat. Er werd door de politiek te veel ingezet op een preventieve aanpak, terwijl er te weinig nadruk werd gelegd op repressie.

Dan kom ik tot de essentie van deze gedachtewisseling met u, mijnheer de minister. Hoe zullen we dit aanpakken?

Ik denk dat we twee zaken moeten doen, mijnheer de minister. Op zeer korte termijn moeten we een aantal zeer dringende maatregelen treffen. Dan denk ik aan de fusie van de Brusselse politiezones. Het kan immers niet dat, als men feiten pleegt in een bepaalde politiezone, de politiezone ernaast daar geen weet van heeft en daar niet mee verder kan. Die fusie moet er komen.

U hebt me wat ongerust gemaakt bij de bespreking van de regeerverklaring van vorige week, mijnheer de minister. U zei toen: "Mijnheer Depoortere, ik ga daar mijn tijd voor nemen. Ik zal eerst een keer gaan babbelen met de burgemeesters. Ik zal nog een keer overleggen met de verschillende korpschefs. Ik zal dan kijken of dat we daar ook politiek nog iets mee kunnen doen. Dan moet er uiteraard nog een wetsontwerp worden gemaakt. Dat moet aan allerlei instanties en werkgroepen worden voorgelegd en dan moeten er ook nog adviezen worden aangevraagd. Ik denk niet dat dit allemaal dit jaar rond kan zijn." Ik denk daarentegen net wel dat dit een quick win is, die men onmiddellijk zou moeten aanpakken. Stop het gepalaver over die eenmaking van de Brusselse politiezones.

Ten tweede – ik herhaal wat ik vorige week al heb gezegd –, de regering voorziet budgettair voor dit jaar in 75 miljoen euro. Mijnheer de minister, dat is compleet ontoereikend als men weet hoeveel noden er bij de politie zelf zijn. U zegt dat u op het terrein bent geweest. U zegt dat u in de toekomst geen minister achter een bureau wilt zijn, maar een minister tussen de politiemensen. Luister dan eens goed naar de politiemensen en luister vooral naar wat hun noden zijn. Hun materiaal is allang niet meer gemoderniseerd. Ze hebben een tekort aan personeel. U hebt nu wel beslist om bijstand te verlenen met de federale politie en u hebt beslist om lokaal extra ondersteuning te geven, maar de vraag werd u ook door een journalist gesteld: hoelang zult u die inspanning volhouden, mijnheer de minister? Een maand, twee maanden, een jaar, een legislatuur? Dit is geen structurele oplossing, het is kurieren am Symptom .

We spreken hier niet over een fait divers, maar wel over georganiseerde criminelen die rondlopen met oorlogswapens. Er is nu al een dode gevallen en iedereen hoopt dat er geen onschuldige slachtoffers meer zullen vallen. Ik kan dus niet anders dan de Bart De Wever van twee jaar geleden gelijk te geven. Toen was er nog een Bart De Wever die naar aanleiding van een schietpartij in Antwerpen, waarbij een onschuldig meisje van 11 jaar het leven liet, zei dat het gedaan moest zijn met rond de pot te draaien. Hij vroeg om een onmiddellijke aanpak en om desnoods het leger in te zetten.

We zijn intussen twee jaar verder, met een nieuwe regering waarvan de N-VA nu wel deel uitmaakt. Echter, de N-VA is plots van koers veranderd. Mijnheer de minister, u zegt wel met Defensie te willen werken, maar nog geen uur later hoor ik een zekere heer Francken, minister van Defensie, zeggen dat dat niet zal pakken, dat het niet zal lukken, dat we geen wettelijk kader hebben, dat het leger daar niet voor is opgeleid en dat Defensie zelf noden heeft. Hij zegt dat dit nog helemaal niet aan de orde is, want dat er eerst een wettelijk kader moet komen en tegen dat dat allemaal rond is, we nog wel zullen zien. En dat alles terwijl de nood vandaag heel hoog is. Dat is geen oplossing zoals de bevolking die vraagt.

Ik kom tot een derde luik. Ik hoor al vijf jaar lang in deze commissie het woord nultolerantie vallen. Intussen is iedereen, van extreemlinks tot rechts, ervan overtuigd dat er een nultolerantie moet komen ten aanzien van dergelijke criminelen, maar tussen de woorden en de daden is er nog een heel groot verschil. Mijnheer de minister, ik heb aan uw voorgangster, mevrouw Verlinden, die nu de rol van de heer Van Tigchelt heeft overgenomen, ook steeds gezegd dat er geen aanpak van georganiseerde criminaliteit kan zijn als Justitie niet volgt. Anders blijft het dweilen met de kraan open voor onze politiemensen. Dat werkt demotiverend voor onze politie en het werkt de straffeloosheid of zeker het gevoel van straffeloosheid in de hand bij de burger.

Ik wil u dus alleszins vragen om te overleggen, niet alleen met de minister van Defensie over de inzet van het leger, maar ook met de minister van Justitie. Zij weet intussen zeer goed hoe de situatie in elkaar zit. Ze heeft drie jaar de tijd gehad om daaraan vanuit politioneel oogpunt iets te doen. Ik hoop dat ze nu vijf jaar de tijd zal nemen om daar ook justitieel iets aan te veranderen.

Er kunnen zeer veel vragen gesteld worden over de politiestructuur zelf. De eenmaking van de Brusselse politiezones is een van die vragen. Daarnaast zijn er vragen over de opleiding van politieagenten, aangezien agenten eigenlijk helemaal niet voorbereid zijn om dergelijk geweld aan te pakken. Een andere vraag is of de politieagenten voldoende in staat zijn om overal te lande, niet enkel in Brussel, in te grijpen. Daarom pleit ik ervoor om ook de federale politie te versterken, overeenkomstig een van de conclusies van de Staten-Generaal van de politie van de vorige legislatuur. Op federaal vlak moet er eigenlijk een gespecialiseerde eenheid komen die ingezet kan worden bij dergelijke fenomenen.

Tot slot wil ik ingaan op een taboe dat leeft in deze politiek correcte wereld, namelijk het taboe van de vreemdelingen. Men moet niet rond te pot draaien: veel van die georganiseerde criminelen zijn van een andere etnische afkomst. Dat mogen we niet wegmoffelen. Integendeel, we moeten dat serieus onder de loep durven te nemen. Dat taboe moet sneuvelen. Minister Verlinden heeft dat in het verleden spijtig genoeg niet willen doen, maar ik hoop dat het onder deze regering wel zal gebeuren. Mijnheer de minister, ik durf ervoor te pleiten om van vreemdelingen die zware criminele feiten plegen en die de dubbele nationaliteit hebben, de Belgische nationaliteit af te nemen.

Ik kom tot mijn conclusie. Ik wil een totaalpakket op korte termijn om die georganiseerde criminaliteit aan te pakken. Daarbij moet nagedacht worden op structureel, financieel en materieel vlak, over het opleidingsniveau en de structuur van het politielandschap, zodat dergelijke fenomenen in de toekomst beter aangepakt kunnen worden.

Voorzitter:

Je donne la parole à Mme Delcourt pour le groupe MR.

Catherine Delcourt:

Monsieur le président, si vous le permettez, j'occuperai la moitié du temps de parole pour laisser l'espace à mon collègue Denis Ducarme, qui devrait nous rejoindre dès que possible.

Monsieur le ministre de l'Intérieur, les récents événements bruxellois qui nous occupent aujourd'hui ne constituent malheureusement pas une nouveauté. Ce dont il est question ici, c'est de la sécurité à Bruxelles évidemment, mais aussi sur l'ensemble de notre territoire.

Je cite quelques chiffres. L'année dernière, 89 fusillades ont été recensées par le parquet à Bruxelles, au cours desquelles on a pu déplorer neuf morts et 48 blessés. La situation s'aggrave. Elle empire d'année en année. Elle risque de s'étendre à d'autres territoires qu'à celui de Bruxelles.

La commission de l'Intérieur s'est plusieurs fois penchée sur ce phénomène, en entendant des acteurs de terrain de première ligne: le procureur général, la police locale, la police fédérale, la police judiciaire. Nous avons aussi bénéficié d'un excellent exposé de la commissaire nationale aux drogues concernant la lutte contre le trafic de drogue. Nous avons pu entendre régulièrement Mme Verlinden, qui est maintenant en charge de la Justice. On peut espérer que cette chaîne s'avèrera efficace et que cette succession permettra une bonne coordination entre vous.

Le tout fraîchement nommé procureur du Roi de Bruxelles se demandait dernièrement: "Combien de morts faudra-t-il pour qu'on ait une réaction à la hauteur de la gravité de la situation?" Des morts il y en a eu beaucoup trop. Il n'en faut plus. C'est une évidence. Je pense que l'accord de gouvernement fait une place large à la sécurité de tous les citoyens. Il s'agit d'une priorité, c'est démontré, dans cet accord Arizona, qui a pris conscience de l'ampleur et de la gravité de la situation.

Les acteurs de terrain ont été entendus. La population qui subit cette violence liée à la drogue, qui appelle aussi à davantage de sécurité, à ce qu'elle soit respectée, à ce qu'elle puisse se déplacer en toute liberté, a besoin de mesures fortes.

L'accord contient au moins 50 mesures qui permettront de lutter ensemble contre des événements tragiques de ce type, en bonne coordination.

Notre chef de groupe Benoît Piedboeuf l'a évoqué en débat la semaine dernière: la sécurité est un point central pour notre formation politique.

Un tel renforcement de la sécurité a depuis longtemps été demandé, exigé, sollicité par le MR, particulièrement par mon collègue Denis Ducarme qui plaide depuis des années dans ce sens. On a constaté dès votre prise de fonctions, monsieur le ministre, que vous n'aviez perdu aucune seconde. Vous êtes descendu sur le terrain, vous avez constaté la situation, vous avez entendu les doléances, les craintes et les peurs, vous avez constaté les besoins, vous en avez déjà fait la synthèse et pris des décisions pour pallier les manques les plus criants.

Je ne doute évidemment pas que vous vous attellerez avec la même conviction au déploiement de l'ensemble de la politique qui a été négociée et à la mise en œuvre de l'accord de gouvernement. La mise en place d'un plan Canal fédéral, d'abord à Bruxelles et ensuite dans les villes qui subissent les mêmes difficultés, ou le début de ces mêmes difficultés, permettra aux zones de police, dont je rappelle qu'elles sont un acteur central de la proximité, d'assurer un suivi dynamique et rapproché des individus et des organisations problématiques, ainsi que de contrer les actes criminels auxquels se livrent ces mêmes organisations.

De plus, un vaste plan d'action national, sollicité pour sécuriser nos gares et nos trains, sera élaboré et appliqué avec fermeté. C'est un nœud de votre politique en la matière. Ce plan vise à renforcer la présence policière dans et autour des gares, à octroyer l'accès aux images des caméras de surveillance à la police et à permettre aux agents d'effectuer des patrouilles numériques dans les gares.

L'accord de gouvernement met l'accent sur la collaboration dont devront faire preuve les différents acteurs de la mobilité ferroviaire.

Comme notre proposition de résolution visant une évaluation des phénomènes de délinquance et de criminalité aux abords des grandes gares l'indique, mon collègue Denis Ducarme et moi-même sommes particulièrement sensibles à la question de l'insécurité dans nos gares, mais aussi dans nos ports intérieurs et extérieurs. Le thème central que représente la sécurité implique une multiplication des tâches. Nous nous réjouissons de l'initiative de charger des acteurs privés de missions non policières et administratives. Une fois le cadre légal adapté, ces tâches qui conservent toute leur importance, permettront de dégager de la capacité policière. C'est évidemment un soulagement pour les services de police de pouvoir déléguer certaines tâches et d'augmenter les capacités opérationnelles sur le terrain.

La fusion des zones de police, avec la garantie d'un ancrage local et le maintien de la proximité entre les zones et le citoyen, apporte un outil efficace.

Dans ce cadre, la mutualisation des compétences, du matériel, des moyens n'est pas à prendre à la légère en termes de gain d'efficacité. L'unité prônée impliquera une politique globale plus efficiente. Et, monsieur le ministre, s'il ne doit pas y avoir de place pour la diplomatie avec les délinquants et la drogue, il y a nécessité de diplomatie pour que les accords se passent au mieux et qu'on aboutisse à une situation meilleure. Le processus compte aussi.

En parallèle, un refinancement et un renforcement de la police fédérale permettra d'étendre l'action de nos forces de l'ordre dans tous les domaines d'activité des criminels. La commissaire nationale aux drogues, comme de nouveaux acteurs d'ailleurs, a récemment rappelé que la lutte contre la drogue, contre la criminalité dans son ensemble nécessite une approche coordonnée et multidisciplinaire. Votre action est un des piliers essentiels comme le sont les actions de prévention et de répression.

En matière de répression, l'accord de gouvernement prône une tolérance zéro vis-à-vis du trafic de drogue, avec des sanctions plus dures contre les dirigeants de ces trafics ou de la criminalité organisée, avec à la clé une possibilité de déchéance de nationalité.

Pour Bruxelles, vous avez en tout cas un allié inconditionnel en la personne du nouveau procureur du Roi qui a également pris différentes mesures pour que son parquet puisse s'attaquer à ce fléau. Nous comprenons, monsieur le ministre, que vous ne pourrez mettre en œuvre l'accord de gouvernement que grâce à la collaboration active des autres ministères impliqués dans le domaine de la lutte contre les organisations criminelles et la drogue. Ces ministères (Finances, Travail, Migration, Défense, Affaires étrangères, Santé et évidemment Justice) pourront directement agir sur les maillons de la chaîne que constitue le circuit du producteur au consommateur.

Votre prise de fonction s'est faite dans des circonstances à la fois dramatiques et exigeantes. Nous avons réellement apprécié les rencontres que vous avez réalisées dans les quartiers et auprès des policiers qui se sont déployés la semaine passée ainsi que leurs dirigeants et autorités. Nous sommes convaincus que l'approche pragmatique et ambitieuse que vous avez choisie est la bonne pour diriger ce vaste portefeuille ministériel. Nous sommes aussi tout à fait conscients que votre travail, s'il est essentiel, ne pourra à lui seul contrer des phénomènes aussi complexes que les trafics de drogue, les mafias et les violences.

La multidisciplinarité de l'approche doit prévaloir si nous voulons reprendre le dessus sur cette situation terriblement dégradée. Toute la chaîne de prévention, de répression doit être mobilisée de manière coordonnée. Attaquons le phénomène des drogues de toute part sans relâche. C'est un véritable fléau pour l'ensemble de notre société, les plus fragiles en particulier. Nous ne devons pas laisser continuer de se développer une société criminelle parallèle.

Monsieur le ministre, je vous remercie encore pour vos explications et le début de votre action en faveur de notre sécurité à tous.

Khalil Aouasti:

Monsieur le ministre, je vous adresse mes sincères félicitations pour votre accession.

J'aimerais commencer en indiquant qu'effectivement, et tristement, ces derniers jours ont été marqués par une recrudescence inquiétante des violences dans les rues de Bruxelles. J'aimerais avant toute chose, puisque je sais que le débat agite les passions politiques, avoir aussi une pensée sincère pour les riverains et habitants de ces quartiers qui sont les premières victimes de ces troubles de la sécurité dans nos quartiers à Bruxelles.

Ceci étant dit, il convient de rappeler les faits. On déclare beaucoup de choses mais, derrière les lignes écrites avec des lettres, il y a celles écrites avec des chiffres. Quand je vais parler d'Intérieur, je vais parler de service public de sécurité, et à dessein, puisque les services publics sont ceux que l'on considère trop souvent comme coûtant trop cher et où il faut couper.

Lorsque l'on dit que l'on fait de la sécurité une priorité – et nous partageons pleinement cet objectif politique –, on doit pouvoir rappeler que, sous la Suédoise – il n'y a pas si longtemps –, il y a eu des coupes linéaires de 4 % en 2015 et de 2 % chaque année à partir de 2016. Il y a eu un définancement en valeur absolue du budget de l'Intérieur de 206 millions d'euros sur cette législature, pour un gouvernement qui considérait que la sécurité devait être la priorité.

On a effectivement tenté de pallier, après les attentats du 22 mars 2016, avec un plan Canal, en disant qu'il fallait améliorer les choses à Bruxelles, à Vilvorde et ailleurs, et amener des moyens complémentaires. Mais il aura fallu, malheureusement, le fait des attentats, pour pouvoir avoir un financement, qui a d'ailleurs été supprimé par après.

Ici, que voit-on? L'accord de gouvernement comporte des mesures en ce sens, sur lesquelles nous avons rapidement eu l'occasion de donner notre avis. Nous reviendrons sur le sujet dans le cadre de la note de politique générale. Les budgets alloués à l'ensemble des services qui concernent la Migration, la Justice et l'Intérieur sont définis par une ligne budgétaire. Si on prend la clé de répartition qui a été soufflée par M. Jambon à Mme Matz à la suite de la question que j'ai posée à M. Piedboeuf qui vous l'a renvoyée, on se retrouve, pour l'année 2025, avec 26 millions d'euros de plus pour l'Intérieur; pour 2026, 35 millions; pour 2027, 70 millions; pour 2028, 157 millions; et, pour 2029, 157 millions.

Le cumul sur 5 ans nous donne 445 millions d'euros, c'est-à-dire moins que la seule hausse du financement (635 millions) du département de l'Intérieur sur l'année 2024 sous la Vivaldi. Cela veut dire que la croissance du budget en 2024 sous la Vivaldi a amené sur le seul exercice à un refinancement largement supérieur au cumul des 5 prochaines années pour le département de l'Intérieur.

Je vous souhaite sincèrement de réaliser tout ce que vous avez écrit dans votre accord de gouvernement, mais je pense que les conclaves budgétaires dureront tard la nuit parce qu'il va vous falloir aller chercher des budgets dont vous ne disposez pas aujourd'hui pour réaliser les ambitions qui y sont contenues, alors que les chiffres sont les chiffres et les chiffres, eux, ne mentent pas.

Ensuite, je sais que ce service public de sécurité est important mais il y a des confusions, je suis désolé de vous le dire, monsieur le ministre. La solution à tout cela serait la fusion des zones de police.

La solution ne serait pas le refinancement de la police judiciaire fédérale. Cette dernière est refinancée à Anvers, ce qui est une bonne chose parce qu'il y a malheureusement aussi des grenades et des fusillades à Anvers. On sait que le port d'Anvers a besoin de moyens pour pouvoir travailler et endiguer l'entrée de cette drogue sur le territoire belge.

La solution ne serait pas non plus le refinancement des services de douane. On n'en parle pas mais on sait que ces services ont besoin d'être refinancés pour jouer leur rôle, notamment au port d'Anvers.

On n'entend pas parler du refinancement de la police judiciaire fédérale de Bruxelles alors qu'elle en a clairement besoin. Dans ce cas-ci, je pense qu'on se trompe dans les missions parce c'est la police judiciaire fédérale qui est compétente pour le métro et pour le rail, et non pas les zones de police locale.

J'aimerais qu'on en revienne à un peu de science dans ce Parlement et à moins d'émotions, qu'on revoie la loi sur la police intégrée à deux niveaux et qu'on relise les sept missions légales de la police locale. Peut-être faut-il les rappeler ici. Je vais les citer. Le travail de quartier – ce n'est pas la lutte contre les narcotrafiquants –; l'assistance aux victimes – ce n'est pas la lutte contre les narcotrafiquants –; le travail d'enquête et de recherche locale – ce n'est pas la lutte contre les narcotrafiquants –; le maintien de l'ordre public – ce n'est pas la lutte contre les narcotrafiquants –; l'accueil; la régulation de la circulation routière et, de manière résiduaire, l'intervention.

Pensons-nous sérieusement qu'une fusion des zones de police de Bruxelles qui ne s'accompagne pas d'un refinancement de la police judiciaire fédérale de Bruxelles, d'un refinancement des douances, d'un remplissage des cadres du parquet bruxellois, pourtant exigé et obtenu en même temps que la désignation de M. le procureur du Roi de Bruxelles, mais qui n'est pas encore effectif, sera la réponse à la lutte contre le narcotrafic? Non. Pour lutter contre ces organisations criminelles, il faut pouvoir disposer d'un service public de sécurité et d'un service public de police qui soit adéquatement équipé à Arlon, à Bruxelles, à Malines, à Anvers. Je ne mets pas en concurrence la sécurité de nos concitoyens. Il faut que le service soit adéquat, y compris à Bruxelles, au lieu de renvoyer vers un schéma mental que serait la fusion des polices, considérée comme la réponse à toutes choses. Je pense que c'est mentir aux gens et se mentir à soi-même, notamment ici même au Parlement.

Monsieur le ministre de l'Intérieur, face à ces faits qui sont terribles et tragiques pour les citoyens qui les vivent quotidiennement, une initiative a été prise conjointement par les bourgmestres d'Anderlecht et de la Ville de Bruxelles afin de réunir l'ensemble des bourgmestres, le ministre-président, le procureur du Roi, la commissaire nationale aux drogues et vous-même, puisque je pense que vous avez assisté au Conseil régional de sécurité. Il s'agissait, en réalité, de pallier l'absence de police judiciaire fédérale. En effet, c'est le renfort des autres zones de police locale qui sera apporté, à travers la solidarité intrabruxelloise, de manière à renforcer les effectifs policiers de la zone Midi pour leur permettre de garantir la sécurité là où, aujourd'hui, le problème est le plus prégnant. La police judiciaire fédérale doit et va intervenir, mais reste sous-financée à Bruxelles pour remplir ses missions.

Je ne serai pas beaucoup plus long, monsieur le ministre. Voici donc mes questions. Quelles initiatives ont-elles été prises depuis la semaine dernière pour venir concrètement en aide aux zones de police locale bruxelloises? Quel soutien fédéral concret, en hommes et en moyens techniques, allez-vous engager afin de pouvoir répondre à cette urgence et à cette nécessité de solidarité fédérale entre zones de police locale et police fédérale?

Quels développements seront-ils réalisés par vos autres collègues? Je pense à nouveau aux douanes, parce qu’il importe d’essayer de bloquer les entrées de produits illégaux sur notre territoire. Il est beaucoup question d'amener la Défense dans les rues. Je ne pense pas que la Défense soit la solution au problème, mais y a-t-il eu des contacts? J'ai cru comprendre qu'il y avait là aussi des divergences de points de vue entre vous et votre collègue de la Défense, arbitrées par votre président de parti, qui interprète les accords et les déclarations des uns et des autres.

Plus largement, pourriez-vous nous exposer votre vision sur les politiques à très court terme, à moyen terme et à plus long terme en termes de lutte contre le trafic de stupéfiants et, de manière plus globale, de lutte contre le trafic d'armes et de lutte contre les trafics financiers? Malheureusement, tout est souvent lié.

Éric Thiébaut:

Monsieur le président, dans l'attente de l'arrivée de mon collègue M. Ducarme, je prends la parole, très brièvement, pour demander au ministre de l'Intérieur s'il ne pourrait pas demander à son président de parti d'ajouter une ligne dans l'accord secret qu'il a avec le premier ministre, pour solliciter un meilleur financement des zones de police des trois Régions de notre pays. Ce ne serait pas mal, en plus de ce qu'il a prévu pour limiter la contribution des plus larges épaules de ce pays.

Greet Daems:

Mijnheer de minister, ik wil beginnen met mijn steun uit te drukken voor de inwoners van Anderlecht. Al maandenlang moeten zij leven met schietpartijen in hun straten. Recent gebeurde dat vier keer op een week tijd.

Veilig kunnen leven is een fundamenteel recht en toch lukt het ons niet om dat te garanderen. Niet bang hoeven te zijn wanneer de kinderen naar school vertrekken, zou eigenlijk vanzelfsprekend moeten zijn. Steeds meer inwoners en verenigingen in onze hoofdstad laten hun stem horen en klagen aan dat ze aan hun lot worden overgelaten in hun strijd tegen drugsgeweld. Wie kan hun ongelijk geven?

Hoelang blijven we nog toekijken terwijl het drugsgeweld en het drugsgebruik gewoon doorgaan? Wanneer komt er eindelijk een echte aanpak, van bij het begin tot het einde van de keten? Wanneer wordt de veiligheid in gemeenten zoals Anderlecht eindelijk serieus genomen?

Als er een Europese top is, dan wordt alles uit de kast gehaald voor de beveiliging. Dan wordt geen enkel detail over het hoofd gezien. Waarom krijgen gezinnen in onze Brusselse volkswijken dan niet diezelfde aandacht?

Voor deze nieuwe regering zijn het inzetten van militairen en een fusie van de Brusselse politiezones de oplossing. Daar heb ik twee opmerkingen over.

Ten eerste geloven politieagenten, korpschefs en burgemeesters er zelf niet in, ook niet de burgemeesters die tot de regeringspartijen behoren. MR-burgemeester De Wolf van Etterbeek herhaalde onlangs nog in de pers dat er geen objectieve redenen zijn om een fusie te overwegen. Daarvoor baseerde hij zich op een studie van de UGent.

Ten tweede zijn het dezelfde partijen die nu in de regering zitten, die in het verleden volop hebben bespaard op de federale gerechtelijke politie. In de regering-Michel, toen minister Jambon minister van Binnenlandse Zaken was, ging er 200 miljoen euro van het budget verloren en daalde het personeelsaantal met meer dan 400 mensen. Ook bij de FOD Financiën verdwenen er tussen 2016 en 2022 bijna 500 fiscale controleurs, die mee ingezet kunnen worden om criminelen te kunnen raken waar het pijn doet, namelijk in hun portemonnee.

Voor de PVDA is het duidelijk. Er moet veel meer geïnvesteerd worden in de douane, in financiële inspectie en in de federale gerechtelijke politie. Maar ook in de straten van Brussel is actie nodig: meer wijkinspecteurs en mensen die de buurt kennen en op terrein aanwezig zijn, meer samenwerking met het middenveld en meer aandacht voor preventie en de cruciale sociale investeringen. De problemen in de wijken zullen niet verdwijnen door her en der shockreacties toe te passen. De Brusselaars die zich verenigen in wijkcomités zijn heel duidelijk: het geweld verwoest hun dagelijkse leven en het is tijd voor actie en structurele maatregelen.

Mijnheer de minister, ik heb vier vragen voor u. Op welke manier zult u in overleg gaan met de burgemeesters, de politiekorpsen en de buurtcomités om de heersende problemen aan te pakken? Met welke gewestelijke instanties zult u in overleg gaan? In het regeerakkoord staat dat er een nieuw Kanaalplan zal komen. In welke mate zal preventie daarin een rol spelen? Hoe reageert u op de bezorgdheid over het voorstel van de federale regering om de Brusselse politiezones te fuseren?

Pierre Kompany:

Monsieur le président, nous parlons effectivement ici pour que les choses aillent au mieux dans ce pays. Particulièrement, pour le moment, une commune de ce pays, la Belgique, vit des drames insoutenables, des fusillades.

Au début, on aurait pu dire que ce sont des faits passagers. Aujourd'hui, on en parle comme des faits à bannir. Voilà où nous en sommes. Et, si tout est bien fait pour Anderlecht, cela le sera pour les autres communes dans le pays.

Monsieur le ministre, j'ai déjà questionné votre prédécesseur sur les phénomènes de criminalité, plus particulièrement sur le trafic de drogue qui touche la commune d'Anderlecht. Le quartier Aumale, par exemple, situé sur la commune d'Anderlecht est le théâtre d'une guerre de territoire sans précédent que se livrent les acteurs du milieu de la drogue. La semaine dernière, deux nouvelles fusillades ont eu lieu en moins de vingt-quatre heures à proximité de la station de métro Clemenceau.

Bien que le trafic de drogue est un phénomène criminel qui touche l'ensemble de notre territoire, force est de constater cependant que la récurrence des faits dans la commune d'Anderlecht et leur gravité nécessitent que des mesures fortes soient prises.

Je reviens à mon interpellation antérieure car, dans ce contexte, c'est du remake. Je suis contacté par de nombreux citoyens et citoyennes qui craignent pour leur vie et celle de membres de leur famille. En tant qu'autorité, il est essentiel que nous puissions répondre à ce sentiment d'insécurité qui ne cesse de grandir et que nous montrions que de tels actes font l'objet de poursuites.

Monsieur le ministre, je vous ai entendu. Aujourd'hui, vous étiez convaincant car vous faites de la drogue une bataille qui ne s'arrêtera que quand vous gagnerez. C'est appréciable! Vous avez cité la nouvelle commissaire nationale aux drogues. Je crois qu'il faut l'encourager pour que vos dires deviennent une réalité. Parler de tolérance zéro, d'éradiquer le trafic de drogue, ce n'est pas une mince affaire. Tout ce que je peux vous souhaiter, c'est que, sous peu, on puisse parler de rebondissement afin que les acteurs qui pourrissent la vie de nos concitoyens se sentent aussi déséquilibrés. C'est ce que nous voulons.

Monsieur le ministre, confirmez-vous qu'il y a une recrudescence des faits criminels à Anderlecht, en comparaison avec les années précédentes? Comment réagissez-vous face à la montée de cette violence? Quelles mesures sont-elles adoptées auprès de nos concitoyens pour réduire leur sentiment d'insécurité? Il y a bien entendu des mesures répressives, avec toute la chaîne pénale, mais il faut également mener une politique de prévention dans ces quartiers.

Vous en avez d’ailleurs fait part et vous avez des compétences qui peuvent y répondre. Ce que je souhaiterais, c’est que vous touchiez aussi le cœur des quartiers parce que d’un côté on peut toujours penser à l’assaut contre tout ce qui ne va pas, mais je crois qu’il faut aussi en même temps penser à donner une vie à ces quartiers.

Donner une vie c’est quoi? C’est l’approche vers la jeunesse. C’est la conscientisation des jeunes. Cela fait assez longtemps que j’en parle à vos prédécesseurs compétents pour l’Intérieur et je le maintiens. Je le dis ici: j’avais parlé des grands frères et des grandes sœurs qui se retrouvent dans le programme des Engagés. Exploitons un peu cette voie-là. Elle est difficile mais c’est l’une des meilleures voies pour arriver à conscientiser nos jeunes, à les éloigner de ce qui les menace et à faire de ces quartiers leur quartier, où tout le monde peut se sentir heureux quel que soit l’endroit d’où l'on vient et quel que soit la volonté de s’y promener.

Voilà, monsieur le ministre, j’entends que tous mes collègues recherchent l’apaisement des quartiers. On va vous étouffer avec nos prétendues solutions mais ce sera à vous de faire la part des choses et donner à cette nation la capacité d’être respectée ailleurs, comme souvent cela a été le cas.

Xavier Dubois:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre intervention et pour les informations que vous avez déjà pu communiquer en introduction de cette séance.

Je ne vais pas revenir sur le détail des faits. Nous avons fait face à des scènes d’une violence inouïe dans la commune d'Anderlecht. Des personnes armées de kalachnikovs, donc des situations inacceptables, suscitent la peur auprès de l'ensemble de la population. C'est intolérable.

Face à cela, toute une série d'actions ont été prises à différents niveaux. Si nous soulignons la rapidité avec laquelle cela a été fait, nous avons néanmoins l'impression que ces actions ont été prises de manière non coordonnée.

D'un côté, le Haut fonctionnaire de l'Agglomération bruxelloise réunit les chefs de corps. De votre côté, il y a une réunion avec la commissaire nationale aux drogues, le commissaire général, le procureur du Roi, qui prend des initiatives. Vous avez évoqué, de votre côté aussi, une réunion avec votre collègue la ministre de la Justice.

Pour que nous ayons un plan de lutte vraiment efficace afin de venir à bout de ce fléau important que nous rencontrons à Anderlecht, mais pas uniquement, cette problématique se développant malheureusement sur l'ensemble de notre territoire, il faut une action coordonnée avec les différents niveaux.

Monsieur le ministre, j’en viens à mes questions. Comment comptez-vous assurer concrètement la nécessaire coordination, au-delà des réunions qui ont été organisées dans l'urgence suite aux situations que nous avons vécues? Comment allez-vous organiser et structurer cette coordination de manière pérenne?

Au niveau de la Région bruxelloise, quels contacts avez-vous eus avec le ministre-président? Quelles actions concrètes a-t-il entreprises à son niveau?

Concernant les renforts, vous avez déployé rapidement des policiers de la réserve fédérale pour venir en appui des services locaux. Comptez-vous renforcer davantage encore la présence policière, et dans quelle mesure? Combien d'effectifs policiers sont-ils affectés à cette problématique en particulier, à l'heure actuelle? Pourriez-vous ventiler par catégorie (police fédérale, agents locaux, agents de sécurisation), pour connaître de manière exacte le nombre de forces mobilisées par rapport à cette situation?

Le plan Canal a été évoqué par plusieurs collègues. Cela fait partie de notre accord de gouvernement. De manière très concrète, comment comptez-vous avancer dans ce projet important, et à quelle vitesse? Je pense qu'il est très important de le développer très rapidement.

La commissaire nationale aux drogues a eu l'occasion de venir présenter son plan d'action à cette commission. Concernant son action, il est prévu qu'un fonds Drogues soit créé. C'est une initiative qui a déjà été imaginée lors de la précédente législature. De manière très concrète, quand viendrez-vous avec un texte pour le mettre en œuvre rapidement? Des moyens sont nécessaires et doivent être mobilisés au plus vite.

Plusieurs collègues ont aussi mis en avant un manque de moyens. Le procureur du Roi l'a dénoncé au niveau de la police judiciaire fédérale. Quand comptez-vous renforcer ces services?

Concernant la vente de drogue, nous voyons qu'il est malheureusement très facile de s'en procurer en toute impunité dans les rues de nos villes. Ne pourrions-nous pas organiser des actions coup de poing pour marquer le coup avec ces renforts de police qui ont été mobilisés?

Nous avons évoqué l'existence de la problématique de la drogue dans d'autres territoires, dans d'autres villes, et même dans d'autres communes, celle-ci étant aussi présente en zone rurale. Ce ne sont fort heureusement pas les mêmes violences.

Enfin, dans l'accord du gouvernement est aussi prévue la révision de la norme KUL.

Il importe de traiter ce sujet rapidement, parce que les moyens sont nécessaires partout en Belgique. Comment comptez-vous vous y prendre? C'est un dossier complexe, mais il faut pouvoir avancer rapidement. Quelles concertations allez-vous mettre en place pour prendre en compte la réalité de l'ensemble de nos villes et communes, étant donné qu'il faut tenir compte de toutes ces spécificités, en ce compris en zone rurale?

Brent Meuleman:

Mijnheer de minister, in Brussel wordt een drugsoorlog uitgevochten tussen criminele bendes, zo klonk het vrijdag bij de procureur van Brussel, die zei dat de schietpartijen in Anderlecht gelinkt zijn aan afrekeningen in het drugsmilieu. Die escalatie van geweld toont aan dat het probleem van de georganiseerde drugscriminaliteit in onze hoofdstad ernstige proporties aanneemt. Brussel dreigt een speelveld te worden voor criminele bendes die zonder schroom het openbaar domein gebruiken voor dodelijke afrekeningen. Sint-Joost-ten-Node, Clemenceau, opnieuw Clemenceau en Peterbos: in drie dagen tijd vonden vier schietpartijen plaats in onze hoofdstad. Daarbij viel een dode en raakte een persoon gewond.

Mijnheer de minister, de eerste taak van de overheid is haar burgers te beschermen. Er is dus nog veel werk aan de winkel.

Mijnheer de minister, ik wil u bedanken voor uw toelichting en voor uw aanwezigheid hier. U hebt al heel wat zaken vermeld. Een aantal van de vragen die ik heb ingediend, hebt u al beantwoord, maar ik heb nog een aantal vragen waarop ik van u graag een dieper, concreter antwoord krijg en ik zal die vragen toch nog even herhalen.

Mijn eerste vraag gaat over de fusie van die Brusselse politiezones. Er is daarover al heel veel verteld. Naar aanleiding van de dodelijke schietpartijen zijn de 19 Brusselse gemeenten overgeschakeld op de eenheid van commando tussen de verschillende politiezones, om de veiligheid te waarborgen. Dat wil zeggen dat de politie op dit moment vanuit één zone wordt aangestuurd. In het regeerakkoord staat dat de zes Brusselse politiezones zullen worden gefusioneerd tot één zone, om de versnippering en inefficiëntie tegen te gaan. Welke concrete stappen zult u zetten om die fusie door te voeren? Welke tijdshorizon hebt u daarbij voor ogen?

Wat de nultolerantie betreft, u sprak over de politieke wil om dat zerotolerancebeleid te hanteren voor drugscriminaliteit. U hebt er daarnet in uw toelichting ook al naar verwezen. Kunt u dat ook concreet maken? Hoe zult u dat concreet realiseren?

Met betrekking tot de integrale ketenaanpak, in het regeerakkoord wordt gesproken over een gecoördineerde whole-of-governmentaanpak en een casusoverleg via gebiedsgerichte werking. Kunt u ook toelichten hoe dit zich zal vertalen in concrete maatregelen voor de veiligheid in Brussel?

De regering heeft aangekondigd dat het Kanaalplan uit 2015 versterkt wordt om het drugsgeweld en de georganiseerde misdaad aan te pakken.

Hoe zal dat nieuwe Kanaalplan er concreet uitzien? Welke extra middelen en mankracht worden hiervoor ingezet? Wordt er binnen het vernieuwde Kanaalplan expliciet ingezet op de financiële ontmanteling van drugsbendes, bijvoorbeeld door het verbeurdverklaren van crimineel vermogen? We hebben hier onlangs mevrouw Van Wymersch gehoord, die daar haar stokpaardje van heeft gemaakt.

Welke juridische of operationele aanpassingen zijn daarvoor nodig? Het eerdere Kanaalplan was heel sterk op radicalisering en terreurdreiging gericht. Wordt het nieuwe plan louter een veiligheidsaanpak of bevat het ook sociale maatregelen om te voorkomen dat jongeren in het criminele circuit belanden?

Het mag dus duidelijk zijn dat voor Vooruit de fusie van de Brusselse politiezones, een integraal actieplan veiligheid, absolute nultolerantie, een sterk Kanaalplan en een nationaal actieplan voor veiliger stationsbuurten heel belangrijk zijn. Mijnheer de minister, ik kijk uit naar uw visie en uw antwoorden op mijn vragen.

Franky Demon:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, laat me u allereerst feliciteren met uw aanstelling als minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken. Dat is een mooie, maar zware verantwoordelijkheid. U brengt een pak ervaring als diplomaat mee en die zult u in uw functie goed kunnen gebruiken.

Wittebroodsweken werden u alvast niet gegund. Vorige week werd onze hoofdstad opnieuw opgeschrikt door verschillende zware schietincidenten, waarvan zelfs een met dodelijke afloop. Die incidenten hebben een duidelijke link met de georganiseerde drugscriminaliteit. De beelden van de mannen die in het midden van de stad met zware automatische wapens staan te zwaaien en vervolgens een metrokoker invluchten, leken wel uit een slechte actiefilm geknipt. Jammer genoeg is dit vandaag de dag de bittere realiteit in onze hoofdstad. Ingrepen dringen zich op.

De Brusselse politiek heeft onzes inziens te lang weggekeken van de problemen. Het stemt ons dan ook hoopvol dat het regeerakkoord de nodige handvatten biedt. De problemen in de betreffende wijken in Anderlecht, ook gisterenavond nog, zijn allesbehalve nieuw. Begin dit jaar konden we de korpschef van politiezone Zuid in de commissie ondervragen over de aanpak die hij voor die wijken zou uitrollen naar aanleiding van eerdere gewelddadige incidenten. Er werden vier hotspots geïdentificeerd waarop specifiek gewerkt zou worden en waarvoor samengewerkt zou worden met de federale politie.

Loopt die samenwerking tot op de dag van vandaag verder? Hoe wordt die tot nu toe geëvalueerd? Wordt die aanpak eventueel uitgebreid naar aanleiding van de recente incidenten?

In de media hebt u aangekondigd dat u de inzet van de federale politie in onder meer de stations zou opdrijven. Daarnaast pleitte u ervoor om Defensie te kunnen inzetten voor statische bewakingsopdrachten, in de hoop daarmee meer mensen te kunnen vrijmaken voor politiewerk op het terrein.

Het regeerakkoord is op dat vlak volgens ons wel duidelijk. De inzet van Defensie dient beperkt te blijven tot het beveiligen van de nucleaire sites, ambassades met een statische beveiliging, sites die permanent onder terreurniveau 3 vallen en de petrochemische sector. De minister van Defensie temperde al de verwachtingen over een snelle inzetbaarheid van Defensie, maar ook de militaire vakbonden uitten hun bezorgdheden.

Daarnaast moeten we ons ervan bewust zijn dat de bewakingsopdrachten uitgevoerd worden door de directie DAB van de federale politie. Dat zijn geen politieagenten maar beveiligingsagenten, zij hebben dus niet dezelfde bevoegdheden en zijn niet bijzonder breed inzetbaar.

Ik begrijp het niet goed, dus ik krijg van u graag wat toelichting over hoeveel politiecapaciteit u meent te kunnen winnen voor de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit door middel van het inzetten van Defensie voor statische bewakingsopdrachten. Hoe kan de DAB volgens u het verschil maken in die strijd?

De Brusselse burgemeesters hebben besloten om de zes politiezones tijdelijk onder een gemeenschappelijk commando te plaatsen om de situatie te beheren. Dat is een goede zaak. De georganiseerde misdaadbendes en de drugsproblematieken in de hoofdstad laten zich immers niet tegenhouden door de gemeentegrenzen. De verschillende gemeenten worden met gelijksoortige uitdagingen geconfronteerd die om een eensgezind antwoord vragen. Daarom voorziet het regeerakkoord ook in de fusie van de zes Brusselse politiezones.

Mijnheer de minister, u gaf de afgelopen dagen reeds aan die passage zeker te zullen uitvoeren, maar dan wel op basis van overleg. Dat is volgens mij een goede aanpak. Kunt u concreet toelichten welke initiatieven u hieromtrent zult nemen en welke tijdlijn u hierbij hanteert? Tegen wanneer moet er sprake zijn van één geïntegreerde politiezone voor onze hoofdstad?

Intussen beschikt u reeds over een wettelijk instrument om de bestuurlijke aansturing van de politie in de hoofdstad alvast te stroomlijnen. Begin vorig jaar hebben we in dit Parlement immers een aanpassing van de GPI-wet goedgekeurd die de minister-president toelaat om in uitzonderlijke gevallen de aansturing voor de opdrachten van de bestuurlijke politie over te nemen. Hiermee kan de minister-president dus zijn verantwoordelijkheid opnemen in het kader van acute en gemeentegrensoverschrijdende veiligheidsproblemen. Voor de activering van die wet is echter een koninklijk besluit nodig dat tot nu toe jammer genoeg werd tegengehouden door de partij van diezelfde minister-president. Zult u de komende maanden werk maken van de activering van die wet door het daartoe noodzakelijke KB uit te vaardigen?

Het regeerakkoord zet in het kader van de strijd tegen drugs en de georganiseerde criminaliteit duidelijk en terecht in op een multidisciplinaire whole of governement approach . Extra inzet van politie volstaat immers niet. Men moet ook inzetten op preventie, buurtopbouw, verslavingszorg en armoedebestrijding om ervoor te zorgen dat men die problematieken ook structureel het hoofd kan bieden. De misdaad is voor sommige jongeren en anderen in onze hoofdstad een te aantrekkelijk alternatief. Om dat aan te pakken is samenwerking met de deelstaten absoluut noodzakelijk.

Kunt u toelichten hoe u die whole of governement approach concreet wilt invullen? Zult u daartoe de noodzakelijke initiatieven nemen en welke rol kan het nationaal drugscommissariaat hierin vervullen?

Zoals reeds gezegd, om de drugsbendes echt te treffen, moeten we hen raken waar hen dat het meest pijn doet, kortweg in hun portemonnee. De nieuwe regering wil daarom ook verder inzetten op de follow the money approach . De nationale drugscommissaris is er al langer voorstander van om in beslag genomen middelen te laten terugvloeien naar de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit. Afgelopen vrijdag gaf mevrouw Van Wymersch in het VRT-nieuws aan dat ze van de regering een mandaat heeft gekregen om een dergelijke aanpak uit te werken.

Kunt u toelichten wat dat mandaat van de nationale drugscommissaris specifiek inhoudt? Welke opdracht heeft zij gekregen? Binnen welke termijn worden resultaten verwacht?

Deze regering voorziet ook in een actieplan voor veiligheid in stations en van een versterkt federaal Kanaalplan voor Brussel. Wat is uw visie op de uitwerking van beide actieplannen? Welke maatregelen wenst u in die plannen op te nemen?

De veiligheid van onze hoofdstad vergt duidelijk extra inspanningen. Het regeerakkoord is op dat vlak bijzonder ambitieus. Uw voorgangster heeft al heel wat zaken voorbereid waarop u kunt voortbouwen. We mogen nu niet aarzelen. We moeten er gezamenlijk onze schouders onder zetten en die uitdagingen aanpakken.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, collega's, er is de voorbije dagen en weken in Brussel een stevige opflakkering van het drugsgeweld. Wij hebben het de voorbije maanden en jaren gezien in Antwerpen en zien het nu ook in Brussel. Zo ontstaat het beeld dat de politie de situatie niet meer onder controle heeft.

Mijnheer de minister, ik heb u de voorbije dagen beluisterd. U zei dat u veel overlegt. Daarna zei u dat de eenmaking van de Brusselse politiezones de oplossing is. Een beetje later zei u dat militairen moeten zorgen voor meer capaciteit, dat u het op die manier gaat oplossen. De eenmaking van de politiezones en de inzet van militairen zullen dit acuut veiligheidsprobleem niet op korte termijn oplossen.

Onze fractie vraagt twee zaken. Enerzijds willen wij een snelle oplossing voor de acute veiligheidsproblemen op het terrein. Anderzijds willen wij ook structurele oplossingen. Ik breng in herinnering wat onze nationale drugscommissaris hier twee weken geleden deelde met ons. Zij stelde een aanpak voor gaande van preventie tot repressie. Dat kunnen wij allen onderschrijven. Ik hoor in de oplossingen die u op tafel legt, voorlopig alleen repressieve elementen. Komen er ook structurelere oplossingen?

Wat zegt u trouwens tegen de bewoners als u op het terrein gaat? U zegt namelijk dat u veel op het terrein gaat. Wat zegt u tegen de inwoners, tegen de mensen die de metro moeten nemen om hun kinderen naar school te brengen en die bang zijn? Wat zegt u tegen de handelaars die bang zijn? Wat zegt u tegen de mensen die een kogelinslag hebben in de kamer van hun kind? Wat zegt u eigenlijk tegen die mensen? Ik vraag het mij af. Naast deze retorische vragen heb ik ook een aantal concrete vragen waarop ik graag een antwoord zou krijgen.

U zegt dat er momenteel al tijdelijke versterkingen zijn van de politieaanwezigheid op het terrein. Over hoeveel versterkingen gaat het? Hoelang zal die capaciteit ter beschikking blijven? Is dat een kwestie van een aantal dagen? Zult u dat weken volhouden? Zult u dat maanden volhouden? Hoe moeten wij dat inschatten?

Daaraan gekoppeld, als men ervoor zorgt dat op plaats A heel veel politie aanwezig is, hoe zorgt men er dan voor dat het probleem zich niet gewoon verplaatst naar de wijk ernaast of naar een andere stad?

Ten tweede, veel collega’s hadden het al over de statische beveiligingsopdrachten, waarbij militairen taken overnemen van de politie. Ik heb minister Francken heel duidelijk horen zeggen dat dat niet zo rap zou gebeuren en dat dat niet echt een oplossing is voor het probleem.

Welnu, regering-De Wever, ik vraag me af hoe het eigenlijk zit. Is het een deel van de oplossing of is het dat niet? En op welke termijn ziet u dat haalbaar? Mijnheer Francken zei op de radio dat er nog veel wetgevend initiatieven nodig zijn voordat we dat in de praktijk kunnen omzetten. Het gaat namelijk ook over bevoegdheden geven, opleiding enzovoort. Hoeveel tijd denkt u dat daarvoor nodig is? Ik hoor dat ook cd&v er niet zo wild van is. Er is misschien wel eenheid van commando in de Brusselse politiezones, maar het is mij niet duidelijk of er eenheid van commando is in de regering.

Dan kom ik terug op wat de nationaal drugscommissaris ons heeft verteld, namelijk dat het geld dat in het milieu circuleert sneller in beslag moet kunnen worden genomen en ingezet worden. In de commissie was er grote overeenstemming over dat dat een goed idee is. Dat idee is er nu, maar wanneer verschijnt u hier met teksten? Dan zal het namelijk nog een aantal maanden duren voor er op het terrein iets merkbaar is.

Volgens u is een fusie van de politiezones een deel van de oplossing. Mijn partij is daar niet tegen. We denken dat er een aantal voordelen aan verbonden zijn, maar wat is een realistische timing daarvoor? Is het een kwestie van maanden, van jaren? Komt die er tegen het einde van de legislatuur? Hoe moeten we dat zien?

De rechterzijde hoort dit niet graag, maar ook hier zijn er structurele oorzaken. Het is niet toevallig dat die dingen vandaag in die specifieke wijken gebeuren. Het gaat om wijken met hoge armoedecijfers, met veel achterstelling. De drugscommissaris zei hierover dat een deel van de middelen die terugvloeien, moeten worden ingezet om die wijken weer op te krikken. Zodoende bieden criminele taakjes geen interessant perspectief meer voor wie daar opgroeit. Wie moet daar welke rol spelen? Moet de nationale drugscommissaris dat initiëren? Of de premier, in overleg met de deelstaten? Of gaan we allemaal naar elkaar kijken om uiteindelijk niets te doen?

Ten slotte, er was nu een Gewestelijke Veiligheidsraad waaraan u hebt deelgenomen. Ik kom uit West-Vlaanderen en de situatie rond het station van Roeselare is ongezien. Roeselare is de drugshoofdstad van West-Vlaanderen. De drugsproblematiek stelt zich dus niet alleen in Brussel en Antwerpen, het zit ook elders. Is het niet belangrijk om niet alleen de Gewestelijke Veiligheidsraad te laten samenkomen, maar om ook de Nationale Veiligheidsraad in te schakelen om coördinerend op te treden?

Rajae Maouane:

Monsieur le ministre, quelle entrée en matière! À peine intronisé ministre et déjà un gros dossier à gérer. Je voudrais commencer par exprimer mon soutien et mes pensées aux habitants et aux habitantes qui sont secoués par cette flambée de violence liée à ce trafic de drogue, avec une situation qui sème la peur. Ce sont des événements tragiques qui témoignent d'une situation qui échappe au contrôle, qui laisse des familles dans l'angoisse et des quartiers entiers sous tension.

L'impression qui se dégage est que la police, malgré ses efforts, n'arrive pas à contenir cette escalade criminelle. Pendant ce temps, le gouvernement, malgré vos actions volontaristes, tarde à apporter une réponse plus forte et encore plus immédiate. Malgré les mesures prises, on voit que la situation devient de plus en plus difficile. Face à cette menace quotidienne, il est impératif de renforcer immédiatement les moyens policiers sur le terrain et d'engager une coordination rigoureuse entre tous les niveaux de pouvoir. On demande un action rapide et ciblée. Laisser cette violence s'enraciner reviendrait à abandonner Bruxelles aux mains des criminels. J'ai entendu dans votre exposé, monsieur le ministre, que des renforts ont déjà été mis en place. C'est une bonne chose, mais ce n'est visiblement pas suffisant.

J'entends aussi qu'on vante la fusion des zones de police comme si elle allait apporter la solution magique à tous les problèmes. Ce n'est pas un scoop. En tant qu'écologiste, je ne suis pas fermée à la discussion sur la question de la fusion mais je doute vraiment que cette fusion apportera la réponse et la solution à tous ces problèmes.

On l'a dit, une des priorités de votre gouvernement est la sécurité, et c'est un objectif que je partage. Il faut protéger les familles, rassurer les habitantes et les habitants. On en arrive à des situations inacceptables aujourd'hui où des enfants qui vont à l'école ont peur de sortir de chez eux, où des gens ont peur d'aller travailler. Il faut vraiment que toutes les parties prenantes se mettent autour de la table et que vous réunissiez tous les acteurs: la police bien sûr, mais aussi la Justice, et les acteurs et les actrices de prévention, de la drogue et de la santé publique, pour avoir une approche transversale. Parce que la seule réponse ne peut pas être que répressive.

Bruxelles, comme Anvers, gère les conséquences d'un problème mondial et mondialisé. Il faut de la répression, il faut retrouver de la sécurité dans les quartiers, mais il ne faut pas que la seule réponse soit répressive, surtout qu'on voit que ce sont les quartiers populaires qui en pâtissent, or les premiers consommateurs et les premières consommatrices ne viennent pas de ces quartiers populaires. Donc, là aussi se trouve un enjeu de justice sociale.

Certains collègues ont évoqué la question budgétaire, qui est essentielle. La police et la Justice manquent cruellement et structurellement de moyens. Ce qu'on paie aujourd'hui, c'est aussi – je suis désolée de le dire car je n'aime pas ressasser le passé – le définancement de ces services publics sous la Suédoise.

Il y a eu une volonté de correction sous la Vivaldi, et nous serons attentifs à ce que ce définancement ne soit pas poursuivi. Il faut continuer à refinancer et à donner des moyens à ces services. Aujourd'hui, on manque aussi cruellement d'effectifs à Bruxelles: environ 800 policiers font défaut, il faut remplir le cadre.

Ensuite, il faut se donner les moyens suffisants pour lutter contre la criminalité financière. Certains ont évoqué le port d'Anvers. La moyenne est actuellement d'un conteneur contrôlé sur 40. Autant dire que c'est une passoire.

Monsieur le ministre, disposiez-vous d'informations avant les fusillades? Y avait-il des indices ou une tension latente faisant penser que cela pouvait dégénérer?

Jusqu'à quand ce renforcement des effectifs est-il prévu?

Le Conseil national de sécurité (CNS) a été évoqué. Pourrait-il jouer un rôle plus spécifique?

Pourriez-vous faire l'état des lieux de votre collaboration avec les bourgmestres de la Région bruxelloise?

Paul Van Tigchelt:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, wanneer we over de veiligheid en het drugsgeweld in Brussel spreken, komen veel zaken samen. Ik zal niet op alles terugkomen. Tijdens onze nachtelijke marathon hebben we al van gedachten kunnen wisselen, ook over de budgettaire tabel. De investeringen in politie en justitie zijn echter enigszins ontgoochelend, zeker voor 2025.

Mijnheer de minister, u hebt meteen gereageerd en aangegeven dat geweld onaanvaardbaar is. U hebt uiteraard gelijk. U hebt dat goed gedaan. U bent ook meteen op het terrein gegaan en u hebt gesproken met de partners en de veiligheidsactoren.

Collega’s, helaas is het probleem van het drugsgeweld niet nieuw. Wij kennen het al lang. De heer Vandemaele heeft nu even de zaal verlaten, maar het drugsgeweld is geen Roeselaars probleem, het is geen Brussels probleem, het is geen Antwerps probleem, het is geen Belgisch probleem, het is geen Europees probleem, het is een mondiaal probleem. U moet eens kijken naar Stockholm, bij mijn weten een beschaafde stad. Er is geen sprake van Zweden als een narcostaat, maar kijk toch eens hoe Zweden wordt geconfronteerd met geweld. Kijk ook eens naar Marseille.

Mijnheer de minister, mijn eerste vraag gaat over het criminele beeld. Wij hebben niet laten betijen en dus weten we dat we de drugmaffia slagen hebben toegebracht. Wanneer we het over Brussel hebben, dan weten we dat de Albanese maffia hier nogal goed gehuisvest was. Brussel werd gebruikt als standplaats voor de Albanese maffia. We hebben die maffia slagen toegebracht. Er was toen ook sprake van infiltratie van de maffia uit Marseille. Zijn er aanwijzingen dat bij de recente geweldfeiten de maffia uit Marseille op een of andere manier betrokken is? Dat is mijn eerste punctuele vraag.

Mijn tweede vraag is eigenlijk al gesteld door de heer Demon. Indien we militairen zouden inzetten voor de statische opdrachten, zullen zij mensen van de DAB vervangen. Dat zijn mensen met een specifieke politionele bevoegdheid. Zij kunnen inderdaad worden ingezet. Is er echter een plan dat bepaalt hoe zij effectief zouden kunnen worden ingezet voor de veiligheid in onze hoofdstad of in het land tout court ?

Collega’s, over de fusie van de Brusselse politiezones herhaal ik dat ik blij ben in het regeerakkoord te lezen dat die fusie zal worden doorgevoerd. Dat zal niet alle problemen oplossen, een mirakeloplossing voor het probleem bestaat niet. Mocht ze bestaan, dan hadden wij ze al lang uitgevonden en was het probleem opgelost. Een mirakeloplossing is er dus niet, het zal dan ook sowieso hard werken zijn. Een stukje van de puzzel van de oplossing is echter wel degelijk de fusie van de Brusselse politiezones, omdat ze gaat over eenheid van commando en over een efficiënte en effectieve inzet van de politiecapaciteit.

Ik heb tijdens de nachtelijke vergadering de vergelijking gemaakt met de NYPD, het New York Police Department. Als we het Brussels politie-effectief optellen, zijn er volgens mij niet te weinig Brusselse politieambtenaren. Het is dus geen kwestie van meer blauw op straat, het is een kwestie van blauw meer op straat. J'ignore si la nuance est claire en français. Alleszins, blauw meer op straat is iets anders dan meer blauw op straat. Dat is wat vooral moet gebeuren.

We weten allemaal dat de fusie van de Brusselse politiezones een zekere tijd in beslag zal nemen. Die tijd krijgt u uiteraard ook, mijnheer de minister, dat hoort zo. De burgemeester van Brussel zei echter dat hij wil werken aan een eenheid van commando. Zou dat de voorloper kunnen zijn van die eengemaakte Brusselse politiezone? Is die eenheid van commando, zoals aangekondigd door de burgemeester van Brussel, er momenteel? Wat betekent die precies?

De bestrijding van de drugsmaffia is werk voor de federale gerechtelijke politie. Dat is duidelijk. Het werd ook aangehaald door collega Aouasti. Law-and-order in de Brusselse straten, in de Brusselse wijken en op de Brusselse pleinen, is echter een taak van de lokale politie. We moeten die wijken terugwinnen, en dat kan, door middel van VIP, very irritating police . Het betreft dan een politie die patrouilleert en die controles doet in de wijken, niet driemaal per maand maar driemaal per dag. Er zijn politiezones, ook in Brussel, die dat kunnen waarmaken. Als die eenheid van commando wordt gerealiseerd, in afwachting van de fusie, kunnen we al komen tot zo'n very irritating police . Eenheid van commando is belangrijk, wars van de verschillende bestuurslagen in Brussel, die het werk inderdaad niet gemakkelijker maken, met 19 burgemeesters en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Ik heb nog een specifieke vraag. Ik denk dat ik het antwoord ken, want ik vind het niet terug in het regeerakkoord. De Brusselse MR stelde een jaar geleden voor om een speciale commissaris aan te stellen die de problemen van Brussel beter kan aanpakken. Volgens mij is dat geen goed idee, want dat creëert een nieuwe bestuurslaag. We hebben geen speciale commissaris nodig in Brussel om die problemen aan te pakken, we hebben eenheid van commando nodig. Hoe staat u tegenover dat voorstel van een jaar geleden? Vermits het niet in het regeerakkoord staat, veronderstel ik dat u daarvan afstand hebt gedaan.

Dan wil ik nog ingaan op het Kanaalplan. Dat was een plan in de strijd tegen terrorisme en radicalisering. Wat betekent het Kanaalplan in de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit? Hoe verhoudt het Kanaalplan zich tot de bestaande plannen en de specifieke acties die er al zijn geweest of die er op bepaalde hotspots zoals Peterbos en Hallepoort zijn? Die plannen zijn er de voorbije maanden gekomen, in een samenwerking van de lokale en federale politie met het parket van Brussel, dat versterkt is, dat een nieuwe procureur heeft, waar extra magistraten en juristen zijn, met de medewerking van de DVZ.

U hebt ook verschillende malen overleg gepleegd. Wat waren de resultaten van de Gewestelijke Veiligheidsraad? Werd daar ook over de totaalaanpak gesproken? Collega's hebben daarop terecht de aandacht gevestigd. Het is niet alleen een kwestie van justitie en politie. Het is niet alleen een kwestie van repressie. We moeten de zaken ook structureel aanpakken. Is in de Gewestelijke Veiligheidsraad aan bod gekomen hoe we jongeren weghouden van de marginaliteit, hoe we door infrastructuurwerken de marginaliteit kunnen aanpakken enzovoort? Is er ook gesproken over de rol van Brussels Prevention and Security van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest? Vorige week vrijdag was er op het kabinet van de minister van Justitie ook een overleg met mensen van het parket en de politie. Was is daar precies afgesproken?

Voorts wens ik u veel succes als minister, bevoegd voor Binnenlandse Zaken én Veiligheid. Dat is een mooie uitvinding.

François De Smet:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre exposé et votre mobilisation. Comme vous, je suis bruxellois et, durant toute la dernière législature, j'ai interpellé au moins une demi-douzaine de fois votre prédécesseure sur ces fusillades qui, durant ce temps-là, n'ont cessé d'augmenter et d'empirer, en recevant des réponses parfois encourageantes mais parfois aussi convenues.

Je dois souligner que, dans votre accord de gouvernement, il y a un vrai volontarisme vis-à-vis de la lutte contre les stupéfiants. Vraiment! Cela donne un espoir. C'est en tout cas un volontarisme que je n'ai pas ressenti depuis un bon moment. Notre pays est connu pour être un hub via le port d'Anvers et l'aéroport de Liège Bierset. Je vous remercie de l'avoir rappelé clairement. Et, entre les deux, on sait tous que c'est Bruxelles qui sert de plaque tournante de distribution.

Les remèdes, on les connaît. Bien sûr qu'il faut reprendre le contrôle des rues. Qui serait contre cela? Très bien! Mais le profil de ces délinquants qui se battent pour un point de deal et pour gérer un morceau de trottoir est bien connu, c'est de la "chair à canon" utilisée par les mafias qui peut être remplacée très rapidement.

Si nous ne regardons ce phénomène que sur ses apparences en se disant seulement qu'il y a des types avec des kalachnikovs, qu'on les arrête, qu'on nettoie les rues avec les polices locales, la police judiciaire fédérale et que les gens seront contents, non! On va se faire plaisir peut-être un moment mais cela ne fonctionnera pas car, malheureusement, ces jeunes sont remplacés du jour au lendemain. Si vous voulez vraiment combattre le marché de la drogue, il faut frapper les bras mais surtout les têtes et les portefeuilles. Il faut du bleu dans les rues, monsieur le ministre. Il faut aussi du bleu derrière les écrans. Il faut les effectifs qui permettent de remonter les filières, démanteler les réseaux de financement, de blanchiment et démanteler les réseaux de corruption qui existent aussi.

Cela veut dire, selon nous, créer un parquet national financier indépendant, ce qui ne figure malheureusement pas dans votre accord. Vous voulez juste créer une filière spécialisée. J'espère que cela suffira. Cela veut dire confisquer les avoirs et les utiliser contre ces criminels. Cela se trouve dans votre accord et c'est vraiment très bien.

Et puis, à mon avis, sans vouloir refaire le débat que j'ai déjà eu notamment avec le premier ministre, il faut peut-être quitter ce fétichisme de la fusion forcée – si elle n'avait pas été forcée, ce ne serait pas un problème –, contre leur gré, de zones de police. Moi, j'observe, monsieur le ministre, que, dans votre présentation, vous n'avez pas cité cette fusion des zones comme solution et je m'en réjouis. Cela veut dire que vous avez abordé ce sujet de manière rationnelle et non politicienne.

Voorzitster: Maaike De Vreese.

Présidente: Maaike De Vreese.

Vous avez surtout parlé de la police judiciaire fédérale comme acteur clé, et c'est normal. C'est elle qui, pour rappel, est compétente pour lutter contre le grand banditisme, le trafic d'armes et le trafic de drogues. C'est elle qu'il faut renforcer, que ce soit à Anvers ou à Bruxelles et si possible en ne les mettant pas en concurrence.

Certains de mes collègues – vous l'aurez compris – ne vous lâcheront pas tant que vous n'aurez pas parlé de cette fusion avec un calendrier extrêmement clair. Ne vous laissez pas impressionner, parce que c'est une diversion. La drogue est un sujet d'abord fédéral, de la responsabilité de la police judiciaire fédérale. C'est à elle de démanteler les réseaux et l'heure n'est pas à faire diversion mais plutôt à s'unir.

D'ailleurs, si on veut aider les zones de police locale, qu'on commence – cela aussi figure dans votre accord – par revoir enfin la norme KUL qui pénalise non seulement les zones bruxelloises mais celles de toutes les grandes villes de ce pays. C'est l'une de mes deux seules questions. Moi, ce qui m'intéresse, c'est le calendrier de révision de cette norme qui est inscrite dans votre accord de gouvernement. Me confirmez-vous que les zones urbaines – Bruxelles mais aussi Anvers – seront mieux traitées?

J'ai également une question spécifique, vu votre profil de diplomate parce que celui-ci peut aider dans notre combat en matière de drogues. En effet, l'élément clé dans ce combat est la collaboration internationale, qu'il s'agisse des zones de transit, de la lutte contre les armes à feu et de l'échange d'informations. Envisagez-vous des contacts bilatéraux ou internationaux dans votre plan? Je pense que vu sa position géographique, mais aussi, hélas, son rôle actuel de plaque tournante, la Belgique pourrait être un acteur essentiel qui pourrait prendre une série d'initiatives.

Jeroen Bergers:

Mijnheer de minister, een aantal collega’s schrijven alle veiligheidsproblematieken in ons land aan u toe. Dat is nogal origineel, aangezien u nog maar een week aan de slag bent. In die week zat u ook 40 uur vast in de Kamer tijdens de plenaire vergadering. U hebt het in uw eerste week als minister van Binnenlandse Zaken dus al zeer druk gehad. De N-VA-fractie zal u wat meer tijd geven om voor belangrijke en broodnodige hervormingen te zorgen en zal daar met veel plezier aan meewerken.

Ik ben zeer tevreden dat u hamert op nultolerantie. Hoe zult u die concreet uitwerken? Collega Depoortere gaf aan dat iedereen, van extreemrechts tot extreemlinks, overtuigd is van de noodzaak van nultolerantie. Volgens mij is helaas niet iedereen daarvan overtuigd. Tijdens de vele debatten waaraan ik deelneem, ben ik steeds weer verbaasd over de ingenomen standpunten. De voorzitter van de Jongliberalen pleitte in een debat immers voor de legalisering van heroïne. Dat lijkt me ver verwijderd van nultolerantie. We moeten niet alleen drugscriminaliteit strenger aanpakken, maar ook het druggebruik zelf. Wat is uw visie daarop? Moeten we het totaalplaatje niet strenger bekijken? Nu zijn we immers strenger voor drugscriminaliteit, terwijl we het gebruik van zware drugs goedpraten en zelfs aanmoedigen.

Het Kanaalplan was zeer belangrijk voor de N-VA in de regeringsonderhandelingen en dat is het voor mij ook als Vilvoordenaar. Collega’s van andere partijen geven u de schuld van alle problemen die zich momenteel voordoen, terwijl ik meen dat die veeleer te wijten zijn aan de afbouw van het Kanaalplan door de vivaldiregering. We merken daar vandaag zeer sterk de gevolgen van.

Op welke termijn kan er opnieuw leven worden geblazen in het Kanaalplan en kan het worden versterkt? Welke gemeenten wilt u betrekken bij de versterking van het Kanaalplan? Welke middelen voorziet u voor de concrete uitwerking? U zult in de N-VA-fractie steeds een partner voor de opmaak van een grondig en serieus plan vinden.

Denis Ducarme:

Madame la présidente, je suis désolé pour le retard. Je présidais la commission des Affaires sociales. Anderlecht y était aussi au cœur des débats, non pas pour la station Clemenceau mais pour son CPAS. Je vous rejoins évidemment avec beaucoup d'intérêt parce que je pense que nous allons enfin pouvoir tourner une page bruxelloise.

Il y a quelques années – comme nous pouvons le voir sur le site de la RTBF –, Rudi Vervoort, ministre socialiste et ministre-président, nous disait qu'il n'y avait pas de problèmes de sécurité à Bruxelles. Il y a quelques mois, il nous disait aussi qu'il n'y avait pas de zones de non-droit à Bruxelles. C'est un peu surréaliste de voir ça, surtout quand nous constatons la prise de possession de l'espace public par le narcotrafic. La réalité, c'est celle-là! Ce n'est pas seulement la sécurité des habitants d'Anderlecht! Ce n'est pas seulement la sécurité des usagers du métro! C'est le narcotrafic! Il menace naturellement l'État de droit.

Je vous suis donc très reconnaissant d'être allé sur le terrain comme vous l'avez fait, monsieur le ministre. Vous avez sans doute été en quelques jours autant sur le terrain que certains de vos prédécesseurs en quelques mois. C'est aussi comme ça qu'on juge de la difficulté. Vous avez surtout pu mobiliser les services de la police fédérale. Vous avez pu vous coordonner avec les zones de police locales pour déjà voir un certain nombre de résultats émerger. En effet, la dernière personne que nous avons vue avec une kalachnikov – je pense que c'était la nuit dernière – a fui. Elle n'est pas restée ainsi à tirer comme les précédentes. Elle a fui parce qu'elle a été confrontée aux services de police et donc aux renforts.

Vous nous direz probablement comment vous allez monter en puissance en termes de mobilisation et de présence sur le terrain, que ce soit via le corps d'intervention (CIK) ou via la Direction de la sécurisation (DAB), en attendant que nous puissions avoir un cadre légal qui nous permette de rencontrer l'accord de gouvernement sur le fait que la Défense nationale puisse, dans un certain nombre de cas, également prêter main forte aux policiers On peut attendre, heureusement, de ce gouvernement que Bruxelles ait autant d'importance que le port d'Anvers.

J'aimerais attirer votre attention sur un point, monsieur le ministre. Vous souvenez-vous de la série télévisée Les Brigades du Tigre ? Bien sûr. Si je vous en parle, c'est parce que nous nous trouvons dans une situation similaire. En fait, leur vrai nom n'était pas "les Brigades du Tigre", mais "les brigades mobiles". Pourquoi les a-t-on appelées de la sorte? Parce qu'en 1907, Georges Clemenceau a décidé de voir la police, non plus à cheval, mais équipée de véhicules automobiles pour suivre les malfrats qui se servaient d'engins puissants. La police fédérale se trouve dans une situation un peu comparable, puisqu'on vous l'a laissée dans un très mauvais état. En effet, l'équipement de nos policiers, c'est une arme semi-automatique: la FN 300. En face, ce sont des armes automatiques. Cela signifie qu'on est en train de faire la course en 2CV contre une Porsche. S'agissant donc de la sécurité de nos policiers et de la manière dont ils se confrontent à ces narcotrafiquants, je vous demande d'évaluer si nous devons revoir à la hausse l'équipement de nos policiers.

Voorzitter: Ortwin Depoortere.

Président: Ortwin Depoortere.

Voorzitter:

Gezien er geen andere collega’s wensen aan te sluiten, geef ik het woord aan de minister om te antwoorden op de vele vragen.

Bernard Quintin:

Monsieur le président, je vais essayer de répondre à toutes les questions. J'espère que personne n'avait prévu d'aller au cinéma ce soir. Si je dois répondre à tout, cela va nous prendre beaucoup de temps! Mais je vais m'y efforcer.

Je vais faire quelques considérations liminaires avant de tenter de répondre plus précisément aux différentes questions. Comme cela a été dit, cela fait dix jours que j'ai pris mes fonctions, qui ont été dix jours intenses. J'apporterai les réponses que je peux apporter après une telle période à la fonction de ministre de la Sécurité et de l'Intérieur.

Nous aurons d'ici quatre à six semaines une discussion intense sur la présentation de la note de politique générale. Ce sera l'occasion de revenir sur tous ces sujets plus précisément. Et il y aura bien sûr un bilan à tirer, d'ici environ quatre ans, à propos de l'action que j'aurai pu mener à ce poste. Cela ne signifie pas que je ne serai pas très régulièrement présent ici, avec vous, pour faire le point, que ce soit en commission ou en plénière.

Ik zeg niet dat u me met rust moet laten de komende vier jaar.

Nous allons travailler. Cela nous donne quand même un horizon de travail important.

Je mets à votre disposition, comme je mets à disposition de mon département et des autres départements, mes différentes expériences de service de l’État… Quand on parle de service public, c’est le service au public, donc aux citoyens.

De kwestie van de onveiligheid en de consequenties ervan heb ik tijdens mijn carrière van heel dichtbij meegemaakt.

Il y a en effet une différence entre l'insécurité et le sentiment d'insécurité. Ce sont deux choses différentes, intimement liées. Je ne néglige pas non plus le fait que certains aspects psychologiques doivent être mieux pris en compte, pour les victimes.

Dans les fusillades des derniers jours, les victimes, c'est la personne qui est blessée et la personne qui est morte, mais ce sont aussi toutes les personnes qui ont pris le métro, et certainement cette famille qui a vu un impact de balle dans la chambre de son enfant. Ce sont aussi nos forces de l'ordre, qui sont confrontées tous les jours à cela.

Je le dis avec un peu d'émotion. J’ai moi-même eu, dans certaines missions que j'ai pu faire à l'Est du Congo il y a 20 ans, mon lot de cadavres et d’autres choses. J'aurai à cœur de tenir compte de ces aspects traumatisants.

J'ai aussi, dans différents postes que j'ai occupés, dû faire des économies, parce que nous devons être les plus efficaces et les plus efficients possible. Ce n'est pas toujours facile. Mais j'ai la chance, comme ministre de la Sécurité et de l'Intérieur, de ne pas devoir en faire, au contraire, puisque le département de la Sécurité est immunisé des économies qu'il faut faire par ailleurs. Je ne reviens pas sur le long débat sur le programme de gouvernement.

Mais quoi qu'il en soit, je crois qu'il y a toujours moyen, et que c'est une obligation comme serviteurs de l'État, de voir comment être les plus efficaces et les plus efficients possible. Les deux concepts sont tout à fait importants.

Par ailleurs, comme je l'ai dit, il n'y aura pas de diplomatie avec le crime et les criminels. Je tenterai néanmoins d'être diplomate dans tout ce que je dois faire avec les différents partenaires, que ce soit au niveau fédéral, avec les entités fédérées, les communes, etc. C'est écouter et décider.

Mijnheer de voorzitter, overleggen is niet babbelen. Ik babbel graag, maar op andere plaatsen en in andere omstandigheden. Hier zal ik overleggen, want adhesie is belangrijk.

Aussi, comme remarque liminaire, un fait divers est, selon le Larousse , "un événement sans portée générale qui appartient à la vie quotidienne". Il est donc assez clair que ce n'est pas ce qui s'est produit la semaine dernière. Et lorsqu'on parle de lutte contre le crime organisé, il s'agit singulièrement de celui qui est lié au trafic de drogue.

Dat zeg ik tegen iedereen. Ik zeg dat tegen de bevolking, ik zeg dat tegen onze politie, ik zeg dat tegen de politici. Het zijn geen faits divers. We moeten die criminaliteit aanpakken. We moeten ertegen vechten, ik durf dat zo te zeggen. We zullen dus een globale en multidisciplinaire aanpak hanteren en uitvoeren, van producenten tot consumenten.

"Du producteur au consommateur", pour reprendre une phrase plutôt liée au monde de l'agriculture, mais nous n'en sommes finalement pas très éloignés lorsque nous parlons des producteurs, puisqu'il faut bien produire tant le pavot que la feuille de coca. Il y a bien sûr par ailleurs toutes les drogues de synthèse.

Dat betekent ook dat we voor de hele keten, van de producenten tot de consumenten, een globale aanpak zullen moeten hanteren. Preventie en repressie zijn voor mij niet strijdig. Repressie alleen heeft geen zin. Als we dat elke dag doen, zullen we verliezen. Preventie is dus ook belangrijk. We moeten goede politieke krijtlijnen uitzetten en uitvoeren. Repressie is daar een belangrijk onderdeel van. Dat is mijn taak in die keten. Daarvoor moeten we ook met iedereen samenwerken. Ik ben daarover al in gesprek met mijn collega's van Justitie en Defensie. Ik zal daar straks op terugkomen.

On a parlé de cohésion sociale et en même temps, j’en profite pour réitérer ma compassion au sens premier du terme pour les victimes et les citoyens de ces faits. Dans cette cohésion sociale, M. Kompany a parlé du rôle des grands frères. Je crois en effet qu’outre la présence policière, des forums communautaires ont été créés qui permettent et qui offrent aux citoyens des espaces où ils peuvent partager leurs préoccupations et échanger avec les zones de police et la police locale ainsi qu’avec les autorités. C’est important qu’il y ait, et vous l’avez tous et toutes souligné, des rencontres citoyennes qui soient faites et qu’un accès au service de soutien psychologique qui est assuré par le BAV, soit proposé aux citoyens qui en ressentent le besoin.

Je voudrais repréciser la question des fonctionnalités de la police locale. Il y en a en effet sept fonctionnalités comme vous les avez citées. La recherche locale et le service de recherche s’attaquent aux problématiques liées aux moyens d’enquête spéciaux. Vous n’êtes d'ailleurs pas sans savoir que le vendeur de rue est lié à un clan de narcotrafiquants. C’est la raison pour laquelle j’ai insisté aussi sur la nécessité du travail en synergie entre les différents services de recherche, aussi bien de la police locale que de la police fédérale. Je vais y revenir tout à l’heure.

Pour ce qui est de la collaboration internationale, il est évident qu’elle est absolument essentielle. J’ai déjà parlé lors de ma remise-reprise avec le ministre Prévot de cet élément important de travail que nous devons aussi faire avec nos postes diplomatiques pour qu’ils soient suffisamment sensibilisés à ces questions-là mais qu’ils aient également le personnel nécessaire pour pouvoir y faire face. Vous savez qu’on a déjà renforcé la présence d’attachés de police dans un certain nombre de postes en Afrique, en Afrique du Nord et en Amérique Latine. On doit continuer à le faire – je vais d'ailleurs revenir sur le mandat de la commissaire nationale aux drogues – mais il est évident que si on veut renforcer cette approche globale, il faut qu’on aille, comme je le disais, s’attaquer aussi aux producteurs, or ces derniers sont en grande partie à l’étranger. Je dis bien "en grande partie" parce que tout cela est beaucoup plus complexe qu’il n’y paraît.

Je peux aussi vous dire que nous collaborons avec un certain nombre de services de police, entre autres en Italie, qui ont une certaine expérience de la lutte contre la mafia, pour former nos policiers avec les policiers italiens qui ont une expérience plus longue et relativement probante en la matière.

J'en viens à la question de savoir si nous avions des informations avant les fusillades. Si nous avions su des choses extrêmement précises, nous aurions évidemment mis les forces de police nécessaires en place pour déjouer ces attaques-là. Sur ces attaques précises, nous n'avions pas de renseignements suffisamment précis pour pouvoir les contrer. Mais bien sûr, au sein de nos services de recherche et d'information, nous réussissons à prévenir un tas d'attentats, ce qui me permet une note plus générale. Le combat contre le narcotrafic est bien ce qui nous occupe à Anderlecht. Les trois événements à Anderlecht sont liés entre eux et sont liés au narcotrafic et à la mafia algéro-marseillaise. Voilà, c'est dit. C'est un combat qui va durer. Si je vous disais que je connaissais une date à laquelle nous aurions gagné la guerre contre le narcotrafic, vous auriez raison de rire, parce que cela n'aurait aucun sens.

Je fais un parallèle, bien que comparaison ne soit pas raison, entre ce combat et le combat contre le radicalisme ou le djihadisme. Ce n'est pas parce qu'on ne gagnera probablement jamais définitivement la guerre qu'il ne faut pas mener ce combat. Il ne faut pas que les narcotrafiquants aient dix longueurs d'avance sur nous. Il faut qu'ils n'en aient même pas une mais seulement une demie. C'est ça que l'on doit faire. Je vais revenir sur les questions financières: il faut que ces trafics coûtent de plus en plus. C'est comme cela que nous pourrons gagner un nombre important de batailles.

Il existe une task force , une stratégie de solidarité entre les différents services de police des zones de police de Bruxelles, à laquelle la police fédérale apporte évidemment son appui et son expertise, tant par la mise à disposition de forces humaines que par la logistique, en fournissant des moyens spéciaux à la demande des zones.

Je vais prendre un peu de temps pour répondre à la question du plan Canal.

Het Kanaalplan werd in 2016 uitgerold in de strijd tegen radicalisme en terrorisme. Het plan voorzag 116 medewerkers in de vijf politiezones langs het kanaal en in een zone buiten Brussel, namelijk Vilvoorde. Er staan nog een paar mensen ter beschikking van de zones in het kader van dat plan, maar in dat plan waren ook veel elementen voorzien die nu geïntegreerd zijn in het werk van de politiezones. Het Kanaalplan was nodig in 2016, maar nu maken veel aspecten ervan deel uit van de dagelijkse taken van de politiezones.

De ontwikkeling van het Kanaalplan, waarbij verschillende partners uit het maatschappelijke veld betrokken waren, leidde tot het globale drugsplan, dat vervolgens werd verfijnd tot het arrondissementele drugsplan onder leiding van de gerechtelijke directeur, waarin momenteel 14 projecten lopen. Een nieuw plan is voorzien. Ik moet de komende dagen en weken de modaliteiten van dat plan uitwerken, maar het drugsaspect ervan moet belangrijker zijn dan dat acht jaar geleden het geval was, zelfs als alles gelinkt is. Er is geen immers firewall tussen drugscriminaliteit en radicalisering. Tout est dans tout et inversement . Het is misschien een idee om een nieuwe naam te zoeken voor het nieuwe Kanaalplan, niet als een gadget, maar men zal door die naam steeds aan het eerste Kanaalplan blijven denken, terwijl we nu iets anders op poten moeten zetten. Ik zal daaraan werken.

Nous allons travailler avec la police fédérale et les zones de police afin de cibler les besoins nécessaires et d'avoir un bon plan, qui ne soit pas un gadget. L'un des éléments fondamentaux de ce plan global antidrogue est évidemment le partage d'informations, ou plutôt de renseignements.

Je tenterai de répondre plus largement aux questions concernant les statistiques, les chiffres et les tendances lors du débat sur la note de politique générale. N'hésitez pas à m'adresser des questions écrites à ce sujet, celles-ci permettant de répondre de manière substantielle sans que ces réponses soient trop ennuyeuses, ce qui peut arriver quand on aligne les chiffres dans une réponse à une question orale.

Cela dit, il y a bien une hausse générale des faits de criminalité, à peu près à tous les niveaux à Anderlecht mais aussi dans d'autres communes. Ce qu'il s'est passé à Anderlecht est lié à la mafia marseillaise et à des questions d'occupation ou de réoccupation de territoire par des bandes rivales.

Il nous paraissait important de pouvoir mettre plus de moyens à disposition de la Zone de police Midi, ce que nous avons fait. Comme je l'ai dit dans mon introduction, un peu moins de 20 agents de la réserve fédérale sont déjà sur place. D'autres zones de police, singulièrement celle de Bruxelles Capitale Ixelles, ont mis un certain nombre d'agents à disposition de la Zone de police Midi.

Comme cela a été souligné par M. Ducarme, nous avons déjà constaté un effet direct de cette augmentation, à savoir que la personne qui est sortie de son véhicule avec une kalachnikov cette nuit a vu les policiers en faction et est repartie. Elle a été poursuivie, mais n'a malheureusement pas pu être arrêtée. Des effets de cette présence se font donc déjà sentir. La question de sa durée a été posée.

Verschillende volksvertegenwoordigers vroegen hoelang het zal duren. Het zal duren zolang het nodig is, maar we moeten duidelijk zijn: we zitten nu in een systeem waarin on déshabille Pierre pour habiller Paul . Ik ken de uitdrukking in het Nederlands niet. Het is een kwestie van communicatie. Het zal zeker in mijn beleidsnota staan dat – ik ben het volledig met u eens, mijnheer Van Tigchelt – er niet meer blauw op straat moet, maar dat blauw meer op straat moet. We hebben genoeg politieagenten als we de verhouding met andere steden bekijken, maar ze zijn misschien niet genoeg op straat om dingen te onderzoeken.

C'est toute l'idée, et j'y viens maintenant, qui est dans l'accord de gouvernement et que nous devons mettre en œuvre, celle d'avoir l'appui de l'armée. Ce n'est pas écrit et je n'ai jamais dit, dans aucune interview ni intervention, qu'il fallait des militaires dans la rue.

Ik heb dat nooit gezegd en nooit geschreven.

Parfois, on nous pose plutôt des réponses que des questions et tant que la réponse ne convient pas… Ik zal het herhalen: ik heb het nooit geschreven, noch gezegd.

C'est d'ailleurs ce qui se trouve très clairement dans l'accord de gouvernement et que j'ai discuté avec mon collègue Theo Francken lors d'un entretien téléphonique. Je ne vais pas vous dire que nous avons déjà tout le texte et que tout est là, mais j'ai pris mon téléphone et je lui ai donc posé la question.

Ik vroeg hem of hij akkoord ging om te bespreken hoe wij militairen kunnen inzetten voor statische bescherming.

Donc, il s'agit de la protection statique, c'est-à-dire ce que vous voyez quand vous passez rue Ducale devant l'ambassade des É tats-Unis. En français, on appelle ces hommes des plantons, ce sont eux qui gardent les lieux, comme nous avons des militaires qui gardent les casernes, même si je sais que ce n'est plus toujours le cas aujourd'hui.

L'idée est de créer une espèce d'effet dominos: si nous pouvons mettre des militaires qui gardent certains sites tels que les centrales nucléaires, plusieurs industries Seveso, des ambassades placées au niveau 4 comme celles des États-Unis , d'Israël et d'autres, je peux libérer des membres de la DAB. Ce ne sont pas eux qui iront en rue, parce que ce n'est pas leur travail. En revanche, certaines tâches de la DAB sont exercées par des policiers. Si je déploie des militaires, cela libère de la DAB qui peut notamment travailler au transfert de prisonniers, si je ne me trompe pas. Les policiers qui, eux, ont la capacité légale d'aller en rue et de mener leurs activités ne doivent plus servir au transfert des prisonniers. Il y a quand même une logique. Nous avons besoin de textes, c'est vrai.

Omdat we nog een rechtsstaat zijn. Dus moeten we de geschikte teksten hebben en gebruiken om dat te doen.

Pour ce qui est du Fonds spécial drogues, à travers l'accord de gouvernement, mais aussi grâce à la réunion que nous avons pu avoir, ma collègue Annelies Verlinden et moi-même avec la commissaire nationale aux drogues, nous l'avons mandatée dans sa lutte contre les stupéfiants pour qu'elle puisse travaille à partir de ce Fonds spécial.

Dit is wat ik gezegd heb: de trafikanten in de portemonnee treffen.

Il faut vraiment pouvoir les attaquer là, saisir un certain nombre de biens, réaliser ces biens et réinjecter l'argent dans la lutte contre les trafiquants de drogue.

Je ne peux pas vous dire aujourd'hui quels sont les montants des fonds mais il est clair qu'il faudra un système de coffre-fort virtuel, qui permettra de visualiser au fur et à mesure ce qui est réalisé dans ces différentes saisies.

Je fais totalement confiance à la commissaire nationale aux drogues, que j'ai déjà rencontrée plusieurs fois. Elle m'a expliqué ses plans et sa vision des choses pour qu'elle nous revienne rapidement avec les textes nécessaires.

Daarna is het aan jullie als volksvertegenwoordigers om de gepaste teksten, wetten en reglementen goed te keuren, zodat wij ons werk kunnen uitvoeren en volbrengen.

Il faudra bien parler de la fusion des zones de police, pour laquelle il y a deux temps.

Dans l'accord de gouvernement, il est décidé de procéder à la fusion des zones de police pour la Région de Bruxelles-Capitale. C'est écrit dans l'accord de gouvernement et je suis un serviteur de l'État. Je mettrai donc en œuvre l'accord de gouvernement, puisqu'il a reçu la confiance de la Chambre.

Ce n'est pas pour autant que je le ferai à la hussarde, ce qui n'aurait aucun sens. C'est quelque chose qui doit être concerté, être expliqué avant d'être mis en œuvre. Je vais m'y employer dans les semaines qui viennent. Je ne vais pas vous donner de calendrier aujourd'hui. Je pourrai probablement avoir une idée un peu plus précise quand on discutera de la note de politique générale dans quatre ou six semaines, car je n'ai pas non plus l'intention de perdre du temps pour mener les discussions et les concertations que je dois avoir sur le sujet en réunissant l'ensemble des acteurs concernés.

De fusie van de Brusselse politiezones is echter geen politiek gadget. Mijn doel is om efficiëntiewinst te boeken.

C'est une question de rationalisation. Il faut voir quelles sont les économies d'échelle qui peuvent être faites et comment cette chaîne de commandement peut être améliorée dans une ville-région qui a quand même une spécificité physique relativement particulière, qui demande que cette fusion soit réalisée. Elle se fera, en concertation, pour être efficace et efficiente.

Le deuxième temps de la question de la fusion des zones de police est que ce n'est pas parce qu'elle n'est pas obligatoire en Wallonie...

Het is niet omdat het niet verplicht is in Wallonië of Vlaanderen, dat het niet kan gebeuren. Ter verduidelijking, het is mijn doel om dat in Brussel te doen, zoals het ook in het regeerakkoord staat. Daarna zal ik een vergelijkbare oefening proberen te doen in Vlaamse en Waalse politiezones.

Et de même en Wallonie pour expliquer pourquoi dans certaines zones, je pense qu'il n'est pas inintéressant d'effectuer un exercice similaire. Ce ne sera pas obligatoire, mais je ferai mon travail de ministre de la Sécurité et de l'Intérieur.

Vous ne m'aurez jamais entendu dire ni vu écrire nulle part que je pense que la fusion des zones de police à Bruxelles est "la" solution, comme l'a dit votre collègue Paul Van Tigchelt. S'il y avait une solution, moi, je ne l'ai pas. Si quelqu'un dans cette salle l'a, de grâce, donnez-là moi. Je vous jure que je la mettrai en œuvre. Mais "la" solution n'existe pas. Il n'y a pas de solution miracle. Il n'y a même à mon sens, et j'ose le dire ici, pas de solution définitive. Il faudra évoluer.

C'est quelque chose que je voudrais aussi partager avec vous aujourd'hui. Vous remarquerez que je suis peut-être un peu candide et j'espère que vous ne m'en tiendrez pas rigueur, et surtout que vous ne l'utiliserez pas contre moi. On a fait une réforme des polices il y a 25 ans parce que nous vivions une situation, il y a entre 30 et 25 ans, qui nécessitait une réforme des polices parce que le monde avait changé. Il se fait que dans les cycles historiques, le monde change de plus en plus vite. Ici, en 25 ans, le monde a aussi fort changé. Je parle à cet égard de mon expérience précédente où le SPF Affaires étrangères a été redessiné il y a 25 ou 30 ans sur la base de La Fin de l'histoir e de Fukuyama et sur l'idée que nous étions désormais dans un monde unipolaire, etc. La structure de ce ministère ou de ce SPF ne correspond plus à la réalité d'aujourd'hui et il faut changer. Je pense qu'il faut avoir le courage de dire que c'est la même chose aussi pour les services de sécurité.

Dat wil niet zeggen dat we alles moeten heruitvinden, want dat heeft geen zin, maar we moeten de moed hebben om te hervormen waar het nodig is.

Pour terminer sur la question de la fusion des zones, je constate qu'un certain nombre de concertations ont été mises en place ces derniers jours; elles sont d'ailleurs prévues dans le système actuel. Les bourgmestres se sont réunis. Le système gold-silver a été mis en place. Le ministre-président a réuni le Conseil Régional de Sécurité (CORES), auquel la gouverneure de Bruxelles-Capitale m'a invité. Je m'y suis rendu, même si je n'ai pas de décision à prendre dans ce forum-là. Pour connaître les décisions qui y ont été prises, il faudra poser la question aux personnes qui en sont responsables. J’ai dû partir avant la fin de la réunion, mais j’ai vu comme vous que les hotspots ont été prolongés de six mois.

L’important est que cette coordination a lieu. Nous ne partons pas de rien. Je constate que nous avons le même objectif, qui est de renforcer la sécurité à Bruxelles. Si vous me permettez ce petit clin d'œil: pour ce qui est du financement des zones de police, je n'ai même pas besoin d'un quelconque accord secret sur n'importe quel papier. C'est écrit. Nous allons réviser la norme KUL.

Je reviens ici sur ma candeur. Laissez-moi d'abord le temps de comprendre exactement comment fonctionnait la norme KUL. C'est toujours bien de savoir comment fonctionne ce que l'on veut réviser pour être certain qu'on le fait le mieux possible.

À propos des armes, il s’agit d’un élément absolument fondamental. Je parlais de connexion. Il y a une connexion évidente entre le trafic d'armes et le trafic de drogue. Les routes suivies sont d'ailleurs souvent identiques. Vous pouvez y ajouter le trafic d'êtres humains et le trafic de cigarettes, dont nous n’avons pas parlé mais qui fait partie de cet ensemble. Il est clair que le trafic de drogue est largement plus rentable que le trafic d'armes, mais ces trafics sont liés parce que les trafiquants ont besoin de ces armes comme moyen de protection.

Avant de revenir sur le type d'armes, je voudrais préciser ici que, s'agissant du trafic d'armes, je compte porter une attention très particulière aux polices judiciaires fédérales, comme la DR1, qui en est en charge.

Il faut aussi réfléchir à l'équipement que l'on donne à nos policiers, qui doivent faire face à des kalachnikovs et à des armes de guerre. Je ne suis pas encore suffisamment certain de pouvoir me prononcer sur la question. Concernant la différence entre les armes semi-automatiques et les armes automatiques, il faut que je veille à ce que le cadre légal dans lequel on travaille soit respecté.

Lors de mon deuxième jour de fonction, je suis allé visiter le quartier général de la zone de police de Bruxelles-Capitale-Ixelles (PolBru), à l'Amigo. J'ai pu constater qu'il serait peut-être nécessaire de rénover les bâtiments, car il est plus sympathique de travailler dans un environnement agréable. J'y ai rencontré des policières et des policiers extrêmement motivés, et aussi la brigade anti-agression (BAA). J'y ai reconnu un certain matériel, que j'avais vu par ailleurs, dans d'autres fonctions que j'ai pu occuper dans d'autres lieux. Donc, c'est faisable.

Je ne vais pas revenir sur la fusion, mais je comprends aussi que ce n'est pas le cas de toutes les zones de police de Bruxelles. Or nous serons tous d'accord pour dire que, à Bruxelles, il y a une concentration des faits dans certains lieux, mais que ce n'est pas parce qu'il y a des hotspots que les lieux ou les communes bruxelloises où il n'y a pas de hotspot sont totalement déconnectés de ce qu'il se passe dans ces hotspots .

Zoals het ook al door enkelen werd aangehaald, mogen we niet denken dat het alleen om Brussel gaat, of om Brussel en Antwerpen, en zelfs niet om Brussel, Antwerpen en Luik Bierset. Het gaat over allerlei plaatsen. Er zijn mensen die veel geld verdienen en die gaan niet – je ne vais pas citer de commune belge, sinon je vais me faire enguirlander – in arrondissement 93 wonen, om een ander land als voorbeeld te nemen. Ze gaan eerder wonen in Uzès – ik blijf in Frankrijk, want dat is voor mij veiliger. We moeten dus niet denken dat we alleen maar kunnen en mogen werken op die hotspot. Ik ga terug naar de ketenaanpak, naar de globale en holistische aanpak die we nodig hebben.

C'est d'ailleurs le sens – et je terminerai par-là ma réponse dont je vous prie d'excuser la longueur, monsieur le président – de l'approche Iceberg, qui m'a été présentée tout comme à vous par la commissaire nationale aux drogues, partie émergée/partie immergée/environnement. Tout est là, il n'y a pas besoin d'aller plus loin dans les explications de ce qu'il faut faire et comment il faut le faire. Maintenant, il faut le faire, cela nécessite des moyens. Il est indispensable que tout le monde s'y attèle de concert. C'est donc un appel à la collaboration que je réitère.

Si la prévention est absolument fondamentale, elle ne ressort pas de l' É tat fédéral. C'est ainsi, c'est la structure de notre É tat. La politique de logement, la politique psychosociale, la lutte contre la pauvreté: nous devons travailler main dans la main. Avec mes services, je me trouve dans la partie émergée de l'iceberg. Mon travail ressort du maintien de l'ordre ( law and order) . Beaucoup de travail doit être fait dans la partie immergée.

Nous avons la chance d'avoir aujourd'hui une forme d'alignement des planètes en ce que nous voulons tous lutter contre le narcotrafic et tout ce qui y est lié.

Het werd tijd dat Brussel een nieuwe, voltijdse en gevolmachtigde procureur des Konings kreeg. Dat is nu gebeurd. U hebt hem gehoord. Hij is heel assertief, kunnen we wel stellen. Dat is volgens mij heel belangrijk.

Ik heb ook het geluk om met collega Annelies Verlinden te werken als minister van Justitie.

Je ne dois pas passer beaucoup de temps à lui expliquer les défis du ministre de l'Intérieur. C'est un très grand avantage pour moi. Je le dis en souriant, mais c'est quand même une réalité.

Par ailleurs, la commissaire nationale aux drogues a présenté le Clean & Safe Plan . Tout y figure. Vous pouvez compter sur moi pour continuer à travailler. Je vous donne rendez-vous pour la note de politique générale, mais c'est plutôt vous qui allez m'inviter. Je viendrai donc volontiers. Je ne suis pas encore très habitué à tous ces exercices, mais il faut que je respecte l'ordre; sinon, comment pourrais-je le faire respecter dans mes fonctions de ministre de la Sécurité et de l'Intérieur?

Ik zal terugkomen met meer cijfers, een duidelijkere kalender en nauwkeurigere antwoorden. Dat is belangrijk.

Je viendrai avec la même volonté de pouvoir faire la différence sur les années qui viennent, avec toute l'équipe gouvernementale. Je me sens très à l'aise de le faire et je me réfère ici à ce qui a été dit par le chef de l'État, dans son discours de vœux aux Corps constitués: "La sécurité est le fondement premier de la liberté." J'ai donc là un mandat très clair et j'ai bien l'intention de le mettre en œuvre.

Voorzitter:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Het is uiteraard de taak van het Parlement om u over de kwestie verder te bevragen in de toekomst en ik ben blij dat u nu al aankondigt daarop te willen ingaan.

Het woord is opnieuw aan de fracties voor een repliek, bijkomende vragen of opmerkingen.

Maaike De Vreese:

Mijnheer de minister, eerst en vooral wil ik u bedanken om zo snel uw agenda vrij te maken, zodat u vandaag in de Kamer toelichting kunt komen geven. Ik ben nog niet lang lid van de Kamer, maar ik weet wel dat we bij voorgaande incidenten soms een tijdje moesten wachten. Ik vind het goed om als parlementsleden voldoende geïnformeerd te zijn, ook al geeft u vandaag nog niet op alle vragen een antwoord. Daar kan ik met onze fractie begrip voor opbrengen, als het gaat over vragen naar cijfers en gedetailleerde planning. Op die vragen zullen we terugkomen in de volgende weken en we zullen erop toezien dat u de timing die u vooropstelt ook haalt.

Ik wil niet meegaan in het spelletje van links versus rechts, waarbij links staat voor preventie en rechts voor louter repressie. Ik denk dat repressie en preventie naast elkaar staan. Daarin spelen de deelstaten een heel belangrijke rol. In overleg met de deelstaten moet worden bekeken hoe via psychosociale weg preventie mogelijk is. Daarbij denk ik ook aan de problematiek van druggebruik door heel jonge kinderen, minderjarigen, in heel wat steden en gemeenten. Er worden bijvoorbeeld drugs gedeald aan de schoolpoorten. Het stijgende druggebruik moet ons als maatschappij enorm verontrusten. Ook daartegen is sterke preventie nodig.

Op het terrein dienen stappen te worden gezet die resulteren in meer blauw op straat. De wijze waarop dat gebeurt, maakt mij allemaal niet uit. Wat wij willen verkrijgen, is dat de bevolking zich veiliger voelt op straat. We moeten de politieagenten dus uit hun kantoren halen. Dat kan op verschillende manieren gebeuren. Een van de mogelijkheden voor meer blauw op straat, is dat militairen de taken van de DAB overnemen.

We kunnen echter ook kijken naar andere manieren om aan efficiëntie te winnen, zoals structurele hervormingen, waardoor er politiecapaciteit vrijkomt. We kunnen ook bekijken op welke manier we hun werk administratief kunnen verlichten. Daardoor kunnen ze andere taken verrichten en de straat opgaan.

Ik had net tegen collega Matti Vandemaele gezegd dat het helemaal geen probleem was om het Kanaalplan een nieuwe naam te geven. In Roeselare is er ook een kanaal, dus het kan perfect. Ik denk dat het Kanaalplan inderdaad verwaterd is. We kunnen dan stellen dat dit ingebed is in de normale taken van de politie. Ik hoor echter toch een aantal andere signalen, met name dat er niet meer zo hard op dat plan gewerkt wordt en dat de diensten die erbij zouden moeten worden betrokken, dat niet meer zozeer zijn. Dan verwijs ik bijvoorbeeld naar de Dienst Vreemdelingenzaken.

Daar is dus een nieuw en goed plan nodig, waarbij de waterbedeffecten zeer goed in het oog worden gehouden. Ik hoor u graag zeggen dat het geen zaak is van Brussel of Antwerpen alleen. Anderzijds zijn er beperkte middelen, die we dan ook effectief moeten inzetten. Er zal dus eerst en vooral gefocust moeten worden op bepaalde problematische plekken, hotspots of probleemwijken. We moeten in het oog houden of een en ander niet verschuift naar andere plaatsen. Ik ben er een voorstander van en het staat ook zo beschreven in het regeerakkoord.

De inspanningen zullen dus moeten worden aangehouden. U zult er jammer genoeg niet van verlost zijn over een jaar. Dit zal een probleem zijn voor de komende tientallen jaren. Dat wil niet zeggen dat we bij de pakken moeten blijven zitten of dat we ons hiervoor niet voor de volle honderd procent moeten inzetten, vanuit het Parlement, en u als minister, om hier een antwoord op te bieden.

Ik hoor u graag zeggen dat de fusie van de politiezones vermeld staat voor Brussel. Als we naar het hele grondgebied kijken, dan zijn er echter een aantal zones die ook met een tekort aan mankracht kampen waarvoor een schaalvergroting wel een oplossing zou zijn. Het mag geen taboe zijn om daarover te spreken, ook al is het geen verplichting uit het regeerakkoord. Daarom moeten we in overleg gaan met de verschillende zones en kunt u als minister bekijken op welke manier u dit kunt faciliteren.

Voorzitter:

Mijnheer Bergers, ik heb u gezien, maar ik zou eerst alle fracties aan bod willen laten komen om u vervolgens het woord te geven. Dat lijkt me billijker en rechtvaardiger.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, ik dank u voor de vele antwoorden die u vandaag al hebt gegeven. Ik hoop dat we inderdaad aan de hand van cijfers meer duidelijkheid zullen krijgen over uw toekomstige aanpak. Ik ben ervan overtuigd dat we ruim de tijd zullen vrijmaken om daarover van gedachten te wisselen. Als parlementsleden nemen we de taak op ons om u daaraan te houden, maar ook om u naar de resultaten daarvan te vragen.

Mijnheer de minister, ik hoor een aantal zaken van onder andere mevrouw De Vreese, maar ook van andere partijen, namelijk dat die strijd een ketenaanpak moet zijn met zowel preventie als repressie. Ik ben het er uiteraard mee eens, alleen heeft men in het verleden te veel de nadruk gelegd op die preventie en te weinig op die repressie. Door de onveiligheid, maar meer nog door het onveiligheidsgevoel dat bij de burgers leeft, lijkt het alsof er straffeloosheid ontstaat omdat justitie niet volgt. Leg uw oor te luisteren bij de politieagenten, want ik hoor momenteel dat ze dweilen met de kraan open. Aangehouden drugsdealers, hoe klein ook, lopen de volgende dag vrij rond op straat. Dat is niet de manier waarop een deftige rechtsstaat zou moeten functioneren, wat veiligheid betreft.

Ik heb een zeer belangrijke passage gelezen in het regeerakkoord in verband met het kerntakendebat van de politie. Ik ben het daar volledig mee eens. Naar mijn mening moeten we een aantal niveaus herbekijken. Ik hoop dat we elkaar daarin kunnen vinden.

Op lokaal niveau is er de lokale politie. We moeten teruggaan naar de essentie van de lokale politie: de nabijheidspolitie. De wijkagent die patrouilleert in de straten en die de inwoners van zijn of haar wijk kent. Daarnaast is er de federale politie, waarin we veel meer moeten investeren, omdat ze meer gespecialiseerd te werk moet gaan. Het gaat niet alleen om de strijd tegen georganiseerde criminaliteit, maar bijvoorbeeld ook de strijd tegen de cybercriminaliteit, wat een zeer gespecialiseerde aanpak vergt van onder andere IT-specialisten.

Ik hoor velen spreken over de DAB, maar de dienst DAB klaagt nu al vijf jaar – als het al niet langer is – over tekorten aan manschappen en middelen. Hoe kan men in godsnaam op korte termijn die dienst inzetten om dergelijke fenomenen tegen te gaan?

U zegt heel terecht dat dit geen fait divers is. Dat is het ook niet, het zijn criminelen die rondlopen met oorlogswapens. Onze lokale politie is daar letterlijk en figuurlijk niet tegen gewapend. De DAB is een mogelijkheid om daartegen op te treden, maar dan moet er meer worden geïnvesteerd in personeel en materieel. Het is daarom dat ik een pleidooi hield om militairen te kunnen inschakelen als daar nood toe is, niet omdat het mooi staat op papier. Ik meen dat die nood er vandaag is. Als er doden en gewonden vallen bij schietpartijen op klaarlichte dag, dan kan men niet doen alsof er niets is gebeurd. Dan moeten er extra maatregelen worden genomen. Ik zal blijven herhalen wat de partijvoorzitter van de N-VA daarover in het verleden zei.

Mijnheer de minister, ik heb een interpellatie ingediend en ik koppel daar ook een motie van aanbeveling aan. Ik vraag daarin aan de regering om een aantal maatregelen te nemen op korte termijn. Ik heb ze reeds opgesomd. We moeten zwaarbewapende agenten kunnen inzetten in de wijken waar dat nodig is, we moeten militairen kunnen inzetten in crisissituaties, we moeten meer patrouilles voorzien in die wijken, we moeten onmiddellijk werk maken van de eenmaking van de zes Brusselse politiezones. We moeten een actieplan uitwerken. Dat verwacht ik ook van deze regering, dat moet de cesuur met het verleden zijn. Er moet een echte nultolerantie zijn, waarbij de criminelen daadwerkelijk worden aangepakt, opgesloten en vervolgd.

Op lange termijn – en daarover zullen we het in de toekomst nog hebben – moeten er een aantal structurele maatregelen worden genomen. Er moet een uitbreiding van de DAB zijn, er moet een federale reserve zijn die onmiddellijk en altijd inzetbaar is, er moet een gepaste opleiding worden voorzien voor de lokale politie in de strijd tegen georganiseerde misdaad. De financiering moet worden verhoogd. Ik heb verwezen naar de ontoereikende 75 miljoen van dit jaar, maar zoals collega Aouasti ook al zei, zullen die middelen zelfs in het geheel van de vier jaar ontoereikend zijn als we dit probleem grondig willen aanpakken.

Ten slotte – ik ben ongeveer de enige die het hier benoemt en het ook vraagt –, kijk naar de nationaliteiten van de criminelen. Als daar criminelen met een dubbele nationaliteit bij zijn, neem dan de Belgische nationaliteit af en stuur ze terug naar het land van herkomst.

Dat is in een notendop wat in mijn motie staat. Ik overhandig die nu aan het commissiesecretariaat.

Moties

Motions

Voorzitter:

Tot besluit van deze bespreking werden volgende moties ingediend.

En conclusion de cette discussion, les motions suivantes ont été déposées.

Een motie van aanbeveling werd ingediend door de heer Ortwin Depoortere en luidt als volgt:

"De Kamer,

gehoord de interpellatie van de heer Ortwin Depoortere

en het antwoord van de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, belast met Beliris,

- overwegende dat criminele bendes met toenemende regelmaat schietpartijen uitvoeren in onze steden, waarbij zware wapens gebruikt worden;

- overwegende dat de politie- en veiligheidsdiensten onderbemand en ondergefinancierd zijn in de strijd tegen de georganiseerde misdaad;

- overwegende dat agenten geen voldoende opleiding krijgen om tegen zwaarbewapende drugscriminelen te strijden;

- overwegende dat er een onmiskenbare link bestaat tussen de georganiseerde criminaliteit en de etnische afkomst van de daders;

vraagt de regering

- op korte termijn:

- zwaarbewapende agenten in te zetten in de wijken die het slachtoffer zijn van georganiseerde criminaliteit;

- de inzet van militairen in deze wijken mogelijk te maken;

- meer patrouilles te voorzien in deze wijken;

- onmiddellijk werk te maken van de eenmaking van de zes Brusselse politiezones,

- een actieplan uit te werken om echte nultolerantie toe te passen, waarbij betrokken misdadigers onmiddellijk opgesloten worden en gepaste effectieve straffen krijgen.

- op lange termijn en structureel:

- een grote reserve van middelen en specifiek hiervoor opgeleide manschappen op te bouwen binnen de federale politie, die gewapend is om de strijd tegen georganiseerde (drugs)misdaad op het terrein aan te gaan;

- in bijkomende gepaste opleiding te voorzien voor de lokale politie in de strijd tegen georganiseerde misdaad;

- de financiering van de veiligheidsdiensten te verhogen teneinde in de noden te voorzien;

- de inzet van militairen mogelijk te maken met gerichte missies in probleemwijken en -gebieden, waarbij hun bevoegdheden, gevechts- en inzetregels duidelijk gedefinieerd en wettelijk verankerd zijn;

- de Belgische nationaliteit af te nemen van personen met de dubbele nationaliteit die ernstige criminele feiten plegen. "

Une motion de recommandation a été déposée par M. Ortwin Depoortere et est libellée comme suit:

" La Chambre,

ayant entendu l'interpellation de M. Ortwin Depoortere

et la réponse du ministre de la Sécurité et de l’Intérieur, chargé de Beliris,

- considérant que des bandes criminelles sont de plus en plus régulièrement à l'origine de fusillades à l'arme lourde dans nos villes;

- considérant que les services de police et de sécurité sont en sous-effectifs et ne sont pas suffisamment financés pour lutter contre le crime organisé;

- considérant que les agents ne sont pas suffisamment formés pour lutter contre les criminels lourdement armés actifs dans les milieux de la drogue;

- considérant le lien indéniable pouvant être établi entre la criminalité organisée et l'origine ethnique des auteurs;

demande au gouvernement:

- à court terme

- de déployer des agents lourdement armés dans les quartiers où sévit le crime organisé,

- de permettre le déploiement de militaires dans ces quartiers,

- de prévoir davantage de patrouilles dans ces quartiers,

- de concrétiser sans délai la fusion des six zones de police bruxelloises,

- d'élaborer un plan d'action visant à appliquer une véritable tolérance zéro, dans le cadre de laquelle les criminels concernés feront l'objet de mesures d'enfermement immédiates et de peines effectives adéquates;

- à long terme et structurellement

- de constituer, au sein de la police fédérale, une réserve importante de moyens et d'agents spécifiquement formés à ces missions et armés pour lutter contre la (narco)criminalité organisée sur le terrain,

- de prévoir, pour la police locale, une formation supplémentaire adéquate en matière de lutte contre le crime organisé,

- d'accroître le financement des services de sécurité en vue de couvrir les besoins,

- de permettre le déploiement de militaires qui seraient chargés de missions dans les quartiers et zones à problème, leurs pouvoirs et les règles de combat et de déploiement étant clairement définis et prévus dans la loi,

- de retirer la nationalité belge aux personnes détenant la double nationalité qui commettent des faits criminels graves.

Een eenvoudige motie werd ingediend door mevrouw Catherine Delcourt.

Une motion pure et simple a été déposée par Mme Catherine Delcourt.

Over de moties zal later worden gestemd.

Le vote sur les motions aura lieu ultérieurement.

Catherine Delcourt:

Monsieur le ministre, vous n'avez pas eu d'autre choix que de prendre conscience de plein fouet de la situation dramatique du trafic de drogue et de ses conséquences à Bruxelles et ailleurs sur notre territoire. Là où vous aviez le choix, c'est dans les actions que vous alliez mener. Immédiatement, vous avez pris des mesures qui semblent déjà porter leurs fruits. J'apprécie que vous ayez réagi à court terme, tout en vous inscrivant dans une politique à moyen et long terme qui sera nécessaire.

Cinquante mesures sont prévues dans l'accord de gouvernement de l'Arizona. Certains collègues les prennent isolément et s'appliquent à démontrer que, seules, elles ne vont pas fonctionner. Pour que tout le monde comprenne bien, vous êtes le ministre de la Sécurité et de l'Intérieur, pas le ministre de la Sécurité et des miracles. C'est un ensemble de mesures qui vont permettre d'agir et de contrer progressivement ce phénomène.

Nous sentons une réelle volonté de ce gouvernement d'avancer sur ces questions. Et nous pouvons souligner, dans votre approche, le fait que vous ayez bien perçu cette notion de police intégrée, la nécessité de combiner l'action d'une police locale forte, qui fait de la proximité et qui rencontre les fonctionnalités de base de la police, avec une police spécialisée qui permet de lutter à d'autres niveaux contre ce genre de phénomène.

Votre objectif, nous l'avons bien compris, est de dégager de la capacité à la fois au niveau budgétaire mais aussi au niveau structurel, notamment via les fusions des zones de police. J'ai aussi apprécié vous entendre sur le fait que ces fusions pourraient, devraient s'appliquer à d'autres endroits du territoire, et pas uniquement à Bruxelles.

Vous avez aussi évoqué le fait de ne pas travailler seul. Vous avez compris que ce phénomène ne peut pas être attaqué par un seul angle. Cette collaboration interdépartementale sera essentielle pour la sécurité. Celle-ci est votre affaire, c'est sûr, mais aussi l'affaire de tous. Chaque acteur doit prendre sa part. Je ne doute pas, grâce à votre exposé et aux réponses que vous nous avez données, que votre approche sera diplomatique, mais surtout ferme. Je vous remercie.

Khalil Aouasti:

Je vous remercie, monsieur le ministre. Je dois aussi apprécier que vous ayez évoqué la situation avec lucidité. Pas avec émotion, pas en jouant au shérif comme certains l'attendent peut-être, mais avec lucidité et humilité, et je pense que c'est important dans ce cadre. Je pense qu'il y aura beaucoup d'embûches sur votre chemin. Je le disais, il n'y a pas si longtemps – en 2023, de mémoire –, au port d'Anvers, on a intercepté 122 tonnes de cocaïne. En valeur marchande, cela représente plus de six milliards d'euros. C'est plus que les budgets réunis de la Justice et de la police en Belgique. Et cela n'a pas changé le prix du gramme en rue d'un seul centime. Ceci démontre que, malheureusement, le flux de drogue engendre des moyens financiers colossaux pour ces organisations. Celles-ci disposent de moyens financiers bien supérieurs parfois à ceux d'un État organisé comme le nôtre.

C'est là où il faut faire attention. Je pense effectivement et sincèrement que la Justice et la police ont besoin de moyens. Je suis convaincu, je suis désolé de le dire, que contrairement à ce qui est écrit dans l'accord de gouvernement, les tableaux budgétaires ne permettront pas de réaliser les renforts suffisants pour les services nécessaires à la lutte contre ce narcotrafic. Je suis aussi convaincu que ce n'est pas une bataille que nous allons mener seuls, la zone de police bruxelloise dans son coin, la police judiciaire fédérale dans l'autre, la Belgique d'un côté et les États européens de l'autre. Il sera nécessaire de conjuguer les forces également au niveau européen.

Je songe notamment à la sécurité sur internet, où il faut définir les flux financiers avec le secteur bancaire, ou aux communications, qui sont de plus en plus cryptées et difficiles à obtenir. Nous y arriverons par le renforcement des unités comme la Computer Crime Unit dans les différents États européens et par la collaboration avec les États européens, mais aussi avec d'autre États – il y a eu notamment des émissaires en Colombie et des accords avec le Maroc – pour pouvoir avoir une stratégie concertée au niveau international. Tout cela sera nécessaire. Mais aujourd'hui, je reste persuadé que les moyens qui ont été évoqués lors de la déclaration de politique générale de la semaine dernière seront insuffisants.

Dès lors que j'ai apprécié l'humilité et la lucidité dont vous avez fait preuve, j'ai envie de vous souhaiter bonne chance. Bonne chance parce que vous êtes bruxellois, bonne chance parce que vous êtes francophone et parce qu'au premier problème, tout le monde va vous tomber dessus! La solidarité intergouvernementale interne à l'Arizona risque de rapidement voler en éclats si les propos ne correspondent pas aux résultats – pour lesquels je pense qu'on ne vous donne pas les moyens de les obtenir.

J'ose espérer que nous réussirons toutes et tous, parce que la nécessité de sécurité est une préoccupation conjointe, majorité comme opposition. J'ose aussi espérer que nos services de police, soutenus politiquement, pourront réussir. J'ose espérer qu'il y aura des renforts à la police judiciaire fédérale de Bruxelles aussi, puisque je pense qu'il est nécessaire de la renforcer et de compléter les cadres au parquet, il faut pouvoir le répéter ici. Attendons de voir ce qu'il en sera.

Je verrai déjà les tableaux budgétaires au moment de la présentation de votre note de politique générale et on y verra déjà plus clair sur la ventilation et l'attribution des 25 premiers millions supplémentaires pour 2025.

Greet Daems:

Mijnheer de minister, iedereen verdient om het zich veilig te kunnen voelen en veilig te zijn, ook de inwoners van Antwerpen. De veiligheid is niet langer gegarandeerd en daarom zijn er structurele maatregelen nodig.

U pleit voor een globale aanpak. U zegt dat preventie en repressie niet tegengesteld zijn aan elkaar. Ik ben het daarmee eens. Preventie is belangrijk, maar repressie ook. U zegt er echter bij dat repressie uw deel van de keten is. Bedoelt u dan dat alleen repressie deel is van uw keten? Daarover ben ik het dan niet met u eens. U bent als minister van Binnenlandse Zaken uiteraard ook verantwoordelijk voor preventie. U kunt werken aan meer nabijheidspolitie. Er staat ook in het regeerakkoord dat nabijheidspolitie een cruciale rol speelt in het waarborgen van de veiligheid en het welzijn van de samenleving. Daarmee ben ik het voor 100 % eens.

We horen nu van sommige rechercheurs in Brussel dat ze blindvaren en dat er geen informatie vanuit de straten naar hen doorstroomt, precies omdat de kloof tussen de politie en de wijken op dit moment erg groot is. U kunt ervoor zorgen dat de politie en de sociale hulporganisaties beter kunnen samenwerken. U kunt ook inzetten op overleg tussen de ordediensten en de wijkcomités. Ik roep u dan ook op om daar zo snel mogelijk werk van te maken.

Wat de geplande fusie van de Brusselse politiezones betreft, u hebt niet gereageerd op het feit dat politieagenten, korpschefs en ook jullie eigen burgemeesters niet geloven in een fusie als oplossing. Daar kunt u toch niet blind voor blijven?

Xavier Dubois:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour ces nombreuses réponses à ces nombreuses questions.

Je pense que tout le monde partage le fait que vous êtes face à un énorme chantier. L'avantage est que l'accord de gouvernement comporte énormément de solutions, de pistes, de mesures à mettre en œuvre. La difficulté résidera dans le fait de les mener de front, puisqu'il faudra avancer en parallèle sur toutes ces actions pour apporter une réponse complète à la problématique.

Concernant le fonds spécial drogue, vous avez donné mandat à la commissaire nationale aux drogues de travailler sur des projets de textes, que nous aurons l'occasion d'examiner. Cependant, aucun montant n'a été évoqué pour mener à bien ces actions. A-t-on une idée du montant que pourrait générer ce fonds? Je réalise en le disant que cette estimation est très compliquée à réaliser, mais pour éviter de trop belles attentes, il serait nécessaire de savoir concrètement de quels moyens on pourrait disposer avec cette mesure importante.

En ce qui concerne la norme KUL, j'ai entendu certains se réjouir en disant que cela pourrait profiter à un refinancement des zones de police en zone urbaine. De grâce, n'oubliez pas les zones rurales! Avant d'avancer dans ce dossier, vous allez prendre connaissance du fonctionnement actuel de la norme KUL. Mais surtout organisez des concertations avec les acteurs locaux, avec les bourgmestres et les responsables dans les zones! Et je le répète, n'oubliez pas les zones rurales! En effet, on oublie régulièrement que ces zones sont des zones de repli pour quantité d'acteurs, que ce soit des mafias liées au narcotrafic, mais aussi en matière de terrorisme. Cet aspect me semble vraiment important.

Il y a deux questions sur lesquelles je n'ai pas eu de réponse. La première concerne la coordination de toutes ces actions. De nombreuses mesures ont été prises en urgence par les différents niveaux de pouvoir. Comment allez-vous organiser cette coordination de manière structurelle pour assurer l'efficacité de l'ensemble des mesures avec les moyens mis à disposition?

La deuxième concerne la prévention. Vous avez répondu que ce n'était pas nécessairement la compétence du fédéral. Mais il y a quand même une compétence importante, ce sont les plans stratégiques en matière de prévention, qu'il va falloir renouveler. Quelle est votre approche par rapport à cela? Y aura-t-il une évolution? Des accents nouveaux seront-ils mis dans les moyens destinés aux communes pour mettre en œuvre toute une série d'actions de prévention? Il importe d'agir aussi rapidement sur ce point.

Merci et bonne chance pour la mise en œuvre de tout ce travail très important!

Brent Meuleman:

Mijnheer de minister, ik zal de prioriteiten van Vooruit niet herhalen. U vliegt er stevig in en zet heel wat zaken in de steigers. Ik kijk uit naar de uitwerking ervan in de komende maanden en jaren.

Tot slot wil ik nog iets zeggen over de toekomst van het politielandschap. We spraken daarnet nog over de KUL-norm. Ik zal me niet beperken tot mijn controlerende rol als parlementslid, maar ik zal in alle bescheidenheid ook mijn inzichten en adviezen als burgemeester van een kleine grensgemeente met stedelijke uitdagingen de komende maanden en jaren meegeven en influisteren.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, als nieuw parlementslid ben ik gretig om er snel in te vliegen. Ik voel bij u dezelfde goesting om de problemen in de diepte aan te pakken. Dat is al wat geruststellend. Ik deel uw analyse dat repressie zonder preventie zinloos is. Het klopt dat het luik over preventie zich voornamelijk op het niveau van de deelstaten bevindt, maar ik denk wel dat de politie op straat in de wijken een belangrijke rol heeft op het vlak van preventie. Dat staat ook zo in het regeerakkoord. Ik ben dus benieuwd naar de uitwerking daarvan in uw beleidsnota.

Alle partijen zijn het eens over de ketenaanpak, maar wie coördineert die? Wie volgt het op? Wie zorgt ervoor dat we komen tot een ketenaanpak van preventie tot en met repressie? We moeten vermijden dat we allemaal naar elkaar kijken en dat iedereen denkt: ik doe mijn stukje. Iemand of iets moet toch het overzicht bewaren. Dat is misschien iets om over na te denken in het kader van uw beleidsnota.

Het klopt dat veel producten uit het buitenland komen. Toen minister Van Peteghem nog verantwoordelijk was voor Financiën, had ik hem een schriftelijke vraag gesteld over het functioneren van de scanners bij de douane in Antwerpen. Ik kreeg immers signalen dat het daar niet zo vlot verliep.

Zijn antwoord was heel verdoezelend, terwijl de mensen op het terrein aangeven dat er echt problemen zijn en dat veel van die scanners, bijvoorbeeld, voor heel lange tijd uitvallen en niet inzetbaar zijn. Een paar weken geleden heb ik zelf het probleem van de luchthaven van Wevelgem, waar nauwelijks controles zijn, aangehaald. Zolang wij openingen toelaten in de Schengenzone, waarvan wij weten dat ze er zijn, blijft het dweilen met de kraan open. Goede afspraken met de minister verantwoordelijk voor de douane zijn daarom erg belangrijk. Ik houd dan ook mijn hart vast als ik zie wat het extra budget is dat beschikbaar is om in te zetten over alle veiligheidsdepartementen heen.

U bent een week bezig, dus ik kan niet verwachten dat u voor alles al een uitgewerkt antwoord hebt, maar misschien kunt u zich engageren om tegen de voorstelling van uw beleidsnota voor de drie aangehaalde dossiers, namelijk de statische beveiliging, de fusie van de politiezones en de inbeslagnames, minstens een concreet tijdspad naar voren te schuiven, zodat we weten op welke termijn u die wilt aanpakken.

Op een element hebt u niet geantwoord. Gezien de alomvattendheid van het probleem zou de Nationale Veiligheidsraad misschien wel een rol kunnen spelen.

Voor de rest dank ik u voor uw antwoorden.

Rajae Maouane:

Monsieur le ministre, merci pour vos réponses. Merci aussi d'avoir partagé avec nous, avec honnêteté, votre candeur un peu rafraîchissante. Mais je ne doute pas que vous ne ferez pas preuve de candeur face aux criminels.

Merci aussi d'avoir souligné que la prévention est aussi importante que la répression dans la résolution de ce problème.

Beaucoup d'éléments ont été apportés. Je sais que nous aurons l'occasion d'y revenir. En guise de réplique, j'avais envie de partager avec vous les discussions que j'ai eues sur place avec des habitants, avec des éducateurs, éducatrices, des employés.

À la question de savoir ce dont ils et elles avaient besoin, Hayat, une éducatrice spécialisée d'Anderlecht, m'a répondu ceci: "Nous avons besoin d'être rassurés. Les familles veulent que leurs enfants s'endorment sans entendre de coups de feu. Les gens veulent aller et rentrer de leur travail, de leur formation, de l'école, sans changer d'itinéraire, sans avoir la peur au ventre. Il y a beaucoup d'écoles, rien qu'autour de ce métro, et tout le monde a peur."

Je sais que vous avez sans doute entendu aussi ces messages et ces témoignages, mais je voulais le partager ici, parce que cela me semblait important. Je vous souhaite bon courage et bonne chance dans la mise en œuvre de tout ce plan.

Jeroen Bergers:

Mijnheer de minister, ik vond de meeste delen van uw antwoord zeer bevredigend en zeer hoopvol. Eén element baart mij wel een beetje zorgen. U zei over het Kanaalplan dat veel elementen in dat plan geïntegreerd zijn in de lokale werking van de politiezones.

Ik kan het best spreken over de politiezone die ik ken, de politiezone Vilvoorde-Machelen. Daar is dat in elk geval echt niet zo. Die politiezone heeft nu bijna 20 % minder voltijdsequivalenten dan toen het Kanaalplan op volle kracht was. Het hoeft natuurlijk niet te verbazen dat men een heleboel taken niet kan uitvoeren als men het personeelsbestand met 20 % ziet afnemen.

De nood aan een grondige versterking van het Kanaalplan is aangetoond, onder andere door de huidige situatie in Brussel, met de verschillende schietincidenten. In Vilvoorde was er eind december ook een incident, waarbij een 18-jarige in een park verschillende messteken kreeg naar aanleiding van drugscriminaliteit. Die versterking is noodzakelijk. Het plan mag uiteraard gerust een andere naam krijgen. Ik kan echter alleen vaststellen dat de lokale politie die werking niet heeft kunnen integreren, puur door een tekort aan mankracht.

Met betrekking tot bijvoorbeeld drugs heeft de politiezone VIMA momenteel twee mensen die drugscriminaliteit kunnen aanpakken. Dat is natuurlijk veel te weinig. Vandaag, as we speak, is er trouwens een gecoördineerde opkuisactie bij het station van Vilvoorde bezig, een samenwerking tussen de lokale politie VIMA en de federale politie. Dergelijke initiatieven zullen veel meer nodig zijn. Wij moeten ons er echt bewust van zijn dat die lokale politiezone versterking nodig heeft. Dat geldt ook voor de Brusselse politiezones.

Wat heel positief is, is dat u een minister wilt zijn met boots on the ground en dat u de handen uit de mouwen wilt steken. Ik snap dat deze eerste weken voor u heel druk zijn. Als u echter tijdens uw eerste maanden een studiebezoek wilt brengen aan Vilvoorde, dan wil ik dat met veel plezier voor u organiseren.

Voorzitter:

Mijnheer Bergers, u hebt handig gebruikgemaakt van de situatie om de minister uit te nodigen. Dat is uw goed recht. Ik wil iedereen bedanken voor de inbreng en de vragen. Ik wil ook de minister uitdrukkelijk bedanken voor de antwoorden die hij vandaag al heeft kunnen geven en die waarschijnlijk vervolgd zullen worden tijdens volgende vergaderingen. De bespreking is gesloten. La discussion est close. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 17.24 uur. La réunion publique de commission est levée à 17 h 24.

De situatie in de DRC
De situatie in de DRC
De situatie in Oost-Congo
De situatie in de DRC
De situatie in Congo
De oorlog in de Democratische Republiek Congo
De situatie in de Democratische Republiek Congo
De geopolitieke focus van Europa in Afrika
Conflicten en geopolitiek in Centraal-Afrika

Gesteld aan

Bernard Quintin, Alexander De Croo (Eerste minister)

op 30 januari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De Belgische politiek wordt scherp bekritiseerd voor haar passiviteit in het conflict in Oost-Congo, waar Rwanda (via M23-rebellen) systematisch etnische zuiveringen, verkrachtingen als oorlogswapen en plundering van Congolese mineralen pleegt, met 7 miljoen ontheemden en decennia van straffeloosheid als gevolg. Terwijl België en de EU snelle sancties en wapembargo’s eisen tegen Rusland in Oekraïne, blokkeert economisch en strategisch belang (kobalt, coltan) concrete actie tegen Rwanda, ondanks bewijzen van Rwandese agressie en schendingen van internationaal recht—wat door parlementsleden wordt afgedaan als "twee maten en twee gewichten". De regering belooft diplomatieke druk (o.a. via VN, EU-sancties, herziening van minerale akkoorden en militaire steun aan Rwanda) en humanitaire hulp, maar critici—onder meer Congolese diaspora en oppositiepartijen—eisen onmiddellijke sancties, een totaal embargo op "Rwandese" mineralen (die de facto uit Congo komen) en stopzetting van alle EU-financiering aan Kagame’s regime, met de dreiging dat Bukavu het volgende doelwit is. Kernpunt: zonder eind aan westerse hypocrisie en economische afhankelijkheid van Congolese grondstoffen zal de crisis—met Rwanda als centrale dader—voortduren.

Rajae Maouane:

Monsieur le premier ministre, monsieur le ministre, chaque jour qui passe en République démocratique du Congo, ce sont des vies qui sont brisées dans un silence complice. La prise de Goma par les rebelles du M23 soutenus par le Rwanda n'est pas qu'un fait militaire. C'est un crime contre l'humanité, voire un génocide qui se déroule sous nos yeux. Ce sont des femmes violées, utilisées comme armes de guerre. Ce sont des villages détruits, des familles arrachées, plus de sept millions de personnes déplacées. Ce sont des civils bombardés dans des camps de réfugiés. Ce sont des enfants qui grandissent dans le chaos et dans la peur.

Pourtant, que fait la communauté internationale? Eh bien, elle ne fait pas grand-chose.

Monsieur le premier ministre, monsieur le ministre, l'Europe a su sanctionner la Russie pour son agression en Ukraine, et c'est très bien. Mais pourquoi n'y arrive-t-elle pas quand c'est le Rwanda? Il est temps d'arrêter ce deux poids deux mesures insupportable. Le droit international doit être une boussole de Kiev à Kinshasa en passant par Gaza. Les discours ne suffisent plus. Nous demandons que la Belgique et l'Union européenne prennent des mesures fermes et immédiates. Nous demandons des sanctions ciblées contre les dirigeants rwandais impliqués dans ce conflit. Nous demandons un embargo total sur les minerais étiquetés rwandais qui sont, en réalité, des minerais de sang pillés au Congo. Nous demandons un soutien à la justice internationale. Nous devons répondre aux appels de la société civile du Congo. Il ne peut y avoir de paix sans justice, et tant que l'impunité régnera, les massacres continueront.

Monsieur le premier ministre, monsieur le ministre, quand allons-nous enfin passer des paroles aux actes? Quelles mesures concrètes la Belgique compte-t-elle prendre pour stopper ce massacre et protéger les populations civiles de l'Est du Congo? Quand la Belgique ordonnera-t-elle la fin du massacre et exigera le retrait des troupes rwandaises, comme le réclamait d'ailleurs l'ambassadeur de la République démocratique du Congo que nous avons rencontré hier? La Belgique sera-t-elle au premier plan aux Nations Unies (l'ONU) pour réclamer des sanctions contre le Rwanda?

Michel De Maegd:

Messieurs les ministres, chers collègues, je vais aller droit au but. Pardonnez-moi ce cri de rage, mais le peuple congolais en crève, au sens propre comme au sens figuré! Les femmes de l'Est du Congo sont mutilées et violées, l'arme de guerre la plus immonde. Elles en crèvent, à petit feu ou sous les balles du M23. Les enfants de l'Est du Congo, sans eau ni électricité, sans de quoi subsister dignement, n'ont-ils droit à un autre destin que celui d'enfants soldats? Les hommes de l'Est du Congo n'ont-ils comme seul avenir que de survivre dans la peur et la perpétuelle violence, au gré des groupes rebelles qui s'affrontent dans une indifférence quasi générale? Alors oui, cela fait des décennies que les Congolais de l'Est en crèvent, qu'ils soient de Goma, du Nord ou du Sud-Kivu, qu'ils survivent dans d'innombrables camps de réfugiés ou dans des villes et villages dans lesquels "vivre" veut d'abord dire "survivre". Au nom de mon groupe, je veux avoir une pensée sincère pour ces femmes, ces enfants et ces hommes qui, chers collègues, nous attendent.

Monsieur le ministre des Affaires étrangères, monsieur le premier ministre, je sais qu'en tant qu'amis fervents de l'Afrique, vous partagez mon désarroi. Hier en commission, nous recevions l'ambassadeur de la RDC, qui a adressé quatre demandes à la Belgique: ordonner la fin des hostilités et le retrait des troupes rwandaises de la RDC; mettre en place un embargo total sur les minerais étiquetés rwandais et introduire une traçabilité dès le sol congolais; plaider auprès de l'Union européenne pour revoir les accords militaires et économiques avec le Rwanda; plaider pour un registre complet des armes vendues à celui-ci.

Messieurs les ministres, dans quelle mesure pouvons-nous répondre à ces demandes? Quels sont les leviers que nous pouvons immédiatement actionner pour éviter de nouveaux massacres? L'Union européenne annonce une aide humanitaire d'urgence de 60 millions d'euros, insuffisants certes, mais comment garantir que cette aide atteigne les populations touchées? Et puis, enfin, messieurs les ministres, pouvez-vous dresser un bilan de la sécurité de nos ressortissants dans la région et de nos équipes diplomatiques en RDC? Nous savons en effet que plusieurs ambassades ont été attaquées.

Pierre Kompany:

Monsieur le président, je suis fier d’être ici devant deux représentants du pays, qui travaillent et connaissent le Congo. Je connais le Congo, mais je ne peux pas prétendre le connaître nécessairement mieux que vous.

Des questions se posent. Le pays qui souffre, c’est le Congo. Des questions se posent. Pourquoi cela a-t-il duré tant d’années sans que des êtres humains – comme nous, qui sommes ici les représentants du peuple – aient débattu de ce problème et aient mis un terme, il y a longtemps, à ce que nous vivons aujourd'hui?

Je me le demande, et je vous le demande, monsieur le ministre des Affaires étrangères. Je sais que le premier ministre couvre tout. La Belgique va-t-elle soutenir l’adoption de sanctions contre le Rwanda au sein du Conseil de sécurité des Nations Unies? Avez-vous des contacts sur ce sujet avec les États actuellement membres du Conseil de sécurité?

La Belgique va-t-elle demander, au sein de l’Union européenne, la suspension de tous les accords avec le Rwanda et la suspension des financements accordés par l’Union? Ils sont accordés y compris par le biais de la Facilité européenne pour la paix – étonnant!

Quel soutien la Belgique va-t-elle elle-même donner à la MONUSCO et aux troupes africaines de la SADC qui défendent la République démocratique du Congo? Quelles actions diplomatiques les Affaires étrangères mettent-elles en œuvre pour rétablir la paix?

Raoul Hedebouw:

Monsieur le premier ministre, monsieur le ministre des Affaires étrangères, je vous interpelle évidemment sur les événements dramatiques en cours à l'Est de la République démocratique du Congo, notamment la prise de Goma par le M23 soutenu par l'armée rwandaise. Je vous pose tout de suite la question. Pourquoi autant d'inaction? Pourquoi laisse-t-on faire?

Waarom laten wij hen gewoon doen? In Oekraïne komen wij direct tussen: sancties, het leger, wapens enzovoort, alles erop en eraan. Als het echter over Congo gaat, gebeurt er niets. Waarom?

C'est cela la question! Tout le monde sait ici que l'armée rwandaise ne pourrait pas se permettre cela sans le soutien de l'impérialisme américain. Sans le soutien des États-Unis d'Amérique, c'est impossible. Vous le savez. Vous regardez par terre parce que vous le savez. Un petit pays comme cela ne peut pas intervenir chez son voisin sans un appui occidental important.

Il y a aujourd'hui des protocoles d'accord entre l'Union européenne et le Rwanda. Le protocole sur les minerais stratégiques est signé. Ce sont des accords favorables à l'Union européenne et au Rwanda. On aide le Rwanda. Il y a des accords entre l'armée rwandaise et les institutions européennes. Pourquoi? Pourquoi tant d'hypocrisie? C'est la question qui est posée aujourd'hui par les peuples africains et par le peuple congolais.

Va-t-on faire sauter ces protocoles? Le PTB a proposé de faire sauter ces protocoles. Tous les partis traditionnels belges ont voté contre, ils ont voté pour le maintien de ce partenariat stratégique. Pourquoi? Business! Les minerais, le cobalt, le coltan, le cuivre. Business, business, business! C'est pour cela que vous ne voulez pas intervenir.

Monsieur le ministre, va-t-on enfin soutenir le peuple congolais, soutenir l'intégrité territoriale de ce pays, ne pas appliquer le deux poids deux mesures? Quand ça nous arrange, on ferme les yeux parce qu'il y a de l'argent, et quand ça ne nous arrange pas, on intervient aussi, parce que là aussi il y a de l'argent. Les droits humains ne sont pas à géométrie variable. C'est une question de principes, monsieur le ministre.

Els Van Hoof:

Minister Quintin, ik merk het ook aan u, de oorlog in Oost-Congo raakt u persoonlijk. U was destijds kandidaat-speciaal gezant van de EU voor de Grote Meren. U werd geweigerd door Rwanda.

Dood, vernieling, plundering en seksueel geweld, het raakt mij ook als vrouw, al decennialang. Moeders en dochters worden verkracht en dokter Mukwege herstelt. Dat is het cynische spel vandaag in Oost-Congo. Het Rwandese regime ligt er niet wakker van. Het heeft een onverzadigbare honger naar grondstoffen. Opportunistische rebellen als die van M23 helpen hen. Dat zijn de recepten van het Rwandese imperialisme.

Poetin inspireert, mijnheer Hedebouw, en de Congolese bevolking crepeert. België kan niet langer toekijken. Maandag zei u het al, mijnheer de minister: woorden volstaan echt niet meer.

Hoe kunnen we vanuit de EU het geweld veroordelen en tegelijkertijd toch grondstoffen importeren uit Rwanda? Hoe kunnen we vrolijk een WK wielrennen organiseren in de straten van Kigali in Rwanda? De Belgische kritische houding leidt al langer tot ruis op de diplomatieke lijn met Rwanda, maar dat zal Kagame worst wezen. Only money talks .

Het is hoog tijd om een ethische en morele grens te trekken. De Congolese ambassadeur vroeg dat gisteren ook. Wij steunen hem. Leg een embargo op voor de Rwandese grondstoffen. Ze zijn trouwens niet van Rwanda, ze komen uit Oost-Congo. Herroep de Europese militaire en economische samenwerking. Er moeten sancties komen!

Daarom is mijn vraag aan u, mijnheer de eerste minister en mijnheer de minister: welke concrete maatregelen stellen wij voor aan de Europese Unie? Welke bilaterale maatregelen nemen wij zelf? Ik merk dat Duitsland en het VK kijken naar hun ontwikkelingssamenwerking. U moet natuurlijk de Rwandese bevolking niet straffen, maar er is wel een heroriëntatie nodig.

François De Smet:

Messieurs les ministres, les combats qui ont repris il y a quelques semaines dans l'Est du Congo ont déjà fait de trop nombreuses victimes et ont jeté des centaines de milliers de personnes sur les routes. Et, comme toujours, ce sont les civils qui payent le prix principal, en premier lieu les femmes et les enfants.

Mais, en réalité, nous le savons, voilà des décennies que l'Est du Congo est abandonné, dans un conflit meurtrier par intermittence et qui est, en fait, tout simplement, le conflit le plus meurtrier de l'histoire moderne. Alors, oui, on doit pouvoir cibler les responsables principaux: le M23, bien sûr, qui est le principal groupe paramilitaire qui terrorise la région, mais aussi ses soutiens et, en premier lieu, le Rwanda de M. Paul Kagame qui, dès l'instant où il choisit de soutenir et d'armer ces milices, porte aussi la responsabilité de leurs exactions. Et puis, il y a la communauté internationale, dont l'inaction et le silence ne sont plus possibles.

Que peut faire, que doit faire la Belgique? DéFI vous demande, monsieur le premier ministre, d'abord dans les mots les plus clairs et les plus durs, de condamner les responsables de ces exactions, à savoir le M23 et le Rwanda. Mais il faut aussi ajouter, en effet, des armes plus dures. Il faut qu'on parle d'embargo sur les armes, il faut qu'on puisse parler de sanctions économiques, et nous pourrions aussi demander – nous vous le demandons – que l'Union européenne suspende et rompe dès que possible le partenariat sur l'extraction des minerais entre l'Union européenne et le Rwanda.

Je n'oublie pas l'aspect humanitaire. En ce moment-même, des centaines de milliers de personnes sont isolées, notamment parce que la prise de l'aéroport de Goma rend les accès difficiles. La Belgique peut participer à l'ouverture d'un corridor humanitaire. Et puis, il faudra tôt ou tard que, dans cette région meurtrie, vienne l'heure de la justice. La Cour pénale internationale (CPI) a repris des enquêtes et des activités. C'est très bien, et nous devons les soutenir. Tous les démocrates doivent soutenir le fait que, quels qu'ils soient, les responsables des viols et des meurtres soient poursuivis parce qu'au Congo comme ailleurs, il n'y aura pas de paix sans justice.

Lydia Mutyebele Ngoi:

Messieurs les ministres, la peur! La peur! Voilà l'état de la population de Goma et de l'Est du Congo. Mais on ne peut pas dire qu'ils ne sont pas habitués à cette situation car cela fait 30 ans que le Kivu et l'Est de la RDC se sentent en insécurité. Trente ans que des factions rebelles soutenues par le Rwanda pillent, violent, tuent, sèment la terreur dans les zones rurales! Trente ans qu'il y a des millions de déplacés! Trente ans qu'il y a des millions de morts!

Pourquoi, monsieur le ministre? C'est pour la richesse du sous-sol de cette région, pour des minerais – oui, monsieur le ministre, vous m'avez bien entendue! – pour que nous puissions rouler dans nos belles voitures électriques, pour que nous puissions utiliser nos smartphones. Trente ans, monsieur le ministre, et nous n'avons voulu rien voir. La Communauté internationale est silencieuse. Pourquoi? Monsieur le ministre, le Congo, c'est trop loin! L'Ukraine, c'est à côté! Ce sont nos voisins! C'est beaucoup plus facile. Et puis, les Rwandais sont des personnes sérieuses. Ils sont considérés comme des partenaires stables. C'est un régime autoritaire avec un président élu à 99 % des voix mais c'est un régime stable. Belligérant mais stable! Parce que, surtout, on a besoin d'or, de diamants, de cobalt, de coltan. Oui, j'ose le dire, monsieur le ministre. Nous sommes restés silencieux. J'apprécie toutefois votre sortie volontariste de cette semaine. Je devais quand même vous le dire.

Comment la Belgique compte-t-elle agir? Quelles solutions diplomatiques sont envisagées pour éviter ce bain de sang et sauver cette population qui a trop souffert? Comment la Belgique compte-t-elle faire pression à l'Union européenne pour suspendre ce protocole de coopération sur les matières critiques avec le Rwanda qui sont pillées en RDC? Comment la Belgique compte-t-elle faire pression à l'Union européenne pour suspendre la coopération militaire?

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de eerste minister, mijnheer de minister, de crisis in Oost-Congo, een van de vergeten conflicten, duurt al dertig jaar en het is pas sinds vorige week met de val van Goma dat de internationale gemeenschap eindelijk tot actie oproept.

De M23-terreurgroepen hebben de miljoenenstad, een economisch knooppunt aan de rand van Rwanda, al jaren in hun greep. We zien er een vicieuze cirkel van mensenrechtenschade en van terreur, waaraan de staat Rwanda deelneemt. Het land financiert de rebellen immers. Die houden zich ook niet in. Vrouwen worden verkracht, kinderen worden vermoord, mensen verdwijnen. Er is geen voedsel. Er zijn geen geneesmiddelen. De ziekenhuizen liggen vol. De humanitaire crisis is op het moment enorm.

De greep van de M23-rebellen en van Rwanda op Oost-Congo wordt ook alleen maar groter, omdat zij het slagveld uitbreiden. Zij trekken ook naar het zuiden, naar Bukavu.

De mensen in Congo zijn angstig en boos. Zij komen op straat, want zij voelen zich in de kou gelaten. Wij, de westerse overheden, praten immers nog altijd met de militaire regimes in Rwanda. Wij blijven ook financieren. Wij financieren niet alleen het leger, maar besteden ook 40 miljoen euro aan ontwikkelingssamenwerking in Rwanda.

Mijnheer de minister, is dit niet het moment waarop wij onze hulp ter discussie moeten stellen? U hebt gepleit voor concrete acties. Welke acties zijn dat? Wat hebt u aan uw Europese collega’s gevraagd?

Voorzitter:

Mevrouw Depoorter, u eindigt net als de andere sprekers keurig op tijd, waarvoor mijn dank.

Alexander De Croo:

Mesdames et messieurs les députés, je vous remercie pour vos questions relatives à la situation dans l'Est du Congo, situation dramatique depuis bien trop longtemps.

En effet, cela fait des décennies que les conflits sont quotidiens dans cette région. Malheureusement, la situation a empiré récemment.

La réaction de la Belgique a été très claire. Elle a demandé à l'ensemble des partis de faire tout le nécessaire pour veiller à une désescalade. Le Rwanda doit arrêter son soutien au M23. Cela a été documenté partout et il est important que le message soit très clair. Mais du côté congolais, il y a aussi des choses à faire: arrêter les discours haineux, tenter de restaurer l'autorité dans la région. Il y a bien des efforts à faire des deux côtés.

Le point principal est d'arrêter l'ingérence dans l'Est du Congo depuis le Rwanda. J'ai eu l'occasion de m'entretenir avec le président Félix Tshisekedi hier au sujet d'actions que nous pourrions entreprendre pour mobiliser la communauté internationale. De plus, s'agissant de la situation à Kinshasa, je lui ai demandé d'agir avec fermeté pour faire cesser les attaques contre l'ambassade belge et les ambassades d'autres pays. Il m'a assuré qu'il ferait tout ce qui est nécessaire pour calmer la situation à Kinshasa. On voit aujourd'hui que ce genre de manifestations se produit moins souvent qu'auparavant.

Avant de donner la parole au ministre des Affaires étrangères concernant les actions internationales et notre position par rapport à des sanctions, je rappellerai que la Belgique a toujours été très critique, notamment concernant le protocole européen sur les minerais. La Belgique a d'emblée alerté sur le fait que ce n'était pas une bonne idée. Malheureusement, nous le voyons aujourd'hui, nous avions raison d'émettre de nombreuses questions au sujet de cet accord.

Dans un contexte plus large, la position internationale de la Belgique a toujours été de respecter le droit international et la souveraineté d'un pays, position que nous affichons partout.

Concernant ce qui se passe en Ukraine, cela a été notre position. Nous avons dit que la souveraineté et l'intégrité d'un pays devaient être respectées. Concernant ce qui se passe au Proche-Orient, nous avons toujours été clairs. Les lois internationales et les conventions doivent être respectées. Pour ce qui se passe au Congo, le même raisonnement s'applique. L'intégrité du pays doit être respectée. Les ingérences auxquelles nous assistons de la part du Rwanda ou de groupes soutenus par le Rwanda au Congo sont insupportables. Nous ferons tout pour les arrêter et pour sauver les vies de ceux qui vivent pour l'instant des moments extrêmement pénibles et difficiles.

Bernard Quintin:

Monsieur le président, mesdames et messieurs les députés, j'ai décidé de revenir anticipativement de ma mission officielle au Maroc pour pouvoir répondre à vos vives inquiétudes. Ce n'est que normal car la situation actuelle en RDC nous mobilise pleinement.

Wij volgen de situatie minuut per minuut en zijn in permanent contact met onze ambassade, de Belgische gemeenschap, de Congolese autoriteiten en onze internationale partners.

La prise de Goma constitue une violation supplémentaire, claire et nette du droit international et, en plus, du cessez-le-feu conclu via le processus de Luanda.

Nous ne restons ni silencieux ni inactifs, madame Maouane, je puis vous l'assurer. Lundi, j'ai appelé mes homologues européens à prendre des mesures concrètes. J'ai évoqué explicitement les dossiers suivants, mevrouw Depoorter: le MoU sur les matières premières critiques – pour répondre aussi à Mme Mutyebele –, la Facilité européenne pour la paix dite "Cabo Delgado", la suspension du dialogue sécuritaire avec le Rwanda, monsieur De Smet. Il faut trouver un compromis à l'échelle européenne, parce que c'est à ce niveau-là que nous aurons un impact significatif.

Monsieur Kompany, s'agissant des Nations Unies, j'ai pris contact, dès dimanche dernier, avec mes homologues européens qui siègent au Conseil de sécurité afin de faire passer nos messages et pour que soit nommé le Rwanda dans son agression.

Ondertussen heb ik de Rwandese zaakgelastigde al door mijn FOD laten ontbieden en heb ik het reisadvies voor Rwanda laten aanpassen. Alle reizen naar de parken in het westen van het land worden afgeraden. Het doel is om de druk op de partijen, vooral Rwanda, op te voeren. De Rwandese autoriteiten mogen zich niet onaantastbaar voelen, als ze het internationaal recht aan hun laars lappen.

C'est la seule façon de les ramener autour de la table des négociations afin de travailler à une solution pacifique, comme on a pu le constater en 2012. J'ai partagé ce point de vue de modus operandi avec mon homologue américain, Marco Rubio, hier soir.

Il y a urgence. Kigali a déjà communiqué publiquement qu'elle compte prendre Bukavu. Mais soyons clairs, comme l'a dit le premier ministre, les autorités congolaises doivent aussi prendre leurs responsabilités: rétablir l'autorité sur l'Est de la RDC, mettre fin aux discours de haine et mettre fin à la coopération avec des groupes armés, singulièrement les FDLR, comme nous le demandons systématiquement dans chacun des contacts que nous avons avec toutes les autorités congolaises.

Monsieur De Maegd, en effet, il faut s'attaquer aux racines de ce conflit qui dure depuis plus de 30 ans.

De gevolgen voor de bevolking zijn inderdaad afschuwelijk, mevrouw Van Hoof.

Ce conflit me parle personnellement, puisque je le suis depuis de nombreuses années déjà et que j'en ai vu de mes propres yeux les conséquences innommables il y a déjà 20 ans.

Wat de situatie in Kinshasa betreft, veroordeel ik ten zeerste de aanvallen op onze ambassade en die van onze partners. Zodra ik op de hoogte werd gebracht van de situatie, heb ik onmiddellijk contact opgenomen met de Congolese autoriteiten en hen gevraagd om in te grijpen. Die interventie heeft geleid tot een terugkeer van de rust.

Sans la présence et l’intervention de nos militaires qui ont protégé notre équipe sur place, nous aurions un autre débat aujourd'hui. Je tiens ici à les remercier sincèrement, comme je tiens à remercier notre personnel à Kinshasa ainsi que mes services à Bruxelles qui ont géré avec beaucoup de sang-froid une situation explosive.

De veiligheid van het personeel van de ambassade en de Belgische gemeenschap is zoals steeds onze prioriteit. We nemen sindsdien bijkomende veiligheidsmaatregelen en passen ons reisadvies aan in functie van de evolutie.

Je suis pleinement mobilisé, tout comme le SPF Affaires étrangères, afin de tout mettre en œuvre pour faire cesser les combats dans l'Est de la RDC.

Le droit international, comme cela a été rappelé par le premier ministre, doit être respecté et défendu partout, en tout temps et en tous lieux. La Belgique joue et continuera à jouer pleinement son rôle dans la promotion de la paix et de la sécurité dans la région.

Rajae Maouane:

Merci, messieurs les ministres, pour vos réponses.

Je dois dire qu'elles me laissent un peu sur ma faim. Je trouve que la réponse de la Belgique n'est pas à la hauteur de la situation. La Belgique a une responsabilité historique dans ce pays et dans cette région. On ne demande pas aux agresseurs de désescalader. On dit aux agresseurs d'arrêter de violer le droit international. On fait en sorte de sanctionner les agresseurs.

Je suis révoltée, je dois le dire, par l'hypocrisie que j'entends parfois, de ceux qui prêchent la paix tout en fermant les yeux sur des crimes, par opportunisme politique ou par intérêt économique. L'heure aujourd'hui n'est plus aux déclarations, aussi fortes soient-elles. Il faut des actions. Nous exigeons des sanctions dès maintenant. Nous exigeons un embargo et nous exigeons la justice.

Michel De Maegd:

Merci, messieurs les ministres, pour vos réponses franches et déterminées.

Je voudrais insister sur les responsabilités de chacun, toujours au détriment des populations de l'Est du Congo. C'est indéniable pour le Rwanda. Je le dis depuis des années. Il fait fi de toute règle internationale au travers du M23, pour s'accaparer des minerais du Congo, et aujourd'hui, pour violer, de façon flagrante, la souveraineté de la RDC. C'est tout aussi indéniable pour d'autres pays voisins qui, avec d'autres rebelles, s'assurent de leur part du gâteau. C'est encore indéniable pour le pouvoir en place à Kinshasa, miné par la corruption endémique, et dont les discours vigoureux peinent à masquer les énormes défaillances quand il s'agit de protéger son peuple avec une armée en perdition.

Soyons francs, que dire de l'Europe et de sa réalpolitique? En effet, pour ne pas se faire damer le pion sur cet échiquier morbide, les adversaires occidentaux mais aussi, soyons honnêtes, monsieur Hedebouw, chinois, indiens, turcs et, demain, russes, prennent aussi leur part du gâteau, encore et toujours sur le dos des populations congolaises.

Pierre Kompany:

Monsieur le président, je suis vraiment fier d'être ici, tout simplement parce que je suis d'origine congolaise. J'en ai presque les larmes aux yeux.

Monsieur le premier ministre, vous avez parlé des discours de haine. Pensez quand même un seul instant que ce peuple congolais a une générosité qui dépasse le monde. Il a reçu tous ceux qui, aujourd'hui, deviennent les agresseurs. Des bourses d'études ont été distribuées à la peine des enfants congolais. La plupart des gens que vous voyez, qui font le Rwanda et qui sont du côté congolais ont souvent étudié avec des bourses d'études congolaises que les Congolais n'ont pas eues. Alors, remettons les choses en place: le Rwanda doit remercier le Congo au lieu de faire ce qu'il fait avec l'argent du monde entier.

Raoul Hedebouw:

Monsieur le premier ministre de Belgique, monsieur le ministre des Affaires étrangères de Belgique, Frantz Fanon, un grand militant panafricain disait que "l'Afrique a la forme d'un revolver dont la gâchette se trouve au Congo". Et je pense qu'il a raison. Le but des puissances occidentales aujourd'hui est d'avoir un Congo faible pour qu'il n'y ait plus de gâchette, pour avoir un continent africain faible devant les puissances mondiales. Voilà ce qui se joue aujourd'hui, le but étant d'avoir une balkanisation du pays.

On n'a pas eu de réponse, monsieur De Maegd, à la question de savoir pourquoi les États-Unis d'Amérique soutiennent Kagame depuis le début. Vous le savez! C'est là où tout le monde se tait car l'échiquier mondial se joue à coups de millions de morts. C'est cela qu'il faut dénoncer aujourd'hui et c'est pour cela qu'il y a de l'impunité. J'aurais espéré aujourd'hui que la Belgique dise stop: "Stop, United States! Stop!" Mais non, business, business, business! C'est un problème. On mène le combat contre (…)

Els Van Hoof:

Mijnheer de eerste minister, mijnheer de minister, het is goed dat wij concrete voorstellen hebben voorgelegd aan de Europese Unie, maar nu moeten wij doorpakken, er is nog niets gebeurd. Tolereren wij in Oost-Congo wat wij niet tolereren in Oekraïne? Dat is de vraag waarvoor wij staan.

U sprak ook over de haat die vandaag heerst bij de Congolezen. Is het echter niet normaal dat die mensen boos zijn na zoveel straffeloosheid? MONUSCO staat daar al jarenlang naar te kijken en kan niets ondernemen wegens het beperkte mandaat. De Congolezen zijn terecht boos. Er wordt gewerkt met twee maten en twee gewichten. Dat aanvaarden zij niet meer. Het is ook heel terecht dat ze dat niet meer aanvaarden.

Er wordt Kigali weinig of niets in de weg gelegd. Dat moet veranderen. Gaan wij vandaag tolereren dat het internationaal recht word opgeofferd op het altaar van geld en grondstoffen? Misschien valt Bukavu binnenkort. Het is tijd voor sancties en acties. Wij moeten niet alleen naar de Verenigde Staten kijken, wij moeten vooral ook kijken naar onszelf. Ik vertrouw op u, heren ministers.

François De Smet:

Messieurs les ministres, merci pour vos réponses.

Trois choses. D’abord, attention quand même au relativisme. Bien sûr que tout ne va pas bien au Congo. C’est évident. Mais dans cette histoire, il y a quand même très clairement un agresseur et un agressé. L’agresseur, c’est le Rwanda. L’agressé, c’est la République démocratique du Congo.

Ensuite, huit partis se sont succédé à cette tribune, et pratiquement tout le monde a demandé de hausser le ton sur les sanctions économiques et sur les sanctions sur les armes. Cela veut dire que ce gouvernement et le suivant – s’il advient – ont un mandat extrêmement clair de cette Assemblée et auront un soutien pour aller en ce sens.

Enfin, vous n’avez pratiquement pas évoqué le volet humanitaire. On parle de 400 000 personnes qui se trouvent sur les routes. Si la Belgique, d’autres démocraties et les ONG n’aident pas très rapidement, cela va devenir très vite une catastrophe humanitaire.

Lydia Mutyebele Ngoi:

Messieurs les ministres, merci pour vos réponses.

Moi, je vais vous parler un peu de ma famille qui est coincée à Goma sans eau et sans électricité, de la fille que mon frère a adoptée dans cette mauvaise situation. Je vais vous parler de mes nombreuses visites à Panzi où j’ai vu des enfants emmenés parce qu’ils ont été violés, des petites filles de un an, des mamans complètement désorientées.

Alors maintenant, il est temps d’agir. Le temps est aux actes. On doit dire au M23 de se retirer. On doit dire au Rwanda de se retirer. La Belgique ne doit plus rester passive. Il faut que nous puissions préserver l’intégrité territoriale de la RDC. Surtout, nous devons imposer des sanctions fermes contre le Rwanda.

Une réponse humanitaire et diplomatique urgente est nécessaire, messieurs les ministres. La paix doit être rétablie en RDC, et les crimes doivent cesser.

Je voudrais également présenter toutes mes condoléances aux familles de ces soldats de la MONUSCO et des FARDC qui sont tombés au front.

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de premier, mijnheer de minister, het militaire regime van Rwanda aarzelt niet om bij zijn buurman de minerale rijkdommen te gaan plunderen en om daar de bevolking te gaan verkrachten en te folteren.

We mogen vandaag niet aarzelen om daadkrachtig op te treden en om te pleiten voor een opbouw van de humanitaire hulp in Oost-Congo, maar we mogen ook niet aarzelen om te herevalueren hoe we de 40 miljoen euro aan ontwikkelingssamenwerking zullen besteden. De 500.000 mensen op de vlucht hebben nood aan hulp. We mogen ook niet aarzelen in de herevaluatie van onze omgang met de middelen die naar het Rwandese leger gaan, want met die middelen worden de M23-rebellen betaald.

De aarzeling moet voorbij zijn, de stilte moet worden gebroken. Dank u.

Voorzitter:

Collega's, wij hebben nog 25 minuten de tijd om onze stem uit te brengen, maar nog niet heel veel mensen hebben dat gedaan, dus u bent daartoe uitgenodigd.

De pensioenen bij de politie

Gesteld door

lijst: PS Éric Thiébaut

Gesteld aan

Karine Lalieux

op 30 januari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De geplande pensioenhervorming van de Arizona-regering verlaagt de uitkeringen voor politieagenten door het schrappen van tantièmes, NAPAP en indexatie voor pensioenen boven €3.000 bruto, terwijl ze langer moeten werken—een historische terugval die de aantrekkelijkheid van het beroep verder ondermijnt (al zijn er nu 5.000 vacatures). Minister Lalieux noemt het een "schandaal" en hypocrisie: strenge veiligheidsretoriek, maar brutale besparingen op wie die veiligheid waarborgt, zonder overgangsmaatregelen. Thiébaut benadrukt de klassenongelijkheid: enkel ambtenaren en middeninkomens betalen de rekening, terwijl de rijkste 1% ongemoeid blijft. De hervorming wordt bestempeld als het meest antisociale beleid ooit in België.

Éric Thiébaut:

Madame la ministre, travailler plus longtemps pour moins de pension. Voilà le projet de l'Arizona pour nos policiers.

Dès lors, il ne faut pas s'étonner de les voir manifester ce matin à Bruxelles pour dénoncer ce que prépare le futur gouvernement. Avec ce genre de mesure, on est bien loin des promesses électorales de certains partis de l'Arizona qui promettaient de mieux récompenser le travail. Mais comment peut-on aujourd'hui s'attaquer au statut de nos policiers alors qu'on sait qu'ils font un travail dangereux, difficile, stressant; alors qu'on sait qu'on a besoin d'eux aujourd'hui plus que jamais pour lutter contre la montée de la criminalité liée à la drogue, à Bruxelles et à Anvers notamment; alors qu'on sait qu'on a des difficultés pour recruter nos policiers? Il y a un manque d'attractivité, 5 000 postes sont vacants, on n'arrive pas à trouver les policiers dans nos zones et à la police fédérale. Après ça, comment certains peuvent-ils encore dire que la sécurité est leur priorité?

Madame la ministre, j'aimerais avoir votre sentiment, en tant que spécialiste en matière de pensions, sur ce que prépare ce gouvernement Arizona. Pouvez-vous me dire quelles implications aura ce genre de mesure sur les pensions de nos policiers?

Karine Lalieux:

Cher collègue, je comprends bien évidemment le mécontentement et les fortes inquiétudes des policiers et des policières, comme de tous les travailleurs des services actifs en matière de sécurité. Alors que sous la Vivaldi, j'ai veillé à garantir les pensions des travailleurs occupant de telles fonctions, les différentes notes qui ont fuité laissent apparaître une volonté de venir couper drastiquement dans les droits des policiers et des policières. Les attaques sont d'ailleurs de plus en plus fortes au fur et à mesure que les notes fuitent.

J'en veux pour preuve qu'alors que les policiers étaient immunisés pour ce qui concerne la suppression des tantièmes, aujourd'hui, non seulement leurs tantièmes seront supprimés, selon les dernières notes, mais également la NAPAP. Par ailleurs, même les policiers et les policières pensionnés sont visés, car leurs pensions, si elles sont supérieures à 3 000 euros bruts, ne seront pas indexées pendant cinq ans. Cela représente cinq sauts d'index.

Comme j'ai déjà pu l'exprimer, la réforme envisagée est un retour en arrière de plus d'un siècle. C'est un scandale sans nom et un non-respect pour tous ces policiers et policières qui agissent au quotidien pour notre sécurité, comme vous l'avez dit.

Très concrètement, les mesures comme celle visant à modifier le calcul des pensions de tous les fonctionnaires, la suppression des tantièmes, un malus si on prend une pension anticipée sans correspondre à certaines conditions de travail effectif, vont avoir pour effet de réduire de plusieurs centaines d'euros la pension de nos policiers et de nos policières tout en les obligeant à travailler plus. Par ailleurs, pour l'essentiel de ces réformes, aucune mesure longue de transition n'est prévue.

Voilà le vrai visage de la droite: l'appel à une politique sécuritaire extrêmement renforcée mais un non-respect total pour les hommes et les femmes qui agissent au quotidien pour assurer notre sécurité!

Éric Thiébaut:

Merci, madame la ministre. Cette semaine, j'ai entendu un président de parti de l'Arizona dire à un manifestant qu'il faudrait faire des efforts, sinon ses enfants n'auraient plus de pension. Les travailleurs peuvent comprendre qu'il faille faire des efforts. Ce que les travailleurs ne comprennent pas, c'est que le 1 % de la population belge qui détient 25 % de la richesse ne sera pas touché par les mesures de l'Arizona. Ce seront uniquement les travailleurs, les travailleurs de la fonction publique, nos policiers, nos pompiers, nos enseignants, nos militaires qui seront touchés par toutes les mesures de l'Arizona. Malheureusement, ce gouvernement s'annonce d'ores et déjà certainement comme le gouvernement le plus antisocial de l'histoire de notre pays.

De aantrekkelijkheid van het beroep van politieagent
Het politieprotest
Beeldvorming van politiewerk

Gesteld aan

Alexander De Croo (Eerste minister), Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)

op 30 januari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Politieagenten betoogden woedend tegen de plannen van de voorgestelde "Arizona-regering", die ze als een aantasting van hun statuut, pensioen (langer werken voor minder) en loopbaanaantrekkelijkheid ervaren, ondanks eerdere verkiezingsbeloftes om hun positie te verbeteren. Minister Verlinden (Binnenlandse Zaken) bevestigde dat de bezorgdheden ternauwernood worden meegenomen in de lopende regeringsonderhandelingen, maar kon geen concrete garanties geven, benadrukkend dat er al loonsverhogingen en carrièreversnelling waren doorgevoerd—wat oppositieleden als onvoldoende en hypocriet afdeden, wijzend op herhaaldelijk gebroken beloftes (bv. pensioenleeftijd 67 zonder uitzonderingen voor zware beroepen). Critici als Troosters (VB) en De Witte (PVV) eisten structurele oplossingen: respect voor verworven rechten, specifieke pensioenregelingen voor zware beroepen, en een eerlijkere welvaartsverdeling om de betaalbaarheid te waarborgen—terwijl Verlinden vaag bleef over concrete maatregelen, weliswaar belovend de strijd voor een "rechtvaardig pensioen" voort te zetten. Kernpunt: de tussen politie en regering groeiende vertrouwensbreuk door leeggelopen toezeggingen en ontwijkend beleid.

Frank Troosters:

Mevrouw de minister, toen vanmorgen niet u maar uw collega's wakker werden op een legerbedje in de Koninklijke Militaire School na de nachtelijke onderhandelingen, was de politie aan het betogen in Brussel. De betogers trokken van het centraal station via de Koningsstraat naar het hoofdkwartier van de N-VA, van formateur Bart de Wever, die hardnekkig België tracht te redden en een arizonaregering op de been probeert te brengen.

De politieagenten waren ongerust en boos. Ze zeiden zelf met verstomming te zijn geslagen over de plannen van de mogelijke arizonaregering. Ze vinden het een regelrechte aanslag op hun statuut en op de aantrekkelijkheid van de loopbaan bij de politie.

Als minister van Binnenlandse Zaken, verantwoordelijk voor de politie, weet u als geen ander hoe hard de politie zich dag in dag uit moet inspannen, soms in heel moeilijke omstandigheden, om de veiligheid van alles en iedereen te garanderen. U weet ook dat de vivaldiregering erin geslaagd is om in de vorige legislatuur een aantal beloften aan die politieagenten te verbreken. Zij waren dus boos en ongerust en daarin kan ik hun perfect volgen.

Het was zelfs een onderwerp in de aanloop naar de verkiezingen. Veel politici hadden de mond vol over het terug aantrekkelijker maken van die loopbaan bij de politie. Er is zelfs nog geen regering of die beloften dreigen allemaal al terug in de vergeethoek terecht te komen.

Mevrouw de minister, u bent nog steeds minister van Binnenlandse Zaken, bevoegd voor de politie. U neemt ook deel aan de gesprekken voor de arizonaregering. Ik begrijp dat uw partij zeker van een volgende regering deel zal uitmaken. Ik kan dus niemand geschikter dan u vinden om mijn vraag te stellen. Wat zal er nu eigenlijk gebeuren met het statuut en met het aantrekkelijker maken van een loopbaan bij de politie in de toekomst?

Kim De Witte:

Mevrouw de minister, vandaag kwamen de politiemensen op straat. Ze zijn boos omdat ze langer moeten werken voor minder pensioen.

Ik begrijp die boosheid volledig, want u schendt uw beloftes keer op keer. Ik heb een lijstje opgesteld van de afgelopen jaren. In 2014 stond in elk verkiezingsprogramma dat we de pensioenleeftijd niet tot 67 jaar zouden optrekken. Een paar maanden later werd het werken tot 67 jaar. In 2015 zeiden Frank Vandenbroucke en de regering in koor dat geen zinnig mens eraan denkt om iedereen tot zijn 67ste te laten werken, want dat er uitzonderingen zouden komen voor de zware beroepen. Wat zien we tien jaar later? Geen uitzonderingen. In 2019 zeiden de collega's van Vooruit dat ze niet in een regering zouden stappen als de pensioenleeftijd op 67 jaar behouden zou blijven. Even later maakten ze deel uit van de regering. In 2024 werd gezegd dat men niet aan de verworven rechten zou raken, maar als we uw plannen goed lezen, wordt er wél aan de verworven rechten van heel veel mensen geraakt, behalve aan die van de ministers en de parlementsleden. Dáár gaan we niet aan komen, dát zijn verworven rechten.

Mevrouw de minister, het is dat soort pensioenbedrog dat de mensen niet meer pikken. Ze zeggen dat het genoeg is geweest. Voor u is het misschien geen probleem om te werken tot 67 jaar, om hier te zitten voor 7 tot 10.000 euro per maand, maar voor de meeste mensen is dat wel een probleem.

Wat zult u doen met de eisen van de politiemensen? Zult u nu eindelijk zorgen voor een regeling voor de zware beroepen?

Annelies Verlinden:

Collega’s, de door de erkende politievakbonden geuite bezorgdheden van de politiemensen over hun loopbaan zijn mij bekend en ik neem die zoals steeds erg ter harte.

In het kader van de lopende regeringsonderhandelingen werden een aantal maatregelen voorgesteld over de pensionering van het overheidspersoneel, waaronder ook de politie. Deze voorstellen geven aanleiding tot grote bezorgdheden. In het bijzonder gaat het over de eindeloopbaanregeling en het pensioenbedrag van de ambtenaren, wat uiteraard ook een impact heeft op de politiemedewerkers. De onderhandelingen lopen nog steeds, al hoop ik samen met u dat die niet meer al te lang zullen duren. Ik kan echter niet vooruitlopen op het uiteindelijke akkoord.

Aan de onderhandelingstafel verdedigen wij overtuigd de belangen van de overheidsmedewerkers, waaronder ook die van het veiligheidspersoneel en die van de politiemensen. Zij hebben immers ook recht op een rechtvaardig en correct pensioen na een toegewijde carrière in het teken van de veiligheid van ons land. Daarbij moeten we ook afspraken uit het verleden in aanmerking nemen. We zullen de strijd voor een goed pensioen in de komende uren verderzetten. Ik zal in de toekomst deze zorgen ook ter harte blijven nemen. Ik begrijp de ongerustheid. Niet alleen de vakorganisaties, maar ook de politietop gaven mij eerder al aan dat de ongerustheid naar aanleiding van de publieke discussies over de voorlopige pensioenvoorstellen ervoor zouden kunnen zorgen dat een aantal personeelsleden, voornamelijk leidinggevenden, op korte termijn vroeger dan oorspronkelijk gepland op pensioen zouden gaan. Ook daarom moeten we daarover goede en verdedigbare oplossingen uitwerken.

Ik geloof in het huidig model van de geïntegreerde politie dat gestructureerd is op twee niveaus. Die organisatie omvat mijns inziens een versterkte federale politie die gespecialiseerde politieopdrachten uitvoert en die in staat is haar verantwoordelijkheden op het vlak van geïntegreerde operaties beter op te nemen. Het is een federale politie die we verdedigen en uitdrukkelijk bevestigen en waarin we blijven investeren, in het belang van de veiligheid van ons land. Daarnaast moeten we uiteraard ook investeren in performante lokale politiezones die de basispolitiezorg overal in het land op een kwalitatieve en gelijkwaardige manier kunnen verzekeren. We hebben de politie de afgelopen legislatuur al aanzienlijk versterkt. Het spreekt voor zich dat, als we de veiligheid en een sterke politie in ons land willen waarborgen, we ervoor moeten zorgen dat de loopbaan van politiemedewerkers aantrekkelijk en verdienstelijk is en dat de vele inspanningen en de persoonlijke inzet naar waarde worden geschat.

Om die reden is er de afgelopen legislatuur dan ook fors geïnvesteerd in betere loonvoorwaarden voor onze politiemedewerkers. Zo was er een weddeverhoging, de eerste sinds de politiehervorming begin jaren 2000. Er kwamen maaltijdcheques en een verhoging, er kwam een vergoeding voor administratieve personeelsleden die thuiswerk kunnen doen en er is de mogelijkheid om sneller carrière te maken, wat ook betekent dat politiemensen sneller in een hogere weddeschaal terecht kunnen komen.

Ik onderschrijf samen met u dat voor de volgende legislatuur de aantrekkelijkheid van het beroep van politiemedewerker een blijvend aandachtspunt moet zijn en dat er moet worden gezocht naar manieren om het beroep aantrekkelijker te houden en toekomstgericht in te vullen. Voor mij hoort daar, onbetwistbaar, een rechtvaardige en aantrekkelijke pensioenregeling bij.

Frank Troosters:

Mevrouw de minister, ik hoor al zes jaar dat men begrip heeft voor de bezorgdheden van de politie, maar daar hebben ze tot nu toe weinig aan gehad. We weten dat het een heel zware job is door de wisselende uren, het dag- en nachtwerk, de fysiek zware arbeid en het blootstaan aan een verhoogd veiligheidsrisico. Er is ook de mentale belasting en de toenemende agressiviteit en criminaliteit in onze samenleving, zowel tegenover mensen en hulpverleners als tegenover de politie.

Ik kan hun onrust, hun onbegrip en hun actie van deze morgen volledig volgen en begrijpen. Het Vlaams Belang vraagt opnieuw om te investeren in meer mensen en middelen, maar vooral om meer respect te betuigen voor onze politiemensen. Maak daar eindelijk werk van.

Kim De Witte:

Mevrouw de minister, uw antwoord is hallucinant. De politiemensen komen op straat, omdat zij niet langer willen werken voor minder pensioen. Dat is hun punt en u gaat daar volledig aan voorbij. U geeft aan dat u ervoor zal zorgen dat het beroep aantrekkelijker wordt. U weet echter dat er momenteel al een probleem is om voldoende politiemensen te vinden. Wat zult u doen om op hun vraag in te gaan?

Collega’s, ik wil nog even ingaan op het punt dat er moet worden hervormd, omdat het onbetaalbaar is. Dat is wat de arizonacoalitie in aanmaak zegt, de pensioenen zouden onbetaalbaar zijn. Weet u wat wij vandaag betalen voor onze pensioenen? Dat is 11,2 % van ons bruto binnenlands product. Er zijn zes West-Europese landen die meer betalen. In de toekomst, namelijk in 2070, zouden wij volgens de Studiecommissie voor de Vergrijzing 13,7 % betalen. Dat is wat Frankrijk en Finland vandaag al betalen. Hoe kunnen onze pensioenen dan onbetaalbaar zijn?

De pensioenen zijn betaalbaar als wij de welvaart eerlijker verdelen. Mijn vraag is om dat te doen.

Voorzitter:

Ik dank de minister en nodig mevrouw de staatssecretaris de Moor uit.

De beveiliging van kritieke infrastructuur
De toenemende Russische dreiging
De bescherming van kritieke infrastructuur in de Noordzee
Cyber- en fysieke beveiliging van Noordzee-infrastructuur tegen Russische dreigingen

Gesteld aan

Ludivine Dedonder

op 29 januari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België versterkt de bescherming van kritieke onderzeese infrastructuur (kabels, energie, havens) tegen Russische en Chinese hybride dreigingen (sabotage, spionage, drones) via wettelijke kaders (EU/NAVO), gecoördineerde monitoring (MIK/MOC) en samenwerking met private partijen, ADIV en Defensie, waaronder inzet van patrouilleschepen en mijnenbestrijding. België participeert in NAVO-initiatieven (Baltic Sentry, NorthSeal) en pleit voor versterkte afschrikking, maar concrete incidenten of autonomie bij ingrijpen blijven vaag—verdere opvolging volgt via een hoorzitting (12/2) en mogelijk plaatsbezoek. In kaart brengen van infrastructuur (zoals Nederland deed) en versterkte nationale protocollen blijven open vragen.

Voorzitter:

De heer Francken is verontschuldigd voor de hele vergadering; hij kan zijn vragen nrs. 56001545C, 56002205C, 56002204C, 56002144C en 56002212C dus niet stellen.

Kristien Verbelen:

Mevrouw de minister, de beschadiging van een glasvezelkabel in de Oostzee door het Chinese vrachtschip Yi Peng 3, vermoedelijk aangestuurd door Russische inlichtingendiensten, toont nogmaals aan hoe kwetsbaar onze kritieke infrastructuur is voor hybride oorlogsvoering. Zulke incidenten, gecombineerd met de toename van het aantal Russische schepen die voor onze kust opereren, en van het aantal drones die militaire bases verkennen, maken duidelijk dat de dreiging almaar concreter wordt. België is bovendien met zowel het NAVO- als het EU-hoofdkwartier een strategisch doelwit. Tegen de achtergrond van de versnippering van bevoegdheden in ons land en de toename van de bedreigingen heb ik de volgende vragen.

Welke stappen heeft Defensie al gezet om onze kritieke infrastructuur op zee, zoals onderzeese datakabels, energievoorzieningen en haveninstallaties, beter te beschermen tegen sabotage en spionage?

Hoe evalueert u de samenwerking tussen Defensie en andere actoren zoals Binnenlandse Zaken, Energie, Noordzee en private bedrijven, om tot een efficiënte coördinatie te komen? Wordt er gewerkt aan gezamenlijke voorschriften of detectiesystemen om verdachte activiteiten sneller te identificeren?

België neemt deel aan de missie Baltic Sentry en is betrokken bij het NorthSeal-platform. Hoe dragen die initiatieven bij aan onze eigen beveiliging? Wil België zich sterker positioneren in NAVO-verband om afschrikkingscapaciteit op te bouwen?

Onze kustwacht en mijnbestrijdingsvaartuigen spelen een cruciale rol in de bescherming van onze Noordzee. Hoe worden die middelen momenteel ingezet en welke mogelijkheden ziet u om hun rol uit te breiden?

Axel Weydts:

Mijnheer de voorzitter, aangezien de actualiteit mij vorige week heeft ingehaald, heb ik in de plenaire vergadering een vraag gesteld over dit onderwerp. Daarom verwijs ik grotendeels naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

Sinds Poetin een oorlog startte in Europa door Oekraïne binnen te vallen, komt deze oorlog steeds dichterbij. Als je wil weten hoeveel risico wij lopen op de Noordzee hoef je maar naar de Oostzee te kijken. Incidenten in de Oostzee tonen aan dat kritische infrastructuur steeds vaker wordt geviseerd. Onlangs waarschuwde Finland dat een recent incident op een ramp had kunnen uitdraaien indien er niet tijdig was ingegrepen. Naar aanleiding van deze gebeurtenissen hebben de NAVO-landen rond de Oostzee de missie Baltic Sentry aangekondigd, waaraan België in beperkte mate zal deelnemen.

Ook in onze eigen Noordzee worden Russische schepen gespot die energiekabels, datakabels en andere kritische infrastructuur lijken te onderzoeken. Bovendien is er een toename van bedreigingen vanuit de lucht, zoals de recente melding uit Duitsland over drones die militaire bases verkennen. Dit zijn duidelijke signalen dat onze veiligheid niet vanzelfsprekend is.

Daarbovenop wordt onze bevolking dagelijks geconfronteerd met desinformatiecampagnes via sociale media.

België is een bijzonder strategisch doelwit door de aanwezigheid van zowel het militair als civiel NAVO-hoofdkwartier en de vele Europese instellingen.

Daarom wil ik u vragen wat ons land bijkomend zal doen om weerbaarder te zijn bij deze talrijke dreigingen vanuit zowel land, lucht, zee als cyber.

Mevrouw de minister, ik heb wel nog een bijkomende vraag.

Gisteren communiceerde de Nederlandse marine dat zij in samenwerking met haar burgerpartner Fugro de Nederlandse kritieke infrastructuur in de Nederlandse territoriale wateren in de Noordzee volledig in kaart heeft gebracht. Ze hebben daarvoor onbemande en op afstand bestuurbare vaartuigen ingezet. Dat heeft hun zeer veel informatie opgeleverd.

Bent u eventueel van plan om voor de Belgische Defensie ook een burgerbedrijf in te schakelen om de kritieke infrastructuur haarfijn in kaart te brengen? Is die informatie soms al bekend?

Maaike De Vreese:

Mevrouw de minister, we kunnen bijna dagelijks lezen over het grote gevaar dat schuilt in het feit dat onze kritieke infrastructuur door de Russen in beeld wordt gebracht. Zij zetten daar effectief heel wat schepen voor in. Collega Weydts, de cijfers verschenen zeer recent in de pers: 166 Russische schepen voor onze kust. Dat is 50 % meer dan in 2023. We horen minister Van Tigchelt daarop ook reageren en zien dat Defensie door inzet van de special forces de beveiliging van onze kritieke infrastructuur op de Noordzee, zoals onze windmolenparken of onderzeese kabels, heeft getest.

Het is niet de bedoeling dat u allerlei details vrijgeeft, maar misschien kunt u daarover toch iets meer zeggen? Is het de bedoeling om het verder op te volgen? We krijgen immers enkel informatie via de pers. Kunt u meedelen wat mogelijk is? Kunt u een update geven, want de situatie wijzigt voortdurend?

Voor ons is het ook belangrijk om te weten wie wat doet. Bijvoorbeeld de ADIV en de Veiligheid van de Staat, op welke manier verloopt de samenwerking? Verloopt die samenwerking vlot? Wat betreft de samenwerking tussen de private sector en Defensie, kunnen zij daarin een grotere rol spelen?

Welke protocollen gelden er momenteel inzake vermoedelijke sabotage en spionage in onze Noordzee? Hoe heeft Defensie in het verleden gereageerd op die verdachte incidenten?

Zijn er werkelijk al incidenten geweest waarbij Defensie heeft ingegrepen?

Ik las dat minister Van Tigchelt zei dat er wel degelijk een mogelijkheid is om op te treden en om die boten te betreden. Is dat in het verleden al gebeurd of niet? Hoe ziet u dat voor de toekomst?

Op welke manier en in welke mate kunnen onze coastal patrol vessels en mine countermeasures vessels worden gebruikt om onze zeebodem te beschermen en onze kritieke infrastructuur zee te versterken?

Ludivine Dedonder:

Geachte leden, België volgt de wet van 1 juli 2011 en de EU-regelgeving voor de bescherming van kritieke infrastructuur, zoals datakabels, energievoorziening en havens. De uitbaters van deze infrastructuur zijn verantwoordelijk voor beveiligingsplannen, die worden gecontroleerd door de sectorale overheden. Het NCCN coördineert het beleid, het OCAD voert dreigingsanalyses uit en de politiediensten beheren de veiligheidsoperaties.

Defensie heeft een ondersteunende rol en opereert binnen een wettelijk kader, met coördinatie via het Maritiem Informatiekruispunt (MIK) en het Maritiem Operatiecentrum (MOC). Samenwerking met andere departementen en private uitbaters wordt georganiseerd via nationale en internationale protocollen. België heeft zijn kwetsbare infrastructuur veiliger gemaakt door implementatie van EU-strategieën, zoals de EU Maritime Security Strategy, en het oprichten van monitoring aan coördinatiestructuren, zoals MIK en MOC. De vooruitgang wordt voortdurend geëvalueerd, in samenwerking met nationale en internationale partners.

België ondersteunt NAVO-inspanningen en deelname aan initiatieven zoals het Maritime Centre for Security of Critical Undersea Infrastructure. Innovatieve PESCO-projecten als Maritime Autonomous Systems for Mine Countermeasures en Critical Seabed Infrastructure Protection bevoordelen capaciteitsontwikkeling. België pleit actief voor een gecoördineerd en zichtbaar antwoord binnen de NAVO, inclusief versterking van afschrikking tegen hybride dreigingen.

Defensie ontwikkelt samen met het NCCN en andere actoren nationale plannen, zoals het Nationaal Verdedigingsplan en het Weerbaarheidsplan. Deze plannen versterken de veiligheid op land, op zee, in de lucht, op het vlak van cyber en in de ruimte.

Defensie mag autonoom optreden tegen sabotage of spionage, in overeenstemming met het internationaal recht. Patrouilleschepen en mijnenbestrijdingsvaartuigen worden ingezet voor toezicht en zeebodembescherming. Nationale samenwerking en internationale oefeningen verbeteren de response.

Door een combinatie van de nationale verantwoordelijkheid en internationale samenwerking wordt de kritieke infrastructuur beschermd. Proactieve planning en coördinatie versterken de nationale weerbaarheid en dragen bij aan de collectieve veiligheid van de NAVO en de EU.

Voorzitter:

Collega's, ik geef nog mee dat werd afgesproken om een hoorzitting te organiseren over dit thema. Het MIK zal waarschijnlijk op 12 februari naar hier komen.

Kristien Verbelen:

Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord.

Gezien de berichtgeving van de laatste maanden is het inderdaad belangrijk om dit goed te blijven opvolgen. Ook wat betreft internationale en nationale samenwerking zullen we nog meer antwoorden krijgen in de hoorzitting.

Axel Weydts:

Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord.

We zouden het in de hoorzitting best nog eens hebben over het in kaart brengen van onze kritieke infrastructuur. Ik heb niet echt een antwoord gekregen op mijn vraag daarover, maar we zullen dat de komende maanden zeker en vast nog opnemen in onze verdere werkzaamheden, die ongetwijfeld heel interessant zullen zijn.

Maaike De Vreese:

Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord.

Het kan inderdaad interessant zijn om met deze commissie een plaatsbezoek te organiseren. Het grote aantal Russische schepen toont immers aan dat dit geen ver-van-mijn-bedshow meer is. Die zaken zijn nu aan het gebeuren op onze zee. We daar wakker van liggen en het hier blijven opvolgen.

Voorzitter:

Ik kan ook nog meegeven dat vorige week werd afgesproken om in eerste instantie die hoorzitting te organiseren en daarna te bekijken welke verdere stappen we nog zouden kunnen zetten, maar ik denk dat een plaatsbezoek zeker zinvol kan zijn.

De uitspraken van admiraal Rob Bauer over de staat van de Belgische Defensie

Gesteld door

lijst: VB Annick Ponthier

Gesteld aan

Ludivine Dedonder

op 29 januari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België loopt sterk achter op de NAVO-defensienormen (1,31% bbp in 2024, *excl. Oekraïne-steun*: 5,1 mjrd budget) en krijgt felle kritiek van NAVO-top, met dreigend verlies van geduld over onvoldoende investeringen. Minister Dedonder bevestigt groei sinds 2020 (van 1,07% naar 1,54% bbp *doel 2030*), maar uitstellingen van wapenprogramma’s en pensioenhervormingen (hogere kosten voor oudere militairen) ondermijnen paraatheid en nieuwe investeringen. Kritieke infrastructuurbeveiliging blijft een *nationale* (niet enkel militaire) verantwoordelijkheid, terwijl de 2%-norm onder druk staat en nieuwe NAVO-doelstellingen (3,5%) België nog verder achterlaten. Ponthier benadrukt dat *versneld budgettair optrekken* onvermijdelijk is, maar wijst op de toekomstige regering voor actie.

Annick Ponthier:

Enkele weken geleden kwam dit thema al aan bod.

België kreeg onlangs een oorvijg van de hoogste NAVO-militair, admiraal Rob Bauer, en van secretaris-generaal Mark Rutte. Dat is niets nieuws: we hebben de afgelopen weken al vaker te horen gekregen dat we onze capability targets in het verleden niet gehaald hebben, dat de nieuwe targets veel strenger zullen zijn en dat België nog steeds achterophinkt bij de andere bondgenoten. Volgens Bauer vormt België het ontbrekende puzzelstukje in de collectieve verdediging en het begrip daarvoor zou in NAVO-kringen volledig verdwenen zijn. We zullen ons dus niet langer kunnen verschuilen achter onze hoge uitgaven voor sociale zekerheid en onze moeilijke budgettaire situatie. Het geduld van de partners lijkt op te zijn. We moeten het nodige geld snel vinden.

Mevrouw de minister, wat is uw reactie op de verklaringen van admiraal Bauer? Waar staan we op dit moment in ons groeitraject naar de 2 %-norm, zonder de hulp aan Oekraïne mee te rekenen? Ik heb die vraag al vaak gesteld, maar ik stel ze inderdaad opnieuw. Welke grote geplande bestellingen uit de voormalige militaire programmawet worden nog uitgesteld? Wat zal de impact van de pensioenhervorming zijn op de berekening van onze algemene defensie-inspanning? Zullen we inzake de bescherming van onze kritieke infrastructuur tegen sabotage de NAVO-doelstellingen halen?

Ludivine Dedonder:

Mevrouw Ponthier, de uitspraken van admiraal Bauer weerspiegelen het gemeenschappelijk engagement van de NAVO-landen om de minimale normen van 2 % van het bbp aan defensie-uitgaven te halen en te behouden.

In de afgelopen legislatuur is de defensie-inspanning gegroeid van 1,07 % van het bbp in 2020 naar 1,31 % van het bbp in 2024. Vertaald naar het defensiebudget betekent dat een groei van 3,2 miljard euro in 2020 naar 6,1 miljard euro in 2024. Dat is bijna een verdubbeling van het defensiebudget.

In februari 2022 heeft de regering een budgettair traject goedgekeurd. Op basis van de toen geldende economische prognoses zou dat traject tot een defensie-inspanning van 1,54 % van het bbp tegen 2030 leiden.

Het is de bedoeling om in 2025 door te gaan met de grote investeringen waarin het STAR-plan en de wet houdende de militaire programmering voorzien. In sommige gevallen worden programma's later gerealiseerd dan voorzien, doordat het materieel nog niet beschikbaar is, omdat de behoefte gewijzigd is of omdat de procedures voor de aankoop meer tijd in beslag nemen dan initieel werd gepland. De programmeringswet zal hoe dan ook op basis van de actualisering van het STAR-plan moeten worden aangepast, dat door de volgende regering zal moeten worden uitgevoerd.

Ik kan u in dit stadium geen informatie geven over de eventuele bijkomende middelen voor Defensie. Niettemin zal de druk op ons land om de 2 % van het bbp te bereiken blijven aanhouden. De geopolitieke situatie is sinds de opstelling van het STAR-plan sterk gewijzigd.

De voorgestelde hervorming van het pensioenstelsel voor militairen moet rekening houden met de specificiteit van Defensie en de militairen. Bij een pensioenhervorming waarbij de pensioenleeftijd van de militairen wordt verhoogd, zal Defensie een groter aandeel van het budget aan personeelsuitgaven voor oudere militairen moeten besteden. Dat zijn natuurlijk middelen die niet kunnen worden gebruikt om de paraatheid te verhogen, om nieuwe investeringen in materieel en infrastructuur te doen of om aan te werven.

De bescherming van de kritieke infrastructuur is een nationale verantwoordelijkheid en niet enkel een taak van Defensie; het is duidelijk een soevereine verantwoordelijkheid van ons land. Alle bestuursniveaus, alsook de hele samenleving, moeten deelnemen aan de inspanning om de kritieke infrastructuur te beschermen en de weerbaarheid van ons land te verhogen. Naast Defensie hebben verschillende andere departementen expliciete verplichtingen om te investeren en bij te dragen.

Annick Ponthier:

Mevrouw de minister, mijn reactie zal kort zijn. U had het over 1,31 %, waarin de hulp voor Oekraïne vervat zit. Kunt u dat bevestigen? Ik vroeg u namelijk de cijfers zonder de bijdrage voor de hulp aan Oekraïne.

Ludivine Dedonder:

Zonder de hulp aan Oekraïne hebben we een defensiebudget van 5,1 miljard euro.

Il est difficile d'évaluer toutes les dépenses pour l'Ukraine mais il s'agit d'un budget d'environ cinq milliards.

Annick Ponthier:

In het algemeen kunnen we stellen dat we, ondanks alle oproepen in het verleden, intussen de 2 %-norm die de NAVO ons al een decennium oplegt, kunnen verlaten. Er is nu een NAVO-secretaris-generaal die spreekt over 3,5 %. Ik denk dat het een open deur intrappen is als ik zeg dat België op dat vlak schromelijk achterwege blijft. Ik benadruk nogmaals dat we in de toekomst snel moeten schakelen om de defensiebudgetten stevig op te trekken, zodat we onze internationale engagementen kunnen blijven nakomen, maar dat is natuurlijk niet meer uw verantwoordelijkheid; dat begrijp ik.

De verlofdag voor militairen om te betogen tegen de nakende pensioenplannen
De dienstvrijstelling voor militairen
Militair verlof en dienstvrijstelling voor pensioenprotest

Gesteld aan

Ludivine Dedonder

op 29 januari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Dedonder stelt een dienstontheffing (niet-staken) voor Defensiepersoneel voor om bezorgdheden over pensioenhervormingen te uiten, gebaseerd op een mondeling akkoord van DG HR en later een schriftelijk arbeidsreglementsadvies, maar weigert het gedetailleerde advies vrij te geven (voorbehouden aan de premier). Ponthier kritiseert de politieke timing, kosten (6M€) en minimale dienstverlening (operaties/Oekraïne-steun blijven draaien), en eist transparantie over het onderliggende juridische kader, dat Dedonder niet concreet toelicht. De juridische nota van de Kamer bevestigt geen bevoegdheid, maar Dedonder houdt vol dat het reglement haar toelaat afwezigheid toe te staan. Vertrouwen in de procedure ontbreekt door tegenstrijdige verklaringen over advies-timing en inhoud.

Voorzitter:

Vorige week werd afgesproken om hierover een juridische nota te laten opstellen door de diensten. We hebben die gisteren ontvangen en die werd rondgestuurd.

Annick Ponthier:

Mijnheer de voorzitter, we hebben die juridische nota ontvangen. Daar kwam weinig tot niets uit voort, aangezien de diensten van de Kamer niet bevoegd zijn met betrekking tot dit thema.

Mevrouw de minister, ik heb u hierover vorige week ook ondervraagd in de plenaire vergadering. Militairen kunnen geen gebruikmaken van het stakingsrecht, zoals men dat in andere sectoren wel kan. Dit is grondwettelijk bepaald. Enerzijds is het is dus begrijpelijk dat zij op een andere manier hun stem willen laten horen en hun bezorgdheden rond de pensioenhervorming willen uiten. Die zijn ook meer dan terecht als u het ons vraagt. Anderzijds, dat u als minister op eenzijdige wijze het personeel van uw departement tracht te politiseren tegen de plannen van een volgende regering, lijkt ons eerder een politieke stunt dan een inhoudelijk verhaal. Het is ook niet vrijblijvend. U bevestigde dat er een kostenplaatje aan vasthangt. Men spreekt over 6 miljoen euro, als men alle kosten in beschouwing neemt. Het lijkt onverantwoord in deze geopolitiek uitdagende tijden om een groot deel van Defensie een dag stil te leggen, zoals u toen voorstelde.

Ik zal mijn vragen van vorige week uiteraard niet herhalen.

Wat is de totale kostprijs indien deze dienstontheffing doorgang vindt? Kunt u dat nog eens bevestigen in deze commissie?

Waar zult u de minimumdienstverlening situeren? Hoe zult u die laten invullen?

Over het stakingsrecht zullen we het natuurlijk niet hebben, maar ik wil het wel hebben over het advies dat u vorige week meegaf in uw antwoord op de vragen in plenum. U verwees toen naar een advies van Defensie. Wie heeft u dat advies bezorgd? Wanneer werd het u bezorgd? Wat hield het advies concreet in? Was de CHOD daarbij betrokken? Welke diensten waren daarbij betrokken? Kunt u daar iets dieper op ingaan?

Ludivine Dedonder:

Mevrouw Ponthier, de dienstontheffing geeft elk personeelslid de mogelijkheid om een vrije dag te nemen. Dat geeft hen de vrijheid om zelf te kiezen en, indien gewenst, zijn of haar mening te laten horen zonder te staken.

Met betrekking tot de lopende zaken verwijs ik naar het advies van de juridische diensten van de Kamer, dat door deze commissie werd gevraagd.

De hiernavolgende activiteiten gaan gewoon door: de operaties, de oefeningen en prestaties in een internationaal organisme in binnen- en buitenland, de dienstreizen in het buitenland, de vormingen, de commissies, de activiteiten buiten Defensie, alle steun aan externen en externe activiteiten, de ploegendiensten, de permanentie, DOVO, SAR, Proter, het operatiecentrum, de wachtprestaties en alle steun aan interne activiteiten in het kader van de steun aan Oekraïne.

De militairen hebben niet het recht om te staken. Een staking wordt gekenmerkt door het feit dat werknemers zich niet houden aan de verplichting om arbeid uit te voeren. Door het verlenen van een dienstontheffing wordt de werknemer de toestemming verleend om gedurende een bepaalde periode afwezig te zijn tijdens de werkuren. De verplichting om arbeid uit te voeren komt daarmee te vervallen. Een herziening van het verbod op staken voor militairen is niet aan de orde.

Vooraleer een beslissing te nemen, heb ik mij bevraagd bij de DG HR om na te gaan of ik in mijn hoedanigheid van minister van Defensie een dienstontheffing kon toestaan. Het advies was dat dit mogelijk was op basis van het arbeidsreglement.

Inzake de kosten kan ik meegeven dat het bij een dienstontheffing niet mogelijk is om a priori een kostprijs te berekenen, aangezien wij niet juist weten wie de dienst niet zal uitvoeren.

Annick Ponthier:

Mevrouw de minister, ik dank u voor een heel beknopt antwoord op een heel uitgebreid plan, dat u vorige week uitgebreid in de media hebt laten verspreiden.

Ik merk op dat u het nu over een dienstontheffing hebt in plaats van over de initiële dienstvrijstelling. Dat is dus enigszins genuanceerder ten opzichte van vorige week.

Uiteraard heeft iedere militair het recht zijn of haar mening te uiten over welke plannen dan ook met betrekking tot het defensieapparaat tout court, zeker met betrekking tot de pensioenhervormingsplannen van de eventuele volgende regering. Hun bezorgdheid daarover is terecht.

Mevrouw de minister, u verwijst naar een advies van de DG HR dat de mogelijkheid van zo’n dienstontheffing zou voorzien op basis van het arbeidsreglement. Mijnheer de voorzitter, kunnen wij dat advies opvragen? Mevrouw de minister, u hebt niet geantwoord op de vraag wanneer men u dat advies heeft bezorgd.

Ludivine Dedonder:

Il s’agissait d’un questionnement oral auprès de la DG HR afin de déterminer si j’avais l’autorisation.

Annick Ponthier:

Dat is dus gebaseerd op een mondelinge vraag van u aan de DG HR?

Ludivine Dedonder:

Dans un premier temps, il s’agissait d’un questionnement oral. Par la suite, au vu de toutes les questions prévues, nous nous sommes conformés, comme je vous l’ai dit, au règlement de travail. Tout est parfaitement en ordre. Preuve en est que votre questionnement auprès des services juridiques de la Chambre ne vous a pas donné raison.

Annick Ponthier:

Dat is een heel ander verhaal dan wat u vorige week in de plenaire vergadering hebt gezegd.

U zou eerst hebben gepolst of het wel mogelijk was. Er werd u dan mondeling bevestigd dat dit het geval was. Pas na de vele vragen die u daarover ontving, hebt u zich blijkbaar grondig bevraagd. Dat verduidelijkt meteen de chronologie van een en ander.

U hebt verklaard dat uw beslissing gebaseerd was op een zorgvuldige evaluatie van de impact. In de plenaire vergadering van vorige week zei u dat het onderbouwd was door een "gedetailleerd advies van Defensie."

Ik vraag u nogmaals om dat schriftelijk gedetailleerd advies te bekomen. Dat stelt enkele vragen scherp met betrekking tot de toepassing van de door u aangekondigde algemene dienstvrijstelling. Ik weet niet hoe de ministerraad daarop heeft gereageerd. Ik vermoed dat er wel enige nuance in het verhaal zal worden gebracht.

Ik volg dit verder op. Ik vraag nogmaals om ons dat advies te bezorgen.

Voorzitter:

Mevrouw de minister, is het mogelijk om dat advies te ontvangen?

Ludivine Dedonder:

J’ai répondu au premier ministre sur la base d’un avis juridique. À l’heure actuelle, je réserve cette réponse au premier ministre. Je n’ai en rien modifié ma version, je ne suis pas passée d’une dispense à un retrait, tout comme je n’ai pas moi-même évoqué les coûts – c’est la presse qui en a parlé sur la base d’une estimation faite par un de vos collègues.

Pour ce qui concerne l’avis, les choses sont très simples: le règlement de travail m’autorise, en ma qualité de ministre de la Défense, à octroyer une dispense de service. Telle est la base qu’il convient de vérifier.

Voorzitter:

De vraag is gewoon wanneer dat advies binnenkwam. U zei daarnet in antwoord op de bijkomende vragen van mevrouw Ponthier dat u mondeling van DG HR vernam dat het op basis van het arbeidsreglement kon, dat u vervolgens de beslissing nam en dat u dan in het kader van vragen in het Parlement een schriftelijk onderbouwd advies kreeg. Zo zegt u het toch, als ik de chronologie goed heb?

Ludivine Dedonder:

C'est ce que je viens de dire.

D'abord, il convient de s'assurer que je suis autorisée à le faire. C'est la raison pour laquelle, dans un premier temps, on passe un appel disant: "J'ai reçu une demande des organisations syndicales, comment puis-je y répondre? Est-ce que je peux faire ça?"; "Oui, vous pouvez."

Ensuite, en ce qui concerne les différents éléments figurant dans la lettre du premier ministre, il y a un complément juridique pour y répondre. C'est la raison pour laquelle je vous dis que j'ai réservé cette réponse au premier ministre aujourd'hui.

Annick Ponthier:

Los van het politiek-deontologische aspect van uw aankondiging in de media blijven we na uw antwoord op onze honger wat betreft de timing en de inhoud van dat gedetailleerd advies. U zegt zich in de ministerraad te hebben verantwoord op basis van juridisch advies. U hebt het dan over het juridisch advies van de Kamerdiensten? Dat is immers het enige advies wat we hebben gekregen.

Ludivine Dedonder:

(…)

Annick Ponthier:

Dat is dus niet het advies waarnaar ik heb gevraagd. Ik vraag nogmaals om het gedetailleerd advies te mogen inzien dat u van de diensten van Defensie heeft gekregen.

Voorzitter:

Ik meen dat de minister net heeft gezegd dat ze dat besluit voorbehoudt aan de premier.

De toepassing van het Deense model voor steun aan de Oekraïense defensie

Gesteld aan

Ludivine Dedonder

op 29 januari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België ziet geen Europese of NAVO-brede coördinatie rond het Deense model (directe aankoop van Oekraïense wapens) maar focust op bilaterale industriële samenwerking met Oekraïense bedrijven voor lokale productie. Minister Dedonder bevestigt geen concrete plannen voor het Deense model, maar steunt wel elke versterking van Oekraïense defensiecapaciteit. Luc Frank benadrukt dat het model potentieel heeft (munitieproductie!) en pleit voor verder onderzoek, mogelijk via partnerschappen met andere landen.

Luc Frank:

Madame la ministre, au début de l’année 2025, le premier ministre ukrainien Denys Chmyhal a annoncé que son gouvernement visait à lever plus d’un milliard de dollars pour développer le modèle danois de financement de la production d’équipements en Ukraine.

Pour rappel, le Danemark a été le premier État à proposer de donner à l’Ukraine des armes qu’il achèterait directement à l’industrie ukrainienne, renforçant ainsi les commandes venant du budget ukrainien. En effet, ce budget ne permet pas d’utiliser toutes les capacités de production de l’industrie ukrainienne.

Ce modèle permet de renforcer les forces armées ukrainiennes par une production souvent plus rapide et moins chère, renforçant ainsi la masse nécessaire à la défense de l’Ukraine. De plus, il est aussi un investissement dans la base industrielle et technologique de défense européenne, vu le statut de candidat de l’Ukraine.

Le Danemark n’est pas le seul État à utiliser ce modèle. La Norvège, la Suède, la Lituanie et les Pays-Bas entendent également agir ainsi.

Madame la ministre, existe-t-il une coordination européenne ou au sein de l’OTAN pour approfondir ce modèle? La Belgique considère-t-elle qu'il est important de le soutenir? Avez-vous des projets concrets que le futur gouvernement pourra mettre en œuvre?

Ludivine Dedonder:

Le modèle danois de financement de l’aide à l’Ukraine est basé sur une initiative individuelle du Danemark. Un approfondissement de ce modèle au niveau européen ou dans le cadre de l’OTAN n’est pour l’instant pas envisagé.

Il n’y a pas, à ce stade, d’initiative prévue par la Défense pour appliquer le modèle danois. La priorité est donnée à l’intensification des coopérations industrielles entre des entreprises belges et ukrainiennes, ayant pour objectif la production de matériel militaire en Ukraine. Nous soutenons toute initiative destinée à renforcer l’aide en Ukraine, que ce soit par ce biais ou par ailleurs.

Luc Frank:

Merci beaucoup. Personnellement, je pense que c’est quand même une piste qu’il faudra étudier. Lorsque j’ai assisté à la dernière assemblée de l’OTAN entre l'Ukraine et des parlementaires de l’OTAN, cette question-là a justement été abordée. Les membres du Parlement ukrainien ont soulevé des problèmes par rapport à la production de munitions notamment. Je pense que c’est peut-être une piste à utiliser ou à considérer via un partenariat avec d’autres pays.

De voorbereiding van het Europese witboek over defensie

Gesteld aan

Ludivine Dedonder

op 29 januari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België benadrukt in het EU-verdedigingswitboek (voorbereiding op oorlogsrisico’s) kortetermijnprioriteiten zoals munitievoorraden, onderzeese oorlogsvoering en dual-use capaciteiten, en langetermijnfocus op gezamenlijke EU-projecten (luchtverdediging, cybersecurity, drones). Financiering moet via een EU Defence Facility voor gezamenlijke aankopen, met nadruk op industriële samenwerking en marktintegratie, zonder concurrentie te ondermijnen. De regio’s werden informeel betrokken (9 januari), maar er was geen interministerieel overleg; militaire afstemming gebeurde wel via het EU Military Committee. Lasseaux dringt aan op versterkte regionale industriële voorbereiding op dreigingen.

Stéphane Lasseaux:

Madame la ministre, le nouveau commissaire européen à la Défense Andrius Kubilius a pris l’engagement de présenter un livre blanc sur la Défense dans les 100 jours de son entrée en fonction. Ce livre blanc devrait être présenté le 19 mars 2025, soit avec quelques jours de retard, mais ce n’est certainement pas un drame.

Selon le commissaire européen Andrius Kubilius, ce livre blanc devrait contribuer à préparer l’Union européenne à l’éventualité militaire la plus extrême, à savoir une guerre. Il devrait notamment souligner les besoins des armées européennes pour être préparées à la guerre; expliquer comment les États membres peuvent acheter conjointement plus de fournitures afin de garantir une sécurité à plus long terme pour les producteurs; explorer les possibilités de financement.

Dans cette logique, les services de la Commission européenne et d’autres institutions européennes doivent certainement travailler d'arrache-pied. À cette fin, ils ont également enclenché des processus de consultation avec les États membres.

Madame la ministre, quelles sont les priorités que la Belgique a transmises à l’Union européenne dans le cadre de l’élaboration de ce livre blanc et notamment des trois points évoqués par le commissaire Kubilius? Avez-vous pu vous concerter avec les pouvoirs régionaux, notamment pour ce qui relève des aspects industriels? Avez-vous pu consulter les États membres ou, de manière bilatérale, d'autres ministres de la Défense?

Ludivine Dedonder:

Monsieur Lasseaux, le 16 janvier dernier, les États membres étaient invités à exposer leur point de vue dans le cadre d'un atelier informel organisé par la Commission européenne. Les positions ont été formulées autour de deux questions principales. Tout d'abord, il s'agissait de savoir comment, à court terme, combler d'urgence les lacunes critiques dont souffrent les capacités des États membres, y compris en mobilisant les capacités industrielles nécessaires pour garantir le maintien du soutien militaire de l'Union européenne à l'Ukraine. Ensuite, nous nous sommes demandé comment développer conjointement, à moyen et à long termes, des capacités stratégiques à travers des projets à grande échelle et renforcer la compétitivité et la résilience de la European Defence Technological and Industrial Base: en investissant dans l'innovation et en développant davantage le marché intérieur des produits et services de défense.

Pour résumer la position de la Défense, en vue de répondre aux besoins en capacités à court terme, il convient d'accorder la priorité à la mise à niveau des stocks de munitions, à l'accentuation des efforts en matière de guerre sous-marine et de fonds marins pour protéger les réseaux critiques d'énergie et de communication. Il est également essentiel de soutenir les capacités à double usage où l'Union européenne apporte une valeur ajoutée.

Pour les besoins à moyen et à long termes, l'accent doit être placé sur les initiatives de collaboration prioritaire de défense européenne. Je pense, par exemple, à des domaines tels que la défense intégrée contre les aéronefs et les missiles, la guerre électronique, les munitions rôdeuses, la résilience des infrastructures critiques et la cybersécurité.

En termes de financement, ces efforts pourraient être soutenus par un instrument extrabudgétaire appelé EU Defence Facility. Il servirait à encourager les achats de défense conjoints, à grande échelle, pour mettre en œuvre les objectifs de capacités convenus par l'Union européenne et l'OTAN. Les efforts doivent également se concentrer sur la suppression des obstacles au transfert de défenses intra-Union européenne. Les acquisitions transfrontalières et la coopération industrielle doivent aussi être renforcées.

Enfin, il est essentiel de maintenir un équilibre entre l'offre et la concurrence. L'agrégation de la demande et de l'offre pour des projets stratégiques à grande échelle peut permettre de réaliser des économies d'échelle, tout en maintenant la concurrence entre les consortiums industriels européens. Cette approche favorisera l'innovation tout en garantissant un niveau d'ordre suffisant et durable.

En vue de l'atelier informel du 16 janvier, des représentants des Régions et le directeur adjoint de l'armement national se sont réunis de manière informelle à la Représentation permanente de la Belgique auprès de l'Union européenne le 9 janvier pour une présentation suivie d'une discussion ouverte afin d'échanger des points de vue sur les défis et les opportunités pour la Belgique et son industrie de la défense, dans le contexte du livre blanc sur l'avenir de la Défense.

Aucune consultation interministérielle n'a eu lieu avant l'atelier. Toutefois, les États membres se sont consultés au niveau stratégique militaire, dans le cadre de l'European Union Military Committee.

Stéphane Lasseaux:

Merci, madame la ministre, pour cette réponse très précise. Il est clair que nous devons être très attentifs à tout ce qui vient d'être évoqué et insister sur le fait de prendre langue encore une fois avec les différentes Régions, pour justement renforcer les industries afin qu'elles puissent être sensibilisées aux risques qui sont malheureusement devant nous, et afin qu'elles puissent également s'y préparer.

Het antwoord van Defensie op het stijgende aantal cyberdreigingen

Gesteld aan

Ludivine Dedonder

op 29 januari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België versterkt zijn cyberverdediging via samenwerking tussen Defensie (Cyber Command), CCB, politie en EU-partners, gericht op proactieve bescherming van kritieke infrastructuur (ziekenhuizen, scholen, nutsbedrijven) en KMO’s tegen groeiende cyberdreigingen (o.a. uit Rusland). NIS2-wetgeving dwingt strenge cybermaatregelen af, terwijl Cyber Command via oefeningen (bv. met Elia/Infrabel), 5G-projecten en "duale capaciteit" (militair *en* civiel) de nationale veerkracht vergroot. Sensibilisering van KMO’s – cruciaal in defensie-industrie – blijft een prioriteit, met nadruk op kennisdeling tussen Defensie en CCB. Jongeren en militaire expertise moeten beter benut worden voor cyberbewustzijn, naast bestaande initiatieven zoals Cyberfundamentals.

Stéphane Lasseaux:

Madame la ministre, la semaine dernière, nous avons eu l’occasion, avec les membres de notre commission, de visiter le Cyber Command. Nous avons ainsi pu nous rendre compte du professionnalisme dont fait preuve l’ensemble de son personnel. Comme précisé sur le site de la Défense, cet organe contribue au quotidien à la cybersécurité du pays, en partenariat avec divers acteurs nationaux et internationaux ainsi qu’avec le monde académique, industriel et associatif.

Compte tenu de l’évolution de la situation géopolitique et des risques accrus de cybercriminalité, notamment en provenance de certains pays tels que la Russie, nous observons aujourd’hui une cybermenace croissante. Le Centre pour la Cybersécurité Belgique (CCB) a déjà lancé des initiatives dans le cadre du référentiel Cyberfundamentals, afin de renforcer la cybersécurité dans les secteurs public et privé, en accordant une attention particulière aux PME.

En outre, la transposition de la directive européenne NIS2 en droit belge, par la loi du 26 avril 2024, impose des obligations accrues en matière de cybersécurité aux entités fournissant des services essentiels, autrement dit les hôpitaux, les écoles et certains services publics.

Madame la ministre, étant donné que les cyberattaques peuvent avoir des répercussions non négligeables sur l’ensemble de la société, des actions supplémentaires sont-elles envisagées par la Défense pour sensibiliser, informer et protéger l’ensemble des acteurs?

Quelles mesures spécifiques sont-elles prévues pour informer et protéger non seulement les grandes entreprises, mais aussi les petites et moyennes entreprises, les hôpitaux, les écoles, ainsi que les services de police et de pompiers en Belgique?

Avez-vous envisagé de mener une réflexion stratégique avec les services du CCB?

Ludivine Dedonder:

Monsieur Lasseaux, la sécurité de notre population, des services essentiels et des infrastructures critiques est une priorité absolue pour la Belgique. Face aux menaces croissantes dans le cyberespace, nous prenons des mesures ciblées pour accroître notre résilience, tant à l’échelle nationale qu’en coopération avec nos alliés.

En ce qui concerne le cyberspace, vous n’ignorez pas que nous sommes confrontés à des menaces hybrides en constante évolution, à des campagnes de désinformation ainsi qu’à des cyberattaques. Dans ce contexte, nous devons non seulement nous montrer réactifs mais aussi proactifs. Plus que jamais, nous devons protéger nos citoyens. Cette tâche ne peut être accomplie qu’au travers d’une coopération sans faille entre les différents départements et entre les nations, ainsi que par une coopération civilo-militaire renforcée.

Le Cyber Command de la Défense contribue à la stratégie nationale de cybersécurité en étroite collaboration avec les autres acteurs fédéraux qui sont, en matière de cybercriminalité, le Centre pour la Cybersécurité Belgique, la police judiciaire et le parquet fédéral.

Toute entreprise ou prestataire de services est fortement invité à appliquer les recommandations du CCB, qui sera l'acteur de première ligne en cas d'accident. La Défense appuie le CCB pour les incidents et crises au niveau national, les entreprises du secteur de la défense, et dans tous les cas de suspicion d'action engagée par des acteurs étatiques étrangers.

Notre nouveau Cyber Command est à l'avant-garde de cette vision, combinant les efforts de défense nationale avec ceux de l'Union européenne pour former un cyberbouclier. Le Cyber Command est également constamment opérationnel et assure une surveillance constante de nos systèmes. C'est pourquoi je pense que la notion de capacité double, duale est essentielle.

Le Cyber Command doit non seulement être doté de moyens de pointe, mais ses ressources doivent également être opérationnelles tant dans des environnements militaires que civils. Nous devons avoir les capacités nécessaires pour soutenir le gouvernement en cas de crise nationale, par exemple en cas de cyberattaque contre des infrastructures critiques. Récemment, le Cyber Command a participé à un exercice de sommet national avec d'autres acteurs fédéraux, régionaux et civils, tels qu'Elia et Infrabel, afin de mieux armer nos infrastructures critiques nationales contre de futures intrusions potentielles dans le domaine virtuel.

Le Cyber Command est également impliqué dans de nombreux projets, tels que 5G, Mission Critical Security & Cyber Factory, pour favoriser l'optimisation et la résilience de nos entreprises et de nos institutions.

Stéphane Lasseaux:

Merci, madame la ministre, pour les réponses apportées. Il me semble essentiel que la Défense fasse part de son expérience, en tout cas de l'information qu'elle peut communiquer auprès du CCB, et sensibilise les PME. Je dis les PME, car dans le cadre de l'industrie, notamment de l'armement, énormément de PME sont des acteurs essentiels; dès lors, elles sont susceptibles de subir une cyberattaque. J'ai entendu, et c'est très bien, que cela a été fait au niveau des grandes entreprises, mais n'oublions certainement pas l'ensemble du secteur économique. Par ailleurs, les jeunes insistent sur le fait que les militaires ont une autre sensibilité, une autre approche, et qu'il serait donc important de leur communiquer ce qu'ils peuvent faire.

De oplopende kosten rond de F-35's

Gesteld door

lijst: PVDA Robin Tonniau

Gesteld aan

Ludivine Dedonder

op 29 januari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De F-35 presteert slechter dan beloofd: de beschikbaarheid zakt naar ~50% (ipv contractuele 65%), de kost per vlieguur ligt op 40.000€ (vs. begrote 30.000€ en F-16’s 22.000€), en operationele problemen (storingen, vertragingen, gebrek aan onderdelen) stapelen zich op. Minister Dedonder bevestigt dat de meerkosten via jaarlijkse begrotingen worden gedekt en dat boetes voor vertragingen gelden, maar geen compensatie voor prestatietekorten; extra aankopen staan niet gepland. Tonniau noemt de F-35 een "financiële ramp" door systematisch overschrijden van budgetten, lagere inzetbaarheid en technische gebreken, en pleit tegen verdere aankopen. De F-16 blijft goedkoper en betrouwbaarder, terwijl de F-35’s hoge kosten en operationele risico’s met zich meebrengen.

Robin Tonniau:

Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, tijdens de vorige vragensessie heb ik u al ondervraagd over het onderpresteren van de F35-gevechtsvliegtuigen, specifiek over de lage beschikbaarheid van de toestellen. Contractueel zouden ze 65 % van de tijd inzetbaar moeten zijn. In de praktijk halen zij dat cijfer niet en gaat het veeleer richting 50 %. Ik ben benieuwd hoeveel dat cijfer nog zal zakken, aangezien de betrouwbaarheid meestal afneemt met de jaren.

De F-35 is niet alleen vaak buiten dienst, maar de kostprijs per vlieguur is ook veel hoger dan beloofd door de producent en dan geraamd door Defensie voor de aankoop. Uit een rapport van de US Government Accountability Office, een onafhankelijk overheidsorgaan dat aan het Amerikaanse Congres rapporteert, blijkt dat een uur vliegen met de F-35A 40.000 euro kost. De kostprijs per vlieguur voor een F-16 bedraagt ongeveer 20.000 euro. De F-35 is dus dubbel zo duur in gebruik als een F-16. Defensie had de kostprijs per uur van de F-35 eerder al geraamd op 30.058 euro. Dat hebt u zelf nog geantwoord op een schriftelijke vraag van mevrouw Melissa Depraetere.

Doordat de werkelijke kostprijs per uur van de F-35 dubbel zo hoog ligt tegenover de kostprijs van de F-16, is het zelfs voor de Verenigde Staten ondenkbaar geworden om hun hele vloot F-16’s te vervangen door F-35’s. De operationele kosten van de F-35 waren immers oorspronkelijk bedoeld om gelijk te zijn aan de kosten van de F-16.

Onze vragen zijn dan ook de volgende.

Hoeveel kost een uur vliegen met een F-16 van het Belgisch leger in vergelijking met een F-35 van ons leger? Nu de eerste testvluchten achter de rug zijn, moet daarop al een concreet zicht zijn. Hoeveel heeft België origineel begroot voor het onderhoud en de kosten voor een uur vliegen met een F-35? Hoe worden de oplopende kosten voor de F-35 betaald? Krijgt de Belgische Defensie een korting op de kosten, doordat het vliegtuig de vaak beloofde doelen niet bereikt? Ten slotte, is het verstandig nog extra F-35’s aan te kopen, gezien alle bestaande problemen en oplopende kosten?

Ludivine Dedonder:

Mijnheer Tonniau, voor een F-16 komt de gemiddelde kostprijs op 22.000 euro per vlieguur. De gemiddelde kostprijs per vlieguur voor een F-35 werd geschat op 30.000 euro.

De initiële exploitatiekosten op het vlak van onderhoud en vlieguren zitten vervat in het aankoopcontract van deze nieuwe capaciteit. De exploitatiekosten zullen worden gebudgetteerd bij de opmaak van de desbetreffende jaarlijkse begroting.

Met betrekking tot de vertraging in de levering van de vliegtuigen, het contract tussen de Amerikaanse overheid en Lockheed Martin bevat een boeteclausule die voorziet in het toekennen van compensatie via winstderving.

De eventuele aankoop van bijkomende F-35-vliegtuigen is momenteel niet gepland en zou een actualisatie van het investeringsplan voor Defensie vergen.

Robin Tonniau:

Mevrouw de minister, Defensie heeft de vlieguurkost voor een F-35 begroot op 30.000 euro. In de realiteit zien wij echter dat het 40.000 euro is. Ik begrijp niet waarom die 30.000 wordt behouden, het zal 40.000 worden.

Als ik een nieuwe wagen zou bestellen en daarop vijf jaar langer dan voorzien moet wachten, waardoor ik mij eigenlijk diep in de schulden steek en die blijkt dan geen 5 liter benzine maar 10 liter benzine te verbruiken per 100 kilometer, dan zou ik mij bedrogen voelen door de verkoper en zou ik die boeteclausule activeren. Dan wil ik vergoed worden voor de schade.

De F-35 is verschrikkelijk duur in aankoop. Hij wordt jaren te laat geleverd. Er zijn ook kwaliteitsproblemen. Gisteren stortte nog een F-35 neer in Alaska. Gelukkig heeft de piloot het overleefd. De reden was een storing. Er is een gebrek aan reserveonderdelen. De toestellen zorgen voor extra geluidsoverlast. Ze zijn slechts de helft van de tijd inzetbaar en ze zijn dan ook nog eens een derde duurder in gebruik dan beloofd en begroot.

Dit is een financiële ramp voor Defensie. De F-35 zal zoveel geld opslorpen dat Arizona hem als excuus zal gebruiken om de pensioenkassen van Defensie leeg te halen. Het zou inderdaad dwaas zijn om nog extra F-35-toestellen te bestellen.

Voorzitter:

Ik behoud mijn neutraliteit en sluit het incident.

Fraude via spookconsultaties

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 29 januari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Minister Vandenbroucke bevestigt dat fraude in het derde-betalersysteem wordt bestreden via verplichte bewijsstukken (sinds 2015) en sancties tot 200% bij misbruik, maar patiënten blijven kwetsbaar door gebrek aan transparantie. Kristien Verbelen dringt aan op strengere controles en betere patiëntenbescherming, terwijl het actieplan 2024-2026 extra transparantie belooft. Het debat over griep wordt afgebroken door procedurele onduidelijkheid.

Kristien Verbelen:

Mijnheer de minister, een tijd geleden kwam ernstige fraude aan het licht in Brusselse medische centra, waar valse consultaties en prestaties werden gedeclareerd via het derde-betalersysteem. Zonder medeweten van patiënten werden hun persoonsgegevens misbruikt om onterecht geld terug te vorderen. Dat roept natuurlijk vragen op over de veiligheid en controlemechanismen binnen ons gezondheidssysteem.

Het lijkt erop dat die fraude vergemakkelijkt wordt door de manier waarop het systeem is opgebouwd. Alleen met het rijksregisternummer of de identiteitskaart kunnen zorgverleners prestaties declareren, zonder dat sluitend bewijs nodig is, terwijl het derde-betalersysteem bedoeld is om zorg toegankelijker te maken, alleszins niet om fraudeurs vrijgeleide te geven.

Mijnheer de minister, aangezien de fraude al even geleden aan het licht kwam, vraag ik me af of er al concrete maatregelen genomen dan wel gepland zijn om dat probleem structureel aan te pakken. Overweegt u strengere sancties voor zorgverleners en centra die zich daaraan schuldig maken, zodat dergelijke praktijken niet ongestraft blijven? Hoe kunnen patiënten beter beschermd worden tegen misbruik van hun gegevens? Kunnen zij fouten op een of andere manier sneller melden?

Het probleem schendt niet enkel het vertrouwen in ons zorgsysteem, maar ook de rechten en de privacy van de patiënten. Ik kijk dan ook uit naar uw antwoord.

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw Verbelen, het derde-betalersysteem is inderdaad een essentieel onderdeel van de toegang tot de zorg voor alle patiënten. Om fraude te voorkomen, is het ook belangrijk dat alle verzekerden zicht krijgen op wat op hun naam wordt aangerekend.

Sinds 2015 is het voor zorgverleners wettelijk verplicht om een bewijsstuk of een vereenvoudigd bewijsstuk aan de patiënt uit te reiken, waarin onder meer het te betalen bedrag en de tegemoetkoming van het ziekenfonds duidelijk vermeld zijn. Ik verwijs naar artikel 53, § 1/2 van de ZIV-wet. Dat moeten zorgverleners doen in de volgende situaties:

Ten eerste, als men tegelijkertijd vergoedbare en niet-vergoedbare verstrekkingen attesteert.

Ten tweede, sinds 9 juni 2022 als men exclusief niet-vergoedbare verstrekkingen attesteert.

Ten derde, als men verstrekkingen elektronisch attesteert, omdat de patiënt in dat geval geen papieren getuigschrift voor verstrekte hulp ontvangt.

Samengevat, alleen bij het attesteren van exclusief vergoedbare verstrekkingen in het papieren circuit is er geen verplichting tot de uitreiking van een bewijsstuk, omdat de patiënt zelf dan reeds het attest heeft.

Dus ook als men niets int van de patiënt, als er een volledige vergoeding is of als er geen inning is van het persoonlijk aandeel, moet men een dergelijk bewijsstuk afleveren, want het bewijsstuk heeft tot doel om de patiënt te sensibiliseren en te responsabiliseren inzake de kosten van geneeskundige verzorging. De reglementering voorziet dat het bewijsstuk voor elektronisch attesteren langs elektronische weg uitgereikt kan worden, maar dan moet er wel rekening gehouden worden met alle andere toepasselijke reglementeringen, in het bijzonder de GDPR-wetgeving.

De enige opties die hierdoor wettelijk toegelaten zijn, zijn ofwel het bewijsstuk doorsturen naar de persoonlijke e-box van de patiënt of een beveiligd uitwisselingssysteem dat een gelijkwaardig veiligheidsniveau garandeert en dat bovendien werd goedgekeurd door de bevoegde autoriteiten. Ik kan bijvoorbeeld verwijzen naar de Helenatoepassing.

De GVU-wet voorziet in een administratieve boete van 50 euro, te vermenigvuldigen met het aantal betrokken sociaalverzekerden, met een maximum van 5.000 euro, in geval van een inbreuk op de verplichting tot uitreiking van het bewijsstuk.

In het actieplan Handhaving voor de Gezondheidszorg 2024-2026 , dat u kunt vinden op de website van het RIZIV, is als een van de vier actiepunten een verdere transparantie opgenomen, meer bepaald op pagina 18, onder het punt 7.2 Transparantie van alle nodige info . Dat actiepunt beoogt de bestaande informatiestromen aan te vullen en te vervolledigen, om zo alle betrokken partijen optimaal inzicht te geven in de samenstelling van de totale zorgfactuur.

Indien de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle de aanrekening van niet-uitgevoerde prestaties vaststelt, volgt, naast de terugvordering van de bedragen, ook de vraag aan de bevoegde instanties tot het opleggen van een financiële sanctie, die kan oplopen tot 200 % van het vastgestelde bedrag.

Zoals verduidelijkt bij vraag 1, zijn transparantie en duidelijke communicatie naar verzekerden essentieel, zodat die zicht hebben op wat in hun naam wordt gefactureerd en wat met hun gegevens gebeurt.

Kristien Verbelen:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. Ik begrijp dus dat er wel bescherming is voor de patiënten, maar ik hoop dat we in de toekomst de patiënten nog meer op hun rechten kunnen wijzen en dat die bescherming kan worden verbeterd. Het zou jammer zijn mocht een systeem dat de zorg toegankelijk moet maken, fraude in de hand zou werken.

Frank Vandenbroucke:

Mijnheer de voorzitter, ik heb net aan mijn medewerkers gevraagd hoe het zit met het actualiteitsdebat over de griep, maar zij weten nergens van. Het is niet reglementair om zomaar te beslissen dat de samengevoegde vragen onder een bepaald agendapunt plots een actualiteitsdebat worden. Ik ben daar helemaal niet op voorbereid.

Voorzitter:

Monsieur le ministre, à partir du moment où il y a quatre questions jointes, je peux décider de la tenue d'un débat d'actualité, sauf si vous nous dites ne pas disposer d'informations.

Frank Vandenbroucke:

Si vous voulez commencer ce débat maintenant, je n'ai rien de préparé pour y répondre.

Voorzitter:

Si vous n'avez pas de réponse à donner aux commissaires, monsieur le ministre, c'est effectivement un peu embêtant. Nous allons donc revenir à l'ordre qui était prévu. Désolé pour les commissaires, dont M. De Smet, qui a couru entre toutes les commissions pour venir poser sa question, et Mme Depoorter également. Ce sont les aléas du direct. Nous poursuivons donc l'ordre du jour.

Agressie tegen artsen

Gesteld door

lijst: VB Katleen Bury

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 29 januari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De toenemende agressie tegen zorgverleners (694 meldingen in 2024, vooral huisartsen) blijft onvoldoende in kaart gebracht door lage meldingsbereidheid (gebrek aan opvolging, werkdruk) en ontbrekende waarschuwingsystemen, terwijl zorgverleners in onveilige omstandigheden moeten werken (bv. thuiszorg zonder risico-informatie). Minister Vandenbroucke wijst op lopende initiatieven zoals het wederzijds-respectkader (advies Federale Commissie patiëntenrechten in jan. 2025), psychologische ondersteuning via de Orde der Artsen (agressieformulier, hulplijn) en onderzoek door Vias Institute, maar erkent dat structurele oplossingen ontbreken. Bury benadrukt de urgentie van concrete maatregelen (bv. waarschuwingsplatforms, betere samenwerking met politie) en nodigt de minister uit voor de Europese Dag Slachtoffers Zinloos Geweld (22/02/2025) om met de sector actiepunten te ontwikkelen, aangezien aangifte alleen onvoldoende is. De focus ligt op preventie, bescherming en systeemverandering in plaats van reactieve benaderingen.

Katleen Bury:

Mijnheer de minister, recente cijfers tonen een verontrustende trend aan, namelijk dat het aantal incidenten van verbale, fysieke en psychologische agressie tegen zorgverstrekkers blijft toenemen, ook al werden er sinds de tragische moord op huisarts Patrik Roelandt in 2015 al belangrijke stappen gezet. Zo werd er een meldpunt opgericht. Dat meldpunt registreerde tot en met augustus 2024 al 694 meldingen. Huisartsen worden het vaakst getroffen, maar ook ziekenhuisspecialisten, niet-ziekenhuisspecialisten en studenten. De locaties variëren, maar het belangrijkste blijft dat die meldingen wellicht slechts het topje van de ijsberg zijn. Immers, wie rapporteert dat telkens?

Ik kreeg intussen ook cijfers over de agressie tegenover apothekers en die vielen eigenlijk best mee. Maar de sector meldt zelf dat er al lang geen aangifte meer gedaan wordt, omdat er toch niets gebeurt met de klachten en omdat men, indien men bij elke verbale agressie een klacht zou indienen, niet meer aan werken zou toekomen.

Hoe evalueert u de maatregelen om agressie tegen artsen en andere zorgverleners te voorkomen, zoals het meldpunt en de politieaangiften?

Bent u van plan om extra initiatieven te nemen om artsen te beschermen? Werden er samenwerkingen opgezet tussen uw departement, de Orde der artsen en andere zorgverleners om gerichte acties tegen agressie te ontwikkelen?

Welke stappen worden er ondernomen om de meldingsbereidheid van zorgverleners te verhogen, zodat het probleem veel beter in kaart kan worden gebracht?

Frank Vandenbroucke:

In de gezondheidssector worden de professionals inderdaad geregeld geconfronteerd met gewelddadig of als vijandig ervaren gedrag van patiënten. Tegelijk moeten patiënten ook omgaan met gedrag van zorgverleners dat zij soms potentieel als agressief beschouwen. Vanuit die vaststelling werd bij de recente actualisering van de wet op de patiëntenrechten het concept van wederzijds respect en samenwerking geïntroduceerd. In dat kader heeft de Federale Commissie rechten van de patiënt van mij de opdracht gekregen mij een advies te bezorgen over de interpretatie van het concept wederzijds respect in de zorgrelatie tussen patiënten en zorgprofessionals.

Mijn vragen waren onder meer de volgende. Welke essentiële aandachtspunten achten patiënten en zorgverleners noodzakelijk bij de definiëring van het concept wederzijds respect? Welke initiatieven kunnen worden genomen om die definitie concreet gestalte te geven? Wat het wederzijds respect betreft, op welke manier kan de zorgrelatie, rekening houdend met de voorgestelde initiatieven, tegemoetkomen aan de verwachtingen en doelstellingen van zowel de patiënt als de zorgverlener?

De commissie legt momenteel de laatste hand aan haar aanbevelingen. Die zullen worden besproken tijdens haar volgende plenaire vergadering, gepland in januari 2025, en zullen mij na afloop worden overhandigd. Uiteraard zal ik u op de hoogte brengen van haar conclusies en zal ik zeker rekening houden met de aanbevelingen.

Ter informatie, aangezien dat niet rechtstreeks onder mijn bevoegdheid valt, het Vias institute heeft in 2022 een rapport ingediend met medewerking van de FOD Volksgezondheid over geweld en agressie tegen werknemers met een publieke functie. Het was een cartografie van geweld tegen ambulanciers, brandweerlieden en werknemers van spoeddiensten. In navolging van dat rapport heeft Vias de Federale Raad voor ziekenhuisvoorzieningen benaderd met de vraag om deel te nemen aan een meer diepgaand onderzoek. De resultaten daarvan worden nu nader bekeken.

Tot slot, de Orde der artsen heeft via artsinnood.be een vertrouwensplatform opgezet voor psychologische ondersteuning van artsen door collega-artsen, en een agressieformulier uitgewerkt: het Ordomedic Aggression Form, vergezeld van een telefoonnummer waar artsen in moeilijkheden, bijvoorbeeld na een agressie, terechtkunnen.

Ik hoop dat die initiatieven kunnen bijdragen aan de invoering van instrumenten om met conflictsituaties om te gaan, die niet alleen de kwaliteit van het werk aantasten, maar ook zeer veel leed veroorzaken in de beroepsgroep en daardoor eigenlijk ook bij patiënten.

Katleen Bury:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

Ik kijk uit naar de aanbevelingen die u zult krijgen. Het is van belang te onderstrepen dat er ter zake echt een probleem is. Wat de aangiftecijfers ook mogen zijn, ze zijn het topje van de ijsberg. Mijn collega en ik krijgen verschillende mails van thuisverpleegkundigen waarin ze klagen dat ze niet weten of een patiënt waar ze heen moeten, gevaarlijk is en dat andere collega's er om die reden niet heen willen. Zij weten niet of hij een mes onder zijn kussen heeft liggen en evenmin of hij hen zal aanvallen. Kortom, er is geen systeem waarmee ze elkaar kunnen waarschuwen. De sector vraagt dringend een andere aanpak. Aan sommige spoeddiensten van ziekenhuizen staan zelfs bewakingsagenten opgesteld. Natuurlijk is dat toe te juichen, maar het toont wel aan dat men alsmaar agressiever wordt.

Ik raad u aan dat u of een van uw medewerkers een kijkje komt nemen op de Europese Dag Slachtoffers Zinloos Geweld op 22 februari 2025. De volledige zaterdag zitten wij samen met mensen uit de zorgsector om te reflecteren over wat beter kan en over de manier waarop we daarmee samen aan de slag kunnen gaan. Enkel maar aangifte doen, biedt immers geen oplossing.

Voorzitter:

La question n° 56001360C de Mme Caroline Désir est reportée.

Het geweld tegen hulpverleners en de centralisatie van gegevens

Gesteld door

lijst: VB Dominiek Sneppe

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 29 januari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Vandenbroucke bevestigt dat geweld tegen zorgverleners onaanvaardbaar is en dat strafverhogingen zijn ingevoerd, maar centrale registratie van agressie-incidenten ontbreekt nog steeds, ondanks een lopende werkgroep (resultaten onbekend, timing onduidelijk). Lokale maatregelen zoals een rode noodknop (met technische issues) en agressiebeheersingsopleidingen zijn genomen, maar versnipperde bevoegdheden tussen federale en regionale overheden blokkeren een geïntegreerde aanpak. Sneppe dringt aan op regionalisering van gezondheidsbevoegdheden om de versnippering op te heffen.

Dominiek Sneppe:

Mijnheer de minister, deze vraag ligt in het verlengde van wat mijn collega daarnet al vroeg. Toen ik naar cijfers over geweld tegen hulpverleners vroeg, was een deel van uw antwoord het volgende: "Er bestaan geen centrale databanken waarin de meldingen van agressie tegen zorgverleners worden verzameld. Bijgevolg kan ik geen cijfers geven over de meldingen of informatie over de aard van de agressie. Ik heb aan mijn administratie gevraagd te onderzoeken of een centralisatie van de gegevens die de werkgever verzamelt, mogelijk zou kunnen worden gemaakt. Een initiatief hiertoe is in voorbereiding."

Dat antwoord werd op de webstek van de kamer gepubliceerd op 18 april 2024. We zijn ondertussen bijna een jaar verder, dus had ik daarover graag een stand van zaken gekregen.

Is er ondertussen een initiatief genomen om te onderzoeken of een centralisatie van de gegevens van de werkgevers mogelijk is? Zo ja, wat is daarvan het resultaat? Indien niet, waarom is er na bijna een jaar daarrond nog geen enkel initiatief genomen? Bent u alsnog van plan om een dergelijk initiatief te nemen?

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw Sneppe, misschien hadden jullie die vragen beter samengevoegd, want ze gaan inderdaad over hetzelfde onderwerp.

Om te beginnen wil ik herhalen dat ik geweld ten aanzien van zorgverleners absoluut onaanvaardbaar vind. U weet dat we er daarom ook voor gezorgd hebben dat er een strafverhoging met één niveau in het Strafwetboek komt voor gewelddaden gepleegd op zorgverleners, en er is inderdaad door het Directoraat-generaal Gezondheidszorg een werkgroep opgestart om de evolutie van agressie-incidenten binnen de ziekenhuizen in kaart te brengen via registratie.

De resultaten van die werkgroep zijn echter nog niet bekend. De frequentie van de prehospitale agressie-incidenten is wel gekend door het Directoraat-generaal Health Preparedness and Response Planning, via AMBUREG. Dat is het registratiesysteem dat door de hulpverleners van de ambulancediensten ter plaatse gevoed wordt. Ondanks het gebrek aan betrouwbare cijfers van agressie-incidenten, zowel hospitaal als prehospitaal, is het probleem echt wel gekend en wordt de gestelde problematiek zeker niet ontkend

Voor het probleem van agressie dat zich prehospitaal binnen de hulpverlening stelt, werd er vanuit het DG P&R tijdens de installatievergadering van de nieuwe Federale Raad voor dringende geneeskundige hulpverlening de bezorgdheid en wens aan de regering geuit om te werken rond die problematiek.

Concreet zijn er lokaal reeds initiatieven lopende. Zo wordt er in Vlaanderen aan de hulpverleners-ambulanciers een extra opleiding van zes uur over agressiebeheersing gegeven. Tevens is er het initiatief genomen om de ASTRID-zenders van de hulpverleners-ambulanciers uit te rusten met een rode knop die ze kunnen indrukken om via de noodcentrale de politie te verwittigen indien ze geconfronteerd worden met agressie van patiënten en/of familie en omstaanders. Ondanks het feit dat de toepassing van de knop nog kampt met technische problemen, is het systeem toch een stap in de goede richting voor de veiligheid van de hulpverleners ter plaatse.

Het grootste knelpunt in de aanpak van agressie tegen hulpverleners is de versnippering van bevoegdheden. De gefedereerde entiteiten zijn in dezen ook bevoegd en volgens mij is er nood aan een geïntegreerde aanpak van slachtoffers van agressie in de zorg. Ik verwees daarnet ook al naar de belangrijke initiatieven van Vias. Daar hebben we zeker meer samenwerking en coördinatie nodig.

Dominiek Sneppe:

Het verheugt me dat er al een initiatief is genomen en dat de werkgroep is opgestart. Uiteraard kijken we uit naar de resultaten en de aanbevelingen van die werkgroep.

Kunt u er een timing op plakken? Wanneer verwacht u die resultaten?

Frank Vandenbroucke:

Ik heb aan de voorzitter van de FOD gevraagd om daaraan met bekwame spoed te werken, maar ik kan daar nu geen timing op kleven.

Dominiek Sneppe:

We zullen het opvolgen. Concreet zijn er toch al enkele hulpmiddelen voor de hulpverleners, zoals de rode knop, al kampt die nog met technische problemen. Hopelijk gaat het om beginnersfoutjes. De opleiding van zes uur agressiebeheersing kan een beetje helpen, maar zal er niet voor zorgen dat er minder agressie is. Ze zal de hulpverleners enkel in staat stellen om beter met die agressie om te gaan.

Ik deel met u de mening dat de versnippering van de bevoegdheden het grootste knelpunt is. Ik roep u op om in de onderhandelingen ook daarvan een punt te maken en om ervoor te zorgen dat de versnippering ophoudt, zodat effectief aan hetzelfde zeel kan worden getrokken. De bevoegdheden van de gezondheidszorg moeten naar het regionale niveau, zodat de versnippering niet langer het grote knelpunt hoeft te zijn.

Voorzitter:

Vraag nr. 56001337C van mevrouw Bury wordt omgezet in een schriftelijke vraag.

De bescherming van onze rundveestapel tegen miltvuur

Gesteld aan

David Clarinval (Minister van Middenstand, Zelfstandigen, KMO's, Landbouw en Institutionele Hervormingen)

op 28 januari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Clarinval bevestigt dat België via het FAVV systematisch wordt geïnformeerd over miltvuuruitbraken (zoals in Frankrijk, juli 2024) en dat risico’s worden beoordeeld, maar geen extra maatregelen nodig zijn wegens de lage prevalentie en beperkte verspreidingskans. Vaccinatie komt alleen in beeld bij een acute uitbraak, terwijl preventie (vernietiging kadavers, meldplicht) centraal staat. Dierenartsen en slachthuizen zijn verplicht verdachte gevallen te melden, maar een actieplan ontbreekt door het minimale risico.

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, in juli 2024 werden in de Franse regio Cantal meerdere gevallen van miltvuur bij runderen vastgesteld. Dat werd pas begin september bekendgemaakt. Die erg besmettelijke ziekte is bij ons de laatste keer voorgekomen in 1989, in Frankrijk was het van 2008 geleden.

Miltvuur wordt veroorzaakt door een bacterie waarvan de sporen vele jaren in de grond kunnen blijven. Miltvuur kan van dier op mens worden overgedragen, al komt dat zelden voor. Blijkbaar zouden alleen mensen die met kadavers in aanraking zijn geweest, een risico op besmetting lopen.

Sowieso staat miltvuur te boek als een ernstige infectieziekte die wordt veroorzaakt door de bacterie bacillus anthracis. De ziekte veroorzaakt plotselinge sterfte bij runderen, vaak zonder duidelijke ziekteverschijnselen vooraf. Symptomen kunnen onder andere koorts, ademhalingsproblemen en bloedingen uit lichaamsopeningen zijn. Miltvuur is zeer besmettelijk en kan zich snel verspreiden binnen een kudde. Vaccinatie is ook tegen die bacterie mogelijk, maar wordt blijkbaar pas overwogen nadat er een uitbraak is geweest.

Mijnheer de minister, hebt u zich geïnformeerd over de situatie in Frankrijk? Werden er bij ons al maatregelen genomen om de risico's van een mogelijke overdracht van miltvuur vanuit Frankrijk naar ons land in te schatten? Staat miltvuur standaard op de radar van het FAVV en het directoraat-generaal Dier, Plant en Voeding van de FOD Volksgezondheid? Staat ons land klaar om bij een dreigende uitbraak van miltvuur snel een vaccinatie op poten te zetten? Wordt de toestand verder opgevolgd en worden daarbij ook de slachthuizen actief betrokken?

David Clarinval:

Mevrouw De Knop, miltvuur is een aangifteplichtige ziekte op Europees niveau. De Belgische autoriteiten worden systematisch op de hoogte gebracht van gevallen van miltvuur in een andere lidstaat. Telkens wanneer zich een geval van een aangifteplichtige ziekte voordoet, waaronder miltvuur, beoordeelt het FAVV het risico op besmetting en verspreiding. Dat is dus ook in dit geval gebeurd. Als het risico bevestigd wordt, brengt het FAVV de minister op de hoogte.

Wat uw derde vraag betreft, miltvuur is een aangifteplichtige ziekte. Als veehouders verdachte symptomen opmerken bij hun dieren, moeten zij hun dierenarts contacteren. Als die miltvuur niet kan uitsluiten, moet hij onmiddellijk het FAVV contacteren, dat de leiding zal nemen in het verdere onderzoek om de aanwezigheid van de ziekte uit te sluiten. De prevalentie van miltvuur is evenwel heel laag in België. Het is een ziekte met een laag verspreidingspotentieel en daarom is het niet nodig om bijkomende specifieke acties te ondernemen.

Wat uw vierde vraag betreft, gezien de lage prevalentie van de ziekte is er geen actieplan nodig. Preventie, het vermijden van het begraven van kadavers van dieren en de vernietiging van verdachte kadavers zijn de beste manier om van de ziekte af te komen. In het onwaarschijnlijke geval van een uitbraak in België kan vaccinatie worden ingezet om verdere sterfte te voorkomen.

De praktijkdierenartsen en de dierenartsen die actief zijn in slachthuizen, zijn op de hoogte van de ziekte en zijn verplicht om het FAVV op de hoogte te brengen van elke verdenking.

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

Subitogate en de controlerende rol van de banken
Witwaspraktijken door middel van kansspelen
De rol van ING in de zaak-Reynders
De rol van ING in de zaak-Reynders
De rol van ING in de zaak-Reynders
De strijd tegen fraude via kansspelen
Financiële fraude, witwaspraktijken en de rol van banken

Gesteld aan

Vincent Van Peteghem (Minister van Financiën)

op 28 januari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de witwasaffaire rond Didier Reynders, waarbij hij via massale aankoop van krasloten (Nationale Loterij) en grote cashstortingen bij ING (800.000 euro, sinds 2018) verdacht wordt van witwassen, terwijl de bank pas in 2023 een melding deed bij de CTIF—een vertraging van vijf jaar die vragen oproept over banktoezicht, PEP-status (politiek blootgestelde persoon) en de effectiviteit van antiwitwasregels. Parlementsleden kritiseren dat ING te laat handelde, de CTIF ondoorzichtig opereert en de Nationale Loterij—hoewel niet onderworpen aan CTIF-meldplicht—wel correct alarm sloeg, terwijl minister Van Peteghem weigert concrete verantwoordelijkheid te nemen, verwijzend naar lopend onderzoek en de autonomie van CTIF/Nationale Bank. Hij belooft wel een studie naar TVA-loterijen (naar voorbeeld van Portugal/Slovakije) om fraude tegen te gaan, maar biedt geen duidelijke oplossingen voor de banksector. De kernkritiek: systeemfalen door trage meldingen, gebrek aan transparantie en onvoldoende politiek ingrijpen, ondanks herhaalde waarschuwingen over witwasrisico’s via kansspelen. Een aankomende hoorzitting met ING moet meer duidelijkheid brengen.

Voorzitter:

Mevrouw Merckx, verschillende vragen zijn ingediend door uzelf en fractiegenoten van u. De heer Hedebouw zie ik niet aanwezig. Gaat u de vraag stellen?

Sofie Merckx:

Jawel, maar vraag nr. 56001966C van de heer Hedebouw moest worden ingetrokken. Dat is een vergetelheid, waarvoor excuses.

Monsieur le ministre, cette question me donne l'occasion de vous reposer une question sur cette affaire très choquante qui concerne M. Reynders. Le 3 décembre, nous apprenions par la presse, que, depuis 2018, M. Reynders achetait des billets de la Loterie Nationale de manière massive pour éventuellement blanchir de l'argent. Dans la foulée, nous apprenions qu'il se livrait à cette pratique car sa banque lui aurait fait remarquer que ses dépôts de cash étaient très importants, allant jusqu'à 800 000 euros.

La question du rôle de la Cellule de Traitement des Informations financières (CTIF) s'est alors posée. Assez rapidement, la Loterie Nationale, qui n'est pas soumise à la CTIF, a fourni des explications très détaillées quant à la raison de son signalement des agissements de M. Reynders ayant finalement conduit à l'ouverture d'une enquête judiciaire. En outre, nous avons appris, toujours via la presse, qu'une banque avait également signalé ces faits à la CTIF. Ensuite, au mois de janvier, nous avons appris que la Banque nationale organisait une enquête sur la banque ING, celle-ci étant qualifiée de – je cite le titre de L' É cho , qui n'est pas un journal de gauche – "complice de blanchiment d'argent dans l'affaire Reynders". Ce titre est assez interpellant.

À la lecture de tout cela, la question principale qui se pose est la suivante: comment se fait-il qu'ING signale en juillet 2023 des agissements suspects, alors qu'elle aurait déjà interpellé M. Reynders en 2018, à en croire la presse?

Monsieur le ministre, confirmez-vous que des versements en cash auraient débuté avant 2010, en ce qui concerne M. Reynders? Comment expliquer cet écart de cinq ans entre le moment où ING interpelle M. Reynders sur ses pratiques insolites et le signalement aux autorités? Selon vous, ING a-t-elle agi en conformité avec les règles concernant le blanchiment d'argent? Si oui, le cadre n'est-il pas trop permissif? Au vu de tout cela ressort l'impression que M. Reynders aurait été protégé alors que, normalement, en tant que personne politiquement exposée, il aurait dû y avoir une vigilance accrue dans le chef de sa banque. Enfin, monsieur le ministre, étiez-vous au courant de cette affaire, via la CTIF?

Alexander Van Hoecke:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ik onthoud dat in het vervolg ook van onze fractie best alle leden een vraag indienen.

Mijnheer de minister, eind vorig jaar werd het nieuws bekend dat er een fraudeonderzoek loopt naar voormalig minister en Europees Commissaris Didier Reynders. Zoals we intussen allemaal weten, zou hij jarenlang geld witgewassen hebben via krasloten van de Nationale Lotterij. Het lijkt op een slechte mop, maar het gebruik van krasloten om geld wit te wassen is een techniek die vaker gebruikt wordt door criminelen, zoveel is ondertussen duidelijk. Volgens de Cel voor Financiële Informatieverwerking (CFI) zouden vooral drugscriminelen daarvan steeds meer gebruikmaken. Een pakje loten geeft namelijk een gegarandeerde minimumwinst. Bij Subitokrasloten van 10 euro wint men bijvoorbeeld gemiddeld 73 % van zijn inzet terug. Met andere woorden, men kan als crimineel op die manier 73 % van zijn geld witwassen en betaalt 27 % commissie.

De CFI waarschuwde de afgelopen jaren meermaals voor het gebruik van kansspelen bij witwassen. Daarover heeft de CFI ook bij de Kansspelcommissie aan de alarmbel getrokken. De CFI waarschuwde ook voor andere vormen van witwassen via krasloten, waarbij winnende loten worden overgekocht tegen een hoger bedrag dan de winst. Ondanks de stijgende populariteit van die witwaspraktijk, werd er maar één melding gedaan op vijf jaar tijd door de Nationale Lotterij. We weten uiteindelijk allemaal over welke zaak dat gaat.

Deze maand raakte ook bekend dat de Nationale Bank een onderzoek heeft geopend naar ING België. De bank zou sinds 2018 op de hoogte geweest zijn van regelmatige stortingen van cashgeld door de heer Reynders, maar pas in 2023 een verklaring hebben afgelegd bij de Cel voor Financiële Informatieverwerking.

Mijnheer de minister, ik heb daarover een hele resem vragen.

Welke maatregelen hebt u in de afgelopen legislatuur en in tussentijd genomen om witwaspraktijken door middel van kansspelen tegen te gaan? Welke maatregelen kunt u nog nemen of moeten naar uw opinie nog genomen worden om zulke witwaspraktijken tegen te gaan?

Welke maatregelen heeft de Nationale Lotterij zelf in de afgelopen jaren genomen om te voorkomen dat krasloten gebruikt worden als techniek om geld wit te wassen? Zijn er ook maatregelen genomen specifiek gericht op het tegengaan van de verkoop van winnende krasloten?

Hoe screent de Nationale Lotterij precies op witwaspraktijken? Welke maatstaven worden bij een screening gebruikt om iets als verdacht te merken? Volstaat de huidige screening van de Nationale Lotterij volgens u?

Wat is volgens u de rol van banken in het genoemde en in gelijkaardige dossiers? Welke rol zouden zij moeten spelen?

Voorzitter:

Mijnheer Van Hoecke, ik nodig u alvast uit naar de bijzonder boeiende hoorzitting, binnenkort, over dit onderwerp.

Kemal Bilmez:

Monsieur le ministre, nous apprenons dans le journal "Le Soir" du 17 janvier dernier que la BNB a lancé une enquête sur le rôle de la banque ING dans l'affaire Reynders. En effet, c'est auprès de cette banque que Didier Reynders avait effectués pendant une dizaine d’années des dépôts en liquide pour un montant avoisinant les 800.000 euros.

Selon ce qu'on lit dans la presse, le problème est grave: les dépôts en cash de M. Reynder aurait commencé en 2018, mais la banque ne transmettra aucune déclaration de soupçons à la Cellule de traitement des informations financières (Ctif) avant l’année 2023: à cette date, l’enquête judiciaire qui allait déboucher le 3 décembre dernier sur les retentissantes perquisitions avait déjà commencé.

Voici donc mes questions:

- En tant que personne politiquement exposée (PEP), Didier Reynders n'aurait pas dû faire l’objet d’une "vigilance accrue" des services de conformité et anti-blanchiment?

- Quels sont les paramètres que les banques doivent respecter pour signaler de manière tempestive ce genre de manoeuvres suspectes? Est-ce qu'elles sont tenus de faire un signalement si ces malversations dépassent certains montants où se prolongent dans le temps?

Voorzitter:

À ces questions jointes, j'ajouterai la question n° 56002172C de Mme Sarah Schlitz sur "la lutte contre la fraude via les jeux de hasard", car c'est plus ou moins le même sujet.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, concernant le blanchiment d’argent à travers les jeux de hasard, dans plusieurs pays, des moyens innovants sont mis en place pour encourager la transparence fiscale et lutter contre la fraude. Un exemple répandu consiste à organiser une loterie liée au ticket de caisse TVA, dans laquelle les consommateurs sont incités à réclamer leur reçu pour pouvoir participer à un tirage au sort. Ce dispositif, adopté dans des É tats membres de l’Union européenne, comme le Portugal ou la Slovaquie, vise à réduire les flux financiers non déclarés, tout en sensibilisant les citoyens à l’importance de demander des justificatifs.

En Belgique, les affaires récentes que nous évoquons aujourd’hui ont lourdement mis en lumière certaines failles dans le contrôle des flux financiers et des pratiques qui pourraient contribuer au blanchiment d’argent. Dans ce contexte, renforcer les mécanismes de traçabilité financière devient essentiel pour éviter que d'autres personnes très riches puissent blanchir leur argent en toute impunité.

Monsieur le ministre, cette mesure a-t-elle déjà été étudiée en Belgique? Si oui, quelles conclusions en ont-elles été tirées? Dans la négative, pensez-vous pouvoir envisager une loterie avec les tickets de caisse TVA pour lutter contre la fraude fiscale, ou songez-vous à d’autres pistes?

Vincent Van Peteghem:

Mijnheer de voorzitter, u las jeux de hasard en u hebt beide vragen aan elkaar gelinkt, hoewel ze totaal niet aan elkaar zijn gelinkt. Niettemin zal ik proberen ze samen in één antwoord te beantwoorden.

Collega’s, met betrekking tot de eerste vragen die zijn gesteld, wil ik uiteraard graag verwijzen naar de nota van de raad van bestuur van de Nationale Loterij, die ter inzage ligt bij de griffier van de Kamer. Daarin staan grote delen van de antwoorden op de vragen die u hebt gesteld. In navolging daarvan wil ik niettemin enkele van uw vragen trachten te beantwoorden, uiteraard altijd in de context van het lopende gerechtelijk onderzoek.

Ten eerste, over de rol van de Nationale Loterij kan ik duidelijk zijn. Transparantie en een veilige speelomgeving zijn primordiaal en onontbeerlijk voor de werking van de Nationale Loterij en voor het aanbod aan loterijspelen, waaronder ook de krasloten vallen. De Nationale Loterij treft derhalve verschillende maatregelen ter sterke ontmoediging en bestrijding van eventuele financiële criminaliteit. Een aantal van die maatregelen, zoals het duidelijk aangeven van het lotenplan, een gemiddelde terugbetaling die fors lager ligt dan bij de privéspelers, een maximumstortingslimiet van 500 euro per week, alsook de controle en screening van risico-elementen, werden besproken in de nota waarnaar ik daarnet verwees.

Ten tweede, ik wil graag verduidelijken dat de Nationale Loterij voor haar loterijspelen niet onderhevig is aan de meldingsplicht aan de CFI, maar dat de Loterij wel wettelijk aangifteplichtig is onder het Wetboek van strafvordering, wat zij in de bewuste zaak ook heeft gedaan met de melding aan het federaal parket.

De CFI verwees in haar jaarverslag 2020 voor het laatst naar het gebruik van kansspelen. Dat betreft de spelen die vallen onder het toepassingsgebied van de kansspelwetgeving, zijnde casino’s, speelhallen en sportweddenschappen.

De CFI kaart in haar publicaties geenszins systematisch het gebruik van krasloten aan als problematisch. Daarenboven moet elke handelaar in België, ongeacht of het nu gaat over krasloten van de Nationale Loterij dan wel over groenten en fruit, voldoen aan de antiwitwaswetgeving. Zij mogen ook maximaal 3.000 euro contante betalingen verrichten en ontvangen.

Ik benadruk nogmaals dat de Nationale Loterij in de besproken zaak naar wens heeft gehandeld en aangifte heeft gedaan, wat ook door de onafhankelijke instanties, zoals het parket, wordt bevestigd.

Dat er zelden iets verdachts wordt vastgesteld door de Nationale Loterij impliceert geen lakse controle, maar heeft natuurlijk te maken met het feit dat loterijspelen vanwege hun aard en de reeds aangehaalde maatregelen weinig aantrekkelijk zijn voor witwassen.

Dan kom ik tot de rol van het toezicht door de Nationale Bank en de rol van ING. Op grond van het beroepsgeheim van de Nationale Bank en het geheim van het lopende gerechtelijk onderzoek kan niet worden ingegaan op het concrete dossier. Wel kan worden bevestigd dat overeenkomstig de antiwitwaswetgeving financiële instellingen bij de CFI een melding moeten doen wanneer zij weten, vermoeden of redelijke grond hebben om te vermoeden dat verrichtingen verband houden met het witwassen van geld. In deze context en in al haar onafhankelijkheid vervult de Nationale Bank haar toezichtrol en gaat ze over tot eventueel onderzoek.

Concernant le fonctionnement de la CTIF, celle-ci est indépendante et autonome sur le plan opérationnel, ce qui signifie qu'elle a l'autorité et la capacité nécessaire pour exercer librement ses fonctions, y compris celles de décider d'une manière autonome d'analyser, de demander et de transmettre les informations spécifiques qui lui sont communiquées en vertu de la loi anti-blanchiment de 2017. Cette indépendance et cette autonomie de fonctionnement sont ancrées dans la réglementation internationale et européenne.

La Belgique fait actuellement l'objet d'une évaluation de l'ensemble du dispositif de lutte contre le blanchiment et le financement du terrorisme par le Groupe d’action financière (GAFI). Le fonctionnement des cellules de renseignement financier telles que la CTIF fait partie de cette évaluation par des experts financiers indépendants.

Pour garantir cette autonomie et cette indépendance, le contrôle du ministre de la Justice et du ministre des Finances sur la CTIF est un contrôle purement administratif. La CTIF adresse cependant chaque année un rapport annuel d'activité à ses ministres de tutelle, qui leur permet de contrôler le travail de la CTIF.

Les membres de la CTIF et de son personnel sont soumis à un secret professionnel strict et ne peuvent divulguer les informations recueillies dans l'exercice de leurs fonctions. La CTIF ne peut commenter des dossiers qu'elle aurait transmis aux autorités judiciaires et qui sont en outre soumis au secret de l'instruction, ce qui s'applique évidemment aux ministres compétents. Pour toute question relative au parquet, je vous renvoie au ministre de la Justice.

Wat de fraudebestrijding in de horeca en de witte kassa betreft, zijn er al heel wat stappen gezet en zijn er al belangrijke maatregelen genomen.

Il est exact que, dans certains pays, l'organisation d'une loterie avec des tickets de caisse, des souches TVA ou des factures est utilisée comme outil de dissuasion de la fraude. Jusqu'à présent, aucune proposition concrète dans ce sens n'a été développée en Belgique. En 2010, M. Didier Reynders, alors ministre des Finances en charge de la Loterie Nationale, "a lancé la suggestion que la Loterie Nationale examine la faisabilité d'une telle proposition."

La Cour des comptes a déjà soulevé cette piste de réflexion en 2019. Je chargerai donc mon administration d'étudier plus avant les chances de succès de cette opération en tenant compte des expériences étrangères et, dans ce contexte, de consulter également la Loterie Nationale.

Sofie Merckx:

Monsieur le ministre, en gros, ce qui me frappe dans ce dossier, c'est que chaque fois, nous devons tout apprendre par la presse. Le 12 décembre, M. Hedebouw vous pose la question: y a-t-il eu ou non signalement d'une banque à la CTIF? Vous ne répondez pas, et finalement, nous l'apprenons par la presse.

Concernant la question précise que nous posons, c'est tout de même vous qui êtes responsable de l'application de la loi sur le blanchiment d'argent dans ce pays. Qu'apprenez-vous de ce cas? Cela a-t-il bien fonctionné ou pas? J'aurais voulu que vous me fournissiez une réponse en tant que ministre. La Loterie Nationale a fourni une explication détaillée, précise, suite à cette affaire; nous savons quels ont été les signalements et les raisons des signalements. Par contre, pour ce qui est des banques, nous n'avons rien, aucune explication. Et vous trouvez cela normal! Je pense qu'en tant que ministre responsable, vous pourriez au moins les inciter à donner les explications nécessaires, suite à l'éclatement de cette affaire, comme la Loterie Nationale l'a fait.

En tout cas, je trouve que c'est vraiment parlant de voir comment les choses fonctionnent. Nous avons encore vu le cas précédemment. Quand il s'agit d'un scandale au CPAS d'Anderlecht, le président du CPAS est convoqué ici, et avec raison bien sûr, pour donner des explications précises. Mais ici, dans cet autre cas, il n'y a pas d'autres explications. Nous avons même un ministre qui ne dit rien sur le sujet. C'est quand même un scandale grave, monsieur le ministre! Il aurait déposé 800 000 euros de cash et vous dites que c'est comme ça, et vous nous donnez les explications de la Loterie. Je n'ai pas demandé les explications de la Loterie, mais les explications sur les banques. La question principale est: est-il normal qu'ING ait attendu cinq mois? Vous avez fourni une explication vague. Nous voulons une explication précise. Nous devrions la demander normalement à ING, comme le président l'a promis aujourd'hui. ING sera entendu ici. Nous leur poserons donc la question, mais vous aussi, normalement, vous devriez nous fournir des réponses plus précises, monsieur le ministre.

Alexander Van Hoecke:

Dank u voor uw uitgebreide antwoord. Het ging om heel wat vragen tegelijk. Het is zeer goed dat we de hoorzitting waarnaar de voorzitter verwees organiseren en dat we daar uitgebreid de tijd voor nemen.

Ik wil even terugkomen op wat u zei over de kansspelen en dat de CFI in haar publicaties die niet systematisch als problematisch bestempelt. Heel wat experten en buitenlandse voorbeelden wijzen erop dat er wel degelijk systematisch misbruik is en dat er wel degelijk structuren bestaan die vatbaar zijn voor misbruik.

Ik betreur dat u weinig verhelderend bent over de rol die banken hierin spelen, waarover mijn laatste vraag ging. Maar goed, daarvoor hebben we de hoorzittingen. Het zal uiteindelijk ook een uitdaging zijn voor de volgende regering om na te gaan hoe de kwestie het best wordt aangepakt.

Kemal Bilmez:

Ik sluit me aan bij mevrouw Merckx en ik kijk reikhalzend uit naar de hoorzitting, waarbij we ING sowieso zullen horen over hun procedures rond antiwitwaspraktijken.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, je vous remercie de vos réponses.

De toenemende agressie tegen cipiers
De recente incidenten in de gevangenis te Wortel
Geweld tegen cipiers in Vlaamse gevangenissen

Gesteld aan

Paul Van Tigchelt (Minister van Justitie en Noordzee)

op 23 januari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De escalerende onveiligheid voor gevangenispersoneel – zowel binnen als buiten de muren (brandstichtingen, geweld, intimidatie) – wordt veroorzaakt door overbevolking, drugs, wapenhandels en een tekort aan straffe handhaving, terwijl geïnterneerden (nu >1000) een derde van de agressie-incidenten veroorzaken. Minister Van Tigchelt wijst op genomen maatregelen (strengere straffen, *jamming* van gsms, drugsdetectie, isolatieregimes voor zware criminelen), maar erkent dat geïnterneerden en georganiseerde misdaad de kernproblemen blijven, met beperkte oplossingen door gebrek aan capaciteit en samenwerking met Volksgezondheid. Oppositie (Yzermans, Dillen) eist onmiddellijke, integrale actie: versnelde rechtspraak, hardere straffen voor geweld, betere controles en structurele drukverlichting, met waarschuwingen dat het systeem op instorten staat en vakbonden dodelijke slachtoffers vrezen zonder ingrijpen. De politieke verantwoordelijkheid om het tij te keren wordt benadrukt, maar concrete doorbraken blijven uit.

Alain Yzermans:

Mijnheer de minister, het is steeds vaker de bittere en enige realiteit dat de mensen die ons beschermen door onze gevangenissen te bewaken, nergens veilig zijn, angst hebben op het werk en ook thuis geconfronteerd worden met een aanval op hun familie. De situatie is niet nieuw. De spanning voor ons gevangenispersoneel is enorm, de veiligheid van medewerkers en gevangenen staat op het spel en de oplossingen blijven uit.

Mijnheer de minister, uw voorganger communiceerde fors dat alle straffen zouden worden uitgevoerd, maar de problemen zijn alleen maar toegenomen. De overbevolking toont aan dat forse communicatie niet helpt. De verantwoordelijkheid rust nu op uw schouders. U werkt inderdaad aan meer plaatsen in de gevangenis, maar het vordert niet snel genoeg. Geweld en intimidatie zijn hiervan het resultaat. Molotovcocktails aan de deur van de cipiers, brandende auto’s en agressie vormen het dieptepunt. Voor Vooruit is dat onacceptabel.

Zij die ons beschermen, verdienen onze volledige bescherming. Het hele systeem, van de politie over de magistraten tot de cipiers, die enkel hun plicht vervullen, staat onder druk. De cipiers komen terecht op straat, dat is logisch, maar het is onvoldoende. De politiek moet oplossingen bieden, de pauzeknop indrukken of op de volgende regering wachten is immers geen optie.

Mijnheer de minister, wat kunt u doen voor die mensen, die helden?

Marijke Dillen:

Mijnheer de minister, in de gevangenis van Wortel werden cipiers in twee spuwincidenten op een heel ongepaste en agressieve wijze behandeld. Een maatschappelijk assistent in Antwerpen werd aangevallen en verkracht. In Turnhout raakte een cipier zijn oog kwijt en een andere heeft gescheurde pezen en een gebroken oogkas. Er werd een molotovcocktail gegooid naar de voordeur van een cipier in Haren. Een cipier van Leuven-Centraal zag zijn wagen in vlammen opgaan en kreeg een dreigbrief. Dat zijn maar enkele voorbeelden uit een heel lange lijst van agressieve incidenten tegen cipiers. Elke dag is er wel ergens in een gevangenis agressie. Niet meer alleen binnen de gevangenismuren, maar ook in hun privésfeer worden cipiers alsmaar vaker en agressiever bedreigd.

De cipiers mogen echter niet hard optreden tegen gedetineerden, er zijn veel te weinig controles op drugs en wapens en de gedetineerden worden amper of niet gestraft. Hierin moet verandering komen. De oorzaken van de toenemende agressie zijn bekend: de overbevolking, het steeds groter wordend drugsprobleem en het personeelstekort. Het resultaat daarvan is dat de toestand in de gevangenissen onhoudbaar is en de werkomstandigheden voor het personeel onaanvaardbaar zijn.

Mijnheer de minister, hoe zult u eindelijk paal en perk stellen aan alle vormen van terreur tegen het gevangenispersoneel? Het is de hoogste tijd. Het is niet vijf voor twaalf, maar al heel lang vijf over twaalf.

Paul Van Tigchelt:

Mijnheer Yzermans, mevrouw Dillen, ons gevangenispersoneel moet al langer in moeilijke omstandigheden werken. Nu blijkt dat personeelsleden ook buiten de gevangenismuren slachtoffer worden, aangezien in de voorbije drie maanden drie wagens van cipiers in brand werden gestoken en vernield.

De strijd die wij tegen de zware en georganiseerde misdaad voeren, is daar volgens mij niet vreemd aan. Momenteel zitten meer dan vijfduizend drugscriminelen in onze cellen en daar zitten ook zware jongens tussen, maffiosi die voor niets terugdeinzen en hun criminele handel vanuit de gevangenis voort willen zetten, vaak ten koste van ons personeel.

In de voorbije jaren en maanden hebben we daartegen opgetreden. Wij hebben de straffen voor geweld tegen cipiers opgedreven met het nieuwe Strafwetboek. Collega Yzermans, in de commissie voor Justitie signaleerde ik al dat enkele verdachten van de brandstichtingen ondertussen zijn gearresteerd. Er lopen grondige onderzoeken om de verantwoordelijken van die zware geweldsfeiten bij de lurven te vatten. Bovendien hebben we een bijzonder veiligheidsregime ingevoerd, goedgekeurd in de Kamer in mei, om zware jongens beter te controleren en te isoleren.

Begin dit jaar, enkele weken geleden, heb ik binnen de marge van het regime van lopende zaken ook een project opgestart om op een technisch verantwoorde manier het gsm-gebruik in de gevangenissen onmogelijk te maken door jamming , waardoor gsm-signalen geblokkeerd worden. Het gevangenissysteem beschikt over toestellen om gsm's op te sporen, maar persoonlijk geloof ik meer in de werkzaamheid van jamming .

Daarnaast hebben we ook een nieuw drugsdetectietoestel, state-of-the-art, in werking, en we hebben nog negen toestellen bijkomend aangekocht om drugs effectief op te sporen in de gevangenis, want drugs in de gevangenis zijn en blijven een groot probleem.

Maar laten we wel wezen, het grootste probleem voor de veiligheid van ons personeel zijn nog altijd de geïnterneerden. Het aantal geïnterneerden is de voorbije jaren gestegen van vijfhonderd naar meer dan duizend. Uit de statistieken blijkt dat zij verantwoordelijk zijn voor een derde van de gevallen van agressie.

Collega Yzermans, het is wat het is. Hoe dan ook, dat is niet alleen een probleem van Justitie, maar ook van Volksgezondheid, waar we evenmin veel beterschap zien. De komende jaren moet er vooral werk van worden gemaakt dat de geïnterneerden uit onze gevangenissen worden gehaald. Zij zitten daar niet op hun plaats. Ons personeel is daar bovendien niet voor opgeleid.

Alain Yzermans:

Ik zeg niet dat u wegkijkt. Ik denk dat er een sense of urgency is voor de bescherming van ons personeel. Er is nood aan een en-enoplossing. De behandeling van dossiers loopt vertraging op, men moet eindeloos wachten op gerechtigheid, er is sprake van brutaal geweld in de gevangenis, magistraten worden geïntimideerd, cipiers krijgen te maken met brandbommen voor de deur, kortom, het hele systeem staat op ontploffen. Niemand mag de problemen vandaag onderschatten. De druk op onze gevangenissen moet worden verlicht met het oog op een veilige werkomgeving van onze cipiers. Dat vraagt een bijdrage van iedereen, van de nationale, maar ook van de lokale politiek.

Collega’s, het behoort tot onze verantwoordelijkheid om de ontsporende parallelle samenleving aan te pakken. De veiligheid van het personeel staat op de eerste plaats. Het is aan de volgende regering om te komen met een toekomstplan. (…)

Voorzitter:

Ik zou collega Yzermans willen verontschuldigen voor zijn aandrift. Hij hield zijn maidenspeech in de plenaire. En geef toe, die is veelbelovend. (Applaus)

Marijke Dillen:

Mijnheer de minister, het is een moeilijke problematiek, maar er zijn toch ook een aantal oplossingen. Laat strengere controles op drugs en wapens toe in de gevangenissen. Vandaag gebeuren die veel te weinig ondanks de maatregelen die u al hebt genomen. Zorg voor veel strengere straffen voor agressie door gedetineerden en dat in alle dossiers van agressie tegen cipiers. Er wordt daar vandaag inderdaad nog veel te laks in de gevangenissen mee omgesprongen. U moet de stijgende agressie een halt toeroepen. Als de regering de problematiek nog langer laat etteren, zullen onze gevangenissen ontploffen en zullen er doden vallen, aldus de vakbonden in hun duidelijke waarschuwing. U weigert naar de u inmiddels bekende voorstellen van het Vlaams Belang te luisteren. Ik hoop dat u wel naar die duidelijke noodkreet van de vakbonden en cipiers zal willen luisteren en eindelijk met echte kordate oplossingen voor de dag komt.

De dossiers over jihadistische terreur waarbij minderjarigen betrokken zijn
Het jaarverslag van de Veiligheid van de Staat (VSSE)
Jihadistische terreur en jaarverslag VSSE

Gesteld aan

Paul Van Tigchelt (Minister van Justitie en Noordzee)

op 23 januari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de alarmerende toename van jihadistische radicalisering onder minderjarigen (1 op 3 verdachten is jonger dan 18, met een jongste van 13), waarbij drie kwart van de terreurdossiers islamitisch geïnspireerd is—een scherpe oververtegenwoordiging ten opzichte van 8% moslims in België. Minister Van Tigchelt wijt de versnelde radicalisering aan sociale media en extremistische echokamers, benadrukt versterkte inlichtingendiensten (verdubbeld personeel, nieuwe bevoegdheden) en disruptieve acties (zoals de aanhouding van een 14-jarige rechts-extremist die dag), maar waarschuwt voor *lone actors* die onder de radar blijven. Safai eist ontneming van nationaliteit voor terugkerende IS-strijders (FTF’ers) en strengere maatregelen, terwijl Van Rooy de Koran en islamitische leer als bron van geweld aanhaalt en kritiseert dat facilitering van islam en lichte straffen het probleem verergeren. De focus ligt op preventie, snelle interventie en zero-tolerance voor terreurverheerlijking, met onduidelijkheid over concrete straffen voor de recent opgepakte Brusselse jihadcellen (18-jarige + drie minderjarigen).

Sam Van Rooy:

Mijnheer de minister, volgens cijfers van de Veiligheid van de Staat is niet minder dan één persoon op drie die de voorbije drie jaar een gewelddadige aanslag in België wilden plegen minderjarig. De jongste was amper 13 jaar. Ze doen vooral ook aan verheerlijking van geweld en kunnen – ik citeer de Veiligheid van de Staat – "levensgevaarlijk" zijn.

Soms plannen ze ook effectief een aanslag. Zo wilde recent een terreurcel van moslimextremisten een jihadaanslag plegen op een concert in Brussel. Deze islamitische terreurcel bestond uit een 18-jarige en drie minderjarigen. In maar liefst drie gevallen op vier, de overgrote meerderheid dus, gaat het om jihadistische moslimjongeren, dit terwijl ongeveer 8 % van de bevolking in dit land moslim is. De oververtegenwoordiging van jonge moslims in zaken van radicalisering en terreur is dus gigantisch. In 2024 was er trouwens in heel Europa een sterke toename van het aantal jihadistische dossiers en arrestaties.

Mijnheer de minister, wat is uw reactie op deze zorgwekkende bevindingen?

Hoe komt het volgens u dat de daders in terreurdossiers vaak minderjarig zijn en steeds jonger worden?

Hoe komt het volgens u dat in terreurdossiers de islamitische jihad enorm oververtegenwoordigd is?

Wat gebeurt er precies met minderjarige, soms piepjonge, moslims die jihadterreur verheerlijken?

Mijn laatste vraag is heel belangrijk voor onze veiligheid. Welke straffen riskeren of kregen de 18-jarige en de drie minderjarige moslims die een jihadaanslag probeerden te plegen op een concert in Brussel?

Darya Safai:

Mijnheer de minister, onze inlichtingen- en veiligheidsdiensten trekken aan de alarmbel. Terwijl alle ogen op Rusland gericht zijn wanneer het gaat over dreiging van spionage en sabotage, kunnen wij uit het jaarverslag van de Veiligheid van de Staat afleiden dat de belangrijkste terreurdreiging in ons land nog steeds uit de hoek van het islamisme komt.

Er was in 2024 een sterke toename van het aantal jihadistische dossiers en arrestaties. De Veiligheid van de Staat werd ook in toenemende mate geconfronteerd met dossiers over minderjarigen. Bijna één persoon op drie die tussen 2022 en 2024 gewelddadige acties in België beraamden, was jonger dan 18 jaar. Het gemiddelde was 16 jaar. De jongste persoon was amper 13 jaar oud.

Een andere bezorgdheid van de Veiligheid van de Staat vormen de foreign terrorist fighters (FTF) in Syrië. Het is een grote bekommernis dat die onder de radar zouden terugkeren naar België. Hun eventuele terugkeer, in combinatie met meer geradicaliseerde profielen hier bij ons, vormt een zeer gevaarlijke cocktail. Het is aan ons om onze samenleving hiertegen te beschermen.

Vandaar twee vragen aan u, mijnheer de minister. Welke concrete maatregelen werden er genomen tegen de toenemende mate van radicalisering bij minderjarigen?

Heeft de regering contacten gehad met de nieuwe autoriteiten (…)

Paul Van Tigchelt:

Mijnheer de voorzitter, collega's, we hebben deze discussie enkele weken geleden deels gevoerd in de commissie voor Justitie, maar dat was inderdaad voor de bekendmaking van het rapport van de Veiligheid van de Staat.

Mevrouw Safai, welke concrete maatregelen hebben we de voorbije legislatuur genomen? Dat zijn er nogal wat. Het belangrijkste is dat we het personeel van onze inlichtingendienst hebben verdubbeld. We hebben die dienst ook nieuwe wettelijke middelen in de strijd tegen het terrorisme gegeven. Dat is zeer belangrijk, dat is historisch en dat was ook broodnodig, want een sterke inlichtingendienst is geen luxe, maar een noodzaak. We waren op dat vlak het kneusje van de klas. Die tijd is voorbij. Onze inlichtingendienst is geprofessionaliseerd en dat was broodnodig. Dat blijkt ook uit het recente jaarverslag.

De Veiligheid van de Staat heeft haar handen vol, onder meer met de dreiging van extremisten op ons eigen grondgebied, niet in Syrië, niet in Irak, maar hier. We zien daar inderdaad een verontrustende toename van het aantal minderjarigen. U hebt het ook gezegd. Eén persoon op drie die in beeld komen is minderjarig. Hoe komt dat? Het is moeilijk om daar één verklarende factor voor te geven, maar wat zeker speelt, zijn de social media. We zien dat het radicaliseringsproces van dergelijke jongeren veel sneller verloopt dan vroeger. We spreken over maanden, soms over weken, maar soms zelfs over dagen. De ideologie is slechts een flinterdun jasje. Het verloop van het brainwashen van die jongeren via de extremistische echokamers gaat soms bijzonder snel.

Drie op de vier zijn van jihadistische strekking. Een kwart handelt uit rechts-extremisme of, wat ook in opgang is, een anti-establishment ideologie. Van linksextremisme is er momenteel minder sprake. De ideologie van het jihadistisch salafisme is verre van dood. IS en Al Qaida zijn niet dood. De propaganda, zowel oude als nieuwe, is nog steeds prominent aanwezig. IS heeft nog steeds vele fanboys, maar ook fangirls, die op het internet aanwezig zijn en die erin slagen om jongeren mee te slepen.

De OCAD-lijst telt momenteel een zeshonderdtal personen. Het merendeel daarvan is van de jihadistisch-salafistische strekking. Er staat ook nog een groot aantal foreign terrorist fighters op die lijst.

Wat wij moeten doen om problematische radicalisering tegen te gaan, is snel en disruptief optreden. Dat is wat de diensten doen, wat zij de voorbije maanden en jaren verschillende malen gedaan hebben. Zij treden snel en disruptief op. Wanneer op de sociale media berichten worden opgevangen over de aankoop van wapens of over het gebruik van geweld, aarzelen zij niet en treden zij op.

Collega’s, dat is ook vanmorgen nog gebeurd. Vanmorgen nog werd een 14-jarige jongen – zeg maar jongetje – van schijnbaar rechts-extremistische signatuur opgepakt. Hij zou een aanslag hebben willen plegen op een moskee.

De nachtmerrie van onze diensten blijft natuurlijk die ene lone actor , die niet op tijd op de radar komt. Daarom is het cruciaal dat alle betrokken partners alert zijn en blijven. We hebben daarvoor de LIVC's opgericht en daar…

Sam Van Rooy:

Mijnheer de minister, collega’s, ik citeer de Koran, soera 8, vers 12: "Ik zal terreur zaaien in het hart van de ongelovigen. Sla hun hoofd af, vermink al hun ledematen." De Koran en ook de Hadith roepen herhaalde malen op tot het minachten, haten, veroveren en doden van de niet-moslim. Uiteraard is niet elke moslim een fundamentalist of een terrorist, dat zou er nog maar aan mankeren.

Mijnheer de minister, wat ik echter niet hoor in uw betoog, is dat wie de islam massaal blijft binnenhalen en faciliteren en wie fopstrafjes geeft aan moslimfundamentalisten, het probleem alleen maar erger zal maken. Het is immers een wet van Meden en Perzen: wie islam zaait, zal sharia en haat blijven oogsten.

Darya Safai:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoorden. Het is een heel goede zaak dat de Veiligheid van de Staat de problematiek heel nauwkeurig opvolgt. Collega’s, dat zouden wij in het Parlement ook moeten doen. Dat is immers een belangrijke zaak voor de toekomst. Ik weet niet of de vivaldiregering van plan is de FTF’ers al dan niet terug naar hier te brengen. Ik wil echter absoluut benadrukken dat zij bij ons geen plaats hebben. Zij hebben ervoor gekozen ons land te verlaten en elders samen met de IS en andere islamisten de oorlog aan te gaan om het Westen te vernietigen. Hun nationaliteit moet worden afgenomen, zodat zij niet en nooit meer kunnen terugkeren.

De door Defensie toegekende dienstvrijstelling voor deelneming aan de betoging op 13 februari
De dienstvrijstelling voor militairen die op 13 februari willen betogen
De deelname van militairen aan de betoging van 13 februari
Het functioneren van minister Dedonder
De verzuchtingen van de militairen met betrekking tot hun statuut
De dienstvrijstelling voor militairen die op 13 februari aan de betoging willen deelnemen
De deelneming van militairen aan de pensioenbetoging
Dienstvrijstelling militairen voor betoging 13 februari, militaire statuut, functioneren minister Dedonder

Gesteld aan

Ludivine Dedonder, Alexander De Croo (Eerste minister)

op 23 januari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Dedonder (PS) verleende collectieve dienstvrijstelling aan Defensiepersoneel om te betogen tegen de geplande pensioenhervormingen van de onderhandelende partijen (MR, N-VA, Vooruit, cd&v), wat heftige kritiek uitlokte: oppositie en coalitiegenoten (waaronder premier De Croo) beschuldigen haar van machtsmisbruik in lopende zaken, budgettaire onverantwoordelijkheid (€5 miljoen) en het politiseren van het apolitieke leger, terwijl militairen traditioneel geen stakingsrecht hebben. Dedonder verdedigt haar beslissing als luisteren naar sociale onrust over pensioenkortingen en langere loopbanen voor militairen—wiens unieke statuut (24/7 beschikbaarheid, gevaren) volgens haar ondermijnd wordt door de geplande hervormingen, met risico’s voor werving en operationele capaciteit. Critici, zoals Francken (N-VA) en Ducarme (MR), eisen intrekking en dreigen met een vertrouwensmotie, terwijl Hedebouw (PTB) de betoging als legitiem verzet tegen "antisociale Arizona-plannen" omarmt. De kern van het conflict draait om de grens tussen democratisch protest en institutionele neutraliteit: mag een demissionaire minister militairen mobiliseren tegen een toekomstige regering? Dedonder benadrukt vrijheid van meningsuiting, tegenstanders zien partijdige manipulatie en veiligheidsrisico’s—met als onderliggende spanning de toekomst van Defensie in een context van dalende budgets, verouderd materieel en geopolitieke dreigingen (NAVO-eisen, Russische activiteit). De symbolische strijd—tussen respect voor militairen en politieke instrumentalisering—escaleert naar een constitutionele crisis, met dreigende juridische stappen en een polariserend debat over wie het leger eigenlijk dient: de staat, de regering, of de samenleving.

Denis Ducarme:

"Trop de testostérone, cela bousille les neurones!", "Blanche-Neige", "De Croo crosse Dedonder". La Force aérienne nous dirait peut-être que cela vole un peu trop bas, et elle aurait raison.

Madame la ministre, sans agressivité, aucune, sans personnalisation, je vais vous dire pourquoi, de notre point de vue, votre décision visant un octroi de dispense collective au personnel de la Défense pose six gros problèmes sur le plan démocratique.

Tout d'abord, pour ce qui est de la concertation, vous avez des prérogatives qui sont les vôtres. Néanmoins, nous sommes en affaires courantes et un certain nombre de ministres vous reprochent légitimement de ne pas avoir concerté cette décision.

Le fait que nous soyons en période d'affaires courantes implique une attitude de prudence et le premier ministre, lui-même, estime que vous n'avez pas respecté l'esprit des affaires courantes.

En outre, madame la ministre, vous êtes ministre démissionnaire depuis les dernières élections et vous plaidez contre les réformes qu'un autre gouvernement prépare et prenez position politiquement comme ministre. Vous transgressez pleinement votre devoir de réserve car vous n'avez plus la légitimité politique et vous poussez finalement à la grève. C'est le quatrième point qui pose problème car les personnes qui ne veulent pas faire grève devront faire une démarche administrative tandis que celles qui feront grève ne devront faire aucune démarche administrative.

C'est un problème au-delà du cinquième point, la prudence budgétaire. Avez-vous seulement une idée, madame la ministre, de ce que cette dispense de travail coûte? Cinq millions d'euros, madame la ministre! Cinq millions d'euros! Vous êtes dans l'obligation d'une prudence budgétaire.

Par ailleurs, vous (…)

Franky Demon:

Mevrouw de minister, de vivaldiregering is nog niet weg en er vallen al enkele PS-lijken uit de kast. Eerst was er de uitkeringsfraude in Anderlecht, dan kwamen de scheurtjes in de pantservoertuigen van Flahaut en nu is dit er. Intussen bent u al meer dan vier jaar minister van Defensie en men mag van u verwachten dat u een aantal basisprincipes kent.

Ten eerste hebben militairen door hun statuut nu eenmaal geen stakingsrecht, een recht dat ik overigens volledig onderschrijf. Dat heeft te maken met de eigenheid van hun job.

Ten tweede zijn militairen politiek neutraal. Ze dienen het land en niet de partij die de minister van Defensie levert, gelukkig maar.

Laat net deze twee principes nu als het ware de basis zijn van uw beslissing, die mijns inziens platgestampt is. U ontkent zelfs niet eens dat ze dient om militairen te laten betogen in Brussel. Uw beslissing is met andere woorden politiek geïnspireerd en komt volgens mij neer op het misbruiken van militairen voor uw eigen politieke agenda. Daar bestaat een woord voor: machtsmisbruik. U vindt bovendien dat u die beslissing kunt nemen in lopende zaken. Me dunkt bent u daar nu helemaal niet meer bevoegd voor en ook eerste minister De Croo vindt dit.

Wij vragen u klaar en duidelijk maar een ding: trek uw beslissing in om alle militairen een dag dienstontheffing te verlenen.

Raoul Hedebouw:

Madame la ministre, les partis MR et Les Engagés sont en train de négocier un accord. Les notes sont en train de sortir avec tout ce qu'il y a dans cet accord. Je vais citer ce qu'elles comprennent parce que le monde du travail a le droit de savoir.

Sabotage de l'indexation des salaires, invoering van een pensioenmalus om iedereen langer te laten werken voor minder pensioen, fin des régimes de prépension, afbreken van de pensioenen van de werknemers in de publieke sector, travail intérimaire à durée indéterminée – allez le MR et le cdH! –, honderden miljoenen besparen op onze gezondheidszorg en publieke diensten, non-indexation des allocations sociales, afschaffing van de nachtpremies tussen 20 uur en middernacht – N-VA, daar gaan jullie allemaal voor! –, attaques violentes contre les travailleurs malades et sans emploi, suppression de l'interdiction du travail du dimanche, maatregelen om het sociaal protest de mond te snoeren – Vooruit, willen jullie daarvoor gaan? Komaan, zeg! – en lachwekkend kleine bedragen voor de superrijken.

Chers collègues, les travailleurs sont en colère avec de telles mesures.

Il y aura plein de monde le 13 février à Bruxelles. Et vous avez les chocottes! Bien sûr, regardez l'arrogance de la droite!

Les militaires belges demandent du respect. Leur métier n'est pas reconnu comme pénible par le MR. N'avez-vous pas honte, monsieur Ducarme? N'avez-vous pas honte de ne pas avoir du respect pour les militaires? Ils demandent le droit de dénoncer le fait que vous voulez les faire travailler plus longtemps, pour moins de salaire. Monsieur Ducarme, vous devriez avoir honte! Ils doivent bosser 24 heures pour gagner 12 heures de salaire! Êtes-vous d'accord avec cela? C'est incroyable! Et au lieu de les respecter, le MR veut leur interdire d'exprimer leur voix, d'exprimer leur désaccord avec votre mesure de mépris! Moi je dis qu'ils ont le droit de manifester le 13 février à Bruxelles et ils seront nombreux!

Madame la ministre, pouvez-vous garantir que ce droit est donné à tous les travailleurs belges? Pouvez-vous garantir que le droit est donné aux militaires de dire au MR et aux Engagés qu'ils ne veulent pas de leur plan de pension?

Theo Francken:

Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, de nieuwe secretaris-generaal van de NAVO Mark Rutte deed volgende uitspraken: "Verhuis naar Nieuw-Zeeland of leer Russisch spreken." We horen alle dagen alarmsignalen alom over hybride oorlogvoering, over de vele cyberaanvallen – met de commissie bezochten we gisteren het Cyber Command – , over sabotageacties – gisteren werd een schip in Het Kanaal tegengehouden door de Britten op basis van een mogelijke sabotage- of spionageactie van een Russische schaduwvloot –, de melding van Donald Trump om 5 % van het bbp aan de NAVO te spenderen terwijl Rutte spreekt over 3,5 %.

In België is de situatie redelijk dramatisch. We kregen het nieuws van de Piranha's met de scheurtjes, van de kanonnen die tot het einde van het jaar niet inzetbaar zijn. We hebben het verhaal van de Pandur en het verhaal van het budget, met een daling van 1,29 %, terwijl de hele wereld investeert in defensie. De daling van het defensiebudget is onverantwoord en de situatie is zeer ernstig: geen zware kanonnen, geen zware artillerie, geen drones – dankzij de resolutie van Peter Buysrogge komt er na jaren werk eindelijk bewapening op onze drones – en geen luchtafweergeschut. Onze Belgische strijdkrachten zijn niet klaar voor de toekomst en er moet dringend meer geïnvesteerd worden.

Mevrouw de minister, wat doet u? U neemt de beslissing om te gaan betogen tegen de volgende regering, die er nog niet is, en haar pensioenplannen, die er nog niet zijn. Ik begrijp dat u inzit met het pensioenstelsel van de militairen, ik zit er ook mee in. Het is belangrijk dat we onze militairen goed omkaderen, een goed statuut geven, maar na vele jaren van stilstand moet er over die harmonisering van de pensioenstelsels ook gesproken kunnen worden.

Mevrouw de minister, uw beslissing voor die dienstvrijstelling is niet genomen binnen de regering. Wat zult u doen en wat is uw standpunt in de regering morgen op de (…).

Annick Ponthier:

Mevrouw de minister, op 13 februari wordt opnieuw een manifestatie georganiseerd ter bescherming van de openbare diensten. Tussen de manifestanten zullen net als vorige keer vele militairen zitten. De pensioenplannen van de onderhandelende arizonapartijen hangen hen immers als een zwaard van Damocles boven het hoofd. De pensioenleeftijd zou opgetrokken worden en ze zouden beduidend langer moeten werken voor een gevoelig lager pensioenbedrag. De tweede pensioenpijler wordt hen ontzegd en gedurende de loopbaan zijn de omstandigheden van die aard dat een militair voor veel gepresteerde uren, in opdracht of op training, niet vergoed wordt. Als de plannen zoals ze nu voorliggen worden uitgevoerd, hoeft het dus niet te verbazen dat het geduld van de militairen met hun gekende can-domentaliteit langzaam maar zeker op geraakt.

Het Vlaams Belang heeft het volste begrip voor de militairen die zich verzetten tegen deze plannen en hun stem willen laten horen, maar in plaats van een algemene dienstvrijstelling aan te kondigen, had uw partij de militairen de voorbije decennia misschien beter wat meer versterkt.

Dat er nu tussen de uittredende vivaldiregering en de onderhandelende arizonapartijen politieke spelletjes worden gespeeld op de kap van onze militairen is voor ons totaal onaanvaardbaar. Mevrouw de minister, het blijkt overigens over een eenzijdig genomen beslissing te gaan, want de inkt van uw persbericht was nog niet droog of u werd al teruggefloten door premier De Croo.

Mevrouw de minister, ik heb maar een vraag voor u: hoe verantwoordt u uw keuze?

Kjell Vander Elst:

Mevrouw de minister, eerst en vooral, welkom terug. Het is een tijdje geleden dat we u hier hebben gezien. Het is ook een tijdje geleden dat u aanwezig bent geweest in de commissie voor Landsverdediging. Gelukkig is die commissie niet blijven stilzitten en is zij wel blijven werken. Ik had u bijna als vermist opgegeven, maar ik heb u gelukkig teruggezien op de betoging. Ik heb vernomen dat u mee hebt betoogd. Hier was u dus niet.

Vorige week heb ik de boodschap gebracht dat de Russen aanwezig zijn in onze Noordzee. Er bevinden zich bijzonder veel Russische schepen in de Noordzee voor onze Belgische kust. De NAVO bombardeert ons ondertussen met oproepen om ons deel te doen binnen de NAVO-instelling en onze defensie-uitgaven fors op te krikken.

Men zou denken dat dat voer genoeg was voor een debat met de minister van Defensie, maar het bleef muisstil. Nee, uw enige antwoord op alle problemen waarmee onze Defensie momenteel kampt, is een algemene dienstvrijstelling voor heel het leger. Op 13 februari heeft het land volgens u blijkbaar geen leger nodig. Nee, u hebt het leger nodig om te gaan betogen.

Mevrouw de minister, ik hoop dat u beseft dat u onze militairen inzet voor politieke spelletjes. Welk signaal denkt u nu immers te geven aan de bevolking? U geeft het leger een dagje verlof, u maakt zich snel nog even populair op het moment dat u in de oppositie moet duiken. Hoe denkt u dat dat internationaal wordt bekeken? Hoe denkt u dat de NAVO naar ons kijkt? Denkt u nu echt dat de bevolking en onze militairen dat politieke spelletje niet doorzien?

Ik heb maar een vraag voor u, mevrouw de minister. Hoe haalt u het in uw hoofd om in lopende zaken op zo’n platte manier aan zelfbediening te doen?

Philippe Courard:

Madame la ministre, je m'étonne quelque peu de voir le désarroi de certains partis par rapport à une décision qui, somme toute, semble évidente. Nous vivons une situation particulière. Nous sommes bientôt prêts à inaugurer le gouvernement qui va faire le plus mal dans l'histoire de la Belgique. Il va s'attaquer aux pensions, aux malades, aux plus faibles, et il va surtout s'attaquer à la classe moyenne, cette classe moyenne auprès de laquelle on a fait beaucoup de publicité pendant la campagne électorale. Cette classe moyenne va bientôt savoir à quel point elle va être mangée, tellement son pouvoir d'achat sera différent de celui qui a été promis. Soyons patients quelques jours ou quelques semaines.

Mais on n'est pas là pour parler de cela, mais bien des militaires. Ces femmes et ces hommes, ce personnel de la Défense travaillent sans compter leurs heures et n'ont pas le même statut que les autres travailleurs parce que leurs missions sont spécifiques; ce sont des gens qui risquent leur vie et qui font des missions délicates. L'avenir ne s'annonce pas rose. Dès demain, les choses seront encore plus compliquées pour ce personnel. Comme l'a dit M. Francken et d'autres, il y a des échéances qui font peur. Et nous devrons, demain, pouvoir compter sur ces femmes et sur ces hommes.

Et que leur dit-on pour les encourager à poursuivre leur investissement, à poursuivre ce travail au service de notre pays, et à nous défendre? On leur dit: "Vous allez travailler dix ans de plus, comme tout le monde. Vous le méritez!" C'est scandaleux! Nous ne pouvons pas, au Parti Socialiste, accepter une telle attitude. C'est donc un minimum de permettre à ces femmes et à ces hommes de manifester, de crier leur désarroi, de vous rappeler ce qu'ils font et le service qu'ils rendent à la population. Cela ne changera probablement pas les choses, puisqu'il y a une majorité importante pour décider autrement. Je ne vois vraiment pas pourquoi on s'offusque ici de donner cette possibilité aux militaires.

Madame la ministre, cette manifestation va-t-elle créer un problème de sécurité collective? (…)

Ludivine Dedonder:

Geachte leden, de dienstontheffing is een reactie op een schriftelijke vraag van het VSOA-Defensie, dat de bezorgdheid bij het personeel van Defensie vertolkt over hun toekomst, hun gevoel niet te worden gehoord en de behoefte om naar hen te luisteren.

Ik heb op die vraag positief gereageerd na een zorgvuldige evaluatie van de impact op basis van een gedetailleerd advies van Defensie. In overeenstemming met het arbeidsreglement kan een dergelijke collectieve dienstontheffing door de minister van Defensie worden toegekend. Ik heb er ook over gewaakt dat de werking van ons departement gewaarborgd blijft. De essentiële missies voor de veiligheid van ons land worden uiteraard zonder enige onderbreking voortgezet. De beslissing kan ook worden herzien indien zich op nationaal of internationaal grondgebied een crisissituatie voordoet die het optreden van Defensie vereist.

Ik wil eraan herinneren dat een dienstontheffing elk personeelslid toelaat om een vrije dag te nemen. Dat geeft de vrijheid om zelf te kiezen en, indien gewenst, zijn of haar mening te laten horen zonder te staken.

Deze beslissing kadert volledig in mijn project van de voorbije jaren waarin ik het personeel, de drijvende kracht van elke organisatie, tot centrale prioriteit heb gemaakt. Door de sociale dialoog te herstellen en in overleg samen te werken, zijn we erin geslaagd om het departement weer een positief elan te geven. Dat heeft ongetwijfeld geleid tot een sterk toegenomen aantrekkingskracht, zoals blijkt uit het recordaantal sollicitanten en een percentage van ontslagen op eigen vraag dat tot de laagste op de arbeidsmarkt behoort. Naar aanleiding van die bezorgdheden, met name de optrekking van de pensioenleeftijd en de verlaging van het pensioenbedrag, heb ik al een aantal Kamervragen kunnen beantwoorden. Ook ik ben bezorgd.

Le régime préférentiel de pension des militaires s'explique par la nature même de leur métier et par un régime de travail unique. Qui, aujourd'hui, accepte d'être disponible 24 heures en étant rémunéré la moitié? Qui accepte de limiter ses droits civiques? Qui accepte d'être envoyé à tout moment dans des régions instables au risque de sa vie et de passer des mois loin de sa famille pour garantir notre sécurité à toutes et tous? Ce régime préférentiel de pension est l'engagement que l'État a pris pour compenser ces sacrifices individuels et familiaux, pour apurer la dette qu'il a envers les hommes et femmes de la Défense.

Si vous touchez au régime de pension sans adapter les conditions de travail, vous vous retrouverez inévitablement devant des difficultés sur le plan de l'attrait et face à des démissions, donc confrontés à un problème d'opérationnalité qui compromettra la sécurité de notre pays et de nos concitoyens. Si je sors quelque peu du cadre de vos questions, c'est pour vous montrer que les préoccupations ne sont certainement pas que d'ordre individuel ou de confort personnel, mais qu'elles portent bien sur des enjeux de sécurité nationale dans un contexte où l'on a besoin, plus que jamais, de se sentir protégés.

Je tenais également à vous dire que, selon moi, bien gouverner un pays revient à prendre des décisions adaptées, tout d'abord en écoutant et en entendant pour mesurer la portée des choix que l'on prendra. Aujourd'hui, je fais le désolant constat d'une divergence de vues politiques quant à ce droit à la liberté d'expression dans le chef du personnel de la Défense. J'ai reçu un courrier du premier ministre, auquel je répondrai bien évidemment. Quant à l'avis demandé aux services de la Chambre, j'en prendrai connaissance lorsqu'il sera disponible.

C'en est manifestement devenu une affaire d' État. Ma réponse positive à la demande de dispense qui m'a été adressée traduit ma compréhension des inquiétudes du personnel, que j'ai toujours soutenu et défendu, et, fidèle à mes valeurs, mon choix de les laisser, s'ils le souhaitent, exprimer leur voix dans le respect de la dignité – avec l'espoir, surtout, qu'ils soient entendus. Je me dis que tout l'arsenal politique et juridique qui est déployé aujourd'hui pour m'obliger à retirer cette dispense et, ainsi, empêcher, tant que faire se peut, le personnel de (…)

Denis Ducarme:

Ce qui se passe est assez grave sur le plan démocratique, parce que vous explosez le devoir de réserve lié au fait que vous êtes ministre démissionnaire. Vous utilisez les moyens mis à disposition par l' É tat pour porter, alors que vous êtes ministre démissionnaire, une politique d'ordre partisan.

Regardez les visages de vos collègues parlementaires du Parti Socialiste. Regardez-les, ils sont vraiment impatients que vous les rejoigniez sur les bancs de l'opposition socialiste. Mais allez-y! Là, vous pourrez défendre vos convictions! Comme ministre, vous avez un devoir de réserve.

Soyons très clairs: si vous n'avez pas retiré votre disposition dans les 24 heures, le Mouvement Réformateur demandera votre démission.

Franky Demon:

Mevrouw de minister, collega's, op dit moment wordt volop onderhandeld, ook over de pensioenen. Uiteraard hebben wij respect voor de pensioenrechten van de hardwerkende mensen, onze partij is daar absoluut heel gevoelig voor. Wij zullen daarvoor tot op het laatste moment vechten, weliswaar aan de onderhandelingstafel.

Militairen hier misbruiken voor politieke doeleinden zal ons zeker en vast niet helpen. Er zal bespaard moeten worden en dat zal niet aangenaam zijn, maar wij hebben hier begrip voor de militairen. Wij luisteren naar hun bezorgdheden. We zijn er zeker van dat zij het land dienen vanuit een engagement. Wij vragen dan ook om respectvol met hen om te gaan.

Raoul Hedebouw:

Maar enfin! Die nota's zijn uitgelekt en bevatten een hele lijst aanvallen tegen de werkende klasse in België, maar de werkende klasse zou niet mogen reageren? Keigrote aanvallen tegen onze militairen, die langer zullen moeten werken voor minder pensioen, maar die militairen zouden allemaal moeten zwijgen? Waar is jullie respect?

Mijnheer Francken, hoe durft u? Militairen gaan op missie en werken hard, maar voor de N-VA is dat blijkbaar geen probleem: steeds langer werken en een lager pensioen. Ze zouden bovendien allemaal moeten zwijgen. Hoe durft u het zwijgen op te leggen aan de militairen? Hoe durven jullie hen dat recht te ontnemen? Zij zullen zelf wel beslissen of ze opdagen voor een betoging.

Zijn jullie misschien bang, zitten jullie met de peut bij de N-VA, bij alle rechtse partijen? Zijn jullie bang dat er duizenden en duizenden mensen in Brussel zullen betogen? Wel, jullie hebben gelijk, want op 13 februari zullen tienduizenden mensen in Brussel zeggen: no way met die antisociale maatregelen van Arizona!

Theo Francken:

Mevrouw de minister, ik merk heel veel testosteron op in de zaal, langs alle kanten. Dat is interessant. De neuronen ontploffen.

Mijnheer Hedebouw, ik zit niet met de peut , helemaal niet. Ik vind dat militairen absoluut moeten kunnen zeggen dat ze niet akkoord gaan met iets; daarover gaat het niet. Het gaat over het feit dat bijna 200 jaar geleden werd afgesproken dat militairen niet kunnen staken. Dit wordt nu omzeild door de PS, op een in mijn ogen laaghartige manier. Het gebeurt vlak voor het einde van de periode, net voor een nieuwe ploeg begint, met een regeerakkoord waarin rekening wordt gehouden met die bekommernissen, mevrouw de minister. U zult het nog zien, wij zullen met een akkoord komen dat wel degelijk die evenwichten bewaart, maar dat ook een stuk hervormend en ambitieus is.

Ik heb absoluut respect voor onze militairen. Moeten ze zich kunnen uitdrukken? Absoluut, met heel veel plezier. Maar we moeten wel respect hebben voor het feit dat dit al 200 jaar zo is.

Mevrouw de minister, hetgeen u hebt gedaan (…)

Annick Ponthier:

Mevrouw de minister, de socialistische bazen blijven verbazen. Defensie wordt al decennia uitgekleed en uitgemolken, niet het minst door uw eigen partij, de PS. Net voor het doek valt over Vivaldi lijkt u nu plots een finaal slotspektakel te willen opvoeren. In tijden van enorm uitdagende geopolitieke spanningen is dat onverantwoordelijk.

Ik benadruk hier nogmaals dat het Vlaams Belang de bekommernissen en bezorgdheden van onze militairen ten volle deelt.

Voor de onderhandelende partijen heb ik nog volgende boodschap. Het militair beroep is zeer specifiek. De aantrekkelijkheid van dat beroep staat enorm onder druk en verdient daarom alle aandacht. Militairen staan dagelijks klaar voor onze veiligheid, op gevaar voor eigen lijf en leden. Zorg ervoor dat zij recht hebben (…)

Kjell Vander Elst:

Mevrouw de minister, u bent nu nog altijd verantwoordelijk voor de werking van ons leger. U bent nog steeds minister van Defensie, maar nu gedraagt u zich als een vakbondsmilitante. Terwijl Rusland in onze Noordzee aanwezig is, terwijl ons militair materieel met haken en ogen aan elkaar hangt, misbruikt u uw functie in lopende zaken, misbruikt u onze militairen, voor een zaak: pure populistische zelfbediening.

Ik heb zeer veel respect voor onze militairen. Ik heb zelfs respect voor hun bezorgdheden. Maar wat u vandaag doet, is cliëntelisme van de bovenste plank. Shame on you .

Philippe Courard:

Madame la ministre, merci. Merci pour tous les efforts que vous avez faits pendant cinq ans pour favoriser le déploiement du personnel militaire et civil. Dix mille personnes ont été engagées, c'est du jamais vu. On doit saluer ces efforts mais, comme cela a été dit, examiner le problème. Est-ce grave, sur le plan démocratique? Oui, c'est grave, d'empêcher les militaires de s'exprimer. C'est grave d'empêcher des Belges de pouvoir partager les difficultés, de s'opposer à des choses inouïes qui vont nuire gravement à la sécurité et à la paix. L'Arizona veut mitrailler le statut de nos militaires. Nous ne l'accepterons pas et nous serons aux côtés des militaires, vous pouvez compter sur le Parti Socialiste.

De kosten van de veiligheid in stations en de middelen voor een efficiënte en duurzame aanpak

Gesteld door

lijst: MR Gilles Foret

Gesteld aan

Georges Gilkinet

op 21 januari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om verhoogde veiligheid in Belgische stations, met focus op het nieuwe politiekantoor in Brussel-Zuid, betere verlichting, cameratoezicht en samenwerking tussen SNCB, Securail en politiediensten. Gilkinet benadrukt dat investeringen (o.a. meer Securail-personeel, beelduitwisseling met politie) en lokale aanpak (per station) cruciaal zijn, maar waarschuwt tegen overheveling van Securail naar Binnenlandse Zaken, om de mobiliteitslogica te behouden. Efficiëntie wordt gemeten via incidentenstatistieken, kostenbesparingen (minder vandalisme) en halfjaarlijkse veiligheidsenquêtes, met plannen voor uitrol naar andere grote stations zoals Luik-Guillemins en Antwerpen-Centraal. Foret onderstreept het belang van blijvende optimalisatie en evaluatie, ondanks de hoge kosten, om vertrouwen in het spoorwegnet te behouden.

Gilles Foret:

Monsieur le vice-premier ministre, l'ouverture récente du poste de police à la gare de Bruxelles-Midi marque une avancée significative en matière de sécurité pour les usagers et le personnel. Ce poste, pleinement opérationnel, répond à une demande croissante de visibilité et de réactivité policière dans l'une des principales gares du pays. Parallèlement, des mesures comme l'amélioration de l'éclairage, l'installation de mobilier adapté et la facilitation des échanges d'images entre la SNCB et les services de police montrent une volonté de renforcer la sécurité de manière globale.

La sécurité dans les gares est une priorité absolue pour beaucoup d'entre nous, mais elle doit s'accompagner d'une gestion rigoureuse des moyens alloués et d'une coordination optimale entre les parties prenantes.

Monsieur le vice-premier ministre, quel est le coût annuel global des mesures de sécurité dans les gares belges, et comment ces coûts sont-ils répartis entre la SNCB, les pouvoirs publics et les partenaires locaux?

Quelles mesures sont-elles envisagées pour évaluer l'efficacité des dispositifs de sécurité?

Envisagez-vous une extension des collaborations ou investissements similaires dans d'autres grandes gares belges, comme Liège-Guillemins ou Anvers-Central?

Je vous remercie pour les réponses que vous voudrez bien m'apporter.

Georges Gilkinet:

Monsieur Foret, la sécurité dans et aux abords des gares est effectivement un enjeu primordial, tant pour les voyageurs que pour le personnel. Il ne s'agit pas seulement de prévenir les risques, mais aussi de créer un environnement où chaque voyageur, membre du personnel ou passant se sent respecté et en confiance. Une collaboration efficace entre les différents acteurs assurant cette mission est indispensable.

La SNCB et le gouvernement investissent dans cette sécurité. Je peux vous citer, par exemple, l'augmentation du nombre de membres du personnel de Securail sous cette législature ou le financement, dans le cadre du budget 2024, de l'échange d'images entre la SNCB et les services de la police locale, avec une prise en charge structurelle qui permet d'identifier à distance la gravité d'un problème ou la nécessité d'une intervention.

Pour le reste, ce sont les services de la police locale et/ou fédérale, notamment la police des chemins de fer, dont le nombre de membres a également été augmenté, qui interviennent quand cela se justifie. C'est le cas notamment à la gare de Bruxelles-Midi, où nous avons décidé de réimplanter un commissariat, vu le nombre de voyageurs et le caractère international de la gare.

Pour permettre une bonne coopération, il est essentiel que la SNCB puisse disposer de son propre service de sécurité au sein de ses activités opérationnelles. Je m’adresse aussi à un des partis qui est en train de discuter de la formation d’un gouvernement. J’ai vu la tentation de placer les services de Securail sous la tutelle du ministre de l’Intérieur. Je ne suis pas sûr que ce soit une bonne idée. J’ai plutôt la conviction inverse. Il faut que les services de Securail restent attachés à l’entreprise publique et à une logique de mobilité. Mais nous verrons ce qu’il en advient.

En matière de sécurité, l’efficacité potentielle d’une mesure peut s’apprécier soit en termes d’économies – par exemple en réduisant les incidents de graffitis ou de vandalisme, ce qui diminue les frais de nettoyage, ou encore en limitant le nombre d’agressions envers le personnel, ce qui permet de réduire les coûts liés aux incapacités de travail –, soit en évaluant différents indicateurs, tels que le sentiment de sécurité des voyageurs, ce qui se fait au travers d’enquêtes régulières, tous les six mois; la situation dans les gares et sur les lignes, surveillée en permanence grâce à des rapports d’incidents de sécurité; les concertations avec les services de police, afin d’avoir une image parfaite des problèmes spécifiques; la performance technique d’un outil après son implémentation.

Les différents axes de collaboration visant à lutter contre l’insécurité dans et autour de la gare de Bruxelles-Midi, notamment par le renforcement de la surveillance et de la répression, mais aussi par des mesures préventives, l’amélioration des conditions sociosanitaires, de l’éclairage, de la propreté, et l’adaptation des infrastructures, peuvent également être transposés à d’autres gares du pays confrontées à des phénomènes de société similaires qui peuvent impacter négativement la sécurité, que ce soit à Bruxelles même ou dans d’autres régions que vous avez citées. Je pense que la bonne méthode est la coordination, l’échange et la coopération.

Ces actions s’inscrivent parfaitement dans l’approche intégrale et intégrée de sécurité appliquée par la SNCB. Cette approche repose sur le développement de plans de sécurité adaptés à chaque site, avec l’implication de toutes les parties prenantes en fonction des besoins spécifiques identifiés dans chaque gare.

Gilles Foret:

Monsieur le vice-premier ministre, je vous remercie pour vos réponses. Nous espérons que ces initiatives et cette coordination, qui sont parfois coûteuses mais nécessaires, continueront d’être optimisées et évaluées pour offrir un service de sécurité efficace à nos concitoyens. La sécurité dans les gares reste un facteur essentiel pour attirer et fidéliser les usagers du rail.

De beveiliging van overwegen

Gesteld aan

Georges Gilkinet

op 21 januari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De Belgische spoorwegminister bevestigt een daling van 33% in ongevallen (van 45 in 2019 naar ~31 in 2024) en slachtoffers bij overwegen, dankzij gerichte veiligheidsmaatregelen zoals AI-camera’s (één collision vermeden in Morlanwelz) en het noodnummer 1711 (12 treinstops voorkomen). Hoogrisicolocaties worden prioritair uitgerust, maar 1.621 overwegen blijven, met een focus op selectieve sluiting (422 verwijderd sinds 2005) waar alternatieven (tunnels/bruggen) haalbaar zijn. Het probleem ligt vooral bij roekeloos gedrag van weggebruikers, terwijl jaarlijks tientallen miljoenen worden geïnvesteerd—behoud van dit budget is cruciaal om verdere vooruitgang te garanderen. Sensibilisering blijft essentieel, naast technologische oplossingen.

Aurore Tourneur:

Monsieur le ministre, les accidents à hauteur des passages à niveau et les intrusions sur les voies restent un phénomène sociétal particulièrement préoccupant. Les passages à niveau offrent un accès facile aux voies et provoquent généralement des accidents graves. Il s'agit d'abord et avant tout de drames humains. Il est important de stipuler que ces accidents ont également un impact considérable sur le personnel du réseau ferroviaire, notamment les conducteurs, ainsi que sur la ponctualité des trains.

Comme vous le disiez dans cette commission le 18 décembre 2024, la sécurité aux passages à niveau relève en premier lieu de la responsabilité des usagers de la route, la plupart des accidents étant dus au non-respect du Code de la route.

J'aimerais obtenir davantage d'informations sur l'état actuel de la situation et sur les solutions mises en œuvre pour la sécurisation des passages à niveau.

Monsieur le ministre, quel est le bilan des accidents et des victimes recensés aux passages à niveau en 2024? Quelle est l'évolution ces cinq dernières années? Les sites qui présentent un risque plus élevé sont-ils tous équipés d'un système de sécurité plus performant? Lors de notre visite à Infrabel mercredi dernier, un projet pilote qui consiste à installer des caméras nous a brièvement été présenté. Dispose-t-on déjà des résultats sur l'amélioration de la sécurité qui en découle?

Quel est l'objectif de réduction du nombre de passages à niveau? À quelle échéance? J'ai cependant entendu une partie de la réponse tout à l'heure lors de la question d'un de mes collègues.

Quel est le budget consacré tant à la suppression qu'à la sécurisation des passages à niveau pour ces trois dernières années?

Georges Gilkinet:

Madame Tourneur, les chiffres d’accidents aux passages à niveau en 2024 sont encore provisoires, dans l’attente de leur consolidation officielle, mais devraient confirmer une tendance qui est à la baisse. On peut constater depuis 2019 une réduction d’un tiers du nombre d’accidents. En 2019, on comptait 45 accidents, et en 2022, en 2023 et de façon provisoire en 2024, on en dénombre 32, 31 et 31.

Il y a également une diminution du nombre de victimes. Ce n’est pas tout le temps corrélé, mais la tendance est effectivement à la baisse. Mais 30 accidents, c’est toujours de trop, vu les conséquences humaines et les conséquences budgétaires pour Infrabel qui doit parfois réparer la voie – nous avons vu des images d’accidents spectaculaires – mais aussi l’impact sur la ponctualité.

Les passages à niveau faisant partie du top 100 des passages à niveau présentant un risque d’accident plus important sont effectivement équipés ou en cours d’équipement, avec des mesures améliorant encore la sécurité des usagers de la route. Le planning d’équipement s’étale sur plusieurs années.

Vous avez sans doute vu, au niveau d’Infrabel, les caméras qui identifient avec l’intelligence artificielle un véhicule arrêté sur la voie alors que les barrières se ferment. Cela permet d’arrêter la circulation avant qu’il y ait une collision avec le véhicule concerné. Tout cela a un coût et prend du temps, mais ce sont des techniques qui vont nous aider à améliorer encore la situation.

Les projets en cours aux passages à niveau et en lien avec le central dispatch sont d’une part le numéro 1711, dont nous avons déjà débattu, et d’autre part les caméras de détection d’obstacles. Grâce à ces deux projets, nous estimons avoir pu diminuer le nombre d’incidents depuis mi-octobre 2024 et jusque janvier 2025. Douze appels au 1711 ont nécessité un arrêt de train. Un cas a pu être évité grâce à une caméra de détection. C'était à Morlanwelz, dans votre province, pas loin de chez vous, je pense. Nous avons eu 10 cas de véhicules bloqués sur le passage à niveau, de tentatives de suicides ou accidents de la route, qui ont nécessité l'arrêt de la circulation ferroviaire et qui ont été la résultante d'appels au 1711.

Concernant la suppression des passages à niveau, je me suis expliqué longuement avec le collègue Cornillie. La combinaison d'un réseau routier fort développé et d'un réseau ferroviaire très dense a pour conséquence historique de générer un nombre important d'intersections rail-route. Pour limiter les problèmes, on s'applique, on s'emploie à supprimer des passages à niveau là où c'est possible. Nous avons supprimé 422 passages à niveau depuis 2005. Les données sont accessibles sur le site Open Data d'Infrabel.

Vous avez écouté aussi ma réponse à monsieur Foret. Il existait encore au 1 er janvier 1 621 passages à niveau sur le réseau belge. On étudie et on exécute des projets de suppression en fonction des budgets disponibles, des permis, des possibilités de couper la voie. L'objectif n'est pas de supprimer les passages à niveau pour les supprimer mais d'agir là où il y a le plus grand risque d'accident et où l'impact est gérable vis-à-vis des communautés locales par la création d'alternatives, ponts ou tunnels ou existence d'autres passages à niveau plus sécurisés à proximité.

Comme vous l'avez rappelé, le problème est aussi comportemental. Une fois que le signal est donné, il ne s'agit plus de traverser un passage à niveau.

Les budgets consacrés à la suppression et à la sécurisation des passages à niveau se chiffrent annuellement en plusieurs dizaines de millions d'euros, ce qui constitue donc un budget très important pour Infrabel, en vue de limiter des risques qui sont très majoritairement liés au comportement routier et non pas à l'infrastructure elle-même, mais qui génèrent des difficultés très nombreuses.

J'espère vraiment, et je le dis à tous les partis qui négocient, que nous maintiendrons tous les moyens d'investissement d'Infrabel. Dans le cas contraire, il faudra faire des choix et ne pas reprocher à un futur ministre le fait qu'il y a des accidents et qu'on ne les prend pas en compte. Il n'y a pas de miracle: sans budget d'investissement, on ne peut pas agir et modifier ou supprimer un passage à niveau.

Aurore Tourneur:

Monsieur le ministre, je vous remercie. Je suis bien consciente que les budgets dédiés à la sécurisation sont très importants et qu'il faut d'abord sécuriser en priorité les sites où le risque d'accident est plus élevé. Je suis aussi ravie d'entendre que le 1711 et les caméras intelligentes ont débouché sur des résultats positifs. Cela dit, je pense qu'il faut poursuivre les campagnes de sensibilisation, puisqu'un accident évité constitue un résultat encore plus positif.

De bescherming van kritieke infrastructuur in de Noordzee

Gesteld aan

Paul Van Tigchelt (Minister van Justitie en Noordzee)

op 16 januari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Rusland verhoogt agressieve spionage- en sabotageactiviteiten in de Noordzee, gericht op kritieke onderwaterinfrastructuur zoals energiekabels, met 110 Russische schepen gespot in 9 maanden (2024) – meer dan in heel 2023. België versterkte de samenwerking met Noordzeelanden via het NorthSeal-platform (operationeel sinds april 2024) voor informatie-uitwisseling, wees 60 spionnen uit en verdubbelde inlichtingenpersoneel, maar militaire opvoering in de Noordzee (naar NAVO-model Oostzee) is de volgende noodzakelijke stap. De urgentie wordt benadrukt door de oorlog in Oekraïne en bewezen Russische dreigingen, waarbij naïviteit niet langer kan – extra defensie-investeringen en snelle regeringsvorming zijn cruciaal.

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de minister, in de eerste negen maanden van 2024 zijn er in de Noordzee 110 Russische schepen gespot voor onze Belgische kust. Dat waren er al meer dan in het volledige jaar 2023. Het ging om militaire schepen, onderzoeksschepen en zelfs visserijvaartuigen, allemaal onder Russische vlag.

Mijnheer de minister, we weten het allemaal: die schepen komen niet in onze Noordzee dobberen om op garnalen te vissen. De Russen komen hier spioneren en saboteren met als doel onze kritieke onderwaterinfrastructuur te beschadigen. Denk daarbij aan kabels en aan pijpleidingen onder andere voor onze energiebevoorrading, die ervoor zorgen dat wij thuis onze chauffage kunnen opzetten en het licht aansteken.

Recentelijk waren er heel wat incidenten in de Oostzee. De NAVO heeft gepast gereageerd door operatie Baltic Sentry te starten, een militaire operatie met een verhoogde aanwezigheid van militaire vliegtuigen, vaartuigen, en drones. Dat is een goede zaak, want wij moeten de oostflank van Europa goed beschermen.

Naast die oostflank is er ook een westflank. Er is niet alleen de Oostzee, maar ook de Noordzee. We moeten te allen prijze vermijden dat het probleem van de Oostzee naar de Noordzee verschuift. We moeten optreden, opdat Rusland de kans niet krijgt onze regio te destabiliseren.

Mijnheer de minister, wat hebben we in de afgelopen jaren gedaan om onze Noordzee te beveiligen? Wat kunnen we in de komende weken, maanden, jaren doen om de Noordzee veilig te houden?

Paul Van Tigchelt:

Er kan geen enkel misverstand over bestaan: voor de Russen zijn wij de vijand. Onze diensten stellen vast dat zij de voorbije jaren een stuk agressiever zijn geworden in hun acties tegen Europa, van sabotageacties door wegwerpspionnen die via Telegram worden gerekruteerd tot gecoördineerde acties waarbij politieke tegenstanders worden geëlimineerd. Spionage en sabotage van onze kritieke infrastructuur op de Noordzee hoort ook in dat rijtje thuis, waardoor het een constante focus is geworden van onze inlichtingen- en veiligheidsdiensten.

Op de Noordzeetop in april 2023 in Oostende beslisten de zes landen van de Noordzee om nauwer samen te werken voor de beveiliging van de Noordzee. Dat was niets te vroeg. Ons land ontwikkelde ook een beveiligd platform, NorthSeal, voor de permanente uitwisseling van informatie tussen de betrokken landen over verdachte activiteiten op de Noordzee, en daar nemen ook onze NAVO-collega’s aan deel. Dankzij het platform, dat vanuit Zeebrugge via het Maritiem Informatiekruispunt of MIK wordt gerund en sinds afgelopen week operationeel is, kunnen we de waakzaamheid verhogen. Dat is belangrijk.

Stilzitten is geen optie. De voorbije jaren hebben we meer dan zestig Russische spionnen uitgewezen. We hebben het personeelsbestand van onze burgerlijke inlichtingendienst verdubbeld en we werken internationaal veel intensiever samen. Het is duidelijk dat de inspanningen die op de Baltische Zee worden geleverd, ook voor de Noordzee navolging moeten vinden. De volgende stap kan niet anders zijn dan het opdrijven van de militaire aanwezigheid op onze Noordzee.

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw duidelijke antwoord. Ik ben blij dat er een nauwe samenwerking is tussen de Noordzeelanden. Ook de betrokkenheid van de NAVO is belangrijk. Dat is een goede zaak. We leven vandaag immers in een andere realiteit dan vijf, tien of twintig jaar geleden. Met een oorlog op ons Europese grondgebied en bewezen spionage en sabotage in onze Europese wateren door de Russen, is het duidelijk: de tijd van naïviteit is voorbij. Het is nu meer dan ooit tijd voor bijkomende investeringen in onze veiligheid en in onze defensiediensten. Ik doe nog een laatste oproep aan de formateur, want de deadline nadert. Stop met talmen. We hebben al genoeg tijd verloren. Maak een regering en zorg voor veiligheid en bijkomende investeringen in onze veiligheidsdiensten.

De straffeloosheid ten aanzien van straatcriminelen en het gebrek aan informatie bij justitie

Gesteld aan

Paul Van Tigchelt (Minister van Justitie en Noordzee)

op 16 januari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Dedecker hekelt de structurele straffeloosheid bij jaarlijkse rellen in Brussel (36 gerechtelijke aanhoudingen op duizenden incidenten, geen strafcijfers bekend) en de falende justitiële actie, waaronder het 25 jaar ongebruikte snelrecht door bekentenisvereisten, ondanks herhaalde beloftes. Minister Van Tigchelt erkent het systeemfalen (prioriteit ordeherstel, zwak Brussels parket, politieke vertraging bij procureur-beneming) en wijst op extra middelen, maar bevestigt dat daders amper vervolgd worden door gebrek aan arrestaties en juridische haken. Dedecker stelt dwangheropvoeding (3 maanden isolatie in kazernes) voor als alternatief voor de ineffectieve strafrechtelijke aanpak, benadrukkend dat burgers en hulpdiensten de gevolgen dragen. Kern: justitie en politiek falen al 15+ jaar, terwijl geweld tegen autoriteiten onnemend blijft.

Jean-Marie Dedecker:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, telkens als tijdens silvesternacht de hoofdstad in brand staat, krijgen we drie scenario's.

In eerste instantie horen we de vergoelijkingslobby, die met heel wat jeukwoorden zegt dat het over kansarme jongeren gaat, alsof het om de chiro van Zillebeke gaat, terwijl het in feite – laat het me zo zeggen – over echt multicultureel schorriemorrie gaat met de mentaliteit van een hyena, die zelfs schiet op onze pompiers en onze ambulanciers.

Een tweede scenario is de politiek. Dat hebben we hier vorige week meegemaakt. De ministers struikelen over elkaar om te zeggen dat er 140 aanhoudingen plaatsvonden. Een week later blijken vier daarvan gerechtelijke aanhoudingen te zijn. Maar oké, we zijn terug vertrokken. Dat scenario speelt zich al vijftien jaar af.

Dat brengt me bij het derde scenario. Het derde scenario is de doofpotoperatie. Het ebt weg. Wat gebeurt er nu, wat is er deze week gebeurd? Iemand vraagt aan het Brusselse gerecht hoeveel gerechtelijke aanhoudingen er zijn gebeurd. Men weet dat het om 36 gerechtelijke aanhoudingen gaat op een heel jaar. Duizenden politie-interventies, duizenden pompiersinterventies, 36 gerechtelijke aanhoudingen. Als vervolgens gevraagd wordt hoeveel van die aangehouden mensen gestraft zijn, krijgt men geen antwoord. De procureur des Konings, nog maar pas in functie, moet daarvoor eerst zijn toestemming geven. Nog een argument is dat het te arbeidsintensief is om dat op te zoeken. In derde instantie durft men dan nog te zeggen dat het laakbaar is om die vraag te stellen. Waarmee zijn we bezig?

Mijnheer de minister, mijn eerste vraag is dan ook hoeveel mensen gestraft zijn. Mijn tweede vraag gaat over snelrecht, waarover mevrouw Van Vaerenbergh u al een vraag stelde in de commissie voor Justitie. Het snelrecht is in de Kamer goedgekeurd in maart 2000. Ik zat hier toen als jonge vent. Nu, 25 jaar later, zegt u dat het snelrecht niet gebruikt kan worden omdat betrokkenen eerst moeten bekennen. Waarmee zijn we bezig?

Paul Van Tigchelt:

Mijnheer de voorzitter, collega, ik begrijp uw frustratie. Helaas of gelukkig maar – het is maar hoe men het bekijkt – ben ik niet de woordvoerder van het parket van Brussel. Vorige week ging het er ook over, ik moet het niet herhalen. Schieten met vuurwerk en bazooka's naar de politie, brandweer en hulpdiensten: van welke lobby men ook is, dat is onaanvaardbaar. We zijn het er hier allemaal over eens dat die daders moeten worden gestraft. Het zou er nog aan moeten mankeren. Er werd daaromtrent door velen hard geroepen. De vraag is evenwel, hoe we dat waar gaan maken.

Ik wil het vanop een afstand bekijken. Op het ogenblik van de feiten concentreerde de politie zich vooral op het herstel van de openbare orde. Dat was de absolute prioriteit. Er zijn weinig gerechtelijke arrestaties gebeurd. Die zijn nochtans nodig om daders te vervolgen. De politie is nu bezig met het identificeren van daders.

U verwijst naar dat snelrecht met aanhouding. Het is juist dat er dan een bekentenis moet zijn. Dat is er gekomen om tegemoet te komen aan de kritiek van het Arbitragehof. Ik zie dat bij Arizona een nieuw voorstel op tafel ligt. We kunnen daarin verder gaan. We zullen zien hoe het Grondwettelijk Hof daarover uiteindelijk oordeelt.

Alleszins, we hebben Justitie meer middelen gegeven. Maar – dat wil ik hier ook gezegd hebben en dat mag gezegd zijn – het Brusselse parket is een zorgenkind, is lang een zorgenkind geweest, mijnheer Dedecker. En ik zeg dat niet om mijn paraplu op te steken, ik probeer feiten te geven. We weten dat in 2014 de regeling voor de aanduiding van die procureur werd vernietigd.

Sindsdien werd er politiek getalmd. Er was een communautaire impasse. We hebben die kunnen doorbreken en het resultaat is dat na vier jaar een procureur ad interim, tegen zijn of haar goesting, er een nieuwe procureur is en het is geen Chinese vrijwilliger. Het is iemand die moet zorgen voor een heldere communicatie, voor eenheid van commando. Wij hebben dat kader ook opgevuld. (…)

Jean-Marie Dedecker:

Mijnheer de minister, ik was parlementslid toen het in maart 2000 werd goedgekeurd. Het werd vernietigd door het Grondwettelijk Hof, of beter, het Grondwettelijk Hof zei dat er voorwaarden bij moesten komen, onder andere de bekentenis. Dat was in 2002. Het is nu 2025. Hoeveel ministers van Justitie zijn er de revue gepasseerd? Er is daarmee niets gebeurd. Het was elke keer hetzelfde riedeltje, namelijk dat ze gestraft zullen worden. Er wordt niet gestraft. Men durft zelfs zeggen dat er niet gestraft wordt. Vermits er niet gestraft wordt, stel ik volgende oplossing voor. We gaan die mensen heropvoeden. Er moet een heropvoedingstraject komen, waarbij ze drie maanden uit de maatschappij worden gehaald. Er zijn genoeg kazernes die leegstaan. Dan kunnen ze leren wat gezag is, wat hiërarchie is, wat drie maanden zonder drugs is, wat geweld is. Mevrouw Lalieux, u bent van Brussel, ik kan nog een beetje uitweiden over Samusocial en dergelijke. Wij zijn het beu. En de bevolking is het beu!

De maffiapraktijken in Brussel
De maffiapraktijken in Brussel
Maffiapraktijken in Brussel

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)

op 16 januari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De escalerende criminaliteit in Brussel—met openlijke drugshandel, geweld, onbestrafte daders en overbelaste politie/Justitie—doet inwoners zelf bewijsmateriaal verzamelen, terwijl ze zich onveilig en in de steek gelaten voelen door lokale (PS-)besturen en een falend beleid. Minister Verlinden benadrukt federale investeringen (500 miljoen euro), intensieve politieacties (hotspots, GAS-boetes, arrestaties) en samenwerking met Justitie, maar wijst op tekortschietend lokaal en gewestelijk optreden, verergerd door de aanslepende regeringsvorming, en waarschuwt tegen eigenrichting door burgers. Oppositieleden Demesmaeker (N-VA) en Depoortere (VB) eisen radicale maatregelen: nultolerantie voor criminele illegalen (opsluiting + uitzetting), een geïntegreerde Brusselse politiezone en concrete plannen in plaats van "halve maatregelen", met de stelling dat de rechtsstaat al is uitgehold en dringend herstel nodig heeft.

Eva Demesmaeker:

Mevrouw de minister, na de recente oudejaarsrellen met de vuurwerkbazooka’s, de afpersingsverhalen in Molenbeek van een filmploeg en de brandbrief bij de financiële instellingen in de Naamsepoort, lezen we nu in de kranten dat buurtbewoners zelf foto’s en filmpjes maken van de drugsdealers, die zij dan via WhatsApp naar de politie doorsturen. De situatie in Brussel loopt uit de hand. Ze is schrijnend. Het gaat niet langer over geïsoleerde elementen. Nochtans gaat het om onze hoofdstad, het uitstalbord van ons land voor de buitenwereld.

Welk beeld schetsen we wanneer criminaliteit de bovenhand krijgt, inwoners zich niet meer veilig voelen, niet in de eigen buurt en evenmin op weg naar het werk, opgepakte criminelen na enkele uren alweer worden vrijgelaten en op vrije voeten staan, de politie zich machteloos voelt en Justitie met werk overstelpt wordt? Dan verliezen we het vertrouwen in onze rechtsstaat.

Daarom wil ik u twee cruciale vragen stellen.

Ten eerste, welke concrete signalen geeft u in verband met het huidige Brusselse beleid? Staat u met de beleidsmensen aldaar in contact? Legt u hun maatregelen op?

Ten tweede, hoe ondersteunt u de lokale politiezones in hun streven om de controle in die buurten te herwinnen?

Ortwin Depoortere:

Mevrouw de minister, de situatie in Sint-Gillis is volledig uit de hand gelopen. Buurtbewoners getuigen over "jongeren" die op klaarlichte dag openbaar in de straten drugs dealen, gewapend met messen. Uiteraard wendt men zich dan tot de eerste contactpersoon. Dat is de PS-baron in Sint-Gillis, maar daar krijgen de buurtbewoners nul op het rekest. Het gevolg is dat ze dan maar zelf het heft in handen nemen. Wie kan ze ongelijk geven?

Het profiel van de jongeren is al even duidelijk. Ik citeer de perswoordvoerder van de Brusselse politiezone Zuid, want anders word ik nog beschuldigd van racisme: "Het gaat meestal om illegalen, om mensen die een bevel hebben om het grondgebied te verlaten. We zien er soms die 37 van die bevelen hebben. Dan contacteren wij de Dienst Vreemdelingenzaken, maar dan is er een volgend probleem: de asielcentra zitten vol. De politie kan niets doen."

Het is maar één symptoom van de Brusselse hellhole , want in 2024 waren er maar liefst 90 schietpartijen in Brussel, soms met dodelijke afloop. De onveiligste stations in ons land situeren zich in Brussel, met name Brussel-Zuid, Brussel-Noord en Brussel-Centraal. Over de rellen op oudejaar hebben wij vorige week en gisteren in de commissie al gedebatteerd.

We moeten dus toch durven toe te geven, mevrouw de minister, dat het beleid wat de strijd tegen de onveiligheid in Brussel betreft faalt en er een tandje moet worden bijgestoken. Als de lokale politie de veiligheid van haar burgers niet meer kan garanderen en als de federale overheid tekortschiet in die taken, dan moet er toch iets gebeuren. Ik hoop dat u vandaag met concrete maatregelen komt om de problemen in Brussel voorgoed op te lossen.

Annelies Verlinden:

Collega's, de straten van Brussel behoren inderdaad toe aan de Brusselaars, de bezoekers en de pendelaars, en niet aan drugscriminelen van uiterst bedenkelijk allooi.

In de strijd tegen de drugshandel en druggerelateerd geweld verdienen de noodkreten van de buurtbewoners van de verschillende geïdentificeerde hotspots absoluut opvolging. Vorig jaar ging ik in gesprek met de vertegenwoordigers van de buurtcomités om samen na te denken over en te werken aan oplossingen om de leefbaarheid in hun wijken te verbeteren. Op federaal niveau namen we vanuit Binnenlandse Zaken onze verantwoordelijkheid door van de strijd tegen de drugshandel een topprioriteit te maken. Daarbij investeerden we maar liefst 500 miljoen euro extra in de federale gerechtelijke politie in Brussel, de scheepvaartpolitie en het drugscommissariaat.

Sta me toe te wijzen op de verantwoordelijkheid van de beleidsmakers in Brussel, zowel de lokale besturen als het gewest. De lokale besturen moeten doortastend optreden. Wat mij betreft, mag dat doortastender zijn dan in het verleden het geval was. Ook het Brussels Hoofdstedelijk Gewest heeft in dat verband een bevoegdheid en zou met een door het federaal Parlement aangenomen wet nog meer verantwoordelijkheid kunnen krijgen. De aanslepende Brusselse regeringsvorming komt volgens mij in elk geval de veiligheid van de buurtbewoners, de buurtcomités en de handelaars niet ten goede.

De politie is alleszins paraat, 24/7. Zo voerde de lokale politie Zuid tijdens een zomeractie maar liefst 661 interventies uit gericht op druggerelateerde fenomenen, met niet minder dan 626 processen-verbaal. Daarbij werden niet minder dan 607 administratieve en 840 gerechtelijke druggerelateerde aanhoudingen uitgevoerd.

Uiteraard stopt het werk niet bij die zomeractie. Voortdurend worden er GAS-boetecampagnes georganiseerd, zijn er horecacontroles, worden er drugs, wapens en cashgeld in beslag genomen en zijn er ook identiteitscontroles en arrestaties.

Om de drugshandel te bestrijden, werkt de politie met hotspots volgens het principe van de very irritating police . De lokale politie krijgt bijstand van de federale politie en er wordt prioritair in capaciteit en middelen voorzien. Dat de acties en operaties die in het verleden werden ondernomen wel degelijk effect sorteren, blijkt ook uit de impact ervan. Dankzij de informatie die wordt aangeleverd door buurtbewoners of klachten wordt de beeldvorming versterkt en verschuiven hotspots, wat uiteraard tot een wijziging van de aanpak noopt.

Uiteraard werkt de federale gerechtelijke politie samen met Justitie om de bovenstructuren met grote internationale netwerken aan te pakken en voert ze onderzoeken die de drugscriminelen raken in hun verdienmodel. Dat moet absoluut een prioriteit blijven. Ook voor Justitie is dat een prioriteit. Kortom, politie en Justitie werken onvermoeibaar samen.

Ik begrijp echter ook dat buurtbewoners bezorgd zijn om hun wijk en dat zij tastbare oplossingen willen omwille van de leefbaarheid in hun wijken. De lokale besturen moeten daarom te allen tijden bereikbaar en beschikbaar zijn voor die zorgen en hun niet de rug toekeren. Ik kan alvast bevestigen dat heel wat Brusselse politiekorpsen, waaronder het korps van de politiezone Zuid, onmiddellijk aan de slag gaan met de meldingen en informatie die de buurtbewoners met hen delen en op basis daarvan ook hun acties en hun interventies plannen.

Ik sluit me wel graag aan bij de boodschap van de lokale politiezone Zuid, namelijk dat politiewerk aan de politie toekomt. Het wordt ten zeerste verwelkomd dat relevante informatie wordt gedeeld, zodat interventies gericht kunnen worden uitgevoerd, maar in het belang van de veiligheid van de mensen zelf kan het niet de bedoeling zijn om zelf achter verdachten aan te gaan en zichzelf in onveilige situaties te brengen.

Er wordt nog steeds gewerkt – dat zal ook zo blijven – op fenomenen die een invloed hebben op de leefbaarheid van de wijken. De uitdagingen zijn groot, reden te meer dat de strijd tegen drugshandel een prioriteit moet blijven. (…)

Eva Demesmaeker:

Mevrouw de minister, dank voor uw antwoord.

Het klopt inderdaad dat er een grote verantwoordelijkheid ligt bij het lokale beleid, bij de lokale bevoegdheden. Die is verpletterend, daar kunnen we niet omheen. Brussel is echter een tikkende tijdbom. Als we niet ingrijpen, stevenen we af op een onomkeerbare situatie waarin de criminaliteit de bovenhand neemt en de rechtsstaat zal worden uitgehold.

Het is tijd dat er een krachtig, duidelijk plan komt, geen halve maatregelen. De mensen die in die wijk wonen, verdienen geen woorden maar daden, vooraleer ze zelf het heft in eigen handen nemen. Vandaag lijkt het immers zo dat de criminaliteit in Brussel vaak onbestraft blijft. Het is geen vijf voor twaalf wat Brussel betreft, ik denk dat twaalf uur al lang voorbij is.

Ortwin Depoortere:

Mevrouw de minister, het Vlaams Belang heeft hier als veiligheidspartij bij uitstek al jarenlang op gehamerd. We zullen dat blijven doen omdat de situatie aansleept. De situatie verbetert niet, integendeel. We moeten dan ook zorgen voor meer middelen en meer ondersteuning in de strijd tegen onveiligheid en tegen drugs, maar ook in de strijd tegen illegaliteit. Het is tijd voor nultolerantie, echte nultolerantie. Het is tijd om criminele illegalen op te pakken, op te sluiten en het land uit te zetten. Het is tijd ook om de verantwoordelijkheden van de lokale baronieën in Brussel voor het blok te zetten. Het is tijd voor een eengemaakte politiezone in Brussel. Ik weet, mevrouw de minister, dat u daar ook voorstander van bent. Voeg de daad nu eens bij het woord. Het is geen vijf voor twaalf, het is vijf na twaalf.

Asielaanvragen door elders erkende vluchtelingen
De opvangweigering voor verzoekers om internationale bescherming met een M-status
Erkenning en opvang van internationale beschermingszoekenden

Gesteld aan

Nicole de Moor (Staatssecretaris voor Asiel en Migratie)

op 15 januari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

In 2024 dienden 4.825 asielzoekers met een M-status (bescherming in een andere EU-lidstaat) een hernieuwd verzoek in België in, wat de opvangcrisis verergert. Staatssecretaris Nicole de Moor verdedigt de opvangweigering voor deze groep, gebaseerd op artikel 4 van de opvangwet en EU-rechtspraak die M-statussen als *"volgende verzoekers"* kwalificeert, maar de Raad van State schorste de maatregel om procedurele redenen. Een wetsontwerp om de weigering wettelijk te verankeren komt er "zo snel mogelijk", maar wordt politiek geblokkeerd; de Moor wijst op juridische vooruitgang via betere motivering en vervroegde EU-opvangrichtlijn. Kritiek blijft op de haastige juridische onderbouwing en de praktische uitvoering, met vragen over extra werklast voor CGVS en individuele weigeringen.

Francesca Van Belleghem:

Mevrouw de staatssecretaris, de Raad van State heeft de opvangstop geschorst voor asielzoekers die reeds een beschermingsstatus hebben. Per maand zouden er 400 à 500 van deze zogenaamde M-statussen asiel aanvragen.

Hoeveel M-statussen vroegen in 2024 in totaal asiel aan? Het totale aantal asielaanvragen overschrijdt intussen 39.000. Hoeveel aanvragen daarvan betreffen M-statussen? Hoe verklaart u dit hoge aantal?

In november kondigde u een wetsontwerp aan om de opvangstop voor de M-statussen alsnog door te voeren. U hebt steeds verklaard dit zo snel mogelijk te doen, maar intussen is het al 15 januari. Wanneer is ‘zo snel mogelijk’?

Het Europees Hof van Justitie oordeelde dat asielaanvragen van wie al een beslissing kreeg in een ander land, beschouwd kunnen worden als een volgend verzoek. Volgens de opvangwet kan aan deze personen opvang worden geweigerd. In de media verklaarde u deze rechtspraak te zullen toepassen in individuele gevallen. Kunt u een raming geven van het percentage van de nieuwe M-statussen die individueel geweigerd worden in het opvangnetwerk sinds de uitspraak van de Raad van State? Zorgt dit niet voor een extra werklast voor het CGVS?

Matti Vandemaele:

Mevrouw de staatssecretaris, op 27 december schorste de Raad van State uw instructie om verzoekers met een M-status geen opvang meer te bieden. In een reactie kondigde u aan dat u een wetsontwerp zou voorbereiden en in afwachting van dit ontwerp op individuele basis opvang zou weigeren voor personen met een M-status, op basis van artikel 1, 20 van de vreemdelingenwet en artikel 4, 3 van de opvangwet. Volgens deze redenering vallen verzoekers met een M-status onder de categorie 'volgende verzoekers'. Artikel 33 van de procedurerichtlijn omschrijft de procedure voor het nemen van een niet-ontvankelijkheidsbeslissing en hierin wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen verzoekers met een M-status en verzoekers die een volgend verzoek indienen.

Kunt u de wettelijke basis van het weigeren van opvang nog eens toelichten? Hoe kijkt u naar artikel 33 van de procedurerichtlijn?

De arresten C-123/23 en C-202/23 van het Europees Hof van Justitie zorgen ervoor dat lidstaten een verzoek van iemand met een negatieve beslissing in een andere lidstaat als volgend verzoek moeten behandelen. Volgens ons gaat dit arrest dan ook over een volledig andere situatie dan een eerste verzoek van iemand met een M-status. Bijgevolg kan dit arrest geen ondersteuning geven aan de praktijk van het weigeren van opvang aan personen met een M-status. Deelt u onze mening of kijkt u daar anders naar?

U hebt in deze commissie al een paar keer verwezen naar het wetsontwerp dat u voorbereidt. Wanneer plant u dat voor te leggen? Is dat iets wat nog in lopende zaken kan gebeuren of moeten we wachten tot er een nieuwe regering is? Alleenstaande mannen krijgen geen opvang en moeten zich registreren op een wachtlijst. Krijgen ze hierna een tweede opvangweigering als gevolg van hun M-status? Hoe ziet u dat in de praktijk? Hoeveel mannen met een M-status kregen ondertussen al een dergelijke opvangweigering?

Nicole de Moor:

Geachte leden, het afgelopen jaar hebben maar liefst 4.825 personen met een beschermingsstatus in een andere lidstaat in België opnieuw een verzoek om internationale bescherming ingediend. De laatste maanden van 2024 kenden de hoogste aantallen van asielaanvragen van de zogenaamde M-statussen. Dat zijn heel hoge cijfers en die situatie is dan ook onhoudbaar.

Daarom heb ik actie ondernomen. We willen bescherming blijven geven aan wie ze nodig heeft, maar het is niet verdedigbaar, collega's, dat wie al bescherming gekregen heeft in een ander Europees land die bescherming opnieuw aanvraagt in ons land, waar we al met een opvangtekort en zeer hoge cijfers kampen. Hiervoor heb ik dus een aantal maatregelen genomen.

Ten eerste worden we geconfronteerd met een zeer strikte rechtspraak van de RvV. Die rechtspraak proberen we te wijzigen door in cassatie te gaan bij de Raad van State, maar ook door onze beslissingen beter en anders te motiveren zodat ze niet meer vernietigd worden. Recent bevestigde de RvV bijvoorbeeld zo'n nieuwe motivering van het CGVS over de M-statussen. We boeken hier dus vooruitgang.

Daarnaast maken we gebruik van de mogelijkheid om opvang te weigeren aan mensen met een M-status op basis van het huidige wettelijke kader. U verwijst beiden naar het recente arrest van de Raad van State waarin de beslissing om opvang te beperken voor M-statussen werd geschorst. De Raad schorste de beslissing echter omdat het ging om een reglementaire handeling die voor advies had moeten worden voorgelegd aan de afdeling Wetgeving van de Raad van State. Het ging dus om formeel juridische redenen, de Raad stelde namelijk niet dat er een gebrek aan wettelijke basis zou zijn om de opvang van M-statussen te beperken. De opvangwet biedt namelijk nu reeds de juridische basis om de materiële hulp van volgende verzoekers te beperken. Dat staat duidelijk in artikel 4 van de opvangwet. Volgende verzoekers zijn personen die al een definitieve beslissing over hun asielaanvraag hebben ontvangen. Welnu, M-statussen zijn ook personen die al een definitieve beslissing hebben ontvangen, doordat zij al erkend zijn in een andere lidstaat.

Het Europees Hof van Justitie bevestigde die stelling ook in de arresten waarnaar u verwijst, mijnheer Vandemaele, want voor die arresten was er immers twijfel of een volgend verzoek een Europese of slechts een nationale invulling zou moeten krijgen. Het Europees Hof van Justitie geeft nu duidelijk een Europese invulling aan dat concept. Als een verzoeker al een definitieve beslissing heeft gekregen in een lidstaat en vervolgens een nieuwe asielaanvraag indient in een andere lidstaat, dan zal dat verzoek als een volgend verzoek kunnen worden gekwalificeerd. Fedasil kan dus op die wettelijke basis de opvang van M-statussen beperken. Wanneer Fedasil van die mogelijkheid gebruikmaakt, zal het steeds de individuele situatie van de betrokken persoon onderzoeken, met bijzondere aandacht voor kwetsbare groepen zoals zieken, gezinnen met kinderen of alleenstaande vrouwen.

Tegelijkertijd zijn mijn diensten inderdaad momenteel ook bezig om bepaalde delen van het migratiepact vervroegd om te zetten. Daarvoor hebben we groen licht gekregen van de Europese Commissie. Een van die delen betreft de vervroegde omzetting van de nieuwe opvangrichtlijn. Met die vervroegde omzetting verstevigen wij nog de juridische positie van Fedasil bij de beperking van de opvang. De juristen van Fedasil werken daaraan volop, mevrouw Van Belleghem. Wij proberen het wetsontwerp zo snel als mogelijk klaar te stomen. Tegelijkertijd moeten we natuurlijk realistisch zijn. Verschillende instanties moeten worden bevraagd en juridische oplossingen moeten worden gezocht. Een effectieve indiening zal dus nog niet voor volgende week zijn.

Mijnheer Vandemaele, u vraagt nog of ik in de periode van lopende zaken een wetsontwerp daarover door de regering kan krijgen. Welnu, ik heb zo'n flauw vermoeden dat uw partij daar een stokje voor zal steken.

Francesca Van Belleghem:

Mevrouw de staatssecretaris, u zegt dat u een flauw vermoeden hebt dat Groen daar een stokje voor zal steken. Wij delen dat vermoeden, maar als Groen het wetsontwerp in lopende zaken zou saboteren, dan kunt u het nog altijd als wetsvoorstel indienen. U zult wellicht genoeg partners vinden om dat wetsvoorstel te steunen, tenminste als het streng genoeg is. Wij zijn voor verstrengingen en elke verstrenging die in de goede richting gaat, zullen wij steunen. Wij stellen ons altijd constructief op.

Matti Vandemaele:

Mevrouw de staatssecretaris, ik zal even constructief zijn, want ik heb toch de indruk dat de juridische interpretaties met plak en spuug aan elkaar hangen en dat we een echt wetgevend initiatief nodig hebben. U hebt in Groen precies een mooie zondebok gevonden. Ik hoor u eigenlijk zelf zeggen dat u uw wetgevend initiatief naar de Griekse kalender verwijst en dat het dus aan een volgende regering zal zijn om hierin stappen vooruit te zetten.

De digitaliseringsprojecten bij Justitie
De digitale transformatie van Justitie
Het verslag van het Rekenhof over de digitalisering van Justitie en de conclusies over JustSign
Het verslag van het Rekenhof over de digitalisering van Justitie en de conclusies over de actoren
Het rapport van het Rekenhof met betrekking tot de digitalisering van Justitie
Het niet zo volgens regel en orde verlopende digitaliseringsproces bij de justitie
De digitaliseringsprojecten bij Justitie
De digitaliseringsprojecten bij Justitie
De digitalisering van Justitie
Evaluatie en uitdagingen van digitalisering binnen Justitie

Gesteld aan

Paul Van Tigchelt (Minister van Justitie en Noordzee)

op 15 januari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De digitalisering van Justitie is een langdurig falend proces met opeenstapeling van mislukte projecten (Phenix, Cheops, JustSign, JustJudgment), budgetoverschrijdingen (140+ miljoen euro, waarvan 350 miljoen onverantwoord besteed volgens het Rekenhof), gebrek aan strategie, controle en transparantie, en risico’s op fraude door slecht beheer van consultants (o.a. Quest For People) en outsourcing zonder toezicht. Het Rekenhof oordeelt vernietigend: geen coherente planning, wanbeheer, belangenconflicten, en niet-naleving van aanbestedingsregels, terwijl de minister (Van Tigchelt) gedeeltelijk weerlegt maar toegeeft dat de aanpak te gefragmenteerd en overhaast was, met 8 van 28 projecten mislukt of vertraagd. Concrete acties (zoals herziening JustSign na bpost-schandaal, terugdringen kabinetsrol, en strengere controle) komen te laat en zijn onvoldoende, terwijl parlementariërs (o.a. Freilich, Van Vaerenbergh) eisen dat voormalig minister Van Quickenborne (verantwoordelijk voor de startfase) en betrokken ambtenaren verantwoording afleggen in een diepgaand onderzoek, met focus op verdwenen geld, illegale praktijken en structurele hervormingen.

Voorzitter:

Collega Dillen is afwezig.

Kristien Van Vaerenbergh:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, de digitalisering van Justitie is altijd al een moeilijk verhaal geweest. Al in 2020 is men ermee van start gegaan. Verschillende opeenvolgende projecten zijn allemaal mislukkingen. We hebben Phenix gekend, waaromtrent de rechtszaak nog maar recent beëindigd is. Ook Cheops is zo'n project.

Bij aanvang van de vorige legislatuur kondigde uw voorganger aan dat hij alle problemen bij Justitie zou oplossen. De strafuitvoering zou van een leien dakje lopen, maar ook de informatisering zou volledig worden doorgevoerd. Daarvoor werden zeer grote budgetten vrijgemaakt, zowel vanuit de federale overheid als op Europees niveau, in totaal 140 miljoen euro.

Nu blijkt opnieuw dat het omschakelingsproces wordt gekenmerkt door een opeenstapeling van mislukkingen. Deadlines worden keer op keer niet gehaald, de kostprijs wordt telkens overschreden en de werkprocessen zijn nog altijd niet geharmoniseerd. Het gaat bovendien om een wirwar aan projecten, waarover ik u vorige week nog een vraag stelde, meer bepaald over het project MaCH. Er is nog geen opvolger voor dat project, maar de naam ervan is wel al veranderd. Ook stelde ik een vraag over de databank van vonnissen en arresten, waarvan de oplevering uitgesteld is tot in 2025. De vele opgestarte projecten leveren niet de gewenste resultaten op.

We konden dat al vaststellen aan de hand van de antwoorden op onze vragen, maar vorige vrijdag heeft ook het Rekenhof een rapport gepubliceerd over de digitalisering. Het Rekenhof concludeert eveneens dat heel het digitaliseringsproces een flop is. Het Rekenhof stelt het volgende vast. Het ontbreekt aan een enkele en coherente strategie. Er zijn geen ofwel is er een veelheid aan prioriteiten. De samenwerking tussen de verschillende actoren kenmerkt zich door een gebrek aan vertrouwen en zelfs concurrentie tussen de diensten. De budgettaire beheersing van de verschillende digitaliseringsprojecten is ontoereikend. Niets garandeert dat de budgetten goed gebruikt zijn en niets garandeert dat de projecten voortgezet kunnen worden of dat de projecten duurzaam zijn. Voor te veel projecten is er outsourcing zonder een plan. Er is te veel outsourcing, zonder een plan te hebben, en er is onvoldoende controle op de risico’s, zoals de risico’s van fraude. Er zijn heel wat vaststellingen die aantonen dat het digitaliseringsproces niet op de rails staat.

Mijnheer de minister, ik heb aan uw reactie op het rapport gezien dat u het met een aantal vaststellingen eens bent en met andere niet. Welke concrete stappen denkt u als ontslagnemend minister te moeten zetten? Ik vermoed dat u die hele informatisering niet terug op de rails kunt zetten, maar u kunt wel bij de zes aanbevelingen zeggen wat er volgens u dient te gebeuren.

Er wordt gezegd dat er geen allesomvattend plan is, maar kunt u alle digitaliseringsprojecten oplijsten en per project zeggen welke de uitgetrokken budgetten zijn, wat het vooropgestelde doel was qua efficiëntiewinst voor de werking, maar ook de budgettaire winst, want die is ook deels de reden waarom er geïnformatiseerd moet worden.

Michael Freilich:

Mijnheer de minister, ik heb een brief, gericht aan u en aan uw collega, de voorzitter van de FOD Justitie, daterend van 6 december 2023 en ondertekend door niet de minsten. U hebt wellicht de brief van Bob Goossens, Jimmy De Laet, Marc Vermeulen, Marc Duforez en Alina Van de Moortel gezien. Het zijn allemaal belangrijke personen uit de hoogste regionen van Justitie, die u destijds, eind 2023, al wezen op tal van problemen en vragen rond de digitalisering van Justitie.

Men vroeg zich af hoe het kon dat de voormalige minister Vincent Van Quickenborne – u was toen ook actief op zijn kabinet – documenten ondertekende zonder offerte en grote bedragen doorstuurde. Men vroeg zich af waarom het maar bleef duren, waarom er geen strategie was. Men heeft mij verteld dat er op die vragen nooit een antwoord is gekomen, wat bijzonder jammer is. Als dat inderdaad het geval is, dan kunt u zich vandaag immers verstoppen achter allerlei excuses en zeggen dat u heel wat werk hebt verzet, maar dat u er nog niet bent en dat er nog wat fouten zijn.

Dat lijkt mij allemaal veel te weinig en veel te laat. Het is pas wanneer het Rekenhof met zijn definitief rapport komt dat u erkent dat er een probleem is. Ik heb u eind 2024 vragen gesteld en u antwoordde mij toen niet te weten over welk rapport het ging, dat er nog geen rapport was, dat u nog geen definitief rapport had gezien en dat we moesten afwachten wat dat rapport zou geven. We moeten echter niet wachten tot dat rapport af is, want als uw eigen mensen u schrijven dat het langs alle kanten fout loopt, dan moet u toch actie ondernemen?

Wat mij bijzonder verontrust, is dat het Rekenhof vernietigend is voor de strategie van Justitie, maar dat u dat op heel veel punten tegenspreekt. U zegt het niet volledig eens te zijn met de zienswijze van het Rekenhof en dat er geen concurrentie is tussen de diensten. Het Rekenhof weerlegt dat en zegt dat u dat wel kunt zeggen, maar dat het toch van mening blijft dat er hier een probleem is.

U zegt bijvoorbeeld dat het Rekenhof problemen heeft met het feit dat Justitie heel veel met consultancy werkt. Men kan echter heel weinig doen als men onvoldoende juiste profielen vindt, dus moet men wel met consultancy werken. Dat is een heel handige manier om het debat volledig naar uw hand te zetten, maar het gaat niet over het werken met consultants. Wat het Rekenhof aankaart, is dat als men werkt met consultants, men daarvoor een strategie moet hebben, dat men moet weten hoe men die mensen betaalt en dat men dat moet bijhouden, zodat er geen dubbele betalingen gebeuren.

Als ik in dat rapport lees dat er helemaal geen antifraudemechanisme op poten werd gezet, dan is dat toch vragen om problemen. Als iedereen zomaar zijn facturen kan indienen, als er geen timesheets gevraagd worden, als men ook managementposities invult met consultants, als een consultant de facturen van een andere consultant moet goedkeuren, waar zijn we dan toch mee bezig? Dat probleem is niet nieuw, maar al vele jaren gekend.

U hebt in mei 2024 in Terzake verklaard dat het project JustSign bijna klaar was. Het zou nog bij het Hof van Cassatie worden getest en dan worden uitgerold. De realiteit heeft u vandaag ingehaald, want JustSign is er niet gekomen. U kunt dat wijten aan het feit dat er geen licenties zijn vernieuwd, maar dat is allemaal blabla. Uiteraard zijn er geen licenties vernieuwd, want dat programma werkt gewoon niet. Het is een power app die niet voldoende sterk is om op zo'n grote schaal te worden uitgerold.

Wat is de totale kostprijs van JustSign? Iedereen spreekt over 4 miljoen euro, maar het is veel meer. Het bedrag van 4 miljoen euro was de initiële prijs van bpost om daarmee te starten. Nadien is er evenwel veel consulting geweest.

Mijnheer de voorzitter, ik heb twee vragen. Krijg ik ook dubbele spreektijd?

Voorzitter:

U hebt die gekregen.

Michael Freilich:

Dan verwijs ik naar mijn ingediende vraag. Ik hoop daarop een antwoord te krijgen.

Geachte mijnheer de minister, het finaal rapport van het Rekenhof omtrent de digitalisering van Justitie is eindelijk verschenen. Het bevestigt nagenoeg op alle vlakken de elementen die ik naar voor bracht via mijn strafklacht van mei 2024.

In een reactie aan het Rekenhof ontkende u echter een aantal kritieken. Ik veronderstel dat dat een reactie was op het voorlopig rapport van het Rekenhof. Het Rekenhof lijkt echter stevig vast te houden aan haar vaststellingen, conclusies en aanbevelingen.

Er worden heel wat actoren vernoemd in het rapport. Ik heb wat vragen omtrent de actoren in een rond de crossborder-dienst:

1. a). Uw voorganger zou aan de pers hebben meegedeeld dat het plaatsen van zijn handtekening onder een document van bpost dat uitdrukkelijk niet als offerte was bedoeld maar wél zo werd aangewend, gebeurde op advies van zijn en uw voormalige kabinetschef, die meldde dat alles juridisch in orde was. Klopt dat?

b). ​Daarnaast heeft het rapport ook duidelijk vastgesteld dat de beleidscel van uw kabinet (en dat van uw voorganger) een buitensporige operationele rol opnam bij de keuze en aansturing van digitaliseringsprojecten. De voormalige kabinetschef waarvan zojuist sprake is intussen directrice-generaal voor de penitentiaire inrichtingen en voorzitster a.i. voor de FOD Justitie. Vindt u in eer en geweten dat zij haar functies ten volle kan blijven uitoefenen? Waarom (niet)?

2. De voormalige raadgever die ook de leiding over de Crossborder-dienst had, zou intussen opnieuw werkzaam zijn op het technisch en administratief secretariaat Justitie dat uw beleid en beheer moet ondersteunen. Klopt dat? Vindt u in eer en geweten dat hij zijn functies ten volle kan blijven uitoefenen?

3. Een van de consultancybedrijven bij crossborder waar ernstige vraagtekens bij geplaatst kunnen worden omtrent facturatie van niet-geleverde diensten, is de BV Quest For People. Werkt dit consultancybedrijf momenteel nog mee aan digitaliseringsprojecten van Justitie? Waarom (niet)? Kan u mij oplijsten voor welke totaalbedragen de BV Quest For People de afgelopen 5 kalenderjaren heeft gefactureerd?

4. Heeft u weet van represailles ten opzichte van bepaalde externe consultants? Zijn bepaalde samenwerkingen stopgezet, en om welke reden?

Dank voor uw antwoorden alvast.

Alain Yzermans:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ik ga niet te fel ingaan op het debat. De feiten zijn gekend. Er is ook informatie via de media verspreid.

Kan er, naar analogie van de wijze waarop de digitalisering in Vlaanderen gebeurt, niet beter gewerkt worden met standaarden waarbij de verschillende gebieden in de apps van Justitie – want dat zijn er momenteel vele – gemakkelijker met elkaar kunnen worden gelinkt, waardoor er een veel betere doorstroming komt? Zo komt er een algemeen plan met betrekking tot de wijze waarop die digitalisering intern gebeurt. Tevens kan er zo verbinding worden gemaakt met de andere departementen. Dat is in Vlaanderen mogelijk. Kan er niet beter worden gewerkt volgens de standaarden die daar worden gebruikt?

Wordt er in het algemeen voldoende bekeken welke oplossingen er al bestaan vooraleer er aan nieuwe ontwikkelingen gedacht wordt? De insteek is belangrijk om tot een resultaat te komen. Wat is de basisstrategie om tot oplossingen te komen? Dat is beter dan te neigen naar een heel gedifferentieerde appcultuur binnen Justitie.

Waarom moet Justitie een eigen handtekeningplatform ontwikkelen als er veilige en gebruiksvriendelijke systemen op de markt zijn, zoals eSignFlow? Dat systeem is zeer goed, compatibel en coherent.

Wordt dit rapport geëvalueerd? Hoe moeten betere mechanismen voor budgetbewaking en risicobeheer worden geïmplementeerd om het risico op fraude te minimaliseren? Welk format, welke blauwdruk zal daarvoor gebruikt worden? Hoe worden wettelijke aanbestedingsprocedures nageleefd en hoe kan dat strikter in de toekomst?

Dieter Keuten:

De digitaliseringsprojecten binnen Justitie waren in de vorige legislatuur een van de paradepaardjes van uw voorganger, uw toenmalige baas en huidige partijgenoot Vincent Van Quickenborne. In zijn beleidsnota stond: “We maken Justitie sneller. In een tijdperk waar mensen met enkele computerklikken hun hele leven kunnen organiseren, mag Justitie niet achterblijven. We moeten sneller, moderner en digitaal worden. Justitie zal digitaal zijn of zal niet zijn.” Van vele door de heer Van Quickenborne aangekondigde projecten is weinig is huis gekomen, denk maar aan de bouw van de detentie- en transitiehuizen. Ook de digitaliseringsprojecten binnen Justitie blijken helemaal niet te lopen zoals het hoort.

De audit van het Rekenhof is ronduit vernietigend. Ik ben blij dat dit woord hier al gevallen is en we kunnen blijven herhalen dat het een vernietigend rapport is. Niet alleen de uitvoering, maar ook de algemene strategie van de digitaliseringsprojecten is ondermaats. Er is sprake van wanbeleid en zelfs risico op fraude. Fraude binnen Justitie: goed bezig! Budgettaire en administratieve regels worden niet nageleefd.

Ik citeer het rapport van het Rekenhof: “Er is geen garantie dat de kredieten" – het zou gaan over een 350 miljoen euro – "correct werden besteed. Ook financiering uit het Europees plan voor herstel en veerkracht is gebruikt voor andere projecten die niet voor deze financiering in aanmerking kwamen. Er is geen zekerheid dat de nodige begrotingsmiddelen beschikbaar zijn om de huidige en geplande projecten te finaliseren en te ondersteunen.”

Het kabinet van de minister van Justitie is volgens het Rekenhof te voortvarend geweest en heeft verschillende regels van goed bestuur overboord gegooid. Er zijn ontzettend veel consultants ingehuurd, in sommige gevallen zonder aanbestedingsprocedure. Hun prestaties worden onvoldoende gecontroleerd en er is geen aandacht voor belangenconflicten. In sommige gevallen zouden de contracten zelfs in orde gebracht zijn na de uitvoering van de opdracht. Concluderend stelt het rapport van het Rekenhof dat alle actoren achter de digitalisering van Justitie onvoldoende rekening houden met het risico op fraude.

Mijnheer de minister, u bezorgde aan het Rekenhof alvast enkele antwoorden na het lezen van het ontwerp van dit rapport. Heel wat van die antwoorden zijn grotendeels weerlegd door het Rekenhof. Hoe reageert u daarop?

Welke corrigerende maatregelen werden er al genomen binnen de verschillende digitaliseringsprojecten om het risico op fraude onmiddellijk te verminderen?

Wanneer mogen we de resultaten verwachten van een diepgaand intern onderzoek binnen Justitie naar al deze wanpraktijken? Welke aanbevelingen – van een collega heb ik net gehoord dat het er zes zijn – zult u bevelen om op te volgen?

Een laatste vraag over het paradepaardje van dit rapport, JustSign – of JustNiks, heb ik ook al gehoord. Waarom werd er afgeweken van de oorspronkelijke beslissing om eSign te ontwikkelen voor het digitaal betekenen? Waarom werd er niet verdergegaan met eSign ontwikkeld door de FOD BOSA? Waarom werd er gekozen voor een gelijktijdige ontwikkeling van JustSign, samen met bpost?

Steven Matheï:

De digitalisering van Justitie is heel belangrijk en noodzakelijk. Daarover zijn we het allemaal eens. Er was en is heel veel ambitie en heel wat budget voor.

Vandaag spelen verschillende zaken. Zo is er het rapport van het Rekenhof waarin het Rekenhof allerlei bevindingen met ons deelt. Het stelt onder meer dat er een gebrek is aan beheersinstrumenten, wat erop wijst dat de FOD Justitie de grondbeginselen van goed administratief beheer nog niet volledig beheerst, maar ook dat het niet zeker is of de gevolgde trajecten duurzaam zijn of dat de opgestarte projecten op termijn iets zullen opleveren. Dat verontrust ons, want die projecten betekenen op het terrein heel veel.

Ik kies er één project uit, JustAct, de digitale neerlegging van onder andere wijzigingsaktes, gelanceerd in 2013 als e-griffie voor de digitale oprichting van onder andere vzw’s. Er is altijd aangekondigd dat ook de andere aktes zouden volgen, maar de deadlines werden telkens verschoven. Vandaag is dat project nog steeds niet gerealiseerd en werken we nog steeds met papieren documenten die naar een griffie worden gestuurd, waar ze op stapels terechtkomen, handmatig worden verwerkt en uiteindelijk in een papieren dossier in een kelder belanden. Dat is ook het resultaat van het feit dat de digitalisering niet naar behoren evolueert.

Hoe komt het dat die deadlines telkens werden verschoven?

Hoe werden risico’s met betrekking tot het inschakelen van consultants gedetecteerd?

Ik sluit me ten slotte ook aan bij de vraag van collega Van Vaerenbergh om een overzicht te krijgen van elk project, met telkens in detail de timing, de inhoud en het budget.

Jean-Luc Crucke:

Monsieur le ministre, loin de moi l'intention de remettre en cause l'objectif qui est celui de numériser la justice, laquelle en a bien besoin. Nous entendions encore hier les syndicats au sujet de la surpopulation carcérale, qui se plaignaient de ne pas disposer de certaines informations, à cause d'une numérisation insuffisante à ce jour. Pour autant, la fin justifie-t-elle les moyens? C'est peut-être la question qu'il faut se poser, même quand il y a des fonds européens à la clef, comme c'est le cas. Nous pouvons d'ailleurs entendre l'urgence, si nous voulons pouvoir conserver ces fonds: les deadlines valent pour tout le monde.

Mes quelques questions vont peut-être nous aider à préparer l'audition par notre commission, prévue la semaine prochaine, de la Cour des comptes. Monsieur le ministre, le rapport de la Cour des comptes est – je ne vois pas d'autre mot – assassin. Je lis en effet: "mainmise externe des consultants sur le processus, absence de contrôle efficace, stratégie peu ou pas maîtrisée, perte de contrôle de la direction, risques de fraude, non-respect des principes budgétaires, conflits d'intérêts, violation des règles des marchés publics, coût budgétaire exorbitant". J'ai souvent lu des rapports de la Cour des comptes, car cela fait partie de la vie d'un parlementaire, mais en voyant tout cela, il y a de quoi se poser des questions.

Monsieur le ministre, quand avez-vous été mis au courant de ce dérapage? Comment y avez-vous réagi? Et quelles mesures avez-vous prises, vous et votre prédécesseur, puisque vous n'étiez pas initialement à la manœuvre?

Qui, au sein du SPF Justice, était chargé du pilotage? Des rapports circonstanciés ont-ils été adressés? Si oui, quand et selon quelle fréquence? Sur les 234 "agents" de Crossborder, seuls six sont statutaires. Cela voudrait dire que 228 émanent du privé. Quelles étaient la mission et les responsabilités des six statutaires? Comment les ont-ils assumées et en ont-ils eu les moyens? Enfin, quelle est l'importance des budgets investis à ce jour?

Paul Van Tigchelt:

Mijnheer de voorzitter, geachte collega’s, ik dank u voor de vragen over het rapport van het Rekenhof, dat omstandig en gedetailleerd is. Als minister van Justitie moet ik zeer nederig het Rekenhof erkentelijk en dankbaar zijn voor dat rapport. Het bevat alleszins guidelines voor de minister van Justitie voor de verdere digitalisering. Ik wil gezegd hebben – want ik mag het zeggen – dat ik hoop dat er zo snel mogelijk een minister van Justitie met volheid van bevoegdheid is en geen ontslagnemende minister met maar weinig mogelijkheden tot initiatief en met maar weinig democratische legitimiteit. Het gaat niet over mezelf, maar over Justitie en het goed functioneren ervan. Ik vind het goed dat we er hier over kunnen debatteren, want de harde woorden worden niet geschuwd.

Comme vous l'avez dit, monsieur le président, le rapport est assassin.

Het gaat inderdaad ook over het functioneren van een kabinet, van mijn kabinet, van het kabinet van mijn voorganger. U hebt recht op antwoorden, maar ikzelf als minister, mijn kabinet en mijn diensten hebben ook recht op een reactie.

Ik probeer het kort te houden, mijnheer de voorzitter. Ik wil eerst de context schetsen. Dan wil ik de digitaliseringsprojecten toelichten, de gelukte zowel als de mislukte. Ik zal dat niet in detail doen, want dat zou ons te ver leiden. Ik heb alleszins de vragen gehoord van mevrouw Van Vaerenbergh en de heer Matheï om een gedetailleerd overzicht te krijgen. Ik stel voor dat ik dat laat opmaken en aan u bezorg, mijnheer de voorzitter. Het gaat om 28 projecten. Het zou ons te ver leiden om die uitgebreid te overlopen. Ik denk niet dat dat de bedoeling kan zijn, maar nogmaals, u hebt recht op die informatie. Vervolgens zal ik ingaan op de vragen over JustSign en daarna op de vragen over wat we nu zullen doen. Dat was ook uw vraag, mijnheer de voorzitter: "Wat doet u nu met dat rapport van het Rekenhof en hoe gaat u daarmee om?" Er zitten inderdaad een aantal aanbevelingen in. Dat is een beetje de structuur van mijn antwoord.

Ik trap inderdaad een open deur in wanneer ik beaam dat de digitalisering van Justitie doorheen de jaren een bijzonder moeilijk proces was. Ze begon formeel in de vroege jaren 2000, meer dan 20 jaar geleden, toen ik als parketjurist bij het parket van Antwerpen werkte. Toen werd de noodzaak tot modernisering en digitalisering onontkoombaar. Zoals mevrouw Van Vaerenbergh heeft vermeld, zijn projecten zoals Mammoet, Phenix, Cheops, allemaal mastodontprojecten, een voor een mislukt. Dat is een triestige vaststelling voor de minister van Justitie.

Om maar een voorbeeld te geven, Phenix heeft de belastingbetaler 28 miljoen euro gekost en geen resultaat opgeleverd. Naast de budgettaire gevolgen heeft de motivatie onder het personeel en de stakeholders daar zwaar onder geleden. Ik kan daarover meespreken, want ik werkte toen in een justitiepaleis en in de justitiepaleizen in ons land werd bijzonder schamper gereageerd op de digitaliseringsprojecten.

Toen mijn voorganger in 2020 minister werd, was het de nieuwe regering alvast zeer goed bekend dat Justitie in België zeer ver achterophinkte ten opzichte van de andere Europese lidstaten. Volgens internationale rankings van de OESO en van de Europese Unie bengelde België op het vlak van Justitie als een van de minst gedigitaliseerde landen bijna helemaal achteraan. Justitie was een paper-based organisatie. In het regeerakkoord had men terecht de ambitie om Justitie eindelijk te digitaliseren. We hebben bij de FOD Justitie een ICT-departement aangetroffen dat jarenlang ondergefinancierd was, met een daling van 33 % van het budget en van 30 % van het aantal personeelsleden op de ICT-stafdienst tussen 2010 en 2021. In 2020 telde die ICT-dienst van de FOD Justitie 100 medewerkers, terwijl dat er 400 waren bij de FOD Financiën.

De eerste opdracht van het kabinet van Justitie was op zoek te gaan naar extra middelen. Daarvoor werden in allerijl – welkom op het kabinet, welkom in de regering – plannen uitgewerkt in het kader van de interdepartementele provisie kwetsbare personen en ook het zogenaamd RRF, het Europees plan voor herstel en veerkracht.

Een eerste uitdaging was dus financiële middelen vinden, maar de uitdagingen waren uiteraard niet louter financieel van aard. De gebruikers, magistraten, gerechtspersoneel en anderen, werkten met software en laptops van meer dan tien jaar oud. De werkprocessen van de rechterlijke orde waren niet in kaart gebracht. De basisprocessen van de centrale administratie inzake projectbeheer, procurement , sourcing en veel andere zaken waren verouderd en niet aangepast. Het Rekenhof haalt dat ook aan in zijn rapport. Nogmaals, ook al zijn al die elementen geen excuus, ik vind het belangrijk om ze aan te halen.

Voorts is de FOD Justitie complexer dan andere FOD's door de aanwezigheid van de rechterlijke macht, die uiteraard geen probleem vormt, maar wel onafhankelijk is in haar rechtspraak en tegelijk afhangt van de FOD Justitie voor heel wat administratieve zaken en operationele beslissingen. Bovendien zien we sinds 2014 een parallelle evolutie om de rechterlijke orde meer autonomie te geven, waarmee ik bedoel autonoom ten opzichte van de administratie.

Bovendien was de toestand van de technologische infrastructuur die we aantroffen alarmerend. Ik ben geen specialist ter zake, maar ik herinner me nog dat de rechtbanken in 2020 werkten met Windows 7, een besturingssysteem waarvoor Microsoft geen beveiligingsupdates meer voorzag. Dat bracht vanzelfsprekend significante veiligheidsrisico's met zich mee. Veel medewerkers gebruikten verouderde hardware, die regelmatig uitviel. De situatie op de griffies was exemplarisch. Daar was geen betaalterminal aanwezig. Burgers moesten daar cash of met griffiebonnen betalen. Dat was de situatie nog geen vijf jaar geleden.

Toen kwam de coronacrisis. Ik blijf het kort houden, mijnheer de voorzitter, want het is hier geen geschiedenisles. Wat ik zeg, lijkt me echter relevant. De coronacrisis heeft die achterstand voor Justitie pijnlijk duidelijk gemaakt. Andere overheidsdiensten konden relatief vlot overschakelen op thuiswerk. Bij veel diensten van Justitie bleek dat echter een enorme uitdaging, als gevolg van het gebrek aan laptops, beveiligde toegang tot systemen en digitale werkprocessen. Dat maakte de continuïteit van de dienstverlening bijzonder moeilijk en creëerde praktische problemen met reële impact voor de justitiële actoren, alsook voor de burgers.

In die periode leverden bepaalde medewerkers van Justitie aanzienlijke inspanningen om in tijdelijke oplossingen te voorzien, zodat werken op afstand toch mogelijk werd. De organisatorische problemen situeren zich dus niet op het niveau van de individuele medewerkers van Justitie. Er zijn immers vele individuele medewerkers die met heel wat kennis en expertise voor ad-hocoplossingen hebben gezorgd, ware plantrekkers bij Justitie. Dat wil ik absoluut erkennen. Dat toont ook het engagement en het potentieel dat bij Justitie aanwezig is. Meer zelfs, als we op het vlak van digitalisering vooruitgang hebben geboekt – en ik zal u proberen te overtuigen van het feit dat dat zo is, ook al is er nog een lange weg af te leggen –, werd de basis daarvoor gelegd door die medewerkers, die de voorbije jaren niet bij de pakken zijn blijven zitten.

De audit van de Federale Interne Audit, die ondergebracht is bij de Kanselarij, wees in 2019 al op fundamentele tekortkomingen. Ik hoef daar nu niet verder op in te gaan. Kortom, dit was de startpositie bij het begin van de legislatuur. Het was algemeen bekend dat er dringend nood was aan digitalisering van de rechterlijke orde, met het oog op een effectieve en efficiënte justitie. Door personeelsgebrek en tekortkomingen in de IT-governance was het ook duidelijk dat de FOD Justitie niet alleen kon instaan voor de verwezenlijking van de digitalisering op korte termijn. Eerdere mislukte digitaliseringsprojecten bij Justitie, zoals Mammoet, Phenix en Cheops, zorgden voor wantrouwen bij de rechterlijke orde om een nieuw digitaliseringsproject over te laten aan de FOD Justitie, aan de ICT-dienst, zo konden we ook in het auditrapport lezen. Het was inderdaad van bij het begin voor mijn voorganger duidelijk – ik was zijn kabinetsmedewerker – dat we ons geen nieuw mastodontproject konden veroorloven, want dan hadden we geen garantie op succes, integendeel.

Mastodontprojecten zijn overigens geen probleem van Justitie alleen. Kijken we maar naar recente voorbeelden in het kader van de geïntegreerde politie, zoals i-Police, dat in 2006 werd gelanceerd. Ook daar zijn we nog niet waar we moeten zijn, verre van zelfs.

We wilden resultaten op korte termijn boeken. Dat was ook de verplichting om aanspraak te kunnen maken op de extra financiering uit de RRF en de middelen via de IDP Kwetsbare personen. Vandaar dat we kozen voor een hybride aanpak: we werkten parallel aan de versterking van de fundamenten en tegelijkertijd voerden we concrete verbeteringen aan via een modulaire aanpak, via tientallen deelprojecten. Dat creëerde volgens ons de beste kans om zowel op korte als op lange termijn resultaten te boeken.

Ik ben niet onbescheiden wanneer ik zeg dat mijn voorganger en ikzelf hier in het Parlement altijd zeer transparant over onze aanpak waren. De leden van de vorige commissie voor Justitie zullen dat niet tegenspreken. Onze beleidsnota’s waren uitgebreid, gedetailleerd, concreet en to the point, ook op het vlak van digitaliseringsinitiatieven en wij zijn nooit enige vraag ter zake met abstracte antwoorden uit de weg gegaan.

Collega’s, u voelt mij komen. Het klopt dat het kabinet, gelet op de grote achterstand, kort op de bal heeft gespeeld en heel operationeel te werk is gegaan. Ik probeer dat objectief te benaderen. Het was nu eenmaal de stijl van ons kabinet om niet af te wachten en bij de pakken te blijven zitten, maar proactief de zaken aan te pakken. Dankzij die modulaire aanpak en het voluntaristische kabinet hebben we resultaten geboekt, ook al ontken ik niet dat er ook mislukkingen waren.

Mijnheer Freilich, we hebben intussen het rapport van het Rekenhof gelezen en herlezen. U kunt het mij niet kwalijk nemen dat ik in plenaire vergadering weigerde in te gaan op een voorlopig rapport. Het was niet fair dat ik niet kon reageren op de opmerkingen in de discussie destijds, maar ik kon niet voortgaan op een voorlopig rapport.

Hadden wij meer overlegmomenten moeten organiseren om de initiatieven goed op elkaar af te stemmen en informatie goed te delen tussen de diverse stakeholders? Het antwoord voor mij is ja. Dat hadden we moeten doen om na te gaan of iedereen nog aan boord was bij alle projecten. Dat bleek immers niet altijd het geval. We hadden onze inspanningen en initiatieven misschien meer en concreet aan alle belanghebbenden moeten toelichten, teneinde het helikopterperspectief te bewaren en zelfs te verbeteren voor alle diensten die eraan werkten en voor alle actoren en belanghebbenden die van de inspanningen moesten profiteren.

Hebben we ingezet op te veel projecten? Hadden we niet meer prioriteiten moeten stellen en ons daar consequent aan houden? Wellicht hadden we dat moeten doen. De scope was misschien te breed. We wilden misschien te veel doen op te korte tijd. Dat zijn terechte pijnpunten in de audit van het Rekenhof. We hebben getracht de grootste noden onmiddellijk aan te pakken en daarbij zijn we voluntaristisch te werk gegaan.

Verschillende kritieken en aanbevelingen van het Rekenhof zijn ongetwijfeld terecht, ook al menen we dat enige contextualisering en nuancering aangewezen zijn. Dat probeer ik hier te doen. Er is daarbij voor mij één rode lijn. Ik ben dan ook blij dat dat punt daarnet in de vraagstelling niet op die manier aan bod is gekomen. De rode lijn voor mij is dat we als conclusie mensen en medewerkers publiekelijk beschuldigen van criminele feiten.

Collega Freilich, u vroeg, in de voorbereiding van uw mondelinge vraag, of bepaalde personen nog het vertrouwen kunnen genieten. Er zijn in het verleden verregaande uitspraken gedaan, ook in het Parlement, over vermeende misdrijven, die ik niet zal citeren. Het is noch aan mij, noch aan het Parlement om mensen te beschuldigen, laat staan te veroordelen. Mijnheer de voorzitter, ik sta erop dat te zeggen.

Monsieur le président, vous m'avez demandé quand j'avais été informé de ces problèmes.

Het is eigenlijk naar boven gekomen met de problemen van bpost en dan de gevolgen voor de FOD Justitie, de dienst Crossborder, die samenwerkte met bpost in het kader van de inning van de verkeersboetes.

Toen we geconfronteerd werden met de problemen bij bpost zijn er voorzorgsmaatregelen genomen om de transparantie en de controle te verbeteren. We hebben onder meer Crossborder onder het rechtstreekse toezicht van de FOD Justitie geplaatst en we hebben een nieuwe financial governance -structuur gemaakt.

Als het over personen gaat, wil ik u vragen om voorzichtig te zijn in uw uitspraken. Wat betreft uw vraag of bepaalde personen mijn vertrouwen nog genieten, tot bewijs van het tegendeel behoud ik als minister het vertrouwen in de voormalige kabinetschef en de voormalige leidinggevende van Crossborder. Die uitspraak doe ik weloverwogen, niet kort door de bocht. De leidinggevende van Crossborder is na de hetze die is losgebarsten teruggekomen naar het SAT, het Administratief en Technisch Secretariaat van de minister van Justitie, weliswaar met de opdracht om geen projecten van digitalisering of verkeer meer op te volgen, maar is inmiddels vertrokken voor een nieuwe uitdaging bij de federale politie.

Wat betreft de digitaliseringsprojecten, er moet u een volledig overzicht worden bezorgd. Ik wil u een korte uitleg geven over de digitaliseringsprojecten. Wij hebben in plaats van één groot allesomvattend project gekozen voor een strategie met 28 afzonderlijke applicaties. Geen mastodontproject dus, maar concreet verder werken op diverse bouwstenen en projecten die de voorbije jaren waren gegroeid en die zich als good practices aankondigden. Die projecten werden onderverdeeld in drie categorieën: het digitaal dossier, de digitale rechtbank en de digitale gevangenis. Dat was het digital transformation plan (DTP) voor de rechterlijke orde en voor Justitie in haar geheel.

In werkelijkheid waren er nog veel meer dan die 28 projecten, collega's. Ik maak immers abstractie van andere digitaliseringsprojecten die sensu stricto losstaan van Justitie, maar wel door Team Justitie werden ontwikkeld. Niemand zal kunnen ontkennen dat er hard is gewerkt. Ik denk bijvoorbeeld aan andere digitaliseringsprojecten, zoals BSC, Belgian Secure Communications. Dat systeem van beveiligde overheidscommunicatie werd ook bij Justitie ontwikkeld, sinds eind 2021, en is inmiddels operationeel. Ik denk ook aan het NorthSeal-platform. Dat is misschien minder Justitie en meer Noordzee. Dat is een beveiligd systeem tussen zes Noordzeelanden met medewerking van de NAVO om informatie over verdachte activiteiten op de Noordzee uit te wisselen. Dat is inmiddels operationeel en werd ontwikkeld door Justitie. Ik denk ook aan AIGIS, een systeem om het havenverbod te laten controleren. Collega De Wit zit hier. Ik herinner me nog de discussie die wij hadden. U vroeg me toen hoe ik dat havenverbod zou handhaven. Dat is ondertussen lang geleden. Dit is voor een stuk echter het antwoord op uw vraag van toen. Het systeem voor de handhaving van het havenverbod door de private sector in de haven is dus ook operationeel. Ik wil dus enkel zeggen dat er nog projecten zijn geweest.

Die modulaire aanpak met verschillende projecten biedt eveneens een aantal voordelen. Ten eerste kan het de risico's beperken. Als één module vertraging oploopt of niet het verwachte resultaat oplevert – we weten immers dat dat gebeurt – blokkeert dat niet de hele digitaliseringsbeweging. Het recente voorbeeld van JustSign illustreert dat. Dat specifieke project kent vertraging, maar een groot deel van het digitaliseringstraject kon doorgaan. Ten tweede laat die aanpak toe om sneller concreet resultaten te boeken die tastbaar zijn voor de eindgebruiker. Ten derde kunnen we lessen meenemen uit die eerste projecten naar volgende projecten. Dat continue leerproces heeft ons bijvoorbeeld geleerd om nog sterker in te zetten op gebruikersbetrokkenheid – dat blijft iets moeilijks bij Justitie – en om bepaalde technische keuzes te herzien. Ten vierde is zo'n strategie is ook flexibel: ze laat toe om in te spelen op veranderende omstandigheden.

Collega Yzermans, idealiter hadden we verder kunnen bouwen op een federale digitaliseringsstrategie, maar ik kan ook niet anders dan in het rapport van het Rekenhof vaststellen dat zo'n strategie niet voorhanden is. Het is niet aan mij om daar verder antwoorden op te geven. Vragen daarover kunt u het best stellen aan de staatssecretaris voor Digitalisering en de FOD BOSA.

Ik wil enkele concrete resultaten geven die er wel zijn op het vlak van digitalisering. Ik zal niet exhaustief zijn, maar ik wil er toch enkele geven, want ik denk dat dat belangrijk is.

Ten eerste is er Just-on-web. Dat is de centrale digitale toegangspoort tot Justitie. Die heeft gemiddeld 60.000 weergaven en meer dan 11 000 unieke bezoekers per dag. Dat platform is uitgegroeid tot een belangrijk, essentieel, substantieel instrument voor de gedigitaliseerde dienstverlening van Justitie. De gebruikersstatistieken tonen ook een gestage groei, wat wijst op een toenemende acceptatie bij de professionele gebruikers en bij de burgers.

Dan is er het digitale strafdossier. Een project dat jarenlang een verre droom leek, is vandaag realiteit. Via JustRequest en JustConsult registreerden we in 2023 184.316 digitale inzages door advocaten en burgers. En dat is inderdaad een fundamentele verbetering in de toegang tot Justitie. Het is niet allemaal kommer en kwel. Advocaten hoeven niet langer in de griffie foto's te nemen, zoals dat jaren is geweest, van papieren dossiers met hun smartphones. Slachtoffers kunnen hun dossier inkijken vanuit hun vertrouwde omgeving of in een justitiehuis, met ondersteuning van een justitieassistent indien nodig.

Via JustDeposit werden in 2023 bijna 1,4 miljoen stukken digitaal ingediend, tegenover minder dan 400.000 in 2019. Dat is een verviervoudiging op vier jaar tijd. Dat illustreert dat de digitale transformatie zich voltrekt en dat die zich kan voltrekken als we effectief goede en gebruiksvriendelijke tools aanbieden.

Voorzitter:

Mijnheer de minister, mag ik u vragen om af te ronden?

Paul Van Tigchelt:

Er zijn ook positieve evoluties in andere projecten. Dat overzicht zal ik u bezorgen.

Belangrijk om te vermelden, volgens de Dienst Administratieve Vereenvoudiging levert de digitalisering bijna 100 miljoen euro op jaarbasis aan administratieve besparingen voor de maatschappij op, met een potentieel dat uiteraard nog ettelijke miljoenen hoger ligt naarmate we meer projecten opleveren.

Er zijn ook mislukte projecten. Van de 28 projecten zijn er een achttal mislukt, of ze kennen een substantiële vertraging. De belangrijkste projecten in dat verband zijn JustSign en JustJudgment. JustSign is de digitale handtekening. JustJudgment is de digitale databank van vonnissen en arresten. Dat zijn belangrijke projecten waarvan de oplevering al werd vooropgesteld, maar waar er een grote vertraging optreedt.

Ik heb vorige week al gedetailleerde informatie over JustJudgment gegeven. Voor JustSign verwijs ik naar de gedachtewisseling met de heer Freilich in de plenaire vergadering naar aanleiding van het debat over de voorlopige twaalfden. Daarover worden nu opnieuw vragen gesteld, mijnheer de voorzitter. Ik moet daar dus opnieuw op ingaan.

De investering voor JustSign heeft inderdaad nog niet het gewenste resultaat opgeleverd. Het is een belangrijk project voor de automatisering en certificering van de elektronische handtekening van magistraten, met respect voor de privacy en de strenge vereisten voor veiligheid. JustSign is een wezenlijke stap in die digitale databank van vonnissen en arresten, maar dat project is dus vertraagd.

Mijnheer Freilich, over de Europese middelen heb ik het in de plenaire vergadering ook al gehad. Er zijn geen Europese middelen voor JustSign aangewend. We zijn in dat project met technische problemen geconfronteerd. Daarnaast hebben de problemen met bpost voor aanzienlijke vertraging gezorgd. We hebben het contract met bpost opgezegd en we zijn naar een nieuwe firma op zoek moeten gaan.

Belangrijk is ook het feit dat er in de zomer administratieve en begrotingsproblemen waren, die een regering in lopende zaken volgens mij niet kan overrulen. Een aantal van die problemen met bpost is in het verleden al uitgebreid aan bod gekomen.

Op 4 oktober 2023 heeft mijn voorganger in de commissie voor Justitie daarover een uitgebreide en gedetailleerde toelichting gegeven. Daarop kan ik niet terugkomen natuurlijk, maar de uitleg blijft wel relevant, ook in deze context. Het ging onder meer over de toewijzing van het contract aan bpost in december 2020, waarin ook het project JustSign vervat zat en waarover u opnieuw vragen stelt. Dat is verlopen volgens de geldende, administratieve procedures en dat werd door de ministerraad goedgekeurd.

Bij de uitvoering van dat contract zijn problemen ontstaan. U weet dat dat deel uitmaakt van een strafrechtelijk onderzoek, nadat onze diensten daarvan melding aan het parket hadden gemaakt, in de nasleep van de vermeende malversaties bij bpost. Ik heb al gezegd dat, mocht dat onderzoek leiden tot de veroordeling van mensen die werken voor Justitie, we dan inderdaad hard moeten optreden. Dat is alles wat ik daarover vooralsnog kan zeggen. Dat onderzoek loopt.

De toepassing, de module om gekwalificeerd te tekenen, werd wel opgeleverd en getest en doorstond zelfs met succes een strenge eIDAS-audit, maar bij de vernieuwing van de licenties in het najaar van 2024 in lopende zaken zijn we op een aantal problemen in het administratieve dossier gestoten. Zo bleek er een probleem met de aansprakelijkheidsclausule in de offerte te zijn. Dat heeft ervoor gezorgd dat de inspectie-generaal van Financiën en de staatssecretaris voor Begroting daarvoor geen fiat hebben gegeven. Ik denk dat een regering in lopende zaken zich daarnaar te schikken heeft. Bpost was op dat moment, conform de regeringsafspraken, al niet meer bij het project betrokken.

We hebben toen een moeilijke beslissing genomen, maar ik denk de enige juiste beslissing, mede ingegeven door de context van lopende zaken, om niet verder te gaan met die piste, met die firma. Welke firma dat specifiek was, heeft geen belang. Het is u overigens bekend. We zijn overgeschakeld op tijdelijke alternatieven voor de digitale handtekening om te voorkomen dat het project JustJudgment in het gedrang zou komen.

Voorzitter:

Mijnheer de minister, ik moet u vragen om uw antwoord te beëindigen.

Paul Van Tigchelt:

Goed, als u dat wenst, beëindig ik mijn antwoord, al werden er belangrijke vragen gesteld.

Voorzitter:

Ik heb u reeds tien minuten spreektijd bijgegeven.

Paul Van Tigchelt:

Monsieur le président, des questions importantes m'ont été posées et je ne peux pas y répondre…

Voorzitter:

Je ne dis pas qu'elles ne sont pas importantes, et vous avez eu dix minutes en plus.

Paul Van Tigchelt:

Je réponds aux questions. Des recommandations ont été émises par la Cour des comptes, sur lesquelles nous travaillons. Si vous voulez que je conclue, je conclus! Je n'ai cependant pas répondu à toutes les questions.

Voorzitter:

Je vous demande de conclure dans la minute.

Kristien Van Vaerenbergh:

Mijnheer de voorzitter, misschien kan de minister zijn volledige antwoord doormailen naar de commissie? Dan hebben wij zijn antwoord alvast.

Voorzitter:

Als iedereen daarmee akkoord gaat, heb ik daar geen bezwaar tegen.

Vous n'avez rien d'autre à ajouter, monsieur le ministre? En une minute, s'il vous plaît.

Paul Van Tigchelt:

Wat betreft het gebruik van consultants zijn er de aanbevelingen van het Rekenhof. De competentie om te digitaliseren is niet in huis, dus moeten we werken met consultants. Ik wens u veel geluk als we dat in de toekomst niet meer kunnen doen, maar er moet controle en transparantie zijn, dus ik kan u zeggen dat we niet op het rapport van het Rekenhof hebben gewacht om effectief maatregelen hieromtrent te nemen.

In de nasleep van de problemen rond bpost hebben we al een aantal maatregelen genomen: meer controle, meer transparantie en een beter overzicht van de strategie voor iedereen. De operationele rol van het kabinet in de digitalisering van Justitie is zeer bewust, op vraag van het kabinet zelf, sinds het einde van 2023 teruggedraaid. We hebben de verantwoordelijkheid gelegd waar ze moet liggen en dat is bij de FOD, de Federale Overheidsdienst, in samenwerking met het Digital Transformation Office, dat we hadden opgericht. Het was volgens een andere audit trouwens een goede zaak.

Wat betreft het DTO, het Digital Transformation Office, hadden we personeelsproblemen en sinds het begin van dit jaar hebben we een nieuwe directeur. Er is nog een lange weg te gaan, maar ik denk effectief dat de digitalisering een noodzaak is en blijft. We hebben een lange weg afgelegd en er blijft nog een lange weg te gaan. Tot daar mijn onvolledige antwoord.

Kristien Van Vaerenbergh:

Mijnheer de minister, we zullen dus schriftelijk kennisnemen van het nog uitgebreidere antwoord.

Het is helaas onmogelijk om te repliceren op alle punten die u hebt aangehaald. We zullen echter volgende week starten met verder te werken rond dat thema. Als eerste stap zullen we het Rekenhof horen over het rapport en nadien een diepgaander debat houden met u en de staatssecretaris voor Digitalisering.

Ik ben het uiteraard wel met u eens dat we zo snel mogelijk een nieuwe regering moeten hebben en een nieuwe minister van Justitie. Dat zal iemand moeten zijn van een serieus kaliber. Uw voorganger is immers met heel veel enthousiasme begonnen en zou alles oplossen. Straffen onder de drie jaar zouden worden uitgevoerd, maar op dit ogenblik worden zelfs straffen onder de vijf jaar niet meer uitgevoerd. Ook de digitale transformatie is nog steeds een werf bij Justitie.

Ik ben het met u eens dat het geen goede keuze was om opnieuw met een mastodontproject te werken, gelet op de falingen in het verleden en de hoeveelheid geld die het de belastingbetaler heeft gekost. We moeten natuurlijk wel een coherent plan hebben en het helikopteroverzicht over alle verschillende projectjes kunnen bewaren. U zegt dat u altijd transparant hebt gecommuniceerd, maar voor ons was het heel moeilijk, gelet op alle nieuwe projecten, die van naam veranderden, waarvan we niet wisten wat ze hadden gekost, wanneer ze werden opgeleverd en wat de efficiëntiewinsten op het terrein waren. U zult echter het overzicht geven en we zullen ervan kennisnemen en verder gaan met het debat.

Michael Freilich:

Mijnheer de minister, het was een hele boterham. U hebt bijna een halfuur gesproken en u had nog kunnen doorgaan. Voor ons is het duidelijk dat er nog veel moet worden gezegd over deze zaak. Wij hebben om een hoorzitting met het Rekenhof gevraagd en zullen ook vragen dat u in deze commissie komt getuigen. Dat zal ons meer tijd geven om daarop verder in te gaan in een echt debat, wat we in een actualiteitsdebat niet kunnen doen.

Mijn partij is van plan om ook voormalig minister van Justitie, de heer Van Quickenborne, te horen. Er is immers veel informatie en er zijn heel veel zaken die ik nu hoor passeren waarvan ik weet dat ze gewoon niet waar zijn. U zegt dat JustDeposit werkt, maar ik kan u zeggen dat dit project on hold staat. Ik krijg berichten van magistraten die zeggen dat er geen JustDeposit is. Misschien bedoelt u e-Deposit, maar dat is iets totaal anders.

U hebt het bijvoorbeeld over het feit dat het transformation office binnen het kabinet is overgeheveld naar de FOD Justitie. Dat is gebeurd omdat bpost een audit aan zijn been had en toen heeft gezien dat er illegale zaken zijn gebeurd. Dat is de analyse van het interne Anacondarapport van bpost dat wij in deze Kamer achter gesloten deuren hebben kunnen inzien. Wat daarin stond, was heel duidelijk. Wat de regering vraagt, met name het kabinet Justitie, is volgens de juristen en analisten van bpost illegaal. Dat staat daar zwart op wit in. Mijn collega's hebben dat ook kunnen inzien. Op dat moment heeft uw kabinet beslist dat de grond onder de voeten te heet werd en werd het doorgeschoven naar een ander departement, rechtstreeks naar de FOD.

Wat betreft JustSign, u zegt dat er een aansprakelijkheidsissue was en dat we heel dat project daarom maar hebben laten varen. Dat kan niet het geval zijn. Het werkt technisch niet. U kunt mij niet komen vertellen dat u een project waarvoor eerst op een heel bedenkelijke manier, namelijk zonder offerte, aan bpost 3 miljoen euro werd gegeven, waar nadien honderden uren aan consultancy in zijn gekropen en waarvan u nu zegt dat het werkte, helemaal overboord zult gooien omdat er ergens een aansprakelijkheidsclausule niet goed werkte en omdat we nu in lopende zaken zitten. Dat geloof ik niet.

Dat heeft simpelweg te maken met het feit dat dit project van bij het begin op technisch vlak verkeerd werd gemanaged. We hebben daar met verschillende mensen gesproken en die informatie staat ook in veel rapporten die gekregen u zou moeten hebben. U zegt te erkennen dat er een aantal zaken zijn misgelopen, dat we ons deel wilden doen, dat we te veel wilden doen en dat de scope te breed was. Kom daar niet mee af, want in elk van de 38 rapporten van de Inspectie van Financiën, die u en ik hebben gekregen, staat dat wat u al maanden doet met Crossborder volledig buiten de scope van Crossborder valt en geeft ze een negatief advies.

Iedereen moet de regels volgen en de FOD Justitie en het kabinet van de minister van Justitie als eerste. U spreekt over RRF-fondsen, om die kwetsbare personen te helpen. U neemt hier dus geld voor kwetsbare personen en geeft het aan andere projecten, die daarmee niets te maken hebben. U gaat geld van Crossborder, dus van het boeteplatform, spenderen voor andere projecten. Dat kan niet. Er zijn regels die bepalen waarvoor geld wel en niet kan worden gebruikt. Als men van Europa de goedkeuring krijgt voor een bepaald project, dan kan dat geld alleen daaraan besteed worden en niet aan andere zaken. Het laatste is hier zeker nog niet gezegd.

Volgende week zullen wij het Rekenhof horen. Wij vragen dat u nadien naar de commissie komt. Mijn fractie vraagt dat ook de heer Vincent Van Quickenborne komt, van wie u dit hebt geërfd. Hij was een groot deel van vorige legislatuur verantwoordelijk. U was toen zijn kabinetschef. Dit is voor mij fundamenteel. We moeten er verder op ingaan, want te veel vragen zijn nog steeds onbeantwoord.

Alain Yzermans:

Mijnheer de minister, Vooruit staat voor een sterk justitieapparaat. Een sterke Justitie is nodig voor een sterke democratie. Dat vraagt een zeer goed beheer en management.

Digitalisering is een belangrijke tool in die gigantische omwenteling, ook in de maatschappelijke verantwoording van wat instellingen doen. We moeten de juiste waardemeting doen. Enerzijds is er corporate governance, wij moeten erover waken dat de middelen goed worden ingezet. Anderzijds moest er een enorme omwenteling gebeuren. Mijnheer de minister, daar volg ik u wel. Er was een systeem uit de 19de en 20ste eeuw, dat volledig achterhaald was. Justitie was amper administratief toegankelijk. Er werden stappen gezet, dat heb ik ook gehoord op basis van de opgesomde projecten. Mij interesseren de aanbevelingen sterk. We moeten naast de lijst ook de toelichting krijgen, al dan niet door de voormalige minister. Hoe pakt de FOD Justitie dat nu verder aan?

Belangrijk is ook dat digitalisering zorgt voor vereenvoudiging en leesbaarheid van de administratie. Aan de andere kant kunnen zo de kosten naar beneden. Dan gaat het niet over het inschakelen van consultants. Er is minder kans op fraude, op hacking. Maar elke koppeling is een veiligheidsrisico. Dat weet iedereen. Het is belangrijk dat die aspecten goed worden opgevolgd.

Ik herhaal mijn pleidooi dat er te veel aparte silo’s zijn gedigitaliseerd en dat de systemen beter op elkaar moeten worden afgesteld, hoe moeilijk dat ook is. Misschien moet ik inderdaad de vraag stellen op de juiste plaats.

Uiteraard vraagt corporate governance ook om een digitalisering voor een sterk justitieapparaat, dat men beheert als een goede huisvader of huismoeder. De vraag naar meer coherentie en efficiëntie moet ook op het terrein worden ingevuld. Die aanbevelingen, het management daaromtrent, het stappenplan, het plan van aanpak en de opvolging zouden regelmatig in onze commissie moeten worden besproken.

Dieter Keuten:

Dank u, minister, voor uw lange toelichting. Bedankt ook voor uw nederigheid. Bedankt voor de geschiedenis van mislukte projecten. Uw toelichting is heel nuttig voor mij als nieuw parlementslid.

Uw nederigheid is hier op zijn plaats. Sinds de eeuwwisseling, de periode waarmee u uw betoog begon, kwamen maar liefst vijf van de negen ministers van Justitie uit uw partij. Geen enkele andere partij draagt een grotere verantwoordelijkheid dan de uwe voor de huidige toestand van Justitie. Ik kan me niet van de indruk ontdoen dat de kiezer, de burger daar op 9 juni naar gehandeld heeft.

Als liberaal gelooft u misschien in trial-and-error. Al die mislukte projecten zouden een belangrijke les kunnen zijn: itineraties, voorbeelden van hoe het niet moet. Die kennis zou Justitie kunnen wapenen voor de toekomst. U prijst dit rapport voor de guidelines voor een verdere digitalisering, maar de grote vraag vandaag is: wat zijn uw guidelines? Met welke erfenis gaat u de geschiedenis in?

U noemt uw kabinet modulair en voluntaristisch.

Modulair? Waarom maakt u dan geen gebruik van de bestaande tools en bestaande oplossingen die door andere overheidsinstellingen worden gebruikt?

Voluntaristisch? Wees dan alstublieft ook zo voluntaristisch om behalve een gedetailleerd overzicht van de 28 digitale projecten ook de bijbehorende budgetten te vermelden.

Met name wens ik een overzicht van de voorziene begrotingsmiddelen per digitaliseringsproject, dus het beschikbare budget en het ontbrekende budget om de lopende projecten te financieren. Daarnaast verwachten wij van u een zicht op de toekomstige middelen die noodzakelijk zijn om dat traject, dat u mee hebt vormgegeven, te voltooien.

Steven Matheï:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw uitvoerige toelichting. Zoals daarnet al gezegd, de digitalisering van Justitie is belangrijk en noodzakelijk. Met wat nu voorligt, het rapport van het Rekenhof, denk ik dat het ook van belang is om terug te kijken in de tijd. In de komende weken zullen we dat in de commissie voor Justitie nog uitgebreid doen, onder andere via hoorzittingen met het Rekenhof, waarna we nog enkele zaken bij u zullen aftoetsen, zodat we daaruit lessen kunnen trekken voor de toekomst. Is er nood aan meer transparantie? Waar is het misgelopen? Hoe kunnen we dat in de toekomst vermijden?

Die blik op de toekomst willen we aanhouden omdat het project momenteel stilligt. Die 28 deelprojecten willen we tot een goed einde brengen. Het moet nog altijd de finaliteit zijn om de digitalisering van Justitie werkelijkheid te laten worden. Aan elk project hangen een heel aantal mensen, gebruikers en ook zaken die vlotter en beter georganiseerd moeten worden. Ik bedank u alvast voor uw toezegging om een overzicht te geven en in alle transparantie heel duidelijk weer te geven wat de staat is van elk deelproject, zodat we dat ook kunnen meenemen naar de toekomst.

Jean-Luc Crucke:

Monsieur le ministre, c’est un dossier difficile, et vous avez tenté de l’expliquer. C’est difficile aussi parce que vous en portez la responsabilité politique actuelle, mais vous n’en supportez pas la responsabilité politique seul. Il y a votre prédécesseur. Il y a aussi un secrétaire d'État, qui mériterait sans doute d’être entendu également. Ce dossier, de par sa complexité, avait, pour faire une comparaison cycliste, un col hors catégorie à franchir: la numérisation de la Justice. Vous-même, vous le dites: la Justice, avec les moyens dont elle disposait, ne pouvait pas y arriver seule. D’où la nécessité de faire aussi intervenir des acteurs privés.

Vous avez répondu aux parlementaires, en reconnaissant un certain nombre d’erreurs et d’insuffisances en termes de contrôle. Vous avez aussi répondu à la Cour des comptes, et cela n’a pas satisfait celle-ci, qui a maintenu son opinion.

Je pense que, dans un dossier comme celui-ci, il est toujours plus facile de refaire l’histoire après. J’ai été à votre place dans d’autres circonstances. C’est parfois la question qu’on se pose. Mais ici, nous devons refaire l’histoire parce que c’est de l’argent public. Que le col était difficile: d’accord. Que des moyens importants devaient être dégagés, encore une fois: d’accord. Mais fallait-il que certains, dans le privé, abusent de ces moyens?

C’est un peu le sentiment que j’ai aujourd'hui. Je sais qu’il est "tendance" de critiquer le secteur public, qui ne dispose pas des moyens, humains ou budgétaires, et de dire que le privé va plus vite, va plus fort, fait mieux. Mais si c’est le cas, il doit le prouver. Or, dans ce dossier, j’ai l’impression qu’il a prouvé tout le contraire.

Je ne parviens pas à me départir de ce sentiment-là à la lecture du rapport de la Cour des comptes. Je crois qu’il faudra effectivement entendre la Cour des comptes, comme la commission l’a décidé. Nous avons pris des contacts pour la semaine prochaine. Et puis nous verrons ce qu’il faudra faire avec ce dossier. Mais on voit bien qu’il y a aussi des liens avec d’autres dossiers.

Je ne veux pas aujourd'hui être celui qui jette la pierre. J’ai horreur de faire cela. Par contre, je crois que nous devons absolument comprendre ce qui s’est passé, ce qui ne s’est pas passé, ce qui s’est très mal passé, et ceux qui ont trépassé – parce que, manifestement, il y en a une paire dans ce dossier.

Voorzitter:

We komen nu tot de samengevoegde vragen van mevrouw Dillen en mevrouw De Wit in verband met de impact van de noodmaatregelen rond het penitentiair verlof. Mevrouw Dillen is afwezig.

Sophie De Wit:

Mijnheer de voorzitter, vorige week werden de samengevoegde vragen uitgesteld op mijn verzoek wegens de bijeenkomst van de onderzoekscommissie. Mevrouw Dillen is hier vandaag niet geraakt om familiale redenen en vroeg of zij deze keer een uitstel mocht vragen. Zij was vorige keer geduldig met mij; dus ik kan niet anders dan dat vandaag ook voor haar te zijn, indien u dat toestaat.

Voorzitter:

We zullen dat zo doen. De samengevoegde vragen nrs. 56001676C van mevrouw Dillen en 56001681C van mevrouw De Wit worden uitgesteld.

Sportjustitie

Gesteld aan

Paul Van Tigchelt (Minister van Justitie en Noordzee)

op 15 januari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de legitimiteit van interne federatiejustitie (bijv. in de Vlaamse volleybalbond) bij niet-sportgerelateerde zaken zoals psychologisch wangedrag door een trainer, waar slachtoffers vaak vastlopen in beroepsprocedures en onvoldoende gehoord worden. Minister Van Tigchelt benadrukt dat federaties zelf disciplinaire zaken mogen behandelen, mits ze dat professioneel, transparant en objectief doen, maar erkent dat gerechtelijke zaken (bijv. misbruik) altijd bij de gewone rechtbank thuishoren. Crucke pleit voor duidelijke communicatie over het recht om direct naar de rechtbank te stappen en voor een verplichting voor federaties om interne procedures stop te zetten zodra een zaak bij de rechtbank ligt, om dubbel werk en vertraging te voorkomen. De ongelijkheid tussen Vlaamse en Waalse gelijkekansinstanties (actierecht) blijft onbeantwoord.

Jean-Luc Crucke:

Monsieur le ministre de la Justice, il s'agit d'une question que je posais déjà quand je siégeais dans une entité fédérée. Systématiquement, on me renvoyait vers le ministre de la Justice. Je ne comprenais pas. Mais maintenant que je suis face au ministre de la Justice, je lui repose la même question.

En l'occurrence, le débat porte sur la fédération de volley-ball flamande. Vous ne le savez peut-être pas, mais je suis un passionné de volley-ball. Il se fait que les joueuses de l'équipe nationale sont toutes néerlandophones. Voilà pourquoi elles relèvent d'une fédération flamande. Mais, à tort ou à raison, elles soulèvent un certain nombre d'incriminations qui me semblent très importantes et qui relèvent de comportements psychologiquement déviants de l'entraîneur à leur égard. Elles ont eu raison en première instance et tort en seconde instance. Elles disent d'ailleurs qu'un certain nombre d'arguments n'ont pas trouvé réponse.

Je ne commente pas le jugement sur le fond, je pose une question au ministre de la Justice. Cette justice des pairs, que ce soit en matière sportive ou en d'autres matières, est-elle encore une justice actuelle? Doit-elle encore exister pour des préventions qui ne relèvent pas des règles du jeu? On pourrait entendre que sur les règles du jeu, la fédération a une vision en ce qui concerne leur application. Mais pour tout ce qui ne ressortit pas à ces règles, les personnes qui se sentent blessées et victimes n'aboutissent-elles pas à une plus grande perte de temps? Elles pourraient saisir la justice ordinaire, rien ne les en empêche, mais on sait très bien que lorsqu'on est dans une fédération sportive, le fait de ne pas faire appel aux structures mises en place vous discrédite encore plus et vous met au ban de la fédération.

Le ministre de la Justice ou le Parlement ne devraient-ils pas légiférer pour limiter la compétence de ces fédérations à ce qui relève du jeu de manière à ce que la Justice puisse alors faire son travail et ne pas perdre de temps? N'est-il pas temps de remettre de l'ordre dans la maison Justice par rapport à cette justice parallèle?

Enfin, la Genderkamer, qui est le pendant flamand de l'Institut pour l'égalité des femmes et des hommes, ne peut pas, selon ses statuts, agir en justice. Y a-t-il un fondement à cela? Cela ne crée-t-il pas une distinction qui deviendrait finalement une inégalité dans ce pays, entre ceux qui habitent dans le Nord et ceux qui habitent dans le Sud?

Paul Van Tigchelt:

Vous me posez la question de savoir si les justices corporatistes sont encore de ce siècle. La réponse est que cela dépend du professionnalisme et du sérieux de la fédération en question. Si la fédération est professionnelle et prend au sérieux le sort de ses membres, oui, elle investit dans une sorte de justice objective et transparente. Si justice et corporatisme sont en principe en contradiction l'un avec l'autre, une justice objective et transparente peut également exister dans ce cadre. Les associations et les secteurs sportifs – qui sont, au fond, des associations d'associations – sont libres d'imposer des règlements à leurs membres et de les faire respecter par un système disciplinaire interne. Il n'y a en principe rien de mal à cela, bien au contraire. L'objectif ne peut pas être que les cours et tribunaux se prononcent sur l'application des règlements d'une compétition sportive ou sur les sanctions imposées aux membres en cas de non-respect d'obligations, comme le fait d'arriver en retard à l'entraînement par exemple.

La majeure partie des décisions disciplinaires dans le sport porte apparemment sur ce type de questions. Le non-respect d'un règlement intérieur peut également constituer une infraction dans certains cas. Par exemple, en cas de harcèlement ou d'attentat à la pudeur, les Cours et tribunaux sont, comme vous l'avez dit, bien entendu pleinement compétents mais les associations et les secteurs sportifs restent libres d'intervenir en matière disciplinaire à l'encontre de leurs membres qui enfreignent le règlement intérieur. Mais cela n'a de sens que si la fédération en question prend cette matière au sérieux.

Jean-Luc Crucke:

Monsieur le ministre, je vous remercie de votre réponse. Le centriste que je suis dit au libéral que vous êtes que vous répondez tout en nuances. Ce n'est pas pour me déplaire. Vous avez évoqué la question de l'objectivité. Pour m'intéresser depuis vraiment longtemps à ce dossier, je puis ajouter qu'une fédération n'est pas l'autre. Il faut le reconnaître. Dans certaines d'entre elles, un investissement est vraiment engagé en faveur des personnes qui sont chargées de ces conflits et formées à cet effet. Parfois même, ce sont des magistrats qui siègent dans ces organes. Plus fondamentalement, s'agissant des droits du plaignant, quelle que soit la fédération, il faudrait pouvoir indiquer aux plaignants qu'ils ont toujours et ab initio le droit de saisir la justice ordinaire. Ils l'ignorent parfois. C'est pourquoi il conviendrait peut-être d'imposer aux fédérations de ne pas se saisir d'une question et de suspendre tout jugement lorsqu'un dossier relève de la justice et que le plaignant décide d'y recourir. C'est une information qui pourrait être utilement communiquée, de manière à éviter les quiproquos et le temps perdu.

De gevangenissen en verkiezingsaffiches

Gesteld aan

Paul Van Tigchelt (Minister van Justitie en Noordzee)

op 15 januari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Een parlementslid kaartte aan dat rond de gevangenis van Leuze-en-Hainaut electorale affiches waren geplaatst, wat hij onaanvaardbaar vindt voor een staatsgebouw dat neutraal moet blijven, zoals een gemeentehuis. De minister bevestigde dat affichage op gevangenisterrein verboden is en dat de illegale affiches inmiddels zijn verwijderd door de Régie des Bâtiments (eigenaar), terwijl de gevangenisdirectie slechts huurder is. Het incident toont een kennishiatie bij de lokale leiding, hoewel de regels helder zijn. Het parlementslid drong aan op betere handhaving en herhaling van de richtlijnen om herhaling te voorkomen.

Hervé Cornillie:

Monsieur le ministre, 2024 fut une année dense sur le plan électoral, notamment au niveau communal. Alors que je circulais – c'est le propre des candidats – dans la commune où j'habite et où se trouve une prison, quel ne fut pas mon étonnement de voir que sur le pourtour de la prison de Leuze-en-Hainaut, on trouvait de l'affichage électoral! Je fais de la politique depuis un petit temps quand même. Je me suis toujours dit que les bâtiments publics, les lieux où l'autorité de l'État était en jeu, n'avaient pas à prendre parti pour telle ou telle formation politique, quelle qu'elle soit, d'ailleurs. C'est valable pour tout le monde, en ce compris pour mon groupe politique. Je fus étonné de voir, avec mon équipe, que la prison de Leuze-en-Hainaut permettait de l'affichage pour telle ou telle formation politique.

Quand il y a des problèmes, je tente de les régler. Je ne commence pas à tirer comme d'autres avec un bazooka, surtout pour des choses aussi futiles finalement aux yeux du citoyen. J'ai téléphoné à la directrice de la prison, qui m'a ri au nez, pour le dire poliment. Elle s'est moquée qu'un député puisse l'interpeller en disant que c'était étonnant de voir cela à la prison de Leuze-en-Hainaut. Elle était sûre de son bon droit. Peut-être allez-vous me dire qu'en effet, elle a le droit de faire afficher des affiches électorales dans l'enceinte de la prison et sur le pourtour de celle-ci, sur les arbres de la prison et sur les murs d'enceinte. Je reste convaincu que lorsque l'autorité de l'État est en jeu, il n'y a pas lieu de faire cela. La prison est comme un hôtel de ville. Imaginez que sur la tour de l'hôtel de ville de Leuze-en-Hainaut, je commence à placarder mes bâches en période électorale. Ce n'est pas convenable, c'est illégal et cela ne doit pas arriver.

Monsieur le ministre, avez-vous été informé de cette situation? Est-il normal que dans des prisons de l'État belge, on puisse afficher des messages pour telle ou telle formation politique quelle qu'elle soit? L'impartialité et l'égalité des citoyens et des candidats sont-elles respectées dans ce genre de circonstances? Pouvez-vous me dire ce qu'il en est? Acceptez-vous de telles pratiques? N'y a-t-il pas là un vide juridique? Auquel cas, comptez-vous faire quelque chose pour que les prisons ne participent pas au débat électoral?

Paul Van Tigchelt:

Cher collègue, je n'étais pas au courant du cas que vous évoquez mais je pense pouvoir donner une réponse assez simple et claire. Les affichages électoraux sont interdits en prison, que ce soit à l'intérieur de l'établissement ou sur le terrain extérieur.

Les affiches dont il est ici question devaient être posées en dehors de ce terrain et là, ce n'est plus de la compétence de la prison. Il se fait qu'elles ont été posées sur une partie du terrain qui appartient bien à la prison. Leur retrait a été effectué via la Régie des Bâtiments qui, d'un point de vue pratique, est propriétaire de l'établissement, l'établissement pénitentiaire (Direction générale des é tablissements pénitentiaires) en étant seulement locataire.

Hervé Cornillie:

Merci, monsieur le ministre. C'était clair et je reste cependant tout à fait étonné que cela ait pu arriver. Objectivement, je crois que le bon sens et les règles qui prévalent n'auraient pas dû conduire à une telle pratique ni à une telle attitude de la responsable de la prison. Je ne sais pas si c'est à vous que je dois le demander mais peut-être convient-il de rappeler ces règles dans certains cas.

Het vandalisme en geweld in de nieuwjaarsnacht in Brussel en Vlaanderen
De oudejaarsnacht in Brussel
Huisarrest voor 'jongeren' in Antwerpen
De toepassing van de wet tot instelling van een verbod op gezichtsbedekkende kleding
De rellen op oudjaar en de aanvallen op de hulpdiensten
Oudejaarsnacht 2024
De rellen tijdens de oudejaarsnacht
De rellen tijdens de nieuwjaarsnacht
De beleidsvisie in verband met de gebeurtenissen in de oudejaarsnacht in Brussel
De risicoanalyse in het kader van de gebeurtenissen in de oudejaarsnacht in Brussel
Bijzondere middelen en geweldsinstructies tijdens de oudejaarsnacht in Brussel
De oudejaarsnacht
Oproer, geweld en veiligheidsmaatregelen tijdens de oudejaarsnacht in België

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)

op 15 januari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De commissiediscussie draait om de escalerende gewelddadige rellen tijdens oudejaarsnacht 2024, met name in Brussel en Antwerpen, waar hulpverleners en politie werden aangevallen met molotovcocktails en vuurwerk, en zware vernielingen plaatsvonden. Hoofdpunten: De oppositie (o.a. N-VA, Vlaams Belang) eist strengere repressie (meer bewapening, huisarrest, snellere identificatie via gezichtsbedekkende kleding) en federale sturing, terwijl minister Verlinden (CD&V) benadrukt dat lokaal bestuur (burgemeesters, korpschefs) primair verantwoordelijk is en wijst op preventie (samenwerking met straathoekwerkers, ouders, grootstedenbeleid) als sleutel. Polarisatie over oorzaken: sommigen wijzen op massa-immigratie en cultuurconflict, anderen op socio-economische achterstanden en falend beleid. Conclusie: Geen eenduidige oplossing, maar roep om betere coördinatie, juridisch kader (bv. huisarrest), en structurele aanpak – met spanning tussen repressie en preventie.

Voorzitter:

Goedemiddag, collega's. Ik dank de minister voor haar aanwezigheid in deze sessie met zeer veel vragen die aan haar gericht zijn.

Ik wil ook van de gelegenheid gebruikmaken om iedereen mijn beste wensen over te maken. Ik hoop dat de meerderheid en de oppositie, en de toekomstige meerderheid en de toekomstige oppositie, elkaar het licht in de ogen zullen gunnen en constructieve debatten zullen voeren in deze commissie, zoals we dat in de afgelopen vijf jaar ook hebben gedaan.

Ortwin Depoortere:

Mevrouw de minister, ik zal proberen niet te herhalen wat ik vorige week in de plenaire vergadering heb gezegd en ik hoop dat u hetzelfde doet. Ik vind dat de commissie de juiste plaats is om dieper in te gaan op een aantal zaken, waaronder de cijfers. Ik zal niet opnieuw alle incidenten op oudejaarsnacht opsommen. Er waren zeer zware rellen in Brussel en Antwerpen. Ook in een aantal andere steden was dat het geval, maar daar was minder aandacht voor. In Gent waren er problemen met allochtone jongeren. Vooral Brussel springt echter in het oog, aangezien we over de partijgrenzen heen vaststellen dat het geweld escaleert. Het gaat niet over een vuurwerkbommetje, maar wel om pogingen tot doodslag of moord op onze politieagenten door middel van molotovcocktails. Hulpverleners en brandweerlieden worden in de val gelokt en bekogeld, materiaal wordt beschadigd in het publiek domein enzovoort. Het gaat dus niet meer over faits divers.

Mevrouw de minister, die escalatie – ik zal nu toch deze woorden uit de plenaire vergadering herhalen – is een reeks van feiten die niet stopt. In 2020, vijf jaar geleden, interpelleerde ik uw voorganger minister De Crem ook al over de rellen in de grootsteden. Vandaag is dat helaas nog steeds het geval en het wordt erger en erger. Mevrouw de minister, de signalen waren op voorhand nochtans duidelijk, maar toch konden die incidenten plaatsvinden.

Wat is uw analyse van de gebeurtenissen op oudejaarsnacht? Hoe kunnen we dat in de toekomst voorkomen? In de plenaire antwoordde u naar mijn mening wat vrijblijvend dat de verantwoordelijkheden een beetje overal liggen, bij de overheid, bij de burgemeesters en bij de ouders. Over duidelijke en concrete maatregelen met betrekking tot de politionele aanpak, waarvoor u bevoegd bent, hebt u mij geen antwoord verschaft. Ik hoop dat u dat vandaag kunt rechtzetten.

Voorzitter:

Mevrouw de minister, ik zie dat ik al een minuut over tijd ben. Ik geef dus snel het woord aan mevrouw De Vreese.

Mevrouw De Vreese, u hebt vijf vragen ingediend. Mag ik vragen dat u ze bundelt? Uiteraard wordt de spreektijd dan langer gemaakt.

Maaike De Vreese:

Mevrouw de minister, ik heb na de rellen in Brussel gevraagd om de commissie zo snel mogelijk te laten bijeenkomen. Ik had die bijeenkomst liever veel vroeger gezien, omdat het Parlement op die manier een belangrijk signaal geeft dat niet alleen onze afschuw weerspiegelt, maar ook toont dat wij onze taak van volksvertegenwoordiger heel ernstig nemen. Wanneer we zien dat de zaken op die manier uit de hand lopen, moeten we onmiddellijk de koppen bij elkaar steken en de nodige vragen stellen.

Ik maakte mij vandaag nog de bedenking dat we eigenlijk ook de minister van Justitie hadden moeten uitnodigen, omdat er ook nog heel wat vragen zijn over bijvoorbeeld het snelrecht en het parket, over de manier waarop dat snelrecht wordt toegepast en over de graad van vervolging.

Mevrouw de minister, ik hoop dat u in uw hoedanigheid van minister van Binnenlandse Zaken ook even uw licht hebt opgestoken bij uw collega, zodat we vandaag correcte cijfers in dat kader kunnen krijgen. We hebben immers heel wat gelezen in de pers, maar we hebben natuurlijk liefst de officiële cijfers en statistieken en een officieel zicht op de precieze daders en hun profiel. Als minister van Binnenlandse Zaken hebt u die situatie natuurlijk niet alleen dit jaar opgevolgd, maar ook de voorbije jaren. Alles start met een juist zicht op de situatie: wie heeft de voorbije jaren wat gedaan en hoe. Als wij parlementsleden ernstig werk willen maken van de problematiek om een volgende escalatie te vermijden, dan is de startpositie natuurlijk te weten wat er precies aan de hand is. Het doel is ons voor te bereiden op volgend jaar. We zien immers dat het geweld enorm escaleert en telkenmale zwaarder wordt.

Iedereen hier weet dat mijn partij er voorstander van is om in te grijpen, zowel op preventief als op repressief vlak, en om maatregelen klaar te stomen. Onze lokale bestuurders moeten ook weten van welke maatregelen zij gebruik kunnen maken, zodat ze niet opnieuw met de handen in het haar zitten en zich niet opnieuw moeten afvragen of een bepaalde handeling wel of niet mag en hoe een en ander nu precies zit. Wij moeten ook het nodige wetgevende werk verrichten indien er nog wettelijke beperkingen zouden zijn. We kijken dus ook uit naar het arrest van de Raad van State over bijvoorbeeld het preventieve huisarrest.

Meer algemeen is mijn vraag wat er nu is toegepast. Wie heeft welke verantwoordelijkheid genomen? Welke voorafgaande vergaderingen hebben er plaatsgevonden? Op welke manier was u daar als minister van Binnenlandse Zaken bij betrokken? Was uw kabinet aanwezig op voorbereidende vergaderingen? Wat waren de conclusies daarvan? Hebt u als minister van Binnenlandse Zaken de federale politie extra instructies gegeven? Wat waren die instructies? Hoe was de verstandhouding met het parket? Hoe was de verstandhouding tussen u en de minister van Justitie?

Onze fractie blijft met al die vragen zitten en zou daarop graag een antwoord krijgen. Welke lessen kunnen we hieruit trekken?

Kunnen mijn vragen over de lokale en de federale bevoegdheden in het verslag worden opgenomen, zodat ik ze niet allemaal volledig hoef voor te lezen?

Voorzitter:

Men kan niet combineren en een mix maken met een verwijzing naar de ingediende vraag. U kunt wel verwijzen naar uw vraag zoals schriftelijk ingediend. U hebt vijf vragen ingediend, dus moet u specifiek zeggen om welke vraag of vragen het gaat.

Maaike De Vreese:

Mijnheer de voorzitter, mijn eerste vraag was een algemene vraag, mijn tweede vraag gaat over de beleidsvisie op oudejaarsnacht in Brussel. Ik verwijs daarvoor ook naar de omzendbrief OOP 41, waarin vermeld is dat de bevoegdheid voor de handhaving van de openbare orde een lokale aangelegenheid is. De minister van Binnenlandse Zaken kan natuurlijk in subsidiaire orde de bevoegdheden van de burgemeester of van de gemeentelijke instellingen uitoefenen wanneer die hun verantwoordelijkheid niet nakomen. Dat is artikel 11 van de wet op het politieambt (WPA). De minister van Binnenlandse Zaken oefent tevens het gezag uit op de federale politie voor het vervullen van haar opdrachten van bestuurlijke politie.

Vooraf waren er algemene coördinatievergaderingen. Dat is ook altijd aangeraden. Ook moeten er duidelijke afspraken met het parket worden gemaakt.

Mevrouw de minister, welke maatregelen hebben de Brusselse gemeenten getroffen om schade tijdens oudjaar te voorkomen? Welke bevelen, onderrichtingen en richtlijnen hebt u gegeven aan de politie? Welke dwingende richtlijnen hebt u de lokale politie gegeven? Kunt u de beleidsvisie en de tolerantiegrenzen die van toepassing waren verduidelijken? Daarover bestaan immers veel vragen. Waarom werd er niet kordater ingegrepen? Welke lessen worden er hieruit getrokken?

Ik heb ook een vraag ingediend over de risicoanalyse. Afhankelijk van de te maken risicoanalyse worden bepaalde maatregelen genomen. Zo kan een hardekerngebonden aanpak gebeuren, eventueel versterkt met dwangmaatregelen van bestuurlijke politie, zoals nultolerantie, een samenscholingsverbod, een plaatsverbod, cameratoezicht, de verstoring en sanctionering van normoverschrijding in groepsverband, met als doel om straatcriminaliteit kordaat aan te pakken.

Mevrouw de minister, kunt u meedelen welke risico's voorafgaandelijk werden geanalyseerd, in het bijzonder voor de globale opdracht van ordehandhaving? Welke aangepaste politiemaatregelen werden nodig geacht volgens dat specifieke risiconiveau? Welke hardekerngebonden aanpak moest toelaten om groepsgerelateerde overlast en straatcriminaliteit adequaat aan te pakken? Kunt u nader toelichten welke geconstitueerde eenheden werden voorzien?

Ik heb ook een vraag ingediend over de bijzondere middelen en geweldsinstructies tijdens de oudejaarsnacht in Brussel. Ik verwijs voor de inleiding naar de ingediende vraag.

Conform de ministeriële omzendbrief OOP 41 is de keuze voor een bepaald bijzonder middel of voor een combinatie van middelen afhankelijk van de situatie, van de risico's en van de toets aan de legitimiteit, de opportuniteit, de subsidiariteit, de effectiviteit en de evenredigheid.

Mobiele en vaste camerabewaking zijn krachtige instrumenten. Andere bijzondere middelen die kunnen worden ingezet zijn bijzondere teams (arrestatieteams, lock-on teams, sproeiwagenteams, ...), de politie te paard, patrouillehondenteams, de collectieve spray en traangasgranaten.

Die laatste worden beschouwd als bijzondere bewapening op basis van artikel 6 van het KB op de politiebewapening. Het is een `non lethal' middel.

Het gebruik van dwang en geweld gebeurt overeenkomstig de aangegeven tolerantiegrenzen. De geweldsinstructies kunnen voorafgaandelijk worden meegedeeld in een geschreven order.

Politieagenten hebben de expliciete deontologische plicht om op de meest doeltreffende wijze een einde te maken aan geweld of geweld te voorkomen.

Kunt u meedelen welke bijzondere middelen werden ingezet tijdens oudejaarsnacht in functie van de risico's?

Volstaat het huidig arsenaal aan bijzondere middelen?

Wenst u het arsenaal uit te breiden met nog andere less than lethal weapons en hoe motiveert u dat?

Mijn collega Theo Francken, naast mij aanwezig in deze vergadering, heeft omtrent oudejaarsnacht in Brussel heel uitdrukkelijk het woord genomen in de pers. Ik vermoed dat hij het woord nog zal vragen in verband met de less than lethal weapons . Daarom vraag ik u naar uw mening en of u vindt dat dit uitgebreid moet worden. Vaak komt het immers over alsof onze politie niet kan ingrijpen of te gering bewapend is om in te grijpen. Wat vindt u daarvan? Op welke manier denkt u te kunnen tegemoetkomen aan de vragen die daarover bestaan op het terrein?

Welke geweldsinstructies werden voorafgaandelijk meegedeeld in geschreven orde?

Nu kom ik tot een heel belangrijke vraag, een vraag over de wet omtrent gezichtsbedekkende kleding.

We hebben allemaal de beelden gezien. We zagen effectief heel wat jongeren met gezichtsbedekkende kleding. Als we nu horen dat er zeven mensen via snelrecht worden vervolgd omdat de identificatie van de mensen zo moeilijk verloopt, dan begrijp ik de oproep van het VSOA om dringend de wet op de gezichtsbedekkende kledij toe te passen, die dat verbiedt. Er hangen overal camera's, er zijn veel beelden, er wordt veel gefilmd, maar als we de mensen niet kunnen zien, dan kunnen we hen moeilijk identificeren. Het is gemakkelijker om in te grijpen als die wet wordt toegepast op het ogenblik waarop ze wordt overtreden.

Het VSOA vraagt de toepassing van de wet tot instelling van een verbod op het dragen van kleding die het gezicht volledig dan wel grotendeels verbergt en de referentie naar het Strafwetboek van 2011. Volgens het VSOA maakt de eenvoudige toepassing van de strafwet het eenvoudiger om daders te identificeren en aan strafbare feiten te linken.

Het VSOA vraagt de toepassing van de wet, niet alleen op oudjaar, maar ook tijdens manifestaties of andere evenementen. Een wet geldt nu eenmaal altijd, ook buiten evenementen. In het dagelijkse leven begeven mensen zich in de publieke ruimte met gezichtsbedekkende kleding, waarbij onder andere alleen de ogen zichtbaar zijn, al dan niet wegens religieuze redenen. Ik kom uit Brugge. Bij risicovoetbalmatchen zijn veel mensen ook volledig onherkenbaar. Zij gebruiken dat en ook daar wordt de wet niet altijd toegepast.

Mevrouw de minister, wat is uw standpunt over de toepassing van de regelgeving? In hoeverre is er een ministeriële instructie hierover? In hoeverre werd die regelgeving in het verleden tijdens oudjaar, manifestaties en evenementen toegepast? In hoeverre werd er opgetreden tegen personen die gezichtsbedekkende kledij droegen? Waarom wel of waarom niet? In hoeverre werd die regelgeving in het verleden buiten evenementen toegepast? In hoeverre werd er opgetreden tegen personen die gezichtsbedekkende kledij droegen? Waarom wel of waarom niet?

Het komt trouwens ook heel bedreigend over als men van iemand alleen de ogen kan zien. Men weet totaal niet wie men voor zich heeft. De eerste kernopdracht van de politie is identificatie. Zij moeten weten wie voor hen staat. Ik denk dat we daar veel strikter in moeten zijn. Ik vraag me af wat u daarvan vindt, mevrouw de minister.

Voorzitter:

Ik geef straks het woord aan de collega's die dat nog wensen.

Sam Van Rooy:

Mevrouw de minister, het zal u niet verbazen dat ik een Antwerpse invalshoek heb. Burgemeester De Wever legde op oudjaar 51 gekende jongeren huisarrest op. Het ging om zware profielen: jongeren tussen 13 en 27 jaar die bekendstaan voor onder andere brandstichting, gaybashing, vandalisme, het belagen van de politie en afpersing.

Vier op de tien, dus maar liefst 19 daarvan, heeft zich niet aan het huisarrest gehouden. Dat huisarrest kon ook niet voorkomen dat er tijdens de jaarwisseling in Antwerpen alweer een aantal verwerpelijke daden werden gesteld. Zo werd er brand gesticht, gingen fietsen in vlammen op, werd een bakkerij gevandaliseerd en sneuvelde straatmeubilair. Er werden 49 jongeren, waarvan 28 minderjarigen, gearresteerd.

De Raad van State moet zich nog definitief uitspreken over die methode van het huisarrest, maar burgemeester De Wever is er gerust in omdat het advies van de auditeur alvast niet zegt dat het onwettig is. In Brussel had het opleggen van huisarrest volgens de korpschef van de politiezone Brussel Zuid geen zin omdat de daders van elders naar bepaalde wijken afzakken. Er werd dan ook gebruikgemaakt van een avondklok.

Burgemeester De Wever noemde de huisarresten geslaagd en hoopt volgend jaar opnieuw huisarresten te kunnen opleggen. Ik verneem graag van u wat u eigenlijk vindt van de methode van huisarrest die in Antwerpen werd toegepast. Bent u het eens met de analyse van de Antwerpse burgemeester? Hoopt u ook dat de Raad van State oordeelt dat het opleggen van dergelijke huisarresten wettelijk is? Indien ja, waarom?

Matti Vandemaele:

Er waren opnieuw rellen bij de jaarwisseling. Sinds begin deze eeuw zien we dat fenomeen toenemen. Rellen waarbij straatmeubilair vernield wordt en mensen worden aangevallen, zijn natuurlijk altijd verwerpelijk, maar het is nog zo veel erger wanneer ze gericht zijn tegen onze hulpverleners: de mensen die ons moeten beschermen en ondersteunen. Dat kan er bij mij niet in.

Om een of andere reden krijgen we dat niet onder controle en lijken we elk jaar opnieuw verrast over wat er gebeurt. U zult mij niet horen zeggen dat er de afgelopen jaren geen maatregelen werden genomen. Dat was zeker het geval, maar in alle bescheidenheid moeten we toch vaststellen dat die nog niet het verwachte resultaat hebben. We krijgen weinig of moeilijk grip op de situatie.

Een beleid moet altijd uit een ketenaanpak bestaan. U had het daarover ook tijdens de plenaire vergadering. Er moet een ketenaanpak zijn, gaande van preventieve maatregelen tot repressieve maatregelen. We moeten daarover niet flauw doen. Het gedrag dat gesteld werd, kan absoluut niet door de beugel. Het is echter ook belangrijk om te kijken naar de grondoorzaken. We mogen ons niet alleen focussen op symptomen, maar moeten ook kijken naar waar het gedrag vandaan komt en hoe we daar structureel iets aan kunnen veranderen.

Als we kijken naar het aantal incidenten met brandweermensen, zien we dat die goed zijn voor ongeveer 3 % van de aanvallen op brandweermannen op jaarbasis. Ik zou dus een pleidooi willen houden om het debat zeker niet te beperken tot oudejaarsavond alleen.

Wat zijn volgens u de grondoorzaken? We moeten die immers echt aanpakken. Welke bijkomende maatregelen zijn er nodig om ervoor te zorgen dat we volgend jaar niet weer dezelfde situatie kennen? Hoe kunnen we ervoor zorgen dat onze hulpverleners hun werk in alle veiligheid kunnen doen? Welke aanpassingen zijn nodig om onze hulpverleners te versterken zodat ze hun werk op een goede manier kunnen uitvoeren?

Hoe evalueert u het preventieve huisarrest en de avondklok die werden ingesteld?

U verwees tijdens de plenaire vergadering naar de ketenaanpak. Kunt u die toelichten?

Ridouane Chahid:

Monsieur le président, vous avez commencé cette commission en nous indiquant que vous étiez un peu outré par les différentes escalades de violence et autres. Alors, je ne peux évidemment que vous rejoindre. Je pense pour ma part qu'il faut aussi arrêter l'escalade dans les mots puisque, pour ce genre de débat, il faut prendre un peu de hauteur. Comme on l'a dit, ce sont des scènes qui se répètent d'année en année. Et, d'année en année, les différentes commissions se réunissent pour parler des mêmes problèmes.

Comme vous l'avez dit, ces incidents se sont passés à Bruxelles mais pas seulement. On peut citer Gand, Willebroek, Anvers ainsi que des villes européennes telles que Milan, Paris, Lyon,… De ce fait, se focaliser uniquement sur des problèmes spécifiques à Bruxelles, comme le font certains, c'est un peu de la malhonnêteté et de la mauvaise foi.

Ce qui m'importe, c'est de trouver des solutions par rapport à ces violences vis-à-vis des citoyens, de nos familles, de nos enfants mais aussi et surtout vis-à-vis des forces de l'ordre et des forces de secours qui sont avant tout là pour assurer notre sécurité.

Alors, ces faits de violence sont inacceptables et intolérables, comme je viens de le dire, et Mme la ministre a indiqué en séance plénière que les comportements criminels doivent être sévèrement punis, ce que nous soutenons évidemment. En tant que collectivité, avez-vous dit également, il faut continuer à plancher sur les causes sous-jacentes. Je partage évidemment votre analyse et j'en appelle, pour ma part, à une approche plus globale plutôt qu'à une approche typiquement sécuritaire.

Je voudrais aussi qu'on rappelle, parce que j'ai entendu un certain nombre d'expressions ici, qu'à Bruxelles, il y a "le processus Gold" qui amène à ce qu'il n'y ait qu'un seul commandement. La nuit de la Saint-Sylvestre, comme lors d'autres grandes manifestations, il y a donc un chef de corps qui assure le commandement de l'opération pour l'ensemble de la Région de Bruxelles-Capitale.

Je ne sais pas si cette commission a déjà eu l'occasion de visiter le centre de commandement à Bruxelles où vous verrez par vous-mêmes que des zones de police ont déjà transféré la gestion des caméras à ce centre de commandement. Vous pouvez donc vous rendre compte par vous-mêmes que des choses sont faites, qu'il y a des ordres de mission, que dix-huit bourgmestres transfèrent leur délégation de compétences à la Ville de Bruxelles pour qu'il n'y ait qu'une seule personne qui suive les opérations.

Il me semble qu'il faut avoir une approche globale et être un peu à la hauteur pour essayer de trouver des solutions spécifiques.

J'ai par ailleurs une question qui revient chaque année et qui concerne les feux d'artifice. On sait qu'un type de feu d'artifice, le cobra, pose problème car il est dangereux pour ceux qui l'utilisent, et pour ceux qui le reçoivent évidemment. Je me suis toujours posé la question de savoir pourquoi on n'organise pas des contrôles aux frontières à des moments bien spécifiques, avant le 31 décembre évidemment, pour essayer de contrôler l'acheminement de ces feux d'artifice et pour faire en sorte qu'il n'y en ait pas du tout ou de moins en moins sur le territoire belge.

Voorzitter:

De heer Demon is even verhinderd in een andere commissie, maar zal nog proberen aansluiten. Het woord is dus aan de heer Boukili.

Nabil Boukili:

Madame la ministre, mes meilleurs vœux avant tout!

Je voudrais d'abord exprimer ma solidarité et mon soutien à toutes les victimes des violences survenues lors du Nouvel An, qu'il s'agisse des pompiers, des policiers et de tous les agents des services publics. Je trouve insupportable que des agents qui veillent à ce que les choses se passent bien sur le plan de la sécurité de nos concitoyens soient attaqués de la sorte. C'est inacceptable. Ces violences sont insupportables! Il faut donc tout faire pour que cela ne se reproduise pas. Malheureusement, nous assistons à ces événements chaque année. Et j'ai l'impression que l'on ne prend pas les mesures nécessaires.

Il y a l'aspect répressif, visant à punir et isoler les fauteurs de troubles en prenant des mesures ciblées contre ces personnes qui n'ont qu'un seul objectif, à savoir installer le désordre. Le Code pénal est là pour les sanctionner. Mais, surtout, quelles sont les mesures prises en termes de prévention, pour éviter que de tels événements ne surviennent? Je vis à Anderlecht. La seule chose que le bourgmestre ait trouvé à faire a été d'annoncer un couvre-feu, auquel lui-même ne croyait pas. Il l'a même dit sur BX1: "Je ne pense pas que les jeunes violents respecteront ce couvre-feu, puisqu'ils ne respectent déjà pas la loi." À quoi sert-il alors de prendre une telle mesure si l'on n'y croit pas. Comme l'ensemble de la classe politique bruxelloise, le bourgmestre s'est-il réuni avec les comités de quartier, les maisons de jeunes, les agents de prévention, les éducateurs de rue pour voir quelles sont les initiatives à prendre afin d'éviter que ces violences ne se produisent? Les associations connaissent leur quartier et les habitants. Elles savent qui est violent et qui ne l'est pas. En effet, d'autres jeunes se sont rassemblés par solidarité avec les victimes de ces violences. Pourquoi ne pas s'appuyer sur ces personnes et ces associations pour prévenir ce genre de violences et en isoler les auteurs?

Madame la ministre, des contacts ont-ils été pris avec les associations, les éducateurs, les maisons de quartier et les maisons de jeunes pour prévenir les violences commises le 31? Je n'ai pas l'impression que cela soit le cas. Un plan de mesures préventives a-t-il été élaboré? À quelle méthode recourir pour prévenir ces violences, vu que cela dure depuis des années? J'ai l'impression qu'on n'a pas appris de ces années-là.

Sur la question du couvre-feu, comment évaluez-vous cette mesure? Trouvez-vous que c’est une mesure pertinente, ou pas? Quelles mesures prévoyez-vous pour venir en aide aux victimes des violences survenues lors du réveillon du Nouvel An?

Je vous remercie. J’ai encore beaucoup à dire, mais le temps passe vite. Je m’arrête là.

Rajae Maouane:

Monsieur le président, madame la ministre, j'espère que les réponses que vous apporterez seront à la hauteur de l’importance de l’enjeu, loin des caricatures que certains font de ces débats.

Malheureusement, je ne vais pas le répéter, la nuit du Nouvel An a une nouvelle fois été marquée par des incidents violents et des dégradations importantes dans plusieurs villes de notre pays, à Bruxelles, mais aussi dans des grandes villes en Flandre, notamment à Anvers, la ville du probable futur premier ministre.

Des forces de l’ordre, des pompiers et des ambulanciers, qui étaient mobilisés pour garantir la sécurité de toutes et tous, ont été attaqués avec des pierres, des cocktails Molotov ou encore des feux d’artifice. Plusieurs ont été "incendiés". Du mobilier urbain a été détruit.

J’ai une pensée pour les habitants des quartiers touchés, mais aussi pour les services de secours et de police touchés, qui se retrouvent malgré eux en première ligne et subissent les conséquences directes de ces actes destructeurs. Ce sont des comportements qui doivent évidemment être sanctionnés avec sévérité.

Vous avez été interrogée là-dessus en séance plénière. Vous avez également évoqué la nécessité de travailler sur les causes de ces phénomènes en adoptant une approche préventive globale, tout en ayant également un volet répressif.

Madame la ministre, je vais être précise et directe dans mes questions. Sur la base des arrestations administratives et judiciaires effectuées lors des incidents de la Saint-Sylvestre, quelles leçons tirez-vous de ces événements?

Chaque année, ces violences se répètent. En collaboration avec votre collègue en charge de la Justice, mais aussi avec les gouverneurs et les bourgmestres, quelles initiatives comptez-vous prendre pour mettre en place une stratégie préventive efficace et concertée?

Je rejoins la question de mon collègue M. Boukili sur les collaborations qui ont été faites, ou pas, avec les acteurs locaux, comme les associations de quartier, de jeunesse. J’ai travaillé pendant cinq ans à Molenbeek, et les débordements étaient très limités, puisqu’il y avait un vrai travail de la police et des associations de terrain. C’est donc possible.

Comment évaluez-vous la décision du bourgmestre d’Anderlecht d’instaurer un couvre-feu pour les jeunes de moins de 16 ans durant cette période? De nombreuses associations – mais aussi des juridictions – déplorent cette décision, qui a pourtant été maintenue.

Enfin, quelles actions prévoyez-vous pour venir en aide aux victimes des violences et dégradations survenues durant la nuit du Nouvel An, qu’il s’agisse des particuliers, des commerçants ou des services de secours? Merci madame la ministre.

Theo Francken:

Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, mijn beste wederwensen. Ik hoop op een goede samenwerking en een veilig 2025.

De oudejaarsrellen zijn in ons land een groot probleem. Sommigen noemen ze alsmaar vaker een soort georganiseerde burgeroorlog, een nacht plezier en vertier waarbij iedereen en zeker de veiligheidsdiensten, de brandweer, de ambulanciers, eigenlijk alle diensten met een gezagsfunctie, die de autoriteit van de staat uitdragen, het moet ontgelden. Dat belangrijke signaal moeten we oppikken en daar moeten we mee aan de slag.

Het wordt er ook niet beter op. Nadat het de afgelopen jaren wat rustiger was, is het dit jaar geëscaleerd in Antwerpen en zeker in Brussel. Door de preventieve huisarresten in Antwerpen kon een en ander wel worden vermeden.

Ik wil ook even de puntjes op de i zetten. Vanuit Franstalige hoek wordt vaak gezegd dat het gaat om een soort van Brusselbashing. Vlamingen zouden het altijd leuk vinden om over Brussel een verhaal te maken. Ze wonen er niet, ze kennen de stad amper, ze komen er alleen om te werken en voor de rest hebben ze met Brussel niet veel te maken. Dat is niet zo, zeker niet in mijn geval. Ik heb heel veel familie wonen in Brussel. Het is mijn hoofdstad. Ik hou van Brussel, absoluut. Daarom doet het me zoveel pijn om de stad te zien bloeden.

Het gaat niet zo goed met Brussel, op veel vlakken niet. Het moet beter en ik zeg dat vanuit een positief engagement. Sommigen begrijpen mij misschien verkeerd, omdat ik soms hard communiceer. Dat is waar, dat is nu eenmaal de aard van het beestje. Dat betekent evenwel niet dat ik geen hart zou hebben voor Brussel en voor de Brusselaars. Het is een grote bezorgdheid voor mij. Ik vind het een geweldige stad, maar er zijn serieuze problemen.

Ik hoor hier voorstellen om via grenscontroles de invoer van cobravuurwerk tegen te houden, maar dat is niet realistisch. Ik hoor dat we straathoekwerkers moeten inschakelen. Dat lukt misschien in Mechelen maar in Brussel blijkbaar niet echt goed. Van mij mag dat, maar dat is toch niet de oplossing.

Mevrouw de minister, ik vraag een serieuze analyse van de proportionaliteit van de inzet van geweld en van overmacht in dit land. Dat kan voor mij in het Parlement, mijnheer de voorzitter. We moeten dat debat echt voeren. We hebben de afgelopen weken een voorstel van resolutie opgesteld en ik zal die samen met de collega’s indienen. Ik hoop dat dat een aanleiding kan zijn om samen met de vakorganisaties, met het kabinet, de minister en de bevoegde diensten de proportionaliteitsdiscussie aan te gaan.

Voor mij kan immers één zaak niet langer in de toekomst. Dat is dat onze politiemensen zich een sitting duck voelen. Dat kan niet meer. Er is actie en escalatie, maar er moet ook reactie mogelijk zijn. Dat debat wil ik heel graag naar het Parlement toetrekken de komende maanden. Mevrouw Verlinden, wat is uw mening daarover?

Annelies Verlinden:

Mijnheer de voorzitter, collega’s, ik wens u en alle medewerkers hier aanwezig, voor zover ik dat nog niet persoonlijk heb kunnen doen, het allerbeste en een gezond, warm maar vooral ook veilig jaar. Wat mij betreft, zullen we daaraan voortwerken. Er zijn al stappen gezet.

Mijnheer de voorzitter, zoals u aangaf, hebben we een deel van het debat al gevoerd tijdens de plenaire vergadering van vorige week.

Mevrouw De Vreese, ter verduidelijking, de commissie organiseert haar werkzaamheden zelf. Ik ben ter beschikking, zoals ik dat de voorbije legislatuur steeds ben geweest. Indien zij het goed had bevonden om het debat samen met de minister van Justitie te houden, was dat uiteraard mogelijk geweest. Ik ben zoals steeds ter beschikking.

Ten eerste sluit ik mij alvast aan bij uw aller dankbetuigingen ten aanzien van de duizenden leden van onze veiligheidsdiensten, brandweer en hulpdiensten voor wat zij hebben gedaan in de grote steden en op andere plekken in ons land, teneinde de veiligheid te garanderen van iets wat een oudejaarsfeest zou moeten zijn. Herinner u hoe men in de plenaire vergadering verklaarde dat er bij Nieuwjaar en oudejaarsnacht wensen horen en geen rellen. Helaas werd het anders.

Uiteraard kunnen we, zoals ik hier op alle banken hoor, nooit aanvaarden dat onze veiligheids- en hulpdiensten he slachtoffer zijn van agressie of geweld. We mogen evenmin aanvaarden dat straatmeubilair of andere zaken in het publiek domein of persoonlijke bezittingen worden vernield door vandalen en relschoppers.

Dat heeft inderdaad niets met het oudjaarsfeest te maken. Zo gebruikt men oudjaar als een excuus om rel te schoppen en ruzie te zoeken met eenieder die men op zijn pad treft, in het bijzonder degenen die instaan voor de veiligheid van anderen. Dat moeten we effectief streng veroordelen. Dat soort gedrag, die rellen, die vernielingen, zijn verwerpelijk en walgelijk en horen niet thuis in onze samenleving.

Het is ook ten zeerste te betreuren dat een groep jongeren met dat gedrag een heel grote groep te schande brengt. Die jongeren dragen daarmee een enorme verantwoordelijkheid, maar dat komt niet eens bij hen op.

Jammer genoeg moeten we in het politiek debat dat zich daarover ontspint, vaststellen dat men soms aan politieke recuperatie doet en de mond vol heeft van gemakkelijke slogans. Sta me toe de structuren waarin men werkt, nogmaals toe te lichten. Ik neem mij alvast voor om dat te beklemtonen in communicaties in 2025. Mevrouw De Vreese, u drong er tijdens de kerstvakantie al op aan dat de federale politie het commando zou overnemen. Welnu, ingevolge de nieuwe gemeentewet staan in onze structuur in de eerste plaats – we kunnen daarover uiteraard discussiëren, maar een wijziging ter zake komt niet in de teksten van de arizonaonderhandelaars aan bod – de burgemeester en de lokale bestuurders in voor het bewaren van de openbare orde, de veiligheid, de rust en de gezondheid, afgestemd op het concrete lokale risico. De burgemeester is ook officier van bestuurlijke politie en heeft dus het gezag over de lokale politie. Het komt dan ook de burgemeesters toe om vanuit die hoedanigheid en middels de bevoegdheden die hun gegeven zijn met de federale wetgeving op het vlak van de openbare orde, de nodige instructies aan de lokale politie te geven.

Het komt dus niet in de eerste plaats de minister van Binnenlandse Zaken toe om concrete lokale instructies en richtlijnen te geven op basis van welke precieze handeling de politiediensten moeten optreden. Laat ik dat misverstand uit de wereld helpen. U zult straks misschien opwerpen dat u het zo niet bedoeld hebt, maar daar komt uw pleidooi voor een federaal commando op neer. Het handelingskader daarentegen wordt wel door de federale context bepaald.

Dat federale context laat de burgemeesters toe de tolerantiegrenzen en het handelingskader vast te leggen, zodat de juiste instructies voor een lokale context kunnen worden gegeven. Ik verwijs naar de omzendbrieven en de richtlijn CP4, waarnaar u zelf hebt verwezen.

Er zijn heel wat gradaties in het scala van handelingsmogelijkheden wanneer er verstoring van de openbare orde is dan wel of er sprake is van geweld of vernielingen. Dat gaat van een aantal zachtere ingrepen tot de meest verregaande vorm van geweld. Het handelingskader is vandaag beschikbaar. In heel veel gevallen spreekt de burgemeester met de korpschef af wanneer er wat zal gebeuren. In Brussel zijn er elke dag wel drie betogingen, zowel statisch op bepaalde plekken, als dynamisch. Welnu, ook voor de betogingen wordt telkens een handelingskader afgesproken dat bepaalt waar welke ingreep zal worden toegepast. Een federaal commando is ander instrumentarium en het moet worden erkend dat niemand de situatie en de handelingsmogelijkheden ter plaatse zo goed kent als de lokale besturen.

U spuide mist door te zeggen dat de lokale besturen niet altijd weten wat ze kunnen doen en door onmiddellijk daarna het progressief huisarrest aan te kaarten. Het gaat om twee verschillende zaken. De politie weet in principe vanuit de briefings op basis van het afgesproken handelingskader wat er mogelijk is. Het preventief huisarrest – ik kom er later op terug – is iets helemaal anders. We weten niet of dat al dan niet wettig is, want de Raad van State heeft zich daar nog niet ten gronde over uitgesproken. U haalt alleszins twee zaken door elkaar: het is niet omdat er onduidelijkheid bestaat over het preventief huisarrest dat er onduidelijkheid bestaat over het handelingskader voor de politie.

Chers collègues, ayant analysé la situation, je peux vous assurer que les bourgmestres se sont effectivement occupés de la préparation et de la définition des actions et des interventions à mener. Ils ont pris leurs responsabilités dans le cadre opérationnel prévu.

Sur le plan préventif, bien avant le passage à la nouvelle année, ils ont écrit aux parents. Dans certaines communes, ils ont adopté des mesures administratives avec un signal clair, comme ce fut le cas à Anvers ou à Anderlecht. Ils ont fixé des limites de tolérance pour garantir l'ordre public. Ils ont communiqué des instructions précises à leur police locale en mettant en place une concertation et une collaboration entre la police et les pompiers et ce, dans tout le pays, comme c'est toujours le cas.

Ik heb inderdaad ook al in deze commissie gezegd dat de oorzaken van die problemen voor mij niet buiten beschouwing gelaten kunnen worden bij de analyse van het hele probleem.

Mijnheer Boukili, u vroeg wat er preventief is gedaan. Preventief moet niet alleen de politie of Justitie optreden. Ik vind dat we absoluut het symptoom van een dieper maatschappelijk probleem moeten aanpakken, namelijk de hele discussie over de beleidsniveaus en de bevoegdheden over de domeinen heen. Ik heb bijvoorbeeld in de voorbije legislatuur in de interministeriële conferentie Armoede ook het grootstedenbeleid op de agenda gezet.

Dit is ook een probleem van een gefaald grootstedenbeleid. Het vraagt iedereen aan tafel, en iedereen met een gelieerde bevoegdheid, zijn verantwoordelijkheid op te nemen. Het gaat niet op dat men wegduikt van zijn verantwoordelijkheid inzake grootstedenbeleid in de hoop dat men de slagen van het Parlement of van de pers mist. Iedereen moet eraan bijdragen. Anders zullen we de dieper liggende oorzaken nooit uit de wereld kunnen helpen.

Er is de vraag over de noodzaak aan bijkomende instructies vanwege de minister van Binnenlandse Zaken. Er waren uiteraard vele nieuwjaarsrecepties in de afgelopen dagen, maar sowieso waren er ook veel reguliere contacten. Ik heb daar veel ongenoegen gehoord. Sommingen doen immers uitschijnen dat de lokale besturen en de lokale korpsen zelf te weinig beoordelingsvermogen hebben inzake het scala van mogelijkheden waarover ze beschikken. Ik laat de discussie over less lethal weapons hier even buiten beschouwing. Ik denk niet dat het chaperonneren vanuit een federaal commando of bijkomende instructies kunnen helpen bij het in de kiem smoren van dit probleem.

De lokale politie wordt uiteraard versterkt door de federale politie. U vroeg daarnaar, mevrouw Devreese. Dat gebeurt zowel op het terrein als bij de voorafgaande analyses. De federale politie maakt analyses, actieplannen en aangepaste interventiedispositieven. Dat gebeurt in Brussel bijvoorbeeld onder de Gold Commander , maar ook elders wordt gepland wat men precies wil doen bij interventies. Zo worden bijvoorbeeld afspraken gemaakt tussen de politie en de brandweer om bepaalde interventies begeleid te doen. Dat zijn afspraken die specifiek voor oudjaar worden gemaakt.

U vroeg naar een overzicht van al de maatregelen. Welnu, dat zijn dingen die lokaal gebeuren op basis van de risicoanalyses. Overigens moeten de lokale besturen niet aan de minister van Binnenlandse Zaken verantwoording afleggen, of een gedetailleerd risicoplan voorleggen ter beoordeling. Ik geloof in het principe van subsidiariteit, en vooral ook in de kennis en de expertise van de lokale mensen. Zij hebben het gedaan. Ik kan u dus onmogelijk een overzicht geven van alle lokale acties die op het terrein hebben plaatsgevonden.

Uit de analyses na 1 januari blijkt dat de politie en de hulp- en veiligheidsdiensten zich opnieuw als betrouwbare en professionele veiligheidspartners hebben getoond. Dat is wat mij betreft zeker aan de orde. De politie kwalificeren als een sitting duck en tegelijkertijd de indruk wekken dat bepaalde lokale besturen crimineel tuig hun gang laten gaan bij gebrek aan federaal commando, helpt daar niet bij, zeker niet in het betonen van respect voor politie en lokale besturen.

Het is tijd om kleur te bekennen. Men kan moeilijk beweren dat de politie haar job heeft gedaan, maar tegelijkertijd stellen dat ik het gezag moet overnemen omdat bepaalde lokale besturen en korpschefs hun job niet hebben gedaan. Iedereen in de pers heeft bijna unisono het werk van de politie, ook de gold commander , gerespecteerd en gewaardeerd. Mevrouw De Vreese, ik ben lost in translation wanneer u zegt dat ik het moet overnemen en dat er federale instructies moeten komen. U zei dat ik als federaal minister op basis van de huidige regelgeving het gezag kan overnemen, maar u zei ook dat de politie haar job heeft gedaan. Voor mij zijn dat twee verschillende zaken. Daar kan volgens mij geen harde lijn tussen worden getrokken.

Mevrouw De Vreese, ik heb met genoegen vastgesteld dat u in de eerste dagen van het jaar hebt gezegd dat er een federaal commando moet komen. Daarmee geeft u aan dat u toch nog een belangrijke rol weggelegd ziet voor het federale niveau wanneer het de veiligheidsproblematieken betreft. Een sterk federaal niveau en een sterke federale politie die desgevallend en waar nodig de lokale politie bijstaat, zal alvast in de volgende legislatuur moeten worden verzekerd.

Vooraleer ik een precies overzicht van de feiten en geleverde inspanningen zal geven, wil ik nog iets zeggen over die preventieve aspecten en het belang van het ouderlijk gezag tegen hardleerse relschoppers en recidivisten.

Uiteraard moet dat het onderwerp uitmaken van de besprekingen in het kader van de regeringsonderhandelingen of van de parlementaire besprekingen de komende vier à vijf jaar. De straffeloosheid of het gevoel van straffeloosheid moet immers worden weggewerkt. Potje breken, is potje betalen. Crimineel gedrag moet worden bestraft. In geval van betrokkenheid van minderjarigen, zoals in Antwerpen, moet de rol van de ouders tegen het licht worden gehouden. De ouders moeten bij de les worden gehouden. We moeten ervoor zorgen dat we dat gedrag kunnen aanpakken en bij ordeverstoring individuen ook kunnen identificeren.

Zoals u vermeldde, mevrouw De Vreese, moeten we extra middelen inschakelen voor gezichtsbedekking. Ik wissel daarover heel graag van gedachten met u. We hebben het gehad over camera's en privacy en over het gebruik van camera's voor andere doeleinden, voor meer dan de pure verkeersovertredingen. We spreken dan ook over dat soort technieken. Laten we dat debat ten gronde voeren om te bekijken wat we nog meer kunnen doen om te identificeren.

Zoals u zegt, hebben we allemaal de beelden gezien. We stellen dan ook vast dat op dergelijke momenten de politie alles in het werk stelt, soms op gevaar van eigen veiligheid, om de orde te herstellen en de criminelen te vatten. Op dat ogenblik is identificatie niet de eerste reflex. Men probeert het crimineel gedrag te verminderen en te doen stoppen, maar op dat moment is identificatie moeilijk. Dat is natuurlijk de reden waarom het nadien langer duurt om bepaalde individuen te identificeren en die met snelrecht voor de rechter te brengen. Ik ben het helemaal met u eens dat dat een gevoel van straffeloosheid geeft. We mogen daarvoor niet in de richting van de politie kijken, die haar job niet goed kan doen. We moeten dus nadenken over welke extra maatregelen we willen treffen. Zelfs in een stadion, dat min of meer een beperkte omgeving is waar men toegangscontrole kan uitoefenen en waar camera's hangen, is het niet evident om gezichtsherkenning uit te voeren en individuen te identificeren. Dan is het nog veel moeilijker in een stad waar vaak een spel van kat en muis wordt gespeeld en de politie alles in het werk stelt om zo snel mogelijk de orde te herstellen.

Zoals ik in de plenaire vergadering heb verklaard, moet er worden gesanctioneerd en moeten ook bestuurlijke maatregelen kunnen worden genomen. De GAS-regelgeving moet worden toegepast om ervoor te zorgen dat wie potje breekt, potje betaalt en men voelt wat de consequenties zijn van het laakbare gedrag dat men heeft gesteld.

Mijnheer Francken, u verwees naar de proportionaliteit van het geweld. Dat is een debat ten gronde waard. Ik ervaar vandaag niet in de debatten die we gevoerd hebben naar aanleiding van de voorstellen dat de inzet van less than lethal weapons door alle politiemensen op een warm applaus onthaald wordt. Er kan geweld gebruikt worden en dat gebeurt vandaag ook al. De vraag is echter – en daarmee ben ik ook de boodschapper van de feedback die we kregen – of we de-escaleren op het moment dat we dat soort materialen, technieken en middelen zouden inzetten.

Uiteraard moeten we onze politie voor zichzelf en voor iedereen zo goed mogelijk uitrusten en beschermen. Vandaag kan de FN-303 dan ook gebruikt worden bij een aantal interventies, onder meer van de speciale eenheden. De politie vraagt echter niet om dat te gebruiken bij ordehandhaving. We moeten daarover dus ten gronde nadenken, niet alleen over de korte termijn, maar ook over de consequenties die dat kan hebben. Geweld kan immers escaleren, wat niet altijd een veiligere situatie teweegbrengt voor de politiemensen of hulp- en veiligheidsdiensten op het terrein. Uiteraard is dat een debat dat verder kan worden gevoerd.

Pour ce qui est de la préparation, il est clair, comme je viens de le dire, qu'avant la nuit de la Saint-Sylvestre, les autorités locales, la police et les pompiers prennent de nombreuses mesures pour préparer le passage à l'an neuf. La police fournit ainsi aux services d'ordre toutes les ressources nécessaires sur la base de l'analyse des risques. En outre, les seuils de tolérance sont déterminés, les formations nécessaires sont organisées, également en collaboration avec les pompiers, et des briefings sont donnés au personnel et à tous les autres partenaires concernés. Les accords nécessaires sont également conclus avec les parquets. Par ailleurs, comme toujours, la police locale peut compter sur le soutien de la police fédérale, avec entre autres des effectifs supplémentaires, des autopompes, un appui aérien, des maîtres-chiens, des équipes d'arrestation et des véhicules cellulaires pour le transfert des personnes arrêtées.

Cette préparation intensive concerne non seulement la police mais aussi les pompiers. Ainsi, à l'approche de la Saint-Sylvestre, les procédures des pompiers sont ajustées, le nombre d'hommes disponibles est revu à la hausse et une coordination intensive est assurée entre les pompiers et la police. À Bruxelles, par exemple, la police fédérale a été chargée d'accompagner, de soutenir et de protéger systématiquement les pompiers lors de leurs interventions. Une protection personnelle supplémentaire est également prévue pour les pompiers et des modifications sont apportées aux véhicules.

Vous savez, chers collègues, que les agressions contre la police et les secouristes sont sanctionnées plus sévèrement avec le nouveau Code pénal, que nous travaillons à un cadre juridique solide pour l'utilisation des bodycams par des fonctionnaires de police et l'utilisation des caméras pour les services de secours, et que nous travaillons également depuis des années à la prévention à travers de nombreuses campagnes de sensibilisation.

Concernant la situation à Bruxelles, le principe du "gold commander" est appliqué dans la Région depuis des années. Concrètement, cela signifie que le chef de corps de la zone Bruxelles-Capitale-Ixelles a été désigné gold commander. Par conséquent, une coordination et un commandement centralisé ont été appliqués à la capacité policière disponible sur le territoire entier de la Région de Bruxelles-Capitale

En outre, le ministre-président bruxellois a pris un arrêté interdisant la détention, le transport et l'utilisation de matériel pyrotechnique sur l'ensemble du territoire de la Région. Le bourgmestre d'Anderlecht a pris une ordonnance de police interdisant la présence de certains jeunes non accompagnés d'un parent ou d'un tuteur dans certaines parties du quartier de Cureghem.

Cette mesure sera discutée au niveau de la police à l'issue des débriefings organisés. Il faut analyser si elle a eu un effet sur le maintien de l'ordre public.

De cijfers zijn al genoemd: er zijn in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest 153 aanhoudingen uitgevoerd, zowel gerechtelijke als bestuurlijke. In 2023 vonden er 206 aanhoudingen plaats. Er wordt nogal gemakkelijk gesproken over een escalatie, maar er waren dus minder aanhoudingen dan vorig jaar. Je kunt uiteraard op verschillende manieren naar die cijfers kijken. Er is ook het niveau van het gehanteerde geweld en de verhoogde inzet, dus ik wil daar absoluut geen dogma prediken. Het waren er dus wel minder, maar uiteraard nog altijd veel te veel.

Vanuit Brussel wordt ook gezegd dat voor de bestuurlijke arrestaties een GAS-pv wordt opgemaakt. Voor de rest gebeurt de gerechtelijke opvolging door het parket van Brussel. Daar zou de minister van Justitie mogelijk verder informatie over kunnen geven.

In Antwerpen werden 49 personen opgepakt. Er waren 39 bestuurlijke aanhoudingen en 10 gerechtelijke. Dat is een merkwaardig cijfer, want bij die 49 waren er 28 minderjarigen. Dat toont aan dat er ook in die leeftijdscategorie een probleem was. Iemand, ik denk de heer Van Rooy, gaf al aan welke vernielingen er geweest zijn. Dat ga ik dus niet herhalen.

In Antwerpen is dus ingezet op huisarrest en de identificatie van hotspots door de zone en de stad als bestuurlijke overheid. De heer Francken zei dat preventie en straathoekwerkers niet voldoende zijn, maar ook in Antwerpen zijn buurtvaders en sfeerbeheerders ingezet. Men heeft er dus ook gebruikgemaakt van de organisaties uit het middenveld, tussen de jongeren en de politie, om mee in te staan voor de orde. Er zijn uiteraard ook afspraken gemaakt met de organisaties voor het ophalen van huisvuil en het schoonmaken van materiaal. Dat gebeurt trouwens ook in andere steden en gemeenten in ons land.

U vroeg me naar mijn mening over het huisarrest. In de plenaire vergadering van vorige week heb ik ook gezegd dat het absoluut goed is dat burgemeesters zoeken naar administratieve en bestuurlijke mogelijkheden om de orde te handhaven, wanneer ouders kennelijk hun verantwoordelijkheid niet meer nemen voor minderjarigen en jongeren niet meer opvoeden met zin voor verantwoordelijkheid. Alleen moeten we dan wel kijken naar de proportionaliteit en de haalbaarheid. Laten we immers niet veronachtzamen dat er ongelooflijk veel politiecapaciteit gaat naar de handhaving van die huisarresten. Ik heb gelezen dat 60 % van de husarresten werd nageleefd. Het is dus niet omdat een huisarrest wordt opgelegd dat het per definitie wordt nageleefd. De proportionaliteit en de motivering zijn wel belangrijk. In bepaalde omstandigheden kunnen we ons daar iets bij voorstellen, maar in andere omstandigheden, wanneer er minder vertrouwen is in het lokaal bestuur, is dat een heel ander vraagstuk. Dat debat, mijnheer de voorzitter, is al vaak gevoerd en het gaat over de afweging tussen fundamentele rechten en veiligheid. Als men regels maakt, gelden die natuurlijk voor iedereen en moeten die multi-inzetbaar zijn. Dat debat zal ook de komende legislatuur belangrijk zijn.

Mogelijk geeft de Raad van State ook nog een advies ten gronde. Er is al veel gesproken over het advies van de auditeur, maar als men het arrest leest, merkt men dat het enkel over de urgentie gaat en dus over de toegangsvoorwaarde om met nuttig gevolg een schorsingsprocedure te kunnen inleiden. Het gaat niet over de grond van de zaak, namelijk het huisarrest. Het advies, als het er komt, zal ons mogelijk helpen om ons verder te oriënteren op het vlak van de wettigheid van dergelijke maatregelen.

Ik wil nog een punt meegeven over het vuurwerk. Daar werd immers ook een vraag over gesteld. Het wijdverbreide gebruik van vuurwerk moet absoluut een grote bezorgdheid zijn. Het fenomeen bestaat trouwens niet alleen in België. We hebben de voorbije legislatuur ook gediscussieerd over de verkoop van vuurwerk. Iedereen weet echter dat het ook online wordt gekocht. Het is dus niet omdat wij in België een verbod op de verkoop zouden invoeren, dat vuurwerk niet meer zou voorkomen. Dit is ook heel moeilijk te controleren.

Dat is absoluut iets wat in Europees verband moet worden aangepakt, zodat het verbod op de productie maar ook op de verkoop en op het gebruik uniform kan worden opgelegd en wij dat samen kunnen doen. Er zijn op dat vlak nogal wat culturele verschillen. Dat begrijpen wij. Het heeft echter weinig zin om dat alleen te doen.

Soms wordt ook een algemeen federaal verbod gevraagd. Dat verbod zit in de kaarten van de lokale besturen. Ik zie ook dat zij heel gericht met die maatregel omgaan en bepaalde gebruiksverboden opleggen in een bepaalde zone. Andere besturen beslissen dan weer dat vuurwerk voor hen mag tussen elf uur ‘s avonds en één uur ’s nachts, omdat zij dat wel mogelijk achten. Ook op dat vlak is de rol van de subsidiariteit misschien niet te onderschatten.

Mevrouw De Vreese, aan de absolute nood aan strenge straffen en aan nultolerantie, waarnaar u verwees, hebben we de voorbije legislatuur gewerkt. Aangaande de nultolerantie tegenover geweld ten aanzien van de politie en de hulpverleners maar ook breder ten aanzien van de buschauffeurs en onthaalbedienden mogen we ons niet verstoppen voor het bredere maatschappelijke probleem.

We zullen het symptoom van de rellen maar ook van het falen van het grootstedelijke beleid nooit aanpakken, als we niet ook naar andere elementen kunnen kijken. Politie en justitie voelen zich wel eens de figuurlijke brandweer, omdat zij aan het einde van de ketting moeten optreden, nadat andere mechanismen geen afdoende resultaat hebben gehad. Te veel jongeren haken af en gebruiken geweld als een vorm om zich te manifesteren. Dat is absoluut onaanvaardbaar. We mogen echter niet wegduiken voor de aanpak van die problemen. Laten we dan ook iedereen, op welk beleids- en bevoegdheidsniveau dan ook, houden aan de verantwoordelijkheid. De minister van Binnenlandse Zaken kan strenger zijn, strenger straffen en meer politie sturen en justitie kan proberen het snelrecht effectief in te voeren, maar dan nog zal er niks gebeuren en zullen we blijven dweilen met de kraan open als we onderliggend niks doen.

Wat mij betreft moeten huisvestings-, armoede- en verslavingsbeleid en illegaliteit allemaal worden aangepakt.

Dans le débat public qui a été ouvert après le Nouvel An, une attention a été réservée à cette question et à ces défis lorsqu'un journaliste d'investigation a écrit: "Comment en sommes-nous arrivés là en tant que société? Dans une société où les parents ont autorité sur leurs fils ou leurs filles, un bourgmestre n'a pas besoin de recourir à l'assignation à résidence ou au couvre-feu." C'est le problème fondamental.

Ook de heer Jurgen De Landsheer zei dat de administratieve maatregelen in de eerste plaats een signaal zijn voor de ouders.

Le vivre-ensemble est une valeur dont l'apprentissage commence à la maison. Donc, il faut continuer de chercher les moyens de traduire ce message, du chef de corps de Bruxelles-Midi notamment, en actes concrets dans tous les domaines et à tous les niveaux politiques.

Op dit moment is het op basis van de informatie waarover ik beschik, moeilijk om precies de link te leggen met de huisarresten en de cijfers. Uit de eerste, mogelijk later nog te corrigeren informatie blijkt dat 60 % van de huisarresten werd nageleefd. Er zal allicht nog moeten worden geanalyseerd om wie het precies gaat, wie het huisarrest niet heeft nageleefd en wie men dan nadien heeft aangetroffen op plekken waar waar dat niet mocht, mogelijk ook met criminele activiteiten.

Ik heb al vaak verklaard dat we politie en justitie moeten versterken en alles in het werk moeten stellen om onze mensen te beschermen. Nadien moeten we ook heel duidelijk de signalen geven dat het niet past om strenger te straffen, om goede middelen te hebben. Het debat over de less then lethal weapons moet worden gevoerd en is niet zomaar een detail in de marge, gelet op alle consequenties. Vooral ook de gecoördineerde aanpak over alle bevoegdheidsdomeinen heen is van belang. Dat heeft niks te maken met een soft beleid of de problemen de rug te willen toekeren, maar dat heeft wel te maken met mijn diepe geloof dat, als we die jongeren niet kunnen doen geloven dat dat soort waarden, normen, contrarechtsstatelijk gedrag hier niet thuishoort, politie en justitie altijd te weinig middelen zullen hebben om dat probleem het hoofd te bieden.

Ik ben bereid om daar in de komende jaren verder over na te denken.

Ortwin Depoortere:

Mevrouw de minister, als men merkt dat preventieve maatregelen niet meer helpen en dat de repressie en de politionele aanpak tekortschieten, dan moeten we het geweer van schouder durven veranderen en ons upgraden om dat geweld wel met wortel en tak uit te roeien. U kunt er niet mee wegkomen door te verwijzen naar het aantal aanhoudingen.

Als ik verklaar dat de rellen escaleren, dan wijs ik op de ernst van de feiten, maar dan bedoel ik ook dat het niet alleen om geweld op oudejaarsavond gaat. Als het weer wat warmer wordt, zien we immers dezelfde fenomenen in onze recreatiedomeinen, waarover uw partij terecht een resolutie heeft ingediend, en op sociale media, waarbij jongeren in scholen of in de omgeving daarvan leeftijdsgenoten brutaal en gewelddadig aanpakken.

Eén ding wil ik wel toegeven. Als u zegt dat het een dieper maatschappelijk probleem is, dan klopt dat. U hebt dat ook in de plenaire vergadering gezegd. Ik bekijk het wel net iets anders dan u. Ik bekijk het niet louter vanuit huisvesting of armoede, want dat zou inhouden dat elke arme mens teruggrijpt naar geweld, terwijl dat absoluut niet het geval is. De rode draad bij al die rellen is dat het meestal om allochtone jongeren gaat. Het probleem is dus niet de armoede of de huisvesting, maar wel de massa-immigratie, waarbij steeds meer allochtonen zich afzetten. De heer Francken heeft er al min of meer op gewezen dat die jongeren zich afzetten tegen onze normen en wetten. Het is geen toeval dat onze ordehandhavers het doelwit vormen. Alles wat gezag uitstraalt, moet eraan geloven bij sommige allochtone jongeren. Dat moet benoemd worden, dat gegeven moet worden aangepakt.

Maaike De Vreese:

Mevrouw de minister, ik bedank u voor uw zeer uitgebreid antwoord, alleen heb ik voor mezelf weinig antwoorden gevonden, al was het maar een antwoord op mijn vragen naar concreet cijfermateriaal of misschien een vergelijking over de jaren heen. Komt er al dan niet een evaluatie?

Ik hoor u verwijzen naar het grootstedenbeleid, naar de lokale besturen, naar het sociaal werk, naar iedereen. Ik hoor evenwel niet echt wat u als minister van Binnenlandse Zaken zelf zult of kunt doen om in de toekomst te vermijden wat in de afgelopen jaren is gebeurd, ik hoor niet waar u al dan niet aanwezig was. Ik hoor u zeggen dat korpschef Goovaerts, de gold commander , zijn taken heeft uitgevoerd. Hij dient uiteraard rekening te houden met ongelooflijk veel lokale besturen, met talrijke uiteenlopende meningen over de aanpak van die situatie. Dat zorgt in Brussel net voor een desastreuse situatie. Gebaseerd op het stappenplan bij escalatie, durf ik daarom inderdaad te zeggen dat, indien het werkelijk in het algemeen belang is om als minister van Binnenlandse Zaken heel duidelijke instructies te geven, u dat moet doen, als u dat kunt doen. Dat is onze stelling.

Er wordt gewezen op verschillende verantwoordelijkheden. Wij zijn van mening dat u, al hebt u dat misschien niet graag, als minister van Binnenlandse Zaken daaromtrent ook een grote verantwoordelijkheid draagt. Dat heb ik zo ook uitgesproken in de pers. U noemt dat mist spuien, maar ik ben als volksvertegenwoordiger bezorgd over de situatie in Brussel. Ik vind inderdaad dat die politiezones gefusioneerd moeten worden en ik vind eveneens dat huisarrest toegepast moet worden. Dat debat moeten we naar mijn mening voeren en dat zal ik hier de komende jaren dan ook doen, omdat het gewoon compleet de verkeerde kant opgaat.

Annelies Verlinden:

Dan ben ik wel eens benieuwd wat u vindt dat ik moet doen in deze context. U zegt dat de minister een verantwoordelijkheid heeft. Dat is zeker zo. Het is niet de bedoeling die te ontlopen. We hebben in de afgelopen jaren heel vaak gedaan wat we allemaal gedaan hebben. Ik heb al een korte hint gegeven, maar dat zou ons te ver leiden.

Wat moet de minister van Binnenlandse Zaken dan in deze context concreet doen?

Voorzitter:

Is dat een retorische vraag? Of is het een concrete vraag?

Annelies Verlinden:

(…)

Maaike De Vreese:

Natuurlijk ga ik antwoorden. Ik hoop dat straks het laatste woord ook aan het Parlement zal zijn.

Mevrouw de minister, u bent heel lang aan het woord geweest. Ik zal er op antwoorden. De reactie op die rellen moet inderdaad worden voorbereid. Oudejaarsnacht moet worden voorbereid. U moet met die mensen aan tafel zitten en u moet heel goed weten wat de handelingsmodaliteiten zijn. U moet ook heel goed weten wat de risicoanalyse is. U moet daarvan op de hoogte zijn als minister van Binnenlandse Zaken en u moet bijsturen op het moment waarop het nodig is.

Dat moet u doen als minister van Binnenlandse Zaken. Maar ik…

(…) :(…) : De rellen vinden wel plaats.

Maaike De Vreese:

De rellen vinden plaats. De rellen escaleren.

Annelies Verlinden:

(…)

Maaike De Vreese:

U bent minister van Binnenlandse Zaken.

(…) :(…)

Voorzitter:

Dat is een ander debat.

Maaike De Vreese:

De VSOA…

Ridouane Chahid:

Monsieur le président, c'est chacun son tour ou c'est un débat entre…

(…) :(…): Sitting ducks! Dat maakt u van uw eigen mensen.

Voorzitter:

Collega's, rustig. Mevrouw De Vreese heeft het woord.

Maaike De Vreese:

Ik heb ook heel duidelijk gevraagd of u van mening bent dat sneller ingrijpen op gezichtsbedekkende kleding een goed idee is. Als minister van Binnenlandse Zaken zou u dat kunnen toepassen.

Als minister van Binnenlandse Zaken kunt u heel wat ondernemen. Er moet kort op de bal worden gespeeld. Er moet worden bekeken hoe we die situatie een volgende keer kunnen vermijden.

Sam Van Rooy:

Mevrouw de minister, 30 jaar geleden al schreef de Duitse schrijver Hans Magnus Enzensberger over de moleculaire burgeroorlog die steeds meer onze straten teistert. Sindsdien is het alleen maar erger geworden. De daders zijn nooit Chinezen, Zweden, joden of boeddhisten. Het zijn altijd dezelfde allochtone jongeren, die vanuit hun cultuur onze samenleving haten en willen kapotmaken. Ze grijpen elke gelegenheid aan om een straatjihad te voeren tegen ons, tegen onze hulpverleners, tegen onze politie.

Mevrouw de minister, dit is een cultureel importprobleem. Er zijn dus twee fundamentele maatregelen die moeten worden genomen om het niet nog erger te laten worden, om niet te blijven dweilen met de kraan open. Ten eerste, stop de ongecontroleerde massa-immigratie. Ten tweede, voer voor dat soort straattuig niet alleen veel zwaardere straffen in, maar zet ze zo mogelijk ook het land uit, samen met hun familie.

Matti Vandemaele:

Mevrouw de minister, ik dank u voor uw genuanceerd antwoord. Ik ben het met de meeste principes die u naar voren schuift eigenlijk wel eens, uiteraard niet met alles, maar we blijven soms wat hangen in principes. Ik denk dat de meerderheid in deze Kamer het daarmee eens is.

Sommige collega's hebben het over een burgeroorlog. Ik denk dat sommige mensen gewoon niet weten wat een burgeroorlog is. Misschien moeten ze eens een land bezoeken dat in een burgeroorlog zit. Dat is gewoon niet meer ernstig.

Ik vind dat we het debat ernstig moeten voeren en een analyse van het geheel moeten maken. Ik hoor veel collega's ook lacherig doen over preventie. De beste rellen zijn natuurlijk de rellen die niet plaatsvinden.

Ik las in de krant een verhaal over Antwerpen, waar men in bepaalde buurten heel sterk preventief heeft gewerkt. Daar waren vorig jaar rellen, maar dit jaar niet meer. Die preventie weglachen en de mensen met ervaring op de straat hier wegzetten als totaal overbodig, dat komt het debat niet ten goede.

Het belangrijkste voor mijn fractie is ook dat we een debat in de breedte kunnen voeren, van preventie tot repressie. De maatregelen zullen in dat scala moeten plaatsvinden. We moeten dat debat ten gronde voeren, zodat we op oudejaarsavond niet opnieuw moeten vaststellen wat we elk jaar vaststellen.

Mijnheer de voorzitter, ik heb ook een suggestie.

Misschien moeten we een reeks hoorzittingen houden waarop we een aantal van die spelers, vanaf het preventieve tot het repressieve, hier in de Kamer uitnodigen? We zouden hen kunnen zeggen dat we het allemaal als een probleem ervaren en dat we het over de principes grotendeels eens zijn. We zouden die spelers kunnen vragen naar concrete oplossingen die ons als samenleving vooruit kunnen helpen zodat we hier volgend jaar niet opnieuw hetzelfde debat moeten voeren.

Men heeft ook gesproken over de uitrusting van de politiemensen. Ook bij de brandweer heerst daar enige ongerustheid over. De brandweerlieden moeten een andere vorming krijgen en hun materiaal aanpassen. Dat valt allemaal ten laste van de hulpverleningszones, wat voor sommige bijzonder zwaar om dragen is. Dat moet de volgende regering ook echt aanpakken.

Voorzitter:

Alle suggesties van collega’s voor de agenda hier in de commissie zijn uiteraard welkom.

Ridouane Chahid:

Merci, madame la ministre, pour les réponses que vous avez fournies.

Une chose est sûre – et vous l'avez dit –, on ne touche pas à la police, à nos services de secours, au mobilier urbain, à nos citoyens. Point à la ligne, il n'y a pas de discussion là-dessus et je pense que cette commission s'en sortirait grandie si on était tous sur la même longueur d'ondes sans faire des escalades de propos comme ceux que j'ai pu entendre aujourd'hui.

Vous avez demandé à ma collègue de la N-VA ce que vous deviez faire. En fait, vous avez la réponse. Avant vous, il y avait un ministre N-VA et il n'a rien fait. Il a désinvesti dans la police et lui a donné beaucoup moins de moyens, ce que vous n'avez pas fait. Vous avez donné des moyens à la police et oui, il faut lui en donner davantage encore. Cela, je vous l'ai déjà dit lorsque je vous ai rencontrée lorsque j'étais bourgmestre. J'ai évoqué la situation, vous avez apporté des réponses et une chose est sûre, madame la ministre: à chaque fois que nous avons fait appel à votre cabinet et à votre département, ils ont répondu présent.

Aucun chef de corps de Bruxelles ne peut dire le contraire, vous avez été là. Alors oui, j'en appelle à ce que les partenaires du futur gouvernement vous donnent les moyens nécessaires pour faire en sorte qu'il y ait plus de policiers, que la justice fasse son travail et que les chaînes de sécurité et de prévention soient en action, à Bruxelles ou ailleurs.

Il faut arrêter de stigmatiser Bruxelles. J'ai envie de dire à M. Francken que ce n'est pas qu'il n'aime pas Bruxelles, il n'aime pas une partie de Bruxelles, voilà la réalité. Et s'il aime tellement Bruxelles, qu'il pose des actes au lieu de poser des propos inutiles.

Nabil Boukili:

J'ai entendu des propos un peu hors sol mais je ne vais pas m'abaisser à y répondre, je préfère me concentrer sur les propos de Mme la ministre. Je suis d'accord avec vous, madame la ministre, quand vous dites que ces questions de violence sont un problème de société et que la prévention ne repose pas sur les seules épaules de la police. Je suis tout à fait d'accord.

La police fait partie des acteurs de la prévention et je pense que les policiers à Bruxelles connaissent ces jeunes-là mais qu'ils ne sont pas impliqués dans la prise de décision. Les décisions viennent d'en haut, de la part de personnes qui ne connaissent pas les quartiers ni les villes, qui sont dans des bureaux feutrés et qui imposent à la police des circulaires ou des propositions qui ne correspondent pas aux réalités de terrain.

Madame la ministre, je vous invite à imaginer une feuille de route pour qu'avant le 31 décembre soit mis en place un protocole selon lequel la police devrait se réunit avec les associations de quartier, les éducateurs de rue, la chaîne de prévention. Si on leur dit simplement, par exemple, que dans tel quartier on va organiser telle activité, les interventions policières pourraient alors être concentrées là où il n'y a pas de présence d'éducateurs ou d'acteurs de prévention. Or ce n'est pas ce qui nous revient du terrain.

Je ne sais pas pourquoi, mais les acteurs de terrain ne sont pas impliqués dans la prévention. En ce qui concerne le couvre-feu à Anderlecht, ils l'ont appris par la presse. Personne ne leur a parlé.

Cela ne peut pas marcher de cette façon. Dès lors, comment faire pour impliquer les acteurs de terrain dans ces décisions? Monsieur le président, je pense que nous pourrions inviter des représentants de ces organisations ici en commission afin de connaître leur avis sur cette question, car voilà des années que nous ressortons les mêmes recettes et que nous sommes confrontés aux mêmes problèmes. Il est peut-être temps de changer de méthode. En tout état de cause, si nous n’essayons pas, cela ne fonctionnera jamais.

Rajae Maouane:

Merci, madame la ministre, pour votre réponse détaillée et nuancée, beaucoup plus nuancée que les propos de certains caricaturistes ici, même si cela ne nous surprend guère de la part de l’extrême droite.

Je partage certains de vos constats et solutions, mais je voudrais insister ici sur la question de la prévention, qui est selon nous essentielle. À cet égard, nous devons nous attaquer aux causes réelles et réaliser une analyse approfondie des racines du problème. Cela implique de poser des diagnostics et, en quelque sorte, d’ouvrir la boîte de Pandore et d’exercer un effet sur des facteurs structurels tels que les inégalités sociales, économiques ou culturelles, qui contribuent à ce phénomène. Mais évidemment, il est plus facile d’être grossier et caricatural que de se pencher sur les causes structurelles du problème.

Pour mon groupe, il faut donc continuer à travailler sur les causes structurelles et sur la prévention, mais aussi continuer à investir dans la police de proximité. La police de proximité, c’est elle qui connaît le terrain, les quartiers et la réalité. Malheureusement, ainsi que l’a rappelé mon collègue Ridouane Chahid, sous la coalition suédoise, nous avons assisté à un désinvestissement massif dans les forces de police. Dès lors, nous espérons que les actuels négociateurs, qui sont probablement dans la dernière ligne droite des négociations, vont décider de continuer à investir dans une police de proximité qui connaît les quartiers.

Theo Francken:

Mevrouw de minister, ik ben geschrokken van uw antwoord. U zegt dat u niet veel meer had kunnen doen, dat u hebt gedaan wat u moest doen, dat het is wat het is, dat u ervan akte neemt; daar komt het toch op neer. U vroeg aan mevrouw De Vreese wat u nog meer had moeten doen, u weet het dus blijkbaar zelf niet. Ik denk nochtans dat het nog beter kan. Zo goed was het niet, mevrouw de minister. Het was een drama, het was een ramp.

U zegt dat u op recepties mensen bent tegengekomen die hun wenkbrauwen fronsten over de voorstellen naar aanleiding van die rellen. Ik ben op recepties heel veel mensen tegengekomen die hun wenkbrauwen fronsten over wat er allemaal gebeurd is, over het feit dat dit jaarlijks terugkomt, over het feit dat dit blijkbaar normaal is en erbij hoort en over het feit dat het elk jaar erger wordt. Dat heb ik gehoord op de nieuwjaarsrecepties die ik bezocht.

U zegt dat ik niet moet praten over sitting ducks, want dat ze dat niet zijn. Ik heb misschien wel honderd mails gehad van politiemensen. Ik heb er één online gezet, geanonimiseerd, want veel van die mensen hebben angst voor represailles. Ze vragen allemaal om anonimiteit. Die mensen zeggen dat ze zich sitting ducks voelen. Het gaat om mensen die aanwezig waren op het terrein die avond. Dat is de realiteit. U zegt dat ik dat niet mag zeggen. Als die mensen mij schrijven dat ze zich zo voelen, is er een probleem. Dan ben ik als volksvertegenwoordiger voor een stuk de vertegenwoordiger en vertolker van wat er leeft bij die mensen, die ook maar hun werk doen en worden aangevallen met molotovcocktails, waartegen ze niets kunnen doen. Doe er iets aan!

Collega van de PS, het is steeds hetzelfde. U zegt niet dat ik niet van Brussel houd, maar dat ik niet van een deel van Brussel houd. Ik ben vier jaar staatssecretaris geweest. Ik heb heel veel mensen geholpen in Brussel, in heel moeilijke situaties, mensen zonder papieren. U insinueert dat ik een racist ben en dat ik een deel, zijnde de vreemdelingen, niet moet. Ik heb er in mijn leven veel meer geholpen dan u ooit zult helpen in uw leven. Ik heb mensen in zeer moeilijke situaties geholpen, door uiteindelijk hun zaak te regulariseren, door ervoor te zorgen dat ze hier een nieuw leven kunnen uitbouwen, met papieren, op een legale manier. Ik heb van u dus geen enkele les te krijgen. Geen enkele les!

Ik houd inderdaad iets minder van één partij in Brussel, namelijk de PS. Kijk naar wat er in Anderlecht gebeurt. Kijk naar wat er in zoveel gemeenten gebeurt. Dat wanbestuur! Een deficit van 39 % op de begroting. Een schuldgraad van 250 %. En dan komt u zeggen dat er genoeg geld moet zijn voor de politie, dat Arizona nog meer geld moet geven. Twintig miljard te kort, oplopende kosten, 46 miljard te kort, het grootste gat ooit in de geschiedenis van dit koninkrijk. En nu komt u mij hier de les spellen. Een beetje bescheidenheid zou u sieren.

Franky Demon:

Ik was weerhouden in een andere commissie, waarvoor mijn excuses, maar ik heb het antwoord van de minister grotendeels gehoord.

Mijnheer Francken en mevrouw De Vreese, ik heb toch een ander geluid gehoord. Ik heb een minister horen zeggen dat ze veel gedaan heeft, dat nulrisico nooit zal bestaan, dat we moeten inzetten op preventie en grootstedenbeleid en dat alles met een ketengerichte aanpak.

Mijnheer Francken, u hebt gelijk, het is inderdaad niet eenvoudig in Brussel. Misschien loop ik hier voor sommigen al iets te lang rond, maar ik weet nog dat onder de heer Jambon, toenmalig minister van Veiligheid, ook soortgelijke zaken zijn gebeurd op oudejaarsnacht. We hebben toen samen nagedacht over wat we zouden kunnen ondernemen, terwijl hier nu wordt gezegd dat er niets of te weinig wordt gedaan.

Wat zijn de oplossingen die ik hier hoor? Dat we iets sneller moeten optreden tegen mensen die een bivakmuts dragen. Denkt u echt dat de minister daartoe geen opdracht geeft? Ze heeft alles gedaan, maar het werkt nog onvoldoende. In plaats van op elkaar te schieten zouden we beter bekijken hoe een volgende bestuursploeg nog straffer kan inzetten op preventie en politionele inzet.

Laten we elkaar niets wijsmaken: nulrisico zal nooit bestaan. We hebben de eenheid van commando bij de politiediensten kunnen invoeren. Laten we nu werken aan de eenheid van commando op bestuurlijk vlak. Het helpt niet om een plaats- of huisverbod in te voeren voor personen in gemeente X als ze amok kunnen maken in gemeente Y. Laten we nadenken over hoe we dit juridisch kunnen verankeren.

Maaike De Vreese:

Collega Demon, u zegt mij dat de minister daarover wel degelijk instructies heeft gegeven. Ik hoor de minister daarnet echter zeggen dat het aan de lokale besturen was en dat ze daarover niets te zeggen heeft. De lokale besturen moesten ingrijpen. Mevrouw de minister, was u nu betrokken bij de voorbereiding van de reactie op de rellen? Hebt u instructies gegeven of niet? Uw collega van dezelfde partij zei immers dat u wel bepaalde instructies hebt gegeven aan de lokale politie. Voor mij is het nu nog minder duidelijk. U spreekt over mist, maar nu is er wel veel mist.

Ik hoor heel graag dat u die vergadering geleid hebt, dat u erbij betrokken was en aanwezig was, maar wanneer komt die evaluatie? Dat waren mijn vragen van vandaag. Daarom heb ik de commissie ook samengeroepen. (Rumoer)

Franky Demon:

Denkt u nu echt dat de minister er tegen is dat mensen met bivakmutsen aangepakt worden? Mevrouw De Vreese, u verdraait nu ook mijn woorden. (Rumoer)

Voorzitter:

Collega's, het is niet de bedoeling dat er tijdens een actualiteitsdebat een debat ontstaat tussen de leden. Dit is een debat tussen de minister en het Parlement. De minister mag dus nog antwoorden op de laatste vragen van mevrouw De Vreese.

Annelies Verlinden:

Mijnheer Francken, uw tussenkomst is intellectueel oneerlijk. Ik heb niet gezegd dat de minister van Binnenlandse Zaken niets kan doen. Dat heb ik niet gezegd. Ik heb u ook gezegd welke debatten er wat mij betreft gevoerd kunnen worden voor een duidelijk wettelijk kader: over geweld en welke middelen we moeten inzetten of over het preventieve huisarrest. Dat is essentieel. In het ene geval kunnen we daarin immers veel vertrouwen hebben, maar in andere gevallen iets minder. De goede verstaander begrijpt mij.

Het is niet aan mij, mevrouw De Vreese, om lokale risicoanalyses te maken en lokale instructies te geven. Dat heb ik u ook gezegd. Dat is niet aan de minister van Binnenlandse Zaken. Ik ken die situatie op het terrein niet zo goed. Ik dacht dat ik dat duidelijk had gemaakt in mijn antwoord dat het handelingskader bestaat. Wij geven de tolerantiegrenzen mee waarbinnen burgemeesters en korpschefs kunnen beslissen welke acties zij nemen. We geven wel mee wat er kan gebeuren, maar ik bepaal nooit wanneer een bepaalde straat wordt afgesloten of wanneer bepaalde jongeren op een bepaald plein verzameld worden. Zo gaat dat niet, gelukkig maar.

Trouwens, ik dacht dat ook uw partij aanhanger was van de subsidiariteit. Lokale besturen kennen dat het best. Waar we moeten bijstaan, waar we het handelingskader moeten verduidelijken, waar de federale politie moet komen helpen, kunnen we dat gerust doen.

Ik vind het niet helemaal eerlijk om te concluderen dat ik hier gezegd heb dat het allemaal oké is en dat ik niets kan doen. Dat heb ik niet gezegd; dat wil ik onderstrepen met het oog op het verslag van deze vergadering.

Wel heb ik u geconfronteerd met uw opmerking dat het federaal niveau het commando moet overnemen. Ik heb u gevraagd wat dat volgens u inhoudt. Daarnet hebt u gezegd dat we op federaal niveau het handelingskader moeten bepalen. Dat doen we al. U zegt dat vergaderingen moeten plaatsvinden en actieplannen moeten worden uitgewerkt, maar die bestaan vandaag al. Ik meen dus dat u mijn vraag niet hebt beantwoord, wat aantoont hoe moeilijk het fenomeen is en hoe delicaat sommige van de nog te voeren debatten zijn.

Het enige wat ons kan helpen, is dat we samen nadenken over realistische, maar ook wettelijke oplossingen. Het heeft geen zin om mekaar de zwartepiet door te spelen. Als u een helder antwoord had, was het wel fijn geweest om dat al voor 31 december mee te delen, dat had het fenomeen misschien kunnen inperken.

Voorzitter:

Het laatste woord komt het Parlement toe. De heer Francken vraagt nog het woord.

Theo Francken:

Mevrouw de minister, mijn vraag is eigenlijk heel duidelijk. Hebben op uw kabinet vergaderingen plaatsgevonden met de gold commander in het kader van de oudjaarsnacht in Brussel 19?

Ik heb er geen idee van of zulke vergaderingen plaatsvonden onder voormalig minister Jambon, dat zal ik navragen. Mocht een dergelijke vergadering evenwel niet hebben plaatsgevonden, dan lijkt het mij geen slecht idee voor de volgende minister van Binnenlandse Zaken – uzelf of uw opvolger, dat zien we nog wel – om reeds in het voorjaar die vergaderingen te beleggen. We weten namelijk dat feiten zich zullen afspelen, aangezien het elk jaar erger wordt.

Ik stel mijn vraag los van het feit of u het federaal overneemt, al ben ik daar niet tegen en al is het volgens mij wettelijk gezien mogelijk. Het is nog nooit gebeurd, maar volgens mij kan het. Dat levert weliswaar een precedent op waarmee we moeten opletten. In het kader van de terreuraanslagen hebben we daarover uitgebreid gedebatteerd en uiteindelijk heeft Jan Jambon beslist om dat niet te doen, maar volgens mij kan het. Zeker gelet op het feit dat het om de hoofdstad gaat, kan volgens de huidige wet zeker ingegrepen worden.

Los echter van het feit of u al dan niet het bevel overneemt, kan wel op het ministerieel kabinet vergaderd worden over de vraag wat er moet gebeuren op 31 december. Heeft een dergelijke vergadering op uw kabinet plaatsgevonden? Op welke datum? Wie was daarbij aanwezig? Wat werd daar juist afgesproken? Misschien is het interessant om dat met het oog op oudejaar 2025 d'office al te doen. We kunnen er best tijdig mee beginnen.

Voorzitter:

Monsieur Chahid, vous avez ouvert un nouveau débat.

Ridouane Chahid:

Monsieur le président, non, ce n'est pas un nouveau débat. Mais, comme vous avez permis à d'autres de réagir, je vais peut-être me permettre de prolonger le raisonnement de M. Francken. Si la logique est de dire que la ministre de l'Intérieur doit prendre le commandement des opérations pour le 31 décembre, nous entrons alors dans une certaine banalisation et hiérarchisation des choses. En ce cas, faisons en sorte que le Conseil de sécurité établisse des règles pour l'ensemble du pays à l'occasion du Nouvel An. Cela relève d'un autre ordre d'idées. Or je ne pense pas que ce soit la volonté de la ministre, dans la mesure où elle a répondu, à moins que je ne me trompe: "Chacun ici doit rendre des comptes en fonction de ses compétences." Ni plus ni moins.

De fusie van de Brusselse politiezones

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)

op 15 januari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Verlinden bevestigt dat een fusie van de zes Brusselse politiezones (naar één zone) efficiënter kan zijn—gestuurd door een studie die schaalvergroting (min. 500 agenten) koppelt aan betere modernisering en weerbaarheid, maar waarschuwt voor bestuurlijke en organisatorische uitdagingen (commando, samenwerking met burgemeesters). Depoortere dringt aan op concrete stappen, kondigt een wetsvoorstel aan en eist een spoedig debat, benadrukkend dat crimineel overschrijdend gedrag en het succes van het *Golden Command Center* een eengemaakte zone noodzakelijk maken. Beide partijen zijn voorstander, maar de uitvoering blijft hangen aan politieke onderhandelingen en democratische afstemming.

Ortwin Depoortere:

Mevrouw de minister, deze vraag sluit een beetje aan bij het actualiteitsdebat van daarnet en betreft de fusie van de Brusselse politiezones.

Het is nu eenmaal een gegeven dat criminelen geen rekening houden met gemeentegrenzen. Ze overstijgen de lokale baronieën die in handen zijn van enkele burgemeesters. Anderzijds, en het doet mij plezier om dat ook te horen van de heer Chahid, kan men positieve evaluaties maken van het Golden Command Center tijdens oudejaarsnacht. Het is dus blijkbaar toch mogelijk om samen te werken en de misdaad adequater te bestrijden als men dat wil.

We moeten nog een stap verder gaan. De tijd is rijp om niet alleen voor de verschillende politiezones in Vlaanderen en Wallonië naar een schaalvergroting te gaan, maar ook in Brussel, dat momenteel zes politiezones telt. De conclusie die we onder andere uit het Golden Command Center kunnen trekken, is dat het veel beter en efficiënter zou zijn om naar één Brusselse politiezone te gaan.

Mevrouw de minister, bent u dat idee genegen? Ik heb in de wandelgangen vernomen dat uw partij, bij monde van de heer Demon, daar absoluut geen tegenstander van is, integendeel, maar ik had toch graag uw mening als minister van Binnenlandse Zaken gehoord. Ligt die piste op de onderhandelingstafel van de nieuwe federale regering?

Annelies Verlinden:

Mijnheer Depoortere, u had ook nog een aantal andere vragen over het kanaalplan en dergelijke meer. We hebben die discussie al eerder in deze commissie gevoerd. Er is nog altijd ondersteuning vanuit de federale politie. Er is dus wel degelijk samenwerking. Ook bij andere veiligheidsoperaties levert de federale politie ondersteuning. Naast die gold commander is er dus best al wel wat samenwerking. Er is eveneens een politioneel drugsplan voor Brussel onder leiding van de Brusselse regering waarin de multidisciplinaire aanpak centraal staat en waarin de zes zones ook betrokken zijn.

Het is moeilijk om vandaag heel exacte cijfers te geven voor efficiëntiewinsten of -toename bij een fusie van de zones. Het is inderdaad zo – dat heb ik al herhaaldelijk gezegd in deze commissie – dat wij daarvan voorstander zijn. Een heel belangrijke discussie die gevoerd moet worden is hoe men dat dan precies organiseert, wie het commando heeft, hoe de samenwerking kan gebeuren als de gemeenten bestuurlijk op dat moment niet zouden fuseren en over hoe er zal worden samengewerkt met de burgemeesters.

Uit een studie uit 2022 in opdracht van de FOD Binnenlandse Zaken bleek dat schaalvergroting in elk geval voordelen kan hebben, zoals meer modernisering of toegenomen expertise. Er wordt daarbij ook aangenomen dat een gefusioneerde zone beter bestand zal zijn tegen de uitdagingen in de maatschappij. In het algemeen is het goed voor alle zones om te streven naar een omvang die voldoende groot is om toekomstige uitdagingen aan te gaan.

In het verleden heb ik daarvoor al eens het cijfer van 500 genoemd. Ik wil dat niet als een heilige graal vooropstellen, maar wil daarmee wel een richting aangeven vanaf wanneer iets op een efficiënte en kwalitatieve manier kan worden georganiseerd.

Het zal uiteraard tijd vragen om dat in Brussel voor te bereiden. Dat moet doordacht gebeuren en uiteraard is democratische organisatie met bestuurlijke overheden, de politieraad en het politiecollege, zeer relevant. Dat debat is nog niet helemaal uitgeklaard.

Wij zijn daarvan dus een voorstander en zullen dat ook blijven verdedigen tijdens de onderhandelingen.

Ortwin Depoortere:

Mevrouw de minister, ik dank u voor het antwoord. Uw laatste punt doet mij plezier. Laten we die wetenschappelijke studie inderdaad als basis nemen, want een schaalvergroting zal inderdaad voor efficiëntiewinsten zorgen en dat is een goede zaak. De samenwerking is er trouwens ook als een lokale zone fusioneert; die samenwerking tussen het federale en het lokale niveau verdwijnt niet. Ik zal op mijn beurt een duwtje in de goede richting geven. Wij hebben een wetsvoorstel om tot die eengemaakte Brusselse politiezone te komen. Ik zal dat wetsvoorstel volgende week in deze commissie agenderen. Ik hoop dat de collega's het als hun democratische plicht zullen beschouwen om daarover te debatteren. Ik begrijp ook wel dat de betrokken actoren moeten worden gehoord, maar ik hoop eveneens dat we daarvan werk zullen maken en dat dit niet opnieuw op de lange baan wordt geschoven.

De ondersteuning van de lokale politiekorpsen door de federale politie en de overheid

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)

op 15 januari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De politiezone Lanaken-Maasmechelen klaagt over structureel gebrek aan federale politiesteun, waardoor ze dure *betaalpolitie* (SAU) moet inzetten, vooral door drugscriminaliteit in de grensregio Limburg-Maastricht, en pleit voor een ‘Maasplan’ zoals in Antwerpen. Minister Verlinden benadrukt dat federale steun meestal wel lukt (behalve bij piekbelasting), wijst op bestaande samenwerking en intelligence-led policing (bv. *Port of Limburg*-project), maar bevestigt Limburg als hotspot voor georganiseerde criminaliteit. Depoortere blijft kritisch: de praktijkervaring van de politiezone (gebrek aan capaciteit, betaalde bijstand) tegenspreekt het optimistische regeringsstandpunt, en dringt aan op concrete versterking en het Maasplan in onderhandelingen. De minister verwijst naar eerdere investeringen maar belooft niets nieuws.

Ortwin Depoortere:

Mevrouw de minister, ik verwijs naar de schriftelijk versie van mijn vraag.

De politiezone Lanaken-Maasmechelen in Limburg richtte zich kort voor Kerst, op 19 december, rechtstreeks tot de minister. Omdat de federale politie-eenheden overbevraagd en ondergefinancierd zijn, moeten ze dure 'betaalpolitie' inschakelen om de veiligheid van burgers en lokale politiemensen te kunnen verzekeren.

Daarmee verwijzen ze naar de Special Assistance Unit (SAU), die opgericht werd in de provincie om bijstand te kunnen leveren bij interventies met een hoge risicograad. Normaliter voorziet de federale politie die steun kosteloos. Maar dat federale korps heeft de nodige capaciteit niet. Dat is een resultaat van regeringsbeleid.

Ongetwijfeld staat de politiezone Lanaken-Maasmechelen niet alleen met hun gebrek aan ondersteuning. Maar daarbovenop zijn ze nog eens een grensregio met Maastricht, waar drugscriminaliteit welig tiert. Niet alleen Antwerpen kampt ermee. Lokale besturen roepen dan ook op tot een 'Maasplan', zoals het Havenplan in Antwerpen.

Veiligheid is een kerntaak van de overheid. Dat lokale besturen en politiezones beroep moeten doen op 'betaalpolitie' is onaanvaardbaar. Onze federale politie moet dringend versterkt worden.

Hebt u een overzicht van alle klachten wegens gebrek aan ondersteuning vanuit lokale autoriteiten? Hoeveel krijgt men er zo?

Hoe vaak kon de federale politie de afgelopen 5 jaar niet ingaan op een ondersteuningsverzoek wegens gebrek aan capaciteit?

Hoe en wanneer gaat u de federale politie structureel versterken? Komt er extra (financiële) steun?

Krijgen lokale politiezones extra middelen om de federale politie te ontlasten?

Ziet u mogelijkheden voor structurele financiering van de SAU, zodat lokale politiezones niet steeds extra moeten betalen?

Welke maatregelen neemt u om de samenwerking tussen lokale politiezones en de federale politie verbeteren?

Hoe staat u tegenover de oproep voor een 'Maasplan' voor Limburg?

Welke maatregelen neemt u om de grensregio Limburg beter te beschermen tegen georganiseerde drugscriminaliteit?

Annelies Verlinden:

In overeenstemming met haar wettelijke verplichtingen verleent de federale politie inderdaad ondersteuning aan de lokale zones en dat op basis van de beschikbare capaciteit. Specifiek voor Limburg kan de federale politie in de meeste gevallen aan de steunaanvragen van de lokale politie voldoen. De enige uitzonderingen zijn de momenten waarop er gelijktijdig veel evenementen plaatsvinden en de beschikbare middelen evenredig moeten worden verdeeld.

Binnen de geïntegreerde politie heeft de bestuurlijk directeur-coördinator de specifieke rol om de samenwerking tussen de verschillende politiediensten te coördineren, faciliteren en stimuleren. In Limburg is er een jarenlange traditie van samenwerking en ook een zeer goede wisselwerking tussen de verschillende politiediensten, zowel op lokaal als federaal niveau en ook op operationeel, tactisch en strategisch vlak. Dat wordt bevestigd door zowel de provincie als de zones.

Voor de aanpak van georganiseerde criminaliteit in de grensregio Limburg bevestig ik dat onder meer uit de beeldvorming van Sky ECC blijkt dat Limburg ook een hotspot is geworden, naast Antwerpen en Brussel. Gezien de beperkte politiecapaciteit wordt daarom binnen de provincie maximaal ingezet op enerzijds een goede samenwerking tussen de verschillende politiediensten en anderzijds op een informatiegestuurde werking. De federale politie in Limburg kent een langlopende traditie inzake intelligence-led policing , die ervoor zorgt dat een beperkte capaciteit zeer gericht kan worden ingezet met het meeste resultaat.

Ik verwijs bijvoorbeeld naar het in 2024 opgestart project Port of Limburg, waarbij onder coördinatie van de gouverneur een integraal veiligheidsplan werd uitgewerkt voor de preventieve en reactieve aanpak van de drugsproblematiek rond de havenfaciliteit van Genk. Binnen die projectmatige aanpak wordt er zowel door private partners, bestuurlijke overheden, het parket als de politiediensten nauw samengewerkt. Dat is bij uitstek een voorbeeld van een Limburgs project waarin beide speerpunten – samenwerking en informatiegestuurde werking – centraal staan. Dat is ook in overeenstemming met onze visie dat tegenover georganiseerde criminaliteit ook een georganiseerde overheid dient te staan.

Tot slot meen ik niet te moeten herhalen dat de regering in de voorbije legislatuur zowel de federale als lokale politie heeft versterkt. Het was immers mijn betrachting om de politie beter achter te laten dan ik ze heb aangetroffen. Het is ook mijn opdracht om dat aan de onderhandelingstafel te doen en voor iedereen die in de toekomst betrokken zal zijn bij het veiligheidsbeleid.

Ortwin Depoortere:

Mevrouw de minister, ik vind die vraag uiteraard niet uit. Ik signaleer een bericht van de politiezone Lanaken-Maasmechelen, die zelf aangeeft dat ze te weinig federale steun krijgt. Uw antwoord staat haaks op wat die politiezone verklaart. Ze verwijst naar een special assistance unit , die op provinciaal niveau is opgericht om bijstand te kunnen leveren. Ze wijst er ook op dat ze daarvoor moet betalen, terwijl dat voor steun van de federale politie niet nodig is. De politiezone zit op een andere golflengte dan wat u vandaag in uw antwoord laat uitschijnen. Uiteraard moet er samenwerking zijn, maar ik verwijs ook naar haar vraag om in navolging van Antwerpen en Brussel een soort Maasplan op te stellen. Ik hoop dat u dat op tafel legt bij de regeringsonderhandelingen.

De brief van de CEO's van financiële instellingen over de leefbaarheid rond de Naamsepoort
De zorgwekkende onveiligheid in de wijk rond de Naamsepoort
Leefbaarheid en veiligheid rond de Naamsepoort

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)

op 15 januari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De CEO’s van ING, Deutsche Bank en AXA waarschuwen in een brief voor de verslechterde veiligheid rond de Naamsepoort (drugs, prostitutie, agressie, hygiëne), wat medewerkers en leefbaarheid bedreigt, en dringen aan op snelle maatregelen. Minister Verlinden bevestigt verhoogde politie-inzet (meer patrouilles, samenwerking met metro- en spoorwegpolitie, lokale handhaving) en aankomende coördinatievergaderingen met burgemeesters, MIVB en preventiediensten, maar kritiek blijft dat structurele oplossingen ontbreken en de achteruitgang onverminderd doorgaat. Kernpunt: Acute veiligheidscrisis vraagt om samenhangend federale-lokale beleid, maar huidige maatregelen (zichtbaarheid, patrouilles) worden onvoldoende geacht tegen diepgewortelde problemen zoals drugscriminaliteit en verloedering.

Eva Demesmaeker:

Mevrouw de minister, "Wij zijn als CEO zo vrij u deze brief te schrijven om de aandacht te vestigen op de zorgwekkende situatie in de buurt van onze hoofdzetels aan de Naamsepoort, die de veiligheid van onze medewerkers in het gedrang brengt", zo luidt het in de brief van de CEO's van de banken ING en Deutsche Bank en verzekeringsmaatschappij AXA.

Ze richten hun schrijven aan de federale regeringsleiders, de Brusselse minister-president en de burgemeesters van Brussel en Elsene. Ze beschrijven hoe de buurt rond de Naamsepoort zienderogen achteruit gaat. Drugs, exhibitionisme, prostitutie en een verslechterde hygiëne tasten de leefbaarheid aan van wie er woont of werkt. Ze zijn ervan overtuigd dat er snel maatregelen nodig zijn om de veiligheid te vergroten in de buurt en aan het metrostation. Ze besluiten met een engagement: ze staan open om daarover te praten en oplossingen te zoeken.

U hebt die brief allicht ook ontvangen. Erkent u de problematiek?

Hebt u contact gehad met de CEO's? Zo ja, wanneer en wie was daar allemaal bij aanwezig? Zo niet, wanneer zal dat contact plaatsvinden? Kunt u een samenvatting van de gesprekken geven? Welke oplossingen werden er afgetoetst?

Hebt u al contact opgenomen met de burgemeesters van Brussel en Elsene? Erkennen zij de problemen? Welke instructies hebt u hun gegeven om de leefbaarheid van de buurt te verhogen? Welke maatregelen stellen zij voor?

Welke maatregelen zult u zelf nemen? Binnen welke termijn mogen we die verwachten?

François De Smet:

Madame la ministre, c'est une quartier bien connu des Bruxellois, la Porte de Namur, qui est en train de devenir une zone de non-droit. La presse s’est fait l’écho d’un sentiment accru d’insécurité dans et autour de la Porte de Namur: vols à la tire, présence de toxicomanes très agressifs et agressions multiples, qui sont devenus le lot quotidien de nombreux citoyens et riverains.

Rappelons que pas moins de 36 000 passants circulent à la Porte de Namur et qu'elle constitue le deuxième quartier commerçant le plus important de la Région. Elle draine aussi le personnel de trois grandes sociétés, dont le siège se situe à proximité et qui se sont exprimées par voie de courrier.

Les bourgmestres d’Ixelles et de Bruxelles-Ville travaillent actuellement avec les acteurs concernés – police fédérale et locale, services de prévention – afin de préparer un plan d’action et de riposte. Contrairement à d'autres qui estiment que la police et l'ordre ne dépendent que des communes ou de la Région bruxelloise, je sais qu'ils incombent aussi à la responsabilité fédérale, surtout lorsqu'il s'agit de drogues et de criminalité organisée.

En conséquence, madame la ministre, vos services ont-ils été associés au plan des deux bourgmestres? Des actions concrètes sont-elles envisagées à court terme en vue du renforcement des effectifs de police dans ce quartier très dense?

Avez-vous une réponse précise à apporter aux critiques formulées par les bourgmestres concernant la police des chemins de fer – qui est concernée puisqu'on parle aussi d'une station de métro – dont l’efficacité semble relative? Dans l’affirmative, une concertation sera-t-elle menée avec votre homologue de la Mobilité à cet égard?

Annelies Verlinden:

Merci, cher collègues. Le courrier des CEO d'Axa, d'ING et de la Deutsche Bank évoquant la situation problématique dans les quartiers de la Porte de Namur à Bruxelles a retenu toute mon attention.

De politiezone Brussel Hoofdstad-Elsene heeft inderdaad een stijging van het aantal klachten van bepaalde handelszaken vastgesteld. Ik kan u verzekeren dat dit een prioriteit is voor PolBru. De politiediensten hebben onmiddellijk maatregelen genomen om de aanwezigheid van de politie en ook de waakzaamheid te verhogen. Meer concreet betreft het maatregelen met betrekking tot een reorganisatie van de patrouilles. De fietspatrouilles en de reguliere patrouilles werden herschikt voor een betere dekking van de getroffen buurt. De inspanningen werden verhoogd en er werden contacten gelegd met de handelaars om hen gerust te stellen en te tonen dat we de situatie niet onderschatten.

Une deuxième mesure concerne le renforcement de la vigilance autour des stations de métro. La station de métro de la Porte de Namur et ses environs font l'objet d'une surveillance particulière. La police des chemins de fer et la police fédérale, en collaboration avec les zones de police locales bruxelloises, mènent régulièrement des actions coordonnées pour lutter contre les nuisances dans et autour des stations de métro du quartier.

De plus, la Recherche Locale de la zone de police PolBru accorde une attention accrue au quartier de la Porte de Namur, en mettant l'accent sur les problématiques liées à la drogue.

De derde maatregel is het samenbrengen van alle betrokkenen. Er wordt een vergadering voorbereid op initiatief van de burgemeesters van Brussel en Elsene. Alle betrokkenen, waaronder de lokale politie, de MIVB, de federale spoorwegpolitie bevoegd voor de metro en de preventiediensten, worden samengebracht om de genomen en de te nemen maatregelen te bespreken.

La quatrième mesure est une mobilisation continue des services de police. En attendant, les brigades de police restent pleinement mobilisées, assurant une vigilance renforcée dans la zone concernée pour garantir la sécurité et la tranquillité publiques.

Ten slotte werd ingezet op verhoogde zichtbaarheid. Zo bemande de lokale politie tijdens de eindejaarsperiode een pop-upstore in de Guldenvliesgalerij. Dat initiatief verhoogde de politiezichtbaarheid in de wijk. Dat tijdelijk aanspreekpunt beantwoordde aan een specifieke behoefte bij de buurtbewoners.

Comme vous pouvez le constater, la situation est prise au sérieux et les services de police ont mis en œuvre plusieurs initiatives afin de rétablir au mieux l’ordre et la sérénité dans ce quartier.

Eva Demesmaeker:

Mevrouw de minister, dank u voor uw antwoord.

Het is fijn dat er wordt samengewerkt. Ik hoor dat de contacten er zeker zijn. De vraag blijft natuurlijk waarom het zo achteruit gaat en of de maatregelen wel voldoende zijn om de achteruitgang tegen te gaan.

Ik vind dat de situatie in Brussel elke dag verergert. Ik besef dat jullie dit ernstig nemen, maar het zal een tendens moeten zijn: we gaan daar heel veel werk hebben en we moeten goed bekijken hoe we de situatie aanpakken. Dat zal niet eenvoudig zijn. Alleen het aantal patrouilles en de zichtbaarheid verhogen, zal niet voldoende zijn.

François De Smet:

Madame la ministre, merci pour votre réponse. À l’instar de nombreux Bruxellois, je connais bien ce quartier, que je fréquente régulièrement. Ce qui est très frappant et, à mon avis, extrêmement déprimant pour les riverains et les nombreuses personnes qui passent par là, c’est le fait que la station de métro a été rénovée récemment. Malheureusement, cet endroit est devenu un lieu où une forme de petite et de grande violence s’est rapidement développée. Il faut donc vraiment être sur le coup et faire en sorte que les acteurs concernés, les deux bourgmestres, la STIB, la police des chemins de fer et vous-même preniez le contrôle de ce quartier, qui est une vitrine essentielle pour notre Région. La rapidité avec laquelle des quartiers et des stations de métro très récemment rénovés se détériorent à cause de la délinquance – notamment à cause de la toxicomanie et des trafiquants de drogue – est objectivement inquiétante.

Het geweld tijdens voetbalmatchen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)

op 15 januari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Voetbalstadions kampen met structureel racistisch/homofobisch geweld, pyrotechniek en onveilige situaties (o.a. vuurwerk richting gezinnen), ondanks jarenlange inspanningen, wat de veiligheid en toegankelijkheid voor families en echte supporters ondermijnt. Minister Verlinden erkent dat clubs en veiligheidsdiensten onvoldoende handhaven (slechte controles, gebrek aan sancties, zwakke distantiëring van extremisten) en pleit voor strengere strafrechtelijke *en* burgerrechtelijke uitsluitingen, maar wijst op de complexiteit van kostenverdeling (bv. "betaalpolitie"). Vandemaele ontkracht haar vertrouwen in clubs: geen systematische fouilleringen (1x in 5 jaar bij KV Kortrijk), geen actie tegen spreekkoren (1 bordje in jaren) en bekende relschoppers blijven toegelaten, terwijl de overlast maatschappelijk en financieel zwaar weegt (helikopters, politie-inzet). Hij eist dwingend overheidsingrijpen, omdat clubs zelf geen belangen hebben om het probleem op te lossen.

Matti Vandemaele:

Mevrouw de minister, net als iedereen heb ik een aantal défauts. Eén daarvan is dat ik supporter ben van KV Kortrijk. Ik heb al jarenlang een abonnement met mijn zonen. We gaan daar met heel veel jonge papa's elke week naartoe. Bijna elke week opnieuw worden daar echter ook racistische, xenofobe en homofobe liederen gezongen. Minstens één keer per maand wordt er ook pyrotechnische materiaal gebruikt, hoewel dat niet mag. Afgelopen weekend werd er in Antwerpen zelfs vuurwerk afgeschoten in de richting van een gezinstribune.

Er is de afgelopen jaren al heel veel gebeurd om de voetbalstadions terug te geven aan hen die echt supporter zijn. Ik ben ervan overtuigd dat mensen die vuurwerk schieten naar andere supporters geen echte supporters zijn. Het is belangrijk dat een heel eenvoudige volkssport zoals het voetbal, waar heel veel mensen elke week opnieuw naartoe gaan en waar alle rangen, standen en klassen samen kunnen genieten van een match, in alle ernst en veiligheid kan plaatsvinden.

Ondanks de grote inspanningen die er de afgelopen jaren gebeurd zijn, is het dus nog steeds niet mogelijk om elke week naar matchen te gaan kijken waar men niet moet vrezen voor pyrotechnisch materiaal of waar men niet moet vrezen dat kinderen uit onwetendheid onnozele of racistische liedjes beginnen mee te zingen omdat een halve tribune ze zingt. Ik stoor mij daaraan geweldig als voetbalsupporter en als vader.

De politie van Antwerpen oordeelde dat het geweld eigenlijk wel meeviel vorig weekend. Deelt u die mening?

Bent u de mening toegedaan dat de veiligheid in onze stadions gewaarborgd is? Met andere woorden, loopt alles goed of is er toch nog wel wat werk aan de winkel?

Bent u van mening dat de voetbalclubs en de betrokken veiligheidsdiensten voldoende inspanningen leveren tegen die spreekkoren? Welke bijsturingen zijn volgens u noodzakelijk om van die vervelende spreekkoren af te geraken?

De paar idioten die week na week voetbalstadions onveilig maken, kosten de samenleving waanzinnig veel geld. Er moeten helikopters, drones en tientallen tot honderden politiemensen ingezet worden, elke week opnieuw. Dat kost gigantisch veel geld. Zou het niet logischer zijn dat de clubs daarvan een deel betalen? Ik kan alleen maar spreken over mijn favoriete club, het gaat daar over 15 idioten. De club kent die idioten. De veiligheidsdiensten kennen die mensen. Toch worden ze steeds weer toegelaten in het stadion. Is het geen idee om de clubs mee te laten betalen als ze mordicus weigeren om in te grijpen?

Annelies Verlinden:

Mijnheer Vandemaele, zoals u zegt, is elk incident tijdens een voetbalmatch een incident te veel. Voetbal moet supporters ten goede komen en is niet bedoeld om amok te maken of anderen in gevaar te brengen. Ondanks een aanzienlijke inzet van middelen vinden er nog steeds incidenten met pyrotechnisch materiaal en andere ordeverstoringen plaats. Daarom is er geen reden tot algehele tevredenheid.

De evaluatie van de Antwerpse politie inzake de match van het voorbije weekend en de incidenten aldaar, kadert volgens mij in een relatieve beoordeling ten opzichte van incidenten naar aanleiding van eerdere wedstrijden, niet in het zich neerleggen bij bepaalde incidenten. Daarom blijf ik de clubs ook oproepen om als eerstelijnsverantwoordelijke voor de veiligheid binnen de voetbalstadions voldoende te blijven investeren in veiligheid. Dat gaat dan over de inzet van voldoende veiligheidspersoneel, zowel voor als tijdens de wedstrijd, over het kader van sweepings en het preventief toezicht op de stadioninfrastructuur, alsook over ticket- en toegangscontroles. De clubs moeten zich ook duidelijk distantiëren van het gebruik van pyrotechniek, ook onder meer op de sociale media.

Ook een consequente bestraffing van inbreuken op de voetbalwet en/of het intern reglement is essentieel. Naast de strafrechtelijke of bestuurlijke handhaving door de overheid, kijk ik ook uit naar de toepassing van het systeem van burgerrechtelijke uitsluitingen door de voetbalwereld zelf.

Wat uw vraag over discriminerende uitlatingen van supporters betreft, betreur ik ook dat ondanks grote inspanningen van zowel voetbalclubs als veiligheidsdiensten, het probleem verre van verdwenen is. Elke vorm van racisme of discriminatie – hoe gering ook – moet worden aangepakt om een veilige en inclusieve omgeving voor iedereen in de voetbalwereld te waarborgen. Hoewel de politie een onmisbare taak heeft in de handhaving van de openbare orde, is het belangrijk dat de clubs hun verantwoordelijkheid opnemen.

Het maatschappelijk debat over de evenwichtige verdeling van de kosten en de verantwoordelijkheden tussen publieke diensten en private organisaties, zoals clubs, is aangewezen en moet er ultiem op gericht zijn om iedereen een veilige beleving van het voetbal te kunnen garanderen.

In het kader van de Staten-Generaal werd de betaalpolitie bij het voetbal besproken. Ook voor de politie zelf is dat geen evidente aangelegenheid, omdat men dan vraagstukken krijgt inzake prioriteit en hiërarchie. Vandaag zijn er al clubs die van hun ticketprijzen een bepaald bedrag afgeven aan het stadsbestuur of de gemeente die instaat voor de veiligheid. Er bestaan dus al bepaalde vormen van terugbetaling van een deel van de veiligheidsfactuur, maar dat is een complex debat. Als men het heeft over voetbal, dat heeft men het allicht ook over andere evenementen en daarover moet dat debat gevoerd worden. De meningen zijn daarover verdeeld.

Matti Vandemaele:

Voor mij is de vraag hoe we van voetbal een feest voor iedereen kunnen maken relevanter dan de factuur. Hoe zorgen we ervoor dat onze kinderen tijdens voetbalmatchen niet omsingeld worden door mensen die idiote liedjes zingen, die vuurwerk afsteken en die de veiligheid van zichzelf en anderen in het gedrang brengen? U verwijst regelmatig naar de clubs. Als abonnementhouder woon ik regelmatig matchen bij, zowel thuis als op verplaatsing en ik kan u zeggen dat de clubs helemaal niets doen. In de afgelopen vijf jaar ben ik als abonnementhouder van KV Kortrijk één keer gecontroleerd op pyrotechnisch materiaal. Ik kan daar binnensmokkelen wat ik wil. Het is niet ernstig te beweren dat clubs inspanningen doen. Spreekkoren zijn bij KV Kortrijk echt een probleem. Één keer is er daarvoor een boodschap geweest op een reclamebord rond het veld en that’s it . We moeten als overheid ingrijpen, want de clubs maken het zich veel te gemakkelijk en zullen zelf zeker niet ingrijpen. Dat is niet in het belang van de supporters en de jongeren die naar de matchen gaan kijken.

De passagier die met geweld uit een vliegtuig werd gezet

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)

op 15 januari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Een passagier werd gewelddadig van een Brussels Airlines-vlucht verwijderd en gewond geraakt nadát hij weigerde zijn schoenen aan te trekken, hoewel dit niet verplicht was, wat leidde tot beschuldigingen van racisme en onevenredig politiegeweld. Minister Verlinden verdedigde het optreden, verwijzend naar "veiligheidsrisico's" en "proportioneel ingrijpen na mislukte dialoog", maar gaf geen concrete maatregelen om dergelijke incidenten te voorkomen. Maouane benadrukte het ontbreken van bewijs voor gevaar of weigering van veiligheidsinstructies en eiste strengere kaders voor politieoptreden, wijzend op het trauma en fysieke letsel van het slachtoffer. Unia en de Liga voor Mensenrechten onderzoeken de zaak, terwijl het slachtoffer een klacht overweegt.

Rajae Maouane:

Madame la ministre, le 4 décembre 2024, Baudouin embarque à Zaventem sur un vol à destination de Kinshasa. Avant le décollage, il retire ses chaussures. Un steward lui demande de les remettre, ce qu'il refuse, invoquant son droit de rester pieds nus. Rien dans le règlement de Brussels Airlines n'oblige les personnes à remettre leurs chaussures.

Le ton monte, et le personnel de bord appelle la police. Baudouin est alors débarqué de force de l'avion par les agents, qui le blessent au visage et aux jambes. Cela lui aurait valu une main plâtrée, une vision trouble et un sentiment de peur.

D'après les infos recueillies, notamment dans les médias, il n'y avait pas de motif de débarquer ce passager et encore moins de faire usage de la force de manière disproportionnée.

Baudouin est, malgré tout, ensuite détenu pendant plusieurs heures avant d'être libéré sans inculpation. Il se dit totalement traumatisé par l'incident et envisage de porter plainte pour les violences subies une fois qu'il aura retrouvé sa santé.

Unia a décidé d'ouvrir un dossier et la Ligue des droits humains dénonce les violences subies par ce monsieur.

Madame la ministre, que pouvez-vous nous apprendre de cet incident? Quelles mesures sont mises en place pour encadrer l'intervention des forces de l'ordre dans des situations similaires, afin de garantir le respect des droits des passagers et d'éviter un usage disproportionné de la force?

Annelies Verlinden:

Merci, collègue Maouane. Les images diffusées sur les médias sociaux peuvent donner un aperçu tronqué d'une intervention policière. Selon les informations qui m'ont été transmises, il semblerait que le passager ait refusé de répondre positivement aux différentes demandes du personnel de bord et de suivre les consignes de sécurité. En raison du tumulte, le commandant de bord a estimé que ce passager pouvait représenter un danger ou perturber gravement le vol et a décidé de refuser ce passager. L'aide de la police aéronautique a alors été sollicitée pour l'extraire de l'avion. Dans pareils cas, les services de la police aéronautique veillent toujours à engager le dialogue avec le passager afin de désamorcer la situation avant de faire usage, en dernier ressort, de la contrainte proportionnelle. Ce qui a été le cas en l'occurrence. Des procès-verbaux ont été rédigés par la police aéronautique à destination du parquet de Hal-Vilvoorde. Merci.

Rajae Maouane:

Merci, madame la ministre. Vous ne répondez pas forcément à mes questions sur les mesures qui sont prises pour mieux encadrer ce genre d'interventions. Sans doute le personnel de bord était-il dans son droit lorsqu'il a fait appel à la police. Ce que je condamne ici, c'est l'usage visiblement disproportionné de la force. Aucun élément n’indique que le passager concerné représentait un danger ou qu’il aurait refusé de suivre de quelconques indications de sécurité. Baudouin a aujourd’hui la vue troublée, il est plâtré et a des hématomes. Il invoque un acte raciste de la part des forces de l’ordre. Je n’ai reçu aucune réponse quant aux mesures mises en œuvre pour encadrer ce genre d’intervention qu’on ne peut que condamner, et j’espère que vous en faites autant. Merci.

De rellen op oudejaarsavond
De rellen in Brussel
De rellen in Brussel
Het geweld in de steden tijdens de oudejaarsnacht 2024
Stedelijke onrust oudejaarsnacht 2024

Gesteld aan

Alexander De Croo (Eerste minister), Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)

op 9 januari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de escalerende oudjaarsrellen in Brussel, gekenmerkt door geweld tegen hulpdiensten, brandstichting en molotovcocktails, vooral door allochtone jongeren, met 70 verbrande auto’s en 1.758 politie-interventies. Critici (o.a. N-VA, Vlaams Belang) wijten het aan falend beleid, gebrek aan repressie, ouderlijk falen en multiculturele mislukking, en eisen strengere straffen, snellere vervolging, politiebewapening en nationaliteitsontneming voor recidivisten. De regering (De Croo, Verlinden) erkent de ernst van de situatie, benadrukt repressie (huisarrest, identificatie daders) én preventie (ouderlijke verantwoordelijkheid, sociale integratie), maar wijst op structurele oorzaken zoals normvervaging, marginalisering en falend opvoedingsklimaat. Ketenaanpak en samenwerking tussen lokale/federale overheden worden essentieel geacht, maar concrete oplossingen blijven vaag.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de eerste minister, mevrouw de minister, collega's, nieuws is vluchtig en de gewenning is groot, ook voor de voorbije rellen, maar toch moeten we het debat daarover voeren. Er zijn daarvoor een aantal redenen. Ten eerste, het is ook dit jaar weer volledig uit de hand gelopen en nochtans waren de voortekenen al duidelijk. Sommige burgemeesters hadden een avondklok ingesteld of een huisarrest opgelegd, maar op sociale media waren er ook openlijke bedreigingen van allochtone relschoppers aan het adres van de politie te lezen. Er was ook de in mijn ogen te vriendelijke vraag via de media om alstublieft geen hulpdiensten aan te vallen.

Ten tweede, het debat vandaag en volgende week in de commissie moet resulteren in doortastende maatregelen, want de rellen zijn aan het escaleren. De ernst kan niet ontkend worden. Ik geef u een aantal cijfers. In Brussel werden 70 auto's in brand gestoken, dubbel zoveel als vorig jaar. Er waren 663 hulpdienstinterventies en 1.758 politie-interventies en er werden molotovcocktails naar brandweer en politie gegooid.

Ten derde, we zien een herhaling van de feiten. De rellen worden gewelddadiger en er is daarbij een rode draad: het gaat steevast over allochtone jongeren. Eigenlijk zou men de vraag kunnen stellen of daar veel recidivisten bij zitten, maar cijfers daarover heb ik nog niet gekregen.

In naam van de politie en op verzoek van de hulpdiensten vraag ik u hoe u escalatie zult vermijden en wat u zult ondernemen om dat soort rellen definitief een halt toe te roepen.

Maaike De Vreese:

Mijnheer de eerste minister, mevrouw de minister, de situatie op oudejaarsnacht was onder controle. Dat zijn niet mijn woorden, maar die van burgemeester Close op de nieuwjaarsreceptie voor de politiediensten. Zeg dezelfde woorden eens aan al die mensen van wie de auto is uitgebrand. Vraag hun eens of het onder controle was. Ik ben er vast van overtuigd dat het antwoord anders zou klinken en dat is maar goed ook. We mogen dit niet wegrelativeren. We mogen dit niet gewoon worden. Eigenlijk zou er hier vandaag van elke partij iemand moeten staan.

De situatie was hallucinant: molotovcocktails, vuurwerkbommen. Onze politiediensten werden aangevallen en nog triestiger: ook onze brandweermannen en onze hulpdiensten. Wie is daarvan het slachtoffer? De gewone man op de straat. Er gebeurden 160 arrestaties en dan horen we heel voorzichtige cijfers van 7 mensen die zouden worden vervolgd.

Ondanks de voorbereidingen van de politiediensten – ik ben er zeker van dat zij de professionaliteit en de wil hebben om dat aan te pakken – is de situatie volledig uit de hand gelopen. In Brussel zien we de gevolgen van bestuurlijke versnippering en van een jarenlang links, laks beleid. Op federaal vlak is er van snelrecht, van kordaat aanpakken, van effectieve bestraffing geen enkele sprake. Het erge en het frustrerende is dat we dat jaar na jaar kunnen voorspellen. We zien dat aankomen. We zien de ernst daarvan in. We zien het steeds gewelddadiger worden.

Mijnheer de eerste minister, mevrouw de minister, wat hebt u, wat heeft de vivaldiregering ondernomen om te vermijden dat het dit jaar zou gebeuren? Welke instructies hebt u als minister van Binnenlandse Zaken gegeven? Hoe evalueren jullie deze nacht? Was die nacht volgens jullie onder controle?

Franky Demon:

Mijnheer de eerste minister, mevrouw de minister, het zal u maar overkomen: politie- of brandweermannen die op oudejaar voor hun inzet worden bedankt met molotovcocktails. Toch is dat op verschillende plekken weer gebeurd, onder andere in onze hoofdstad Brussel. Tijdens de oudejaarsnacht moest dat daar weer gebeuren. Onaanvaardbaar!

Twaalf- tot veertienjarigen staan onder het ouderlijk gezag, punt. Ik ben opgevoed met de gedachte dat de feestdagen gezellige familiemomenten moeten zijn, maar in onze hoofdstad uiten sommige jongeren hun goede voornemens blijkbaar liever door de straat op te trekken en andermans auto in brand te steken of door naar voorbijrijdende trams te schieten met vuurwerkkanonnen.

Als de ouders dat laten gebeuren, mogen we ook niet verbaasd zijn dat bepaalde burgemeesters de verantwoordelijkheid van die ouders gaan overnemen. Het is goed om vast te stellen dat er in Brussel een eengemaakt politiecommando was op oudejaar, want begin vorig jaar nam het Parlement een wet aan waarin de minister-president bij dit soort crisissen de aansturing voor opdrachten van bestuurlijke politie kan overnemen. Door bepaalde vivaldiregeringspartijen konden die uitvoeringsbesluiten echter niet worden omgezet. Het is duidelijk tijd dat dat wel gebeurt. Daarom hoop ik dat de komende arizonaregering ervoor zal zorgen dat we die verantwoordelijkheid kunnen nemen.

Ik heb dan ook maar twee vragen voor u beiden. Hoe kijkt u naar deze problematiek en wat kunnen we doen om (…)

Catherine Delcourt:

Monsieur le premier ministre, madame la ministre, la nuit du Nouvel An, certains individus ont choisi d'adresser leurs vœux à la population en incendiant des véhicules. Ils ont aussi choisi de souhaiter la bonne année aux services de secours et d'intervention en les canardant, notamment à l'aide de feux d'artifice. Le nombre d'interventions policières et des pompiers est tout à fait remarquable pour une nuit qui doit être une nuit de fête. Les pompiers et les ambulanciers qui ont été la cible de ces attaques ont dû, pour certains, interrompre leurs interventions, donc l'aide qu'ils devaient apporter à la population, pour se mettre à l'abri et se protéger dans l'attente du secours de la police. Bien évidemment, cette situation me préoccupe, tant à l'égard des citoyens que des services de secours – qui sont là pour nous protéger, garantir la sécurité et protéger des vies. Cela me semble tout à fait inacceptable.

Les questions que j'ai envie de vous poser sont les suivantes. Quel bilan global tirez-vous de ces faits sur le plan des interventions policières et des services de secours, et pas seulement à Bruxelles, puisque nous savons que d'autres villes ont aussi été la cible de ce genre d'attaques? Par ailleurs, quelles mesures le gouvernement prend-il pour renforcer très efficacement et significativement la protection de ceux qui nous protègent, à savoir les services de secours? Il est essentiel qu'ils puissent travailler en étant sûrs et en étant protégés. Enfin, existe-t-il un dispositif multidisciplinaire permettant aux services de secours, pompiers et ambulanciers, d'alerter en temps réel la police afin qu'elle puisse intervenir immédiatement face à de tels actes?

Alexander De Croo:

Ik zal deze vraag samen met de minister van Binnenlandse Zaken beantwoorden.

Laat me eerst en vooral mijn dank uitspreken aan de ordediensten en de hulpverleners die in zeer moeilijke omstandigheden, in onterecht moeilijke omstandigheden, hun werk gedaan hebben. Die mensen doen hun job. Zij zorgen ervoor dat wij veilig eindejaar kunnen vieren. Ze doen dat ook op een moment dat ze eigenlijk angst voor hun eigen leven moeten hebben, angst voor hun eigen gezondheid moeten hebben. Dat is iets wat we nooit mogen aanvaarden. We mogen nooit aanvaarden dat hulpverleners of ordediensten op die manier geviseerd worden. We mogen nooit aanvaarden dat zij het doelwit worden van relschoppers die elke vorm van normbesef verloren zijn.

De ordediensten hebben doortastend opgetreden. Dat is mede te danken aan de investeringen die in de voorbije jaren plaatsgevonden hebben, bijvoorbeeld de investeringen in de versterking van het parket van Brussel. Die hebben hun vruchten afgeworpen, maar het is duidelijk, wanneer men kijkt naar hoe de zaken vorige week verlopen zijn, dat dit niet voldoende is.

Ja, de identificatie van daders is aan de gang. Ja, personen zullen worden vervolgd. Repressie als deze is nodig. Op momenten als dit, als onze samenleving onder druk staat, als er geweld is ten opzichte van burgers die gewoon samen oudjaar willen vieren, moeten we de mogelijkheid hebben repressief op te treden. Dan is in mijn ogen huisarrest voor minderjarigen die verdacht worden of die recidivedaden gepleegd hebben, een maatregel die mogelijk moet zijn. Dergelijke maatregelen moeten wel zorgvuldig gebruikt worden.

Soyons clairs, la répression seule n'est pas la solution au problème auquel nous sommes confrontés. Si nous avons besoin d'agir, il faut pouvoir agir.

We hebben getoond dat repressie een rol kan spelen, maar repressie alleen zal nooit de oplossing zijn. Iedereen moet zijn rol spelen.

Mijnheer Demon, u sprak over de verantwoordelijkheid van de ouders. Ik ben het volledig eens met wat u daarover zei. Het is de verantwoordelijkheid van de ouders om ervoor te zorgen dat hun kinderen, of andere familieleden, niet zomaar geweld plegen op straat. Het is de verantwoordelijkheid van de ouders, die avond maar eigenlijk ook de avonden ervoor, om ervoor te zorgen dat die klaarblijkelijke normvervaging niet kan optreden.

Ook de lokale besturen moeten hun rol spelen. In de brede zin moeten de sociale diensten hun rol spelen. Zij moeten ervoor zorgen dat mensen begrijpen dat we een samenleving hebben waarin we respect hebben voor elkaar. We hebben geen samenleving waarin iedereen dezelfde ideeën moet hebben, maar we moeten respect hebben voor elkaar en we moeten ervoor zorgen dat oudjaar op een vredevolle en rustige manier kan worden gevierd. Er mag uitbundig gevierd worden, maar nooit met geweld.

We kunnen inderdaad nooit gewenning ten opzichte van zoiets aanvaarden. Als repressie nodig is, moet repressie beschikbaar zijn en moet die doeltreffend zijn. We moeten er als samenleving echter voor zorgen dat vooral jongeren nooit in een situatie terechtkomen waarin ze zoveel normvervaging hebben dat ze geloven dat wat zij doen, gerechtvaardigd is of iets is waarop ze fier moeten zijn. De samenleving mag zoiets nooit aanvaarden.

Annelies Verlinden:

Collega's, ik sluit me graag aan bij de woorden van dank van onze eerste minister, die u allen ongetwijfeld deelt, voor onze brandweerlieden, hulpverleners en politiemensen, die zich hebben ingezet voor essentieel werk bij de overgang van oud naar nieuw, niet alleen in onze grote steden, maar overal in het land. Uiteraard verdienen zij enkel tomeloze respect voor hun inzet. We mogen als maatschappij nooit aanvaarden dat veiligheidsdiensten en hulpverleners het slachtoffer worden van geweld of agressie en we kunnen evenmin aanvaarden dat straatmeubilair of persoonlijke bezittingen zoals op straat geparkeerde wagens door vandalen en relschoppers worden vernield.

Het geweld en de vernielingen tijdens de nieuwjaarsnacht veroordeel ik in de meest strenge bewoordingen. Ze zijn verwerpelijk en walgelijk en horen onder geen enkel beding thuis in onze samenleving. De criminele relschoppers maken bovendien door hun gedrag een hele groep jongeren die zich wel keurig gedragen, te schande.

Verschillende misdadigers en relschoppers werden de voorbije week dankzij de inzet van onze politiediensten al geïdentificeerd en moeten wat mij betreft nu snel en adequaat worden gestraft door justitie. De politie zal ook alles doen wat in haar macht ligt om nog meer criminelen te identificeren, zodat ook zij gestraft kunnen worden voor hun onaanvaardbare gedrag.

Bij een nieuw jaar horen wensen, geen rellen. Helaas is januari 2025 echter geen uitzondering geworden in de geschiedenis van rellen bij oudjaar. Om dat weerzinwekkende gedrag de wereld uit te helpen, hebben we een ketenaanpak nodig, collega's. Het is daarom goed dat tal van lokale overheden preventief maatregelen hebben genomen. Ook de lokale en federale hulp- en veiligheidsdiensten hebben de aanpak voor oudejaarsnacht grondig voorbereid met concrete actieplannen. Zo werden ook ouders van wie kinderen eerder bij onlusten betrokken waren, aangeschreven.

Waar ouders niet de verantwoordelijkheid namen om hun kinderen weg te houden van crimineel of onaanvaardbaar gedrag, zagen lokale bestuurders zich genoodzaakt om bestuurlijke maatregelen te nemen met een duidelijke signaalfunctie. Het is echter te vroeg om te beoordelen welke precieze impact die maatregelen hadden op het aantal bestuurlijke en gerechtelijke arrestaties en incidenten. We dienen uiteraard ook de finale wettigheidsbeoordeling van de maatregelen bij de Raad van State af te wachten.

Het is onze overtuiging dat we moeten blijven zoeken naar effectieve en proportionele maatregelen om dergelijke rellen te vermijden. Dat maakt voor mij een wezenlijk onderdeel uit van het programma voor veiligheid voor de volgende regering. Het onderwerp komt ook aan bod in de besprekingen van de arizonaformatie.

Alleen politietussenkomsten op het ogenblik van de feiten en de opvolging en bestraffing door justitie zijn onvoldoende om de oorzaken van het probleem aan te pakken. Daarom moeten er het hele jaar inspanningen worden geleverd. De vaststelling is immers dat politie en justitie in actie moeten komen, omdat andere mechanismen geen afdoende resultaat hebben geboekt. Nog te veel jongeren worden niet opgevoed in verantwoordelijkheid, nog te veel jongeren in bepaalde buurten worden niet bereikt met bestaande initiatieven rond jongerennetwerk, buurtwerk op preventie. Nog te veel jongeren leven in marginale omstandigheden en vinden ondanks de onderwijskansen geen aansluiting bij de maatschappij. De noodzakelijke, scherpe, strenge en snelle veroordeling van crimineel gedrag neemt niet weg dat we ons als maatschappij en als politici moeten blijven buigen over de aanpak van de oorzaken van de problematieken.

De rellen op oudejaarsnacht zijn het symptoom van een dieper maatschappelijk probleem. Ik ben er dan ook over verheugd dat, ondanks de simplistische slogans en de gemakkelijke politieke recuperatie af en toe, naast straffen ook dat aspect onder andere in de pers de afgelopen dagen aandacht heeft gekregen. Ik citeer een onderzoeksjournalist: "Hoe zijn we hier als samenleving in beland? In een maatschappij waar een vader en moeder autoriteit hebben over hun zoon of dochter heeft een burgemeester niet naar een huisarrest of avondklok te grijpen."

Comme le dit l'adage, it takes a village to raise a child . Si un certain groupe de jeunes a emprunté une mauvaise voie et semble peu réceptif voire carrément insensible à une politique proactive, nous devons avant tout les sanctionner. Mais nous devons aussi avoir le courage de regarder plus loin, car se contenter d'appliquer des sanctions plus sévères ou d'armer notre police différemment ne constitue pas une solution globale et durable.

Permettez-moi d'insister une nouvelle fois sur la responsabilité des parents. Jurgen De Landsheer, chef de corps de la zone de police de Bruxelles-Midi a expliqué que la mesure préventive prise à Cureghem était "un signal pour les parents". Le vivre ensemble, chers collègues, est une valeur dont l'apprentissage commence à la maison. C'est en effet dans nos foyers que nous transmettons les normes et les valeurs à respecter. Une société peut prendre autant de mesures qu'elle le souhaite, mais si nous ne partageons pas (…)

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de premier, mevrouw de minister, uw antwoorden maken voor mij enkele zaken duidelijk, namelijk vooreerst het failliet van de oude politieke klasse die deze explosieve situatie, waartegen niet met harde hand werd opgetreden, jarenlang heeft laten aanslepen. Uw zachte aanpak leidt tot erger. Daarnaast is er het failliet van de multiculturele samenleving, die door massa-immigratie volledig ontspoord is. Het zijn steeds weer allochtonen die lak hebben aan onze normen en wetten en steeds gewelddadiger tekeer gaan.

We moeten het bijgevolg drastisch anders aanpakken. We moeten onze politie voldoende uitrusten zodat ze met gelijke wapens kunnen optreden. We moeten de daders strenger straffen, want er zijn er nu amper zeven die een vervolging genieten. Vervolgens moeten we de allochtone relschoppers, van wie sommigen de dubbele nationaliteit hebben, hun Belgische nationaliteit afnemen en terugsturen naar hun land van herkomst.

Maaike De Vreese:

Mijnheer de premier, het beleid heeft gefaald. We moeten de volgende legislatuur kordaat optreden. Er moeten heldere richtlijnen komen van de minister van Binnenlandse Zaken maar ook een effectieve bestraffing en snelrecht door justitie. Een volledig arsenaal van preventieve maar ook repressieve maatregelen moet worden toegepast. We moeten als een blok achter onze politiediensten staan. Die moeten zich kunnen beschermen en kunnen bewapenen, ze mogen geen sitting duck zijn.

Het gaat voor mij veel verder dan enkel die ene nacht. Het gaat ook over de verloederde probleemwijken waar heel wat criminaliteit heerst. We kennen die wijken en we moeten daar lokaal maar ook federaal veel harder ingrijpen. Jongeren moeten effectief naar school gaan en gaan werken. De ouders moeten op hun ouderlijke verantwoordelijkheden gewezen worden.

Franky Demon:

Mijnheer de eerste minister, mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoorden.

Ik blijf erop hameren: wanneer het om minderjarige daders gaat, ligt een enorme verantwoordelijkheid bij de ouders. Zij moeten ervoor zorgen dat hun pubers de oudejaarsnacht in vrede vieren in plaats van hulpverleners aan te vallen en vernielingen aan te richten. Wanneer de ouders dat niet kunnen, dan moeten de burgemeesters in hun plaats komen.

Mijnheer de eerste minister, u sprak over het maken van een helder kader voor onze burgemeesters. Ik kan het wat dat betreft alleen met u eens zijn. Op dat vlak ligt er een taak voor de volgende regering.

Catherine Delcourt:

Monsieur le premier ministre, madame la ministre, je suis assez déçue par la réponse. J'entends parler d'estompement de la norme alors qu'on est face à une violation de droits évidente. Les auteurs doivent être identifiés, poursuivis, punis. On ne peut pas être laxiste par rapport à une situation comme celle-là. Et, surtout, j'aurais voulu davantage entendre parler des services de secours qui ont été victimes. Moi, je pense à eux pour le moment. Je pense aux policiers, aux pompiers, aux ambulanciers, à tous ceux qui consacrent toute leur énergie à leur vie professionnelle pour protéger les citoyens, pour nous protéger. Il y a encore beaucoup de travail à faire pour leur permettre d'agir en toute sécurité face à des actes qui sont totalement insensés.

De herhaalde aanvallen van Elon Musk tegen Europese regeringsleiders
De bescherming van België tegen inmenging door Elon Musk
De dreigende taal van Donald Trump en Elon Musk met betrekking tot de Europese democratieën
De inmenging door Elon Musk
Elon Musks invloed op Europese politiek.

Gesteld aan

Alexander De Croo (Eerste minister)

op 9 januari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de dreigende ondermijning van de Europese democratie door Elon Musk (X) en Meta, die via algoritmen, desinformatie en haatzaaiende content extreemrechts promoten en verkiezingen beïnvloeden—met name in Duitsland en het VK—terwijl Musk als toekomstig Trump-regeringslid ook politieke druk uitoefent. Premier De Croo benadrukt dat de EU (via het *Digital Services Act*) en lidstaten hard moeten optreden tegen platformen die regels schenden, maar waarschuwt tegen overreactie op provocaties; hij stelt vertrouwen in burgers, juridische handhaving en Europese samenwerking centraal, met een oproep aan de Commissie om sancties toe te passen. Critici (o.a. Lacroix, Maouane, De Smet) eisen onmiddellijke actie: suspendering van X in België, versterkte wetgeving tegen digitale inmenging, en een offensieve EU-strategie om afhankelijkheid van Amerikaanse techgiganten te doorbreken, gezien hun imperialistische en autoritaire dreiging—vergeleken met Russische desinformatie. De kern: Europa’s democratie staat op het spel door digitale oorlogsvoering, en België/EU moeten nu het DSA afdwingen, propagandakanalen blokkeren en technologische soevereiniteit claimen—of riskeren ze definitief de controle te verliezen.

Ismaël Nuino:

Monsieur le premier ministre, ces derniers jours, Elon Musk a encore fait parler de lui et, malheureusement, pas en bien. Patron de X, il a commencé par y supprimer toute modération sérieuse. Les discours de haine y prospèrent, la désinformation domine et, maintenant, il s'attaque directement à des dirigeants européens. Il insulte Olaf Scholz, le chancelier allemand; il appelle à des élections anticipées au Royaume-Uni; et, peut-être le pire, il amplifie des discours d'extrême droite sur son réseau social.

Mais il n'est pas le seul à agir ainsi. Ce mardi, Mark Zuckerberg, patron de Meta, a annoncé qu'il allait suivre cette même voie en réduisant drastiquement la modération sur Facebook et Instagram. Cela ne semble donc plus être une série de choix individuels, c'est un mouvement qui remet en cause le cadre de responsabilité des plateformes numériques.

En outre, dans moins de deux semaines, Elon Musk deviendra un membre du gouvernement de Donald Trump. Il ne s'agit donc plus seulement d'un milliardaire fou, mais d'un officiel américain utilisant sa plateforme pour s'immiscer dans les affaires démocratiques européennes.

Rappelons-le, l'Europe est le premier marché mondial pour les plateformes numériques. Et pourtant, elle semble impuissante face à ces géants. Des règlements européens existent pour l'éviter: le Digital Services Act (DSA), dont nous avons adopté la transposition il y a quelques semaines ici, doit empêcher la manipulation des algorithmes. Des sanctions existent, l'Europe doit les appliquer!

Monsieur le premier ministre, que pensez-vous du fait qu'un officiel américain tente directement d'influencer les élections en Europe? Par ailleurs, si vous deviez être attaqué personnellement, comment réagiriez-vous?

Ensuite, comment votre gouvernement agit-il pour protéger la Belgique et s'assurer que les normes européennes soient respectées ici et partout ailleurs? Le DSA permet de suspendre les plateformes ne respectant pas son règlement. La Commission européenne doit l'appliquer. Si elle ne le fait pas, comme cela semble être le cas, que comptez-vous faire? Que fera le gouvernement belge?

Monsieur le premier ministre, il ne s'agit pas seulement des folies d'un homme. Il s'agit d'attaques violentes et répétées contre nos démocraties (…)

Rajae Maouane:

Monsieur le président, monsieur le premier ministre, chers collègues, je vous présente mes meilleurs vœux.

Depuis qu’Elon Musk a repris Twitter, désormais appelé X, les ingérences étrangères dans nos démocraties se sont intensifiées. Des exemples inquiétants se multiplient: soutien manifeste à des partis d'extrême droite ou extrémistes comme l'AfD en Allemagne, campagne de déstabilisation ciblant Justin Trudeau au Canada et division active de populations comme au Groenland. Ces pratiques rappellent tristement les campagnes de déstabilisation et de désinformation de la Russie et menacent directement nos institutions et notre sécurité.

Sous la direction d'Elon Musk, X favorise les contenus clivants, des contenus racistes, des contenus haineux, climatosceptiques et incompatibles avec nos valeurs. La plateforme s'est transformée en machine politique sauvage pour imposer un agenda conservateur et un agenda de division, en piétinant lois et protections européennes. Ce n'est pas à un milliardaire américain ou à une entreprise privée de décider de l'avenir de nos démocraties.

L'Union européenne a mis en place des règles strictes, notamment via le règlement sur les services numériques (DSA), pour protéger les citoyens et lutter contre la désinformation. Pourtant, X continue de contourner ses obligations en matière de modération, de transparence et de lutte contre les fake news . L'attitude d'Elon Musk face à ces règles montre un mépris alarmant pour la législation européenne et pour nos institutions.

Garantir la liberté d'expression est fondamental, mais garantir la liberté et la sécurité d'expression l'est tout autant. Il n'y a pas de liberté quand certaines et certains risquent leur vie pour s'exprimer.

Monsieur le premier ministre, comment comptez-vous garantir que X ou toute autre plateforme similaire comme Meta respecte enfin les règles européennes en vigueur? Soutiendrez-vous une suspension temporaire de l'accès à X en Belgique tant qu'elle ne sera pas en conformité avec les lois européennes?

Quels sont vos projets pour renforcer nos lois en Belgique et éviter que les nouvelles règles des plateformes ne créent un dangereux appel d'air? Nous devons envoyer un signal clair. Nos démocraties ne sont pas à vendre et la Belgique ne tolérera pas de telles dérives.

François De Smet:

Monsieur le ministre, je n'ai aucun plaisir à le dire, parce que philosophiquement je suis plutôt atlantiste, comme pas mal de collègues ici, mais il faut pouvoir dire les choses comme elles sont.

D'Amérique, ces jours-ci, nous vient un vent hostile. MM. Trump et Musk nous envoient des signaux très clairs. Le premier nous explique vouloir annexer le Groenland, le canal de Panama, le Canada avec ou sans approbation des intéressés. Le second s'amuse à déstabiliser les démocraties européennes, à commencer par l'Allemagne ou le Royaume-Uni.

Certains diront que c'est de l'esbroufe ou que c'est de l'intimidation. Moi, je crois qu'on doit prendre ce qui est en train de se produire extrêmement au sérieux. Nous sommes peut-être à quelques jours d'une bascule dans un monde nouveau où l'un de nos plus anciens alliés se transforme de manière assumée en force impérialiste et déstabilisatrice, avec en plus une alliance encore inédite entre autoritarisme et technologies de l'information.

Face à cette tempête qui se lève, comme beaucoup, je m'inquiète. Je m'inquiète de constater le silence, l'apathie, la mollesse des Européens, en ce compris la Belgique. Je m'inquiète de voir une Union européenne où les seules voix qui s'expriment fort sont celles des alliés de M. Trump, Mme Meloni, M. Orb á n, profitant aussi de la faiblesse de la France, de l'Allemagne et d'une position à tout le moins très attentiste de la présidente de la Commission européenne.

Monsieur le premier ministre, nous n'avons pas de gouvernement – si ce n'est en affaires courantes – et ce n'est pas de votre faute, mais ce n'est pas une raison pour, dans l'intervalle, ne pas avoir une voix qui peut peser fort, puisque nous avons affaire à des gens qui ne comprennent que le rapport de force.

Quelle réponse les Européens et la Belgique entendent-ils apporter aux menaces constituées par M. Trump et M. Musk? Une concertation européenne est-elle prévue sur le sujet?

Christophe Lacroix:

Monsieur le premier ministre, ce 23 février, l'Allemagne doit élire un nouveau chancelier. L'homme le plus riche du monde, Elon Musk, futur ministre de Trump – et certainement pas de la Culture –, met tout son poids et ses algorithmes de X, ex-Twitter, dans la balance pour faire gagner l'extrême droite. L’utilisation que fait son propriétaire de ce réseau X est aujourd'hui une grave menace pour la démocratie européenne. Il ne s'agit plus d'une plateforme d'échange d'informations, mais d'un média, d'un outil à usage de propagande.

Certains parleront de liberté d'expression. Non: il s'agit d'ingérence, d'interférence dans un processus électoral, de manipulation. Aujourd'hui, Musk utilise son réseau et manipule ses algorithmes comme une arme pour faire gagner l'extrême droite partout où il le peut.

Les réseaux sociaux et leurs systèmes de messagerie sont manipulés, sont instrumentalisés. J'en veux pour preuve également la suppression du fact-checking d'un autre géant de la communication digitale, le réseau Meta et son outil Facebook.

Monsieur le premier ministre, on ne peut plus simplement dire que la démocratie est menacée. À ce stade, elle est véritablement en grand danger. Je pense qu'elle n'a jamais été aussi fragile.

Contrairement aux dirigeants des trois grands pays européens qui ont réagi aux déclarations provocatrices d'Elon Musk (le président Macron, le premier ministre Starmer et le chancelier Scholz), la bien décevante Commission européenne reste frileuse. Vous êtes resté silencieux, et votre ministre des Affaires étrangères également.

J’ai très peur pour la démocratie. Le processus électoral est un socle fondamental de cette démocratie. Je suis profondément européen, mais l'Europe, c'est la protection des citoyens, c'est la protection de la démocratie.

Monsieur le premier ministre, la Belgique s'est-elle positionnée au niveau européen pour faire part de sa grande préoccupation par rapport à la propagande de l'extrême droite, soutenue très clairement par le géant X, en pleine campagne électorale d'un État membre?

Alexander De Croo:

Monsieur le président, chers collègues, je vous remercie pour ces questions tout à fait pertinentes. La situation dans laquelle on se trouve est sans précédent. En Europe, nous sommes aujourd'hui soumis à des attaques constantes de notre souveraineté, à des attaques de certains pays tels que la Russie. Il s'agit parfois d'attaques visibles, parfois d'attaques hybrides moins visibles. Il y a notamment l'exemple des élections présidentielles en Roumanie qui ont dû être annulées pour cause d'ingérence. Je ne pense pas qu'on aurait imaginé, voici cinq ans, être dans cette situation. On fait face à des ingérences de pays mais aussi clairement de personnages, de personnages riches et très puissants au vu de leurs actifs économiques, actifs dans les communications et dans les médias. On ne peut pas tolérer cela! L'organisation libre et convenable d'élections, c'est la base de notre système politique et de notre système social. Cela doit pouvoir se faire sans aucune ingérence, de pays ou de personnes puissantes et riches.

On a beaucoup parlé d'ingérences étrangères mais, maintenant, on constate que ce type d'ingérences est devenu beaucoup plus large. On ne peut pas tolérer cela et il nous faut intervenir. Il importe maintenant de définir la manière d'intervenir par rapport à ce à quoi on est confronté aujourd'hui.

Tout d'abord, en tant que pays européen, il nous faut garder notre sang froid. Une leçon que nous avons apprise du premier mandat du président Trump, c'est qu'il ne faut pas réagir à tout. Souvent, le seul objectif est de lancer une discussion qui finalement ne mène pas à grand-chose. Il ne faut pas réagir à chaque provocation. Si on le faisait, on ne ferait que cela tous les jours. En effet, aujourd'hui, il y a des provocations quasiment tous les jours.

Deuxièmement, je pense que nous pouvons avoir confiance en notre population. La majorité de la population dans nos pays fait très bien la différence entre information et désinformation. Cela veut naturellement dire que nous devons investir dans l'éducation à ces sujets en informant nos populations mais je tiens à insister en la nécessaire confiance que nous devons avoir en notre population.

Troisièmement, cela veut aussi dire que nous devons intervenir en faisant usage des bases légales existantes. Nous devons faire respecter notre législation, comme le Digital Services Act (DSA) par exemple: je trouve que la Commission devrait entrer en action et utiliser les éléments qui sont à sa disposition dans le Digital Services Act.

Soyons clairs: la liberté d'expression m'est très chère mais elle ne peut jamais servir de prétexte à des mensonges ou manipulations. Ceux qui, aujourd'hui, crient le plus qu'il est nécessaire de préserver la liberté d'expression sont ceux qui la maltraitent et la manipulent. Face à cela, nous devons veiller à la préserver. Or, si l'on constate qu'il y a trop de concentration de pouvoirs et que ceux qui détiennent ces pouvoirs en abusent, c'est dangereux et nous devons intervenir, la Commission doit intervenir: je plaiderai auprès de la Commission pour qu'elle utilise le DSA et intervienne en cas d'abus manifeste de concentration de pouvoirs et de communications, comme c'est le cas maintenant.

Ismaël Nuino:

Monsieur le premier ministre, je vous remercie de vos réponses.

Je suis ravi d'entendre que vous allez plaider auprès de la Commission européenne pour qu'elle agisse et j'espère qu'elle agira vite. C'est en effet nécessaire, vu le timing des élections allemandes mais aussi de manière générale: plus cela avance, plus cela s'aggrave.

J'ai entendu que nous ne devions pas réagir à chaque provocation. Je suis évidemment d'accord, mais je pense que ce à quoi nous assistons en ce moment ne sont pas des provocations; ce sont des attaques répétées contre notre démocratie. Nous devons bien distinguer entre les provocations de Donald Trump et les attaques que nous subissons aujourd'hui de la part d'Elon Musk.

Vous avez également parlé de la liberté d'expression. Elle est extrêmement importante. Toutefois, comme vous l'avez dit, si elle est sans limites, elle devient tyrannique. Une liberté d'expression où seule est entendue la voix du plus fort n'en est plus une. Aujourd'hui, monsieur le premier ministre, ce n'est pas à vous que je dois l'expliquer, mais j'ai peut-être envie de l'indiquer pour que cette Chambre l'entende, ainsi que tous ceux qui voudront l'entendre: le numérique est politique! Nous allons devoir nous en saisir sérieusement avant qu'il ne nous échappe. Merci, monsieur le premier ministre.

Rajae Maouane:

Monsieur le premier ministre, je vous remercie de votre réponse.

La protection de notre démocratie ainsi que des citoyennes et des citoyens exige une réponse ferme et coordonnée. Nous comptons sur votre engagement et celui de la Belgique pour défendre nos valeurs face à ces dérives et attaques qui ne sont pas seulement des provocations, mais qui constituent également des menaces numériques aux conséquences bien réelles.

Liberté d'expression, comme vous l'avez dit, oui! Mais sécurité d'expression, oui également! Prendre la parole s'accompagne d'une prise de risque. Or, non, de nos jours, notre justice ne la protège pas suffisamment. Au demeurant, nous ne disposons toujours pas d'une procédure judiciaire efficace pour réprimer les propos violents tenus en ligne.

Enfin, je note votre conseil de ne pas réagir à chaque provocation. Cela me semble un bon conseil que nous devons appliquer face aux propos de certains présidents de parti.

François De Smet:

Monsieur le premier ministre, je vous remercie pour votre réponse. En effet, appliquons le droit belge et le droit européen.

Résumons la faiblesse européenne: nous n'avons pas d'autonomie énergétique, nous n'avons pas de défense commune, nous n'avons pas de Google européen, pas de X, pas de Facebook, ni de TikTok européen.

Il est temps de se réveiller et de concevoir que nous avons deux chemins possibles: soit nous comprenons enfin que nous sommes entourés de menaces impérialistes qui prospèrent sur notre faiblesse, soit nous restons des herbivores, comme le dirait M. Macron.

En optant pour le premier chemin, nous devons commencer à nous dire qu'il faut réagir, nous réveiller, aller dans une direction plus offensive et nous orienter à la fois sur l'industrie, sur l'énergie, sur la défense et sur la défense numérique. Je crois que c'est la leçon du jour.

Christophe Lacroix:

Monsieur le premier ministre, je vous remercie pour votre réponse. Imaginez, monsieur le premier ministre, la campagne électorale ici en Belgique. Une conférence est organisée sur le réseau X et diffusée à tous ses abonnés. Le leader du Vlaams Belang, Tom Van Grieken, y est l'invité principal avec d'autres dirigeants d'extrême droite. Donald Trump et son ministre de la Vérité, Musk, le soutiennent ouvertement. Imaginez-vous cela ici, monsieur le premier ministre? Ce n'est pas une fiction, ça se passe en Allemagne! En ce qui me concerne, je ne peux pas l'imaginer, c'est certain. Nous ne pouvons pas rester sans agir contre la résurgence de ces propagandes fascisantes. Nous devons lutter contre la désinformation, la manipulation des masses par l'extrême droite. Nous devons réagir fermement, défendre pied à pied nos valeurs, nos principes et notre démocratie. D'ailleurs, comme d'autres, je joindrai le geste à la parole et, en toute cohérence, je quitterai X dès ce soir.

Gezonde voeding in de gevangenissen

Gesteld door

lijst: VB Marijke Dillen

Gesteld aan

Paul Van Tigchelt (Minister van Justitie en Noordzee)

op 8 januari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de ontoereikende en ongezonde voeding in gevangenissen, met name het niet-naleven van medisch voorgeschreven diëten (zoals zoutarm voor een gedetineerde met hartproblemen) ondanks een gegronde klacht. Minister Van Tigchelt bevestigt dat de verantwoordelijkheid bij de gevangenisarts en directie ligt om dieetvoorschriften door te geven, maar erkent dat het krappe budget (3,94 euro/dag) gezonde voeding bemoeilijkt—ondanks een algemene begrotingsverhoging van 4 miljoen euro (waarvan het aandeel voor voeding onduidelijk blijft). Dillen benadrukt dat deze verhoging ontoereikend is door overbevolking en dat prioriteit voor gezondheid ontbreekt, terwijl de minister geen concreet bedrag voor voedingsverbetering kan noemen.

Marijke Dillen:

Mijnheer de minister, het is algemeen bekend dat de voedselkosten in de gevangenissen per gedetineerde tot een absoluut minimum beperkt zijn. Volgens de woordvoerder van het gevangeniswezen krijgen de gevangenissen – u zult me verbeteren indien ik het fout voorheb – in de praktijk 3,94 euro per dag per gedetineerde om drie maaltijden te serveren. Aan gezonde voeding kan bijgevolg geen geld worden besteed, terwijl er in de gevangenissen gedetineerden met ernstige gezondheidsproblemen zitten. Dat brengt natuurlijk risico's met zich.

Nu heeft de klachtencommissie van de gevangenis van Brugge de klacht van een gedetineerde met hartproblemen naar aanleiding van het feit dat hij, ondanks dat hij daartoe door de behandelende geneesheer verplicht was, geen zoutarm dieet kreeg, gegrond verklaard. Na de klacht zou de gevangenis van Brugge hebben beloofd om aan de betrokken gedetineerde gezonde voeding te geven. Echter, tot op heden zou dat, althans volgens de berichtgeving waarover ik beschik, nog steeds niet zijn gebeurd.

Volgens de raadsman van de gedetineerde hebben de dokters verschillende keren bevestigd dat het levensnoodzakelijk is om gezonde voeding te krijgen. De verantwoordelijkheid wordt heen en weer geschoven tussen de medische diensten, de directie en de keuken. Allemaal gaven ze te kennen dat voeding blijkbaar niet hun bevoegdheid is.

Ten eerste, hebt u kennis van het dossier? Kunt u daarover meer toelichting geven? Waarom werd geen gevolg gegeven aan de beslissing van de klachtencommissie van de gevangenis van Brugge?

Ten tweede, wie is bevoegd wanneer een bepaald voedingsregime op medisch voorschrift wordt opgelegd? Kunt u daarover meer duidelijkheid geven?

Ten derde, welke initiatieven zijn de voorbije legislatuur genomen voor meer gezonde voeding in alle gevangenissen in het algemeen?

Paul Van Tigchelt:

Collega Dillen, ik hoef u niet te herhalen dat ik niet mag ingaan op individuele dossiers. Wel kan ik u het volgende meedelen. Ik heb kennisgenomen van het betreffende dossier naar aanleiding van uw vraag. Volgens de informatie die het gevangeniswezen me heeft verschaft, krijgt de betrokkene ondertussen een aangepast dieet.

Als de gevangenisarts om medische redenen een specifiek dieet voorschrijft, wordt dat dieet doorgestuurd naar de gevangenisdirectie. De directie informeert vervolgens de keuken of de dienst die verantwoordelijk is voor de bereiding van de maaltijden over de beperkingen die gelden voor de gedetineerde, met inachtneming van het medisch beroepsgeheim.

U vraagt me ook welke initiatieven er deze legislatuur zijn genomen om te zorgen voor meer gezonde voeding, wat volgens mij inderdaad een basisrecht is. Ik kan daarvoor verwijzen naar recente antwoorden op gelijkaardige vragen van collega Matheï en collega Yzermans, respectievelijk in de commissievergaderingen van 27 november en 17 december.

Elke gedetineerde heeft recht op gezonde maaltijden. Dat is het basisprincipe. Binnen de grenzen van het mogelijke stellen keukens in de gevangenissen alles in het werk om gezonde en voldoende gedifferentieerde maaltijden aan te bieden. Daarbij houden zij rekening met de overtuiging van gedetineerden en met medische voorschriften.

Principes zijn mooi, maar koken kost geld, zowel figuurlijk als letterlijk. Dat geld kan enkel worden verzekerd als daarvoor ook de nodige budgetten worden uitgetrokken. Daarom werd in de aanpassing van de begroting voor 2024, die goedgekeurd werd op 28 november, het budget van de gevangenissen met een kleine 4 miljoen euro verhoogd. Er kon immers worden aangetoond dat sinds de opmaak van de begroting voor 2024 het aantal gedetineerden was toegenomen – dat is ons genoegzaam bekend –, wat ook de kosten van onder andere voeding doet toenemen. Het beschikbare geld voor het koken werd dus verhoogd.

Marijke Dillen:

Mijnheer de minister, ik weet ondertussen dat u niet ingaat op individuele dossiers. Dat is ook nogal evident. Hier gaat het echter om een klacht van een gedetineerde die de klachtencommissie gegrond had verklaard en waaraan tot mijn spijt aanvankelijk geen gevolg werd gegeven.

Ik zal de antwoorden op de vragen van de collega’s nakijken. Mijn excuses dat me blijkbaar iets is ontgaan, hoewel ik hier meestal aanwezig ben.

Koken kost inderdaad geld, mijnheer de minister. Maar als de verantwoordelijken dat doen voor 3,94 euro voor drie maaltijden per dag per gedetineerde – u hebt me niet verbeterd –, zou ik wel bij hen in de leer willen gaan om te kijken hoe zij drie maaltijden per dag voor dat bedrag bereiden. Ik denk dat ik zelfs geen ontbijt voor mijn drie kinderen en mezelf voor viermaal die prijs kan klaarmaken.

U zegt dat het budget in december 2024 verhoogd is met 4 miljoen euro, maar ik begrijp toch goed dat het hier om een verhoging voor het gehele gevangeniswezen ging, niet enkel voor gezonde voeding? Door de overbevolking stijgen de kosten van het gevangeniswezen nu eenmaal aanzienlijk. U zult het waarschijnlijk wel met mij eens zijn dat 4 miljoen euro in het licht van de overbevolking peanuts is op het totale bedrag. De extra kredieten dienen niet alleen voor gezonde voeding, maar ook voor andere aspecten. Hebt u dus enig idee welk deel of deeltje van de extra middelen naar de verbetering van de voeding gaat?

Paul Van Tigchelt:

Ik heb geen idee; ik weet evenmin of daarvan cijfers bestaan. Ik zie straks de directrice-generaal van het gevangeniswezen en kan haar dan de vraag stellen.

De rellen op oudjaar
Nieuwjaar
De rellen op oudejaar
Oudjaarsrellen en nieuwjaarsvieringen

Gesteld aan

Paul Van Tigchelt (Minister van Justitie en Noordzee)

op 8 januari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De jaarlijkse oudjaarsrellen in Brussel en Antwerpen, met zware vernielingen, brandstichtingen en aanvallen op hulpdiensten, leidden tot 140 bestuurlijke en 7 gerechtelijke aanhoudingen (waaronder 4 in Brussel en 3 in Antwerpen), maar geen snelrechtvonnissen door juridische voorwaarden (o.a. bekentenis vereist). Minister Van Tigchelt benadrukte lopende identificaties en vervolgingen, maar slachtoffers zoals autoverbrandingslachtoffer *Sidonie* kunnen enkel schade verhalen via burgerlijke partijstelling of de Slachtoffercommissie (beperkt tot fysiek geweld). Kritiek punt: snelrecht faalt door praktische belemmeringen, terwijl parlementsleden eisen dat de overheid harder optreedt en wetgeving aanpast om slachtoffers beter te compenseren en daders zwaarder te straffen.

Alexander Van Hoecke:

Mijnheer de minister, de start van een nieuw jaar zou voor iedereen een leuk en feestelijk gebeuren moeten zijn. Ooit was het dat min of meer, maar dat is dit jaar, net zoals we dat de afgelopen jaren gewoon zijn geworden, alvast niet het geval geweest, vooral niet voor de onschuldige slachtoffers van de opnieuw schandalige taferelen die zich hebben afgespeeld in de overgang van oud naar nieuw. Talrijke beschadigingen, vernielingen, brandstichtingen, het inzetten van vuurwerk als aanvalswapen: wie de beelden zonder context bekijkt, zou zich zonder enige overdrijving in een burgeroorlog wanen.

Ronduit verschrikkelijk was het voor de eigenaars van de meer dan zestig wagens die in brand werden gestoken. Een van de slachtoffers was Sidonie. Haar emotionele getuigenis geeft op een pijnlijke manier een gezicht aan het leed dat deze rellen – wat ik eigenlijk een nog te zacht woord vind – veroorzaken. Het wordt hoog tijd dat er adequaat en bikkelhard wordt opgetreden tegen de daders.

Hoeveel personen worden verdacht van deze feiten? Hoeveel daders zijn al geïdentificeerd? Hoeveel werden er gerechtelijk aanhouden? Hoeveel van hen zijn recidivisten?

Zullen deze geïdentificeerde daders via snelrecht ter verantwoording worden geroepen?

Uw voorganger en uzelf hadden het in de vorige regeerperiode voortdurend over “een straffe justitie”. Hoe zal dat worden toegepast op deze rellen?

Bent u van oordeel dat de overheid moet tonen dat ze aan de kant van de slachtoffers staat, bijvoorbeeld door hen financieel te ondersteunen? Zo ja, hoe ziet u dat?

Kristien Van Vaerenbergh:

Ook ik heb een vraag ingediend over de rellen met oudjaar. Het was verwacht en het is ook weer gebeurd: dramatische omstandigheden in Brussel met heel veel gevolgen, ook financieel. Men gaat er al weleens wat lichter over, maar een auto die in brand wordt gestoken veroorzaakt enorm veel schade voor de betrokkenen. Dat zijn hoegenaamd geen kleine misdrijven.

Ik wil dan ook peilen naar het aantal administratieve en gerechtelijke aanhoudingen en naar het profiel van de daders. Zijn het minderjarigen? Welke achtergrond of nationaliteit hebben ze? Waren ze al bekend bij het gerecht?

Wat gebeurt er nu verder met deze daders? Ondertussen is er een nieuwe wetgeving van kracht, met snelrecht. Zijn deze daders intussen al via het snelrecht voor de rechter verschenen? Dat had al gekund met de nieuwe regelgeving.

Paul Van Tigchelt:

Collega's, de zware ongeregeldheden in de nacht van oud naar nieuw, voornamelijk in Brussel, zijn onaanvaardbaar. Dat politie- en hulpdiensten doelbewust worden geviseerd, onder meer met vuurwerkbazooka's, tart elke verbeelding.

De bestuurlijke maar ook de gerechtelijke autoriteiten in onze steden zijn helaas vertrouwd met die problematiek en hadden maatregelen genomen. Ik verwijs naar het huisarrest in Antwerpen en de avondklok in Anderlecht, de meest zichtbare voorzorgsmaatregelen die werden genomen.

Justitie heeft de voorbije jaren geïnvesteerd in een snelle justitie om dit soort crapuleuze feiten accuraat te kunnen aanpakken. Ik denk daarbij aan de investering in en de veralgemening van de snelrechtkamers, de herinvoering van het snelrecht met aanhouding waarnaar collega Van Vaerenbergh verwees, de versterking van het parket van Brussel en de verstrengde richtlijnen inzake de vervolging van daders van geweld tegen de politie.

U vraagt naar cijfers over het aantal personen dat administratief en gerechtelijk werd aangehouden. Administratief is niet mijn boetiek, maar ik heb die cijfers opgevraagd. Wat de gerechtelijke arrestaties betreft, dat hebben we met de betreffende parketten opgevolgd.

Voor Brussel, waar de hoofdmoot van de problemen zich voordeed, waren er 140 bestuurlijke aanhoudingen. De politiediensten hebben zich vooral gefocust op de openbare ordehandhaving en hebben heel wat incidenten kunnen vermijden.

Wat de gerechtelijke afhandeling betreft, vier personen werden rechtstreeks gelinkt aan de ongeregeldheden. Zij werden ter beschikking gesteld van het parket voor feiten die verband houden met de onlusten en de rellen. Het gaat om twee meerderjarige verdachten, die uit hoofde van opzettelijke brandstichting van roerende goederen bij nacht werden voorgeleid voor de onderzoeksrechter. Het gaat om één minderjarige verdachte, die drager was van een molotovcocktail en die werd voorgeleid voor de jeugdrechter, en om één minderjarige verdachte, die werd gearresteerd voor het bezit van vuurwerk en die nader wordt opgevolgd door een jeugdrechter. Dat is wat Brussel betreft.

In Antwerpen waren er 39 bestuurlijke aanhoudingen en werden drie personen ter beschikking gesteld van het parket in verband met rellen en wanordelijkheden – om een eufemistisch woord te gebruiken – tijdens de nacht van oudejaar op Nieuwjaar. Bij die drie personen gaat het om twee minderjarigen, die wegens opzettelijke vernielingen en het afschieten van vuurwerk werden voorgeleid voor de jeugdrechter, en om één meerderjarige, die voor de onderzoeksrechter werd voorgeleid en werd aangehouden voor het afschieten van vuurwerk naar de politie.

In Gent waren er 25 bestuurlijke maar geen gerechtelijke arrestaties. In Luik, Charleroi en Bergen waren er volgens onze informatie geen rellen of onlusten.

Los van de context van de rellen en de ongeregeldheden merk ik op dat tijdens de nacht van oudejaar op Nieuwjaar nog tientallen andere personen gerechtelijk werden gearresteerd, zij het in verband met misdrijven die niet rechtstreeks verband hielden met de oudejaarsnachtproblemen.

Nog verschillende onderzoeken zijn lopende ter identificatie van daders en tegen geïdentificeerde verdachten van brandstichting of van geweld tegen politieambtenaren of tegen brandweer- of ambulancepersoneel. Zij zullen uiteraard gerechtelijk worden vervolgd conform de instructies ter zake. Eerst moeten ze echter worden geïdentificeerd. Dat zal de komende dagen en weken zeker nog gebeuren.

Via burgerlijkepartijstelling – dit is wat de heer Van Hoecke specifiek vraagt – kunnen de slachtoffers de schade verhalen op de daders. Er bestaat zoiets als de slachtoffercommissie, waar slachtoffers van opzettelijke gewelddaden vergoeding kunnen krijgen. De huidige wetgeving bepaalt echter dat die schadevergoeding enkel kan voor daden van fysiek geweld en niet ter genoegdoening van zakelijke schade. Indien we dat willen veranderen, moet de wet worden gewijzigd. Het klopt echter dat, mocht een dader worden geïdentificeerd, Sidonie, naar wie u verwijst, de schade op de zitting kan verhalen via burgerlijkepartijstelling.

Alexander Van Hoecke:

Dank u voor uw antwoord en bedankt ook om de cijfers te geven. Dat is belangrijk. Het gaat niet om een vandalismedossier als een ander, het gaat om een jaarlijks terugkerend fenomeen dat zich tegen elke vorm van autoriteit richt. Het betreft toch een rechtstreekse aanval op onze samenleving.

We voorspellen het elk jaar, het gebeurt elk jaar. Het verloopt altijd zoals voorspeld en meestal erger. De gevolgen worden alsmaar dramatischer. Het geval van Sidonie, dat ik daarnet aanhaalde, is daar een zeer schrijnend voorbeeld van. We merken dat de meer dan 60 mensen van wie de wagen is uitgebrand in zak en as zitten en dat zij ten volle beseffen dat ze waarschijnlijk wanneer ze volgend jaar Nieuwjaar vieren, nog steeds met miserie zullen zitten en nog steeds dingen in orde zullen moeten brengen. Misschien moeten we voor die slachtoffers nagaan of we een wetswijziging kunnen doorvoeren.

Het is belangrijk dat u vanuit Justitie de taak ter harte neemt, ook voor de nog lopende identificatie, om erop toe te zien dat die rellen tijdens oudejaarsnacht worden opgevolgd en als één dossier worden beschouwd. Het is belangrijk dat hier het zwaarst mogelijke gevolg aan wordt gegeven, zodat geen enkele van die daders aan zijn verantwoordelijkheid kan ontsnappen.

Kristien Van Vaerenbergh:

Op mijn beurt wens ik u ook te bedanken voor uw antwoord. Uiteraard zijn die rellen onaanvaardbaar. Het gebrek aan respect voor politie en hulpverleners is eveneens onaanvaardbaar. Justitie moet daar hard en snel tegen optreden.

Uit de cijfers die u geeft, valt op dat er redelijk wat bestuurlijke aanhoudingen, maar heel weinig gerechtelijke aanhoudingen zijn uitgevoerd. U hebt niet geantwoord op de vraag naar het aantal gearresteerden dat via de nieuwe snelrechtprocedure is verschenen. Weinigen zijn gerechtelijk aangehouden, dus er zullen er geen zijn verschenen via de snelrechtprocedure, klopt dat? Ik ga ervan uit dat diegenen die gearresteerd werden intussen zijn vrijgelaten. Of niet?

Paul Van Tigchelt:

Van de persoon in Antwerpen weet ik dat hij is aangehouden. Van de personen in Brussel weet ik niet of ze zijn aangehouden of vrijgelaten. Ik weet wel dat ze zijn voorgeleid bij de onderzoeksrechter en dat daar een onderzoek loopt.

Kristien Van Vaerenbergh:

Ik neem er dus nota van dat er wat deze rellen betreft nog niemand via snelrecht werd berecht. Dat is bijzonder jammer, want die snelrechtprocedure moest er juist voor zorgen dat daders bij dergelijke rellen snel en hard zouden worden gestraft. Het is dus jammer dat de nieuwe procedure volgens deze cijfers haar doel heeft gemist.

Paul Van Tigchelt:

Zo eenvoudig is dat niet. U weet ook dat er voor dat snelrecht met aanhouding ingevolge het arrest van het Grondwettelijk Hof aan bepaalde voorwaarden moet worden voldaan. Zo moet de verdachte onder andere het feit bekennen. Doet hij dat niet, is de procedure ongrondwettelijk. Een-op-een zeggen dat de wetgeving haar doel heeft gemist, is dus een gevaarlijke bewoording.

Kristien Van Vaerenbergh:

Ik weet het niet, maar ik heb ook nog een vraag waarin ik peil naar de andere cijfers. Die vraag volgt hierna.

De feiten aan de gevangenis van Haren
De toenemende onveiligheid in de gevangenis van Haren
Veiligheidsproblemen in de gevangenis van Haren

Gesteld aan

Paul Van Tigchelt (Minister van Justitie en Noordzee)

op 8 januari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Na twee recente aanslagen op cipiers (brandstichting auto’s in Haren en Leuven) bevestigt minister Van Tigchelt een toename van dreigingen door zware criminelen (o.a. 5.000 drugscriminelen in gevangenissen na Sky ECC-operaties), met isolatiemaatregelen en proefprojecten (gsm-jamming) als tegenactie. Infrastructuurversterking (bv. beveiligde parkings) en uniforme dreigingsprocedures (met politie/crisiscentrum) worden uitgewerkt, terwijl psychologische bijstand voor slachtoffers en overleg met vakbonden beloofd is. De Smet dringt aan op betere uitrusting (kogelvrije vesten) en een statutaire upgrade voor interventieteams, maar Van Tigchelt benadrukt gestructureerde escalatiemodellen (dialogueerst, fysiek ingrijpen pas in laatste fase) binnen bestaande wetgeving (2005/2009). Yzermans waarschuwt voor systemische druk op personeel door externe criminele invloeden en pleit voor continue monitoring van deze normverschuiving.

Alain Yzermans:

Mijnheer de minister, 2025 is nog maar een week oud en toch waren er al twee kwalijke incidenten gericht tegen het personeel dat instaat voor de veiligheid in de gevangenissen. Zo werd op 2 januari aan de moderne gevangenis van Haren een molotovcocktail gegooid naar de auto van een cipier. Die wagen is volledig uitgebrand en ook nabij geparkeerde voertuigen liepen brandschade op. Het is een opmerkelijke evolutie die we de jongste tijd waarnemen, dat het geweld of het indirect geweld tegenover gevangenispersoneel alsmaar driester wordt.

Mijnheer de minister, welk plan van aanpak hebt u om de veiligheid van het gevangenispersoneel te waarborgen na de recente aanslag in Haren? Er is een opmerkelijke vergelijking te maken met de gebeurtenissen van nog geen twee maanden geleden in Leuven-Centraal, waarbij een cipier uit Limburg hetzelfde aan de hand kreeg.

Bestaan er hierover cijfers? Is er een significante toename van dat soort geweld ten aanzien van gevangenispersoneel op te merken?

Het wordt stilaan een vicieuze cirkel, want het personeel werkt nu volgens het regime van minimale dienstverlening, wat de werking van de gevangenis opnieuw onder druk zet. Die opmerkelijke evolutie moeten we toch goed opvolgen.

Mijnheer de minister, hoever staat het met de lopende onderzoeken naar de feiten in Haren en in Leuven-Centraal en wat met de gevolgen voor het personeel? Ik neem aan dat er daaruit maatregelen zullen voortvloeien.

François De Smet:

Monsieur le ministre, la semaine dernière, un véhicule appartenant à un agent pénitentiaire a été incendié sur le parking visiteurs de la prison de Haren. Cet acte criminel vient conforter l'idée que cet établissement pénitentiaire est sous une menace grandissante, tant extérieure qu'intérieure. Cela fait craindre pour la sécurité générale du bâtiment mais aussi et surtout pour l'intégrité physique des agents pénitentiaires et du personnel en général.

Le 6 novembre dernier, je vous avais déjà interrogé suite à une tentative de largage au sein de la prison. Sans minimiser l'incident, j'étais resté assez peu convaincu étant donné la carence d'éléments en termes d'équipement et de personnel pour faire face à ce genre de menaces.

Monsieur le ministre, je reste inquiet, et je le suis de plus en plus. Je pense à la sécurité des détenus, mais aussi à celle du personnel. Celui-ci demande clairement à être mieux outillé, notamment avec des gilets pare-balles ou des bâtons télescopiques, pour faire face à des situations sécuritaires tendues et imprévisibles. Les faits de violence se multiplient et appellent une réponse circonstanciée. Cet acte commis à l'extérieur de l'enceinte fait vraiment craindre pour la sécurité intérieure de la prison aussi.

Monsieur le ministre, une concertation est-elle prévue prochainement avec les acteurs concernés afin de faire le point sur la situation préoccupante de la prison? Entendez-vous doter les équipes d'intervention du statut qu'elles réclament depuis déjà longtemps?

Paul Van Tigchelt:

Collega Yzermans, de tendens die u beschrijft, is helaas juist. Alle lof voor onze politie en Justitie, er wordt door onze politie en Justitie opzienbarend werk verricht in de strijd tegen de zware en georganiseerde misdaad, onder meer in de dossiers met betrekking tot Sky ECC. Daardoor zitten ondertussen meer dan 5.000 drugscriminelen in onze gevangenissen. Dat verklaart voor een deel de overbevolking waarmee we vandaag te kampen hebben. Onder die 5.000 zitten zware jongens, die voor niets terugdeinzen.

Het is correct dat twee personeelsleden van het gevangeniswezen de voorbije maanden op een ernstige manier bedreigd werden. Die personeelsleden worden uiteraard bijgestaan door de gevangenisdirectie en het gevangeniswezen en zij hebben recht op psychologische bijstand. De concrete dreigingen ten aanzien van personeelsleden van Justitie zijn helaas niet vreemd aan het opzienbarende werk van politie en Justitie. Het gaat trouwens niet alleen om gevangenispersoneel, maar ook om magistraten. Dat zal u niet ontgaan zijn, gelet op de ophef erover in de pers.

We hebben een wetgevend kader gecreëerd opdat het gevangeniswezen de grote bonzen, de bigshots, zoveel mogelijk kan isoleren en controleren om te vermijden dat zij hun criminele activiteiten vanuit de gevangenis voortzetten. Voorts zijn we dit jaar gestart met een proefproject rond jamming , waarbij we het gebruik van gsm’s verhinderen in plaats van dat we naar gsm’s in de gevangenis op zoek gaan. Het betreft een behoorlijk complexe technologie. De administratie onderzoekt in samenwerking met de betrokken actoren tevens welke preventieve maatregelen er nog kunnen worden genomen om het personeel in het algemeen beter te beschermen tegen dergelijke externe dreigingen. Daarnaast wordt er samengewerkt met het crisiscentrum, de politie en andere betrokken actoren voor de uittekening van een uniforme procedure in geval van een concrete dreiging. Die procedure zal mettertijd ook overlegd worden met de syndicale organisaties.

Specifiek wordt er naar aanleiding van het incident in Haren onderzocht op welke manier de personeelsparking van de gevangenis van Haren beter kan worden beveiligd.

Het gerechtelijk onderzoek is lopende. Het zal u niet verbazen wanneer ik zeg dat ik daarover momenteel geen bijkomende informatie kan verschaffen. Het parket zal te gelegener tijd desgevallend bijkomende informatie geven.

Cher collègue De Smet, s'agissant de votre question sur les équipes d'intervention, je tiens à préciser qu'il faut distinguer les menaces et incidents provenant de l'extérieur et ceux qui se produisent à l'intérieur de la prison. Dans le premier cas, ce sont les services externes tels que la police et le Centre de crise qui interviennent. S'il s'agit d'un incident survenu dans la prison même, il est généralement géré par son personnel, qui est formé en cinq étapes en vue d'appliquer un certain modèle. Sans entrer dans le détail, je rappelle que la base de ce modèle est le dialogue et la communication. Ce n'est que dans le cas d'une escalade conflictuelle, d'une agression psychique ou de menaces proférées que l'intervention physique du personnel entre en jeu. Il est donc formé à cet effet. Les procédures sont clairement définies. Ce n'est que lors de la cinquième et dernière phase que l'équipe d'intervention entre en action. Ses membres ont reçu une formation très précise à cette fin. C'est indispensable, étant donné que sont incarcérés des criminels d'une certaine carrure. Par conséquent, le personnel doit être protégé.

Concernant le cadre légal et réglementaire, je me réfère aux lignes directrices sur les fouilles, les mesures coercitives, les conflits et les agressions, en particulier la circulaire ministérielle du 19 novembre 2009 sur les mesures coercitives et le matériel d'intervention. Ces mesures s'inscrivent dans le cadre plus large et obligatoire de la loi du 12 janvier 2005 sur l'administration des établissements pénitentiaires et le statut juridique des détenus. En outre, je me réfère également aux principes du droit pénal sur la légitime défense et la proportionnalité.

Alain Yzermans:

Mijnheer de minister, ik noteer dat u kort op de bal speelt en de problematiek, die alsmaar ernstiger wordt, met de nodige kennis van zaken benadert. Geweld op penitentiair beambten mogen we nooit toelaten; dat principe moeten we hooghouden.

U neemt maatregelen in verband met de infrastructuur en u gaat in overleg met de betrokkenen. Slachtofferhulp blijft belangrijk: de betrokkenen moeten goed begeleid worden.

Het wordt alleszins duidelijker dat we naar een nieuw systeem in de gevangenissen evolueren. Dat moet goed gemonitord en geanalyseerd worden, continu en geval per geval. De criminele netwerken kunnen op de een of andere manier alsmaar vaker de werking binnen de gevangenissen beïnvloeden, onder andere door ook buiten de muren te ageren tegen personeel. Ik ken zo een aantal verhalen. Ik ben van mening dat we het fenomeen goed moeten opvolgen, want de verschuiving van de normen zal een weerslag hebben op de personeelsleden en de druk waaraan zij zijn blootgesteld verhogen.

François De Smet:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour le caractère complet de votre réponse.

De recente feiten in de gevangenis van Lantin

Gesteld aan

Paul Van Tigchelt (Minister van Justitie en Noordzee)

op 8 januari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Van Tigchelt ontkent de wantoestanden in gevangenis Lantin die youtuber ISAE aankaartte: zijn beschuldigingen over corruptie en criminaliteit blijken niet op feiten gebaseerd, al erkent hij dat uitzonderlijke gevallen wel straf- en tuchtrechtelijk worden aangepakt. Preventieve maatregelen (deontologische opleidingen, veiligheidsscreenings bij aanwerving sinds 1/9/2024) moeten corruptierisico’s indammen, terwijl minderjarigen steeds vaker bewust worden ingezet door criminelen (zoals bij de brandstichting cipierauto in Leuven). De basiswet (2005) dekt al sociale media, maar officiële mediacontacten met gedetineerden vereisen toestemming—smartphones blijven verboden, hoewel handhaving moeilijk is.

Alain Yzermans:

Mijnheer de minister, na een live chat van een bekende youtuber werd de knuppel in het hoenderhok gegooid. Er werd weer een minder fraai beeld gegeven van de wantoestanden in de gevangenis van Lantin.

Er zijn ter zake drie elementen. Het eerste element is het element dat wordt aangeklaagd, met name de mogelijke verstrengeling van criminaliteit, die een hoge vlucht neemt in de gevangenis. Ik heb het vooral over de inhoud en niet over wat de betrokkene brengt. Het tweede punt is gelijkaardig aan de vorige vraag. Het gaat namelijk over de humane omstandigheden in de gevangenissen zelf. Lantin blijft ter zake bij uitstek een plaats waar de norm van het comfort altijd kan verbeteren. Het derde element zijn de feiten zelf. Uiteraard kan het niet wat er in Lantin gebeurt. Live chats mogen niet. Een gedetineerde mag geen smartphone hebben, maar toch gebeurt dat.

Daarover kunnen in algemene zin een aantal vragen worden gesteld. Ik heb ze ook meegegeven.

Is er een plan van aanpak? Is er een soort integriteitsoefening ten aanzien van het personeel? Er worden immers een aantal zwaardere criminele feiten aangeklaagd. Klopt dat werkelijk? Op welke manier worden de mensen daar beveiligd?

Hoever staat het met de lopende tuchtprocedure? De procedure staat wellicht nog in de kinderschoenen. De feiten zijn immers pas gebeurd.

Een andere vraag, die ook wordt opgeworpen in de media, is of de Belgische basiswet niet aan actualisatie toe is. Hoe kan die actualisatie gebeuren? In principe zijn dergelijke voorwerpen immers verboden. Kunnen de gevolgen ook worden verboden? Dat is immers niet meteen het geval. Het tuchtreglement moet dan worden toegepast.

Hoe kunnen wij via wetgeving een en ander vermijden? Misschien is het gebeurde een aanzet om in de toekomst dergelijke live chats te vermijden.

Er zijn dus enerzijds inhoudelijke vragen over Lantin en anderzijds over het feit zelf, dat niet mocht gebeuren. Het doel heiligt de middelen, maar hier had het middel niet mogen plaatsvinden.

Paul Van Tigchelt:

Collega, als u me toestaat, geef ik een antwoord op deze vraag dat ook specifiek aansluit bij uw vorige vraag. Het parket heeft erover gecommuniceerd, dus ik mag het ondertussen bevestigen. In de zaak van de bedreiging van een cipier in Leuven-Centraal, waarbij zijn wagen in brand werd gestoken in Heers, zijn vijf verdachten gearresteerd, waaronder een minderjarige. Ik heb al meermaals in deze commissie gezegd dat er vaak minderjarigen bij dergelijke feiten zijn betrokken. Dat ligt ook in het verlengde van de vraag van de heer Van Rooy. Minderjarigen worden vaak zeer bewust ingezet. Ze worden vaak ingeschakeld door een bepaald crimineel milieu om bepaalde feiten te plegen. Dat zien we helaas wel meer. Dus het onderzoek vordert. Ik mag dat nu zeggen omdat het parket er ook over heeft gecommuniceerd. Collega Yzermans, intern onderzoek heeft aangetoond dat de beschuldigingen van youtuber ISAE niet op concrete feiten gebaseerd zijn. Dergelijke beschuldigingen komen helaas vaak voor en zijn helaas ook lasterlijk voor het gevangenispersoneel, dat zich dagelijks inzet. We hebben 10.000 mensen die werken in onze gevangenissen. Het merendeel daarvan zet zich dagelijks in, vaak in moeilijke omstandigheden, om de veiligheid in onze gevangenissen en daarbuiten te garanderen. Daarmee heb ik natuurlijk niet gezegd dat er nooit problemen zijn en dat er geen corruptie kan bestaan. Gelukkig blijft dat uiteraard uitzonderlijk. In de gevallen waarin dit wordt vastgesteld, wordt daar uiteraard gevolg aan gegeven, zowel strafrechtelijk – dat hebben we de voorbije jaren inderdaad ook al gezien – als tuchtrechtelijk binnen het gevangeniswezen. Om het risico van corruptie te voorkomen, is het natuurlijk belangrijk om preventief op te treden, in eerste instantie door middel van opleiding inzake deontologie. Daarnaast hebben we recentelijk, sinds 1 september 2024, bij de aanwerving van het penitentiair personeel een veiligheidsscreening ingevoerd, zoals die al bestaat voor het luchthavenpersoneel airside , en zeer recentelijk ook voor het havenpersoneel, onder meer in de Antwerpse haven. Dat zijn momentopnames, geen zaligmakende oplossingen. Zo'n screening is echter belangrijk, ook ter bescherming van het merendeel van het personeel dat te goeder trouw is. Inzake uw vraag naar de noodzaak van een actualisatie van de basiswet van 2005, kan ik bevestigen dat artikel 70 van de basiswet de regels inzake contacten met de media bepaalt. De sociale media vallen onder dat artikel. Voor een officieel gefilmd interview met een gedetineerde is inderdaad toestemming nodig.

De Mazan-verkrachtingszaak en de vaststelling dat de schaamte van kamp verandert

Gesteld door

lijst: PS Caroline Désir

Gesteld aan

Paul Van Tigchelt (Minister van Justitie en Noordzee)

op 19 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de impact van het Mazan-proces (Frankrijk), waar 51 verkrachters van Gisèle Pelicot werden veroordeeld, en haar oproep om de schaamte bij slachtoffers om te buigen naar daders. Caroline Désir benadrukt nood aan meer steuncentra, preventie (consent-educatie), snellere justitie en een observatorium voor geweld tegen vrouwen, terwijl minister Van Tigchelt bevestigt dat België al stappen zet (strenger strafrecht, 70% meer aangiftes via steuncentra) maar verdere samenwerking belooft om slachtoffers beter te beschermen. Beide onderstrepen dat Pelicots moed een katalysator moet zijn voor structurele verandering.

Caroline Désir:

Monsieur le ministre, le procès des viols de Mazan vient de s'achever chez nos voisins français. Aucun acquittement: les 51 violeurs de Gisèle Pelicot ont été reconnus coupables et ont été condamnés. Gisèle Pelicot s'est levée avec une dignité et un courage inouïs et a fait face à ses agresseurs pendant trois mois, le regard droit. Gisèle Pelicot a refusé le huis clos pour mettre en lumière l'ampleur de son calvaire, qui est à l'image de l'ampleur de la culture du viol. Elle a fait face à ses bourreaux, au monde, pour dire à toutes les femmes victimes de viol: "La honte, ce n'est pas à nous de l'avoir, c'est à eux". Mme Pelicot l'a fait, on peut le faire.

Le monde entier a été sidéré face au cauchemar qu'elle a vécu. Partout, des voix se sont élevées pour dénoncer la culture du viol et soutenir Gisèle. Des rassemblements ont été organisés dans plusieurs villes, dans le monde entier, dont Bruxelles, avec comme mot d'ordre "faire du boucan pour que la honte change de camp". (Applaudissements sur tous les bancs)

Merci, chers collègues, de rendre ainsi hommage à Gisèle Pelicot et à son courage et d'encourager surtout toutes les autres victimes à parler.

Mais, monsieur le ministre, revenons en Belgique. Chez nous, nous avançons. Nous avons les Centres de Prise en charge des Violences Sexuelles, mais il en faut plus. Le consentement est aujourd'hui au cœur de notre droit mais il faut l'apprendre dès le plus jeune âge. Les victimes de violences sont mieux prises en charge mais nous voulons généraliser les cellules spécialisées pour les accueillir. Des moyens supplémentaires ont été dégagés pour la justice, mais il en faut encore davantage si on veut parvenir à faire baisser les classements sans suite. La loi sur le féminicide a le mérite d'exister mais nous, ce que nous voulons, c'est un véritable observatoire de toutes les formes de violences faites aux femmes.

Monsieur le ministre, qu'en pensez-vous?

Paul Van Tigchelt:

Chère collègue, les faits qui ont été dévoilés lors du procès de Mazan sont atroces et bouleversants. Chez nous, chère collègue, on estime que 80 personnes, surtout des femmes, sont victimes de viol chaque jour. Or, très souvent, les victimes se taisent parce qu'elles ont honte. Ce procès en France a mis en évidence l'immense courage dont a fait preuve Gisèle Pelicot, une victime qui a bien fait comprendre que la honte devait changer de camp. Nous avons entendu Gisèle Pelicot, vous avez entendu Gisèle Pelicot, il faut entendre Gisèle Pelicot!

Dat doen wij door de strijd tegen seksueel geweld op alle fronten te voeren, pour mieux protéger les victimes , met een nieuw seksueel strafrecht dat voorziet in strengere straffen en dat toestemming als centraal begrip plaatst.

Et avec les Centres de Prise en charge des Violences Sexuelles, nous constatons que, grâce à la collaboration avec ces centres, le nombre de victimes disposées à porter plainte passe à 70 %, ce qui est crucial pour lutter contre cette problématique.

Chère collègue, il faut tout faire pour que la honte change de camp.

Meisjes en vrouwen moeten zich veilig kunnen voelen thuis, op straat en op café. U hebt mijn steun. Ik zal al uw voorstellen mee bekijken zodat we die problematiek beter kunnen aanpakken.

Caroline Désir:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos mots et votre engagement. Les féministes ont l'habitude de scander les mots "Victimes, nous vous croyons. Violeurs, nous vous voyons." Je peux vous assurer que mon groupe continuera à faire du bruit et restera aux côtés de toutes les victimes afin qu'elles soient entendues, crues mais aussi protégées. Ce ne sont en effet plus les femmes qui doivent baisser les yeux. Saisissons-nous du retentissement immense de ce procès de Mazan pour faire évoluer ici les questions essentielles qu'il a posées! Je voudrais encore remercier Mme Gisèle Pelicot pour son courage. (Applaudissements sur tous les bancs)

De nood aan maatregelen om de veiligheid van de hulpdiensten tijdens de jaarwisseling te waarborgen
De agressie tegen brandweerlieden en ambulanciers
Maatregelen tegen agressie naar hulpdiensten jaarwisseling

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)

op 19 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Tijdens de eindejaarsperiode escaleren aanvallen op hulpdiensten (politie, brandweer, ambulances) tot onaanvaardbare geweldspiralen, met name in risicowijken waar relschoppers doelbewust ordeverstoorders uithangen. Minister Verlinden benadrukt zero-tolerantie: lokale besturen en Justitie moeten preventief optreden (huisarresten, avondklokken, camera’s, bodycams) en snel straffen ("wie breekt, betaalt"), gesteund door federale politie en strengere wetgeving, maar erkent dat diepere sociale problemen (exclusie, verslaving) ook moeten worden aangepakt. Gabriëls en Thiébaut eisen onvoorwaardelijke steun voor hulpdiensten, met zwaardere straffen en proactieve maatregelen om herhaling te voorkomen, terwijl ze de grens van wat veiligheidspersoneel mag verdragen als overschreden beschouwen. De eensgezindheid is duidelijk: respect voor hulpverleners is non-negotiable, met nadruk op samenwerking tussen lokale overheden, politie en justitie.

Katja Gabriëls:

Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, collega's, volgende week zijn kerst en oudejaar voor veel mensen een periode van rust en gezellig genieten met familie en vrienden. De mooiste periode van het jaar, zegt men wel eens. Voor veel van onze hulpdiensten is dat echter niet het geval, integendeel. Zij kennen veel extra zorgen en veel extra werk. We herinneren ons allemaal nog de oudejaarsnacht van vorig jaar in Brussel en andere centrumsteden met brandende auto's, zwaar vuurwerk, halve handgranaten en mugs die werden geblokkeerd, kortom zware agressie ten aanzien van politie-, brandweer- en ambulancepersoneel. Dat zijn onaanvaardbare aanvallen tegen hulpdiensten, die eigenlijk dag en nacht klaarstaan om uw en mijn veiligheid te garanderen.

Collega's, zeker voor wie ook lokaal verantwoordelijkheid draagt, is het in die context logisch dat burgemeesters en korpschefs op zoek gaan naar oplossingen en ook naar preventieve maatregelen om hun personeelsleden, diegenen die wel nog willen werken op oudejaarsnacht, te beschermen, en natuurlijk ook om onze eigen inwoners te beschermen. Daartoe behoren ook ernstige, degelijke korpschefs, zoals mijnheer De Landsheer hier in Brussel. Als onderdeel van een hele hoop maatregelen wordt soms beslist om preventief huisarresten op te leggen of om een avondklok in te stellen voor zestienjarigen die zonder ouders op stap zijn in bepaalde wijken. Het gaat niet om zomaar wat wijken, wel om wijken die vorig jaar een aantrekkingspool waren voor allerlei tuig, als ik dat zo mag noemen, dat niet kwam om te vieren, maar om de politie moedwillig aan te vallen. Dat is onaanvaardbaar.

Mevrouw de minister, daarom heb ik aan het eind van het jaar de volgende vragen voor u. Steunt u de burgemeesters en korpschefs? Welke extra maatregelen voorziet u zelf nog om die spiraal van geweld zoveel mogelijk te stoppen?

Éric Thiébaut:

Madame la ministre, les agressions envers nos services de secours sont malheureusement de plus en plus fréquentes. Récemment, ce sont les pompiers de la zone de secours de Dinant-Namur-Philippeville qui sont montés au créneau dans la presse pour dénoncer les violences dont ils sont victimes. Dans cette zone, plus d'un quart des pompiers affirment avoir été victimes de violences physiques au cours des six derniers mois et plus d'un pompier sur deux déclare avoir été agressé verbalement.

Je sais que vous avez pris des mesures en la matière, il y a déjà des mois. Les zones de secours ont reçu une circulaire qui fixait un cadre pour réagir face à ce type de situation, mais force est de constater que ce n'est pas encore suffisant.

Madame la ministre, pouvez-vous tirer un bilan des mesures prises? Comptez-vous à nouveau prendre des initiatives pour protéger nos pompiers et nos ambulanciers?

Annelies Verlinden:

Mijnheer de voorzitter, onze brandweerlieden, onze politiemensen en onze hulpverleners verdienen respect, punt. De maatschappij mag immers nooit aanvaarden dat zij het slachtoffer worden van geweld of agressie. We mogen ook niet aanvaarden dat het materiaal dat zij gebruiken, beschadigd of gestolen wordt. Uiteraard moet er ook het nodige respect zijn voor straatmeubilair of andermans eigendom.

Pour le réveillon du Nouvel An, les pouvoirs locaux prennent de nombreuses mesures pour veiller à ce que tout se déroule le plus sereinement possible. La police locale pourra compter sur le soutien de la police fédérale.

La Région bruxelloise appliquera à nouveau le principe de "unité de terrain, unité de commandement". Ce principe permet de mobiliser efficacement toute la capacité policière disponible. Des équipes de la police fédérale seront également présentes afin d’accompagner et de protéger les pompiers envoyés en intervention.

Ook in andere steden en gemeenten in de rest van het land maken de brandweer- en de politiediensten de nodige werkafspraken met andere hulp- en veiligheidsdiensten om ervoor te zorgen dat onder meer onze politie en brandweerlieden veilig zijn. Bovendien is het voor mij ook belangrijk dat Justitie kordaat en snel optreedt en gevolg geeft aan eventuele misdrijven die worden gepleegd.

Collega’s, u weet dat agressie tegen politie, hulpverleners en brandweerlieden strenger zal kunnen worden bestraft door het nieuwe Strafwetboek, dat we werk hebben gemaakt van een robuust wettelijk kader voor het gebruik van bodycams door politie en het gebruik van camera’s voor hulpverleningsdiensten en dat we ook al jaren inzetten op preventie. Via sensibiliseringscampagnes hebben we immers terecht aandacht en respect gevraagd voor het werk van onze politie- en hulpdiensten.

Mevrouw Gabriëls, we vragen ook aan alle lokale besturen om kordaat op te treden. Voor mij kan er immers geen enkele tolerantiemarge zijn voor hooligans, ordeverstoorders of provocateurs, zeker niet in de eindejaarsperiode, die voor iedereen een feestelijke periode zou moeten zijn. Waar nodig, kunnen voor mij ook bestuurlijke maatregelen worden getroffen. We hebben het vandaag gezien en aangekondigd in een Brusselse zone. Uiteraard kunnen de korpschefs samen met de burgemeesters echter de nodige bestuurlijke maatregelen treffen om de orde te handhaven. Het is ook nodig dat lokale besturen en Justitie er alles aan doen om de aan het openbaar domein aangerichte schade te verhalen op amokmakers en herrieschoppers. Wie breekt, betaalt. Dat lijkt mij de logica zelve.

Les problèmes rencontrés pendant la période de fin d'année sont sans doute les symptômes d'un problème social plus large. D'autres professions du service public sont, elles aussi, confrontées à des faits d'agressions et de violences.

À cet égard, il ne suffit pas de traiter les symptômes, mais il faut aussi travailler sur les problèmes qui sont en partie à l'origine des comportements, tels que les problèmes de dépendance, l'exclusion sociale, l'éducation, le soutien ou encore le suivi de la situation d'éducation. Les mesures ne donc peuvent pas venir exclusivement de la police et de la justice.

Permettez-moi d'ores et déjà d'exprimer toute ma reconnaissance pour les efforts des pouvoirs locaux, de la police locale et de la police fédérale, des zones de secours, des services œuvrant à l'aide médicale urgente, des hôpitaux et des gardiens de la paix, sans oublier, évidemment, les nombreux bénévoles engagés socialement et les travailleurs de rue qui uniront leurs forces lors du réveillon pour veiller à ce que la nouvelle année commence de la meilleure façon pour tout le monde.

Het respect en de waardering die we allicht namens het hele Parlement en de hele bevolking aan de hulp- en veiligheidsdiensten moeten tonen, zijn van harte en essentieel. We danken hen al op voorhand en gaan er uiteraard met zijn allen voor zorgen dat het zo veilig mogelijk kan verlopen.

Katja Gabriëls:

Mevrouw de minister, wij aanvaarden inderdaad niet dat de hulpdiensten het mikpunt zijn van zware aanvallen van amokmakers. Van de politie- en hulpdiensten blijft men af. Dat is heel simpel.

U verwees er al naar dat er, dankzij minister Van Tigchelt en voormalig minister Van Quickenborne, alsook de collega's van de commissie voor Justitie, intussen zwaardere straffen zijn voor geweld tegen de hulpdiensten. Crapuleus gedrag moet zwaar worden bestraft, maar we kunnen niet wachten tot wanneer dezelfde relschoppers opnieuw op dezelfde plaatsen dezelfde feiten plegen. Er zijn voor ons grenzen aan welke preventieve maatregelen nuttig en wettelijk zijn, maar er zijn zeker ook grenzen aan wat de veiligheidsdiensten moeten kunnen verdragen. Zij verdienen onze volle steun.

Éric Thiébaut:

Madame la ministre, chaque agression contre un policier, un pompier, un ambulancier est une agression de trop. Nous devons tout mettre en œuvre pour protéger celles et ceux qui assurent notre sécurité au quotidien, parfois même au péril de leur vie.

De bescherming van de rechten van lgbtqia+'en

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)

op 19 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de toenemende gewelds- en discriminatieincidenten tegen LGBTQIA+-personen in België, met name via datingapps en in de openbare ruimte. Minister Verlinden benadrukt bestaande maatregelen zoals referentieagenten in commissariaten, betere slachtofferopvang (EVA-cellen) en versterkte samenwerking met platforms via de *Digital Services Act*, maar wijst constitutionele aanpassingen (art. 150) door naar toekomstige debatten. Tourneur hamert op preventie en een cultuuromslag, waarbij daders – niet slachtoffers – zich moeten schamen, zoals in de zaak-Mazan. Concreet ontbreekt nog een systematische, landelijke uitrol van veiligheidsgaranties.

Aurore Tourneur:

"Ne me tiens pas la main, ça craint trop ici! On risque gros!" Cette phrase, c'est celle de tant de couples sur notre territoire. Les témoignages de personnes LGBTQIA+ évoquant la violence dont elles ont été victimes sont malheureusement devenus un fait d'actualité quotidien. Cette violence augmente, les signalements de discrimination aussi, qu'il s'agisse de guet-apens via l'application Grindr ou de violences verbales ou physiques en rue aux conséquences parfois dramatiques.

Unia est venu présenter son rapport voici quelques semaines au Parlement fédéral. Et l'institution l'a fait récemment au Parlement bruxellois. Il travaillait notamment à l'évaluation et au développement du projet pilote "equal.brussels" sur le signalement des crimes de haine contre les LGBTQIA+ et sur l'accueil des victimes de violences dans les commissariats. C'est une bonne pratique à multiplier sur tout le territoire pour que chaque victime bénéficie d'un accueil optimal.

Madame la ministre, allez-vous garantir des référents suffisants dans chaque commissariat et renvoyer systématiquement les victimes d'actes de violence vers la cellule EVA (Emergency Victim Assistance) de celui-ci?

Zult u bij datingapps aandringen om de garanties over gebruikersidentificatie te versterken en zo voor meer veiligheid te zorgen?

Als we in een rechtsstaat niet langer hand in hand op straat durven te komen, wordt het dan niet tijd om artikel 150 van de Grondwet uit te breiden om haat en homofobe uitingen effectiever te vervolgen in onze rechtbanken en gerechtshoven?

Annelies Verlinden:

Merci, collègue Tourneur.

Dans notre société, la violence, qu'elle soit verbale ou physique, à l'égard de la communauté LGBTQIA+ n'a pas sa place. Toute personne qui le souhaite doit pouvoir manifester des marques d'affection, que ce soit dans la sphère privée ou en public envers une autre personne pour autant, évidemment, que cette dernière y consente.

Lors de la dernière législature, le Plan national de lutte contre les violences de genre et le Plan national LGBTQIA+ ont été des gestes qui reflètent un engagement à renforcer les droits et l'inclusion. Le service de l'Égalité des chances lié à la secrétaire d' É tat à l' É galité des chances, des genres et à la Diversité a été désigné comme responsable du monitoring du plan d'action fédéral.

Les mesures prises concernent l'optimisation de la politique des poursuites liées à la discrimination, aux discours et aux crimes de haine – notamment en désignant des policiers de référence dans chaque corps de police local. Des mesures sont également mises en œuvre pour la sensibilisation et la formation des policiers mais aussi pour améliorer l'accueil et la prise en charge des victimes, notamment dans les Centres de Prise en charge des Violences Sexuelles.

Les cellules Emergency Victim Assistance (EVA) sont une initiative qui peut être implémentée par les chefs de zone de police. À Bruxelles, par exemple, ces équipes sont déjà actives et fonctionnent bien. J'ai d'ailleurs récemment visité le projet "Poésie Masculine".

Concernant les applications de rencontre, les plateformes elles-mêmes peuvent signaler des délits conformément à l'article 18 du Digital Services Act. Il faut absolument les encourager à entreprendre ces démarches. Chacun doit prendre ses responsabilités.

En ce qui concerne votre question sur l'article 150 de la Constitution, cet article a été déclaré ouvert à la révision lors de la précédente législature et j'attends avec impatience les futurs débats parlementaires.

Aurore Tourneur:

Merci, madame la ministre. Je suis contente d'entendre qu'il n'y a pas de citoyen de seconde zone dans notre pays. Je pense qu'au-delà de l'accompagnement des victimes d'actes de violence, il est important d'agir sur la prévention parce que de tels actes sont inacceptables et pour que chacun se sente en sécurité en rue. Comme pour le procès de Mazan: het is tijd voor angst en schaamte om van kant te veranderen.

De stagnerende getalsterkte van Defensie

Gesteld door

lijst: VB Annick Ponthier

Gesteld aan

Ludivine Dedonder

op 18 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Defensie kampt met stagnerende personeelsaantallen (27.200 in 2024, doel 27.500 in 2025) door hoge vormingsattritie en pensioneringen, wat de NAVO-kerntaken bedreigt. Minister Dedonder benadrukt maatregelen zoals betere voorlichting, verlengde opleidingen, flexibelere heroriëntatie van afvallers en een moderne wervingsstrategie (stages, loopbaanbeheer), maar sluit verplichte burgerdienst uit. Ponthier erkent de plannen maar eist concrete resultaten, vooral bij het bijsturen van verwachtingen van rekruten en omleiding naar andere functies. Cijfers moeten de effectiviteit nog bewijzen.

Voorzitter:

Dit is de laatste vergadering voor het kerstreces en het is mijn ambitie om alle geagendeerde vragen te behandelen. Ik hoop dat dat zal lukken.

De vragen nrs. 56000743C en 56001545C van de heer Francken worden uitgesteld.

Annick Ponthier:

Mijnheer de voorzitter, ik verwijs naar schriftelijke versie van mijn vraag.

Uit de recente cijfers van het legercontingent blijkt dat ons personeelsbestand stagneert. Het maximumaantal militairen dat op eenzelfde dag gelijktijdig bij Defensie actief mag zijn, is voor 2025 vastgelegd op 27.500. Dit aantal bestaat uit 24.200 actieve militairen en leerlingen, 300 actieven buiten de personeelsenveloppe en 3.000 reservisten. In 2024 bedroeg het legercontingent 27.200 militairen en in 2023 was dat aantal 26.981. Er zit dus nauwelijks een positieve evolutie in onze getalsterkte, nochtans onontbeerlijk voor een performant defensieapparaat.

Defensie haalt een aantal oorzaken aan, met name de pensioneringsgolf waarvan de effecten nog niet zijn uitgewerkt en de vormingsattritie die hoog blijft. We dweilen met de kraan open, met andere woorden. Dit zijn misschien verklaringen, maar wat ons betreft geen excuses. Dit land en de NAVO kan zich gewoon geen zwakke defensie meer veroorloven. Wij zitten onder de kritieke ondergrens van 25.000 manschappen, die nodig zijn om onze kerntaken uit te voeren.

Ik stel u graag hierover volgende vragen:

Kan u de reeds genomen en nog geplande maatregelen inzake vormingsattritie nog eens uiteenzetten? Hoe wil men de retentie verhogen, met andere woorden?

Welke maatregelen zijn er al genomen om niet-geslaagde kandidaat-soldaten om te leiden naar andere functies binnen Defensie?

Hoe wil men het aantal rekruteringen verder opdrijven? Kan een verplichte algemene burgerdienst geen soelaas bieden? Wat zijn de diverse meningen daarover binnen militaire kringen én experts? Het is geen tijd om onszelf op de borst te kloppen omwille van 10.000 aanwervingen deze legislatuur, maar om een tandje bij te steken.

Ludivine Dedonder:

De aanpak van de vormingsattritie is een gevecht dat op vele fronten wordt geleverd. Continu wordt de vinger aan de pols gehouden om zo snel mogelijk signalen en verbetermogelijkheden op te pikken. We voeren gesprekken met postulanten, nemen exitinterviews af van kandidaten die Defensie verlaten en er zijn nauwe contacten vanuit de staf van Defensie met de scholen en lesgevers. Volgend jaar zullen nog meer maatregelen worden toegepast. We zullen inzetten op het beter informeren van de nieuwe rekruten en hun ouders, op de organisatie van de vorming en op de kwaliteit van het pedagogisch project.

Op de dag van de inlijving worden de nieuwe kandidaten samen met hun ouders ontvangen. Ze worden dan geïnformeerd over de inhoud en het verloop van de opleiding en kunnen de infrastructuur ontdekken. Met een aangepast begeleidingsprogramma proberen we ervoor te zorgen dat de kandidaten fysiek beter voorbereid zijn. Het programma tijdens de eerste week werd herzien om de overgang van het burger- naar het militaire leven minder abrupt te maken. De kandidaten zullen nog beter geïnformeerd worden door middel van documenten, bezoeken en contacten. Op die manier zullen ze gemakkelijker keuzes kunnen maken voor hun toekomst binnen Defensie.

De duur van de vorming werd verlengd, zodat de kandidaten meer tijd krijgen om de leerstof te verwerken. Ook de lesprogramma’s werden geleidelijker opgevat door toepassing van moderne pedagogische technieken, met het bijbehorende lesmateriaal.

Ten slotte zetten we ook in op de kwaliteit van het onderricht door een continue coaching van de lesgevers.

Naast de reeds bestaande procedures om kandidaten na hun inlijving te heroriënteren naar een andere functie binnen Defensie, is het de bedoeling om nog meer in te zetten op andere mogelijkheden binnen het reservestatuut en als burger bij Defensie. Tijdens de verschillende rekruteringsevenementen zullen daarom vertegenwoordigers van de burgerpersoneelsleden en van het reservekader aanwezig zijn. Ook tijdens de selectie zouden postulanten al geheroriënteerd worden naar andere mogelijkheden binnen Defensie. De huidige omgeving, gekenmerkt door toenemende geopolitieke spanningen en de snelle evolutie van bedreigingen en socio-economische uitdagingen, dwingen Defensie om haar strategie voor rekrutering te diversifiëren en het personeelsbestand te vergroten.

Deze studie wordt bemoeilijkt door een krappe arbeidsmarkt waarin men in veel sectoren actief op zoek is naar nieuwe medewerkers. De concurrentie is intenser dan ooit. Om het aantal wervingen blijvend te verhogen combineren we verschillende strategieën met het oog op een profilering als aantrekkelijke en moderne werkgever. Enerzijds willen we via de richting Defensie en Veiligheid stages, jongerenprogramma’s en vrijwillige diensten voor collectief nut op een proactieve manier de interesse bij jongeren aanwakkeren. Anderzijds zullen we verder inzetten op een flexibele werving en selectie, een aangepaste en meer gepersonaliseerde onboarding , een modern loopbaanbeheer, een moderne vorming en een verhoogde samenwerking met publieke en private actoren.

Het belang van het personeel is lang onderschat, wat tot de huidige situatie heeft geleid. Daarom vormt het personeel sinds het begin van mijn mandaat een prioriteit. Als gevolg daarvan heeft het aantal nieuwe rekruten het hoogste niveau in 30 jaar bereikt, waardoor Defensie de grootste rekruteerder en opleider van het land is geworden.

Vandaag zijn er geen concrete plannen om een algemeen verplichte burgerdienst in te voeren.

Annick Ponthier:

Zoals u zelf aangeeft, vergt het tegengaan van de attritie een diverse en overkoepelende aanpak. Ik ben ook blij dat er blijvend aandacht is voor de toekomst, zeker voor de vormingsattritie, die een groot probleem blijft. Er zijn immers diverse redenen voor deze attritie. Een ervan is het verkeerde verwachtingspatroon waarmee jonge rekruten starten. Het feit dat Defensie er extra op inzet om die verwachtingspatronen in het begin en cours de route bij te sturen, is alleen toe te juichen. Ook de aandacht voor omleidingen naar andere functies binnen Defensie voor niet-geslaagde kandidaat-soldaten blijft een aandachtspunt. Het klinkt in theorie dus allemaal heel positief. Ik hoop dat ook de praktijk dat zal aantonen. Ik zal daarover zeker cijfers opvragen via een schriftelijke vraag.

De gelekte plannen van het nieuwe hoofdkwartier van Defensie in Brussel
De onbedoelde openbaarmaking van de plannen voor het nationale veiligheidscentrum
Het onbedoeld online zetten van de plannen van het toekomstige hoofdkwartier van Defensie
De zorgen over en de veiligheidsimplicaties van de gelekte plannen v.h. hoofdkwartier van Defensie
Veiligheidsrisico's door onbedoelde openbaarmaking Defensieplannen Brussel

Gesteld aan

Ludivine Dedonder

op 18 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De gevoelige bouwplannen van het nieuwe Defensie-hoofdkwartier (met Cyber Command en ADIV) lekten 48 uur publiek online via *OpenPermits*, ondanks de vermelding *"beperkte verspreiding"* – een procedurele fout van de aannemer, waarbij geen écht strategische informatie vrijkwam volgens minister Dedonder. Defensie reageerde toch verontrust, wat vragen oproept over de coördinatie met lokale overheden en de effectiviteit van veiligheidsprotocollen, vooral na eerdere Chinese cyberaanvallen (2021); extra bewustmakingscampagnes en striktere toegang tot openbare documenten werden beloofd. Het project blijft binnen budget en planning (start bouw: maart 2025), maar kritiek blijft op de structurele kwetsbaarheid van gevoelige dossiers in gespannen geopolitieke context.

Voorzitter:

De heer Yzermans is niet aanwezig. De heer Weydts zal namens de Vooruitfractie de honneurs in de commissie voor Defensie waarnemen. Hij kan natuurlijk niet zomaar een vraag overnemen, hij ondersteunt echter alleszins het pleidooi dat de heer Yzermans hier in de commissie zou hebben gehouden.

Annick Ponthier:

Mevrouw de minister, het nieuwe hoofdkwartier van Defensie in Brussel moet tegen eind 2027 af zijn. De plannen worden op het moment uitgewerkt. Het lijkt logisch dat daarbij de nodige waakzaamheid aan de dag wordt gelegd. Veiligheid moet zeker bij Defensie altijd on top of the agenda staan. Het nieuwe gebouw wordt immers een strategisch gevoelig bolwerk, dat onderdak zal geven aan de staf van Defensie, het Cyber Command en de militaire inlichtingendienst ADIV.

Groot was dus mijn verbazing – dat gevoel deel ik met anderen – toen de gedetailleerde grondplannen, inclusief gevoelige informatie over toegangs- en circulatieplannen, publiek online konden worden gedownload via het overheidsplatform OpenPermits.

Nochtans droegen de plannen klaarblijkelijk de stempel van beperkte verspreiding. Blijkbaar was de projectverantwoordelijke van Defensie zich niet bewust van het feit dat ingevolge de voorgeschreven administratieve stedenbouwkundige procedure, de documenten verplicht publiekelijk raadpleegbaar zijn.

Dat een mediakanaal opmerkte dat de documenten voor beperkte verspreiding door het publiek konden worden gedownload en Defensie moest waarschuwen, is des te pijnlijker. Defensie heeft dan ook verontrust gereageerd op de feiten. Dat stond althans in de media.

Een en ander doet vragen rijzen over het in handen vallen van strategisch gevoelige informatie. Wij denken spontaan aan het incident waarbij Chinese hackers enkele jaren geleden door een cyberaanval informatie konden verkrijgen. Hoe is dat kunnen gebeuren? Waar ligt de verantwoordelijkheid?

Hoe evalueert u als minister het risico van gelekte strategisch gevoelige informatie? Welke gevolgen zou dat kunnen hebben voor onze veiligheid?

Er wordt op het moment een onderzoek gevoerd naar wie de informatie heeft gedownload tijdens de 48 uur dat de informatie online stond. Kunt u het onderzoek toelichten? Welke conclusies worden daaruit getrokken?

Wordt ook onderzocht op welke manier La Dernière Heure aan de informatie kwam? Kan dat zijn gebeurd door een intern lek?

Mevrouw de minister, wat hebt u de voorbije jaren na de cyberaanval door Chinese hackers ondernomen om de strategisch gevoelige informatie te beveiligen? Met andere woorden, wat zult u doen om het algemeen bewustzijn rond veiligheid te verhogen? Welke maatregelen mag en zult u in deze periode van lopende zaken nog nemen om dergelijke voorvallen in de toekomst te vermijden?

Welke risico’s zijn verbonden aan het lekken van de bewuste informatie?

Ter zijde vernam ik ten slotte graag hoeveel het nieuwe gebouw nu zal kosten en hoe het zit met de timing.

François De Smet:

Madame la ministre, voilà une affaire tout de même assez curieuse! La presse s’est fait l’écho de la mise en ligne pendant 48 heures en libre accès d'informations estampillées "diffusion restreinte", en l'occurrence les plans du futur quartier-général "haute sécurité" de la Défense qui devrait regrouper sur un même lieu les services de l’état-major de la Défense, le Service général du Renseignement et de la Sécurité (SGRS) et le commandement cyber, avant que la Défense belge les retire après avoir été avertie du problème. Voilà une faille sécuritaire pour le moins inquiétante.

Visiblement, la Défense pensait que les documents ne seraient consultables que sur demande et sans la possibilité de les copier. En dépit du fait d’avoir été "épurés", puisqu'ils figuraient apparemment sur le site en vue d'une enquête publique, il n’en demeure pas moins qu’ils ont pu livrer des renseignements à des personnes qui n’avaient pas à les connaître.

Madame la ministre, pourriez-vous nous faire savoir si une enquête a bien été ouverte au sein de la Défense afin de dégager les responsabilités de cette faute et, le cas échéant, de pouvoir constater des manipulations informatiques qui auraient pu être effectuées par des tiers à des fins malveillantes au cours de cette diffusion en libre accès? Des mesures ont-elles été prises afin de sécuriser lesdits plans et leur potentielle future diffusion et, bien entendu, de prévenir qu'une telle faille ne se reproduise?

Ludivine Dedonder:

Chers collègues, je tiens à préciser d'emblée qu'aucune information militairement sensible n'est reprise dans les plans qui font partie du dossier de demande de permis.

Dans la procédure d'octroi du permis de construction, un grand nombre d'instances consultatives interviennent. Par conséquent, la Défense anticipe le fait qu'il y a toujours un risque potentiel de fuite de contenu, et une série de plans modifiés a été préparée desquels les informations sensibles telles que la destination et l'agencement des espaces ont été enlevées. Ils ne contenaient que les informations nécessaires aux instances consultatives, telles que les pompiers.

Au cours du processus, la mention "diffusion restreinte" n'a par inadvertance cependant pas été supprimée sur les plans téléchargés pour l'enquête publique par l'adjudicataire du contrat de conception et de construction. Le journaliste de La Dernière Heure a ensuite remarqué la publication par le biais du portail OpenPermits.

Dat documenten en plannen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest tijdens het openbaar onderzoek zonder enige restrictie via het platform OpenPermits.brussels gevisualiseerd en zelfs gedownload kunnen worden, ligt bovendien gevoelig op het vlak van de auteursrechtelijke bescherming.

In samenspraak met de bevoegde diensten werd daarom de inhoud van het dossier op OpenPermits.brussels beperkt tot het strikt noodzakelijke om het openbaar onderzoek te kunnen voortzetten. De onterechte aanduiding "beperkte verspreiding" werd verwijderd. Er is bijgevolg – dit wens ik nogmaals te beklemtonen – geen strategisch gevoelige informatie gelekt. Er zijn geen gevolgen voor de veiligheid en de plannen van het project worden niet gewijzigd.

Voor toekomstige projecten zal extra aandacht uitgaan naar de verdere beperking van de inhoud die ter inzage van het publiek is, met name tot het strikte minimum dat vereist is voor het openbaar onderzoek.

Diverses mesures ont été prises ces dernières années pour renforcer la sécurité. À la suite de la cyberattaque fin 2021, la sécurité du réseau a été considérablement renforcée. Des procédures spécifiques ont été mises en place pour analyser les risques lors de l'achat d'équipements et, là où cela s'avère nécessaire, restreindre l'accès des entreprises de pays malveillants ou autres. Des campagnes de sensibilisation du personnel ont également été lancées.

Het project van het nieuwe hoofdkwartier verloopt volgens planning en binnen het budget. Het dossier bevindt zich momenteel in het stadium van de vergunningsaanvraag. De afbraakwerken, waarvoor een afzonderlijke vergunning werd verkregen, zijn vergevorderd en de bouwwerken starten volgens planning in maart 2025.

Annick Ponthier:

Mevrouw de minister, bedankt voor uw antwoord. Veiligheid moet altijd een prioriteit zijn, zeker voor dergelijke plannen bij Defensie en in de huidige geopolitieke toestand met onder andere spionagepraktijken en cyberaanvallen.

U beklemtoont dat geen strategisch gevoelige informatie gelekt werd, aangezien die uit de plannen werd gehaald. Nochtans lezen we in de media dat Defensie verontrust heeft gereageerd. Als er toch geen risico is van een eventueel strategisch gevoelig lek, waarom reageert Defensie dan verontrust? Dat klinkt toch anders dan wat u hier antwoordt. Dat wil ik wel even extra in de verf zetten.

De kwestie vraagt inderdaad veel aandacht en we zullen zien of dat in de toekomst ook gebeurt. Als er onduidelijkheden zijn in gevoelige dossiers en Defensie of andere overheidsdiensten daar niet zomaar op kunnen ingaan, dan is er specifiek overleg nodig met de andere partij, in casu de lokale overheid. Ik hoop dat dat op korte termijn ook gebeurt, zodat gelijkaardige feiten in de toekomst vermeden worden. Ook al wordt gevoelige informatie uit het dossier gehaald, het kan echt niet dat dergelijke plannen zomaar publiekelijk gedownload kunnen worden. Ik meen dat u daarop echt moet inzetten.

François De Smet:

Madame la ministre, je vous remercie pour votre réponse. Il y a tout de même de la fébrilité de la part de la Défense parce que soit ces plans sont complètement inoffensifs, et dans ce cas, il n'y a pas besoin de les retirer dès qu'on signale un problème, soit ils ne le sont pas. Ce n'est jamais anodin d'avoir des plans de quartiers généraux qui se promènent sur les sites internet. Dans ce cas, la réaction de la Défense était appropriée. Mais alors, il y a une faille. Quelque part, on n'en sort pas, sauf que je crois que ce dossier doit nous servir de petit signal d'alarme pour encore renforcer l'accès restreint à la diffusion de ce genre d'informations, à l'avenir, dans un contexte géopolitique extrêmement fébrile.

De pensioenen van de militairen
Het pensioen van de militairen
De defensiebegroting
Militaire pensioenen en defensiebegroting

Gesteld aan

Ludivine Dedonder

op 18 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De Arizonacoalitie wil de pensioenleeftijd van militairen verhogen naar 67 jaar, wat volgens minister Dedonder en Robin Tonniau (oppositie) onhaalbaar is: fysieke eisen, rekruteringsproblemen en meerkosten (150 mln/jaar vanaf 2043) ondermijnen de operationele defensie. Dedonder benadrukt dat oudere militairen niet langer inzetbaar zijn en jongeren minder carrièrekansen krijgen, terwijl Tonniau wijst op internationale normen (56-57 jaar) en uitstroom naar andere sectoren. Beide bevestigen: langer werken = zwakkere defensie, tegenover de besparingsdoelen van Arizona.

Robin Tonniau:

Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, dit is een speciale periode, want u bent minister in lopende zaken, terwijl er regeringsonderhandelingen lopen om een nieuwe regering op poten te zetten. Het is echter duidelijk welke richting de arizonacoalitie uit wil. We hebben allemaal de supernota's van de heer De Wever gelezen. Arizona wil zwaar besparen op onze pensioenen en ook op de pensioenen van onze militairen.

Arizona wil besparen op de militaire pensioenen door militairen simpelweg te verplichten om langer aan het werk te blijven, alsof die militairen zomaar langer kunnen werken. Volgens mij kan men immers geen geloofwaardige defensie uitbouwen met 60-plussers. Daarenboven tast men zo ook de aantrekkelijkheid van het beroep aan, waardoor men minder militairen zal kunnen rekruteren. Onze militairen brengen nu al veel offers in hun familiale leven. Ze moeten steeds paraat zijn om op buitenlandse missie te gaan. Ze zijn vaak weg van huis. Er is geen kazerne meer in elke provincie. Die mensen brengen vandaag al veel offers.

Defensie berekende zelf dat drie keer meer militairen zullen vertrekken wanneer de pensioenleeftijd van vandaag 56 jaar zal opgetrokken worden naar 67 jaar. Ziet u al een militair ouder dan 60 rondlopen met een rugzak van 20 kilogram?

De militaire vakbond berekende dat de hogere lonen door de pensioenhervorming Defensie 225 miljoen per jaar extra zouden kosten. Zelfs zonder nieuwe uitgaven en nieuw materieel zou Defensie in 2035 nood hebben aan 31.000 militairen. Met de hervorming zouden we stranden op 22.000. Het is alsof wij we garage vol Ferrari's bouwen en geen bestuurders voorzien.

Mevrouw de minister, hoe staat u tegenover die pensioenhervormingsplannen van de arizonacoalitie?

Hoe kijkt u naar het feit dat Defensie meer geld zal uitgeven aan materieel en minder aan militairen, en dus zal besparen op hun pensioenen?

Kunt u een inschatting maken van de meerkost voor Defensie wanneer de pensioenleeftijd van de militairen effectief zou worden verhoogd naar 67 jaar?

Ludivine Dedonder:

Monsieur Tonniau, veuillez m'excuser, mais ma réponse sera apportée en français et en néerlandais, puisque d'autres auteurs étaient inscrits.

Gebaseerd op de ideeën uit de eerste nota van de federale formateur zou de pensioenleeftijd vanaf 2025 gradueel worden verhoogd, om in 2043 de leeftijd van 67 jaar te bereiken. De meerkosten voor de Staat, rekening houdend met de besparingen op de pensioenen, zou daardoor gradueel stijgen om in 2043 op ongeveer 150 miljoen euro op jaarbasis uit te komen. Voor de periode 2025-2043 zou dat neerkomen op een totaal van ongeveer 2 miljard euro.

Les prévisions budgétaires que je viens de décrire montrent clairement que les conséquences possibles d’une telle mesure sont préjudiciables à la transformation et à l’opérationnalité.

Outre le développement de nouvelles capacités grâce aux investissements prévus par la loi de programmation militaire, la transformation signifie, entre autres, changer littéralement la structure organisationnelle pour la rendre mieux adaptée à l’exécution de nos missions essentielles, qui sont la continuité des opérations à l’étranger, la défense collective et l’aide à la nation. C’est pourquoi, par exemple, des capacités qui ne font pas partie du cœur de métier du département, comme la restauration et la garde des quartiers, ont été externalisées lors de la précédente législature. Il s’agissait de tâches qui étaient typiquement prévues pour des militaires plus âgés, qui pourraient souffrir davantage d’inconfort physique. La Défense n’est donc tout simplement pas en mesure de déployer tous les militaires jusqu’à 67 ans.

Le métier de militaire, c’est aussi avant tout un métier dans lequel la préparation physique est d’une grande importance. Il est utopique de penser que l’on puisse demander la même chose aux militaires plus âgés sur le terrain qu’à leur jeunes collègues.

Enfin, une augmentation de l’âge de la retraite entraînerait des conséquences en chaîne sur les dispositions légales du statut de militaire. Par exemple, cela limiterait les possibilités d’évolution pour les jeunes militaires, qui se verraient freinés dans leur progression par la présence prolongée de militaires plus âgés restant en poste pendant dix ans de plus.

J'espère en tout cas que les négociateurs du nouveau gouvernement fédéral écouteront attentivement l’état-major de la Défense, ainsi que les syndicats, et qu’ils ne seront pas dogmatiques. Relever l’âge de la retraite à 67 ans se fera au détriment des efforts consentis et des résultats déjà obtenus au cours de la dernière législature sur la voie de la reconstruction de la Défense.

Il est essentiel de trouver un équilibre entre l’investissement dans le matériel et le soutien au personnel. Ces deux aspects interdépendants sont fondamentaux pour garantir l’efficacité opérationnelle et la pérennité de la Défense.

Robin Tonniau:

Mevrouw de minister, uw antwoorden waren zeer duidelijk. Ik hoop dat de onderhandelende arizonapartijen goed hebben geluisterd. Uw berekening strandt op een meerkost van 150 miljoen euro per jaar voor Defensie vanaf 2043. Arizona bereikt daarmee het tegenovergestelde, namelijk een minder operationele Defensie. De privatisering van de bewaking van kazernes is al doorgevoerd, waardoor de jobs voor de oudere militairen reeds weg zijn. U zegt eigenlijk dat Defensie niet weet wat ze met die oudere militairen zal moeten aanvangen. Anderzijds zullen jongere, instromende militairen minder carrièrekansen krijgen binnen Defensie. Dat is niet onbelangrijk, gelet op de huidige grote uitstroom naar de politie, de brandweer en private beveiligingfirma’s. Het is eigenlijk onmogelijk om zo’n functie tot 67 jaar uit te oefenen.

In Italië kan men als militair op pensioen na een carrière van 40 jaar en 7 maanden. In Frankrijk kan een militair op pensioen vanaf de leeftijd van 47 jaar, naargelang de functie in het leger. In Duitsland lag de gemiddelde pensioenleeftijd van militairen in 2021 net boven de 57 jaar, wat vergelijkbaar is met de huidige situatie in België. De huidige pensioenleeftijd van 56 jaar is er ook niet via vogelpik gekomen, maar er werd overeengekomen dat militairen vanaf dan hun rust verdienen. De boodschap aan de arizonacoalitie is dus duidelijk: met het verhogen van de pensioenleeftijd van militairen bereikt men het omgekeerde van wat men beoogt.

Voorzitter:

Ik merk dat u en uw fractie er al naar uitkijken om oppositie te voeren tegen de arizonacoalitie. U zult echter nog even moeten wachten.

De munitievoorraden en de productie van munitie voor Defensie

Gesteld aan

Ludivine Dedonder

op 18 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De Belgische Defensie herstelt traag haar munitievoorraden ondanks extra budgetten (1 miljard euro via *Readiness Plan*) en industriële samenwerkingen (o.a. FN Herstal, KNDS, Thales), maar de productiecapaciteit blijft ontoereikend voor OTAN-doelen en de oorlog in Oekraïne. Minister Dedonder benadrukt vooruitgang via langetermijncontracten (bv. 20-jarig akkoord met FN Herstal) en nieuwe productielijnen (o.a. 155mm-granaten, K-STER), maar Lasseaux kritiseert het tempo als onvoldoende en pleit voor een Koreaans model: massale herinvestering in defensie en radicale mentaliteitswijziging, gezien de structurele achterstand in Europa. Kernprobleem: budgetverhogingen helpen, maar productieknelpunten en politieke terughoudendheid belemmeren snelle opschaling.

Stéphane Lasseaux:

Madame la ministre, depuis le début de la guerre en Ukraine, la question des stocks de munitions et de la production au sein des États membres de l’OTAN est souvent venue dans la presse. Des débats au sein de cette commission s’en sont fait l’écho. Depuis 2022, nous savons que les stocks à disposition de nos armées sont insuffisants et que les capacités de production restent trop faibles. Ainsi, la promesse de fournir un million d’obus à l’Ukraine en un an n’a pu être remplie qu’avec retard.

En cette fin de législature et à l’approche du bien triste troisième anniversaire de la guerre qui a révélé nos faiblesses, il peut être intéressant de faire rapidement un état des lieux de la situation pour la Défense belge. Même si je me rends compte qu’une divulgation de données chiffrées donnerait trop d’informations à nos adversaires, j'ai néanmoins quelques questions.

Madame la ministre, la Défense belge a-t-elle connu des progrès importants dans la reconstitution de ses stocks et permettent-ils d’assurer tant les entraînements que d’éventuelles futures opérations? Quelles mesures ont-elles été adoptées par la Belgique pour renforcer la production des munitions dont elle a besoin?

Nous sommes tous au courant de la collaboration avec Thales à Herstal pour des roquettes ou avec KNDS à Petit-Roeulx pour des obus. Ces projets avancent-ils dans les temps? Les industriels ont-ils des assurances sur la demande à moyen et long terme, leur permettant de faire de coûteux investissements dans de nouvelles unités de production?

Une augmentation éventuelle du budget de la Défense permettra-t-elle d’apporter des réponses à certains problèmes actuels ou l’essentiel des problèmes viennent-ils de la production et des goulots d’étranglement dans la chaîne de production? Des projets nouveaux sont-ils envisagés sur le territoire belge afin de répondre aux difficultés de production? La Défense cherche-t-elle à en susciter?

Ludivine Dedonder:

Monsieur Lasseaux, le plan STAR prévoit la poursuite de la transformation de la Défense et l'arrivée de nouveaux systèmes d'armes. Cette arrivée se traduit également par l'acquisition de nouvelles munitions, spécifiques à ces nouveaux systèmes d'armes, qui doivent être en partie disponibles préalablement à la livraison de ces nouveaux systèmes. De cette manière, la formation et l'entraînement avec ces systèmes d'armes peuvent être garantis et la constitution des stocks opérationnels peut être entamée.

Pour les systèmes d'armes existants, la reconstitution des stocks se poursuit. La guerre en Ukraine et les exigences supplémentaires de l'OTAN nécessitent des stocks supplémentaires pour accroître notre capacité de déploiement et notre état de préparation.

Des efforts importants ont été consentis ces dernières années pour améliorer l'opérationnalité et l'entraînement des forces armées belges, notamment par le biais du plan de préparation, le "Readiness Plan", avec un montant supplémentaire d'un milliard d'euros, réparti sur les années 2022, 2023 et 2024.

Les dotations budgétaires de ce plan de préparation ont intégralement été utilisées et consacrées principalement à l'achat de munitions terrestres de différents calibres, de munitions antichars, de munitions pour nos avions de combat et de munitions pour la marine.

Le renforcement de nos capacités industrielles nationales s'opère, entre autres, par le partenariat stratégique avec la FN Herstal, par le biais d'un contrat d'une durée de vingt ans permettant à la FN d'investir structurellement dans sa capacité de production de munitions de petit calibre à Zutendaal dans le Limbourg, en recrutant du personnel supplémentaire, en construisant des bâtiments et en investissant dans un parc de machines.

Le renforcement de nos capacités industrielles nationales, l'achat de nouvelles munitions spécifiques aux nouveaux systèmes d'armes et l'augmentation de nos stocks actuels nécessitent en effet des ressources budgétaires supplémentaires. Ce budget supplémentaire alloué à la Défense dans les années à venir lui permettra de passer des commandes en grand nombre et dans les délais, offrant ainsi les garanties nécessaires tant à la Défense qu'à l'industrie.

Une expansion structurelle de la capacité de production, de concert avec l'industrie belge, s'est également opérée. À titre d'exemple, je cite le système K-STER de la firme ostendaise Exail ou les munitions 155 mm chez KNDS Belgium. Enfin, signalons l'intégration d'une nouvelle capacité de production de la filiale Forges de Zeebruges de Thales Belgique à Herstal pour le chargement d'explosifs des munitions 70 mm.

Stéphane Lasseaux:

Madame la ministre, je vous remercie pour les réponses que vous nous avez apportées. Toutefois, nous pouvons constater que l'état des stocks et les capacités de production sont désespérants non seulement en Belgique, qui n'est malheureusement pas une exception, mais également dans plusieurs pays européens. Il faut, bien sûr, en tenir compte. Il est quand même préoccupant que, si des efforts authentiques ont été accomplis en vue de l'augmentation de la production, et je l'ai bien entendu, ils sont fort inférieurs à ce à quoi nous aurions pu nous attendre après ces deux années de guerre. Selon moi, nous devrions prendre exemple sur la Corée. Désolé de citer cet exemple, mais ce pays a réussi à établir une armée puissante et disposant de stocks importants, tout en étant une démocratie vibrante comme l'ont démontré les derniers événements. Je crois que nous avons peur de dire à nos concitoyens que nous avons complètement changé d'époque et que nous ne pouvons plus réfléchir ni agir comme avant et qu'il importe nécessairement de réinvestir massivement dans la Défense. Les stocks de munitions de tout type sont donc nécessaires. De plus, des capacités de production supplémentaires doivent aussi être mobilisables pour pouvoir réagir en cas de conflit.

De door Defensie getroffen voorbereidselen in het kader van de vredesplannen voor Oekraïne

Gesteld aan

Ludivine Dedonder

op 18 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België steunt het NAVO-standpunt (Vilnius 2023) dat Oekraïne pas kan toetreden na een duurzame vrede, maar zet nu in op praktische steun (training, wapens, F-16-coalitie) en bilaterale veiligheidsakkoorden. Trumps vage vredesplannen (gedemilitariseerde zone, uitgestelde NAVO-toetreding) werden besproken in NAVO/EU, maar zonder concrete actie door ontbrekende details. Dedonder bevestigt geen Belgische troepenplanning, maar openstaat voor toekomstige vredesinitiatieven—mits draagvlak. Frank benadrukt Europese verantwoordelijkheid om VS-steun te compenseren, met dringende oproep tot defensieplanning en publieke voorbereiding op moeilijke keuzes.

Luc Frank:

Madame la ministre, cette question est d'actualité car le président Zelensky vient précisément pour cette raison aujourd'hui à l'OTAN à Bruxelles. Ma question porte sur le rôle de la Belgique.

Des plans de paix pour l’Ukraine circulent. La presse américaine s'est fait l'écho d’un plan de paix de la future administration Trump qui impliquerait le déploiement de troupes d’interposition européenne le long d’une ligne de front gelée. L'idée que les Européens "s'impliquent physiquement dans le jeu" en matière de sécurité de l'Ukraine est une idée que des proches de Trump poussent depuis des mois. D’autre part, le nouveau vice-président J.D. Vance a préconisé une zone démilitarisée à la coréenne entre les positions russes et ukrainiennes si et quand les hostilités prennent fin.

De son côté, le plan de paix d'avril 2024 du nouvel envoyé spécial de Donald Trump pour l'Ukraine, le général Kellogg, prévoit notamment de reporter de dix ans l’entrée de l'Ukraine dans l'OTAN. Enfin, au niveau européen, le président français Emmanuel Macron a discuté de la possibilité de l’envoi de soldats de maintien de la paix avec le dirigeant polonais, Donald Tusk, et le chancelier allemand, Olaf Scholz. Le président ukrainien Volodymyr Zelensky a fait référence à cette idée lors d'une rencontre avec Friedrich Merz, qui est en passe de succéder à Olaf Scholz.

Madame la ministre, avez-vous eu l’occasion de discuter de ces différentes idées et projets avec votre collègue ukrainien ou avec vos autres collègues de manière bilatérale, ou dans le cadre de l'OTAN ou même de l'Union européenne? La Belgique a-t-elle une position ferme sur l'adhésion de l'Ukraine à l'OTAN? Une planification a-t-elle été mise en place au sein de l'OTAN? La Défense est-elle en train de planifier des options pour une éventuelle participation belge à la mise en œuvre de tels plans et d'en évaluer les coûts?

Ludivine Dedonder:

Les déclarations de la future administration Trump ont effectivement été évoquées au cours des différentes réunions à l'OTAN et à l'Union européenne. Cependant, en l'absence de projet concret – il s'agit de simples déclarations faites par un candidat en campagne –, il n'est évidemment pas possible d'anticiper en détail les conséquences qui en découleraient, tant pour l'Ukraine que pour l'Europe.

En matière d'adhésion de l'Ukraine à l'OTAN, la Belgique s'inscrit pleinement dans la position de l'Alliance présentée à l'issue du sommet de Vilnius en 2023, à savoir qu'une invitation sera lancée à l'Ukraine dès lors que les alliés l'auront décidé et que toutes les conditions seront réunies. À ce titre, la fin durable du conflit constitue l'une des conditions préalables.

Lors du récent sommet de Washington, les alliés ont néanmoins effectué un pas vers l’Ukraine en avançant quatre initiatives: la création d’une plateforme OTAN de coordination de l’aide et des formations qui sont en faveur de l’Ukraine; la promesse d’un engagement financier fort; la désignation d’un représentant spécial de l’OTAN en Ukraine; la publication d’une déclaration commune OTAN-Ukraine.

Parallèlement à ces initiatives au sein de l’OTAN, plusieurs alliés, dont la Belgique, ont conclu avec l’Ukraine un accord bilatéral de coopération dans le domaine de la sécurité.

Notre pays s’inscrit aussi pleinement dans les efforts internationaux en faveur de l’Ukraine, notamment en participant aux formations et activités coordonnées par la mission européenne d’assistance militaire à l’Ukraine, en fournissant un appui matériel létal et non létal, et ce à titre national ou à travers des coalitions capacitaires telles que la coalition F-16, avec la formation des pilotes et des techniciens, la coalition artillerie ou la coalition pour le déminage en mer.

D’un point de vue belge, la Défense accueillera favorablement toute initiative visant à mettre fin de manière durable au conflit en Ukraine.

Luc Frank:

Madame la ministre, merci beaucoup pour la réponse. Nous restons en effet dans l’incertitude totale sur les contours que pourrait prendre le plan de paix et sur la possibilité de le mettre en œuvre. Les États européens, l’Union européenne, l’OTAN devront certainement prendre leurs responsabilités, agir plus et donc dépenser plus, soit en soutenant un accord de cessez-le-feu, une paix provisoire en étant sur le terrain, soit en renforçant le soutien à l’Ukraine, y compris pour remplacer un moindre soutien américain. Mais la question reste: avec quoi? Le 16 décembre, le président Trump a encore rappelé sa volonté de mettre en place une paix pour l’Ukraine, de stopper la guerre. Dans tous les cas, la Belgique devra jouer son rôle. J'espère que la Défense se prépare à toutes les options et qu’un processus de planification est en cours. Il est aussi nécessaire de préparer la population aux choix difficiles que nous allons devoir faire.

De bezoeken van de CHOD aan de militairen op missie in Afrika

Gesteld aan

Ludivine Dedonder

op 18 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België versterkt zijn militaire samenwerking met Benin en DR Congo via gerichte opleidingen (commando’s, medisch, marine, ontmijning) en de training van Congolese snelle-reactiebrigades, wat door lokale partners als zeer effectief wordt beoordeeld. De minister benadrukt dat deze bilaterale programma’s – gestructureerd via jaarlijkse stafoverleggen – prioritair zijn voor stabiliteit in de regio, naast diplomatie en ontwikkelingshulp. Lacroix onderstreept het belang van een geïntegreerde aanpak (defensie, diplomatie, ontwikkeling) voor vrede in het Sahel- en Grote Merengebied, maar betreurt de opschorting van het modelproject in Niger (met Enabel) door politieke instabiliteit, met de hoop op heropstart bij verbeterde omstandigheden.

Christophe Lacroix:

Madame la ministre, dans le cadre de sa tournée annuelle de fin d'année, le CHOD s'est rendu dans deux pays d'Afrique dans lesquels des militaires belges sont déployés.

Au Bénin d'abord, où il a rendu visite à notre détachement à Ouassa. Là-bas, des soldats du 2 e bataillon de commandos, de l'engagement civilo-militaire, du 14 e bataillon médical et du centre d'entraînement des soldats du commando de la Garde républicaine béninoise s'entraînent.

En République démocratique du Congo (RDC) ensuite, où il a pu rencontrer son homologue, le général d'armée Christian Tshiwewe. Cette rencontre symbolise un partenariat clair en faveur de la paix et de la sécurité dans les régions de l'Est du Congo notamment. Il s'est également rendu à Kindu auprès des militaires du 2 e bataillon de commandos, du 14 e bataillon médical, du 6 Gp CIS et du 29 e bataillon logistique.

Madame la ministre, après toute cette tournée, pouvez-vous nous en dire plus sur le type de collaborations menées dans ces deux pays d'Afrique? Quels sont les retours du CHOD quant à la qualité du travail mené sur place, de la relation de partenariat et sur l'état de nos collaborations? Je ne vous demanderai évidemment pas de vous prononcer sur le futur, qui ne vous appartiendra peut-être pas. Je dis "peut-être" parce qu'on ne voit pas cet Arizona dont on parle si souvent poindre le bout du nez jusqu'à présent.

Ludivine Dedonder:

Monsieur Lacroix, le Bénin et la République démocratique du Congo sont deux pays prioritaires pour la coopération militaire en Afrique sub-saharienne, comme stipulé dans la note de politique générale. La Défense entretient des programmes de coopération bilatérale avec ces deux pays, structurés par des réunions annuelles entre les états-majors, appelées commissions militaires mixtes.

Concernant le Bénin la coopération se structure actuellement autour de quatre piliers: la formation apportée à la Garde nationale, la formation d'équipages de la marine nationale dans le port de Cotonou, la formation des cadres en Belgique et diverses formations dispensées à la demande des autorités béninoises dans des domaines spécifiques comme le déminage, la marine, la communication stratégique et le renseignement.

Concernant la RDC, la coopération bilatérale s'oriente sur trois axes: la formation de cadres en Belgique et en RDC, l'équipement et l'entraînement de la 31 e Brigade de réaction rapide, et l'appui médical.

Après sa visite sur place, le CHOD a souligné la grande satisfaction exprimée par nos partenaires africains ainsi que la grande qualité des activités menées ces dernières années. Particulièrement en RDC, l'encadrement fourni aux instructeurs congolais de la 31 e Brigade de réaction rapide a permis de former des sous-unités entraînées et performantes. Cela a été confirmé de vive voix par les dirigeants congolais qui ont participé à la visite du centre d'entraînement à Kindu avec le CHOD et, notamment, par le chef d'état-major général des armées.

Christophe Lacroix:

Madame la ministre, je vous remercie beaucoup pour vos réponses. Il est vrai qu'en 2017, le président de la République démocratique du Congo d'alors avait unilatéralement cessé toute coopération militaire. Le ministre Reynders en charge des Affaires étrangères et, temporairement, de la Défense avait relancé cette coopération. Puis, vous, vous l'avez significativement augmentée en en faisant l'une des nombreuses priorités de reconstruction de votre mandat. Nous voyons bien qu'afin de garantir la sécurité et la paix dans la région du Sahel et des Grands Lacs, il est fondamental de travailler sur une approche globale, s'appuyant sur la Défense et la diplomatie, mais également sur la coopération au développement. En commission des Relations extérieures, nous avons eu toute une série d'auditions et de débats sur la coopération au développement, singulièrement en Afrique, et sur l'intérêt de la maintenir, y compris à travers le travail de nos militaires sur place qui peut être considéré comme une forme de coopération au développement dans le cadre d'une approche globale, parce que cela stabilise d'abord les institutions, ensuite les hommes et les femmes qui composent ces pays, puis les populations et, enfin, l'équilibre géopolitique fragile de l'Afrique. Nous savons qu'un tel équilibre est fragmenté de nos jours en Orient, au Moyen-Orient, en Ukraine et en Afrique, donc dans des zones très proches de l'Europe. C'est pourquoi j'insiste sur la nécessité d'honorer toutes les demandes de la résolution qui fut portée par mon groupe sous la précédente législature. Il importe que cette approche constitue une occasion pour travailler en toute cohérence avec vos collègues des Affaires étrangères et de la Coopération au développement. Nous avions salué la mise en place du premier projet d'approche globale avec Enabel au Niger. À ce stade, nous ne pouvons que regretter qu'il ait été suspendu, tant l'impact sur la population était favorable. J'espère donc que, lorsque la situation politique sur place sera davantage stabilisée, nous pourrons reprendre la mise en œuvre de ce projet.

Het bezoek van de minister aan de militairen op missie in Roemenië en in Polen

Gesteld aan

Ludivine Dedonder

op 18 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België versterkt zijn OTAN- en EU-defensie-inzet in Roemenië (Battle Group onder Frans commando) en Polen (logistieke steun en training Oekraïense troepen), als reactie op Russische dreiging en hybride oorlogsvoering in Oost-Europa. Minister Dedonder benadrukte tijdens bezoeken de groeierende interoperabiliteit, industriële defensiesamenwerking en bevestigde dat de missies in 2025 ongewijzigd blijven, met lof voor de Belgische bijdrage aan Oekraïnes weerstand—cruciaal nu Amerikaanse steun onzeker is. Lacroix onderstreept hoe Belgische trainingen levensreddend zijn voor Oekraïense troepen en waarschuwt voor Poetins escalerende destabilisatie (Transnistrië, Moldavië, Roemenië), terwijl de missies ook Belgische militairen praktijkervaring in moderne oorlogsvoering opleveren. De commissie sluit zich unaniem aan bij de erkenning voor de inzet van de troepen, die tijdens feestdagen ver van huis veiligheid en democratie verdedigen.

Christophe Lacroix:

Madame la ministre, on change de continent mais la problématique reste quelque peu la même: le déséquilibre général de ce monde, en particulier à quelques centaines voire quelques petits milliers de kilomètres de nos frontières. Mais ici, on parle effectivement d'alliés à la fois européens et otaniens (Roumanie et Pologne).

Madame la ministre, comme vous le faites chaque année – et je vous en remercie –, vous vous êtes rendue auprès de nos militaires belges déployés à l'étranger. Vous vous êtes ainsi rendue en Roumanie et en Pologne.

Madame la ministre, pourriez-vous m'indiquer les contacts que vous avez eus avec les autorités de ces deux pays européens en marge de votre mission auprès des militaires belges? Après plusieurs mois de déploiement, parce qu'on n'en parle plus vraiment, quel bilan peut être tiré de la participation militaire belge dans ces pays? Enfin, pourriez-vous m'indiquer les évolutions attendues en 2025 dans le déploiement de nos militaires dans ces pays et plus largement en Europe, compte tenu de la cristallisation des tensions ces dernières semaines ou derniers mois?

Ludivine Dedonder:

Monsieur Lacroix, lors de ma mission en Roumanie, j'ai rencontré la secrétaire d'État Simona Cojocaru. Nous avons souligné l'excellente coopération entre nos pays et l'interopérabilité croissante dans le cadre de la mission Forward Land Forces. Cette mission est un exemple concret de l'Europe de la Défense en termes d'interopérabilité des forces et d'utilisation de capacités similaires. On peut certainement s'enorgueillir de ce genre de mission. Nous avons également discuté de la coopération industrielle européenne, de la mobilité militaire et des engagements opérationnels prévus en 2025.

En Pologne, j'ai rencontré le secrétaire d'État Pawel Zalewski. Nous avons échangé sur la prochaine présidence polonaise de l'Union européenne, sur la coopération entre l'Union européenne et l'OTAN, sur l'avenir de la défense européenne et l'importance d'investir dans nos capacités militaires. Pour information, la Pologne compte atteindre 5 % du PIB l'année prochaine.

La présence des troupes belges en Roumanie et en Pologne est l'expression directe de notre contribution aux tâches de dissuasion assurées par l'OTAN sur le flanc est de l'Alliance mais aussi à notre engagement pour soutenir l'Ukraine dans sa résistance à l'agression russe.

En Roumanie, le détachement est déployé dans le cadre des mesures de réactivité de l'OTAN. Sur place, une compagnie interarmes belge est intégrée au sein du Battle Group dirigé par la France. Actuellement, l'essentiel des forces est fourni par le bataillon 12 e et 13 e de ligne de Spa.

En Pologne, notre présence s'inscrit directement dans notre soutien aux forces armées ukrainiennes, notamment avec une contribution aux formations dispensées dans le cadre de la mission européenne d'assistance militaire pour l'Ukraine ainsi qu'une participation au hub logistique de l'OTAN destiné à faciliter le transfert de matériel militaire à l'Ukraine.

J'ai également eu l'occasion de m'entretenir rapidement avec les militaires ukrainiens en formation ainsi qu'avec les militaires belges qui donnent ces formations. Au-delà de l'émotion que l'on peut avoir, c'est certainement très enrichissant pour nos propres militaires et cela leur permet aussi de parfaire leur formation.

Concernant l'engagement opérationnel de la Défense pour 2025, nous confirmons la poursuite des déploiements que je viens d'évoquer, à savoir la participation au Battle Group français en Roumanie, la présence au sein du hub logistique en Pologne ainsi que la contribution aux formations données dans le cadre de l'EU Military Assistance Mission in support of Ukraine (EUMAM Ukraine).

Profitons de cette dernière séance pour féliciter nos militaires pour leur travail considérable, hommes et femmes de la Défense qui sont déployés en opération, loin de leurs familles, pendant les fêtes de fin d'année. C'est pour cette raison aussi que je m'y rends chaque année, pour leur témoigner reconnaissance de la part des autorités politiques mais aussi de la part de la population, puisqu'ils sont loin d'ici pour assurer notre propre sécurité.

Voorzitter:

Ik sluit me aan bij die laatste woorden van de minister. Dank ook om dat bezoek te brengen en zo die militairen te ondersteunen. Ik spreek die dank uit namens de hele commissie.

Christophe Lacroix:

Monsieur le président, vous faites bien de généraliser les remerciements que la commission peut adresser à ces militaires qui sont déplacés à l'étranger, non pour parader, mais pour du vrai travail de maintien de la paix et d'aide à celles et ceux qui sont directement ou potentiellement menacés, comme la Roumanie ou la Pologne qui sont quasiment sur la ligne de front. Nous savons combien les Russes – notamment à travers les opérations de déstabilisation en Transnistrie, en République de Moldova et, très récemment, dans l'élection présidentielle roumaine – menacent ces démocraties par des tactiques de guerre hybride mais également sur un théâtre de conflit abominable où des dizaines de milliers de militaires et de civils perdent la vie en Ukraine. C'est un constat effarant de voir que des autocrates tels que Poutine sont capables de nous faire revivre des périodes que nous croyions révolues en Europe.

Ce qui me plaît dans votre réponse mais également dans les témoignages que je lis dans la presse – qui s'informe un peu lorsqu'elle est spécialisée en la matière –, c'est de voir à quel point nos contributions sont appréciées par nos partenaires. Je lisais le témoignage de soldats ukrainiens qui parlent en termes élogieux de la collaboration avec la Belgique en termes de formation. Ils disent que cela leur est très précieux pour continuer à résister à l'envahisseur russe car, depuis l'élection de Trump, la morosité, voire une forme de désespoir, règne en Ukraine. Par ailleurs, nos militaires trouvent tout aussi précieux de collaborer avec des gens confrontés à un conflit alors qu'il y a – heureusement – des années qu'ils n'ont eux-mêmes pas été confrontés à ces réalités de terrain.

Donc, vraiment, merci à vous, à nos militaires, à l'état-major; merci à toutes celles et tous ceux qui font briller le drapeau belge à l'étranger et, par-delà, les étendards de la démocratie et de nos valeurs humaines.

Voorzitter:

Vraag nr. 56001545C van de heer Francken wordt uitgesteld.

De indringingen in de kazernes van Defensie
De beveiliging van de militaire sites
Beveiliging en indringingen op militaire locaties

Gesteld aan

Ludivine Dedonder

op 18 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de sterke toename van veiligheidsincidenten en hybride dreigingen (o.a. spionage, sabotage) op Belgische militaire sites zoals DOVO-Poelkapelle, met vermoedens van Russische betrokkenheid via proxy’s (mogelijk asielzoekers). Minister Dedonder bevestigt dat de dreiging niet uniek is voor Poelkapelle, deel uitmaakt van een Europese trend en al twee jaar verhoogde waakzaamheid vereist, met versterkte fysieke beveiliging, technologie en personeelstrainingen als tegenmaatregelen. Ze benadrukt samenwerking met NAVO/EU voor informatie-uitwisseling, maar geeft geen details over specifieke locaties of externe actoren om veiligheidsredenen. Parlementsleden dringen aan op versnelde uitvoering van structurele oplossingen en een nationale langetermijnstrategie tegen hybride oorlogsvoering.

Peter Buysrogge:

Mevrouw de minister, uit de recente berichtgeving in de krant, onder andere in La Dernière Heure, blijkt dat het aantal verdachte gedragingen en veiligheidsincidenten rond het DOVO-terrein in Poelkapelle aanzienlijk is toegenomen. Incidenten zoals beschadiging van omheiningen, ongeoorloofde toegang en verkenningen zouden mogelijk bedoeld zijn om te testen hoever men kan gaan bij het verkennen van de robuustheid van onze beveiliging.

Bovendien wordt gesuggereerd, voor wat het waard is, dat er betrokkenheid van Rusland zou zijn, waarbij gebruikgemaakt zou worden van willekeurige personen, onder wie asielzoekers uit het naburige opvangcentrum. Ik spreek in de voorwaardelijke wijs, want mocht dit kloppen, dan is het natuurlijk een ernstige bedreiging voor de militaire veiligheid en vraagt het om een doortastende aanpak.

Mevrouw de minister, ik heb vragen voor u.

Ten eerste, is de situatie in Poelkapelle uniek, of werden ook andere kazernes of militaire sites van Defensie, zoals die in Zeebrugge of elders, geviseerd door soortgelijke incidenten?

Ten tweede, kunt u aangeven welke kazernes nu onder een verhoogd dreigingsniveau vallen? Zijn er plannen of strategieën om de verhoogde dreiging structureler aan te pakken en om op termijn de risico's te verminderen?

Ten derde, welke specifieke maatregelen heeft Defensie reeds genomen of is zij van plan te nemen om de beveiliging van militaire domeinen als het DOVO-terrein in Poelkapelle structureel te versterken? Hoe worden toekomstige inbreuken of tests van de beveiliging proactief voorkomen?

Ten vierde, kunt u toelichten hoe Defensie omgaat met de mogelijke betrokkenheid van externe actoren, zoals Rusland, bij de vermeende tests of indringing op militaire terreinen? Hoe past deze aanpak binnen de bredere nationale veiligheidsstrategie en hoe wordt daarover gecommuniceerd met onze bondgenoten?

Kristien Verbelen:

Mevrouw de minister, uit uw antwoord op mijn schriftelijke vraag blijkt dat het aantal incidenten op de DOVO-site in Poelkapelle verontrustend gestegen is, van 1 incident in 2019 naar 26 in 2024. Vooral in de twee jongste jaren zagen we een sterke stijging. Dat is een zorgwekkende evolutie, die vragen oproept over de veiligheid van onze militaire infrastructuur en over de mogelijke oorzaken van deze toename.

Ik heb ter zake enkele vragen voor u.

Ten eerste, hebben wij weet van gelijkaardige incidenten in de ons omringende landen? Zien zij ook een toename van verdachte activiteiten op hun militaire sites? Wordt er daarover internationaal overleg gepleegd, bijvoorbeeld binnen de NAVO? Kunnen wij iets leren uit die aanpak?

Ten tweede, is er een analyse gemaakt van de oorzaken van deze stijging? Er wordt vermoed dat Rusland discrete operaties uitvoert om de veiligheid van onze militaire terreinen te testen. Kunt u dat vermoeden bevestigen?

Hoe ernstig is deze dreiging? Welke concrete maatregelen neemt Defensie om deze mogelijke buitenlandse inmenging tegen te gaan?

Zijn er soortgelijke problemen op andere militaire sites in ons land, of gaat het hier specifiek over een probleem te Poelkapelle? Indien dat zo is, waarom is deze site zo kwetsbaar?

U gaf ook aan dat bijkomende maatregelen gepland zijn. Welke concrete acties werden er al ondernomen en welke stappen volgen nog? Wordt er gedacht aan het versterken van de fysieke beveiliging, het inzetten van technologie of het verhogen van de personeelscapaciteit?

Hoe ziet het bredere plaatje op lange termijn eruit? Is er een nationale strategie in de maak om dergelijke dreigingen structureel aan te pakken en om te voorkomen dat buitenlandse inmenging onze veiligheid blijft ondermijnen?

Ludivine Dedonder:

Collega's, voor een aantal kwartieren geldt nog steeds een verhoogde dreiging. Uit veiligheidsoverwegingen kan ik hierop niet verder ingaan. Ik kan wel zeggen dat wij niet op deze recente gebeurtenissen hebben gewacht om actie te ondernemen en waakzaam te blijven. De situatie te Poelkapelle is niet uniek. Het doel is om onze systemen te testen. Risico's van spionage, subversie en sabotage gelden ten aanzien van Defensie in het algemeen. Dat zijn gekende praktijken in het kader van hybride dreigingen door buitenlandse mogendheden.

De toename van dergelijke incidenten loopt gelijk met de bredere evolutie van hybride dreigingen in Europa. We stellen vast dat verschillende landen soortgelijke uitdagingen ervaren, waarbij specifieke toewijzing vaak complex en onzeker blijft. De waakzaamheid van alle betrokken diensten is al meer dan twee jaar verhoogd. Er loopt een project om de fysieke beveiligingssystemen te versterken. Er zullen ook briefings worden gegeven om het personeel van Defensie bewuster te maken en zo de waakzaamheid te vergroten.

Deze beveiliging is steeds een combinatie van vier elementen: het ontzeggen van de toegang, de detectie, het vertragen van indringers en een dispositief voor interventies. Defensie heeft zowel een taak te vervullen in het kader van de nationale veiligheidsstrategie als in het kader van de verdediging van het nationale en NAVO- en EU-grondgebied. In die hoedanigheid is Defensie vertegenwoordigd in de verschillende formele fora, zowel op nationaal vlak als bij de NAVO en de EU, waar informatie wordt uitgewisseld en met onze partners en bondgenoten wordt overlegd.

Peter Buysrogge:

Dank u voor uw antwoorden, mevrouw de minister. U bevestigt eigenlijk dat er daadwerkelijk dreigingen zijn geweest en dat er in Poelkapelle tests hebben plaatsgevonden. U zegt ook dat het geen alleenstaand feit is. Op het gerucht dat er asielzoekers zouden zijn ingezet, bent u niet ingegaan, maar dat is wel zeer ernstig te nemen.

We weten dat Rusland op vele fronten bezig is het vrije Westen aan te vallen. Het doet dat via cyberaanvallen. Het doet dat via de Noordzee. Onze kritieke infrastructuur wordt geviseerd. Daarover werd daarnet nog een vraag gesteld.

We vernemen nu ook dat er tests worden uitgevoerd om de weerbaarheid van onze kazernes te bekijken. Het is zinvol om daar prioriteit aan te geven. U zegt dat de waakzaamheid wordt vergroot en er in de verbetering van beveiligingssystemen wordt geïnvesteerd. Het is echt noodzakelijk dat die initiatieven in de nabije toekomst verder worden versterkt en uitgevoerd, want de bedreigingen zijn er.

Kristien Verbelen:

Dank voor uw antwoord. Het is goed om te horen dat het breder wordt bekeken, niet alleen wat er in België gebeurt, maar de hele internationale context. Ik hoop op een brede strategie, zodat het probleem niet opnieuw opduikt, of zodat we het op zijn minst kunnen inperken. We gaan dit zeker van nabij moeten blijven volgen. Het gaat immers over de veiligheid van onze militaire infrastructuur. Ik hoop in de toekomst een update over die bredere strategie te krijgen.

De downtime van F-35A-gevechtsvliegtuigen

Gesteld door

lijst: PVDA Robin Tonniau

Gesteld aan

Ludivine Dedonder

op 18 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De F-35-aankoop (15 miljard voor 34 toestellen) kampt met lage operationele beschikbaarheid (51% in VS vs. beloofde 65%), door tekort aan onderdelen en afhankelijkheid van Lockheed Martin voor onderhoud door intellectuele eigendomsrechten, wat inzetbaarheid in crisissituaties riskeert. Minister Dedonder bevestigt dat de F-16-vloot door veroudering zakte van 65% naar 45% beschikbaarheid, terwijl de F-35-contracten wel uptime-garanties bevatten (details geheim), met lokale onderhoudsinspanningen om afhankelijkheid te verminderen en economische spin-off te creëren. Kritiek blijft dat België strategisch kwetsbaar is door externe afhankelijkheid en dat de F-35 een "kat in de zak" lijkt, gegeven de bestaande problemen in de VS. Dedonder benadrukt dat de aankoop onder de vorige regering gebeurde, maar dat huidige inspanningen gericht zijn op lokaal onderhoud en toekomstige defensie-industrie.

Robin Tonniau:

Mevrouw de minister, de eerste Belgische vlucht met de F-35A heeft vorige week donderdag plaatsgevonden vanop de Luke Air Force Base, uitgerekend in de woestijnstaat Arizona. De kostprijs van de 34 bestelde Amerikaanse straaljagers zal op 30 jaar oplopen tot 15 miljard euro. Dat is echter geen nieuws meer.

De producent Lockheed Martin beloofde ons een uptime of beschikbaarheid van minstens 65 %. Vandaag lezen we echter in publiek raadpleegbare rapporten die gemaakt werden op vraag van het Amerikaanse Congres, dat de uptime van de F-35 gemiddeld amper 51 % bedraagt. Met andere woorden, de helft van de tijd kan de F-35 niet worden ingezet wegens de onbeschikbaarheid van reserveonderdelen of door extra onderhoudstaken die niet kunnen worden uitgevoerd door Defensie zelf.

Wat is de uptime van onze huidige F-16-vloot? Welk percentage van de tijd zijn ze onmiddellijk beschikbaar?

Is de uptime van de bestelde F-35's contractueel vastgelegd? Zo ja, wat bedraagt het minimale percentage?

Bent u op de hoogte van de lage beschikbaarheidstijd van de F-35's door problemen met de aanvoer van reserveonderdelen en onderhoudswerkzaamheden?

Ludivine Dedonder:

De beschikbaarheid van de F-16-vloot houdt rekening met de onbeschikbaarheid van vliegtuigen in depot-, preventief of correctief onderhoud. Dit resulteerde in het verleden in een operationeel inzetbare beschikbaarheid van ongeveer 65 %. De laatste jaren daalde dat percentage echter sterk, naar ongeveer 45 %, onder meer als gevolg van de ouderdom en de daarmee gepaard gaande structurele problemen, de langere periodes voor onderhoud en de beperkte beschikbaarheid van onderdelen.

De beschikbaarheid van de F-35-vloot is contractueel vastgelegd en zal van nabij worden opgevolgd door zowel Defensie als de firma Lockheed Martin. Dat is een continu proces en de bevindingen worden tijdens verschillende fora gedeeld met de gebruikers. Gebaseerd op die bevindingen worden initiatieven ter verbetering van de beschikbaarheid ingevoerd, en dit zowel in het domein van het onderhoud als in het domein van de herbevoorrading. De exacte contractuele details zijn echter niet voor het publiek beschikbaar. Aangezien België pas sinds vorige week zijn vliegactiviteiten heeft opgestart met de F-35, kunnen we momenteel het geciteerde percentage niet proefondervindelijk bevestigen.

Robin Tonniau:

Mevrouw de minister, ik leer daaruit dat die 65 % de standaard moet zijn binnen Defensie aangezien onze vloot van F-16's 65 % van de tijd beschikbaar moest zijn. Dat is uiteraard gedaald doordat we investeren in nieuwe vliegtuigen en door een gebrek aan onderhoud. Dat begrijp ik, maar ik maak me wel zorgen. In dat rapport, opgevraagd door het Amerikaanse Congres, kan men lezen dat Defensie niet alle reparaties kan en mag uitvoeren en dat die moeten worden uitbesteed aan Lockheed Martin of een onderaanneming daarvan, onder andere doordat de eigendomsrechten intellectueel beschermd zijn.

We zijn nu in een staat van relatieve vrede wereldwijd, maar stel dat men in oorlog is, dan heb ik de indruk dat België niet bovenaan het lijstje voor hulp zal staan. Die problemen stellen zich vandaag immers al in de Verenigde Staten, met het beschikbaar stellen van reserveonderdelen en reparaties. Volgens mij hebben we met die F-35's een kat in een zak gekocht. Het is een beetje zoals het programma Blind Gekocht . Men geeft al zijn spaarcenten aan iemand die dan iets voor u koopt en zegt dat dat het cadeau is, terwijl het niet is wat men heeft gevraagd. Een goede huisvader bestelt geen wagen op een plan, maar wil een betrouwbare wagen die kan rijden wanneer hij hem nodig heeft. Ik zou het gek vinden om nog meer F-35's te bestellen nu we zien dat er vandaag al zoveel problemen zijn met de inzetbaarheid van die toestellen in de Verenigde Staten, laat staan eens ze in België zijn.

Tot slot wil ik u, uw kabinet en iedereen bij Defensie een vredevol eindejaar toewensen.

Ludivine Dedonder:

Je ne suis pas suspecte: ce n'est pas moi qui ai acheté les F-35, puisque ce fut fait sous la précédente législature. En revanche, nous nous sommes assurés, avec les entreprises de sécurité et de Défense belges, que la maintenance puisse avoir lieu ici afin de raccourcir les délais, d'être opérationnels au maximum et d'avoir le plus de disponibilité possible. Donc, c'est un aspect opérationnel qui engendre des retombées économiques et sur le plan de l'emploi pour ces entreprises. C'est afin d'obtenir encore plus de retombées économiques que nous nous sommes inscrits avec ces entreprises dans la perspective de l'avion du futur.

Nous verrons bien ce qu'il en adviendra, mais au moins nous sommes là avec nos entreprises qui peuvent travailler en recherche et développement et qui, par la suite, en entrant dans ce programme, auront acquis une certaine connaissance. De la sorte, elles pourront se développer – ce qui est notoirement bon pour l'économie et pour la création d'emplois. C'est la logique.

Voorzitter:

Mevrouw de minister, ik dank u voor de toevoeging.

Ludivine Dedonder:

Mevrouw Ponthier, inzake uw vraag nr. 56001576C kan ik u nog melden dat er geen aanvraag tot bruikleen werd ingediend door de gemeente Brasschaat.

Voorzitter:

Mevrouw de minister, dat openstaande vraagje is meteen ook beantwoord, waarvoor dank. Collega’s, dat betekent dat we aan het einde van onze zitting zijn gekomen. De laatste woorden van de heer Tonniau waren heel wijs. Ik heb het over zijn warme woorden van appreciatie. Hij wenste ook iedereen fantastische, vredevolle en rustige kerstdagen toe. Het is een bijzonder hectisch jaar geweest. We zijn evenwel nog niet volledig aan het einde van het jaar gekomen. Misschien staat er nog het een en ander te gebeuren. Mevrouw de minister, al uw kabinetsmedewerkers en alle mensen van Defensie wil ik vredevolle kerstdagen toewensen. Collega’s, we zien elkaar in januari 2025 terug. Geniet van de kerstdagen en van de familie. Ik wens ook iedereen van de administratie van de Kamer te bedanken. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 12.05 uur. La réunion publique de commission est levée à 12 h 05.

De genomen maatregelen en de resterende uitdagingen in de strijd tegen intrafamiliaal geweld

Gesteld aan

Marie-Colline Leroy

op 18 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België blijft kampen met hardnekkige intrafamiliaal geweld en feminicides, ondanks het Nationaal Actieplan (2021-2025) met 200 maatregelen op preventie, bescherming en strafvervolging, gecoördineerd via de Conventie van Istanbul en interbestuurlijke samenwerking. Sensibiliseringscampagnes (bv. *Operatie Toestemming* voor jongeren) en steunprojecten (bv. *Project M* voor daders in gevangenissen) werden opgestart, maar de alarmcijfers blijven onverminderd hoog, vooral door toegangsproblemen tot opvang, psychologische hulp en gerechtelijke opvolging. Coördinatie tussen federale en deelstaatoverheden verloopt weliswaar efficiënt, maar structurele lacunes (snelheid, bereikbaarheid, preventie) vragen om versterkte actie in de toekomst. Prioriteit blijft het verduurzamen en uitbreiden van bestaande initiatieven, met nadruk op systeemverandering en dadertrajecten.

Anne Pirson:

Madame la secrétaire d'État, depuis l'adoption de la loi de 1997 relative aux violences conjugales, de nombreux efforts ont été consentis pour protéger les victimes et poursuivre les auteurs. Toutefois, les violences intrafamiliales restent un fléau en Belgique, comme en témoignent les chiffres alarmants sur les féminicides et les cas signalés chaque année.

Ces violences ont de profondes répercussions sur les victimes, souvent aggravées par des difficultés à accéder rapidement à un soutien psychologique adapté, à une justice efficace ou encore à des solutions d'hébergement. Il apparaît aujourd'hui essentiel de dresser le bilan non seulement des succès, mais aussi des lacunes qui subsistent, afin de pouvoir renforcer la lutte contre ces violences.

Madame la secrétaire d'État, en matière de prévention, envisagez-vous des campagnes de sensibilisation renforcées ou des programmes spécifiques pour cibler les comportements à risque, notamment chez les jeunes?

Sur le plan de la protection des victimes, quel bilan dressez-vous des mesures prises pour garantir un accès rapide à des dispositifs d'hébergement d'urgence et à des services de soutien psychologique, particulièrement pour les femmes en situation de précarité?

En ce qui concerne le volet judiciaire – même si ce dernier ne relève pas directement de vos compétences –, quelles actions ont-elles été entreprises pour améliorer le suivi des auteurs, par exemple par le biais de dispositifs de surveillance ou de programmes de réhabilitation, et prévenir les récidives?

Enfin, comment jugez-vous la concertation entre les membres du gouvernement fédéral et vos homologues des entités fédérées pour renforcer la cohérence des actions et l'efficacité des politiques? Quels axes d'amélioration recensez-vous en vue d'une meilleure coordination à l'avenir?

Marie-Colline Leroy:

Madame Pirson, je vous remercie de votre intérêt pour cette difficulté que vous avez mise en évidence, d'autant plus que vous et vos collègues êtes en train de négocier en vue de former un futur gouvernement. Je suis rassurée de savoir que c'est une préoccupation et que je peux en profiter aujourd'hui pour vous transmettre un certain nombre d'informations qui seront essentielles à un futur gouvernement.

Nous nous sommes en effet véritablement attaqués à une montagne; s'attaquer aux violences aura constitué un travail titanesque. Vous avez parlé d'une politique intégrée et harmonisée entre le fédéral et les entités fédérées. Ce fut une de nos priorités puisque nous avons adopté un Plan d'action national de lutte contre les violences basées sur le genre (PAN) 2021-2025. Il se termine bientôt et il faudra donc le renouveler. Ce plan d'action compte 200 mesures en matière de prévention, de protection des victimes et de poursuite des auteurs. Cette politique est coordonnée par un groupe interdépartemental composé des représentants des administrations et des cabinets de tous les niveaux de pouvoir. Cette coordination est non seulement indispensable mais aussi efficace et elle fonctionne.

Par conséquent, si nous voulons mener des politiques intégrées, ceci constitue une excellente opportunité de le faire sur le socle solide qu'est la Convention d'Istanbul. Elle a été notre boussole et je pense que cela a eu énormément d'effet sur le travail.

Dans le cadre de ce plan, nous avons mené plusieurs campagnes qui ont été organisées au niveau fédéral pour informer le grand public des ressources et des services de soutien à leur disposition. Je citerai par exemple l'opération Consentement, menée entre 2022 et 2023, qui visait à sensibiliser les jeunes et les acteurs du milieu festif. Plus largement, plusieurs actions ont également été lancées pour informer le grand public sur l'existence des Centres de Prise en charge des Violences sexuelles (CPVS).

Notons aussi que de nombreuses autres campagnes de sensibilisation ont été menées, cette fois par des entités fédérées, dans le cadre du PAN, qui visent principalement à accroître la prise de conscience ainsi que la compréhension du caractère genré et systémique des violences basées sur le genre et de leurs conséquences, comme nous le rappelle la Convention d'Istanbul.

Les autorités compétentes ont également pris des mesures en matière de soutien aux auteurs de violences entre partenaires. Par ailleurs, le fédéral a soutenu le projet M – dont vous avez peut-être entendu parler – de l'ASBL Zijn qui met l'accent sur le travail autour de la masculinité dans le contexte carcéral. Le projet a été mis en œuvre dans les prisons du nord du pays. Il s'est clôturé le 19 novembre 2024 par la présentation d'un manuel très bien pensé à destination des professionnels pour déployer cette démarche dans toutes les prisons et tous les centres de détention du pays.

J'espère vivement que tout ce qui a été mis en place pourra être poursuivi dans le futur.

Voorzitter:

Madame la secrétaire d'État, je vous précise que je suis relativement souple pour ce qui est du temps de parole.

Anne Pirson:

Madame la secrétaire d'État, je vous remercie pour toutes ces informations. Je prends bonne note de tout ce qui a été fait. Ce n'est que du positif. Malheureusement, les chiffres sont toujours aussi alarmants. Les violences intrafamiliales restent une priorité. J'entends que de nombreuses concertations ont eu lieu entre les différents niveaux de pouvoirs. Des défis majeurs subsistent. Je resterai attentive à la question.

De incidenten in de opvangcentra met agressie tegen het personeel

Gesteld aan

Nicole de Moor (Staatssecretaris voor Asiel en Migratie)

op 18 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Staatssecretaris Nicole de Moor bevestigt structurele onderrapportering van geweldsincidenten in asielcentra (dagelijks 1-3 incidenten, maar verbale agressie en drugs/alcohol vaak niet gemeld), wijt dit aan decentrale registratie en kondigt een centrale monitorings-tool (tijdstip onbekend) aan om veiligheid voor personeel en bewoners te verbeteren. Francesca Van Belleghem benadrukt de ernstige dagelijkse onveiligheid voor medewerkers, die moedeloos raken door zowel fysiek als verbaal geweld. De Moor herhaalt dat ernstige incidenten wel centraal worden gemeld en pleit voor versterkte politie-inzet rond opvanglocaties, maar concrete oplossingen blijven vaag. Cijfers tonen 3.547 Syriërs in opvang, waarvan velen in procedures of transitie zitten.

Francesca Van Belleghem:

Mevrouw de staatssecretaris, uit cijfers die ik van u ontving blijkt dat er elke dag gemiddeld een geweldsincident zou plaatsvinden in de opvangcentra voor asielzoekers tegen het personeel dat er werkzaam is. Er zouden ook elke dag een à twee incidenten zijn tussen asielzoekers onderling. Dan is er nog eens een incident om de drie dagen tussen asielzoekers en derden.

Ik heb deze cijfers voorgelegd aan het personeel van een opvangcentrum. Volgens hen zou het werkelijke aantal incidenten, vooral wat betreft verbale agressie tegenover personeel, vele malen hoger liggen dan de cijfers die ik van u ontving, ook de cijfers inzake alcohol en drugs.

Indien deze informatie juist is, zie ik slechts twee mogelijke oorzaken. Ofwel geeft het personeel de incidenten niet systematisch door aan de directie van het opvangcentrum in kwestie, ofwel geeft de directie van het opvangcentrum de cijfers niet door aan Fedasil. In beide gevallen is er sprake van problematische onderrapportering.

Bent u bekend met deze problematiek? Indien de informatie die ik ontving juist is, welke maatregelen zou men dan kunnen nemen om het fenomeen van onderraportering tegen te gaan? Nam u in het verleden al maatregelen om die onderrapportering tegen te gaan?

Nicole de Moor:

Collega Van Belleghem, ik ben inderdaad bekend met het fenomeen. Wij namen al maatregelen.

Ik wil in de eerste plaats herhalen dat ik elk incident met asielzoekers, klein of groot en binnen of buiten een opvangcentrum, ten strengste veroordeel. Daarom pleit ik ervoor om bijvoorbeeld een versterking van de lokale politiezones te voorzien wanneer er een collectief opvangcentrum is. Dat moeten wij bekijken in het kader van de regeringsonderhandelingen.

U hebt inderdaad contacten gehad. Het is onmogelijk om conclusies te trekken uit gesprekken met het personeel van een opvangcentrum. Wij hebben meer dan 100 opvangcentra. Conform de instructies aan de opvangcentra worden ernstige incidenten en incidenten met een belangrijke impact vandaag centraal gemeld. Het gaat hierbij om onder andere volgende incidenten: aanval op de fysieke integriteit van medewerkers of bewoners, vechtpartijen, ernstige verstoring van de rust in een centrum of van de openbare orde, aanzienlijke schade aan de infrastructuur, tussenkomst van de politie, de brandweer enzovoort. Deze gegevens worden gebruikt om te antwoorden op uw schriftelijke vragen.

Andere incidenten, bijvoorbeeld verbale agressie, worden vaak decentraal geregistreerd. Het is de bedoeling om de monitoring van deze incidenten uit te breiden opdat het centraal niveau een volledig beeld daarvan krijgt. Fedasil werkt daarvoor nu aan een nieuwe tool en dit werd ook opgenomen in een strategisch project van het agentschap, net omdat het agentschap dan een veilig leefklimaat kan nastreven, zowel voor het personeel als voor de bewoners.

Francesca Van Belleghem:

Het Fedasilpersoneel wordt eigenlijk moedeloos van al die incidenten. Zij ervaren elke dag geweld, zowel verbaal als fysiek. Het is goed dat men een tool op poten zet, maar wanneer komt die er?

Nicole de Moor:

Ik kan nog geen datum geven waarop die tool gebruiksklaar zal zijn.

Ik kan u wel nog een bijkomend antwoord op uw vorige vraag nr. 56001383C geven.

Er blijven vandaag 3.547 Syriërs in de opvang. Ik zei daarnet dat er 3.111 een procedure hadden lopen bij het CGVS, maar er zijn ook mensen die een beroepsprocedure bij de RvV hebben lopen of mensen die al erkend zijn maar nog in de transitieperiode van twee maanden zitten. Het aantal Syriërs in de opvang bedraagt vandaag echter 3.547.

Francesca Van Belleghem:

Dank u.

De opvangweigering voor personen met een M-status
M-statussen
De aanvragen van personen met een beschermingsstatus in een andere EU-lidstaat
Erkenning en behandeling van M-statussen binnen de EU

Gesteld aan

Nicole de Moor (Staatssecretaris voor Asiel en Migratie)

op 18 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België kampt met 7% asielzoekers in opvang (2.384 van 33.641) met een M-status (reeds erkend in een andere EU-lidstaat), goed voor 15% van alle aanvragen in 2024, waarvan 13% Syrische gevallen. Staatssecretaris Nicole de Moor pakt dit aan via versnelde toepassing van EU-migratiepactbepalingen (beperkte opvang, strengere procedures), cassatieberoepen tegen RvV-uitspraken en versterkte motivatie van CGVS-beslissingen, maar een wetsontwerp komt *"zo snel mogelijk"* zonder concrete timing. Khalil Aouasti pleit voor erkenning van 'draagbare' vluchtelingenstatussen tussen EU-landen om dubbele procedures te vermijden, maar dit blijft juridisch en politiek onbesproken.

Francesca Van Belleghem:

Mevrouw de staatssecretaris, al enige tijd verklaart u dat de stijging van het aantal asielaanvragen deels ligt aan het feit dat er meer personen asiel aanvragen, terwijl ze eigenlijk al een status hebben gekregen in een andere EU-lidstaat. In de afgelopen maanden ging het telkens om meer dan 450 mensen per maand. Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen Sophie Van Balberghe heeft gisteren gezegd dat het om 14 % van haar totale werklast zou gaan. Dat is gigantisch.

Het valt natuurlijk niet uit te leggen dat iemand die als vluchteling erkend is in Griekenland of in Bulgarije en daar een toekomst mag uitbouwen, nog eens asiel aanvraagt in België en onze systemen misbruikt. Op 27 november 2024 verklaarde u, terecht, dat u paal en perk wilt stellen aan het systeem van die zogenaamde M-statussen.

Er zijn twee pistes om deze problematiek aan te pakken: enerzijds de rechtspraak van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aanvechten, anderzijds bepaalde delen van het EU-migratiepact vervroegd toepassen. Eind november verklaarde u zo snel mogelijk met een wetsontwerp naar het Parlement te trekken.

Kunt u ons een definitief overzicht geven van hoe groot deze problematiek is? Hoeveel procent van de asielzoekers die in de asielopvang verblijven, heeft een M-status? Om hoeveel asielzoekers gaat het? Doen die personen met een M-status ook een beroep op hotelopvang, of is dat in het verleden gebeurd? Wat betreft de rechtspraak die u probeert aan te vechten: in welke stand van het geding zitten we en wanneer mogen we eventueel een uitspraak verwachten?

Last but not least: wat is de stand van zaken van het wetsontwerp?

Khalil Aouasti:

Monsieur le président, madame la secrétaire d’État, le CGRA a annoncé poursuivre les entretiens personnels et la prise des décisions concernant des bénéficiaires d’un statut de protection dans un autre État membre de l’Union européenne. Combien de dossiers sont concernés? Combien de dossiers de ressortissants syriens sont concernés? Vous avez annoncé que l’État ferait systématiquement appel des décisions du CCE. Quelle est l’indépendance du CGRA dans le choix de faire appel ou non dans le cadre d’un dossier?

Vous avez annoncé avoir reçu l’accord de la Commission pour transposer le pacte de manière anticipée. Quels sont les contours de cet accord? Est-ce que cela concerne la limitation de l’accueil des bénéficiaires d’un statut de protection dans un autre État membre? Est-ce qu’une instruction a été transmise à Fedasil? Si oui, sur quelle base légale vous appuyez-vous?

Nicole de Moor:

Collega's, een groeiend aantal mensen vraagt in België asiel aan terwijl ze al bescherming genieten in een andere lidstaat. Die situatie legt een voor mij onaanvaardbare administratieve en logistieke druk op ons systeem. Meer nog, ze ondermijnt ook een geharmoniseerd Europees asielsysteem. Dat kunnen we niet toestaan.

Daarom zag ik mij genoodzaakt om een aantal maatregelen te nemen, zoals ik eind november al had aangekondigd. Zo zal ik samen met de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) en het CGVS alle juridische middelen uitputten om tot een andere rechtspraak van de RvV te komen. Dat is cruciaal. Ook loopt er een informatiecampagne op sociale media om personen te informeren dat ze niet zomaar naar een volgende lidstaat kunnen doorreizen als ze al bescherming hebben gekregen. De DVZ en Fedasil hebben ook samen de terugkeerbegeleiding versterkt voor deze specifieke doelgroep. Tot slot heb ik besloten bepaalde bepalingen uit het asiel- en migratiepact versneld uit te voeren.

Op 14 oktober stuurde voorzitter von der Leyen een brief aan de Europese leiders waarin zij de bereidheid van de Commissie uitte om onderdelen van het pact sneller te implementeren. Vervolgens bevestigde de Europese Raad op 17 oktober bij consensus het belang van een snelle uitvoering van de aangenomen wetgeving en de toepassing van de bestaande regels om de huidige uitdagingen aan te pakken. De Commissie stuurde daarop een opvolgbrief met suggesties voor lidstaten om sneller dan de deadline van juni 2026 te handelen.

Een van deze voorstellen betreft de nieuwe opvangrichtlijn die een versobering van de opvang toestaat voor personen die zich niet in de juiste lidstaat bevinden. Volgens het Europees recht mag een lidstaat een richtlijn eerder omzetten dan de gestelde deadline zolang dit in lijn is met de inhoud en de doelen van de richtlijn, die mij heel duidelijk lijken. Dit biedt lidstaten ruimte om hun nationale wetgeving sneller aan te passen aan nieuwe juridische realiteiten.

Fedasil handelt dus binnen het geldende juridisch kader en met respect voor individuele rechten. De opvangwet maakt het ook nu reeds mogelijk om de materiële hulp te beperken aan personen die al een definitieve beslissing over hun asielaanvraag hebben ontvangen. Mijns inziens vallen personen met een status in een ander land hier dus ook onder. Wanneer Fedasil van deze mogelijkheid gebruikmaakt, wordt steeds de individuele situatie van de betrokken persoon onderzocht, met bijzondere aandacht voor kwetsbare groepen, zoals zieken, gezinnen met kinderen of alleenstaande vrouwen.

Mevrouw Van Belleghem, om op uw cijfervragen te antwoorden: op dit moment bevinden zich minstens 2.384 personen met een M-status in de asielopvang, en dit op een totaal van 33.641 personen. Het gaat dus om ongeveer 7 % van de opgevangen verzoekers.

Het is mogelijk dat sommige betrokkenen effectief in noodopvangcentra hebben verbleven, met name wanneer het gaat over gezinnen met minderjarige kinderen. Dat is in principe echter steeds het geval voor een beperkte periode. Daarna stromen ze door naar een regulier opvangcentrum.

Zoals ik heb aangekondigd, zal ik mij met alle juridische middelen verzetten tegen de rechtspraak van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. De rechtspraak van die Raad kan natuurlijk niet in een vingerknip worden veranderd. Tegen uitspraken van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen staat enkel een cassatieberoep open bij de Raad van State. Die beroepen moeten heel grondig worden voorbereid. Ze zijn niet erg evident te voeren. Die grondige voorbereiding is nu gebeurd vooraleer wij het beroep effectief konden indienen. Mevrouw Van Balberghe heeft daar gisteren ook al over gesproken.

Er is ook een rol weggelegd voor het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen (CGVS). Het kan namelijk zijn beslissingen dermate motiveren dat het de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kan overtuigen een rechtspraak te veranderen. Op die manier moeten wij niet wachten op de rechtspraak van de Raad van State.

De voorbije maanden stelt het CGVS een vermindering van vernietigingen vast bij de Nederlandstalige taalrol van de RvV. Doordat het CGVS nu een diepgaander onderzoek uitvoert en de beslissingen uitgebreider motiveert, worden minder beslissingen vernietigd.

Dus stap voor stap proberen mijn diensten wel degelijk de kentering in te zetten. Dat is echter niet evident. Wij werken immers altijd binnen een strikt juridisch kader en een rechtspraak die ons soms weinig bewegingsruimte geeft.

Monsieur Aouasti, je pense avoir déjà répondu à la plupart de vos questions. Cependant, vous avez souhaité recevoir aussi quelques chiffres supplémentaires. Je peux vous informer qu'en 2024, au moins 4 404 demandeurs de protection internationale avaient déjà un statut dans un autre État membre. Cela représente a minima 15 % des demandes d'asile en 2024. Les Syriens sont concernés dans 13 % de ces cas.

Francesca Van Belleghem:

Dank u wel voor uw uitgebreide antwoorden.

Mijn vraag over de timing van het wetsontwerp werd echter niet beantwoord.

Nicole de Moor:

De diensten zijn daar volop mee bezig, dus dat komt er zo snel mogelijk.

Francesca Van Belleghem:

Dank u wel.

Khalil Aouasti:

Je remercie madame la ministre pour ses réponses détaillées. Il y a toutefois un élément qui m'interpelle – je sais qu'il peut faire l'objet de discussions tant politiques que juridiques. Nous savons que les procédures dans les É tats européens ne sont pas toujours identiques. Prenez par exemple le cas de Malte ou de la Grèce. Nous nous retrouvons avec des niveaux de protection différents, mais il y a un second élément qui me paraît particulier et qui pourrait éviter à nos instances d'asile de devoir traiter des demandes ayant déjà fait l'objet d'un examen. Il s'agirait de travailler sur un processus de reconnaissance du statut de réfugié octroyé par un autre É tat membre. À partir du moment où la directive Qualification, la directive de 2011 et la directive de 2013 définissent les mêmes critères, je n'arrive toujours pas à comprendre pourquoi, pour éviter de nouvelles demandes d'asile dans d'autres É tats membres de l'Union européenne, il n'existe pas de procédure permettant à un É tat de reconnaître à quelqu'un qui s'est vu octroyer le statut de réfugié dans un É tat et qui souhaite se déplacer dans un autre pour des raisons professionnelles ou autres, la portabilité de ce statut. Cela éviterait que d'autres demandes d'asile ne soient introduites et cela faciliterait ainsi beaucoup de choses. Je pense que cela éviterait beaucoup de procédures inutiles. Par ailleurs, cela aurait un caractère vertueux, à l'instar de ce qui se passe pour toute autre personne qui possède un titre de séjour et qui peut introduire, depuis le pays dans lequel elle réside, une demande pour résider dans un autre É tat. On se trouverait là toutefois à un niveau supérieur, dès lors que le statut de reconnaissance est uniforme et des critères sont uniformes au niveau européen. Je vous remercie.

De oproep tot geweld van Zaher al-Saket
Zaher al-Saket
Zaher al-Saket en zijn oproep tot geweld

Gesteld aan

Nicole de Moor (Staatssecretaris voor Asiel en Migratie)

op 18 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de Syrische ex-generaal Zaher al-Saket, die vanuit België oproept tot genocide op Koerden en wettig in België verblijft (geen Belg, status onduidelijk). Staatssecretaris De Moor bevestigt zijn aanwezigheid maar weigert details omwille van privacy, verwijzend naar samenwerking met veiligheidsdiensten. Kritiekpunten: dubbele moraal bij haatzaaien (vs. reactie op anti-joodse leuzen), gebrek aan actie ondanks geweldsoproepen en escalerend etnisch geweld (Turken-Koerden) in België, met oproepen tot onmiddellijke uitzetting. Safai en Van Rooy eisen transparantie en harde maatregelen, maar krijgen geen concreet antwoord.

Darya Safai:

Op woensdag 4 december stelde ik aan minister Verlinden een mondelinge vraag in de commissie voor Binnenlandse Zaken over de oproep tot geweld van Zaher al-Saket. Uit berichten op sociale media blijkt dat de Syrische terroristische brigadegeneraal Zaher al-Saket oproept tot het afslachten van Koerden in Aleppo. Bovendien blijkt dat deze terrorist momenteel in ons land verblijft.

Internationale mensenrechtenorganisaties, samen met de Belgische veiligheidsautoriteiten, moeten onmiddellijk actie ondernemen om hem voor de rechter te brengen op beschuldiging van het aanzetten tot moord en oproepen tot genocide. Minister Verlinden antwoordde mij het volgende: "Met betrekking tot uw vragen over de verblijfsstatus van de betrokkene verwijs ik naar mijn collega van Asiel en Migratie."

Daarom volgende vragen aan u, mevrouw de Moor. Kunt u bevestigen dat Zaher al-Saket op dit moment in België verblijft? Wat is de verblijfstatus van betrokkene?

Sam Van Rooy:

Mevrouw de staatssecretaris, in tegenstelling tot de meeste politici ben ik nog niet vergeten dat op een grote Palestijnse islamitische manifestatie in Brussel luid in het Arabisch werd opgeroepen de joden te verbranden. Het is ondertussen exact twee maanden geleden dat ik dit heb aangekaart, maar sindsdien hebben wij daar niets meer over gehoord.

Stel u de ophef en de verontwaardiging voor in dit Parlement, en zeker in de mainstreammedia, mocht een Vlaams Belangpoliticus op een grote manifestatie hebben opgeroepen de joden of de moslims te verbranden. Dan zouden de verwijzingen naar fascisme en naar de jaren '30 ons wel om de oren vliegen. En terecht. Deze weerzinwekkende dubbele moraal, deze verontwaardigingsdiscrepantie, zal de beleidspartijen, maar ook onze samenleving, steeds zuurder opbreken. Immers, door het globalistische pamperbeleid wordt dit land steeds meer het toneel van oproepen tot geweld tegenover minderheden.

De voormalige Syrische generaal Zaher al-Saket, die op dit moment naar verluidt in België verblijft en zelfs in de stad waar ik woon, in Antwerpen, roept online op om de Koerden in Aleppo af te slachten. Dat tuig dient de jihadistische neo-ottomaanse agenda van de Turks-islamitische tiran Erdogan, die ook een Hamasvriend is, zoals u misschien wel weet. Letterlijk zei Al-Saket: "Slacht de Koerden niet af wanneer iedereen het kan zien, maar wel achter de schermen. Dat verdienen ze."

Mevrouw de staatssecretaris, graag had ik daarop uw reactie. De hamvraag is natuurlijk of dat sujet, dat hier uiteraard niet thuishoort, het land zal worden uitgezet.

Nicole de Moor:

Mijnheer de voorzitter, mevrouw Safai, mijnheer Van Rooy, ik kan u enkel bevestigen dat die persoon op dit moment wettig in België verblijft. Verder kan ik geen individuele informatie over een persoon meedelen in deze commissie.

Ik herhaal graag dat de asieldiensten zeer goed samenwerken met de veiligheidsdiensten. Indien de veiligheidsdiensten een bijzondere bezorgdheid over die persoon hebben, zullen wij daar uiteraard naar handelen.

Voorzitter:

Dat is kort en bondig.

Darya Safai:

Mevrouw de staatssecretaris, dat is eigenlijk wel een heel kort antwoord. Aan een wettig verblijf dacht ik ook wel, maar u geeft daarmee absoluut onvoldoende informatie. Wij moeten weten welke zijn status is. In geval het om een asielstatus gaat, moet die worden ingetrokken. Evengoed kan hij een wettig verblijf hebben als asielaanvrager dan als iemand die onder een asielregeling valt; dat zegt niet veel.

Ik weet dat u zich baseert op de veiligheidsdiensten, maar juist daarom stel ik vragen aan u en aan de minister in de commissie voor Binnenlandse Zaken. Ik ben met dat antwoord niets. Ik weet niet eens of de man al dan niet een vluchtelingenstatus heeft, dan wel of hij al dan niet een Belg is. Wat is hij momenteel eigenlijk? Dat is voor mij wel heel belangrijk.

Ik weet niet hoe ik die informatie kan verkrijgen. Hebt u daarover misschien een idee?

Nicole de Moor:

Mevrouw Safai, ik kan alleen bevestigen dat het iemand is die wettig in het land verblijft. Het is geen Belg, maar hij verblijft wettig in het land.

Ik dien mij overigens aan bepaalde zaken te houden. Ik kan niet zomaar individuele persoonlijke informatie in deze commissie meedelen. Ik kan u daarom alleen zeggen dat onze diensten samen met de veiligheidsdiensten altijd alle te nemen stappen zetten.

Darya Safai:

Ik zal bekijken of ik hierover nog andere informatie terugvind.

Sam Van Rooy:

Mevrouw de staatssecretaris, de genocidale oproep van die voormalige Syrische generaal Zaher al-Saket om de Koerden in Aleppo af te slachten, staat ondertussen al weken online. Dit tuig had allang van ons grondgebied verwijderd moeten zijn. In Antwerpen en Limburg zijn er ettelijke clashes tussen Turken en Koerden geweest met straatgevechten met staven en messen, waarbij gewonden en een dode vielen. Ook in asielcentra in dit land vonden reeds gevechten plaats tussen Turken en Koerden. Mevrouw de staatssecretaris, wie de islamitische wereld blijft binnenhalen, wordt zelf de islamitische wereld, inclusief de stammentwisten, de clanoorlogen en dit soort oude, gewelddadige Midden-Oosterse conflicten. Het slachtoffer hiervan is de brave burger en onze vrije, stabiele samenleving. Het is hoog tijd dat iedereen hier dat eens beseft.

De verkeersveiligheid en de fietsverlichting bij elektrische fietsen

Gesteld aan

Georges Gilkinet

op 18 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de veiligheidsrisico’s van te fel of verkeerd gericht fietsverlichting, vooral bij snelle e-bikes (speed pedelecs) die andere weggebruikers verblinden. Minister Gilkinet bevestigt dat speed pedelecs (45+ km/u) al onder strengere EU-homologatieregels vallen (gelijk aan bromfietsen), terwijl gewone e-bikes onder het Belgische verkeersreglement vallen, dat *eblouissement* verbiedt – handhaving is echter beperkt. Hij wijst op lopende EU-studies (2024) en een nieuw UNECE-werkgroep die strengere normen voor verlichting kunnen opleggen, maar benadrukt dat sensibilisering en betere politiecontroles nu prioriteit hebben. Tourneur pleit voor snellere aanpassingen gezien de groeiende populariteit en hogere snelheden van deze voertuigen.

Aurore Tourneur:

Monsieur le ministre, ma question pourrait sembler anodine, mais l'éclairage des vélos est devenu un enjeu important pour la sécurité routière, particulièrement en raison de la popularité croissante des vélos électriques et des speed pedelecs . Selon une récente enquête de Touring, 17 % des usagers de la route déclarent être régulièrement éblouis par les phares de ces vélos. Ce phénomène est notamment attribué à l'équipement de plus en plus puissant des vélos électriques, souvent mal orienté, ainsi qu'à l'achat en ligne de modèles d'éclairage parfois inadaptés. Cette situation pose la question de l'équilibre entre la visibilité nécessaire des cyclistes et le confort des autres usagers, incitant à réfléchir à des ajustements dans l'utilisation et la réglementation des systèmes d'éclairage de vélo.

Quel regard portez-vous sur cette question? Le ministère finance-t-il des études sur l'impact de l’éclairage des vélos sur la sécurité routière et les moyens de concilier visibilité des cyclistes et confort? Pensez-vous que des normes d'éclairage spécifiques devraient être imposées aux vélos électriques, surtout aux speed pedelecs , qui roulent à des vitesses plus élevées? Des mesures sont-elles prévues pour contrôler l’utilisation d’éclairages de vélo non conformes ou trop puissants? Envisagez-vous de réglementer plus strictement l’intensité lumineuse et l’orientation des éclairages des vélos pour limiter les risques d'éblouissement? Des campagnes de sensibilisation pourraient-elle être mises en œuvre afin d'encourager les cyclistes à ajuster correctement leurs phares et à choisir des éclairages adaptés?

Georges Gilkinet:

La sécurité des cyclistes est bien entendu une priorité. Les cyclistes sont de plus en plus nombreux sur nos routes et je m'en réjouis, mais le revers de la médaille est un nombre de victimes de plus en plus élevé. Dès lors, il nous appartient de tout mettre en œuvre pour améliorer leur situation de sécurité par des aménagements routiers, par une réforme du Code de la route que nous avons portée, ou encore par une meilleure visibilité des cyclistes, qui peut se traduire par des normes techniques telles que vous les abordez dans votre question.

Pour y répondre, permettez-moi tout d'abord de faire une distinction entre le vélo électrique de moins de 250 watts et de 25 km/h, qui est assimilé au vélo classique, le vélo ou cycle motorisé de 1 000 W et de plus de 25 km/h, et le speed pedelec de plus de 4 000 W et de plus de 45 km/h. Ces derniers sont considérés comme des cyclomoteurs et font l'objet d'une homologation par type.

Dans les premiers cas, autrement dit pour les vélos électriques, ce sont les dispositions de l'article 82.1 de l'actuel Code de la route, relatif aux feux et catadioptres, qui s'appliquent. Cet article dispose que les cyclistes ne sont pas autorisés à utiliser des feux éblouissants. En revanche, les cycles motorisés et les speed pedelecs sont soumis aux dispositions du règlement européen 168/2013, et les vélos doivent être homologués selon le règlement en question. En cas d'infraction à ces réglementations, il appartient à la police de verbaliser.

J'accorde une attention particulière à ce problème de l'éblouissement, qui concerne également les autres véhicules à moteur. L'institut VIAS a consacré en 2020 une étude à des essais de vestes clignotantes en vue d'améliorer la visibilité des cyclistes. Par contre, il n'existe pas encore d'étude sur l'incidence de l'éclairage des vélos électriques sur d'autres usagers, mais cela peut encore venir. L'institut VIAS dispose d'une convention pluriannuelle qui lui permet de réaliser des études selon un programme établi par une commission de programmation.

En ce qui concerne les prescriptions techniques relatives à l'éclairage des vélos électriques les plus puissants et les plus rapides – à savoir les cycles motorisés et les speed pedelecs –, il est utile de rappeler qu'elles sont identiques à celles des cyclomoteurs et se distinguent, par conséquent, des exigences imposées aux vélos électriques conventionnels. Ces prescriptions techniques sont, par ailleurs, harmonisées à l'échelle européenne et doivent faire l'objet d'une homologation. Nous pourrions envisager un renforcement de ces normes afin qu'elles tiennent mieux compte du risque d'éblouissement, mais cela devra nécessairement se faire dans un cadre européen et international.

Pour votre information, la Commission européenne a récemment lancé une étude concernant une éventuelle révision du règlement-cadre concerné relatif à l'homologation par type des deux et trois roues motorisées et quadricycles, dont les cycles motorisés et les speed pedelecs font partie.

Par l'entremise du SPF Mobilité, j'ai plaidé pour que le règlement susmentionné fasse l'objet d'une révision dans la foulée de la publication des résultats de l'étude à la fin de cette année. Si des évidences scientifiques le justifient, cette révision pourrait être l'occasion de renforcer les normes relatives à l'éclairage des cycles motorisés et des speed pedelecs . Les experts du SPF Mobilité y seront attentifs.

Il est à noter qu'un groupe de travail spécifiquement dédié aux risques d'éblouissement est sur le point d'être constitué au niveau de la Commission Économique des Nations Unies pour l'Europe (l'UNECE), où les normes en matière d'éclairage sont discutées. Le SPF sera également attentif à l'avancée des travaux de ce groupe.

Concernant le contrôle des éclairages, des cycles motorisés et speed pedelecs mis sur le marché, il me paraît important de prendre connaissance au préalable des conclusions des travaux en cours au niveau international.

Pour ce qui est des vélos électriques assimilés à des cycles, le SPF Économie est compétent. Je vous invite donc à vous adresser au ministre Dermagne pour les éventuelles mesures prises à ce sujet.

Plus généralement et comme déjà évoqué, il est toutefois du ressort des services de police de verbaliser les infractions aux réglementations précitées. La ministre Verlinden est compétente en cette matière. La première des priorités est, me semble-t-il, une sensibilisation du public concerné, car en dehors des autres usagers, il est vrai qu'un éclairage trop puissant et mal orienté peut gêner les piétons mais aussi les cyclistes entre eux, voire les automobilistes (ce qui peut aussi être le cas des joggers).

Aurore Tourneur:

Monsieur le ministre, compte tenu de la vitesse plus élevée de ces engins, ils présentent un enjeu spécifique en termes de sécurité et d'interaction avec les autres usagers. Selon moi, une adaptation des règles d'éclairage pourrait prévenir les risques croissants liés à leur popularité.

De procedure voor het delen van camerabeelden tussen Securail en de politie

Gesteld door

lijst: VB Frank Troosters

Gesteld aan

Georges Gilkinet

op 18 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Frank Troosters vraagt waarom een koninklijk besluit om de toegang van politie tot Securail-camerabeelden te versnellen nog niet is ondertekend, wat nu bureaucratisch en inefficiënt verloopt. Minister Gilkinet wijst de bevoegdheid af: Binnenlandse Zaken (niet hij) moet een samenwerkingsprotocol (geen KB) goedkeuren via de GBA, hoewel de camera-infrastructuur wel al is gefinancierd. Troosters reageert verrast, verwachtte een oplossing voorjaar 2025 en belooft verdere opheldering over verantwoordelijkheden. Kernpunt: vertraging in afstemming politie-Securail door onduidelijke procedures en bevoegdheden.

Frank Troosters:

Mijnheer de minister, ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

Uit recente informatie blijkt dat lokale politiekorpsen in België jaarlijks duizenden camerabeelden opvragen bij Securail. De huidige procedure om deze beelden te verkrijgen is echter bureaucratisch en tijdrovend, wat de efficiëntie van politieonderzoeken belemmert.

Er zou een koninklijk besluit klaarliggen om deze procedure te vereenvoudigen en de samenwerking tussen politie en Securail te verbeteren. Dit besluit wacht echter nog op uw handtekening.

Wat is de reden dat dit koninklijk besluit nog niet ondertekend is?

Zijn er specifieke problemen of bezwaren die de ondertekening vertragen?

Wanneer verwacht u dit besluit te kunnen ondertekenen om zo de samenwerking tussen politie en Securail te optimaliseren?

Georges Gilkinet:

Mijnheer Troosters, u moet zich met die vraag richten tot de minister van Binnenlandse Zaken. Ik ben bevoegd voor de NMBS en ik heb middelen gevonden om camerabeelden te maken, maar er is een samenwerking nodig voor het delen van de camerabeelden tussen Securail en de politie. Daarvoor moet u bij de minister van Binnenlandse Zaken zijn.

Zij hoeft geen KB daartoe te ondertekenen. Wel is er een samenwerkingsprotocol nodig en dat moet de goedkeuring krijgen van de GBA. Hoe dan ook, de nodige investeringen in de camera's zijn gedaan.

Frank Troosters:

Mijnheer de minister, ik ben verbaasd over het antwoord, want ik had andere signalen opgevangen. Ik had begrepen dat alles klaar zou zijn tegen het voorjaar van 2025. Ik hoop dat dat nog haalbaar is. Wie welke KB's moet ondertekenen, zullen wij met andere vragen uitklaren.

De veiligheid van spoorwegovergangen

Gesteld aan

Georges Gilkinet

op 18 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Gilkinet bevestigt dat spooroverwegen (ondanks dalende ongevalcijfers) een dodelijk risicopunt blijven, met afschaffing als beste oplossing—al is dit kostelijk en langetermijn (10/jaar bij >1.600 overwegen). Kortetermijnmaatregelen omvatten risicogestuurde upgrades, het noodnummer 1711 (sinds 17/11, nog onvoldoende bekend), samenwerking met De Lijn (evacuatieprocedures bij blokkades) en pilootprojecten, maar weggebruikersverantwoordelijkheid blijft cruciaal. Cuylaerts kritiseert het trage tempo en pleit voor prioritaire herallocatie van middelen (weg van stations) en moderne alarmeringstechnieken in 2024, ondanks Infrabels langetermijnplannen. Sensibilisering en preventie blijven centraal, maar structurele oplossingen ontbreken nog.

Dorien Cuylaerts:

Mijnheer de minister, in amper 11 dagen tijd gebeurden er drie incidenten op onze spoorwegen. Er werd daarstraks al verwezen naar het ongeval in Veldegem. Een aantal dagen later vond een gelijkaardig voorval plaats in Zottegem, gelukkig met goede afloop, maar in Antwerpen gebeurde er helaas een tragisch incident.

Mijnheer de minister, hoewel Infrabel heel wat maatregelen neemt, zoals noodnummers, identificatiestickers en verbeterde verlichting, komen dergelijke ongevallen nog te vaak voor. Vindt u dat Infrabel voldoende inspanningen levert om de veiligheid op overwegen te garanderen? Welke bijkomende maatregelen vindt u nog noodzakelijk om de overgangen veiliger te maken?

Georges Gilkinet:

Het spoorvervoer is een veilige vervoersmodus waar veel minder ongevallen voorkomen dan bijvoorbeeld bij wegvervoer. Zowel in als buiten de havens is er in de loop van de jaren gemiddeld gezien een daling van het aantal ongevallen aan de overwegen.

Toch blijven de overwegen, waar spoor- en wegverkeer elkaar kruisen, een zwakke plek in de veiligheid van het spoorsysteem, waar de ongevallen meestal wel ernstig zijn en vaak dodelijke slachtoffers tot gevolg hebben. De beste oplossing om het risico van een ongeval aan een overweg te reduceren is de afschaffing ervan. Dat is echter vaak duur en complex. Infrabel heeft hiervoor een langetermijnvisie en een actieplan dat verder wordt uitgevoerd.

Verder zet Infrabel in op sensibiliseringscampagnes en preventiematerieel. Zo werd recentelijk het u bekende nummer 1711 geïntroduceerd, waarvan verwacht wordt dat het de reactietijd bij incidenten, en hierdoor ook het aantal ongevallen aan de overwegen, zal verminderen. Aangezien dit nummer pas werd geïntroduceerd op 17 november, moet de bekendheid ervan nog groeien en moet het volle potentieel van deze maatregel zich nog ontwikkelen.

Bovendien lopen er pilootprojecten om de veiligheid aan de overwegen verder te verbeteren. Daarbij worden de overwegen gerangschikt volgens hun risico en worden de overwegen met het hoogste risico eerst aangepakt.

Tevens heeft Infrabel reeds begin 2023 de procedure bij een blokkering op een overweg met De Lijn besproken. Er is toen een procedure uitgewerkt waarbij de evacuatie prioriteit krijgt en onmiddellijk de centrale dispatching van Infrabel verwittigd wordt om het treinverkeer stil te leggen. Die procedure werd ondertussen herhaaldelijk ingeoefend samen met De Lijn.

Naar aanleiding van de recente ongevallen zitten Infrabel en De Lijn eerstdaags samen om de procedure scherp te stellen en dergelijke voorvallen te vermijden.

Ten slotte is het belangrijk te benadrukken dat veiligheid aan de overwegen in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de weggebruikers is en dat incidenten veroorzaakt door bijvoorbeeld pannes van bussen op overwegen moeilijk te vermijden zijn door de plaatsing van veiligheidsinrichtingen.

Dorien Cuylaerts:

Mijnheer de minister, u verwijst naar de afschaffing van de spooroverwegen en de langetermijnvisie daarop van Infrabel. Dat betreft tien overwegen per jaar en er zijn er nog meer dan 1.600. Dat is dus een visie op zeer lange termijn. Toch is het een goede zaak dat er een langetermijnvisie bestaat. U verwijst ook naar sensibilisering. Er worden veel middelen aan mobiliteit en de spoorwegen besteed. Ze zouden evenwel beter en anders kunnen worden ingezet dan voor bepaalde stations. De veiligheid moet prioritair zijn. We vragen ons toch af of er in 2024 geen andere technieken voorhanden zijn om te alarmeren wanneer dergelijke situaties zich voordoen op spoorwegen. Wij kijken dus uit naar de toekomst.

De Syrische burgeroorlog
De Syrische burgeroorlog
De val van het Syrische regime
Syrië
De situatie in Syrië
De situatie in Syrië
De oorlog in Syrië
De omverwerping van het regime van Bashar al-Assad in Syrië
De situatie na de val van het Syrische regime
De Israëlische aanvallen op Syrië en de Israëlische opmars in de gedemilitariseerde bufferzone
Syrië
De situatie in Syrië en het expansionistische beleid van Israël
Het conflict in Syrië en de regionale spanningen met Israël

Gesteld aan

Hadja Lahbib (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken, Buitenlandse Handel en Federale Culturele Instellingen), Bernard Quintin

op 18 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Na de val van Assad’s regime in december 2024 heerst voorzichtige hoop op democratische transitie in Syrië, maar de EU en België benadrukken strenge voorwaarden: respect voor mensenrechten, minderheden (met name Koerden en christenen), vrouwenrechten, territoriale integriteit en strafvervolging van oorlogsmisdaden (via IIIM). HTS (ex-Al Qaida-tak) blijft op de EU-terreurlijst tot het aan deze eisen voldoet, hoewel diplomatieke contacten (zoals heropening EU-kantoor Damascus) worden overwogen om invloed uit te oefenen—zonder automatische legitimering. België pleit voor gecoördineerde EU-actie, waaronder druk op Rusland (sluiting bases Tartous/Khmeimim) en Turkije (beperking Koerdische repressie), maar wijst direct militair ingrijpen af. FTF’ers (terroristen met Belgische link) worden alleen gerapatrieerd onder strikte veiligheidsvoorwaarden, met nadruk op kinderrechten. Israël’s bombardementen en expansiedreigingen worden veroordeeld, maar concrete sancties blijven uit.

Michel De Maegd:

Madame la présidente, je vais synthétiser les questions que j'avais déposées.

Monsieur le ministre, avant toute chose, j'aimerais profiter de cette occasion pour vous souhaiter la bienvenue dans notre commission.

Dans la nuit du 7 au 8 décembre 2024, la chute du régime syrien de Bachar al-Assad a marqué un tournant historique, mettant fin à 54 ans de règne autoritaire et de répression. Cet événement ouvre une période d'incertitude majeure pour la Syrie et la région, mais aussi d'opportunités pour encourager la transition, que l'on espère bien sûr démocratique, et la reconstruction. Les défis sont néanmoins immenses avec un pays ruiné, une société fragmentée et un vide du pouvoir susceptible d'être exploité par des acteurs extrémistes.

La Belgique a toujours plaidé pour une solution politique en Syrie, notamment via les résolutions des Nations Unies. Elle a également contribué à l'aide humanitaire en faveur des populations civiles. La nouvelle donne politique appelle toutefois à une réévaluation de notre politique étrangère et de nos engagements dans la région.

Monsieur le ministre, au cours de la séance plénière de la semaine passée, vous avez insisté sur la nécessité d'une transition politique pacifique et inclusive, respectueuse des minorités. Dans ce contexte, vous avez également souligné l'importance de la coopération internationale, de la coordination humanitaire et du respect des droits humains.

Monsieur le ministre, quelle est la vision de la Belgique en termes de risque pour la stabilité régionale et internationale?

Un Conseil des Affaires étrangères a eu lieu ce lundi. Quelles ont été les conclusions au sujet de cette chute de régime? Comment agira l'Union dans les prochaines semaines?

Vous avez annoncé la semaine dernière une entrevue très prochaine avec votre homologue turc. Nous connaissons les enjeux pour la Turquie dans la région et les risques que cette situation fait peser sur les Kurdes. Cette réunion a-t-elle eu lieu? Dans l'affirmative, qu'en est-il ressorti? Dans la négative, quand est-elle prévue?

En ce qui concerne les crimes commis sous le régime al-Assad, la Belgique reste engagée pour qu'ils ne demeurent pas impunis. À ce titre, quel rôle notre pays envisage-t-il de jouer dans le renforcement des mécanismes internationaux? Quelles actions concrètes seront-elles proposées lors des prochaines réunions avec vos homologues régionaux, mais aussi européens?

Quelle est la position de la Belgique au sein du Conseil européen sur le maintien ou le retrait du groupe HTC de la liste des organisations terroristes?

Enfin, au sujet des Foreign Terrorist Fighters et de leurs familles, vous avez évoqué la nécessité d'une coordination gouvernementale pour toute future décision de rapatriement. Quelles sont les orientations du gouvernement dans ce domaine et quelles garanties peuvent être apportées quant à la sécurité nationale dans ce processus?

Darya Safai:

Mijnheer de minister, de val van Assad is eigenlijk een heuglijke gebeurtenis. Ondanks de eenheid die nu wordt uitgedragen, blijft Syrië diep verdeeld, zowel ideologisch, etnisch als religieus. Het is een heel moeilijke samenleving. De boodschap is dus helder: de Syrische burgeroorlog is verre van voorbij. Er zijn immers verschillende soorten inmengingen, ook van Turkije, the Syrian National Army (SNA), HTS en verschillende groeperingen.

De Europese Unie lijkt evenwel haastig een nieuwe pagina om te slaan. De boodschap van mevrouw Kaja Kallas is dat we geen vacuüm kunnen achterlaten in Syrië en dat de EU er aanwezig moet zijn. De EU toont zich opmerkelijk bereid om toenadering te zoeken tot Al-Jolani en overweegt de steun aan Syrië op te voeren. De EU stelt enkele voorwaarden voor haar steun: de bescherming van minderheden, het toezicht op een inclusieve transitie en het vermijden van extremisme.

Daarnaast wil de EU onderhandelen over de aanwezigheid van Russische basissen in het land. Er werden al gezanten uitgestuurd en er wordt overwogen het diplomatieke kantoor in Damascus te heropenen.

HTS staat niet op de Europese terreurlijst, maar wel op de VN-lijst, die de EU automatisch onderschrijft. Het zou opmerkelijk zijn als wij die nu naast ons neer zouden leggen en toch contacten zouden aanknopen. Hoe zal België voortaan omgaan met vertegenwoordigers van HTS of Syrië? Welke positie wenst u van de EU? De criteria die de EU stelt aan de nieuwe leiders van Syrië lijken geen voorwaarden te zijn voor de heropstart van de betrekkingen. Waar zijn het dan wel de criteria voor?

De EU heropent een diplomatiek kantoor in Damascus. Hoe staat België tegenover een wederzijdse heropstart van de diplomatieke betrekkingen en de eventuele accreditatie van diplomaten of ambassadeurs?

De Russische aanwezigheid in Syrië en zijn vermogen om zich te projecteren in de Middellandse Zee en Afrika staan onder druk. Het Westen en Europa hebben er alle belang bij om nu maximale druk uit te oefenen en de sluiting van de Tartous- en de Khmeimimbasis te eisen alvorens Moskou en de nieuwe machthebber in Damascus zich weer verzoenen.

Waarom worden deze eisen door de EU niet sterker verwoord of als voorwaarden gesteld? Moet er bovendien geen maximale druk worden uitgeoefend op Libië om te voorkomen dat Tripoli de nieuwe uitvalsbasis van Rusland wordt?

Ellen Samyn:

Mijnheer de minister, ook namens onze fractie welkom in de commissie. Het beloven nog boeiende tijden te worden.

Na een jarenlange burgeroorlog is het Assadregime op enkele dagen tijd gevallen. Op een week tijd slaagden Syrische rebellen erin om alle belangrijke steden, inclusief Damascus, in te nemen. De grootste rebellengroep stamt uit een salafistische militie, die ooit verbonden was aan Al Qaida. Ze verbraken die banden weliswaar in 2016. Sinds de Arabische Lente en de machtsovername van de taliban in Afghanistan zien we dat na een machtsovername in deze regio de rechten eerder ingeperkt dan uitgebreid worden.

Hoe zal erop worden toegezien dat de rechten van minderheden, zoals christenen en Koerden, zullen worden gewaarborgd? En de rechten van vrouwen en meisjes? Gelet op het verleden inzake IS-terroristen, welke maatregelen zullen er worden genomen om geradicaliseerde elementen en terroristen de toegang tot de Europese Unie en bij uitbreiding België te ontzeggen? Wordt reizen naar Syrië momenteel afgeraden? Worden personen die nu zouden afreizen extra gecontroleerd?

Momenteel wordt het noordoosten van Syrië door Koerdische Syriërs gecontroleerd. Zij vormen een belangrijke schakel in de bestrijding van IS en de controle van de gevangenenkampen waar IS-terroristen worden vastgehouden. Wordt er rekening mee gehouden dat de rebellen die het regime hebben doen vallen, mogelijk banden zouden kunnen hebben met IS-terroristen? Hoe kan de veiligheid van het Westen gegarandeerd worden inzake deze IS-terroristen?

Turkije heeft in de afgelopen jaren mee gezorgd voor de decentralisatie van Syrië en heeft meermaals militaire operaties uitgevoerd in het noordoosten. De huidige president van Turkije, Erdogan, heeft al ettelijke keren gedreigd om deze regio te bezetten. Houdt u, en bij uitbreiding de Europese Unie, rekening met dit scenario?

Er is veel te doen – dat is ook logisch – rond de massagraven die ten noorden van Damascus ontdekt zijn door de ngo Syrian Emergency Task Force (SETF). Volgens een conservatieve schatting liggen daar 100.000 lijken, allemaal tegenstanders van het Assadregime. Er zouden ook nog duizenden, tienduizenden Syriërs vermist zijn.

Naar verluidt zouden er ook buitenlandse slachtoffers gevonden zijn. Hebt u daar weet van? Zijn daar ook Belgische slachtoffers bij?

Voorzitter:

Mevrouw Samyn, kunt u afronden?

Ellen Samyn:

Ik dacht dat de tijd bij een actualiteitsdebat iets ruimer lag.

Voorzitter:

Ook in een actualiteitsdebat bedraagt die twee minuten.

Ellen Samyn:

Dan sluit ik mij tot slot aan bij de vraag van mevrouw Safai over de Russische inmenging.

Voorzitter:

De timer staat aan. U kunt die overal volgen. Die stond daarnet nog niet aan en u kon dat dus nog niet weten.

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de minister, welkom in de commissie. De machtswissel in Syrië is historisch te noemen. Ik weet niet van welke provincie u bent, maar in Vlaams-Brabant zegt men: soort zoek soort. Assad is na jaren van schrikbewind en terreur weg. Hij kon daarbij rekenen op de gastvrijheid van Vladimir Poetin. Hij kan nu bij zijn partner in crime op de koffie gaan. Los van het feit dat die twee schurken, wat ze allebei zijn, achter slot en grendel zouden moeten zitten, is het een goede zaak voor de Syrische bevolking dat ze eindelijk van Assad verlost zijn.

Mijnheer de minister, collega's, ik weiger echter mee te gaan in de euforie en de extase die bij sommigen heerst over het feit dat Assad nu weg is en er iets in de plaats komt. Het is niet omdat de ene schurk het land verlaat, dat er geen andere schurk in de plaats kan komen. We moeten ons ervan bewust zijn dat HTS geen koorknapen zijn. We horen en zien berichten van plunderingen. Als we zien dat christenen al meteen worden geviseerd, dan maak ik mij daar grote zorgen over. Als het een prioriteit is om kerstbomen weg te halen en een Arabisch weekend van zaterdag tot zondag in te stellen, dan stel ik mij daar zeer veel vragen bij. De rebellengroep HTS bestaat absoluut niet uit koorknapen.

Mijnheer de minister, vorige week vond er al een actualiteitsdebat plaats. Ik zal er nog een aantal vragen aan toevoegen. Wat is de huidige stand van zaken in Syrië? Welke rol moet België spelen in deze nieuwe geopolitieke realiteit? Hoe ziet u de nabije en iets verdere toekomst? Worden er in de EU maatregelen genomen om de situatie te stabiliseren?

Rajae Maouane:

Merci, madame la présidente. Monsieur le ministre, bienvenu dans cette commission, même si j'ai par ailleurs déjà eu l'occasion de vous interroger en séance plénière.

Ce mois de décembre a vu un évènement historique se jouer en Syrie, avec la fin du régime des al-Assad après 54 ans de règne autoritaire, marqué par une répression des plus brutales. Ce moment signe la fin d’une dictature qui a plongé le peuple syrien dans l’horreur absolue, mais il ouvre aussi une période d'interrogations. Cette chute d’Assad est une étape qui jette un grand flou pour l’avenir de la région mais qui est néanmoins très importante pour le peuple syrien. Les défis sont nombreux, en particulier en ce qui concerne la transition démocratique que l'on espère être la plus inclusive et pacifique possible. Nous nous devons d'accompagner cette transition sans la confisquer.

Comment la Belgique analyse-t-elle les risques pour la stabilité régionale et internationale à la suite de la chute du régime? Quels sont les enjeux prioritaires identifiés pour éviter un nouvel effondrement ou une escalade des violences?

Notre pays prévoit-il d’établir des contacts pour encourager une transition inclusive et respectueuse des droits humains? Quelles initiatives diplomatiques sont-elles envisagées pour coordonner les efforts internationaux de stabilisation?

Au sein de l’Union européenne, quel rôle spécifique la Belgique envisage-t-elle de jouer pour contribuer à la reconstruction d’une Syrie engagée sur la voie des réformes? Quels leviers la Belgique va-t-elle activer, notamment avec l'UE pour éviter que l'État d'Israël continue à bombarder impunément la région vu les milliers de bombardements qui ont eu lieu depuis la chute du régime?

Dans ce contexte de bouleversement, quels moyens la Belgique met-elle en œuvre pour intensifier le soutien aux millions de Syriens déplacés, que ce soit à l’intérieur du pays ou dans les camps de réfugiés en Turquie, au Liban et en Jordanie?

Il est cependant absolument nécessaire d'éviter que les différentes puissances occidentales mais aussi de la région ne confisquent la révolution du peuple syrien.

Annick Lambrecht:

Mijnheer de minister, ik heet u vooreerst welkom en wens u veel succes namens de Vooruitfractie.

De oorlog in Syrië ging gepaard met grootschalige schendingen van de mensenrechten, oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid door het Syrische regime, Daesh en andere groeperingen. Alle misdrijven werden uitgebreid gedocumenteerd, maar toch blijft straffeloosheid de regel. In april 2024, net voordat ze haar functie na zeven jaar neerlegde, heeft mevrouw Catherine Marchi-Uhel, het voormalige hoofd van het International Impartial and Independent Mechanism (IIIM), de internationale gemeenschap opgeroepen om de misdaden tegen de menselijkheid en de oorlogsmisdaden die werden begaan in Syrië, te vervolgen op basis van door het IIIM verzameld bewijsmateriaal.

De machtswissel in Damascus biedt nu een unieke kans om gehoor te geven aan die oproep. Ik verwijs ook naar de persartikels van vandaag die rapporteren over massagraven met tienduizenden, misschien wel honderdduizenden lichamen. Onderzoek zal uitwijzen om hoeveel slachtoffers het uiteindelijk gaat. In ieder geval zijn er honderdduizenden vermisten.

Hoe zet België zich momenteel in voor internationale gerechtigheid en internationale strafrechtelijke verantwoordelijkheid in Syrië?

Welke maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat ook misdaden die gepleegd werden door niet-statelijke actoren zoals Daesh, worden vervolgd?

Welke concrete stappen kunnen worden gezet om het huidige momentum dat de machtswissel biedt, te benutten en ervoor te zorgen dat die unieke kans niet verloren gaat?

Hoe zal België in multilaterale fora aandringen op actie om de strijd tegen straffeloosheid te ondersteunen?

Christophe Lacroix:

Je tiens tout d'abord à féliciter M. le ministre des Affaires étrangères d'entamer avec nous son premier parcours en commission. Je le lui souhaite le plus long et le plus fructueux possible, et je vois d'ailleurs qu'il est très bien entouré.

J'en viens à mes questions. Le régime al-Assad – père et fils – a été l'un des plus tyranniques, des plus violents et des plus sanguinaires qui puissent être, car il s'est attaqué à son propre peuple. Aujourd'hui, le 27 novembre plus précisément, une révolution a eu lieu, à l'initiative du groupe HTC et ses alliés. Il n'a fallu que quelques jours pour que le régime syrien soit démantelé.

On peut effectivement penser que la progression rapide des rebelles a été garantie par des accords qui ont été passés avec les populations locales, y compris dans les zones chrétiennes, les zones ismaéliennes et les zones alaouites. C'est du sud du pays qu'a été lancé l'assaut sur la capitale, depuis Deraa, berceau du soulèvement de 2011, qui a été si violemment réprimé, et de Suwayda, cœur du pays druze.

La victoire finale est donc due aussi bien à HTC qu'à des milices d'orientations diverses. C'est la raison pour laquelle je plaide évidemment pour que le peuple syrien soit respecté dans sa diversité politique, sociale, économique et religieuse. De même, je plaide pour que l'aspect du genre – et en particulier celui des femmes – soit respecté. En tout état de cause, il appartient bien sûr au peuple syrien d'assurer son avenir.

Je crains néanmoins que l'Union européenne et ses alliés – et notamment les É tats-Unis – privilégient la mise en place d'un régime fort et autoritaire pour avoir un interlocuteur. Mais avant de placer ou d'inciter à placer quelqu'un de fort, et avec le passé qu'on lui connaît – et qui n'est pas particulièrement positif –, je pense que l'Union européenne a une responsabilité importante à jouer en la matière. Il convient à tout le moins de fournir une aide humanitaire et une aide à la reconstruction du pays, tout en accompagnant politiquement les efforts de réconciliation et de transition.

L'objectif ultime est de permettre au peuple syrien de reprendre le contrôle de son destin dans un cadre de paix, de justice et de liberté, tout en respectant pleinement la diversité culturelle et religieuse qui fait la richesse de la nation syrienne, une nation qui était, par ailleurs, très francophile.

Les pays francophones, dont la Belgique fait partie, ont peut-être d'ailleurs aussi un rôle à jouer quant à sa place au niveau de l'Union européenne. Ce pays s'est caractérisé par une histoire magnifique.

Je voulais revenir sur l'Organe de coordination pour l'analyse de la menace (OCAM) qui a identifié 196 combattants terroristes étrangers recensés dans la zone de conflit irako-syrienne dont 89 seraient toujours en vie. Sur ces 89 Belges considérés comme toujours vivants, 26 individus seraient retenus dans des camps de réfugiés où des prisons sont identifiées. Par contre, on dispose de moins d'informations au sujet des 63 autres.

Monsieur le ministre, comment la Belgique compte-t-elle se positionner par rapport au régime mis en place? Quelle position portera-t-elle au niveau européen? Avez-vous des informations concernant les 63 personnes que j'ai citées qui se trouvent potentiellement en Syrie? Comment la Belgique va-t-elle se positionner à ce sujet?

J'avais également une question sur Israël et les frappes israéliennes en Syrie. Sauf erreur de ma part, je n'ai pas entendu de condamnation de la Belgique à ce sujet. Quelle est donc la position de la Belgique et comment comptons-nous faire enfin respecter les règles de droit international qui sont notre boussole pour tous nos interlocuteurs, en ce compris Israël?

Els Van Hoof:

Mijnheer de minister, zowel de internationale gemeenschap als de Syrische bevolking is opgelucht na de vlucht van dictator Assad. Eindelijk is de terreur voorbij. Nu moet de internationale gemeenschap verder kijken en bijdragen aan een duurzame vrede en aan stabiliteit in Syrië. HTS, dat Assad van de macht verdreef, komt voort uit extremistische groepen als Al Qaida. Het staat zowel in de VS, bij de VN als in de EU op de lijst van terroristische organisaties. Toch raakte bekend dat Hoge Vertegenwoordiger Kallas een hoge diplomaat opdracht zou geven om met HTS in contact te treden. Nood breekt wet, niemand zag die evolutie aankomen.

Er ontstaat een machtsvacuüm in Syrië, waarvan iedereen zoveel mogelijk wil profiteren. Turkije bestookt de Koerdische milities in het land. Israël vernietigt wapenarsenalen in Syrië. Ik had toevallig contact met een Syrische christen in Leuven. Het huis van zijn vader werd geplunderd. Er is momenteel geen staat. Er is momenteel geen veiligheid. Wij moeten voorkomen dat het land weer in verkeerde handen terechtkomt, met als gevolg terreur. Dat is een schrikbeeld voor de omliggende landen.

Wat werd er besproken op 16 december op de Raad Buitenlandse Zaken en wat werd er beslist? We hebben het in de media kunnen volgen, maar het is steeds beter om informatie van de bron te krijgen.

Welk standpunt hebt u daar verdedigd?

Zal de EU HTS van de lijst met terroristische organisaties schrappen? Wanneer zal dat exact gebeuren? Aan welke voorwaarden moet daarvoor voldaan zijn?

Dan is er de vraag naar gerechtigheid. Er worden massagraven ontdekt en wij zien vreselijke beelden van detentiecentra. Op welke manier zullen wij daarmee omgaan? U zei dat het IIIM een belangrijke rol zal spelen. Zullen wij de initiatieven ervan financieren?

Nabil Boukili:

Monsieur le ministre, la chute du régime d’Assad pourrait présager d'une intensification de la compétition au sein de la Syrie, parmi les forces étrangères. Les conflits actuels en Ukraine, en Palestine, au Yémen et à Taiwan illustrent un paysage mondial marqué par l'élargissement de ces fronts. Tout cela rend l’avenir de la Syrie incertain, offrant un terrain propice aux interventions étrangères.

Dans ce contexte déjà fragile, les récentes déclarations de membres du gouvernement d'extrême droite de Netanyahu, qui envisage sans détour que Damas pourrait devenir israélienne, s’inscrivent dans une politique expansionniste alarmante et menaçante pour la stabilité régionale. La Belgique, attachée au droit international et au respect des frontières reconnues, ne peut rester silencieuse sur cette question.

Quand la Belgique prendra-t-elle des mesures concrètes contre cette volonté expansionniste, telles que l’imposition de sanctions contre Israël, pour dénoncer et freiner ces dérives inacceptables? Par ailleurs, avez-vous réagi à la suite de ces déclarations de membres du gouvernement israélien? Quelle est votre position à propos de ces déclarations?

François De Smet:

Madame la présidente, je souhaite moi aussi la bienvenue à notre nouveau ministre des Affaires étrangères en nos travaux.

Nous ne pouvons tous, je crois, que nous réjouir de la fin du régime sanguinaire de M. al-Assad, mais nous pouvons néanmoins craindre pour la Syrie et les Syriens, tant la nature des nouveaux maîtres de la Syrie paraît incertaine.

Je voudrais juste ajouter dans ce débat que la Syrie nous concerne tous, tant ce territoire fut l'épicentre de toutes les tensions des quinze dernières années. C'est au cœur de la guerre civile qu'a pris racine Daech, avec les conséquences que l'on sait, entre autres pour nous Européens. C'est parce que les Occidentaux ont renoncé à intervenir après le massacre chiite de 2013 que M. Poutine a compris la faiblesse des Occidentaux, ce qui a renforcé son soutien au dictateur syrien, mais aussi sa prise de confiance sur tous les fronts, de la Crimée en passant par la répression des opposants, le piratage des élections occidentales et, finalement, l'invasion de l'Ukraine. C'est l'implication de la Russie en Syrie qui a convaincu une large partie des réfugiés syriens de chercher refuge en Europe, déclenchant la vague migratoire de 2015 et toutes ses conséquences, en ce compris le carburant du Brexit et des différentes extrêmes droites européennes.

Nous ne pouvons donc pas nous désintéresser de l'avenir de cette région. Nous devons soutenir tous les démocrates qui souhaiteront s'impliquer dans la stabilisation de ce pays. Effectivement, nous pouvons avoir des craintes sur la caractère des nouveaux maîtres de la Syrie et du groupe HTC qui est de nature djihadiste. Je suis très attentif à leurs dernières déclarations et je crois que nous ne devons pas être dupes. Personnellement, je ne crois pas plus aux djihadistes inclusifs que je ne croyais hier aux talibans inclusifs.

Monsieur le ministre, quelles initiatives la Belgique va-t-elle prendre concernant l'avenir de la Syrie, à titre bilatéral ou au niveau européen? Quelle est votre analyse du leadership actuel dans ce pays?

Bernard Quintin:

Madame la présidente, mesdames et messieurs, honorables députés, je vous remercie pour vos nombreuses questions qui me permettent de revenir sur les derniers événements survenus en Syrie.

Depuis 53 ans, le régime de la famille Assad s'est rendu coupable d'atrocités et de nombreux crimes contre son propre peuple. Encore, cette semaine, un charnier avec des milliers de corps – peut-être 100 000 – a été découvert, sans parler des nombreuses images des prisons et autres que l'on a vues.

Sa chute apporte une lumière d'espoir pour le pays. La joie des Syriens prouve qu'ils envisagent l'avenir avec optimisme même si la situation sur le terrain reste volatile. J'aime cependant à croire que tous ici nous nous réjouissons pour eux.

Il importe à présent que tous les acteurs concernés contribuent à une paix durable, respectueuse de toutes les communautés qui composent le pays, y compris les minorités. Bien qu'il soit trop tôt pour tirer de grandes conclusions, certains signaux exprimés publiquement donnent l'espoir d'un lendemain meilleur pour le peuple syrien.

Si cette période de transition ouvre des opportunités, elle comprend néanmoins des risques auxquels nous devons rester attentifs. Les nouveaux dirigeants syriens devront nous démontrer – mais surtout et avant tout à leur peuple –qu'ils peuvent garantir une transition politique pacifique et inclusive. Nous les jugerons sur leurs actes et non pas uniquement sur leurs paroles, qui sont relativement rassurantes pour l'instant.

We volgen de situatie dus op de voet. We hebben contacten in de Europese Unie en met landen in de regio om informatie uit te wisselen. De hele internationale gemeenschap moet samenwerken.

Na de goedkeuring van een verklaring van de EU-27 over Syrië op 9 december hebben wij de kwestie op 16 december ook besproken tijdens de Europese Raad Buitenlandse Zaken. In de discussie tijdens die recente Raad Buitenlandse Zaken (RBZ) werd de convergentie van de standpunten in de EU over de belangrijkste principes, namelijk respect voor de territoriale integriteit door iedereen, onafhankelijkheid en soevereiniteit van Syrië, de strijd tegen straffeloosheid, inclusie, respect voor minderheden en vrouwenrechten, bevestigd.

België en de Europese Unie streven naar een Syrische transitie die een inclusief politiek proces voor alle lagen van de samenleving en steun voor de Syrische bevolking in haar geheel omvat. Wij steunen de inspanningen voor een nieuwe dialoog die wordt geleid door en in handen is van de Syriërs zelf, met de steun van de Verenigde Naties, in de geest van resolutie 2254 van de Veiligheidsraad, die gericht is op een ordelijke, vreedzame en inclusieve overgang, met behoud van de soevereiniteit en de territoriale integriteit van Syrië.

De l'avis unanime des États membres de l'Union européenne, l'Union doit agir rapidement et de manière pragmatique, bien que prudente. Les discussions sont en cours pour décider de la façon dont nous souhaitons nous engager avec les nouveaux acteurs syriens, dont certains ont aujourd'hui des rôles de premier plan, mais restent sous sanctions onusiennes et donc aussi européennes.

Pour autant, il apparaît clair qu'un certain niveau d'engagement est nécessaire pour faire passer nos messages, aborder les questions délicates et évaluer les actions à mener en soutien à la population syrienne en termes d'aide humanitaire, de relèvement rapide de la situation et de soutien à la transition politique.

Pendant cette réunion, nous avons aussi parlé des bases russes en Syrie. Ce point a donc été soulevé lors du dernier Conseil de ce lundi. De nombreux ministres ont souligné que le retrait de la présence russe devrait être une des conditions pour les nouvelles autorités. Ce point sera soulevé par l'Union européenne lors de ses interactions avec les nouveaux dirigeants de la Syrie.

Dans ce cadre, la haute représentante de l'Union européenne, Kaja Kallas, a notamment annoncé que le chef de délégation de l'Union européenne en Syrie, qui est basé à Beyrouth, s'était rendu à Damas dans le but d'établir des contacts avec les nouvelles autorités syriennes et de transmettre ces messages de l'Union européenne. Plusieurs autres États en ont fait de même. La haute représentante a également annoncé que l'Union européenne allait rouvrir la délégation européenne en Syrie afin de mener des engagements constructifs et recevoir des informations du terrain et donc d'être en contact avec tout le monde. C'est le travail des diplomates, je le sais et je le soutiens.

L'engagement belge avec les nouveaux acteurs syriens, dont certains restent sous sanctions onusiennes et européennes, fera l'objet d'une discussion en kern ce vendredi.

Il est évident que nos actions seront conditionnées par les mesures prises par les nouveaux dirigeants. Nous devons nous assurer que ceux-ci ouvriront la voie à un gouvernement non confessionnel et représentatif en évitant de tomber dans la radicalisation.

Notre engagement se fera à la lueur de nos priorités politiques et du respect des valeurs qui nous animent, c'est-à-dire la protection et le respect des minorités, le respect des droits humains, veiller à ce que les crimes les plus graves ne restent pas impunis, etc. Un engagement ne signifie évidemment pas une légitimation à tout prix. Comme j'ai eu l'occasion de le dire au début de mon intervention, nous serons d'abord et avant tout attentifs aux actes.

En ce qui concerne la question de la lutte contre l'impunité, la Belgique restera engagée pour que les crimes les plus graves commis en Syrie ne restent pas impunis. L'obligation de rendre des comptes est essentielle. Les tenants du régime al-Assad et al-Assad lui-même doivent être tenus responsables des crimes terribles qui ont été commis contre le peuple syrien.

Nous soulignons la pertinence des travaux du International, Impartial and Independent Mechanism (IIIM) for Syria. Ces dernières années, la Belgique s'est investie de manière importante dans la mise en place de ce mécanisme.

Het is belangrijk om onze krachten te bundelen voor de heropbouw van Syrië, de coördinatie van humanitaire hulp en het respect van de mensenrechten, minderheden en vluchtelingen in het land.

Het herstel van de soevereiniteit, eenheid, onafhankelijkheid en territoriale integriteit van Syrië staat voorop. We roepen alle partijen op om een verdere militaire escalatie te vermijden. België is zich bewust van de risico's die de jongste ontwikkelingen in Syrië voor de regionale stabiliteit inhouden en roept alle regionale actoren op om de territoriale integriteit van Syrië te respecteren. In dat verband bevestigt België zijn steun aan de United Nations Disengagement Observer Force (UNDOF) en volgt het met bezorgdheid de Israëlische actie op de Golanhoogten. Die druist in tegen het terugtrekkingsakkoord van 1974, waarvan België de naleving vraagt.

België zal zich er ook voor blijven inzetten dat de ernstige misdaden die in Syrië worden gepleegd, niet onbestraft blijven.

Concernant la question des Foreign Terrorist Fighters (FTF), vous savez bien entendu que les services belges compétents, singulièrement l'Organe de coordination pour l'analyse de la menace (OCAM), suivent la situation de très près. Je vous renvoie donc au ministre de tutelle de ces services pour davantage d'informations. Mais mes propres services sont évidemment en contact avec les services de mes collègues. Je précise toutefois que, concernant le rapatriement des FTF, la position du gouvernement a été arrêtée par le Conseil national de sécurité (CNS) en 2021, qui a défini des critères d'éligibilité auxdits rapatriements. Sur cette base, des rapatriements d'enfants accompagnés de mères ont eu lieu en 2022. Si une nouvelle décision de ce type devait être prise, elle devrait l'être avec l'ensemble du gouvernement.

Pour conclure, une Syrie stable qui se reconstruit dans la concorde et l'unité bénéficiera à tous les pays du Moyen-Orient et contribuera, nous l'espérons, à la sécurité et à la stabilité de la région.

Pour répondre à la question, je suis en contact avec plusieurs de mes homologues de la région. Si mon homologue turc est présent, je pense me rendre au début de la semaine prochaine à Ankara pour un contact avec lui. En même temps, vous comprendrez que mes homologues dans la région, qu'ils soient turcs, jordaniens et autres, ont un agenda sensiblement plus chargé que le mien, et je m'adapte donc évidemment à leur agenda. Nous nous tenons à leur disposition pour aider à ce que cette nouvelle phase dans l'histoire de la Syrie soit la plus positive possible, d'abord pour les Syriens, mais aussi pour la région, et, partant, pour nous-mêmes.

Darya Safai:

Mijnheer de minister, dank u voor uw antwoord.

Het is inderdaad zeer belangrijk dat er geen machtsvacuüm in Syrië komt, want niemand hier wil een tweede Libië. Wij willen dat koste wat het kost vermijden. Dat neemt niet weg dat we heel erg waakzaam zijn voor HTS, een tak van Al Qaida in Syrië. Het is heel erg belangrijk dat wij de situatie monitoren en HTS te kennen geven dat we geen relatie met de groepering zullen opbouwen, als die niet aan onze eisen voldoet. HTS moet beseffen dat, als het een relatie met Europa wil, het aan onze voorwaarden moet voldoen. Die duidelijkheid is belangrijk wanneer men start met het opbouwen van diplomatieke relaties. Ook moet er klaar worden verwoord dat de Russische basissen daar moeten worden opgeruimd.

Ik onderstreep voorts dat FTF'ers hier niet thuishoren. Sommigen argumenteren dat we hen omwille van de veiligheid moeten laten terugkeren en hen hier opvangen, maar we kunnen hun geen afdoende straffen opleggen: twee maanden of twee jaar gevangenis is niet genoeg om FTF'ers, die ervan uitgaan dat ze altijd en zonder enige voorwaarden mogen terugkeren, hier onder controle te houden. Dat geldt trouwens ook voor personen die de Belgische nationaliteit hebben gekregen. We moeten daar aandacht voor hebben.

Michel De Maegd:

Monsieur le ministre, je vous remercie de votre réponse aussi complète que possible.

Nous actons cette lueur d'espoir pour le peuple syrien, libéré du joug de la dictature de la famille Assad. Nous pouvons, certes, y voir une possible opportunité, mais nous devons rester évidemment prudents et lucides. Ne soyons pas dupes. N'oublions pas, primo , à qui nous avons affaire – HTC, un groupe terroriste islamiste – et, secundo , les risques d'embrasement potentiel, notamment dans la partie kurde du pays. Ne croyons pas que tout est réglé.

À mes yeux, il y a trois priorités: le respect de l'intégrité territoriale de la Syrie, le respect du droit international et le respect des droits de l'homme et des minorités. Ce seront les conditions préalables pour rebâtir une nouvelle Syrie. Nous devons examiner la manière dont évolue la situation là-bas. Beaucoup de questions restent toujours en suspens, comme vous l'avez indiqué: le dialogue en devenir avec les autorités turques, la question des FTF et aussi le maintien ou non de HTC sur la liste terroriste rédigée par l'Union européenne.

C'est vrai, la chute de Bachar al-Assad constitue certainement un moment clé pour l'avenir du Moyen-Orient. En tant que défenseur des droits humains et acteur responsable sur la scène internationale, la Belgique a une opportunité de contribuer significativement à ce tournant, mais surtout en restant ouverte vers la population syrienne qui a souffert le martyre ces dernières décennies.

Ellen Samyn:

Mijnheer de minister, dank voor uw antwoorden.

Nu de ene brutale dictatuur voorbij is, lijkt al een andere in zicht. Het democratische paradijs waar alle Syrische minderheden in harmonie samenleven, is in elk geval nog veraf, gezien de jihadistische wortels van de nieuwe machthebbers. Ze moeten zeker waken over de rechten van vrouwen en meisjes en van minderheden, zoals de christenen. Ook het lot van de Koerden is zeer zorgwekkend. HTS streeft hun assimilatie na in de nieuwe Syrische staat, met één nationaal leger waarin alle milities zijn opgenomen. De Koerden willen dat natuurlijk niet. Intussen rukt Turkije steeds verder op vanuit het noorden. Bovendien wil noch Rusland, noch Iran Syrië zomaar lossen. Voor ons is dat een explosieve cocktail, waarover we ons zorgen moeten maken.

In uw antwoord haalde u even ook de foreign terrorist fighters (FTF) aan. Dat probleem moeten we zeker in het oog houden en we moeten waakzaam blijven voor mogelijke terroristische elementen die naar Europa zouden kunnen terugkeren. We hopen dat alles in het werk wordt gesteld om onze grenzen en dus ook onze burgers te beschermen.

Kjell Vander Elst:

Bedankt, mijnheer de minister, voor uw zeer uitgebreide antwoord.

Het is inderdaad nog vroeg en we moeten de ontwikkelingen afwachten. U ziet alleszins kansen. Ik hoop alvast dat het positieve kansen zijn.

U onderstreept dat de principes van het internationaal recht vooropstaan: dat is een evidentie. Het is goed dat Assad weg is, want hij heeft die internationale principes vaak geschonden. We moeten erop toezien dat het nieuwe regime de internationale rechten waarborgt.

U ziet een steunende rol weggelegd voor Europa in de politieke transitie. Wij moeten inderdaad die verantwoordelijkheid opnemen. Ons land doet dat al vele jaren, bijvoorbeeld door veel Syrische vluchtelingen op te vangen. Het CGVS heeft gisteren in de commissie voor Binnenlandse Zaken, Veiligheid, Migratie en Bestuurszaken aangetoond dat het merendeel van asielaanvragen uit Syrië komt. Dat is ook terecht, want men is op de vlucht voor het regime-Assad. Dat onderstreept nog maar eens het grote belang voor ons dat de situatie in Syrië en het Midden-Oosten stabiliseert. Zo kan de Syrische bevolking een toekomst in haar thuisland opbouwen.

Rajae Maouane:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses.

Nous voyons que le ballet diplomatique a repris en Syrie, dans le cadre d'une espèce de normalisation ou en tout cas d'une recherche de création de relations avec les différents représentants. Comme l'a reconnu la haute représentante de l'Union européenne pour les affaires étrangères, Kaja Kallas, les choses vont dans la bonne direction, même s'il faut rester très attentif à ce qu'il n'y ait pas un décalage entre le discours qui est porté par le nouveau dirigeant et les actes qui sont posés.

Il faut continuer à vérifier que les droits fondamentaux, les droits des femmes et des minorités sont respectés, tout en se réjouissant de la chute de la dynastie al-Assad. La Belgique, en tant qu'État important dans l'Union européenne, doit accompagner cette transition pour que les Syriens et les Syriennes retrouvent leur souveraineté et que les puissances, qu'elles soient occidentales ou de la région, ne confisquent pas cette révolution et que les Syriens puissent décider de leur sort de manière totalement libre.

Annick Lambrecht:

Mijnheer de minister, u hebt gelijk. Het is te vroeg voor heel grote conclusies, behalve de conclusie dat we allen heel verheugd kunnen zijn dat Al-Assad verdreven is en met hem ook zijn regime.

Ik heb in mijn vraag uiting gegeven aan mijn bezorgdheid over mogelijke straffeloosheid en u hebt erop gewezen dat de Europese Raad als principe verdedigt dat er tegen straffeloosheid moet worden opgetreden. Het gaat natuurlijk over straffeloosheid voor daden uit het verleden, maar evenzeer moeten we oog hebben voor de daden van het nieuwe regime.

België wil dat misdaden bestraft worden. Dat is heel belangrijk voor de zware misdaden. Dat zal tijd vergen. We lezen immers overal dat er jarenlang onderzoek nodig zal zijn om voldoende bewijsmateriaal te verzamelen en om de omvang van de massagraven te kennen. Gaat het om 10.000, 100.000 of nog meer doden? Bewijsmateriaal is cruciaal en zeker archiefmateriaal en overheidsarchieven. Er moet nog een hele weg worden afgelegd, maar het verheugt mij dat zowel op Europees als op Belgisch niveau wordt gezegd dat we geen straffeloosheid kunnen tolereren en dat we daar hard tegen moeten optreden.

Christophe Lacroix:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses.

Vous avez dit des choses très intéressantes. Je retiens notamment que vous avez dit: "Rien n'est réglé." Effectivement, je pense que tout commence et que rien n'est réglé à partir du moment où, quelle que soit la personnalité au pouvoir en Syrie, la Turquie et Israël continuent à être des facteurs de déstabilisation potentiels. On doit regarder la situation en Syrie de manière équilibrée, c'est-à-dire en faisant pression également sur la Turquie – la Turquie étant potentiellement un État pour une solution – ainsi que sur Israël pour qu'il arrête de profiter de la crise syrienne et de la mise en place d'un nouveau pouvoir aujourd'hui pour continuer à incorporer du territoire, contrairement à ce que le droit international lui autorise. C'est même plutôt l'inverse: le droit international le lui interdit.

Quand on dit que les crimes les plus graves ne peuvent rester impunis, je vous entends. Pour al-Assad et ses sbires et tous ceux qui sont responsables des violences et des crimes atroces commis là-bas, c'est très clair. Mais cela vaut pour toutes celles et tous ceux qui violent le droit international. À cet égard, la Belgique doit être claire aussi.

J'ajouterai que nous avons besoin de travailler avec quelqu'un qui donne des signes assez encourageants pour l'instant mais qui devrait, à mon sens, avoir trois priorités: rétablir une paix civile, rétablir des services publics qui fonctionnent en Syrie et qu'il importe pour nous de soutenir – c'est le côté un peu humanitaire – mais également recréer un nouveau contrat social entre tous les Syriens. Un signal encourageant consiste dans le fait que l'administration kurde du nord-est du pays a adopté le drapeau de l'indépendance à trois étoiles qui flotte aussi à Damas.

Enfin, pour ce qui concerne les FTF, vous m'avez renvoyé au ministre de la Justice. Évidemment, je ne lâcherai pas le morceau.

Els Van Hoof:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. De met de EU afgestemde Belgische positie waarbij men een pragmatische houding aanneemt tegenover de potentiële interim-regering in Damascus is toe te juichen.

Ik ben ook tevreden over het antwoord van Kallas dat HTS eerst moet bewijzen dat het stabiliteit en vrede in Syrië kan brengen, alle minderheden beschermt en de territoriale integriteit respecteert, vooraleer de kwalificatie als terroristische groepering wordt geschrapt.

De omliggende landen zijn als de dood voor een heropleving van IS. Ik had contact met de ambassadeur van Irak, die mij eraan herinnerde wat er na de val van Saddam Hoessein gebeurde met Iraanse milities op het grondgebied. Niemand was voorbereid. De pragmatische houding die wij vandaag aan de dag leggen, en de lessen die we geleerd hebben, moeten we aanhouden.

Onze aanwezigheid op het terrein is de beste manier om ook in contact te treden en uit te leggen waarvoor een internationale gemeenschap zoals de EU staat, onder andere voor de bescherming van minderheden en territoriale integriteit. De omliggende landen, zoals Irak en Jordanië, staan daar ook voor op. Het gevaar is inderdaad dat Turkije mogelijk zijn gang zal gaan ten aanzien van de Koerdische minderheden aldaar. In verband met haar Syrische schoonvader zei mijn contactpersoon dat het op dit moment niet beter is voor de mensen en dat houdt voor bepaalde minderheden een gevaar in. We moeten dus snel, accuraat en pragmatisch optreden.

Nabil Boukili:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses. La chute du régime est une bonne nouvelle pour le peuple syrien, mais sa joie ne sera pas complète s'il ne devient pas souverain. La première garantie de stabilité et d'un avenir pour la Syrie, c'est sa souveraineté. Toute ingérence ou intervention étrangère, quelle que soit sa provenance (Russie, é tats-Unis, Israël, etc.), doit être empêchée. Garantir sa souveraineté doit être un de nos objectifs en termes de politique étrangère. Ensuite, vous avez mentionné l'impunité et l'intolérance à l'impunité. Je suis d'accord avec vous. Tout crime de guerre doit être puni. Tous les crimes de guerre contre le peuple syrien doivent être punis. Mais cette intolérance à l'impunité doit aussi être présente dans l'actualité. On ne peut pas regarder le régime israélien sans réagir, sans le punir alors qu'il envahit le territoire syrien dans l'objectif de coloniser. Les membres du gouvernement l'ont affirmé. Je vous ai entendu condamner cette politique, ce qui est un bon début mais cela ne suffit pas. Les Israéliens se foutent des condamnations. Il faut des actes et des sanctions: un embargo militaire, remettre nos alliances et notre accord d'association avec Israël en question. Tant que l'impunité persiste, Israël ne changera pas sa politique coloniale dans la région. Certes, il y a déjà une condamnation, mais il faudrait passer aux actes et aux mesures contre l'État d'Israël.

De akkoorden en de samenwerking tussen de Europese Unie en Rwanda
De nieuwe steun van de Europese Unie voor de militaire operaties van Rwanda
De Europese samenwerking met Rwanda
De Belgische onthouding over Europese steun voor het leger in Mozambique
Europese samenwerking en militaire steun aan Rwanda en Mozambique

Gesteld aan

Hadja Lahbib (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken, Buitenlandse Handel en Federale Culturele Instellingen)

op 18 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België uit kritische bezorgdheid over de EU-steun aan Rwanda, ondanks diens betrokkenheid bij het M23-conflict in Oost-Congo en schendingen van internationaal recht. Hoewel de EU Rwanda blijft financieren via de *Europese Vredesfaciliteit* (voor antiterrorisme in Mozambique), onthield België zich als enige lidstaat, eisend bindende voorwaarden: terugtrekking van Rwandese troepen uit Congo en strikte controle op het niet-militaire gebruik van EU-gelden—met dreiging van opschorting bij non-compliance. De MoU over strategische mineralen met Rwanda (om EU-afhankelijkheid te verminderen) wordt door België kritisch gevolgd, met nadruk op traçabiliteit om illegale exploitatie van Congolese grondstoffen te voorkomen, maar concrete garanties ontbreken nog. België benadrukt diplomatieke druk op Rwanda en steun voor regionale vredesprocessen (o.a. Luanda-akkoord), terwijl het bilaterale relaties openhoudt—mits goede trouw van Rwanda. Kernpunt: België kiest voor een genuanceerd standpunt—steun aan antiterrorisme in Mozambique zonder legitimering van Rwandese agressie in Congo—maar blijft geïsoleerd binnen de EU, waar de meerderheid Rwanda’s dubbelrol (vredesactor *en* conflictpartij) tolerant benadert. Critici vragen hardere EU-sancties en een stem *tegen* in plaats van onthouding.

Pierre Kompany:

Merci, madame la présidente. Monsieur le ministre, bienvenue. Vous arrivez quand le monde et les observateurs géopolitiques sont inquiets. Et vous avez alors beaucoup de soucis à résoudre. En février dernier, l'Union européenne a conclu un mémorandum d'entente avec le Rwanda concernant les minerais stratégiques. Il a rapidement été contesté, notamment par notre partenaire, la République démocratique du Congo, car il semblait donner un blanc-seing à l'exploitation illégale des ressources minières congolaises par le Rwanda.

Dans sa récente audition devant le Parlement européen, le futur commissaire européen chargé de partenariats internationaux, M. Jozef Sikela, a soutenu cet accord et l'aurait même qualifié d'exemplaire. De même, l'Union européenne vient de renouveler le soutien de la facilité européenne pour la paix, je dis bien pour la paix, de financer les opérations de l'armée rwandaise au Mozambique, alors que cette armée, en soutenant le mouvement M23, participe à l'agression contre la République démocratique du Congo.

Depuis février 2024, la Belgique a-t-elle reçu les assurances que le mémorandum d'entente permettra une traçabilité de tous les minerais ou de leurs produits dérivés en provenance du Rwanda, afin d'éviter l'exploitation illégale des minerais congolais? Dans le cas contraire, pourquoi ne remet-elle pas en cause cet a priori ? De même, pourquoi la Belgique n'a-t-elle pas bloqué le financement de l'armée rwandaise par la facilité européenne pour la paix, alors qu'elle n'a pas l'assurance que cette armée ne soutient pas et ne soutient plus les forces du M23?

Lydia Mutyebele Ngoi:

Monsieur le ministre, bienvenue parmi nous. L’Union européenne prévoit de renouveler son soutien à l’armée rwandaise dans le cadre de la Facilité européenne pour la paix. Bien que cet instrument soit destiné à financer des équipements militaires et des opérations logistiques, il est difficile d’ignorer les inquiétudes liées à l’implication continue du Rwanda dans le soutien au groupe rebelle M23, responsable de crimes de guerre dans l’Est de la RDC.

Des rapports de l’ONU et d’organisations de la société civile congolaise sont explicites. Les violences contre les civils s’intensifient, les déplacements de population se multiplient et l’instabilité dans le Nord-Kivu s’aggrave. À ce jour, ce conflit a causé environ 10 millions de morts et plus de 7 millions de déplacés; une tragédie humanitaire qui continue d’évoluer en silence.

Vous le savez bien, il y a un réel risque que les fonds de l’Union européenne soient utilisés pour alimenter le conflit à l’Est de la RDC, même si le Rwanda affirme qu’ils sont uniquement destinés aux opérations au Mozambique. De plus, le sentiment que le Rwanda influe sur les décisions européennes, notamment après la nomination controversée d’un représentant spécial de l’Union européenne pour la région, accentue les doutes de la société civile quant à l’impartialité de l’Union européenne.

Monsieur le ministre, dans ce contexte, voici mes questions. Pourquoi l’Union européenne soutient-elle militairement un pays accusé de violer le droit international humanitaire: le viol comme arme de guerre, des violences contre les populations civiles, et j’en passe? Comment explique-t-elle cette différence entre les théâtres d’opérations militaires au Mozambique et la situation dramatique à l’Est de la RDC? Le Rwanda peut-il être considéré comme un grand acteur de paix dans un pays et comme un acteur de la guerre dans un autre pays?

La Belgique bloquera-t-elle ces fonds tant que le Rwanda n’aura pas prouvé qu’il ne soutient plus le M23, ce dont il existe plusieurs preuves? Dans le cas contraire, quelles garanties obtiendra-t-elle pour que l’argent soit bien utilisé au Mozambique?

Comment l’Union européenne vérifiera-t-elle l’utilisation de ces fonds? Quelles sanctions seront-elles infligées au Rwanda s’il ne respecte pas les garanties demandées?

Els Van Hoof:

Mijnheer de minister, ik sluit mij aan bij de vorige vragen. De collega’s hebben al perfect uitgelegd waarom de Europese steun aan Rwandese militairen omstreden is, namelijk de betrokkenheid van Rwanda bij het conflict in Oost-Congo. België onthield zich daarom bij de stemming in de Raad. Dat was een goede houding van België.

In een persbericht dat de FOD Buitenlandse Zaken daarop verspreidde, werd het belang onderstreept van de aanvullende conditionaliteitselementen verbonden aan de Europese steun. Er werd ook gepreciseerd dat de niet-naleving van de mensenrechten of het internationaal recht kan leiden tot opschorting of beëindiging van de steun.

Kunt u het standpunt van België nader toelichten? Hebben andere lidstaten een gelijkaardig standpunt verdedigd?

Waaruit bestaan precies de voorwaarden die aan de bijkomende steun verbonden zijn? Hoe zal de naleving ervan concreet gegarandeerd worden?

Michel De Maegd:

Monsieur le ministre, lors du dernier Conseil des Affaires étrangères de l'Union européenne en novembre dernier, la Belgique s'est abstenue sur le renouvellement de l'assistance militaire accordée au RDF rwandais dans le cadre de la lutte contre le terrorisme dans la province de Cabo Delgado, au Mozambique. Cette position est motivée par des inquiétudes sur l'implication des forces rwandaises dans le soutien au mouvement rebelle M23 en République démocratique du Congo et reflète une volonté de garantir que l'aide européenne soit strictement dédiée à la lutte contre le terrorisme au Mozambique.

Monsieur le ministre, pouvez-vous revenir sur cette abstention? D'autres pays ont-ils suivi le même raisonnement que le nôtre? Cette décision reflète-t-elle une divergence plus grande entre la Belgique et ses partenaires européens quant à la manière de gérer les questions de sécurité en Afrique? La Belgique envisage-t-elle de proposer des mécanismes de suivi ou de contrôle pour s'assurer que l'aide européenne au Mozambique ne soit pas utilisée à d'autres fins ou dans d'autres zones d'opération, comme le Nord-Kivu? Cette abstention pourrait-elle affecter les relations bilatérales, déjà fragiles, entre la Belgique et le Rwanda, notamment sur le plan de la coopération diplomatique, économique et/ou sécuritaire? Enfin, pouvez-vous nous dire où en est ce dossier à l'échelle européenne?

Bernard Quintin:

Mesdames et messieurs, honorables députés, je vous remercie pour vos questions qui sont de deux ordres.

Concernant la question sur le Memorandum of understanding (MoU), sur les matières premières critiques entre l'Union européenne et le Rwanda, il convient de replacer cela dans un contexte approprié. L'Union européenne a signé des accords de ce genre avec toute une série de pays, y compris avec la République démocratique du Congo. Ce dernier a d'ailleurs été conclu avant celui avec le Rwanda grâce à l'insistance belge. Nous en avons également avec la Zambie, l'Ouganda ou encore le Kazakhstan, l'Argentine et le Chili.

Ces accords illustrent les efforts de l'Union européenne pour diversifier l'approvisionnement en matières premières critiques. C'est un secteur prioritaire pour consolider notre autonomie stratégique, ce qui devient dans le monde d'aujourd'hui toujours plus important

Dans ces MoU, nous nous attaquons aux problèmes d'exploitation et de commerce illégal de ces ressources. L'objectif est également de renforcer la traçabilité des chaînes d'approvisionnement. L'Union européenne condamne régulièrement l'exploitation et le commerce illégal des matières premières dans la région des Grands Lacs.

Le régime européen des sanctions liées à la situation en RDC prévoit d'ailleurs des mesures restrictives ciblant des acteurs, individus, entités ou organisations qui alimentent ou profitent des conflits armés, de l'instabilité ou de l'insécurité dans le pays. Cela inclut les responsables de violences ou ceux impliqués dans l'exploitation et le commerce illicite de ressources naturelles.

Lors de la signature du MoU en question avec le Rwanda, ma prédécesseure a souligné devant ce Parlement que ces accords doivent être utilisés comme des leviers pour améliorer la transparence et la traçabilité du commerce des matières premières, contribuant ainsi à traiter l'une des causes profondes des conflits dans l'Est de la RDC.

Pour mettre en œuvre ces memorandums , l'Union européenne négocie actuellement avec le Rwanda une feuille de route détaillant les actions à entreprendre. La Belgique suivra de près la mise en œuvre de ces actions pour s'assurer qu'elles respectent pleinement les objectifs fixés.

Concernant vos questions sur la mesure d'assistance de la Facilité européenne pour la paix, destinée à appuyer les poursuites du déploiement des Forces rwandaises de défense (RDF) au Cabo Delgado, au Mozambique, je rappelle qu'il s'agit d'une réponse à une demande précise et répétée des autorités mozambiquaines pour faire face à la menace terroriste qui est encore active dans cette partie de leur pays.

Le SPF Affaires étrangères a publié le lundi 18 novembre et ce, directement après la communication de l'Union européenne annonçant l'approbation de cette mesure, un communiqué expliquant la position de la Belgique dans ce dossier, à savoir son abstention. Je reviendrai par la suite sur ce point.

Cette abstention exprime deux choses. Il s'agit tout d'abord de notre soutien à la lutte contre le terrorisme au Cabo Delgado, ainsi que notre approche constructive et solidaire au sein de l'Union européenne. Il est en effet important que celle-ci continue de se positionner comme un partenaire qui réponde aux demandes des pays africains dans le domaine de la sécurité, parce que vous savez aussi bien que moi que l'Union n'est pas le seul acteur sur le terrain. Ensuite, je rappelle l'attachement de la Belgique au respect de la Charte des Nations Unies et aux principes du droit international, en rapport notamment avec la situation dans l'Est de la République démocratique du Congo.

Comme vous le savez, et tel que documenté à de multiples reprises par les Nations Unies, ainsi que vous l'avez souligné, madame la députée, le Rwanda poursuit son appui militaire aux forces du M23 et, par là-même, viole l'intégrité territoriale et la souveraineté de la République démocratique du Congo. La Belgique continue de condamner fermement ce soutien rwandais au M23 et exige le retrait immédiat des RDF de l'Est de la RDC. La Belgique a également été très claire vis-à-vis de la RDC quant à la nécessité d'un arrêt immédiat de la collaboration avec le FDLR et autres groupes armés et à leur neutralisation.

Nous soutenons pleinement les processus de médiation régionaux, au premier chef desquels celui de Luanda. Cette position est, du reste, pleinement partagée par l'Union européenne.

Lorsqu'il s'est agi de discuter d'un nouvel appui au déploiement des RDF au Cabo Delgado, il n'était pas possible, selon nous, de dissocier complètement les situations, étant donné la présence simultanée des militaires rwandais sur les deux théâtres. Les discussions européennes ont montré que cette vision était partagée par plusieurs autres États membres. Cependant, pour le dire clairement, seule la Belgique s'est abstenue.

Door het optreden van België en andere lidstaten werden aanvullende politieke en technische voorwaarden toegevoegd in vergelijking met de oorspronkelijke maatregelen. In de eerste plaats zorgden we ervoor dat de European Peace Facility (EPF) gelinkt werd aan de inspanningen van Rwanda in het kader van het Rwandaproces en dus aan de gevraagde terugtrekking uit Oost-Congo.

En plus, l’appui européen est strictement non létal et consiste en l’acquisition d’équipement personnel non repris dans la liste des équipements militaires de l’Union européenne, ainsi que le financement du transport aérien entre le Rwanda et la province de Cabo Delgado au Mozambique.

Dat weerspiegelt onze doelstelling dat de hulp uitsluitend bestemd moet blijven voor de strijd tegen het terrorisme in Mozambique door de Rwanda Defence Force (RDF), ter ondersteuning van de Mozambikaanse strijdkrachten en ten behoeve van de Mozambikaanse bevolking, en niet voor andere doeleinden of in andere gebieden mag worden gebruikt.

In ons persbericht hebben we het belang benadrukt van een zorgvuldige monitoring van de naleving van de extra voorwaarden die van toepassing zijn op de uitvoering van deze steunmaatregel. Sommige van die voorwaarden zijn juridisch bindend voor Rwanda. De niet-naleving van het internationale recht en het niet respecteren van de mensenrechten zouden bijvoorbeeld kunnen resulteren in de opschorting of stopzetting van de steun.

Enfin, je tiens à souligner que les contacts diplomatiques ne sont pas à l’arrêt, ni avec le Rwanda, ni avec la République démocratique du Congo, et que via ces contacts, nous avons l’occasion d’échanger, mais aussi d’expliquer nos positions en toute transparence.

Concernant nos relations bilatérales avec le Rwanda, nos canaux restent ouverts et nous sommes évidemment prêts à en discuter à tout moment avec les autorités rwandaises, afin d’évaluer leur état et d’envisager leur futur. C’est d’ailleurs le sens du message que nous avons transmis aux autorités rwandaises.

Vous l’aurez compris – et cela vient de moi – nous sommes à disposition, comme nous l’avons toujours été, pour travailler à des relations apaisées, mais cela nécessite, bien entendu, un minimum de bonne foi de part et d’autre. Nous attendons donc maintenant que les Rwandais nous disent, et surtout nous montrent, qu’ils sont eux aussi disposés à poursuivre une telle relation.

Pierre Kompany:

Merci, monsieur le ministre, pour les éléments de réponse que vous avez donnés. Mais la chose la plus embêtante dans cette histoire, c'est que toute l'Afrique pense qu'on a créé un petit gendarme – même si mes mots sont exagérés – pour la paix en Afrique. Alors que, si on regarde bien la situation dans ce pays, il n'y a que trois tribus. Je l'affirme. Le vivre ensemble n'est pas garanti. Je ne veux pas rentrer dans l'analyse de ce qu'il s'y passe ou non, mais le vivre ensemble n'est pas garanti. Vous ne garantissez pas le vivre ensemble chez vous. Allez-vous le garantir ailleurs? À moins qu'il y ait des intérêts cachés qui ne soient pas nécessairement ceux de notre pays, la Belgique. Cela, tout le monde le sait. La Belgique est peut-être une médiatrice de paix. La Belgique, on l'écoute partout dans le monde, même si on ne tient pas compte de ses conseils.

Je crois que pour cette fois-ci, l'Union européenne, via son commissaire, a dit n'importe quoi. Il est temps de changer de dialogue. Il est temps de changer de façon de parler. L'Afrique, que vous comme moi nous représentons ici – car la plupart d'entre nous connaissent l'Afrique et nous n'avons rien à leur apprendre –, est choquée. Encore heureux que la Belgique se soit abstenue. Mais la réalité est très forte. Merci.

Lydia Mutyebele Ngoi:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses complètes.

Je suis heureuse que la Belgique se soit abstenue. Comme je l'avais dit à votre prédécesseur, j'aimerais que la Belgique aille plus loin en votant contre et je regrette profondément que l'Union européenne ne prenne pas en compte les nombreuses victimes et les exactions commises par le Rwanda et le M23.

Comme souligné précédemment, nous sommes dans une position contradictoire de l'Union européenne qui considère que le Rwanda est, d'une part, un acteur de paix dans un pays et, d'autre part, ne respecte pas le droit international ni les droits humains. L'Union européenne continue à dialoguer avec un pays qui méprise les droits humains en RDC. J'espère que la Belgique continuera à avoir cette position exemplaire en continuant à vouloir dialoguer avec les deux États.

Els Van Hoof:

Mijnheer de minister, ik zie een goede evolutie in het standpunt van België. We zeggen nu duidelijk waarop het staat: respect voor het Rwandaproces, geen ondersteuning aan de M23 en respect voor de integriteit van Oost-Congo.

Ons standpunt over de steun is ook in goede zin geëvolueerd. Bij de eerste stemming hebben we ons immers onthouden. Vorige keer hebben we het gesteund. Er is dus evolutie in het standpunt.

Het is ook opmerkelijk dat België zich onthouden heeft. Dat geeft immers duidelijk een signaal naar Rwanda. Zo zeggen we immers dat het uitsluitend bestemd is om de jihadisten te bestrijden en ter ondersteuning van de strijdkrachten van Mozambique en dat we geen letale wapens willen. Die monitoring en opvolging zijn ook heel erg belangrijk om dit au sérieux te nemen. Op deze manier maken we duidelijk dat wat er in Oost-Congo gebeurt onaanvaardbaar is. We moeten daaraan paal en perk stellen en duidelijke taal spreken. We hebben dat dus gedaan, waarvoor dank.

Michel De Maegd:

Monsieur le ministre, merci pour cette réponse très franche. La charte des Nations Unies doit être notre boussole absolue, et la présence du RDF en République démocratique du Congo la viole. Il faut donc être ferme. Nous devons maintenir la pression pour que toute force affiliée, de près ou de loin, au Rwanda se retire de la RDC et pour tendre vers un processus de médiation régionale. Dans le même temps, il est primordial de garantir la sécurité et de soutenir l'aide contre le terrorisme. Je compte donc sur vous pour convaincre vos homologues européens d'aller plus loin dans les garanties concernant cette aide. Celle-ci ne peut bénéficier qu'à la lutte antiterroriste et à la population du Mozambique et ne peut être détournée à d'autres fins. L'Europe doit tout faire pour s'en assurer. Je vous remercie. De voorzitster : Aan de orde is vraag nr. 56000948C, maar de heer Freilich is niet aanwezig.

Mercosur
Het Mercosur-akkoord
Het Mercosur-akkoord
Het Mercosur-akkoord
Mercosur
De gevolgen van het Mercosur-akkoord voor Belgische landbouwers, industrie en voedselveiligheid
Mercosur-handelsakkoord en impact op België

Gesteld aan

Hadja Lahbib (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken, Buitenlandse Handel en Federale Culturele Instellingen), Bernard Quintin, David Clarinval (Minister van Middenstand, Zelfstandigen, KMO's, Landbouw en Institutionele Hervormingen)

op 18 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Het Mercosur-akkoord wordt beoordeeld als een strategisch economisch en geopolitiek belang voor België en de EU, met kansen voor industrie, kritieke grondstoffen en markttoegang, maar roept sterke bezorgdheden op in de landbouwsector (met name vlees, gevogelte en suiker), ondanks quota en vrijwaringsmaatregelen. België neemt nog geen definitief standpunt in (beslissing pas in 2025) en streeft naar consensus, maar Frankrijk en Polen blokkeren, terwijl de landbouwsector (o.a. FJA, Copa-Cogeca) het akkoord als bedreigend ziet door oneerlijke concurrentie (normen, pesticiden, ggo’s). Controles op voedselveiligheid blijven volgens de minister ongewijzigd, maar critici vrezen versoepeling via WHO-standaarden en beperkte inspecties. De spiegelclausules (bijv. dierenwelzijn) worden als moeilijk haalbaar gezien, terwijl 1 miljard euro EU-steun voor getroffen boeren als ontoereikend wordt bestempeld. Hypocrisie rond ggo-import en export van verboden pesticiden blijft een ethisch en praktisch twistpunt. België riskeert onthouding bij stemming door gebrek aan interne eenheid, met Anvers’ havenbelangen als mogelijke doorslaggevende factor.

Anneleen Van Bossuyt:

Mijnheer de minister, ik ben blij dat ik vandaag mijn eerste vraag aan u kan stellen.

Het Mercosur-akkoord is recent ondertekend door Ursula von der Leyen en we mogen dat een historische stap noemen. Het is een historische stap richting een vrijhandelszone van meer dan 700 miljoen mensen. Het is dus een zeer grote markt. We kunnen het Mercosur-akkoord dus als veel meer dan een vrijhandelsakkoord beschouwen. Het akkoord versterkt immers onze economische banden met de Mercosur-landen, zoals Brazilië en Argentinië. Het positioneert de Europese Unie echter ook veel sterker in een wereld waarin verschillende grootmachten, zoals China, hun invloed in Zuid-Amerika willen uitbreiden. Daar zijn immers ook heel wat edele metalen te vinden, dus het akkoord is ook van groot geopolitiek belang. Als de Europese Unie haar invloed daar dus niet zal laten gelden, zal China dat met heel veel plezier in onze plaats doen. Dan zal er echter veel minder voor het klimaat gedaan worden en zullen wij als Europese Unie daarvan ook de gevolgen dragen.

België heeft een zeer open economie. Wij zijn ook de derde grootste exporteur naar de Mercosur-landen. Voor ons biedt dit akkoord dus toegang tot onder andere kritieke grondstoffen, die we in het kader van de klimaattransitie eveneens veel meer nodig zullen hebben. Het zorgt daarenboven voor meer diversificatie, die we ook nodig hebben, ten opzichte van anderen. We krijgen daarnaast toegang tot snelgroeiende markten. Het kan dus eveneens onze economie stimuleren en onze open en strategische autonomie, waaraan we toch heel veel werken vanuit de Europese Unie, versterken.

Op Europees niveau wordt er vaak gepleit voor een industrial deal en dus voor een industrieel beleid. Ursula von der Leyen zal normaal gezien rond juni daartoe de eerste voorstellen doen. Dit akkoord is echter al een heel concrete stap om ervoor te zorgen dat we onze industrie wel hier kunnen houden en dat die zich niet zal verplaatsen. Voor heel veel van onze bedrijven is dit akkoord dan ook van cruciaal belang.

Ik wil ook nog even ingaan op de landbouw, want er is heel veel te doen rond Mercosur en landbouw. We kunnen niet in het algemeen zeggen dat het een negatief akkoord is voor de landbouw. Er zijn immers bepaalde sectoren, zoals uitvoerders van diepvriesproducten en de graansector, die er wel heel veel voordelen van zullen hebben. Bovendien worden er vrijwaringsmaatregelen voorzien in het akkoord.

Veronderstel dat ineens heel veel vlees ingevoerd zou worden, dan zijn er quota ter vrijwaring voorzien. Ik verwijs naar het CETA-akkoord, het vrijhandelsakkoord met Canada, waarvan ook werd beweerd dat wij hier overspoeld zouden worden met Canadese producten, maar zelfs de Franse president Macron heeft al toegegeven dat we van dat akkoord zelfs beter geworden zijn.

Inzake de sanitaire en fytosanitaire maatregelen wordt gewezen op onze voedselstandaarden. Welnu, geen enkel internationaal akkoord kan onze voedselstandaarden in de Europese Unie wijzigen. Ik herinner me nog de discussies over het vrijhandelsakkoord met de VS. Na dat akkoord zouden wij hier onder meer plofkippen krijgen. Dat kan echter gewoonweg niet, want onze voedselstandaarden kunnen niet wijzigen door de sluiting van een vrijhandelsakkoord.

Mijnheer de minister, daarom heb ik drie concrete vragen voor u.

Ten eerste, wij hopen dat België geen blokkerende rol zal spelen bij de ondertekening en ratificering van het Mercosur-vrijhandelsakkoord. Kunt u dat garanderen?

Ten tweede, spiegelclausules kunnen een boemerangeffect hebben ten aanzien van onze landbouwers. Koeien zouden bijvoorbeeld altijd buiten moeten grazen en zouden niet meer op stal kunnen verblijven. Hoe staat u ten opzichte van alternatieve benaderingen van die spiegelclausules?

Ten derde, staat u open voor een eventuele splitsing van het akkoord in enerzijds een puur en zuiver handelsgedeelte en anderzijds een gemengd gedeelte?

Patrick Prévot:

Monsieur le ministre, je ne reviendrai pas sur l'ensemble des rétroactes, mais sur les faits. L'accord a été signé avec le Mercosur le 6 décembre dernier. Pour la FJA et la Fugea, c'est une gifle pour les agriculteurs. Pour le Copa-Cogeca au niveau européen, c'est un message de mépris pour l'agriculture familiale, six jours à peine après l'entrée en fonction des nouveaux commissaires européens.

Monsieur le ministre, concernant le contenu de l'accord, et ce seront mes premières questions, pouvez-vous le détailler, en particulier le volet agricole? Pouvez-vous le mettre à disposition des membres? Quelle est votre position sur cet accord?

Concernant la procédure d'adoption, un accord mixte commercial et d'investissement doit être ratifié par les parlements de tous les États membres, tandis qu'un accord scindé en deux volets peut n'être approuvé que par une majorité qualifiée d'États membres au Conseil et par une majorité simple au Parlement européen. Confirmez-vous que la Commission doit encore statuer sur la forme juridique que revêtira l'accord? Si oui, quand interviendra cette décision? La Belgique est-elle intervenue ou va-t-elle intervenir pour qu'on choisisse une procédure plutôt qu'une autre, si oui, laquelle, si non, pourquoi?

La France cherche à rassembler une minorité de blocage pour s'opposer à l'adoption de l'accord avec le Mercosur. Quel est l'état des forces en présence au niveau européen? La Belgique rejoindra-t-elle cette minorité de blocage? Je vous remercie.

Dieter Keuten:

Mijnheer de minister, in verband met het politiek akkoord over Mercosur dat op 6 december werd gesloten, zei Commissievoorzitter von der Leyen in haar perscommuniqué dat men naar de bezorgdheden van de landbouwers had geluisterd en daaraan tegemoetgekomen was. Welnu, wij hebben toch nog een aantal vragen gekregen van onze landbouwers.

Ik sluit mij aan bij de verzuchtingen van collega Prévot en heb voor u enkele specifieke vragen, mijnheer de minister. Het EU-Mercosur-akkoord beperkt het voorzichtigheidsbeginsel. Bijvoorbeeld, onder het hoofdstuk over sanitaire en fytosanitaire maatregelen staat dat men niet op Europese regelgeving een beroep zal doen, maar op WHO-standaarden. Concreet wil dat zeggen dat er door het akkoord bij de invoer van voedingsmiddelen meer residuen van pesticiden worden toegestaan, inclusief de meest schadelijke chemische bestrijdingsmiddelen, zoals glyfosaat. Klopt het, mijnheer de minister, dat door de Europese overeenkomst onze regels zullen versoepelen?

Het handelsakkoord limiteert de mogelijkheden om bij de import van bijvoorbeeld vlees en gevogelte uit de Mercosur-landen voedselinspecties uit te voeren en preventieve maatregelen te nemen om de import te blokkeren, indien er een vermoeden van verontreiniging is. Klopt het, mijnheer de minister, dat de Europese overeenkomst onze nationale controlebevoegdheden zal limiteren?

Pesticiden die hier vandaag verboden zijn voor gebruik in landbouw, maar die wel nog steeds door onze chemische industrie geproduceerd worden, worden uitgevoerd naar onder andere de Mercosur-landen. Het Mercosur-akkoord vergemakkelijkt de export van de chemische bestrijdingsmiddelen, waardoor men een incentive creëert om die schadelijke stoffen nog meer te gebruiken. Klopt het, mijnheer de minister, dat België naar onder andere Brazilië en Paraguay pesticiden uitvoert die hier niet meer gebruikt mogen worden en ginder wel?

Tot slot, genetisch gemodificeerde organismen worden tot heden slechts heel beperkt toegelaten in Europa. Het toepassen van genetisch gemodificeerde organismen is in de Zuid-Amerikaanse Mercosur-landen echter de standaard. In het handelsakkoord wordt de mogelijkheid tot asynchrone toestemming voor gmo's gecreëerd om de impact op de handel te minimaliseren. Klopt het, mijnheer de minister, dat door het akkoord het aandeel genetisch gemodificeerde ingrediënten in onze voedselketen kan toenemen?

Bernard Quintin:

J'allais répondre par une blague mais je vais m'abstenir. Je dois faire bonne impression pour ma première audition en commission! Il ne faut pas me pousser, monsieur le député, ce n'est pas gentil.

Beste collega's, Buitenlandse Zaken coördineert het Belgische standpunt en informeert onze verschillende politieke autoriteiten over de ontwikkelingen in Europese aangelegenheden, in overeenstemming met het samenwerkingsakkoord van 8 maart 1994. Zoals bij elk handelsdossier zal het definitieve Belgische standpunt worden ingenomen wanneer de Commissie de voorstellen voor besluitvorming aan de Raad voorlegt. Dit zal pas rond de zomer van 2025 kunnen plaatsvinden, aangezien de teksten nu in alle officiële talen van de EU moeten worden vertaald en wettelijk worden geverifieerd.

Monsieur Prévot, c'est également au moment de la présentation des propositions de décision au Conseil que la Commission définira la base légale et la structure juridique de l'accord, notamment sur la base du contenu de celui-ci. La Commission n'a donc pas encore arrêté la structure finale de l'accord.

Il est difficile d'anticiper la position finale du Conseil. La France et la Pologne ont annoncé être contre l'accord, alors que l'Autriche est pour l'instant tenue par une résolution de son Parlement précédent. Le Parlement des Pays-Bas a également adopté une résolution similaire mais d'ici à la présentation du dossier au Conseil, les positions de plusieurs É tats membres sont encore susceptibles d'évoluer dans un sens ou l'autre.

Dans les semaines et mois à venir, les Affaires étrangères seront en contact avec les autorités politiques et les parties prenantes afin de partager les informations reçues et d'expliquer le contenu de l'accord.

Zodra de ontwerpbesluiten zijn verzonden, zal het Belgische standpunt op basis van consensus met alle autoriteiten van ons land worden gecoördineerd. Als er geen intra-Belgisch akkoord komt, zal ons land zich bij de stemming moeten onthouden.

C'est aussi cette procédure qui sera suivie en ce qui concerne la position sur la structure juridique.

Het is waar dat dit akkoord economische opportuniteiten bevat voor de Belgische industrie en de dienstensector. In 2023 boekte ons land een positieve handelsbalans van 3,45 miljard euro met de landen van de regio op het gebied van de handel in goederen, met een aanzienlijke bijdrage van de chemische en farmaceutische industrie, machines en transportmateriaal. Ons land is ook goed ingeburgerd op het gebied van diensten, met name in de vervoerssector, de telecommunicatie en de zakelijke dienstverlening.

Het akkoord moet iets meer dan 90 % van de tarieflijnen tussen de twee blokken liberaliseren. Het moet de handel in goederen, diensten, toegang tot markten voor overheidsopdrachten en kritieke grondstoffen vergemakkelijken.

Alle teksten van het akkoord van 2019 zijn sinds 2022 voor het publiek beschikbaar op de website van de Commissie. De nieuw onderhandelde teksten werden op dinsdag 10 december ook op de website van de Commissie gedeeld.

Mevrouw Van Bossuyt, zoals u aangaf, is het akkoord ook geopolitiek belangrijk, aangezien de regio bijna 270 miljoen inwoners heeft en aangezien Europa er veel historische en politieke banden mee heeft. Zoals u weet, roept dit akkoord echter ook zorgen op bij bepaalde sectoren, vooral met betrekking tot duurzame ontwikkeling en landbouw.

Sur ce volet agricole justement, l'accord réduit ou supprime les tarifs douaniers sur les biens agricoles, permettant d'offrir des opportunités d'exportation pour nos producteurs, notamment en matière de pommes de terre surgelées, de bières, de chocolat, de certains fruits ou de produits laitiers. L'accord protège également 350 indications géographiques européennes. Treize de ces indications sont belges, parmi lesquelles le jambon d'Ardenne, la plate de Florenville, la gentse azalea et le peket.

Certains secteurs seront cependant soumis à des pressions, notamment ceux de la viande bovine, de la volaille ou du sucre. Pour ces secteurs, la Commission a négocié des quotas visant à limiter l'importation de ces produits en Europe. Ceux-ci entreront en vigueur de façon graduelle, entre cinq et dix ans en fonction des produits. En outre, ces quotas sont, pour la première fois dans un accord commercial de l'Union européenne, soumis au mécanisme de sauvegarde permettant de réintroduire temporairement les tarifs en cas de perturbation du marché.

Enfin, la présidente de la Commission européenne, Ursula Von der Leyen a annoncé, lors de la conclusion des négociations le 6 décembre dernier à Montevideo, que la Commission allait proposer une réserve d'au moins un milliard d'euros comme une forme d'assurance en cas d'impact négatif sur les agriculteurs et les zones rurales.

Des mesures de simplification devraient également être annoncées prochainement. Nous attendons donc la publication de la Vision pour le futur de l'agriculture, attendue durant les 100 premiers jours de la nouvelle Commission afin d'en évaluer le contenu. Vous savez que ces mesures de simplification sont une demande très forte de notre secteur agricole, singulièrement le secteur de l'élevage.

Par ailleurs, tous les produits mis sur le marché européen doivent respecter les normes sanitaires et phytosanitaires européennes, en ce compris en ce qui concerne l'utilisation des hormones, l'utilisation des OGM et les résidus maximum de pesticides. Les contrôles se font à l'arrivée des biens aux points d'entrée au sein de l'Union européenne par les autorités des États membres, par exemple le port d'Anvers. Les contrôles sont ensuite effectués par les douanes sur la base des règles applicables. L'accord ne modifie pas cela.

Mijnheer Keuten, het is dus niet correct om te zeggen dat de overeenkomst de Europese normen zou versoepelen, de controlebevoegdheden van de lidstaten zou beperken en de deuren wagenwijd zou openzetten voor de invoer van ggo-producten.

We moeten werken aan het beperken van de gevolgen, het activeren van voorzorgsmaatregelen in het geval van een storing en het compenseren, ondersteunen en vereenvoudigen van het werk voor onze boeren. Tegelijkertijd moeten we de algemene gevolgen analyseren die het akkoord zou kunnen hebben op alle sectoren van onze economie en op de werkgelegenheid.

Wat duurzame ontwikkeling betreft, is het noodzakelijk te melden dat het Akkoord van Parijs opgenomen is als essentieel element van het akkoord en dat de Mercosur-landen zich hebben geëngageerd om tegen 2030 de ontbossing te stoppen.

Wat de spiegelclausules voor landbouw betreft, ben ik van mening dat ze voor bepaalde subsectoren op een gerichte manier nuttig zouden kunnen zijn. Het Mercosur-akkoord bevat bijvoorbeeld een clausule over de productie van eieren. Spiegelclausules moeten echter bilateraal worden onderhandeld en zijn niet gemakkelijk om in de praktijk na te komen. Ze kunnen ook gepaard gaan met hogere vragen van onze partners op het gebied van toegang tot de EU-markt. Daarom heeft de EU de afgelopen jaren unilateraal maatregelen ontwikkeld die verenigbaar zijn met de WTO-regels, bijvoorbeeld de regelgeving inzake pesticiden, verlaging van de maximumwaarde voor residuen of ontbossing.

Laat mij afsluiten inzake het Mercosur-akkoord door te onderstrepen dat het nodig zal zijn om een Belgische positie te bepalen die niet alleen rekening houdt met de impact van het akkoord op onze defensieve belangen, maar uiteraard ook op onze offensieve belangen.

Je me permets d'insister: comme cela été dit, entre autres, par Mme la députée Van Bossuyt, nous sommes une économie ouverte, puisque 80 à 85 % de notre PIB dépend du commerce international. Par conséquent, pour la Belgique, il faut de bons accords commerciaux internationaux. Nous serons évidemment attentifs à tout ce qui est écrit. C'est pourquoi nous analysons les nombreuses pages de l'accord. En tout cas, nous avons besoin de ces bons accords internationaux pour notre développement économique. Comme cela a été indiqué dans d'autres questions, notre autonomie stratégique ouverte est extrêmement importante dans un monde où les choses sont en pleine mutation. Je vous remercie de votre attention.

Anneleen Van Bossuyt:

Mijnheer de minister, hartelijk dank voor uw antwoord. Ik vind het heel jammer dat er rond dit akkoord van alles gezegd wordt op basis van wat er gehoord wordt in plaats van naar de tekst en de mogelijke impact te kijken. Ik hoor zeggen dat het “un mépris pour nos agriculteurs ” is. Er zijn inderdaad zorgen voor onze landbouw of voor bepaalde sectoren uit onze landbouw, maar met die zorgen is ook rekening gehouden. Zeer uitzonderlijk voor een vrijhandelsakkoord zijn er expliciet quota en vrijwaringsmaatregelen opgenomen. Dat is zeker niet evident.

Collega’s, het gaat hier over twee hamburgers of een biefstuk per Europeaan en twee kippenfilets. Daarover gaat het. Daarvoor zou een akkoord dat zo belangrijk is voor zovele sectoren in onze Belgische economie op de helling gezet worden. Misdadig is een te groot woord, maar het zou heel jammer zijn.

Ik hoor hier ook spreken over de ggo’s. Dat is heel hypocriet, want ggo’s worden hier niet toegelaten maar we voeren ze wel massaal in. We voeren massaal ggo-gemodificeerde soja in uit die landen maar hier mag die niet gefabriceerd worden. Er is nu een nieuwe methode, CRISPR. Ik hoop dat we daarvoor in Europa eindelijk wel het licht op groen zetten, want ze wordt al in de hele wereld toegepast behalve in de Europese Unie. Nochtans spelen we daar een voortrekkersrol op het vlak van innovatie.

Mijnheer de minister, ik ga dus absoluut akkoord met uw eindconclusie. Dit akkoord is zeer belangrijk voor onze industrie, ook voor onze landbouw, en dus voor de werkgelegenheid in ons land. Elke donderdag tijdens de plenaire sessies zijn er vragen over de werkgelegenheid, over bedrijven die het moeilijk hebben. Welnu, met dit akkoord kunnen we concrete stappen in de goede richting zetten. Laat ons dus alstublieft aan één zeel trekken om dat ook te kunnen waarmaken.

Patrick Prévot:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse détaillée.

Je vais vous donner raison sur la fin de notre intervention quand vous dites que de bons accords commerciaux sont indispensables pour le développement socio-économique de notre pays. Vous avez raison, mais il faut de bons accords commerciaux! Nous avons ici un vrai déséquilibre. Je plaide depuis longtemps pour une exception agricole et je trouve complètement hallucinant qu'on puisse échanger des voitures allemandes contre de la viande bovine.

Madame Van Bossuyt souligne le faible taux de consommation de viande, indiquant deux steaks hachés et une cuisse de poulet par habitant. Il faudrait un jour multiplier tous les accords commerciaux passés et futurs pour évaluer l'impact réel sur le secteur, notamment sur celui de l'élevage, et principalement celui de l'élevage de viande bovine. C'est évidemment cela qui impacte très fortement nos éleveurs. C'est la raison pour laquelle nos agriculteurs sont mécontents par rapport à cet accord.

Vous dites que les produits qui arrivent sur notre territoire doivent pouvoir répondre aux mesures européennes. Nous avons des mesures drastiques en Belgique. Celles qui sont imposées à l'agriculture conventionnelle pourraient parfois être considérées comme des mesures bio dans certains autres pays tant elles sont strictes. Il y a donc, là aussi, une concurrence déloyale pour notre secteur agricole.

Je reste donc intimement persuadé que de bons accords sont évidemment nécessaires pour notre pays mais que cet accord du Mercosur est dangereux pour notre modèle agricole. Je comprends bien qu'un milliard d'euros est mis en réserve pour couvrir d'éventuelles grosses pertes mais un milliard d'euros sur l'échelle européenne pour le secteur agricole, c'est évidemment dérisoire.

Je sais que vous n'êtes pas Madame Irma et que vous ne pouvez évidemment pas prédire la position de la Belgique. Moi, par contre, je vais vous la donner la position de la Belgique: nous nous abstiendrons, comme à chaque fois, car c'est malheureusement le port d'Anvers qui va décider. J'ai interrogé à plusieurs reprises votre collègue, le ministre de l'Agriculture Clarinval. Il m'a répondu, un peu en mode "Annie Cordy": je voudrais bien mais je ne peux point. Nous aurons donc, une fois de plus, une réponse "chèvrechoutiste" de la part de notre pays et nous nous abstiendrons, contrairement à d'autres pays qui auront été beaucoup plus volontaristes que nous.

Voorzitter:

Monsieur Prévot, je vous confirme que Mme Irma n'est pas présente pour nos travaux de l'après-midi.

Dieter Keuten:

Mijnheer de minister, ik deel de mening van mevrouw Van Bossuyt over de hypocrisie betreffende de ggo's of de gmo's. Ze zijn in ons land verboden, maar worden massaal ingevoerd. Met het akkoord doen we er nog een schepje bovenop en importeren we nog meer genetisch gemodificeerde ingrediënten en voedingsmiddelen. Het gaat niet over de hoeveelheid vlees en gevogelte die we morgen zullen invoeren als het akkoord tot stand komt, het gaat wel over de controle op de voedselveiligheid van dat vlees en gevogelte. Als er een vermoeden van verontreiniging bestaat, dan moeten we de controlebevoegdheid behouden waarover we vandaag beschikken. Ten slotte heb ik geen antwoord gekregen op mijn vraag over de chemische bestrijdingsmiddelen die massaal worden geproduceerd in ons land, die hier verboden zijn en geëxporteerd worden. Die export wordt vergemakkelijkt, dus zullen er nog meer verboden bestrijdingsmiddelen in Zuid-Amerika gebruikt worden. De daarmee behandelde voedingsmiddelen zullen we dan opnieuw in ons land importeren. Dat is een cyclus van hypocrisie die gestopt moet worden. Bestrijdingsmiddelen die in ons land verboden zijn, hoeven hier ook niet meer geproduceerd te worden.

De oorlog tegen Oekraïne

Gesteld door

N-VA Anneleen Van Bossuyt

Gesteld aan

Hadja Lahbib (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken, Buitenlandse Handel en Federale Culturele Instellingen)

op 18 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Poetins dreigementen met de inzet van de Oresjnik-raket (een nucleair-capabel wapen) en zijn retoriek over Westerse "escalatie" zijn voornamelijk een voorwendsel om Russische militaire tests en nucleaire afschrikking te rechtvaardigen, terwijl de nucleaire drempel weliswaar daalt maar niet radicaal verandert. België en de NAVO moeten hybride dreigingen, cyberaanvallen en Russische agressie serieus nemen, door verhoogde waakzaamheid, meer steun aan Oekraïne en strengere sancties, zonder diplomatieke kanalen met Moskou te sluiten. Van Bossuyt benadrukt dat Poetins dreigementen – hoe symbolisch ook – realistisch moeten worden opgenomen, en dat NAVO-lidstaten (inclusief België) hun 2%-defensieverplichtingen dringend moeten nakomen om op escalatie voorbereid te zijn.

Anneleen Van Bossuyt:

Mijnheer de voorzitter, ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

Mijnheer de minister, Rusland heeft bij haar terreurcampagne tegen Oekraïne een nieuwe middellangeafstandsraket, de Oresjnik, ingezet. Daarbij dreigde president Poetin ook met verdere aanvallen, niet alleen op Oekraïne, maar ook op landen die wapens leveren of het gebruik daarvan tegen Rusland toestaan. Poetin stelt dat met de inzet van Westerse wapens tegen strategische Russische doelen het conflict in Oekraïne een mondiaal karakter heeft gegeven, waarbij hij de NAVO verantwoordelijk stelt. Ofschoon de gebruikte raket geen ICBM was zoals eerst werd geclaimd, moet haar inzet vooral gezien worden als een simulatie van hoe een nucleaire aanval eruit zou zien.

Vandaar dat ik u volgende vragen wil stellen:

Hoe beoordeelt u de uitspraken en dreigementen van Poetin in deze context van escalatie?

Verandert deze aanval iets aan de inschatting bij onze veiligheidsdiensten over het nucleair/conventioneel/hybride risico dat van Rusland uitgaat?

Welke diplomatieke stappen wensen wij dat Europa en NAVO ondernemen?

Bernard Quintin:

Mevrouw Van Bossuyt, het is duidelijk dat president Poetin de inzet van de Oresjnikraket tracht te presenteren als reactie op de zogenaamde Westerse escalatie, met name op de toestemming vanwege de VS en het VK aan Oekraïne langeafstandswapens in te zetten op Russische doelwitten op Russisch grondgebied, in het bijzonder in de regio Koersk. Deze argumentatie laat evenwel achterwege dat deze raket al eerder, lang voor er sprake was van de inzet van langeafstandswapens, getest was. De lancering in november zou naar verluidt de derde test geweest zijn, weliswaar voor het eerst binnen de context van een actief theater. Het heeft er met andere woorden alle schijn van dat de door Poetin aangehaalde escalatie een voorwendsel is om een militaire test uit te voeren die hoe dan ook gebeurd zou zijn.

De inzet van een dergelijk wapen, uitgerust om kernkoppen te dragen, moet gezien worden in samenhang met de update van de Russische nucleaire doctrine in reactie op de Amerikaanse beslissing ATACMS toe te laten voor gebruik tegen Russische doelwitten in Koersk. Die update, evenals de genoemde Oresjnik past in een langere rij van Russische dreigementen met nucleaire escalatie. Die dreigementen zijn bedoeld om het Westen af te schrikken en om de steun aan Oekraïne af te zwakken. De update van de Russische nucleaire doctrine verlaagt weliswaar de nucleaire drempel, maar is geen radicale afwijking van de vorige doctrine van 2020.

Dat neemt niet weg dat president Poetin zich in een eenrichtingsstraat lijkt te hebben begeven waarbij hij niet van plan is zijn agressie tegen Oekraïne te stoppen. De dreiging van verdere escalatie moet ernstig genomen worden, in eerste instantie op het vlak van hybride oorlogsvoering en cyberaanvallen. Europa en de NAVO-lidstaten moeten dan ook hun waakzaamheid verhogen, hun reactievermogen opvoeren, en de kosten voor Rusland aanzienlijk doen toenemen. Meer steun aan Oekraïne en een verdergezet en verbeterd sanctiebeleid tegen Russische belangen en die van handlangers, zijn daarvoor de best aangewezen middelen.

Wat diplomatieke inspanningen betreft, kan ik u meegeven dat Moskou de VS naar verluidt kort voor de lancering van de Oresjnik op de hoogte had gebracht. De beschikbaarheid en de operationaliteit van de juiste communicatiekanalen met Rusland blijven van primordiaal belang voor de verdere mondiale veiligheid.

Anneleen Van Bossuyt:

Mijnheer de minister, we zijn intussen al even de symbolische kaap van 1.000 dagen oorlog gepasseerd. Ik ben het volledig met u eens dat president Poetin praktisch alle middelen aanwendt om de Russische escalatie van het conflict te verantwoorden. Het gaat misschien alleen maar om dreigementen, maar we moeten die wel ernstig nemen en we moeten ook realistisch blijven in dit conflict in onze achtertuin. We moeten absoluut onze verantwoordelijkheid blijven nemen en onze verplichtingen nakomen. De woorden van de nieuwe NAVO-baas, Mark Rutte, waren op dat vlak zeer duidelijk. Misschien kwam zijn waarschuwing om ons op een escalatie van het conflict voor te bereiden wat bedreigend over, maar we moeten onze verplichtingen met betrekking tot die 2 % effectief nakomen. Als men lid is van de club moet men ook de spelregels volgen, zeker gelet op de lopende conflicten en de huidige geopolitieke situatie.

De wettelijke toekomstperspectieven met betrekking tot controles in gevangenissen

Gesteld aan

Paul Van Tigchelt (Minister van Justitie en Noordzee)

op 17 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om illegaal gsm-gebruik in gevangenissen, dat criminele activiteiten vanuit detentie faciliteert. Van Tigchelt bevestigt jaarlijkse inbeslagnames van ~300 telefoons via gerichte *sweepings*, aankoop van 22 detectieapparaten en een pilotproject met signaalbrouillers (januari) voor *high-value detineerden*, met plannen voor opschaling bij succes. Crucke noemt 300 inbeslagnames onvoldoende maar prijst de stappen, terwijl hij onbeantwoord blijft over het voorstel voor een drugsbestrijdingsfonds via confiscatie van criminële vermogens. Kern: technologische oplossingen (brouillers, detectie) en concentratie van gevaarlijke gevangenen als prioriteit, maar structurele financiële maatregelen blijven onbesproken.

Jean-Luc Crucke:

Monsieur le ministre, nous avons abordé la situation des mineurs et des narcotrafiquants il y a quelques instants. Les magistrats, dont certains ont été directement menacés, ont récemment tiré la sonnette d'alarme à ce sujet.

Je voudrais revenir à la problématique des contrôles en prison, notamment par rapport à l'utilisation des téléphones. Nous savons que c'est une manière pour les prisonniers non seulement d'avoir un contact avec l'extérieur mais aussi d'entretenir une délinquance externe. Il y a manifestement là un vrai problème.

Vous avez évoqué vous-même le brouillage de signaux téléphoniques, qui se heurterait à certaines contraintes légales. J'aurais évidemment voulu en savoir plus à ce sujet.

Vous avez sans doute également été informé que la commissaire nationale aux drogues prône une confiscation des avoirs criminels, avec la possibilité de créer un fonds anti-drogue qui permettrait le réinvestissement dans des institutions judiciaires, policières et sociales.

Par rapport aux confiscations de téléphones, quelle est l'évolution sur les trois dernières années? Le nombre de prises a-t-il augmenté au sein des prisons?

Observe-t-on des progrès, des blocages ou des perspectives de solutions dans les discussions avec le secteur privé relatives à l'adoption d'un système efficace de brouillage de signaux téléphoniques?

Un régime particulier de sécurité spéciale a récemment été instauré pour les détenus considérés comme criminels. La solution ne serait-elle pas d'étendre ce modèle à d'autres catégories de détenus?

Les criminels – notamment dans le milieu de la drogue – qui disposent de moyens importants ont tendance à multiplier les recours judiciaires. Quelles mesures allez-vous prendre face à ces abus rendant un jugement tellement lointain qu'ils mènent à une forme d'impunité?

Pour finir, quelle est votre lecture de la proposition de la commissaire nationale aux drogues?

Paul Van Tigchelt:

Monsieur le président, vous avez bien décrit le contexte. L'emploi du gsm par des détenus dans leur cellule est vraiment un fléau. Cela peut aussi être dangereux si ce sont des big shots , des high value targets , des caïds qui continuent leurs activités criminelles dans leur cellule. Il faut donc tout faire pour essayer d'éviter cela.

La recherche de gsm et de smartphones a lieu constamment au sein de tous les établissements pénitentiaires, par des actions ciblées de sweeping organisées régulièrement. Le service en charge de ce sweeping trouve en moyenne un peu plus de 300 gsm chaque année, en plus de ceux trouvés par le système pénitentiaire dans ses activités régulières. Des chiffres plus détaillés peuvent vous être transmis par le biais d'une question écrite.

Pour ce qui est de l'état des discussions entre le gouvernement et le secteur privé concernant un système efficace de brouillage ( jamming en anglais), cette solution pourrait être acceptable si elle est techniquement possible. Une procédure d'achat de brouilleurs destinés à interférer avec les signaux de téléphones portable est en cours. Des réunions avec le secteur privé ont déjà eu lieu pour étudier cette solution.

Un projet pilote sera d'ailleurs lancé dans une prison dans le courant du mois de janvier. Nous envisageons donc de concentrer les high value targets dans quelques prisons et d'organiser le brouillage. Ce projet pilote doit permettre de se familiariser avec la technologie mais aussi de tester son efficacité avant de l'étendre à d'autres prisons.

Entre-temps, la Direction générale des Établissements pénitentiaires a acheté 22 appareils de détection de gsm, qui seront livrés prochainement. Ils sont également capables de repérer les téléphones portables les plus récents. Grâce à eux, il sera possible de recourir plus fréquemment à des sweepings de gsm. Cependant, à cette technique, je préfère les systèmes de brouillage. Je vous remercie de votre attention.

Jean-Luc Crucke:

Monsieur le ministre, je vous remercie de vos réponses, même si je n'en ai pas obtenu quant à la proposition de la commissaire nationale aux drogues. J'y reviendrai donc par le biais d'une question écrite. Ce n'est pas un problème. Par ailleurs, le sweeping des gsm constitue une mesure qui prend de l'ampleur. Toutefois, le nombre de 300 saisies par an ne semble pas énorme au regard de l'importance de ce système. Cela prouve bien qu'une action a été entreprise. Le démarrage d'un projet pilote en janvier est une bonne chose, tout comme l'acquisition de matériel de détection. Cette initiative pourrait résoudre plusieurs problèmes de sécurité auxquels la justice est confrontée.

De tekorten op de begroting van het departement Justitie

Gesteld aan

Paul Van Tigchelt (Minister van Justitie en Noordzee)

op 17 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De begrotingstekorten bij Justitie (meer dan 20 miljoen euro, waarvan 10,6 miljoen herverdeeld) leiden tot onbetaalde vergoedingen in 2024 voor dienstverleners zoals vertalers-tolken, gerechtsdeskundigen en kleine zelfstandigen, hoewel prioriteit wordt gegeven aan kwetsbare groepen. Minister Van Tigchelt benadrukt dat betalingen nog tot eind januari 2025 kunnen lopen en dat interne herverdelingen (o.a. voor gerechtskosten en strafinrichtingen) worden ingezet om zoveel mogelijk facturen te vereffenen, maar een definitieve lijst van onbetaalde vergoedingen ontbreekt omdat de situatie nog evolueert. Aanmaningen of verwijlinteresten worden niet expliciet bevestigd, maar telecombedrijven en curatoren lopen vertraging op, met minder urgentie voor grote spelers. Van Vaerenbergh kritiseert het gebrek aan transparantie en belooft verdere opvolging.

Kristien Van Vaerenbergh:

Mijnheer de minister, ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag, die is bedoeld om na een vraag van de voorzitter van onze commissie en een vraag in plenaire vergadering, een volledig zicht te krijgen op de situatie.

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, tijdens de mondelinge vragensessie van 27 november 2024 ging u dieper in op de tekorten die de begroting van het departement justitie teisteren. Ook tijdens de plenaire vergadering van 5 december 2024 verduidelijkte u een en andere specifiek over de vertaler-gerechtstolken.

Het tekort wordt boven de 20 miljoen geraamd. 10,5 miljoen euro is doormiddel van herverdelingen terechtgekomen waar het nodig was. U zei dat in januari 2025 de overige tekorten kunnen bijgepast worden.

Ik vroeg u tijdens de vragensessie van 27 november 2024 welke vergoedingen evenmin in 2024 betaald konden worden. U zei me dit na te sturen, wat op heden niet gebeurde.

Vandaar mijn vragen:

Welke openstaande vergoedingen kunnen door justitie evenmin betaald worden in 2024 (ten aanzien van welke diensten, en wie)?

Heeft het departement justitie reeds aanmaningen gekregen tot betaling? Zo ja, wat zijn de gevolgen (lopen er bijv. verwijlinteresten)?

Welke begrotingsposten kennen nog een tekort?

Paul Van Tigchelt:

Mevrouw Van Vaerenbergh, ik had u inderdaad destijds geantwoord dat we u een lijst van vergoedingen die dit jaar betaald zouden worden, zouden nasturen. Dat hebben we niet gedaan, om de simpele reden dat die lijst voorbarig was. We doen er met name nog alles aan om zoveel als mogelijk vergoedingen te betalen in 2024. Dat hadden we u beter ook meegedeeld, zodat u had geweten waarom we u die lijst niet hebben bezorgd. Als we iets zeggen, moeten we dat uiteraard ook doen.

Ik beklemtoon nogmaals dat de diensten al het mogelijke doen – het zou er nog aan mankeren – om met de beschikbare kredieten zoveel mogelijk prestatieverleners te vergoeden voor de in dit jaar geleverde prestaties. Sinds vorige week zijn de kredieten via de herverdelingen – de techniek die we dienen te gebruiken in de periode van lopende zaken – ten bedrage van zowat 10,6 miljoen euro ter beschikking. Daarmee worden de kostenstaten van zowel de vertalers-tolken als andere prestatieverleners, zoals gerechtsdeskundigen, slotenmakers en takel- en stallingsdiensten, betaald. Daarbij wordt voorrang gegeven aan kleine zelfstandigen, kleine prestatieverleners die op dat vlak afhankelijk zijn van Justitie.

Eigenlijk is het overbodig om te herhalen dat ik me, gelet op de periode van lopende zaken, enkel kan beroepen op de techniek van de herverdelingen, wat we maximaal trachten te doen. In de komende dagen zullen we ook nog interne herverdelingen doen in verband met de basisallocaties van de gerechtskosten. Er waren ook betalingsmoeilijkheden wat de gerechtskosten van curatoren betreft, een kwestie die ook al aan bod is gekomen in de commissie voor Justitie, en wat uitgaven voor de telecomoperatoren betreft, maar ik vind het persoonlijk iets minder erg voor de telecomoperatoren, die even op hun geld kunnen wachten. Ook voor die doelgroepen doen we interne herverdelingen, zodat we hun prestaties van 2024 maximaal met de budgetten van 2024 kunnen vergoeden.

Het was daarom, nogmaals, voorbarig om de gevraagde lijst van prestatieverleners die in 2024 niet vergoed zullen worden, te leveren. De kostenstaten van 2024 kunnen nog tot eind januari 2025 uitbetaald worden op het budget van 2024. Specifiek voor de vertalers-tolken werd in november 1,4 miljoen euro betaald.

U vraagt eveneens naar tekorten op andere begrotingsposten. Er zijn inderdaad andere gevoelige posten bij het departement Justitie, zoals de werkingskosten en de medische kosten van de strafinrichtingen en de werkingskosten van de rechterlijke orde, en ook daarvoor hebben wij interne herverdelingen moeten toepassen, met budgettaire creativiteit en flexibiliteit.

Kristien Van Vaerenbergh:

Mijnheer de minister, een en ander evolueert en ik heb daar begrip voor. Maar er is geen transparantie en u kunt algemeen geen stand van zaken geven. Ik vind dat jammer. Wij volgen het dossier verder op.

De stavaza betreffende de Duitse pensioenen voor Belgische voormalige militaire collaborateurs

Gesteld aan

Paul Van Tigchelt (Minister van Justitie en Noordzee)

op 17 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Vijf jaar na een resolutie om pensioenen van Belgische NS-collaborateurs uit de Tweede Wereldoorlog transparant te maken, blijkt juridische blokkade (RGPD, diplomatieke beperkingen) de uitvoering te belemmeren, ondanks eerdere Duitse datadelingen met Nederland over soortgelijke gevallen. Minister Van Tigchelt (Justitie) bevestigt dat het eerste luik (informatie bij Noordrijn-Westfalen) is uitgevoerd, maar wijst voor verdere stappen—met name datadeeling over 181 potentiële ontvangers—naar de bevoegde ministers van Pensioenen en Buitenlandse Zaken. De Smet dringt aan op hernieuwde druk op Duitsland, ondanks eerdere pogingen, en kondigt gelijkaardige vragen aan de andere betrokken ministers aan. Kernpunt: diplomatiek-juridische patstelling frustreert Belgisch streven naar historische verantwoording en transparantie over nazicollaboratiepensioenen.

François De Smet:

Il y a maintenant plus de cinq ans-le 20 mars 2019 exactement- que la résolution initiée par mon parti “visant à clarifier et à abroger le régime des pensions octroyées aux anciens collaborateurs militaires belges du régime national-socialiste allemand durant la Seconde Guerre mondiale” a été votée au Parlement.

Le 11 janvier 2023, votre prédécesseur avait répondu à ma collègue Sophie Rohonyi qu’il était impossible juridiquement d’échanger des données avec l’Allemagne et qu’au plan légal cet échange serait par ailleurs contraire au RGPD.

Il lui avait également été répondu que cela ne concernait que cinq personnes alors qu’une liste de 181 personnes d’anciens collaborateurs pouvant encore toucher une pension de l’Allemagne à ce jour .

Il est dommageable que cette résolution ne puisse être mise à exécution ( le volet 1. de son dispositif tout particulièrement ) d’autant que notre pays lui aussi- et je n’entends nullement minimiser le caractère diplomatiquement sensible du dossier- entend perpétuer le travail de mémoire de la Shoah et faire la clarté sur cet épisode douloureux de la collaboration que la Belgique a subi.

Je rappelle que “mutadis mutandis” les autorités néerlandaises ont reçu en décembre 2020 quant à elles de l’Allemagne les données relatives aux pensions de guerre versées aux ressortissants néerlandais entre 2015 et 2019.

En conséquence, monsieur le ministre peut-il me faire savoir:

si toutes les pistes juridiques ont été explorées avec les autorités allemandes afin de permettre l’accès et la transmission des données?

si il est confirmé à cet égard que les documents relatifs à ces échanges à caractère diplomatique ne peuvent pas être transmis en raison d’une exception visée à la loi du 11 avril 1994 relative à la publicité de l’administration?

Paul Van Tigchelt:

Cher collègue, cette problématique est bien connue. Je peux vous assurer que dans le cadre de nos compétences en matière de Justice, nous avons fait tout ce qui était en notre pouvoir pour mettre en œuvre cette résolution. Comme vous le décrivez dans votre question, cette résolution date en effet de 2019. Comme vous le mentionnez, nous avons été confrontés à des problèmes juridiques.

Le premier volet de la résolution a été mis à exécution. Je vous renvoie à ce propos aux informations communiquées par mon prédécesseur à l’occasion d’une précédente question parlementaire, que vous évoquez aussi dans votre question. Ces informations ont été communiquées par le ministère du Travail, de la Santé et des Affaires sociales du Land de Nordrhein-Westfalen (Rhénanie-du-Nord-Westphalie) au ministre des Affaires étrangères, conformément au point 1 de la résolution.

Concernant le deuxième volet de la résolution, les objectifs de l’échange d’informations sont liés au statut de pension des personnes concernées. Vu tout ce que nous avons déjà fait en cette matière, je dois, pour le surplus, vous renvoyer à la ministre des Pensions et au ministre des Affaires étrangères, qui sont également compétents pour cette matière.

François De Smet:

Monsieur le ministre, j’ai bien conscience que votre prédécesseur et vous-même avez tenté d’exécuter cette résolution, qui avait été portée par ma collègue Sophie Rohonyi voici quelques années. Je vous en remercie. Je crois qu’il faut vraiment faire le nécessaire pour insister auprès de l’Allemagne pour que ce dossier avance. Je poserai donc les mêmes questions à la ministre des Pensions et à celui des Affaires étrangères, même si le ministre de la Justice avait fait le suivi jusqu’ici. Je vous remercie.

De overdracht van de gezondheidszorg in de gevangenissen van Justitie naar Volksgezondheid

Gesteld aan

Paul Van Tigchelt (Minister van Justitie en Noordzee)

op 17 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de hervorming van gezondheidszorg in gevangenissen, met name het overdragen van de verantwoordelijkheid van Justitie naar Volksgezondheid (aanbevolen door het KCE sinds 2017) en de uitvoering van Europese normen voor humane zorg. De proefprojecten in 10 gevangenissen (2023-2024) – gericht op verslavingszorg, geestelijke gezondheid en betere coördinatie – tonen positieve signalen (met name drugspreventie), maar een definitief bilan komt later; de INAMI-integratie voor externe zorg wordt als een succes beschouwd. Het structurele overdrachtsplan blijft uitgesteld tot de volgende legislatuur, afhankelijk van financiering en interbestuurlijke samenwerking, ondanks dringende oproepen uit de sector voor betere zorg en reïntégratie. De minister bevestigt doorzettingsplannen, maar concrete stappen ontbreken nog.

François De Smet:

Monsieur le président, je renvoie à la version écrite déposée de ma question orale.

Le Centre fédéral d’expertise des soins de santé (KCE) , qui avait été chargé de remettre un rapport sur la problématique des soins de santé dans les établissements pénitentiaires de notre pays , suite à plusieurs constats accablants remis par des organismes européens et internationaux, avait recommandé déjà en 2017 sur le plan de la gouvernance d’acter le transfert du service des soins de santé en prisons (SSSP) du SPF Justice au SPF Santé Publique.

Le KCE réclamait également l’application des normes du Comité Européen pour la prévention de la torture et des peines ou traitements inhumains et dégradants (CPT) aux soins de santé en milieu carcéral.

Un certain nombre de paramètres, la pandémie du COVID 19 , la hausse de la surpopulation carcérale, ont pesé dans le retard à réformer la politique des soins pénitentiaires entamée par le SPF Justice et le SPF Santé Publique

Depuis janvier 2023, les soins dispensés hors de la prison sont à charge des organismes mutuels et non plus du SPF Justice , ce qui est un signal positif en vue de l’harmonisation des couvertures de santé dans les prisons.

Par ailleurs, le SPF Justice a initié des projets pilotes dans dix prisons de juillet 2023 à août 2024, exécutant les recommandations du KCE (renforcement de la prise en charge des maladies mentales et des assuétudes, renforcement des soins de santé primaires , meilleure coordination des acteurs de la santé )

En conséquence, Monsieur le Ministre peut-il me faire savoir :

a ) quel est le premier bilan de ces projets pilotes?

b) si le transfert dudit service des soins de santé en prisons du SPF Justice vers le SPF Santé Publique constitue un projet mis en continuation en vertu des accords entre les deux SPF?

Paul Van Tigchelt:

Il est encore un peu tôt pour faire le bilan des projets pilotes qui doivent encore se poursuivre durant quelques mois et pourront ensuite être évalués.

En ce qui concerne l'évaluation d'un projet de lutte contre la drogue en détention, celle-ci est positive. C'est précisément pour cette raison que ces projets pilotes ont été étendus à dix prisons au lieu de trois précédemment.

La mise en œuvre de BelRAI, qui est un outil qui regroupe plusieurs instruments d'évaluation visant à améliorer la qualité des soins, est toujours en cours.

En ce qui concerne l'introduction de la formation, les consortiums finalisent leurs modules de formation.

L'intégration des détenus dans la règlementation de l'INAMI, qui a été introduite le 1 er janvier 2023 pour tout ce qui concerne les soins en dehors de la prison pendant la détention, donne des résultats satisfaisants. On me dit même que c'est un grand succès.

Quant au transfert entre le SPF Justice et le SPF Santé publique, il y aura d'autres efforts pour mettre en œuvre cette réforme au cours de la prochaine législature. Un travail sera aussi effectué sur la recherche d'une source de financement appropriée. Il y a un consortium d'universités qui y travaille et la coopération entre les différents ministères et administrations fédéraux et fédérés doit être et sera accrue.

François De Smet:

Merci monsieur le ministre. C'est très clair pour les projets pilotes. En ce qui concerne le transfert des soins de santé du SPF Justice vers le SPF Santé publique, je rappelle qu'il s'agit réellement d'une demande qui émane du secteur, des ASBL qui accompagnent des détenus et prisonniers, tant sont spécifiques les maladies et les attaques sur leur santé et tant cela joue sur leur réinsertion potentielle, que nous souhaitons tous. J'espère que le prochain gouvernement, s'il advient, se saisira de ce dossier à bras-le-corps.

De opvattingen van Syriërs en onze veiligheid
De Belgische Syriëstrijders
De waarschuwing van het OCAD voor Belgische Syriëstrijders
De impact van Syriëstrijders op Belgische veiligheid

Gesteld aan

Paul Van Tigchelt (Minister van Justitie en Noordzee)

op 17 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De uittredende regering (niet de huidige) haalde 26 kinderen en 12 moeders terug uit Syrische kampen, niet 103 jihadisten zoals ten onrechte beweerd, en houdt vast aan berechting ter plaatse voor de overige 13 mannen en 8 vrouwen (met 9 kinderen) die nog in Koerdische kampen zitten—zonder concrete plannen voor verdere repatriëring. Minister Van Tigchelt (ex-OCAD) benadrukt dat de veiligheidsrisico’s beperkt blijven zolang de Koerden de kampen controleren, maar waarschuwt voor onvoorspelbare ontwikkelingen in Syrië, terwijl kritiek komt op het eerdere globalistische migratiebeleid dat radicalisering zou hebben bevorderd. Geen enkelbanden of recidivecijfers werden concreet bevestigd, en bilaterale afspraken met Koerden ontbreken nog steeds, ondanks eerdere bereidheid tot lokale berechting zonder doodstraf.

Sam Van Rooy:

Mijnheer de minister, deze uittredende regering heeft de afgelopen jaren niet minder dan 103 Syriëjihadisten naar dit land teruggehaald. Wij hebben ons altijd verzet tegen deze waanzin. 70 van de 103 uit Syrië teruggehaalde moslimterroristen waren begin dit jaar zelfs alweer op vrije voeten. De Syrische dictator Assad is gevallen. De antiterreurdienst OCAD stelt dat het beter zou zijn om alle Belgische Syriëjihadisten die daar nog in de cel of in de kampen zouden zitten, terug te halen. Het OCAD vreest immers dat ze zouden kunnen vrijkomen en vervolgens via Turkije naar West-Europa of België zullen reizen. Volgens het OCAD gaat het om 13 mannen die niet allemaal de Belgische nationaliteit bezitten, maar die wel een zogenaamde link met ons land hebben. Daarnaast zitten in de kampen Al-Hol en Al-Roj nog altijd 8 Belgische jihadvrouwen en 9 kinderen.

Wat is het standpunt van de regering? Zullen er nog meer Syriëjihadisten naar België worden teruggehaald? Als zij niet over de Belgische nationaliteit beschikken, wat is dan hun link met België? Hoeveel van alle teruggehaalde Syriëjihadisten zijn er momenteel op vrije voeten en hoeveel van hen dragen een enkelband?

Koen Metsu:

Mijnheer de minister, het is vandaag exact 4 jaar geleden dat ik in Syrië was. Ik heb daar toen de kampen Al-Roj en Al-Hol bezocht met toenmalig collega-Kamerlid Georges Dallemagne. Dat was behoorlijk ontluisterend. In Al-Hol konden we niemand spreken of herkennen, het was destijds al een totale chaos. Al-Roj was beter georganiseerd en we hebben toen met alle vrouwelijke terroristen gesprekken kunnen voeren. Van enig berouw was er zeer weinig sprake. We hebben daar de toenmalige minister van Justitie, Vincent Van Quickenborne, ook over bericht.

Een paar maanden later repatrieerde de vivaldiregering de eerste lichting. Later volgde een tweede dure repatriëring. We hebben ons daar steeds zeer veel vragen bij gesteld. Ik heb het OCAD-rapport iets genuanceerder gelezen, aangezien ik er nergens in lees dat ze per definitie teruggehaald moeten worden. Er staat duidelijk in dat het beter zou zijn om ze daar te laten, maar dan moet er natuurlijk wel een bilateraal overleg komen tussen de Koerdische overheid en onze regering

Sinds wanneer dateert het laatste onderhoud met de Koerdische instanties ginds?

Ik heb ook gelezen dat er nog dertien mannelijke terroristen zijn en acht vrouwelijke terroristen, van wie een aantal niet wil terugkomen. Zullen wij ze verplicht terughalen? Het gaat om de zogenaamde ‘kraaien’, die ginds willen blijven, en de negen kinderen.

U bent zelf ook de baas geweest van het OCAD. U bent kabinetschef geweest van minister Van Quickenborne. U bent nu zelf minister van Justitie. Ik ben dus benieuwd naar uw mening daarover.

De tweede repatriëring is in alle luwte gebeurd. Staat er nog zoiets op til? Zijn er al gesprekken bezig om opnieuw personen te repatriëren? Zult u ervoor zorgen dat die repatriëring ditmaal niet kan doorgaan?

Ik ben ook benieuwd naar uw antwoord op de vraag van de vorige spreker.

Paul Van Tigchelt:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer Van Rooy, ik weet niet waar u vandaan haalt dat de huidige regering 103 FTF’ers uit Syrië naar ons land zou hebben gehaald. Dat is onzin. De vorige regering heeft 26 kinderen teruggehaald uit de kampen die de heer Metsu beschrijft, met in totaal 12 moeders, conform de criteria die zijn uitgewerkt door de Nationale Veiligheidsraad op advies van onze inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Op die manier wordt op een ernstige manier met veiligheidsissues omgegaan. Stop dus met te beweren dat wij 103 FTF’ers hebben teruggehaald. Niets is minder waar. Het Parlement dient ook om feiten te brengen en niet alleen om tendentieuze vragen te stellen.

Mijnheer Metsu, ons land is al jaren voorstander van berechting ter plaatse van de Foreign Terrorist Fighters , ook toen ik nog directeur van het OCAD was en toen ik nog adjunct-kabinetschef was bij mijn voorganger. Daarover hebben op internationaal niveau verschillende vergaderingen plaatsgevonden. Dat werd op een gegeven ogenblik de Core 7 genoemd, waarbij België betrokken was. Wij zijn voorstander van berechting ter plaatse. Dat blijft het geval.

De voorbije jaren zijn verschillende pistes onderzocht op het internationale toneel. Die hebben echter nog niet tot een concreet resultaat geleid.

Ten tweede, de cijfers over de Belgische mannen en vrouwen in de kampen die u aanhaalt zijn correct. Het zijn inderdaad de officiële cijfers waarover wij beschikken. Er zitten 13 Belgische mannen in de kampen in Noordoost Syrië en 8 Belgische vrouwen. Bij die 8 vrouwen verblijven in totaal 9 kinderen.

De kampen waar die Belgen verblijven, zowel de mannen als de vrouwen, staan onder controle van de Koerden. Ik ben blij dat u de nuance zag in het interview dat de directeur van het OCAD heeft gegeven. De directeur van het OCAD heeft gewezen op het risico dat door de recente gebeurtenissen in Syrië, een van de scenario's kan zijn dat de Koerden de controle op die kampen zouden verliezen, wat een veiligheidsrisico zou meebrengen. Dat is vooralsnog niet het geval.

Onze diensten zijn vorige week samengekomen in het SCIV, het Strategisch Comité voor Inlichtingen en Veiligheid. De situatie wordt op de voet gevolgd. Vooralsnog lijkt er echter geen gevaar dat de Koerden de controle over die kampen verliezen. U haalt het correct aan. Vier jaar geleden bent u er geweest. U weet ook dat al vier jaar gezegd wordt dat er gevaar is dat de Koerden de controle op die kampen zouden verliezen, maar vooralsnog is dat niet het geval.

Ten derde, België heeft enkele kinderen met moeders teruggehaald die voldeden aan de criteria van de Nationale Veiligheidsraad, maar daar houdt het voor de regering in lopende zaken op. De personen die zich nog in detentie in die kampen bevinden, hebben niet per se allemaal de Belgische nationaliteit. Het zijn personen die op de OCAD-lijst staan omdat ze een link met België hebben, maar zij hebben niet per se allemaal de Belgische nationaliteit.

U weet dat een aantal vonnissen geveld is waarbij hen, vaak bij verstek, de nationaliteit ontnomen werd. Van het aantal dat genoemd werd, hebben dus niet alle mensen de Belgische nationaliteit.

Ik herhaal: daar houdt het voor de regering in lopende zaken op. Het is niet aan deze regering desgevallend nieuwe criteria of wat dan ook te bepalen. Ik herhaal dat de veiligheidssituatie in Syrië nauw wordt opgevolgd. Het is moeilijk te voorspellen wat daar in de komende maanden precies staat te gebeuren. Het kan verschillende kanten op. Ik hoop dat wij het er eens over zijn dat we alleen maar kunnen hopen dat het de goede kant opgaat. Met de goede kant bedoel ik in eerste instantie: voor de inwoners van Syrië. Zij hebben meer dan 50 jaar miserie achter de rug. Het mag daarmee wel eens gedaan zijn.

Sam Van Rooy:

Mijnheer de minister, wie dertig jaar geleden zou hebben gezegd dat de regering zich vandaag moet bezighouden met levensgevaarlijke Belgische moslimterroristen in Syrië, zou voor gek zijn verklaard. Het roekeloze globalistische pamperbeleid dat al decennia wordt gevoerd door oikofobe traditionele partijen, zoals de uwe, heeft onze samenleving opgezadeld met talloze orthodoxe moslims die ons en onze vrije samenleving minachten of zelfs haten. In het beste geval integreren ze niet en zijn ze slechts een last. In het slechtste geval bestrijden ze actief ons en onze niet-islamitische samenleving, of worden ze zelfs jihadist.

Het is werkelijk te gek voor woorden hoe beleidsmakers de voorbije decennia onze vrije, stabiele samenleving opgeofferd hebben op het altaar van het globalistische diversiteitsdogma.

Koen Metsu:

Mijnheer de minister, u zegt dat u hen ter plaatse wilt berechten, daarvoor pleit ik ook. Mogelijk is het gemakkelijker gezegd dan gedaan. Vier jaar geleden werd er een tribunaal gebouwd. Men is klaar om onze terroristen – en ik zeg duidelijk 'onze' – daar te berechten. Men was zelfs bereid om de doodstraf niet uit te voeren, want daar zouden we moeilijker kunnen achter staan. Daar heeft men natuurlijk wel de bewijslast. Als ze terugkeren naar België, dan kunnen wij ze hier alleen berechten voor het feit dat ze deel uitmaakten van een terreurgroepering. Tot voor kort stond daar een strafmaat op van maximaal 5 jaar. We hebben al begrepen dat er Syrische terroristes zijn die vrij zijn. Het was een vraag van de vorige spreker: hoeveel zijn er nu al vrij? En is er sprake van enige recidive? Dat zijn vragen die we opnieuw zullen indienen. Ik hoop ook dat we de Koerden ginds niet in de steek zullen laten. HTS zorgt natuurlijk voor een volledige gamechanger. De druk was al groot vier jaar geleden. Ik denk dat de druk de komende tijd immens zal zijn. Dus we mogen degenen die ons beschermen tegen die terroristen niet in de steek laten.

De gevangenis van Hasselt

Gesteld aan

Paul Van Tigchelt (Minister van Justitie en Noordzee)

op 17 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De gevangenis van Hasselt kampt met structurele problemen: overbevolking (602 vs. 450 detentieplaatsen), verouderde veiligheidssystemen (5 miljoen euro geïnvesteerd in zwakstroom/camera-updates via Regie der Gebouwen) en personeelstekorten ondanks wervingscampagnes en hoge uitval. Minister Van Tigchelt bevestigt punctuele maatregelen tegen overbevolking en extra voedingsbudget (4 miljoen euro in 2024), maar Yzermans benadrukt dat coördinatie tussen departementen en waardige detentieomstandigheden cruciaal blijven, met name voor veiligheid *en* rehabilitatie.

Alain Yzermans:

Mijnheer de voorzitter, collega's, in de commissie voor Justitie ben ik een nieuw lid, als opvolger van Jinnih Beels. Als niet-jurist zal ik proberen vanuit onbevangenheid en met een blik van verontwaardiging naar zeer veel zaken te kijken. Ik wens u heel fijne ontmoetingen toe in de komende periode.

Mijnheer de minister, vorige week heb ik op TV Limburg het verhaal gezien van de nieuwe stafhouder van de balie, die vanuit haar controlerecht een bezoek heeft gebracht aan de gevangenis van Hasselt. Mogelijk staat dit in rechtstreeks verband met de discussie over het gevangeniswezen, waarover vandaag ook een hoorzitting plaatsvindt. De problematiek, zoals overbevolking met druk op het personeel en de gevangenen, sleept al jaren aan. Enkele vaststellingen hebben me er toch toe geleid om een mondelinge vraag in te dienen.

Inzake de beveiliging van de gevangenis te Hasselt doen zich verschillende defecten voor. Gelet op de rehabilitatie van de gedetineerden, is het belangrijk dat zij in goede en veilige omstandigheden kunnen vertoeven. Voor de buitenwereld is het tegelijk belangrijk dat de gebouwen intact zijn. Ik denk dat dit bevraagd moet kunnen worden, aangezien de situatie rond het gebouw zorgwekkend is.

Mijn tweede vraag gaat over geavanceerde technologie, zoals zwakstroomtoepassingen. Welke zijn de plannen om die ook in de gevangenis van Hasselt toe te passen? Zijn daarvoor budgetten vrijgemaakt?

Door personeelstekorten rijzen er vragen over de werkomstandigheden van de cipiers.

Een belangrijke vraag die ik niet wil wegduwen, gaat over de capaciteit. Vandaag zijn in de gevangenis van Hasselt 602 gedetineerden aanwezig, terwijl de officiële capaciteit op 450 is bepaald. Enkele cellen worden ingenomen door andere functies. Wordt daardoor niet extra druk gezet op de capaciteit en de werkomstandigheden, en in het algemeen op het probleem van de overbevolking?

Paul Van Tigchelt:

Mijnheer Yzermans, de blik van de niet-jurist is welkom. Die kan verfrissend zijn en is ongetwijfeld van grote meerwaarde.

Wat betreft uw vragen over de aanpassingen in de gevangenis van Hasselt, het aanpassen, vernieuwen en uitbreiden van veiligheidsinstallaties is een gedeelde verantwoordelijkheid van Justitie en de Regie der Gebouwen. Dat zal u niet verbazen. De basisinstallatie, alsook grote uitbreidingen en integrale vernieuwingen, zijn voor rekening van de Regie der Gebouwen. De kosten voor het onderhoud van die installaties, alsook kleine vernieuwingen, vervangingen en updates van de systemen, zijn ten laste van de FOD Justitie. Dat lijkt simpel in theorie, maar in de praktijk is het niet altijd zo eenvoudig.

De Regie der Gebouwen heeft een procedure gelanceerd voor een studiedossier zwakstroom in de gevangenis van Hasselt. Die opdracht bestrijkt een vernieuwing van de volledige zwakstroominstallatie, inclusief de vernieuwing van de camera-installatie waarnaar u verwijst. De Regie der Gebouwen heeft daarvoor een budget vrijgemaakt van meer dan 5 miljoen euro. Men is zich dus bewust van de problematiek. De aankoopprocedure is lopende en in januari zullen potentiële leveranciers plaatsbezoeken doen. Daarna kunnen de werken op basis daarvan aanvangen. Het gaat dus om 5 miljoen euro op het niveau van de Regie der Gebouwen, terwijl de FOD Justitie in 2024 een budget van 200.000 euro heeft aangewend voor herstellingen in de gevangenis van Hasselt.

Wat betreft uw derde vraag, over de onderbezetting van het personeel, we hebben deze legislatuur veel inspanningen geleverd om extra personeel aan te werven. Netto is er veel volk bij gekomen, maar ik hoef u niet te verhelen dat het intern verloop binnen het gevangeniswezen groot is. Dat is vorige week nog aan bod gekomen in deze commissie. We werven veel personeel aan, maar er is ook veel personeel dat snel afhaakt.

Momenteel lopen er nog steeds heel wat procedures om extra personeel aan te werven. Er wordt ingezet op zowel externe werving als interne procedures via mutatie. Daarnaast wordt er ook een actieve employer branding -campagne gevoerd. Het gevangeniswezen is vertegenwoordigd op jobbeurzen, in scholen en op infomomenten om zoveel mogelijk mensen aan te sporen om deel te nemen aan de selectieproeven. We blijven proberen om zoveel mogelijk gevangenispersoneel aan te trekken.

Wat uw vierde vraag betreft, over de capaciteit van de gevangenis van Hasselt, die bedraagt nog steeds 450 gedetineerden: 420 mannelijke gedetineerden en 30 vrouwelijke gedetineerden. Sinds maart 2024 proberen we punctuele maatregelen te nemen om de overbevolking nog meer te verhelpen, los van de maatregelen op lange termijn, zoals het masterplan 3bis om extra capaciteit te creëren, het nieuwe Strafwetboek en dergelijke meer. Die punctuele maatregelen zijn in elke gevangenis van toepassing, ook in Hasselt.

Voor een overzicht van de reeds genomen maatregelen kan ik u verwijzen naar eerdere antwoorden in deze commissie, op 21 en 27 november 2024. Het zou ons te ver leiden om dat in extenso te hernemen. We kunnen u die antwoorden bezorgen als u dat wilt.

Op uw laatste vraag, over het voedingsbudget, heb ik een antwoord gegeven op 27 november 2024 aan de heer Matheï. Ik heb toen toegelicht dat het totale voedingsbudget voor 2024 met zo'n kleine 4 miljoen euro werd verhoogd, omdat de extra gedetineerden ook een stijging van de kosten met zich meebrengen, waaronder dus de kosten voor voeding. We noemen dat een volume-effect. Daarnaast wordt ook de techniek van interne herverdelingen toegepast om de extra kosten te compenseren.

Ik hoop, mijnheer Yzermans, dat dit eerste antwoord u inspireert om nog goede vragen te stellen in de toekomst.

Alain Yzermans:

Mijnheer de minister, ik ben uiteraard verheugd met de investeringen die u aankondigt inzake camerabewakingssystemen en de nieuwe technologie daarrond. De afstemming van de diverse departementen blijft een issue. Ik denk dat het een goede zaak is om daarop te blijven toekijken. De vraag die ik nog had over de voeding heeft vooral te maken met de extra subsidies die worden gegeven aan bepaalde directies van gevangenissen met overbevolking. Misschien moet nog eens worden nagekeken of dat in Hasselt ook wel gebeurd is. Er is daar immers een overbezetting van 40 % van de capaciteit. Dat betekent dat 200 mensen extra een beroep moeten doen op die voeding. Voor ons blijft de waardigheid van de gevangenen belangrijk alsook de veiligheid naar de buitenwereld. Ik denk dat een sterke welvaartsstaat ook een sterk justitieapparaat verdient en dat in de zwakke schakel van het gevangeniswezen uiteraard moet worden geïnvesteerd.

De detentieomstandigheden in de gevangenis van Sint-Gillis

Gesteld aan

Paul Van Tigchelt (Minister van Justitie en Noordzee)

op 17 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De sluiting van de gevangenis van Sint-Gillis, oorspronkelijk gepland voor 1 januari 2025, wordt uitgesteld door extreme overbevolking (12.763 gedetineerden vs. 11.026 plaatsen), met een definitief besluit voor het volgende gouvernement. Minimale hygiëne- en menswaardige normen (bv. 2 douches/week, vaak minder, ratten, bedwantsen) worden niet structureel opgelost, ondanks kleine renovaties en versterkt psychomedisch personeel, terwijl activiteiten en reclassering onvoldoende zijn door capaciteitsgebrek. Maouane benadrukt het falen in basale menswaardigheid, Van Tigchelt wijst op budgettaire en operationele beperkingen zonder concrete oplossingen op korte termijn.

Rajae Maouane:

La fermeture des prisons bruxelloises, dont celle de Saint-Gilles, était prévue à la suite de l’ouverture de la prison de Haren. Pourtant, près de deux ans après cette ouverture, la prison de Saint-Gilles continue d’accueillir des détenus en nombre significatif.

Si j'évoque aujourd'hui plus spécifiquement le cas de la prison de Saint-Gilles, c'est que, récemment, le témoignage d'un artiste qui s'y est produit avec l'ASBL CAAP Culture a fait beaucoup parler de lui: il y est évoqué deux douches hebdomadaires pour les détenus, des conditions d'hygiène déplorables avec des rats et des punaises de lit, des détresses psychologiques voire des tentatives de suicide. Cette prison continue de choquer par ses conditions désastreuses de détention.

Monsieur le ministre, la prison de Saint-Gilles fermera-t-elle à une date précise en 2025 ou faut-il envisager une prolongation de son activité? Si la fermeture est prévue, quel est le calendrier exact? En cas de maintien de la prison de Saint-Gilles pour encore quelque temps, quelles mesures concrètes seront mises en œuvre pour améliorer les conditions de détention jugées totalement insalubres, notamment en termes d’accès à l’hygiène et d’accompagnement des détenus en détresse? Des travaux sont-ils envisagés pour rendre l’établissement plus conforme aux normes minimales de dignité humaine?

Paul Van Tigchelt:

Madame Maouane, le fermeture de la prison de Saint-Gilles était initialement prévue le 1 er janvier 2025, dans quelques semaines. Aujourd'hui, il y a dans nos prisons 12 763 détenus, le record étant de 12 811. Notre capacité d'accueil est de 11 026 places, y compris la capacité de la prison de Saint-Gilles. Il est donc clair que la prison de Saint-Gilles ne peut pas fermer ses portes à la fin de ce mois-ci. Personne ne le contestera. En revanche, on ne sait pas encore combien de temps la prison de Saint-Gilles restera ouverte. C'est une question sur laquelle le prochain gouvernement devra se pencher.

La prolongation de l'ouverture de la prison de Saint-Gilles nécessitera des budgets supplémentaires à la fois en termes de personnel, de nourriture mais aussi de réparations et de petits travaux de rénovation.

Mon administration a préparé un dossier avec la Régie des Bâtiments pour que le prochain gouvernement puisse prendre une décision à ce sujet et éventuellement libérer les budgets nécessaires.

Des travaux continueront à être réalisés à la prison de Saint-Gilles, en fonction de la durée de maintien du fonctionnement de l'établissement.

Concernant l'accès aux douches, seuls les établissements pénitentiaires récents permettent aux détenus d'avoir accès à une douche dans leur cellule. Dans tous les autres établissements, si les cellules disposent bien toutes d'un évier, l'accès aux douches est organisé en fonction des possibilités. À Saint-Gilles comme ailleurs, on veille à ce que cela soit effectué au moins deux fois par semaine. Cependant, dans la réalité, c'est parfois plus, ou moins. Cela dépend de la situation, du travail des détenus ou de la pratique d'un sport, par exemple.

Concernant l'accompagnement des détenus en détresse, je souligne, comme je l'ai dit à Mme Schlitz en septembre dernier, que la Direction générale des Établissements pénitentiaires a revu sa politique de prévention du suicide en 2023, à Saint-Gilles comme ailleurs. Dans tous les établissements, le personnel psychomédical et médical a été renforcé au cours de la législature écoulée, ce qui permet une meilleure prise en charge des détenus qui seraient en détresse.

Enfin, à Saint-Gilles comme dans les autres établissements, les services des Communautés sont également présents pour apporter de l'aide aux détenus.

Rajae Maouane:

Monsieur le ministre, merci pour vos réponses. J'entends que vous suivez le dossier avec attention. Néanmoins, je me permets de signaler que la situation est extrêmement grave. Vous avez cité le chiffre de 12 763, ce qui n'est pas loin du niveau record. La surpopulation carcérale actuelle est un vrai fléau. Comment serait-il possible que des détenus soient correctement réinsérés ou qu'il y ait une réparation quand les conditions minimales de dignité humaine ne sont pas atteintes? Vous avez évoqué les douches, qui sont prises minimum deux fois par semaine, parfois plus, parfois moins. Dans la plupart des cas, c'est moins. En effet, si les détenus ratent leur tour, ils doivent attendre la semaine d'après. Les activités à la prison de Saint-Gilles sont rares. J'adresse un grand merci aux associations et aux artistes qui se mobilisent pour redonner du baume au cœur et apporter une présence aux détenus, ainsi qu'un soutien au personnel qui est souvent complètement dépassé. Je sais que vous suivez le dossier et que votre successeur y sera extrêmement attentif. J'espère qu'il le sera puisqu’ici nous sommes vraiment dans l’irrespect et dans le manquement aux normes minimales de dignité humaine.

De opvolging van de Belgische militairen in het Israëlische leger

Gesteld aan

Paul Van Tigchelt (Minister van Justitie en Noordzee)

op 17 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De Belgische justitie onderzoekt een Ucclese sniper die mogelijk betrokken was bij Israëlische oorlogsmisdaden, maar het dossier is onder instructie geplaatst en details blijven geheim. De Sûreté de l'État bewaakt geen specifieke verdachten voor dit profiel, maar volgt wel Belgen met extremistische banden in conflictzones via de TER-strategie. Maouane dringt aan op directe aanhouding van verdachten bij terugkeer, terwijl Van Tigchelt benadrukt dat België als koploper in het Statuut van Rome oorlogsmisdadigers *prioritair* vervolgt. Concrete actie blijft afhankelijk van justitiële uitspraken.

Rajae Maouane:

Monsieur le ministre, le 17 octobre, je vous posais une question d'actualité au sujet de ce jeune Ucclois qui avait rejoint un groupe de snipers d'élite de l'armée israélienne. Nous savons que cette unité ne respecte pas le droit international humanitaire et qu'elle est responsable de la mort de plusieurs civils. Vous aviez répondu que le parquet fédéral avait ouvert une enquête sur cet individu en raison d'une possible implication dans la commission de crimes de guerre.

Monsieur le ministre, où en est le suivi de cette enquête? Combien de personnes sont surveillées par la Sûreté de l' É tat? Pouvez-vous nous garantir qu'une attention particulière sera réservée aux Belges se rendant coupables de crimes de guerre à l'étranger et qu'ils seront mis hors d'état de nuire dès leur retour sur notre territoire?

Paul Van Tigchelt:

Madame Maouane, tout d'abord, je vais confirmer ce que j'ai déjà dit. Le parquet fédéral a en effet ouvert une enquête relative aux faits qui constituent l'objet de votre question. Par la suite, une plainte avec constitution de partie civile a été déposée auprès d'un juge d'instruction de Bruxelles pour les mêmes faits. Dès lors, le parquet fédéral a joint son dossier à cette instruction.

Vous savez que le ministre de la Justice n'est pas le porte-parole de la justice bruxelloise. Je ne suis pas censé violer le secret de l'instruction. Les autorités judiciaires communiqueront au moment voulu au sujet de l'évolution du dossier. Donc, en tant que ministre de la Justice, je ne puis vous apporter plus de détails.

Combien de personnes sont suivies par la Sûreté de l' État? Celle-ci est responsable du suivi des menaces extrémistes et terroristes. Les personnes ayant un profil extrémiste et se rendant dans une zone de conflit sont surveillées conformément à la stratégie "Terrorisme, Extrémisme et Radicalisation", qui a été approuvée par tous les gouvernements de notre pays. Pour le moment, la Sûreté n'a pas connaissance d'un profil tel que décrit dans votre question. Il va de soi que, s'il est avéré que des Belges ont commis des crimes de guerre, ces cas seront traités en priorité par la justice.

En début de réunion, le président m’a posé des questions concernant la position belge vis-à-vis de la Cour pénale internationale. La Belgique est é tat partie au statut de Rome. Plus que cela, elle figure parmi les front runners du statut de Rome. La Belgique protège les victimes de crimes de guerre. Elle est en faveur du droit international. Il faut le souligner aussi dans ce contexte.

Rajae Maouane:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour ces éléments de suivi.

Vous n’êtes effectivement pas le porte-parole de la justice. Par ailleurs, d’autres détails seront fournis le cas échéant.

Cet individu était de retour en Belgique et n’avait pas été inquiété. Je voulais donc m’assurer que des coupables de crimes de guerre et de crimes contre l’humanité, une fois présents en Belgique, soient bien arrêtés et mis hors d’état de nuire.

Voorzitter:

N'ayant pas eu de nouvelles des collègues Boukili et Thiébaut, les questions n° 56001244C et n° 56001245C de M. Nabil Boukili et n° 56001303C de M. é ric Thiébaut sont retirées. De behandeling van de vragen eindigt om 11.09 uur. Le développement des questions se termine à 11 h 09.

De beslissing om fraudedossiers onder 10.000 euro niet te behandelen bij gebrek aan middelen
Het gebrek aan middelen in de strijd tegen de financiële criminaliteit
De beslissing om in Brussel geen vervolging in te stellen in fraudedossiers onder 10.000 euro
Het Brusselse parket en de door de sectie Ecofin behandelde fraudedossiers
Gebrek aan middelen in vervolging fraudedossiers onder 10.000 euro in Brussel

Gesteld aan

Paul Van Tigchelt (Minister van Justitie en Noordzee)

op 12 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De Brusselse gerechtelijke politie en het parket schrappen systematisch fraude- en oplichtingsdossiers onder €10.000 door capaciteitstekort, wat slachtoffers het gevoel geeft dat er sprake is van tweederangsjustitie en klassenjustitie. Kritiekpunten zijn het prioriteren van zware criminaliteit (drugs, geweld) ten koste van "kleine" misdrijven—inclusief huiselijk geweld—en het chronisch onderfinancieren van justitie en politie, ondanks recente versterkingen (13 extra magistraten, 20 juristen, 272 onderzoekers). Minister Van Tigchelt wijst op technologische oplossingen (AI, digitale aangifte) en extra middelen, maar verwierpt een gespecialiseerd financieel parket (naar Frans model), terwijl oppositie structurele onderinvestering aanhoudend aanwijst als oorzaak van impuniteit, vertrouensverlies en gemiste inkomsten (kleine fraudes stapelen zich op). De toekomstige regering moet dringend slimmere investeringen doen, maar de actuele maatregelen volstaan niet om het tij te keren.

Jean-Luc Crucke:

"À la suite d'un échange avec la police judiciaire fédérale de Bruxelles, je souhaite vous informer que cette dernière ne dispose pas de la capacité d'enquête nécessaire pour mener des devoirs d'investigation dans ce dossier".

C'est la surprenante et désagréable missive qu'ont reçue des citoyens et/ou leurs avocats soumis au parquet de Bruxelles ou à la police judiciaire de Bruxelles pour leur dire tout simplement que, nonobstant le dommage qu'ils avaient encouru dans un dossier, il n'y aurait non seulement pas de suite donnée, pas d'enquête effectuée, mais que ce serait purement et simplement à oublier.

Monsieur le ministre de la Justice, il est évident que face à ce genre de courrier, nous pouvons percevoir l'émoi de personnes pour qui – puisqu'on parle de dossiers de moins de 10 000 euros – 10 000 euros, c'est quasiment le bout du monde, c'est toute leur fortune. Et ceux à qui on dit d'oublier se demandent dans quel État ils se trouvent.

Comment, en tant que ministre de la Justice, réagissez-vous à cela? Comment, lorsque vous êtes mis au courant de ces faits, prenez-vous les mesures pour dire que c'est une justice à deux vitesses? Je crois que nous en sommes là.

Nous savons que la Justice manque de moyens. Mais quand on commence à faire du tri en disant qu'il y a des petites et des grandes délinquances, avec des montants comme critère discriminant, je crois que cela ouvre la porte à tous les abus et surtout que ceux qui ont été abusés ne pourront pas retrouver la confiance dans la Justice.

François De Smet:

"À la suite d'un échange avec la police judiciaire fédérale de Bruxelles, je souhaite vous informer que cette dernière ne dispose pas de la capacité d'enquête nécessaire pour mener des devoirs d'investigation dans ce dossier". Ce message, monsieur le ministre, se retrouve dans de nombreux procès-verbaux et d'autres pièces judiciaires que des justiciables reçoivent.

C'est ainsi que l'on apprend par voie de presse que, par exemple, les dossiers de fraude financière et d'escroquerie en dessous de 10 000 euros ne sont tout simplement plus traités. Comment cela est-il possible dans un État de droit? Comment est-il possible que des commissions de pondération – je ne les critique pas, elles sont apparemment désormais indispensables – soient contraintes de faire des choix de plus en plus impossibles?

Je suis le premier à dire que des dossiers comme le narcotrafic ou la lutte contre les fusillades demandent des moyens exceptionnels. Mais, quand cela se fait au détriment de dossiers tels que ces dossiers d'escroquerie mais aussi de violences intrafamiliales, nous avons un véritable problème qui, à mon avis, ruine le crédit de la justice elle-même chez les justiciables. Bien sûr, des refinancements ont été lancés. Mais, le résultat est là: il y a actuellement des infractions qui ne sont tout simplement pas poursuivies du tout.

Ensuite, il faut se préoccuper de l'état de la police judiciaire fédérale, qui a besoin de renforts. Elle a, aussi, particulièrement besoin de spécialisation. Dans les domaines de la criminalité financière, qui sont de plus en plus sophistiqués, on a besoin d'expertise de plus en plus forte. Je me permets ici de prêcher à nouveau dans un désert – en ce compris celui de l'Arizona, où pour l'instant rien ne pousse – en faveur d'un parquet national financier, parce que nous allons avoir besoin, demain, d'une structure qui soit autonome, multidisciplinaire et qui permette de combattre ce fléau.

Monsieur le ministre, comment allez-vous réagir à ce nouvel appel au secours de magistrats et de policiers qui ne parviennent plus à rendre justice sans devoir choisir leurs combats et abandonner certains justiciables?

Pierre Jadoul:

Monsieur le ministre, je ferai l'économie de vous lire pour une troisième fois la phrase du courrier reçu par un certain nombre de justiciables. Mais je ne peux pas manquer de m'associer à l'émoi de mes collègues.

Un cas pratique: la semaine dernière, ma collaboratrice au barreau a reçu une pensionnée qui s'était fait dévaliser par un vendeur de vin, lequel était parvenu à lui soutirer 4 000 euros en vingt minutes de visite à domicile. Malheureusement, je déduis de ce que j'apprends dans la presse que tout espoir est perdu et que mieux vaut épargner à cette justiciable des frais et honoraires d'avocats, qui seront exposés en pure perte puisque, de toute façon, cela n'aboutira à rien.

Monsieur le ministre, je m'inquiète de la déliquescence de la justice dans notre pays, et particulièrement en Région de Bruxelles-Capitale. Il y a là une évolution désastreuse, qui crée à la fois un sentiment d'impunité dans le chef d'un certain nombre d'auteurs de faits et un sentiment d'injustice et de désolation dans le chef de la majorité de nos concitoyens.

Monsieur le ministre, confirmez-vous l'information communiquée par voie de presse, selon laquelle les affaires d’escroquerie ou de fraude financière pour des montants inférieurs à 10 000 euros ne sont plus traitées aujourd'hui à Bruxelles? Quelles mesures envisagez-vous de prendre pour tenter de remédier à cette situation?

Je sais qu'il y a des problèmes de recrutement au niveau de la police judiciaire de Bruxelles. Avez-vous des contacts avec votre collègue de l'Intérieur afin de renforcer l'attractivité de la profession, particulièrement dans la capitale?

Khalil Aouasti:

Monsieur le ministre, chers collègues, 10 000 euros! C'est la somme en dessous de laquelle la police et le parquet, par manque de moyens, ne traitent plus les dossiers de fraude financière. Or une fraude de moins de 10 000 euros, c'est quoi, monsieur le ministre de la Justice? Cela peut être 650 euros prélevés sur le compte d'un particulier suite à un vol de carte et, pour certains, 650 euros représentent le montant des courses pour un mois, des cadeaux de fin d'année, des inscriptions à des clubs de sport pour leurs enfants. Ce sont aussi des fraudes aux factures de gaz, d'eau ou d'électricité qui sont payées sur des faux comptes et qui endettent les ménages.

Monsieur le ministre, la situation a été décrite par mes collègues. Je n'ose imaginer le sentiment des victimes quand elles découvrent que la justice et la police ne leur apporteront ni aide ni protection. Voici bientôt trois ans, nous apprenions un classement des dossiers en trois catégories, par manque de moyens. Aujourd'hui, on ne se contente plus de hiérarchiser les dossiers. On ne les poursuit tout simplement plus.

Ce manque de moyens semble toucher tous les services dès lors que l'on apprend, pour un montant qui approche plus le million d'euros que les 10 000 euros, que le parquet fédéral, sous le ministère de votre prédécesseur, M. Van Quickenborne, a mis plus d'un an et demi pour initier l'enquête sur le blanchiment d'argent présumé de M. Reynders.

Monsieur le ministre, les prisons sont dans état de délabrement. La police judiciaire fédérale et les parquets n'ont plus la capacité de remplir leurs missions. La justice dysfonctionne en raison d'un sous-financement chronique et, aujourd'hui, à travers la fraude fiscale et le blanchiment d'argent, on laisse échapper des moyens essentiels à la solidarité et au fonctionnement de l'État. C'est le bilan! C'est le vôtre et c'est celui de votre prédécesseur en ne répondant pas aux appels incessants du monde judiciaire. (M. Van Quickenborne applaudit.)

Monsieur Van Quickenborne, ce n'est pas drôle!

Monsieur le ministre, les efforts consentis demeurent largement insuffisants. Les alertes proviennent de tous les secteurs: magistrats, policiers, avocats, agents pénitentiaires, directeurs de prison, etc. Quand allez-vous enfin prendre la mesure de la problématique et quelle réponse forte allez-vous donner?

Voorzitter:

Je vous remercie, monsieur Aouasti. Monsieur le ministre, vous disposez de cinq minutes pour répondre.

Paul Van Tigchelt:

Chers collègues, on ne peut accepter l'impunité dans la lutte contre la fraude fiscale. Mais la question est: comment réaliser cela? Je vous donne d'abord quelques faits. Il faut continuer dans cette lutte. Hier, l'arrêté de désignation du nouveau procureur de Bruxelles a été enfin publié. En effet, pendant des années, le parquet de Bruxelles n'a pas eu de procureur à part entière. La modification de la loi nécessaire pour le faire, depuis 2014, a finalement été adoptée ici il y a quelques mois. Le résultat est là: un nouveau procureur est là.

Mais, chers collègues, ce n'est pas tout. Du personnel supplémentaire a également été mis à la disposition du parquet de Bruxelles. Depuis octobre 2023, 13 magistrats supplémentaires et 20 juristes supplémentaires ont été ajoutés. La police judiciaire fédérale et les enquêteurs spécialisés ont également été renforcés par des spécialistes. En néerlandais, on dit des zij-instromers .

Il y a, depuis le début de la législature, 272 enquêteurs supplémentaires, sans oublier les équipes d'enquête multidisciplinaires, les MOTEM, que l'on a créées sous cette législature, composées de contrôleurs fiscaux et de policiers pour lutter contre la fraude fiscale organisée, en collaboration avec le parquet européen, l'EPPO, que l'on a aussi créé. Ces MOTEM ont déjà obtenu des résultats remarquables. Ces renforts étaient nécessaires car la criminalité organisée, la violence, la fraude fiscale, le cybercrime et le phishing et les autres défis dans notre capitale sont importants. Il est clair, chers collègues, que le prochain gouvernement devra également investir pour soutenir nos services dans cette lutte.

Mais la question qui se pose est de savoir comment. Comment faut-il continuer cette lutte? Je pense que vous connaissez mon opinion, messieurs Aouasti et Jadoul. Je pense qu'investir dans un parquet à part pour la fraude fiscale, ce n'est pas un investissement intelligent parce que cela voudrait dire que l'on va encore une fois investir dans une nouvelle structure, un nouvel organe, alors que nous avons déjà le parquet fédéral, doté d'une compétence nationale et d'une section financière.

Nous pourrions libérer des fonds pour recruter encore plus de personnel et d'agents de police dans notre pays. Nous en avons déjà aujourd'hui 51 000. Nous pourrions investir en vue de recruter encore plus de magistrats et de personnel judiciaire. Cependant, si vous me demandez mon avis, et c'est ce que vous faites, je pense qu'il faut investir plus intelligemment, en l'occurrence dans la technologie. En effet, celle-ci peut prévenir de nombreuses infractions dans le domaine du phishing . L'intelligence artificielle peut ainsi détecter et bloquer les transactions bancaires frauduleuses avant même que le mal ne soit fait.

Les victimes d'escroquerie doivent immédiatement pouvoir porter plainte auprès d'un poste de police numérique qui soit toujours accessible. Ce n'est pas le cas aujourd'hui. Or non seulement leur plainte serait toujours traitée directement, mais de plus les enquêteurs virtuels – et ce n'est pas le futur, puisque c'est déjà possible – pourraient immédiatement faire le nécessaire pour bloquer les comptes concernés ou encore rassembler toutes les informations pour la justice.

Nous avons déjà développé des applications, les power apps , au cours des dernières années. Il faut aller plus loin. Bien entendu, chers collègues, il ne s'agit pas là d'une technologie visant à remplacer les gens mais bien d'un outil permettant d'alléger leur charge de travail afin que les policiers puissent se concentrer sur des tâches plus utiles. C'est à cette fin qu'il convient de trouver des réponses, car ce sont des investissements intelligents au bénéfice de nos concitoyens. Je vous remercie de votre attention.

Jean-Luc Crucke:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse, mais je vois une contradiction dans ce que vous dites.

Je partage votre avis quant à la nécessité d'investissements en termes d'intelligence artificielle, mais il en faut également en termes humains. En tant que libéral, vous devriez savoir que les investissements peuvent rapporter. Dans ce cas-ci, on ne va plus chercher en dessous de 10 000 euros. On dit souvent que les petits ruisseaux font les grandes rivières. En vous privant de ces recettes, vous privez finalement l'efficacité de la justice de recettes dont elle aurait besoin.

Pour moi, il existe un lien entre un criminel et un consommateur. Le consommateur va toujours aller chercher le prix le moins élevé tandis que le criminel va chercher là où il paye le moins. Aujourd'hui, le signal a été donné à Bruxelles qu'ils ne paieront plus du tout!

François De Smet:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse.

Je soulignerai d'abord que toute petite affaire non suivie d'actions a un effet désastreux pour l'image de la justice et de notre démocratie. Je rappelle que toutes les affaires ne sont pas financières. Il y en a qui concernent des violences intrafamiliales par exemple. Il faut donc aussi traiter les petites affaires.

Ensuite, je souhaiterais confirmer qu'il y a bien une logique d'investissement mais nous sommes en désaccord sur cette histoire de parquet national financier. Après l'affaire Cahuzac, célèbre ministre des Finances qui avait un compte secret caché en Suisse, la France a créé un parquet national financier, qui était simplement plus autonome, plus armé, avec de grands moyens et qui leur rapporte aujourd'hui des milliards.

Je constate que nous ne sommes pas capables d'aller chercher des milliards aujourd'hui. Or, à mon avis, avec un tel outil, nous serions capables de le faire demain. Cette proposition est portée notamment par l'ex-juge d'instruction Michel Claise, membre de DéFI. J'encourage vraiment la future majorité Arizona à s'en inspirer parce que là, il y a des moyens à aller chercher.

Pierre Jadoul:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour les éléments de réponse que vous communiquez.

Je voudrais souligner plusieurs choses. Je pense que ma formation politique a été particulièrement présente pour tenter de débloquer la question de la nomination d'un procureur du Roi à Bruxelles; je me réjouis que ce dossier ait enfin pu aboutir et que sa contribution ait été déterminante. Je forme le vœu que son arrivée sera l'occasion de maintenir au sein du parquet de Bruxelles un certain nombre d'acteurs qui sont aujourd'hui lassés voire dégoûtés. Et si tous les dégoûtés s'en vont, je crains que la situation ne soit pas de nature à s'améliorer.

Pour le reste, je vous rejoins totalement sur la volonté de ne pas créer une structure spécifique. En effet, je pense que le fonctionnement judiciaire actuel a montré ses limites dans la mesure où nous avons mis en place un certain nombre de collèges qui génèrent des charges de travail qui sont démesurées par rapport aux résultats qu'elles produisent.

Voorzitter:

Merci, cher collègue. Je tiens à préciser qu'il s'agissait ici de la première question posée par le collègue Jadoul. (Applaudissements)

Khalil Aouasti:

Monsieur le ministre, j'ai envie de citer Pascal, qui disait: "Ne pouvant fortifier la justice, on a justifié la force." Voici un an, auprès des dix-neuf bourgmestres bruxellois, vous vous étiez déjà engagé à renforcer considérablement les moyens dans la justice et la police. Certes, des efforts ont été réalisés. Un procureur du Roi a enfin été désigné à Bruxelles mais ces efforts demeurent aujourd'hui insuffisants – il faut pouvoir le dire.

À travers cette insuffisance, c'est la justice de classe qui est mise en question et derrière elle, le fait de ne pas poursuivre des dossiers à moins de 10 000 euros. C'est l'injustice de classe qui demeure et qui règne. À force de ne pas fortifier la justice, on décide de justifier la force.

Monsieur le ministre, la confiance dans l'institution judiciaire est nécessaire pour permettre à nos citoyens de maintenir cette confiance en l' é tat. Il faut donc mettre les moyens le plus rapidement possible, conformément à vos engagements, dans la police et dans la justice.

Voorzitter:

Je clôture cette session de questions d'actualité.

De strategische visie op de opdrachten van de Veiligheid van de Staat

Gesteld aan

Paul Van Tigchelt (Minister van Justitie en Noordzee)

op 11 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De Sûreté de l’État ondergaat een strategische verschuiving van preventieve inlichtingenverzameling naar een gerichter, reactiever model (geïnspireerd door MI5), wat bij syndicaten weerstand oproept omdat ze vrezen voor verlies van territoriale dekking en vroege dreigingsdetectie. Minister Van Tigchelt verdedigt de hervorming (*"Remix"*) als noodzakelijk om parlementaire aanbevelingen (na aanslagen 2016) te volgen, informatie-overload te beheersen en specialisatie mogelijk te maken bij een groeiend personeelsbestand (van 600 naar 1000 agenten), maar benadrukt dat algemene inlichtingen en proactieve signalering behouden blijven. Hij erkent implementatiepijnen en belooft bijsturing met meer focus op thematische specialisaties, terwijl het Comité R op de hoogte wordt gehouden—De Smet dringt aan op opvolging van syndicale bezorgdheden en het behoud van evenwicht tussen specialisatie en brede dreigingsanalyse.

Voorzitter:

De dames Eggermont en Yigit zijn niet aanwezig om hun samengevoegde vragen nrs. 56000931C en 56000933C te stellen.

François De Smet:

Monsieur le ministre, la presse s'est tout récemment faite l'écho d'un certain malaise au sein de la Sûreté de l'État. La raison est que les missions de celle-ci glisseraient d'une fonction préventive vers un modèle plus réactif et investigatif. Ce modèle aboutirait, selon les organisations syndicales, à renoncer au service défensif et généraliste en amont, constitué par la Sûreté, qui consiste en un maillage territorial ciblé, à la collecte d’informations, ainsi qu’à l'identification de signaux préliminaires. La réforme “Remix” engendrerait, une confusion des rôles avec les missions plus particulièrement de la police qui doit agir lorsque la menace est concrète.

Ce virage stratégique serait inspiré du travail de la section anti-terrorisme du service de renseignement britannique, le MI5. Celle-ci a vocation à neutraliser les menaces urgentes et à spécialiser ses agents dans des silos métiers. Cela ne paraît pas répondre à la "culture" maison de la Sûreté qui est davantage d’anticiper les menaces futures.

Les organisations syndicales font état à ce propos d’une certaine passivité du Comité R, organe de contrôle permanent des services de renseignement et de sécurité, qui ne prendrait pas en compte cette évolution, selon elles, préjudiciable à l’institution et ses agents.

Monsieur le ministre, l’analyse par vos services de cette évolution organisationnelle existe-t-elle? Si c'est le cas, quelle est-elle? Un service tel que la Sûreté de l’ é tat est-il utilisé au mieux de ses compétences et de ses moyens? Entendez-vous attirer l’attention du Comité R sur ce changement de paradigme?

Paul Van Tigchelt:

Monsieur De Smet, je vous remercie pour votre intéressante question, qui est pertinente et donc importante.

Tout d'abord, il est exact que, l'année dernière, la Sûreté de l' É tat a développé un nouveau modèle d'investigation et un nouveau modèle informatique. Ce changement de management suscite de la résistance, et c'est bien humain. Cela dit, ce changement était nécessaire pour plusieurs raisons. Premièrement, et avant tout, il s'agissait de répondre aux recommandations de la commission d'enquête parlementaire sur les attentats de Zaventem et de Maelbeek du 22 mars 2016, en particulier en vue de réformer le fonctionnement de l'organisme et de mettre l'accent sur des menaces spécifiques, objectivables et prioritaires. C'était bien la recommandation de ce Parlement. Deuxièmement, l'objectif était de gérer le flux d'informations qui deviennent de plus en plus complexes. En effet, celui-ci, notamment à l'échelle internationale, augmente de manière exponentielle – ce qui est positif, mais nous incite à relever de nouveaux défis. Troisièmement, l'environnement informatique de la Sûreté de l' É tat a également dû s'adapter à cette évolution. Une nouvelle banque de données a été créée en vue de pouvoir établir des liens entre davantage d'informations provenant de différentes sources, notamment étrangères. Enfin, ces dernières années, la Sûreté a connu une forte croissance de ses effectifs. Ceux-ci sont en effet passés de 600 à 1 000 agents sous la précédente législature, à la suite d'une décision du gouvernement. Dès lors, dans un service plus vaste, un certain degré de spécialisation est indispensable.

Cependant, affirmer qu'il n'y aurait plus de spécialisations thématiques au sein de la Sûreté est inexact. J'ai pu lire les communiqués rédigés par les syndicats. Aujourd'hui, chaque section de renseignement dispose d'une spécialisation thématique. Il est également erroné de prétendre que la Sûreté ne collecterait plus de renseignements généraux. Il est vrai que des priorités plus claires que par le passé ont été définies, comme l'avait demandé le Parlement, en tenant compte des capacités et des priorités déterminées par le Conseil national de sécurité (CNS).

Toutefois, on attend toujours de la Sûreté qu'elle soit en mesure d'utiliser ces renseignements pour informer le gouvernement ou d'autres administrations comme l'Organe de coordination pour l'analyse de la menace (OCAM) sur des tendances, des événements ou des phénomènes. Il est donc nécessaire que le service se concentre sur la détection de nouveaux phénomènes en plus de la surveillance de groupes et de mouvements connus. Déjouer les projets d'attentats terroristes ainsi que d'autres menaces telles que l'espionnage et l'ingérence reste bien entendu crucial. Pour ce faire, la Sûreté s'efforce de trouver un équilibre entre la conduite d'investigations ciblées et la collecte proactive de renseignements. En effet, la Sûreté de l'État doit être attentive aux nouveaux phénomènes et en informer le gouvernement de manière adéquate avant même qu'ils ne deviennent des problèmes de sécurité. Je peux comprendre que certains ne soient pas d'accord avec cet équilibre, mais la commission d'enquête parlementaire était assez claire.

Comme pour tout changement, il y a des réajustements lors de la mise en œuvre de ce nouveau modèle. Actuellement, un ajustement est en cours. Il placera les spécialisations thématiques encore plus au centre de l'organigramme. Le Comité R est tenu informé par la Sûreté de l'État du nouveau modèle d'investigation et des objectifs qui y sont associés.

François De Smet:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses. J'entends qu'une évolution était nécessaire au regard des conclusions de la commission et de la croissance importante, et nécessaire aussi, du personnel. Je note que vous dites que la spécialisation n'empêchera pas la réactivité. Je pense qu'il faut quand même suivre l'évolution de ce nouveau paradigme et tenir compte autant que possible des préoccupations des organisations syndicales.

De overbevolkte gevangenissen
De tijdelijke opschorting van de verzending van gevangenisbriefjes
De staking van de cipiers
Overbevolking, stakingen en logistieke problemen in het gevangeniswezen

Gesteld aan

Paul Van Tigchelt (Minister van Justitie en Noordzee)

op 11 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de alarmante overbevolking in Belgische gevangenissen, die leidt tot onveilige werkomstandigheden voor bewakers (agressie, onderbemanning, onervaren personeel) en mensonterende detentieomstandigheden (gevangenen slapen op de grond, frustratie, geweld tussen gedetineerden). Minister Van Tigchelt benadrukt dat de overbevolking historisch niet uniek is, maar erkent de crisis: tijdelijke maatregelen zoals uitgestelde gevangenisstraffen voor kleine criminaliteit (peilstraf <5 jaar) en betere spreiding van gedetineerden brengen voorlopig enkel stabilisatie, geen daling. Kritiek blijft dat er geen structurele oplossingen komen voor veiligheid, personeelstekort of herwaardering van het beroep, terwijl de kernproblemen—onderbezetting, slechte infrastructuur en gebrek aan reïntegratiefocus—onveranderd blijven.

Julien Ribaudo:

"Je n’arrive pas à faire mon travail correctement", "j’arrive la boule au ventre chaque matin", c'est ce que j'ai entendu ce vendredi à Leuven lors de l'action du personnel pénitentiaire des prisons flamandes et bruxelloises. À chaque jour qui passe, la situation ne fait qu'empirer. Les cas d'agression envers le personnel pénitentiaire s'accumulent. Le personnel ne se sent plus en sécurité et pire encore, il ne se sent même plus soutenu par la direction. La surpopulation carcérale nécessite l'embauche de plus de personnel mais on ne parvient pas à recruter du personnel qualifié en suffisance. Par conséquent, nous avons dans nos prisons des jeunes de dix-neuf ou vingt ans sans aucune qualification qui se voient confier de plus en plus de responsabilités. Le personnel aime son travail mais se trouve aujourd'hui dans l'impossibilité de l'exercer correctement.

Au-delà des agressions sur le personnel, les incidents entre détenus augmentent également. Ce matin encore dans De Standaard , il était fait mention de la possibilité de suivre sur TikTok une bagarre entre détenus à la prison de Haren.

Tous les travailleurs que je rencontre sont d’accord sur un point: la cause de ces agressions en constante hausse est la surpopulation carcérale. Les détenus sont entassés comme des bêtes avec des conditions de vie déplorables. Le bâtonnier disait qu'il n'y a que les rats qui manquent à ce tableau. Cent-nonante détenus doivent dormir par terre, certains dans les cachots faute de place. Tout cela est générateur de frustration et de colère, tant chez les agents pénitentiaires que chez les détenus. Je ne citerai que l’exemple de la prison de Hasselt, où il n'y a même plus suffisamment d'assiettes en raison du nombre de détenus qui ne cesse d'augmenter.

Les conséquences de la surpopulation carcérale sont connues, elles nous ont notamment été exposées par madame la directrice générale des prisons ce matin. Les frustrations montent en flèche, tant chez le personnel que chez les détenus. Monsieur le ministre, que comptez-vous faire pour assurer la sécurité des agents pénitentiaires et pour répondre aux revendications du personnel et des syndicats?

Pierre Jadoul:

Monsieur le ministre, vous avez envoyé une directive aux parquets afin de suspendre provisoirement les billets d'écrou pour des faits dits de petite criminalité. Cette mesure a été prolongée, sauf erreur, jusqu’à ce jour. C’est une deuxième prolongation. Les personnes doivent patienter avant de recevoir le courrier leur enjoignant de se rendre en prison. Elles restent provisoirement libres et purgeront leur peine plus tard.

Vous avez indiqué lors de la séance plénière de la semaine dernière qu'il s'agissait bien d'une mesure d'urgence temporaire, qui vise à réduire la pression sur les prisons et sur le personnel pénitentiaire. On sait que la surpopulation carcérale atteint des niveaux records dans notre pays. Nous y avons d’ailleurs consacré la matinée.

D'emblée, je précise que nous avons bien conscience que cette mesure ne concerne que les condamnés à des peines de prison de moins de cinq ans. Sont exclus les faits de terrorisme, de délinquance sexuelle, de graves violences ainsi que les personnes qui représentent un danger et qui figurent sur la liste de l'OCAM. Cela ne concerne pas non plus les personnes en détention provisoire au moment de leur condamnation.

C'est une mesure exceptionnelle, mais qui attire l'attention. Cela m’amène à vous poser les questions suivantes.

Monsieur le ministre, combien de temps va encore durer cette suspension? Allez-vous la prolonger? Avez-vous une idée du nombre de billets d'écrou que cela concerne?

Quel est le bilan que les parquets tirent de l’application de cette mesure? Quels sont les retours du terrain? Pouvez-vous en dresser un premier bilan?

Des problèmes ont-ils été rapportés concernant des condamnés en attente de leur billet d'écrou?

Paul Van Tigchelt:

Chers collègues, je vais tenter de donner une réponse globale à vos questions concernant l'évolution de la population carcérale. Il faut bien contextualiser et tenir compte de l'historique de cette problématique. En 2019, la population pénitentiaire moyenne était de 10 560 détenus avec une surpopulation moyenne de 14,4 %. En 2024, entre le 1 er janvier et le 31 octobre, la population moyenne était de 12 166 détenus et, grâce à la capacité supplémentaire que nous avons pu ouvrir au cours de cette législature, cela représente une surpopulation moyenne de 12,3 %. Je n'essaie pas de minimiser mais bien de contextualiser. La surpopulation n'a pas atteint aujourd'hui un record, contrairement à la population en général qui, elle, atteint un record. À certaines époques, la surpopulation était encore pire qu'aujourd'hui. C'est la réalité, chers collègues!

La capacité disponible est bien sûr déterminée par la direction générale compétente. Cette direction s'appuie pour ce faire sur des normes nationales et internationales car le Comité européen pour la prévention de la torture (CPT) du Conseil de l'Europe effectue des contrôles. Ce CPT rédige des rapports à notre attention. Si vous souhaitez obtenir des chiffres détaillés et actualisés sur le nombre de détenus, je peux vous les communiquer à l'occasion d'une question écrite.

En ce qui concerne les questions relatives aux mesures à adopter pour assurer la sécurité des agents pénitentiaires, des détenus et du personnel face à la problématique de la surpopulation, une politique a été élaborée lors de la législature précédente mais, depuis mars, nous avons pris des mesures temporaires pour réduire la surpopulation et empêcher que des personnes dorment au sol.

Des questions me sont posées à ce sujet chaque semaine, de sorte que je renvoie à la réponse que j’ai donnée en séance plénière le 21 novembre dernier.

Comme vous le savez, le congé pénitentiaire prolongé a été réintroduit. Actuellement, la capacité disponible – en ce compris dans les maisons de détention – a été maximisée par une meilleure répartition des détenus. Par ailleurs, des efforts supplémentaires sont consentis en coopération avec l’Office des étrangers et la police fédérale en vue de renvoyer les détenus sans droit de séjour. Pour la première fois depuis 2017, nous avons conclu un accord avec le Maroc à cet égard. Ces mesures s’ajoutent à celles qui ont été prises afin de créer de la capacité supplémentaire en matière d’infrastructures et de personnel.

En outre, le 28 octobre dernier – cette date n’est pas le fruit du hasard car c’est le 29 octobre qu’ont été condamnés plus de 100 prévenus dans le cadre d’un procès sur la criminalité organisée liée aux milieux de la drogue –, j’ai dû donner une instruction temporaire au ministère public afin de suspendre l’émission de billets d’écrou pour les personnes condamnées à une peine d’emprisonnement n’excédant pas cinq ans, à condition qu’elles soient encore libres au moment de la condamnation et qu’elles ne constituent aucun danger pour autrui. Cette instruction était en vigueur jusqu’au 10 décembre et a donc été prolongée pour une durée de deux semaines en raison d’un effet insuffisant sur la population. Cette instruction est donnée à chaque fois pour une période de 14 jours.

Contrairement aux semaines précédentes, où la population carcérale augmentait en moyenne de 100 détenus par semaine, nous constatons pour la première fois depuis deux semaines que la population carcérale reste stable. Mais malgré l'instruction, nous ne constatons pas encore de diminution de la population carcérale.

Cela peut s'expliquer par l'augmentation du nombre de personnes en détention préventive. Vous savez, ce n'est pas le ministre qui décide qui est incarcéré mais bien des magistrats. C'est une bonne chose dans un État de droit. Ce sont des magistrats qui décident si une personne doit être en détention préventive. Ce sont des magistrats qui condamnent des personnes. On constate qu'il y a beaucoup de détenus en détention préventive. Voilà quelques éléments de réponse.

Julien Ribaudo:

Monsieur le ministre, merci pour votre réponse.

Vous nous dites qu'on a connu pire. Nous ne parlons pas ici de statistiques, monsieur le ministre, nous parlons de personnes. Nous parlons de gens qui sont détenus dans des conditions déplorables.

Ce matin, j'ai eu l'honneur d'entendre des collègues beaucoup plus expérimentés dire qu'en fait, cela n'avait pas changé depuis des années, que ce problème restait là. Ce problème n'est pas nouveau et rien ne change.

Je trouve que les agents ont raison de se mobiliser pour de meilleures conditions de travail. Pour le moment, je n’ai rien entendu de concret dans vos réponses, à part prendre des capacités pour augmenter les places et le personnel, à part maximiser les places. Cela veut dire mettre encore plus de gens dans nos prisons et en renvoyer dans d’autres pays.

Je n'entends rien sur des mesures concrètes pour rendre le métier plus attractif, donner plus de sécurité au personnel et engager beaucoup plus de personnel. En effet, plus il y a de détenus, plus nous avons besoin de gens pour s'en occuper et faire ce qu'ils font le mieux: travailler avec les détenus pour s'assurer qu'ils sortent de prison dans de meilleures conditions que quand ils y sont entrés.

Pierre Jadoul:

Monsieur le ministre, merci pour ces informations chiffrées qui sont bien utiles et permettent de mettre les choses en perspective. Le problème actuel est majeur, même s'il n'est pas neuf. Je pense qu'il va effectivement falloir trouver d'autres solutions de manière urgente, mais aussi sur la durée de cette législature ou de la prochaine, car les solutions actuelles ne me semblent pas adéquates à la politique pénitentiaire.

Voorzitter:

Monsieur Ribaudo, vous avez la parole pour votre question n° 56000994C.

Julien Ribaudo:

Monsieur le président, nous avons envoyé un email ce matin pour signaler notre préférence de transmettre notre question par écrit.

Voorzitter:

Merci de la précision. Votre question sera bien transformée en question écrite.

De ontvluchting van drie gevangenen uit het detentiehuis van Kortrijk

Gesteld door

lijst: VB Marijke Dillen

Gesteld aan

Paul Van Tigchelt (Minister van Justitie en Noordzee)

op 11 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Drie gedetineerden ontsnapten op 18 november uit het detentiehuis Kortrijk via een geforceerd raam en een klaarstaande auto, volgens de minister een *impulsieve daad*—hoewel de vluchtvoorbereiding (auto) dat betwijfelt. Twee zijn heropgepakt en zitten hun straf nu in een *gevangenis* (niet het detentiehuis) uit; de derde is nog voortvluchtig. De minister ontkent kennis van eerdere *wangedrag*meldingen (media suggereerden dronkenschap en intimidatie), maar bevestigt *5 ontsnappingen* in Kortrijk sinds de opening (1 in 2022, 0 in 2023, 4 in 2024).

Marijke Dillen:

Mijnheer de minister, de beveiliging werd geforceerd en ze vluchtten weg in een klaarstaande auto. Zo zijn drie mannen op 18 november het detentiehuis in Kortrijk ontvlucht. Ze zouden door het raam zijn vertrokken.

Volgens de woordvoerder van het gevangeniswezen waren de drie de hele dag buiten het detentiehuis in het kader van hun tewerkstelling en het ondertekenen van een huurcontract voor een woonst. Verder zegt hij dat het waarschijnlijk om een impulsieve daad gaat. Volgens een andere bron gedroeg minstens een van de betrokkenen zich niet correct, ook buiten het detentiehuis. Er zou sprake geweest zijn van dronkenschap en het lastigvallen van personeel.

Kunt u meer toelichting geven over die feiten? Werden de betrokkenen inmiddels gevat, nu we bijna een maand verder zijn?

Klopt de berichtgeving dat minstens een van de betrokkenen zich niet correct zou hebben gedragen, ook buiten het detentiehuis? Welke gevolgen werden er gegeven aan dat gedrag? Moeten ze hun straf verder uitzitten in een gevangenis? Hierover kreeg ik graag wat toelichting.

Kunt u mij een volledig overzicht geven van het aantal ontvluchtingen op jaarbasis uit het detentiehuis van Kortrijk en de gevolgen die hieraan werden gegeven? Kunt u mij een overzicht geven van het aantal ontvluchtingen op jaarbasis in de detentiehuizen in het algemeen?

Paul Van Tigchelt:

Collega, de feiten vonden inderdaad plaats op maandagochtend 18 november. Drie bewoners forceerden het raam van het detentiehuis en sprongen in een wagen die blijkbaar klaarstond. De drie bewoners van het detentiehuis in Kortrijk hadden al meermaals uitgaansvergunningen genoten en die werden steeds positief geëvalueerd. Twee van de ontvluchte bewoners hadden bovendien op die dag een uitgaansvergunning om te gaan werken. Ze hebben zich nadien ook correct terug aangemeld bij het detentiehuis.

U stelt in uw vraag dat hun gedrag niet correct was. Ik weet niet waar u die informatie haalt, maar dergelijke informatie is bij ons niet gekend. Er waren geen indicaties van problematisch gedrag.

Collega Dillen, alles wijst erop dat de ontsnapping – ik ben voorzichtig – een impulsieve ingeving was. Een van de ontsnapten heeft zich op 22 november aangegeven bij de politie. Een tweede werd ook al door de politie opgepakt. Zij werden beiden teruggestuurd naar de gevangenis waar zij voorheen verbleven om daar hun straf verder uit te zitten.

Ze mogen niet terugkeren naar het detentiehuis, dat zal u niet verbazen. De derde voortvluchtige staat uiteraard geseind, maar is er is voorlopig geen nieuws over hem.

Er was één ontsnapping uit het detentiehuis van Kortrijk in 2022, er waren er geen in 2023 en vier in 2024. In totaal waren er dus vijf ontsnappingen sinds de opening van dit detentiehuis.

Marijke Dillen:

Mijnheer de minister, mijn vraag met betrekking tot het ongepaste gedrag en mijn derde vraag heb ik gesteld naar aanleiding van berichten in de media. Vandaar dat ik vroeg of u dat kon bevestigen. Het zou volgens de media om ongepast gedrag gegaan hebben, zowel in als buiten het detentiehuis. Er is dus nog één voortvluchtige. Ik wil wel enigszins geloven dat het waarschijnlijk om een impulsieve daad ging, maar er stond wel een vluchtauto klaar, dus zo impulsief zal het niet geweest zijn.

De gerechtelijke procedure bij de familierechtbank voor de erkenning als staatloze

Gesteld door

lijst: VB Marijke Dillen

Gesteld aan

Paul Van Tigchelt (Minister van Justitie en Noordzee)

op 11 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie gaat over problemen rond gerechtelijke erkenning van staatloosheid in België, met name rechtbankshopping (herhaalde aanvragen bij verschillende rechtbanken) en communautaire verschillen in erkenningsgraden. Minister Van Tigchelt bevestigt dat slechts zeven gespecialiseerde familierechtbanken (o.a. in hoofdzetels van hoven van beroep) bevoegd zijn, wat rechtbankshopping beperkt, maar erkent dat Franstalige rechtbanken beduidend meer aanvragen behandelen (bv. 112 vs. 33 in 2023) zonder duidelijke cijfers over slagingspercentages. Een werkgroep werkt aan betere informatie-uitwisseling tussen rechtbanken en DVZ, maar concrete oplossingen (zoals centralisatie) ontbreken nog. Beide partijen benadrukken de nood aan verdere opvolging en evaluatie van het systeem.

Marijke Dillen:

Mijnheer de minister, als men geen enkele nationaliteit heeft, kan men bij de familierechtbank een procedure opstarten om zich als staatloze te laten erkennen. De gerechtelijke procedure tot erkenning als staatloze is niet dezelfde als de administratieve verblijfsprocedure wegens staatloosheid. Om verblijfsrecht wegens staatloosheid te krijgen, moet men de administratieve verblijfsprocedure bij de DVZ volgen. Met de verblijfsprocedure wordt alleen onderzocht of men een verblijf als staatloze kan krijgen en wordt er niet beslist over de status als staatloze. Om al de rechten verbonden aan het statuut van staatloze te kunnen genieten, moet men een gerechtelijke procedure bij de familierechtbank voeren.

Ik ondervraag u graag over die gerechtelijke procedure. Blijkbaar zou het voor verzoekers gemakkelijk zijn om aan rechtbankshopping te doen: als men een negatief vonnis bij de ene rechtbank krijgt, dient men een nieuw verzoek tot erkenning van staatloosheid in bij een andere rechtbank. Het probleem is dat er geen automatische uitwisseling van informatie zou zijn tussen de rechtbanken.

Het shoppen zou niet het enige probleem zijn bij de familierechtbanken. Er zou ook sprake zijn van een heuse scheeftrekking op communautair vlak, waarbij de erkenningsgraden door de Nederlandstalige respectievelijk Franstalige rechtbanken fors uiteen zouden lopen.

Bent u op de hoogte van het fenomeen van rechtbankshopping? Zo ja, hebt u hier cijfers over? Welke maatregelen ziet u om dat tegen te gaan?

Bent u voorstander van de uitwisseling van informatie tussen de rechtbanken? Zou het een oplossing zijn om maar een familierechtbank bevoegd te maken voor de erkenning van staatloosheid?

Bent u op de hoogte van de communautaire scheeftrekking? Wat is de erkenningsgraad van staatlozen bij de Nederlandstalige rechtbanken versus die bij de Franstalige rechtbanken? Hoe verklaart u dat en welke maatregelen ziet u om daaraan te remediëren?

Hoeveel gerechtelijke procedures tot staatloosheid worden er jaarlijks ingediend? Wat is de erkenningsgraad?

Paul Van Tigchelt:

Mevrouw Dillen, u stelt een belangwekkende vraag. Ik was eerlijk gezegd niet op de hoogte van die problematiek, maar gelukkig kijken diensten dat na.

De volgende elementen werden mij meegedeeld. De mogelijkheid bestaat inderdaad om aan rechtbankshopping te doen. Dergelijke praktijken moeten we natuurlijk tegengaan, want rechtbankshopping kan nooit de bedoeling zijn. De mogelijkheid tot rechtbankshopping wordt in grote mate door de wet beperkt, omdat alleen de familierechtbanken die ter zetel van het hof van beroep zitting houden en de familierechtbank van Eupen – voor de procedures in het Duits – bevoegd zijn. Slechts zeven familierechtbanken in België kunnen kennisnemen van de vordering met betrekking tot de erkenning van de status van staatloze. Dergelijke geschillen werden gecentraliseerd, wat de eigenlijke kern van de kwestie is, met het oog op de specialisatie van de betrokken magistraten en de afhandeling van die dossiers binnen een redelijke termijn. Wie een vaste woon- of verblijfplaats heeft, kan zich overigens enkel tot de territoriaal bevoegde familierechtbank wenden.

De commissie voor Justitie zal binnenkort de evaluatie van de familierechtbank bespreken. In die evaluatie worden met betrekking tot de betreffende bevoegdheidsregeling geen problemen aangestipt. Wat de cijfers betreft, worden er ten minste sinds 2023 aanzienlijk meer vorderingen voor Franstalige en Duitstalige rechtbanken gebracht. In 2023 waren er 112 Franstalige en 34 Duitstalige nieuwe zaken tegenover 33 Nederlandstalige, in 2024 tot nu toe 110 Franstalige en 28 Duitstalige nieuwe zaken tegenover 49 Nederlandstalige.

Mevrouw Dillen, over de inhoud van de beslissing van de rechter kan ik u niets zeggen. Dergelijke informatie is niet bekend en wordt niet geregistreerd, waardoor het niet mogelijk is om te achterhalen welke beslissing – erkenning of niet – werd genomen. Een groter aantal aanvragen betekent uiteraard niet noodzakelijk een hoger slagingspercentage, al weten we dat dus niet.

Om de infoflux te verbeteren, werd een werkgroep opgericht op verzoek van de staatssecretaris bevoegd voor asiel en migratie, waaraan ook vertegenwoordigers van de familierechtbanken medewerking verlenen. Het doel is onder meer om tot een systeem te komen waarbij informatie omtrent rechterlijke beslissingen over staatloosheid door de familierechtbank kan worden uitgewisseld tussen de Dienst Vreemdelingenzaken en het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen enerzijds en het openbaar ministerie en de hoven en rechtbanken anderzijds. De werkzaamheden van die werkgroep zijn, voor zover mij bekend, nog niet afgerond.

Daarmee heb ik uw vragen beantwoord; ik vermoed dat dit debat in de komende tijd nog voortgezet zal worden.

Marijke Dillen:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Ik zal u eerlijk meedelen dat ik de informatie voor de mondelinge vraag heb gekregen van derden, aangezien ik van die problematiek evenmin op de hoogte was.

Uit uw antwoord begrijp ik dat rechtbankshopping mogelijk is, weliswaar beperkt. U zegt dat zeven rechtbanken bevoegd zijn, waarvan een in Eupen, maar ik heb uit uw antwoord niet goed begrepen welke de zes andere rechtbanken zijn.

Paul Van Tigchelt:

Ik veronderstel dat de familierechtbanken van de hoofdplaatsen van de hoven van beroep bedoeld worden, maar daarmee kom ik maar tot zes. Ik zal het dus navragen, want ik wil hier niets verkeerd zeggen.

Marijke Dillen:

Liefst niet, want dat wordt verder gepercipieerd als zijnde echt. Eerlijk gezegd is de problematiek dus ook voor mij totaal nieuw. Ik begrijp wel dat het verhaal nog navolging verdient en er initiatieven nodig zijn. Ik heb begrepen dat er gewerkt wordt aan een verbetering van de informatie-uitwisseling, maar blijkbaar valt dat onder de bevoegdheid van de DVZ, die een werkgroep heeft opgericht waaraan de familierechtbanken meewerken. Ik zal het in elk geval verder opvolgen.

De aanhoudende agressie in de gevangenis van Merksplas

Gesteld door

lijst: VB Marijke Dillen

Gesteld aan

Paul Van Tigchelt (Minister van Justitie en Noordzee)

op 11 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De agressie in gevangenis Merksplas escaleerde door herhaalde incidenten met geïnterneerden (o.a. fysieke aanvallen op bewakers op 23 en 25 oktober), wat leidde tot een staking op 12 november en een toename van 19 kritieke incidenten dit jaar, vooral door psychiatrische problematiek. Minister Van Tigchelt bevestigde dat geïnterneerden (1.000+ in België) verantwoordelijk zijn voor een derde van alle agressiegevallen, maar benadrukte dat zij niet in gevangenissen thuishoren en gespecialiseerde zorg nodig hebben. Dillen vraagt om verduidelijking over de ernst van de 19 incidenten en wijst op het ontbreken van aandacht voor staatlozen in eerdere evaluaties. De kern: structureel falend beleid voor geïnterneerden en acute veiligheidsrisico’s voor bewakers.

Marijke Dillen:

Mijnheer de minister, in de penitentiaire instelling van Merksplas, waar 426 gedetineerden en geïnterneerden opgesloten zitten, gingen op 12 november niet de normale 70, maar slechts 6 bewakers aan de slag. Om de veiligheid te garanderen stond ook de directie op de werkvloer, samen met 54 opgetrommelde politieagenten.

Wat was de reden hiervoor? Dat waren nieuwe gevallen van agressie tegenover de cipiers, wat begrijpelijkerwijs de druppel te veel was. Net als in andere gevangenissen gaat het personeel in Merksplas dagelijks met stress en angst aan het werk. Eerder dit jaar was er al een spontane staking in Merksplas nadat enkele cipiers het ziekenhuis waren ingeslagen.

Jammer genoeg vormt de gevangenis van Merksplas geen uitzondering. Hoe gevaarlijk het werk van een gevangenisbewaker in dit land wel is, werd de dag voordien ook aangetoond in de penitentiaire instelling van Beveren, waarover ik straks ook vragen heb. Twee dagen na elkaar waren er dus zware vormen van agressie.

Mijnheer de minister, kunt u wat meer toelichting geven bij het geval van agressie in de gevangenis van Merksplas dat de aanleiding was voor de cipiersstaking? Kunt u ons informeren over alle voorgaande gevallen van agressie? Hoeveel gedetineerden waren betrokken bij het incident van 12 november? Welke gevolgen werden er gegeven aan die agressie? Werd er een strafrechtelijk onderzoek geopend?

Paul Van Tigchelt:

Op 23 en op 25 oktober werd de gevangenis van Merksplas geconfronteerd met incidenten van agressie ten aanzien van personeel veroorzaakt door geïnterneerden. Op 23 oktober kreeg een beambte een slag in het gezicht van een geïnterneerde toen de beambte wilde tussenbeide komen bij een schermutseling tijdens de etensbedeling. Op 25 oktober waren er twee incidenten waarbij in totaal drie geïnterneerden betrokken waren. Bij dat eerste incident op 25 oktober was een geïnterneerde betrokken. Hierbij was er geen sprake van fysieke agressie tegen ons personeel. Bij het tweede incident waren twee geïnterneerden betrokken, waarbij één van hen een slag heeft gegeven in het gezicht van een beambte. Een andere beambte raakte gekwetst door die geïnterneerde tijdens de overmeestering. Hiervan werd telkens melding gemaakt bij het parket en er werd uiteraard ook een interne procedure opgestart. Deze incidenten, collega, waren de directe aanleiding voor de staking van 12 november.

Ons aanvoelen wordt ook bevestigd door de cijfers: er is inderdaad een toename van agressie in de gevangenis van Merksplas. Tussen 1 januari en 25 november van dit jaar waren er in totaal 19 kritieke incidenten. Gedragsproblemen en agressie zijn uiteraard een belangrijk aandachtspunt. De toename van de agressie in de gevangenis van Merksplas is blijkbaar vooral te wijten aan – u hebt het bijna expliciet al aangegeven – het hoge aantal geïnterneerden en gedetineerden met een psychiatrische problematiek. In de gevangenis van Merksplas zitten immers veel geïnterneerden en dat is, zoals blijkt uit de feiten, een groep die vaker onvoorspelbaar gedrag stelt.

In het algemeen zien we vooral een toename van agressie in de gevangenissen waar geïnterneerden verblijven, zoals dus de gevangenis van Merksplas. Cijfers tonen immers aan dat de geïnterneerden – momenteel meer dan 1.000 in onze gevangenissen – zorgen voor een derde van alle agressiegevallen. Geïnterneerden, dat weten we, horen echter eigenlijk niet thuis in de gevangenis. Zij hebben aangepaste zorg nodig.

Het is inderdaad binnen die marges en rond die aspecten dat de administratie een beleid voert. De deugdelijke oplossing bestaat er natuurlijk in om die geïnterneerden onder te brengen in etablissementen waar ze wel de juiste zorg kunnen krijgen.

Marijke Dillen:

Mijnheer de minister, ik dank u voor het antwoord. We kennen de problematiek van de geïnterneerden. Dat is vanmorgen nog zeer uitvoerig aan bod gekomen. U zei dat de agressie in Merksplas zeer sterk is toegenomen. U had het over 19 kritieke incidenten. Wat moet ik mij daarbij voorstellen? Kan ik daaruit afleiden dat er nog andere incidenten zijn? Mijnheer de voorzitter, ik heb nog een opmerking. Het punt van de staatlozen is niet aan bod gekomen in dat evaluatieverslag van de familierechtbank, dat vorige week in deze commissie is besproken.

De zware agressie door een beruchte Tsjetsjeense gedetineerde in de gevangenis van Beveren

Gesteld door

lijst: VB Marijke Dillen

Gesteld aan

Paul Van Tigchelt (Minister van Justitie en Noordzee)

op 11 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Een Tsjetsjeense gedetineerde met een gewelddadig verleden verwondde op 11 november 2024 in Beveren twee cipiers (één met messteken in de nek), die fysiek en mentaal getraumatiseerd raakten maar niet levensbedreigend gewond. Het parket opende een strafonderzoek, de dader—bekend om herhaalde agressie tegen bewakers—werd overgeplaatst en onder strikte, multidisciplinaire maatregelen geplaatst, waarvan details om veiligheidsredenen niet worden prijsgegeven. Marijke Dillen benadrukt de onaanvaardbare risico’s voor cipiers en hoopt op een definitieve, veilige opsluiting van de geweldenaar. Minister Van Tigchelt bevestigt de ernst maar wijst op lopende opvang (POBOS) en juridische stappen, zonder concrete preventieve oplossingen te beloven.

Marijke Dillen:

Mijnheer de minister, ik had het daarnet over het incident in Merksplas op 12 november. Een dag eerder, op 11 november, was er een zwaar incident in de penitentiaire instelling van Beveren. Dat toont opnieuw pijnlijk aan hoe gevaarlijk het werk van de gevangenisbewakers is.

Een Tsjetsjeense gedetineerde verwondde in de instelling van Beveren enkele cipiers en een van hen moest met messteken in de nek naar het ziekenhuis worden overgebracht. De gevangene was niet aan zijn proefstuk toe. De Tsjetsjeen kreeg eerder al zes jaar cel voor een brutale aanval op drie cipiers in de Brugse gevangenis. Daarnaast sloeg hij blijkbaar ook al een medegedetineerde in elkaar in de gevangenis van Beveren.

Ook dit was een zware vorm van agressie tegen de cipiers binnen de gevangenismuren. Ik krijg ook hierover graag wat meer toelichting. Hoeveel cipiers werden er hierbij gewond? Wat is hun gezondheidstoestand nu? Ik hoop alleszins dat de man die naar het ziekenhuis moest worden gebracht aan de beterhand is.

Werd er een strafonderzoek geopend lastens de Tsjetsjeense gedetineerde? Wat is daarvan de stand van zaken? De dader in kwestie was niet aan zijn proefstuk toe, integendeel. Op regelmatige basis worden cipiers door hem bedreigd en aangevallen. Het is meer dan genoeg geweest. Welke maatregelen of speciale regimes zullen er worden voorzien om ervoor te zorgen dat die geweldenaar eindelijk wordt gestopt?

Paul Van Tigchelt:

Mijnheer de voorzitter, wat in de pers werd geschreven over deze zaak, is grosso modo correct. Ik heb daarin geen grove onwaarheden gezien.

Op maandag 11 november 2024 werden twee penitentiaire beambten in de gevangenis van Beveren gewond. Zij konden dezelfde dag nog het ziekenhuis verlaten en verkeerden nooit in levensgevaar, wat niet wegneemt dat de feiten natuurlijk ernstig waren. Gezien de omstandigheden stellen zij het momenteel behoorlijk goed. Ze hebben wel nog fysieke klachten en – en dat zal niet verbazen – kampen vooral nog met de mentale gevolgen van wat daar is gebeurd, en wat uiteraard onaanvaardbaar was.

De beide beambten werden in eerste instantie opgevangen door het lokale opvangteam van de gevangenis en werden doorverwezen naar POBOS, de gespecialiseerde instelling voor psychologische begeleiding. Ze worden van nabij opgevolgd.

De beambten die gewond werden bij de overmeestering van de gedetineerde, liepen lichte verwondingen op en waren niet arbeidsongeschikt. Ook zij kregen ondersteuning van het interne opvangteam.

Zoals bij elk incident van agressie werd het parket in kennis gesteld. Het parket heeft een onderzoeksrechter gevorderd en die heeft de gedetineerde ondertussen aangehouden. De gedetineerde is inderdaad een man met een problematische voorgeschiedenis in verschillende gevangenissen en dan druk ik mij eufemistisch uit. De gedetineerde werd ondertussen overgeplaatst naar een andere gevangenis en de omkadering wordt daar multidisciplinair uitgewerkt en opgevolgd. Het gevangeniswezen heeft mij gevraagd om niet in detail in te gaan op wat daarmee wordt bedoeld, omwille van de veiligheid van het gevangenispersoneel.

Marijke Dillen:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw toelichting. Ik begrijp dat u er niet gedetailleerd op kunt ingaan. De veiligheid van de cipiers en van alle gevangenispersoneel is daarvoor veel te belangrijk, maar het blijft wel bizar. Die man heeft echt een geschiedenis die aangeeft dat nieuwe gevallen van agressie mogelijk zijn. Ik hoop dat hij op dit ogenblik in een zodanig beveiligde omgeving zit dat dit niet meer voor herhaling vatbaar is.

De situatie in de gevangenis van Bergen

Gesteld door

lijst: PS Éric Thiébaut

Gesteld aan

Paul Van Tigchelt (Minister van Justitie en Noordzee)

op 11 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De gevangenis van Mons kampt met 38% overbevolking (416 gedetineerden vs. 301 plaatsen) en verouderde, onhygiënische infrastructuur (19e-eeuws gebouw met vocht, schimmels en bedwantsen). Minister Van Tigchelt bevestigt maatregelen zoals gedwongen verdeling van gedetineerden, bijna volle personeelsbezetting (211/217 ETP, +11 gepland) en doorlopende transfers, maar een nieuwe gevangenis (300 plaatsen) staat pas in Masterplan III-bis (goedgekeurd maart 2024)—locatie-onderzoek loopt nog. Thiébaut blijft bezorgd over de acute spanningen door overbevolking en erbarmelijke omstandigheden.

Éric Thiébaut:

Monsieur le ministre, les informations qui me proviennent de la prison de Mons sont alarmantes. La surpopulation atteint des niveaux records, mettant une pression insoutenable sur le personnel et les détenus.

Bien que cette situation ne soit pas propre à Mons, les chiffres qui m’ont été transmis sont tout de même interpellants.

On dénombre aujourd’hui au total 416 détenus hommes/femmes confondus à la prison de Mons, alors que le nombre de places prévues par l’administration centrale y est de 301 personnes (274 hommes et 27 femmes)! Cela représente un taux de surpopulation de 38 %, bien supérieur aux limites fixées par l’arrêté pris par le Bourgmestre de Mons en avril de cette année qui fixait ce taux à 25 %.

L’état de vétusté de la prison de Mons aggrave encore la situation. Le bâtiment – construit au 19ème siècle – est dans un état lamentable: l’humidité, les champignons et les punaises de lit y prolifèrent. C’est un problème que j’ai maintes fois dénoncé.

Dès lors, voici mes questions monsieur le ministre. Outre les mesures évoquées dans la presse qui parle d'une suspension massive des billets d'écrou, pourriez-vous me détailler les mesures prises ou que vous comptez prendre pour réduire la surpopulation à Mons? Des renforts sont-ils prévus pour soulager le personnel et les détenus? Des transferts de détenus sont-ils envisagés?

Concernant la construction d'une nouvelle prison, pourriez-vous m’indiquer où en est le dossier? Des discussions avec le bourgmestre de Mons sont-elles toujours en cours? Ce projet est-il toujours d’actualité?

Paul Van Tigchelt:

Cher collègue, votre première question concerne les mesures globales qui ont été prises pour réduire la surpopulation qui est présente dans presque tous les établissements pénitentiaires.

J'ai expliqué précédemment les mesures que nous avons prises pour faire baisser cette surpopulation et pour, ensuite, répartir au mieux la population carcérale dans toutes les prisons. Ces mesures auront des effets bénéfiques à Mons comme ailleurs.

Pour ce qui est de votre deuxième question relative au personnel, de réels efforts sont entrepris à Mons et dans les autres prisons en ce qui concerne le personnel de surveillance. Ainsi, le cadre pour le personnel de surveillance à la prison de Mons est de 217 équivalents temps plein (ETP). Actuellement, le remplissage du cadre atteint 97 %, soit 211 ETP. Afin de compléter le cadre et d'anticiper les futurs départs, 11 personnes doivent encore entrer en service dans un avenir proche.

Nous avons donc investi, au cours de cette législature, dans du personnel supplémentaire pour nos prisons. Nous avons eu une croissance de plus de 1 000 personnes réparties dans nos prisons.

Votre troisième question concerne la possibilité de transferts de détenus.

Comme je viens de le dire, des transferts entre établissements se font en permanence pour équilibrer au mieux la population présente.

Pour répondre à votre quatrième question, je confirme que la prison actuelle de Mons est obsolète. C'est pourquoi la construction d'un nouvel établissement est reprise dans le Masterplan III bis qui a été validé par le Conseil des ministres le 25 mars 2024. Celui-ci prévoit que la Régie des Bâtiments sera chargée de rechercher un nouvel emplacement adéquat pour remplacer l'installation actuelle. Ce nouvel établissement pourra accueillir 300 détenus. Je vous renvoie vers mon collègue en charge de la Régie des Bâtiments pour plus d'informations à ce sujet.

Éric Thiébaut:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour cette réponse assez complète. Je poserai une question sur la prison de Mons au secrétaire d'État Mathieu Michel dans la foulée de cette commission. Vous me donnez de bonnes nouvelles au sujet du personnel, car le remplissage du cadre n'a pas toujours été aussi clair ces dernières années. Par contre, nous en sommes à pratiquement 38 % de surpopulation, et la tension générée devient très problématique dans cet établissement, qui est en outre en très mauvais état.

De oprichting van detentiehuizen

Gesteld door

lijst: VB Marijke Dillen

Gesteld aan

Paul Van Tigchelt (Minister van Justitie en Noordzee)

op 11 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De beloofde 720 detentiehuisplaatsen (15 huizen, 1 per provincie) uit het regeerakkoord 2021 zijn nauwelijks gerealiseerd: slechts 134 plaatsen in Kortrijk en Vorst zijn operationeel, met 60 extra in Olen (voorjaar 2025) en 240 in zes nieuwe huizen (2025-2027). Vertragingen ontstonden door lokale weerstand, ontbrekende vergunningen, en een geblokkeerd raamcontract (na een beroep bij de Raad van State), terwijl tijdelijke modulaire units (goed voor 600 plaatsen) nu alsnog versneld worden aangepakt via bestaande Regie-terreinen. Dillen kritiseert de "bedroevende" achterstand en wijt onrealistische beloftes aan de vorige minister, terwijl Van Tigchelt complexe bouwprocedures en politieke tegenwerking als hoofdreden aanhaalt—met een stevige verwijzing naar NIMBY-gevoeligheid en partijdige obstructie aan beide kanten.

Marijke Dillen:

Mijnheer de minister, het is niet de enige keer dat het dossier met betrekking tot de detentiehuizen in de commissie voor Justitie aan bod komt.

Er werd in het regeerakkoord van 2021 beloofd dat binnen een termijn van drie jaar 720 plaatsen zouden worden gecreëerd. De bedoeling was één detentiehuis per provincie. De Regie der Gebouwen zou samen met de FOD Justitie onderzoeken welke locaties in aanmerking konden komen. Daarbij zouden zowel de mogelijkheden binnen als buiten de vastgoedportefeuille van de Regie der Gebouwen worden bekeken.

In afwachting van de renovatie, aankoop of nieuwbouw van sommige sites werd beslist om voor een deel van de capaciteit tijdelijke modulaire units te plaatsen om op die manier op een relatief snelle manier voldoende plaatsen te creëren. Vandaag moeten we vaststellen dat er welgeteld twee detentiehuizen zijn geopend, namelijk in Kortrijk en Vorst. Van de vijftien beloofde huizen en 720 beloofde plaatsen is dus absoluut geen sprake.

Wat is de stand van zaken?

Hoeveel voorstellen werden de voorbije drie jaar gedaan? Welke voorstellen zijn momenteel in onderzoek? Welke voorstellen werden afgewezen en waarom?

Zijn er conform de aankondiging van de plaatsing van tijdelijke modulaire units initiatieven genomen? Kunt u ter zake meer toelichting geven?

Paul Van Tigchelt:

Mevrouw Dillen, op het moment zijn er 134 plaatsen in de detentiehuizen, namelijk 65 voor mannen en 12 voor vrouwen of in totaal 77 in Kortrijk en daarnaast 57 plaatsen in het detentiehuis te Vorst. In het voorjaar van 2025 wordt het detentiehuis van Olen geopend, goed voor 60 plaatsen. De renovatiewerken in Olen, die ik recent heb bezocht, zijn vorige maand van start gegaan. Vanaf het najaar van 2025 tot begin 2027 zullen normalerwijs zes detentiehuizen in gebruik genomen worden, met name in Genk, Antwerpen, Oostende, Jemeppe-sur-Sambre, Doornik en Luik, goed voor in totaal 240 plaatsen.

U vroeg voorts welke voorstellen werden gedaan. In de afgelopen jaren zijn talloze voorstellen onderzocht in heel het land. Vanwege de specifieke eisen van een detentiehuis kwam uiteraard niet elke locatie in aanmerking. De belangrijkste criteria voor ons waren de indeling van het gebouw, zoals het aantal kamers, polyvalente ruimtes, een keuken en diverse ruimtes voor bijvoorbeeld bezoek, en ook de ligging, met de nadruk op de nabijheid van openbaar vervoer of goede aansluitingen en de aanwezigheid van organisaties voor mogelijke samenwerkingen. De Regie der Gebouwen beoordeelde daarbij de bouwtechnische aspecten en berekende de financiële haalbaarheid.

Het zal u niet ontgaan zijn dat veel van die projecten op veel weerstand zijn gebotst. Dat vergt dus een zeer goede afstemming en heel goede communicatie met de lokale gemeenschap. Ook in Olen was er weerstand. Ik wil gewoon meegeven dat iemand van uw partij daar op de eerste rij stond, mevrouw Dillen. Ik kan u de persartikelen daarover voorleggen.

Hoewel meerdere locaties aanvankelijk geschikt bevonden werden door zowel Justitie als de Regie der Gebouwen, moesten we locaties loslaten, wanneer het lokaal bestuur niet wilde meewerken of wanneer er geen gunstige omgevingsvergunning kon worden verkregen. Bouwen is in Vlaanderen en in ons land nu eenmaal complex en ook wij worden daarmee helaas geconfronteerd.

Ten slotte was er ook een probleem met het raamcontract voor de units. Dat had niet te maken met nimby -overwegingen, maar met het feit dat er een zaak bij de Raad van State aanhangig was gemaakt, waardoor we het proces opnieuw moesten starten en de gunning voor het raamcontract serieuze vertraging opliep. In ieder geval wordt het raamcontract voor de units, zoals ik in de plenaire vergadering antwoordde, nu op korte termijn opnieuw aan de ministerraad voorgelegd. Dat mag in lopende zaken, omdat het de voortzetting van een reeds genomen initiatief van de regering betreft.

Het raamcontract is goed voor in totaal 1.100 plaatsen, waarvan 600 plaatsen in detentiehuizen. Het ligt al vast op welke terreinen de units geplaatst kunnen worden, waardoor er na de gunning snel kan worden besteld. Voor de keuze van de terreinen heeft men in de eerste plaats gekeken naar terreinen die al in het bezit waren van de Regie der Gebouwen of waarvan de Regie mede-eigenaar is.

Marijke Dillen:

Ik hoop dat wat u hier opsomt, ook in de praktijk zal worden gerealiseerd. Alleszins luidt de boodschap aan de volgende minister van Justitie om bij aanvang van de legislatuur in de beleidsnota iets realistischer te zijn. Uw voorganger kondigde immers met heel veel poeha 15 detentiehuizen aan, maar op het einde van de rit werden er slechts twee gerealiseerd. Dat is dus heel bedroevend.

Ik heb ook nog een kleine randopmerking. U hebt verwezen naar een lokale vertegenwoordiger van mijn partij. Ik kan echter de bal terugkaatsen, mijnheer de minister. Het was namelijk uw partij die in Dendermonde jarenlang de bouw van de gevangenis heeft tegengehouden door allerlei procedures te voeren. Dat is dus geen argument in het dossier hier. Hoe dan ook ben ik benieuwd naar de verdere uitrol.

Voorzitter:

Chers collègues, la question n°56001029C de M. Khalil Aouasti est transformée en question écrite.

De ondernomen acties naar aanleiding van de zaak-Van Espen
De opvolging van de aanbevelingen van de Hoge Raad voor de Justitie inzake het dossier-Bakelmans
De opvolging van de aanbevelingen van de HRJ na de femicide op Julie Van Espen
Evaluatie en opvolging van gerechtelijke aanbevelingen en acties na spraakmakende dossiers

Gesteld aan

Paul Van Tigchelt (Minister van Justitie en Noordzee)

op 11 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de gerechtelijke fouten in de zaak-Julie Van Espen en de daaropvolgende hervormingen om seksueel geweld harder aan te pakken. Minister Van Tigchelt benadrukt structurele verbeteringen zoals strengere strafwetten (hogere straffen, verplichte therapie voor zedendelinquenten), praktische maatregelen (10 zorgcentra voor slachtoffers, risicotaxatie, DNA-wetgeving) en extra middelen (meer gespecialiseerde magistraten en politie-inspecteurs), maar erkent dat de tuchtprocedure voor magistraten en een formele erkenning van justitiële fouten nog ontbreken. Kritiekpunt is dat de familie Van Espen geen officiële excuses kreeg en genoodzaakt was een rechtszaak aan te spannen voor erkenning, terwijl samenwerking met gemeenschappen/gewesten en volledige implementatie van HRJ-aanbevelingen nog onduidelijk blijven. De focus ligt op verdergaande professionalisering en slachtofferondersteuning, maar de zaak toont aan dat systeemfouten diepgeworteld zijn.

Kristien Van Vaerenbergh:

Mijnheer de minister,

Op donderdag 21 november 2024 is het burgerlijk proces van de familie Van Espen gestart tegen de Belgische staat (justitie). Het proces zal moeten uitwijzen of er een oorzakelijk verband is tussen de fouten en nalatigheden bij justitie en de uiteindelijke moord op mevr. Van Espen.

Dat er zaken misgelopen zijn staat vast. Het intern onderzoek, het rapport van de Hoge Raad voor Justitie en de parlementaire hoorzittingen die in de nasleep van de gebeurtenissen plaatsvonden maakten dit duidelijk.

Graag stel ik u hierover enkele vragen over:

1/ Welke stappen heeft u samen met justitie reeds ondernomen om dergelijke fouten in de toekomst maximaal te vermijden?

2/ Welke plannen staan nog op stapel om tegemoet te komen aan de aanbevelingen die gedaan geweest zijn?

Marijke Dillen:

“Kon de dood van Julie Van Espen vermeden worden als Justitie haar werk beter had gedaan?", is de cruciale vraag die aan de basis ligt van de procedure van de familie van het vermoorde meisje tegen de Belgische Staat waarbij de terechte vraag wordt gesteld of Justitie gefaald heeft. De uitspraak moet nog komen.

Maar dat er fouten zijn gemaakt staat onbetwistbaar vast. De Hoge Raad voor de Justitie heeft een uitgebreid en goed onderbouwd rapport opgesteld dat dateert van december 2019 en waaruit blijkt dat er liefst 77 dossiers onaangeroerd in de kast zijn blijven liggen, waaronder zware zedendossiers.

Dit rapport van de HRJ heeft talrijke aanbevelingen geformuleerd aan diverse instanties, o.a. aan het adres van Justitie, maar ook aan het College van Hoven en Rechtbanken, het College van het Openbaar Ministerie, het Hof van Beroep, het Parket-Generaal, de Rechtbank van Eerste Aanleg en het Parket van Eerste Aanleg.

Kan de minister mij een gedetailleerd overzicht geven van de initiatieven die er sinds dit rapport werden genomen door deze verschillende instanties? Graag een gedetailleerd overzicht per betrokken instantie.

Kan de minister mij mededelen welke middelen er werden vrijgemaakt specifiek ter opvolging van deze aanbevelingen van de HRJ? Graag een gedetailleerd overzicht per instantie en op jaarbasis sinds 2020?

Er werden ook aanbevelingen geformuleerd in dit rapport aan het adres van de gemeenschaps- en gewestminister. Kan de minister mij mededelen of er in het kader van het overleg met deze betrokken ministers aandacht werd besteed aan de opvolging van de geformuleerde aanbevelingen door de HRJ? Heeft de minister zicht op de stand van zaken betreffende deze opvolging?

Paul Van Tigchelt:

Mijnheer de voorzitter, collega's, ik wil hier de juiste toon vinden, want het drama Julie Van Espen snijdt nog steeds recht in onze ziel. Als er één domein is waarop we voorbije legislatuur vooruitgang hebben geboekt, dan is het wel de strijd tegen seksueel geweld. Dat was ook nodig, dat waren we verplicht aan Julie Van Espen. We hebben die vooruitgang kunnen boeken en dat is opzienbarend. We waren daarvoor in continu overleg met de ouders van Julie. Zij waren de drijvende kracht achter die hervormingen en daarvoor verdienen zij ongelooflijk veel respect.

Collega's, ik zeg niet dat we er al zijn of dat alles perfect loopt, maar er is belangrijke vooruitgang geboekt. De strijd tegen seksueel geweld, en ook de strijd tegen intrafamiliaal geweld, moet een prioriteit blijven. Meisjes en vrouwen moeten zich veilig kunnen voelen op straat, op café, maar ook thuis.

Het Parlement was ook betrokken bij vele van die hervormingen. Er was er de inwerkingtreding van een vernieuwd, strenger, up-to-date en state-of-the-art seksueel strafrecht, sinds juni 2022. De strafmaten voor verkrachting werden verhoogd. Er werd een beveiligingsmaatregel ter bescherming van de maatschappij ingevoerd om te vermijden dat bijvoorbeeld een zeer gevaarlijk seksueel delinquent tot strafeinde gaat om te verhinderen dat hij via opgelegde voorwaarden aan zijn problematiek dient te werken. Verder hebben we de verplichte terbeschikkingstelling na een gevangenisstraf uitgebreid met het misdrijf verkrachting van minderjarigen. We hebben het nieuwe Strafwetboek, dat verplichte therapie voor zedendelinquenten bevat, via de nieuwe straf van behandeling onder vrijheidsberoving – en ik weet dat die straf nog niet is ingevoerd.

We hebben ook de wet houdende voorlopige hechtenis gewijzigd. Voorheen vervielen de opgelegde voorwaarden na een maximale termijn van drie maanden als de onderzoeksrechter niet tijdig de verlenging aanvroeg. Dat leidde in bepaalde gevallen, zoals in de zaak-Steve B. – laten we zijn achternaam niet uitspreken – tot onnodige risico's voor de maatschappij. Dat werd ook aangekaart in het rapport van de Hoge Raad voor de Justitie. De wet houdende voorlopige hechtenis werd daaraan aangepast. Met de wijziging blijven de voorwaarden nu gelden tot er een uitspraak ten gronde is, waardoor die problemen worden opgelost.

We hebben ons niet beperkt tot wetgevende wijzigingen. We hebben ook aanpassingen doorgevoerd op het terrein. Ik verwijs heel kort naar de zorgcentra voor seksueel geweld. We zijn van drie naar tien gegaan. We zijn het er ondertussen allemaal over eens – dat hoor ik van mensen op het terrein – dat de zorgcentra na seksueel geweld misschien wel de belangrijkste stap voorwaarts betekenen, waardoor het dark number , dat er nog altijd is, verlaagd is. Het doen van een aangifte was vroeger voor vele slachtoffers een te hoge drempel. De zorgcentra voor seksueel geweld, waar de slachtoffers op een correcte manier bejegend worden – politioneel, psychologisch en met vrijwaring van de sporen – hebben gezorgd voor meer aangiftes. Dat is zeer belangrijk. Er zijn er nu tien. Idealiter komen er nog twee bij, zodat wij er twaalf hebben. Onder meer in Halle-Vilvoorde moet er nog één bijkomen. Laten we hopen dat het er nog van komt.

We hebben ook de steun voor het Slachtofferfonds opgetrokken tot 125.000 euro. Ook dat is niet onbelangrijk opdat slachtoffers in de praktijk de hulp ontvangen die zij verdienen. We kunnen wel nieuwe structuren en nieuwe wetgeving creëren, maar onze mensen op het terrein moeten er ook mee aan de slag kunnen. Finaal zijn het mensen die het verschil maken. Koen Geens had de verplichte opleiding voor magistraten al geregeld. Meer dan 2.000 magistraten hebben die opleiding gevolgd. Ook bij de politie zijn er inmiddels meer dan 1.500 gespecialiseerde inspecteurs voor seksueel geweld actief.

We hebben het mobiele stalkingalarm ingevoerd. Door een druk op de knop kan de politie verwittigd worden.

Er zijn ook, ingevolge de aanbeveling van de Hoge Raad, risicotaxatietoetsen ingevoerd om de kans op recidive bij zedendelinquenten beter in te schatten en om gerichter te kunnen optreden. Dat is natuurlijk geen exacte wetenschap. Het blijft mensenwerk. Maar het bestaat, en het leidt tot meer professionalisering en tot meer awareness bij onze diensten.

Er wordt ook gewerkt aan een nieuwe wet op DNA in strafzaken. We hebben ook geïnvesteerd in innovatieve projecten zoals het proefproject Code 37, gelanceerd in Antwerpen en ondertussen uitgebreid naar andere parketten, waardoor het woord-tegen-woord nu via gespecialiseerd onderzoek kan worden vermeden.

Ik zeg het vaak, maar ook hier mag het gezegd worden: we hebben de rechterlijke orde versterkt, we hebben bijkomende middelen vrijgemaakt voor Justitie, waardoor er meer criminologen, meer parketjuristen en meer referendarissen zijn gekomen.

We zijn er evenwel nog niet. Onder meer wat de familie Van Espen vroeg, is dat de evaluatie en de tucht van magistraten herzien wordt. Daarvoor zijn de teksten in voorbereiding. We moeten in de komende maanden op dat vlak nog meer stappen voorwaarts zetten.

Kristien Van Vaerenbergh:

Mijnheer de minister, ik dank u voor het overzicht van de maatregelen en de wijzigingen dat u hebt gegeven. Er zijn inderdaad al stappen gezet, maar zoals u zelf aangeeft, is het werk nog niet af. Het is bijvoorbeeld belangrijk dat de zorgcentra er komen, ook in mijn regio. Vanuit het Parlement werken we daaraan ook verder.

Die tuchtprocedure is heel belangrijk. Ik kom net van de commissie voor Grondwet en daar hebben we al het voorstel tot herziening van het grondwetsartikel ingediend. Dat wordt nu behandeld, waarna we verder kunnen werken aan de uitwerking van de evaluatie van de korpschefs.

Marijke Dillen:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

Ik heb geen antwoord gekregen op mijn derde vraag. Een aantal aanbevelingen uit het rapport van de Hoge Raad voor de Justitie hadden ook betrekking op de bevoegdheden van de gemeenschappen en de gewesten. Ik had vragen gesteld over het overleg omdat er vaak raakvlakken zijn met Justitie. Ik zal daarover een schriftelijke vraag indienen, waarop ik hopelijk een antwoord krijg.

Mijnheer de minister, u hebt terecht gezegd dat de houding van de familie Van Espen bijzonder veel respect verdient. Het is jammer dat dit land die familie gedwongen heeft om naar de rechtbank te stappen. We hebben heel goed begrepen dat het die mensen enkel en alleen te doen is om de erkenning te krijgen dat er fouten zijn gemaakt. Dat is het enige dat zij vragen. Het gaat niet om geld of een schadevergoeding. Zij willen gewoon de erkenning dat Justitie in dit dossier – weliswaar niet bewust – fouten heeft gemaakt. Dat blijkt duidelijk uit de onderzoeken van de Hoge Raad voor de Justitie. Samen met de familie moet ik betreuren dat er geen mea culpa over de lippen van Justitie is gekomen.

Voorzitter:

La question n° 56001161C de Mme Caroline Désir est retirée . La question n° 56001062C de M. Patrick Prévot est reportée.

De staking in de Brusselse gevangenissen van Haren en Sint-Gillis

Gesteld door

lijst: N-VA Sophie De Wit

Gesteld aan

Paul Van Tigchelt (Minister van Justitie en Noordzee)

op 11 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Gevangenispersoneel in Brussel staakte voor betere arbeidsomstandigheden (onderbemanning, hoge werkdruk, agressie) en eist structurele oplossingen zoals extra personeel en een nieuwe vleugel in Sint-Gillis. Minister Van Tigchelt erkent de problemen, bevestigt lopende wervingsacties (inclusief gerichte procedures voor Brussel) en overweegt de vleugeluitbreiding, maar benadrukt budgettaire en personeelsbeperkingen. Overbevolking wordt aangepakt via landelijke spreiding van gedetineerden—niet systematisch naar Vlaanderen—op basis van beschikbare capaciteit. Overleg met vakbonden vond plaats, maar voorkwam de staking niet; verdere discussies volgen.

Sophie De Wit:

Geachte heer minister,

Op zondagavond 24 november om 22u werd er in de gevangenissen van Haren en Sint-Gillis in Brussel een staking uitgeroepen tot maandagavond 22u. Een vervolgstaking of een verlenging behoren ook tot de mogelijkheid. De staking is een vakbondsinitiatief en heeft tot doel om betere werkomstandigheden te verkrijgen voor het gevangenispersoneel. Volgens de ACOD is de staking vooral een gevolg van een “chronisch gebrek aan personeel, een te hoge werkdruk en een gebrek aan ondersteuning en respect ten aanzien van het gevangenispersoneel”, aldus een afgevaardigde.

De deelnemende vakbonden eisen onder meer een dringende opvulling van het personeelskader in de gevangenissen en een verlaging van de werklast voor de cipiers en het gevangenispersoneel. Gelet op de talrijke incidenten in de gevangenis van Haren – sinds de opening al drie gevallen van agressie tegen cipiers, drie sterfgevallen en twee celbranden – vraagt men tevens een sterk signaal tegen agressie van gedetineerden ten opzichte van het gevangenispersoneel.

Ik had u graag de volgende vragen gesteld.

- Wat is uw reactie op deze staking? Is er overleg gepland met de vakbonden van de desbetreffende faciliteiten?

- Kan u bevestigen dat het directoraat-generaal Penitentiaire Inrichtingen (DG EPI) recent heeft beslist dat nieuwe gedetineerden naar Vlaamse gevangenissen moeten worden overgebracht omdat de Brusselse gevangenissen overvol zitten? Zo ja, werden de Vlaamse gevangenissen hiervan op de hoogte gebracht?

- Is het openen van een extra gevangenisvleugel in de gevangenis van Sint-Gillis, zoals gevraagd wordt door de vakbonden, een optie?

- In welke mate wordt het personeelskader in de gevangenissen al dan niet ingevuld? Wordt hiervoor aan een oplossing gewerkt?

Bedankt voor uw antwoorden.

Paul Van Tigchelt:

Mevrouw De Wit, u vroeg vooreerst naar mijn reactie op de staking in de Brusselse gevangenissen. Personeelsleden hebben het recht om te staken. Wie ben ik om dat recht te beknotten? Ik heb begrip voor de beweegredenen van de personeelsleden. Bij elke stakingsaanzegging vindt er binnen de zeven dagen overleg met de vakbonden plaats. Dat is ook hier het geval geweest, maar dat heeft de staking niet kunnen voorkomen.

Uw tweede vraag ging over het feit dat nieuwe gedetineerden naar Vlaamse gevangenissen zouden moeten worden overgebracht. Om de overbevolking beheersbaar te houden, wordt volop ingezet op een betere spreiding van gedetineerden. Dat was in het verleden niet altijd het geval. Die spreiding gebeurt niet in de richting van één specifieke regio, maar naar alle gevangenissen op basis van hun capaciteit. Het is dus niet zo dat er systematisch van Brusselse naar Vlaamse gevangenissen zou worden getransfereerd.

Een dergelijke spreiding gebeurt ook in de Brusselse gevangenissen. Gevangenen uit Brussel die kunnen worden overgeplaatst, gaan naar gevangenissen waar de overbevolking op het moment van de overplaatsing lager is. Het is wel een feit dat de toestroom van nieuwe gedetineerden in Antwerpen en Brussel groot is.

De opening van de extra gevangenisvleugel in de gevangenis van Sint-Gillis is zeker een optie, mevrouw De Wit, maar dat vereist – dat zal u niet verbazen – extra budget en extra personeel.

In welke mate is het personeelskader in de gevangenissen al dan niet ingevuld? Wordt hiervoor aan een oplossing gewerkt? Ook dat komt verschillende keren aan bod, ook vandaag. In het verleden en tot vandaag werden er acties ondernomen om extra personeel aan te werven. Dat blijft een uitdaging. Momenteel lopen er heel wat selectieprocedures om extra personeel aan te werven. Er is ook een specifieke procedure voor de Brusselse gevangenissen. We blijven inzetten op employer branding en zijn aanwezig op tal van jobbeurzen, scholen en infomomenten, om zo veel mogelijk mensen te bereiken en warm te maken om deel te nemen aan de selectieproeven.

Sophie De Wit:

Mijnheer de minister, dit thema zal de komende weken nog heel dikwijls aan bod komen. Het debat werd deze ochtend al ingezet en er komt nog een vervolg. Ik wil u alvast bedanken voor uw antwoord.

Het oplaaiende geweld tegen penitentiair beambten

Gesteld door

lijst: N-VA Sophie De Wit

Gesteld aan

Paul Van Tigchelt (Minister van Justitie en Noordzee)

op 11 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Een penitentiair beambte uit Heers werd thuis bedreigd met een brandbom en dreigbrief, deel van een groeiende trend van geweld tegen gevangenispersoneel, ook buiten hun werk. Minister Van Tigchelt bevestigt de toename van agressie in gevangenissen, wijt dit aan overbevolking, drugsgebruik en vooral geïnterneerden (1.000+) met psychiatrische problemen—die een derde van de incidenten veroorzaken—en belooft verdere investeringen, maar concrete oplossingen blijven vaag. Hoewel er meer ontslagen vallen onder gevangenisbewakers, nuanceert hij dit met tijdelijke contracten en natuurlijk verloop na massale aanwervingen, zonder directe link met veiligheidsrisico’s te leggen. De kern: systemische tekortkomingen in detentiebeleid en psychische zorg zetten zowel personeel als hun gezinnen buitenshuis in gevaar.

Sophie De Wit:

Ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn ingediende vraag.

Geachte heer minister,

Het gemoedelijke dorpje Heers in Limburg werd op een vrijdagnacht eind november opgeschrikt door een ernstig incident: aan de woning van een jonge penitentiair beambte brandde diens wagen volledig uit ten gevolge van een brandbom. In de brievenbus vond de penitentiair beambte een verontrustende dreigbrief terug, waarin te lezen stond dat hij beter niet terug kwam werken want dat hij anders de veiligheid van zijn gezin in het gedrang zou brengen.

Volgens een vakbondsafgevaardigde werd de bewuste collega, die werkt in de gevangenis van Leuven-Centraal, eerder ook al bedreigd door een gedetineerde aldaar. Deze gewelddaad is de laatste in een lange rij van geweld en agressie tegenover penitentiair beambten (recent nog in Haren en Beveren), maar het uitzonderlijke aan deze daad is dat iemand thuis, in zijn eigen dorp, bedreigd wordt. Zulke voorvallen leiden ertoe dat vele penitentiair beambten, die nochtans een belangrijke job vervullen, liever overschakelen naar ander en veiliger werk, bijvoorbeeld in de privébewaking.

Ik had u graag de volgende vragen gesteld.

Wat is uw reactie op dit voorval, waarbij een penitentiair beambte thuis ernstig bedreigd wordt? Is men de dader al op het spoor?

Beschikt u over recente cijfers van geweld en agressie tegenover penitentiair beambten, en welke evolutie ziet u in de cijfers?

Is er volgens u een link tussen de overbevolking in de gevangenissen en het geweld tegen penitentiair beambten? Zo ja, welke acties onderneemt u?

Is er volgens u een link tussen de meer dan 1000 geïnterneerden in de gevangenissen en het geweld tegen penitentiair beambten? Zo ja, welke acties onderneemt u?

Kan u bevestigen dat meer en meer penitentiair beambten hun functie neerleggen en een andere job zoeken? Beschikt u over recente cijfers wat de in- en uitstroom betreft?

Bedankt voor uw antwoorden.

Paul Van Tigchelt:

Mevrouw De Wit, ik vind het bijzonder onrustwekkend dat een penitentiair beambte in zijn privéwoning – het was niet in de gevangenis – ernstig werd bedreigd. Dat is nog maar eens een voorbeeld van een trend die we vaker vaststellen waarbij niet alleen overheidsfunctionarissen zoals magistraten, politieambtenaren, gevangenispersoneel, ministers, of politici in het algemeen, maar ook journalisten door het milieu van de zware en georganiseerde criminaliteit worden geviseerd. Het volstaat te verwijzen naar de actualiteit, ook in het buitenland.

Zowel het gevangeniswezen als de veiligheidsdiensten nemen dergelijke feiten au sérieux. Zij hebben ook het betreffende incident meteen zeer ernstig genomen en veiligheidsmaatregelen voor de betrokken medewerker en zijn naaste omgeving in gang gezet.

Terwijl de bezorgdheid zich op dat moment uiteraard richt naar de medewerker en zijn naaste omgeving, kunnen dergelijke incidenten ook vrees en onzekerheid bij andere medewerkers oproepen. In ieder geval hebben de betrokkene en zijn familie psychologische ondersteuning gekregen en loopt er een gerechtelijk onderzoek, zoals dat gebeurt voor elk geval van geweld door een bepaald milieu.

U vroeg naar de recente cijfers inzake geweld en agressie tegenover penitentiaire beambten. Ik stel voor dat u daarvoor een schriftelijke vraag indient.

Is er een link met de overbevolking? Is er een link met het feit dat 1.000 geïnterneerden in de gevangenissen zitten? Zoals ik daarstraks gezegd heb, zien we de jongste tijd inderdaad een toename van agressie in onze gevangenissen. Ik vermoed dat daar meerdere oorzaken voor zijn. Een eerste oorzaak is volgens ons het hoge aantal geïnterneerden en in het algemeen het hoge aantal gedetineerden met een psychiatrische problematiek. Die groep vertoont wel vaker een onvoorspelbaar moeilijk of gewelddadig gedrag.

Een tweede oorzaak, die we niet uit de weg mogen gaan, is het gebruik van drugs in de gevangenissen.

Ten derde kan ook de overbevolking een rol spelen. We voeren daartegen een beleid, dat ik de voorbije maanden al heb toegelicht, door verder te investeren. We zien vooral een toename van agressie-incidenten in een gevangenis waar geïnterneerden verblijven. Een derde van de agressiegevallen wordt gepleegd door geïnterneerden, die niet in de gevangenis thuishoren.

U vroeg of er meer penitentiair beambten ontslag nemen. Er is inderdaad meer personeelsverloop, maar die heeft verschillende oorzaken. De werkomstandigheden zijn een van de mogelijke oorzaken, maar er zijn nog andere mogelijke verklaringen. De afgelopen twee jaar zijn er immers meer mensen dan ooit tevoren aangeworven. Een stijging van het personeelsbestand houdt ook een stijging van het personeelsverloop in. Er werden ook veel contractuele medewerkers aangeworven met een contract van bepaalde duur. Het is niet onlogisch dat die werknemers na verloop van tijd op zoek gaan naar een duurzamere tewerkstelling. Er is dus een groter verloop, maar over de oorzaken ervan moeten we wat voorzichtig zijn.

Sophie De Wit:

Mijnheer de minister, ik zal een schriftelijke vraag indienen om de cijfers te bekomen. Het is bijzonder schrijnend dat medewerkers die over de veiligheid in gevangenis moeten waken, zelfs na hun werk thuis niet meer veilig zijn. Door de huidige situatie is de veiligheid van het personeel zowel in als buiten de gevangenis niet meer gegarandeerd. Dat is erg onrustwekkend.

De bescherming van minderjarigen tegen online pornografische content

Gesteld aan

Mathieu Michel

op 11 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Belgische en Europese inspanningen versnellen om minoren online te beschermen via een digitaal leeftijdsverificatiesysteem, gebaseerd op MyGov.be (eIDAS-compatibel) dat anonimiteit garandeert door enkel majority-status te delen. België loopt voor met een operationele "sleutel" (MyGov) binnen het EU-kader (DSA en de *Verklaring van Louvain-la-Neuve*), terwijl Europa werkt aan een interoperabele "sluiting" voor schadelijke content (porno, geweld). Kritische punten zijn snelle EU-handhaving (o.a. tegen X/Twitter), vermijden van tool-fragmentatie (bv. Itsme vs. MyGov) en garanderen dat theorie ook praktijk wordt. De focus ligt op harmonisatie zonder vertraging.

Ismaël Nuino:

Monsieur le secrétaire d'État, la France vient de franchir une étape décisive en ordonnant le blocage de plusieurs sites pornographiques pour leur incapacité à vérifier l'âge des utilisateurs.

En Belgique, bien que le Code pénal interdise de rendre accessible du contenu pornographique aux mineurs, les plateformes continuent d'offrir un accès facile en ligne. Vous avez récemment mentionné que la solution passerait par un certificat digital permettant de vérifier l'âge des utilisateurs, tout en garantissant l'anonymat des données personnelles via le portefeuille numérique "MyGov.be".

Où en est le projet de certificat digital pour restreindre l'accès des mineurs aux sites pornographiques en Belgique?

À quel stade de développement se trouve l'outil technologique envisagé pour la vérification d'âge?

Quels sont les obstacles juridiques ou techniques que ce projet rencontre encore, notamment en termes de conformité avec les législations européennes? Comment pensez-vous surmonter ces défis pour assurer une mise en place rapide?

Finalement, le certificat digital belge sera-t-il compatible avec d'autres initiatives européennes visant à harmoniser la protection des mineurs en ligne? Comment la Belgique compte-t-elle coopérer avec d'autres États membres sur ce dossier sensible?

Mathieu Michel:

Merci monsieur le député pour votre question qui me permet de faire le point sur un dossier important. Pour votre information, je précise qu'en France c'est bien la cour d'appel de Paris qui a estimé que plusieurs sites, qui avaient déposé un recours contre la loi sur les violences domestiques, ne prenaient pas suffisamment de mesures pour vérifier l'âge des utilisateurs.

Cette décision judiciaire rejoint les constatations auxquelles je suis arrivé lorsque nous avions négocié le Digital Service Act (DSA). Un cadre légal robuste est nécessaire, mais il faut également les outils technologiques qui permettent de mettre en œuvre les obligations légales.

C'est la raison pour laquelle j'en ai fait une priorité lors de la présidence belge de l'Union européenne. Il y a quelque mois, sous mon initiative, nous avons franchi une étape décisive avec l'adoption de la déclaration de Louvain-la-Neuve qui a été adoptée par les 27 États membres de l'Union européenne.

Je vous invite à prendre connaissance de cette déclaration qui marque un engagement collectif à instaurer un dispositif commun de vérification d'âge pour tous les contenus nocifs et pas uniquement pour les contenus pornographiques.

Il s'agit là d'une avancée clé vers une harmonisation européenne. Sur la base de cette déclaration, la Commission européenne a tout de suite agi avec le lancement d'un marché visant à développer une solution technologique interopérable et transnationale, fondée sur la reconnaissance de l'âge et les standards définis dans une autre réglementation européenne, qui est le eIDAS C'est d'ailleurs sur ces mêmes standards que s'est fondé le développement de MyGov.be, le fameux portefeuille digital belge qui est aujourd'hui opérationnel et qui se trouve, j'en suis sûr, dans les applications favorites de votre smartphone .

Pour résumer l'ampleur de cette décision, alors que l'Europe est en train de construire la serrure qui permet d'accéder à ces contenus, en Belgique, nous avons déjà, à travers le portefeuille digital, construit la clé. Nous nous réjouissons d'avoir été à l'initiative d'un combat juste dans ce dossier, qui défend davantage nos enfants dans les mondes virtuels. Ainsi, le projet de mise en place d'un certificat digital permettant de restreindre l'accès des mineurs aux sites pour adultes, est en plein développement avec pour cadre central l'application MyGov.be, ce fameux portefeuille digital. Une fonctionnalité de vérification de l'âge sera d'ailleurs intégrée. Ce mécanisme permettra à un utilisateur de prouver sa majorité sans divulguer d'autres informations personnelles. Seul l'attribut de majorité sera partagé, garantissant l'anonymat total et respectant ainsi le cadre du règlement eIDAS sur l'identification électronique et les services de confiance. En pratique, cela signifie que l'utilisateur mineur ne pourra pas accéder aux plateformes concernées.

En outre, la Belgique participe activement aux travaux de la task force européenne dédiée à la vérification de l'âge. Cette démarche s'inscrit naturellement dans la mise en œuvre du DSA qui impose aux grandes plateformes en ligne de protéger efficacement les mineurs. En outre, nous restons extrêmement vigilants sur les évolutions législatives européennes afin d'ajuster notre approche si nécessaire, et de garantir une mise en œuvre rapide et efficace.

En conclusion, monsieur le député, la Belgique avance de manière résolue sur ce dossier. Les solutions législatives et technologiques que nous mettons en place s'intègrent parfaitement dans le cadre européen, avec une harmonisation croissante entre les États membres. Nous espérons finaliser ces mesures rapidement pour garantir une protection renforcée des mineurs en ligne, tout en préservant les droits fondamentaux des utilisateurs adultes. Notre ambition est claire: mettre en place un environnement numérique sécurisé pour les jeunes tout en respectant les libertés individuelles. Je vous remercie.

Ismaël Nuino:

Merci monsieur le secrétaire d'État pour votre réponse qui montre que nous partageons cette ambition de garantir un espace numérique plus sûr pour tout le monde – mais particulièrement pour les jeunes. Je comprends que l'initiative se situe, dès lors, dans un cadre européen – et c'est bien normal car c'est l'option la plus optimale. En revanche, je serai très attentif à la manière dont l'Union européenne envisagera de faire appliquer le DSA dans la pratique. Nous avons vu ces derniers mois comment l'ancien commissaire européen Thierry Breton a mis en garde le réseau social X pour non-respect du DSA, entre autres, et comment la Commission n'a pas été complètement solidaire par rapport à cette mise en garde. Je pense que veiller à la bonne application de ce DSA dans l'Union européenne et en Belgique représentera vraiment un grand enjeu. Vous avez bien fait de notifier également – vous avez été plus large que moi – que ce sont effectivement tous les contenus nocifs, pas seulement la pornographie, mais aussi la violence, qui sont concernés. Bref, je pense que nous devrions avancer le plus rapidement possible en cette matière, idéalement avec l'Union européenne, mais à condition que ça avance. Cela représente un réel enjeu. Nous devrons aussi veiller à ne pas démultiplier les outils à notre disposition. Itsme à ma connaissance est une solution qui fonctionne aujourd'hui plutôt bien et a été bien adoptée par les Belges. Il faudra donc veiller à ne pas créer une concurrence entre plusieurs outils en Belgique, alors même que certains sont déjà bien adoptés. Je resterai attentif à la suite du dossier. Je vous remercie déjà pour vos réponses.

De oprichting van detentiehuizen
De oprichting van detentiehuizen
Alternatieve detentievormen en penitentiaire inrichtingen

Gesteld aan

Mathieu Michel

op 11 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De vertraagde uitvoering van detentiehuizen (beloofd: 720 plaatsen in 3 jaar) blijkt stagnerend: slechts 134 plaatsen operationeel (2 van 15 huizen) door gebrek aan geschikte locaties en bureaucratische hindernissen. Staatssecretaris Michel bevestigt dat ondanks 100+ onderzochte sites (waaronder 7 geselecteerd in Vlaanderen, 3 in Wallonië, 1 in Brussel) veel projecten werden geweerd door nabijheid van scholen, energienormen of ongeschikte infrastructuur, terwijl modulaire units (40 plaatsen/eenheid) vertraging opliepen door een geschorste aanbesteding (Raad van State, nov. 2023) en nu herlanceren (gunningsbeslissing verwacht kort). Van den Bosch stelt zich kritisch op maar belooft opvolging, zonder concrete oplossingen voor de structurele achterstand op het regeerakkoord.

Voorzitter:

Mevrouw Dillen is afwezig.

Annik Van den Bosch:

Er is niets nieuws aan de gang op het vlak van de overbevolking in de gevangenissen.

Het oprichten van detentiehuizen werd gezien als een van de oplossingen om de overbevolking in de gevangenissen aan te pakken. Momenteel komen ongeveer 2.000 mensen in aanmerking voor een detentiehuis. Een detentiehuis is een kleinschalige inrichting waar veroordeelden tot en met drie jaar gevangenisstraf hun straf uitzitten. Elke dag actief werken aan re-integratie en zelfstandigheid staan daarbij centraal.

De vivaldipartijen hadden in hun regeerakkoord geschreven dat ze 720 plaatsen zouden creëren over een tijdspanne van drie jaar. Een deel van die 720 plaatsen zou op korte termijn door modulaire units worden opgevangen. Hiervan zie ik echter niets op het terrein. Amper twee van de vijftien beloofde detentiehuizen is operationeel, voor een totaal van 134 plaatsen in plaats van 720.

Wat hebt u de afgelopen drie jaar gedaan om die 720 plaatsen te creëren?

Wat zult u nog doen om het regeerakkoord toch nog uit te voeren?

Welke onderzoeken naar mogelijke plaatsen hebt u gevoerd? Welke plaatsen werden er in het verleden afgewezen en waarom?

Welke plaatsen zijn er nog in onderzoek?

Mathieu Michel:

Sinds de beslissing van de ministerraad van 29 oktober 2021 wordt er in het hele land per provincie naar gebouwen gezocht die aan de behoeften voldoen. In eerste instantie werd gezocht naar gebouwen in de portefeuille van de Regie der Gebouwen of residentiële gebouwen die snel en zonder ingrijpende verbouwingen tot detentiecentra konden worden omgevormd.

Daarna werd de zoektocht uitgebreid. Er werden brieven gestuurd naar steden en gemeenten, naar vastgoedmakelaars enzovoort. De mogelijkheid om een terrein te vinden geschikt voor bebouwing werd niet uitgesloten, maar zou te veel tijd in beslag nemen gezien het gestelde doel.

Tijdens het hele proces werden, steeds in samenwerking met de FOD Justitie, de sites bestudeerd, werden tientallen voorstellen geformuleerd naar aanleiding van de haalbaarheidsstudies en werden de overheden en de verenigingen van buurtbewoners geraadpleegd. Op sommige voorstellen is niet ingegaan wegens, bijvoorbeeld, de onmiddellijke nabijheid van gebouwen met gevoelige functies, zoals aangrenzende scholen.

Sommige projecten werden ook afgewezen vanwege de architecturale kenmerken van de gebouwen, omdat het behoefteprogramma voor een detentiehuis niet goed kon worden geïntegreerd of omdat ze niet konden voldoen aan de huidige en toekomstige energienormen, zelfs niet na bepaalde werkzaamheden.

Geconfronteerd met de moeilijkheid om locaties te vinden die aan de behoeften van een detentiecentrum voldeden en de dringende noodzaak om een opening binnen een redelijke termijn te kunnen garanderen, werden modulaire eenheden voorgesteld. Dat leek een snellere uitvoering mogelijk te maken dan de klassieke bouwwijze.

Op 20 juli 2022 keurde de ministerraad het project voor de bouw van modulaire eenheden goed. Er werd dus beslist te werken met geprefabriceerde eenheden voor de bouw van detentiecentra met elk veertig plaatsen. In totaal werden een honderdtal sites onderzocht, zowel binnen als buiten de vastgoedportefeuille van de federale Staat.

In Brussel werden acht sites onderzocht. Daarvan werd de site Berkendael geselecteerd, die momenteel in gebruik is. In Wallonië werden een vijftigtal sites onderzocht, waarvan er voorlopig drie werden geselecteerd, namelijk twee sites uit de portefeuille van de Regie der Gebouwen en één gebouw dat werd aangekocht van de provincie Luik. In Vlaanderen werden meer dan 76 sites onderzocht. Zeven sites werden geselecteerd, namelijk drie sites uit de vastgoedportefeuille van de Regie der Gebouwen en vier andere sites.

Na de goedkeuring van het concept 'Units' werden de hiernavolgende stappen ondernomen om de sites aan te duiden. Er is een nieuwe, meer gerichte prospectie gestart. Sommige sites komen uit de oorspronkelijke prospecties. Er is een studieteam opgericht dat zich specifiek bezighoudt met het project 'Units'. Er is een marktstudie uitgevoerd door het onderzoeksteam dat vervolgens de documenten met betrekking tot het raamcontract 'Units' heeft opgesteld, zoals het speciaal bestek en technische documenten.

Het contract werd op 22 augustus 2022 gepubliceerd in het Bulletin der Aanbestedingen . Helaas werd de gunningsbeslissing van 19 september 2022 opgeschort na een uitspraak van de Raad van State op 7 november 2023.

Om het project detentiehuizen te voltooien, werd echter beslist de aanbestedingsprocedure te hervatten in de gunningsfase met behulp van een gewijzigde gunningsleidraad. Op 4 maart 2024 ontvingen de geselecteerde kandidaten een nieuwe uitnodiging tot inschrijving.

De gunningsbeslissing zal binnenkort aan de ministerraad worden voorgelegd. Tegelijkertijd worden overheidsinstanties geraadpleegd en informatiesessies georganiseerd.

Er worden tweemaandelijkse vergaderingen georganiseerd tussen de beleidscel van de Regie der Gebouwen en de FOD Justitie om een optimale opvolging van het project te garanderen. Zo ziet u dat alles in het werk werd gesteld om geschikte sites te vinden die voldoen aan de behoeften van het directoraat-generaal Penitentiaire inrichtingen (DG EPI) van de FOD Justitie voor de opening van detentiecentra.

Annik Van den Bosch:

Mijnheer de staatssecretaris, ik bedank u voor uw antwoorden, waarvan we akte nemen. We zullen dat van nabij blijven opvolgen. Ik kijk uit naar de verdere vorderingen.

De bouw van een nieuwe gevangenis in Bergen

Gesteld door

lijst: PS Éric Thiébaut

Gesteld aan

Mathieu Michel

op 11 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De geplande nieuwe gevangenis in Mons (300 plaatsen) blijft in het masterplan, maar de Régie des Bâtiments zoekt nog naar een geschikt terrein van 8 ha (budget: €4 miljoen) buiten het oorspronkelijke gebied, na mislukte onderhandelingen met de stad. Concrete plannen of ontwerpen bestaan nog niet, en de justitiële behoeften zijn nog niet definitief—het dossier komt pas in de ministerraad na stabilisatie hiervan, met terreinaankoop hopelijk in 2025 en realisatie in de volgende legislatuur. Thiébaut benadrukt de urgentie en is tevreden met het toegekende budget, maar blijft waakzaam voor vertragingen, vooral gezien de politieke onzekerheid (regeringsvorming in 2025). Het project hangt af van samenwerking met Mons, justitiële prioriteiten en toekomstige politieke wil.

Éric Thiébaut:

Monsieur le secrétaire d'État, la construction d'une nouvelle prison à Mons a déjà fait l'objet de beaucoup d'annonces, notamment de votre part. Vous vous souviendrez de votre visite sur le terrain voici quelques années. On avait également annoncé le dégagement d'un budget pour la construction de cette prison.

Si je vous interpelle à nouveau aujourd'hui, c'est parce que le ministre de la Justice, que j'ai interrogé à l'instant à ce sujet, m'a renvoyé vers vous et m'a confirmé que la Régie des Bâtiments avait bien reçu pour mission de chercher un nouvel emplacement pour remplacer la prison actuelle.

Le ministre indiquait récemment que le nouvel établissement accueillerait normalement 300 détenus.

Monsieur le secrétaire d'État, je sais que nous sommes en période d'affaires courantes. Néanmoins, il est primordial que des garanties soient données et que les engagements soient respectés par le futur gouvernement.

Confirmez-vous que ce dossier sera bien maintenu dans le masterplan par votre successeur? Où en est la Régie des Bâtiments dans sa mission de trouver un emplacement pour remplacer la prison actuelle de Mons? Pourriez-vous nous donner des précisions sur les caractéristiques envisagées pour cette future prison? Des plans ou des esquisses existent-ils déjà? À quand peut-on s'attendre à voir un dossier détaillé présenté au Conseil des ministres?

Mathieu Michel:

Monsieur Thiébaut, je vous remercie pour votre question. Actuellement, la Régie des Bâtiments est en phase de prospection pour acquérir un terrain suffisamment grand – 8 hectares – pour y construire la nouvelle prison à Mons. Un budget de 4 millions d'euros est d'ailleurs consacré à ce projet pour l'acquisition du terrain.

Plusieurs propositions ont déjà été discutées avec les services de la ville de Mons mais aucune d'entre elles ne s'est avérée satisfaisante pour les deux parties. Les services de la Régie des Bâtiments continuent donc les recherches en collaboration avec la ville de Mons. Il semblerait qu'on doive chercher un peu plus loin que le périmètre initial.

Ce projet n'en est encore qu'à ses débuts. Il n'y a donc pas de plan. En outre, les plans pour ce type de dossier aussi sensible sont confidentiels ainsi que les caractéristiques de l'enceinte. Enfin, nous espérons faire l'acquisition d'un terrain en 2025, idéalement. Pour ce faire, il ne faut pas passer en Conseil des ministres sauf si le gouvernement est en affaires courantes. J'espère quand même que nous aurons un gouvernement en 2025, monsieur Thiébaut! Le dossier DBFM sera présenté au Conseil des ministres après réception des besoins de la Justice, quand ils seront stabilisés. Pour votre information, les besoins ne sont pas encore stabilisés au niveau de la Justice. C'est donc une affaire à suivre mais j'aimerais bien que ce dossier puisse aboutir au cours de la prochaine législature.

Éric Thiébaut:

Monsieur le secrétaire d'État, je vous remercie pour ces éclaircissements. Je suis déjà rassuré par le fait qu’un budget est prévu pour l’acquisition d’un terrain. C’est un premier pas. C’est une information dont je ne disposais pas encore.

Pour le reste, je serai attentif à l’évolution de ce dossier. J'espère que le futur gouvernement, qui arrivera sans doute en 2025, sera aussi sensible que moi à cette problématique. Franchement, à Mons, il est vraiment temps qu’il y ait une nouvelle prison.

Voorzitter:

Aan de orde is vraag nr. 56001355C van de heer Bihet. Hij is nog steeds niet aanwezig.

Het defect aan de toegangsdeur van het justitiepaleis in Antwerpen

Gesteld door

lijst: VB Marijke Dillen

Gesteld aan

Mathieu Michel

op 11 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De defecte inkomdeur van het Antwerpse justitiepaleis—kritiek voor veiligheid en toegang—werd na maanden vertraging (kost: €1.900, ten laste van Justitie) eindelijk hersteld, terwijl de verantwoordelijkheidsverdeling tussen Regie der Gebouwen en Justitie onduidelijk blijft en structurele gebreken (lekkages, gladde trappen) aan het relatief nieuwe gebouw nog steeds niet zijn opgelost. Mathieu Michel wijst op een nieuwe handleiding (2023) om bevoegdheden te verduidelijken en meldt dat een onderhoudscontract (na lang aandringen) nu wordt geanalyseerd. Marijke Dillen benadrukt het gebrek aan urgentie bij kleine maar cruciale reparaties en kondigt een formele vraag aan over alle uitstaande mankementen. De kernkwestie draait om slepende onderhoudsproblemen, onduidelijke verantwoordelijkheden en het imago van het gerechtsgebouw.

Marijke Dillen:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de staatssecretaris, dat het justitiepaleis in Antwerpen al jaren kampt met een aantal structurele gebreken, is een gekend probleem. Liften die met de regelmaat van de klok niet werken, lekken en veel te gladde trappen bij vriesweer en sneeuw, zijn maar enkele voorbeelden van zaken die niet opgelost geraken.

Nu was er – ik moet dit in de verleden tijd uitdrukken – een zeer ernstig probleem met de inkomdeur voor de bezoekers, die al geruime tijd niet meer naar behoren werkte. Het mechanisme van die automatische deur was stuk. Ondanks talrijke aanmaningen en talrijke contactopnames met uw departement, geraakte dat maar niet hersteld. Bezoekers dienden zeer hard te duwen om die deur te laten draaien. Vaak klemt die deur ook. Als oplossing werd de deur naast de officiële inkomdeur dan maar opengezet, maar dat was absoluut geen ideale oplossing, want daardoor stonden de bewakingsagenten in de volle tocht en in de kou en het bevordert het werk van de veiligheidsagenten ook niet.

Ik heb begrepen, ook na een bezoek ter plaatse, dat dit probleem een tiental dagen geleden verholpen werd, eindelijk.

Mijnheer de staatssecretaris, waarom heeft het zo lang geduurd vooraleer die werken werden uitgevoerd? Hoewel het om kleine werken ging, zijn ze wel belangrijk voor de veiligheid.

Wat is de kostprijs van die werken?

Ik heb nog een bijkomende vraag, maar weet niet of u die nu kunt beantwoorden. Desgevallend dien ik er een afzonderlijke mondelinge vraag voor in. Graag had ik een overzicht van alle aanzienlijke gebreken aan dat toch relatief recente gebouw die nog in aanmerking komen om opgelost te raken in deze periode van lopende zaken.

Mathieu Michel:

Mevrouw Dillen, ik was er niet van op de hoogte dat het automatisch mechanisme aan de ingang van het Antwerpse gerechtsgebouw defect was.

Ik heb goed nieuws voor u. De Regie der Gebouwen liet me weten dat de deur gerepareerd is en functioneert. De kosten van de reparatie zouden 1.900 euro bedragen, inclusief btw. Ik herinner u eraan dat de deur deel uitmaakt van het toegangsbeveiligingssysteem van het gebouw. Overeenkomstig het administratief reglement (handleiding klantenrelaties) zijn de kosten van dit type installaties ten laste van de bewoners, dus van de FOD Justitie.

Ter informatie wil ik u nog meegeven dat na lang aandringen bij de leverancier, de FOD Justitie op 18 november 2024 eindelijk een voorstel voor onderhoudscontract heeft ontvangen. Dit onderhoudscontract wordt momenteel geanalyseerd door de FOD Justitie.

Wat uw laatste vraag betreft: ik beschik momenteel niet over de informatie.

Marijke Dillen:

Mijnheer de staatssecretaris, ik dank u voor uw antwoord.

Ik heb gezegd dat de deur, na heel lang wachten en aandringen, een tiental dagen geleden inderdaad werd hersteld. Ik neem u niet kwalijk dat u de situatie ter plaatse niet kent, maar dat is de enige inkomdeur voor de bezoekers, niet voor de advocaten of de magistraten. Daar is elke ochtend heel veel passage, dus het was erg dat die deur niet werkte. De veiligheid van de veiligheidsagenten aldaar kwam in het gedrang omdat men daardoor de andere grote deur moest openen en er daar geen toezicht was.

U zegt dat de kostprijs voor de herstelling ongeveer 1.900 euro bedroeg en ten laste valt van Justitie. Dat begrijp ik niet goed. Of is enkel het onderhoudscontract ten laste van Justitie?

Mathieu Michel:

Dat behoort tot de verantwoordelijkheid van Justitie en dus moet Justitie dat betalen. Het is niet veel.

Marijke Dillen:

Dat is inderdaad niet veel, maar waarom moet het allemaal zo lang duren? Ik neem aan dat dat kan voor heel grote werken, maar dit was toch wel extreem lang. Maar eind goed al goed, het probleem is opgelost.

Ik zal u later nog een vraag stellen met een overzicht van alle gebreken van dat gebouw. Het is immers niet normaal dat zodra het regent er in de inkomhal van dit vrij recente gebouw emmers staan om het water op te vangen en er aan de trappen dweilen liggen. Echt bevorderlijk voor het mooie uitzicht van dat gebouw is dat toch niet.

Mathieu Michel:

Ik vestig uw aandacht op de klantenrelatie tussen de Regie der Gebouwen en de bezetters. Zowel de Regie der Gebouwen als de bezetters dragen een verantwoordelijkheid. We specificeren wat ten laste valt van de Regie der Gebouwen en wat ten laste valt van Justitie. Voor dergelijke werken staat vermeld dat Justitie verantwoordelijk is. U zult aan Justitie moeten vragen waarom het zo lang heeft geduurd.

Het is niet altijd gemakkelijk de verantwoordelijkheden van de Regie der Gebouwen en van Justitie te onderscheiden. Daarom hebben we die handleiding klantenrelaties opgesteld in 2023. Nu moet duidelijker worden gesteld waar de verantwoordelijkheid ligt.

Marijke Dillen:

Ik zal mijn vraag voorleggen aan uw collega, minister Van Tigchelt. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 15.21 uur. La réunion publique de commission est levée à 15 h 21.

De politieke instabiliteit in Frankrijk

Gesteld door

lijst: PTB Raoul Hedebouw

Gesteld aan

Alexander De Croo (Eerste minister)

op 5 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Raoul Hedebouw hekelt in het Belgisch parlement het falen van Macrons neoliberale beleid (pensioenverhoging, belastingverlaging voor rijken, onderdrukking van protesten) en diens poging de opkomst van het Nouveau Front Populaire te negeren door een omstreden premier (Barnier) aan te stellen met steun van het extreemrechtse RN. Premier De Croo wijst de "propaganda"-discussie af, benadrukt dat het Belgisch parlement geen platform is voor Franse politiek, en stelt dat regeringsfalen in Europa normaal zijn, maar wijst op EU-budgetflexibiliteit voor hervormingen. Hedebouw linkt de Franse onrust aan dreigende Belgische bezuinigingen (pensioenen, ambtenaren) en roept op tot verzet, terwijl De Croo elke vergelijking met België ontwijkt. Kern: conflict tussen links activisme en institutionele afbakening van debat.

Raoul Hedebouw:

Monsieur le premier ministre de Belgique, l'échec du président Macron résonne jusqu'ici en Belgique. Vous l'avez entendu. Comment peut-on se planter autant en tant que président d'une des plus grandes nations d'Europe? Quel plantage industriel!

Macron, le président des riches qui a gouverné contre son peuple! Macron, le président qui a augmenté l'âge de la retraite pour faire travailler les gens de plus en plus longtemps! Macron, l'homme qui a supprimé l'impôt sur la fortune pour augmenter les inégalités en France! Macron, qui a mené une politique autoritaire de répression à coups de matraque contre le mouvement des gilets jaunes, contre les organisations syndicales. C'est l'autoritarisme européen! Macron, qui a décidé d'augmenter le budget militaire français à coups de milliards pour couper dans les dépenses sociales! Voilà le président Macron que beaucoup ont applaudi lorsqu'il a été élu. Quel échec flagrant de l'élite européenne! Quel échec flagrant!

Vous n'aimez pas qu'on le dise! Le président Macron joue un rôle important en France. Je le dis à toutes les couches populaires françaises: la droite en Belgique a peur aussi!

Monsieur le premier ministre, ma question est très simple. Le président Macron a voulu nier la percée du Nouveau Front populaire et a nommé Barnier, un premier ministre illégitime qui a pactisé avec le Rassemblement National. Le gouvernement français a compté sur l'appui du Rassemblement national.

(…) : (…)

Raoul Hedebouw:

Écoutez-les! Monsieur le président, puis-je avoir un peu de temps supplémentaire, s'il vous plaît?

Voorzitter:

Deux secondes!

Raoul Hedebouw:

Monsieur le premier ministre belge, l'arrogance des élites européennes se paie un jour où l'autre. C'est ce qui s'est passé avec le gouvernement français. Allez-vous, au Conseil européen, tirer toutes les leçons (…)

Voorzitter:

Ook al is het met veel pijn in het hart, mijnheer Hedebouw, ik moet uw micro uitzetten. De regels zijn de regels. Ik heb u zelfs een minimale hoeveelheid seconden extra gegeven wegens de onderbrekingen. Gelieve de eerste minister nu de ruimte te laten om te antwoorden.

Alexander De Croo:

Monsieur Hedebouw, je dois avouer ma perplexité face à la manière dont vous utilisez ce Parlement belge pour une sorte de propagande politique. (Brouhaha)

Raoul Hedebouw:

(…)

Alexander De Croo:

Monsieur Hedebouw, chacun a naturellement ses opinions politiques mais au Parlement belge, on discute la situation politique en Belgique. Vous n'avez posé aucune question sur un domaine au sujet duquel le premier ministre belge doit s'exprimer. Pensez-vous sérieusement que je viens ici en me disant que je vais donner mon opinion sur le président français ou le chancelier allemand? Vous semblez vivre dans une utopie politique, monsieur Hedebouw. Vous mettez la tribune au service de votre propagande; cela vous appartient mais cet hémicycle n'est pas le lieu où il convient de le faire. Honnêtement, vous abusez! (Brouhaha)

Voorzitter:

Collega's, laat de premier zich uitdrukken.

Alexander De Croo:

Je constate qu'un gouvernement a échoué en France. Ce sont des choses qui arrivent en politique. Oui, parfois il y a des gouvernements qui vont jusqu'au bout et d'autres qui échouent avant le terme de la législature; cela s'est produit ici sur une discussion budgétaire. Peut-être pouvons-nous aborder brièvement la situation budgétaire en Europe. La Commission européenne donne des possibilités de mener les réformes nécessaires pour apporter des solutions au coût du vieillissement ou par rapport aux besoins d'investissement qui permettront de sécuriser le continent européen. Eu égard à l'évolution de la situation, la Commission a octroyé une période de sept ans pour ce faire.

Voorzitter:

Kunt u afronden, mijnheer de eerste minister?

Alexander De Croo:

Je constate qu'en France, des forces politiques ont rendu impossible la tenue d'un vrai débat (…)

Voorzitter:

Dank u wel, premier.

Dat geeft mijnheer Hedebouw één minuut om een link te leggen met België.

Raoul Hedebouw:

C'est incroyable! Dès qu'il y a de l'instabilité en Afrique, en Amérique latine, en Asie, il n'y a pas de problème! Le débat est open bar ! Mais quand c'est la France, on ne peut rien dire, alors que c'est un pays majeur de l'Union européenne. L'instabilité est présente en France et en Allemagne, et le débat est inexistant sur les bancs de la Chambre. C'est incroyable! Vous vous cachez les yeux. Vous ne voyez pas la réalité aujourd'hui. Et vous avez raison de faire le lien, monsieur le premier ministre, avec toutes les mesures d'austérité que l'Arizona veut instaurer ici en Belgique. Augmenter l'âge de la retraite, sanctionner de plus en plus les fonctionnaires via leurs pensions, faire de la répression, etc. C'est cela qui a explosé à la face des élites.

J'ai envie de dire à la classe ouvrière et aux couches populaires françaises: merci de votre combat. On va s'en inspirer ici en Belgique pour résister à notre gouvernement et à la droite à venir. Bravo, les camarades!

Voorzitter:

Il est clair que la lutte continue.

Witwaspraktijken via producten van de Nationale Loterij
Fraudebestrijding en de producten van de Nationale Loterij
Fraudebestrijding en de producten van de Nationale Loterij
Fraudebestrijding en de producten van de Nationale Loterij
Het vermoeden van witwasserij via de Nationale Loterij
Fraudebestrijding en witwaspraktijken via Nationale Loterij-producten

Gesteld aan

Vincent Van Peteghem (Minister van Financiën)

op 5 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om vermoedens van witwassen via de Nationale Loterij door ex-minister Didier Reynders, waarbij kritiek wordt geuit op slechte controles, gebrek aan transparantie en een dubbele standaard tussen de overheidsloterij en private spelers. De Loterij claimt detectiesystemen te hebben, maar parlementsleden betwijfelen hun effectiviteit gezien de tienjarige duur van de praktijken en het enkele melding in vijf jaar. Vincent Van Peteghem (minister) benadrukt strengere EU-regels en samenwerking met justitie, maar oppositie eist versnelde onderzoeken, opheffing van Reynders’ onschendbaarheid en gelijke regels voor alle kansspelactoren. Systematische corruptie in de politiek (Kazachgate, Qatargate) en zwakke anti-witwasmaatregelen staan centraal.

Stefaan Van Hecke:

Mijnheer de minister, u kent wellicht de beruchte slogan van de Nationale Loterij: Word schandalig rijk . Iemand heeft dat blijkbaar iets te letterlijk genomen. Als het klopt wat er nu in de media verschijnt, dan heeft Didier Reynders, MR-boegbeeld, 20 jaar minister, 5 jaar eurocommissaris, de Nationale Loterij gebruikt om zijn zwart geld wit te wassen. We zijn natuurlijk ook allemaal nieuwsgierig naar de oorsprong van dat zwart geld, maar ik denk dat we dat niet snel te weten zullen komen. U kunt echter in elk geval wel al in actie schieten.

We weten dat criminele milieus graag gebruikmaken van gokproducten om geld wit te wassen. Daarvoor wordt al jaren gewaarschuwd. Ik heb hier de voorbije jaren al heel wat zien passeren in het dossier van de gokindustrie, maar dat de Nationale Loterij, een overheidsbedrijf, ook als witwasmachine kan worden gebruikt, tart elke verbeelding.

Hoe kan het dat men e-tickets zomaar met cash geld kan kopen? Dat is niet alleen zo in de krantenwinkels en de verkooppunten van de Nationale Loterij, maar ook aan de kassa van grootwarenhuizen. Dat is toch de kat bij de melk zetten. Meer zelfs, de poort staat wagenwijd open voor misbruik. Dat is op zich al een eerste achterpoortje dat gemakkelijk zou kunnen worden gesloten.

De Nationale Loterij zegt natuurlijk dat hun detectiesysteem heeft gewerkt. Volgens de onderzoeksjournalist die het verhaal naar buiten heeft gebracht, zou de witwasoperatie echter mogelijk al tien jaar duren. Kunt u dat bevestigen? Als het inderdaad zo lang heeft geduurd, werkt dat detectiesysteem dan wel voldoende? Vindt u het zelf ook niet vreemd dat de heer Reynders de enige zou zijn geweest die deze truc gebruikte, want er zijn volgens de Nationale Loterij geen andere gevallen bekend?

Mijnheer de minister, welke acties zult u hiertegen ondernemen?

Lode Vereeck:

Mijnheer de minister, gok- en kansspelen zijn in dit land streng gereglementeerd om het hoofd te bieden aan twee problemen: gokverslaving en witwassen van zwart- en crimineel geld.

Witwassen is altijd laakbaar en moet aangepakt worden, maar dat de overheid hiervoor wordt ingeschakeld, is afschuwelijk en een klap voor het vertrouwen in onze overheden. Nu zie ik één lichtpuntje, namelijk dat het misbruik wel degelijk ontdekt is door de Nationale Loterij.

Mijnheer de minister, hoe gebeurt die controle? Gebeurt die manueel of visueel, dus op het zicht, of gebeurt dat met een dataminingtechniek, een algoritme dat op zoek gaat naar uitschieters in een bestand? Ik stel die vraag omdat het vreemd is dat de Nationale Loterij, die quasi een monopolie heeft in deze sector, op vijf jaar tijd maar één melding heeft gedaan bij de Cel voor Financiële Informatieverwerking.

Vandaar mijn tweede vraag. Is er maar één keer misbruik vastgesteld, wat onmogelijk is gezien de omvang van het quasi monopolie, of is er maar één keer melding gemaakt? Dat is een belangrijk verschil, want in dat laatste geval is er misschien gewoon sprake van een afrekening tussen de politieke top van de Nationale Loterij, dus tussen de heer Jannie Haek, een socialist, en de heer Didier Reynders, een liberaal.

Ten derde genieten wij als parlementsleden onschendbaarheid. Dat is ook het geval voor de heer Reynders. Bij mijn weten wordt die onschendbaarheid altijd snel opgeheven wanneer er een onderzoek door of een vraag van het parket komt. Waarom is er in dit geval zo lang gewacht, namelijk tot de heer Reynders eurocommissaris af was?

Tot slot, in deze sector lijken mij twee maten en twee gewichten te worden gehanteerd. De private sector wordt streng gereglementeerd en binnenkort zelfs nog strenger. Wat verantwoordt die uitzonderingspositie van de Nationale Loterij? Waarom zijn niet alle spelers, publiek en privaat, aan dezelfde reglementering onderworpen? Bent u bereid om dat recht te trekken?

Sofie Merckx:

Monsieur le ministre, Win for Life! On savait déjà que l'ancien ministre des Finances et éminent politicien du parti libéral, M. Reynders, gagne à la loterie depuis trente ans: ministre durant vingt ans – ce qui signifie qu'il a gagné durant toute cette période près de 20 000 euros par mois – et commissaire européen ces cinq dernières années, soit un salaire mensuel de 30 000 euros.

Hier, nous apprenions que M. Reynders est soupçonné d'avoir blanchi de l'argent en – tenez-vous bien! – achetant des billets à la Loterie Nationale! On croirait franchement à une blague belge mais non, il semble que ces soupçons sont bien réels. L'enquête judiciaire doit évidemment suivre son cours pour voir si oui ou non il est coupable.

D'après moi, cette affaire nous met face à trois éléments.

Premièrement, toute la vérité doit être faite et l'immunité parlementaire dont bénéficie M. Reynders ne peut faire obstacle à cette enquête car lorsqu'un simple citoyen est soupçonné, il ne bénéficie pas d'immunité parlementaire.

Deuxièmement, nous apprenons que cette pratique aurait duré pendant dix ans et on se demande donc si les mécanismes de contrôle par rapport à la Loterie Nationale sont suffisants.

Troisièmement, je crois que nous avons un vrai problème avec l'argent en politique en Belgique. Ce n'est ni la première ni, apparemment, la dernière affaire. Le GRECO, le gendarme européen, a déjà critiqué la Belgique à plusieurs reprises car nous ne sommes pas en règle s'agissant de la lutte contre la corruption en politique. Nous n'avons par exemple ni déclaration de patrimoine public, contrairement à d'autres pays, ni registre des lobbies.

Jean-Marie Dedecker:

Mijnheer de minister, onze blauwe smurf is nog eurocommissaris voor Justitie geweest en ook minister van Financiën. Hij was indertijd zelfs bevoegd voor de Nationale Loterij. Hij heeft blijkbaar gesmurft met producten van de Nationale Loterij om zwart geld wit te wassen.

Het is precies vier weken geleden dat ik hier stond om de toestand bij de Nationale Loterij aan te klagen omdat de toxische leider ervan, een zekere Jannie Haek, voor de correctionele rechtbank moest verschijnen wegens het organiseren van illegale praktijken. Zes maanden geleden stond ik hier, met mijn collega Christoph D'Haese, aan te klagen dat diezelfde man 30 miljoen gestort had in de kas van de overheid om te ontsnappen aan elke controle op de Nationale Loterij.

Hoewel iedereen daartegen was – ook de heer Van Hecke – valt de Nationale Loterij niet onder de kansspelwetgeving. Wij vroegen dat nochtans, maar het werd niet aanvaard. Tot wat dat kan leiden, zien we nu: de Nationale Loterij verkoopt producten die ertoe leiden dat men geld kan witwassen. Met dat zwart geld verdient men geld, meer dan wat men aan de belastingen betaalt, namelijk de helft van het inkomen. Koop dus maar lotjes van Subito of Win for Life. Men kan ze zelfs bij de begrafenisondernemer krijgen. Er zijn liefst 7.000 verkooppunten. Men koopt dus een lotje en men krijgt zijn geld terug, tot 78 %

Nadien gebeurt er echter niets. Er komt geen enkele controle. In dit geval was er waarschijnlijk een klokkenluider bij de Nationale Loterij die dat aan het licht heeft gebracht. Het probleem is redelijk groot, maar ik kan er nog niet over uitweiden. Een klokkenluider heeft het gezegd.

Geen enkel van de privégokbedrijven kan er nog aan uit. Geen enkel. Er werden 332 klachten ingediend. Waarom? Wie op de zwarte lijst staat, kan zo'n bedrijf zelfs niet binnen. Als men op die zwarte lijst staat, kan men echter wel elke week 120.000 euro inzetten op de Lotto. Dat is de Nationale Loterij (…)

Voorzitter:

Dank u collega, maar wanneer komt uw vraag?

Khalil Aouasti:

Monsieur le ministre, Didier Reynders, l'un des plus hauts dignitaires libéraux, ancien vice-premier ministre en charge notamment des Finances et de la Lutte contre le blanchiment d'argent, ancien ministre des Affaires étrangères, ancien commissaire européen en charge de la Justice et du respect de l'État de droit, serait impliqué dans une affaire de blanchiment d'argent.

Avant toute chose, rappelons que, contrairement à certains et à ce qu'on a pu entendre dans cet hémicycle il n'y a pas si longtemps, nous ne prenons pas des éléments partiels pour des faits. Didier Reynders, comme chacun, bénéficie de la présomption d'innocence.

Monsieur le ministre, néanmoins, les éléments divulgués, s'ils venaient à être confirmés, sont importants en ce qu'il est question de détournement d'une somme importante. Selon la presse, cette somme correspondrait à un nombre à six chiffres et aurait été blanchie depuis près d'une décennie. La presse explique que l'affaire aurait été divulguée à la suite du signalement de la Loterie Nationale elle-même, qui dispose d'outils pour débusquer les pratiques de blanchiment.

Monsieur le ministre, avez-vous été mis au courant avant la sortie dans la presse du signalement opéré par la Loterie Nationale? Si oui, depuis quand? Pouvez-vous nous expliquez quels sont les indices repérés par la Loterie pour signaler un comportement suspect? Qui la Loterie Nationale a-t-elle prévenu? Le parquet? La CTIF? Vous-même?

En tant que ministre des Finances, que vous ayez eu l'information en amont ou en lisant la presse, avez-vous entrepris des démarches? Avez-vous par exemple saisi l'Inspection spéciale des impôts? Selon la presse, la Loterie Nationale n'aurait réalisé qu'un seul signalement en cinq ans. Quid des casinos? Quid des opérateurs privés?

Le rapport annuel de la CTIF de 2023 stipule qu'il y aurait eu 322 signalements par des établissements de jeux de hasard. Confirmez-vous ces chiffres? Quelle en est l'évolution à travers le temps?

Vincent Van Peteghem:

Mijnheer de voorzitter, collega's, u beseft natuurlijk dat ik mij in mijn antwoord bij momenten op voorwaardelijke wijze zal uitspreken, omdat het gerechtelijk onderzoek nog lopende is. Laat me van in het begin ook direct duidelijk zijn: de strijd tegen al wie fraude pleegt of geld witwast, kunnen we niet hard genoeg voeren.

Het is niet nieuw dat potentiële fraudeurs en witwassers een grote creativiteit aan de dag leggen om geld wit te wassen en daarbij ook hun blik werpen op de kansspelsector.

Les opérateurs de jeux de hasard ont donc l'obligation, en vertu de la loi anti-blanchiment, de signaler et de prévenir le blanchiment de capitaux et le financement du terrorisme.

Die verplichtingen zijn ook van toepassing op de Nationale Loterij

De Nationale Loterij neemt overigens maatregelen om witwaspraktijken via haar loterijspelen te verhinderen. Ten eerste is de loterij bijzonder transparant over zowel het terugbetalingspercentage als over de winstkans. Die transparantie is nodig om spelers te wijzen op het karakter van het loterijspel en tevens een belangrijke maatregel in de strijd tegen verslaving.

Ten tweede, zowel voor stortingen als voor uitbetalingen hanteert de loterij limieten die lager liggen dan in de private kansspelsector. Wie vandaag geld wil storten op een onlinespelrekening van de loterij, of dat nu met e-tickets dan wel per overschrijving gebeurt, botst op een standaardlimiet van 200 euro per week. Die limiet kan tot maximaal 500 euro gebracht worden, mits een wachttijd wordt inachtgenomen.

Troisièmement, les joueurs qui utilisent des e-vouchers sont, comme tous les joueurs en ligne, identifiés par la Loterie Nationale, sur la base de leurs données du Registre national.

Collega’s, de combinatie van begrenzing, lage uitbetalingspercentages en online identiteitscontroles maken dat loterijspelen vandaag heel wat minder aantrekkelijk zijn om te worden misbruikt voor frauduleus geldgewin.

Uiteraard blijft waakzaamheid echter geboden. Ook op dat punt neemt de Nationale Loterij haar verantwoordelijkheid. Hoewel het door de beperkingen om lage bedragen ging, heeft het forensische systeem van de Nationale Loterij het afwijkende spelgedrag en de verdachte stromen immers geïdentificeerd. Bovendien heeft de Nationale Loterij ook tijdig melding gemaakt aan de bevoegde instanties.

De Nationale Loterij zal ook steeds haar volledige samenwerking verlenen aan elk lopend gerechtelijk onderzoek, niet enkel om mogelijk witwassen aan het licht te brengen, maar ook om waar mogelijk te helpen de bron van dergelijke zwarte geldstromen te detecteren.

Chers collègues, nous sommes également confrontés à ce défi croissant au niveau politique. Sous la présidence belge, un nouveau règlement et une nouvelle directive anti-blanchiment ont été adoptés. Cette nouvelle réglementation ne fait pas seulement entrer le secteur des cryptomonnaies, qui présente des risques de blanchiment, dans le champ d'application, mais elle renforce également les règles et les obligations pour les fournisseurs de jeux.

De strijd tegen fraude en witwassen is immers de strijd van onze samenleving tegen mensen die door misleiding en misbruik aan hun verplichtingen willen ontsnappen. De in de pers geschetste feiten tonen aan dat die strijd elke dag moet worden voortgezet, zonder enig onderscheid.

Stefaan Van Hecke:

Mijnheer de minister, u legt uit dat de loterijspelen minder aantrekkelijk zijn door de ingebouwde grendels. Dat belet echter niet dat men met kleinere bedragen gedurende vele jaren een heel groot bedrag kan witwassen. De vraag rijst waarom die grendels en die controlemechanismen niet hebben gewerkt. U hebt daar geen duidelijk antwoord op gegeven. We zullen daar later op terugkomen.

Collega’s, we zouden er bijna compassie mee hebben: een Europees commissaris met een loontje van amper 20.000 euro per maand die blijkbaar nog extra geld nodig heeft om te kunnen leven. Het verbaast me niet van de heer Reynders. In 2011 heb ik gezien hoe hij op een ongeziene manier de afkoopwet door het Parlement heeft gejaagd. Die wet stelt grote fraudeurs in staat om aan Justitie te ontsnappen door een geldsom te betalen.

We hebben Kazachgate gehad waarin MR-prominenten de hoofdrol speelden. De cirkel is rond. Het enige waarin Reynders niet is geslaagd, is een naamsverandering: van MR, mouvement réformateur, naar MB, mouvement du blanchiment .

Voorzitter:

We kunnen tijdelijk geen beroep doen op de aftelklok om de spreektijd te volgen. Ik ben daarom verplicht enige tolerantie aan de dag te leggen totdat het tijdsein is hersteld.

Lode Vereeck:

Mijnheer de minister, uw antwoord stelt me niet gerust. U blijft erbij dat er op vijf jaar tijd maar een melding en dus een geval van misbruik zou zijn geweest. Dat is onmogelijk.

Collega’s, het vermoeden van onschuld is een basisprincipe van de rechtsstaat. Aangezien het dossier over de mogelijke witwaspraktijken echter gelekt is en het een bekende politicus in België en de EU betreft, straalt dit zeer negatief af op het politieke bestel. Omdat het een voormalig minister van Financiën en oud-eurocommissaris van Justitie betreft, die de strijd tegen corruptie en witwassen moest leiden, willen wij dat dit snel en krachtdadig wordt aangepakt. Het moet vooral snel gaan om het vertrouwen van de bevolking in onze instellingen te herstellen. Het gerecht is echter niet bepaald snel in dit soort zaken. Denk maar aan Qatargate met de honderdduizenden euro’s aan cash steekpenningen die bij PS-europarlementsleden werden gevonden. We wachten nog steeds op een eventuele veroordeling in die zaak. Er moet dus snel een uitspraak komen. (…)

Voorzitter:

De klok is intussen hersteld. U hebt dus pech, want uw minuut is op. U bent zo in uw tekst opgegaan dat u niet hebt gemerkt dat de technologie hersteld was.

Sofie Merckx:

Monsieur le ministre, merci pour votre réponse même si elle ne comportait pas beaucoup de détails sur l'affaire précise.

Je voulais tout d'abord faire remarquer qu'il y a deux semaines, il y a eu soupçon de fraude au CPAS d'Anderlecht, et que là, le MR était sur le pont. Mais aujourd'hui, quand il s'agit de votre propre parti, on ne dit rien et on n'entend rien.

On a déjà eu le Kazakhgate, le Qatargate. Aujourd'hui on a le Subitogate. Il est clair qu'en Belgique on a un vrai problème avec la corruption en politique.

(…) : (…)

Sofie Merckx:

Vous connaissez le GRECO. Vous n'aimez pas quand on dit cela. Vous êtes fort silencieux en tous cas. On ne vous entend pas sur M. Reynders.

Le PTB va redéposer une proposition de loi. Ce sont des recommandations du GRECO pour la lutte contre la corruption et contre les conflits d'intérêts en politique, que ce soit au niveau du patrimoine ou au niveau du lobby. Il faut vraiment que cela change.

Jean-Marie Dedecker:

Mijnheer de minister, sorry, maar ik zal het niet over de heer Reynders hebben. Ik zit hier immers al een kwarteeuw en als ik iedereen die in verdenking is gesteld, moet opnoemen dan zou ik een halfuur nodig hebben.

Ik zal het hebben over de Nationale Loterij. In de regeringsonderhandelingen is er sprake van het afschaffen van de Kansspelcommissie. Het enige orgaan dat controles uitvoert, wilt u nu afschaffen in het kader van de onderhandelingen over een nieuwe regering. De Nationale Loterij ontsnapt daar al jaren aan. Zij doet waarin zij goesting heeft en verkoopt 22 soorten krasloten. Morgen komt er waarschijnlijk een rush op de krasloten, want zij maken zwart geld wit. Dat is het gevolg van wat Reynders doet, maar u doet niets. U wacht af en u zult in de regeringsonderhandelingen bekijken wat zij die dat aanklagen, zij die controle uitoefenen op de private sector waar quasi niets meer gebeurt… Die mensen wilt u niet toelaten bij de Nationale Loterij. Geef daar eens uitleg (…)

(Applaus van de PVDA-PTB-fractie)

Voorzitter:

Dank u wel, mijnheer Dedecker.

Ik heb de indruk dat, als we collega Dedecker een regering zouden laten vormen, dat iets sneller zou gebeuren, want hij weet bizarre coalities tot stand te brengen. Misschien meldt zelfs collega Aouasti zich aan. Dat zullen we nu vaststellen.

Khalil Aouasti:

Monsieur le ministre, argent et politique: il n’en faut pas plus, finalement, pour que l’image du politique soit à nouveau ternie. Il convient donc de traiter cette affaire avec diligence et célérité. Avec célérité car il ne faudrait pas que cette affaire jette l’opprobre sur la Loterie, qui est connue pour apporter un soutien important aux bonnes causes, au tissu social et associatif, qu’il s’agisse de clubs sportifs, de culture, d’actions de solidarité ou autres. Mais avec diligence aussi car il n’est pas exclu, en fonction des développements de l’affaire et des accords de gouvernement – dont on apprend finalement certains passages aujourd'hui –, que nous ayons à nous revoir ici-même afin de faire la pleine lumière sur celle-ci et sur votre politique en matière de lutte contre la fraude. Cela inclut l’analyse des outils mis en place par les opérateurs privés et par la Loterie Nationale, qui doivent permettre de mettre en œuvre des procédures efficaces devant rendre impossible toute fraude telle que celle qui a été dénoncée. Je vous remercie.

De Belgische militaire steun aan Oekraïne na 1 januari 2025

Gesteld aan

Ludivine Dedonder

op 5 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Belgische steun aan Oekraïne dreigt vanaf 1 januari 2025 te stoppen door ontbrekende budgettaire voorzieningen (geen hernieuwing gelden uit bevroren Russische activa) en een caretaker-regering die enkel beperkte beslissingen kan nemen. Minister Dedonder bevestigt dat militaire hulp (1,2 mjd tot nu) en training (3.000+ soldaten) doorgaan in afwachting, met twee nieuwe wapenpakketten (luchtverdediging, drones) en plannen voor 2025-training, maar een structureel fonds vereist een volwaardige regering. De Smet benadrukt de kritieke noodzaak om Oekraïne—geconfronteerd met Amerikaanse terugtrekking en Europese vermoeidheid—voldoende te steunen om niet te verliezen of sterker te onderhandelen, met een oproep tot snelle actie begin 2025. Een Europees fonds (vanaf maart) met Belgische defensieprojecten biedt deels soelaas.

François De Smet:

Madame la ministre, une commission des Finances s'est réunie cette semaine pour examiner le projet de loi de finances 2025, bien sûr en douzièmes provisoires. Il a été noté, au cours des débats, notamment grâce à la Cour des comptes, que la provision "Ukraine" prévue dans ce budget couvrait uniquement les dépenses sociales pour l'aide aux réfugiés, à l'exclusion de nouvelles dépenses militaires. Plus précisément, durant la discussion, la secrétaire d' État au Budget a précisé que l'utilisation des recettes fiscales perçues sur les avoirs russes gelés avait été inscrite au budget 2024 en one shot et ne pouvait donc être rétablie en 2025. Voilà qui a inquiété plusieurs parlementaires.

En effet, sauf erreur de ma part, à moins que vous ne me démentiez, si rien ne se passe, il faudrait en déduire qu'à partir du 1 er janvier 2025, dans le cas où un gouvernement de plein exercice n'entrait pas entre-temps en fonction et qu'aucune initiative ne fût prise par le gouvernement en affaires courantes, la Belgique pourrait cesser d'apporter toute aide militaire à l'Ukraine. Voilà qui serait fort inquiétant, puisque c'est une période-clef qui s'ouvre pour la guerre en Ukraine. Beaucoup espèrent qu'elle s'achèvera en 2025. De plus, nous savons que le retrait des États-Unis va devoir responsabiliser davantage encore les Européens. Ce n'est donc sans doute pas le moment de diminuer notre aide, mais bien au contraire d'imaginer de la renforcer.

Madame la ministre, mes questions sont assez simples. Corroborez-vous l'analyse de la Cour des comptes et de la secrétaire d'État au Budget? Quelle aide s'arrêtera-t-elle à partir du 1 er janvier 2025? Laquelle pourra continuer? Enfin, quelle initiative avez-vous prise ou pouvez-vous encore prendre en affaires courantes pour éviter une rupture dans le soutien dont notre pays doit témoigner envers l'Ukraine?

Ludivine Dedonder:

Monsieur De Smet, depuis le début du conflit, la Belgique a apporté un soutien militaire et logistique considérable à l'Ukraine, à hauteur de 1,2 milliard d'euros. Cela inclut la fourniture d'armements variés ainsi que du matériel non létal sur les propres stocks de notre Défense, par des achats auprès de notre industrie de sécurité et de défense ou encore par des participations à des initiatives européennes. Par ailleurs, nous accueillons toujours des patients ukrainiens à l'Hôpital Militaire Reine Astrid et nous formons activement les militaires ukrainiens dans différents domaines (terrestre, maritime et aérien); ils sont aujourd'hui plus de 3 000 militaires ukrainiens à avoir été formés par la Belgique.

Même en affaires courantes, l'aide à l'Ukraine se poursuit, que ce soit en livraison de matériel ou en formation. Je présenterai encore au Conseil des ministres de ce vendredi deux nouveaux paquets d'aide militaire: la livraison de systèmes de défense antiaérienne et de drones de reconnaissance.

En ce qui concerne la création d'un fonds spécifique en 2025, sa mise en place et son financement relèvent, en effet, de la responsabilité d'un gouvernement de plein exercice qui devra définir la part qui revient à l'aide militaire. Sachez que dans les compétences qui sont les miennes, j'ai d'ores et déjà intégré dans le plan Opérations 2025 les moyens nécessaires à la formation et à l'entraînement des soldats ukrainiens. Ce dossier sera présenté en commission le 11 décembre. En outre, un fonds européen, financé par les avoirs russes gelés, pourrait être mobilisé dès le mois de mars pour des projets définis en concertation avec l'Ukraine. Nous avons été sollicités pour présenter des projets qui sont portés avec nos entreprises belges de sécurité et de défense et que j'ai évidemment rentrés dans ce cadre.

Nous devons rester pleinement (…)

François De Smet:

Madame la ministre, je vous remercie pour votre réponse. Je crois en effet que vous faites ce que vous pouvez dans le cadre des affaires courantes en préparant même ce qu'il sera possible de faire en 2025. Beaucoup de choses reposeront sur la bonne volonté du gouvernement suivant s'il advient rapidement. Il ne faut pas sous-estimer le défi qui se trouve devant nous. Avec le retrait américain possible, avec la démobilisation possible des Européens, il est de notre devoir d'aider l'Ukraine soit à ne pas perdre la guerre, soit à au moins arriver à une table des négociations dans le meilleur état possible. Une députée européenne française, Nathalie Loiseau, a résumé la situation en disant: "Nous avons aidé l'Ukraine à moitié. Nous les avons aidés assez pour ne pas perdre la guerre mais nous ne les avons pas aidés assez pour la gagner." Il faut donc que nous soyons au rendez-vous dans ces premières semaines de 2025. J'espère que le prochain gouvernement, Arizona ou non, en sera très rapidement conscient.

De pakkans

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)

op 5 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de onvoldoende pakkans en controles op dronken rijden, ondanks de stijging van 25% sinds 2018, met kritiek op de lage nachtelijke controles (35% nodig voor effect) en oproepen tot nultolerantie, strengere strafmaatregelen (puntenrijbewijs, recidive) en mentaliteitswijziging. Minister Verlinden benadrukt prioriteit voor politiecontroles, betere justitiële opvolging en sensibilisering, maar De Knop eist meer budget en daadkracht om de pakkans te verhogen en "Tom Dwaes-gedrag" tegen te gaan. Partijstandpunten en onderhandelingsgewicht spelen een cruciale rol in verdere maatregelen.

Voorzitter:

Dit thema is weliswaar gisteren in de commissie aan bod gekomen, maar ik vond dat er sedertdien voldoende nieuwe elementen waren om er opnieuw een vraag over te kunnen stellen.

Irina De Knop:

Mevrouw de minister, dronken achter het stuur kruipen, is idioot en onverantwoordelijk. We maken elke dag elf ongevallen mee, waarbij mensen die zwaar geïntoxiceerd zijn, toch nog achter het stuur kruipen. Dat gedrag moet er natuurlijk uit.

Mevrouw de minister, dat wordt bereikt met controles. Uit alle mogelijke cijfers blijkt nu echter dat de pakkans gewoon te laag is. Het tv-programma Pano maakte dat een aantal weken geleden nogmaals bijzonder tastbaar.

Laten we een kat een kat noemen. Om te weten dat nauwelijks wordt gecontroleerd, hebben we zelfs geen cijfers nodig. We weten dat allemaal. Iedereen die met de auto rijdt, ondervindt dat. De kans is bijna nul. De getuigenis van de Aalsterse politierechter maakte dat trouwens nog eens pijnlijk duidelijk. Hij gaf aan dat hij op dertig jaar tijd nog geen enkele controle had gehad.

Mevrouw de minister, dat is natuurlijk de verantwoordelijkheid van de minister van Binnenlandse Zaken. U bent bevoegd voor de werking van de politie. U moet ervoor zorgen dat er controles zijn en dat die controles ook gebeuren op momenten die ertoe doen. Uit studies blijkt namelijk dat 35 % van alle controles ’s nachts moet gebeuren om een echte gedragsverandering te kunnen bewerkstelligen.

Collega’s, de nultolerantie ligt vandaag op de onderhandelingstafel. We weten dat drie van de vijf arizonapartijen tegen zijn. Voor ons is dat terecht. We moeten in de eerste plaats nultolerant zijn voor mensen die dronken willen rijden.

Mevrouw de minister, we hopen dat u tijdens de onderhandelingen gewicht in de schaal kan leggen. Vertel ons het volgende.

Wat is het standpunt van uw partij?

Hoe gaan we Tom Dwaesgedrag het best tegen?

Voorzitter:

Mevrouw De Knop, ik dank u voor uw vraag, hoewel ik meen dat we hier het standpunt van de minister en de regering zullen krijgen veeleer dan het standpunt van een partij.

Annelies Verlinden:

Mevrouw De Knop, elk verkeersslachtoffer is er een te veel. Vaak kan inderdaad onnodig en onnoemelijk leed worden vermeden.

Dronken of onder invloed van drugs achter het stuur kruipen, is een misdrijf. Precies daarom, zoals ik gisteren nog toelichtte in de commissie voor Binnenlandse Zaken, is en blijft de problematiek van rijden onder invloed een prioriteit voor alle diensten van de politie. Zowel de lokale als de federale politie zetten zich dagelijks in om de verkeersveiligheid te verbeteren door gerichte controleacties uit te voeren, ook nu tijdens de winterbobcampagnes. Nog maar twee of drie weken geleden werd hier in het Parlement gesteld dat er veel te veel controles plaatsvinden, dat de boetes geen cashcows mogen zijn en dat we verkeersveiligheid dus misschien op een andere manier moeten aanpakken. In dat opzicht verraste de vraag die ik vandaag kreeg mij ietwat. In elk geval is het aantal politiecontroles sinds 2018 gemiddeld gestegen met 25 %. Het moet ook absoluut de bedoeling zijn om die stijgende lijn in de komende jaren voort te zetten.

Ook de snelle en kordate bestraffing en opvolging door Justitie is een belangrijke schakel. Het is dan ook goed dat Justitie in de afgelopen legislatuur het nodige bedrag heeft vrijgemaakt voor de aankoop van speeksel- en andere tests die ter beschikking gesteld worden van de politie om voldoende controles te kunnen uitvoeren.

We hebben echter, zoals u zei, echt een mentaliteitswijziging nodig. Het moet voor iedereen duidelijk zijn dat onder invloed van drank of drugs achter het stuur kruipen, echt uit den boze is. Iedereen moet zich bewust zijn van die maatschappelijke verantwoordelijkheid. Ook sociale controle is dus een belangrijke stap om tot die broodnodige mentaliteitswijziging te komen. Dat kunnen we doen door de invoering van het rijbewijs met punten en een strengere bestraffing, niet het minst bij recidive, maar ook sensibiliseringscampagnes met impact en, waarom niet, beter openbaar vervoer of een alcoholslot in voertuigen. Ik zal dat ook blijven benadrukken aan de onderhandelingstafel, want ik wil er in ieder geval alles aan doen om elk slachtoffer in de toekomst te vermijden.

Irina De Knop:

Het is inderdaad een belangrijk maatschappelijk debat. Ik had verwacht dat collega Vandenbroucke aanwezig zou zijn, want hij had volgens mij een vraag ingediend met betrekking tot dat thema. Het is alleszins duidelijk dat de arizonateugels steeds strakker worden aangespannen. Ik hoop oprecht dat u, mevrouw de minister, het gewicht in de schaal kan leggen dat nodig is om het aantal controles op te drijven en dus om meer budget voor de politie te verkrijgen om die controles te kunnen waarmaken. Het moet duidelijk zijn: ook ik heb geen enkele tolerantie voor wie dronken achter het stuur kruipt. Wie niet horen wil, moet voelen. Dat kan alleen door de pakkans te vergroten. We moeten dat samen waarmaken.

De duurzaamheid van de nieuwe politie-uniformen

Gesteld door

lijst: PS Sophie Thémont

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)

op 4 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België werkt aan een nieuw duurzaam politie-uniforme, met een goedgekeurd ontwerp voor de tactische tenue en lopende aanbestedingen, waarbij milieu-eisen (productie, recyclage) in de selectiecriteria worden opgenomen. De oplevering is gepland voor 2026, met aanpassingen aan bestaande contracten om vertraging te voorkomen. De minister bevestigde dat duurzaamheid centraal staat, maar concrete criteria zijn nog niet definitief vastgelegd.

Sophie Thémont:

Madame la ministre, vous aviez lancé, sous la précédente législature, un important chantier afin de revoir l'identité visuelle de la police intégrée. Au sein de ce chantier figurait notamment le développement d'un nouvel uniforme pour nos policiers, mieux adapté aux réalités du terrain et aux évolutions technologiques.

Une question me semble essentielle: celle de la durabilité de ces nouveaux uniformes. En 2017, mon groupe avait ainsi fait adopter par la Chambre une résolution qui recommandait aux pouvoirs publics et aux entreprises publiques d'envisager l'utilisation de vêtements qui répondent aux principes de l'accord sur la protection contre les incendies et la sécurité des bâtiments au Bangladesh pour les vêtements officiels.

À l'instar des mesures prises par la Défense, pourriez-vous m'indiquer où en est le développement de ce nouvel uniforme? Dans ce processus, la question de la durabilité a-t-elle été intégrée tant pour leur production que pour le recyclage des actuels uniformes?

Annelies Verlinden:

Chère collègue Thémont, la police intégrée travaille actuellement à l'appel d'offres ainsi qu'à la poursuite de la mise en œuvre des marchés publics pour l'achat de pièces pour le nouvel uniforme. La norme visuelle pour la tenue tactique du nouvel uniforme vient d'être validée par les différentes instances décisionnelles. Elle servira de fondement à la réalisation des marchés publics pour l'acquisition et l'approvisionnement des différentes pièces de cet uniforme.

En ce qui concerne la procédure d'appel d'offres, les critères d'attribution n'ont pas encore été définis. La question de la durabilité sera bien envisagée dans ces mêmes marchés publics ainsi que dans les processus de gestion de l'uniforme actuel. Afin d'accélérer le projet, la police va adapter les marchés existants ou quasi finalisés, dans l'objectif d'aboutir d'ici à 2026.

Sophie Thémont:

Merci madame la ministre. Vous avez répondu à toutes mes questions sur les critères de la durabilité.

Het toenemende drugsgeweld
De zoveelste nachtelijke ontploffing in Antwerpen en het escalerende drugsgeweld
De bomaanslag op een supermarkt in Antwerpen
Drugsgerelateerd geweld en aanslagen in Antwerpen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)

op 4 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Na twee recente drugsgerelateerde aanslagen in Antwerpen (explosie bij een woning en benzinebommen in een Colruyt) dringt Ortwin Depoortere aan op versterkte repressie en coördinatie, met meer middelen voor politie (FGP), DOVO en een nationaal drugsplan om de versnipperde lokale/plannen (bv. Stroomplan Antwerpen) te bundelen, en benadrukt hij dat drugs illegaal moeten blijven. Minister Verlinden wijst op reeds genomen maatregelen (drugscommissariaat, havenbeveiliging, bestuurlijke handhaving, precursorencontroles) en pleit voor een multidisciplinaire aanpak (preventie, repressie, volksgezondheid), maar erkent dat extra budget en tijd nodig zijn, ook voor alternatieve drugssmokkelroutes. Beide onderstrepen de urgentie van betere samenwerking tussen lokale/federale overheden en justitie, zonder zwartepiet-doorspel, terwijl Depoortere een hardere lijn eist tegen drugscriminaliteit en de minister structurele versterking belooft via lopende regeringsonderhandelingen. Conclusie: Drugsgeweld vraagt om een gecoördineerde, repressieve *en* preventieve aanpak, met meer middelen en een centraal sturend plan.

Voorzitter:

Mevrouw Daems laat zich verontschuldigen.

Ortwin Depoortere:

Mevrouw de minister, twee incidenten volgden elkaar kort op. In de nacht van 21 op 22 november was er een explosie tegen de gevel van een woning in het Antwerpse district Deurne. Die zou te maken hebben met de drugsoorlog, volgens de media. Daarnaast was er ook een ophefmakende aanslag waarbij in een winkel van Colruyt benzinebommen werden gegooid. Ook dat doet de politie vermoeden dat het gaat om incidenten in de drugswereld.

Mevrouw de minister, deze feiten volgen elkaar snel op, maar ze worden ook niet gestopt. Ik heb u naar cijfers gevraagd, maar als u mij die op een later tijdstip schriftelijk kunt bezorgen, is dat voor mij ook goed.

Ik wil vooral weten of wij extra ondersteuning bieden aan de lokale politiezones en in het bijzonder aan de lokale politiezone van Antwerpen. Dit deint verder uit naar de omliggende politiezones. Zult u extra personeel inzetten voor de FGP, maar misschien ook middelen voor de ontmijningsdienst DOVO?

We zijn twee keer aan een ramp ontsnapt. Het had veel erger kunnen zijn. In de Colruytwinkel bleef het gelukkig alleen bij materiële schade. Ik denk niet dat we moeten wachten tot er onschuldige dodelijke slachtoffers vallen.

Mevrouw de minister, wat zult u hieraan doen?

Annelies Verlinden:

Mijnheer Depoortere, we hebben al heel wat gedaan en we weten dat we die strijd moeten voortzetten. Die strijd vereist niet alleen een gerichte aanpak van de meest samenhangende geweldcriminaliteit, maar ook een voortdurende inzet om de onderliggende productie en handel aan te pakken.

De evolutie van het globale drugsfenomeen is verontrustend. Er kan evenwel niet worden ontkend dat er tijdens deze legislatuur beslissingen werden genomen ter versterking van de FGP en de federale politie, waaronder ook de spoorwegpolitie. Ik wijs ook op de oprichting van het havenbeveiligingskorps in de haven van Antwerpen en de creatie van het drugscommissariaat. Die elementen maken ook deel uit van de regeringsonderhandelingen.

Ook werd het zogenaamde drugsfonds gecreëerd, ter ondersteuning van de multidisciplinaire aanpak van het drugsprobleem, met niet alleen aandacht voor bestuurlijke of gerechtelijke handhaving, maar ook voor preventie en de impact op de volksgezondheid.

Het is belangrijk dat wij middelen blijven investeren in onder meer de bescherming van onze logistieke hubs, zoals de haven van Antwerpen, maar ook andere hubs waarlangs drugs ons land worden ingevoerd.

We hebben ook de wet bestuurlijke handhaving goedgekeurd die bijkomende instrumenten geeft aan lokale besturen om de georganiseerde criminaliteit aan te pakken. We hopen ook dat tijdens de nieuwe legislatuur de lokale besturen met die instrumenten aan de slag kunnen gaan.

Tegelijkertijd werden verschillende arrondissementele drugsplannen uitgewerkt om de inspanningen van alle veiligheidsdiensten te verhogen en te coördineren. Ik kan verwijzen naar het Stroomplan in Antwerpen, het Globaal Veiligheids- en Preventieplan in Brussel en het drugsplan van de federale politie, die alle bijdragen aan de strijd tegen drugsgerelateerd geweld. Bovendien ben ik ervan overtuigd dat de aanpak van de criminaliteit een multidisciplinaire aanpak over alle bevoegdheidsdomeinen en -niveaus heen vergt, waarbij de lokale besturen ook een belangrijke bijdrage kunnen en moeten leveren.

Die initiatieven leveren resultaten op. Dat merken we ook in de vermindering van het aantal inbeslagnames van cocaïne in de haven van Antwerpen. We mogen echter niet naïef zijn. De kans is groot dat ook andere transportmodi worden gebruikt om drugs binnen te brengen.

Die initiatieven, die mijns inziens moeten worden voortgezet en versterkt, vragen tijd en budget. Ik steun dan ook het idee om bepaalde verbeurdverklaarde criminele opbrengsten te gebruiken om de werking van justitie en de federale politie nog beter te financieren.

De statistieken die u vraagt of hebt gevraagd, kan ik moeilijk binnen het beschikbare tijdsbestek ter beschikking stellen. Ik zou u daarom willen verzoeken een schriftelijke vraag in te dienen.

Ik kan u alleszins bevestigen dat de FGP reeds geruime tijd extra inspanningen levert om de strategische beeldvorming rond ernstig drugsgerelateerd geweld te versterken. Dat gebeurt samen met het drugscommissariaat.

De informatie die u vraagt over de aanslag op het warenhuis in Antwerpen maakt het voorwerp uit van een gerechtelijk onderzoek. De magistratuur zou daarover eventueel mededelingen kunnen doen, wanneer ze dat gepast zou achten.

Inzake DOVO moet ik u melden dat de dienst onder de bevoegdheid van mijn collega-minister van Defensie valt. Mogelijk moeten we bekijken op welke manier we een en ander in de toekomst kunnen uitbreiden. Dat valt echter binnen haar bevoegdheid.

Om de productie en het gebruik van zelfgemaakte explosieven te voorkomen, kan ik u melden dat één manier om homemade explosives te maken, het gebruik van precursoren is. Teneinde de vervaardiging van zelfgemaakte explosieven met dergelijke precursoren te voorkomen, zijn handelsondernemingen verplicht het nationaal contactpunt van de federale politie in kennis te stellen van alle informatie over verdachte handelingen, diefstallen en niet-traceerbare verdwijningen van precursoren. Ze zijn opgenomen in lijsten als bijlage van een EU-Verordening uit 2019. Bovendien is het niet toegestaan voor particulieren om dergelijke precursoren te kopen, in het bezit te hebben of het land binnen te brengen.

Dat is echter niet de enige mogelijkheid om explosieven te vervaardigen. Er kunnen ook andere materialen worden gebruikt door criminelen, zoals pyrotechnische producten. Ondanks de Belgische wetgeving zijn die producten verkrijgbaar in andere landen en op het internet, waardoor ze bijzonder moeilijk te controleren zijn.

Ortwin Depoortere:

Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord. Wat de cijfers betreft, ik had in mijn vraagstelling al gezegd dat ik daarover een schriftelijke vraag zou indienen. Dat zal het inderdaad gemakkelijker maken om hierover te debatteren in de commissie.

Ik heb twee zaken genoteerd waaraan ik belang hecht. Ten eerste, u had het over de multidisciplinaire aanpak. Ik volg u daarin, zeker als het gaat over preventie, maar ik volg ook de redenering dat de beste preventie is om drugs uit de legaliteit te halen. Wij moeten geen pleidooi houden om drugs te decriminaliseren. Integendeel, wij moeten drugs in de illegaliteit houden. Ook drugsgebruikers hebben een heel grote verantwoordelijkheid wanneer het gaat over de strijd tegen de drugshandelaars. Ik hoop dat u die mening deelt.

Ten tweede, wat betreft de multidisciplinaire aanpak, ik hoor u graag spreken over preventie en repressie, maar van dat laatste moet meer werk worden gemaakt. Het is niet enkel de taak van de politiediensten, maar ook van de parketten en van DOVO, binnen de bevoegdheden van Defensie. De aanstelling van een nationale drugscommissaris was een stapje in de goede richting, maar we zijn al zover gevorderd in deze drugsoorlog en in de strijd daartegen dat we echt op nationaal niveau een globaal drugsplan moeten maken.

U geeft een hele opsomming van alle drugsplannen die er bestaan, van het Stroomplan in Antwerpen tot het Kanaalplan in Brussel en tot een drugsplan van de federale politie. Misschien is het hoog tijd om allemaal samen aan één zeel te trekken en een groot globaal drugsplan te maken. We kunnen daar zeker nog stappen vooruit zetten. Nu heb ik soms de indruk dat men de zwartepiet doorspeelt, zeker in Antwerpen. Als er daar iets gebeurt, wijst men met de vinger naar het federale niveau, want Antwerpen kan het niet meer aan. Omgekeerd wordt er soms ook gezegd dat het in de eerste plaats de taak van een lokale politiezone is. Aan dat soort zwartepieten heeft niemand een boodschap, zeker de bevolking niet. We moeten meer doen om die strijd beter te coördineren en dat moet worden gedaan door de minister van Binnenlandse Zaken in een volgende regering.

Voorzitter:

Vraag nr. 56001066C van mevrouw De Vreese wordt omgezet in een schriftelijke vraag.

De controles op alcohol in het verkeer
Het aantal alcohol- en drugscontroles door de politie
Het aantal alcohol- en drugscontroles door de politie
Alcohol- en drugscontroles in het verkeer

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken), Georges Gilkinet

op 4 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de aanpak van alcohol in het verkeer, met als kernpunt dat de pakkans omhoog moet om ongevallen te verminderen, maar dat gebrek aan centrale registratie van controles (slechts 6 van 113 zones halen de doelstelling van 34% weekendnachtcontroles) en regionale verschillen (o.a. door justitiële prioriteiten en capaciteitsproblemen) gerichte actie bemoeilijken. Minister Verlinden bevestigt dat meer controles effect hebben en wijst op stijgende cijfers bij de federale politie (+30% sinds 2018), maar benadrukt dat lokale zones niet verplicht zijn cijfers te delen—een structureel probleem dat ze via een oproep aan alle zones hoopt aan te pakken. Mentaliteitswijziging en betere samenwerking met justitie blijven cruciaal. Kritiek blijft dat een verplichte centrale registratie en verhoogde controles (met name ’s nachts) dringend nodig zijn, maar concrete stappen ontbreken nog. Capaciteitstekorten en gebrek aan uniform beleid vormen de grootste obstakels.

Wouter Raskin:

Ik wil even teruggrijpen naar een Pano -reportage. Ik heb het niet over degene die laatst zoveel ophef maakte, maar wel over de reportage over verkeersveiligheid, meer bepaald over alcohol in het verkeer. Vooral tijdens weekendnachten gaat het er niet zo goed aan toe, dat hebben we de afgelopen dagen nog kunnen zien. We weten al langer dan vandaag wat de remedie is: meer controleren. De pakkans moet omhoog. Het bleek echter dat we een beetje blindvaren, want cijfers over het aantal controles, die bij de politiezones zitten, worden nergens centraal geregistreerd en geanalyseerd. Daardoor is het heel moeilijk om gericht actie te ondernemen.

Tussen die verschillende politiezones zitten ook grote verschillen. Sommige zones zetten immers zwaar in op verkeersveiligheid, andere veel minder. Vias heeft ook berekend dat 34 % van de controles tijdens weekendnachten zouden moeten plaatsvinden om het risico op rijden onder invloed effectief terug te dringen. Uit cijfers van BOB-campagnes, die dan nog maar een stukje van het jaar beslaan, blijkt dat amper 6 van de 113 zones in Vlaanderen en Brussel dat percentage haalden. Dat brengt me toch bij een aantal vragen.

Bent u het eens dat de pakkans in de eerste plaats omhoog moet om het probleem van alcohol in het verkeer effectief aan te pakken?

We konden ook zien dat de kans op een alcoholgerelateerd ongeval heel erg verschilt van provincie tot provincie. In bepaalde Oost- en West-Vlaamse arrondissementen is de kans meer dan dubbel zo groot als in andere regio's in Vlaanderen. Is dit een gevolg van een gebrek aan controles of ziet u nog andere oorzaken die deze verschillen kunnen verklaren

Politiezones zijn niet geneigd om cijfers vrij te geven over het aantal door hen uitgevoerde controles. Er is ook geen centrale registratie en analyse van die cijfers, waardoor gerichte actie dus bemoeilijkt wordt. Lijkt het u aangewezen, mevrouw de minister, om een centraal register van het aantal controles op poten te zetten?

Ten slotte situeert het grootste probleem zich tijdens de weekendnachten. Net dan wordt er immers minder gecontroleerd. Bovendien is het aantal controles sterk gedaald. De controles door de federale wegpolitie zijn ook gedaald, deels door het personeelstekort. Hoe is het personeelsbestand de afgelopen legislatuur geëvolueerd en wat zijn de vooruitzichten op dat vlak?

Frank Troosters:

Ik verwijs naar dezelfde reportage van het programma Pano waaruit blijkt dat het aantal ongevallen onder invloed van alcohol sinds 2018 met 8 % is gedaald, maar dat het procentuele aandeel van ongevallen waarbij alcohol in het spel was, vergeleken met het totale aantal ongevallen helaas ongewijzigd bleef. De reportage toonde aan dat de federale overheid geen zicht heeft op het totale aantal uitgevoerde verkeerscontroles op alcohol.

Dat verbaasde mij niet. Destijds heb ik uw voorganger, minister De Crem, daar reeds over ondervraagd en hij had toen al dat probleem aangegeven. In het begin van uw ambtstermijn heb ik u daarover ook een schriftelijke vraag gesteld waaruit dat euvel bleek. Daarnaast bleek uit de reportage van Pano ook dat er opmerkelijke regionale verschillen werden vastgesteld inzake ongevallen die alcoholgerelateerd zijn.

Ik heb eerst een evidente vraag. Of het antwoord zal alvast evident zijn. Is er volgens u een verband tussen het aantal uitgevoerde alcoholcontroles, met andere woorden de pakkans, en het aantal ongevallen waarbij alcohol in het spel is?

Bestaat er volgens u een verband tussen het aantal alcoholgerelateerde ongevallen en het tijdstip waarop alcoholcontroles worden uitgevoerd?

Hoe verklaart u de grote regionale verschillen inzake alcoholgerelateerde ongevallen?

Welke stappen hebt u gezet om tot een volledig beeld, met inbegrip van de controles van de lokale politiezones, te komen? Hoe en binnen welke termijn zult u ervoor zorgen dat het aantal alcoholcontroles zal verhogen?

Welke andere acties of maatregelen zult u nog nemen om het aantal alcoholgerelateerde ongevallen terug te dringen?

Annelies Verlinden:

Collega's, we kunnen niet genoeg herhalen dat elk verkeersslachtoffer, gewond of overleden, er een te veel is en dat we er met zijn allen alles aan moeten doen om slachtoffers te vermijden. Aan dat nodeloze leed, die trauma's en dat verlies kunnen we allen samen iets aan doen.

Ook de politie is zich terdege bewust van het feit dat we daaraan aandacht en prioriteit moeten geven en dat ook de pakkans een impact heeft op het gedrag van de gebruikers. Hoe hoger de pakkans, hoe positiever het effect op de verkeersveiligheid. Dat is jammer, want dat vraagt ontzettend veel capaciteit, maar zo is het nu eenmaal.

Algemeen wordt aangenomen dat de frequentie en het tijdstip van de controles het risico op alcohol- of drugsgerelateerde verkeersongevallen doen dalen. Het is dan ook volstrekt verkeerd om zomaar uit die Pano -reportage te besluiten dat de politiediensten het probleem van alcohol in het verkeer stiefmoederlijk zouden behandelen.

Onder meer in het Vlaams Parlement werd gezegd dat het raar is dat er geen cijfers zijn. Ik hoor dat graag zeggen, want het zijn de lokale zones die die informatie soms niet doorgeven aan de federale databanken. Ik heb al eerder gezegd dat ik niet de stief- of schoonmoeder van elke lokale politiezone ben. In bepaalde gevallen kunnen of willen zij die informatie niet delen. Dat heeft vaak te maken met de capaciteitskeuzes die moeten worden gemaakt voor het inzetten van effectieven.

Dat ligt mee aan de grondslag van het feit dat er geen algemene beeldvorming is. Ik ben het met u eens wanneer u zegt dat we moeten blijven zoeken naar manieren om die beeldvorming te verbeteren. Hoe beter de beeldvorming, hoe duidelijker de politiek immers kan zijn, wetende dat bijvoorbeeld ook de inzet van infrastructuur en dat soort zaken een impact kunnen hebben op de verkeersveiligheid.

Er zijn het hele jaar door alcoholcontroles, zowel tijdens gewone interventies als bij ongevallen. Sommigen onder u zijn misschien al gebotst op lokale, kleinere controles op alcohol in het verkeer, maar soms gaat het ook om grotere en aangekondigde acties. Er is zeker ook een verhoogde inzet tijdens de BOB-campagnes en de Weekends zonder alcohol en drugs achter het stuur. Dan wordt er heel gericht met heel veel diensten samengewerkt en wordt ook duidelijk het signaal gegeven dat drinken en drugs gebruiken niet samengaan met rijden.

Wat betreft de regionale verschillen, dient men rekening te houden met een verschil in plaatsgesteldheid tussen de regio's en de arrondissementen. Gerichte acties in landelijke gebieden waar het verkeer minder druk is, zullen uiteraard minder controles opleveren in vergelijking met acties die plaatsvinden langs een drukke weg.

Meestal wordt het verkeerscontrolebeleid bepaald in functie van de plaatselijke context, de vastgestelde veiligheidsfenomenen en het actieterrein van de politiediensten. De procureurs en justitie hebben daar een bijzondere impact op. We hebben in het verleden al gezien dat de procureurs in Oost-Vlaanderen, Limburg of in het zuiden van het land andere richtlijnen geven. Soms verschillen ook de opgelegde sancties. Het gaat immers om strafvervolging en de procureurs en justitie bepalen dan het beleid. Dat hangt dus niet enkel af van de inzet van de politiediensten. Die zijn in die gevallen vaak de uitvoerder van het beleid dat door justitie wordt bepaald.

Het is uiteraard te betreuren dat de zones die informatie niet steeds ter beschikking stellen voor een volledige registratie, want dat is nodig om regionale verschillen te kunnen verklaren. Om het algemene controlebeleid nog beter aan te pakken moeten de controleacties inzake alcohol en drugs geregistreerd worden. We hebben dat al voorzien in de COL 8/2006.

Er zijn zeker politiezones die die cijfers heel nauwgezet bezorgen. Het is dus niet zo dat er geen enkele centrale registratie is, maar het kan nog veel beter. Dat is ook de reden waarom ik dat nog heb besproken met de Vaste Commissie van de Lokale Politie. Er zal een schrijven worden gericht aan alle zones met de vraag om de cijfers nauwgezet door te geven en ter beschikking te stellen voor verdere analyse, zodat de beeldvorming kan verbeteren.

Specifiek voor wat de federale wegpolitie betreft, kan ik nog melden dat het aantal wegcontroles sinds 2018 is gestegen. Na richtlijnen op directieniveau is een recordaantal controles bereikt in 2022, namelijk 298.796 controles. In 2023 was er een nieuw record: 320.634 controles. Dat betekent een stijging van 20 tot 30 % in vergelijking met de voorgaande jaren, en dat ondanks het feit dat we de capaciteit verder invullen, ook bij de federale wegpolitie.

Zoals u beiden gezegd hebt, doen de diensten er alles aan en onderschatten het probleem zeker niet. Ze blijven zich inzetten om de verkeersveiligheid te garanderen en gerichte controles uit te voeren. Ik herhaal dat de politie enkel het sluitstuk is. Met zijn allen hebben we een mentaliteitswijziging nodig. Het is absoluut onaanvaardbaar dat mensen nog achter het stuur kruipen als ze veel gedronken hebben of drugs gebruikt hebben. Zo brengen ze niet alleen hun eigen veiligheid, maar ook die van andere weggebruikers in het gedrang.

Wouter Raskin:

Mevrouw de minister, dank u voor uw uitgebreide antwoord. U zei dat ik wellicht ook al eens gecontroleerd ben. Ik moet u zeggen dat dit amper het geval is. Ik ben niet meer bij de allerjongsten, maar toch kan ik het aantal controles dat mij overkomen is makkelijk op de vingers van een hand tellen. Dat wil echter niet zeggen, mocht u het zo begrijpen, dat ik van oordeel ben dat de politiediensten alcohol in het verkeer niet ernstig nemen, integendeel. Daar ben ik mij zeer goed van bewust.

Het probleem is dat het een uitdaging blijft, gelet op de capaciteit en het feit dat er andere prioriteiten zijn, maar er is een positieve kentering merkbaar, heb ik u daarnet horen zeggen. Ik hoorde u ook zeggen dat al verschillende zones hun cijfers wel al goed publiek maken. Maar na de komma zei u bovendien dat er ook zijn die dat niet doen. Ik meen dat het opzetten van een centrale registratiebank, of iets dergelijks, anno 2025 toch geen rocketscience is. Dat is toch iets wat wij beter zouden organiseren.

Frank Troosters:

Mevrouw de minister, dank u voor uw antwoord. Vooreerst, ik zal zeker niet beweren dat de lokale politiezones het probleem van alcohol en drugs in het verkeer stiefmoederlijk behandelen. Ik heb toevallig vanochtend uit Hasselt alle cijfers gekregen van de politiezone LRH. Daar levert men echt wel schitterend werk. Die cijfers waren indrukwekkend. Toen de vivaldiregering aantrad, stond in de formatienota dat men de pakkans wou verhogen en dat men ernaar streefde jaarlijks een op de drie bestuurders te controleren. Sta mij dus mijn vraag toe: waar zitten wij nu? Dan kunnen wij over x aantal jaren zien waar wij eindigen. Ik heb moeten vaststellen dat er buiten de BOB-campagnes geen enkele verplichting was, en dat er bij de lokale politiezones alleen maar op aangedrongen kon worden hun cijfers door te geven. Ik moet nu zovele jaren later vaststellen dat dat blijkbaar nog steeds het geval is. Het is moeilijk om op die manier gericht en goed te kunnen werken. Het voorbeeld is terecht aangegeven door de heer Raskin. Ik heb hier ook voor mij liggen wat Vias berekend heeft. 34 % van de alcoholcontroles zou tijdens de weekendnachten moeten plaatsvinden om het aantal ongevallen met alcohol terug te dringen. Wij kunnen daarop niet gericht werken, omdat we niet weten of de lokale politiezones al dan niet aan dat percentage voldoen. Ik vraag u namens het Vlaams Belang nog twee punten om af te ronden. Maak, ten eerste, werk van een verhoogde pakkans en zorg dat er meer controles komen op drugs en alcohol in het verkeer. Ten tweede, maak werk van een verplichte gecentraliseerde registratie van de uitgevoerde controles.

De oproep tot geweld van Zaher al-Saket

Gesteld door

lijst: N-VA Darya Safai

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)

op 4 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Darya Safai kaart aan dat de Syrische generaal Zaher al-Saket, die op sociale media oproept tot genocide op Koerden, in België verblijft en vraagt om onmiddellijke vervolging en uitleg over zijn verblijfsstatuut. Minister Annelies Verlinden bevestigt dat veiligheidsdiensten een PV opstelden (sinds 1 december) en het dossier doorspeelden naar Justitie, maar verwijst voor verdere stappen en de verblijfsstatus naar de bevoegde collega’s. Safai benadrukt dat al-Saket gevaarlijk en vrij rondloopt en eist snelle actie, zowel juridisch als mbt zijn verblijf. De kwestie wordt doorverwezen naar de Justitie- en Asielcommissies voor verdere opvolging.

Darya Safai:

Mevrouw de minister, uit berichten op sociale media blijkt dat de Syrische terroristische brigadegeneraal Zaher al-Saket oproept tot het afslachten van Koerden in Aleppo. Bovendien blijkt dat deze terrorist momenteel in ons land verblijft.

Internationale mensenrechtenorganisaties, samen met de Belgische veiligheidsautoriteiten, moeten onmiddellijk actie ondernemen om hem voor de rechter te brengen op beschuldiging van het aanzetten tot moord en oproepen tot genocide.

Zijn de berichten op sociale media juist dat Zaher al-Saket momenteel woonachtig is in België?

Zaher al-Saket roept op tot geweld, wat hier bij ons strafbaar is. Er dient kordaat te worden opgetreden tegen dergelijke misdrijven. Welke concrete acties werden er ondertussen door uw diensten genomen tegen de betrokkene?

Hebt u overleg gepleegd met staatssecretaris voor Asiel en Migratie Nicole de Moor in verband met het verblijfsstatuut van de betrokkene? Als dat het geval is, kreeg ik graag wat meer duiding.

Annelies Verlinden:

Collega, de video waarnaar wordt verwezen is sinds 1 december bekend bij onze veiligheidsdiensten. Naar aanleiding ervan werd een proces-verbaal opgesteld dat werd doorgestuurd naar de bevoegde gerechtelijke autoriteiten. Het is nu aan hen om de nodige initiatieven te nemen. Voor verdere informatie verwijs ik u dan ook door naar mijn collega van Justitie.

Met betrekking tot uw vragen over de verblijfsstatus van de betrokkene verwijs ik naar mijn collega van Asiel en Migratie.

Darya Safai:

Mevrouw de minister, de politie heeft dus een pv opgesteld en het naar justitie gestuurd. Dat is zeer belangrijk, aangezien die man een crimineel is. Dat is wat we nu van hem krijgen. Het is zeer belangrijk dat dit vervolgd wordt. Ik zal dit verder onderzoeken in de commissie voor Justitie. Ook zijn verblijfsstatus moet u interesseren. Ik dacht dat u op dat vlak al iets gedaan had. Mag die man al dan niet nog in ons land blijven? Hij is heel gevaarlijk en hij is nog steeds op vrije voeten. Er wordt niets tegen hem ondernomen. We moeten dat zo snel mogelijk in orde brengen. Ik zal mij bij uw collega's verder informeren over die man.

De beschuldiging van seksistisch gedrag bij de top van een politievakbond

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)

op 4 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Annelies Verlinden bevestigt dat syndicaal afgevaardigde Thierry Belin (beschuldigd van sexisme, ongewenste avances en een geforceerde kus) als delegé niet onder het disciplinaire statuut van de politie valt tenzij zijn daden losstaan van zijn syndicale taken—wat hier duidelijk het geval is. Ze benadrukt dat zijn chef (lokaal niveau) verantwoordelijk is voor disciplinaire stappen, maar dat zij zijn syndicale erkenning kan intrekken bij bewijs, zonder tot nu toe concrete actie te beloven. Rajae Maouane dringt aan op onmiddellijk ingrijpen, wijzend op eerdere toezeggingen van Verlinden dat dergelijk wangedrag (niet-syndicaal) wel onder haar bevoegdheid valt—met name het intrekken van zijn mandaat—maar krijgt geen duidelijke toezegging op korte termijn. De minister verwijst naar bestrijdingsplannen tegen sexisme bij de federale politie, maar ontwijkt verantwoordelijkheid voor dit specifieke dossier.

Rajae Maouane:

Madame la ministre, des témoignages préoccupants ont récemment émergé concernant Thierry Belin, une figure francophone du deuxième syndicat policier de Belgique.

Ces témoignages font état de comportements sexistes, d'avances non sollicitées, de propos dégradants et même d'un baiser forcé. Ces faits révélés par une enquête journalistique s'ajoutent à une série de précédents, notamment des critiques publiques sur les réseaux sociaux, entre autres envers une ancienne ministre de l'Enseignement francophone, montrant qu'il ne s'agirait pas d'un cas isolé.

Dans un contexte où nous exigeons une exemplarité totale au sein de la police et des organisations syndicales qui la représentent, ces allégations sont graves. Elles ternissent non seulement l'image du Syndicat national du personnel de police et de sécurité (SNPS) mais aussi celle de l'ensemble des institutions policières.

Ma première question porte sur l'application de la circulaire ministérielle GPI 80 qui encadre les relations syndicales au sein de la police intégrée. Ces comportements sont-ils conformes aux dispositions de cette circulaire, en particulier en ce qui concerne le respect mutuel et l'éthique professionnelle?

Ces faits soulèvent aussi des interrogations sur la culture au sein des organisations syndicales policières.

Des mécanismes de contrôle ou des sanctions existent-ils pour garantir que les représentants syndicaux respectent bien les valeurs fondamentales, notamment l'égalité de genre et le respect des individus? Nous savons que vous êtes sensible à la question de l'égalité de genre.

Il est essentiel de savoir si des mesures concrètes seront prises. Une enquête interne ou une collaboration avec les autorités judiciaires est-elle prévue pour faire la lumière sur ces allégations et garantir qu'il y aura des suites appropriées?

En tant que ministre, quelles initiatives comptez-vous prendre pour renforcer la sensibilisation et la lutte contre le sexisme au sein des syndicats et plus largement au sein des forces de police?

Enfin, quelles actions immédiates comptez-vous entreprendre pour garantir que de tels comportements ne se reproduisent pas et ne restent pas impunis ainsi que pour protéger l'intégrité des services de police?

Madame la ministre, vous partagez sans doute mon avis qu'il est de notre responsabilité de veiller à ce que les institutions policières et leurs représentants syndicaux incarnent les valeurs de respect, d'égalité et de probité que les citoyens attendent d'eux. Nous attendons une réponse claire et forte, qui est nécessaire face à ces révélations.

Annelies Verlinden:

Collègue Maouane, la responsabilité disciplinaire des délégués syndicaux est réglée par l'article 61 de l'arrêté royal du 8 février 2001 portant exécution de la loi du 24 mars 1999 organisant les relations entre les autorités publiques et les organisations syndicales du personnel des services de police. Ce principe est repris dans la circulaire GPI 80 du 17 avril 2014 relative aux relations syndicales au sein de la police et au sein de l'Inspection générale.

Le statut disciplinaire des services de police n'est en effet pas applicable aux délégués syndicaux pour les actes qu'ils accomplissent en cette qualité et qui sont directement liés aux prérogatives qu'ils exercent. En conséquence, un délégué syndical ne peut être sanctionné pour des actes relevant strictement de sa mission syndicale. Ces prérogatives sont définies aux articles 14 et 15 de la loi du 24 mars 1999 qui encadre les missions des organisations syndicales agréées et représentatives. Cette protection ne s'étend bien entendu pas aux actes qui excèdent les limites de sa mission ou qui sont exercés de manière illégitime. Dans ce cas, des sanctions peuvent évidemment être prises.

Quant à votre question visant une éventuelle enquête ou des mesures disciplinaires, je tiens à rappeler que le délégué syndical concerné fait partie de la police locale, raison pour laquelle je n'ai pas de compétences pour une quelconque enquête interne. De facto , je ne suis pas son autorité disciplinaire. Dans ce cas, l'appréciation de l'opportunité d'une éventuelle procédure disciplinaire est de la responsabilité de son chef de corps. Mes prérogatives concernent, si l'enquête devait révéler des éléments probants, le retrait de son agrément de délégué syndical.

Au sein de la police fédérale, le plan d'action sur les comportements indésirables aborde la question du sexisme. Celui-ci comprend une catégorie de comportements indésirables, l'analyse de la culture organisationnelle par le biais de sessions interactives et l'enquête en ligne. Sur cette base, des recommandations et des actions seront proposées et, après validation, mises en œuvre. Les comportements et commentaires inappropriés concernant le genre sont l'un des thèmes de ce plan. Mon rôle dans ce domaine est principalement de veiller non seulement à ce que l'attention nécessaire sur le plan politique soit accordée à cette problématique mais aussi à ce que des plans d'action soient élaborés à cet effet.

Comme je viens de le dire, beaucoup de choses sont entreprises au niveau organisationnel. Il est également essentiel que si de tels faits se produisent au niveau individuel, tout le monde prenne ses responsabilités et agisse.

Rajae Maouane:

Merci, madame la ministre. Une de mes collègues qui n'est plus députée aujourd'hui, Julie Chanson, vous avait posé une question. Dans votre réponse du 13 juillet 2022, vous avez souligné que cette mesure relevait de vos compétences discrétionnaires en précisant que cela doit s'appuyer sur une analyse rigoureuse et contextualisée. Vous avez également indiqué que l'application d'une telle mesure nécessite d'évaluer si les comportements sont strictement liés aux prérogatives syndicales. Ce n'est pas le cas ici, puisqu'il est très compliqué de rattacher ces comportements – on parle d'attitudes sexistes, d'avances non sollicitées et de baisers forcés – à des activités syndicales. Vous avez indiqué également que vous respecterez dans tous les cas les principes fondamentaux comme une audition de l'intéressé, etc.

Aujourd'hui, nous sommes dans un cas concret qui implique ce délégué syndical dont le comportement n'est pas respectueux – c'est en tout cas ce que révèle l'enquête journalistique – puisqu'il a des propos et attitudes sexistes, fait des avances non sollicitées, tient des propos dégradants et, je le redis, a forcé un baiser. Ces faits sont susceptibles de constituer une atteinte grave à la neutralité et à l'éthique attendues, comme vous le dites en évoquant la circulaire GPI 80. C'est la raison pour laquelle votre réponse me laisse un peu sur ma faim, puisque ces débordements ne relèvent pas des activités syndicales de l'intéressé.

Comme vous l'avez souligné dans votre réponse du 13 juillet 2022, vous avez la possibilité d'intervenir et j'attends donc que vous interveniez à ce niveau.

Voorzitter:

Ik zal het geduld van de heer Vandemaele belonen. Ik zal mijn twee vragen met nrs. 56001256C en 56001258C uitstellen tot een volgende commissievergadering. De vragen van mevrouw Delcourt met nrs. 56001262C en 56001264C worden omgezet in schriftelijke vragen. Het woord is dus aan de heer Vandemaele.

De ondersteuning voor politieraadsleden met een handicap

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)

op 4 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de ongelijke vergoeding voor vertrouwenspersonen die politieraadsleden (vs. gemeenteraadsleden) bijstaan: in Vlaanderen en Brussel krijgen zij geen presentiegeld (door een federale regel die analogie met gemeenteraadsleden volgt), terwijl gemeenteraadsleden dat wel ontvangen. Minister Verlinden erkent het communautaire kluwen als oorzaak en belooft een wetgevend initiatief om dit op te lossen, ondanks de beperkte budgettaire impact. Vandemaele toont zich tevreden met de bereidheid tot aanpassing, benadrukkend dat dit inclusie bevordert. De commissie sluit af met instemming over een toekomstige oplossing.

Matti Vandemaele:

Bedankt, mijnheer de voorzitter, voor zoveel inschikkelijkheid.

Mevrouw de minister, mijn vragen zijn ook wat tijdsgebonden. De gemeenteraadsleden zijn dezer dagen immers allemaal de eed aan het afleggen. De politieraadsleden zullen dat binnenkort ook doen.

In Vlaanderen kunnen leden van de gemeenteraad een beroep doen op een vertrouwenspersoon, die hen ondersteunt om hun gemeenteraadswerk uit te oefenen om zo de belemmering die ze ondervinden door hun handicap deels weg te nemen. Zo kunnen ze op een goede manier participeren aan de besluitvorming van de lokale besturen.

Diezelfde vertrouwenspersoon is ook voorzien voor politieraadsleden. Daar is er echter geen vergoeding voorzien. Dat is een verschil waarvan ik mij niet goed kan inbeelden wat de oorzaak zou zijn. De budgettaire impact van de inspanning om ook vertrouwenspersonen voor politieraadsleden te vergoeden zou namelijk ook bijzonder klein zijn.

Mevrouw de minister, deelt u deze analyse? Bent u bereid om dat op te lossen?

Annelies Verlinden:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer Vandemaele, artikel 22 van de wet GPI vormt de juridische basis voor de regeling inzake de bijstand door vertrouwenspersonen aan leden van de politieraad. Uit de historiek van dat artikel en de parlementaire voorbereiding bij de wijziging ervan, blijkt dat het doel was de regeling van de nieuwe gemeentewet over te nemen voor bijstand door vertrouwenspersonen aan politieraadsleden, dus naar analogie van wat bestaat voor gemeenteraadsleden. In die regeling was bepaald dat geen presentiegeld werd toegekend aan vertrouwenspersonen die politieraadsleden bijstaan. Aangezien die bepaling in de federale nieuwe gemeentewet werd opgeheven, wordt in het artikel 22 momenteel verwezen naar de toepasselijke regelgeving in de deelstaat in kwestie. Ook een opmerking van de Raad van State in die zin werd daarin verwerkt.

Wat het presentiegeld betreft, creëert deze toepassing van de deelstatelijke regelgeving naar analogie een gedifferentieerde aanpak. De vertrouwenspersonen die in Vlaanderen en Brussel een gemeenteraadslid bijstaan, ontvingen immers wel presentiegeld, maar de vertrouwenspersonen in Wallonië niet. Om die reden oordeelden mijn diensten eerder dat geen presentiegeld kon worden toegekend aan vertrouwenspersonen die politieraadsleden bijstaan. U ziet dat een communautair kluwen ook een impact heeft op deze vergoeding.

Weliswaar, en ook omdat dit zoals u aangeeft geen grote budgettaire consequenties zal hebben, heb ik evident geen probleem met de toekenning van presentiegeld aan die vertrouwenspersonen, wel integendeel. Ik zal aan mijn administratie dan ook vragen om de kwestie te herbekijken, desgevallend met een wetgevend initiatief dat door de volgende regering kan worden genomen, om ervoor te zorgen dat het presentiegeld voor vertrouwenspersonen van politieraadsleden geëvalueerd kan worden.

Matti Vandemaele:

Ik ben een beetje verbaasd over uw antwoord, want ik had vanuit Vlaanderen opgevangen dat men daar ook als vertrouwenspersoon geen presentiegeld kreeg. Ik meen van u te hebben gehoord dat er in Vlaanderen in de politieraad presentiegeld aan vertrouwenspersonen wordt betaald.

Annelies Verlinden:

(…) In Vlaanderen en Brussel aan de gemeenteraadsleden wel, en in Wallonië niet. Men heeft wegens de analogie gemaakt tussen de politieraadsleden en de gemeenteraadsleden geoordeeld dat men het niet kon doen. Die bevoegdheid voor de gemeenteraadsleden is overgeheveld naar de deelstaten en daardoor is een verschillende aanpak ontstaan. De politieraadsleden volgen de aanpak van de gemeenteraadsleden, waardoor er geen volstrekte analogie meer mogelijk was.

Daarom heb ik gezegd dat het communautaire kluwen ook doorwerkt in de politieraad. Om die reden zullen we dus allicht een bijzonder wetgevend kader voor de vertrouwenspersonen politieraadsleden moeten uitwerken.

Matti Vandemaele:

Nu ben ik helemaal mee. Ik ben in die zin heel tevreden met uw antwoord. U geeft aan dat er bereidheid is om dat probleem aan te pakken. Elke stap in de richting van de bevordering van inclusie is een stap voorwaarts. We zullen dat wetgevend initiatief dan met z'n allen kunnen steunen.

Voorzitter:

Dat denk ik ook. We sluiten de commissie af met een positieve noot. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 16.00 uur. La réunion publique de commission est levée à 16 h 00.

De beveiliging van kritieke onderwaterinfrastructuur in de Noordzee

Gesteld door

lijst: VB Kurt Ravyts

Gesteld aan

Paul Van Tigchelt (Minister van Justitie en Noordzee)

op 3 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Rusland voert hybride oorlog met spionage, sabotage en "wegwerpspionnen" in Europese wateren en op kritieke infrastructuur, wat de Noordzeelanden noopt tot versterkte samenwerking via het Noordzeeveiligheidspact (6 landen). Het NorthSeal-platform—ontwikkeld door België en operationeel vanaf 15 januari 2025—verbetert informatiedeling en monitoring, met AI-ondersteuning en NAVO-betrokkenheid, terwijl uitbreiding naar Ierland, Zweden en Frankrijk en extra oefeningen worden overwogen. Verhoogde Russische scheepsactiviteit (inclusief militaire begeleiding) leidt tot gecoördineerde patrouilles en risicoanalyses, met nadruk op publiek-private samenwerking voor infrastructuurbeveiliging. Toekomstige uitdagingen omvatten het beschermen van nieuwe energie-eilanden en mogelijke defensieversterking, gezien de blijvende dreiging.

Kurt Ravyts:

De toegenomen aanwezigheid van Russische spionageschepen in de Europese zeeën zet de beveiliging van kritieke onderwaterinfrastructuur in de Noordzee aanhoudend hoog op de agenda. We kennen de initiatieven van uw voorganger rond het Noordzeeveiligheidspact na de Noordzeetop van 24 april 2023. Dat pact is inmiddels ondertekend door zes Noordzeelanden.

Uit een schriftelijke vraag had ik begrepen dat na een testfase de finale versie van het platform NorthSeal beschikbaar zou zijn tegen het einde van dit jaar. Aangezien het einde van het jaar in zicht is, zou ik graag een update krijgen over het beveiligd platform NorthSeal.

Klopt het dat er na de zomer een verhoogde aanwezigheid van Russische schepen in de Noordzee werd opgemerkt en hoe werd dat in de verhoogde of verbeterde samenwerking van het veiligheidspact aangepakt?

Worden er in het licht van de toenemende spanningen met Rusland nog bijkomende maatregelen overwogen, zoals eventueel een uitbreiding van het veiligheidspact, die volgens mij tot de mogelijkheden behoorde? Risicoanalyses zijn in het kader van de wet maritieme beveiliging opgesteld en werden reeds goedgekeurd.

Samengevat, kunt u een update geven over NorthSeal en maatregelen ter versterking van het Noordzeeveiligheidspact overwegen?

Paul Van Tigchelt:

Mijnheer Ravyts, de hybride oorlogsvoering door Rusland is top of mind bij de internationale inlichtingen- en veiligheidsgemeenschap. Een zekere Vladimir Poetin beschouwt ons, het collectieve Westen, immers als zijn vijand. Het is niets meer of minder dan dat. Die hybride oorlogsvoering door Rusland uit zich op vele manieren. Er zijn niet alleen de spionage- en sabotageacties op de Noordzee of in de Europese wateren, maar ook andere acties, al dan niet gecoördineerd, waarbij sabotage wordt gepleegd of brand wordt gesticht bij kritieke infrastructuur op het vasteland. Spionageacties of gecoördineerde acties kunnen ook plaatsvinden om zogeheten opponenten uit te schakelen. Die worden soms uitgevoerd door 'wegwerpspionnen' die worden gerekruteerd via Telegram en hier daden van vandalisme tot sabotage moeten plegen. Ze worden daarvoor betaald door Rusland. Dat is dus top of mind voor de internationale inlichtingengemeenschap. Men is daarmee op een serieuze manier bezig en zo hoort het ook.

Ik zal nu antwoorden op uw eerste vraag over de aanwezigheid van Russische schepen op de Noordzee. Het klopt inderdaad dat er een verhoogde aanwezigheid van Russische schepen werd opgemerkt. Het gaat daarbij zowel om schepen onder Russische vlag, als over schepen die met Rusland geassocieerd kunnen worden op basis van eigendomsstructuren. Ik heb het dan bijvoorbeeld over onderzoeksschepen of koopvaardijschepen.

Het is ook opvallend dat die commerciële schepen tijdens hun doorvaart door de Noordzee nu vaker begeleid worden door Russische militaire vaartuigen. Alle relevante informatie wordt gedeeld tussen de Noordzeelanden. Er worden afspraken gemaakt over de opvolging van dergelijke schepen. Die opvolging gebeurt zowel via elektronische platformen als door de inzet van patrouillevaartuigen.

Ik heb een demo van NorthSeal gezien en dat platform zit goed in elkaar. Dat zeg ik niet omdat we het zelf hebben ontwikkeld. U weet namelijk ook dat digitaliseringprojecten wel eens mislukken. Alle partners, ook de internationale, reageerden behoorlijk of zeer enthousiast. Het NorthSealplatform werd in België ontwikkeld met de medewerking van de andere Noordzeelanden. Momenteel wordt het op operationeel niveau getest tussen de verschillende maritieme informatiecentra van de landen die het veiligheidspact hebben ondertekend. Vanaf 15 januari 2025 zal de applicatie live gaan.

Ik kom tot uw derde vraag over bijkomende maatregelen. We zitten driemaandelijks samen met de landen die het veiligheidspact hebben ondertekend. Dat gebeurt afwisselend fysiek en digitaal. Ook worden er regelmatig overlegmomenten met de private sector ingepland om te onderzoeken welke maatregelen die sector zelf kan nemen. Als exploitanten of eigenaars van de infrastructuur nemen zij samen met de betrokken landen mee de verantwoordelijkheid om de beveiliging te versterken.

Andere maatregelen die onderzocht of genomen worden zijn de volgende: een integratie van het NorthSealplatform in de nationale monitorsystemen; het afstemmen van de reacties en procedures ten aanzien van verdachte schepen of schepen uit de shadow fleet ; het inplannen van oefeningen om de werking van de diensten te stroomlijnen en de alertheid te verhogen; het gebruik van data uit het NorthSealplatform om AI-ontwikkelingen te stimuleren, waardoor potentieel bedreigende situaties sneller kunnen worden opgemerkt en een alarm wordt gegenereerd bij alle maritieme informatiekruispunten (MIK's) rond de Noordzee; en het verder inzetten op publiek-private samenwerking om innovatie aan te moedigen.

Daarnaast wordt er ook ingezet op de uitbreiding van het veiligheidspact met landen zoals Ierland, Zweden en Frankrijk. U weet dat ook de NAVO betrokken wordt bij het NorthSealplatform.

Ten slotte worden er bijkomende maatregelen overwogen. Ik verwijs naar wat ik in het begin zei, namelijk dat de praktijken en de manoeuvres van Rusland top of mind zijn van de inlichtingen- en veiligheidsgemeenschap. Dat kadert in een bredere veiligheidsaanpak waarbij ook onze defensie een rol zal moeten spelen. Dat roept de retorische vraag op of onze defensie bijkomend versterkt moet worden.

Kurt Ravyts:

Mijnheer de voorzitter, de onderhandelende partijen zitten vandaag samen over defensie. We zullen er de komende dagen misschien iets meer over vernemen. Bedankt voor de update van het NorthSealplatform en de concretisering van de toegenomen alertheid, die inderdaad nodig is. Laten we niet vergeten dat we de komende jaren een energie-eiland zullen bouwen. Dat staat althans voorlopig nog in de planning. De kritieke infrastructuur neemt dus alleen maar toe en de offshore energie wordt een bijzonder belangrijke zaak voor dit land, de consumenten en de bedrijven. De toegenomen alertheid mag de komende jaren nooit afnemen. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 11.22 uur. La réunion publique de commission est levée à 11 h 22

Het incident tijdens het eerste decompressieverblijf voor Belgische militairen in Duitsland
Het decompressieverblijf voor Belgische militairen
Het decompressieverblijf voor de Belgische militairen
Het decompressieverblijf voor de Belgische militairen
Een betere begeleiding tijdens het decompressieverblijf van Belgische militairen
De psychosociale begeleiding van militairen
Decompressieverblijf en begeleiding van Belgische militairen

Gesteld aan

Ludivine Dedonder, Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)

op 27 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om het eerste Belgische decompressieverblijf voor militairen na een NAVO-missie, waar een incident met alcohol en geweld plaatsvond, ondanks strikte regels (beperkte alcoholtoegang, verbod op sterkedrank). Minister Dedonder bevestigt dat het verblijf—met groepsgesprekken, mentale training en individuele opvolging—evalueert wordt via enquêtes (voor/na/maanden later) en dat sancties volgen voor betrokkenen, maar benadrukt het belang van het initiatief voor mentaal welzijn, geïnspireerd op buitenlandse modellen (Nederland, Frankrijk). Parlementsleden steunen unaniem het decompressiesas als cruciaal hulpmiddel, maar vragen kritische evaluatie (o.a. betrokkenheid militairen, balans tussen vrijheid/begeleiding, capaciteit zorgteams) en waarschuwen om het systeem niet af te schrijven door één incident. Preventie, langetermijnopvolging en structurele versterking van psychosociale zorg blijven prioriteiten, met aandacht voor lessen uit het voorval (bv. alcoholbeleid, omkadering).

Axel Weydts:

Mevrouw de minister, tijdens het eerste verplichte decompressieverblijf voor Belgische militairen in een Duits hotel was er een incident. Tijdens die driedaagse periode, georganiseerd na afloop van de deelname aan de NAVO-missie Enhanced Forward Presence in Roemenië, ontstond een conflict tussen enkele militairen dat uitmondde in een vechtpartij. Alcoholconsumptie zou een rol hebben gespeeld bij dat incident, dat resulteerde in een lichtgewonde en schade aan het hotel.

Defensie heeft het initiatief voor de decompressieperiodes recentelijk goedgekeurd als onderdeel van de psychosociale ondersteuning voor onze militairen. Daarom wil ik met betrekking tot het incident enkele vragen stellen, zonder het evenwel te willen opblazen.

Mevrouw de minister, wij hebben verschillende berichten opgevangen over het incident. Kunt u ons meegeven welke feiten effectief hebben plaatsgevonden en welke niet?

Welke specifieke maatregelen heeft Defensie genomen om dergelijke situaties te voorkomen, bijvoorbeeld het beperken van alcoholgebruik? Was het gebruik van alcohol überhaupt toegestaan tijdens deze decompressieperiode?

Welke gevolgen of sancties zijn er voorzien voor de betrokken militairen, die Defensie tot onze spijt in de media in een slecht daglicht hebben geplaatst?

Wordt er in een evaluatie voorzien van de decompressieprocedure om mogelijke verbeterpunten te identificeren? Zal die evaluatie hier in de commissie besproken worden, zodat wij daar ook vanuit het Parlement ons licht op kunnen laten schijnen? Voor ons is dat belangrijk.

Kjell Vander Elst:

Mevrouw de minister, het adaptatiesas of decompressieverblijf werd voor het eerst in oktober toegepast binnen de Belgische Defensie. Het initiatief kwam van mijn collega Jasper Pillen, die daarover een resolutie had ingediend die unaniem door de Kamerleden werd gesteund.

Een lange periode op buitenlandse missie kan zorgen voor eventuele gevolgen van psychosociale aard. Het is dan ook belangrijk dat dit adaptatiesas of decompressieverblijf wordt aangehouden. Dat betekent niet dat we zomaar met de hele procedure akkoord moeten gaan. We moeten blijven evalueren en bekijken wat er fout is gelopen bij de eerste sessie.

Ik stel graag enkele vragen over het eerste decompressieverblijf in Duitsland. Hoe werd dat ervaren? Wat is er exact gebeurd? Kunt u mij een gedetailleerde planning geven van de driedaagse activiteiten?

Meer algemeen over de aanpak van een adaptatiesas wil ik graag weten op basis van welke criteria er wordt bepaald dat men overgaat tot een verplicht decompressieverblijf. Speelt de duurtijd van een buitenlandse missie daarbij een rol, alsook eventuele gewelddadige gebeurtenissen tijdens de missie?

Hoe wordt een adaptiesas voorbereid? Wie is daarbij betrokken? Wordt er na afloop van het decompressieverblijf voorzien in individuele opvolging van de militairen? Hoe en wanneer wordt het adaptatiesas geëvalueerd? Wordt hiervoor ook gekeken naar buitenlandse voorbeelden?

Kristien Verbelen:

Mevrouw de minister, na jarenlang onderzoek hebben wij nu ook een decompressieverblijf voor militairen ingevoerd na een buitenlandse missie. Daarmee is een belangrijke stap gezet, gezien het aanzienlijk aantal militairen dat na zo'n periode van stress en spanning kampt met psychologische problemen. Het adaptatiesas zal de overgang naar het dagelijkse leven thuis versoepelen. Het is dus zeker een positief initiatief, al roept het bij mij ook enkele vragen op.

Hoe ziet zo’n verblijf er precies uit? Hoe worden de dagen ingevuld? Welke ondersteuning wordt er aangeboden?

Onze buurlanden kennen het systeem al langer. Heeft België zich daardoor laten inspireren? Kunnen we leren van de buitenlandse voorbeelden wat betreft de aanpak en de effectiviteit?

Hoe wilt u nagaan of het adaptatiesas zijn doel bereikt? Is er in een evaluatie voorzien en, zo ja, op basis van welke parameters en binnen welke termijn?

Zijn er, tot slot, nog bijkomende initiatieven gepland voor militairen die met problemen kampen na een missie? Het is belangrijk dat zij ondersteuning blijven krijgen. Zoals u wel weet, stopt de impact van een missie vaak niet bij thuiskomst.

Kemal Bilmez:

Mevrouw de minister, ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

Het eerste Belgische decompressieverblijf in een Duits hotel is uit de hand gelopen met 1 lichtgewonde als gevolg. Het belang van zo een decompressieverblijf is niet te onderschatten, zeker als we kijken naar onderzoek van het Centrum voor Geestelijke Gezondheid waarin staat dat 2,5 procent van de militairen symptomen vertonen die kunnen wijzen op het posttraumatisch stresssyndroom. Verder nog, tussen 2017 en 2022 waren er 135 bekende gevallen en in die periode stapten 68 militairen uit het leven. Een goed georganiseerde adaptatiesas is een cruciaal element voor het welzijn van militairen en het nut ervan is al aangetoond in verschillende van onze buurlanden. Het is noodzakelijk om het psychosociale en mentale welzijn van onze militairen te ondersteunen, maar natuurlijk moet dit gegeven ook goed en correct uitgevoerd worden.

Mevrouw de minister, zijn er genoeg middelen voorzien om de gevraagde maatregelen binnen de decompressieperiode uit te voeren?

In welke mate was het multidisciplinair team voldoende opgeleid om dit decompressieverblijf te begeleiden?

Welke lessen heeft u getrokken uit de eerste adaptatiesas en welke maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat de decompressieperiode in het vervolg op een correcte manier verloopt?

Zijn er uitwisselingen geweest met buitenlandse instanties die decompressieperiodes hebben georganiseerd en zijn er positieve elementen overgenomen? Zo ja, welke elementen?

Staf Aerts:

Mevrouw de minister, ik heb hier een déjà vu. Een groot aantal vragen die hier tot nu toe zijn gesteld, heb ik begin november ook gesteld, voorafgaand aan de decompressieperiode, net omdat het zo'n belangrijk instrument is voor het welzijn van onze militairen. Ik ben dus heel blij dat nu vijf collega's mee op de kar springen. Het is alleen jammer dat dit moet gebeuren na een incident. Dat toont ook meteen het gevaar van zo'n incident.

Ik hoor wel dat het instrument niet in diskrediet wordt gebracht door de collega's, wat ik uiteraard toejuich. Het gaat immers om een belangrijk instrument voor het mentale welzijn van onze militairen en op die manier ook voor het samenleven in hun gezin. Ook de gezinsleden worden immers geconfronteerd met een militair die terugkeert van een buitenlandse missie, wat af en toe moeilijkheden kan veroorzaken, ook in het gezinsleven.

Het is natuurlijk niet handig dat er net tijdens de eerste decompressiestage iets misloopt. Dat wil echter wel zeggen dat wij vooral moeten blijven evalueren. Wanneer er iets misloopt, is dat niet goed voor de militairen. Het is ook niet goed voor het imago van de stage op zich. Een en ander zou bovendien het systeem in diskrediet kunnen brengen. Dat kunnen wij natuurlijk missen als kiespijn, want die stage is een cruciaal iets.

Mevrouw de minister, daarom zal ik mijn vragen van vorige keer herhalen, namelijk over de manier waarop wij de stage voor de militairen gaan aanpakken en hoe wij het effect op hen gaan evalueren. Hoe evalueert u het voorval? Hoe trekken wij lessen uit zaken die mogelijk fout kunnen gaan? Moet er in extra begeleiding worden voorzien? Op welke manier kunnen wij ervoor zorgen dat die decompressiestages voor alle deelnemers een groot succes zijn, dat zij er de bedoelde voordelen uithalen en dat wij dergelijke zaken hopelijk niet te vaak meer in de krant hoeven te lezen?

Christophe Lacroix:

Madame la ministre, le bien-être des militaires avant, pendant et après une opération a toujours été une priorité pour mon groupe.

Nous avons rappelé certaines résolutions. En 2019, la première qui fut adoptée par la Chambre était une résolution à l'initiative de Stéphane Crusnière, ancien député socialiste, qui demandait la mise en place d'un véritable suivi psychosocial de nos militaires avant, pendant et après leur mission, avec une série de mesures concrètes en la matière.

Vous-même ainsi que l'état-major êtes déjà venu ici en commission, notamment en commission spéciale de suivi des missions militaires, afin de nous exposer les mesures qui sont déjà mises en œuvre. Parmi celles-ci figure la mise en place d'un fameux sas de décompression pour nos militaires de retour d'opération.

Madame la ministre, pourriez-vous m'indiquer le premier bilan que vous tirez de l'accompagnement psychosocial de nos militaires avant, pendant et après une opération? Quelle nouvelle expertise a été développée, notamment au sein de l'état-major et de la Composante médicale? Enfin, sur la base de cette expertise, quelles nouvelles initiatives et améliorations pourraient être menées en concertation, notamment, avec les partenaires sociaux?

Stéphane Lasseaux:

Madame la ministre, le sas de décompression tel que vous l'avez prévu est en effet une nécessité pour les militaires avant de rejoindre leurs foyers après avoir vécu des moments parfois très difficiles pendant leurs missions.

Il est toutefois évidemment bien malheureux que de tels événements se passent lors d'une première expérience. Néanmoins, il ne faut certainement pas arrêter l'opération, comme vous l'avez envisagé, mais plutôt l'évaluer. Au besoin, s'il s'agit en effet de faits tels qu'ils ont été parfois rapportés par la presse, il faut éventuellement prendre les mesures nécessaires qui sont obligatoires pour pouvoir faire respecter l'ordre dans notre armée.

Ludivine Dedonder:

Mijnheer de voorzitter, geachte leden, sinds het begin van mijn mandaat is het welzijn van de militairen een van mijn hoogste prioriteiten geweest. Het mentale welbevinden van militairen die terugkeren uit een operationele opdracht kan lijden onder de specifieke omstandigheden die zo'n zending kenmerken. Daarom werd recent beslist om een eerste adaptatiesas te organiseren na de NAVO-missie in Roemenië.

Een adaptatiesas kan worden georganiseerd op basis van verschillende criteria. Naast de duurtijd en het voorvallen van gewelddadige of kritische incidenten zijn er nog andere criteria, zoals het aantal militairen in het detachement voor wie het de eerste zending is, de opeenvolging van zendingen voor anderen, het constante operationele risico, mogelijke zware leef-en werkomstandigheden en complexe interpersoonlijke relaties.

Het programma tijdens het verblijf wordt ondersteund door een multidisciplinair team van 27 experten, komende van het psychosociale, morele en religieuze platform. Door de grote groep van specialisten hebben we ervoor gezorgd dat er ook ruimte was voor individuele gesprekken. Dat eerste verblijf besloeg drie dagen, waarvan de eerste en de laatste dag gericht waren op de verplaatsing naar en van het hotel.

Het eigenlijke ondersteuningsprogramma op de tweede dag bestond uit groepsgesprekken, mentale trainingen, sport en ontspanning. Zoals daarnet al aangehaald, kreeg elke militair ook de mogelijkheid om een informeel gesprek aan te vragen met een van de hulpverleners. Die staan ook ter beschikking van de militairen voor een individuele opvolging, eens zij terug in België zijn.

Om al het personeel van Defensie, zowel burgers als militairen, te helpen omgaan met persoonlijke problemen heeft het Directoraat-Generaal Health & Well-Being verschillende projecten ontwikkeld, zoals de implementatie van het Total Force Fitness-model.

Het adaptatiesas wordt eigenlijk al van bij de planning van de operatie voorbereid. Sommige actoren van het psychosociale, morele en religieuze platform zijn al aanwezig tijdens de zogenaamde pre-deployment training .

Tijdens de operatie wordt het programma van het adaptatiesas verfijnd op basis van hun bevindingen. Er wordt ook actief samengewerkt met Nederland en Frankrijk, die hiermee al verschillende jaren ervaring hebben. Op basis van de eerste informele feedback zijn de meningen verdeeld. Sommige deelnemers waren positief verrast en dankbaar dat deze gelegenheid geboden werd, anderen zagen de meerwaarde ervan nog niet in.

Een definitieve evaluatie zal gebeuren op basis van een enquête die wordt afgenomen bij de deelnemers op drie verschillende momenten, een eerste net voor het adaptatiesas, een tweede vlak erna en een derde een à twee maanden later. Die laatste enquête zal specifiek peilen naar de re-integratie. Op basis van alle vergaarde data zullen wij een definitieve evaluatie kunnen maken.

Spijtig genoeg is dit waardevolle initiatief in het nieuws gekomen door onaangepast gedrag van sommigen. Het onderzoek is nu in handen van de Algemene Directie Juridische Steun en de gerechtelijke politie in militair milieu.

Enkele militairen zouden via takeaway sterkedrank hebben laten leveren, wat strikt verboden was. Verder heeft een militair zichzelf verwond tijdens een discussie en leed het hotel schade. De regels werden nochtans zeer duidelijk gemaakt voor aanvang van het verblijf. Elke militair had door middel van tickets recht op twee alcoholische consumpties, waarbij alleen bier en wijn waren toegelaten. Cocktails en sterkedrank waren expliciet verboden. Het personeel van het hotel werd ook duidelijk op de hoogte gesteld van die richtlijnen. Uitgaan in de stad was niet toegestaan en de laatste bediening was om 22.30 uur. Er was eveneens omkadering aanwezig van het organiserend team en van de militaire politie.

Op basis van de resultaten van het onderzoek kan er via de korpstucht een straf opgelegd of een statutaire maatregel voorgesteld worden. De zeer beperkte schade werd direct vergoed door Defensie.

Het initiatief van het adaptatiesas kadert in de toenemende aandacht voor het mentale welzijn van het personeel. Via de resultaten van de analyse van de enquête zal het adaptatiesas verbeterd worden om het nog beter ten dienste te stellen van onze militairen.

À travers ce sas d'adaptation, la direction générale Santé et Bien-être développe une nouvelle expertise avec une attention accrue pour le bien-être et la santé mentale de notre personnel. En optimalisant le retour en Belgique et en aidant à la réintégration dans la vie de tous les jours après une période d'absence prolongée, nous contribuerons à la mise en condition et à l'opérationnalité. C'est l'objectif.

L'expertise se reflète aussi bien au niveau préventif, avec les conseillers en prévention pour les aspects psychosociaux, les personnes de confiance, les psychologues, les aumôniers et les conseillers moraux de la direction générale Santé et Bien-être. Cette expertise se reflète également à travers les assistants sociaux de l'OCASC et, au niveau curatif, avec les membres du centre de santé mentale de la Composante médicale.

Le soutien psychosocial des militaires en opération faisant partie du bien-être au travail, les partenaires sociaux seront informés de l'évaluation de ces sas d'adaptation ainsi que des améliorations et des nouvelles initiatives dans le futur.

Axel Weydts:

Mevrouw de minister, bedankt voor uw zeer omstandig en goed antwoord.

Collega's, ik wil voor alle duidelijkheid een dergelijk adaptatiesas hier niet in vraag stellen. Wij vinden dat namelijk een waardevol initiatief. Ik heb wel een persoonlijke bedenking als gevolg mijn eigen ervaring.

Ik heb namelijk de eer gehad om zelf te mogen deelnemen aan twee buitenlandse operaties met Defensie in NAVO-verband: eenmaal vier maanden in Kosovo en eenmaal vier maanden in Noord-Macedonië. Dat was een zeer leerrijke periode. Ik moet u wel zeggen dat het laatste waaraan ik dacht in de laatste weken van de inzet tijdens zo'n missie, was om na de missie nog even op hotel te gaan met de collega's waarmee ik vier maanden bijna alles van mijn leven had gedeeld.

Ik wil u dus echt vragen, mevrouw de minister, om de militairen zelf ook goed te betrekken bij de evaluatie van dit systeem. Het blijkt echter uit uw antwoord dat u dat doet. Als men vier maanden onder stresserende omstandigheden heeft gewerkt met dezelfde mensen, in dezelfde omgeving, in dezelfde compound, met stress die van buitenaf komt, dan wil men eigenlijk gewoon zo snel mogelijk naar huis. Dan wil men zo snel mogelijk bij zijn familie, vrienden of lief zijn. Dan is het laatste waaraan men denkt om nog even op hotel te gaan met de collega's. We vernemen dat de verplaatsing naar het hotel en van het hotel naar huis ook inbegrepen zit in dat adaptatiesas. Een evaluatie is dus echt wel op haar plaats. Mevrouw de minister, maak die evaluatie samen met de betrokken militairen en breng ze ook naar hier, zodat we hier verder op kunnen ingaan. Dit initiatief is namelijk te waardevol om het naar aanleiding van één klein incident af te voeren.

Kjell Vander Elst:

Collega Aerts, ik ben blij dat u zich de trendsetter voelt van het onderwerp. Het is echter niet waar dat er nu pas, naar aanleiding van een incident, vragen worden gesteld over het decompressieverblijf. Ik heb dat bijvoorbeeld ook gedaan toen de componenten naar de commissie zijn gekomen. Het klopt dus echt niet dat dit thema enkel leeft op basis van een negatief incident.

Bedankt voor uw zeer duidelijk antwoord, mevrouw de minister. We mogen het kind echter niet met het badwater weggooien op basis van een geïsoleerd incident. Die mensen hebben zes maanden, zoals collega Weydts gezegd heeft, in een stresssituatie gezeten, in moeilijke omstandigheden en met heel veel verantwoordelijkheid. Ik zou mij dan ook eens willen laten gaan. Dat moet natuurlijk altijd binnen de perken blijven. Het incident moet dus onderzocht worden.

Ik wil echter waarschuwen dat we op basis van één incident heel het adaptatiesas of het decompressieverblijf niet op de helling mogen zetten.

Vijf dagen geleden verscheen er nog een artikel op de nieuwswebsite van de Belgische Defensie, met als titel "Het adaptatiesas, een onontbeerlijke tussenstap". U ziet dus dat er consensus bestaat over het feit dat dit een goede tussenstap is bij de terugkeer naar huis na een heel moeilijke situatie.

Ik neem de opmerking van collega Weydts zeker ter harte. Die evaluatie moet worden gemaakt en die enquête moet worden afgenomen bij militairen, bij de mensen die er effectief mee te maken krijgen. Dat proces is aan de gang, dus ik kan alleen hopen dat de resultaten ervan met ons zullen worden gedeeld – ik ga daar ook van uit – en dat we het systeem optimaal kunnen gebruiken voor onze militairen.

Kristien Verbelen:

Mevrouw de minister, ik heb het hier bewust niet over dat incident gehad, mij gaat het om het initiatief dat hier wordt genomen en de evaluatie ervan. Aan de hand van dat ene incident alleen kunnen we het niet evalueren. Ik heb van u vernomen dat er enquêtes zullen worden gehouden en dat er zal worden geëvalueerd, dus ik ben heel benieuwd naar wat we hierover binnen enkele maanden zullen horen.

Kemal Bilmez:

Mevrouw de minister, ik wil vooral nog de nadruk leggen op het feit dat het in een oorlog om mensenlevens gaat. Soldaten zijn mee het slachtoffer van beslissingen van een kleine elite die we niet aan het front zullen zien. Het zijn de soldaten die bijvoorbeeld vier maanden lang onder stress leven en die psychologische trauma's oplopen.

Vandaag moeten we onthouden dat een decompressieverblijf een goed instrument is om met stress en trauma's bij militairen om te gaan, maar we mogen niet vergeten dat preventie, met andere woorden geen oorlog, nog steeds het beste is.

Staf Aerts:

Collega's, het staat buiten kijf dat iedereen achter dat decompressieverblijf staat als hulpmiddel voor het mentaal welzijn. Ik wil toch opmerken dat ik een aantal vragen hoorde die begin november ook al werden gesteld.

Ik ben tevreden over de teneur van ieders betoog. Ik heb goed geluisterd naar de uiteenzetting van de heer Weydts en begrijp dat de militairen op dat moment zo snel mogelijk naar huis willen. Ik heb daar alle begrip voor.

We moeten er echter ook over waken dat we niet alleen vanuit de militairen en louter op basis van persoonlijke enquêtes evalueren. Wij willen hen immers ook beschermen tegen bewezen psychische gezondheidsproblemen, wat betekent dat ook de medische evaluatie van dat effect cruciaal is. We moeten dus een gezond evenwicht bereiken. Ik zie u instemmend knikken, dus ik denk dat we op dezelfde lijn zitten.

Ik wil toch nog een andere kwestie onder de aandacht brengen. De decompressieperiode heeft als effect dat het multidisciplinair team voor geestelijke gezondheidszorg in ons land tijdens dat verblijf een hele tijd gesloten was, omdat nagenoeg alle specialisten ter plaatse waren. De militairen die tijdens zo'n periode in eigen land zijn, moeten echter ook nog steeds bij dat team terechtkunnen voor hun opvolging. Dat mag niet allemaal verschoven worden naar het decompressieverblijf. Net daarom heb ik vorige keer ook gevraagd of die decompressieperiode een uitbreiding van onze staf vergt. Of die uitbreiding al dan niet noodzakelijk is, zullen we eveneens moeten evalueren.

Christophe Lacroix:

Madame la ministre, merci pour vos réponses précises.

Comme le collègue de Vooruit, je crois que ces militaires ont vécu des situations particulièrement complexes et difficilement soutenables humainement. À l'avenir, je pense que cela ne fera qu'empirer à cause du contexte géopolitique que nous traversons.

Le sas de décompression est une étape mais il faut aussi effectivement pouvoir gérer à plus long terme parce que des blessures psychologiques peuvent resurgir longtemps après, parfois même être latentes et revenir à un moment particulier.

Le travail qui a été fait pour garantir la Composante médicale et pour la nourrir autant que faire se peut, compte tenu des pénuries existantes dans certains métiers liés à la médecine, constitue un enjeu structurant d'une Défense qui se veut rassembleuse et qui va dans le sens que vous aviez indiqué dans votre plan POP. Nous serons très enclins à surveiller qu'on ne le détricote pas et qu'on continue à faire du bien-être de nos militaires, à tous niveaux, une priorité du département.

Voorzitter:

Vraag nr. 56000743C van de heer Francken wordt op zijn verzoek uitgesteld.

De 400 miljard euro EU-investeringen in een Europese defensie

Gesteld door

lijst: VB Annick Ponthier

Gesteld aan

Ludivine Dedonder

op 27 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de herbestemming van EU-cohesiefondsen (392 miljard euro) voor defensie en veiligheid na de opkomst van Trump en de Russische dreiging, waarbij België’s aandeel en besteding onduidelijk blijven. Minister Dedonder benadrukt dat concrete toewijzing en verdeling nog moeten worden onderhandeld op EU-niveau, met regionale afstemming in België, waar fondsen traditioneel naar economische en sociale projecten gingen. Ponthier pleit voor snelle officiële toekenning en integratie in het defensiebudget, mogelijk om de NAVO 2%-norm te halen, met focus op militaire infrastructuur en mobiliteit. De kwestie blijft open, afhankelijk van toekomstige EU-beslissingen en Belgische coördinatie.

Annick Ponthier:

Mevrouw de minister, de overdonderende overwinning van Donald Trump in de Verenigde Staten betekende een tweede wake-upcall voor de Europese beleidsmakers. Een eerste kregen we al bij de inval van Rusland in Oekraïne. Het signaal is duidelijk: onze Europese veiligheid heeft sinds de Tweede Wereldoorlog nog nooit zo onder druk gestaan. We kunnen ons niet blijven nestelen onder de Amerikaanse paraplu, maar zullen onze eigen boontjes moeten doppen, zeker op het vlak van veiligheid en defensie.

De Europese Unie heeft dat signaal gekregen en we moeten bekijken hoe dat zal worden beantwoord. De EU heeft gezegd sneller werk te willen maken van nieuwe investeringen. Zo zal men 392 miljard euro uit de Europese cohesiefondsen omleiden voor de financiering van dual-use goederen. Men denkt daarbij aan infrastructuur voor militaire mobiliteit, maar ook aan financiering van drones en munitie- en wapenproductie. Het geld uit die fondsen is normaal bedoeld voor investeringen in achtergestelde regio's, maar kan nu flexibeler worden aangewend.

Duitsland maakt aanspraak op 39 miljard van die cohesiefondsen, tot en met 2027. Wat betekent dat voor België? Hoeveel geld uit die cohesiefondsen zal België eventueel ontvangen? Zal België dat ook daadwerkelijk investeren in defensie en veiligheid? Hebt u plannen om daarmee concrete projecten te ondersteunen? Kunt u dat toelichten? Waren er al plannen om dat geld anders in te zetten in België? Zo ja, welke?

Ludivine Dedonder:

Mevrouw Ponthier, er is momenteel geen officiële mededeling van de Europese Commissie over de herverdeling van de Europese structuurfondsen, waaronder het cohesiefonds, en de mogelijke verdeling ervan tussen de lidstaten. Dit hangt af van verdere onderhandelingen op Europees niveau en de concrete modaliteiten die de Europese Commissie zal vastleggen. België is evenwel betrokken bij deze besprekingen en volgt ze van nabij op.

De verdeling van de Europese structuurfondsen is in België een gedeelde verantwoordelijkheid tussen het federale en regionale niveau. Voorheen waren de Belgische cohesiefondsen voornamelijk bestemd voor regionale ontwikkeling, met de focus op economische groei, werkgelegenheid en sociale cohesie in achtergestelde gebieden. De precieze plannen verschillen per regio. Investeringen in openbaar vervoer, stadsvernieuwing en opleidingstrajecten zijn enkele voorbeelden. Als de heroriëntering van die fondsen naar defensieprojecten wordt doorgevoerd, zal dat steeds in overleg moeten gebeuren met de regionale overheden, om een evenwicht te behouden tussen de verschillende doelstellingen van de cohesiefondsen.

Annick Ponthier:

Mevrouw de minister, op dit moment is er dus nog geen officieel bericht namens de EU om wat dan ook toe te kennen aan België. Mochten ze dat wel overwegen – en we zullen dat net als u, zolang u nog minister bent, verder opvolgen – is het heel belangrijk dat er een officiële toekenning komt en dat er ook concrete modaliteiten worden vastgelegd. In mijn vraag had ik het over infrastructuur voor militaire mobiliteit. In het kader van het enablement naar andere NAVO-partners toe, kunnen we die middelen misschien wel integreren in het algemene defensiebudget. Er zijn stemmen die in de richting gaan van een integratie in de toenaderingspoging om binnen enkele jaren toch tot de 2 %-norm te komen. Ik geef het maar mee, maar u hebt er ongetwijfeld al voor mij aan gedacht om dat op die manier te implementeren. Dit wordt dus vervolgd.

De toegang tot de militaire faciliteiten en infrastructuur van Defensie

Gesteld aan

Ludivine Dedonder

op 27 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Dedonder bevestigt dat toegang tot F-35-infrastructuur in Florennes en Kleine-Brogel mogelijk is voor haar *en parlementariërs*, mits strikte veiligheidsclearance (geen absolute weigering, maar procedurele voorwaarden). Ze benadrukt dat dergelijke beperkingen ook gelden voor andere strategische defensiesites met gevoelige technologie, in lijn met *nationale en internationale veiligheidsafspraken*. Lasseaux onderschrijft het belang van parlementair toezicht, maar aanvaardt de noodzaak van strenge veiligheidscontroles voor toegang. Kernpunt: geen Amerikaanse blokkade, wel gestandaardiseerde clearances.

Stéphane Lasseaux:

Madame la ministre, lors d’une récente conversation avec des autorités militaires de la base de Florennes, j’ai cru comprendre qu’une partie des nouvelles infrastructures liées aux F-35 auront un accès extrêmement restreint. Même la ministre n’y aurait pas accès. Ce serait une exigence américaine.

Je peux comprendre des limitations d’accès aux installations militaires américaines en Belgique ou lorsqu’il s’agit d’armes américaines. Cependant, je ne comprends pas que la ministre de la Défense puisse être interdite d’accès à des infrastructures belges, s’occupant de l’entretien d’avions militaires qui sont la pleine propriété de la Belgique. De même, moyennant certains contrôles de sécurité, les représentants de la nation, spécialement les membres de cette commission, devraient pouvoir avoir l’occasion de visiter les installations militaires belges, en bonne entente avec la Défense.

Madame la ministre, pouvez-vous confirmer la réalité de l’impossibilité pour vous d’accéder à une partie des installations liées aux F-35 à Florennes et donc, par la suite, à Kleine-Brogel?

Existe-t-il d’autres sites avec ce type de limitation d’accès?

Quelles sont les règles applicables en général pour l’accès des élus du Parlement fédéral et spécialement des membres de cette commission aux installations et infrastructures de la Défense?

Ludivine Dedonder:

Je vais vous rassurer, monsieur Lasseaux. L'accès aux infrastructures liées aux F-35 à Florennes et à Kleine-Brogel sera conditionné à la présentation des autorisations de sécurité appropriées. Ces exigences découlent de normes de sécurité strictes, applicables aux installations sensibles. En tant que ministre de la Défense, je remplis bel et bien ces exigences. Moyennant cette autorisation de sécurité à présenter, j'y ai accès.

D'autres installations de la Défense sont également soumises à des restrictions similaires, conformément aux exigences de sécurité nationales et aux engagements internationaux. Il s'agit notamment des sites stratégiques ou abritant des technologies sensibles. Les règles générales précitées valent également pour l'accès des députés aux infrastructures de la Défense. Celles-ci imposent une vérification préalable des autorisations de sécurité. Moyennant une vérification positive, vous pouvez y accéder.

Stéphane Lasseaux:

Merci de me rassurer et merci pour vos réponses. Vous pourriez donc visiter ces installations. Toutefois il est clair qu'il faut en effet des contrôles de sécurité importants. Nous sommes bien conscients qu'il s'agit de matériel très sensible. Mais il est aussi important que les élus puissent effectuer leur contrôle comme il se doit. Nous espérons en effet pouvoir bénéficier de cet accord de sécurité pour pouvoir y accéder.

Het voorbereiden van de Belgische bevolking op een groot conflict of een ernstige veiligheidscrisis

Gesteld aan

Ludivine Dedonder

op 27 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België, als strategische doelwit door zijn centrale ligging, NAVO-instellingen en kritieke infrastructuur, heeft geen alomvattend resilientiebeleid zoals Zweden en Finland, die hun bevolking actief voorbereiden op oorlogsdreiging. Minister Dedonder bevestigt dat Defensie en het Nationaal Crisiscentrum (SPF Binnenlandse Zaken) een interfederaal resilientieplan ontwikkelen, gericht op continuïteit van essentiële diensten, energielevering, massaslachtofferbeheer en bescherming van vitale sectoren, maar concrete publiekscommunicatie ontbreekt nog. Frank dringt aan op een proactieve, transparante campagne (geïnspireerd door OTAN-discussies) om paniek te voorkomen *en* de samenleving te verenigen, met lessen uit 1940 waar gebrek aan gecoördineerde voorlichting fataal was. Hij pleit voor een overheidsbreed plan onder leiding van Defensie, met betrokkenheid van alle maatschappelijke actoren, om zowel veerkracht als nationale cohesie te versterken.

Luc Frank:

Madame la ministre, le lundi 18 novembre, le gouvernement suédois a commencé à envoyer quelque cinq millions de brochures à ses habitants, les encourageant à se préparer face à l'éventualité d'une guerre. La Finlande a en même temps lancé un site web avec des conseils de préparation similaires.

Ces deux É tats ont toujours eu une politique de préparation maximale de leur population face aux risques de conflit, spécialement durant la Guerre froide. Ils considéraient que c'était une politique essentielle pour assurer leur souveraineté et leur neutralité ainsi que pour dissuader des adversaires potentiels.

La Belgique n'a historiquement jamais eu une politique aussi globale. Pourtant, elle constitue depuis longtemps une cible privilégiée pour tout adversaire, vu sa situation géographique centrale, par la présence des institutions de l'OTAN et par ses infrastructures de communication, tel le port d'Anvers.

Madame la ministre, la nouvelle situation mondiale ne demande-t-elle pas une politique volontariste pour renforcer la résilience de la population et de la société belge en cas de conflit? Ne serait-il pas temps de préparer la population et la société belge au risque d'attaques par des armes de destruction massive, des armes conventionnelles, des sabotages, des cyberattaques et par la désinformation? La Défense a-t-elle envisagé de développer des outils dans ce sens avec d'autres départements, dont la SPF Intérieur?

Ludivine Dedonder:

Monsieur Frank, en tant que pays hôte d'installations de l'Union européenne et de l'OTAN, la Belgique porte une responsabilité supplémentaire.

Il est essentiel que nous soyons capables de mobiliser tous les niveaux de pouvoir ainsi que l'ensemble de la société en vue de préparer et, le cas échéant, de proposer une réponse coordonnée et cohérente aux menaces potentielles qui pèsent contre nous.

À ce titre, la Défense s'associe étroitement aux travaux du Centre de crise national du SPF Intérieur visant à développer un plan de résilience interfédéral. Celui-ci se basera notamment sur des exigences clés qui mettront en évidence la nécessité de maintenir la continuité des pouvoirs publics et des services publics essentiels ainsi que de garantir les approvisionnements énergétiques, en vivres et en eau.

Il s'agira aussi d'être capables de gérer efficacement des mouvements incontrôlés de personnes, de prendre en charge un grand nombre de victimes, de protéger les systèmes de communication civils ou encore de faire en sorte que les systèmes de transport, les secteurs financier, économique et scientifique ainsi que la société dans son ensemble puissent continuer à fonctionner.

Le Centre de crise national est responsable de la planification d'urgence et de la gestion de crise.

La Défense se tient prête à répondre aux demandes du gouvernement et à mettre ses moyens à disposition.

Luc Frank:

Madame la ministre, merci beaucoup pour votre réponse. Certes, il importe de ne pas faire paniquer la population. Mais, revenant du Canada où s'est tenue l'Assemblée parlementaire de l'OTAN, je pense qu'il est important, d'une certaine façon, de parler directement et avec franc-parler. Une campagne de communication est donc effectivement nécessaire. La préparation de la cohésion et de la résilience d'une société est importante dans un contexte de conflit. En tirant les leçons de l'Histoire, il faut éviter de répéter les erreurs commises en 1940 lorsque la France et le Royaume-Uni ont communiqué de façon différente. C'est pourquoi le prochain gouvernement devra établir un plan de préparation et de résilience en lien direct avec la Défense, comme vous l'avez d'ailleurs proposé, qui est à même d'évaluer et de définir les risques. Une large participation de tous les acteurs de la société sera indispensable. Par ailleurs, je suis convaincu que, réalisé intelligemment, cela pourrait même avoir un impact positif sur la cohésion nationale de manière plus générale.

De uitgifte van euro-obligaties om de defensie te financieren

Gesteld aan

Ludivine Dedonder

op 27 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België neemt nog geen standpunt in over de gezamenlijke EU-defensieobligaties (voorgesteld door Duitsland, Frankrijk, Spanje, Italië en Polen) omdat er geen officiële documenten zijn ontvangen en concrete plannen van eurocommissaris Kubilius ontbreken.

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de voorzitter, ik verwijs naar de schriftelijke voorbereiding van mijn vraag.

De vijf grootste lidstaten van de EU (Duitsland, Frankrijk, Spanje, Italië en Polen) zijn gewonnen voor de uitgifte van gezamenlijke obligaties om de uitbouw van de Europese defensie te financieren. Dit is een belangrijke doorbraak, zeker in kader van de intrede van de nieuwe Europese Commissie en de Eurocommissaris voor Defensie. Premier Alexander De Croo is voorstander van zulke 'defence bonds'.

Mijn vragen aan u:

Wat is het standpunt van België over het standpunt van DL, FR, SP, IT en Polen?

Gaat ons land dit standpunt ook mee verdedigen?

Welke maatregelen plant eurocommissaris voor defensie, Kubilius, te nemen?

Ludivine Dedonder:

Het initiatief van Duitsland, Frankrijk, Spanje, Italië en Polen betreffende defensieobligaties heeft het voorwerp uitgemaakt van berichtgeving in de internationale pers.

België heeft tot op heden nog geen officiële documenten ontvangen betreffende dat initiatief. Het is bijgevolg voorbarig om een standpunt in te nemen. We moeten eveneens afwachten welke concrete maatregelen de eurocommissaris van Defensie ter zake voor ogen heeft.

Kjell Vander Elst:

Bedankt voor uw antwoord, mevrouw de minister.

De agressie tegen een treinbegeleider in Lokeren
De veiligheid van het spoorpersoneel
De stavaza inzake de noodzakelijke maatregelen voor meer veiligheid in de Belgische stations
Veiligheid en agressiepreventie voor spoorpersoneel in België

Gesteld aan

Georges Gilkinet

op 27 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de toenemende agressie tegen spoorpersoneel (2.300 incidenten in 2023, 57.000 uren arbeidsongeschiktheid) en de nood aan concrete veiligheidsmaatregelen. Minister Gilkinet bevestigt uitbreiding van Securail, automatische deling van camerabeelden met politie, en lopende plannen voor bodycams (positief advies, maar trage implementatie), plus strafverzwaring voor daders, maar verwijst politie-inzet door naar Binnenlandse Zaken. Critici (Cuylaerts, Troosters) vinden de voortgang te traag en dringen aan op snellere, krachtdadigere actie, zoals versnelde bodycam-invoering en strengere handhaving, om het vertrouwen in het openbaar vervoer te herstellen.

Dorien Cuylaerts:

Mijnheer de minister, elke dag met angst naar het werk vertrekken, dat kennen wij gelukkig niet. Helaas is het een harde realiteit voor spoor- en treinpersoneel. Het krijgt er steeds vaker mee te maken. De incidenten van agressie in zowel stations als treinen blijven toenemen. Zo werd op 5 november een treinbegeleider op de lijn van Antwerpen-Centraal naar De Panne het slachtoffer van geweld.

De NMBS veroordeelt deze gewelddaden en stelt dat er stappen moeten worden ondernomen om dergelijke incidenten te voorkomen. De maatschappij pleit niet alleen voor strengere straffen, maar dringt ook aan op een zichtbaardere aanwezigheid van politiediensten op de perrons en in de treinen. Dat zijn maatregelen die volgens de NMBS noodzakelijk zijn om het spoorpersoneel beter te beschermen.

Welke concrete maatregelen acht u op dit moment het meest effectief om de veiligheid van het spoorpersoneel te verhogen? De NMBS pleit voor een grotere zichtbaarheid van politie in de stations en in de treinen. Wat is uw standpunt over dit voorstel? Acht u het haalbaar politiediensten zichtbaarder in te zetten op de verschillende locaties?

De NMBS heeft een duidelijk standpunt inzake bodycams voor Securailpersoneel. Die zijn volgens de spoorwegmaatschappij noodzakelijk om de veiligheid van de werknemers te waarborgen. Staat u ervoor open deze optie opnieuw te bekijken?

Voorzitter:

De heer Foret had ook een vraag, maar ik zie hem niet in de zaal.

Frank Troosters:

Ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

Op 5 november jl. werd een treinbegeleider op de trein tussen Antwerpen-Centraal en De Panne het slachtoffer van agressie. De trein moest door het incident halt houden in het station van Lokeren waar alle passagiers dienden over te stappen op een andere trein. Het slachtoffer kreeg er de eerste zorgen alvorens afgevoerd te worden naar het ziekenhuis.

Kan de minister toelichting geven over het incident dat plaatsvond? Wat was de aanleiding? Wat waren de verwondingen die de treinbegeleider hierbij opliep? In welke mate was/is de treinbegeleider arbeidsongeschikt als gevolg van dit incident?

Wat gebeurde er met de dader? Werd hij gearresteerd? Wat is zijn huidige status? Is hij momenteel op vrije voeten? Zo ja, waarom? Wat zullen de verdere gevolgen/bestraffing zijn voor de dader?

Welke bijkomende maatregelen heeft de minister genomen (zal hij nemen) naar aanleiding van de feiten die plaatsvonden?

Georges Gilkinet:

Mijnheer de voorzitter, collega's, elke vorm van agressie tegen treinpersoneel is onaanvaardbaar en vraagt dan ook de strengste aanpak.

Mevrouw Cuylaerts, u vraagt naar concrete maatregelen om de veiligheid in het station en op de trein op te krikken. De NMBS heeft het contingent van Securail uitgebreid. Daarnaast zullen camerabeelden automatisch met de politie worden gedeeld. Uw vraag naar meer politie in de stations moet u richten aan mijn goede collega bevoegd voor Binnenlandse Zaken, mevrouw Verlinden.

Noteer dat de minister van Binnenlandse Zaken de adviesraad met betrekking tot particuliere beveiliging om een advies over de uitbreiding van het gebruik van bodycams naar beveiligers van het openbaar vervoer heeft gevraagd en dat het advies positief is. De komende weken moet er een werkgroep worden opgericht. De vier openbaarvervoerbedrijven hebben in maart 2023 aan de ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie gevraagd om zo snel mogelijk wetgevende maatregelen te nemen om het gebruik van bodycams door veiligheidsdiensten mogelijk te maken. De minister van Justitie steunt het verzoek. Een herinnering van de vier bedrijven werd verstuurd naar de minister van Binnenlandse Zaken om de urgentie van het verzoek te beklemtonen.

Daarnaast moeten daders snel en streng vervolgd worden. Ik verwijs ook naar de intussen goedgekeurde strafverzwaring voor daden van agressie tegen onder meer treinpersoneel.

Mevrouw Cuylaerts, mijnheer Troosters, doordat een treinbegeleider op 5 november jongstleden naar aanleiding van de controle van een MOBIB-kaart in de trein van Antwerpen-Centraal naar De Panne het slachtoffer werd van zware agressie, moest de trein stoppen in het station van Lokeren en werd alle reizigers gevraagd daar op een andere trein over te stappen. Zonder te diep in te gaan op de persoonlijke en medische toestand van de NMBS-medewerker, die nog steeds arbeidsonbekwaam is, geef ik wel mee dat de treinbegeleider volgens de NMBS ter plaatse eerste hulp kreeg en vervolgens naar het ziekenhuis voor verdere zorg werd overgebracht.

In 2023 leidde agressie, waarbij 348 vte's betrokken waren, tot ongeveer 57.000 uren arbeidsongeschiktheid. Dat is dus gemiddeld 163 uur per persoon.

Uw vragen over vervolging en bestraffing moet u, zoals gebruikelijk, aan de minister van Justitie stellen. Als werkgever vraagt de NMBS – en ik steun die vraag uiteraard – dat elke vorm van agressie waarmee het personeel wordt geconfronteerd, door alle actoren in de justitiële keten ernstig wordt behandeld, steeds in een klacht wordt geverbaliseerd en gevolgd wordt door een gepaste straf aan de dader. Daarvoor wordt samengewerkt met de verschillende parketten en staat de NMBS in contact met het College van procureurs-generaal. Indien een medewerker van de NMBS het slachtoffer van agressie is geworden, dan zal minstens HR Rail of de NMBS zich burgerlijke partij stellen wanneer het parket tot vervolging besluit.

Dorien Cuylaerts:

Mijnheer de minister, het antwoord stemt me positief, waarvoor dank. Veiligheid is immers ons hoogste goed, zeker als men zijn job uitoefent. Het is jammer dat men met angst moet gaan werken.

Wij zullen ook uw collega-ministers ondervragen. Die cijfers over agressie blijven immers zorgwekkend. In 2023 waren er 2.300 incidenten. Dat is meer dan zes per dag. We moeten het fenomeen heel streng opvolgen. Ik ben heel blij dat de maatregelen zullen worden versterkt en dat bijkomende initiatieven worden bekeken. Onze spoorwerknemers verdienen het om hun werk zonder angst en in alle veiligheid te kunnen verrichten.

Frank Troosters:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord; maar ik kan uw antwoorden intussen ongeveer bijna zelf schrijven. Meestal komt in uw antwoorden hetzelfde terug. Ik stel alleen vast dat het zeer traag gaat. Als voorbeeld verwijs ik naar het verhaal van de bodycams. Zowat iedereen is er voorstander van, maar nog steeds worden adviezen opgevraagd en comités opgericht. De cijfers worden ondertussen steeds zorgwekkender. Het gaat ermee de verkeerde kant op. Echt krachtdadige maatregelen inzake veiligheid mis ik, ook al vragen we er al heel lang naar. Voor mij zijn die essentieel om van de trein een succesverhaal te maken, want wie niet veilig de trein kan nemen, neemt die niet. Ik hoop dat er toch nog stappen gezet zullen worden, liefst op korte termijn.

De beperkte capaciteit van het registratiecentrum voor verzoeken om internationale bescherming
De impact van de opvangcrisis op de dakloosheid en op de nachtopvang in Brussel
Ongunstige omstandigheden voor wachtenden bij het aanmeldcentrum in de Belliardstraat
Het plaatsgebrek in de opvangcentra
Gezinnen die op straat slapen
Gezinnen met kinderen die op straat slapen in Brussel
De situatie aan Passage 44 en de aanpak van tentenkampen
Het beheersen van de opvangcrisis en het tekort aan plaatsen in het opvangnetwerk
Het winterplan, noodopvang en hotelopvang
Opvangcrisis, plaatsgebrek en leefomstandigheden voor asielzoekers in Brussel

Gesteld aan

Nicole de Moor (Staatssecretaris voor Asiel en Migratie)

op 27 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De asielopvangcrisis in België wordt gekenmerkt door structurele tekorten aan registratiecapaciteit (DVZ Belliardstraat) en opvangplaatsen, ondanks 38.400 beschikbare plekken. Kwetsbare groepen (gezinnen, kinderen) krijgen voorrang bij registratie en opvang, maar alleenstaande mannen worden systematisch doorverwezen naar overvolle nachtopvang, terwijl rechten op rechtsbijstand en opvangbewijzen voor wie met uitgestelde afspraken vertraging oplopen. Staatssecretaris De Moor benadrukt dat de oplossing ligt in beperking van secundaire instroom (o.a. via versnelde Dublin-procedures en EU-migratiepact) in plaats van eindeloze capaciteitsuitbreiding, maar kritiek blijft dat mensonwaardige omstandigheden (wachtrijen in kou, straatleven) en rechterlijke veroordelingen voor schendingen (bv. art. 50 Vreemdelingenwet) onvoldoende worden aangepakt. Tijdelijke winteropvang (750 extra plekken) biedt beperkte verlichting, maar structurele maatregelen ontbreken.

Matti Vandemaele:

Mevrouw de staatssecretaris, door de beperkte registratiecapaciteit slaagt de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) er niet in om dagelijks alle verzoeken om internationale bescherming te registreren in het nieuwe registratiecentrum in de Belliardstraat. Op 18 november werden naar verluidt al afspraken ingepland voor 5 en 6 december, wat betekent dat mensen meer dan twee weken moeten wachten om enkel nog maar hun asielaanvraag in te dienen. In die periode beschikken ze niet over een individueel bewijs van de asielaanvraag, waardoor ze zich niet kunnen inschrijven op de wachtlijst voor opvang en geen gratis rechtsbijstand kunnen aanvragen.

Weken na de aanmelding pas convocaties uitdelen is in strijd met artikel 50 van de vreemdelingenwet. Bij een groot aantal verzoeken om internationale bescherming mag de termijn worden verlengd met drie tot maximaal tien dagen. In juni 2023 werd België veroordeeld voor de schending van het recht op asiel, waarbij de rechtbank verwees naar artikel 50 van de vreemdelingenwet, maar de dwangsommen werden uiteraard nooit betaald.

Is de registratiecapaciteit in de Belliardstraat significant lager dan aan de Pachecolaan? Welke maatregelen acht u mogelijk om de registratiecapaciteit te verhogen? Of kunt u leven met het systeem van vandaag?

Hoe zult u de inschrijving op de wachtlijst voor opvang mogelijk maken voor wie een convocatie van de DVZ voor de registratie van hun beschermingsverzoek ontving? Hoe zorgt u ervoor dat die groep ook toegang krijgt tot gratis rechtsbijstand?

Klopt het dat er convocaties zijn uitgedeeld aan gezinnen met kinderen? Naar verluidt zou dat alleen het geval zijn als die gezinnen aangeven een opvangplek te hebben.

Op welke manier krijgen de kwetsbaarsten voorrang bij de indiening van een verzoek om internationale bescherming?

Bovendien worden de nachten kouder en slapen er alsmaar meer mensen op straat. De opvangstructuren zitten vol en een aanzienlijk deel van de bedden in de daklozenopvang in Brussel wordt ingenomen door personen die een verzoek om internationale bescherming hebben ingediend en dus recht hebben op opvang bij Fedasil.

In de vragensessie van 6 november gaf u aan dat er tijdelijke opvangplaatsen in Bredene en Theux zouden worden geopend om de winterpiek te overbruggen. Daarnaast worden 2.000 plaatsen in de nachtopvang gefinancierd in het kader van de zogenaamde Brusseldeal.

Zal de federale overheid extra opvangplaatsen in Brussel financieren? Zo ja, waar en hoeveel? Welke bijkomende maatregelen plant u om de nachtopvang te ontlasten in Brussel?

Ik kijk uit naar uw antwoorden.

Greet Daems:

Mevrouw de staatssecretaris, mijn vraag gaat over de nieuwe locatie van het aanmeldcentrum in de Belliardstraat, dat ik eergisteren heb bezocht. U hebt hier al eerder verklaard dat die locatie niet geschikt is en ik geef u daar groot gelijk in. De mensen staan in een wachtrij, geprangd tussen dranghekkens en een muur van het gebouw. Toen ik er was, regende en waaide het heel hard en de mensen stonden daar zonder enige beschutting. Kinderen staan daar heel lang met hun ouders, zonder enige manoeuvreerruimte, wat niet evident is. Sommigen staan daar uren op voorhand, anderen zelfs een hele nacht, om zeker te zijn dat ze binnen zullen geraken. Het drukke autoverkeer en het feit dat de voorbijgangers het fietspad moeten gebruiken omdat de stoep wordt ingenomen door de wachtrij, maken de situatie heel gevaarlijk. Het is een kwestie van tijd voor er daar ongevallen gebeuren. Ook de rolstoeltoegankelijkheid is een enorm probleem vanwege het hoge betonnen blok voor de deur. Mensen in een rolstoel kunnen dus onmogelijk alleen binnen geraken. Er moet daar dringend iets aan gebeuren.

Ik heb dus de volgende vragen. Wat is de stand van zaken met betrekking tot de zoektocht naar een geschikt pand voor het aanmeldcentrum? Zijn er ondertussen al panden bezocht? Hebben uw diensten een locatie op het oog?

Wat zult u in de tussentijd doen om de omstandigheden voor de wachtenden te verbeteren? Worden er maatregelen getroffen om beschutting te voorzien, zodat ze niet in weer en wind moeten wachten? Waarom kunnen de mensen niet binnen wachten? Wat wordt er gedaan aan de rolstoeltoegankelijkheid?

Welke maatregelen nemen uw diensten om de veiligheid van asielzoekers, medewerkers en fietsers te garanderen? U verklaarde eerder in het Parlement dat u bekijkt hoe de wachtrij kan worden verplaatst en zei dat het mogelijk zou moeten zijn om dit op een parking te doen, zodat de mensen niet op straat hoeven te wachten. Is die piste verder onderzocht? Wat is de stand van zaken? Onderzoekt u nog andere pistes?

Mijn tweede vraag gaat over het plaatsgebrek in de opvangcentra.

De humanitaire hub in Brussel heeft vorige week nog actie gevoerd om het tekort aan slaapplaatsen in Brussel aan te klagen. Men wil dringend een oplossing voor het groeiend aantal gezinnen met kinderen dat geen plek vindt in de noodopvang. Binnenkort wordt het immers winter en gaat het vriezen. Het is sowieso al mensonwaardig om mensen aan de straat over te laten, maar bij vriestemperaturen is dat ronduit gevaarlijk. Er zijn dus dringend extra plaatsen nodig, niet alleen voor gezinnen met kinderen, maar ook bijvoorbeeld voor de 2.650 alleenstaande mannen die vandaag geen plaats krijgen bij Fedasil door uw asociaal beleid.

Volgens de woordvoerder van Fedasil wordt er wel plaats gegarandeerd voor gezinnen met kinderen, maar dat wordt tegengesproken door organisaties op het terrein. Zowel bij de humanitaire hub als bij Samusocial geeft men namelijk aan dat er wel degelijk gezinnen bij hen aankloppen die recht hebben op opvang door de federale overheid.

Ik heb daarom enkele vragen.

Welke inspanningen zult u leveren om iedereen die daar recht op heeft een opvangplaats te garanderen? Heeft de zoektocht van de taskforce, die werd opgericht om nieuwe, tijdelijke opvangplaatsen te vinden ondertussen iets opgeleverd? Er moesten immers minstens 2.000 plaatsen worden gevonden. Wat is de stand van zaken? Komen er nog plaatsen bij? Worden er de volgende maanden nog plaatsen gesloten? De nooddorpen voor Oekraïense vluchtelingen zijn de laatste week immers in het nieuws geweest. Het Antwerpse stadsbestuur besliste namelijk om een nooddorp op linkeroever af te breken. In tijden van plaatsgebrek vind ik dat een bijzonder slecht idee. Kunt u het beheer van een nooddorp overnemen of kunt u met de stad Antwerpen onderhandelen om het nooddorp te behouden en dan ook open te stellen voor andere verzoekers om internationale bescherming?

Khalil Aouasti:

Madame la secrétaire d'État, l'hiver s'installe, les températures baissent dangereusement et, malheureusement, des familles dorment toujours à la rue. Les acteurs de terrain rapportent un constat alarmant, mais qui n'est pas nouveau: le réseau d'accueil d'urgence est saturé et de nombreuses familles et personnes en situation vulnérable sont contraintes de dormir dans la rue.

Pourtant, lorsque je vous avais interrogée à ce propos il y a une dizaine de jours, vous m'aviez assuré mettre en place toutes les solutions d'accueil nécessaires, notamment via la convention passée avec le Service public régional bruxellois, pour que personne n'ait à dormir dans la rue, et indiquiez que toutes et tous, en ce compris les hommes seuls, feraient l'objet d'un accueil formel.

Madame la secrétaire d'État, au regard de ces constats, quelles mesures d'urgence pouvons-nous espérer afin d'offrir un accueil à toutes les familles et les personnes vulnérables contraintes de passer leurs nuits dans la rue?

Quelles mesures structurelles comptez-vous mettre en place pour résoudre le manque de places dans le réseau d'accueil et, par conséquent, lutter contre la saturation des centres d'urgence?

Que comptez-vous mettre en place pour que ces mesures ne soient pas simplement des adaptations faites au détriment des hommes isolés, comme on a pu le voir par le passé, ou d'une autre catégorie de personnes, mais constituent une réelle augmentation de notre capacité d'accueil, pour toutes et tous?

Maaike De Vreese:

Mevrouw de staatssecretaris, de voorbije maanden was, zeker in Brussel, de impact van de enorme instroom aan illegale migranten die asiel aanvragen, sterk voelbaar. Ik verwijs naar de tentenkampen, waarvan het tentenkamp in de Pachecolaan eind oktober door de politie werd opgedoekt.

Hoe is de situatie nu, net voor de winter? De winteropvang is al jaar en dag een heel groot probleem en vormt een discussiepunt: de instroom is gewoon te groot en Brussel kan niet zomaar iedereen opvangen. De conclusie is niet dat de DVZ tekortschiet bij de registratie, maar dat we niet meer asielzoekers aankunnen; het zijn er te veel. Hopelijk maken we niet mee dat weer tal van gezinnen met kinderen op straat belanden in putje winter. Dergelijke schrijnende toestanden getuigen allesbehalve van een humaan beleid.

Leden van de huidige regeringspartijen gebruiken hier grote woorden, maar ze zouden de hand in eigen boezem moeten steken gelet op hun beleid de voorbije jaren en hun weigering of blokkering van maatregelen ter beperking van de instroom.

Mevrouw de staatssecretaris, wat is de stand van zaken, onder andere aan de Pachecolaan en Passage 44? Hebt u daaromtrent nog meldingen ontvangen? Hoe zult u ervoor zorgen dat de situatie onder controle blijft? Hebt u daarvoor al overlegd met uw collega-minister Annelies Verlinden?

Catherine Delcourt:

Madame la secrétaire d'État, les données récentes confirment une aggravation de la crise de l'accueil, avec un nombre record de demandes d'asile (+17 % en octobre 2024 par rapport à octobre 2023) et une saturation manifeste du réseau d'hébergement. Malgré l'augmentation de la capacité à 36 000 places sous la Vivaldi, il est clair que cette gestion est insuffisante face à l'afflux croissant de demandeurs d'asile, dont beaucoup finissent à la rue, y compris des familles avec enfants.

Dans ce contexte alarmant, je souhaiterais vous poser les questions suivantes. Quelles mesures concrètes envisagez-vous de prendre dans les prochains jours, compte tenu des conditions hivernales, pour mettre fin à la saturation structurelle du réseau d'hébergement, en particulier pour les familles et les enfants afin qu'ils ne se retrouvent pas à la rue? Considérez-vous que l'approche actuelle, qui repose sur une augmentation constante des capacités d'accueil, est tenable à moyen et long terme, ou envisagez-vous des politiques plus restrictives pour limiter l'accès au territoire?

Francesca Van Belleghem:

Mevrouw de staatssecretaris, op 1 november telde Fedasil maar liefst 35.885 opvangplaatsen voor asielzoekers, werden ongeveer 500 asielzoekers in hotels opgevangen en financierde de federale regering 2.000 plaatsen in de Brusselse nachtopvang. In het totaal komt dat neer op 38.358 opvangplaatsen.

Hebben we op dit moment effectief zo veel opvangplaatsen of zijn het er nog veel meer? Hoeveel opvangplaatsen voor asielzoekers heeft men wanneer men alle opvangplaatsen van Fedasil samentelt, dus de reguliere asielopvang samen met de oneigenlijke opvang van de Brusselse nachtopvang en de opvang in hotels?

Drie weken geleden heb ik u ondervraagd over het aantal asielzoekers die op hotel slapen. Zijn het er nu nog steeds 500? U beloofde toen om de hotelopvang zo snel mogelijk af te bouwen. Bent u daar intussen in geslaagd of niet?

We hebben bijna 40.000 plaatsen voor asielzoekers in dit land. Het aantal opvangplaatsen is niet het probleem, maar wel de instroom van asielzoekers. Er moeten duidelijk maatregelen worden genomen om die instroom te beperken.

Nicole de Moor:

Mijnheer de voorzitter, beste collega’s, u stelde veel vragen over de opvang en de registratie, die ik allemaal zal trachten te beantwoorden.

De Dienst Vreemdelingenzaken is enkele weken geleden verhuisd naar de Belliardstraat. Dat is inderdaad geen ideale locatie. Mevrouw Daems, ik heb nooit gezegd dat de site niet geschikt is, wel dat ze niet ideaal is en dat we op dit moment geen enkele andere optie hebben. Wat zou u zelf dan voorstellen? Ik kan me niet indenken dat u zou voorstellen om de registratiecapaciteit dan maar te sluiten.

Ook al is de site niet ideaal, we proberen er vandaag, zo goed en zo kwaad als het gaat, de registratie te organiseren. In mei 2024 stelden mijn diensten al een conceptnota voor een nieuw aanmeldcentrum op. De Regie der Gebouwen, die verantwoordelijk is voor het zoeken naar een alternatief pand, zal die zaak opvolgen. Binnen de zestien maanden dient de Dienst Vreemdelingenzaken immers opnieuw te verhuizen: zoals gezegd is de Belliardstraat een tijdelijke site.

Dit wordt dus een van de dossiers die de volgende regering snel zal moeten opnemen en wij bereiden dat mee voor. Mijn diensten bespreken alle mogelijke opties om ook de dagelijkse werking, zoals de organisatie van de wachtrijen, te verbeteren. Dat gebeurt in samenspraak met de eigenaar, de Regie der Gebouwen en de veiligheidsdiensten, zoals de brandweer en de politie. In de huidige toestand is het niet mogelijk om mensen binnen te laten voor het openingsuur, maar we onderzoeken wel verschillende mogelijkheden. Eén mogelijkheid is bijvoorbeeld om al heel vroeg in de ochtend een deel van de mensen binnen te laten. We bekijken hoe we dat zo snel mogelijk kunnen organiseren.

Mevrouw Daems, op dit ogenblik laten de medewerkers van de Dienst Vreemdelingenzaken personen in een rolstoel binnen via de hoofdingang van het gebouw. Er is dus wel degelijk aandacht voor personen in een rolstoel.

Mijnheer Vandemaele, de registratiecapaciteit in de Belliardstraat is niet structureel lager dan aan de Pachecolaan. De registratiecapaciteit was onlangs wel tijdelijk lager door een tijdelijk personeelsprobleem bij de Dienst Vreemdelingenzaken. Dat was in de eerste plaats te wijten aan een hoge afwezigheidsgraad door ziekte, en daarnaast kende de DVZ deze maand veel vertrekkers. Die zijn nog niet allemaal vervangen. In dat verband heeft de dienst P&O van Binnenlandse Zaken een actieplan opgesteld dat nu prioritair moet worden uitgevoerd.

Er worden 's ochtends twee rijen gevormd aan het registratiecentrum: een voor de gezinnen, niet-begeleide minderjarigen en alleenstaande vrouwen en een voor de alleenstaande mannen. De rij van de kwetsbare personen wordt eerst binnengelaten. De algemene regel is dat alle kwetsbare personen worden geregistreerd op de dag dat ze zich aanbieden. De afgelopen weken was dat tweemaal niet mogelijk: op 18 november, toen er zich maar liefst 437 personen kwamen melden, en op 12 november, toen er 418 personen aan de deur stonden. In deze uitzonderlijke omstandigheden gaf de Dienst Vreemdelingenzaken inderdaad enkele gezinnen een convocatie. Het ging daarbij telkens enkel om gezinnen die al eerder de opvang hadden verlaten of aangaven zelf een oplossing te hebben voor opvang.

Ik herhaal en benadruk dat alle gezinnen met een opvangnood die asiel aanvragen in ons land wel degelijk geregistreerd en dezelfde dag opgevangen worden. Daarover werden vorige keer vragen gesteld, net als in de plenaire vergadering en door de pers. Ik heb elke keer de juiste informatie gegeven en wil mijn diensten daarvoor bedanken. Zij doen dat immers in zeer moeilijke omstandigheden. Zij slagen er wel nog steeds in om alle gezinnen op te vangen die in België asiel aanvragen en een opvangnood hebben.

Nadat alleenstaande mannen zich inschrijven op de wachtlijst wordt de datum van toewijzing naar een reguliere opvangplaats bepaald door de datum van de asielaanvraag. Ondertussen kunnen ze terecht in de opvangplaatsen die Fedasil financiert in de Brusselse daklozenopvang.

Opnieuw wil ik onderstrepen dat de berichten die melden dat Fedasil niet alle families met kinderen kan opvangen fout zijn. Ik kan daarin formeel zijn.

Fedasil garantit chaque jour l'accueil aux personnes aux familles qui y ont droit. Il est faux de dire que des familles ayant droit à l'accueil ont été refusées par Fedasil. Si des personnes en procédure "Dublin", par exemple, quittent le centre "Dublin" de Zaventem, parce qu'elles ne veulent pas retourner vers l' É tat responsable, c'est leur choix. C'est donc un tout autre cas de figure.

La Belgique reste confrontée à un afflux très important, principalement dû à la migration secondaire. Je le répète, la Belgique gère déjà de nombreuses places d'accueil: 38 428 places pour être précise.

Ces dernières semaines, Fedasil a créé et est occupée à ouvrir 750 places supplémentaires mais temporaires à Theux, Bredene et auprès des auberges de jeunesse qui l'ont déjà fait l'année dernière.

Het laatste winterverblijf opent op 20 december 2024, met 40 plaatsen. Al die tijdelijke winteropvangplaatsen moeten echter sluiten tussen eind januari en midden april 2025.

Mevrouw Van Belleghem, op datum van 25 november 2024, gisteren dus, verblijven nog 355 personen in de noodopvangplaatsen in Brussel, waarvan sommige dienstdeden of dienstdoen als hotel. De bezetting daalt daar dus wel degelijk verder.

Cependant, la création continuelle de places d'accueil supplémentaires n'est pas la solution, je le répète. La solution se situe dans la mitigation des flux secondaires vers la Belgique. Je continue à analyser avec mes services quelles sont les mesures à prendre, dans le respect des affaires courantes. Au cours des derniers mois et années, j'ai investi dans des initiatives visant à répondre à cette situation: des dispositions légales telles que l'arrêté royal "cumul"; un centre "Dublin" à Zaventem; une procédure accélérée pour des personnes, avec bateau de reconnaissance; des campagnes d'information.

Vous savez que je souhaite une application du pacte européen. En outre, je demanderai à la Commission comment la Belgique pourrait exécuter plus rapidement certaines mesures. Ce matin encore, j'ai annoncé des mesures supplémentaires pour des demandeurs d'asile qui bénéficient déjà d'un statut de protection dans un autre État membre.

Des familles sans droit à l'accueil se trouvent parfois dans le réseau des sans-abris à Bruxelles. Je peux répondre à Mme Maouane – qui avait aussi déposé une question, mais qui n'est pas encore arrivée – que le ministre régional Maron, compétent en la matière, peut expliciter comment des places réservées aux sans-abris peuvent être accordées à ces familles. Je continuerai de résister à la désinformation. Il existe une différence entre les personnes qui ont droit à un accueil et celles qui n'en ont pas, ainsi qu'entre les demandeurs d'asile et d'autres sans-abris comme des Belges, des Européens ou des individus ne disposant pas d'un droit de séjour sur notre territoire et qui n'ont pas droit à l'accueil.

Dat wil niet zeggen dat ik mijn schouders daarvoor ophaal of dat ik het zomaar oké vind dat die families met kinderen zich soms op straat bevinden. Dat is niet aanvaardbaar, maar we moeten echt wel stoppen met alles op een hoopje te gooien en altijd naar Fedasil te kijken als instantie die iedereen zou moeten opvangen, want dat is niet juist. Mevrouw De Vreese, u hebt helemaal gelijk als u zegt dat iedereen de hand in eigen boezem mag steken. Dat betekent ook dat de juiste politiek verantwoordelijken voor daklozenopvang daarover dienen te worden aangesproken.

Zoals ik in een vorige commissievergadering al heb toegelicht, heb ik geen weet van tentenkampen op dit moment. Uit mijn recent contact met het Brussels Gewest blijkt dat evenmin. Mevrouw De Vreese, de situatie aan de Passage 44 is inderdaad maandenlang problematisch geweest, maar de ingang daar werd deze zomer afgesloten. Door de verhuis van de cel Registratie naar de Belliardstraat zullen de problemen aan de Passage 44 verder kunnen afnemen. Ik blijf uiteraard in contact met de stad Brussel, zodat zij kan optreden wanneer dat nodig is.

In antwoord op de vragen over Oekraïners kan ik meedelen dat maandelijks nog meer dan 1.000 Oekraïners tijdelijke bescherming aanvragen in België. Daarover zal ik nog meer informatie geven in antwoord op de vragen onder een volgend agendapunt. De federale regering in lopende zaken heeft trouwens in de ministerraad recent haar verantwoordelijkheid genomen en zal de registratie, toewijzing en noodopvang van Oekraïners ook verderzetten in de eerste maanden van 2025, binnen de voorlopige twaalfden. Ik hoop dat de collega's van de gemeenschappen dat ook zullen doen voor de noodopvang. Het conflict is immers verre van voorbij en ik vind dat wij solidair moeten blijven met Oekraïne.

Matti Vandemaele:

Ik probeer alles goed te begrijpen. U zegt dat de registratiecapaciteit een tijdje lager is geweest wegens personeelsgebrek, maar dat dat tekort ondertussen is weggewerkt. Het is goed dat dat euvel al van de baan is.

U zegt ook dat u alleen convocaties geeft aan gezinnen die een opvang hebben geregeld en dus niet op straat belanden. Dat verheugt me. Ik ben ook blij dat uw diensten zich daarvoor inspannen. Voor mijn fractie is dat zeer belangrijk en wij zullen dat dus blijven vragen. Zolang u zegt dat er op dat vlak geen probleem is, zullen wij heel goede vrienden zijn.

Heb ik het goed begrepen dat u hebt gezegd dat er twee keer geen opvang kon worden gegeven aan alle kwetsbaren?

Nicole de Moor:

Wel opvang, maar geen registratie voor gezinnen die opvang hadden.

Matti Vandemaele:

Dat is duidelijk.

Zegt u dat het eerste spoor voor alleenstaande mannen altijd de nachtopvang in Brussel is? Of begrijp ik het verkeerd?

Nicole de Moor:

Het eerste spoor is altijd de wachtlijst bij Fedasil. De facto worden zij doorverwezen naar nachtopvang.

Matti Vandemaele:

Wanneer die nachtopvang vol zit, zullen we, zeker wanneer het kouder wordt, op een probleem botsen. Ik heb al verschillende keren naar een winterplan gevraagd, maar u fietst daar altijd gewiekst omheen. Ik vraag u nogmaals of er een winterplan komt deze winter.

Nicole de Moor:

Er komt geen winterplan, er is er al een. Wij hebben altijd een winterplan samen met de stad Brussel om extra capaciteit te voorzien bij vrieskou. Ook dit jaar is dat het geval.

Matti Vandemaele:

Waarvoor dank. Vorige keer hebben we gesproken over het toegankelijkheidsprobleem aan de Belliardstraat. Toen zei u dat u het ging bekijken en proberen op te lossen. Ik hoop dat dat euvel snel wordt bekeken en opgelost.

Op één vraag hebt u nog niet geantwoord. Het betreft de toegang tot rechtsbijstand voor de mensen die een convocatie kregen. Kunt u die vraag beantwoorden of is die rechtsbijstand op hen niet van toepassing?

Nicole de Moor:

(…)

Greet Daems:

Mevrouw de staatssecretaris, dank voor uw update in verband met de niet-ideale situatie bij het aanmeldcentrum in de Belliardstraat. Ik zal dit blijven opvolgen, want het is belangrijk dat er snel concrete stappen worden gezet om de problemen aan te pakken, voor de veiligheid en het welzijn van alle betrokkenen.

Over het plaatsgebrek in de opvangcentra hoor ik steeds hetzelfde riedeltje: “Als we iets aan het opvangtekort willen doen, moeten we de instroom verlagen.” Als u het zou hebben over maatregelen die de oorzaken van gedwongen migratie helpen aan te pakken, dan zou ik het met u eens zijn. U ontloopt echter gewoon uw verantwoordelijkheid. U stelt asociale maatregelen voor die rampzalig zijn voor vluchtelingen. U bent al duizenden keren veroordeeld voor uw beleid om alleenstaande mannen niet langer opvang te verlenen. U trekt van leer tegen veroordelingen van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als die oordeelt dat vluchtelingen wel een asielprocedure mogen opstarten terwijl u vindt van niet. Ik vind het problematisch dat u keer op keer rechterlijke beslissingen in twijfel trekt. Dat getuigt van weinig respect voor de rechtsstaat.

Als het systeem op zijn limieten botst, is dat in de eerste plaats het gevolg van een zelf veroorzaakt gebrek aan opvangplaatsen. Volgens het internationaal recht bent u verplicht om bed, bad en brood te geven aan alle asielzoekers in het land zolang hun asielprocedure loopt, of u dat nu wilt of niet. Ik verwacht dan ook dat u daar werk van maakt.

Khalil Aouasti:

Madame la secrétaire d' É tat, je vous remercie pour vos réponses. Comme vous le savez – et je pense que vous partagez cette préoccupation –, personne ne doit dormir à la rue cet hiver. Nous avons déjà vécu – et vous avez déjà eu à gérer – des épisodes suffisamment douloureux pour ne plus nous satisfaire de voir des gens dormir à la rue cet hiver. Des alertes ont été données, j'ai entendu de votre part il y a dix jours comme aujourd'hui que tout est mis en œuvre et qu'à ce jour, toutes celles et tous ceux qui sont dans les conditions de bénéficier d'un accueil en bénéficient. Je vais me satisfaire de votre réponse et vous demander de faire ce que vous faites déjà – mais vous n'avez pas besoin que je vous le demande –, c'est-à-dire continuer à œuvrer avec vos services pour faire en sorte que les exigences de dignité et d'humanité soient rencontrées dans notre É tat afin que personne ne dorme à la rue cet hiver.

Maaike De Vreese:

Mevrouw de staatssecretaris, Ecolo, Groen en de PS dragen wel degelijk een verpletterende verantwoordelijkheid voor de chaos en de uit de hand gelopen situatie, zeker in de stad Brussel. Het ontbreekt die partijen aan een sense of urgency inzake winteropvang en een kordate aanpak van daklozen en mensen in illegaal verblijf. Als er maatregelen worden voorgesteld, worden ze gewoon van de tafel geveegd.

De voorbije vijf à zes jaar repten ze met geen woord over of weigerden ze steun aan kordate maatregelen om de instroom in te perken. U moet inderdaad maatregelen met betrekking tot de secundaire instroom nemen, maar u moet ook absoluut meer stappen ondernemen om ook de instroom aan banden te leggen. België oefent nu eenmaal een enorme aantrekkingskracht uit in vergelijking met onze buurlanden.

Er is dus voor de volgende federale regering veel werk aan de winkel op het vlak van asiel, instroom en opvang in België.

Catherine Delcourt:

Madame la secrétaire d'État, je vous remercie pour vos réponses, pour vos clarifications ainsi que pour les efforts fournis par les membres de vos services.

On ne peut nier que la situation actuelle est critique, en particulier pour les familles et les enfants qui restent sans solution d'accueil ou d'hébergement, ne serait-ce qu'un court instant.

Des actions immédiates mais à la fois pérennes doivent être entreprises pour éviter que cette crise ne devienne un problème systémique. Si l'augmentation de la capacité d'accueil répond à l'urgence, elle ne peut à notre estime constituer une stratégie durable.

Le futur gouvernement devra trouver des pistes pour que la solution et la situation cessent d'être critique. Une politique à la fois ferme et humaine au niveau de l'accueil doit trouver à s'appliquer le plus rapidement possible.

Francesca Van Belleghem:

Mevrouw de staatssecretaris, begin 2020 stelde toenmalig directeur-generaal van Fedasil Jean-Pierre Luxen dat de crisis nog lang niet voorbij was. België zou in die context, net voor de coronacrisis, een opvangnetwerk van 40.000 of zelfs 50.000 plaatsen tot stand moeten brengen, wat moeilijk te realiseren blijkt.

Die kaap is bereikt en er zijn nu bijna 40.000 opvangplaatsen voor asielzoekers, zoals de heer Luxen in 2020 al had voorspeld. Hoe zijn we in die situatie beland? Dat is omdat we de afgelopen vijf jaar geen maatregelen hebben genomen om de instroom van asielzoekers te beperken. Verstreng de gezinshereniging, werk niet alleen met een lijst van veilige landen, maar ook met een van veilige regio's. Doorzoek de gsm's van asielzoekers vanaf hun aanmelding bij de DVZ, beperk de kosteloze rechtsbijstand tot het strikt noodzakelijke, zoals de EU voorschrijft. Versober de asielopvang en scherm ons socialebijstandssysteem af.

Voorzitter:

Aan de orde is vraag nr. 56000887C van de heer Cornillie. Hij is niet aanwezig.

De deloyale en onwettige Spaanse migratiepolitiek en de nood aan Europese actie daartegen

Gesteld aan

Nicole de Moor (Staatssecretaris voor Asiel en Migratie)

op 27 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België kritiseert Spanjes plan om 300.000 illegale migranten per jaar (2025-2027) te regulariseren, omdat dit illegale migratie beloont, Schengenregels schendt en doorstroom naar andere EU-landen (zoals België) stimuleert. Staatssecretaris De Moor stelt dat Spanje binnen zijn bevoegdheid handelt en wijst formele kritiek af, maar belooft het informeel aan te kaarten in de JBZ-Raad (12 december), benadrukkend dat Spaanse vergunningen geen rechten in België geven. De Vreese blijft bezorgd over doorstroom en eist nadrukkelijke EU-actie, met een vervolgvraag over de Spaanse reactie na het overleg.

Maaike De Vreese:

Mevrouw de staatssecretaris, de socialistische regering van eerste minister Sanchez in Spanje kondigde aan per jaar zowat 300.000 mensen in illegaal verblijf te regulariseren in 2025, 2026 en 2027. In de praktijk gaat het om asielzoekers die op illegale wijze de Schengenzone binnendrongen via mensensmokkel, dan wel langer in de Schengenzone bleven dan hun visum of visumvrijgesteld paspoort toeliet. Daarmee geeft de Spaanse regering een totaal verkeerd signaal. Illegale binnenkomst via mensensmokkel noch het negeren van de vervaldatum van een visum mag worden beloond met een legaal verblijf. Dergelijke maatregel is behalve deloyaal ook onwettig voor een lid van de Schengenzone. Het lidmaatschap daarvan veronderstelt immers het bestrijden van illegale migratie en niet het aanvaarden en faciliteren ervan.

Daarenboven zullen de verblijfsvergunningen die Spanje in dat verband zal uitreiken,ook een negatief effect hebben op de Schengenzone als geheel. Nog meer mensen zullen proberen met mensensmokkel via Spanje Europa te bereiken.

De verblijfsvergunningen die Spanje uitreikt, geven ook recht op vrije circulatie in de Schengenzone, met bijkomende asielaanvragen of andere aanvragen in lidstaten als Frankrijk en België tot gevolg, zoals we in 2009 al hebben gezien.

Tijdens de commissievergadering van 6 november 2024 stelde ik u over de materie reeds een vraag. Toen gaf u aan dat u daarover uiteraard in contact zou treden met uw Spaanse ambtgenoot. Er is volgens ons echter nog veel meer nodig dan louter bilateraal overleg. U dient de kwestie ook aan te kaarten op Europees niveau, opdat de Europese Raad en de Europese Commissie de Spaanse regering herinneren aan haar verplichtingen als lid van de Schengenzone.

Hebt u ondertussen reeds contact opgenomen met uw Spaanse ambtgenoot? Wat was het concrete resultaat daarvan? Indien niet, wanneer plant u dat te doen?

Zult u de onwettige en deloyale houding van Spanje in de Europese Raad aankaarten?

Nicole de Moor:

Zoals ik tijdens de vorige commissievergadering al heb aangegeven, beschikken Europese lidstaten inderdaad over beleidsruimte met betrekking tot verblijf op hun grondgebied. Het is dan ook niet aan mij om formeel kritiek te uiten op een binnenlandse beslissing die volledig binnen die wettelijke en politieke beleidsruimte valt. België zou evenmin een Europese inmenging in zijn regularisatiebeleid waarderen.

Laat dat ook duidelijk zijn: het Belgische regularisatiebeleid staat zeer ver af van het Spaanse voorbeeld. Mijn Spaanse collega moet mij daarover ook niet formeel aanspreken of berispen. Op een informele manier zal ik het punt uiteraard wel bij een volgende gelegenheid, de JBZ-Raad van 12 december, onder de aandacht brengen bij mijn collega's en dus ook bij mijn Spaanse collega.

Ik wil u er ook aan herinneren dat een verblijf dat door Spanje wordt toegekend, geen recht geeft op verblijf in België. Voor die personen geldt evenmin een recht op werk, sociale rechten of bijstand in ons land.

Maaike De Vreese:

De maatregel opent hier inderdaad geen rechten, maar de betrokkenen zullen wel naar hier doorstromen. Ik wou natuurlijk liever dat het niet zo was, maar het verleden heeft al aangetoond dat een dergelijke maatregel ook een impact bij ons heeft. Daarom is het zeer belangrijk dat u de kwestie op het overleg met uw Spaanse collega op 12 december zeker en vast aankaart. Ik zal u nadien ondervragen over zijn reactie. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 16.16 uur. La réunion publique de commission est levée à 16 h 16.

De toekenning van eretekens aan magistraten die verdacht worden van examenfraude

Gesteld aan

Paul Van Tigchelt (Minister van Justitie en Noordzee)

op 27 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Twee geschorste magistraten, betrokken bij examenfraude (kinderen kregen examenvragen voor gerechtelijke stage), ontvingen ten onrechte de Leopoldsorde ondanks een lopend tucht- en strafonderzoek—een schending van artikel 11 van de wet (2006), die zulk voordragen verbiedt. Minister Van Tigchelt trekt de eretekens in, bevestigt dat de FOD Justitie de regels negeerde (ondanks media-aandacht voor het schandaal) en dwingt voortaan systematische controles op lopende onderzoeken af via korpschefs. Van Quickenborne benadrukt dat Justitie onkreukbaar moet zijn en dat de intrekking een noodzakelijk signaal is, maar kritiseert dat de FOD haar eigen wetgeving niet kende.

Voorzitter:

We kunnen beginnen met de vergadering. Met toelating van de andere leden starten we met de vragen van de heer Vincent Van Quickenborne.

Vincent Van Quickenborne:

Mijnheer de voorzitter, collega’s, ik dank u. Ik woon straks een hoorzitting bij in de commissie voor Sociale Zaken, Werk en Pensioenen over de gebeurtenissen in Anderlecht.

Mijnheer de minister, u zit nu meer dan een jaar op uw stoel in uw hoedanigheid van minister van Justitie. Ik heb, zoals u weet, ook zelf op die stoel gezeten. U weet dat Justitie wordt geconfronteerd met moeilijkheden, problemen, schandaaltjes en schandalen.

Wat in maart 2024 echter is gebeurd, is een van de grootste schandalen waarmee Justitie is geconfronteerd. Twee Belgische procureurs zouden betrokken zijn geweest bij een zaak van examenfraude waarbij hun kinderen examenvragen zouden hebben gekregen, om zo het toelatingsexamen te vergemakkelijken voor hun gerechtelijke stage om zelf magistraat te worden,. Ik spreek uiteraard in de voorwaardelijke wijs. Het schandaal werd, zoals u weet, aan het licht gebracht door de Hoge Raad voor de Justitie. Het strafonderzoek loopt. Intussen blijven de betrokken magistraten geschorst. Dat is bevestigd door de tuchtrechtbank.

Collega’s, wie echter meent dat daarmee de kous af is, komt bedrogen uit. Als klap op de vuurpijl blijkt nu immers dat beide magistraten een ereteken zouden hebben ontvangen. Naar verluidt zouden ze zijn bevorderd tot de graad van officier in de Leopoldsorde. Dat is een eer die mensen met een lange staat van dienst te beurt valt.

Mijnheer de minister, u zult begrijpen dat ik uiterst verbaasd ben over dat nieuws. Ik wil u dan ook de hiernavolgende vragen stellen.

Ten eerste, welke procedures worden toegepast bij de toekenning van die tekens?

Ten tweede, welke boodschap geeft die onderscheiding aan de bevolking en de magistratuur?

Ten derde, bent u van plan stappen te ondernemen in deze dossiers en de eretekens desgevallend in te trekken? Wat zult u doen om een soortgelijke situatie in de toekomst te voorkomen?

Paul Van Tigchelt:

Mijnheer Van Quickenborne, de Leopoldsorde is, naar ik mij laat vertellen, de oudste en belangrijkste ridderorde van België. Het ereteken staat symbool voor een eervolle onderscheiding voor personen met een bepaalde status en met een verdienstelijke en uitmuntende loopbaan of voor personen met een heel bijzondere verdienste.

Het betreft dus een belangrijke en niet-alledaagse onderscheiding. Het is een eer om die onderscheiding te krijgen en dat is wat die magistraten te beurt is gevallen. Nochtans bepaalt artikel 11 van de wet van 1 mei 2006 uitdrukkelijk dat personen die verwikkeld zijn in een strafonderzoek of een tuchtonderzoek, niet mogen worden voorgesteld voor een eervolle onderscheiding in de nationale orde voor de afloop van de procedure van het straf- dan wel het tuchtonderzoek. De FOD Justitie heeft die wettelijke bepaling duidelijk niet gerespecteerd. Dan rijst de vraag waar het is het fout gelopen.

Naast de wet is er ook het koninklijk besluit van 25 mei 2024 met regels voor de toekenning van dergelijke eretekens. Dat hebben we nog net genomen voor het einde van de vorige legislatuur. Dat koninklijk besluit voorziet in slechts twee voorwaarden, meer bepaald een anciënniteitsvoorwaarde en de voorwaarde van een positieve evaluatie. Blijkbaar heeft de FOD Justitie zich enkel gebaseerd op dat koninklijk besluit en niet op de voorwaarden in de wet.

Bovendien – zo luidt de uitleg die ik van de FOD gekregen heb – verplicht de wet de overheidsdiensten niet om systematisch na te gaan of er een tuchtonderzoek of een strafonderzoek loopt. De overheidsdiensten moeten wel afzien van elk initiatief indien zij kennis hebben van dergelijke feiten.

Zowel de Hoge Raad voor de Justitie als de pers hebben uitvoerig bericht over de examenfraude en het lopend onderzoek lastens de twee magistraten. De diensten worden dus geacht kennis te hebben van de feiten. Bijgevolg mochten de beide personen niet voorgedragen worden voor een eervolle onderscheiding. Ik hoef u niet te verhelen dat ook ik gechoqueerd was toen ik vernam dat dit ereteken wel toegekend was. Een dergelijk voorval – en ik wik mijn woorden – tast de geloofwaardigheid en het vertrouwen in Justitie aan. De mensen begrijpen dat niet. Niet alleen werden de reglementaire voorwaarden voor de toekenning, zoals ik geschetst heb, niet nageleefd, maar het druist ook in tegen ons rechtvaardigheidsgevoel. Ik zeg dat ter verdediging van de rechtsstaat, maar ook met eerbiediging voor de principes van de rechtsstaat zoals het vermoeden van onschuld tot men definitief veroordeeld is.

Ik kom tot uw derde vraag. Ik heb beslist de toekenning van de eervolle onderscheiding voor beide magistraten in te trekken. Dat kan ik ook, reglementair. Het besluit die eretekens te schrappen, wordt vandaag ondertekend door de Koning.

Uiteraard wil ik dergelijke situaties in de toekomst vermijden. Ik heb daarom aan de administratie van de FOD Justitie de opdracht gegeven voor de toekenning van dergelijke onderscheidingen steeds na te gaan of er een tucht- of strafonderzoek loopt. De voorzitter van de FOD Justitie heeft me meegedeeld de verontwaardiging te begrijpen en te delen. Zij heeft de dienst opdracht gegeven dat voortaan steeds na te gaan.. Dat kan heel eenvoudig door het advies van de korpschef in kwestie te vragen. Dat is het minimum dat we van de FOD Justitie mogen verwachten.

Vincent Van Quickenborne:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw helder antwoord en voor uw doortastende beslissing. Ik denk niet dat u het al hebt meegemaakt dat u zo’n beslissing hebt moeten nemen.

Het is wel opvallend dat de FOD Justitie, die wordt verondersteld zijn eigen regels te kennen, die regels niet kent noch respecteert, met name de wet zoals u ze hebt geciteerd. Bovendien hebben de magistraten, voor zover mij is verteld, zelf om die eretekens verzocht. Bij uitstek verwachten de mensen onkreukbare magistraten. Ze verwachten ook dat Justitie boven elke verdenking staat, want het is Justitie die beslist, wikt en weegt over recht en onrecht.

Er zijn personen geschorst en er loopt een tuchtonderzoek, dan is het de logica zelve dat die eretekens worden ingetrokken. Ik vind dat een goede zaak, maar vooral een duidelijk signaal van u richting Justitie.

Voorzitter:

Vraag nr. 56000608C van mevrouw Farih wordt op haar verzoek omgezet in een schriftelijke vraag.

De maatregelen tegen het aanzwellende antisemitisme na de gebeurtenissen in Amsterdam
De vervolging van de daders van de 'Jodenjacht' in Amsterdam voor terrorisme
De dreiging met terroristische aanslagen op Israëlische ambassades
Antisemitisme, terrorisme en dreigingen tegen Joodse en Israëlische doelen

Gesteld aan

Paul Van Tigchelt (Minister van Justitie en Noordzee)

op 27 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie belicht de alarmistische toename van antisemitisme in België, waar Joden structureel worden lastiggevallen, aangevallen en zich onveilig voelen, met een dark number aan ongemelde incidenten en groeiende twijfel over hun toekomst in het land. Minister Van Tigchelt bevestigt de ernstige dreiging (dreigingsniveau 3 voor Joodse/Israëlische doelen), benadrukt dat België—net als Nederland—nationaliteit kan intrekken bij terrorisme, en wijst op samenwerking met veiligheidsdiensten (OCAD, BKA) en recente arrestaties, maar geeft geen operationele details. Van Rooy kaart aan dat straffeloosheid en zwak optreden (fopstraffen, onbestrafte haatuitingen) het probleem verergeren, waarschuwt voor segregatie in "no-go zones" en citeert het risico dat Joden als "kanarie in de koolmijn" voorspellen wat christenen te wachten staat bij verder falend beleid. De kernboodschap: zonder harde aanpak van antisemitisme en islamitisch extremisme staat de veiligheid van *alle* westerse burgers op het spel.

Sam Van Rooy:

Mijnheer de minister, het antisemitisme in het Westen en in België swingt de pan uit en het is veel erger dan de cijfers laten uitschijnen. Het dark number is enorm.

Ik citeer de Joodse bewakingsdienst in Antwerpen: "Nu is er veel aandacht voor het geweld, maar eigenlijk is dit al jaren aan de gang. Joden kunnen niet meer zorgeloos op straat komen. Ze worden zonder reden nageroepen. Ze worden achtervolgd. Iemand probeert het keppeltje van hun hoofd te halen of ze worden fysiek aangepakt. Niet alle incidenten worden altijd gemeld bij de politie of opgepikt door de media, maar ze zijn er wel voortdurend."

Minister, recent stelde u dat een Jodenjacht, zoals we die in Amsterdam hebben gezien, ook bij ons zou kunnen plaatsvinden. Enkele dagen geleden vertelde een Joodse man me dat binnen de Joodse gemeenschap nooit eerder door zovelen zo serieus werd getwijfeld of hun toekomst, en zeker die van hun kinderen, nog wel in dit land kan liggen.

Ik kreeg een bericht van een Joodse kennis, die me zei: "Het is te ziek voor woorden dat ik aan mijn familie in West-Europa moet vragen of ze wel veilig zijn, terwijl ik hier in Israël in oorlogsgebied zit."

Een Joodse jongedame vertelde me: "Ik kan gewoon nergens nog mijn Joodse identiteit tonen. Het leven in angst is vermoeiend.”

De Nederlandse minister-president Schoof heeft bevestigd dat de daders van de Jodenjacht in Amsterdam kunnen worden vervolgd op basis van terrorisme en dat een veroordeling tot het intrekken van de Nederlandse nationaliteit kan leiden. Dat is zelfs mogelijk zonder wetswijziging. Ook wordt in Nederland bekeken of antisemitisme als extra grond voor denaturalisatie kan worden geïntroduceerd.

Hoe zit dat in België en wat vindt u daarvan? Verdient dat volgens u navolging? Wat mij betreft, is dat uiteraard het geval.

Mijn tweede vraag gaat over de Duitse federale recherchedienst, die waarschuwt voor jihadistische aanvallen op Israëlische ambassades, niet alleen in Duitsland, maar ook in andere landen. De dreiging komt uit de hoek van de islamitische terreurorganisatie Hamas. Op Telegram roept Hamas op om "ambassades van de zionistische entiteit en staten die haar ondersteunen te belegeren".

Eind vorige maand werd een islamitische aanslag op de Israëlische ambassade in Berlijn verijdeld. De dader was een moslim die terreurorganisatie Islamitische Staat aanhangt. Ondertussen werd ook bekend dat Hamas in verschillende Europese landen – Duitsland, Denemarken, Polen en Bulgarije – wapenvoorraden heeft aangelegd om jihadistische aanslagen te plegen.

Ik daarover de volgende vragen, mijnheer de minister.

Werden onze veiligheidsdiensten geïnformeerd door de Duitse politiedienst BKA (Bundeskriminalamt) over de dreiging van de terreurorganisatie Hamas?

Hoe groot is de terreurdreiging voor de Israëlische ambassade in België en voor Belgische ambassades in het buitenland?

Tot slot, wat onderneemt de regering om de Israëlische ambassade, evenals andere gebouwen en panden in België die verbonden zijn aan Israël of de Joodse gemeenschap, voldoende te beveiligen?

Paul Van Tigchelt:

Collega, de Joodse gemeenschap is ongerust. De Joodse gemeenschap is bang. Dat is zo sinds 7 oktober 2023. Dat is zeker zo na wat er in Amsterdam is gebeurd. Die ongerustheid en die angst moeten we ernstig nemen, en nemen we ook ernstig. In de dagen na het incident waren er via de sociale media ook oproepen in Antwerpen. Het mag en moet worden gezegd: de lokale politie van Antwerpen is daar op een uitstekende manier mee omgegaan. Zij was aanwezig op de sociale media en heeft daar elke oproep tot onlusten op een snelle manier in de kiem gesmoord via een aantal bestuurlijke en zelfs gerechtelijke arrestaties. Het viel inderdaad op dat er vaak minderjarige jongeren bij betrokken waren.

De Nederlandse regering – en daar hebt u geen melding van gemaakt – heeft ondertussen een plan goedgekeurd voor de aanpak van antisemitisme. Ik heb hierover telefonisch overleg gehad met de nieuwe Nederlandse collega van Justitie en Veiligheid. Ik heb vorige week dat plan ook ontvangen. We bekijken wat we daaruit kunnen leren.

U weet dat ook bij ons de aanpak van antisemitisme bovenaan de agenda staat. Dat is de rode lijn voor de vrijheid van meningsuiting. Racisme en antisemitisme zijn niet aanvaardbaar.

Over de vervallenverklaring van de nationaliteit heeft de Nederlandse minister-president een aantal uitspraken gedaan, weliswaar enigszins anders dan u in uw vraag doet uitschijnen. Net als in Nederland bestaat in België de mogelijkheid om de nationaliteit in te trekken. Die vervallenverklaring van de Belgische nationaliteit kan voor het hof van beroep gevraagd worden door het openbaar ministerie wegens ernstige tekortkoming aan de verplichtingen van het Belgische burgerschap. Dat is in het verleden bijvoorbeeld gebeurd voor de vermeende leider van Sharia4Belgium, die ook veroordeeld werd.

Verder kan de vervallenverklaring van de Belgische nationaliteit ook worden uitgesproken door de strafrechter, op verzoek van het openbaar ministerie, in het kader van een strafprocedure, bij veroordelingen voor bepaalde misdrijven, onder andere de veroordeling tot een gevangenisstraf van minstens 5 jaar voor terroristische misdrijven.

De terroristische, extremistische dreiging tegen de Joodse en Israëlische belangen in België, onder andere de Israëlische ambassade, wordt als ernstig beschouwd. Dat is al lang het geval. Dat weet u. Sinds decennia geldt dreigingsniveau 3 voor die instellingen in ons land. De situatie wordt nauwlettend gevolgd. Alle relevante informatie en inlichtingen worden uitgewisseld, zowel nationaal als met de buitenlandse diensten. De beveiligingsmaatregelen zelf vallen onder de bevoegdheid van het Nationaal Crisiscentrum, de minister van Binnenlandse Zaken en de Nationale Veiligheidsraad.

U vroeg of onze diensten geïnformeerd werden door het Bundeskriminalamt. Ja, het OCAD, ons antiterreurorgaan, was op de hoogte. U vroeg ook hoe groot de terreurdreiging voor de Israëlische ambassade is. Die is ernstig, maar ik ga uiteraard niet in detail en ik geef geen operationele informatie over specifieke plaatsen of personen, ook al is geweten dat de terreurdreiging ten aanzien van de Joodse instellingen als ernstig wordt ingeschat door het OCAD.

Alle desbetreffende informatie wordt uitgewisseld. Onder andere op basis van de dreigingsevaluatie van het OCAD worden de passende beschermingsmaatregelen genomen. Ik zei het al vaak en ik herhaal het hier: onze diensten zijn alert. Er werden de voorbije maanden meerdere personen gearresteerd ten aanzien van wie er aanwijzingen bestonden dat zij extremistisch geweld wilden plegen tegen de Joodse gemeenschap.

Sam Van Rooy:

Mijnheer de minister, in grote steden in West-Europa, inclusief België, zijn er steeds meer wijken die door vooral door vrouwen, joden en homoseksuelen worden gemeden of waar ze hun kledij of gedrag aanpassen. Het is dus al lang vijf over twaalf. Dat komt doordat de traditionele politici het met hun globalistische pamperbeleid zover hebben laten komen. Wie vandaag Joden achtervolgt, naroept of aanvalt, komt er vaak vanaf met een waarschuwing of met een fopstrafje, indien de dader al wordt gevonden en opgepakt. We zwijgen dan nog over de hakenkruizen, de anti-Israëlbekladdingen en de genocidale anti-Israëlleuzen, waarmee Joden steeds meer worden geconfronteerd en die doorgaans onbestraft blijven. Eergisteren nog werden Joodse gezinnen in Antwerpen ’s nachts opgeschrikt door een Allahoe akbar -schreeuwende moslim, die door de straten liep. Arabist Hans Jansen, die ik goed heb gekend, leerde ons vele jaren geleden het volgende. Ik citeer: "De politici die nu wegkijken van wat de joden wordt aangezegd, zullen gaan ondervinden wat het Arabische spreekwoord 'na de zaterdag komt de zondag' betekent. Dat spreekwoord betekent dat na de joden de christenen eraan gaan. Geen bezwaar, zegt u misschien als atheïst, maar de islamitische definitie van christen is nogal ruim." Joden, zoals de geschiedenis ook leert, zijn de kanarie in de koolmijn. Indien we er in het Westen niet in slagen de Joodse gemeenschap te beschermen en hier te houden, zijn we ook zelf op termijn een vogel voor de islamitische kat.

Het ontwerp van aanpassing van de uitgavenbegroting en de prestaties van vertalers en tolken
De verwijlinteresten bij de betalingsachterstand ten aanzien van de gerechtstolken en -vertalers
De begroting van het departement Justitie
De uitbetaling van de gerechtstolken en -vertalers
Financieel beheer en vergoedingen voor gerechtstolken en -vertalers binnen Justitie

Gesteld aan

Paul Van Tigchelt (Minister van Justitie en Noordzee)

op 27 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De betalingsachterstand bij Justitie (20 miljoen euro, waaronder 2 miljoen voor tolken/vertalers) blijft onopgelost: slechts 10,5 miljoen euro (10 miljoen herallocatie + 500.000 euro intern) is vrijgemaakt, prioriteit gaat naar kleine prestatieverleners, maar volledige betaling verschuift naar januari 2025, met risico op persoonlijke crises en vertrek van vertalers. Verwijlintresten worden geweigerd ondanks Europese rechtspraak (C-419/21), omdat Justitie de wet op betalingsachterstand niet van toepassing acht—een standpunt dat onder vuur ligt. Geen structurele oplossing is voorhanden zonder nieuwe regering; noodmaatregelen (bv. uitstel belastingen/sociale bijdragen) blijven onbeslist.

Kristien Van Vaerenbergh:

Mijnheer de voorzitter, we komen inderdaad alle drie terug op een vraag die we recent ook in deze commissie hebben gesteld. Meer bepaald op 5 november ging u meer in detail in op het tekort dat de begroting voor Justitie momenteel teistert door de stijgende gerechtskosten, de indexeringen en de grote rechtszaken. U raamde het tekort op 20 miljoen euro. U gaf aan dat er snel – meer bepaald midden november – bijkomende middelen beschikbaar zouden zijn om die tekorten te compenseren. Om het volledige tekort te ondervangen, werd een aanpassing van de algemene uitgavenbegroting voorzien.

Werden er effectief medio november reeds bijkomende middelen voorzien om de eerste tekorten te kunnen bijpassen?

Specifiek voor de facturen van de vertalers-tolken wordt het tekort momenteel op 2 miljoen euro geraamd. Werden reeds middelen uitgetrokken om die facturen te betalen? Zo ja, hoeveel van die achterstand van 2 miljoen euro werd reeds weggewerkt?

Zal het volledige tekort dit jaar nog weggewerkt kunnen worden met de voorziene basisherallocaties, zoals opgenomen in het wetsontwerp met de tweede aanpassing van de algemene uitgavenbegroting voor het begrotingsjaar 2024? Dat lijkt immers niet mogelijk met de voorziene 10,1 miljoen euro zoals in het ontwerp aangegeven staat. Indien het tekort van 20 miljoen euro niet kan worden weggewerkt, wat is de impact dan op Justitie? Kunt u de specifieke dossiers aangeven die geïmpacteerd zullen worden en het bijhorend bedrag?

Ik had ook een tweede vraag ingediend naar aanleiding van uw antwoord op onze vraag van 5 november, over de verwijlinteresten bij de betalingsachterstand ten aanzien van de gerechtstolken en de vertalers. Blijkbaar bestaat er rechtsspraak over dat punt. Ik verwijs daarvoor naar de schriftelijke voorbereiding van mijn ingediende vraag.

Mijnheer de Minister,

In uw antwoord op een mondelinge vraag (nr. 55042366C) over de onbetaalde facturen en de achterstand in de betalingen van gerechtstolken, gaf u aan dat dit geen verwijlinteresten kon genereren. Dit omdat de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransactie niet van toepassing zijn op deze gevallen, aangezien het niet gaat om handelstransacties of om gevallen bedoeld in de wet van december 1993 betreffende de overheidsopdrachten of opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten.

Nochtans is er Europese rechtspraak (C-419/21), maar ook rechtspraak van het Hof van Cassatie (Nr. C.18.0490.N), die deze zienswijze tegenspreekt. Het Europees Hof van Justitie stelt in dat arrest dat het begrip „handelstransacties" in het kader van de Europese richtlijn 2011/7 betreffende de bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties ruim moet worden opgevat en dat het dus niet noodzakelijkerwijs samenvalt met het begrip „overeenkomst" (contract). Er moet aan twee voorwaarden worden voldaan om een transactie te kunnen aanmerken als een „handelstransactie". Ten eerste moet zij worden verricht tussen ondernemingen of tussen ondernemingen en overheidsinstanties. Ten tweede moet de transactie leiden tot het leveren van goederen of het verrichten van diensten tegen vergoeding. Dat is het geval met prestatieverleners in het kader van gerechtskosten.

Graag stel ik u de volgende vragen:

1/ Bent u op de hoogte van deze rechtspraak?

2/ In het licht van deze rechtspraak, bent u het met mij eens dat deze betalingsachterstand wel degelijk verwijlinteresten oplevert?

3/ Zal de FOD Justitie hier in de toekomst rekening mee houden?

Marijke Dillen:

Mijnheer de minister, mijn vraag betreft geen nieuw probleem. Zoals enkele weken geleden in deze commissie al aan bod is gekomen en ook tijdens de vorige legislatuur herhaaldelijk is aangekaart, slaagt Justitie er maar niet in om de tolken en vertalers, die van onschatbare waarde zijn bij de behandeling van dossiers voor de rechtbank, tijdig te betalen. Dat onaanvaardbaar probleem sleept al lange tijd aan. U weet dat tolken en vertalers heel belangrijk zijn voor de goede werking van Justitie.

De in de begroting voorziene middelen waren ontoereikend, waardoor meer dan 2.000 gerechtstolken en -vertalers te horen kregen dat hun uitbetaling nog maanden zal duren. In deze commissie is al aangekaart dat daardoor persoonlijke drama's dreigen voor velen, omdat de rechterlijke macht hun enige bron van inkomsten is. In afwachting van een nieuwe regering moet de regering in lopende zaken een noodbegroting opstellen met voorlopige twaalfden. Ik hoop meteen van u te vernemen dat dit dossier absolute prioriteit zal krijgen.

Zult u ervoor zorgen dat er voldoende budgetten worden vrijgemaakt, zodat alle openstaande facturen van gerechtstolken en -vertalers nog dit jaar kunnen worden betaald?

Zult u er eveneens voor zorgen dat van die facturen niet alleen de hoofdsom, maar ook de verwijlinteresten zullen worden betaald?

Jean-Luc Crucke:

Monsieur le ministre, sur le même sujet, vous m'aviez effectivement répondu en date du 6 novembre dernier que les fonds seraient trouvés et débloqués pour les arriérés relatifs aux prestations des traducteurs et interprètes jurés dans les affaires pénales. Mon collègue Xavier Dubois avait questionné le lendemain sur le même sujet la secrétaire d'État Alexia Bertrand, qui lui avait confirmé que ces crédits avaient été repris dans une enveloppe dans le cadre de l'ajustement budgétaire de 10,1 millions d'euros.

Ces 10 millions reprennent-ils bien les frais d'arriérés, tel qu'annoncé aux représentants du secteur? Il me semble que, lorsque nous avions évoqué les arriérés, nous parlions d'une somme de 20 millions. Il y aurait donc, selon ma lecture, un écart entre ce qui se retrouve à l'article budgétaire ajusté et les sommes évoquées. Qu'est-ce qui justifie cet écart ou ce changement de position?

Vous vous souviendrez également, vu la détresse dans laquelle se trouvent un certain nombre de professionnels du service de la Justice, que j'avais suggéré de prendre contact avec d'autres collègues du gouvernement de manière à ce que vous puissiez avoir leur accord sur des étalements d'arriérés d'impôts, de cotisations sociales, de paiement à l'impôt des personnes physiques ou de TVA, sans qu'il y ait des intérêts de retard et des majorations sociales qui soient comptés. Cette proposition a-t-elle été suivie par une initiative de votre part?

Certains imaginent cesser le service définitivement. Une avancée a-t-elle pu avoir lieu en leur faveur? Si oui, laquelle?

Paul Van Tigchelt:

Geachte leden, ik dank u voor de vragen. Dit is inderdaad een belangrijk probleem dat prioritair moet worden opgelost vanwege het menselijke aspect. We hebben dat al eerder besproken in de commissievergaderingen van 23 oktober en 6 november.

Verdergaand op die antwoorden stelt u nu nieuwe vragen.

La redistribution d'environ dix millions d'euros et la redistribution interne de 500 000 euros – dont les crédits sont déjà disponibles depuis le 19 novembre – sont en tous cas suffisantes pour payer les traducteurs-interprètes mais ne suffisent pas pour éliminer la totalité du déficit des frais de justice, estimé à 20 millions d'euros.

De administratie stelt alles in het werk om in functie van de beschikbare kredieten de prestatieverleners maximaal te vergoeden. Er wordt prioriteit gegeven aan de uitbetalingen van de "kleinere" prestatieverleners die afhankelijk zijn van Justitie, zoals vertalers en tolken. Er zijn ook grote firma's die moeten worden betaald, maar we proberen voorrang te geven aan die kleinere prestatieverleners, net vanwege dat aspect humain , zoals terecht werd aangehaald.

Een deel van de kostenstaten, onder andere die voor de maand december, zullen in januari betaald kunnen worden, zodra de kredieten voor 2025 ter beschikking zijn. Als alles loopt zoals gepland, zal de begroting van voorlopige twaalfden kunnen worden goedgekeurd binnen nu en enkele weken in de commissie en in het plenum van dit Parlement.

Beëdigde vertalers en tolken kunnen steeds contact opnemen met de dienst Gerechtskosten, zodat desgevallend samen naar een oplossing kan worden gezocht. We willen hen niet aan hun lot overlaten. Indien er begin 2025 nog steeds geen zicht is op een nieuwe regering, zal ik genoodzaakt zijn om via nieuwe herverdelingen – u weet dat ik geen bijkomend budget kan vragen – ervoor te zorgen dat alle prestatieverleners blijvend betaald zullen worden. In lopende zaken kan ik alleen een beroep doen op de techniek van interne herverdelingen. Dat doen we maximaal.

Collega Van Vaerenbergh, mijn antwoord op uw vraag over de verwijlintresten is enigszins technisch. De dienst Geschillen en Juridische Adviezen van de FOD Justitie is en blijft van oordeel dat die gerechtskosten in strafzaken niet vallen onder de wet van 2 augustus 2002 over de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties. De redenering daarachter is dat de rechterlijke macht geen overheidsinstantie is en dus ook geen aanbestedende dienst is. De prestatieverleners ontvangen hun opdrachten namelijk niet van een aanbestedende overheid, maar wel van een procureur of onderzoeksrechter in het kader van een strafrechtelijk onderzoek. Bijgevolg is de wet van 2 augustus 2002 niet van toepassing op de vorderingen, op grond van de wet van 23 maart 2019 betreffende de gerechtskosten in strafzaken. Dat werd reeds door verschillende rechterlijke betwistingen bevestigd. Ik kan ter zake verwijzen naar een arrest van het hof van beroep van Brussel van 4 februari 2020.

In de loop van de procedure zijn de openstaande kostenstaten betaald. De discussie voor het hof ging alleen over de vraag of de eiser recht had op interesten en een schadevergoeding, overeenkomstig de genoemde wet van 2002. Het hof voerde een grondige analyse uit en oordeelde dat voornoemde wet niet van toepassing was, in het bijzonder omdat de Belgische Staat niet voldeed aan de definitie van overheid, zoals gedefinieerd in de voornoemde wet van 2002.

Cher collègue Crucke, en ce qui concerne votre question sur le report du paiement de la TVA et des cotisations sociales, je me permets de vous renvoyer au ministre compétent.

Je comprends bien sûr que cela pourrait alléger la pression sur les traducteurs-interprètes. Je pourrais en discuter avec eux mais cela créerait un précédent car, si je ne me trompe, cela ne s'est encore jamais fait par le passé.

Kristien Van Vaerenbergh:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

Het is inderdaad een heel pijnlijke kwestie, omdat het ingrijpt in het leven van de mensen die niet rondkomen. Justitie was al geen aantrekkelijke werkgever. Blijkbaar is dat nog steeds niet het geval.

U antwoordt ook dat de prestaties in 2024 nog niet volledig zullen kunnen worden betaald en dat de betaling ervan wordt uitgesteld naar januari 2025. Dat is heel pijnlijk. Het zal moeilijk zijn om op langere termijn wie voor Justitie werkt, aan boord te houden, als men voor het werk niet wordt vergoed.

Ik had ook nog gevraagd welke andere vergoedingen evenmin tegen eind 2024 worden betaald. Op die vraag hebt u niet geantwoord. Kunt u het antwoord alsnog meegeven?

Paul Van Tigchelt:

Mevrouw Van Vaerenbergh, als u het mij toestaat, bezorg ik u het antwoord schriftelijk.

Kristien Van Vaerenbergh:

Dat is goed, mijnheer de minister.

U geeft wel een heel bijzondere interpretatie aan de kwestie inzake de verwijlinteresten met uw verwijzing naar het arrest van het hof van beroep van Brussel. Ik heb in mijn vraag herinnerd aan Europese rechtspraak van het Europees Hof van Justitie, waarmee wordt erkend dat er ook verwijlinteresten moeten worden uitgekeerd, indien er te laat voor prestaties wordt betaald.

Het belangrijkste is uiteraard dat de betrokkenen worden betaald voor hun prestaties en desgevallend verwijlintresten ontvangen.

Marijke Dillen:

Mijnheer de minister, kunt u mij vooreerst de lijst bezorgen van alle andere kosten?

Hoe dan ook gaat het hier om een bijzonder moeilijk en pijnlijk dossier op menselijk vlak. Ik noteer uit uw antwoord dat er wel betalingen zullen gebeuren, maar dat u geen garanties geeft dat alles voor eind 2024 volledig zal worden uitbetaald. Mijnheer de minister, dat is onaanvaardbaar. Stel u voor dat werknemers in een bepaald bedrijf voor hun prestaties niet worden betaald. De vakbonden zouden dan op de eerste rij aanschuiven om daartegen terecht te protesteren. Iedereen heeft immers recht op betaling van zijn of haar prestaties. We mogen immers ook niet vergeten dat de betrokkenen op het einde van de maand ook hun facturen moeten betalen. Ik blijf dus aandringen op oplossingen om de kwestie volledig te regelen.

Ten tweede verwijs ik met betrekking tot de interesten naar de Europese rechtspraak, die toch andere standpunten verdedigt. Bovendien begrijp ik de logica niet goed. Het betreft een heel ingewikkelde structuur, onder andere omdat de overheid zonder aanbesteding werkt. Als ik morgen mijn factuur van bijvoorbeeld elektriciteit niet betaal en daarover een aangetekend schrijven krijg, dan beginnen vanaf die dag verwijlintresten te lopen en wordt 10 % schadevergoeding opgelegd wegens wanbetaling. Waarom kan dat niet voor dergelijke facturen?

Jean-Luc Crucke:

Monsieur le ministre, je pense qu'effectivement, ce dossier est lourd de signification et joue sur la confiance pour ceux qui travaillent au service de la Justice. On ne peut pas dire que rien n'a été fait. Vous avez développé des éléments et une enveloppe de 500 000 euros a été libérée. Vous avez fait le choix de priorités sur le plan humain, que je peux bien évidemment comprendre.

Mais il n'en reste pas moins que tous ceux qui ne sont pas payés peuvent aussi être dans des difficultés. Ce n'est pas parce qu'on a une société que l'on roule sur l'or. Certaines difficultés doivent pouvoir être comprises. À l'impossible, nul n'est tenu mais, manifestement, certains vont devoir attendre un peu de temps, et quand je dis un peu, c'est peut-être un euphémisme. C'est pour cela, monsieur le ministre, que j'insiste. Je peux évidemment m'adresser aussi à vos collègues du gouvernement pour qu'un geste soit fait. C'est la contradiction dans ce dossier. D'autres ministères ne vont pas attendre pour réclamer les cotisations ni pour réclamer la TVA. S'il n'y a pas là une action collective du gouvernement, je crains que certains soient doublement pénalisés, en n'étant pas payés et en étant face à des obligations de paiement auxquelles ils ne peuvent plus répondre. J'interrogerai vos collègues mais je vous demande de faire un geste en les interpellant, peut-être par écrit, sur ce dossier. Cela doit être une opération collective. Moi, je ne joue pas un jeu de majorité contre opposition. Ce que j'espère, c'est trouver la réponse la plus opportune et la plus rapide possible.

Marijke Dillen:

Mijnheer de minister, mag ik ervan uitgaan dat u aan de commissievoorzitter de lijst zult bezorgen? ( Instemming )

De strijd tegen geweld op vrouwen

Gesteld aan

Paul Van Tigchelt (Minister van Justitie en Noordzee)

op 27 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de ontoereikende bescherming van vrouwen tegen huiselijk geweld in België, met name door trage rechtspraak en onvoldoende toepassing van de tijdelijke verbod-op-verblijfmaatregel. De minister bevestigt dat deze procedure slechts beperkt wordt ingezet (o.a. in Brussel) door gebrek aan middelen en multidisciplinaire aanpak, terwijl de oppositie structurele onderfinanciering, tekort aan magistraten en ontoegankelijkheid van de rechtbank aanwijst als kernprobleem. Ondanks beleidsverbeteringen (zoals een herziene circulaire en meer budget) blijft de praktische uitvoering falen, vooral in Franstalige regio’s door afwezigheid van *family justice centers*. De oproep is dringende versterking van middelen en vereenvoudiging van juridische toegang om vrouwen effectief te beschermen.

Julien Ribaudo:

Monsieur le ministre, vous en conviendrez, les violences faites aux femmes ne sont pas un problème parmi d'autres. Elles constituent une grave violation des droits humains. Les chiffres sont effrayants: 21 féminicides en Belgique rien que cette année. Nous sommes en 2024 et des femmes vivent encore dans la peur.

Votre ministère, en tant que garant de l'application des lois et acteur central de la justice, joue un rôle clé dans la lutte contre ce phénomène. L'un des acteurs majeurs dans cette lutte est le tribunal de la famille.

Depuis la réforme de 2013, les juges de paix ont perdu leur rôle dans les conflits familiaux et tout repose maintenant sur le juge de la famille. Sur le principe, l'idée était bonne: un juge, une famille. Mais dans la pratique, c'est différent. Avant, une femme pouvait simplement écrire une lettre, même sur un bout de papier, pour demander une audience chez le juge de paix et deux semaines plus tard, elle était entendue. Il n'y avait pas besoin d'avocat et il n'y avait pas de frais exorbitants. On voit qu'aujourd'hui c'est tout l'inverse.

Dans certains arrondissements, quand une femme veut se séparer ou divorcer, elle attend entre deux et quatre mois pour la première audience et pendant ce temps, elle doit rester coincée avec un mari violent, faute de magistrats et de greffes. Pourtant des solutions existent, par exemple l'interdiction temporaire de résidence qui a été introduite en 2013. Cette procédure permet d'éloigner un conjoint violent du domicile pendant dix jours.

Laissez-moi vous lire un très court extrait d'un courriel d'un procureur: "Cette procédure n'est pas pratiquée au parquet de Bruxelles, faute d'effectifs suffisants". La conséquence est que des femmes, des mères se retrouvent obligées de fuir leur propre maison, parfois avec rien, et sans aucune aide.

Monsieur le ministre, confirmez-vous que le parquet de Bruxelles n'applique pas ou plus cette procédure, et quelles mesures pouvez-vous prendre face à cette urgence?

Paul Van Tigchelt:

Les femmes doivent se sentir en sécurité pas seulement en rue ou au café, mais certainement aussi chez elles.

Cette procédure est utilisée assez fréquemment lorsque certaines situations particulières se présentent. Une enquête sur l'évaluation des différentes circulaires en matière de violences entre partenaires organisée par le Collège des procureurs généraux indique en effet que les magistrats utilisent cette mesure quand ils craignent une récidive d'actes de violence mais qu'il n'y a pas de mise à l'instruction du dossier, quand les violences sont modérées et répétées, pour faire redescendre la pression, ou encore lorsqu'une mesure antérieure n'a pas fonctionné. Les magistrats évaluent donc bien chaque situation avant de prononcer une interdiction temporaire de résidence.

D'autres mesures peuvent être jugées plus adéquates que l'interdiction temporaire de résidence.

En ce qui concerne cette interdiction temporaire de résidence et la différence d'application entre les différents parquets, vous avez raison. Nous avons d'ailleurs eu différentes discussions avec le Collège des procureurs généraux. Après s'être un peu énervés, le Collège des procureurs généraux, le ministre de la Justice, le ministre de l'Intérieur et les ministres communautaires compétents pour les maisons de justice ont élaboré une circulaire conjointe sur ces interdictions.

Cette directive, qui a été révisée en 2020, précise notamment le rôle des différents intervenants et les modalités de leurs interventions respectives. Le fait que certains parquets utilisent cette méthode plus que d'autres n'est pas optimal.

À ce sujet, nous avons eu plusieurs discussions avec le ministère public et le Collège des procureurs généraux ainsi qu'avec l'ancien procureur ad interim du parquet de Bruxelles. Ce dernier m'a dit qu'il n'utilise pas cette procédure, mais qu'il demande des conditions auprès des juges d'instruction.

Au parquet de Bruxelles, on a l'habitude de requérir certaines conditions auprès d'un juge d'instruction, donc de ne pas requérir un mandat d'arrêt.

Le Collège des procureurs généraux m'a averti qu'il est en général difficile d'utiliser cette méthode parce qu'il n'y a pas une approche multidisciplinaire dans chaque parquet. Il n'y a pas, comme c'est le cas en Flandre, de family justice centers ou de veilige huizen dans chaque arrondissement.

À ce sujet, notons que si les family justice centers et les maisons sécurisées existent depuis de nombreuses années en Flandre, le concept est encore très récent en Communauté française, ce qui explique également certaines différences en termes de méthode d'action.

Je soulignerai enfin que pour une mise en œuvre adéquate de cette mesure, un engagement absolu de tous les acteurs est absolument indispensable.

Concernant les moyens alloués à la Justice, ceux-ci ont été augmentés au cours de la précédente législature. Je ne vais pas vous donner plus de détails à ce propos.

Vous évoquiez aussi une évaluation du tribunal de la famille. Celle-ci vient d'avoir lieu et le rapport d'évaluation a été déposé à la Chambre il y a quelques mois.

Julien Ribaudo:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses et de vous être mis en colère face à ce problème. Je suis néanmoins étonné de voir que les raisons diffèrent entre le mail que nous avons reçu et le contenu de votre réponse.

J'aimerais vous rappeler que l'État a une obligation et une responsabilité. Il doit garantir que chaque femme, chaque enfant puisse vivre en sécurité. Cela veut dire mettre des moyens là où ils sont nécessaires, recruter des magistrats et des greffiers supplémentaires – en surcroît de toutes les avancées que vous avez déjà faites – et simplifier l'accès à la justice. La justice n'est pas qu'un principe, c'est un droit qui doit être accessible pour toutes celles et ceux qui en ont besoin.

Voorzitter:

Chers collègues, ici se clôturent nos travaux du jour. Les questions qui n'ont pas été posées sont reportées à la semaine prochaine. La réunion publique de commission est levée à 16 h 00. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 16.00 uur.

Strengere beschermingsmaatregelen tegen vogelgriep

Gesteld door

lijst: PS Patrick Prévot

Gesteld aan

David Clarinval (Minister van Middenstand, Zelfstandigen, KMO's, Landbouw en Institutionele Hervormingen)

op 26 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Belgische vaccinatiestrategie tegen vogelgriep is in voorbereiding via een AFSCA/SPF-werkgroep, met focus op kost-batenanalyse en EU-regelgeving, geïnspireerd door Franse successen (drastische daling besmettingen bij eenden, maar enkel voor hoogwaardige sectoren zoals foie gras) en Nederlandse proeven (beloftevolle resultaten bij leghennen, definitieve data verwacht in 2025). Vaccinatie wordt gezien als complementaire maatregel, geen duurzame oplossing, met aandacht voor exportrisico’s, logistiek en langetermijnbescherming, terwijl het virus endemisch dreigt te worden. EU-lidstaten erkennen de noodzaak van een gecoördineerde aanpak, maar elke beslissing hangt af van lokale context.

Patrick Prévot:

Monsieur le ministre, depuis ce samedi 23 novembre, sous ordre de l'AFSCA, les volailles des élevages professionnels doivent être confinées. Concernant les oiseaux et volailles des amateurs et particuliers, ils doivent au minimum être nourris et abreuvés à l'intérieur. Ces mesures renforcées s'inscrivent dans la lutte contre la grippe aviaire dont nous avons déjà pu discuter à plusieurs reprises au sein de cette commission.

Le 29 mars 2023, face à la prolifération du virus, vous disiez craindre, je vous cite, que « nous nous dirigeons vers une impasse et que ce virus va probablement devenir endogène, au lieu d'être simplement saisonnier ». La voie de la vaccination était pour la première fois abordée, notamment du fait, je vous cite toujours, « que le gaspillage engendré par les abattages est en effet terrible ».

Le 27 février 2024, après une nouvelle période de contamination, nous reparlions de cette vaccination qui était mise en place chez nos voisins français dans les élevages de canards avec des résultats préliminaires encourageants. Côté hollandais, les conclusions d'une étude de terrain visant à vacciner des poules pondeuses sont seulement attendues pour courant 2025. Dans votre réponse, vous vous montriez clairement en faveur d'une vaccination en Belgique, avec la mise en place d'un groupe de travail constitué de l'AFSCA et du SPF Santé publique – une vaccination qui devait toutefois être calculée sur la balance coûts/bénéfices.

Monsieur le ministre, mes questions sont les suivantes:

Pourriez-vous nous faire le point sur la stratégie de vaccination contre la grippe aviaire en Belgique? Où en sont actuellement les travaux du groupe constitué de l'AFSCA et du SPF Santé publique?

Quel bilan la France tire-t-elle de la première couverture vaccinale de ses canards? En quoi ce bilan peut-il inspirer notre pays?

Avez-vous connaissance de l'aboutissement de l'étude de terrain réalisé aux Pays-Bas sur les poules pondeuses? Peut-on espérer la publication des résultats au début de l'année 2025?

Que nous révèlent les recherches entreprises par les firmes pharmaceutiques sur l'efficacité de la vaccination (vous en parliez dans votre réponse du 27 février 2024)?

Enfin, outre la France qui agit, la Belgique qui y réfléchit: d'autres États membres de l'UE s'accordent-ils tous à dire que le virus va devenir endogène et qu'une réponse à une échelle supra doit être étudiée?

David Clarinval:

Les préparatifs nécessaires sont en cours pour permettre la vaccination en Belgique. Le règlement européen 361/2022 sur la vaccination exige que l’État membre souhaitant vacciner contre l’influenza aviaire hautement pathogène (IAHP) procède à une évaluation préliminaire, conformément aux critères énoncés à l’annexe 1 de ce règlement. L’AFSCA se charge de la mise en œuvre de la plupart de ces critères. L’évaluation préliminaire est l’un des éléments du plan de vaccination que l’État membre doit établir avant la vaccination.

Le SPF Santé publique effectue les préparatifs juridiques nécessaires pour permettre la vaccination contre l’IAHP. Les résultats de la vaccination de canards destinés à l’alimentation en France sont en effet encourageants. On peut noter une réduction drastique du nombre de foyers, à tel point que la France a décidé de poursuivre la vaccination dans ce secteur. Le programme de vaccination français a déjà ouvert la voie à d’autres É tats membres prouvant, entre autres, que la vaccination préventive combinée à une surveillance active rigoureuse peut s’avérer être une option dans la lutte contre l’IAHP. La France a aussi déployé beaucoup d’efforts pour communiquer avec les pays tiers à l’avance. Certains pays ont fermé leurs frontières ( É tats-Unis, Canada, Japon), d’autres ont simplement envoyé des questionnaires.

Cependant, il s’agit de la vaccination d’un secteur très spécifique, à savoir la production de foie gras, avec une haute valeur ajoutée par animal. En ce sens, une campagne de vaccination comme celle effectuée en France est moins pertinente pour le secteur des volailles en Belgique, où il s’agit principalement de production de viande et de poules pondeuses. Ces secteurs ne sont d’ailleurs pas vaccinés en France ni en Europe.

L’expérience de la France permet néanmoins d’évaluer les difficultés rencontrées, à savoir les coûts, l’organisation logistique, l’impact sur les embargos ou encore l’opinion publique. Les Pays-Bas ont lancé un essai de vaccination sur 1 800 poules pondeuses en septembre 2023. Les résultats des premiers essais sont encourageants. Les animaux sont fortement protégés contre les signes cliniques et l’excrétion du virus est clairement supprimée.

Il reste toutefois à voir comment la protection évoluera sur le long terme. De nouveaux résultats seront disponibles à ce sujet dans les prochains mois. Les Pays-Bas ont appliqué une vaccination de rappel. L'effet de cette vaccination sur le degré et la durée de la protection chez les volailles suscite un grand intérêt. Les premiers résultats du projet sont attendus pour le premier semestre 2025.

La France et les Pays-Bas sont, pour l'instant, les seuls à travailler sur une étude de vaccination à grande échelle. L'expérience en France montre que le nombre de foyers a été fortement réduit: sur 1 000 foyers infestés durant l'hiver 2022-2023, seule une dizaine de foyers l'ont été durant l'hiver 2023-2024. L'étude des Pays-Bas donne un résultat encourageant à confirmer sur le long terme.

Les recherches des firmes pharmaceutiques concernent l'efficacité de la vaccination ou la durée immunitaire et portent sur différents types de vaccins et espèces de volailles.

La question est plus complexe: oui, a priori , le virus va devenir endogène; oui, les foyers coûtent cher mais il y a toute une gamme de types d'élevages et de débouchés. Pour l'Organisation mondiale de la santé animale (OMSA), la vaccination peut être recommandée dans certaines conditions mais cette mesure n'est pas une solution durable et doit faire partie d'une stratégie globale. La Commission européenne et les États membres s'accordent à dire que la vaccination est un moyen de lutte complémentaire.

La décision de vacciner doit être adaptée aux contextes épidémiologique et socioéconomique ainsi qu'aux besoins et capacités de chaque pays. La flexibilité et l'adaptabilité sont essentielles pour faire face à la nature dynamique de la maladie.

En France, les éleveurs ont travaillé avec des injections par animal. Le développement d'un vaccin oral ou direct dans les œufs à couver n'est pas encore réalisé. La surveillance active dans les groupes vaccinés est aussi coûteuse.

Le troisième point sera d'estimer l'impact sur l'exportation des produits de volaille. Comme pays exportateur, une barrière à l'export peut aussi coûter cher. Une évaluation continue reste nécessaire.

Patrick Prévot:

Monsieur le ministre, ce n'est pas la première fois que je vous interroge sur ce sujet, et vous m'avez donné toutes les réponses. C'est le genre de dossier qui mérite d'être poursuivi dans les semaines et les mois à venir. Je vous remercie d'avoir fourni des réponses complètes à mes questions. La réunion publique de commission est levée à 17 h 09. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 17.09 uur.

De overbevolkte gevangenissen
De staking in de gevangenis te Marche-en-Famenne
De overbevolkte gevangenissen
De opschorting van de verzending van gevangenisbriefjes
Gevangenisoverbevolking, stakingen, briefjesverzending opschorting

Gesteld aan

Paul Van Tigchelt (Minister van Justitie en Noordzee)

op 21 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De kritiek op overbevolkte gevangenissen (12.777 detineerden vs. 11.000 plaatsen) en tijdelijke opschorting van straffen onder 5 jaar (behalve voor zware misdrijven) dominen de discussie: oppositie noemt dit "straffeloosheid" en een veiligheidsrisico, terwijl minister Van Tigchelt het een noodmaatregel noemt om drukte te verlichten, met structurele oplossingen (1.200 nieuwe plaatsen, detentiehuizen, terugkeer illegale detineerden) op langere termijn. Gebrek aan capaciteit, geïnterneerden (1.000+), en lange preventieve hechtenis verergeren de crisis, met slechte werkomstandigheden voor cipiers (bv. Marche-en-Famenne) als direct gevolg. Alternatieven (huur buitenlandse capaciteit, versnelde repatriëring, alternatieve straffen) blijven onderbelicht of geblokkeerd.

Marijke Dillen:

Mijnheer de minister, uw beweerde straffe justitie heeft de voorbije week geen al te goede beurt gemaakt, integendeel, met de beruchte cannabisboer die in een zwaar drugsdossier vrijuit gaat omdat de redelijke termijn is overschreden en waarbij justitie waarschijnlijk de in beslag genomen 2,4 miljoen euro moet terugbetalen, met een pedofiele BV die gedurende jaren gruwelijke beelden van kindermisbruik verspreidde en extreme fantasieën had over het misbruik en de mishandeling van kinderen, maar tegen wie het openbaar ministerie slechts een jaar effectieve gevangenisstraf vordert, en nu met uw richtlijn om geen nieuwe oproepingsbrieven meer te sturen naar gedetineerden die veroordeeld zijn tot celstraffen onder de vijf jaar. Men moet in dit land al heel wat uitsteken om te worden veroordeeld tot vijf jaar effectieve gevangenisstraf.

Uw richtlijn geldt niet voor alle veroordeelden. Ze geldt niet voor veroordelingen wegens terrorisme, intrafamiliaal geweld, kindermisbruik enzovoort, maar een drugsdealer of een wapenhandelaar die is veroordeeld tot vier jaar, zal voorlopig – hoelang zal dat duren – niet naar de gevangenis moeten gaan. Dat is ongezien! Op deze wijze komt de veiligheid van de samenleving in het gedrang. Dit is geen oplossing voor de problematiek van de overbevolking, die vandaag opnieuw een hoogtepunt kent met ongeveer 12.700 gedetineerden, als ik juist ben ingelicht, terwijl er slechts plaats is voor 11.000, met ook nog eens 200 grondslapers.

Mijnheer de minister, wij betwisten niet dat de overbevolking onaanvaardbaar is en de veiligheid en werkomstandigheden van de cipiers in het gedrang brengt, maar in plaats van die problematiek structureel aan te pakken, neemt u maatregelen die de straffeloosheid doen toenemen. Wat zult u bij hoogdringendheid doen om deze waanzin te stoppen en ervoor te zorgen dat alle straffen effectief worden uitgevoerd?

Benoît Lutgen:

Monsieur le ministre, la Belgique est championne en matière de surpopulation carcérale. C'est un titre peu envié. Cette surpopulation a des conséquences graves pour les gardiens et gardiennes de prison. Certains ou certaines partent travailler la peur au ventre.

Cette surpopulation existe partout et les incidents, que ce soit à Andenne ou à Marche-en-Famenne en particulier ces derniers jours, sont particulièrement marquants pour les gardiens. Trois gardiens sont hospitalisés et plusieurs sont en incapacité de travail. Sur les deux cents agents pénitentiaires de Marche, soixante sont aujourd'hui en maladie ou en incapacité de travail. La situation ne fait qu'empirer dans cette prison.

Monsieur le ministre, quelles actions allez-vous mener spécifiquement par rapport à la prison de Marche et plus globalement par rapport à cette surpopulation carcérale?

Ce matin s'est tenue une réunion de concertation entre les gardiens, les syndicats et la direction. Cette dernière, ou plutôt l'équipe qui fait fonction de direction pour le moment, doit d'ailleurs faire l'objet d'un renouvellement. Quels sont les résultats de cette rencontre? Quelles actions allez-vous mener? Quel soutien allez-vous apporter en dédommagement et en suivi psychologique pour les agents pénitentiaires concernés?

La situation est d'autant plus dramatique que la prison de Marche a été montrée en exemple pour la réinsertion, l'aspect social et tout l'accompagnement. Aujourd'hui, ces projets sont mis de côté. Pour vous donner un exemple très concret, les pauses qui doivent normalement se faire à trente-quatre agents se font aujourd'hui à seize ou dix-sept agents. C'est la moitié du personnel. La tension est de plus en plus forte et impacte de façon extrêmement importante d'abord les agents bien sûr, mais également les détenus.

Steven Matheï:

Mijnheer de minister, er zitten 12.777 gevangenen in onze gevangenissen. Dat is een triest hoogtepunt in België. We zouden bijna heimwee krijgen naar de situatie van zes maanden geleden, toen we de magische kaap van 12.000 gevangenen dreigden te overschrijden. De laatste maanden komen er nog eens acht gevangenen per dag bij. Dat zijn de harde cijfers, hoewel de criminaliteitscijfers dalen.

De vraag is dan natuurlijk wat de oplossingen zijn. Uw oplossing bestaat erin om iedereen elke gevangenisstraf onder de vijf jaar niet meer te laten uitvoeren. Concreet wil dat zeggen dat iemand die een inbraak pleegt en daarvoor veroordeeld wordt tot vier jaar cel niet naar de gevangenis moet en vrij blijft. Dat wakkert het onveiligheidsgevoel natuurlijk sterk aan.

Onze oplossing is een en-enverhaal. Ze bestaat erin om ten eerste in te zetten op capaciteit. Mijnheer de minister, waar blijven de extra gevangenissen in Luik en Leopoldsburg? Waar blijven die extra FPC's in Waver en Aalst? Waar blijven die 15 aangekondigde detentiehuizen? Er zijn er op dit moment immers slechts twee gerealiseerd. Het lijkt alsof al die dossiers geblokkeerd zitten en geen vooruitgang kennen. Ondertussen moet de afgeleefde gevangenis van Sint-Gillis opnieuw een deel van de oplossing bieden voor de gedetineerden.

Daarnaast zijn er natuurlijk ook de geïnterneerden. Dat zijn er 1.000 en dat cijfer is verdubbeld in de afgelopen vijf jaar. Waar zijn de data en de plannen om samen met de minister van Volksgezondheid ook die problematiek aan te pakken? We hebben met het nieuwe Strafwetboek ook meer alternatieve straffen mogelijk gemaakt. Kunnen we daar niet meer op inzetten? Het is immers belangrijk dat mensen ook aan zichzelf blijven werken.

Mijnheer de minister, u hoort het: er zijn veel problemen en veel vragen, maar weinig actie. Wat ons betreft is het dan ook niet vijf voor, maar vijf na twaalf.

Catherine Delcourt:

Monsieur le ministre, la volonté d'exécuter les courtes peines était un signal fort vis-à-vis des victimes et pour l'effectivité des peines. Néanmoins, cette décision a été prise en dépit de la réalité du terrain dans les prisons, où la capacité est totalement insuffisante pour accueillir le nombre de détenus qui sont écroués. En conséquence, les conditions de travail des directions, des greffes et des agents pénitentiaires sont déplorables, et les conditions de détention indignes d'un État de droit. Celles-ci sont en outre contreproductives dans le cadre d'un projet de réinsertion.

Monsieur le ministre, on fait deux pas en avant, trois pas en arrière, puisque vous avez adressé une directive au parquet de Liège, notamment, en demandant que les billets d'écrou ne soient plus exécutés jusqu'au 26 novembre cette fois, pour essayer d'endiguer cette surpopulation qui est particulièrement importante à la prison de Lantin.

Avez-vous encore l'intention de prolonger cette mesure? Quels parquets sont-ils concernés par cette mesure? Combien de billets d'écrou votre décision concerne-t-elle en définitive?

Je voudrais enfin vous demander, monsieur le ministre, de faire preuve d'un peu de créativité. Quelles autres mesures envisagez-vous pour endiguer cette surpopulation carcérale?

Paul Van Tigchelt:

Mevrouw Dillen, mijnheer Lutgen, mijnheer Matheï, mevrouw Delcourt, ik dank u voor het mee nadenken over het prangende vraagstuk van het plaatstekort in de gevangenissen. Straffen die rechters uitspreken, moeten immers effectief worden uitgevoerd. Het is anderzijds aan de politiek en de overheid om dat te laten gebeuren in aanvaardbare omstandigheden.

Collega’s, ik trap een open deur in, maar ik moet dat toch even doen. Het plaatstekort is geen nieuw probleem. Het zit nu op 15 %. Tien jaar geleden was dat nog 25 %. Het is een feit dat wij de voorbije legislatuur 1.200 nieuwe plaatsen hebben gecreëerd. Dat was echter niet genoeg, omdat de aangroei van gedetineerden nog groter is geweest. Het is een feit – ik herhaal het en het is hier ook aangehaald – dat er nog nooit zoveel mensen zijn opgesloten, namelijk 12.777 gedetineerden vandaag. Het waren er vorige week zelfs meer dan 12.800. Sinds 1 oktober 2024 alleen al zijn er 450 gedetineerden netto bij gekomen.

De vraag hoe dat komt, is een relevante vraag. Wie de ziekte wil bestrijden, moet immers de juiste diagnose stellen. De toename is deels te wijten aan het aantal veroordeelden in de Sky ECC-dossiers.

Nous constatons également que les détentions préventives deviennent de plus en plus longues. Dans nos prisons, 5 000 personnes sont actuellement en détention préventive. Par ailleurs, nous constatons que les juges deviennent de plus en plus fermes: plus de 50 % des détenus purgent leur peine du début à la fin.

Het zijn rechters die oordelen, veroordelen en straffen, mevrouw Dillen. Ik heb alle vertrouwen in hun oordeel ter zake, omdat ik geloof in de rechtsstaat.

Tegelijkertijd blijven onze gevangenissen een vergaarbak voor problemen van andere diensten, zoals de heer Matheï zei. Het gaat niet alleen om 1.000 geïnterneerden, maar ook om bijna 4.000 gedetineerden zonder verblijfsvergunning, mijnheer Matheï. Dat zijn mensen die niet in de gevangenis thuishoren, zeker niet als het gaat over geïnterneerden. Het is juist dat ik meer engagement van Volksgezondheid heb gevraagd. In het reguliere psychiatrische circuit moeten meer plaatsen worden gecreëerd.

Om die acute stijging op korte termijn op te vangen, heb ik inderdaad op 28 oktober – dat is niet toevallig, want de dag nadien is er de uitspraak in dat EncroChatdossier in Brussel gekomen – een instructie aan het openbaar ministerie gegeven. Luister goed alstublieft. Personen die tot een gevangenisstraf tot vijf jaar worden veroordeeld, maar die nog vrij zijn op het ogenblik van de veroordeling en die geen gevaar voor anderen vormen, moeten zich niet in de gevangenis aanbieden. De straf wordt wel degelijk uitgevoerd, maar later. Die instructie geldt voor alle parketten. De tijdelijke maatregel geldt dus niet voor gevangenen die in hechtenis zitten op het ogenblik van hun veroordeling en evenmin voor zedendelinquenten, terroristen en plegers van zware geweldfeiten en intrafamiliaal geweld.

Mag ik u erop wijzen, mijnheer Matheï, dat dit geen unicum is. Die maatregel werd in het verleden ook reeds door voorgangers van mij genomen. Ook Nederland nam volgens mijn informatie recent dergelijke maatregelen.

Il s’agit d’une mesure d’urgence temporaire qui vise à réduire la pression sur nos prisons et notre personnel pénitentiaire. En outre, nous avons développé une politique et nous avons pris des mesures pour résoudre de manière structurelle – ce qui est le vrai défi – le problème chronique du manque de places. Nous le savons et je l’admets, cela ne se fera pas du jour au lendemain. Par ailleurs, nous avons élaboré une vision claire avec un nouveau Code pénal, avec des maisons de détention et de transition.

Straffen op maat en vermijden van recidive staan daarin centraal en zijn de structurele oplossingen die worden uitgewerkt. Het uitvoeren van straffen onder de drie jaar is een essentieel onderdeel van die verandering. We nemen ook verschillende noodmaatregelen om op korte termijn de druk te verlichten, zoals het voorzien van een betere spreiding tussen alle gevangenissen en het terugsturen van illegale gedetineerden naar hun land van herkomst. Marokko neemt voor de eerste keer sinds 2017 zijn onderdanen terug en we hebben dat tempo opgedreven. We gaan binnenkort naar de ministerraad met een dossier voor containerbouw om een contract toe te laten voor 600 extra (…)

Voorzitter:

Dank u wel, mijnheer de minister. De klok is onverbiddelijk, ook voor de collega’s, die één minuut repliektijd krijgen.

Marijke Dillen:

Mijnheer de minister, uw antwoord overtuigt me allerminst. Deze overbevolking heeft oorzaken, want al decennialang wordt het gevangeniswezen zwaar verwaarloosd, werd er niet gewerkt aan meer capaciteit en werd te weinig geïnvesteerd in nieuwbouw en renovatie. Daarvoor draagt uw partij een verpletterende verantwoordelijkheid, maar ook de collega’s van cd&v en de socialisten, want zij hebben decennialang dit beleid mee bepaald.

Er zijn oplossingen. Huur gevangeniscapaciteit in het buitenland, mijnheer de minister. Investeer samen met uw collega van Volksgezondheid in meer gebouwen voor geïnterneerden en stuur vooral alle illegale en criminele vreemdelingen terug naar hun land van herkomst. Dan hebt u onmiddellijk 4.000 plaatsen. Indien die landen weigeren, koppel het dan aan het intrekken van ontwikkelingssamenwerking. Laat eindelijk uw tanden zien, want (…)

Voorzitter:

Ik had reeds gezegd dat ik onverbiddelijk zou zijn. En dus ben ik dat ook, mevrouw Dillen.

Benoît Lutgen:

Merci, monsieur le ministre. Vous n'avez répondu à aucune de mes questions: ni sur ce qui se passe à Marche-en-Famenne, ni sur la réunion de ce matin, ni sur les réponses que vous voulez apporter, ni sur les réponses de soutien aux agents pénitentiaires. Zéro réponse!

Vous avez par contre repris, il est vrai, le fait que nous détenions un record en matière de préventive, ce qui crée aussi des difficultés particulières dans nos prisons. La récidive est extrêmement élevée. Les réponses structurelles n'existent pas. Vous ne les avez même pas évoquées, pas plus que les réponses ponctuelles par rapport à ce qui se passe à Marche-en-Famenne.

J'irai moi-même, avec ma cheffe de groupe qui suit ce dossier depuis de nombreuses années, à la prison de Marche-en-Famenne rencontrer les syndicats et les agents. Croyez bien que nous maintiendrons la pression parce que cette situation est inacceptable pour les gardiens et les agents pénitentiaires. Nous voulons être à leurs côtés.

Steven Matheï:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

Er werd de afgelopen jaren ingezet op het uitvoeren van de kortere straffen en dat is mede de oorzaak van de overbevolking in de gevangenissen. Het is echter belangrijk om te onderstrepen dat het perverse effect daarvan is dat de straffen tot vijf jaar nu niet meer kunnen worden uitgevoerd. Dat is mede veroorzaakt door het niet genoeg werken aan de in- en uitstroom. Op het vlak van de capaciteit en de aanpak van geïnterneerden is er op het terrein te weinig vooruitgang geboekt en dat is uw verantwoordelijkheid.

Catherine Delcourt:

Monsieur le ministre, l'effectivité des peines, soit leur application, est quelque chose d'essentiel. Un large panel de peines doit être tenu à disposition du juge, mais celles-ci doivent toutes être exécutées – et elles doivent l'être dans de bonnes conditions. Ce que nous n'investissons pas dans les prisons, c'est ce que nous n'investissons pas dans la réinsertion, mais c'est ce que nous payerons sur le plan de la récidive. La surpopulation carcérale à l'heure actuelle est inacceptable. Toutes les mesures doivent être prises, mais certainement pas en s'orientant vers la non-exécution des peines. Des retransfèrements vers l'étranger, l'appel à des mesures alternatives, la création de maisons de détention, pour lesquelles nous savons combien il est difficile de trouver les bonnes implantations, constituent des outils qui doivent être nécessairement activés. Je vous remercie de vos réponses.

De Pano-reportage over onterecht toegekende leeflonen in Anderlecht
De Pano-reportage over onterecht toegekende leeflonen in Anderlecht
De onthulling van sociale fraude bij het OCMW van Anderlecht
De Pano-reportage over onterecht toegekende leeflonen in Anderlecht
De Pano-reportage over onterecht toegekende leeflonen in Anderlecht
De socialebijstandsfraude bij het OCMW van Anderlecht
Het schandaal bij het OCMW van Anderlecht
De fraude bij het OCMW van Anderlecht
Leefloonfraude
De Pano-reportage over het OCMW van Anderlecht
De problemen bij het OCMW van Anderlecht
Fraude en schandalen bij het OCMW van Anderlecht

Gesteld aan

Karine Lalieux

op 21 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om wijdverspreid cliëntelisme, fraude en wanbeheer bij het OCMW Anderlecht, waar leeflonen zonder controle werden toegekend aan mensen zonder recht, terwijl kwetsbaren in de kou bleven. Inspectierapporten (2019-2023) waarschuwden herhaaldelijk, maar minister Lalieux (PS) ondernam onvoldoende actie, ondanks federale bevoegdheid—kritiek linkt dit aan politieke bescherming van PS-bestuurders die trots "klantenpolitiek" verdedigen. Oplossingen (terugvordering gelden, strengere controles, betere werkomstandigheden voor overbelaste maatschappelijk werkers) blijven vaag; oppositie eist harde sancties, transparantie en een audit van *alle* Brusselse OCMW’s om vertrouwen in het systeem te herstellen. Kernpunt: misbruik ondermijnt sociale solidariteit en speelt extremisme in de kaart.

Sammy Mahdi:

Mevrouw de minister, beeldt u zich eens in dat u een gewone hulpbehoevende man of vrouw bent die bij het OCMW aanklopt, maar die in Brussel toevallig niet op de PS stemt – dat kan gebeuren – of die toevallig niet de beste vriend is van de OCMW-voorzitter. Beeldt u zich in dat u ook nog eens geconfronteerd wordt met mensen die zich wel in die positie bevinden en die voorsteken in de wachtrij, die dankzij mails vanwege de voorzitter voorrang krijgen en die duizenden euro’s krijgen, terwijl anderen in de kou blijven staan.

Volgens de PS in Brussel stelt dat helemaal geen probleem, integendeel. Gisteren zei iemand van de PS op tv: ʺ Oui, je suis clientéliste et je suis fier de l’être parce que je suis socialiste. ” Men is er trots op dat men publiek geld, bedoeld voor mensen die echt in nood zijn, gebruikt als politicus om het eigen kiesvee te bedienen. Il faut le faire, zo handelen, met een brede glimlach!

Ik wil de Parti Socialiste nooit meer horen spreken over sociale afbraak. Duizenden euro’s uitdelen zonder controle, dat is sociale afbraak. Geld geven aan wie er geen recht op heeft, dat is sociale afbraak. Mensen die geen steun behoeven, geld geven en laten voorsteken in de rij, en tegelijkertijd mensen met echte behoeftes in de kou laten staan, dat is sociale afbraak.

Het meest wraakroepende is dat uw diensten dat wisten. Ik verwijs naar het inspectieverslag van het OCMW van Anderlecht 2023, waarin staat dat de inspectiedienst rechtstreeks via diverse kanalen is aangesproken naar aanleiding van de reeds gekende problematiek.

Mijn vraag is duidelijk. Uw diensten waren op de hoogte van de toestand. Waarom hebt u niets gedaan? Tegen wanneer zal het geld worden teruggevorderd? Hoe gaan we er samen voor zorgen dat het cliëntelisme van PS-besturen in Brussel een halt wordt toegeroepen?

Vincent Van Quickenborne:

Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, weet u wat mensen denken en zeggen als zij die reportage hebben gezien? 't Zijn zotten die werken. Ik weet niet of die uitdrukking bestaat in het Frans, maar het komt erop neer dat er mensen zijn in ons land die keihard werken, terwijl ze zien dat andere mensen er de kantjes van af lopen. Dat is bewezen in de Pano -reportage in Anderlecht, uw geboortestad. Het gaat om fraude en cliëntelisme. De mensen worden daar boos van.

Het gaat over veel geld. In ons land wordt meer dan 2 miljard euro aan leeflonen betaald aan 164.000 leefloners. Dat aantal omvat de inwonersaantallen van Hasselt en Kortrijk gecombineerd. Natuurlijk kunnen we niet al die mensen over dezelfde kam scheren. De essentie is wel dat de echt arme mensen van dat beleid de dupe zijn.

Het ergste is dat de alarmbellen in Anderlecht al jarenlang afgaan. Collega Mahdi verwijst naar het verslag van 2023, maar ook in 2019, in 2020 en in 2022 stond dat letterlijk geschreven, mevrouw Lalieux. Ik citeer: "Maand na maand, jaar na jaar krijgen mensen een leefloon zonder opvolging."

Mevrouw de minister, u was bevoegd. U had het onder uw ogen, maar u hebt niets gedaan. Waarom niet? Is de reden dat de burgemeester en de OCMW-voorzitter van PS-signatuur zijn? Is de reden dat het om uw kiezers gaat? Houdt u vast aan de cultuur om alles besloten te houden? Ik voel in u een zekere vorm van schaamte over wat daar gebeurd is. Het is niet aanvaardbaar.

Mevrouw de minister, ik heb maar twee vragen voor u. Ten eerste, kunt u met de hand op het hart beloven dat dit enkel in Anderlecht is gebeurd, of doet datzelfde fenomeen zich ook in andere gemeenten voor? Ten tweede, waarom hebt u na al die rapporten helemaal niets gedaan?

François De Smet:

Madame la ministre, comme beaucoup ici, j'ai vu ce reportage accablant. Des journalistes parviennent sans difficulté à se faire verser un revenu d'intégration sociale, sans enquête sociale et sans même résider dans la commune d'Anderlecht.

Un président de CPAS nous a livré la définition la plus pure du clientélisme qu'on ait vu depuis très longtemps. En effet, quand on aime les gens, quand on veut les aider, il semble normal pour certains d'aider "un peu plus" ceux qui sont venus les voir.

Ce qui m'a le plus marqué, c'est le témoignage des assistants sociaux – témoignage anonyme car ils veulent peut-être échapper à des rétorsions de leur hiérarchie. Ces assistants sociaux sont en réalité piégés et coincés: ils doivent pour beaucoup traiter 200 dossiers chacun.

Ils sont tellement débordés qu'ils n'arrivent pas à effectuer des vérifications, notamment d'emploi et de domicile. Même quand ils proposent des refus d'allocation d'intégration, ils risquent d'être court-circuités par leur hiérarchie ou leur président de CPAS. Cela provoque une charge supplémentaire et, évidemment, un découragement.

Madame la ministre, il faut être très courageux pour être travailleur social au CPAS d'Anderlecht aujourd'hui. Je pense à eux.

Pour la cohésion sociale, c'est aussi très décourageant. Nous sommes dans une période dans laquelle chaque euro compte. Des affaires de ce genre-là sont terribles parce qu'elles sont dénigrantes pour tous ceux qui ont besoin de cette aide sociale et qui n'arrivent pas à l'obtenir rapidement, peut-être parce qu'ils ne connaissent pas les bonnes personnes.

C'est décourageant aussi pour tous ceux qui contribuent au système, les travailleurs qui, à la sueur de leur front, alimentent le système et qui se disent: à quoi bon? Malheureusement, on le sait, la fraude sociale alimente aussi en retour, hélas, la légitimation de la fraude fiscale, les deux étant évidemment inacceptables. C'est désastreux pour la société toute entière.

Madame la ministre, que saviez-vous de ce phénomène avant l'émission? Vous avez dit ce matin en radio qu'il y avait des rapports d'inspection diligentés. En effet, ils existent depuis trois ans. Qu'avez-vous fait depuis? À votre connaissance, des cas similaires existent-ils dans d'autres communes et d'autres CPAS?

Anja Vanrobaeys:

Mevrouw de minister, uw deel doen en uw deel krijgen, is niet meer dan normaal. Dat betekent dat men gaat werken wanneer men dat kan en dat men ondersteuning krijgt wanneer men daar nood aan heeft. Het is daarom dat Vooruit altijd heeft gestreden voor een deftig leefloon, want dat beschermt de mensen tegen extreme armoede.

Als men zegt te strijden voor een deftig leefloon, dan moet men ook strijden tegen al die misbruiken en daar knelt vandaag het schoentje. De Pano -reportage van deze week, die ik schokkend vind, toonde hoe mensen in Anderlecht schaamteloos misbruik maken van dat systeem. Laat het duidelijk zijn, het gaat niet alleen over maatschappelijk werkers die overbelast zijn door te veel aanvragen of over het bewust misbruiken van een systeem om uitkeringen toe te kennen, het gaat ook over politici die wetens en willens niet luisteren naar de negatieve adviezen van hun maatschappelijk werkers. Die maatschappelijk werkers hebben ten einde raad aan de alarmbel getrokken omdat er van bovenaf niet naar hen werd geluisterd.

Mevrouw de minister, de reactie van sommigen was veelzeggend. Denken dat men mensen vooruithelpt door hen ongegrond een uitkering te geven, vind ik hallucinant. Dat gaat niet. Wij vinden dat men mensen beschermt door hen een leefloon toe te kennen, maar ook door te strijden tegen valsspelers, hoe schrijnend sommige verzonnen verhalen ook lijken.

Ik heb maar een vraag voor u. Er werden al jarenlang inspectieverslagen opgesteld en u zegt dat u de controles hebt opgedreven. Wat zijn de resultaten daarvan en vooral, wat zult u doen opdat zoiets nooit meer kan gebeuren?

Ellen Samyn:

Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, de Pano -reportage van dinsdag over de wantoestanden bij het OCMW van Anderlecht was ontluisterend, maar tegelijkertijd ook weinig verrassend. Corruptie, geldverspilling en wanbeheer zijn natuurlijk niet nieuw in Brussel, zeker niet als er socialisten bij betrokken zijn. Herinner u de Samusocialaffaire van ongeveer 7 jaar geleden, waaruit bleek dat uw partijgenoot Yvan Mayeur de corruptie en de vriendjespolitiek binnen Samusocial en het OCMW van Brussel organiseerde. Mevrouw de minister, u verdedigde de heer Mayeur toen nog in de pers: "Denk maar aan de OCMW's die dankzij Mayeur veel efficiënter samenwerken." Een uitspraak die vandaag kan tellen.

Wij vrezen dat het wanbeheer en cliëntelisme helaas niet alleen bij het OCMW in Anderlecht zal te vinden zijn, maar bij het merendeel van de Brusselse OCMW's. Het wordt maatschappelijk assistenten opzettelijk onmogelijk gemaakt om hun werk goed te doen. Wij vernemen van verschillende personeelsleden van de Brusselse OCMW's dat zij van hun politieke bazen een bevel tot het verlaten van het grondgebied moeten aanvaarden als een geldig identiteitsbewijs, om recht op steun te krijgen. Dat is hallucinant.

Mevrouw de minister, hoe verklaart u dat maar liefst 52,2 % van de leeflonen naar niet-Belgen gaat?

Wat zult u ondernemen opdat in dit land, waar werkende mensen meer dan de helft van hun loon afgeven aan de overheid, deze overheid eindelijk verantwoord omgaat met dat geld en het niet gebruikt voor cliëntelisme en electorale bediening?

Klopt het dat uw kabinet de Inspectie van Financiën toegang heeft geweigerd tot de OCMW-dossiers?

Wanneer zult u eindelijk een eerste aanzet geven om de 19 Brusselse OCMW's te fusioneren?

Isabelle Hansez:

Madame la ministre, les révélations sur les pratiques du CPAS d'Anderlecht sont profondément choquantes. Les témoignages confirmés par cette enquête journalistique révèlent des failles systématiques: absence de contrôle, octroi d'allocations à des personnes qui ne résident pas dans la commune et pressions politiques flagrantes. Ces dérives à la fois éthiques et administratives entachent la confiance des citoyens envers nos institutions publiques et posent la question d'un usage abusif de l'argent public. Elles jettent également un discrédit important sur le travail, pourtant essentiel, accompli quotidiennement par les travailleurs sociaux pour permettre à chacun et chacune de vivre dignement.

Le rapport 2023 du SPP Intégration sociale avait pourtant déjà mis en évidence ces manquements graves, mais il semble qu'aucune mesure concrète n'en ait découlé. Ces dérives clientélistes n'ont donc pas été endiguées.

Madame la ministre, pouvez-vous nous indiquer combien de contrôles ont lieu dans ce CPAS et dans les autres CPAS du royaume par les services du SPP Intégration sociale? Vous dites que vous étiez au courant de certains dysfonctionnements mais vous et votre cabinet étiez-vous au courant de ceux-ci? Comment est-ce possible que de telles situations puissent perdurer malgré les évaluations critiques des services fédéraux? Combien d'autres CPAS pourraient-ils être concernés par des pratiques similaires? Et surtout, quelles mesures envisagez-vous pour garantir un suivi rigoureux des recommandations des rapports d'évaluation pour éviter que ces derniers ne restent lettre morte?

L'inaction politique et la gestion hasardeuse des fonds publics au CPAS d'Anderlecht alimentent un sentiment d'injustice et de défiance croissante envers nos institutions. Chaque euro dilapidé ou utilisé sans contrôle rigoureux fragilise un peu plus la crédibilité de notre démocratie sociale. La réponse politique doit être à la hauteur des enjeux et la transparence doit être complète sur ces faits.

Florence Reuter:

Madame la ministre, on croyait avoir quasiment tout vu dans les dérives et dans la mauvaise gouvernance, mais le reportage de la VRT est édifiant: des pratiques et des dysfonctionnements qui sont tout à fait inacceptables, des enquêtes sociales incomplètes ou totalement inexistantes, pas de visites domiciliaires, l’intervention du politique dans les dossiers, des revenus d’intégration octroyés à des personnes qui n’habitent ni dans la commune, ni même dans le pays, et des adresses fictives.

Tout simplement… Que dire? C’est choquant. C’est juste tout simplement choquant, révoltant. Il s’agit d’argent public, de l’argent du contribuable. Certains travaillent dur pour financer la solidarité. C’est d’autant plus révoltant que, finalement, l’aide sociale ne va pas aux plus vulnérables, à ceux qui en ont réellement besoin.

Madame la ministre, mes questions sont simples. Connaissiez-vous l’ampleur de ces fraudes? Ce phénomène s’étend-il à d’autres communes?

Vous déclarez que le CPAS d’Anderlecht fait l’objet d’une enquête depuis 2021 déjà. Qu’est-ce qui a été mis en place, puisqu’on connaissait vraisemblablement tous ces dysfonctionnements?

Enfin, madame la ministre, fallait-il vraiment attendre un reportage de la VRT pour agir? Des outils de contrôle existent.  Vous avez la compétence sur ces contrôles, sur le SPP Intégration sociale. Par ailleurs, 75 % du budget viennent du fédéral. Alors il faut prendre les choses en main! J’attends vos réponses.

Nadia Moscufo:

Madame la ministre, depuis mercredi, après le reportage de la VRT, il y a beaucoup de discussions autour du fonctionnement et des dysfonctionnements du CPAS d'Anderlecht, et c'est bien compréhensible. Tout service qui travaille avec la population doit pouvoir fonctionner correctement, dans le respect de la loi, avec des procédures et des critères clairs, et sans clientélisme. Donc, s'il y a abus, si des personnes reçoivent une aide sociale sans y avoir droit, s'il y a eu passe-droit, c'est inacceptable et il faut faire toute la lumière à ce sujet.

Le reportage montrait aussi la surcharge de travail du personnel du CPAS d'Anderlecht. J'en profite, au nom de mon groupe, pour transmettre toute ma solidarité à tous ces travailleurs qui, au quotidien, travaillent dans une situation intenable. Ils ont plusieurs fois dénoncé cette situation avec leur organisation syndicale. Dans le reportage, un travailleur disait ceci: "Parfois, on se retrouve facilement avec 200 dossiers par personne. Ce n'est vraiment pas possible. Cela devient une charge mentale très dure." Notez qu'avec 200 dossiers par personne, il est impossible de faire ce travail humainement. En effet, derrière chaque dossier, il y a des êtres humains, des familles, des enfants dans des situations complexes et dans une grande précarité.

Alors, madame la ministre, j'ai deux questions à vous poser. Qu'allez-vous faire concrètement pour faire toute la lumière sur la situation au CPAS d'Anderlecht? Et qu'allez-vous faire pour répondre au cri d'alarme du personnel et garantir que tous les CPAS de tout le pays puissent remplir correctement leurs missions?

Wouter Raskin:

Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, collega's, wat we zagen in de tv-reportage, was ongezien: keiharde bewijzen van fraude en van politieke inmenging bij de toekenning van steundossiers en een gewezen voorzitter die zich socialist noemt, " je m’en fous " antwoordt op de beschuldiging van cliëntelisme en er zelfs prat op gaat! Ik vraag mij af wat de leden van Vooruit daarover denken. Maar goed, dat is niet mijn zaak.

Mevrouw de minister, door de uitstekende reportage van Pano heeft iedereen kunnen vaststellen wat er aan de hand is en ligt de zaak open. Dergelijke malversaties, boven op de uitdagingen van vandaag maken dat elk OCMW-beleid onbetaalbaar wordt en dat bevestigt de noodzaak tot responsabilisering van de OCMW’s. Wij moeten dringend kwalitatieve en kwantitatieve parameters uitwerken die ons toelaten de goede en de slechte leerlingen in de klas te onderscheiden. OCMW’s die op aanklampende begeleiding, op activering en op sociale integratie inzetten, moeten een bonus krijgen. De andere moeten tegen een malus aanlopen.

Mevrouw de minister, dat verhaal vertellen wij al heel lang, ook al worden wij uitgescholden als asocialen door degenen die eigenlijk stilletjes in een hoek zouden moeten kruipen en zich schamen. Ik heb tientallen vragen. Ze zullen voor de vergadering komende woensdag zijn. Vandaag stel ik er twee.

Ten eerste, hoe verklaart u dat u die wanpraktijken niet hebt gezien, terwijl de verslagen van de inspectie daar al jaren op wijzen?

Ten tweede, bent u na het bekijken van de reportage van oordeel dat er strafbare feiten zijn gepleegd? Zo ja, overweegt u juridische stappen tegen degenen die ze zouden hebben gepleegd?

Caroline Désir:

Madame la ministre, moi aussi, j'ai regardé ce fameux reportage de la VRT. Je puis vous dire que j'ai également été choquée, et même extrêmement choquée. Comment est-il possible d'accorder un revenu d'intégration sans même vérifier que la personne vive bel et bien sur le territoire de la commune ni mener l'enquête sociale indispensable à la vérification des ressources dont dispose le demandeur? Comment est-il possible que des procédures et réglementations, pourtant très claires et très strictes, ne soient pas respectées?

Octroyer une aide sans respecter les conditions légales est évidemment gravissime, et nous le dénonçons sans équivoque. Mais j'insiste sur le fait que ces dysfonctionnements ne doivent pas venir remettre en cause le travail accompli par des centaines de travailleurs sociaux qui s'acquittent de leur job avec une véritable conscience professionnelle et dans des circonstances extrêmement difficiles. Ils ne doivent pas non plus remettre en cause l'absolue nécessité des CPAS.

Madame la ministre, comme cela a été dit, il est absolument indispensable de faire toute la lumière sur cette affaire. Voici donc les questions que je souhaitais vous adresser. De quelles informations disposez-vous concernant les faits reprochés au CPAS d'Anderlecht? Quelles compétences le fédéral exerce-t-il en la matière, au regard de celles de la COCOM et de la commune? Le cas d'Anderlecht est-il isolé? Qu'en est-il des procédures de contrôle et des sanctions possibles dans de telles situations?

Pour la suite, madame la ministre, il importe de se poser les bonnes questions afin d'éviter de nouveaux dysfonctionnements. Comment alléger la charge de travail des assistants sociaux? Comment renforcer les effectifs et attirer davantage de travailleurs sociaux dans ces institutions? Comment, tout simplement, continuer à soutenir les CPAS?

Matti Vandemaele:

Mevrouw de minister, er moet mij toch iets van het hart. In Anderlecht doen elke dag tientallen maatschappelijk werkers hun stinkende best voor wie echt nood heeft aan steun. Elke dossierbehandelaar heeft er tot 200 dossiers. Ter vergelijking, in Kortrijk, waar ik woon, zijn dat er gemiddeld 50. Door die manier van werken komt wie echt nood aan steun heeft, achteraan de rij en wordt hij of zij heel traag of zelfs niet geholpen. Of de maatschappelijk werker nu 120 dan wel 200 dossiers per jaar moet behandelen, dat aantal is te hoog om degelijk werk af te leveren. Daardoor staat de deur wagenwijd open voor fraude en daar wordt nog een sausje van politieke inmenging over gegoten, zoals men kon zien in Pano . Een voorzitter van een bijzonder comité vindt bijvoorbeeld dat hij persoonlijk moet interveniëren in dossiers en bepaalde mensen voortrekken. Er is geen enkele controle op wat daar gebeurt en de inspectieverslagen zijn ronduit vernietigend.

Mevrouw de minister, hebt u die verslagen gelezen? Zo ja, waarom hebt u dan niets ondernomen? Waarom heeft de overheid daar niets mee gedaan? Komt dat misschien omdat u het eens bent met de betrokken voorzitter van het bijzonder comité, een partijgenoot van u? Ik wil hem even citeren: “Ik kan begrijpen dat men in Vlaanderen verontwaardigd is, u kunt mij cliëntelisme verwijten, maar ik ben een socialist en ik heb mensen geholpen en ik ben daar trots op.” Grijpt u daarom niet in? Mijn fractie vraagt zich dat af. Waarom laat u betijen, waarom grijpt u niet in?

Karine Lalieux:

Monsieur le président, chers collègues, je ne vais pas y aller par quatre chemins: ce que nous avons vu dans ce reportage est totalement inacceptable. Il est inacceptable d'utiliser l'argent public pour des personnes qui n'en ont pas besoin. Il est illégal de dépenser les moyens dédiés à l'aide sociale sans que cela ne soit justifié. C'est d'ailleurs la raison pour laquelle la loi prévoit des contrôles et que tous les montants indûment versés doivent être remboursés.

De regels en procedures die in de wet zijn bepaald, garanderen de eerlijkheid tussen burgers. De niet-naleving ervan moet worden veroordeeld en bestraft.

Pour rappel, toute demande au CPAS suppose un premier rendez-vous avec une assistante sociale au cours duquel sont exposés les documents et les conditions nécessaires, un deuxième rendez-vous sur la base de ces documents pour vérifier si les conditions sont remplies, une visite sur place pour vérifier que la personne y vit réellement. Si toutes ces conditions sont remplies, la demande est transmise au bureau spécial ou au Comité spécial de l'action sociale où la majorité et l'opposition sont représentées et qui est le seul habilité à prendre des décisions. Si les procédures sont respectées, aucune interférence politique n'est donc possible – je dis bien "si elles sont respectées" – puisque la loi prévoit très précisément les critères, les procédures et les délais.

Le SPP Intégration sociale vérifie que les conditions d'octroi du revenu d'intégration sociale par les CPAS sont respectées. Les CPAS sont en outre soumis à la tutelle des entités fédérées, en l'occurrence la COCOM, qui contrôle le fonctionnement général du CPAS, notamment les moyens humains, l'organisation et d'autres indicateurs.

Le CPAS d'Anderlecht, comme d'autres, a fait l'objet de tels contrôles. Ceux-ci ont permis d'identifier des manquements qui ont conduit à un contrôle renforcé sur base annuelle, ce qui n'était pas le cas dans d'autres CPAS.

Ces manquements sont de deux ordres. Premièrement, il y a le non-respect des délais légaux pour octroyer ou non le revenu d'intégration sociale. Le service d'inspection a déjà pris une décision de sanctionner le CPAS en cas d'octroi du revenu de CPAS hors délai. Le deuxième manquement porte sur les enquêtes sociales insuffisantes ou inexistantes. Quand le contrôle conduit à constater que les règles n'ont pas été respectées, les montants indus sont réclamés au CPAS et doivent être remboursés.

La fraude sociale est en effet inacceptable comme toute forme de fraude parce qu'elle est illégale et sape la confiance du public dans notre système de solidarité.

J'ai donc pris la décision d'aller au-delà en renforçant les contrôles. Alors que les contrôles ont normalement lieu sur la base d'un échantillon, j'ai demandé que les contrôles soient systématiques au niveau du CPAS d'Anderlecht.

J'ai aussi demandé au SPP Intégration sociale de vérifier si d'autres CPAS rencontrent des problèmes similaires et, dans ce cas, de renforcer les contrôles. Ces manquements – que, je le répète, je condamne avec la plus grande fermeté – doivent être dénoncés et les montants doivent être remboursés. Mais nous devons aussi veiller à ce que de tels faits ne se reproduisent pas. Ceci relève de la compétence des CPAS et de la tutelle des communes, qui sont en première ligne, mais aussi du gouvernement fédéral et des gouvernements régionaux, ici la COCOM.

Il faut aussi rappeler que les lacunes dans le respect de l'application des procédures sont dues à un manque de moyens humains, vous l'avez souligné. Il faudra donc continuer à renforcer les effectifs du CPAS pour leur permettre de traiter les dossiers dans les délais et dans le respect le plus strict des procédures. Même si cela ne relève pas de ma compétence, la COCOM devra également exercer sa tutelle de manière rigoureuse afin de vérifier que les moyens mis à disposition des CPAS sont mis en œuvre de la manière la plus efficace et efficiente possible.

Ni les personnes en difficulté ni les agents des CPAS – qui font un travail difficile avec une grande conscience professionnelle – ne doivent être les victimes de ces manquements.

Chers collègues, comme l'a dit M. Raskin, nous nous rencontrerons mercredi prochain après-midi et vous aurez tous les détails sur ces constats au CPAS d'Anderlecht. Je vous remercie.

Sammy Mahdi:

Mevrouw de minister, als ik zo heftig gereageerd heb, is dat omdat ik mijn stad graag zie. Ik ben daar geboren. Sommigen zeiden dat zij verbaasd waren, maar ik ben helaas niet verbaasd. Ik was graag verbaasd geweest, maar dit is de realiteit die al jarenlang gaande is.

U zegt dat er regels bestaan. Ja en neen. Er zijn regels die beter kunnen. Er zouden alarmbellen moeten afgaan wanneer in een bepaalde gemeente de maatschappelijke dienst een beslissing neemt, maar de politiek toch iets anders beslist. Dan moeten er bij u meteen alarmbellen afgaan. Die klachten moeten bij u terechtkomen.

Wij moeten ervoor zorgen dat het geld meteen teruggevorderd wordt. Dit is niet nieuw. Dit heeft ook politieke redenen. De politiek moet er iets aan doen, op het federale niveau, op het regionale niveau en op het lokale niveau. Ik meen echter ook dat iedere partij een ernstige bestuursvergadering moet houden en bekijken welk model ze hanteert en op welke manier ze daarmee de sociale zekerheid onderuithaalt.

Vincent Van Quickenborne:

Mevrouw de minister, uw antwoord was hallucinant. U hebt een tekst voorgelezen, u hebt de regels beschreven. Geen schuldinzicht, geen excuses, het is de fout van de anderen.

Mevrouw de minister, u had zoveel meer kunnen doen. U had de OCMW-voorzitter en de burgemeester van Anderlecht publiekelijk op de vingers kunnen tikken. U had uw mensen naar het OCMW van Anderlecht kunnen sturen om die fraudepraktijken te stoppen. U had zelfs kunnen luisteren naar de mensen van uw inspectie, die u uitdrukkelijk gevraagd hebben hen meer macht te geven om op te treden. U doet er echter niets aan.

Uw antwoord, mevrouw de minister, bewijst dat u dit niet ter harte neemt. U kunt wel verwijzen naar de hoorzitting van volgende week woensdag, maar als u als minister met zo'n attitude vier jaar lang hebt bestuurd, bent u het niet waard geweest. Dit is een schandaal, maar u reageert alsof het niets is. Schandalig!

François De Smet:

Merci pour votre réponse, madame la ministre.

Si je comprends bien, dans ces rapports datant d'il y a trois ans, les problèmes avaient été identifiés. Des rapports supplémentaires ont été rédigés, des montants réclamés, mais le problème n'a pas été réglé. Le reportage de Pano est en effet relativement récent.

Je commence à voir que cela va nous mener à un grand jeu belge, à savoir le renvoi de la balle entre l'État fédéral, la COCOM, la commune et le CPAS d'Anderlecht.

Il existe visiblement un "shopping" d'aide sociale, malheureusement. Je comprends qu'il est légitime, pour certaines personnes, de faire semblant qu'on est domicilié dans une commune alors qu'on ne l'est pas, de faire semblant qu'on est isolé alors qu'on est en couple. Et, si le jeu est malheureusement aussi largement répandu, c'est que, parfois, il fonctionne et que le clientélisme reste une réalité. Il faut y mettre fin immédiatement.

Anja Vanrobaeys:

Mevrouw de minister, ik vind uw antwoord zeer teleurstellend. U drijft de controle pas op na de reportage en steekt zich weg achter de oppositie in het bijzonder comité. Dat is onaanvaardbaar voor ons.

Iedere socialist, maar dan ook iedere socialist, zou hier razend van moeten worden. Als men rechtse partijen argumenten wil geven om onze solidariteit, onze sociale zekerheid af te breken, moet u immers gewoon doorgaan op deze manier.

Dat zal echter niet gebeuren met Vooruit! Wij staan namelijk achter alle gewone mensen die wel hulp nodig hebben, maar we willen ook strijden tegen valsspelers die het systeem misbruiken en de politici die dat gewoon toelaten.

Mevrouw de minister, treed op. Dat is uw taak. Wacht geen minuut langer! Ga aan de slag! We kunnen niet wachten, want de mensen verdienen beter!

Ellen Samyn:

Mevrouw de minister, dit krijgt u niet uitgelegd: een stem op de PS in ruil voor een leefloon, à la tête du client. Uiteraard zijn die wantoestanden in Anderlecht niet alleen de schuld van de PS. Ook Vooruit, MR, Ecolo-Groen, Open Vld, DéFI en de PVDA-PTB zijn namelijk vertegenwoordigd in de raad voor maatschappelijk welzijn van Anderlecht. Ofwel zijn ook deze partijen op de hoogte van deze wantoestanden, ofwel doen ze er hun werk niet.

Mevrouw de minister, dit is meer dan kafkaiaans, dit is pure waanzin! Ga eindelijk met de grove borstel door de Brusselse OCMW's, verplicht hen te fusioneren en stop met ons geld uit te delen aan wie er geen recht op heeft! Vlaams Belang vraagt een volledige audit van de Brusselse OCMW's en vooral ook van uw diensten. De socialistische augiasstal moet eindelijk dringend worden uitgemest!

Isabelle Hansez:

Madame la ministre, vous affirmez que la situation était connue, que les services ont contrôlé les faits, et que tout est désormais sous contrôle. Cependant, si cela est vrai, comment expliquer que des manquements aussi graves aient pu se produire malgré cette vigilance annoncée?

Il est indéniable que le temps est venu d’une profonde remise en question des mécanismes ayant conduit à ces dysfonctionnements. Ce n’est pas seulement une question de procédures, mais de confiance envers nos institutions. Sans des mesures correctives concrètes, ces dysfonctionnements continueront à alimenter la défiance citoyenne. Nous aurions donc voulu entendre des engagements clairs et des actions précises pris par le précédent gouvernement pour garantir que cette situation ne se reproduise plus.

Je tiens à préciser, comme nous l’avons mentionné dans notre intervention, que nous n’émettons aucun reproche à l’encontre des travailleurs sociaux qui accomplissent un travail remarquable au quotidien. Remettre en question leur probité ou leur dévouement n’a jamais été l’objet de nos propos. Nous sommes pleinement conscients de la lourdeur de leur tâche. Toutefois, les manquements identifiés, ainsi que toute forme d’ingérence politique, doivent être pris au sérieux.

Florence Reuter:

Madame la ministre, vos explications ne suffisent pas. Nous connaissons tous les conditions pour avoir droit à une allocation sociale. Aujourd'hui, même les travailleurs sociaux sont révoltés, indignés. Ils n’osent même pas témoigner en public.

J’ai du mal à entendre qu’un CPAS, qui est soumis à un contrôle, qu’il soit social, financier ou juridique, en arrive là aujourd'hui, alors que vous dites vous-même que des enquêtes étaient déjà en cours.

J’ai du mal à entendre aujourd'hui encore un ancien président de CPAS dire: "Vous pouvez parler de clientélisme, mais moi, je suis socialiste, je suis fier de l’être, et je suis content de faire plaisir aux gens." Mais ce n’est pas comme ça qu’on aide les gens qui en ont besoin! C’est de l’argent public! Combien de fois faudra-t-il dire que cet argent doit aller à ceux qui en ont véritablement besoin?

Mon groupe demandera toute la lumière sur ces dysfonctionnements. Rendez-vous mercredi!

Nadia Moscufo:

Madame la ministre, j'ai bien entendu votre réponse. Mon groupe suivra la situation de près, notamment la semaine prochaine pendant la commission des Affaires sociales.

Si nous voulons résoudre les problèmes des CPAS, il faut vraiment améliorer les conditions de travail, avec moins de dossiers à gérer par travailleur. Nous estimons que vous n'en avez pas fait assez à ce niveau-là. La droite n'a pas non plus de solution à ce problème. Les plans du gouvernement MR et Les Engagés prévoient d'ailleurs d'exclure les travailleurs du chômage après deux ans. Ces personnes vont se retrouver au CPAS. Cela aggravera encore la situation alors que nous aurons besoin de plus d'assistants sociaux pour accompagner ces personnes dans leurs recherches d'emploi.

Je crains que la droite, sous prétexte de dysfonctionnements au CPAS d'Anderlecht – qui doivent évidemment être résolus –, remette en question l'ensemble de notre système de solidarité sociale. Nous n'allons pas laisser passer cela!

Wouter Raskin:

Collega’s, voor alle duidelijkheid, dit is geen kritiek op al die sociale diensten die elke dag keihard hun stinkende best doen. Het is kritiek op de zieke bedrijfscultuur die ingebakken zit bij de Brusselse PS. Het is geen eenmalig feit, maar het is systematisch. Ik herinner me dat u hier ook moest komen uitleggen dat u het niet zo gemeend had toen u zei dat al die Belirismiddelen naar de PS-burgemeesters moesten gaan.

Mevrouw de minister, ook nu lijkt u eindelijk het zonlicht gezien te hebben, maar hetgeen vandaag bovenkomt staat al jaren op papier. U komt er vandaag zelfs niet toe om uw OCMW-voorzitter met klem te veroordelen. U bent veel te soft.

Ik kan er niets aan doen en u moet me verontschuldigen, mevrouw de minister, maar ik zal het toch zeggen: u mist de ethiek om met publieke middelen om te gaan. U ondergraaft het draagvlak voor sociaal beleid in de samenleving en degenen die u meent te verdedigen zijn er het grootste slachtoffer van. En kameraden (…)

Caroline Désir:

Madame la ministre, merci de vous engager à faire toute la lumière sur cette situation inacceptable. Faire la lumière, oui, et sanctionner là où c'est nécessaire, évidemment. Il faut contrôler plus encore, là où on constate des illégalités. Vous avez donc raison de systématiser ces contrôles. Nous en reparlerons en commission des Affaires sociales.

J'entends, madame la ministre, que chaque niveau de pouvoir devra agir à son niveau, et qu'il faudra que la COCOM prenne également ses responsabilités via une mise sous tutelle du CPAS d'Anderlecht et via un audit approfondi de l'ensemble des CPAS.

La fraude sociale comme la fraude fiscale sont pour nous inacceptables. Inacceptables dans l'absolu, bien sûr, mais aussi parce que cela mine la confiance envers notre système de solidarité. J'insiste encore une fois sur le fait que les dysfonctionnements que nous dénonçons tous aujourd'hui avec la plus grande fermeté ne doivent pas avoir pour conséquence de stigmatiser les CPAS.

Matti Vandemaele:

Mevrouw de minister, u hebt in de eerste ronde van iedereen verontwaardiging gehoord. In de tweede ronde waren wij allemaal, behalve de PS, ontgoocheld over uw antwoord. Met verontwaardiging alleen zullen wij er echter niet komen. Er is nood aan actie. Het is in het belang van de cliënten, van de mensen die wel echt hulp nodig hebben, dat we het systeem terug op de rails krijgen. Dat is ook in het belang van de maatschappelijke werkers, die elke dag opnieuw aan de slag gaan om die ambities waar te maken.

Ik verwacht van u als socialist dat u ons model met hand en tand verdedigt. Dat kan alleen maar als men ook het cliëntelisme veroordeelt, bij naam noemt en zegt dat dit absoluut niet kan.

Ik heb vandaag van u geen enkele oplossing gehoord. Ik hoop dat we volgende week in de hoorzitting wel tot oplossingen kunnen komen, zodat we dit nooit meer moeten doen.

Voorzitter:

Mevrouw de minister, collega's, dank u. Dit zal zoals gezegd volgende week ook in de commissie uitgebreid worden behandeld.

De bescherming van kritieke infrastructuur in de Noordzee na incidenten in de Oostzee

Gesteld aan

Ludivine Dedonder

op 21 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België loopt achter in de bescherming van kritieke onderzeese datakabels in de Noordzee, ondanks investeringen in defensie (2%-doel) en NAVO/EU-samenwerking, omdat de bestaande en geplande patrouilleschepen geen gespecialiseerde sonarsystemen hebben om onderwaterdreigingen te detecteren. Minister Dedonder benadrukt dat maritieme monitoring en afschrikking nu al plaatsvinden via patrouilles en informatiedeling met buurlanden, maar Weydts dringt aan op onmiddellijke actie—zoals aansluiting bij het Nederlandse civiele sensorenschip—om kwetsbaarheid voor sabotage (zoals de recentie Oostzee-incident) te counteren. De urgentie ligt in het dichtgroeien van de capaciteitstekorten voordat dreigingen escaleren, maar concrete stappen ontbreken nog.

Axel Weydts:

Mevrouw de minister, stel u voor dat u 's avonds op uw gemak tv-kijkt en dat u plots niet meer kunt streamen, dat u niemand meer kunt opbellen en dat uw internet tergend traag wordt. Dat zijn zaken die wij ons vandaag niet meer kunnen voorstellen, maar het was bijna de harde realiteit begin deze week, toen in de Oostzee een datakabel werd geraakt en beschadigd. De Deense marine heeft slechts achteraf kunnen reageren door een schip te viseren en te achtervolgen.

De oorlog in Europa speelt zich al langer niet meer alleen af op het Oekraïense grondgebied. De oorlog in Europa gaat niet alleen meer over Rusland. Het is niet alleen meer Rusland dat dergelijke tactieken en intimidatie gebruikt. Het is iets waarvoor wij allen gewaarschuwd moeten zijn en dat ons allen op scherp zou moeten stellen, want de gevoeligste data passeren ook bij ons langs de Noordzee, onze elfde provincie.

Daarom is het goed dat de huidige regering, met socialisten, ervoor heeft gekozen om meer te investeren in defensie, om een groeipad uit te tekenen richting 2 % en om verder internationaal samen te werken. De vraag is alleen of het voldoende is en of het op tijd komt. Bij onze Nederlandse collega's is het antwoord op die vraag alvast 'neen'. Zij hebben gisteren al beslist om een civiel schip in te zetten dat is uitgerust met voldoende sensoren om na te gaan wat er zich onder water afspeelt. Wij moeten nog wachten op ons derde patrouilleschip. Het is goed dat het er komt, maar dat schip is niet uitgerust met dergelijke sensoren en kan dus niet zien wat er zich onder water afspeelt. Dat vinden wij moeilijk te verklaren in de wereld van vandaag.

Daarom heb ik een heel eenvoudige vraag, mevrouw de minister. Wat zult u doen om de Noordzee zo snel mogelijk te beschermen tegen dergelijke acties?

Ludivine Dedonder:

De bescherming van die kritieke infrastructuur is vanzelfsprekend een prioriteit voor de Belgische defensie en maakt integraal deel uit van onze bredere inzet voor nationale en internationale veiligheid.

Defensie investeert in capaciteit om verdachte activiteiten op zee te detecteren en te monitoren, met de inzet van maritieme patrouilleschepen en geavanceerde sensoren. Het maritiem informatiekruispunt zorgt voor continue elektronische opvolging van scheepvaart, terwijl de marine patrouillevaartuigen inzet om schepen dicht bij de Belgische kust te monitoren. Die aanwezigheid op zee vergroot de snelheid van de reactie op potentiële dreigingen en dient als afschrikking.

Defensie kan snel ingrijpen om sabotagepogingen te voorkomen en werkt samen met de civiele autoriteiten en de private sector voor herstelplannen en reparaties in geval van incidenten. Die capaciteit zal in de toekomst nog worden versterkt met een derde patrouilleschip en een upgrade van de twee andere.

De bescherming van onderzeese infrastructuur is een gedeelde verantwoordelijkheid binnen de NAVO en de Europese Unie. België draagt actief bij aan die samenwerkingsverbanden en maritieme beveiligingsinitiatieven. Daarnaast onderhouden we nauwe bilaterale relaties met onze Noordzeebuurlanden om inlichtingen te delen en gezamenlijke operaties uit te voeren. Maritieme veiligheid en de bescherming van kritieke maritieme infrastructuur zijn twee thema’s die ook tijdens het Belgische voorzitterschap in de aandacht stonden.

Axel Weydts:

Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord.

U verwijst terecht naar de aankoop van de patrouilleschepen, waarvan we er vandaag al twee hebben en het derde in 2027 zal worden geleverd. Die schepen zijn echter niet uitgerust met de nodige sonarsystemen om te weten wat er zich onder water afspeelt. We moeten meer actie ondernemen. Bent u bereid om bijvoorbeeld in te tekenen op het contract dat Nederland zal sluiten met het civiele schip, zodat we nu kunnen ageren? Als we nu niet ageren en als we ons nu zwak tonen, dan zullen we de miserie later voelen en zal het moeilijker zijn om nog adequaat te kunnen reageren op dergelijke dreigingen, die heel acuut en realistisch zijn. Dat is deze week nog maar eens bewezen.

Voorzitter:

Collega's, ik wil nog even opmerken dat dit de maidenspeech van collega Weydts was. (Applaus)

1.000 dagen oorlog in Oekraïne

Gesteld aan

Ludivine Dedonder

op 21 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België en Europa blijven ondubbelzinnig de militaire, humanitaire en langetermijnsteun aan Oekraïne versterken (1,2 miljard euro, trainingen, wapens, medische hulp) ondanks Russische nucleaire dreigingen en onzekerheid over VS-steun onder Trump, terwijl Europese defensie-autonomie (interoperabiliteit, industrie) versneld wordt uitgebouwd als sleutel tot veiligheid. Diplomatie mag geen capitulatie betekenen, benadrukt Courard, met vrees voor een Amerikaans-Russisch akkoord ten koste van Oekraïne en Europa. Dedonder bevestigt onverkorte inzet via NAVO, EU-samenwerking en eigen defensie-investeringen, maar roept op tot versterkte Europese solidariteit. De kern: Oekraïne’s weerbaarheid en Europese soevereiniteit moeten hand in hand gaan, ongeacht Amerikaanse politieke schommelingen.

Philippe Courard:

Madame la ministre, mille jours de guerre en Ukraine! Ce n'est même pas tout à fait juste car quand on évoque la Crimée, on arrive quasiment à quatre mille jours. Mais il s'agit de mille jours au cours desquels d'affreuses souffrances ont été éprouvées par les Ukrainiens. C'est évidemment inacceptable, et depuis cette attaque de l'Ukraine par le président Poutine, on ne fait que des constats désastreux de décès, de blessés dans le camp ukrainien, mais également dans le camp russe – de la chair à canon, parfois, du côté russe.

On sait que la Belgique a réagi. Elle a soutenu l'Ukraine et la population ukrainienne en accueillant d'ailleurs des Ukrainiens. En termes de défense, nous avons consacré beaucoup de moyens. Nous nous sommes inscrits dans une démarche européenne également. La paix est ce que tout le monde souhaite, bien entendu.

Je ressens auprès de la population belge une crainte terrible pour le moment. On ne s'habituera évidemment jamais à la guerre. On sait le cortège de souffrances que cela procure. Mais depuis qu'on sait que le président Poutine menace avec le nucléaire, depuis qu'on sait que le futur président des États-Unis s'appelle Donald Trump, nous avons les pires craintes. En effet, comment va réagir l'OTAN, puisque le soutien américain ne semble pas définitif par rapport à cette guerre? Trump a déclaré qu'en 48 heures il réglerait le problème. Comment veut-il le faire? Sur le dos de qui va-t-il le faire? Bien sûr sur le dos des Ukrainiens, mais aussi, probablement, sur celui de l'Europe.

La question que je souhaite vous poser vise à savoir comment nous, Belgique, nous réagissons dans ce concert de déclarations. Comment l'Europe va-t-elle réagir? Comment, demain, allons-nous faire face à nos engagements par rapport à l'Ukraine, à la démocratie et à la paix dans notre Europe?

Ludivine Dedonder:

Monsieur Courard, derrière ce chiffre, ce sont des centaines de familles brisées, des vies perdues, des personnes qui sont obligées de fuir des infrastructures qui ont été détruites, ce sont surtout de la violence et de la peur vécues quotidiennement en Ukraine. Comme vous l'avez dit, c'est le retour d'une guerre en Europe qui suscite une certaine insécurité. Tout cela par la volonté d'un seul homme, qui a conduit son pays à cette guerre d'invasion inacceptable.

La situation qui prévaut en Ukraine, aux portes de l'hiver, confirme certainement la nécessité absolue de poursuivre nos efforts. Depuis le début de la guerre, la Défense a confirmé sa détermination à soutenir l'Ukraine à court, moyen et long termes. Le soutien militaire de la Belgique au profit de l'Ukraine s'élève aujourd'hui à plus de 1,2 milliard. Nous participons à l'essentiel des coalitions capacitaires: F-16, maritime, IT, artillerie, déminage, défense anti-aérienne. Et nous avons fourni plusieurs armements et munitions, notamment des grenades, mais également du matériel médical et l'accueil de blessés à l'hôpital militaire. Aujourd'hui, nous sommes à plus de 3 000 soldats ukrainiens formés par la Belgique. Nous continuerons à le faire. Je puis vous dire évidemment que nous restons fermement engagés dans cette approche intégrée, qui vise à offrir à l'Ukraine des garanties de sécurité à long terme.

Je tiens à préciser que nous n'avons pas attendu l'élection du nouveau président des États-Unis pour être résolument engagés à construire une Europe de la Défense, tant pour le renforcement de nos armées que pour leur interopérabilité et leur complémentarité et que pour le renforcement de notre base industrielle de Défense et de sécurité nationale et européenne. Là se situe la clef. Nous avançons. Il faut poursuivre en ce sens. Il reste encore de nombreux efforts à fournir, mais nous devons être solidaires entre Européens.

Philippe Courard:

Madame la ministre, je vous remercie pour votre réponse. Je pense que la Belgique a toujours été à la hauteur de ses engagements. Nous serons toujours derrière la population ukrainienne. Nous devons évidemment privilégier la diplomatie et la paix, mais pas à n'importe quel prix et en tout cas pas comme le souhaitent Donald Trump et Poutine. J'espère donc que nous continuerons à nous intégrer dans une réaction européenne avec une Europe qui prendra ses responsabilités et poursuivra évidemment sur sa lancée, avec les objectifs qui ont été fixés.

De betoging tegen geweld op vrouwen
De betoging tegen geweld op vrouwen
Vrouwenrechten betoging

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)

op 21 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om structureel geweld tegen vrouwen in België en wereldwijd, met schokkende cijfers (20 feminicides in 2024, 1/7 vrouwen slachtoffer van partnergeweld) en systemische tekortkomingen zoals straffeloosheid, gebrek aan politie-expertise (slechts 750 getrainde agenten) en bagatellisering (bv. spiking in Kortrijk afgedaan als "zorg voor elkaar"). Minister Verlinden benadrukt vooruitgang (wet op feminicides, 22% meer meldingen bij zorgcentra, EVA-cellen) en belooft verder te investeren in opleidingen, online aangifte en bewustmaking, maar erkent dat het onvoldoende is. Critici Schlitz en Yigit eisen meer middelen, actie tegen cultuur van straffeloosheid en roepen op tot massale betoging (24/11) om dringende versterking van beschermingsmaatregelen af te dwingen.

Sarah Schlitz:

Monsieur le président, chers collègues, madame la ministre, les violences envers les femmes et les atteintes à leurs droits se multiplient partout dans le monde: en Iran, en Italie, en Afghanistan et on craint le pire pour les é tats-Unis. Chez nous, on dénombre déjà vingt féminicides pour l'année 2024. En outre, l'effroyable affaire Pelicot nous rappelle à quel point la culture du viol est encore bien ancrée chez nous.

Alors, ce dimanche, des milliers de personnes, principalement des femmes, parfois avec leurs enfants, s'apprêtent à fouler les rues de Bruxelles en solidarité avec les femmes du monde entier et pour appeler à un renforcement des mesures pour protéger toutes les femmes de toutes les formes de violence. L'année dernière, la manifestation avait été entachée de tensions avec les forces de l'ordre. Certaines manifestantes ont été véritablement traumatisées par cet épisode.

Madame la ministre, quelles leçons tirez-vous de l'organisation de cette manifestation? Quel dispositif a-t-il été prévu pour ce dimanche, au regard à la fois du thème traité par cette manifestation et de la qualité des manifestants et de leur profil spécifique, principalement des femmes et des enfants?

Ayse Yigit:

Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, collega's, niet één meer, met die boodschap zullen wij komende zondag met duizenden mensen op straat komen in Brussel. Overal ter wereld is geweld tegen vrouwen een structureel probleem. Ik wil mijn solidariteit uiten ten aanzien van alle vrouwen die in oorlogen en conflicten moeten leven, waar seksueel geweld vaak als wapen wordt gebruikt. Beste vrouwen, wij zien u, wij vergeten u nooit.

In België spreken de cijfers voor zich: een op de zeven vrouwen ervaart partnergeweld, acht op de tien vrouwen krijgen te maken met seksueel geweld. Ook in de voorbije week waren er drie harde verhalen. In Elsene werd een vrouw vermoord door haar partner, in Zwijndrecht werd een vrouw vermoord door haar ex-partner. En dan zijn er de verhalen van minstens 16 jonge vrouwen in Kortrijk, die gedrogeerd en verkracht werden.

Mevrouw de minister, wij zien een patroon. Bijna de helft van alle aangiften wordt geseponeerd. De meldingen van spiking in Kortrijk werden weggelachen. Het parket gaf als oplossing: meisjes, zorg voor elkaar. En toch zeggen sommigen dat er geen extra maatregelen nodig zijn.

De politie is een cruciale schakel om seksueel geweld aan te pakken. Het Comité P geeft echter aan dat onze politie niet voorbereid is. Er is nood aan meer gespecialiseerd personeel en aan meer gespecialiseerde politie-eenheden, geïnspireerd op de Brusselse EVA-cel.

Mevrouw de minister, wat zult u doen om het patroon van straffeloosheid aan te pakken?

Annelies Verlinden:

Iedereen moet zich veilig kunnen voelen, overal, op straat, in het openbaar vervoer, in het uitgaansleven, online, ongeacht geslacht, geaardheid of gender.

Wij moeten permanent op alle niveaus inzetten op de strijd tegen seksueel geweld, straatintimidatie en seksisme. De cijfers zijn inderdaad hallucinant. Volgens de VN heeft een op de drie vrouwen wereldwijd al minstens één keer te maken gehad met gendergerelateerd geweld. In 2023 hebben zich 4.226 personen aangemeld bij een zorgcentrum na seksueel geweld in ons land. Dat betekent een stijging van meer dan 22 % ten opzichte van het jaar voordien. Dat toont aan dat de zorgcentra noodzakelijk zijn.

Er moet blijvend aandacht gaan naar de problematiek. Dat doen we ook in de politieopleidingen en politieteams, mevrouw Yigit. Zowel de lokale als federale politie zet in op de strijd tegen gendergerelateerd geweld. In de toekomst moeten we dat blijven doen.

Gisteren nog heb ik een bezoek gebracht aan de ruimte Mannelijke Poëzie, waarmee het Brussels stadsbestuur en de zone Brussel Hoofdstad Elsene aandacht vragen voor en ook hun politiemensen opleiden in de strijd tegen straatintimidatie. Zo worden niet alleen de politieteams, maar ook de bredere bevolking bewust gemaakt van de problematiek.

Madame Schlitz, ce sont d'ailleurs cette même administration communale et cette zone de police qui organisent actuellement les préparatifs pour le bon déroulement de la manifestation du 24 novembre. Des concertations ont lieu, à cette fin, entre la police locale et les organisateurs à l'initiative de la manifestation dans le domaine public.

L'organisation de manifestations de grande ampleur s'inscrit dans le cadre établi de la gestion négociée de l'espace public. Un cadre qui implique notamment la conclusion d'accords clairs entre les organisateurs et la police, ainsi que la réalisation d'une analyse des risques afin que l'autorité administrative locale responsable puisse fixer des seuils de tolérance et transmettre les directives nécessaires à la police.

Ons land kent een cultuur van manifesteren en vrijheid van expressie. Jaarlijks zijn er meer dan 900 betogingen in Brussel. Er is dus expertise opgebouwd en die wordt mede in stand gehouden door overleg met de verschillende zones en organisaties. Er wordt ook opvolging gegeven aan debriefings, onder meer met evaluaties en aanbevelingen van werkgroepen en van controle- en toezichtsorganen, met het oog op een zo goed mogelijk beheer van de openbare ruimte, waarbij tegelijk de uitoefening van de fundamentele rechten zoals de vrijemeningsuiting gegarandeerd is.

Chers collègues, permettez-moi de conclure en soulignant les efforts que nous avons déployés au cours de la dernière législature pour mettre fin à la violence envers les femmes. Nous avons investi massivement dans l'alarme anti-harcèlement. Nous avons voté la loi relative aux féminicides. Nous avons continué à développer les Centres de Prise en charge des Violences Sexuelles (CPVS) par le biais d'un financement supplémentaire et d'une base juridique solide. Nous avons également formé plus de 750 inspecteurs de police à la violence sexuelle, amélioré la déclaration en ligne pour les faits de violence sexuelle ou encore mis à jour la formation policière.

Beste collega’s, dit werk is niet afgerond en de aanhoudende inspanningen rond die problematiek zullen nodig blijven bij verschillende bevoegdheden en verschillende overheidsdiensten. Ik zal dat belangrijke onderwerp blijven verdedigen aan de onderhandelingstafel en bij de voorbereiding van het toekomstige beleid in de komende weken. In deze strijd ben ik een partner van alle vrouwen, alle slachtoffers en iedereen, ongeacht hun geslacht of geaardheid.

Sarah Schlitz:

Madame la ministre, je vous remercie pour vos réponses.

En effet, sous cette législature, nous avons avancé à pas de géant pour endiguer toutes les formes de violences envers les femmes. Cela ne suffit malheureusement pas. Donc, chers collègues, je m'adresse à vous, où que vous soyez, quels que soient les leviers auxquels vous avez accès, pour que vous agissiez afin de poursuivre l'ambition d'éradiquer toutes les formes de violences envers les femmes et les enfants en Belgique et partout dans le monde.

Ayse Yigit:

Mevrouw de minister, dank u voor uw antwoord. Uw intenties zijn wel goed en ik noteer ook positieve initiatieven, maar om die uit te voeren en zelfs uit te breiden, zijn er meer middelen nodig. Dat is het pijnpunt. Om dat pijnpunt aan te kaarten, komen wij zondag samen met de vrouwenbeweging op straat. Ik roep u allen dan ook op om samen te betogen en onze stem te verheffen tegen geweld tegenover vrouwen overal ter wereld.

De gebrekkige beveiliging van autosoftware

Gesteld door

lijst: VB Dieter Keuten

Gesteld aan

Alexia Bertrand

op 20 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De kwetsbaarheid van geconnecteerde auto’s voor hacking (o.a. afstandsbesturing, datadiefstal) baart zorgen, met oproepen tot strengere softwarebeveiliging door fabrikanten en bewustmaking van consumenten (bv. fake thuisadres gebruiken). Staatssecretaris Bertrand bevestigt EU-actie: vanaf najaar 2024 gelden verplichte cyberveiligheidsnormen voor alle digitale producten, maar verwijst voor Belgische maatregelen naar premier De Croo. Keuten belooft de kwestie bij De Croo (zelf Teslarijder) aan te kaarten en pleit voor aankoop van Belgische, veiligere voertuigen. Conclusie: EU-regels komen, maar nationale verantwoordelijkheid blijft onduidelijk.

Dieter Keuten:

Mevrouw de staatssecretaris, auto's zijn in toenemende mate geconnecteerd, maar helaas ook onvoldoende beveiligd, waardoor hackers tegenwoordig voertuigen vanop afstand kunnen overnemen. De ingebouwde software van auto's vertoont zwakke plekken, waardoor bijvoorbeeld een virtuele inbraak mogelijk is zonder dat men fysiek in de buurt van de auto is. Hackers slagen er dus in om op afstand voertuigen te ontgrendelen, te starten of te volgen, kunnen de interne beheersystemen van het voertuig aantasten en kunnen ook gevoelige informatie zoals de naam, het telefoonnummer, het e-mailadres of het thuisadres van de eigenaar bemachtigen of zelfs wijzigen. Fabrikanten moeten daarom aangespoord worden om meer te investeren in de softwarebeveiliging van hun voertuigen.

Volgens ons moet de consument in die zin meer gesensibiliseerd worden. Op de gps in mijn auto heb ik bijvoorbeeld niet mijn echte thuisadres ingesteld. Dat lijkt mij een eenvoudige tip die iedereen zou moeten toepassen.

Mevrouw de staatssecretaris, bent u op de hoogte van dergelijke beveiligingsincidenten met auto's in België? Hebt u daarover al contact gehad met uw Europese collega's? Welke maatregelen kunnen volgens u al genomen worden om bezorgde consumenten gerust te stellen dat ze veilig hun digitaal geconnecteerde auto kunnen gebruiken?

Alexia Bertrand:

Mijnheer Keuten, het is indrukwekkend hoe creatief en goed uitgerust hackers heden ten dage zijn. Uiteraard is de problematiek belangrijk. Jammer genoeg moet ik u teleurstellen, want ik moet u verwijzen naar de premier, Alexander De Croo, aangezien dit onder zijn bevoegdheid valt.

Wel kan ik u zeggen dat de Europese Commissie op 15 september 2022 een voorstel voor een verordening betreffende horizontale cyberveiligheidsvereisten voor producten met digitale elementen gepubliceerd heeft. Die verordening is intussen aangenomen en zal allicht in werking treden in het najaar van 2024. De verordening legt minimale cyberbeveiligingseisen op voor alle geconnecteerde producten die binnen de Europese Unie op de markt worden gebracht. Voor meer informatie moet ik u naar de premier verwijzen.

Dieter Keuten:

Mevrouw de staatssecretaris, ik zal de vraag stellen aan eerste minister De Croo. Als Teslarijder zal hij zeker weten waarover het gaat. Ik zal hem meteen ook vragen om in de toekomst in België geproduceerde auto's aan te kopen.

De afschaffing van UNRWA
Het voorstel van Josep Borrell om de politieke dialoog tussen de EU en Israël op te schorten
De Israëlische wet waarmee UNRWA van het Israëlische grondgebied verbannen wordt
Het VN-rapport waaruit blijkt dat de methoden van Israël kenmerkend zijn voor een volkenmoord
Het verbieden van alle UNRWA-activiteiten door Israël
De betrekkingen tussen de EU en Israël
De sancties tegen Israël
De Belgische reactie op de afschaffing van UNRWA
Internationale spanningen rond Israël, UNRWA en EU-betrekkingen

Gesteld aan

Hadja Lahbib (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken, Buitenlandse Handel en Federale Culturele Instellingen)

op 20 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Belgische parlementariërs en minister Lahbib (Buitenlandse Zaken) discussiëren over Israëls verbod op UNRWA—een cruciale VN-organisatie voor Palestijnse vluchtelingen—en de humanitaire crisis in Gaza, met beschuldigingen van genocide en schendingen van internationaal recht. België steunt UNRWA politiek, financieel en juridisch, dringt binnen de EU aan op naleving van het associatieakkoord (art. 2: mensenrechten) en roept Israël op de wet in te trekken, maar concrete sancties of een EU-brede opschorting blijven uit door gebrek aan unanimiteit. Kritiek richt zich op Belgiës terughoudendheid—geen wapenembargo, geen importverbod op nederzettingsproducten—terwijl parlementsleden eisen dat België unilateraal optreedt (bv. handelsbeperkingen) en zich aansluit bij Zuid-Afrika’s ICJ-zaak tegen Israël voor genocide. Lahbib benadrukt diplomatieke druk (o.a. via VN, bilaterale contacten) en humanitaire hulp, maar erkent dat Europese verdeeldheid actie blokkeert.

Annick Lambrecht:

Mevrouw de voorzitster, mevrouw de minister, het Israëlische Parlement heeft een wetsvoorstel goedgekeurd om de activiteiten van UNRWA, de VN-organisatie voor de Palestijnse vluchtelingen, op het territorium van de Staat Israël te verbieden. De wet verbiedt alle activiteiten van UNRWA op Israëlisch grondgebied vanaf 2025, met inbegrip van Oost-Jeruzalem. De facto zal de organisatie haar activiteiten in de Palestijnse gebieden, in de Gazastrook, op de Westelijke Jordaanoever en in Oost-Jeruzalem niet meer kunnen voortzetten, omdat Israël alle grensovergangen controleert.

De FOD Buitenlandse Zaken stelt dat de uitwijzing een rampzalig precedent schept dat het multilaterale systeem en de Verenigde Naties zelf diep ondermijnt. De FOD erkende ook de cruciale en onvervangbare rol van het VN-agentschap. Ons land betreurt dat de krachtige oproepen van de internationale gemeenschap opnieuw zijn genegeerd. De wetten in kwestie zijn een directe schending van de verplichtingen van Israël onder het internationaal recht, zo klinkt het in een persbericht.

Buitenlandse Zaken stelt uiterst bezorgd te zijn over de gevolgen die de uitvoering van de wetten zal hebben voor de miljoenen Palestijnse vluchtelingen, die voor hun levensonderhoud en waardigheid afhankelijk zijn van de noodzakelijke diensten van UNRWA. Ons land herhaalde ook de oproep aan de Israëlische regering als bezettingsmacht om zich te houden aan haar internationale verplichtingen, zoals het ongehinderd mogelijk maken van humanitaire hulp in al haar vormen.

Zolang er geen wereldwijde, rechtvaardige en duurzame oplossing is voor het conflict en de status van de Palestijnse vluchtelingen, is het mandaat van UNRWA van vitaal belang, omdat het volgens de FOD de verantwoordelijkheid van de Verenigde Naties ten aanzien van de Palestijnse kwestie vertegenwoordigt.

Mevrouw de minister, ik heb de hiernavolgende vragen.

Ten eerste, welke inspanningen levert België om UNRWA politiek te steunen in die context?

Ten tweede, welke acties worden binnen de Verenigde Naties ondernomen om Israël onder druk te zetten om de beslissing te herzien en niet uit te voeren?

Ten derde, hoe dringt u er bij Europa op aan om UNRWA te blijven ondersteunen?

Ten vierde, welke inschatting hebt u zelf van de humanitaire situatie in Gaza en de West Bank?

De voorzitster : U ziet de klok hier vooraan. Het is geen probleem, maar ten bate van de andere leden beperkt u uw vraag beter tot twee minuten. Ik hoop dat u ze ziet, want ik zie ze niet. U bent dus gewaarschuwd.

Christophe Lacroix:

Merci, madame la présidente. Si on a deux questions, a-t-on droit à deux fois deux minutes?

Madame la ministre, merci d'être présente pour répondre à nos questions sur un sujet majeur qui a déj à été évoqué à de nombreuses reprises. Mes interventions se situeront sur deux niveaux: la volonté de Josep Borrell de suspendre le dialogue politique entre l'Union européenne et Israël et la loi israélienne visant à supprimer l'UNRWA.

Le 14 novembre, le chef de la diplomatie européenne – ce n'est pas n'importe qui – a proposé aux Vingt-sept de suspendre le dialogue politique instauré entre l'Union européenne et Israël. Dernièrement, il a déclaré qu'il avait épuisé tous les mots pour qualifier ce qu'Israël commettait en Palestine. Le dialogue était prévu dans le cadre de l'accord d'association entre Israël et l'Union européenne qui est entré en vigueur en juin 2000. Les vingt-sept É tats membres s'étaient mis d'accord en mai – nous sommes en novembre – pour demander une réunion du Conseil d'association entre Israël et l'Union européenne pour examiner notamment la situation des droits humains à Gaza, mais cette réunion n'a toujours pas eu lieu faute d'accord sur l'agenda.

Comme vous le savez, mon parti est favorable à la suspension de l'accord d'association Union européenne-Israël. Cette position se fonde sur l'article 2 de cet accord qui impose aux parties le respect des droits humains et des principes démocratiques comme étant un élément essentiel de l'accord. En outre, la Cour internationale de Justice a rendu trois ordonnances conservatoires concernant Israël, notamment sur l'obligation d'acheminement de l'aide humanitaire, et la Cour pénale internationale a demandé un mandat d'arrêt concernant le premier ministre israélien. Vous savez comme moi que sur base des différentes décisions de la Cour internationale de Justice, l'Assemblée générale de l'ONU a fixé, le 18 septembre dernier, un cap pour contraindre – ou à tout le moins inciter – les É tats nationaux à prendre des décisions en la matière en leur donnant un délai de douze mois.

Madame la ministre, comment la Belgique se positionnera-t-elle pour donner suite très rapidement à l'appel de Josep Borrell?

S'agissant de l'interdiction de l'UNRWA, fin octobre, le Parlement israélien a adopté cette fameuse loi qui vise à interdire une agence humanitaire des Nations Unies – qui n'est pas, comme le prétendent certains, un réseau d'islamistes terroristes – qui opère sur le territoire d'Israël. Cette interdiction pourrait entrer en vigueur dans les trois mois qui suivent l'adoption du projet de loi et rien ne laisse présupposer aujourd'hui que le premier ministre israélien et le Parlement israélien feraient marche arrière.

Cette loi interdit à l'UNRWA d'opérer dans les zones sous contrôle israélien, ce qui entraînerait la fermeture de ses locaux dans les territoires palestiniens occupés: la Cisjordanie, y compris Jérusalem-Est occupée, et Gaza.

La législation proposée mettrait fin immédiatement à l'accord conclu entre Israël et l'UNRWA en 1967, dans lequel Israël s'engageait à faciliter le travail de l'UNRWA. Cela paralysera effectivement la capacité de l'agence à remplir son mandat tel qu'il a été défini par l'Assemblée générale des Nations Unies en 1949.

Tout cela peut sembler assez éloigné et assez technique, mais cette interdiction pourrait entraîner l'expulsion du siège et des bureaux de l'UNRWA et entraver gravement sa capacité à agir sur le terrain et à fournir des services essentiels tels que les soins de santé et l'éducation à des millions de réfugiés palestiniens.

Madame la ministre, comment la Belgique a-t-elle réagi à cette annonce? Pouvez-vous me garantir que la Belgique continuera à soutenir l'UNRWA, comme elle l’a toujours fait depuis très longtemps, et qu'elle prendra enfin des sanctions à l'égard d'Israël pour ses actes génocidaires, en lien avec la résolution de l’ONU?

Rajae Maouane:

Madame la ministre, permettez-moi d'abord de vous féliciter pour le grand oral que vous avez passé avec succès. Pour en revenir à l'actualité, chaque jour apporte son lot de nouvelles dramatiques en provenance du Proche-Orient.

Tout d'abord, cette décision récente du parlement israélien qui, en adoptant des lois, a interdit les opérations de l'UNRWA en Israël, réduisant donc son accès aux territoires palestiniens en Cisjordanie occupée et à Gaza. Cette décision a un impact direct sur l'accès à des services humanitaires, comme l'éducation ou la santé, pour les Palestiniens et Palestiniennes réfugiés.

Quelle réaction la Belgique a-t-elle mis en avant face à cette interdiction? Comment la Belgique continuera-t-elle à soutenir l’UNRWA et à permettre à ses services de continuer à fonctionner? Est-ce que vous envisagez de prendre des sanctions contre Israël, comme les écologistes le demandent depuis de nombreux mois?

L'autre aspect de ma question a trait au fait que les personnes qui utilisent le terme "génocide" pour décrire ce qui se passe à Gaza se sentent de moins en moins seuls. En effet, le rapport de la Rapporteure spéciale de l'ONU – Francesca Albanese – indique que trois des actes de génocide définis par la convention ont été commis contre les Palestiniens à Gaza: meurtre, atteinte à l’intégrité physique ou mentale et soumission à des conditions de vie destructrices. Elle évoque une volonté de destruction physique des Palestiniens, soutenue par une rhétorique anti-palestinienne omniprésente, visant à éradiquer ce groupe. On parle également de nettoyage ethnique, ce sont donc des termes très forts. Elle dénonce le fait que les dirigeants israéliens incitent publiquement à des actions génocidaires, sans distinction entre civils et combattants.

Elle rappelle également que la Cour internationale de Justice et la Cour pénale internationale devront examiner la situation, mais estime que les États ont désormais la responsabilité d'agir face à ces accusations, ce qui engage donc la responsabilité de la Belgique. Par conséquent, face aux conclusions de ce rapport alarmant, et alors que nous assistons à la destruction méthodique du peuple palestinien, qu’attend la Belgique pour condamner fermement ces actes et imposer des sanctions contre Israël? Comment justifiez-vous l'absence de sanctions de la Belgique alors que des actes de génocide sont commis? Comment la Belgique entend-elle prendre davantage position face à cette impunité qui, selon l'experte, mène à une tragédie annoncée?

Els Van Hoof:

Mevrouw de minister, de heer Lacroix verwees al naar de uitspraak op de Raad van 18 november van Hoge Vertegenwoordiger Borrell om de politieke dialoog met Israël op te schorten. Gelet op de oorlog wordt al langer opgeroepen om de relatie tussen de EU en Israël te herbekijken, bijvoorbeeld via een herziening van het associatieakkoord. In de commissievergadering van 16 oktober verklaarde u nog dat ons land pleit voor de bijeenroeping van de Associatieraad om de naleving van de mensenrechtenclausule te evalueren.

In een recent rapport herinnerde de VN-mensenrechtencommissaris de VN-lidstaten aan hun verplichtingen om schendingen van het internationaal humanitair recht te voorkomen. Ook riep hij op om het werk van het Internationaal Strafhof te ondersteunen.

België ondersteunt het Internationaal Strafhof al aanzienlijk. Maar zal ons land het Internationaal Strafhof extra financieel ondersteunen of zullen wij bijkomende experts via het Internationaal Strafhof leveren?

Wat werd er in de vergadering van 18 november van de Raad met betrekking tot de oorlog in Gaza en Libanon besproken? Welk standpunt heeft ons land er ingenomen? Werd er een beslissing over het associatieakkoord genomen?

Ayse Yigit:

Mevrouw de minister, sinds oktober 2023 zijn we getuige van ongekende en gruwelijke militaire aanvallen in Gaza, de Westelijke Jordaanoever en ondertussen ook Libanon. Minstens 45.000 Palestijnen zijn gedood. Israël gebruikte meer dan 85.000 ton bommen, meer dan de totale hoeveelheid die tijdens het eerste jaar van de Eerste Wereldoorlog is gebruikt. De vernietiging treft vooral de Gazastrook, waar de levensomstandigheden bijna ondraaglijk zijn geworden en waar de dreigende uitzetting van het United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees in the Near East (UNRWA) de toegang tot basisvoorzieningen voor miljoenen burgers in gevaar brengt.

Belgische burgers uiten hun verontwaardiging en eisen maatregelen. Volgens een enquête van 11.11.11 steunt 54 % van de Belgen sancties tegen Israël, eist 73 % een onmiddellijk staakt-het-vuren en wil de helft een handelsembargo tegen de illegale nederzettingen. Ondanks de groeiende roep van de burgers en het bewijs van flagrante mensenrechtenschendingen heeft België nog altijd geen harde maatregelen genomen.

Op 18 september nam de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties met steun van België een resolutie aan omtrent de door Israël illegaal bezette Palestijnse gebieden. Als VN-lidstaat hebben we de plicht om op te treden tegen die illegale bezetting en over te gaan tot concrete maatregelen. Israël beweegt zich momenteel in een context van gehele straffeloosheid. Het is duidelijk dat het ons niet aan opties ontbreekt, maar aan politieke wil om actie te ondernemen en Israël sancties op te leggen.

Kunt u uitleggen waarom ons land nog altijd geen doortastende maatregelen heeft genomen, in het bijzonder sancties en de stopzetting van de wapenverkoop aan en wapendoorvoer naar Israël?

Waarom neemt België geen actieve positie in om het associatieakkoord tussen de EU en Israël op te schorten, aangezien Israël artikel 2 van dat akkoord schendt?

Waarom is er nog altijd geen importverbod op producten uit de door Israël illegaal bezette Palestijnse gebieden?

Staf Aerts:

Mevrouw de minister, bij de Palestijnse bevolking vielen al meer dan 40.000 doden, onder wie meer dan 15.000 kinderen. Dat is al vaker gezegd. Die mensen sneuvelen soms bij bombardementen, maar evengoed door sluipschutters. Volgens de VN lijdt de volledige bevolking van Gaza honger.

Twee dagen geleden tweette u: "In Oekraïne, het Midden-Oosten en de rest van de wereld moet het internationaal recht ons enige kompas zijn. We kunnen niet toelaten dat deze principes straffeloos worden geschonden." Ik juich dat toe, want dat komt exact overeen met het standpunt van Groen gedurende die hele crisis.

Schendt Israël het internationaal recht? Het antwoord is toch duidelijk volmondig ja. Human Rights Watch heeft al eerder vastgesteld dat Israël in Gaza oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid begaat. Collega Maouane wees er al op dat een speciale VN-commissie vorige week stelde dat de oorlogspraktijken in Gaza overeenkomen met de eigenschappen van genocide.

Na woorden is het nu dus tijd voor daden. In al die chaos speelt UNRWA een ongelooflijk belangrijke rol voor de inwoners van Gaza zelf. UNRWA runt de broodnodige ziekenhuizen in barre omstandigheden, staat in voor voedselbedeling en zorgt voor gezuiverd water, cruciaal voor de Gazanen. Nu wil Israël UNRWA verbieden. Dat is niet minder dan een ramp voor de twee miljoen burgers ter plaatse.

Mevrouw de minister, wat zal België doen om die catastrofale en ongeziene ban op UNRWA tegen te houden? Welke stappen zult u zetten?

De Belgische regering kondigde in het verleden aan dat ze zich zou aansluiten bij de zaak die Zuid-Afrika aanhangig maakte bij het Internationaal Gerechtshof om te bewijzen dat Israël met zijn militaire aanval het Verdrag inzake de voorkoming en de bestraffing van genocide schendt. Hoever staat de Belgische regering met dat aansluiten, met het indienen van een positie bij het Internationaal Gerechtshof? Wanneer mogen we de nodige stappen verwachten?

Zal de Belgische regering het initiatief nemen om de VN-Mensenrechtenraad, waarvan België lid is, bijeen te roepen voor een speciale sessie over de schendingen van het oorlogsrecht in Libanon? Ook daar zijn op amper twee maanden tijd alleen al meer dan 200 kinderen gesneuveld, dus ook daartegen moeten we absoluut actie ondernemen.

De voorzitster : Wensen leden zich aan te sluiten bij de vragen in het debat?

Nabil Boukili:

Je n’ai pas déposé de question mais je tenais à participer au débat, surtout à la suite de l’échange que nous avons eu ce matin avec le premier ministre, notamment dans le cadre du débriefing du sommet européen et le deux poids deux mesures dans la façon de traiter, d’une part, la Russie par rapport à l’Ukraine et, d’autre part, Israël par rapport à Gaza, alors que la Russie comme Israël violent tous deux le droit international, à la différence près qu’Israël va encore plus loin en matière de crimes de guerre et de crimes contre l’humanité.

La réponse du premier ministre était similaire à vos réponses précédentes, madame la ministre. M. De Croo nous a en effet dit que la Belgique faisait des efforts et que l’Union européenne s’efforçait d’aller vers la paix, mais que la situation était compliquée et nécessitait des accords. J’ai posé une nouvelle fois la question au premier ministre mais je n’ai pas eu de réponse à la question suivante: comment l’Union européenne – ou le monde occidental, de manière générale – peut-elle prétendre qu’elle veut la paix dans la région, tout en fournissant des armes à Israël?

En effet, les É tats-Unis fournissent pour plus de 20 milliards d’euros d’armes à Israël, mais il y a aussi l’Allemagne: 30 % des armes achetées par Israël proviennent d’Allemagne! Cela signifie que nous avons donc un pays au sein de l’Union européenne qui déclare qu’on veut la paix mais qui vend des armes à Israël! Dès lors, je me demande si l’Union européenne aurait accepté qu’un pays de l’Union envoie des armes à la Russie lors de son agression contre le peuple ukrainien. De même, aurait-on accepté de maintenir des relations économiques privilégiées avec la Russie – par le biais de l'accord d’association – pendant qu’elle agresse l’Ukraine? Pourquoi l’accepter pour Israël?

Comment pouvons-nous être crédibles à l’échelle internationale en propageant des valeurs tout en faisant preuve d’hypocrisie dans la gestion du conflit au Moyen-Orient?

Benoît Lutgen:

Merci, madame la ministre. Nous avons effectivement déj à eu, en partie, un débat avec le premier ministre ce matin dans le cadre des avis pour les questions européennes. Je pense que passer par l'Union européenne et le Conseil s'impose comme seule voie possible pour tenter de dégager un consensus.

Je voudrais tout d'abord vous remercier pour tous vos efforts déployés ces derniers mois pour rechercher un consensus dans ce conflit. On sait que les positions sont pour le moins divergentes au sein du Conseil en la matière. Sur la position de Borrell – votre futur collègue avec Mme Kaja Kallas –, avez-vous eu des contacts sur ce sujet en particulier, plus globalement sur le conflit ou encore par rapport aux propositions qu'il a développées?

Je tenais à terminer en vous remerciant au nom des Engagés pour votre travail. Vous allez exercer des responsabilités importantes et nous espérons que vous pourrez les mener de la même façon dans les prochaines années à un autre niveau de pouvoir avec tous vos collègues, notamment au travers de la gestion des crises. Merci beaucoup.

Hadja Lahbib:

Je vous remercie pour toutes vos questions qui me ramènent à un débat que nous avons eu avant-hier au Conseil Affaires étrangères de l'Union européenne. Ce débat fut animé autour de la situation humanitaire à Gaza, en Cisjordanie et au Liban. Nous n'avons évidemment pas parlé que de ces sujets mais aussi des lois israéliennes à l'encontre de l'UNRWA.

De Hoge Vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de heer Borrell, voor wie het de laatste Raadsvergadering was, heeft voorgesteld om de politieke dialoog tussen de EU en Israël op te schorten wegens het niet respecteren van de mensenrechten. Het respecteren van de mensenrechten is gestipuleerd in artikel 2 van de associatieovereenkomst.

Vous me demandez quelle était la position que j'ai défendue au nom de la Belgique. Tout d'abord, j'ai partagé l'analyse du représentant spécial européen pour les droits humains selon laquelle des violations des droits humains et du droit international humanitaire sont commises par le gouvernement israélien et que cela devait donc absolument entraîner des conséquences.

La proposition du représentant Borrell nécessitait l'unanimité mais elle n'a pas été trouvée. Elle a même été loin d'être trouvée. J'ai donc répété la position belge demandant le plus vite possible la tenue d'un Conseil d'association avec Israël, lors duquel le dialogue se focaliserait sur le respect de cet article 2.

J'ai également réitéré que le respect du droit international devait demeurer notre seule et unique boussole et qu'il devait être respecté partout, de façon indifférenciée et sans double standard. J'ai aussi appelé les États membres à mener une analyse plus approfondie sur la conformité de l'Union européenne à l'avis consultatif de la Cour internationale de Justice sur l'occupation israélienne illégale des territoires palestiniens occupés et à prendre des nouvelles mesures dans le cadre européen et à s'y conformer.

Veel lidstaten, waaronder België, pleiten met de nodige juridische grondslag in de Raad voor bijkomende sancties tegen gewelddadige kolonisten en het Hamasregime.

Le Conseil Affaires étrangères a aussi abordé les récentes lois israéliennes anti-UNRWA, appelons-les ainsi. La plupart des États membres, parmi lesquels la Belgique, se sont exprimés en faveur de la poursuite du soutien juridique, financier et politique à l'UNRWA. Comme vous le savez, notre pays s'est engagé politiquement et financièrement auprès de cet organisme depuis 1953. Nous avons réaffirmé notre soutien après les attaques du 7 octobre 2023 lorsque plusieurs pays ont suspendu leur aide.

La Belgique a également joué un rôle déterminant en appelant les autres États donateurs à reprendre le financement de l'UNRWA, en particulier pendant sa présidence du Conseil de l'Union européenne, au cours de laquelle j'ai mené au nom de la Belgique une médiation pour tenter de maintenir l'aide de plusieurs États membres qui avaient décidé de la suspendre.

België uitte zijn principiële steun voor UNRWA en Shared Commitments on UNRWA regelmatig op Europees en internationaal niveau.

La Belgique a très activement participé aux efforts diplomatiques qui ont précédé le vote de cette loi anti-UNRWA, que ce soit à New York, au niveau de l’ONU et du Conseil de sécurité, au niveau européen, dans les conclusions du Conseil européen, ou encore au niveau bilatéral, sur le terrain, directement avec Israël, avec nos postes, nos ambassades, nos représentations diplomatiques à Jérusalem, Tel-Aviv et New York.

La Belgique a également publié une déclaration nationale pour exprimer son profond regret suite au vote et pour réaffirmer le rôle irremplaçable et indispensable de l’UNRWA. Le 6 novembre, notre pays a pris la parole lors du débat informel sur l’UNRWA à l’Assemblée générale des Nations Unies, au nom du Core Group.

Cela montre que la Belgique est un intermédiaire crédible sur cette question. C’est dû notamment au fait que nous n’avons jamais changé de position. Nous avons cette positions depuis 1953. Nous l’avons tenue. Nous avons demandé que les enquêtes soient menées. J’ai eu moi-même des contacts, avant même la parution du rapport d’expertise de l’ancienne ministre des Affaires étrangères française, Mme Colonna, pour avoir déjà un aperçu de son enquête. C’est ce qui nous a permis de tenir une ligne claire.

Nous avons également invité l’ambassadrice d’Israël à Bruxelles le 8 novembre et de nouveau, pas plus tard qu’hier, le 19 novembre, pour lui faire part de notre profonde inquiétude et aussi lui demander des explications sur le statut de l’UNRWA et son statut à venir.

In lijn met dit duidelijke en consequente standpunt zal België zijn inspanningen voortzetten om Israël ervan te overtuigen deze wetten toe te passen. Dat is in ieders belang, ook in dat van de Israëli’s. We hebben dit ook herhaald tijdens de Raad Buitenlandse Zaken op 18 november en we hebben deze boodschap gisteren ook overgemaakt aan de Israëlische ambassadeur.

En réponse à la question portant sur l'ONU, qui estime que les méthodes d'Israël correspondent aux caractéristiques d'un génocide, permettez-moi de vous rappeler quelques-unes de nos positions et, surtout, certaines actions que nous avons déjà entreprises. Depuis 2009, déjà pour faire face à la situation à Gaza, il a été convenu avec les Régions – qui sont compétentes en ce domaine – de ne procurer aucune licence d'exportation d'armes qui renforcerait la capacité militaire d'Israël. C'est important de le rappeler, parce que vous revenez souvent avec cette question. Nous invitons donc les États européens à suivre notre exemple, mais nous ne pouvons que les y inviter. Je ne peux pas préjuger ni décider de ce que fait l'Allemagne, par exemple. Je tiens, du reste, à souligner qu'elle est le premier pays donateur sur le plan de l'aide humanitaire apportée aux Palestiniens.

Vous savez que nous avons systématiquement et fermement condamné les bombardements touchant les civils à Gaza, en insistant chaque fois auprès d'Israël pour qu'il respecte intégralement le droit international et le droit international humanitaire. Depuis le début, nous sommes très clairs: les crimes commis à Gaza devront être jugés au plus niveau, peu importe qui en sont les auteurs. Et j'ai moi-même demandé la convocation de l'ambassadrice d'Israël en Belgique plusieurs fois au cours de cette année, y compris hier, en l'occurrence pour aborder la destruction par Israël d'un bâtiment à Jérusalem qui est cofinancé par Enabel et l'Union européenne.

Nous continuons d'appeler avec force à un cessez-le-feu immédiat à Gaza et à la libération des otages. Nous avons envoyé à plusieurs reprises de l'aide humanitaire, du matériel médical et de secours, et facilité aussi l'évacuation de nombreux civils. Lors du Conseil de lundi, j'ai de nouveau plaidé pour que le plus d' États membres se joignent à la Belgique afin de demander aux autorités israéliennes d'autoriser les évacuations médicales depuis Gaza.

En ce qui concerne plus précisément votre question relative à un possible génocide, nous avons insisté auprès d'Israël pour le total respect des mesures conservatoires ordonnées par la Cour internationale de Justice en janvier et en mars de cette année.

Pour rappel, en tant que partie à la Convention pour la prévention et la répression du crime de génocide (CPRCG), la Belgique a par ailleurs décidé d'intervenir dans deux affaires qui ont été portées devant la Cour internationale de Justice dont celle introduite par l'Afrique du Sud contre Israël en décembre 2023 pour informer la Cour de l'interprétation que la Belgique fait de l'article 2 de cette Convention qui définit le crime de génocide.

Les deux affaires soulèvent des questions similaires concernant l'interprétation et l'application de la Convention, plus particulièrement en ce qui concerne le concept d'intention génocidaire dans un contexte de conflit armé. Il reviendra d'ailleurs à la Cour seule d'appliquer aux faits de la cause l'interprétation des dispositions de la Convention de 1948.

J'espère ainsi avoir répondu à toutes vos questions.

Annick Lambrecht:

Mevrouw de minister, bedankt voor uw antwoorden. Ze liggen enigszins in de lijn van wat we al gehoord hebben, aangezien we over dit onderwerp natuurlijk al vaker gesproken hebben. Het is jammer dat we het er nog vaak over zullen moeten hebben, want ik blijf eigenlijk met één enkele vraag zitten.

U hebt al veel gedaan, u somt dat ook op. Gelukkig, in tegenstelling tot Duitsland levert ons land geen wapens; dat is een goede zaak. Met Vooruit vragen wij ons wel af of u mogelijk meer druk kunt uitoefenen om economische sancties ten aanzien van Israël uit te voeren met de gehele EU. Gelet op de nieuwe functie die u op Europees niveau zult bekleden, zult u mogelijk nog meer in die mogelijkheid zijn. Wij denken dat de tijd van dialoog voorbij is, dat men het echt economisch moet voelen, opdat die genocide stopt. Dat is de enige vraag die ik nog heb.

Christophe Lacroix:

Merci, madame la ministre. Je pense que vous avez sans doute lu, comme moi, l'article de Baudouin Loos paru dans Le Soir tout récemment sur la situation à Gaza o ù il explique bien, au moyen de différents témoignages, qu'"Israël a transformé la bande de Gaza en couloir de la mort"; c'est d'ailleurs le titre de son texte. Quand on dit cela, c'est une référence historique et on pourrait dire: "Attention, on atteint le point Godwin." Mais cela est corroboré par des gens de tous milieux, notamment un ancien secrétaire général adjoint de l'ONU, Jan Egeland. C'est dire à quel point la situation est catastrophique.

Deuxième élément de réponse, il y a bien sûr le niveau international et le niveau de l'Union européenne. Mais je pense qu'il reste des moyens d'action et, plus que cela, une obligation d'action dans le chef des É tats nationaux. Parce que l'avis consultatif de la Cour internationale de Justice que vous avez mentionné a été traduit en acte politique par l'Assemblée générale de l'ONU du 18 septembre 2024. Cette résolution va très loin dans le détail: on ne peut prêter aide et assistance au maintien de l'occupation; ni les É tats nationaux ni les entreprises ne peuvent investir; ils doivent mettre fin au commerce des produits des colonies et les interdire ou cesser leur transfert dans le cadre de l'occupation; gel des avoirs de toute personne ou association ayant des liens, notamment des flux financiers, avec l'occupation israélienne en Palestine.

Il est urgent d'interdire les produits des colonies. Il est urgent de suspendre l'accord au niveau belge. C'est une obligation internationale qu'un É tat national doit prendre, dans un délai de douze mois à compter du 18 septembre 2024. Il y aura donc urgence pour votre successeur ou successeure.

Je vous souhaite un bon travail au sein de la Commission européenne. Nous avons eu parfois des divergences de vues et quelques tensions, mais j'apprécie la personne que vous êtes, sachez-le.

Rajae Maouane:

Madame la ministre, merci pour vos réponses.

En ce qui concerne la responsabilité des É tats, de nombreux rapports indiquent que les É tats ont la responsabilité et même la possibilité d’agir. Selon moi, cela s’applique également à nous, au niveau belge. Nous avons en effet la possibilité – et aussi l'obligation – d’agir, notamment sur les accords et l’interdiction des produits issus des colonies. À ce sujet, je vais vous citer une phrase qui n’est pas de moi, qui n’est pas d’une militante de gauche ou du milieu associatif, mais qui est de Francesca Albanese, une rapporteuse des Nations Unies: “La violence qu’Israël déchaîne contre les Palestiniens depuis l’après-7 octobre ne surgit pas du néant, mais s’inscrit dans une campagne orchestrée intentionnellement au niveau de l’État pour provoquer systématiquement le déplacement forcé et le remplacement à long terme des Palestiniens.”

Cette phrase est extraite du rapport intitulé “L’effacement colonial par le génocide”. Nous assistons effectivement à un génocide en direct, en mondovision, et je pense que nous avons la responsabilité et le devoir moral d’agir. Je sais que de là où vous serez dorénavant, vous aurez également à cœur d’agir sur ce plan, et je vous remercie pour les quelques échanges que nous avons eus à ce sujet depuis mon arrivée au Parlement. Merci également de continuer à porter cette voix-là et de continuer à essayer de trouver des solutions afin d’agir davantage au niveau de la Belgique.

Els Van Hoof:

Mevrouw de minister, u zegt duidelijk en consequent te zijn in het Belgische standpunt. U pleit voor sancties en het behoud van de ondersteuning op alle vlakken van UNWRA. Het schoentje knelt duidelijk op Europees niveau. Er is geen opschorting of herziening van het associatieakkoord, waarvoor ook al lang wordt gepleit vanuit dit Parlement. Er is hier een duidelijke meerderheid daarvoor.

Er is ook een probleem inzake de importban. De juridische vraag is of dat op Europees vlak moet worden aangepakt. Men weet dat dit niet zal gebeuren op Europees vlak. We moeten overgaan tot meer Belgische acties ter zake. Dat was ook het pleidooi gisteren van de zaakgelastigde van de Palestijnse Autoriteit. We moeten ons Belgisch standpunt nog scherper stellen en moeten meer acties ondernemen om te voorkomen dat er inderdaad verder een genocide plaatsvindt in Gaza.

Ayse Yigit:

Mevrouw de minister, ik dank u voor het antwoord. U hebt geen antwoord gegeven op de vraag van de heer Boukili, want niet de export maar de doorvoer is het probleem. Het grootste deel van de Duitse wapens gaat via de Antwerpse haven naar Israël. Hoe kunnen we geloven dat de EU voor de vrede in de regio zal opkomen als Duitsland in de EU wapens produceert en uitvoert naar Israël? Daarom is het urgent dat België zelf maatregelen neemt en niet wacht op de EU, zowel met betrekking tot de wapens als met betrekking tot de handel met de illegale kolonies.

Staf Aerts:

Mevrouw de minister, ik dank u voor het antwoord. Ik blijf wel wat op mijn honger zitten. U zegt dat het aan het Internationaal Strafhof is om te oordelen of het al dan niet om een genocide gaat. Dat klopt, maar ik vroeg hoever we staan met het aanhangig maken en neerleggen van onze positie, zodat we die zaak samen met Zuid-Afrika mee kunnen voeren. Het is niet alleen de bedoeling dat we dat aankondigen, maar ook dat we het daadwerkelijk doen. Ik denk dat ik dit antwoord heb gemist, tenzij ik mij vergis.

Ook met betrekking tot de schending van de mensenrechten in Libanon, nemen we daar een initiatief richting de VN-Mensenrechtenraad? U zegt dat het internationaal recht ons kompas is. Ik juich toe dat u de schending van de mensenrechten expliciet benoemt. Het is zeer belangrijk dat dat daadwerkelijk wordt benoemd, maar het is wel echt tijd om tot acties over te gaan, zoals de voorzitter ook zei.

Dan richt ik me ook tot alle collega's in het Parlement. Gisteren hoorde ik van de MR-fractie dat we de kant van de vrede moeten kiezen. Ik denk dat iedereen daarachter kan staan, maar als men de kant van de vrede kiest, dan kiest men ook tegen de agressor. Dat betekent dat men ook concrete acties moet ondernemen. Dat is meer dan alleen woorden produceren en verwijzen naar het Europese standpunt.

Onze fractie heeft een resolutie met een heel aantal concrete acties ingediend. Ik hoop dat die integraal worden overgenomen, maar ik hoop vooral dat we met dit Parlement minstens kunnen zeggen: tot hier en niet verder, dit zullen wij concreet ondernemen. Ik hoop dat men zich niet verschuilt achter de lopende regeringsonderhandelingen. Daar zijn de Gazanen niets mee. Elke dag opnieuw sterven daar veel te veel mensen. We zijn het aan hen verplicht om acties te ondernemen en niet te wachten tot er een regering is. Daar hebben de mensen in de Gazastrook niets aan.

Kathleen Depoorter:

Mevrouw de minister, ik noteer dat u zegt dat u UNRWA een blijvende juridische, politieke en financiële steun zult geven.

Humanitaire hulp in Gaza is absoluut noodzakelijk, maar enkele van uw antwoorden baren me zorgen. Die niet-kritische benadering van de organisatie UNRWA maakt me bezorgd. Toen hier vorige week vertegenwoordigers van UNRWA aanwezig waren, heb ik hun gevraagd hoe het komt dat UNRWA Hamas niet als militante organisatie kan benoemen, hoe het komt dat men geen verklaring geeft dat lidmaatschap van gewapende groepen absoluut ontoelaatbaar is en hoe het komt dat er terreurinfrastructuur aanwezig is in faciliteiten van de VN. Dat men mij daarop niet antwoordt, of eromheen fietst, baart me zorgen.

We moeten absoluut voor humanitaire hulp zorgen, maar u haalde ook het Colonnarapport aan, dat ik ook heb gelezen, waarin duidelijke feiten staan die bij ons bepaalde lichten moeten doen branden. Het is aan ons, aan de westerse overheden, om het mogelijk te maken om, wanneer die Israëlische wet in voege zou treden en UNRWA niet meer toegelaten is, de humanitaire acties geleidelijk aan over te hevelen naar andere VN-organisaties of andere autoriteiten. Met een organisatie die Hamas niet kan veroordelen, kunnen we niet verder in zee blijven gaan. We moeten ervoor zorgen dat onze middelen, die noodzakelijk zijn om de mensen in Gaza te helpen, optimaal besteed worden en niet in handen van Hamassympathisanten kunnen terechtkomen.

Hadja Lahbib:

Je vous remercie tout d'abord pour vos appréciations. Je pense que ce débat est le plus difficile qu'on ait eu. Croyez-moi, ce n'est pas facile d'être dans ma position.

Je vous souhaite un prochain ministre des Affaires étrangères qui apportera des réponses à toutes vos questions et qui vous amènera surtout un accord de paix. C'est ce dont on a tous rêvé autour de la table du Conseil européen, encore hier, en espérant avoir une position qui permette simplement d'avancer.

Les divisions que nous subissons au sein de l'Union européenne nous empêchent d'avancer. Nous ne cessons de répéter, surtout après les élections américaines, qu'il faut que nous parlions d'une même voix, que nous soyons unis et que nous soyons même proactifs. Nous ne pouvons malheureusement pas l'être pour l'instant. C'est la réalité mais j'espère que nous le serons à l'avenir.

Pour revenir spécifiquement à vos remarques, il y a eu plusieurs enquêtes sur l'UNRWA. Il n'y a donc pas eu que le rapport Colonna. Il y a d'abord eu une enquête interne. Des décisions ont été prises de façon proactive par l'UNRWA, qui a suspendu sa collaboration avec neuf des collaborateurs qui n'étaient que suspectés.

Il y a donc eu des enquêtes différentes et des conditions ont été posées par la Commission européenne. L'UNRWA est prête à les respecter. Toute une démarche a donc été mise en place. Je suis d'accord avec vous sur le fait que nous ne pouvons pas faire confiance à une entreprise qui est suspectée, ni même collaborer avec elle. Dans ce cas-ci, nous n'avions pas d'élément qui permettait de suspendre le maintien de notre collaboration et de notre financement de l'UNRWA. C'est d'ailleurs pour cette raison que je l'ai défendu au nom de la Belgique, mais aussi parce que, selon d'autres ONG sur place, l'analyse nous revient qu'il n'y a rien qui puisse remplacer l'UNRWA à l'heure actuelle. Les ONG sont assez fermes sur le fait qu'elles ne pourront pas prendre le relais.

Nous n'avons pas non plus de plan B de la part des autorités israéliennes.

Je vous remercie pour vos questions et pour avoir quand même apprécié mes réponses, même si je ne peux sans doute pas apporter les solutions qui pourraient amener une paix demain au Proche-Orient.

Kathleen Depoorter:

Mevrouw de minister, ik vraag daarom om de humanitaire taken geleidelijk over te dragen naar andere VN-organisaties of autoriteiten. Uit het rapport blijkt dat 10 % van de personeelsleden betrokken is bij Hamas. Er blijkt ook bezorgdheid over de boodschappen die worden verspreid en men vraagt meer vrouwen in de raad van bestuur of managementfuncties, zodat de harde, islamitische kern wat gecounterd wordt. Voorts blijken de inspecteurs niet voldoende kennis te hebben van het Arabisch om de beslissingen van de raad van bestuur te controleren. Als we correcte humanitaire hulp willen verlenen, die gedragen wordt door de bevolking, dan is het onze taak om ons te organiseren, zodat we dergelijke rapporten niet meer hoeven op te stellen.

De uitspraken van een vicepremier over de gerichte militaire actie tegen Hezbollah
De situatie in het Midden-Oosten
De associatieovereenkomst van de EU met Israël
EU-beleid, Midden-Oostenconflicten en internationale veiligheid

Gesteld aan

Alexander De Croo (Eerste minister)

op 20 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sam Van Rooy looft Israël voor de gerichte Mossad-aanval op Hezbollah (een door de EU als terroristisch bestempelde jihadistische groepering) en valt vicepremier Petra De Sutter aan omdat zij de actie als "terreur" bestempelde, terwijl Hezbollah zelf duizenden raketaanvallen op Israëlische burgers uitvoert. De Croo bevestigt dat Hezbollah’s militaire tak een terreurorganisatie is, maar benadrukt dat Israël herhaaldelijk het internationaal humanitair recht schendt (met disproportionele aanvallen en massale burgerslachtoffers in Gaza) en dat de VN vraagtekens zetten bij de recentste aanval, zonder duidelijke afwijzing van De Sutters uitspraak. Van Rooy kaart aan dat België’s zwakke houding—mede door Open Vld’s migratiebeleid—islamitisch extremisme in de hand werkt, terwijl De Croo’s reactie als "appeasement" wordt afgedaan. Kernconflict: *Is gerichte uitschakeling van terroristen (zelfs met controversiële methoden) gerechtvaardigd, of primeert strikt oorlogsrecht, ongeacht de dreiging?*

Sam Van Rooy:

Mijnheer de eerste minister, onlangs vond er een gerichte actie plaats, van waarschijnlijk de Mossad, tegen de jihadistische terreurorganisatie Hezbollah, waarbij zogenaamde pagers of beepers van Hezbollahterroristen vanop afstand tot explosie werden gebracht. Talloze moslimterroristen werden zo op een ongezien gesofisticeerde en precieze wijze uitgeschakeld.

Uw vicepremier, mevrouw De Sutter, vond het nodig om die sublieme actie op het platform X te bestempelen als een terreuraanval tegen Hezbollah.

De militaire vleugel van Hezbollah staat sinds 2013 op de terreurlijst van de Europese Unie. Hezbollah is door de Iraanse overheid in de jaren tachtig opgericht om te strijden tegen Israël. Sindsdien is de organisatie uitgegroeid tot de grootste terreurbeweging in de wereld. "Zuid-Libanon is veranderd in een militaire basis voor grootayatollah Ali Khamenei", aldus de Nederlands-Perzische rechtsgeleerde en ervaringsdeskundige Afshin Ellian.

"Hezbollah" betekent "partij van Allah" en is een tot op de tanden bewapende jihadistische terreurorganisatie. Het is eigenlijk een jihadleger. Het is een bende islamnazi’s, die als heilig jihadistisch doel heeft een tweede holocaust te plegen. Hezbollah voerde duizenden raketaanvallen uit op onschuldige Israëlische burgers, zelfs onlangs nog. Tienduizenden Israëlische burgers moesten daardoor uit hun huizen worden geëvacueerd. Daarover horen we geen woord van uw vicepremier, wier bevoegdheden nota bene overheidsbedrijven en ambtenarenzaken zijn.

Spreekt mevrouw Petra De Sutter in naam van de regering wanneer ze stelt dat de geniale Israëlische actie tegen Hezbollah een terreuraanval is? Deelt u de mening van uw vicepremier? Zult u mevrouw Petra De Sutter terechtwijzen op het internationale forum om de door haar veroorzaakte imagoschade voor België te herstellen?

Alexander De Croo:

Mijnheer Van Rooy, de Belgische regering sluit zich, ten eerste, volledig aan bij de EU-wetgeving, die stelt dat de militaire vleugel van Hezbollah een terreurorganisatie is. De vice-eersteminister heeft dat trouwens nergens ontkend.

U zult het misschien met mij eens zijn dat Israël de voorbije dertien maanden meer dan eens het internationaal humanitair recht heeft geschonden. De bevolking van Gaza kampt al bijna een jaar met chronische ondervoeding, met disproportionele aanvallen en met gedwongen volksverplaatsingen zonder veiligheidsgaranties. Het aantal burgerslachtoffers doet hopelijk ook u huiveren.

Het totale gebrek aan respect voor de mensenlevens van de burgerbevolking in Gaza en van de gegijzelden zit mij bijzonder hoog.

Specifiek over de beeperaanval is het evident dat Israël zoals alle staten het internationaal humanitair recht moet respecteren. De analyse van de vraag of het oorlogsrecht en het proportionaliteitsbeginsel werden gerespecteerd, is voer voor rechtsgeleerden. Ik stel op dit moment echter vast dat de speciale rapporteurs van de Verenigde Naties ernstige vragen hebben bij de aard van de aanval.

Sam Van Rooy:

Mijnheer De Croo, Israël knapt het vuile werk op voor ons, het Westen. Hoe minder jihadisten, ongeacht of ze nu van Islamitische Staat, de taliban, Boko Haram, Al Qaida, Hamas, Islamitische Jihad of Hezbollah zijn, hoe beter en hoe veiliger het is voor het Westen en voor België. Uw vice-eersteminister, Petra De Sutter, waardeert dat niet en neemt het duidelijk op voor een bende terroristische, islamitische Jodenhaters, vrouwenhaters en homohaters, die zeker iemand als haar, geheel volgens de sharia, zouden opknopen. Mijnheer De Croo, dat u daar vandaag zo soft en zo zwak op reageert, is echt te gek voor woorden. Tegelijkertijd is dat helaas niet verbazend. Uw regeringspartij, Open Vld, voert immers al decennialang een globalistisch beleid, waardoor vele Hezbollahaanhangers en andere moslimfundamentalisten dit land gewoon binnenkomen. Mijnheer De Croo, daarvan zullen we de komende jaren en decennia nog heel veel ellende ondervinden.

Geweld en intimidatie tegen rechtse politici

Gesteld door

lijst: VB Barbara Pas

Gesteld aan

Alexander De Croo (Eerste minister)

op 14 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Barbara Pas (Vlaams Belang) hekelt het linkse geweld tegen RN-voorzitter Bardella en VB-kantoren, wijst op systematische intimidatie van rechtse politici en vraagt waarom de regering zwijgt over deze antidemocratische escalatie. Premier De Croo veroordeelt het vandalisme en intimidatie nadrukkelijk, benadrukt dat vrij meningsuiting en vreedzaam protest moeten kunnen, maar geweld *nooit* geoorloofd is—zeker niet tegen politici. Pas kaatst terug dat haar partij als *enige* de regering tot een reactie dwong en waarschuwt dat onbestraft geweld en retoriek (zoals "nazi"-etikettering) dodelijke slachtoffers zullen maken. Kern: geweld tegen politieke tegenstanders (met name rechts) is een groeiend democratisch gevaar dat hard moet worden aangepakt.

Barbara Pas:

Mijnheer de eerste minister, toen gisteravond de heer Bardella, de voorzitter van het Rassemblement National, zijn nieuwe boek wou voorstellen in de Wetstraat, tegenover uw ambtswoning, werd hij belaagd. Ook de aanwezige ordediensten werden bekogeld. Nog geen kilometer verderop werd door diezelfde meute het partijhoofdkwartier van de grootste oppositiepartij in dit land aangevallen. Hallucinante beelden van agressie, brutaal geweld en vernielingen waren het. Een medewerker van een bedrijf in dat gebouw werd fysiek aangevallen. De linkse betogers hebben zelfs gepoogd om brand te stichten, terwijl er mensen wonen in dat gebouw.

Dat geweld en dreigen met geweld komt uit linkse hoek. Herinner u het geweld tegen de boekvoorstellingen van Vlaams Belangpolitici. Aan Pim Fortuyn kunt u het niet meer vragen, maar vraag het aan Thierry Baudet, die werd aangevallen toen hij in Gent wou komen spreken. Of vraag het aan de mensen die in Izegem nog maar wilden praten met Vlaams Belangverkozenen om een coalitie te vormen. Ook zij kregen te maken met intimidatie en met bedreigingen met ontslag en geweld. Op die manier heeft links daar het democratisch proces helemaal van tafel geveegd. Het is ondertussen voor iedereen duidelijk waar de antidemocraten echt zitten.

Mijnheer de eerste minister, hebt u van burgemeester Kir al verontschuldigingen gekregen voor zijn laffe stilzitten? Zal uw regering ervoor zorgen dat de politie en het parket hun werk kunnen doen, zodat deze geweldenaars echt worden gestraft? Zult u extreemlinks extra laten screenen? Kunt u me uitleggen waarom ik van nog geen enkel lid van uw regering een afkeurend woord over dit geweld heb mogen vernemen?

Alexander De Croo:

Mevrouw Pas, het is zeer terecht dat u die vraag stelt. In een democratie zijn de meningen vrij en is men ook vrij om die meningen te verkondigen, of dat nu in een boek of een toespraak is.

Er is gisteren inderdaad een evenement georganiseerd in het Hongaars Huis. Zolang het binnen de grenzen van de wet ligt, mag men daar verkondigen wat men wil. Er was ook een tegenbetoging. Zo'n tegenbetoging moet ook kunnen. Trouwens, de politie van Brussel heeft ervoor gezorgd dat die tegenbetoging plaatsvond op die plaats zelf, zonder dat er geweld zou zijn. Dat is normaal. Mensen willen hun afkeuring uiten ten opzichte van een evenement. Dat moet kunnen. Als dat zonder geweld gebeurt, moet dat kunnen. Dat soort samenleving moeten wij zijn.

Wat daarna gebeurde, is echter totaal onaanvaardbaar. Vandalisme tegen om het even welke persoon, tegen om het even welk gebouw, is totaal onaanvaardbaar. Wat daar gebeurd is, het vandalisme, de intimidatie die daar plaatsgevonden heeft, verwerp ik met klem. Ik doe dat des te meer omdat het tegen een politieke partij of tegen politici gebeurde. Hoezeer we ook van mening kunnen verschillen, we moeten van mening verschillen in woorden, zonder geweld, zonder vandalisme en zonder intimidatie. We hebben de voorbije weken op meerdere plaatsen gezien dat dat echter niet altijd kan. Als er democratische keuzes gemaakt worden, moeten die kunnen worden gerespecteerd. Hoezeer we het soms ook oneens zijn met die keuzes. Als die keuzes binnen de grenzen van de wet hebben plaatsgevonden, moeten we volwassen genoeg zijn om dat in een democratie te laten gebeuren.

Geweld zoals gisteren, intimidatie van politici zoals we gezien hebben in andere steden de voorbije weken, is onaanvaardbaar en totaal verwerpelijk.

Barbara Pas:

Dank voor uw reactie. Het is veelzeggend dat ik hier, als enige, in het Parlement u moet ondervragen om eindelijk een afkeurende reactie te krijgen van de traditionele partijen over dit geweld tegen rechtse politici. Die geweldenaars moeten inderdaad opgespoord en gestraft worden. Als aan dit geweld immers geen halt wordt toegeroepen, zullen er vroeg of laat doden vallen. Dan dragen zij die altijd opnieuw politieke tegenstanders gratuit uitmaken voor nazi's en fascisten, allemaal een loodzware verantwoordelijkheid. Zij creëren immers een sfeertje met die gratuite uitlatingen, met dat aanzetten tot aanvallen zoals gisteravond in Brussel. Beste collega's, geweld mag nooit aanvaardbaar zijn; ook niet tegen rechtse politici!

De politiecontroles op alcohol en drugs achter het stuur

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)

op 14 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de hardnekkige problematiek van verkeersongevallen door alcohol en drugs (40% ’s nachts, 7 per dag), ondanks dalende algemene ongevalcijfers. Matti Vandemaele benadrukt de nood aan hogere pakkans via meer controles en centrale registratie van politiecijfers (sinds 2006 beloofd maar niet uitgevoerd), terwijl minister Verlinden bevestigt dat verkeersveiligheid prioriteit is, maar wijst op beperkte data en de nood aan mentaliteitswijziging naast repressie. Concrete actiepunten: Verlinden belooft samenwerking met Justitie om cijferverzameling af te dwingen en controles gerichter in te zetten, maar Vandemaele dringt aan op dwingende maatregelen in plaats van louter overleg. Kernpunt: cultuurverandering en zichtbare handhaving zijn cruciaal, maar ontbrekende data belemmert doeltreffend beleid.

Matti Vandemaele:

Mevrouw de minister, 40 % van de ongevallen 's nachts heeft te maken met alcohol of drugs, zo bleek uit de Pano -reportage van eerder deze week.

De getuigenissen van de nabestaanden zijn hartverscheurend. Ik stel vast dat die mensen met een woede zitten, met het gevoel niet gehoord te worden. Het is precies hun levenslange verdriet dat veroorzaakt wordt door iemand die op een bepaalde dag beslist achter het stuur te kruipen terwijl hij of zij te veel gedronken heeft of drugs genomen heeft. Het is op die manier dat een leven wordt weggemaaid.

De getuigenissen zijn hartverscheurend. De cijfers achter deze problematiek zijn onthutsend. We stellen vast dat het aantal verkeersongevallen daalt, maar dat het aantal ongevallen waarbij alcohol of drugs in het spel zijn, niet daalt. Er gebeuren ook vandaag nog altijd zeven ongevallen per dag waarbij alcohol of drugs in het spel zijn.

De politierechters in de reportage gaven aan waar de oorzaak ligt. Zij zeiden allemaal unisono dat het een cultuurprobleem is. Er moet meer controle zijn. De pakkans moet hoger. Alleen als we dat realiseren kunnen we dit probleem een halt toeroepen. Het is dus belangrijk dat chauffeurs op elk uur van de dag kans lopen gepakt te worden.

Dan was er de heer Paelinck, korpschef van de politiezone Westkust, die de lokale politiezones vertegenwoordigde. Hij zei: "Ik geloof niet in cijfers, ik geloof niet in statistieken; ik vind die eigenlijk minder belangrijk dan leugens."

Mevrouw de minister, mijn vragen zijn heel eenvoudig. Ten eerste, deelt u de visie van de heer Paelinck? Ten tweede, wat zult u doen om de pakkans te verhogen?

Annelies Verlinden:

Ik wil onderstrepen dat verkeersveiligheid een absolute prioriteit is. We hebben de afgelopen jaren gezien dat de acties van preventie en repressie wel degelijk vruchten afwerpen, want het aantal slachtoffers is gedaald. Het moet echter duidelijk zijn: elk slachtoffer is er een te veel. We moeten er allemaal alles aan doen om dat tegen te gaan.

Ik ben het met u eens dat Justitie en politie daarin een belangrijke rol spelen, maar het vraagt ook een mentaliteitswijziging. Iedereen, inwoners, bedrijven, heeft de verantwoordelijkheid om aan die verkeersveiligheid bij te dragen. Dat betekent ook doelgericht controleren. Dat zal belangrijk blijven, ook in de toekomst. Het is niet omdat bepaalde fijnmazige informatie over de plaatsen, de tijdstippen en de hoeveelheid van controles niet voorhanden is, dat er niet wordt gecontroleerd. Ik weet heel goed hoe heel veel politiemensen bij de lokale en de federale politie dagelijks controles doen, naast de vele andere taken die ze hebben en de prioriteiten die ze moeten stellen.

Ik ben het wel met u eens dat de nationale beeldvorming belangrijk kan zijn om dit fenomeen verder aan te pakken. Zo kunnen we wijzen op de cijfers van de verkeersongevallen die we naar aanleiding van de bobcontroles wel hebben. Die laten ons toe om zwarte punten te identificeren en zo de lokale besturen te helpen bij het uitvoeren en bepalen van controles en infrastructurele ingrepen.

Waarom de cijfers door de lokale zones niet altijd worden meegegeven, moeten we onderzoeken. Het is voor mij in elk geval duidelijk dat we de lokale zones moeten blijven herinneren aan de vraag om de gegevens mee te delen, zodat we ook op federaal niveau over die informatie kunnen beschikken. Ik zal dat bekijken met de minister van Justitie, aangezien er ook richtlijnen van de procureurs-generaal zijn over hoe we die vraag aan de lokale besturen en de lokale zones kunnen versterken en hoe we de beeldvorming over verkeersongevallen en verkeerscontroles kunnen optimaliseren. Ik zal dat in elk geval meenemen naar het volgende overleg met de geïntegreerde politie.

Matti Vandemaele:

Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord. Zoals u zelf zegt hebben we een mentaliteitswijziging nodig. Dat is duidelijk en de experts zijn het er allemaal over eens. Door meer controles uit te voeren kan er een mentaliteitswijziging komen. We hebben dus absoluut nood aan meer controles. De pakkans moet omhoog. Al in 2006 werd afgesproken dat de lokale politiezones hun cijfers centraal zouden doorgeven. Als een minister beleid wil voeren, dan moet die cijfers hebben die geanalyseerd kunnen worden. Op dit moment bent u blind aan het varen als het over deze thematiek gaat. Mijn oproep is dus om, zoals u hebt beloofd, niet alleen aan tafel te gaan zitten, maar ook af te dwingen dat die cijfers centraal beheerd zouden worden, dat er opvolging komt en dat de pakkans omhoog gaat. Nu stellen we immers vast dat het aantal controles daalt, terwijl er net meer controles zouden moeten zijn. Alleen op die manier kunnen we aan de kant van de weggebruikers gaan staan die geen alcohol of drugs gebruiken.

Cybercriminaliteit

Gesteld door

lijst: PS Éric Thiébaut

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)

op 13 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De explosieve stijging van cybercriminaliteit in België (60.304 feiten in 2023, waaronder 5.074 hackinggevallen en 40 ransomware-aanvallen in H1 2024) vraagt om versterkte actie, maar het CCB valt onder de premier, niet onder minister Verlinden. De politie focust op repressie (digitale forensics, opsporing daders, ransomware-onderzoeken via FCCU/CCU) en preventie (bewustmakingscampagnes tegen phishing, samenwerking met lokale zones), met Centrex Cyber als nieuw expertisecentrum voor georganiseerde cybercriminaliteit. Lokale politie registreert klachten en schakelt federale diensten in voor diepgaande onderzoeken, terwijl kleine zones afhankelijk blijven van federale steun voor expertise. Kernpunt: coördinatie en kennisdeling tussen niveaus blijven cruciaal om de groeiende dreiging te bestrijden.

Éric Thiébaut:

Madame la ministre, en 2023, la police a dénombré 60.304 faits relevant de près ou de loin de la « criminalité informatique ». Des chiffres qui témoignent d'une explosion au cours des dix dernières années. Les autorités publiques n'échappent pas à ces attaques avec toutes les conséquences que cela peut avoir au regard des informations sensibles qu'elles traitent.

Selon « Le Soir », entre janvier et juin 2024, le Centre belge pour la cybersécurité a recensé par moins de 40 cyberattaques avec demande de rançon. Des cas extrêmes qui ne représentent cependant que le sommet de l'iceberg. L'an dernier, les statistiques policières belges ont ainsi recensé pas moins de 5.074 faits relevant du « hacking » informatique, sur un total de 60.304 faits concernant de près ou de loin la « criminalité informatique ».

Alors que ce vendredi 18 octobre, la nouvelle loi dite « NIS2 » est entrée en vigueur, j'aimerais, Madame la Ministre, vous poser les questions suivantes :

Face à ces chiffres, les moyens du CCB se voient-ils renforcés pour y faire face ?

Quelle expertise développe la police fédérale en la matière et comment peut-elle faire profiter de son expertise les institutions publiques, les entreprises et les citoyens de manière préventives ?

Quel support peut apporter la police fédérale aux zones de police locale en la matière ?

Je vous remercie d'avance pour vos réponses.

Annelies Verlinden:

Monsieur Thiébaut, le CCB et les missions que ce centre exécute ne sont pas de ma responsabilité mais de celle du premier ministre.

Concernant les mesures préventives, la prévention en matière cyber n'est pas une prérogative de la police fédérale, qui se concentre sur d'autres aspects du phénomène, à savoir les OSINT, les activités dans le domaine du digital forensics et les enquêtes contre les formes aggravées de cybercriminalité comme les ransomware ou encore les attaques contre les infrastructures critiques.

La FCCU et les RCCU disposent d'une certaine expertise dans les activités inhérentes à leurs missions comme la récolte de preuves digitales, les enquêtes visant à identifier les auteurs, la récupération du butin, etc. À côté de ce volet répressif, la police fédérale participe également à diverses initiatives médiatiques pour conseiller et conscientiser la population au sens large. En outre, la police fédérale collabore activement avec les zones de police pour organiser des campagnes de prévention et de communication visant à sensibiliser les membres de la police au risque de cybercriminalité, notamment au travers de la lutte contre le phishing . Ces initiatives visent à informer les utilisateurs et à leur fournir les outils nécessaires pour se protéger contre les tentatives d'escroquerie en ligne.

En matière de ransomware, les rôles de la police locale et de la police fédérale sont définis comme suit par une circulaire du Collège des procureurs généraux. La police locale se charge d'acter les plaintes et de notifier celles-ci à la police fédérale qui se charge, sous la direction de la magistrature, de mener des enquêtes via CCU.

Par ailleurs, au sein de la direction centrale compétente pour la lutte contre la criminalité organisée (DJSOC), un centre d'expertise a été créé en matière de cybercriminalité. Le Centrex Cyber a comme ambition, tant au niveau national qu'international, de centraliser une expertise innovante, de développer une approche intégrale et intégrée et d'être l'interlocuteur de référence pour les partenaires internes et externes aux services de police. Les zones de police peuvent donc à tout moment s'adresser au Centrex Cyber de la DJSOC pour les questions touchant aux formes de cybercriminalité apparentées à la criminalité organisée.

Éric Thiébaut:

Merci, madame la ministre, pour tous ces éclaircissements. Je suis assez sensible à la question car je constate que de plus en plus de citoyens sont touchés par la cybercriminalité et qu'ils s'adressent automatiquement à la police locale. Nos policiers zonaux sont donc de plus en plus confrontés à cette problématique et je trouve important qu'ils puissent toujours s'appuyer, en particulier dans les petites zones, sur l'expertise d'un organe fédéral pour les aider à lutter contre cette forme de criminalité en constante augmentation dans notre pays.

De personeelstekorten bij de federale politie

Gesteld door

lijst: PVDA Greet Daems

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)

op 13 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De federale politie kampt met een structureel personeelstekort (11,8% totaal, 15% operationeel), ondanks rekruteringsinspanningen zoals 1.619 geslaagde kandidaten in 2023, waarvan slechts 1.043 daadwerkelijk starten met opleiding door gebrek aan openstaande plaatsen bij lokale zones. Minister Verlinden benadrukt dat lokale politiezones zelf verantwoordelijk zijn voor het openstellen van posten, terwijl Daems wijst op falende steun aan de gerechtelijke politie en onvoldoende investeringen in de strijd tegen drugscriminaliteit, met kritiek op de toekomstige hervormingsplannen zonder concrete oplossingen. De krappe arbeidsmarkt en coördinatieproblemen tussen federale en lokale niveaus blijven de kern van het onopgeloste tekort.

Greet Daems:

Mevrouw de minister, drugscriminaliteit wordt in ons land een steeds groter probleem, en het is echt belangrijk om daar iets aan te doen. De federale gerechtelijke politie is de dienst bij uitstek om die strijd aan te gaan, maar hij kampt met ernstige personeelstekorten. Dat is helaas geen nieuw gegeven.

Bij uw aantreden als minister wilde u 1.600 inspecteurs per jaar in dienst nemen om de tekorten zowel federaal als lokaal weg te werken. Uit recente cijfers van het Rekenhof blijkt dat het aantal benoemde inspecteurs, die daadwerkelijk aan de slag zijn, in werkelijkheid een pak lager ligt dan die doelstelling. In 2020 kwam u er zo’n 200 te kort, in 2021 ongeveer 450, het jaar daarop 260 en in 2023 ongeveer 430.

Hoe staat het momenteel met het personeelstekort bij de federale politie?

Hoeveel operationele personeelsleden komen de verschillende diensten te kort?

Hoeveel posten zijn er momenteel vacant binnen de verschillende diensten van de federale politie?

Geven de directies van de bestuurlijke en gerechtelijke diensten aan dat ze bepaalde taken niet kunnen uitvoeren door het personeelstekort? Zo ja, welke taken?

Annelies Verlinden:

Mevrouw Daems, vooreerst wil ik u vragen een schriftelijke vraag in te dienen voor de gedetailleerde cijfergegevens die u wenst. Het is onmogelijk een dergelijke analyse te maken en duiding te geven binnen het beperkte tijdsbestek van deze mondelinge vraag.

Wel kan ik u meedelen dat de federale politie op 31 oktober van dit jaar 14.009 medewerkers telde, 10.564 politieambtenaren en 3.445 burgerpersoneelsleden. Het gaat om 4.388 vrouwen en 9.621 mannen, wat een lichte stijging van het aantal vrouwen betekent vergeleken met 31 december 2023.

De federale politie staat in voor de rekrutering en selectie van medewerkers van zowel de lokale als de federale politie. Een van de uitzonderingen is de lokale politie van Antwerpen, die de rekrutering en selectie voor haar korps zelf organiseert.

Het afgelopen jaar slaagden 1.619 kandidaten voor de selectieproeven van inspecteur bij de geïntegreerde politie. Dat is het cijfer waarover we eerder spraken. Ik ben het dan ook niet eens met uw vraagstelling. 1.043 aspirant-inspecteurs begonnen in 2023 aan hun basisopleiding in een van de politiescholen. Tussen hen en de lokale of federale politiedienst waar zij uiteindelijk in dienst zouden komen, was er immers een match. Als de lokale politiezones die plaatsen niet verder openstellen, kunnen de kandidaten die geslaagd zijn en dus aspirant-inspecteur worden, niet gekoppeld worden aan een in te vullen plaats.

Vorig jaar werden 869 burgerpersoneelsleden aangeworven, waarvan 204 voor de federale politie en 665 voor de lokale politie. De rekruteringswebsite www.jobpol.be werd in 2023 maar liefst 1.433.045 keer bezocht.

Om haar rekruteringsinspanningen te versterken breidde de federale politie haar netwerk van contactpunten aanzienlijk uit. Deze contactpunten zijn collega’s die het politieberoep actief promoten en geïnteresseerde kandidaten kunnen begeleiden, wat de slaagkansen bij de selectieproeven verhoogt. In 2023 waren er 2.800 contactpunten voor rekrutering, terwijl er in 2021 nog maar 1.600 contactpunten waren.

Momenteel kampt de federale politie met een totaal personeelstekort van 11,80 %. Voor de operationele functies bedraagt dit tekort 15 %. We doen aanzienlijke inspanningen op een krappe arbeidsmarkt om de instroom van nieuwe medewerkers te bevorderen. Dat wordt ook bemoeilijkt door de personeelsuitstroom, maar de inspanningen worden uiteraard voortgezet.

Wat de uitvoering van de operationele taken van de bestuurlijke en gerechtelijke directies betreft, zijn de mandatarissen verantwoordelijk voor de uitvoering van hun taken binnen de beschikbare middelen en de beschikbare capaciteit. Daarom moeten er prioriteiten worden gesteld bij de uitvoering van de opdrachten. Het zal u niet ontgaan zijn dat de afgelopen jaren het tekort danig werd teruggedrongen, zowel bij de federale als de lokale politie. Het was immers mijn ambitie bij de aanvang van mijn ambt van minister van Binnenlandse Zaken om de capaciteit van de politie te verhogen. Een volledig deficit wegwerken is niet evident, rekening houdend met de krapte op de arbeidsmarkt en de grote zoektocht van allerlei sectoren naar mensen die veiligheidsfuncties willen uitoefenen, zowel bij Defensie als in de private beveiligingssector. De volgende regering zal haar schouders hieronder moeten zetten en de verdere rekrutering maakt alvast het voorwerp uit van de nog steeds lopende onderhandelingen voor de vorming van een nieuwe regering.

Greet Daems:

Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord.

U kan het niet eens zijn met mijn vraagstelling, maar de cijfers van het Rekenhof zijn wat ze zijn. Ze geven aan dat er een tekort is en dat niet voldoende is aangeworven. De federale politie moet dringend opnieuw worden versterkt met voldoende personeel en extra investeringen, zodat ze de lokale diensten opnieuw kan ondersteunen, want nu kan ze dat niet. Ook de federale gerechtelijke politie moet sterker worden. Ze is immers cruciaal in de strijd tegen grootschalige drugscriminaliteit.

Op dat vlak blijken de plannen van de arizonacoalitie, waarvan ook uw partij deel uitmaakt, weinig hoopgevend. Wat via de pers naar buiten komt, wekt immers allesbehalve vertrouwen. Er is helemaal geen sprake van het wegwerken van tekorten of van nieuwe investeringen. Wel is er sprake van een grondige hervorming.

Wat betreft de cijfers, ga ik akkoord met het feit dat ik bepaalde cijfers nu niet heb gekregen. Ik zal ze nog opvragen via een schriftelijke vraag.

Annelies Verlinden:

Mevrouw Daems, ik wil niet in debat gaan, maar wanneer wij voldoende mensen rekruteren, zoals de meer dan 1.600 aspirant-inspecteurs, en de lokale zones vervolgens geen plaatsen openstellen, dan kan de match met de aspiranten en de nieuwe kandidaten niet gebeuren. Zij starten dus ook niet aan hun opleiding. Dat is immers het systeem van de nieuwe rekrutering. Iemand start namelijk aan de opleiding wanneer er een match is gevonden met de zone of met de dienst van de federale politie waaraan hij of zij ter beschikking wordt gesteld. Het is dus aan de zones om plaatsen open te stellen en desgevallend middelen daarvoor in te schrijven. Wanneer de zones dat niet doen, zullen de betrokkenen in een reserve worden opgenomen. Er wordt dan echter effectief niet gestart aan de opleiding. Het is dus niet correct dat de fout dan bij het federale niveau ligt. Daar zijn immers wel voldoende mensen gerekruteerd. Vervolgens is er echter geen uitstroom naar de lokale zones, omdat daar geen plaatsen worden opengesteld. Ik weet dat er vaak begripsverwarring is over rekrutering, selectie, aspirant-inspecteurs en kandidaten in opleiding. Daarom wou ik een en ander graag nog even nader toelichten.

De verkoop van nepuniformen van de politie

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)

op 13 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De Belgische politie-uniformen worden nageschilderd en online verkocht via AliExpress, wat veiligheidsrisico’s (o.a. misbruik door nepagenten) en integriteitsproblemen veroorzaakt. De federale politie liet de nepuniformen verwijderen via contact met de verkoper en beschermt het uniform juridisch via EU- en Benelux-merkregistraties, maar mondiale handhaving ontbreekt door beperkingen in internationaal merkenrecht. In België is het strafbaar om politie-uniformen onrechtmatig te dragen, bezitten of verkopen, terwijl agenten veilige legitimatiekaarten met hologram hebben om echtheid te bewijzen. Depoortere benadrukt de noodzaak van strengere strafvervolging na misbruikgevallen, vooral bij kwetsbare groepen zoals bejaarden.

Ortwin Depoortere:

Recent kwam via de media aan het licht dat de polo van het nieuwe Belgische politie-uniform, dat nog niet officieel in gebruik is genomen, reeds online te koop wordt aangeboden op de Chinese verkoopsite AliExpress. Dit roept ernstige vragen op, zowel wat betreft de bescherming van het officiële uniform als de risico's die dergelijke namaakkleding kan veroorzaken. De beschikbaarheid van deze nepuniformen brengt niet alleen de integriteit van het politie-uniform in gevaar, maar verhoogt ook het risico dat mensen met slechte bedoelingen zich zullen voordoen als politieagenten om criminele activiteiten te ontplooien. In dit kader heb ik enkele vragen om meer inzicht te krijgen in de maatregelen die zijn of worden genomen om deze problematiek aan te pakken:

Welke concrete maatregelen heeft de federale politie genomen om de verkoop van nepuniformen van de Belgische politie via platforms zoals AliExpress te verhinderen, en hoe wordt de verspreiding van dergelijke namaakkleding tegengegaan?

Heeft de Belgische overheid contact opgenomen met de verkoper van deze nepuniformen op AliExpress of met de Chinese autoriteiten om de verkoop stop te zetten, en zo ja, wat was het resultaat van deze contacten?

Welke concrete juridische stappen zijn er ondernomen of worden er overwogen tegen de verkoper van deze namaakuniformen, en heeft de Belgische politie samengewerkt met internationale partners om deze situatie aan te pakken?

In hoeverre is er sprake van risico's voor de veiligheid van burgers als mensen met slechte bedoelingen deze nepuniformen aanschaffen om zich voor te doen als politieagent, en welke acties worden ondernomen om dit te voorkomen? Zal er een risicoanalyse gebeuren om de impact hiervan op de publieke veiligheid in te schatten en hierop de nodige maatregelen te nemen?

Welke maatregelen worden er genomen om te zorgen dat alle agenten tijdig hun officiële uniform ontvangen?

Is er sprake van internationale samenwerking om de productie en verspreiding van namaak-uniformen te bestrijden, en wordt er juridische druk uitgeoefend op platforms zoals AliExpress om deze producten snel te verwijderen?

Annelies Verlinden:

Mijnheer Depoortere, de directie van de communicatie van de federale politie heeft via de website in kwestie contact opgenomen met de verkoper om de desbetreffende artikelen te laten verwijderen. Ondertussen werd er gevolg gegeven aan het verzoek van de federale politie.

De bescherming van de politie-uniformen gebeurt vooreerst door een registratie van de visuele identiteit op het niveau van de Europese Unie. Ook het politielogo is als merk geregistreerd bij het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom. Op basis van die procedures trachten de politiediensten om de beschermde rechten maximaal af te dwingen en ook om onrechtmatig gebruik of verkoop tegen te gaan. Vaak zal een ingebrekestelling daartoe volstaan. De visuele identiteit van de Belgische politiediensten kan weliswaar momenteel mondiaal niet worden beschermd vanwege de beperkingen van het huidige internationaal systeem van merkregistratie.

Daarnaast heeft de Belgische wetgever naast een algemene strafbaarstelling in het Strafwetboek onder de categorie aanmatiging van ambt of titel ook in een specifieke strafbaarstelling voorzien voor elk onrechtmatig dragen, bezit of verhandelen van het politie-uniform. Het is in ons land dus strafbaar om een politie-uniform te dragen als men geen deel uitmaakt van het politiepersoneel.

Verder ontvangen de operationele leden van de geïntegreerde politie een legitimatiekaart die hun status als lid van de politiediensten bewijst. Die gestandaardiseerde kaart is gelamineerd en heeft veiligheidsopdrukken, waaronder een specifiek hologram. Burgers kunnen aan elk lid van de geïntegreerde politie vragen om de legitimatiekaart te tonen als bewijs van zijn of haar functie, zelfs als deze persoon een uniform of armband zou dragen.

Ortwin Depoortere:

Mevrouw de minister, bedankt voor uw antwoord. U zult het met mij eens zijn dat nu en dan wel verhalen opduiken waarbij vooral oudere mensen, bejaarden, het slachtoffer worden van nepagenten die bijvoorbeeld aanbellen en vervolgens onheuse handelingen doen. We kunnen dus niet streng genoeg zijn als we te maken krijgen met dergelijke fenomenen. Ik heb begrepen dat aan de verkoper gewoon gevraagd werd om die producten uit de handel te nemen, maar u zegt tegelijkertijd dat die handel ook een strafbaar feit is, dus ik hoop wel dat er een passend gevolg aan gegeven zal worden, al is het maar om onze politie en haar integriteit adequaat te beschermen.

De toegang van de politie tot camerabeelden van de NMBS of Infrabel

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)

op 13 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De NMBS en politie werken sinds eind 2023 aan een nationaal project om 118 lokale zones en 30 federale entiteiten realtime, gratis toegang te geven tot stationscamerabeelden, mits een individueel protocol per zone (of één voor federale politie), met standaardontwerp in afwachting van GBA-akkoord. Doel: efficiënter digitaal patrouilleren en sneller fysiek ingrijpen bij criminaliteit (diefstal, drugs, vechtpartijen), met oplevering gepland in voorjaar 2025. Huidige knelpunten (vertraging bij beeldopvraging) moeten hiermee opgelost worden, terwijl de juridische en technische voorbereidingen lopende zijn. Lokale zones juichen de verbetering toe, gezien gedeelde problemen rond stationsveiligheid.

Eva Demesmaeker:

Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, stationsomgevingen zijn kwetsbare punten als het aankomt op criminaliteit. Ik denk dan aan zakkenrollers, fietsdiefstallen, openbare dronkenschap met vechtpartijen of het dealen van drugs. De NMBS en Infrabel hebben vele stationsgebouwen, stationsparkings, stationspleinen of perrons uitgerust met camera's. De beelden van deze camera's kunnen opgevraagd worden door de politie, maar dit gaat naar verluidt niet altijd even vlot.

Zijn er protocollen afgesproken tussen de politiediensten en de NMBS en Infrabel voor toegang tot deze camerabeelden? Wat bepalen deze protocollen over de snelheid van terbeschikkingstelling van deze beelden door de NMBS? Moet er betaald worden voor deze beelden? Waar ziet u ruimte voor verbetering in dit uitwisselingsproces? Welke hinderpalen dienen nog weggewerkt te worden?

Werken deze protocollen nationaal of zijn er bepaalde politiezones die individueel een protocol afsloten? Zo ja, welke zones en met welke inhoud?

Zijn er politiezones die momenteel de beelden van het NMBS-Infrabelnetwerk live kunnen bekijken? Zo ja welke zones zijn dit, en hoe is dit geregeld?

Annelies Verlinden:

Mijnheer de voorzitter, collega Demesmaeker, in het kader van de doelstelling van de federale regering voor leefbare en veilige stations heeft de NMBS eind 2023 in nauwe samenwerking met de geïntegreerde politie een gemeenschappelijk project opgezet om lokale politiezones en de entiteiten van de federale politie toegang te geven tot de beelden van het cameranetwerk van de NMBS. Daarvoor was een operationele connectie nodig tussen de bekabeling en de camera's zelf. Die toegang zal het mogelijk maken om de beelden in en rond de stations in realtime te bekijken en zo efficiënter digitaal te kunnen patrouilleren, om dan vervolgens fysiek uit te rukken naar de plekken waar een interventie nodig zou zijn.

Overeenkomstig de bepalingen van artikel 9 van de camerawet zal de toegang tot de beelden voor de politiediensten vrij en kosteloos zijn. Vanuit de geïntegreerde politie wordt op een zeer actieve manier meegewerkt aan de realisatie van het project. Zij heeft een beheersstructuur op drie niveaus opgezet voor een efficiënte coördinatie van het project. De beelden krijgen is een eerste stap, ze vervolgens opvolgen is uiteraard iets anders. Zo zal de geïntegreerde politie in realtime de beschikbare beelden kunnen bekijken, via rechtstreekse toegang, en dat uiteraard uitsluitend in het kader van haar opdrachten van bestuurlijke of gerechtelijke politie.

De volgende politiediensten zullen toegang hebben tot de beelden: 118 lokale politiezones met stations en spoorweginfrastructuur op hun grondgebied en 30 verschillende entiteiten van de federale politie. De toegang tot die beelden is enkel mogelijk wanneer een protocolakkoord is ondertekend tot regeling van de toegang tot de camerabeelden in realtime voor de politiediensten. Concreet betekent dit dat alvorens de toegang tot de camerabeelden effectief zal worden verleend voor elk van de 118 lokale zones een uniek protocolakkoord dient te worden ondertekend tussen de NMBS en de korpschef van de lokale zone. Voor de federale politie zal één protocolakkoord kunnen worden getekend voor die 30 entiteiten tussen de NMBS en de commissaris-generaal.

Een standaardontwerp van protocolakkoord is opgesteld door de politiediensten en de NMBS. Daarover werd advies ingewonnen en verkregen van het Controleorgaan op de politionele informatie (COC). Het ontwerp ligt momenteel voor advies voor bij de Gegevensbeschermingsautoriteit (GBA) omdat het gaat over het delen van beelden.

Het verloop van het project zit op schema. Op juridisch en technisch vlak worden alle voorbereidingen getroffen, zodat de technische uitrol op een gefaseerde wijze kan gebeuren. De doelstelling is om het project te finaliseren voor het einde van dit jaar met een officiële oplevering in het voorjaar van volgend jaar. Als het goed gaat, zou het dus snel moeten kunnen gaan.

Eva Demesmaeker:

Dat zou een hele verbetering zijn voor de lokale zones. Veel steden en gemeenten kampen immers met dezelfde problematiek.

De steekpartij in Brussel waarbij een 25-jarige student om het leven kwam
Zinloos geweld en steekpartijen in Brussel
De schietpartijen in Anderlecht
Geweldsincidenten en dodelijke aanvallen in Brussel en omgeving

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)

op 13 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de alarmerende stijging van gewelddadige criminaliteit in Brussel, met name dodelijke steek- en schietincidenten (76 schietpartijen in 2024, +39% in hotspots zoals Anderlecht), vaak drugsgerelateerd maar ook bij roofovervallen. Critici (o.a. N-VA) wijzen op structurele tekortkomingen: gebrek aan harde strafmaatregelen, onvoldoende samenwerking tussen de zes Brusselse politiezones, en een taboe op de link tussen daderprofielen (migrantenachtergrond) en criminaliteit, terwijl ze pleiten voor één geïntegreerde politiezone. Minister Verlinden benadrukt versterkte patrouilles, federale steun (o.a. FERES-reserve) en een "ijschbergstrategie" (drugsbestrijding + sociale preventie), maar erkent dat de stijgende cijfers (6 moorden in Anderlecht vs. 1 in 2023) extra maatregelen vereisen, met evaluatie in december. Consensus: de huidige aanpak is onvoldoende, maar oplossingen blijven verdeeld (repressie vs. systeemwijziging).

Ortwin Depoortere:

Mevrouw de minister, vorige week in de nacht van woensdag op donderdag werd Brussel opnieuw opgeschrikt door een zoveelste geweldsincident met dodelijk gevolg. Een 25-jarige student kreeg op zeer brutale wijze een messteek in de buik. Ondanks de reanimatiepogingen van de hulpdiensten overleed hij aan zijn verwondingen. Het goede nieuws, de twee 18-jarige 'jongeren', de vermoedelijke daders, die de student ook van zijn gsm wilden beroven, werden opgepakt door de politie.

Dit doet mij denken aan Joe Van Holsbeeck, door sommigen misschien nog gekend. De 17-jarige jongeman werd in het station van Brussel-Centraal gedood door twee Roma-jongeren die zijn mp3-speler probeerden te stelen. Mevrouw de minister, eigenlijk is de situatie sinds 2006 niet verbeterd in Brussel, en misschien ook niet in andere grootsteden.

Stelt men ook cijfermatig vast dat het aantal zeer gewelddadige overvallen met dodelijke afloop in stijgende lijn zit in Brussel?

Gaat men na wat het profiel is van de daders, welke nationaliteit zij eventueel hebben?

Welke maatregelen hebt u al genomen? Zijn deze voldoende of moeten die nog aangepast worden aan de omstandigheden, die misschien wel steeds gewelddadiger worden?

Kan de Brusselse lokale politie dit nog aan? Er zijn zes Brusselse politiezones en er is nogal wat onenigheid over de globale aanpak van criminaliteit in Brussel. Moet de federale regering daar niet bijspringen?

Welke concrete acties zult u daarvoor ondernemen?

Maaike De Vreese:

Collega Depoortere heeft de gruwelijke feiten die vorige week hebben plaatsgevonden al zeer goed geschetst. In naam van onze fractie wil ik ons medeleven betuigen aan de familie en vrienden van het slachtoffer hier en in Singapore. Die jongen kwam hier zijn droom verwezenlijken om verder te studeren. Die droom is geëindigd in een totale nachtmerrie.

In Brussel gaat het niet om een alleenstaand feit. We merken dat er nog sprake is van zinloos geweld. Het gaat om zeer laffe geweldsdaden. Volgens de statistieken van de federale politie liggen de cijfers van dat soort misdrijven tegen de lichamelijke integriteit op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest nog steeds hoog, evenals de cijfers van moord en doodslag.

Het spreekt voor zich dat we in ons land nooit zinloos geweld mogen tolereren. We moeten daar keihard tegen optreden. De daders moeten zeer hard worden gestraft. Veiligheid moet de kerntaak, de absolute prioriteit zijn van de overheid. We passeren allemaal wel eens langs de Beurs op een of ander moment van de dag. Ik wil me niet inbeelden dat een van mijn naasten op een dermate brutale manier zou worden aangepakt.

Mevrouw de minister, we moeten dat voorval aangrijpen om werk te maken van de strijd tegen zinloos geweld. Kunt u me een laatste stand van zaken geven van het trieste voorval van 7 november 2024?

Kunt u meer uitleg geven bij de cijfers van de misdrijven tegen de lichamelijke integriteit op het Brusselse grondgebied? Hoeveel incidenten waren er met steekpartijen en hoeveel schietincidenten? Bij hoeveel incidenten was er een fatale afloop?

Welke stappen hebt u genomen in het verleden om die situatie aan te pakken en welke zult u nog nemen?

Wanneer hebt u daarover overleg gepleegd met de Brusselse minister-president en met de minister van Justitie? Wat leverde dat overleg op?

Pierre Kompany:

Madame la ministre, le quartier Aumale, dans la commune d'Anderlecht, est le théâtre d'une guerre de territoire sans précédent, que se livrent les acteurs du milieu de la drogue. La recrudescence de ce phénomène de guerre de territoire nous amène à des conséquences de plus en plus tragiques. Ces conséquences déséquilibrent les habitants du quartier. À titre d'exemple, on a dénombré pas moins de cinq fusillades en moins d'une semaine, au cours du mois d'octobre. La situation est donc devenue grave.

Je suis contacté par de nombreux citoyens qui craignent pour leur vie et celle des membres de leur famille. En tant qu'autorité, il est essentiel que nous puissions répondre à ce sentiment d'insécurité qui ne cesse de grandir. Montrer que de tels actes font l'objet de poursuites est une nécessité et une obligation de l'autorité qui gère le pays.

Madame la ministre, confirmez-vous une recrudescence des faits criminels à Anderlecht, en comparaison avec les autres années? Comment réagissez-vous face à la montée de cette violence? Quel suivi avez-vous réservé à cela? Avez-vous rencontré la commissaire nationale de lutte contre la drogue à ce sujet? Quelles mesures sont-elles prévues pour restaurer la sécurité? Comment le pouvoir fédéral compte-t-il s'organiser, avec les autorités locales, pour lutter efficacement contre le trafic de drogue? Comptez-vous déployer la réserve fédérale pour soutenir les effectifs de la police locale? Comptez-vous organiser des actions coup de poing dans ladite commune? Combien d'effectifs policiers locaux et fédéraux sont-ils affectés à la sécurité de cette commune? Pouvez-vous ventiler par catégories: policiers fédéraux, locaux, agents de sécurité? Comptez-vous recruter et affecter par mobilité des effectifs fédéraux supplémentaires? Si oui, combien?

Annelies Verlinden:

Geachte leden, zoals u al schetste, kreeg de politiezone Brussel HOOFDSTAD Elsene op donderdag 7 november omstreeks 2.30 uur de oproep dat een man gewond was geraakt na een messteek. De politie was snel ter plaatse en diende het slachtoffer de eerste hulp toe tot de hulpdiensten en de mug ter plaatse waren. Het slachtoffer werd in levensgevaar naar het ziekenhuis overgebracht, waar hij aan zijn verwondingen overleed.

Het gaat om een 25-jarige man van Singaporese afkomst die in België studeerde. Ik wil bij dezen mijn blijk van medeleven uitdrukken aan de familie en de vrienden, ook in het verre buitenland.

Het gerechtelijk onderzoek naar het incident loopt nog. Daarom kan en mag ik geen verdere details geven over het dossier.

Wat dergelijke incidenten in Brussel betreft, kan ik u de volgende informatie meegeven. Tot eind oktober 2024 waren er 76 schietincidenten met 8 doden en 5 gewonden. In 2022 waren dat er 56, met 3 doden en 26 gewonden. In 2023 waren het er 62, onder wie 4 doden en 28 gewonden. Ongeveer 70 % van die incidenten en schietpartijen is drugsgerelateerd, zo’n 10 % heeft een andere oorzaak, en de onderliggende reden voor de circa 20 % resterende schietincidenten is niet duidelijk. Er is geen eenduidige oorzaak die de stijging van dergelijke geweldsdelicten verklaart. Ik trap een open deur in als ik zeg dat allicht de toenemende illegale drugshandel daarin een rol speelt.

De Brusselse politie heeft al een aantal maatregelen genomen, waaronder de versterkte aanwezigheid van zichtbare en discrete patrouilles binnen de bijzondere aandachtszones, de zogenaamde hotspots. De politieaanwezigheid werd ook verder verhoogd en het precieze aantal politiepatrouilles in de Brusselse stadskern is uiteraard steeds plaats- en tijdsgebonden.

Wat de ondersteuning door de federale politie betreft, waartoe wij eerder overgingen, levert de federale politie een gerichte steun, en dit uiteraard in overleg met de lokale politie. De betrokken korpschefs melden ons dat dit in goede samenwerking verloopt. De ondersteuning door de federale politie zal in december geëvalueerd worden. Uiteraard levert ook de federale gerechtelijke politie een aanzienlijke bijdrage aan het identificeren en het ontmantelen van druggerelateerde clans in Brussel.

Wat de verzameling en uitwisseling van informatie over strafbare feiten betreft, wordt periodiek een vertrouwelijk rapport opgesteld over de belangrijke feiten die gepleegd zijn in Brussel. Dat rapport wordt opgesteld door de diensten van de DirCo van Brussel.

Collègue Kompany, les informations fournies par la zone de police Midi montrent une augmentation des incidents criminels dans les quartiers d'Aumale, notamment en lien avec le trafic de drogue et la détention illégale d'armes et/ou de munitions.

Entre 2023 et 2024 – jusqu'au 12 novembre –, on note une augmentation de 39 % des faits de criminalité enregistrés pour le hotspot Aumale. Les meurtres et assassinats ont connu une augmentation en 2024. Six cas ont été enregistrés cette année contre un seul en 2023. Parmi les faits de criminalité, 30 % concernent des vols, tous types confondus. Les faits de vandalisme représentent 16 % de la criminalité enregistrée; viennent ensuite les infractions liées aux stupéfiants qui comptent pour 14 %.

Pour faire face à cette violence, une approche polici è re à deux volets a entre autres été développée: d'une part, un volet préventif avec la présence quotidienne de patrouilles dynamiques de la police et d'autre part, un volet répressif avec l'organisation réguli è re d'opérations de police dans les différents hotspots identifiés dans la commune d'Anderlecht.

J'entretiens régulièrement des contacts avec la commissaire nationale Drogues dans le cadre de la stratégie d'iceberg qui suppose une approche structurelle et durable qui implique des acteurs de la lutte contre la criminalité organisée, en partant du citoyen jusqu'aux plus hautes autorités de l' É tat. Cette approche transversale doit permettre d'augmenter la résilience de la société face aux sirènes du crime organisé qui n'a pour objectif que la recherche du profit immédiat aux dépens de notre É tat de droit. Dans cet effort, le Commissariat national Drogues soutient notamment safe.brussels et les communes bruxelloises.

En ce qui concerne l'approche de ces incidents à Bruxelles, la stratégie déployée pour augmenter la sécurité et améliorer le quotidien dans les hotspots est axée sur plusieurs points: la sécurité, la prévention, la cohésion sociale et l'infrastructure.

Les opérations coup de poing n’ont aucun sens sans investissement dans les autres axes. En outre, ces mesures sont combinées de manière à ce que chaque hotspot fasse l’objet d’une approche dédiée à la spécificité du lieu et à ses besoins.

Comme déjà mentionné depuis la fin du mois d’octobre, la réserve de la police fédérale, le FERES, est déployée pour soutenir les effectifs de la zone de police Midi dans le cadre des patrouilles de surveillance dynamique.

Pour ce qui concerne les hotspots de cette zone de police, pour le mois de novembre, 15 policiers locaux, 18 membres du FERES et une section du corps d’intervention de Bruxelles sont engagés quotidiennement.

La police locale n’est cependant pas laissée seule pour affronter ces problèmes. Elle peut compter sur la police fédérale pour lui venir en aide et lui fournir des renforts quand cela est nécessaire.

Ortwin Depoortere:

Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord.

De collega van de N-VA heeft het over zinloos geweld. Ik hou niet van die term. Er is geweld en ik denk niet dat er zoiets bestaat als zinvol geweld. Dit is normvervaging die ontstaat.

Mevrouw de minister, u zegt dat de meeste steekincidenten met dodelijke afloop drugsgerelateerd zijn, maar dit was hier niet het geval. Hier ging het om een roofoverval op een 25-jarige student die men gewoonweg zijn gsm wilde afnemen.

Eén aspect hoorde ik niet in dit antwoord, noch bij de collega's, en dat is de correlatie tussen de afkomst van de dader en de criminaliteit. Dat is voor mij en mijn partij de olifant in de kamer. Sluit uw ogen daar toch niet voor. Dit is een fenomeen in Brussel dat we ook steeds meer zien opduiken in andere grootsteden.

Tot slot, criminaliteit blijft niet beperkt tot één Brusselse politiezone. Men verschuift het probleem alleen maar als men verder blijft doen met zes verschillende politiezones. Mevrouw de minister, u weet dat mijn fractie een wetsvoorstel heeft ingediend om de politiezones in Brussel een te maken. Wij zullen daarop blijven hameren en dat wetsvoorstel opnieuw indienen. Ik hoop dat de volgende regering daar meer oor naar zal hebben dan de vivaldiregering.

Maaike De Vreese:

Mevrouw de minister, ik heb gesproken over gruwelijk geweld dat inderdaad drugsgerelateerd is. De cijfers die u geeft, tonen een stijging aan. Dat betekent dat we voor de aanpak daarvan ook een versnelling hoger zullen moeten schakelen. Wat we nu doen, is niet voldoende.

We zullen dit geweld nooit voor 100 % kunnen voorkomen. Dat is een illusie, maar we moeten wel een versnelling hoger schakelen om daar keihard tegen te kunnen optreden. Dat zal zijn door op verschillende vlakken samen te werken. De federale politie kan dat niet alleen doen, maar wel samen met de lokale politie en vele andere spelers op het terrein.

We zullen ons uiteindelijk ook moeten buigen over het vraagstuk van Brussel en de politiezones, over een eengemaakte politiezone om de hele problematiek aan te pakken. Er is het drugsgerelateerde geweld, maar er zijn in Brussel nog veel andere problemen. We moeten dit absoluut ernstig nemen.

Pierre Kompany:

Madame la ministre, j'ai entendu la réponse. J'aurais peut-être envie de conseiller mais ce n'est pas mon rôle, parce que vous avez déjà décrit beaucoup d'éléments que vous abordez et qui me satisfont. Je prends pour exemple la procédure structurelle avec la surveillance dynamique entre la police fédérale et la police locale ou les services locaux. Vous avez également indiqué qu'une évaluation aura lieu en décembre. Je m'en tiens à cela pour évaluer ce que je pense qu'on peut faire. C'est surtout le programme de sensibilisation de la population qui est très important et je ne sais pas comment il sera abordé.

De veiligheid van Israëliërs/Joden in België
De maatregelen tegen het aanzwellende antisemitisme na de gebeurtenissen in Amsterdam
Antisemitisme en veiligheidsmaatregelen voor Joodse gemeenschappen in België en Nederland

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)

op 13 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de alarmerende toename van gewelddadig antisemitisme in België, met gecoördineerde aanvallen op Joden (geïnspireerd door gebeurtenissen in Amsterdam), online oproepen tot "Jodenjacht" in Antwerpen en Brussel, en een groeiend onveiligheidsgevoel binnen de Joodse gemeenschap. Minister Verlinden benadrukt versterkte politie-inzet, dreigingsanalyses via OCAD en samenwerking met lokale besturen, maar wijst (voorlopig) legerinzet af wegens gebrek aan wettelijk kader en voldoende politiecapaciteit; ze pleit voor permanente opvolging en Europese afstemming. Critici (Van Rooy, Freilich) hekelen het falend migratie- en integratiebeleid als bron van geïmporteerd antisemitisme, eisen harde actie tegen haatpredikers (zoals een onbestrafte imam die tot "verbranden van Joden" opriep) en een effectieve antisemitisme-coördinator met budget (nu een "papieren tijger"), naast juridische voorbereiding op mogelijke legerinzet. Kernpunt: woorden volstaan niet—daadkrachtige bestrijding van haat, straffeloosheid en systeemfalen is urgent.

Sam Van Rooy:

Mevrouw de minister, de jaren 30 zijn terug: niet alleen in het Midden-Oosten, waar islamitische terreurorganisaties zoals Hamas, Hezbollah en Islamitische Staat een tweede Holocaust proberen te plegen, maar ook hier in België. Vorige week pleegden moslimjongeren in Amsterdam een reeks gecoördineerde antisemitische pogromachtige aanvallen op Joden. Dat is dus Jodenjacht anno 2024.

Afgelopen weekend volgden ook in Antwerpen, waar ik woon, online oproepen om op Jodenjacht te gaan. Zeven moslimjongeren werden preventief opgepakt alvorens ze Joden in elkaar konden gaan slaan. Weer maar eens blijkt dat de Joodse gemeenschap in Antwerpen extra beveiliging nodig heeft.

Ondertussen worden voetbalwedstrijden met de Israëlische ploeg en een frisbeewedstrijd met Israëlische sporters geweerd uit België. Dat gebeurde deels uit veiligheidsoverwegingen, maar ook om politieke redenen. Capitulatie noem ik dat: een grove schande!

Het aantal meldingen en gevallen van antisemitisme swingt eveneens de pan uit. We zien video's waarop Joden worden achtervolgd, uitgescholden of in elkaar geslagen. Veel Israëliërs en Joden voelen zich in België steeds onveiliger, zeker in sterk geïslamiseerde steden als Antwerpen en Brussel.

Mevrouw de minister, mijn vragen zijn helder en de antwoorden broodnodig. Wat onderneemt u tegen dit toenemende, virulente en steeds gewelddadiger wordende antisemitisme? Wat onderneemt de regering opdat Israëlische toeristen en Joodse inwoners veilig kunnen zijn in ons land? Wil u, zoals ook burgemeester De Wever opperde, het leger opnieuw inzetten in de Joodse wijk? Wil u zich ervoor inzetten dat Israëlische sporters en sportploegen vanaf nu altijd welkom en veilig kunnen zijn op ons grondgebied? Tot slot hebben de pro-Palestijnse organisaties in Brussel en Gent onomwonden verklaard dat ze achter de islamitische Jodenjacht staan. Kunnen deze organisaties volgens u verder vrij opereren op ons grondgebied? Zo ja, waarom?

Michael Freilich:

Mevrouw de minister, we hebben inderdaad gezien dat in Antwerpen enkele oproepen uitgebracht zijn om naar de buurt rond het Harmoniepark af te zakken om daar effectief op Jodenjacht te gaan. Dat is een copycat van recente gebeurtenissen in Amsterdam en dat is enorm te betreuren.

Als lid van de Joodse gemeenschap kan ik u zeggen dat onze gemeenschap ongerust is, maar er is geen paniek. We zijn ongerust omdat we zien dat de grenzen steeds verlegd worden, steeds verder. Eerst ging het om online aanvallen en haat. Het conflict in het Midden-Oosten krijgt heel veel eenzijdige media-aandacht, heel polariserend. Ook enkele politici spreken zich eenzijdig uit en willen het conflict graag importeren. We hebben gezien dat er met de verkiezingen daaromtrent heel wat te doen was. Nu de verkiezingen zijn gaan liggen, valt te hopen dat een aantal partijen daarmee nu stopt, hoewel, we weten maar nooit. We zien vandaag effectief dat de polarisatie nog steeds voortgezet wordt.

Daarom wil ik u vragen wat wij kunnen ondernemen om er zeker van te zijn dat de Joodse gemeenschap veilig is. Ik moet daarbij zeggen dat de politie van Antwerpen goed werk verricht heeft. De politieleden hebben kordaat opgetreden en extra manschappen ingezet afgelopen week, dus dat is al bij al eigenlijk nog goed gekomen.

Ook vraag ik u naar het bredere plaatje, namelijk de strijd tegen het antisemitisme. U weet dat de Europese Commissie vraagt dat elk land een coördinator voor antisemitismebestrijding heeft. Ons land heeft dat enigszins omzeild door geen coördinator aan te stellen, maar met een mechanisme te werken. Dat mechanisme werkt echter niet, het is een papieren tijger. Ik heb mensen gesproken die in dat overlegorgaan zitten. Ze zeggen dat zij een keer om de zes weken eens samenkomen bij een koffietje en wat broodjes. Daarbij wordt gesproken over een incident hier en daar.

Wat ontbreekt, is daadkracht. In Nederland, Duitsland en Groot-Brittannië is één persoon bevoegd, een coördinator, die ook een budget ter beschikking heeft. Die coördinator kan scholen bezoeken en evenementen opzetten. Hij heeft moreel gezag om te spreken en hij kan ook proactief ageren, niet enkel reactief, zoals het orgaan in ons land. Uiteraard is dat een vraag voor de volgende regering, maar ik hoop dat u het verzoek ondersteunt opdat de volgende regering over zo'n coördinator beschikt, zodat een effectief plan voor antisemitismebestrijding ingevoerd wordt.

Annelies Verlinden:

De regering veroordeelt uitdrukkelijk elke vorm van geweld, discriminatie en antisemitisme streng. Ook de diensten zijn daarvoor beducht. Daarom geven we sinds oktober 2023 een grotere prioriteit hieraan en hebben we de diensten samengebracht. We hebben herhaaldelijk gesproken met vertegenwoordigers van de Joodse gemeenschap om te overleggen welke diensten kunnen worden ingericht voor beveiliging en bewaking. De politie en de veiligheids- en bewakingsdiensten leveren vandaag 24 op 24 en 7 op 7 zeer belangrijke inspanningen, zowel in Antwerpen als in Brussel, om de veiligheid van de Joodse gemeenschap en alle Joodse belangen en instellingen te kunnen verzekeren.

Gelet op de gebeurtenissen in Amsterdam en het eventuele copycatgedrag zijn de Belgische veiligheidsdiensten bijzonder waakzaam. Afgelopen zondag hebben alle federale en lokale diensten alle informatie bijeengelegd en zeer kordaat gehandeld.

De informatie wordt ook ter beschikking gesteld van het OCAD, dat vervolgens instaat voor de analyse van de dreiging ten aanzien van de Joodse gemeenschap en de Joodse instellingen. Het Nationaal Crisiscentrum zal vervolgens op basis van die analyses beslissen om al dan niet operationele maatregelen te nemen. Die beslissingen worden bijgestuurd op basis van nieuwe elementen. Dat systeem geldt voor alle veiligheidsvraagstukken in ons land en zeker ook voor de veiligheid van mensen van Joodse afkomst en voor de Joodse instellingen.

In geval van copycatgedrag in België naar aanleiding van de gebeurtenissen in Amsterdam komt het in de eerste plaats de lokale besturen en de lokale politie toe om de maatregelen te nemen. Zij zijn vertrouwd met het terrein en dat geldt ook voor de beveiliging van de Joodse gemeenschap en Joodse instellingen. De federale overheid biedt met alle veiligheids- en inlichtingendiensten en de federale politie ondersteuning waar dit nodig en mogelijk is. Vorig jaar hebben we bijvoorbeeld de federale politie de opdracht gegeven om bijkomende toezichtspatrouilles te organiseren ter ondersteuning van de lokale politie in Brussel en Antwerpen. Van de mensen op het terrein heb ik vernomen dat die samenwerking goed verloopt.

Zo geven wij invulling aan de bijkomende verhoogde waakzaamheid die sinds de gebeurtenissen van 7 oktober 2023 aan de dag wordt gelegd, en zorgen wij vooral ook voor een nog meer zichtbare aanwezige politie op het terrein. Ik kan u bijtreden, mijnheer Freilich, dat de politie het fantastisch doet en dat zij al het mogelijke doet binnen haar capaciteiten en mogelijkheden om de veiligheid te garanderen.

Uw vraag naar de inzet van de militairen van Defensie is een vraag die heel snel terugkomt. Uiteraard noopt zij tot een beslissing van de voltallige regering. Zoals u weet, is daar vandaag geen specifiek wettelijk kader voor. Mijns inziens is zo'n interventie in de eerste plaats aan de orde wanneer uit de onafhankelijke adviezen en analyses van de veiligheidsdiensten zou blijken dat de situatie en de beschikbare middelen van die aard zijn dat onze politiediensten niet meer in staat zijn de dreiging af te wenden. Zoals wij zondag en in de afgelopen dagen gezien hebben, stel ik vast dat tot heden de inzet van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en de harde inzet van de verschillende politiekorpsen, een afdoende antwoord heeft kunnen bieden op de aangekondigde dreigingen zoals die werden ingeschat en geanalyseerd.

Ik wil daarbij wel onderstrepen – en ik zal dit blijven herhalen – dat deze analyse permanent voortgezet moet worden, en opgevolgd worden. Als het nodig zou zijn naar een andere inzet over te gaan, moeten wij die noodzaak zeker evalueren. Zoals u weet, moeten wij voor de bevoegdheden van Defensie een wettelijk kader maken, daar de militairen van Defensie vandaag geen processen-verbaal kunnen opmaken, geen arrestaties kunnen verrichten, en ook niet zonder meer informatie kunnen doorgeven aan de politie. Wij moeten dus opletten of wij wel met de juiste middelen het kwaad van de dreiging trachten te bestrijden.

Inzake de sportevenementen waarnaar u verwees, collega Van Rooy, kan ik melden dat wanneer het Crisiscentrum op de hoogte wordt gesteld van de aanwezigheid van een Israëlisch sportteam op het Belgische grondgebied, het contact opneemt met de betrokken politiezones van de verblijfplaats of de training- en wedstrijdlocaties van die ploeg. De nodige beschermingsmaatregelen zullen worden bepaald en bezorgd aan de betrokken politiekorpsen, die op hun beurt instaan voor de operationele vertaling ervan. Het Crisiscentrum baseert zich daarvoor, zoals gezegd, op de dreigingsevaluaties door het OCAD.

Dat is een evaluatie die wordt gemaakt. Lokale korpsen en lokale besturen kunnen ook een dreigingsanalyse aanvragen aan het OCAD, mochten zij van oordeel zijn dat een bijkomende analyse nodig is.

Het OCAD heeft in oktober-november 2023 een toename gezien van het aantal antisemitische dreigingsmeldingen en incidenten. Dat zijn de officiële meldingen natuurlijk. Het subjectieve veiligheidsgevoel of de andere klachten die intern worden gecommuniceerd, zijn niet opgenomen in de statistieken, omdat de meldingen niet gebeuren. Wij hebben gemerkt dat na een initiële toename van het aantal officiële meldingen er sindsdien een afname is geweest.

Mijnheer Van Rooy, het klopt dus niet dat er vandaag meer meldingen zijn dan enige tijd geleden. Toen ze echter verhoogden na oktober 2023, is dat wel precies de reden geweest om naar een versterkte politieaandacht en -inzet over te gaan en een versterkte ondersteuning door de federale politie. Uiteraard blijft de verhoogde waakzaamheid tot op vandaag. Bij speciale evenementen wordt daarop nog meer ingezet, onder meer bij de aanvang en het einde van de schooltijd in de Joodse wijk en bij vieringen.

Het is ook belangrijk te vermelden dat de dienst in het kader van de Strategie Extremisme en Terrorisme (Strategie TER), behalve op de meer algemene dreigingsanalyse ook inzet op individuele evaluaties van personen die het gebruik van geweld in een ideologische context propageren. Daarbij wordt ook voor een passende opvolging gezorgd, gegarandeerd door alle partners van de zogeheten Strategie TER. Bijkomend laat dat desgevallend ook het parket toe bij aanwijzingen voor een haatmisdrijf een onderzoek te openen.

Mijnheer Freilich, u verwees naar de coördinatie in de strijd tegen het antisemitisme. Ik zou niet durven stellen dat het om een papieren tijger gaat. Het betreft een overlegorgaan waarin de verschillende overheden – ons land zit nu eenmaal op die manier in elkaar – en de verschillende bevoegdheden samenkomen. Dat is niet enkel na de feiten. Er wordt ook ingezet op preventie en acties die in het onderwijs kunnen worden ondernomen. Er wordt dus wel degelijk over alle verschillende mogelijke schakels van de keten in de strijd tegen antisemitisme gesproken. Ik zou durven stellen dat de verschillende coördinatoren van de strijd tegen antisemitisme daarvan deel uitmaken.

Uiteraard staan wij open voor verbeteringen. U weet zelf dat het coördinatiemechanisme nog geen eeuwigheid in het leven is geroepen. Ik heb echter wel het gevoel dat ter zake stappen vooruit worden gezet en dat in dat mechanisme heel gefocust wordt gewerkt in de strijd tegen antisemitisme.

Wanneer organisaties of personen de openbare orde verstoren of dreigen te verstoren, is het essentieel dat de politiediensten informatie kunnen inwinnen. De DJSOC Terro van de federale politie volgt de gebeurtenissen van nabij op en neemt deel aan de informatie-uitwisseling aangaande de materie met alle andere veiligheids- en inlichtingendiensten. Informatie over gerechtelijke onderzoeken die lopen in het kader van dergelijke gebeurtenissen kan alleen door de betrokken gerechtelijke autoriteiten worden meegedeeld, en dat uiteraard om de lopende onderzoeken niet te schaden.

De zware incidenten die vorige week plaatsvonden in Amsterdam moeten wij allemaal in de strengst mogelijke bewoordingen veroordelen. Ik heb daarover gisteren nog gesproken met de Nederlandse minister van Asiel en Migratie, mevrouw Marjolein Faber, en zal morgen nog contact hebben met mijn homoloog, de Nederlandse minister van Justitie en Veiligheid, de heer David van Weel. Ik heb onder meer aan de minister van Asiel en Migratie gevraagd wat zij overwegen te doen met betrekking tot die rellen. Een van de antwoorden was dat men hoopt dat er snel en streng berecht zal worden. Dat is natuurlijk aan justitie. Toen ik vroeg naar concrete maatregelen, verwees men in de richting van die berechting. Het is dus ook voor de mensen in Nederland niet evident om daaraan onmiddellijk een einde te maken.

U verwees naar die coördinatie. Ook daar is het niet bij een dag gebleven. Ondanks het feit dat er mogelijk aankondigingen waren op sociale media, dat men mogelijk bepaalde informatie had kunnen inwinnen, is dat toch nog kunnen gebeuren. Laten wij elkaar zeker vasthouden in die strijd tegen antisemitisme. Dat is mogelijk een element dat moet worden besproken op een volgend contact met mijn Europese collega's, informeel of in een plenaire sessie. Heel veel landen hebben immers te maken met deze problematiek. Wij kunnen van elkaar leren hoe wij die strijd zo goed mogelijk kunnen voeren.

Sam Van Rooy:

Mevrouw de minister, de regeringen in dit land, ongeacht de partijen die er deel van uitmaken, voeren al decennialang een beleid van islamitische massa-integratie en islamgepamper. Daardoor verkeren Joden op ons grondgebied steeds meer in onveiligheid. In de islamitische herkomstlanden van talloze migranten en asielzoekers wordt antisemitisme doorgaans met de paplepel ingegeven. Reeds decennialang worden hier islamitische aanslagen gepland of gepleegd op Joodse doelwitten. Reeds decennialang moeten Joodse wijken, instellingen en evenementen zwaar worden beveiligd. Het achtervolgen en aanvallen van Joden gebeurt in Antwerpen anno 2024 wekelijks. De situatie wordt wel degelijk erger. Onlangs nog werd in Brussel voor een massa moslims in het Arabisch opgeroepen om de Joden te verbranden.

Als u en de anderen in dit Parlement het menen met de strijd tegen antisemitisme, stop dan met de import van islamitische Jodenhaat. Never again is now , mevrouw de minister.

Michael Freilich:

Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord. Ik heb een aantal opmerkingen. Een eerste betreft het juridisch kader voor de operaties van Defensie in onze straten. U weet het misschien niet, maar er is een wetsvoorstel hangende in dit Huis dat ik samen met mijn collega's heb ingediend. Ik zeg niet dat dit vandaag al het geval is, maar als de nood er zou zijn om Defensie in te schakelen om te helpen, dan moeten we wel klaar zijn. We zouden dat juridisch kader nu dus al moeten bespreken in dit Parlement en ik hoop dat uw partij daarvoor ook de nodige steun zal geven. Als die dag ooit komt, als het ooit zo erg wordt dat er een acute dreiging voor aanslagen is of als er aanslagen zijn gepleegd en we opnieuw militairen op straat moeten brengen, dan moeten we klaar zijn. Een tweede punt betreft de uitspraak een paar weken geleden van die imam in Brussel dat we de Joden moeten verbranden. Ik heb u gisteren op de televisie horen zeggen dat u die casus niet kent. U zou die moeten kennen. De VRT heeft een factcheck gedaan en heeft nagegaan of die imam dat inderdaad had gezegd. De VRT heeft allerlei redenen gevonden om te zeggen dat hij dat eigenlijk niet echt meende. Er werd een professor islam bijgehaald die zei dat de imam wel had gezegd dat men Joden moet verbranden, maar dat hij eigenlijk zionisten bedoelde. Een tweede argument was dat hij het wel had over verbranden, maar dat hij mogelijk bedoelde dat dit in de hel moet gebeuren, dat Allah hun ziel moet verbranden. Er werden dus allerlei excuses aangebracht, maar het feit is dat een imam in Brussel een paar weken geleden daadwerkelijk opriep om de Joden te verbranden. Een van mijn collega's heeft daarover in de plenaire vergadering zelfs een vraag gesteld aan de premier, dus dat u dat niet weet, is op zich al een probleem. Dat coördinatiecentrum werkt dus blijkbaar niet goed genoeg. Uit onze informatie blijkt dat die man nog steeds niet is geïdentificeerd, ondervraagd, gearresteerd of berecht. Het is belangrijk dat deze regering toont dat ze ernstige maatregelen neemt in de strijd tegen het antisemitisme. Het mag niet enkel bij woorden blijven, we moeten ook daden hebben. Woorden zoals die van die imam mogen we als samenleving nooit tolereren. Ik kijk daarvoor naar u, naar de voltallige regering en naar uw collega, de minister van Justitie, om daar voor eens en altijd paal en perk aan te stellen.

De evaluatie van het Nationaal Veiligheidsplan

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)

op 13 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Het Nationaal Veiligheidsplan (NVP) 2022-2025 stimuleert samenwerking tussen federale en lokale politie via DirCo’s en gerechtelijke directeuren, die gezamenlijke initiatieven coördineren per arrondissement, met focus op georganiseerde (drugs)criminaliteit via ontmanteling netwerken, betere inlichtingen en terreinversterking (bv. Havenbeveiligingskorps Antwerpen). Het tussentijdse rapport (2023) toont vooruitgang (meere initiatieven, verankerde processen) maar signaleert obstakels zoals werving, opleiding, integriteit en bestuurlijke aanpak, waar al aan wordt gewerkt; de definitieve evaluatie (2024) is nog niet afgerond maar vormt de basis voor het volgende NVP (2026-2029), mogelijk gekoppeld aan een financieel plan en afgestemd op toekomstige regeringsprioriteiten. De Federale Politieraad evalueerde recent (jan. 2024) de algemene politiewerking, met aandachtspunten als rekrutering, opleiding en integriteitscontroles, waar nu op wordt ingezet. De globale evaluatie van de geïntegreerde politie is reeds bezorgd aan de voogdijministers, maar concrete conclusies volgen later.

Maaike De Vreese:

Mevrouw de minister, het Nationaal Veiligheidsplan 2022-2025 (NVP) werd goedgekeurd in 2022. Het omvat alle veiligheidsthema's die, naast alle andere uitdagingen, bijzondere aandacht van alle politiediensten vragen. Het hoofddoel van het plan is om alle politiediensten maximaal te laten samenwerken. Het plan duidt ook 15 veiligheidsfenomenen aan die door de politiediensten worden aangepakt.

Het eerste kwalitatieve opvolgingsrapport werd eind april 2023 aan de Federale Politieraad voorgelegd. Het vormt de basis voor de in 2024 geplande evaluatie, die misschien al afgerond is. Dat rapport bevat de tussentijdse resultaten van de bijdragen van de geïntegreerde politie en de eventueel vastgestelde obstakels. Samengevat leidde het bij de geïntegreerde politie tot een groot aantal initiatieven om de aanpak van de fenomenen te verbeteren, de routinematige acties voort te zetten of de bestaande werkingsprocessen te verankeren.

Door de context en de evolutie van de veiligheid moesten bepaalde keuzes worden gemaakt, zoals toegenomen aandacht voor het thema van de georganiseerde criminaliteit en de georganiseerde drugscriminaliteit.

Mevrouw de minister, op welke manier laat het Nationaal Veiligheidsplan alle politiediensten beter samenwerken?

Kan u een overzicht geven van de tussentijdse resultaten en de vastgestelde obstakels uit het rapport van 2023? Hoe zullen die obstakels worden verholpen? Is de in 2024 geplande evaluatie al afgerond?

Welke keuzes werden gemaakt betreffende de toegenomen aandacht voor de georganiseerde criminaliteit en drugscriminaliteit?

Welke lessen trekt u voor het opstellen van het volgende Nationaal Veiligheidsplan? Moet daar volgens u ook een financieel plan aan worden gekoppeld?

Wanneer mogen we de globale evaluatie van de werking van de geïntegreerde politie door de Federale Politieraad verwachten?

Annelies Verlinden:

Collega De Vreese, elk Nationaal Veiligheidsplan is een belangrijk strategisch referentiekader. De geïntegreerde politie richt met het NVP haar interne werking op de verschillende beleidsprioriteiten inzake veiligheid en criminaliteit, maar zal bovendien met alle overheden en betrokken partners ook extern meewerken aan een multidisciplinaire ketenaanpak van de diverse veiligheidsfenomenen.

Voor de interne samenwerking tussen de federale en lokale politie, alsook voor de coördinatie van de uitvoering van het NVP op het niveau van elk gerechtelijk arrondissement, heeft de DirCo in samenspraak met de gerechtelijke directeur een essentiële integrerende rol te vervullen. Zij nemen daartoe gezamenlijke initiatieven, indien nodig samen met de lokale politiezones binnen hun arrondissement.

De evaluatie van het NVP 2022-2025 zal zoals steeds worden gebaseerd op het opvolgingsrapport en is gepland voor volgend jaar. De Federale Politieraad, die volgens de wet bevoegd is voor de evaluatie van het NVP, zal zijn bevindingen baseren op deze rapportage. Het is bijgevolg te voorbarig om nu al conclusies te formuleren. De inzichten uit dit laatste rapport zullen een beeld geven van de behaalde resultaten en de uitdagingen, die op hun beurt mee de richting zullen bepalen van het volgende NVP voor de periode 2026-2029.

Het is evident dat bij het opstellen van een nieuw NVP ook rekening wordt gehouden met de beleidsprioriteiten van de volgende regering. Dit neemt niet weg dat binnen het huidige NVP reeds gerichte maatregelen werden genomen met betrekking tot zowel de transversale thema’s als de veiligheidsfenomenen, waarvan de resultaten verder worden uitgewerkt in het aankomende rapport.

Wel kan al worden gesteld dat tastbare resultaten werden bereikt. Zo werd voor de illegale drugshandel ingezet op de ontmanteling van criminele organisaties, het opzetten en verfijnen van beeldvorming op strategisch en operationeel niveau, evenals een versterkte aanwezigheid op het terrein, bijvoorbeeld door de oprichting van een Havenbeveiligingskorps in de haven van Antwerpen.

De Federale Politieraad is bovendien belast met de evaluatie van de werking en de organisatie van de federale politie en de lokale politiediensten, met name op basis van rapporten opgesteld door de Algemene Inspectie van de Federale Politie en de Lokale Politie.

De laatste evaluatie door de Federale Politieraad werd op 24 januari jongstleden aan de voogdijministers bezorgd. Ik kan u al enkele aanbevelingen uit het rapport meegeven, waarrond reeds intensief gewerkt werd: de optimalisering van het rekruterings- en selectieconcept, de verbetering van de opleiding, de uitbreiding van de bestuurlijke aanpak en de actievere bewaking van de integriteit van de politie. Uiteraard zullen die opgestarte werven in de komende maanden en jaren nog verder moeten worden gezet.

Maaike De Vreese:

Dat volstaat, bedankt.

De overbrenging van gedetineerden door de Directie beveiliging (DAB) van de federale politie

Gesteld door

lijst: MR Pierre Jadoul

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)

op 13 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De DAB (Direction de la sécurisation) van de federale politie kampt met capaciteitsproblemen (tekort van 307 agenten, 22% van de bezetting), wat leidt tot mislukte gevangenentransfers en gerechtelijke vertragingen—zoals een niet-doorgegane rechtszaak in Brussel door herhaalde afwezigheid van een verdachte. Minister Verlinden bevestigt dat overbelasting (o.a. door nieuwe taken zoals nucleaire beveiliging, grote processen en medische transfers) en personeelstekort de kern zijn, maar wijst op recrutering (240 agenten in 2025) en betere planning met justitie en gevangenissen als oplossingen. Jadoul benadrukt dat dit systeemfalen ook rechtbanken platlegt, maar juicht de geplande maatregelen toe.

Pierre Jadoul:

Madame la ministre, en Belgique, la Direction de la sécurisation (DAB) de la police fédérale est notamment responsable d'assurer le transfèrement des détenus et la police des cours et tribunaux.

La DAB se compose, sauf erreur, d'une direction unique et centrale à Bruxelles qui chapeaute un ensemble d'unités déconcentrées. En ce qui concerne la police des cours et tribunaux, il y a 12 unités DAB, soit une par arrondissement judiciaire.

Le 31 octobre dernier, une juge du tribunal correctionnel de Bruxelles n'a eu d'autre choix que de prononcer l'irrecevabilité des poursuites à l'égard d'une personne accusée de vols du fait de l'absence à plusieurs reprises du prévenu qui n'a pas été transféré vers le tribunal par la DAB. Pour l'audience du 3 octobre, le parquet avait pourtant bien signalé par mail à la prison de Malines que le détenu devait "absolument être extrait" de la prison pour se présenter au tribunal. Rien n'y fit une fois encore.

La juge a donc fini par considérer que "les manquements successifs des services dûment mandatés par le ministère public en vue de l'extraction et du transfert du prévenu aux fins de comparaître devant le tribunal emportent clairement une violation irrémédiable des droits de la défense et du droit à un procès équitable".

La DAB de la police fédérale est donc en l'occurrence pointée du doigt pour des dysfonctionnements. Celle-ci répond que "dans le cas évoqué, il s'agit malheureusement d'un problème d'échange d'informations entre partenaires concernant la priorité donnée".

Madame la ministre, pouvez-vous faire le point et la clarté sur ces récents dysfonctionnements constatés au sein de la DAB? Quelles pistes d'amélioration envisagez-vous afin d'éviter ce type de problèmes? Le manque de personnel au sein de la DAB est souvent invoqué. Est-il toujours d'actualité? Le cas échéant, prendrez-vous certaines initiatives à cet égard?

Annelies Verlinden:

Cher collègue, la Direction de la sécurisation rencontre effectivement des problèmes d'ordre capacitaire. La reprise progressive des missions qui lui ont été légalement confiées est logiquement dépendante de son développement en moyens humains et matériels. Les perspectives de recrutement des agents de sécurisation n'ont pas encore permis de reprendre toutes les missions légalement confiées à la DAB. Depuis fin 2022, la DAB fait en outre face, en plus de nouvelles missions qui lui ont été confiées, à une augmentation significative de sa charge de travail, comme l'ouverture de la prison de Haren et l'allongement corrélatif des temps de parcours vers le palais de justice de Bruxelles ou la tenue de grands proc è s, comme ceux des attentats de Bruxelles, du dossier EncroChat et de Sky ECC qui ont mobilisé un très grand nombre d'agents durant de longues périodes au détriment des missions quotidiennes.

En outre, depuis janvier 2023, la prise en charge par la DAB de la sécurisation de sites nucléaires sensibles en Flandre a mobilisé de nombreux agents et le nombre de détenus a significativement augmenté dans le pays, requérant davantage de transferts. Enfin, la diminution du personnel médical disponible dans les prisons a également entraîné une hausse significative du nombre de transferts pour des visites médicales en dehors des prisons.

À l'heure actuelle, la capacité en personnel de la DAB est telle qu'elle doit faire des choix et mettre des priorités dans ses deux missions principales que sont le transf è rement des détenus et la police des cours et tribunaux. Pour assurer ces missions au mieux, la direction de la DAB multiplie les demandes de renfort auprès des corps d'intervention de la police fédérale et de la réserve fédérale. Un plan d'action axé sur l'adaptation du processus de sélection pour le profil d'agent de sécurisation a été élaboré et est en cours d'exécution. Des concertations périodiques ont lieu au sujet des mécanismes de renfort tandis que des discussions sont en cours afin d'améliorer le processus de planification avec l'ensemble des partenaires concernés, à savoir la magistrature ainsi que la Direction générale des établissements pénitentiaires.

Doter durablement la Direction de la sécurisation des moyens humains et matériels nécessaires pour assurer toutes ses missions constitue donc un point d'attention permanent.

En ce qui concerne la capacité de la DAB, celle-ci souffre à ce jour d'un manque de 307 agents de sécurisation, soit 22 % de l'effectif théorique prévu pour l'ensemble des missions de la DAB. Les premières mesures prises dans le cadre du plan d'action de recrutement montrent déjà leurs effets positifs, avec des classes d'aspirants bien plus remplies qu'au cours des deux dernières années. L'année prochaine, il est prévu de recruter 240 nouveaux agents de sécurisation afin d'augmenter substantiellement la capacité opérationnelle de la DAB. Cet effort, à l'instar de différentes initiatives prises en concertation avec les partenaires de la DAB en vue de parfaire le processus de travail, devra se poursuivre les années suivantes afin de pallier les flux sortants générés notamment par le processus statutaire de promotion sociale.

Pierre Jadoul:

Madame la ministre, je vous remercie pour ces réponses qui apportent des solutions partielles à ce problème. Pour avoir participé à une visite d'audience avant les élections fédérales du 9 juin, je puis témoigner avoir constaté que certaines juridictions et chambres au tribunal de première instance de Bruxelles et à la Cour d'appel de Bruxelles se trouvaient quasiment en chômage technique en raison de l'absence de plusieurs détenus. Cela constitue donc un enjeu majeur non seulement pour la DAB mais également pour le fonctionnement de la justice dans la foulée. Je me réjouis par conséquent de vous savoir attentive à cette question et j'ose espérer que les mesures prises produiront leurs effets.

Huiselijk geweld

Gesteld door

lijst: VB Katleen Bury

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 12 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Huiselijk geweld heeft zware, langdurige gezondheids- en maatschappelijke gevolgen, maar België ontbeert recente, gedetailleerde onderzoeksdata, ondanks plannen in het *nationaal actieplan 2021-2025*. De federale overheid biedt gratis/laagdrempelige psychologische eerste hulp (o.a. via CAW’s en CGG’s) en ondersteunt zorgverleners met richtlijnen, e-learnings en meldingsprocedures, maar Bury benadrukt dat slachtoffers kosteloos *en onmiddellijk* moeten kunnen ontsnappen—inclusief praktische hulp (bv. huurwaarborg)—om terugval te voorkomen. Multidisciplinaire samenwerking (justitie, gezondheidszorg, deelstaten) en preventie (via scholen, huisartsen) zijn cruciaal, maar de WHO-conferentie in Colombia (over kindermishandeling) werd federale niet bijgewoond—terwijl internationale kennis wel als leerrijk wordt erkend. Bury dringt aan op radicale verbetering van toegankelijkheid en financiële drempels.

Katleen Bury:

Mijnheer de minister, huiselijk geweld is een enorm belangrijk thema. Tijdens de vorige legislatuur was ik lid van de commissie voor Justitie en heb ik heel veel vragen over die problematiek gesteld. Het is een ernstig volksgezondheidsprobleem. Wij zien dat kinderen, partners en ex-partners vaak enorme blijvende gevolgen ondervinden van huiselijk geweld, zoals depressies, angststoornissen, psychoses en een verhoogd risico van zelfmoordpogingen.

Dat brengt enorme kosten voor de volksgezondheid met zich mee. Ik weet dat preventie geen federale bevoegdheid is, maar er zijn ook heel belangrijke maatregelen door u te treffen. Ik heb ter zake ook een studie in bijlage bijgevoegd.

Hebt u die studie kunnen bekijken? Zijn er vergelijkbare gegevens beschikbaar over de impact van huiselijk geweld in België? Ik vrees dat ik het antwoord op die vraag al weet. Plant de federale overheid ook onderzoeken om de langdurige effecten te monitoren?

Er is nog een vraag waarop ik nooit een antwoord heb gekregen van de andere ministers, met name over de zelfmoordcijfers die daarmee verband houden. Ik kom nu bij Volksgezondheid aankloppen. Ik ben nog een tijdje lid van de commissie en ik hoop dat wij ter zake samen aan het werk kunnen gaan.

Ik heb nog enkele andere vragen. Is er een mogelijkheid van toegang tot de geestelijke gezondheidszorg voor de slachtoffers? Zijn er initiatieven mogelijk om de kosten voor psychologische en psychiatrische hulp danig te verminderen?

Worden huisartsen en zorgverleners voldoende ondersteund om de slachtoffers te begeleiden, hen in eerste instantie te erkennen en hen vervolgens door te verwijzen naar de gespecialiseerde zorg?

Wat is uw mening over de meldingsprocedure? Is die voldoende duidelijk en werkbaar? Dat is een heel belangrijk punt. Hoe staat u met name tegenover de verantwoordelijkheid inzake de meldingsplicht maar ook tegenover het medische beroepsgeheim?

Mijn vijfde vraag is enigszins voorbijgestreefd. Ze was ingediend, maar is vorige keer niet aan bod kunnen komen. Daarvoor heb ik alle begrip. Ze ging over een ministeriële conferentie in Colombia. Die heeft plaatsgevonden op 7 en 8 november 2024. Is iemand van de regering op die conferentie aanwezig geweest, om te bekijken wat er mogelijk is op het vlak van het beëindigen van het geweld tegen kinderen? Heeft onze regering daar een bijdrage geleverd?

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw Bury, u vraagt naar gegevens. Ik denk dat er inderdaad een duidelijk verband is tussen geweld ervaren in het gezin en mentale, fysieke en psychosociale gezondheidsproblemen. De gegevens die wij hebben, zijn de beperkte gegevens in het onderzoek waarnaar u verwijst.

Er zijn in België weinig of geen recente onderzoeksresultaten over de impact van huiselijk geweld op de gezondheid. In het nationaal actieplan 2021-2025 in de strijd tegen gendergerelateerd geweld staan maatregelen opgenomen over het verzamelen van gegevens daarover. Deze gegevensverzameling gebeurt in samenwerking met het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen, Binnenlandse Zaken en Justitie.

Nog belangrijker is wat de overheid doet. Er bestaan vandaag al heel wat diensten, voornamelijk in de bevoegdheidsdomeinen van de deelstaten, om slachtoffers van huiselijk geweld te ondersteunen en te beschermen. Die zijn bedoeld om zowel directe hulp te bieden als om geweld te voorkomen en op de langere termijn een veiligere leefomgeving te creëren. Ik kan verwijzen naar de websites van de deelstaten. Ik zal u mijn schriftelijk antwoord meegeven waarin u de webadressen kunt vinden.

De vraag hier is natuurlijk wat de federale overheid kan doen. Via de nieuwe conventie psychologische zorg in de eerste lijn kunnen wij inzetten op twee vormen van samenwerking.

Een eerste vorm van samenwerking is gericht op vindplaatsen, zoals scholen, huisartsenpraktijken en Huizen van het Kind, om zowel preventief te werken als sneller het huiselijk geweld te detecteren. Ik denk dan aan educatieprogramma's op scholen, bijvoorbeeld gefocust op gezonde relaties en het herkennen van signalen van geweld, en aan samenwerking met bijvoorbeeld huisartsen en Huizen van het Kind om signalen van huiselijk geweld sneller op te sporen. Onze geconventioneerde psychologen en orthopedagogen kunnen een dergelijk aanbod helpen ontwikkelen.

Een tweede vorm van samenwerking is gericht op het aanbieden van psychologische en sociale ondersteuning waarvoor een multidisciplinaire aanpak belangrijk is, zodat de hulp aan de slachtoffers effectief is. Goede samenwerking tussen psychologen, maatschappelijk werkers gespecialiseerd in trauma en geweld en politionele en justitiële diensten is heel belangrijk. Psychologische en sociale begeleiding worden aangeboden via organisaties van de deelstaten, zoals de CAW's. Voor langdurige psychologische zorg kan men terecht bij de diensten voor geestelijke gezondheidszorg. Dergelijke organisaties, zoals CAW's en CGG's, kunnen voor milde tot matig ernstige psychische problemen samenwerken met ons federaal aanbod van eerstelijns psychologische zorg. Ik vermeld dan nog, ten overvloede, dat wanneer het gaat om seksueel geweld, de slachtoffers terechtkunnen bij onze zorgcentra na seksueel geweld, waar wij ook psychische zorg en nazorg aanbieden.

Uw derde vraag gaat over de kosten. Welnu, het zonet genoemde federale aanbod psychologische zorg in de eerste lijn is gratis voor kinderen en jongeren tot en met 23 jaar. Aan volwassenen vragen we remgeld, maar het gaat toch om een zeer beperkt bedrag, namelijk 11 euro of 4 euro voor mensen met een verhoogde tegemoetkoming voor individuele sessies en 2,50 euro voor groepssessies. De eerste sessie is trouwens gratis. Een psychiater consulteren kost 12 euro voor een patiënt of 3 euro bij verhoogde tegemoetkoming. De raadplegingen zijn dus eigenlijk niet zo duur. Wel herhaal ik dat wij ons aanbod complementair moeten zien aan specifieke initiatieven in de deelstaten.

Ten vierde, worden huisartsen en andere zorgverleners voldoende ondersteund? Ter ondersteuning van de huisartsen is er een praktische richtlijn opgesteld voor de aanpak van seksueel en intrafamiliaal geweld in de eerste lijn. De richtlijn is beschikbaar op de site van de FOD Volksgezondheid. Daarnaast is ook een e-learning ontwikkeld over de specifieke zorg voor slachtoffers van intrafamiliaal geweld, met koppelingen naar gespecialiseerde organisaties per regio.

Die e-learning zal binnenkort beschikbaar zijn op het platform van het RIZIV. Het programma Operatie Alert biedt verschillende e-learningmodules en hulpmiddelen voor de detectie van en de zorg voor slachtoffers van intrafamiliaal geweld, seksueel geweld en genitale verminking. Een specifieke module over het beroepsgeheim in geval van intrafamiliaal geweld zal binnenkort online beschikbaar zijn. Op 8 maart 2024 werd er een persbericht uitgestuurd over de doelstellingen van Operatie Alert.

Ik wil ook benadrukken dat de zorg voor slachtoffers multidisciplinair moet zijn en dat de gemeenschappen en gewesten daar ook bij moeten worden betrokken.

U hebt verwezen naar de conferentie van de WHO in Bogota. Gaan wij bijdragen? Dat is echt een vraag die u moet stellen op het niveau van de deelstaten, aangezien zij daar aan zet zijn.

Kunnen we leren van andere landen? Ja, via de Wereldgezondheidsorganisatie al vele jaren actief is in het domein van geweldpreventie. De WHO heeft in 2021 nog een nieuwe resolutie aangenomen over het stoppen van geweld tegen kinderen door het versterken van gezondheidssystemen en een multisectorale aanpak. Binnen de WHO bestaat ook de Violence Prevention Unit. Die eenheid biedt strategisch leiderschap over dit onderwerp en ontwikkelt evidentie, normen en standaarden, met inbegrip van implementatie-instrumenten. Via de WHO kunnen we daar toch wel veel over leren.

Katleen Bury:

Dank u voor uw uitgebreide toelichting. Er zijn dus weinig of geen onderzoeksresultaten, waardoor het zeer moeilijk is om voort te werken, zeker gezien de complexiteit van de problematiek. Zorgcentra waar men na seksueel geweld terechtkan, zijn niet de zaligmakende oplossing. Heel veel mensen geraken daar niet, ze zitten in een vicieuze cirkel van geweld en keren na eruit te zijn gestapt elke keer weer terug. Het gaat niet echt om die gratis kosten voor kinderen, het remgeld van 11 euro voor de psycholoog, 12 euro voor de psychiater. Dat zijn niet de grote bedragen. Slachtoffers moeten uit geweld weggesleurd kunnen worden. Er moeten hulpverleners gratis ter beschikking zijn. Het geld moet zelfs niet van de rekening van de slachtoffers af gaan. Er moet zelfs geen 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11 of 12 euro uit de portefeuille verdwijnen. Hulpverleners moeten slachtoffers duidelijk kunnen maken dat ze in een ongezonde situatie verkeren. Slachtoffers zien dat zelf niet meer. In de vorige legislatuur zijn er op Vlaams niveau goede maatregelen genomen waardoor wordt tussengekomen voor, bijvoorbeeld, de huurwaarborg, die drie maanden huurwaarborg die iemand, die zonder hebben en houden en liefst met kinderen en huisdieren vlucht, niet kan neertellen. Slachtoffers blijven vaak bij hun daders wegens de aanwezige kinderen en dieren. Al die kleine beetjes helpen slachtoffers echt om in te zien dat ze niet meer moeten terugkeren. Er is geen sprake van liefde. De situatie zal niet verbeteren. Slachtoffers zullen altijd terug in hetzelfde straatje belanden. U zegt dat we het aanbod moeten uitbreiden. Ik raad u dat echt aan. Er is nog veel werk aan de winkel. Die gratis ter beschikking gestelde consultaties kunnen gunstig zijn voor de gezondheidszorg alle daaropvolgende jaren. De slachtoffers hoeven niet nog vijf of tien jaar langer in geweld te leven. Ze moeten er samen met de kinderen van weg worden gehaald. Ga daar zeker mee aan de slag! Het is goed nieuws dat de beroepsmodule binnenkort op eHealth beschikbaar zal zijn. Ik ben blij dat daaraan wordt gewerkt. Uw antwoord op mijn vijfde en zesde vraag heb ik niet zo goed begrepen. U zegt dat wij heel veel kunnen leren van de WHO met betrekking tot geweldpreventie, het stoppen van geweld tegen kinderen. U zegt daarentegen dan weer wel dat u niet naar de conferentie bent geweest, dat ik dat moet vragen aan de deelstaten, dat u daarmee niets te maken hebt. Het had nuttig kunnen zijn om aanwezig te zijn op die conferentie van de WHO. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 17.13 uur. La réunion publique de commission est levée à 17 h 13.

Het stilleggen van het onderzoeksschip Belgica
De juridische en budgettaire moeilijkheden i.v.m. het onderzoeksschip Belgica
Het oceanografische onderzoeksschip Belgica
De toekomst van de Belgica
De Belgica
De werkeloos aan de kaai liggende Belgica
De toekomst van de Belgica en de door de federale Staat aangespannen gerechtelijke procedure
De uitbating van de Belgica
De aan de ketting liggende Belgica
Het onderzoeksschip Belgica
Het handhaven van onze wetenschappelijke en maritieme soevereiniteit op de Belgica
De status, uitdagingen en toekomst van het onderzoeksschip Belgica

Gesteld aan

Thomas Dermine, Georges Gilkinet

op 12 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Het onderzoeksschip Belgica (54 miljoen euro) ligt sinds juni 2024 stil in Zeebrugge door een conflict met exploitant Genavir, dat zich terugtrok na beschuldigingen van sociale dumping (Lets personeel onder niet-Belgische contracten) en intrekking van de vaarvergunning, met een lopende rechtszaak (volgende zitting 21 november). Van de geplande 162 vaardagen in 2024 werd amper de helft gerealiseerd, wat kritieke wetenschappelijke metingen (visserijquota, EU-verplichtingen, klimaatonderzoek) en economische schade (geannuleerde charterinkomsten) veroorzaakt, terwijl onderhoudsgebrek risico’s vormt voor het schip. Defensie kan door personeelstekort geen korte-termijnoplossing bieden, en een nieuwe aanbesteding (6-12 maanden procedure) wacht op de uitspraak; tussentijdse creatieve oplossingen (bijv. beperkt onderhoudscontract) worden gevraagd maar nog niet concreet uitgewerkt. De toekomstige regering moet kiezen tussen hernieuwd externaliseren (met strengere voorwaarden) of interne exploitatie (samen met Defensie), terwijl de huidige impasse internationaal gezichtsverlies en vertraging in mariene onderzoek veroorzaakt.

Frieda Gijbels:

Mijnheer de staatssecretaris, we vernemen dat het splinternieuwe onderzoeksschip Belgica voor onbepaalde tijd voor anker zou liggen omdat de uitbater Genavir zich zou hebben teruggetrokken. Eerder stelde ik u ook al vragen over mogelijke sociale dumping aan boord van de Belgica, omdat er Letse bemanningsleden onder Lets contract zouden zijn aangesteld, wat niet compatibel is met het Maritiem Arbeidsverdrag.

Om meer inzicht te krijgen op de impact van het niet kunnen uitvaren van de Belgica, stel ik u graag de volgende vragen, mijnheer de staatssecretaris. Ik hoop op heel concrete antwoorden.

Klopt het dat Genavir zich heeft teruggetrokken? Wat is daar de aanleiding van?

Hoeveel vaardagen werden er in 2024 gepland en hoeveel vaardagen zijn er daadwerkelijk geweest?

Toen ik u eerder ondervroeg over deze kwestie, gaf u aan dat men zinnens was om de Belgica ook te charteren, waardoor er extra inkomsten zouden kunnen worden gegenereerd, tot maximaal 600.000 euro per jaar. Hoeveel dagen werd het schip gecharterd?

Welke consequenties zijn er wanneer de Belgica niet kan uitvaren? Wat met de nationale en Europese wettelijk verplichte metingen? Heeft dit impact op vergunningen voor visserij, windmolens of baggeraars? Hoe wordt dit ingeschat?

Wat is de economische impact van het stilliggen van de Belgica?

Wat is de impact op de kwaliteit en de waarde van het schip wanneer het stilligt? Wat kunnen we nog verwachten op het vlak van waardevermindering?

Ten slotte, wat dient er exact te gebeuren om ervoor te zorgen dat de Belgica zo snel mogelijk opnieuw operationeel kan zijn? Werden hiertoe al stappen gepland? Welke tijdlijn ziet u in het beste dan wel slechtste geval?

Kurt Ravyts:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de staatssecretaris, de Belgica is een paradepaardje van het Belgisch wetenschappelijk onderzoek. De investering bedroeg destijds 54,5 miljoen euro. Echter, sinds juni 2024 ligt het schip blijkbaar aangemeerd aan de kade van Zeebrugge en is het niet meer uitgevaren.

Mevrouw Gijbels heeft de situatie rond Genavir geschetst. Eind 2022 werd die rederij door de Belgische regering aangesteld als exploitant van het schip. Er zijn ter zake blijkbaar veel problemen. Er is onder andere een rechtszaak aangespannen tegen de FOD Mobiliteit. De vaarvergunning werd ingetrokken. Er is nu ook een conflict met het Maritiem Arbeidsverdrag, waarvoor u trouwens werd gewaarschuwd. Dat is een eerste zaak.

De tweede zaak is het budgettaire aspect. In december 2023 was er maar een budget ingeschreven voor 128 vaardagen. U hebt toen geantwoord aan toenmalige parlementsleden dat pistes werden bekeken om het aantal vaardagen op te trekken, teneinde aldus te voldoen aan de grote vraag en teneinde de investering desgevallend volledig te laten renderen.

Ten eerste, wat is de stand van zaken in de zoektocht naar een nieuwe operator? Er is sprake van Defensie. Mijn vraag gaat dus over de aanbesteding.

Ten tweede, klopt het dat het schip in 2024 en misschien zelfs in 2025 niet meer zal uitvaren, zoals de woordvoerder van het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen (KBIN) stelde? Dat instituut is verantwoordelijk voor de programmering van de wetenschappelijke campagnes.

Ten derde, hoe reageert u op de berichtgeving over de mogelijke dramatische impact op de verplichte wettelijke wetenschappelijke monitoring en dataverzameling?

Ten vierde, werd er voor 2024 uiteindelijk alsnog bijna 2 miljoen euro extra vrijgemaakt om de Belgica in 2024 toch 210 dagen te laten uitvaren? Hoeveel dagen werd er in 2024 uitgevaren?

Voorzitter:

Je ne vois pas M. Crucke; je passe la parole à M. Dubois.

Xavier Dubois:

Monsieur le secrétaire d'État, je ne vais pas refaire tout l'historique du dossier étant donné qu'il a déjà bien été mis en avant.

Le 24 octobre dernier, en séance plénière, une question vous a été posée et le ministre de l'Économie y a répondu à votre place. Il a mis en avant le fait que des discussions étaient en cours avec la Défense pour essayer de trouver des solutions, ou du moins de les envisager.

En séance de commission, la ministre de la Défense a mis en avant que la Marine n'avait pas le personnel pour reprendre l'exploitation du navire ni même pour en assurer l'entretien. Elle évoquait toutefois une sorte de coopération qui pourrait être réglée par protocole entre la Défense et le SPP.

Existe-t-il un protocole signé, en cours ou envisagé? Pourquoi avoir attendu si longtemps pour solliciter le support éventuel de la Défense? Quelles sont les mesures envisagées à très court terme pour assurer l'entretien du navire? Il serait dommage que ce navire qui aurait coûté près de 54 millions pourrisse à quai. Qu'attendez-vous pour lancer un nouveau marché public de concession pour avancer et avoir enfin des réponses relatives à l'exploitation et à l'entretien du navire?

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de staatssecretaris, het onderzoeksschip Belgica is in 2021 gedoopt. Die Belgica werd met heel veel bombarie aangekondigd. Het heeft 54 miljoen euro gekost, het is een state-of-the-artschip, met zeer veel onderzoeksruimte. De Belgica is een zeer belangrijk schip, zowel voor Defensie als voor het wetenschapsbeleid in België.

Het schip kostte 54 miljoen en zou 30 jaar meegaan. Het is dus belangrijk dat de Belgica optimaal benut wordt. Laat dat nu precies het probleem zijn. Sinds juni 2024 ligt het schip aan de ketting in de marinebasis van Zeebrugge. Dat is geen goede zaak. Wij weten allemaal dat dit te maken heeft met mogelijke sociale dumping en het contract dat daarom door de Franse rederij Genavir eenzijdig werd opgezegd. Dit alles dwarsboomt de werking van de Belgica. Het is een drama voor het wetenschappelijk marien onderzoek.

Mijn vragen aan u zijn de volgende.

Welke stappen hebt u al ondernomen met Belspo om de Belgica zo snel mogelijk opnieuw te activeren?

Bent u actief op zoek naar een nieuwe exploitant?

Hebt u ondertussen contact opgenomen met de minister van Defensie om te bekijken of het schip op korte termijn door de diensten van de marine in gebruik genomen kan worden?

,

Aurore Tourneur:

Monsieur le secrétaire d' É tat, l'introduction relative à la situation du Belgica ayant été réalisée par mes coll è gues, j'en viens directement à mes questions.

Pouvez-vous nous retracer les événements depuis l'inspection du SPF Mobilité en décembre 2023? Comment l'opérateur Genavir a-t-il été choisi? Quels étaient les critères? Pouvez-vous nous informer de la nature des missions du Belgica qui ont été annulées en 2024? L' É tat belge risque-t-il des sanctions en raison des missions non exécutées du Belgica? Quelles sont les pertes financières associées à l'immobilisation du navire et à l'annulation de ses missions?

Dans un même ordre d'idées, lors de la séance plénière du 24 octobre dernier, le ministre Dermagne a déclaré en votre nom que l' É tat fédéral entendait contraindre Genavir via une procédure judiciaire à assurer un entretien périodique minimal du Belgica afin de limiter les dégâts au navire et sa détérioration potentielle.

Où en est cette procédure judiciaire? Qui se charge de l'entretien du navire en attendant les résultats de cette procédure? Des entretiens ont-ils eu lieu depuis que le bateau est à quai? Sinon, quand devraient-ils avoir lieu?

Farah Jacquet:

Monsieur le secrétaire d'État, le samedi 19 octobre 2024, l'Institut royal des Sciences naturelles de Belgique indiquait que l’opérateur français Genavir avait résilié unilatéralement le contrat qui le liait avec Belgica, notre navire de recherche océanographique.

Selon Genavir, cette résiliation fait suite à une visite d’inspection du SPF Mobilité et Emploi en décembre 2023 à la suite d'une plainte pour dumping social. Les services d’Inspection avaient alors conclu que les membres d’équipage devaient avoir des conditions de travail conformes à la législation belge, ce qui n’était pas le cas étant donné que des marins français et lettons étaient employés sous des contrats de travail de leur pays d’origine. Toujours selon Genavir, aucune solution n’a pu être trouvée avec l’Inspection et Belspo. L’opérateur n’aurait alors pas eu d’autre choix que de résilier le contrat.

Pourtant, selon Belspo, Genavir avait eu "plusieurs occasions de tout régler" à la suite des conclusions de l’inspection, ce qui n'a pas été fait.

Par conséquent, le Belgica se retrouve à quai depuis des mois au port de Zeebrugge. C'est regrettable car le Belgica est une référence au sein de la flotte de recherche européenne et est surtout un navire essentiel pour étudier les effets du dérèglement climatique, avec des missions importantes qui passent à la trappe, comme celle programmée au pôle Nord.

Monsieur le secrétaire d'État, où en sommes-nous actuellement? Comment expliquez-vous qu’un navire sous pavillon belge et sous le commandement opérationnel du ministère de la Défense belge soit exploité par une société privée française qui emploie des marins lettons sous contrats de travail lettons? Qu'est-ce que c'est que cette construction "public-privé" qui se traduit encore par du dumping social et une dégradation des missions de service public? Qu’avez-vous entrepris pour qu’une solution se dégage rapidement et éviter que le Belgica reste à quai de nombreux mois encore? Genavir aurait entamé une action en justice contre le gouvernement fédéral. Qu’en est-il? Concrètement, quelles missions sont annulées à la suite du retrait de l’opérateur? Enfin, que faites-vous actuellement pour résoudre la situation?

Hugues Bayet:

Monsieur le secrétaire d' É tat, le navire scientifique belge Belgica est, depuis quelques mois, un navire sans équipage. En effet, son opérateur privé, l’armateur français Genavir, a résilié unilatéralement le contrat qui le liait à l’Institut royal des sciences naturelles de Belgique (IRSNB).

En 2024, le navire de recherche n’a pu naviguer qu’un tiers du temps. Une expédition au pôle Nord est notamment tombée à l’eau. C'est vraiment dommage, car avec ses 400 mètres carrés d’espaces de laboratoire et ses instruments de mesure très modernes, le Belgica fait office de pointure au sein de la flotte de recherche européenne.

Des suspicions de dumping social et de violences sexuelles seraient la cause du début de la crise entre la politique scientifique et l’armateur privé.

Monsieur le secrétaire d’ É tat, pouvez-vous nous confirmer cette information? Quelles mesures avez-vous prises pour résoudre cette situation délicate?

Enfin, l’avenir de la politique scientifique fédérale serait menacé par des coupes budgétaires drastiques, si j'en crois ce qui a déjà fuité des négociations en vue de former le futur gouvernement. Ce serait, selon mon groupe, un détricotage complet d’une politique importante pour la recherche, la conservation et la mise en lumière du patrimoine, le devoir de mémoire, mais aussi la science de manière générale. Avez-vous un peu plus d’informations à ce sujet?

Gilles Foret:

Monsieur le secrétaire d'État, la situation du navire de recherche Belgica suscite de vives inquiétudes, comme en témoignent les nombreux témoignages et questions posées aujourd'hui. Ce dossier est d'autant plus préoccupant qu'il a un impact direct sur nos ambitions scientifiques, environnementales et stratégiques.

Pour le Mouvement Réformateur, je rappelle qu'il est impératif d'assurer cette continuité et, surtout, la souveraineté de nos infrastructures de recherche, dans le respect des normes internationales et avec toute la transparence que cela nécessite.

Monsieur le secrétaire d'État, mes questions sont dans la continuité de celles qui viennent d'être posées. Elles concernent les mesures concrètes que votre département prévoit pour garantir le retour rapide du Belgica et assurer la continuité et la souveraineté de nos infrastructures.

En outre, j'ai des questions plus précises concernant les accusations de dumping social. Pourriez-vous nous en dire un peu plus? Comment pouvons-nous respecter le droit des équipage à bord du Belgica mais aussi, plus largement, celui des équipages des navires sous pavillon belge?

Thomas Dermine:

Collega's, dank u voor uw vragen. Ik zal een globaal antwoord geven, met drie luiken. Het eerste luik gaat over de context en de aanvankelijke problemen in dit dossier.

Le deuxième paquet concernera "Les missions suspendues et leurs impacts" et le troisième les "Pistes de solution" établies à ce stade.

Venons-en d'abord au contexte et aux problèmes initiaux.

Comme vous l'avez soulevé dans vos questions, le navire de recherche Belgica se trouve à quai à Zeebrugge depuis juin 2024. Cette immobilisation résulte de la suspension de la licence de l'opérateur français Genavir qui a fait suite à des accusations de dumping social et de non-respect de la Convention du travail maritime. Genavir a unilatéralement interrompu l'exécution du contrat le 6 juin dernier mais le contrat entre l' É tat belge et Genavir – c'est important pour la suite – n'a pas été résilié à ce stade. Genavir a été mis en défaut à plusieurs reprises par mes services dans l'exécution du contrat.

De reden voor Genavir om het contract stop te zetten, is een dispuut rond arbeidsregels. Daarnaast haalt Genavir een aantal andere redenen aan die door BELSPO werden weerlegd.

Concernant l'emploi des marins non belges, le cahier des charges initial autorisait le tiers à employer des membres de l'équipage ayant la nationalité d'un pays de l'Union européenne à condition de respecter la législation belge, en particulier celle qui s'applique aux travailleurs maritimes.

Une procédure judiciaire a immédiatement démarré le 18 juin dernier.

Une première séance au tribunal de première instance de Bruxelles s'est tenue au début du mois de septembre. Un calendrier y a été acté. La prochaine séance au cours de laquelle l'affaire sera plaidée est prévue le 21 novembre prochain. Au cours de cette procédure, nous demandons à tout le moins que Genavir exécute l'entretien du Belgica, comme le prévoit le marché, afin d'éviter toute détérioration du navire. Comme il s'agit d'une affaire qui est en cours devant les tribunaux, je m'abstiendrai à ce stade de la commenter plus en détail.

J'en viens au deuxième volet des missions suspendues et à leur impact.

In totaal waren er in 2024 162 wetenschappelijke vaardagen gepland. De meeste campagnes werden gepland in de tweede helft van 2024 omdat verschillende buitenlandse instellingen interesse hadden om de Belgica te charteren in de eerste helft van 2024. Deze campagnes werden uiteindelijk echter geannuleerd als gevolg van budgettaire beperkingen binnen de geïnteresseerde instellingen.

Nous reconnaissons toute la gravité de la situation et l’impact qu’a l’accostage du Belgica sur la surveillance scientifique légalement requise. L’annulation de certaines missions entraîne des répercussions significatives sur la recherche scientifique et le monitoring environnemental en Belgique, notamment sur les quotas de pêche et sur certaines obligations environnementales vis-à-vis de l’Union européenne.

La suspension des activités entraîne également des conséquences directes pour des scientifiques belges, des doctorants belges, dont les recherches sont retardées.

Avec la suspension des activités par Genavir, c’est tout le planning du second semestre 2024 qui est à reprogrammer dans les plus brefs délais.

Ik kom tot het derde luik, over onze zoektocht naar oplossingen.

Ik kan u verzekeren dat parallel aan de juridische procedure op verschillende pistes wordt verder gewerkt, ook nu de regering in lopende zaken is. Mijn administratie heeft contact opgenomen met Defensie om zo snel mogelijk een oplossing te vinden. Defensie is een constructieve partner, maar kan op dit moment door een gebrek aan personeel niet op korte termijn helpen. Er lopen echter gesprekken om samen zo snel mogelijk een oplossing te vinden.

Le prochain gouvernement devra se prononcer sur le modèle opérationnel à mettre en place: soit des opérations assurées en interne en collaboration avec la Défense, qui nécessiteraient des moyens supplémentaires pour la Défense afin d'assurer cette mission, soit un nouveau marché public avec un opérateur externe.

Je rappelle que la décision d'externaliser à un tiers, à savoir Genavir, les opérations du Belgica est un choix du gouvernement MR-N-VA lors de la législature 2014-2019. Nous n'avons fait, durant la dernière législature, qu'opérationnaliser ce choix de faire appel à un prestataire externe. Aujourd'hui nous devons assumer les conséquences liées à l'instabilité de ce modèle, que nous devrons peut-être évaluer pour définir la solution à l'avenir.

Par ailleurs, il est à noter que nous ne pouvons pas lancer de nouveau marché public à ce stade parce que la procédure est en cours au tribunal. Nous ne pouvons pas lancer le nouveau marché avant que celui-ci ait rendu sa décision. Si le prochain gouvernement souhaite relancer un nouveau marché public, il faudra compter entre 6 et 12 mois avant qu'un nouveau contractant puisse commencer. Les critères de sélection dans le marché initial portaient sur l'aptitude à exercer l'activité professionnelle concernée, la portée financière et économique, la compétence technique et professionnelle.

Monsieur Bayet, concernant votre question sur l'avenir de la Politique scientifique, il ne m'appartient pas en commission d'évaluer ou d'émettre un jugement sur les lignes du prochain gouvernement, pour peu qu'il y en ait. Néanmoins, je rejoins votre constat que j'ai eu le privilège de diriger la Politique scientifique qui contribue à certaines missions essentielles en matière scientifique, de préservation, en matière spatiale aussi. Adopter une lecture communautaire sur ces matières qui, par essence, relèvent du niveau fédéral, serait mettre un pied dans quelque chose qui, potentiellement, peut porter atteinte à des compétences essentielles de notre pays.

Frieda Gijbels:

Mijnheer de staatssecretaris, ik dank u voor het antwoord.

Ik vind het heel erg gemakkelijk om nu te verwijzen naar de vorige en de volgende regering. In de vorige legislatuur heb ik de verslagen van de Inspectie van Financiën opgevraagd, die aan uw regering zijn voorgelegd. Die verslagen waren niet min. Die wezen op een heel onduidelijk en complex exploitatiemodel, waarover niemand het blijkbaar eens werd. Die aanbestedingsprocedure heeft men ook nodeloos lang laten aanslepen. Ik denk dat er echt heel veel fout is gelopen in uw legislatuur, mijnheer de staatssecretaris.

In dat dossier werd ook veel te weinig garantie gevraagd met betrekking tot de bemanning, de brandstofvoorwaarden en de expedities. U zegt dat dit nu ten onrechte als een communautaire zaak wordt geduid. Het zijn wel de Vlaamse instellingen die hiervan nu de dupe zijn. Dit gaat ten koste van de Noordzee. Dit heeft expliciet gevolgen voor onderzoek, voor onze verplichtingen. Dit doet ons internationaal gezichtsverlies lijden.

We hebben nu zo'n duur splinternieuw schip met hoogtechnologische apparatuur aan boord en we kunnen er niets mee. Men zegt zelfs dat er ook volgend jaar niets mee kan gebeuren. Dat is echt een groot probleem, mijnheer de staatssecretaris. Het is al te gemakkelijk om nu naar de vorige en de volgende regering te verwijzen.

Viel de timing van het stilleggen van het schip toevallig ook tijdens de nationale verkiezingen? Moest het zo lang in vaart blijven zodat niemand iets zou merken voor de verkiezingen? Dat doet ook echt de wenkbrauwen fronsen.

U hebt er altijd voor gepleit dat het federale wetenschapsbeleid ook federaal zou blijven. U zou dan beter hebben aangetoond dat het ook werkt en dat hebt u niet gedaan. Het spijt mij.

Kurt Ravyts:

Mijnheer de staatssecretaris, het gaat inderdaad om een heel triestig dossier. Ook ik ben enigszins ontgoocheld in uw antwoord, waarin u de vlucht vooruit neemt. U begint over de vorige Zweedse regering, die het exploitatiemodel zou hebben opgestart. Ik merk echter een verwaarlozing van het dossier onder uw verantwoordelijkheid. Ik merk ook onderfinanciering.

Uiteraard stelt onze partij zich vragen bij het federale wetenschapsbeleid. Het bewuste dossier toont immers aan hoe het eigenlijk niet moet. Inzake het wetenschapsbeleid op zee is er ook de Simon Stevin, een Vlaams onderzoeksschip. De Belgica kan gerust worden geregionaliseerd.

Xavier Dubois:

Monsieur le secrétaire d' État , je vous remercie pour vos réponses, que vous avez structurées en trois chapitres, mais qui me déçoivent plutôt.

En effet, le dernier volet aborde les pistes de solution, qui n'existent cependant pas. Vous avez évoqué une collaboration avec la Défense. Or la main-d'œuvre est insuffisante pour pouvoir l'assurer. Quant à la conclusion éventuelle d'un nouveau marché, il faudra attendre une décision judiciaire. C'est vraiment problématique, parce qu'il faudra attendre des mois avant que la moindre initiative ne soit prise. Ne peut-on quand même pas imaginer un marché qui soit différent du marché initial? Il est nécessaire que ce patrimoine de plusieurs dizaines de millions d'euros soit entretenu, car on ne peut pas le laisser pourrir à quai.

Il faut creuser davantage, parce qu'on ne peut pas se contenter de dire qu'on va attendre une décision de justice pour agir. Il importe donc de se montrer créatif et inventif en vue d'attribuer un marché pour l'entretien. Ce doit pouvoir être justifiable au regard d'un tel patrimoine de l' État.

Je vous remercie, en tout cas, pour la suite que vous apporterez à ce dossier.

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de staatssecretaris, ik dank u voor uw antwoord.

Als ik het goed heb begrepen, hebt u op 18 juni meteen de procedure opgestart en zal er op 21 november een nieuwe zitting voor de rechtbank zijn. U hebt dus snel geschakeld, zeker toen in juni al bleek dat het schip stillag in Zeebrugge. Dat is een goede zaak, maar ik ben het eens met de collega van Les Engagés dat we niet mogen wachten op juridische procedures. Een juridische procedure moet worden nageleefd, maar we moeten creatief zijn en kijken of we in de tussentijd geen oplossingen kunnen vinden om dat schip opnieuw operationeel te maken.

Wat betreft de missies, u hebt gezegd dat er voor 2024 in normale omstandigheden 162 vaardagen gepland waren. Het schip heeft een maximale capaciteit van 300 vaardagen, dus dat is maar iets meer dan de helft daarvan, wat veel te weinig is. Op die manier benutten we dat schip niet optimaal en voeren we niet voldoende marien wetenschappelijk onderzoek uit. Als men 54 miljoen investeert in zo'n schip, dan kan men daar heel nuttig werk mee doen. Ik betreur die zaak.

Wat de oplossingen betreft, ik begrijp dat u gesprekken voert met Defensie, maar dat er een personeelsprobleem is. Ook dat betreur ik, zeker omdat het schip altijd een hulpschip van Defensie is geweest. Het voert een aantal ondersteunende taken uit op de Belgische Noordzee, een zone met heel veel kritieke infrastructuur waarvan de veiligheid moet worden gegarandeerd.

Ik dring er dus op aan om intensief te blijven spreken met Defensie en na te gaan of er met de minister van Defensie niet naar een oplossing kan worden gezocht, zodat het als hulpschip van Defensie kan blijven functioneren. Een state-of-the-artschip van een dergelijke omvang mag toch niet volledig stilliggen.

Aurore Tourneur:

Merci, monsieur le secrétaire d' É tat, pour cette rétrospective et les questions auxquelles vous avez répondu. Deux de mes questions demeurent néanmoins en suspens, à savoir l'éventuel risque de sanctions à l'encontre de l' É tat belge eu égard aux missions non exécutées et les pertes financières associées à l'immobilisation du navire. Comptez donc sur moi pour continuer à vous poser des questions tant que vous serez en fonction et responsable de ces mati è res.

Farah Jacquet:

Merci, monsieur le secrétaire d' É tat, pour vos réponses.

J'entends que vous cherchez des solutions, ce qui est positif. Néanmoins, rien de concret ne semble se dessiner et c'est insatisfaisant. Vous le savez, le Belgica est une référence au niveau international avec plus de 400 m 2 de laboratoires et d'instruments de mesure modernes. L'immobilisation à quai du navire est une conséquence directe de la recherche incessante du gouvernement de réduction d es coûts et d'externalisation de ses missions vers le privé. Ce navire se voit donc contraint à mettre sur pause ses différentes missions qui visent à faire progresser les connaissances scientifiques sur nos mers et océans. C'est évidemment regrettable et une solution doit rapidement être trouvée. Nous vous demandons donc de faire le maximum pour que le Belgica reprenne ses explorations le plus rapidement possible. Il serait en outre souhaitable de mettre fin aux partenariats public-privé qui sont douteux, ne fonctionnent pas et ne profitent pas au public.

Enfin, je voudrais profiter de ma prise de parole pour souligner combien les investissements dans notre Politique scientifique à travers BELSPO et les différentes institutions sont essentiels. BELSPO est synonyme d'expertise renommée dans des domaines tels que l'astronomie, la paléontologie, la climatologie, la météorologie ou les sciences de la Terre. Au vu des inondations dramatiques en Espagne, je ne puis envisager que des partis ici présents souhaitent faire des économies dans ces domaines. Nous ne laisserons pas la Politique scientifique de la Belgique être détruite.

Hugues Bayet:

Monsieur le secrétaire d'État, il n'a en effet pas été facile pour vous de gérer ce dossier car, sous l'ancien gouvernement, la N-VA avait tout fait pour essayer de mettre fin au Belgica. Le dossier étant en cours de procédure judiciaire, nous attendrons d'en connaître les résultats pour agir, mais d'ici là toutes les pistes doivent être envisagées. Il s'agit d'un fer de lance de la Politique scientifique belge, reconnu dans toute l'Europe, tant pour les fonds marins que sous-marins.

Je vous enjoins de rester très attentif à ce dossier. Il nous a été promis un gouvernement des droites très rapidement, et nous voyons que ce n'est pas le cas. Donc vous risquez de rester aux commandes encore quelque temps. Ce serait une bonne chose de trouver des solutions concrètes pour le Belgica.

Gilles Foret:

Monsieur le secrétaire d'État, je vous remercie pour vos précisions et vos rétroactes politiques au sujet de la Politique scientifique.

Je reste évidemment préoccupé par la perte d'opportunités scientifiques et les conséquences stratégiques de cette crise. Nous espérons une solution rapide, où des alternatives pourront être trouvées. Nous privilégions une solution rapide et durable remettant en place le Belgica afin qu'il reprenne son rôle essentiel. Entre-temps, il est important que toutes les opérations qui permettent de préserver l'outil – l'entretien du navire, mais aussi de tous ses instruments – soient réalisées. Il faudra qu'il soit opérationnel dès qu'il pourra reprendre la mer, et nous savons que l'inactivité peut parfois entraîner des avaries.

Thomas Dermine:

Monsieur le président, je voudrais reprendre la parole pour conclure et afin de répéter certains éléments essentiels. Il s'agit d'un dossier qui est effectivement important, dans lequel l'État belge a investi et qui comporte des aspects critiques pour le monitoring de certaines données en mer du Nord et pour des missions scientifiques. Une prochaine session aura lieu au tribunal la semaine prochaine, le 21 novembre. Afin d'éviter que le matériel soit dégradé, il est essentiel que nous fassions en sorte que certaines missions confiées à Genavir concernant l'entretien du navire soient prestées indépendamment de la poursuite de la procédure judiciaire. Cette préoccupation de ma part est tout à fait légitime. Nous sommes dans une période politique particulière avec la formation d'un nouveau gouvernement. Celui-ci devra se positionner sur la clôture du dossier juridique et la relance d'un nouveau marché pour un opérateur tiers, tout en gardant en tête la complexité opérationnelle de gérer ce type de marché avec un partenaire privé pour l'exploitation du navire ou l'octroi à la Défense d'une mission spécifique, en sachant que nous avons de nombreuses synergies avec la Défense, y compris des missions d'écolage ou des missions annexes à d'autres sur des navires militaires qui ressemblent fort au Belgica dans leur conception. Ces deux options doivent être examinées par le prochain gouvernement fédéral et vu le timing très particulier avec la formation d'un gouvernement, la question est assez essentielle. En tout cas, nous sommes extrêmement vigilants sur la question de l'entretien du navire durant la phase judiciaire.

De gevolgen van de verkiezing van Donald Trump tot president van de Verenigde Staten
De herverkiezing van Donald Trump tot president van de Verenigde Staten
De politieke gevolgen van de verkiezingen in de Verenigde Staten
De verkiezingen in de Verenigde Staten
De verkiezing van Donald Trump
De Amerikaanse verkiezingen
Amerikaanse presidentsverkiezingen en politieke impact.

Gesteld aan

Hadja Lahbib (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken, Buitenlandse Handel en Federale Culturele Instellingen)

op 7 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De herverkiezing van Donald Trump als Amerikaanse president dompelt Europa in een strategische crisis: zijn protectionisme, NAVO-scepticisme en pro-Russische houding (met risico’s voor Oekraïne) dwingen de EU tot drastische autonomie op defensie (meer investeringen), energie (kernenergie + hernieuwbaar) en economie (minder afhankelijkheid van VS/China). Terwijl sommigen paniek zaaien over democratische terugval en extremisme, benadrukken anderen de noodzaak van Europese soevereiniteit—zonder de transatlantische band te verbreken, maar wel met eigen industriële, militaire en diplomatieke slagkracht. België, met een caretaker-regering, riskeert achterop te raken door interne vertraging, terwijl de EU onder druk staat om unanimiteit te tonen in steun aan Oekraïne, handelsspanningen en een multipolaire wereldorde waar de VS niet langer de Europese belangen garandeert. Kernboodschap: Europa moet volwassen worden—nu.

Voorzitter:

Mevrouw de minister, ik weet niet of u de voorbije dagen veel tijd hebt gehad om u voor te bereiden op de vergadering van vandaag; u hebt dat alleszins gedaan, en met verve, voor een andere vragenronde.

François De Smet:

Monsieur le président, madame la ministre, le peuple américain a parlé. Il l’a fait clairement, et il a choisi une nouvelle fois d’envoyer à la présidence un personnage autocrate, outrancier et qui a déjà mis en danger les institutions démocratiques. Mais il l’a fait démocratiquement et souverainement, et nous devons en prendre acte.

Le message me paraît clair. Le nationalisme et le populisme ne sont pas des parenthèses de l’Histoire. Ce sont des courants structurants. Ceux qui veulent combattre ces courants doivent sortir de leur bulle et en prendre acte, là aussi.

Il me semble que cette élection est un séisme pour le monde, et donc pour l’Europe. Cela doit être un réveil pour l’Europe, sur trois plans.

D’abord, sur la question de l’industrie et de l’économie. Je rappelle que nous sommes en train de fermer notre avant-dernière industrie automobile. Voulons-nous continuer à être les simples consommateurs d’une mondialisation décidée par les Américains et la Chine, ou voulons-nous une place dans le cockpit?

Ensuite, il y a l’énergie. La guerre en Ukraine l’a montré: l’Europe est extrêmement dépendante aux énergies fossiles en général. Nous savons qu’une Europe plus indépendante demain doit absolument reposer sur un pilier renouvelable et un pilier nucléaire.

Enfin, il y a la question de la défense. C’est ma principale question, madame la ministre. Un crash test va arriver très vite: c’est la question de l’Ukraine. Nous savons que M. Trump a l’intention de sacrifier l’Ukraine. Nous ne le voyons pas, d’ailleurs, prendre une décision qui pourrait contrarier M. Poutine de manière générale.

Allons-nous abandonner l’Ukraine? Nous, les Européen, et nous, la Belgique. Allons-nous abandonner ce peuple qui, depuis deux ans, fait face à l’impérialisme de M. Poutine? Allons-nous suivre le mouvement des Américains qui vont très probablement se retirer? Ou allons-nous, au contraire, profiter de ce moment, en nous disant que nous n’allons pas abandonner les Ukrainiens, que nous allons au contraire rehausser notre investissement et enfin faire en sorte que cet investissement soit à la hauteur de nos mots, car, malheureusement, nous avons beaucoup de grands principes, mais nos moyens, l’aide financière, l’aide militaire à l’Ukraine, ne suffisent pas?

Kjell Vander Elst:

Mevrouw de minister, ik wil u in de eerste plaats feliciteren met uw hoorzitting van gisteren. Als Eurocommissaris voor Paraatheid en Crisisbeheer zult u uw handen vol hebben. Dat blijkt ook sinds gisteren. Donald Trump is immers verkozen als Amerikaans president met een zeer sterk mandaat van de Amerikaanse bevolking. Ik weiger echter mee te gaan in de paniekzaaierij. De wereld zal van vandaag op morgen niet ineens vergaan. De Verenigde Staten zijn een belangrijke bondgenoot van België en de Europese Unie. De strategische en economische banden tussen ons land en Amerika zijn sterk. Die zijn er vandaag en die zullen er in de toekomst ook nog steeds zijn.

We mogen echter niet naïef zijn. De Verenigde Staten en Trump zullen ons met de neus op een aantal zaken duwen. Een van die zaken is dat wij onvoldoende investeren in onze defensie en in onze veiligheid. Wij zijn freeriders in het NAVO-partnerschap en dat moet stoppen. Trump heeft daarin voor de volle 100 % gelijk. We moeten meer investeren in onze defensie, beter samenwerken met de Europese lidstaten om onze veiligheid te garanderen en we moeten af van het imago dat wij het kleine broertje van de Verenigde Staten zijn. Kortom, ons continent moet volwassen worden en de Europese Unie moet haar verantwoordelijkheid nemen.

Mevrouw de minister, hoe ziet u de samenwerking met Amerika de komende jaren en wat is voor u de belangrijkste uitdaging voor de toekomst?

Michel De Maegd:

Madame la ministre, les électeurs américains l'ont décidé, et de façon incontestable: Donald Trump sera le prochain président des États-Unis. Cela soulève bien des inquiétudes en Europe. Dans le même temps, vous le savez, nous sommes viscéralement attachés à une relation transatlantique constructive, au bénéfice des deux partenaires. Cela ne doit donc pas occulter la nécessité primordiale pour les Européens de développer leur autonomie stratégique. C'est crucial pour constituer une relation équilibrée dans laquelle chacun puisse se respecter et se retrouver.

J'aimerais donc vous poser quelques questions sur les perspectives d'avenir de cette relation dans un contexte géopolitique mondial des plus tendus et des plus complexes.

Madame la ministre, comment analysez-vous les résultats de cette élection et ses conséquences sur les intérêts de la Belgique aux États-Unis? La Belgique et l'Europe peuvent craindre un impact sérieux sur leur commerce extérieur, et donc sur notre croissance économique. Comment peut-on y faire face?

La sécurité européenne, le rôle de l'OTAN, la poursuite de l'aide à l'Ukraine restent des enjeux primordiaux. Comment les Européens vont-ils assumer leurs responsabilités et rester des acteurs respectés en la matière?

On connaît la proximité politique entre Donald Trump et le premier ministre israélien Benjamin Netanyahu. Comment le message européen peut-il rester audible et crédible afin de parvenir à une paix régionale et à une solution à deux États?

Enfin, madame la ministre, l'élection de Donald Trump doit plus que jamais accélérer l'approfondissement du projet européen, accélérer notre autonomie stratégique. Nous devons renforcer l'Union, assumer nos responsabilités en termes de sécurité, d'énergie, de commerce international mais aussi de politique étrangère. Comment l'Union européenne s'est-elle préparée à ce défi, et comment la Belgique va-t-elle y contribuer?

Christophe Lacroix:

Madame la ministre, depuis hier, nous avons à la tête d'une des plus grandes puissances de ce monde un véritable danger. Donald Trump a gagné largement les élections et a bénéficié d'un soutien populaire massif. C'est, du reste, un large soutien que nous n'imaginions même pas. Rendez-vous compte: 20 % des hommes noirs ont voté pour un raciste décomplexé; 54 % des latinos ont voté pour un homme qui n'a pas hésité à dire que des immigrés mangent des chats et des chiens; 52 % des femmes blanches ont voté pour un misogyne, un violeur et un homme qui veut supprimer leurs droits les plus élémentaires comme celui de disposer de leur corps et le droit à l'avortement. Nous espérions la victoire de Kamala Harris, mais il n'en sera pas ainsi.

Les États-Unis , le pays de la liberté, retombent aux mains du conservatisme et de l'obscurantisme. Nous recommençons une traversée glaçante et glaciaire, axée sur le protectionnisme, l'augmentation des droits de douane, le repli sur soi et la diffusion de la haine de ceux qui sont différents. Nous débutons une période violente, durant laquelle la recherche de la paix ne sera pas la priorité. Je pense à l'Ukraine et aux Palestiniens.

Nous sommes des démocrates, nous respectons bien entendu le résultat des urnes, mais notre responsabilité est immense. Toute faiblesse doit être exclue, de même que toute passivité. Nous devons mettre fin à cet extrémisme de droite, à ce terreau pour le populisme, car nous nous situons sur une faille, un point de basculement violent, une période sans scrupule.

Madame la ministre, dans ce moment que je qualifierais d'historique, la Belgique s'est-elle exprimée à l'annonce de l'élection de Trump? Comment envisagez-vous nos futures relations bilatérales et multilatérales?

Raoul Hedebouw:

Madame la ministre des Affaires étrangères de Belgique, l'élection de Donald Trump est une mauvaise chose pour la classe ouvrière et la classe travailleuse américaine. Son programme est clair. C'est le programme du pourcent les plus riches. Il est lui-même un milliardaire fini. Il a lui-même gagné sa campagne en recevant le soutien d'Elon Musk, le big business de la big tech , la communication des plus riches. Il a lui-même, quand il était d'ailleurs président, organisé mille milliards de cadeaux fiscaux aux grandes multinationales. Il a exclu huit millions de travailleurs américains du paiement des heures supplémentaires. Il s'est opposé à l'augmentation du salaire minimum. C'est donc une mauvaise choses pour les travailleurs américains.

Mais cette victoire a évidemment aussi été possible par la défaite cuisante du parti démocrate qui, lui aussi, est le parti de Wall Street et qui, lui aussi, n'a plus su écouter les travailleurs et a organisé réellement la perte de pouvoir d'achat des travailleurs. Comme le dit Bernie Sanders, le parti démocrate a été confronté au fait que, si le parti démocrate a abandonné la classe travailleuse, évidemment, la classe travailleuse a abandonné le parti démocrate.

Se pose maintenant la question pour toutes les forces sociales du monde, pas uniquement aux États-Unis, de savoir ce que nous allons faire. Qu'allons-nous faire ici en Europe, madame la ministre des Affaires étrangères? Continuerons-nous à suivre les Américains?

Zullen wij alweer de schoothondjes zijn van de Amerikanen en de NAVO? Zullen wij alweer blindelings de imperialistische operaties van Amerika in Afghanistan, in Irak en in Syrië volgen?

Ou prendrons-nous notre vraie politique indépendante? C'est la question que j'avais posée pendant la campagne électorale. Allons-nous suivre notre propre voie et tendre la main aux peuples du Sud, tendre la main solidaire plutôt que de suivre la politique guerrière des Américains? Voilà la question!

Anneleen Van Bossuyt:

Goedemiddag, mevrouw de minister. Proficiat met uw verkiezing als Europees commissaris. Ik hoop dat u van die positie zult gebruikmaken om de belangen van Europa en de Verenigde Staten te vrijwaren.

Afgelopen dinsdag werd een nieuwe Amerikaanse president verkozen. Wij horen dat sommigen hier in het halfrond daar een probleem mee hebben. Het is niet de kandidaat geworden die zij hoopten dat het ging worden. Wij als democraten respecteren echter de keuze van het Amerikaanse volk.

Volgens ons is het nu vooral essentieel dat wij onze relatie met de Verenigde Staten in de veranderde context blijven versterken. Wij hebben elkaar meer dan ooit nodig. De Verenigde Staten behoren tot onze belangrijkste handelspartners. Het beleid van de nieuwe Amerikaanse regering zal ook gevolgen hebben voor onze Europese economie. De economische band tussen de Verenigde Staten en Europa is immers zeer sterk. Denk maar aan sectoren als chemie, energie, industrie, technologie en zelfs landbouw. Eventuele veranderingen in het Amerikaanse handelsbeleid zullen direct voelbaar zijn in onze economie. Stel dat de Verenigde Staten een zeer protectionistische koers varen, dan heeft dat een directe invloed op onze export en zal dat ook onze inflatie aanwakkeren.

Daarnaast zijn er geopolitieke uitdagingen. Donald Trump heeft al gezegd dat NAVO-partners die hun defensiedoelen niet halen, minder steun zullen krijgen. Wij, als rode lantaarn wat dat betreft, moeten daar toch aandacht voor hebben.

Mevrouw de minister, hoe zal, ten eerste, dit land zich in de toekomst positioneren ten opzichte van de Verenigde Staten?

Ten tweede, hoe ziet u de effecten op onze geopolitieke relaties, onze handelsrelaties, onze economische relaties en onze veiligheidsbelangen?

Hadja Lahbib:

Mesdames et messieurs les députés, j'entends vos avis. Cette maison permet à chacun de s'exprimer sur le vote qui a été émis hier matin de façon démocratique par les électeurs américains. Je ne me permettrai pas de juger, en tant que ministre des Affaires étrangères, ce choix démocratique. Le premier ministre a d'ailleurs félicité Donald Trump au nom de la Belgique.

Tout le monde se demande quelles seront les conséquences de cette élection. Les États-Unis, l'Europe et la Belgique ont toujours été des partenaires économiques intenses. Ce sont des centaines de milliers d'emplois et les échanges économiques entre nos deux continents représentent évidemment un chiffre d'affaires très important. Ce sont aussi des relations diplomatiques, stratégiques qui sont essentielles.

Nous devons absolument continuer à renforcer cette relation transatlantique à tous les niveaux, autour des valeurs démocratiques de l'État de droit et du multilatéralisme, qui est de plus en plus mis en danger avec les nombreuses violations du droit international auxquelles nous assistons actuellement.

Dans le même temps, l'Union européenne doit prendre son destin en main, peu importe finalement le résultat outre-Atlantique. Il est important de ne pas rester spectateurs des évolutions mondiales et de ne pas être dépendants d'un contexte international. Nous devons continuer à renforcer notre autonomie stratégique à tous les niveaux. Je pense au secteur de l'énergie, à notre politique de Défense, à notre politique industrielle mais aussi à la lutte contre toutes nos formes de dépendances stratégiques, qu'elles soient au niveau de la Défense, de la sécurité sanitaire ou encore de notre compétitivité.

Vous m'avez questionnée sur notre Défense et en particulier sur l'OTAN.

In de NAVO zijn de Verenigde Staten een belangrijke en betrouwbare partner, net als de 31 andere lidstaten. Wij blijven sterk geloven in de onderlinge duurzame banden. Onze collectieve veiligheid kan er alleen maar wel bij varen.

Le Conseil européen va d'ailleurs mener ce soir à Budapest un débat sur les relations transatlantiques et leur impact sur la sécurité et la géopolitique, notamment s'agissant des conflits qui nous occupent le plus. En ce qui concerne l'Ukraine, notre position est que tout processus de paix ne peut avoir lieu qu'en impliquant étroitement l'Ukraine et en prenant en compte ses préoccupations légitimes.

In Boedapest zullen de Europese leiders ook ingaan op de mondiale uitdagingen, waaronder de klimaatveranderingen.

Mesdames et messieurs les députés, dans un monde instable, plein de défis, où les crises deviennent la norme, l'Europe doit plus que jamais se montrer unie et prendre son destin en main, pour garantir sa propre souveraineté, son autonomie stratégique et pour faire demeurer ce projet de paix et de prospérité qui fait la fierté de quelques 450 millions d'Européens.

François De Smet:

Merci pour votre réponse, madame la ministre.

Je ne peux pas m'empêcher d'être inquiet – parce que nous vivons des moments difficiles, historiques et en face de cela, nous avons un gouvernement qui est en affaires courantes, qui n'est donc pas encore plein et légitime.

Moi aussi, je vous félicite pour votre confirmation au sein de la Commission européenne et je vous souhaite un bon travail là-bas. Or, votre départ marque aussi le fait que ce gouvernement va devenir un vaisseau fantôme, comme c'était le cas déjà lorsque Charles Michel et Didier Reynders sont partis. Nous avons d'un côté Trump, nous avons l'Ukraine, nous avons le climat, nous avons une possible récession et, d'un autre côté, nous avons des partis de l'Arizona dont on ne comprend pas très bien où ils en sont. Certains font des notes, d'autres diffusent les notes, les troisièmes contestent les notes. Vous avez des gens qui se disputent sur les tableaux budgétaires, vous avez des gens qui vont voir le Roi et qui ne sont pas d'accord à cinq. Je pense qu'il est grand temps que nous nous hissions à la hauteur des enjeux, parce que le monde, lui, n'attend pas.

Kjell Vander Elst:

Mevrouw de minister, ik dank u voor uw duidelijke antwoord.

Eén zaak is glashelder: de Europese Commissie en de Europese Unie zullen sterk uit de startblokken moeten schieten.

Ik herhaal dat het schrikbeeld en de paniekzaaierij, die hier door verschillende partijen opnieuw zijn tentoongespreid, ons geen stap vooruitbrengen. Wij moeten onze rug rechten. Europa moet een sterk blok vormen.

Ook ons land moet verantwoordelijkheid opnemen. Door het getreuzel van de onderhandelende arizonapartijen verliezen we tijd. Die luxe hebben we niet. De prioriteit voor ons land moet zijn dat we investeren in defensie en in onze veiligheid, nu meer dan ooit.

Michel De Maegd:

Merci, madame la ministre, pour vos réponses

Le retour de Donald Trump à la Maison-Blanche marque, il est vrai, un tournant décisif, mais je ne partage évidemment pas les outrances et la vision quelque peu caricaturale des communistes. En effet, à les écouter, on se demande pourquoi les Américains ont voté pour Donald Trump, en réalité. Ceci étant dit, c'est un signal d'alarme pour l'Europe. Elle ne peut plus être dépendante de Washington et d'un président imprévisible, et qui ne vise au final que l'intérêt américain.

Défense, énergie, commerce, nouvelles technologies: nous devons renforcer d'urgence notre autonomie. C'est une question de souveraineté mais c'est aussi, chers collègues, une question de survie du projet européen. L'Union européenne s'est construite dans les crises, comme celles qu'elle traverse aujourd'hui, avec notamment la guerre en Ukraine. Ces crises doivent être le marchepied d'une Europe beaucoup plus forte. Nous devons être maîtres de notre destin, un destin lié à nos alliés, bien sûr, mais qui ne dépend pas de leur seul bon vouloir. Alliés oui, aliénés non: ce serait le début de la fin.

Dans un autre registre, madame la ministre, permettez-moi, au nom de mon groupe, de vous féliciter pour votre accession à la Commission européenne.

Christophe Lacroix:

Madame la ministre, je vous remercie.

Ce que Trump et ses alliés, Milei, Orban, Meloni, Le Pen, Wilders et j'en passe et pas des meilleurs, espèrent, c'est notre résignation. Mais il y a quelque chose qui ne nous manquera jamais à nous, socialistes: c'est la résolution, c'est le courage et la fidélité.

Je l'affirme avec une forme de solennité car le moment est historique, mais aussi et surtout avec une conviction inébranlable: nous, socialistes, serons toujours en première ligne pour défendre la démocratie et les libertés. Nous, socialistes, serons toujours en première ligne pour défendre les droits des femmes et le droit à l'avortement. Nous, socialistes, serons toujours en première ligne pour défendre les minorités et les personnes LGBTQIA+. Nous, socialistes, serons en première ligne pour protéger la santé et la protection sociale. Nous, socialistes, serons en première ligne aux côtés des Palestiniens et des Ukrainiens et de tous ceux qui souffrent.

L'espoir est toujours plus fort que la peur. La justice triomphe toujours de la haine.

Raoul Hedebouw:

Madame la ministre, comment peut-on être aussi naïf? Donald Trump dit clairement qu'il va se battre à fond pour les intérêts impérialistes américains, et uniquement ceux-là, et votre conclusion politique est qu'il faut renforcer les relations transatlantiques! Mais combien de temps allons-nous encore nous faire berner en croyant naïvement que les Américains défendent les intérêts des Européens? Les Américains défendent l'impérialisme américain. Quand ils disent qu'ils soutiennent Netanyahu au moyen de milliards de dollars en armement, que fait l'Union européenne? Elle se met au garde-à-vous. Que fait-elle lorsque les États-Unis d'Amérique annoncent qu'ils vont bombarder l'Afghanistan, la Libye, la Syrie? Elle se met au garde-à-vous! Quand les Américains nous vendent un gaz très cher pour des milliards d'euros aux dépens de notre industrie, que fait-elle? Elle se met au garde-à-vous.

Combien de temps allons-nous encore croire que cela peut continuer? Tendons la main à tous les pays du Sud qui, aujourd'hui, n'acceptent plus l'ordre (…)

Anneleen Van Bossuyt:

Collega’s, de Amerikaanse kiezer heeft gekozen en we moeten die democratische keuze respecteren. Dat lijkt misschien vanzelfsprekend, maar geloof mij: als men uitgescholden, uitgejouwd en bespuwd wordt, terwijl men een duidelijk mandaat van de kiezer heeft gekregen, dan beseft men dat dat voor sommigen in onze samenleving niet meer zo vanzelfsprekend is. (Applaus en staande ovatie op de banken van de N-VA)

De reactie van de regering op de arrestatie van Ahoo Daryaei door de Iraanse zedenpolitie

Gesteld aan

Hadja Lahbib (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken, Buitenlandse Handel en Federale Culturele Instellingen)

op 7 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Jean-Luc Crucke dringt er bij minister Hadja Lahbib op aan dat België en de EU openlijk stelling nemen tegen de onderdrukking van Iraniërs, zoals het geweld tegen studente Ahou Daryaei (opgesloten in een psychiatrisch ziekenhuis na protest tegen kledingdwang), en eist een confrontatie met de Iraanse ambassadeur. Lahbib benadrukt stille diplomatie om Daryaei’s veiligheid niet in gevaar te brengen, maar belooft prioriteit te maken van mensenrechten in haar EU-rol, terwijl de ambassade in Teheran de zaak discreet opvolgt. Crucke blijft pleiten voor publieke verontwaardiging en druk op Iran, wijzend op het belang van Europese solidarietéit als moreel wapen tegen het regime. Lahbib ontwijkt een harde toezegging (zoals ambassadeursontbieding), maar bevestigt betrokkenheid zonder concrete acties te specificeren.

Jean-Luc Crucke:

Madame la ministre, je manquerais à mes devoirs en ne vous félicitant pas, en mon nom et au nom de mon groupe des Engagés, pour le feu vert que nos collègues parlementaires européens ont donné à votre nomination.

Malheureusement, le sujet que je dois aborder avec vous est moins réjouissant. Vous l'avez certainement vu passer sur les réseaux sociaux, la jeune étudiante iranienne Ahou Daryaei, pour avoir osé contester le diktat vestimentaire face à une police des mœurs de sinistre réputation, termine sans doute aujourd'hui – dans le meilleur des cas, dirais-je – dans un hôpital dit psychiatrique avec, sans doute, des marques à vie. Derrière cette jeune étudiante, il y a d'autres femmes iraniennes. Il y a manifestement dans ce pays, berceau de l'Occident doté d'une culture extraordinaire, une aliénation inacceptable des droits des femmes. Et il est heureux de voir que des citoyens se sont mobilisés via les réseaux sociaux, via une vidéo. On voit qu'il y a un besoin de réaction.

Si je vous questionne aujourd'hui, c'est parce que je voudrais que notre pays réagisse par la voix de la ministre des Affaires étrang è res et de celle du premier ministre pour dire d'une voix forte à cette femme ainsi qu' à toutes les Iraniennes que nous ne les abandonnerons pas. Vous allez assumer une responsabilité au sein de la Commission européenne, il faut que là aussi nous puissions être fiers de ce que nous sommes et fiers surtout de nous montrer solidaires avec ces femmes.

Madame la ministre, quelle est la voix que vous allez porter? Demanderez-vous un rapport à l'ambassadeur? Convoquerez-vous l'ambassadeur d'Iran pour lui communiquer que c'est pour nous totalement inacceptable?

Hadja Lahbib:

Monsieur le député, l'image de cette jeune iranienne qui, par révolte, par désespoir, défie au péril de sa vie un régime qui piétine les droits et les libertés les plus essentiels à l'épanouissement de tout être humain est un exemple de courage, de bravoure et ce geste doit toutes et tous nous inspirer.

Chacun, là où nous sommes, au Parlement, au gouvernement ou dans la société, a un rôle à jouer pour faire avancer les libertés fondamentales et les droits humains. J'y suis très attachée et je me suis d'ailleurs exprimée hier à ce sujet au Parlement européen. Il s'agira certainement de l'une de mes priorités lors de mon prochain mandat.

En tant qu'actuelle ministre des Affaires étrangères, mon rôle est d'agir dans l'intérêt d'Ahou Daryaei, dont le nom restera dans l'histoire. La jeune fille serait actuellement dans un hôpital de Téhéran. Comme je l'ai dit, chacun doit jouer son rôle. Notre ambassade à Téhéran est mobilisée et suit la situation de près avec la discrétion nécessaire pour protéger la vie d'Ahou Daryaei. C'est la raison pour laquelle vous n'avez sans doute pas vu de réaction de la ministre des Affaires étrangères qui est devant vous, ni d'autres ministres des Affaires étrangères d'ailleurs. La diplomatie doit parfois se faire en toute discrétion pour protéger la vie des concernés.

Jean-Luc Crucke:

Je vous remercie, madame la ministre, pour votre réaction et la sensibilité de vos propos. Je peux comprendre qu'il faille parfois faire preuve de discrétion mais je crois aussi qu'il ne faut pas se cacher, ce dont je ne vous accuse pas. Aujourd'hui, cette jeune femme et les autres femmes en Iran ont besoin de sentir, tant que c'est encore possible, que l'Europe est à leurs côtés. Elles sentent sûrement que les citoyens européens le sont. Le courage des hommes et des femmes politiques au sein de notre démocratie est aussi de pouvoir hausser le ton, de ne pas se taire. C'est en parlant que nous serons peut-être les plus forts. Je vous demande de convoquer l'ambassadeur iranien et de lui dire au nom de ce Parlement et de mon groupe des Engagés que nous n'accepterons pas ce qui se passe là-bas.

Het bezuinigingstraject bij Defensie

Gesteld aan

Ludivine Dedonder

op 6 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Belgische minister Dedonder verwerpt publicatie van een gedeclassificeerde DPCR-versie (NAVO-capaciteitsbeoordeling), ondanks Nederlandse transparantie, omwille van strategische risico’s (veiligheidsbedreigingen, verkeerde interpretatie) en het NAVO-standpunt (meeste lidstaten publiceren niet). Buysrogge (oppositie) dringt aan op parlementaire discussie en een resolutie voor meer transparantie, benadrukkend dat voorzichte klassificatie mogelijk is, met Nederland als voorbeeld—beslissing kan wachten tot de volgende DPCR-cyclus (over 2 jaar).

Peter Buysrogge:

Mevrouw de minister, een cruciaal onderdeel van het planningsproces van de NAVO is de Defence Planning Capability Review, die elke twee jaar plaatsvindt. Die DPCR biedt een uitgebreide analyse van de status van alle NAVO-landen en beoordeelt in welke mate ze voldoen aan de vooropgestelde capaciteitsdoelen en ontwikkelingsdoelstellingen.

Bij ons wordt daar geen publiek parlementair debat aan gewijd. Er zijn landen die dat op een andere manier organiseren. Nederland organiseert bijvoorbeeld telkens conform een parlementaire motie een gedeclassificeerde versie van het nationale Nederlandse hoofdstuk van de DPCR. Op die manier krijgen de Nederlandse bevolking en de volksvertegenwoordigers een beter inzicht in de externe doorlichting door de NAVO en tevens een beter beeld van de positie van Defensie. Vorderingen, tekortkomingen en de kritieke capaciteiten worden op die manier benoemd. Specifieke gebieden binnen de krijgsmacht die extra aandacht verdienen, worden geïdentificeerd.

Mevrouw de minister, ik heb dan ook enkele logisch daaruit voortvloeiende vragen.

Ten eerste, ziet u een voordeel in een dergelijke publicatie van een gedeclassificeerde versie van het Belgische hoofdstuk? Ten tweede, mochten ze er zijn, wat zijn de praktische en juridische hindernissen om niet tot een dergelijke publicatie over te gaan? Ten derde, werd er al juridisch advies gegeven door Defensie over de mogelijkheid van een dergelijke publicatie? Zo ja, wat is de inhoud daarvan? Ten slotte, bent u bereid om over te gaan tot een dergelijke publicatie?

Ludivine Dedonder:

Mijnheer de voorzitter, het merendeel van de NAVO-lidstaten kiest ervoor om niet over te gaan tot de publicatie van een gedeclassificeerde versie van de Defence Planning Capability Review. België heeft zich steeds daarbij aangesloten. Er zijn geen specifieke, praktische of juridische hindernissen, maar zelfs een generieke publicatie van het Belgische hoofdstuk van de DPCR zou tot gevolg hebben dat niet alleen de algemene staat van de kritieke capaciteiten van de Belgische Defensie, maar ook die van de NAVO bekend worden, wat als niet-voordelig wordt beschouwd.

Het gaat hier over strategisch gevoelige informatie, die uitgebuit kan worden door statelijke en niet-statelijke actoren die de nationale en collectieve veiligheid kunnen ondermijnen. Bovendien zou de technische aard van militaire capaciteitsbeoordelingen verkeerd geïnterpreteerd kunnen worden, wat tot ongewenste speculatie of bezorgdheid zou kunnen leiden.

Tijdens deze legislatuur werd een juridisch advies gevraagd noch gegeven. Een eventuele herziening van de Belgische positie ter zake is pas over twee jaar aan de orde. Aan het begin van het DPCR-proces vraagt de NAVO immers aan de lidstaten of de resultaten al dan niet gepubliceerd zullen worden.

Peter Buysrogge:

Mevrouw de minister, u zegt dat de meerderheid het niet doet, maar een aantal landen doet het dus wel. Voor de transparantie en een beter beeld, zowel voor de volksvertegenwoordiging als voor de bevolking, lijkt het me belangrijk om dat toch te overwegen. Het is zeker niet mijn bedoeling om zomaar strategische informatie op straat te gooien. We moeten daarmee voorzichtig omgaan en kijken welke lessen er kunnen worden geleerd van bijvoorbeeld Nederland, dat het wel doet. In die zin heb ik dan ook – dit zal voer zijn voor een bespreking in de commissie in een van de komende weken – samen met mijn fractie een resolutie voorbereid om ons als Parlement te kunnen buigen over de vraag in hoeverre we aan de minister zouden kunnen vragen om die informatie wel kenbaar te maken. Ik heb uit uw antwoord begrepen dat er daarvoor nog tijd is, gelet op de tijdshorizon van twee jaar. Het lijkt me wel relevant om over die informatie, weliswaar gedeclassificeerd en rekening houdend met strategisch gevoelige informatie, te beschikken.

De verplichte decompressieperiode voor militairen op missie

Gesteld door

lijst: Groen Staf Aerts

Gesteld aan

Ludivine Dedonder

op 6 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België voert een verplichte decompressieperiode van drie dagen in Duitsland in voor militairen na buitenlandse missies (o.a. Oekraïne-grens), om hun mentale re-integratie te verbeteren via begeleiding door psychosociale experts. Uit lopend onderzoek (2022) blijkt nood aan structurele steun: tot nu toe werden stressgevallen individueel opgevangen, maar het nieuwe aanbodgestuurde model (voor *alle* militairen) moet problemen vroeger detecteren—effectmeting volgt via vragenlijsten voor/na de periode en na 1-2 maanden. Samenwerking met Nederland en Frankrijk (ervaring met decompressie) zorgt voor kennisuitwisseling; extra opleiding is vooralsnog niet nodig, maar evaluatie bepaalt toekomstige aanpassingen. Aerts benadrukt dat mentale gezondheid van militairen minstens zo cruciaal is als materiële versterking van Defensie.

Staf Aerts:

Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, generaal-majoor Marc Ongena, het hoofd van de Medische Component, kondigde aan dat de Belgische militairen die van een buitenlandse opdracht terugkeren voortaan op het einde van een buitenlandse missie verplicht moeten deelnemen aan een zogenaamde adaptatie- of decompressieperiode. Die periode komt natuurlijk het mentale welzijn van de militairen ten goede; dat is de reden waarom die verplichting wordt ingelast.

Het is de bedoeling om de militairen tijdens de laatste week van die missie drie dagen in Duitsland te laten verblijven, om op die manier de militair tot rust te laten komen, te laten acclimatiseren en hem in staat te stellen de stress van de operationele inzet achter zich te laten alvorens terug – in veel gevallen – in het gezinsleven terecht te komen. Dat gebeurt allemaal onder begeleiding van Belgische experts in psychosociale ondersteuning. Voor de eerste keer zal dat worden toegepast voor de militairen die volgende maand zullen terugkeren na zes maanden op missie aan de grens met Oekraïne.

Mevrouw de minister, uit internationaal onderzoek blijkt dat van de militairen die aan intense stresssituaties zijn blootgesteld, zowat 10 % ernstige psychische problemen ontwikkelt. Hebt u een zicht op de situatie bij onze Belgische militairen? Staat daarnaar verder onderzoek op de planning? Indien niet, waarom niet?

Op welke manier werden militairen die aan intense stresssituaties zijn bloot gesteld tot nu opgevangen? Blijft dat systeem behouden of wordt dat afgebouwd als gevolg van de nu verplichte maatregel van de decompressieperiode?

Hoe groot wordt het heilzame effect van die decompressieperiode ingeschat? In welke mate vermindert die periode de kans op ernstige psychische problemen?

Vraagt die nieuwe aanpak ook extra Belgische experts in psychosociale ondersteuning en/of dienen de huidige experts extra geschoold te worden? Het gaat immers om een nieuw gegeven, om nieuwe omstandigheden. Wordt daarvoor in extra opleiding voorzien?

In andere landen, ook Europese landen, bestaat een dergelijke adaptatieperiode reeds. Is er een uitwisseling geweest met die landen om te leren hoe zij dat aanpakken? Indien die contacten hebben plaatsgevonden, welke zijn de lessons learned ?

Ludivine Dedonder:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer Aerts, in het verleden werd vastgesteld dat sommige militairen moeilijkheden konden ondervinden om thuis te re-integreren na een opdracht.

In 2022 heeft Defensie een onderzoek opgestart om die moeilijkheden en de behoeften van onze militairen te identificeren. In het kader van dat onderzoek wordt bij de militairen die aan een zending deelnamen telkens een vragenlijst afgenomen een maand na terugkeer.

Op basis van de voorlopige resultaten van de twee meest recente rotaties stellen we vast dat er wel degelijk nood is aan psychosociale steun.

Momenteel worden de militairen voor en tijdens de zending regelmatig geïnformeerd over het bestaan van de psychosociale diensten die hun ter beschikking staan binnen Defensie.

Wanneer militairen tijdens een zending aan intense stresssituaties werden blootgesteld, werden ze persoonlijk gecontacteerd door medewerkers van het Centrum voor Geestelijke Gezondheidszorg en van het Psychosociaal, Moreel en Religieus Platform.

De genaamde Recovery Group of de groepsgesprekken zijn ook een middel dat de militairen kunnen gebruiken als zij post-traumatic stress disorder -klachten hebben. Het adaptatiesas, dat onder de verantwoordelijkheid van Health & Well-being werkt, is een toegankelijke maatregel die het volledige detachement kan bereiken, met inbegrip van de militairen die in eerste instantie daaraan geen nood hebben.

Wij zullen het effect van het huidige adaptatiesas evalueren op basis van de resultaten van de vragenlijst die de militairen zullen invullen op drie verschillende momenten, namelijk net voor het verblijf in het adaptatiesas, net na het verblijf en een à twee maanden na het verblijf.

Alle medewerkers van het Psychosociaal, Moreel en Religieus Platform zijn betrokken bij de organisatie van het adaptatiesas, namelijk de psychologen, de maatschappelijk assistenten, de aalmoezeniers, de morele consulenten alsook de preventieadviseurs voor psychosociale aspecten.

Dit personeel werkt multidisciplinair samen om een allesomvattende steun te kunnen aanbieden. Er wordt een internecoördinatiedag tussen de experts per adaptatiesas georganiseerd.

Momenteel wordt er geen behoefte aan extra vorming onderkend. Uiteraard zullen de werking en de resultaten van dat adaptatiesas worden geëvalueerd en indien nodig zullen aanpassingen worden doorgevoerd. We werken in dat verband reeds meerdere jaren actief samen met de Nederlandse en Franse defensiediensten. Ze hebben al een jarenlange ervaring verworven met decompressie van militairen na hun opdracht. Zo onderhouden we onze competenties en schaven we ze voortdurend bij.

Staf Aerts:

Mevrouw de minister, voor alle duidelijkheid, ik stel mijn vragen niet omdat ik het geen goed initiatief vind. Het is een zeer goed initiatief. We stappen over van een vraaggestuurd model, waarbij een militair met een probleem naar begeleiding vraagt, naar een aanbodgestuurd model, waarbij iedereen tout court begeleiding krijgt. Zo zullen we psychosociale problemen meteen kunnen opvolgen en misschien sneller kunnen aanpakken. Ik ben zeer benieuwd naar de evaluatie van het initiatief. Ik heb er echter alle begrip voor dat dat nu nog voorbarig is. Er wordt een belangrijke stap gezet voor het mentale welzijn van onze militairen. Als we praten over versterking van het leger, hebben we het bijna altijd over het materieel. Het materieel moet echter bestuurd worden en dat wordt gedaan door mensen die minstens een even belangrijk kapitaal vormen als het materieel. Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 11.17 uur. La réunion publique de commission est levée à 11 h 17.

De uitspraak van het Hof van Justitie van de EU over de asielaanvragen van Afghaanse vrouwen
De vluchtelingenstatus voor Afghaanse vrouwen
De situatie van de Afghaanse vrouwen
Afghaanse vrouwen en de vluchtelingenstatus
De uitspraak van het Europees Hof van Justitie over asielaanvragen van Afghaanse vrouwen
EU-uitspraken en asielstatus voor Afghaanse vrouwen

Gesteld aan

Nicole de Moor (Staatssecretaris voor Asiel en Migratie)

op 6 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Het Europees Hof van Justitie oordeelde dat Afghaanse vrouwen automatisch als vervolgde sociale groep moeten worden erkend op basis van nationaliteit en geslacht, wat in België al grotendeels werd toegepast door het CGVS (erkenningsgraad: 95,6% voor vrouwen in 2024). De staatssecretaris benadrukte dat individuele toetsing (o.a. nationaliteitscontrole, uitsluitingsgronden) blijft gelden, zonder automatisch asiel toe te kennen, om misbruik en aanzuigeffect te voorkomen. Kritiekpunten betroffen de onzekere status van Afghaanse mannen (slechts 38% erkenning) en de lage instroom van vrouwen (16% van Afghaanse asielzoekers) door reisbeperkingen. Partijen waarschuwden voor te globaal groepsbeleid, maar steunden humanitaire opvang met behoud van strikt individueel onderzoek.

Voorzitter:

Mevrouw Safai is verontschuldigd.

Francesca Van Belleghem:

Mevrouw de staatssecretaris, op 4 oktober 2024 stelde het Europees Hof van Justitie in Luxemburg dat Afghaanse vrouwen als een specifieke sociale groep aangezien moeten worden en dat ze bij hun terugkeer naar het land van herkomst daadwerkelijk en specifiek vervolging dreigen te ondergaan vanwege de onderdrukking door de taliban. Om te oordelen over de asielaanvraag, volstaat het volgens het Hof om alleen te kijken naar de nationaliteit, zijnde Afghaans, en naar het geslacht, zijnde vrouw, om in aanmerking te komen voor een asielstatus.

Bestaat er volgens u een risico dat dat zal leiden tot een toename van het aantal asielaanvragen en dat de uitspraak een aanzuigeffect heeft?

Zal er bij de beoordeling van toekomstige asielaanvragen door het CGVS rekening worden gehouden met die beslissing, of oordeelde het CGVS al in die zin en zal het arrest dus geen impact hebben?

Wat is momenteel de erkenningsgraad van Afghaanse vrouwen?

Bent u voorstander van beslissingen waarbij het voldoende is om nationaliteit en geslacht in aanmerking te nemen voor de toekenning van een asielaanvraag?

Hoe zorgt u ervoor dat de individuele toetsing van een asielaanvraag gewaarborgd blijft?

Khalil Aouasti:

Madame la secrétaire d'État, les droits des femmes en Afghanistan sont de jour en jour de plus en plus restreints par le régime des talibans et ces droits finiront par devenir inexistants.

Face à cette situation, aux discriminations graves, aux violences de genre, qui hélas ne font plus les gros titres de la presse internationale depuis de trop nombreux mois, la Cour de justice de l'Union européenne a publié un arrêt important. Elle indique que dans le cadre d'une procédure d'asile, la nationalité et le sexe suffisent pour établir qu'une femme afghane fasse l'objet de persécutions en cas de retour dans son pays. Chaque État membre pourra désormais se baser uniquement sur ces critères pour accorder une protection internationale aux femmes afghanes.

Madame la secrétaire d'Etat, dans le cadre de la procédure d'asile en Belgique, quelles sont les conséquences concrètes de cet arrêt pour les femmes afghanes?

Le CGRA a-t-il revu ses instructions dans le sens précisé par la Cour de justice de l'Union européenne?

Au 1 er octobre 2024, combien de femmes afghanes ont demandé le statut de réfugiées dans notre pays et combien ont reçu une suite favorable cette année?

Une procédure de révision des décisions prises pour les femmes afghanes toujours présentes sur le territoire est-elle envisagée ou leur demanderez-vous d'introduire une nouvelle demande, dite multiple, qui serait justifiée par ce nouvel arrêt de la Cour de justice?

Qu'en est-il des membres de la famille accompagnant ces femmes?

Pourriez-vous m'indiquer ce qu'il en est de la situation des hommes afghans qui sont toujours dans un no man's land juridique sur notre territoire?

François De Smet:

Madame la secrétaire d'État, l'Afghanistan est redevenu un enfer pour les femmes depuis le retour des talibans. Nous ne comptons plus les mesures de privation de droits qui touchent les femmes afghanes qui sont interdites d'accès à l'éducation, exclues de la quasi-totalité des emplois, interdites de vie sociale, interdites d'apparaître dans l'espace public sans être accompagnées.

Il leur a même été récemment interdit de parler entre elles. La presse nous apprend en effet que le ministre afghan de la Promotion de la vertu et de la Prévention du vice a affirmé que les femmes ne devaient pas entendre la voix d'autres femmes, même lorsqu'elles prient.

Nous n'avons évidemment pas de moyens directs d'action pour aider ces femmes là-bas mais notre pays, comme les autres pays de l'Union européenne, a un levier: se montrer ouvert.

Lorsque des femmes venues d'Afghanistan introduisent une demande d'asile, nous pourrions faire en sorte qu'être femme et venir d'Afghanistan constituent en soi une catégorie de personnes à laquelle nous pouvons et devons offrir asile et protection, comme nous le permet désormais la Cour de justice de l'Union européenne.

Madame la secrétaire d'État, pouvez-vous nous dire si cette catégorie de réfugiées fait l’objet d’une attention spécifique du CGRA? Pouvez-vous nous donner les chiffres relatifs au nombre de demandes concernées?

Rajae Maouane:

Madame la secrétaire d'État, chaque jour, les droits des femmes en Afghanistan s’effacent sous le régime des talibans. Elles sont privées de toute liberté. Alors que le monde regarde malheureusement ailleurs, la Cour de justice de l'Union européenne a affirmé qu'être femme et afghane suffit désormais pour être considérée en danger et obtenir protection en Europe.

Madame la secrétaire d'État, que signifie concrètement cet arrêt pour les femmes afghanes en Belgique? Le CGRA a-t-il revu ses pratiques pour faciliter leur demande d'asile? Combien de femmes afghanes ont été protégées ici cette année? Pour celles qui sont déjà présentes, une révision de leur dossier est-elle envisagée ou devront-elles reprendre la démarche pour faire valoir ce droit?

Concernant leurs proches, en particulier les hommes afghans, comment ce statut est-il appliqué?

Je vous remercie pour vos réponses, dont j’espère qu’elles éclaireront un peu le sort de ces femmes qui ont tout perdu.​

Voorzitter:

Zijn er leden die zich daarbij wensen aan te sluiten?

Greet Daems:

Mevrouw de staatssecretaris, nooit en nergens ter wereld zouden vrouwen moeten meemaken wat er nu in Afghanistan gebeurt. Daarover zijn we het allemaal eens. De vrouwen die in ons land bescherming vragen, moeten die ook kunnen krijgen. Het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie komt neer op een directe erkenning van de vluchtelingenstatus van Afghaanse vrouwen. Alleen de nationaliteit en het geslacht zijn al voldoende om aan te tonen dat ze vervolging riskeren. De PVDA vindt het dan ook uw plicht om dat arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie ook in België ten uitvoer te leggen.

Zult u dat doen? We hopen alvast dat u dat zeer ernstig neemt.

Nicole de Moor:

Mijnheer de voorzitter, ik bedank de parlementsleden voor hun vragen over het beschermingsstatuut van Afghaanse vrouwen en het recente arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie daarover.

Depuis la reprise du traitement de toutes les demandes d'Afghans en mars 2022, le traitement de ces dossiers par le Commissariat général aux réfugiés et aux apatrides (CGRA) va déjà dans le sens de cet arrêt. La pratique du CGRA est donc déjà conforme à l'arrêt de la Cour européenne de Justice qui a été discuté. Il n'y a donc pas lieu de procéder à un réexamen du dossier, monsieur Aouasti. Toutes les ressortissantes afghanes peuvent prétendre au statut de réfugiée en tant que groupe social déterminé.

Het begrip 'sociale groep' wordt namelijk in die zin geïnterpreteerd. Het is al langer duidelijk dat vrouwen in Afghanistan zich in een zeer precaire situatie bevinden. De discriminerende maatregelen die de taliban aan Afghaanse vrouwen opleggen, volstaan volgens de huidige rechtspraak op zich om te worden beschouwd als daden van vervolging. Het is goed dat het Hof van Justitie ook duidelijkheid schept met het oog op een uniforme toepassing van de kwalificatierichtlijn en de Conventie van Genève in alle lidstaten. Een harmonisering van de interpretatie wat dat betreft door verschillende lidstaten is een belangrijke zaak.

Wat de cijfers betreft, in 2024 is 16 % van de Afghaanse verzoekers een vrouw, wat iets hoger ligt dan voorgaande jaren. In 2023 was dat 11 %, in 2022 was dat 7 %. De voorgaande jaren waren er ongeveer 250 volwassen Afghaanse vrouwelijke verzoekers. Voor de eerste 9 maanden van dit jaar zitten we ook aan dat cijfer. Wellicht zal het aantal dus iets hoger liggen dit jaar, al betreft het een zeer beperkte stijging.

Het verbaast niet dat die cijfers zo laag zijn. Het is geweten dat Afghaanse vrouwen veel moeilijker het land kunnen verlaten en veel moeilijker op eigen houtje kunnen reizen. Het is belangrijk op te merken dat we de afgelopen jaren een heel sterke daling hebben gezien van het aantal Afghaanse niet-begeleide minderjarigen. Daar ging het voornamelijk om jongens. Er is dus inderdaad een kleine procentuele stijging van de vrouwen, tot 16 % vandaag.

En 2024, jusqu'à la fin du mois de septembre, un total de 2 486 personnes afghanes ont demandé une protection internationale dont 390 femmes et filles. Au cours de la même période de référence, le CGRA a accordé le statut de réfugiée à 372 femmes et filles afghanes. Cela représente un taux de reconnaissance de 95,6 %. Veuillez noter aussi que les décisions de 2024 ne sont pas nécessairement liées aux demandes de 2024.

Het is belangrijk op te merken dat er een daling is in het totale aantal Afghaanse verzoeken en een nog grotere daling van het aantal eerste verzoeken in België. Maar vergis u niet, collega's, er vindt nog altijd een onderzoek op individuele basis plaats. Ik vind dit zelf heel belangrijk. Het CGVS zal nog altijd moeten nagaan of de verzoekster daadwerkelijk de Afghaanse nationaliteit heeft, of er bepaalde uitsluitingsgronden spelen en of de verzoekster niet reeds internationale bescherming geniet in een andere Europese lidstaat.

Het CGVS kan dus nog steeds een weigeringsbeslissing nemen wegens nationaliteitsfraude, of een beslissing van niet-ontvankelijkheid wegens het reeds hebben van een statuut van internationale bescherming in een andere Europese lidstaat. Het CGVS volgt altijd de wettelijk voorziene procedures en zal dus niet zomaar overgaan tot een automatisch erkenningsbeleid.

Hetzelfde geldt uiteraard voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.

Il convient toutefois de noter que la grande majorité des demandeurs afghans sont des hommes. Pour les hommes célibataires, le CGRA évaluera également sur une base individuelle, pour chaque demandeur, s'il existe un besoin de protection tenant compte de la situation actuelle en Afghanistan. Actuellement, le taux de reconnaissance global du CGRA pour les Afghans est de 38 %.

Francesca Van Belleghem:

Mevrouw de staatssecretaris, op basis van uw antwoord heb ik toch nog een kleine, bijkomende vraag. Ik weet niet of dat mogelijk is?

Spelen de uitsluitingsgronden nog steeds, bijvoorbeeld die wegens verstoring van de openbare orde, ongeacht de rechtspraak? (De staatssecretaris knikt instemmend.) Oké.

Los van de situatie in Afghanistan moeten we echt wel opletten voor rechterlijke uitspraken die de individuele toetsing van asielaanvragen moeilijker of onmogelijk maken, al wordt er in de praktijk gesproken van een sociale groep of al erkent men in de praktijk al bijna alle vrouwen. Ik meen dat we zeer voorzichtig moeten zijn groepen in globo te erkennen. Daar gaat volgens mij wel een aanzuigeffect van uit.

Khalil Aouasti:

Madame la secrétaire d' é tat, je vous remercie pour vos réponses. Je vous remercie aussi d'avoir confirmé que notre pays n'a pas attendu l'arrêt de la Cour de justice pour considérer que la condition de femme était malheureusement une condition pour être maltraitée et persécutée sur le territoire afghan. Je vous remercie également d'avoir confirmé que le Commissariat général aux réfugiés et aux apatrides a anticipé les choses. Je pense qu'il est très heureux que notre jurisprudence ait anticipé cette jurisprudence de la Cour de justice et qu'elle se maintienne comme telle.

Je rappelle néanmoins malheureusement toujours le sort de ces centaines d'hommes afghans qui sont ici. Ils ne sont pas reconnus, mais ils sont considérés comme inexpulsables vers leur pays d'origine; ils se trouvent donc dans un no man's land et errent aujourd'hui dans une relative incertitude pour un temps dont on ignore la longueur. Je pense qu'il faut aussi pouvoir profiter de cette tribune pour lancer un message et faire en sorte qu'il y ait de l'humanité dans la manière dont sont traitées ces demandes-là, afin que ces hommes afghans qui sont sur le territoire puissent avoir un avenir.

François De Smet:

Madame la secrétaire d'État, je vous remercie pour vos réponses très claires. Moi aussi, je suis heureux que la Belgique n'ait pas attendu l'arrêt de la Cour de justice pour considérer que les femmes afghanes sont une catégorie devant bénéficier de cette protection. Je pense que c'est le devoir de notre pays de continuer en ce sens et de s'intéresser malgré tout au sort des hommes afghans. Ces derniers ne sont pas dans la même situation, mais la leur n'est pas très enviable non plus.

Rajae Maouane:

Merci, madame la secrétaire d'État, pour vos réponses qui sont assez rassurantes. Aujourd'hui, notre attention et notre engagement envers ces femmes doivent être totaux, pleins et entiers, face à cette situation tragique. Je vous appelle à continuer à faire de notre pays un allié inébranlable pour ces femmes qui sont contraintes de fuir et qui sont dans des situations absolument désastreuses là-bas. Comme mes collègues, je rejoins l'appel lancé concernant les hommes afghans; il faut traiter ces dossiers avec humanité. Je sais que vous en faites preuve. Merci beaucoup.

Voorzitter:

Zijn er leden die wensen aan te sluiten?

Maaike De Vreese:

Mijnheer de voorzitter, mevrouw de staatssecretaris, mevrouw Darya Safai en ikzelf hebben het arrest zelf heel goed gelezen. Daarin kan worden vastgesteld dat het Europees Hof de lidstaten toestemming geeft om de vluchtelingenstatus uit te reiken op basis van louter herkomst en geslacht. Daarin is de toestemming belangrijk. Het Europees Hof verplicht de lidstaten inderdaad in geen enkel geval een en ander categorisch te doen, over de hele categorie heen. Dus weigeren op basis van een individueel onderzoek is en blijft mogelijk. Het lijkt voor ons heel belangrijk dat het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, op dit moment een heel onafhankelijke organisatie of instantie, het op die manier ook blijft doen, namelijk op strikt individuele basis blijven oordelen. Indien een Afghaanse vrouw immers niet in dat geval is, moeten wij de status ook niet toekennen. Wij zijn bezorgd dat, wanneer dat voor een hele categorie wordt gedaan, daarvan binnen de kortste keren misbruik zal worden gemaakt en het een aanzuigeffect kan hebben. Afghaanse vrouwen worden dan naar hier gestuurd opdat de mannen ook naar hier kunnen komen op basis van het statuut dat de vrouw hier heeft gekregen. We mogen ter zake niet naïef zijn en moeten de dossiers op individuele basis blijven bekijken.

De situatie van de Afghaanse verzoekers om internationale bescherming

Gesteld door

lijst: PVDA Greet Daems

Gesteld aan

Nicole de Moor (Staatssecretaris voor Asiel en Migratie)

op 6 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België kent slechts 38% van Afghaanse mannelijke asielzoekers een beschermingsstatuut toe—veel lager dan buurlanden (EU-gemiddelde 63%)—door verschillen in risicoprofielen (vooral alleenstaande Pasjtoense mannen) en methodes (bv. Duitsland gebruikt tijdelijke statuten buiten EU-bescherming). Terugkeer is de facto onmogelijk: vrijwillig gebeurt het zelden, gedwongen terugkeer faalt door gebrek aan samenwerking met de Taliban, terwijl geweigerden in illegaliteit belanden zonder rechten of inkomen. De staatssecretaris wijst structurele oplossingen (zoals tijdelijke verblijfsvergunningen) af, benadrukkend dat negatieve beslissingen terugkeer *verplichten*—ondanks praktische belemmeringen—om het asielsysteem niet te ondermijnen. Daems kaart de humanitaire patstelling aan: mannen zitten klem tussen onmogelijke terugkeer en een leven in de illegaliteit, zonder werk, huisvesting of EU-hulp via Dublin.

Greet Daems:

Mevrouw de staatssecretaris, het is positief dat de meeste Afghaanse vrouwen die in ons land asiel aanvragen, dat ook effectief krijgen. Deze vraag gaat echter over de Afghaanse mannen, voor wie het een totaal ander verhaal is. Aan slechts 38 % van de Afghaanse mannen die in ons land asiel aanvragen, wordt dat ook effectief verleend. In onze buurlanden ligt de erkenningsgraad veel hoger. Voor de gehele Europese Unie krijgt 80 % verblijfsrecht. In Duitsland is dat 93 %, in Nederland 88 % en in Denemarken 94 %.

De Afghanen die geweigerd worden krijgen een bevel om het grondgebied te verlaten. Gedwongen terugkeer naar Afghanistan is echter niet mogelijk. In de vorige legislatuur beklemtoonde u verschillende keren dat vrijwillige terugkeer wel mogelijk is, maar in de praktijk stellen we vast dat dat absoluut niet het geval is. De situatie van geweigerde Afghaanse verzoekers om internationale bescherming is bijgevolg verschrikkelijk. Ze kunnen nergens naartoe en worden gedwongen tot een leven zonder wettig verblijf. Het Federaal Migratiecentrum, Myria, vraagt een oplossing voor de Afghanen die in zo'n uitzichtloze situatie zijn beland, zonder rechten, inkomen of hulp.

Hoe komt het dat er zulke grote verschillen bestaan tussen de erkenningsgraad van Afghanen in België en die van Afghanen in buurlanden als Nederland of Duitsland? Wat zult u doen opdat zij niet in de illegaliteit belanden? Waarom blijft u steevast weigeren om hun een tijdelijke verblijfsvergunning te geven?

Nicole de Moor:

Mevrouw Daems, uw vraag sluit perfect aan bij het actualiteitsdebat van daarnet. Ik heb gezegd dat het huidige beschermingspercentage voor Afghanistan voor alle beslissingen ten gronde 38 % bedraagt. De niet-ontvankelijkheidsbeslissingen niet meegerekend, bedraagt het beschermingspercentage 43 %.

U kunt niet zomaar een vergelijking met andere lidstaten maken, gelet op verschillende factoren. De beschermingsgraad van Afghanen in de EU-lidstaten, het aantal toegekende vluchtelingenstatussen en subsidiairebeschermingsstatuten gedeeld door het totale aantal verzoeken, bedraagt voor de eerste zes maanden van 2024 zo’n 63,2 %. Duitsland kende in de eerste helft van 2024 aan slechts 46,2 % van de Afghanen internationale bescherming toe. Daarnaast kent Duitsland ook tijdelijke statuten toe die niet onder het stelsel van internationale bescherming vallen. De cijfers van de buurlanden zijn dus niet altijd representatief voor die bijzondere statuten.

Een vergelijking van de beschermingsgraad voor de verschillende lidstaten wordt onder meer bemoeilijkt door het verschil in profielen die zich aanbieden. Een lager aandeel positieve beslissingen kan dus ook te wijten zijn aan het feit dat zich in bepaalde lidstaten minder risicoprofielen aanbieden, bijvoorbeeld etnische minderheden of vrouwen. Ik heb al gezegd dat het aantal vrouwen ter zake in België 16 % omvat. Zo dienen in België hoofdzakelijk alleenstaande Pasjtoense jonge mannen een verzoek om internationale bescherming in en ligt de weigeringsgraad bij hen zeer hoog.

Beschermingspercentages zijn bovendien slechts representatief als ze betrekking hebben op een aanzienlijke hoeveelheid dossiers. Zo werden in landen zoals Nederland, Finland, Noorwegen of Denemarken de jongste jaren zeer weinig asielaanvragen van Afghanen behandeld of lag de prioriteit op de behandeling van dossiers met veel kans op erkenning. In heel wat van die landen werden gedurende lange tijd de procedures opgeschort. Zo werd in Denemarken sinds begin 2024 tot nu in slechts 90 Afghaanse dossiers een beslissing genomen. De erkenningsgraad kan daar dan inderdaad wel op 94 % liggen, maar dat zegt op zich zeer weinig in vergelijking met de cijfers in België.

Ten tweede, wat de terugkeer betreft, iemand met een negatieve asielbeslissing en zonder enig ander verblijfsrecht moet naar zijn land van herkomst terugkeren. Die terugkeer gebeurt bij voorkeur vrijwillig. Verschillende personen zijn al vrijwillig teruggekeerd naar Afghanistan, ofwel met de steun van Fedasil, ofwel zelfstandig. Een terugkeer is dus absoluut niet onmogelijk. U blijft het tegendeel herhalen, elke commissievergadering opnieuw, maar dat is niet juist, zoals ik u al gezegd heb. Een gedwongen terugkeer blijft vandaag inderdaad moeilijk, omdat we daarvoor moeten samenwerken met het talibanregime, maar het is evenmin onmogelijk. Recent werden door Duitsland bijvoorbeeld 28 Afghanen met een zwaar crimineel verleden onder dwang teruggestuurd. Ook mijn asieldiensten zijn aan het bekijken hoe wij de terugkeer naar Afghanistan kunnen verhogen.

U spreekt over humanitaire regularisatie. Welnu, dat wordt altijd op individuele basis onderzocht. Ik kan u wel meedelen dat het feit dat men Afghaan is, voor mij absoluut niet volstaat. We hebben in ons land een goedwerkende asielprocedure. We beschermen de mensen die bescherming nodig hebben. Als men na een grondige asielprocedure een negatieve beslissing krijgt, dan betekent het dat men kan terugkeren naar het herkomstland. Meer nog, het betekent dat men móét terugkeren naar zijn herkomstland. Wie zich daarbij niet neerlegt maar van mening is dat ongeacht de uitkomst van een asielbeslissing toch aan iedereen een verblijfsstatuut toegekend moet worden, ondermijnt het volledige asielsysteem.

Greet Daems:

Mevrouw de staatssecretaris, ik dank u voor het antwoord. In het voorbije actualiteitsdebat had u het daarnet over harmonisering van de lidstaten. U vond de uitspraak van het Europees Hof van Justitie over de bescherming van Afghaanse vrouwen belangrijk, omdat op die manier het beleid in de lidstaten geharmoniseerd wordt. Voor de Afghaanse mannen volgt u dat niet, of ik hoor althans toch een grote 'maar'. Ik vind dat opmerkelijk. Eigenlijk laat u die Afghaanse mannen aan hun lot over door niets te doen aan hun situatie. Zij hebben hier geen recht op verblijf, maar draai of keer het zoals u wilt, ze kunnen heel moeilijk terug. Heel veel mensen zitten vast tussen twee muren. Ze mogen hier niet werken. Ze kunnen niet huren. Wat moeten ze doen? Als ze elders asiel aanvragen, worden ze conform de Dublinprocedure terug naar België gestuurd. Er moet toch een andere oplossing zijn?

De verdachten van de steekpartijen in Sint-Niklaas

Gesteld aan

Nicole de Moor (Staatssecretaris voor Asiel en Migratie)

op 6 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Staatssecretaris Nicole De Moor bevestigde twee geweldsincidenten in Sint-Niklaas (7 okt 2024): een vechtpartij tussen twee Afghaanse asielzoekers (disciplinair overgeplaatst naar andere centra) en een losstaand steekincident *zonder* betrokkenheid van opvangbewoners. Ze benadrukte nultolerantie maar handhaaft huidige sancties (enkel verplaatsing, geen uitsluiting). Over de moord in Yvoir (22-jarige asielzoekster vermoord door ex-partner) wees ze op lopend onderzoek en eerdere verplaatsing van de verdachte, *niet* als reactie op de feiten. Vlaams Belang eist versnelde uitsluiting van geweldplegers uit opvangnetwerk via strengere wetgeving.

Francesca Van Belleghem:

Mevrouw de staatssecretaris, op maandag 7 oktober 2024 vonden er op een kwartier tijd twee steekincidenten plaats in Sint-Niklaas. In de krant konden we hierover het volgende lezen: "Staatssecretaris voor Asiel en Migratie Nicole De Moor nam ondertussen maatregelen tegen de twee Afghaanse asielzoekers die maandagavond opgepakt werden in de Stationsstraat. Zij werden verplicht overgebracht naar een ander opvangcentrum."

Kunt u me meedelen op basis van welke verblijfsstatus de betrokkenen verdachten, die niet de Belgische nationaliteit hebben, in dit land verblijven en welke nationaliteit ze hebben? Indien het om asielzoekers gaat, hoelang zijn de personen in kwestie al in ons land? Betreft het hun eerste asielverzoek? Naar welk asielcentrum werden de twee Afghaanse asielzoekers overgebracht? Mijn belangrijkste vraag is waarom deze personen niet worden uitgesloten van het opvangnetwerk.

Als u me toestaat, wil ik deze vraag ook aangrijpen om het over de horrorfeiten van maandag in het Naamse stadje Yvoir te hebben. Daar werd een 22-jarige asielzoekster op brutale wijze vermoord. Zij is de keel overgesneden en in de Maas gegooid. De verdachte, die haar ex-vriend zou zijn, werd overgeplaatst naar een ander asielcentrum. Kunt u die feiten bevestigen en ons daar wat meer over vertellen? In de media horen we daar immers bitter weinig over.

Nicole de Moor:

Mevrouw Van Belleghem, op 7 oktober vonden er inderdaad twee vechtpartijen plaats in het stadscentrum van Sint-Niklaas. Die vechtpartijen stonden los van elkaar, maar ik veroordeel beide incidenten met klem. We moeten een absolute nultolerantie hanteren voor geweld in en rond de opvangcentra, binnen de grenzen van wat de wet mij toelaat.

Bij het eerste incident, dat trouwens geen steekincident was maar wel een vechtpartij, waren twee meerderjarige bewoners van het opvangcentrum Westakkers betrokken. Op basis van de informatie werd overgegaan tot een disciplinaire transfer van de bewoners naar twee afzonderlijke opvangcentra buiten de regio Waasland. Dat gebeurde conform het sanctiebeleid van Fedasil. Bij het tweede, meer ernstige incident diezelfde dag, dat inderdaad een steekincident was, waren geen bewoners van het opvangcentrum van Sint-Niklaas of van Westakkers betrokken.

Ik zal er uiteraard nauw op blijven toezien dat gewelddadige incidenten met verzoekers om internationale bescherming niet zonder gevolg blijven.

Wat uw tweede vraag betreft, moet ik de privacy en het lopend onderzoek respecteren. Ik wil eerst en vooral mijn medeleven betuigen aan de naasten, de omgeving en het personeel van het opvangcentrum in Yvoir, dat uitermate geschokt is door deze vreselijke feiten. Wij zorgen ervoor dat zij alle steun en begeleiding krijgen die zij in deze moeilijke periode nodig hebben. De dame in kwestie is inderdaad op een vreselijke manier om het leven gebracht. De aangehouden verdachte is haar ex-partner. Ik wil even corrigeren dat de betrokkene reeds eerder werd overgeplaatst naar een ander opvangcentrum. Dat gebeurde dus niet als reactie op deze feiten. Hij werd aangehouden door het gerecht en het gerechtelijk onderzoek daarover moet nog plaatsvinden.

Francesca Van Belleghem:

Mijn dank voor uw antwoord op mijn tweede vraag, die ik niet voorafgaandelijk heb ingediend. Het Vlaams Belang vindt dat personen die geweld plegen terwijl ze in een opvangcentrum voor asielzoekers verblijven, veel sneller uit dat opvangcentrum moeten kunnen worden geweerd. Ze van het ene naar het andere opvangcentrum verplaatsen is geen fundamentele oplossing. Ik hoop dat een nieuwe regering werk zal maken van wetgevend werk om de categorieën van situaties uit te breiden waarin personen uit een opvangcentrum geweerd kunnen worden.

De verhuis van het registratiecentrum voor verzoeken om internationale bescherming
Het aanmeldcentrum voor asielzoekers en de tentenkampen
Verplaatsing en opvang van asielzoekers en internationale beschermingsverzoeken

Gesteld aan

Nicole de Moor (Staatssecretaris voor Asiel en Migratie)

op 6 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Het tijdelijke registratiecentrum voor asielzoekers is verhuisd van de Pachecolaan naar de Belliardstraat door renovaties aan het KU Leuven-gebouw, met capaciteits- en toegankelijkheidsproblemen (wachtrijen op stoepen, gebrek aan beschutting, ontoegankelijkheid voor rolstoelen). Hoewel de communicatie laat kwam (23 oktober) en middenveldorganisaties te weinig betrokken waren, verliep de verhuis zelf vlot zonder sluitingsdagen, met doorverwijzing via flyers en personeel. Een definitieve, gecentraliseerde locatie (inclusief DVZ, Fedasil en Voogdij) wordt gezocht, maar het Klein Kasteeltje is geen optie door eerdere chaos en ongeschiktheid. Structurele oplossingen voor pieken in aanvragen en betere wachtomstandigheden (bv. verplaatste rijen naar een parking) blijven urgent, terwijl de instroom van asielzoekers als kernprobleem wordt benadrukt.

Matti Vandemaele:

Het registratiecentrum voor verzoeken om internationale bescherming is op 24 oktober verhuisd naar de Belliardstraat. Het is belangrijk dat we de verzoekers goed informeren over die verhuizing, dat er voldoende capaciteit is om de aanvragen te verwerken en dat de toegankelijkheid van het gebouw in orde is.

Wat is de aanleiding voor die verhuizing? Is die permanent of tijdelijk? Hoelang zal de verhuizing duren? Is er voldoende capaciteit beschikbaar in dat gebouw? We nemen elk jaar pieken waar in de aanvragen. Het is belangrijk dat de capaciteit daarop is afgestemd.

Waarom hebt u of hebben de diensten zo laattijdig gecommuniceerd naar de betrokkenen en naar het middenveld over de verhuizing? Welke maatregelen neemt de DVZ om te communiceren met de doelgroep? Staan er vandaag aan de Pachecolaan nog medewerkers om mensen naar de juiste plek door te verwijzen?

Francesca Van Belleghem:

Ik kan het kort houden. Er was vorige week een tentenkamp aan het voormalige aanmeldcentrum van de Dienst Vreemdelingenzaken in de Pachecolaan, waar 70 asielzoekers sliepen. Nu is het aanmeldcentrum tijdelijk verhuisd naar de Belliardstraat. Het oude tentenkamp is ondertussen ontruimd. Hebt u er zicht op of er nieuwe tentenkampen zijn opgedoken? Hoeveel tentenkampen zijn er momenteel en hoeveel asielzoekers verblijven er?

Nicole de Moor:

Collega's, de aanleiding van de verhuis is zeer duidelijk. Het Pachecogebouw, waar de registratie van de DVZ in augustus 2022 zijn intrek nam, naast het hoofdkantoor van de Dienst Vreemdelingenzaken, is eigendom van de KU Leuven. De KU Leuven heeft andere plannen met het gebouw, dat nu wordt gerenoveerd, zodat de Regie der Gebouwen wel een nieuwe locatie voor het registratiecentrum moest zoeken.

De Regie is daar een hele tijd mee bezig geweest. Er werd een tijdelijke oplossing gevonden, in overleg met de stad Brussel. Vandaar de verhuis naar de Belliardstraat.

De dagelijkse registratiecapaciteit kan niet weergegeven worden met een concreet cijfer, want die is afhankelijk van meerdere factoren, bijvoorbeeld het aantal personen dat zich aanbiedt of het profiel van die personen. De registratie van een niet-begeleide minderjarige neemt bijvoorbeeld meer tijd in beslag dan de registratie van een alleenstaande man. Daarnaast speelt ook de personeelscapaciteit een rol, de beschikbare infrastructuur en de beschikbaarheid van tolken.

De directe partners en de indirecte partners van de cel Registratie van de DVZ, Fedasil, de Dienst Voogdij, het CGVS en de RvV, werden allemaal tijdig ingelicht. De communicatie aan de verzoekers en aan het brede publiek werd doelbewust op 23 oktober gedaan, ook om te vermijden dat de verzoekers zich te vroeg op het nieuwe adres zouden aanmelden. Voor de opening was daar niemand aanwezig om hen door te verwijzen, en zo zou er chaos ontstaan.

De communicatie werd wel zeer zorgvuldig aangepakt. De verzoekers werden onder andere geïnformeerd via een affiche aan de poort van de oude locatie en via een bericht op de website en de sociale media van de DVZ. Ook de partners van de DVZ hebben het adres van het registratiecentrum op hun website aangepast. Aan het onthaal van het Pachecogebouw zijn bovendien door het onthaalpersoneel flyers ter beschikking gesteld van de verzoekers. De affiche, de flyers en de elektronische communicatie bevatten dezelfde informatie: de datum van de verhuis, het adres van de nieuwe locatie en een wegbeschrijving met plan.

De verzoekers worden doorverwezen naar de nieuwe locatie door de medewerkers van het onthaal van het hoofdkantoor aan de hand van flyers. Op donderdag 24 en vrijdag 25 oktober waren ook medewerkers van de DVZ aanwezig aan het oude registratiecentrum om de verzoekers door te verwijzen naar de nieuwe locatie.

Mijnheer Vandemaele, de oude locatie is aan het hoofdkantoor van de DVZ. Uiteraard is daar altijd personeel aanwezig.

Ik kan u meedelen dat de communicatie goed gelopen is, want de verhuis zelf is over het algemeen goed verlopen, mede ook dankzij de hulp van de Civiele Bescherming. We bekijken nu hoe we een aantal zaken op het terrein nog verder kunnen verbeteren.

Aangezien dat geen evidentie is geweest, wil ik overigens benadrukken dat de DVZ gedurende de hele verhuisoperatie, die een grote operatie was, open gebleven is. Dagelijks zijn minstens alle kwetsbaren geregistreerd. Ik wil daarvoor de diensten expliciet bedanken. Geen enkele dag moest de dienst gesloten worden vanwege de verhuis.

De verhuis naar de Belliardstraat is inderdaad tijdelijk. Ik heb ervoor gepleit om zo snel als mogelijk een definitieve oplossing te vinden in Brussel. Ook tijdens de formatiegesprekken heb ik daarvoor trouwens gepleit. Voor mij moet die oplossing inhouden dat alle actoren, waaronder de DVZ, Fedasil en bijvoorbeeld de Dienst Voogdij, gecentraliseerd worden op één locatie, omdat het aanmeldproces op die manier zo efficiënt mogelijk kan verlopen.

Mevrouw Van Belleghem, ik ben niet op de hoogte van tentenkampen waar asielzoekers vandaag verblijven. Ik kan u enkel zeggen dat heel wat mensen die in Brussel op straat verblijven, geen asielzoekers zijn.

Matti Vandemaele:

Mevrouw de staatssecretaris, bedankt voor uw antwoord. Ik leid uit uw antwoord af dat een definitieve oplossing nog wel even op zich zal laten wachten.

Inzake de communicatie wil ik het volgende opmerken. We zijn het erover eens dat rond heel de procedure een aanzienlijk deel van de taken opgenomen wordt door spelers van het middenveld. Ook zij werden echter zeer laat geïnformeerd. In een beleid waarin wordt samengewerkt aan oplossingen, denk ik dat het handig zou zijn om de middenveldorganisaties te erkennen in de rol die zij spelen. U had hen beter vroeger geïnformeerd, zodat de overgang nog beter verlopen was.

In die zin wil ik wel mijn felicitaties overmaken, want het is goed dat de DVZ geen enkele dag gesloten moest worden, dus dat het proces kon blijven doorlopen.

Inzake de capaciteit sta ik er nog altijd van te kijken – mogelijk omdat ik een nieuw kindje ben in dit Huis – dat we het niet georganiseerd krijgen om pieken op te vangen. Dat dat zo onvoorbereid gebeurt, snap ik absoluut niet. Mocht ik staatssecretaris zijn, zou ik mijn diensten meteen opdragen om dat te bekijken en op te lossen.

Ik heb nog een aantal detailopmerkingen. Kandidaat-aanvragers schuiven nu aan op het voetpad, waardoor het voetpad op die locatie eigenlijk niet meer bruikbaar is. Soms schuift men in de Belliardstraat ook op het fietspad aan. Dat leidt onvermijdelijk tot ongelukken, dat zien we zo. Ik denk dat dat beter georganiseerd moet worden.

Aan de toegang is de dorpel bovendien 30 centimeter hoog. Rolstoelgebruikers moeten daar door andere mensen in de rij opgetild worden. Dat is echt niet meer van deze tijd.

Voor de mensen die daar staan te wachten is er bovendien geen beschutting, in tegenstelling tot op de vorige locatie. Misschien moet u uw diensten ook daar nog eens naar laten kijken.

Francesca Van Belleghem:

Tegenover het gebouw van de DVZ ligt het kantoor van de federale politie. We bevonden ons in een situatie waarbij agenten van de federale politie zich onveilig voelden wegens de tentenkampen in en rond hun gebouwen, in de parking, waar zich asielzoekers, illegalen en druggebruikers bevonden.

Ik heb de Belliardstraat eens opgezocht op Google Maps. Daar is inderdaad niet veel ruimte. Als er wachtrijen zijn, kan het snel uit de hand lopen. We moeten ervoor zorgen dat daar niet dezelfde problemen ontstaan. Dat doet men in de eerste plaats door de instroom van asielzoekers in te dammen. Daar schuilt het grote probleem, niet per se bij het gebouw.

Dat gebouw ligt wel vlak bij het Europees Parlement. Als men daar met deze situatie wordt geconfronteerd, zal men inzien dat de instroom hier zo hoog is dat we het niet meer aankunnen en dan zal het Europees Parlement misschien eindelijk meewerken om die instroom in te dammen.

Nicole de Moor:

Ik wil graag een aantal zaken aanvullen wat betreft de wachtrijen. Op dit moment bekijken we samen met de Regie en de stad om ze te verplaatsen, omdat we daar zelf ook al lang vragende partij voor waren. Dat zou mogelijk moeten zijn op een parking, zodat de mensen niet op straat moeten wachten, ook omwille van de veiligheid van voorbijgangers en fietsers. Dat is belangrijk omdat er inderdaad dagelijks ’s ochtends een wachtrij op het voetpad staat. Dat is absoluut iets wat we aan het bekijken zijn.

Wat de locatie zelf betreft, kan ik zeggen dat die een keuze van de Regie der Gebouwen en de stad Brussel is. De Dienst Vreemdelingenzaken heeft er geen zeg in en we hadden geen andere mogelijkheid. We proberen op de nieuwe locatie, in samenwerking met de stad Brussel en de Regie der Gebouwen, de situatie zo goed als mogelijk te beheren. Het is inderdaad belangrijk dat er zo snel mogelijk een nieuwe locatie gevonden wordt. Ik begrijp dat het niet altijd evident is voor de bevoegde autoriteiten, maar vanuit mijn insteek kan ik er alleen maar voor pleiten om snel een geschikte locatie te kunnen hebben.

Matti Vandemaele:

Mevrouw de staatssecretaris, als er een oplossing kan worden gevonden door de wachtrij te verplaatsen, zou ik ervoor opteren om ook beschutting te voorzien voor de mensen, zeker in de winter, als het regent, en er een uur of langer gewacht moet worden. Ik denk dat het belangrijk is dat er min of meer op een ernstige manier gewacht kan worden.

Francesca Van Belleghem:

Mevrouw de staatssecretaris, is het Klein Kasteeltje een oplossing om terug naartoe te verhuizen, of is dat niet mogelijk?

Nicole de Moor:

Neen. Er is een reden waarom we er weggegaan zijn. In 2022 liep de situatie aan het Klein Kasteeltje helemaal uit de hand en het gebouw is ook absoluut niet geschikt. Dat is niet mogelijk. We hebben op dat moment beslist om de Dienst Vreemdelingenzaken en de registratie terug van elkaar te scheiden. Dat is een tijdelijke oplossing, want het is beter om al de diensten terug samen te brengen. Het Klein kasteeltje is niet de beste locatie om iedereen terug samen te brengen en ik ben blij dat we die toestanden van toen vandaag niet meer zien. Dat wil nog niet zeggen dat we er al zijn, we hebben nog altijd een nieuw aanmeldcentrum nodig.

De binnendringing in de gevangenis van Haren op zondag 27 oktober 2024
De gevangenis van Haren
De poging om de gevangenis van Haren binnen te dringen
Gevangenis van Haren, inbraakpoging op 27 oktober 2024

Gesteld aan

Paul Van Tigchelt (Minister van Justitie en Noordzee)

op 6 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om veiligheidsproblemen in de gevangenis van Haren, met name largages (drugs- en pakketleveringen via drones of andere middelen) en pogingen tot intrusie, die wijzen op structurele kwetsbaarheden. Minister Van Tigchelt benadrukt dat de incidenten direct werden opgemerkt en verijdeld, dat extra maatregelen (camera’s, rondes, alarmen, samenwerking met politie) al genomen zijn, en dat largages nu strafbaar zijn, maar erkent dat risico-zero onmogelijk is. Kritische parlementsleden vragen om versnelde versterking van bewaking, betere infrastructuur (bv. ontoegankelijke daken) en bescherming van gevangenispersoneel tegen druk en geweld, uit vrees voor escalatie (bv. wapenleveringen of ontsnappingen). Ze wijzen op ontwerpflessenhalzen in het gebouw en onveiligheidsgevoelens bij omwonenden, maar de minister stelt dat Haren’s modulaire opzet juist largages bemoeilijkt en dat technologische innovaties (bv. dronedetectie) verder worden onderzocht.

François De Smet:

Monsieur le ministre, le 23 octobre dernier, ici même, je vous interrogeais sur la situation préoccupante au sein de la prison de Haren. J'avais insisté sur le fait que les signaux alarmants de la part des membres du personnel faisaient craindre la possibilité d'incidents à court terme. Vos réponses avaient été généreuses et rassurantes en termes de recrutement d'agents pénitentiaires ou de formation des équipes d'intervention.

Or, moins de quatre jours plus tard, la presse s'est fait l'écho d'une tentative d'intrusion par quatre individus dans le but de récupérer un colis. Cette tentative a provoqué un certain émoi au sein de la prison, selon la presse.

Monsieur le ministre avez-vous sollicité un rapport précis sur cet incident? Les faits ont-ils été dûment établis? Cet incident est-il de nature à vous faire réagir plus rapidement pour renforcer les équipes d'intervention, en ce compris le matériel?

Khalil Aouasti:

Monsieur le ministre, à la mi-septembre, des vidéos circulaient sur internet montrant des détenus de la prison de Haren escalader les toits de l'établissement pénitentiaire pour récupérer de la drogue larguée depuis l'extérieur qui n'était pas arrivée à bon port, c'est-à-dire dans la cour intérieure, le préau. Il ne s'agissait donc pas à proprement parler de tentative d'évasion, mais de trafic.

Loin de moi l'intention de crier à la zone de non-droit comme on a pu le lire. Néanmoins, ces vidéos portent atteinte à l'image de la Justice et suscitent légitimement la méfiance de nos concitoyens.

Monsieur le ministre, quelles sont les mesures entreprises par votre département pour éviter de tels largages depuis l'extérieur et l'accès aux toits? Avez-vous eu des contacts avec votre collègue en charge de la Régie des Bâtiments afin de modifier les infrastructures pour éviter que cela se reproduise?

Au regard des sommes potentiellement en jeu pour les trafiquants, quelle protection est-elle offerte aux agents pénitentiaires qui pourraient être mis sous pression dans ce type de dossier?

Jean-Luc Crucke:

Monsieur le ministre, je ne répéterai pas les propos de mes collègues. Cependant, j'insisterai pour dire qu'au vu du modus operandi dont nous attendons de votre part confirmation, il semble très facile de rentrer dans cette prison. Quatre individus cagoulés, qui auraient a priori utilisé une échelle pour escalader ce qu'il y avait lieu d'escalader, se sont retrouvés dans le no man's land de la prison et ont pu en ressortir avec une facilité extrême.

En dehors des questions déjà posées, je me demande comment ce bâtiment a été construit. Quelle est la responsabilité de l'auteur de ce projet? Lui avait-on signalé qu'il devait dessiner un plan pour une prison? Que ce n'était peut-être pas la meilleure manière de considérer qu'on pouvait y entrer aussi facilement que le vent à travers certains bâtiments? À un moment donné, interpelle-t-on le concepteur de ce type d'établissement?

Par ailleurs, il y a l'environnement. Ainsi, certaines personnes habitant dans les environs de la prison se disent prises de panique ou ressentent un sentiment d'insécurité au point de devoir effectuer des travaux dans leur domicile pour éviter des intrusions domiciliaires. N'y a-t-il pas, l à aussi, une responsabilité indirecte qui doit être prise en charge?

Paul Van Tigchelt:

Mijnheer de voorzitter, ik ben daarnet misschien een beetje onbeleefd geweest, want ik heb de persoon naast mij niet voorgesteld. Het gaat om een student, derde bachelor rechten, die stage loopt bij een parlementslid. Zoals u weet, ben ik ook parlementslid. Hij is de toekomst en hij komt hier veel leren.

Chers collègues, j'essaie de vous apporter une réponse intégrée.

Tout d'abord, s'agissant de l'incident que vous évoquez, nous ne parlons pas en l'espèce d'un phénomène d'intrusion, mais bien d'un problème lié à une tentative de largage. Ensuite, et surtout, il est erroné d'affirmer que cela n'a pas été remarqué ou qu'il n'y a pas eu de réaction. Les faits ont été tout de suite repérés et signalés à la police et la réaction fut immédiate.

En ce qui concerne le phénomène de largage, vous êtes au courant que tous les pays, et ce n'est pas une excuse pour le nôtre, y sont confrontés. En Belgique comme ailleurs, les derniers établissements ont été conçus en tenant compte de ce risque. Auparavant, le largage se pratiquait avec des moyens assez artisanaux du type catapulte ou lance-pierre. Depuis quelques années, nous nous heurtons également à l'emploi de drones. Mais, dans tous les cas, ce problème n'est ni neuf ni propre à une prison ou un pays. Le largage avec des moyens artisanaux est souvent imprécis, en particulier à Haren qui, de par sa configuration en petites unités de vie indépendantes les unes des autres et bénéficiant chacune d'une enceinte spécifique, rend très difficile la possibilité de viser un point précis, d'autant que, là comme ailleurs, le gouvernement a veillé à ce que les images satellite des prisons soient retirées des programmes tels que Google Maps.

En résumé, des individus ont tenté un largage qui a atterri dans un no man's land. Ensuite, ils ont essayé de récupérer le colis lancé. Toutefois, comme je viens de le souligner, la zone concernée était en dehors du périmètre interne de la prison. Par ailleurs, comme le système vidéo garantissant la sécurité de l'établissement a très vite repéré les faits, l'alarme a été déclenchée et la police a été prévenue.

Plus généralement, la direction EPI est évidemment bien consciente du risque que représentent ces largages. Pour lutter contre ce phénomène, des mesures de sécurité particulières sont prises depuis longtemps, et ce dans toutes les prisons. La question qui se pose est de savoir si ces dispositions suffisent. Ainsi, les préaux sont intégralement inspectés avant chaque utilisation. Des rondes sont menées dans les enceintes extérieures des prisons et des caméras de surveillance filment tous les points sensibles.

Des codes d'alerte spécifiques existent pour que le personnel puisse agir rapidement en cas de largage. D'autres mesures existent aussi. Les procédures sont également régulièrement revues. Ainsi, il existe désormais des procédures spécifiques pour les signalements de drones. La population des prisons ou le manque éventuel de personnel n'ont pas d'incidence sur le respect de cette procédure de sécurité, qui reste partout prioritaire.

De même, cher collègue Crucke, ce n'est pas en rapport non plus – et c'est encore moins une défaillance – avec le régime de sécurité spécifique visant les chefs de la criminalité organisée. Ce système vise un nombre de détenus très restreint qui ne se trouvent pas uniquement à Haren et qui font l'objet d'autres mesures de surveillance très spécifiques pour lesquelles nous avons voté un cadre légal spécifique – en mai, si je ne me trompe pas.

Au final, peut-on améliorer les choses concernant les largages? Il faut toujours chercher des moyens pour améliorer la sécurité. L'administration s'y emploie, notamment en testant des systèmes liés aux drones ou encore en établissant avec les services de police locaux des procédures visant à une réaction la plus ciblée et rapide possible face à de tels phénomènes.

Je suis ouvert à chaque proposition ainsi qu'aux solutions techniques pour lutter contre le phénomène de l'usage de drogue et contre le phénomène de l'usage des gsm dans les cellules par des détenus, ce qui est interdit. Je suis ouvert à chaque proposition qui peut nous aider mais je souligne également que ce gouvernement a criminalisé le simple fait de lancer des objets au-dessus des murs des prisons. Auparavant, cela n'était pas susceptible de poursuites en tant que telles. Le risque zéro n'existe pas, particulièrement face à ce phénomène.

Vous le voyez, nous faisons tout ce qui est possible pour éviter au maximum ce risque, que ce soit à Haren ou dans les autres prisons. Nous continuerons en ce sens.

Khalil Aouasti:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses. Je comprends que le degré de sécurité parfait est impossible.

En termes de trafic de stupéfiants, les sommes d'argent en jeu sont fort importantes. Dès lors, au-delà des mesures mécaniques et de surveillance mises en place, un soutien aux agents pénitentiaires sur lesquels des pressions peuvent être exercées pour amener de la drogue à l'intérieur pourrait exister. Il est important d'ajouter ces mesures de prévention à cela.

Je souhaite la bienvenue à votre stagiaire.

François De Smet:

Monsieur le ministre, comment ne pas être préoccupé par la recrudescence de ces incidents? J'entends vos réponses. Je ne dis pas non plus que Haren est une zone de non-droit mais je pense que c'est une prison qui commence à avoir des allures de gruyère et dont les murs ne font pas peur aux candidats livreurs de largages de toutes sortes.

Le fait d'entendre qu'il ne s'agit que de largages et pas encore d'intrusions n'est pas de nature à me rassurer! Que se passera-t-il si demain ce sont des armes qui sont livrées et que ce genre de largage réussit dans le but de participer par exemple à une évasion? N'attendons pas qu'un largage ou qu'une intrusion réussisse dans une prison qui n'est manifestement pas tout à fait pourvue en termes d'équipement et de personnel pour faire face à ce genre de menace.

Je pense à la sécurité des détenus mais aussi à celle du personnel. Le personnel demande clairement d'être mieux outillé pour faire face à des situations sécuritaires tendues avec des gilets pare-balles ou des bâtons télescopiques.

La dernière fois vous aviez dit que certaines choses étaient en cours. N'attendons pas qu'un incident plus grave se produise et accélérons le mouvement!

Jean-Luc Crucke:

Je vous remercie monsieur ministre. À l'intérieur des établissements pénitentiaires, en dehors des prisonniers, nous avons évidemment les gardiens. Nous pouvons évidemment imaginer l'insécurité dans laquelle eux-mêmes se trouvent face à de tels événements. Que nous soyons face à un phénomène de largage ou pas, ces phénomènes ne sont pas nouveaux. En connaissant l'ampleur de la criminalité actuelle, nous pouvons nous imaginer que ces paquets ne contiennent pas des bonbons! Vous nous dites que si nous avons des idées, vous êtes prêt à les mettre en pratique, mais je pense que nous n'en avons pas beaucoup plus que vous. Ce phénomène doit être analysé sur le plan scientifique et de manière structurelle car cela se reproduira.

De uitoefening van het stemrecht in de gevangenis

Gesteld door

lijst: PS Patrick Prévot

Gesteld aan

Paul Van Tigchelt (Minister van Justitie en Noordzee)

op 6 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om het ontbreken van gegevens over stemrechtuitvoering door gedetineerden, ondanks hun wettelijk recht hierop (behalve bij specifieke ontzegging). Minister Van Tigchelt bevestigt dat geen cijfers worden bijgehouden, wijst op praktische mogelijkheden (volmacht, verlof) maar benadrukt privacy- en bevoegdheidsbeperkingen, waarbij gedetineerden zelf verantwoordelijk zijn voor stemprocedures. Prévot kaart structurele tekortkomingen aan (informatiegebrek, administratieve hindernissen, zoals bevestigd door het CCSP-rapport van april 2024) en pleit voor betere monitoring, mogelijk via samenwerking met gewesten/gemeenschappen. De minister schuift de verantwoordelijkheid voor dataverzameling en reïntegratie expliciet naar de bevoegde entiteiten.

Patrick Prévot:

Monsieur le ministre, au cours de la précédente législature, j’ai interrogé par deux fois votre prédécesseur M. Van Quickenborne au sujet du droit de vote des personnes détenues.

Mon point de départ était sans doute trop ambitieux : il s’agissait d’établir une sociologie électorale du microcosme carcéral (qui aurait par ailleurs pu intéresser les politologues et criminologues du royaume). Je m’étais contenté de demander l’effectivité du droit de vote des personnes détenues et j’étais surpris d’apprendre qu’il était impossible d’avoir une évaluation de l’expression démocratique de ce public-cible.

Je cite le ministre Van Quickenborne dans sa réponse à ma question écrite n°55-2-001403: "l’administration pénitentiaire n’enregistre aucune donnée (…) Je ne sais pas si un tel enregistrement serait vraiment nécessaire sachant que ce qui est certainement important, c’est que les détenues soient correctement informées de leur droit de vote et qu’ils disposent des informations nécessaires pour pouvoir exercer ce droit."

Depuis lors, un avis rendu le 29 avril 2024 par le Conseil central de surveillance pénitentiaire (CCSP) a mis en lumière les "défis et lacunes actuels dans l’exercice de ce droit fondamental pour les personnes en détention". Parmi les obstacles observés, il y a le manque d’information auprès des personnes incarcérées ainsi que les difficultés administratives. Les convocations électorales sont adressées au domicile qu’ils n’occupent plus ou à l’adresse de référence d’un CPAS.

Monsieur le ministre, trois élections législatives ont été organisées le 9 juin dernier: à l’instar de votre prédécesseur, me confirmez-vous qu’aucune donnée n’a été enregistrée sur l’effectivité du droit de vote des personnes détenues à travers le pays? Quelles informations disposez-vous à ce sujet? Pourrions-nous avoir votre retour sur l’avis rendu par le CCSP? Nonobstant la charge supplémentaire de travail pour le personnel pénitentiaire, un enregistrement des données pour le prochain scrutin électoral vous semble-t-il pertinent afin d’évaluer objectivement l’effectivité de l’expression démocratique des personnes détenues?

Je vous remercie pour vos réponses

Paul Van Tigchelt:

Monsieur Prévot, vous avez raison, aucune donnée n'est conservée sur le nombre de détenus ayant exercé leur droit de vote. Je ne dispose donc pas d'informations à ce sujet.

Les personnes privées de liberté par décision judiciaire ou administrative le jour du vote même sont considérées comme incapables de participer au vote. Toutefois, ce n'est pas le cas de la majorité des détenus qui peuvent participer au vote sauf si leur condamnation prévoit que ce droit leur est retiré. Pour cela, ils peuvent utiliser la procédure de vote par procuration.

L'administration pénitentiaire doit mettre à la disposition des détenus qui souhaitent voter par procuration le formulaire officiel de procuration et, le cas échéant, une attestation prouvant que le mandataire ne peut pas se rendre lui-même au bureau de vote. Les détenus ayant le droit de vote et qui bénéficient des modalités telles que la permission de sortie ou les congés pénitentiaires peuvent également voter eux-mêmes de cette manière. Les instructions sont communiquées clairement et en temps utile afin que les détenus puissent faire leur choix et prendre les mesures nécessaires.

Enfin, l'enregistrement de ces données dépasse les compétences de l'administration pénitentiaire et touche également à la vie privée du détenu. Le cas échéant, un système d'enregistrement pourrait être mis en place au niveau, me semble-t-il, des entités fédérées si elles le jugent opportun. Je rappelle que ce sont elles qui sont chargées de la réinsertion du détenu au sein de la société civile.

Patrick Prévot:

Monsieur le ministre, je vous remercie. Comme je le disais dans ma question, ce n'est pas la première fois que j'interroge le ministre par rapport à cette thématique. Mon point de départ était peut-être un peu trop ambitieux puisque ma volonté était d'essayer d'établir une sociologie électorale du microcosme carcéral. Il n'y a aucune donnée aujourd'hui. Cela pose quelques questions qu'il serait peut-être bon de régler à d'autres niveaux de pouvoir, notamment avec les entités fédérées. Pour le surplus, j'entends vos réponses et je ne manquerai pas de revenir sur celles-ci. Pour ce qui est de l'exercice du droit démocratique dont on parle beaucoup pour l'instant, j'examinerai ce qu'il est prévu également pour ce public particulier.

De vernietigde NAVAP-regeling voor de politie
De vernietigde NAVAP-regeling voor de politie
Vernietiging NAVAP-regeling voor politie

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)

op 24 oktober 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De Raad van State vernietigde het KB dat de NAVAP-pensioenregeling (vervroegd pensioen vanaf 58 jaar) voor politie afbouwde wegens gebrek aan sociaal overleg, waardoor de oude regels (2015) opnieuw gelden—maar minister Verlinden belooft geen structurele garanties. Ondanks loonsverhogingen en carrièreverbeteringen blijft het vertrouwen tussen vakbonden en regering verbroken door gebroken beloftes (o.a. uitgestelde loonsopslag) en eenzijdige besluitvorming, terwijl Arizona-partijen verdere afbouw willen. Kritiek van Depoortere (VB) en Daems (PVDA) benadrukt dat het veiligheidsbeleid wankelt door ontmanteling van eindeloopbaanrechten voor zware beroepen, zonder alternatief. De minister herhaalt respect voor politie, maar concrete herstelmaatregelen of toezeggingen ontbreken.

Ortwin Depoortere:

Mevrouw de minister, wat een lijdensweg is het geworden, die sectorale onderhandelingen met de politievakbonden. Er komt maar geen einde aan en onderdelen ervan zijn faliekant afgelopen. Herinner u de mooie grote woorden over het kwantitatieve en het kwalitatieve luik. Al bij het kwantitatieve luik liep het fout: beloftes werden gebroken, waardoor het vertrouwen tussen politievakbonden en de regering volledig zoek was. Er kwam namelijk geen loonsopslag, want er was geen budgettaire ruimte om de opslag volledig in één keer te kunnen uitkeren.

Daarnaast werden de spelregels tijdens het traject plots gewijzigd. U vaardigde een koninklijk besluit uit dat de NAVAP-regeling wel degelijk afbouwt. U deed dat bovendien zonder overleg met de vakbonden. Dat is ook de Raad van State niet ontgaan. Hij roept u bij wijze van spreken weer op het matje en vernietigt uw KB.

Mevrouw de minister, had u al contact met de politievakbonden? Wanneer zit u opnieuw samen om de eindeloopbaanregeling te herbekijken?

Greet Daems:

Mevrouw de minister, werken bij de politie is vandaag niet gemakkelijk. Politiemensen verdienen respect. Daarom wil ik het met u vandaag hebben over hun pensioenen.

Zij hebben altijd het vooruitzicht gehad om onder bepaalde voorwaarden vervroegd op 58 jaar op pensioen te kunnen gaan. Dat perspectief hebben u en uw collega's van de vivaldiregering gewoon afgepakt door de NAVAP-regeling zonder meer af te schaffen. De Raad van State heeft gisteren die beslissing vernietigd, omdat u de verplichting tot sociaal overleg niet hebt gerespecteerd.

Het werk van politiemensen is mentaal en fysiek slopend. Elke dag opnieuw geconfronteerd worden met geweld eist zijn tol. De NAVAP-regeling werd destijds met redenen voor politiemensen ingevoerd: politiemensen werken vaak met gevaar voor het eigen leven.

Vorige week verklaarde u nog dat u onnoemelijk veel respect hebt voor de politie. In de praktijk zien we echter dat u frontaal hun pensioenrechten aanvalt. Dan horen we ook nog dat de arizonapartijen N-VA, cd&v, Vooruit, MR en Les Engagés de pensioenrechten van politiemensen nog verder willen afbreken. Dat vinden wij totaal onaanvaardbaar.

Mevrouw de minister, legt u zich neer bij de beslissing van de Raad van State? Mogen politiemensen nu weer vervroegd op pensioen onder bepaalde voorwaarden? Kunt u garanderen dat de pensioenrechten van de politie ook in de toekomst behouden blijven?

Annelies Verlinden:

Mijnheer de voorzitter, collega's, ook ik heb gisterenmiddag kennisgenomen van het arrest van de Raad van State van 22 oktober over het beroep tot nietigverklaring van het koninklijk besluit betreffende de wijzigingen aan de zogenaamde NAVAP-regeling of de regeling inzake de non-activiteit voorafgaand aan de pensionering voor onze politiemedewerkers. Let wel, de Raad van State heeft zich in dat arrest niet over de regeling zelf uitgesproken, maar wel geoordeeld dat de verplichting tot voorafgaande inhoudelijke onderhandeling met de representatieve vakorganisaties over dat koninklijk besluit niet voldoende werd nageleefd. Ik hoef u er niet aan te herinneren – de geschiedenis van de totstandkoming van dat koninklijk besluit is u bekend – dat het kernkabinet over de aanpassing van het NAVAP-systeem heeft beslist.

Het spreekt voor zich dat wij onmiddellijk werk hebben gemaakt van de analyse van het arrest en de mogelijke gevolgen, in het bijzonder de impact ervan op de professionalisering en pensionering van onze politiemedewerkers. Ik kan u alvast meegeven dat als onmiddellijk gevolgen de nieuwste NAVAP-regeling vervalt en de voorwaarden van de NAVAP-regeling van vóór oktober 2023 opnieuw van toepassing worden. Meer bepaald gaat het om de voorwaarden opgenomen in het koninklijk besluit van 9 november 2015. Dat betekent dat de politiemedewerkers opnieuw kunnen gebruikmaken van de NAVAP-regeling vanaf de leeftijd van 58 jaar in plaats van 58 jaar en 6 maanden, en op de leeftijd van 59 jaar vanaf 1 oktober 2025. Voor officieren van ons politiekorps geldt als leeftijdsvoorwaarde opnieuw 60 jaar.

Zodra het arrest volledig geanalyseerd is, ook samen met juridische adviseurs, zullen wij in het licht van de lopende regeringsonderhandelingen bekijken welke afspraken gemaakt kunnen worden.

Overigens gaat u kort door de bocht met uw kritiek, want de voorbije legislatuur zijn wij er wel in geslaagd om het statuut van onze politiemedewerkers te verbeteren. Voor het eerst sinds de politiehervorming van 24 jaar geleden is er een algemene loonsverhoging doorgevoerd en sinds 1 oktober 2024 hebben alle medewerkers van de politie de volledige verhoging ontvangen, overeenkomstig dat sectoraal akkoord. Bovendien zijn er mogelijkheden om in de politieorganisatie sneller carrière te maken en wordt er wel degelijk ruimte gemaakt voor een eindeloopbaanbeleid. Dat kan uiteraard worden geoptimaliseerd en daar zullen we ook aan werken.

Mevrouw Daems, ik herhaal wat ik vorige week heb gezegd. Ik heb onnoemelijk veel respect voor de politiemedewerkers, die dag in dag uit bezig zijn op het terrein, onder meer om de aankondiging van code rood in goede banen te leiden. Laten we ook niet vergeten dat zij steeds ter beschikking staan. Zij spelen een heel belangrijke maatschappelijke rol. Zij verdienen dus een goed en robuust statuut, waarbij we, wat mij betreft, ook rekening moeten houden met de bijzondere en soms zware aard van hun opdracht en het feit dat zij de eigen veiligheid op het spel zetten om de veiligheid van anderen te garanderen.

Voor mij is het zaak om een zo sterk mogelijk politiekorps te behouden, waarbij we ook kunnen rekenen op de expertise van senior medewerkers. Niet alle politiemedewerkers willen zo snel mogelijk met pensioen gaan; ik ken er zelfs heel wat die na hun pensioengerechtigde leeftijd nog langer bij de politie willen werken.

Ik zal mij altijd, ook tijdens de onderhandelingsronde met de arizonapartijen, blijven inzetten voor dat degelijk en robuust statuut, een statuut dat respect toont voor de politiemedewerkers, ook op senior leeftijd, en dat rekening houdt met de bijzondere missies die zij tijdens hun carrière hebben uitgevoerd.

Ortwin Depoortere:

Mevrouw de minister, wij zullen niet rond de pot draaien: het veiligheidsbeleid was wankel; het veiligheidsbeleid is wankel; het veiligheidsbeleid zal wankel blijven. Immers, wij steunen in onze democratische rechtsstaat nu eenmaal op onze veiligheidsdiensten, zijnde in de eerste plaats onze politiediensten. Mevrouw de minister, ik reken er dus op en roep u ertoe op dat u het gebroken vertrouwen tussen de politiediensten, enerzijds, en de overheid en de regering, anderzijds, opnieuw herstelt. Dat kan enkel door het zware beroep van politieman en -vrouw opnieuw aantrekkelijk te maken. Dat betekent ook dat wij de eindeloopbaanregeling niet afbouwen zonder dat er een algemene regeling komt voor alle zware beroepen.

Dat zijn allemaal redelijke eisen van de politievakbonden. Ik kan u verzekeren dat het Vlaams Belang altijd, nu en morgen, de zijde zal kiezen van de politie.

Greet Daems:

Mevrouw de minister, ik heb garanties gevraagd voor het behoud van de pensioenrechten. Ik heb ze niet echt gehoord. U merkt op dat u veel politiemensen kent die ook na hun pensioen willen blijven werken. Ik ken echter ook heel veel politiemensen die op 58-jarige leeftijd gewoon op zijn. Voor hen is het enorm belangrijk dat de speciale regeling behouden blijft. U herhaalt vandaag ook dat u onnoemelijk veel respect hebt voor de betrokken politiemensen. Wat zijn die woorden echter waard wanneer u de pensioenrechten van de politiemensen aanvalt? U deed dat onder de vivaldiregering. Wanneer ik lees wat Bart De Wever, met wie uw partij rond de onderhandelingstafel zit, van plan is, moet ik vaststellen dat u de pensioenrechten van de politiemensen nog meer wilt afbreken. Daarvoor passen wij. De PVDA zal altijd blijven strijden voor het behoud van de pensioenrechten voor alle werkende mensen.

De toekomst van de federale politie

Gesteld door

lijst: PS Éric Thiébaut

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)

op 24 oktober 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Éric Thiébaut (socialist) uit zorgen over plannen in de formatienota om de federale politie te verzwakken (minder steun aan lokale zones, privatiseringstendensen) en Anvers te bevoordelen, terwijl landelijke gemeenten achteruitgaan. Minister Annelies Verlinden (cd&v) benadrukt dat de gelekte teksten niet definitief zijn en verdedigt het tweelagenmodel (sterke federale *en* lokale politie), met nadruk op samenwerking en specialisatie, maar erkent dat privatisering een rol *kan* spelen. Thiébaut blijft kritisch op privatisering van staats taken en afbouw van federale steun, terwijl Verlinden garandeert het huidige model te verdedigen in de onderhandelingen.

Éric Thiébaut:

Madame la ministre, on a découvert cette semaine dans la presse de larges extraits de la note du formateur, notamment la partie relative à la sécurité. Ce que j'y ai lu m'inquiète beaucoup car, visiblement, la N-VA voudra cette fois-ci affaiblir notre police fédérale. Je n'en suis pas étonné car on se souviendra qu'il n'y a pas si longtemps, le gouvernement MR-N-VA avait littéralement décapité la protection civile fédérale.

On va donc s'attaquer maintenant à la police fédérale. Il est question de recentrer la police fédérale sur ses missions principales. Il est également question que les zones de police ne puissent plus compter sur l'appui de la police fédérale en matière de personnel, de logistique, de finances et également de cybercriminalité. Ce sera évidemment un problème pour les petites communes, en particulier pour les zones rurales. Toutes les communes s'en trouveront affaiblies et devront pallier ce manque d'apport qui venait du fédéral. Toutes les communes seront handicapées par ces futures mesures. Toutes, sauf peut-être une: Anvers.

À Anvers, il faudra au contraire remettre des moyens du fédéral puisqu'il faut remettre du personnel à la police judiciaire fédérale d'Anvers. Pas ailleurs puisque, nous le savons, Anvers est la capitale européenne de la cocaïne et sera certainement la future capitale de l'Arizona. Nous ne sommes donc pas très étonnés des accents que nous voyons dans cette note.

On y découvre également que, tout comme l'avait fait le ministre Jambon, le pouvoir du secteur privé se voit accentué dans les possibilités d'action de la police.

Madame la ministre, j'aimerais connaître votre position en tant que ministre cd&v présente à la table des négociations par rapport à tout ce qui est annoncé en matière de sécurité.

Annelies Verlinden:

Cher collègue, comme vous, j'ai constaté avec une grande stupéfaction que différents textes issus des négociations fédérales, dont celui sur la sécurité, ont fuité dans la presse et ont également été interprétés par la presse d'une manière polarisante. Je déplore cette situation et je comprends les inquiétudes à ce sujet dans nos services de police, tout comme les préoccupations concernant le régime des pensions dont on vient de parler.

Je tiens donc à préciser d'emblée que les textes qui ont fuité ne sont pas des textes définitifs. Les négociations se poursuivent et je soutiens le modèle policier existant, à savoir celui d'une police intégrée, structurée à deux niveaux, et j'insiste sur ce point. C'est un modèle qui se compose de corps de police locale solidaires les uns des autres, qui s'investissent dans la proximité et qui ont aussi la capacité de mener des enquêtes souvent techniques. Ce modèle se compose également d'une police fédérale forte et renforcée – c'est également dans les textes – qui exécute les missions de police spécialisées et qui est également capable de mieux assumer ses responsabilités en matière de fonctionnement intégré. Une police fédérale que nous continuerons à renforcer et dans laquelle nous poursuivrons les investissements.

Dans un monde où la criminalité a de plus en plus un caractère transfrontalier et international, nous avons besoin de la police fédérale et d'un modèle intégré basé sur la spécialisation, la solidarité et la collaboration. Il faut évoluer, il faut aussi considérer l'implication du secteur privé mais nous aurons toujours besoin d'un modèle à deux niveaux, avec la police fédérale et la police locale. Lors de ces négociations, les policiers peuvent compter sur moi lorsqu'il s'agit de défendre ce modèle policier à deux niveaux, de veiller aux droits acquis ou de tout faire pour que les choses se fassent à l'aide d'une alternative solide.

Éric Thiébaut:

Madame la ministre, je suis assez rassuré de constater qu'en tant que membre du cd&v, vous ne partagez pas les objectifs qui sont annoncés dans la note du formateur en matière de sécurité. En tout cas, moi, en tant que socialiste, je suis très inquiet de voir une partie de la fonction régalienne de l' É tat livrée au secteur privé. Je suis très inquiet aussi, en tant que bourgmestre, de voir l'aide fédérale en matière de police diminuer. Et, en tant que parlementaire, je peux vous assurer que je combattrai toutes ces mesures qui sont annoncées.

De stand van zaken met betrekking tot gevangenisarbeid in België

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)

op 23 oktober 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie gaat over arbeid in gevangenissen als middel voor resocialisatie: 5.200 van de 12.000 gedetineerden werken of volgen training, met lonen tussen €2–4/uur via *Cellmade* (34 ondernemings- en 25 productie-ateliers, zoals bakkerijen). Concurrentie met sociale werkplaatsen wordt besproken, maar samenwerking wordt gezocht. Geen data beschikbaar over werkherintegratie na detentie (bevoegdheid bij gewesten/gemeenschappen).

Hervé Cornillie:

Monsieur le président, monsieur le ministre, dans le cadre de la politique pénitentiaire que nous voulons humaine, l’État fédéral a notamment investi dans de nombreuses prisons. Récemment, plusieurs d’entre nous avons eu l’occasion de visiter celle de Leuze-en-Hainaut, qui fêtait ses dix ans, et de prendre conscience de l’évolution tant du projet que de cet univers particulier.

Nous avons notamment visité les ateliers où le travail pénitentiaire est permis. Il contribue effectivement à ce que le détenu puisse développer des aptitudes sociales, professionnelles, à occuper le temps de détention de manière plus intelligente, plus positive, constructive. L’idée derrière est bien sûr une réinsertion durable dans la société, quand le temps du retour à la société, à la liberté, est annoncé.

Le travail carcéral se compose principalement de tâches domestiques, car on ne peut pas faire tout ce qu’on veut en prison, compte tenu des circonstances. Outre le nettoyage des communs et la distribution des repas, il y a la fabrication de matériel pénitentiaire. De plus, des ateliers de production fonctionnent pour le compte d'entreprises tierces. Cellmade, la Régie du travail pénitentiaire du SPF Justice, cherche des clients pour différents types de produits. C'est sur cette troisième facette que je souhaite faire le point aujourd'hui.

Monsieur le ministre, quel est le taux de détenus qui ont aujourd'hui la capacité de travailler intra-muros, dans le cadre de nos prisons? J’ai pris le cas de Leuze-en-Hainaut, mais c'était le prétexte de cette question.

Combien d'ateliers pénitentiaires gérés par Cellmade existent-ils en Belgique, et dans quelles prisons?

Comment l'indemnisation de ce travail fonctionne-t-elle? Tout travail mérite salaire, mais on sait aussi que les circonstances sont tout à fait particulières.

Certains évoquent la potentielle situation de concurrence déloyale au regard du marché du travail classique, voire même par rapport à d’autres opérateurs de l’économie sociale comme les entreprises de travail adapté.

Quel bilan tirez-vous en termes de réintégration, sur le marché de l’emploi, en lien avec l'expérience acquise au sein de ces projets par le travail en prison?

Paul Van Tigchelt:

Monsieur le président, cher collègue, votre première question porte sur le taux de détenus qui ont la capacité de travailler. En moyenne, entre mi-2023 et mi-2024, 5 200 détenus sont chaque jour au travail ou en formation. C’est un taux assez élevé, sachant qu’on compte aujourd'hui plus de 12 000 détenus dans nos prisons. Je peux vous donner le détail, mais pour cela, je vous invite à me poser une question écrite.

Concernant votre deuxième question, Cellmade dispose d'ateliers entrepreneurs dans 34 établissements. En outre, elle a 25 ateliers de production; il s'agit, par exemple, d'ateliers de menuiserie, de boulangerie ou encore d'exploitation agricole. Je peux vous dire que le meilleur pain que j'ai jamais mangé venait de la prison de Hoogstraten. Étant fils d'un boulanger, je m'y connais bien en qualité de pain. Si vous souhaitez obtenir la liste complète des ateliers, je vous invite à me poser une question écrite.

S'agissant de votre troisième question, la règle générale détermine que les détenus sont gratifiés à la pièce sur la base d'une gratification horaire comprise entre 2,5 euros et 3 euros. Sur la base de leur rythme de travail, la gratification réelle sera généralement comprise entre 2 et 4 euros de l'heure.

Pour ce qui est de votre quatrième question, les entreprises de travail adapté et la Régie du travail pénitentiaire sont deux acteurs de l'économie sociale qui ont des objectifs d'intégration ou de réintégration sociale. Même si on parle ici de deux publics très différents, il est effectivement possible, comme vous le dites, que sur certains marchés, ces deux organismes soient en concurrence. Des réunions ont eu lieu entre les deux organismes afin qu'ils puissent mieux se connaître et débattre au sujet de leur réalité propre pour que chacun puisse agir en vue de cet objectif de réinsertion ou d'insertion dans le marché du travail.

Votre dernière question qui concerne le bilan (autrement dit, mesurer et savoir) est pertinente. À ma connaissance, aucune étude à ce sujet n'a été réalisée, mais le suivi post-pénitentiaire est une compétence des Communautés et Régions. Elles sont en principe les plus à même de vous répondre à ce sujet. Je n'ai donc pas de réponse à cette bonne question.

Hervé Cornillie:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour ces éléments de réponse. J'espère qu'il ne me faudra pas commettre un délit pour manger le meilleur pain de Belgique. Je n'irai pas jusque-là. Je continuerai à creuser ces informations à travers les questions écrites. Vous avez raison de me tendre la perche vu le caractère statistique de ces informations. J'entends que des réunions sont tenues entre les deux départements. J'ai la faiblesse de penser qu'au plus on est à travailler dans ce pays, au mieux c'est pour tout le monde. Je ne vois pas directement le problème dans une forme de concurrence. Mais, en effet, on est face à des publics cibles avec des taux de rémunération particuliers. Si on peut lever les problèmes rencontrés sur le terrain par la collaboration et l'entente, autant le faire. Quant au suivi de la réintégration, cette directrice à Leuze se plaignait effectivement de l'incapacité de voir comment ce résultat se traduisait une fois le détenu libéré. Vous me dites qu'il s'agit d'une compétence communautaire. Je demanderai donc à un de mes collègues communautaires d'approfondir cette question pour avoir une vue d'ensemble sur celle-ci.

De gerechtskostenexplosie
De brief van de FOD Justitie over het beperken van de gerechtskosten
De stijging en regulering van gerechtskosten

Gesteld aan

Paul Van Tigchelt (Minister van Justitie en Noordzee)

op 23 oktober 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De explosieve stijging van justitiekosten (van €81M in 2000 naar €125M in 2023, met een overschrijding van €23M in 2024) wordt vooral gedreven door vertaal- en interpretatiekosten, geïndexeerde tarieven (+19% sinds 2020), complexe processen (bv. terreuraanslagen 2016) en de bestrijding van georganiseerde criminaliteit. Minister Van Tigchelt bevestigt de crisis, wijst op spanningsveld tussen budgettaire controle en rechterlijke onafhankelijkheid, en kondigt noodmaatregelen aan (herallocaties, audit FAI), waardoor het tekort voor 2024 teruggebracht wordt tot €1,5M, maar erkent dat structurele oplossingen ontbreken. Critici (Crucke, Jadoul) benadrukken het gebrek aan overleg met de rechtspraak (bv. bezuinigingsbrief SPF Justice stuitte op verzet wegens inbreuk op machtscheiding) en waarschuwen voor ad-hocbeheer (zoals besparingen op juroren in assisenprocessen) zonder duurzame afspraken over kostendeling en prioriteiten.

Jean-Luc Crucke:

Monsieur le ministre, selon la presse, les frais de justice auraient explosé entre 2000 et 2023, passant de 81 millions d'euros à 125 millions, et l'exercice 2024 connaîtrait un dépassement de 23 millions d'euros!

Certes, il y a eu de grands procès mais il semblerait que la cause soit essentiellement située dans les frais de traduction et d'interprétation.

Confirmez-vous les faits et l'ampleur du dérapage? Quelles mesures ont été prises en réaction? S'il n'y en a pas eu, pourquoi?

Pouvez-vous nous fournir un détail concernant ce dérapage?

Quand avez-vous été informé de la gravité de la situation?

Il semble qu'une directive européenne impose la traduction de la totalité des pièces du dossier. Si c'est le cas, la Belgique doit-elle exécuter cette directive telle quelle? Ou bien y a-t-il une possibilité de moduler cette obligation?

Quel avis a été rendu par l'Inspection des finances et l'administration?

Pierre Jadoul:

Monsieur le ministre, un courrier a effectivement suscité un certain émoi dans les cours et tribunaux, qui ont été invités à faire preuve de frugalité et d'un meilleur contrôle des dépenses par le SPF Justice. Les représentants de l'ordre judiciaire ont, semble-t-il, accueilli froidement ce courrier de l'administration. Cela représente une entaille, selon eux, à la séparation des pouvoirs. Ce serait à l'exécutif de mettre à disposition de la justice les budgets nécessaires. Enfin, pour les cours et tribunaux, toute la gestion des frais de justice serait entre les mains du SPF et l'ordre judiciaire n'aurait pas de vues sur cette gestion.

Comment réagissez-vous à ce courrier envoyé par le SPF Justice aux cours et tribunaux? Avez-vous été à l'initiative de ce courrier? À défaut, cet envoi était-il, selon vous, justifié?

Comprenez-vous la réaction de l'ordre judiciaire et l'émoi que cela a suscité? Comment envisagez-vous de réguler les frais de justice pour que le budget reste sous contrôle? Quelles sont éventuellement les lignes prioritaires de cette régulation?

Paul Van Tigchelt:

Chers collègues Crucke et Jadoul, le dossier des frais de justice est illustratif de l'équilibre délicat qu'il faut toujours trouver entre l'indépendance du pouvoir judiciaire et une bonne gestion du budget. Les dépenses liées aux frais de justice ont effectivement augmenté ces dernières années. Cette augmentation peut en partie s'expliquer par l'indexation des tarifs en 2023. Il y a eu une indexation de plus de 11 % vu la crise énergétique de 2022. Pour la période 2020-2024, l'indexation totale s'élève à presque 19 %.

Les augmentations les plus importantes sont constatées dans les frais liés aux traducteurs et interprètes, aux analyses toxicologiques, aux tests ADN, aux examens psychiatriques et à la médecine légale. En outre, vous savez que la justice a été confrontée à des procès importants, par exemple celui des attentats du 22 mars 2016. C'est un procès qui a duré des mois et qui nous a coûté beaucoup d'argent. Le succès de la lutte contre la criminalité organisée fait également augmenter les frais de justice. Nous avons plus de 12 000 détenus dans les prisons et la moitié d'entre eux sont incarcérés pour des délits liés aux faits de drogue.

Mon administration n'a pas d'impact sur les différents frais de justice car ceux-ci sont engagés pour le compte de l'ordre judiciaire, dans le cadre des enquêtes judiciaires. Mais afin de garder les frais de justice sous contrôle avec les effets d'indexation, nous avons collaboré avec le SPF BOSA au cours de la dernière législature par le biais de ce que l'on appelle une spending review des frais de justice et d'un audit réalisé par l'intermédiaire du Service fédéral d'audit interne (FAI), qui dépend de la Chancellerie. À l'issue de cet audit, les auditeurs fédéraux ont attiré l'attention de mon administration sur le fait qu'il fallait veiller à ne payer les frais de justice que pour des dépenses justifiées par une base légale.

Suite à l'augmentation des frais de justice et à l'audit, des mesures d'urgence ont été prises en septembre. Les mesures d'économie sont toujours délicates – vu ce que j'ai dit au début – mais indispensables. En outre, par le biais de réallocations au sein du budget du SPF Justice, les crédits supplémentaires nécessaires ont été recherchés pour compenser le déficit pour 2024. Le déficit estimé est donc porté à 1,5 million d'euros. Ces réallocations ont été approuvées par le Conseil des ministres le vendredi 18 octobre 2024. Elles seront prochainement soumises au Parlement.

Jean-Luc Crucke:

Je vous remercie monsieur le ministre. Je retiens quatre éléments de votre réponse.

Nous avons premièrement l'élément relatif à l'indexation, ce que nous pouvons évidemment comprendre.

Ensuite, il y a l'équilibre à trouver entre l'administration et les besoins de la justice. Je pense effectivement que l'autonomie doit être respectée mais, dans le même temps, vous êtes appelé à devoir maîtriser les éléments budgétaires. Je peux donc comprendre que l'équilibre n'est pas toujours facile à trouver.

Troisièmement, vous avez évoqué la méthode du s pending review . Il s'agit d'une belle méthode mais elle impose évidemment une concertation avec l'ensemble des acteurs, en ce compris les acteurs de la justice. Il serait peut être intéressant d'avoir plus d'explications sur ce que ça a donné et sur l'engagement des uns et des autres pour maîtriser ces dépenses.

Vous avez finalement parlé de la réallocation. C'est une bonne chose qu'elle soit intervenue mais ce n'est jamais qu' a posteriori . C'est d'ailleurs pour ça qu'il faudrait trouver des solutions plus pérennes à l'avenir.

Pierre Jadoul:

Je remercie aussi monsieur le ministre, pour les éléments de réponse qu'il a évoqués. Il y a, me semble-t-il, des éléments dans la masse des frais qui sont plus ou moins importants et qui pèsent plus ou moins lourd. J'en ai un écho par le canal du monde judiciaire selon lequel, lors d'un procès d'assises, les jurés ne sont plus autorisés aujourd'hui à aller manger au mess de la magistrature. Il faut penser à un traitement humain des jurés. Des procès d'assises sont, certes, plus longs que d'autres, mais des égards doivent être manifestés auprès de plusieurs acteurs, à moins que d'autres décisions ne soient prises. En tout cas, ce n'est pas à nous de le faire ici.

De zorgwekkende situatie in de gevangenis te Haren

Gesteld aan

Paul Van Tigchelt (Minister van Justitie en Noordzee)

op 23 oktober 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De gevangenis van Haren kampt met structurele veiligheidsrisico’s door personeelstekort (1 agent op 34 gedetineerden, 150 vacatures), gebrek aan beschermingsmateriaal, onervaren bewakers en ontbrekende procedures voor interventieteams (SICAR), wat agressie en onveiligheid verergert. Minister Van Tigchelt bevestigt de problemen maar wijst op lopende oplossingen: 258 nieuwe aanwervingen (met gerichte campagne), versnelde opleidingen (3 francophone groepen vanaf november) en bestaande juridische kaders voor interventies, met focus op de-escalatie en proportioneel geweld. De SICAR-teams (28 leden, waarvan 24 opgeleid) volgen een gestandaardiseerd 5-fasenmodel, maar formele statuten en duidelijke procedures ontbreken nog, ondanks beloftes van een circulaire. De Smet blijft alarm slaan over acute risico’s en hoopt op snelle resultaten, ondanks de genomen maatregelen.

François De Smet:

Monsieur le ministre, il me revient par voie de presse, mais également à travers certains contacts, que la situation au sein de la prison de Haren s’avère préoccupante sur le plan de la sécurité des agents pénitentiaires, mais aussi en raison d'un manque de personnel et de procédure d'encadrement.

Outre que le ratio serait d’un seul agent affecté pour la surveillance de 34 détenus, à ce sous-effectif (150 agents manqueraient, selon les syndicats) s’ajoute le manque de matériel de protection et de sécurité pour ces agents, sans parler d’un absentéisme grandissant au sein du personnel pénitentiaire. Rappelons que la prison de Haren a déjà atteint sa capacité maximale, à tel point que, depuis le 15 août, les nouveaux écrous se font à la prison de Saint-Gilles – qui devrait pourtant fermer à la fin de l'année.

Par ailleurs, s'agissant de la formation du personnel, ce sont désormais le plus souvent de jeunes agents peu expérimentés qui sont confrontés aux détenus, avec les risques de dérives et d’insécurité que cela peut engendrer.

Enfin, les équipes d’intervention (dites SICAR) se plaignent de travailler sans procédure réglementaire ni statut spécifique; ce qui devrait faire l’objet à tout le moins d’une circulaire du SPF Justice. Il en résulte donc une situation tendue qui peut mener à une recrudescence d’agressions envers le personnel et à une dégradation générale du climat de sécurité au sein de l’établissement.

En conséquence, monsieur le ministre, avez-vous déjà pris connaissance de ce problème structurel d’insécurité au sein de la prison de Haren? Des efforts d’engagement et de formation du personnel seront-ils intensifiés? Comptez-vous prendre une initiative afin d’assurer un statut aux équipes d’intervention SICAR et d'élaborer un cadre légal pour les procédures d’interventions sans costumes?

Paul Van Tigchelt:

Monsieur De Smet, la problématique de la prison de Haren est connue et a encore été évoquée lors du débat d’actualité en commission de la Justice le 18 septembre, si mon souvenir est correct.

En un mois, la situation n’a forcément pas pu évoluer énormément mais je vous rappelle que je soulignais à cette occasion de nombreux recrutements à venir, avec pas moins de 258 personnes. J’annonçais qu’une campagne spécifique de recrutement serait effectuée pour cet établissement. Il y a là vraiment un déficit de personnel bien formé.

En ce qui concerne la formation, comme déjà expliqué aussi le 18 septembre, l’arriéré est progressivement résorbé. À partir de novembre, trois groupes francophones – au lieu de deux – de 15 nouveaux collaborateurs par groupe, commenceront à suivre le module d’introduction de 17 jours.

Quant aux équipes d’intervention, l’équipe d’intervention compte actuellement 28 personnes. Sur les 28 personnes, 24 ont déjà reçu une formation spécifique intégrée dans le modèle en cinq phases utilisé dans toutes les prisons belges. Il s’agit d’un modèle visant à désamorcer les conflits, principalement par le biais de techniques de communication. Ce n’est qu’en cas d’escalade d’un conflit et d’agression ou de menace physique que l’intervention physique du personnel entre en jeu.

Enfin, quant au cadre légal, il est bien présent via des directives spécifiques liées aux fouilles, aux mesures coercitives et au matériel d’intervention. La formation spécifique insiste également sur les principes du droit pénal relatifs à la légitime défense et à la proportionnalité.

François De Smet:

Merci, monsieur le ministre, pour votre réponse. Je voudrais juste insister sur le fait que les signaux qui nous parviennent par des membres du personnel sont alarmants et nous font vraiment craindre la possibilité d'incidents et de débordements à court terme. Je prends bonne note des réponses et des efforts mis en place, en espérant que ceux-ci portent leurs fruits le plus rapidement possible.

De toekomst van de gevangenis van Sint-Gillis

Gesteld aan

Paul Van Tigchelt (Minister van Justitie en Noordzee)

op 23 oktober 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De prison de Saint-Gilles (502 gedetineerden) blijft voorlopig open, met uitstel van de geplande sluiting (eind 2024) door capaciteitsgebrek en budgettaire onzekerheid onder het toekomstige gouvernement. Het huisvest vooral kortgestraften (≤3 jaar) *zonder* focus op illegalen—tegen eerder gerapporteerde plannen in—maar onderhoud blijft beperkt tot noodzakelijk herstel, zonder grote investeringen. Schlitz bekritiseert het falend gevangenisbeleid: hoge recidive, inefficiënte uitgaven en gebrek aan alternatieven zoals preventie en reïntegratie, in plaats van dure uitbreidingen (bv. drijvende cellen).

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, ma question porte en effet sur l'avenir de la prison de Saint-Gilles. Nous en avons déjà parlé ici: il était prévu que les trois prisons bruxelloises, dont celle de Saint-Gilles, fermeraient avec l'ouverture de celle de Haren. Pourtant, près de deux ans après l’ouverture de Haren, la prison de Saint-Gilles continue d'accueillir un nombre important de détenus. Une note récente indique que les hommes condamnés à des peines de trois ans ou moins y seront incarcérés pour mieux répartir la population carcérale. Nous nous interrogeons donc sur l'avenir de cet établissement.

Monsieur le ministre, combien de personnes sont-elles actuellement incarcérées à Saint-Gilles?

La prison fermera-t-elle comme prévu à la fin de 2024, et si oui, quand précisément? Où seront transférés les détenus?

Est-il toujours prévu d'y incarcérer uniquement les personnes sans titre de séjour, comme le mentionnent les rapports du Conseil central de surveillance pénitentiaire (CCSP) et de la commission de surveillance?

Quelles mesures seront-elles prises pour éviter les problèmes relevés à la prison de Tongres dans l’accueil de ce public?

En cas de maintien de la prison, des travaux sont-ils prévus pour améliorer les conditions de détention jugées insalubres?

Des contacts avec les entités fédérées ont-ils été établis pour renforcer les services externes qui devront désormais intervenir dans deux établissements?

Paul Van Tigchelt:

Chère collègue Schlitz, lundi, la prison de Saint-Gilles comptait une population de 502 détenus.

Pour l'instant, aucune décision définitive n'a été prise quant à la date de fermeture. Il appartient donc au prochain gouvernement de prendre cette décision et de mettre à disposition les budgets nécessaires à cette fin. Je pense pouvoir dire que nous avons besoin de toute la capacité pour avoir suffisamment de places pour tous les détenus.

Votre troisième question porte sur les personnes sans titre de séjour. La prison de Saint-Gilles accueille principalement des condamnés à des peines de prison de trois ans ou moins qui ne se trouvent pas dans les conditions pour pouvoir purger leur peine dans une maison de détention. Il se fait qu'une part importante de ces détenus n'ont pas droit au séjour, mais ce n'est en aucun cas le critère déterminant pour adresser un détenu à Saint-Gilles. Nous dénombrons plus de 12 000 détenus en Belgique, dont près de 4 000 sont des sans-papiers.

En ce qui concerne votre quatrième question, la prison n’est pas réservée aux détenus sans droit de séjour. Dès lors, votre question me semble sans fondement, étant donné que le parallèle avec la prison de Tongres n’est pas présent.

Votre cinquième question portait sur l’entretien de la prison. Cet entretien n’a jamais été interrompu, et seuls les gros investissements se projetant sur plusieurs années sont mis de côté.

Enfin, pour répondre à votre sixième question, des contacts réguliers sont établis avec les services communautaires afin de les tenir informés de l’évolution de la situation et d’assurer la fourniture d’une assistance et de services en suffisance.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses, qui nous apportent des précisions quant à certains éléments qui nous avaient été transmis. De manière plus générale, nous voyons quand même à quel point la politique carcérale belge est un échec et, d’une part, entraîne des dépenses colossales pour l’ É tat et, d’autre part, est totalement inefficace. En effet, les taux de récidive sont particulièrement élevés, de sorte qu’il est grand temps d’investir dans la prévention, la lutte contre la récidive, mais aussi les peines alternatives et la réinsertion des détenus. Cela devrait être une priorité du prochain gouvernement, au lieu d’investir dans des conteneurs flottants afin d’enfermer encore plus de monde.

De toestand van onze gerechtelijke infrastructuur

Gesteld aan

Paul Van Tigchelt (Minister van Justitie en Noordzee)

op 23 oktober 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De vervalle justitiële infrastructuur (insalubre gebouwen, beschadigde dossiers zoals in *Mons* waar een zaak tegen een *most wanted* onontvankelijk werd verklaard) en structurele tekortkomingen (zoals het onbruikbare nieuwe paleis in *Namur* door slecht beheer) ondermijnen het functioneren van de rechtspraak. Minister Van Tigchelt wijst op beperkte bevoegdheden (SPF Justitie beheert, Régie des Bâtiments bouwt/renoveert) en noemt digitalisering (archieven, proefprojecten zoals in Antwerpen) en centralisatie van bewijsstukken als oplossingen, maar benadrukt dat extra investeringen en efficiënter beheer (minder, beter onderhouden gebouwen) dringend nodig zijn—wat nu door de regeringsformatie wordt geblokkeerd. Schlitz sluit af met een oproep tot politieke urgentie, zonder concrete toezeggingen. Kern: systeemcrash door onderfinanciering en versnipperde verantwoordelijkheden.

Sarah Schlitz:

Le 4 septembre 2024, la Cour d'assises du Hainaut a déclaré irrecevables les poursuites contre un accusé – il fût pendant 17 ans un most wanted belge – en raison de la détérioration des pièces à conviction et du dossier répressif. Ce scandale révèle l'état alarmant de nos infrastructures judiciaires, avec des locaux insalubres et des dossiers irrémédiablement endommagés. La justice se retrouve dans l'incapacité de garantir un procès équitable au détriment des victimes et des accusés.

Dans le Brabant wallon, la présidente du tribunal de première instance a lancé l'alerte, le 6 septembre dernier, au sujet de la dangerosité de son bâtiment, menaçant la sécurité de tous.

À Namur, le nouveau Palais de Justice, inauguré en mars 2024, sera encore inutilisable jusqu'en 2025, faute d'avoir anticipé l'achat du mobilier et du câblage informatique. Ces retards administratifs et le manque d'investissements ne cessent de compromettre le bon fonctionnement de notre système judiciaire.

Monsieur le ministre, quelles mesures urgentes comptez-vous prendre pour assurer la salubrité de nos infrastructures judiciaires et rétablir une justice digne de ce nom? Envisagez-vous des investissements supplémentaires pour garantir que la justice soit à la hauteur d'un État de droit?

Paul Van Tigchelt:

Chère collègue Schlitz, l'objet de votre question rejoint les questions déjà posées par madame Dillen lors de la commission du 18 septembre et par monsieur De Smet lors de la commission du 2 octobre.

En ce qui concerne les questions spécifiques par rapport au Palais de Justice de Mons, je renvoie à mes réponses antérieures.

Je tiens à préciser que le SPF Justice est uniquement responsable de la gestion quotidienne des bâtiments. Tout ce qui concerne leur construction et rénovation relève des compétences de la Régie des Bâtiments.

Le SPF Justice souhaite toutefois gérer plus efficacement la conservation des archives et des pièces à conviction en les centralisant dans un nombre limité de sites où les infrastructures sont parfaitement adaptées à une bonne conservation. Ces sites doivent bénéficier de conditions environnementales et de sécurité adéquates. Pour ce faire, le SPF dépend à nouveau ici de la Régie.

Toujours est-il que la loi sur la digitalisation d'avril 2024 prévoit également la numérisation des archives. Les règles de conservation ont été clarifiées et adaptées en concertation – c'est important – avec les archives de l'État et des projets pilotes sont en cours, notamment pour les archives du parquet d'Anvers.

Comme je l'ai déjà dit, d'énormes investissements supplémentaires seront nécessaires; et ce, à un rythme beaucoup plus soutenu que celui qui a été adopté jusqu'à présent, mais il faudra aussi changer de méthode de travail. En effet, il y a beaucoup trop de bâtiments, si bien qu'il est tout simplement impossible de les gérer efficacement et de les maintenir en bon état. Or, comme vous le savez, en cette période d'affaires courantes, je ne peux pas prendre de nouvelles initiatives.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse très claire. Il ne nous reste plus qu'à espérer que des oreilles attentives impliquées dans les négociations gouvernementales aient perçu l'urgence de ces pistes d'investissement. Je vous remercie. Président: Pierre Jadoul. Voorzitter: Pierre Jadoul.

Onverenigbaarheden tussen een politiek ambt en de functie van vrijwillig brandweerman

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)

op 23 oktober 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Een brandweervrijwilliger die burgemeester wordt, mag volgens de Wet Veiligheid Civiel (2007) niet deelnemen aan het bestuur van zijn hulpzone wegens belangenconflict (art. 27 & 42), ook niet via vervanging door een schepen. De minister benadrukt dat burgemeesters exclusief zitting nemen in de zoneraad om hun bevoegdheid inzake lokale veiligheid te waarborgen, waardoor de betrokkene moet kiezen tussen zijn mandaat of brandweerfunctie. Piedboeuf erkent het democratisch dilemma maar aanvaardt de strikte toepassing van de wet.

Benoît Piedboeuf:

Madame la ministre, un pompier volontaire, déjà échevin et qui devient bourgmestre, peut-il participer à la gestion de sa zone de secours?

La zone de secours de la province de Luxembourg étant une zone unique, maintient-on l'incompatibilité alors qu'il ne représente qu'1/43 e du pouvoir de décision? Doit-il s'abstenir de participer et, si c'est le cas, peut-il se faire remplacer par le premier échevin? Et, si non, comment règle-t-on ce problème démocratique?

Il n'est en effet pas normal qu'un pompier volontaire ne puisse pas exercer des fonctions politiques ni se faire remplacer en cas d'incompatibilité. Je vous remercie de vos réponses.

Annelies Verlinden:

Monsieur Piedboeuf, la réponse à votre question est négative. L'article 27 de la loi du 15 mai 2007 relative à la sécurité civile prévoit que "les membres du personnel de la zone ne peuvent être membres du conseil ou du collège". Cette disposition a tout son sens dans la mesure où la zone est gérée par le conseil de zone et du fait que le pouvoir réglementaire est exercé par ce dernier.

Par ailleurs, l'article 42 de la loi précitée prévoit qu'il est interdit à tout conseiller zonal d'être présent à la délibération portant sur des objets auxquels il y a un intérêt direct. En tant que travailleurs de la zone, les pompiers ont un intérêt direct concernant les délibérations adoptées par le conseil. Autoriser dès lors un membre du personnel de la zone à faire partie du conseil instituerait un conflit d'intérêts potentiel.

Je souhaite rappeler que c'est le législateur qui a décidé que le conseil de zone devait être composé exclusivement de bourgmestres en raison de la compétence exclusive de ceux-ci en matière de sécurité sur le territoire communal. C'est la raison pour laquelle le bourgmestre ne peut se faire remplacer que lorsqu'il est empêché, à savoir lorsqu'un autre membre du Collège des bourgmestre et échevins exerce toutes les compétences mayorales.

En conclusion, le pompier qui devient bourgmestre doit choisir entre les deux fonctions. S'il devient bourgmestre, il ne peut plus faire partie du personnel de la zone.

Benoît Piedboeuf:

Madame la ministre, c'est évidemment un problème démocratique mais c'est en effet l'application de la loi. Je vous remercie pour votre réponse.

Voorzitter:

De vragen nrs. 56000365C en 56000366C van mevrouw De Vreese worden omgezet in schriftelijke vragen.

De grensoverschrijdende samenwerking tussen Frankrijk en de politiezones van Henegouwen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)

op 23 oktober 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De transfrontalière politiële achtervolging tussen België en Frankrijk blijft problematisch door strikte Franse voorwaarden (beperkte lijst misdrijven, vereiste van flagrant delict) en een Frans constitutioneel obstakel dat buitenlandse politie belemmert in interpellatierechten. België dringt aan op vollédige assouplissement (geen lijst, geen flagrantie-eis) maar Frankrijk blokkeert, ondanks een onvoldoende tegemoetkomend voorstel en lopende gesprekken met de nieuwe Franse minister. Concrete cijfers ontbreken door gebrek aan gecentraliseerde registratie, al loopt een Belgisch pilootproject om dit te verbeteren. De kwestie blijft onopgelost door Franse weerstand en institutionele belemmeringen, met veiligheidsrisico’s voor grensregio’s als gevolg.

Hervé Cornillie:

Madame la ministre, je viens d'une région transfrontalière. Vous me direz qu'on est vite transfrontalier dans ce pays tant il tient sur un mouchoir de poche. En effet, il compte 1 385 kilomètres de frontières terrestres avec ses voisins directs: l'Allemagne, la France, le Luxembourg et les Pays-Bas. Mais le problème n'est pas le même en fonction du pays dont il est question, car il y a déjà eu des avancées pour certains d'entre eux.

Ma question concerne les poursuites transfrontalières suite au constat d'une infraction. Elles sont strictement codées, encadrées par la convention d'application des accords de Schengen aux articles 41 et 42, mais aussi dans les accords de Tournai I et II pour ce qui concerne la Belgique et la France. C'est de ces deux pays qu'est tiré le cas de figure présent qui sert de prétexte à cette question.

L'actuel bourgmestre de Tournai, M. Paul-Olivier Delannoy, qui a d'ailleurs fréquenté cette Assemblée, a échangé avec votre homologue français d'alors, M. Gérald Darmanin sur ce problème. En effet, M. Delannoy lui a fait part d'une situation difficile qui complique le travail des policiers belges et français, à savoir les conditions très restrictives pour entamer une poursuite transfrontalière côté français. Il visait notamment l'interdiction de poursuivre au-delà de la frontière nationale en cas de refus d'obtempérer, une situation hélas de plus en plus fréquente.

Malheureusement, si une solution a pu être trouvée avec les autres pays du Benelux et avec l'Allemagne, pour assouplir ces conditions, c'est-à-dire la suppression d'une référence à une liste limitative d'infractions ainsi que l'exigence d'un flagrant délit, la situation est toute différente avec la France, qui a peut-être une vision plus centrée de la gestion de son autorité.

Madame la ministre, vous avez précisé dans la presse que les discussions avec les autorités françaises étaient difficiles et que vous ne sentiez pas de véritable volonté d'assouplissement de ces conditions. Qu'en est-il aujourd'hui? La situation a-t-elle quelque peu évolué? Doit-elle évoluer en raison du nombre de cas que l'on rencontre sur le territoire? Combien de franchissements ont été totalisés durant le premier semestre 2024 et de quelle nature étaient-ils? Avez-vous déjà eu l'occasion de faire le point avec votre homologue français? Que pouvez-vous nous dire dans ce dossier pour que, finalement, cette question de coopération transfrontalière entre les zones de police soit résolue de manière bénéfique pour nos concitoyens et pour la sécurité globale?

Annelies Verlinden:

Collègue Cornillie, en l'absence de centralisation officielle des chiffres, tant du côté belge que français, je ne suis pas en mesure de vous fournir les informations demandées. Un projet pilote est en cours au niveau des services de police belges afin de remédier à cette situation, dans le cadre de la mise en œuvre de la recommandation européenne 2022/915 du Conseil du 9 juin 2022 relative à la coopération opérationnelle des services répressifs.

Concernant le gouvernement français, je n'ai pas encore eu l'occasion de faire part des préoccupations belges au nouveau ministre français de l'Intérieur, M. Retailleau. Toutefois, j'ai déjà relayé à de nombreuses reprises des difficultés connues de longue date auprès des autorités françaises à différents niveaux. J'espère pouvoir rencontrer prochainement mon homologue afin d'aborder ce sujet avec lui et connaître sa position officielle concernant les poursuites transfrontalières entre la France et la Belgique.

Il y a quelques mois, les autorités françaises ont proposé à la Belgique de revoir les déclarations nationales basées sur la convention d'application de l'accord de Schengen afin d'assouplir quelque peu les conditions d'ouverture de poursuites transfrontalières entre nos deux pays. Cette proposition ne rencontrait pas complètement nos attentes. En effet, la Belgique tient à ce que, d'une part, les conditions d'ouverture de la poursuite soient assouplies en supprimant la référence à une liste limitative d'infractions et l'exigence d'un flagrant délit et d'autre part, que les conditions d'exercice de la poursuite soient améliorées en reconnaissant un droit d'interpellation aux policiers étrangers; ces deux aspects étant selon nous indissociables. Sur ce dernier point, la France est confrontée à un obstacle constitutionnel qui semble ne pas pouvoir être levé si facilement.

L'évolution favorable de la situation dépendra donc de la position française et de la solution qui pourra, le cas échéant, être trouvée pour remédier à l'obstacle constitutionnel.

Hervé Cornillie:

Madame la ministre, je vous remercie pour vos éléments de réponse. Je sais qu'on est dans des situations de transition tant en Belgique qu'en France. De ce fait, je comprends que la volonté de sensibiliser n'ait pas encore pu être menée mais, quelle que soit l'évolution des fonctions personnelles des uns et des autres, je resterai attentif à cette question, tant la difficulté transfrontalière est réelle et a un impact en matière de sécurité pour nos concitoyens. Vous avez d'ailleurs fait assez utilement le bilan en la matière et précisé de nouvelles difficultés, notamment une difficulté assez conséquente d'ordre constitutionnel en France. Je puis donc bien imaginer la difficulté que cela représente pour nous, Belgique, au niveau du suivi de cette problématique et de la volonté d'améliorer les conditions de la coopération transfrontalière. Cela doit bel et bien être notre objectif mais il se heurte manifestement à quelques difficultés sur le terrain. Je reviendrai sur le sujet.

De aanpak van drugsgeweld in Brussel
De toename van het aantal drugsgerelateerde schietpartijen in Brussel
Drugsgerelateerd geweld en schietincidenten in Brussel

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)

op 23 oktober 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De recordaantal schietpartijen in Brussel (74 in 2024), vooral gelinkt aan drugscriminaliteit en bendeoorlogen (o.a. Peterbos, Anderlecht) met internationale netwerken (Marseille), leidt tot vragen over federale actie. Minister Verlinden benadrukt versterkte inzet—digitale opsporing (cybercriminaliteit, open-source intelligence), extra middelen (Fonds Drogues, CIK-renforts, drones, Plan Canal) en multidisciplinaire aanpak (politie, justitie, fiscale diensten)—maar wijst op beperkingen door lopende onderzoeken en de nood aan samenwerking met EU-partners. Nuino erkent de technologische vooruitgang (online opsporing) en federale steun, maar hamert op structurele onderfinanciering van lokale politiezones (tekort aan personeel/middelen in Brussel, Wallonië, Vlaanderen) en pleit voor langetermijninvesteringen in preventie (verslaving, jeugd, wijkwerk) naast repressie, met focus op refinanciering de komende vijf jaar.

Ismaël Nuino:

Madame la ministre, en 2024, nous rappelle la presse encore ce weekend, Bruxelles a déjà enregistré 74 fusillades, soit un triste record qui bat celui de l'année précédente. La plupart de ces incidents sont liés au trafic de stupéfiants: des quartiers tels que le Peterbos à Anderlecht sont devenus des zones de guerre entre gangs, souvent influencés par des réseaux internationaux comme celui de Marseille. Malgré les nombreux efforts déployés par les polices locales et fédérale sur ce plan, la situation sur le terrain ne cesse de se détériorer.

Quelles mesures concrètes le gouvernement fédéral a-t-il déjà prises pour renforcer les moyens des forces de police dans les zones particulièrement touchées – Anderlecht, par exemple – mais aussi, de manière plus large, à Bruxelles, et pour lutter contre la criminalité liée à la drogue? Je sais que vous avez déjà pris de nombreuses mesures, mais j’aimerais, si possible, obtenir un état des lieux de la situation ainsi qu’un détail des efforts qu’il reste à entreprendre.

Comment le gouvernement fédéral travaille-t-il avec les partenaires européens pour lutter contre ces réseaux criminels transnationaux qui gangrènent la capitale belge, notamment ceux impliqués dans le trafic de drogue à partir de Marseille et d'autres régions?

Annelies Verlinden:

Monsieur Nuino, pour que je puisse vous fournir une vue détaillée des chiffres, je vous suggère de m'adresser une question écrite. De la sorte, nous pourrons vous répondre en détail.

Les organisations criminelles liées au trafic de drogue à Bruxelles, tout comme les problèmes de drogue en général, semblent revêtir une dimension internationale. Les enquêtes judiciaires en cours concernant la criminalité violente en ce domaine sont menées de manière intensive. Je ne peux donc pas livrer de commentaire à ce sujet. Les forces de police constatent que les organisations criminelles n'hésitent pas à étendre agressivement leur sphère d'influence dans certains quartiers. Cela implique des intimidations, des règlements de compte et le recrutement de jeunes vulnérables afin de s'en servir comme pions dans le commerce de la drogue, comme cela se passe également à Marseille.

La police judiciaire fédérale a développé une stratégie Digital Investigation afin de relever les défis liés à la conduite d'enquêtes dans le monde virtuel. Cette approche est basée sur l' open source intelligence , les enquêtes sur la cybercriminalité, la criminalistique numérique, etc. et s'appuie sur une collaboration avec divers partenaires. À cette fin, la police judiciaire fédérale a été considérablement renforcée sous cette législature, notamment par le recrutement d'enquêteurs hautement spécialisés tels que des experts en cybercriminalité, par le biais d'un recrutement latéral. Des moyens supplémentaires ont également été mis à disposition par le Fonds des drogues, par exemple à travers des licences de logiciels d'analyse plus performants, notamment pour les enquêtes en ligne et en vue d'un matériel plus puissant nécessaire à cet effet.

On se réfère de temps en temps au Plan canal, mais je tiens à insister sur le fait que sa priorité était et reste la lutte contre le terrorisme. Il est bon que nous puissions profiter du soutien qui a été apporté aux zones de police bruxelloises pour combattre d'autres phénomènes criminels. Cependant, notre approche se veut plus large, car il ne faut pas se limiter à la répression, mais agir également en ce qui concerne le logement, les sans-abris, les infrastructures, comme c'est le cas à la gare de Bruxelles-Midi.

En ce qui concerne les mesures concrètes prises par le gouvernement fédéral pour endiguer la problématique de la drogue à Bruxelles, je peux également vous indiquer que la police fédérale, outre bien sûr les enquêtes judiciaires, envoie aussi régulièrement des renforts du Corps d’intervention d’arrondissement (CIK) dans les quartiers sensibles et les hotspots identifiés à Bruxelles.

Outre ces actions, la police fédérale de Bruxelles fournit également des renforts dans le cadre des opérations Belfi en matière d’approche administrative de la criminalité, et ceci en collaboration avec les Inspections sociale et du travail, le Forem et la section Ecofin de la PJF.

L’unité drones de la police fédérale est aussi mobilisée régulièrement pour soutenir les perquisitions renforcées dans les six zones de police locale bruxelloises, principalement dans les affaires de stupéfiants.

Enfin, permettez-moi de mentionner qu’un plan policier spécifique de lutte contre la drogue a également été élaboré pour Bruxelles. Ce plan met l’accent sur une approche multidisciplinaire, c'est-à-dire policière, pénale, financière et fiscale. Il implique également la police judiciaire fédérale de Bruxelles et la direction de coordination et d’appui du directeur coordinateur de Bruxelles de la police fédérale, ainsi que les six zones de police bruxelloises. Je vous remercie.

Ismaël Nuino:

Je vous remercie, madame la ministre pour ces réponses complètes. Je ne manquerai pas de vous envoyer une question écrite afin d'avoir des chiffres plus précis sur tous ces phénomènes. Je salue effectivement le fait qu'on puisse faire appel à des enquêtes en ligne ainsi qu'à toutes les nouvelles technologies pour lutter contre ces phénomènes qui se servent beaucoup des plateformes numériques pour sévir. Je vous rejoins aussi concernant la nécessité d'une prévention. Nous ne sommes donc pas toujours seulement dans une politique avec de la police et seulement de la police. Il faut évidemment qu'on puisse avoir du travail de terrain en matière de santé aussi, afin de lutter contre les assuétudes en matière de drogue. Quand je parle de travail de terrain, je pense – ça a toujours été une priorité des Engagés et ça en restera une – que nous devons aussi être capables de réinvestir dans les zones de police locales. Je vois vraiment que la police fédérale soutient énormément la police de Bruxelles et c'est très important. Ce qui reste important pour nous toutefois, c'est qu'on puisse assurer aux zones de police locales d'avoir le nombre de policiers suffisant à l'exercice complet, et dans de bonnes conditions, de leur mission. Il faudra donc qu'on puisse travailler dans les cinq prochaines années à ce refinancement: nous savons que les zones de police locales manquent malheureusement de moyens et donc d'effectifs, à la fois à Bruxelles mais aussi en Wallonie – et en Flandre certainement aussi. Je ne manquerai pas de me pencher sur le sujet, spécifiquement à Bruxelles, et nous ne manquerons pas d'y travailler dans les cinq années à venir. Je vous remercie madame la ministre et merci monsieur le président.

De paraatheid van de politie voor de burgerlijkeongehoorzaamheidsacties van de beweging Code Rood

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)

op 23 oktober 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Verlinden bevestigt dat er nationale coördinatie (via NCCN, gouverneurs en burgemeesters) is tegen geplande Code Rouge-acties (24-28/10) gericht op fossiele industrie en luchthavens, met tolerantie-zero voor inbraken en versterkte politie-inzet, maar activisten weigeren dialoog. Delcourt kritiseert dat federale sturing ontbreekt en lokale politiezones (bv. Luik) tekortschieten in capaciteit (personeel, detentie-infrastructuur), wat risico’s vergroot zoals in 2023.

Catherine Delcourt:

Madame la ministre, je souhaite attirer votre attention sur les nouvelles actions de désobéissance civile programmées par le mouvement Code Rouge et visant l'industrie des énergies fossiles. Ces actions de masse, qui devraient se dérouler dès demain et jusqu'à lundi, s'inscrivent dans la lignée de celles menées en 2023, durant lesquelles des activistes avaient notamment pénétré sur le site d'ENGIE à Flémalle et plus de 600 activistes avaient réussi à s'introduire de force sur le site d'Alibaba à Liège Airport. Ces actions avaient entraîné une occupation prolongée des lieux, des dégradations et des risques d'intrusion dans l'aéroport même, ainsi qu'à proximité des pistes. Les forces de l'ordre avaient dû intervenir en procédant à de nombreuses arrestations. Les mêmes actions avaient été menées au même moment à Anvers et à Courtrai.

Au regard de l'agitation antérieure observée et des risques très importants générés lors de ces actions de désobéissance civile, je vous pose les questions suivantes: sachant que plusieurs zones du Sud et du Nord du pays sont potentiellement visées, avez-vous mis en place une coordination au niveau national qui permettrait de prendre des mesures tant préventives que réactives, avec les effectifs nécessaires et équilibrés en fonction des lieux d'action? Vous êtes-vous par ailleurs bien assurée que les services de police disposent d'infrastructures d'accueil suffisantes pour rassembler les personnes arrêtées dans chaque province?

Annelies Verlinden:

Madame Delcourt, le suivi des actions de Code Rouge annoncées du 24 au 28 octobre figure bien entendu au centre de mes préoccupations et de celles de mes services.

Dans le cadre de la préparation des actions de blocage de Code Rouge sur les cibles liées à Total, ENGIE et au secteur aéroportuaire, un engagement maximal a été demandé par la police fédérale en matière de forces et de collecte d'informations, en coordination avec le Centre de crise national (NCCN), les gouverneurs et les bourgmestres potentiellement concernés.

Actuellement, les organisateurs de Code Rouge ne souhaitent pas dialoguer avec les autorités administratives et communiquer les lieux d'actions éventuelles. Des contacts ont été établis avec les secteurs visés, qui ont également été invités à prendre une série de mesures préventives. Une évaluation constante des informations permettra d'orienter les renforts et les moyens spécialisés, tout en appliquant les principes de la gestion négociée de l'espace public.

Outre des réunions de coordination du NCCN avec les services de sécurité concernés et les gouverneurs, un cadre de référence national de la police a également été envoyé aux gouverneurs concernant les interventions des services de la police fédérale. Ce cadre n'affecte pas les éventuelles décisions prises par les autorités administratives locales compétentes.

Pour ce qui est de l'intervention de la police fédérale, la tolérance zéro sera de rigueur si des manifestants tentent d'accéder aux sites d'entreprises chargées de l'approvisionnement énergétique de notre pays et aux pistes des aéroports. Les services de police ont déjà été sensibilisés au niveau national à ces actions et la vigilance est renforcée dans tout le pays.

En ce qui concerne les infrastructures destinées aux personnes privées de liberté, un recensement des places disponibles pour un tel accueil a été réalisé à l'échelon national.

Catherine Delcourt:

Madame la ministre, merci pour votre réponse. Merci aussi pour toutes les mesures de coordination que vous avez mises en place. Lors d'actions de masse de désobéissance civile, potentiellement menées sur l'ensemble du territoire, je déplore que le niveau fédéral soit cantonné à un rôle de coordination et ne puisse dès lors pas diriger les opérations de police sur le terrain. Cela laisse au directeur coordinateur (DirCo), au chef de corps de la zone de police concernée, cette lourde responsabilité. En 2023, les autorités locales sont passées par le chas de l'aiguille à certains égards. Par ailleurs, les DirCo ou chefs de corps des zones de police concernées ne sont pas certains de disposer de tous les moyens en suffisance, tant en termes de personnel que d'infrastructure. Par exemple, dans la province de Liège, la police fédérale ne dispose d'aucune cellule et doit se retourner vers les zones de police, souvent peu enclines à accueillir ce type de public.

De toegang tot de gegevens van het nationale veiligheidsportaal Paragon voor alle gebruikers

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)

op 23 oktober 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De Belgische crisisbeheersingsplatform Paragon kampt met datalekken en RGPD-schendingen: gevoelige noodplannen zijn onterecht onttrokken aan hulpdiensten, terwijl 32.000 organisaties en 14.000 contacten ongecontroleerd toegankelijk zijn, zelfs voor anonyme gebruikers. Minister Verlinden benadrukt dat lokale beheerders zelf toegang moeten reguleren en dat er strikte RGPD-maatregelen zijn, maar erkent dat een gerichte oplossing voor beperkte deling van noodplannen in ontwikkeling is. Critici, zoals Delcourt, wijzen op onvoldoende hiërarchie en toezicht, wat het vertrouwen in het systeem ondermijnt, ondanks de belofte van verbetering. De spanningsveld tussen databescherming en crisisefficiëntie blijft onopgelost.

Catherine Delcourt:

Madame la ministre, le portail national de sécurité Paragon, outil indispensable et obligatoire en matière de planification d'urgence et de gestion de crise, a remplacé en juillet dernier l'ancienne plateforme ICMS.

L'ensemble des plans d'urgence et d'intervention a migré vers le nouveau portail de sécurité ainsi qu'un nombre très important de données.

À l'heure actuelle, on recense pas moins de 14 000 utilisateurs et contacts et près de 32 000 organisations dont les coordonnées sont accessibles sur le portail à tout qui dispose d'un accès à Paragon, de manière identifiée ou anonyme, et sans hiérarchisation des accès. Le RGPD ne semble pas respecté même si des règles d'utilisation existent.

Mais surtout, de nombreux plans d'urgence contenant des données sensibles ont dû être retirés de la consultation (techniquement mis en projet), privant, en cas de situation d'urgence, les services qui ont besoin des informations contenues dans ces plans, de données indispensables à la gestion de la crise.

Par ailleurs, lors de formation, plusieurs zones de police ont refusé que leurs coordonnées figurent dans Paragon car ces données sont accessibles de manière beaucoup trop large et sans aucun contrôle sur l'identité de personnes qui les consultent, ni sur le bien-fondé de la consultation.

Ma question est simple: quand ce problème va-t-il être résolu?

Annelies Verlinden:

Cher collègue, comme vous le savez, Paragon est le portail national de sécurité de la Belgique. Il a été conçu et géré par le Centre de crise national. Nous avons choisi de rapatrier la gestion de nos données, auparavant confiées à ICMS sous contrôle belge, et le NCCN a par ailleurs fait un investissement significatif pour mettre en place différentes mesures de sécurité afin de se conformer au RGPD. Des règles d'accès strictes ont été instaurées et testées pour optimiser encore davantage la sécurité. La philosophie de Paragon a toujours été de partager les données avec les partenaires de la planification d'urgence et de la gestion de crise. La disponibilité de ces données en cas de situation d'urgence et la possibilité de travailler en collaboration avec l'ensemble de ces partenaires constitue la force de notre paysage sécuritaire belge.

Cependant, c'est toujours à l'administrateur local, soit le responsable chargé de l'attribution des rôles et des profils, ainsi que des accès à l'application, de déterminer qui a accès à un dossier et quel rôle est attribué à l'utilisateur.

Concernant les plans d'urgence, le NCCN travaille actuellement à une solution permettant de partager certains de ceux-ci avec un nombre limité d'organisations. Si Paragon contient 14 000 contacts, dont une grande partie sont des utilisateurs, il existe une différence importante entre ces contacts et les utilisateurs. Les contacts sont des personnes sans accès à Paragon dont les données sont reprises dans la liste de contacts et sont consultables par les utilisateurs. Ils sont préalablement informés du traitement de leurs données par les administrateurs locaux qui les ajoutent ou sont invités à donner leur consentement en cas de participation ponctuelle.

Les utilisateurs, quant à eux, ont accès à la plateforme et peuvent consulter ces informations. Tout contact et utilisateur a donné son consentement et a été informé du stockage de ses données par Paragon. Concernant les services de police, le NCCN tente de trouver un équilibre entre les besoins et les attentes de toutes les organisations.

Cependant, si le NCCN met à disposition une plateforme de sécurité pour simplifier le travail des organisations de sécurité et de secours, ce sont ces organisations qui décident des informations à inclure. La gestion des données personnelles est organisée par les utilisateurs. Si l'accès au portail national de sécurité est strictement limité et encadré, il est important que les données de contact à mobiliser pour la gestion d'une situation d'urgence soient accessibles pour les gestionnaires de la crise. Ainsi, en cas d'urgence, il est essentiel que la personne concernée puisse être jointe et qu'elle puisse, si nécessaire, accéder au portail de sécurité en tant qu'utilisateur.

La collaboration et la possibilité de partager rapidement des informations sont justement ce qui rend la gestion de crise et d'événements en Belgique, ainsi que la plateforme Paragon, si efficaces, comme vous le savez d'ailleurs.

Catherine Delcourt:

Merci de votre réponse, madame la ministre. Paragon, le nouveau portail de sécurité, se veut un nouvel outil indispensable à la gestion de crise. Pour ce faire, il doit offrir toutes les garanties de sécurité et garantir la confidentialité des informations sensibles que contiennent les plans d'urgence qui doivent demeurer à diffusion restreinte. J'ai bien compris que vous y travaillez activement. En outre, les coordonnées des autorités, des responsables des services d'intervention et autres ne peuvent être diffusées de manière aussi large sans hiérarchisation des accès et sans aucun contrôle. Cette situation, si elle n'est pas résolue, risque de mettre à mal le bien-fondé et le bon fonctionnement du portail de sécurité dans son ensemble.

Het plafond van de depositobescherming en de andere gelijkaardige stelsels

Gesteld door

N-VA Mireille Colson

Gesteld aan

Vincent Van Peteghem (Minister van Financiën)

op 22 oktober 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De Europese beschermingsplafonds voor deposito’s (100.000€) en financiële instrumenten (20.000€)—sinds 2008 ongewijzigd—zijn niet-indexeerbaar zonder EU-initiatief, aldus minister Van Peteghem, die verwijst naar EBA’s afwijzing van verhoging en stijgende bijdragen voor banken bij aanpassing. Levensverzekeringen (Tak 21) vallen buiten EU-regels, maar hij benadrukt spreiding over instellingen als alternatief. Colson kritiseert de Europese traagheid en het ontbreken van Belgische lobby voor spaarders.

Mireille Colson:

Geachte minister, Belgen staan bekend als goede spaarders. Vandaar dat ik een vraag wens te stellen over deposito’s bij kredietinstellingen.

Elk deposito dat wordt aangehouden bij een kredietinstelling uit een lidstaat van de Europese Economische Ruimte is bij faling tot 100.000 euro per persoon en per instelling beschermd. Een gelijkaardige bescherming geldt voor een beleggingstegoed en voor levensverzekeringen Tak 21, telkens voor 100.000 euro per persoon en per instelling. Dat bedrag is echter reeds van toepassing sinds de financiële crisis van 2008. Het bedrag van 20.000 euro ter bescherming van de financiële instrumenten die worden aangehouden bij een kredietinstelling of een beleggingsonderneming bij faling, geldt reeds sinds 1 januari 2000.

De inflatie heeft ervoor gezorgd dat de prijzen in de eurozone sinds 2008 met 40 % zijn gestegen. Gelukkig zijn de lonen daaraan aangepast. Bij gelijke spaarquota zal het gespaarde bedrag automatisch nominaal stijgen. Indexering van de plafonds van 20.000 en 100.000 euro is in een land van spaarders wel degelijk wenselijk. Daarom zou ik graag van u vernemen hoe u staat ten aanzien van de indexering van de plafonds van 20.000 en 100.000 euro.

Wat zou het effect zijn van een indexering van de grens van 20.000 en 100.000 euro voor de bijdragen aan het Beschermingsfonds en het Garantiefonds? Welke instantie dient hiervoor volgens u het initiatief te nemen?

Vincent Van Peteghem:

De plafonds van 100.000 euro voor de bescherming van deposito’s en 20.000 euro voor de bescherming van financiële instrumenten komen voort uit twee Europese richtlijnen. De richtlijn voor de bescherming van deposito’s is in het bijzonder een richtlijn van maximale harmonisatie, wat betekent dat ze aan de lidstaten weinig speelruimte laat. Het initiatief om het plafond te wijzigen, ligt bij de Europese Unie.

Het is echter belangrijk om op te merken dat de Europese Bankautoriteit, de EBA, recentelijk een advies heeft uitgebracht waarin ze aanbeveelt om het plafond van 100.000 euro niet te verhogen, omdat volgens haar dat beschermingsniveau voldoende blijft.

De bescherming van de levensverzekeringen tak 21 valt evenwel niet onder een Europese richtlijn. Het is van cruciaal belang om een samenhang te waarborgen tussen de bescherming van deposito’s en de bescherming van de levensverzekeringen.

Los daarvan onderstreep ik dat spaarders hun tegoeden over verschillende instellingen kunnen spreiden om voldoende bescherming te verzekeren.

Een indexering van het plafond van 100.000 euro zou leiden tot hogere bijdragen van de aangesloten instellingen. Dat komt natuurlijk doordat de bijdragen gekoppeld zijn aan het aantal gedekte tegoeden dat een lid aanhoudt en naarmate er meer tegoeden gedekt moeten worden, zullen ook de bijdragen toenemen. Een indexering van het plafond van 20.000 euro zou daarentegen geen directe impact hebben op de bijdragen van instellingen, omdat voor die bescherming een absolute fondsomvang van 40 miljoen euro wordt nagestreefd en omdat er daarnaast met een systeem van ex post bijdragen wordt gewerkt.

Mireille Colson:

Mijnheer de minister, ik begrijp dat u dit niet zult verdedigen, ook niet bij de volgende Ecofinraad, maar als wij, als Belgen en goede spaarders, op Europa moeten wachten, dan zullen we nog lang mogen wachten.

De alarmerende stijging van het aantal gevallen van beleggingsfraude
De alarmerende stijging van het aantal gevallen van beleggingsfraude
De alarmerende stijging van beleggingsfraudegevallen

Gesteld aan

Vincent Van Peteghem (Minister van Financiën)

op 22 oktober 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De FSMA signale een sterke stijging van online investeringsfraude, vooral via valse handelsplatformen die zich richten op cryptomonnaies en agressieve marketing (nepautoriteiten, fake influencer-advertenties). Hoewel de FSMA fraudesites laat blokkeren, ontbreken bevoegdheden om gestolen geld terug te halen—slachtoffers moeten snel hun bank en justitie inschakelen, maar herstel is zeldzaam. Preventie (campagnes, Wikifin, dagelijkse consumentenvoorlichting) en internationale samenwerking (opsporing geldstromen) zijn cruciaal, maar fraudenetwerken zijn zeer georganiseerd en versluizen fondsen razendsnel naar het buitenland. Concrete oplossingen voor schadevergoeding ontbreken, waardoor sensibilisering de hoofdstrategie blijft.

Xavier Dubois:

La FSMA enregistre une hausse significative des signalements d'escroquerie en ligne liée à des investissements frauduleux. Elle note également que, malheureusement, ces signalements ne représentent qu'une partie des cas: cela recouvre une réalité plus large, bien entendu.

Concernant cette situation, j'ai plusieurs questions: quelle est votre lecture concernant ces plateformes d'investissements frauduleuses en ligne? La FSMA dispose-t-elle des ressources et des moyens nécessaires pour intensifier ses actions de prévention et de répression des fraudes à l'investissement en ligne? Quelles sont les initiatives prévues pour mieux sensibiliser les épargnants? Des solutions sont-elles à l'étude pour accélérer la récupération concrète des sommes perdues par les victimes d'escroqueries en ligne, et réduire ainsi l'impact financier sur les épargnants?

Vincent Van Peteghem:

Le phénomène des plateformes frauduleuses de trading a émergé dès 2020. Depuis lors, les notifications à ce sujet constituent près de la moitié des signalements reçus par la FSMA en matière de fraude.

Ces fausses plateformes proposent une multitude de produits financiers mais se concentrent principalement sur les cryptomonnaies. Elles agissent de manière très agressives. Pour paraître dignes de confiance, elles prétendent être inscrites auprès d'une autorité financière, souvent fictive elle aussi. Elles diffusent également de fausses publicités sur les réseaux sociaux ou les plateformes vidéos en ligne. On y voit souvent une personne connue présenter une méthode permettant de s'enrichir rapidement.

Outre ses actions de sensibilisation, la FSMA répond quotidiennement aux questions des consommateurs sur ses plateformes et tente d'informer le plus possible les consommateurs financiers par le biais de campagnes à grande échelle, ainsi que via Wikifin Lab et Wikifin School.

La FSMA a également dénoncé ces entités frauduleuses et leurs sites web au parquet, auquel elle s'adresse d'ailleurs systématiquement afin qu'il fasse bloquer l'accès à ces sites web en Belgique. Toutefois, la FSMA n'est pas compétente pour récupérer les sommes perdues dans le cadre des fraudes. Cependant, elle conseille toujours aux consommateurs victimes d'une fraude à l'investissement et ayant effectué un virement récemment, non seulement de porter plainte auprès des autorités judiciaires, mais également de prendre contact sans délai avec leur banque afin de voir si ce virement peut encore être bloqué.

Dans la plupart des autres cas, les consommateurs escroqués ne récupèrent jamais leur argent. C’est pourquoi la sensibilisation et l’information des consommateurs sont essentiels dans la lutte contre les fraudes à l’investissement.

La FSMA mène des enquêtes dans le cadre de plusieurs dossiers relatifs à des fraudes à l’investissement et tente de retracer les flux financiers, notamment par le biais de la collaboration internationale. Il ressort de ces enquêtes, menées dans plusieurs dossiers de fraude, que les réseaux frauduleux sont très bien organisés. Les fonds sont rapidement transférés vers d’autres pays européens, puis en dehors de l’Europe. Les informations récoltées dans le cadre de ces enquêtes sont régulièrement communiquées aux autorités compétentes.

Xavier Dubois:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse. Cela fait effectivement beaucoup d’informations. J’imagine que derrière cela, il y a également beaucoup d’informations chiffrées et de statistiques. Je me permettrai donc de revenir vers vous, sans doute sous forme de question écrite, pour avoir toutes ces informations précises et analyser cela de manière approfondie.

Voorzitter:

La question n° 56000527C de M. Jean-Luc Crucke est reportée.

De mogelijke fraude met POME-houdende biobrandstoffen
Het onderzoek naar mogelijke palmoliefraude in Europa
Onderzoek naar fraude met biobrandstoffen en palmolie in Europa

Gesteld aan

Tinne Van der Straeten

op 22 oktober 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De fraude met POME-biobrandstoffen (palmolie-afval) staat centraal: België zag de consumptie in twee jaar 560x stijgen (van 139 m³ naar 77.684 m³ in 2023), wat fysiek onmogelijk is en wijst op wijdverspreide fraude, mogelijk om verboden palmolie-brandstoffen via POME te smokkelen. Minister Van der Straeten bevestigt dat Europese regelgeving POME toelaat als 'geavanceerde' brandstof (zonder beperkingen), maar technische controles onmogelijk zijn na verwerking, waardoor enkel Europese inspecties ter plaatse (bij productie/ophaling) en uitsluiting van POME uit de richtlijn (zoals Duitsland voorstelt) oplossingen bieden. België kan dubbeltelling voor POME weigeren via technische dossiers (3-jaarlijkse goedkeuring), maar kan de totale consumptie niet zelf beperken; Nederland overweegt een gelijksoortig systeem. Wollants benadrukt nodige opvolging in de commissie, met aandacht voor klimaatrapportage en het scheiden van legitiem en frauduleus gebruik.

Bert Wollants:

Mevrouw de minister, u hebt ondertussen verklaard dat u zich aansluit bij de vraag om een diepgaand onderzoek naar de fraude met biobrandstoffen. De hoeveelheden palm oil mill effluent (POME) die worden geclaimd te zijn ingevoerd, lijken de wereldwijde productiecapaciteit te overschrijden en de afgelopen tijd is er sprake van een gigantische toename. Mogelijk worden biobrandstoffen op basis van palmolie, die ondertussen verboden zijn om rechtstreeks te gebruiken, ingevoerd onder de noemer POME. Graag kreeg ik meer details over die mogelijke fraude.

Ten eerste, kunt u details geven over de problematieken die aanleiding gaven tot het ingenomen standpunt?

Ten tweede, zijn er gegevens beschikbaar over het gebruik van biobrandstoffen op basis van POME in België?

Ten derde, indien dat het geval is, zijn er stappen die u intra-Belgisch kunt nemen om eventueel frauduleus aangemelde biobrandstoffen op basis van die grondstof te onderscheppen? Is het technisch mogelijk om op basis van de samenstelling te achterhalen of de biobrandstoffen die worden aangeboden, frauduleus zijn?

Tinne Van der Straeten:

Mijnheer Wollants, eens te meer is gebleken dat de sector van de biobrandstoffen een zeer fraudegevoelige sector is. Ondertussen geldt een uitfasering van en een verbod op het gebruik van biobrandstoffen gebaseerd op palm en soja, ook in België.

Wij hebben in ons land het gebruik van de eerste generatie verder afgebouwd. Herinner u dat we daarover bij de omzetting van RED II, de tweede hernieuwbare-energierichtlijn, een debat voerden en we voor de dierlijke vetten in categorie 3 een beperking oplegden, omdat we toen al voorzagen dat dat potentieel ook zou kunnen worden verbruikt.

Uw vraag gaat over de POME of palm oil mill effluent , een afvalstof van de raffinage van ruwe palmolie, waarvan de consumptie wordt gestimuleerd door de Europese regelgeving. Het is dus opgenomen in de lijst van de toegelaten geavanceerde biobrandstoffen. Dat betekent dat er in de Europese richtlijnen geen beperkingen zijn opgenomen.

Wat zien we echter? Ik heb cijfers voor u van België. De consumptie van POME-gebaseerde biobrandstoffen in België bedroeg in 2021 139 m 3 . In 2022 was dat 5.411 m 3 en in 2023 77.684 m 3 . De consumptie is dus op twee jaar tijd 560 maal vergroot. Die gerapporteerde hoeveelheden, die we zien in België en andere lidstaten – dat was ook de aanleiding voor Ierland om het punt te agenderen –, corresponderen niet met wat fysiek mogelijk is. Ter zake kan er dus onvermijdelijk alleen maar sprake zijn van fraude.

Fraude met grondstoffen kan enkel worden vastgesteld op de plaats waar de grondstoffen worden opgehaald en verwerkt. Na ophaling en zeker na behandeling kunnen de grondstoffen niet meer worden onderscheiden. Dat betekent dat een oplossing op Europees niveau moet worden gevonden.

Een mogelijkheid is dat wordt vastgelegd dat collectie- en productiesites, indien zij hun product op de Europese markt willen brengen, toegang moeten verlenen aan Europese inspecteurs die de vrijwillige certificatieorganen vergezellen. Dat garandeert meteen ook het level playing field voor de Europese producenten.

Naar analogie van de gebruikte braadolie kan de totale hoeveelheid POME die kan meetellen ten opzichte van de doelstellingen, worden beperkt. Dat is misschien nog het gemakkelijkste, namelijk dat het uit de annex wordt gehaald en dat de beperking van toepassing is.

Duitsland stelde voor om POME gewoon te schrappen uit de lijst van geavanceerde grondstoffen. Lidstaten zouden op eigen initiatief al beperkingen kunnen opleggen aan de consumptie van die grondstof.

Vandaag kunnen we binnen ons huidige wetgevend kader de totale consumptie niet beperken. Wel kunnen we het volume beperken dat in aanmerking komt voor de dubbeltelling. Om in België te kunnen genieten van de dubbeltelling, moeten bedrijven daartoe een aanvraag indienen via een technisch dossier, dat drie jaar geldig is. De technische dossiers moeten worden goedgekeurd door de minister. De minister kan elke dubbeltelling voor POME weigeren zodra een realistisch volume is overschreden. Op die manier kan dus een aanmoediging voor het gebruik van POME worden weggenomen.

Dat wil dus zeggen dat de technische dossiers wel degelijk een toegevoegde waarde hebben voor de integriteit van het systeem. Nederland overweegt ondertussen om een gelijkaardig systeem in te voeren. Het dossier vereist dus zeker opvolging.

Bert Wollants:

Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord. We moeten inderdaad heel goed bekijken op welke manier dat nu verder verloopt. Ongetwijfeld is er een weliswaar miniem deel wel rechtmatig en gaat een en ander duidelijk mis bij de rest. We moeten bijvoorbeeld nagaan wat in de rapportage van de klimaatcijfers van elk land wel en niet wordt meegeteld. We zullen de kwestie in onze commissie blijven opvolgen.

De eeuwige strijd tegen seksueel geweld

Gesteld aan

Paul Van Tigchelt (Minister van Justitie en Noordzee)

op 17 oktober 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Na een reeks verkrachtingen in het Brussels Bois de la Cambre (o.a. bij een nachtclub) en cijfers van twee verkrachtingen per dag in 2022, vraagt Delcourt om extra maatregelen tegen seksueel geweld, vooral tijdens studentenfeesten. Minister Van Tigchelt benadrukt verstrengde wetten (consentement als basis, zwaardere straffen), betere opsporing (DNA-methoden), verplichte training voor politie/rechters en landelijke steuncentra voor slachtoffers, maar pleit voor een dedicatie "commissaris seksueel geweld" en blijvende federale samenwerking. Delcourt eist onverminderd doorpakken: preventie, straffere handhaving, slachtofferzorg (inclusief LHBTQ+) en structurele staatsinzet om het "eeuwige gevecht" te winnen. MR steunt alle verhardende stappen.

Catherine Delcourt:

Monsieur le ministre, ces dernières semaines, dans le bois de la Cambre, une série de viols ont été signalés à proximité d'une boîte de nuit célèbre. Malheureusement, ce type d'acte d'agression, qui n'est pas neuf et qui est perpétré depuis des décennies, a encore lieu aujourd'hui avec les conséquences que nous connaissons pour les victimes, tant sur le plan physique que psychologique.

À Bruxelles, en 2022, deux viols par jour étaient recensés par la police. Il y a vingt ans, j'ai travaillé quelque temps dans ce domaine et je constate qu'à l'heure actuelle, peu de progrès ont été faits pour diminuer de manière significative ce type d'agression. La boîte de nuit a pris elle-même une série de mesures: elle a renforcé sa prévention, elle a renforcé la sécurité privée, elle a pris contact avec la police pour que le nombre de patrouilles soit augmenté et elle a aussi pris contact avec les transports pour que les jeunes rentrent en sécurité.

Lors de la législature précédente, un acte fort a été posé puisque le droit pénal sexuel a été adopté: pas de relation sexuelle sans consentement. Les peines sont très sévères pour ceux qui ne respectent pas cette règle.

Je suis consciente que cette lutte doit avoir lieu avec vos collègues au niveau fédéral mais également au niveau des entités fédérées.

Monsieur le ministre, comptez-vous, en collaboration avec vos homologues, prendre des mesures supplémentaires pour endiguer ce phénomène, ces agressions? Ma question prend un relief évidemment tout particulier en cette période de bleusailles festives estudiantines, puisqu'on sait que le milieu universitaire est souvent sujet à ce type d'agression.

Paul Van Tigchelt:

Chère collègue, vous me posez de bonnes questions. La lutte contre la violence sexuelle doit rester une priorité pour la Justice. Je suis bien au courant des faits auxquels vous faites référence. Ils sont inadmissibles. Beaucoup de travail a déjà été accompli mais il en reste encore. Vous avez fait allusion au nouveau droit pénal sexuel qui a été instauré. Les infractions sexuelles, dont le viol, y sont sévèrement punies et de nouvelles incriminations ont été prévues.

Il est important aussi de souligner que nous avons rendu obligatoire et amélioré la formation des magistrats et des policiers en matière de lutte contre les violences sexuelles.

Comme vous le savez, la législation sur l'ADN a été adaptée. Désormais, nous pouvons mieux dépister les auteurs grâce à de nouvelles méthodes d'enquête.

La prise en charge des victimes, qui est primordiale, a été considérablement améliorée. En effet, il y a des centres de prise en charge des violences sexuelles partout dans le pays. Les victimes y reçoivent des soins et sont prises en charge par des professionnels.

Notre message – qui est aussi le vôtre – est clair, chère collègue: les jeunes filles et les femmes doivent se sentir en sécurité partout, au café, sur le chemin du retour et aussi à la maison. Je ne peux qu'espérer que le prochain gouvernement poursuivra ce combat avec la même vigueur, en étroite collaboration avec les Communautés. La commission d'enquête parlementaire a recommandé d'installer un commissaire du gouvernement chargé de la lutte contre les violences sexuelles. Je pense que ce commissaire pourra soutenir ces efforts.

Catherine Delcourt:

Monsieur le ministre, je vous remercie de votre réponse, dans laquelle je n'aurais pas aimé sentir un brin de découragement. La lutte contre les violences sexuelles est un éternel combat. Et ce combat, l' É tat doit le gagner. Nous devons prendre le dessus sur ce phénomène. Par conséquent, le MR soutiendra toutes les mesures qui visent à renforcer la prévention ainsi que la formation des policiers et des magistrats, la prise en charge des victimes – quels que soient leur sexe et leur orientation sexuelle –, de même, évidemment, que toutes les sanctions qui doivent être appliquées aux auteurs de ces actes totalement intolérables.

De eindeloopbaanregeling voor politieagenten

Gesteld door

lijst: PTB Sofie Merckx

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)

op 17 oktober 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sofie Merckx kritiseert scherp de plannen om politie- en defensiemedewerkers langer te laten werken (tot 67 jaar) met lagere pensioenen (200-300 euro minder per maand), wat ze "stank voor dank" noemt gezien hun zware, risicovolle beroep en het groeiende personeelstekort. Minister Annelies Verlinden benadrukt dat er nog niets beslist is, erkent de ongerustheid en belooft het statuut en pensioenstelsel te verdedigen, maar waarschuwt tegen paniek in een moeilijke budgettaire context. Merckx werpt tegen dat de regering al jaren de pensioenleeftijd optrekt (van 56 naar 67) en wijst de schuld voor de paniek af: *"U creëert die zelf"*—eist ze een halt toe aan de plannen, die ze onuitvoerbaar en onrechtvaardig noemt voor fysiek veeleisende beroepen.

Sofie Merckx:

Mevrouw de minister, ik vind het ongelofelijk hoe weinig respect er in ons land is voor de mensen die bij de politie en het leger werken. Die mensen hebben een zwaar beroep, met onregelmatige uren en risico's, waar ongerustheid bij hoort en men zijn leven riskeert op bepaalde momenten. Daar zou respect tegenover moeten staan.

Ik ken iemand die bij de politie is gaan werken toen hij 22 was en die man ziet regering na regering de dag waarop hij kan stoppen met werken verder liggen. Wat komt daar nu nog bij? Vorige week kregen we te horen dat die mensen 200 à 300 euro pensioen per maand minder zouden krijgen en dan heb ik het nog niet over alle voordelen die de afgelopen jaren zijn afgeschaft. Ik vind dat echt ongelofelijk. Die mensen zetten zich dag in dag uit in voor ons land en wat krijgen zij daarvoor terug van de regering? Langer werken en minder pensioen. Dat is stank voor dank.

U bent dan nog verbaasd dat er een tekort is aan mensen die bij de politie of bij Defensie willen gaan werken. Hoe zullen die mensen het ook volhouden om tot 67 jaar dat beroep uit te voeren? Dat is gewoon niet mogelijk en dat is ook niet goed voor de veiligheid van onze burgers. Wat er vorige week is gezegd en wat u aan het bekokstoven bent met cd&v, de N-VA en Vooruit wat de eindeloopbaanregeling van de ambtenaren betreft, is voor die mensen werkelijk een slag in het gezicht.

Hoe zit het dus met de eindeloopbaanregeling van onze politieagenten, mevrouw de minister?

Annelies Verlinden:

Mevrouw Merckx, ik spreek natuurlijk in de eerste plaats voor mezelf, maar ik heb onnoemelijk veel respect voor de mensen van onze veiligheidsdiensten, voor de politie, voor Defensie en voor iedereen die zich inzet voor het algemeen belang en daarbij – inderdaad – soms zijn eigen veiligheid op het spel zet.

Ik heb inderdaad begrepen dat er ongerustheid is over het eindeloopbaanbeleid naar aanleiding van de teksten die in de regeringsonderhandelingen worden besproken. Daar is echter nog niets beslist. Ik heb ook bij de andere partijen en bij de formateur veel respect voor de veiligheidsdiensten genoteerd.

Ik heb die ongerustheid gehoord en wij hebben dat genoteerd. Ik heb daarover ook een gesprek gehad met de vertegenwoordigers van de geïntegreerde politie. We moeten inderdaad vermijden dat een paniekreactie leidt tot een uitstroom van vooral seniormedewerkers en leidinggevenden bij onze politie. De vakbonden van de geïntegreerde politie hebben een brief gestuurd naar de formateur, die dat goed heeft opgepikt. Dat wordt mee opgevolgd en hij heeft er al over gecommuniceerd.

We moeten blijven vechten voor het statuut van onze veiligheidsmensen. Het bepalen van een pensioenstelsel voor de mensen van de veiligheidsdiensten dat rekening houdt met het zware en intense karakter van hun werk, is zeker aan de orde. Dat is zeker ook waar wij voor zullen blijven vechten. We zullen dat zeker blijven opvolgen en we nemen die bezorgdheden ook mee tijdens de onderhandelingen.

Ik zou u iets willen vragen: jut niet verder op en zaai geen paniek. Er is nog niets beslist. Wat we vandaag niet moeten doen, is in een heel moeilijke budgettaire context – dat weet u ook – verder opjutten. We zullen zorgen voor onze veiligheidsmensen en dat respect zullen we de komende weken niet alleen met woorden tonen, maar ook met daden.

Sofie Merckx:

Madame la ministre, je trouve cela tout simplement incroyable! Vous dites éprouver du respect pour les policiers et les gens qui travaillent dans l'armée. Or, déjà sous le précédent gouvernement, vous les faisiez travailler de plus en plus longtemps, si bien qu'ils ne pouvaient pas prendre leur pension. À présent, vous voulez les faire travailler encore plus longtemps en leur accordant une pension moindre. MM. De Wever et Bouchez ont été clairs à ce sujet, puisqu'ils disent sans cesse que quelqu'un va devoir payer. Nous ne sommes pas d'accord de faire payer les policiers et les fonctionnaires de l'armée! Vous dites avoir entendu leur panique. Mais ce n'est pas nous qui l'avons provoquée; c'est vous! Depuis des années, vous dites aux militaires que le départ à la retraite va passer de 56 à 67 ans. Qu'êtes-vous en train de faire? Comment vont-ils pouvoir encore accomplir leurs missions à 67 ans? S'il vous plaît, madame la ministre, il est encore temps d'arrêter vos plans!

De bijzondere pensioenstelsels bij onder meer de politie, het leger en de spoorwegen

Gesteld door

lijst: PS Sophie Thémont

Gesteld aan

Karine Lalieux

op 17 oktober 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om twee hoofdthema’s: (1) de omstreden pensioenhervorming van de "Arizona-coalitie", die voor veiligheids- en openbare-dienstberoepen (politie, brandweer, militairen, spoorwegpersoneel) de pensioenleeftijd met 10 jaar opschuift en pensioenen met tot €936/mnd verlaagt, wat minister Lalieux (PS) en Sophie Thémont (sp.a) sociaal onaanvaardbaar noemen voor fysiek zware jobs, en (2) misbruik van parlementaire vragen over het Midden-Oostenconflict, waar PVDA-volksvertegenwoordigers volgens critici (o.a. Benoît Piedboeuf) herhaaldelijk dezelfde kwesties (Israël-sancities) inbrengen onder mom van "actualiteit", terwijl de Voorzitter benadrukt dat de lopende-zakenregering beperkt is tot acute crises. *Kern*: Pensioenaanval op vitale sectoren en politiek gekibbel over procedurele integriteit.

Sophie Thémont:

Madame la ministre, imaginez-vous une conductrice de 66 ans démarrer son train à 4 h du matin. Imaginez-vous des pompiers de 66 ans éteindre le feu. Imaginez-vous des soldats de 66 ans partir en mission. Imaginez-vous des policiers de 66 ans poursuivre des narcotrafiquants.

Les représentants des travailleurs et le chef de la Défense sont très inquiets. Ils ont raison de l'être puisque, selon les informations qui leur reviennent, l’âge de la pension de ces travailleurs reculerait de dix ans. Dix années, c’est injustifiable. Or, ici, on parle de plusieurs milliers de travailleurs de l’État qui font un métier pénible et qui ne comptent pas leurs heures pour assurer notre sécurité et notre santé.

Partir à la pension, quand on a un métier pénible, ce n’est sûrement pas un privilège. Supprimer ce régime, c’est démotiver nos agents. Et quel signal? Quel signal envoyons-nous à tous ces jeunes qui rêvaient sans doute de rejoindre leurs rangs?

Madame la ministre, pendant quatre ans, nous, socialistes, et vous en particulier, nous avons fait rempart contre les attaques de la droite. Le réveil va être brutal dans ce désert de droits sociaux. Votre collègue de la Défense a d'ailleurs fait part de son inquiétude.

Madame la ministre, que pensez-vous de ces propositions surréalistes de la coalition Arizona telles qu’elles ont fuité dans la presse?

Voorzitter:

Collega's, mag ik u vragen om de sprekers uw volle aandacht te schenken?

Karine Lalieux:

Chers collègues, je ne peux que confirmer les réponses, qui ont été apportées par mon administration, aux différentes questions concernant l'impact des réformes avancées par la note du formateur.

En effet, alors que tout le monde s'accorde sur l'importance de renforcer les corps de métier qui assurent notre sécurité au quotidien, les propositions formulées attaquent frontalement les droits relatifs aux pensions tant des agents en place que des futurs agents. Je pense, tout comme vous, aux policiers, aux pompiers, aux militaires, mais également aux cheminots, qui font un travail remarquable pour garantir la sécurité du chemin de fer.

Avec les mesures envisagées par l'Arizona, ces hommes et ces femmes seront obligés de travailler plus pour une pension moindre, comme je l'ai annoncé pour les enseignants la semaine dernière. Ainsi, un militaire ou un cheminot, âgé aujourd'hui de 40 ans, devra travailler de 11 à 12 années en plus, tout en perdant jusqu'à 380 euros par mois. Un policier ou un pompier, du fait de la suppression des tantièmes préférentiels et du nouveau mode de calcul des pensions, verra sa pension diminuer de 936 euros par mois.

Dans la réforme que nous avons approuvée sous la Vivaldi, nous avions précisément veillé à préserver les droits des corps essentiels à la sécurité de toutes et de tous et leurs conditions de travail, comme l'ont d'ailleurs souligné les syndicats et le chef de l'armée. Leurs conditions de travail justifient du reste un régime particulier.

Il est à espérer, chers collègues, que la prochaine majorité n'avancera pas sur les propositions formulées au détriment des travailleurs et de notre sécurité à toutes et à tous, et qu'elle ne fera pas des pensions une simple variable d'ajustement budgétaire, comme je l'ai trop souvent entendu dire par la droite durant cette législature.

Sophie Thémont:

Merci pour votre réponse, madame la ministre. Il est vrai que nous avons besoin de services publics forts à l’heure où tout le monde réclame un renforcement de la sécurité, notamment. Vous l’avez dit, nous avons besoin de nos cheminots, de nos pompiers, et ils veulent sacrifier les travailleurs sur l’autel de l’austérité. C’est certainement comme cela qu’ils comptent valoriser le travail.

En tout cas, je pense que la coalition Arizona formera vraiment un gouvernement anti-services publics, de régression et de violences sociales. Nous utiliserons tous les moyens à notre disposition pour faire barrage à cette vague antisociale.

Voorzitter:

We merken dat er al vragen worden gesteld aan de volgende regering. Dat is erg interessant. Laten we erop rekenen dat ze ook zo snel mogelijk tot stand komt.

Benoît Piedboeuf:

Monsieur le président, je voulais revenir à cette séance de questions parce qu'il y a eu hier une longue commission avec des questions à la ministre Lahbib sur Israël, le Hezbollah, la Palestine, le Liban, etc. Et, au cours de cette matinée, le facétieux collègue Hedebouw a introduit une nouvelle question sur le sujet, alors que cela avait été débattu en long et en large la veille. L'argument utilisé pour que les services acceptent cette question, alors qu'il y avait eu un débat d'actualité, était que le point qui allait être évoqué, c'était l'évacuation du Liban.

Vous avez entendu la question comme moi. Cela n'a pas été évoqué du tout par M. Hedebouw qui en a évidemment profité pour faire la diatribe habituelle qui est captable et diffusable sur les réseaux sociaux. Cette question n'était donc pas une question d'actualité puisque l'actualité datait de la veille. À un moment donné, il faut mettre des limites et il faut aussi que les parlementaires soient honnêtes par rapport à la façon d'amener des questions d'actualité.

Voorzitter:

La parole est à M. Boukili, qui était présent hier lors du débat.

Nabil Boukili:

Oui, j'étais présent hier au débat et je vais me permettre de répondre à M. Piedboeuf, parce que mon collègue Hedebouw n'est pas encore de retour.

Je pense que la question avait tout d'une question d'actualité, monsieur Piedboeuf. Parce que les réponses de la ministre, hier, étaient insuffisantes sur une question centrale, qui est toujours d'actualité. Vous avez parlé de l'évacuation de la population au Liban. Mais s'agissant des massacres qui sont perpétrés aujourd'hui au Moyen-Orient et du génocide qui est en train d'être commis aujourd'hui au Moyen-Orient, il y a une question d'actualité à laquelle la ministre n'a toujours pas répondu depuis un an: pourquoi la Belgique ne prend-elle pas de sanctions contre l'État d'Israël? Cette question est toujours d'actualité parce qu'il n'y a toujours pas de réponse!

Voorzitter:

We hebben contact gehad met de PVDA-fractie. De kwestie die collega Piedboeuf aansnijdt, betreft een terechte vraag. We hebben de collega's van de PVDA gevraagd wat het nieuwe element is. Laten we eerlijk zijn, de toestand in het Midden-Oosten is spijtig genoeg van die aard dat men bijna elk uur een nieuw element kan aangrijpen. Dat maakt dat daar misbruik van kan worden gemaakt. Daar kan ook gebruik van worden gemaakt. Ik zal me daarover in dit concrete geval niet uitspreken. Ik wil er wel op wijzen dat de ingediende vraag en het thema dat daarin wordt aangesneden, de vraag hoort te zijn. We zullen de komende weken, zolang we een regering in lopende zaken hebben – hopelijk niet te lang –, natuurlijk een heel moeilijke vragensessie hebben. Laten we eerlijk zijn, het is vooral wanneer de regering wel iets doet dat dit vragen oproept in deze omstandigheden, eerder dan wanneer de regering niets doet. Eigenlijk kan de regering in lopende zaken alleen in acute omstandigheden optreden. Dat is een zeer moeilijk evenwicht. Ik spreek dan ook de hoop uit dat er binnenkort een regering met volheid van bevoegdheden bevraagd kan worden over toekomstige initiatieven of het gevoerde beleid.

De situatie in het Midden-Oosten
De situatie in Libanon
De evacuatie van Belgische burgers en rechthebbenden uit Gaza
De situatie in het Midden-Oosten
De repatriëring van Belgische staatsburgers uit Libanon
De situatie van Belgen die nog in Libanon zijn
De situatie in het Midden-Oosten
De repatriëring van Belgen uit Libanon
De situatie in het Midden-Oosten
Het conflict in het Midden-Oosten
Het oorlogsgeweld in Libanon
De steeds verdergaande bezetting van de Westelijke Jordaanoever
De rampzalige situatie in het Midden-Oosten
De steeds verdergaande schendingen van het internationaal recht door Israël
De zoveelste schendingen van het internationale recht door Israël
De aanval op een vluchtelingenkamp
De situatie in Gaza en de diplomatieke reactie van België
De situatie in Libanon
De situatie in Libanon
België en het escalerende conflict in het Midden-Oosten, Gaza en Libanon

Gesteld aan

Hadja Lahbib (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken, Buitenlandse Handel en Federale Culturele Instellingen)

op 16 oktober 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Het actualiteitsdebat over het Midden-Oosten draait om de escalerende crisis in Gaza, Libanon en de Westelijke Jordaanoever, met focus op Belgiës diplomatieke en humanitaire rol. België pleit voor een onmiddellijk staakt-het-vuren, vrijlating van gijzelaars en humanitaire hulp, maar botst op Europese verdeeldheid (bv. Tsjechië, Duitsland) over sancties of een wapenembargo tegen Israël—waarvoor België wel steun uitspreekt, maar de bevoegdheid bij de gewesten ligt. Concrete acties (zoals sancties tegen kolonisten of opschorting van het EU-Israël-associatieakkoord) blijven uit door gebrek aan unanimiteit in de EU, terwijl kritiek klinkt op dubbele standaarden (vs. Rusland) en Belgiës rol in wapentransit (Antwerpen, Luik). Humanitaire evacuaties (Gaza/Libanon) verlopen moeizaam door Israëlische blokkades, ondanks Belgische inspanningen.

Voorzitter:

Collega's, ik wil u alvast meedelen dat de minister geen einduur opgeeft. Oorspronkelijk was het geplande einduur van de vergadering 20.00 , maar de minister is bereid om langer te blijven, waarvoor dank.

Eerst staat er een actualiteitsdebat op de agenda. Het is belangrijk om de regels af te spreken. Er is een timer, dus u kunt perfect volgen. U krijgt twee minuten per vraag, met een maximum van vier minuten, ongeacht uw aantal vragen. Er wordt daarop strikter dan vroeger toegezien. Zo niet zou het debat oeverloos uitlopen. In vier minuten kunt u heel wat vragen stellen. In de plenaire vergadering beschikt u maar over twee minuten.

Als ik u het woord geef, stelt u al uw vragen na elkaar, binnen de vier minuten, waarna de minister antwoordt. Uit ervaring weet ik dat zij zich aan de tijd weet te houden. Indien u dat wenst, krijgt u daarna nog twee minuten voor een repliek.

De eerste vraagsteller, mevrouw Yigit, is niet aanwezig.

Collega's, in een actualiteitsdebat mag u aansluiten als u geen vraag hebt ingediend. U hebt dan wel geen recht meer op een repliek. U kiest dus voor een vraag of een repliek.

Annick Lambrecht:

Mevrouw de minister, u wordt al weken bevraagd over de situatie in het Midden-Oosten na de toegenomen Israëlische agressie tegen Libanon, het blijvend geweld en de militaire aanvallen op de Westelijke Jordaanoever en de schijnbare onwil om tot een staakt-het-vuren te komen in Gaza, ondanks het gruwelijke leed van de burgerbevolking en duizenden doden. Noch de Israëlische regering, noch Hamas, noch Hezbollah respecteert het internationaal humanitair recht en het oorlogsrecht.

Nu het conflict met een grondoffensief van Israël in Libanon, een land dat al jaren van crisis naar crisis gaat, in een nog hogere versnelling is gezet, lijkt het tot een hoogtepunt te komen. Het conflict zal echter niet stoppen, maar enkel verergeren. Analisten voorspelden dat al maandenlang en ook uw eigen diplomaten gaven al aan dat Netanyahu een noordelijk front zou openen.

Ik laat mijn vorige vragen achterwege, want de actualiteit verandert elke dag. De afgelopen dagen is er een verontrustende escalatie in Gaza aan de gang, die in zekere mate onder de radar blijft door de aanhoudende Israëlische operatie in Libanon. Het Israëlische leger heeft opnieuw evacuatiebevelen uitgevaardigd voor het noorden van Gaza. In centraal Gaza werden onlangs een VN-school en een ziekenhuis getroffen, met talloze burgerslachtoffers tot gevolg. Volgens rapporten van de WHO en andere bronnen blijft de humanitaire situatie dramatisch verslechteren. Die gebeurtenissen, waaronder het bombardement op het Al Ahliziekenhuis, onderstrepen de noodzaak om actie te ondernemen.

Josep Borrell sprak daarover zijn afschuw uit en riep op tot respect voor het internationaal humanitair recht.

In dat kader is er groeiende steun voor een Europees wapenembargo tegen Israël, een voorstel dat recent nog kracht werd bijgezet door president Macron. Tegelijk zien we echter verdeeldheid binnen Europa over dat punt, vooral bij Duitsland. België heeft eerder al aangegeven voorstander te zijn van een dergelijk embargo. Daarover heb ik enkele vragen.

Mevrouw de minister, hoe zal ons land zich inzake het wapenembargo positioneren tijdens de komende Europese Raad? Bent u bereid om extra druk uit te oefenen op de Europese partners om een gezamenlijk wapenembargo te realiseren?

De voorzitster : Mevrouw Lambrecht, u bleef perfect binnen de toegekende spreektijd.

Els Van Hoof:

Mevrouw de minister, mijn eerste vraag gaat over de evacuatie van Belgische burgers en rechthebbenden uit Gaza. Via de media vernamen we dat nog honderden Belgische burgers en rechthebbenden vastzitten in de Gazastrook. Sinds Israël op 7 mei de grensovergang met Egypte bij Rafah heeft overgenomen en gesloten, is het voor hen vrijwel onmogelijk geworden om het gebied te verlaten. De enige optie is vertrekken via de door Israël gecontroleerde overgang bij Kerem Shalom, maar die staat alleen open voor humanitair personeel en een beperkt aantal ernstig gewonde of zieke personen.

Volgens verschillende ngo's is een evacuatie via die grensovergang naar Egypte of Jordanië moeilijk, tenzij en op voorwaarde dat de Belgische overheid een officieel verzoek indient bij Israël en voorafgaand het akkoord verkrijgt van de Jordaanse of Egyptische autoriteiten.

Mevrouw de minister, wat is de huidige stand van zaken met betrekking tot de communicatie tussen België en Israël, specifiek over de coördinatie voor het vertrek van die mensen via de grensovergang van Kerem Shalom?

Mijn volgende vragen sluiten aan bij die van mevrouw Lambrecht.

Er is op 14 oktober een vergadering geweest van de Raad Buitenlandse Zaken naar aanleiding van de escalatie van het geweld in het Midden-Oosten, vooral in Libanon. Het is belangrijk dat wij wegen op het Europese standpunt inzake dit conflict. Het is belangrijk dat wij weten welk standpunt België op dit moment verdedigt, nu de regering in lopende zaken is. België is bovendien lid van de VN-Mensenrechtenraad. Daar moet het alle schendingen van het internationaal recht duidelijk en bij naam veroordelen.

Ik heb hierover enkele concrete vragen. Welke maatregelen zijn er bepleit door België inzake de situatie in Gaza? Welke maatregelen zal België in de toekomst bepleiten in de Europese Raad inzake de Westelijke Jordaanoever en Libanon?

Hoe zit het met het instellen van een verbod op handel met illegaal bezette gebieden, gelet op de resolutie van de VN-Veiligheidsraad ter zake? Komt er een Europese coalition of the willing? Steunt u de oproep van 11.11.11 tot onmiddellijke oprichting van een VN-onderzoekscommissie voor Libanon?

Nabil Boukili:

Madame la ministre, je vous pose ma question aujourd'hui après un an de génocide contre le peuple palestinien. Il s'agit d'un génocide planifié et méthodique, d'un nettoyage ethnique qui est pensé depuis longtemps et exécuté aujourd'hui par l'armée israélienne d'occupation. C'est un génocide lors duquel des journalistes ont été assassinés pour qu'ils ne rapportent pas l'information, pour cacher la brutalité et la barbarie de ce que fait l'armée israélienne à Gaza. On a vu aussi une planification de nettoyage ethnique en Cisjordanie avec un renforcement de la colonisation, un renforcement et un surarmement des colons et encore des morts en Cisjordanie. Tant que les yeux sont rivés sur Gaza, on oublie ce qui se passe en Cisjordanie. Or l'atrocité n'y est pas moins importante.

Aujourd'hui, avec la situation au Liban, on se rend compte que le projet de l'armée israélienne est clair. Cela a d'ailleurs été démontré par plusieurs experts et par la BBC. Elle aussi, sur la base de déclarations d'anciens ministres et de ministres actuels, a évoqué la planification de ce qui se fait aujourd'hui – mais aussi ce qui s'est fait bien avant le 7 octobre – pour récupérer des territoires libanais et palestiniens et pour aller vers le projet colonial israélien prévu. Cette situation, nous ne pouvons pas l'accepter. Mais, malheureusement, si Israël arrive à exécuter son projet génocidaire et son projet de colonisation, c'est parce que et seulement parce qu'Israël a un soutien inconditionnel des pays occidentaux, des États-Unis et de l'Union européenne.

Les États-Unis, parce que les Etats-Unis fournissent les armes qui tuent au Moyen-Orient. Plus de 20 milliards d’euros d’armes sont exportées par les États-Unis. Et l’Union européenne, parce qu’elle n’est pas seulement un partenaire économique d’Israël. Non, l’Union européenne fait d’Israël un partenaire privilégié, parmi toutes les autres nations, dans ses relations économiques, à travers l’accord d’association entre l’Union européenne et Israël.

C’est une honte, madame la ministre. C’est une honte que les pays qui vont faire la guerre dans tous les coins du monde pour défendre la soi-disant démocratie et les droits humains, aujourd'hui sont complices du génocide au Moyen-Orient.

Trente pourcents des armes reçues par l’État d’apartheid sont exportées par l’Allemagne. Une grande partie de ces exportations passe par le port d’Anvers. Les armes américaines transitent par l’aéroport de Liège.

Madame la ministre, ma question est très simple. Quand allez-vous imposer un embargo militaire sur le transit et l’exportation d’armes qui contribuent à tuer la population palestinienne, avec ses femmes et ses enfants, et qui contribue à les "génocider" aujourd'hui?

Britt Huybrechts:

Mevrouw de voorzitster, ondertussen is de repatriëring van Belgen uit Libanon gestart. Het Vlaams Belang vindt het goed dat we onze mensen terug naar België brengen, maar blijft wel enkele bedenkingen hebben. Ik kreeg enkele weken geleden, in de plenaire vergadering, geen antwoord op mijn vraag naar de opstart van de screening van die Belgen op vormen van radicalisering of eventuele connecties met terroristische organisaties zoals Hezbollah, Hamas enzovoort. Het is onze en hopelijk ook uw prioriteit om onze mensen veilig te houden in het buitenland, maar zeker ook in het binnenland. We mogen geen buitenlandse conflicten importeren. In het verleden hebben er nog repatriëringen plaatsgevonden, zoals in Afghanistan. Daar zijn toen zeer grote fouten begaan, waaruit we maar beter lessen kunnen trekken.

Daarom heb ik enkele vragen voor u, mevrouw de minister.

Hebt u zicht op hoeveel Belgen er nog in Libanon verblijven en hoeveel er wensen terug te keren? Wat is daarin het aandeel van de dubbele nationaliteiten? Zijn het alleen maar Belgen of zitten er tussen de mogelijk gerepatrieerden ook erkende vluchtelingen?

Tijdens de operatie Red Kite in Afghanistan bleken er tussen de gerepatrieerden ook vakantiegangers te zitten. Kunt u met deze repatriëring garanderen dat dat niet zal gebeuren? Hebt u een draaiboek klaarliggen met de lessons learned van de chaotische evacuatiemissie uit Afghanistan? Zijn onze diplomatieke diensten in Libanon voorbereid op dat scenario? Heeft men geleerd uit al de administratieve fouten die gebeurd zijn tijdens de evacuatie uit Afghanistan?

Hebt u een plan klaarliggen om de geëvacueerde landgenoten te screenen op radicalisering of op contacten met terroristische organisaties zoals Hezbollah of andere? Bent u van plan om deze screening verder op te volgen?

Tot slot, hoeveel geld werd er voor het jaar 2023 voorzien voor Libanon? Welke projecten werden hiermee gesponsord? Idem voor 2024, kunt u garanderen dat het geld is terechtgekomen bij de doelen die u voor ogen had en niet bij terroristische organisaties?

Kjell Vander Elst:

Mevrouw de voorzitster, mevrouw de minister, ik wil focussen op een aantal nieuwe zaken die recent zijn gebeurd, zoals de aanval van het Israëlische leger op het hoofdkwartier van de VN-blauwhelmen van de UNIFIL-missie in Libanon. Dat is absoluut onaanvaardbaar. Die aanval op de VN kan echt niet door de beugel. Heeft de VN maatregelen genomen na de aanval op UNIFIL?

Over welke militaire steun hebben de zuidelijke Europese landen het in de MED 9-verklaring? Welke steun zullen ze aan het Libanese leger geven? Werd dat op Europees niveau besproken? Zo ja, wat is het standpunt van België ter zake?

Staf Aerts:

Mevrouw de voorzitster, mevrouw de minister, ik heb verschillende vragen, over Gaza, Libanon en de Westelijke Jordaanoever.

De situatie in Gaza werd al uitvoerig geschetst: 42.000 dodelijke slachtoffers, onder wie heel veel kinderen en heel veel burgerslachtoffers. Dat toont aan dat er een gigantisch probleem is. Het internationaal recht wordt continu met voeten getreden. Ik wil verwijzen naar de verklaring van de Ierse minister van Buitenlandse Zaken Martin. Hij stelt dat de Israëlische aanval op het vluchtelingenkamp Jabalia in Gaza een oorlogsmisdaad is en dat de internationale gemeenschap elk drukkingsmiddel tot haar beschikking moet gebruiken om Israël onder druk te zetten om deze oorlog te stoppen.

Hoe kijkt u naar die uitspraak van uw Ierse collega? Staat u er erachter? Indien niet, waarom niet? Welke concrete drukkingsmiddelen kan België volgens u inzetten om te proberen die oorlog te stoppen en mensen terug aan de vredestafel te krijgen?

Verschillende mensenrechtenorganisaties verwijzen ook naar de nieuwe aanval op het noorden van Gaza als een geplande etnische zuivering. Ze hebben het namelijk over het Generals' Plan , dat opgesteld werd door de voormalige Israëlische veiligheidsadviseur. Hoe kijkt u naar dat etnischezuiveringsplan? Hoe beoordeelt u dat? Welke stappen kunnen we zetten om dat te stoppen?

Israël valt momenteel ook civiele infrastructuur in Libanon aan. Men heeft het daar over een 'Gaza 2.0'. Er vielen reeds 2.000 doden en miljoenen mensen zijn op de vlucht. Hoe veroordeelt u de aanval op die civiele infrastructuur? Kunnen we het EU Global Human Rights Sanctions Regime toepassen op de situatie in Libanon?

We zijn nu dus bij mijn vragen over Libanon aanbeland.

Welke stappen hebt u al gezet om een staakt-het-vuren af te dwingen? Hebt u aan uw Tsjechische collega laten weten dat België zeer ontevreden is over hun belemmerende houding met betrekking tot de Europese oproep voor een onmiddellijk staakt-het-vuren? Tsjechië houdt die immers tegen.

Voorziet u de mogelijkheid om extra humanitaire middelen naar Libanon te sturen? Neemt u actief deel aan de discussie om een Europees wapenembargo tegen Israël in te stellen?

Ik wil het tot slot nog hebben over de Westelijke Jordaanoever. Daar breidt Israël zijn nederzettingen nog steeds uit, hoewel de VN dat heel duidelijk veroordeelt. Ons land heeft die resolutie ook gesteund. Hoe zult u daar sancties tegenover stellen? De politiek van zachtjes zeggen dat het niet oké is, werkt immers niet. Is het niet tijd om ernstigere stappen te zetten en met straffere maatregelen te komen, zoals het associatieregime? Hoe kijkt u daarnaar?

Rajae Maouane:

Madame la ministre, beaucoup de choses ont été dites, dont je ne répéterai pas l'essentiel, mais nous nous trouvons à présent face à une escalade sans précédent depuis plus d'un an, dont le niveau d'horreur a été rarement atteint dans l'Histoire de l'humanité. De plus en plus de juridictions et d'organisations parlent de génocide qui se déroule sous nos yeux: des populations sont déplacées, des civils massacrés, des enfants abattus, des patients brûlés vifs. C'est une réalité insoutenable qui se déroule sous nos yeux.

Je souhaite vous poser plusieurs questions au sujet de la situation tragique au Liban, mais aussi à Gaza, ainsi qu'à propos des positionnements diplomatiques de la Belgique.

Madame la ministre, pourquoi n'avez-vous pas encore réclamé des sanctions internationales immédiates contre les responsables des frappes qui ciblent des enfants et civils innocents? Je me réfère, en l'occurrence, au récent massacre dans un camp de réfugiés.

Quand la Belgique imposera-t-elle un embargo sur les armes à destination d'Israël?

Comment garantir la protection des civils, en particulier des enfants, alors même que des centres humanitaires, des écoles et des camps de réfugiés sont pris pour cible?

Nous connaissons votre engagement en faveur des droits humains, mais comment expliquer l'absence de prise de position publique ferme face à cette crise humanitaire, alors que des pays comme la Chine, qui ne sont pourtant pas des modèles sur le plan des droits humains, ont osé prendre leur téléphone et contacter leur homologue israélien?

De plus, nous attendons que la Belgique joue un rôle actif pour mettre fin à cette tragédie humanitaire. Partagez-vous l'analyse selon laquelle ce qui se passe aujourd'hui au nord de Gaza constitue un nettoyage ethnique, voire un génocide? Dans le cas contraire, pourquoi?

Par ailleurs, nous savons qu'Israël a fait preuve d'une agressivité sans précédent à l'égard des Nations Unies en attaquant à plusieurs reprises des Casques bleus et en interdisant au Secrétaire général de l'ONU d'entrer sur son territoire. Quelles mesures avez-vous prises pour y mettre fin? Comment vous positionnez-vous contre ces offensives visant les Nations Unies, qui menacent gravement l'ordre international et les fondements mêmes du droit humanitaire?

Lydia Mutyebele Ngoi:

Madame la ministre, je suis très heureuse de la couleur que vous portez (la ministre porte une robe rouge) et j'espère que c'est une prémonition.

Les vives tensions qui ont lieu au Proche-Orient, depuis maintenant plus d'un an, nous offrent un spectacle de débâcle et de désolation. Le gouvernement israélien, malgré les nombreuses mobilisations de ses citoyens, n'a de cesse de provoquer des pertes civiles massives et répétées dans des proportions qui ne font plus douter de l'absence de ciblage de ces frappes. Le bilan de cette opération est catastrophique: plus de 41 000 morts, les chiffres annoncés étant certainement sous-évalués. L'État d'Israël a également minutieusement organisé une catastrophe humanitaire en bloquant physiquement l'accès de quasiment toute aide et, bien sûr, celui des journalistes, pour ne pas que ses mensonges quotidiens puissent être contredits.

Les crimes de guerre sont répétés et délibérés. M. Nétanyahou a beau clamer que ses opérations sont ciblées, son offensive est en réalité un carnage. Nous dénombrons 90 % de victimes collatérales et le droit international humanitaire n'est pas respecté. Comme il n'y a plus rien à détruire à Gaza, M. Nétanyahou est maintenant prêt à sacrifier les derniers otages.

Il met en œuvre la même stratégie au Liban, en prétendant cibler le Hezbollah libanais. Le bilan humain y est également catastrophique: plus de 2 000 personnes ont été tuées depuis octobre 2023. Parmi ces victimes, nous dénombrons de nombreux civils, dont 127 enfants, selon le ministère de la Santé. À cela s'ajoute le drame des déplacés. Leur nombre a dépassé le million, soit près d'un cinquième de la population. Les centres d'hébergement d'urgence sont saturés. Des milliers de familles avec des enfants en bas âge dorment dans la rue. Elles ont quitté leur maison en laissant tout derrière elles pour fuir les bombardements israéliens.

Madame la ministre, quand la Belgique reconnaîtra-t-elle enfin l'État palestinien? Quand la Belgique compte-t-elle enfin imposer des sanctions et se positionner à cet égard au niveau européen? Qu'en est-il de la position de la Belgique par rapport à la suspension de l'accord d'association avec Israël?

La Belgique s'est engagée à dégager des moyens humanitaires pour la prise en charge des déplacés et à augmenter les moyens de B-FAST mais quand mettra-t-elle en place un soutien de la Protection civile?

Des facilités consulaires, telle la demande de visa en ligne, sont-elles envisagées?

La présidente : Monsieur Cornillie, vous souhaitez intervenir. Je vous donne la parole.

Hervé Cornillie:

Madame la présidente, madame la ministre des Affaires étrang è res, beaucoup de choses ayant déj à été dites, j'irai droit au but.

Le Mouvement Réformateur est constant et clair sur cette question: nous voulons une plus grande implication de l'Union européenne tant sur le volet diplomatique que sécuritaire au sens large, parce que c'est avec ce poids-l à et à cette échelle-l à que nous pourrons mieux atteindre nos objectifs, à savoir: rapatrier de façon coordonnée nos ressortissants des zones à risques – priorité évidente pour la Belgique –; demander de façon répétée le cessez-le-feu avec une mission internationale de surveillance; exiger la libération des otages prisonniers à Gaza et le retour des dépouilles; fournir une aide humanitaire appropriée à la veille de l'hiver. Il convient également de rappeler qu'il n'a jamais fait aucun doute que la Belgique se range derri è re une exigence de solution à deux É tats, que seule la négociation et la reconnaissance d'un É tat palestinien gouverné par une autorité légitime et représentative viendra garantir. Sans compter le statut particulier de Jérusalem et le rôle symbolique de cette ville pour trois religions; elle accueille des lieux de culte représentatifs éminemment importants pour chacune d'entre elles. Il importe également, madame la ministre, de rappeler la coordination de nos actions avec les É tats arabes de la région. Cette coordination avec les É tats arabes de la région et les É tats voisins de ce pays est tout autant nécessaire que la coordination européenne.

Comment réagir à l'annonce des autorités israéliennes d'expulsion de l'Office de secours et de travaux des Nations Unies pour les réfugiés de Palestine dans le Proche-Orient (UNRWA) de son quartier général de Jérusalem? Les atteintes à l'encontre des représentants des Nations Unies sont inacceptables et intolérables. Nous devons, par ailleurs, dans ce contexte, convaincre les autorités israéliennes que la guerre se gagne aussi sur le terrain politique; je ne rappellerai pas la citation de Carl von Clausewitz. La guerre peut être évitée, il n'est pas nécessaire d'aller jusque-l à .

Si, à moyen terme, le premier ministre israélien ne parvient pas à proposer un r è glement crédible de la question palestinienne, son pays n'aura engrangé aucune avance sécuritaire, en ce compris pour ses propres citoyens. C'est donc une vraie interrogation.

Nous devons, en outre, lutter contre le financement du Hamas et du Hezbollah de mani è re plus décisive.

De voorzitster : Gelieve af te ronden.

Hervé Cornillie:

Oui, je termine, madame la présidente.

Madame la ministre, quels efforts ont-ils été faits en matière de financement de ces deux partis? Je dois en rester là.

La présidente : C'est un exercice!

Zijn er collega's die willen aansluiten bij de vraagstellingen? (Nee)

Mevrouw de minister, u hebt het woord.

Hadja Lahbib:

Je vais peut-être d'abord présenter mon équipe, parce que il y a eu un changement. Je me réjouis de faire connaissance avec vous tous, puisque c'est la première commission des Relations extérieures que nous tenons. Je suis heureuse d'entendre vos préoccupations et je vais vous présenter mon équipe qui, elle aussi, est neuve. Nous avons Marc Pecsteen à ma droite, ambassadeur de retour de Genève, où il a suivi de près toutes les résolutions onusiennes entre autres. Voici Marianne Laruelle, qui est ma spécialiste du Moyen-Orient, et Emmanuel Rixhon, qui s'occupe de toutes les affaires consulaires et qui nous vient de Jérusalem. Il est du terrain et a suivi les choses de près. Nous avons donc une super équipe, comme vous le voyez.

Merci pour vos nombreuses questions sur le Liban et plus largement sur le Moyen-Orient, où se joue avant tout un drame humain, une escalade de la violence que nous avons dénoncée, il faut le rappeler, dès le premier jour. Nous nous sommes mobilisés pleinement après les attaques du 7 octobre et j'ai envie de dire, pour ceux qui n'étaient pas là, bien avant. En effet, j'avais mis le Moyen-Orient dans mes priorités, entre autres, de la présidence belge, parce que tous les marqueurs étaient déjà au rouge bien avant le 7 octobre, entre autres avec la violence de plus en présente en Cisjordanie. Et c'est précisément pour éviter un embrasement de la région que j'avais placé le Moyen-Orient dans mes priorités dès que j'ai pris mes fonction en 2022. Il me tient à cœur de remettre en perspective l'action que j'ai menée au nom de la Belgique. Je l'ai encore vérifié hier, puisque nous avions une réunion qui se tenait en marge du sommet GCC-Union européenne lors de laquelle les pays arabes du Golfe et ceux de l'Union européenne ont rappelé à quel point ils appréciaient la position juste et équilibrée que la Belgique a tenue depuis ces sanglantes attaques du 7 octobre.

La situation aujourd'hui est malheureusement dramatique mais, comme je l'ai dit hier, on ne perd pas espoir parce qu'on ne peut pas se le permettre. Il faut, aujourd'hui plus qu'hier, faire preuve de volonté politique pour parvenir à une solution durable pour permettre aux Israéliens et aux Palestiniens de vivre en paix et en sécurité. Je vous dis que n'avons pas perdu espoir parce qu'encore le 26 septembre dernier, nous étions partie prenante d'une coalition pour une solution globale à deux États qui a été lancée en marge de l'Assemblée générale des Nations Unies à New York.

L’urgence aujourd'hui est d’éviter un embrasement qui entraînerait toute la région dans la guerre. Vous le savez, un intense travail diplomatique est en train d’être mené par plusieurs États. Parallèlement à cet engagement diplomatique, nous venons bien sûr en aide aux populations qui sont durement éprouvées par la guerre par de l’aide humanitaire. Nous apportons également l’aide nécessaire à nos citoyens et ressortissants dans la région.

Comme vous le savez, à ma demande, le Conseil des ministres a adopté il y a deux semaines un ensemble de mesures graduelles pour venir en aide à nos citoyens au Liban. J’en profite pour remercier sincèrement et du fond du cœur les services des Affaires étrangères qui se sont mobilisés jour et nuit, sans compter leurs heures, pour venir en aide à nos ressortissants, et qui ont fourni un travail extraordinaire.

Staat u mij toe te beginnen met de situatie in het Midden-Oosten. De gebeurtenissen in Gaza, Libanon en Iran zijn nauw met elkaar verbonden en zorgen voor een zeer zorgwekkende situatie in de hele regio.

Iets meer dan een jaar geleden lanceerde Hamas een bloedige aanval op Israël, waarbij bij bijna 1.200 mensen omkwamen. Sinds 7 oktober 2023 hebben tienduizenden burgers het leven verloren en blijft de humanitaire situatie verslechteren.

La Belgique, je tiens également à le rappeler, a voté en faveur de la toute première résolution qui demandait un cessez-le-feu, une libération des otages et un accès humanitaire sans entrave. C'était le 27 octobre 2023, nous n'étions alors que huit pays européens à avoir cette position.

Nous continuons aujourd'hui, en ligne avec la majorité et parfois l'ensemble de l'Union européenne, à appeler toutes les parties à un cessez-le-feu immédiat au Liban et à Gaza et à la libération inconditionnelle de tous les otages, et à l'amélioration urgente de l'accès et de la distribution de l'aide humanitaire à Gaza. Cette proposition se retrouve d'ailleurs dans la résolution 2735 du Conseil de sécurité des Nations Unies adoptée le 10 juin dernier et, pour rappel, celle-ci propose un plan de paix en trois étapes assortie d'une garantie de cessation des hostilités, le retour des otages et la reconstruction de Gaza.

Cette position est, de fait, le reflet de ma conviction profonde. Toute poursuite de l'escalade militaire aura des conséquences désastreuses sur la sécurité et la stabilité de toute la région et de ses populations. Comme je l'ai dit et répété, il est temps que la diplomatie reprenne ses droits, que nous puissions enfin avoir un échange franc, direct, complet pour aller vers la compréhension de tous les tenants et les aboutissants qui sont en jeu. Il faut trouver des solutions, avoir des réunions avec les deux parties autour de la table et je m'attelle à cela en tant que ministre des Affaires étrangères depuis le début du conflit.

Certains d'entre vous ont évoqué des initiatives qui auraient été prises par la Chine. Je peux vous dire que je n'ai pas manqué d'appeler mes homologues, en l'occurrence tous ceux de la région, y compris mes homologues israéliens, pour les exhorter à tendre vers la paix, la reprise des négociations pour relancer les pourparlers et cesser la guerre.

Ce conflit, outre le fait d'être dramatique sur le plan humain, met en outre en danger – comme certains d'entre vous l'ont évoqué – l'ordre international et le multilatéralisme. Le dernier rapport de l'ONU de la commission d'enquête indépendante dénonce des crimes de guerre commis tant par Israël que par le Hamas. Une commission internationale indépendante de l'ONU affirme dans un autre rapport que les attaques infligées aux hôpitaux de Gaza depuis octobre 2023 répondent à "une volonté de punition collective".

Nos lignes rouges sont claires et elles sont connues. Israël comme le Hamas, et comme chaque partie à un conflit dans le monde – y compris d'ailleurs si cela se passe en Ukraine –, doivent respecter le droit international humanitaire. Nous ne pratiquons et ne tolérerons aucun double standard. Maintenir cette position et œuvrer à une paix durable, cela relève de notre crédibilité. C'est d'ailleurs ce que je défendais à l'ONU en septembre 2023, soit un mois – je tiens à le souligner – avant les attaques du 7 octobre. La Belgique devait d'ailleurs – je le dis d'ailleurs aujourd'hui avec beaucoup d'amertume – accueillir la première réunion pour relancer les pourparlers de paix. Cela s'appelait " The Peace Day Effort " et visait notamment une normalisation des relations entre l'Arabie Saoudite et Israël. C'était d'ailleurs une initiative lancée par l'Arabie Saoudite, l'Égypte, la Jordanie et l'Union européenne.

Peace Day Effort, het gezamenlijke initiatief van de Europese Unie en de Arabische landen, is geëvolueerd. Op 26 september nam België deel aan de lancering van de wereldcoalitie voor een tweestatenoplossing in New York. Zoals u weet beschouwt België deze oplossing als de enige haalbare manier om een einde aan dit conflict te maken. We hopen om in de nabije toekomst samen met de EU een bijeenkomst van de wereldcoalitie in Brussel te organiseren, met als doel vooruitgang te boeken richting vrede tussen de Palestijnen en Israëli.

Alors, non, nous ne perdons pas du tout de vue ce qui se passe en Cisjordanie, ni à Gaza d'ailleurs. Ce n'est pas parce que toute l'attention médiatique est attirée aujourd'hui par Beyrouth et ce qui se passe au Liban que nous perdons de vue ce qui se passe à Gaza ou en Cisjordanie.

La diplomatie belge a dénoncé les agissements du gouvernement israélien et des colons qui nuisent à l'instauration d'une paix durable. Nous finançons des ONG sur le terrain que j'ai d'ailleurs moi-même visitées en me rendant sur place. Elles monitorent la situation et veillent à ce qu'il n'y ait pas d'impunité.

Nous avons augmenté notre contribution à la Cour pénale internationale pour aider à mener des enquêtes sur les violences et établir les responsabilités de part et d'autre. En outre, nous avons aussi initié, au niveau des sanctions, avec la France et les Pays-Bas, des sanctions européennes contre des colons israéliens en Cisjordanie. En outre, de nouvelles sanctions sont en cours de négociation au niveau européen contre le Hamas aussi bien d'ailleurs que contre des colons violents. Nous condamnons tout usage de la violence, que ce soit par les groupes terroristes du Hamas, par le groupe Jihad islamique palestinien ou par des colons. Et je tiens à souligner au passage que, pour qu'il y ait sanction, il faut qu'il y ait unanimité au niveau du Conseil européen.

En ce qui concerne l'accord d'association Union européenne-Israël, la Belgique fait partie des États membres qui demandent la tenue d'une réunion d'association en particulier pour examiner le fameux article 2 qui parle du respect des clauses de droit humain. Il n'a pas été possible pour l'instant de trouver une date et un agenda qui conviennent à la fois à Israël et au Conseil des ministres des Affaires étrangères de l'Union européenne parce que, là encore, il faut qu'il y ait unanimité et il faut qu'il y ait l'accord sur les agendas.

Nombreux sont ceux qui me demandent ce que fait l'Union européenne et quelles sont les sanctions que nous prenons. Tant qu'il n'y a pas unanimité, nous sommes paralysés. Nous sommes divisés, il est vrai, mais c'est la réalité et c'est le reflet des différentes forces politiques en présence autour de la table du Conseil de l'Union européenne.

Je tiens à rappeler que la Belgique soutient le travail des Cours internationales ainsi que la mise en œuvre de leurs arrêts et avis. Comme vous le savez, tant la Cour internationale de Justice que la Cour pénale internationale se penchent sur le conflit israélo-palestinien.

België stemde voor de resolutie van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties om het advies van het Internationaal Gerechtshof uit te voeren. Hierin werd verklaard dat Israël de Palestijnse gebieden illegaal bezet.

Ik pleit er op Europees niveau voor dat wij de nodige maatregelen onderzoeken om het advies na te leven, met inbegrip van de invoer van de producten uit de nederzettingen.

À l’heure actuelle, nous nous inquiétons du fait que la Knesset puisse passer des lois qui visent à désigner l’UNRWA comme une organisation terroriste. Ces lois visent à rompre tous les liens avec l’agence des Nations Unies et à la priver de l’immunité nécessaire à son fonctionnement. Ces projets de loi n’interdiraient pas seulement à l’UNRWA d’opérer en Israël mais criminaliseraient également l’organisation, ses activités ainsi que son personnel, aussi bien à Gaza, à Jérusalem-Est qu’en Cisjordanie.

Il s’agirait d’une attaque inacceptable contre l’architecture multilatérale, qui saperait non seulement l’assistance humanitaire indispensable sur le terrain mais également la solution à deux États. Ce point a été abordé lors du Conseil Affaires étrangères de l’Union européenne de ce lundi et le sera également lors du Conseil du sommet européen de cette semaine.

Beaucoup d’entre vous ont parlé de l’embargo sur les armes. Cette question revient régulièrement. J’y ai répondu à plusieurs reprises mais je tiens encore une fois à mettre les points sur les i. Nous avons pris, au niveau de la Belgique, des dispositions déjà en 2009, et qui ont été rappelées et resignées en 2016, qui visent à ne jamais contribuer à armer une partie à un conflit, quel qu’il soit. Cette disposition interdit à la Belgique d’armer une partie à un conflit.

Cela relève de la compétence des Régions. Je tiens une nouvelle fois à le rappeler. L’année dernière, il y a eu un débat suite à des découvertes qui auraient été faites par les médias de transit d’armes par l’aéroport de Liège, si je ne m’abuse. Des dispositions ont été prises par le gouvernement, sous Elio Di Rupo à ce moment-là, pour éviter tout transit d’armes sur notre territoire.

C’est de la compétence des Régions mais j’imagine, je suis quasi sûre – il faut leur demander, parce que le débat ne doit pas se mener ici, mais bien au niveau régional – que toutes les dispositions ont été prises.

In Libanon blijft Hezbollah raketten afvuren en hebben de Israëlische troepen hun operaties opgevoerd. Na de aanval op de biepers gingen de luchtaanvallen door en lanceerde Israël een grondoperatie in Zuid-Libanon. Die dagelijkse operaties zijn gericht op leden en instellingen van Hezbollah. Zij brengen echter ook heel zware schade toe aan de burgerbevolking. De humanitaire situatie in Libanon is dramatisch. Een groot deel van de bevolking is gedwongen ontheemd.

Er is Belgische medische humanitaire hulp naar Libanon gestuurd op verzoek van de Libanese autoriteiten. België zal humanitaire hulp blijven verlenen aan de burgerbevolking in Gaza, op de Westelijke Jordaanoever en in Libanon.

Je reviens brièvement sur les sanctions. Certains d’entre vous ont évoqué des sanctions qui auraient été refusées par certains pays de l’Union européenne, en évoquant la Tchéquie. De nombreux autres pays y étaient opposés, je ne veux donc pas jeter l’opprobre sur un seul pays, car il n’y avait pas que la Tchéquie qui était opposée à ces sanctions.

J’ai d’ailleurs pour habitude de ne pas commenter les positions des uns et des autres, qu’il s’agisse du ministre irlandais des Affaires étrangères, de la Tchéquie ou de la Hongrie. Nous formons une Union, nous sommes unis et devons absolument mettre tout en œuvre pour essayer de trouver des solutions et adopter des positions communes. C’est ce que nous avons pu faire pendant la présidence belge de l’Union européenne, et nous pouvons en être fiers, car nous avons alors eu l’occasion de faire une déclaration commune quant à la situation au Moyen-Orient. Nous devons donc continuer à être des créateurs de compromis et des constructeurs de ponts plutôt que des agents de division. Telle a toujours été ma position et je continuerai à la défendre.

Par ailleurs, vous avez souligné, à juste titre, les attaques des forces de défense israéliennes contre la force intérimaire des Nations Unies au Liban, la FINUL, attaques que la Belgique a d’ailleurs dénoncées. Là aussi, je vous invite à rester attentifs aux dénonciations et aux prises de position que nous prenons très régulièrement. Ces prises de position sont tout à fait ouvertes et sont publiées soit sur nos sites, soit sur nos comptes X.

En plus de dénoncer ces attaques, nous avons soutenu une déclaration au niveau européen afin d’exprimer la grave préoccupation des 27 É tats membres au regard des attaques qui ont blessé des Casques bleus de l’ONU en violation du droit international. Nous avons également réaffirmé notre soutien à la suite des attaques à l’encontre du Secrétaire général de l’ONU, Ant ó nio Guterres, ainsi que certains d’entre vous l’ont rappelé.

Au nom de la Belgique, j’ai appelé toutes les parties à respecter l’intégrité territoriale et la souveraineté du Liban, dans le respect de la résolution 1701 du Conseil de sécurité des Nations Unies ainsi que du droit international humanitaire. En outre, le 24 octobre prochain se tiendra à Paris une conférence sur l’aide humanitaire, à l’initiative du président français Emmanuel Macron. La Belgique participera bien évidemment à cette conférence internationale qui vise à soutenir le Liban à différents niveaux.

Le Liban a besoin de notre soutien en vue d’une désescalade, du respect de son intégrité territoriale, du renforcement des capacités militaires des forces libanaises, de même que pour faire face à l’urgence humanitaire.

Op 1 oktober heeft Iran voor de tweede keer in een jaar tijd meer dan 200 ballistische raketten op Israël afgevuurd. Het was een vergelding voor de dood van de leiders van Hamas, Hezbollah en de commandant van de Iraanse Revolutionaire Garde. Israël kondigde aan dat het van plan was om vergeldingsmaatregelen te nemen en voerde zijn luchtaanvallen en militaire operaties op Syrisch grondgebied op. De Europese Unie en België veroordeelden de Iraanse aanval. Er zijn onlangs ook Europese sancties goedgekeurd voor de destabiliserende rol die Iran speelt in Oekraïne met zijn hulp aan Rusland.

Plus que jamais, à la vue de ces derniers développements, il est important de rappeler la position du gouvernement belge. Cette position est équilibrée, elle ne défend aucun camp, sauf celui de la paix qui doit être établie dans la région pour qu'enfin les deux peuples puissent vivre en paix et en sécurité.

J'en viens à l'aide que nous apportons à nos concitoyens dans la région et aux conditions dans lesquelles nous rapatrions nos concitoyens. Le SPF Affaires étrangères joue évidemment un rôle central dans la vie quotidienne de nos concitoyens à l'étranger. Nos diplomates, nos consuls, tous les collègues de la diplomatie belge effectuent un travail crucial dans des conditions très difficiles. Je tiens encore à les féliciter pour cela.

Pour ce qui concerne le screening des citoyens que nous ramenons sur notre territoire, ceux-ci sont pris en charge et passés en revue par la Sûreté de l'État, qui relève du SPF Intérieur. Je vous invite à lui poser des questions, mais sachez que toutes les mesures sont prises pour un screening en bonne et due forme.

J'en reviens au travail fourni par le SPF Affaires étrangères.

Een van de vele voorbeelden is dat Buitenlandse Zaken op 3 oktober meteen de nodige steun verleende aan twee journalisten van VTM die gewond raakten in Beiroet. De journalisten werden direct verzorgd in het ziekenhuis en onze post deed er alles aan om hen in staat te stellen het land te verlaten via de geassisteerde vlucht op 5 oktober.

Dans ce contexte, j'ai pris la décision de renforcer nos postes à Beyrouth en envoyant immédiatement un diplomate spécialisé dans la gestion de crise. Il est arrivé sur place voici quinze jours. Le 4 octobre, il a été rejoint par un second diplomate et une collaboratrice consulaire. Je renforcerai encore le poste à Beyrouth par un autre diplomate qui viendra les rejoindre dans un avenir proche, en vue de pouvoir suivre toutes les demandes consulaires qui sont introduites sur place.

Il est à noter que l'ambassade de Belgique à Beyrouth et sa section consulaire continuent de travailler normalement et traitent les demandes d'assistance qui émanent de Belges ou les demandes de visa qui proviennent de tous les ayants droit, tout en respectant les procédures en vigueur telles que l'introduction de visa par un bureau d'externalisation qui est subordonné à l'Office des é trangers, chaque fois que c'est nécessaire. Nous n'avons pas besoin de procédure en ligne, puisque tous nos services sont ouverts et accessibles, de même qu'ils se montrent à l'écoute de tous nos ressortissants sur place.

Plusieurs questions avaient déjà été posées en plénière au sujet de l'aide que nous fournissons à tous nos concitoyens qui désirent quitter le pays. À l'heure actuelle, nous estimons à quelque 1 500 le nombre de compatriotes qui se trouvent encore au Liban. Cependant, concernant le nombre de ceux qui souhaitent quitter le pays, je tiens à insister sur sa fluctuation permanente. De plus, il est très difficile à évaluer. En effet, pour le dire simplement, de nombreuses personnes s'inscrivent et demandent l'aide consulaire pour être accompagnées au moment de leur retour, mais dès que nous leur proposons de partir et que l'avion est prêt, il arrive régulièrement que plusieurs d'entre elles ne désirent plus s'envoler et préfèrent rester. Du reste, je tiens également à souligner que des vols commerciaux sont toujours disponibles. Pour vous citer un exemple, l'avion militaire que nous avons affrété n'a pas été rempli du tout, de sorte que nous avons pris d'autres nationalités à bord afin qu'un peu moins de la moitié de sa capacité soit remplie. Bref, nous avons tout mis en œuvre pour les rapatrier en toute sécurité, mais l'appétit manquait – pour le dire en termes diplomatiques.

Er opereren nog steeds commerciële vluchten, maar we kennen het exacte aantal niet van personen die Libanon op die manier verlaten.

Les services du SPF Affaires étrangères ont contacté tous les Belges qui se trouvent au Liban pour vérifier s'ils avaient besoin d'aide pour quitter le pays. Et dans le cadre du mécanisme européen de protection civile, nous avons offert, comme je l'ai dit, près de 100 places sur deux vols militaires néerlandais. C'était, si ma mémoire est bonne, les vendredi 4 et samedi 5 octobre dernier. Ce 10 octobre, un vol militaire belge a eu lieu, sur lequel 240 places étaient disponibles. Il est revenu avec 111passagers, 58 Belges et leurs ayants droits, 41 Néerlandais, 11 Français et 1 Luxembourgeois. Excusez-moi pour tous ces détails, mais il est important que vous sachiez quelque peu comment cela se passe.

Finalement, il n'y a que 150 Belges qui ont quitté le Liban via nos vols assistés. Comme le prévoit la procédure, je le rappelle, tous les screenings sécuritaires ont été effectués au préalable par le SPF Intérieur.

Op de heenvlucht werd ook een B-FAST-hulpzending met medische apparatuur geladen als antwoord op een hulpverzoek van de Libanese autoriteiten. De medische apparatuur werd naar openbare ziekenhuizen vervoerd om aan de behoeften van de burgerbevolking te voldoen. Onze steun valt onder het EU-mechanisme voor civiele bescherming, dat instaat voor de coördinatie van de Europese hulp.

Nous continuons à suivre d'heure en heure et à soutenir les Belges, sur place, qui désirent rentrer en Belgique. Nous sommes prêts à tous les scénarios.

Madame Van Hoof, vous m'avez demandé quelles mesures concrètes ont été prises par la Belgique jusqu'à présent pour permettre aux ressortissants belges qui le souhaitent de quitter Gaza. Depuis les attaques de 2023, les Affaires étrangères ont remis aux autorités israéliennes, particulièrement au Coordinator of Government Activities in the Territories (COGAT) et aux autorités égyptiennes des listes de citoyens et de bénéficiaires belges pour demander leur évacuation.

Notre consulat à Jérusalem maintient un contact permanent avec les instances israéliennes que je viens de citer. En outre, nos postes au Moyen-Orient mènent des consultations de façon très régulière avec les autorités gouvernementales de la région, ainsi qu'avec d'autres acteurs sur le terrain, afin de trouver des solutions pour les personnes qui ne parviennent pas à quitter Gaza.

We hebben ook contact gehad met de families van de getroffenen in Brussel om de situatie op de voet te volgen en om zieke kinderen te evacueren.

On a d'ailleurs très récemment encore évacué de Gaza des enfants atteints du cancer. Depuis la fermeture du poste frontière de Rafah par Israël le 7 mai dernier, aucun ayant droit n'a pu quitter Gaza. Il y a d'ailleurs toujours des ayants droit à Gaza. Après avoir pris connaissance de la correspondance entre l'ONG Gisha et le COGAT (Coordination of Government Activities in the Territories), nos services cherchent à clarifier les demandes précises de COGAT concernant l'évacuation via Kerem Shalom, en consultation avec les autres membres de l'Union européenne.

Il y a cependant toujours beaucoup d'incertitudes qui demeurent et COGAT n'a pas encore formulé à l'heure actuelle de propositions concrètes pour aider à cette évacuation. Évidemment, notre réseau diplomatique reste mobilisé et met tout en œuvre pour obtenir des informations et des directives claires pour pouvoir évacuer ces ayants droit de Gaza.

Dois-je encore rappeler la position de la Belgique? Elle est claire: nous demandons un cessez-le-feu, la libération de tous les otages, l'accès et la distribution de l'aide humanitaire en suffisance et la protection de toutes les populations civiles.

Il faut absolument que la diplomatie et le dialogue remplacent le bruit sourd des bombes et des armes. Les négociations diplomatiques sont à nos yeux la seule voie à suivre pour aboutir à une paix durable dans la région. Je pense que c'est notre vœu à tous, notre vœu le plus cher, et je continuerai bien sûr à me mobiliser jusqu'à la fin de mon mandat pour aider à faire avancer une solution pacifique.

Je sais que je pourrai compter aussi sur votre mobilisation à tous, sur les forces parlementaires ici présentes, pour contribuer à cette pacification de la région, puisque je pense qu'on est tous d'accord sur le fait que cette région souffre depuis trop longtemps, depuis trois quarts de siècle. Il est temps de faire la paix, de permettre aux Israéliens, aux Palestiniens, aux Iraniens, aux Libanais, de se projeter dans un avenir commun, pacifié, où chacun reconnaît à l'autre le droit d'exister. Je vous remercie.

Annick Lambrecht:

Mevrouw de minister, dank u voor uw uitvoerige antwoord. Vanaf de eerste dag van het conflict was de positie van Vooruit helder: we staan altijd aan de kant van de burgerslachtoffers, alle burgerslachtoffers. Onze vragen kaderen dan ook in die houding.

Ik wil even terugkomen op het wapenembargo, waarvan u terecht hebt gezegd dat dat onder de bevoegdheid van de gewesten valt. Ik blijf bij mijn vraag of u de gewesten niet meer onder druk kunt zetten of met hen overleg kunt plegen. U hebt immers duidelijk aangegeven dat u daar, net als de Europese Unie, voorstander van bent. Ik heb u ook gevraagd om dat item aan te kaarten op de Europese Raad en druk uit te oefenen op de Europese partners. De gewesten bevinden zich dichter bij ons, dus ik herhaal mijn vraag om ook op hen druk te zetten.

We volgen volledig uw discours voor een staakt-het-vuren, voor de bevrijding van de gijzelaars, voor toegang tot humanitaire hulp en de hervatting van de dialoog en de diplomatieke onderhandelingen. Daarover bestaat een zekere consensus. Het thema van het wapenembargo blijft echter hangende en zou zeer snel aangepakt moeten worden. Zolang er massa’s wapens die richting uitgaan, is de kans op vrede nihil.

Els Van Hoof:

Mevrouw de minister, bedankt voor uw antwoord. Eerst wil ik ingaan op de rechthebbenden en landgenoten die Gaza moeilijk kunnen verlaten. Vermits de druk op het noorden van Gaza heel erg toeneemt, is de vraag terecht. Als ik daar zou wonen, zou ik Gaza ook liefst verlaten. We moeten dus absoluut alles in het werk stellen om de mensen en landgenoten die daar recht op hebben te evacueren. Aan uw antwoord voel ik aan dat het niet altijd evident is bij het Israëlische agentschap COGAT. Ik hoop dat onze diensten al het nodige blijven doen om de rechthebbenden en landgenoten te evacueren.

U hebt nog eens de Belgische positie herhaald, een goede positie. In de afgelopen legislatuur hebt u moeite gedaan om de importban op de agenda te zetten. Het associatieakkoord kan alleen op Europees niveau worden opgeheven, maar het is goed dat België blijft benadrukken dat die vergadering georganiseerd moet worden, meer bepaald om in te gaan op artikel 2. Daartoe moeten we inderdaad met de Europese Unie en met Israël aan tafel zitten. Ik hoop dat het lukt en dat we druk blijven uitoefenen.

Daarnaast blijft de tweestatenoplossing overeind. Op dit moment escaleert de situatie alleen maar, maar dat maakt weinig indruk op de strijdende partijen – om Israël niet bij naam te noemen, dat ook gewoon doorgaat. België moet altijd blijven evalueren wanneer we een tandje bijsteken om de druk op te voeren, samen met andere gelijkgezinde staten.

Nabil Boukili:

Merci, madame la ministre, pour vos réponses. Je ne vais pas vous surprendre, elles ne sont pas convaincantes car elles ne sont que des paroles. Or je pense que pour agir aujourd'hui sur ce qu'il se passe l à -bas, il faut des actes forts. Donc, je veux bien que l'on fasse des réunions, des colloques, des meetings ou tout ce que l'on veut mais pendant ce temps-l à , un génocide est en train de se dérouler et nous, pays occidentaux, continuons notre accord d'association avec Isra ë l. Il n'a toujours pas été suspendu. Nous continuons à exporter des armes depuis l'Europe, elles transitent par notre pays. Alors certes, on rejette la responsabilité sur les niveaux de pouvoir mais lorsqu'il s'agissait de la Russie, vous n'avez pas cherché les niveaux de pouvoir. L à , tout le monde a été actif et s'est bougé.

Cette hypocrisie, ce deux poids deux mesures fait honte aux pays occidentaux, à l'Union européenne et aux É tats-Unis qui en est l'allié ou plutôt le patron car l'Union ne fait que suivre leur ligne. Vous nous dites qu'il y a eu des dénonciations et des condamnations depuis le début mais cela ne suffit plus. Il faut des actes. Vous nous dites qu'il y a de l'espoir mais comment peut-on avoir l'espoir d'un cessez-le feu? Comment peut-on avoir l'espoir de la concrétisation de la solution à deux É tats tout en étant complice de la colonisation? Nous finançons cette colonisation avec les relations économiques que nous entretenons avec Isra ë l! Nous sommes partie prenante.

Vous nous dites que la Belgique s'est toujours montrée équidistante par rapport au conflit. Mais non, c'est faux! Nous sommes partie prenante, nous commerçons, nous échangeons avec Isra ë l. Nous sommes une partie du probl è me. Tant que vous ne reconnaîtrez pas cela, madame la ministre, vous n'aurez pas de cessez-le-feu, vous ne r è glerez pas la situation parce que tant que l'on ne reconnaît pas sa propre complicité et la nécessité d'agir sur nos relations avec Isra ël, vous aurez beau attendre que Nétanyahou change d'avis en raison de telle ou telle déclaration de votre part. Ça ne change pas, ça ne marche pas. Il faut des sanctions et un changement de politique vis-à-vis d'Israël.

De voorzitster : Collega's, ik wil u vragen om u toch, in de mate van het mogelijke, aan de tijd te houden. Ik weet dat het niet steeds gemakkelijk is, het vraagt oefening. Graag vraag ik u om de tijdslimiet te respecteren.

Britt Huybrechts:

Mevrouw de voorzitster, mevrouw de minister, ik ben blij te horen dat er nu wel screenings plaatsvinden. Voor de resultaten zal ik uw collega van Binnenlandse Zaken verder bevragen.

Het is ook goed om te vernemen hoeveel Belgen exact zijn teruggekeerd. Het is ook goed om te horen dat als er geen Belgen werden meegenomen, het burgers uit onze buurlanden betrof.

Ik heb geen antwoord gekregen met betrekking tot de dubbele nationaliteit van de Belgen. Ik hoop in een later stadium nog antwoord te krijgen op die vraag.

Ik ben zeer blij dat de diplomatieke diensten in Libanon worden versterkt. Dat is immers enorm belangrijk voor de verdere opvolging van deze repatriëring en om andere zaken voldoende correct en vlot te kunnen opvolgen.

Over de financiën van België naar Libanon zal ik verder uw collega van Ontwikkelingssamenwerking ondervragen. Ik hoop dat ik van hem nog wat details krijg over waar de gelden heen zijn gegaan en of die gelden goed besteed werden en dus niet in handen zijn gekomen van terroristische organisaties of erbij horende organisaties.

Kjell Vander Elst:

Mevrouw de minister, ik dank u voor het heel uitgebreide antwoord.

Staf Aerts:

Mevrouw de minister, ik dank u voor de antwoorden. Vermoedelijk is niemand hier in de zaal tegen de grote lijnen die u hebt geschetst, namelijk het blijven geven van humanitaire hulp, een onmiddellijk staakt-het-vuren en een tweestatenoplossing.

Vanuit mijn bekommernis dat een en ander voorlopig niet heeft geholpen, dring ik echter ook aan op sterkere acties. Ik zal één voorbeeld geven. Inzake humanitaire hulp hebben de Verenigde Naties ondertussen een extra noodkreet om noodhulp geslaakt. Zullen wij dan ook extra hulp bieden? Op die vraag heb ik vandaag geen antwoord gekregen.

Een tweestatenoplossing is goed, maar de erkenning van Palestina is daar automatisch aan verbonden. Daarover meldt u vandaag niets, tenzij ik die passage heb gemist.

Ik zal nog één uitstap maken naar alles rond wapenhandel, omdat ik die materie in het Vlaams Parlement heel intensief heb gevolgd. Ik heb daarover heel veel vragen gesteld aan de minister-president, die daarvoor bevoegd was. Er is ondertussen een nieuwe minister-president. Zijn antwoord was dat de Vlaamse regering doet wat zij kan, maar dat de federale overheid in gang moest schieten.

Dat is nu exact hetzelfde als wat ik hier vandaag heb gehoord, namelijk een pingpongspel. De federale overheid heeft haar rol op te nemen. De Vlaamse, de Waalse en de Brusselse overheid hebben dat ook te doen. Elke keer opnieuw, ongeacht of ik nu aan de andere kant van de straat zit of hier, hoor ik dat het aan de andere overheid is om die rol op te nemen. Ik stel dan ook voor dat men dringend eens gaat samenzitten om samen en eendrachtig te beslissen dat er vanuit België geen wapen meer vertrekt, niet van de Luikse luchthaven, niet van de Zaventemse luchthaven en niet uit de Antwerpse haven. Het is nodig dat wij daar eendrachtig op inzetten in plaats van er telkens opnieuw op te wijzen dat het de verantwoordelijkheid van de overheid aan de andere kant van de straat is.

Rajae Maouane:

Madame la ministre, je vous remercie pour vos réponses. En effet, la Belgique, par la voix de son premier ministre mais aussi par la vôtre, a toujours adopté une position volontariste, ainsi que je l’ai déjà souligné à plusieurs reprises. Il va sans dire que nous vous en félicitons.

Aujourd’hui, néanmoins, après les déclarations d’intention, ce sont les actes qui me laissent quelque peu sur ma faim. Ces actes semblent en effet en-deçà de l’urgence de la situation et des prises de parole. Aujourd’hui, le gouvernement israélien viole le droit international, viole le droit humanitaire et viole le droit de la guerre et, malheureusement, les sanctions se font cruellement attendre.

Je ne comprends toujours pas ce qu’il faut faire pour réclamer et obtenir des sanctions, qu’elles soient diplomatiques ou économiques. Il ne s’agirait là que d’une suite logique après les efforts diplomatiques que vous déployez depuis des mois. Ainsi, l’accord d’association avec Israël est toujours en cours, et nous pensons qu’avec les autres É tats européens, il faut véritablement intensifier les pressions en vue d’obtenir des sanctions, car c’est là le seul rapport de force que le gouvernement israélien semble comprendre.

Par ailleurs, j’entends bien que vous ne souhaitez pas commenter les propos de votre collègue irlandais en rapport avec le nettoyage ethnique à Gaza, mais le but de ma question était de savoir ce que vous en pensez, et je ne pense pas avoir obtenu de réponse de votre part.

Lydia Mutyebele Ngoi:

Madame la ministre, je vous remercie pour vos réponses. Je suis contente que la Belgique se positionne en faveur de la suspension de l'accord d'association. Vous avez parlé du calendrier, mais, pendant qu'on cherche des dates, il faut continuer à pousser l'Union européenne à régler ce problème. Au niveau des sanctions, je trouve qu'il y a une différence entre le traitement du conflit russo-ukrainien et celui de ce conflit. Le gel des comptes en banque russes était une sanction qui avait été prise par la Belgique et pas spécialement par l'Union européenne. Nous avons décidé de nos propres sanctions. Je m'attends au même traitement pour ce conflit. Concernant l'accueil des réfugiés ukrainiens, un statut de protection temporaire leur a été accordé, ainsi que des facilités pour l'accès à l'emploi, à l'aide sociale. Mais je ne vois pas qu'une aide similaire est donnée aux réfugiés palestiniens en Belgique. Même si cela ne relève pas de vos compétences, je voulais souligner ce deux poids deux mesures en fonction du conflit qu'on estime peut-être plus grave, ou plus proche de nous. Selon nous, pour qu'il y ait la paix dans cette région, il faut que l'État palestinien soit reconnu. Vous n'en avez pas parlé, mais vous avez évoqué deux pays et des négociations diplomatiques. Comment peut-on négocier avec un État qui n'est pas reconnu formellement? Comment peut-on parler de l'existence d'un État qu'on ne reconnaît pas? La reconnaissance de l'État palestinien résoudra ce conflit.

De Armeense gevangenen die nog steeds worden vastgehouden door Azerbeidzjan
De Armeense krijgsgevangenen in Azerbeidzjan
De willekeurige opsluitingen in Azerbeidzjan
Armeense gevangenen en willekeurige opsluitingen in Azerbeidzjan

Gesteld aan

Hadja Lahbib (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken, Buitenlandse Handel en Federale Culturele Instellingen)

op 16 oktober 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België en de EU dringen aan op een duurzaam vredesakkoord tussen Armenië en Azerbeidzjan, gebaseerd op VN-principes, en eisen naleving van internationaal recht, met name voor de 23 Armeense gevangenen (inclusief voormalig president Vardanyan) die door het ICRC worden gemonitord—hoewel bezoekdetails niet openbaar zijn. Critici (o.a. Ellen Samyn) wijzen op de schijnbare normalisering van Azerbeidzjan via evenementen zoals Formule 1 en COP29, ondanks aanhoudende mensenrechtenschendingen (20+ gearresteerde journalisten sinds 2023) en de etnische zuivering in Artsakh, en eisen concrete vrijlating en repatriëring van gevangenen. België benadrukt diplomatiek druk via EU-kanalen, maar Samyn kaart aan dat symbolische stappen (zoals conferenties) de werkelijke crisis maskeren.

Ellen Samyn:

Na de gedwongen uittocht van de Armeense inwoners van Artsakh, die neerkomt op een etnische zuivering door Azerbeidzjan, zijn verschillende vertegenwoordigers van de voormalige autoriteiten van Artsakh gearresteerd en opgesloten in Bakoe.

Naar verluidt zouden er nog tientallen politieke gevangenen in Azerbeidzjan in detentie zitten, waaronder voormalig president van Artsakh, Ruben Vardanyan, de bekendste is.

Hoeveel Armeense krijgsgevangenen worden heden nog vastgehouden in Azerbeidzjan?

Hoe wordt erop toegezien dat Azerbeidzjan zich aan de internationale regels houdt inzake de rechten van de (gewetens)gevangen?

Heeft het ICRC nog steeds toegang tot de gevangenen? Zo ja, hoeveel keer werden de gevangen sinds hun detentie bezocht door het ICRC?

Welke concrete maatregelen zijn er reeds genomen door België en/of de Europese Unie opdat alle Armeense gevangenen die in Azerbeidzjan worden vastgehouden, onmiddellijk worden vrijgelaten en gerepatrieerd?

Hadja Lahbib:

De Belgische diplomatie en ikzelf pleiten voor het sluiten van een duurzaam vredesakkoord tussen Armenië en Azerbeidzjan op basis van de VN-principes van territoriale integriteit, soevereiniteit en respect voor de rechten van de bevolking.

Les progrès récents dans le processus de paix, notamment dans le domaine de la démarcation des frontières, sont positifs. J'ai également directement défendu la position belge auprès du ministre azerbaïdjanais des Affaires étrangères lors d'un entretien que j'ai eu avec lui le 10 juillet dernier.

Ook de VN-klimaatconferentie van november in Bakoe biedt de gelegenheden om Azerbeidzjan aan te spreken over wat België doet. België steunt namelijk de inspanningen van de EU, die eveneens een duurzame vrede nastreeft tussen Armenië en Azerbeidzjan. De EU dient ook betrokken te blijven bij het vredesproces.

Het verheugt mij dat de relaties tussen Armenië en Azerbeidzjan op 14 oktober aan bod kwamen op de EU-ministerraad voor Buitenlandse Zaken. De EU en de lidstaten kunnen samen namelijk meer diplomatiek gewicht in de schaal werpen met het oog op een duurzame vrede.

Concernant la question spécifique des prisonniers arméniens en Azerbaïdjan, selon nos informations, le nombre de prisonniers serait effectivement actuellement de 23. La Croix-Rouge peut régulièrement rendre visite à ces prisonniers, mais elle ne communique pas publiquement sur ces visites et donc, il ne m'appartient pas d'entrer dans les détails à ce sujet. De manière générale, mais également sur la question spécifique des prisonniers arméniens, il est demandé à l'Azerbaïdjan, au niveau bilatéral européen et multilatéral, de se conformer au respect du droit international.

En ce qui concerne les défenseurs des droits de l'homme, les universitaires, les journalistes, la situation, on peut le dire, peut être qualifiée de grave. Plus de 20 journalistes ont été arrêtés depuis novembre 2023 et nous espérons que la période qui va précéder la COP29 puisse créer une dynamique positive. Pour le moment, comme je l'ai dit, en raison de la formation du gouvernement, on ne sait pas quelle sera la composition exacte de la délégation, mais la Belgique sera bien sûr représentée. C'était l'une de vos questions.

Ellen Samyn:

Mevrouw de minister, de situatie tussen Armenië en Azerbeidzjan blijft precair. Het is goed te vernemen dat er op internationaal niveau aandacht besteed wordt aan de situatie. Wij spraken daarnet echter over de VN-klimaatconferentie in Azerbeidzjan. Zolang er internationale conferenties en evenementen, zoals de Formule 1-wedstrijd in Bakoe in september, worden georganiseerd, lijkt het alsof Azerbeidzjan een normaal land is. Trouwens, die Formule 1-wedstrijd vond plaats op een boogscheut van waar die journalisten en politieke gevangenen zitten. Het lijkt alsof het een normaal land is, alsof er geen mensenrechtenschendingen plaatsvinden, alsof de etnische zuivering tegen de Armeense bevolking in Artsach niet heeft plaatsgevonden. Het wordt tijd dat de politieke gevangenen naar huis terug kunnen, kunnen terugkeren naar hun moederland Armenië, want helaas zullen ze niet kunnen terugkeren naar Artsach.

De christenmoorden in Nigeria

Gesteld door

lijst: VB Ellen Samyn

Gesteld aan

Hadja Lahbib (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken, Buitenlandse Handel en Federale Culturele Instellingen)

op 16 oktober 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Hadja Lahbib erkent de ernstige mensenrechtenschendingen in Nigeria, maar relativeert de christenvervolging als vooral etno-economisch conflict (grondstoffen, bevolkingsgroepen) in plaats van puur religieus geweld, ondanks systematische aanvallen op kerken, scholen en gelovigen (52.250 doden in 14 jaar volgens Ellen Samyn). België kaart de kwestie bilateraal en in VN/EU-fora aan via resoluties over godsdienstvrijheid, maar Samyn eist expliciete erkenning van *christenvervolging* en krachtiger internationale actie, met kritiek op het ontbreken van politieke verontwaardiging en concrete sancties. De minister benadrukt algemene mensenrechtenbescherming *zonder discriminatie*, terwijl Samyn wijst op de escalerende cijfers en allianties tussen jihadisten en gewapende groepen die christenen specifiek targeten. Kernpunt: spanning tussen *neutraliteit* (Lahbib) en *gerichte erkenning* (Samyn) van religieus gemotiveerd geweld.

Ellen Samyn:

Niettegenstaande bijna de helft van de bevolking in Nigeria christen is, worden zij gedurende jaren zwaar vervolgd door terroristische groeperingen zoals Boka Haram. Vooral in het Islamitische noorden van Nigeria komen zware aanvallen op kerken en christelijke dorpen, ontvoeringen van priesters en verkrachtingen van christelijke vrouwen en meisjes veelvuldig voor. De laatste jaren nemen de aanvallen in cijfers en in ernst zorgwekkend toe. Alleen al in Nigeria zijn naar schatting 16.000 christenen vermoord in de voorbije vier jaar. Een veel groter aantal is mishandeld, verminkt of verkracht.

Ook de voorbije weken werd er melding gemaakt van zware gewelddadigheden ten aanzien van christenen in Nigeria. Er zouden naar verluidt zelfs christenen tijdens een kerkdienst zijn vermoord en er is sprake van tientallen ontvoeringen.

Graag verneem ik van de minister:

Bent u op de hoogte van deze laatste ontwikkelingen in Nigeria?

Heeft u deze toestand nog recent aangekaart op internationale fora?

Heeft u hierover gesproken op Europees niveau? Is er bijvoorbeeld sprake van sancties t.a.v. Nigeria?

Heeft u hierover gesproken met uw Nigeriaanse ambtsgenoot en/of de Nigeriaanse ambassadeur?

Naast de extreme vervolging op christenen zelf, werd in Nigeria in veertien jaar tijd ruim 18.000 kerken in brand gestoken en 2.200 christelijke scholen vernietigd. Zal u deze mensenrechtenschendingen dan ook als christenvervolging benoemen? Zo neen, waarom niet?

Welke maatregelen zullen genomen worden om christenen wereldwijd beter te beschermen?

Hadja Lahbib:

Bedankt om deze belangrijke kwestie opnieuw onder de aandacht te brengen. Mijn diensten en ikzelf blijven het geweld in de Nigeriaanse samenleving met bezorgdheid opvolgen. De aanslagen van afgelopen december kaderden eerder in een consulair conflict. Ze moeten niet zozeer gezien worden als een intern-religieuze confrontatie. Onderliggende grondoorzaken zijn in deze regio van Nigeria vooral te situeren in het groeiend spanningsveld tussen verschillende bevolkingsgroepen over grondstoffen.

België heeft herhaaldelijk zijn bezorgdheid geuit over de mensenrechtenschendingen in het land, zowel bilateraal als in multilaterale fora, zoals bijvoorbeeld in de VN-Mensenrechtenraad. Zoals u weet, vormen de bevordering en de bescherming van de mensenrechten een prioriteit van het Belgische en Europese buitenlands beleid, dus ook de vrijheid van godsdienst of geloof. De EU ontwikkelde ter zake richtsnoeren in het kader van haar buitenlands beleid.

Ons land heeft daar actief aan meegewerkt en blijft dat doen. Elk jaar dient de EU een resolutie over de vrijheid van godsdienstovertuiging in bij de Mensenrechtenraad in de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties en België is cosponsor van die resoluties. Ik kan u verzekeren dat België zich zal blijven inzetten voor de bescherming en de bevordering van de mensenrechten voor iedereen, zonder enige discriminatie.

Ellen Samyn:

Mevrouw de minister, christenvervolging is een van mijn stokpaardjes. U kent ook mijn mening: wat ons betreft, is het veel te stil als het gaat over vervolgde christenen, niet alleen in Nigeria, maar wereldwijd. Waar blijft de politieke verontwaardiging? Ik had uw antwoord zien aankomen. Ook in Nigeria wordt de strijd tussen de geloofsgroepen te vaak gezien als een conflict tussen etnische groepen, bijvoorbeeld over grondgebied. Dat is echter maar een deel van het verhaal. Net het feit dat gewapende bandieten en jihadisten dezelfde vijanden hebben, met het reële risico van versterking van allianties tussen die groepen, maakt dat de veiligheidssituatie voor christenen bijzonder precair is. Wij kunnen niet naast de statistieken kijken. In 14 jaar tijd zijn in Nigeria ruim 18.000 kerken in brand gestoken en 2.200 scholen vernietigd, maar erger nog zijn de dodelijke slachtoffers. Volgens Intersociety, een Nigeriaanse mensenrechtenorganisatie, is het totaal aantal dodelijke christelijke slachtoffers van 14 jaar islamitisch terrorisme inmiddels opgelopen tot ruim 52.250. Ook het afgelopen jaar werden opnieuw duizenden christenen gedood wegens hun geloof. Ik vraag u om de kop niet in zand te steken, maar de feiten werkelijk aan te kaarten op de internationale fora. De voorzitster : Vraag nr. 56000291C van mevrouw Lambrecht is omgezet in een schriftelijke vraag.

De steekpartij op een trein in Brussel

Gesteld door

lijst: VB Frank Troosters

Gesteld aan

Georges Gilkinet

op 15 oktober 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Gilkinet veroordeelt het mesgeweld in de Brussel-Zuid-trein (8 juli, vier verdachten opgepakt) en verwijst voor juridische details naar Binnenlandse Zaken/Justitie, maar benadrukt versterkte veiligheidsmaatregelen: 260 extra Securail-agenten (totaal 558) en 50 extra politieagenten voor snellere interventie, vooral in Brussel. Preventie en repressie worden opgedreven via betere coördinatie, automatische cameratoegang voor politie (eind 2024) en zwaardere straffen, terwijl hij geweld als "bedreiging voor treinaantrekkelijkheid" ziet. Concrete acties zijn lopende werving en systeemupdates, maar specifieke dadersgegevens of een directe link met treingebruik ontbreken.

Frank Troosters:

Ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

Maandagavond 8 juli vond er een steekpartij met een mes plaats op de trein tussen Brussel-Centraal en Brussel-Zuid. Een minderjarige jongen werd zwaargewond afgevoerd.

Het incident was reeds eerder begonnen in het station van Brussel-Centraal. Finaal werden er vier verdachten opgepakt en ter beschikking gesteld van het parket.

Kan de minister toelichten welke feiten exact hebben plaatsgevonden (tijdlijn, aanleiding, betrokkenen…)? Hoeveel tijd zat er tussen de start van het incident en het finaal oppakken van de verdachten? Wat is de huidige status van de vier verdachten? Waar verblijven zij momenteel? Zijn ze op vrije voeten? Kan de minister meer duiding geven over de afkomst/nationaliteit van de daders?

Zal de minister maatregelen nemen om het toenemend geweld waarbij een steekwapen gebruikt wordt een halt toe te roepen? Zo ja, welke maatregelen en wanneer zullen die uitgerold worden? Zo neen, waarom niet?

Vindt de minister het toenemend geweld in de stations, op de perrons en in de treinen een element dat de aantrekkelijkheid van de trein als vervoermiddel ten goede komt?

Georges Gilkinet:

Ik veroordeel heel duidelijk en op de strengste manier iedere vorm van agressie. Hier moet een einde aan komen.

Wat uw vraag naar de feiten en de vervolging van het voorval betreft, verwijs ik u naar mijn collega’s bevoegd voor Binnenlandse Zaken en voor Justitie.

Als minister van Mobiliteit handel ik om de veiligheid van reizigers en personeel te garanderen en te versterken. We versterkten de aanwezigheid op het terrein. Sinds begin vorig jaar zijn er daarom 160 bijkomende Securailagenten in dienst genomen. Dat brengt het totale aantal veiligheidsagenten van de NMBS op 558 vte’s. Ook dit jaar werft de NMBS 100 nieuwe veiligheidsagenten aan.

Het klopt dat de NMBS niet alleen focust op een effectieve interventie, maar ook meer dan vroeger inzet op een preventieve aanpak. Ook al is het niet mijn bevoegdheid maar die van de minister van Binnenlandse Zaken, toch kan ik bevestigen dat het aantal politieagenten, toegewezen aan de spoorwegen, met 50 wordt verhoogd. Die vraag heb ik herhaaldelijk op de regeringstafel gelegd. Ik ben blij dat ze ingewilligd wordt. Hierdoor kan de politie sneller ingrijpen, als dat nodig is, aanvullend op Securail en vooral in de Brusselse stations.

We zorgen voor een betere coördinatie tussen alle diensten, in het bijzonder met de politie, en we voorzien in een verzwaring van de straffen voor iedereen die hun integriteit schendt. We willen een duidelijk signaal geven. Elk geval van agressie is er een te veel. Dat zal systematisch worden opgevolgd met gerechtelijke stappen tegen de daders en steun aan slachtoffers.

Securail beheert meer dan 10.000 bewakingscamera’s in stations en treinen, en op het spoorwegdomein. De politie kan die beelden opvragen in het kader van een onderzoek. Binnenkort zullen die beelden automatisch beschikbaar zijn dankzij de middelen die ik heb kunnen vrijmaken. Die tool zal tegen het einde van het jaar overal ter beschikking zijn. Iedereen zo goed mogelijk beschermen, verhoogt de algemene veiligheid, op de trein en in de stations. Het is een essentiële voorwaarde voor een goede dienstverlening aan de reizigers.

Frank Troosters:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

De veiligheid bij spooroverwegen
De veiligheid op het spoor
Spoorwegsveiligheid en overwegbeveiliging

Gesteld aan

Georges Gilkinet

op 15 oktober 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Gilkinet bevestigt dat roekeloos gedrag (50% regelovertredingen, 35% filevorming) de hoofdoorzaak is van dodelijke ongevallen op spoorwegoverwegen, met lokale bewoners als grootste risicogroep. Infrabel zet in op preventie (23 LED-slagbomen in 2024, 100+ wegmarkeringen, 36 AI-camera’s op risicolocaties zoals Namen en Waver), sensibilisering (VR-ervaring voor 12-18-jarigen in 3 scholen, escape games, campagnes) en handhaving (samenwerking met politie), maar structurele aanpassingen vertragen door een doorlooptijd van 7 jaar. Gielis (cd&v) dringt aan op versnelde infrastructurele maatregelen *en* repressieve handhaving, terwijl Dubois kritiseert dat praktische info over de VR-campagne ontbreekt – Gilkinet belooft de procedure alsnog te delen.

Tine Gielis:

Mijnheer de minister, het is al jaren duidelijk dat onze overwegen gevaarlijke punten zijn. We moeten echter nog te vaak lezen dat er incidenten zijn ter hoogte van een spooroverweg. Gevaarlijk gedrag leidt vaak tot ongevallen met in vele gevallen jammer genoeg doden of gewonden tot gevolg. Dat proberen we dus te vermijden. Het is verboden om een overweg over te steken wanneer de slagbomen in beweging of gesloten zijn, maar we moeten vaststellen dat dit nog te vaak gebeurt. Ongevallen aan spoorwegovergangen hebben daarenboven een nefaste impact op ons treinverkeer.

Begin dit jaar heeft Infrabel een globaal actieplan gelanceerd om de spoorveiligheid ter hoogte van de overwegen te verhogen. Dat zou gebeuren door ledverlichting en stickers met het oproepnummer 1711 voor noodgevallen aan te brengen. Op deze manier wil Infrabel dus de veiligheid en stiptheid op het Belgische spoornet verhogen.

Mijnheer de minister, Infrabel heeft het doel om de komende 10 jaar 176 extra overwegen uit te rusten met ledverlichting, waarvan 20 in 2024. Is dat ook gebeurd?

Daarnaast wil Infrabel camera's met artificiële intelligentie installeren om stilstaande voertuigen te herkennen aan overwegen. Op welke 70 overwegen worden dergelijke camera's geplaatst? Op basis waarvan maakt Infrabel hier een keuze? Deze plannen werden in mei jongstleden aangekondigd. Hoeveel AI-camera's zijn er intussen al geplaatst?

Welke maatregelen plant Infrabel nog om de veiligheid aan overwegen te verhogen?

Xavier Dubois:

Monsieur le ministre, au-delà de la problématique des passages à niveau, il y a aussi celle des comportements imprudents à proximité des voies ferrées.

Les chiffres sont frappants, puisqu’en 2023, onze personnes sont décédées et neuf ont été blessées à la suite d’accidents impliquant un choc avec un train. Hier encore, un accident mortel s’est produit en gare de Nivelles, si mes informations sont correctes.

Par rapport aux actions évoquées par ma collègue, il en est une qui m’interpelle plus spécifiquement, à savoir une action de sensibilisation auprès des 12-18 ans, consistant en une expérience de réalité virtuelle. En dehors d’un article dans le journal, je n’ai toutefois pas trouvé d’informations sur la manière de concrétiser cette action dans les écoles.

Comment organiser cette expérience dans une école? Faut-il faire une demande particulière? Combien de temps dure l’expérience? Des écoles l’ont-elles déjà mise en œuvre? Peut-on imaginer d’élargir cette expérience, par exemple, aux élèves de sixième primaire?

Georges Gilkinet:

Madame Gielis, monsieur Dubois, il s’agit d’initiatives nouvelles prises dans le courant de cette législature et qui se déploient petit à petit. Elles ont pour but à la fois d’améliorer la sécurité des riverains des chemins de fer, mais aussi de travailler sur une des causes de la non-ponctualité, à savoir les accidents de personne. Une série d’initiatives ont été prises à cet égard avec Infrabel.

Uit de analyse van de cijfers betreffende de ongevallen op de overwegen blijkt dat bij ongeveer 80 % van de ongevallen buiten het havengebied omwonenden uit de buurt betrokken zijn. Zij menen ten onrechte dat hun niets kan overkomen. De niet-naleving van de verkeersregels en van de signalisatie, zoals rode lichten, slagbomen en belsignalen, blijft met 50 % de belangrijkste oorzaak van ongevallen. Het roekeloze gedrag van weggebruikers die toch de overweg proberen over te steken, terwijl er te veel verkeer is om dat te doen, is ook een belangrijke oorzaak van ongevallen op overwegen, aangezien dat 35 % van de gevallen uitmaakt. Het is dus in de eerste plaats een maatschappelijk probleem, dat Infrabel niet alleen kan oplossen, ondanks alle inspanningen die het op drie fronten levert.

Ten eerste implementeert en test Infrabel ter preventie een aantal maatregelen om de veiligheid van de weggebruikers op de overwegen te verbeteren. Sommige maatregelen worden nog onderzocht op hun haalbaarheid, zoals de plaatsing van waarschuwingsborden om weggebruikers te wijzen op de gevaren van filevorming op de overwegen en de plaatsing van ledknipperlichten op slagbomen. Het Infrabelnetwerk telt momenteel 23 overwegen waarvan de slagbomen uitgerust zijn met ledknipperlichten. Ik zal u de lijst schriftelijk bezorgen.

Daarnaast brengt Infrabel op sommige overwegen wegmarkeringen aan. In 2024 rustte Infrabel vier overwegen in Groot-Bijgaarden, Herzele, Wetteren en Lokeren uit met nieuwe, geblokte wegmarkeringen om weggebruikers eraan te herinneren dat het strikt verboden is om te stoppen of te parkeren op een overweg. De komende jaren zullen nog een honderdtal andere overwegen van die wegmarkering worden voorzien.

Dit jaar plaatst Infrabel identificatiestickers met het nieuwe noodnummer 1711 op alle openbare overwegen van het netwerk, zodat derden in geval van een gevaarlijke situatie op de overwegen rechtstreeks kunnen bellen naar de centrale dispatching van Infrabel. In november wordt een nationale campagne gelanceerd om derden te informeren over het nieuwe nummer.

Bovendien zijn er momenteel 36 overwegen van de lijst met geselecteerde overwegen uitgerust met camera’s voor obstakeldetectie die werken op basis van artificiële intelligentie.

Sinds augustus zijn camera's op zes locaties, Namen, Waver, Bierges, Basse-Wavre, Morlanwelz en Izegem, aangesloten op het centrale dispatchsysteem van de infrastructuurbeheerder voor het opvolgen van alarmen, wanneer een geïmmobiliseerd voertuig wordt gedetecteerd.

De overwegen worden geselecteerd op basis van de volgende criteria: het risico van blocking back , het regelmatig blokkeren van voertuigen als gevolg van filevorming, en het risico dat zware voertuigen tot stilstand komen als gevolg van regelmatige manoeuvres om een weg in de buurt van de overweg op te draaien of een bedrijf binnen te rijden. Tot slot is er de warning box , een bewustmakingsinstrument om zwakkere gebruikers, voetgangers en fietsers, ervan te weerhouden een gesloten overweg over te steken.

Een tweede luik betreft de sensibilisering.

S’agissant de la sensibilisation, Infrabel déploie des efforts importants pour mener des actions de sensibilisation via des programmes ludiques et éducatifs ainsi que des campagnes de communication relativement aux dangers encourus en cas de comportements inappropriés aux abords des voies en général et à proximité des passages à niveau en particulier. Différents canaux sont utilisés pour toucher au mieux le public ciblé: campagne nationale, campagne de not spot (sensibilisant au danger qu'il y a à traîner près des voies ferrées), campagnes locales dans les zones problématiques. La campagne "La Parole à ceux qui restent" vise à prévenir les comportements dangereux. Des programmes éducatifs pour les 6-12 ans sont également prévus, avec une présentation théorique, un carnet de jeu et un jeu des sept familles; pour les 12-18 ans, un cours théorique, un escape game et des vidéos de témoignages. Un programme pour les personnes sourdes et malentendantes a également été spécialement développé. C'est évidemment essentiel.

Sur le site internet d'Infrabel se trouvent toutes les informations pratiques concernant ces programmes destinés aux écoles.

Une expérience de réalité virtuelle a également été développée. Lancée en septembre, elle a pour but d'être déployée dans les écoles des zones à risques et est proposée par Infrabel. Trois interventions ont déjà eu lieu, à Jambes, De Pinte et Esneux. L'expérience dure environ dix minutes et est réalisée de manière individuelle, via le recours à un casque de réalité virtuelle qui permet d'immerger totalement les participants dans l'expérience. Ceci doit être accompagné d'un cours de sensibilisation pour être pleinement efficace.

Ce concept a été développé pour les élèves des écoles secondaires, l'histoire pouvant être considérée comme choquante pour des enfants trop jeunes. D'autres modes de sensibilisation existent bien pour les enfants des écoles primaires. De nombreuses informations à ce sujet sont disponibles sur le site internet d'Infrabel. Cette société souhaite d'ailleurs poursuivre cet important travail et intensifier ses efforts en la matière à travers le pays.

Ten derde, wat betreft de samenwerking met de veiligheidsdiensten, Infrabel werkt bij controleacties samen met de spoorwegpolitie, de lokale politie en Securail.

Je peux par exemple déjà vous dire qu’une action de ce type sera menée ce vendredi 18 octobre, mais je ne vous dirai pas où.

Tine Gielis:

Mijnheer de minister, ik heb vooral goed naar u geluisterd en uit uw antwoord afgeleid dat ook het gedrag van de mensen een aanleiding kan zijn tot ongevallen. Ik kan u daar enigszins in volgen.

Ik hoop echter dat u daarnaast ook nadenkt over de mogelijke handhaving, over hoe wij mensen niet alleen op het vlak van preventie en sensibilisering maar ook op een repressieve manier kunnen aangeven dat veilig gedrag in de buurt van spoorwegen aangewezen is voor hun eigen veiligheid.

Enerzijds is het gedrag een factor. Ik wil echter anderzijds nog kort ingaan op de infrastructurele ingrepen die u uitvoert om de veiligheid te kunnen garanderen. U hebt daartoe ook een aanzet gegeven en daarop een antwoord geformuleerd. Wij moeten ter zake echter vaststellen dat de doorlooptijd om dergelijke ingrepen te doen ongeveer zeven jaar bedraagt. Daarom pleit cd&v ervoor om sneller tot actie te kunnen overgaan, zodat een gedragswijziging enerzijds en de infrastructurele ingrepen anderzijds een garantie kunnen bieden voor de veiligheid van de gebruikers van de spoorwegen.

Xavier Dubois:

Monsieur le ministre, merci pour votre réponse.

Je suis heureux d’entendre qu’une panoplie d’activités sont organisées, notamment en matière de sensibilisation, pour toute une série de publics, en fonction de l’âge. C’est très bien.

Mais ma question portait spécifiquement sur l’activité d’expérience de réalité virtuelle. Nous venons de vérifier encore sur le site. Nous ne trouvons pas ces informations. Peut-être ne cherchons-nous pas bien. La question était de savoir comment, avec quelles écoles? Une sélection est-elle faite par Infrabel ou bien les écoles peuvent-elles se porter candidates? Comment cela se passe-t-il?

L’information semble en tout cas manquante sur le site. Il faudrait bien entendu pouvoir préciser la chose. Ou alors, il y a une page mystère que nous ne trouvons pas sur le site internet.

Georges Gilkinet:

J’ai lu docilement la réponse préparée par Infrabel qui, comme je le dis, travaille beaucoup sur le sujet. Je n’ai moi-même pas vérifié sur le site, mais je vous enverrai en complément de ma réponse orale les liens concernés et la procédure pour pouvoir bénéficier de cette expérience en réalité virtuelle.

Xavier Dubois:

Nous attendons l’information avec impatience.

De cyberaanvallen tegen Belgische overheidsinstellingen
De recente cyberaanvallen
De Russische cyberaanval en het crisisbeheer door het Centrum voor Cybersecurity Belgium
De recente cyberaanvallen
De cyberaanvallen
Recente cyberaanvallen op Belgische overheidsinstellingen.

Gesteld aan

Alexander De Croo (Eerste minister)

op 8 oktober 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om twee kernthema’s: de politieke verantwoordelijkheid voor antwoorden over het Midden-Oostenconflict (waarin oppositiepartijen eisen dat premier De Croo zelf reageert in plaats van minister Clarinval, maar De Croo benadrukt dat *elke minister namens de hele regering spreekt*) en de cyberaanvallen door pro-Russische hackers op Belgische overheidswebsites, waaronder lokale besturen en havens. De Croo relativeert de impact van de DDoS-aanvallen (tijdelijke overbelasting, geen datadiefstal), wijst op België’s toppositie in cyberveiligheid (nr. 2 in Europa) en bevestigt dat de verkiezingen van 15 oktober veilig kunnen doorgaan, dankzij maandenlange voorbereiding door het *Centrum voor Cybersecurity België (CCB)*. Kritiek blijft op budgettaire tekorten en sensibilisering, terwijl partijen als Cd&V en Les Engagés pleiten voor versterkte middelen en waakzaamheid tegen Russische invloeden.

Éric Thiébaut:

Monsieur le président, au sujet des questions, la semaine dernière, je suis intervenu en début de séance plénière pour regretter qu’une question adressée à Mme la ministre Hadja Lahbib allait finalement être posée au premier ministre M. De Croo.

Aujourd’hui, nous avons posé une question au premier ministre M. De Croo, et on nous dit maintenant que c’est M. Clarinval qui va y répondre.

Monsieur le président, pour avoir une réponse la semaine prochaine de M. De Croo, devons-nous adresser une question à Mme Lahbib?

Franchement, nous faire le coup deux semaines d’affilée, c’est quand même un peu particulier. Je me demande vraiment pourquoi, la semaine dernière, le premier ministre – qui n’est pas absent, il est là – a répondu sur cette thématique à tous les parlementaires qui sont intervenus, et que cette semaine, ce n’est pas lui. Pourquoi?

Ce que nous aimerions connaître, ce n’est pas la position du MR. Ce que nous aimerions connaître, c’est la position du gouvernement. Je pense qu’il est essentiel, sur un dossier aussi difficile, aussi important, dans le contexte actuel, d’avoir la parole du premier ministre.

Stefaan Van Hecke:

Mijnheer de voorzitter, we sluiten ons aan bij die vraag. Met onze fractie hebben wij ook de vraag aan de eerste minister gesteld. De eerste minister heeft gisteren ook een herdenking bijgewoond. Hij was daar prominent aanwezig. Hij heeft ook een duidelijk signaal gegeven. Vorige week zijn de vragen naar de eerste minister gegaan. Vier van de vijf vraagstellers hebben de vraag aan de eerste minister gericht. We zien dat het antwoord door de minister van Middenstand en Landbouw zal worden gegeven. Ik verwacht in elk geval een antwoord van de regering en niet van de MR. Daarom hebben wij de vraag aan de eerste minister gesteld, om er zeker van te zijn dat er een antwoord namens de regering komt.

François De Smet:

Monsieur le président, nous avons en effet un problème. Avec toute l'estime réelle – il le sait – que je porte au collègue Clarinval, j'avoue que, jusqu'ici, l'expertise de notre ministre des Classes moyennes et de l'Agriculture en géopolitique du Moyen-Orient m'avait échappée.

Vous avez rappelé la règle lors de votre réélection. Les affaires courantes, ce n'est pas l'occasion de faire n'importe quoi. Les questions d'actualité, même en affaires courantes, ce n'est pas juste remplacer quelqu'un, lire un papier fabriqué par un cabinet ou une administration et puis, passer à autre chose. C'est incarner le sujet. C'est incarner une expertise. C'est incarner l'échange. Parce que c'est comme ça que se fait le contrôle que vous avez rappelé de vos vœux.

Ma question, que j'adresse plutôt au premier ministre, est simple. Autant je peux comprendre, comme elle est excusée, que Mme Lahbib ne réponde pas à ces questions, autant j'avoue ne pas comprendre pourquoi le premier ministre, alors qu'il est disponible et qu'il va répondre à des questions sur la cybercriminalité, s'estime moins qualifié que le ministre de l'Agriculture et des Classes moyennes pour répondre sur le conflit au Moyen-Orient, qui est en outre dans une phase importante. Je ne peux le comprendre.

Alexander De Croo:

La semaine derni è re, vous m'avez reproché d'avoir pris une question qui ne m'était pas adressée et aujourd'hui, vous me reprochez l'inverse.

Een minister spreekt altijd in naam van de regering, altijd, om het even welke minister aan het woord is. Of het nu de heer Clarinval of mevrouw Lahbib is, wie spreekt als minister, spreekt altijd in naam van de regering. Het antwoord dat de heer Clarinval zal geven, is dus een antwoord in naam van de regering.

Vous le savez, le gouvernement répond aux questions, mais déterminer qui répondra est la prérogative du gouvernement. La réponse donnée, peu importe le membre du gouvernement qui l'apporte, lie le gouvernement.

Voorzitter:

Bedankt, mijnheer de eerste minister.

Collega's, daarmee bent u op de hoogte gebracht van de redenering.

Brent Meuleman:

Mijnheer de premier, hoe vaak men ook op refresh duwt, de webpagina die men bezoekt, krijgt men niet te zien. Dat is wat veel mensen meekrijgen van de ddos-aanval die we gisteren en vandaag hebben gezien.

Collega's, wij zijn allen voortdurend verbonden met het internet. Dat helpt ons vooruit, maar maakt ons ook kwetsbaar. Van die kwetsbaarheid maken sommigen maar al te graag gebruik om arme sukkelaars massa's geld af te troggelen via phishingmails, maar bijvoorbeeld ook door hele systemen plat te leggen die mensen in leven houden. Daarover gaat het natuurlijk, collega's. Het gaat niet over die enkele uren dat een website niet beschikbaar of bereikbaar is, het gaat over landen die kijken hoever ze kunnen gaan.

Vandaag zijn het de lokale besturen, maar wat zal het morgen zijn? Zijn we dan in staat om onze zorginstellingen te beschermen, alsook ons vliegverkeer en onze gevangenissen? Voor Vooruit is een sterke overheid een overheid die haar dienstverlening garandeert. Het noodnummer 112 kunnen bellen, is elementair, maar de bescherming van persoonsgegevens is dat ook.

Terwijl Rusland probeert ons onder druk te zetten, is het aan ons om weerwerk te bieden. Sommigen hier in dit halfrond zijn veel te lang naïef geweest als het gaat over de extremen in het buitenland. Deze regering heeft echter wel werk gemaakt van een cybersecuritystrategie.

De vraag is hoever het staat met die cybersecuritystrategie. We hebben kunnen zien dat de aangevallen websites blijkbaar niet voorbereid waren op die aanvallen. Mijn vraag aan de premier: hoe is het gesteld met onze cyberveiligheid?

Steven Matheï:

Mijnheer de eerste minister, sinds gisterenavond worden er websites van provincies, de Kamer van volksvertegenwoordigers en van heel wat steden en gemeenten aangevallen. Nog niet zo heel lang geleden werd zelfs de volledige digitale dienstverlening van een stad als Antwerpen platgelegd. Kortom, cyberaanvallen dreigen schade en datalekken van persoonsgegevens te veroorzaken en de overheid te blokkeren.

Cyberveiligheid is uw enige expliciet genoemde bevoegdheid, mijnheer de eerste minister. In 2021 lanceerde u de Strategie Cyberveiligheid 2.0. Wij stellen vast dat verschillende maatregelen daarvan in uitvoering zijn, wat een goede zaak is, maar van een aantal zaken zien wij op dit moment nog niets. Denk maar aan het Cyber Green House, een initiatief om samen met de privésector onze netwerken te versterken, wat essentieel is. Wij zien ook dat de budgetten de afgelopen jaren een stuk naar beneden zijn bijgesteld. Nochtans is cyberveiligheid vandaag meer dan ooit belangrijk, zeker gelet op de actuele geopolitieke situatie.

Men moet het onverwachte verwachten, zegt men weleens in verband met cyberveiligheid, ook al zijn aanvallen vanuit Rusland niet echt onverwacht. Toch hebben wij de indruk dat de overheid op dat vlak wat achterophinkt. Cd&v vindt het dan ook heel belangrijk dat de Strategie Cyberveiligheid 2.0 verder wordt uitgevoerd, dat de lokale besturen worden ondersteund en goed worden ingelicht, zeker in deze cruciale week, met de lokale verkiezingen in het vooruitzicht, en dat er een beroep kan worden gedaan op specialisten ter zake.

Mijnheer de eerste minister, hoe ver staat het met de uitvoering van de Strategie Cyberveiligheid 2.0? Is er ook aandacht voor de lokale besturen en de aanwerving van medewerkers met de juiste profielen bij onze inlichtingen- en veiligheidsdiensten?

Ismaël Nuino:

Monsieur le président, monsieur le premier ministre, chers collègues, "protéger, renforcer, préparer": vous serez tous d'accord avec moi: ce sont des mots qui résonnent avec le thème de la cybersécurité, car ils forment le slogan au moyen duquel vous avez donné le signal de départ de votre présidence du Conseil de l'Union européenne. Ces verbes devraient s'appliquer aujourd'hui à la cybersécurité. Malheureusement, nous avons assisté hier et encore aujourd'hui à des attaques apparemment pro-russes contre des sites internet provinciaux, communaux ainsi que contre celui de la Chambre des représentants et bien d'autres. Ce n'est pas un fait isolé. En effet, dans le même laps de temps, en comparaison avec l'année dernière, nous avons observé une augmentation de 31 % des cyberattaques.

La cybersécurité ne concerne pas seulement un site qui ne s'affiche plus quand on en rafraîchit une page, mais également un CPAS qui, du jour au lendemain, ne peut plus exécuter ses paiements automatiques ou encore un indépendant qui ne peut plus accéder à aucune donnée en allumant son PC et doit peut-être alors mettre la clef sous la porte. La cybersécurité implique peut-être que, dimanche soir, quand nous voudrons connaître les résultats des élections communales et provinciales, nous ne pourrons y accéder.

En l'occurrence, une question fondamentale se pose: que faisons-nous pour garantir la cybersécurité de nos concitoyens? En effet, cette question est de l'ordre de la sécurité. Très concrètement, qu'a entrepris le Centre pour la Cybersécurité Belgique (CCB) dans la gestion de cette crise hier et aujourd'hui? A-t-il apporté son soutien aux différentes institutions qui ont été attaquées? En a-t-il eu les moyens? Plus fondamentalement, dispose-t-il des moyens nécessaires pour venir en aide aux institutions qui en ont besoin?

Qu'est-il prévu pour préparer les élections communales et provinciales de dimanche, de manière à s'assurer que, dimanche soir et lundi matin, nos concitoyens puissent accéder aux résultats le plus rapidement possible?

Matti Vandemaele:

Mijnheer de eerste minister, de afgelopen dagen werd ons land het slachtoffer van een reeks cyberaanvallen, waardoor een aantal websites tijdelijk niet bereikbaar was. Op de website van het CCB konden we lezen dat Russische groeperingen hierachter zouden zitten en dat onze pro-Oekraïense en prodemocratische standpunten aan de basis van de aanvallen zouden liggen.

Het is belangrijk dat we ons als land wapenen tegen dat soort aanvallen, want het is duidelijk dat er een grote directe veiligheidsdreiging uitgaat van desinformatie en cyberaanvallen. We zien dat daar steeds dezelfde landen achter zitten, namelijk Rusland en China. We moeten dat goed beseffen en daar waakzaam voor zijn.

Over vijf dagen zijn er lokale verkiezingen en het zijn net de sites waarop mensen informatie zoeken over de verkiezingen, die uit de lucht gaan. Bovendien gaat men in heel wat steden en gemeenten digitaal stemmen. Ik besef wel dat de stemcomputers op zichzelf staan en niet met elkaar of met het internet verbonden zijn, maar in de volgende fase, het verwerken en doorsturen van de resultaten, bestaat er volgens mij wel een groter risico op interferentie.

Mijnheer de eerste minister, ten eerste, wanneer zullen de sites die nu het doelwit zijn, opnieuw up and running zijn?

Ten tweede, zijn er indicaties voor extra cyberaanvallen komende zondag?

Ten derde, zijn we als land voldoende voorbereid, zodat de verkiezingen komende zondag op een ordentelijke manier plaats kunnen vinden? Welke stappen hebt u daarvoor gezet?

Catherine Delcourt:

Monsieur le président, monsieur le premier ministre, hier, de nombreuses institutions et administrations publiques ont, en effet, été la cible de cyberattaques massives, rendant leur site internet partiellement, voire totalement, inopérant. La situation a été rapidement rétablie – il faut le souligner. Néanmoins, de nouvelles attaques ont été perpétrées aujourd'hui à l'encontre, notamment, de ports et d'administrations locales. Le Centre pour la Cybersécurité Belgique a indiqué qu'un collectif de hackers prorusses se trouvait à l'origine de ces attaques et que ces attaques constituaient des représailles à l'encontre de la Belgique pour son engagement de livrer à l'Ukraine une série de canons de production française de type Caesar. On peut certainement regretter, au passage, la communication de la ministre de la Défense qui a devancé le Parlement et le Conseil des ministres qui devaient entériner cette décision. L'avenir nous dira si cette communication était responsable.

Néanmoins, en tant que députée fédérale, ce qui me préoccupe à l'heure actuelle, étant attachée à la démocratie, ce sont les élections et leur bon déroulement au niveau local ce dimanche.

Monsieur le premier ministre, quelle analyse avez-vous mené par rapport à ces cyberattaques et leur impact et avez-vous pris des mesures pour sécuriser davantage les élections qui sont prévues ce dimanche au niveau local?

Alexander De Croo:

Chers collègues, je vous remercie pour ces questions.

En effet, de nombreux sites web en Belgique ont subi des attaques DDoS. Il faut bien faire la différence entre ce type d'attaque et les attaques de type phishing ou vol de données. Cela n'a strictement rien à voir.

Een ddos-aanval is een aanval waarbij men een website overlaadt met communicatie. Dit zorgt ervoor dat die website niet bereikbaar is.

Dit is precies wat wij gisteren en vandaag in ons land gezien hebben. Volgens de analyse van het Centrum voor Cybersecurity zit een Russische groep hackers erachter. Op Telegram heeft die groep trouwens een lijst gepubliceerd van alle websites die geviseerd werden. Het ging om een aantal officiële instanties als de provincies, deze politieke instelling, een aantal gemeenten, maar ook om onze havens.

De analyse die het CCB tot nu toe gemaakt heeft, is dat wij de aanval relatief goed doorstaan hebben. Een aantal websites was wel gedurende een korte tijd niet bereikbaar, en een kleine minderheid is vandaag nog steeds niet bereikbaar, maar sites als die van de havens, en andere, hebben bijna geen last van die aanval gehad.

D'ailleurs, ce n'est pas la première fois que cette organisation perpètre des attaques DDoS dans notre pays. Par exemple, une attaque par cette même organisation a eu lieu lors de la visite du président Zelensky dans notre pays pour tenter d'interrompre le fonctionnement de certains de nos sites web.

Wat is de rol van het Centrum voor Cybersecurity? Ten eerste, detecteren. Ten tweede, communiceren met websites en organisaties waarvan men denkt dat ze in de focus liggen of waarvan ze zien dat ze in de focus liggen en om met hen maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat men kan mitigeren. Dat wil zeggen dat men kan vermijden dat er bepaalde schade zou worden toegebracht.

De analyse van het CCB is dat de overgrote meerderheid van onze websites dat relatief goed hebben kunnen doorstaan.

Parmi vous, certains disent que notre pays n'est pas à la hauteur en matière de cybersécurité.

Dat is absoluut onjuist. Ons land staat op internationale rankings bij de Europese top en de wereldtop op het vlak van bescherming. Op de National Cyber Security Index wordt ons land aangezien als het tweede best beschermde land in Europa. Op de Global Cyber Security Index heeft ons land een score van 96 op 100. Het gemiddelde is 66 op 100. Wij behoren dus absoluut tot de top van de wereld.

Nulrisico bestaat niet. Elke dag zijn er in ons land meer dan duizend cyberaanvallen. Wij worden continu belaagd. Wij zijn ook niet het enige land dat continu belaagd wordt door dergelijke aanvallen.

We zijn daar dus veeleer goed in, dankzij de structuur die het Centrum voor Cybersecurity heeft opgezet. Wij moeten echter bijzonder voorzichtig blijven, vooral op een moment als dit.

Het Centrum voor Cybersecurity, Binnenlandse Zaken en de regionale overheden, die de verkiezingen organiseren, zijn reeds maanden bezig met de voorbereiding van de verkiezingen. De analyse van het CCB vandaag is dat de aanvallen van de voorbije dagen op geen enkele manier een interferentie zouden kunnen zijn ten opzichte van de verkiezingen die komend weekend plaats moeten vinden. Het gaat dan wel over het soort aanvallen als gisteren. Ik heb geen informatie over wat er de komende dagen kan gebeuren; hoe dan ook moeten wij natuurlijk bijzonder voorzichtig blijven.

Wij weten dat men vanuit China, Rusland en misschien ook andere plaatsen probeert om onze democratie te destabiliseren; de ddos-aanval van gisteren heeft relatief beperkte hinder veroorzaakt. Wij moeten wel bijzonder voorzichtig zijn.

Vous avez parlé de phishing . Effectivement, lorsque vous recevez un e-mail d'un genre auquel vous ne vous attendez pas, il faut toujours se montrer extrêmement prudent.

Men probeert via medewerkers van officiële organisaties binnen te raken. Bij verkiezingen zoals nu moeten we bijzonder voorzichtig zijn. De strategie van cyberveiligheid 2.0 is in volle uitrol en is succesvol, zoals we in de verschillende rankings kunnen zien. Wat cyberveiligheid betreft, kunnen we echter nooit op beide oren slapen. We moeten op dat domein elke dag bewijzen dat we alles doen om onze websites en onze burgers te beschermen.

Brent Meuleman:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de eerste minister, collega's, wanneer de website van de Kamer wordt aangevallen, zodat die plat wordt gelegd, moeten wij ons als parlementsleden allemaal aangesproken voelen. Rusland kondigt die aanvallen aan en voert ze uit met een reden. We mogen ons niet laten intimideren. Vooruit zal zich nooit laten intimideren. Rusland is niet alleen op zoek naar onze zwakke plekken en onze zwakke systemen, maar ook naar wie de zwakste knieën heeft, naar wie bereid is om te buigen voor intimidatie, naar wie bereid is te luisteren naar dictators uit het buitenland.

Vooruit zal steeds de zijde kiezen van degenen die onderdrukt worden door anderen. We hebben dat gedaan in Gaza, we doen dat in Libanon en ook in Oekraïne. Wij laten ons niet intimideren, wij blijven de onderdrukten steunen. Dat is wat socialisten doen.

Voorzitter:

Ik feliciteer Brent Meuleman met zijn maidenspeech. (Applaus)

Steven Matheï:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de eerste minister, collega's, laat het duidelijk zijn dat cyberveiligheid een heel belangrijk topic is en blijft.

Mijnheer de eerste minister, ik heb twee boodschappen aan u en aan iedereen in het halfrond.

Ten eerste, we moeten blijven inzetten op cyberveiligheid, niet met zandzakjes maar met grote middelen, om de dreiging tegen te houden.

De tweede boodschap is gericht aan de vorige spreker, die samen met de communistische partij een coalitie vormt: iedereen moet op het eigen niveau proberen elke Russische invloed tegen te houden. Cd&v zal alleszins blijven inzetten op cyberveiligheid. Wij hebben dan ook een voorstel van resolutie ter zake ingediend.

Ismaël Nuino:

Monsieur le premier ministre, je vous remercie pour votre réponse.

Je constate que nous partageons la même volonté de renforcer la cybersécurité. C’est excessivement important.

J’ai entendu votre explication sur les différences entre les DDoS et le phishing . C'est là une question de cybersécurité. Le rôle du Centre pour la Cybersécurité Belgique ne doit pas se cantonner à la gestion de ce genre d’attaques. Il doit aussi sensibiliser et informer les utilisateurs.

C’est aussi pour cette raison que j’ai posé la question concernant les moyens du CCB. Je n’ai pas obtenu de réponse à ce sujet. Le CCB a-t-il les moyens pour sensibiliser et informer tous les acteurs qui pourraient être malheureusement confrontés à des actions pouvant générer des risques pour notre cybersécurité?

Fondamentalement, la cybersécurité touche chacun d’entre nous. Nous devons absolument en faire une priorité. Pour Les Engagés, la cybersécurité est de la sécurité. Nous devons la renforcer à l'avenir et maintenir les efforts pour rester au top de la cybersécurité et des moyens que nous pouvons donner à tous nos concitoyens.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de premier, bedankt voor uw antwoord.

Ik ben het met u eens dat ons al land al heel grote inspanningen levert en ik hoop dat een volgende regering op die weg doorzet.

Een element van uw antwoord verbaast mij wel. U zegt namelijk dat u geen link ziet met de lokale en provinciale verkiezingen van komende zondag. Dat vind ik vreemd, aangezien in grote mate ook websites van provincies en van lokale besturen geviseerd werden. Ik denk dat er potentieel toch een link kan zijn. Iedereen herinnert zich wellicht nog de fratsen met de verkiezingen van juni, hoe toen een en ander in de soep is gelopen.

Voor de geloofwaardigheid van de politiek en de democratie is het volgens mij heel belangrijk dat wij zondag een goede beurt maken, dat het systeem heel goed functioneert. We moeten dus extra waakzaam zijn zodat onze verkiezingen op een ordentelijke manier kunnen verlopen zonder enige mogelijke interferentie van buitenaf.

Catherine Delcourt:

Monsieur le premier ministre, je vous remercie pour vos éléments de réponse. À l'approche des élections communales et provinciales, il convient de prendre très au sérieux la menace de cyberattaques contre nos institutions. Je suis consciente que de nombreuses personnes œuvrent à réparer les choses dans l'urgence et à sécuriser les systèmes informatiques de nos institutions. Néanmoins, cette vague d'attaques montre encore une fois qu'il convient d'investir de manière très sérieuse dans la cyberdéfense pour rendre nos institutions et nos organisations robustes et qu'elles puissent réagir de manière appropriée à des attaques venant de l'étranger. Je tiens aussi à souligner l'importance d'intégrer dans la communication politique de chacun l'aspect sécurité et d'évaluer celui-ci avant de prendre la parole.

De situatie van de federale gerechtelijke politie te Luik

Gesteld door

Les Engagés Vanessa Matz

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)

op 8 oktober 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Bij de federale gerechtelijke politie van Luik heersen ernstige problemen: psychisch en seksueel grensoverschrijdend gedrag, willekeurige personeelsverplaatsingen, slechte werkomstandigheden (gebouwen, onderbezetting) en suïcidale gedachten bij medewerkers, zo meldden syndicaten via de pers. Minister Verlinden bevestigt dat pas na mediabelangstelling actie werd ondernomen: onderzoeken (AIG, arbeidsinspectie, disciplinaire stappen), ondersteuning voor suïcidale medewerkers en een diepgaande analyse in 2024, maar erkent twee jaar vertraging sinds de eerste syndicale signalen (2022). Matz kritiseert de trage reactie en benadrukt dat concrete oplossingen en schaalbepaling van het probleem nu prioriteit moeten zijn.

Vanessa Matz:

Madame la ministre, la presse du week-end s'est fait l'écho d'une situation particulièrement interpellante à la police judiciaire fédérale de Liège. En effet, des faits de harcèlement, tant moral que sexuel, y sont relatés; un manque de transparence dans les nominations; des déplacements de personnel sans raison valable et un grand nombre de tensions entre direction et membres du personnel. Certains membres du personnel confient des pensées suicidaires tant l'ambiance est – pardonnez l'expression – pourrie. Ce sont les syndicats qui, au travers de la presse, se font les relais de ces informations inquiétantes.

Il semble y avoir eu une demande d'enquête en septembre 2022 pour que soit fait un état des lieux de cette police judiciaire à Li è ge, demande qui avait été refusée. Nous savons par ailleurs que la police judiciaire fédérale de Liège travaille dans des conditions compliquées, comme la police judiciaire de manière générale au vu du nombre de missions qui lui est confiée, la tension inhérente au travail et le manque de personnel. À Liège, s'ajoute le tr è s mauvais état des locaux.

Avez-vous – vous ou le commissaire général – été mise au courant des tensions qui existent au sein de cette police judiciaire? Si oui, depuis quand? Quelles mesures avez-vous – ou le commissaire général – prises pour tenter d'apaiser la situation à Li è ge qui semble particuli è rement tendue et difficile pour un personnel déj à par ailleurs mis sous pression?

Annelies Verlinden:

Madame Matz, après avoir pris connaissance de la médiatisation de la situation à la police judiciaire fédérale (PJF) de Liège, j'ai immédiatement interrogé le commissaire général à ce sujet.

Le commissaire général et le directeur général de la police judiciaire ont reçu deux courriers de la CGSP concernant les faits en question. Plusieurs mesures ont entre-temps été prises, à savoir: la demande formulée à l'Inspection générale de la police fédérale et de la police locale (AIG) d'ouvrir une enquête judiciaire; la demande adressée aux mandataires permanents de diriger les personnes ayant évoqué le suicide vers le conseiller en prévention et le médecin du travail; l'objectivation des éléments mentionnés dans la lettre de la CGSP par la Direction interne de prévention et de protection au travail de la police fédérale; la demande formulée au Service externe pour la prévention et la protection au travail IDEWE afin de recevoir l'ensemble des résultats de l'enquête globale en 2024 sur la PJF de Liège et l'analyse des résultats; la réalisation d'une enquête spécifique afin d'identifier et d'objectiver les causes ayant conduit à ce climat; l'ouverture d'une enquête disciplinaire. Par la suite, le commissaire général s'adressera à l'ensemble des collaborateurs de la PJF de Liège.

Il est essentiel d'obtenir le plus rapidement possible un aperçu complet de la situation.

Je tiens à exprimer ma reconnaissance aux milliers de collaborateurs de la police fédérale et de la police judiciaire pour leurs efforts au quotidien. Ils méritent un lieu de travail agréable et des conditions de travail correctes. Je continuerai à m'engager à 100 % en faveur d'un environnement de travail agréable au sein des forces de police.

Vanessa Matz:

Madame la ministre, je vous remercie pour cet état de la situation et cette demande d'objectivation de la situation. Il ne s'agit évidemment pas de remettre en cause ce qui est mentionné par les syndicats. Il s'agit de déterminer combien de personnes parmi les 350 membres du personnel de la PJF de Liège sont concernés. Il s'agit également d'identifier les problèmes et, surtout, de les résoudre. N'aurions-nous pas pu gagner deux ans? Il semble que les syndicats avaient déjà interpellé dès septembre 2022 au sujet de cette situation qui semble s'être fortement dégradée depuis. Si les mesures actuelles sont de nature à rassurer le personnel, les syndicats et la police judiciaire fédérale dans son ensemble, je regrette toutefois la perte de temps dans ce dossier.

De humanitaire hulp aan Libanon
De repatriëring uit Libanon en de humanitaire hulp
De screening bij evacuaties uit Libanon
De humanitaire hulp en de repatriëringen uit Libanon
De situatie in het Midden-Oosten
De escalatie van de crisis in het Midden-Oosten en de evacuatie van Belgische burgers
De situatie in het Midden-Oosten
De opflakkering van het geweld in het Midden-Oosten
Midden-Oosten crisis, evacuaties en humanitaire hulp.

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid), Hadja Lahbib (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken, Buitenlandse Handel en Federale Culturele Instellingen)

op 3 oktober 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de escalerende crisis in het Midden-Oosten, met focus op Libanon en Israël, waar geweld honderden doden en een miljoen vluchtelingen veroorzaakt, terwijl België noodhulp (B-FAST), repatriëring van 1.800 Belgen en een staakt-het-vuren prioriteert. Belangrijkste standpunten: Ministers Lahbib en Vandenbroucke bevestigen onmiddellijke repatriëring (via Nederland, MEA en Defensie), 150.000 euro medische hulp en pleidooien voor de-escalatie in EU-verband, maar sancties tegen Israël (gevraagd door oppositie) blíjven uit. Kritiek komt van Groen (selectief geweldsvertoor), VB (screening geradicaliseerden), PTB/PVDA (België "medeplichtig" via EU-Israël-akkoord) en N-VA/CD&V (diplomatie eerst). Kern: Humanitaire actie loopt, maar politieke oplossing (tweestaten, staakt-het-vuren) en strengere houding tegen Israël blijven omstreden.

Voorzitter:

U bent misschien verbaasd dat minister Vandenbroucke hier zit om op het thema te reageren. Dat heeft te maken met het feit dat niet alleen mevrouw Depraetere is vervangen omdat ze is toegetreden tot de Vlaamse regering, maar dat ook collega Gennez nu deel uitmaakt van die regering en ons eveneens heeft verlaten. De heer Vandenbroucke heeft haar bevoegdheden overgenomen.

Fatima Lamarti:

Collega's, iedereen wordt geraakt door wat er vandaag in het Midden-Oosten gebeurt. Het geweld ontziet ginder niemand, ook niet journalisten, die strijden voor de waarheid. Ook al wie daar vrienden, kennissen of familie heeft, wordt erdoor geraakt.

Soms lijkt het alsof het conflict in het Midden-Oosten onze samenleving enkel verdeelt. Politieke partijen die campagne voeren op conflicten helpen niemand vooruit. Wij maken een andere keuze: geen loze woorden aan de zijlijn, maar actie op het terrein. Vooruit kiest namelijk de kant van de burgerslachtoffers, zeker nu er elke dag honderden burgerslachtoffers bij komen.

Terwijl Israël Libanon bombardeert, vluchten gezinnen met kinderen voor het geweld. Libanon redt het niet alleen. Woorden zijn niet voldoende. Daarom pleitte mijn collega Lambrecht vorige week ook voor sancties en een onmiddellijk staakt-het-vuren. Dat is evenwel nog geen oplossing voor de slachtoffers vandaag. Gelukkig kondigt u, mijnheer de minister, aan om te doen waar België goed in is, namelijk noodhulp verlenen. Wij deden het de afgelopen jaren in Turkije, Gaza en nu in Libanon. Met B-FAST redden we levens, als we effectief kunnen zijn.

Hoe garandeert u die effectiviteit? Waar gaan onze mensen aan de slag? Met wie werken zij samen? Hoe redden wij zoveel mogelijk mensen?

Staf Aerts:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer en mevrouw de minister, collega's, het conflict in het Midden-Oosten is de afgelopen weken nog verder geëscaleerd. Dat verontrust me enorm, want ik vrees dat Israël van Libanon een tweede Gaza zal maken. Vorige week waren er ontploffende biepers. Ondertussen is het Israëlische leger Libanon binnengetrokken en werd Beiroet gebombardeerd. Op een week tijd vielen er honderden doden en er zijn naar schatting 1 miljoen mensen op de vlucht. Het is overduidelijk dat er een de-escalatie, een staakt-het-vuren in het Midden-Oosten nodig is. We roepen alle conflictpartijen daartoe op. Voor alle duidelijkheid, ook Iran moet stoppen met het afvuren van raketten op Israël, wat absoluut veroordeeld moet worden.

Het grootste slachtoffer is natuurlijk de lokale bevolking. Die mensen worden gebombardeerd, moeten vluchten en lijden honger. Libanon was al een erg arm land met ontzettend veel vluchtelingen.

Daarom doe ik de volgende oproep. België moet, ten eerste, de noodkreet van de Verenigde Naties om humanitaire steun te bieden, ondersteunen. Ten tweede, het is goed dat we repatriëren, maar zorg ervoor dat we het niet aanpakken zoals destijds in Afghanistan. Zorg ervoor dat we dus niet enkel Belgen, maar ook andere mensen repatriëren. Red voldoende mensenlevens; dat is absoluut onze morele plicht. Ten slotte, vandaag wijst men mensen door naar commerciële vluchten voor repatriëring, maar die tickets zijn peperduur en die vluchten zijn praktisch volgeboekt. Mevrouw de minister, wanneer start u de repatriëring via het Belgisch leger op?

Britt Huybrechts:

Mijnheer de minister, mevrouw de minister, met de gecoördineerde aanvallen waarbij biepers van duizenden leden van de terroristische organisatie Hezbollah tot ontploffing werden gebracht en waarbij ook verschillende doden vielen, escaleerde het conflict verder. De actie werd nadien nog eens herhaald, maar dan met walkietalkies. De situatie in Libanon is dan ook zeer gespannen. Vanochtend las ik nog in de krant dat een Belgische journalist en cameraman gewond zijn geraakt bij een incident.

Het Vlaams Belang is dan ook zeer verheugd om te horen dat u eindelijk van plan bent om evacuatieplannen op te stellen, maar wij hebben wel een aantal kritische noten. Wij moeten er eerst en vooral voor zorgen dat onze landgenoten zo snel en veilig mogelijk terugkeren naar België. Wij moeten echter ook opletten wie zij zijn. Daarom vragen wij dat deze geëvacueerde Belgen worden gescreend op eventuele vormen van radicalisering en dat wordt bekeken of zij contact hebben gehad met terroristische organisaties als Hezbollah en andere. Dat is de enige manier om de Belgen hier in België veilig te houden en het conflict niet te importeren in ons Belgenland.

Weet u hoeveel Belgen er zullen terugkeren?

Bent u van plan om deze screening serieus te nemen en dus de geëvacueerde Belgen te screenen op eventuele vormen van radicalisering of contact met terroristische organisaties als Hezbollah en andere?

Bent u bereid om deze screening ook verder te zetten, eventueel in samenspraak met de eerste minister?

Els Van Hoof:

Mijnheer de minister, mevrouw de minister, wie vrede en diplomatie predikt, wordt blijkbaar persona non grata. Dat is wat VN-secretaris-generaal Guterres de voorbije week heeft ondervonden. Hij wordt door Israël persona non grata verklaard. Hij heeft gisteren in de VN-Veiligheidsraad nochtans duidelijke woorden gesproken. Hij zei: "Een inferno waar de ene aanval de andere rechtvaardigt, leidt slechts tot meer leed van burgerslachtoffers."

Iran gooit uiteraard meer olie op het vuur. Mevrouw de minister, u hebt dat duidelijk veroordeeld, maar ik denk dat ze in Teheran en Tel Aviv nog altijd niet onder de indruk zijn en andere prioriteiten hebben. Dat heeft natuurlijk te maken met een aantal bondgenoten. Ik denk concreet aan de VS, die door de verkiezingskoorts worden verlamd. Daardoor springt Israël in een gat en krijgt het meer speelruimte.

Ik hoorde vandaag op de radio dat er een soort van hoerastemming heerst. Ik vind dat totaal ongepast. Wij moeten uiteraard niet pleiten voor een militaire uitbreiding van het conflict, maar voor vrede, voor de-escalatie en voor vredesonderhandelingen.

Ik heb hier al een twintigtal keer hetzelfde gezegd, maar ik ga die plaat nooit afzetten. Wij moeten pleiten voor een onmiddellijk staakt-het-vuren. Wij moeten pleiten voor een tweestatenoplossing. Wij moeten pleiten voor een onmiddellijke vrijlating van de gijzelaars. Ik hoop dat u deze plaat ook niet afzet in de Europese Raad en ook niet in de Raad Buitenlandse Zaken, waar u voor dezelfde zaken zou moeten pleiten.

Mijnheer de minister, mevrouw de minister, welke positie neemt België vandaag concreet in?

Wij hebben het goede nieuws van de repatriëring vernomen. (…)

Nabil Boukili:

Monsieur le président, madame et monsieur les ministres, cette dernière année, Israël a montré son vrai visage, en tout cas, à ceux qui sont aveugles depuis septante-cinq ans. Depuis un an, un génocide se déroule devant nos yeux. À croire qu'ici, en Europe, on a oublié ce que signifie un génocide, vu une telle passivité et inaction. On parle de 41 000 morts, sans compter les disparus ni les corps qui se trouvent sous les décombres, en plus de la famine et des maladies avec leurs conséquences sur les générations à venir!

Depuis deux semaines, c'est le peuple libanais: plus de 1 000 morts, plus de 6 300 blessés. Aucune réaction! Désormais, nous voyons la région s'embraser complètement. Le seul responsable de cette situation est l' É tat colonial d'Israël. Il en est responsable parce qu'il est impuni. Et nous ne sommes pas simplement passifs; le pire est que nous sommes complices. En effet, lorsque les États-Unis fournissent 20 milliards de dollars d'armements qui tuent les enfants palestiniens et le peuple libanais et que l'Union européenne conclut un accord d'association, ils participent à l'économie de guerre israélienne. Nous sommes complices du génocide, des crimes de guerre au Liban et de l'embrasement du Moyen-Orient. C'est inacceptable!

Madame la ministre, quand allez-vous mettre fin à notre complicité avec ces crimes de guerre et imposer un embargo militaire contre Israël? Quand allez-vous mettre fin à cette complicité en arrêtant le commerce (…)

Jean-Luc Crucke:

Monsieur le vice-premier ministre, madame la ministre, la semaine passée déjà, je m'inquiétais au sujet du sort des ressortissants belges au Liban. Même si je lis parfois que certains voient plus clair, je crois qu'il ne fallait pas être grand clerc pour comprendre que l'introduction des forces israéliennes sur le territoire libanais ne se ferait pas à la vitesse éclair.

Aujourd'hui, nous sommes face à nos responsabilités. Il y a 1 800 ressortissants qui sont toujours présents, dont 100, dites-vous, souhaitent quitter le territoire libanais. Le gouvernement s'est enfin réuni – certes par voie électronique – et a décidé qu'il y avait trois modalités, la première étant les vols commerciaux. Y a-t-il encore aujourd'hui des vols commerciaux qui pourraient être pris par ces ressortissants dans des conditions de prix décentes? Deuxième modalité, l'aide militaire provenant des partenaires étrangers, comme les Pays-Bas. Avons-nous des garanties de présence sur ces avions pour les Belges? Quel est le pourcentage? Combien de sièges? Et, troisièmement, l'intervention éventuelle de l'aviation et des forces militaires sur le territoire.

Cette troisième option n'est-elle pas à privilégier si nous voulons permettre à ces ressortissants de pouvoir revenir chez eux, chez nous, dans des conditions qui sont sûres? Ce conflit ne s'arrêtera pas; et, si nous ne prenons pas les devants, si la préparation n'est pas immédiate – en termes d'urgence, le gouvernement a l'obligation de réagir –, …je ne souhaite pas le pire, mais je ne voudrais pas qu'on puisse l'imaginer.

Voorzitter:

Bedankt, mijnheer Crucke.

Collega's, gelieve allemaal op uw woorden te letten, want behalve de talloze kijkers thuis bevindt er zich een hele groep jonge mensen in de tribune.

Michel De Maegd:

Madame la ministre, monsieur le ministre, le Liban est à feu et à sang, une nouvelle fois. Un drame pour les civils, un de plus depuis plusieurs décennies. Politiquement, chers collègues, à travers l'élimination du chef du Hezbollah, c'est le régime iranien qui a été visé en plein cœur, un régime qui, ne l'oublions pas ici, ne vise qu'une chose: l'anéantissement total d'Israël.

Israël a aussi encore été durement touché ces derniers jours, par des attentats meurtriers à Tel-Aviv, par des tirs de missiles venant des Houthis au Yémen et, enfin, par l'envoi de 200 missiles balistiques en provenance de l'Iran, heureusement pour la plupart neutralisés. Imaginez, un instant, s'ils avaient atteint leur cible, quel désastre cela aurait été pour la population civile en Israël. Personne ne devrait, chers collègues, accepter le terrorisme, et nous devons aussi comprendre qu'Israël lutte pour sa survie. C'est un combat existentiel.

Néanmoins, il faut être clair. Promouvoir la sécurité de l'État d'Israël et de sa population ne signifie pas soutenir aveuglément la politique menée par le gouvernement Netanyahou.

À ce propos, les événements de ces derniers jours nous font craindre une escalade encore plus importante qui fera encore plus de victimes dans la région, à Gaza, en Cisjordanie, au Liban et en Israël – victimes que mon groupe déplore toutes.

Alors pour faire taire le fracas des armes, une réponse diplomatique est indispensable. C'est une responsabilité de la communauté internationale toute entière. Celle-ci n'est pas exempte de reproches en ayant fermé les yeux depuis un an sur les tirs quotidiens de missiles venant du Hezbollah.

Dans ce contexte, madame et monsieur les ministres, voici mes questions. Nous accordons une grande importance à la sécurité des Belges qui sont toujours présents au Liban. Vous avez annoncé en avoir identifié une centaine qui désirent rentrer chez nous. Ce nombre a-t-il évolué depuis hier? Dans quels délais ces rapatriements auront-ils lieu? Nous apprenons aujourd'hui que deux journalistes belges ont été blessés. Avez-vous plus d'informations à leur propos? Enfin, quelle aide humanitaire sera mobilisée en faveur de la population libanaise qui souffre depuis tant de mois?

Christophe Lacroix:

Madame la ministre, chaque semaine, nous devons malheureusement vous interpeller. Chaque semaine, nous devons dénoncer votre absence de courage politique dans ce dossier. Toujours pas de sanctions contre Israël ni de reconnaissance de la Palestine; toujours pas d'aide massive au Liban. La situation au Proche-Orient est à tel point dramatique que le risque d'embrasement mondial n'est aujourd'hui plus une menace mais une réalité. Nous y sommes, madame la ministre. Nous sommes véritablement à un point de bascule géopolitique. Nous sommes au-delà des 41 000 morts et des 90 000 blessés dont 90 % sont des victimes collatérales, des victimes civiles, rappelons-le.

Madame la ministre, au Parti Socialiste, nous avons toujours condamné la violence d'où qu'elle vienne, que ce soit bien clair. Nous avons toujours dit que le droit international devait être notre boussole partout dans le monde. Nous avons toujours dit que l' É tat d'Israël le bafoue allègrement et que nous devions agir résolument pour le contraindre à un cessez-le-feu. Sur Gaza, et maintenant sur le Liban mais également sur la Syrie. Mais où le premier ministre israélien s'arrêtera-t-il? Cela ne peut plus durer. Madame la ministre, nous sommes véritablement à un tournant de l'histoire. La réaction du régime théocratique iranien, que nous condamnons avec autant de force, nous laisse malheureusement présager du pire.

J'ai trois questions et j'aimerais à nouveau vous demander ceci: quand allez-vous porter au gouvernement le dossier des sanctions à l'égard d'Israël pour les forcer à revenir à la paix et à la stabilité dans la région? Il faut reconnaître l' É tat de Palestine pour forcer une solution à Gaza aussi. Pour le Liban, des facilités consulaires et une possibilité de rapatriement par la Défense belge seront-elles mises en place pour les 1 800 Belgo-libanais présents sur le territoire? Des solutions d'accueil et des visas humanitaires seront-ils envisagés pour leurs familles? Et quelle aide humanitaire est prévue pour le million de déplacés que compte le Liban, qui connaît un bilan désastreux depuis de très nombreuses années?

Hadja Lahbib:

Monsieur le président, mesdames et messieurs les députés, je vous remercie pour vos questions. Je voudrais tout d'abord reprendre une des questions principales. Sachez que, dès demain, des Belges seront à bord d'avions pour quitter le Liban.

La situation au Moyen-Orient nous préoccupe chaque jour, chaque instant, de jour comme de nuit. La communauté internationale, dans son ensemble, n'est pas parvenue à éviter l'escalade de la violence. L'Histoire retiendra sans aucun doute ceux qui étaient aux commandes, qui auraient pu arrêter cet engrenage et qui n'ont pas choisi d'emprunter le chemin de la paix, celui qu'au nom de la Belgique, je n'ai cessé de défendre depuis le premier jour de ma prise de fonction. Mais l'escalade est là et toute la région est au bord d'un embrasement général.

Dinsdagavond lanceerde Iran bijna tweehonderd ballistische raketten richting Israël. Ik heb de aanval onmiddellijk veroordeeld en opgeroepen tot de-escalatie en tot bescherming van burgers. Wij hebben ook bijgedragen aan een verklaring namens de Europese Unie waarin wij alle partijen oproepen tot terughoudendheid.

La situation humanitaire s'aggrave. La Belgique va évidemment répondre, dans le cadre du programme B-FAST, à la demande d'assistance introduite par les autorités libanaises afin d'appuyer les hôpitaux publics. Un budget de 150 000 euros est réservé pour l'achat de matériel médical. À cela s'ajoutera du matériel issu du stock stratégique de la Santé publique. L'envoi de ce matériel est déjà en cours de préparation.

En ce qui concerne la situation plus générale des Belges au Liban, suite à ma demande, le Conseil des ministres a adopté, hier, un ensemble de mesures qui visent à leur venir en aide. Dès demain, comme je l'ai dit, des avions ramèneront des Belges du Liban. Dans le cadre d'une coordination européenne, des Belges rentreront entre autres par un avion dépêché par les Pays-Bas.

Andere Belgen zullen Libanon verlaten dankzij plaatsen die zijn onderhandeld met Middle East Airlines (MEA), met bestemmingen als Cyprus en Istanboel.

Il a aussi été décidé d'aider les Belges qui souhaitent quitter le Liban, si nécessaire, dans un second temps, par la mise en place de vols assistés par la Défense. Actuellement, il est prématuré de parler d'évacuation de non-combattants (NEO). En fonction de la situation sur le terrain, une approche graduelle sera mise en place car l'aéroport de Beyrouth est encore accessible aux vols civils et militaires. Je rappelle que nous sommes en concertation avec d'autres pays européens. La France par exemple, qui compte au Liban 20 000 de ses ressortissants, n'a pas commencé d'évacuation. Un navire est en route et devrait accoster ce week-end.

L'ambassade belge de Beyrouth a contacté tous les Belges, résidents ou de passage, qui se sont inscrits dans les registres consulaires de Travellers Online afin de vérifier qui, parmi eux, souhaite quitter le Liban, et qui a besoin d'aide. Ce chiffre est évidemment en constante évolution. De zéro, nous sommes passés à 90, ensuite à 180 aujourd'hui. Ces personnes ont manifesté leur souhait de quitter le Liban. Bien sûr, nous leur accorderons toute l'aide nécessaire.

Wat de journalist en de cameraman van VTM betreft, Robin Ramaekers en Stijn De Smet, wil ik mijn steun betuigen aan deze mensen die gisteren in Beiroet zijn aangevallen. Zij werden onmiddellijk bijgestaan door onze ambassade. Zij werden voor spionnen aanzien en in elkaar geslagen door lokale bewoners. Onze ambassade en onze medewerkers staan aan hun kant. Onze ambassadeur heeft hen vanmorgen bezocht.

Je l'ai eu au téléphone. Il m’a informée que Robin Ramaekers a pu quitter l’hôpital et se trouve à l’hôtel. Nous les rapatrierons dès que leur état le permettra.

Je connais ces deux journalistes. Ils m’ont accompagnée récemment encore au Moyen Orient. Je sais ce que c’est être reporter de guerre, pour l’avoir été moi-même. Je tiens à manifester toute mon empathie et mon soutien à leur égard. Les journalistes défendent la liberté de la presse et font partie des piliers de la démocratie.

Notre message, pour le reste, demeure le même: la mise en place d’un cessez-le-feu, la libération des otages et laisser une chance aux négociations diplomatiques, qui sont la seule solution pour aboutir à une solution viable, à la solution à deux États. Nous soutenons (…)

Frank Vandenbroucke:

Mijnheer de voorzitter, collega's, de escalatie van het geweld in het Midden-Oosten zorgt vandaag voor een van de ergste humanitaire crisissen van de afgelopen 25 jaar. Op dit ogenblik leven miljoenen kinderen in voortdurende angst. Dat is het geval in Libanon en in Gaza, op de Westelijke Jordaanoever en ook in Israël. Tienduizenden doden zijn gevallen, de overgrote meerderheid vrouwen en kinderen, ook tienduizenden gewonden, en miljoenen mensen zijn op de vlucht. Laten we ons ook niet vergissen: de gevolgen daarvan zullen niet enkel in het Midden-Oosten gevoeld worden.

Zonder respect voor het internationaal humanitair recht, zonder een goed functionerend systeem van de Verenigde Naties en, inderdaad, mevrouw Van Hoof, zonder respect voor de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, is binnenkort geen enkele burger in conflict nog beschermd. Ook in bijvoorbeeld Soedan, in de DRC en in Oekraïne worden altijd maar meer hulpverleners gedood, medische faciliteiten aangevallen en burgers uitgehongerd. De grenzen van het aanvaardbare worden steeds verlegd. Het is dus in ons aller belang, overal in de wereld, dat dit stopt.

De spiraal van het geweld moet stoppen. Zoals mijn collega-minister al zei, de enige goede oplossing die vrede en veiligheid waarborgt voor iedereen, is een onderhandelde oplossing en een onmiddellijk staakt-het-vuren, zowel tussen Hezbollah en Israël als in Gaza. Ons land neemt daartoe mede het voortouw. Ik sluit mij aan bij wat gezegd is en ik kan u tevens meedelen dat op de Europese Raad van 17 en 18 oktober België ook zal pleiten voor een onmiddellijk staakt-het-vuren tussen Hezbollah en Israël.

Maar inderdaad, ondertussen moeten we ook de onmiddellijke nood proberen te lenigen. Wij hebben beslist dat B-FAST een transport van medische middelen tot stand brengt. Het gaat over elementair materiaal zoals handschoenen, naalden en kompressen, alles wat nodig is, een beperkt pakket dat volgende week getransporteerd wordt. Mevrouw Lamarti, u vroeg terecht of dat effectief helpt. Welnu, belangrijk te weten is dat de Libanese regering de vraag gesteld heeft via de Europese Unie, via de Europese Commissie, die zorgt voor de Europese coördinatie. Dat is essentieel. Op die vraag bieden wij een antwoord. Wij zullen ook de garantie hebben dat het materiaal dat wij geven enkel gebruikt wordt in ziekenhuizen en medische faciliteiten die beheerd worden door de Libanese overheid. Dat is heel essentieel.

Tot slot, wat de operationele actie betreft heb ik alle vertrouwen in B-FAST. We hebben in de afgelopen regeerperiode samen beslist om B-FAST een nieuw en sterker leven te geven en de nu voorliggende opdracht bewijst dat dat een goede beslissing was.

Vanzelfsprekend is dat niet de enige humanitaire hulp die wordt geboden. Wij zijn een land dat heel belangrijke bijdragen levert. Dat gaat elk jaar over meerdere miljoenen euro's aan internationale fondsen, die snel en soepel kunnen optreden. Ik denk daarbij met name aan het noodfonds van de Verenigde Naties CERF. Ik denk aan het noodfonds van het Rode Kruis. Ik denk ook aan het humanitaire landenfonds voor Libanon. België geeft aan die fondsen elk jaar miljoenen euro's. Dat geld wordt nu soepel en onmiddellijk ingezet. U moet weten dat de voorbije twee weken die verschillende fondsen al 36 miljoen euro uit hun kas hebben gehaald om extra hulp te bieden in de humanitaire crisis die zich aandient in Libanon. Met andere woorden, het werken met die fondsen is heel essentieel.

Onze gedachten zijn vanzelfsprekend bij de verschrikkelijke en onbeschrijflijke ellende die de burgerbevolking in het Midden-Oosten treft. De enige oplossing is onderhandelen en dus een staakt-het-vuren. Ondertussen moet België in Europees verband, maar ook op internationaal vlak, met bestaande internationale fondsen die wij heel stevig steunen, al het mogelijke doen om de nood te lenigen.

Fatima Lamarti:

Mevrouw de minister, mijnheer de minister, op het terrein maken onze helden het verschil. Dat zijn de mensen van B-FAST. Hoe groot de horror ook is, zij kijken nooit weg en blijven verder werken. Diezelfde moed zou de politiek moeten hebben in plaats van met twee maten en twee gewichten te meten. Alle vormen van geweld zou de politiek moeten veroordelen, maar dat gebeurt tot op heden nog steeds te weinig. Het is terecht dat mensen Iran veroordelen als dat land een rakettenregen op Israël afstuurt, maar dat Israël dag in dag uit in Gaza en Libanon kinderen, gezinnen en kwetsbaren treft, verdient dezelfde veroordeling. Wij moeten altijd aan de kant van de burgerslachtoffers staan. U zet vandaag een belangrijke stap, nu de rest nog. De mensen in het Midden-Oosten wachten erop.

Voorzitter:

Ik dank u voor uw eerste betoog in de Kamer, mevrouw Lamarti. (Applaus)

Staf Aerts:

Mevrouw de minister, u schetste de weg die u sinds uw aantreden hebt gevolgd en u steunt verklaringen om elk geweld te veroordelen, maar ik heb u nog niet streng horen zijn ten aanzien van Israël. Nochtans, wat is er het afgelopen jaar gebeurd – maandag is het een jaar na 7 oktober 2023? Er zijn 41.000 doden gevallen, een op de twee jonge kinderen is ondervoed en er zijn honderdduizenden mensen in Gaza op de vlucht. Het wordt tijd om de tactiek te veranderen en strenger te worden, want anders kunnen wij blijven humanitaire steun bieden. Humanitaire steun biedt men immers op een moment dat het te laat is. Dat is het gevolg van onze passieve houding. Ik verwacht van België een straffere houding. Groen verwacht dat wij ook ten aanzien van Israël een strengere houding durven aannemen. Er is in middelen voorzien – dat geeft u aan –, maar het is noodzakelijk om in extra middelen te voorzien, want dat is ook de vraag van de VN. Er moeten extra middelen worden vrijgemaakt om de Libanezen op het terrein te helpen, want zij zitten (…)

Britt Huybrechts:

(…) beginnen met het evacueren van onze mensen uit Libanon. Ik vind het alleen heel jammer dat ik geen antwoord gekregen heb op mijn allereerste vraag hier, inzake de screenings van eventuele geradicaliseerde Belgen. Ik hoop dat dit geen voorbode is met het oog op mijn toekomstige vragen, of een voorbode van hoe uw opvolger zal antwoorden in de nieuwe coalitie.

Dit is enorm belangrijk om de eenvoudige reden dat wij dit conflict niet verder mogen importeren in ons land. Zo kunnen wij toekomstige terroristische aanslagen in België vermijden.

Voorzitter:

Ook voor collega Huybrechts was dit de eerste interventie in de Kamer. (Applaus)

Els Van Hoof:

Mevrouw de minister, mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoorden.

Zoals u zei, de repatriëring van de Belgen moet goed verlopen zodat wij niet terechtkomen in toestanden als bij de evacuatie uit Afghanistan. Maar het is ook belangrijk dat wij humanitaire hulp bieden, al is die niet meer dan een pleisters op een gapende wonde die alleen maar gedicht kan worden door duurzame diplomatieke vredesonderhandelingen. Het internationaal recht is daarvoor onze bijbel.

Iraanse raketaanvallen of Israëlische bombardementen zijn daar niet mee in overeenstemming. Die moeten stoppen.

Deze plaat zetten wij van de cd&v-fractie niet af. Er is genoeg bloed gevloeid.

Nabil Boukili:

Chers collègues, il est quand même scandaleux d'entendre ici les éléments de langage "d'État génocidaire" repris par le MR. On a déjà entendu le MR qualifier de "coup de génie" l'assassinat terroriste d'enfants, d'innocents. Mais reprendre aujourd'hui le même vocabulaire, dire qu'Israël se défend... Aujourd'hui, celui qui lutte pour sa survie, c'est le peuple palestinien! Ce n'est pas Israël, chers collègues. Israël est l'agresseur dans la région!

Madame la ministre, jouer l'impuissance face à la situation, c'est au mieux de l'hypocrisie, au pire de la lâcheté, parce que continuer à être membre de l'accord d'association Union européenne-Israël, c'est de la complicité dans les crimes de guerre israéliens et dans le génocide que commet Israël. Quand il s'agissait de la Russie, vous aviez pris des dizaines de sanctions. Et, aujourd'hui, vous vous trouvez impuissante face à Israël. C'est vraiment de l'hypocrisie totale.

Jean-Luc Crucke:

Madame la ministre, je vous remercie pour votre réponse.

Je voudrais revenir à l'urgence dans l'actualité. On reparlera malheureusement encore du Moyen-Orient. L'urgence, c'est l'évacuation des ressortissants. Comme vous l'avez dit, dès demain, certains pourront quitter le pays mais le chiffre augmente de jour en jour, de minute en minute, et cela n'est pas étonnant. Je crois donc qu'on est dans ce qu'on appelle "la gestion de crise". C'est quelque chose que vous allez peut-être découvrir dans les semaines à venir.

Sincèrement, l'Europe a des obligations également. Il figure dans les traités européens que les ressortissants européens doivent pouvoir quitter les lieux dans lesquels ils sont lorsqu'il y a une crise. Au lieu d'envoyer un avion sur place, ne faudrait-il pas aussi avoir une coordination européenne? Cela manque franchement et clairement. C'est plus qu'important.

Michel De Maegd:

Madame et monsieur les ministres, je vous remercie de vos réponses.

Tout d'abord, je ne vais pas réagir aux outrances de l'extrême gauche et de tous ceux qui défendent des recettes simplistes – nous en avons l'habitude ici – à propos d'un conflit qui dure depuis des décennies. Je rappellerai qu'actuellement, Joe Biden – le principal allié d'Israël – ne parvient pas à obtenir un cessez-le-feu. J'invite donc chacun à la lucidité face à l'immense complexité de la situation.

J'acte, bien sûr, avec soulagement que le plan de rapatriement est prêt et que B-FAST enverra rapidement une aide et du matériel sur place. Notre pays ne laisse jamais tomber ses ressortissants et vient toujours en aide aux populations qui en ont besoin.

Politiquement, pour nous, il est clair que l'élimination d'Hassan Nasrallah constitue un espoir pour l'avenir du Liban. Son peuple n'aspire qu'à la liberté et à la paix, paix à laquelle aspire également le peuple israélien qui, je le rappelle encore – n'en déplaise aux extrémistes de gauche –, vit sous l'énorme menace du Hezbollah, du Hamas, mais aussi des Houthis du Yémen ainsi que de l'Iran.

Et puis, notre objectif immédiat est de faire taire les armes. Je vous encourage donc, madame et monsieur les ministres, à plaider plus que jamais avec insistance à tous les niveaux afin de faire régner la paix. Je vous remercie.

Christophe Lacroix:

Monsieur le président, tout d'abord, je voudrais remercier le ministre Vandenbroucke pour son efficacité immédiate à la suite du travail de Mme Caroline Gennez qui, dans ce gouvernement, a toujours défendu avec force la reconnaissance de la Palestine et s'est battue sans cesse pour convoyer de l'aide humanitaire à Gaza. Bravo à Mme Gennez et bravo à vous, monsieur Vandenbroucke! Enfin, je voudrais rappeler que nous condamnons toute forme de violence à l'égard des victimes, tant de la part du gouvernement israélien, que je distingue d'Israël, que du Hamas, du Hezbollah libanais ou de l'Iran. Pour nous, la seule solution est diplomatique: il faut que les ennemis d'aujourd'hui s'assoient à table et négocient une paix durable. Il faut que le rapatriement des Belges soit immédiatement organisé. La Défense est prête. Et M. Crucke le sait très bien, puisqu'il a été bourgmestre: dans une gestion de crise, il faut être proactif et il convient d'envisager immédiatement les capacités maximales. On peut regretter aujourd'hui notre absence dans la région, en raison du retrait décidé en 2014 par le gouvernement Michel de la force de pacification de l'ONU sur place. C'est bien dommage!

Het buitenspel zetten van de federale gegevensbeschermingsautoriteit door de Vlaamse regering

Gesteld aan

Mathieu Michel

op 3 oktober 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De Vlaamse regering heeft de Europese Commissie geïnformeerd over de aanstelling van de Vlaamse Toezichtcommissie (VTC) als regionale privacywaakhond, ondanks het bestaan van de federale Autoriteit voor Gegevensbescherming (APD) en een arrest van het Grondwettelijk Hof dat de federale coördinatie bevestigt. Secretaris van Staat Mathieu Michel stelt dat de VTC enkel Vlaamse overheidsinstanties zal controleren en wacht op een juridische beoordeling van de Commissie alvorens verdere stappen (zoals een samenwerkingsakkoord) te overwegen. François De Smet (oppositie) bekritiseert dit als een "regionalisering via feiten scheppen" en federale zwakte, eisend dat Michel onmiddellijk optreedt om de federale bevoegdheid te verdedigen in plaats van passief af te wachten. Kernpunt: machtstrijd tussen Vlaamse autonomieclaims en federale exclusiviteit in databescherming.

François De Smet:

Monsieur le secrétaire d' É tat, le journal Le Soir nous apprend cette semaine que le ministre-président du gouvernement flamand a envoyé une notification à la Commission européenne pour informer de la décision de la Région d'appointer la Vlaamse Toezichtcommissie comme autorité de protection des données pour la Flandre. Cela est interpellant à trois niveaux. D'abord parce qu'il existe toujours une Autorité de protection des données au niveau fédéral; deuxièmement parce qu'il n'existe pas d'accord de coopération qui permettrait à la Flandre de préempter ses compétences au niveau européen et, troisièmement, parce qu'il existe en revanche bel et bien un arrêt récent de la Cour constitutionnelle qui établit sans ambiguïté possible que c'est bien l'Autorité de protection des données fédérale qui a la tâche de coordonner et de représenter les intérêts de la Belgique au sein du comité européen.

Nous assistons donc de fait, il faut pouvoir le dire, à une tentative de régionalisation de la protection des données et de la protection de la vie privée par le gouvernement flamand. Je dois dire, monsieur le secrétaire d' É tat, que votre réaction jusqu'ici ne nous étourdit pas par sa vigueur sur cet état de fait. Vous avez déclaré dans la presse qu'il fallait simplement attendre l'avis de la Commission européenne et son retour. Mais attendre quoi? La Commission européenne ne réagira sans doute même pas à cet état de fait. Je crois, moi, qu'il est de votre devoir de défendre l' É tat fédéral ainsi que l'Autorité de protection des données et de réagir. Il y a la possibilité du conflit d'intérêts, peut-être y a-t-il d'autres possibilités de réaction.

Ma question est simple: qu'allez-vous faire pour protéger l'Autorité fédérale de protection des données, ce domaine extrêmement sensible? Allez-vous faire quelque chose ou êtes-vous simplement déjà résigné à cette forme de régionalisation – certes douce et par voie de fait accompli, mais bien réelle – qui nous est proposée par le gouvernement flamand?

Mathieu Michel:

Monsieur De Smet, je vous confirme effectivement que la Flandre a officiellement fait parvenir un courrier à la Commission européenne au sujet de la notification auprès de cette Commission de la Vlaamse Toezichtcommissie (VTC) en tant qu'autorité de contrôle dans le sens de l'article 51 du RGPD.

Ce courrier fait deux choses. Il décrit des dispositions légales à la VTC, telles que stipulées dans un décret flamand récemment modifié et il confirme également que l'APD demeure la seule instance qui représente la Belgique au niveau européen et notamment au sein du Comité européen de la protection des données. Vous constatez qu'il y a effectivement une volonté dans le chef du gouvernement flamand de désigner une autre autorité de protection des données mais une autorité qui aurait un mandat limité au contrôle des autorités publiques flamandes.

Soyons clairs, le RGPD permet qu'un État membre prévoie qu'une ou plusieurs autorités publiques indépendantes soient chargées de surveiller l'application du RGPD. Dans ce cas, la Vlaamse Toezichtcommissie doit respecter les exigences statutaires imposées par le chapitre 6 du RGPD, notamment en ce qui concerne son indépendance.

Alors, c'est vrai, les autorités européennes doivent à présent confirmer ou non le respect de ces exigences dans le chef de la VTC. En fonction, je ferai analyser les conséquences juridiques de cette notification, notamment en ce qui concerne les futures relations entre l'APD et la VTC, et la nécessité éventuelle d'un accord de coopération pour déterminer les modalités de coopération. C'est là que nous en sommes, monsieur De Smet.

François De Smet:

Monsieur le secrétaire d'État, je vous remercie pour votre réponse. Je vous avoue qu'elle me laisse perplexe. L'accord de coopération, c'est une nécessité déjà maintenant. C'est quand même un peu facile d'assister à une forme de fait accompli de la part du gouvernement flamand, de demander à la Commission européenne courageusement d'en prendre acte et, ensuite, de réagir si besoin est. Et, si la Commission européenne nous dit qu'il n'y a pas de problème, on fera un accord de coopération. Non! Nous assistons dans ce domaine-là, comme dans plein d'autres, à une forme de régionalisation par la bande d'un gouvernement flamand qui, d'ailleurs généralement dans son bon droit, établit toute une série d'organismes et puis s'infiltre dans les faiblesses de l'État fédéral et dans le laisser-faire – que notamment vous permettez – pour simplement arriver à une régionalisation de fait. C'est assez inquiétant et si c'est la mentalité avec laquelle les discussions Arizona se déroulent, je comprends que vous attendiez le 14 octobre pour aboutir.

Het zware geweld in Roeselare en Anderlecht

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)

op 3 oktober 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Ortwin Depoortere (Vlaams Belang) wijst op een structureel geweldsprobleem in Vlaanderen, met dagelijkse incidenten (441.843 PV’s in 2023) die volgens hem voortkomen uit "superdiversiteit leiden tot supercriminaliteit", en eist krachtig optreden. Minister Verlinden (CD&V) ontkent een algemene trend, benadrukt lokale en federale acties (meer politie, camera’s, samenwerking Justitie) en wijst op lopende gerechtelijke onderzoeken, maar erkent dat geweld niet getolereerd mag worden. Depoortere herhaalt zijn politieke druk voor een rechts regeerbeleid met veiligheid als topprioriteit, verwijzend naar aanstaande verkiezingen. Kernconflict: *systemisch falend beleid* (Depoortere) vs. *gecoördineerde maar gefragmenteerde aanpak* (Verlinden).

Ortwin Depoortere:

Mevrouw de minister, gisteren ondervroeg ik u nog in de commissie voor Binnenlandse Zaken over de situatie in Herk-de-Stad, waar een 15-jarige jongen zware slagen heeft gekregen met hospitalisatie tot gevolg. Zijn vriendin was zwaar aangeslagen en heeft eveneens wat slagen te verduren gekregen. Gisteren antwoordde u dat dit een geïsoleerd geval was, iets voor Herk-de-Stad zelf.

Intussen, mevrouw de minister, zijn we nog geen 24 uur later en wil ik even enkele geïsoleerde gevallen opsommen. Het eerste geïsoleerde geval vond plaats in Roeselare, waar Afghanen elkaar te lijf gingen. Er was eerst een vechtpartij en dan een steekpartij op klaarlichte dag. Het tweede geïsoleerde geval vond plaats in Anderlecht, waar men elkaar beschiet in de straten. Er was ook nog een geïsoleerd geval in Gent, waar IVAGO-medewerkers aangevallen worden door bezoekers van het containerpark en daarom bijkomende politionele steun vragen. Dat zijn dus allemaal geïsoleerde gevallen, mevrouw de minister.

Het is echter zonneklaar: als men alle geïsoleerde gevallen optelt, komt men tot een fenomeen, mevrouw de minister. Dat fenomeen houdt in dat alle grootstedelijke problemen, met die grootstedelijke criminaliteit, uitdijen naar al onze steden en gemeenten in Vlaanderen.

Het is niet voor niets dat zelfs de burgemeester van Vilvoorde – moeilijk te verdenken van sympathieën voor het Vlaams Belang – u oproept om meer politie in te zetten en om federale steun vraagt. In de Rand van Brussel dragen zij immers als eersten de gevolgen van deze hoofdstedelijke criminaliteit. Het is hoogdringend, mevrouw de minister, dat u daar een open oor en oog voor hebt. Ik vraag u dan ook om na vijf jaar stilte eindelijk de daad bij het woord te voegen.

Annelies Verlinden:

Mijnheer Depoortere, het is geen geheim dat u er geen probleem mee hebt mijn woorden te verdraaien. Het is ook niet nieuw dat u denkt dat ik beter naar u zou luisteren als u het aantal decibels verhoogt. Ik zal u geruststellen: ook als u rustig spreekt, luister ik goed naar u.

Ik heb gisteren niet gezegd dat het een geïsoleerd geval betrof in Herk-de-Stad, ik heb gezegd dat die persoon met een psychiatrische aandoening een geïsoleerd geval was. Ik heb helemaal niet naar andere landsdelen verwezen. Het is dus ongepast mijn woorden te verdraaien. Ik ben op de hoogte van de gevallen in Roeselare, Anderlecht en andere plaatsen, maar daar kan ik geen commentaar op geven aangezien we het gerechtelijk onderzoek moeten afwachten.

Het is wel duidelijk dat we deze vormen van geweld niet mogen tolereren en dat we dit een halt moeten toeroepen. Dat heb ik ook steeds gezegd en daar doen we alles aan. Ik heb steeds begrepen dat de politie alles op alles zet om de daders te identificeren, zodat Justitie kordaat kan optreden om hen te bestraffen. Ook lokale besturen kunnen optreden en zij zetten vandaag politie in op de plekken waar dat nodig is. Sommige burgemeesters spreken plaatsverboden en samenscholingsverboden uit om die gevallen van geweld tegen te gaan. Er worden systematisch identiteitscontroles uitgevoerd om criminaliteit en gewelddelicten tegen te gaan. De voorbije jaren zijn er meer middelen vrijgemaakt om stationsbuurten beter te beschermen. We hebben een pilootproject om de camerabeelden tussen de NMBS en de politiediensten te delen, om zo digitaal te kunnen patrouilleren en nog meer veiligheid in die stationsomgevingen te garanderen.

De federale politie biedt ondersteuning waar mogelijk en er is solidariteit tussen de verschillende zones. Ook in Brussel is er een samenwerking tussen Justitie en de politiediensten. We hebben aan die lokale besturen een belangrijke partner en zij hebben aan mij een belangrijke partner om dat geweld te blijven tegengaan.

Ortwin Depoortere:

Mevrouw de minister, ik dank u voor het antwoord. Mijn excuses als ik iets te luid spreek naar uw zin. Ik wil nog één cijfer meegeven. In 2023 zijn er 441.843 processen-verbaal opgemaakt door de politie. Dat zijn er 1.210 per dag, of 50 per uur. Dat is geen onveiligheidsgevoel meer, dat is onveiligheid. Daar moet iets aan gedaan worden. Ik doe hier nogmaals de oproep, net als vijf jaar geleden, om dat taboe te doorbreken. Het taboe is dat de superdiversiteit, waarover men de politiek correcte klasse steeds hoort spreken, leidt tot supercriminaliteit. Doe daar iets tegen. Steek de kop niet in het zand. Doe waarvoor de kiezer in juni gestemd heeft, namelijk een rechts en Vlaams regeerbeleid waarin veiligheid prioriteit is. Op 13 oktober zullen ze daar opnieuw voor stemmen. Mevrouw de minister, doe daar iets aan.

De bescherming van de consument in de festivalsector

Gesteld door

lijst: PS Patrick Prévot

Gesteld aan

Alexia Bertrand

op 2 oktober 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Patrick Prévot kaart aan dat festivals consumenten benadelen met onredelijke praktijken zoals cashloos betalen, ontransparante virtuele munten, moeilijke terugbetalingen en hoge doorverkoopkosten (bv. €16 bij Pukkelpop), wat in strijd is met SPF Economie-richtlijnen. Alexia Bertrand benadrukt haar inspanningen voor *consumer empowerment* (o.a. platform ConsumerConnect, *guidelines* voor organisatoren en campagne "What the Fake" tegen ticketfraude), maar kan geen termijn geven voor een oordeel over Pukkelpop. Prévot pleit voor strengere regulering om festivals betaalbaarder en eerlijker te maken, vooral voor jongeren. Kernpunt: SPF Economie werkt aan bewustmaking, maar concrete sancties tegen misbruik ontbreken nog.

Patrick Prévot:

Monsieur le président, madame la secrétaire d'État, "le secteur des festivals est connu depuis des années pour ne pas être des plus favorables aux consommateurs". Cette citation est de Julie Frère, porte-parole de Testachats.

Ces dernières années, nous pouvons effectivement remarquer que le secteur est régulièrement pointé du doigt. Sans être exhaustif, je citerai l'impossibilité du paiement en cash, le manque de transparence de la valeur de la monnaie virtuelle, les difficultés de remboursement en cas d'annulation et j’en passe.

Un énième grief vient s'ajouter à cette liste: la contrainte imposée aux personnes souhaitant revendre un ticket de le faire obligatoirement via la plateforme du festival. Pour être tout à fait exact, Testachats dénonce que cette opération se voit majorer de 16 euros de frais administratifs, une commission qui ne serait pas "raisonnable et justifiable", pour citer les directives du SPF Économie.

Madame la secrétaire d'État, mes questions sont très simples. Tout d'abord, quand pouvons-nous espérer une réponse motivée du SPF Économie sur le dossier déposé par Testachats, particulièrement sur le caractère "raisonnable et justifiable" d'une commission d'un montant de 16 euros, pratiquée notamment par le festival Pukkelpop?

Ensuite, depuis votre entrée en fonction en novembre 2022 et dans la continuité de l'effort entamé par votre prédécesseur, pourriez-vous nous faire une brève rétrospective du travail effectué pour améliorer la protection des consommateurs dans le secteur des festivals? Quels outils et moyens ont-ils été mis en place pour atteindre cet objectif?

Enfin, dans la même logique, selon vous, quels outils et moyens devraient-ils être mis en place à court et moyen terme? Je pense aux éditions de l'été 2025 qui sont déjà en préparation. Quelles mesures peuvent-elles être prises en amont pour que le secteur des festivals améliore son image en termes de respect des droits des consommateurs?

Alexia Bertrand:

Monsieur Prévot, je vous remercie pour les excellentes questions qui sont posées aujourd'hui en cette réunion de commission, puisqu'elles sont toutes extrêmement concrètes et pertinentes au regard de la protection des consommateurs. Nous voici à présent avec une nouvelle saison de festivals derrière nous, après l'été. Vous savez que c'est un sujet qui me tient à cœur et sur lequel, dans la lignée de ma prédécesseure, j'ai travaillé depuis mon entrée en fonction.

Pour votre première question sur le festival Pukkelpop et les 16 euros, je ne dispose malheureusement pas de cette information et je ne puis vous indiquer quand le SPF Économie pourra apporter une réponse. En tout cas, je puis vous dire que, depuis mon entrée en fonction, je n'ai eu de cesse de promouvoir l' empowerment du consommateur, c'est-à-dire de lui confier tous les outils informatifs afin qu'il puisse former des choix conscients. C'est l'idée du renforcement de ses droits, qui passe d'abord par une meilleure connaissance de ceux-ci. Je suis convaincue qu'une information exacte et accessible est la base du droit de la protection du consommateur. C'est aussi la raison pour laquelle j'ai lancé la plateforme ConsumerConnect, sur laquelle vous retrouverez pas mal de questions actuelles, portant notamment sur les festivals au cours de cette saison, de même que la législation relative aux modes de paiement. L'avantage que présente la plateforme est aussi qu'elle permet au consommateur d'introduire facilement un signalement à l'Inspection économique dans l'hypothèse où il se sentirait privé de ses droits.

Et puis, comme vous le savez certainement, afin de préciser les obligations des organisateurs de festivals, des guidelines ont été élaborées au cours de cette année. Cela représente une avancée importante, qui a été conçue et discutée avec le secteur. Elles sont disponibles sur le site du SPF Économie. Vous verrez qu'elles sont extrêmement bien faites et concrètes et qu'elles traitent des différentes questions que vous avez abordées: les monnaies virtuelles, les bracelets et plusieurs informations. Je puis aussi vous indiquer qu'elles ont été largement diffusées sur les différents réseaux sociaux du SPF Économie pendant tout l'été, afin de les faire connaître au grand public. Vous aurez peut-être vu la campagne de communication "Payez en festival, oui, mais pas à n'importe quel prix".

En outre, via le SPF Économie, nous avons lancé une vaste campagne de sensibilisation à la fraude au billet "What the fake", petit jeu de mot subtil et élégant. Vous aurez peut-être également entendu que le SPF Économie s'est rendu au festival Suikerrock de Tirlemont afin d'alerter les consommateurs quant à la revente de billets, qui est une autre problématique que nous constatons sur les lieux des festivals.

Patrick Prévot:

Madame la secrétaire d'État, je vous remercie pour votre réponse.

Pour résumer, j'entends que vous n'avez pour l'instant pas d'information concernant le cas particulier du festival Pukkelpop. J'espère en tout cas qu'une décision pourra être prise pour éviter ces coûts qui sont déraisonnables et injustifiables. Je vous remercie d'avoir rappelé ce que vous avez pu faire dans la foulée de votre prédécesseure. De même, je vous remercie d'avoir évoqué cette campagne " What the fake ".

Il est nécessaire, selon moi, d'adopter une approche des plus volontaristes en matière de festivals. Des abus ont lieu. Je ne suis pas encore tout à fait vieux et je participe donc encore à ces festivals. Par conséquent, je me rends compte que des jeunes de 16, 17 ou 18 ans ont beaucoup de difficultés à vivre pleinement la vie du festival avec leurs petites économies quand on voit les prix déraisonnables qui sont affichés. Un peu de régulation dans un secteur qui ne fonctionne pas trop mal devrait faire plaisir à tout le monde et, singulièrement, à notre jeunesse.

Voorzitter:

Ik dank de vraagstellers en mevrouw de staatssecretaris. Over enkele ogenblikken beginnen we met de vragen aan de minister van Economie. De openbare commissievergadering wordt geschorst van 10.36 uur tot 10.49 uur. La réunion publique de commission est suspendue de 10 h 36 à 10 h 49.

De federale dotatie voor de politiezones

Gesteld door

Unknown Eric Thiébaut

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)

op 2 oktober 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Éric Thiébaut kaart aan dat de federale dotatie voor politiezones in 2025 lager uitvalt dan in 2024 en de inflatievoorspellingen van het Bureau van het Plan, wat gemeenten dreigt te belasten met extra kosten of capaciteitsverlies. Minister Verlinden verklaart dat de voorlopige daling technisch is (gebaseerd op bijgestelde indexcijfers) en dat de definitieve bedragen via koninklijke besluiten worden gecorrigeerd (2024: 867 miljoen in plaats van 899 miljoen; 2025: 880 miljoen voorzien), maar benadrukt dat de procedure juist op vraag van steden en gemeenten werkt. Thiébaut blijft bezorgd omdat loonindexeringen definitief zijn, terwijl federale dotaties achteraf worden verlaagd, wat gemeenten onder druk zet om budgettaire gaten te dichten voordat de federale correctie komt. De kern: structurele onzekerheid door late aanpassingen dreigt de financiële stabiliteit van politiezones te ondermijnen.

Éric Thiébaut:

Madame la ministre, à plusieurs reprises, je vous ai interrogée concernant la dotation fédérale aux zones de police. Nous le savons, nos communes ont des budgets soumis à de nombreuses pressions et à de nombreux impératifs.

Force est de constater que les zones de police ont reçu une circulaire budgétaire pour l'établissement de leur budget 2025 et que la dotation semble inférieure par rapport à celle de 2024 et par rapport aux prévisions d'augmentation de l'indice santé du Bureau du Plan.

Cela me fait évidemment une nouvelle fois craindre que les communes soient amenées à pallier ce déficit dans le financement fédéral des zones de police.

Madame la ministre, pourriez-vous faire le point sur la dotation fédérale aux zones de police pour les années 2024 et 2025 et les circulaires budgétaires envoyées à ces dernières? Celles-ci tiennent-elles compte des prévisions du Bureau du Plan? Comment expliquez-vous qu'il semble que la dotation pour 2025 soit inférieure à celle de 2024? Comptez-vous prendre une initiative pour éviter cette différence et ses conséquences négatives pour les finances communales? Le risque n'est-il pas qu'à cause de cette dotation 2025, les communes doivent prendre en charge ce différentiel ou renoncer à des engagements au sein des zones, avec la limitation de capacité opérationnelle que cela implique? Une concertation en la matière avec les Unions des villes et communes de notre pays elle-t-elle prévue?

Annelies Verlinden:

Cher collègue, le calcul de la dotation fédérale de base est effectué, comme vous le savez, en fonction des prévisions les plus actuelles possibles, en tenant compte des délais à respecter. L'indexation de la dotation fédérale de base est un exercice purement technique. La raison pour laquelle le montant apparaît plus bas est que quelques prévisions réalisées lors de l'élaboration du budget 2024 étaient bien plus élevées que celles d'aujourd'hui. Étant donné que le montant de la dotation fédérale de base est toujours corrigé à la fin de l'année selon l'indice santé effectif, les zones reçoivent toujours un montant correctement indexé. Il arrive parfois que ce montant soit plus bas que les prévisions réalisées l'année précédente. Cela n'est pas la première fois et cela ne sera certainement pas la dernière.

De plus, les montants repris dans la circulaire sont toujours communiqués sous réserve et sont confirmés par les arrêtés royaux relatifs au montant des dotations fédérales et, comme précédemment mentionné, corrigés par arrêtés ministériels lorsque l'indice santé est connu. Lors de l'élaboration du budget 2024, le budget total prévu pour la dotation fédérale de base était de 899 millions d'euros. Par les arrêtés royaux relatifs au montant des dotations fédérales à la police locale pour l'année 2024, qui paraîtront plus tard cet automne, ce montant est corrigé à 867 millions d'euros. Lors de l'élaboration du budget 2025, le montant prévu est de 880 millions d'euros.

Je comprends les inquiétudes et les questions soulevées en cas de correction négative mais je voudrais souligner que la procédure a été instaurée précisément à la demande des villes et communes afin que le montant se rapproche le plus possible de la réalité. Chaque année, les arrêtés royaux relatifs aux dotations fédérales à la police locale sont transmis pour avis au Conseil des bourgmestres.

Éric Thiébaut:

Merci pour cette réponse détaillée, madame la ministre. Je suis quand même inquiet parce qu'en réalité vous dites que les dotations sont adaptées en fonction de l'évolution de l'indice santé, mais il se fait que quand le salaire a été indexé, il ne diminue plus après. On ne revient pas sur une indexation. Ce qui fait que, finalement, l'augmentation de la charge salariale est acquise. C'est pour cela que nous ne comprenons pas pourquoi le montant est diminué l'année d'après. C'est cela qui inquiète les zones de police à mon sens. On a toujours ce problème, que l'on ne connaissait pas avant quand il n'y avait pas d'inflation, d'avoir l'ajustement pratiquement au mois de décembre de l'année budgétaire, alors que les communes ont dû, sous la pression de la tutelle du gouverneur, avancer l'argent de leur budget pour compenser le manque de financement du fédéral.

Het opvolgrapport van het Rekenhof over de basisopleiding van politie-inspecteurs
Het opvolgingsrapport van het Rekenhof over de basisopleiding voor politie-inspecteurs
Evaluatie van de basisopleiding voor politie-inspecteurs door het Rekenhof

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)

op 2 oktober 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De Cour des comptes signale dat slechts 3 van 18 aanbevelingen uit het 2022-audit voor de politieopleiding volledig zijn uitgevoerd, met name knelpunten bij het stagebeleid (gebrek aan centrale ondersteuning en formele evaluatie) en financiering (niet-gesloten beheerscontracten, ongelijke verdeling middelen). Minister Verlinden bevestigt dat er stappen zijn gezet (o.a. een centraal handboek op Wikipol en een nieuwe GALoP-applicatie voor stagebeheer), maar benadrukt dat structurele hervormingen (zoals een externe audit in 2025) nodig zijn voor een duurzame financieringsherziening—geblokkeerd door onvoldoende onderbouwde kostencijfers en budgettaire beperkingen. De kernproblemen blijven: gebrek aan objectieve kostprijs per aspirant, uitgestelde evaluatie van het proefstage-systeem (nu permanent zonder evaluatie), en afhankelijkheid van budgettaire goedkeuring voor verdere hervormingen. Delcourt erkent vooruitgang maar dringt aan op versnelde oplossingen, met name voor het refinancieringsdossier als sleutel tot betere opleidingsomstandigheden.

Catherine Delcourt:

Madame la ministre, en septembre dernier, dans un rapport de suivi sur la formation de base des inspecteurs de police, la Cour des comptes relève que sur dix-huit recommandations formulées dans l'audit de 2022, trois d'entre elles ont été pleinement mises en œuvre, huit sont en cours et sept n'ont pas encore été suivies.

J'aimerais recevoir quelques éclaircissements sur plusieurs points. Tout d'abord, en ce qui concerne le stage probatoire, la Cour et l'Inspection générale de la police plaident pour la mise en place d'un support centralisé pour les maîtres de stage. La police estime que la révision du manuel d'apprentissage en alternance répond à cette recommandation, mais la Cour n'est pas de cet avis. Quelle est votre position sur le sujet? Des mesures complémentaires ont-elles été mises en place?

Ensuite, il apparaît également qu'une évaluation formelle du stage probatoire n'a pas encore été réalisée bien que prévue par l'arrêté royal du 24 avril 2014. Quelle en est la raison et quelles sont les difficultés éventuelles rencontrées dans ce cadre?

Pour ce qui concerne les contrats de gestion entre les écoles de police et le SPF Intérieur, ils n'ont pas encore été conclus malgré une priorité affichée par la police fédérale. La conclusion de ces contrats dépend étroitement du refinancement des écoles, ce qui n'a pas encore été acté.

Par ailleurs, afin de mieux répondre aux besoins actuels des services de police et des écoles de police, une révision de la clé de répartition des formateurs fédéraux ainsi que des aspirants par école est nécessaire. Cette réforme n'a pas été réalisée à ce jour, ce qui conduit à des inégalités dans le financement des établissements. Avez-vous dès lors une vision claire des coûts de la formation par aspirant afin de mener à bien ce refinancement des écoles de police?

Annelies Verlinden:

Madame Delcourt, la police fédérale prend les mesures nécessaires pour poursuivre la mise en œuvre des recommandations de l'audit de 2022 de la Cour des comptes. Elle travaille par exemple actuellement sur une note-cadre pour l'assurance qualité interne et s'engage à développer davantage le suivi national des paramètres de formation.

Concernant le stage probatoire, il m'importe d'abord de vous préciser que celui-ci intervient immédiatement après la réussite par l'aspirant de sa formation de base. Il ne doit pas être confondu avec l'apprentissage en alternance intervenant durant cette formation. Il existe bel et bien un manuel centralisé relatif au stage probatoire des membres du personnel de base des services de police, et qui s'adresse à toutes les personnes qui interviennent durant ce stage. Ce manuel est disponible sur la plateforme Wikipol. Enfin, de récents développements de l'application GALoP permettent désormais aux unités de la police intégrée accueillant des stagiaires d'avoir une gestion homogène du stage probatoire.

L'arrêté royal du 24 avril 2014 a introduit le stage probatoire à l'issue de la réussite de la formation de base. Il s'agissait initialement d'une mesure transitoire devant faire l'objet d'une évaluation. Sur proposition du Comité de coordination de la police intégrée, nous avons décidé de prolonger sans limite de temps le stage probatoire, hors de la formation de base, dans l'attente d'une réflexion aboutie quant à une révision de l'enseignement policier. Je vous renvoie à mon rapport au Roi du 24 novembre 2020 motivant ceci.

Concernant le financement, la décision ministérielle n'a pas encore été modifiée, car le dossier a été rejeté par la secrétaire d'État au Budget. Cela est dû au fait que le montant demandé par aspirant n'était pas suffisamment étayé objectivement et que les classes de formation de base sont financées par classe et non par aspirant.

Il est nécessaire de procéder à un audit complet du financement de la formation policière au sens large. La police fédérale a donc demandé un budget complémentaire pour 2025 afin de faire réaliser un audit externe. Les résultats de cet audit constitueront la base d'une organisation plus efficace de la formation policière et d'une révision de l'arrêté royal et de l'arrêté ministériel pour le financement des écoles de police, comme le demande la recommandation 18. La recommandation 1 relative à la répartition du nombre d'aspirants par école, reprise dans l'arrêté royal du 7 mai 2007, et la recommandation 16 relative à la clé de répartition des formateurs fédéraux, reprise dans l'arrêté royal du 28 février 2002, sont effectivement indissociables.

Catherine Delcourt:

Madame la ministre, je vous remercie pour vos réponses détaillées. De nombreuses mesures ont été mises en place et je m'en réjouis. Il reste malgré tout du travail à faire pour améliorer et optimiser autant que possible la formation de base de nos inspecteurs de police. En ce qui concerne le stage probatoire, je note avec intérêt les mesures que vous avez mentionnées. J'espère que nous pourrons remédier au plus vite à la question du refinancement, qui est la pierre angulaire pour bénéficier de meilleures conditions de formation.

De bouw van detentiehuizen als alternatief voor de gevangenissen

Gesteld aan

Paul Van Tigchelt (Minister van Justitie en Noordzee)

op 2 oktober 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De minister bevestigt dat kleinere detentiehuizen (alternatief voor klassieke gevangenissen, gericht op kortgestraften ≤3 jaar) sinds 2021 in uitvoering zijn, met reeds operationele locaties in Kortrijk (57+20 vrouwen) en Vorst (57), en geplande opening in Olen (2025). Acht extra huizen (één per provincie) staan op de rol, maar hangen af van politieke doorlichting door een nieuw gouvernement. Voor Haren loopt sinds lente 2024 een psychosociale risicoanalyse (resultaten in oktober), gevolgd door een actieplan om de eroderende detentieomstandigheden en veiligheidsproblemen voor bewakers aan te pakken. De vraagsteller onderschrijft het nut van deze gedifferentieerde detentiestrategie en belooft opvolging van zowel de huisvestingsplannen als de risicoanalyse.

François De Smet:

Monsieur le ministre, le secteur associatif – qui milite plus particulièrement pour l’installation de capacités cellulaires à petite échelle – et les organisations syndicales présentes au sein des prisons ont fait valoir récemment des problèmes d’insécurité et des conditions de détention difficiles au sein de la prison de Haren.

La possibilité sur le plan sociétal de se diriger vers des installations telles que les maisons de détention à capacité plus humaine en ce qui concerne les personnes condamnées à une peine privative de trois ans ou moins apparaît comme une alternative plus que crédible. Le besoin de capacité supplémentaire pour ce groupe cible est estimé à 720 places, ce qui nécessiterait la construction de 15 maisons de détention d'une capacité comprise entre 20 et 60 places.

Monsieur le ministre, quel est l’état actuel du dossier concernant la construction de maisons de détention en tant qu’alternative aux prisons?

Plus spécifiquement concernant la prison de Haren, comptez-vous procéder au lancement d'une analyse de risques psychosociaux pour les agents, par un service de prévention externe, afin d’éviter une dégradation des conditions de détention?

Paul Van Tigchelt:

Cher collègue, les projets de maison de détention ont été lancés au début de l'année 2021 et sont encore en cours de mise en œuvre. Cependant, si ces maisons de détention constituent bien une alternative à une prison classique, elles n'ont pas pour objectif de les remplacer. Les maisons de détention, au même titre que les maisons de transition, représentent une initiative importante visant à garantir une plus grande différenciation au sein de l'offre pénitentiaire et ce, afin de mieux répondre aux profils et aux besoins des détenus.

À Courtrai, la première maison de détention a ouvert ses portes en septembre 2022, avec une capacité de 57 résidents. Une section spécifique pour femmes a été ajoutée et cette section peut accueillir 20 détenues. La maison de détention de Forest a été inaugurée fin juin 2023, sur le site de l'ancienne prison de Berkendael, avec une capacité de 57 places. Au printemps 2025, la maison de détention de Olen, en Campine, ouvrira également ses portes pour y accueillir 60 détenus. Les travaux de rénovation débuteront ce mois-ci.

Nous multiplions nos efforts avec l'administration pénitentiaire et la Régie des Bâtiments afin d'ouvrir prochainement de nouvelles maisons de détention, au moins une par province, sous réserve bien entendu qu'un nouveau gouvernement poursuive dans cette voie, ce que j'appelle personnellement de mes vœux. Il y a donc de nouvelles maisons de détention qui sont prévues à Ninove, Anvers, Genk, Jemeppe-sur-Sambre, Li è ge, Tournai, Ostende et Zelzate.

En ce qui concerne votre seconde question, au printemps 2024, une analyse des risques psychosociaux a été réalisée dans l'ensemble du SPF Justice. Cela concerne aussi la prison de Haren. Nous sommes actuellement occupés à analyser les résultats. Ceux-ci seront communiqués au sein de l'organisation à la fin du mois d'octobre. À la suite, un plan d'action global sera élaboré et les chefs de service et d'établissement seront invités à entreprendre des actions spécifiques pour leurs entités.

François De Smet:

Merci, monsieur le ministre, pour votre réponse très complète. Nous croyons beaucoup à cette alternative que constituent les maisons de détention. Merci également pour votre réponse sur les risques psychosociaux. Je prends bonne note de ce rapport qui doit arriver fin octobre. Bien entendu, nous verrons comment le SPF l'implémentera et ne manquerons pas de suivre ce dossier.

De actie van de cipiers in de gevangenis van Antwerpen
De overbevolkte gevangenissen
De overbevolking van de gevangenis van Antwerpen
Gevangenisproblemen in Antwerpen en overbevolking

Gesteld aan

Paul Van Tigchelt (Minister van Justitie en Noordzee)

op 2 oktober 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De gevangenis van Antwerpen kampt met extreme overbevolking (630 gedetineerden op 439 plaatsen) en onderbezetting, wat leidt tot personeelsacties (weigering nieuwe gedetineerden op te nemen) en veiligheidsrisico’s. Minister Van Tigchelt wijst op structurele oorzaken zoals geïnterneerden (1.000) en illegalen (3.500) die de capaciteit overschrijden, en noemt transfers, verlengd verlof en overleg met vakbonden als noodoplossingen, maar sluit quota af als beleidskeuze voor een volgende regering. Kritiek uit de oppositie benadrukt falend beleid (gebrek aan alternatieve straffen, investeringen) en waarschuwt dat quota de rechtsstaat ondermijnen. De urgentie blijft hoog, met dreigende escalatie in andere gevangenissen (Mechelen, Gent, Hasselt).

Marijke Dillen:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, gelet op huidige de situatie verwijs ik naar de tekst van mijn vraag zoals ingediend.

In de gevangenis van Antwerpen heeft het personeel maandagochtend besloten om voorlopig geen nieuwe gedetineerden meer toe te laten. Het is niet de eerste keer dat de cipiers in de Antwerpse gevangenis deze maatregel nemen. Het gaat opnieuw om een reactie op de aanhoudende overbevolking en de blijvende onderbezetting van het personeel. De maximumcapaciteit is 439, er zitten momenteel meer dan 700 gedetineerden. Het personeel heeft aangegeven dat het aantal mannelijke gedetineerden naar 600 moet zakken. Vanaf dan is er blijkbaar weer een kleine buffer om tot 630 te gaan maar dan enkel arrestanten, geen veroordeelden. Maar ook dat cijfer ligt ver boven de werkelijke capaciteit.

“Het personeel heeft het gevoel actief deel te nemen aan foltering. Als gevolg daarvan neemt ook de agressie tegen de cipiers steeds extremere gevolgen aan. Met deze actie wil het personeel zeggen: vol is vol, genoeg is genoeg", verklaarde ACOD-afgevaardigde Mario Heylen.

Ook werd de procedure sociaal conflict richting overheid opgestart in de hoop om oplossingen te vinden, heeft ACOD afgevaardigde Robbie De Kaey aangekondigd.

1. Kan de minister meer toelichting geven betreffende deze zeer begrijpelijke actie van de cipiers die al jarenlang de overbevolking en de onderbezetting aanklagen?

2. Welke maatregelen werden er bij hoogdringendheid genomen een antwoord te bieden op deze actie?

3. Heeft er inmiddels overleg plaatsgevonden? Zo ja, wat zijn de resultaten? Zo neen, wordt dit nog gepland?

4. Wat is de stand van zaken in de procedure sociaal conflict?

Sophie De Wit:

Mijnheer de minister, de vraag werd vorige week ook al in de plenaire vergadering gesteld. De situatie is ondertussen weer even onder controle, maar het blijft wel een feit dat er een grote overbevolking is en dat het probleem acuut is. In Antwerpen heeft men op een gegeven moment de deur zelfs dichtgedaan. Er is vorige week dan tijdelijk een oplossing gevonden, waardoor mensen die werden gearresteerd toch konden worden opgenomen. Er werd toen gezegd: "Tot 630 gevangenen; daarna gaan de deuren onherroepelijk weer dicht." Het kan toch niet dat er geen alternatief kan worden gevonden?

Een tweetal jaar geleden legde de burgemeester van Antwerpen een veiligheidsmaatregel aan de gevangenis op om die extreme overbevolking tegen te gaan. Er is ondertussen ook een nieuw schrijven van het Comité van Toezicht over de situatie gekomen. Wij weten ook dat men vroeg of laat in de problemen komt als men straffen uitvoert zonder dat de capaciteit er is.

Mijnheer de minister, in welke gevangenissen, naast Antwerpen, is de overbevolking vandaag het grootst? Hebt u weet van een dreiging met acties om ook elders de deuren van de gevangenis te sluiten als het nog zou verergeren?

U overlegt blijkbaar met de vakbonden met het oog op een verbetering van de situatie. Wat is daar ondertussen al beslist?

Overweegt u in het overleg met de vakbonden om quota op tafel te leggen en die in te voeren, waarbij eerst iemand moet worden vrijgelaten vooraleer de volgende kan worden opgesloten? Dat zou nefast zijn voor de veiligheid.

Konden er bij uw weten ten gevolge van de actie in Antwerpen arrestanten niet worden opgesloten, die dan terug in vrijheid zijn gesteld? Ik weet dat politie en parket er alles aan hebben gedaan om dat te vermijden, maar moesten er toch mensen worden vrijgelaten? Ik zou dat graag weten.

De burgemeester van Antwerpen heeft een aantal veiligheidsmaatregelen gevraagd. Zijn die te allen tijde gerespecteerd? Zo neen, waarom niet?

Tot daar mijn vragen. Op mijn andere vragen heb ik tijdens de plenaire vergadering al een antwoord gekregen.

Annik Van den Bosch:

Mijnheer de minister, afgelopen vrijdag stond ik in de Begijnenstraat aan de poort van de gevangenis van Antwerpen. Ik heb daar gesproken met cipiers, sociaal werkers en familie van gedetineerden. Ze zijn het er unaniem over eens dat de toestand in de gevangenis onmenselijk is. Afgelopen vrijdag zaten er nog 595 gedetineerden. Vandaag zijn het er al 630, terwijl er maar plaats is voor 480. Men zit met vier op een kamer voor twee. Geïnterneerden en mensen die in voorhechtenis zitten, zitten samen met reeds veroordeelden. Het personeel is onderbemand en overwerkt en er zijn blijkbaar alarmsystemen die al jaren niet meer werken.

Hoe zult u de overbevolking aanpakken? Hoe zult u de leefbaarheid in de gevangenissen en de veiligheid van de cipiers en de gedetineerden waarborgen? Welke noodmaatregelen zult u nemen?

Paul Van Tigchelt:

Mevrouw Van den Bosch, ik verwijs u voor de antwoorden op uw vragen naar het actualiteitsdebat van twee weken geleden. Deze werden daar immers al beantwoord. Mevrouw De Wit, mevrouw Dillen, een aantal van uw vragen werd reeds beantwoord in de plenaire vergadering van vorige week.

De overbevolking in de gevangenissen is in Vlaanderen het grootst in Mechelen, Antwerpen, Gent, Brugge, de hulpgevangenis van Leuven en Hasselt. In Wallonië is de overbevolking in de gevangenissen het grootst in Lantin en Dinant. Indien u een schriftelijke vraag indient, kan ik u de exacte cijfers bezorgen.

Ik herhaal dat Justitie op dat vlak een vergaarbak is van de problemen bij andere diensten. Er zitten in de gevangenissen 1.000 geïnterneerden die daar niet thuishoren. In het FPC van Antwerpen zitten 70 personen al even klaar om door te stromen naar het reguliere psychiatrische circuit, maar door plaatsgebrek blijven zij in het FPC wachten. Dat creëert een file-effect van geïnterneerden die in de gevangenis blijven. U weet ook dat meer dan 3.500 gedetineerden zonder recht op verblijf in onze gevangenissen zitten. Zonder die twee groepen van gedetineerden zou er geen probleem van overbevolking zijn.

U stelt een vraag over personeelsacties. Momenteel zijn geen andere personeelsacties lopende. Regelmatig wordt overlegd met de vakbonden, zoals u zei. Inzake het overleg met de vakbonden verwijs ik naar het antwoord in de plenaire vergadering van vorige donderdag. Ik voeg eraan toe dat morgen, 3 oktober, nieuw overleg gepland is met de vakbond van de gevangenis van Antwerpen. We blijven dat uiteraard op de voet volgen. Zoals ik in de plenaire vergadering zei, zetten we maximaal in op het organiseren van transfers naar andere gevangenissen en een betere spreiding ter ontlasting van de gevangenis van Antwerpen.

De vraag over de quota is zeer interessant. Quota worden bepleit in het memorandum van de FOD Justitie. Quota zijn overal van toepassing, bijvoorbeeld in de gesloten centra van de Dienst Vreemdelingenzaken, in de gemeenschapsinstellingen voor minderjarigen en in de reguliere psychiatrische centra. Quota bestaan niet in de gevangenissen. Naar mijn mening zijn quota een nieuw beleidsinitiatief en in een periode van lopende zaken komt het een ontslagnemend minister niet toe om dergelijke verregaande beleidsmaatregelen te nemen. Het al dan niet invoeren van quota is een nieuw initiatief en daarover dient de volgende regering dan ook te beslissen.

De vraag of arrestanten ten gevolge van de actie in Antwerpen al dan niet op vrije voeten zijn gelaten, heb ik vorige week in de plenaire vergadering al beantwoord.

De maatregelen van de burgemeester van Antwerpen betreffen veiligheidsmaatregelen van 2022. Daarbij werd een grens van 660 gedetineerden opgelegd. Vandaag verblijven zowat 630 mannelijke gedetineerden in die gevangenis. De situatie blijft precair en wordt opgevolgd. Daarbij wordt ingezet op transfers naar andere inrichtingen, zoals ik al zei.

Nu kom ik tot de resterende vragen van mevrouw De Wit en mevrouw Van den Bosch.

Laat ik de zaken op hun beloop? Uiteraard niet. Net zoals de voorganger van mijn voorganger in 2017, in 2018 en in 2020, heb ik in maart 2024 de maatregel van het verlengd penitentiair verlof ingevoerd, en in mei en september verder uitgebreid.

Wat het instroombeleid betreft, blijft het overleg met de magistratuur gaande. Het zijn magistraten die beslissen over instroom en uitstroom. We volgen de toestand in de gevangenissen nauwgezet op en hebben daarover regelmatig overleg met het gevangeniswezen. We nemen maatregelen indien nodig, met de beperktheden die er zijn in lopende zaken.

Marijke Dillen:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

Sophie De Wit:

Mijnheer de minister, ik vind het gemakkelijk dat u altijd verwijst naar de geïnterneerden en de illegalen. U hebt samen in een regering gezeten en u kent de ministers die daarvoor bevoegd zijn. De Zweedse regering heeft de overbevolking wel kunnen aanpakken en toen is men wel aan die 10.000 geraakt. Het is dus wat te gemakkelijk om naar de anderen te wijzen.

U vindt quota interessant, maar ik hoorde u op het einde ook zeggen dat het de rechter is die moet beslissen of er iemand in of uit gaat. Als er quota worden opgelegd, dan tasten we dat beslissingsrecht aan en raken we aan de scheiding der machten. Dat kan discriminerend zijn, want als men pech heeft, moet men naar een gevangenis waar er wel nog plaats is. De ene kan erin en de andere niet. Dat is te gek voor woorden. Wanneer iemand opgepakt moet worden om de veiligheid te bewaken, dan moet er daarvoor in capaciteit worden voorzien. Dat is de kerntaak van deze overheid en van Justitie. Het zou een heel slecht idee zijn om aan quota te beginnen.

Annik Van den Bosch:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. Er is urgentie, want dit sleept blijkbaar al jaren aan. Er moet sowieso meer worden geïnvesteerd in Justitie om de achterstand sneller weg te werken en er moet meer worden ingezet op herstelgerichte alternatieve straffen. Die worden in andere landen al met succes toegepast, terwijl ze hier worden afgeschaft. Wij blijven ook strijden voor betere loon- en arbeidsvoorwaarden.

Paul Van Tigchelt:

Wat zegt u, mevrouw? Herstelgerichte maatregelen worden afgeschaft?

Annik Van den Bosch:

Herstelgerichte alternatieve straffen.

Paul Van Tigchelt:

Dat klopt niet. Ik weet niet wie uw repliek heeft opgesteld, maar dat klopt niet. Dat zal zelfs de oppositie bevestigen. Graag feiten en degelijkheid. Dit klopt niet.

Annik Van den Bosch:

Oké, soit. Wij blijven het gevangenispersoneel steunen in de actie die nu bezig is. Het is het enige drukkingsmiddel dat ze nog hebben.

De stand van zaken betreffende de F-35-gevechtsvliegtuigen
De transitie van F-16 naar F-35 in Kleine-Brogel
De overgang en status van F-35-gevechtsvliegtuigen in België

Gesteld aan

Ludivine Dedonder

op 1 oktober 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De F-35-leveringen aan België vertragen door technologische uitdagingen (TR-3-upgrade), met de eerste 8 toestellen pas eind 2024 in de VS en operationele inzet in België vanaf zomer 2025 (i.p.v. 2023), maar Lockheed Martin compenseert gedeeltelijk via versnelde productie. Operationele overgang van F-16 (tot eind 2028) naar F-35 verloopt gefaseerd met aangepaste opleidingen (piloten/technici vanaf 2024), infrastructuur op Kleine-Brogel op schema en contractuele boetes voor vertraging, terwijl personeelstekorten (technici, bewaking) worden aangepakt via versnelde werving en welzijnsmaatregelen. De F-16-vloot blijft voldoende operationeel dankzij strikt onderhoudsbeheer (8.000 vliegurenlimiet), zonder impact van weersvertraging op de bouwwerken. Kritische punten blijven kostencontrole, publieke steun en de logistieke synchronisatie met de geplande overdracht van F-16’s aan Oekraïne.

Stéphane Lasseaux:

Madame la ministre, la presse s'est fait l'écho de retards de livraison des F-35 à plusieurs reprises. Alors qu'en principe, les premières livraisons auraient dû commencer en 2023, elles n'interviendraient qu'à l'été 2025, soit avec deux ans de retard. En ce début de législature, il importe de nous fournir une mise à jour sur l'exécution de ce programme essentiel.

Pourriez-vous dès-lors nous indiquer où en sont les livraisons? Quels seront les délais jusqu'à l'achèvement du programme? Quelles sont les raisons de ce retard? Les achats du matériel nécessaire pour assurer leur entretien et leur déploiement, les simulateurs et l'armement respectent-ils le calendrier prévu? De même, l'entraînement du personnel (pilotes et personnel au sol) ainsi que les travaux d'infrastructure se réalisent-ils dans les temps ou subissent-ils également du retard? Enfin, quelles sont les conséquences de ces délais pour notre Défense? Recevra-t-elle une compensation du constructeur?

Alain Yzermans:

Mevrouw de minister, Kleine-Brogel ontvangt de eerste F-35's in 2027, terwijl de F-16's tot eind 2028 operationeel blijven. Dit vormt een uitdaging voor de operationele leiding op het vlak van de gelijktijdige operationele inzet voor de F-16 en de F-35. Hoe gaat men dat aanpakken?

Op het vlak van personeelsattritie spreekt men over een vertraging en over een uitval van technisch personeel, aangezien de opleiding maar in één cyclus kan gebeuren. Hierdoor kunnen mensen hun graad niet behalen. Hoe zal men dat aanpakken?

De tekorten in de vliegveldbewaking zorgen voor een hogere werkdruk en burn-outs. Is er een welzijnsplan opgesteld?

Een collega heeft daarnet al een vraag gesteld over de opleidingscapaciteit, dus daar ga ik niet verder op in.

Hoe staat het met de operationele paraatheid en de bruikbaarheid van de F-16's? Er is een aantal uit vaart genomen en sommige F-16’s hebben hun operationele uren bereikt. Wat was het effect van de natte lente op de bouwwerkzaamheden? Er is immers een compound in opbouw op Kleine-Brogel.

⁠ Hoe zit het met de duidelijke verantwoordelijkheid ten aanzien van de transitie van de F-16 naar de F-35? Hoe gaat die gebeuren? Wat zijn de gevolgen voor het personeel? Hoe wil u dat aanpakken?

Ludivine Dedonder:

La Belgique a commandé 34 avions F-35 par le biais d'un contrat avec le gouvernement américain. Ce contrat mandate le gouvernement américain pour mener des négociations contractuelles avec le constructeur Lockheed Martin au nom du gouvernement belge. Cet été le gouvernement américain a commencé à accepter la livraison des premiers F-35 de la nouvelle version dénommée TR-3. Cette configuration contient les dernières évolutions capacitaires dont la Belgique va pouvoir bénéficier. L'ambition du défi technologique rencontré a en effet généré un délai additionnel pour toutes les premières livraisons de F-35 TR-3. Pour la Belgique, les huit premiers avions seront livrés sur la base en Arizona d'ici la fin de l'année 2024. Ensuite, au cours des prochains dix mois, le délai pourra en grande partie être absorbé par la firme Lockheed Martin, de sorte que cela n'aura que peu d'impact sur les livraisons suivantes de F-35 en Belgique, qui sont prévues à l'été 2025 au lieu du printemps 2025.

L'organisation de la formation des pilotes et des techniciens aux États-Unis a été adaptée afin d'assurer le maintien des dates planifiées et d'atteindre la capacité opérationnelle initiale en 2027, dans un premier temps, et ensuite la pleine capacité en 2030. Des pénalités liées au retard sont effectivement prévues dans le contrat entre le gouvernement américain et Lockheed Martin sous la forme de payements réduits.

Concernant la préparation de nos bases à l'arrivée des premiers avions, les travaux d'infrastructure avancent bien et les complexes F-35 seront prêts à temps pour accueillir les avions. Quant aux livraisons de l'équipement nécessaire pour soutenir les activités de maintenance et les opérations de vol sur nos bases et sur les sites de déploiement ainsi que les simulateurs de vols, celles-ci sont maintenant alignées avec le nouveau calendrier de livraison des avions.

Het volledige transitieplan laat toe om het ambitieniveau voor de F-16 te garanderen tot eind 2028. De F-35 neemt dan stelselmatig de taken over.

Er lopen allerhande initiatieven, samen met de DG HR, om de opleiding van de technici te verbeteren. Tevens is de opleiding goed op tijd gestart, met de eerste cursussen vanaf januari 2024. Het rekruteren van personeel voor de Force Protection verloopt goed. Zo kunnen de tekorten worden opgevuld. Het probleem wordt dus nu al aangepakt, zodat de werkdruk aanvaardbaar blijft.

De opleiding voor het nieuwe F-35-systeem wordt in eerste fase voorzien door de US Air Force. dat plan werd uitgewerkt door het Program Office van de F-35 en loopt tot 2030. De verdere opleiding van ons personeel wordt momenteel bestudeerd. Door vroegtijdig te beginnen aan de opleiding is het mogelijk om genoeg gekwalificeerd personeel te hebben, voor de eerste F-35 in Kleine-Brogel landt.

Het volledige transitieplan van F-16 naar F-35 is gebaseerd op het feit dat elke F-16 zal vliegen tot het bereiken van de levenslimiet van 8.000 vlieguren. De spreiding en het nauwkeurig opvolgen van het potentieel per toestel, volgens een gedetailleerde planning, garandeert de operationaliteit van de F-16 tot eind 2028. Het beschikbare aantal F-16's zal volstaan om de opdrachten tot dan te kunnen blijven uitvoeren.

Door de natte lente en zomer hebben de grondwerken enkele weken stilgelegen. Dat heeft echter geen impact op de tijdlijn van de werken.

Het transitieplan wordt vanzelfsprekend ondersteund. De DG HR is verantwoordelijk voor het invullen van de personeelslijsten.

Er worden nu diverse oplossingen onderzocht om te garanderen dat aan de personeelsbehoeften voldaan wordt.

Stéphane Lasseaux:

Madame la ministre, je vous remercie pour votre réponse.

Je rappelle que notre prédécesseur, M. Georges Dallemagne, avait toujours émis des doutes sur ce programme. Toutefois, nous pouvons constater qu’il avance, et je m'en réjouis. Ce programme, certes coûteux, est essentiel pour la défense de notre pays et de l’ensemble du territoire à couvrir.

Cependant, en tant que parlementaire et membre de la commission, j’estime que tous ensemble, nous devons suivre de très près ce programme, car au-delà du fait qu'il s’agit d’un investissement coûteux, il faut que les délais soient respectés afin de pouvoir équiper notre pays de F-35, puisque les F-16 pourront très prochainement être livrés à l’Ukraine.

Par ailleurs, à titre tout à fait personnel, en tant que bourgmestre de Florennes, vous imaginez bien que ce dossier m'intéresse au plus haut point. Les F-35 amèneront certes la sécurité à la Belgique, mais aussi la pérennité de notre base, ce dont je me réjouis.

Enfin, il est nécessaire de rallier l’adhésion du public à notre volonté de maintenir ce matériel aussi important.

Voorzitter:

De heer Yzermans wenst niet te repliceren.

Het bedrag van de militaire steun voor Oekraïne

Gesteld aan

Ludivine Dedonder

op 1 oktober 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Belgische militaire steun aan Oekraïne bedraagt 1,21 miljard euro (sinds 24/02/2022), met 0,13% van het BBP in 2024 als piekjaar, waarvan 539,2 miljoen (0,09% BBP) daadwerkelijk uitgevoerd dit jaar—terwijl de minister benadrukt dat de focus ligt op langetermijnmodernisering (o.a. defensie-industrie) naast directe wapenleveranties. EPF-terugbetalingen bedragen tot nu toe ~16 miljoen (gespreid tot 2027), met 2,3 miljoen in 2024. Frank hamert op transparantie over geleverde vs. beloofde middelen en waarschuwt voor Duitstalige scepticisme over steun aan Oekraïne, gekleurd door Duitse invloeden en pro-Russische sentimenten. Dedonder bevestigt onverkorte voortzetting van de steun, inclusief F-16-training, medische opvang en humanitaire hulp.

Luc Frank:

Sehr geehrte Frau Ministerin , madame la ministre, il n'est pas toujours aisé de déterminer le niveau exact de l'aide militaire belge à l'Ukraine. Entre les chiffres publiés sur le site du SPF Affaires étrangères, les évaluations du Kiel Institute, qui sert d'étalon au niveau international, ou les annonces que nous pouvons retrouver dans la presse, il y a de quoi être un peu perdu. C'est pourquoi j'estime qu'il est essentiel de pouvoir dresser un bilan chiffré en ce début de législature.

Madame la ministre, quel est le montant total des engagements depuis le 24 février 2022? Que cela représente-t-il en part du PIB? De ces engagements, quel est le montant de ce qui a été réellement liquidé? Que cela représente-t-il en part du PIB? Quels sont les remboursements dont nous avons bénéficié de la part de la Facilité européenne pour la paix (EPF ou European Peace Facility )?

Ludivine Dedonder:

Monsieur Frank, à ce jour, la Défense belge a fait des dons de matériel militaire à l’Ukraine pour environ 1,21 milliard d’euros. Ce montant reprend les dons qui proviennent des propres stocks de la Défense, les achats réalisés auprès des firmes et les participations financières à différentes coalitions.

Dans tous les domaines de coopération, la Belgique essaie à chaque fois de se distinguer par la plus-value qu’elle peut apporter en complément des autres contributions de partenaires, afin de renforcer les capacités actuelles de l’armée ukrainienne et de la moderniser pour lui permettre de se défendre à plus long terme.

Je pense sincèrement que cette dimension est très importante. La Belgique ne s’arrête pas uniquement à de l’aide sur le court terme, en fournissant des armes, des munitions et du matériel humanitaire. Il est également primordial de pérenniser cet appui sur le long terme. Cela passe indéniablement par le renforcement de la base industrielle et technologique de défense ukrainienne.

En ce qui concerne les achats et les participations financières, le montant total des engagements depuis le 24 février 2022 se répartit comme suit.

Les engagements s'élèvent, en 2022, à 76,5 millions d'euros, soit 0,01 % du PIB. En 2023, ils sont de 185,5 millions, soit 0,03 % du PIB et, en 2024, de 806,1 millions, soit 0,13 % du PIB.

Les liquidations s'élèvent, en 2022, à 65,9 millions, soit 0,01 % du PIB. En 2023, il s'agit de 196,1 millions, soit 0,03 % du PIB et, en 2024, de 539,2 millions (l'année n'est pas terminée), soit 0,09 % du PIB.

Le remboursement du fonds EPF, qui se fait au profit de la Trésorerie, ne couvre pas seulement les dépenses engagées par la Défense, il prend également en compte les demandes des autres départements fédéraux belges. Une première tranche de 1,8 million d'euros a été remboursée en 2022 et en 2023, à raison de 904 000 euros par année. Une deuxième tranche de 11,3 millions d'euros et une troisi è me de 10,6 millions ont également été approuvées. Le remboursement de ces deux tranches s'étend sur quatre ans, de 2024 à 2027. Pour le moment, 2,3 millions d'euros ont déj à été versés cette année.

Pour terminer, je voudrais réaffirmer notre soutien à l'Ukraine, tant dans le domaine politique, humanitaire que militaire. Nous nous sommes engagés à contribuer activement à l'organisation de la formation et de l'entraînement; à l'accueil des soldats gravement brûlés; à la livraison du matériel humanitaire, d'équipements, d'armes et de munitions; à la contribution structurelle aux coalitions de capacités telles que la coalition F-16, la coalition de déminage ou la coalition IT, et je pourrais encore poursuivre cette énumération. Nous maintiendrons notre soutien tant que nécessaire.

Luc Frank:

Madame la ministre, je vous remercie vivement. Il est vraiment important d'être le plus transparent possible pour le Parlement, mais aussi pour le grand public. Comme vous l'aurez sans doute entendu, je suis germanophone. Dans ma région, nous avons une vision un peu différente. Nous subissons en effet beaucoup d'influence de la part de l' Allemagne. Il importe également de sensibiliser la population à la situation dans laquelle nous sommes et aux aides médicales que nous fournissons. De plus en plus de personnes disent ne pas apprécier que l'on fasse la guerre contre l'ex-Union soviétique, c'est-à-dire la Russie. Elles pensent plutôt que c'est bon État. Je ne vois pas du tout les choses de cette façon. Il importe de donner les chiffres. Que ce soit pour les montants fournis ou pour le matériel, il faut clairement distinguer ce à quoi nous nous sommes engagés et ce qui a été véritablement livré aux Ukrainiens.

De hulp van Defensie aan de burgerlijke autoriteiten bij rampen

Gesteld aan

Ludivine Dedonder

op 1 oktober 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Drie jaar na de overstromingen van 2021 heeft Defensie haar steun bij nationale rampen structureel versterkt via duale capaciteiten (o.a. polyvalente voertuigen, watercontainers, cyberbeveiligingsunits) en een permanente Proter-compagnie (100 militairen in stand-by) voor snelle inzet, naast aangepaste juridische kaders en betere integratie in nationale crisiscellen. Minister Dedonder benadrukt dat Defensie enkel bijspringt waar lokale middelen ontbreken, zonder haar kernmissies te verwaarlozen, en dat samenwerking met gemeenten, hulpdiensten en provincies is geïntensiveerd via regelmatig overleg en gezamenlijke oefeningen. Burgemeester Luc Frank bevestigt de succesvolle praktijkervaringen (covid, overstromingen) maar pleit voor nog meer wendbaarheid, lokale kennisuitwisseling en extra middelen—zonder afbreuk te doen aan Defensie’s primaire taken—en een versterkte bescherming civile, als toekomstige prioriteiten.

Luc Frank:

Madame la Ministre, les inondations de juillet 2021 ont démontré l'importance de l'intervention de la Défense en cas de catastrophes naturelles. Nous ne pouvons que remercier l'action de celle-ci lors de ces inondations et par après pour la réhabilitation et la gestion des conséquences. Depuis lors, dans le cadre du plan STAR, la réflexion sur ce soutien a été renforcée au sein de la Défense et des contacts ont eu lieu avec les représentants des autorités civiles , notamment avec l'Union des Villes et Communes de Wallonie.

Trois ans après ces inondations, pourriez-vous faire le bilan des actions entreprises à la Défense afin d'encore améliorer le soutien accordé à la nation en cas de catastrophe?

Avez-vous engagé un dialogue structurel avec les administrations concernées (zones de secours, protection civile, autorités locales) afin de mieux connaître la réalité de terrain et être plus efficace en cas de nécessité d'intervention de la Défense?

La Défense envisage-t-elle d'autres actions dans le futur?

Ludivine Dedonder:

De manière générale, depuis ma prise de fonction, je me suis toujours tenue disposée à fournir l'assistance de la Défense lorsque son aide est requise ou sollicitée et lorsque cette aide apporte une réelle plus-value. J'ai toujours prôné une Défense robuste pour assurer la sécurité, mais aussi une Défense qui soit capable d'épauler la population en cas de crise. L'aide à la nation nous a fortement occupés, puisque lorsque j'ai pris mes fonctions, nous étions en pleine pandémie et nous avons vu la Défense sortir pour épauler le personnel soignant, les centres de vaccination etc, en fonction des demandes des communes. Ensuite, il y a eu les inondations qui ont aussi mobilisé la Défense. Je pourrais continuer, car il y a eu malheureusement d'autres crises et événements malheureux auxquels nous avons toujours répondu présent pour apporter notre aide.

Bien sûr, la Défense n'est pas elle-même un premier intervenant en cas de catastrophe sur le territoire national, sauf pour des capacités spécifiques, telles que le service de déminage ou le sauvetage en mer. Nous nous tenons toutefois prêts à répondre aux demandes des autorités fédérales, provinciales, communales, lorsque leurs propres moyens s'avèrent insuffisants, inexistants ou inadaptés. Cet appui est alors fourni dans les limites des moyens et capacités dont dispose la Défense.

À ce titre, la Défense dispose de plusieurs capacités dites "duales", c'est-à-dire des moyens qui peuvent être mis en œuvre aussi bien dans le cadre de ses opérations et missions primaires que dans le cadre du renforcement de la sécurité sur le territoire national. C'était aussi un des axes du fameux plan STAR quand on l'a lancé: investir intelligemment, investir dans des capacités duales.

Nous avons, notamment dans le cadre du programme Redémarrage et Transition, pu acquérir des engins polyvalents, des conteneurs de citerne d'eau, des groupes électrogènes qui peuvent aussi servir en cas de catastrophe. Je ne vais pas citer ici toutes les capacités duales que l'on a déjà pu obtenir ou qui sont planifiées en acquisition. Je dirai cependant un mot sur tout ce qui est "cyber". On parle aujourd'hui beaucoup de cybersécurité. Évidemment, le lancement du commandement cyber et cette future composante cyber ont aussi un intérêt sur le sol national pour épauler les uns et les autres tant au niveau communal qu'à d'autres échelons de pouvoir.

J'ajouterai également, car il se peut que tout le monde ne le sait pas, que nous avons maintenant mis en place une compagnie Proter, de protection territoriale. En permanence, une centaine de militaires sont donc maintenant en standby s'il devait y avoir une catastrophe, quelle qu'elle soit. Ils sont polyvalents et peuvent intervenir rapidement pour une partie et dans un court délai pour une seconde partie plus spécialisée. C'est important. C'est aussi un service d'aide à la nation qui peut certainement aider les collèges communaux – je m'adresse particulièrement aux bourgmestres ici présents. La Défense est prête à déployer les capacités en cas d'aide à la nation.

Les directives pour le déploiement des moyens militaires sur le territoire national ont été révisées cette année. Celles-ci intègrent le cadre juridique indispensable au déploiement de la Défense sur le territoire national et, ce, en accord avec la législation en vigueur portant sur les plans d'urgence. Ce document décrit également le rôle du commandant militaire de province en tant que représentant de la Défense au niveau provincial.

Le nouvel arrêté royal relatif aux plans nationaux d'urgence d'avril dernier prévoit également la participation de la Défense aux structures de concertation nationale telles que les cellules de crise. Ainsi, la Défense est-elle directement impliquée dans le hub logistique national qui agit en tant que plateforme nationale de coopération, pilotée par le Centre de crise national. L'objectif de ce hub est d'examiner avec les autres services d'urgence et d'intervention les modalités de déploiement nécessaires pour appuyer les capacités d'assistance nationales, provinciales et locales. Cette collaboration permet ainsi de nous montrer plus réactifs en cas de problème urgent.

Luc Frank:

Madame la ministre, vielen Dank für die Antwort, je vous remercie de votre réponse. En tant que bourgmestre de référence pour la province de Liège à l'époque du covid, j'ai constaté en effet cette bonne collaboration avec la Défense. Je l'ai également constatée, malheureusement, lors des inondations, même si nous n'avons pas été directement concernés, à part la commune voisine d'Aubel. Nous avons, en tout cas, bien vu les interventions lorsque la Vesdre a débordé. Donc, franchement, un grand merci pour cette collaboration! J'aimerais exprimer, par ailleurs, un modeste souhait à l'intention du futur gouvernement. En effet, il faudrait s'assurer de la réactivité de la Défense et de la disponibilité des moyens. La question du renforcement éventuel de la protection civile se pose également. Ensuite, il importe qu'elle connaisse bien les autorités locales ainsi que les conditions existantes sur le terrain. Inversement, celles-ci doivent aussi prendre contact avec la Défense en vue d'une meilleure connaissance mutuelle. Enfin, il convient de vérifier si des moyens supplémentaires doivent être mobilisés sans que cela se fasse aux dépens des missions primaires de la Défense telles que nous les connaissons malheureusement aujourd'hui. Vielen herzlichen Dank , je vous remercie beaucoup, madame la ministre.

De militaire samenwerking tussen België en Israël

Gesteld door

lijst: PVDA Robin Tonniau

Gesteld aan

Ludivine Dedonder

op 1 oktober 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België erkent de catastrofale humanitaire crisis in Gaza (41.000 doden, massale ondervoeding, verwoeste infrastructuur) en benadrukt de nood aan een onmiddellijk staakt-het-vuren en een tweestatenoplossing als enige duurzame uitweg. Minister Dedonder bevestigt geen directe militaire samenwerking met Israël (geen wapenleveringen, reparaties of reserveonderdelen), maar Belgische bedrijven leveren wel onderdelen voor F-35’s (via Amerikaanse contracten) die Israël inzet, en Israëlische firma’s doen onderhoud voor Belgisch defensiematerieel. Tonniau eist een totale boycot van Israël, inclusief wapenembargo en verbreking van alle banden, en wijst op Belgische medeplichtigheid via indirecte wapenproductie en politieke steun. De kern: België distantieert zich retorisch van Israëlische oorlogsvoering maar blijft economisch-militair verbonden via omwegen.

Robin Tonniau:

Mevrouw de minister, het afgelopen jaar heeft het Israëlische leger meer dan 41.000 Palestijnen gedood, vermoord. Die cijfers zijn verschrikkelijk en achter die cijfers schuilen mensen, bejaarden, vrouwen, kinderen en baby's. Het aantal gedode kinderen wordt vandaag op 14.100 geschat, vermorzeld onder ingestorte gebouwen. Nog eens 12.000 kinderen werden verwond door kogels, bommen en granaten. Een derde van de nog levende kinderen in Gaza lijdt aan acute ondervoeding. De humanitaire situatie in Gaza is meer dan kritiek. Vijfentachtig procent van de schoolgebouwen is beschadigd of vernietigd, alle universiteiten zijn verwoest. Vijfennegentig procent van de Gazanen kampt met ernstige voedseltekorten. In de couveuses die nog werken, liggen er drie tot vier baby'tjes tegelijkertijd. Negentien van de 36 ziekenhuizen in Gaza zijn kapotgeschoten. Waterpompen zijn stuk of werken niet meer door gebrek aan brandstof. Kinderen drinken dus vervuild of zout water. Een miljoen mensen is hun huis moeten ontvluchten.

Dat alles is de verantwoordelijkheid van het crimineel regime dat aan de macht is in Israël, en van het Westen, dat het regime steunt. De mensenrechtenschendingen en de oorlogsmisdaden in het Midden-Oosten, specifiek in Gaza, de Westelijke Jordaanoever en Libanon, gaan onverminderd voort. Dag na dag worden onschuldige burgers gedood, vermoord door het Israëlische leger. Israël zet daarvoor F-16- en F-35-gevechtsvliegtuigen in, maar ook drones die mensen targetten met behulp van artificiële intelligentie.

Het zou toch onmenselijk zijn dat België zulke oorlogsmisdaden steunt door samen te werken met het Israëlische leger. Werkt de Belgische Defensie samen met die van Israël? Indien ja, op welke manier? Werden er de afgelopen vijf jaar door de Belgische Defensie reserveonderdelen uitgewisseld of verkocht aan het Israëlische leger? Werden er de afgelopen vijf jaar door onze Defensie reparaties uitgevoerd aan Israëlische gevechtsvliegtuigen, zoals F-16's,?

Zijn er vandaag Belgische bedrijven betrokken bij de productie van Israëlisch militair materiaal, zoals hun F35-gevechtsvliegtuigen? Zo ja, welke samenwerkingen zijn er en hoe zijn die te verantwoorden? Kunt u garanderen dat er vandaag geen enkele vorm van militaire samenwerking is tussen België en Israël?

Ludivine Dedonder:

Op het eigenste moment zijn er te veel burgerslachtoffers te betreuren in het conflict, dat uitzichtloos lijkt te zijn. Ik maak van de gelegenheid gebruik om nogmaals te beklemtonen hoe belangrijk het is om internationale resoluties en verdragen te respecteren, vooral inzake het internationaal humanitair recht. We moeten ook absoluut de burgers sparen. Mijn oproep is geen wensdenken. Het moet duidelijk zijn dat het de absolute basis vormt van ons standpunt: het volledige internationale recht en niets anders dan het internationale recht, overal.

De conflicten zijn meer dan ooit symptomatisch voor de problemen van onze tijd, zoals polarisatie en de opkomsten van extremistische of gewelddadige meningen, en bevatten de kiemen van een potentiële regionale vuurzee. Ook al lijkt een politieke en diplomatieke dialoog nog zo moeilijk, er is geen andere duurzame oplossing voor het conflict. Ons standpunt moet duidelijk zijn: het conflict kan enkel worden opgelost door de oprichting van een Palestijnse staat, die de beste garantie zou zijn voor de veiligheid van Israël en de stabiliteit in de regio, met name op de Westelijke Jordaanoever en in Libanon.

De tragedies die die oorlogen hebben veroorzaakt, maken een humanitair staakt-het-vuren met de dag urgenter.

Dan kom ik aan de militaire samenwerking tussen België en Israël. Er is momenteel geen samenwerking betreffende aankopen. Wel heeft de Belgische Defensie met Israëlische firma's een aantal contracten lopen voor het onderhoud van en de levering van wisselstukken voor kritisch materieel dat in het verleden werd aangekocht. Er werden de voorbije vijf jaar geen reserveonderdelen uitgewisseld met noch verkocht aan het Israëlische leger. De Belgische Defensie heeft de voorbije vijf jaar geen herstellingen aan Israëlische gevechtsvliegtuigen uitgevoerd.

Het F-35-programma wordt beheerd via het F-35 Lightning II Joint Program Office, via contracten met de Amerikaanse industrie, zijnde Lockheed Martin en Pratt & Whitney. Die firma's bestellen productieonderdelen bij onderaannemers, onder andere in de Belgische industrie, en wijzen binnen de assemblagelijn de onderdelen op anonieme wijze toe aan de verschillende landen die over F-35's beschikken.

Robin Tonniau:

Mevrouw de minister, over de politieke oplossing zijn we het eens, maar er is dus wel degelijk een samenwerking tussen de Belgische Defensie en die van Israël. Of dat nu van ons land naar Israël is of omgekeerd, er zijn Israëlische bedrijven die onderhoud doen voor onze Defensie en er zijn ook Belgische bedrijven die onderdelen leveren voor de productie van F-35's die uiteindelijk ook in Israël worden gebruikt om Palestijnen, Libanezen en Jemenieten te bombarderen. Voor ons is het duidelijk, wij willen een boycot en een verbod op de doorvoer van wapens, alsook op elke andere manier van samenwerking. Elke andere manier van samenwerking moet ook stopgezet worden. We moeten ons distantiëren van het regime in Israël. We moeten dat genocidaire regime, dat zich onoverwinnelijk gedraagt, een boycot opleggen. Israël ontsteekt de lont in het kruitvat in het Midden-Oosten en dat kan het alleen maar dankzij de steun van het Westen, van de Verenigde Staten. Israël bombardeert en wij steken onze duim omhoog. Hier moeten we een lijn trekken. We moeten alle banden met Israël verbreken. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 11.40 uur. La réunion publique de commission est levée à 11 h 40.

Palestijnse asielzoekers
Palestijnse terreurverdachten
De uitzetting van twee in Griekenland als vluchteling erkende Palestijnen naar Egypte
Het persbericht van Myria over de visumaanvragen van Gazanen
De asielaanvragen van Palestijnen in België
Palestijnse asiel- en migratiekwesties in Europa

Gesteld aan

Nicole de Moor (Staatssecretaris voor Asiel en Migratie)

op 1 oktober 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de stijgende instroom van Palestijnse asielzoekers in België en de veiligheids- en erkenningrisico’s die daarmee gepaard gaan. Staatssecretaris Nicole de Moor bevestigt dat België disproportioneel veel Palestijnse asielaanvragen ontvangt (vaak via *M-statussen* na eerdere erkenning elders in de EU, zoals Griekenland) en dat de hoge erkenningsgraad (90% in 2024) te wijten is aan jurispudentie die UNRWA-bescherming niet langer als voldoende ziet, plus de humanitaire crisis in Gaza. Ze benadrukt individuele screening op veiligheidsrisico’s (samenwerking met Veiligheid van de Staat, politie) en dat terreurverdachten (bv. Hamas-leden) kunnen worden uitgesloten, maar verwijdering naar Gaza is nu onmogelijk. Kritiekpunten: Oppositieleden (Van Rooy, Safai) wijzen op potentiële radicalisering (onderzoek toont brede steun voor Hamas, sharia en antisemitisme bij Palestijnen), misbruik van het asielsysteem (groepserkenning in strijd met Genève-conventie) en gebrek aan strenge veiligheidschecks, terwijl Aouasti vraagt om duidelijkheid over terugkeerrisico’s naar Egypte en digitale visumprocedures voor Libanese familiehereniging. Vandemaele dringt aan op meer soepelheid voor humanitaire visa uit Gaza, maar de Moor houdt vast aan wettelijke kaders en wijst op bestaande digitale kanalen voor gezinshereniging.

Voorzitter:

Voor de nieuwe collega's verduidelijk ik eerst even dat we ook in de commissie met een klok werken, althans voor de mondelinge vragen en interpellaties. Voor een mondelinge vraag bedraagt de spreektijd twee minuten. Daarna volgt het antwoord van de minister, waarop u nog één minuut krijgt voor een repliek. Voor collega's die meerdere vagen hebben ingediend, wordt de spreektijd proportioneel verhoogd.

Sam Van Rooy:

Zes Palestijnse moslims van wie er vier in België verblijven en van wie er één een voormalig lid van Hamas is, hebben allicht via het islamitische hawalaprincipe op zeven jaar tijd tientallen tot honderden miljoenen euro’s versluisd naar de Palestijnse gebieden voor jihadistische terreur en dus allicht ook voor de genocidale, jihadistische massaslachting van 7 oktober in Israël. Een deel van de transacties werd uitgevoerd via cryptocurrencies.

Die zes staan nu terecht wegens deelname aan een terroristische groepering en het financieren van terrorisme. Het islamitische hawalasysteem is populair bij criminele netwerken en terroristische groeperingen. Een van de verdachten, Husam A., ook gekend als Abou Adam, geboren in Khan Younis in het zuiden van de Gazastrook, is gedomicilieerd in Sint-Joost-ten-Node en zou in België verantwoordelijk zijn voor een jihadistisch netwerk met mondiale vertakkingen. Hij staat aan het hoofd van het wereldwijde netwerk ‘De handelaren van Groter Europa’ op WhatsApp, dat ook actief is in andere landen waaronder Frankrijk, Syrië, Koeweit, Canada, Qatar, Turkije en Maleisië.

Mevrouw de staatssecretaris, in hoeverre was u op de hoogte van het vaak door criminelen en terroristen gebruikte islamitische hawalabanksysteem. In welke mate wordt dat in België gebruikt?

Hoe konden die Palestijnse verdachten in België verblijven? Waarom hebben ze destijds een verblijfsvergunning gekregen? Ik vraag dus meer toelichting over de zes verdachten met betrekking tot hun aankomst in België, hun procedure en hun verblijfsstatus.

Wat weten we over het jihadistische netwerk met mondiale vertakkingen waarvan sprake en in hoeverre werd het blootgelegd en opgerold?

Hebt u een idee hoeveel voormalige leden van Hamas en Hezbollah in België verblijven? Hoeveel sympathisanten van Hamas en Hezbollah wonen intussen in België?

Indien die zes Palestijnen worden veroordeeld, zullen zij dan hun verblijfsvergunning verliezen en het land worden uitgezet?

Tot slot – de belangrijkste vraag in het licht van deze zorgwekkende terreurzaak –, zal er een extra veiligheidsscreening gebeuren – ik kom daar dadelijk in mijn andere ingediende vraag op terug – van de Palestijnen die naar België komen en die al dan niet asiel aanvragen? Wat is het gevolg als een Palestijnse asielzoeker sympathie vertoont voor Hamas, voor de gewapende jihad en/of antisemitische sentimenten blijkt te hebben? Ik woon namelijk in Antwerpen, waar joden steeds meer bang zijn voor en steeds meer worden belaagd door antisemitische, vaak jonge, moslims.

Ik ga nu over naar mijn vraag over de grote groep Palestijnse asielzoekers die momenteel ons land binnenkomt. Uit cijfers van het CGVS blijkt dat Palestijnen sinds maart de grootste groep asielzoekers vormen in ons land. Die cijfers zijn best onrustwekkend: van januari tot juni van dit jaar hebben 2.500 Palestijnen bescherming gevraagd. In heel 2023 ging het om 3.249 aanvragen. Ook binnen het totale aantal asielaanvragen van 17.853 zijn Palestijnen de grootste groep.

Voorzitter:

Mijnheer Van Rooy, u zult moeten afronden, want uw vier minuten zijn intussen al verstreken.

Sam Van Rooy:

Het gaat hier heel snel, mijnheer de voorzitter.

Voorzitter:

Ik bepaal de snelheid van de tijd niet.

Sam Van Rooy:

Ongeveer 90 % van de Palestijnen komt uit Gaza. Ook in het licht van mijn vorige vraag over de terreurverdachten vraag ik uw reactie hierop. Waarom kiezen al die Palestijnen voor België en niet voor een ander land? Hoe geraken zij vanuit Gaza België binnen? Waarom is de beschermingsgraad zo hoog geworden? Tot slot, begrijpt u dat het toelaten van meer Palestijnen in ons land gelijkstaat met het binnenhalen van meer moslimfundamentalisme en antisemitisme?

Khalil Aouasti:

Madame la ministre, ce débat devait, à notre demande, porter sur la situation au Moyen-Orient, puisque c'est une question qui est plus globale et intrinsèquement liée.

Ma première question est liée à un événement spécifique qui s'est produit au cours de l'été. Il s'agit du renvoi de personnes palestiniennes qui ont été reconnues réfugiées dans un autre État européen – en l'occurrence la Grèce – vers le territoire égyptien. La presse et différentes organisations s'en sont émues en se demandant pourquoi et sur quelle base des personnes qui sont reconnues comme réfugiées dans un autre État européen sont renvoyées vers un État tiers et non pas vers cet État européen qui les a reconnues. Sur base de quelles conditions et suivant quelle analyse de risque cette décision est-elle prise? Quelle est l'analyse de risques qui est développée par le Commissariat général aux réfugiés et aux apatrides (CGRA) pour pouvoir renvoyer des personnes vers l'Égypte, alors même que l'on sait que les conditions d'accueil et d'acceptation de ces personnes en Égypte sont désastreuses?

Ma deuxième question concerne le Liban. De nombreux Belgo-Libanais ou Libanais établis en Belgique nous indiquent l'effroi qu'ils ont pour leurs familles qui se trouvent encore sur le territoire libanais avec l'impossibilité pour ces personnes de pouvoir s'adresser à un poste diplomatique pour pouvoir demander un visa et venir en Belgique rejoindre leur famille. Quelles sont les procédures mises en place pour digitaliser ces processus et pour permettre à ces Libanais qui sont bloqués au Liban d'introduire des demandes de visas et de rejoindre leurs familles ici en Belgique?

Finalement, face à la guerre, nous ne nierons pas qu'il y aura un afflux de réfugiés. Quel accueil digne allons-nous leur réserver?

Matti Vandemaele:

Mijnheer de voorzitter, collega's, de situatie in het Midden-Oosten oogt erg somber en de toestand in onder andere Gaza is dramatisch. Scholen, ziekenhuizen en zelfs hele woonwijken worden verwoest. Een accurate beschrijving van de situatie aldaar is eigenlijk niet mogelijk. Gaza was al een openluchtgevangenis en is ondertussen misschien wel de minst leefbare plek op aarde.

Myria, het federaal migratiecentrum, publiceerde in juni een persbericht waarin het pleit voor meer soepelheid bij de indiening en behandeling van visumaanvragen voor Gazanen. Ook in zijn jaarverslag vraagt Myria bijzondere aandacht voor Belgen of familieleden van Belgen en mensen met een verblijfsrecht die vastzitten in Gaza.

Visumaanvragen voor gezinsherenigingen kunnen via e-mail worden ingediend en worden prioritair behandeld. Toch zijn er veel obstakels om die gezinshereniging mogelijk te maken. Zo is het bijvoorbeeld heel erg moeilijk om officiële documenten te verkrijgen en om de familieband te bewijzen. Een visumaanvraag om humanitaire redenen kan niet digitaal ingediend worden, waardoor mensen die in Gaza zitten geen toegang hebben tot die procedure. Humanitaire visa zijn een gunst en worden voornamelijk toegekend aan mensen met een familiale band of een andere link met ons land.

In een persbericht roept Myria de overheid dus op om in de nodige administratieve soepelheid te voorzien bij die visumaanvragen. Daarnaast vraagt Myria ook dat duidelijke, gecentraliseerde informatie beschikbaar is voor de mensen.

Mevrouw de staatssecretaris, bent u op de hoogte van dat persbericht? Ik veronderstel van wel. Myria stelt dat duidelijke, gecentraliseerde informatie nodig is. Hoe zal de Dienst Vreemdelingenzaken dat aanpakken?

In welke mate houdt de DVZ bij de behandeling van visumaanvragen voor gezinshereniging rekening met de ernst van de oorlog in Gaza? Hoe zal u voor die soepelheid zorgen? Waarom blijft het voor Gazanen met een band met België of met familieleden in ons land onmogelijk om humanitaire visumaanvragen digitaal in te dienen? Kan ook daar meer soepelheid worden toegepast?

Voor hoeveel Gazanen werd een visum voor gezinshereniging afgeleverd sinds 7 oktober 2023? Werden in de afgelopen maanden nog Gazanen geëvacueerd?

Mijnheer de voorzitter, mijn verontschuldigingen omdat ik de spreektijd met 20 seconden heb overschreden.

Voorzitter:

U hebt het perfect gedaan, bijna perfect.

Darya Safai:

Mijnheer de voorzitter, mevrouw de staatssecretaris, het aantal asielaanvragen ingediend door Palestijnen is momenteel heel hoog. Voor de eerste acht maanden van 2024 staat de teller op 3.078 aanvragen. Dat fenomeen kan niet worden herleid tot de actuele oorlog tussen Israël en de terreurgroep Hamas in de Gazastrook. Egypte houdt zijn grens met Gaza immers hermetisch dicht. Enkel Palestijnen uit de Westelijke Jordaanoever kunnen naar het buitenland vertrekken. Ook leven grote gemeenschappen Palestijnen in buurlanden zoals Egypte, Jordanië, Syrië en Libanon met een vluchtelingenstatus van de Verenigde Naties, evenals een onbekend aantal in Europa.

Niettemin kent het CGVS aan zo goed als elke Palestijnse asielzoeker het vluchtelingenstatuut toe. Concreet nam het die beslissing in 1.715 van de 1.898 gevallen in 2024. In geen enkel geval werd de subsidiaire bescherming toegekend. Dat werpt vragen op. Het vluchtelingenstatuut vereist dat een asielzoeker kan aantonen persoonlijk en individueel te zijn vervolgd. Het CGVS kende in 2024 evenwel dat statuut toe in negen op tien gevallen. Dat duidt erop dat het CGVS ter zake aan groepserkenning doet, wat in tegenspraak is met zowel de Belgische wetgeving als met de Europese kwalificatierichtlijnen en de Conventie van Genève zelf.

Daarom heb ik voor u de hiernavolgende vragen.

Kunt u ons een beeld schetsen van de herkomst van de Palestijnse asielzoekers in België? Aangezien Egypte zijn grensmuur met Gaza hermetisch dichthoudt, kunnen zij namelijk niet uit Gaza komen.

Bent u van plan de anomalie in het beschermingsbeleid, namelijk de praktijk van groepserkenning als vluchteling, aan te kaarten op een informeel overleg met het CGVS? Bent u van plan desgevallend beroep aan te tekenen tegen zulke erkenningen indien op uw vraag daarover geen bevredigend antwoord wordt gegeven? Dat beleid genereert immers een aanzuigeffect op België op een moment waarop wij reeds met een asielcrisis worstelen.

Ten slotte, hoe verloopt de veiligheidsscreening van die asielzoekers? Het kan immers niet worden uitgesloten dat sommigen onder hen sympathieën voor, dan wel een rechtstreekse betrokkenheid hebben met jihadistische terreurgroepen als Hamas en Hezbollah.

Voorzitter:

Het betreft hier een actuadebat. Wensen nog leden zich aan te sluiten? (Nee)

In dat geval geef ik het woord aan mevrouw de staatssecretaris.

Nicole de Moor:

Collega's, het is de eerste keer dat ik mondelinge vragen kom beantwoorden in het nieuw samengestelde Parlement. Ik wil u eerst en vooral dus allemaal welkom heten in deze commissie. Er zijn enkele bekende gezichten uit de vorige legislatuur, zowel onder de Parlementsleden als onder hun medewerkers, en er zijn zelfs medewerkers die Parlementslid geworden zijn. Proficiat. Ik ben blij u hier te ontmoeten.

Wij hebben in de vorige legislatuur altijd zeer boeiende debatten gehouden over het thema migratie. Ik ben ervan overtuigd dat wij die ook zullen kunnen houden in deze legislatuur. In de periode waarin ik hier nog ben als staatssecretaris in lopende zaken zal ik alvast mijn uiterste best doen om uw vragen te antwoorden.

Ik kom meteen bij de eerste vraag. De huidige situatie in Palestina is zeer complex. Zij zorgt voor verschillende vragen over uiteenlopende thema's. Ik zal mijn best doen om op alle vragen te antwoorden, al waren het er heel wat. Ik verontschuldig mij alvast omdat ik heel wat tijd nodig zal hebben om alle vragen te beantwoorden.

Mijnheer Van Rooy, wij stellen inderdaad vast dat er proportioneel gezien meer Palestijnse asielzoekers naar België komen dan naar andere Europese lidstaten. Het is altijd moeilijk om exact vast te stellen wat precies de beweegredenen zijn van individuen om asiel aan te vragen in een bepaalde lidstaat. Het kan zeker meespelen dat er in België al een aanzienlijke Palestijnse gemeenschap aanwezig is. Als mensen kunnen steunen op een reeds aanwezig netwerk, op vrienden of familie bijvoorbeeld, merken wij dat zij vaker kiezen voor een land waar zo'n netwerk reeds aanwezig is.

Het klopt ook dat de beschermingsgraad van Palestijnse asielzoekers gestegen is in de afgelopen jaren. Een van de redenen hiervoor is juridisch-technisch. Voor 2021-2022 kregen Palestijnse verzoekers vaak geen asiel omdat zij al onder de bescherming van UNRWA vielen, de organisatie van de VN voor hulpverlening aan Palestijnse vluchtelingen in het Midden-Oosten. Omdat zij al bescherming genoten van deze organisatie, moest België hen niet erkennen en bleven zij uitgesloten van de vluchtelingenstatus. In de voorbije jaren werd door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen echter vastgesteld dat UNRWA niet altijd daadwerkelijk bescherming kon bieden aan Palestijnse vluchtelingen. Door toedoen van de rechtspraak kon het CGVS de uitsluitingsclausule ten aanzien van Palestijnen dan ook niet langer toepassen. Hierdoor steeg de beschermingsgraad voor Palestijnen dan ook aanzienlijk. Ook de huidige dramatische situatie in de Palestijnse gebieden zorgt er uiteraard voor dat het CGVS nog vaker oordeelt dat een terugkeer, zeker naar Gaza, niet veilig is.

Een ander fenomeen dat we vaststellen, is de stijging van het aantal Palestijnen dat in België asiel aanvraagt nadat ze al eerder asiel hadden gekregen in een andere lidstaat, meestal in Griekenland. Dat zijn de zogenaamde M-statussen. Ik vind dat echt problematisch. Ik organiseerde daarover al vaak overleg met mijn diensten en ook met Europese collega's om na te gaan hoe we dit kunnen tegengaan. Ik vind het immers niet rechtvaardig dat deze mensen soms ook een plaats in de opvang innemen, terwijl ze eigenlijk al bescherming in een andere Europese lidstaat genieten.

Ik besef zeker dat de situatie in Griekenland niet altijd evident is, maar ik kan u zeggen dat die bij ons ook niet evident is. Ons land wil zeker solidair zijn met oorlogsvluchtelingen – dat zijn Palestijnen vandaag –, maar het is niet normaal en ook niet houdbaar dat wij consequent de helft of meer dan de helft van alle asielaanvragen van Palestijnen in de hele EU ontvangen. Elk land moet zijn deel daarin doen.

In het Europees Asiel- en Migratiepact worden een aantal mechanismen ingebouwd om een betere verdeling en solidariteit tussen de lidstaten te bekomen. Hierdoor kan in de toekomst worden vermeden dat de instroom van een bepaalde nationaliteit te zwaar zou wegen op het asielsysteem van een lidstaat. Het is dan ook cruciaal voor mij om ervoor te zorgen dat we deze nieuwe Europese regels zo snel mogelijk in elke Europese lidstaat uitrollen.

U zei dat het zeer moeilijk is om Gaza te verlaten, mijnheer Van Rooy, mevrouw Safai. Dat is daadwerkelijk zo. De grenzen van Gaza zijn sinds het conflict grotendeels gesloten, zowel aan Israëlische zijde als aan Egyptische zijde. Dat betekent dat Palestijnen die nu in Europa of in ons land aankomen vaak al eerder Gaza hadden verlaten.

Mijnheer Van Rooy, u had een vraag over de denkbeelden van Palestijnen. Ik kan u alleen zeggen dat het CGVS als onafhankelijke instantie elke asielaanvraag individueel beoordeelt, op grond van Europese en nationale wetgeving.

Personen die een veiligheidsrisico zouden vormen – mevrouw Safai, u had daarover ook vragen – worden grondig gescreend door onze diensten. Bij de registratie van een verzoeker om internationale bescherming door de DVZ worden veiligheidsscreenings in de verschillende databanken gedaan. De screening wordt ook uitgevoerd door de Veiligheid van de Staat, de ADIV en de politie. De verzoeker wordt gecontroleerd in het Schengeninformatiesysteem om na te gaan of hij geseind staat met het oog op weigering van toegang tot het grondgebied. In het geval van een eerdere aanvraag wordt ook de ANG van de politie geconsulteerd.

Wij nemen dus elke potentiële bedreiging bijzonder ernstig. Asielzoekers die een ernstig gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid vormen, kunnen dan ook van de beschermingsstatus worden uitgesloten. Hetzelfde geldt voor personen die actief militair waren in een terroristische groepering zoals Hamas. Ook zij kunnen van de vluchtelingenstatus worden uitgesloten.

Die initiële screening is niet definitief. De DVZ kan zijn partners op ieder ogenblik opnieuw contacteren om ze op de hoogte te brengen van een problematisch profiel, zodat een grondig onderzoek kan gebeuren. Dat kan bijvoorbeeld na verklaringen van de verzoeker bij zijn interview bij de DVZ of op basis van informatie die wij krijgen van de gemeentelijke administratie, de politie en dies meer.

Mevrouw Safai, het feit dat er sprake is van een hoge beschermingsgraad van Palestijnen betekent niet dat er sprake is van groepserkenning. Het CGVS is een onafhankelijke instantie en elk dossier wordt individueel beoordeeld op grond van internationale en Europese normen. Het is niet omdat er veel Palestijnen erkend worden dat dit op groepsbasis gebeurt. Elk dossier wordt individueel beoordeeld. Als het CGVS vervolgens van oordeel is dat een persoon uit Gaza bescherming nodig heeft omdat hij zich in Gaza in een levensbedreigende situatie zou bevinden, dan heb ik niet de intentie om beroep aan te tekenen tegen die beslissing. Ik heb daarbij het volste vertrouwen in de grondige en onafhankelijke beoordeling van het CGVS. Wetend hoe de situatie in Gaza vandaag is, vind ik de hoge erkenningsgraad ook niet zo opmerkelijk.

Mijnheer Van Rooy, wat uw vragen over de zes individuele personen betreft, moet ik u meedelen dat ik niet bevoegd ben om deze te beantwoorden. Aangezien u nieuw bent in deze commissie, heb ik daar alle begrip voor. Ik denk dat u ook wel weet dat ik niet op al die vragen een antwoord kan geven. U peilt bijvoorbeeld naar informatie die de veiligheidsdiensten verzamelen en verwerken. Ik verwijs u daarvoor naar de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken. Andere vragen hebben betrekking op details uit individuele dossiers, waarover ik u evenmin informatie kan geven in deze commissie.

Ik kan u wel meedelen dat van de zes personen die u vermeldt er vier een vluchtelingenstatus hebben. Voor drie van hen vroeg de Dienst Vreemdelingenzaken de intrekking van hun statuut. In twee gevallen werd dit verzoek niet ingewilligd door het CGVS, dat onafhankelijk oordeelt. Een derde vraag tot intrekking is nog in behandeling. Een vijfde persoon verblijft onwettig op het grondgebied en zit nu in de gevangenis. Een zesde persoon bevindt zich niet in België.

Zoals daarnet al uitgelegd, gebeurt er altijd een screening wanneer iemand in België asiel aanvraagt en kan de screening op ieder ogenblik opnieuw gebeuren.

De federale vreemdelingenwet en het internationale vluchtelingenverdrag bepalen dat een aanvrager wordt uitgesloten van internationale bescherming als hij of zij verantwoordelijk is voor daden die zo ernstig zijn dat men geen internationale bescherming verdient. Bovendien mogen de bepalingen met betrekking tot internationale bescherming ook niet toestaan dat criminelen in hun eigen land aan berechting ontsnappen. Wanneer het CGVS dus tot uitsluiting besluit, dient het ook advies over een eventuele verwijdering uit te brengen.

Wat Palestijnen betreft, is het CGVS bijzonder aandachtig voor aanwijzingen die de toepassing van de uitsluitingsclausule rechtvaardigen. Indien er vermoedens zijn dat een uitsluiting nodig is, worden die dossiers aan gespecialiseerde protection officers toegewezen. Zij volgen deze dossiers dan op met de nodige expertise, zorg en aandacht.

In overeenstemming met de jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie is het louter behoren tot een groep die op een lijst van terroristische organisaties staat op zich niet voldoende om iemand uit te sluiten van het vluchtelingenstatuut. Het CGVS moet altijd kijken naar individuele en concrete handelingen van de betrokkenen. Het CGVS onderzoekt deze grondig. Bepaalde activiteiten van de personen die betrokken zijn bij deze terroristische groepering kunnen uiteraard aanleiding geven tot de toepassing van de uitsluitingsclausules. Zo heeft het CGVS onlangs bijvoorbeeld verschillende aanvragers van internationale bescherming uitgesloten die deelnamen aan de bouw van het tunnelnetwerk van de Al Qassambrigades – de gewapende vleugel van Hamas – dat cruciaal is voor het vermogen van de groep om militaire operaties uit te voeren.

U polst ook naar het geval waarin bepaalde informatie pas in een latere fase, dus na de toekenning van de vluchtelingenstatus, bekend wordt. Dat is een vraag naar de gevolgen van een strafrechtelijke veroordeling voor het verblijfsstatuut en de verwijdering. Die gevolgen hangen af van het precieze verblijfsstatuut dat de betrokkene heeft en de aard van de veroordeling. Zo is het bijvoorbeeld onmogelijk om meteen de verblijfstitel van een erkend vluchteling in te trekken. Het is wel mogelijk om de intrekking van het statuut te vragen aan het CGVS, waarna ook het verblijfstatuut kan worden ingetrokken.

Als het vluchtelingenstatuut wordt ingetrokken door het CGVS, dan zal worden bekeken of het verblijf kan worden ingetrokken door de DVZ. Het is immers pas wanneer de betrokkene geen verblijfsrecht meer heeft dat een verwijdering kan worden onderzocht. Dat is ook afhankelijk van de bestemming waarnaar de betrokkene kan worden verwijderd. Indien de betrokkene bijvoorbeeld vandaag afkomstig is uit Gaza of van de Westelijke Jordaanoever, dan is het in de huidige omstandigheden niet mogelijk om een verwijdering naar die regio te organiseren. Als de persoon echter over verblijfsrecht beschikt of zou kunnen beschikken in een ander land dan België, dan kunnen de nodige stappen worden gezet om daarvoor reisdocumenten te verkrijgen.

Monsieur Aouasti, vous m’avez demandé des détails sur des dossiers individuels de certaines personnes qui ont été renvoyées en Égypte. Comme vous le savez, je ne peux pas donner ce genre de détails sur des dossiers individuels, mais je peux vous expliquer la procédure suivie, dans le respect, bien sûr, des droits des personnes concernées.

Tout d’abord, je tiens à rappeler que mes services agissent toujours dans un cadre juridique. Les fonctionnaires belges appliquent le droit international et européen en vigueur. Dans les deux dossiers, les actions de mes services ont été soumises à un contrôle judiciaire par le Conseil du Contentieux des é trangers (CCE).

Concernant les faits, les deux cas impliquent des passagers arrivant par vol commercial depuis l’Égypte à la frontière belge. À leur arrivée, l’inspection aux frontières a constaté que ces personnes ne remplissaient ni les conditions d’entrée, ni celles pour un séjour de courte durée. Elles se sont ainsi vu refuser l’accès au territoire.

Dans les deux cas, une demande d’asile a ensuite été déposée à la frontière. Les deux demandes ont été déclarées irrecevables par le Commissariat général aux réfugiés et aux apatrides (CGRA), cette décision ayant été confirmée en appel par le CCE. Les deux instances indépendantes disposaient de toutes les informations nécessaires, y compris le pays d’origine et de départ.

Conformément à la convention de Chicago relative à l’aviation civile internationale, les passagers ont été renvoyés dans leur pays de départ, à savoir l’Égypte, et bien évidemment pas dans le pays de nationalité, soit un pays tiers de leur choix.

Dans le cadre de l’aviation commerciale, le transporteur est responsable de la vérification des documents de voyage avant le départ. La convention de Chicago oblige les États membres, dont l’Égypte, à reprendre les personnes dont l’entrée a été refusée dans le pays de destination.

L’Égypte est signataire de la convention de Genève relative au statut des réfugiés et accueille de nombreux réfugiés et migrants de la région, dont les Palestiniens. L’Égypte était aussi le pays de résidence volontaire de ces deux personnes.

Tot slot, mijnheer Vandemaele, de situatie in Gaza is inderdaad nog steeds verschrikkelijk en verdient onze blijvende aandacht. Myria geeft ook terecht aandacht aan de kwetsbare groep Gazanen die vaak geblokkeerd zit aan de grens. De DVZ overlegt trouwens regelmatig over dit onderwerp met Myria en UNHCR. De laatste keer was dat op 24 september.

Er wordt binnen de grenzen van de wet gezocht naar allerhande manieren om tegemoet te komen aan problemen op het terrein. De modaliteiten voor het indienen van een visumaanvraag, zoals de indiening per mail voor gezinshereniging, zijn al lange tijd beschikbaar op de website van de DVZ en van de twee berokken regionale posten in Jeruzalem en Caïro. De informatie over evacuaties wordt ook gegeven door het crisiscentrum van de FOD Buitenlandse Zaken.

Zoals u weet, zijn de voorwaarden voor een gezinshereniging wettelijk vastgelegd. Die criteria worden vandaag ook toegepast. Er wordt bij deze aanvragen bijzondere aandacht geschonken aan de bewijzen van verwantschap. Het is noodzakelijk om te controleren of iemand al dan niet aan de voorwaarden voldoet.

Een veralgemening van het indienen van een aanvraag voor een humanitair visum per mail is vandaag onwenselijk. Gezinshereniging is een recht dat in de wet wordt verduidelijkt, een humanitair visum is dat niet. Dat is een gunst waarvoor bij wet geen criteria zijn vastgelegd. Een dergelijke uitbreiding zou een enorme stijging van de werklast voor de diplomatieke en consulaire posten met zich meebrengen, ten koste van andere categorieën van aanvragers.

De statistieken van de de DVZ zijn gebaseerd op nationaliteit en niet op woonplaats. Ik kan u dan ook geen specifieke cijfers geven met betrekking tot de personen die afkomstig zijn uit Gaza. De situatie aan de buitengrenzen van Gaza is precair. Zoals ik al zei, is het volgens de DVZ sinds mei 2024 bijna niet meer mogelijk om de grens over te steken in Rafah. De personen die erin geslaagd zijn de Gazastrook te verlaten, hebben dit waarschijnlijk via een andere weg gedaan. Indien u daarover meer informatie wenst, raad ik u aan om te rade te gaan bij de minister van Buitenlandse Zaken.

Monsieur Aouasti, pour ce qui est de votre question concernant le Liban, o ù la situation est évidemment tr è s difficile et précaire, les procédures normales sont d'application aujourd'hui.

Sam Van Rooy:

Mevrouw de staatssecretaris, vier islamitische Palestijnen die zich jarenlang bezighielden met jihadterreur, konden gewoon in België verblijven. De screening waarover u spreekt, heeft dus gefaald. Vandaag komen duizenden Palestijnse moslims zonder probleem naar dit land. Ze kiezen voor België, omdat ze weten dat ze hun antisemitisme hier kunnen botvieren en hun islam hier wordt gepamperd en gesubsidieerd. Ze kiezen voor België, omdat een hamasorganisatie als Samidoun in dit land wordt getolereerd.

De overgrote meerderheid van de Palestijnen, namelijk 72 %, zo blijkt uit onderzoek, staat achter de bloedige, jihadistische, genocidale aanslagen van 7 oktober. 89 % van de Palestijnen is voorstander van de sharia, inclusief steniging. 66 % vindt dat wie de islam verlaat, de doodstraf moet krijgen. 40 % van de Palestijnen vindt zelfmoordaanslagen gerechtvaardigd. Bijna de helft van de Palestijnen staat negatief tegenover ons, tegenover christenen. 93 % koestert negatieve denkbeelden, antisemitische denkbeelden over joden. 87 % van de Palestijnen vindt dat de vrouw steeds moet gehoorzamen aan haar man. 67 % vindt dat een vrouw niet mag scheiden van haar man.

Kom straks dus geen krokodillentranen huilen als er incidenten gebeuren. Kom straks geen krokodillentranen huilen wanneer er jihadaanslagen worden gepleegd. Kom straks geen krokodillentranen huilen wanneer weer maar eens blijkt dat het antisemitisme toeneemt en dat joden in onze samenleving, in ons land steeds meer angst hebben.

Khalil Aouasti:

Je vous remercie, madame la ministre, pour vos réponses.

Je ne demandais pas d'entrer dans les dossiers particuliers mais de comprendre les mécanismes. Ce qui m'étonne dans les informations que vous me communiquez, c'est notamment le fait que les trois ressortissants palestiniens n'avaient pas le droit de court séjour en Belgique. D'après les informations dont nous disposons, ils étaient reconnus comme réfugiés en Grèce. Or les personnes qui sont reconnues comme réfugiées dans un pays européen et qui ont un titre de séjour dans un pays européen ont le droit, dans le cadre des territoires Schengen, de se déplacer, avec un maximum de 90 jours, dans l'espace Schengen. À partir de ce moment-là, considérer de facto que quelqu'un dont le séjour est autorisé dans un autre pays européen ne peut pas se déplacer en Belgique me paraît particulier.

Pour le reste, je n'ai pas eu d'information sur la manière dont on analysait le risque en cas de retour sur le territoire égyptien.

Enfin, en ce qui concerne les ressortissants libanais, vous avez indiqué que la procédure normale s'appliquait. Votre conception est-elle de considérer que la procédure normale est aussi une procédure digitale, comme l'exige désormais la jurisprudence belge?

Matti Vandemaele:

Mevrouw de staatssecretaris, dank u voor uw antwoorden. Ik ben blij met uw erkenning dat de situatie in Gaza echt dramatisch is.

Uitzonderlijke situaties vragen een uitzonderlijk beleid. Vandaar onze vraag naar meer soepelheid. Het is inderdaad goed dat voor gezinshereniging de digitale toegangspoort bestaat, maar gezien de huidige specifieke situatie in Gaza zou het ook een goed idee zijn om daarin eveneens te voorzien voor de humanitaire visa. We vragen om daar soepel mee om te springen.

Op mijn vraag met betrekking tot de expliciete wens van Myria om over één gecentraliseerde plek met publieke informatie te beschikken, hebt u volgens mij niet geantwoord.

Nicole de Moor:

Alle informatie staat op de website van de Dienst Vreemdelingenzaken.

Darya Safai:

Mevrouw de staatssecretaris, bedankt voor uw antwoorden. Een en ander is mij niet helemaal duidelijk. De betreffende personen komen niet uit Gaza, maar leefden al in een ander land in veiligheid. Het probleem is dat wij hen geen subsidiaire bescherming geven, maar meteen erkennen als vluchtelingen volgens de Conventie van Genève, terwijl die conventie nochtans bedoeld is voor wie individueel vervolgd wordt. Zo creëert men een aanzuigeffect. U hebt het correct benoemd: zij komen hierheen omdat ze hier vaak familie hebben of omdat hier soepele regels gelden. Dat is niet aanvaardbaar. Volgens mij kunt u beroep aantekenen bij de Raad van State om die hoge graad van erkenning tegen te gaan.

De invoering van grenscontroles om terreur tegen te gaan

Gesteld door

lijst: VB Sam Van Rooy

Gesteld aan

Alexander De Croo (Eerste minister)

op 26 september 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sam Van Rooy (Vlaams Belang) dringt aan op strenge grenscontroles zoals Duitsland, verwijzend naar terreurdreiging, illegale migranten en overvolle gevangenissen, en bekritiseert het opengrenzenbeleid dat België onveiliger en islamitischer zou maken. De Croo benadrukt dat Schengen en vrije verkeer cruciaal zijn voor de Belgische economie, accepteert *tijdelijke* Duitse controles mits proportioneel, maar waarschuwt tegen permanente grenzen die economische schade zouden veroorzaken. Hij wijst de bevoegdheid door naar Binnenlandse Zaken en hamert op Europese samenwerking. Van Rooy kaart nogmaals radicalisering en gebrek aan grensbeheer aan, met cijfers van de Veiligheid van de Staat over tienduizenden extremisten in België.

Sam Van Rooy:

Mijnheer De Croo, Duitsland houdt grenscontroles. De Duitse regering doet wat het Vlaams Belang al zovele jaren en zovele decennia vraagt aan de Belgische regering. De aanleiding daartoe was de zoveelste islamitische terreuraanslag, een dodelijke aanslag op Duits, op West-Europees grondgebied.

Ik zeg West-Europees, want zoals we allemaal weten, weet Oost-Europa veel beter om te springen met zijn grenzen dan wij in West-Europa en zeker in België. Grenscontroles, zo blijkt telkens opnieuw, maken de samenleving veiliger en redden letterlijk levens. Telkens als er grenscontroles worden gehouden, worden talloze illegalen, moslimterroristen en criminele buitenlanders onderschept.

Bovendien heeft het Duitse gerenommeerde economische instituut ifo becijferd dat het houden van grenscontroles veel minder kost aan de samenleving dan het niet houden van grenscontroles. Ook in onze andere buurlanden rijpen de geesten. Ik denk aan Nederland, met het PVV-kabinet – u kent het vast –, en de eerste minister van Frankrijk. Die stellen dat ze inderdaad nationale grenscontroles zouden willen invoeren. Toch zei uittredend minister Verlinden dat dat hier in België niet aan de orde is.

Mijnheer de premier, uittredend premier, is dat nog altijd het geval? Er zijn naar schatting 150.000 illegalen op ons grondgebied. Is dat nog niet genoeg? Zitten onze gevangenissen nog altijd niet overvol genoeg met illegale en criminele buitenlanders? Zijn er op ons grondgebied, mijnheer de premier, nog altijd niet genoeg moslimterroristen en potentiële jihadisten? Ik hoor het graag van u.

Alexander De Croo:

Mijnheer de voorzitter, u hebt goed aangegeven dat het vragenuur voor een regering in lopende zaken zekere beperkingen inhoudt qua mogelijkheden die ze nog heeft.

Mijnheer Van Rooy, de vraag die u stelt, is een bevoegdheid die in de eerste plaats bij de minister van Binnenlandse Zaken ligt. U zult zeker de gelegenheid hebben haar die vragen te stellen.

Ik heb inderdaad mijn ambtsgenoot, bondskanselier Scholz, vorige week aan de telefoon gehad, om hem over de kwestie te spreken. Duitsland is onze belangrijkste handelspartner. Een vlot verkeer tussen onze beide landen is essentieel voor onze economie. Ik heb hem aangegeven dat ik de situatie van Duitsland begrijp, alsook dat Duitsland de mogelijkheid heeft binnen de Schengenzone tijdelijke grenscontroles te houden, zolang ze juridisch voldoende onderbouwd zijn en zolang de maatregel proportioneel is.

U moet begrijpen dat België een van de landen is die het meest winnen bij het vrije verkeer in de Europese Unie. De andere landen zijn Denemarken, Nederland en Oostenrijk. Ons land leeft van het feit dat Europa één grote economische zone is. Het is in ons belang dat Schengen overleeft en dat er dus geen permanente controles komen. Die permanente controles zouden enorme schade toebrengen aan onze economie en aan het grensverkeer. Heel veel mensen in België gaan immers op dagelijkse basis om allerlei redenen van de ene naar de andere kant. Ik heb bijgevolg ook gevraagd dat er een permanent overleg zou zijn met België over de maatregelen die Duitsland heeft genomen.

Ik hoop dat ik u er niet van hoef te overtuigen dat het voortbestaan van de Europese economische zone en van het vrije verkeer van personen (…).

Voorzitter:

Mijnheer de eerste minister, ik moet er u op wijzen dat uw twee minuten spreektijd verstreken zijn. U hebt er echter terecht op gewezen – dit wil ik ten bate van alle vragenstellers nog eens herhalen – dat de huidige regering zich in de omstandigheden bevindt waarin ze zich bevindt.

Sam Van Rooy:

Mijnheer De Croo, hebt u geen grenzen aan uw woning? Loopt bij u iedereen zomaar binnen? Weet u hoeveel moslimfundamentalisten, salafisten, jihadisten, Hamasaanhangers en Hezbollahaanhangers zich ondertussen al op ons grondgebied bevinden? Ik zal het u zeggen: veel te veel! Het gaat om minstens tienduizenden! Onder uw beleid, het beleid van de vorige regering, komen er trouwens nog elke dag bij. Op ons grondgebied zijn er al 100 salafistische organisaties aanwezig. Niet ik, maar de Veiligheid van de Staat zegt dat.

Door uw ongecontroleerde grenzen, mijnheer De Croo, wordt onze samenleving steeds voller, steeds armer, steeds onveiliger en steeds islamitischer. Wees er maar trots op!

Voorzitter:

Dat was trouwens de maidenspeech van de heer Van Rooy. (Applaus) (Applaudissements)

De overbevolking van de Antwerpse gevangenis
De vervroegde vrijlatingen en het verlengd penitentiair verlof in het kader van de overbevolking
Gevangenisoverbevolking en vervroegde vrijlatingen Antwerpen

Gesteld aan

Paul Van Tigchelt (Minister van Justitie en Noordzee)

op 26 september 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De Antwerpse gevangenis kampt met extreme overbevolking (700 gedetineerden op 439 plaatsen), wat leidde tot een staking door cipiers die de deuren slotten voor nieuwe gevangenen, met risico’s voor veiligheid en justitie (zoals vrijlating van gevaarlijke verdachten). Minister Van Tigchelt claimt een tijdelijke oplossing (60 overplaatsingen, deuren heropend) en wijst op capaciteitsuitbreidingen, maar kritiek blijft hard: structurele maatregelen ontbreken, en het versoepelen van penitentiair verlof (zonder voorwaarde van "gunstig verloop") wordt gezien als zwak beleid dat de strafwaardigheid ondermijnt. De oppositie hamert op gefailleerd justitiebeleid, met loze beloftes en gebrek aan respect voor vonnissen, terwijl de crisis dreigt te escaleren. Kortetermijnfixes (politiecellen, verlofversoepeling) maskeren het falend langetermijnbeheer.

Sophie De Wit:

Mijnheer de minister, de Antwerpse cipiers zijn het beu. De gevangenis heeft slechts 439 plaatsen voor 700 gedetineerden, waardoor een aantal van hen op de grond moet slapen. Er zijn tal van incidenten en de infrastructuur laat behoorlijk te wensen over. De cipiers hebben gezegd dat het gedaan moet zijn en hebben de deuren gesloten. Men verwacht dat men de deuren dichtdoet in een gevangenis, maar de deuren werden wel gesloten voor beide kanten. Er wordt immers niemand meer binnengelaten, behalve indien een andere gedetineerde de gevangenis verlaat.

Dat is problematisch voor onze politie- en gerechtelijke diensten, zeker in Antwerpen, aangezien het daar een arresthuis betreft. Indien iemand aangehouden moet worden, dan is dat dringend en acuut. Dat gaat nu echter niet meer. Mijnheer de minister, een illegale inbreker moest hierdoor worden vrijgelaten, waarna die weer verder kan doen. Een pleger van familiaal geweld verklaarde bij zijn aanhouding zijn slachtoffer opnieuw te zullen slaan zodra hij wordt vrijgelaten. Zo iemand kan geen enkelband krijgen of onder voorwaarden worden vrijgelaten. Wat moet men daarmee dan doen?

De politie en het openbaar ministerie zoeken naar oplossingen, bijvoorbeeld door politiecellen te gebruiken, maar dat kan slechts tijdelijk soelaas bieden. Ze zitten met de handen in het haar. Andere gevangenissen geven ook niet thuis indien hun verzocht wordt om gevangenen over te nemen. Het DG EPI heeft niet meteen een oplossing en op uw kabinet vinden ze ook niet meteen een partner, maar dit is wel het resultaat van uw beleid en dat van voormalig minister Van Quickenborne. Wat nu? U beseft toch dat er hierdoor slachtoffers kunnen vallen en dat gevaarlijke mensen vrijgelaten zullen moeten worden?

Mijnheer de minister, hoe zult u dit oplossen of vindt u het allemaal prima zo?

Marijke Dillen:

Mijnheer de minister, de overbevolking in onze gevangenissen blijft maar aanslepen. Met de bouw van detentiehuizen, transitiehuizen en FPC’s zouden u en uw voorganger deze aanslepende problematiek oplossen. De gemaakte beloftes werden echter jammer genoeg niet gerealiseerd. De cipiers zijn dit meer dan beu en daarom voeren ze opnieuw acties, ditmaal in de gevangenis van Antwerpen, waar het personeel heeft beslist geen nieuwe gedetineerden meer toe te laten.

Het personeel, mijnheer de minister, heeft het gevoel actief deel te nemen aan foltering. Als gevolg daarvan neemt ook de agressie tegen de cipiers steeds extremere gevolgen aan. Met deze actie wil het personeel zeggen dat vol vol en genoeg genoeg is.

U hebt trouwens al een begin van oplossing gegeven. Helaas, mijnheer de minister, was het niet de juiste. Het penitentiaire verlof verlengen om de uitstroom uit de gevangenissen te versnellen, was namelijk in mei al gebeurd, maar dat was voor u blijkbaar nog niet voldoende. Via de media hebben we immers vernomen dat u ook dit nog eens wilt versoepelen. De voorwaarde dat men eerst een gunstig penitentiair verlof moet hebben gerealiseerd – dus een penitentiair verlof dat goed verlopen is – zou nu wegvallen. Dat is onbegrijpelijk, mijnheer de minister. Een straf moet een straf zijn. Oud-minister Van Quickenborne is hier vandaag niet, maar herinner u zijn heel straffe uitspraken, zoals "15 dagen zijn 15 dagen en moeten worden uitgezeten". Dat was allemaal in het begin van de vorige legislatuur, bij de aankondiging van uw 'straffe justitie'.

Hoe kunt u deze maatregel verantwoorden? Hoe zult u garanderen dat deze vervroegd vrijgelatenen goed zullen worden opgevolgd? Ook daar loopt het immers dikwijls mis.

Paul Van Tigchelt:

De gevangenis van Antwerpen heeft afgelopen maandag, vier dagen geleden, de deuren gesloten. De eis van de cipiers was dat de bevolking moest zakken tot 600 gedetineerden. Er verbleven op dat ogenblik iets meer dan 660 gedetineerden. Zoals we hebben begrepen, was dat een spontane actie van het personeel, waarvoor ik als verantwoordelijke minister begrip heb.

We hebben sindsdien, in overleg met de vakbonden en het personeel van de gevangenis van Antwerpen, maatregelen genomen om de gevangenis te ontlasten. Ik had dat ook gezegd. In totaal zijn er sinds maandag meer dan 60 gedetineerden overgebracht naar andere gevangenissen. Gisteren, woensdag, werden er bijvoorbeeld nog 34 overplaatsingen uitgevoerd in samenwerking tussen het gevangeniswezen, de federale politie en de directie Beveiiging (DAB). Ik wil hen daarvoor bedanken, want dat is geen evidente operatie.

Sinds gisteravond, woensdagavond dus, zijn de deuren weer geopend en kunnen er opnieuw aangehouden verdachten worden ondergebracht in de Begijnenstraat. Er zijn intussen geen verdachten in vrijheid gesteld als gevolg van dit probleem.

Wat u hebt aangehaald, mevrouw De Wit, klopt. Er zijn inderdaad afspraken gemaakt met de politie om sommigen – tijdelijk – langer dan voorzien in een politiecel onder te brengen. Dat gebeurde dus uitzonderlijk en dat moet zo blijven.

De voorbije legislatuur hebben we, zoals u weet, de capaciteit fors verhoogd. We moeten die nog opdrijven voor onder meer de detentiehuizen. We hebben ook maatregelen getroffen om het plaatstekort aan te pakken.

Mevrouw Dillen, u verwijst naar het penitentiaire verlof. We zijn een regering in lopende zaken. Ik neem dus geen nieuw beleid, maar pas het bestaande beleid toe. Sinds maart passen we de regeling voor het verlengde penitentiaire verlof (VPV) aan. Dat is een bestaande techniek. Het is de bedoeling dat de gedetineerde dat penitentiaire verlof gebruikt om zich voor te bereiden op het strafeinde. Dat verlof wordt geëvalueerd en kan worden ingetrokken, als de gedetineerde zich niet aan de regels houdt.

Sophie De Wit:

Mijnheer de minister, dank u voor uw antwoord, al is het wel een beetje pappen en nathouden. Dankzij de inspanningen van het personeel zelf is er sinds gisteren opnieuw wat plaats, al zegt het personeel dat 630 het maximum is en dat daarna de deuren opnieuw onherroepelijk dichtgaan. Momenteel zitten er bij de onderzoeksrechter al 14 personen klaar. Een halve dag later zitten we dus al aan de helft. Dit is geen oplossing. U brengt niet alleen de veiligheid, maar ook het gerechtelijke en politionele werk in gevaar.

Als we evolueren naar een land waar er eerst iemand buiten moet – die al gevaarlijk werd geacht – alvorens er weer iemand naar binnen kan, dan is het hek helemaal van de dam. Dan heeft het beleid gefaald. Dan hebben u en uw voorganger met heel veel loze beloftes een departement in volle crisis achtergelaten. Ik herhaal wat ik vorige week al heb gezegd: wat een puinhoop!

Marijke Dillen:

Mijnheer de minister, ik heb geen antwoord gekregen op mijn vraag of de regels nu versoepeld worden door de voorwaarde van eerst een gunstig penitentiair verlof te hebben doorlopen. Ik stel vast dat het in ons land blijkbaar veel gemakkelijker is om de gevangenis te verlaten dan erin te worden opgesloten. U zult dat nu opnieuw vergemakkelijken door die veranderingen in het penitentiaire verlof in het kader van de bestrijding van de overbevolking. Dat getuigt niet van respect voor de uitspraken van onze strafrechters. Dat getuigt niet van een krachtdadige of straffe justitie waar uw voorganger, en nu ook u, steeds de mond van vol had. Dat is niet de oplossing waar de burger op zit te wachten.

De vrees voor mogelijke politieke druk op corruptiespeurders

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)

op 26 september 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De Ecolo-Groen-fractie kaart aan dat de Centrale Dienst voor Corruptiebestrijding instructies kreeg om processen-verbaal niet rechtstreeks aan het parket, maar aan een hiërarchische chef te bezorgen, wat politieke invloed op gevoelige dossiers (zoals *Qatargate*) dreigt – een bedreiging voor onafhankelijk politiewerk. Minister Van Tigchelt ontkent kennis van de instructie, benadrukt dat het parket bevoegd is voor dergelijke richtlijnen (niet de minister) en wijst erop dat samenwerking tussen politie en parket gebruikelijk is, maar belooft geen verdere actie zonder concrete bewijzen. Vandemaele houdt vol dat meerdere bronnen het verhaal bevestigen en eist vervolgonderzoek, gezien twee derde van de Belgen corruptie als een ernstig probleem ziet – onafhankelijkheid van corruptiebestrijders moet absoluut gewaarborgd blijven. De kernkwestie – politieke sturing vs. autonomie bij corruptieonderzoeken – blijft onopgelost.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, voor de Ecolo-Groenfractie is het duidelijk: speurders die werken rond corruptie moeten dat in alle onafhankelijkheid kunnen doen.

Wat is nu het vreemde voorval? Een aantal weken geleden kreeg de Centrale Dienst voor de Bestrijding van Corruptie de instructie om processen-verbaal niet langer rechtstreeks aan het parket te bezorgen, maar wel aan een rechtstreekse chef. Nochtans is elke officier bij de gerechtelijke politie verplicht om meldingen van strafbare feiten door te sturen aan het parket. De betrokken medewerkers spreken zelfs van "een poging om meer politieke controle te krijgen over erg gevoelige dossiers". Dat moeten we toch even goed tot ons laten doordringen, want dat zijn voor mij heel zware woorden.

Mijnheer de minister, het baart mijn fractie en mijzelf zorgen dat net een afdeling die werkt op politiek gevoelige dossiers de instructie krijgt om over te gaan tot een getrapte melding aan het parket. Het is onbegrijpelijk dat die dienst, die bijvoorbeeld werkt rond Qatargate, op die manier te werk moet gaan. Het is voor de Ecolo-Groenfractie een no-brainer dat we er alles aan moeten doen opdat onze politiediensten die werken rond corruptiebestrijding hun werk in alle onafhankelijkheid kunnen doen.

Ik heb drie vragen. Ten eerste, bent u op de hoogte van die instructie? Ten tweede, bent u het met mij eens dat die instructie kwaliteitsvol politiewerk, dat ook vertrekt vanuit onafhankelijkheid, onmogelijk maakt? Ten derde, wat zult u doen om dat probleem te verhelpen? Ik kijk uit naar uw antwoord.

Voorzitter:

We kijken trouwens allemaal uit naar het antwoord. We zitten op onze stoel genageld.

Paul Van Tigchelt:

Mijnheer Vandemaele, uw vraag is pertinent. Ik heb dat artikel in de krant ook gelezen. Ik wil u vragen om u ervoor te hoeden verregaande conclusies te trekken op basis van een krantenartikel waarin anonieme bronnen worden geciteerd. Het gaat hier blijkbaar om een dienstinstructie aan de Centrale Dienst voor de Bestrijding van Corruptie, uitgaande van de hiërarchische overste DJSOC. SOC staat daarbij voor Serious and Organised Crime. Ik heb die nota niet gezien. Meer zelfs, ik was er niet van op de hoogte. Wij hebben er ook niet om gevraagd.

Het geven van instructies met betrekking tot het strafrechtelijk optreden van politiediensten, wanneer bijvoorbeeld een proces-verbaal moet worden opgesteld, is een prerogatief van het openbaar ministerie. Dat gaat over het vervolgingsbeleid. We kunnen de artikelen in de wet op het politieambt daarop nalezen. De minister van Justitie komt daarin niet tussen. Toevallig ken ik daarvan iets, als voormalig magistraat. Als voormalig magistraat weet ik ook dat het beleid inzake het opstellen van processen-verbaal door gespecialiseerde politiediensten meestal besproken en overlegd wordt met het parket. Daar is op zich niets bijzonders aan. De meeste parketten hebben zulke instructies.

De Centrale Dienst voor de Bestrijding van Corruptie is een belangrijke dienst. Die dienst staat onder rechtstreeks toezicht van het federaal parket, dat staat in het Wetboek van strafvordering. Het federaal parket maakt daarover een verslag. Dat verslag wordt aan de wetgevende kamers bezorgd. Ik heb dat nog doorgestuurd op 8 december 2022.

Ten slotte, quod erat demonstrandum, wie heeft het dossier waarnaar u verwijst, zijnde het vermeende corruptieschandaal in het Europees Parlement, aan het licht gebracht? Dat waren onze diensten.

Matti Vandemaele:

Dank u voor uw antwoord, mijnheer de minister. Sinds ik mijn vraag ingediend heb, hebben er al verschillende mensen mij gecontacteerd met extra informatie. Die mensen bevestigen dat verhaal. Ik vind dus dat meer onderzoek in deze zaak noodzakelijk is. Ik wil er ook op wijzen dat, volgens de laatste eurobarometer, twee derde van de bevolking in ons land corruptie een wezenlijk probleem vindt.

We mogen daar dus absoluut niet licht over gaan. We moeten er alles aan doen om onze politiediensten, die in heel grote mate, in hoofdzaak, absoluut goed en onafhankelijk werk leveren, de mogelijkheid te geven om dat ook in de toekomst te blijven doen. Zodra er signalen zijn dat er een probleem zou kunnen zijn, is het onze plicht om in te grijpen en te onderzoeken of de onafhankelijkheid al dan niet in het gedrang komt. Ik hoop alvast dat u dat samen met mij zult opvolgen, zodat we kunnen garanderen dat onze politiemensen op een kwaliteitsvolle en onafhankelijke manier kunnen werken.

Voorzitter:

Dank u wel, collega. Op uw beurt hebt u hier voor de eerste keer een vraag gesteld. (Applaus) (Applaudissements) Dat weekt terecht applaus los.

De onveiligheid in en rond het station Brussel-Zuid
De drugsproblematiek in de steden
De veiligheid in het station Brussel-Zuid
Veiligheidsproblemen in Brussel-Zuid en stedelijke drugsproblematiek

Gesteld aan

Georges Gilkinet, Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)

op 26 september 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De politiepost in Brussel-Zuid, beloofd na geweldsincidenten en drugsoverlast, is na een jaar nog steeds niet gerealiseerd, ondanks 22 aangekondigde maatregelen, wat kritiek uitlokt op trage uitvoering en gebrek aan concrete planning. Minister Verlinden benadrukt een multidisciplinaire aanpak (repressie, preventie, nazorg) met 500 miljoen extra investeringen in veiligheid, versterkte politiecapaciteit en internationale samenwerking, maar erkent dat lokale besturen en regionale overheden hun verantwoordelijkheid moeten nemen voor structurele oplossingen (huisvesting, gezondheidszorg, armoedebestrijding). Drugsoverlast en geweld in stationsomgevingen (o.a. openlijke drugshandel, messenincidenten) blijven acute problemen, ondanks cijfermatige successen (recordinbeslagnames cocaïne, 2.130 gevangenisjaren voor drugscriminaliteit in 2023), terwijl lokale besturen om meer bevoegdheden en financiering vragen voor ketenaanpak en bestuurlijke handhaving. Vertraging en coördinatietekorten tussen federale, regionale en lokale overheden ondermijnen het vertrouwen in de beloften, met name bij NMBS-personeel en reizigers die dagelijks met onveiligheid geconfronteerd worden.

Frank Troosters:

Mevrouw de minister, ik neem u mee naar een dik jaar geleden in de tijd. Toen strandde een Antwerps gezin 's avonds laat met de trein in het station Brussel-Zuid. Bij het verlaten van het station werd het gezin geconfronteerd met zeer harde feiten van geweld, waarbij de messen in het rond vlogen.

Daarover ontstond toen heel veel ophef in de pers. Daar was veel over te doen, en bij uitbreiding ook over de criminaliteit in dat station en over de verloedering errond. Het bleef voor de politici dit keer niet bij het spreekwoordelijk veroordelen van de daders en bij gespeelde verontwaardiging, er zou eindelijk iets gebeuren. Het was de eerste minister, Alexander De Croo, die het dossier naar zich toe trok. Hij verzamelde iedereen die iets met het dossier te maken had rond zich en men kwam tot een groot actieplan.

Er werden 22 maatregelen aangekondigd. Eén essentiële maatregel was dat in het station Brussel-Zuid een politiepost zou worden opgericht. Vlaams Belang was daar heel blij mee. Wij zijn absoluut voorstander van handhaving. Wij zijn voorstander van een harde aanpak van criminaliteit. We hebben in het Parlement zeer veel vragen gesteld over de onveiligheid bij het spoor. Ik heb u regelmatig bevraagd over de spoorwegpolitie.

We waren dus blij en we keken hoopvol uit naar die politiepost. Nu, een dik jaar later, stellen we echter vast dat die politiepost er nog steeds niet is. We zijn daar uiteraard niet vrolijk om. We vinden het een beetje jammer. Dat is de reden waarom ik van u, mevrouw de minister, wil horen hoe dat komt. Waarom is die politiepost er nog niet? Wat zijn de redenen voor de vertraging?

Wanneer zal die post er wel zijn? De NMBS kondigde hem eerst aan voor het einde van de zomer, maar geeft nu geen duidelijkheid meer. De NMBS spreekt nu van "over enkele weken." Kortom, wanneer komt die post er?

Tot slot, wat voor post zal dat zijn? Gaat het echt om een volwaardige post, die liefst permanent bemand wordt, of zal het eerder een soort onthaalpost van de politie zijn?

Franky Demon:

Mevrouw de minister, mannen staan op de Brusselse pleintjes aan te schuiven om drugs te kopen, zoals u en ik ’s zondags staan aan te schuiven bij de bakker. Ook de stationspleinen in onze steden worden geteisterd door drugsdealers, die als het ware van het ene naar het andere station gaan. Er is overlast door gebruikers en er zijn veel te goedkope en diverse drugs. Al die zaken gebeuren aan de stations in onze steden.

Dit zette de cd&v-burgemeester van Roeselare, Kris Declercq, ertoe aan een brief te schrijven aan de formateur. Daarin vroeg hij een betere toepassing van het snelrecht, meer bestuurlijke bevoegdheden voor de burgemeesters, een adequatere financiering van de lokale politie, een betere aanpak van wachtlijsten voor verslavingszorg en een betere spreiding van dag- en nachtopvang. Cd&v vindt een ketenaanpak met samenwerking tussen politie, Justitie en gezondheidszorg belangrijk. Dat is de afgelopen legislatuur zeer veel gebeurd, bijvoorbeeld door de toename van het aantal politiemensen, de bestuurlijke handhaving en de oprichting van het nationaal drugscommissariaat.

Ook onze burgemeesters zijn creatief. In mijn stad, Brugge, werd deze week beslist om een alcoholverbod voor de volledige stationsomgeving in te voeren. De ingeslagen weg moet verder worden gevolgd. Cd&v pleit dan ook voor een soort toolbox voor de lokale besturen om krachtdadiger te kunnen optreden. In de tijd van lopende zaken, terwijl we op een nieuwe regering wachten, heb ik hierover maar één vraag.

Mevrouw de minister, hoe kunt u er samen met uw collega-ministers voor zorgen dat de lokale besturen beter worden geholpen in de strijd tegen drugs?

Ridouane Chahid:

Madame la ministre, la gare du Midi occupe tristement l'actualité depuis plusieurs mois. Je ne vous ferai pas l'affront ici de vous rappeler quelles sont les compétences de l'État fédéral et de la ministre de l'Intérieur que vous êtes pour garantir la sécurité au sein des gares, qu'elles soient à Bruxelles ou ailleurs. Malheureusement, l'État fédéral a abandonné la gare du Midi; il n'y a aujourd'hui quasi aucune présence de l'État fédéral au sein de la gare du Midi.

Madame la ministre, il y a quelques mois, le premier ministre a réuni un certain nombre d'acteurs pour apporter des solutions afin de garantir la sécurité au sein de la gare du Midi. Quelles sont les suites de cette initiative et des mesures qui ont été annoncées? Quels moyens humains et financiers avez-vous débloqués afin d'apporter des solutions structurelles pour garantir la sécurité au sein de la gare du Midi? Qu'en est-il du commissariat sur place et du recrutement?

Enfin, on dit que la gare du Midi a un statut international, tout comme l'aéroport de Bruxelles-National. Quand allez-vous mettre les mêmes moyens qu'à Bruxelles-National pour garantir la sécurité au sein de la gare du Midi?

Voorzitter:

Dan geef ik het woord aan de minister, die vijf minuten de tijd krijgt voor haar antwoord omdat er drie vraagstellers zijn.

Annelies Verlinden:

Mijnheer de voorzitter, dank u voor uw generositeit.

Uiteraard is de aanpak van overlast en drugsgeweld breder dan alleen de stationsomgevingen. Ik zal zo volledig mogelijk proberen te antwoorden.

U weet dat de strijd tegen drugshandel en drugsgerelateerd geweld in de voorbije legislatuur een absolute prioriteit voor de regering is geweest. Ik vind dat ook de volgende regering voldoende middelen en capaciteit moet vrijmaken om die strijd te blijven voeren, zowel voor de versterking van de federale politie als voor de versterking van de lokale politie, om ervoor te zorgen dat ook die lokale politiekorpsen voldoende mensen en middelen hebben om de overlast tegen te gaan. Dat is ook de reden waarom we het voorbereidend werk voor een herfinanciering van de lokale politiezones hebben gedaan. Voor mij maken de budgetten en de nieuwe tabellen voor een volgende legislatuur zeker deel uit van die afspraken.

Er is in de hele problematiek van drugs en overlast voor mij maar één aanpak die kans van slagen heeft en dat is een multidisciplinaire aanpak, want met meer repressie alleen zullen we er niet komen. Er moet ook preventie zijn en er moet nazorg gebeuren. Dat betekent dat alle verschillende beleidsdomeinen, ook die van de regionale en de gemeenschapsbevoegdheden, mee aan boord moeten zijn in de aanpak van dat grootstedenbeleid. Het gaat over huisvesting, over armoede, over kansarmoede, over jeugdzorg, over onderwijs, over gezondheidszorg. Alle aspecten zijn nodig om die verslavingsproblematiek aan te pakken.

Het is misschien af en toe stoer om te praten over strengere straffen, maar ik denk dat we dweilen met de kraan open als we niet ook die andere elementen bekijken en als lokale en regionale besturen daarin hun verantwoordelijkheid niet nemen. Het is niet alleen de federale politie die bijvoorbeeld de problematiek in Brussel-Zuid kan oplossen.

We hebben er ook een speerpunt van gemaakt. België heeft dit punt tevens hoog op de internationale agenda gezet. We hebben met Justitie en Binnenlandse Zaken maar liefst 500 miljoen euro extra in veiligheid geïnvesteerd. We hebben zeer kordaat opgetreden tegen onder meer de internationale drugscriminaliteit.

We hebben eveneens de federale gerechtelijke politie versterkt en het Havenbeveiligingskorps opgericht, om ervoor te zorgen dat de instroom vanuit een logistieke hub in Antwerpen beter kan worden tegengehouden. We hebben het Nationaal Drugscommissariaat opgericht, dat al met enkele concrete projecten gekomen is. Daarnaast hebben we geïnvesteerd op het gebied van cryptocurrency, zoals bitcoins, om ervoor te zorgen dat we die follow-the-value -aanpak kunnen waarmaken.

We hebben daarenboven geïnvesteerd in internationale samenwerking – de Ports Alliance – om ook te kunnen samenwerken met de private sector. Dat is ontzettend belangrijk, want zij hebben natuurlijk ook veel informatie die ons kan helpen. We hebben meer verbindingsofficieren van de politie in het buitenland, zodat we boots on the ground hebben, ook in Latijns-Amerika, en kunnen samenwerken met de verschillende veiligheidsdiensten en alle mogelijke relevante informatie te delen.

Tot slot hebben we – dat heeft bloed, zweet en tranen gekost, dat moet ik niet verhullen – de wet houdende bestuurlijke handhaving goedgekeurd. Die is nu beschikbaar voor onze lokale besturen, waardoor zij ook op die manier preventief meer tools in handen hebben om overlastzaken of zaken waar crimineel geld wordt witgewassen te kunnen sluiten of minstens de activiteiten te kunnen schorsen.

We hebben met de cijfers van 2023 gezien dat al die inspanningen lonen. De cijfers voor 2023, bijvoorbeeld van de inbeslagname van cocaïne, zijn eerder indrukwekkend, net als de cijfers van het aantal arrestaties en de uitgesproken celstraffen. Zo zijn er in 2023 maar liefst 4.087 nieuwe onderzoeken gestart, gericht op de georganiseerde criminaliteit. Er werd in totaal 213.670.000 euro in beslag genomen in lopende onderzoeken. Verder is 24,8 % van de onderzoekscapaciteit van de federale politie gegaan naar dossiers met betrekking tot de georganiseerde drugscriminaliteit. Dat wil zeggen dat vandaag in ons land één speurder op vier bij de federale politie zich bezighoudt met drugscriminaliteit en georganiseerde misdaad. Er zijn in totaal 2.130 jaren gevangenisstraf uitgesproken voor drugsgerelateerde feiten, wat overeenkomt met ongeveer 45 % van het aantal opgelegde jaren gevangenisstraf voor onderzoeken uitgevoerd door de federale politie.

Ik ben het helemaal met u eens, mijnheer Demon, dat we daarmee moeten voortgaan. Lokale besturen moeten goed worden uitgerust en daarom moeten de korpsen ook voldoende groot en gefinancierd zijn. Dat is belangrijk.

Ik wil ook nog even ingaan op het Zuidstation. We hebben de leefbaarheid vorig jaar aangepakt omdat het duidelijk werd dat de gemeente en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest een noodkreet slaakten binnen hun bevoegdheden om de leefbaarheid te garanderen. We hebben onmiddellijk gehandeld. We hebben niet geaarzeld. Het Nationaal Crisiscentrum heeft actieplannen gemaakt op verschillende domeinen. (…)

Frank Troosters:

Mevrouw de minister, een jaar geleden ondervroeg ik uw collega van Mobiliteit, minister Gilkinet, hier over een steekincident op de trein in Brussel-Zuid. Op het moment waarop ik hier de vraag stelde, vond er een nieuw incident plaats in het station Antwerpen-Centraal, waarbij een vrouw werd neergestoken. Dat gebeurde enkele weken na een steekincident dat had plaatsgevonden in het station van Hasselt.

Wat is er op een jaar tijd veranderd? De feiten zijn veelzeggend. In Brussel-Zuid heeft er minder dan een week geleden een incident met een mes plaatsgevonden. Het NMBS-personeel heeft uit protest de loketten een tijd gesloten. Er zijn daar daklozen, illegalen, mensen met een drugsproblematiek. Er gebeuren diefstallen, al dan niet met fysiek geweld. Dat is daar schering en inslag. De mensen staan erbij en kijken ernaar. Zoals het spreekwoord zegt, veel beloven en weinig geven, doet de zotten in vreugde leven. Dat is wat de vivaldiregering heeft gedaan. Het NMBS-personeel en de treinreizigers hebben daar niets aan.

Franky Demon:

Mevrouw de minister, de drie recepten zijn duidelijk. Eerst en vooral gaat het om de ketenaanpak, waarbij gezondheidszorg, politie en Justitie samenwerken. Een tweede punt is de lokale besturen meer slagkracht en meer bestuurlijke handhaving geven. Het derde punt is de financiering waarover u het hebt gehad. Het is uiterst belangrijk dat die kan worden doorgevoerd, want kleine steden smeken bijna om hulp voor acties tegen geweld en drugsgeweld.

Ridouane Chahid:

Madame la ministre, je vous remercie d'avoir essayé d'apporter des réponses à mes questions, même si je n'en ai pas obtenu.

Je vous rappellerai simplement que nous nous étions rencontrés en novembre 2022 dans ma commune, puisqu'un de nos policiers avait été lâchement abattu alors qu'il effectuait sa ronde à la gare du Nord. Je n'ai pas envie que cela se reproduise à la gare du Midi. Oui, les communes doivent disposer de moyens parce que ce sont elles qui, aujourd'hui, suppléent au manque d'investissement de l' É tat fédéral.

Voorzitter:

Je précise que le collègue Chahid a, lui aussi, posé sa première question en séance plénière. (Applaudissements) (Applaus)

De veiligstelling van onze energiebevoorrading naar aanleiding van het rapport van Elia
De energiemix van de toekomst
Het rapport van Elia over de energiebevoorrading en de energiemix in de toekomst
Het rapport van Elia
Energiebeleid voor de toekomst volgens Elia

Gesteld aan

Tinne Van der Straeten

op 26 september 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Het Elia-rapport waarschuwt dat België tegen 2050 onvoldoende elektriciteit zal produceren om aan de verdubbelde vraag te voldoen, ondanks investeringen in windenergie, waterstof en kernverlenging (Doel 4/Tihange 3). Van der Straeten (minister) benadrukt dat de korte termijn (tot 2035) beheerst is dankzij genomen maatregelen, maar wijst op flankerend beleid (elektrificatie, betaalbaarheid, interconnectie) als cruciale opgave voor de volgende regering—zonder nucleaire nieuwe bouw, maar met focus op 100% hernieuwbaar. Oppositie (cd&v, MR, Vooruit) dringt aan op kernenergie (SMR’s, 20 jaar verlenging) als onmisbare schakel voor betaalbare, veilige en CO₂-arme energie, naast hernieuwbaar, om afhankelijkheid van import te voorkomen. De Smet (Vivaldi-kritiek) stelt dat gebrek aan langetermijnstrategie (door politiek getouwtrek) België kwetsbaar maakt—actie nu is essentieel om energie-onafhankelijkheid na 2050 te garanderen.

François De Smet:

Madame la ministre, Elia, le gestionnaire de réseau, a publié récemment un rapport assez inquiétant sur notre autonomie énergétique à l'horizon 2050. Ce rapport est inquiétant et même cinglant parce qu'il pointe l'absence de stratégie à long terme de tous les gouvernements qui se sont succédé depuis vingt ans, en ce compris la Vivaldi. L'équation, nous la connaissons. Nos besoins en énergie vont globalement baisser de 20 à 45 %, du moins l'espère-t-on, mais cela va aller de pair avec une augmentation de nos besoins en électricité qui vont plus que doubler.

Alors, soyons de bon compte: vous avez évidemment travaillé. On peut citer le triplement de l'offre en éoliennes offshores, les investissements en hydrogène, la prolongation des deux réacteurs nucléaires, même si vous pourrez reconnaître qu'il a fallu un petit peu insister, et qu'il a fallu que la Russie envahisse un petit peu l'Ukraine. Mais nous savons tous que ces investissements, d'après le rapport d'Elia, ne seront pas suffisants, même en y ajoutant de la sobriété, de la modération. Ils ne seront pas suffisants pour rester autonomes. Nous avons donc le choix: soit nous nous résolvons à acheter de l'électricité après 2050, de manière constante, soit nous investissons davantage, ce qui nous renvoie, je crois, au fait que le nucléaire de nouvelle génération n'est pas juste une variable d'ajustement mais un véritable investissement nécessaire.

Mes questions sont simples, madame la ministre. Comment recevez-vous ce rapport? Quelles conclusions en tirez-vous concernant l'action passée et l'action à venir? Ces considérations ne vous font-elles pas un tout petit peu changer d'avis quant à vos convictions personnelles sur le nucléaire? Je ne parle pas de la prolongation des réacteurs, mais bien du nucléaire de nouvelle génération.

Tine Gielis:

Mevrouw de minister, we hebben de blauwdruk 2035-2050 van Elia met heel veel interesse gelezen, maar daarin weinig verrassend nieuws gevonden. Slechts de helft van wat onze burgers en bedrijven nodig zullen hebben door de elektrificatie wordt voorzien via de bestaande infrastructuur en de besliste en geplande investeringen. Nochtans weten we allemaal dat de elektriciteitsvraag de komende jaren alleen zal toenemen en zelfs verdubbelen tegen 2050. Dat wordt dus een gigantische uitdaging.

Er zijn de voorbije jaren wel stappen gezet, zoals de uitbreiding van de windcapaciteit op zee en de beslissing om de levensduur van de kerncentrales van Doel 4 en Tihange 3 met 10 jaar te verlengen, maar zoals we ook in het rapport kunnen lezen, is dat volgens Elia niet voldoende om ons voor te bereiden op de toekomst.

Om die reden pleit cd&v voor een langetermijnvisie en een stappenplan om ervoor te zorgen dat het licht effectief blijft branden. De energiemix van de toekomst is voor ons een slimme combinatie van hernieuwbare en nucleaire productie. Er zijn voor ons geen taboes en wij pleiten ervoor om de levensduur van de twee jongste kerncentrales niet met 10 jaar maar met 20 jaar te verlengen en om de bouw van nieuwe centrales mogelijk te maken. Dat was niet mogelijk in de voorbije legislatuur, wat we jammer vinden. Er moet immers nog veel gebeuren om onze energiebevoorrading in de toekomst duurzaam, zeker en betaalbaar te houden. Elia legt daarvoor verschillende scenario's op tafel.

Mevrouw de minister, u hebt zeker stappen gezet, maar die blijken niet voldoende te zijn. Welke stappen zult u nog zetten om de lopende dossiers tot een goed einde te brengen? Welke voorbereidingen zult u uw opvolger nalaten?

Oskar Seuntjens:

Mevrouw de minister, betaalbare energie en de zekerheid dat er stroom uit het stopcontact komt zouden vanzelfsprekend moeten zijn, maar zijn dat helaas niet. Veel mensen hebben meegemaakt wat er gebeurt als de energiefactuur dreigt te ontploffen, als ze voor de keuze staan om hun huis te verwarmen of niet of misschien wat minder. Het is voor ons heel erg belangrijk dat de mensen dan worden beschermd, door een btw-verlaging, door het sociaal tarief te versterken, door in energiecheques te voorzien voor mensen die anders uit de boot dreigen te vallen. Energie is een basisrecht of zou dat toch moeten zijn.

Collega's, laten we echter eerlijk zijn, we stonden toen voor een crisis die we niet hadden zien aankomen. Niemand wist dat er een oorlog zou plaatsvinden op Europees grondgebied. De vraag is nu anders. Wat als we wel weten dat er een crisis dreigt aan te komen? Wat als we wel weten dat onze energieonafhankelijkheid op het spel staat, zoals Elia bijvoorbeeld zegt? Hebben we dan ook een sterke overheid die ons beschermt, of hebben we een overheid die niets doet, waardoor we terug afhankelijk worden van andere landen, waardoor we onze burgers in onzekerheid storten en de energiefacturen terug dreigen op te lopen?

Collega's, we kunnen dat aanpakken, maar dan moeten we nu actie ondernemen. Het rapport van Elia zegt immers heel duidelijk dat het onze samenleving het meest gaat kosten wanneer we niets doen. Dat toont nogmaals het belang aan van investeringen, zodat we kunnen garanderen dat energie betaalbaar, duurzaam en veilig is.

Mevrouw de minister, de regering is in lopende zaken, maar de uitdagingen zijn niet nieuw. Welke stappen hebt u nu gezet om de waarschuwingen van Elia ter harte te nemen en welke stappen kunnen we nog zetten?

Mathieu Bihet:

Madame la ministre, monsieur le président, chers collègues, Elia publie son étude intitulée "Blueprint", qui a le mérite de fixer et d’objectiver certaines variables. Nous nous en réjouissons. Néanmoins, cette étude définit également différents scénarios qui nous rendent vulnérables vis-à-vis des autorités des pays étrangers.

Mais il y a un plus. Un plus indéniable, car dans les différents scénarios mis en place dans cette étude, la place du nucléaire – même un nouveau nucléaire ou un nucléaire un peu plus cher – rend l’électricité beaucoup plus abordable pour nos concitoyens.

Madame la ministre, je ne serai pas plus long, je n’ai qu’une question: ne regrettez-vous pas d’avoir tant et tant empêché le développement du nucléaire en Belgique?

Voorzitter:

Mevrouw de minister, u hebt vijf minuten spreektijd om te reageren op de vragenstellers.

Tinne Van der Straeten:

Collega’s, ik dank u voor de diverse vragen. Ik dank ook de nieuwe leden voor hun eerste vragen, namelijk de heer Seuntjens, mevrouw Gielis en de heer Bihet.

M. Bihet, non, je ne regrette rien.

Collega’s, Elia heeft inderdaad dat rapport gepubliceerd, waaruit we twee zaken leren. Ten eerste leren we uit het rapport dat wanneer we bekijken wat er tijdens de voorbije regeerperiode is gebeurd en wanneer we de eerstkomende tien jaar bekijken, er moet worden vastgesteld dat de situatie onder controle is. Dat is zo omdat er de voorbije regeerperiode stappen vooruit zijn gezet op het vlak van het garanderen van de bevoorradingszekerheid. U hebt daarnaar verwezen. U hebt verwezen naar drie keer meer wind op zee. U hebt ook verwezen naar de levensduurverlenging van Doel 4 en Tihange 3.

Ik zou daaraan graag nog de batterijen willen toevoegen, waarop we sterk hebben ingezet, waardoor we nu frontloper zijn. Ik zou daar ook de akkoorden aan willen toevoegen die we met andere landen hebben gesloten om samenwerkingen op poten te zetten op het vlak van energie, zowel inzake waterstof als inzake wind op zee. Het is niet bij gewoon plannen, beloftes of verklaringen gebleven. Een en ander is telkens ook gebeiteld in concrete dossiers en in een concrete aanpak.

U hebt mij gevraagd wat ik nog zal doen tijdens de periode van lopende zaken en of ik de dossiers verder zal implementeren en afwerken. Het dossier van ENGIE moeten we nog voorbij de Europese Commissie en voorbij de goedkeuring voor staatssteun krijgen. We liggen ter zake op koers om, zoals we altijd hebben aangegeven, voor of rond eind 2024 de goedkeuring te kunnen krijgen, zodat de eerste kilowattuur van de twee nieuwe centrales opnieuw op het net komt in september en november 2025. Het plan is om op 28 oktober 2024 de veiling te lanceren voor de eerste 700 megawatt, zijnde de elektriciteit die onze burgers nodig hebben en die ook onze industrie nodig heeft. We zullen ook nog werk maken van de eerste batterijveiling, waarvoor de voorbereidingen nu lopen.

Wat blijft er dan over voor de volgende regering? Eerst en vooral moet die ervoor zorgen dat de elektrificatie er effectief komt. Zonder flankerend beleid zal de elektrificatie er immers niet komen.

Wat zal er bijvoorbeeld gebeuren met de accijnzen? Zal elektriciteit effectief goedkoper worden, om een push te geven aan onze industrie en aan onze gezinnen? Komt er effectief meer elektriciteit, zodat we minder gas en minder fossiele brandstoffen nodig hebben?

De volgende regering moet ook verder de interconnectie met het buitenland verwezenlijken en zij moet ervoor zorgen dat de elektrificatie, de energietransitie, de energierevolutie, zoals de heer Seuntjes al gezegd heeft, effectief toegankelijk is voor iedereen.

Ik denk dan aan bedrijven als ArcelorMittal, dat zijn investeringen voor een elektrische hoogoven in Gent niet graag zal verspillen. Die investeringen leveren immers heel veel jobs op. Ik denk ook aan de gezinnen, waarvan 20 % hun energiefactuur vandaag moeilijk kunnen betalen. De nieuwe regering moet zorgen voor een rechtvaardige transitie en zij moet er ook voor zorgen dat elektriciteit goedkoop is en betaalbaar voor iedereen. Dat zal één van de grootste uitdagingen zijn, niet alleen voor de regering, maar ook voor het hele Parlement.

Energie is in de voorbije jaren altijd een dossier geweest – en zal het in de komende jaren ook zijn –- waarover we in het Parlement met elkaar moeten praten, meerderheid en oppositie samen.

Tot slot, de belangrijkste conclusie van dit rapport is voor mij dat de uitdaging groot is, maar ik heb in de afgelopen drieënhalf jaar geleerd dat, als men die uitdaging met twee handen vastpakt, men er ook in kan slagen. We moeten dus niet fatalistisch zijn, we moeten wel optimistisch zijn. We moeten ons laten leiden door de juiste dogma's. We moeten telkens kiezen voor de veiligste, de betrouwbaarste en de goedkoopste optie. Er zijn in dit land verschillende technologieën. Het is telkens het afwegen van die drie zaken dat de juiste weg zal aangeven.

Sommigen in dit halfrond hebben voor nucleaire energie of een combinatie met nucleaire energie gepleit. Mijn route voorziet in 100 % hernieuwbare energie. Wel, laten we de volgende vijf jaar praten over de veiligste, de betrouwbaarste en de goedkoopste optie, met de laagste systeemkost voor elektriciteit die elke dag uit het stopcontact komt.

François De Smet:

Madame la ministre, je vous remercie pour votre réponse.

En ce qui me concerne, ce ne sont pas les dix ans à venir qui m’inquiètent. Effectivement, le travail a été fait et est à peu près sous contrôle, tant sur le plan du renouvelable que sur le plan des investissements ou du nucléaire, grâce à la prolongation de dix ans, même si cette prolongation aurait dû être de vingt ans et qu’il faudra, selon moi, corriger cela.

Le gouvernement Vivaldi, à cause de sa composition – parce que vous aviez des partis qui tiraient dans tous les sens, que ce soit sur le nucléaire ou sur les autres sources d’énergie – n’a pas été capable d’offrir un avenir à vingt-cinq ans en termes de stratégie énergétique. Et je crois qu’on ne peut pas attendre. Vous avez raison en disant qu’il faut investir dans ce qui est à la fois sûr et bon marché. Mais nous n’avons pas le temps d’attendre les différents scénarios.

Il est clair que soit nous investissons à la fois dans le renouvelable, dans une forme de modération et dans le nouveau nucléaire, soit nous serons dépendants, demain, à partir de 2050, des pays étrangers et de leurs sources d’énergie. C’est aussi simple que cela. Dès lors, n’attendons plus, notamment sur le nucléaire de nouvelle génération, parce que tout le reste est en route.

Tine Gielis:

Mevrouw de minister, beleid voeren, is inderdaad de toekomst voorbereiden, maar we stellen vast dat er geen beslissingen worden genomen. Dat is natuurlijk ook een keuze. Geen beslissingen nemen, kan leiden tot een gevaarlijke situatie, zoals Elia ook aangeeft. We zullen te zeer afhankelijk worden van elektriciteitsimport.

Vanuit cd&v pleiten we ervoor dat een volgende regering werk maakt van een langetermijnvisie, met nadruk op de energiemix van nucleaire en hernieuwbare energievormen. Daarom hebben we een wetsvoorstel ingediend om de levensduur van Doel 4 en Tihange 3 met 20 jaar te verlengen en om de bouw van SMR’s in de toekomst mogelijk te maken. Hopelijk wordt aan dat voorstel gevolg gegeven.

Voorzitter:

Ik feliciteer mevrouw Gielis met haar maidenspeech.

(Applaus)

(Applaudissements)

Oskar Seuntjens:

Mevrouw de minister, ik dank u voor het antwoord. Laat het voor iedereen duidelijk zijn dat er voor Vooruit geen taboes zijn. Dat is ook nodig, want met veto's en luchtkastelen gaan we er niet komen, wel met een slimme overheid die slimme investeringen doet. Dat is exact waar we met Vooruit onze verantwoordelijkheid willen nemen. We willen mee onderhandelen over een nieuwe regering, zodat we het basisrecht dat energie is ook daadwerkelijk kunnen garanderen voor iedereen. Die energie moet betaalbaar, duurzaam en veilig zijn. Dat is de inzet waarvoor we elke dag zullen blijven strijden.

Voorzitter:

Ook voor Oskar Seuntjes is de figuurlijke kop eraf.

(Applaus)

(Applaudissements)

Mathieu Bihet:

Madame la ministre, je vous remercie de votre réponse. Une certitude: ne rien faire est la pire des solutions. Il ne faut pas opposer le nucléaire et le renouvelable dans le futur mix énergétique, car il faut en obtenir un qui détienne trois caractéristiques: un prix maîtrisé pour les ménages et les entreprises, également une décarbonation de notre consommation électrique et, enfin, une sécurité d'approvisionnement qui soit garantie. Cela tombe bien, car c'est le modèle qu'a proposé le MR pendant les élections. Sachez, et je le dis à tous nos collègues, que nous défendrons ce point de vue pendant les négociations Arizona qui se poursuivent.

Het ontduiken van belastingen door maaltijdkoeriers via identiteitsfraude

Gesteld door

lijst: VB Kurt Moons

Gesteld aan

Pierre-Yves Dermagne (Minister van Werk en Economie)

op 25 september 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Dermagne bevestigt dat identiteitsfraude bij maaltijdkoeriers (via valse accounts op platforms als Deliveroo/Uber Eats) een bekend probleem is, met 281 dossiers in 2023 en 200 in 2024, maar geen specifieke cijfers voor peer-to-peer. Controles gebeuren via samenwerking tussen politie, sociale inspectie en Justitie, met sancties tot niveau 4, maar concrete fraude-omvang en belastingverlies blijven onduidelijk. Moons dringt aan op actiever onderzoek (bv. infiltratie in Facebookgroepen) en vraagt gedetailleerde fraudegegevens. Beide benadrukken nood aan betere arbeidsbescherming in de deeleconomie, inclusief verplichte ongevallenverzekering.

Kurt Moons:

Mijnheer de minister, mijn vraag gaat over maaltijdkoeriers die belastingen zouden ontduiken via identiteitsfraude.

Anderhalve maand geleden verscheen in De Tijd een artikel waarin stond dat veel maaltijdkoeriers valse accounts gebruiken. De onderzoekers kregen toegang tot drie besloten Facebookgroepen waarin bestaande accounts of logins van Deliveroo en Uber Eats te huur werden aangeboden. Dat dit geen beperkt fenomeen is, blijkt uit het aantal betrokken leden van die groepen: 6.000 tot 10.000 leden per groep. De prijs voor de verhuur van een identiteit ging tot 100 euro per week.

Een viertal categorieën van personen zou geïnteresseerd zijn: illegale migranten die een inkomen zoeken, minderjarigen die leeftijdsbeperkingen willen vermijden, werklozen die wat extra willen verdienen boven op hun werkloosheidsuitkering en zelfstandigen die de maximale verdienlimiet van 7.460 euro per jaar in het fiscaalvriendelijke arbeidsstelsel van de deeleconomie, het zogenaamde peer-to-peerstatuut, wensen te omzeilen.

In alle gevallen betreft het frauduleuze praktijken, waardoor de overheid sociale bijdragen en belastingen ontloopt. Gelet op de desastreuze financiële en budgettaire toestand van dit land, acht ik het nuttig om dat verder te onderzoeken en aan te pakken.

Ik kom tot mijn vragen.

Ten eerste, mijnheer de minister, hebt u weet van die frauduleuze praktijken?

Ten tweede, worden er door de sociale en fiscale inspectiediensten regelmatig controles uitgevoerd op identiteitsfraude? Zo ja, hoeveel controles hebben er plaatsgevonden sinds 2016, het jaar van invoering van het peer-to-peerstatuut?

Ten derde, wat zijn de bevindingen van die controles en kunnen ze worden opgedeeld in de hierboven genoemde vier categorieën?

Ten vierde, hoeveel sociale bijdragen en belastingen worden op die manier per jaar ontdoken?

Ten vijfde, hoe streng wordt die sociale en fiscale fraude in de praktijk door de administratie en/of het gerecht aangepakt?

Ten zesde en tot slot, in welke mate bent u voorstander van een minimum van sociale rechten voor iedereen, los van het tewerkstellingsstatuut, dus ook voor zelfstandigen in de deeleconomie?

Pierre-Yves Dermagne:

Mijnheer Moons, ik ben mij volledig bewust van het bestaan van dergelijke praktijken. De verbetering van de opsporing van identiteitsfraude werd daarom ondertussen ook als een recurrente handeling opgenomen in de actieplannen voor sociale fraudebestrijding.

Het gebruik en misbruik door een platformwerker van een account van een andere persoon kan door sociale inspecteurs alleen worden opgemerkt als zij vaststellen dat degene die de diensten levert een andere of verkeerde identiteit bij de controle opgeeft.

Tegelijk moet worden opgemerkt dat de politie in eerste instantie verantwoordelijk is voor het vaststellen van identiteitsfraude en/of het gebruik van vervalste identiteitsdocumenten. Om die reden wordt nauw samengewerkt tussen de politie en de sociale inspectiediensten, evenals met de Dienst Vreemdelingenzaken en Justitie.

In 2023 rapporteerde het RSVZ 281 behandelde dossiers. In 2024 werden er tot nu toe bijna 200 dossiers van identiteitsfraude behandeld. Hoeveel er dat zijn in de sector van de peer-to-peerplatformen, kan niet worden meegedeeld. Vanaf april 2017 onderscheidt de RVA dossiers van identiteitsfraude in alle sectoren van die bij de peer-to-peerplatformen. Ik kan u de tabel met de precieze gegevens bezorgen.

Identiteitsfraude kan bestraft worden met een sanctie van niveau 4, zoals bepaald in het Sociaal Strafwetboek. Gevallen van vermoedelijke of bewezen identiteitsfraude worden door de inspectiediensten gemeld aan het bevoegde parket. De minister van Justitie kan verdere toelichting geven over de aanpak door de gerechtelijke autoriteiten.

Los van de fraudeproblematiek is het essentieel dat iedereen voldoende bescherming op het werk geniet. In de context van de deeleconomie is dat bijvoorbeeld de reden waarom in 2022 een wet, als deel van de jobdeal, werd goedgekeurd die in specifieke maatregelen voorziet om de rechtszekerheid van de arbeidsrelatie te garanderen voor wie via een digitaal platform werkt.

We verplichten de platforms ook om een arbeidsongevallenverzekering naar gemeen recht af te sluiten, indien de dienstverleners niet door een arbeidsovereenkomst met het platform verbonden zijn.

Kurt Moons:

Mijnheer de minister, ik dank u voor de antwoorden. Ik neem nota van het feit dat een recurrente actie op stapel is gezet om identiteitsfraude aan te pakken. Ik kan alleen nog toevoegen dat ook feitelijk moet worden ingebroken in de Facebookgroepen om identiteitsfraude beter te kunnen opzoeken. Graag had ik ook de tabel gekregen waarvan u sprak, zodat we die nader kunnen onderzoeken.

De aanslag in Libanon
De opflakkering van het geweld in het Midden-Oosten
Libanon
Escalatie van conflicten in Libanon en het Midden-Oosten

Gesteld aan

Hadja Lahbib (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken, Buitenlandse Handel en Federale Culturele Instellingen), Alexander De Croo (Eerste minister)

op 19 september 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België stemde voor de VN-resolutie die het einde van Israëlische bezetting en sancties eist, maar concrete maatregelen (wapenembargo, sancties tegen Israël, erkenning Palestijnse staat) blijven uit, ondanks herhaalde oproepen van oppositiepartijen (Groen, PTB). Minister Lahbib (MR) benadrukt diplomatieke druk en bestaande sancties tegen gewelddadige kolonisten, maar wijst verdere stappen af, wat kritiek uitlokt op dubbelstandaarden (VN-stem vs. gebrek aan daadkracht). De escalatie in Libanon (bipeurs/aanslagen) en Gaza (massale burgerdoden, oorlogsmisdaden) verergert, terwijl België EU-breed optreden voorstaat maar zelf geen unilateralisme riskeert. Oppositie noemt Belgisch beleid "te laf" en wijst op moreel falen door uitblijven van harde sancties tegen Israël.

Rajae Maouane:

Madame la ministre, depuis des mois, on assiste à un embrasement sans précédent au Proche-Orient où les attaques se multiplient et ont lieu quasiment quotidiennement. Il y a quelques jours, c'est au Liban que l'armée israélienne a frappé, blessant et tuant de nombreuses personnes, dont une grande partie de civils qui n'ont rien à voir avec le Hezbollah. On parle des bipeurs qui ont explosé dans des magasins, dans des rues, sur des marchés, terrorisant en fait une population qui est depuis longtemps très marquée et éprouvée.

Après la destruction méthodique de Gaza, où le nombre de civils tués augmente tous les jours, où des écoles sont bombardées, où des camps de réfugiés sont incendiés, où des journalistes sont assassinés, on voit tous les jours des violations flagrantes du droit international à Gaza, en Cisjordanie mais aussi au Liban.

On sait que le gouvernement israélien, emmené par la folie électorale et meurtrière de Netanyahu et de son ami Trump, embrase la région sans réussir à libérer les otages.

Madame la ministre Lahbib, depuis des mois, les écologistes – Simon Moutquin avant moi, d'autres également – vous pressent d'agir et demandent des actions concrètes.

Quand le MR, votre parti, arrêtera-t-il de bloquer la prise de mesures que le droit international et le devoir moral nous obligent à prendre? Quelles mesures la Belgique va-t-elle prendre pour que la folie meurtrière de Netanyahu et de son gouvernement soit arrêtée et sanctionnée comme le demandent les écologistes depuis des mois?

Christophe Lacroix:

Madame la ministre, vous avez dû noter comme moi le vote historique d’hier à l’Assemblée générale des Nations Unies, qui demande notamment la fin de l’occupation mais également des actions concrètes de la part des É tats membres ainsi que des sanctions à l’égard d’Israël. Étrangement, vous semblez très absente sur ce dossier depuis plusieurs mois mais, maintenant, vous allez répondre à mes questions. Les faux-fuyants, c’est terminé!

Madame la ministre, qu’avez-vous fait depuis quatre mois? Quand allons-nous enfin agir, comme nous y invitent l’avis de la Cour internationale de Justice et la nouvelle résolution de l’ONU?

Quand allons-nous enfin sanctionner l’ É tat d’Israël? Quand allons-nous nous prononcer sur un embargo total des armes, à l’instar du gouvernement wallon d’Elio Di Rupo?

Quand allons-nous interdire les produits des colonies et quand allons-nous prendre des sanctions ciblées à l’encontre des individus et des entités qui contribuent au maintien de l’occupation?

Vous allez répondre, madame la ministre, parce qu’il y a aujourd’hui 41 000 morts, parce qu’il y a des pertes civiles massives et répétées en raison de l’absence de ciblage des frappes israéliennes, parce qu’il y a une catastrophe humanitaire, parce que des crimes de guerre sont commis délibérément, parce que 90 % des victimes sont des victimes civiles collatérales et parce que le droit humanitaire international n’est pas respecté!

Et comme il n’y a plus rien à détruire à Gaza, et maintenant qu’il est prêt à sacrifier les derniers otages, le gouvernement israélien met en œuvre deux nouvelles attaques disproportionnées et indiscriminées, en utilisant – et je mesure mes mots – des méthodes terroristes et en prétendant cibler le Hezbollah libanais. Ce n’est pas moi qui le dis, ce sont des experts en stratégie militaire. Même un ancien ambassadeur israélien tient les mêmes propos. Maintenant, vous allez répondre!

Els Van Hoof:

Mevrouw de minister, 32 doden en meer dan 3.200 gewonden: dat is de voorlopige, trieste balans van de walkietalkieontploffingen in Libanon. Het zijn niet alleen Hezbollahstrijders, maar ook kinderen en burgers. Dit is de zoveelste escalatie in een conflict dat de-escalatie nodig heeft. Mensen wereldwijd verlangen naar vrede en stabiliteit, maar in de regio krijgt men nog meer geweld, nog meer burgerslachtoffers en nog meer trauma's, en in onze eigen contreien nog meer vluchtelingen. Het humanitaire drama in Gaza blijft zich voltrekken. Ook gijzelaars van Israël blijven omkomen. Dit moet stoppen.

Verontrustend is dat Israël de laatste maanden steeds meer lijkt aan te sturen op escalatie. We hebben de aanval gehad op de Iraanse ambassade in Damascus en op Hamasleider Haniyeh, en nu dit. Israël spreekt over een nieuwe fase in de oorlog. Iedereen houdt zijn hart vast, want wat betekent dat? Wat is het volgende? What's next ?

Mevrouw de minister, ik heb hier enkele vragen over. Wat heeft België ondernomen om het belang van vrede op de agenda te zetten en de nood aan de-escalatie te benadrukken? Volgende week vindt een Europese Raad Algemene Zaken plaats. We moeten daar aandringen op een grondig debat over het Midden-Oosten, dat focust op vredesonderhandelingen in plaats van op escalatie in de regio.

Voorzitter:

Mevrouw de minister, u krijgt vier minuten de tijd voor uw antwoord.

Hadja Lahbib:

Mesdames et messieurs les députés, tout d'abord, je tiens à vous remercier de m'avoir posé ces questions.

En effet, la situation au Moyen-Orient est certainement aujourd'hui l'une des plus graves et requiert toute notre attention. Voilà des mois que nous assistons à un engrenage de la violence, et les récents développements au Liban sont des plus inquiétants.

Eergisteren ontplofte een serie beepers, verspreid over de stad, en gisteren was het de beurt aan walkietalkies.

Deze explosies zijn gericht tegen leden van Hezbollah in Libanon. Meer dan 4.000 apparaten waren het doelwit. Meer dan 3.000 mensen raakten gewond, onder wie leden van Hezbollah, maar ook collaterale slachtoffers, onder wie kinderen. Er zou een dertigtal mensen omgekomen zijn.

Wat vandaag in Libanon gebeurt, versterkt enkel onze oproep tot terughoudendheid en de-escalatie. Het is dringender dan ooit dat de vicieuze cirkel van geweld doorbroken wordt, om een vuurzee in de hele regio te voorkomen. Die zou nog ergere gevolgen hebben voor de bevolking, die al een hoge prijs betaalt voor dit conflict.

Ces appels à la retenue s'accompagnent évidemment d'actions concrètes. Depuis le 7 octobre, j'ai multiplié les contacts diplomatiques, y compris encore récemment avec mes homologues de la région, pour contribuer aux négociations qui doivent amener à une solution pacifique, et je continuerai bien sûr à le faire.

Alors oui, un vote très important a eu lieu hier. Il est intervenu aux Nations Unies, à New York, et demande à tous les é tats membres de prendre les mesures légales nécessaires pour mettre fin à l'occupation illégale des territoires palestiniens.

Qu'a fait la Belgique? Elle a voté en faveur de cette résolution, sur mon instruction, tout comme 123 autres pays. Le vote belge en faveur de cette résolution, qui suit l'avis récent de la Cour internationale de Justice, est en ligne avec notre position dans ce conflit. La Belgique défend de façon constante le respect du droit international, et cela restera notre unique boussole, juste, équilibrée et non partisane. Je vous rappelle d'ailleurs qu'en matière de sanctions, la Belgique est en position pionnière. Nous appliquons par exemple déjà la politique de différenciation à l'égard des colonies israéliennes. Par ailleurs, nous avons mené la discussion au niveau européen, pendant notre présidence au Conseil de l'Union européenne, pour que des actions et des sanctions soient prises contre les colons violents. La Belgique est prête à discuter de mesures supplémentaires dans un cadre européen.

Je voudrais conclure en rappelant une fois de plus toutes les parties à la retenue, à la protection des populations civiles et au respect du droit international que nous continuerons à défendre dans toutes les enceintes nationales et internationales.

Rajae Maouane:

Madame la ministre, je vous remercie.

Vous avez beau jeu de vous targuer du vote de la Belgique en faveur des sanctions. C'est ce que nous, écologistes, demandons avec insistance au gouvernement depuis de nombreux mois sur les bancs du Parlement. La Belgique est donc peut-être pionnière, mais elle ne l'est toujours pas dans la reconnaissance de l' É tat palestinien, alors que nous la demandons depuis de nombreux mois et que cette demande a toujours été rejetée.

Que faut-il au Mouvement Réformateur pour prendre vraiment la mesure et accepter que des sanctions soient prises contre un É tat qui commet, ainsi que le disent certaines instances internationales, une épuration ethnique, un nettoyage ethnique, voire un génocide? Je me demande ce qu'il faut au MR pour que des sanctions plus dures et effectives soient prises.

Christophe Lacroix:

Madame la ministre, je vous remercie pour vos réponses, qui n'en sont cependant pas.

La Belgique a voté à l'ONU en faveur de l'action des Nations Unies. Il n'aurait plus manqué que cela! Ensuite, je note que vous dites: "Nous prenons des sanctions contre les colons violents." Mais la colonisation de la Palestine, de la Cisjordanie et de Gaza est un acte violent par définition!

Vous semblez déjà bien étrangère à votre ministère, madame la ministre, et vous semblez déjà bien loin. Or tout silence et toute inaction résonnent comme un écho de complicité. Et je vous mets donc en garde, chers collègues, car j'ai vraiment l'impression qu'avec le MR, à Gaza, en Cisjordanie et au Liban, la vie c'est l'enfer.

Els Van Hoof:

Mevrouw de minister, op 7 oktober zijn we een jaar na de aanslag. Het is een trieste verjaardag: de dodentol is dramatisch en de emotionele en psychologische gevolgen voor de mensen daar blijven levenslang. Ze zullen de trauma's over generaties heen meedragen. België was inderdaad consequent. We hebben heel veel maatregelen genomen en zijn pionier in Europa, samen met andere lidstaten. We moeten de internationale druk echter opdrijven om tot een staakt-het-vuren en de vrijlating van de gijzelaars te komen. We moeten ook geloofwaardige stappen zetten richting een tweestatenoplossing. Daarom moeten we volgende week internationale druk uitoefenen. Dit is een cruciaal moment, want het dreigt een regioconflict te worden. We moeten inzetten op vredesonderhandelingen in plaats van het conflict te laten escaleren in de regio.

De erbarmelijke staat van de gerechtelijke dossiers en de gerechtsgebouwen
De erbarmelijke staat van de gerechtelijke dossiers en de gerechtsgebouwen
De erbarmelijke staat van de gerechtelijke dossiers en de gerechtsgebouwen
Verwaarlozing van gerechtelijke infrastructuur en dossiers.

Gesteld aan

Paul Van Tigchelt (Minister van Justitie en Noordzee)

op 19 september 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om het falend justitiebeleid dat slachtoffers van de aanslagen van 22 maart 2016 acht jaar na dato nog steeds laat wachten op schadevergoeding door personeelstekort, verwaarloosde gebouwen en slecht archiefbeheer—met weggerotte dossiers en uitgestelde vonnissen als gevolg. Minister Van Tigchelt erkent de problemen, wijst op investeringen in personeel (138 magistraten, 140 griffiers) en digitalisering, maar schuift verantwoordelijkheid voor efficiëntie naar de rechterlijke orde en de Regie der Gebouwen; oppositie noemt dit onvoldoende en eist directe oplossingen voor slachtoffers die "in de kou staan". Kritiek richt zich op decennia wanbeleid (over alle partijlijnen heen) en het gebrek aan empathie voor slachtoffers, terwijl de minister benadrukt dat structurele hervormingen (minder gebouwen, betere archivering) tijd vragen maar lopende zaken nu prioriteit moeten krijgen. De oppositie dringt aan op snelle actie—"een TGV in plaats van een boemeltrein"—en erkenning van systeemfalen, met de vrees dat de aankomende regering (arizonacoalitie) de puinhoop moet opruimen.

Sophie De Wit:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, wanneer we het over Justitie hebben, verslikken we ons weleens in onze koffie. Een incidentje meer of minder, daar schrikken we niet van.

Ik wil het vandaag even met u hebben over Nijvel en Brussel. In Nijvel vallen archiefkasten om, lekt een dak, zijn dossiers beschimmeld en heeft de griffier te weinig personeel om dat allemaal aan te kunnen. Dat is geen probleem, want de collega's uit Brussel snellen wel te hulp. Die Brusselse griffiers moeten daarvoor evenwel hun eigen werk laten liggen en dat is wel een probleem, want daar ligt belangrijk werk op de plank. Zij moeten een arrest schrijven in een heel belangrijke zaak, namelijk het proces over de aanslagen, met betrekking tot de schadevergoeding voor alle nabestaanden van alle slachtoffers. Die mensen wachten al acht jaar. Toch wordt dat arrest nu voor onbepaalde tijd uitgesteld, omdat men aan het helpen is in Nijvel. Na acht jaar wachten wordt dat nu on hold gezet .

Mijnheer de minister, mijn verbazing werd nog groter toen ik gisteren uw reactie daarop las. U zei dat het pijnlijk en bizar was. U sprak over slecht beheer en u zou uitleg vragen. Ik verslikte mij opnieuw in mijn koffie, en niet omdat u het pijnlijk vindt, want dat vind ik zelf ook. Die situatie is inderdaad heel pijnlijk en krijgen we niet uitgelegd. Ik verslikte mij evenwel vanwege uw vermanend vingertje en uw opmerking over slecht beheer en de aankondiging dat u uitleg zou vragen. U bent immers zelf de minister van Justitie. U bent bevoegd. Het personeelstekort op de griffie moet u dus oplossen. Eerst was de heer Van Quickenborne bevoegd en daarna u. Dat is nog steeds het geval in lopende zaken. Laten we eerlijk zijn, het tekort aan personeel en de toestand van de gebouwen bij Justitie is niet per ongeluk na 9 juni ontstaan. Dat is een gevolg van het beleid dat voordien werd gevoerd.

Ik hoop dat u die verantwoordelijkheid wilt opnemen. Ik hoop echt dat u meer zult doen dan alleen maar met het vingertje zwaaien en wat uitleg vragen.

Jinnih Beels:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, beste collega's, houdt het dan nooit op? Dat is wat de slachtoffers van de aanslagen in Zaventem zich vandaag opnieuw afvragen. Zij stellen zich die vraag, niet omdat we twijfelen over hun leed of hun oprechtheid, maar wel omdat er documenten beschimmeld zijn. Dat overkomt niet alleen hen. Een moordenaar zal niet veroordeeld worden omdat documenten in verband met zijn zaak onleesbaar zijn geworden. Een gebouw staat op instorten door slecht onderhoud en ook daarin gaan archieven verloren door schimmel. Dat is een rechtsstaat onwaardig. Papier kan vergaan, maar het leed van de slachtoffers blijft.

Dergelijke uitwassen staan niet op zichzelf. Papier vergaat niet van de ene op de andere dag. Oplossingen komen er dus ook niet van vandaag op morgen. Ik verwacht niet dat u met een zwaai van uw toverstok een gloednieuw gerechtsgebouw zult doen oprijzen, want ik ben realistisch genoeg en besef bovendien dat de regering in lopende zaken zit.

Personeelsleden en griffies moeten echter onmogelijke keuzes maken omdat zij werken in abominabele toestanden. Ze helpen elkaar, waardoor zij het nog erger maken voor de slachtoffers, die opnieuw in de kou komen te staan. Dat is een vicieuze cirkel. Voor Vooruit is dat onaanvaardbaar. Slachtoffers komen op de eerste plaats.

Mijnheer de minister, wat zult u doen om de slachtoffers, die vandaag opnieuw met vragen zitten, te helpen? Wanneer zal voor hen recht geschieden? Wat zult u doen opdat hun leed niet langer aansleept? In lopende zaken past u op de meubelstukken, maar op dit moment zijn die meubelstukken essentiële documenten om rechtspraak mogelijk te maken. Zorg er alstublieft voor dat voor die slachtoffers recht geschiedt.

Alexander Van Hoecke:

Mijnheer de minister, gisteren heeft een collega u een vraag gesteld over een crimineel die op de mostwantedlijst stond en die nu vrijuit gaat en aan zijn straf ontsnapt omdat zijn dossier letterlijk is weggerot. Nu dreigt opnieuw een enorm belangrijk en emotioneel dossier de mist in te gaan. Door een instorting op de griffie werd een aantal griffiers in allerijl naar het uitgeleefde justitiepaleis in Nijvel gestuurd. Daardoor slaagt de Brusselse griffie er niet in om het dossier van de schadevergoedingen voor de slachtoffers van de gruwelijke aanslagen van 22 maart 2016 tijdig af te werken. Slachtoffers zullen dus maanden, misschien zelfs jaren, moeten wachten op een uitspraak over hun schadevergoeding. Dat is opnieuw een zware blamage voor Justitie, maar vooral een ramp voor de slachtoffers. Zij torsen dit proces nu al jaren mee als een zware last op hun schouders.

Mijnheer de minister, we moeten eerlijk zijn: dit is een erfenis van decennia wanbeleid op Justitie door achtereenvolgende socialistische, liberale en christendemocratische ministers van Justitie. Mijn vraag aan u is dan ook erg eenvoudig. Kunt u toelichting geven over hoe dat in hemelsnaam is kunnen gebeuren?

Paul Van Tigchelt:

Collega's, hoe meer aandacht voor Justitie, hoe beter. Justitie heeft immers decennialang niet de aandacht gekregen die nodig was. Ik zal eerst de feiten opsommen.

We zijn de problemen de voorbije legislatuur niet uit de weg gegaan. Integendeel, we hebben hard gewerkt aan een betere Justitie. We zijn er nog niet, maar ik geef de feiten. We hebben geïnvesteerd in personeel: er zijn netto 138 magistraten bij gekomen. Het kader is daarmee voor 97 % ingevuld. We hebben het aantal parketjuristen, referendarissen en criminologen verdubbeld. Er zijn 140 griffiers bij gekomen. Ook het hof van beroep in Brussel is versterkt met 9 magistraten en 7 griffiers.

Deze extra mensen moeten vervolgens efficiënt worden ingezet. Dat is een taak van de rechterlijke orde zelf. Dat is de autonomie die we beslist hebben. Zo is bijvoorbeeld het hof van beroep in Antwerpen er de voorbije jaren in geslaagd om de achterstand weg te werken. Dat was niet alleen mogelijk door die extra mensen, maar ook door hervormingen die de eerste voorzitter daar heeft doorgevoerd. Dat ging over het personeel.

Nu zal ik het hebben over de gebouwen. U verwijst terecht allen naar de problematiek van de gerechtsgebouwen. Ook daar is een inhaalbeweging gestart. Die is zelfs al gestart voor deze regering. Toch blijft het een frustratie van elke minister van Justitie dat hij of zij afhangt van de Regie der Gebouwen en de bevoegde minister of staatssecretaris.

Er zijn ook nog steeds te veel gerechtsgebouwen in dit land. Er zijn er meer dan 200. Op dat vlak is Nijvel en wat daar in de steigers staat een goed voorbeeld. Daar zullen alle diensten gegroepeerd worden in één gebouw. Dat vergt echter tijd, dat weten we. Dat is alleszins the way to go .

Door de slechte staat van de gebouwen – ik ga de problemen niet uit de weg – zijn er op sommige plaatsen inderdaad problemen met de archieven. Het feit dat criminelen vrijuit gaan als gevolg van slecht bewaarde dossiers is onaanvaardbaar. De oplossing daarvoor is evident, namelijk digitalisering. We hebben de wet gewijzigd, waardoor digitale archieven mogelijk geworden zijn. Voor de archieven van het verleden, de kilometers aan dossiers, werkt men in Antwerpen al samen met een privébedrijf dat al meer dan 2,5 kilometer archief heeft ondergebracht in een speciaal uitgeruste site.

Mijnheer de voorzitter, collega's, net als u ben ik gisteren wakker geworden met het bericht dat de uitspraak over de schadevergoeding voor de slachtoffers van de aanslagen van 22 maart 2016 zou worden uitgesteld omdat één griffier van Brussel naar Nijvel is gestuurd. Het is bizar dat een zaak die in december 2023 werd ingeleid, in april 2024 werd gepleit en voor uitspraak werd gesteld op 24 september, een week daarvoor plots wordt uitgesteld. Het valt moeilijk uit te leggen hoe door het verplaatsen van één persoon honderden slachtoffers in de kou worden gezet, nota bene in wat men het proces van de eeuw noemt. Dat getuigt van weinig empathie met de slachtoffers en doet vragen rijzen over het management ter zake, waarvoor niet de minister, maar wel de voorzitter van het hof van beroep bevoegd is. Uiteraard respecteer ik te allen tijde de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, maar hier gaat het over beheer. Daarom heb ik het College van de hoven en rechtbanken om uitleg gevraagd.

Collega's, dit is vooral heel jammer voor al die magistraten en medewerkers van Justitie die het beste van zichzelf geven en Justitie wel degelijk doen werken, met empathie voor slachtoffers. Het is onze taak om verder te werken aan een betere Justitie. Daarvoor kunt op mij rekenen, binnen de bevoegdheden die ons eigen zijn. Mijn fractie zal snel wetsvoorstellen indienen voor een betere evaluatie en tucht van magistraten, conform de aanbevelingen van de Hoge Raad voor de Justitie na het drama-Julie Van Espen.

Collega's, ik kan ten slotte alleen hopen dat Justitie ook de nodige aandacht zal krijgen van de arizonacoalitie die in de steigers staat. Ik hoor en lees verklaringen vanuit Arizona zelf waarin die coalitie al wordt vergeleken met een boemeltrein. Ik hoop dat dit niet klopt, want een boemeltrein is niet wat Justitie nodig heeft.

Sophie De Wit:

Mijnheer de minister, dank u voor uw antwoord.

Ja, het is pijnlijk. Ja, het is bizar. Ja, het is onaanvaardbaar voor de slachtoffers en hun familie. Daarover ben ik het met u eens. Als u dan echter zegt dat u hard hebt gewerkt en wijst naar de rechterlijke orde en de Regie der Gebouwen, dan vind ik dat een beetje flauw, mijnheer de minister. Uw verantwoordelijkheid stopt niet in lopende zaken. U moet niet stoppen met werken op 9 juni. De regering stopt niet na de verkiezingen. Werk dus voort.

Over één ding ben ik het met u eens: er mag dringend een nieuwe regering komen. Maar potverdorie, die zal nogal een puinhoop mogen opruimen!

Jinnih Beels:

Mijnheer de minister, dank u wel voor uw antwoord.

Rechtszekerheid is een fundament van de rechtsstaat, dat weet u ook. U hebt zeker en vast uw best gedaan en u hebt allerlei initiatieven genomen, maar na alles wat de slachtoffers hebben meegemaakt, hebben zij recht op erkenning.

Een sterke overheid, mijnheer de minister, zorgt ook voor die erkenning. Ik moet echter vaststellen dat de overheid nu ter zake faalt. Wij kunnen de zwartepiet wel naar elkaar doorschuiven, maar dat is niet de bedoeling. De bedoeling is om effectief te zoeken naar oplossingen, om de problemen van de huidige slachtoffers op te lossen en ook die van de slachtoffers van toekomstige zaken.

Ik nodig u uit om daar in lopende zaken toch nog werk van te maken. Voor Vooruit is rechtszekerheid fundamenteel belangrijk. Wij schuiven aan de onderhandelingstafel aan om te onderhandelen over rechtszekerheid. Wij willen van de boemeltrein van Justitie een tgv maken, mijnheer de minister. De slachtoffers en hun nabestaanden verdienen het dat wij elke dag opnieuw voor hen strijden en hen erkennen in hun slachtofferschap.

Voorzitter:

Ook collega Beels heeft zich voor het eerst tot dit gremium gericht.

(Applaus)

(Applaudissements)

Alexander Van Hoecke:

Mijnheer de minister, het is onaanvaardbaar en bizar, daarover ben ik het 100 % met u eens, maar de uitvoerende macht heeft hier natuurlijk ook een verantwoordelijkheid.

Dit is Justitie absoluut onwaardig. Ik denk dat iedereen nog weet waar hij of zij was op het moment van de gruwelijke aanslagen van 2016. Niemand durfde toen echter te vermoeden dat wij het op 19 september 2024, meer dan 8 jaar later, nog steeds zouden hebben over het proces daarover.

Eén zaak is opnieuw heel pijnlijk duidelijk geworden, namelijk dat de slachtoffers van die gruwelijke aanslagen in de steek worden gelaten door Justitie. Zij zijn de echte slachtoffers en ze zijn bijlange niet alleen. U moet zich dus niet afvragen waarom de burger absoluut geen vertrouwen meer heeft in Justitie.

Voorzitter:

Jawel, ook collega Van Hoecke was hier voor zijn eerste keer aan het woord. (Applaus) (Applaudissements)

De aanval op en poging tot verkrachting v.e. maatschappelijk assistente in de Antwerpse gevangenis
De strijd tegen drugs in de gevangenissen
Het gebruik van smartphones in de gevangenissen
De verkrachting van een maatschappelijk assistente in de gevangenis van Antwerpen
De gevangenis van Antwerpen (overbevolking, personeelstekort, gebrekkige veiligheidssystemen)
Een ontsnappingspoging in de gevangenis van Wortel
De gevangenis van Haren
De toestand in de gevangenissen
De alarmerende toestand in de gevangenis van Antwerpen
De hallucinante beelden over de gevangenis van Haren die op TikTok circuleren
De situatie in de Belgische gevangenissen
De schrijnende situatie en de onveiligheid in onze gevangenissen en arresthuizen
De zelfmoorden in gevangenissen
De toepassing van de 'guidelines' inzake zelfmoordpreventie in gevangenissen
De geestelijke gezondheid van het gevangenispersoneel
Veiligheids- en leefomstandigheden in Belgische gevangenissen

Gesteld aan

Paul Van Tigchelt (Minister van Justitie en Noordzee)

op 18 september 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de alarmerende toestand in Belgische gevangenissen, met focus op veiligheidsfalingen, overbevolking, drugs- en smartphoneproblematiek, en structurele tekorten. Na een brutale aanval op een maatschappelijk werkster in Antwerpen (met falende alarmsystemen en gebrek aan dossierinformatie) benadrukken parlementsleden de urgentie van betere veiligheidsprocedures, infrastructuurinvesteringen en personeelsopleiding, terwijl minister Van Tigchelt (lopende zaken) wijst op beperkte actiemarge maar belooft bestaande systemen te testen en herstellen. Kernproblemen zoals overbevolking (13% te veel gedetineerden, waaronder 1.054 geïnterneerden en 3.800 illegalen), drugs- en gsm-smokkel, en mensonwaardige omstandigheden (gezondheidszorg, hygiëne) blijven onopgelost, met kritiek op gebrek aan langetermijnvisie en slechte coördinatie tussen departementen. Vakbonden en oppositie eisen quota, snellere uitwijzingen, en betere preventie, maar concrete oplossingen ontbreken door de politieke patstelling.

Marijke Dillen:

Mijnheer de voorzitter, er zijn grote problemen in de gevangenissen en het voorval in Antwerpen is onaanvaardbaar. Alle vragen over de gevangenissen werden echter in een actualiteitsdebat geclusterd, hoewel een aantal van die vragen geen betrekking heeft op die problematiek, bijvoorbeeld vraag nr. 55000087C over de strijd tegen drugs in de gevangenissen en vraag nr. 55000088C over het gebruik van smartphones in de gevangenissen. Die vragen gaan niet over de totaliteit van de problematiek. Een aantal van de samengevoegde vragen zou beter apart worden gesteld. Wat denkt u, mijnheer de minister? Ik vrees dat ik anders een aantal onbeantwoorde vragen opnieuw zal moeten indienen.

Voorzitter:

Mevrouw Dillen, normaliter zal de minister een antwoord kunnen geven op al uw vragen. Ik stel daarom voor dat u al uw vragen samen stelt, waarna de andere leden hun vragen kunnen stellen. De minister zal uw acht vragen beantwoorden. Hij is een superminister.

Marijke Dillen:

Dank u wel, mijnheer de voorzitter.

Mijnheer de minister, ik begin met het bijzonder tragische voorval afgelopen week in de gevangenis van Antwerpen, namelijk de agressieve aanval op en poging tot verkrachting van een maatschappelijk assistente. Op maandag 2 september heeft een gedetineerde op zeer agressieve wijze iemand van de PSD aangevallen in het gesprekslokaal. Deze man stond bekend om agressie, maar dit was niet opgenomen in zijn dossier. Het gesprek kende een gewelddadige escalatie en de gedetineerde heeft de fysieke integriteit van het slachtoffer zwaar aangetast, onder meer met een poging tot verkrachting.

Bijzonder verontrust het mij dat de noodknop, die de dame in kwestie probeerde in te drukken, niet bleek te werken, waardoor er geen hulp kwam. Het slachtoffer had ook het walkietalkiesysteem bij zich, waarbij gedurende drie seconden de noodknop moest worden ingedrukt, maar ook daarmee was er een probleem, want de bediening van die knop was niet mogelijk door de agressieve houding van de gedetineerde. Het toestel viel op de grond en ook het alarmsysteem daarvan bleek niet te werken. Toen de centrale eindelijk kennis kreeg van het alarm, werd de verkeerde locatie opgegeven, nog een fout erbovenop.

De overbevolking in de gevangenissen is een reeds lang aanslepend probleem. In de vorige legislatuur hebben we daarover zeer uitvoerig kunnen debatteren. Die overbevolking mag echter geen excuus zijn voor het feit dat de veiligheidsinstallaties niet werken. Ik denk dat wij het er beiden over eens zijn dat de veiligheid in alle omstandigheden een absolute prioriteit moet blijven.

Mijnheer de minister, over die feiten heb ik enkele vragen. Vooreerst had ik graag vernomen hoe het met de dame in kwestie gaat. Wat zij heeft meegemaakt, is bijzonder traumatisch. Ik hoop dat zij goed ondersteund wordt en dat het met haar, ongeacht de omstandigheden, toch al beter gaat.

Graag kreeg ik toelichting betreffende die feiten. De directrice, mevrouw Janssens, heeft een analyse aangekondigd. Wat zijn daarvan de resultaten?

Tegen de betrokken gedetineerde liep een bijzondere voorzorgsmaatregel naar aanleiding van eerdere accidenten die hebben plaatsgevonden. Hoe is het mogelijk, in tijden van informatisering, dat dit niet werd gemeld in het elektronisch dossier en dat het personeel dus niet op de hoogte was van het gewelddadige karakter van de betrokken gedetineerde?

Door de falende infrastructuur is de veiligheid van alle medewerkers in de gevangenis van Antwerpen niet langer gegarandeerd. Wat zult u nu eindelijk doen om ervoor te zorgen dat dergelijke feiten zich in de toekomst niet meer kunnen voordoen?

Dan kom ik bij de problematiek van drugs in de gevangenissen. Dat is een ware plaag, met alle gevolgen van dien. Het is geen nieuwe problematiek, maar de bestrijding ervan moet worden geïntensifieerd. Wij pleiten al jaren voor een volledige nultolerantie tegenover drugs in de gevangenissen. Wij hebben in het verleden – u weet dat – ook al verschillende voorstellen gedaan, onder andere met betrekking tot het systematisch inzetten van drugshonden bij de controle van de bezoekers.

Via de media vernamen we dat de vakbonden van het gevangeniswezen vorig jaar nog met heel veel poeha aankondigden dat zij deze problematiek met betrekking tot drugsopsporing zouden aanpakken. Bij de voorstelling in maart bleek echter dat onder meer het wettelijk kader niet goed genoeg was uitgewerkt om het personeel en de vakbonden die mogelijkheid te geven.

De vakbonden spraken over een toestel om drugs op te sporen. Kunt u hierover wat toelichting geven? Hoe werkt dat toestel? Hoeveel dergelijke toestellen zullen worden aangekocht? Is daar budget voor? Is daar opleiding voor nodig?

Vorig jaar werd gezegd dat het wettelijk kader niet goed is uitgewerkt; dat betreft een kritiek van de vakbonden. Hebt u inmiddels het nodige gedaan om ervoor te zorgen dat er een wettelijk kader komt, zodat dit in orde is?

Bent u bereid om andere initiatieven op te schalen om het gebruik en de aanwezigheid van drugs in onze gevangenissen tegen te gaan?

Een ander probleem betreft de smartphones in de gevangenissen. Uit cijfers blijkt dat in onze gevangenissen honderden, zoniet duizenden gsm's en smartphones circuleren. In 2023 werden in Antwerpen 445 gsm's ontdekt. De vraag is dan hoeveel er niet ontdekt werden, maar dat is een ander verhaal. U kent die cijfers, ze komen uit het jaarverslag van de commissie van toezicht dat verscheen in maart.

Wij weten allemaal dat een gsm in de gevangenis niet zelden gebruikt wordt om illegale activiteiten, in het bijzonder de drugshandel, vanuit de cel voort te zetten of om vluchtpogingen te faciliteren.

Mijnheer de minister, u weet dat wij ons in het verleden regelmatig heel kritisch hebben uitgelaten over het gebruik van smartphones in de gevangenis. Wij kunnen ons er alleen maar over verheugen dat het gevangeniswezen zelf deze problematiek eindelijk erkent en bereid is ertegen op te treden.

Ik zal straks uw antwoord horen, maar als wij de media kunnen geloven, zoekt Justitie naar een verkoper van hoogtechnologische toestellen van een nieuwe generatie die gsm's, smartphones en randapparatuur kunnen opsporen. Het zou gaan om toestellen die een alarmsignaal afgeven, ongeacht of de telefoon in stand-by staat, een sms verstuurt, belt of mobiele data uitwisselt. Volgens de media wil Justitie nog dit jaar een zestal van dergelijke toestellen aankopen en volgend jaar zelfs zestien. Op termijn zou elke bestaande en toekomstige vestiging zo'n operationeel toestel moeten hebben.

De reactie van de vakbonden was onmiddellijk heel sceptisch. Ik citeer er slechts een: "Vorig jaar werd ook met veel bombarie een toestel aangekondigd om drugs op te sporen, maar bij de voorstelling in maart bleek onder meer het wettelijk kader nog niet goed uitgewerkt." Opnieuw: problemen met het wettelijk kader.

Nu, de cijfers inzake het aantal aangetroffen toestellen in alle gevangenissen samen zouden blijkbaar niet structureel bijgehouden worden. De FOD Justitie geeft alleen mee dat de dienst die nationale sweepings uitvoert vorig jaar 340 gsm's aantrof en 237 stuks randapparatuur zoals opladers, USB-sticks of draagbare wifihotspots.

Vandaar een aantal vragen.

Zijn de hoogtechnologische toestellen waarvan sprake aangekocht? Wanneer zullen die in gebruik genomen worden?

Mochten ze al in gebruik zijn, hebt u al tussentijdse resultaten?

Het gebruik van smartphones in de gevangenissen wordt de laatste jaren eigenlijk meer en meer getolereerd. Wij moeten daar niet flauw over doen. Nu wordt een ander beleid vooropgesteld. Betekent dit dat men nu elke smartphone die men vindt in beslag zal nemen? Met andere woorden, is er een nieuw beleid ten aanzien van smartphones in de gevangenissen? Graag had ik daarover wat meer toelichting gekregen.

Tot slot van dit onderwerp, waarom worden er geen cijfers bijgehouden van het aantal aangetroffen toestellen per gevangenis? Zal daarin verandering komen?

Mijn volgende vraag staat eigenlijk los van het algemene thema, maar de voorzitter heeft gezegd dat ik ook deze vraag nu mag stellen. Ze gaat over de ontsnappingspoging in de gevangenis van Wortel.

Op het laatste nippertje is behoorlijk wat weken geleden een spectaculaire ontsnapping uit de gevangenis van Wortel vermeden. Vier gedetineerden braken in alle discretie, steen per steen, hun celmuren af zonder dat de penitentiaire beambten iets merkten. Ze probeerden daarna – gelukkig vergeefs – hun lakens aan elkaar te knopen om over de gevangenismuur te klimmen. Rond drie uur 's nachts ging het alarm van de gevangenis af. Op het laatste nippertje konden de “vier Daltons van Wortel" alsnog door toegesnelde agenten onderschept worden.

Het viertal, volgens de media allen van Marokkaanse afkomst, had geen recht op een wettig verblijf in België en kijkt nog aan tegen enkele jaren celstraf. De onderhandelde deal met Marokko van maart dit jaar, die heel veel aandacht kreeg in de media, om meer veroordeelde onderdanen op te nemen, zou ook meegespeeld hebben bij het bedenken van het ontsnappingsplan.

Ik heb dan ook een aantal vragen hierover.

Hoe is het mogelijk, mijnheer de minister, dat criminelen in de gevangenis van Wortel dagen aan een stuk een celmuur steen per steen kunnen uitbreken zonder dat penitentiaire beambten dit merken? Is er dan te weinig controle?

Is er inmiddels een onderzoek gestart? Zijn er maatregelen genomen om ervoor te zorgen dat dit in de toekomst niet meer kan gebeuren?

Naar verluidt zou een mogelijke uitlevering aan Marokko een oorzaak geweest zijn van de ontsnappingspoging. Kwamen deze criminelen in aanmerking voor een uitlevering aan Marokko?

Zullen zij daar hun volledige celstraf verder moeten uitzitten? Dat is geen onbelangrijke vraag. Indien dat niet het geval zou zijn, waarom niet?

De volgende vraag kan ik, indien gewenst, ook schriftelijk indienen. Hoeveel criminele, veroordeelde Marokkanen werden sinds het verdrag reeds uitgeleverd aan Marokko om daar hun celstraf uit te zitten?

Mijn volgende vraag betreft de gevangenis van Haren. Personeelsleden daar zeggen dat ze niet genoeg opgeleid zijn om in die gevangenis te werken. Dat staat te lezen in het jaarrapport 2023 van de Toezichtsraad. Volgens het rapport zegt het personeel dat de opening van de gevangenis overhaast was en dat de toenmalige minister van Justitie, uw voorganger Vincent Van Quickenborne, “op de opening had aangedrongen".

Het tekort aan opgeleid personeel in de gevangenis van Haren is een structureel probleem. Nieuwkomers zouden maar twee weken kunnen dubbellopen met een ervaren collega. De opleidingen zouden pas veel later volgen. “Vroeger werd je als ancien beschouwd als je vier jaar ervaring had, hier ben je al ancien na zes maanden", zei een teamleider aan de Toezichtsraad. “Het grootste probleem is dat we hier werken met 10 % ervaren mensen en 90 % nieuwe mensen zonder enige opleiding of stageperiode."

Cipiers die voor de functie detentiebegeleider hadden gekozen, uitten volgens het rapport hun teleurstelling omdat de functie een lege huls blijkt te zijn: “Het gebrek aan personeel heeft ervoor gezorgd dat detentieassistenten geen socialere rol meer kunnen spelen."

Volgens de vakbonden, in het bijzonder de ACOD, ontbreken er op dit ogenblik nog altijd 150 personeelsleden in Haren. Niettegenstaande deze problematiek altijd werd geminimaliseerd door uw voorganger, is de geschetste situatie inderdaad zeer precair. Een familielid van een persoon die zelfmoord pleegde in de gevangenis dreigt nu zelfs de Belgische Staat te dagvaarden wegens het personeelsgebrek.

Kunt u toelichting geven over de situatie vandaag? Hoeveel personeelsleden moeten nog worden aangeworven om tot een volledige bezetting te komen? Hebt u een plan om de capaciteit uit te breiden en bij prioriteit te investeren in opleidingen voor het personeel? Welke middelen zult u daarvoor inzetten?

Ik kom nu tot een vraag in het kader van het hele actualiteitsdebat over de toestand in de gevangenissen. Ik verwijs in het bijzonder naar de jaarverslagen van de toezichtscommissies waarin sprake is van ratten, schurft, stank… Er wordt een zeer ontluisterend beeld geschetst van het leven binnen onze gevangenissen.

Bijna de helft van de 34 commissies waarschuwt voor de gevolgen van de gebrekkige gezondheidszorg. Dat zou u toch na aan het hart moet liggen. 15 commissies waarschuwen ervoor dat de mentale en fysieke gezondheidszorg in hun gevangenis de bodem heeft bereikt. Gedetineerden en geïnterneerden hebben recht op dezelfde kwaliteitsvolle gezondheidszorg als iedereen. Daarover zijn we het waarschijnlijk eens. Volgens dat jaarverslag blijkt dat echter niet te lukken.

Zo kreeg een gedetineerde in Antwerpen geregeld medicatie tegen psychose terwijl hij eigenlijk spierontspanners nodig had. In Leuven is er één tandarts voor ongeveer 500 mensen. Sommige gedetineerden hebben daar blijkbaar wekenlang zware tandpijn zonder dat enige hulpverlening wordt geboden. Eind 2023 bevonden zich in Gent 140 geïnterneerden, hoewel er in de interneringswet van uitgegaan wordt dat de gevangenis geen geschikte inrichting voor geïnterneerden is. In de vorige legislatuur hebben we daar al uitvoerig over gedebatteerd. Gent heeft een psychiatrische afdeling, maar daar is blijkbaar maar één psychiater gedurende twee halve dagen per week beschikbaar. Zo kan onmogelijk aan alle noden worden beantwoord.

De infrastructuur helpt de gezondheid van de gevangenen niet vooruit. Cellen zonder ramen, kapot sanitair en ongewenste huisdieren, het zijn al lang geen uitzonderingen meer. Gent kampt met invasies van muggen en zilvervisjes, in Antwerpen en Sint-Gillis zijn er ratten die via de riolering uit het toilet naar boven zouden komen. Ook in de keuken worden ze waargenomen. Het cachot in Gent stinkt permanent door slechtwerkende toiletten en een gebrek aan verluchting.

Mijnheer de minister, een samenleving wordt beoordeeld door de staat van haar gevangenissen. Met dat citaat opende de Gentse commissie van toezicht vorig jaar haar jaarverslag over de gevangenis van Gent. Uit hetgeen voorafgaat kan niet anders dan worden besloten dat de samenleving er bijzonder slecht aan toe is.

Ik heb dan ook een aantal vragen. Graag krijg ik een reactie op al die uitgebrachte jaarverslagen waarin deze wantoestanden worden aangeklaagd. Wat zult u doen op korte, middellange of lange termijn? Ik weet dat u minister in lopende zaken bent, maar deze problematiek mag niet langer onder de radar blijven. Daar moet dringend iets aan worden gedaan. Wat zult u doen om een einde te maken aan deze mensonwaardige omstandigheden, of dient België eerst opnieuw te worden gedagvaard voor en veroordeeld door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens? Tegen wanneer zult u maatregelen nemen? Ik heb nog een cijfervraag, maar die kan ik indien nodig schriftelijk indienen. Kunt u mij een overzicht geven van het aantal veroordelingen de laatste tien jaar door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens wegens de wantoestanden in onze gevangenissen?

Ik kom dan tot de alarmerende situatie in de gevangenis van Antwerpen, die losstaat van de gebrekkige veiligheidsinfrastructuur waarmee ik daarnet ben begonnen. Uit de verslagen, verklaringen en getuigenissen van medewerkers blijkt namelijk ook dat de situatie in Antwerpen ronduit alarmerend is. Met personeelstekorten, constante bedreigingen en een verouderde infrastructuur lijkt het systeem op instorten te staan.

Ik citeer: “Het voelt alsof hier permanent iemand met een kettingzaag achter ons aanloopt. Thuis zijn wij bang. Er was al een gevangene die te weten gekomen was welke route wij naar huis nemen.” Dat zijn slechts enkele citaten. Ze zijn werkelijk onbegrijpelijk.

Mijnheer de minister, het tekort aan personeel is een probleem dat al herhaaldelijk werd aangekaart, zowel door de vakbonden als door de gevangenisleiding. Voor de mensen op de werkvloer is de situatie echter ronduit ondraaglijk geworden. Cipiers krijgen de hele zomer geen dag vakantie. Collega’s vallen uit door stress en burn-out. Zij moeten de hele dag brandjes blussen. Een cipier loopt de hele dag rond om de toiletten te ontstoppen, omdat gedetineerden hun kledij doorspoelen. Onlangs waren er vier zelfmoordpogingen op één dag. Dat zijn maar enkele klachten die wij hebben gehoord.

Mijnheer de minister, behalve de zorg voor gedetineerden moeten de cipiers ook de gevangenis opruimen voor de wandelingen, waaronder de koer, die bezaaid ligt met drugs en gsm’s. Zij krijgen te maken met agressieve gedetineerden onder invloed van drugs. De dagelijkse realiteit in de gevangenis van Antwerpen is hard. Het gebrek aan veiligheid is er heel groot. Iedereen hier in de zaal is het er denkelijk mee eens dat die situatie werkelijk onhoudbaar is.

Wat zult u doen om de situatie voor het personeel bij hoogdringendheid te verbeteren en opnieuw draaglijk te maken? Wat zult u doen om de veiligheid opnieuw te waarborgen?

Zult u laten onderzoeken hoe het mogelijk is dat gedetineerden de route van het personeel naar huis te weten komen? Dat is immers bijzonder verontrustend.

Kunt u een overzicht geven van het personeelstekort in Antwerpen? Kunt u mij een overzicht geven van het aantal cipiers dat tijdens de voorbije zomer zijn vakantie niet heeft kunnen opnemen? Mijnheer de minister, iedereen heeft na een jaar hard werken recht op vakantie, zeker tijdens de zomer, om met de kinderen of de familie op vakantie te gaan. Wat zult u doen om ervoor te zorgen dat dit gecompenseerd wordt en dat het personeel in de toekomst zijn vakantie wel kan opnemen?

Collega’s, ik heb nog een laatste vraag in het kader van dit debat.

Ze gaat met name over de hallucinante beelden die deze week op TikTok hebben gecirculeerd over de gevangenis van Haren. Gevangenen kunnen er over de daken lopen of muren beklimmen. Drugspakketjes worden van buiten de gevangenismuren naar gedetineerden gekatapulteerd. Gedetineerden die rondlopen op de daken vangen de pakjes op en werpen ze eenvoudigweg naar de medegevangenen op het recreatieplein. Dat is toch totaal onaanvaardbaar? Nochtans gaan dergelijke beelden over de gevangenis van Haren rond op TikTok. Ik neem aan dat ook u ze gezien hebt. Het is absoluut surrealistisch. Terecht wordt in de media gesteld dat de gedetineerden daar blijkbaar de gevangenis hebben overgenomen.

Mijnheer de minister, kunt u die choquerende en surrealistische beelden toelichten?

De betrokken gedetineerden zijn meer dan waarschijnlijk gekend, aangezien zij zeer herkenbaar in beeld komen. Kunt u een gedetailleerd overzicht geven van de tuchtmaatregelen die werden genomen? Werd er een onderzoek geopend naar de overgooiers? Zijn er vaststellingen gedaan met betrekking tot de daders?

De gevangenis van Haren is een recente gevangenis, gebouwd toen de overgooiproblematiek reeds bekend was. Waarom werd daar bij het ontwerp van de plannen geen rekening mee gehouden?

Welke initiatieven worden er genomen om die overgooiproblematiek in de toekomst te voorkomen? Zullen er bij hoogdringendheid aanpassingen gebeuren?

Voorzitter:

Collega's, ik wens eraan te herinneren – ik had dit misschien voorafgaand aan het debat moeten doen – dat in een actualiteitsdebat een spreektijd van twee minuten per vraag geldt.

Het woord is aan mevrouw De Wit voor de N-VA-fractie.

Sophie De Wit:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, voor mij zal twee minuten spreektijd wel volstaan. Collega Dillen schetste de context al.

In de gevangenis van Antwerpen werd een maatschappelijk assistente aangevallen door een gedetineerde. Ze kreeg niet op tijd hulp aangezien de alarmknoppen niet werkten. Een aantal zaken liepen daar grondig fout, met heel zware gevolgen. Het bleek ook om een niet-ongevaarlijke gedetineerde te gaan, maar die informatie was niet doorgegeven. Uiteindelijk zit de persoon die daar kwam om te helpen nu zwaar geschaad thuis. Bovendien zijn de andere maatschappelijk assistenten nu uiteraard weigerachtig om hun werk binnen de gevangenismuren voort te zetten. Nochtans is dat werk cruciaal met betrekking tot reclassering. De overheid heeft hier gefaald, de systemen hebben gefaald.

Waarom werkten die alarmsystemen niet? Waren ze te oud en onvoldoende nagekeken? Is hetgeen wij daarover in de pers lezen juist? Ik neem aan dat er procedures zouden moeten zijn om dergelijke zaken regelmatig te testen. Als dat niet gebeurt, lijkt mij dat nalatigheid.

Is dat trouwens enkel een probleem in Antwerpen of bestaat dat ook in andere gevangenissen? Ik neem aan dat u dan al lang een ordemotie hebt uitgestuurd om te controleren hoe de situatie elders is. Hebt u dat gedaan?

Hoe zal het nu verder lopen in de praktijk? Reclassering is belangrijk, evenals de gesprekken van maatschappelijk assistenten met gedetineerden. Hoe verloopt het verder met betrekking tot alle organisaties die hebben laten weten dat ze geen gesprekken meer willen voeren in de gevangenissen?

Stefaan Van Hecke:

Mijnheer de minister, de problematiek werd al geschetst.

Veel leden van deze commissie zijn al eens in een of andere hoedanigheid, de meesten als advocaat, in een gevangenis geweest. Ze hebben toen gesproken met gedetineerden, vaak alleen en in een klein en kaal lokaal. De penitentiaire beambten staan buiten. Er is alleen een tafel, een stoel en een noodknop.

Ik zal eerlijk zijn: toen ik als jonge advocaat voor de eerste keer in zo'n lokaal binnenkwam en een relatief zware cliënt voor mij had, was ik niet echt op mijn gemak. Heel veel mensen hebben waarschijnlijk hetzelfde gevoel, niet alleen advocaten maar ook andere mensen die in welke hoedanigheid dan ook een afspraak hebben met een gedetineerde. Na de feiten die zich hebben voorgedaan, kan ik me voorstellen dat er wel een en ander door het hoofd gaat wanneer men vandaag alleen in zo'n lokaal binnengaat. Zit ik hier veilig? Zullen de penitentiaire beambten mij horen als er iets gebeurt? Zal de noodknop werken als ik die nodig heb? Dat overstijgt de gruwelijke feiten die zich hebben voorgedaan, maar illustreert wel hoe moeilijk de situatie is voor mensen die dagelijks in dergelijke situaties moeten werken.

Ik heb daarom een aantal heel concrete vragen ingediend. Een deel ervan werd reeds door de collega's gesteld.

Hoe kunnen dergelijke incidenten in de toekomst worden vermeden?

Gebeurt het vaak dat er door een personeelstekort veiligheidsprocedures niet kunnen worden nageleefd, zoals het aantal cipiers in de gang?

Wie is er verantwoordelijk voor de controle en het onderhoud van de veiligheidssystemen?

De PSD neemt in Antwerpen geen nieuwe dossiers meer aan. Wat zijn de eisen van het personeel? Hoe zult u daaraan tegemoetkomen?

Is de psychosociale begeleiding van gedetineerden gegarandeerd? Heeft de PSD voldoende capaciteit om de begeleiding, zoals wettelijk bepaald, te kunnen uitvoeren?

Greet Daems:

Mijnheer de minister, wat er op 2 september gebeurd is in de gevangenis van Antwerpen is vreselijk. Mijn gedachten gaan dan ook uit naar die maatschappelijk werkster. Ik denk ook aan haar familie, vrienden en collega's van de Begijnenstraat en daarbuiten. We weten ondertussen dat er drie technische zaken misgelopen zijn: de alarmknop was niet aangesloten, het mobiele alarm gaf de foute locatie aan en niet alle informatie stond in het digitale systeem. Het is helaas geen probleem van Antwerpen alleen. Veel inrichtingen hebben ermee te kampen. De vakbonden hebben daarom aangedrongen op veiligheidsinstructies voor alle gevangenissen. Zijn die instructies overal uitgestuurd? Over welke instructies gaat het specifiek?

De problemen gaan natuurlijk veel verder dan alleen de falende infrastructuurproblemen. Ook de personeelstekorten en de overbevolking van de gevangenissen zijn een verklaring voor dit drama. Het gaat om problemen die u en uw voorgangers nooit structureel hebben aangepakt. U schuift het verlengde penitentiaire verlof naar voren als oplossing, maar dat is onvoldoende. Andere voorstellen van de vakbonden hebt u afgeschoten.

Mijnheer de minister, wat zult u, in de tijd die u rest in lopende zaken, nog doen om de overbevolking echt aan te pakken?

Mijn laatste vraag gaat over de verstrenging van de minimale dienstverlening. Het KB zou sinds 22 augustus al terug zijn van de Raad van State. Er was beloofd dat de vakbonden de conclusies van de Raad van State meteen mochten inkijken. Dat is niet gebeurd. Nu blijkt dat ze pas over een paar dagen inzage zullen krijgen. Dat is niet alleen een gebroken belofte, maar ook misprijzen ten opzichte van de vakbonden en het gevangenispersoneel.

Mijnheer de minister, vanwaar komt het gebrek aan respect voor de vakbonden? Waarom geeft u hun niet meteen inzage?

Jinnih Beels:

Mijnheer de minister, het arresthuis in Antwerpen werd dit jaar geteisterd door meerdere incidenten, waaronder dagenlange foltering, vechtpartijen en onlangs de fysieke mishandeling en aanranding van een maatschappelijk werkster. We weten intussen ook dat de alarmsystemen in verschillende gevangenissen en arresthuizen niet naar behoren werken. Het personeel op het terrein kan dus niet in veilige omstandigheden functioneren.

Er zijn verschillende noodkreten uit het veld gekomen, maar de regering is er niet in geslaagd om het personeel van de gevangenissen en arresthuizen voldoende te beschermen, wat een grove nalatigheid is. De structurele overbevolking in de gevangenissen en arresthuizen is onder meer het onderliggende probleem van veel incidenten. Dit wordt ook door verschillende mensen in het werkveld beaamd.

Ik ben mij ervan bewust dat u en de huidige regering een aantal initiatieven hebben genomen, zoals de uitrol van detentiehuizen en de bouw van een nieuw arresthuis in Antwerpen en de creatie van 1.200 extra plaatsen. Helaas zijn dat druppels op een hete plaat.

Wat voor mij echter van fundamenteel belang is, is dat het personeel op het terrein te allen tijde zijn werk veilig kan uitvoeren. Naast het risico dat we opnieuw met opstanden in de gevangenissen te maken zullen krijgen, zoals ik zelf als ex-politiecommissaris al heb mogen ondervinden, is het slechts een kwestie van tijd – laten we hopen van niet – vooraleer de volgende maatschappelijk werkster of cipier misschien niet meer in staat zal zijn om het na te vertellen.

Ondanks het feit dat de regering in lopende zaken zit, heb ik toch nog de volgende vier vragen voor u.

Welke maatregelen zult u nemen om de veiligheid van het personeel op zeer korte termijn, het liefst vanaf morgen, te verbeteren?

Welke initiatieven zult u nemen om ervoor te zorgen dat iedere gevangenis en ieder arresthuis effectief uitgerust is met de juiste en functionerende alarmsystemen?

Wat is uw onderbouwde mening, met zowel de pro’s als de contra’s, over het voorstel om in gevangenissen en arresthuizen, net zoals in de FPC’s of ziekenhuizen, met quota’s te werken, zoals de sector al jarenlang vraagt?

Welke concrete initiatieven zult u nemen om de alternatieve pistes van detentiecentra en transitiehuizen ook effectief verder uit te rollen?

Voorzitter:

Les trois questions suivantes sont posées par notre collègue Sarah Schlitz. Elles portent sur les suicides en prison, la mise en œuvre du guide sur la politique de prévention du suicide en milieu carcéral et la santé mentale du personnel pénitentiaire. Je rappelle aussi que ceci a lieu dans le cadre d'un débat d'actualité et que deux minutes sont allouées par question. Chère collègue, vous avez la parole.

Sarah Schlitz:

Monsieur le président, je vais en référer à mes questions écrites, si c'est possible. Ce sera plus simple.

Voorzitter:

C'est toujours possible, et c'est encore plus rapide.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, je suis alertée sur la question très préoccupante des nombreux suicides dans nos prisons.

Mes questions sont les suivantes:

- Combien de personnes se sont suicidées en 2023 et depuis le début de l'année 2024 dans les prisons belges? Pouvez-vous me donner ce décompte par prison.

- Comment ce décompte est-il fait: est-ce que toutes les personnes ainsi décédées sont prises en considération dans le décompte ou, si la personne décède à l'hôpital, est-elle exclue de ce décompte?

- Un guide adressé à l'administration pénitentiaire demande qu'un décompte des tentatives de suicide soit réalisé: est-ce que cela est effectivement fait? Si oui, selon quels critères et quels sont les chiffres?

- Qu'est-ce qui est prévu en termes de prise en charge pour les personnes détenues avant un passage à l'acte? Comment le choix de l'affectation dans une cellule/une unité/à un étage se fait-elle?

Monsieur le Ministre, un guide sur la politique de prévention du suicide a été diffusé par la DG-EPI en 2023. Le guide liste une série de recommandations, parmi lesquelles:

- Les numéros de téléphone doivent être affichés de manière visible dans les sections (idéalement, à côté des téléphones s’il n’y a pas de téléphone en cellule).

- Dans les établissements disposant d’une plateforme numérique ou d’un canal d'information, des informations sur l’offre sont présentées par cette voie.

- Des dépliants de Télé-Accueil et de la prévention du suicide sont mis à disposition.

- Des ouvrages sur la prévention du suicide sont mis à la disposition des détenus à la bibliothèque.

- La disponibilité d’un téléphone d’urgence et la procédure permettant d'appeler le centre de prévention du suicide et Télé-Accueil, par exemple via un téléphone sans fil, doivent être examinées s’il n’y a pas de téléphone en cellule ou s’il s'agit d'une cellule collective.

- La création d’un groupe de messagerie consacré à la prévention du suicide regroupant les acteurs suivants: direction, AP, SPS, équipe soins et service médical.

Pourriez-vous m'indiquer si ces recommandations ont été mises en œuvre dans l’ensemble des établissements pénitentiaires? Comment ce contrôle est-il effectué? Je vous remercie pour vos réponses.

Monsieur le Ministre, les conditions de travail sont de plus en plus difficiles pour le personnel pénitentiaire. En témoignent les grèves qui ont été nombreuses en début d’année.

- Comment les agents sont-ils informés des ressources et procédures à sa disposition pour faire face à des difficultés psychologiques?

- En début d’année, vous avez évoqué la mise en place d’une politique de gestion des conflits active dans 24 établissements. Pourriez-vous m'indiquer dans lesquels?

- Dans ce cadre, les agents peuvent-ils bénéficier d’un accompagnement en termes de santé mentale?

- Qu'en est-il dans les établissements dans lesquels cette politique n’est pas mise en place? Je vous remercie pour vos réponses.

Voorzitter:

Zijn er collega's van andere fracties die in dit debat vragen wensen te stellen? ( Neen )

Paul Van Tigchelt:

Mijnheer de voorzitter, Wat op 2 september gebeurd is in de Begijnenstraat, is inderdaad vreselijk. Jullie hebben het gezegd en wij kunnen het inderdaad niet anders omschrijven. Als minister van Justitie voel ik mij daar dan ook echt verantwoordelijk voor.

Het is misschien niet de gewoonte, maar ik wil eerst de oude en de nieuwe leden, en zeker ook de nieuwe voorzitter van de commissie voor Justitie gelukwensen. Ik zou normaal gezien ook tussen jullie zetelen, maar ik zit nu nog hier. Dat is vrij eigenaardig, moet ik eerlijk toegeven.

De commissie voor Justitie – en dit zeg ik voor de nieuwe leden – heeft een goede reputatie. Zij die hier al langer zetelen, kunnen daarvan beter getuigen dan ik. De commissie voor Justitie is actief, kritisch en zeer actief bezig met wetgeving. Daar kan ik van getuigen. Als ik even chauvinistisch mag zijn, merk ik op dat de nieuwe leden van de commissie voor Justitie vooral uit de provincie Antwerpen komen. Ik meen dus dat de toekomst van de commissie voor Justitie gegarandeerd is.

Ik zei het al, het is een beetje bizar dat ik hier nog zetel als minister in lopende zaken. Ik moet u niet uitleggen dat dit betekent dat ik terughoudend moet zijn. Dat neemt niet weg dat ik mijn verantwoordelijkheid wel wil opnemen en dat ik in alle transparantie zoveel mogelijk wil antwoorden op de gestelde vragen. Maar u weet dat de bevoegdheden van de regering in lopende zaken – in het Engels de caretaker government – zeer beperkt zijn. Ik moet vanuit democratisch oogpunt zeer terughoudend zijn in het nemen van nieuwe beleidsinitiatieven.

Er is één fractie, de Vlaams Belangfractie, die mij vandaag vele vragen stelt als: wat zult u doen, welke initiatieven zult u nemen, welke middelen zult u vrijmaken voor probleem X of voor probleem Y? Wel, ik zal u wat dat betreft moeten ontgoochelen. Dat is niet aangenaam voor u, maar dat is voor mij ook niet zo aangenaam. Lopende zaken zijn echter wat ze zijn. Het is goed dat wij hier kunnen samenzitten en ik hoop dat wij ons goed zullen kunnen vinden in het begrip "lopende zaken".

En ce qui concerne les problèmes dans les prisons, nous avons déjà eu ce débat à de nombreuses reprises, dernièrement le 26 mars 2024 après l'incident dramatique dans la cellule 1311 de la Begijnenstraat. Comme vous le savez, nous avons toujours essayé d'être ouverts au débat et, comme je l'ai déjà dit, je reste disponible pour cette commission. J'essaie dans la mesure du possible de répondre à toutes vos questions.

Er zijn een aantal heel terechte vragen gesteld. Ik wil niet te veel doceren. Ik probeer het kort te houden, maar ik wil het eerst nog even over de overbevolking hebben. Dat is een oud fenomeen, waarvoor verschillende oorzaken kunnen worden aangehaald. Ik wil enkele elementen nog eens heel specifiek aanhalen, omdat er misverstanden over bestaan en blijven bestaan.

Ten eerste, meer dan 50 % van de veroordeelden blijft tot de laatste dag van het strafeinde in de cel. Er is daarover dus nog steeds een misverstand, dat door sommigen bewust wordt opgepookt, namelijk dat gedetineerden d’office na een tweede of een derde van hun straf vrijkomen. Niets is minder waar. Dat is vooral een evolutie, die u positief of negatief mag noemen, maar die merkbaar is sinds die bevoegdheid is weggehaald bij de uitvoerende macht en aan de rechterlijke macht gegeven werd. De strafuitvoeringsrechters blijken in de praktijk – dat is een feit, waarover ik geen oordeel heb – vrij streng te zijn in het vrijlaten van gedetineerden. Er is uiteraard ook een categorie gedetineerden die er bewust voor kiest tot het strafeinde in de gevangenis te blijven zitten, om aldus aan het moeilijke toezicht van politie en justitieassistenten te ontsnappen, maar meer dan 50 % van de gevangenen blijft dus tot het strafeinde in de gevangenis.

We weten ook dat er een probleem is dat vaak terecht is aangehaald door leden van de commissie voor Justitie, met name het hoge recidivecijfer in ons land. Ik moet eerlijk bekennen dat de cijfers waarover justitie beschikt niet altijd erg actueel en pertinent zijn. We weten echter, uit de recentste cijfers waarover wij beschikken, dat meer dan 70 % van de veroordeelden die vrijkomen, binnen de vijf jaar na vrijlating nieuwe feiten pleegt en dus opnieuw voor een rechter verschijnt. Collega’s, meer dan 70 %, dat is ook een politieke verantwoordelijkheid. Ik wil in dat verband twee specifieke problemen aanhalen, die eigenlijk vreemd zijn aan justitie, maar waarmee justitie wel wordt geconfronteerd en die goeddeels de historische overbevolking mee verklaren.

Momenteel zitten 1.054 geïnterneerden in onze gevangenissen. Dat is opnieuw een verdubbeling ten opzichte van tien jaar geleden. Wij weten allemaal – ik hoef dit niet mee te geven aan dit gespecialiseerde publiek – dat geïnterneerden mensen zijn met psychische problemen, die niet in de gevangenis thuishoren. Zij hebben specifieke zorg nodig, die hun geboden moet worden in de FPC’s, in het forensische zorgcircuit of in het reguliere psychiatrische circuit. Daar werkt men inderdaad met quota, mevrouw Beels.

Ook bij de DVZ werkt men met quota. Vandaag zitten er immers niet alleen 1.000 geïnterneerden in onze gevangenissen, maar ook meer dan 3.800 mensen zonder papieren. Het gevangeniswezen werkt niet met quota, maar – ik druk mij oneerbiedig uit, maar ik wil het duidelijk stellen – het is al jaren de vergaarbak voor alle problemen die zich in onze samenleving voordoen. Haal die 1.000 geïnterneerden en die 3.800 mensen zonder papieren eruit en er is geen sprake van overbevolking. Dat is een redenering die heel kort door de bocht gaat, maar ik wilde dat punt toch even maken. Aan wie blijft beweren dat justitie een fout heeft gemaakt door de korte straffen uit te voeren, zeg ik dat dit de wereld op zijn kop is, want justitie moet haar eigen straffen uitvoeren. Voor mij zijn straffen tot drie jaar geen korte straffen.

Als laatste element wat de overbevolking betreft, wil ik nog het volgende zeggen aan collega Van Hoecke. In sommige vragen laat u uitschijnen dat justitie en politie in dit land niets zouden doen. Welnu, de ongeveer 12.400 gedetineerden komen niet zomaar in de gevangenissen. Dat is dankzij het werk van justitie en politie. We hebben het de voorbije maanden vaak gehad over Sky ECC en de 'successen'. De problemen met de georganiseerde criminaliteit en drugs zijn nog verre van opgelost, maar het is wel een feit dat politie en justitie successen hebben geboekt en dat 4.500 van de meer dan 12.000 gedetineerden in de gevangenis zitten voor drugsmisdrijven. Dat zijn enkele randbemerkingen die ik toch wilde maken.

On sait tous qu'il n'y a pas de solution miracle aux problèmes de nos prisons. Si cette solution existait, les problèmes seraient résolus depuis des années.

Verschillende sprekers hebben aangehaald dat er in de afgelopen legislatuur 1.260 plaatsen bij gekomen zijn. Vaak gaat het ook over beslissingen van de voorgaande regering die in de afgelopen legislatuur uitgerold werden, net zoals de toekomstige regering hopelijk plaatsen zal kunnen openen die door de huidige – thans in lopende zaken – regering zijn beslist. Zo verloopt het nu eenmaal, al frustreert dat ons allemaal. Het gaat traag. Voor een stuk kijk ik daartoe naar de Regie der Gebouwen, maar die bevoegdheid komt mij niet toe in de periode van lopende zaken. Het is nu eenmaal zo.

De capaciteit zal tegen het einde van het jaar 11.100 bedragen. Ik heb de cijfers nog eens nagekeken die ik meegedeeld heb in de vergadering van de commissie voor Justitie van 26 maart 2024. Ik kan vaststellen dat wat ik toen heb gezegd op een tiental na klopt. De huidige capaciteit is 11.010 en tegen het einde van het jaar zal die 11.100 bedragen. Op het moment van de commissievergadering van 26 maart bedroeg de capaciteit 10.760. Naast de toename tot 11.010 en tot 11.100, op het einde van het jaar, staan nog tal van projecten in de steigers die in de loop van 2025 en in het voorjaar van 2026 hopelijk de capaciteit zullen doen toenemen met zowat 400 plaatsen, waardoor de capaciteit op 11.500 gebracht zal worden. Draai of keer het zoals u wilt, ofwel halen we er een aantal mensen uit, bijvoorbeeld geïnterneerden, bijvoorbeeld illegalen, ofwel creëren we capaciteit bij. Ik meen dat we op verschillende sporen moeten inzetten. Een van de zaken is dat de capaciteit toeneemt. Dat is gepland. Het komt de volgende regering toe om daar al dan niet een andere richting aan te geven.

Investeren in bijkomende plaatsen betekent ook investeringen in bijkomend personeel, zoals u wel weet. Er is wat mij betreft geen misprijzen voor de vakbonden, mevrouw Daems. Die spelen hun rol. We hebben geïnvesteerd in extra personeel. Dat is u allen bekend, want op de versnelde aanwerving van personeel is er ook kritiek geuit, aangezien er een spanningsveld ontstaat tussen de snelheid van aanwerving en voldoende opleiding. Dat probleem manifesteert zich voor een stuk in Haren, maar we hebben dus wel extra personeel aangeworven. In de afgelopen vier jaar zijn in totaal maar liefst 4.000 personeelsleden aangeworven voor de gevangenissen. De medische teams en de zorgteams hebben we versterkt. Nogmaals, daarmee breng ik geen hoeraverhaal, ik geef gewoon de feiten. We zijn er nog niet, dat weet ik ook wel.

Wij hebben het bewakings- en administratief kader versterkt, zowel in de nieuwe als in de bestaande gevangenissen. Op vele vlakken was er effectief een inhaalbeweging nodig. Collega Daems, ik geef het toe, ondanks die inspanningen blijft er in sommige inrichtingen, niet in alle maar in sommige, effectief een personeelstekort.

De overbevolking is gedaald. Het kan vreemd klinken als ik dat zeg, maar ze is gedaald ten opzichte van 10 jaar geleden. Ze bedraagt nu 13 %, 10 jaar geleden bedroeg ze 24 %. Dat is onder meer het gevolg van het optrekken van het aantal plaatsen in onze gevangenissen.

Ik wil daaraan toevoegen dat de capaciteit die ik net vermeldde nog steeds onvoldoende is voor de meer dan 12.300 gedetineerden. In commissie en plenum heb ik al vaak gezegd dat de eerste ambitie moet zijn om nul grondslapers te hebben. Ik kan u in alle eerlijkheid zeggen dat dit tijdens de vakantie niet gelukt is. Zeker in de Begijnenstraat worden wij opnieuw geconfronteerd met tientallen grondslapers.

Het aantal gedetineerden blijft nog stijgen, tot onze verbazing. Wij hebben het zelf niet in de hand. Net zoals wij de uitstroom niet in de hand hebben – dat is een beslissing van strafuitvoeringsrechters – hebben wij de instroom ook niet in de hand, want die ligt in handen van parketmagistraten en onderzoeksrechters. Traditioneel zien wij tijdens de zomer een daling van het aantal gedetineerden. Nu is het aantal blijven stijgen. Justitie en politie zitten blijkbaar niet stil, ook niet tijdens de zomer. Die gedetineerden komen er niet vanzelf.

De gevangenissen zijn inderdaad verplicht om elke inkomende gedetineerde op te nemen. Collega Beels, de voorzitter ad interim van de FOD Justitie, mevrouw Sarah Blancke, die zal vertrekken op 1 oktober, pleit inderdaad voor quota in de gevangenissen. In tegenstelling tot gesloten centra, FPC's en centra voor illegalen zijn er voor de gevangenissen geen quota. Het gevangeniswezen kan vandaag niet zeggen dat de gevangenissen vol zitten en dat er een stop is.

Dat maakt dan inderdaad ook dat de gevangenissen een beetje – dit is een unconvenient truth, maar het is wel een waarheid – een vergaarbak worden voor problemen die elders niet worden opgelost. Het resultaat is dat gevangenissen problemen van andere departementen ondervangen. Er zijn meer dan 1.000 geïnterneerden en meer dan 3.800 gedetineerden zonder recht op verblijf. Het resultaat is inderdaad – dat is correct, collega Daems – dat het personeel gebukt gaat onder een grote werklast, dat de veiligheid onder druk staat en dat we hier nu in de commissie voor Justitie zitten om al die problemen te bespreken. De overbevolking, het personeelstekort, de veiligheid binnen onze inrichtingen en de staat van de gebouwen blijven inderdaad problemen die bijkomende initiatieven en maatregelen vergen.

Collega Beels, u sprak over het beleid van de huidige regering tijdens de vorige legislatuur. Ik denk dat ik het zo juridisch correct zeg, want het is nog de huidige regering. Het zouden druppels op een hete plaat zijn. Daar ben ik het niet mee eens. We hebben het geweer van schouder veranderd en dat is eigenlijk al gebeurd onder de Zweedse regering. Een derde van de infrastructuur is vervangen. Tegen dit tempo is tegen 2031 de helft van de verouderde infrastructuur vervangen. Ik ben het met u eens dat dat veel te traag gaat. Koken kost geld, maar nu is dus een derde van de infrastructuur up-to-date en tegen 2031 de helft. We investeren in bijkomende capaciteit en we nemen ook maatregelen om anders te straffen. Ik kom daar nog op terug. We willen alternatieven voor de gevangenisstraf meer 'promoten'. Ik vind dus wel dat dat meer is dan druppels op een hete plaat. Ook de initiatieven die we hebben genomen voor de detentiehuizen en detentiebegeleiders mogen hier aangehaald worden.

Voor bijkomende initiatieven en maatregelen moet ik als ontslagnemend minister in een regering in lopende zaken een zekere terughoudendheid aan de dag leggen. Nieuwe initiatieven kan ik niet nemen. Ik ben ook niet in de mogelijkheid om in extra financiële middelen te voorzien. Normaal zijn we nu bezig met beleidsnota's, beleidsverklaringen en de begrotingsopmaak, maar er is dus niets van dat alles. Ik hoef u de omzendbrief over de lopende zaken niet te citeren.

Ik hoop, en ik ga ervan uit, dat de volgende regering de ingeslagen weg zal volgen. Wat is die ingeslagen weg?

Ten eerste, alle straffen moeten worden uitgevoerd. Een justitie die dat niet doet, is geen geloofwaardige justitie. Een justitie waarbij de uitvoerende macht zomaar beslissingen van rechters aan de kant schuift, is niet ernstig in een rechtsstaat. Alle straffen moeten worden uitgevoerd.

Ten tweede, wij moeten straffen op maat hebben. Dat punt heb ik daarnet ook gemaakt. Wij hebben in de commissie voor Justitie hard gewerkt aan het nieuwe Strafwetboek, waarin de gevangenisstraf een ultimum remedium is. We spraken daar al lang over. Wij hebben dat nu effectief verankerd in ons Strafwetboek. Een rechter die een straf van niveau 2 wil uitspreken, moet motiveren waarom hij een gevangenisstraf oplegt en waarom een andere straf dan een gevangenisstraf niet gepast is.

Ten derde, als er dan toch een gevangenisstraf opgelegd wordt, moet die zinvol zijn. Ik heb het recidivecijfer aangehaald, namelijk 70 %. Een zinvolle gevangenisstraf is een straf waarbij de gedetineerde wordt begeleid, vandaar de detentiehuizen. Dat is geen Belgische uitvinding, dat is iets dat uit Scandinavië komt, vandaar ook de detentiebegeleiders.

Zinvol straffen moeten wij doen vanuit een menselijk oogpunt. Gedetineerden zijn mensen. Wij moeten dat doen vanuit een maatschappelijk oogpunt, want onze maatschappij wordt daardoor veiliger. En wij moeten dat ook doen vanuit een economisch oogpunt, want hoewel ik het niet kan berekenen, ben ik ervan overtuigd dat zinvol straffen op termijn ook budgettair zal lonen. Als wij niet investeren in gedetineerden, blijft het recidivecijfer hoog. De maatschappelijke kosten zijn dan ook bijzonder hoog. Kortom, wij moeten aan begeleiding doen.

Wij botsen echter ook voor een deel op onze staatsstructuur. Ik leg de bal niet in het kamp van de gemeenschappen, dat is niet mijn bedoeling, maar u weet dat de begeleiding al voor een goed deel geregionaliseerd is en dat de gemeenschappen dus ook hun duit in het zakje moeten doen.

Chers collègues, j'ai regroupé vos nombreuses questions en différents thèmes afin d'essayer de vous répondre de manière structurée.

Het is vreselijk wat er in de gevangenis van Antwerpen gebeurd is. Er werd expliciet gevraagd hoe het met het slachtoffer gaat. Ze heeft echter via haar hiërarchie laten weten dat ze op haar privacy gesteld is. U zult mij dat niet kwalijk nemen, maar ik zal dus op haar vraag geen informatie verstrekken.

Er loopt een gerechtelijk onderzoek. De zaken die daarover gezegd en geschreven zijn in de pers zijn grotendeels juist. Het slachtoffer werd dus brutaal betast en seksueel aangerand. Het parket voert een onderzoek ter zake. De verdachte is een man die vastzat voor diefstallen. Hij zat in eerste instantie in voorlopige hechtenis en is na zijn veroordeling door de correctionele rechtbank in strafuitvoering gebleven. Op het ogenblik van de feiten, namelijk op 2 september, zat hij dus in strafuitvoering.

De man bleek ook – en ik zeg dat met de nodige voorzichtigheid – mentale problemen te hebben. Dat is een algemene term en dat zal dus verder bevestigd moeten worden. We zien dat echter vaak in de gevangenissen. Ik heb immers nog niet gezegd dat een derde van de geweldsincidenten door geïnterneerden wordt gepleegd. Dat zijn dus mensen die psychische zorg nodig hebben. Zij zijn extra vatbaar voor het plegen van geweld tegen ons penitentiair personeel.

Ik zal het nu hebben over de veiligheidsprocedures, de noodknop en het mobiele alarm. Ik vat het samen, want u hebt het goed gelezen in de pers. De noodknop, die aan de muur hing, functioneerde niet. Elk personeelslid is ook uitgerust met een gsm met een mobiel alarm, en dat heeft wel gewerkt. Volgens de gevangenisdirectie en de informatie die mij verstrekt werd, was er na ongeveer één minuut bijstand aanwezig. In dergelijke verschrikkelijke omstandigheden zijn 60 seconden echter een eeuwigheid. Dat waren dus 60 seconden te veel.

Het incident heeft problemen blootgelegd. De vaste alarmknop werkte niet en bleek zelfs niet aangesloten te zijn. Hoewel dergelijke alarmknoppen niet het primaire alarmsysteem binnen de gevangenissen zijn, is zoiets onaanvaardbaar. Die knop wordt geacht te functioneren. Inmiddels zijn die alarmknoppen – niet alleen in de Begijnenstraat, maar ook in alle andere gevangenissen – gecontroleerd, aangesloten en getest. Technische mankementen zijn altijd mogelijk, maar dan moeten die aan het licht komen tijdens de testen.

Het mobiele alarm werkte wel. Zoals collega Dillen al zei, kon het slachtoffer de knop wel indrukken, maar duurde het te lang voor men haar wist te lokaliseren. Het DG EPI heeft mij laten weten dat nieuwe testen van het systeem worden uitgevoerd en maatregelen worden genomen om dat probleem te verhelpen. Er waren veiligheidsmedewerkers op de gang, maar zij waren inderdaad pas na een minuut ter plaatse om hulp te bieden. Er wordt ook geëvalueerd of het wel aangewezen is om iemand in zo'n lokaal alleen te laten met een gedetineerde.

Ik herhaal dat naar aanleiding van het incident met de noodknop in de Begijnenstraat ook in de andere gevangenissen de veiligheidsprocedures worden herbekeken en testen worden uitgevoerd.

Ik zeg dit met heel veel schroom, want ik vind het moeilijk om dat te zeggen, maar in de gevangenis zitten geen koorknapen. Daarom moeten de veiligheidsprocedures functioneren. Het is moeilijk te aanvaarden dat die noodknop niet functioneerde, maar zelfs als we ervoor zorgen dat alle veiligheidsprocedures 100 % werken, dan nog kunnen wij geen absolute veiligheid garanderen. Het spijt me dat ik dit moet zeggen, maar ik denk dat ik dat hier wel moet doen. U moet mij die kritische vragen stellen, maar ik kan niet garanderen dat er nooit meer iets zal gebeuren in de gevangenis als alle veiligheidsprocedures 100 % worden nageleefd. Dat is niet zo in de buitenwereld en dat zal intra muros ook niet zo zijn. Dat neemt echter niet weg dat we er alles aan moeten doen om die veiligheidsprocedures correct toe te passen en te controleren.

De werkdruk van het personeel is hoog. Collega Daems, wij hebben respect voor elk personeelslid dat dagelijks in die moeilijke omstandigheden moet werken. Ik hoed mij er echter voor om het personeelstekort of de overbevolking als verschoningsgrond aan te wenden om de veiligheidsprocedures niet te respecteren. We moeten ook in die situaties kunnen vertrouwen op die procedures en die worden nu op scherp gezet. Ik twijfel er niet aan dat u dit zult opvolgen. Zolang ik minister in lopende zaken blijf, zal ik dat ook opvolgen en mij hierover laten rapporteren.

De videobeelden uit de gevangenis van Haren op TikTok zijn door de politie en het gevangeniswezen bekeken. Het overgooien door middel van een katapult, zowel in Haren, in de Begijnenstraat in Antwerpen als in andere gevangenissen, is de voorbije jaren een plaag geworden. De overgooiproblematiek heeft altijd bestaan, maar de laatste jaren is dit exponentieel toegenomen. Nooit eerder kregen gevangenen zoveel luchtpost als in de afgelopen maanden. Het gaat dan over drugs, smartphones en andere vaak onschadelijke en soms schadelijke zaken.

Er worden maatregelen genomen en in het nieuwe Strafwetboek werd deze praktijk strafbaar gemaakt. We hebben het artikel met betrekking tot het overgooien ook vervroegd in werking laten treden, waardoor ook niet meer bewezen hoeft te worden dat iets dat wordt overgeworpen een illegaal goed betreft. Het overgooien op zich is nu immers een strafbaar feit, wat het werk van politie en justitie vergemakkelijkt.

Er komt een geldboete voor wie dat één keer doet. Daarna kan dat een celstraf worden.

Het strafbaar maken is uiteraard onvoldoende. Er moeten ook aanpassingen zijn aan de infrastructuur om dat tegen te gaan. Ik kan u melden dat er op dat vlak momenteel door de Regie der Gebouwen en de bevoegde staatssecretaris een studie wordt uitgevoerd in de gevangenis van Mechelen over de overgooiproblematiek. De resultaten van de studie worden afgewacht, om te bekijken welke specifieke algemene maatregelen eventueel kunnen worden getroffen. Ik hoor u denken en opwerpen dat het niet zo moeilijk kan zijn om gewoon een net te spannen. Blijkbaar is dat echter niet erg evident.

Inzake het beklimmen van daken, dus gedetineerden die op daken zouden zijn gezien, kan ik meegeven dat in samenspraak tussen de gevangenis en de privépartners een oplossing wordt uitgewerkt die maakt dat gedetineerden niet langer op de daken kunnen klimmen. As we speak wordt daaraan gewerkt.

Inzake het personeelstekort in de gevangenis van Haren kan ik melden dat daar 258 nieuwe personeelsleden zijn aangeworven, waarvan 221 in de bewaking. Wij starten binnenkort opnieuw met een aanwervingscampagne. Ik weet immers dat er nog een personeelstekort is in de gevangenis van Haren. Er komt dus een aanwervingscampagne, specifiek voor de gevangenis van Haren.

Wij zullen voor die rekrutering, zoals hier in het verleden al is toegelicht, de procedure Fast Lane hanteren. Dat doen wij samen met BOSA en de minister van Ambtenarenzaken. Met die versnelde procedure menen wij op korte termijn opnieuw extra personeel te kunnen aanwerven.

De grote aanwervingsgolven hebben voor een achterstand in de opleiding van het personeel gezorgd. Die achterstand wordt weggewerkt. Binnenkort zullen de personeelsleden de eerste module van de basisopleiding hebben gevolgd. In afwachting van die basisopleiding krijgen de nieuwe personeelsleden een opleiding op de werkvloer vooraleer zij op een sectie worden geplaatst.

Over de ontsnappingspoging uit de gevangenis van Wortel, wat een vraag van mevrouw Dillen was, kan ik meegeven dat het om vier gedetineerden met de Marokkaanse nationaliteit ging.

Mevrouw Dillen, u hebt een verklaring voor de ontsnappingspoging gezocht in het feit dat er nu een akkoord is met Marokko om gedetineerden te repatriëren. Dat akkoord is er wel degelijk. De aantallen zijn in juli en augustus 2024 een beetje gedaald. Ik hoop en het zal ook zo zijn dat ze in september 2024 opnieuw zullen stijgen. Ze zijn in juli en augustus 2024 namelijk gedaald, omdat die maanden vakantiemaanden zijn en omdat het ook van Marokkaanse zijde moeilijker was om tot samenwerking te komen.

Wij hebben dit jaar al 165 Marokkaanse onderdanen zonder papieren kunnen repatriëren, waarvan 90 gedetineerden. Marokko aanvaardde geen eigen onderdanen meer sinds 2017, nu gebeurt dat opnieuw. Ik was op 1 november 2023 in Marokko, samen met andere mensen uit de veiligheidswereld, om daarover te praten. Marokko aanvaardt nu opnieuw de eigen onderdanen. Dat is belangrijk, maar ik geef u meteen mee dat er nog veel Marokkaanse onderdanen zonder geldige papieren in onze gevangenissen zitten, onder andere de verdachte van de feiten op 2 september.

Die overbrengingen naar Marokko zijn geen sinecure, dat is een open deur intrappen. Marokkaanse gedetineerden gaan zelden akkoord met hun overbrenging. Ze weten nu ook dat ze repatriëring riskeren. Het wordt de omgekeerde wereld, want ik hoor dat ze zich nu voordoen als Algerijn of Tunesiër, om aan uitwijzing naar Marokko te ontsnappen. U weet dat het onze taak is, de taak van DVZ en de overheid, om te bewijzen welke nationaliteit zij hebben, waarna wij inderdaad een laissez-passer kunnen aanvragen en bekomen in Marokko. Ze doen echter hun best om hun ware identiteit te verhullen.

Er is ook de nieuwe wet – het wetsontwerp werd behandeld in de commissie voor Binnenlandse Zaken – die mensen van de dienst Vreemdelingenzaken de bevoegdheid van officier van gerechtelijke politie geeft om gsm-toestellen uit te lezen, om de identificatie en de juiste identiteit van personen te achterhalen.

In totaal werden in 2024 165 Marokkaanse onderdanen teruggestuurd, waarvan 90 gedetineerden. Dat is een goed resultaat in vergelijking met de vorige jaren. Het is echter nog niet voldoende om de overbevolkingsproblematiek in onze gevangenissen aan te pakken en om de overlast in onze steden, die gepaard gaat met die illegaliteit, aan te pakken. Justitie kan dat niet alleen. Dat weet u.

In geval van overbrenging is Marokko in principe verplicht de tenuitvoerlegging van de straf voort te zetten. Derhalve is Marokko gebonden door de juridische aard en de duur van de sanctie. Dat is een algemeen principe bij overbrengingen. Er is echter een mogelijkheid om daarvan af te wijken, met name wanneer de straf naar de aard of de duur onverenigbaar is met het Marokkaanse recht. In dat geval kan Marokko de sanctie aanpassen aan de straf of maatregel die door zijn eigen wet voor een soortgelijk strafbaar feit is voorgeschreven. België wordt tijdens die overbrengingsprocedure ook ingelicht over de wijze waarop de tenuitvoerlegging van de Belgische veroordeling in Marokko plaatsvindt.

Wat de vier gedetineerden met Marokkaanse nationaliteit in de gevangenis van Wortel betreft, voor een van hen loopt een dossier met het oog op een overbrenging naar Marokko. De betrokkene gaat akkoord met zijn overbrenging. Voor de drie andere personen zal in samenwerking met de Dienst Vreemdelingenzaken de terugkeer georganiseerd worden op het ogenblik waarop ze hun strafeinde naderen.

U hebt heel concrete cijfers gevraagd, maar ik raad u aan om daarvoor een schriftelijke vraag in te dienen.

Nu kom ik tot de vragen over de strijd tegen drugs in de gevangenissen. Ook dat is een oud zeer. Drugs bevinden zich in de maatschappij en dus ook in de gevangenissen. U weet dat wij tien toestellen aankopen om drugs te detecteren in de gevangenissen. Eén toestel is momenteel in testfase en roteert tussen de verschillende gevangenissen.

Tegen het gebruik van smartphones in de gevangenissen wordt nog steeds streng opgetreden. Het beleid op dat vlak is vernieuwd. Gevonden smartphones worden in beslag genomen. We hebben ook opsporingstoestellen aangekocht die helpen in de zoektocht naar verboden smartphones. Vijf dergelijke toestellen zijn aangekocht. Ze worden momenteel getest en ingezet bij zoekacties in diverse gevangenissen. De resultaten daarvan zijn voorlopig positief, zo zegt het gevangeniswezen mij. Een overheidsopdracht wordt voorbereid voor de aankoop van meer van die toestellen, zodat ze in meerdere gevangenissen ingezet kunnen worden.

We hebben eveneens kennisgenomen van het jaarverslag van de Centrale toezichtsraad voor het gevangeniswezen. Daat stonden een aantal aanbevelingen en opmerkingen in die bestudeerd worden door de administratie van het gevangeniswezen. Ik kan u trouwens ook nog aangeven dat het gevangeniswezen een nieuwe directeur-generaal heeft. Dat is een dame die u goed kent, want ze was kabinetschef van de minister van Justitie, namelijk Mathilde Steenbergen. Het lijkt me dus een zegen voor de volgende minister van Justitie om met zo'n directeur-generaal te kunnen samenwerken.

Ik zal niet aarzelen om operationele knelpunten aan te pakken in deze periode van lopende zaken. Ik had vorige week bijvoorbeeld nog een ontmoeting met de Centrale toezichtsraad in het kader van de evaluatie van zijn eigen werking. Ook wat zijn eigen werking betreft, hangt de CTRG namelijk af van het Parlement. Ook daar kan echter nog een aantal zaken worden verbeterd.

Wat de vraag van collega Daems over de minimale dienstverlening betreft, klopt het dat er een advies van de Raad van State is binnengekomen op 22 augustus. De administratie is dat advies aan het analyseren. Er werd afgesproken dat het advies uiterlijk op 22 september aan de vakbonden wordt overgemaakt. Dat is één maand na ontvangst, dus dat lijkt me redelijk. Dat is geen kwestie van misprijzen van de gevangenissen.

Je vais maintenant répondre à la question de notre collègue Sarah Schlitz concernant les suicides en prison. En 2023, il y a eu 15 suicides dans les prisons belges. Il va de soi que c'est un état de choses déplorable. Je vous invite à poser une question écrite si vous souhaitez obtenir des chiffres plus détaillés à ce sujet.

Le nombre de suicides et de tentatives de suicides sont également une des conséquences de l'augmentation du nombre de détenus souffrant de maladies psychiatriques. C'est une constatation indéniable et je pense que l'on peut constater un phénomène similaire au sein de la société en général. Le personnel est formé pour reconnaitre les signes avant-coureurs du suicide parmi les détenus. Un groupe de travail se penche sur le sujet dans le Sud du pays. Ce groupe travaille à une simplification des instructions à destination des agents pour le Nord du pays. Un projet pilote va démarrer le 1 er octobre et sera mené par le VLESP ( Vlaams Expertisecentrum Suïcidepreventie ) au sein de quatre prisons, à savoir Bruges, Malines, Ypres et Merksplas. J'espère, monsieur le président, avoir répondu aux questions.

Marijke Dillen:

Mijnheer de minister, ik begrijp dat u, doordat de regering in lopende zaken is, terughoudend moet zijn en dat u geen nieuwe initiatieven kunt nemen. Hier gaat het echter over problemen die al decennialang aanslepen en die in de voorbije legislatuur al herhaaldelijk zijn aangekaart. Dan is het toch belangrijk dat u uw verantwoordelijkheid opneemt?

U hebt een aantal cijfers gegeven, waarvoor dank. 50 % van de veroordeelden blijft in de cel tot het strafeinde. We weten allemaal waarom, mijnheer de minister. We moeten daar niet flauw over doen. De gedetineerde is dan namelijk niet langer gebonden aan voorwaarden en moet die voorwaarden dan ook niet respecteren.

Helaas klopt het recidivecijfer dat u vermeldde. 70 % van de vrijgelaten gevangenen pleegt nieuwe feiten binnen de 5 jaar. Hoe komt dat, mijnheer de minister? Ik ben er eerlijk in, het is niet hoofdzakelijk uw verantwoordelijkheid, maar het mag wel gezegd worden, dat komt doordat er vandaag van een zinvolle detentie amper sprake is.

Het is heel belangrijk gedetineerden gedurende hun gevangenisstraf, hoe lang die ook mag zijn, te begeleiden naar hun terugkeer in de maatschappij. Op een bepaald ogenblik zullen zij immers vervroegd vrijkomen of vrijkomen na het einde van hun straftijd. Men moet hen dus begeleiden. Die begeleiding is bijzonder belangrijk, vanuit menselijk oogpunt, maar vooral ook vanuit maatschappelijk oogpunt. Nu laat die begeleiding werkelijk te wensen over. Nogmaals, dat is hoofdzakelijk een bevoegdheid van de gemeenschappen. Die mogen toch ook gewezen worden op hun verantwoordelijkheid?

Mijnheer de minister, u hebt het cijfer gegeven van het huidige aantal gedetineerden: 12.400, waarvan 1.054 geïnterneerden en 3.800 gedetineerden zonder papieren. Ik ben het volledig met u eens, geïnterneerden horen niet thuis in de gevangenis. Daar zitten zij als gevolg van een falend beleid voor het inzetten van FPC's, enzovoort.

Wat de 3.800 gedetineerden zonder papieren betreft, mijnheer de minister, zorg ervoor dat de nodige initiatieven genomen worden om hen uit de gevangenis te halen. Er is het verdrag met Marokko, dat met veel poeha is voorgesteld in de media. U zult zich de beelden wel herinneren. Mijnheer de minister, er moet meer op uitwijzing ingezet worden. Het gaat toch niet op dat een gedetineerde zijn akkoord moet geven? Nee, wie in ons land strafbare feiten pleegt, moet zonder pardon worden uitgewezen naar het land van herkomst.

U hebt gezegd dat die verantwoordelijkheden onder andere departementen ressorteren, dat klopt deels. Dring er bij de bevoegde collega’s op aan dat zij hun verantwoordelijkheid nemen.

Het aantal gedetineerden is deze zomer verder gestegen. Dat verbaast u. Mij verbaast dat eerlijk gezegd niet. Dat is immers het gevolg van de stijgende drugscriminaliteit, vooral in Antwerpen, maar waarschijnlijk ook in andere provincies. Alle respect voor de inspanningen van politie en justitie om deze criminelen – hoofdzakelijk mannen – te vatten, want daar wordt hard op ingezet, maar het gevolg is wel dat het aantal gedetineerden stijgt. We moeten daarover dus niet verwonderd zijn. De Vlaams Belangfractie steunt de aanpak van deze criminaliteit ten volle.

Wat de bijzonder trieste feiten in de gevangenis van Antwerpen betreft, hebt u aangegeven dat hierdoor de veiligheidsprocedure werd blootgelegd. De alarmknop was blijkbaar niet aangesloten en werd zelfs nooit getest. Mijnheer de minister, dat heeft niets te maken met de overbevolking in de gevangenissen. Het feit dat zaken niet getest worden, moet worden losgekoppeld van de problematiek van de overbevolking. U hebt gezegd dat er maatregelen werden genomen om de juiste locatie te laten vinden door EPI. Wanneer wordt die maatregel van kracht?

Mijnheer de minister, u hebt gelijk dat er geen 100 % garantie geboden kan worden dat er nooit meer incidenten zullen plaatsvinden, zelfs met perfect werkende systemen. In alle gevangenissen moeten echter de nodige initiatieven worden genomen om alles te testen.

Mijnheer de minister, wat de gevangenis van Antwerpen betreft, hoop ik dat de lokalen voor advocaten inmiddels ook getest werden en dat er daar niets misloopt. Dat is immers niet onbelangrijk.

Wat betreft de beelden van de gevangenis van Haren die op TikTok circuleren, net als u zit ik niet op TikTok. Ik denk dat ik daar net iets te oud voor ben. Ik heb die gegevens niet gekregen via TikTok, die zijn in alle media verschenen. De problematiek van het overgooien is de laatste jaren exponentieel gegroeid en er moeten heel dringend maatregelen worden genomen om de infrastructuur aan te passen. Ik weet dat dit niet uw bevoegdheid is, maar u kunt toch wel bij uw collega aandringen om daarvan bij hoogdringendheid werk te maken.

U zegt dat er een project komt in de gevangenis van Mechelen. Ik vind de keuze voor Mechelen bizar. Waarom begint men niet met een project in Antwerpen of Haren, waar de problematiek heel zwaar aanwezig is? We hebben daarover al herhaaldelijk gediscussieerd. We kennen het nieuwe fenomeen van de drones, maar in Antwerpen gebeurt het niet met drones en weet men toch perfect vanwaar dat overgooien gebeurt? Dat kan met een paar kleine ingrepen of maatregelen worden vermeden. Ik geef een voorbeeld. U kent de situatie evengoed als ik. Ga eens kijken naar de parking van het ACV in de Nationalestraat of vraag uw collega van de Regie der Gebouwen om daar te gaan kijken. Met een paar kleine ingrepen zijn er al belangrijke verbeteringen mogelijk.

Wat Wortel betreft, u hebt daarnet geantwoord dat ik de verantwoording hiervan zou hebben gezocht in het akkoord met Marokko. Ik heb dat niet gezocht, dat zijn verantwoordingen die ik in de media heb kunnen lezen. U hebt gezegd dat Marokko een deel van de gedetineerden terugneemt. Nu hebben ze ineens allemaal andere nationaliteiten. Ik dring erop aan dat er op dat vlak meer inspanningen worden geleverd.

Tot slot, in uw antwoord op mijn vragen in verband met drugs en smartphones in de gevangenissen hebt u verwezen naar de toestellen die aangekocht zijn en hebt u gezegd dat de resultaten positief zijn. Ik zal daarover nog een schriftelijke vraag indienen, maar ik krijg toch nog graag een antwoord op één vraag.

Volgens de vakbonden – het zijn niet mijn woorden – zouden er problemen zijn met het wettelijk kader, dat niet voldoende uitgewerkt is om die toestellen in te zetten. U zegt dat ze blijkbaar wel goed werken en dat de resultaten goed zijn. Vergissen de vakbonden zich dan en is het wettelijk kader wel afdoend?

Tot slot, mijnheer de minister, ik begrijp dat een aantal van de vragen die ik gesteld heb cijfervragen zijn. Die zal ik uiteraard schriftelijk stellen.

Sophie De Wit:

Mijnheer de minister, u hebt veel beantwoord, maar ik had u enkele heel concrete vragen over het probleem in Antwerpen gesteld en daar heb ik eigenlijk geen concrete antwoorden op gekregen. Ik hoop dus maar dat u, ook al bent u aan het werk in lopende zaken, er wel voor zult zorgen dat alles voortaan gecontroleerd wordt en goed werkt, in elke gevangenis en niet alleen in de Antwerpse. Waaraan het dan lag, daar heb ik geen concreet antwoord op gekregen. Werd dat dan niet regelmatig gecontroleerd? Ik heb alleen gehoord dat u in lopende zaken niet veel kunt doen. Veiligheid is echter een kerntaak. Lopende zaken of niet, u bent nog steeds verantwoordelijk. Dat de infrastructuur zich in die toestand bevindt, is ook een gevolg van het gevoerde beleid. Ik meen dat u daar ook in lopende zaken nog steeds aandacht voor moet hebben en dat u ervoor moet zorgen dat alles werkt.

Paul Van Tigchelt:

Excuseer, maar dat antwoord heb ik wel degelijk gegeven. De noodknop was niet aangesloten en wordt nu in alle gevangenissen getest. Dat heb ik meermaals gezegd.

Sophie De Wit:

Het is niet meer dan logisch dat dit gebeurt, ook al hebt u enige schroom, aangezien u in lopende zaken werkt.

Ten tweede, ik heb u veel horen zeggen over de overbevolking. Welnu, de overbevolking is één zaak en een heikel punt, maar ook de veiligheid is belangrijk. Of dat alarm kan werken, valt of staat niet met de overbevolking in de gevangenissen.

Ik heb u horen zeggen dat de huidige regering iets zal achterlaten voor de volgende. Laat ons hopen dat er inderdaad iets gebeurt in Antwerpen. Ik moet u niet herinneren aan de 720 beloofde detentieplaatsen en detentiehuizen die er niet zijn gekomen. Haren was een uitvoering van.... Ik meen dat er voor te weinig capaciteit is gezorgd voor een zinvolle detentie.

Het is cruciaal dat het masterplan weer onder handen wordt genomen, want dat is stiefmoederlijk behandeld. Dit is één incident, maar er zijn er al vele andere geweest. Veiligheid kan men nooit voor honderd procent bereiken maar u moet er alles aan doen, u in lopende zaken en de toekomstige minister, om die veiligheid te allen tijde te garanderen, buiten de cel en binnen de cel, voor het personeel, voor de gedetineerden en voor elke medewerker die in de gevangenis komt.

Stefaan Van Hecke:

Mijnheer de minister, u zei dat veiligheid nooit voor honderd procent kan worden gegarandeerd. Dat is juist, maar laten wij ervoor zorgen dat de veiligheidsprocedures en de veiligheidssystemen die er zijn wel degelijk werken. Het gaat dan om de noodknop, het mobiele alarm, voldoende personeel in de buurt enzovoort. Dat zal het percentage richting honderd procent brengen. Wij weten dat men nooit de honderd procent kan bereiken, maar wij kunnen grote stappen zetten richting die honderd procent.

U zegt dat de noodknoppen nu overal werden getest. Ik vraag mij dan af of er echt eerst zoiets moet gebeuren alvorens men test of die noodknoppen wel effectief werken. Dat zou men op regelmatige basis moeten doen. Als men in een chemisch bedrijf de alarmsystemen alleen zou testen na een ongeval, zou men grote ogen trekken.

Het fundamentele debat over de overbevolking is belangrijk. Het is een complex probleem, het is geen evidente zaak. Er zijn heel veel oorzaken. Er zijn ook heel veel maatregelen en voorstellen van oplossing mogelijk. U hebt er een aantal aangehaald. U wees naar het aantal mensen zonder papieren in de gevangenissen en naar de 1.000 geïnterneerden, die daar ook absoluut geen plaats hebben en die elders zouden moeten worden opgevangen. Wij moeten voor oplossingen naar de psychiatrie en Volksgezondheid kijken.

Er zitten echter ook heel veel mensen in voorlopige hechtenis, meer dan gemiddeld in andere landen. Ook dat debat moeten wij aangaan. Er is het pleidooi om met quota te werken. Er zijn ideeën met betrekking tot een maximale termijn voor bepaalde categorieën van misdrijven. Die ideeën hebben allemaal voor- en nadelen, ze zijn heel moeilijk. Op een bepaald moment zullen wij die discussie echter grondig moeten voeren.

Veel gedetineerden blijven tot het einde van hun straf, omdat het misschien moeilijke beslissingen zijn voor de strafuitvoeringsrechtbanken, maar ook omdat gedetineerden zelf die beslissing nemen. Dat veroorzaakt ook problemen en zorgt mede voor de complexiteit van het probleem.

Wonderoplossingen op korte termijn zijn er niet. Wel staan wij voor een mix van oplossingen. Die maatregelen zijn nodig, want het is een tikkende tijdbom. Ik zal het daarbij laten, maar ik denk dat we nog geregeld over de gevangenissen zullen debatteren in de commissie voor Justitie.

Greet Daems:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Ik heb het gevoel dat de sense of urgency nog altijd niet genoeg tot u doorgedrongen is. U zegt wel dat u zich verantwoordelijk voelt, maar tegelijkertijd trekt u een paraplu open en verstopt u zich achter het feit dat de regering in lopende zaken is. U moet eerlijk toegeven dat de vivaldiregering ook in volle bevoegdheid te weinig heeft gedaan, ondanks al die verschrikkelijke voorvallen in de gevangenissen.

U zegt dat we nooit alle incidenten kunnen vermijden, maar er had wel meer kunnen gebeuren om de recente incidenten te verhinderen, bijvoorbeeld investeringen in infrastructuur, een verbetering van het personeelsstatuut en een structurele aanpak van de overbevolking. Zolang dat niet gebeurt, is het gewoon bang afwachten tot het volgende drama.

U zegt dat u de vakbonden niet misprijst, maar dat er respect is voor het personeel. U stuurt echter uw kat naar bijna elk overleg. De beloofde loonsopslag is er niet gekomen, u valt het stakingsrecht aan en nu houdt u de conclusies van de Raad van State een maand achter, terwijl het anders beloofd was. Ik noem dat respectloos, mijnheer de minister.

Jinnih Beels:

Mijnheer de minister, ik wil ten eerste de blijk van waardering die u aan het begin van uw betoog hebt gegeven op mijn beurt aan u geven. Wij kennen elkaar uit het verre verleden. Ik twijfel er dus absoluut niet aan – laat dit duidelijk zijn – dat u en de vorige of huidige regering enorm jullie best hebben gedaan om aan een aantal zaken op het terrein tegemoet te komen.

U hebt heel wat informatie gegeven. Een aantal zaken is voor mij letterlijk verzopen in de hele massa. Neem mij dat niet kwalijk.

Mijnheer de minister, het is voor alle duidelijkheid niet uit leedvermaak dat ik over druppels op een hete plaat spreek. Dat is ook niet uit gebrek aan respect. Ik ken het terrein, waarop ik jaren heb doorgebracht. Het is vooral uit bezorgdheid, met name bezorgdheid over het personeel dat elke dag zijn leven moet riskeren.

Mijnheer de minister, op dat vlak blijf ik op mijn honger. Ik reis straks terug naar Antwerpen, terug naar de straten. Ik weet niet wat ik het personeel zal moeten vertellen. Ik bestrijd het feit dat u moeite hebt gedaan absoluut niet, maar op bijvoorbeeld mijn vraag naar quota hebt u geen antwoord gegeven.

Mijnheer de minister, het gegeven ‘vol is vol’ leeft al jaren op het terrein. Doe ook daar iets aan. Aangezien FPC’s, ziekenhuizen en de DVZ met quota werken, begrijp ik niet waarom wij geen werk maken van minstens een onderzoek om het werken met quota een kans te geven.

Ook over de alarmsystemen ben ik bezorgd. Mevrouw De Wit heeft daarnet al opgemerkt dat die systemen altijd moeten werken. Het feit dat die nu worden getest, is eigenlijk schandalig. Dat betekent immers dat ze de voorbije jaren niet getest zijn. Ik hoop dat wij daaruit een les leren en dat wij in de toekomst de systemen op regelmatige basis zullen testen. Het risico van het vak is er natuurlijk altijd voor een politiebeambte, een cipier, een advocaat maar ook een maatschappelijk werker. Het is een feit dat zij elke dag hun leven riskeren. Dat is het risico van het vak. Wij mogen dan echter absoluut garanderen en in de plaats geven dat de betrokkenen kunnen rekenen op systemen die werken.

U zult in mij sowieso een partner vinden. Ik wil ter zake heel constructief zijn. Het is echter hoog tijd om de visie op het uitvoeren van korte straffen, die ik trouwens ondersteun, te herbekijken. Moeten ze per se worden uitgevoerd in de gevangenissen, die momenteel bomvol zitten?

Zoals ook de heer Van Hecke heeft aangegeven, zullen wij in de toekomst nog nader op het thema ingaan. Het zou echter van respect voor de mensen op het terrein getuigen om met concrete oplossingen te komen.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, je ne sais pas trop comment répliquer à vos réponses extrêmement réduites. S'agissant des chiffres, je vais déposer des questions écrites, mais sans doute vais-je aussi vous réinterroger, puisque je n'ai pas obtenu de réponse à mes trois questions. En tout cas, je vous remercie.

Het seponeren van internetfraude

Gesteld aan

Paul Van Tigchelt (Minister van Justitie en Noordzee)

op 18 september 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om het capaciteitsgebrek bij justitie, waardoor steeds meer dossiers (met name drugsdelicten, cybercriminaliteit en fraude) worden geseponeerd—een stijging van 150% in vijf jaar—en parketten verschillende onderzoeksdrempels hanteren (bv. €500 in Limburg vs. €2.500 in West-Vlaanderen). Minister Van Tigchelt erkent de oneerlijke verschillen tussen parketten en belooft uniformering via het College van procureurs-generaal, maar benadrukt dat internationale daders en snelle actie (bv. phishingapps) prioriteit verdienen boven klassiek onderzoek. Van Hoecke kaart aan dat lage drempels slachtoffers ontmoedigen om aangifte te doen, het probleem onderraportage verergert en het vertrouwen in justitie verder aantast. Concreet ontbreken nog oplossingen voor structurele versterking, uniform beleid en een effectieve aanpak van geraffineerde cybercriminaliteit.

Alexander Van Hoecke:

Mijnheer de minister, u zei daarnet dat mijn vragen laten uitschijnen dat justitie niets doet. Dat is absoluut niet het geval, want dit is een voorbeeld van iets waar justitie wel iets aan wil doen, maar het eenvoudigweg niet kan omdat er een capaciteitsgebrek is.

Vorig jaar nog stelde procureur-generaal Delmulle dat door een tekort aan speurders en een enorme toevloed aan drugsdossiers het Brusselse gerecht almaar meer zaken zal moeten seponeren. Ze zullen nog strenger moeten selecteren welke dossiers nog onderzocht kunnen worden en welke niet. Over het hele land werden er vorig jaar 18.691 dossiers geseponeerd wegens capaciteitsgebrek. Dat is een stijging van 150 % in vijf jaar.

Er is niet alleen een groeiend drugsprobleem, maar ook een groeiend probleem van een tekort aan gespecialiseerde speurders die belangrijke drugsdossiers en andere zware criminaliteit, zoals cybercrime, financiële en economische fraude, mensensmokkel en terrorisme, onderzoeken, vooral in Brussel en Antwerpen.

Enkele maanden geleden vernamen we dat het parket van Oost-Vlaanderen geen zaken van internetfraude meer onderzoekt als het slachtoffer daarbij minder dan 1.000 euro heeft verloren. Het gerecht heeft namelijk te weinig mensen in dienst om de grote hoeveelheid aangiftes allemaal te kunnen verwerken.

Ook andere parketten hebben zo'n ondergrens ingevoerd. Zo maakte het parket van West-Vlaanderen vorig jaar al bekend dat het geen internetfraude meer zal onderzoeken waarbij minder dan 2.500 euro verloren is gegaan. De procureur zei dat ze eenvoudigweg te weinig personeel hebben om al die dossiers te onderzoeken. Bij het parket van Limburg ligt die grens op 500 euro.

Mijnheer de minister, het geloof en vertrouwen in justitie is nog nooit zo laag geweest. Als we zulke zaken horen, is dat allesbehalve verwonderlijk. Elke vorm van criminaliteit zou moeten worden bestraft. Welke maatregelen zult u nemen om die kwalijke trend te doen keren? In welke middelen voorziet u daarvoor? Tegen wanneer kunnen we resultaten verwachten?

Als iemand in Limburg het slachtoffer wordt van internetfraude ten bedrage van bijvoorbeeld 900 euro, dan zal het dossier wel onderzocht worden. Een soortgelijk dossier zal in het merendeel van de andere provincies echter niet onderzocht worden. Dat kan toch niet uitgelegd worden aan de bevolking? Hoe staat u daartegenover? Welke superviserende maatregelen kunt en zult u nemen om ervoor te zorgen dat dergelijke discrepanties op het niveau van de parketten worden weggewerkt?

Paul Van Tigchelt:

Mijnheer Van Hoecke, u stelde dat er steeds meer vormen van criminaliteit niet meer worden onderzocht. Ik ben twintig jaar magistraat geweest en ik onderschrijf die stelling absoluut niet. Het tijdperk van de Bende van Nijvel ligt ver achter ons. We hebben het gehad over de overbevolking in de gevangenissen. Gedetineerden komen daar niet zomaar terecht. De gestage toename van het aantal gevangenisstraffen, enkelbanden en werkstraffen is er niet gekomen doordat politie en justitie niets doen.

Wat initiatieven voor meer speurders en magistraten betreft, is er de voorbije legislatuur geïnvesteerd in extra speurders en magistraten. Netto is er een toename van het aantal speurders bij de FGP. Indien u hiervoor een schriftelijke vraag indient, zal ik u de gedetailleerde cijfers bezorgen.

Wat de aanpak van de internetfraude betreft, zijn de verschillen tussen de parketten inderdaad te groot. Daar hebt u zeker een punt. Ik verwijs naar artikel 151 GW, dat bepaalt dat het strafrechtelijk beleid wordt bepaald door de minister, samen met het College van procureurs-generaal. Mijn voorganger en ikzelf hebben in het verleden besprekingen met het College van procureurs-generaal gevoerd om tegemoet te komen aan dat punt. Het mag immers niet zo zijn dat men in Limburg en Oost-Vlaanderen een andere aanpak met verschillende drempels hanteert. Men werkt eraan om het vervolgingsbeleid zo uniform mogelijk te maken, maar die gelijke drempels zijn er voor alle duidelijkheid nog niet. Het probleem met internetfraude is onder meer dat de dadergroepen internationaal opereren en zich schuilhouden in landen waarmee samenwerking vaak onmogelijk blijkt.

Snel optreden is in het kader van phishing noodzakelijk, veeleer dan een klassieke manier van onderzoeken met het opstellen van een pv, waarna men beslist om al dan niet verder onderzoek te verrichten. We moeten snel handelen. Dat kan inderdaad met phishingapps die worden ontwikkeld om te vermijden dat slachtoffers geld wordt ontfutseld dat wordt overgemaakt naar een ver land als Nigeria. Dan is het immers al te laat. We moeten inzetten op snel rechercheren en dat maakt ook het voorwerp uit van bepaalde informaticatechnische toepassingen.

Alexander Van Hoecke:

Mijnheer de minister, ik dank u voor het antwoord. Ik zal de cijfers zeker ook nog schriftelijk opvragen. Het is belangrijk dat wij beseffen dat internetfraude allang niet meer gaat over het krijgen van een mailtje van een Nigeriaanse of Saoedische prins die zijn erfenis aan de ontvanger wil schenken. Internetfraude wordt steeds geraffineerder. Niettemin bestaat door het beleid ter zake de indruk dat vaak enkel naïeve of oudere mensen ten prooi vallen aan internetfraude. Daardoor rust er ook een stigma op de aangifte ervan en voelen mensen zich vaak ronduit beschaamd om daarover te praten. Dat beneden een bepaald bedrag de zaak wordt geseponeerd, is een compleet verkeerd signaal. Het zorgt ervoor dat het probleem niet degelijk in kaart kan worden gebracht. De betrokkenen doen dan immers geen aangifte meer. Bovendien zorgt het ervoor dat slachtoffers actief wordt ontraden aangifte te doen. Dat lijkt mij absoluut onaanvaardbaar. Ik hoop dat wij het probleem ernstig blijven nemen en dat wij het in de toekomst ernstiger zullen nemen. Ik hoop ook dat een volgende regering grondig werk kan maken van een doortastende aanpak van internetfraude.

De uitvoering van de door de politierechtbank uitgesproken straffen

Gesteld door

lijst: VB Marijke Dillen

Gesteld aan

Paul Van Tigchelt (Minister van Justitie en Noordzee)

op 18 september 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Een dronken recidivist met 14 verkeersveroordelingen veroorzaakte een dodelijk ongeval doordat eerdere straffen (rijverbod, tests) niet werden uitgevoerd, wat een structureel falen in strafuitvoering blootlegt. Minister Van Tigchelt erkent het probleem van oncontroleerbare "verkeersterroristen" met bijna 100% recidive, maar wijst korte gevangenisstraffen af (afgeschaft in nieuw Strafwetboek) en zet in op toekomstige technologische oplossingen (onduidelijk welke). Dillen kritiseert dit als onvoldoende concreet en benadrukt dat de afschaffing van korte celstraffen—tegen advies van magistratuur—een verkeerde keuze was, gezien hun potentieel schokeffect. De kern: systeemfaalt, oplossingen ontbreken.

Marijke Dillen:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ik verwijs naar de tekst van mijn vraag zoals ingediend.

Een 50-jarige werd enkele weken aangehouden voor onopzettelijke doding nadat hij met zijn auto achteraan inreed op de wagen van een jong gezin uit Kortemark.

De vader, de moeder en het achtjarig dochtertje van het gezin overleefden de klap niet. Na onderzoek bleek dat de schrijnwerker uit Torhout drie tot vier keer meer gedronken had dan toegelaten.

De man bleek bovendien een recidivist. In het verleden verzamelde hij minstens veertien veroordelingen voor allerhande verkeersinbreuken. Zijn vermoedelijk laatste veroordeling dateert van oktober 2021. Toen werd hij in beroep veroordeeld tot een rijverbod van drie maanden en een boete van 1.600 euro, omdat hij zonder verzekering met een niet-gekeurd voertuig rondreed.

In eerste aanleg veroordeelde de rechtbank hem nog tot zes maanden rijverbod. De rechter in beroep bracht de straf terug tot drie maanden, maar oordeelde dat L. zijn rijbewijs pas terug kon krijgen als hij zijn theoretische en praktische rijexamen opnieuw zou afleggen, en een reeks medische en psychologische tests zou ondergaan. Het vonnis in graad van beroep werd naar verluidt nooit officieel betekend waardoor het dode letter bleef.

Een gewezen politierechter die met deze zaak werd geconfronteerd stelt dat de diversiteit die aan straffen kunnen worden opgelegd, een enorme druk legt op de uitvoerbaarheid van de uitgesproken straffen. Hij stelt zelf dat de strafuitvoering een catastrofe is.

Steeds meer chauffeurs zouden een opgelegd rijverbod niet respecteren omdat dit heel moeilijk te controleren valt. De oud-politierechter pleit bovendien in sommige gevallen voor de invoering van korte gevangenisstraffen van drie tot vijf dagen die effectief worden uitgevoerd. Dit zou een schokeffect creëren dat mensen meer zou doen nadenken.

1. Wat is de mening van de minister op de beschouwingen van de oud politierechter in concreto dat de strafuitvoering een catastrofe is en de diversiteit aan op te leggen straffen de uitvoerbaarheid van de straffen in het gedrang brengt?

2. Welke maatregelen zal de minister op kort-, middellange-, en lange termijn nemen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de strafuitvoering significant verbetert?

3. Hoe staat de minister tegenover de suggestie van de oud politierechter om in sommige gevallen -als schokeffect- recidivisten direct een korte gevangenisstraf te laten ondergaan. Indien de suggestie wordt gedeeld, zal de minister hiervoor de nodige initiatieven nemen om deze straf in de regelgeving te incorporeren?

Paul Van Tigchelt:

Mevrouw Dillen, deze politierechter had eerder in de pers reeds haar frustratie geuit. Ze hekelt dat er een harde kern van 'verkeersterroristen' is in dit land, die keer op keer voor een politierechter verschijnt. Het blijkt dat de recidivekans bij dit soort verkeerscriminelen quasi 100 % is. Ik heb daarover statistieken van Vias gezien. Hoe kan men beletten dat zulke mensen achter het stuur kruipen? Men kan hen namelijk een verval van het recht tot sturen opleggen of hen in de gevangenis stoppen, maar ooit komen ze vrij. Men kan hen zelfs een levenslang verval van het recht tot sturen opleggen of een alcoholslot, maar men kan niet vermijden dat ze ooit toch achter het stuur kruipen, bijvoorbeeld van het voertuig van een familielid of vriend. Dan maken ze opnieuw slachtoffers door onder invloed en/of te snel te rijden.

Dat is wat we een aantal keer hebben gezien en wat leidt tot frustratie bij de politierechters. Zij pleiten ervoor om daarvoor de korte gevangenisstraf van zes maanden in te voeren. Collega Dillen, u weet echter evengoed als ik dat we met het nieuwe Strafwetboek de gevangenisstraffen tot zes maanden hebben afgeschaft, omdat we menen dat de detentieschade voor zulke korte straffen te groot is.

Om te vermijden dat dergelijke verkeersterroristen achter het stuur kruipen, moeten we kijken naar technologie. Er zijn technologische oplossingen nodig om te vermijden dat mensen die van een rechter het verbod kregen om achter een stuur te kruipen nog slachtoffers maken.

Marijke Dillen:

Mijnheer de minister, ik begrijp dat het niet mogelijk is om naast iedereen met een veroordeling tot een rijverbod een agent te zetten, maar de genoemde feiten waren wel bijzonder tragisch. De uitingen van frustratie van de politie, overigens van een oud-politierechter, begrijp ik wel. Ik neem aan dat u die ook begrijpt. Naar aanleiding van de bespreking van het Strafwetboek werd de gevangenisstraf van zes maanden inderdaad afgeschaft, maar u weet dat mijn fractie daarmee absoluut niet akkoord is gegaan. Het advies in dat verband, onder andere van de procureurs-generaal en de magistratuur, was trouwens negatief, want zij stellen dat een gevangenisstraf van zes maanden in sommige gevallen echt een schokeffect kan teweegbrengen. Dat is weer een illustratie van een verkeerde beslissing. U zegt dat u kijkt naar de technologie. Het is misschien heel mooi te weten dat er in de toekomst technologische oplossingen komen, maar ik krijg niet te horen over welke technologische oplossingen u precies spreekt. Daarover had ik toch graag wat meer informatie gekregen, want ik denk dat die technologische oplossingen momenteel helaas nog altijd niet bestaan.

De vrijlating van de moordenaar van Kitty Van Nieuwenhuysen

Gesteld door

lijst: VB Marijke Dillen

Gesteld aan

Paul Van Tigchelt (Minister van Justitie en Noordzee)

op 18 september 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De drie veroordeelden voor de moord op inspecteur Kitty Van Nieuwenhuysen (30 jaar cel) zijn inmiddels alle vrijgelaten onder voorwaarden, waaronder schadevergoeding en contactverboden, maar naleving wordt onvoldoende gecontroleerd. Justitiehuizen in Namen en Charleroi volgen hen op, maar betalingen aan slachtoffers blijven onduidelijk—alleen bij *weigering* of *onvoldoende inspanning* (afgestemd op financiële draagkracht) kan intrekking volgen. Dillen betwist de effectiviteit, vindt de straf te licht en eist helderheid over minimale vergoedingsnormen, terwijl Van Tigchelt verwijst naar het parket: *geen concrete bedragen, enkel "mogelijkheidsafhankelijk"*. Nabestaanden ontvangen geen zekerheid op compensatie.

Marijke Dillen:

Mijnheer de voorzitter, ik verwijs naar de schriftelijke versie van de ingediende vraag.

Galip Kurum, die verantwoordelijk was voor het neerschieten van inspecteur Kitty Van Nieuwenhuysen, is door de strafuitvoeringsrechtbank vrijgelaten. Dit betekent dat nu alle drie de veroordeelde daders van de moord weer op vrije voeten zijn.

Drie verdachten werden in het voorjaar van 2011 hiervoor berecht. Ze werden veroordeeld tot 30 jaar cel. Het assisenhof bevond hen schuldig aan meerdere misdrijven: de gewelddadige homejacking waarbij Kitty Van Nieuwenhuysen werd doodgeschoten, de brandstichting van de gestolen Peugeot van de familie Sacoor in Lot, de gewelddadige diefstal van een zwarte Volvo die ze eveneens in Lot achterlieten, en de diefstal van de nummerplaten die op die Volvo waren gemonteerd.

Twee van de drie veroordeelden kwamen -spijtig genoeg- al eerder vrij: Noureddine Cheikhni in september 2018 en Hassan Iasir in december 2021.

Als we de media mogen geloven besloot de strafuitvoeringsrechtbank op 1 juli dat Kurum, onder voorwaarden, na 16 jaar de gevangenis van Nijvel mag verlaten. Net als de andere twee veroordeelden zou Kurum zijn slachtoffers moeten vergoeden.

Daarnaast mag hij geen contact opnemen met de slachtoffers en moet hij wegblijven uit tien plaatsen, waaronder Beersel, Leuven en Brussel.

Uit berichten blijkt dat één van de voorwaarden die aan de vrijgekomen moordenaars werden opgelegd erin bestaat dat ze slachtoffers vergoeden. In 2018 en 2021 werden er twee moordenaars vrijgelaten. Kunt u mij berichten of de naleving van de opgelegde voorwaarden door de daders worden gerespecteerd? En er dus reeds sprake is geweest van het betalen van schadevergoedingen?

Zal de derde vrijgekomen crimineel hierop tevens worden gecontroleerd? Zijn er nog andere voorwaarden die werden opgelegd? En op welke manier worden opgelegde voorwaarden in het algemeen, en de opgelegde voorwaarden in deze zaak in het bijzonder gecontroleerd?

Vanaf wanneer wordt er besloten dat de opgelegde voorwaarden inzake vergoeden van slachtoffers niet is voldaan? Indien er niet wordt bijgedragen naargelang de mogelijkheden, of volstaat een minimale geldsom per maand om te besluiten dat aan deze voorwaarde wel werd voldaan?

Paul Van Tigchelt:

Collega Dillen, het parket van Brussel heeft me daarnet nog daaromtrent informatie overgemaakt, weliswaar in het Frans.

U hebt drie vragen gesteld over die zaak. De strafuitvoeringsrechtbank staat in voor het opvolgen van het naleven van de voorwaarden. Mag ik verder citeren in het Frans? (Ja)

"Iasir Hassan a obtenu la libération conditionnelle par le tribunal d'application des peines de Bruxelles (TAP) le 20 décembre 2021. Il est suivi par la maison de justice de Namur.

Kurum Galip a obtenu la libération conditionnelle par le TAP de Bruxelles le 1 er juillet 2024 après plusieurs jugements de refus de modalités. Il est suivi par la maison de justice de Charleroi.

Le respect des conditions individuelles est vérifié par la police et l'assistant de justice chargé de la guidance. Ce dernier adresse de manière régulière des rapports à l'attention du TAP. Une copie de ces rapports est transmise au ministère public et si un manquement à l'une des conditions est porté à la connaissance du parquet, s'il échet, un réquisitoire en révocation de la libération conditionnelle peut être tracé afin de saisir le tribunal d'application des peines.

L'indemnisation des victimes se fait en fonction des capacités financières de l'intéressé. Si celles-ci augmentent, l'indemnisation des victimes doit augmenter en conséquence. S'il y a refus manifeste d'indemniser, le parquet peut demander la révocation de la mesure accordée."

Voilà la réponse du parquet de Bruxelles.

Marijke Dillen:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. De eerste twee betrokkenen worden, indien ik het goed heb begrepen, op dit ogenblik opgevolgd door het justitiehuis van Charleroi en het justitiehuis van Namen. Hoe zit het echter met de betaling van de schadevergoeding? Wordt die daaraan gekoppeld? Ik had ook de vraag gesteld over de derde gedetineerde of crimineel die bij de moord betrokken was. Indien hij voor de rechtbank zal komen, wordt hij dan ook heel strikt opgevolgd door het justitiehuis? Een niet onbelangrijke vraag was ook vanaf wanneer wordt beslist dat aan de opgelegde voorwaarde inzake het vergoeden van slachtoffers niet is voldaan. Op die vraag heb ik geen antwoord gekregen. Is dat het geval indien niet wordt bijgedragen naargelang de mogelijkheden, of volstaat een minimumgeldsom per maand om te beslissen dat aan de voorwaarde wel is voldaan? Daarover had ik graag enige toelichting gekregen. Mijnheer de minister, ook al worden de twee daders, en binnenkort misschien ook de derde, strikt opgevolgd door het justitiehuis, de nabestaanden zijn daar niks mee. Zij krijgen geen enkele degelijke schadevergoeding. Ten slotte, mijnheer de minister, ik wil hierover geen misverstanden laten bestaan. Onze fractie betreurt dat de betrokkenen, die heel zware feiten hebben gepleegd, voorwaardelijk vrijkomen, in dit geval onder voorwaarden. Wij zijn van mening dat zij hun straf volledig moeten uitzitten. Dat is echter een politieke discussie. Ter zake kent u het standpunt van onze fractie. Niettemin kreeg ik graag nog een antwoord op de vraag over de schadevergoeding.

De gerechtelijke achterstand

Gesteld door

lijst: VB Marijke Dillen

Gesteld aan

Paul Van Tigchelt (Minister van Justitie en Noordzee)

op 18 september 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De gerechtelijke achterstand in België zorgt voor onacceptabele vertragingen (bv. 2 jaar wachttijd voor verkeerszaken in beroep in Gent) en stijgende seponeringen (125% toename in 5 jaar door politiecapaciteitsgebrek), wat het burgersvertrouwen in justitie (gedaald van 66% naar 54%) verder ondermijnt. Van Tigchelt (ontslagnemend minister) wijst op bestaande maatregelen (extra aanwervingen, efficiëntere processen) en benadrukt dat slimmere werking – niet enkel meer personeel – cruciaal is, maar kan als demissionair geen nieuwe plannen lanceren. Dillen kaart de acute risico’s aan (bv. dronken bestuurders die jaren ongestraft blijven rijden) en dringt aan op structurele oplossingen, ondanks regionale verschillen (Vlaanderen minder erg dan Brussel). Concreet ontbreekt een direct actieplan; afwachten van werklastmetingen en de opvolger schuift de oplossing vooruit.

Marijke Dillen:

Mijnheer de voorzitter, ik verwijs naar de ingediende vraag.

Wie vandaag een straf krijgt van de politierechter in Gent, bijvoorbeeld wegens dronken of te hard rijden, maar daartegen in beroep gaat, kan nog tot juni 2026 blijven rondrijden. Dan pas kan de zaak in beroep worden behandeld, zei de procureur-generaal van Gent Erwin Dernicourt tijdens zijn openingsrede voor het gerechtelijk jaar. Die lange wachttijd in Gent is een gevolg van de 'stock' aan verkeerszaken die in beroep moeten worden behandeld. Die telt momenteel 1.400 dossiers. In Dendermonde is er een wachttijd van vijftien maanden.

Ook de procureur-generaal van Brussel ging tijdens zijn openingsrede in op de stock aan strafdossiers in zijn rechtsgebied (Vlaams- en Waals-Brabant en Brussel-hoofdstad). De laatste tien jaar is de stapel bij dat hof van beroep met 1.863 zaken toegenomen. De stijging doet zich vooral voor bij de Franstalige kamers. Tegelijk stelt procureur-generaal Frédéric Van Leeuw vast dat het aantal seponeringen om 'opportuniteitsredenen' alleen maar toenam. Die motivatie voor een seponering betekent doorgaans dat de politie er geen capaciteit voor heeft. “Vooral het aantal zaken dat geen gevolg kreeg vanwege andere prioriteiten bij opsporings- en vervolgingsbeleid, kende een onrustwekkende evolutie", zei Van Leeuw. “Tussen 2018 en 2023 steeg dat van 7.334 naar 16.523 zaken, een stijging van liefst 125 %.

De cijfers zijn voor Van Leeuw slechts een opstap naar dé kwestie bij justitie vandaag: het dalende vertrouwen dat de bevolking in het gerecht heeft. Volgens de jongste Justitiebarometer is het vertrouwen van de burgers gedaald van 66 procent in 2007 naar 54 % in 2024.

Het probleem van de gerechtelijke achterstand is een probleem dat reeds decennia speelt. Talrijke ministers van Justitie hebben hierop hun tanden stukgebeten, niet in het minst door deze problematiek te minimaliseren dan wel maatregelen te nemen in de marge. Feit is dat alle in het verleden genomen maatregelen blijkbaar weinig zoden aan de dijk hebben gebracht.

Welke maatregelen en welk plan hebt u om de gerechtelijke achterstand terug te dringen, op korte-, middellange- en lange termijn?

Hoe zit het met de werklastmetingen, en wanneer zullen de resultaten eindelijk uitmonden in een onderbouwd plan van aanpak?

Welke middelen gaat u vrijmaken om dit kwalijk fenomeen grondig aan te pakken?

Gaat u een plan uitwerken om extra magistraten - zowel in de zittende als staande magistratuur - aan te werven? Kunt u dit toelichten?

Paul Van Tigchelt:

Mevrouw Dillen, ik heb hierbij twee opmerkingen. De eerste heb ik al gegeven. Ik ben ontslagnemend minister van Justitie, in lopende zaken. Ik kan geen nieuwe initiatieven ontwikkelen. Ik kan alleen verdergaan met bestaande initiatieven. U weet welke initiatieven wij de vorige legislatuur hebben genomen. Er zijn extra aanwervingen gebeurd van magistraten, juristen, referendarissen en criminologen. Wij hebben ook nieuwe middelen ter beschikking gesteld, want het is geen kwestie van steeds maar meer magistraten aan te werven, justitie moet slimmer worden, met slimme maatregelen die wel degelijk effect hebben.

Uw vraag met betrekking tot het begrip gerechtelijke achterstand is mij niet geheel duidelijk, want er worden verschillende situaties aangehaald. Het is noodzakelijk om een definitie van het begrip gerechtelijke achterstand te hebben, om op basis daarvan gedetailleerde cijfers te hebben van de verschillende gerechtelijke entiteiten. Wij weten inderdaad dat het in Brussel bij het hof van beroep pijnlijk is. In de andere hoven van beroep, zeker in Vlaanderen, is dat echter veel minder het geval. Er zijn zelfs advocaten die vragen om wat trager te gaan, omdat de zaken te snel worden vastgesteld. Wat ik u nu vertel, is geen fabeltje.

Het College van de hoven en rechtbanken heeft zijn werklastmeting afgewerkt. De resultaten van de werklastmeting van het College van het openbaar ministerie zijn er nog niet. Op basis van die gegevens moet de volgende minister van Justitie, samen met de gerechtelijke autoriteiten, bekijken welke bijkomende of nieuwe initiatieven haalbaar en nuttig zijn.

Marijke Dillen:

Mijnheer de minister, ik weet dat u alleen de bestaande initiatieven verder kunt opvolgen en dat u geen nieuwe initiatieven mag nemen. Het blijft echter een feit dat procureur-generaal Frédéric Van Leeuw vaststelde en aankaartte dat het aantal seponeringen om opportuniteitsredenen blijft toenemen, met als enige reden onvoldoende capaciteit bij de politie. U verwees naar Brussel. De situatie daar is inderdaad heel pijnlijk. U zegt dat het in Vlaanderen beter is. Het feit dat de procureur-generaal van Gent deze problematiek ook vrij recent aankaartte, meer bepaald in zijn openingsrede enkele dagen geleden, is heel significant. Hij gaf een voorbeeld: iemand die vandaag veroordeeld is wegens dronken of te snel rijden, kan nog vrij en vrolijk tot 2026 blijven rondrijden vooraleer zijn zaak in graad van beroep zal worden behandeld. Dat is iets wat niet kan, mijnheer de minister. We moeten ons daar ernstig over bezinnen en onderzoeken hoe we hierin verandering kunnen brengen. Dronken bestuurders, zeker wanneer ze recidivist zijn, zijn werkelijk een gevaar voor de samenleving, voor uw kinderen, voor mijn kinderen, voor iedereen in onze samenleving. Ik vind het onaanvaardbaar dat die daders volgens de cijfers van de procureur-generaal in Gent nog twee jaar vrij en vrolijk kunnen blijven rondrijden.

Wetsontwerp (1143)

Wetsontwerp houdende de militaire programmering van investeringen, personeel en technologische versterking voor de periode 2026-2034

Wetsontwerp aangenomen op 18 december 2025

Wetsontwerp (986)

Wetsontwerp houdende de strafbaarstelling van de ontsnapping van gedetineerden de strafbaarstelling en van de beschadiging of verduistering van het elektronisch toezichtsmateriaal en betreffende het afnemen van drugstesten in de gevangenis en de herroeping van het elektronisch toezicht in het kader van de strafuitvoering

Wetsontwerp aangenomen op 18 december 2025

Wetsvoorstel (267)

Wetsvoorstel tot wijziging van de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden wat de drugstesten bij gedetineerden betreft

Wetsvoorstel

Wetsvoorstel (907)

Wetsvoorstel tot wijziging van diverse bepalingen voor wat betreft de invoering van de strafbaarstelling van de ontsnapping van gedetineerden en van de beschadiging of sabotage van een enkelband

Wetsvoorstel

Voorstel van resolutie (1047)

Voorstel van resolutie over de oorlog, de hongersnood en de mensenrechtenschendingen in Soedan

Voorstel van resolutie aangenomen op 18 december 2025

Wetsontwerp (1105)

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 24 januari 1977 betreffende de bescherming van de gezondheid van de gebruikers op het stuk van de voedingsmiddelen en andere produkten

Wetsontwerp aangenomen op 18 december 2025

Wetsontwerp (980)

Wetsontwerp betreffende de financiële ondersteuning van sommige buitenlandse militairen die een opleiding volgen aan een Belgische militaire onderwijsinstelling

Wetsontwerp aangenomen op 4 december 2025

Wetsontwerp (981)

Wetsontwerp tot wijziging van diverse bepalingen betreffende het statuut van de militairen

Wetsontwerp aangenomen op 4 december 2025

Wetsontwerp (990)

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 18 maart 1838 houdende organisatie van de Koninklijke Militaire School

Wetsontwerp aangenomen op 4 december 2025

Wetsvoorstel (384)

Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, ter verduidelijking van de aard van het beroep tegen de beslissing van de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders

Wetsvoorstel aangenomen op 4 december 2025

Wetsvoorstel (1065)

Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 4 juli 1989 betreffende de beperking en de controle van de verkiezingsuitgaven voor de Kamer van volksvertegenwoordigers, de financiering en de open boekhouding van de politieke partijen om de forfaitaire bedragen te bevriezen en de indexering van de financiering van de politieke partijen op te heffen

Wetsvoorstel aangenomen op 20 november 2025

Wetsontwerp (991)

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 16 maart 1994 betreffende het statuut en de bezoldiging van het onderwijzend personeel van de Koninklijke Militaire School Wetsontwerp ter aanpassing van het statuut en de bezoldiging van leraren aan de Koninklijke Militaire School

Wetsontwerp aangenomen op 13 november 2025

Wetsontwerp (946)

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 15 mei 2007 tot erkenning en bescherming van het beroep van auto-expert en tot oprichting van een Instituut van de auto-experts (I) Wetsontwerp ter modernisering van erkenning en bescherming van het auto-expertberoep en het Instituut van Auto-experts

Wetsontwerp aangenomen op 13 november 2025

Wetsontwerp (947)

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 15 mei 2007 tot erkenning en bescherming van het beroep van auto-expert en tot oprichting van een Instituut van de auto-experts voor wat betreft het beroep tegen de verkiezingsresultaten (II) Wetsontwerp ter aanpassing van de beroepsprocedure voor auto-experts tegen verkiezingsresultaten binnen het Instituut der auto-experts

Wetsontwerp aangenomen op 13 november 2025

Voorstel van resolutie (84)

Voorstel van resolutie betreffende de oprichting binnen het federaal parket van een afdeling die gespecialiseerd is in zware economische en financiële criminaliteit en in corruptie Wetsontwerp ter oprichting van een gespecialiseerde afdeling voor bestrijding van zware economische criminaliteit en corruptie binnen het federaal parket

Voorstel van resolutie verworpen op 6 november 2025

Wetsvoorstel (296)

Wetsvoorstel tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek inzake de retributie ter financiering van het centraal register collectieve schuldenregelingen

Wetsvoorstel aangenomen op 23 oktober 2025

Wetsvoorstel (949)

Wetsvoorstel betreffende het versturen van een sensibiliseringsbrief inzake de gewijzigde veiligheidssituatie waarvoor de toegang tot bepaalde informatiegegevens van het Rijksregister van natuurlijke personen aan het ministerie van Landsverdediging noodzakelijk is

Wetsvoorstel aangenomen op 9 oktober 2025

Vast Comité van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten – Centrale Toezichtsraad voor het Gevangeniswezen – Begrotingsaanpassingen 2025

Voorstel van resolutie (491)

Voorstel van resolutie betreffende de vrijheid van meningsuiting en de bescherming van journalisten en mensenrechtenactivisten in Azerbeidzjan Wetsontwerp ter bescherming van journalisten en mensenrechtenactivisten in Azerbeidzjan.

Voorstel van resolutie zonder onderwerp

Voorstel van resolutie (777)

Voorstel van resolutie betreffende de nakende executies van politieke gevangenen door het Iraanse regime Wetsontwerp ter voorkoming executies politieke gevangenen Iran.

Voorstel van resolutie zonder onderwerp

Wetsontwerp (927)

Wetsontwerp houdende maatregelen met het oog op de vermindering van de overbevolking in de gevangenissen

Wetsontwerp aangenomen op 17 juli 2025

Wetsvoorstel (459)

Wetsvoorstel tot wijziging van de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden, de wet van 12 mei 2019 tot oprichting van een Federaal Instituut voor de bescherming en de bevordering van de rechten van de mens en de wet van 22 maart 1995 tot instelling van federale ombudsmannen, teneinde pensioenrechten toe te kennen

Wetsvoorstel aangenomen op 10 juli 2025

Wetsontwerp (912)

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen wat betreft de behandeling van een volgend verzoek om internationale bescherming Wetsontwerp ter aanpassing van behandeling volgend verzoek internationale bescherming vreemdelingen.

Wetsontwerp aangenomen op 10 juli 2025

Wetsvoorstel (272)

Wetsvoorstel tot wijziging van de artikelen 572bis en 1184 van het Gerechtelijk Wetboek, van het hoofdstuk VI, van boek IV, van het vierde deel van hetzelfde Wetboek, met betrekking tot de verdelingen en veilingen, evenals van artikel 4.101 van het Burgerlijk Wetboek

Wetsvoorstel

Wetsvoorstel (226)

Wetsvoorstel tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek teneinde de dierenbeschermings–verenigingen de bevoegdheid toe te kennen om in rechte op te treden

Wetsvoorstel verworpen op 5 juni 2025

Voorstel van resolutie (53)

Voorstel van resolutie betreffende de afkondiging van een volledig en onmiddellijk militair embargo tegen Israël Wetsontwerp ter instelling van een volledig en onmiddellijk militair embargo tegen Israël.

Voorstel van resolutie verworpen op 5 juni 2025

Voorstel van resolutie (734)

Voorstel van resolutie betreffende het behoud van de zes meergemeentepolitiezones in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest Wetsontwerp ter behoud van zes meergemeentepolitiezones in Brussels Gewest

Voorstel van resolutie verworpen op 22 mei 2025

Voorstel van resolutie (311)

Voorstel van resolutie betreffende het versterken van de interfederale samenwerking rond veiligheid en defensie in de defensie-innovatie en de defensie-industrie Wetsontwerp ter versterking van interfederale samenwerking in defensie-innovatie en -industrie.

Voorstel van resolutie aangenomen op 30 april 2025

Voorstel van resolutie (265)

Voorstel van resolutie betreffende de herinneringseducatie en de burgerschapsvorming inzake het Belgisch verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog

Voorstel van resolutie aangenomen op 10 april 2025

Wetsvoorstel (656)

Wetsvoorstel tot omzetting van Richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden, wat de Kamer van volksvertegenwoordigers en de Senaat betreft

Wetsvoorstel aangenomen op 13 maart 2025

Voorstel tot wijziging reglement (657)

Voorstel tot wijziging van het Reglement van de Kamer van volksvertegenwoordigers ingevolge de omzetting van Richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden, wat de Kamer van volksvertegenwoordigers betreft

Voorstel tot wijziging reglement aangenomen op 13 maart 2025

Voorstel tot wijziging reglement (637)

Voorstel tot wijziging van het Reglement van de Kamer van volksvertegenwoordigers, met het oog op technische aanpassingen in verband met de commissie voor de opvolging van de militaire missies en de commissie belast met de controle op de legeraankopen en -verkopen

Voorstel tot wijziging reglement aangenomen op 13 februari 2025

Voorstel van resolutie (370)

Voorstel van resolutie betreffende het bewapenen van UAS capaciteiten van Defensie

Voorstel van resolutie aangenomen op 13 februari 2025

Wetsontwerp (672)

Wetsontwerp houdende wijziging van de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle Wetsontwerp ter bescherming bevolking en milieu tegen ioniserende straling en aanpassing Fanc-wetgeving

Wetsontwerp aangenomen op 13 februari 2025

Wetsvoorstel (438)

Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 28 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de militairen en kandidaat-militairen van het actief kader van de krijgsmacht wat het statuut van de prinsen van de koninklijke familie betreft Wetsontwerp ter aanpassing militairenstatuut voor leden koninklijke familie.

Wetsvoorstel verworpen op 9 januari 2025

Wetsvoorstel (583)

Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 15 mei 2024 houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie en diverse bepalingen II

Wetsvoorstel aangenomen op 19 december 2024

Wetsvoorstel (572)

Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 4 juli 1989 betreffende de beperking en de controle van de verkiezingsuitgaven voor de Kamer van volksvertegenwoordigers, de financiering en de open boekhouding van de politieke partijen voor wat betreft een besparing op de partijdotaties

Wetsvoorstel aangenomen op 19 december 2024

Wetsvoorstel (539)

Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 15 mei 2024 houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie en diverse bepalingen II voor wat betreft de overheveling van het grondgebied van de voormalige gemeente Meulebeke naar het gerechtelijk kanton Tielt

Wetsvoorstel aangenomen op 12 december 2024